|
«quot;\' ƒ ■4 :. -gt;gt; K ■ lt; \'i V1 |
„ «ft . \' ■ T\\ i f ^ , /i~r4 iV. rf ^ 4 \' / |
|
H i i\\:,t ■\' ■ ^ \' a gt;- -VL** ^nr |
Y ^ 1 V rA |
gt;gt; gt;* f « V ^
. .f ^ ^
- ■ , . f l-tS»\': .\' lt;\'
f; ^ ■gt; • l :::gt;.. »* gt;■
\'ïA-. „ V -,♦• .
^ m.-
w f **
quot;£gt;:, w
i /
*\'* ./■ ■:lt;- ts \'• _ A-- t 7 -ï 7
■quot; gt; - W
.quot;w V-
DEHARBE\'S
VERKLARING
\\ DER
KATHOLIEKE
GELOOFS- es ZEDELEER
BEWERKT EN VERMEERDERD
DOOR
B. DANKELMA N,____■ gt;„.
Pastoor.
*//
//Of
Nieuwe uitgave
MET AARTSBISSCHOPPELIJKE GOEDKEURING.
f
DERDE DEEL.
UTRECHT,
Wed. J. R. VAN ROSSUM. 1888.
GOEDKEURING.
Het Derde deel der Derde uitgave van Deliarbe\'S Verklaring dor Katholieke Geloofs- en Zedeleerquot;
wordt bij deze door Ons goedgekeurd en bizonder aanbevolen.
ütbecht den 11 Januari 1882.
De Aartslisschop van Utrecht, t A. I. SCHAEPMAN.
INHOUD.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Over de geboden.
Is het ter zaligheid genoeg, als wij alles gelooven, wat God geopenbaard heeft? Kunnen wij de geboden Gods onderhouden?
Bladz. 1—5.
Over de voornnamste geboden.
Welke is het gebod, dat alle overige geboden in zich bevat?
Bladz. 6—8.
§ 1. Over de liefde lot €iod.
Wat is de liefde tot God? Hoedanig moet onze liefde tot God zijn? Waarom moeten wij God beminnen? Wanneer is onze liefde tot God volmaakt, en wanneer is zij onvolmaakt? Waardoor wordt de Heide Gods in ons vermeerderd en volmaakt? Waardoor wordt de liefde Gods verzwakt en weggenomen ? Toepassing. Bladz. 8—34.
§ H. Over de liefde tot den naaste.
Naastenliefde in het algemeen.
Wien moeten wij na God bizonder beminnen? Waarom moeten wij den naaste beminnen? Hoedanig moet onze naastenliefde wezen?
Bladz. 34—45.
Liiefde tot de vijanden.
Is het genoeg, als men op zijne vijanden geene wraak uitoefent? Waarom moeten wij onze vijanden beminnen? Wat moeten wij doen, als wij iemand beleedigd hebben, of door iemand beleedigd zijn?
Bladz. 46—56.
H erken van barniliartiglieid.
Welke menschen worden in de H. Schrift onzer liefde bizonder aanbevolen? Welke zijn de lichamelijke werken van barmhartigheid?
IV
Is het ook plicht, de lichamelijke werken van barmhartigheid te beoefenen? Welke goederen zijn aan degenen, die aalmoeien uitdeel en, beloofd? Welke zijn de geestelijke werken van barmhartigheid ? Is men ook verplicht, geestelijke werken van barmhartigheid te verrichten? Toepassing. Bladz. 66—75.
§ 3. Over de ehristeliike liefde tot zicli zelven.
Mag de Christen ook zich zeiven beminnen? Waarin bestaat de christelijke liefde tot zich zei ven? Hoe moeten wij voor het heil onzer ziel zorgen? Kunnen wij ook ons lichaam en de tijdelijke goederen op eene christelijke wijze beminnen? Wat staat tegenover de christelijke liefde tot zich zeiven? Toepassing. Bladz. 75—85 .
Over fle tien geboden.
Waar wordt ons breedvoeriger geleerd, dat en hoe wij God enden evenmensch moeten beminnen? Waarom zijn ook de Christenen verplicht, deze geboden van het Oude Verbond te onderhouden? Wat moet ons vooral aansporen, de goddelijke geboden getrouw te onderhouden? Bladz. 85—90.
Eerste gebod.
Wat gebiedt en verbiedt het eerste gebod? Hoe velerlei is de vereering van God? Bladz. 90—92.
Inwendige vereering van Ood door geloof\', hoop en lielde-
Hoe vereeren wij God inwendig? Hoe zondigt men tegen de inwendige vereering van God? Hoe zondigt men tegen het geloof? Wat is de christelijke hoop? Hoe zondigt men tegen de hoop? Welke zonden strijden hoofdzakelijk tegen de liefde Gods? Bladz. 92—116.
Uitwendige vereering van Cjlotl.
Hoe vereeren wij God uitwendig? Waarom wordt ook de uitwendige vereering van God ons geboden? Hoe zondigt men tegen de uiterlijke vereering van God? Bladz. 116—121.
Zonden tegen de Inwendige en uitwendige vereering van (jiod.
Kan men nog op eene andere wijze tegen de vereering, welke wij aan God verschuldigd zijn, zondigen? Wanneer bed rij it men afgoderij? Wanneer zondigt men door bijgeloof? Is het bijgeloof eene groote zonde? Wanneer bedrijft men tooverij ? Wat is sacrilegie of heiligschennis? Wanneer bedrijft men simonie of geestelijke woeker. Toepassing. Bladz. 122—135.
Over de vereering en aanroeping der Ileiligen.
Wat leert de katholieke Kerk over de vereering en aanroeping der Heiligen? Wat is het onderscheid tusschen de eer, welke wij aan God, en die, welke wij den Heiligen bewijzen? Waarop moeten wij bij de vereering der Heiligen vooral acht geven? Wat is het onderscheid tusschen het gebed, hetwelk wij tot God, en dat, hetwelk wij tot de Heiligen richten? Wie moeten wij. meer dan alle Engelenen Heiligen, aanroepen en vereeren? Moeten wij de beelden van Christus
en de Heiligen ook in eere houden? Waarom vereeren wij de reli-kwiën of overblijfselen der Heiligen? Toepassing. Bladz. 135—184.
Tweede gebod.
Wat verbiedt het tweede gebod? Hoe zondigt men door het oneerbiedig uitspreken van den naam van God? Hoe geschiedt de godslastering? Wat is zweren of eed doen? Hoe zondigt men door zweren? Wat is vloeken? Wat is eene belofte? Wat leert de Kerk aangaande de beloften? Doen wij reeds genoeg, als wij den naam Gods
niet onteeren? Toepassing. Bladz. 164—187.
♦
Derde s^bod-
Waartoe verplicht ons het derde gebod Gods? Wat moet ons vooral terughouden van de ontheiliging van den zondag? Toepassing.
Bladz. 187—209.
Vierde gebod-
Wat gebiedt God in het vierde gebod?
Plichten der kinderen jegens de ouders.
Wat hebben kinderen te wachten, die het vierde gebod getrouw volbrengen, en wat zij, die het niet volbrengen?
Plichten der onderdanen jegens hunne overheid.
Hoe moet men zich jegens pleegouders, opvoeders, onderwijzers en meesters gedragen? Welke plichten hebben in het bizonder de dienstboden jegens hunne meesters? Welke plichten hebben wij jegens de geestelijke overheid? Welke plichten hebben wij jegens de wereldlijke overheid? In welke gevallen mag men aan zijne ouders, bestuurders en overheden niet gehoorzamen? Toepassing. Bladz. 210—243.
Plichten der ouders en overheden.
Welke zijn de plichten der ouders jegens hunne kinderen? Welke plichten hebben de overheden jegens de dienstboden? Wat zijn de overheden aan hunne onderdanen schuldig? Toepassing.
Bladz. 244—252.
Vijlde gebod.
Welke zonden verbiedt het vijfde gebod van God? Hoe bezondigt men zich aan het lichaam en het leven van den evennaaste? Is het niemand geoorloofd een mensch te dooden? Verbiedt het vijfde gebod alleen de werkelijk slechte daad tegen het leven van den naaste? Hoe bezondigt men zich tegen zijn eigen lichaam en leven? Hoe benadeelt men den naaste naar het leven der ziel? Wat moet ons van het ergernis geven afschrikken? Wat moet men doen, als men den naaste naar lichaam of ziel benadeeld heeft? Wat gebiedt het vijfde gebod Gods? Toepassing. Bladz. 252—275.
Zesde gebodwat verbiedt het zesde gebod van God? Waarom moet men zich bizonder voor de. onkuischheid hoeden? Is elke zonde van onkuischheid eene zware zonde? Wat gebiedt het zesde gebod Gods? Toepassing.
Bladz. 275—306.
VI
Zevende gebod.
Wat verbiedt het zevende gebod van God? Wat moet men doen, als men eens anders goed bezit, of der naaste onrechtvaardig benadeeld heeft? Wat moeten wij overwegen, opdat wij ons niet aan eens anders goed vergrijpen of de restitutie verzuimen? Wat gebiedt het zevende gebod? Toepassing. Bladz. 307—337.
Aehtste gebod.
Wat verbiedt het achtste gebod? Welke zonden worden door het achtste gebod nog verboden? Wat is leugentaal? Hoe maakt men zich schuldig aan kwaadspreken? Hoe zondigt men door laster? Is elke zonde van laster of kwaadsprekendheid even groot? Is ook het luisteren naar kwaadspreken zonde? Waartoe is degene verplicht, die de eer van den naaste gekrenkt heeft? Hoe zoiidigt men door kwaad vermoeden en vermetel oordeel ? Wat gebiedt het achtste gebod Gods? Toepassing. Bladz. 338—371.
Megende en tiende gebod.
Wat verbiedt het negende gebod van God ? Zijn onzuivere gedachten en begeerten altijd zonde ? Hoe moeten wij ons gedragen, als wr; door onzuivere gedachten bekoord worden r Wat gebiedt het negende gebod? Wat verbiedt het tiende gebod Gods? Wat gebiedt het tiende gebod Gods ? Toepassing. Bladz. 371—389.
Over de geboden der II. I4.erk.
Zijn de Christenen ook verplicht, behalve de geboden van God , nog andere geboden te onderhouden? Van wien heeft de Kerk het recht geboden te geven! Heeft de Kerk geen ander recht , dan geboden te geven? Welke zijn de aigemeene of hoofdgeboden der Kerk? Waartoe heeft de Kerk ons deze geboden gegeven? Hoe verplicht de H. Kerk ons tot het onderhouden dezer geboden? Toepassing. Bladz. 389—400.
Eerste gebod der i4.erk.
Wat wordt ons in het eerste gebod der Kerk bevolen? Waartoe ziin de feestdagen des Heeren en der Heiligen ingesteld? Toepassing.
•\' s Blad. 401—412.
Tweede gebod der Merk.
Wat wordt ons in het tweede gebod der Kerk bevolen? Moet het ons genoeg zijn, op zon- en feestdagen alleen de H. Mis te hooren? Toepassing. Blad. 41\'2—428.
Derde gebod der Merk
Wat wordt ons in het derde gebod der Kerk bevolen? Waarin bestaat het kerkelijk gebod van vasten op de verplichte vastendagen? Wie zijn verplicht op gezegde wijze te vasten? Wanneer is volgens algemeen kerkelijk voorschrift de onthouding van vleeschspijzen geboden? Wie zijn tot de onthouding van vleeschspijzen verplicht? Waarom gebiedt de Kerk het vasten? Toepassing. Bladz. 428—451.
Vierde en vijfde gebod der Merk.
Wat wordt ons in het vierde en vijfde gebod der Kerk bevolen? Toepassing. Bladz. 451 458.
VII
Over de overtreding der geboden. § fl- Over de zonde in het algemeen.
Wat is zonde? Op hoevelerlei wijzen kan men zich bezondigen ? Zijn alle zonden even groot? Wanneer begaat men eene doodzonde, en wanneer begaat men eene dagehjksche zonde? Moeten wij alleen de zware zonden vluchten? Wat moet ons van de zonde afschrikken? Waarin bestaat in het algemeen de boosheid der doodzonde? Waaruit leeren wij het best de boosheid der doodzonde kennen? Welke zijn de gevolgen der doodzonde? Waarom moeten wij ook de dagelijksche zonde zorgvuldig vermijden? Toepassing. Bladz. 45S—493.
§ 9. Over de verschillende soorten van zonden.
Over de hoofdzonden.
Hoovaardigheid. Gierigheid. Onkuischheid. Nijd. Gulzigheid. Gramschap. Traagheid. Blad. 498—515.
Over de zonden tegen den tl. Geest
Welke zijn de zes zonden tegen den H. Geest? Bladz. 515—533.
Over de wraakroepende zonden.
Welke zijn de wraakroepende zonden? Bladz. 523-526.
Over de vreemde zonden.
Welke zijn de vreemde zonden. Toepassing. Bladz. 526—535.
Over de deugd en «Ie ehristelifke volmaaktheid.
Mogen wij ons tevreden stellen met alleen de zware zonden en misdaden te vermijden? Bladz. 535—538.
§ t- Over de ehristelfike deugd.
Waarom moeten wij ons bevlijtigen, altijd deugdzamer te worden? Waarin bestaat de christelijke deugd? Bladz. 538—543.
Ooddel{ike en zedellfke deugden.
Hoe wordt de christelijke deugd verdeeld? Wanneer moet men de goddelijke deugden verwekken? Bladz. 543—551.
Kardinale deugden.
Welke zijn onder de zedelijke deugden de vier grond- of hoofddeugden, die de overige deugden in zich bevatten? Welke deugden staan in het bizonder tegenover de hoofdzonden:\' Toepassing.
Bladz. 551-579.
VIII
§ 3. Over de chrlsteiyke volmaaktheid.
Waarom moeten wij allen naar de met onzen staat overeenkomende volmaaktheid streven? Waarin bestaat de christelijke volmaaktheid? Welke is in het algemeen de weg der volmaaktheid ? Bladz. 579—588.
Wolmaaktbeld in den kloosterstaat.
Evangelische raden.
Welke bizondere middelen heeft Christus ter verkrijging der volmaaktheid aangeraden? Waarom zijn de evangelische raden de beste middelen ter volmaaktheid? Wie is verplicht de evangelische raden te onderhouden? Bladz. 588—605.
Volmaaktheid in den wereldlyken staat.
Acht Kalisheden.
Kan men ook in den wereldlijken staat een volmaakt leven leiden? Waaruit zien wij vooral, dat de geest der wereld in strijd is met den geest van Christus? Welke middelen moet ieder Christen, van welken stand hij ook zij, aanwenden, om tot de volmaaktheid te komen? Toepassing. Bladz. 605—634.
*
TWEEDE HOOFDSTUK.
Over «lo €*ol)ot1ois.
In het eerste hoofdstuk is gesproken over het geloof, over dat hoogere licht, waarin en waardoor wij God als onzen Schepper en Heer, als onzen Verlosser en Zaligmaker, als ons laatste doel en de bron onzer eeuwige zaligheid, met onfeilbare zekerheid kennen.
Het tweede hoofdstuk toont ons den weg aan, dien wij, als Christenen, moeten inslaan en met volharding bewandelen, om tot onze bestemming, tot het aanschouwen van God, hetwelk onze zaligheid zal uitmaken, te geraken ; het maakt ons bekend met het hoogste richtsnoer van al onze handelingen, met den wil van God, die aan ons wordt geopenbaard door de geboden. Daarom geeft dit hoofdstuk ons eec overzicht van de onmiddellijk door God, of middellijk door zijne H. Kerk, gegeven levensregels of geboden, den korten inhoud der christelijke zedeleer. Het wordt verdeeld in drie hoofddeelen. Het eerste deel handelt over de\' tien geloden Gods en over de vijf geboden der Kerk j het tweede over de overtreding dier geboden, over de zonde; het derde eindelijk over de devgd en de christelijke volmaaktheid^ dat is, over de vaardigheid en volmaaktheid in de beoefening der christelijke zedewet.
Is het ter zaligheid genoeg 3 als wij alles gelooven, wat God geopenbaard heeft ?
Neen, wij moeten ook de geboden onderhouden.
Als wij verlangen in den hemel te komen, moeten wij alles zonder uitzondering gelooven, wat God geopenbaard heeft. Dat geloof alleen evenwel is niet voldoende, om de
DKHAUBE, GELOOFSLEER. III. 34e DllüK. 1
2
eeuwige zaligheid te verwerven. Een reiziger, die het doel zijner reis in de verte aanschouwt, maar geene schrede doet om het naderbij te komen, zal nimmer de plaats hereiken, waar hij wezen moet. Zoo zal ook de Christen, die het doel van zijn aardschea pelgrimstocht, het hemelsch vaderland, in het licht des geloofs aanschouwt, nooit daartoe geraken, als hij geene moeite aanwendt om op den rechten weg voort te gaan. Die weg ten hemel wordt ons aangewezen door de geboden Gods en der Kerk; wie deze overtreedt , dwaalt van den weg ten hemel af; wie ze beoefent, gaat op dien weg vooruit. Daarom zegt Jesus: „wilt gij „tot het leven ingaan, onderhoud de gebodenquot; (Matth. XIX, 17), en op eene andere plaats; „Niet eenieder, die „tot Mij zegt: Heere, Heere ! zal ingaan in het rijk der „hemelen, maar wie den wil volbrengt mijns Vaders, die „in de hemelen is, zal in hot rijk der hemelen ingaanquot; (Matth. VII, 21). Wie namelijk door het geloof erkent, dat God zijn hoogste en onafhankelijke Heer is, en dit wel uiterlijk belijdt, maar evenwel Gods wil niet doet, die is zelfs strafbaarder en het hemelrijk meer onwaardig, dan hij zou geweest zijn, als hij deze kennis gemist had. Hoe kan een dusdanige ook maar de geringste hoop voeden, eens de kroon te ontvangen uit de hand van Hem, wiens wil en geboden hij achter zijne zondige begeerten stelt? Is dat niet verwachten, dat God aan de andere zijde des grafs afstand doen zal van zijne heiligheid, die het kwaad op eene oneindige wijze haat, en van zijne rechtvaardigheid, die het naar verdienste straft, ten gunste van een tot het einde toe weerspannig schepsel ? Zoude eene dusdanige hoop niet onzinnig, niet goddeloos zijn?
Het geloof alleen dus maakt niet zalig; niemand bedriege zich hiermede. Maakte het geloof alleen zalig, ook de duivel kon op verlossing uit de hel, op de eeuwige zaligheid, aanspraak maken ; want „ook de duivels gelooven en sid-„derenquot; (Joan. II, 19), zij gelooven, maar dit geloof vermeerdert slechts hun ongeluk. Zeer duidelijk en nadrukkelijk spreekt hierover de H. Jacobus (II, 14—17); „wat baat „het, mijne broeders, zoo iemand al zegge, dat hij het „geloof heeft, als hij de werken niet heeft? Kan dot „geloof hem wel zalig maken ? Wanneer een broeder of „eene zuster van kleederen beroofd was, en gebrek leed aan ,dagelijksch onderhoud, en iemand onder u aldus sprak; ,.ga heen in vrede, verwarm en verzadig u! doch hem niets „gaf, wat zijne lichaamsbehoeften voldeed, wat zou dit „helpen 1 Zoo ook is het geloof, als het geene werken „heeft, in zich zelve dood.quot; Dat wil zeggen; zulk een geloof
3
is voor ons even nutteloos als ons medelijden voor den hulpbehoevenden medemensch, wanneer dit ons niet opwekt, hem iets mede te deel en. — Wi] moeten alzoo, om zalig te worden, niet slechts gelooven, maar ook volgens het geloof leven: ons geloof moet, volgens de leer van den H. Paulus, dooide liefde werkzaam, dat is, vruchtbaar aan goede werken zijn, zooals reeds in het eerste deel uitvoerig getoond werd.
Kunnen wij de geloden Gods onderhouden.
Ja, met behulp der goddelijke genade, welke God aan niemand weigert, die er Hem om bidt.
Een verstandig koning zal zijnen onderdanen geene wetten geven, die zij niet volbrengen kunnen; een rechtvaardig rechter zal nimmer eene straf stellen op overtredingen, die niet te vermijden zijn. God nu is de verstandigste Koning en de rechtvaardigste Eechter, het onbereikbare voorbeeld van alle wetgevers, van alle rechters. Het zou dus onverstandig en godslasterlijk zijn, te veronderstellen, dat de geboden, welke God den menschen gegeven en met bedreiging der eeuwige straffen op het hart gedrukt heeft, door hen niet kunnen volbracht worden. Indien een vorst dezer aarde iemand , die door een brandenden dorst gekweld werd, naar een bron geleidde, maar onder doodstraf hem verbood te drinken van het water, dat aan zijne voeten welt, dan zou men hem zonder twijfel van wreedheid en tirannie beschuldigen, ofschoon de onderhouding van het gegeven gebod niet volstrekt onmogelijk was. Maar wat dan wel te denken van een God, die den menschen wegens overtredingen van geboden, welker vervulling volslagen onmogelijk zou wezen . met den eeuwigen dood, met de onbeschrijfelijke pijnen der hel zou bedreigen, en werkelijk strafte ? Zou men in die goddelooze veronderstelling de vraag niet mogen stellen, wie van beiden de schuldigste was: de mensch, die niet anders handelen kon, of God, die hem eene volstrekt onvermijdelijke overtreding tot schuld aanrekende, en daarvoor zoo streng bestrafte ? Wij kunnen de schending der goddelijke geboden vermijden ; dit waar-borcht ons de oneindige goedheid, wijsheid en rechtvaardigheid Gods. Dit blijkt eveneens uit de voorbeelden van ontelbare Heiligen, die, gelijk het van Zacharias en Elisabeth geschreven staat, „in alle geboden en instellingen des Heeren „onberispelijk wandeldenquot; (Luc. 1, 6). Zeker is het, dat wij met onze eigen krachten , door de erfzonde zoo verzwakt , onvermogend zijn, de goddelijke wet volledig te vervullen; wat ons echter daartoe aan natuurlijke krachten
1=»
4
ontbreekt, dat geeft God ons door de bovennatuurlijke genade, welke Hij aan niemand weigert, die er Hem om bidt. Daarom leert de Kerkvergadering van Trente (6,] zitt, lle hoofdst.): „God beveelt het onmogelijke niet ; indien „Hij beveelt, vermaant Hij te doen wat wij kunnen, te „bidden om hetgeen wij niet kunnen, en Hij helpt ons , „opdat wij kunnen.quot;
Indien wij het middel, dat God ieder aan de hand geeft, niet gebruiken, als wij niet om genade willen bidden, dan hebben wij ook onze zwakheid in de bekoringen en onze menigvuldige overtredingen alleen aan ons zeiven te wijten. Heilig, rechtvaardig en onze voortdurende behartiging waardig is daarom deze bedreiging des Heeren: „ieder dienstknecht, ,,die zijns heeren wil gekend, en niet gedaan heelt, zal „vele slagen ontvangenquot; (Luc. XII, 47). Ook de Kerk leert, dat eenieder, onder den invloed der genade, de geboden Gods kan onderhouden. In de Kerkvergadering van Trente (6° zitt., 8° can.) verklaart zij uitdrukkelijk: „Als „iemand zegt, dat de volbrenging van Gods geboden ook „aan den gerechtvaardigden, en onder den invloed der genade „gestelden (mensch) onmogelijk is , hij zij in den ban.quot;
Wijten wij liet niet aan God, maar aan onze eigen traagheid en nalatigheid, vooral aan ons gebrek aan ijver in liet gebed, indien de onderhouding van de geboden des Heeren ons al te zwaar voorkomt. Do H. Schrift getuigt „dat zij niet zwaar zijnquot; (1 Joan. V, 3), en Christus zelf zegt, bij Matth. (XI, 28—30): ,/komt allen tot Mij, die ,/belast en beladen zijt, en Ik zal u verkwikken. Neemt mijn jak op
„uwe schouders..... en gij zult rust vinden voor uwe zielen, want
„mijn juk is zoet, en mijn last is licht.quot; Moge ook onze door de erfzonde verzwakte en tot het kwaad geneigde natuur slechts ongaarne zich onder het juk des Heeren buigen, moge zij zuchten onder den last der christelijke wet; het blijft niet te min waar, dat de dienst Gods een zoet juk en een lichte last is. Die last is zoet en licht dooiden rijkdom der genade, welke God zijnen dienaren mededeelt; zoet en licivt door den overvloedigen troost, waarmede God hunne trouw beloont; zoet en licht om liet voorbeeld van Christus en de Heiligen; zoet en licht wegens de buitengewone heerlijkheid, welke God voor oogen stelt en belooft aan allen, die zijn juk met volharding dragen: zoet en licht in vergelijking met het ondragelijke juk, hetwelk de onstuimige, nooit tevreden hartstochten en de grillige, tirannieke wereld haren slaven opleggen; zoet en licht op eene geheel bizondere wijze voor hen, die God van harte liefhebben. //Wantquot;, zoo merkt de H. Leo de Groote aan , //hij die bemint, ondervindt geene bezwaren, //of zoo hij die al ondervindt, vindt hij daarin zijne vreugde.quot; — Hoogst zinrijk vergelijkt de H. Augustinus (in zijne 24= leerrede over de woorden des Apostels) de geboden Gods met de vleugels der vogelen. //De last van Christus,quot; zoo spreekt hij, „is geen last voor „den drager, maar een vleugel voor hem, die zich door de vlucht //verheffen wil. Ook de vogels dragen een last, den last hunner //vleugelen; zij dragen die en worden er door omhoog gevoerd tot aan vden hemel.quot; Wij zijn namelijk geenszins geschapen, om, gelijk de rups op haar blad, óp de aarde rond te kruipen; neen, wij moeten ons door eene heilige gezindheid en door een godvreezend leven ten
5
hemel verheffen, opstijgen nasi- het eeuwig vaderland onzer ziel, en dc aarde, waaraan ons lichaam gehecht is, loslaten. Wat ons terughoudt is de ongeregelde verkleefdheid aan het aardsche en vergankelijke. De geboden vermanen ons, deze veelvuldige kluisters te verbreken; de daarmede verbonden beloften van het eeuwig loon alsmede de bedreigingen der eeuwige straffen sporen ons aan, die vermaning nauwgezet op te volgen. Zoo treden de goddelijke zedewetten in de plaats van vleugels, die ons, den koninklijken adelaar gelijk, heenvoeren tot God, de Zon der gerechtigheid, tot de woonstede van het onveranderlijk Licht. 1j
\') Ziekenhuizen, inrichtingen voor afgedwaalden en stratsclmldigen, galeien en kerkers zijn vol van ongelukkigen, die ons ten voorbeeld kunnen dienen, hoe zwaar en te gelijk hoe onteerend het juk is dei-onbeteugelde hartstochten. Velen wandelen als schimmen ons voorbij, en dalen, niet van ouderdom, maar door den last van dat snoodejuk neergebogen, vroegtijdig in het graf. En konden wij eens een blik slaan in het binnenste der menschen, hoe vaak zouden wij onder den bedriegelijken sluier van een lachend uiterlijk, eene ziel aanschouwen , het leven moede, vervolgd als zij is door den wreeden priem van een tirannieken hartstocht, en der vertwijfeling nabij.
Ware het juk der zondige neigingen en gewoonten en de last van den dienst der wereld dragelijker, dan zonden er zeker niet zoovele ongelukkigen zijn, die door schandelijken zelfmoord zich van het leven trachten te bevrijden. Daarentegen Is de vreugdevolle bereidwilligheid , waarmede ijverige Christenen het juk van Christus op zich nemen en de standvastigheid, waarmede zij het dragen, de hoogschatting daarvan, welke maakt, dat zij het tegen geen prijs voor de veel geprezen vrijheid van de kinderen der wereld willen ruilen, gewis een bewijs van zijne zoetheid. Het juk van Christus is in staat zelfs de bitterheid van het hardste lot in zoetheid te veranderen.
In het koninkrijk Mam leefde voor weinige jaren eene prinses met name Bua-tfong. Haar wreede oom had haar, na het afsterven haars vaders, met hoon en smaad uit het koninklijk paleis, waarin zij hare ieugd had doorgebracht, verdreven, en aan een hardvochtigcn groot-mandarijn als slavin overgeleverd. Bij dezen bezocht zij het godsdienstig onderwijs van den Eerw. Grandjean, apostolisch missionaris der buitenlandsche missiën. De medelijdenswaardige koningsdochter, op verlangen van haren gebieder de echtgenoote geworden van een birmanschen slaaf, bewoonde met dezen eene ellendige hut, en deelde met hem de moedwillge kwellingen en beleedigingen van onmeedoo-gende opzichters, de onnoemelijke moeielijkheden der slavernij. Zij en haar echtgenoot leenden het woord Gods een gewillig oor. ;/He\'t „was op het Kerstfeest van zoo schrijft de genoemde missionaris,
;/dat Bua-tfong met haren echtgenoot gedoopt werd en den naam van //Maria aannam. Te gelijker tijd ontving zij ook de inzegening des ./huwelijks. Wat een schoone dag voor haar! hoe gelukkig was zij! //Hoe nietig schenen haar nu ellende en lijden!quot; //Nu ben ik wel niet „meer do dochter van een aardschen koningzeide zij mij , //ik ben „slechts een arme slavin, ik heb zelfs geene kleederen, als \'die, welke //gij mij in uwe liefde gegeven hebt, maar nu ben ik de dochter van «den Koning des hemels, en eens, hoop ik, zal ik met Hem heerschen, „en dan voor eeuwig! Toen de goede God mij alles deed verliezen, «ja zelfs slavin liet worden, o, hoever was ik er toen van verwijderd, «een zoo groot geluk te verwachten! Duizendmaal zij Hij daarvoor ^geprezen, dat Hij mij zoozeer bemind heeft. — Sinds \'dezen dag //leefde de bekeerde als eene heilige. In al het zware lijden en in de »hevige kwellingen, waardoor in het vervolg haar geduld en haar «geloof beproefd werden, nam zij hare toevlucht tot het gebed en tot //de vertroostingen van den godsdienst en gevoelde zich altijd buiten-
6
Over do voornaamüte sobodcn.
Alvorens met de verklaring van elk der goddelijke geboden afzonderlijk te beginnen, komt het ons doelmatig voor,dat gebod voorop te stellen en te verklaren, hetwelk alle overige geboden als in de kiem in zich bevat, en tot hetwelk alle andere kunnen teruggebracht worden, of als van zelf terug-keeren. Daarom volgt de vraag:
Welk is het r/ehod, dat alle overige geboden in zich bevat ?
Het gebod der liefde tot God en tot den naaste.
Een leeraar der joodsche wet kwam tot Jesus en vroeg Hem: „Meester welk is het grootste gebod in de wet?quot; Hierop antwoordde Jesus en sprak: „Gij zult den Heer uwen God „liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uwe ziel, „en uit geheel uw verstand en uit al uwe krachten. Dit „is het eerste en grootste gebod. Het andere echter hieraan „gelijk, is; gij zult uwen naaste liefhebben als u zei venquot; (Marc. XII, 30, 31; Matth. XXII, 37—40).
1) Met deze woorden stelde Jesus, de eeuwige Wijsheid zelve, allen menschen het voornaamste gebod voor oogen. Ofschoon het, naar de woorden geoordeeld, schijnt, alsof liet gebod der liefde tot God en tot den naaste twee verschillende geboden bevat, zijn zij toch inderdaad beiden slechts één. Daar wij den naaste om God, ja God (het evenbeeld Gods) in den naaste moeten liefhebben, volgt noodzakelijk, dat zij zoo innig en onafscheidelijk met elkander verbonden zijn, dat de onderhouding van het eene gebod ook de naleving van het andere met zich brengt. Daarom zegt de goddelijke Leermeester: „het tweede gebod is aan „het eerste gelijkquot; \').
//gewoon gesterkt. Als na eenigen tijd de cholera in den omtrek «uitbrak, en ook zij werd aangetast, sleepte zij zich met veel moeite tnaar den missionaris, om in zijne nabijheid te sterven. Toen zij de //HH. Sacramenten der stervenden met groote godsvrucht ontvangen //had en reeds den geest scheen te geven, opende zij op eens hare «oogen, staarde naar den hemel, hief hare gevouwen handen op et //begon te lachen. Het scheen, als had zij de H. Maagd of een anderen
«zaligen bewoner van het hemelsch paradijs gezien..... Eindelijk
«ontsliep zij, op het feest van den H. Joannes den Dooper, zacht in «den Heerquot; (Jaarboek der geloofsverbreiding, 1858, l^ afl.).
\') Zoo dikwijls de grijze Apostel Joannes, door zijne leerlingen ondersteund, in de vergadering der geloovigen te Ephese verscheen, pleegde hij, zoo verhaalt de H. Hieronymus, niets anders te zeggen dan deze woorden: „mijne kindertjes, bemint elkander.quot; — Die telkens herhaalde toespraak moede, vraagden zijne leerlingen hem eens: //meester, waarom zegt gij toch altijd hetzelfde?quot; Joannes gaf nu dat schoone, den leerling der liefde waardige antwoord: //dit is het gebod //des Heeren ; wie dit beoefent, doet genoeg\'\' (Hieronymus in zijne verklaring van den brief aan de Galaten).
7
2) Het gebod der liefde is het eerste en voornaamste gebod, omdat de liefde de uitstekendste en noodzakelijkste aller deugden is, gelijk de Apostel (1. Cor. XIII, 2, 3) met den grootsten nadruk leert. „Al hadde ikzoo schrijft hij, „de gave der voorzegging, en wist ik alle geheimen „en bezat ik alle wetenschap, en al hadde ik alle geloofskracht, zoodat ik bergen kon verzetten, maar de liefde „niet, dan ware ik niets. En al deelde ik al mij ne goederen „uit tot voeding der armen, en al gaf ik mijn lichaam „ over om verbrand te worden, had ik echter de liefde niet, „dan baat mij dit niets.quot; Het gebod der liefde spoort ons aan, om de voortreffelijkste deugd, die deugd, welke aan alle overige deugden kracht en innerlijke waarde verleent, te beoefenen, en draagt alzoo meer bij tot onze volmaaktheid, dan ieder ander gebod. Door de liefde alleen wordt de wil, en door den wil de geheele mensch zonder terughouding aan God onderworpen, en met zijn heiligsten wil zoo innig vereenigd, dat de mensch voor tijd en eeuwigheid niets wil en begeert, dan hetgeen God wil. En juist daarin, dat de mensch met God, in zekere mate, één geest, één wil is, bestaat zijne volmaaktheid hier op aarde.
3) Het gebod der liefde tot God en tot den naaste omvat alle overige geboden. Het gebod des geloofs en der hoop, die onmiddellijk God tot voorwerp hebben, zoowel als het gebod van den inwendigen en uitwendigen godsdienst, hetwelk onze zedelijke verhouding regelt tot God, onzen oppersten Heer, liggen in het gebod der liefde tot God opgesloten ; terwijl de geboden der rechtvaardigheid, dei-waarheid en trouw, der welwillendheid, der barmhartigheid, dankbaarheid, enz. in het gebod der naastenliefde zijn vervat. Daarom ook voegde onze goddelijke Wetgever er bij: „aan „deze twee geboden hangt de geheele wet en de Profetenquot; (Matth. XXII, 40). Dat wil zeggen; alle voorschriften der zeden, welke in de H. Schrift zijn opgeteekend, wijzen ons op de naleving dezer twee geboden, die, naar bovengemelde wijze, slechts één hoofdgebod uitmaken. Dit ééne gebod kan derhalve gevoegelijk vergeleken worden met eene bron, waaruit verscheidene beekjes ontspringen; met een stam, waaruit verscheidene takken ontspruiten; met de zon, welke haar licht in verscheidene stralen over de geheele aarde verspreidt; met een meer, waaruit talrijke rivieren haren oorsprong nemen, en waarin zij weder terugkeeren.
4) Het gebod der liefde omvat den geheelen mensch in al zijne betrekkingen. Wij moeten God beminnen uit geheel ons hart, dat is, onze wil moet zich volkomen aan God in liefde onderwerpen, en zich Hem toewijden; wij moeten
God beminnen uit geheel onze ziel, uit geheel ons verstand, uit al onze krachten. Onze wil moet namelijk zijne volkomen overgave aan God daardoor toonen, dat hij, krachtens de hem van nature toekomende heerschappij over alle overige vermogens van ziel en lichaam, elk dezer tot vervulling van Gods wil gestadig aanzette. Dien ten gevolge moet op zijn wenk en onder zijne leiding het verstand voortdurend naar kennis van God en van zijne heilige wet streven; het ken- en begeervermogen moeten hem hierbij ondersteunen; dagelijks ook moeten alle zintuigen en krachten des lichaams den gee^t het streven naar de kennis van God en de godde-lyke geboden gemakkelijk maken , en hem tot eene nauwgezette vervulling van den wil zijns Scheppers de behulpzame hand bieden. Op zulke wijze wordt de wondervolle, door de zonde verstoorde orde onder de menschen, de oorspronke-lijke heiligheid en rechtvaardigheid, voorzooverre de onvolmaakte toestand van het aardsche leven dit veroorlooft, hersteld, en de toekomstige volmaakte vereeniging met God voorbereid i).
§ 1. Over lt;lc liefde lt;ot C^od.
JFat is de liefde tot God?
Zij is eene door God ingestorte deugd, waardoor wij ons aan Hem, als aan het hoogste goed, van harte toewijden, om door de vervulling van zijnen wil Hem te behagen, en tot vereeniging met Hem te geraken.
Iemand beminnen in het algemeen is uit hartelijke toegenegenheid hem goed willen, hem gunstig zijn. God beminnen is dus Hem van harte genegen zijn, zich verheugen over
\') Het is niet noodig, dat de kateclieet zich afmatte, met den kinderen de verschillende beteekenis der uitdrukking „uit geheel ons „hart, uit geheel onze ziel, uit geheel ons veratandquot;,enz, aan te wijzen en te verklaren. daar zelfs de HH. Vaders en de Godgeleerden hierover geheel verschillende verklaringen geven. De zin dier woorden is geen andere dan deze: men moet God beminnen uit alle krachten der ziel; men mag der liefde tot God geene perken stellen, maar men moet Hem met onbegrensde liefde omvatten, volgens de schoone uitdrukking van den H. Bernardus (de dil. Dei c. 1): „de maat der liefde //tot God is. God te beminnen zonder maat.quot; God is namelijk de oneindige Goedheid, derhalve verdient Hij ook eene oneindige liefde; daar wij echter tot zulk eene liefde niet in staat zijn, moeten wij Hem tenminste zoozeer beminnen ais wij vermogen. Daardoor, leert de H. Thomas (de Charit. a 10) met den H. Kerkleeraar Augustinus, wordt ons echter niet aangeduid wat streng bevolen is, maar wat ons streven moet zijn.
9
zijne oneindige volmaaktheden, wenschen en verlangen, dat Hij om zijne oneindige goedheid door allen gekend, bemind en verheerlijkt worde, „zich volkomen aan Hem, als aan „het hoogste goed, toewijdenquot; \'j.
\') Wat in \'t algemeen ware liefde is, kunnen wij het best zien uit de liefde, welke wij ons zelven toedragen; nergens toch. treedt ons het wezen dier liefde levendiger en klaarder voor oogen dan daar, waar wij zelve de oorzaak en het voorwerp der innigste en oprechtste liefde zijn. Wat anders toch is de eigenliefde dan eene neiging des harten tot ons zelven, krachtens welke wij ons zelven goed willen? In deze welwillende neiging des harten bestaat alzoo ook de liefde, welke wij anderen toedragen. Ware liefde is dus niet eenvoudig welwillendheid; want men. kan iemand goed willen, hem bijv. groote rijkdommen en iets dergelijks toewenschen, zonder hem waarlijk te beminnen, maar alleen op hoop, ze zelf eens te erven; ware liefde is welwillendheid uit hartelijke toegenegenheid. Gelijk nu van den eenen kant niet elke welwillendheid ware liefde is, zoo is toch van den anderen kant de welwillendheid eene zoo wezenlijke eigenschap der ware liefde, dat deze zonder gene volstrekt niet gedacht kan worden. Daarvan zijn wij zoo vast overtuigd, dat wij het niet van ons kunnen verkrijgen, van iemand te zeggen, dat hij ons bemint, als hij voor ons lief en leed zich volkomen onverschillig toont, ons op geenerlei wijze goed wil. Wel is waar zeggen wij: deze of gene bemint zilver, goud, juweelen, groote bezittingen; ook wel; hij bemint fraaie schilderijen, standbeelden, hij bemint schoone paarden. Wij beduiden echter daarmede volstrekt geene liefde in den eigenlijken zin des woords; wij willen daarmede slechts te kennen geven, dat hij naar zulke voorwerpen verlangt, dat hij zich in het bezit ervan verheugt, wijl hij zich zelven goed wil, en zich verbeeldt, dat ze tot zijn welzijn en vergenoegen bijdragen, dat is, hij bemint ze met hegeerlijke liefde, die ten laatste geene liefde voor de gezegde voorwerpen, maar Helde voor zich zelven is. Vandaar noemt de H. Thomas de welwillende liefde amor simpliciter, de begeerlijke liefde daarentegen amor secundum c[uid (1. 3. q. 26, a 4). In q. 27 a 3 voegt hij er de bemerking bij, quod in amore concupiscentiae amans proprie amat seipsum, cum vult ilium bonum, quod concupiscit. Daar er alzoo geene ware liefde zonder welwillendheid jegens den geliefde zijn kan, volgt noodzakelijk, dat welwillendheid ook eene wezenlijke eigenschap der ware liefde tot God is Dit wordt ons nog duidelijker, wanneer wij overwegen, dat de gelijkenis onzer ziel met God vooral bestaat in het vermogen om te beminnen, en de liefde tot God niets anders dan welwillendheid is. Daarom merkt de li. Thomas aan: God bemint slechts inzooverre den een meer, den ander minder, als Hij hem meer of minder goed wil, dat is gezegd; de maat der welwillendheid is bij God de maat der liefde, en omgekeerd. Op de vraag, welk goed wij dan kunnen willen aan God, die alle goed in oneindige mate bezit, antwoordt de geleerde Kardinaal Cajetenus even duidelijk als bondig; ,/Het goed,quot; zegt hij 1), //hetwelk wij God kunnen willen //is tweederlei. Het eene is in Hem, het andere heeft slechts betrek-//king op Hem. Het goed, hetwelk in Hem is , is zijn leven, zijne //Wijsheid, almacht, goedheid, rechtvaardigheid, barmhartigheid, enz. ./Dit goed is eigenlijk God zelf, en dit willen wij Hem uit liefde, //wijl wij ons welbehagen daarin hebben, dat God is wat Hij is. Het //goede daarentegen, hetwelk slechts betrekking op God heeft, is zijne
1
Commentar. in 2. 2. q, 23. a 1.
10
Deze welwillende toewijding maakt, dat wij er ons op toeleggen, door algeheele vervulling van zijnen wil, Hem te behagen, en tot vereeniging met Hem te geraken. Wie derhalve, teneinde aan God te behagen, zijn eigen onge-regelden wil verzaakt, om in alles Gods wil te doen; wie zich, zonder morren en klagen, aan alle beschikkingen en bestieringen Gods ootmoedig onderwerpt, deze bewijst God ware, oprechte genegenheid, hij geelt het bewijs van volkomen toewijding aan den Heer, van ongehuichelde liefde.
«eer, zijn rijk. de gehoorzaamheid welke wij Hem betoonen, in \'t kort «.alles, wat tot zijne verheerlijking strekt. Dit willen wij God den „Heer zoo, dat wij niet slechts daarin ons welbehagen hebben, maar „ook wenschen, dat het blijve bestaan en vermeerdere, het naar onze „krachten bevorderen, ons verheugen over het bestaan en over het //gemis ervan ons bedroeven.quot; — Daarmede wordt echter niet gezegd, dat de Christen bij iedere akte van liefde uitdrukkelijk en in liet biisonder de goederen gedenkt, die hij God wil; immers de mensch gedenkt ook bij eene akte der welwillende eigenliefde niet iederen keer, op voornoemde wijze, de goederen, welke hij zich zeiven wil; neen, het is voldoende, dat de beminnaar, uit welgevallen in de oneindige volmaaktheid en beminnenswaardigheid Gods, van harte tot Hem overhelt, al is ook daarbij de welwillendheid onbepaald en van algemeenen aard. Want in deze welwillende genegenheid voor God zeiven ligt reeds, voorzooverre zij zonder voorbehoud is, de bereidwilligheid, om den beminde alles zonder uitzondering te wenschen, wat hij zich zeiven wenscht. De besproken welwillende toegenegenheid van de beminnende ziel voor God , haren beminde, is evenwel niet slechts een streven naar vereeniging met God, maar volgens den H. Thomas is zij eene werkelijke vereeniging met God, die door middel der genade bij haar zijn intrek neemt, bij haar inwoont, terwijl zij in Hem rust en Hem in zekere mate reeds geniet. Deze vereeniging der ziel met God bestaat dus in de overeenstemming van alle neigingen, verlangens en bewegingen des harten met den wil Gods, en sluit, als zij volmaakt is, eene onbeperkte overgave van den wil en van datgene in, wat maar op eene of andere wijze van den wil afhangt.
Volgens het gezegde zijn dus vereeniging en ïoetoz\'HenrfAetó wezenlijke bestanddeelen van elke akte van ware liefde; zij zijn onafscheidelijk met elkander verbonden als vuur en licht. 1) Kiettemin komt, volgens de bemerking van een uitstekend leermeester van het geestelijk leven (Gaudier, de perfectione) in de oefeningen van liefde nu eens de vereeniging, dan wederom de welwillendheid duidelijker en sterker uit, al naarmate de beminnende ziel in God haar behagen neemt, als het ware aan zijn hart rust, en, door de blijdschap zijner omhelzingen verrukt, uitroept; »0 God, Gij zijt de mijne en ik ben de uwe;\'-of van heiligen ijver voor de eer en de verheerlijking van haren beminde ontvlamd en verteerd, alles doen en alles lijden wil, om alle harten voor den God van haar hart te veroveren. Het eerste heeft hoofdzakelijk plaats in de akten van liefde van het bespiegelende leven, het laatste daarentegen in die van het werkzame leven.
1
Vandaar wordt bij den H. Thomas de liefde nu eens genoemd //vereeniging door de genegenheid,quot; dan wederom //welwillendheid.quot; Charitas est donum Dei quod affectus noster Deo unitur. Hoc est proprie amare aliquem, quod et veile ei bonum (Quodlib. 8, a 4, Bum. 11, q. 20 a 1 ad 3).
11
Door zulke liefde geraakt de mensch niet eerst in de toekomst , in de eeuwigheid, maar reeds in dit leven, overeenkomstig den toestand van deze aardsche pelgrimaadje tot eene ware, bovennatuurlijke vereeniging met God; want zonder vereeniging kan de liefde niet bestaan. Terwijl namelijk de beminnaar zich aan het hoogste Goed van gan-scher harte toewijdt, neemt God den beminde wederkeerig tot zich op, en bewerkt, dat de beminnaar met den beminde op zekere wijze één hart, één wil, één leven wordt. \')
Aldus „blijft de mensch (door de liefde) in God, en God „in hemquot; (1. Joan. IV, 16). Zoo met God door de liefde vereenigd, kon de Apostel in waarheid zeggen: ,,ik leef ja, „doch niet ik, maar Christus leeft in mijquot; (Gal. V, 20).— Deze liefde wordt „ons door God ingestort,*\' daar wij uit eigen natuurlijke kracht op geenerlei wijze daartoe geraken kunnen; zij is eene bloem van hemelschen oorsprong, wier kiem God zelf in den verwilderden grond van ons hart moet neerleggen, nadat het met zijne hulp tot opname van het hemelsch zaad is voorbereid. Daarom zegt, de Apostel: „De liefde Gods is uitgestort in onze harten door den H. „Geest, die ons is medegedeeldquot; (Kom. V, 5). Verder wordt de liefde „deugdquot; genoemd, wijl zij eene goddelijke gave is, die in ons blijft, die ons meer en meer bekwaam en genegen maakt, om gedurig akten van liefde te verwekken, evenals de blijvende gave des geloofs ons geschikt en genegen maakt, om akten van geloof te verwekken.
Hoedanig moei onze liefde tot God zijn?
Zij moet 1) bovennatuurlijk, 2) boven alles groot, en 3) krachtdadig zijn. Deze drie eigenschappen moet onze liefde tot God hebben, zal zij ons tot zaligheid verstrekken of heilzaam zijn.
1) Onze liefde tot God is bovennatuurlijk, als wij God door middel der genade beminnen, gelijk Hij niet slechts door het verstand, maar vooral ook door het geloof gekend wordt.
a) Het is de genade van Jesus Gbristus, welke aan al onze deugden en oefeningen van deugd, bijgevolg ook aan de liefde tot God bovennatuurlijke waarde geeft tot het verwerven der eeuwige zaligheid. Het bewijs hiervoor zal in het derde hoofdstuk over de leer der genade geleverd worden. Intusschén is reeds op eene andere plaats (deel
\') Charitas facit tendere in Deum, uniendo affectum hominis Deo, ut scilicet homo non sibi vivat, sed Deo. S. Thom. 2. 2. q. 17. a 6. ad 3.
12
II, bladz. 64) aangetoond, dat de mensch, tengevolge van den eersten zondeval, niet meer in staat is, zonder den bijstand der genade, God boven alles te beminnen, wat toch ter zaligheid volstrekt noodzakelijk is. Wij kunnen alzoo slechts door middel der genade, op eene ter zaligheid voordeeligs wijze, God beminnen. — b) Opdat onze liefde op gezegde wijze heilzaam zij, moet zij verder nit de bovennatuurlijke kennis van God, uit het geloof, haar oorsprong nemen. Wij moeten namelijk God beminnen niet slechts als de oorzaak der natuur en den uitdeeler der natuurlijke goederen, maar ook als de oorzaak der genade en den uitdeeler der bovennatuurlijke goederen; wij moeten Hem beminnen als den oneindig barmhartigen Vader, die ons als kinderen heeft aangenomen, en zijn eigen Zoon heeft overgeleverd , om ons te verlossen, ons te heiligen, en ons eens in het rijk der heerlijkheid eeuwig zalig te maken; zoo immers stelt het goddelijk gebod ons onzen Schepper en Heer als voorwerp van liefde voor oogen. Wie nu meent, zijnen plicht van God te beminnen voldoende te vervullen, als zijne liefde slechts uit de natuurlijke, door het verstand bereikbare kennis van God voortkomt, die verkeert in de grootste en gevaarlijkste dwaling. Eene dusdanige liefde tot God is en blijft ter zaligheid ontoereikend. Deze leer, volgens welke de heiligmakende liefde uit het geloof moet voortkomen, steunt op de duidelijkste uitspraken der H. Schrilt.
„Het laatste doel van het gebod is.....liefde.....uit
„onvervalscht geloof,\'\' zegt de Apostel (1. Tim. I, 5); en op eene andere plaats zegt dezelfde Apostel: „mijn „rechtvaardige leeft uit het geloof; indien hij zich onttrekt (van het ware geloof afwijkt;, ,,zal hij Mij niet meer aan-„genaam zijn\'\' (Hebr. X, i38). Alzoo kan de liefde, welke niet op het geloof berust, niet daaruit voortkomt, den mensch aan God niet welgevallig, der eeuwige zaligheid niet waardig maken. — Hiermede is evenwel de leerstelling, dat men God ook als oorzaak der natuur en als uitdeeler der natuurlijke goederen op bovennatuurlijke en ter zaligheid voordeelige wijze beminnen kan, zeer goed te vereenigen. Daar namelijk de mensch God als de oorzaak aller dingen niet alleen door het verstand, maar ook door de openbaring, dour het geloof kent, zoo volgt ontegenzeggelijk, dat de liefde, welke in het laatste geval onder den invloed der genade uit de kennis van God haren oorsprong neemt, eene bovennatuurlijke en waarlijk heilzame lietde is. Inderdaad de HH. Boeken wijzen ons dikwijls op de wonderen der schepping, op de hemelen, welke de heerlijkheid Gods vermelden, en op het firmament, dat de werken zijner handen
13
verkondigt, opdat wij daaruit God en zijne volmaaktheden zouden erkennen en beminnen. Ook pleegden de Heiligen tranen van dankbaarheid en liefde te storten bij het aanschouwen van den sterrenhemel, of bij het zien eener onbeduidende veldbloem. Volgens hunne leer moeten de hemel, de aarde, de zee en alle zichtbare schepselen den mensch vooral daartoe dienen, dat hij, door de beschouwing van zooveel schoonheid, tot liefde en vereering zijns Scheppers worde aangespoord (aldus de schrijver van het boek over de roeping der heidenen 2, 4).
2) Onze liefde tot God is boven alles groot, als wij Hem meer dan al het andere liefhebben, zoodat wij liever alles verliezen, dan ons door de zonde van Hem te scheiden. God is het hoogste, oneindige, ongeschapen goed; bijgevolg moeten wij Hem ook meer beminnen, dan alle eindige, geschapen goederen, meer dan rijkdom, meer dan eer en waardigheden, meer dan vreugde en genot, meer dan gezondheid, ja, meer dan het leven zelf. Dit eischt de natuurlijke billijkheid, dit vordert Gods heiligheid en rechtvaardigheid , krachtens welke Hij voor zich zeiven, als het hoogste goed, ook de hoogste waardering en liefde kan vorderen en aan het met rede begaafde schepsel als plicht voorschrijven. Met deze liefde Gods was de Apostel bezield, als hij aan de Eomeinen (VIII, 35—39) schreef: „wat zal „ons scheiden van de liefde tot Christus ? Rampspoed ? „Angst? Honger? Naaktheid? Gevaar? Vervolging\'r1 Het
„zwaard?.....Ik ben zeker, dat noch dood, noch leven,
„noch Engelen, noch machten, noch krachten, noch het „tegenwoordige, noch het toekomstige, noch eenig ander „schepsel ons vermag te scheiden van de liefde Gods, die „is in Christus Jesus, onzen Heer.\'\' — De plicht. God boven alles lief te hebben, moet men echter niet zoo verstaan, als ware het ter zalighed volstrekt noodzakelijk, God met eene grootere, meer gevoelige vurigheid en teerhartigheid, met grootere hevigheid en levendiger gewaarwording, dan al het andere, lief te hebben. Die gevoelvolle liefde toch hangt doorgaans niet af van \'s menschen vrijen wil, en kan derhalve niet als een noodzakelijk vereischte ter zaligheid gesteld worden l). Onze plicht bestaat enkel
■) Voorzeker verdient God, het oneindig volmaakte en beminnenswaardige goed, dat ivij Hem allervolmaaktst, allervurigst en aller-teederst beminnen. Het zou gewis niet meer dan billijk zijn , dat niet slechts onze wil, maar ook gewaarwording en gevoel, zich geheel en met alle mogelijke vurigheid aan God overgaven, en in Hem, den oorsprong van alle zaligheid, rust vonden. Dit was ook werkelijk het geval bij zeer vele Heiligen, wier hart van liefde gloeide, en die
14
daarin, dat onze vrije wil aan God, door het verstand als het hoogste goed erkend, hoven al het andere de voorkeur geve. Dit nu geschiedt, als wij vast besloten zijn, liever alle denkbare aardsche goederen, ja zelfs het hoogste goed, het leven, te verliezen dan ons van God te scheiden, wijl van God zich scheiden hetzelfde is als God zeiven, het hoogste, oneindige goed verliezen. Daar de doodzonde den mensch van God scheidt, is er geen beter teeken van de liefde tot God boven alles, dan de standvastige wil, liever alles te derven, alles te verliezen, ja het leven op te offeren, dan eene zware zonde te bedrijven, en aldus de genade Gods, de vriendschap Gods, de volkomen vereeniging van onzen wil met God in dit leven en de aanspraak op het vereenigende bezit van God in het toekomende leven te verliezen \').
door het levendigste gevoel van teederheid als vaneengesclieurd werden, zoo dikwijls zij aan God dachten, of door de beschouwing zijner werken aan Hem herinnerd werden. Tranen van verlangen en liefde schoten dan in hunne oogen, en van hunne lippen vloeiden onophoudelijk heilige liefdezuchten. vMijn God en mijn al,quot; herhaalde de H. Kranciscus van Assisiü op zekeren nacht onophoudelijk tot aan den morgen. Üe H. Ignatius van Loyola pleegde in zulke oogenhlikken van vurig verlangen uit te roepen: //O, hoe walgt mij de aarde, als „ik den hemel aanschouw!quot; Zijne tranen vloeiden bij het opdragen van het H. Misoffer zoo overvloedig, dat hij gevaar liep, daardoor het licht zijner oogen te verliezen. Zijn waardige leerling, de H. Fran-ciscus Xavêrius, gloeide niet zelden van zulk een liefdevuur, dat hij, om zich verkoeling te verschaffen, zijn kleed openmaakte en tot God zeide: ,/genoeg zaligheid. Heer! genoeg.quot; Ook de H. Stanislaus Kostka, van wien reeds meermalen melding is gemaakt, werd soms doorzulk een liefdegloed aangegrepen, dat men zich gedwongen zag, teneinde de inwendige vlam ie dooven, zijne borst met vochtige doeken te beleggen. Wij zouden vele andere voorbeelden van de vurigste liefde tot God kunnen aanvoeren uit de levensbeschrijvingen van de HH. Teresia, Catharina van Siena, Maria Magdalena van Pazzis, Gertrudis en andere dienaars en dienaressen Gods. Deze weinigen zullen reeds voldoende zijn, om ons aan te moedigen. God naar de maat der genade ook niet vurigheid en teederheid te beminnen. Hem om deze genade met kinderlijken eenvoud en ootmoed te bidden, en van onzen kant alles uit het hart te verwijderen, wat op eene of andere wijze die liefde in den weg kan staan. Mogen zij ook strekken om ons met schaamte te vervullen, dat wij voor den God van ons hart zoo onbeschrijfelijk koud en gevoelloos zijn; want, hadden deze Heiligen zich zoo weinig bekommerd over de gewaarwordingen en het gevoel aunner harten, als velen er zich over bekreunen, dan zouden zij zeker die buitengewone genaden niet hebben ontvangen.
Hierbij moet men zich evenwel herinneren, dat niet de graad van teedere en vurige gewaarwording van liefde de onfeilbare maatstaf van de ware liefde tot God is. Dit gevoel toch kan somtijds wol van iets anders komen dan van God, en ons tot iets anders voeren dan tot God. Het gevoel is in \'t algemeen aan veelvuldig bedrog onderhevig; doch wie de geboden onderhoudt, hij is het die God bemint; dat is de maatstaf der liefde tot God, welken Jesus Christus zelf ons gegeven heeft
\') Een schoon voorbeeld van allesopofferende liefde geeft ons de H. maagd en martelares Susanna, wier feest de Kerk op den ilden
15
De dagelijksche zonde en de vrijwillige neiging daartoe heft zeker de liefde tot God boven alles niet op, omdat zij geene scheiding van God te weeg brengt; evenwel moet de mensch, naar een hoogeren graad van liefde strevende, ook trachten zooverre te komen, dat hij bereid zij, liever alles te lijden en te verliezen, dan eene enkele dageli]ksche zonde, met voorbedachten rade, te begaan, vooral wijl volgens de grondbeginselen des geloofs niet slechts de scheiding van God, maar ook de geringste vermindering van zijne gunsten en zijn welbehagen, een gemis is, waartegen geen aardscb goed, zelfs niet alle aardsche goederen te zamen kunnen opwegen. Ja, de oneindige grootheid, volmaaktheid en schoonheid Gods, zijne oneindige liefde tot ons, alsmede de eeuwige belooning, welks Hij ons belooft, moeten ons een krachtige spoorslag zijn om eene schrede verder in de liefde te zetten , en niet slechts elke dood- en dagelijksche zonde, maar ook elke onvolmaaktheid naar ons vermogen te vermijden, en ons het besluit doen nemen, met de hulp der goddelijke genade altijd het volmaaktste en wat aan God het aangenaamste is te verrichten \').
Augustus viert. Deze Heilige, die reeds in hare prilste jengd haren Heer en God eeuwige zuiverheid belooid had, schitterde te Kome dooiden adel barer geboorte en door zoo uitstekende gaven van lichaam en geest, dat keizer Diocletiaan haar aan zijn mederegent Galerius Maximinianus ten huwelijk wilde schenken, en werkelijk door haren vader Gabinus hiertoe het voorstel liet doen. Deze begaf zich aanstonds naar Susanna en sprak tot haar: „welaan mijne dochter, hebt /,gij de waarde en het voorrecht van bruid van Christus te wezen, ,/gelijk gij het werkelijk zijt, wel begrepen?quot; „Ik begrijp die zoo „goed,quot; antwoordde zij, „dat naar mijn gevoelen alle kroonea der „wereld in vergelijking hiermede niets zijn.quot; „Gij oordeelt juist,quot; zeide Gabinus, „maar,quot; voegde hij er bij, „als de keizer u eens herstemd had tot gemalin van Galerius, zou dan de waardigheid van „keizerin met de liefde van uwen gekruisigden Bruidegom niet in „vergelijking komen ? Of indien gij eens tusschen de keizerskroon „en den dood om Christus\' wille kiezen moest?quot; — „Ach, mijn vader,quot; riep nu Susanna in heilige vreugde uit, „hoe gelukkig zou ik zijn, „als hjBt mij vergund werd , mijn leven te geven uit liefde tot dien „goddelijken Bruidegom, die, om mij te verlossen , zijn allerheiligst „bloed gestort heeft! Geen purper verblindt mij, geene marteling „schrikt mij af!quot; „Dat zult gij weldra kunnen bewijzen,quot; antwoordde de edele vader getroffen, en moedigde nu zijne dochter tot den aanstaanden strijd aan. Susanna beantwoordde alle aanlokkingen en bedreigingen met onwrikbare standvastigheid, en zelfs de wreedaardigste martelingen vermochten niet, haar slechts een oogenblik in de trouw egens haren goddelijken Bruidegom en in haar heilig geloof te doen ivankelen. Met de dubbele kroon des martelaarschaps en des maagddoms onversierd, vloog zij na korten strijd als overwinnares in de eeuwige quot;mhelzingen van den Koning der koningen, Jesus Christus (Bressanvide, :atech 5e deel bladz. 13).
\') Tot dezen verheven trap van volmaakte liefde zijn in den loop er christelijke eeuwen zeer vele Heiligen gekomen. Zoo bijv. ver-ilichtten zich de H. ïeresia en de H. Joanna Francisca van Chantal
■
16
3) Onze liefde is krachtdadig, als wij doen hetgeen God aangenaam is, dat is, als wij zijne geboden volbrengen.
„Hierin,quot; zoo schrijft de H. Joannes (1. Br. V, 3), „hierin bestaat de liefde tot God, dat wij zijne geboden „onderhouden;quot; en Christus zelf zegt: „die mijne geboden „heeft en ze onderhoudt, hij is het, die Mij bemintquot; (Joan. XIV, 21). Laat een kiud aan zijne ouders nog zoo dikwijls
door eene bizondere gelofte, om altijd en in alle gevallen datgene te doen, wat zij als het volmaaktste zouden erkennen.
Met de leer van de liefde Gods boven alles is ook verbonden de leer, dat wij niet slechts God boven alles , maar ook de schepselen om God moeten beminnen. Op de vraag, wat het beteekent, de schepselen om God te beminnen, wordt aldus geantwoord : dit beteekent hen beminnen 1) omdat en gelijk God het wil en bevolen heeft; 2) wijl alle goed, dat in hen is, in God zijn oorsprong heeft, en eene gave Gods is, en S) wijl God zelf ze bemint. Teneinde dit antwoord duidelijk uit te leggen, zal het goed zijn, dat dekateeheet zich liet onderscheid voor den geest brenge tusschen zondige, natuurlijke , en bovennatuurlijke of verdienstelijke liefde tot de schepselen. 1) Wij beminnen de schepselen op eene zondige wijze, als wij hen anders beminnen, dan Ood wil en het bevolen heeft, dat is, als wij uit liefde tot hen , bijv. uit liefde tot geld, tot eer en tot vreugde, of ook uit liefde tot vrienden, verwanten, enz. een gebod van God overtreden. 2) Op eene wel niet ongeoorloofde, maar bloot natuurlijke wijze beminnen wij hen, als zij ons om hunne natuurlijke eigenschappen of om het voordeel, dat zij ons aanbrengen, beminnens- of vereerenswaardig voorkomen. Zoo kan de moeder haar kind, de vriend zijn vriend, de hongerige de spijs, de zieke de gezondheid beminnen, zonder te zondigen, maar ook zonder zich verdiensten voor den hemel te vergaderen. 3) Op eene bovennatuurlijke en verdienstelijke wijze daarentegen bemint de Christen de schepselen, als hij ze uit bovennatuurlijke liefde tot God bemint. Dit geschiedt, zoo dikwijls hij met behulp der genade daaraan zijne liefde schenkt, niet om hunnentwil, noch om zijn eigen nut, maar omdat hij erkent, dat zij van God, den oorsprong aller dingen, uitgaan; dat zij den mensch gegeven zijn, om daardoor tot zijn laatste doel te geraken; dat God zelf ze bemint als zoovele middelen zijner uitwendige verheerlijking, als zoovele afbeeldsels en verkondigers zijner oneindige volmaaktheden, als zoovele trappen, waarlangs zijn lievelingsschepsel, de mensch, tot Hem moet opklimmen. „Want zoodra de ziel door de //liefde in God veranderd is ,quot; zegt de H. Angela van i\'oligno (ontjerwijz. cap. 63), //bemint zij uit liefde tot den Schepper elk door Hem genschapen wezen gelijk \'t behoort, wijl zij in elk schepsel God erkent, „en ziet, hoe het door God bemind wordt, en tegelijk alles bemint, „wat God bemint.quot; Dit wist de Heilige bij ondervinding. — Als wij aldus God boven alles beminnen, en alles, ook ons zelven om God, dan beminnen wij God, gelijk God zelf zich bemint, die vóór alles zich zelven, en alles buiten zich om zich zelven bemint. Met recht zegt daarom de H. Augustinus 1): „dan is de mensch volmaakt, als //zijn geheele leven (door zoodanige liefde) God ten doel heeft, en zijn ,hart Hem, den Onveranderlijke, volkomen aanhangt.quot; Over deze volmaaktheid, krachtens welke de Christen God boven alles, en alles in en om God bemint, zal later bij het onderricht over de christelijke volmaaktlieid breedvoeriger gesproken worden.
1
JJe doccrma christ. I. 1. c. 25.
17
en nog zoo heilig betuigen, dat hij hen bemint; laat het uiterlijk door duizend liefkozingen hen verzekeren van zijne genegenheid: als het niet doet wat hun behaagt, als het over hunne bevelen en over hunne beschikkingen mort en klaagt, dan is zijne liefde niet krachtdadig, zij is zelfs geene liefde; ziine woorden en liefkozingen zijn veeleer eene krenkende huichelarij. Eveneens is het met de liefde tot God. Wie zegt, dat hij G-od bemint, en niet doet wat Hem welgevallig is, zijne geboden niet onderhoudt, is een leugenaar en een huichelaar; hij is een leugenaar en een huichelaar, zelfs dan wanneer hij slechts een enkel op zware zonde verplichtend gebod overtreedt; want de overtreding van een enkel gebod van dien aard is voldoende, om den band der liefde tusschen God en den mensch te verbreken. De liefde tot God toont zich dus daardoor echt en krachtdadig , dat zij den beminnaar aanspoort, voor niets meer bezorgd te zijn, dan om den wil van den beminde onder alle opzichten zoo volmaakt mogelijk te vervullen. Hij die krachtdadig bemint , gevoelt zich als gedrongen, onophoudeliik uit te roepen: Wat behaagt u, mijn God? Wat beveelt Gij, wat wilt Gij? Zie hier ben ik, bereid om alles te doen volgens uwen heiligsten wil. Ontneem mij mijne gansche vrijheid, mijn geheugen, mijn verstand en mijn wil. Alles tcch wat ik heb en bezit, is uwe gave; alles geef ik weder aan uwe beschikking over; handel daarmede geheel volgens uw welgevallen.
Zoo was de liefde van Jesus Christus, den God-mensch, jegens zijnen Vader in den hemel. Daarom sprak Hij: „Ik „ben van dén hemel gekomen, niet om mijnen wil te doen, „maar den wil van Hem, die Mij gezonden heeftquot; (Joan. VI, 38). En „Ik doe altijd, wat Hem behaagtquot; (Joan. VIII, 29). Zoo ook was de liefde van alle Heiligen. Heerscht er ook eene zoodanige liefde in uw hart? Toets ze niet naar uwe woorden, maar naar uwe werken. Doet gij altijd, wat God welgevallig is, onderhoudt gij getrouw zijne geboden ?
Waarom moeten wij God beminnen ?
Wij moeten God beminnen, wijl Hij het hoogste, het volmaaktste goed is. — Het hart van den mensch is geschapen , om het goede te beminnen, en om het des te meer te beminnen, naar gelang het grooter en volmaakter is. God nu is het allerhoogste en het volmaaktste goed; bijgevolg is het ook de eerste en eigenlijke bestemming van den mensch , God te beminnen. „Gij hebt ons voor U ge-
2
DEHAUBE, GELOOFSLEER, III. 3de DRÜK.
18
„schapen, o Heer!quot; roept de H. Au^ustinus uit, „en daarom „is ons hart ongerust, zoo lang het niet ruste in U.quot; En inderdaad, hoe zou ons hart Hem zijne liefde en toegenegenheid ontzeggen, wien het, door het licht der rede en des geloofs, als oneindig beminnenswaardig leert kennen? Hoe zou men God niet beminnen, het beginsel van al wat goed en schoon is, God, de oorzaak, het toonbeeld, de onuitputtelijke bron van al het geschapen goed, van alle oneindige schoonheid ? Wij beminnen een vorst, die uitgerust is met macht, wijsheid en goedheid, versierd met alle deugden en voorrechten van een volmaakten regent, die, als vader zijns volks, slechts leeft om het volk gelukkig te maken; wij beminnen zulk een koning, zelfs als wij in geene nadere betrekking tot hem staan. Wat is echter de machtigste, de wijste, de goedaardigste, de rechtvaardigste regent, wat is de beste, de teederste vader in vergelijking met God, den oneindig machtigen, goeden, wijzen Koning des hemels en der aarde, met God, den oneindig liefderijken en barm-hartigen Vader aller menschen ? Wat anders dan eene schaduw tegenover de heldere waarheid ? Neem de macht, de wijsheid, de goedheid, de verheven deugden en voorrechten van alle menschen tezamen, voeg daarbij de macht, de wijsheid, de goedheid van alle Engelen en Heiligen; denk u al deze eigenschappen en volmaaktheden in één schepsel vereenigd; wat zou dit onuitsprekelijk beminnenswaardig schepsel nog zijn in vergelijking met God ? Een zwak afbeeldsel van het oneindig beminnenswaardig origineel. God verdient dus in en om zich zeiven, dat is, om zijne oneindige volmaaktheden, onze geheele liefde. Wij moeten echter God ook beminnen,
2) wijl Hij ons het eerst bemind en ontelbare weldaden naar ziel en lichaam bewezen heeft. — „Laten wij God „beminnen,quot; schrijft de H. Joannes (1. Br. IV, 19), „wijl „God ons het eerst heeft liefgehad.\'\' Niets is meer in staat ons van de innigste liefde tot God te doen ontvlammen, dan de overweging, dat de groote, oneindige God ons het eerst en wel van eeuwigheid af bemind, en in den tijd met ontelbare weldaden en genaden overladen heeft, ja, op dit oogenblik nog overlaadt. God schonk ons het leven, niet wijl Mij ons noodig had om volmaakt gelukkig te zijn, maar omdat Hij ons beminde en ons wilde zalig maken. God gaf ons verstand, om Hem, de hoogste waarheid, te kennen, een hart, om Hem, het hoogste goed, de hoogste schoonheid, te beminnen. God schiep om ons de zichtbare wereld met al de wonderen zijner almacht, wijsheid en goedheid, opdat de kennis van Hem des te volmaakter, de liefde
af
19
tot Hem des te inniger in ons zou worden \'). God heeft ons, toen wij als zondige nakomelingen van een zondigen vader aan den eeuwigen dood waren prijs gegeven, weder levend gemaakt in Christus (Eph. II, 45), zijn eenigge-boren Zoon, dien Hij uit overgroote liefde tot ons heeft overgeleverd. Deze eeuwige Zoon van den eeuwigen Vader is voor ons mensch. geworden, heeft drie-en-dertig jaren lang voor ons gewerkt, onuitsprekelijk veel voor ons geleden, en is eindelijk voor ons aan het kruis gestorven.
Niettegenstaande de vele en zware beleedigingen, waardoor wij zijn vaderhart krenken, houdt God niet op, ons dagelijks en ieder oogenblik van den dag weldaden en genaden uit te deelen. Ook nu nog is Hij bij ons door zijne alomtegenwoordigheid , ook nu nog leven wij, bewegen wij ons, en zijn wij in Hem; ook nu nog leidt zijne vaderhand ai onze schreden, beschermt ons tegen gevaren naar ziel en lichaam , en redt ons uit den nood; Hij is niet slechts met zijne goddelijke, maar ook met zijne aangenomen menschelijke natuur tegenwoordig in de H. Eucharistie, Hij hoort en verhoort onze beden, komt binnen in ons hart, voedt, ver-
\') //O! hadt gij ooren, om de stemmen aller schepselen te vernemen, //gij zoudt duidelijk genoeg hoeren, hoe zij allen u vermanen en uit-//noodigen, üud te beminnenzoo spreekt Lodewijk van Grenada (Geleidster der zondaars 1«; deel besch. 1. cap, 3). — Dezelfde gedachte ontvouwde de vrome Overberg in zijn godsdienstig handboek opeene voor kinderen zeer bevattelijke en aanschouwelijke wijze, de schepselen als «bodenquot; der macht, wijsheid en goedheid van God voorstellende. Op de kinderlijke vraag: hoe toch de werken Gods, die geen leven\' geen verstand, geene stem hebben, //bodenquot; kunnen zijn, geeft hij dit schoone antwoord: //het is waar, beminde kinderen, zij spreken
//geene woorden; maar wanneer een stomme bode u een geschenk bracht
//Van uwen vriend, zou deze bode u daardoor niet eene even groote //Zekerheid geven van de liefde van uwen vriend, als wanneer hij u //dit met woorden verzekerde? Zoo is het ook met de levenlooze en //redelooze werken Gods. Zij zeggen ons niets met woorden, maar door «hunne schoone schikking, door het nut, hetwelk zij ons aanbrengen, //geven zij ons duidelijk te kennen, wat zij ons verkondigen moeten\'. //Bijv. een appelboom zegt niets; maar als hij met appelen beladen isj //is het als roept hij ons luide toe : weet gij het, o menschenkinderen^ »dat gij een machtigen, goeden en wijzen Vader in den hemel hebt! //Ziet hoe mijne takken zich onder den last\'der vele appelen buigen ! //Niet voor zich zeiven, niet voor mij, maar voor u, lievelingen Godsj //heeft iiw hemelsche Vader mij zoo zwaar met schoone appelen beladen.\'\' Duizend andere voorwerpen liggen voor de hand, die den katecheêt aanleiding kunnen geven om den kinderen en volwassenen opgepaste wijze aan te toonen, hoe alle schepselen de volmaaktheid, schoonheid en goedheid Gods openbaren , en ons aldus uitnoodigen, onzen besten Vader in den hemel kinderlijk te beminnen — Het zal ook niet ondoelmatig zijn , bij deze eerste beweegreden om God lief te hebben , alsmede bij de nog volgende, een en ander in herinnering te brengen, van hetgeen in het le Deel bij het onderricht over de volmaaktheden Gods gezegd is.
2*
20
sterkt en heiligt onze ziel. Zou het geen zwarte ondank zijn , dien onuitsprekelijk goeden en milden God niet weder-keerig te beminnen ? Zouden wij dan niet vol schaamte ons moeten plaatsen beneden het redelooze dier, dat bewonderenswaardige trouw en gehechtheid toont aan zij n heer voor het geringe voedsel, dat hem van diens tafel geschonken wordt ? \')
Bij de aangevoerde beweegredenen tot liefde komt nog:
3) dat God ons beveelt Hem te beminnen, en ons ter belooning de eeuwige zaligheid belooft. — God weet het, welken diepen, meeslependen indruk de aardsche goederen op ons plegen te maken; Hij weet hoe menigvuldig en gevaarlijk de bekoring is, om aan de zinnelijke goederen, welke wij aanschouwen, de voorkeur te geven boven de onzichtbare hemelsche Daarom wilde Hij ons te hulp komen door uitdrukkelijk te gebieden, datgene te doen, waartoe ons verstand en het geloof ons buitendien allerdringendst uitnoodigen, namelijk Hem van ganscher harte boven alles te beminnen. En opdat wi] dit eerste en voornaamste gebod met meer liefde en des te volmaakter zouden beoefenen, verbond Hij er de belofte mede van een eeuwig loon, de eindelooze zaligheid. De goddelijke Wetgever spreekt als het ware tot ieder onzer; „O mensch, stof en asch ! gij „moet het als de grootste genade aanzien, Mij, den Oneindige , te mogen beminnen. Doch niet slechts veroorloof „Ik u Mij te beminnen, Ik beveel het u zelfs; Ik ben „naijverig op uwe liefde. Zie, Ik geef u den hemel ten „loon, als gij Mij boven alles, volkomen lief hebt; Ikzelf, „dé oneindige volheid aller goederen, zal hec overgroot loon „zijn uwer liefde tot Mij.\'\' Wie kan gevoelloos en dwaas genoeg wezen, dit liefde-ademend gebod onopgemerkt te
\') Van de dankbaarheid van den leeuw is reeds een voorbeeld verhaald. Hier moge nog eene plaats vinden, wat Lodewijk van Grenada, naar Plinius, over de trouw en de dankbaarheid van den hond aanhaalt.
Volgens het bericht van dezen romeinschen schrijver wilde een dezer dieren, toen zijn heer door roovers aangevallen en vermoord was, het lichaam zijns weldoeners niet verlaten. Ofschoon zelf met wonden bedekt, wendde het de laatste krachten aan , om de roofvogels en wilde dieren er van af te weren. — Dezelfde heidensche schrijver verhaalt van een hond, het eigendom van een Romein, die ter dood veroordeeld was. Deze wilde zich niet van den kerker verwijderen, waarin zijn heer gevangen zat. Zelfs na de terechtstelling verliet hij het lijk niet, en legde door een klagend gehuil zijne smart aan den dag. Toen eindelijk het lichaam van zijn heer in den Tiber geworpen werd, sprong de hond het achterna en spande alle krachten in. om het dierbare lichaam voor zinken te bewaren. //Laten wij toch niet //Onverstandiger zijn dan de redelooze dieren, door onze liefde en //dankbaarheid te ontzeggen aan Hem , van wien wij zooveel goeds //hebben ontvangenquot; (Aldus de H. Basilius mor. reg. fus. int. 2).
21
laten? Hoe versteend moet niet het hart zijn van hem, die veeleer de zaligheid des hemels verliezen en de pijnen der hel lijden wil, dan God, zijnen besten Vader beminnen?
Wanneer is onze liefde tot God volmaakt, en wanneer is zij onvolmaakt ?
Onze liefde is volmaakt, als wij God boven alles beminnen, omdat Hij in zich zeiten het; hoogste, beminnenswaardigste goed is. — Onvolmaakt daarentegen is onze liefde, wanneer wij Hem slechts beminnen, wijl Hij ons hoogste goed is, namelijk de gelukzaligheid, die wij hopen
Liefde in den eigenlijken zin is hartelijke toegenegenheid voor een voorwerp, oprechte toewijding aan dat voorwerp uit welwillendheid. Liefde tot God is dus hartelijke toegenegenheid voor God, oprechte toewijding aan God uit welwillendheid jegens Hem. Deze liefde tot God en de daaruit voortkomende onbeperkte toewijding aan God ontstaat uit de kennis van God, als het hoogste en beminnenswaardigste goed in zich zeiven, en uit het met deze kennis verbonden welgevallen. God nu is het hoogste en beminnenswaardigste goed in zich zeiven, niet slechts, wijl Hij eeuwig, onmetelijk, onveranderlyk, oneindig, heilig en rechtvaardig is, maar ook, wijl Hij oneindig goed, mededeelzaam en barmhartig jegens ons is ; Hij verdient onze volkomen overgave om iedere volmaaktheid en alle volmaaktheden tezamen, die zijn oneindig wezen bevat, hetzij
\') Wij kozen liier deze formule, om de tegenstelling tusschen de volmaakte en onvolmaakte liefde des te sterker te doen uitkomen. Deze moet echter niet anders worden opgevat, dan die, welke in onze verhandeling over de volmaakte liefde tot God breedvoeriger verklaard is en aldus luidt; «Onze liefde is volmaakt, als wij God om zijne «oneindige goedheid beminnen, dat is, Hem boven alles beminnen, //Wijl Hij oneindig goed is, zoowel in zich zeiven, als jegens ons, en ,onze liefde is onvolmaakt, wanneer wij God hoofdzakelijk daarom »beminnen, wijl wij goed van Hem hopen.quot; Wanneer hier dus gezegd wordt, onze liefde is volmaakt, als wij God beminnen, //wijl Hij in ,zich zeiven het hoogste goed is,:\' dan moet de uitdrukking „in zich „zelvenquot; enkel als tegenstelling van »ons hoogste goedquot; verstaan \\vorden, en niet zoo, ais hadde de volmaakte liefde slechts de absolute, dat wil zeggen, de buiten alle betrekking tot de schepselen liggende volmaaktheden Gods op het oog, of als vorderde de onbaatzuchtige liefde, dat men niet let op de liefde Gods tot ons en op de weldaden, welke Hij ons bewezen heeft en nog bewijst. Als er verder gezegd wordt: onze liefde is onvolmaakt, wanneer wij God slechts beminnen, omdat Hij „ons goedquot; is, willen wij daarmede niet zeggen, dat de liefde onvolmaakt is, als wij God beminnen , wijl Hij „ons goed,quot; wijl Hij goed jegens ons, dat is , weldadig of welwillend jegens ons gezind is. Hoor de uitdrukking „God, ons goedquot; beduiden wij eigenlijk God als het goed, welks bezit ons kan zalig maken, dat wij voor ons verlangen en wenschen, dus als de eeuwige zaligheid , waarop wij hopen.
22
zij op het schepsel betrekking hebben of niet. — Daarin ligt ook de grond, waarom de dankbare liefde, welke ontstaat uit de kennis van God, als onzen grootsten en liefde-volsten weldoener, en ons aanspoort God te beminnen, wijl Hij ons eerst heeft liefgehad (1. Joan. IV, 19), met recht als eene liefde tot God in zich, en diensvolgens als eene volmaakte liefde beschouwd wordt. Want gelijk over het algemeen de waarlijk dankbare niet zoozeer op de gave ziet, welke hij van zijnen weldoener ontvangen heeft, als wel op diens liefdevolle gezindheid, en bijgevolg minder de gave dan den gever bemint, zoo bemint ook hij, die dankbaar is jegens God, niet zoozeer de weldaden Gods , als wel de goddelijke goedheid en weldadigheid; hij bemint God dus om ziine oneindige volmaaktheid, dat is, om God zeiven
\') Ofschoon liet niet de eenstemmige leer der Theologanten is, dat de dankbare liefde, ot\' de liefde uit dankbaarheid, eene volmaakte liefde is, gelooven wij toch dat de katecheet dit zonder de minste bedenking mag voordragen; ja, wij zijn van gevoelen, dat de bewering van het tegendeel de christelijke liefde en godsvrucht eerder afbreuk doet, dan bevordert 1). De\' verscheidenheid van meening onder de Theologanten komt hoofdzakelijk, zoo niet uitsluitend daarvan, dat velen onder dankbare liefde niets anders verstaan, dan eene liefde, waartoe ons de ontvangen weldaden aansporen, üit is echter geheel onjuist, want hoewel de dankbare liefde door do weldaden, als even zoovele sprekende bewijzen van de welwillende gezindheid des weldoeners, veroorzaakt wordt, zijn toch niet zoozeer de weldaden de beweegreden der dankbare liefde, als wel de welwillendheid van hem , die ze bewijst. Daarom leert ook de H. Thomas (2. 2. q. 107. a. 5), dat de dankbaarheid niet zoozeer op de ontvangen weldaden ziet, als wel op de liefde van den weldoener, en de dankbetuiging naar die liefde afmeet. En inderdaad, wij rekenen ons niet tot dankbaarheid verplicht jegens iemand, die ons wel is waar uitstekende diensten bewezen heeft, maar zonder het te bedoelen en zonder in het minste welwillend jegens ons gezind te zijn. — Het eigenaardig karakter der dankbare liefde bestaat hierin, dat zij welwillendheid met welwillendheid, liefde met wederliefde vergeldt. God, de Heer, wil ons goed: uit welwillende liefde heeft Hij zijn eeniggeboren Zoon voor ons overgeleverd; ook wij willen Hem goed uit erkentelijkheid daarvoor, wij willen zijne eer en verheerlijking; ook wij brengen Hem uit wederliefde ons zeiven, onzen wil. onze vrijheid ten otïer. Dat is liefde uit dankbaarheid. Gaat zij boven alles, dan onderwerpt de uit dankbaarheid beminnende zijn wil volkomen aan den wil van God; hij is bereid, al de geboden des Heeren te onderhouden, en besloten liever alles te verliezen, ja, zelfs het leven te geven, dan God te beleedigen en zich van Hem te scheiden. En deze volkomen onderwerping en offervaardige gezindheid ontstaat bij den dankbare niet uit slafelijke vrees, of omdat hem daarvoor een nog grooter loon is
1
Dit niet onbelangrijk onderwerp kan hier slechts ter loops worden aangestipt; het is breedvoeriger behandeld in het werk van Deharbe over de volmaakte liefde tot God. § 0.
23
Behalve deze welwillende liefde is er nog eene andere soort van liefde jegens God, die zeker goed, loffelijk, ja zelfs geboden is, maar toch geene liefde tot God in den vollen, eigenlijken zin des woords genoemd kan worden, wijl zij voortkomt uit eene welwillendheid, welke niet God, maar ons zeiven tot voorwerp heeft: deze is de begeerlijke liefde (amor castae concupiscenliae). Deze liefde omvat God, niet als het hoogste goed in of om zich zei ven, maar als ons hoogste goed, en in het bizonder als de zaligheid, welks wij hopen. Door die liefde namelijk willen wij ons zeiven goed, en daar wij erkennen, dat God ons hoogste goed is, zoo is het goede, hetwelk wij ons zeiven krachtens de begeerlijke liefde willen, God zelf.
Op zulke wijze bemint de arbeider zijn loon, de koopman zijne winst, de erfgenaam zijne erfenis: de arbeider ziet en
beloofd, maar uit hartelijke toegenegenheid voor God, zijn besten Vader, zijn grcotsten Weldoener. Al had hij ook geene straf te vreezen en geene belooning te wachten, zijne liefde zou onveranderlijk dezelfde blijven: het is een dankbaar kind, dat zijn besten vader bemint, ook als het niets van hem te hopen, niets van hem te vreezen heeft. En zulk eene liefde zou geene zuivere, geene onbaatzuchtige liefde zijn? Zulk eene liefde wil immers niet ontvangen, zij wil teruggeven, zij begeert niets voor zich, maar geeft zich geheel en al aan haren godde-lijken weldoener over; zij is niet welwillend jegens den beminnaar, maar jegens God, den beminde, zij heelt alzoo alle wezenlijke ken-teekenen der volmaakte liefde. — Tot deze liefde spoort oiis cfe leerling der liefde, de H. Joannes, zoo nadrukkelijk aan, waar hij zegt: „laten wij God beminnen, wijl Hij ons eerst bemind heeftdoor deze liefde was Paulus ontvlamd, als hij uitriep: «de liefde tot Christus //dringt mijquot; (2. Cor. V, 14). Tot deze liefde van dankbaarheid worden wij eveneens opgewekt door de leer der HH. Vaders, het voorbeeld van tallooze Heiligen en het onvermoeide streven der Kerk, om door feesten, ceremoniën, vrome gebruiken, enz. het aandenken aan de uitstekendste weldaden Gods, aan de schepping, verlossing en heiliging, in de harten harer kinderen aan te wakkeren en aldus het vuur der dankbare liefde meer en meer te ontsteken. — Waarom moeten wij //God beminnen ?quot; vraagt de H. Bernardus (zie het begin zijner verhandeling over de liefde Gods), en hij antwoordt: ^omdatHij hetver-//dient.quot; //Wilt gij weten,quot; gaat die H. Leeraar voort, ,/waarom Hij «het verdient? Vooral, omdat Hij ons het eerst bemind heeft. Wel //is God waardig, wederkeerig bemind te worden , vooral als gij herdenkt, wie het is, dien Hij bemind heeft, en hoe groot zijne liefde //was.quot; — De H. Franciscus van Sales wijst Jesus, den Gekruiste, als de voornaamste beweegreden onzer liefde aan. /.Het lijden en sterven //onzes Heeien,quot; schrijft hij (over de liefde Gods (ISe boek, 13c hoofdst.), //is de zoetste en sterkste beweegreden der liefde , welke onze harten //in dit sterfelijk leven kan treffen. De Calvarieberg is de ware school //der liefde; de Calvarieberg is de berg der beminnende zielen. Alle //liefde, welke niet in het lijden van den Heiland haren oorsprong «neemt, is ijdel en gevaarlijk.quot; In waarheid, wie kan den uit over-groote liefde tot ons aan het kruis stervenden Heiland aandachtig beschouwen, zonder door iederen droppel van dit kostbaar bloed tot dankbare wederliefde ontvlamd te worden?
24
begeert in het loon, de koopman in zijne winst, de erfgenaam in zijne erfenis eene vermeerdering van het geluk, waarnaar hij streeft. Wie dus God énkel met begeerlijke liefde bemint, diens welwillendheid is niet op God, maar op zich zei ven gericht, vermits hij wil en begeert, wat alleen in staat is, hem waarlijk zalig te maken, namelijk het bezit van God, als zijn hoogste goed. De begeerlijke liefde is dus, om alles met één woord te zeggen, het verlangen naar God, ons hoogste goed, uit welwillende liefde tot ons zei ven. Deze liefde is wel niet zoo zuiver als de eerste, zij is baatzuchtig; nochtans is zij niet slecht of te verwerpen, wyl wij God toch altijd hooger schatten dan ons eigen nut. Zij is wel niet eene welwillende liefde jegens God, maar sluit daarom toch de welwillendheid jegens God niet uitdrukkelijk uit, wat zeker eene misdadige verachting van God zou zijn. Ofschoon zij uit eene natuurlijke genegenheid jegens ons zeiven ontstaat, is zij toch bovennatuurlijk, wijl haar voorwerp een bovennatuurlijk, door het geloof gekend goed is, namelijk het bezit van God.
Volgens het gezegde kan eene akte van onvolmaakte liefde volgender wijze luiden: „O mijn God! ik hoop en verlang „U eeuwig te bezitten, wijl gij alleen mijn hoogste goed, „en al mijne gelukzaligheid uitmaakt;quot; terwijl eene akte van volmaakte liefde in de volgende woorden vervat is: „O mtja God! ik bemin U uit geheel mijn hart en boven „alles, wijl Gij het hoogste, beminnenswaardigste goed ia „U zeiven zijt\'- \'). De welwillende liefde (amor benevolentiae)
i) In de leerboeken wordt gezegd, dat de liefde volmaakt is, als wij God hoofdzakelijk om Hem zeiven beminnen, namelijk, wijl Hij de hoogste oneindige goedheid en volmaaktheid is; dat zij daarentegen onvolmaakt is, als wij Hem hoofdzakelijk om zijne gaven, om zijne weldaden beminnen. Daaruit echter zou men ten onrechte de gevolgtrekking maken, dat bij de volmaakte liefde de goddelijke weldaden op geenerlei wijze in aanmerking mogen komen; dat de liefde vooraf\' reeds inwendig zoodanig zijn moet, dat men bereid zon wezen, ook dan nog God te beminnen, als Hij ons niets goeds mededeelde noch beloofde. Eene dergelijke voorstelling van de volmaakte liefde is voorzeker in strijd met het begrip, hetwelk ons de H. Joannes daarvan geeft, ons uitnoodigende God te beminnen, wijl Hij ons eerst bemind heeft; en de veronderstelling zelve, dat God ons niets goeds geeft of geven wil, is evenzeer ongerijmd , als in strijd met de natuur van God; want ,God is liefde; de liefde echter is van nature mededeelzaam. — Menigvuldig gebruiken wij de spreekwijze „God om zijne /,weldaden beminnen,quot; daardoor echter willen wij geenszins de weldaden als den eigenlijken grond aangeven, waarom wij God beminnen. Zij kunnen evenmin de oorzaak der liefde zijn, als de wonderen, welke ons tot gelooven aansporen, de laatste en eigenlijke grond van ons geloof zijn. Want hoewel het eene gebruikelijke spreekwijze is, dat wij om de wonderen, die Christus gewrocht heeft, aan Hem gelooven; zoo blijft het toch niet minder waar, dat de oneindige waarachtigheid
25
(tenminste als zij bovennatuurlijk en boven alles groot is) is volmaakte liefde, dat wil zeggen, zij heeft alles, wat vereischl wordt tot het wezen der ware liefde tot God.
Gods de eigenlijke beweegreden van ons geloof is. Eveneens is liet gelegen met de weldaden Gods en met de liefde om deze weldaden. Daar God namelijk het hoogste, volmaakte goed is, waarmede geen. ander in vergelijking kan komen; daar Hij het laatste doel is, waarom de mensch alles buiten God beminnen moet, mogen wij nimmer God om eenig ander goed beminnen, dat is: zoo beminnen, dat gezegd goed de hoofdzaak en het laatste doel, God daarentegen als het ware nevenzaak en slechts middel tot verkrijging daarvan zou wezen. Aldus zouden wij immer het geschapen goed boven het ongeschapen, het schepsel boven den Schepper stellen; waarlijk bereid zijn, God, den oneindig beminnenswaardige, de liefde te ontzeggen, bijaldien Hij ons het verlangde goed niet zou geven. De laatste en eigenlijke grond onzer liefde tot God kan alzoo slechts in God gelegen zijn, kan alleen God zelf wezen 1). Als wij God slechts boven al beminnen, alleen wijl Hij ons goed, onze gelukzaligheid is, dan beminnen wij Hem niet om zich zeiven, daar zulk eene liefde niet vrij is van eigenbaat.
Hoewel nu de natuurlijke zoowel als de bovennatuurlijke weldaden Gods, inzooverre zij goederen zijn, welke buiten God liggen, niet de eigenlijke grond onzer liefde tot God mogen zijn, kunnen zij ons toch van den anderen kant zoowel tot de volmaakte als tot de onvolmaakte liefde helpen en ons daartoe aanzetten Zij geven ons gelegenheid en. aansporing tot volmaakte lieide, wijl wij daardoor erkennen, hoe groot Gods goedheid, hoe buitengewoon zijne liefde is jegens ons menschen, zijne arme, gebrekkige schepselen, en wij daardoor aangedreven worden, aan Hem, den oneindig goeden en milden God, ons geheel en zonder voorbehoud over te geven, en zoo liefde met wederliefde te vergelden. Daarin toch bestaat de volmaakte liefde uit dankbaarheid. Tot deze liefde gevoelde zich de H. Maria Magdalena van Pazzis aangedreven, als zij eens bij het overwegen der liefde van den Gekruiste, in geestvervoering geraakte en met luider stem uitriep : „O liefde ! o liefde! //O liefde! ü zielen, schepselen der liefde, waarom bemint gij de „liefde niet? wat is de liefde anders dan God? God is de lieide. Gij „verteert mij, o liefde! liefde gij maakt dat ik sterve en toch leve.quot; — Ook van deze liefde was Maria Magdalena ontvlamd, toen zij onge-noodigd in de eetzaal van Simon den Phariseër binnenkwam, zich nederwierp aan de voeten van Jesus, die haar van zeven booze geesten bevrijd had, ze kuste, zalfde, met tranen bevochtigde en met de haren van haar hoofd afdroogde. Daarom zeide ook .Christus: „haar „worden vele zonden vergeven, omdat zij veel bemind heeftquot; (Luc. VIII, 47). — De goddelijke weldaden zijn echter bizonder geschikt, ons tot de onvolmaakte of begeerlijke liefde aan te sporen, tot die liefde, krachtens welke het hart niet met welwillende toegenegenheid den Oneindige omvat, om zich aan Hem toe te wijden en in Hem te rusten, maar uit welwillendheid jegens zich zeiven in Hem zijn hoogste goed, de bron zijner zaligheid zoekt. Inderdaad roept ons niets luider en ernstiger toe, dat God en God alleen in staat is, ons in dit en in het toekomende leven gelukkig te maken, dan juist de ontelbare weldaden, welke ons dag aan dag in zoo ruime mate toestroomen, en
1
S. Thomas, 2. 2. q. 27. a. 3. S. Bernard (de diligendo Deo c. 1): Causa diligendi Deum, Deus est.... non plane alia mihi digna occurrit causa diligendi ipsum praeter ipsum. Suarez (de spe disp. 1 § 3. n. 9): Ratio amandi in amore concupiscentiae est quidem etiam ipsamet bonitas increata Dei, sed ut est bonum increatum meum.
26
Want de uitdrukking; volmaaktquot; beteekent hier niet den hoogsten graad, of de hoogste volkomenheid der liefde waartoe de mensch hier beneden geraken kan, maar de liefde in den eigenlijken en vollen zin des woords of de liefde in tegenoverstelling van de hoop. Zi] rechtvaardigt den mensch, sticht duurzamen vrede tusschen God en den mensch. en wordt daarom ook liefde der vriendschap genoemd. Deze is de liefde, waarvan geschreven staat: „die in de liefde blijft, „blijft in God en God in hem;\'\' en „ieder, die lief heeft, ,,is uit God geboren,quot; dat wil zeggen, is een kind Gods.
De begeerlijke liefde wordt in tegenoverstelling van de welwillende, onvolmaaile, ook wel baatzuchtige liefde genoemd, niet alsof zij berispelijk ware, maar wij 1 haar het wezenlijke der volmaakte liefde, de welwillendheid jegens God, ontbreekt , en zij daarom als welgeregelde eigenliefde voorkomt, krachtens welke de mensch het eenig ware en hoogste goed voor zich zeiven verlangt. Om deze reden kan zij den mensch niet rechtvaardigen, niet tot vriend Gods maken, maar zij stelt hem in staat, tot de rechtvaardigmaking te geraken. — Daar het voorwerp der begeerlijke liefde hoofdzakelijk de toekomende, door het geloof ons beloofde zaligheid, het bezit van God is, smelt zij samen met de christelijke hoop, en wel zoodanig, dat in iedere akte der goddelijke hoop ook eene akte der begeerlijke liefde vervat is, vermits wij slechts datgene hopen, wat wij op eene of andere wij ze
ons voor het toekomende leven beloofd zijn. Alle gaven der natuur, maar bizonder de onvergelijkelijk kostbaarder gaven der genade verkondigen den mensch, dat üod alleen den dorst zijns harten naar eene onbegrensde, ongestoorde en eindelooze zaligheid vermag te stillen. Als de mensch dit duidelijk inziet, zal dan zijn naar geluk dorstend hart niet tot üod, zijn hoogste goed, gedreven worden ? Zal dat hart zich niet voelen aangespoord, naar Hem te verlangen, naar zijne gunst en vriendschap te dingen, om door en in Hem gelukkig te zijn? Daarom wenden zich ook vele zondaars, getroffen door de overweging der goddelijke weldaden, vooral door de hulp, die zij in tijd van nood menigvuldig ondervonden, tot God, om voortaan bij Hem die zaligheid te zoeken, welke zij te vergeefs bij de schepselen gezocht hebben. Hierin zijn zij gelijk aan Uen verloren zoon in het Evangelie, wien niet de welwillendheid jegens zijn vader, niet de smart over de hem aangedane beleedigingen, maar veelmeer het verlangen en de hoop, van het vaderlijk huis ondersteuning in den nood en brood in overvloed te zullen vinden, tot het besluit brachten, op te staan, tot zijnen vader te gaan, en hem te zeggen: //Vader, ik heb gezondigdquot; (Luc. XV). Als hij dit besluit nam, begon hij zonder twijfel zijn-vader reeds te beminnen; deze liefde was echter nog geene volmaakte liefde, maar liefde uit hoop en verlangen.
\') Hierover wordt later gesproken bij de leer over de christelijke volmaaktheid.
27
beminnen. Daarom heet de begeerlijke, liefde ook liefde der hoop 1).
Gelijk de deugden van hoop en van liefde, zoo kunnen ook de begeerlijke en welwillende, of de baatzuchtige en onbaatzuchtige liefde zeer goed in een en hetzelfde hart bestaan; vooral omdat, gelijk gezegd is, de begeerlijke liefde in de goddelijke deugd der hoop begrepen is, de welwillende daarentegen de eigenlijke goddelijke deugd der liefde zelve is. En inderdaad, de mensch kan te gelijker tijd gedreven worden, om God boven alles te beminnen, diensvolgens het goede te doen en het kwade te laten, zoowel door het uitzicht op de eeuwige belooning, op het toekomstig bezit van Godj als door de betrachting der oneindige goedheid en volmaaktheid Gods en door de overweging der buitengewone liefde, waarmede Hij ons bemint en met tal-looze weldaden overlaadt. Om ons hiervan een goed denkbeeld te vormen, hebben wij ons slechts de moeder van den jongen Mozes in het geheugen te roepen. Pharao\'s dochter liet haar bij zich ontbieden, teneinde het uit de Nijl geredde knaapje aan haar ter verpleging te geven. „Neem „dit knaapje,quot; sprak de egyptische koningsdochter, „en „wees zijne min, en ik zal er u voor beloonenquot; — (^. Mos. II, 9). En de moeder nam het knaapje en bracht het groot. Wie zal nu ontkennen dat zij te gelijker tijd door twee onderscheiden beweegredenen gedreven werd , tenminste gedreven kon worden, om zoo goed mogelijk en met de meeste liefde voor het kindje te zorgen? Vooral was het de moederlijke genegenheid voor den liefelijken knaap, want het was haar zoon, die haar werd teruggegeven; maar ook kon zy de hoop koesteren, door Pharao\'s dochter op eene koninklijke wijze beloond te worden, zonder dat daardoor de innigheid en de onbaatzuchtigheid der welwillende moederliefde eenigszins verminderd werd. Naardien is het duidelijk, dat de Christen ook in eene enkele akte van liefde God boven alles kan beminnen, vooreerst wij 1 hij Hem als den oneindig beminnenswaardige in zich zeiven erkent, bijgevolg uit zuivere, onbaatzuchtige genegenheid voor Hem; en vervolgens ook, wijl hij Hem als zijn hoogste goed erkent en hoopt te bezitten, dus uit welwillendheid jegens zich zeiven; want het is volstrekt niet ondenkbaar, dat dezelfde persoon tegelijk dooiden eenen zoowel als door den anderen dezer beide beweeg-
\') Op de aangegeven wijze onderscheidt de H. Thomas (de Spe. q. 7. a. 3. Sum. 2; 2. q. 17. a. S. et q. 23. a. 6.) de volmaakte en onvolmaakte liefde Wij zullen daarop terugkomen bij de leer over het volmaakt en onvolmaakt berouw.
28
gronden kan en zal worden aangedreven, om te doen, wat God welgevallig is. Volmaakt toch is de liefde slechts dan, wanneer wij God om de eerste beweegreden, boven alles beminnen ; moesten wij daarentegen, opdat onze liefde boven alles zijn zou, en dus den ernstigen wil bevatte, alle geboden Gods te onderhouden, de tweede beweegreden, de hoop op loon, te hulp nemen, dan zou aan de welwillende liefde eene wezenlijke eigenschap ontbreken, om volmaakt te zijn.
Daar de volmaakte liefde voorzeker de voortreffelijkste van alle deugden is, zoo kan ook niet betwijfeld worden, dat de uit haar voortvloeiende akten liet voortreffelijkste zijn, wat de Christen, om God te behagen, doen kan. Uiets is dus verdienstelijker en voor-deeliger ter zaligheid dan het voortdurend streven om uit zuivere, onbaatzuchtige liefde te handelen, dat is. God te dienen, zijne geboden te onderhouden, niet zoozeer uit vrees voor de straf, en op hoop van belooning, als wel uit gevoel van genegenheid en kinderlijke dankbaarheid jegens Hem, uit oprecht verlangen Hem om zich zeiven te eeren en te verheerlijken, niettegenstaande is het geenszins berispelijk of in strijd met de christelijke volmaaktheid, God ook te dienen om ons eigen voordeel of nat, om de eeuwige belooning, welke Hij ons beloofd heeft. Daaruit toch volgt volstrekt niet, dat wij het loon hooger schatten en meer beminnen dan God. Het geval, dat de knecht zijn heer dient om het loon, geeft ons geen recht om te veronderstellen, dat het loon hem liever en meer waard is dan zijn heer. God blijft immers het laatste doel en einde, waarnaar wij streven; Hij blijft ons hoogste goed ; in Hem en niet in ons zeiven of in eenig ander geschapen goed zoeken wij onze zaligheid, onze rust. Daarom heeft ook de H. Kerk de leer, „dat het niet billijk of God niet wel-„gevallig is, het kwaad te verfoeien en het goede enkel te doen , om ,de hemelsche glorie te verkrijgen,quot; uitdrukkelijk verworpen en veroordeeld \').
Ja, niet slechts de hoop op belooning, maar ook de vrees voor de eeuwige straf moet als efene loffelijke en heilzame beweegreden worden aangezien, om de overtreding der goddelijke geboden te vermijden; //want de vrees voor de straf verdrijft de zondequot; (Sirach I, 27). Daarom ook stelt de H. Schriftuur zoowef den rechtvaardigen als den zondaars niet slechts de zaligheid des\'hemels, maar ook de pijnen der hel meermalen voor oogen, opdat zij aldus aangespoord worden, door het onderhouden der geboden deze te ontgaan, gene te verdienen (Luc. XII, 4, 5).
Het zou voorzeker eene groote dwaasheid zijn, te gelooven, dat hier beneden een toestand in den mensch kan bestaan van het volmaakte leven, waarin noch vrees voor straf, noch hoop op belooning gevoeld wordt. Hoe zou men zich eene volmaaktheid kunnen denken, waar datgene gemist wordt, wat God uitdrukkelijk wil, en allen zonder onderscheid als plicht oplegt? Zeker is het Gods wil en gebod, dat wij allen Hem beminnen niet slechts als het hoogste, beminnenswaardigste goed in zich zeiven, maar ook als ons hoogste goed, als het goed, hetwelk wij hopen, en vóór alle andere goederen ons zeiven wenschen moeten. Zoo wij dus het laatste achterlaten, vervullen wij noch volkomen het gebod van liefde tot God, noch het gebod der christelijke hoop, noch het gebod van welgeregelde eigenliefde. Verder is het Gods wil, dat wij Hem om het hemelrijk bidden: «aldus zult
!) Propos. 10. ab Alex. VIII damnata — Cone. Trid. Sess. 6. Can. 41.
29
;/gii bidden:.....Ons toekome uw rijkquot; (JIatth. VI, 9, 10V Die bede
sluit noodzakelijk de hoop in. Ook om deze reden dus gt;;ijn wij verplicht, het hemelrijk te hopen. Daarbij nog hebben de zielen, die zich op de hoogste volmaaktheid toeleggen , zulke hevige bekoringen en beproevingen te doorstaan , dat ook zij met de gedachte aan het strenge oordeel, aan het verlies des hemels, aan de eeuwigheid der helsche straffen zich moeten wapenen, teneinde door heilzame vrees de kwade begeerlijkheid met goed gevolg terug te drijven. Daarom ook gebeurt het niet zelden, dat zij. om God . het hoogste en beminnenswaardigste goed, niet te belecdigen, dus uit zuivere, volmaakte liefde, de vrees voor de eeuwige pijnen in zich opwekken. De vrees voor de eeuwige pijnen wordt dus zelfs geboren uit de volmaakte liefde, beschermt en bewaart deze in de ziel. Doch niet slechts in dit geval komt de vrees voor de hel en de hoop op den hemel uit volmaakte liefde voort, maar zoo dikwijls eene ziel de hel boven alles vreest, wijl zij daar God niet meer beminnen kan, en zoo dikwijls zij boven alles naar den hemel verlangt, wijl het haar daar vergund zal zijn, God volkomen te beminnen en in hoogere mate te-verheerlijken.
In dusdanige gemoedsstemming sprak de H: Paulus: //ik verlang //ontbonden te worden en met Christus te zijnquot; (Phil. I, 23) en de koninklijke Profeet: //mijne ziel dorst naar God, naar den sterken //en levendigen God; wanneer zal ik komen en voor Gods aanschijn //verschijnen ?quot; (Ps. XIJ , 3) \').
!) Uit het gezegde blijkt, hoezeer Fenelon zich bedroog, toen hij in zijn boek: //Verklaring van de grondbeginselen der Heiligen over „het inwendig levenquot; do leer opstelde, dat er in dit leven een duurzame toestand van zuivere liefde kan bestaan, waaruit alle vrees voor straf, alle verlangen naar belooning verbannen is, een toestand van //heilige onverschilligheid,quot; waarin wij het eeuwig heil niet als ons goed, niet meer als onze bevrijding van de eeuwige pijnen, als onze belooning, maar enkel en alleen daarom verlangen, wijl het een goed van God is, wijl God wil, dat wij het willen ter zijner verheerlijking.— Zeker hebben er nu en dan eenige oefeningen van zuivere liefde plaats, waarvan zelfs de geringste gedachte aan eigen voordeel verwijderd is. Bij zulke akten zweven alleen Gods schoonheid en volmaaktheid der beminnende ziel voor oogen; zij is, zonder eenigszins op zich zelve acht te geven, slechts op den heiligen wil en de verheerlijking Gods , haren geliefde, bedacht; ja, zij zou bereid zijn, indien dit zonder verlies der genade en liefde Gods geschieden kon . ter eere Gods en tot bewijs harer volkomen toewijding aan Hem, zelfs van de vreugde des hemels afstand te doen, en de pijnen der hel te lijden. In dien zin drukten zich de H. Teresia, de H. Francisca van Chantal, de H. Franciscus van Sales en vele andere Heiligen uit, en zoo kan men ook den tekst van den H. Paulus (Rom. IX, 3) verklaren. — Uit ons gezegde , dat zulk eene geheel onbaatzuchtige akte van liefde mogelijk en in zich zelve hoogst volmaakt is, mag men echter niet besluiten, dat er in dit leven een blijvende toestand kan bestaan, waarin de ziel geene andere akte van liefde meer verwekt, en voor hemel en hel geheel onverschillig is; ook niet, dat een dusdanige toestand van onverschilligheid , waarin men noch straf vreest, noch hoopt op belooning , waarin men deugd en zaligheid slechts inzooverre wil als God het wil, werkelijk een toestand van volmaaktheid is. In de verklaring, welke Bossuet benevens twee andere Bisschoppen over het bovengenoemde boek van Fenelon gaven, wordt derhalve terecht aangemerkt, dat het geheel juist is, te zeggen; men moet het zielenheil willen, als iets , wat God wil; maar geheel iets anders is het, te beweren, zooals in het genoemde boek telkens het geval is: men moet het zielenheil alleen daarom willen, wijl God het wil. Daardoor toch worden de beweegredenen der christelijke hoop weggenomen, en de
30
Waardoor wordt de liefde Gods in ons vermeerderd en vohnaalil ?
1) Door het veelvuldig en waardig ontvangen der HH, Sacramenten. — De liefde tot God in het hart eens Christens is gelijk aan een licht, welks glans vermeerderen, aan een vuur, dat meer en meer ontgloeien kan. Een der uitmuntendste middelen om de vlam der goddelijke liefde op het altaar des harten hooger te doen stijgen , de deugd der liefde te versterken, is het ontvangen der HH. Sacramenten.
In het algemeen zijn de Sacramenten door Christus ingesteld, om dat goddelijk vuur, hetwelk Hij van den hemel gebracht heeft, in de harten der menschen te ontsteken, of, als het reeds bestond, meer kracht te geven. Dit laatste is bizonder het geval bij het H. Sacrament des Altaars, hetwelk zoo dikwijls het door den geloovigen waardig, dat is, in staat van genade, ontvangen wordt, de goddelijke deugd der liefde vermeerdert, daar het de ziel tot eene altijd innigere vereeniging voert met God, die de liefde zelve is.
2) Een tweede middel om de liefde te vermeerderen , is de overweging van Gods volmaaktheden en weldaden, maar in het bizonder van het bitter lijden en sterven van Jesus Christus. De overweging der goddelijke volmaaktheden ontlokte aan den H. Augustinus de bekende ontboezeming van heilige verrukking : „O hoe laat heb ik U gekend, o eeuwig „oude, eeuwig nieuwe Schoonheid! Al te laat heb ik U „bemind! wee den tijd, waarin ik U niet heb liefgehad! „wee mij en andermaal wee, indien ik nu zou ophouden, „U te beminnen !quot;
Van de overweging der goddelijke weldaden zegt de H. Bernardus : \') „Zij is het, welke in het hart de hoogste „liefde ontsteekt.quot; „De herinnering daaraan ,quot; zoo vermaant de genoemde H. Leeraar -), „wijke niet uit uw hart, niet „uit uwen mond, niet uit uw geheugen , niet uit uw ge-„moed. Overweeg Gods weldaden onophoudelijk; zij zullen
weg gebaand tot de hoogst verderfelijke meening, dat het zielenheil eene in zich zelve onverschillige zaak is, waarnaar men slechts verlangen en streven moet, inzooverre het door God wordt geboden.
Het gezegde moge strekken om den Katecheet opmerkzaam te maken, hoe gevaarlijk het is, bij de verklaring der volmaakte liefde en gelijkvormigheid met den wil Gods, zekere overdrijvingen zich te ver-oorlooven, waarvan zelfs sommige geestelijke boekjes niet vrij zijn.
(Meer breedvoerig wordt dit onderwerp behandeld in het reeds aangegeven werk ;/over de volmaakte liefde,quot; § 7).
\') Serm. 11 in Cantic.
-) Serm. 14 in ps.: Qui habitat etc.
31
„u zoovele drijfveeren wezen, welke uw hart tot liefde „aansporen; als vlammende fakkels zullen zij het ontsteken, „opdat gii Hem zoudt liefhebben, die u zoo veelvuldig zijne „liefde bewezen heeft.quot;
Onder alle weldaden echter, welke wi] aan God te danken hebben , drijft ons onbetwistbaar geene meer tot wederliefde aan, dan het bitter lijden en sterven van Jesus Christus , onzen liefdevollen Verlosser, gelijk de H. Bernardus \') iu de volgende woorden met zooveel nadruk en zalving zegt: „wat U, lieve Jesus! mij boven alles beminnenswaardig „maakt, is de lijdenskelk, dien Gij gedronken, is het werk „onzer verlossing, dat Gij voltrokken hebt. Daardoor hebt „Gij ons hart geheel en al voor TJ gewonnen. Dat, ja dat „trekt ons zachter tot TJ, dat maakt ons wederliefde tot „heiligsten plicht, dat snoert ons enger aan TJ vast, en „roert ons hart heviger.\'\'
3) Een ander middel om de liefde tot God in ons te vermeerderen, is: zelfverloochening en geduld in wederwaardigheden. Door de christelijke zelfverloochening wordt niet slechts de liefde vermeerderd, maar ook elke ongeregelde liefde tot ons zeiven en tot de schepselen uit ons hart verbannen, en voor de liefde Gods de volkomen, onbeperkte heerschappij ingeruimd.
Neemt de goddelijke liefde als koningin bezit van ons hart, dan onderwerpt zij het steeds volmaakter aan\'s Heeren heilige geboden: het beminnende hart klopt aanstonds sterker voor God, den geliefde.
Van het geduld in wederwaardigheden geldt volkomen hetzelfde. Dat geduld immers is niets anders dan eene verloochening van onzen eigen wil tegenover den goddelijken, eene verloochening, die des te verdienstelijker is, naarmate het lijden en de verdrukking, waarmede het God belieft den mensch te bezoeken, grooter en gevoeliger zijn. Zeer juist merkt een leermeester van het geestelijk leven aan, dat het beste hout, om het vuur der liefde te stoken, het kruishout is, dat wil zeggen, het geduldig dragen van kruis en lijden.
4) Het vierde middel, om de liefde Gods te vermeerderen, is in \'t algemeen: de beoefening der goede werken. Gelijk deze het zekerste bewijs zijn der liefde tot God, zoo zijn zij ook een krachtdadig middel, om haar in immer hoogere mate te verkrijgen. De reden hiervan is duidelijk, daar niet slechts aan de oefeningen van liefde, die wij met mond
\') Serra. 20 in Cantic.
32
-----
en hart verwekken, maar ook aan ieder goed werk, in staat van genade en in den geest der liefde verricht, eene vermeerdering der heiligmakende genade, en dus ook der liefde, welke van de heiligmakende genade onafscheidelijk is, als onderpand der eeuwige belooning beantwoordt.
Waardoor wordt de liefde God* ver zwak f. en weggenomen ?
Door de doodzonde wordt de liefde Gods uit ons hart verdreven, en door de dageliiksche zonde wordt hare kracht verzwakt. De doodzonde maakt eene ziel, welke tot dusverre door de heiligmakende genade en door de in baar uitgestorte liefde eene vriendin van God was, tot diens vijandin. Deze staat van vijandschap kan met den staat van vriendschap te gelijker tijd en in dezelfde ziel evenmin tezamen bestaan, als duisternis en licht. Zoodra dus de doodzonde in het hart van den mensch haren troon heeft opgeslagen, wijkt de liefde.
Door de dagelijksche zonde wordt wel de liefde niet uit het hart verdreven, maar hare kracht, hare vurigheid verflauwd ; de oefeningen van liefde worden zwakker en verminderen. De vrijwillige neigingen tot de dagelijksche zonden zijn als zoovele boeien, welke de vlucht der liefde verhinderen, als zoovele beletsels, welke hare volkomen heerschappij inden weg staan. Ook kan niet ontkend worden, dat dikwerf herhaalde, met beleid en met opzet begane dagelijksche zonden ongemerkt den weg banen tot de doodzonde, en by gevolg tot het verlies der liefde \'j.
\') In de voorgaande vraag beduidt de uitdrukking; //vermeerdering »der liefdequot; niet slechts vermeerdering of klimming van de vurigheid, van de kracht der liefde bij de oefening van afzonderlijke akten, maar vermeerdering der liefde in zich zelve, dat is, van de der liefde, welke als het kostbaarste geschenk des H. Geestes in onze zielen woont en haar Gode welgevallig maakt. Deze vermeerdering van de deugd der liefde bestaat echter geenszins in eene toegift van liefde, wijl bij de rechtvaardigmaking het geheele, ondeelbare wezen der liefde in de harten wordt uitgestort; zij is hierin gelegen, dat de reeds inwonende liefde den beminnende meer en meer omvat, immer dieper wortel in zijn hart schiet, hem meer volkomen aan zich onderwerpt, hem steeds inniger met God, den geliefde, vereenigt, en daardoor hem aan den H. Geest, den geest der liefde, meer en meer gelijkvormig maakt. — Dat de deugd der liefde door de boven aangegeven middelen op gezegde wijze vermeerderd , doch door de doodzonde verloren wordt, is de eenparige leer der Theologanten. Anders is het gesteld met de vraag, of de deugd der liefde ook door de dagelijksche zonde op gezegde wijze vermindert. De H. Thomas antwoordt met het meerendeel der Theologanten ontkennend. Behalve de reden, welke hij daarvoor uit den aard der dagelijksche zonde afleidt (Sum. 2. 2. q. 24. a. 10), geelt hij (de malo q. 7. a. 2) nog andere duidelijke gronden
33
TOEPASSING.
„Gij zult den Heer, uwen God, beminnen uit geheel uw „hart, uit geheel uwe ziel, uit geheel uw verstand en uit al „uwe krachten.quot; Zoo spreekt God tot ons allen. En met recht; Hii verdient, dat wij Hem overal en ten allen tijde en boven alles beminnen, wijl Hij overal en altijd onze grootste Weldoener, onze beste quot;Vader, ons hoogste goed en in zich zeiven zoo onuitsprekelijk beminnenswaardig is, dat de Engelen en de Heiligen in den hemel de gansche eeuwigheid door niet moede worden. Hem allerinnigst lief te hebben. Velg gij dan ook de Engelen en de Heiligen in hunne liefde tot God ijverig na: verwek dikwijls en vurig akten van de goddelijke deugd der liefde, \'s Morgens, als gij ontwaakt, \'s avonds eer gij slapen gaat, op weg naar de school, maar vooral in de kerk zelve zeg dan dikwijls en van harte: „O God! ik bemin U boven alles, wijl Gij, „oneindig schoon en beminnenswaardig zijt; O God! ik „bemin ü boven alles, wijl Gij mij zoozeer bemind en met „zoovele weldaden overladen hebt; ik bemin IJ en hoop U „eenmaal te bezitten.quot; Stel u echter met dusdanige akten van liefde niet te vreden; bewijs den goeden God ook uwe liefde door dikwijls aan zijne weldaden te denken, gaarne tot Hem te bidden, gaarne van Hem te hooren spreken en zelf van Hem te spreken. Een kind, dat liefheeft, denkt dikwijls en met hartelijk genoegen aan zijn lieven vader;
aan. De engelachtige Leeraar merkt namelijk op; in de veronderstelling, dat de dagelijksche zonde de deugd der liefde vermindert, zou men tot liet besluit moeten komen, dat het mogelijk is, doov herhaalde dagelijksche zonden de liefde, welke, inzooverre zij in den menseh woont, altijd iets eindigs is, allengskens geheel en al, en derhalve ook, zonder voorafgegane doodzonde, het hemelrijk te verbeuren, hetgeen even or.waar is als het vorige. Het is dus duidelijk, dat, naar het gevoelen van den H. Thomas, door de dagelijksche zonde niet de liefde in zich zelve, maar slechts het vuur der liefde, inzooverre dit bij de liefde iets toevalligs is en haar wezen ongeschonden laat, grooter of geringer zijn kan, verminderd of verzwakt wordt. Het gaat hiermede als met een mensch, die in het gaan verhinderd wordt, zonder dat zijne kracht om te gaan verzwakt is. Wilde men echter met dit woord den graad der toeneiging van den beminnende tot den beminde aanduiden, dan zou deze uitdrukking iets beteekenen, wat niet toevallig is aan de liefde, maar tot haar wezen behoort en bijgevolg zonder vermindering der liefde niet kan afnemen. Zoo spreekt de H. Thomas op de laatst aangegeven plaats (ad. .16, 17). — Overigens kan toch volgens de uitspraak van denzelfden H. Leeraar in zekeren zin gezegd worden, dat de dagelijksche zonde de liefde in zich zelve vermindert, namelijk, inzooverre zij de //oorzaak is, dat de liefde, ,welke men heeft, niet toeneemt, vermits zij de beoefening van ver-, dienstelijke werken, en dus ook de vermeerdering der liefde verhindert.quot;
DEHAKBE, GELOOl\'SLEEK. III. SJe DKUK. 3
34
het onderhoudt zich het liefst met hera; het verheugt zich, als men zijnen vader prijst, en prijst hem zelf hij iedere gelegenheid uit de volheid zijns harten. Zoo doen ook hrave kinderen Gods, zoo ook moet gij doen. Doch met dit alles is een edel kind nog niet tevreden. Het tracht bovendien zijnen vader vreugde aan te doen; het doet alles, wat den geliefden vader behaagt; zelfs datgene wat zwaar en moeielijk is, wordt licht en aangenaam, als het kind maar weet, dat zijn vader het verlangt. Niets is den goeden zoon aangenamer dan de vervulling van den wil zijns vaders; niets smart hem meer dan \'s vaders misnoegen ; daarom ook vreest hij niets zoozeer, als hem door ongehoorzaamheid en tegenspraak te bedroeven. Evenzoo moet ook gij , als kind van den beminnenswaardigsten en besten Vader in den hemel, gezind zijn. Tracht dus Hera welgevallig te zijn door ge-gehoorzaamheid, eerbied, liefde en dienstwilligheid jegens uwe ouders en meesters, door vriendelijkheid en verdraagzaamheid jegens uws gelijken, door ingetogenheid, bescheidenheid en zedigheid op straat en bij het spel; door vlijt en oplettendheid in de school en bizonder in de christelijke leering, door ijverig de\'kerk te bezoeken, en daar vroom en stichtend u te gedragen. Ga het liefst om met vrienden, die u dikwijls van hunnen lieven Vader in den hemel spreken, en u zijn wil bekend maken; vlucht daarentegen den omgang met kinderen en volwassenen, die vergeten, dat God, hun Vader en Rechter, overal tegenwoordig is; vermijd de zonde, vlucht ze meer dan den dood zeiven, omdat zij God beleedigt, zijn liefdevol vaderhart allerdiepst krenkt. Aldus betuigt gij God zoo volmaakt mogelijk uwe kinderlijke gezindheid, uwe liefde en gehechtheid; aldus toont gij een goed kind van God te zijn. Doe dus zoo, God zal het u verbelden. Hier op aarde zal Hij altijd uw liefderijkste Vader zijn, en hiernamaals uw Belooner en tegelijk uw overgroot loon.
§ 9. Over tic liefde tot den naaste.
Naastenliefde in hei algemeen.
IVien moeien wij na God hizonder beminnen ?
Den naaste, dat wil zeggen; alle menschen zonder uitzondering. — De verplichting om den naaste te beminnen, heeft Christus in het boven aangegeven gebod ons met
35
nadruk opgelegd. Die liefde is om den innigen samenhang, waarin de liefde tot God met de liefde tot den naaste staat\', zoo noodzakelijk, dat bij schending of niet-vervulling van dien plicht, de ware liefde tot God volstrekt onmogelijk is. Dit leert de H. Joannes als hij schriift: „dit gebod hebben „wij van God, dat wie God bemint, ook zijn broeder moet „beminnen1\' (1. Joan. IV, 21). De Apostel wil zeggen, dat het niet genoeg is, God te beminnen; men is tevens verplicht, ook den naaste te beminnen, ja zonder liefde tot den naaste is de liefde tot God slechts bedrog en huichelarij. Daarom leert hij ook op dezelfde plaats (V, 20); „indien iemand zegt: ik bemin God, en hij haat zijn broeder, „die is een leugenaar.\'\' — De uitdrukking naade omvat niet slechts degenen, die als leden eener familie, eener burgerij of natie, enz. met ons in nauwere betrekking staan, maar allen, die met ons door den band der natuur, als leden der ééne groote familie, waarvan Adam het hoofd is, vereenigd zijn, onverschillig of zij ons van nabij of van verre bestaan, inlanders of vreemdelingen, vrienden of vijanden genoemd worden. Dit gebod legt ons dus op, allen menschen zonder uitzondering onze liefde te wijden. Daartoe spoort Jesus Christus zelf ons aan, als Hij, den barm-hartigen Samaritaan ten toonbeeld van ware naastenliefde voorstellende, tot ons allen spreekt: „gaat en doet ook „zooquot; (Luc. X, 37). Dat wil zeggen: gelijk deze Samaritaan niet onderzocht, of de man, die daar beroofd en verwond aan den weg lag, insgelijks een Samaritaaan of een Jood of Heiden was, maar hem terstond hulp verleende en daardoor toonde, dat hij iederen mensch zonder onderscheid als zijnen naaste aanzag en beminde; zoo moeten ook wij alle medemenschen als onze naasten beschouwen, en hen, als zij onze hulp behoeven, ook met liefde bijstaan1).
3*
1
) Pius IX zag in den zomer van het jaar 1S47, in eene straat van Home, een ouden man onmachtig op den grond liggen. De edele menschlievende Paus liet aanstonds zijn rijtuig stilhouden en op zijne vraag, wie de arme was, antwoordde een uit de menigte, die zich in de straat bevond: „het is maar een Jood.quot; Misnoegd over dit liei\'de-looze antwoord steeg de grootmoedige Pius uit zijn rijtuig, hielp eigenhandig den ongelukkige er in, bracht hem naar zijn paleis, liet onverwijld zijn lijfarts halen en zorgde voor de noodige verpleging (Salsbarger Courant van 24 Sept. 1847). — De geestelijke genootschappen der barmhartige broeders en zusters wijden hunne liefde, oplettendheid en zorg aan alle zieken zonder uitzondering en onderscheid. Onder de zieken, die de barmhartige broeders in liet jaar 1826 in Oostenrijk verpleegden , bevonden zich 1742 Protestanten en 68 Joden. Eveneens bewijzen de wereldberoemde koorheeren van den grooten St. Bernards-berg, mot onnoemelijke bezwaren en dikwijls met levensgevaar, aan alle reizigers, van welk land of geloof zij ook zijn mogen, de edel-
36
De liefde jegens den evenmensch, welke ons in het eerste (rehod als plicht wordt opgelegd, is echter niet slechts de zuiver menschelijke liefde, gevestigd op de natuurlijke begaafdheden van den naaste en zelfs door het verstand bevolen, maar de christelijke, op hovennatuurlijke gaven o-egronde liefde van welwillendheid en vriendschap. Dei-welwillende liefde is het\'eigen, den beminnaar aan te sporen, ziinen evenmensch, wie hij ook zijn moge, het hoogste goed,
de eeuwige zaligheid van harte toe te wenschen, en naar vermogen0en omstandigheden hem behulpzaam te zijn, om
het eeuwig geluk te bereiken.
Uit het gezegde volgt nu klaarblijkelijk; vooreerst, aao wii niet slechts de menschen, maar ook de HH. Engelen moeten beminnen; want ook in hen ontdekken wij met de ooo-en des geloofs bovennatuurlijke beweegredenen tot welwillende liefde. Als volmaakte evenbeelden en veel geliefde vrienden Gods, als onze vrienden en beschermers, nebben zii wettige aanspraak op onze welwillendheid, op onze liefde. Maar er volgt ook ten tweede uit, dat wij de wederspanmge eneelen en de ter eeuwige verdoemenis veroordeelde menschen opÖgezegde wiize niet kunnen noch mogen beminnen. Want niet slechts missen de duivels en de verdoemden al die bovennatuurlijke voorrechten,welke in staat zijn de christelijke welwillende liefde te grondvesten; maar wij zouden ons zelfs tegen de liefde aan God verschuldigd zwaar bezondigen, als wii no0- de eeuwige zaligheid toewenschten aan hen, die de oneindig Heilige en Rechtvaardige door een onherroepelijk vonnis van de zaligheid heeft uitgesloten. — Het is evenwel volstrekt geene zonde, als men uit natuurlijk medeliiden met de verdoemden den wensch koestert, dat zij, in hun leven de goddelijke genaden beter gebruikt hebbenae, aldus de rechtvaardige en eeuwige straf ontgaan waren.
Waarom moeten wij den naafste betninnen ?
1) Omdat Christus, de Heer, het ons gebiedt, en aan de
vervulling van dit gebod zijne ware leerlingen zal erkennen.
Onze Heiland Jesus Christus heeft ons uitdrukkelijk geboden, onzen naaste lief te hebben. Om ons te toonen, welk hoog gewicht Hij zelf aan dit gebod hecht, noemt Hij het bij voorkeur zijn gebod, als Hij zegt; „dit is mijn
innprlifrste castvriiheid. Het zou voorzeker te breedvoerig zijn, alle inrichüngen op té tellen, waar zieh de milddadige liefde der katholieke Kerk jegens andersgezinden en zelfs jegens ongeloovigen op de schitterendste wijze door daden toont.
37
„gebod, dat gij elkander bemintquot; (Joan. XV, 12). Ook noemt Hij het een nieuw gebod: „ Ik geef u een nieuw „gebod,quot; zegt Hij (Joan XIII, 34), „dat gij elkander „bemint, gelijk Ik n bemind heb.\'\' Zeker wilde Christus daarmede niet zeggen, dat de plicht, om den naaste te bemiunen, vroeger niet bestaan had; Hij wilde slechts te kennen geven, dat het zijn wil was, de vervulling van dit gebod opnieuw verplichtend te maken, en daaraan eene uitbreiding en volmaaktheid te geven, welke het tevoren niet had. Het gewicht. de heiligheid en verbindende kracht van dat nieuw gebod blijkt ook vooral hieruit, dat Hij het ons kort vóór zijn dood als zijn uitdrukkelijken en laatsten wil, als zijne erfenis, achterliet en inscherpte.
De 11. Augustinus (10 verhand, over 1. Joan.) vergelijkt den Heiland met een edelen vader des huisgezin^, die, den dood nabij , zijne kinderen en erfgenamen rondom zich verzamelt, en hun eene hoogst belangrijke zaak, reeds bij zijn leven meermalen aanbevolen, na met de ernstigste woorden voor de laatste maal op het hart drukt en tot den heiligsten plicht maakt. „Hoe zouden de kinderen,quot; gaat dan de H. Leeraar voort, „den last van hunnen stervenden vader „kunnen vergeten\'? Mocht ook al, als het op de uitvoering „van dit vaderlijk testament aankomt, in hun hart eene „weêrstreving daartegen ontstaan, zullen zij dan niet worden „aangespoord door de gedachte: hoe ! ik zou niet doen, „wat mijn stervende vader in zijne laatste oogenblikken zoo „dringend aanbevolen heeft ? .. .. Bedenkt het dus wel, „mijne broeders, overweegt het met christelijke gezindheid; „als de woorden eens vaders, die op den rand des grafs „staat, zijnen erfgenamen zoo zoet, zoo aangenaam, zoo „heilig en gewichtig zijn, van welke beteekenis moeten dan „Christus\' woorden niet zijn voor ons, zijne erfgenamen? „Verwonderen wij ons geenszins, dat Jesus Christus zelf „zulk een groot gewicht aan dit gebod hecht; verwonderen „wij ons niet, dat Hij de naleving daarvan als het onder-„scheidingsteeken en onbedriegelijk kenmerk zijner ware „leerlingen en volgelingen aangeeft met deze woorden: „daaraan zullen allen erkennen, dat gij mijne leerlingen „zijt, als gij elkander lief hebt (Joan. XIII, 35). Laten „wij derhalve niet moede worden, de liefde tot den naaste „te beoefenen, opdat wij ware leerlingen van Christus be-„vonden worden i) ; want bedenken wij het wel, niet de
i) De eerste Christenen schitterden te midden der hardvochtige Heidenen zoozeer door naastenlielde uit, dat deze, gelijk Tertulliaan (verdedigschr. 8\'J) betuigt, van hen pleegden te zeggen: //Ziet eens hoe
38
„gave der talen en der wetenschap, niet de gave der voor-rze?iEinS en der wonderen, maar de christelijke naastenliefde „alleen onderscheidt de kinderen Gods van de kinderen „des duivels.quot;
2) Wijl Hij zelf bij zijn leven en sterven het ons door ziin voorbeeld geleerd heeft. Niet minder krachtig dan het gebod van Jesus Christus moet zonder twijfel zijn goddelijk voorbeeld ons tot naastenliefde opwekken. Jesus, de eenig-geboren Zoon Gods, daalt van den hemel af en wordt mensch uit liefde tot ons menschen ; voor ons heil brengt Hij zijn leven in diepe vernedering, in smart, vervolging en lijden door, om ons, aan het einde zijner loopbaan op aarde, met onwederstaanbaren nadruk te kunnen toeroepen: „bemint elkander, gelijk Ik u bemind heb.quot; Uit liefde tot ons menschen liet Hij zich eindelijk aan het smadelijk kruishout nagelen, om er aan te sterven, en aldus ons het grootst mogelijk bewijs zijner liefde te geven. Met recht dus wijst de Apostel, als hij ons tot naastenliefde aanspoort, op het voorbeeld van Jesus Christus met de woorden: „weest navolgers van God, als welbeminde kinderen, „en wandelt in de liefde, gelijk ook Christus ons bemind „en zich voor ons overgeleverd heeft\'\' (Eph. Y, 1, 2).
3) Wijl ieder mensch een kind en evenbeeld God, door het bloed van Christus verlost en tot de zaligheid geroepen is.
//zij elkander beminnen, en de een voor den ander bereid is in den //dood te gaan.quot;
Dat deze naastenliefde der eerste Cliristenen zich niet slechts tot hunne geloofsgeuooten, maar ook tot de Heidenen uitstrekte, bewijst de bekeering van den H. Pachomius. Ten gevolge eener oproeping van keizer Constantinus moest Pachomius, toenmaals nog heiden, met andere pas geworvenen Nijlafwaarts naar Alexandria reizen, om zich daar bij het keizerlijk leger aan te sluiten. Toen nu op zekeren dag het schip voor eene aanzienlijke stad aanlag, kwamen vele inwoners aan den oever, brachten den jongen rekruten, die gedurende de vaart slecht verzorgd en ruw behandeld waren, spijs en drank en allerlei verversching, troostten hen, wekten hen op tot hoop en moed, en gedroegen zich zoo liefdevol jegens die onbekende en verlaten jongelingen, dat allen getroffen werden, en Pachomius bizonder. Hij onderzocht daarom, wat dit voor menschen waren, en vernam dat het Christenen waren, menschen, die aan Jesus Christus, den eeniggeboren Zoon Gods geloofden, die er zich op toeiegden, aan allen goed te doen, vooral den ongelukkigen, den hulpeloozen en veriatenen, die daarvoor hun loon hoopten te ontvangen in den hemel en niet op aarde. Door dat geloof niet minder dan door de liefde der Christenen getroffen, reisde Pachomius verder. Toen hij echter na het einde vau den oorlog in zijn vaderland was teruggekeerd, stelde hij zichonder degenen, die onderricht werden in de geloofsleer der Christenen; ontving kort daarop het H. Doopsel en begaf zich aanstonds naar de woestijn, alwaar hij te .midden eener groots menigte leerlingen, die hij in de deugd onderwees, zijne levensdagen heilig doorbracht {Ida Gr. Halm-Halm. Vat. der Wüste).
39
Al beschouwen wij in den mensch niets anders dan aijnen oorsprong uit God, zijne uitstekende eigenschappen en voor-rechten, waardoor hij ^en evenbeeld Gods is, dan verdient bij reeds daarom onze liefde in hoogen graad. De H. Schriftuur verhaalt, dat Eaguël, toen hij uit den mond des Engels vernam, dat de jongeling, dien hij voor zich zag, de zoon was van zijn neef Tobias, den jongen Tobias om den bals viel, bem onder een vloed van vreugdetranen kuste en sprak: „gezegend zijt gij mijn zoon, want gij zijt de zoon van „een goeden, ja, van den besten manquot; (Tob. VII, 7). Zoo hebben ook wij alle reden, ieder onzer evenmenschen, daarom alleen, dat hij door de schepping een kind en evenbeeld is van God, van den edelsten en besten Vader, met de oprechtste en teerhartigste liefde te omvatten en hem alle goed te wenschen. Derhalve vraagt ook de Profeet Malacbias (II, 10): „hebben wij dan allen niet ééuen Vader? Heeft „ons niet één God geschapen? Waarom veracht dan onder „ons de een den ander?quot; Maar veel grooter en inniger nog moet onze liefde voor den naaste zijn, als wij bedenken, dat de eeniggeboren Zoon des eeuwigen Vaders het niet beneden zich rekende, mensch te worden, te lijden en te sterven, om ieder hunner in de verloren rechten van het goddelijk kindschap te herstellen en het hemelrijk weder te openen. Dan achten wij den evenmensch onvergelijkelijk beminnenswaardiger, wijl wij erkennen, hoezeer God hem bemind heeft, wijl wij in hem den duren prijs van Christus\' bloed aanschouwen, eenen medebroeder, geroepen tot levensgemeenschap en heerschappij met Christus, tot de zalige aanschouwing en tot het bezit van God. Deze en andere beweegredenen, welke wij onaangeroerd laten, zijn wel geschikt, ons tot ware naastenliefde aan te sporen, vooral wijl ons hart van natuur tot liefde geneigd is, en zich nergens vergenoegder en aangenamer gevoelt dan in den kring van welwillend gezinde harten. Waarlijk de aarde, dit dal van tranen, zou, niettegenstaande het veelvuldig lijden en de tallooze bezwaren, welke den mensch bij iederen stap begeleiden, als het ware een tweede paradijs worden, wanneer allen, overeenkomstig de christelijke wet, als kinderen van den eénen Vader in den hemel, elkander beminden.
Hoedanig moet onze naadenliefde wezen ?
Zij moet 1) oprecht, 2) onbaatzuchtig, 3) algemeen zijn.— Deze drie eigenschappen zien wij allerduidelijkst in het voorbeeld van Christus, en deze zijn bet dus ook, welke
40
onze liefde tot den naaste als eene christelijke moeten kenmerken.
1) Onze liefde is oprecht, als wij den naaste niet in schijn, maar zoo beminnen, gelijk wij ons zeiven beminnen, overeenkomstig de woorden van Christus: „al, wat gij wilt, „dat de menschen u doen, dat moet gij hun ook doenquot; (Matth. VII, 12). — „Mijne kindertjes,quot; zegt de leerling der liefde, „laten wij beminnen niet met woorden en met „de tong, maar door daad en in waarheidquot; (1. Joan. Ill, 16). In deze woorden ligt eene nadrukkelijke uitnoodiging tot ongehuichelde en ware naastenliefde. Dezelfde Apostel gaat zoo ver, dat hij zijne leerlingen opwekt, naar het voorbeeld van Jesus Christus, bereid te zijn, zelfs hun leven te geven voor hunne broeders (V, 16). Goede woorden, verblindende spreekwijzen, hoffeliike manieren en beleefdheden zijn werkelijk zoo weinig zekere bewijzen van oprecht gemeende naastenliefde, dat zij niet zelden aan liefdelooze harten dienen, om den argeloozen evenmensch te bedriegen, zijn vertrouwen te misbruiken, hem zoo mogelijk geheel met kunstgrepen te omspinnen, en het offer van het laagste eigenbelang of van een lang gevoeden haat te maken. Zoo handelde Judas Iskariot met Jesus: met het gelaat, met den groet, met den kus van een vriend leverde hij uit schandelijke hebzucht zijn goddelijken Meester in de handen der goddelooze en bloeddorstige Joden. Met woorden alleen en onvruchtbare wenschen wordt gewis niets uitgericht; de daad moet bewijzen, dat het met woord en wensch eerlijk gemeend is. Beteekenisvol schrijft daarom de H. Apostel Jacobus (II, 15, 16): „als een broeder of eene zuster „van kleeding ontbloot is en gebrek lijdt aan dagelijksch „onderhoud, en iemand onder u hun zeide: gaat in vrede, „warmt en verzadigt u ! maar hun niets gaf, wat tot onder-„houd des lichaams vereischt wordt, wat zou dit baten?quot; Dat zou spot zijn, geene hulp; krenking, geene liefde. — Onze liefde tot den naaste is bijgevolg dan slechts eene oprechte, echt christelijke liefde, wanneer wij hem op dezelfde wijze beminnen als ons zei ven \'). De eigenliefde drijft ons
!) De woorden van Jesus Christus: „gij zult den naaste beminnen „gelijk u zeiven,quot; zien niet op de maat, maar op den aard en de wijze der liefde. Onze plicht van naastenliefde toch verbiedt geenszins, bij goederen van dezelfde soort ons welzijn vóór dat des naasten te trekken; ja. het zou zelfs onrechtvaardig en verkeerd zijn, als wij onze eigen ziel ten verderve brachten om de ziel van onzen naaste te redden. Komt het er echter op aan, den naaste een hooger, een eeuwig goed, bijv. het heil der ziel te bewaren of te verschaffen, dan zouden wij verplicht zijn, ingeval onze naaste zich in den uitersten nood, dat is, in het grootste, onvermijdelijke gevaar bevond, het te
41
aan, ons zeiven goed te wenschen en te doen, en indien zij goed geregeld is, slechts waar goed te willen en te doen. Desgelijks ook moet de naastenliefde, zal zij echt zijn, ons aandrijven, om den evenmensch goed en waar goed te ■wenschen en te doen. Verder wekt de eigenliefde in ons het verlangen op, dat ook anderen ons goed doen en geen kwaad toevoegen. Evenzoo moet ook de ware liefde tot den naaste ons opwekken, hem ware, geestelijke en lichamelijke goederen naar vermogen te verschaffen, en hem niet het minste leed te veroorzaken. Daarom gebiedt de Heiland , dat wij den evenmensch moeten doen, wat wij zeiven willen, dat men ons doet (Matth. VII, 12), en daarom spreekt de H. Geest door deu mond van den godvreezenden Tobias tot ieder onzer: „Zie toe! dat gij nooit een ander doet, „wat gij niet wilt, dat u van een ander overkomequot; (Tob. IV, 16). — Wilt gij weten, Christen, of gij uwen evenmensch oprecht, echt christeliik bemint, stel u dan de vraag: wensch ik mijn evenmensch even oprecht tijdelijke en eeuwige goederen, als mij zeiven? Wensch ik hem welstand, achting, aanzien, gezondheid, voortgang in de deugd, geestelijke genadegaven en de eeuwige zaligheid? Ben ik van harte bereid, hem tot het verkrijgen dier goederen naar vermogen behulpzaam te wTezen met raad en daad, door opwekking, waarschuwing en voorbeeld\'? Ben ik er verheugd over, als anderen mijn naaste dergelijke goederen verschaü\'en, gel ij k het mij verheugt, als men ze mij tracht te bezorgen ? Doet het mij daarentegen verdriet, als anderen hem leed berokkenen, hem in zijn tijdelijk en eeuwig welzij n hinderen ? Smart het mij, alsof het mij zei ven wedervoer ? Beoordeel en behandel ik hem met dezelfde toegevend-
verliezen of niet te verkrijgen, ieder tijdelijk goed, zelfs ons tijdelijk leven voor hem op te offeren. Uit deze stelling nu zon men geheel onjuist het besluit trekken, dat men zich niet verdedigen mag, als men onrechtvaardig op leven of dood wordt\'aangegrepen, uit vrees dat de aanvaller in zonde zal sterven en verloren gaan; want in zulk geval bevindt zich de naaste niet in een noodzakelijk, maar in een vrijwillig gevaar van zijne ziel te verliezen ; het staat geheel en al aan hem, ja het is zelfs zijn heiligste plicht, dien onrechtvaardigen aanval niet te doen en aldus het gevaar der eeuwige verdoemenis te ontgaan. — Ook de woorden van Jesus: //al, wat gij wilt, dat de »menschen u doen, doet hun dat ook,quot; gelden slechts van billijke en redelijke vorderingen; want het kan voorzeker de zin der goddelijke woorden niet zijn, dat de rijke aan de arme zijn huis moet afstaan, of eene groote som gelds geven, als deze het begeert, omdat de rijke van zijn kant, als hij arm was. eveneens gaarne een huis of een aanzienlijke som gelds ten geschenke zou willen ontvangen. Bovendien zou de rijk geworden arme daarmede weinig geholpen zijn, wijl de arm geworden rijke huis en geld met hetzelfde recht terstond weer zou kunnen terugvorderen.
42
heid, zachtheid en liefde, als mij zeiven? Verdraag ik zijne zwakheden, gebreken en fouten met hetzelfde geduld en dezelfde zachtmoedigheid, waarmede ik wil, dat men de mijne verdrage?.....
Doet gij dit alles, dan bemint gij den naaste oprecht, gelijk Christus het voorschrijft; dan volgt gij de vermaning des Apostels, die tot alle Christenen zegt: „legt af toorn, „verbittering en boosheid .... trekt aan als uitverkorenen „Gods, als heiligen en geliefden, hartelijke ontferming, ,,goedheid, ootmoed, zachtmoedigheid, geduldquot; (Coloss. 111, 8, 12).
2) Onze liefde tot den naaste is onbaatzuchtig, als wy hem goed doen om God, niet om door de menschen geprezen en beloond te worden. — Willen wij den naaste goed, opdat hij ons wederkeerig goed wille; bewijzen wij hem dienst, om hem tot wederdienst te verplichten of uit te noodigen; deelen wij rijkelijk aalmoezen uit, om van de menschen achting en lof in te oogsten: dan is dit eigenlijk geene naasten- maar eigenliefde, vermits wij, om ons eigen tijdelijk nut en voordeel, het eeuwig loon uit het oog verliezen , en in plaats van Gods welgevallen het welgevallen der menschen zoeken. Zulke liefdewerken zijn derhalve geenszins christelijke liefdewerken; zij hebben voor God geene waarde, verdienen niet het geringste hemelsch loon. Üp hen, die op zulk eene wijze en met zulk doel werken van barmhartigheid verrichten, zijn toepasselijk de woorden van Jesus Christus: „voorwaar Ik zeg u, zij hebben hun „loon reeds ontvangenquot; (Matth. VI, 2). Gij hebt uw eigen voordeel, gij hebt eer en lof der menschen gezocht: gij hebt verkregen, wat gij beoogt hebt, op hemelsche belooning hebt gij verder geene aanspraak. Is er ons dus aan gelegen, ware christelijke liefdewerken te verrichten, dan moet dit geschieden uit bovennatuurlijke beweegredenen, om God, dat is, omdat God het bevolen, en Christus ons het voorbeeld gegeven heeft, omdat de naaste het evenbeeld Gods is, of omdat God beloofd heeft, zulke liefdewerken te zullen beloonen, als waren zij Hem zeiven bewezen. Daarom vermaant Christus bij Luc. (XIV, 12—14), niet dezulken ter tafel te noodigen, die de vriendschap vergelden, „maar,quot; zoo gaat de Heiland voort, „als gij een gastmaal geeft, „noodig dan armen, zwakken, lammen en blinden, en gij „zult zalig zijn, wijl zij het u niet kunnen vergelden, „want het zal u vergolden worden bij de opstanding der „rechtvaardigen.quot; En daarom ook berispt Hij op eene andere plaats (Matth. VI, 2—4) degenen, die met hunne milddadigheid pronken, en voegt er bij : „als gij aal-
43
„moezen geeft, laat uwe linkerhand niet weten , wat „uwe rechterhand doet, opdat uwe aalmoes in het ver-„borgen zij, en uw Vader, die in het verborgen ziet, „zal het u vergeldenquot;
3) Onze naastenliefde is algemeen, als wij geen mensen, hij moge vriend of vijand zijn, van onze liefde uitsluiten.
\') Als de H. Mclania eens een bezoek bracht bij de Oudvaders, kluizenaars van Egypte, kwam zij ook in het klooster van den H. Oudvader Pambo. //Ik liet,quot; zoo verhaalt zij zelve, //van de zilveren //vaten, die ik uit Rome had medegebracht, eene hoeveelheid van drie //honderd pond voor zijne voeten leggen, en bad hem, deze gave goed-tgunstig te willen aannemen, en voor de behoeften der kloosters te /.gebruiken. //,God loone uwe liefde,quot;quot; sprak Pambo tot mij. Ik „stond nu te wachten, hopende dat de H. grijsaard mij den zegen zou //geven, of mij tenminste een vriendelijk woord zou toespreken.
//Doch hij zweeg, en het zilverwerk werd ter verdeeling onder de //behoeftige kloosters weggedragen, zonder dat hij het een enkelen ^oogslag had waardig geacht. Toen sprak ik: //^Mijn heer en vader, »//Opdat gij weten zoudt. wat ik u gebracht heb, zeg ik u dat het //«drie honderd pond zilver is.quot;quot; Ook daarmede won ik niet; want //zonder zijne oogen op mij te richten, antwoordde de dienaar Gods: //mijne dochter, degene, wien gij dit geschenk geeft, behoeft van u //niet te vernemen hoeveel pond het weegt. Zoo gij het mij hadt ge-ygeven, dan deedt gij wel, er mij opmerkzaam op te maken. Daar vgij het echter aan God hebt geschonken, die den penning der weduwe //telde en haar prees, was het beter dat gij zweegtquot; (Gr. Hahn-Hahn. 1. c.).
De woorden des Heeren: //Zalig zult gij zijn, als de menschen u //niet vergelden,quot; begreep eene godvruchtige dame van Alexandrië, van wie Cassianus in zijne geestelijke samenspraken gewaagt. Zij had zich tot den H. Athanasius, den Patriarch dier stad, gewend met de dringende bede, dat hij haar eene arme weduwe zou aanwijzen, om die te voeden en te verzorgen. De H. Bisschop aarzelde niet, dit liefdevolle verzoek in te willigen, en vertrouwde eene weduwe aan hare zorgen, die zachtaardig en zeer vroom was. De edele dame hield haar een tijd lang en bediende ze met alle mogelijke zorg en oplettendheid. Daar echter de arme vrouw niet ophield hare weldoenster te prijzen, en geene woorden genoeg vond om haar haren dank te betuigen, begaf zich de dame opnieuw naar den H. Patriarch en beklaagde zich bij hem, dat hij aan haar verlangen zoo slecht beantwoord had: de weduwe, die hij haar had toevertrouwd, gaf haar namelijk geene gelegenheid, om in deugd en verdiensten toe te nemen. Athanasius beloofde haar, raad te zullen schaifen. Hij gaf\'dadelijk het bevel, bij de vrome dame eene eigenzinnige onverdragelijke weduwe te brengen, en Cassianus merkt aan, dat men naar eene zoodanige niet zoo lang behoefde om te zien, als naar de eerste. De keus viel werkelijk op eene zeer toornachtige, wederspannige en twistzieke vrouw. De godvruchtige dame zette zich aanstonds aan liet werk, om hare nieuwe gast met den grootsten ootmoed en zorgvuldigheid ie verplegen, doch ontving niets tot loon dan ondankbaarheid, klachten en aanhoudende tegenspraak. Soms liet die booze vrouw zich zoozeer door toorn vervoeren, dat zij hare liefderijke verzorgster durfde slaan. Nu was de edele vrouw geholpen. Zij ging tot Athanasius en dankte hem hartelijk, omdat hij haar eene weduwe had toegevoegd, die haar dagelijks gelegenheid gaf, nieuwe verdiensten voor den hemel te verzamelen. Ofschoon zij alle inoeielijkheden van haren zwaren plicht gevoelde, volhardde zij echter tot aan haren zaligen dood in de uitoefening van versterving en heldhaftige naastenliefde.
44
Als wij onze naaste, gelijk het behoort, om God beminnen, dan is onze liefde reeds uit haren aard algemeen, dat is, zij strekt zich over alle menschen uit, wijl alle menschen, zonder uitzondering, schepselen en evenbeelden Gods, door Jesus Christus verlost en tot de eeuwige zaligheid geroepen zijn., en wijl het Gods uitdrukkelijke wil is, dat wij allen beminnen , gelijk Hij allen bemind en zijn eeniggeboren Zoon voor allen zonder uitzondering overgeleverd heeft. In zulk geval wordt alzoo geen mensch, zelfs onze vijand ot be-leediger niet, van onze liefde uitgesloten. „Want,quot; zegt de Heiland, „als gij slechts hen bemint, die u beminnen, j.wat zoudt gij daarvan loon ontvangen ? Doen dit ook de „tollenaars (zondaars: niet? En als gij slechts uwen broeder „groet, wat doet gij dan meer? Doen dit ook de heidenen „niet 7quot; (Matth. V, 46, 47). Volgens deze uitspraak van den goddeliiken Heiland onderscheidt zich dus de christelijke naastenliefde juist daardoor van elke andere, dat hij, die door haar bezield is, om God ook diegenen bemint, van wie hij niets ontvangen heeft en niets verwacht, die noch door natuurlijke banden van verwantschap, noch door maatschappelijke betrekkingen met hem verbonden zijn, die zich door geenerlei natuurlijke gaven en voorrechten beminnenswaardig maken; dat hij zelfs diegenen liefdevol toegedaan is, die hem door hun\' ruw en afstootend wezen afzichtelijk voorkomen, die nijdig en vijandig jegens hem gezind zijn, en dit door uiterlijke teekenen van vijandschap toonen.
Ofschoon wij nu van den eenen kan inderdaad verplicht zijn, alle menschen zonder uitzondering om God te beminnen, zijn wij toch van den anderen kant niet gehouden, allen in gelijken graad te beminnen, noch aan allen in gelijke mate liefdediensten te bewijzen De graad der liefde hangt in \'t algemeen van de meer of minder nadere betrekking af, waarin de evenmensch tot God en tot ons staat; de maat dei-liefdewerken daarentegen ook van den meer of minder hoogen graad van behoefte of nood, waarin de evenmensch zich bevindt. Krachtens de engere verbinding met God of de grootere gelijkheid met Hem, den allerbeminnensvvaardigste, verdienen de rechtvaardigen bij voorkeur boven de zondaars onze liefde; krachtens de nadere verbinding met ons mogen allen, zoowel zondaars als rechtvaardigen, op een hoogeren graad van liefde aanspraak maken, die met ons door een anderen band, dan die der gemeenschappelijke menschelijke natuur, verbonden zijn. Zulke banden zijn; de band des huwelijks, de familiebanden, de band der vriendschap, de band van dienstbaarheid, buurschap, enz.; verder de banden der burgerlijke maatschappij en die der christelijke, godsdienstige maatschappij, der katholieke Kerk. üe band des huwelijks verplicht echtgenoot en echtgenoote elkander te beminnen als zich zeiven, daar zij tezamen als het ware slechts één persoon uitmaken (1. Mos. 11, 24). De banden der familie stellen haren leden een des te hoogeren graad van liefde ten plicht, naarmate zij enger zijn saamgetrokken. Zoo zijn ouders aan hunne kinderen, kinderen aan hunne
45
ouders, zusters aan hare zusters een geheel bizondere liefde verschuldigd1). De banden der vriendschap, der dienstbaarheid, der buurschap, enz. vorderen bizondere liefde van den vriend voor den vriend, van den dienaar voor zijn heer, van den heer voor zijn dienaar, van de buren voor elkander. De banden der burgerlijke maatschappij verplichten ons, de bestuurders, ieder naar zijn rang, gelijk ook onze medeburgers met innige liefde te omvatten. Op veel verhevener wijze nog eischen de banden der godsdienstige maatschappij, der H. Kerk, dat al hare leden de geestelijke bestuurders, depriesters, de Bisschoppen en vooral den H. Vader, den Paus, gelijk ook ieder afzonderlijk lid der Kerk als zoodanig in des te hoogeren graad beminnen, naarmate de gemeenschap, waarin zij allen met Christus, hun Hoofd staan, heiliger en verhevener is. — Bij het bewijzen zoowel van lichamelijke als van geestelijke liefdediensten moet echter niet slechts de nauwere verbinding met Grod en onder elkander, maar ook de hoogere of minder hooge graad van behoefte of nood in aanmerking genomen worden. Hoe grooter namelijk de lichamelijke of geestelijke behoefte is, des te grooter aanspraak heeft de behoeftige op de noodige liefdewerken. Allerdringendst echter wordt de plicht om liefdewerken te beoefenen, als de hulpbehoevende zoowel God als ons nabij staat, en zich in grooten nood bevindt.
\') Later, bij de verklaring van het vierde gebod, zal ons de gelegen heid worden gegeven, voorbeelden van kinderliefde aan te halen; wij willen derhalve hier slechts één trek van edelmoedige, zusterliefde voorstellen.
Tegen het einde der achttiende eeuw, ten tijde van het schrikbewind van Robespierre, leefden in Bretagne (eene provincie van Frankrijk) twee zusters Desille, uit schroom voor de bespieding der bloeddorstige republikeinen, in stille afgetrokkenheid. De oudste was moeder van vier kinderen; Iphigenie, de jongste, was ongehuwd. Plotseling kreeg de plaatselijke overheid bevel, om dertig personen, waaronder zich ook Iphigenie bevond, voor het Parijzer bloedgerecht te brengen. De ongelukkige werd uit de armen harer zuster gerukt en door de verschrikkelijke rechtbank als schuldig aan staatsverraad in verhoor genomen. De aanklacht van hoogverraad grondde men op een onbe-duidenden, met den familienaam Desille onderteekenden brief, waarin zich volstrekt niets aanstootelijks bevond, dan de toevallig vermelde naam van een man van de koningspartij. De aangeklaagde ontkende het handschrift niet, beriep zich echter op den ondubbelzinnigen inhoud van den geheelen brief en verzocht, als hare billijke tegenspraak niet werd aangenomen, om een verdediger, dien men haar ook toestond. Als nu daags daarna de rechtsgeleerde Chauveau de gevangenis bezocht, om van haar het ter verdediging noodige naricht te verzoeken, en haar opmerkzaam maakte op het groote gevaar, waarin haar leven verkeerde, sprak Iphigenie tot hem; ;/lk ben gevat. Doe gij intusschen j/al het mogelijke om mijn hoofd te redden, en om uwen ijver aan te //vuren, wil ik u overtuigen, dat ik volkomen onschuldig ben, dat //niet eens die rampzalige regels, waaruit de tirannen het hoogverraad //willen bewijzen, de mijnen zijn. Eer ik mij echter duidelijker ver-//klaar, moet gij mij zweren, in uwe verdedigingsrede volstrekt geen //gebruik van mijne verdere mededeelingen te zullen maken.quot; Chauveau zwoer den eed, en Iphigenie ging voort; »weet dan, niet ik — mijne //zuster schreef den ongelukkigen brief. Rechtvaardige rechters zouden //haar niet veroordeelen, maar van deze moordenaars is het ergste te „verwachten. Wordt dus het vonnis geveld, dan moet het mij gelden! //Mijne zuster zou moeielijk uit het leven kunnen scheiden, want zij «zou vier minderjarige kinderen moeten verlaten, die hare moederlijke „zorg nog langen tijd behoeven. Voor mij, die vrij, niet gebonden
46
Ucfdc tot «Ie vijanden.
Is het genoey, als men op zijne vijanden geene wraak uitoefent ?
Neen; God beveelt, dat wij onze vijanden beminnen, dat is, dat wij hun goed toewenschen en bereid zijn, hen in nood naar krachten bij te staan.
„Vergeldt niemand kwaad met kwaad____W reekt u zei ven
„niet, maar laat aan God de wraak over; want er staat „geschreven: Mij is de wraak; Ik zal vergelden, spreekt „de Heer\'\' (Eom. XII, 17, 19). Kwaad met kwaad te vergelden en zelf wraak te nemen, is dus, volgens de uitspraak des Apostels, aan iederen Christen verboden. Jesus Christus, onze goddelijke Wetgever, gaat echter nog verder : Hij beveelt ons uitdrukkelijk onze vijanden te beminnen. „Bemint uwe vijanden.quot; zegt Hij (Matth V, 44, 45), „doet goed aan hen, die u baten, bidt voor degenen, die ..n vervolgen en lasteren, opdat gij kinderen zijn moogt „van uwen Vader, die in den hemel is, die zijne zon laat „opgaan over goeden en boozen, en zijn regen laat vallen „over rechtvaardigen en ongerechtigen.quot; Het hier aangehaalde
,maar te missen ben, heeft de dood niets verschrikkelijks. Ik wil sterven, vOpdat de moeder voor hare kinderen blijve leven!quot; Chauveau vol bewondering over dezen heldenmoed van zusterliefde, wendde al de kracht zijner welsprekendheid aan, om de onschuldige te redden, doch hield zijn gezworen eed heilig. Het gerechtshof van Robespierre echter wilde geen recht, maar bloed: Iphigenie\'s vonnis was de dood. Met de meeste kloekmoedigheid besteeg zij het schavot; hare laatste woorden waren: //Jesus,. voor U leef ik! Jesus, voor LI sterf ik! Jesus, ik ben //de uwe, dood en levend!quot; —- Spoedig daarna kwam de beurt aan haren verdediger. Hij luid tot het geweten der bloedrechters gesproken, hetgeen booze menschen nooit vergeven. Kort vóór zijne terechtstelling riep hij oen vriend tot zich en verhaalde hem de geschiedenis van do edelmoedige Iphigenie. «Ik wilde,quot; zoo besloot hij, „dit ge-//heim niet met mij in \'t graf nemen; onthoud dat voorbeeld van on-//gemeene grootheid van ziel, totdat betere tijden zullen veroorloven, ./het der wereld bekend te maken. De edele Iphigenie mag niet ver-./geten worden, hare opoffering zij steeds een schitterend voorbeeld //van ware zusterliefdequot; (Naar Hungari\'s kath. Anekdotenschatz). Een dergelijk voorbeeld van opofferende broederliefde meldt Herbst in zijn katholiek voorbeeldenboek. Dit had plaats te Lyon in het jaar 1793. De broeder van een zekeren Badget had zich bij den aanval van het leger der revolutionairen op Lyon, den Sisten Mei, zeer onverschrokken getoond, en werd daarom, na gevolgde inname dezer stad, ter terechtstelling opgezocht. De gerechtsdienaars kwamen nu bij den heer Badget, hielden hem voor zijn broeder en sleepten hem naar den rechter, die hem ter dood veroordeelde. Maar Badget dacht er niet aan, een misverstand op te helderen, hetwelk zijn broeder het leven redde. Hij achtte zich gelukkig, in zijns broeders plaats het schavot te kunnen beklimmen.
47
getod des Heeren vordert van ons, dat wii aan onze vijanden en beleedigers die liefde bewijzen, welke wij den naaste in het algemeen verschuldigd zijn. Wij moeten namelijk onzen vijanden, gelijk allen anderen evenmenschen, goed, in het bizonder de eeuwige zaligheid toewenschen; wij moeten voor hen, gelijk voor alle menschen, bidden, wij moeten bereid zijn hen in nood bij te staan, en deze bereidwilligheid bij voorkomende gelegenheden door werkelijk hulpbetoon aan den dag legden. Laat iemand die bewijzen van welwillende gezindheid achter, sluit hij zijne vijanden van de deelname aan de algemeene, dat is, allen en iederen evenmensch schuldige liefde uit, weigert hij hun de gewone, aan iederen stand passende teekenen van liefde, dan zondigt hij ongetwijfeld tegen het gebod der naastenliefde in het algemeen, en tegen het gebod der liefde tot de vijanden in het bizonder. Daarom herhaalt de Apostel op bovengenoemde plaats (V, 20, 21) het door den H. Geest reeds in het boek der Spreuken ingescherpte gebod: „als uw vijand „honger heeft, geef hem dan te eten ; als hij dorst heeft, „geef hem te drinken,quot; en voegt er bij: „overwin het kwaad „door het goede,\'\' dat is, stel weldaden tegenover de be-leedigingen en maak zoo vrienden van vijanden. Zijn wij al niet streng verplicht, onzen vijand buiten het geval van nood bij te staan en hem zulke buitengewone bewijzen en teekenen van liefde te geven, als men slechts zijnen besten vrienden pleegt te geven; toch is eene zoo edele wijze van handelen hoogst verdienstelijk en staat in de schoonste harmonie met het woord en den geest van het Evangelie, met de voorbeelden van Jesus Christus en de Heiligen \').
\') Onnoemelijk zijn de voorbeelden van heldhaftige liefde tot de vijanden, welke wij in de levensbeschrijvingen der Heiligen ontmoeten. Van den eersten martelaar Stephanus af, die üod om. genade en vergeving bad voor degenen, die hem steenigden, tot in onze tijden, zien wij deze schoone deugd in het leven der getrouwe navolgers van den gekruisten Jesus uitschitteren. Eenige merkwaardige trekken uit onze dagen mogen hiervoor tot bewijs dienen. — De edele gravin van .... toefde, op reis naar haar slot, in Provence gelegen, eenige dagen te Lyon. Als altoos vol deelneming in menschelijke ellende en lijden, liet zij niet na, het gasthuis te bezoeken. In eene der ziekenzalen trok een grijsaard, die nu eens luidkeels schreeuwde van pijn, dan weder de verschrikkelijkste vloeken uitbraakte, hare opmerkzaamheid in hoogen graad. Men zeide de gravin, dat de uiterste ellende, waarin zijn dood zijne naastbestaanden storten zou, de hoofdoorzaak zijner vertwijfeling was. Toen de lievige aanvallen van smart geweken waren, naderde de edele vrouw de legerstede van den zieke, om hem eene milde gift te schenken. Zij vroeg hem liefderijk naar zijn naam en ontving ten antwoord; „Ik heet Joannes Michelin.quot; Bij dezen naam verbleekte de gravin //Uit welke streek zijt gij,quot; vroeg zij verder met zichtbare ontroering, yüit Saint-Perine in Provence,quot; antwoordde de zieke. Door dit antwoord werd de gravin als door
48
Ja, er zijn zelfs omstandigheden waarin het strenge plicht wordt, voor zijnen vijand bizonder te bidden, hem bizondere
den bliksem getroffen, zonk in de armen harer geleidster onmachtig neer en kwam eerst in de kamer eener non, waarheen men haar gedragen had, weder tot bezinning. Alle nieuwsgierige navragen, hoe de naam van dezen man zulk een overweldigenden indruk op haar gemaakt had, bleven zonder gevolg; de edele vrouw weigerde volstrekt het geheim te ontvouwen. Alvorens het gasthuis te verlaten, sprak zij met een daaraan verbonden geestelijke, drukte hem de zorg voor den zieke dringend op het hart, gal\' eene soms gelds, opdat hij in een afgezonderd vertrek zou worden gebracht, vroeg om het adres der familie van den ongelukkigen grijsaard en verwijderde zich , middelerwijl allen zich verdiepten in gissingen, wat toch wei de reden zijn mocht, waarom de edele vrouw zoo groeten schrik voor dien man en te gelijker tijd zulk eene groote welwillendheid jegens hem getoond had. De familie van den zieke was talrijk en bevond zich in de diepste ellende. De gravin, hoewel zelve niet zeer bemiddeld, stelde er zich evenwel niet mede tevreden, in de bestaande behoeften te voorzien, zij wees ook hulpmiddelen aan voor de toekomst. Drie ouderlooze kleinzonen, die het zwaarst op het hart van den zieken Joannes Miehelin drukten, werden bij een meester besteed om onderwijs te ontvangen en hem eerst te verlaten, als zij in staat zouden zijn, hun brood te verdienen. Wie was nu wel die geheimzinnige man, wiens naam alleen een zoo schrikkelijken indruk op de gravin van .... maakte, en van den anderen kant hare edelmoedige liefde dermate opwekte? — Ten tijde, dat liet bloedschavot van 1793 overal voor alle groote namen en voor alle groote deugden stond opgericht, was het der familie van den markies.... gelukt, aan alle nasporingen der gerechtsdienaars, door Robespierre afgevaardigd, te ontkomen. Zij had te Saint-Ferine in het huis van een harer pachters, Antonius Miehelin, een veilig toevluchtsoord ge-gevonden. Intusschen-stierf Antonius, en diens zoon Joannes, hopende, in het bezit te geraken der schatten, welke bij zijn vader door den markies verborgen waren, volvoerde ten spoedigste zijn besluit, en ging zijne gasten bij het bloedgereeht aangeven, ja, hij was wreed genoeg, in het tegen de ongelukkigen ingestelde proces van hoogverraad, als hoofdaanklager en getuige op te treden. Vader, moeder en twee zoons beklommen het bloedschavot. — Slechts één lid dezer familie bleef gespaard, eene dochter van zestien jaren, tegen wie de wreede Joannes Miehelin vijf maanden later eene nieuwe aanklacht indiende, welke echter niets meer dan eene kortstondige gevangenis der edele wees tengevolge had. Miehelin zag zich spoedig genoodzaakt, voor de woede en den algemeenen vloek zijner landslieden te wijken, en met zijne door bloed bevlekte schatten de vlucht te nemen. Hij begaf zich naar Lyon en begon daar eene handelszaak, maar de hemel gedoogde niet, dat het hem goed ging. Twee jaren later bleef hem niets meer over, en van dezen tijd af moest hij zich schikken in den bezwaarlijken dienst van pakdrager De gravin van .... was de gespaard gebleven dochter van den markies van....! Zoo wi-eekte zich deze edele christelijke vrouw op den moordenaar harer gansche familie, die er op uit was geweest, ook haar ongelukkig te maken (Uit het Journal des villes et des campagnes van 6 Jan. 1838).
In den winter van het jaar 1848 begaf zich de vrome koningin van België op een avond, door eene harer eeredames begeleid, naar een arm afgelegen kwartier der stad Brussel, om zelve volgens hare gewoonte de ellende op te zoeken en weg te nemen. Hier trof zij in een der huizen, die zij achtereenvolgend ouder het brengen van troost en het uitdeelen van aalmoezen binnentrad, een jong en sterk man met eene vóór den tijd verouderde vrouw, beiden in sombere gemoeds-
49
achting, oplettendheid en gedienstigheid te toonen; ais dit nameliik noodzakelijk is, om in ons hart de vijandige gezindheid te dooden, of om den haat het hart van den vijand weg te nemen, en aldus zijne ziel te redden. Hierbij moet evenwel opgemerkt worden, dat de gedurig opkomende herinnering aan de geleden heleedigingen, gelijk de daaruit voortkomende onwillekeurige afkeer geenszins met de vrijwillige vijandige gezindheid moet verward worden. Het eerste is slechts bekoring tot vijandschap, het laatste is vijandschap; het eerste kan aanleiding worden tot zonde, maar ook, indien daartegen standvastig gestreden wordt, hoogere verdienste geven; het laatste is in elk geval zonde.
gesteldheid. Geen vuur was er aan den haard, geen brood in dekast. ÏJe koningin getroffen door zulke groote behoefte ondervroeg hen met ernst naar de oorzaak daarvan; de man antwoordde echter slechts door een paar tranen, die hij te vergeefs trachtte terug te dringen, en door een ijselijken vloek. De koningin liet zich daardoor niet afschrikken , bad hem met innige deelneming om nadere inlichtingen omtrent zijn bitter lot en ontlokte hem aldus deze bekentenis : hij was een fransch muiter, en, om eene gewisse veroordeeliag te ontgaan, naar België gevlucht; zijne middelen waren uitgeput, en hij had noch verdiensten, noch ondersteuning. //Maar,quot; hernam de koningin zacht en vriendelijk, »wat hooptet gij dan van de revolutie? ,/Welk kwaad wildet gij in Frankrijk uitroeien?quot; //Louis Philippe !\'• was het antwoord, en er volgde eene menigte vloeken en verwenschingen van dengene, wiens naam hij zooeven had uitgesproken, en wiens edele dochter als een weldadige engel vóór hem stond. Dit tooneel maakte den pijnlijksten indruk op de goede koningin Maria Louise van Orleans; zij behield echter hare tegenwoordigheid van geest en liet door niets blijken, wie zij was. Zij vergenoegde zich daarmede, den ongelukkigen vloeker niet zachtheid te zeggen ; //Louis Philippe moet u wel veel //kwaad gedaan hebben, dat gij hem zulk een haat toedraagt; welaan ,/dan, ik wil u zooveel goeds bewijzen, als de koning u kwaad kan //gedaan hebben.quot; En de edele vorstin gaf den man, die geen hooger wensch kende, dan de moordenaar te worden van haren koninklijken vader, vijftig franken met de belofte, dat voortaan voor zijne behoefte zou gezorgd worden. Men stelle zich nu de verwondering voor van den zoo rijk begiftigden muiter, maar ook zijne beschaming, toen hij latei-vernam , wie zijne barmhartige weldoenster was. Terstond spoedde hij zich tot haar, wierp zich voor hare voeten en bad om vergiffenis voor de zware beleediging. Het edele hart der koningin schonk hem vergiffenis: het kende geen gevoel van wraak, maar smaakte den zoetsten troost in de reading van den afgedwaalde. — Het gerucht van dezen schoonen trek van christelijke liefde tot de vijanden verspreidde zich destijds door geheel België van mond tot mond en wekte algemeene bewondering. — Zeer schoon en stichtend is ook het voorbeeld van liefde tot zijnen vijand, hetwelk Karei X vóór zijne troonsbeklimming gaf, als hij aan een man, die, volgens gedane bekentenis , door Philippe Egalité opgeruid, voor de terdoodbrenging van Lodewijk XVI, zijn broeder, gestemd had, niet alleen edelmoedig vergaf, maar zelfs een Priester bij hem bracht, aan zijn sterfbed nederknielde, de stervende ziel Gode aanbeval, voor eene behoorlijke begrafenis van den afgestorvene zorgde en het teeken van de verlossing der wereld, het kruis, op zijn graf liet oprichten.
DEHARBE, GELOOFSLEER. III. 3\'le DRUK. 4
50
Wa ar om moeien wij onze vijanden beminnen ?
1) Omdat God de Heer het gebiedt. — „Gii hebt gehoord,quot; spreekt Christus, „dat gezegd is: gij zult uwen naaste „beminnen en uwen vijand haten. Maar Ik zeg u: bemint „uwe vijanden,quot; enz. (Matth. V, 43—45). De Phariseën, leugenachtige leeraars en vervalschers der goddeliike wet, zeiden, en de wereld zegt het hun voortdurend na: bemint uwe vrienden en haat uwe vijanden. Onze eigenliefde keurt dit beginsel goed en het door den hartstocht verblinde hart herhaalt ontstuimig: ja, haat uwe vijanden, neemt wraak op uwe beleedigers. Het zou schande wezen, zoo gij geen gelijk met gelijk vergoldt. Jesus daarentegen leert; „maar „Ik zeg u: bemint uwe vijanden.quot; Naar wien zullen wij luisteren, wien zullen wij gehoorzamen ? Een Christen mag zeker niet aarzelen in de keuze, wiens gebod hij zal opvolgen. Mogen de wereld en de eigenliefde duizend bezwaren maken, dit eene woord des Heeren slaat ze allen neder. Jesus, onze Heer en God, Jesus, onze hoogste Wetgever, gebiedt; onze plicht is het zijn gebod te vervullen. Immers wat Hij, de oneindig Rechtvaardige, beveelt, kan niet onbillijk; wat Hij, de oneindig Wijze, voorschrijft, niet onmogelijk te vervullen zijn; wat Hij, de oneindig Heilige, verordent, niet ijdel, niet onwaardig zijn. Christus geeft zijn gebod in de meest algemeene en omvattende uitdrukking. „Bemint uwe vijanden,quot; zegt Hij, bemint allen, die u haten en vervolgen, allen, die u lasteren en krenken, bemint ze allen zonder uitzondering; immers daardoor, dat zij uwe vijanden zijn, houden zij niet op mijne schepselen, mijne hoezeer ook ontaarde kinderen, de prijs van mijn bloed, de geroepen erfgenamen des hemels te zijn. Daarom wil Ik, dat gij ze allen bemint. Valt het u zwaar, mijne genade zal u niet ontbreken, als gij er slechts om bidt. — 2) Wij moeten onze vijanden beminnen, wijl Jesus, ons goddelijk toonbeeld, ons het voorbeeld van liefde tot de vijanden gegeven heeft. Dat voorbeeld van Jesus beneemt ons elk voorwendsel, al schijnt het ook nog zoo gewichtig, om ons aan de vervulling van het gebod der liefde tot de vijanden te onttrekken. Bemint uwe vijanden, roept Jesus ook door zijn voorbeeld ons toe, want Ik, uw Heer en Meester, heb ze bemind; bemint allen, ook de verbitterdste vijanden, want Ik heb ze allen bemind ; bemint ze met grootmoedige liefde, want Ik heb ze ook met de grootmoedigste liefde bemind. Jesus had inderdaad beleedigingen te verdragen, welke zoo zwaar en gevoelig waren, als geen mensch ze
51
verdragen heeft noch verdragen kan ; zii werden hem toegevoegd door degenen, die Hem zeer nabij bestonden, die Hij zoo dikwerf met weldaden overladen had; zoo iemand, dan had Hij zeker reden om zich te wreken; zoo iemand, dan mocht zeker Hij zich wreken, daar Hem, als God, de wraak behoort; zoo hii iemand, dan scheen bii Hem voorzeker de wraak noodzakelijk, daar het hier zijne goddelijke diep gekrenkte eer gold; als het iemand gemakkelijk was cm wraak te nemen op zijne beleedigers, dan was dit insgelijks bij Christus het geval, die zijne tegenstanders met den adem zijns monds verdelgen kon. Maar de Heiland wreekte zich niet; hij kuste Judas, eerst zijn leerling, nu zijn verrader. „Hij sprak niet,quot; zegt de H. Chrysostomus (Hom. 21 op den Rom.-brief), „gij roekelooze, gij verrader! „Is dat de dank, waarmede gij Mij zoo groote weldaden „vergeldt?quot; Neen! hij noemde hem bij zijn naam: „Judas! „verraadt gij aldus den Zoon des menschen,quot; die zoo zacht, zoo liefderijk jegens u was ? Jesus smeekte zelfs aan het kruis nog zoo hartelijk toor degenen, die er Hem aan hadden vastgehecht, zijnen Vader om vergiffenis; terwijl zij voortgingen Hem, den stervende, te bespotten en te lasteren, riep Hij met luider stem: „Vader! vergeef hun, „zij weten niet wat zij doenquot; (Luc. XXIII, 34). Hoe zouden wij na dit heerlijk voorbeeld van onzen Heer en Meester nog kunnen dralen, onzen vijanden de onvergelijkelijk mindere beleedigingen te vergeven ? Hoe zouden wij er ons nog op durven beroemen, leerlingen van Christus te zijn, als wij, in plaats van met den geest zijner liefde bezield te wezen, den geest van haat en wraakzucht, den geest des satans huldigden ? \') — 3) Wij moeten onzen
\') De gedachte aan Jesus, die stervende aan het krais zijnen vijanden vergaf en voor hen den Vader om vergiffenis smeekte, deze gedachte was het vooral, welke den arm van den H. Joannes Gualbertus ontwapende , toen de moordenaar van zijn broeder hem weerloos op een engen weg, waar geen ontvluchten\'mogelijk was, tegemoet kwam. Joannes greep reeds naar zijn zwaard, om bloedige wraak te nemen, toen gene zich aan zijne voeten wierp en hem met gekruiste armen bij Jesus, den Gekruisigde, bezwoer, dat hij hem toch het leven zou sparen. Joannes hierdoor diep getroffen, schonk den biddende niet alleen het leven, maar ook zijne vriendschap. God wilde echter, als door een wonder, doen zien, hoe welgevallig Hem deze grootmoedige verzoening was. Toen namelijk Gualbertus spoedig daarna de kloosterkerk der abdij van Minias bezocht en voor een kruisbeeld met vurige godsvrucht om vergeving zijner zonden bad, neigde de Gekruisigde zijn hoofd, als om hem te bedanken, dat hij ter wille van Hem medelijden toonde, en hem de verzekering te geven, dat zijne bede verhoord was.
De hoogwaardige Heer Odin, Missionaris in Amerika, verhaalt het volgende merkwaardig voorbeeld van vergeving ter wille van den
4*
52
vijanden vergeven , omdat wij willen dat God ook ons ver-geve- — Daar wi] allen zondige menschen zijn en als zoodanig vergiffenis en ontferming behoeven van onzen Vader
in den hemel, bidden wij dagelijks tot hem; „Vader.....
„vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen „schuldenaren.\'\' Wij bekennen met aldus te bidden, slechts onder deze voorwaarde van God vergiffenis te verwachten, dat ook wij onzen beleedigers zoo oprecht en volkomen vergeven, als wij wenschen, dat God ons vergeve. En wat is wel billijker dan deze voorwaarde, waarvan .Tesus Christus werkelijk de vergiffenis onzer zonden afhankelijk verklaard heeft, toen Hij sprak; „als gij den menschen hunne zonden {de fouten, welke zij tegen u begaan hebben) „vergeeft, dan „zal u ook uw hemelsche Vader uwe zonden vergeven (de zonden, welke gij tegen Hem bedreven hebt); „wanneer
Gekruiste. »Op eene mijner apostolische uitstapjes kwamen verscheidene ,wilden tot mij met \'het verzoek, dat ik hun doodziek opperhoofd „eens zon bezoeken. Ik begaf mij tot den bejaarden man; hij lag ,/uitgestrekt op zijn uit boomschors gemaakt bed en leed de hevigste „smarten. Een wilde, die hem haat toedroeg, was zoo wreed geweest, „op zijnen voet vergift te storten; dientengevolge was zijn enkel bviiten-„gewo\'on gezwollen. Ik naderde hem en zeide: „G-ij zijt erg ziek, „mijn broeder.quot; — „Ja, zwartrok, dat ben ik.quot; — „Denkt gij te zullen „sterven?quot; — „Ja, dat verwacht ik.quot; — „Het zal u toch eene vreugde «zijn, na uwen dood het huis van den grooten Geest te kunnen in-„gaan? — „Ja zeker,quot; antwoordde hij. „Maar,quot; ging de Missionaris voort, „gij zult niet kunnen ingaan, als ik u niet eerst doope.quot; „Doop „mij darT,quot; hernam de zieke, „maar zeer spoedig. Ik bemin den grooten „Geest van harte.quot; „Ik begon hem nu in \'tkort te onderrichten over „de voornaamste geheimen van ons geloof, doch diende hem niet „terstond het H. Doopsel toe, daar ik gegronde reden had te vreezen, „dat de zieke niet zou kunnen besluiten, om zijnen vijand, die hem „vergiftigd had, geheel te vergeven. Ik nam derhalve mijn kruisbeeld „in de hand, stelde hem het lijden voor oogen, hetwelk de groote „Geest (Jesus Christus) uit liefde tot zijne kinderen had ondergaan; „zeide hem, dat zijne eigen kinderen Hem dat lijden hadden aange-„daan, en dat Hij vóór zijnen dood hun alles had vergeven. Dan liet „ik volgen: de groote Geest verlangt echter ook, dat al zijne kinderen ^eveneens elke beleediging van harte vergeven, en zegt, dat, wanneer „zij dit niet willen doen, Hij hen in zijn schoon huis niet zal op-„nemen.quot; „Welaan dan,quot; sprak toen het opperhoofd, „ik vergeef, „omdat de groote Geest het verlangt. Vervolgens gaf hij bevel, op „den wilde, zijnen beleediger, geene wraak te nemen, en ik maakte „mij gereed , aan den zoo goed voorbereide het H. Doopsel toe te dienen. „Zoodra hij zag, dat ik mijn priestergewaad aantrok, richtte hij zich „op; hij nam zelf mijn kruis in zijne handen, en zoolang de toediening „van liét Doopsel duurde, richtte hij zijne oogen, met tranen gevuld, „nu eens op het teeken van onze verlossing, dan weder ten hemel. „Vier dagen later ontsliep hij zalig in den Heer.quot; Hoe beschamend is dit treffend voorbeeld van dezen wilde voor zoovele Christenen, die, ofschoon zij de liefde van Jesus Christus, den Gekruiste, en zijn gebod, van den\'beleedigers te vergeven, veel beter kennen, toch het niet van zich kunnen verkrijgen, het geringste onrecht ter wille van Jesus te vergeven.
53
„gij echter den menschen niet vergeeft, dan zal uw hemel-„sche Vader ook uwe zonden niet vergevenquot; (Matth. VI, 14, 15; Marc. XI, 26). Zijn de beleedigingen, welke wij der goddelijke Majesteit hebben aangedaan, niet onvergelijkelijk grooter dan die, welke ons, nietige schepselen, door anderen worden toegevoegd ? Het zou derhalve onbillijk en vermetel z^n, als de mensch van zijne veel zwaardere zouden van God vergiffenis begeerde, doch vau zijnen kant voor oneindig geringere fouten zijn evenmensch de vergiffenis weigerde. De goddelijke Heiland zelf maakt ons deze waarheid duidelijk door de gelijkenis van den onbarmhartigen knecht (Matth. XVIII, 23—25). Beven en sidderen moeten wij dus, zoo dikwijls wij met vijandige gezindheid in het hart deze bede van het „Onze Vaderquot;
uitspreken: „vergeef ons____gelijk wij vergeven.\'\' Staat
dat niet gelijk met te zeggen : Vader, vergeef ons niet, gelijk ook wij onzen broeders niet vergeven ? Moeten wij niet vreezen, dat God ons bij ons woord houden en toeroepen zal: „naar uw eigen uitspraak veroordeel ik u, „booze, onbarmhartige knecht! Gij wilt uwen broeders, „uwen vyanden, die tegen u mitsdoen , niet vergeven, u „geschiede gelijk gij vraagt, Ik zal ook u niet vergevenquot;? l) — Met recht zegt derhalve de H. Apostel Jacobus (II, 13): „een oordeel zonder barmhartigheid zal over hem komen, „die geene barmhartigheid bewijst.quot; Er blijft dus voor den mensch slechts de keuze tusschen vergiffenis of eeuwige verdoemenis ; want zonder vergeving der beleedigingen is er geene vergiffenis der zonden, geen paradijs, geen eeuwig heil. Noch gebed, noch aalmoezen, noch boetewerken,noch het bloed, hetwelk Jesus Christus voor allen vergoten heeft,
\') Joanna Francisco, van Fremiot, Barones van Chantal, had op zekeren dag in tegenwoordigheid van haren schoonzoon, den Baron van Thoren, een zeer onaangenaam voorval met een pachter. Deze, niet tevreden met, tegen beter weten in, zijne schuld te loochenen, dreef zijne onbeschaamdheid zoo ver, dat hij de Barones verweet, het blad waarop de reeds gedane betaling was aangeteekend, uit het kasboek gescheurd te hebben. De Baron van Thoren werd over deze ongehoorde vermetelheid zoo gebelgd, dat hij den leugenachtigen bedrieger met den stok in de hand tot zijn plicht wilde brengen. Maar Mevrouw van Chantal trad met engelachtige goedheid tusschen beiden en sprak tot den Baron: //Ach, mijn zoon, wat zou er van ons «geworden, indien God de beleedigingen, welke wij Hem dagelijks //aandoen, niet wilde vergeven?quot; Vervolgens wendde de edelmoedige bemiddelares zich tot den beleediger met de woorden: //Mijn vriend, //een weinig eerlijkheid slechts!quot; en maakte hem tevens met moederlijken ernst het teeken van het H. kruis op zijn voorhoofd. Op hetzelfde oogenblik was hij geheel veranderd. Hij wierp zich voor de Barones neder, bekende zijne schuld en smeekte om vergeving, welke hij nu zonder moeite verwierf.
54
is in staat den hemel te openen, dien haat en vijandschap gesloten houden.
Wai 7)ioeten wij doen, als wij iemand heleedigd hehhen of door iemand heleedigd zijn ?
1) Als wij iemand heleedigd hehhen, moeten wij tot hem gaan, en ons met hem verzoenen. De natuurlijke billijkheid reeds maakt het ons ten plicht, het aangedaan onrecht naar vermogen goed te maken. Deze plicht is zoo heilig en noodzakelijk , dat de vervulling daarvan door geen ander goed werk, door geen gehed en geen offer kan vervangen worden. Daarom spreekt de Heiland : „als gij uwe gave „naar het altaar brengt en daar indachtig wordt, dat uw „hroeder iets (een rechtvaardige klacht) tegen u heeft: „laat dan uwe gave daar voor het altaar, en ga eerst heen „en verzoen u met uwen broeder, en kom dan om uwe gave „te offerenquot; (Matth. V, 23, 24). Ook de Apostel vermaant ons, de verzoening met onzen hroeder niet te verschuiven. „Laat de zonquot;, zegt hij (Eph. IV, 26), „niet ondergaan over „uwen toorn.quot;
Mocht de mondelinge verzoening wegens bizondere omstandigheden onmogelijk of niet raadzaam zijn; mocht men reden hebben om te vreezen, dat men door een bezoek of door een gesprek met den beleedigde, hem, in plaats van te bezadigen en te verzoenen, veel meer verbitteren zou, dan moet men zich tenminste de moeite geven, om den zwaar gekrenkte door dienstbetoon, door een voorkomend en liefdevol gedrag of eindelijk door bemiddeling van een derden persoon, van gevoelen te doen veranderen en door behoorlijke voldoening tevreden te stellen.
2) Als wij daarentegen door iemand heleedigd zijn, moeten wij gaarne de hand ter verzoening bieden, van harte vergeven, en liever onrecht lijden, dan kwaad met kwaad vergelden. Al hebben wij van onzen kant geene aanleiding tot de toegevoegde heleediging gegeven, als is ook het onrecht uitsluitend aan den kant van den beleediger, dan mogen wij toch zijne tot verzoening aangeboden hand niet afwijzen \'j. Zoekt hij ons te naderen, dan moeten wij onze
\') Wij bepalen ons hier bij het schrikwekkende voorbeeld van den onverzoenlijken Sapricius, die de martelkroon verloor, omdat hij op weg naar de gerechtsplaats en op de gerechtsplaats zelve hardnekkig weigerde, aan Nicephoms, die hem beleedigd had, maar thans, tranen stortende, om vergeving smeekte, gehoor te geven. — Dit voorval is breedvoerig verhaald in de akten der Martelaars van Ruinart, endoor de Grav. Hahn-Hahn, als ook in het handb. van P. Wilmers, D. Ill, bl. 56 opgeteekend.
55
eischen niet te hoog stellen, en door eene zachte en hartelijke tegemoetkoming hem de eerste schrede ter verzoening trachten te verlichten, en zooveel wij kunnen, hem elke beschaming besparen. Laten wii, teneinde ons daartoe op te ■wekken, het voorbeeld van Joseph van Egypte en van den patriarch Jacob in het geheugen terugroepen. Joseph, door zijne broeders doodelijk gehaat, en in een put geworpen en verkocht, gedacht dit alles niet meer, toen zijne broeders tot hem kwamen en hem erkenden. Integendeel gaf hij afleiding aan hunne vrees, verontschuldigde hunnen misstap, omhelsde en kuste hen, overlaadde hen met weldaden, en wees hun eene zeer vruchtbare landstreek van Egypte tot woonplaats aan. — Jacob, die, om de vervolging en vijandschap van zijn broeder Esau te ontgaan, naar Mesopotamië gevlucht was, verscheen bij zijn terugkeer niet als belee-digde voor Esau, maar als hadde hij zelf vergiffenis van hem te vragen, bood hij hem aanzienlijke geschenken aan, noemde hem zijn heer en boog zich zevenmaal voor hem ter aarde (1. Mos. XXXIII). Zoo kwamen Joseph en Jacob hunne beleedigers met liefde en weldaden tegemoet, om hunne harten te winnen. Zullen wij dan onze beleedigers niet met goedheid ontvangen, als zij zich met ons willen verzoenen ? Maar ook al zou de naaste in zijne vijandschap volharden, en voldoening weigeren, ook dan mogen wij niet kwaadwillend en vyandig jegens hem gezind blijven. Veeleer moeten wij in dat geval bereid zijn, liever alle onrecht te verdragen, dan kwaad met kwaad te vergelden, wel bewust, dat zich zeiven voldoening te verschaften voor geleden beleedigingen, zelf wraak te nemen, ongeoorloofd is, gelijk wij zooeven bewezen hebben. Te dien opzichte vinden wij een schoon voorbeeld in David. Hij had zich, door het verslaan van den reus Goliath, bij koning Saül en geheel Israël zeer verdienstelijk gemaakt en werd door het volk toegejuicht. Juist daarom zwoer de koning uit nijd en ijverzucht hem onverzoenlijken haat, en ging daarin zoo ver, dat hij met zijne spies naar hem wierp, en hem wilde doorboren. Te vergeefs spande David alles in, om den hevig vertoornden koning te bedaren; eindelijk moest hy door de vlucht zijn leven redden. Niettemin spaarde de vervolgde David zijnen vervolger, toen de ondankbare zonder gevolg de spelonk binnentrad, waarin hij zich verborgen hield. Hij vergenoegde er zich mede, een stuk van den mantel zijns vijands af te snijden ten teeken, dat het hem niet aan de gelegenheid ontbroken had, kwaad met kwaad te vergelden (1. Kon. XXIV). Als godvruchtige mannen van het Oude Verbond zoo grootmoedig handelden
56
met hunne vijanden, hoeveel te meer moeten dan Christenen dit doen; Christenen, tot wie de Verlosser zegt: „als u „iemand op uwe rechter wang slaat, bied hem dan ook de „andere aan, en zoo iemand met u in het gerecht wil strijden „en uw onderkleed ontnemen, zoo laat hem ook den mantelquot; (Matth. V, 32, 40), dat is : wees bereid, liever nieuwe beleedigingen, nieuw onrecht te lijden, dan u over het reeds geledene te wreken. Niemand zegge dus: als mijn beleediger mij geene voldoening geeft, dan wil ik hem niet meer aanzien. Zulke woorden passen niet in den mond van een leerling van den gekruisten Heiland, die stervende nog voor zijne kruisigers bad, „Heeft uw naaste u kwaad toegevoegd,quot; zegt de H. Chiysostomus (8\' Hom. op den Br. aan de Kom.), „bid dan tot God, dat Hij hem spoedig genadig moge zijn. „Hij is uw broeder, uw medelid, geroepen tot denzelfdea „maaltijd.quot; — „Maar hij maakt het toch te erg.quot; — Daarom is uwe kroon des te heerlijker, als gij hem vergeeft, terwijl uw vijand juist om die reden des te meer te beklagen is; want hoe grooter het onrecht is, dat hij u aandoet, des te grooter zal de straf zijn, welke hem wacht.
Uit het gezegde volgt volstrekt niet, dat het door de christelijke wet verboden is, langs rechterlijken weg voor schending van eer en aangedane schade behoorlijke vergoeding te verlangen, vooral, als de eerst ingeslagen weg van goedheid tot geene uitkomst heeft geleid. Daarbij moet echter niet vergeten worden, da.t men den weg van het strenge gerecht nimmer uit haat of vijandschap, om den beleediger te verootmoedigen en te krenken, mag inslaan. Indien men zich genoodzaakt ziet, dit middel te baat te nemen, dan geschiede het slechts als de storm des harts-tochts bedaard is, en men stelle daarbij do eischen der voldoening niet hooger, dan billijkheid en christelijke liefde het vereischen en aanraden.
Herken van barmharligheid.
Welke menschen worden in de //. Schrift onzer liefde bizonder aanbevolen ?
De armen, de weduwen en weezen en in het algemeen allen, die in lichamelijken of geestelijken nood verkeeren.
57
* Gelijk de H. Schrift de onderdrukking der armen, weduwen en weezen als eene wraakroepende zonde aanduidt, zoo ontmoeten wij daarin ook verscheidene plaatsen, waar de ondersteuning van, en de weldadigheid jegens dezen, bizonder wordt aanbevolen. Zoo spreekt de wijze Sirach (IV, 1— 10); „mijn zoon ! wend uwe oogen van den arme „niet af.... geef, wat gij schuldig zijt, en antwoord hem „vriendelijk en zacht.... wees jegens weezen barmhartig „als een vader, en jegens hunne moeder (de weduwe) als „een echtgenoot,quot; dat is; draag zorg voor haar, gelijk haar gemaal, toen hij nog leefde. Reeds in de wet des Ouden Verbonds werd op de armen, weduwen en wezen bizonder acht geslagen. Zoo staat er in het 5e boek (Mos. XXIV, 19): „Zoo gij het zaad oogst op uwen akker en een korenschoof „vergeet en achterlaat, moogt gij niet omkeeren, om ze „te halen , maar gij moet ze door den vreemdeling (den arme) „en door den wees en de weduwe laten wegdragen, opdat „de Heer, uw God, u zegene en alle werken uwer handen.quot; Zelfs ten tijde van de natuurwet werd de plicht, om armen, weduwen en weezen hulpvaardig bij te staan, heilig gehouden. Daarom sprak de godvruchtige Job (XXXI, 16, enz.); „als ik den armen weigerde, wat zij begeerden, en de oogen „der weduwen liet wachten, als ik mijne bete alleen ge-„noot, en de wees daarvan niet medeat.... dan wenschte „ik, dat mijn schouder uit zijn gewricht viel en mijn arm „met -zijn gebeente verbrijzeld werd.quot; Men begrijpt echter van zelf, dat, ingeval anderen zich in even dringenden lichamelijken of geestelijken nood bevinden , wij hen evenzeer moeten bijstaan, wijl de armen, weduwen en weezen slechts daarom in het bizonder onzer werkdadige liefde worden aanbevolen, wijl zij in den regel meer verlaten en hulpbehoevend zijn dan anderen. Onze liefdewerken nu zijn volgens de behoeften, welke zij lenigen, van lichamelijken of geestelijken aard, en daar zij uit hartelijke deelneming aan vreemde ellende en uit een medelijden vol ontferming ontstaan, worden zij lichamelijke of geestelijke werken van barmhartigheid genoemd. Jesus Christus noodigt ons nadrukkelijk tot de beoefening van zulke werken uit, wanneer Hij ons van den eenen kant het voorbeeld van onzen hemelscheu Vader voor oogen houdt, en van den anderen kant de buitengewoon rijke belooning, welke daaraan verbonden is. „Weest barmhartig,quot; zegt Hij, „gelijk ook uw hemelsche „Vader barmhartig isquot; (Luc. VI, 36). „Zalig zijn de „barmhartigen; want zij zullen barmhartigheid verwervenquot; (Matth. V, 7).
58
Welke zijn de lichamelijke werken van barmhartigheid ?
De lichamelijke werken van barmhartigheid zijn deze zeven: 1) de hongerigen spijzen, 2) de dorstigen laven, 3) de naakten kleeden, 4) de vreemdelingen herbergen, 5) de gevangenen verlossen, 6) de zieken bezoeken, 7) de dooden begraven.
Daar de lichamelijke werken -van barmhartigheid, welke gezamenlijk onder den naam van „aalmoezenquot; kunnen begrepen worden, ten doel hebben, de lichamelijke behoelten van den evenmensch te lenigen, zijn zij eigenlijk even veelvuldig, als de lichamelijke behoeften des naasten. Bij voorkeur echter worden deze zeven werken van barmhartigheid aangegeven, deels wijl zij in de voornaamste lichamelijke behoeften voorzien, deels ook, wijl ons juist deze in de H. Schriftuur uitdrukkelijk worden aanbevolen. Jesus Christus zelf maakt ons de zes eerste werken ten strengen plicht, gelijk uit het antwoord op de volgende vraag duidelijk zal worden, en met betrekking tot het zevende spreekt God door den mond van den wijzen Sirach (XXXVIII, 16); ,/inijn zoon, ween over een doode, en verzuim zijne begrafenis niet.quot; Door de drie eerste werken van barmhartigheid wordt de behoefte aan spijs, drank en kleeding gelenigd. De wijze van beoefening behoeft geene verdere verklaring; slechts zij opgemerkt, dat men daarbij dient acht te geven op de ware behoefte en de waardigheid der noodlijdenden, en in het bizonder den huiselijken nood van schamele armen moet trachten weg te nemen. — Het vierde werk van barmhartigheid verschaft armen zonder huisvesting of reizenden een gastvrij verblijf. De voorzichtigheid vordert evenwel, dat men, bij de beoefening van dit liefdewerk zich in acht neme voor dezulken, die den huisgenooten gevaarlijk zouden kunnen zijn. ïiiet te vergeefs toch vermaant de H. Schriftuur: //laat niet ieder in uw huis, want de belagingen van ,een listige zijn veelvoudigquot; (Sirach XI, 31). Bovendien moet men zich ten opzichte van de herberging van vreemdelingen aan de verordeningen der wereldlijke overheid houden. Het vijfde werk van barmhartigheid komt allen, die het hooge goed der\' (lichamelijke) vrijheid verloren hebben, namelijk de gevangenen te hulp. Onder de gevangenen, wier boeien wij slaken moeten, zijn evenwel niet diegenen te verstaan , die om hunne misdaden door den wettigen rechter in den kerker geworpen zijn; dergelijke gevangenen eigenmachtig te willen bevrijden zou een wederrechtelijk, een misdadig bestaan zijn. Er is hier spraak van hen, die om het geloof of de deugd in boeien liggen; alsmede van degenen, die ongelukkigerwijze in slavernij of in krijgsgevangenschap geraakt zijn; ook dezulken behooren hiertoe, die in hechtenis zitten, omdat zij hunne schuldeischers niet kunnen voldoen. Wie voor een dusdanige de schuld betaalt, opent zijn kerker, en beoefent het voornoemde werk van barmhartigheid, gelijk ook hij, die het losgeld voor een slaaf of krijgsgevangene geeft.— Het zesde werk van barmhartigheid betreft de wegneming of verzachting der smarten van den zieken evenmensch en wel door hem te bezoeken en zorgvuldig te verplegen. — Het zevende eindelijk bewijst het stoö\'elijk overblijfsel van den gestorven medemensch de laatste eer der begralenis, gelijk de vrome Tobias deed. Hoewel de toestand, waarin wij thans leven, niet vordert, noch toelaat, dat wij de dooden gaan begraven; is er toch len tijde van aanstekende ziekten of ten tijde van oorlog gelegenheid om dit liefdewerk uit te oefenen, en ook in eiken anderen tijd kunnen wij den gestorvenen de laatste eer bewijzen, namelijk hunne lichamen
59
ten grave geleiden en, inzooverre liet noodig is, vooreenebehoorlijke begrafenis zorgen \').
\') Het zou ons te ver voeren, wanneer wij wilden aantoonen, hoe alle werken van barmhartigheid door godvruchtige dienaren Gods werden beoefend, en hoe zij ook nog ten huidigen dage, vooral door zoovele leden van godsdienstige genootschappen , die zich geheel aan den dienst der arme en lijdende menschheid toewijden, met heldhaftige zelfopoffering beoefend worden. De Legenden der Heiligen, wier lezing het Christenvolk niet genoeg kan worden aanbevolen, bieden dergelijke voorbeelden in groote menigte aan. Om ons hiervan te overtuigen , leze men onder anderen het leven van de H. Elisabeth van Thiiringen, en van de H. Elisabeth, Koningin van Portugal, Margarita van Schotland , Hedwig van Polen , Catharina van Genua. of van den H. Joan. Kolumbiui, Joannes van God, Camillus van Leilis, Hieronymus Aemilianus, Thomas van Villanova, Vincentius van Paula: een boekdeel zon niet voldoende zijn, om de liefdewerken van dezen laatste te beschrijven. — Wij zullen hier slechts een enkel voorbeeld uit het leven der üudvaders aanhalen, hetwelk wellicht minder bekend is , en ons tevens leert, dat men bij het verrichten van liefdewerken zich door de daarmede gepaard gaande moeielijkheden niet licht moet laten afschrikken. — Als de roem en het voorbeeld van deugd van den H. Oudvader Antonius de woestijnen van Egypte bevolkte, leefde te Alexandrië in stille afzondering een godvruchtig, zeer weldadig man, Eulogius genaamd. Deze vond op zekeren dag aan den openbaren weg een arm mensch, die door eene zware ziekte op de jammerlijkste wijze verminkt was. Van het gebruik zijner handen en voeten beroofd, lag daar de ongelukkige, alleen het gebruik der tong was hem overgebleven , om het medelijden der voorbijgaanden in te roepen. Eulogius nam hem op, droeg hem naar zijne kleine woning en verpleegde hem met vaderlijke liefde en bezorgdheid vijftien jaren lang. Na verloop van dien tijd gelukte het den boozen vijand, den verminkte dermate tegen zijn edehuoedigen weldoener op te stoken, dat hij zijne onophoudelijke liefdediensten voortdurend met verwijtingen en beschimpingen vergold. De ongelukkige zieke schold zijn liefdevollen verzorger voor een dief, een wreed mensch, beschuldigde hem, het beste voor zich te behouden; en als Eulogius zijn liefdeijver verdubbelde, hem alle mogelijke oplettendheid bewees, hem omhelsde en liefkoosde, noemde de ongelukkige hem een huichelaar en vleier,een onuitstaanbaar mensch. Om kort te gaan, wat Eulogius ook deed en zeide, om den zieke te bevredigen en te bedaren, dat alles strekte slechts, om hem nog meer aan te hitsen, en zijne kwade luim te vermeerderen. Eindelijk verklaarde hij met bitse woorden, dat hij voor zulk eene verpleging bedankte en dringend verlangde, dat hij hem weder op de straat zou leggen, van waar hij hem had medegenomen. De edelmoedige Eulogius wist zich in dezen pijnlijken toestand niet te redden noch te helpen ; van den eenen kant bedroefde hem de beklagenswaardige toestand van den verminkte; van den anderen kant vreesde hij, ten slotte het geduld te verliezen. Hij begaf zich daarom naar een nabijgelegen klooster van monniken, die onder de leiding stonden van den H. Antonius, om te vragen, wat hij in dit geval doen moest. Deze gaven hem den raad, zich met den zieke naar hunnen H. Oudvader te begeven en te vernemen, wat God hem door diens mond zoude zeggen. Eulogius volgde den raad der monniken, bracht den zieke in eene schuit, voer hem naar het klooster van Antonius en droeg hem van den oever naar de cel van den kluizenaar. Daar gekomen, verhaalde hij aan den man Gods de geheele toedracht dei-zaak, en verheelde hem niet, dat hij met de gedachte zwanger ging, den zieke weder uit zijne woning te brengen, vooral daar deze het zelt wenschte en hem daartoe bijna dwong. De dienaar van God ba-
CO
Is het ook plicht, de lichamelijke werken van barmhartigheid ie beoefenen ?
Het is een zoo strenge plicht, dat Christus de onbarm-hartigen (namelijk degenen, die middelen en gelegenheid hebbende om werken van barmhartigheid te beoefenen, het nalaten) tot het eeuwig vuur veroordeelt. Dat het niet slechts raadzaam, maar in \'t algemeen een strenge, onder bedreiging van eeuwige straf opgelegde plicht is, lichamelijke werken van barmhartigheid te verrichten of aalmoezen te geven, volgt:
1) Uit het algemeen gebod, den naaste te beminnen gelijk zich zeiven, hetwelk, als behoorende tot de voor-aaamste geboden, gewis streng verplicht. Of hoe zou hij zich vleien kunnen, den naaste te beminnen gelijk zich zeiven, die wreed genoeg is, den nauwelijks gedekten, van honger en dorst versmachtenden arme onbegiftigd, ja, met ruwe woorden en bitteren spot van den drempel zijner woning te wijzen? Zich zeiven veroorloven zulke menschen al wat hun hart begeert; zij kleeden zich, als eens de rijke brasser, in purper en zijde, genieten de uitgezochtste spijzen in overvloed en laven zich met de kostelijkste dranken ; den dorstige echter gunnen zij niets , zelfs niet den afval van hunnen overdadigen disch. Heet dat den naaste beminnen gelijk zich zeiven , hem goed willen gelijk zich zeiven ?
2) Uit de verplichting, welke den mensch is opgelegd, namelijk de tijdelijke goederen te gebruiken in afhankelijkheid van God, die ze gegeven heeft, en naar de plannen zijner goddelijke Voorzienigheid. Het is gewis Gods verlangen , dat de gegoede leden van zijn groot gezin den behoeftigen van hunnen overvloed mededeelen, dat zij hunne goederen noch lichtzinnig verkwisten, noch nutteloos op-hoopen, maar ze gebruiken, om zich zeiven door beoefening der naastenliefde schatten voor den hemel te verzamelen,
rispte hem over dit voornemen zeer streng, en nadat liij ook den zieke in heilige verontwaardiging had toegesproken, verliet hij hen met de woorden: //mijne broeders, gaat in vrede. Keert in liefde »naar uwe kleine woning terug, waar gij zoolang samen geleefd hebt: «God zal u spoedig tot zich nemen, üe lielsche geest heeft u met eene «zoo zware bekoring gekweld, omdat hij weet, dat uw einde nabij //is, en dat gij beiden, de een door den andere, van Christus de kroon »des eeuwigen levens zult ontvangen. Scheidt u nooit wan elkander; «want vond u Gods engel niet vereenigd, dan zoudt gij beiden van «uwe kroon beroofd worden.quot; Eulogius en de zieke keerden getroost en gerustgesteld naar huis terug, waar de eerste na twintig dagen, de laatste drie dagen later zalig in den Heer ontsliep (Roseweijde, Leven der Oudvaders. B. VII).
61
en hunnen evenmensch door verzachting van zijn lichame-lijken nood den pelgrimstocht naar het eeuwig leven te verlichten. Op die wijze moeten al\'e kinderen van dit wijd en zijd verspreide gezin door weldadigheid en dankbaarheid, door onderlinge liefde en dienstvaardigheid vereenigd blijven als kinderen van eenen vader, als onderdanen van éénen koning, als leden van één lichaam.
De barmhartigheid en milddadigheid moeten derhalve inderdaad beschouwd worden als een noodzakelijk vereischte voor de goede orde in de wereld, als eene afstraling der liefdevolle voorzienigheid Gods. Daarom zegt de H. Chry-sostomus (Hom. 33 aan het volk van Antiochië); „Neemt „de barmhartigheid weg en alles is verloren, alles gaat ten „gronde. Zelfs het menschelijk leven kan niet meer bestaan, „als gij de barmhartigheid en milddadigheid ter zijde stelt.quot; Waren de menschen barmhartig jegens hunne medebroeders, gelijk de Vader in den hemel barmhartig is jegens al zijne kinderen, hoe spoedig zouden dan de klachten en lasteringen tegen de goddelijke Voorzienigheid ophouden? In plaats van te morren over de ongelijke verdeeling der tijdelijke goederen, zouden de armen in de rijken hunnen steun en zorg, in zekeren zin hunne pleegvaders vereeren, en de rijke in den arme, het voorwerp zijner grootmoedige liefde, het door God hem toegevoegde pleegkind zien. — Wanneer de rijken, niet gedachtig aan den schoonen plicht, door de goddelijke Voorzienigheid zelve hun opgelegd, het toevertrouwde talent der tijdelijke goederen niet gebruiken, om, door beoefening van liefde en barmhartigheid, voor den hemel te woekeren, dan wacht hen het treurige lot van den trouweloozen knecht in het Evangelie, die, om het begraven van zijn talent, gebonden en in de uiterste duisternissen geworpen werd.
3) Niets echter bewijst zoo duidelijk, dat wij streng verplicht zijn, lichamelijke werken van barmhartigheid te beoefenen, als de verzekering van Jesus Christus, dat Hij de onbarmhartigen tot het eeuwig vuur zal veroordeelen. „Dan,quot; zoo spreekt de toekomstige Rechter der wereld van zich zeiven, „dan (op den dag des oordeels) zal Hij zeggen tot „degenen, die aan de linker zijde staan: gaat van Mij ver-„vloekten in het eeuwige vuur. Want Ik was hongerig, „en gij hebt Mij niet gespijsd; Ik had dorst, en gij hebt „ Mij niet te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling, „en gij hebt Mij niet geherbergd; Ik was naakt, en gij „hebt Mij niet gekleed; Ik was ziek en in de gevangenis, „en gij hebt Mij niet bezocht... voorwaar Ik zeg u: zoo „dikwijls gij het aan éénen mijner geringste broeders niet
62
„gedaan hebt, hebt gij het ook Mii niet gedaan. — En deze „zullen gaan in de eeuwige piinquot; (Matth. XXV, 41—46). De reden, welke Christus hij dit vonnis aanvoert, toont ons niet slechts zijne rechtvaardigheid, maar spoort ons tevens krachtig aan, de werken van barmhartigheid niet te verzuimen. „Wat gij eenen mijner geringste broeders „niet gedaan hebt,quot; zegt Hij, „dat hebt gij Mij niet ge-„daan.quot; De Heiland wil zeggen : Ik, uw Heer en Verlosser, heb u ontelbare bewijzen van liefde gegeven ; daarom zijt gij Mij dankbaarheid en wederkeerig liefdediensten schuldig. Daar Ik zelf echter, als zittende aan de rechterhand des Vaders, uwe hulp niet meer behoef, heb Ik mijn recht op raijne broeders overgedragen en u daardoor de vergelding mogelijk en tot plicht gemaakt. Gij zijt evenwel jegens mijne broeders, en bijgevolg ook jegens Mij uwe verplichting niet nagekomen; daarom „gaat van Mij in het eeuwige „vuur.quot; Kan er iets rechtvaardiger wezen, dan deze veroordeeling wegens den niet vervulden liefdeplicht ? En wat is van den anderen kant meer in staat, ons aan te sporen, niet traag te zijn in het verrichten van liefdewerken, dan de gedachte: de liefde, welke ik mijnen medebroeder onthoud, onthoud ik aan mijn Heiland, en omgekeerd, de liefde welke ik mijnen naaste bewijs, bewijs ik Christus zeiven ; want zoo spreekt Christus tot de rechtvaardigen, als Hij hen uitnoodigt, bezit te nemen van zijn rijk; „wat „gij éénen van deze mijne geringste broeders gedaan hebt, „dat hebt gij Mij gedaanquot; (Matth. XXV, 40). De spijs dus, de drank, de kleeding, de huisvesting, welke ik eenen arme geef, geef ik mijn Heiland zeiven; slaak ik de banden van den geringsten der evenmenschen, dan bevrijd ik Jesus, mijn bevrijder; verzacht ik de smarten van een zieke, dan vergeld ik Jesus de smarten, welk Hij voor mij heeft geleden ; bestel ik mijn gestorven medebroeder ter aarde, dan bewijs ik Jesus de laatste eer der begrafenis \'). Bedachten
\') Niet zelden behaagde het den goeden God, deze waarheid door wonderbare verschijningen te bevestigen. — De H. Martinus had, toen hij nog Katechumeen was, een half naakten arme de helft van zijn kleed ter dekking en tot bescherming tegen de winterkoude gegeven. Den volgenden nacht verscheen Jesus Christus hem met die helft van den mantel en sprak: «met dit kleed heeft Jlartinus mij gedekt.quot; — Nog wonderlijker is de gunst, welke aan den H. Joannes Kolumhini, na het verrichten van een heldhaftig liefdewerk, ten deel viel. Deze dienaar Gods, uit het zeer beroemde adellijke geslacht der Kolumbini gesproten, ging eens naar de Domkerk zijner hoofdstad Siena, om de H. Mis bij te wonen. Aan de kerkdeur vond hij een bedelaar, die geheel en al met afzichtelijke zweren bedekt was. Dadelijk nam Kolumbini den armen zieke op zijne schouders, droeg hem naar zijn
63
wij dit wel, dan zouden wij aangaande het geven van aalmoezen niet vragen: waartoe ben ik onder zware zonde verplicht? \') Veeleer zouden wij ons de uitspraak van den
liuis, legde hem in zijn eigen bed, en verzocht zijne vrouw hem zoolang te verzorgen, tot hij uit de kerk terugkwam. Blasia, zoo heette de godvruchtige echtgenoote, wilde, om aan het verlangen van haren man te voldoen , zich naar de kamer begeven, waar de melaatsche bedelaar gebracht was. Bij het openen der deu? stroomde haar een zeer aangename geur tegen, en eene heilige vrees greep haar dermate aan, dat zij het niet waagde, den drempel te betreden. Kort daarna keerde de echtgenoot terug, en beiden begaven zich nu naar het bed van den zieke; deze was echter verdwenen. Weinige dagen later verscheen Christus, de Heer, aan den H. Kolumbini, en openbaarde hem. dat Hij zelf die arme zieke geweest was, die door hem zoo liefdevol was opgenomen. Dit voorval spoorde den Heilige tot nog grootere liefde jegens de armen en zieken aan, en deed in hem het verlangen geboren worden naar altijd hoogere volmaaktheid. Hij ontdeed zich dientengevolge van al het tijdelijke, bewees den zieken alle mogelijke diensten en stichtte later een godsdienstig genootschap ter verpleging van arme zieken , hetwelk door Paus Urbanus V in het jaar lU6f bekrachtigd werd (Uit diens levensgeschiedenis).
De Heiligen waren gewoon in den persoon der armen Jesus Christus te zien, gelijk uit het volgende voorbeeld blijkt, — De H. Otto, Bisschop van Bamberg, onderscheidde zich door groote liefde en milddadigheid jegens de armen. Op zekeren dag in de vasten, op een tijd, dat de visch schaarsch was, gelukte het zijn kok, een visch op\'te sporen, en als hij dien goed toebereid opdroeg, zeide hij: »Zijne «Hoogwaardigheid mag wel met aandacht proeven, want de visch ,heeft veel geld gekost.quot; //En hoeveel,quot; vroeg de Heilige. «Twee «•guldenwas het antwoord. Toen zeide Otto: „Het zij verre van »mij , dat ik , ongelukkige , heden alleen zooveel geld vertere,quot; en den schotel met visch overreikende, zeide hij : //Breng deze kostbare spijs //aan mijn Christus, die mij dierbaarder moet zijn , dan mijn eigen //persoon , draag ze ergens heen, waar gij eenen zieke vindt. Want eik ben gezond en sterk en kan mij met brood verzadigen.quot; En de visch moest aan een armen zieke gebracht worden.
\') Hoevele aalmoezen iemand onder zware zonde verplicht is uit te deelen, hangt deels af van den nood der behoeftigen , deels van het vermogen van den uitdeeler. Het kan derhalve zeer moeielijk nauwkeurig bepaald worden, vooral daar in dit punt de gevoelens der geleerden zeer uit elkander loopen. Het volgende kan echter dienen, om ons eenigszins op de hoogte te brengen. — Men onderscheidt gewoonlijk een drievoudigen lichamelijken nood, den namelijk,
den grooten of drukkenden, en eindelijk den r/ewonen nood, waarin de armen zich over het algemeen bevinden. Bevindt zich nu iemand in den uitersten lichamelijken nood, dan is zijn evennaaste, wanneer hij zelf zich niet in dienzelfden nood bevindt, grootelijks verplicht, niet alleen van zijnen overvloed, maar ook van het eenvondiq nooi-zakelijke tot eene huishouding overeenkomstig zijnen stand mede te deelen. — Ook wanneer de nood van den arme alleen een groote of drukkende kan genoemd worden, is de evenmensch, die niet met een dergelijken of een nog dringender nood te kampen heeft, gehouden, hem ook van die goederen te geven, welke eenigszins noodzakelijk zijn tot eene levenswijze overeenkomstig zijnen stand, dat is: in zijn huishouden , inzoover het zonder wezenlijk nadeel voor zijnen stand geschieden kan, zuiniger te leven en het daardoor gespaarde tot leniging van den drukkenden nood van den arme te gebruiken. — Is eindelijk
64
vromen Tobias tot regel maken : „Wees barmhartig naar „vermogen: hebt gij veel, geef rijkelijk; hebt gij weinig, „tracht ook dat weinige gaarne te gevenquot; (Tob. IV, 8, 9). — Wij zouden ons gelukkig achten, aldus gelegenheid te vinden, onze dankbaarheid te betoonen aan den goddelijken Verlosser, die geen aardschen prijs, maar zijn eigen kostbaar bloed voor ons heil opgeofferd heeft. Ja daarom zouden wij ons gelukkig, overgelukkig achten, al hadden wij geene belooning voor onze milddadigheid te verwachten; maar hoeveel te meer dan nu, daar aan hem, die aalmoezen uitdeelt, zulke rijke goederen beloofd zijn l).
de iiood een gewone, gelijk die allen armen gemeen is, dan is de gegoede verplicht, van zijn overvloed, d. i. van hetgeen hem na bestrijding der uitgaven , welke eene huishouding overeenkomstig zijnen stand vordert, nog overblijft, den armen aalmoezen uit te deelen.— Moge het in enkele gevallen bijna onmogelijk zijn te bepalen, hoe groot de overvloed zij, en welk gedeelte daarvan men streng gehouden is aan de armen te geven; toch zou het zeker onrecht en zelfbedrog zijn, als iemand zich van de verplichting om aalmoezen te geveu ontslagen waande, omdat hij uit hoogmoed en zucht naar vermaken zich zeiven overtuigt, dat de geheele overvloed hem noodzakelijk is, om zijnen staat te verbeteren of tot een hoogeren te komen, of ook om zich overeenkomstig zijnen staat te vermaken en levensgenot te verschaffen De liefde weet maat te houden, en wie door öod met tijdelijke goederen gezegend is en maat houdt, hij zal licht iets over hébben, om het aan de behoeftigen uit te reiken.
!) Veroorlooft onze toestand het niet, rijkelijk aalmoezen te geven, toch zal het ons niet aan gelegenheid ontbreken, den armen sommige liefdediensten te bewijzen, op eene of andere wijze hunnen nood te lenigen. Somtijds zullen wij hun de behulpzame hand kunnen bieden, door zelve of bij anderen hun werk te verschaffen, somtijds door hen aan de milddadigheid van anderen aan te bevelen, voor hen een goed woord te doen, en het medelijden en de liefdadigheid van edele men-schen op te wekken. — Niet slechts door geld en andere milde giften trachtte de H. Elisabeth, markgravin van Thuringen, hare liefde tot de armen te toonen, maar ook door persoonlijke opoffering, welke in de oogen van God en van de armen de kostbaarste aalmoes is. Geen afstand noch moeielijkheid hield haar terug van het bezoeken der armen en zieken, om zich met hunne ellende bekend te maken. Op zekeren dag trad zij de hut van een armen zieke binnen, die geheel alleen was en haar schreiende om melk vroeg, wijl hij zelf zijne koe niet kon melken. Terstond ging de ootmoedige vorstin naar den stal, om met eigen hand de koe te melken. — Elisabeth beijverde zich, zoo dikwijls mogelijk de stervenden bij te staan en hen door godvruchtige toespraken te helpen in den doodstrijd. Stierf een van hare armen, dan waakte zij dikwijls zelve bij het lijk en was bij de begrafenis tegenwoordig. Met verwondering zag men deze machtige vorstin ootmoedig en godvruchtig het lijk van den geringsten barer onderdanen volgen (Uit de levensbeschrijv. der Heilige door den graaf de Montalembert). — Te Saint-Servan in Frankrijk vereenigden zich in het jaar l!S41 twee godvruchtige dienstmaagden , en huurden eene kleine woning, om van hare gespaarde penningen gemeenschappelijk te leven. Zij gebruikten zelve zeer weinig en konden na korten tijd een ziekelijkcn persoon tot zich nemen en voeding geven. Weldra riepen nog anderen hare hulp in ; zij namen ook dezen op. Toen echter
65
Welke goederen zijn aan degenen , die aalmoezen uit-deeien, beloofd ?
Tiidelijke zegen en voornameliik geestelijke genaden, om vergiffenis der zonden en het eeuwige leven te verkregen.
Wie eene aalmoes uitdeelt verwerft van God; — tijdelijke en vooral geestelijke goederen.
Vele plaatsen der H Schriftuur stellen deze waarheid buiten allen twijfel. Zoo lezen wij in het boek der Spreuken (XXII, 9): „wie geneigd is tot barmhartigheid wordt ge-„zegend, want van zijn brood geeft hij den arme;quot; en (XXVIII, 27): „wie den arme geeft, hem zal niets ontbreken; doch die van een bedelaar wegvlucht, zal gebrek „lijden.quot; Eveneens in Ps. XL, 1: „Zalig hi], die den arme „en behoeftige indachtig is; op den kwaden dag zal de „Heer hem redden.quot; Ofschoon nu deze beloften vooral betrekking hebben op bet Oude Verbond, waaraan ook tijdelijk loon beloofd was; zoo zien wij toch zelfs heden nog dikwijls gebeuren, wat de H. Geest op eene andere plaats van het Eoek der Spreuken zegt: „eenigen deelen „het hunne uit, en worden rijker, anderen rooven, wat hun „niet toebehoort, en zijn toch altijd arm.quot; Ook de H. Paulus, de Corinthiërs tot het uitdeelen van aalmoezen opwekkende, maakt niet slechts gewag van geestelijke, maar tevens van tijdelijke zegeningen; „die rijkelijk zaait, (rijkelijk aalmoezen geelt) „zal ook rijkelijk oogsten. .. . Hij , die zaad aan den „zaaier geeft, geelt ook brood tot spijs, en Hij zal uw zaad „vermenigvuldigen, en den wasdom der vruchten uwer ge-„rechligheid vermeerderen, zoodat gij rijk zijt in alles en „overvloed hebtquot; (2. Cor. IX, 6 enz.j. — Christus heeft bij voorkeur den geestelijken zegen, de geestelijke goederen, op het oog, waar Hij zegt; „geelt en u zal gegeven worden, „eene goede, gestampte, geschudde en opgehoopte maat „zullen zij in uwen schoot storten; want met dezelfde maat,
hare Imlpmidrlelen niet meer toereikend waren, gingen zij aalmoezen vragen, trokken met een kort\'aan den arm de stad rond, bedelden in de keukens der rijken om de overgebleven spijzen, en voedden daarmede degenen, die aan hare verzorging waren aanbevolen. Weldra sloten zich andere milddadige viouwen bij die liefdevereeniging aan; men betrok eene ruimere woning, en zoo ontstond een bepaald ziekenhuis, zonder dat er een penning tot slieliting voorhanden was. Deze vereeniging werd later door de Kerk goedgekeurd; zij kregen den naam van ; »de kleine Zusters,quot; en in korten tijd vermeerderde haar getal zoodanig, dat zij tegenwoordig niet slechts in Parijs en de grootere steden van Frankrijk, maar zelfs in Engeland en üelgië ziekenhuizen hebben opgericht, zonder liet minste vermogen te bezitten.
DEHAEBE, GELOOFSLEER. III. DRUK. 5
66
„waarmede gij meet, zal u teruggemeten wordenquot; (Luc. VI, 38).
De geesteliike goederen, welke de aalmoes ons verwerft, zijn de vergiffenis der zonden en het eeuwige leven.
Deze waarheid bliikt uit het voorbeeld van Zacheüs. den tollenaar, en van den romeinschen hoofdman Cornelius. Zoodra de eerste het besluit gevormd en zijn woord gegeven had , om de helft van zijn vermogen den armen uit te dealen, gewerd hem de troost, van Jesus deze woorden te vernemen : „heden is aan dit huis heil wedervaren, wijl ook hij (door de genade geheiligd) „een zoon van Abraham is\'\' (Luc. XIX, 9).
Den hoofdman Cornelius werd de weg ten eeuwigen leven bekend gemaakt, wijl zijn gebed en zijne aalmoezen tot voor den troon van God waren opgestegen (Hand. X, 4). Bizonder duidelijk blijkt deze waarheid uit de woorden van den Aartsengel Raphaël aan den ouden en den jongen Tobias: „het gebed met vasten en aalmoezen is beter, dan schatten „van goud op te hoopen; want de aalmoes redt van den ,,dood, zi] zuivert van zonden, en maakt dat men barmhartigheid en het eeuwig leven vindtquot; (Tob. XII, 8, 9). Niet minder beteekenend is ook de raad, welken de Profeet Daniël aan koning Nabuchodonosor gaf. „Maak u los,quot; zeide hij hem, „van uwe zonden door aalmoezen, en van „uwe misdaden door barmhartigheid jegens de armen, dan „zal God u wellicht uwe zouden vergeven !quot; (Dan. IV, 24).— De aa\'lmoes behoedt voor zonde en verdrijft de zonde, vermits degene, die haar uitdeelt, doordat hij tijdelijke goederen den arme mededeelt, zijn hart van de ongeregelde liefde tot die goederen bevrijdt, en aldus volgens de bemerking van den H. Chryspstomus (Hom. 36 aan het volk van An-tiochië), ..den wortel aller zonden afsnijdt.quot; De aalmoes zuivert van de zonde, dewijl God vooral met het oog op die aalmoes dikwijls de genade van een waar berouw en boetvaardigheid verleen!; en de tijdelijke straffen der zonden kwijtscheldt. De aalmoes draagt eindelijk ook daardoor bij tot vergiffenis der zonden, dat zij de armen, die op bizondere wijze lievelingen Gods zijn, tot onze middelaars en voorsprekers bij God maakt. Daarom vermaant Christus ons (Luc. XVI, 9): „maakt u vrienden door de onrechtvaardige (tot onrechtvaardigheid verleidende) rijkdommen, „opdat, wanneer gij tekortschiet, zij u in de eeuwige woningen ontvangen,quot; dat is, opdat de armen, wier behoeften gij weggenomen hebt, door hun gebed voor u vergiffenis der zonden en het eeuwig leven verkrijgen mogen. — Dat het bezit van het rijk der hemelen het loon van vrome
67
liefdewerken of van de aalmoes is, blijkt ook uit de uitspraak van den eeuwigen Rechter: „komt, gezegenden tniins „Vaders, bezit het riik, hetwelk van de grondlegging der „wereld voor u bereid is, want Ik heb honger gehad, en gij „hebt Mii te eten gegeven,quot; enz. (Matth. XXV, 40) Derhalve noodigt Christus ons tot liefdewerken uit met de woorden: „geeft aalmoezen; maakt u zakken, die niet verslijten, een „schat in den hemel, die niet afneemtquot; (Luc. XII, 33). Met het oog op deze leer van den Heiland spreekt de H. Leo (9lt;,\'! leerrede) zeer beteekenisvol; „het brood, waarmede „gij den hongerige spijst, is de prijs, waarvoor de hemel „veil is. Gij geeft het tijdelijke en erft daarvoor het eeuwige.quot;
Welke zijn de geestelijke werken van barmhartigheid ?
De geestelijke werken van barmhartigheid zijn deze zeven; 1) de zondaars terechtwijzen, 2) de onwetenden leeren, 3) den twffelachtigen goeden raad geven, 4) de bedroefden vertroosten, 5) het onrecht geduldig lijden, 6) dengenen, die ons beleedigen, gaarne vergeven, 7) God bidden voor de levenden en de dooden. \')
Ofschoon er nog andere geestelijke werken van barmhartigheid zijn, worden toch door de Godgeleerden bij voorkeur deze zeven opgegeven. De reden hiervan is:
1) Omdat juist deze door de H. Schrift in het bizonder en herhaaldelijk ons worden aanbevolen en tot plicht gesteld. Zoo spreekt Jesus Christus: //Heeft uw broeder hetzij door beleediging hetzij door „ergernis tegen u gezondigd , verwijt liet hem dan (dat is, wijs hem terecht) „tusschen hem en u alleenquot;, enz. En de H. Paulus schrijft aan de geloovigen van Thessalonika (le br, V: 14): „ Wij bidden \'u, //broeders, wiist de onrustigen terecht, troost de klcinmoeiliijen, staat «de zwakken bij, hebt geduld met allen. Ziet toe, dat niet de een „den ander kwaad met kwaad vergelde.quot; Even zoo vermaant hij (Gal. VI, 1, 2): „broeders, als iemand in eene of andere zonde mocht genvallen zijn, onderwijst dan zoo iemand....quot; „Verchaaqt quot; schrijft hij aan de Colossensen (Hl , 18) , „verdraagt en vergeeft elkander, als //iemand eene klacht heeft xegen een ander;quot; en de H. Apostel .Tacobus (V, 15) noodigt de geloovigen uit, voor elkander te hidden. Verder lezen wij in de H. Schrift: //laat de weenenden niet zonder troost, en „treur met de treurendenquot; (Sirach VII, 38). //Begrijpt gij de zaak.
■\') De geestelijke werken van barmhartigheid worden niet door alle Godgeleerden in dezelfde volgorde opgenomen. Canisius geeft als het vierde werk van geestelijke barmhartigheid „het gebedquot; aan ; Bellar-minus daarentegen met den H. Thomas (2 2. q. 32. a. 2) /de terecht-,/wijzing der dwalenden.quot; Daarom zou het vruchtelooze moeite zijn , de ware reden dezer volgorde te willen nasporen en aan de kinderen te bewijzen. Veel nuttiger zal het voor hen zijn, wanneer men door het treffende voorbeeld van den godvreezenden Tobias bewijst, hoe met de lichamelijke werken van.barmhartigheid de geestelijke te vereenigen zijn (Zie Tob. 1. 2).
5*
68
//geef uwen naaste dan bescheid (goeden raad)quot; (Siracli V , 14). yHet vis pene heilige en heilzame gedachte voor de afgestorvenen te biddenquot; (2. Mach. Xll, 4fi).
2) Omdat de opgenoemde geestelijke werken van barmhartigheid, (waartoe alle andere gemakkelijk kannen teruggebracht worden) bizonder geschikt zijn, om het geluk, het zielenheil des naasten te bevorderen , daarentegen het geestelijk nndeel en het eeuwig verderf van liem af te wenden. Gelijk velen tot zoude worden verleid en er in volharden, wijl anderen hnn gebieden te zondigen, hunne zoude prijzen, hun slechte lessen en boozen raad inededeelen, zoo zal eene broederlijke terechtwijzing, eene gepaste onderrichting en wijze raad den mensch van de zonde bewaren, of, indien hij gezondigd heelt, op den weg des heils terugbrengen. \') Eveneens vermag ook een deel-
i) Hoovele zondaars zouden wij van den dwaalweg terugbrengen, ala wij hen met evenveel liefde en brandenden ijver opzochten , en door leer, raad en vermaningen trachtten te verbeteren, als de H. Evangelist Joannes den jongeling, dien hij in eene der aziatische christen-gemeenten aan de bizondere bescherming en verzorging van den Bisschop had toevertrouwd. Deze tevoren zoo hoopvolle jongeling ■was door den omgang met lichtzinnige makkers laugzaraerhand geheel verflauwd en ten slotie onder eene rooverbende geraakt, welke hem als den vlugsten en stoutmoedigsien van allen tot hoofd verkoos. Als nu Joannes van Fatmos van het oord zijner ballingschap, teruggekeerd, die gemeente weder bezocht, zeide hij tot den Bisschop: /Welaan, geef mij nu terug, wat ik en Christus u toevertrouwden!quot; Deze meende, dat de Apostel bij vergissing iets van hem verlangde, wat nonit in zijn bezit geweest was, en betuigde, dat hij niets wist van een hem toevertrouwd goed //Ik vorder den jongeling terug,quot; hernam de Apostel, //de ziel van den broeder!quot; De Bisschop, een grijsaard, znchtte zwaar en zeide onder een vloed van tranen: , Hij //is gestorven.quot; — //Hoe zoo? welken dood?quot; — «Hij is voor God ge-„storven , een deugniet geworden , een booswicht, een roover! Thans //heeft hij het gebergte bezet met eene bende, welke hein gelijk is.quot; Als Joannes dit hooide, scheurde hij zijne kleederen sloeg zich voor het voorhoofd met de woorden: ,Een wakkeren herder gaf ik de ziel „van een broeder over!quot; —- //Ken paard en een wegwijzer!quot; riep hij uit Ijlings steeg nu de heilige grijsaard te paaid en snelde naar het gebergle, waar hij terstond door op wacht staande roovers werd aan-gegreren. „Dat wenschte ik juist quot; zeide hij, „breng mij bij uw vopperhootd quot; Zij brachien hem naar hun hoofd , die rustig den gevangene, als hij hem zag komen, afwachtte. Toen hij echter den Evangelist erkende, werd hij diep bescliaamd ; hij liep weg. — Zijne hooge jaren niet gedachtig, liep de heilige grijsaard hem na en riep: „Zi\'On waarom vlucht gij voor uwen vader, den weerlooze, „den grijsaard. Ontferm u mijner o zoon! Vrees niet! De hoop des «levens is u nog over! Ik wil aan Christus rekenschap voor u geven! „Volsraarne zal ik, mocht het noodig zijn, den dood voor n onder-„gaan , gelijk de Heer voor ons den dood geleden heeft! Mocht ik mijne «ziel voor de uwe geven! Sta; geloof mij, Christus zendt mij tot u!quot; De jonge mensch stond stil, niet neergeslagen oogen. Vervolgens wierp hij de wapenen weg, eene siddering beving hem, hij weende bitter. — Als Joannes den alged waalde bereikt had , viel deze snikkende en om vergeving smeekende hem om den hals, maar verborg zijne tot moord en roof zoo dikwijls misbruikte rechterhand. 1\'e Apostel betuigde dat hij voor hem vergeving van den Zaligmaker verworven had wierp zich voor de voeten van den jongeling, kuste zijne rechterhand , nam hem met zich mede naar de kerk. Hij liet ook niet na, veel en vurig voor hem te bidden, vastte dikwijls met hem, wendde alle heilige werken van liefde aan en verliet hem niet, voordat hij
69
uemend woord van troos; zeer veel, om de zwakken en bedroefden voor die zonden te bewaren, waarin kleinmoedigheid en moedeloosheid of overmatige droefheid hen zouden neerstorten. En hoe dikwijls worden niet tweedracht, gramschap, toorn, haat en vijandschap gestild, doordat men onrecht geduldig lijdt, dat is, de toegevoegde beleedigingen en krenkingen met zachtmoedigheid en gelatenheid aanneemt, en in \'talgemeen de zwakheden, gebreken en fouten van den naaste met toegevendheid en zachtheid verdraagt; verder doordat raer; aan degenen, die ons beleedigd hebben, gaarne vergeeft, namelijk den weg tot eene bestendige verzoening gemakkelijk maakt, gelijk dit boven reeds verklaard is? \') Dat ook het gebéd tot heil onzer medebroeders veel bij God vermag, getuigt de H. Jacobus (V, 16) met de woorden; „bidt voor elkander, opdat gij het heil ontvanst; want „het volhardend gebed van den rechtvaardige vermag veel bij God.quot; Ue kiacht des gebeds openbaart zich overigens in de levensgeschiedenis van tallooze Heiligen. Zoo stilde .Wozes door zijn gebed herhaalde malen den toorn des Allerhoogsten en hield de verdelging van het strafwaardige volk Israels tegen. -)
hem, als een groot voorbeeld van ware boetvaardigheid, aan de Kerk wedergegeven, als een zegeteeken der genade hem opuericht had (Stolberg , Gesch. D Vil). De H. Chysostomus (ad Theodor. lapsum) verhaalt dit voorbeeld als een bekend feit.
\') Ontelbare voorbeelden bewijzen, dat door zachtmoedigheid, Gelatenheid en vergevensgezindheid niet alleen groot kwand vermeden , maar ook menig goed, somtijds zells de bekeering tot het ware geloof bewerkt wordt. Het volgende voorval strekke ten bewijze. — Pater Fernandez, een der medearbeiders van den H. Franciscus Xaverius in de missie van Japan, gaf op zekeren dag op eene der volkrijkste plaatsen van Amanguchi christelijk onderricht, toen eensklaps een man uit het volk hem naderde, als wilde hij iets vragen, en hem in het aangezicht spuwde. De Missionaris nam, zondereen woord te spreken , en zonder het minste teeken van verontwaardiging en on-stekenis te geven, zijn zakdoek, veegde bedaard het gelaat af en ging voort met prediken. Alle toehoorders waren verbaasd over deze opvallende kalmte en oordeelden zeer juist, dat een godsdienst, waardoor de mensch zoo geduldig en zoo ver boven alle gevoel van wraak verheven wordt, slechts van den hemel konde komen. Een der uit-stekendste geleerden der stad beleed terstond na de prediking openlijk
het geloof aan Jcsus Christus, en veie anderen volgden zijn voorbeeld._
Ook in de eerste eeuwen van het Christendom gebeurde het dikwijls, dat de Heidenen , die getuigen waren van de zachtmoedigheid en \'het geduld, waarmede de belijders van den godsdienst van Jesus Christus de grootste onrechtvaardigheden en mishandelingen verduurden, de goddelijkheid van het christelijk geloof erkenden, en zich gedrongen gevoelden, met gevaar van hun leven, het aan te nemen en te belijden.
2) In het jaar 1370 lag te Siena een ridder, Andreas di Nardino
fenaamd, die een zeer onstichtend leven geleid had . ernstig ziek. ijn pastoor bezocht hem meermalen en spaarde noch drin\'/ende\'beden, noch ernstige en liefdevolle vermunineen , om hem tot de Bleclit over te halen. De zieke bleef echter verstokt en dreef den spot met zijn zielzorger In dezen nood snelde men naar de Henaamd, die een zeer onstichtend leven geleid had . ernstig ziek. ijn pastoor bezocht hem meermalen en spaarde noch drin\'/ende\'beden, noch ernstige en liefdevolle vermunineen , om hem tot de Bleclit over te halen. De zieke bleef echter verstokt en dreef den spot met zijn zielzorger In dezen nood snelde men naar de H Catharina van Si\'na en verzocht haar, de onboetvaardige ziel bij God aan te bevelen. De Heilige begon \'s a vonds ten elt uur te bidden. Uit de diepte van haar hart smeekte zij (jod, dat Hij toch dien ongelukkige niet zou laten veiloren gaan. De Heer antwoordde haar; „zijne misdaden zijn tot „in den hemel doorgedrongen, omdat htj niet alleen Mij en mijne „Heiligen gelasterd, maar eene schilderij in het vuur geworpen heeft, -/welke Mij, omgeven van mijne glorievolle Moeder en de Heiligen, „voorstelde. Is het niet billijk, dat hij nu zelf in het vuur geworpen
70
Is men ook verplicht, geestelijke werken van barmhartigheid te verrichten ?
Men is dit verplicht, inzooverre men daartoe in staat is en gelegenheid heeft; want het geesteliik welzijn des naasten moet ons nog veel meer ter harte gaan dan het lichamelijke. Gelijk de liefde ons verplicht, den naaste m hoogen lichame-lijken nood bij te staan, zoo verplicht zij ons ook, hem te hulp te komen, als hij in hoogea geestelijken nood verkeert, namelijk in gevaar van eeuwig verloren te gaan; want deze toestand is onvergelijkelijk erger dan de toestand van ontbering, gevangenschap of ziekte. En inderdaad, hoe zouden wij in ernst kunnen beweren, onzen naaste naar het voorschrift van (Jlirisius waarlijk te beminnen, als wij onverschillig zijn voor zyn eeuwig verderf, als wij
,/WOi\'cle?quot; Catharina wierp zich ootmoedig neder en zeide: //geliefde //Verlosser! ziet (Jij op onze misdaden, wie kan dan de eeuwige ver-„doemenis ontgaan? Gedenk toet), flat Gij in den schoot der Alaagd „zijt nedergedaald en den schandelijken dood des kruises geleden „hebt, niet om onze zonden te straffen, maar om ze ons te vergeven. vWaarom stelt Gij mij de misdaden van dezen zondaar voor, dien Gij «op de schonders gedragen hebt? Ik ben niet gekomen, om met //iiwe rechtvaardigheid te strijden, maar om uwe oneindige barmhartig-//heid al\' te smeeken. Jk heb op deze wereld geen anderen troost „dan deze , de zondaars tot U te zien terugkeeren; hun geluk is mijne //eer en mijne kroon; wanneer Gij mij deze vreugde ontneemt, wat ,/zal ik nog op de wereld doen? AllerbarmhartigsteHeiland,verwerp //mij niet van uw aanschijn! geef mij mijnen broeder terug, zijnver-//Stokt hart is in uwe handen.quot; Zij bad eu weende deü geheelen nacht. Met het krieken van den dag sprak de Verlosser tot haar: „beminde /dochter! Ik heb uwe gebeden en uwe tranen aangenomen, en Ik wil //dezen zondaar bekeeren.quot; — üp hetzelfde oogenblik vernam de zieke de woorden: „waarom wilt gij niet biechten ? üiecht, en Ik vergeef u!quot; üardino riep uit: „Ik zie Jesus Christus, mijnen Verlosser, Hij gebiedt „mij ,te biechten; laat den Priester komen.quot; De bekeerde biechtte met een oprecht berouw, maakte zijn uitersten wil, nam afscheid van zijne lamilie en stierf gelaten (Levensgesch. der heilige Cath. van Siena, door Eh. de Malan).
De H. Uthüia, de dochter van een machtig Hertog in den Elzas, was dadelijk na de geboorte door haren vader verstooten, en had ook later van zijne gestrengheid zeer veel te lijden. Kort voor zijn dood zag hij echter zijne onrechtvaardigheid in, en beijverde zich, het onrecht te herstellen. I\\a zijn afsteiven bad üthilia, toen Abdis van een adellijk klooster, met hare nonnen ijverig voor de zielerast van haren afgestorven vader. Indien strengheid met strengheid vergolden wordt, dacht zij, dan zal mijn vader in het vagevuur wel groote pijnen verduren. Zij bad en bad andermaal, en weende veel, dat hem de eeuwige vrede mocht ten deel worden. Het gebed en de tranen van zijne godvruchtige dienares waren Gode aangenaam en verwierven verhooring. Het werd haar in eene verschijning geopenbaard , dat haar vader uit de smarten van het vagevuur bevrijd was (Volgens Herbst).
71
ons geene moeite willen geven om zijne onsterfelijke ziel te redden, als wij ons meer tekommeren, om het verlies van een of ander tiidelyk goed , dan om het verlies van het hoogste goed, de eeuwige zaligheid van onzen medebroeder \'i Met recht geldt ons dan het verwijt van den H. Bernardus 1) , die vol heilige verontwaardiging uitroept; „\'tis zonderling ! er valt een lastdier, en men ijlt toe , om rlt;het op te beuren; eene ziel gaat ten gronde, en niemand „vraagt er naar.quot; Zou zulk eene onverschilligheid voor de eeuwige zaligheid van onzen evenmensch niet eene groote liefdeloosheid zijn jegens God zeiven, wiens kind en evenbeeld de naaste is? Zou het geene misdadige geriEgschatting zijn van het bloed van Jesus Christus, dat gestort is voor diezelfde ziel, tot welker redding wij de hand niet willen reiken? Geheel anders dachten en handelden de Heiligen, wier hart van liefde tot God en tot den naaste gloeide \'*■).
!) De Considerat. ). 4. c. 6.
-) Serapion, de Sidoniër, verliet zijne geliefde kluis, verkocht zicli meermalen als slaaf, en bracht zoo drie-en-dertig jaren in de hardste slavernij door, om de zielen van anderen uit de slavernij van satan to verlossen en van den eeuwigen ondergang te redden (Zie Palladius bij Kosweijde of Gr. Hahn-Hahn, Vaders der woestijn).
De H. Catharina van Sienu wenschte in eene uitstorting van ziele-ijver en naastenliefde , door God voor den ingang van den afgrond geplaatst te worden, om voor de verworpen zielen den ingang der hel te versperren. //Aangenaam zou het mij zijn,quot; zeide zij, //op die jr wijze mijne broeders te redden, wanneer ik slechts mot Ü, mijn God! (/door de banden der liefde vereenigd blijf.quot; Al zijn wij niet geroepen, noch bekwaam, om ons aan de onderwijzing van onwetenden en de bekeering der zondaars te wijden, zoo kunnen wij toch veel daartoe bijdragen, wanneer wij hen, die daartoe geroepen en verplicht zijn, door onze gebeden en door opoffering van onze goede werken ondersteunen ; wanneer wij naar vermogen en krachten medewerken ter uitbreiding en bevordering van inrichtingen, welke zich de beoefening van genoemde werken van barmhartigheid ten doel hebben gesteld , zooals de gestichten der schoolbroeders, der zusters van den goeden Herder en anderen -, \\\\anneer wij de vereenigingen tot verbreiding van het geloof in het binnen- en buitenland, insgelijks het genootschap van de kindsheid van Jesus en anderen steunen, en de verplichtingen van ijverige deelgenooten getrouw volbrengen. Gok diagen wij tot leering en bekeering onzer medemenschen zeer veel bij, wanneer wij goede boeken verspreiden, ol\' deel nemen aan vereenigingen, welke dit doel hebben; vooral echter door werkzame deelname en ondersteuning van de Vincentius-vereeniging, welke het zich tot een bizonderen plicht gesteld heeft, de werken der geestelijke barmhartigheid met de lichamelijke te vereenigen, daar hare leden in den geest der H. Kerk, bij wering van lichamelijken nood, de geestelijke behoeften der armen en zieken door onderwijzing, raad en daad trachten te verhelpen. In het algemeen zal liet nooit iemand aan gelegenheid ontbrenen, op eene of andere wijze werken van barmhartigheid te beoefenen ; mocht het slechts nooit aan liefde en medelijden des harten ontbreken!
72
Het is dus voor allen, die de noodige kennis bezitten, plicht der liefde, bij gegeven gelegenheid geestelijke werken van barmhartigheid te beoefenen. Niets is God aangenamer dan de vervulling van dezen plicht. „Want,quot; zegt de H. Kerkleeraar Chrysostomus, „niets is God zoo aangenaam, „als het heil der zielen en de H. Dionysius schrijft: „onder al het goddelijke is het goddelijkste de medewerking ..tot het heil der zielen.\'\' — Gelukzalig zijn dus degenen te prijzen, die den naaste in zijn geestelijken nood te hulp komen; een heerlijk loon zal eenmaal hun deel zijn. Immers als eenieder op belooning mag rekenen, die den dorstige een dronk water geeft, hoe zou hij dan onbeloond blijven, die de ziel zijns broeders geleidt tot de bron van eindeiooze zaligheid? Duidelijk leert de H.. Schrift: „die den zondaar „van zijn dwaalweg terugvoert, hij wete, dat hij zijne ziel „van den dood redt en de menigte der zonden (van den verdwaalde en van zich zei ven) „bedektquot; Jacob. V, 20); en „zij, die velen onderwijzen in de gerechtigheid, zullen „blinken als sterren in de eeuwigheidquot; (üan. XII, 3). — Maar even groot als het loon is voor de beoefening der geestelijke werken van barmhartigheid, zal ook de straf zijn voor het verzuim dier lieldevverken. Immers als het nalaten der lichamelijke werken van barmhartigheid de eeuwige verdoemenis na zich sleept; dan mag hij, die de geestelijke werken niet beoefent, zeker geen beter lot verwachten, daar het geestelijk welzijn des naasten, hetwelk deze verwaarloost, verheven is boven het lichamelijk welzijn, hetwelk gene veronachtzaamt.
De plicht, om geestelijke werken van barmhartigheid te verrichten, is strenger en meer omvattend voor de overheden, die niet slechts uit liefde, maar ook uit rechtvaardigheid, dat is, krachtens hun ambt, verplicht zijn, de onderdanen terecht te wijzen, hen in de waarheden des heiJs te onderrichten of te laten onderwijzen, door raad en opwekking ten goede voor te gaan en van den weg des verderfs af te houden (Hierover zal later bij de plichten van staat breedvoeriger gehandeld worden). Tot de terechtwijzing uit liefde of de broederlijke terechtwijzing in het bizonder zijn wij gehouden , in geval de overheden deze verzuimen , en het noodig is , dat wij er ons mede inlaten, om den naaste van het kwaad af te houden of op den goeden weg terug te voeren Is echter het misdrijf, dat eene terechtwijzing verdient, slechts twijfelachtig, dan zijn wij geenszins verplicht daarover een onderzoek in te stellen, wijl wij anders, gelijk de H. \'1 homas aanmerkt, veroordeeld zouden zijn, spionnen te worden van de levenswijze van anderen. In zulke omstandigheden is men in den regel niet gehouden, de broederlijke terechtwijzing te geven, en ook dan niet, als er groote schade voor den terechtwijzende met grond te vreezen, of geen goede uitslag te hopen is Ja, zou men reden hebben om te gelooven, dat de terechtwijzing slechts verbittering zal verwekken, of bevindt men zich niet in de behoorlijke gemoedsstemming, om met de vereischte liefde, wijsheid en zachtheid te kunnen vermanen
73
en waarschuwen, dan zou men de terechtwijzing moeten achterlaten of uitstellen. Want «wie kan de onstuimigheid van een vergramde «verdragen?quot;\' (Spr. XXVII, 4). Terecht vermaant de Apostel, dat men den zondaar «in den geest van zachtmoedigheid moet onderwerpenquot; (Gal. VI, 1) •).
TOEPASSING.
Een der schoonste sieraden van de jeugd is milddadigheid jegens armen en noodlijdenden, liefde en verdraagzaamheid jegens allen; onmeêdoopendheid daarentegen, een boosaardige, liefdelooze en twistgierige inborst meestal de voorbode van een ruw, ongelukkig en rampzalig leven. Hoe gelukkig zou het zijn, als men bij ieder kind den edelen aanleg tot medelijden en ontferming jegens de behoeftigen wist op te wekken, en de ouders, daarover verheugd, dien op verstandige en voorzichtige wijze zochten te ontwikkelen; als zij hunne kinderen tot getuigen hunner liefdevolle gezindheid jegens de armen en vroegtijdig tot uitdeelers van hunne aalmoezen en andere liefdewerken maakten ! Dan zou men van ieder hunner kunnen zeggen, wat de godvruchtiee Job van zich zeiven zegt; „van mijne kindsheid af groeide het „medelijden met mij opquot; (Job XXXI, 18). — Zoo handelden de vrome ouders van den H. Thomas van Villanova. Algemeen bekend om hunne milddadigheid jegens de armen, zagen zij het gaarne, dat hun kind niet moede werd, bij hen de voorspreker van alle behoeftigen te wezen: vol vreugde verhoorden zij zijne beden, en veroorloofden hem, zelf den armen hunne aalmoes te geven. Zoo nam zijne neiging tot milddadigheid bij den dag toe. Nauwelijks zeven jaren oud bewaarde hij het brood, dat hij voor de school ontving, om het een hongerigen arme te geven. Rekenende op de goedheid zijner ouders en meer de begeerte van zijn milddadig hart dan wijs inzicht volgende, trok hij herhaalde malen zijn eigen kleed uit, om daarmede een behoeltig kind te dekken. — Ook de H, Bernardinus van Siena beminde de armen van zijne prilste jeugd af. Een noodlijdende wel te doen was de vreugde van zijn hart. Eenmaal wees zijne tante en opvoeder, die overigens zeer weldadig was, een arme af, zonder dezen iets te zeggen ,
!) De broederlijke terechtwijzing is een plicht, die door de meeste Christenen niet gekend of te weinig geacht wordt. Daar zij hier ter plaatse niet uitvoeriger kan behandeld worden, veroorloven wij ons te verwijzen naar de preken van Mentgens (L6 deel; blz. 507 enz.) waar dit onderwerp, gelijk vele andere, grondig, duidelijk en op eene voor het praktische leven geschikte wijze behandeld is.
74
wiil zij slechts één brood in huis had, dat voor bet mid dageten van het geheele buisgezin bestemd was. Den jongen Bernardinus ging het leed van den arme diep ter harte: bil zeide daarom tot zijne tante: „Om Gods wil, help toch „deze arme; anders kan ik van middag noch van avond „iets eten. Liever wil ik bet eten missen, dan dezen arme „hongerig te laten heengaan.quot; Was dat niet edel en schoon ? Hebt gij er ook reeds aan gedacht, uw brood met den arme te deelen ? Is bet u een genoegen, den behoeftige uit uwe spaarpenningen eene aalmoes te kunnen geven ? Zou dat niet veel beter zijn, dan uw geld aan nuttelooze dingen en beuzelingen te besteden ? Kunt gi] niet allen en niet elk oogenblik de aangewezen voorbeelden van kinderlijke milddadigheid navolgen, gij kunt toch allen en altijd den armen liefde bewijzen, door hen vriendelijk en beleefd te bejegenen, hen te groeten en niets in den weg te leggen, waarover zij zich met recht zouden kunnen beklagen en ergeren. Wee dengenen, die het tegendeel doen, die door spot en hoon den armen de reeds zoo bittere armoede nog bitterder maken ! Zulke kinderen zouden tot straf wel eens zelve kunnen ondervinden, hoe smartelijk het is, in de armoede en om de armoede veracht en versmaad te worden. Lieve kinderen, gij kunt nog op eene andere wijze de christelijke naastenliefde beoefenen, gij hebt daartoe even als de volwassenen dagelijks gelegenheid. Als gij namelijk elkander wel verdraagt; als gij hen, die u slaan, niet terug slaat; als gij gaarne vergeeft en vrede sticht; als gij anderen, vooral uwen broeders en zusters, gaarne diensten bewijst en in alle geoorloofde dingen toegeeft, dan verricht gij ware liefdewerken, dan zijt gij kinderen der liefde, ware kinderen Gods. — Zulk een kind was de H. Stanislaüs Kostka. Van zijn ouderen broeder Paul bad hij zeer veel te lijden, wijl bij diens lichtzinnige levenswijze afkeurde en hem door zijne broederlijke vermaningen en bizonder door zijn deugdzaam gedrag in den weg stond. Paul begon zijn broeder met verachting te behandelen en op de gevoeligste wijze te plagen. Hij deed hem bittere verwijten, als telde bij hem, die ouder was, niet genoeg, en hij vergat zich meermalen zoodanig, dat hij den onschuldige met stooten en slagen mishandelde, titanislaüs verdroeg deze huiselijke, om de gerechtigheid ontstane vervolging twee jaren lang met onwrikbaar geduld en stilzwijgendheid. Hij vergold het geleden onrecht met zachtmoedigheid en liefde en legde er zich op toe, zooveel hij, met behoud zijner onschuld en vroomheid, slechts kon, zijn bardvochtigen broeder te behagen en door allerlei, zelfs nederige en moeielijke dienst-
75
bewijzingen zijne liefde te winnen. Paul bleef intusschen verhard ; Stanislaüs maakte echter door deze voortdurende beoefening van liefde, zachtmoedigheid en geduld zulke groote vorderingen in de heiligheid, dat hij in eene zware ziekte, welke hem overviel, van een Engel de H Teerspijze ontving, en spoedig daarna vereerd werd door eene verschijning der allerzaligste Maagd, waarbij zij het goddellik Kind in zijne armen legde, om Het aan zijn hart te drukken en te liefkozen. Welke heerlijke belooning, lieve kinderen! Bemint ook gij elkander zoo, en Jesus die in de armen van den H. Stanislaüs rustte, zal in uw hart verblijvea, totdat gij eindelijk in den hemel, tot loon uwer liefde, aan zijn goddelijk hart moogt rusten.
§ 3. Over tic eliflstelilke lieftic lt;ot xieli xclvcn.
Mag de Christen ook zich zeiven leminnen ?
Ja, hij mag en moet zich zei ven beminnen; want Christus zegt: „gij zult uwen naaste beminnen gelijk u zei ven.quot;
Zich zeiven beminnen is: zich zeiven goed wenschen; niemand kan echter redelijkerwijze er aan twijfelen, dat de mensch van nature zich zeiven goed wenscht, dus van natuur zich zeiven bemint, en dat hij dit, juist omdat het eene wet der natuur is, mag en moet doen. Ook de christelijke wet, volgens welke wij den naaste moeten beminnen gelijk ons zeiven, veronderstelt, dat wij ons zeiven werkelijk en met recht liefhebben, daar zij de liefde tot zich zeiven als richtsnoer der naastenliefde stelt. Immers ware de liefde tot ons zeiven ongeoorlcof\'d of verboden, dan kon Christus niet zeggen: uwe liefde tot den naaste zij zoo gesteld, gelijk de liefde tot u zeiven is. Daarom zegt de U. Augus-tinus in het eerste boek van de christelijke leer: „in de „woorden: gij zult den naaste liefhebben gelijk u zei ven, „is ook het gebod der liefde tot zich zeiven opgesloten,quot; en kort tevoren geeft dezelfde H. Leeraar de reden aan, waarom God geen uitdrukkelijk gebod van ons zeiven te beminnen gegeven heeft, zeggende: „Er is geen bizouder „gebod van liefde tot zich zei ven noodig, daar eenieder, „krachtens de door den Schepper gegeven en ingeprente „wet der natuur, zich zeiven bemint.quot; Deze afdeeling dient
76
derhalve niet zoozeer om te tewijzen, dat de Christen zich zeiven mag en moet beminnen, maar veeleer om te verklaren, waarin de christelijke liefde tot zich zeiven bestaat, en hoe zij moet wezen.
Waarin bestaat de christelijke liefde tot zich zeiven?
De christeliike liefde tot zich zeiven bestaat daarin, dat wii vóór alles voor het heil onzer ziel bezorgd ziin.
De liefde tot zich zeiven is alleen dan christelijk d. i. gelijk het Christendom zulks vordert, wanneer zii volgens de grondregels van het door Christus verkondigde geloof geregeld wordt, liit is het geval, als wii in ons zeiven datgene het meest beminnen, wat volgens de leer van het geloof het beminnenswaardigste is, en als wii het om die beweegredenen beminnen, welke dat goddelijk geloof ons voorstelt. Volgens de leer van het geloof is datgene, wat onze liefde en bijgevolg ook onze zorg en verpleging vóór al het andere verdient, orze éene onsterfelijke ziel. Deze moet dus de Christen meer beminnen dan alle tijdelijke goederen, meer dan zilver, goud en edelgesteenten, meer dan gezondheid en leven, meer zelfs dan het lichaam, hetwelk een bestanddeel van ons zeiven uitmaakt. Hij moet haar meer bendnnen dan dit alles, omdat zij, gelijk het geloof leert, niet alleen het edelste en onvergankelijke in den mensch is, maar ook geschapen volgens het evenbeeld van den drieëenigen God, vriigekocht door het dierbaar bloed van Jesus Christus, geheiligd door de genade van den II. Geest, gevoed met het levende Brood, hetwelk uit den hemel is neêrgedaald; omdat zij een kind van God, een erfgenaam van God, een geestelijke tempel van God is, en een sieraad van het huis Gods zijn moetin eeuwigheid\'). De Christen moet zijne ziel meer beminnen, dan al het overige, omdat van het heil zijner ziel zijn eeuwig geluk afhangt. Jesus, de eeuwige \\\\ ijsheid zelve, diukt ons deze waarheid op het hart met de woorden : „wat baat „het den mensch, indien hij de geheele wereld wint, maar „schade lijdt aan zijne ziel ? of welken piijs zal de mensch
\') Als de H. Adria met zijnen zoon om het geloof op de pijnbank lag, vroeg de lieidensclie reclitei Secundianus hem waar hij de schatten der Kerk verborgen had. Toen gat him dt grootmoedige bloedgetuige dit merkwaardige antwoord : »onze schatten zijn onze zielen; deze ,willen wij voor niets ter wereld verliezen.quot;
77 /
„geven voor zijne ziel?quot; (Matth. XVI, 26. Verg. D. I, bl. 16) \')•
Hoe moeten wij voor hel heil onzer ziel zorgen ?
Wii moeten 1) de zonde en de gelegenheid der zonde zorgvuldig vermijden. De zoude is de dood der ziel, de gelegenheid der zonde doodsgevaar. Wie zonde bedrijft, wie de gelegenheid tot zonde niet zorgvuldig vermijdt, maar zelfs opzoekt, hij bemint zijne ziel niet, hij zorgt slecht voor haar. Zoodanig een bemint zijne ziel, gelijk Caïn zijn broeder Abel, wien hij doodsloeg; hij zorgt voor zijne ziel, gelijk koning David voor den dapperen ürias zorgde, wien bij in den strijd tegen de Ammoniten met opzet aan de gevaarlijkste punten liet plaatsen (2. Kon. XI, 15). Dit is gewis geene liefde, maar haat jegens zijne ziel ; geene zorg voor haar, maar verraad aan haar gepleegd 2). Derhalve zegt de Profeet: „wie de misdaad bemint, haat zijne „zielquot; (Ps. X, 6;, en de Engel Raphael zeide tot Tobias; „die zonde en ongerechtigheid doen , zijn vijanden hunner „zielquot; (Tob. Xll, 10). Wij moeten, als wij gezondigd hebben, niet verzuimen waardige boetvaardigheid te doen. Is de mensch zoo ongelukkig van uit zwakheid of boosheid eene groote zonde te begaan, dan blijft hem geen ander middel over, om de ziel, van het leven der genade beroofd, weder te doen herleven en van den eeuwigen ondergang te redden, dan de boetvaardigheid. En dit eenige middel moet de zondaar uit liefde tot zijne ziel zonder uitstel aanwenden. Dwaasheid zou het zijn, onvergeeflijke eu onbegrijpelijke dwaasheid, de boetvaardigheid van dag tot dag uit te stellen, vooral daar wij geheel onzeker zijn aangaande bet uur van onzen dood, welke ons deu tijd tot boete ontneemt, en ons met de boeien der zonde beladen voor
\') Diep doordrongen van deze waarheid hebben millioenen Christenen het tijdelijk leven voor het heil hunner zielen met een blij gemoed opgeoli\'erd lt;/Voor Christus sterven,quot; zeide de H. Cecil a tot hare beulen, ,is slijk tegen goud verruilen, eene hut tegen een paleis , stof tegen *eene kroon.quot; Èn de H /h/apitua riep, toen men hem gloeiende kolen op het hoofd legde, verheugd uit; „Wat is er aan gelegen, dut gij //thans mijn hoofd verschroeit? In den hemel zal het gekroond worden.quot;
De zonde te vermijden was altijd de eerste zorg van heilige zielen. — De H. Francisco, can Lhantal was eens bezig, het lijk van een armen melaatsche, dien zij vier maanden lang met moederlijke teederheid verzorgd had, met eigen hand in de doodkist te leggen Als nu iemand haar daarin verhinderen wilde, en de bezorgdheid te kennen gaf, dat zij die ziekte zou overerven, gaf zij het schoone antwoord: „Ik vrees „geene andere melaatschheid dan die der zonde.quot;
78
Gods rechterstoel brengt, waar het vonnis van eeuwige verdoeming de onhoetvaardigen wacht. „Gij weet zelve zeer „goedzegt de Apostel tot de geloovigen van Thessalonica (1. Br. V, 2), „dat geliik een dief in den nacht, zoo de „dag des Heeren komen zal.\'\' Daarom waarschuwt ook de wiize Sirach (V, 8, 9) nadrukkeliik voor het uitstellen der boetvaardigheid. „Verzuim niet,quot; zegt hij, „u tot den „Heer te bekeeren, en stel het niet uit van den eenen dag „tot den anderen; want eensklaps komt zijne gramschap „en Hij zal ten tijde der wraak u doen verloren gaan.quot; Hoe zou een Christen , die deze waarschuwing en bedreiging van den H. Geest kent, een enkel oogenblik kunnen aarzelen, van zijnen val op te staan en boetvaardigheid te doen ? Is dit zijne ziel beminnen ? Christen, wanneer gij vergitt hadt ingenomen, zoudt gij wel toeven, tegengift te nemen? Zoudt gij hem, die u raadde, dit niet terstond te doen, niet als uwen ergsten vijand aanzien? Welnu, is uwe ziel niet veel meer waard dan uw leven, de eeuwige verdoeming niet meer te vreezen dan de lichamelijke dood ? Wanneer gij dan uwe ziel en zaligheid naar behooren bemint, verwijl geen oogenblik in gevaar van eeuwig verloren te gaan. 8ta op van uwen val door een volmaakt berouw en een vast voornemen, ga zoodra mogelijk te biechten, belijd uwe zonden en doe boetvaardigheid, opdat uwe ziel leve en tot de zaligheid gerake \').
3) Wij moeten ons ijverig op de deugd en goede werken toeleggen. Het is de ware liefde eigen, hem, wien men liefheeft, niet alleen van de nooddruft des levens te voorzien, maar ook voor den voortdurenden welstand van den beminde te zorgen, hem met alle goederen des levens naar
\') In de geschiedenis der Missiën van Paraguai wordt verhaald, hoezeer de bekeerden zich altijd beijverden, hun hart van iedere, zelfs van de minste zondevlek te zuiveren. //Zoodra zij,quot; zoo lezen wij daar, «de geringste gewetenswroeging ontdekken\', of zich van «eene of andere zonde bewust zijn, ja, wanneer ook slechts de schaduw «eener zonde hun hart beangstigt, dan smeeken zij met tranen tot «God om vergeving en gaan met groote haast naar den Missionaris, //opdat hij hun een geestelijk heilmiddel aan de hand geve, of hen „mot God weder verzoene. En dit laten zij zelfs niet na, wanneer „zij op het veld arbeiden of de nachtrust genieten; iiet werk der //zaligheid staat bij hen boven arbeid en rust.quot; Mochten toch alle Christenen zoo bereid zijn om zich met God te verzoenen, gelijk deze pas bekeerde wilden, vooral wanneer het geweten hen verwijt, dat zij God zwaar hebben beleedigd! Maar, helaas I velen dragen talrijke en zware zonden jaren lang met zich rond, en willen liever de kwelling van het schuldig geweten, dan de heilzame beschaming van eene oprechte belijdenis der zonden ondergaan. Waar is bij dusdanigen de liefde tot de onsteiielijke ziel? Waar het verlangen om haar te redden?
79
vermogen te verriiken. Op dezelfde wijze zal ook hij, die ziine ziel waarlijk bejiint, zich beijveren, haar door de beoefening van alle deugden te volmaken, door het verrichten van goede werken Gode welbehagelijker te maken en met verdiensten te verrijken \'). Verzuimen wij dit, dan loopen wij groot gevaar, de van God verkregen genade weder te verliezen, daar wij gemakkelijk van den staat van lauwheid tot doodzonde komen. Om deze reden zegt de H. Petrus (2. Br. I, 10): „Bevlijtig u, uwen roep en uwe uitver-„kiezing door goede werken te verzekeren.quot;
Kunnen wij ook ons lichaam en de tijdelijke goederen op eene christelijke loijzo beminnen ?
Ja , wij kunnen en moeten ook het lichaam en de tijde-lijke goederen, als gezondheid, vermogen, goeden naam, op eene christelijke, bovennatuurlijke wijze beminnen. Alleen de christelijke liefde toch, namelijk die liefde, welke met de leer van Christus overeenkomt, op bovennatuurlijke beweegredenen steunt, het hoogste en laatste doel van den mensch op het oog heeft, betaamt den Christen. Alleen deze behaagt aan God en verdient eeuwige belooning.
\') De H. iVciranu.5, Bisschop van Edessa, had gedurende eene predikatie, welke hij te Antiochië in het voorportaal der Julianuskerk hield, eene zekere Pelagia, welke toen nog in de buitensporigheden en ijdelheid der wereld verstrikt was, in den rijksten, schitterendsten dos zien voorbijgaan. Na de preek slaakte de heilige Bisschop een diepen zucht en zeide tot de aanwezige Bisschoppen : „O mijne Broeders hoevele «uren zal deze ijdele vrouw niet doorgebracht hebben, om zich op te ^schikken en te sieren! Hoe zorgvuldig zal zij alles iiitgekozen hebben „wat hare natuurlijke schoonheid verheffen kan ! Kn waartoe al die „zorg, moeite en arbeid? Om aan de menschen te behagen, die toch «zoo vergankelijk zijn als eene wolk! En wij, mijne Broeders, wat //doen wij? Heeft God ons niet eene ziel gegeven, welker oorspronke-//lijke schoonheid onvergelijkelijk grooter is dan de lichamelijke schoon-//heid van die ongelukkige vrouw; eene ziel, welke de weerkaatsing, «het evenbeeld van God is? En heeft God niet beloofd, onze ziel „voor zich zeiven ter Bruid, te nemen en haar hemelsche vreugde en //geluk te schenken, als zij Hem bemint en Hem tracht te behagen? „Welnu dan, mijne Broeders, waar zijn de paarlen en juweelen, met „welke wij onze ziel versieren? Hoe zorgen wij er voor, dat zij in feest-„gewaad gekleed en een aangenamen geur van deugd gevende, voor „den hemelschen Bruidegom verschijne, en Hem een welbehagelijk „schouwspel zij? Wee! wee ons! in plaats van haar te sieren, laten „wij haar ontaarden en verloren gaan.quot; Diep geschokt en met tranen in de oogen keerde de dienaar Gods naar huis terug, begaf zich naar zijne kamer, wierp zich daar met het gelaat ter aarde neder en bad om vergeving voor den geringen ijver, welken hij totdusverre ter verrijking en siering zijner ziel liad aangewend (Zoo verhaalt de Diaken Jacobus, die den H! Bisschop Nonnus vergezelde, bij Rosweijde, levend-der Oudvaders: ook Hahn-Hahn, Vater der Wüste).
80
Derhalve moeten wij ods immer beijveren door bovennatuur-lijke beweegredenen geheel onze liefde te heiligen. — Onze liefde voor ons lichaam is christelijk
1) als wij het beminnen: — a) omdat het de woning der ziel is en haar werktuig in den dienst van God. Deze tweevoudige bestemming heeft de Schepper zelf ons lichaam aangewezen. Als de woonplaats, als de troon, vanwaar de ziel de zinnelijke wereld beheerscht, als de onafscheidelijke gezel der ziel op de aardsche pelgrimsreize en haar leid-zaam werktuig ter beoefening van goede werken, verdient ons lichaam voorzeker onze achting, liefde en verzorging; het verdient, dat wij voor zijne gezondheid behoorlijk zorg dragen, zijne krachten tot den dienst van God onderhouden, zijne leden en zijn leven beschermen en bewaren. Wie deze verplichting der liefde jegens zijn lichaam verzuimt, wie het door onmatigheid ontrust of uit moedwil verminkt, wie het waagt er zelf de gewelddadige hand aan te slaan, maakt zich niet alleen jegens zich zeiven , maar ook jegens God aan eene groote zonde schuldig. Verder, wanneer wij het beminnen, — h) omdat het door het Doopsel geheiligd en tot de eeuwige heerlijkheid bestemd is. Ofschoon namelijk de HH. Sacramenten in de eerste plaats en vóór alles de heiliging der ziel beoogen, zoo kan toch niet ontkend worden, dat ook het lichaam door middel dier Sacramenten eene hoogere wijding ontvangt, daar het als\'t ware het kanaal wordt, waardoor der ziel, door middel van de uitwendige teekenen, de inwendige heiliging toevloeit. Deze bovennatuurlijke wijding ontvangt het op eene geheel bi-zondere wijze in het H. Sacrament des Doopsels en des Altaars, daar het door het H. Doopsel, tegelijk met de ziel, uit de wreede slavernij van satan verlost, tot deelneming aan de eeuwige glorie bestemd wordt, en door het U. Sacrament des Altaars de kiem en het onderpand der zalige verrijzenis ontvangt. — Wanneer wij ons lichaam om de aangeduide beweegreden beminnen, dan zullen wij zijne ongeooiloofde lusten standvastig bedwingen, en het, volgens de vermaning van den Apostel „als een levendig, heilig, „Gode behagelijk offer opdragenquot; (Rom. XII, 1). Zoo handelden de Heiligen, zoo bewezen zij hun lichaam eene goed geregelde liefde. Zij onderwierpen het aan de krachten van den geest, weigerden het daarom veel aangenaams, zelfs het geoorloofde, behandelden het met strengheid, bedwongen zijne zinnelijke lusten door vasten , versterving en andere boetewerken, niet uit haat, maar uit beweging der genade en ware, verlichte liefde, om het de heerlijkheid der toekomstige eeuwige zaligheid, de onuitsprekelijke
81
vreugde van het rijk der hemelen te verzekeren \'). — Wg beminnen
2) de tijdelijke goederen op eene christelijke wijze, als wij ze beminnen, — a) inzoover al het geschapene in God zijnen oorsprong heeft en Gods gave is, volgens de woorden van den Prediker (V, 18): „Ieder mensch, wien God rijkdom „en goederen heeft gegeven, heeft Hij ook de volmacht „verleend, daarvan te eten en zijn deel te genieten en zich „te verheugen over den arbeid, en dit is gave Gods.quot; Zóó beminde de godvreezende Job de tijdelijke goederen ; daarom morde hij niet tegen God, toen hij ze allen tegelijk als door een donderslag verloor, maar zeide met volmaakte overgeving aan den goddelijken wil: „De Heer heeft ge-„geven, de Heer heeft genomen. Gelijk het den Heer be-„haagd heeft, is het geschied ! De naam des Heeren zij „gezegend!quot; — h) Als wij ze beminnen, inzoover zij ons dienen, om de eer van God te bevorderen, den noodlijdende bij te staan, en de plichten van onzen staat te vervullen. Wie dus tijdelijk vermogen, geld en goed, slechts bemint en begeert, teneinde het ter verheerlijking van den Allerhoogste te gebruiken, om kerken te bouwen en te versieren, de plechtigheden van den godsdienst te verhoogen en dergel., of om de armen en zieken door rijke liefdegiften bij te staan, of, eindelijk, om de plichten van zijnen staat beter
\') De Heiligen dreven de lichamelijke versterving zoo ver, dat wij hunne oefeningen in onze, helaas! al te weekelijke eeuw nauwelijks begrijpen, en hunne strengheden in het algemeen meer kunnen bewonderen dan navolgen. Een enkel voorbeeld zij voldoende. — De H. Petnis van Alcantara uit de orde van den H. Franciscus was gewoon in drie dagen maar eenmaal te eten, en niet zelden gebeurde het, dat hij, in geestelijke beschouwingen verdiept, acht volle dagen doorbracht, zonder eenig voedsel te gebruiken. Hij ging altijd barrevoets, en hoe hevig ook de regen en hoe brandend de/onneliitte zijn mocht, altijd was hij blootshool\'ds. Over een boetekleed, dat hem altijd gevoelige pijn veroorzaakte, droeg hij een nauw kleed en een mantel van grove stof. Zijne cel, welke een graf geleek, was slechts vijfdehalf voet lang, zoodat hij zich nooit kon te slagen leggen. Hij stond altijd of knielde. Den weinigen tijd, welken hij\', door den nood gedrongen, aan den slaap schonk, zat hij en steunde met zijn hoofd op een stuk hout, dat aan den muur bevestigd was. In deze vrijwillige marteling bracht hij veertig jaren door, zonder een enkelen nacht langer dan anderhalf uur te slapen. Bij al deze gestrengheden jegens zich zeiven was hij , volgens het getuigenis van de H. ïeresia (Leven d. H. Hoofdst. 27). jegens anderen geenszins onvriendelijk en hard; zijn onderhoud was integendeel geestig en zeer aangenaam. Toen zijn einde naderde, knielde hij neder en gaf den geest met de woorden van den 121 Psalm: ,lk verheugde mij, toen men »mij zeide: laat ons gaan naar het huis des Heeren.quot; Na zijn afsterven verscheen Petrus aan de H. Teresia, door hemelschen glans omstraald, en riep haar toe: nO gelukkige strengheden, welke mij een zoo on-«metelijk loon verwierven 1quot;
DMIARBE, GELOOFSIEEB. III. Sde DRUK. g
82
en werkdadiger te volbrengen, in de behoeften van zijn huisgezin te kunnen voorzien; eveneens ook, wie op zijn goeden naam bedacht is, om in aangelegenheden, welke het welzijn van zijn huisgezin, zijne gemeente, zijn vaderland betreffen, des te grooter en zekerder invloed te kunnen uitoefenen, hij bemint de gezegde goederen op eene niet slechts geoorloofde, maar loffelijke, christelijke wijze, omdat til ze niet beschouwt en verlangt als laatste doel van zijn \' streven, maar slechts als geschikte middelen, om een hooger christelijk doel, het ware welzijn van den evenmensch, de eer van God te bevorderen. — Van eene dusdanige liefde tot het aardsche is geene hebzucht, geene genotzucht en evenmin hoogmoed de beweegreden, maar een oprecht verlangen om goed te doen, en wie dit heeft, zal zijn hart niet van God afwenden, om in rijkdom, eer en genot zijn geluk te zoeken, hij zal veeleer die vergankelijke goederen bezigen, om zich zeiven en anderen aan de onvergankelijke hemelsche goederen deelachtig te maken. Wie zoo denkt en doet, is in waarheid, gelijk de H. Augustinus aanmerkt (redevoering 125 over Joan. V), „de heer zijner goederen, „niet hun slaaf,quot; en van hem geldt het woord der HL Schrift: „Eene kroon voor de wijzen is hun rijkdomquot; (Spreuk. IV, 24). Dat het echter zeer moeielijk is, aardsche goederen in overvloed te bezitten, zonder zijn Lart daaraan te hechten, getuigt Jesus Christus zelf: „Het is bezwaarlijk, dat een rijke het rijk der hemelen ingaquot; (Matth, XIX, 23).
Wat staat tegenover de christelijke liefde tot zich zeiven\'?
De ongeregelde zelf- of eigenliefde. — Deze bestaat daarin, — 1) dat de mensch aan zijne eer en zijnen wil de voorkeur geeft boven de eer en den wil van God. — De eerste zonde van den mensch was zijne eigenliefde, zegt de H. Augustinus (Preek 96 over Mare.). Adam en Eva, geschapen, om aan God eer te geven en zijnen wil te doen, maakten voor zich zelve aanspraak op de eer, Gode gelijk te zijn, en waagden het, hun eigen wil, welke met den goddelijken in strijd was, te volbrengen. Hetzelfde eigen-baatzuchtige verlangen van te zijn gelijk God, en zijn eigen wil, niet dien van den Allerhoogste, te vervullen, was ook de oorzaak van den val van Lucifer; en allen, die, op het voorbeeld der afvallige Engelen en der eerste ouders, aan God de eer en de Hem verschuldigde gehoorzaamheid weigeren, doen dit, verleid door hunne kwade neigingen, door hunne verkeerde liefde tot zich zeiven. De ongeregelde.
83
de zondige eigenliefde voert dus rechtstreeks tot de vergoding zijner verkeerde neigingen, tot den dienst der schande-lijkste hartstochten. — 2) Be ongeregelde zelf- of eigenliefde bestaat daarin, dat de mensch meer voor het lichaam en het tijdeliike, dan voor de ziel en het eeuwige bezorgd is,. Immers, behoort het, gelijk zooeven bewezen is, tot de natuur der welgeregelde liefde jegens zich zeiven , dat men bij voorkeur voor het heil der ziel zorg drage, en bereid zij liever have en goed, eer en goeden naam, ja. zelfs gezondheid en leven dan zijne onsterfelijke ziel te verliezen, dan moet noodzakelijk die liefde tot zich zeiven door en door verkeerd zijn, welke ten gevolge heeft, dat de mensch, onbekommerd voor het heil der ziel en het bezit der hemel-sche goederen, zonder ophouden tijdelijke schatten, eer en genot najaagt, en den zoo kostbaren tijd doorbrengt met den opschik en de verzorging van het lichaam, met de bevrediging zijner lusten. Wie zich zeiven op dusdanige wijze bemint, is gelijk aan den rijke van het Evangelie, die in den overvloed van tijdelijke goederen tot zich zeiven zeide ; „Mijne ziel ! gjj hebt veel goederen opgelegd voor „zeer vele jaren; rust, eet, drink, maak goeden sier.quot;... „Dwaas !\'\' sprak God tot hem, „in dezen nacht zal men „uwe ziel van u opeischen; en hetgeen gij bereid hebt, voor „wien zal het zijn?quot; (Luc. XII, 19, 20). Uw lichaam, ijdel kind der wereld, wordt de spijze der wormen; uwe opgehoopte schatten, hebzuchtige, het deel, misschien de twistappel van lachende erfgenamen. Want „zoo gaat het „hem, die zich schatten zamelt en die niet rijk is in Godquot; (Dez. v 21). Jesus, de eeuwige Waarheid zelve, heeft het gezegd. — 3) De ongeregelde eigenliefde bestaat eindelijk daarin, dat de mensch zijn eigen welzijn zoekt tot nadeel zijner medemenschen. Niets is verkeerder, niets met den geest van het Christendom en het gebod der liefde tot den evenmensch meer in strijd, niets onverdragelijker met den vrede en de welvaart van de maatschappij, dan die ongelukkige zucht om, ten koste der goederen, der eer en des goeden naams van den evenmensch, tot rijkdom, eer en aanzien te komen. Ziedaar de vruchtbare en onuitputtelijke bron van ontelbare bedriegerijen, listen, openbare en geheime verdrukkingen, van woeker en diefstal onder alle bedenkelijke vormen, verder van vernedering, eerrooving en laster waardoor men anderen zoekt te verlagen en zich zeiven te verheffen. Zoodanige menschen denken : „eene „winstvolle markt is ons leven, men moet met alles, ook „met het kwaad, voordeel doenquot; (Wijsh. XV, 12). — Wie zich zeiven ongeregeld bemint, hij begaat alzoo eene mis-
6*
84
daad tegen God, wien hij de verschuldigde eer en dienst weigert, tegen zijne eigen ziel, wier verzorging hij verwaarloost, wier heil hij in gevaar stelt, tegen zijnen even-mensch, wien hij op onrechtvaardige wijze tijdelijke goederen ontrooft \').
TOEPASSING.
De Apostel noemt de ongeregelde eigenliefde den wortel van alle zonden (1. Tim. VI, 10), en schildert „de menschen „vol eigenliefdequot; af, als „geldgierig, opgeblazen, hoo-„vaardig, eerroovers, ongehoorzaam aan de ouders, ondankbaar, „boos, liefdeloos, twistziek, lasterend, losbandig, wreed, „kwaadaardig, verraders, vermetel, bedwelmd door hoogmoed, „de lusten meer beminnende dan Godquot; (2. Tim. III, 2—4). De reden hiervan is gemakkelijk te vinden. De natuur der zonde bestaat daarin, dat de mensch zich verwijdert van God, het hoogste goed , om in de vergankelijke goederen zijne
!) Uit het gezegde mag men geenszins besluiten, dat alle liefde tot zich zeiven, welke niet hovennaluwiijk, niet tot de eeuwige zaligheid dienstig is, ongeregeld ol\' zondig is. Deze meening is door de Kerk als valsch verworpen en bij herhaling veroordeeld (Zie Steil 38, 40, van Bajus en 44- van Quesnell). Immers, daar de liefde de drijfveer van al onze handelingen is, zoo zoude uit de aangehaalde meening volgen, gelijk Bajus dan ook (Steil. 35) werkelijk de gevolgtrekking maakte , dat „alles, wat de zondaar of de slaaf der zonde doet. zonde »zij.quot; Wij moeten dus evenals bij de liefde tot de naasten , ook hier, bij de liefde tot zich zeiven, met den H. Augustinus (preek 349 over de liefde) en met den H. Thomas (\'2. 2. q. 19. a. 0) ecne drievoudige liefde onderscheiden; eene zuiver natuurlijke, welke wel geoorloofd, maar tot de zaligheid niet voldoende is; eene bovennatuurlijke, welke tot de zaligheid leidt, en eene zondige, welke in het eeuwig verderf stort. Krachtens de natuurlijke eigenliefde wenschen wij het bezit en genot van tijdelijke goederen, welke voor onze menschelijke natuur geschikt zijn, als gezondheid, een lang leven, goeden naam, enz, te verwerven. Zij is in zich zelve niet zondig, wanneer men met behoorlijke matigheid, en zonder het hoogste goed, de eeuwige zaligheid, buiten te sluiten, naar wezenlijk passende goederen streeft. Eene dusdanige eigenliefde kan echter, juist omdat zij eene bloot natuurlijke liefde is, ter verkrijging der bovennatuurlijke zaligheid niet voldoende zijn. Jesus Christus veronderstelt deze natuurlijke neiging zelfs in de harten der zondaars, zeggende: „Indien dan gij, terwijl gij boos zijt, „uwen kinderen goede gaven weet te geven, enz.quot; (Luc. XI, 13).— De bovennatuurlijke eigenliefde zet ons aan, het door het geloof erkende hoogste goed, de eeuwige zaligheid in God, en al het overige slechts in betrekking en ondergeschiktheid tot ons laatste doel, dus om God, te wenschen en krachtdadig te verlangen. Uat is de welgeregelde liefde , welke de Christen tot zich zeiven hebben moet. Als daarentegen iemand slechts het tijdelijke wil. of het vuriger verlangt, dan het bezit van God, in wien alleen ware zaligheid te vinden is, dus aan het tijdelijke boven het eeuwige de voorkeur geeft, dan is die liefde tot zich zelven verkeerd en zondig.
85
bevrediging en zijn geluk te zoeken. En juist daarin bestaat ook de verkeerdheid der eigenliefde. Terwijl de mensch geschapen is, om God te loven, Hem te dienen en in zijn bezit eeuwig gelukkig te zijn, zet zij hem aan, in alles, wat hij denkt, spreekt en doet, niet de eer en het welbehagen van God, maar slechts zich zeiven, de bevrediging van zijne lusten en begeerlijkheid te zoeken. Zoo maakt hij van zich zeiven een afgod, wien hij alleen huldigt. Kijkdom , macht, aanzisn, alles moet hem dienen als middel tot zijne eigenbaatzuchtige bedoelingen. Hij acht noch het gebod van den Allerhoogste, noch het welzijn zijner mede-menschen; hij vreest geene zonde, en deinst voor geene misdaad terug, wanneer het er op aankomt, zijne losbandige hartstochten te bevredigen; zijne heb- en genotzucht, zijne ydelheid en den hoogmoed slaafs te dienen, dat is de zaligheid, die hij beoogt; eene andere kent, hoopt, wil hij niet. — Zoover komt de mensch, als hij niet vroegtijdig zich gewent, zijne kwade neigingen te bestrijden, zich zeiven te overwinnen en slechts in God en de vervulling van zijnen heiligen wil duurzamen vrede en waar geluk te zoeken. Daarom zegt de H. Schrift: „wie zijnen slaaf van kindsbeen „af zacht behandelt, zal hem later wederspannig vindenquot; (Spr. XXIX, 21). En op eene andere plaats: „N olg uwe „begeerten niet op, en wend u af van uwen eigen wil. „Wanneer gij de lusten van uw hart inwilligt, maakt het „u ten hoon uwer vijandenquot; (Sir. XVI11, 30, 31). Dezelfde waarheid erkent een duitsch dichter, schrijvende :
Bedwing uwen hartstocht! blijft bij uw slaaf niet, dan wordt bij uw tiran.
Over dc tion gcljodcn-
Waar wordt ons breedvoeriger geleerd, dat en hoe wij God en den eveumensch moeten beminnen ?
In de tien geboden, welke God aan Mozes gegeven heeft op twee steenen tafelen geschreven (2. Mos. XIX, 20). De eerste drie geboden handelen over de liefde en vereering, welke wij aan God schuldig zijn; de zeven volgende over de achting en liefde, welke wij onzen evenmensch moeten bewijzen. Dit blijkt reeds uit de woorden der geboden en zal nog duidelijker worden uit de verklaring, die wij zullen
86
geven \'). God de Heer zelf schreef deze geboden op twee steenen tafelen , opdat de uitdrukking van zijn allerheiligsten wil het uitverkoren volk altijd voor oogen zou zweven. De H. Augustinus schrijft hierover zeer schoon; 2) „Wat „de menschen in hun hart niet wilden lezen, dat werd op „tafelen geschreven. Het stond in hun hart geschreven, „maar zij wilden het niet lezen : toen werd het hun ook „uiterlijk voor oogen gesteld, opdat zij gedwongen zouden „worden, het in hun geweten te zien.\'\' — Volgens de algemeen aangenomen en op de overlevering en de gevoelens der Vaders steunende meening der Godgeleerden, met welke ook de romeinsche Katechismus instemt, stonden op de eene tafel de drie eerste geboden, welke betrekking hebben op God, op de tweede de zeven andere, welke de plichten jegens den naaste bevatten. Beide tafelen der wet werden in de opzettelijk daartoe vervaardigde arke des verbonds neergelegd en later in het Heilige der Heiligen van den door Salomon gebouwden tempel gebracht, waar zij tot diens verwoesting door Nabuchodonosor verbleven en in eere werden gehouden. Ter viering der jaarlijksche gedachtenis stelde God zelf het Pinksterfeest in, hetwelk bet volk van
\') Daar het bij de wetenschappelijke behandeling der zedeleer doorgaans gebruik is, zo te verdeelen in plichten jegens God, plichten jegens den naaste en plichten jegens zich zeiven, geven somtijds de Katecheten zich niet weinig moeite, om de tien geboden Gods in dit drieledige raam te wringen. Deze moeite kan men zich echter des te eer besparen, daar ook de HH. Vaders eenige geboden op God en andere op den naaste laten staan , zonder een bizonder uitdrukkelijk gebod aan te wijzen voor de plichten jegens zich zehen. Zoo leert de H. Thomas (over de tien geboden), dat «.de drie geboden, die op «de eerste tai\'el der wet geschreven waren , betrekking op de liefde »tot God, en de zeven, die op de andere tafel waren ingedrukt, be-«trekking op de liefde tot den naaste hebben.quot; Hetzelfde schrijft de H. Augustinus (U6 leerr. over de tien Snaren), en geen van beiden spreekt van een uitdrukkelijk gebod, dat op de liefde tot zich zeiven slaat. Ue grond, waarom er geen uitdrukkelijk gebod tot regeling der verhouding tot ons zeiven gegeven werd, zal wel daarin gelegen zijn, dat diegene, die de plichten jegens God en den naaste volgens de door de tien geboden nader bepaalde wijze vervult, daardoor van zelf den plicht betracht. welken hem eene welgeregelde liefde tot zich zeiven oplegt. En werkelijk is het in het geheel niet denkbaar, dat iemand de tien geboden onderhoudt, dat is. God boven alles en den naaste als zich zeiven bemint , zonder tegelijk de plichten jegens zich zeiven te vervullen, daar ieder plichtverzuim jegens zich zeiven vooronderstelt, dat men zich zeiven meer dan God, en den naaste niet zoo als zich zeiven , met één woord verkeerd en ongeregeld bemint. Overigens zal bij de behandeling van elk gebod afzonderlijk worden bewezen en aangetoond, hoe ook de plichten jegens ons zeiven daarin vervat zijn, niettegenstaande zij volgens de letter slechts op de liefde tot God en den naaste betrekking hebben.
2) Enarratio in Ps. LVII.
87
Israël moest herinneren aan de weldaad der goddelijke wetgeving en tevens aan hunne verplichting, om immer de wet te onderhouden. — Ofschoon de genoemde gehoden vooral voor de Israëlieten waren gegeven, zijn ook wij Christenen streng verplicht, ze getrouw te volbrengen.
Waarom zijn ooi de Christenen verplicht, deze geboden van het Oude Verbond te onderhouden ?
Omdat Christus de zedelijke wet van het Oude Verbond, welke in de tien geboden vervat is, niet opgeheven maar bekrachtigd en hare volmaakte beoefening geleerd heeft. — Als de jongeling, van wien Matth. XIX spreekt, den Heiland vroeg, welke geboden hij moest volbrengen, om het rijk der hemelen in te gaan, haalde de goddelijke Leermeester juist de geboden van het Oude Verbond aan, om den jongeling en tevens ons allen te leeren, geliik ook in de prediking op den berg (Matth. V, 17) duidelijk getoond wordt, dat Hij niet gekomen is, om de wet en de Profeten „te niet „te doen, maar om ze te vervullen.\'\' Bovendien vermaande Christus zijne leerlingen, in de vervulling der geboden niet de Fhariseën en Schriftgeleerden tot voorbeeld te nemen en niet, gelijk deze, alleen voor de doode letter der wet te ijveren en den geest er van te verwaarloozen. Daarom zeide Hij hun; „indien uwe rechtvaardigheid niet overvloediger is, dan die der Schriftgeleerden en Phariseën, „zult gij niet ingaan in het rijk der hemelenquot; (Matth. V, ^0). Dat wil zeggen, wanneer gij, mijne leerlingen en opvolgers, de goddel^ke geboden niet van harte met eene oprechte meening, maar alleen uiterlijk, alleen in schijn vervult, gelijk de schijnheilige Phariseën en Schriftgeleerden doen, die zich zeiven rechtvaardig noemen, zult gij evenmin als zij tot de zaligheid komen. Jesus Christus verlangt dus van ons eene ware, oprechte onderhouding der geboden van het Oude Verbond, eene veel volmaaktere vervulling der goddelijke wet, dan bij de leeraars en bij geringe beoefenaars der oude wet gevonden werd.
Wij Christenen zijn verplicht de tien geboden van het Oude Verbond te vervullen, omdat zij de natuurlijke zede-wet bevatten, welke buitendien reeds alle menschen verbindt, daar zij in de menschelijke natuur haar oorsprong heeft, en door God in alle harten is geprent. — Zelfs de Heidenen waren verplicht, de natuurlijke zedewet te onderhouden, waarvan de tien geboden de verdere uiteenzetting zijn; want als een Heiden tegen haar misdeed, dan gaf, volgens
88
de woorden van den Apostel, „zijn geweten hem getuigenis „daarvan, daar hem zijne gedachten (over deze misdaad) „aanklagenquot; (Rom. II, 15). Hoe zouden dan de Christenen van de volbrenging der natuurlijke zedewet ontheven zijn, het voorbeeld van een Godmensch voor oogen hebbende, die deze wet op de volmaaktste wijze volbracht heeft; zij, die krachtens de leer van Jesus Christus en krachtens de genade, welke zij van Hem ontvangen hebben en nog dagelijks ontvangen, in staat gesteld zijn, de in hunne harten geprente goddelijke wet duidelijker te kennen onvolmaakter te onderhouden\'? Want gelijk door de zonde onze geschiktheid, om het goede te kennen en te beoefenen, niet weinig verzwakt wordt, zoo wordt door de genade van Jesus Christus deze geschiktheid vermeerderd en versterkt. Daarom vraagt de H. Augustinus \') met recht; „wie is zoo goddeloos, „dat hij durft zeggen, ik onderhoud de geboden der wet „niet, omdat ik Christen ben , en als zoodanig niet onder „de wet, maar onder de genade sta?\'\'
Daar de Apostel verscheiden malen van de christelijke vrijheid spreekt, en (1. Tim. I, 9) leert: ,/de wet is niet voor de rechtvaardigen //gegeven, maar voor de onrechtvaardigen en ongehoorzamen,quot; zonde men daaruit zeer ten onrechte besluiten, dut de in Christus gerechtvaardigden van de verplichting der zedewet ontslagen zijn; dezelfde Apostel leert duidelijk (1. Cor. VU, 19), dat het bij de rechtvaardigen aankomt op de ^onderhouding der geboaen.quot; De vrijheid, van welke Paulns spreekt, is dus niet, zooals de Hervormers meenden, en ook ten huidigen dage sommige dweepers wanen, opheffing van alle zonden, maar bevrijding van het juk der erf- en dadelijke zonde (Kom. VI, 18), bevrijding van den last der ceremonieële en burgerlijke wet van het Oude Verbond (Gal. V, 1-3), bevrijding, eindelijk, van de zwakheid, uit de zonde onzer stamouders geboren, en vooral van den geest der slaafsche vrees , die onder den invloed der genade uit het hart wijkt en voor de kinderlijke liefde plaats maakt. Want als de Christen naar de goddelijke wet met vrijen wil en met kinderlijke gehoorzaamheid zich schikt, dan doet de wet der vrijheid geen nadeel meer, zij heeft niets dwingends of drukkends voor hem; als hij aan de wet uitliefde gehoorzaamt, doet hij , wat hij wil, en met vreugde.
IVai moet ons vooral aansporen, de goddelijke geboden getrouw te onderhouden ?
1) De achting, liefde en dankbaarheid, welke wij aan God schuldig zijn. — Deze drievoudige beweegreden is aangeduid in de woorden, welke de goddelijke Wetgever aan de verkondiging van zijne wet liet voorafgaan. „Ik ben de „Heer,quot; zegt Hij tot het uitverkoren volk, „uw God, die „u uit het land van Egypte geleid heeft, uit het huis der
\') Contra 2. Ep. Pelag. L. III. c. 10.
89
„slavernij.quot; Ik ben de Heer, de Koning van hemel en aarde, de Regeerder en Gebieder van alle menschen, de eemge, onbeperkte Wetgever, Mij behoort het heelal; de sterren van het firmament worden verlicht en verduisterd volgens mijn wil; de baren der zee verheffen zich en gaan in de diepte terug op mijn wenk; alle redelooze wezens volbrengen zonder dralen mijne bevelen. Houd dan ook gij, mijn volk, het gebod, hetwelk Ik u verkondig; houd het uit achting en eerbied jegens Mij, den Allerhoogste. — „Ik ben «w GW,1\' uw laatste doel, uw hoogste goed; Mij van ganscher harte te beminnen, ziedaar uw eerste en heiligste plicht. Bemin Mij, bewijs Mij uwe liefde door de volbrenging der geboden, welke Ik u zal geven tot uw eigen welzijn, tot uw tijdelijk en eeuwig geluk. — ,,Ik heb u verlost uit het land van „Egypte.quot; Ik heb met krachtige hand de ketenen der slavernij verbroken, welke u en uwe vaders sterk omknelden en ternederdrukten. Gedenk deze weldaad, en onderhoud mijne wet heilig en getrouw uit dankbaarheid. Op deze wijze sprak God tot het volk van Israël en,, om aan zijne woorden nog meer kracht bij te zetten, en de achting voor de wet, welke Hij hun wilde geven, nog te vermeerderen, vervulde Hij de plaats der wetgeving, den berg Sinaï, aan welks voet al het volk, na voorafgegane, en door God zeiven bevolen reinigingen, met heiligen schroom bijeen gekomen was, met den luister zijner majesteit : de bliksem schoot stralen, de donder rolde, bazuinen klonken vreeselijk, vuurvlammen en rookwolken omhulden den top des bergs, waarop God de Heer aan Mozes de wet gaf. — Al deze beweegredenen moeten ook ons Christenen aanzetten, Gods geboden te onderhouden, ja, zij moeten ons nog meer daartoe aansporen, daar wij erkennen, dat de Gever der wet onze Heer, onze God, onze grootste Weldoener is en onze aller-barmhartigste Verlosser van de veel hardere slavernij des duivels en der zonde; daar wij duidelijk inzien, hoe onschatbaar de weldaad is, dat Hij zich gewaardigde, ons geboden te geven, en wel zoodanige geboden, welke het meest geschikt zijn, ons tijdelijk en eeuwig welzijn te bevorderen. Laat ons derhalve de geboden onderhouden, dau zal ook van ons gelden, wat Mozes tot het volk van Israël zeide: „dit is uwe wijsheid en uw verstand bij de volkeren, „opdat zij, wanneer zij alle deze geboden zullen hooren, „mogen zeggen: ziedaar een volk, wijs en verstandig, een „groot volkquot; (5. Mos. IV, 6).
2) De vrees der eeuwige straffen en de hoop op eeuwige belooning. — Zijn de edeler beweegredenen: achting voor den Wetgever, liefde en dankbaarheid jegens Hem, niet
90
voldoende, om cms tot de beoefening der goddelijke geboden te bewegen, dat dan tenminste de welgeregelde liefde tot ons zeiven, d. i. vrees en hoop, ons daartoe opwekke. Ofschoon deze beweegreden minder edel is dan de vorige, is zij toch goed en Gode welbehagelijk; daar de hoop op niets minder dan het bezit van God, het hoogste goed, en de vrees, wanneer zij niet geheel slaafsch is, op de scheiding van God, het hoogste goed, gevestigd is.
Als overgang tot de verklaring der afzonderlijke geboden diene de algemeene opmerking, dat in elk dezer iets gehuden en iets verboden wordt. Zijn de woorden van het gebod gebiedend (bevestigend) gelijk in het derde en vierde gebod; „Gedenk, dat gij den sabbathdag //heiligt,quot; //Eer uwen vader en uwe moederdan is het duidelijk, dat het tegendeel, dus iedere ontheiliging van den Sabbath, iedere on teering der ouders, en alles wat daartoe behoort, als schending van het gezegde gebod verboden is. Eveneens is het duidelijk, dat ingeval de woorden van het goddelijk gebod verbiedend (ontkennend) zijn , gelijk b. v. in het vijfde; //Gij zult niet doodslaanhet weder-keerig ook geboden is, niet slechts datgene te laten, wat het verbiedt, als doodslag, verwonding, enz. van den evennaaste, maar ook alles te doen, wat noodig is, om liet gevaar der overtreding, als tweedracht, twist, wraakzucht, enz. verwijderd te houden en af te weren. De reden dat elk verbod op genoemde wijze een gebod insluit, ligt hierin, dat de tien geboden niets anders zijn, dan eeue nauwkeurige bepaling en verklaring van het eerste en grootste gebod, God boven alles eu zijn evennaaste gelijk zich zeiven te beminnen. Want wanneer God ons verbiedt, vreemde goden te aanbidden, zijn heiligen naam te ont-eeren, of den naaste te dooden, te bestelen, enz., dan wil Hij daarbij vooral de voornaamste zonden tegen de liefde, aan Hem en den even-mensch verschuldigd, in herinnering brengen en gestreng verbieden. Het in het bizonder verbiedende gebod veronderstelt dus het algemeen gebiedende gebod, het is als \'tware de uitdrukking van de algemeene wet met de toepassing op eene handeling, welke tegen haar bij uitnemendheid strijdt. Derhalve bevat b. v. het verbod, den naam van God te onteeren, ook het gebod, God in het algemeen, en zijn naam in het bizonder te vereeren, als de bron, waaruit het verbod ontstaat, als de grond, waarop het steunt.
Eerste gebod.
„Ik ben de Heer uw God. Gij zult geene vreemde goden „voor mijne oogen hebben^; gij zult u geen gesneden beeld „of gelijkenis maken; gg zult die niet aanbidden of godsdienst aandoen.quot;
Wal gebiedt en verbiedt het eerste gebod?
Het gebiedt, aan God de eer te geven, welke Hem toekomt; het verbiedt daarentegen de eer, welke Gode alleen toekomt, aan eenig schepsel te bewijzen.
91
De eer, welke aan God uitsluitend toekomt, en in dit eerste gebod op de eerste plaats en vooral gevorderd wordt, is „de aanbidding, waardoor wij Hem als den oppersten „Heer en eeuwigen God (quot;inwendig en uitwendig) erkennen.quot; Wanneer namelijk de Allerhoogste zegt: „Ik ben de Heer, „uw God, gij zult voor myn aanschijn geen vreemde goden „hebben; gij zult u geen gesneden beeld of gelijkenis maken, „gij zult die niet aanbidden wil dit niets anders zeggen dan: gij zult Mij, die uw God ben, goddelijke eer bewijzen; gij zult Mij, maar ook alleen Mij, aanbidden. Volgens de duidelijke woorden is dus in het eerste gebod het uitdrukkelijk verbod begrepen, eenig ander wezen, een eenvoudig schepsel voor God te houden, aan een ander wezen de hulde der inwendige of uitwendige aanbidding te bréngen, gelijk de Heidenen deden. Wij zeggen; „een eenvoudig schepsel;\'\' want, ofschoon het ons geoorloofd, ja geboden is, de allerheiligste menschheid van Jesus Christus, zijn lichaam en zijne ziel, zijn vleesch en bloed te aanbidden, bidden wij toch geenszins een eenvoudig schepsel aan, maar den ongeschapen Zoon van God, die de geschapen menschheid met zijn persoon vereenigd en dus zich eigen gemaakt heeft — Het God alleen toekomende recht van aanbiddenswaardigheid of van de allerhoogste vereering steunt ontegensprekelijk hierop, dat Hij de almachtige Schepper en de opperste Heer van alle dingen is, het W ezen in zich zei ven oneindig volmaakt. Immers, daar alles, wat buiten God bestaat, in God zijn oorsprong en bestaan heeft, zoo behoort ook alles Hem toe, en is van nature aan zijne natuur, aan zijn allerheiligsten wil onderworpen, en daar het geschapene en eindige met zijne ongeschapen en oneindige volmaaktheid en majesteit zelfs in de verte niet kan vergeleken worden, is het billijk en rechtmatig, dat Hij ook van allen ten hoogste geëerd of aangebeden wordt. In het Boek der geheime openbaring (IV, 10, li) staat geschreven: ,.De vier-en-twintig Ouder-„lingen vielen neder voor Hem (voor God), die op den „troon zat, en aanbaden Hem, die daar leeft in alle eeuwig-„heid, en legden hunne kronen neder voor den troon en „zeiden: waardig zijt Gij, Heer, onze God, te ontvangen „lof en eer en kracht; want Gij hebt alle dingen geschapen „en door uwen wil werden zij en zijn zij geschapen.quot;
Hoe velerlei is de vereering van God ?
Tweederlei: de inwendige en uitwendige. — Vereering is in het algemeen de eerbied en onderwerping of overgeving voortkomende uit de erkenning van zeldzame hoedanigheden;
92
vereering van God is dus de uit de erkenning der goddelijke hoedanigheden, voornamelijk der oneindige oppermacht, voortkomende eerbied voor God, en de daarmede verbonden onderwerping. Bestaat die eerbied en onderwerping alleen in inwendige oefeningen van het verstand en van den wil, dan wordt zij inwendige vereering van God genoemd; drukt zij zich ook uit door uiterlijke handelingen of teekenen, zooals b. v. door het buigen der knieën, het vouwen dei-handen , enz., dan wordt zij uitwendige vereering van God genoemd. De eerste zoowel als de laatste vereering van God wordt den mensch door het eerste gebod ten plicht gesteld, niet alleen omdat het, gelijk boven gezegd is, de inwendige en uitwendige aanbidding, maar ook alle andere inwendige en uitwendige oefeningen van eerbied en onderwerping jegens God en de overgeving aan Hem voorschrijft.
luwcndigc vereerins van C-od dooi* geloof, lioop en liefde.
Hoe vereeren wij God inwendig ?
1) In het bizonder door oefening van geloof, hoop en liefde. — Door oefening van geloof vereeren wij God, als wij zijne oneindige waarachtigheid erkennen, en ons verstand vrijwillig aan zijn onfeilbaar gezag onderwerpen; door oefening van hoop, wanneer wij tengevolge der erkenning van de almacht, barmhartigheid en getrouwheid van God, en in het bewustzijn van ons onvermogen de genade tot alle goed en de toekomstige eeuwige zaligheid van Hem met vertrouwen verwachten; door oefening van liefde, eindelijk, vereeren wij God, wanneer wij ons aan Hem, wien wij als het hoogste goed erkend hebben, geheel en zonder voorbehoud voor tijd en eeuwigheid overgeven. Vandaar geeft de H. Augustinus i) op de vraag: „hoe men Godvereeren „moet,quot; eenvoudig ten antwoord: „God moet men door „geloof, hoop en liefde veieeren.\'\' De vereering van God, door oefeningen van genoemde deugden, is de allervoortreffelijkste. Immers, daar elke oefening hare voortreffelijkheid ontleent aan de deugd, waaruit zij voortspruit, is het duidelijk, dat de oefeningen van geloof, hoop en liefde, als oefeningen van goddelijke deugden, alle andere oefeningen
\') Enchirid. c. III.
93
van deugd in voortreffeliikheid zóó te boven gaan, als de goddelijke deugden volgens hare natuur boven de zedeliike verheven zijn. Om deze reden rust op ons ook de verplichting, dikwijls oefeningen van geloof, hoop en liefde te verwekken. Daar wij vroeger van de deugd des greloofs en der liefde reeds uitvoerig gesproken hebben, blijft ons hier alleen nog over, van de zonde tegen die deugden, en van de deugd der hoop een en ander te zeggen.
2) In het algemeen zoo dikwijls wij God in onze harten den Hem toekomenden eerbied en onderwerping betoonen.— Wij bewijzen God in het hart den Hem toekomenden eerbied, wanneer wij, — a) denkende aan zijne oneindige, alom en ten allen tijde tegenwoordige majesteit, op alle bewegingen van ons hart acht geven en de ongeregelde begeerten daarvan onderdrukken en versterven. Uit dezen inwendigen eerbied voor den olomlegenwoordiqen God en Heer komt voort die wonderbare bescheidenheid en zedigheid, welke de geheele houding van den mensch en al zijne gebaren zelfs dan regelt, wanneer hij alleen is en meent door niemand gezien te worden, zooals bijv. van den H. Fran-ciscus van Sales verhaald wordt. Een tijdgenoot en vriend van dezen Heilige getuigt, dat hij hem dikwijls door eene reet der deur gadegeslagen en tot zijne groote stichting en verwondering waargenomen heeft, dat hij altijd zoo ingetogen en zedig was, als bevond hij zich in tegenwoordigheid van een vorst, wien hij den hoogsten eerbied schuldig was. — h) Wanneer wij, onze groote hulpbehoevendheid en algeheele afhankelijkheid gevoelende, onzen eenigen Redder aanroepen, zijne goedheid en barmhartigheid prijzen, en door gevoelens van innige en oprechte dankbaarheid, op het voorbeeld van den van zijne melaatschheid gezuiverden Samaritaan (Luc. XVII, 18), „Gode de eer geven.quot; — c) Wanneer wij vol van de gedachte aan de grootheid, beminnenswaardigheid en majesteit van God, niets vuriger wenschen en verlangen, dan dat de Allerhoogste niet alleen door ons, maar door de geheele wereld meer en meer gekend, geprezen, bemind en aangebeden worde; en hierin bestaat de inwendige ijver voor de eer van God en de verheerlijking van zijn allerheiligsten naam. — De Hem toekomende onderwerping bewijzen wij God vooral — a) door bereidvaardige gehoorzaamheid niet alleen aan zijne geboden, maar ook aan zijne ingevingen en aan eiken, zelfs den minsten wensch van zijn allerheiligsten wil; door inwendige vreugde en offervaardigheid met betrekking tot alles, wat den dienst van God aangaat. Zoo was de H. Paulus gestemd, toen hij, door de genade geheel bekeerd, uitriep: „Heer, wat wilt
94
„Gij, dat ik doen zal?quot; (Hand. IX). Zoo de koninklijke Profeet, als hij tot God zeide ; „mijn hart is bereid, o Heer! „mijn hart is bereid!quot; (Ps. LVI, 8). — h) Insgeliiks door eene grootmoedige overgeving aan alle beschikkingen der goddelijke Voorzienigheid, en door een geduldig verdragen van het lijden en de rampen, welke ons van Gods straffende of beproevende vaderhand worden toegezonden. Deze gezindheid tot kinderlijke onderwerping zien wij allerschoonst in de woorden, welke de goddelijke Verlosser tot den Apostel richtte, toen deze Hem van zijn voornemen om te lijden en te sterven wilde afbrengen ; „Den kelk , dien de Vader „Mij gegeven heeft, zal Ik dien niet drinken ?quot; (Joan. XVIII, 11), en uit die, welke Hij in zijn doodsangst uitbracht, zeggende: „Vader! indien Gij wilt, neem dezen „kelk van Mij ; nochtans niet mijn wil, maar de uwe geschiede!quot; (liuc. XXII, 4:2) i).
Hoe zondigt men tegen de inwendige vereering van God ?
Men zondigt tegen de inwendige vereering van God in het algemeen door alle vrijwillige gedachten en begeerten des harten, welke met den genoemden eerbied en onderwerping jegens God strijdig zijn, verder door achterlating van het verschuldigde lof-, dank- en smeekgebed, en door traagheid en lauwheid in den dienst van God (waarvan later spraak zal zijn), maar in het bizonder door de zonde tegen het geloof, de hoop en de liefde Gods. Gelijk namelijk de oefeningen dezer deugden vooral geschikt zijn, om den Allerhoogste den verschuldigden eerbied en onderwerping te bewijzen, zoo zijn daarentegen de zonden tegen die deugden meer dan alle andere in strijd met de vereering, welke men aan God verschuldigd is.
Hoe zondigt men tegen het geloof?
1) Door ongeloof, ketterij en vrijwillige twijfeling aangaande het geloof. — Daar reeds in ons tweede deel getoond
!) Zeer navolgenswaardig is ook het voorbeeld van onderwerping aan God, hetwelk in het eerste boek der Koningen (2e hoofdst.) van den hoogepriester Heli wordt aangehaald.
Als Samuel hem op Gods bevel de reeds vroeger bedreigde straften, dat zijne afstammelingen geen hoogen ouderdom bereiken, zijne beidé zonen Oplmi en Phineës op één dag sterven , zijne nakomelingen in de diepste ellende vervallen en nimmer meer tot de hoogepriesterlijke waardigheid geraken zouden, — als de jeugdige Profeet den grijzen hoogepriester dit verschrikkelijk strafgericht opnieuw aankondigde en hom te kennen gaf, dat het sooedig zou voltrokken worden, toen morde en klaagde Heli niet, maar sprak vol overgeving; //Hij is de ,Heer, Hij doe wat goed is in zijne oogen.quot;
95
is, dat het ongeloof, d. i. het volslagen gemis van bovennatuurlijk geloof, hun , die zonder eigen schuld nog niet tot de kennis der goddelijke Openbaring gekomen zijn, geenszins als zonde wordt aangerekend, kan hier alleen het schuldige ongeloof, alsmede het schuldige ^feWgeloof (de ketterij in den eigenlijken zin) ter sprake komen. Schuldig nu is het ongeloof, ten eerste, wanneer men weet, dat er eene goddelijke Openbaring is, doch naar de waarheden, welke zij bevat, niet onderzoekt ; ten tweede, wanneer men de door God geopenbaarde waarheden kent, maar die niet als waar aanneemt; ten derde, wanneer men de vroeger als waar aangenomen later weder als valsch verwerpt. — Het dwaalgeloof of de ketterij is van het ongeloof daardoor onderscheiden, dat het niet alle , maar slechts ééne waarheid of een gedeelte der waarheden , welke tot de christelijke Openbaring behooren, verwerpt l). Zoowel het ongeloof als de ketterij is eene zware zonde tegen den aan God, den oneindig Waarachtige, verschuldigden eerbied en ondeiv werping van het verstand, daar niet alleen de ongeloovige, maar ook de dwaalgeloovige, op eigen gevoelen steunende, weigert, bet goddelijk woord onvoorwaardelijk en zonder voorbehoud aan te nemen. — Ook door vrijwilligen twijfel aan het geloof zondigt men tegen het geloof. Immers, wie met voorbedachtzaamheid en vrijen wil twijfelt, of deze of gene door God geopenbaarde en door de Kerk als te gelooven voorgestelde waarheid kan aangenomen worden, hij veronderstelt, dat God of zijne Kerk, „de zuil en grond-„pilaar der waarheid,quot; dwalen kan. Deze veronderstelling nu is gewis eene zware zonde tegen het geloof, een verzet tegen het onfeilbaar goddelijk gezag. Wie alleen twijfelt, of God of de Kerk deze of die bepaalde leer werkelijk geopenbaard of te gelooven voorgesteld heeft of niet, en overigens van harte bereid is, daaraan zijne geloovige toestemming te geven, zoodra hij door navorsching en onderzoek tot zekerheid gekomen is, hij heeft geen twijfel omtrent het
\') Vraogt men, wat de Kerk onder liaeresie of ketterij verstaat, inzooverre zij die met kanonieke straffen treft, dan is het ant woord der Theologen: de Kerk verstaat daaronder eene vrijwillige, schuldige dwaling, waardoor een belijder van het christelijk geloof eene door God geopenbaarde en door de Kerk te gelooven voorgestelde waarheid hardnekkig loochent, dat is, zelfs dan nog loochent, nadat hem de tegenovergestelde leer zoo voorgesteld is, dat hij redelijkerwijze niet meer twijfelen kan, of dit de leer der onfeilbare Kerk is. Daarbij moet nog komen, dat zulk eene dwaling niet slechts innerlijk vastgehouden, maar ook uiterlijk te kennen gegeven worde, wijl de Kerk geene innerlijke misdaden voor haren rechterstoel daagt en kanoniek bestraft.
96
f
geloof, maar weet alleen niet, wat hij omtrent dit punt gelooven moet; hij zondigt dus evenmin tegen de aan God verschuldigde onderwerping van het verstand, tegen het geloof, als een kind tegen de gehoorzaamheid zondigt, wanneer het bij zijne zusters of bi] zijne moeder onderzoekt, of de vader dit of dat bevolen heeft, en daarbij het oprechte voornemen heeft, het bevel van den vader te volbrengen, zoodra het daarmede bekendis —Onvrijwillige twijfelingen aangaande het geloof, welke niet zelden ook de deugdzaamste zielen bestormen, moet men, vooral indien op geenerlei wijze daartoe aanleiding gegeven is, slechts als bekoringen tegen het geloof, niet als zonden beschouwen, en vooral door gebed en oefeningen van geloof bestrijden.
2) Door gesprekken tegen het geloof of door voorbedachte-lijk naar dusdanige gesprekken te luisteren , ook door het lezen of verspreiden van ongodsdienstige boeken en geschriften. Wie onder zware zonde verplicht is, een hem aanvertrouwd goed te beschermen en te bewaren, is even streng verplicht, het dreigende gevaar van het toevertrouwde goed te verliezen naar vermogen te vermijden en verwijderd te houden. Het geloof nu is het kostbaarste goed van den Christen, een goed, hetwelk Jesus Christus en zijne H. Kerk hem toevertrouwd heeft, opdat hij daarmede woekere en het tot den dag des oordeels beware; wie dit goed verliest of verkwist, zondigt derhalve zwaar, zoowel tegen Jesus Christus, den oorsprong en den voleinder van het geloof, als tegen zich zeiven, daar hij zich buiten staat stelt, aan God te behagen en tot God te komen. Daarom is ook ieder Christen verplicht, zich niet voorbedachtelijk bloot te stellen aan het gevaar van zijn geloof te verliezen, hetgeen vooral door het aanhooren van gesprekken strijdig met het geloof, en door het lezen van ongodsdienstige boeken en geschriften geschiedt (Verg. D. I, bl. 150). Al zou iemand wanen, dat hij vast genoeg in het geloof staat en zoo goed onderwezen is, dat de lezing van boeken, welke geheel of ten deele tegen den christelijken godsdienst in het algemeen of tegen de katholieke Kerk en hare leer geschreven zijn, nimmer zijn geloof aan gevaar kan blootstellen, toch is het hem, algezien van het gevaar van zelfbedrog, niet geoorloofd, dergelijke geschriften te lezen. Dewijl zulk eene lezing uit haren aard gevaarlijk is, verbiedt de Kerk haar allen en eenieder in het bizonder, en wil, dat, in geval er eene geldige reden voorhanden is, om op deze algemeene wet eene uitzondering te maken, dit door de hooge kerkelijke macht geschiede, bij wie dan het verlof om dergelijke boeken te lezen moet worden aangevraagd. Ingeval een
97
zoodanig verlof niet gegeven is, zal niemand dergelijke boeken of geschriften mogen bewaren, veel minder dus lezen. Daarom moet ieder gehoorzaam kind der katholieke Kerk zich beijveren, op het voorbeeld der eerste Christenen te Ephese (Hand. XiX, 19), ze als schadelijk vergift te vernietigen i).
!) Hoe verderfelijk de lezing van ongodsdienstige boeken en geschriften is , leert genoegzaam de dagelijksche ondervinding, en de geschiedenis der eeuwen levert daarvoor bewijzen bij duizenden. Een ongodsdienstig boek is gelijk aan een vermomden roover, die den or.bezorgden reiziger met geveinsde vriendelijkheid aanspreekt en onder het voorwendsel van hem den rechten weg te wijzen , al dieper en dieper in het dichte bosch lokt, om hem daar van goed en bloed te berooven. quot;Wie namelijk zulk een boek leest, verlaat spoedig den rechten weg, verliest zijn geloof en het leven der genade. — Dit lot trof een jong mensch, wiens naam en vaderland wij kunnen noemen, maar om bizondere redenen liever verzwijgen. Als knaap was hij een toonbeeld van godsdienst, bescheidenheid en zedigheid geweest, zoodat men hem algemeen een tweeden Aloysius pleegde te noemen. Gedurende een lang verblijf in Frankrijk, vielen hem de goddelooze geschriften van Voltaire in handen. Hij las en herlas ze en keerde als een volslagen ongeloovig en zedelijk bedorven mensch in zijn vaderland tei\'ug. Daar leidde hij vele jaren, wars van God en al wat goddelijk is. over zich zeiven en anderen ontevreden. langzaam verkwijnend, een voor ieder hoogst aanstootelijk leven. Te vergeefs stelden zijne vrienden en naast-bestaanden alles in het werk, om hem op betere wegen terug te brengen; al hunne toespraken en hunne smeekingen wees hij met bitteren spot van de hand, en toen, bij het toenemen zijner zwakte, een priester zijne kamer binnentrad, om hem met God té verzoenen, ontvlamde hij in zoo hevigen toorn, dat hij op het punt stond, een zwaar geladen pistool op den dienaar Gods af te vuren. — Op zekeren dag werd de ongelukkige in zijne slaapkamer, gruwelijk verminkt, dood gevonden. De afschuw van zijn lijk was zoo groot, dat niemand het wilde wegdragen, en derhalve voor veel geld eenige arbeiders moesten gehuurd worden, om het in ongewijde aarde te begraven. — Het verderf uit ongodsdienstige boeken geput bepaalt zich echter meestal niet bij den lezer, maar verspreidt zich ook over diegenen, die met hem in nauwere betrekking leven. Zoo moeten niet zelden geheele familiën aan goddelooze boeken haren ondergang toeschrijven, aan boeken, die den vader of de moeder van lieverlede godsdienst, deugd en zedelijkheid ontnomen hebben. Een schrikwekkend\' voorbeeld van dezen aard biedt ons de volgende gebeurtenis, die in Wilmers handboek breedvoeriger verhaald wordt. Williams Beald, een zeer aanzienlijk Engelschman, had gedurende vele jaren een gelukkig en roemvol leven geleid . toen hij slechte boeken begon te lezen. Dit bracht hem weldra zoo ver, dat in zijnen geest zelfs het begrip van deugd niet meer overbleef en hij het besluit vormde, om zijne gemalin, zijne kinderen en zich zeiven te vermoorden. ïoen liet hij een zijner vrienden bij zich noodigen, met de bede, dat hij niet zou\' nalaten te komen, teneinde den veranderden toestand zijner familie in oogenschouw te nemen. In de meening, dat er een huiselijk vi\'eugdefeest gevierd werd, spoedde deze zich om aan de uitnoodiging gevolg te geven, doch hij vond slechts lijken. Williams had zijne gemalin en kinderen vermoord met een dolk en zich zeiven doodgeschoten.
Dat slechte boeken in staat zijn, zelfs geheele landen aan den rand des verderfs te voeren, bewijst de geschiedenis van Frankrijk op on-TIEIIAHBE, GELOOFSLEER. III. \'Wc DRUK. 7
98
Daar bovendien het geloof voor onze medechristenen eene even hoo^e waarde heeft als voor ons zeiven, zondigt eenieder insgelijks zwaar, wanneer hij hen blootstelt aan het gevaar van het geloof te verliezen, als hij door spotternij met den godsdienst, door het stellen en verdedigen van meeningen in strijd met het geloof, enz , voornamelijk echter door het verkoopen, leenen, aanbevelen, door het drukken, uitgeven en verspreiden van boeken en geschriften strijdig met den godsdienst, in hun hart het geloof verzwakt en ondermijnt.
3) Door onverschilligheid in het geloof — Onverschillig-keii met betrekking tot het geloof kan men onderscheiden van het bovenbeschreven ongeloof of van volslagen gemis van geloof. De ongeloovige gelooft niets of geeft tenminste voor, dat hij niets meer gelooft; de onverschillige daarentegen heeft nog geloof, of geeft voor, zulks te hebben.
tegensprekelijke wijze (vergel. Ie deel, bl. 157). Toen namelijk de ongelukkige koning Lodewijk XVI, onttroond en gevangen, in zijn kerker de portretten zag van Voltaire en Kousseau, sprak hij met weemoed en edelen toorn: «.deze beide mannen zijn het, die Frankrijk ;/ter gronde gericht hebben.quot; Met dezelfde overtuiging bezield, zeide Napoleon I, //dat hij zich niet sterk genoeg gevoelde om een volk te »regeeren, hetwelk Voltaire en kousseau las.quot; Daarom stond hij het ook niet toe, dat onder zijne regeering de werken van Voltaire weder gedrukt werden. — De kwade gevolgen van boeken, vijandig aan den godsdienst, waren steeds zoo duidelijk zichtbaar voor iedereen, dat zell\'s de heidenen ze erkenden en die middelen aanwendden om ze te voorkomen, welke door de Christenen onzer dagen helaas; al te zelden worden gebezigd. Valerius Maximus onder anderen (de relig. Lib. I. N0. 12) bericht, dat de stadspraetor L. Petilius op bevel van den Senaat die boeken der Grieken, welke op eene of andere wijze als vijandig aan den godsdienst beschouwd werden , onder de oogen des volks, in het vuur, door de priesters ontstoken, liet verbranden (Verg. Tit. Liv. OJquot; boek). Dezelfde geschiedschrijver voegt er aanstonds de bemerking bij: //de mannen van den voortijd wilden niet, dat er iets z/in den Staat bewaard bleef, wat den zin dos volks van de vereering ,van God afkeerig zou kunnen maken.quot; Volkomen dezelfde meening werd ook door den arabischen wijsgeer Averroës geuit. Als hij namelijk hoorde, dat men in Gorduba tien goudstukken voor een slecht boek en voor een boek van godsdienstigen inhoud slechts één betaalde, riep hij uit: //Gorduba, mijn vaderland, is verloren, want Gorduba, „mijn vaderland, is bedorven!quot; En zich wendende tot degenen, die hem omgaven, zeide hij : „weet, dat deze stad spoedig ten gronde zal „gaan, want ik heb gezien, dat het volk slechte boeken leest.quot;
In stede dus van met de straffen , welke de Kerk op het lezen, het bewaren en verspreiden van ongodsdienstige boeken logt, te spotten en er zich over te beklagen, zou men veel beter doen met haar daarvoor den innigsten dank te brengen, dat zij den giftbeker, weiken de hel op alle plaatsen mengt, door alle haar ten dienste staande middelen, van de lippen harer kinderen verwijdert, en aldus veel bijdraagt tot het heil van iederen mensch, van goheele familiën en landen.
99
Er zijn onverschillige Katholieken — a) aan wie het katholiek geloof ^wel goed schijnt, maar niet heter, dan elk ander geloof. Dezen f^aan van het beginsel uit, dat men een of anderen godsdienst hehhen moet: den katholieken of den protestantschen , den joodschen of den mahomedaan-schen, enz. dat is geheel hetzelfde ; dat elke godsdienst goed is naar omstandigheden, nameliik naar hunne belangen het medebrengen; soms meenen zij zelfs, dat ieder zich een geloof naar believen en bekwaamheid vormen mag:. Zulke naam-Katholieken zondigen zwaar tegen het geloof, omdat zij in beginsel het bestaan van het geloof, dat slechts één en het alleen goede, d. i. het alleen zaligmakende is, loochenen. — h) Eene tweede soort van onverschilligen ten aanzien van het geloof zijn degenen, die het katholiek geloof nog als het ware en ook wel als het eenig ware erkennen, maar om de leer van dat geloof zich zoo \'weinig bekreunen, dat zij zich niet eens de moeite geven, de ter zaligheid volstrekt noodzakelijke waarheid grondig te leeren kennen. Deze soort van onverschillige Katholieken zondigen dus tegen het geloof door verzuim van het noodzakelijke onderricht in den godsdienst. — e) Ten gevolge dezer tweevoudige onverschilligheid aangaande het katholiek geloof laten ouders dikwijls hunne kinderen, voogden hunne pupillen, oversten hunne onderdanen in de betreurenswaardigste onwetendheid en onverschilligheid in geloofszaken opgroeien, sterken hen daarin door hun slecht voorbeeld, en zijn soms het eerste gereed, om de uitwerkselen van het echt katholiek onderwijs, dat de kinderen in de school of kerk bekomen, door laffe spotternij , door het bespotten of hekelen der leeraars of der godsdienstleer, door het aanprijzen van een godsdienst op eigen hand, weg te nemen. Zulke ouders en oversten zondigen zwaar tegen het geloof, daar zij de schuld zijn, dat hunne kinderen nooit tot de grondige kennis van het katholiek geloof komen, of zelfs het geloof verliezen. Nog grooter is om dezelfde reden de zonde dier ouders en voogden, die toegeven, of er toe bijdragen, dat hunne kinderen of pupillen in de dwaling worden opgevoed. Zulke ouders en oversten zijn in waarheid zielenmoorders.
4) Door de feitelijke verloochening van het geloof. Aan eene verloochening van het geloof, en bijgevolg aan eene zware zonde tegen het geloof, hetwelk ieder katholiek Christen verplicht is te belijden, maakt men zich schuldig a) door woorden, wanneer men het geloof afzweert of bij anderen loochent, dat men Katholiek of Christen is. Moge men ook in het hart het geloof getrouw blijven, aan de waarheid er van zelfs niet twijfelen, het is toch altijd eene
7*
100
zware verloochening van geloof (Verg. hier Ie deel). — b) Door de daad maakt men zich aan eene verloochening van het geloof schuldig , wanneer men, zij het slechts in schijn, door gebaren of eenig ander uitwendig teeken te kennen geeft, dat men een anderen dan den katholieken godsdienst helydt. Een zoodanig teeken moet echter in en op zich zeiven of uit hoofde van bizondere omstandigheden in de oogen van hen, die het waarnemen, de beteekenis hebben, dat men het katholiek geloof verloochent, of een anderen godsdienst belijdt. Zoo is b. v. het eten van vleesch op de vaste-dagen op zich zeiven geene verloochening van het katholiek geloof en wordt ook in het algemeen niet daarvoor gehouden; dit geldt echter wel van het ontvangen van het protestantsche avondmaal. Het eerste kan alzoo den Katholieken om verscheidene redenen veroorloofd worden, maar het laatste nooit. — Wie door verloochening of afval van het christeliik geloof tot een niet christelijken godsdienst overgaat, wordt apostaat, de overlooper tot den ma-homedaanschen godsdienst renegaat genoemd. De Katholiek verloochent ook zijn geloof — c) door het verzuimen van de verplichte belijdenis; ten eerste, als hij zwijgt,wanneer hr; wettig ondervraagd wordt, of door de omstandigheden ter voorkoming van ergernis verplicht is, getuigenis van zijn geloof te geven (zie le deel); ten tweede, wanneer hij de door het geloof opgelegde plichten, namelijk den plicht van uiterlijk zijn godsdienst te belijden, de Kerk te bezoeken, de HH. Sacramenten te ontvangen, enz. dermate verzuimt, dat hij zijnen medemenschen billijke reden geeft, hem als een onkatholiek of ongeloovige te beschouwen.
quot;Wij vereeren echter God niet alleen door het geloof, maar ook door de hoop. Beide, geloof en hoop, zijn ons streng geboden, beide ter zaligheid volstrekt noodzakelijk. Wie namelijk de zaligheid niet hoopt, zal ook de yereischte middelen niet aanwenden, om haar te verkrijgen ; hij zal Gods geboden niet houden, het goede niet beoefenen. Daarom zegt de H. Paulus: „Door de hoop worden wij zaligquot; (Kom. VIII, 24), en de Psalmist (XXXVI, 3) : „Hoop „op den Heer en doe goed,quot; d i. en gij zult goed doen. -Nadat wij gezien hebben, hoe men tegen de eerste der goddelijke deugden, tegen het geloof zondigt, volgt nu het onderzoek, op welke wijze men tegen de tweede deugd, de hoop, misdoet. Ten einde dit beter uiteen te zetten, moeten wij beginnen met te verklaren, wat onder de deugd dei-hoop te verstaan zij ; vandaar de vraag;
101
Wat is de christelijke hoop ?
De christelijke hoop is eene door God ingestorte deugd, waardoor wij met een vast vertrouwen om de verdiensten van Christus alles verwachten, wat God ons beloofd heeft,— Vier punten moeten wij hier verklaren; 1) Wat is hopen ? 2) Wat moeten wij hopen? 3) Waarom moeten wij hopen? 4) Waarom wordt de christelijke hoop eene „door God ingestorte deugdquot; genoemd ?
1) Wat is hopen? — „Hopenquot; is iets, waarnaar men verlangt, verwachten, met een vast vertrouwen van het te hekomen. Niet elk verwachten dus is hopen. Men kan ook een ongeluk verwachten, doch men hoopt het geenszins, omdat men daarnaar niet verlangt, maar het vreest. Hoop is dus de verwachting van een goed, dat men niet heeft, maar gaarne hebben wil, van een goed, waarnaar men verlangt. Maar ook in het verlangen alleen bestaat de hoop nog niet; want menig zieke verlangt lang te leven, maar verwacht het niet, als hij ziet, dat zijn einde nadert. Tot het begrip der hoop behoort, behalve het verlangen van eenig goed te bezitten, tevens het gegronde vooruitzicht of het vertrouwen, tot het werkelijk bezit er van te geraken. Hoop is dus verwachting met verlangen en vertrouwen, en hierin komt ook de christelijke hoop met elke andere overeen. Ofschoon er in het door den Katechismus gegeven antwoord van het verlangen niet uitdrukkelijk melding gemaakt wordt, begrijpt men dit toch van zelf; want hetgeen God ons ter wille van de verdiensten van Christus beloofd heeft, is noodzakelijk een goed, hetwelk wij met verlangen kunnen en moeten verwachten. De christelijke hoop is echter van elke andere daardoor onderscheiden, dat wij het door God beloofde hoogste goed, en niet, gelijk andere goederen, van menschen, maar van God zei ven, en niet met een wankelend, maar met een vast en zeker vertrouwen en met de hulp der goddelijke genade verwachten.
2) Wat moeten wij hopen? Wij moeten vóór alles het eeuwige leven hopen , en wat daartoe noodzakelijk en nuttig is, als: de vergeving der zonde en de goddelijke genade; want dat alles heeft God ons ter wille van de oneindige verdiensten van Jesus Christus beloofd. Het eerste en voornaamste voorwerp onzer hoop is het eeuwige leven. Om ons het recht te geven, daarop te hopen, kwam God de Zoon in de wereld ; tot dat einde wilde Hij voor ons lijden en sterven. Nooit moeten wij dus de woorden van den god-vreezenden Tobias uit hel oog verliezen. Toen namelijk
102
zijne bloedverwanten en bekenden spotsgewijze, tot hem, den zwaar beproefde, zeiden: „waar is nu uwe hoop, waarom „gij aalmoezen gegeven en dooden begraven hebt T\' zeide hij tot hen: „Spreekt zoo niet; want wij zijn kinderen der „Heiligen, en wij verwachten het leven, hetwelk God zal „geven aan degenen, die in hun vertrouwen op Hem nooit „zullen wankelenquot; (Tob. II, 16—18). Daar echter het eeuwige leven, of wat hetzelfde is, de toekomstige eeuwige zaligheid, in het bezit en genot van God bestaat (gelijk in het tweede deel is bewezen), zoo kunnen wij ook met volle recht zeggen : het voornaamste voorwerp onzer hoop is God zelf, inzoover Hij ons in het andere leven zich zeiven tot volkomen bezit en genot aanbiedt en aldus ons eeuwig gelukkig maakt. In dezen zin zegt God (1. Mos. XV, 1); „ik wil uw zeer groot loon ziin en de H. Augustinus (Civ. Dei 1. XXII, c. 30): „Hij zelf zal de belooning der „deugd zijn, Hij, die ook de gever van haar is, en die „zich zeiven als het beste en hoogste, wat ooit bestaan „kan, beloofd heeft.quot; Daarom merkten wij vroeger aan, dat de hoop, genomen als verlangen naar het bezit van God, ook eene verlangende liefde tot God in zich sluit, of liever verlangende liefde tot God is.
Het tweede voorwerp der christelijke hoop, ondergeschikt aan het eerste, als het middel tot het doel, zijn de godde-lyke genaden en gaven, welke ons ter verkrijging van het eeuwige leven noodzakelijk of nuttig zijn. Om het kwaad te vermijden en het goed te doen, de bekoringen te overwinnen, alle geboden Gods getrouw en standvastig te onderhouden, en eenmaal het hemelrijk in te gaan, hebben wij de goddelijke genade volstrekt noodig. Wij zijn derhalve ook streng verplicht, haar als een noodzakelijk middel tot onze heiliging en toekomstige zaligheid van God te verwachten, d. i. onze hoop moet zich niet alleen tot onze zaligheid in God, maar ook tot de genade, welke ter verwerving dier zaligheid noodzakelijk is, uitstrekken. Ja, zelfs de niet onvermijdelijk noodzakelijke, maar alleen ter zaligheid voordeelige genaden en gaven mogen en moeten het voorwerp onzer hoop zijn, daar wij door het geloof weten, dat Jesus Christus ons niet slechts de eenvoudig noodzakelijke, maar overvloedige genaden verdiend heeft, en dat God bereid is, juist om deze verdiensten zijns Zoons, ook zoodanige genaden mede te deelen, welke ons helpen gemakkelijker en volkomener ons laatste doel te bereiken \').
\') God heeft ons alles beloofd. wat tot het verwerven der eeuwige zaligheid noodzakelijk is. Daarom moeten wij ook alles met vertrouwen
103
In het bizonder mag en moet ieder zondaar, hoe groot ook, vergeving hopen, indien hij slechts van ganscher harte zich -wil hekeeren en boetvaardigheid doen. „God wil den „dood des zondaars niet, maar dat hij zich bekeere van „ziinen weg en levequot; (Ezech. XXXIII, 11). Deze uitspraak van den H. Geest geldt van alle zondaars zonder nitzordering. Hoe zou God den oprechten wil kunnen hebben, dat ieder, die gezondigd heeft, zich bekeere en leve, indien een enkel zondaar geene genade zou mogen hopen ? In den uitdrukkelijken wil van God, dat de zondaar zich bekeere, ligt dus ook de belofte van hem vergeving te zullen schenken. Al zijn derhalve de zonden als scharlaken en rood als purper (Is. Ij 18), al overtreffen zij het getal der haren van ons hoofd of der zandkorrels aan het strand der zee, d. i. al zijn zij nog zoo groot en talrijk, de zondaar mag en moet altijd om de verdiensten van Christus, „die door zijn bloed „de verzoening voor onze zonden en die der geheele wereld „geworden isquot; (1. Joan. II, 3), met vertrouwen hopen, dat zij wit worden als sneeuw, en de Heer later niet ééne er van gedenken zal (Hebr. quot;VIII, 12), mits hij zijne misdaden van harte verfoeie en ware vruchten van boetvaardigheid voortbrenge. Daarom zegt de Heer door den mond van den Profeet: „Als de goddelooze boete doet over al „zijne zonden, en al mijne geboden houdt, hij zal leven, „ja, leven en niet stervenquot; (Ezech. XVIII, 21). Is de zondaar daarentegen niet met ernst hiertoe bereid, dan is zijne hoop zeker ijdel; want God heeft ons slechts dan vergeving der zonden en het eeuwige leven beloofd, als wij met zijne genade medewerken. Derhalve moet het vertrouwen, hetwelk een bestanddeel der christelijke hoop uitmaakt, altijd gepaard gaan met het oprecht voornemen, aan de genade door eigen medewerking te beantwoorden. — De H. Schrift levert ons vele voorbeelden van groote zondaars, wier hoop op vergeving niet te schande werd, omdat zij zich oprecht tot God bekeerden. Groot en talrijk waren de
hopen, want God zal het ons ongetwijfeld geven. Maar de genaden, die ter zaligheid juist niet noodzakelijk, maar toch voordeelig zijn, heeft Hij ons niet aliegader beloofd; Hij deelt ze ons mede naar zijn heilig welgevallen, den een in ruimere, den ander in minder ruime maat (Eph. IV, 7; 1. Cor. XII, 11). Zoo verleent God in zijne lankmoedigheid aan menigen zondaar nog tijd ter bekeerirg en boetvaardigheid; maar niemand mag of moet om die reden vermetel hopen, dat hij na volbrachte zonde nog tijd zal hebben, om zich te bekeeren, wijl zulk eene genade hem hoogst voordeelig zijn zou. Daarom mag men niet zeggen, dat eenieder alles, wat tot zijn zieleheil noodzakelijk en nuttig is, met een vast vertrouwen moet hopen.
104
zonden en misdaden der bewoners van Ninivé; toen zij echter op de boeteprediking van den Profeet Jonas, een ulgemeenen vastedag- hielden, rouwkleederen aantrokken, tot den Heer om vergeving smeekten en van hunne booze werken terugkeerden, „toen ontfermde zich God en wendde het kwaad „af, waarmede Hij hen bedreigd had en Hij deed het nietquot; (Joan. Ill, 10). Maria Magdalena was eene openbare zondares ; toen zij zich echter rouwmoedig en vol vertrouwen aan de voeten van Jesus wierp en den Heiland door haar liefdevuur en hare tranen om vergeving smeekte, vernam zij uit zijn goddelijken mond de woorden : „uwe zonden „worden u vergevenquot; (Luc. VII, 4b). De moordenaar aan het kruis was een afschuwelijk booswicht, een roover, die den kruisdood wel verdiend had ; hij bekeerde zich echter oprecht in het laatste uur, bad den Heiland, dat Hi] hem in genade zou gedenken, en Jesus zeide tot hem : „ Heden „zult gij met Mij in het paradijs zijnquot; (Luc. XXIII, 43). En welke zondaar, hoe diep ook gevallen, zou de gelijkenis va.n den goeden Herder, die het verloren schaap op zijne schouders in de schaapskooi terugdraagt, en van dien edel-moedigen vader, die zijnen, na lang dwalen, terugkeerenden zoon te gemoet snelt, en hem met de teederste liefde en harteliikste vreugde weder aanneemt — welke zondaar zou deze treffende gelijkenissen kunnen lezen en ter harte nemen, zonder tot hoop op vergeving te worden opgewekt ?
Tot hiertoe was alleen spraak van de hoop op bovennatuurlijke of geestelijke goederen. Op de vraag, of en in hoever wij ook tijdelijke goederen van God mogen hopen, luidt het antwoord : wij mogen ook tijdelijke goederen van God hopen, inzoover zij dienstig, of niet nadeelig zijn ter verkrijging der eeuwige zaligheid. De tijdelijke goederen, als: rijkdom, eer, macht, gezondheid, een lang leven en dergelijken, kunnen ter verwerving van het eeuwig heil naar omstandigheden dienstig of ook nadeelig zijn. Zij zijn daartoe dienstig, wanneer wij ze bezigen, „om goed te doen, „rijk aan goede werken te worden, gaarne te geven en mede „te deelen, ons een schat te vergaderen, als een goeden „grondslag voor de toekomst, opdat wij het ware (eeuwige) „leven verkrijgen\'1 (1. Tim. VI, 18, 19). Zij zijn ons daarentegen nadeelig, als zij ons hart geheel innemen, het tot zich trekken en boeien; wanneer zij ons, wat ongelukkig maar al te dikwijls het geval is, hoogmoedig, hoo-vaardig, trotsch, eer- en heerschzuchtig maken, of tot weelde, ongebondenheid en andere dergelijke zonden verlokken , en in het algemeen middelen aan de hand geven, om de booze lusten des harten te bevredigen. Dit erkende
105
zelfs de heidensche wijsgeer Seneca, die niet aarzelde te beweren: 1) „de ongelukkigen zijn betere vereerders van „God dan de gelukkigen.\'\' Dat de tijdelijke goederen den mensch tot geestelijk nadeel kunnen strekken , getuigt de H. Geest zelf op de duidelijkste wijze. In het boek dei-Wijsheid (IV, 11 —15) geeft Hij de reden van den vroeg-tijdigen dood van een rechtvaardige aan, zeggende: „Hij „werd weggenomen, opdat de boosheid zijn verstand niet „bederven, noch bedrog zijne ziel misleiden zou. Want de „bekoorlijkheid der ijdeliieid (der ijdele, aardsche goederen) „verduistert het goede, en de onbestendige begeerlijkheid „bederft een argloos gemoed. Vroeg volmaakt, heeft hij „vele jaren bereikt; zijne ziel was Gode welgevallig; daarom „spoedde Hij zich, hem uit het midden der zoude weg te „nemen.quot; Door deze uitspraak van den heiligen Geest leeren wij, dat ook het hoogste aardsche goed, een lang leven, tot den diepsten val strekken kan, zoodat het veelal niet een ongeluk, maar eene bizondere genade is, vroegtijdig te sterven. Ook Mozes zag zich verplicht, het israëlietische volk te waarschuwen, bij de vele en heerlijke goederen, welke in het beloofde land hun aandeel zouden zijn. God den Heer en zijn dienst niet te vergeten. „Als u,\'\' zegt hij, „de Heer, uw God, in het land (van belofte) gevoerd „en u groote en zeer goede steden gegeven heeft, welke „gij niet gebouwd, huizen vol van rijkdom, welke gij niet „opgericht, olijftuinen en wijnbergen, welke gij niet geplant „hebt, en gij eet en verzadigd wordt, wacht u dan wel „den Heer te vergeten. Den Heer, uwen God zult gij „vreezen, en Hem alleen dienenquot; (5. Mos. VI, 10—13).— Uit de gegeven verklaring blijkt duidelijk, dat het nooit geoorloofd is, van God tijdelijke goederen te verlangen en te hopen , van welke Hij voorziet, dat wij ze tot onzen eeuwigen ondergang zullen misbruiken; want dit zou wezen, niet slechts het tijdelijke voor het eeuwige trekken, maar ook verlangen en hopen, dat God tot onze verdoemenis als het ware zal medewerken. Geoorloofd en billijk is het daarentegen, zoodanige tijdelijke goederen van God te verlangen en te hopen, welke geschikt zijn, om ais middel ter verwerving of vermeerdering der hernel-sche zaligheid te dienen. Bij eene dusdanige hoop toch stellen wij geenszins de tijdelijke goederen vóór de eeuwige zaligheid, maar verwachten en verlangen die enkel en alleen, om daardoor tot de hemelsche glorie, tot het
1
Lib. S Declum.
106
bezit van God te geraken, hetgeen voorzeker goed en loffelijk is \').
Ja, al zouden wij hoofdzakelijk of alleen ons eigen tijdelijk welzijn of dat van onze bloedverwanten op liet oog hebben, maar daarbij het eeuwige niet uitsluiten, d. i, niet zoo gestemd zijn, dat wij het tijdelijke zouden begeeren , indien het aan ons zieleheil nadeelig zou wezen, zell\'s in dat geval mogen wij het van God verlangen en met vertrouwen verwachten, ingevolge de uitspraak van Jesus Christus: j.Zijt alzoo niet beangstigd, zeygende: wat zullen wij eten. of wat //zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleeden ? Want //quot;uw (hemelsche) Vader weet, dat gij dit alles noodig hebt. Zoekt «dan eerst het rijk Gods en zijne gerechtigheid , en alle deze dingen „zullen u worden toegeworpenquot; (Mattli. VI, 3i—34). Laten ook wij de al te angstige zorg voor den dag van morgen aan de Heidenen over, die den Vader in den hemel niet kennen en niets van zijne liefdevolle voorzienigheid verwachten; begeeren en verwachten wij daarentegen van üod met vertrouwen alles, wat wij tot ons tijdelijk welzijn noodig hebben, door Jesus Christus onzen Heer. De heilige Schrift noodigt ons op bijna ontelbare plaatsen , vooral in het boek der Psalmen, dringend uit, in alle, zelfs in tijdelijke aangelegenheden onze hoop op God te vestigen, en stelt ons de schoonste voorbeelden van deze dtugd voor oogen. l)avid hoopte in alle gevaren en rampen op God en hij werd niet beschaamd; de kuische Susanna sloeg, toen
\') Hier kan de vraag gesteld worden, of wij de tijdelijke goederen, inzooverre zij tot ons eeuwig heil dienstig of bevorderlijk zijn, niet slechts van God hopen mogen , maar ook hopen moeten, dat is, of wij in dit geval verplicht zijn, de tijdelijke goederen van God te hopen? Ueze vraag kan men niet onvoorwaardelijk en voor alle omstandigheden bevestigend beantwoorden. Want eenig tijdelijk goed, bijv. de gezondheid, kan dienstig zijn ter zaligheid, inzooverre wij in gezonde dagen betere gelegenheid hebben om God te dienen, voor God te werken en zijne eer te bevorderen; maar dikwijls kan ziekte nog dienstiger zijn, wijl zij ons gelegenheid biedt, voor God te lijden en door oefening van geduld Jesus, den Gekruiste, meer gelijkvormig en rijker in verdiensten te worden. In dit geval nu zou klaarblijkelijk van geene verplichting, om de gezondheid van God te hopen, spraak kunnen zijn. In \'t algemeen beschouwden de Heiligen, vooral de H. Ignatius, het als eene volmaaktheid, waarnaar ieder moet streven, zoo gezind te zijn , dat, al konden wij ook in het bezit van waardigheden, eer enz. onze zaligheid even goed bewerken en God evenzeer verheerlijken als in armoede, nederigheid en lijden , wij evenwel aan een arm, veracht leven vol lijden, uit liefde en eerbied voor Jesus, den Gekruiste, de voorkeur zouden geven. — Wil men door de stelling; „wij moeten de tijdelijke goederen van God hopen,quot; slechts te kennen geven, dat het de plicht van een Christen is, al het tijdelijke : geluk, welstand, voorspoed, redding uit gevaren des lichaams, enz. niet van het blinde toeval, van het noodlot, ook niet hoofdzakelijk van mensche-lijke hulp of gunst, van onze eigen bemoeiingen en bekwaamheid, maar van God, uit Gods hand te verwachten, dan is zij volkomen juist en stemt zij volmaakt overeen met de uitspraken der H Schrift, die ons veelvuldig vermaant, niet op menschen, maar op God ons vertrouwen te stellen: //Zoo spreekt de Heer: vervloekt de mensch, «die zijn vertrouwen op menschen stelt en op vleesch steunt, en wiens „hart van den Heer afwijkt.... gezegend de mensch, die zijn vertrouwen op den Heer vestigt, en wiens hoop de Heer isquot; (Jerem XVII, 5, 7).
107
de beide misdadige ouderlingen getuigenis tegen haar aflegden, hare oogen „weenend ten hemel; want haar hart had vertrouwen op den *Heerquot; (Dan. XIII, 35), en de Heer redde haar. — Wanneer iemand op de bovengenoemde wijze eenvoudig tijdelijke goederen ot\'tijdelijke hulp van God hoopt, in deze hoop eene gelofte doet of eene H. Mis laat lezen, diens hoop is wel goed, en, daar zij op God en niet op de menschen gevestigd is, christelijk; maar de goddelijke (zoogen. theologische) deugd der hoop is zij niet, daar dergelijke oefeningen van deugd God niet tot voorwerp hebben, hetgeen aan de oefeningen der goddelijke of theologische deugden in het algemeen eigen is, en haar eene bizondere voortreffelijkheid geeft, gelijk wij later bij de leer over de deugd en de christelijke volmaaktheid zien zullen \').
3) Waarom moeten wij hopen? Wij moeten van God alle goed hopen, omdat de oneindige, machtige, barmhartige en getrouwe God het ons beloofd en Jesus Christus het verdiend heeft. — Inzoover de hoop eene goddelijke deugd is, waardoor wij met een vurig verlangen en, wat hier vooral in aanmerking komt, met een standvastig vertrouwen het bezit van God verwachten, is God zelf zoowel het voorwerp, als ook de beweegreden dier hoop. Wij verlangen naar God als naar ons hoogste goed, hetwelk alleen ons volkomen gelukkig kan maken; en wij koesteren ook het vaste vertrouwen , dat wij tot het bezit en genot van dat hoogste goed geraken zullen, omdat God, de Almachtige, de Barmhartige en oneindig Getrouwe, het ons ter wille van de verdiensten van Jesus Christus beloofd heeft. Gods almacht waarborgt ons, dat Hij ons tot de eeuwige zaligheid helpen Jcan; Gods barmhartigheid, dat Hij ons daartoe helpen Gods getrouwheid in het vervullen zijner beloften, dat Hij ons daartoe helpen zal. Of wat zou Hem kunnen beletten zyn gegeven woord te houden, „bij wien geen woord on-„mogelijk isquot; (Luc. I, 37), die „met eeuwige liefde ons „bemintquot; (Jerem. XXXI, 3), „zijn eeniggeboren Zoon voor „ons gegeven heeft,quot; van wien geschreven staat: „God is „niet als een mensch, dat Hij liegt.. . Hij heeft het ge-„zegd, zal Hij het niet doen? Hij heeft het gesproken, „zal Hij het niet volbrengen?quot; (4. Mos. XXI11, 19). Neen, de hoop van het eeuwige leven is niet bedriegelijk; want, „God, die niet liegt, heeft het ons voor eeuwige (onheugelijke) „tijden beloofdquot; (Tit. I, 2). — De gedachte aan onze onwaardigheid en onze geringe verdiensten is voorzeker weinig
i) De H. Thomas (de spe. a. 4) onderscheidt daarom de hoop, waardoor wij van God in het algemeen eenig goed of de verhooring van ons gebed verwachten, van de theologische deugd, waardoor wij in het bizonder de eeuwige zaligheid hopen. De eerste hebben ook de zaligen in den hemel, daar zij voor ons bidden; de andere kunnen zij echter niet hebben, omdat zij reeds in het bezit der zaligheid zijn.
108
geschikt, ons een vast vertrouwen in te boezemen; doch niet onze waardigheid, niet onze verdiensten, maar de waardigheid en de verdiensten van Jesus Christus waren het, welke God bewogen, ons het eeuwig leven te beloven, en deze zijn het ook, welke aan onze zoo geringe verdiensten kracht en hoogere waarde schenken. Van den H. Barnardus wordt verhaald, dat de helsche bekoorder hem op zekeren dag tot kleinmoedigheid heeft willen verleiden en hem influisterde : „Bernardus, gij hoopt den hemel, gij, een zoo re]lendig schepsel? Waar zijn dan uwe verdiensten voor „eene zoo groote vreugde en heerlijkheid.\'\' Toen antwoordde hem de Heilige: „Het is waar, dat ik den hemel geheel „en al onwaardig ben ; waar is het, dat ik dien uit mij „zeiven niet verdien en nooit verdienen zal, maar niettemin „hoop ik er op, omdat de goedheid van God oneindig, de „liel\'de van God oneindig, de barmhartigheid van God on-„eindig is. Ik hoop de eeuwige heerlijkheid van het hemelsch „rijk, omdat Jesus Christus die voor mij verdiend heeft.quot;
Daar het geloof leert, dat God ons allen, om de verdiensten van Christus, het eeuwig leven als ook de daartoe noodzakelijke hulp en genade en in het bizonder de vergeving der zonde beloofd heeft, zoo zouden wij God een groot onrecht aandoen, als wij in het miuste aan de vervulling dier belofte twijfelden. Bijgevolg mogen wij nimmer aarzelen en ophouden, de eeuwige goederen met het volste vertrouwen van Hem te hopen. — Wat de tijdelijke goederen aangaat, deze kunnen wij wel niet met evenveel zekerheid van God verwachten, daar Hij ons die niet met dezelfde bepaaldheid als de geestelij ke verzekerd heeft, en wij niet weten, welke tot ons heil meer dienstig dan nadeeüg zijn; wij moeten echter in alle gevallen, met kinderlijk vertrouwen op Gods grenzenlooze goedheid ea barmhartigheid, bidden, en in de vaste overtuiging leven, dat „niemand, die op „den Heer heelt gehoopt, beschaamd is gewordenquot; (Sir. 11,11), maar alle beschikkingen van den hemelschen Vader tot ons bestwil strekken i).
1) God neemt de zorg op zich voor ieder, die al zijne gedachten op Hem richt en met onbeperkt vertrouwen op hem steunt. In alle moeieiijkheden en aangelegenheden komt Hij hem te hulp. Hiervan deden de Heiligen de gelukkigste ervaring op. De H. Franciscus van Assisi en zijne ordebroeders bezaten niets, en toch ontbrak hun noch kleeding, om zich te dekken, noch spijs, om zich te voeden. Zoo dikwijls hij zijne gezellen tot den aposiolischen arbeid uitzond, gaf hij hun het woord van den Proleet (Ps. LV1, 23f mede: //Werpt uwe ^zorgen op den Heer, — Hij zal u voeden.quot; — De H. Vincentius van Paulo was gewoon te zeggen; j.juist in den dringendsten nood moeten
109
4) Waarom wordt de christelijke hoop eene door God ingestorte devgd genoemd?
Zij wordt „devgd\'quot; genoemd, omdat de hoop, welke de Christen hebben moet, niet bestaat in eene voorbijgaande handeling, maar (gelijk in het algemeen elke deugd) in een voortdurenden toestand, in eene blijvende stemming der ziel. Eene „door God ingestortequot; deugd heet zij , omdat zij een genadegeschenk is van God. — Gelijk bij het geloof en bij de liefde, zoo moeten ook bij de hoop de afzonderlijke akten van deugd wel onderscheiden worden van de deugd zelve, gelijk de stemming van eene snaar te onderscheiden is van den toon, welken de snaar bij deze stemming gewoon is voort te brengen, als zij wordt aangeraakt. Warneer wij namelijk oefeningen van geloof, hoop en liefde veiwekken met de woorden: „o mijn God, ik geloof,quot; enz., dan gaan de oefeningen, alsmede de woorden, waarmede
«wij toonen, dat wij in waarheid op God vertrouwen.quot; De bestuurder van het instituut, door dezen Heilige opgericht tot vorming van apostolische missionarissen, zeide hem op zekeren dag, dat hij geen penning meer had, niet slechts om de buitengewone, maar zelfs niets om de dagelijksche uitgaven te bestrijden. Vincentius antwoordde hem bedaard en met helderen blik: »0 welk een goed nieuws, de Heer zij //geprezen! Nu is het oogenblik daar om te bewijzen, hoe vast wij «op zijne goedheid vertrouwen; de schatten der Voorzienigheid zijn ,onuitputtelijk, die mogen wij niet mistrouwen.quot; De Heilige sprak uit ondervinding; want niemand heeft meer en grootere dingen met geringer tijdelijke middelen tot stand gebracht, dan juist de H. Vincentius vau Paiilo. — De zalige Franciscus van het Kind Jesus, dienaar van het hospitaal te Alkala in Spanje, pleegde den geboortedag des Heilands te vieren, met den armen, die hij de hovelingen van het Kind Jesus noemde, een gastvrij vreugdefeest te bereiden. Daar hij zelf arm was, moest hij eerst de spijzen voor het armenmaal bedelen; spoedig echter nam men zooveel aandeel aan dit schoone liefdewerk, dat men hem al, wat hij noodig had, te huis bracht. Later verflauwde evenwel deze ijver, en zoo gebeurde het eens, dat Christus\' geboortedag nabij was, zonder dat Franciscus wist, hoe hij zijnen armen te eten zou geven. Daar knielde hij neer voor het beeld van het goddelijk Kind en sprak met veel eenvoud des harten: «liet Kind „Jesus, ons feest, en daarmede de dag, om uwe hovelingen te spijzen, //staat voor de deur, maar uw broeder Frans heeft nog geen halven „penning, en nog niemand heeft hem iets aangeboden, zooals toch .■anders gewoonlijk geschiedde. Ik weet niet wat Gij mij ditmaal /.schenken zult — vooral wijl het schijnt, dat Gij niet meer aan mij »denkt.quot; Nauwelijks had de goede broeder opgehouden met spreken, of daar klopte iemand aan de poort en vroeg om broeder P\'ranciscus te spreken. De vreemdeling bracht eene aanzienlijke som gelds met het verzoek om dit jaar den gewonen maaltijd niet achter te laten. Buiten zich zeiven van vreugde, legde Franciscus den schat voor de voeten van zijn geliefd Kind Jesus neder en riep herhaaldelijk uit: //geloofd zij het Kind Jesus;quot; hij bracht vervolgens de overige bedienaars van het hospitaal bijeen om met hem het Kindje te loven. Ondertusschen was de gever stil verdwenen , zonder dat Franciscus wist, vanwaar hij gekomen was.
110
wij die akten uitdrukken, voorbij; de deugd daarentegen, deze door den H. Geest aan de ziel verleende genadegave, welke ons bekwaam en geneigd maakt, dergelijke oefeningen te verwekken , deze geloovige, vertrouwvolle en beminnende gemoedsstemming blijft, en gaat slechts door zware zonden, strijdig met de genoemde deugden, verloren. Zoo wordt de deugd des g loofs door zware zonde tegen het geloof, de deugd der hoop door zware zonde tegen de hoop, de deugd der liefde, eindelijk, door elke zware zonde verloren. — Tot het ontvangen van de goddelijke deugd der hoop kunnen wij ons wel voorbereiden, maar in den eigenlijken zin verdienen kunnen wij haar niet. Evenmin zijn wij in staat haar door onze natuurlijke krachten te verkrijgen of te vermeerderen; zij is en blijft volgens hare geheele natuur en omvang een bovennatuurlijk genadegeschenk van God, hetwelk ons ter wille van de verdiensten van Christus bij het H. Doopsel, en, indien zij later verloren wordt, bij elke rechtvaardiging wordt verleend.
Hoe zondigt men tegen de hoop ?
1) Door wanhoop. — Tegen de hoop zondigen in het algemeen allen, die te weinig en te veel hopen. Te weinig hoopt, — a) die aan zijne zaligheid wanhoopt, d. i. gelijk Cain en Judas, volstrekt niet hoopt, de vergeving zijner zonden te verkrijgen of van zijne misdaden en slechte gewoonten afstand te kunnen doen, en een godvruchtig, Gode welgevallig leven te leiden. — De wanhoop is eene zeer groote zonde, omdat zij niet alleen dé almacht, goedheid, barmhartigheid en getrouwheid van God en de oneindige waarde der verdiensten van Jesus Christus feitelijk loochent, maar ook den mensch verleidt, om zich aan allerlei zonden over te geven (Eph. IV, 19), en zich met voorbedachtzaamheid, als met open oogen, in den afgrond der hel te storten. Te weinig hoopt — V) degene, die wel de hoop op God niet geheel opgeeft, maar toch niet het behoorlijke vertrouwen op \'s Heeren oneindige macht, goedheid eu getrouwheid stelt. Aan zulk een onvolmaakt vertrouwen maakten zich de Israëlieten in de woestijn schuldig, toen tegen God morden en zeiden: „zal God wel bij machte „zijn, eenen disch te bereiden in de woestijnquot; (Ps LXXVII, 19; 2. Mos. XVI) ? En Aiozes zelf, als hij tot hetweder-spannige volk sprak: „zullen wij voor u wel water uit „deze rots kunnen voortbrengenquot; (4. Mos. XX, 10)? Ook de leerlingen van Jesus waren niet vrij van wantrouwen, toen zij tijdens den storm vol vrees tot hunnen slapenden Meester
Ill
kwamen, Hem opwekten en zeiden: „Heer, behoed ons, „wij vergaan!quot; (Matth. VIII, 25). Zelfs Petrus, die het meest van allen vertrouwde, vreesde, toen hij, door Jesus geroepen, op het water wandelende, begfon te zinken en riep „Heer, help mij!quot; (Matth. XIV, 30). Zoowel wantrouwen als wanhoop komt meestal voort uit gebrek aan een levendig geloof; derhalve deed ook Jesus zijnen leerlingen bij de aangeduide gelegenheden het verwijt van kleingeloovigheid: „Wat zijt gij vreesachtig, gij kleinge-„loovigen ? (jij kleingeloovigen, waarom hebt gij getwijfeld V\'
Met het wantrouwen op God moet men echter het wantrouwen op eigen krachten geenszins verwisselen, want het vertrouwen op God sluit het wantrouwen op ons zelve niet uit. Ja, al zou iemand nog zooveel goed gedaan hebben , er blijft hem altijd nog reden genoeg om zich zeiven te wantrouwen , en van zijnen kant in eene heilzame vrees te leven. //Want,quot; zegt de Kerkvergadering van Trente (Zitt. VI, Hoofdst. 14), „hoewel niemand, die godvruchtig leeft, «aan Gods barmhartigheid, aan de verdiensten van Jesus Christus „en aan de kracht en werkdadigheid der HH. Sacramenten mag twijfelen, //zoo kan toch eenieder, wanneer hij zich zeiven en zijne eigen zwak-,heid en onvolmaakte voorbereiding gadeslaat, ten aanzien van zijnen //genadestaat in vrees en kommer zijn, daarniemand met ontwijfelbare //zekerheid, welke slechts het geloof geeft, weten kan, of hij de //genade Gods werkelijk bekomen heelt.quot; In dien zin zegt ook de Prediker (IX, 1): //Er zijn rechtvaardigen en wijzen, en hunne werken ïzijn in de hand Gods , en toch weet de mensch niet, of hij liefde „of haat waardig is;quot; en de II. Paulus (1. Oor. IV, 4): //Ik ben mij wel ^niels bewust, maar daarom nog niet gerechtvaardigd; die mij oordeelt, ,/is de Heer.quot; En ingeval wij er ook zeker van konden wezen, dat wij ons bevinden in de genade Gods, dan blijven wij toch immer onzeker, of wij tot het einde des levens in staat van genade zullen volharden, daar ieder mensch zondigen kan, en niemand weet, of hij na bedreven zonde nog tijd eu wil zal hebben, om boetvaardigheid te doen. Daarom vermaant de Kerkvergadering van Trente (Zitt. VI, hst. 13) : //Niemand belove zich iets bepaalds met onvoor-//Waardelijke zekerheid, hoewel van den anderen kant allen de zekerste
«lioop op Gods hulp moeten stellen en daarbij berusten..... Zij, die
,meenen te staan, mogen toezien, dat zij niet vallen, en met vrees »en siddering, in moeielijkhedeu en nachtwaken, door aalmoezen, ^gebeden en offers, door vasten en een reinen wandel hun heil be-//Weiken; want wel bewust, dat zij tot de hoop derlieerlijkheid, maar «•nog niet tot de heerlijkheid zalve herboren zijn, moeten zij vreezen, »wegens den nog voortdurenden strijd met het vleesch, met de wereld //en met den duivel, in welken strijd zij geen overwinnaars kunnen «zijn, tenzij zij met behulp der goddelijke genade, de vermaning van »den Apostel opvolgen, die zegt (Kom VIII, 12, 13); Wij zijn geen «schuldenaren aan het vleesch. om naar den vleesche te leven. Want //indien gij naar den vleesche leeft zult gij sterven ; maar indien gij „door den Geest de werken des vleesches doodt, zult gij leven.quot; Van deze heilzame vrees doordrongen, zegt daarom de Apostel op eene andere plaats; „Ik kastijd mijn lichaam en breng het onder bedwang, «opdat ik soms niet, nadat ik anderen gepredikt heb, zelf verworpen „wordequot; (1. Cor. IX, 27) \')•
\') Gregoria, kamenier eener keizerin, had zich bij den H. Paus Gregorius beklaagd, dat zij steeds door hevigen gewetensangst gekweld werd, niettegenstaande zij eene oprechte biecht had gesproken. Zij
112
Hoewel het bewustzijn en diepe gevoel onzer zwatheid bizonder geschikt is, om ons voorzichtig, waakzaam en ootmoedig te maken. Insgelijks om ons aan te zetten, zonder ophouden God om zijne genade te bidden, zoo moet het ons toch niet tot kleinmoedigheid en versaagdheid leiden. Ondersteund door de genade, zijn wij, om zoo te spreken, almachtig. «Ik vermag alles,quot; zegt de H. Paulus (Phil. IV, 13), //in Hem, die mij (door zijne genade) sterkt,quot; en op eene andere plaats (2. Cor. XII, 9, 10); „De sterkte wordt in de zwakheid ^volkomen. Wanneer ik zwak ben, dan ben ik sterkquot; Het voorbeeld ran den H. Paulus, die van een vervolger der Christenen een Apostel; van de H Maria Magdalena, die van eene openbare zondares eene bevoorrechte lievelinge van den Heiland; van den H. Augustinus, die van een slaaf der schandelijkste drift een schitterend licht van het huis Gods werd, waarborgt ons de alvermogende kracht der genade, en is in staat ook den zondigsten en zwaksten mensch een onbegrensd vertrouwen in te boezemen \')• — l\'o onzekerheid, of wij ons in staat
schreef nu den Heilige, dat hij toch de verzekering zou geven, dat hij door goddelijke openbaring \'van de vergeving harer zonden overtuigd was. Gre\'gorius gaf hierop het volgende antwoord, hetwelk nooit genoeg behartigd kan worden: ./gij verlangt iets van mij, dat «tegelijk zeer moeielijk en nutteloos is : zeer moeielijk wijl ik der „goddelijke openbaringen onwaardig ben; zeer nutteloos, wijl gij tot ,/aan het einde van uw leven omtrent uwe zaligheid niet zeker, niet „zonder mistrouwen en vrees moogt wezen. Voorwaar, de Apostel „Paulus was reeds tot in den derden hemel opgenomen, was reeds „In het paradijs binnengeleid geworden en had, daar geheimvolle „woorden vernomen, die hij niemand mocht mededcelen, en toch „sidderde hij nog en sprak: ik tuchtig mijn lichaam, enz. Hij vreesde, „die reeds in den derden hemel was ingeleid, en de mensch, die nog „op aarde rondwandelt, wil niet vreezen. Bedenk toch, mijne dochter, „dat de zekerheid de moeder der nalatigheid is, en tracht in dit leven „naar geene zekerheid, die slechts doet insluimeren. Er staat ge-«gchreven; „„Zalig de man, die altijd In vreeze leeftquot;quot; (Spreuk. XXV111, 14), en op eene andere plaats; «dien den Heer met vrees, „en verheug u voor Hem met sidderingquot; (Ps. II, 11). Laat dus ge-„durende dit korte tijdsbestek uwe ziel sidderen. opdat zij zich hier-„namaals zonder einde in de zekere vreugde verlustige. De almachtige God „vervulle u met de genade van zijnen H. Geest, en geleide u na zoovele „tranen, die gij dagelijks bij het gebed stort, in de eeuwige vreugde.quot;
\') Op zekeren dag kwam een kloosterbroeder, die een grooten misslag begaan had, bij den vromen abt Sisois, en vroeg hem; „Vader, wat „moet ik beginnen? Ik ben zwaar gevallen.quot; De abt antwoordde goedhartig; „Zoon, sta weder op!quot; „Maar,quot; ging de eerste voort, „eenmaal ben ik reeds opgestaan en weder gevallen. Wat moet ik „dus nu doen?quot; „Sta ten tweeden male op,quot; hernam de eerwaardige grijsaard. — „Ik ben reeds meermalen opgestaan en steeds hervallen.quot; — „Word niet moede om op te staan, mijn zoon!quot; — „Hoe lang dan, „mijn vader, kan ik weer opstaan ?quot; vroeg eindelijk de kloosterbroeder. „Zoo lang, totdat u de dood in uwe booze werken verrast,quot; luidde het antwoord van den vromen oudvader. Laat dit ook ons gezegd zijn, en laten wij opstaan, zoo dikwijls wij gevallen zijn. Zonder twijfel zouden wij lachen met de onverstandigheid van een kind of het beklagen, als iiet, op den grond gevallen en zich zeiven niet meer kunnende redden, zijne hand niet uitstrekte naar de moeder, die er bij staat, maar bleet\' liggen uit vrees van nogmaals te vallen. Maar veel beklagenswaardiger zou onze toestand zijn, als wij ons na den val in eene zonde niet tot God, onzen besten Vader, zouden wenden, teneinde van Hem, die ons helpen kan en wil, de genade af te smeeken, om weder te kunnen opstaan, en voortaan met des te meer waakzaamheid te wandelen (Rufinus, Levens der Oudvaders).
113
van genade bevinden, of daarin tot het einde zullen blijven, moet ons wel voor overmoed, traagheid en zorgeloosheid bewaren, maar mag ons niet ontmoedigen of met overdreven zorg vervullen. Want, ofschoon wij ten aanzien van onzen staat van genade geene onfeilbare zekerheid hebben, is het ons toch gegeven, zooveel zekerheid te verkrijgen, dat wij ons met recht in den Heer mogen verheugen en getroost de Sacramenten der levenden ontvangen. Een zekere waarborg daarvoor is, volgens het getuigenis van den H. Basilius\'), /,indien «de ziel een zoo grooten haat jegens de zonde koestert als de Profeet, ,/die zeide ; onrecht haat en verfoei ik.quot; Wat onze volharding tot het einde toe aangaat, het blijft waar, dat het God nooit aan den ernstigen wil ontbreekt, ons zalig te maken, dat Hij ons tot dat einde voldoende, ja overvloedige genade geelt en, mits wij niet verzuimen mede te werken, ;/het goede werk (onzer heiliging) volbrengen zal, gelijk Hij «het begonnen heeft, omdat Hij het willen en volbrengen veroor-//zaaktequot; (Phil. I, 6).
2) Door vermetelheid of valsch vertrouwen. — Te veel hoopt — a) degene, die vermetel hoopt, d i. uit de grootheid der goddelijke barmhartigheid aanleiding neemt om te zondigen of in de zonde te blijven. Velen stapelen zonder schroom en vrees zonde op zonde, omdat zij denken, dat God oneindig barmhartig is en even gemakkelijk duizend zonden vergeeft, als Hij er ééne vergeeft. Anderen verschuiven in hunne lichtzinnigheid de boetvaardigheid tot het einde des levens in de hoop, dat de algoede God hun nog in de laatste oogenblikken alle zonden zal vergeven, gelijk Hij ook den moordenaar aan het kruis vergeven heeft. Anderen eindelijk tellen de zonde gering en verzuimen de boetvaardigheid, omdat zij , zich zeiven bedriegende, wanen, dat God al te barmhartig is, dan dat Hij hen om hunne zonden eeuwig verwerpen zal. Deze allen zondigen zwaar door vermetelheid, omdat zij van God eene goedheid en barmhartigheid vergen, welke met zijne heiligheid en rechtvaardigheid strijdig is, en omdat zij uit de hoop op deze goddelijke volmaaktheden, welke drijfveeren moesten zijn tot het goede, voorwendsels of drijfveeren maken tot het kwaad en tot het volharden in de onboetvaardigheid ;). —
\') Regul. Brev. 12.
-) JSiet zelden doet zich het geval voor, dat degenen, die in onboetvaardigheid leven, in wanhoop sterven. Een man uit de stad Talabera, ;zoo verhaalt een tijdgenoot, een beroemd spaansch redenaar, Joseph van Bargia) wiens leven eene aaneenschakeling van zonden en uitspattingen was, werd zwaar ziek. Een priester, met zijnen toestand bekend, bezocht hem, stelde hem het gevaar voor oogen, waarin hij zich bevond, en vermaande hem dringend, bij hem of bij een ander priester naar believen zijne biecht te spreken. ,/Ja, ja, ik wil „biechten,quot; antwoordde de zieke, en als de biechtvader hem bezwoer, om dit allernoodzakelijkste werk niet uit te stellen, totdat het te laat was, antwoordde hij : «.bij u wil ik biechten.quot; l)e priester maakte zich nu gereed om zijne biecht te hooren. Maar de zieke bleef sprakeloos; eindelijk sprak hij op een door merg en been dringenden toon DEHARBE, GELOOrSLEEK. III. 3\'le DllüK. g
414
h) Ook hij hoopt te veel, die Gods genade of hulp met een vnlsch vertrouwen, d. i. op eene wijze, welke met de goddelijke beschikking en den gewonen gang der Voorzienigheid strijdig is, verwacht. Aan eene zoodanige zonde maakt men zich schuldig, wanneer men hoopt, alleen door werken van milddadigheid zonder ware boetvaardigheid vergeving der zonden, of zonder het gebruik der genademiddelen van onzen godsdienst, de eeuwige zaligheid te verkrijgen; verder wanneer men zich moedwillig blootstelt aan een klaarblijkelijk gevaar van het leven des lichaams of de genade te verliezen, in de hoop, dat God dit gevaar door onmiddellijke tusschenkomst, door een wonder zal verhoeden en afwenden. Tot deise zonde wilde de Satan den Godmensch verleiden, als hij op de tinne van den tempel te Jerusalem tot Hem zeide „Indien gij Gods Zoon zijt, werp TJ van „boven neder; want er staat geschreven, dat Hii zijnen „Engelen wegens U bevolen heeft, en zij zullen U op de „handen dragen, opdat Gij uwen voet aan geenen steen „zoudt stootenquot; (Matth. IV, 6). Jesus wees echter de bekoringen van den helschen vijand af met de woorden: „er staat ook geschreven : gij zult den Heer uwen God „niet verzoekenquot; (Matth. IV, 7). — Wanneer wij van de H. Keizerin Cunegundis en den H. EVanciscus van Assisi lezen, dat de eerste, om hare onschuld te bewijzen, over gloeiende ploegijzers wandelde, de laatste ten bewijze van de waarheid van den christelijken godsdienst zich verplichtte, om een ontstoken brandstapel op te gaan (D. I, bl. 133). moeten wij tevens gedachtig zijn, dat deze Heiligen op bi-zondere onfeilbare ingeving Gods handelden. In den regel is dit echter volstrekt niet geoorloofd. Daarom heeft ook de Kerk later streng verboden, zich aan dergelijke onschuld-of waarheidsproeven of godsgerechten, zoo als men ze in de Middeleeuwen noemde, te onderwerpen. — De zonden van vermetelheid en valsch vertrouwen gaan niet zelden met dwaal- en ongeloof gepaard en komen ook wel daaruit voort.
die ontzettende woorden van den Psalmist (CXE, 10): «de zondaar zal ,/liet zien en gram worden.quot; Hierop trok hij aanstonds de beddedeken „over zijn hoofd en zweeg gelijk tevoren. Vol zorg nam de ijverige priester de deken weg en zeide: «.Vriend, er is geen tijd meer te ,/verliezen , biecht tocli onverwijld.quot; «-Ja, ja, ik zal biechten,quot; hernam de ongelukkige, en zette het schrikwekkende bijbelwoord voort: «hij „zal op zijne tanden knarsen en verkwijnen.quot; Hij dekte zich ten tweeden male, werd nu wederom door den biechtvader tot vertrouwen opgewekt, en sprak : „Ja, ja, wij zullen biechten,quot; en voleindde toen met de stem en den blik van een wanhopige den aangehaalden tekst der Schrift: //de begeerte der zondaren zal te niet gaan.quot; — Met deze woorden gaf hij den geest.
115
Inzoover de christelijke hoop het verlangen naar de eeuwige zaligheid in zich sluit, telt men ook onder de zonden tegen de hoop de zorgeloosheid voor zijn zieleheil, welke daarin bestaat, dat men geen of een al te gering verlangen naaide hemelsche goederen en vreugde koestert en deze gaarne tegen het volkomen genot der aardsche goederen en vreugde verwisselen wil. Daar echter eene zoodanige zorgeloosheid, een zoodanig gebrek aan verlangen naar den hemel een gebrek aan verlangen naar God, wiens bezit den hemel uitmaakt, tot grondslag heeft, zoo kan zij gevoegelijk ook onder de zonden tegen de liefde, aan God verschuldigd, gerekend worden.
Welke zonden strijden loofdzahelijh tegen de liefde Gods!\'
In het algemeen alle doodzonden; in het bizonder 1) onverschilligheid en tegenzin voor God en goddelijke zaken ; 2) haat en afkeer jegens Hem en zijne vaderlijke beschikkingen.
Alle zonden zonder uitzondering zijn in zekeren zin zonden tegen de aan God verschuldigde liefde. Dit blijkt het duidelijkste hieruit, dat niemand eene zware of eene dagel ij ksche zonde begaan zal, die, het eerste gebod volbrengende, God altijd van ganscher harte, uit geheel zijne ziel, uit geheel zijn gemoed, uit al zijne krachten bemint. De doodzonde alleen is zoo strijdig met de liefde Gods, dat zij die liefde uit de ziel geheel verdrijft; terwijl, gelijk elders aangetoond is, de dagelijksche zonde het vuur dier liefde verzwakt. Onder alle mogelijke zonden strijdt echter geene meer met de liefde aan (iod verschuldigd, dan de bepaalde haat tegen God, welke inderdaad eene duivelsche zonde genoemd moet worden. In dien allerdiepsten afgrond van goddeloosheid stort de mensch, als hij aan zich zeiven en aan de goddelijke genade en barmhartigheid wanhopende, zonden op zonden, misdaden op misdaden stapelt. Zijn door en door bedorven hart keert zich dan vol verbittering tegen God, wiens heilige wet hij niet uit het hart verdelgen , wiens vermanende en waarschuwende stem hij niet geheel en voor altijd versmoren kan, tegen God, wiens straffende rechtvaardigheid hij elk oogenblik vreezen moet. — Valt ook de zondaar niet altijd zoo vreeselijk diep, toch gebeurt het niet zelden, dat hij, door de liefde tot liet aardsche geheel vervuld, geboeid eu verblind, jegens God volkomen onverschillig wordt, zich om zijne genade en vriendschap niet bekreunt, naar zijn bezit en den hemel niet het minste verlangen koestert, dat hij of in het geheel niet of slechts
8*
116
in schijn tot God bidt, slechts met tegenzin van God en goddelijke zaken hoort; dat hij , om alles met één woord te zeggen, met bepaalden tegenzin jegens God en het goddelijke vervuld is. — Bezoekt God een zoodanige met lijden en rampen, om hem van de ongeregelde liefde tot het aard-sche te genezen, dan is hij er ver van af, zich aan de vaderlijke beschikkingen des Allerhoogsten ootmoedig te onderwerpen; veeleer zal hij in klachten en lasteringen uitbarsten, en gelijk een dwaze, ongeduldige zieke, tegen den goddelijken Geneesheer zeiven zich verzetten. — Door al deze zonden wordt de liefde, welke wij aan God, het allerhoogste en beminnenswaardigste goed, verschuldigd zijn, zwaar gekrenkt.
Uitwendige vereering van
Hoe vereeren wij God uitwendig ?
Wij vereeren God tevens uitwendig, wanneer wij onze inwendige eerbiedvolle gezindheid jegens Hem toonen door uiterlijke handelingen, b. v. door kniebuiging, het vouwen der handen, en derg., vooral echter door deel te nemen aan den openbaren godsdienst. De kniebuiging, het vouwen en opheffen der handen zijn teekenen van eerbied en hulde, gebaren van dengene, die bidt en om genade smeekt. De H. Paulus schrijft (Phil. II, 10): „In den naam Jesus „moeten alle knieën zich buigen;quot; d. i. allen moeten Jesus, den Godmensch, den Gode toekomenden eerbied en aanbidding bewijzen. Van Salomon staat geschreven (2. Paralip. VI, 12, 13): „hij stond voor het altaar des Heeren... „boog dan zijne knieën en hief zijne handen ten hemel.quot; En van de Israëlieten lezen wij daar ter plaatse {VII, 3): „de zonen van Israël vielen op hun aangezicht ter aarde „en loofden den Heer.quot; Ook van Mozes bericht de H. Schrift (2. Mos. XVII, 11), dat hij „met opgeheven handen bad,quot; en aldus tot de zegepraal van het uitverkoren volk bijdroeg. En van Christus zei ven schrijft de Evangelist Mattheus, zijnen doodsangst in den hof van Olijven schetsend: „Hij „viel op zijn aangezicht en badquot; (Matth. XXVI, 39). Hetzelfde leert ons het voorbeeld der Heiligen, Van den H. Apostel Jacobus verhaalt de H. Hieronymus, dat hij zoo dikwijls en zoo aanhoudend voor zijn volk op de knieën gelegen en gebeden heeft, dat de huid hard was geworden
117
als die van een kameel. De H. Eranciscus van Assisi was gewoon honderdmaal op eenen dag, de H. Patricius zelfs driehonderdmaal met gebogen knieën God te aanbidden. — Hiertoe behoort ook het slaan op de borst, als een teeken van inwendig berouw en van verootmoediging, waarvan de tollenaar in het Evangelie ons het voorbeeld gaf, als hij op zijne borst sloeg en zeide; „God, wees mij zondaar „genadigquot; (Luc. XIII, 13). Deze wijze van uitwendige vereering Gods beveelt Paus Nicolaas in het bizonder den Bulgaren aan, en verklaart haar op de volgende wijze: wij slaan op de borst, om te kennen te geven, dat het ons leed doet gezondigd te hebben, en wij door waardige boetvaardigheid voor onze misdaden voldoen willen , alvorens de Heer ons slaat en de laatste wraak aan ons neemt. — Het voornaamste bestanddeel der uitwendige vereering van God is echter de deelneming aan den openbaren godsdienst, waarbij wij den Allerhoogste door een gemeenschappelijk gebed, door godvruchtige gezangen en vooral door het heilig Offer de Hem toekomende hulde brengen. Tot het gemeenschappelijk gebed noodigd Jesus Christus zelf ons uit, zeggende: „waar er twee of\' drie in mijnen naam vergaderd „zijn, daar ben Ik in hun middenquot; (Matth. XVIIi, 20). En de Apostel vermaant de geloovigen van Ephese, en in hen ons allen, met de woorden; „onderhoudt elkander met „psalmen en lofzangen en geestelijke liederenquot; (Eph. Y, 19). (Over het H. Offer, alsmede over de kerkelijke plechtigheden en gebruiken zal later afzonderlijk gehandeld worden.)
Waarom wordt ook de uitwendige vereering van God ons geboden ?
De uitwendige vereering van God wordt ons om verschillende oorzaken ten plicht gesteld; om oorzaken, welke deels op God, deels op iederen mensch afzonderlijk, deels op de maatschappij betrekking hebben. — 1) In betrekking tot God wordt zij ons geboden, omdat zoowel het lichaam als de ziel door God geschapen is, dus beiden Hem eer en hulde moeten bewijzen. — De ware vereering van God bestaat vooral in den eerbied jegens en de onderwerping der ziel aan God, haren hoogsten, onbeperkten Heer; zonder deze inwendige vereering van God heeft de uitwendige volstrekt geene waarde. Daarom zeide Jesus Christus: „God „is een geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem in geest „en in waarheid aanbidden.quot; Eene geheel uiterlijke aanbidding, waaraan het hart geen deel heeft, mishaagt God, omdat zij leugenachtig en gehuicheld is; wanneer echter de
118
uiterlijke vereering met de inwendige overeenstemt, dan is
zij waarachtig en juist dadrom welgevallig aan God. Ofschoon nu de genoemde eerbied en onderwerping der ziel het eigenlijke wezen der vereering van God uitmaakt, is niettemin ook de uitwendige eerbied en hulde verplichting voor den mensch ; want gelijk ziel en lichaam tot de volkomenheid der menschelijke natuur behooren, zoo behoort ook de inwendige en uitwendige hulde tot de volmaakte, met de zinnelijk-geestelijke natuur van den mensch overeenkomende vereering van God. God verlangde van de Israëlieten in het Oude Verbond, dat Hem „alle eerst-„geborenen hetzij van menschen of vee,quot; en „alle eerste-„lingen van den dorschvloer en de wijnpersquot; gebracht zouden worden, opdat eenieder aldus zou belijden, dat hij ze van God ontvangen heeft, en zij Gode toebehooren. Op gelijke wijze vordert Hij ook van de ziel van den mensch, dat zij haar lichaam gebruike om God, den Schepper en Heer, door zichtbare teekenen van eerbied en onderwerping als zoodanig te erkennen en op zijne wijze te vereeren. De billijkheid van deze vordering zien wij vooral in, als wij er opletten, hoe groote voorrechten Gods goedheid aan het lichaam geschonken heeft, daar Hij dit het sieraad en de kroon der geheele zichtbare schepping maakte en het bestemde, om eens in den staat van verheerlijking deel te nemen aan de zaligheid der ziel in alle eeuwigheid. Gelijk dus de geheele mensch met ziel en lichaam aan God toebehoort, van God onderhouden, met ontelbare weldaden overladen, geheiligd en tot de toekomstige verrijzenis en heerlijkheid voorbereid wordt, zoo moet ook de geheele mensch hier beneden God loven, Hem aanbidden, en tot zijne verheerlijking bijdragen.
2) In betrekking tot eiken mensch op zich zeiven is de uitwendige vereering van God verplichting, omdat het in de natuur van den mensch ligt, dat de innerlijke vereering van God zich ook uiterlijk openbare, en omdat de inwendige vereering van God door de uitwendige bevorderd wordt.— Onze eigen ondervinding en ons inwendig gevoel getuigen ons, dat er tusschen onze inwendige neigingen en gevoelens en tusschen de uitdrukking daarvan door houding en gebaren eene zoo innige vereeniging, een zoo nauw verband bestaat, dat het ons volstrekt onmogelijk is, de eerste, vooral als zij vurig zijn, niet terstond ook naar buiten te openbaren. Wie door medelijden wordt aangedaan, blijft niet in gebreke hem, wien hij inwendig medelijden toedraagt, ook uiterlijke bewijzen daarvan te geven ; wie zijne ouders inwendig eert en teeder bemint, zal niet nalaten, hun ook uiterlijk eerbied en liefde te bewijzen; een volk, hetwelk doordrongen
119
is van gevoel van hoogachting voor zijnen vorst, zal zonder twijfel deze inwendige .hoogachting door uiterlijke teekenen van vereering en onderwerping aan den dag leggen. Hetzelfde nil geldt eveneens van de gevoelens van eerbied jegens God, onzen hoogsten Heer; zijn deze werkelijk in ons aanwezig, dan zullen zij zich spoedig ook uiterlijk in ons openharen en zich als het ware in onze daden afspiegelen; de uitwendige vereering van God zal onverwijld getuigen van onzen inwendigen eerbied. — Verder is het even natuurlijk, dat de uitwerdige teekenen van vereering en aanbidding van God ook de innerlijke gevoelens van eerbied vermeerderen, gelijk het hout, hetwelk, door vuur aangegrepen, opnieuw het vuur, waardoor het aangetast wordt, voedt en aanblaast. Die wederkeerige ■werking van de inwendige op de uitwendige vereering van God beschrijft de H. Augustinus zeer schoon in het boek over de zorg voor de overledenen (Verond. 5). „Voorzeker,\'\' zoo zegt deze H. Kerkleeraar, „voorzeker is de onzichtbare wil der bid-„denden en de bedoeling des harten Gode niet onbekend; „de Alwetende behoeft deze uitwendige teeker.en, de knie-„buiging, het handenvouwen en derg. niet, om de mensche-„lijke bedoeling te kennen; maar de mensch wekt daardoor „zich zeiven op tot het gebed, tot een meer ootmoedig en „aanhoudend bidden. En terwijl de uitwendige bewegingen „of gebaren niet zonder de daarmede gepaard gaande inwendige neigingen kunnen plaats vinden, worden door de „eerste de laatste, welke daartoe aanleiding gaven, weder „vermeerderd, en zoo krijgt het gevoel des harten, hetwelk, „om gene voort te brengen, noodzakelijk moet voorafgaan, „door de voortgebrachte nieuw voedsel.quot;
3) Het betrekking tot de maalsckappy is ieder verplicht. God ook uitwendig te vereeren, omdat de uitwendige vereering van God tot algemeene stichting, tot bevestiging van het geloof en verbreiding van den godsdienst nuttig en noodzakelijk is. — Gelijk ieder mensch op zich zei ven, zoo behoort de geheele maatschappij geheel aan God, is van Hem, als den Bestuurder van het heelal, in alles geheel afhankelijk. Daarom moet ook de maatschappij als zoodanig en ieder individu, als lid daarvan, op eene voor de overige leden zichtbare wijze, d. i. openlijk. God vereeren. Dit geschiedt door deelneming aan den algemeenen godsdienst. De algemeene vereering van God of de godsdienst is voor de maatschappij onvermijdelijk noodzakelijk, omdat zonder haar deugd en goede zeden zouden verloren gaan; zij toch is, gelijk zelfs de Heidenen erkenden, de grondslag van den Staat. Hoe zou echter eene gemeenschappelijke ver-
120
eering van God mogelijk zijn, indien ieder individu weigerde aan den openbaren godsdienst deel te nemen ? Hoe zouden de gevoelens van eerbied en onderdanigheid jegens God, hoe de gezindheid van liefde en dankbaarheid in de maatschappij kunnen behouden, bezield, gevoed en vermeerderd worden, wanneer eenieder voorgaf, op zich zeiven en alleen in het hart God te willen vereeren ? — Wie den openbaren godsdienst geheel verzuimt en veracht, zondigt dus niet slechts tegen God, den Oorsprong, Onderhouder en Bestuurder der maatschappij, maar ook tegen de maatschappij in het algemeen en tegen den Staat in het bizonder, daar hij, zooveel in hem is, den grondslag van beiden, den godsdienst, ondermijnt en de voetstappen drukt dier rampzaligen, die, om den godsdienst te verbannen, er steeds mede beginnen, den openbaren eeredienst door alle bedenkelijke middelen te verhinderen en te verdrukken; hij zondigt tegen zijne medeburgers, die hij, wel verre van te stichten en in de beoefening van den godsdienst te sterken, door zijn verderfelijk voorbeeld ergert, en tot onverschilligheid in den godsdienst verleidt, hij zondigt ook tegen zich zei ven, omdat hij zich aan het groote, onvermijdelijke gevaar blootstelt, den inwendigen godsdienst langzamerhand geheel te verliezen, omdat hij de openbare godsdienstoefening gering acht en verwaarloost.
Het zou gemakkelijk vallen de erkende noodzakelijkheid of verplichting der openbare Godsvereering uit de geschiedenis van alle tijden aan te toonen. Nooit zag men een heidenschen Staat zonder openbaren gods- of liever afgodendienst. De hoofdbeschuldiging toch der heiden-sche bewindvoerders tegen de Christenen bestond juist daarin, dat de laatsten zich aan de algemeene vereering der afgoden onttrokken. In de H. Schrift vinden wij op elke bladzijde zoowel de uiterlijke vereering van God in het algemeen, als den openbaren godsdienst in het bizonder. Keeds Abel, Henoch, Noë bouwden den Heer altaren en droegen offers op; hetzelfde deden Abraham, Isaac en Jacob. Het israëlietische volk ontving van God zeiven verschillende voorschrifi en met betrekking tot den godsdienst, en ijverige Israëlieten hielden zich daaraan zoo stipt, dat zij liever hun leven wilden verliezen dan van de liun voorgeschrevene Godsvereering af te gaan. Zoo handelde de Profeet Daniël, die liever in een leeuwenhol wilde geworpen worden, dan de gebeden en kniebuigingen, door de goddelijke wet bepaald, achter te laten (Dan VI). Christus zelf bevestigde, als twaalfjai-ig jongeling, door zijn bezoek in den tempel, en later bij verscheidene andere gelegenheden, de op een ieder rustende verplichting der openbare vereering van God. Vandaar beijverden zich ook de Christenen der eerste eeuwen, niettegenstaande hun leven daardoor gevaar liep, den alge-meenen godsdienst bij te wonen, welke ten tijde der vervolging in geheime, soms in onderaardsche plaatsen (katacomben) gehouden werd.
Hoe zondigt men tegen de uiterlijke vereering van God?
Wanneer men de godsdienstoefeningen verwaarloost, of zich daarbij oneerbiedig gedraagt.
121
Dat het verzuim der voorgeschreven godsdienstoefeningen in verschillend opzicht zonde is, hebben wij zooeven bewezen. Het is hiermede gelegen als met het verzuim van die hulde, welke een aardsch koning van zijne onderdanen vordert. Voorzeker zou hij, die zich daaraan schuldig maakte, niet slechts in ongenade vallen, maar in vele omstandigheden zelfs als verachter der geheiligde majesteit des Konings streng gestraft worden 1). ■— Eveneens zondigt men ook tegen de aan G od verschuldigde vereering door oneerbiedigheid bij den godsdienst, als men namelijk door eene onbehoorlijke houding, door een lichtzinnig en uitgelaten gedrag maar al te duidelijk te kennen geeft, dat ook aan het hart de achting en eerbied, welke der goddelijke Majesteit toekomt, ontbreekt. Wanneer zelfs een wereldsch vorst om zijne waardigheid zich gehouden acht, in zijn dienst geene oneerbiedigheden en onbeleefdheden , welke zijnen persoon in de oogen van anderen vernederen, te dulden, kan üod, de Koning der koningen, voorzeker veel minder daarvoor onverschillig zijn. Als God, volgens het getuigenis der H. Schrift (1. Kon. VI, 19), een groot getal Bethsamieten met een plotselingen dood strafte, omdat zij de ark des verbonds zonder eerbied, alleen uit nieuwsgierigheid, aanschouwd hadden, zal Hij dan de oneerbiedigheden en uitgelatenheden , waaraan Christenen zich in tegenwoordigheid van zijn tabernakel schuldig maken, ongestraft laten voorbijgaan \'? 2)
\') Een schoon voorbeeld van ijver in het bijwonen der openbare godsdienstoefeningen wordt ons door den engelschcn schrijver Stapleton verhaald van den reeds meermalen genoemden lordkanselier Thomas Moras. Op zekeren dag bevond hij zich in de H.Mis, toen de koning hem liet ontbieden, om over eene zeer gewichtige aangelegenheid met hem te spreken. Thomas bleef onbewegelijk geknield. Spoedig daarop kwam een tweede bode met denzeli\'den last des konings. L)e vrome kanselier liet zich echter ook dezen keer in zijn godsvrucht niet storen. Als eindelijk een derde bediende kwam aansnellen, en hem te kennen gaf, dat hij aanstonds in de kamer des konings moest komen, wijl deze daar op hem wachtte, gaf Thomas ten antwoord, dat hij bezig was een hoogeren Heer te huldigen, dat hij komen zou, zoodra de H. Mis uit was
2) De eerbied bij den openbaren godsdienst is bizonder geschikt niet slechts om zichzelven meer tot aandacht te stemmen, maar ook om anderen te stichten. De H. Joannes Nepomucenus pleegde als knaap dagelijks eenige UIL Missen te hooren, waarbij hij zijne handen zoo aandachtig opliief, in zijn gelaat zooveel vroomheid en zedigheid uitdrukte, dat allen, die in de kerk waren, zich gesticht gevoelden, en velen elkaar vroegen: //Wat is dat toch voor een vroom en aan-z/dachtig kind ?quot;
Te Munchen had in vroegeren tijd het volgende voorval plaats, dat wij in do jaarboeken der sociëteit van Jesus opgeteekend vinden. — Een aanzienlijk, niet onbeschaafd Protestant trad op zekeren dag, als door een hoogeren geest gedreven, de kerk binnen, waar de leerlingen
122
Xomlen tegen lt;le iiiwenlt;1ige en uitwendige vereei\'ing: van C^ocl.
Kan men nog op eene andere wijze tegen de vereering, welke wij aan God verschuldigd zijn, zondigen?
Ja, men zondigt ook door afgoderij, bijgeloof, tooverij, heiligschennis en geestelijken woeker.
Tot hiertoe hebben wij gehandeld over die zonden, welke volgens haren aard alleen met de inwendige vereering van God, in het bizonder met het geloof, de hoop en de liefde, of ook alleen met de uitwendige vereering van God strijdig zijn. Nu gaan wij spreken van de zonden, welke tegelijk met de inwendige en uitwendige vereering van God strijden, en lijnrecht tegenover die deugd staan, welke door de Godgeleerden gewoonlijk „deugd van godsvruchtquot; genoemd wordt, en welke daarin bestaat, dat men God, den aller-hoogsten Heer, tegelijk door inwendige en uitwendige oefeningen de Hem toekomende vereering en aanbidding (den Hem toekomenden eeredienst) bewijst. Door de bovengenoemde zonden toch wordt aan God of de eer, welke Hem alleen toekomt, onttrokken en aan het schepsel bewezen; of zij vordt Hem niet op de rechte wijze betoond; of Hij wordt in de Hem bizonder toegewijde zaken en personen onteerd. Hoewel deze zonden zeer dikwijls met zonden tegen de goddelijke deugden van geloof, hoop en liefde verbonden zijn, kunnen zij toch, in en op zich zelve beschouwd, niet onder de zonden tegen de goddelijke deugden gerekend worden, maar wel, gelijk gezegd is, onder de zonden tegen de zedelijke deugd van godsvrucht ■).
der Jesuiten dagelijks vergaderden om de H. Mis bij te -wonen. Niet weinig stond hij verwonderd over de oplettendheid, waarmede dit groot aantal jongelingen de Mis hoorde, en over de teedere godsvrucht, die zich op aller gelaat afspiegelde. Dit vroom en eerbiedig gedrag en vooral die aanhoudende oplettendheid van knapen, die van natuur onachtzaam en niet in staat zijn, eene ernstige gedachte vast te houden, schenen hem niet het werk van menschelijke opvoedingskunst, maar van de goddelijke genade. Daar het hem nu van den anderen kant duidelijk was, dat God nooit aan eene afgodische godsdienstoefening de hand kan leenen, trok hij uit hetgeen hij zoo juist had opgemerkt het besluit, dat Jesus Christus, waarlijk God en mensch, werkelijk en wezenlijk tegenwoordig was in de H. Hostie, welke door de kinderen zoo vol eerbied aangebeden werd. Kort daarop ging de redelijk onderzoekende man tot de katholieke Kerk over, en werd een ijverig aanbidder van het H. tacrament des Altaars.
\') S. Thom. Sum 2. 2. q. 81. a. 5; 92. 9i. etc.
123
Wanneer bedrijft wen afgoderij ?
Men bedrijft afgoderii of afgodendienst, als men aan een schepsel goddeliike eer bewijst, geliik de Heidenen deden.
Het is bekend en elders reeds verhaald, dat de Heidenen zon, maan en sterren, onderscheidene soorten van dieren en planten, irsgeliiks beelden van hout en steen, als goden of halve goden aanbaden en door velerlei offers daaraan goddelijke eer bewezen. „Zij hebben,quot; zegt Paulus (Rom. I, 23), „de heerlijkheid van den onvergankelijken God „verwisseld voor de gelijkenis eens beelds van den ver-„gankelijken mensch, en van vliegerde, en viervoetige, en „kruipende dieren.1\' Deze verderfelijke verwisseling deden ook de Israëlieten verscheidene malen. Zelfs in de woestijn, toen Mozes, hun aanvoerder, bij den éénen waren God op den berg Sinaï verwijlde, „verzamelde zich het volk rondom „.Aaron en zeide: sta op en maak ons goden, die voor ons „uitgaan.quot; En toen Aaron bereidvaardig een gouden kalf gegoten had, offerden zij het brand-en zoenoffers en riepen; „dit zijn uwe goden, Israël, die n uit het land van Egypte „geleid hebbenquot; (2. Mos. XXXII). — De afgoderij is in het algemeen een zeer groote zonde, eigenlijk eene misdaad van gekwetste majesteit jegens den allerhcogsten Heer. Immers, gelijk de aanbidding van den waren God de erkenning zijner onbeperkte opperheerschappij is , zoo is daarentegen de aanbidding van eenen afgod de feitelijke loochening daarvan, en, voorzoover het van den aanbiddende afhangt, de zondige overdracht van de goddelijke majesteit op een wezen, aan hetwelk zij geenszins toekomt. De grootheid der zonde van afgodendienst kan men ook afleiden van de zwaarte der straffen, waarmede God de afgodische Isiaëlieten in de woestijn getroffen heeft. Drie-en-twintig duizend menschen kwamen op Gods bevel door het zwaard om. Ook bij de latere zonden van afval van God en bij de herhaalde deelneming aan den dienst der afgoden volgde, gelijk de geschiedenis getuigt, telkens eene of andere vreese-lijke straf van den vertoornden God. Afgoderij en afgodendienst is echter eene dubbel zware zonde voor den Christen, omdat hij door het geloof eene veel klaardere en volmaaktere kennis van den éénen waren God heeft, dan de Heiden en zelfs de Jood. Ook dan wanneer de afgoderij slechts uiterlijk is, d. i. wanneer de Christen uit vrees voor martelingen en den dood, of om andere inzichten uitwendig de afgoden huldigt, ofschoon hij in het hart het geloof aan den éénen waren God bewaart, is zij niettemin eene zware zonde.
124
In een zekeren zin maakt zich ieder mensch aan afgoderij schuldig die een schepsel boven den Schepper stelt, niet vreezende, uit liefde tot het schepsel, God, den Schepper, zwaar te beleedigen. Zoo noemt de Apostel «de gierigheid afgoderijquot; (Col. III, 5), en spreekt van de vijanden van het kruis van Christus als van menschen, «wier buik „hun God isquot; (Phil. Ill, 19). Over deze wijze van afgoderij is vroeger reeds gehandeld en zal later, bij de leer over de zonde, nog worden gesproken. Hier is slechts spraak van die afgoderij, welke door het eerste gebod in het bizonder verboden is, omdat door haar de hoogste vereering of aanbidding, welke God alleen toekomt, op een schepsel overgedragen wordt.
Wanneer zondigt men door bijgeloof?
1) Als men God of de Heiligen vereert op eene wijze, welke met de leer of het gebruik der Kerk strijdig is. — Dit heeft plaats: ten eerste, zoo dikwijls de wiize van vereering uit eene dwaling tegen het geloof voortkomt of
valsch is, hijv. wanneer iemand God door joodsche gebruiken
zoekt te vereeren (waarvan Paulus tot de Galaten IV, 10 spreekt), daar het geloof leert, dat deze voor den Allerhoogste geene waarde meer hebben; ten tweede, zoo dikwijls de wijze van vereering ongegrond, d. i. tot het doel der Godsvereering overbodig of nutteloos is. Daartoe behooren verscheidene ongewone of met het kerkelijk gebruik geheel tegenstrijdige formaliteiten, welke men nu en dan bij de verrichting van anders loffelijke godsvrucht-oefeningen bezigt, om aan het gebed eene onfeilbare kracht te geven. Dergelijke formaliteiten zien meestal op onbeduidende, doellooze omstandigheden van tijd, plaats, houding des lichaams, op eene willekeurig bepaalde soort en aantal \\an gebeden, verder op het getal, de kleur en de soort der kaarsen, welke men aansteekt, enz. — Hiermede willen wij echter niet zeggen, dat elke oefening van godsvrucht bijgeloovig en daarom verwerpelijk is, waarbij een bepaald getal gebeden gedaan wordt, gelijk bijv. bij den rozenkrans het geval is. Leze wijze van bidden is zelfs door de H. Kerk goedgekeurd en aanbevolen, en hare vlijtige beoefening verdient allen te worden aanbevolen. Insgelijks is het geen bijgeloof, wanneer men zich beijvert, op bepaalde dagen, bijv. op den zevenden en den dertigsten dag na de begrafenis, de afge-ttorvenen op bizondere wijze door gebeden en plechtige uitvaartdiensten te gedenken. Dit gebruik vindt men in de katholieke Kerk reeds in de vroegste tijden. In het algemeen is er geen beter en zekerder middel, om den waren godsdienst van den valschen en nutteloozen te onderscheiden, dan eene nauwkeurige vergelijking van verdachte wijzen van bidden en gebruiken met de in de katholieke Kerk
125
gebruikelijke en van oudsher afkomstige. Want ook hier geldt het voorschrift, door den H. Augustinus in een dergelijk geval gegeven : „in zaken, waarin de H. Schrift niets „bepaald vaststelt, moet het gebruik van het Christenvolk „of de stellingen en verordeningen der (kerkelijke) voor-„gangers als regel worden aangenomenquot; (Brief 36 en 86 aan Casulan). Wanneer wij dan bij het Christenvolk eene wijze van bidden in gebruik vinden, welke met voorkennis en goedkeuring der kerkelijke overheid bestaat, zou het voorzeker hoogst vermetel zijn , die als biigeloovig te beschouwen, al kennen wij ook niet juist het doel en den oorsprong daarvan.
2) Wanneer men aan zaken eene zekere kracht toeschrijft, welke zij noch uit haren aard, noch door het gebed der Kerk, noch krachtens de goddelijke beschikking kunnen hebben. Uit haren aard heeft elke zaak eene eigenaardige kracht, welke door den Schepper als blijvende eigenschap daarin gelegd is. Zoo heeft de zon van nature de kracht of eigenschap van te verlichten, te verwarmen ; de vruchtboom van uit te botten, te bloeien, vruchten te dragen; in verscheidene soorten van planten is van natuur eene zekere natuurlijke heelkracht. — Bij deze natuurlijke kracht van elke zaak kan nog eene hoogere komen. Zoo kan eene zaak eene hoogere kracht verkrijgen, als God op de voorbede der Kerk, zijner heilige, vlekkelooze Bruid, aan het gebruik van zekere dingen, welke wij „Sacramentaliënquot; noemen, eene eigen heilzame werking verbindt. Op eene zoodanige hoogere kracht duiden onbetwistbaar de woorden, welke de Kerk bij de wijding van het water smeekend tot God richt. „Stort,quot; zegt zij, „dit element de kracht uwer zege-„ning in, opdat dit schepsel, tot den dienst uwer geheimen „gewijd, tot verdrijving der booze geesten en tot verwijdering „van ziekten de kracht der goddelijke genade ontvange.quot; — Verder kunnen verscheidene zaken eene hoogere kracht bekomen door eene hizondere goddelijke beschikking. Op deze wijze heeft het doopwater, volgens de instelling van Jesus Christus gebruikt, bij het Doopsel de bovennatuurlijke kracht, om de zonden af te wassohen; zoo hadden ook het water van het bad van Bethsaïda, de schaduw van den H. Petrus, de zweetdoeken en de gordel van den H. Paulus door goddelijke mededeeling de kracht otn verschillende ziekten te genezen. Schrijft men aan zaken, uiterlijke teekenen of toevallige verschijningen eene zekere kracht toe, welke zij, naar de omstandigheden te oordeelen, noch uit haren aard, noch door het gebed der Kerk, noch door eenige beschikkino- van God hebbeu kunnen, en bedient men zich
O \'
126
daarvan ter verkrijging van eenig doel, dan is dit in den regel niets anders, dan door tusschenkomst des duivels of door too verkracht verlangen, wat men van God, den oorsprong der natuur en der genade, niet hopen mag, en door de van Hem aangeboden middelen niet verkrijgen kan, degene nu, die aldus handelt, zondigt door bijgeloof.
Men onderscheidt gewoonlijk twee soorten van Injgeloof, namelijk : waarzeggerij, waardoor men liet verborgene oi\' liet toekomstige wil kennen, en ydele waarneming, waardoor men genezing, winst in liet spel en derg. zoekt te verkrijgen, of regels daaruit af te leiden, om zijn gedrag er uaiir in te richten. — Aan waarzeggerij maakt men zich schuldig, als men zoogenaamden waarzeggers oi\' waarzegsters om raad vraagt, zich uit de lijnen of rimpels der iianden laat voorspellen, op welken dag en op welke wijze men sterven zal; uit de kaarten, door middel van een spiegel of dergelijk dingen weten wil, of men geluk in liet spel of in het huwelijk zal hebben; wie dezen of dien diefstal begaan heeft; waar deze of die persoon zich ophoudt; hoe hij het maakt en derg.; wanneer men uit den stand der sterren het lot der menschen, of toekomstige gebeurtenissen, van den vrijen wil der mensclien afhankelijk, uit het vallen der dobbelsteenen of uit, droomen het winnen van loterijspel, enz. kennen wil. Hoewel er droomen zijn, welke van God komen, zoo zijn het zeker nooit die, we ke aanzetten tot waagspelen en in het algemeen tot werken, welke in zich zelve slecht of onverschillig zijn. Derhalve waarschuwt de wijze Sirach (XXXIV, 7) voor ijdele droomen; „want velen,quot; zegt hij, „worden «rdoor droomen bedrogen en in hun vertrouwen er op misleid.quot; Evenmin mag men verwachten, dat goede Engelen of geesten van zalig afgestorvenen zich zullen leenen.om door tafeldans of andere soortgelijke wanordelijkheden de nieuwsgierigheid en de onbezonnen waanwijsheid der menschen te bevredigen, en hen te onderrichten aangaande zaken, welke zij niet weten mogen of tenminste niet behoeven te weten. Zulk dwaas goochelspel is alleen den duivel waardig, die daarin, gelijk in andere opzichten, diegenen het meest bemint, die liever hem, den leugenaar van den beginne, gelooven dan God, de eeuwige Waarheid, en de onfeilbare Kerk van Cliristus.— Uoor ijdele waarneming zondigt men, als men tot genezingen van menschen of dieren, tot bescherming tegen alle gevaren en rampen des lichaams en der ziel middelen aanwendt, welke hiertoe, gelijk boven is opgemerkt, noch natuurlijke, noch bovennatuurlijke kracht van Gud hebben ontvangen. Dergelijke middelen zijn zekere onbeduidende vormen of spreuken, vreemde namen, letters of andere teekenen, waaraan men eene wonderbare, onfeilbaar werkende kracht toekent. Eerlooze, winstzieke bedriegers drijven in plaatsen, waar het bijgeloof heerscht en het ongeloof de overhand neemt, een schandelijken handel met dergelijke middelen. Sommigen wagen het zelfs, werkelijk gewijde voorwerpen tot bijge-loovige doeleinden te misbruiken, behoedmiddelen , veiligheidskaarten en boekjes vol bijgeloovige gebeden en zegenspreuken te koop te bieden onder de stoute bewering, dat, wie de eersten bij zich draagt, de laatsten dagelijks leest, gevrijwaard is voor gevaar van vuur en watersnood, voor geweer, bijl en dolk, voor een plotselingen en onboet-vaardigen dood, ja zelfs ook voor eene eeuwige verwerping. Men kan niet dikwijls genoeg waarschuwen tegen dit doemwaardig bedrog. Al schijnen ook de gebeden, welke in dergelijke boekjes vervat zijn, zeer godvruchtig en vol zalving, zij zijn daarom juist des te schadelijker. Tegen een ongelukkigen dood toch is geen ander zeker middel dan een christelijk leven. Wie in zonde voortleeft, heeft elk oogenblik te vreezen, dat hij door den dood verrast worde en eeuwig verloren ga.
127
Dit is de leer van de Kerk en het Evangelie Daarom zeide Jesus tot zijne leerlingen; «Ziet toe, waakt en bidt, want gij weet niet, «■wanneer de tijd is... gij weet niet, wanneer de heer des huizes //komt, des avonds laat of te middernacht, of met hanengekraai of „in den morgenstond. Maar hetgeen Ik u zeg, dat zeg Ik \'tot allen; „waakt!quot; (Marc. XIII, 33—37) — IJdele waarneming is hot verder, wanneer men zekere toevallige voorvallen of gebeurtenissen voor voorteekenen of voorboden van gelukkige of ongelukkige gebeurtenissen houdt, ofschoon gene tot deze volstrekt in geene betrekking staan; wanneer men bijv. gelooft, dat een omgevallen zoutpot, twee kruiselings liggende messen enz. ongeluk beduiden; dat een van de 13 personen, die aan eene tafel zitten, in zeer korten tijd moet sterven. — Naar de aangehaalde voorbeelden kan men duizend dergelijke dwaasheden beoordeelen gt;). °
Is het lij geloof eene groote zonde ?
Het is gewoonlijk eene zeer groote zonde, omdat men daarbij, zooal niet uitdrukkelijk, toch meestal op bedekte wijze hulp van den boozen geest verwacht, en in elk geval het vertrouwen, hetwelk men op God alleen moet stellen, aan nietige zaken en bedriegerijen schenkt.
Met alle soorten van bijgeloof, voornamelijk van ijdele waarneming, zijn evenzeer zondig. Menigmaal vermindert onwetendheid, eenvoudigheid, onbedachtzaamheid of de lust om te schertsen, de grootheid en zwaarte der zonde. In en op zich zeiven beschouwd, is het bijgeloof echter eene groote
ï) Ten einde juister te bepalen, wat als bijgeloof moet aangezien en verworpen worden, zal hier de bemerking niet overbodig zijn, dat het gebruik, om afbeeldingen van Heiligen, medailles of andere gewijde zaken bij zich te dragen, geenszins bijgeloovig, maar god-vrucluig of loffelijk is, inzooverre het met eene godsdienstige meening geschiedt, namelijk met vertrouwen op God, op de voorbede der Heiligen of op het gebed en den zegen der Kerk. Het bewijs hiervoor ligt daarin, dat de Kerk , welke, volgens de uitspraak van den H. Augustinus (55e brief), nooit goedkeurt, noch stilzwijgend toelaat, noch doet, hetgeen met het geloot\' en de goede zéden in strijd is, dergelijke voorwerpen wijdt, uitdeelt, en het godvruchtig gebruiker van billijkt en aanbeveelt. Het dragen en bewaren van zulke gewijde zaken zou bijgeloovig zijn, als men ze eene kracht toekende, welke haar door de Kerk volstrekt niet toegeschreven wordt. Dit zou het geval zijn , als men ze bij zich droeg of bewaarde in de verkeerde meening, dat er in die dingen zeiven eene soort van tooverkracht verborgen was, en men hierop en niet op God zijn vertrouwen stelde. Verder als men meende, dat degene, die dergelijke gewijde voorwerpen bij zich heeft, niet verloren kan gaan, of dat hij in de ure des doods onfeilbaar de Hll. Sacramenten der stervenden ontvangen en oprechte boetvaardigheid doen zal, al had hij dit ook zijn geheele leven lang verzuimd en, met dit uiterlijk teeken, als met den schijn der deugd zich tevreden stellende, de ware deugd door zijn slechten levenswandel verloochend. Zulk een vertrouwen noemt de Synode van Cambrai van het jaar 15C5, „een verfoeielijk bijgeloofquot; (Zie Natalis Alexand. Theol. dogm. mor. de decalogo c. 3. a. 14).
128
zonde, omdat men, ofschoon niet uitdrukkelijk, meestal stilzwijgend en feitelijk van den geest der duisternis hulp verwacht. Hulp toch verwacht men in elk geval, anders zoude men die bijgeloovige middelen niet gebruiken; daar deze nu, geliik boven verklaard is, noch op eenige wijze van God de kracht hebben tot datgene, wat men beoogt, kan er van geene andere bron van hulp spraak zijn dan van de tusschenkomst des duivels. quot;Wie ziet niet in, dat eene dergelijke handelwijze eene zeer grove onteering van God is, daar de mensch, in plaats van zich tot Hem, den Almachtige en Algoede, te wenden, zijn vertrouwen schenkt aan diens vijand, den hellegeest, alsof deze hem eerder dan God helpen konde of wilde. En verondersteld ook, dat de gedachte aan eene tusschenkomst des duivels verre verwijderd is, toch is het altijd zondig, het vertrouwen, hetwelk men op God alleen stellen moest, aan nietige dingen of bedriegerijen te hechten. — De zonde van bijgeloof wordt soms nog daardoor vermeerderd, dat er eene beproeving van God bijkomt, bijv. wanneer men zijn tijdeliik of eeuwig welzijn afhankelijk maakt van het lot, hetwelk ons het oordeel van God openbaren moet; of dat men, gelijk bij de sterrenwichelarij en bij vele ij dele waarnemingen, aan eene onveranderlijke beschikking of eene andere onbehoorlijke meening aangaande God geloof slaat. Zoo bijv. is het geheel onbetamehik te denken, dat God in zijne eeuwige raadsbesluiten zou vastgesteld hebben, dat er van de dertien gasten telkens één spoedig sterven moet. Leidt het geloof aan waarzeggerij dikwijls tot ongeloof, tot beleedigende oordeelvellingen over den naaste en onverzoenbare vijandschap : het gebruik van bijgeloovige middelen voert tot onzedelijkheid, tot buitensporigheden en schandelijkheden van allerlei aard en, wat het ergste is, tot volslagen onboetvaardigheid , omdat men in het vertrouwen op de gezegde middelen de boetvaardigheid zoo lang verschuift, tot men door den dood verrast en onvoorziens weggerukt wordt. — Hoe moeielijker het is bij sympathische middelen en eveneens bij het dierlijk magnetisme de grenzen te bepalen, tot hoe ver de kracht der natuur reikt, des te meer voorzichtigheid dient hier te worden aangewend, opdat de geest der duisternis of gewetenlooze menschen zich daarvan niet tot verderf der zielen bedienen i). Een Christen, die zijne
M Zie het antwoord der Poenitentiarie aan den Bisschop van Lausanne en Genève, 1 Juli 1841, hij Gury, Gonsset en anderen; alsmede //de //Katholiekquot; 1873, Febr., eene lezing van den geleerden Redemptorist C. Wulfingh.
129
zaligheid behartigt, zal liever, als het God aldus behaagt, zijn geheele leven lang ziek blijven, dan ooit een verboden of verdacht middel tot verkriiging zijner gezondheid aan te wenden. In twijfel of een of ander middel geoorloofd is of niet, zal hij niet verzuimen, alvorens er gebruik van te maken, zijnen zielzorger of biechtvader om raad en onderrichting te vragen.
Wanneer bedrijf l men tooverij ?
Als men tracht met behulp van booze geesten schatten te vinden , schade toe te brengen of wonderbare dingen te verrichten.
De tooverij, ook zwarte kunst genoemd, wordt door de Godgeleerden onder het bijgeloof gerekend. Men hecht evenwel aan deze uitdrukking meestal het begrip van eene zonde van grootere boosheid en afschuwelijkheid dan in het algemeen de zonde van bijgeloof is, en zoo wordt de tooverij ook hier opgevat. De toovenaar wil door aanroeping en bezwering de machten der duisternis zich dienstbaar maken; hij beoogt, in een bizonder verkeer met haar te treden, door haar eene zekere duivelsche macht (tooverkracht) te verkrijgen, die hem in staat stelt in den schoot der aarde verborgen schatten te ontdekken, menschen en dieren te schaden, anderen vast te klampen of op eene bepaalde plaats te stellen, de schimmen der dooden te doen verschijnen en andere wonderbare of liever wonderbaar schijnende dingen te verrichten \'). De tooverij heeft evenals de waarzeggerij
\') Hoe dwaas en verderfelijk het is, aan kaartleggers, waarzeggers en andere dergelijke personen eenig vertrouwen te schenken, zou een groot getal van belogenen en in han gold en zielemst bedrogenen alom luid kunnen getuigen. Engelgrave verhaalt hiervan een schrikwekkend voorbeeld in zijn boek; «Coelum empyr.quot; op de volgende wijze. In het jaar 1617 had in België esn hoogst treurig voorval plaats. Een door adel evenzeer als door rijkdom en beschaafdheid uitstekend man, geraakte in vijandschap met een duitschen graaf en kwam tot het rampzalig beshüt, doodelijk wraak op hem te nemen. Daar een uitdrukkelijk verbod der landsregeering het hem echter onmogelijk maakte, België te verlaten en zijn vijand in de nabijheid om te brengen, wendde hij zich tot een schaapherder op het gebied van Luxemburg, van wien de faam ging, dat hij tooverij verstond, en verzocht hem de kunst te leeren , zijnen vijand van uit de verte doodelijk te kunnen wonden. Heini, zoo heette de vermeende beoefenaar der zwarte kunst, draalde eenigen tijd, maar gaf eindelijk aan de dringende beden en beloften van den door wraakzucht geheel verblinden en misleiden edelman toe, onder beding, dat hij eene groote som gelds naar de tot tooverschool bepaalde plaats zou mede brengen. Deze plaats was een dicht huiveringwekkend woud. Daar gekomen teekende de toovenaar een cirkel. Zijn leerling moest er geblinddoekt binnentreden , DEIIARBE, GELOOrSLEEK. III. DEUK. 9
130
hare bakermat in het heidendom, waar de dienst des duivels, waarvan beiden een bestanddeel uitmaken, den dienst van den waren God verdrongen had. Daarom sprak eertijds Mozes tot het volk van Israël: „als gij in het land komt, dat „de Heer, uw God, u geven zal, wacht u dan, volgens „de gruwelen van dat volk te handelen. Niemand worde „onder u gevonden , die de waarzeggers ondervrage en op „droomen of voorteekens acht geve; geen toovenaar, geen „bezweerder, noch een die de pythonen raadplege of de „voorspellers, of die de waarheid bij de dooden zoeke; want „van dit alles heeft de Heer een afschuw, en om deze „misdaden zal God hen bij uwen intocht verdelgenquot; (5. Mos. XVIII, 9—12). Reeds in Egypte ontmoeten wij toovenaars, dia, volgens de meening zoowel der Vaders als der Schriftuitleggers, met behulp der duivelen eenige der wonderen van Mozes nadeden. Na Christus\' tijd trad Simon op, die te Samaria tooverij bedreef, en van wien in de Handelingen der Apostelen (VIII, 10—11) geschreven staat: „allen ..hingen hem aan, van de kleinsten tot de grootsten, en „spraken : deze is de kracht Gods, de grootheid genaamd! „Zij sloegen namelijk acht op hem, wijl hij hen langen „tijd door zijne tooverkuusten verblind had.quot; Tegen het einde der dagen zal de grootste toovenaar opstaan, de antichrist, van wiens aankomst de Apostel (2. Thess. II, 9, 10) voorspelde, „dat zij geschieden zal onder satans werking „met allerlei (duivelsche) kracht, met teekenen en valsche „wonderen.quot;
Wat is nacrilecjie of heilig schennis ?
Eene onteering van heilige of Godgewijde zaken, personen of plaatsen, bijv. het onwaardig ontvangen van een H. Sacrament, de mishandeling van een geestelijke, ontheiliging van eene kerk of van heilige vaten, enz.
Sacrilegie, een latijusch woord (van sacer-heilig, en
werd nu door liena in een laken gewikkeld, zoodat hij zich niet kon bewegen, en achterover op den grond gelegd, om de gewenschte orakelspraak heter te knnnen vernemen. JSu zou de duivelbezwering beginnen, lleini, de schaapherder, liep een tijd lang rondom het offer van zijn schandelijk bedrog.middelerwijl eenige onverstaanbare woorden prevelende, greep dan naar eene bijl, die zijn kameraad (Theodorus van überwijler) in het nabij staande struikgewas verborgen had, en gaf den edelman zulk een geweldigen slag op het hoold. dat de on-geluKkige onder den hartverscheurenden kreet„O verschrikkelijke «dood!quot; den geest gat\'. De beide moordenaars ontvingen in het jaar 1623 te MarlDerg in Luxemburg hunne welverdiende straf door de hand des beuls.
131
legere-steelsgewijs wegnemen) beteekent letterlijk: een roof van heilige zaken. In ruimeren zin evenwel beduidt sacri-legie in het algemeen: eene onteering van Godgewijde zaken, personen of plaatsen. Heilige of Godgewijde zaken zijn vooral de heilige Sacramenten, heilige vaten en kleederen, beelden van Christus en de Heiligen, alsmede alle soort van kerkelijke goederen. Godgewijde zijn allen, die zich op bizondere wijze aan den dienst van God gewijd hebben, bijgevolg alle geestelijken en alle kloosterlingen van beiderlei geslacht. Godgewijde plaatsen zijn de Godshuizen, altaren en gewijde kerkhoven, vermits ook deze door eene eigene wijding tot den dienst van God worden aangewezen en afgezonderd. Hij dus begaat een sacrilegie, die een Sacrament voorbedachtelijk ongeldig of onwaardig ontvangt, van heilige vaten of gewaden een onbetamelijk gebruik maakt, kruisbeelden, beeltenissen of relikwieën van Heiligen feitelijk onteert, zich aan kerkelijke goederen vergrijpt; die eenig geestelijk persoon beschimpt, beleedigt, op eene boosaardige wijze slaat of mishandelt, die met hem tegen het zesde gebod zondig;t; desgelijks ook hij, die gewelddadig in kerken of andere heiligdommen inbreekt, deze berooit, doorvechten en kwaadwillig bloedvergieten bevlekt en ontwijdt. Sacrilegie is in zich zelve eene zware zoude, wijl God zelf in de Hem toegewijde voorwerpen, plaatsen en personen onteerd wordt. .Daarom ook strafte God den koning van Babylonië, Balthasar, wijl hij de heilige vaten uit den tempel van Jerusalem niet terug gaf, maar outeerde, met het verlies van kroon en leven (Uan. V). Heliodorus, de schatmeester van den syrischen koning Seleukus, werd door Engelen schier dood gegeeseld, omdat hij het gewaagd had, de plaats, waar de schat des tempels bewaard werd, te betreden , om zijne hand naar de Godgewijde kostbaarheden uit te steken (2. JMachab. lil). Ook is het bekend, welke strai de booze kinderen trof, die den grijzen Proleet Elias bespotten, en hoe Christus zelf, van heiligen ijver voor het huis zyns hemelschen Vaders ontvlamd, de tempelschenners tuchtigde, ofschoon zij slechts datgene kochten en verkochten, wat voor het oÜer noodig was, en alleen in het voorportaal van den tempel i).
\') In plaats van andere voorbeelden der goddelijke bestraffing van heiligschenners aan te halen, zal het nuttiger zijn, in de volgende gebeurtenis, welke de kerkelijke gescliiedenis ons mededeelt te toonen, dat zells ariuansclie barbaren ineenden, zicli voor kerkroof te moeten wachten. — Toen in liet jaar 4iü de stad Rome in handen viel van Alarik, der koning der Goilien, die haar aan zijne ruwe soldaten ter plundering overgal\'. drong een der laatsten in het huis van eene Uod-
132
Niet alle sacrilegies zijn even groot. Het komt daarbij hoofdzakelijk op vier punten aan. Bi] overigens gelijke omstandigheden is de zonde van heiligschennis grooter: — 1) naarmate het voorwerp vereerenswaardiger is. De zwaarste sacrilegie is bijgevolg de onteering van het H. Sacrament des Altaars, vervolgens de onteering der overige Sacramenten; enz. — 2) naarmate de handeling in zich zelve onteerender is. Zoo is het ongetwijfeld eene veel zwaardere zonde het H. Sacrament des Altaars onwaardig te ontvangen of de H. Hostie op den grond te werpen, dan haar onbevoegd aan te raken; — 3) naarmate het overleg en de booze meening, waarmede de sacrilegie bedreven wordt, grooter is. Zoo zou het onpassend gebruik van een heilig gewaad eene veel grootere zonde zijn, als men daarmede spotternij voorhad, dan wanneer het uit lichtzinnigheid voortkwam. 4) Bij berooving van kerken in \'t bizonder is de zonde zwaarder al naar de waarde van het geroofde voorwerp. Wie bijv. slechts eenige centen of een stukje was ontvreemdde, zou daardoor nog niet zwaar zondigen.
Wanneer bedrijft men simonie of geestelijken woeker ?
Als men iets zuiver geestelijks of voor zooveel het geestelijk is voor geld of geldswaarde koopt of verkoopt.
Aan deze zonde maakte zich Simon de toovenaar schuldig, toen hij den Apostelen, die hij door het opleggen der handen den H. Geest zag mededeeleu, geld aanbood met de woorden : „geeft ook mij deze macht, dat ieder, dien ik de handen
gewijde maagd, welke de heilige vaten uit de basiliek van den H. Apostel Petrus in bescherming had genomen, en eischte de uitlevering van goud, zilver en andere kleinodieën. Zij antwoordde hem, dat zij werkelijk groote schatten had, en geleidde hem aanstonds naar het vertrek, waar zich die prachtvolle vaten bevonden, welker hoeveelheid en kostbaarheid den (joth in blijde bewondering brachten. „Deze vaten behooren den H. Petrus,quot; zeide de edele maagd tot den Goth; „daar ik ze niet kan beschermen, waag ik liet niet ze terug „te houden. Neem ze, als gij er den moed toe hebt.quot; Maar de barbaar had dien moed niet. Hij gaf Alarik door middel van een soldaat kennis van zijnen vond, en deze beval, dat de H. vaten, de Godgewijde maagd en alle Christenen, welke zich bij haar wilden aansluiten, onder vrijgeleide naar de basiliek van den vorst der Apostelen moesten gebracht worden. Deze nu was aan het andere eind der stad gelegen, en zoo ging dan de leestelijke processie midden door het krijgsgewoel. De Christenen droegen met veel godsvrucht en eerbied de H.Övaten, en aan beide zijden liepen soldaten met blanke zwaarden: Romeinen en Gothen zongen lol!\'ederen God ter eere, en hoe meer vluchtelingen zich bij den tocht aansloten, des te gewilliger openden de soldaten hunne beschermende rijen (Gravin Hahn-Hahn: de Vaders der woestijn).
133
„oplegge, den H. Geest ontvangequot; (Hand. VIII, 18, 19). Vandaar wordt die zonde naar Simon zimoriie genoemd. — Onder „iets geestelijksquot; moet men hier elke zaak of handeling verstaan, die in zich zelve of onmiddellijk op het heil der zielen betrekking heeft. Daartoe behooren de gaven van den H. Geest, de HEL Sacramenten, het H. Misoffer, de kerkelijke zegeningen, de relikwieën der Heiligen, de verschillende geestelijke waardigheden en machten, enz. Onder geld of geldswaarde verstaat men alles, wat tijdelijk gewin of voordeel aanbrengt. De grootheid der zonde van simonie komt daaruit voort, dat men eene de heilsoeconomie betreffende en daarom heilige zaak onwaardig en onbetamelijk behandelt, vermits men ze voor een tijdelijken prijs geeft of ontvangt. Daardoor toch wordt ze feitelijk met een tijdelijken prijs op ééne lijn gesteld, en haar alzoo hare waarde ontnomen. De simonie moet gevolgelijk als eene zware zonde beschouwd worden. Dit volgt ook uit de ■woorden, waarmede Petrus den misdadigen Simon den too-venaar terecht wees, „Uw geld,quot; sprak hij, „zij met u ten „verderve, omdat gij de gave Gods geacht hebt, voor geld „verkrijgbaar te zijn. . . . Daarom doe boete over deze uwe boosheid en bid God of misschien deze overlegging uws „harten vergeven wordequot; (VIII, 20, 22).
Wijl de Kerk inzag, hoe nadeelig het den geloovigen zijn zou, als geestelijke ambten en waardigheden niet den waardigsten en verdienstelijksten, maar veeleer den meestbiedenden werden toevertrouwd, heeft zij op dezen verderfe-lijken koop en verkoop de zwaarste straffen gesteld, schorsing namelijk der geestelijke bediening en dadelijke verbanning uit de gemeenschap der Kerk.
De gebruikelijke stipendia voor de H. Mis enz. te geven en aan te nemen is geene simonie, wijl deze niet mogen beschouwd worden als prijs voor de geestelijke handelingen, ja zelfs niet als prijs voor de daarmede onafscheidelijk verbonden moeite, maar als eene bijdrage tot onderhoud van hen, die ze verrichten, gegeven en aangenomen. In dezen zin zegt de H. Paulus (1. Cor. IX, 13, 14): „Weet gij „niet, dat zij , die in het heiligdom werken, ook van het „heiligdom eten, en dat zij, die het altaar bedienen, ook „van het altaar hun deel ontvangen ? Zoo ook heeft de „Heer het verordend, dat zij, die het Evangelie preken, „ook van het Evangelie moeten leven.quot; — Evenmin is het simonie, iemand eene aalmoes te geven met het verzoek of ook wel onder beding, dat hij voor ons bidde of een ander goed werk verrichte, mits de aalmoes niet als prijs voor het gebed of het bedoelde goede werk worde aangezien.
134
Desgelijks maakt ook hij zich niet aan simonie schuldig, die geestelijke zaken tegen andere geestelijke zaken, hijv. relikwieën tegen relikwieën, gebed tegen gebed, enz. om-ruilt, of gewijde voorwerpen verkoopt aan degenen, van wie hij vooraf weet, dat zij er geen kwaad gebruik van zullen maken, als de prijs daarvan om de wijding niet hooger gesteld wordt, dan het voorwerp zelf waard is.
TOEPASSING.
Toen de satan onzen coddelijken Heiland op een hoogen berg gevoerd en onder toezeg^ipg1 van alle rijken der aarde van ^em geëischt had, dat Hij zou neervallen en hem aanbidden, sprak Jesus : „wijk van Mij satan; want er „staat geschreven ; gij zult den Heer uwen God aanbidden „en Hem alleen dienen en de bekoorder week vol schaamte. Lezer! gij weet nu, wat het zesrgen wil: gij zult den Heer uwen God aanbidden en Hem alleen dienen. Wat ik u tot hiertoe van het eerste gebod verklaard heb, toont u uwen plicht yan God te aanbidden en te dienen, en tevens op wat wijze gij dien behoort te vervullen. Vereer dus God in uw hart vooral door oefeningen van celoof, hoop en liefde; vereer Hem ook uiterlijk door een vlijtig bezoek der godsdienstoefeningen , door een stichtend gedrag in de kerk, door ingetogenheid, overweging en aanhoudend gebed. Verwek dagelijks de goddelijke deugden van geloof, hoop en^ liefde; want daardoor eert gij God op eene uitstekende wijze. Verzuim uw morgen- en avondgebed nooit. Dat is de hulde en aanbidding, welke God, uw Opperheer en beste A ader, wien uw geheele leven moet gewijd zijn, van u verlangt, welke gij Hem brengen moet tot dankzegging voor den dag, dien Hij u geschonken, en voor de bescherming, welke Hij u gedurende den nacht verleend heeft. Denk door den dag dikwijls aan uwen Vader in den hemel, herhaal de akten van geloof, hoop en liefde, van kinderlijke toewijding. Wat belet u, dit vele malen en op elke plaats te doen? Wat belet u, hetzij gij op het veld, in de school, in huis, hetzij gij ziek of gezond zijt, van tijd tot tijd uw hart tot God te verheffen, u voor zijne verhevene Majesteit te verootmoedigen en uwen lieven God te beloven, dat gij Hem steeds beminnen, alles te zijner eer doen en lijden wilt. Wees er vooral op bedacht, als een goed kind voor de oogen van uwen hemelschen Vader te wandelen, en in uwe gehoorzaamheid aan ouders, leermeesters, enz. zijn heiligen wil te volbrengen. Woon gaarne
135
en eerbiedig het H. Misoffer bij, en doe niet gelijk de lichtzinnigen, die de kerk voorbij gaan of voortdurend te laat komen, die op weg naar de kerk vechten of geraas maken en in de kerk zelve zich onbetamelijk gedragen, lachen, praten, overal heen zien behalve naar het altaar, en door hun woelig gedrag ook nog anderen storen. Buig bij het in- en uitgaan uw hoofd met eerbied voor den Allerheiligste, buig uwe knie, gelijk het behoort, tot op den grond; blijf in de bank stil knielen, vouw aandachtig uwe handen en hef ze met hart en oogen tot God. Dan zult gij de kerk nooit verlaten zonder den zegen van den goddelijken Weldoener en tevens de genade ontvangen te hebben, om in de school een vlijtig, in huis een gehoorzaam, overal een braaf en godvruchtig kind te zijn. Als gij God op zulke wijze door irnerlijke gezindheid en uiterlijke daden vereert en aanbidt en Hem alleen dient, dan vermag de booze geest niets op u; uw H. Engel en God, uw Vader zelf, zal hem terugdringen als hij u vijandelijk bejegent en u tot zonde verlokken wil. Maar wee u, als gij in uwe jeugd den Heer uwen God vergeet en er niet aan denkt Hem te vereeren , gelijk het behoort! wee u, als gij zondigt voor het aanschijn van Hem, die alles ziet en overal tegenwoordig is ! Zie, de hemel, de aarde en al wat daarin is behoort den Heer, uwen God... Hij is de Heer der heeren, een groote en machtige en verschrikkelijke God (5. Mos. X, 14, 17).
Over «1c vereeriiifi en aauroepiitg; «Ier lleili geo.
Dewijl het den Israëlieten verboden was, naast den eenen waren God vreemde goden te hebben, gesneden beelden te maken ten einde die te aanbidden, meenden de dwaalleeraars der zestiende eeuw het recht te hebben, de katholieke Kerk, om haie vereering der Heiligen, beelden en relikwieën, van afgodeiij te beschuldigen. Hoe geheel ongegrond deze beschuldiging is, zal uit de juiste voorstelling der katholieke leer over de veieering der Heiligen, beelden en relikwieën ten duidelijkste blijken.
Wat leert de kalholieke Kerk over de vereering en aanroeping der Heiligen ?
Zij leert, dat het goed. en heilzaam is de Heiligen te vereeren en aan te roepen (Kerkvergad. van Trente 25e zitt.).
136
Id de geloofsbelijdenis der Kerkvergadering van Trente, welke door de Kerk als geloofsregel aangenomen en den geloovigen gegeven is, lezen wij : „ik houd standvastig voor „waar, dat de Heiligen, die met Christus heerschen, mogen „vereerd en aangeroepen worden.quot; De vereering en aanroeping der Heiligen is dus volgens de leer der Kerk goed en heilzaam; want de katholieke Kerk kan krachtens hare bestemming hare leden niet aanbevelen en aanraden iets te doen, waarvan zi] de overtuiging niet heeft, dat het hun tot^ heil zal verstrekken, wat zij niet goed en heilzaam acht.
Zal nu de verwerpelijke dwaling der katholieke Kerk (wier onfeilbaarheid wij vroeger reeds bewezen hebben) misschien hierin gelegen zijn, dat zij overtuigd is en beweert, dat het goed en heilzaam is de Heiligen te vereeren ? — Zeker wordt door het verstand deze overtuiging en bewering nie~ wedersproken. Immers wie ter wereld beschouwt het als kwaad en verderfelijk, edele, deugdzame menschen te vereeren, dat wil zeggen, hun zichtbare bewijzen van inner-lijken eerbied en hoogschatting te geven? Zal men het in een kind berispelijk vinden, als het zijnen ouders , in een onderdaan als hij zijnen koning eer betoont? Dit zal zeker bij geen verstandig mensch opkomen. Immers, zelfs diegenen, die de vereering der Heiligen laken, richten voor mannen van groote dapperheid of groote verdiensten jegens het vaderland, kunst of wetenschap, gedenkteekenen op, sieren hunne grafsteden, houden lofredenen tot vereeuwiging van hunnen naam en hunne daden, en vieren schitterende leesten; hoe zou het nu verkeerd kunnen zijn, hen te vereeren , die hier op aarde door de beoefening der heldhaftigste deugden hebben uitgeschitterd, die door hunne leer en hun voorbeeld, niet zelden ook door onvermoeide zorg voor het welzijn van den naaste, zich onsterfelijke verdiensten verworven , den zwaren kamp overwinnend gestreden hebben, en nu gekroond voor den troon staan van Jesus Christus, den Koning der koningen, om met Hem te heerschen ? Waarlijk de zalige bewoners van het hemelsch Jerusalem, de vrienden en gunstelingen Gods, onze verheerlijkte broeders, verdienen meer dan iemand anders op aarde den tol onzer diepste vereering. — En wie zal durven loochenen, dat de vereering der Heiligen van groot nut en heilzaam is, ware het slechts, omdat de vereerders daardoor worden aangespoord, zelve die werken te verrichten, waarom zij anderen vereeren ?
Ook de R. Schrift wraakt de vereering der Heiligen geenszins. Heeds in het Oude Testament lezen wij , dat de zalige geesten, ja zelfs menschen, om hunne deugd en heiligheid
137
bekend, vereerd werden. Abraham (1. Mos. XVIII, 2), Loth (1. Mos. XIX, 1), Josue (Jos. V, 15) bogen zich voor de Engelen Gods, die hun verschenen, diep ter aarde, vielen op hun aangezicht en vereerden ze. Abdias, van wien de H. Schrift getuigt, dat hij den Heer zeer vreesde, viel voor den Profeet Elias op zijn aangezicht neder (3. Kon. XVIII, 7), en de zonen der Profeten vereerden Eliseüs met het aangezicht ter aarde (4. Kon. II, 15). Zal nu wel iemand beweren, dat al deze godvruchtige mannen afgoderij bedreven hebben ? Bovendien bevatten de boeken des Ouden Testaments eene uitdrukkelijke uitnoodiging tot lof en verheerli]king van deugdzame mannen. Zoo staat er in het boek Sirach (XLIV, 1, 15 en XLVI, 15): „laat „ons de beroemde mannen (Mozes, Josue, David en meer anderen) „loven. Dat de volkeren hunne wijsheid en de „Kerk hunnen lof verkondigen. Hun roem blijve in eeuwig-„heid.quot; Als wij eindelijk in de H. Schrift God zeiven hooren zeggen: wie Mij eert, hem ook zal Ik eeren, hoe zouden wij er dan nog bezwaar in kunnen vinden, aan diegenen eer te bewijzen, die door den Allerhoogste zeiven geëerd worden ?
De vereering der Heiligen heeft alzoo de rede en de Openbaring voor zich, en dagteekent niet, gelijk hare bestrijding , van vandaag of gisteren, maar reeds van de eerste christelijke tijden; want toen reeds heeft men in de katholieke Kerk de Heiligen vereerd, wijl men van de billijkheid en het voordeel dezer vereering overtuigd was. Die overtuiging vindt hare uitdrukking in de onloochenbaarste feiten der eerste christelijke eeuwen en in de zekerste getuigenissen der oudste Vaders en christelijke Schrijvers. Reeds in de tweede en derde eeuw na Christus werd de sterfdag der HH. Martelaars plechtig gevierd, als de Christenen bij hunne grafsteden vergaderden en op de relikwieën der glorievolle Bloedgetuigen het H. Offer opdroegen. Dit getuigen niet alleen de oudste schrijvers als Origenes, Tertuliaan, Cyprianus \'), maar ook de tijdgenooten van den H. Ignatius (f j. 107) in hunne berichten over den marteldood van hunnen geliefden Bisschop, en de kerk van Smyrna in haar schrijven over de marteling van den H. Polycarpus (f j. 166). „Wij willen,1\' zoo schrijven de eersten, „u den
\') Orig. in diversa loca Evang. — Tert. de Corona c. 3. — S. Cypr. Ep. 34. Uit de latere Kerkvaders hebben wij ontelbare bewijzen; van den H. Augustinus alleen bezitten wij meer dan honderd lofredenen op verschillende Heiligen, die hij op hunne feestdagen gehouden heeft. In eene zijner preeken noemt hij het feest ter eere van den H. üyprianus een //hoogst heiligen en zeer feestelijken dag.quot;
138
„tijd van zijnen dood bekend maken, opdat wij op den „herinneringsdag van zijne marteling bijeenkomen en met „den moedigen strijder van Christus ons vereenigen, om „in heilig aandenken aan hem onzen Heer Jesus Christus „te prijzen.quot;
Dwaalt de Kerk niet, als zij in \'t algemeen leert, dat de Heiligen kunnen vereerd worden, evenmin in hare leer over de aanroeping der Heiligen.
Deze leer toch komt geheel overeen met de uitspraak der Kerkvergadering van ïrente, volgens welke het goed en nuttig is, de Heiligen aan te roepen, en tot hunne voorbede en hulp onze toevlucht te nemen , om van God door zijnen Zoon Jesus Christus, die alleen onze Verlosser en Heiland is, weldaden te verkrijgen. Deze leer volgt noodzakelijk uit hetgeen zij leert over de gemeenschap dei-Heiligen , welke onze geloofsbestrijders met ons in het gemeenschappelijk Symbolum der Apostelen belijden. Daar het namelijk eene geloofswaarheid is, dat de dood de banden der bovennatuurlijke verwantschap tusschen ons en onze verheerlijkte broeders niet verbreekt, daar het volstrekt onbetwijfelbaar is, dat de zaligen in het hemelsch vaderland ons nog beminnen en ons goed willen, dat hunne liefde tot ons zelfs nog vuriger is, dan zij hier op aarde was en zijn kon; zouden wij dan nog een oogenblik durven aarzelen, aan te nemen , dat zij God voor ons bidden ? (Kerkverg. van Toulouse). En als, volgens het getuigenis van den H. Jacobus (V, 16), het gebed van den rechtvaardige reeds hier op aarde zooveel vermag, hoe onvergelijkelijk krachtiger moet dan het gebed der Heiligen zijn, die in volmaakte liefde met God leven en aan zijne oneindige goedheid en macht in zekere mate deelnemen? „Daar wij van de ver-„eeniging onzer gebeden met die onzer broeders op aarde „met recht een groot voordeel verwachten, zoo zie ik niet „in,quot; zegt een der grootste denkers en beroemdste mannen onder de Protestanten (Leibnitz, Syst. d. theol.), „hoe men „het iemand tot eene misdaad kan toerekenen, eene ver-„heerlijke ziel of een Engel aan te roepen en diens voor-„spraak of hulp te begeeren.... Verwerpelijke afgoderij „kan dit in allen geval niet zijn.quot;
En inderdaad, indien dit doemwaardige afgoderij was, wat zouden wij dan moeten denken van den patriarch Jacob, die stervend over zijne kleinzonen Ephraïm en Manasses den zegen van zijn Engelbewaarder afsmeekte met de woorden: „de Engel, die mij van alle rampen verlost heeft, zegene „deze knapen?quot; (1. Mos. XLVIII, 16). Wat van de Kerk van Christus, welke ten allen tijde de Heiligen in den
139
hemel om hunne voorbede aanriep? Men leze de akten der Martelaren, de schriften der BH. Vaders en kerkelijke Schrijvers, de hesluiten der Kerkvergaderingen, de oudste liturgieën, overal ontmoeten wij deze daadzaak, overal treffen wij dit gebruik aan als reeds bestaande, als in zwang zijnde \'). De H. Cyrillus, Patriarch van Jerusalem (•}• j. 386), spreekt in eene leerrede, waarin hij den Katechumenen de gebeden der H. Mis verklaart 2), volgender wijze: Verbolgens gedenken wij degenen die ontslapen zijn ; het eerst „van allen de HH. Patriarchen, Profeten, Apostelen en Martelaren, opdat God met het oog op hunne gebedenen „hunne voorspraak ons gebed genadig aanneme.quot; Aan het slot zijner lofrede op den El. Athanasius wendt zich de H. Gregorius van Nazianze tot den Heilige met deze woorden: „Zie uit de hoogte des hemels genadig op ons neder; leid „dit uw heilig volk en bewaar ons in vredequot; enz.; en de Vaders van de Kerkvergadering van Chalcedon (J. 450) riepen in de elfde verhandeling: „Flavianus leeft na zijn „dood nog voort; hij, de Bloedgetuige, bidt voor ons.quot; „Schamen wij ons niet,quot; schrijft de H. Ambrosius (Boek over de weduwen, hoofdst 6), „in onze zwakheid onze „toevlucht te nemen tot de voorspraak der HH. Martelaren, „die, zoolang zij in het sterfelijk vleesch wandelden, eveneens de zwakheid en gebrekkelijkheid er van ondervonden „hebben.quot;
Vele andere bewijzen kan men lezen bij Bellarminus en Petavius, waar zij over dit onderwerp handelen. Ten slotte moge de volgende uitspraak van Leibnitz (in het geroemde werk) hier eene plaats vinden : „Als het werkelijk afgoderij.
\') In de akten der HH. Martelaren Thryphon en Kespicius Tan het jaar 253 (bij Ruinart) lezen wij, dat geloovigen en priesters des Heeren zich verzamelden , de plaats van hun martelaarschap godsdienstig inwijdden, daar het geheim onzer verlossing vierden en hunne zielen aan de verhevene bescherming der HH. Martelaren aanbevalen. Kardinaal Wiseman zegt (in zijn werk de voornaamste leerstellingen en gebruiken der katholieke Kerk, 13quot; voorlez.): //niets is minder zeld-//zaam , dan dat men op de graven der oudste christelijke tijden een «gebed vindt tot de Heiligen of Martelaren, eene aanroeping om hunne «voorbede bij God.quot; Daarop geeft hij het volgende als bewijs aan. In het jaar 1B94\' werd (te Rome) in de katakomben van Gordianua en Epimachus het merkwaardige graf ontdekt van den martelaar Sabbatius met het opschrift; „Sabbatius, zoete ziel, hid en smeek voor uwe //broeders en gezellen.quot; Op de begraafplaats van Calixtus bevindt zich een ander even oud opschrift, dat aldus luidt: //Attikus, uw geest „is zalig, bid voor uwe ouders.quot; In de katakombe van Syrianus is een opschrift van gelijken inhoud: /Jovianus, leef in God en bid;\'quot; en in die van Priscllla lezen wij : //Anatolius richtte dit gedenkteeken «op voor zijnen zoon , die zeven jaren leefde. Moge uw geest zacht „rusten in God, en bid voor uwe zuster.quot;
2) Cateches. mijstag, 5 5 9.
140
„of tenminste een doemwaardige eeredienst is, de Engelen „en de Heiligen aan te roepen, opdat zij bij God onze voor-„sprekers zijn mogen, dan begrijp ik niet, hoe Basilius, „Gregorius van Nazianze, Ambrosius en anderen, die tot „nog toe als Heiligen werden aangezien, van afgoderij of „tenminste van schandelijk bijgeloof kunnen vrijgesproken „worden. Dat zijn waarlijk geene onbeduidende gebreken, „die, gelijk men pleegt te zeggen, den Vaders aankleven; „neen, het zijn groote misdaden. En het is te vreezen, dat „zij, die zoo spreken, den weg banen tot den ondergang „van het gansche Christendom. Want als reeds in dien tijd „zulke afschuwelijke dwaalleeringen in de Kerk de over-„hand hebben gekregen, dan laat ik het aan ieders oordeel „over, hoe ver het eindelijk wel met de zaak van het „christelijk geloof moet gekomen zijn. Onbezonnen geesten „zullen in hunne twijfelzucht gewis nog verder gaan; het „zal hen ten hoogste bevreemden, dat Christus, die in zijne „beloften voor de Kerk zoo vrijgevig was, den vijand van „het menschelijk geslacht zooveel macht heeft gelaten, dat, „de eene afgoderij nauwelijks overwonnen zijnde, weder eene „andeie het hoofd verhief, en dat er onder zestien eeuwen „slechts een of twee geweest zijn, waarin het geloof onder „de Christenen zuiver behouden bleef, terwijl daarentegen „de joodsche en mahomedaansche godsdienst vele eeuwen „achtereen vrij wel in hare oorspronkelijke zuiverheid zich „heeft staande gehouden. Zou het voorstel van Gamaliel, „dat men uit het gevolg moest oordeelen, of de godsdienst „van Christus het werk van God of van menschen was, „dan niet ten haren nadeele zijn uitgevallen ?quot; Daarin dus, dat de Kerk in \'t algemeen leert, dat de Heiligen mogen vereerd en aangeroepen worden, ligt zeker geene dwaling, geen spoor van godendienst of afgoderij.
Schendt misschien de wijze der aanroeping en vereering van de Heiligen de door het eerste gebod voorgeschrevene vereering van God ? Maakt de Kerk volstrekt geen onderscheid tusschen de vereering en aanroeping van God en van de Heiligen ? Of beoefent en beveelt zij eene vereering der Heiligen, die alleen in vormen bestaat en tot de zedelijke en godsdienstige veredeling niets bijdraagt? Het tegendeel zal uit de oplossing der volgende drie vragen duidelijk blijken.
IVal is het onderscheid tusschen de eer, welke wij aan God, en die, welke wij den Heiligen bewijzen?
1. God alleen eeren en aanbidden wij als onzen hoogsten Heer en de bron van alle goed; de Heiligen eeren wij slechts
141
als zijne getrouwe dienaars en vrienden. De katholieke Kerk heeft overal en altijd dit wezenlijk onderscheid tusschen de vereering van God en de Heiligen vastgehouden \') ; overal en altijd heeft zij het als eene doemwaardige afgoderij aangezien, eenig geschapen wezen goddelijke eer te bewijzen of te aanbidden. Men zal geen katholieken Katechisraus, zelfs geen katholiek hoek, noch minder eene uitspraak van eene of andere Kerkvergadering of van een Paus vinden, welke het tegendeel zegt. God alleen moet als onze hoogste Heer, als de Schepper en Regeerder der geheele wereld erkend, geëerd, en aangebeden worden. Den Engelen en Heiligen mag en moet men zekerlijk ook eer bewijzen, maar nooit of nimmer eene zoodanige, die de eer, welke wij aan God verschuldigd zijn, evenaart. Want gelijk er tusschen den Schepper en het schepsel, tusschen den oneindigeu Heer en den eindigen dienaar een oneindige afstand is, zoo is er ook tusschen de vereering, welke den eenen toekomt, en die welke den anderen voegt, een oneindig verschil. Wel vragen wij ook den Heiligen knielende, met opgeheven en gevouwen handen, om hunne bescherming en voorbede; maar wij bedoelen daardoor geenszins hen te aanbidden, evenmin als een knecht, wanneer hij voor zijn heer ligt neêrgeknield en hem dringend om eene gunst verzoekt. Wij eeren de Heiligen insgelijks, als wij hen bij het heilig Misoffer om hunne voorspraak aanroepen en God voor de hun verleende genade loven ; maar den Allerhoogste alleen dragen wij het allerheiligstOffer op (Kerkverg. v. Trente 22quot; zitt. 3quot; hoofdst.), en dit alleen is reeds voldoende, om den vereerder dei-Heiligen te onderscheiden van den godendienaar die zijnen afgoden offers opdraagt. Verder bouwen wij, naar het voorbeeld der eerste Christenen, kerken en altaren boven de grafsteden der Heiligen, en vieren hunne gedenkdagen met godsdienstige plechtigheid; doch deze tempels en altaren worden niet voor de Heiligen als waren zij godheden, maar voor den eenen allerhoogsten God opgericht; zij worden, onder hunne aanroeping, God ter eere gewijd \'2). Ook worden
\') De aanbidding, welke God alleen toekomt, noemt de Kerk met den griekschen naam //Latria;quot; de vereering, welke zij den Heiligen bewijst, „üulia,quot; d. i. dienst. Het latijnsche woord „adoratioquot; be-teekent zoowel in de vertaling van het Oude Testament als in de oudste liturgische boeken niet uitsluitend „aanbidding,quot; maar dikwijls eene eerbewijzing of vereering, welke ook aan een schepsel kan bewezen worden.
\'-) Bij de inwijding eener kerk bidt de Bisschop tot God : »ut eccle-siam et altare hoe ad honorem tuum et nomen sancti N. consecrandam benedicere digneris.quot;
142
in de katholieke Kerk ten dienste der Heiligen niet, gelijk bij de heidenen ten dienste der goden, bizondere priesters aangesteld i). Wij stellen den Heiligen onze belangen voor, maar aan God alleen doen wij geloften ; en terwijl wij voor de beelden en relikwieën der Heiligen slechts het hoofd buigen, buigen wij aanbiddend de knie voor den Allerheiligste.
2) V\\ ij eeren God om God zeiven of om zijne oneindige volmaaktheden, welke Hij van zich zeiven heeft, maar de Heiligen om de gaven en voorrechten, welke zij van God ontvingen; vandaar eeren en prijzen wij in de Heiligen God zeiven, die zich in hen zoo machtig en zoo rijk in genaden geopenbaard heeft. Uit dit antwoord zien wij gemakkelijk, dal; de vereering, welke wij den Heiligen brengen , in een dubbel opzicht, namelijk volgens haren oorsprong en haar laatste doel, eene godsdienstige vereering is, die God zeiven tot eere strekt, en dat zij wel verre van te kort te doen aan de vereering van God, deze als noodzakelijk veronderstelt. De vereering der Heiligen strekt God tot eere, a) wijl zij voortvloeit uit de erkenning der hooge genadegaven en voorrechten, welke God zijnen vrienden en dienaren verleend heeft. He katholieke Kerk toch leert en heeft altijd geleerd, dat God de eenige bron der deugd en heiligheid is, welke wij in zijne dienaars ontdekken en bewonderen, dat de Heiligen slechts dóór zijne genade zijn, wat zij zijn, — vereerenswaardig. — b) Wijl wij door de vereering der Heiligen m werkelijkheid God zeiven zoeken te vereeren, volgens de woorden van den Psalmist: „looft den Heer in „zijne Heiligenquot; (Ps. CL, 1). Gelijk men namelijk een aardschen koning meent te eeren, als men zijnen gezanten, zijnen hovelingen en vertrouwden bizondere eerbewijzingen
\') Wet gebruik, om kerken te bouwen op de begraafplaatsen der HÜ. Alarteiaren was in de eerste tijden van het Cliristendom zoo algemeen, dat men ze met een bizonderen naam bestempelde, martyria in het grieksch, in \'tlatijn confessiones. — Lactantius was de eerste, die, tot aanduiding dezer kerken, het woord tempel gebruikte (Bin-terim\'s Denkwiirdigkeiten, Bd. 4). Bouwde men eene kerk op eene andere plaats, dan werd het H. gebeente daarheen gebracht. Daarom weigerde de H. Ambrosius (22» brief) de basiliek te Alilaan in te wijden, alvorens hij de relikwieën der HH. Martelaren had. Kerken van deze soort droegen gewoonlijk den naam des Heiligen, wiens relikuieön daarin bewaard waren. Vandaar dagteekent het gebruik, hetwelk nog heden beslaat, om de kerken naar een bepaalden Heilige te noemen. En ofschoon iedere kerk op de eerste plaats God ter eere gebouwd en gewijd wordt, is het toch niet onjuist te zeggen, dat zij op de tweede plaats ter eere der Heiligen gebouwd en gewijd wordt, inzoo-verre men namelijk daarin de gedachtenis van een bepaalden Heilige bizonder viert en zijne relikwieen vereert.
143
betoont; zoo gelooven wij ook, door de gezanten, vrienden en lievelingen van den Koning des hemels te vereeren, Hetn zei ven de verschuldigde eer te bewijzen. En zulk eene handeling zou met het eerste gebod in strijd zijn ? Zulk eene vereering zou God mishagen? „Wie is zoo dwaas,\'\' vraagt met recht de romeinsche Katechismus, „om, als de „koning beveelt, dat niemand zich voor koning mag uit-„geven of zich koninklijke eer laten bewijzen, daarom te „gelooven, dat de koning niet wil, dat men zijnen beambten „eer bewijze ?quot;
Waarop moeten mij bij de vereering der Heiligen vooral acht geven ?
Vooral hierop, dat wij door de navolging hunner deugden hun gelijkvormig worden, opdat ook wij eens deel nemen aan hunne eeuwige gelukzaligheid. „Wie weet niet,quot; zegt de H. Chrysostomus (in zijne eerste leerrede over de Martelaren), „dat de christelijke volken volgens goddelijk raads-„besluit de gedachtenis der Martelaren luisterrijk vieren, „opdat hun behoorlijke eer bewezen, en ons voorbeelden „van deugd voor oogen gehouden worden ? Bij het aan-„schouwen dezer plechtigheden zullen wij erkennen, welke „heerlijkheid zij in den hemel bezitten, wier sterfdag op „aarde met zooveel luister gevierd wordt, en door de voor-„beelden van deugd der HH. Martelaren zullen wij aan-„gespoord worden, om, met de hulp van Christus, vol „toewijding en geloof\' te strijden en den vijand te overwinnen, „opdat wij na behaalde zegepraal met hen zegevieren, in „den hemel.quot; Dit is het hoofdzakelijk, wat de Kerk voor oogen beeft en bedoelt, als zij ons de vereering der Heiligen aanbeveelt en ter eere harer zegepralende kinderen godsdienstige plechtigheden aanricht. Wat eertijds de H. Augustinus op het feest der 20 martelaren (325e leerrede) tot het volk van Hippo sprak, dat drukt zij nog heden ons op het hart: „als wij de HH. Martelaars vereeren zonder „hen na te volgen, doen wij niets anders, dan hen opeens „leugenachtige wijze vleien. Daartoe dus zijn in de Kerk „van Christus plechtigheden ingesteld, opdat alle leden van „Christus zouden herinnerd worden, dat zij de Bloedgetuigen „van Christus moeten navolgen. Stelde men ons God als „toonbeeld ter navolging voor, dan zou de menschelijke „zwakheid kunnen antwoorden, dat het een al te moeielijke „plicht is, den Onvergelijkbare na te volgen. Teneinde nu „aan onze zwakheid in het geloof en onze ongenoegzaamheid „elke verontschuldiging te ontnemen, hebben de Martelaren
144
„door hun voorbeeld voor ons den weg ten hemel gebaand. „Petrus was, wat gij zijt; Paulus was, wat gij zijt; de „Apostelen en de Profeten waren menschen geliik gij. Valt „het u zwaar den Heer na te volgen, volgt dan uwen mede-„dienaar na. De schaar der dienaars van God gaat vooruit; „geene uitvlucht blijft der traagheid meer over. Tracht dus, „mijne broeders , den lijdensstrijd der Martelaren daardoor „te vieren, dat gij et u ernstig op toelegt, ben na te volgen.quot; Zoo houdt ook de H. Kerk niet op, ons herhaalde malen in te prenten, dat alle vereering der Heiligen vruchteloos is, bijaldien wij er niet naar streven, hunne voetstappen te drukken; zij stelt ons scharen van zegevierende strijders van Christus voor, uit eiken stand, van eiken leeftijd, van beider geslacht, opdat eenieder het hem passende voorbeeld viude ; zij toont ze ons niet slechts in hunnen aardschen wandel, maar ook in het land der blijdschap, omstraald door den glans der heerlijkheid, in eindelooze verheerlijking, opdat ook wij, even als zij, onvermoeid en ridderlijk strijden en den zegeprijs der eeuwige glorie behalen.
Wai is het onderscheid tusschen het gebed, hetwelk wij tot God, en dat, hetwellc vii.j tot de Heiligen richten?
Wij bidden God, opdat Hij ons helpe door zijne almacht, maar de Heiligen bidden wij, dat zij ons helpen door hunne voorbede bij God. Wij roepen de Heiligen niet aan, alsof zij uit zich zeiven, dat is, uit eigen, van God onafhankelijke kracht ons konden helpen, daar zij alles, wat zij hebben, van God hebben ontvangen; maar wij roepen ze aan als vrienden van God, den uitdeeler van alle goede gaven, wijl zij juist daarom het meest geschikt zijn, God voor en met ons te bidden, dat Hij ons genadig verleene, hetgeen wij Hem vragen. Dit blijkt duidelijk uit de twee geheel onderscheidene gebedsformulieren, waarvan wij ons bedienen, als wij tot God smeeken of daarentegen de Heiligen aanroepen. Tot God ze^rgen wij: „Ontferm u onzer!quot; maar tot de Heiligen : „bidt voor ons.\'\' Als wij somtijds ook de Heiligen om ontferming aanroepen, dan beteekent dit niets anders dan : hebt medelijden met ons, bidt voor ons, wendt uwe verdiensten en de u door God verleende macht aan, om ons, uwe nog strijdende broeders, te helpen. Bij de aanroeping der Heiligen ligt alzoo de vaste overtuiging ten gronde, dat God de eenige bron van alle heil, van alle genade, in \'t algemeen van elke tijdelijke en geestelijke gave is; de Heiligen daarentegen machtige voorsprekers bij
145
God en ondergreschikte middelaars zijner genadegaven zijn. Wat nu is er tegen zulk eene bemiddeling in te brengen? Zal men het wel ongepast en beleedigend achten, als iemand, om van een koning dezer aarde eene gunst te verkrijgen, zich bedient van de bemiddeling en de voorspraak van een vriend of broeder, die bij het hof in hooge gunst staat ? Zeker niet. Hoe zou het dan God, den Koning der koningen mishagen, als wij, om eene genade te verwerven, tot Hem komen door middel zijner getrouwste dienaars en meest beminde vrienden ? Hoe zou het Hem tot oneer kunnen strekken, als zij, die met Hem heerschen , om voorspraak bij Hem aangeroepen worden ? Toen God tot straf van de wederspannigheid en het gemor der Israëlieten, vurige slangen onder dat volk zond, en velen daardoor stierven, kwam het volk tot Jfozes en sprak Wij „hebben gezondigd, doordat wij gemord hebben tegen den „Heer, en tegen u; bid toch, dat Hij de slangen van ons „wegneme.\'\' Mozes bad voor het volk, en God verhoorde zijn gebed (4. Mos. XXI, 7, 8). Een anderen keer, toen de Israëlieten door de Philistijnen bedreigd werden , spraken zij tot den Profeet Samuël: „houd niet op tot den Heer, „onzen God, te roepen, dat Hij ons redde uit de hand der „Philistiinen.quot; Samuël nu riep tot den Heer voor Israël, en de Heer verhoorde hem (1. Kon. VII, 8, 9). Immer bewees dus het goed gevolg, namelijk de verhooring van den voorspreker, dat God er zich geenszins beleedigd en onteerd door gevoelde, dat de Israëlieten iemands voorspraak hadden ingeroepen. Daarom ook mogen wij, zonder de minste vrees van God te mishagen, de Heiligen in den hernel om hunne voorspraak bij Hem verzoeken, als de vijanden des faeils ons omringen en de helsche slang met haren doode-lijken beet ons bedreigt.
Hetgeen tot hiertoe gezegd is, is gewis voldoende om het geoorloofde en het voordeelige van de aanroeping der Heiligen te bewijzen. Daar onze vijanden echter niet moede worden, die leer te bestrijden, zullen wij in het kort op do voornaamste bezwaren daartegen antwoorden.
Ie Opwerping. Niets waarborgt ons, dat de Engelen en Heiligen in den hemel voor ons bidden, dus is het dwaas, hen om hanne voorspraak aan te roepen.
Antwoord. Al konden wij maar met eonigen grond vermoeden, dat de Heiligen voor ons bidden, dan zou men dengene, die daarom de Engelen en Heiligen aanriep, ten onrechte van dwaasheid beschuldigen. Overigens is ons de H. Schrift zelve tot waarborg. Want — a) zij getuigt ons, dat de Engelen voor de raenschen tot Grod bidden. Zoo bad, volgens het getuigenis van den Profeet Zacharias (II. 13), de Engel des Heeren voor het joodsche volk, als hij zeide : //Heer der ^heerscharen, hoe lang zult gij u niet ontfermen over Jerusalem en j-over de stad van Juda?quot; Ook de Engel Raphael bracht, gelijk hij zelf verzekerde, het gebed van den vromen Tobias voor den Heer, DEHARBE, GELOOPSLEER. üt. 3de DKUK. 10
146
dat wil zeo-gen , hij ondersteunde liet door zijne voorbede (Tob. XII. 12). — l) \'Dezelfde H. Schrift leert ons ook, dat de Heiligen voor de menscken bidden. Eens verscheen — in een gelooiwaardig droomgezicht — de gestorven hoogepriester Onias aan Judas den llacliabeei, ünias was een goed, van zijne jeugd af in alle deugden geoetend man geweest. Judas zag hem nu zijne handen uitstrekken en voor net geheele joodsche volk bidden. Hierop verscheen een ander man, eerwaardig om zijn leeftijd, bewonderenswaardig om zijn uiterlijk, met groote heerlijkheid omstraald. Toen hief Onias aan en sprak (tot.Juaas). „dat is de \'vriend der broeders van het volk Tsraëls; hij is het, //die veel bidt voor het volk en do gansche heilige stad, Jeremias , »de Profeet Godsquot; (2. Mach. XV). Gelijk de grootmoedige alachabeer in het Oude Verbond deze beide sinds lang gestorven Heiligen als voorbidders van zijn volk erkende, zoo zag in het Aieuwe Verpona de H. Evangelist Joannes door goddelijke openbaring vier-en-twmtig ouderlingen voor den troon van God, die den Allerhoogste de gebeuen der Heiligen, vereeuigd met hun gebed, onophoudelijk opdroegen (Openb. V, 8). .
2quot; Opwerping. De Heiligen in den hemel weten mets van ons; dus ook niets van onze aanroeping; bijgevolg is zij volstrekt nutteloos. ... ,
Antwoord. Van de Engelen staat het vast, dat zij iets van rte men-schen weten, anders had de Engel Raphael het gebed van Tobias met aan God kunnen opdragen, anders zouden de Engelen zich niet kunnen verheugen over een zondaar, die boetvaardigheid doet, gelijk het Evangelie getuigt (Luc. XV, 10). Oit deze plaats^ besluit men met recht, dat de Engelen zelfs bekend zijn met het binnenste der ™en~ schelijke harten, waar de ware boetvaardigheid haren zetel heett (Verg. Ie deel, de leer over de Engelbewaarders). Weten nu de hn-gelen iets van ons: op welken grond zouden dan de zaligen, die met Christus heerschen, waarvan Hij zelf zegt. //dat zij zijn zullen als de //Engelen in den hemel,quot; niets van ons weten? Als het den Engelen, »als dienstbare geesten,quot; vergund is, met datgene, wat de menschen, hunne beschermelingen, betreft, bekend te zijn; zouden dan de zaligen, //die met Christus heerschen,quot; in het geheel niets vernemen van hen, tot wie zich de heerschappij van Christus uitstrekt? En daar het overigens bewezen is, dat tusschen ons en hen de innigste levensgemeenschap bestaat, zoodat wij met hen krachtens de „gemeenschap
„der Heiligenquot; het eene geheimzinnige lichaam van Christus uitmaken , hoe kan men dan nog aannemen, dat zij, do verheerlijkte, met Christus,
het hoofd, allernauwst verbonden leden van de lotgevallen en behoetten
der nog strijdende en lijdende leden volstrekt geene kennis dragen ? — Wij behoeven de wijze niet te bepalen, waarop de Heiligen tot de kennis onzer beden en smeekingen geraken, daar het God, den Ai-wetende en Almachtige, zeker niet aan menigvuldige middelen kan ontbreken, om zijne geliefde vrienden daarvan kennis te geven. Het is genoeg te weten, dat God het werkelijk doet. en daarvoor pleiten tallooze gebeden, die verhoord worden, niet zelden vergezeld van ue verbazendste wonderen \'j, welker waarheid het hardnekkig on^eloo
\') De ruimte van dit boek veroorlooft ons niet, alles in het bizonder aan te geven, wat gevorderd wordt, opdat te Kome een
wonder voor het doel der zalig-of heiligverklaring voldoende bewezen,
erkend en aangenomen wordt. Vooreerst moet het teit, bijv. eene plotselinge genezing, buiten allen twijfel gesteld worden. Daartoe worden soms tot zestig getuigen gehoord, die allen op het H. Evangelie i en eed moeten alieggen, dat zij slechts de waarheid zullen zeggen. e-vinden zich onder hen geene ooggetuigen van het wonder, dan wordt het terstond afgewezen. Verder moet het bewijs geleverd worden, dat het onderhavige feit (de genezing) niet door natuurlijke middelen.
147
alleen heeft durven betwisten (Zie het gezegde over de kanonizatie der Heiligen in deel II).
Luther zelf legde in een «.tegen eenigen zijner bestrijdersquot; (in het jaar 1519) geschreven stuk het volgende getuigenis af: //Wat de voor-vbede der lieve Heiligen betreft, zeg ik en houd vast met de geheele ,/Christenheid , dat men de Heiligen moet eeren en aanroepen ; want ,/wie zal ontkennen , dat God nog ten huidigen dage bij de lichamen „en de graven zijner lieve Heiligen door hun naam zichtbaar won-aderen doet ?quot;
3e Opwerping. Zich wenden tot de Heiligen is een teeken van mistrouwen in Jesus Christus, tdie onze Voorspreker is bij den Vaderquot; (Joan. II, 1), en die gezegd heeft; «.komt allen tot 3Iij,\'die belast zijt ,/en beladen, en Ik zal u verkwikken.quot;
Anücnorcl. Indien het een teeken van mistrouwen was, anderen om hunne voorspraak aan te roepen, wat zouden wij dan van den H. Paulus moeten denken, die aan de Christenen van Rome schreef (Kom. XV, 32): „ik bid u, broeders, bij onzen Heer Jesus Christus „en bij de liefde des H. Geestes, dat gij mij met uwe gebeden voor «mij bij God behulpzaam zijt?quot; Zou het misschien geoorloofd en raadzaam wezen, onze broeders op aarde om hunne voorspraak te bidden en daarentegen verboden zijn, de verheerlijkten in den hemel aan te roepen ? Wie zal daarvoor eenig bewijs kunnen aangeven ? Ofschoon wij de zaligen aanroepen , ons volle vertrouwen rust niettemin op God en op de verdiensten van Jesus Christus, zijn eenig-geboren Zoon, want wij weten zeer goed, dat al, wat wij op de voorbede der Heiligen verkrijgen, ons slechts, gelijk elke andere genade. met het oog op de verdiensten van Christus en in zijnen naam wordt medegedeeld, daar de Heiligen zelve slechts in den naam van Jesas voor ons bidden en uit kracht van zijne verdiensten hopen verhoord te worden.
Hunne voorspraak bestaat juist daarin, dat zij met en voor ons onzen gemeenschappelijken Vader in don hemel in den naam van onzen gemeenschappelijken Middelaar Jesus Christus aanroepen. Jesus Christus is dus altijd onze //voorspreker bij den Vader,quot; de „ééne //middelaar tusschen God en de menschen, die zich tot losprijs voor
bijv. der geneeskunst enz. heeft kunnen plaats hebben; daarom worden bij de beraadslagingen over de wonderen de bekwaamste geneesheeren en natuurkundigen naar hun gevoelen gevraagd. Bovendien wordt bij de onderzoeking der wonderen een buitengewoon advokaat aangesteld, die in geweten verplicht is, alle opmerkingen tegen de waarheid en werkelijkheid der wonderen, welke maar eenigszins gegrond schijnen, in te brengen; blijft ook slechts ééne moeielijkheid onopgelost, dan wordt het wonder niet aangenomen, en zoo er geene andere onbetwistbare wonderen kunnen worden voorgelegd, dan wordt er met de zaligverklaring geen voortgang gemaakt, zelfs al is het heldhaftige der deugd volkomen bewezen. Overigens is een enkel wonder voor de zaligverklaring niet toereikend; minstens worden er twee, niet zelden drie of vier gevorderd. Als namelijk bij het voorloopig proces over het heldhaftige der deugden geene tijdgenooten meer leven, die de feiten betreffende den heiligen levenswandel van dengene, die zalig verklaard zal worden, als ooggetuigen kunnen bevestigen, dan vordert de Kerk een des te grooter aantal proefhoudende, door ooggetuigen gestaafde wonderen, opdat alzoo Gods stem de heiligheid van zijnen dienaar des te luider verkondige, naarmate het getuigenis der menschen minder onomstootelijk is. Slechts dan kan van de zaligspreking worden overgegaan tot de heiligverklaring, waardoor de openbare vereering en aanroeping van eenen zalige zonder beperking in de geheele Kerk wordt toegestaan , als er sinds de zaligverklarin minstens twee wonderen aanwezig zijn.
10*
148
„allen heeft overgeleverdquot; (1. Tim. II, 5). Als Hij zegt ; „komt allen tnt Mii quot; verbiedt Hii daardoor geenszins, dat men tot iemand anders ziine\' toèvluclit neme.\' Gewis mogen wij ook de allerzaligste Maagd onze voorspreekster en middelares, en de Heiligen in den hemel onze voorsprekers en middelaars noemen. Want ofschoon Cnnstus „het ware „licht is, dat alle menschen verlichtquot; (Joan. I, 9), ofschoon Hij de ééne Herder des écnen schaapstals (Joan. X, 16) en de eene Leeraaris {Matth. XXIII, 10), noemt Hij toch ook zijne Apostelen „het licht der „wereldquot; (Matth. V, 14-), en stelde hen aan, gelijk Paulus getuigt (Eph IV 11) tot herders en leeraars. Christus echter is de eemge Middelaar door zich zeiven, door zijne eigen verdiensten. Hij nadert den Vader door zich zeiven om voor ons te bidden; de Heiligen daarentegen naderen God door Christus en bidden voor ons in zijn en naam en in vertrouwen op zijne verdiensten. Als Middelaar legde Cnnstus b\'ii ziin Vader den prijs van ziin kostbaar bloed neer tot losgeld der wereld en ziine schatten van genaden voor de verlosten , daarom is ook Hii alleen onze Heiland en Verlosser; de Heiligen zijn onze middelaars , dewijl zij ons door hunne voorbede de toepassing diei
E-enadeschatten verwerven. .. , , , ,
Overigens leert de Kerk volstrekt niet, dat wij ons enkel door bemiddeling der Heiligen tot God mogen wenden ; zij zelve wendt zich in de meeste harer gebeden onmiddellijk tot God. . , „ .
De Kerkvergadering van Trente beveelt ons de aanroeping der Heiligen wel aan. als zij zegt, dat die goed en nuttig is; maar zn legt ons geene verplichting op. Niettemin zal geen kind, dat zijn heil ter harte neemt en acht geeft op het voorbeeld en den klaarbbjkelijken wensch der Kerk, verzuimen de verheerlijkte vrienden en lievelingen Gods aan te roepen, om door hunne veelvermogende voorbede spoediger en in ruimere mate van den Konig der koningen te erlangen , wat het aangezien ziine volkomene onwaardigheid, met minder kracht van\' Hem zou kunnen afsmeeken. Des te sterker zal het daartoe worden aangedreven, naarmate het meer inziet hoe aangenaam zulk eene handeling aan den Allerhoogste is, die verlangt, dat wij de hooge
verdiensten zijner getrouwe dienaars en vooral der allerheiligste Woedei van ziin eeniggeboren Zoon erkennen, en dat wij Hem gelegenheid o-even, om door de verhooring hunner gebeden steeds meer en meer ziin welgevallen in hen te openbaren, den bond der liefde en heilige gemeenschap tusschen hen en ons immer nauwer aan te trekken , in \'t kort, door verheerlijking zijner Heiligen zich zeiven te
^^eds^ingiet Oude Testament beval God aan de vrienden van Job diens voorspraak in te roepen, als Hij hun zeide; „gaat tot mijn
„dienaar Job____ Job mijn dienaar moet voor u bidden dan zal ik
om hem uwe dwaasheid niet toerekenen; want gU hebt met goed „tot Mii gesproken, zooals mijn vriend Job (Job. XLU, /, 8)-
Met hoeveel meer aandrang roept Hij ons in den nieuwen bond, der liefde, toe: „gaat tot mijne beminde vrienden, gaat tot mijne „allerliefste Moede?, opdat zij\'1 voor u bidden: Ik zal ^ o» hunne „voorspraak de genade der bekeering en hulp in iedere aangelegenheid !verlecrien.,: Zou het niet trotschheid en onvergeeflijke nalatigheid wezen, aan deze uitnoodiging Gods geen gehoor te geven?
Ka al de gegeven verklaringen zal het niemand bevreemden, dat de Kerkvergadering van Trente (25= Zitt.) zich op dit punt aldus uitspreekt; „dat diegenen goddeloos denken, die beweren, dat de llei-„ligen, die in den hemel de eeuwige zaligheid genieten, niet moeten worden aangeroepen , of dat de Heiligen niet voor de menschen bidden „dat hunne aanroeping godendienst is, ot strijdig met het woord Gods „en de eer van den eenen Middelaar tusschen Gott en de menschen.
149
Wie motten vij, rneer dan alle Engelen en Heiligen, aanroepen en ver et ren p
De allerzaligste Maagd en Moeder Gods Maria.
1) Wij moeten baar meer dan alle Engelen en Heiligen vereeren, ■wijl zij de moeder van God is, en daarom alle Engelen en Heiligen in genade en heiligheid overtreft. Maria is in den waren en eigenlijken zin Moeder van God. üeze waardigheid is zoo verheven, dat er huiten de Godheid geene verhevener kan gedacht worden; bijgevolg komt aan Maria reeds om die reden eene vereering loe, welke de goddelijke vereering zoo nabij komt, als haar de vereering van eenig schepsel slechts nabij kan komen. „Elk schepsel „sta verbaasd,quot; roept de H. Petrus Damianus uit (leerrede over de geboorte van Maria), „en wage het slechts met „heilige vreeze deze onmetelijke waardigheid te overwegen en de H. Ephraïm noemt de M. Maria juist om deze waardigheid, „de Koningin van allen, boven alle hemelingen ver-„heven, eerwaardiger dan de Cherubijnen, heiliger dan de „Seraphijnen, en onvergelijkelijk heerlijker dan alle heerscharen.\'quot; „De taal der menschen, ja zelfs der Engelen, „is niet voldoende,quot; zegt de H. Epiphanius, „om den lof, „welke Maria toekomt, uit te spreken.quot; Daarom bidt de H. Kerk in hare getijden met de woorden van den H. Augus-tinus : „O heilige, onbevlekte, maagdelijke Moeder! met „welke lofspraken zal ik u verheffen; want gij hebt Hem „in uwen schoot gedragen, dien de hemelen niet kunnen „bevatten?quot; De waardigheid van het goddelijk moederschap was de oorzaak , waarom de Allerhoogste Maria, van het eerste oogenblik haars bestaans af, met de volheid der genade begiftigde en uitrustte met alle voorrechten der heiligheid, die aan eene moeder van God betamen. En deze volheid van genade bewaarde Maria niet alleen, maar zij verhoogde die alle dagen en alle oogenblikken van haar leven door getrouwe, volmaakte medewerking, zoodat haar hart eene onpeilbare, overvloeiende zee van genade en heerlijkheid werd. Op deze wijze dan ook verdiende Maria den hoogsten graad van heerlijkheid in den hemel, dien het eenig schepsel mogelijk is te bereiken. Haar troon is verheven boven alle tronen der zalige hemelbewoners, en voor den glans barer kroon verbleeken de kronen der Heiligen , gelijk de sterren voor den glans der maan. Op Maria, gekroond door haren goddelijken Zoon als Koningin des hemels en der aarde, past de Kerk in hare getijden de woorden toe van den Psalmist (XL1V, 10), die, waar hij de eeuwige heerlijkheid van den Messias beschrijft, er bijvoegt; „de
150
„Koningin staat aan uwe rechterhand, in een kleed van „goud, omgeven met vele kleuren,quot; dat is, schitterende van heerlijkheid, eener moeder van God waardig, wonderbaar gesierd door de verscheidenste deugden. Met recht dan bewijst de Kerk aan Maria, de moeder Gods, overal, over den geheelen aardbodem, eene vereering, zooals zij geenen Engel of Heilige bewijst; met recht bouwt zij, hoewel hoofdzakelijk God, toch ook haar ter eere, ontelbare heiligdommen ; met recht wijdt zij aan hare bizondere vereering de liefelijkste maand van het geheele jaar, met recht viert zij tot hare verheerlijking talrijke feesten, bidt zij hare getijden, verkondigt en zingt zij vol geestdrift haren lof. Zoo had Maria, verlicht door den H. Geest, het voorspeld; „Zie van nu af zullen mij alle geslachten zalig prijzenquot; (Luc. I, 48). l)
\') Hier ruimen wij gaarne voor drie bemerkingen uit Suarez (in 3. s. Thom.) eene plaats in. — 1) Dat Maria eiken Engel en Heilige in genade, heiligheid en heerlijkheid overtreft, is niet slechts eene vrome meening, maar de vaste, onwankelbare overtuiging der katholieke Kerk; dat de moeder Gods alle Engelen en Heiligen tezamen, dat is, in hunne geheelheid beschouwd, in genade, heiligheid en glorie te boven gaat. kan volgens Suarez (in q. 37. disp. 18. s. et disp. 21 s. 3.) niet met zekerheid beweerd worden. Hij houdt echter dit gevoelen voor waarschijnlijk en geeft daarvoor vele gronden aan, en voegt er ten slotte deze bemerking bij: «dat hij betrekkelijk dit gevoelen de 4-deugdelijkste en in de godgeleerdheid bekwaamste leeraars geraad-//pleegd lieeft, die allen deze meening godvruchtig en waarschijnlijk „achten.quot; — 2) Als de H. Augustinus, naar de woorden van den Heiland bij Luc. XI, 27, 28 (3\' hoofdst. over de maagdelijkheid) verwijzende, van Maria zegt, ;,dat zij gelukzaliger te prijzen is, omdat zij Jesus ,/in haar hart, dan omdat zij Hem in haren schoot ontvingquot;; en op eene andere plaats (10« verhand, over Joan.) haar gelukkig noemt, ,niet „wijl in haar het Woord Gods is vleesch geworden, maar wijl zij het „Woords Gods bewaard heeft,quot; dan wil hij daarmede slechts te kennen geven, dat zelfs het goddelijk moederschap Maria ter zaligheid niets zou gebaat hebben, als zij met de genade, welke haar om die waardigheid ten deel werd, niet had medegewerkt, wijl ook hare zaligheid van de trouwe medewerking met deze genade af hankelijk was gemaakt. Daardoor echter wordt geenszins ontkend, dat Maria, juist omdat zij moeder Gods is, alle Heiligen in genade en heerlijkheid overtreft; „want juist daaruit zien wij,quot; bemerkt dezelfde H. leeraar (over de natuur en de genade, hoofdst. 36), //hoe groot de haar meegedeelde //genade was, dat zij verdiende God te ontvangen en ter wereld te //brengen.quot; — 3) Maria heeft op drieërlei wijze medegewerkt tot ons heil; want vooreerst heeft zij ons den Verlosser der wereld gegeven; en dat Hij ons uit haar geboren werd, heeft zij in zekeren zin (de congruo niet de condigno) verdiend; vervolgens heeft zij Hem a,ls moeder vrijwillig voor het heil der wereld opgeofferd; eindelijk heeft zij tot dat doel gedurende haar sterfelijk leven hare gebeden en verdiensten aan God opgedragen, en helpt zij ons ook nu nog in den hemel door hare machtige voorspraak als middelares bij haren goddelijken Zoon. Met het oog nu op deze medewerking tot ons heil wordt Maria niet zelden de oorzaak onzer vreugde en zaligheid genoemd, en worden de genaden, welke wij door Christus ontvangen hebben, ook haar eenigermate toegeschreven. Reeds
151
2) Wij moeten Maria vóór alle Engelen of Heiligen bizonder aanroepen, -wiil zi] door hare voorspraak bij God het meest vermag. Als het gebed van den rechtvaardige hier op aarde veel bij God vermag, hoeveel meer dan zal het gebed van Maria vermogen, die onder alle rechtvaardigen in den hemel en op aarde de rechtvaardigste, de rijkste aan genaden, deugden en verdiensten is ? En als God de gebeden der Engelen en Heiligen, die toch slechts zijne dienaars en vrienden zijn, gaarne verhoort, met hoeveel meer liefde zal Hij dan het gebed zijner lieve Moeder verhoeren ? Daarom roept de H. Bonaventura (Spiegel van Maria 8) tot Maria: „gij vermoogt alles door Hem en bij
de H Ireneüs (advers haeres. 1. 3. c. 33) zegt van Maria: //gelijk „Eva door hare ongehoorzaamheid voor zich zelve en voor het ge-z/heele menschelijke geslacht de oorzaak werd van den dood; zoo is „Maria door hare gehoorzaamheid voor zich zelve en voor liet ge-,,heele menschelijke geslacht de oorzaak des heils geworden.quot; In denzelfden zin spreekt ook de H Bernardus (2« leerrede over de moeder Gods) „als er ergens hoop , als er ergens genade, als er ergens heil //voor ons is; van haar, wij zijn daarvan overtuigd, vloeit het op „ons neder;quot; en de H. Ephraïm (3e deel. Grieksche uitgave. Jaar 1746. bladz. 532); //Door u, eenig onbevlekte, stroomde, stroomt nog en „zal tot aan het einde der tijden alle glorie, alle eer en heiligheid „stroomen van onzen stamvader Adam op alle Apostelen en Profeten, „op alle rechtvaardigen en ootmoedigen van harte. In u, genadevolle //Maagd , verheugt zich ieder schepsel.quot; In dezen zin moeten ook vele plaatsen der Kerkvaders, vooral die van den 11. Epiphanius (de laud. JDeip ) in de nieuwe kerkelijke getijden van de onbevlekte ontvangenis van Maria verslaan worden. Zulke taal der HH. Vaders moge den ongeloovige bevreemden, den kinderen der katholieke Kerk volstrekt niet. Deze leeraars wisten wel, dat zij door de geloovigen goed zouden verstaan worden ; zij wisten wel, dat niemand hunner zoo slecht onderwezen is, dat hij niet Christus als den eenigen Bewerker en Voleinder der menschelijke zaligheid erkent. Zulke uitspraken waren de zuiverste uitstorting \'van hunne, van vereering en liefde tot Maria, hunne moeder, koningin en middelares, vervulde, overstroomende harten. //Diegenen,quot; zoo merkt pater Ventura zeer juist aan (De moeder Gods , moeder der menschen), „die zich van de eenheid der Kerk //hebben losgescheurd, bezitten ook het gevoel, het hart niet van de „kinderen van Maria. Maria is voor hen eene vrouw, geenszins eene //moeder. Daarom ook verstaan zij van alles, wat zij ter eere van „Maria doen of spreken, volstrekt niets; zij begrijpen niet, dat de „vereering van Maria eene behoefte voor ons hart is; zij begrijpen „niet, hoe het voor ons even natuurlijk is, dat wij er een waren lust, „een waar, innig genot in vinden, Maria te eeren, tot haar onze toe-„vlucht te nemen, haar aan te roepen, gelijk het voor een zoon na-„tuurlijk is, met een waar, innerlijk genoegen des harten zijne eigen „moeder te eeren en te beminnen. Daarom zien zij in onze oefeningen „van godsvrucht tot Maria niets anders, dan bijgeloovige gebruiken, „overdrevene huldigingen, welke aan God te kort doen, niet passend „zijn voor Maria en ook ons geen voordeel aanbrengen. Daarom gispen, „smaden en bespotten zij ons, en laten zij er zich niet weinig op voor-„staan, dat zij niets van dat alles doen; hoewel zij toch veel meer „reden hebben om te zuchten, dat zij zoover verwijderd zijn van zulk „eene bron, waaruit wij Katholieken in de rampen van dit leven den „zoetsten troost en de sterkste bemoediging putten.quot;
152
„Hemen de H. Petrus Damianus (Leerrede over de geboorte van Maria): „Hij, die machtig is, heeft groote „dingen aan u gedaan , zoodat ook u in zekere mate niets
„onmogelijk is..... Want hoe zou deze Almacht aan uwe
„macht (de kracht uwer voorspraak) perken kunnen stellen, „die van u het vleesch heeft aangenomen ?quot; Een geacht schrijver van het geestelijk leven (Paul Segneri, hoofdst. I over Maria) aarzelt niet, te zeggen : „Wat Christus door „zijn machtwoord vermag, vermag Maria door hare voor-„spraak hij Hem.quot; De macht dezer voorbede erkennende, hebben de HH. Kerkvaders van oudsher Maria, de Moeder Gods, vereerd en aangeroepen als beschermster en middelares der geheele wereld, als uitdeelster der goddelijke genadeschatten. Zoo bidt de H. Ephraïm tot Maria: „Na de „H, Drieëenheid zijt gij de meesteres van allen; na den „Middelaar de middelares der geheele wereld.... In u, „beschermster en middelares bij God, die uit u geboren „werd, heeft het rn en schel ijk geslacht zijne vreugde, o moeder „van God! Immers hangt het van uwe bescherming af en „bij u alleen vindt het toevlucht en bescherming; want gij „nadert Hem, uwen Zoon, met onbegrensd vertrouwen. „Veracht dan uwen dienaar niet, die naast God op u al „zijne hoop stelt.quot; Een ander grieksch Kerkvader\') spreekt de allerzaligste Maagd en Moeder Gods Maria op de volgende wijze aan: „hoor nu, dochter van David, neig uw oor tot „onze gebeden. Denk aan ons, o heiligste Maagd! en geef „ons voor den zwakken lof, dien wij u brengen, groote „gaven uit de schatten uwer genaden, want gij zijt vol van „genade. Koningin, Moeder Gods, bid voor ons!quot; 1)
Moeten wij de heelden van Christus en de Heiligen ook in eere houden ?
Zeer zeker; want gelijk een kind de beeltenis zijner ouders, en een onderdaan het beeld van zijn vorst eert, dus moeten wij zooveel te meer de beelden van God en zgne Heiligen
1
) De al te rijke stof van dit derde deel noopt ons, de voorbeelden van de kraclit der voorspraak van Maria te besparen voor het volgende deel, waar, bij de verklaring van het «Ave Mariaquot;, over de godsvrucht tot de allerzaligste Maagd andermaal zal gesproken worden. Intusschen wijzen wij den katecheet op de vele voorbeelden, die zieh in de legenden der Heiligen als van zeil\' voordoen, bijv. op de bekeering der boetvaardige Maria van Egypte ^3 April), op die van den H. Andreas Corsinus (4 Febr.), als ook op zoovele wonderbare bekeeringen, die in den laatsten tijd door middel der, door den H. Stoei goedgekeurde en menigmaal aanbevolen, godsvrucht en broederschap van liet on bevlekte hart van Maria plaats hadden, en tegenwoordig nog dagelijks geschieden.
153
in eere houden. Het spreekt van zelf, dat de eer, welke men een beeld bewijst, geenszins betrekking heeft op de stof, waaruit het gemaakt is, op hout, lijnwaad of metaal, maar op den persoon , die door dat beeld wordt voorgesteld ; in het afbeeldsel wordt het oorspronkelijke geëerd of ont-eerd; de geheele wereld erkent dit en richt er zich naar. In hun portret eert men zijne ouders en vrienden; in zijn standbeeld den vorst; verdienstelijke mannen in hunne busten; en geen vader zal zijn kind, geen monarch zijnen onderdaan ongestraft zijne beeltenis laten beschimpen \'). Zelfs onze dwalende broeders zouden het niet onverschillig toezien, als wij de beeltenissen hunner zoogenaamde hervormers openlijk onteerden. Daar het nu volgens de zooeven aangehaalde bewijzen vast staat, dat de Heiligen onze vereering waardig zijn en ook godsdienstig moeten vereerd worden, zoo kan tegen zoodanige vereering hunner beelden niets worden opgeworpen ; integendeel is het betamelijk, dat men ze in eere boude, ze bijv. op het altaar plaatse, ze versiere, met plechtigheid ronddrage, enz. Met volle recht spreekt daarom ieder Katholiek de woorden uit van de geloofsbelijdenis van Trente; „zonder eenigen twijfel „geloof ik, dat men de beelden van Christus en de moeder „Gods, altijd maagd, gelijk ook die van andere Heiligen „behoort te hebben en te behouden, en dat daaraan gepaste „eer en vereering moet bewezen wordenquot; (Zie ook het Conc. dioec.). En de zoogenaamde hervorming mag het zich zeker niet tot eere rekenen, de beelden der Heiligen en zelfs de beelden van den gekruisten Heiland omvergestooten en met voeten getreden te hebben.
\') In de nabijheid van ïïicoraedië leefde een heilige abt, met name Stephanus, die bij het geheele volk in hooge achting stond. De godde-looze beeldstormer, Keizer Leo Copronymus, die hem juist daarom op zijne zijde wenschte te brengen, ontbood hem naar Constantinopel en nam het op zich, hem over de dwaasheid der\' beeldenvereering rekenschap te vragen. //Onverstandig menschzeide hij in tegenwoordigheid van vele hovelingen tot den H. abt, »lioe, begrijpt gij «dan niet, dat men het beeld van Jesus Christus met voeten kan treden, //zonder Jesus Christus zelf te beleedigen?quot; Ten antwoord nam Stephanus eene munt met het beeld des keizers voorzien, en vraagde aan de rondom staande hovelingen: //wiens beeld en opschrift is dit?quot; //Des //keizers,quot; luidde het antwoord. Hierop wierp hij de munt op den grond en trad ze met voeten. Als de hovelingen dit zagen vielen zij op Stephanus aan en mishandelden hem. Toen slaakte de dienaar Gods een diepen zucht en sprak: //Welnu, is het dan zulk een straf-«waardig bestaan, het beeld van een aardschen vorst te beschimpen, «en zou het geene misdaad zijn, het beeld van den Koning des hemels //met voeten te treden en in het vuur te werpen 1quot; De Keizer wist daar niets tegen in te brengen, hij liet echter den vrijmoedigen belijder in de gevangenis werpen en spoedig daarop ter dood brengen (Kerkel. gesch. van L\'Homond).
154
De Kerk leert echter niet alleen , dat het billiib, maar ook, dat het goed en nuttig: is , de heilige geheimen van ons geloof in heelden uit te drukken, en in \'talgemeen de heelden der Heiligen te bewaren en te vereeren. De Kerkvergadering van Trente geeft daarvoor de gronden op, als zii zegt: .,dat door de geschiedenis van de geheimen onzer „verlossing, die in heelden of andere geliikenissen ziin uitgedrukt, het volk onderricht en gesterkt wordt in het „onthouden en gedurig naleven van de artikelen des geloofs; „dat in \'t algemeen uit de heelden der Heiligen veel vrucht „getrokken wordt, niet alleen wijl het volk hierdoor her-„innerd wordt aan de weldaden en gaven, die het door „Christus ontvangen heeft, maar ook wijl de wonderen Gods, „door de Heiligen gewrocht, en hunne heilzame voorheelden „aan de geloovigen zichtbaar worden voorgesteld, opdat zij ,.6od daarvoor zouden danken , hun leven en wandel naar „het voorbeeld der Heiligen inrichten , en opgewekt zouden „worden, om God te aanbidden en te beminnen, en de deugd „te beoefenen.1\' Deze woorden hebben noch toelichting noch bekrachtiging noodig. — Leibnitz, van wien wii boven meermalen gewaagden, zegt over dit onderwerp zeer juist en geheel in den zin der katholieke Kerk: „Waarom lezen „wii geschiedenissen, zoo niet om datgene, wat er het voor-„werp van is, in ons geheugen te prenten; daar nu die „heelden zeer vergankelijk en niet altijd vast en aanschouwe-„lijk genoeg ziin, komt de schilder-en beeldhouwkunst ons „weer te hulp en geeft duurzame afbeeldingen, bij wier „aanschouwing de beelden, in onzen geest bij het lezen „gevormd, vernieuwd worden, en zich, geliik het zegel in het „was, altijd dieper in den geest indrukken. Als dus de beelden „zulke voortreffelijke diensten bewijzen, dan vraag ik, waar „zij beter in toepassing gebracht worden dan daar, waar het „van het hoogste belang is, de duurzaamste en levendigste „afbeeldingen in het geheugen te prenten, waar het namelijk „om bevordering van deugd en liefde tot God te doen is?quot;
Werkelijk zien wij ook in de katholieke Kerk, die altijd als eene moeder voor het geestelijk voordeel barer kinderen zorgt, zoodra het heidendom overwonnen, en het gevaar, om de vereering der heelden met de heidensche godenaanbidding te verwarren, verdwenen was, de vereering der beelden allerwege een snellen, ongehinderden voortgang nemen. Toen in de achtste eeuw de grieksche keizers Leo de Isauriër en Constantinus Copronymus het bevel uitvaardigden , de beelden van Christus, van Maria en andere Heiligen uit de kerken weg te nemen, en onder de zwaarste straffen verboden, die voortaan te vereeren, verzetten zich
155
de geloovigen met heldhaftige standvastigheid, en konden zelfs door de IJselijke martelingen en verminkingen er niet toe gebracht worden, de voorwerpen hunner vereering over te leveren. Vele ondergingen daarom zelfs den marteldood. De herders , de Bisschoppen, streden aan de spitse der kudde voor de vereering der beelden. De H. Ger-manus, Patriarch van Constantinopel, werd om deze reden van zijnen zetel verjaagd en stierf in ellende. Nog andere, door heiligheid en geleerdheid uitstekende mannen, zooals Joannes Damascenus en Theodorus Studita, traden als onverschrokken verdedigers der kerkelijke leer op en beriepen zich op het getuigenis der vroegere Vaders en het oude gebruik der Kerk. „Er is niet een gewest,quot; sprak laatstgenoemde tot Keizer Leo III , „niet eene „streek, eene plaats, een huis, waar geene beelden „zijn. De sinds acht honderd jaren door allen gebillijkte, „met het Christendom zelf verbreide vereering der beelden „wilt gij in een enkel oogenblik en geheel naar willekeur „op zijde schuiven.quot; Als nu, na den dood van Constantinus Copronymus, de Kerk van het Oosten onder het regentschap der Keizerin Irene weer vrijer ademde, werd in het jaar 787 de zevende algemeene Kerkvergadering (de tweede van Nicea) gehouden, veroordeelde de dwaalleer der beeldstormers en verklaarde, na zich te hebben beroepen op de leer der Vaders en op de overlevering der Kerk, dat niet slechts het kruisbeeld, maar ook andere beelden niet alleen in de kerken, op de gewijde vaten en kleeden , op muren en houtwerk, maar ook in de huizen en aan den openbaren weg ter vereering mogen uitgesteld worden.
Gelijk de Maliomedanen en de beeldstormers der achtste eeuw, zoo ook en onder hetzelfde voorwendsel verwierpen de zoogenaamde hervormers der zestiende eeuw de vereering der beelden. Zij beweerden (en deze bewering is nog ten huldigen dage niet, geheel vervallen), dat de vereering der beelden niet alleen in zich zelve ongerijmd, maar ook door den duidelijken zin van liet eerste gebod : //gij zult u geen ^gesneden beeld maken, noch eene of andere gelijkenis van hetgeen «in den hemel of op de aarde is,quot; als doemwaardige afgoderij is verboden. — Maar dezelfde God heeft ook aan Mozes geboden : „maak //twee gouden Cherubijnen .., aan beide zijden van den genadetroonquot; (3. Mos. XXV, 18). Deze Cherubijnen waren zeker een beeld van hetgeen in den hemel is. Zoo ook: //maak eene koperen slang en „richt ze tot teeken op; wie gebeten is en haar aanziet, zal levenquot; (d-. Mos. XXI. 8). Dat was toch gewis eene gelijkenis van hetgeen op aarde Is. Bijgevolg heelt zich de goddelijke Wetgever handtastelijk tegengesproken, of liet gebod /.om geen gesneden beeld te makenquot; moet verstaan worden, gelijk Hij het zelf in het volgende vers verklaart; //gij zult ze (de gesneden beelden) niet aanbidden, noch dienen.quot; Er is dus in het eerste gebod niet in \'t algemeen verboden om beelden te maken, maar «el om die te maken met het doel om ze te aanbidden (3. Mos. XXVI, 1), gelijk de heidenen het deden, die de beelden
156
voor goden hielden, of daarin valsclie goden aanbaden, of, eindelijk, geloofden , dat er in de beelden eenig spoor der godheid of eene goddelijke kracht verborgen was. Zoo bekent Ambrosias, die van het lieiden-d\'om tot het Christendom was overgegaan (le boek tegen de heidenen), van zich zeiven: //ik vereerde nog onlangs, o verblindheid! goden, «die men pas uit den smeltoven gehaald had; goden, op het aanbeeld //met hamers gesmeed... . Ik viel voor hen in \'t stof, als bezaten zij //goddelijke kracht, en riep ze aan om gunsten. Hout en steen golden ,/bij mij voor goden.quot; -— .Niet minder dan deze bekeerde heiden verfoeit iecler Katholiek den afgodischen onzin der beeldenaanbidding, zonder daarom op te houden een vereerder der beelden te wezen. Hij houdt het met de onfeilbare Kerk, die leert (Kerkv. van Trente, 25c Zitt ), //dat men de beelden van Christus, van de Moeder Gods en «andere Heiligen vooral in de kerken behoort te hebben en te behouden, «en dat daaraan de passende eer en vereering moet bewezen worden; //niet als geloofde men dat daarin iets goddelijks tchuilt of eene kracht, //Waarom zij moeten vereerd worden; of als moest men van die beelden //iets afsmeeken of daarop zijn vertrouwen stellen, zoo als eertijds de //heidenen deden, die hunne hoop vestigden op de beelden der afgoden, „maar omdat de eer, die men hun bewijst, op de personen, die daardoor „worden voorgesteld, wordt teruggebracht, zoodat wij door de beelden, „die wij kussen en waarvoor wij het hoofd ontblooten en nederknielen, „Christus aanbidden , en de Heiligen . die daardoor afgebeeld worden, „vereeren,gelijk het door de besluiten der algemeeneKerkvergaderingen, „vooral der tweede van Kicea, tegen de beeldstormers, is vastgesteld.quot;
De tegenwerping, dat het dwaas is voor levenlooze beelden te bidden, zou dan slechts van kracht kunnen zijn, als hij, die zoo bidt, de verhooring zijner bede van het beeld zelf verwacht. Maar ,/geen ver-„standig menschquot; zegt wederom de geleerde Leibnitz, „zal zoo denken, „niemand zal bidden : verleen mij, o beeld, wat ik begeer! U, o hout „of marnier! dank ik voor de verkregen genezing.quot; Ons gebed bij een beeld is steeds gericht tot dengene, die ons door dat beeld wordt voorgesteld; in den geest verkeeren wij met Christus of den Heilige, die ons door het beeld voor oogen staat !). Wie kan nu zulk eene handelwijze onverstandig, bijgeloovig of afgodisch noemen ? Uiemand, die aan een toekomstig leven gelooft, zal het berispelijk, veel minder afgodisch vinden, dat een kind diep in de ziel getroffen, voor de beeltenis zijner in den Heer ontslapen moeder staat, ze aanspreekt en bidt, dat zij hem in liefde steeds zal gedenken, leiden en beschermen, en het zou onzin en afgoderij zijn, tegenover onze gemeenschappelijke moeder Maria, onze trouwste vrienden en beschermers, de Engelen en Heiligen, onze verheerlijkte broeders, hetzelfde te doen? Zelfs wanneer wij met de H. Kerk het Kruis begroeten ; »0 Kruis! wees „gegroet, gij onze eenige hoop!\' enz.; heeft deze groet en deze uitdrukking van onbeperkt vertrouwen geene betrekking op het kruishout, maar op Jesus Christus den Gekruiste. — Als iemand voor het beeld van eenen Heilige een „Onze Vaderquot; bidt, heeft dit, gelijk de romeinsche Katechismus opmerkt, den zin, dat de Heilige met ons gebed zijne voorbede moge vereenigen, om van God te verkrijgen hetgeen wij vragen. Gelijkerwijze beduidt het bidden van een „Wees „gegroet \'voor een heiligenbeeld, dat dezen of genen Apostel of Martelaar voorstelt, niets anders dan dat de Heilige, tot wien wij bidden, zich met ons moge vereenigen om Maria te prijzen, en haar om hare machtige voorspraak te bidden {Aldus Suare\'z). Is het misschien afgoderij , als men voor de beelden licht ontsteekt en wierook brandt?
!) Een man van beschaving en verlichting trof eens op het veld eene vrouw aan, die voor een kruis op de knieën lag en bad. „Maar „lieve vrouw,quot; sprak hij tot de biddende, „hoe kunt ge nu een houten „God aanbidden?quot; „Ik niet,quot; antwoordde de vrouw, „voor het hout „kniel ik slechts, maar tot Hem, die in den hemel is, bid ik.quot;
157
Geenszins, want deze teekenen of uitdrukkingen der innerlijke vereering zijn in zich zelve niet van dien aard , dat zij als de uitdrukking der God alleen toekomende aanbidding moeten beschouwd worden. Als de reeds genoemde Kerkvergadering van iJicea verbiedt, //aan de //beelden van Christus en van de Heiligen eigenlijke aanbidding te //bewijzen, welke slechts der goddelijke natuur toekomt,quot; billijkt ze tevens het aansteken van kaarsen gelijk ook het gebruik, om de beelden der Heiligen met wierook te vereeren, en verklaart, dat deze wijze van vereering van oudsher in gebruik is geweest.
Ook is het geen bewijs, dat men eenig vertrouwen in de beelden zelve stelt, als men aan het eene beeld boven het andere bizondere vereering bewijst, of er eene bedevaart heen maakt \'). Want het eene beeld kan ons somtijds om bizondere omstandigheden vereerenswaardiger toeschijnen dan een ander, en het ook inderdaad zijn. Dit is namelijk het geval, als een Heilige het vervaardigd of vereerd en er voor gebeden heeft; verder als daarmede de herinnering van het wonderbare gepaard gaat, hetwelk zich bij de vinding, redding of overdraging er van getoond heeft, zoo als bijv. wanneer het uit \'t midden dei-vlammen door eene onzichtbare hand gered, of te midden van een alles verwoestenden kogelregen ongedeerd bewaard is gebleven. Voornamelijk echter draagt tot bizondere vereering van eenig beeld bij , als het\' door geloofwaardige getuigschriften of door mondelinge overlevering bekend is, dat er wonderbare teekenen, genezingen, enz. bij hebben plaats gehad. De gebruikelijke spreekwijze „wonder-quot; of //genadenrijkquot; beeld, ook //genadebeeld,quot; beduidt evenmin, dat wij de wonderen en de vóór dat beeld verkregen genade aan het beeld zei ven toeschrijven, als de spreekwijzen //zegevierend zwaard,quot; //zegevierende //vaandels,quot; beduidt, dat wij de behaalde zege niet den veldheer, maar zijn zwaard of zijne vanen toeschrijven. Mooit bezoeken wij dan ook eene bedevaartsplaats uit vertrouwen in het beeld, hetwelk daar vereerd wordt, maar alleen, wijl wij weten, dat God aldaar reeds vele genaden en weldaden bewezen heeft, en wij ons derhalve opgewekt gevoelen om in onze aangelegenheden met meer ijver en vertrouwen te bidden. De reden , waarom God, die aan geene plaats gebonden, door geene ruimte omschreven, overal tegenwoordig, en wonderbaar in zijne Heiligen is, liever op deze dan op eene andere plaats, en bij zekere aangelegenheden liever op aanroeping van dezen dan van genen Heilige ons gebed wil verhooren, ligt in het duister zijner geheimvolle raadsbesluiten verborgen; het is ons voldoende te weten, dat het aldus geschiedt. Dat het nu werkelijk zoo geschiedt, daarvoor strekken ons ontelbare feiten onbetwistbaar tot waarborg. Zoo dacht ook de H. Augustinus, die in zijn 78™ brief op bovengestelde vraag antwoordt: //wie heeft het raadsbesluit onderzocht van Hem, die aan »iedereen naar goeddunken zijne gaven mededeelt?\',\'
Tot de vereerin^, welke den Heiligen toekomt, behoort niet alleen de vereering hunner beelden, maar ook hunner relikwieën of stoffelijke overblijfsels. Daaronder verstaan wij eerst en vooral hunne lichamen en beenderen, vervolgens die voorwerpen, welke den Heiligen hebben toebehoord, of doordien zij met hen in nauwe aanraking zijn geweest, geheiligd werden, zooals kleedingstukken, martelwerktuigen, enz. Dat ook de relikwieën in eere moeten gehouden worden , moeten wij volgens de leer en de geloofsbelijdenis van de Kerkvergadering van Trente insgelijks voor waar houden
\') Prop. damn. 70. 71. a Pio VI. per Gonst, //Auctorem fidei.quot;
158
en standvastig belijden. De genoemde Kerkvergadering heeft overigens ten opzichte van dit punt niets dan de oorspronkelijke, van de oudste Vaders overgeërfde leer tegen de aanranding der hervormers van dien tijd vastgehouden en bevestigd, inderdaad, er zijn in de geschiedenis der Kerk weinige feiten door stelliger en talrijker getuigenissen gestaafd dan deze, dat de relikwieën van oudsher in eere gehouden en godsdienstig vereerd werden. Om niet te spreken van de Basilieken en de godsdienstige plechtigheid op de graven der Martelaren, waarvan reeds melding gemaakt is; wat moeite deden de eerste Christenen niet, om de stoffelijke overblijfsels der HH. Bloedgetuigen meester te worden of ze met alle eer ter aarde te bestellen? Velen doopten op de gerechtsplaats, met gevaar van zelve aangegrepen en gedood te worden , doeken in het bloed der strijders van Christus, of verzamelden de asch van degenen, die op den brandstapel hun leven geëindigd hadden. Zoo bewaarden onder anderen de medgezellen van den H. Polycarpus, gelijk zij zelve getuigen, zijn gebeente als goud en edelgesteente. En deze vereering der relikwieën was algemeen in het Oosten en Westen. Toen nu in de vierde eeuw de dwaalleeraar Vigilantius opstond en ze als een onzinnig en heiligschennend drijven laakte, wees de H. Hieronymus in een eigenhandig schrijven hem op de algemeen verbreide vereering, herinnerde hem aan hetgeen Keizer Constantijn, Keizer Arcadius, de Bisschop van Rome, de Bisschoppen van het Oosten, ja de geheele wereld ter eere der relikwieën deden en nog doen. „Zijn wij dus allen heiligschenners ?quot; vraagt hij hem. .,Was Constantijn een heiligschenner?... „Was Arcadius een heiligschenner 7... Zijn alle Bisschoppen „heiligschenners?quot;... „O gij monster,\'7 roept hij vervolgens vol heilige verontwaardiging uit, „gij verdiendet naar de „uiterste grenzen der aarde verbannen te worden! Gij lacht „om de relikwieën der Martelaren en lastert de Kerk van „Christus.quot; — Later trof de banvloek, welken het tweede Concilie van Nicea over de beeldstormers uitsprak, ook de bestrijders van de vereering der relikwieën, daar zij met de beelden ook de relikwieën der Heiligen onteerden. Het schijnt ons onnoodig, nog langer over het feit van de vereering der relikwieën te spreken. Onderzoeken wij nu naar den grond, waarop die vereeiing steunt.
JFaarom vereeren wij de relikwieën of overblijfselen der Heiligen?
1) Wijl hunne lichamen levende leden van Jesus Christus en tempels van den H. Geest geweest zijn; if) wijl God
159
meermalen door de relikwieën der Heiligen wonderen gedaan heeft. Deze redenen geeft de Kerkvergadering van Trente zelve aan (25ste zitt.), als zij verklaart, „dat ook „de lichamen van de HH. Martelaren en van anderen, die „met Christus leven, welke levende leden van Christus en „tempels van den H. Geest geweest zijn en door Hem ten „eeuwigen leven zullen opgewekt en verheerlijkt worden, „door de geloovigen moeten vereerd worden, te meer, wijl „God daardoor den menschen vele weldaden bewijst, zoodat „degenen, die beweren, dat de relikwieën der Heiligen niet „behooren vereerd te worden, of dat deze en andere HH. „gedenkteekenen nutteloos vereerd, en de tot hunner ge-„dachtenis gewijde heiligdommen te vergeefs door de geloovigen bezocht worden om hunnen bijstand te verwerven, „volstrekt moeten veroordeeld worden, gelijk de Kerk ze „reeds vroeger veroordeeld heeft en ook nu nog veroordeelt.\'\' 1) Dat de zielen der rechtvaardigen levende ledematen van het ééne lichaam van Jesus Christus en tempels van den H. Geest zijn, is reeds bij de leer over den H. Geest en de gemeenschap der Heiligen aangetoond; dat ook hunne lichamen, door middel der ziel, zich in dit dubbel voorrecht verheugen, blijkt voldoende uit de woorden van den Apostel aan de geloovigen van Corinthe (1. VI, 15, 19): „Weet gij niet, dat uwe lichamen ledematen van Christus „zijn ?. . . dat uwe ledematen een tempel zijn van den „H. Geest, die in u woont?quot; Daarbij komt nog, gelijk in het elfde artikel van de geloofsbelijdenis der Apostelen over de verrijzenis des vleesches verklaard werd, dat de lichamen der Heiligen, als natuurlijke werktuigen der ziel in de beoefening van het goede, deel behooren te hebben aan hare verheerlijking, en dat zij juist daarom door God, den rechtvaardigen Vergelder, ten eeuwigen leven moeten worden opgewekt. Zijn dit geene genoegzame beweegredenen, om den lichamen der Heiligen eer te bewijzen ? Is dan de katholieke Kerk te berispen, omdat zij thans vereert, hetgeen Jesus Christus, uit erkentenis hunner verdiensten, met het kleed der heerlijkheid zal omgeven, kronen met onsterfelijkheid en vereeren voor het oog der gansche schepping? De vijanden der H. Kerk vinden het niet aanstootelijk, dat men de stoffelijke overblijfsels vereert van mannen, die in hunne oogen groot waren; dat men zich gelukkig acht, voorwerpen, die hun toebehoord hebben, bijv. eene pen, een inktkoker, een splinter van hunne werktafel en derge lijke dingen te bezitten \'). Op welken grond willen zij
\') In den «allgemeinen Anzeiger der Deutschenquot; (N0. 210. 5 Aug. ISél).
160
dan der katholieke Kerk iets dergelijks beletten ? — Maar, zeggen zij, de katholieke Kerk vereert de relikwieën door godsdienstige handelingen. Dat doet zij ook, en met het grootste recht, daar zij in de relikwieën de Heilijren zelve vereert, aan wie, zoo als bewezen is, godsdienstige ver-eerir.g toekomt.
2) Zoowel de H. Schrift als de Kerkvaders getuigen, dat God door de relikwieën der Heiligen meermalen wonderen gewrocht heeft. Zoo lezen wij in het vierde boek der Koningen (XIII, 21): „toen de man (wien eenige Israëlieten wilden begraven, maar uit vrees voor moabitische roovers ir. het graf van Eliseüs legden) „het gebeente van Eliseüs „rankte, werd hii weer levend en stond op ziine voeten.quot; De H. Cyrillus, Bisschop van Jerusalem, maakt hierbij de opmerking (18quot; leerr. tot de katechumenen) ; „Eliseüs is „niet tot het levep teruggekeerd, om dezen doode het leven „weer te geven, maar in den toestand des doods gebleven, „opdat dit wonder niet der ziel alleen zou worden toege-„schreven, en het zonneklaar zou bliiken, dat ook het „ontzielde hulsel der Heiligen, de langdurige woonplaats „en het werktuig der rechtvaardige zielen, soms eene zekere „wonderkracht heeft.quot; Ook van den H. Paulus wordt in de Handelingen der Apostelen (XIX, 12) gemeld, dat men zijne zweetdoeken en gordels op de kranken legde, „en de „ziekten weken , en de booze geesten gingen uit.quot;
De HH. Kerkvaders Epiphanius, Basilius, Gregorius van Nazianze, Ambrosius, Augustinus en vele anderen \') spreken
staat het volgende quot;bericht: „de van ouds bekende voor te\'K? gehouden ,/Luthersboom bij Altenstein en Steinbach (onder welken Luther uit-//rustte eer hij den Wartburg betrok) is den 18en Juli 1841 door den „orkaan gedurende de zonsverduistering, tot op een stam van acht ,/VOet en met nog één tak voorzien . omvergeslingerd. Het hout en //kaphout (374 vadem hout en l1^ stapel kaphout) is aan de kerk in //Steinbach geschonken, alwaar het alsbewaard wordt. Vrienden «en vereerders van den heiligen boom kunnen tegen eene vergoeding »aan de kerk gedachtenissen van dit hout bekomen. als zij zich niet //gefrankeerde brieven tot den ondergeteekende Tvenden, die ieders vwensch zoo mogelijk zal trachten te voldoen. — Steinbach bij Liebe-«stein den 27en Juli 1841, J. C. Ürtman, predikantquot; Als nu, gelijk dit bericht zegt, de Luthersbnom voor heilig gehouden wordt, dan is het den Katholieken zeker niet te misduiden, dat zij de altaartafel, waarop de H. Apostel Petrus het allerheiligst Offer opdroeg, alsmede zijn houten bisschopsstoel heilig en in ecre houden, te meer wijl volgens het getuigenis van den geschiedschrijver Eusebius (7e boek, 15« hoofdst.) de Christenen van zijnen tijd op gelijke wijze den houten bisschopsstoel van den H. Apostel Jaeobus, «als een door de voorvaderen hun over-«geleverd gedenkstuk van heiligheid allerzorgvuldigst bewaarden en «•in eere hielden.quot;
\') Zie de bedoelde plaatsen bij Bellarminus Controv. de reliq. S. S
161
herhaalde malen vau de wonderen, die in hunnen tijd door middel der heilige relikwieën geschied zijn , als van eene algemeen erkende daadzaak„Zulke wónderen geschieden „dageliiks,\'\' zegt de H. Chrysostomus in zijn hnek tegen de heidenen. „Christus de Heerzoo schrijft de H. Joannes Damascenus (Boek IV, hoofdst. 4), „Christus de Heer „opende ons in de relikwieën bronnen des heils, waaruit „ons vele weldaden toevloeien... Zieken worden genezen, „blinden ziende , melaatschen gereinigd, bekoringen en droef-„heid verwijderd; door die relikwieën daalt alle goede gave „van den Vader des lichts op ons neêr, mits wij overigens „met een vast geloof bidden.\'\' Hoe nu zou eene vereering hijgeloovig en onaangenaam aan God kunnen wezen, waartoe de Heer zelf uitnoodigt door de wonderkracht, welke Hij aan het voorwerp der vereering verleent ? Hoewel de relikwieën, gelijk boven gezegd is, in zich zelve ver-
\') Toen de H. Ambrosius op goddelijke ingeving- het gebeente der HH. Martelaren Gervasius en Protasius ontdekt en de overdraging er van bevolen bad, was er bij gelegenheid van dit feest te Milaan een groote toeloop van volk en algemeene vreugde. Een blinde, Severns geheeten , die in de stad leefde en zeer bekend was, verlangde, toen hij de oorzaak dezer luide vreugde vernomen had, dat men hem naar de overblijfselen der HH. Martelaren zou geleiden. Er werd aan zijn vromen wensch voldaan. Vol geloovig vertrouwen raakte hij nu met zijnen zakdoek de baar aan, waarop de lichamen rustten, legde dan den doek op zijne oogen, werd terstond ziende, ging zonder geleide voort, verkondigde overal luid het aan hem geschiedde wonder en wijdde der kerk, waarin het H. gebeente gebracht werd, zijn dienst. Uit wonder had plaats, gelijk ons de H. Ambrosius en de H. Augus-tinus, die toen insgelijks in Milaan aanwezig was, verzekeren, in tegenwoordigheid eener tallooze menigte volks, en kon zelfs door de vijanden van het Christendom niet geloochend worden.
Niet minder geloofwaardig zijn de wonderen, welke bij het aanroepen van den eersten Martelaar, den H. Stephanus, en doormiddel zijner relikwieën geschied zijn. De H. Augustinus, die daarover spreekt in zijne lofrede op den genoemden 11. Martelaar en in zijn 22e boek van de stad Gods, noemt er vele op, die in zijnen tijd te Hippo en in de omstreken plaats hadden, met nauwkeurige opgave van de namen en den stand der bevoorrechte personen. En nadat hij in het bovengenoemde boek (Se hoofdst.) melding heelt gemaakt van de opwekking van vijf dooden, waaronder een klein kind, dat door een tweespan overreden en vermorzeld was, voegt hij er deze beteekenisvolle woorden bij: /,Wilde ik alleen de wonderbare genezingen, die (in den loop van nog geen 2 jaren) „in den omtrek van Kalam en Hippo door den //glorierijken Martelaar Stephanus geschied zijn, breedvoerig beschrijven, „dan zou ik vele boeken moeten samenstellen, en dan nog zouden //enkel die kunnen opgenomen worden, waarover schriftelijke berichten //zijn gegeven, om het volk te worden voorgelezen.quot;—Kortheidshalve herinneren wij hier slechts in het voorbijgaan aan de wonderbare verschijnsels, bijv. van verspreiding van geur. uitstrooming van lichtglans, van geheele of gedeeltelijke onbederfelijkheid, enz., waardoor God niet zelden de overblijfselen zijner dienaars en dienaressen verheerlijkt, en aldus de geloovige Christenen tot de vereering er van uitnoodigt en aanspoort.
11
DEHAltBE, GELOOFSLEER. III. 3lt;le DKUK.
162
eerenswaardig zijn, ligt het toch buiten allen twijfel, dat het groot aantal wonderen zeer veel heeft bijgedragen, om die vereering uit te breiden en te verlevendigen. Vandaar hoofdzakelijk, gelijk de kerkelijke geschiedenis ons zegt, dat men van verre en van nabij tot de graven der Heiligen kwam, dat de overdraging van hun gebeente, in gouden en zijden stof gehuld, een ware zegetocht was, waaraan zoowel de grootsten des rijks, als de doorluchtigste prelaten en ontelbare volksscharen onder luid gebed en heilige lofzangen deelnamen \').
TOEPASSING.
Eere, wien eere toekomt! Gij hebt nu gezien, Christenen, dat den Heiligen in den hemel, als vrienden en lievelingen
•) Dat iedere relikwie, welke ter openbare vereering- wordt uitgesteld, ook werkelijk echt is, is wel geen geloofspunt, maar toch is de meening harer echtheid doorgaans op geloofwaardige historische getuigenissen gegrond. Want nimmer zal de H. Kerk het dulden, dat relikwieën, wier echtheid niet gewaarborgd is, een voorwerp van openbare vereering worden. De zorg der Kerk, om de vereering van onechte relikwieën te weren, openbaarde zich reeds in het besluit van het vierde Concilie van Lateranen, volgens hetwelk het verboden werd, zonder toestemming van den Paus nieuwe relikwieën openbaar te vereeren. Ook het Concilie van Trente meende maatregelen te moeten nemen tegen misbruiken, en bepaalde (25e zittingl, /,dat geene nieuwe «relikwieën zonder voorkennis en toestemming des Bisschops mogen „worden opgenomen.quot; Moge nu ook al in verloop der eeuwen eene onechte relikwie hier of daar vereerd zijn geworden , dan toch volgt daaruit niet, dat ook de echte niet vereerd moeten worden -. evenmin, dat degenen, die de onechte relikwie als echt vereeren , zich aan bij-geloovigheid of afgoderij schuldig maken, daar immers ook de vereering eener onechie relikwie betrekking heelt op den Heilige, voor wiens heilig overblijfsel zij bij vergissing gehouden wordt. Niettemin blijft de vereering der relikwieën voor velen onzer afgescheidene broeders een steen des aanstoots. Klaarblijkelijk evenwel draagt de zaak zelve hieivan de schuld niet, maar het vooroordeel, dat men hun hiertegen van hunne prilste jeugd af inprent. — Zooiezen wij in Luthers kleinen Katechismus : «naast Christus werd nu (in de tijden na üregorius VII en Innocentins 111) //Maria vereerd, zelfs meer dan Christus, en met «haar geheele scharen van Heiligen; niet mmrfer hunne relikwieën, ^waaronder waarlijk belachelijke en volstrekt onmogelijke: een traan, teen bloeddroppel van Christus, een veder uit de vleugelen van den ^Aartsengel Michaël , een stuk van den wortel van Jesse.quot; — Zoo evangelisch onderricht men protestantsche kinderen! Zoo schildert men hun de egyptische duisternissen van de katholieke Kerk, opdat zij met te meer vreugde in Wicleff (die onder anderen leerde 1): „dat „God den duivel moet gehoorzamenquot;), in Joannes Hus, Hieronymus van Praag, het wederopdagende licht zouden begroeten, en in Luther, „den grooten en voortreffelijken man, de edelste bloem en de sier des „duitschen volks,quot; (zooals hij in denzelfden Katechismus genoemd wordt) zouden erkennen en vereeren!
1
Zie de zesde onder de 45 door de Kerkvergadering van Constans veroordeelde stellingen van Wicleff.
163
van God, eere toetomt, en wel des te grootere eer, naarmate het leven van den Godmensch zich volmaakter in hun leven heeft afgespiegeld, en zij dus nader aan den troon van den hemelschen Kouing staan. Legt er u dan op toe, den Heiligen, uwen verheerlijkten broeders, eere te bewijzen. Vereert ze in hunne beeltenissen en relikwieën; bezoekt met godsvrucht en geloovig vertrouwen de kerken en heiligdommen, waar zi] bizonder vereerd worden ; vereert bij voorkeur die Heiligen, die u de H. Kerk op den dag uwer intrede in hare heilige gemeenschap, tot beschermers, voorsprekers en voorbeelden gegeven heeft, ik bedoel wier namen gij draagt. Desgelijks ook die, welke uwe vrome voorouders met echt christelijken zin tot beschermers van uw vaderland, van uwe stad of van uwe parochiekerk verkozen hebben; vereert dezen door hen dagelijks aan te roepen, door eene plechtige viering hunner feesten, door vlijtige betrachting hunner voorbeelden van deugd. Schaamt u niet, het kruisbeeld, de beeltenissen van Maria en de Heiligen in uwe woonkamer en uw slaapvertrek eene plaats in te ruimen : het heiligdom van uw huisgezin gelijke een christelijken, niet een heidenschen tempel met schaamtelooze godheden en onzedige voorstellingen. Dat evenwel uwe vereering der Heiligen vooral bestaat in het navolgen hunner deugden. Niets toch kan eervoller zijn voor de Heiligen, dan dat men hunne leefwijze tot voorbeeld kieze ; niets is hun aangenamer, dan dat men er naar streve, hen in de liefde en navolging van Jesus Christus te evenaren. In plaats van uw hart en uwe zeden te bederven met de lezing van romans en avontuurlijke geschiedenissen, leest liever en behartigt de levensgeschiedenissen der Heiligen , wier hart van innige liefde tot God klopte, voor wier moed en volharding geen strijd te hevig, geene overwinning te duur was. Voor hoevele bekoringen en gevaren zou zulk eene lezing u bewaren, in hoevele u staande houden en aanmoedigen ! Hoe menigmaal zoudt gij bij die lezing u zeiven met den H. Augustinus toeroepen: „Konden dezen of genen „de wetten van de hoovaardij en de begeerlijkheid der oogen „en des vleesches vaarwel zeggen; waarom dan zou ik het „ook niet kunnen ?quot; Maar houdt het boven alles voor den zoetsten en heiiigsten plicht, den trouwen voedstervader des Heilands en bizonder Maria, de moeder Gods, altijd maagd, kinderlijk te vereeren. Een schoon voorbeeld van Maria-vereering geeft ons onder anderen de H. Alphonsus Maria de Ligorio. Reeds in zijne jeugd beminde hij de Koningin des hemels hartelijk en liet geen dag voorbijgaan, zonder een tempel of een altaar, dat haar ter eere gewijd
11*
164
was, te bezoeken. lederen zaterdag hield hij eene strenge vasten op water en brood; door velerlei vrome oefeningen bereidde hij zich tot hare hoofdfeesten voor, en op den feestdag zeiven gaf hij zich met telkens vernieuwde verheffing aan zijne teerhartige godsvrucht over. Dagelijks verrichtte hij dat troostvolle, Maria zoo aangename gebed van den rozenkrans en met eiken klokslag was hij gewoon, zelfs als hij zich in gezelschap bevond, met den Aartsengel haar te groeten : Ave Maria! Zoo dikwijls hij het huis verliet of daarin teruggekeerd was, knielde hij voor eene barer beeltenissen neder en beval zich barer moederlijke bescherming aan. Deze uitstekende godsvrucht en vereering werd voor Alphonsus eene rijke bron van genade en heiligheid, en dit zal zij ook voor ons worden, als wij zijne voetstappen drukken.
Tweede gebod Cwods.
„Gij zult den naam van den Heer, uwen God, niet ij del „gehrmJcenquot; (Exod. XX, 7).
Wat verhiedt het tioeede gehod ?
Het verbiedt elke ontheiliging van den goddelijken naam: 1) door dien oneerbiedig uit te spreken; 2) door godslastering en spotternij met den godsdienst; 3) door het zondig zweren en vloeken; 4) door het breken van belofte.
Ofschoon het eerste gebod in \'t algemeen elke onteering van God verbiedt, achtte de allerhoogste en allerwijste Wetgever het toch dienstig, ons door een tweede gebod bizonder te waarschuwen tegen dusdanige onteeringen, die zijnen allerheiligsten naam door woorden worden aangedaan.— Onder „naam Godsquot; worden hier niet zoozeer bedoeld de letters of lettergrepen of in het algemeen het enkele woord „God,quot; als wel de almachtige en eeuwige majesteit van het ééne wezen, drievuldig in personen, alsmede elke benaming, welke het wegens zijne menigvuldige eigenschappen en werken toekomt. Ook beteekent de uitdrukking: „ijdel „noemenquot; of „nutteloos gebruiken\'\'niet enkel het nutteloos, oneerbiedig uitspreken of in den mond hebben van den
165
goddelijken naam, maar in het algemeen elk misbruik, elke onteering dien naam aangedaan door woorden of daarmede gelijkstaande teekenen.
Hoe zondigt men door het oneerhiedig uitspreJcen van den naam van God ?
Als men dien uit scherts of in toorn, of hoe ook, op lichtzinnige wijze uitspreekt. In al deze gevallen ontbreekt het den spreker aan den innerlijken eerbied en de uiterlijke eerbewijzing, welke den naam Gods, dat is, God zelf toekomt. De veihevenheid en heiligheid Gods vorderen, dat zijn naam met eerbied genoemd en niet tot uiting van scherts of toorn misbruikt worde. Daarom zegt God zelf (2. Mos. XX, 7): „de Heer zal hem niet voor onschuldig „houden, die den naam van den Heer, zijnen God, nutte-„loos noemt;quot; en in het boek Sirach (XIII, 10): „voer „niet altijd den naam Gods op uwe tong en meng ook den „naam der Heiligen niet in uwe gesprekken; want gij zoudt „niet zonder zonde blijven.quot; Uit den zoo even aangehaalden tekst volgt duidelijk, dat het zondig is, niet alleen den naam van „Godquot; of „Jesus,quot; en nog meer „Jesus Christus,quot; maar ook den naam der allerzaligste Maagd, der Engelen of Heiligen op boven gezegde wijze zonder eerbied uit te spreken. De reden hiervan is, dat de personen, die met dezen naam worden aangeduid, in nauwe betrekking staan met God en daarom ook hunne namen vereering verdienen. Om dezelfde reden is het berispelijk, de namen van andere dingen, die eene nauwere betrekking hebben op God, namelijk op den mensch geworden God, Jesus Christus, zooals het H. Kruis, de HH. Sacramenten, enz. alsblootespreekwijzen en zonder eerbied te gebruiken ; niet minder verdient het afkeuring, spreuken der H. Schrift, het geschreven woord Gods, tot scherts of lichtzinnige taal te misbruiken. Volgens de algemeene meening der Godgeleerden is evenwel het ij del uitspreken van den naam van God, van Jesus, Maria, en de Heiligen, als ook van het H. Kruis en de HH. Sacramenten, wanneer daarmede geene verachting of zware ergernis gepaard gaat, slechts eene dagelijksche zonde; dikwijls zelfs kan het wegens overhaasting, of omdat men het ter goeder trouw voor geene zonde houdt, ook niet tot zonde worden aangerekend. Die echter de kwade gewoonte heeft, om den naam van God, van Jesus, enz. lichtvaardig of in scherts of in toorn telkens te noemen, kan zeker van eene dagelijksche zonde niet worden vrijgesproken.
166
Eoe geschiedt de godslastering ?
Als men aan God of aan zijne Heiligen iets toeschrijft, dat tegen hunne eer is, of als men iets van hen loochent, dat hun toekomt, of als men bespottelijk van hen spreekt.
Het is dus eene godslastering als men zegt: „God is niet „rechtvaardig, niet barmhartig; God straft mij zwaarder, „dan ik verdien; God zou veel te doen hebben, als Hij „voor alles in de wereld moest zotgen.quot; Zoo ook als men van Maria zegt, dat zij eene vrouw is gelijk iedere andere (dat zij niet de gezegende is onder de vrouwen, moeder en maagd tegelijk); als men aan Maria of andere Heiligen verachtelijke namen geeft of bunnen waren naam misbruikt tot ongeoorloofde, onteerende spotternij. Want gelijk God in zijne Heiligen geëerd wordt, zoo wordt Hij ook in hen gelasterd Verder maakt men zich aan godslastering schuldig, wanneer men de HH. Sacramenten, de H. Mis, het Kruis, het wijwater en andere dergelijke voorwerpen hoont en der verachtirg prijs geeft. — Ofschoon, gelijk uit de aangehaalde voorbeelden blijkt, de godslastering hoofdzakelijk door woorden bedreven wordt, kan men toch ook alleen door gedachten en door uiterlijke teekenen God lasteren. LI en doet het door gedachten, zoo dikwijls men op boven gezegde wijze vrijwillig iets smadelijks van God. van de Heiligen of van heilige zaken denkt, zonder die gedachten met woorden uit te spreken; door leekenen daarentegen, als men de innerlijke verachting of den innerlijken haat en wrok jegens God of zijne Heiligen daardoor aan den dag legt, dat men bijv. naar den hemel spuwt, de vuist opsteekt, een pistool afschiet, enz.
Eindelijk moet ook als godslastering worden aangezien de spotternij met den godsdienst, als de spotter zich ten doel stelt, den godsdienst, de katholieke Kerk, hare ceremoniën en gebruiken belachelijk en verachtelijk te maken. Zelfs al zou men dit geenszins bedoelen, dan geldt toch in elk geval van zulke onbetamelijke taal en scherts, wat in het voorgaande over het oneerbiedig uitspreken van den naam Gods gezegd is. Wel te recht waarschuwt daarom de H. Petrus voor godsdienstspotters met de woorden: „ Weet boven „alles, dat er in de laatste dagen misleidende spotters zullen „opstaan, die naar hunne eigen lusten wandeleuquot; (2 Fetr. 111, 3).
De zonde van godslastering is zoo groot, dat de van God zelf uitgaande burgerlijke wetgeving des Ouden Ver-bonds de doodstraf door steeniging als straf voor die misdaad bepaalde. „Wie den naam Gods lastert,quot; zoo staat ge-
167
schreven in het 3« boek Mos, XXIV, 16, „zal den dood „sterven; de gansche menigte, hetzij burger of vreemdeling, „zal hem steenigen.quot; Ook andere strafoefeningen die de godslasteraar- ondergingen, geven ons het zware dier misdaad duidelijk te kennen. Koning Senacherib van Assyrië moest zwaar boeten voor de godslastering, welke bii tegen den Allerhoogste had uitgesproken Toen namelijk zijn veldheer Eabsaces in godslasterlijke bewoordingen de overgave van Jerusalem geëischt had, kwam de Engel des ïïeeren en trof lb5,000 man van het assyrische leger, en Senacherib zelf werd na zijn oriteerer.den aftocht en zijn terugkeer naar Ninive door zijne eigen zonen vermoord (4. Kon. XIX). Niet beter ging het met den assyrischen veldheer Holofernes, die wilde toonen , „dat er buiten Nabuchodonosor geen God, „dat Nabuchodonosor de heer der geheele wereld was.quot; Judith sloeg hem het hoofd af; geheel zijn leger werd deels verstrooid, deels in de pan gebakt: „eene enkele joodsche „vrouw maakte het huis van Nabuchodonosor ten schande\'\' (Judith XIV, 16). Deze schrikwekkende strafoefeningen mogen in het minst niet bevreemden , als men de godslastering op zich zelve beschouwt en de groote ergernis, welke daeruit voortkomt. Of wel de godslastering schrijft aan God toe, wat God niet betaamt, óf ontzegt Hem eigenschappen, die Hi] in oneindige volheid bezit, öf kent een ander wezen, somtijds zelfs den satan, eigenschappen toe, welke aan God, wien men ze ontzegt, alleen toekomen. Kan er iets schandeliiker en verschrikkelijker worden uitgedacht, dan deze drievoudige misdaad, dan deze drievoudige verongelijking der goddelijke Majesteit\'? Indien hij, die den vei heven persoon van zijnen vorst beschimpt, hem gebreken toedicht, zijne onbetwistbare rechten aanrandt of, zooveel hij vermag, op een ander overdraagt, als majesteits-schenner streng gestraft wordt, zou dan hij, die eene zeilde misdaad begaat jegens de goddelijke Majesteit, jegens den Beer van hemel en aarde, niet eveneens met onverbiddelijke gestrengheid veroordeeld en gestraft worden? Hoeveel verhevener en heiliger is niet de eeuwige, onsterfelijke Koning der eeuwen dan de grootste monarch der aarde, wiens gekroond hoofd weldra tot stof vergaan zal? Hoeveel ondank-baaider is het schepsel, dat zijn Schepper, zijn Verzorger en Bestuurder, zijn Heiligmaker en toekomstigen Belooner lastert dan de onderdaan, die zijnen heer en koning beschimpt? „Ik begrijp niet,quot; zegt de B. Alphonsus de Ligorio (Katech. 2quot; geb.), „dat bij elke godslastering de aarde zich „niet onder dengene, die het waagt ze uit te spreken, opent, „om hem te verslinden..... Een lasteraar is nog slechter
168
„dan een verdoemde in de hel: deze lastert God, wijl hij «door hem ^gestraft wordt; gene echter, terwijl God hem „goed doet \'). De zonde van godslastering is overigens grooter en afschuwelijker, als zij uit wezenlijken haat jegens God en met het doel om God te bespotten wordt bedreven verders als zij met ketterij verbonden is en anderen, in wier tegenwoordigheid zij plaats vindt, tot ergernis verstrekt. Dei gelijke omstandigheden moeten ook in de biecht worden aangegeven, wijl zij niet slechts de zonde van godslastering verzwaren , maar er ook eene nieuwe boosheid, eene nieuwe soort van zonde aan toevoegen.
is zioeren of eed doen ?
Het is God, of iets, dat God bizonder aangaat, tot getuige nemen van hetgeen men zegt.
Het wezen van den eenvoudigen zoowel als van den plechtigen eed, (zonder of met zekere plechtige ceremoniën gedaan) bestaat daarin, dat hij, die zweert, God, die de harten doorgrondt, tot getuige en gevolgelijk ook, als hij een valscben eed doet, tot rechter en bestraffer aanroept. Tot eiken eed behoort derhalve noodzakelijk de meening, om God als getuige aan te roepen en de aanroeping zelve, hetzij door woorden, namelijk door bepaalde eedfomulen, hetzij door teekenen, namelijk door zekere ceremoniën, die de eedfor muien vervangen. Men zweert dus of doet een eed, waaneer men zich ter bekrachtiging zijner uitspraak bedient van de volgende of soortgelijke woorden: „bij God! „dat is waar;quot; „ik neem God tot getuige, dat de zaak „zoo is; „God zal mij oordeelen, straffen, verdoemen, enz., „als dat niet waar is.1\' Ook moet het voor een eed gehouden worden , als men zweert bij den hemel, bij het H. Kruis, bg de HH. Sacramenten, op het Evangelie, enz. Want,
1
gaan. Ook moet hij op elk der voornoemde zondagen naar vermogen »drie of twee of één arme voeden; is hij hiertoe niet bij machte, dan «moet hem een ander boetewerk worden opgelegd. Wil hij zich aan //deze boete niet onderwerpen, dan moet hem het bezoeken der kerk //voor altijd ontzegd blijven en bij zijn afsterven de kerkelijke be-//grafenis geweigerd worden.quot;
169
zegt de H. Thomas, daar deze dingen onbekwaam zijn, door zich zelve iets te betuigen of de leugen te bestraffen, zoo is het, inzooverre zij tot getuigenis worden opgeroepen, eigenlijk God zelf, dien men tot getuige roept. Hetzelfde ook beteekenen de woorden van den goddelijken Heiland (Matth. XXIII, 20, 22): „wie zweert bij het altaar, zweert „bij Hem en bij alles, wat er op is; wie bij den tempel „zweert, die zweert bij Hem, die daarin woont, en wie „zweert bij den hemel, die zweert bij den troon Gods, en „bij Hem, die op dien troon zit.quot; Tot den eed behoort ook, de bij plechtige eedsafleggingen gebruikelijke slotformule, welke men met de vingeren op het Evangelieboek uitspreekt: „Zoo waar helpe mij God en deze HH. „Evangeliën.quot; Want daarmede wil men zeggen, dat men zijn gezegde zoo zeker voor waar houdt, als men zeker wenscht, dat God ons helpe, en de troostvolle beloften van het Evangelie aan ons in vervulling doe gaan. — De spreekwijzen : „zeker, waarachtig, bij mijn trouw, bij mijn hoofd, „op mijn eer, zoo waar ik leef,quot; en soortgelijken, zijn eenvoudige betuigingen, maar geene eeden, wijl God daardoor noch uitdrukkelijk, noch op andere wijze wordt aangeroepen. — Buitendien zijn er nog vele andere spreekwijzen, die hoewel zij meestal niet verbonden zijn met de meening om te zweren, en bijgevolg ook geene eeden zijn, evenwel met zorg moeten vermeden worden. Zoo wachte men zich bij elke geringe aanleiding te zeggen: „bij mijne ziel! God „weet het, dat ik de waarheid zeg. Dat is zoo waar, als „God leeft, zoo waar, als het Evangelie.quot; Dergelijke spreekwijzen worden door anderen dikwijls voor eeden gehouden, en degenen, die ze uiten, zijn zelve dikwijls in twijfel, of zij daarmede niet hebben willen zweren ; daarbij bevatten zij niet zelden, vooral bij leugenachtige beweringen, eene zware onteering van God.
Hoe zondigt men door zweren ?
Men zondigt door zweren: 1) als men valsch of in twijfel zweert. Valsch zweren is : onder eede verzekeren, dat iets waar is, ofschoon men weet, dat het niet waar is, of onder eede iets beloven, wat men niet van plan is te doen; in twvjfel zweren is iets verzekeren onder eede, hoewel men niet zeker weet, of het waar is, niet de vaste overtuiging heeft, dat het gezegde op waarheid berust. Die in twijfel zweert, is, wat de schuldplichtigheid betreft, met hem, die valsch zweert, inzooverre op gelijke lijn te stellen,
170
als hij met kennis en voorbedachtzaamheid zich aan het onvermijdelijke gevaar hloot stelt, van de leugen als waarheid te bezweren, dat is, een valschen eed te doen. — De valsche eed of meineed, vooral voor het gerecht, is eene der grootste misdaden. De meineedige beschimpt God, schaadt zijn evenmensch en zich zeiven. Hij beschimpt God. Want wijl bij God zweren niets anders is dan zijn getuigenis aanroepen, oordeelt degene, die valsch zweert, feitelijk, dat God, de Alwetende, of de waarheid niet kent, of dat God, de Allerheiligste, de leugen bemint en als getuige daarvoor zal optreden; of eindelijk, dat God, de Rechtvaardige en Almachtige, den meineed niet wil of niet kan straffen; oordeelen, die even zoovele verschrikkelijke godslasteringen zijn. — De meineedige schaadt zijn evenmensch, vermits hij niet slechts, gelijk dit het geval is voor het gerecht, eenigen hunner van hunnen eigendom, van hun goeden naam en andere goederen en rechten berooft, maar, zooveel van hem afhangt, de heiligste rechten en voor-tretfeliikste goederen der geheele maatschappij in gevaar brengt. De maatschappij zou voorzeker niet in vrede kunnen leven en blijven voortbestaan, als have leden elkander noch geloof schonken, noch hun woord hielden: op trouw en geloof immers berusten de rechten en plichten van overheid en onderdanen, van ouders en kinderen, van schuldeischers en schuldenaars, enz. Wie trouw en geloof in de maatschappij ondermijnt, werkt dus aan haren ondergang. Dit nu is werkelijk het geval bij den meineedige; immers, door den meineed brengt hij zijnen evenmensch in de meening, dat men de menschen zelfs dan niet meer gelooven en vertrouwen kan, als zij op de plechtigste wijze in het aanschijn van hunnen God en eeuwigen Rechter en onder aanroeping van den Alwetende de waarheid hunner uitspraak bevestigen. Is dat niet alle wederkeerig vertrouwen en alle geloof verbannen ? Van hem toch, die onder zulke omstandigheden liegt, kan men terecht vreezen, dat hij nimmer de waarheid zeggen zal, tenzij in zijn eigen belang. De meineedige schaadt ten laatste zich zeiven, wijl hij zich van God, die de waarheid is en haar bemint, in zekere mate losmaakt en diens wraak op zich afroept. Die wraak schetst de Profeet Zacharias (V, 3, 4) met de krachtigste woorden. „God de „Heer,quot; zegt hij, „sprak tot mij: deze vliegende rol, die „gij ziet, is de vloek, welke over de geheele aarde uitgaat; „want ieder meineedige zal daarnaar geoordeeld worden. „Ik zal ze loslaten, spreekt de Heer der heirscharen, en „zij zal afdalen in het huis van hem, die valschelijk zweert „in mijnen naam, en zij zal midden in zijn huis blijven
171
„en het vernietigen, zijn hout en zijne steenenquot; \'). En over Sedeeias, den koning van Juda, die jegens Nabucho-
\') Wenschen wij, door zulk cene schrikkelijke straf niet te worden getioffen, dan beproeve eenieder zich zeiven, en ingeval hij zich scliuldig erkent, verznime hij niet, ernstig boetvaardigheid te doen. Want, hoewel God het kwaad meestal hierboven eerst straft, is liet tocli niet te loochenen, dat zijn straffend oordeel ook reeds in dit leven menigmaal de meineedigen treft. Het is namelijk tot instandhouding der zedelijke en staatkundige orde noodzakelijk , dat tenminste de vrees voor de tijdelijke straf van God diegenen van den meineed afsclirikke, die de eeuwige straffen niet vreezen. Op den twaalfden Juli 1S45 had een merkwaardig voorval plaats in Schwarzeiigt;tein bij Kastenburg. Een inwoner van Schwarzenstein was kort vóór den genoemden dag van diefstal beschuldigd en dientengevolye voor het gereclit te Rasten-burg gedaagd. Om zijne onschuld te staven verklaarde hij zich tot den eed bereid; daar hij echter als een zedelijk bedorven mensch en als een dief bekend stond, werd hij tot den eed niet toegelaten. Toen zwoer de aangeklaagde op eigen gezag en uitte daarbij deze woorden: jhet eerste onweer, dat iosbreekt, moge mij treffen, als ik gestolen «heb.quot; üp den l^quot; Juli nu pakte zich werkelijk een zwaar onweêr over Schwarzenstein samen, en de genoemde hevond zich met meer andere personen, namelijk met vier kinderen, te huis. Op eens ratelde een geweldige donderslag. Ue bliksem had het huis van den meineedige getroffen en den ongelukkige te midden der overige bewoners verslagen. JJe laatsten waren wel eenigszins verward, doch ongedeerd gebleven. De bliksemstraal was hem in den mond geschoten Wijl het huis in brand stond moest de gedoode worden uitgedragen; doch niemand der inwoners van Schwarzensteia wilde hem, dien zij door God gestraft zagen , aanraken. Te vergeefs vermaande hen daartoe de dorpspastoor; al zijne voorstellen bleven vruchteloos, en hij zag zich eindelijk genoodzaakt, het lichaam van den verslagene met eigen hand aan de vlammen te onttrekken Het huis brandde af, maar het vuur greep niet verder om zich henen (Intell. Biatt fiir Aaehener iieitung von il August 1845, bei Guillois, Aaehener Auflage 1846).— Niet minder opvallend is de volgende gebeurtenis, welke de godvruchtige Overóerg in zijn godsdienstig handboek, deel 2, verhaalt.
Vóór 3 jaren verleidde iemand drie personen om als getuigen met een valschen eed te bevestigen, dat hij het paard, hetwelk hij den waren eigenaar had ontstolen en voor zich wilde behouden, gekocht en terstond betaald had. Deze valsche getuigen stierven alle drie een plotselingen dood. De verleider besing spoedig daarop een moord en werd ter dood gebracht — In het jaar löüS begaf zich eene beschaafde romeinsche vrouw naar Tagliacozzo In de napolitaansche provincie Abiuzzo, om er eene school te stichten. Daar geschiedde het, dat men eene harer leerlingen beschuldigde, een meisje iets ontfutseld te hebben. De aangeklaagde loochende den diefstal met de grootste stoutmoedigheid en, om volstrekt allen schijn van verdenking van zich te werpen, deed zij den lichtvaardigen eed: .,de H Lucia moge mij blind manen, „als ik onwaarheid spreek.quot; Nauwelijks twee dagen na liezen ver-wensclienden eed trof eene boosaardige ziekte het eene oog van het logenachtige en meineedige kind en ontnam het haariu korten tijd.— Zoo schrijft Nicius Erythreus in zijn voorbeeldenboek, 97c verhaal, en voegt er bij, dat hij dit geval uit den mond van ooggetuigen vernomen had. — Iets dergelijks wedervoer omstreeks het jaar Uri? te Leipzig eene dienstmaagd, die door hare meesteres werd beschuldigd, een sleutel te hebben gastolen, en den eed aflegde: „God mag mij „stom en lam laten worden, als ik iets van den sleutel weetquot; Wat de meineedige zich had toegewenscht, ges diiedde ook ; de ongelukkige verloor spoedig daarop het gebruik van tong en voeten (fciverard Happel Kronik 2. Th. J. I(ja7).
172
doBosor, koning van Batylon, meineedig gehandeld had, kwam het woord des Allerhoogsten door den mond van den Profeet Ezechiël (XVII, 19, 20): „Zoo waar ik leef, Ik „zal den eed, dien hij veracht heeft, en het verbond, dat „hij verbroken heeft, op zijn hoofd leggen (aan hem wreken). „Ik zal hem naar Babyion voeren, en daar zal Ik hem
„straffen voor de misdaad, waardoor hij Mij veracht heeft;----
„midden in Babyion zal hij sterven.\'\' Zoo geschiedde het ook: Nabuchodonosor nam koning Sedecias gevangen, liet hem de oogen uitsteken en voerde hem met boeien beladen naar Babyion, waar hij stierf (4. Kon. XXV). Met recht besluit de H. Thomas (Verhand, over de 10 geboden) de leer over dit onderwerp met deze woorden: „de meineedige „voegt God eene beleediging toe, is v/reed jegens zich zeiven „en verderfelijk voor den naaste.quot; — Daar de meineed een zoo groot kwaad is, moeten wij ons wel wachten, van onze vijanden eenen eed te vorderen, als wij stellig voorzien, dat zij een valschen eed zullen afleggen , die ons toch niet baten kan. „Zie,quot; zegt de H. Augustinus, „hij zweert, hij zweert „valschelijk en gaat ten gronde. Wat hebt gij daarmede „gewonnen? Ook gij zijt ten gronde gegaan, omdat gij hem „tot zweren hebt genoodzaaktquot; (308° leerrede).
2) Als men zonder noodzakelijkheid zweert, of zonder noodzakelijkheid iemand tot zweren aanzet. — Ofschoon de eed, waardoor men God als den Alwetende, den oneindig Waarachtige en Rechtvaardige, plechtig erkent, op zich zeiven beschouwd, tot eer strekt en tot verheerlijking der goddelijke Majesteit, inzooverre bij tot bevestiging der waarheid gebezigd wordt, is het toch zondig, zonder noodzakelijkheid of voldoende reden zelf de waarheid te bezweren of anderen daartoe aan te sporen, wijl zulk eene handeling altijd, eenige oneerbiedigheid jegens God in zich sluit. Zoo zou ook een hoveling zich vergrijpen aan den eerbied, zijnen vorst verschuldigd, indien hij hem bij elke nietige gelegenheid , bij elk geschil over nietsbeduidende zaken als getuige inriep Wij moeten dus dan alleen tot den eed onze
\') Als op zekeren dag twee melaatsclien bij den H. abt Auxcntius kwamen en hem geknield om genezing baden, sprak hij hen volgender wijze aan: ,./Weet, mijne broeders, dat de Heer u om geene andere „reden met deze walgelijke ziekte geslagen heeft, dan wijl gij zoo //lichtvaardig om de nietsbeduidendste oorzaak pleegt te zweren en //te vloeken. Dat is eene rechtvaardige straf van God. Erkent uwe »misdaad en verbetert u quot; Hierop vermaande hij hen de goddelijke barmhartigheid af te smeeken, knielde neder en volharde eenige ooeen-blikken in het gebed onder het storten van vele tranen. Dan zalfde hij hen met gewijde olie en genas hen op eene wonderbare wijze van hunne ziekte (Bolland. 14 Febr.).
173
toevlucht nemen, wanneer die in aangelegenheden van groot gewicht, zooals tot beslechting van langdurige twisten, tot regeling van wettige betrekkingen en om andere billijke redenen door de geestelijke of wereldlijke overheid gevorderd, of door wantrouwen en hardnekkigheid van anderen, die de eenvoudige uitspraak der waarheid niet gelooven willen, noodzakelijk gemaakt wordt.
Hetgeen de Heiland in de bergrede (Matth. V, 34^ zegt: «gij zult ,niet zweren,quot; moet klaarblijkelijk slechts van nutteloos en doelloos, van lichtvaardig zweren verstaan worden, en als Hij voortgaat: //Uw\' //■woord zal zijn: ja, ja; neen, neen; wat meer is, is van den booze;quot; wil de goddelijke Leermeester daarmede slechts zeggen, dat men in geen geval genoodzaakt zou wezen, een eed te doen, als de mensehen niet slecht waren. Want bestond er onder de mensehen noch leugen noch trouweloosheid, dan zou het eenvoudige ja, ja; neen, neen; voldoende zijn. Dat echter de Heer door de aangêhaUde woorden niet eiken eed wilde veroordeelen, blijkt duidelijk uit onderscheidene redenen. Vooreerst stelt de wet Gods het soms ten plicht, bij den naam des Heeren te zweren (5. Mos. VI, 30), en David schrijft: .\'allen, „die bij Hem zweren, zullen geprezen wordenquot; (Ps.LXII, 12). Verder zeggen ons de heilige Boeken, dat zelfs de lichten der Kerk, de HH. Apostelen , zich menigmaal van den eed bediend hebben. Zoo bijv. de H. Paulus, als hij aan de Philippensers schrijft: «■God is mij ge-j-tuige hoe ik naar allen verlang met de teederheid van Jesus Christus.quot; Dezelfde Apostel veroorlooft rechtstreeks den eed voor elk geval, waarin deze gevorderd wordt om een geschil bij te leggen. «De eed,quot; zegt \'lij. »ter bevestiging afgelegd, maakt aan élken strijd onderhen (onder de mensehen) „een eindequot; (Hebr. VI, 16). Ja, God zelf sprak tot Abraham: «.Ik heb bij Mij zeiven gezworen, wijl gij dat gedaan »en uwen eenigen zoon niet gespaard hebt om mijnent wil, zal Ik u ^zegenenquot; (1. Mos. XXII, 16, 17). Zeer juist vergelijkt de H. Thomas (Verh. over de 10 geboden) den eed met een geneesmiddel, dat in geval van ziekte zeer heilzaam werkt, maar anders niet moet worden aangewend, en, als het onnoodig gebruikt is, gewoonlijk walging veroorzaakt.
3) Als men zweert, het kWade te doen en het goede te laten. — Bij den belovenden eed is het niet genoeg, dat men den wil heeftj de belofte te houden, en daarbij eene genoegzame reden om dit met een eed te bevestigen; datgene, wat men onder eede beloofd, moet daarenboven nog goed of tenminste niet kwaad zijn. Daarom, als iemand zou zweren, zich op zijnen vijand te zullen wreken, of niet weder te zullen bidden, biechten, de predikatie nimmer te zullen hooren, zou zulk een eed gewis straf baar wezen. Door zulk een eed bezondigt men zich op het oogenblik. dat men den eed doet; men blijft voortdurend in de zonde, zoolang men den wil heeft, dien eed te houden, en werkelijk houdt. Een voorbeeld hiervan hebben wij in de veertig Joden, die zwoeren, niets te zullen eten of drinken, vooraleer zij Paulus hadden omgebracht (Hand. XXIII, 12), en in Herodes, die ter vervulling van zijn lichtvaardiger!
174
eed den H. Joannes den Dooper liet onthoofden (Mare. VI) *). — De voorwaarden, die tot een geoorloofden eed vereifcht worden, zijn dus; waarheid, oordeel en rechtvaardigheid, volgens het woord van den Profeet Jpremias (IV, 2): „gij zult zweren in waarheid, met oordeel (dat is met overleg en eerbied en niet zonder genoegzame reden) „en met rechtvaardigheid.quot; Zulk een eed had van oudsher niet slechts in alle burgerliike wetgevingen, maar ook in de Kerk zelve volle waarde en werd steeds als geoorloofd aangezien. Daarom veroordeelde de Kerkvergadering van Constans de stelling (43) van Joannes WiclefF, dat „eeden „ter bekrachtiging van menschelijke verdragen en burgerlijke „handelingen ongeoorloofd zijn.1\'
4) Als men den eed niet houdt, ofschoon men dien houden kan. — Wie een waren en rechtvaardigen eed niet houdt, begaat eene eedbreuk, van welker boosheid en verderfelijkheid volstrekt hetzelfde geldt, wat boven van den meineed gezegd werd, wijl de eedbreker evenzeer als de meineedige God onteert, en den evenmensch en zich zei ven schade berokkent 2). — In sommige gevallen evenwel houdt de
1
\') Ten tijde der fransche revolutie wilde men, dat de priesters eeu eed voor de republiek zouden afleggen, die volstrekt met de kerkelijke wet en het cliristelijk geweten in strijd was. Dood of minstens verbanning wachtte degenen, die weigerden. Onder anderen werd ook te Autun een pastoor door het gepeupel als gevangene aangehouden. De burgemeester, die hem wilde redden, ried hem, niet zoo zeer den eed al\' te leggen, als wel toe te staan dat. men het volk diets maakte, dat hij dien had afgelegd. rNeenlquot; antwoordde de godvruchtige priester, «ik zou u bij het volk van onwaarheid moeien beschuldigen; //want het is mij niet geoorloofd, mijn leven met een leugen te knopen. «-Dezelfde God, die mij verbiedt den eed af te leggen, verbiedt mij ,ook, het volk te doen gelooven, dat ik dien afgelegd heb.quot; De burgemeester zweeg verbaasd over deze teedere godsvrucht en trouw, en de pastoor stierf als martelaar (Die Scliule der göttl. Kelig. Bd. 2. BI. 217).
2
) Zelfs bij de heidenen gold het met cede gestaafde woord als heilig. Een schoon bewijs hiervoor levert ons de romeinsche veldheer M. Attilius Kegulus. Deze, in den eersten punischen oorlog door de Carthagers krijgsgevangen gemaakt, werd door hen met een gezantschap naar Kome gezonden, doch moest voor ziju vertrek onder eede beloven, dat hij, ingeval hij den vrede niet tot stand bracht, weder in zijne gevangenschap zou terugkeeren. Te Rome sprak hij in den Senaat in plaats van voor het sluiten van den vrede en liet uitwisselen der gevangenen, veeleer over de voortzetting van den oorlog, wijl hem dit voor de Romeinen, zijn volk, voordeeliger scheen. Als men hem nu van alle kanten aanzette, om niet weer naar Carthago terug te keeren, en de opperpriester zelf besliste, dat hij te Rome verblijven kon, zonder meineedig te worden, gaf hij dit schoone, zoovele meineedige Christenen diep beschamend antwoord; »Wel weet ik, welke ^kwellingen mij te Carthago wachten. Doch ik ben niet zoozeer be-«■vreesd voor de pijnen eener gruwelijke foltering als voor de ont-,eering van eedschennis, die mij tot in liet graf zou volgen. Mijn
175
verlichting- van den eed op, als namelijk, na het afleggen van den eed, zich onvoorziene omstandigheden voordoen, die het houden van den eed onmogelijk maken, of tenminste deTmafe bemneielijken, dat hii, die de gezworen belofte heeft rargenomen, billijker wijze moet denken, dat de gezworene zich order zulke veranderde omstandigheden geenszins heeft willen verplichten, datgene te doen, waartoe hij zich tevoren door een eed verbonden heeft.
Wat is vloeken ?
Vloeken is zich zeiven of anderen verwenscben, waarbij dikwijls de naam Gods onteerd wordt. Het vloeken wordt in het dagelijkscb leven zeer dikwijls met zweren verward, hoewel het hiervan wezenlijk onderscheiden is. De vloek dient op zich zeiven genomen niet ter bekrachtiging van eene of andere stelling of belofte, maar is veeleer de ongepaste uitdrukking der verontwaardiging of des toorns, waardoor men zich zeiven of anderen kwaad toewenscht, zich zeiven of anderen , zelfs levenlooze dingen, verwenscht. In zooverre de vloek eene verwensching, dus eene zonde tegen de goed geregelde eigen- of naastenliefde is, strijdt hij tegen het vijfde gebod; inzooverre echter daarmede doorgaans de onteering van den H. Naam verbonden is, komt hij ook bij het tweede gebod ter sprake. De naam Gods wordt bij het vloeken op tweeërlei wijze onteerd. Vooreerst als men den naaste toewenscht, dat hem het heilige en goddelijke, bijv. de HH. Sacramenten, het bloed, de wonden van Christus, enz. ten verderve, tot eeuwige verdoemenis mogen strekken ; ten tweede, als men de schepselen, bijv. het weder, hongersnood, pest, oorlog, verwenscht als werken Gods, als door God toegelaten of toegezonden. Daaruit blijkt
«plicht vordert, weer naar Carthago te reizen: voor het overige laat ,/ik de goden zorgen.quot; Zonder zijne vrouw en kinderen te willen zien, besteeg hij het schip en koos aldus den zekeren en gruwelijksten dood boven het schenden van zijn eed. Dit verhaalt ons de heidensche schrijver Valerius Maximus. Moet de Christen , die den eenen waren God tot getuige van de oprechtheid zijns woords aanroept, niet eveneens handelen? Heeft hij niet duizendmaal meer reden om te zeggen: het is mijn plicht den gezworen eed te houden, voor het overige zal God zorgen?
Hoezeer de H. Kerk de eedschennis verfoeit en van oudsher verafschuwde, blijkt ons duidelijk uit haren vroegeren boeteregel. Deze luidt aldus: «als iemand den eed, zijnen koning en Heer gezworen, „schendt, dan moet hij zijn geheele leven lang in een klooster boete ,doen.quot; Een valsche eed werd gewoonlijk met vasten op water en brood en zeven jaar boete gestraft (Aldus de geleerde Zacharias, diss, proleg. ad. mar. s. Lig. op.).
176
duidelijk, dat de vloek in de beide genoemde gevallen eene godslastering en dus eene hoogst strafwaardige misdaad is. Daarom telt de Apostel (1. Cor. VI, 9) de vloekers onder degenen, die het rijk Gods niet zullen beërven. De gewoonte van vloeken is overigens niet alleen zondig en derhalve verderfelijk voor de ziel, maar ook zeer onteerend. De vloek toch is de uitdrukking van een opbruisend, toornachtig hart, van een hart zonder eerbied voor den Allerheiligste, van een hart, dat zich noch bezit, noch in staat is zich te beheerschen. Wie vloekt, spreekt de taal van een ruwen, ontaarden mensch, de taal der waanzinnigen en der galeislaven; hi] spreekt (men veroorloove ons de harde, maar ware uitdrukking) de taal der verdoemden in de hel. Hoe ■onbetamelijk nu is zulk eene taal voor den mensch, vooral voor den Christen, voor het kind Gods, wiens gesprek geheel hemelsch zijn moet, voor den broeder en mede-erf-genaam van Jesus Christus, wiens tong slechts Gods lof verkondigen, van wiens lippen slechts zegen vloeien moet, volgens het woord van den H. Petrus (1. Petr. III, 9): „Vergeldt geen kwaad met kwaad, geen smaad met smaad: „,maar integendeel zegent elkander, wijl gij geroepen zijt, „om zegen te erven !quot; \') Wel meenen velen in de gewoonte eene verontschuldiging voor het vloeken te vinden. „De „vloek ontglipt mij ,quot; zegt men, „ik vloek uit gewoonte, „zonder er aan te denken.quot; De gewoonte van vloeken kan echter slechts inzooverre eene verontschuldiging zijn, als men vast besloten heeft en er zich ernstig op toelegt, die gewoonte af te leggen ; als de wil de slechte gewoonte en de kwade gevolgen, namelijk de onwillekeurige neiging tot vloeken, verfoeit. Hetzelfde is ook van toepassing op de slechte gewoonte van lasteren, van zweren en het misbruiken van Gods naam.
\') De ,/Sionquot; meldde den Q\'l\'-n Augustus 1833 de volgende hoogst merkwaardige gebeurtenis. In de parochie L. van het dorp B., onder het aartsdiocees (Bamberg) van dienzelfden naam, leefde een jeugdige, sterke boer, die de sleehte gewoonte had, bij al zijn werk en over alles wat hem niet naar wenscli ging, de verschrikkelijkste vloeken uit te braken. l)e ongelukkige werd dermate aan dit kwaad verslaafd , dat hij zich menigmaal in het vloeken uitputte en sprak; «Wist ik maar, wat ik nu nog vloeken zou,quot; en daarbij de omstanders om nieuwe vloeken verzocht. Wat geschiedde? De vloeker kreeg in het beste van zijn leven eene invretende wonde aan zijne tong, en, onervaren en onbedachtzaam als hij was, ging hij voort, die te.ver-waarloozen, totdat zij ongeneeslijk was. De tong viel nu langzamerhand geheel weg. Sprakeloos en gekweld door honger en dorst, die hij slechts met de grootste pijnen, ten laatste volstrekt niet meer stillen kon, bracht de jonge man, wien de hand des Heeren getroffen had, twee smartvolle jaren door en stierf.
177
Wat in eene belofte ?
Eene belofte is een vrijwillig aan God gegeven woord, om iets te verrichten of te laten, dat Hem welgevallig is. Dien ten gevolge zijn er drie dingen noodig tot het wezen eener belofte.
1) Eene toezegging, en wel a) eene ware en eigpnlijke toezegcingr, waardoor men zich in geweten verplicht, iets te doen of na te laten.
Duideliik zien wii hier het onderscheid tusschen de belofte en het eenvondig voornemen, waardoor men besluit, iets te doen of te laten zonder zich «cWi? te verbinden om dat voornemen ten uitvoer te brengen. Wie zich onder * zonde verplicht dagelijks een bepaald gebed te doen, doet eene belofte ; wie het zich wel voorneemt, maar zich daarbij niet onder zonde verplichten wil, maakt slechts een voornemen.
Die toezegging moet b) vrijwilligr zijn. Opdat zij deze eigenschap bezitte, wordt van wege het verstand gevorderd, dat het de op te nemen verplichting behoorlijk kenne, en van wege den wil, dat deze vast besloten zij, de erkende verplichting werkelijk op zich te nemen. Doet zich in het verstand van dengene, die iets belooft, met betrekkinsr tot de op te nemen verplichting eene wezenlijke dwaling voor; ontneemt angst, toorn of eenige andere hevige gemoedsbeweging den belovende het r.oodige overleg, om goed te weten, wat hij belooft; of is de wil ten opzichte van het aanvaarden der verplichting weifelend en besluiteloos, dan is de belofte als zoodanig niet geldig of in geweten verplichtend. Zij is niet vrij genoeg. Vraagt men nu welk een graad van kennis des verstands en toestemming van den wil gevorderd wordt, opdat eene belofte, inderdaad in geweten verplichtend zij, dan antwoorden de Godgeleerden doorgaans: dezelfde graad van kennis en toestemming van den wil wordt gevorderd en is voldoende, welke genoegzaam is tot eene doodzonde.
2) Opdat zulk eene toezegging eene belofte zij, moet zij aan God gedaan worden. Eene aan God gedane toezegging heeft groote overeenkomst met het offer, is in zekeren zin werkelijk een offer, waardoor wij aan God, onzen Heer, onze vrijheid geheel of gedeeltelijk toewijden en Hem aldus als oorzaak en als Heer van ons edelst vermogen erkennen. Daarom ook behooren alleen den Allerhoogste beloften in strengen zin gedaan te worden, gelijk ook Hem alleen offers toekomen. Gelijk men niettemin ook om de Heiligen te
DEHARBE, GELOOÏSLEEE. III. 3lt;le DRUK. 12
178
eeren, offers aan God kan opdragen, zoo kan men ook om de Heiligen te eeren aan God beloften doen. Dit geschiedt, wanneer wij bijv. God beloven, ter eere van Maria dagelijks den rozenkrans te bidden, ter eere van de prinsen dei-Apostelen eene bedevaart naar Home te doen; desgelijks als wij in het belofte-formulier op de eerste plaats aan God en vervolgens ook aan de Heiligen eene of andere toezegging doen,bijv. ik beloof aan God en alle Heiligen, of, ik beloof aan God en zijne allerheiligste Moeder. Zou iemand bij eene toezegging slechts de Heiligen op het oog hebben, alleen tot de Heiligen zijne belofte richten, door bijv. te zeggen: „ik beloof u, allerzaligste Maagd, eeuwige kuischheid,quot; en daarbij geenszins de bedoeling hebben, zich jegens God te verplichten, tegelijk aan God deze toezegging te doen, dan kan zij niet als eene eigenlijke belofte gehouden worden, maar slechts als eene godvruchtige toewijding aan Maria, en het verbreken er van zou alleen eene zonde wezen tegen de vrijwillig op zich genomene verplichting, van Maria daardoor te vereeren.
3) Opdat eene aan God gedane toezegging eene belofte zij, moet men zich verplichten, iets Gode welgevalligs te doen. Wie dus iets belooft, dat ijdel, zondig, den evenmensch nadeelig is, diens belofte is nietig, wijl zulk eene toezegging door God niet wordt aangenomen, wat toch voor eene belofte noodzakelijk is.
Het is zondig, wijl het God onteert, vermits het de meening in zich sluit, dat God, de oneindig Heilige en Rechtvaardige, in ijdele dingen, zonde en ongerechtigheid welbehagen kan hebben. Eveneens is eene aan God gedane toezegging nietig, als het beloofde wel in zich goed is, maar den belovende verhindert, naar een hooger goed te streven en dit te erlangen of andere meer dringende plichten te vervullen. Zoo is bijv. de belofte om in den huwelijken staat te treden op zich zelve ongeldig, wijl de belovende daardoor verhinderd zou worden den staat van eeuwige zuiverheid te verkiezen, die toch op zich zei ven veel verhevener en volmaakter is dan de huwelijke staat. Eveneens zou de belofte, om dagelijks lange gebeden te verrichten, eene bedevaart naar het heilig Land te doen, enz., voor God geene waarde hebben, als daardoor de noodzakelijke plichten van staat verwaarloosd werden. Datgene dus wat men God belooft, moet niet alleen op zich zeiven zedelijk goed, maar ook met betrekking tot de gegeven omstandigheden voor den belovende beter zijn, dan het tegendeel, daar anders de belofte zou strekken tot geestelijk nadeel van den belovende zeiven, en gevolgelijk door God niet kan
179
worden aangenomen, üii het zooeven verklaarde volgt, dat men zich door eene belofte ook verplichten kan tot datgene, waartoe men buitendien door de geboden Gods en der Kerk verplicht is, zooals bijv. tot het vermijden der naaste gelegenheid tot dronkenschap, of tot het onderhouden van het gebod der vaste, opdat men door die dubbele verplichting des te sterker worde aangespoord, om het gebodene te volbrengen 1). Het spreekt van zelf, dat in zulk geval, de niet-vervulling van het gebodene eene dubbele zonde is, eene overtreding nameliik , van het gebod des Heeren en een breken van de daarbij gevoegde belofte. De omstandigheid , dat men zich door eene belofte tot de vervulling eener buitendien bestaande verplichting verbonden heeft, moet daarom in de biecht noodzakeliik vermeld worden, als men den genoemden plicht niet vervuld heeft.
IFat leert de Kerk aangaande de beloften ?
1) Dat zij welgevallig zijn aan God, als vrijwillige offers die wij Hem opdragen. Het is en was steeds de eenparige leer der katholieke Godgeleerden, dat de beloften Gode welgevallig zijn, en dat werken, op zich zelve goed en verdienstelijk, waartoe men zich door eene belofte verplicht, daardoor nog verdienstelijker worden. Daarom ook heeft de Kerk den religieusen staat, waarin men zich door eene bizondere belofte verbindt, de evangelische raden, dat is: vrijwillige armoede, volmaakte gehoorzaamheid en eeuwige zuiverheid, te zullen onderhouden, immer goedgekeurd, in bescherming genomen en bevorderd. En toen in de l?116 eeuw Michaël van Molinos opstond en beweerde, dat de beloften, waardoor men zich verbindt, om een of ander goed werk
\') Het is de leer van den E. Thomas, (2. 2. q. 88 a. 2), dat men zich ook tot datgene, wat noodzakelijk ter zaligheid en geboden is , door eene belofte verplichten kan. Ën Snares (de voto Lib. 2 c. 6.) bemerkt; i-dat het eene ware en katholieke leerstelling is, dat hande-//lingen, waartoe men door eenig gebod (van God of van de Kerk) ver-oplicht is, voorwerp eener belofte in den eigenlijken en strengen zin //kunnen zijn.quot; Hij voegt er bij. dat er anders geen onderscheed zijn zou tusschen de belofte van eeuwige zuiverheid en de belofte om niet in den echt te treden, als men zich door de eerstgenoemde tot niets verders verplichten kon dan om niet in het huwelijk te treden; want het trouwen alleen zou zonder schending van eenig gebod mogen achterwege blijven. Daaruit zou ook volgen, dat de zonden tegen het zesde gebod voor dengene, die de belofte van eeuwige zuiverheid gedaan heeft, geene zonden tegen de belofte zouden wezen, eene gevolgtrekking, geheel in strijd met de algemeene meening der Godgeleerden, de boeteregels der Kerk en het gezond verstand van het christen volk.
12*
180
te verrichten, de volmaaktheid in den we^ staan, verwierp en veroordeelde zij deze leerstelling Inderdaad, wie zou durven aannemen, dat de allerzaligste Maagd en zoovele Heiligen , die, naar haar voorbeeld, den Allerhoogste eeuwige zuiverheid beloofden, gedwaald en iets gedaan hebben, dat hunnen vooruitgang op den weg der volmaaktheid verhinderde, of aan God niet welgevallig was? De leer der Kerk, dat de beloften Gode welgevallig zijn, steunt ook op de uitspraken der H. Schrift. Belooft, en houdt de belofte voor „den Heer,quot; roept de koninklijke Profeet uit (Ps. LXXV, 12), en Isaias (XIX, 21) zegt van de heidenen, die na de komst van den Verlosser der wereld in het door Hem gestichte rijk, de Kerk, binnen komen: „zii zullen Hem vereeren „door offers en gaven ; zij zullen den Heer beloften doen „en ze vervullen.quot; De patriarch Jacob deed ook eene belofte en sprak: „als God met mij is, en ik gelukkig in het huis „miins vaders terug kom, dan zal ik tienden offeren van galles,quot; en God nam zijne belofte met welgevallen aan en leidde hem behouden uit den vreemde in het vaderland terug (1. Mos. XXVIII. 20—22). De vrome Anna deed eene belofte en sprak; „Heer der heerscharen, als Gij mijner indachtig zijt, en uwe dienstmaagd een zoon schenkt, zal ,ik hem den Heer geven al de dagen miins levensquot; (1. Kon. ï, 11). God nu had behagen in de belofte zijner dienstmaagd en verhoorde hare gebeden.
De redenen, waarom de belofte aan God welgevallig is, kan ons verstand, door de genade verlicht, gemakkelijk onderscheiden. De belofte is a) eene daad van Godsvereering, een soort van offer. Het offer nu behaagt God; want volgens het getuigenis der H. Schrift zag God met welgevallen neer op de offers van Abel, den rechtvaardige. De belofte is b) een uüslekend offer, vermits de mensch daardoor niet slechts zijnen wil aan God opdraagt ter verrichting van een of ander goed werk, bijv. van bidden, vasten, aalmoezen geven, enz., maar ook zijne vrijheid om anders te handelen, bijv. om dat bepaald goed werk achter te laten. Zoo schenkt de belovende, volgens de juiste opmerking van den H. Anselmus (in het boek der gelijkenissen, door een zijner leerlingen geschreven), zijnen Heer en God niet slechts de vruchten van zijnen wil, de vrije wilshandelingen, maar ook den boom, den vrijen wil zeiven, een offer, hetwelk den Allerhoogste des te aangenamer zijn moet, naarmate het kostbaarder in zich zeiven en voor de menschen van meer waarde is. De belofte is c) een vrijwillig offer, een offer, waarvan de opdracht of niet-opdracht geheel en al van het vrije besluit, van den wil afhangt, wijl God
181
tot het doen van beloften niemand verplicht, maar uitsluitend aan den vromen ijver en de grootmoedigheid zijner dienaren overlaat. De belofte is eindelijk d) een offer, waardoor, gelijk uit het gezegde genoegzaam blijkt, de wil in het goede levedigd en derhalve aan God, den Onveranderlijke, in zekere mate gelijkvormig en bizonder welgevallig wordt. Daarom wordt de noodzakelijkheid om het goede te willen, welke zich de belovende zelf oplegt, door den H. Augnsti-nus eene „gelukkigequot; noodzakelijkheid genoemd. — Kan er niet aan getwijfeld worden, dat eene belofte als zoodanig God welgevallig is, en daarom op eene hemelsche belooning aanspraak geeft, dan volgt noodzakelijk, dat een goed werk, waartoe men zich door belofte verbindt, verdienstelijker is, dan hetzelfde goede werk, als men er zich niet door belofte toe verbindt, daar in het eerste geval met de verdienstelijkheid van het goede werk op zich zelf de bizondere verdienstelijkheid der belofte ver-eenigd wordt.
2) De Kerk leert verder, dat het plicht is, de beloften te houden , tenzij dit onmogelijk worde. Uit elke geldige en door de andere partij aargenomen overeenkomst ontstaat de verplichting om het aan elkander beloofde te volvoeren; nog veel meer geldt dit jegens God. Is ontrouw en woordverbreking jegens onze medemenschen een schandelijk en, naarmate van het voorwerp der overeenkomst, een zwaar misdrijf; dan is het zonder twijfel nog schandelijker en zondig er, jegens den Allerhoogste zeiven trouweloos te handelen. Wie dus eene gelofie doet, is onder zware zonde verplicht die te houden, tenzij de beloofde zaak slechts van weinig belang ware, of tenzij men bij het afleggen der belolte de uitdrukkelijke meening hadde, zich alleen onder dagelijksche zonde te willen verbinden. Dat het in \'t algemeen een heilige en strenge plicht is, de beloften, die wij aan God gedaan hebben, te houden, blijkt duidelijk uit de wooiden der H. Schrift (5. JMos. XXiil, 21—23): „als „gij eene belofte doet aan den Heer uwen God, laat dan „met na ze te vervullen ; want de Heer uw God eischt „ze van u op, en zoo gij het niet doet, zal het u worden „toegerekend tot zonde. Als gij niet wilt beloven, doet gij „geene zonde, doch wat gij eenmaal hebt uitgesproken, „moet gij vervullen gelijk gij het den Heer uwen God „belooid, en met het hart bedoeld en met den mond uitge-„sproken hebt.quot; Geheel in denzelfden zin vermaant de H. Geest op eene andere plaats (Eccles. Y, 3, 4): „hebt gij „iets belooid, verzuim dan met het te vervullen. Veel beter „is het, niet te beloven, dan te beloven en de belofte niet
182
„te houdenquot; \'). Zoo goed en verdienstelijk het dus is, om beloften te doen, zoo voorzichtig ook moet men daarbij te werk gaan, opdat men zich niet door overijling en onbezonnenheid eene zware schuld, onrust en straf op den hals hale. Doe dus onder den drang van onvoorzienen nood en gevaar, of in oogenblikken van gevoelige godsvrucht en geestvervoering niet te spoedig eene belofte; vergenoeg u liever met het eenvoudige voornemen, om later, na rijp beraad, uit liefde tot God, Hem iets te beloven. Overleg dan, of u de krachten en middelen ten dienste staan, om te vervullen, hetgeen gij van plan zijt te beloven; of gij, vooral als de belofte zich zal uitstrekken over eene maand, een jaar of over het geheele leven, moogt hopen, gedurende dezen geheelen tijd den noodigen ijver te bewaren, om aan uwe belofte getrouw te blijven en of gij soms niet gevaar loopt, bij de vervulling er van eenen plicht te vervvaar-loozen, of het recht van een ander te schenden. Gij moogt u zeiven in eene zoo gewichtige aangelegenheid, waar het de aanvaarding eener zware verplichting geldt, geen volkomen doorzicht en zekere onderscheiding toekennen; bid derhalve om verlichting tot God, die het best weet, wat Hem ten uwen opzichte het welgevalligst en u het nuttigst is; ga ook bij uwen biechtvader te rade, opdat God u door hem zijn wil bekend make.
De verplichting der belofte houdt op, als bet onmogelijk wordt ze te vervullen, of als er zich omstandigheden voordoen van zoo bezwarenden aard, dat een door de Kerk daartoe gemachtigd biechtvader het goed oordeelt, in den naam van God den belover van zijne verplichting te ontheffen , of ze in eene lichtere te veranderen. Men moet hierbij echter wel zorg dragen, dat men zelf door nalatigheid en strafwaardig uitstel geene beletsels stelle. Heeft men iets
i) De ontelbare votiftafels, welke zich vooral op de bedevaarts plaatsen bevinden, zijn even zoovele sprekende bewijzen, dat God de vrome beloften der geloovigen gnnstifj aangenomen en de gebeden der belovenden verhoord heeft. Deze tafels ontleenen hun naam van het opschrift ex voto, waardoor beteekend wordt, dat de personen, die ze geofferd hebben, in drukkende aangelegenheden. na eene gedane belofte, buitengewone hulp erlangd hebben. Ook ontbreekt het niet aan voorbeelden van anderen, die, nadat zij tengevolge eener belofte genezen waren, weer door dezelfde ziekte werden overvallen, wijl zij hunne belofte niet vervulden. Zoo verhaalt Curius in de levensbeschrijving van den H. Martelaar Engelbertus, Bisschop van Keulen, dat de geestelijke dier plaats op het graf van genoemden Heilige, na eene belofte gedaan te hebben, van eene melaatschheid genezen was; toen hij echter, na genezen te zijn, zijne belofte niet vervulde, keerde de vorige kwaal terug, en verliet hem eerst nadat hij de belofte hernieuwd en vervuld had.
183
beloofd onder voorwaarde, dan is men niet verplicht, de belofte te houden, als de voorwaarde onvervuld gebleven is. Zoo zou bijv. degene die de belofte gedaan heeft, om eene aalmoes te geven als hij weder gezond wordt, niet gehouden zijn, die werkelijk te geven, als hij niet herstelde. Eveneens is men, gelijk van zelf spreekt, volstrekt niet verplicht , eene belofte te vervullen, ais men zonder zonde of zonder schending van het recht van een derde die niet vervullen kan; zulk eene belofte is van den beginne af ongeldig en zonder verbirdende kracht. Dit zou plaats hebben, als kinderen of dienstboden beloften deden, door wier vervulling zij zich zouden bezondigen tegen de gehoorzaamheid, welke zij aan hunne ouders of overheden schuldig zijn ; ook wanneer de eene echtgenoot iets beloofde, wat de rechten van den anderen zou te kort doen.
Doen wij reeds genoeg, ah wij den naam Gods niet onteer en ?
Neen, wij moeten dien naam ook vereeren, 1) door namelijk met dankbare harten God te loven voor al het goede, dat Hij ons bewezen heeft en nog dageliiks bewijst. Zoo deed de koninklijke Profeet, toen hij sprak: „loof, mijne „ziel, den Heer, en alles, wat in mij is, zijn heiligen naam. „Loof, mijne ziel, den Heer, en vergeet niet alle zijne „weldaden.quot; Geen dag moet voorbij gaan zonder God te loven; „ten allen tijde zal ik den Heer prijzen; zijn lof „zal altijd op mijne lippen zwevenquot; (Ps. Oil, l, 2 en XXXIII, 2). Zelfs ten tijde van lijden en kommer moeten wij al onze krachten inspannen om God te loven, en met den godvruchtigen Job zeggen : „de naam des Heeren zij „gezegend!\'\' (Job I, 21).
2) Door dien naam godvruchtig aan te roepen. — De aanroeping van den naam Gods, waardoor wij vol vertrouwen bevrijding uit dreigende gevaren, moed en standvastigheid in den strijd en het lijden van dit aardsche pelgrimsleven smeeken, eert den Allerhoogste. Daarom noodigt Hij zelf ons dringend daartoe uit. „Roep tót Mij,quot; spreekt Hij (Ps. XLIX, 15), „op den dag der benauwdheid, dan zal „Ik u redden, en gij zult Mij prijzen.\'\' De ondervinding leert menigmaal, dat er eene wonderbare kracht en zalving in de aanroeping van den zoeten naam Jesus gelegen is. Mocht men toch in alle beproevingen en gevaren der ziel en des lichaams den heiligen naam Jesus en den naam van Maria inwendig aanroepen of godvruchtig uitspreken ! De aanval der vijanden zou spoedig verzwakt, de hitte van
184
den strijd gematigd, de overwinning zeker en volmaakt zijn.
3) Door dien naam standvastig te belijden. — Het strekt God tot niet geringen lof, als wij zijn heiligen naam, dat is, Hem zeiven, openlijk en vol moed voor iedereen door woord en daad belijden, en voor de geheele wereld getuigenis afleggen van zijne goedheid, macht, wijsheid en heerlijkheid. De H. Petrus eerde Chnstus door zijne godheid luide en openlijk te belijden, en Christus beloonde de Hem bewezen eer en schonk aan Petrus de sleutels van het rijk der hemelen (Matth. XVI, 16).
4) Door te ijveren voor de eer van dien naam. Wij ijveren voor de eer van den goddelijken naam, a) als wij spotredenen, vloeken en lasteringen niet dan met de diepste smart en alschuw hooren, de schuldigen met allen ernst vermanen en terechtwijzen, of ons zoo mogelijk met teekenen van afkeuring uit hun gezelschap verwijderen gt;). Ondervonden en wisten de bespotters van den godsdienst en de godslasteraars, dat zij niet ongestraft en zonder beschaming den spot met den Heilige drijven en Hem vermetel lasteren konden, dan zouden zij in hunne gesprekken en in hun gedrag veel meer behoedzaamheid en terughouding in acht nemen. Zij zouden zich tevens aangespoord gevoelen, om hunne schandelijke gewoonte af te leggen, of zich er mede terug te trekken in de duistere schuilhoeken der misdaad, waar men de taal der hel spreekt en gaarne hoort. Verder ijveren wij voor de eer des goddelijken naams, als wij h) alles in den naam, dat is, ter eere Gods beginnen, voortzetten en voleindigen. Laten wij er ons dus ernstig op toeleggen, dagelijks de goede meening te maken, van alles
i) Het volgende geschiedde ia 1584 te Lissabon. Een knaap, die zich in het vlijtig bezoeken der christelijke leering boven anderen onderscheidde, hoorde eens een bejaard man lichtvaardig zweren. Aanstonds trad de kleine naar den onbekende, wierp zich voor zijne voeten en vroeg hem allerdriugendst, dat hij toch het zweren laten en (jod niet zoo zwaar beleedigen zou. Ue man werd schaamrood bij deze onverwachte bede en sprak: „hoe heet gij? wie zijn uwe ouders?quot; De knaap zweeg en verwijderde zich. De terechtgewezene zag hem getroffen na en zeide; «gij zijt geen menschenkind, gij zijt een üngel yGods; ik zal mij beteren.quot;
De H. hlzearus, graal\' van Ariano in het koninkrijk Napels, wilde niet alleen zelf nooit zweren, maar duldde ook onder zijne huisge-nooten niemand, die zwoer. Voor degenen van zijn gezin, die gezworen of gevloekt hadden, was eenzame opsluiting of derving van het middag- of avondmaal tot straf vastgesteld, somtijds moesienzij, die zich tegen deze huiselijke wet bezondigd hadden, voor de overige dienstboden op den grond zitten, en werd hun slechts water en brood toegereikt. Wie zich aan deze straffen niet wilde onderwerpen, hem weid aanstonds de dienst opgezegd (Drexelius).
185
ter eere, uit liefde Gods te doen , die meening gedurende den dag meermalen te vernieuwen, en tot drijfveer van ons geheele leven en al onze handelingen te maken.
TOEPASSING.
De voornaamste vrucht, welke gi], beminde Christenen , uit het onderricht over de zonden tegen het tweede gebod trekken moet, is zeker deze, dat gij zorgvuldig waakt over uwe tong:, en uwen mond sluit voor onbetamelijke gesprekken (Sir. XXIII, 17). Vanwaar komt het, dat men zoo dikwijls den naam Gods ijdel gebruikt, dat men lichtvaardig zweert, vloekt en zelfs godslasterende gesprekken voert? Zeker niet van het nut, dat daaruit voortkomt. Of welk voordeel brengt dat afschuwelijk zweren, vloeken en lasteren aan ? Gelooft gij Christenen, dat men aan uwe woorden meer geloof zal slaan, als gij telkens zweert ?
Zullen uwe zaken en ondernemingen heter gelukken, zal uw arbeid u vlugger van de hand gaan, wanneer gij vloekt en lastert als een bezetene? En wie zal u daarom eeren, of liever, wie zal u om uwe lastertong niet allerdiepst verachten? Wat kunt gij u voor uw zweren, voor uw vloeken en uwe lasterende gesprekken beloven r\' Hier op aarde niets dan verachting en schande; aan de andere zijde des grafs den helschen troost, in gezelschap van alle verdoemden de geheele eeuwigheid te vloeken en te lasteren. Als dan het zweren, verwenschen en lasteren noch tijdelijk noch eeuwig voordeel, maar integendeel hier en hiernamaals groot nadeel aanbrengt; vanwaar komt het dan, dat gij het evenwel nog zoo menigmaal doet ? Omdat gij uwen toorn, of in den toorn uwe tong niet weet te bemeesteren, wijl de ruwe ongebondenheid uwer tong u als het ware tot eene tweede natuur is geworden. Christenen ! hoedt u met alle zorg voor zulk eene schandelijke gewoonte. Gij vooral, ouders, wacht u er voor, opdat gij ze met als een rampzalig erfdeel aan uwe kinderen nalaat, en alzoo hun op zekere wijze het brandmerk en teeken der toekomstige verwerping op het voorhoofd drukt. Mogen ook slechte kinderen u tot billijke verontwaardiging aanzetten, vloekt hen met, bidt liever voor hen, opdat uw vloek hen niet treffe, maar uw gebed hun de genade ter verbetering verwerve.
ilebt gij u wellicht die kwade gewoonte reeds eigen gemaakt, spant dan alle krachten in om ze af te leggen. Zegt niet, dat gij het zoo kwaad niet meent, dat gy de bedoeling niet hebt om God te lasteren, anderen te ver-
186
vloekeu, de onwaarheid te beweren. Dit zij zoo, maar gij geeft toch door zulke onbetamelijke wijze van spreken altijd ergernis. En wie staat er borg voor, dat gij bij de opwelling der gramschap u niet tot ware verwenschingeu eu godslasteringen, of in de overijling tot valsch zweren zult laten medeslepen ? Juist omdat men zoo licht tot valsch zweren verleid wordt, vermaant de H. Geest nadrukkelijk, dat men zich het zweren niet tot gewoonte moet maken. „Gewent uwen mond riet aan het zweren,quot; zegt Hij (Sir. XXIII, 9, 12), „want daardoor misdoet men dikwijls.... „Een mensch, die veel zweert (er staat niet: die mlschelyk zweert) „wordt misdadig, en de straf zal van zijn huis ,.niet wijken\'\' \'). Zoekt geene verontschuldiging in de al te groote moeielijkheid, om u van deze zondige gewoonte te ontdoen. Hoort den H. Augustinus, die vóór zijne bekeering eveneens in die strikken gevangen was. „Ik weet „wel,quot; zegt hij (307e leerred.), „dat het u zwaar valt, „niet te zweren, als gij er eenmaal aan gewoon zijt; maar „om dezelfde reden viel bet ook mij zwaar. Door gods-„vrucht heb ik den eed van mijne lippen verbannen. Ziet, „ik leef in uw midden, wie heeft my eene enkele maal „hooren zweren ? En toch was het vroeger mijne dagelijk-„sche gewoonte. Zoodra echter mijn hart door het lezen „der Schrift van de vreeze Gods doordrongen was, bestreed „ik mijne gewoonte en riep in den strijd zei ven God te hulp. „God schonk mij den bijstand zijner genade, om het zweren „te laten, en nu is mij niets gemakkelijker, dan niet te „zweren. Deze herinnering uit mijn vroeger leven draag „ik u daarom voor, geliefden, opdat gij niet zoudt zeggen: „wie is in staat om het aangewende te vermijden? O! als „men God vreest, den meineed verfoeit, zijne tong in be-„dwang en de waarheid vasthoudt, dan blijft de eed van „zelf uit.quot; Juist en licht te volbrengen is ook de raad,
\') Nadat de H. Chrysostomus herhaalde malen, doch zonder gevolg, tegen de verderfelijke gewoonte van lichtvaardig zweren gestreden had, begon hij eindelijk, in de achtste homelie over de handelingen der Apostelen, niet kerkelijke straffen te dreigen. „Dagelijks,quot; zegt hij, „roep ik u toe, de gewoonte van zweren af te leggen, maar //niemand hoort naar mij; niemand legt met ernst de hand aan het gt;/werk. Daarom verkondig ik luid en zeg het u met nadruk, dat mallen, die voortgaan met zweren, den drempel der kerk niet meer „mogen betreden. Ik geef u eene maand tijd tot uwe verbetering.
„Wel weet ik, dat eenigen mij zullen uitlachen___Zij mogen lachen,
„mijnenthalve ook smaden!... Ziet ik herhaal het nogmaals in vollen //ernst: wil iemand aan mijne uitnoodiging geen gevolg geven, hij „blijve uit de kerk verwijderd, al zij hij ook een vorst, al drage hij „de diadeem.quot;
187
welken de H. Alphorsus (Katech, 2e hoofdst., bladz. 60) tot aflegging der kwade gewoonte van vloeken en lasteren geeft : „spreek eene goede biechtzegt de genoemde Heilige, „en maak het vaste besluitj gedurende de week „niet meer te vloeken, en gewen u, iederen morgen bij het „opstaan driemaal het Ave Maria te bidden, opdat Gods „Moeder u door hare voorbede van dit kwaad bevrijde. „Maak er u aan gewoon, zoo dikwijls gij aanleiding tot „ongeduld vindt, uwe zonden te verwenschen, maar laat „de Heiligen rusten. Ja, gij moet maken, dat het woord, „ „vervloekt,quot;quot; niet meer over uwe lippen kome; zeg liever „in plaats daarvan „ „o H. Moeder Gods! sta mij bij, „„allerzaligste Maagd Maria, geef mij geduld, verleen mij „ „sterkte.quot; quot;
Derde gebod.
„Gedenk, dat gij den sahhaihdag heilig maalct?
Waartoe verplicht ons het derde gelod Gods ?
Het verplicht ons, den dag des Heeren door de beoefening van godvruchtige werken en de onthouding van slaafschen arbeid te vieren. Twee punten zijn hier op te merken; 1) de verplichting in het algemeen, om den dag des Heeren, den zondag, te vieren; 2) de wijze, waarop wij dien dag vieren moeten.
1) De verplichting om den zondag te vieren.— De rede leert ons, dat wij niet slechts inwendig, maar ook uitwendig God moeten vereeren, bijgevolg ook zekeren tijd tot uitwendige vereering van God besteden moeten , en in zooverre is de door het derde gebod voorgeschreven viering van den zondag een plicht, welke uit de natuurwet voortkomt en alle menschen, zoowel den heiden als den Christen, verbindt. Ook kan men de noodzakelijkheid, om eenigen tijd tot uitwendige vereering van God vast te stellen, gemakkelijk uit de natuurwet afleiden. Immers, daar de maatschappij, waarvoor de menschen geschapen en bestemd
188
zijn, zonder godsdienst, en gevolgelijk zonder gemeen-schappelijke openlijke Godsvereering, die de noodzakelijke uitdrukking van den godsdienst is, niet bestaan kan, en deze openlijke Godsvereering slechts dan mogelijk is, als voor de vele leden der maatschappij een zekere tiid daartoe bestemd is: zoo volgt noodzakelijk, dat de vaststelling van een bepaalden tijd, aan de vereering van God. gewijd, een vereisdite is voor de goede orde in de maatschappi]. Vandaar zien wij ook, dat zelfs de heidensche volkeren, Grieken, Romeinen en anderen, bepaalde dagen aan de openlijke vereering hunner goden wijdden. Dus ook onder dit opzicht is de verplichting om den zondag te vieren eene verplichting op de natuurwet zelve gegrond en door de rede als aangegeven. Vraagt men echter, waarom juist de zondig en geen andere dag der week bepaald is voor de uitwendige Godsvereering, dan blijft de rede het antwoord schuldig. Want, hoewel de natuurwet vordert, dat God. op bepaalde tijden ook uitwendig vereerd worde, geeft zij toch den dag niet aan, waarop dit geschieden moet; deze dag kan daarom voor verschillende tijden verschillend zijn. En zoo is het ook werkelijk gebeurd. In het Oude Verbond was het de zevende dag der week of de zaterdag, de sabbath, ter gedachtenis aan de door God volbrachte schepping; in het Nieuwe Testament daarentegen is het de eerste dag der week of de zondag, ter gedachtenis aan de volbrachte verlossing, welke eene nieuwe, geestelijke schepping is. Dat God in het Oude Verbond den zevenden dag bestemde, zien wij duidelijk uit de woorden der H. Schrift: „gedenk, „dat gij den sabbath heilig maakt. Zes dagen zult gij „werken en al uwe bezigheden verrichten. Maar op den „zevenden dag is het de sabbath des Heeren: op dezen dag „zult gij geen werk verrichten, noch gij, noch uw zoon, „noch uwe dochter, noch uw knecht, noch uwe dienst-„maagd.quot; De reden, waarom God onder al de dagen der week den zevenden tot rustdag wilde bestemmen, blijkt uit de volgende woorden: „want in zes dagen heeft de „Heer hemel en aarde geschapen en de zee, en alles wat „daarin is ; maar op den zevenden dag rustte Hij; daarom „zegende God den sabbathdag en heiligde dien\'\' (2. Mos. XX, 8—ll). De zevende dag wordt sabbath, rust of rustdag genoemd, wijl God op dien dag zijn scheppingswerk eindigde, als het ware rustte.
God heiligde dezen dag, dat is. Hij bepaalde, dat deze dag geheiligd. Hem gewijd, te zijner eer doorgebracht zou worden. — Dat God reeds in den beginne geboden heeft, den zevenden dag te vieren, kan, streng genomen, niet
189
bewezen worden. De romeinsclie Katechismus schijnt dit rechtstreeks te^en te spreken, zeggende: „het joodsche volk „heeft den sabbath gevierd van dien tijd af, dat het uit de „slavernij van Pharao bevrijd werdquot; \'). — In het Nieuwe
\') De kerkelijke schrijver EusMus (De praepar. evang. 1. 13 c. 7.) bericht als zeker, dat «de zevende dag niet alleen door de Hebreën, «.maar ook door de heidensche wijsgeeren en dichters als een bizonder z/te vieren dag werd beschouwd quot; Hij is van gevoelen, dat deze denkwijze der wijsgeeren en dichters voortkomt van de Hebreën en bijgevolg in den voortijd niet bestaan heeft, of, voor zoover zij door eene overlevering bestaan mocht hebben, door het afgodendom langzamerhand verdrongen is. — In de HH. Boeken vinden wij geen spoor van de sabbathviering voor den uittocht der Israëlieten uit Eg3\'pte. Veeleer kan men uit de woorden der H. Schrift besluiten, dat de viering van den sabbath eerst geregeld werd door de wet, welke God den Israëlieten op Sinaï gaf. De viering van den sabbath moest het volk herinneren aan zijne bevrijding uit de slavernij van Egypte. „(Jedenk,quot; zoo zeide de Heer (5 Mos. V, 15), „dat gij gediend hebt in Kgypte en
«dat u de Heer, uw God, van daar heeft weggevoerd____ Daarom heeft
,/Hij u geboden den sabbath te houden.quot; Die plechtige viering moest verder dienen tot teeken van het verbond tussclien God en het volk van Israël en alle volgende geslachten: //daarom,quot; zoo spreekt de goddelijke Wetgever, //daarom zullen de zonen van Israël den sabbath ,houden en hem vieren in hunne geslachten. Hij is een eeuwig ver-,/bond tusschen mij en de zonen van Israël en een eeuwig teekenquot; (2 Mos. XXXI, 16. 17). De plechtige viering van den sabbath zou gewis geen zoo gepast gedenk- en verbondsteeken geweest zijn , indien zij, ingevolge de beschikking Gods, van den beginne bij alle volken bestaan had. Daardoor ware namentlijk aan de sabbathviering het bizondere en eigenaardige, alsook het opvallendeen opwekkende bijna geheel ontnomen geweest. — Uit de omstandigheid, dat de viering van den sabbath alleen door eene plechtigheidswet bepaald en den Joden voorgeschreven was, volgt ook noodzakelijk, dat zij, gelijk de besnijdenis gelijk de verschillende offers, gelijk in het algemeen alle plechtigheidswetten door de invoering der christelijke wet hare verplichtende kracht verloren heeft. Dat wij Christenen ons dengeheelen zondag van slaafsche werken moeten onthouden, is derhalve niet zoozeer een gevolg der natuurwet, noch der wet van het Oude Verbond, maar veeleer, gelijk de H. Thomas (Sent. lib. 3. dist. 37. q. 1. a. 5i aanmerkt, der verordening van de H. Kerk, welke den zondag in plaats van den sabbath tot rustdag van alle lichamelijke vermoeienis heeft vastgesteld. Daaruit blijkt dan ook, hoe de Kerk ten aanzien van de voorgeschreven zondagisrust, in verscheidene punten van de joodsche sabbathrust konde afwijken en werkelijk afweek, daar zij bepaalde, dat de zondagsrust van middernacht tot middernacht gehouden moet worden, terwijl de sabbathrust van den eenen avond tot den anderen duurde (3 Mos XXXII, 22), en daarbij den geloovigen verscheidene werkzaamheden veroorloofde, welke door de wet van het Oude Verbond ten strengste verboden waren. Uit dezelfde reden wordt het ook duidelijk, dat de Kerk de macht heeft, in zekere gevallen van de verplichting der zondagsrust geheel of ten deele te ontslaan, terwijl zij van de volbrenging der natuur- of der goddelijke wet niet ontslaan kan. — Verscheidene sekten in Engeland, Schotland en andere landen beroemen zich ten onrechte op hunne groote strengheid met betrekking tot de zondagsrust. Deze soms overdrevene strengheid herinnert al te zeer aan de phariseesche overleveringen, past in het algemeen beter aan Joden, dan aan Christenen, gelijk reeds vroeger in het jaar 538 de Synode van Orleans verklaarde tegen hen, die be-
190
Testament werd door de Apostelen in plaats van den sabbath de zondag gesteld, die ook dag des Heeren genoemd wordt\'). Van den dag des Heeren wordt reeds door den H. Joannes (Openb. I, 10) melding gemaakt; en uit andere plaatsen der H. Schrift blijkt het, dat reeds ten tijde der Apostelen de Christenen op dien dag bijeen kwamen om de H. geheimen te vieren en liefdegaven uit te deelen (Hand. XX, 7; 1. Cor. XVI, 2). Evenwel geeft ons de kerkelijke overlevering eerst volle zekerheid aangaande den plicht, om den zondag in plaats van den zaterdag te vieren. De reden dezer verandering in het Nieuwe Verbond is deze, dat de verlossing, welke door Paulus (Gal. VI, 15) eene nieuwe schepping genoemd wordt, op zondag voleindigd werd. Op zondag namelijk is de Heiland als Overwinnaar van dood en bel uit het graf opgestaan, en op zondag heeft Hij zijne Kerk den H. Geest gezonden en daarmede als \'t ware de laatste hand gelegd aan deze nieuwe, geheel hemelsche schepping. Wij vieren alzoo op zondag de gedachtenis aan de weldaden der verlossing en heiliging; daarbij wordt ook de schepping herdacht; want op den eersten dag der week sprak God: „het worde licht! en het werd licht.\'\' De zondag is dus de feestdag aan den drieëenigen Heer en God, den Vader, den Zoon en den H. Geest toegewijd. Zoo leerden de Htl. Kerkvaders. De H. Leo onder anderen drukt zich in zijnen brief aan Deoscorus over de beteekenis van den zondag volgender wijze uit: „de dag des Heeren heeft door „de geheimvolle uitdeeling der goddelijke gaven en door „de voleinding aller voortreffelijke door Christus ingestelde
weerden, dat het niet geoorloofd is, op zondag in een wagen te reizen, noch eene of andere spijs te bereiden. Dewijl de zondagsrust bij de Christenen niet van eene zoo groote strengheid is, als vroeger bij de •loden, zoo zijn de eersten des te strafbaarder, als zij haar, door onnoodig te werken, schenden en verstoren.
\') Reeds in den heidenschen kalender vóór Christus werd de eerste dag der week met den naam van //zondagquot; (dag der zon) aangeduid, omdat deze dag bij de heidensche volkeren aan den afgodischen dienst der zon gewijd was. Ook de eerste Christenen bedienden zich van dit woord ter aanduiding van den dag des Heeren, bijv. de H. Justinus in zijn eerste verdedigingsschrift tegen de Heidenen (nquot;. 67), omdat zij Christus, die op dien dag de daisternissen van het graf verlaten heeft, als de opgaande zon der gerechtigheid beschouwden en vereerden. „Wanneer wij ons op zondag aan vreugde overgeven,quot; zegt Tertullianus (verdedigingsschrift hoofdst. 16), //geschiedt dit echter uit //eene geheel andere oorzaak, dan om de zon te aanbidden.quot; En de H. Ambrosius (Dl. 3. preek 61) geeft in korte woorden de door Tertullianus verzwegen oorzaak aan, als hij zegt: ,De dag des Heeren ,/is ons eerwaardig en plechtig, omdat op dien dag de Heiland, gelijk de opgaande zon, de duisternissen der hel verdrijvende, in het licht //der verrijzenis schitterde.quot;
191
„heilsverrichtingen eene verhevene wijding ontvangen. Op „dien dag begon het scheppingswerk; op dien dag nam „door de verrijzenis van Christus de dood een einde en be-„gon het leven; op dien dag daalde da H. Geest over de „Apostelen neder.quot;
De strenge verplichting van dit gebod blijkt vooral hieruit , dat hij, die het niet onderhoudt, tekortschiet in een hoogst gewichtig punt, namelijk den aan God verschuldigden dienst, en bijgevolg zwaar misdoet. Daarom was het ook van oudsher in de katholieke Kerk eene algemeen aangenomen leer, dat de ontheiliging van den zondag op zich zelve beschouwd eene doodzonde is.
2) De wijze, waarop wij den zondag moeten vieren.
Wij vieren den zondag op goede wijze, als wij a) dien door beoefening van godvruchtige werken heiligen en b) ons wachten dien door slaafschen arbeid en zonden te ontheiligen. Wij heiligen iets, als wij het bizonder aan den dienst en de vereering van God wijden. Als God zegt: „gij zult den sabbath houden, om dien te heiligenwil Hij daardoor, volgens de bemerking van den romeinschen Katechismus, te kennen geven, dat de sabbath een aan Hem gewijde dag is en daarom met heilige, op God betrekking hebbende dingen moet worden doorgebracht. — Ontheiligen daarentegen is eene bizonder voor den dienst en de vereering van God bestemde zaak misbruiken, en, dewijl hier van aan God gewijden tijd spraak is, is het, dien besteden voor werken, welke in strijd zijn met den dienst en de vereering, die wij aan God verschuldigd zijn. Zoodanige nu zijn de slalelijke en zondige werken.
a) Wij heiligen den zondag door godvruchtige werken , als wij met behoorlijke aandacht de H. Mis hooren en zoo mogelijk de overige godsdienstoefeningen, voornamelijk de predikatie en christelij ke leering bij wonen; verders als wij de HH. Sacramenten ontvangen , ons op eene stichtende lezing of overweging en christelijke liefdewerken toeleggen. Tot de goede viering van den zondag behoort vooral het offer, wijl het de voortreffelijkste aanbidding en vereering van God en tevens het Gode welgevaliigste werk is. Heeds in het Oude Verbond verlangde Jehova voor de viering van den sabbath het offer van twee lammeren, terwijl er op de overige dagen der week slechts één werd opgeofferd; des te minder zal het ons bevreemden, dat de Kerk, als plaats-bekleedster Gods, tot waardige viering van den zondag, al hare kinderen streng verplicht, deel te nemen aan het ofler des Nieuwen Verbonds, waarvan dat des Ouden Verbonds slechts de voorafbeelding was. Behalve de H. Mis dient ook
192
de verkordiffing van Gods woord, de predikatie, alsmede de christeliike leering aandachtig biigewoond te worden. Het woord Gods is, volgens de H. Schrift, de spiis der ziel; daarop doelt het woord van Christus: „de mensch leeft niet „bi] hrood alleen; maar bij ieder woord, dat uit Gods mond „voortkomtquot; (Matth. IV, 4). In het aanhooren van het woord Gods vindt nameliik de mensch hoogere kracht, troost en opwekking. Welke tijd nu zou meer geschikt kunnen zijn om het goddelijk woord te hooren, dan juist de dag des Heeren ? Daarom dan ook was het reeds bij de Joden eene gewoonte, op den sabbath in de Synagoog de HH. Boeken te lezen. Ook de namiddagsgodsdienst, de vesuers, broederschaps- en kruisweg-oefeningen zijn godvruchtige werken , waarmede de dag des Heeren waardig gevierd wordt, en welke derhalve door den ijverigen Katholiek, als de omstandigheden en huiselijke zorgen het toelaten, met bereidvaardigheid en heilige vreugde worden bijgewoond. Hij zal het zich tot een zoeten plicht rekenen, op zondag de fouten, waaraan hij zich gedurende de week heeft schuldig gemaakt, te betreuren en door het H. Sacrament van boetvaardigheid alle zondesmet af te wasschen. Eveneens zal hij met eene heilige liefde dikwerf tot de tafel des Heeren naderen, om door het Brood der sterken zich tegen de moeielijkheden en den strijd der volgende week te wapenen; hij zal, naar het voorbeeld der eerste Christenen (Hand. XX, 7), zich bevlijtigen, het lichaam des Heeren en daarmede een onuitputtelijken schat van genaden en het onderpand des eeuwigen, onsterfelijken levens te ontvangen. Bovendien zal de Christen, wien zijn heil en zijn vooruitgang op het pad der deugd ter harte gaan, niet slechts in de kerk, maar ook in den schoot zijner familie zich gaarne op het gebed en de geestelijke lezing toeleggen. In het gebed zal hij met God spreken, in de geestelijke lezing daarentegen zal God met hem spreken en hem onderrichten over den omvang en de getrouwe vervulling der plichten van zijnen staat; Hij zal hem onderhouden over de begane misslagen en over de middelen om de aanklevende fouten en gebreken uit te roeien; Hij zal hem vermanen en aansporen, om het goede met meer vastheid te willen en volmaakter te beoefenen i). Hoe schoon en nuttig zou het zyn, als het in
\') Verscheidene dienaren Gods, die wij thans op de altaren vereeren, hebben, zooals men weet, aan de lezing van een stichtend boek hunne bekeering en hunnen voortgang op het pad der deugd te danken. Zonder de lezing waren zij misschien voor eeuwig verloren gegaan. Den H. Ignatius van Loyola, wien eene zware verwonding aan het bed van smarten gekluisterd hield, bracht men,
193
echt katholieke familiën nog niet geheel opgeheven gebruik , om des zondagsavonds eene gemeenschappelijke lezing te houden uit een geestelijk en stichtend boek, vooral uit eene zalvende en kernachtige levensgeschiedenis der Heiligen, weêr algemeen werd ingevoerd. Hoevele klachten over uitgelatenheid, nachtelijke rondzwervingen, verderfelijke vriendschap, enz. zouden daardoor voorkomen worden. Hoe ge-makkeliik zou men de kinderen en dienstboden door middel van zulke lezing in kennis brengen met de gewichtige leer van ons geloof en met de voorbeelden van heldhaftige deugd der Heiligen! — Niet minder draagt ook de beoefening der werken van christelijke liefde en barmhartigheid tot heiliging van den zondag bij. Menigeen heeft in den loop der week daartoe weinig tijd beschikbaar; de zondag biedt hem de noodige verpoozing. Door dusdanige liefdewerken wordt niet slechts de nood van den naaste verzacht, maar ook op uitstekende wijze God zelf geëerd en verheerlijkt. Daarom zegt de H. Jacobus (I, 27): „een reine en onbevlekte
omdat er toevallig geen door hem gevraagde ridderroman voorhanden was, het leven van Jesus en van de Heiligen. Hij las in het boek in den beginne uit kortswijl en zonder er smaak in te vinden ; spoedig echter werkte de genade op zijn hart. Onder haar verlichtenden invloed ontdekte hij in de voorbeelden der Heiligen iets veel edeler en verhevener dan in alle verdichte riddergeschiedenissen, waarmede zijn geheugen en zijne verbeelding waren opgevuld. Toen nam hij, na een hevigen inwendigen strijd, het besluit, zijn ridderzwaard aan de Koningin des hemels toe te wijden, voortaan, gelijk de Heiligen gedaan hadden , onder de banier van den Koning der koningen testrijden, en zich zeiven en de wereld, welke hij tot hiertoe gehuldigd had, te overwinnen. Zijne alombekende levensgeschiedenis levert het bewijs, met welk gevolg Ignatius zijn besluit volvoerde. — Niet minder opvallend is de plotselinge verandering van levenswijze, welke bij den H Joannes Columbini ten gevolge eener godvruchtige lezing plaats greep. Volgens zijne eigen belijdenis hadden eerzucht en geldgierigheid in zijn hart diepe wortelen geschoten, en aan de beheerschingzijner kwade luimen dacht hij niet. De bekeering van Columbini droeg zich op de volgende wijze toe. Als hij op zekeren middag vroeger dan gewoonlijk naar huis gekomen was, vond hij het middageten nog niet gereed. Daarover ontstak Joannes zoodanig in gramschap, dat hij alles ten onderste boven wierp en in de grootste scheldwoorden losbrak. Blasia, zijne echtgenoote, trachtte hem te bevredigen, en reikte hem eene legende der Heiligen over met de bede, een weinig daarin te lezen, totdat de tafel gedekt zou zijn. Geheel verontwaardigd wierp Columbini ook de legende op den grond en ging voort met morren en tieren. Als zijn eerste drift voorbij was, berouwde het hem, aldus met het boek te hebben gehandeld ; liij nam het op en begon er in te lezen. Door Gods liefderijke beschikking viel bij het eerste openslaan zijn oog op de geschiedenis der bekeering van de H. Maria van Egj\'pte. Columbini las ze met toenemende oplettendheid en nog vóór hij het boek uit de handen legde, gevoelde hij in zijn hart eene geheelè omkeering. Op hetzelfde oogenblik nam hij het besluit, in het vervolg een geheel ander leven te leiden. Wat hij voorgenomen had, stelde hij ook krachtig en met volharding in het werk.
DEHABBE, GELOOFSLEER. III. .3dc DKUK. 13
194
„godsdienst voor God en den Vader is deze: weduwen en „weezen in hunnen rampspoed te hulp te komen en zich „onbesmet voor deze wereld te bewarea.quot; De werken van liefde en barmhartigheid zijn in zekere mate offers, welke wij God opdragen, waardoor wij ons het welgevallen Gods op bizondere wijze verwerven. Daarvoor strekken ons tot waarborg de woorden van den H. Paulus, die in den brief tot de Hebreérs (XIII, 16) schrijft; „Vergeet niet wel te „doen en van het uwe mede te deelen, want zulke offers „zijn God aangenaam.quot;
Van onzen plicht, om werken van barmhartigheid te doen, is reeds vroeger gesproken. Over de verplichting om des zondags de H. Mis bij te wonen, over het hooren van Gods woord en het veelvuldig ontvangen der HH. Sacramenten, over het gebed en de overweging zal later breedvoerig gehandeld worden. Op deze plaats bepalen wij ons derhalve tot de volgende algemeene bemerking. De zondag is niet een rustdag, opdat men dien in lediggang zou doorbrengen; want, /lediggang leert veel kwaadquot; (Sir. XXXII1, 29). De H Chrysostomus berispt de Joden, die waanden, dat de sabbath hun gegeven was, om niets te doen. //Dat is zoo niet,quot; zegt hij (eerste leerrede over Lazarus), igt;hij was hun veeleer voorgeschreven, opdat zij zich van de zorg voor ^tijdelijke dingen zouden ontdoen, en den ledigen tijd met geestelijke //Werken zouden doorbrengen.quot; Uit verwijt geldt ook vele Christenen, die eene dergelijke opvatting van de zondagsrust schijnen te hebben. Het uitrusten van aardsche zorgen en kommer heelt ten doel, den Christen de beoefening van goede en godvruchtige werken mogelijk te maken. Zeer vele, ja, wel de meeste Christenen vinden met den besten wil, op werkdagen slechts weinig tijd, om zich op het gebed, de overweging en andere werken van godsvrucht toe te leggen; beroepsbezigheden en zorgen voor het dagelijksch brood houden hen daarvan af. Daarom moet de Christen op zondag de gedurende de week achtergebleven oefeningen, die onmiddellijk op den godsdienst betrekking hebben, op zekere wijze inhalen, uit het stof der aarde zich tot God en de hemelsche goederen verheffen; op den dag des Heeren moet hij weêr rijkelijk aan God geven,.wat aan God, en aan zijne onsterfelijke ziel, wat haar toekomt. In dezen zin spreken vele Kerkvergaderingen en bevelen met allen nadruk het vlijtig bezoek van den voor- en namiddag-godsdienst aan.. Hetzelfde schreef reeds Paus Nicolaas I aan de Bulgaren; „Des zondags moet men aardschen ,arbeid staken en zich op het gebed toeleggen, opdat men de in den yloop der zes werkdagen ingeslopen verzuimenissen door een ijverig «■gebed goed make.quot; Hoewel door de H. Kerk slechts de hoofd zake-lijkste godsdienstoefening (het bijwonen der H. Mis) op zondag streng geboden is, vraagt toch de geest van het derde gebod veel meer. Zeker beantwoorden zij niet aan dien geest, die zich des zondags jaar in jaar uit tevreden stellen met een gelezen H. Mis te hooren en zich den overigen tijd aan lediggang en uitspanningen overgeven. Hoe zou hij, die zoo weinig lust en vreugde in den omgang met txod vindt, wien zelfs een gelezen H. Mis te lang duurt, durven beweren, dat hij God van ganscher harte lief heelt en Hem de verschuldigde eer bewijst?quot; Al heeft hij nog zóóveel godsvrucht, dat hij zich
\') Het volgende voorval kan stof tot eene heilzame overweging geven aan hem, voor wien de Priester op zondag niet vlug genoeg de H. Mis kan lezen. — Ludovica Torella, eene voorname dame was vóór hare
195
wacht, aan het uitdrukkelijk gehod der Kerk zich zwaar te vergrijpen, hij onderzoeke zich eens goed, of hij niet te koud is jegens God, lauw en traag in zijnen dienst, zonder ijver voor het heil zijner ziel. Zulk een Christen heeft werkelijk te duchten, dat juist deze lauwheid in den dienst van God hem vroeg of laat tot zware zonden, wellicht zelfs tot verzuim van al zijne godsdienst-plichten voeren zal.
6) Men ontheiligt den zondag:: aa) door slaafsche werken; niet alsof het op zich zelve onhetameliik en zondig ware, slaafsrhen arbeid te verrichten, maar alleen omdat God door ziine wet op den sahhath dergeliike werkzaamheden verboden heeft, wül zii den geest van zijnen dienst en ver-eerinsr aftrekken. Slaafsche en dus verbodene werken ziin; lichamelijke werken, welke gewoonlijk door dienstboden, dag-looners en handwerkslieden verricht worden. Daartoe behooren huis-, veld en tuinarbeid; verders de werkzaamheden van kleedermakers, wevers, slotenmakers, smeden, timmerlieden en in het algemeen alle werken, waarbü de krachten en bekwaamheden des lichaams meer in aanmerking komen dan die des geestes, en die uit haren aard meer het lichamelijk dan het geestelijk welzijn van den mensch ten doel hebben. Al deze werken, ofschoon zij menigmaal ook verricht worden door hen, die niet tot de dienstbare klasse behooren, heeten slaafsche werken, wijl het in den regel de taak is van knechten en dienstboden, voor het lichamelijk welzijn der heeren te zorgen, en wijl de laatsten den arbeid en de diensten der eersten tot dit doel vorderen. — In vroegere tijden deden de slaven of de lijfeigenen de bovengenoemde handwerken, vermits de vrijen of vrijgeborenen het beneden hunne waardigheid achtten, zich daarmede bezig te houden. Vandaar dan ook het onderscheid tusschen slaafsche werken en vrije werken , namelijk die den vrijgeborene pasten. Tot deze zoogenaamde vrije werken behooren,
bekeering eene hartstochtelijk liefhebster van de jacht. Op zekeren dag, als zij juist eene jachtpartij wilde houden, ontbood zij den huis-
feestelijke en gelastte hem,eestelijke en gelastte hem, zenc jagersmis te lezen, d. i. zeer spoedig et H. Misoffer op te dragen. Deze, een ernstig, voor het eeuwig welzijn zijner meer lichtzinnige dan boosaardige meesteres bezorgd Priester, begaf zich naar het altaar, en droeg, zonder zich door de veelvuldige teekenen van ongeduld en mismoedigheid der meesteres te laten verstoren, met zijne gewone godsvrucht en bedaardheid het H. OfTer op. Als hij geëindigd had. sprak hij tot Torella: „Ik weet „wel, doorluchtige vrouw, dat ik u heden lang heb opgehouden, maar //als het u te lastig valt eene H, Mis bij te wonen, hoe ondragelijk zal ,/U dan het verblijf in de vlammen zijn, waarin men voor de zonden „van dit leven eeinvig moet boeten.quot; Dit woord maakte den diepsten indruk op het hart van Torella. Zij herhaalde het diUwijls op de jacht en leidde sinds dien dag een volmaakt leven (Uit de levensgeschiedenis van Torella door L G, Rosignoli),
13*
196
in tegenoverstelling van de slaafsche, die werken, waarbij vooral de krachten en bekwaamheden van den geest in \'tspel komen, als: lezen, schrijven, studeeren, onderricht geven in wetenschappen en schoone kunsten , muziek en dergelijke meer. Zulke werken hebben uit hunnen aard niet zoozeer het lichamelijke als wel het geestelijke welzijn ten doel; de geestelijke vorming en volmaking dergenen, die ze verrichten, of ten wier believe ze verricht worden, hoewel ook tevens tijdelijk voordeel en , ten gevolge van dien, lichamelijke welvaart daaruit voortspruit of dikwijls er door beoogd wordt. Dergelijke werken zijn dus op zondag geoorloofd, mits daardoor de geboden godsdienstoefeningen niet verzuimd worden \'J. Buiten de genoemde slaafsche
\') Ofschoon het niet ontkend kan worden, dat de genoemde en dergelijke vrije werken evenzeer den geest inspannen, als de slaafsche werken, en bijgevolg evenzeer van den dienst en de vereering van God kunnen afhouden, bestond er toch in het Oude Verbond geene wet, welke ze verbood, en ook in het Nieuwe Verbond bestaat eene zoodanige wet niet; wellicht omdat de vorming en ontwikkeling van den geest, welke het natuurlijke evenbeeld des Allerhoogsten is, met de stille viering van den sabbath of zondag meer overeenstemt, hetzij dat de Wetgever de mensehen niet wilde blootstellen aan het bijna onvermijdelijke gevaar van te zondigen, wat het geval zou geweest zijn, als hun op sabbath of zondag elke niet onmiddellijk op God en zijne vereering betrekking hebbende handelingen verboden ware geworden. Hieruit echter, dat de wet zekere soort van werken, als hinderlijk voor de vereering van God verbiedt, volgt niet, dat alle werken, welke op een of andere wijze die vereering in den weg kunnen staan, verboden zijn. — Zelfs dan zijn de zoogenaamde vrije werken niet verboden, wanneer zij met de bedoeling, waarmede dienstbaren gewoon zijn te handelen, d\'. i om wille van het loon, verricht worden. Want de bedoeling verandert niets aan den aard van eenig werk: wat ,/slaafschquot; is, blijft slaafsch; ook wanneer het kosteloos gedaan wordt, en een //vrijquot; werk blijft zulks, ook wanneer het ter wille van tijdelijk gewin wordt verricht. Of wie zou beweren, dat een geneesheer, die tegen betaling eenen zieke bezoekt, een leeraar der wijsbegeerte, die van zijne leerlingen eene vergoeding voor zijne moeite verlangt, een dichter, die voor geld keurige verzen maakt; wie zou durven beweren, dat deze allen slaafsche weiken verrichten? En zou men daarentegen zich niet belachelijk maken, als men zeide , dat een metselaar of timmerman, die kosteloos aan den bouw eener kerk werkt, of iemand, die om Godswil steenen helpt aandragen, een //vrijquot;, niet slaafsch werk verricht? Op den aard komt het dus aan, wanneer men beslissen moet, of een werk slaafsch is of niet, maar niet op de bedoeling van eenig tijdelijk gewin te maken of niet. Alleen de uit hunnen aard slaafsche werken zijn verboden op zondag; dij is de gewone leer der Godgeleerden en in het bizonder van den H. Thomas (a. a. O). — Evenmin als slafelijke werken vrije en dus geoorloofde werken worden, omdat men ze zonder winstbejag verricht, evenmin worden zij vrij en geoorloofd, omdat men ze tot uitspanning ot tijdverdrijf onderneemt, daar er gewoonlijk verscheidene andere middelen zijn, om zich behoorlijk te ontspannen en den rusttijd van den zondag op eene met den geest van het derde gebod overeenstemmende wijze door te brengen. Deze leer vinden wij bij den H. Alphonsusde Liguorio en de meeste zedeleeraars. Öuarez (relig. trkct. 2 lib. 2 c. 2fl. 28.) is
197
werken zijn evenwel op zondag nog andere verboden, die streng genomen niet tot de slafelijke werken kunnen gerekend worden, maar die om het daarmede verbonden geruisch en het opzien, dat zij baren, de stille viering van den zondag aanmerkelijk storen. Dusdanige zijn vooreerst de ^em^i\'-werken: de opening van een rechtsstrijd, de oproeping der strijdende partijen, het verhoor van getuigen, het houden eener pleitrede, het doen van eene rechterlijke uitspraak en de uitvoering van een vonnis. Slechts de noodzakelijkheid of de verouderde, door de geestelijke overheid gekende en gebillijkte of tenminste gedulde gewoonte kan dusdanige handelingen in zekere gevallen verontschuldigen. — Verders is verboden het koopen en verkoopen in de winkels en op de markt, bizonder gedurende de godsdienstoefeningen. „Dit verbod echter is door onderscheidene, naar den aard „der landen verschillende gebruiken beperktquot; (zoo schrijft de geleerde kardinaal Gousset, Mor Theol. lL\'deel, 3e gebod). Intusschen moet men de verontschuldigende gebruiken wel onderscheiden van de veelvuldige misbruiken of van die gebruiken , welke hier of daar slechts geduld worden, wijl zij, zonder nog beklagenswaardiger wanordelijkheden in het leven te roepen, niet afgeschaft kunnen worden, doch waarnaar men zich op andere plaatsen, waar zij niet bestaan , volstrekt niet regelen mag. Algemeen geoorloofd is het koopen en verkoopen van eenige tot het dagelijksch gebruik benoodigde levensmiddelen, alsmede van de door de geneesheeren voorgeschreven geneesmiddelen. Zonder twijfel evenwel moet tot de misbruiken gerekend worden
ecliter van gevoelen, dat werken, welke geringe lichamelijke inspanning vorderen (gelijk dit bij verschillende vrouwelijke bezigheden het geval is), in zekere omstandigheden kunnen verontschuldigd worden. Het kan namelijk gebeuren, en het gebeurt werkelijk niet zelden, dat voor menschen, die niet zoo gemakkelijk eene met hunnen stand passende uitspanning vinden, en van wie men ook niet vorderen mag, dat zij den geheelen dag met bidden en lezen doorbrengen, eene kleine bezigheid in zekeren zin het eenige middel is, om de ledigheid, de bron van vele zonden, te vermijden, ol\'om de verleiding, namelijk van zich in een gevaarlijk gezelschap te begeven , te weerstaan. Aan zulke personen mag eenige bezigheid, als middel ter wering van ledigheid en verleiding, des te eer worden toegestaan, wanneer zij voornemens zijn de vrucht van hunnen arbeid aan eene behoeftige kerk of een noodlijdend huisgezin te schenken, eu alle ergernis daarbij zorgvuldig vermeden wordt. Wat echter slechts bij uitzondering en in noodzakelijkheid veroorloofd raag worden, kan zeker niet als levensregel voor zichzelven en anderen worden vastgesteld. — Het ware derhalve te wenschen, dat sommige ouders hunne kinderen meer tot het bezoeken der kerk des namiddags, tot eene godvruchtige of tenminste nuttige lezing, ot ook tot eene gepaste, opbeurende uitspanning aanspoorden, dan tot den arbeid uit tijdverdrijf.
198
de onbetamelijke gewoonte, dat herbergiers en koffiehuis-houders gedurende de geboden godsdienstoefeningen aan de inwoners der plaats spijzen en dranken leveren.
Op de vraag, of het nooit geoorloofd is, op zondag slaaf-schen arbeid te verrichten, wordt geantwoord: het is geoorloofd, vooreerst, als de geestelijke overheid om gewichtige redenen dispenseert. Dispensatie of vergunning om slaafschen arbeid te verrichten kan door den Paus gegeven worden voor de geheele wereld, door den Bisschop voor zijn diocees, en in dringende of door den Bisschop bepaalde gevallen door den Pastoor voor de leden zijner gemeente. De biechtvader heeft als zoodanig het recht niet, in de viering van den zondag te dispenseeren; hij kan slechts beslissen, of in in een bepaald geval de wet verplicht of niet. Ten tweede is het geoorloofd slaafsche werken te verrichtea, zoo dikwijls de eer van God, het welzijn van den naaste of dringende noodzakelijkheid het vorderen. Dit zien wij reeds uit de leer van Christus bij Matth. XII, waar Hij, de mensch-geworden Wijsheid en Heiligheid, tegenover de schijnheilige Phariseën in persoon het bewijs levert, dat men, om de aangevoerde redenen, zelfs op den sabbath, die, gelijk meermalen is aangemerkt, de Joden tot grootere rust verplichtte dan de zondag ons Christenen , slafelijken arbeid verrichten mag. „Hebt gij niet in de wet gelezen,\'\' zegt Hij daar, „dat de priesters op den sabbath, (doordat zij offerdieren slachten, op het altaar leggen en verbranden) „den „sabbath schenden en niet schuldig zijn ?quot; Daarom is het geoorloofd, ter eere Gods, op zondag werken te verrichten, die in verband staan met de viering van den godsdienst, welke op dien dag plaats heeft; werken, welke niet gevoegelijk \'s avonds tevoren kunnen verricht worden, zooals het luiden met de klokken, het versieren der altaren bij openbare processies, enz.
Het welzijn des naasten geeft eveneens niet zelden voldoende reden, om zich vrij te spreken van het verbod, op zondag slaafschen arbeid te verrichten. Met het oog daarop spreekt de goddelijke Heiland in het aangegeven hoofdstuk van den Evangelist Mattheus deze woorden; „wie uwer is er, die, „als hij één schaap heeft, dat .op sabbath in eene groeve „valt, zelf het niet aangrijpt en het er uittrekt? Maar „hoeveel meer is een mensch dan een schaap? Het is dus „geoorloofd op sabbath wel te doen.quot; Volgens de uitdrukkelijke leer des Heeren is het alzoo toegestaan, om op den dag, aan zijnen diecst toegewijd, derhalve bij ons Christenen op zondag, tot welzijn van den naaste slaafsche werken te verrichten, bijv. voor armen, die in nood ver-
199
keeren te arbeiden, zieken te verplegen en hun de moeieliikste diensten te bewijzen, geneesmiddelen en spijzen voor hen te bereiden en in het algemeen voor anderen al datgene te doen, wat wij voor ons zelve zouden durven verrichten, als wij ons in gelijke omstandigheden bevonden. Men moet echter wel in het oog houden, dat er hier slechts van dergelijke slaafsche liefdediensten spraak is, welke armen of noodlijden op den zondag zeiven behoeven, of welke zij zoozeer noodig hebben, dat, bijaldien deze achterwege bleven, zij in zwaren nood en hulpeloosheid zouden geraken. Immers, gelijk Suarez \') zeer juist opmerkt, „als op zondag alle „werken ten beste der armen zonder onderscheid geoorloofd „waren, dan zouden onder dien titel alle handwerkslieden „en daglooners slafelijken arbeid verlichter;.quot; Öp die wijze zou men gewis de viering van den zondag opheffen.
De derde reden, welke van het verbod, om slafelijken arbeid te verrichten, ontslaat, is de dringende iwoilzakdijkheid; als namelijk iemand, zoo hij op zondag niet werkt, de zijnen niet zou kunnen voeden of niet volgens hunnen stand kleeden, of als zeker werk juist noodig zou zijn, om eene aanmerkelijke schade aan gezondheid of tijdelijke goederen te voorkomen. Want, gelijk men zich uit het boven gezegde zal herinneren, de nadere bepaling, hoedanig de zondag moet gevierd worden, gaat van de Kerk uit; de geboden der Kerk nu verplichten, zooals bekend is niet wanneer de vervulling er van met buitengewoon groote moeielijk-heden gepaard gaat. Overigens wijst Christus zelf op deze reden van verontschuldiging. Toen de Phariseën zijnen leerlingen verweten, dat zij, om hunnen honger te stillen, korenaren plukten, met de handen stuk wreven en de korrels aten (Luc. VI, 1, 2), rechtvaardigde Hij hen en verwees de aanklagers naar het voorbeeld van David, om te leeren, dat in den nond soms geoorloofd is, wat anders is verboden. Door den nood worden daarom de arme dienstboden en daglooners verontschuldigd, als zij des zondags voor hunne eigen dringende behoefte, bijv. tot herstelling of reiniging van noodzakelijke kleeding, eenigen anders verboden arbeid verrichten, mits zij daarbij ergernis vermijden. Om deze reden is ook op zondag die huisarbeid geoorloofd, welke voor de huishouding, overeenkomstig iemands staat, noodzakelijk of daarvan onafscheidelijk is, bijv. kamers en bedden opmaken, spijzen bereiden; zoo ook bij dreigend onweder hooi, graan en andere veld- en tuinvruchten inzamelen,
\') De relig. Tract. 2. 1. 2. c. 21.
200
brand blusschen, bet huisraad in veiligheid brengen, bij plotselinge overstrooming dammen opwerpen, enz. Verder is het om dezelfde reden toegestaan, in pannebakkerijen en glasblazerijen en over het algemeen in elke sraelterij het vuur te onderhouden, als de werkzaamheden eenmaal begonnen zijn, en niet zonder aanmerkelijke schade onderbroken kunnen worden. — Een algemeen gebruik, hetwelk niet buiten weten der geestelijke overheid bestaat, verontschuldigt den slafelijken arbeid ook nog in meer andere gevallen, waarin deze tot afwending eener groote schade of tot verkrijging van het noodzakelijk levensonderhoud juist niet vereischt wordt. Zoo verontschuldigt het gebruik den dienst der koetsiers, het verschoont den dienst dei-koks , die feestelijke gastmalen moeten bereiden, ook het werk van andere arbeiders, die bij feestelijkheden, welke op den zondag vallen, illuminaties, vuurwerken, enz. in orde moeten brengen. — Ten opzichte van al de opgegeven redenen, welke den slafelijken arbeid op zondag verschoonen, moet ten slotte worden aangemerkt, dat in gevallen, waarin over het genoegzame der zich voordoende reden geen twijfel ontstaan kan, de arbeid terstond geoorloofd is, vooral als bet wettig gebruik daarvoor pleit, de nood spoedig hulp eischt en men zich niet gemakkelijk tot de geestelijke overheid wenden kan. Is het echter twijfelachtig of de ver-schooningsreden toereikend zij, dan moet daarvoor permissie of dispensatie gevraagd worden. Dit moet vooral in aanmerking genomen worden bij openbare werken, zooals velden tuinarbeid. Daarvoor moet in den regel de toestemming van de geestelijke overheid of van den Pastoor der plaats worden ingewonnen. Zoo vordert het de algemeene stichting, de behoorlijke achting en onderdanigheid aan de geestelijke overheid, zoo is en was steeds het christelijk gebruik, waarvan de inachtneming ook in vele bisdommen door bisschoppelijke verordeningen uitdrukkelijk bevolen is. Ware het aan ieder privaat persoon overgelaten, in elk voorkomend geval naar eigen oordeel en goeddunken te beslissen en die beslissing tot richtsnoer zijner handeling te maken, dan zou het spoedig met het onderhouden van de rustige viering van den zondag gedaan zijn, daar de geldzucht zoo licht den mensch bedriegt, hem het gevaar van het mogelijke verlies vergroot en hem verleidt, om de hoogere en geestelijke belangen aan de tijdelijke en stoffelijke ondergeschikt te maken.
Wie nu, zonder door dispensatie of eene andere wettige reden daartoe gerechtigd te zijn, op zondag slafelijke werken verricht, bezondigt zich zwaar, tenzij de korte tijd, welken
201
men tot den arbeid besteedt, de zoude kleiner, tot eene dagelijksche zonde, maakt. Het valt moeielijk, juist te bepalen, hoelang men op zondag arbeiden kan, zonder eene doodzonde te bedrijven. Eenis;e Godgeleerden zijn van gevoelen , dat een arbeid van één uur, de meesten echter dat een arbeid van twee uren als eene zware zonde moet worden aangezien, wijl twee uren een aanmerkelijk deel van den dag uitmaken. Het is duidelijk, dat hier niet alleen gelet moet worden op den tijd, maar ook op den aard van den arbeid en op de omstancigheid, of deze geheim of openbaar, stil of met veel geruisch, met ergernis verbonden is of niet. Verders moet men zien, of er ook eenige reden aanwezig is, welke den arbeid zoo al niet geheel, tenminste gedeeltelijk verontschuldigt, of wel, of men soms uit verachting , als \'t ware om het gebod der viering van den zondag te trotseeren arbeidt, gelijk dit soms geschiedt door degenen, die zich het werken op zondag tot repel maken. Zulk eene versmading van het goddelijk en kerkelijk gebod is altijd eene zware zonde, al zou de arbeid op zich zeiven gering wezen.
Doch niet alleen zij zondigen, die zelve verboden werken verrichten, maar ook degenen, die van hunne onderhoorigen, van dienstboden, daglooners, handwerklieden, dergelijke werken zonder noodzakelijkheid vorderen „God, die de „kleinen zoowel als de grooten geschapen heeft en op ge-„lijke wijze zorg draagt voor allenquot; (Boek der Wijsh. VI, 8), sprak eens op Horeb tot het volk van Israël: „de zevende „dag is de dag van den sabbath, dat is de rust van den „Heer uwen God. Op dien dag zult noch gij , noch uw „knecht, noch uwe dienstmaagd iets verrichten, opdat uw „knecht en uwe dienstmaagd rusten, even als gijquot; (5. Mos. V, 14). Dit gebod is ook van kracht in het Nieuwe Verbond; want ook in het Nieuwe Verbond hebben de dienstboden en arbeiders rust noodig. Hoewel tot zwaren en moeielijken arbeid door de Voorzienigheid bestemd, is zoowel de dienstbare als zijn rijke gebieder voor den dienst des Allerhoogsten geschapen; hij is, gelijk deze, een lid van het ééne, door Christus gestichte Godsgezin; evenals aan dezen moet dus ook aan hem gelegenheid worden ge geven, om de kerk, het huis Gods, te bezoeken en aldaar door gebed en heilige lofzangen God, zijnen Schepper en Heer, te eeren en te prijzen, diens troost- en leven-aanbrengende woorden te hooren en aan het gastmaal, hetwelk de hemelscbe Vader voor al zijne kinderen bereid heeft, met vreugde deel te nemen. De dienstbare, de arbeider en hand werkman heeft dezen rusttijd te meer noodig, naar-
202
mate de dageliiksche bezigheden zijnen geest vaster aan de aarde binden ; des te dringender is zijne behoefte aan vrije lucht, hoe dieper hem zijn zwaar lot ternedei drukt, en hoe meer men het hem gevoelen doet, dat hij de onderdaan, de dienstbare, de verachte is; te meer heeft hij de rustige viering van den zondag noodig, daar hij gedurende de week in dienst der menschen schier geen tijd tot rusten vindt, zijn zuur verdiend brood als in haast eten moet en het niet met vreugde en genoegen kan genieten. Ontzegt hem deze verkwikkende rust, en hij zal onder den ondragelijken last van aanhoudenden, ingespannen arbeid bezwijken.
Winzuchtige meesters en heeren plegen te zeggen: het is goed voor onze knechten en dienstboden, dat zij op zondng arbeiden, dan worden zij afgehouden van velerlei buitensporigheden, waartoe het niets doen hen zou kunnen verleiden. Maar sedert wanneer is het geoorloofd, iemand tot het kwaad aan te sporen, opdat hij geen ander kwaad verrichte? Is er dan geen ander middel om de knechten en dienstboden in tucht en orde te houden, dan ze te dwingen tot schending van het derde gebod? Zoudt gij niet verplicht zijn, juist diegenen uwer onderdanen, bij wie gij de neiging tot losbandigheid en uitspatting waarneemt, met ernst en gestrengheid tot heiliging van den zondag aan te zetten? Het bijwonen der godsdienstoefeningen, het hooren der predikatie en christelijke leering, liet geregeld ontvangen der HH. Sacramenten zouden het meest tot verbetering van hunne zeden en van hunnen levenswandel bijdragen, en dit zooveel te meer, als gij hen in het ijverig vervullen aller christelijke plichten met een goed voorbeeld voorgingt. Komt er op die wijze geene verbetering, dan moeten hunne misdaden op hunne eigen rekening worden geschreven; beveelt gij hun echter door den arbeid het gebod der viering van den zondag te overtreden, dan zondigt gij zoowel als zij, dan loopt ook gij gevaar van verloren te gaan. — Wat nu moeten leerlingen, knechten en dienstboden dogn, die door hunne meesters en heeren buiten noodzakelijkheid tot den arbeid worden gedwongen? Zij moeten hun, volgens de leer van den H. Liguorio (katech. over het S» gebod), antwoorden: „heden is „het zondag; ik ben Christen en mag niet werken.quot; Gaan heeren en meesters tot bedreigingen en dwang over, zoodat de onderdanen het opgedragen werk niet zonder aanmerkelijk nadeel kunnen weigeren, dan zijn zij in dat geval niet schuldig; er ontslaat echter voor hen de verplichting, zoodra mogelijk zulke meesters of heeren te verlaten en anderen op te zoeken, bij wie zij de geboden van hunnen godsdienst ongehinderd kunnen onderhouden.
hb) Ontheiligd ook wordt de zondag door werken,
door buitensporigheden , door onmatig drinken, losbandige spelen en slechte vermaken, welke den dag des Heeren tot een dag van dronkenschap en openbare ergernis maken. — Want, als door slaafsche werken, welke toch in en op zich zelve niet slecht zijn, de zondag ontheiligd wordt, en wel omdat zij onzen geest van den dienst van God aftrekken; hoeveel te meer geldt dit dan van zondige werken, die ons geheel en al van de liefde en vriendschap Gods be-
203
rooven. Diensvolgens zijn groote zonden, wanneer zij op zondag worden bedreven , strafwaardiger, dan wanneer zij op werkdagen gepleegd worden. De reden dezer grootere boosheid ligt hierin, dat de Christen op den zondag, welke op geheel bizondere wijze aan den dienst en de vereering van God gewijd is, zorgvuldiger dan ooit de zonden moet vermijden en ijveriger dan ooit de deugd beoefenen. \')
Het is gewis zeer te betreursn, dat juist op den zondag de meeste en zwaarste zonden begaan worden; dat het juist de dag des Heeren is, welke door buitensporigheden van de grofste soort, door zonden, welke den Christen niet eens bij name moesten bekend zijn, tot een feest- en zegedag van den duivel gemaakt wordt. Hoe dikwijls en jnet hoeveel recht kan God den Christenen onzer dagen toevoegen, wat Hij eens het volk van Israël door den mond van den Profeet Amos (VI, 20) toeriep; ,/ls niet de dag des Heeren duisternis, en «geen licht? ik haat en versmaad uwe feesten.quot; Voor eene menigte Christenen is de godsdienstviering des zondags eene lastige bijzaak; voor duizenden heeft zij bijna geene beteekenis meer. Men verlangt wel naar den zondag, maar niet als naar een dag van stille, godsdienstige plechtigheid, maar als naar een dag van uitgelatene vreugde, luidruchtige vermaken, geraasmakende spelen, ja zelfs van losbandigheid. Op zondag barst het vuur der hartstochten, hetwelk gedurende de week aanhoudend door zwaren arbeid onderdrukt werd, in laaie vlammen uit, en neemt niet zelden, zoowel in het openbaar als in het geheim, het laatste spoor vau zaligheid en eerbaarheid weg. — Gelijk voor alles, wat men gaarne doet, zoo vindt men ook daarvoor eene verontschuldiging: »VVij hebben gedurende de geheele week //hard gewerkt,quot; zegt men, „wij hebben de hitte en den\'last van den //dag gedragen; op zondag zij ook ons eenige vreugde gegund.quot; Dat is billijk, doch niet eene heidensche, maar eene vreugde inden Heer, niet eene vreugde in dronkenschap, zwelgerij en oneerbaarheid; eene vreugde, welke de ziel verkwikt en versterkt, niet eene, welke
\') Hiermede willen wij echter niet deelen in het gevoelen van eenige weinige Godgeleerden, die beweren, dat wie op zondag eene doodzonde bedrijft, verplicht is, deze tijdsomstandigheid in de biecht bizonder te verklaren. Andere voorname Godgeleerden wederleggen op voldoende wijze de reden, waarmede de eersten het bewijs willen leveren, dat deze omstandigheid de soort vau zonde verandert, en zij toonen aan, dat de op zondag bedreven zonde noch eene heiligfchennis is, noch ook in eigenlijken zin strijdig met het goddelijken verbod van slaojxche werken te verrichten, daar (2. Mos. XX, JU, 11) duidelijk alleen zulke werken verboden worden, welke anders geooi loofd zijn. De zonde kan in het algemeen slechts in oneigenlijken zin een „slaafschquot; werk genoemd worden iS. Thom. sent. 3. d. 37- a 5). Zeker strijdt zij tegen den geest en het doel van het derde gebod, maar de beweegreden of het doel van een gebod is niet het voorwerp daarvan; /in/s non cadit t-uh praecepto. — Als de H. Augustinus leert, dat het beter is op zondag te ploegen en te weven, dan oproer te stichten en zich aan ontucht over te geven, wil hij derhalve daarmede slechts zeggen dat deze handelingen zondiger zijn, omdat zij, in en op zich zelve slecht zijnde, met de natuurwet strijden, wat bij de eersten niet het geval is, daar deze alleen ten gevolge van een positief gebod van God zijn verboden. Zie eene uitvoerige behandeling van dit onderwerp bij Suarez (a. a. O. hoofdst. 15.) en bij Billuart (de observatione sabbati art. 2.).
204
duizendvoudig den dood berokkent; eene vreugde, welke het afge matte lichaam uitspanning en nieuwe kracht schenkt, maar niet eene vreugde, welke met de ziel ook het lichaam onteert en ten gronde richt. Verheugt u, gelijk het Christenen betaamt, in het huis Gods, als kinderen in het huis van hunnen vader; verheugt u bij een vernieuwd aandenken aan den hemel, aan de vreugde van het betere vaderland, den schoonen hemel; verheugt u in den schoot van uw gezin en verbreidt daar vreugde door opbeurende en stichtende gesprekken; verheugt u in den kring uwer vrienden, maar vergeet niet, dat het de dag des Heeren is; verheugt u zóó, dat gij gedurende uwe vreugde de zorg voor uwe ziel niet verwaarloost. Immers, als gij gedurende de geheele week voor uw lichamelijk welzijn gearbeid hebt, dan is het billijk dat gij des zondags vooral op uwe onsterfelijke ziel bedacht zijt. Bedenkt overigens wel de woorden van den H. Chrysostnmus (preek 5 over Anna); „Het schoonste feest is «een zuiver geweten. Geene uiterlijke pracht, geene heerlijke tafel smaken het feest, maar de zorg voor de ziel.... Hij, die geen ,zuiver geweten heeft, is bij het schitterendst feest zonder feest.quot;
If at moet ons vooral terughouden van de ontheiliging van den zondag ?
1) De tijdelijke en eeuwige straffen, waarmede God de sabbathschenners bedreigt. Gelijk God in het Oude Verbond riikelijken zegen beloofde aan allen, die zijnen sabbath heiligden, zoo bedreigde Hij ook hen , die het zouden wagen dezen te ontheiligen, met de vreeselijkste straffen. „Wanneer „gij niet gehoorzaamt,1\' zegt bij door den Profeet Jeremias (XVII, 27), „dat gij den sabbath heiligt, dan zal Ik een „vuur in uwe poorten ontsteken , hetwelk de huizen van „Jerusalem verslindende, niet zal uitdooven.quot; Bij Ezechiël (XX, 13) zegt de Heer: „zwaar ontheiligden zij mijnen „sabbath, daarom sprak Ik, dat Ik miinen toorn over hen „zou uitstorten, om hen te verdelgen.quot; En reeds op Sinaï had God tot het volk van Israël gezegd ; „onderhoudt dus „mijnen sabbath, want hij is u heilig; wie dezen ontheiligt, „hij zal sterven; wie daarop een werk doet, diens ziel zal „uit het volk verdelgd wordenquot; (2. Mos. XXXI, 14). Deze straf werd werkelijk reeds in de woestijn toegepast. „Toen een man op den sabbathdag hout verzamelde, brachten „hem de zonen van Israël \'voor Mozes en Aaron en het „geheele volk. En de Heer sprak tot Mozes: „„deze mensch „„moet den dood sterven, het geheele volk moet hem steenigen „„buiten het leger.quot; En zij leidden hem buiten en steenigden „hem.quot; Ofschoon de doodstraf wegens de sabbathschennis slechts voor Israëlieten bepaald was, geeft zij ons toch ten duidelijkste te kennen, dat de ontheiliging van zijnen dag eene zware misdaad is in de oogen van den Allerhoogste, eene misdaad, welke Hij in zijne onfeilbare rechtvaardigheid den tijdelijken en, gelijk ons daardoor van zelf wordt te
205
kennen gegeven, ook den eeuwigen dood waardig acht. Vandaar mogen wij geen oogenblik aarzelen aan te nemen, dat God ook de schennis van zijnen dag, d. i. van den zondag, in het Nieuwe Verbond, met tijdelijke en eeuwige straffen treft ).
De tot gewoonte geworden overtreding en verachting van het gebod der zondagviering brengt dikwerf hare eigen straffen met zich: de zondagschenner bestraft zich zeiven, hij beneemt zich de noodzakelijke middelen tot een christelijk;, deugdzaam en gelukkig leven, en stelt zich bloot aan het grootste gevaar, ook het eeuwige leven te derven. Waaruit zal de mensch de hoogere kennis van God eu van zijn laatste doel putten; waardoor de vroeger verkregen kennis weder in het geheugen terugroepen; waaruit zal hij de bovennatuurlijke beweegredenen, om de zonde te vermijden en de deugd te beoel\'eneu, leeren kennen en tot richtsnoer van zijn leven maken, als hij, jaar in jaar uit, op zondag werkende, de preek en de christelijke leering verzuimt, wanneer hij des zondags gelijk op de overige dagen der week al zijn doen en laten aan het aardsche wijdt? Hoe zal zijn geest zich tot God en de hemelsche goederen verheffen, als hij den drempel van het huis Gods niet meer betreedt?... Waaruit zal hij kracht en moed putten, om de bekoringen te wederstaan, als hij ook op zondag door den arbeid het gebed versmaadt, als hij jaren
\') De geschiedenis is rijk aan feiten, welke ons bewijzen, dat God ook in het Nieuwe Verbond niet zelden de ontheiliging van den Hem bizonder toegewijden dag streng bestraft. — De H. Gregorius van Tours verhaalt (1. 16 de gloria Martyrum), dat een inwendige gloed, als het ware een wondervuur, de rechterhand eener vrouw van zijn bisdom heeft aangetast, omdat zij zich aan ontheiliging van den zondag door slaafsche werken had schuldig gemaakt. — Van anderen lezen wij, dat hunne hand verdorde, toen zij haar op zondag tot slaafschen arbeid uitstrekten (Zie het leven van den H. Sulpitius bij de Boland. 17 Jan., en van den H. Hubertus, Bisschop van Luik, bij Gretser, D. 5). — Een vreeselijk voorbeeld verhaalt Pater Krugdolf S. J., Missionaris op de Fhilippijnsche eilanden, als ooggetuige. Toen deze op zekeren zondag een zieke bezocht, zag hij aan de zeekust eenige Indianen uit zijne gemeente, die bezig waren met hunne booten te herstellen. De Missionaris verweet den zondagschenners hun boosaardig gedrag met liefde en gestrengheid, maar vruchteloos. Zij antwoordden hem norsch en onverschillig, dat zij er nu zin in liadden, en zij lieten zich in hun werk in \'t minst niet storen. Met een angstig hart zette de Missionaris zijne reis voort, deelde den kranke de laatste troostmiddelen toe, en keerde na een paar uren langs denzellden weg terug. In dien tusschentijd had de straffende hand Gods de misdadigers reeds getroffen. Een brand was onvoorziens uitgebarsten, en had de hutten en schuren der Indianen in asch gelegd; zelfs de booten, welke zij hersteld hadden, waren eene prooi der vlammen geworden. — Van lateren tijd voert Schuster in zijn Kate-chetisch handboek het volgende voorbeeld aan. Een hebzuchtige molenaar van de parochie van den H. Joannes van Cortena in de Vendée, werkte bijna eiken zondag. Dikwijls liet hij zelfs gedurende den godsdienst zijn windmolen malen. Op een hoogen feestdag was hij eens, in plaats van naar de kerk te gaan , zelfs des middags nog aan het werk. ^ijne vrouw wachtte hem al lang; eindelijk tegen den avond ging zij hem zoeken. Zij vond hem dood op den grond nit-estrekt, de ééne zijde van het lichaam geheel door de wieken van en molen verbrijzeld.
206
lang het Brood der sterken niet meer nuttigt? Als nu de mensch deze hoogere kennis en sterkte ontbeert, en van den anderen kant de vijanden zijner zaligheid hem overal strikken spannen; als hij zich zeiven uit eigen beweging altijd dieper in het tijdelijke, in de zinnelijke goederen en het zingenot nederstort, hoe ie dan nog een christelijk deugdzaam leven mogelijk ? Moet een zoodanige niet van dag tot dag dieper in de slavernij der driften en der zonde vallen? Jloet hij niet meer en meer moeielijkheid vinden, om zich uit de verstrooiing der ijdeiheid te redden? Moet hij eindelijk niet gelijk worden aan het dier, hetwelk slechts oogen heeft voor het zinnelijke? Daar kan van een deugdzaam christelijk leven geen spraak meer zijn, en evenmin van een aangenaam en gelukkig leven. — De aarde bezit geene goederen genoeg, om de heerschende hartstochten van zulk een mensch te bevredigen, en hij bezit geene genoegzame kracht om den hevigen prikkel er van tegen te gaan. Zijne eigen buitensporigheden, hartstochtelijke menschen, gelijk hij zelf er een is, bereiden hem duizend zorgen, strijd, vernederingen en lijden; daarbij ontbeert zijn hart den troost van den godsdienst en is vol van onuitsprekelijke bitterheid. God treft hem met verlies van tij lelijke goederen, niet ziekten en smarten; hij weet die beproeving noch met overgeving aan te nemen, noch met geduld te verdragen, hij loopt gevaar zich in de armen der wanhoop te werpen. Ziedaar het droevig lot van dengene, die zich de schennis van den zondag tot regel , tot gewoonte maakt. Maar onvergelijkelijk grootere, oneindige straffen, wachten eenen zoodanige in de eeuwigheid, wanneer nij niet in het stervensuur, waarop hem de schennis van den zondag in een geheel ander licht verschijnen zal, zijnen God en Heer de eer geeft, welke hij Hem in het leven zoo stout en moedwillig geweigerd heeft, wanneer hij de grove zonde tegen de goddelijke Majesteit niet door een oprecht berouw en boetvaardigheid af boet. \') — Van de algemeene ontaarding en verbastering der maatschappij, van die allerschrikkelijkste ellende, welke uit de schennis van den zondag ontstaat, zullen wij later spreken,
2) De gedachte, dat het eene onverantwoordelijke lichtzinnigheid is, wanneer men , na zes dagen voor het lichaam gezorgd te hebben, zelfs niet eénen dag wijdt aan de zorg voor zijne onsterfelijke ziel. Alle dagen en uren van ons leven moeten , overeenkomstig onze bestemming, aan den dienst van God en dus aan het heil onzer onsterfeliike ziel gewijd zijn. Is het derhalve niet eene onvergefelijke dwaasheid, als wij ons niet eens éénen dag van de week met de zorg voor onze ziel bezig houden ? Welk oordeel zoudt gij vellen over eenen mensch, die alleen voor zijne kleederen zorg
\') In een plaatsje der Marken leefde een man, die zich om het ontvangen der BH. Sacramenten en het bezoeken der kerk sinds jaren niets bekommerd had, niettegenstaande alle vermaningen, welke van verschillende kanten hem gedaan waren. Op een zondag (het was juist een hooge feestdag voor de gemeente) werd hem door de zijnen des morgens gevraagd, of hij niet naar de kerk wilde méégaan ? Bij bleef gelijk altijd te huis. In den namiddag bij het koffiedrinken werd hij ongesteld, en die ongesteldheid nam vervolgens eensklaps zoo erg toe, dat hij zijn einde voelde naderen. In het gevoel van den naderenden dood riep hij uit: «Ach, konde ik nog //eens ter kerk gaan!quot; viel toen in onmacht en stierf (Kerkelijk blad der Marken, lïquot;. 21, 1858).
207
draagt, maar het lichaam verwaarloost en lichtzinnig aan de grootste gevaren blootstelt, die alleen voor het onderhoud en de versiering van zijne woning zich moeite geeft, doch de bewoners laat verhongeren en versmachten? Welnu ! even zoo handelt degene, die de geheele week slechts zorg draagt voor het lichaam, dat als het ware het kleed, de woning der ziel is, maar aan de ziel zelve niet eens op zondag eenige zorg wijdt. — Hoogst beschamend voor ontelbare Christenen onzer dagen is de ijver, waarmede de Joden ten tijde der Machabeën den sabbath heiligden, en waarmede ook in den loop der christeneeuwen zoo vele ge-loovigen in weerwil der grootste moeielijkheden en opofferingen, ja zell\'s met opoffeiing van hun leven het gebod der zondagviering volbrachten
3) De overweging, dat de viering van den zondag eene openbare belijdenis van ons christelijk geloof is, dat bijgevolg de schennis van dien dag tot versmading van den godsdienst en tot ergernis der medechristenen verstrekt. — Wat God van den sabbath der Joden verklaard heeft, geldt
\') Toen de roekelooze koning Antiochus de Joden wilde dwingen, de wet van God en hun vaderland te verzaken, verzamelden zich velen van hen in nabijgelegene holen, om in het geheim den sabbath te vieren. Zij werden weldra verraden en, omdat zij aarzelden hunne handen op den sabbath tot hunne verdediging te gebruiken, aan de vlammen prijs gegeven (2 Macch. VI, Jl). — Wij gaan kortheidshalve met stilzwijgen het voorbeeld der eerste Christenen voorbij , die op zondag zelfs met gevaar van hun leven de godsdienstige vergaderingen bijwoonden, insgelijks den verbazenden ijver der engelsche Katholieken onder de dwingelandij der protestantsche Koningin Elisabeth, die op doodstraf verboden had, het H. Misoffer op te dragen of bij te wonen. De Katholieken lieten zich daardoor echter zoo weinig van de vervulling van hunnen plicht afschrikken, dat Pater Pearson uit de Societeit van Jesus, een tijdgenoot en ooggetuige, schreef: ,nooit tevoren zijn in Londen de HH. Missen zoo »druk bezocht geworden.quot; — Van den ijver der nieuwbekeerde geloovigen van Cochinchina bericht de Missionaris Alexander van Khodes , dat zij in dichte drommen van de uiterste grenzen des rijks, d. 1. tenminste 140 mijlen ver, kwamen, enkel en alleen met het doel, om de H. Mis te hooren en de HH. Sacramenten te ontvangen — P. Servant, (annalen ter verbreiding des galoot\'s, 1841.) apostolisch Missionaris van Üieuw-Zeeland, beschrijft den ijver, waarmede zijne bekeerden den zondag vierden, op de volgende wijze: »Reeds des zaterdags ziet men hen stam voor stam toesnellen, van «een afstand van meer dan zes mijlen. Tot maandag morgen blijven lt;/hunne dorpen ledig; want de zondag is in hunne oogen veel te »heilig, dan dat zij een deel daarvan met reizen zouden doorbrengen. »Dit is een schouwspel, dat mij altijd treft en sticht. Hunne leger-«stede is het zand aan den oever der rivier; hun dak het hemel-*gewelf; niet zelden overvalt hen de regen midden in den slaap. //Meermalen sloegen de met geloovigen beladen barken om; maar //dergelijke onyevallen waren niet in staat, den moed en ijver onzer //dierbare bekeerden te verminderen.quot;
208
in zekeren zin ook van den zondag der Christenen : „hij „is een teeken van het verbond.quot; De christelijke godsdienst toch is een door Christus, onzen Middelaar, met den Vader gesloten verbond. Gelijk de Israëliet ook heden no^ door de sabbath viering den joodschen godsdienst, het Oude Verbond, openlijk belijdt, zoo leggen wij Christenen door de viering van den zondag de openbare belijdenis af, dat wij tot den door Christus gestichten godsdienst behooren, dat wij het nieuwe Verbond, hetwelk ons God tot Vader, Jesus Christus tot Broeder en den hemel tot vaderland geeft, onschendbaar houden, deszelfs verplichtingen vervullen, op deszelfs beloften hopen. De viering van den zondag is dus, gelijk een beroemd staatsman onzer eeuw (Montalembert) zich kernachtig uitdrukte , ,,de grondslag van dit eerbied-„waardig verbond, zij is daarvan het teeken en de hoofd-„voorwaarde.quot; De openbare, algemeene. voortdurende schennis van deze voorwaarde is de schennis van het goddelijke verbond zeiven. Zij is eene schrede tot de openbare belijdenis van het Atheïsmus, want zij heeft tot noodzakelijk gevolg de onderdrukking der kennis en uitoefening van den godsdienst. Dit hadden de bewerkers der fransche omwenteling van het jaar 1793 goed begrepen. Zij gingen zwanger met het afschuwelijke plan, om den christelijken godsdienst te vernietigen, en begonnen hun werk met de viering van zon- en feestdagen af te schaflen : dit scheen aan deze vijanden van God en van zijne Kerk het zekerste en krachtigste middel tot het welslagen hunner poging. Zij waren hierin echter niet zonder voorgangers. Reeds ten tijde vóór Christus zeiden de goddeloozen in hun hart: „Laat ons de feestdagen „van God in het land afschaffenquot; (Ps. LXXIII, 8). — Wat nu komt er in de plaats van den verbannen godsdienst, van zijne heilzame wetten, van zijne heldhaftige deugden, van zijne gelukkigmakende zegeningen? Men zal zien , dat langzamerhand onbeschaafdheid en barbaarschheid veld winnen , eene barbaarschheid, gelijk de geschiedenis ons haar aantoont bij de volken, die door eigen schuld ontaard en bedorven, des te dieper en treuriger vielen, naarmate de trap van beschaving en grootheid, waarop zij gestaan hadden, hooger was. Eene vreeselijker straf kan er voor een volk niet zijn, dan juist deze. Vergeefs toch hoopt men, dat in eene maatschappij de openbare tucht en orde, het recht, de achting voor wet en overheid nog bestaan kunnen , als de godsdienst verdwenen is.
209
TOEPASSING.
Wacht u dus, Christen en, door overtreding van het derde gebod eene zoo vreeseHjke straf over uw vaderland af te roepen of te bespoedigen. Yiert den dag des Heeren nauwgezet en laat u noch door lichtzinnigheid en zucht naar vermaken, noch door het voorbeeld of bevel van slechte menschen zonder geloof, tot die ontheiliging verleiden. Wanneer deze met u spetten, u bedreigen, of u willen overhalen, om hen te volgen, zeg dan geliik weleer de godvreezende Machabeën : „God beware ons daarvoor; het „is ons niet dienstig, de wet van God te verlaten.quot; Dat juist dit gebod bizonder in aanmerking verdient genomen te worden, schiint God u te willen aanduiden, daar Hij dit gebod en wel dit alleen met de woorden : „Wees indachtig. dat gii,quot; enz. plechtig aankondigt. Volgt het schoone voorbeeld van den vromen Tobias.
Deze, ofschoon de jongste onder allen van zijnen stam, liet zich door niets van de vereering van den waren God afbrengen. Want toen allen tot de gouden kalveren gingen, welke Jeroboam, de Koning van Israël gemaakt had, vermeed hij alleen aller gemeenschap en ging naar Jerusalem tot den tempel des Heeren, aanbad daar den Heer; den God van Israël, en offerde trouw al zijne eerstelingen en zijne tienden (Tob. 1, 5, 6). Daarom liet de Heer hem te midden van zware rampen en beproevingen zijne machtige bescherming gevoelen, en de zegen des hemels daalde neder op hem en zijn huisgezin. Hetzelfde zal ook uw deel zijn, als gij des zondags in plaats van de afgoden van winzucht en wellust te huldigenquot;, den Allerhoogste het offer van reine lippen, van een zuiver hart en een godvruchtig leven brengt i).
\') Kan men vrel een enkel huisgezin opnoemen, dat door de nauwgezette viering van den zondag tot verval, in nood en behoefte gekomen is? Voorzeker niet. Wel kunnen vele verarmde ambachtslieden en andere werklieden u getuigen, dat van den tijd af. waarop zij zich de ontheiliging van den zondag tot gewoonte maakten, de zegen Gods van hen week, terwijl ongeluk en rampspoed hen overvielen. Mocht men het wel bedenken: ,/Aan den zegen van God is alles gelegen.quot; Maar Gods zegen zal men zich zeker niet verwerven, als men den dag des Heeren schendt.
Te Alexandrie leefden in de zesde eeuw twee schoenmakers, van welke de ééne vrouw en kinderen had en daarbij nog zijne bejaarde ouders moest onderhouden , terwijl de andere alleen voor zich zeiven had te zorgen. Deze, in het handwerk nog bekwamer dan gene, werkte des zondags gelijk cp werkdagen, en toch ontbrak het hem dikwijls aan het noodige brood; terwijl de eerste, die den zondag stipt vierde, met zijn ceheele huisgezin genoeg had om te leven. Vol nijd en verontwaardiging sprak nu op zekeren dag de zondagschenner tot zijnen DEHAKBE, GKLOOPSLEEK. III. 3\'\'e TIKUK. 1 A
210
liet vierde ^ebocl van Ood.
„ Gij zult vader en moeder eer en, opdat het n wel ga, ^.en gij lang levet op aarde.quot;
Wat gebiedt God in het vierde gebod?
Hij gebiedt, dat de kinderen hunnen ouders, en de onderdanen hunnen oversten eerbied, liefde en gehoorzaamheid bewijzen.
Nadat in de drie eerste geboden de plichten jegens G-od vermeld zijn, volgt nu in de overige de beschrijving onzer plichten jegens den evenmensch. Het vierde gebo l regelt ons zedelijk gedrag jegens ben, die uit alle medemensohen ons het naaste zijn: het handelt van de plichten der kinderen jegens vader en moeder: de zes volgende daarentegen bevatten en bepalen de plichten jegens alle medemenschen in het algemeen. — De uitdrukking „vader en moederquot; moet hier in een zeer uitgebreiden zin verstaan worden; zij beteekent namelijk, zegt de romeinsche Katechismus, niet alleen de ouders, maar ook vele anderen, jegens wie wij dergelijke plichten te vervullen hebben als jegens de ouders , hetzij om hunne macht, of om hunne waardigheid, hetaij om het voordeel, hetwelk zij ons verschaffen, of om het ambt dat zij bekleeden. — Om deze reden zullen hier behalve de plichten der kinderen jegens hunne ouders ook die der onderdanen jegens hunne oversten ter sprake komen.
buurman; „Vanwaar komt het toch, dat gij zoo welgesteld zijt? Ik //drijf mijn ambacht vlijtiger dan gij en lijd nog gebrek.quot; De deugdzame schoenmaker antwoordde bescheiden: „Ik weet een schat, als „gij wilt dan neem Ik u voortaan altijd met mij mede en geef u de „helft van den vond.quot; Deze nam dit aanbod verheugd aan. Om den schat machtig te worden, volgde hij den raad van zijtien vriend, vierde den zondag en bezoclit vlijtig de kerk. Tezelfder tijd zegende God den verbetorden ambaclitsman; het ontbrak hem niet meer aan klanten en hij zelf werd onvermoeider in het werken. „Ziet gij,quot; zeide hem nu zijn goede raadgever, „ziet gij wel, thans hebt gij den schat ge-„vonden, van welken ik u gesproken heb; den schat, welken ons Jesus //Christus zelf aanwijst als Hij zegt; zoekt eerst het rijk Gods en „zijne gerechtigheid, en het overige zal u worden toegeworpen.quot; Beide schoenmakers leefden ten tijde van den H. Joannes, den aalmoezenier, Patriarch van Alexandria. Leontius, Bisschop van Cyprus, verliaalt ons dit voorbeeld in het leven van den Heilige, en getuigt, het van Mennas, diens huisbediende, vernomen te hebben (Rosweidus, leven der Vaders).
211
Plichten der kinderen jegens de ouders.
Al de plichten der kinderen jegens hunne ouders kan men, gelijk uit bovenstaand antwoord bliikt, tot eerbied, liefde en gehoorzaamheid terug brengen. Het zal dus even gemakkelijk als doelmatig zijn , van elk dezer verplichtingen in het bizonder te toonen, 1) dat zij den kinderen betaamt; 2) hoe zij te vervullen is, en 3) hoe men daartegen zondigt.
I. Eer of eerbied zijn de kinderen hunnen ouders schuldig, omdat deze bii hen Gods plaats bekleeden. — 1) Die verhevene eigenschap der ouders, namelijk Gods plaatsbekleeders te zijn tegenover hunne kinderen, is inderdaad de reden en de bron van alle plichten der kinderen. Dat de ouders deze eigenschap werkelijk bezitten, getuigt het verstand zoowel als het geloof. Beiden leeren overeenstemmend, dat God , die geheel de menschelijke maatschappij in elk huisgezin op onzichtbare wijze regeert, ook op zichtbare wijze door de ouders, die Hij tot dit doel met eene afstraling van zijn gezag en zijne waardigheid bekleedt, het gezin leidt en regeert. Daarom zeide Jesus Christus (Matth. XXIII, 9): „Eén is uw Vader, die in de hemelen is.quot; Anderen komt deze naam van ouders toe, inzoover zij plaatsbekleeders zijn van Hem , „uit wien alle vaderschap „in den hemel en op aardequot; voortkomt (Eph. III, 15). — De genoemde voorrang bevestigt de verplichting der kinderen, hunnen ouders eerbied te bewijzen. Gelijk een aardsch koning verlangt, dat aan zijne beambten en plaatsbekleeders om zijnentwil behoorlijke eer bexvezen worde ; zoo vordert ook God, de Koning van het menschelijk geslacht, dat wij hun, die Hij tot zijne plaatsbekleeders verkoren heeft, dat in het huisgezin de kinderen hunnen ouders om zijnentwil en in zijne plaats behoorlijke eer bewijzen. Daarom kan, gelijk een H. Kerkvader zich uitdrukt, „geen kind zijne „ouders onteeren, zonder dat God zelf onteerd wordt.quot; Derhalve zegt ook de H. Schrift: „God wil, dat de kinderen „hunnen vader eeren, en Hij wil en bevestigt het gezag
„der moeder over de kinderen____ „Wie den Heer vreest,
„eert zijne oudersquot; (Sir III, 8). Hij vermaant ons in het algemeen dikwijls en dringend tot dien eerbied, en het goddelijk gebod zelf luidt: „gij zult vader en moeder eemï.quot; God zegt niet: „gij zult uwe ouders beminnenmaar „gij zult hen eeren.quot; Liefde toch zijn wij aan alle menschen schuldig; maar aan de ouders daarenboven eerbied, omdat zij als Gods plaatsbekleeders hooger staan dan wij, omdat zij over ons gesteld zijn. Overigens bevat de uitdrukking:
14*
212
„Eert uwen vader,quot; enz. alle kinderlijke plichten. Immers, wie zi]ne ouders waarlijk en naar behooren in eere houdt, hij zal hen ook beminnen, en aan hunne bevelen volkomen en met vreugde gehoorzamen.
2) Hoe moeten de kinderen hunne ouders eeren ? —Zij moeten hen, als Gods plaatsbekleeders, hoogachten, en hen derhalve met woord en daad altijd eerbiedig bejegenen, volgens de uitspraak van den H. Geest; „Eer uwen vader „met woord en daad en in alle geduldquot; (Spr. III, 9). De inwendige eerbied, welke uit het bewustzijn van den genoemden ouderlijken voorrang voortkomt, moet zich bij de kinderen dus daardoor openbaren, dat zij in woorden jegens de ouders bescheiden, toegevend, zachtmoedig, in toon en stem eerbiedig zijn; verder daardoor, dat zij zich in hun gedrag jegens hen altijd en overal beleefd, welgevallig en voorkomend toonen en het in hnnne houding en in hunne handelwijze nooit aan de behoorlijke achting laten ontbreken. Een schoon voorbeeld van kinderlijken eerbied gaf Joseph, die, hoewel hij in het land van Egypte de eerste na Pharaö was, toch zijnen vader, die tot de bij de Egyptenaars verachten herdersstand behoorde, blijde te gemoet ging, hem weenende om den hals viel, en vervolgens aan den koning voorstelde (1 Mos. XLVI, 29); eveneens koning Salomon, die op het oogenblik dat zijne moeder Bethsabee de koninklijke zaal betrad, van zijnen troon opstond, haar tegemoet ging, voor haar zich boog, haar welwillend toesprak en op een troon aan zijne rechterhand liet zitten \') (3. Kon. II, 19). Het bewonderings-
i) De geschiedenis na de komst van Christus levert ons in gelijks treffende voorbeelden van kinderlijken eerbied jegens ouders. — Alphon-sus, Koning van Leon in Spanje, wien zijn vader, Ferdinand II, reeds tijdens zijn leven kroon en scepter overgegeven had, onderscheidde zich op zeer bizondere wijze door zijn kinderlijken eerbied. Zoo dikwijls hij ambtshalve het paleis verliet, vroeg hij zijnen vader knielend om den zegen, en na de terugkomst was steeds zijn eerste weg naar zijn vader. Op zekeren dag nu gebeurde het, dat deze edelmoedige vorst op de vijanden van zijn rijk en van de Christenen , namelijk op de uit Arabic afstammende en met den valschen profeet Mahomed dweepende Mooren, eene schitterende zegepraal behaalde. Bij dit bericht liet zich de hoogbejaarde, door ouderdom verzwakte vader op een draagstoel naar zijn innig geliefden, roemvollen zoon brengen, om hem het eerst van allen geluk te wenschen. Nauwelijks had Alphonsus zijnen vader bemerkt, of hij sprong blijmoedig van het paard, snelde in de armen van den overgelukkigen grijsaard en liep vervolgens eerbiedig naast den draagstoel van zijn vader. Te vergeefs mnakte Ferdinand de opmerking, dat het niet betaamde, dat hij, de Koning, te voet ging, terwijl al zijne gezellen te paard zaten. Ue edele zoon antwoordde: «Laat het zoo goed zijn, vader; deze toch zijn uwe zonen »nlet.quot; Alphonsus schaamde zich niet, zijnen vader te voet tot aan het koninklijk paleis te vergezellen, en daar aangekomen, hem op de armen in zijne kamer te dragen.
213
waardigste voorbeeld van eerbied jegens de ouders gaf ons echter de mensch geworden Zoon van God zelf. „Eert „uwe ouderszegt de H. Ambrosius (over Luc. boek 8), „eert uwe ouders, omdat ook de Zoon van God de zijnen „geeerd heeft Want gij hebt zeker gelezen : „ „En Hij was „„hun onderdanig.quot;quot; Als God zijnen nederigen dienaren eer „bewees, wat zijt gij dan niet uwen ouders schuldig?\'\' Het eerste wonder, hetwelk Jesus wrocht, was een bewijs van eerbied jegens zijne heilige Moeder. Immers, ofschoon Hij , gelijk de H. Chrysostomus schrijft, op de bede van Maria antwoordde: „mijn uur,quot; d. i. de tijd om als wonderdoener op te treden „is nog niet gekomen, zoo willigde „Hij toch het verzoek zijner Moeder in, om Haarteeeren, „Haar voor de aanwezigen de beschaming van een vruchte-„loos verzoek te sparen \'\'
3) De kinderen zondigen tegen den aan hunne ouders verschuldigden eerbied, wanneer zij a) hen verachten of geringschatten; want alleen uitwendige achting is geen ware kinderlijke eerbied, maar huichelarij en veinzerij ; b) wanneer zij kwaad van hen spreken; c) wanneer zij zich hunner schamen , omdat zij arm , ongeletterd, door ouderdom en ziekte gebrekkig of van nederigen stand zijn;1) d) wanneer zij hun bits en norsch antwoorden , gelijk Kaïn God antwoordde, als Hij hem wegens zijnen broeder Abel rekenschap vroeg en het ongepaste antwoord ontving: „Ben ik de bewaarder van mijnen broeder?quot; (1. Mos. 1, . ^) — Mogen ook de ouders fouten en gebreken
lt;) Paus Benedictus XI, die om zijne verheven deugden en verdiensten in het jaar 1303 op den roomschen Stoel verheven werd, was van geringe afkomst. Als liij zich eens in Perugia ophield, kwam zijne oude mosder, eene eenvoudige landbewoonster, daarheen, teneinde haren zoon met zijne verheffing geluk te wenschen. Opdat de Paus zich over haar niet zou behoeven te schamen, hadden voorname vrouwen haar in rijke en prachtige kleederen gedost- De Paus wilde haar echter zóó niet voor zijne moeder erkennen, wijl, zooals hij zeide, zijne moeder als dagloonster zulke kostbare kleederen niet droeg. Zij trok nu weder hare gewone kleederen aan en werd daarop door Benedictus met kinderlijken eerbied en liefde ontvangen en met weldaden overladen. (Een dergelijk voorval verhaalt Hunter van eenen Bisschop. Zie Wilmers handboek D, III. bladz. 239).
\'-) Karei XII, Koning van Zweden, was in zijne jeugd een hartstochtelijk minnaar van den wijn en liet zich meer dan eens tot dronkenschap verleiden. Eens viel hij, in zulk een toestand, tegen zijne moeder met zeer harde en beleedigeude woorden uit. Den volgenden dag maakte een zijner vrienden hem opmerkzaam, hoe smartelijk en kwetsend zijn gedrag van gisteren voor zijne oude moeder moest geweest zijn. Karei hoorde zijnen vriend kalm aan, en nadat hij eenige oogenblik-ken, inwendig diep bewogen, had nagedacht, beval hij met drift, hem eene llesch eu een glas te brengen. Hij nam dan de Üesch en het glas in de hand en ging tot zijne koninklijke moeder. /Moeder,quot; zoo sprak
214
hebben, zij zijn en blijven toch Gods plaatsbekleeders in het huisgezin en verdienen daarom achting en eerbied. Het kind, dat gebreken bij zijnen vader of zijne moeder waarneemt , mag wel van harte wenschen, dat de ouders tot de kennis van hunne fouten geraken en ze afleggen, maar nooit mag het hen verachten, nooit mag het hunne gebreken aan broeders of zusters of aan vreemden openbaren, nooit hea tot een voorwerp van bespotting maken. Al ziet een kind zijne ouders misdoen, toch heeft het volstrekt geen recht, om een slecht kind te zijn, en de voetstappen te volgen van den roekeloozen Cham, die door blik en woord zijn beschonken vader bespotte. „Het oog, dat zijnen „vader veracht en valsch naar zijnen moeder ziet, zullen „de raven uitpikken en de jonge adelaars eten\'\' (Spr. XXX, 17). Zoo luidt de bedreiging van den H. Geest. \')
II. Liefde zijn de kinderen aan hunne ouders verschuldigd, omdat de ouders naast God de grootste weldoeners der kinderen zijn. — 1) üe ouders bekleeden Gods plaats bij de kinderen, niet alleen door de ouderlijke waardigheid, maar ook door hunne ouderlijke liefde, welk een sprekend afbeeldsel is der liefde en milddadigheid van God, den Vader van alle menschen. Aan de ouders heeft het kind naast God aanzijn en leven te danken; aan de ouders heeft het vooral in de eerste levensjaren voeding, kleeding, verpleging, bescherming tegen alle gevaren, hulp in zijne menigvuldige behoeften te danken;... de ouders zijn voor de kinderen als \'t ware de rechterhand der voorzienigheid Gods, die met onuitsprekelijke liefde en teederheid voor ieder zijner schepselen zorg draagt; hunne liefde is, zoo te zeggen, eene uitstorting van deze zijne vaderlijke liefdeen zorgvuldigheid, welke Hij zelf in het vader- en moederhart gelegd heeft. Naast God, van wien elke goede gave komt, zijn dus de ouders onze grootste weldoeners, en verdienen daarom ook boven alle overige medemenschen onze innigste liefde.
hij tot haar, ,/ik lieb u gisteren beleedigd en bedroefd.quot; Hierop vulde hij het glas tot aan den rand, dronk het in tegenwoordigheid der verbaasde koningin-moeder tot den laatsten druppel uit en sprak vervolgens : //Dit was het laatste glas wijn, dat ik gedronken heb, nu /,niets meer mijn leven lang.quot; En hij hield woord (Stöger, de hemels-troon, biadz. 8i enz.).
Hebt gij den moed niet, op zulke wijze het gebrek aan eerbied jegens uw ouders te herstellen, bevlijtig u tenminste hen om vergeving te bidden, wanneer gij hen in opwelling van drift door onbehoorlijke woorden of manieren beleedigd hebt.
!) igt;e katecheet zal zelf het beste weten, welke gebreken en kwade gewoonten hij bij de kinderen, welke hij onderricht geeft, berispen moet; eene uitvoerige opsomming daarvan achten wij overbodig.
215
2) Om aan dezen noodzakelijken liefdeplicht te voldoen, moeten de kinderen n) den ouders dankbaar en hen van harte genegen zijn; ó) hen door een goed gedrag verheugen ; c) in hunnen nood ondersteunen en in den ouderdom verzorgen; d) hunne gebreken en zwakheden geduldig verdragen.
Zou het geen ondank, geen zwarte, afschuwelijke ondank zijn, de liefde der ouders niet met innige wederliefde, met hartelijke genegenheid te vergelden? Een ondankbaar kind noemt de Geest Gods in de H. Schrift: „een schandelijken, „rampzaligen menschquot; (Spr. XIX, 25). Niet alleen in woorden , mijn kind, moet uwe liefde en dankbaarheid zich uiten, maar ook en wel hoofdzakelijk in werken. Bevlijtig u dus vooral en ten allen tijde, door ongeveinsde godsvrucht, door onschuld en deugd, dcor een liefderijk, voorkomend en in alle opzichten stichtend leven de troost, de hoop en de vreugde uwer ouders te zijn. Kan er voor de kinderen zelve een grootere troost zijn , dan door hunnen hoogstgelukkigen vader of door hunne hartelijk liefhebbende moeder met deze woorden aangesproken te worden : eene grootere vreugde heb ik niet dan deze, dat ik hoor, dat gij wandelt in de waarheid, dat gij een deugdzaam, oprecht christelijk leven leidt. Dezen troost verdiende de jonge Tobias, wien zijn grijze vader en zijne bejaarde moeder „het licht hunner oogen, den staf van „hunnen ouderdom, den troost van hun leven, hunne hoopquot; noemden (Tob. X, 4). Ook vermeed deze edele zoon zorgvuldig alles, wat zijne ouders maar eenigermate bedroeven kon. Hij spoorde den Engel, die hem vergezelde, aan, hem, zoo het mogelijk ware, zonder uitstel uit den vreemde, waarheen hij geleid was, naar het vaderland terug te brengen. „Want gij weet zelf,quot; sprak hij tot zijn hemelschen leidsman, „dat mijn vader de dagen „telt; en als ik één en dag langer vertoef, dan wordt zijne „ziel bedroefdquot; (Tob. IX, 4 \'). Mocht ook gij, mijn kind, den jongen Tobias gelijk zijn! „Mogen uw vader „en uwe moeder zich verheugen, en moge zich verblijden
!) Schoon ook is het voorbeeld van kinderlijke liefde, hetwelk ons de H. Schrift (1 Mos. XLIV, 31—34) van Juda, den zoon van den patriarch Jacob verhaalt. Juda was bij zijn grijzen vader borg gebleven vcor benjamin, diens jongsten en innig pelielden zoon. Daarom antwoordde hij Joseph, den stadhouder van Egypie, die zich hield, alsof hij Benjamin wilde achterhouden: ;/lk wil blijven en uw slaaf «zijn in plaats van den jongeling, en laat den jongeling optrekken met ,zijne broeders; want zonder hem kan ik niet tot mijnen vader weder-,/keeren, opdat ik niet getuige zij der smart, welke mijnen vader * treffen zou.quot;
216
„zij, die u gebaard heeftquot; (Spr. XXIII, 25 »)• — Geraken uwe ouders in nood, behoeven zij uwe ondersteuning of verzorging, laat hen dan geen gebrek lijden, niet versmachten ; sta hen na vermogen bij, lenig hunne smarten door eene zorgvuldige verpleging. Nemen hunne lichamelijke en verstandelijke vermogens door zwakheid of ouderdom af, worden zij dien ten gevolge luimig en lastig, toon hun dan vooral uwe liefde in alle geduld ea zachtmoedigheid. „Mijn kind,quot; zoo vermaant de H. Geest, „trek u uwen vader aan als hij oud wordt, en bedroef „hem niet, zoolang hij leeft. Neemt hij af in verstand, „zoo duid het hem ten goede, en veracht hem niet in „uwe kracht; want de weldaad, welke gij uwen vader „betoont, zal niet in vergetelheid geraken, en het onaangename, dat gij van uwe moeder te verduren hebt, wordt „u met goud vergoldenquot; (Sir. Ill, 14—16). „Eer uwen „vader uit geheel uw hart, en vergeet de smarten uwer „moeder niet. Gedenk, dat gij zonder hen niet geboren „waart, en doe hun goed, gelijk zij ook u bewijzenquot; (VII, 29, 35). Al zoudt gij ook genoodzaakt zijn, om uwe ouders uit den nood te redden, uwen arbeid te verdubbelen, u menige ontbering te getroosten en zelf u van het noodige te berooven: wat zou het zijn in vergelijking van hetgeen zij voor u gedaan hebben, toen gij nog niet in staat waart voor u zeiven te zorgen ? Wat in vergelijking mei de vermoeienissen en zorgen van uwen vader voor uw levensonderhoud, met de moeielijkheden en smarten uwer moeder, met het onophoudelijk nachtwaken en de wederwaardigheden, welke uwe kinderjaren en uw onvermogen noodzakelijk hebben gemaakt? 1) Jesus, het vol-
1
) De kinderliefde toont zich ook somtijds groot in schijnbaar geringe offers. — „Waarom rookt gij niet meer?quot; vroeg vriendelijk een heer aan zijn knecht. Deze wilde in den beginne niet antwoorden; toen de meester echter dringender bij hem aanhield, antwoordde hij, eenigszins verlegen: ,/Ik meen, dat het beter is. dat 7ik het geld, hetwelk mij de tabak alle veertien dagen kost, aan „mijn armen vader geefquot; (Jais, geschied ). — Eiisaheth, de dochter van brave, maar behoeftige landlieden, had op den dag harer eerste H. Communie het besluit genomen, eene der huiselijke zorgen aan
217
maakte voorbeeld van alle goede kinderen, vergat zelfs hangende aan het kruis, onder het bitterste lijden , de kinderlijke zorg voor het tijdelijke welzijn zijner diep bedroefds Moeder niet. Want ofschoon Hij als God bereid was, door zijne voorzienigheid voor al hare behoeften te zorgen, zoo stelde Hij toch als mensch haar onder de bizondere verzorging van zijn beminden leerling, den H. Joannes, met de woorden : „zie, uwe Moeder!quot; (Joan. XiX, 27). — Bewijs echter voor alles, mijn kind, en ten allen tijde uwen ouders kinderlijke liefde door vlijtig en met een vurig hart voor hen tot God te bidden, tot God, die alleen in staat is, door hetnelschen zegan en eeuwige goederen hun het goede te vergelden, dat zij u bewezen hebben. De verplichting van te bidden voor de ouders wordt nog dringender, als zij reeds uit dit leven gescheiden zijn. Bid dus dagelijks voor de zielerust van hen, die zoo dikwijls in dit leven
hare ouders te ontnemen, en voortaan in haar eigen onderhoud te voorzien. Zij verhuurde zich diensvolgens te Frankfort aan den Main, en ofschoon zij het eerste jaar slechts een zeer klein loon kreeg, bracht zij het toch zoo ver, van drie gulden bij een te sparen. Op haren geboortedag zond zij het bespaarde geld aan hare arme ouders met den volgenden brief: „Geliefde ouders! Gij hebt mij vijftien //jaren lang gespijsd en gedrenkt, verzorgd en bewaakt, en tot gods-^vrucht opgevoed Hoe zal ik u daarvoor op mijn luiidigen geboorte-, «dag bedanken? Ik heb de spreuk niet vergeten: Eer uwen vader van //ganscher harte, en vergeet niet, hoe moeielijk liet uwe moeder om ^uwentwille geworden is. Hier zend ik u derhalve drie gulden, „welke ik van mijn loon en van eenige drinkgelden bij mijn goeden //heer bespaard heb. Ik hoop op mijn volgenden geboortedag iets ,meer voor u te hebben. Blijft gezond en wel, en vergeet niet uwe //gehoorzame Elisabeth. Frankfort, den 27 Aug. 1784quot; {Levensvruchten van Sinaï). — Een trek van heldhaftige kinderliefde, welke zelfs voor de zwaarste offers niet terugdeinst, verhaalt de Gravin van Redern in een werk, hetwelk zij onder den titel //Episodenquot; te Parijs heeft uitgegeven. Vrouwe van Chaussande leefde met hare zestienjarige, door natuurlijke voorrechten en deugd zich onderscheidende dochter Isaure in het jaar 1793 op haar landgoed te Carpentras. .Ten tijde van het schrikbewind toen bezitting, adeldom en deugd de eerste schreden tot het schavot waren, trof ook vrouwe van Chaussande het ongeluk, voor de rechtbank te Orange gebracht te worden. Isaure, de teeder minnende dochter, wilde hare moeder niet verlaten. Zij volgde haar vrijwillig in de gevangenis en verminderde, zooveel en zooals zij maar vermocht, het akelige en gruwzame binnen de muren van den kerker. Het duurde niet lang, of moeder en dochter werden door het bloedgerecht ter dood veroordeeld. Uoch de eerbiedwekkende houding van de deugdzame moeder, noch de jeugd en onschuld der dochter troffen het hart dier onmenschen, doch de beul bood zich aan, haar te trouwen. Het gerecht willigt zijn voorstel in. Men legt Isaure de voorwaarde voor, onder welke alleen zij zich aan de guillotine kon onttrekken. Met heldhaftige opoffering vroeg de edele freule weldra; //Red ik voor dezen prijs ook mijne goede moeder?quot; Op liet ontkennend antwoord van den president riep Isaure uit: „brengt ons dan liever beiden ter dood 1quot; De wreedheid werd voltooid (Hungari, vruchten van het kruis).
218
de noodige rust hebben opgeofferd, opdat gij in geluk en welstand zoudt leven, die misschien juist, omdat zij voor uw tijdelijk welzijn al te angstig bezorgd waren de eeuwige rust nog niet genieten. \')
3) De kinderen zondigen tegen de aan hunne ouders verschuldigde liefde, a) als zij hun kwaad toewenachen of aandoen: 6) hun door een slecht gedrag kommer en schande berokkenen of hen bedroeven en vergrammen; c) wanneer zij hen in nood of in ouderdom niet bijstaan; d) hunne gebreken niet geduldig verdragen en e) als zij voor hunne leverde of afgestorvene ouders niet bidden. — Den ouders kwaad toewenscben, hen vervloeken , hen misschien zelfs mishandelen is eene vreeselijke misdaad, eene misdaad , welke God zelf met de doodstraf bedreigde. „Hij , die vader „of moeder slaat, moet sterven.quot; „Wie zijnen vader of „moeder vloekt, zal stervenquot; (2. Mos. XXI, 15, 17). En 3. Mos. XX, 9 staat geschreven: „Uij heeft zijnen „vader of zijne moeder gevloekt; het bloed kome op hem.quot; De hand met voorbedachtzaamheid opheffen, om de ouders te slaan, is reeds groote zonde. 2) Niet minder ergelijk
\') De H. Petrus Damianus werd In zijne jeugd door zijne ouders zeer hard behandeld. Zijne moeder, hare vele kinderen moede, weigerde den kleine zelfs de noodige voeding en verzorging, zoodat hij zeker gestorven zou zijn, had niet eene goedaardige buurvrouw zich over hem ontfermd. Later nam zijn oudere broeder hem bij zich, gebruikte hem tot de geringste bezigheden en liet hem daarbij aan al het noodige gebrek lijden. In dien toestand van vernedering en algeheele ontbering vond Petrus op zekeren dag een stuk geld van waarde. Blijde over den vond dacht hij even na. wat hij zich daarvoor konde en zoude aanschafl\'en. Toen herinnerde hij zich zijn overleden vader, en nam het besluit, het gevonden geld aan een Priester te geven, met verzoek, dat deze voor de zielerust van den ontslapene eene H. Slis zou lezen (Bolland. a3 Febr.).
\'2) Hoe zelfs Heidenen, hoe bij uitnemendheid de Chineezcn, die, zooals bekend is, hunnen ouders eene ongewoon groote hoogachting toedragen, zulke misdaad verfoeien en straffen, toont ons het volgende feit, hetwelk in de ISJe eeuw voorviel en door de toenmalige katholieke Missionarissen van China werd opgeteekend en medegedeeld. Eene geachte bewoonster van Peking, de hoofdstad van het chineesche rijk, had hare dochter aan een burger der genoemde stad, met name Hamki, uitgehuwd. Toen de feesten van het huwelijk voorbij waren, deed de moeder eene reis naar de stad ISanking, waar «ij met verscheidene pas bekeerde Christenen in aanraking kwam en door hunne bemiddeling de zaligmakende leer van Jesus Christus leerde kennen en beminnen. Zij liet zich doopen, keerde vervolgens naar Peking terug, en verhaalde hare dochter en haren schoonzoon Hamki. dat zij Christin geworden was Deze, buiten zich zeiven van gramschap, overlaadden de moeder met schimp en smaadwoorden, en wierpen haar eindelijk het huis uit. De bevelhebber der stad van deze wandaad onderricht, liet Hamki en zijne vrouw in de gevangenis brengen en verklaarde tevens, dat de misdaad ol te groot was, dan dat het hem vrijstond, de verdiende straf daarover uit te spreken: de keizer alleen was gerechtigd, in deze zaak uitspraak te doen.
219
is het, als kinderen door losbandigheid, ledigheid, en zwelgerij, door verkeer met goddelooze en losbandige lieden ,
Zonder verwijl werd een stadsdienanr tot den keizer gezonden met een schriftelijk bericht over de toedracht der misdaad. De keizer bevond zich toen ver van de hoofdstad in Tartarije, en slcmd juist op het punt, volgens \'s lands gewoonte, met een talrijk gezelschap ter jacht te gaan , loen de afgezant voor hem trad en hem liet gemelde schrijven overreikte. Om niet te lang te worden opgehouden, vroeg de keizer naar den korten inhoud er van. Toen hij dien uit den mond van den afgezant vernomen had, riep de vorst verschrokken en weemoedig uit: „Ach, God van hemel en aarde! wat heb ik toch //misdaan, dat in mijn rijk, onder mijne regeering, eene zoo ont-„zeltende misdaad moest worden bedreven?quot; Terstond gaf hij bevel, de jacht uit te stellen, zonderde zich in zijne kamer af, riep op den volgenden dag het hoogste gerechtshof bijeen en bekrachtigde het gevelde dtodvonnis. — Middelerwijl had de mishandelde moeder, die voor hare dochter en haren schoonzoon het ergste vreesde, de geleden beleedigingen niet gedachtig, zich gewend tot oe missionarissen, die toen bij het hof in hooge gunst stonden, teneinde door hunne voorspraak eene vermindering van het, gelijk te vooizien was, uiterst strenge vonnis te bewerken. De liefdevolle toezegging der Missionarissen lion echter de vrees en den angst van haar moederhart niet geheel verdrijven. Toen de afgezant na geruimen tijd met het keizerlijk vonnis terugkeerde, begaf zij zich tot hem, wierp zich voor hem te voet en smeekte om vergeving. Deze vroeg haar nu, hoe groot haar vermogen en dat van hare kinderen was, en als zij het hem naar beste weten had opgegeven, ging hij voort: ,/De keizer zal u ^drievoudig vergoeden; dat is alles, wat ik in last heb u te zeggen.quot; Terstond daarop begon de voltrekking van het keizerlijk vonnis. Gewapende manschappen omringden het huis van Hamki, staken het in brand, sloopten het tot den grond, plaatsten daar, waar het gestaan had, een schandpaaf, op welken de bedreven inisrtaad endedaarvoor opgelegde straf lot waarschuwing van alle voorbijgangers geschreven stond. Een gelijk lot trof ook de landhuizen van het plichtvergeten echtpaar; zells de oogst op de velden werd verbrand, zoodat geen halm meer overbleef. Thans eerst begaf zich de keizerlijke afgezant naar de gevangenis en las de verachters van het vierde gebod het doodvonnis voor. Het luidde; ter dood door het vuur. Toen de moeder, die hare kinderen niet had verlaten, dit hoorde, zonk zij bewusteloos neder. Niettemin werden de beide misdadigers terstond met kooi den gebonden en door de met toeschouwers opgevulde straten der stad ter gerechtplaats geleid, lleeds naderden zij haar, toen eensklaps een bode kwam aunrennen met het bericht, dat de keizer op verzoek der Missionarissen de doodstraf in ballingschap had veranderd. — De edelmoedige moeder vergezelde de haar wedergegeven en verbeterde kinderen in de ballingschap en had het geluk lien voor Christus te winnen. Na verloop van verscheidene jaren mochten zij met hunne moeder terugkeeren naar Nanking, maar niet meer naar Peking, waar de schandpaal staan bleef.
Ofschoon dergelijke misdaden, welke helaas! ook ond^r Christenen voorkomen, het oog en den straffenden arm der wereldlijke overheid somtijds ontgaan, zijn zij toch altijd bekend aan God, en God, de oorsprong en beschermer van het ouderlijk gezag, stratt ze niet zelden hier beneden reeds op onmiskenbare wijze. — Een man uit de nabijheid van Keulen (wij zouden naam en woonplaats kunnen opgeven) had zich zoover vergeten, dat hij zijne moeder mishandelde. Den Priester van Hammersbach, die trachtte hem zijn ondankbaarheid te doen inzien, wees hij met bitse woorden van zich af. Op dienzelfden dag werd de man op den spoorweg overreden, zoodat hem
220
door slechte kennissen , door kleederpracht, genotzucht en verkwisting, door eene onbeschaamde en liefdelooze handelwijze de ouders krenken en bedroeven, hun leven verbitteren en verkorten. Hoe menig vader en hoe menige moeder daalt vroeg ten grave, omdat de kommer en het leed over een ontaarden zoon of eene losbandige dochter onophoudelijk aan hun hart knaagt en den levensdraad vóór den tijd met geweld afbreekt? Ondankbaar kind! zult gij het wagen, de doodkist voor uwen vader of voor uwe moeder te bestellen en hun te zeggen: „Het is tijd, „dat gij u daar nederlegt: ik kan uwen dood niet langer „afwachten ?quot; Welnu, gij doet meer dan dit, door de voortdurende droefheid, welke gij hun hart bereidt. Gij sleept hen langzaam naar het graf, gij geeft hnn den doodsteek; want de droefheid doet sterven , „droogt het „gebeente uit!quot; (Spr. XVII, 22). Maar ook uw levensgeluk is voorbij. Gij zult u nooit meer van harte kunnen verheugen, omdat de grafheuvel uwer ouders u onophoudelijk toeroept: „Hier liggen zij, die u het leven ge-„schonken hebben, en wier leven gij, als een ontaard „kind, verkort, geroofd hebt.quot;
III. Gehoorzaamheid zijn de kinderen hunnen ouders verschuldigd, omdat deze als Gods plaatsbekleeders de macht hebben, hen goed en christelijk op te voeden. 1) „Kin-„deren, gehoorzaamt uwen ouders in den Heer,quot; zegt de Apostel, „want dit is billijkquot; (Eph. VI, 1). „Gehoorzamen\'\' is: den wil van een ander doen, omdat men in hem de macht erkent, van te bevelen, d. i. zijnen wil te openbaren, en op de vervulling daarvan aan te dringen. „Den „ouders gehoorzamenquot; is dus: den wil der ouders doen, omdat men in hen de macht erkent, aan de kinderen hunnen wil te openbaren en te vorderen, dat zij dien volbrengen. De
in het hospitaal een arm moest worden afgezet ( Zondagsblad. November 1854). — Ook uit vroegere tijden kunnen dergelijke voorbeelden in menigte worden aangehaald. Merkwaardig is ouder anderen, wat de H. Petrus Damianus (Br. VIII. br. 3.) van een burger van Milaan verhaalt, die op den bruiloftsdag zijne moeder van nalatigheid in de toebereiding van het bruiloftsmaal beschuldigde en haar in zijne drift een geduchten slag op de linkerwang toebracht. Deze boosaardige en vermetele zoon kreeg namelijk oogenbiikkelijk eene akelige kwaal aan zijne linker wang, welke hem onuitstaanbare smarten veroorzaakte, zoodat hij in ééne adem voorthuilde en brulde, tot hij door het gebed zijner moeder en de voorspraak van den H. Nazarius weder genezen werd. — De H. Kluizenaar Gerlach, die in het midden der ISJe eeuw in België leefde, erkende in zijne uiterst smartvolle, door eene doornsteek veroorzaakte, ongeneeslijke wonde aan den voet de rechtvaardige straf Gods vcor een trap met den voet, welken hij in jeugdige onbezonnenheid aan zijne moeder gegeven had (Bolland. 5. Januari).
221
erkenning dezer oudermacht is volkomen bewezen; anders kon de Apostel de gehoorzaamheid jegens de ouders niet „billijkquot; noch „Gode behagelijkquot; (Kol. Ill, 20) noemen. God, die het onvervreemdbare recht heeft, allen verstandigen wezens zijnen wil te openbaren en de stipte volbrenging daarvan te vorderen, brengt dit recht in zooverre op de ouders over, als noodig is, opdat zij de hun toevertrouwde kinderen tot een goed, christelijk leven opvoeden en vormen; God, de onzichtbare Opvoeder aller menschen, deelt aan de ouders, als de zichtbare opvoeders hunner kinderen en zijne plaatsbekleeders, macht en recht om te bevelen mede. De kinderen moeten dus gehoorzamen „in den Heer,quot; d. i. dewijl de Heer het beveelt, en gelijk de Heer het beveelt, namelijk op de door Christus geopenbaarde, door zijne leer en zijn voorbeeld aangeduide wijze.
2) Om de verplichting van gehoorzaamheid na te komen moeten de kinderen a) alles doen of laten , wat de ouders gebieden of verbieden , in zoover zij niets kwaads of onwettigs bevelen; 6) hunnen raad en hunne vermaningen bereidvaardig aannemen en met liefde opvolgen. — De gehoorzaamheid der kinderen moet dus zoo wezen, dat zij overal en ten allen tijde bereid en genegen zijn , den wil der ouders zonder tegenspraak, blijde, vaardig en letterlijk te vervullen, steeds gedachtig, dat zij in den persoon hunner ouders aan God zeiven gehoorzamen en Hem daardoor welgevallig worden, volgens de vermaning van den Apostel; „Gij kinderen, gehoorzaamt den ouders in alles; „want dit is welgevallig aan den Heer.quot; — Zoo was zonder twijfel de jonge Tobias gezind, als hij tot zijnen grijzen vader, die hem onderscheidene bevelen en lessen had medegedeeld, de kinderlijke woorden richtte; „alles, „wat gij mij bevolen hebt, vader, wil ik doenquot; (Tob. V, 1); zoo ook de jeugdige Samuël, die acht gevende op iederen wenk van den Uoogepriester Heli, den plaats-bekleeder van zijnen vader , driemaal in denzelfden nacht opstond, zich met spoed tot hem begaf, omdat hij vermeende zijne stem gehoord te hebben, en telkenmale met dezelfde kalmte en bereidwilligheid tot hem sprak; „Zie, „hier ben ik, want gij hebt mij geroepenquot; (1. Kon. III). Zoo gehoorzaamde Jesus Christus zelf aan zijne ouders (Verg. D. II) Hoe kan de gehoorzaamheid onsnogmoeie-lijk vallen, als wij er ernstig aan denken, dat Hij, wien alle schepselen in den hemel, op de aarde en onder de aarde gehoorzaamheid schuldig zijn , dertig jaren lang in alle omstandigheden en werkzaamheden eener behoeftige huishouding aan zijne ouders „onderdanig\'\' wilde zijn? In
222
waarheid, Jesus heeft door zijn voorbeeld de gehoorzaamheid jegens de ouders zoet en liefelijk gemaakt en veredeld. — Mochten toch alle kinderen inzien , hoe wel^evalli» de deugd van gehoorzaamheid den goddeliiken Heiland is ! „Weet het, „mijne dochter,quot; sprak Hij eens tot eene godvruchtige maagd (de eerw. Mareraretha Maria, uit de orde van de visitatie van Maria), „ik bemin deze deugd. Ik heb mijn „leven voor haar gelaten, en zonder gehoorzaamheid kan „niemand Mij behagen.quot;
Zouden er echter ouders zijn, die, hunnen plicht vergetende, aan hunne kinderen iets zondigs bevelen, dan mogen deze (gelijk later van de onderdanen in het bizonder zal worden bewezen) geenszins gehoorzamen, en wel om de eenvoudige rede, dat God, de hoogste Wetgever , beveelt, alle zonden te vermijden. — Behalve het geval, waarin een kind niet mag gehoorzamen, zijn er nog andere, waarin het niet verplicht is te gehoorzamen , wanneer namelijk de ouders iets bevelen, wat onwettig is, d. i. wat op eenige wijze strijdt met een aangeboren en onvervreemdbaar recht van een kind. Dit heeft bijv. plaats, als de ouders een kind in de keuze van den levensstaat niet vrij laten ; als zij het dwingen, om in een klooster te gaan, geestelijk te worden, of omgekeerd, ingeval het, de goddelijke roeping volgende, den priesterlijken staat wilde aanvaarden of in een klooster gaan, en door zijne ouders daarin verhinderd, tot het huwelijk gedwongen werd. Christelijke ouders moeten wel bedenken, dat zij door zulk eene onwettige handelwijze, door zulk een misbruik der ouderlijke macht , dikwijls niet slechts hunnen kinderen, maar ook zich zeiven een zeer groot tijdelijk en zelfs het eeuwig ongeluk bereiden. 1) i) —
1
Ouders, die hnnne docliter dwingen, in een kJonsfer te gaaii, den sluier aan fe nemen of professie te doen, insgelijks zij, die dit verhinderen, worden door de kerk met den ban gestraft. Cunc. Trid. Sess. 25. de regul. C XVIII.
\') Te Tudela in Oud-Castilië leefde een zeer rijk man, die op zijn eenigen zoon alle hoop gevestigd had tot instandhouding van zijn geslacht. Deze voelde zich echter gerorpen, in de Sociëteit van Jesus te gaan, en bad zoo lang en dringend om aangenomen te worden, dat het hem eindelijk vergund werd. Zoodra de vader dit vernam, begaf hij zich naar het noviciaat, en maakte daar zulk een geraas, dat de zoon, om zijnen vader te gehoorzamen, de Orde weder verliet. Na zijne terugkomst in liet ouderlijke huis vernam hij op nieuw de stem Gods, die hem aanzette, de wereld te verlaten. Daar hij echter niet tot de Jesuiten durfde terugkeeren, trad hij in de Orde van den H. Franciscus. quot;Maar ook ditmaal hield de vader niet op, voordat de zoon aan zijne roeping ontrouw werd. Thans scheen het doel zijner wenschen bereikt, en hij was voor alles er op bedacht, den zoon eene vrouw te doen nemen. De keus van den zoon was op eene andere gevallen, dan die van den vader, en zoo geraakten zij in den hevigsten
223
In hoeverre het kind, hetwelk wenscht in het huwelijk te treden, verplicht is, zijnen ouders om raad te vragen en den gegevea raad op te volgen, zal hij de leer van het H. Sacrament des Huwelijks nader bepaald worden.
3) De kinderen zondigen tegen de aan hunne ouders verschuldisrde gehoorzaamheid; a) als zij hun onwillig of in \'t geheel niet gehoorzamen; i) aan hunne vermaningen geen gewillig oor leenen en c) tegen hunne bestraffingen zich verzetten, — Ts datgene, wat de ouders ten dienste der zedelijke opvoeding, huishoudelijke tucht en orde gebieden of verbieden, van groot gewicht, en is het de bedoeling der ouders, niet alleen raad te geven of te vermanen, maar met ernst te bevelen of te verbieden, dan begaan de kinderen , indien zij niet gehoorzamen , eene groote zonde. Van zulken geldt, wat de Apostel zegt (Rom. I, 30, 32): „die aan „de ouders niet gehoorzamen,.... zijn den doodschuldig.quot; Kinderen, die tegen het uitdrukkelijk verbod hunner ouders slechte en gevaarliike gezelschappen, danszalen, drink- en speelhuizen bezoeken, slechten omgang houden, enz., moeten zich dus in de biecht niet alleen van die zonden beschuldigen , welke zij bij zulke gelegenheden bedreven hebben, maar zijn ook verplicht er bij te voegen, dat zij tegen het uitdrukkelijk verbod hunner ouders daarin gegaan zijn, bijgevolg grootelijks tegen de kinderlijke gehoorzaamheid gezondigd hebben. — Verder kunnen zonen en dochters, ofschoon niet zoozeer tegen de gehoorzaamheid, loch tesren den verschuldigden eerbied en liefde zwaar zondigen, indien zij wel doen, wat bevolen, of laten, wat verboden is, maar eerst, nadat zij door driftige en bitse woorden, door morren, schimpen en vloeken, door onbeleefdheid en verzet de ouders diep bedroefd en tot hevige gramschap gebracht hebben; insgelijks als zij de vermaningen en terechtwijzingen hunner ouders niet willen hoeren, of zelfs met verachting en bitterheid durven spreken: ,.ik weet wel, wat ik doen „moet; gij hebt mij niets te zeggen, niets te bevelen.quot; — Mag ook jeugdige onbezonnenheid, overhaasting, driftige gemoedsaard, waarbij de wil niet altijd zoo slecht is, en het berouw niet lang uitblijft, in enkele gevallen de schuld van zulk eene handelwijze verminderen; dit kan geenszins van hen worden aangenomen, die zich een zoo norsch en wederspanning gedrag tot gewoonte gemaakt hebben, en geene moeite willen doen, om die gewoonte af te leggen.
twist. Op zekeren dag kwam het zelfs tot een treffen; de zoon verwondde den vader zwaar, werd derhalve gevangen genomen en eindigde zijn leven door de hand des scherprechters (Ligorio, Katech. bladz. 93)
224
Zulke kinderen zijn door hunne eigen zware schuld onverbeterlijk, en verdienen niet slechts uit het gezin, maar uit de maatschappii verbannen te worden. Zoo verlangde het God zelf in het Oude Verbond. „Als iemand,quot; zegt de goddelijke Wetgever, „een wederspannigen en losbandigen „zoon heeft, die naar de vaderlijke en moederlijke bevelen „niet hoort, en wanneer zij hem straffen, niet wil gehoorzamen , dan moeten zij hem nemen en tot de oudsten der „stad brengen en hun zeggen : deze zoon is wederspanning „en losbandig, en veracht onze vermaningen en geeft zich „aan dronkenschap, brasserij en ontucht over, en de stad „zal hem steenigen en hij zal sterven, opdat gij het kwaad „van u wendet, en geheel Israël het hoore en vreezequot; (5. Mos. XXI, 18—21).
Wat lebben kinderen te wachten, die het vierde gehod getrouw volbrengen , en wat zij, die het niet volbrengen ?
1) Kinderen, die het vierde gebod getrouw volbrengen, hebben in dit leven Gods bescherming en zegen, en in het andere de eeuwige zaligheid te wachten. — Het behoeft wel geen bewijs, dat God de volbrenging van het vierde gebod, gelijk die van alle andere geboden, met een eeuwig loon, met het genot der eeuwige zaligheid vergeldt. Bij deze eeuwige vergelding komt echter een geheel bizondere tijdelijke zegen , zooals de woorden van dit gebod uitdrukkelijk ons leeren. „Eer uwen vader en uwe moeder,quot; zoo lezen wij 5. Mos, V, 16, „opdat gij lang moogt leven op „aarde en het u wel ga...,quot; Werkelijk zien wij dan ook, reeds vóórdat de wet op Sinaï gegeven was, den tij del ij ken zegen des hemels op goede kinderen, bijv. op Sem en Japhet, op Isaac en Joseph, nederdalen, en in het voorbeeld van den jongen Tobias ontwaren wij duidelijk de vervulling van deze aan de goddelijke vyet toegevoegde belofte. — Dat de genoemde belofte ook voor het Nieuwe Verbond geldt, besluiten wij met recht uit de woorden van den Apostel aan de Ephesiërs (VI, 2, 3): „Eer uwen vader „en uwe moeder. Dit is het eerste gebod en de belofte; ,,dat het u wel ga, en gij lang moogt leven op aarde.quot; Daar ter plaatse wil de H. Paulus de geloovigen tot de beoefening van het vierde gebod opwekken, door hen te wijzen niet slechts op de geestelijke zegeningen van het Nieuwe Verbond, maar ook op de tijdelijke, welke in het Oude Verbond met de vervulling daarvan verbonden waren.\')
\') Hoewel de tijdelijke zegeningen, welke de goede zoon verwerft als belooning voor den eerbied, de liefde en gehoorzaamheid, aan zijne
225
Over de veelvuldige, zoowel tijdelijke als geestelijke zegeningen, iyelke God over goede kinderen uitstort, leert de H. Geest in liet boek Sirach (III, 5—17): /^gelijk iemand, die schatten vergaart, is hij, die „zijne moeder eert. Wie zijnen vader eert, v.zl vreugde aan zijne kinderen
15
ouders betoond, niet immer duidelijk zichtbaar zijn, zoo kan toch niet ontkend worden, dat er bezwaarlijk een braaf kind is te vinden, in wiens leven geene blijken van bizondere bescherming en bizondere bevoorrechting van de zijde der goddelijke Voorzienigheid merkbaar zijn. Als bijv. de menschen tan een kind, dat zijnen plicht betracht, hunne achting en liefde niet weigeren kunnen, wanneer zij doorgaans zulk een kind eene geheel bizondere opmerkzaamheid en ondersteuning waardig achten, heeft dit zijne voornaamste reden wel hierin, dat God hen geeerd en bemind wil hebben, die Hem zeiven in den persoon zijner plaatsbekleeders, namelijk der ouders, eeren en beminnen : het is een blijk van de beloonendè Voorzienigheid Gods. — Uit ontelbare voorbeelden slechts één. De keizerin Maria Teresia bezocht eens de militaire academie van Weenen, in welke grootendeels zonen van arme, ÏHoch verdienstelijke officieren op kosten des keizers voor den soldatenstand opgevoed en meesterlijk gevormd werden. ^Wie van mijne be-,/minde zonen,quot; vroeg zij den waardigen overste van de academie, //gedraagt zich het beste?quot; //Uwe Majesteit,quot; antwoordde deze, «zij zijn .•/allen braaf, allen uwe bescherming waardig; de jonge Bukassovich -/is echter de braafste van allen.quot; Alle leeraars prezen tegelijk den wakkeren jongeling. Toen sprak de keizerin, terwijl zij hem twaalf dukaten schonk: //ziehier eene vrijwillige bezoldiging, kleine soldaat, «en neem er eenig vermaak voor.quot; De jongeling wierp zich voor de goede vorstin te voet; zij gelastte hem echter op te siaan en reikte hem de hand. Na verloop van eene week reed de keizerin weder voorbij. Zij liet zich andermaal den jongen Bukassovich voorstellen, en vroeg, welk genoegen hij zich met het geld verschaft had. Toen werd deze kleinmoedig en bleef in zijne woorden steken. //Hebt gij het geld ver-//speeld of waaraan is hot verkwist geworden?quot; sprak de vorstin eenigs-zins ontevreden. //Ik heb het aan mijn armen vader gezonden,quot; hernam de_ jongeling bescheiden. //Wie is uw vader?quot; „Hij was luitenant in «dienst van uwe Majesteit; hij heeft nu zijn post verlaten, en leeft zonder lt; pensioen zeer armoedig in Dalmatië. Ik meende aan de goedheid , •/waarmede mij deze gulhartige gift geschonken werd, niet doeltrcffen-yder te kunnen beantwoorden, en van de gunst van Uwe Majesteit geen /beter gebruik te kunnen maken, dan haar tot\'ondersteuning van ,/mijnen vader te gebruiken, want dit was de grootste vreugde, welke „ik mij toen verschaffen kon.quot; „Gij zijt een braaf jongeling.quot; zeide de ■ getroffen keizerin. „Neem inkt, pen en papier! Zet\'u neder en schrijf.quot; Bevend en met een kloppend hart deed de jonge Bukassovich, gelijk de vorstin bevolen had. De goedige vorstin\' zeide hem voor: „Liefste ,vader! i)e brief, welken ik thans schrijf, zegt mij de keizerin zelve „voor. IIijn vlijt, mijn gedrag en mijne kinderlijke liefde en dankbaarheid jegens u, mijnen vader, hebben de vorstin zoozeer be-«haagd, dat gij van dit oogenblik af een jaarlijksch pensioen van „500 gulden bekomen zult, en ik zoo even weder een geschenk van 20 „dukaten ontving.quot; Men verbeelde zich de vreugde van den goeden Bukassovich. Het geschrift van dezen blijden brief was wel het slechtste, hetwelk hij ooit in zijn leven geschreven had; zelfs het papier was door zijne tranen geheel bevochtigd. Op deze wijze werd dankbaarheid en kinderlijke liefde tegelijk beloond. Grooter\' was echter het loon , dat in de toekomst volgde. Bukassovich kwam na het verlaten der academie in het leger, klom van rang tot rang op, en bewees in verschillende oorlogen de gewichtigste diensten. Hij bracht het tot luitenant-veldmaarschalk, eene der hoogste waardigheden in den militairen stand (Schuster en anderen).
DEIIASBE, amp;ELOOFSLF,KIt. III. 3lle DRUK.
226
,hebben, en op den dag, dat hij bidt, verhoord worden. Wie zijnen
rvader eert, zal lang leven____ Eert uwen vader, opdat zijn cetera over
,u kome en zijn zégen tot aan het einde dure. De zegen des vaders trhomvt den kinderen kuizen, de vloek der naoeder werpt ze omver. De «.eer van een mensch bestaat in de eer van zijnen vader. De weldaad.
.ywelke gij uwen vader bewijst, wordt nooit vergeten____ Gerechtigheid
„zal de grond van uw gebouw zijn; op den dag der droefheid zal aare ,/« gcdacht warden, en gelijk liet ijs bij schoon weder zullen «?(;e conrfen tsmeltenquot; — De H. Thomas brengt in zijne beknopte verklaring (opusc.) der tien geboden de in deze Schriftuurplaats beloofde belooningen tot de volgende punten terug: ten eerste, tot genade in het tegenwoordige en glorie in het toekomstige leven; ten tweede , tot een lang leven op aarde; ten derde, tot vreugde en troost van eigen kinderen; ten vierde, tot een goeden naam; ten vijfde, tot tijdelijke welvaart. — Op de vraag, waarom ook goede kinderen door den dood vroegtijdig worden weggerukt, antwoordt de romoinsche Katechismus: dit geschiedt, of omdat het hun dienstiger is te sterven, alvorens zij den weg der deugd verlaten; want ;/zij worden weggerukt, opdat geene -/boosheid hun verstand verderve, noch bedrog hunne ziel misleidequot; (Wijsh. IV, 11), of omdat zij, voordat het bederf en de vernietiging van al het bestaande aanbreekt, uit dit leven goedgunstig worden opgeroepen. Want //voor den booze (de uitbarsting en zegepraal dei-boosheid) „wordt de rechtvaardige weggenomenquot; (5. LVII, 1), opdat, wanneer de menschen ter wille van hunne zonden gestraft worden , zijne zaligheid niet in gevaar kome, en zijn hart niet met kommer en bitterheid vervuld worde bij het zien der algemeene rampen en het lijden zijner bloedverwanten en vrienden. Zoo verlangde de H. Augusti-nus kort voor zijnen dood uit dit leven opgenomen te worden, opdüt bij de rampen, welke zijn volk bedreigden, niet zoude zien. De H. Thomas voegt (a. a. O.) als verdere reden er bij, dat het leven van den rechtvaardige, ofschoon het kort volgens iien tijd is, toch een lang leven mag genoemd worden, omdat het menschelijke leven over het algemeen niet zoo zeer volgens den tijd, maar veeleer volgens het aantal dei-goede werken en de volheid der verdiensten moet worden afgemeten. Daarom zegt ook, de H. Geest in het boek der Wijsheid (IV, 9, 14) van den vroegtijdig overledenen rechtvaardige; „vroeg voleind, heeft „hij vele jaren bereikt;quot; en „een onbevlekt leven is de (ware) ouder-./dom van den grijsaard.quot;
2) De kinderen daarentegen , die het vierde gebod niet onderhouden, hebben, in dit leven den vloek Gods met smaad en schande, in het andere leven de eeuwige verdoeming te wachten. — Daar God op strafFe van eeuwige verdoemenis de onderhouding van al zijne geboden bevolen heeft, is het duidelijk, dat ook de overtreders en verachters van het vierde gebod, de slechte kinderen, in de hel zullen komen. Doch niet alleen in de eeuwigheid, maar reeds in dit leven zal Gods vloek op zulke kinderen rusten, hen met onheil, smaad en schande overladen. De H. Schrift verzekert ons dit niet alleen op verschillende reeds aangehaalde plaatsen, maar ook op verscheidene andere. God wilde, dat het volk van Israël zelf dien vloek over plichtvergeten kinderen zou uitspreken. Daarom gebood hij den Levieten, van den berg Hebal af tot alle mannen van Israël met luider stem te zeggen: „vervloekt
227
„zij hij, die zijnen vader en zijne moeder niet eert, en al „het volk zal zeggen: amen\'\', d. i. zoo geschiede het, hij zij vervloekt (5. Mos. XXVII, 16). In het boek Sirach (III, 18) staat: „Welk een kwaden naam heeft hij, die „den vader verlaat! en vervloekt is van God, -wie ziine „moeder verbittert;quot; en in het boek der Spreuken (XX, 20) : „wie zijnen vader en zijne moeder vloekt, zijn licht zal „uitgaan in de dikste duisternis, hij zal verlaten zijn zelfs „in doodsgevaar.quot; Vol wijsheid vermaant daarom de Geest Gods (Sirach XXIII, 13, 19): „gedenk uwen vader en „uwe moeder, opdat soms God u niet vergete,.... en gij „liever wenschtet niet geboren te zijn, en den dag uwer „geboorte vervloekt.quot; Blijkt niet uit al het gezegde, dat het leven van het plichtvergeten kind een leven vol leed, ramp en smaad, een ongelukkig leven is, hetwelk, hoe lang het ook dure, om zijne bitterheid een vroegtydigen dood evenaart, ja, pijnlijker is dan deze ? — Schrikwekkende voorbeelden van den vloek Gods, welke ontaarde kinderen heeft getroffen, leveren ons de H. Boeken. Gelijk op de edele zonen van Noë, Sem en Japhet, de zegen des vaders rustte, daar God uit de nakomelingschap van den eerste het uitverkoren volk en den Verlosser dei-wereld, uit die des laatsten de volheid der Heidenen, die zich in het vervolg aan Hem aansloten, liet voortkomen, zoo beschikte het de Allerhoogste ook, dat de vloek , welken Noë over de nakomelingschap van Gham, zijn ontaarden zoon, had uitgesproken, m vervulling kwam. De Chanaaniten, afstammelingen van Chanaan, den zoon van Cham, werden, omdat zij de voetstappen van hunnen zondigen stamvader drukten, door de Israëlieten ten deele uitgeroeid, ten deele onderworpen; harde slavernij was in het algemeen het lot van dezen door den vadervloek getroffen stam. — Bekend is het schrikkelijke, lot, waarmede Absalon de misdaad van verzet tegen zijnen vader moest boeten. Te vergeefs wilde David hem beschermen; vruchteloos had hij tot dat einde de strengste bevelen gegeven; Gods straf trof den plichtvergeten zoon, juist toen hij meende, het doodsgevaar ontloopen te zijn (2. Kon. XVIII). — Ook Ophni en Phineës, de ontaarde zonen van den Hooge-priester Heli, werden zwaar gestraft om hunne verachting van de toespraken en vermaningen van hunnen grijzen vader; beiden vielen op éénen dag in een ongelukkiger, slag tegen de Philistijnen (1. Kon. IV)
_ \') Bekend is het, hoe de vloek eener moeder, van eene weduwe van Cesarea in Capadocië, van wie de H. Augustinus (in het 22ste boek de
15*
i1licht en der onderdanen jegens hunne overheid.
Onder „overheidquot; moet men hier verstaan 1) de groot-, stief- en pleegouders, als ook voogden en schoonouders; 2) de onderwijzers en onderwijzeressen, meesters en opvoeders ; 3) de heeren met betrekking tot hunne onderdanen ; 4) de geestelijke overheid, den Paus, de Bisschoppen en iederen Priester in betrekking tot de Christenen, die zij moeten onderwijzen en op den weg der zaligheid leiden; 5) de wereldlijke overheid, den vorst en alle overheidspersonen in betrekking tot hunne onderhoorige staatsburgers. Al deze overheden bekleeden in zekeren zin de plaats der ouders bij hunne onderhoorigen, en hebben daarom volgens beschikking der goddelijke Voorzienigheid ook een geëven-redigd aandeel aan het ouderlijk gezag en recht.
Civitate Dei, Iioofdst. 8.) melding maakt, vervuld is. Genoemde weduwe had zeven zonen en drie dochters. Toen op zekeren dag de oudste zoon zijne moeder beschimpte en zelfs de hand tegen haar ophief, terwijl de andere kinderen daarbij stilzwegen, geraakte de moeder dermate in gramschap, dat zij den vreeselijken vloek uitsprak, ;/dat „allen, voortvluchtig uit het vaderland, in vreemde landen zouden ./ronddwalen, en liet geheels menschdom tot een voorbeeld .dienen ,/mochten.quot; Spoedig greep eene geweldige siddering de kinderen van den oudsten tot den jongsten aan en allen verlieten in dezen beklagens-waardigen toestand hun vaderland, overal heendwalende, en de vreese-lijke gevolgen van den moedervloek tot toonbeeld dragende. Twee van hen kwamen te Hippo in Afrika, ten tijde dat de H. Augustinus den bisschoppelijken zetel dier stad had ingenomen en werden , toen zij bij de overblijfselen van den eersten Martelaar Stephanus baden, ten aanschouwe van al het volk van hunne langdurige kwaal genezen. — Erythreus (geschiedenis iC9) verhaalt als tijdgenoot het volgende voorval, hetwelk bewijst, dat de vloek des vaders niet minder rampzalig is, dan de vloek der moeder. Drie jeugdige adellijke Romeinen vergramden hunnen vader erg, omdat hij hun eene stiefmoeder, die, naar zij meenden , den adel en den roem van hun geslacht verminderde, had geschonken. Tegen deze spanden zij zelfs te zamen en brachten haar in afwezigheid van den vader om het leven. De vader, wiende daders van dezen snooden moord niet onbekend konden blijven, sprak over zijne drie zonen den vloek uit, welke voor hen de treurigste gevolgen had. Een van hen werd spoedig daarna op reis verradelijk vermoord; van de beide anderen ruimde de jongste den oudsten door vergift uit den weg, om zich van zijn rijk erfdeel meester te maken, doch werd nu van broedermoord overtuigd en openlijk ter dood gebracht. — Eene zelden uitblijvende straf is ook deze, dat, wie zijne ouders mishandelt, wederkeerig dergelijke mishandeling van zijne kinderen te wachten heeft. Reeds de wijsgeer Aristoteles (Ethik. B. 7. hfdst. 7) verhaalt een feit, hetwelk tot bewijs dezer waarheid strekt.— Een slechte zoon sleepte zijnen vader bij de haren tot aan de huisdeur. Toen riep deze hem toe: „Houd op, ondankbare! verder heb ik mijner. //vacler ook niet gesleept.quot;
Hoe moet men zich jegens pleeyouders, opvoeders, onderwijzers en meesters gedragen?
Men moet. hen beschouwen als plaatsbekleeders en helpers der ouders, en hun daarom in evenredigheid bewijzen, wat kinderen den ouders schuldig zijn. — Het spreekt van zelf, dat op groot- en stiefouders, niet alleen ten gevolge van vrije keuze, gelijk dit bij de pleegouders het geval is, maar krachtens de natuurlijke betrekking, waarin zij tot de kinderen staan, de verplichting van ouders rust, dat hun bijgevolg ook ouderlijk gezag toekomt, en kinderlijke eerbied, liefde en gehoorzaamheid hun moet bewezen worden. — Ook aan de pleegouders, die de verzorging en opvoeding der kinderen vrijwillig op zich genomen hebben , zijn deze alles schuldig, wat zij aan hunne lichamelijke ouders zijn verschuldigd, met dit onderscheid echter, dat de pleegkinderen niet verplicht zijn, aan hunne behoeftige pleegouders juist dezelfde ondersteuning te geven, als aan de lichamelijke ouders, den oorsprong van hun leven. — Wat van de pleegouders gezegd wordt, geldt ook van de voogden, die na het afsterven der ouders (somtijds ook om gewichtige redenen bij hun leven) het welzijn der onmondige kinderen (de pupillen) bevorderen, hun vermogen beheeren en voor hunne opvoeding zorg dragen, 1) — De onderwijzers en onderwijzeressen moeten ook met betrekking tot hunne kweekelingen, de meesters ten aanzien van hunne leerlingen, als helpers en plaatsbekleeders der ouders beschouwd worden, daar hun van den kant der laatsten de vorming en opvoeding der kinderen ten deele is toevertrouwd. Kweekelingen en leerlingen zijn dus aan de onderwijzers en meesters in alles, wat de vorming in wetenschap, kunst en handel aangaat, wat verder op het zedelijke gedrag gedurende de school- en leertijd betrekking heeft,
\') Van de achting, liefde en gehoorzaamheid jegens sc/jounowi/mgeeft ons de H. Schrift een treilend voorbeeld in de geschiedenis der godvruchtige Jluth. (Men zie daarover de bijbelsnhe geschiedenis). — Ook van Mozes bericht de H. Schrift, dat hij zijnen schoonvader Jethro te gemoet ging, zich voor hem ter aarde boog, hem omhelsde en zijne raadgevingen in alles volgde (2 Mos. XV111). — En het eerste, wat Raguël en zijne vrouw aan hunne dochter Sara bevalen, toen zij haar met Tobias lieten vertrekken, was, dat zij hare schoonouders zoude eeren (Tob. X, 13). — Met welke achting, liefde en geduld een kind zijne schoonouders zelfs dan bejegenen moet, als deze zich jegens hunne schoonkinderen aanstootelijk en liefdeloos gedragen, en hoe groote verdiensten het zich daardoor verwerven kan^ leert ons het voorbeeld van de zalige Germana Cousin, wier korte levensbeschrijving in deel II verhaald is.
230
stipte gehoorzaamheid, en, omdat zij hunne weldoeners, plaatsbekleeders der ouders zijn, tevens dankbare liefde en eerbied verschuldigd.
Lieve kinderen! bedenkt dikwijls en ernstig, welk een groot geluk het is, goede christelijke onderwijzers en onderwijzeressen te hebben; onderwijzers en onderwijzeressen, die het als hunnen hoogsten en heiligsten plicht beschouweii, uwe zielzorgers en ouders niet alleen in de vorming van uw verstand, maar ook in de veredeling van uw hart te ondersteunen! Zorgt dan de lessen en vermaningen, welke zij u geven, met meer oplettendheid aan te hooren en dieper in uwe kinderlijke harten te prenten. Zorgt alles zorgvuldig te vermijden, wat hen bedroeven of krenken, wat hunne buitendien zware taak nog zwaarder maken kan. Gij moet ook voor hen bidden en dag aan dag denVader in den hemel danken, dat Hij u de onwaardeerbare weldaad bewezen heeft, van aan de hand van een waardigen, godvruchtigen onderwijzer, van eene vrome onderwijzeres als \'t ware de eerste schrede in het leven te doen. De H. Gregorius, de wonderdoener, richtte, in eene lofrede op zijnen leeraar Origenes, eene hartelijke dankzegging tot God, dat-Hij liem een zoo uitstekenden leeraar gegeven, en tot zijnen Engelbewaarder, dat hij hem in diens school geleid had. Zulke gevoelens moet ook gij koesteren, en als gij tot dusverre door een slecht gedrag uwen onderwijzers verdriet en smart berokkend hebt, tocht dan deze gebreken in de toekomst op alle mogelijke wijzen te verbeteren. — Arcadius, de zoon van Theodosius den Groote, had zijnen opvoeder, den H. Arsenius, gehaat en vervolgd. Toen hij later op den keizerstroon gekomen was, berouwde het hem, zijnen edelen leermeester zoo slecht bejegend te hebben. Plij schreef hem derhalve, nadat hij zijn verblijf in de woestijn ontdekt had , eigenhandig een brief, zond hem dien door een bizonderen bode, bad hem om vergeving voor de vroegere beleedigingen en deed hem de schitterendste aanbiedingen.
Welke plichten hebben in het bisouder de dienstboden jegens hunne meesters?
Zij moeten hun om God achting, trouw, liefde en vaardige gehoorzaamheid bewijzen.
Dit is de leer, welke reeds de Apostelen den christelijken dienstboden herhaalde malen en nadrukkelijk inscherpten, hoewel deze toen meestal in dienst van heidensche heeren waren: „gij dienstknechten,quot; zegt de H. Petrus (1 Brief II, 11), „zijt onderdanig met allen eerbied aan de heeren, „niet alleen aan de goede en zachtmoedige, maar ook aan „eigenzinnige;\'\' en de H. Paulus (1. Tim. VI, 1): „Alle „knechten, die onder het juk zijn, (die bij de heidenen slavendienst doen) „moeten hunne heeren alle eer waardig „achten;quot; desgelijks aan Titus (II, 9, 10): „vermaan de „knechten, dat zij hunnen heeren onderdanig, in alles welbevallig zijn, niet tegenspreken, niet ontvreemden, maar „zich volkomen getrouio toonen.\'* Deze plichten jegens hunne heeren moeten de dienstboden vervullen niet uit vrees voor straffen, ook niet, tenminste niet hoofdzakelijk, om het
231
tijdelijke loon, maar ter wille van God, dat is, omdat God, wiens voorzienigheid hun dien stand aangewezen heeft, het zoo hebben wil, omdat dit Hem welgevallig is (Eph. VI, 5): „Knechten, gehoorzaamt den lichamelijken heeren... in „den eenvoud nws harten als aan Christus,quot; enz., en (Col. III, 22—24): „gij knechten, gehoorzaamt in alles den ..lichamelijken heeren, niet ais oogendienaars, (niet gelijk zij, die slechts dan hunne plichten vervullen , als zij weten, dat de heer het oog op hen richt, hen gadeslaat;, maar „met oprechtheid des harten uit vrees voor God. Alles, „wat gij ooit doet, doet dit van harte, als voor den Heer „en niet voor de menschen; want gij weet, dat gij van „den Heer het loon van het (hemelsche) erfdeel ontvangen „zult.quot; De heer en de vrouw7 des huizes, bekleeden, dus, volgens de leer van den H. Paulus, tegenover hunne dienstboden de plaats van God, daar zij, als door de goddelijke Voorzienigheid aangestelde bestuurders en opvoeders van het gezin, van God den last hebben ontvangen, het tijdelijke en geestelijke welzijn daarvan te bevorderen. Dientengevolge is het duidelijk, dat de dienstboden, die een deel van het gezin uitmaken, wel niet door den band der natuur, maar krachtens een vrijwillig, met hunne overheid gesloten verdrag, door alles misdoen, waardoor de eerbied, de liefde sn de gehoorzaamheid, welke men aan de plaatsbekleeders van God in, het gezin schuldig is, te kort gedaan en gekwetst wordt. Zij zondigen dus tegen hunne heeren 1) door ongehoorzaamheid, norschheid, knorrige en vijandige handelwijze; 2) door traagheid, nalatigheid, verkwisting; trouweloosheid ; 3) door lasteren, babbelen, en kwaadspreken; 4) het allerergste, wanneer zij den kinderen des huizes kwaad leeren. hen tot kwaad verleiden en daartoe behulpzaam zijn, of het kwaad niet aan de ouders bekend maken.
Uc gelioorzaamheid van de dienstboden strekt zicli niet alleen uit tot de stipte verrichting van de opgedragen werken, maar ook tot dat, wat huiselijke tucht en orde aangaat, tot een zedelijk, het huisgezin waardig gedrag, tot alles, wat niet met een of ander gebod van (iod of de Kerk strijdt, of tevoren wettig bedongen is. Dienstboden, die den tijd, tot den arbeid bestemd, verpraten ol\'verbeuzelen, dienstboden, die de bevelen van hunne overheid volgens eigen goeddunken uitleggen of slechts ten halve volbrengen; dienstboden, die over den voor hen onaangenamen last morren, zich tegen hunne meesters bits verzetten en altijd het laatste woord willen hebben; dienstboden, die tegen den wil hunner heeren in huis of daar buiten gevaarlijke kennis aanknoopen of onderhouden, die in plaats van, gelijk hun geboden wordt, ter kerke te gaan, op wandelwegen, in danszalen zich ver-toonen; zulke dienstboden bewijzen noch gehoorzaamheid, noch behoorlijken eerlied aan hunnen heer. — De liefde en trouw jegens de overheden vordert verder van de dienstboden, dat zij voor hun algemeen welzijn bezorgd zijn en zich beijveren, dit naar vermogen te
232
bevorderen. Daarom moeten zij zonder voorweten van hunnen lieer niets, wat nog waarde voor hem heeft, wegschenken, niets van hetgeen aan het gezin toebehoort, nutteloos en overbodig gebruiken; zij moeten niet alleen zelve niets ontvreemden, versnoepen, bederven of laten bederven, maar er ook een waakzaam oog op houden, dat noch door vreemdelingen, noch door huisgenooten iets ontvreemd, beschadigd worde of verloren ga. De zorg voor het huiselijk geluk en den huiselijken vrede verbiedt aan de dienstboden gebabbel en oor-blazerij, waardoor niet zelden man en vrouw, ouders, kinderen en dienstboden onder elkander in twist en tweedracht, in haat en vijandschap geraken; zij verbiedt hun, de gebreken en zwakheden van overlieden elders zonder noodzakelijkheid te openbaren, desgelijks van zekere ongevallen van teederen aard, welke in het gezin voorkomen, bij anderen te spreken, d. i. familiegeheimen uit te kramen en zoo de eer, den goeden naam en niet zelden ook het krediet van het huis te benadeelen. — De zorg, zoowel voor het geluk van het gezin als voor zich zelve maakt het den dienstboden ten plicht, bij onbehoorlijke aanvallen, van wien zij in huis ook zouden uitgaan, den egyptischen Joseph en de kuische Susanna na te volgen; aan de kinderen des huizes, als ook aan hunne mededienstboden niet alleen zelf geene gelegenheid tot het kwaad te geven, niet alleen door woord en voorbeeld niet te verleiden, maar, zoodra zij ten aanzien der eersten, of ook der laatsten, iets onpassends of gevaarlijks ontdekken, den heer daarvan kennis te geven, opdat het hem mogelijk worde, het kwaad bij tijds te verbeteren. — Gelukkig de christelijke dienstbode, die deze plichten nauwkeurig volbrengt! De zegen\'er. het welbehagen Gods zal op hem rusten. Jesus, die in de gedaante van een dienstknecht op aarde verschenen is, om den dienstbaren stand eene hoogere waarde te geven; Jesus, die zelf gekomen is, om te dienen, niet om gediend te worden; Jesus zal zijne genade, zijne liefde en zijnen troost in het hart van een braven dienstbode uitstorten; een zoodanige zal rijk aan verdiensten worden, en eene parel voor zijn heer zijn. !) -— Opdat het u, dienstbode, mogelijk, ja, gemakkelijk worde, uwe plichten te vervullen, zoo wees voorzichtig in de keuze van een dienst; let daarbij niet zoozeer op het tijdelijke loon als op uw geestelijk welzijn; wat zou het u baten de geheele wereld te winnen, als gij schade leedt aan uwe ziel: Onschuld, deugd en vrede des harten zijn oneindig dierbaarder, dar; goud en edelgesteente. Hebt gij een dienst gevonden, waar gij vrij en ongehinderd uwen God kunt dienen, zoo verlaat dien niet lichtzinnig uit gemelijkheid en eigenzinnigheid. Beoefen de deugd, oefen ootmoed, liefde en geduld, en gij zult in éénen dienst grijs worden
\') De H. Schrift heeft vele voorbeelden van goede dienstboden opgeteekend. Eleazar, de knecht van Abraham, hield zich met groote zorgvuldigheid en onverbreekbare trouw onledig met den last, welken zijn meester hem gegeven had (1. Mos. XXIV). Joseph, de slaaf van Potiphar, muntte in dezelfde deugd ook zóózeer uit, dat zijn heer hem het onbeperkte beheer over zijne geheele huishouding toevertrouwde (Dezf. XXXIX). Jacoh diende Laban, zijnen neef, twintig jaren, trouw en eerlijk: dag en nacht trotseerde hij hitte en koude, en de slaap week van zijne oogen in den dienst van zijnen heer, die hem daarbij nog hard en onbillijk behandelde, en tienmaal het loon veranderde (Dezf. XXXI). De dienstboden van Naüman, den Syriër, gaven schoone voorbeelden van liefde en eerbied jegens hunnen heer. quot;Het meisje, dat bij zijne vrouw in dienst was,quot; gaf eerst den raad nm tot den man Góds Elizeüs te gaan, teneinde door hem van zijne melaatschheid genezen te worden; toen Maaman aarzelde, aan liet bevel van den Profeet gevolg te geven, gingen zijne knechten tot hem en spraken met eerbied; //Vader! wanneer u de Proieet iets
233
IJ\' elke plichten hebben wij jegens de geestelijke overheid?
Wij zijn verplicht, 1) hen als Gods plaatsbekleeders en onze geestelijke vaders te eeren en te beminnen, 2) ons
vgroots bevolen had, waarlijk, gij hadt liet moeten doen, hoeveel te „meer, mi hij u gezegd heeft: wasch u, dan zult gij gereinigd worden\' (4. Kon. V, 3—18). Een voorbeeld van heldhaftige gehoorzaamheid biedt ons de dienstmaagd van Judith. Zij vergezelde namelijk hare meesteres op den gevaarlijken tocht in het leger der Assyriërs, hield wacht voor liet slaapvertrek van Holofernes, terwijl Judith daar binnen was en zich gereed maakte, om den opperbevelhebber der Assyriërs te onthoofden; zij nam het afgehouwen hoofd, stak het in eenquot; daartoe gereed gehouden zak en geleidde hare meesteres door het vijandelijk leger (Jud. X). — De hoofdman in het Evangelie zwaait zijnen knecht den zeldzamen lof toe, dat hij hom gehoorzaamt op het woord. //Als ik tot mijnen knecht zeg: doe dat! zoo doet hij //hetquot; (Matth. A\'III, ü). — Hot ontbreekt echter in de Schrift evenmin aan voorbeelden van slechte dienstboden. Zoo was Agar, de dienstmaagd van Sara, hoogmoedig, verwaand en twistziek. Daarom sprak de Engel des Heeren tot de voortvluchtige, toen zij in de woestijn bijna versmachtte: //Keer terug tot uwe meesteres, en verneder u //onder hare hand\'1 (1 Mos. XVI, 9). Sara, de dochter van llaguël, had eveneens niet minder te lijden van hare dienstmaagd. Deze was slout genoeg, na eene welverdiende terechtwijzing, hare meesteres toe te voegen: //O dat wij geen zoon noch dochter op aarde van u //Zagen, moordenares van uwe mannen!quot; (Tob. II, ö). -—In Gi\'ézi, den dienaar van den Proleet Elizeüs, hebben wij een ontrouwen, ongehoorzamen dienstknecht voor ons. Kiettegenstaande het bevel hetwelk zijn heer hem gegeven had, niets van Saaman aan te nemen, liet hij zich toch twee talenten zilver en twee feestkleederen geven, wilde door leugentaal zijnen Heer bedriegen, en werd voor die dubbele misdaad met eene ongeneeslijke melaatschheid geslagen.
Ook de legenden der Heiligen stellen den dienstboden van beiderlei geslacht de schoonste voorbeelden voor oogen. Men leze bijv. de levensgeschiedenis van den H. Isidorus, van den H. Paschalis Baylon, van den door Pi us VI zalig verklaarden Sebastianus van Apparitio; verder die van de H. Kothburga en do H. Zitta. — De levensgeschiedenis der laatsten, door een tijdgenoot breedvoerig beschreven, vindt men bij de Bollandisten op den 27steu April. Van de H. dienst maagd Dida, wier geschiedenis ook breedvoerig wordt aangehaald, weten de Bollandisten niets met zekerheid, dan wat het romeinsche martyrologium op den iJós\'en Mei tot haren lof aanmerkt, dat zij namelijk door haren heer, een heidenschen soldaat, om het geloof en de bewaring van hare zuiverheid gedood is. — Uit de aangevoerde levensbeschrijvingen dezer HH. dienstboden blijkt duidelijk, hoe zij . die hunne voetstappen willen drukken, zich moeten gedragen, wanneet hunne deugd van den kant hunner meesters gevaar loopt. Van den H. l\'aschalis verlangde eens de herder, onder wiens oppertoezicht hij het vee hoedde, dat hij hem eenige druiven uit eens anders tuin zon brengen. Do godvruchtige jongeling weigerde dit, omdat het eene zonde, eene beleediging Gods was. Toen hem nu dreigende woorden werden toegevoegd, zcide hij geheel onverschrokken: //De druiven //behooren iemand anders toe; ik zou mij eer laten verscheuren, //dan het minste te ontvreemden, omdat dit zonde is.quot; — Jegens de H. Zitta wilde op zekeren dag een slechte knecht zich minder betamelijke vrijheden veroorloven. Zitta wees den verleider scherp en beslissend af en voegde er de bedreiging bij, dat zij hem bij haren
234
aan hunne verordeningen te onderwerpen, 3) voor hen te bidden, 4) voor hun onderhoud volgens bevel en naar onzen stand te zorgen.
De geestelijke vorsten zijn in het door Christus gestichte Godsgezin, in de Kerk, wat de lichamelijke ouders zijn in het uit hen gesproten menschelijke gezin. Gelijk dezen, volgens de beschikking der goddelijke Voorzienigheid, de middelijke oorsprong en ouderhouders van het tijdelijk leven en de opvoeders hunner lichamelijke kinderen zijn; zoo zijn genen, ten gevolge van de beschikking van Christus, de zichtbare middelaars, de onderhouders en bevorderaars ■ van het hoogere geestelijke leven, de opvoeders en bestuurders hunner geestelijke kinderen, de Christenen. Daarom schrijft de H. Paulus aan de geloovigen van Corinthe (1. Cor IV, 14, 15): „Als mijne allerliefste kinderen vermaan „ik u... VVant in Christus Jesus heb ik u door het Evan-„gelie voortgebracht.quot; Wat wij onzen lichamelijken ouders volgens de wet der natuur schuldig zijn, datzelfde zijn wij dus, krachtens eene bizondere verordening van Jesus Christus, ook aan zijne plaatsbekleeders in de Kerk, aan onze geestelijke vaders schuldig, namelijk: eerbied, liefde, gehoorzaamheid en ondersteuning. — Reeds in het Oude Verbond vermaant de H. Geest (Sir. VII; 31): „vrees „den Heer uit geheel uwe ziel en houd zijne Priesters in „eere en Christus verklaart, dat degene, die hen veracht, Hem zei ven veracht (Luc. X, 16). Tot eene liefdevolle -kinderlijke gehoorzaamheid noodigt de H. Paulus de tot Christus bekeerde Hebreen (XIII, 17) dringend uit met deze woorden: „weest gehoorzaam aan uwe oversten en „zijt hun onderdanig; want zij waken als zullende rekenschap afleggen voor uwe zielen, opdat zij dit met vreugde „doen en niet zuchtende; dit toch zou u geen nut aanbrengen.quot; De Apostel geeft op deze plaats vier beweegredenen voor de gehoorzaamheid jegens de geestelijke overheid aan. „Weest gehoorzaam,quot; zegt hij; — a) „want zij „waken voor uwe zielen.quot; Doet, wat zij u leeren, richt uwen levenswandel naar hunne voorschriften in; God heeft hen tot wakers over uw geestelijk welzijn aangesteld. Zij geven zich vele moeite om u al het nuttige te schenken, en al het verderfelijke van u af te wenden: bewijst hun
lieer terstond zou aanklagen. Van dien tijd af liet hij haar met vrede. — De zalige Sehastianus van Apparitio vond in zijne meesteres eene andere vrouw van Potiphar; hij onttrok zich aan hare strikken door terstond zijn dienst te verlaten. — De H. Dula kon de handen van haren wulpschen heer niet ontvlieden; zij gaf aan den dood de voorkeur boven het verlies van hare onschuld.
235
uwe liefde en dankbaarheid door stipte gehoorzaamheid. Aan den geneesheer meent gij gehoorzaamheid schuldig te zijn, omdat hij voor uw lichamelijk welzijn zorgt; waarom dan niet veelmeer aan de geneesheeren uwer ziel? „Weest „gehoorzaam;quot; — b) want als door Christus aangestelde wakers over uwe zielen „hebben zij rekenschap te geven.quot; Beschouwt daarom hunne bepalingen en geboden niet als onverschilligen, willekeurige beschikkingen, maar als bevelen , welke de nauwlsttendste zorg voor uw zieleheil hun ingeeft. Wordt niet boos op hen, als zij waarschuwen, vermanen, straffen. „Weest gehoorzaam;quot; — c) „opdat „zij met vreugde en niet zuchtende over u waken.quot; Op deze wijze verlicht gij voor uwe geestelijke overheid, uwe vaders in Christus, het op hen rustende, moeielijke ambt der zielzorg. Want niets beurt hen meer op, niets schenkt hun meer troost, dan te zien, dat hunne verordeningen terstond en stipt volbracht, en daardoor de vooruitgang der aan hunne zorg toevertrouwden bevorderd wordt. „Weest „gehoorzaamquot; eindelijk; — d) „want het zoude u geen „nut aanbrengenals uwe geestelijke oversten slechts zuchtende over u moesten waken. Door ongehoorzaamheid en wedérspannigheid schaadt gij niet zoozeer uwe overheden, aan wie toch het geheele loon blijft, maar veeleer u zeiven, omdat gij in dat geval uit hunne leeringen, vermaningen en bemoeiingen geen nut trekt voor uwe vooruitgang, en omdat gij door hunne zielzorg te verzwaren, hen verhindert, behoorlijk uw geestelijk welzijn te bevorderen. Zij zullen misschien wegens uw verzet niet eens alles durven bevelen, wat u dienstig is; gij stopt hun, om zoo te spreken, den mond, dwingt hen, om van de strenge, doortastende handhaving der tot uwe zaligheid gegeven wetten af te gaan. Gij zijt het, die u de wraak Gods op den hals haalt en verloren gaat.
Het gebed voor de geestelijke oversten is eveneens voor ons allen een heilige plicht, dewijl de verplichtingen, welke op hen rusten, zwaar en talrijk zijn, en de grootste weldaden uit de handen der geestelijke overheden ons worden geschonken.\')
!) De ,H. Paulus schrijft aan de Galaten (IV, 14, 15); ,Als eenen rEngel Gods, als Jesus Cliristas liebt gij mij ontvangen. Ik geve «u liet getuigenis, dat gij, wanneer het had kunnen geschieden, uwe toogen uitgerukt en mij gegeven zoudt hebben.quot; — De innnige liefde, welke de eerste Christenen jegens de Apostelen, hunne vaders in Christus, koesterden, dreef hen aan, hen niet alleen op lichamelijke, maar vooral op geestelijke wijze door een godvruchtig gebed te ondersteunen. Zoo berichten ons de Handelingen der Apostelen, (hoofdst. XII) dat, terwijl de H. Petrus door Herodus te Jerusalem gevangen werd gehoud-en, ,/de Kerk zonder ophouden voor hem tot God bad.quot;
236
Ook op lichamelijke onderamp;leuning mogen de Priesters rekenen; want „de Heer heeft bepaald,schrijft de H. Paulus aan de Corinthiërs (1. br. IX, 14), „dat zij, die het Evangelie „prediken, van het Evangelie leven moeten.quot; Werkelijk zeide ook Jesus Christus tot zijne leerlingen, als Hij hen ter prediking uitzond: „de arbeider is zijn loon waardig. „zij zullen eten en drinken, wat hun (van diegenen, bij wie zij ontvangen worden) „wordt voorgezetquot; (Luc, X, 7, 8). De Apostel bewijst verder op bovenstaande plaats de billijkheid der aanspraak, welke de Priesters op het lichamelijk onderhoud hebben, zoowel uit de reden, als uit de wet van het Oude Verbond. De Priesters deelen van den eenen kant als menschen in dezelfde lichamelijke behoeften als hunne onderdanen; van den anderen kant moeten zij al hunne zorg niet aan hun eigen tiidelijk belang, maar aan het geestelijk welzijn hunner onder-hoorigen wijden. Is het derhalve niet billijk en passend, dat de onderdanen aan hunne geestelijke overheden, van wien zij onvergelijkelijk kostbaarder, geestelijke weldaden ontvangen, tijdelijke gaven aanbieden?
Men zondigt dus tegen de geestelijke overheid; 1) als men den hun toekomenden eerbied met woord of daad kwetst, of hun aanzien door slechte gesprekken verzwakt; 2) als men zich tegen hen verzat, waardoor verdeeldheid en ergernis ontstaan kan; 3) als men weigert, de verschuldigde bijdrage tot hun onderhoud en ter verzorging van den godsdienst te geven.
Op hen, die zoo handelen, slaan de woorden van den H. Petrua (2. £p. 11): »De Heer weet de ongerechtigen tegen den dag des oordeels te bewaren, om gepijnigd te worden, maar vooral degenen, j,die de overheid verachten, en in hunne koenheid en eigenzinnig-//heid zich niet ontzien scheuringen in te voeren en te lasteren. Deze ,/verlokken de ongestadige menschen, zij beloven hun vrijheid, daar „zij toch zeiven slaven, des verderl\'s zijn.quot; — Ja, wie de geestelijke overheid met spot en hoon overlaadt, hun aanzien bij anderen door kwaadsprekendheid en laster ondermijnt; wie door ongehoorzaamheid en verzet ergernis en verdeeldheden te weeg brengt; wie in plaats van tot het onderhoud der zielzorgers, als ook tot liet onderhoud der godshuizen en tot sieraad der altaren bij te dragen, eene booze hand naar de goederen, -welke door godvruchtige voorvaderen tot dit heilige doel vermaakt werden, begeerig uitstrekt, ol\'anderen opstookt, om daarnaar te grijpen , hij gaat voorzeker een schrikkelijk oordeel te gemoet. Wee den zoodanige! hij wandelt op even goddelooze wegen, als Caïn, die zich van de Kerk Gods, welke toen in het huis van Adam was, losmaakte; hij gaat in den opstand tegen de geestelijke overheid verloren, gelijk Core en zijn aanhang, die zich tegen het Priesterschap van Aiiron durfden verzetten (Jud. XI), en tot straf door de aarde verzwolgen werden (4. Mos XVI); hij is, hoe vrij en onhaf hankelijk hij zich ook waant, een slaaf des verderfs en trekt met zich in den grond van dat verderf de onverstandigen , die aan zijne verleidende woorden gelooven en zich laten bedriegen door
. 237
de machtspreuk: vrijheid, gelijkheid, broederschap. — De ondervinding ieert het handtastelijk, var welken aard de veelgepi-ezen vrijheid van zulke menschen is; zij wijst hen op de doemwaardige bron, waaruit deze ontspringt. Het hart dier ongelukkigen, die zich tegen de door Christus aangestelde geestelijke overheid verzetten, was reeds lang te voren in opstand tegen God en zijnen Gezalfde, Jesus Christus; het diende reeds lang de schandelijkste hartstochten, welke juist, omdat zij geenen teugel dulden , zich verheffen tegen de Kerk , welke er naar streeft, hun dien op te leggen. De verachters der geestelijke overheden en de verzetters tegen het hooger gezag, zijn doorgaans slaven hunner hartstochten en willen het ongestoord blijven ; zij zijn slaven des verderfs, omdat uit toomeloozen hartstocht niets dan het ongeluk van zich zeiven en van anderen ontstaan kan (Vergel. D. II).
Welke plichten hebhen vjij jegens de wereldlijke overheid?
Wij zijn verplicht, 1) der door God gestelde overheid-achting, trouw en stipte gehoorzaamheid te bewijzen, en liever alles te verdragen, dan oproer te stichten; 2) hun de uitgeschreven belastingen te betalen; 3) hen ia nood en gevaar bij te staan, en tegen de vijanden des vaderlands met goed en bloed te verdedigen.
De wereldlijke macht, waardoor de burgerlijke maatschappij in stand gehouden en geregeld wordt, gaat, evenals elke andere macht van menschen over menschen, uit van Grod, den oorsprong en bezitter van alle wettige macht. Daar namelijk God tot welzijn der menschen verlangt, dat de burgerlijke maatschappij onder hen bestaat, en deze zonder overheid en onderdaan evenmin bestaan kan, als een leger zonder veldheer en gewone soldaten, want „waar „geen bestuurder is, daar gaat het volk te nietquot; (Spr. XI, 14) zoo volgt onbetwistbaar, dat de wereldlijke overheid , in welken wettigen vorm zij zich ook moge voordoen, aene afstraling is van de goddelijke oppermacht, eene noodzakelijke, door de goddelijke Voorzienigheid zelve gemaakte instelling. De wereldlijke machthebbers bestaan dus overeenkomstig de verordening van God, en bekleeden Gods plaats in de burgerlijke maatschappij, in den Staat. Alle ledematen van den Staat of burgerlijke maatschappij zijn dus aan hunne bestaande overheid of regeering. als de plaatsbekleeders van God, achting, trouw en scipte gehoorzaamheid verschuldigd. Deze verplichting drukt de H. Paulus den Christenen dringend op het gemoed, en grondt zich daarbij juist op den goddelijken oorsprong der wereldlijke macht. „Eenieder,quot; zoo schrijft hij aan de ilomeinen (XIII, 1—7), „zij aan de overheid-hebbende „machten onderworpen! Want er is geene macht, dan van „God, en de bestaande zijn door God verorderd. Daarom „weerstaat hij, die der (overheid-hebbende) macht weder-
238
„staat, aan Gods verordening, en die wederstaan, brengen „over zich zeiven het oordeel.... Daarom is het uw plicht, „onderdanig te zijn, niet alleen om de gramschap, maar „ook om het geweten.... Geeft dan aan allen het verschuldigde: schatting, aan wie schatting, tol, aan wie „tol; vreeze, aan wie vreeze; eere, aan wie eere toekomt.quot; En geheel in denzelfden zin leert de H. Petrus (l.Ep. II, 10—17): „weest onderdanig aan elk menschelijk schepsel (elke wettige overheid) „om God; hetzij den koning, als „den overste; hetzij den stedehouders als van hem gezonden „ten straf der boosdoeners, maar ter belooning der wel-„doeners; want zoo is het de wil van God.... Vreest „God, eert den koning,quot; — Daar op de regeering, als de plaatsbekleedster der goddelijke Voorzienigheid, de verplichting rust, het welzijn van alle burgers, door bescherming en beveiliging der goederen en rechten zoowei van het algemeen, als van ieder in het bizonder, te bevorderen, en daar dit niet zonder uitgaven en in vele gevallen niet zonder werkelijken onderstand geschieden kan, zoo vordert (gelijk uit de aangehaalde Schriftuurplaats blijkt) de gehoorzaamheid der onderdanen ook de betaling van belasting tot dekking der Staatskosten, alsmede, dat zij bereid zijn, bij een algemeen en dreigend gevaar des vaderlands de hoogste goederen, bloed en leven, voor het algemeen welzijn veil te geven. — Men zondigt dus volgens het gezegde tegen de wereldlijke overheid: 1) door haat en verachting, 2) door spot en laster, 3) door weigering van de verschuldigde belasting, door wederspannigheid en verzet, 4) door verraad of samenzwering tegen vorst en vaderland.
De H. Apostel Judas beschrijft lien, die de overheid en de majesteit lasteren, als «morrende, altijd klagende, volgens hunne lusten vvande-//lende, die de menschen vleien om hun voordeel.quot; Gelijk namelijk de haat jegens de geestelijke oversten, gelijk de wederspannigheid en het openbare verzet tegen hen uit een oproerig, aan de dwingelandij der hartstochten onderworpen hart voortkomen, zoo en niet anders is het gelegen met hen, die de wereldlijke overheid haten , met spot en schimp overladen, die aan alle hoeken der straten en op a!le wegen oproer prediken, en het volk tegen hunne wettige meesters ophitsen. Zij zijn lieden, die volgens hunne lusten wandelen , lieden , die zich tegen de wereldlijke overheid nog sterker verzetten, dan tegen de geestelijke, omdat deze slechts dreigt met den ban en met de hel, waaraan zij niet meer gelooven, terwijl gene beschikt over gerechtsdienaars en scherprechters; het zijn lieden, die niets te verliezen hebben, omdat alles door hen reeds verspild is; die daarentegen hopen alles te winnen, omdat hun, nadat zij den arm der menschelijke gerechtigheid verlamd en ontwapend hebben, geen middel te slecht is, om alles aan te tasten , wat hunne zelfzucht bevredigt, aan hunne lusten nieuw voedsel geeft. — Ongelukkig het volk, hetwelk aan de geveinsde taal van zulke onruststokers gehoor geeft.
239
hetwelk zich door hunne vleierijen en listen ter verleiding iaat ver strikken en tot openbaren cpstand overhalen ! Dergelijke volksleiders beloven wel gouden bergen, maar behouden die voor zich; zij spreken van vrijheid , en leggen het bedrogen volk een juk op den hals, gelijk het er nooit een gedragen heelt; zij vertreden het lafhartig, nadat het hun als voetbank tot roekelooze zelfverhelïïng gediend heel\'t. \')
•) Al zouden de wereldlijke vorsten aan de eischen van hunne verhevene waardigheid niet beantwoorden, al zouden zij zelfs schuldig zijn, zij moeten toch om hun gezag en als door God, //door wien \'/de koningen regeerenquot; (Spr. VIII, 15), aangesteld, als zijne plaats-bekleeders beschouwd worden. — Baüsa, de koning van Israël, had zich door moord en verraad op den troon verheven, en ook op den troon deed hij , „wat boos was voor den Heer;quot; toch zeide God tot hem; „Ik heb u uit het stof verheven en u gesteld tot vorst over „mijn volk Israëlquot; (3, Kron. V). God verfoeide wel de schandelijke middelen, waarvan Baiisa zich bediend had, ora tot de heerschappij tc geraken, niettemin beschikte Hij het in zijne alles omvattende Voorzienigheid, dat de boosdoener den troon besteeg en 24 jaren regeerde. Om de aangehaalde redenen worden dan ook door eenieder de persoon en de bevelen van den vorst heilig gehouden. David, ofschoon door Saul doodelijk gehaat en vervolgd, sprak tot de mannen, die hem aanspoorden , om de aangeboden gelegenheid zich ten nutte te maken, en op zijn vijandlgen en onrechtvaardigen gebieder wraak te nemen: „De Heer zij mij genadig, dat ik zulks niet doe aan //mijnen heer, den gezalfde des Heeren, dat ik mijne hand niet aan //hem legge , want hij is de gezalfde des Heerenquot; (1. Kon. XXIV, 7).— Maria en Joseph verzuimden niet, het voor hen zoo moeielijk bevel van den heidenschen keizer Augustus te volbrengen, en zich naar Bethlehem, hunne geboortestad, te begeven (Luc. II). Christus zelf beval den heidenschen keizer schatting te geven (Matth. XXII, 13), en betaalde die voor zich zeiven en voor Petrus (Matth. XVI). Hij loochende niet, dat Pilatus, de lafhartigste en onrechtvaardigste van alle rechters, de macht had, over Hem tc oordeelen, maar zegt hem onverholen: //gij zoudt geene macht over Mij hebben , wanneer ze „xi niet van boven gegeven warequot; (Joan. XIX, 11). Een nieuw, on-omstootelijk bewijs, dat de rechterlijke macht van de wettige overheid van God, don Hechter aller menschen, uitgaat!
Op de besproken grondstelling zich beroepende, sprak de H. Martelaar Polycarpus tot den landvoogd van Klein-Azië: „U sta ik zeker „te woord, want ons is geleerd geworden, den door God gestelden «vorsten en bewindvoerders in geoorloofde zaken behoorlijke eer te „bewijzenquot; (Brief over den marteldood van den H. Polycarpus). — TertvMiaan drukt zich over het bij de eerste Christenen algemeene gebruik, om de wereldlijke vorsten als Gods plaatsbekleeders te beschouwen , in zijn verdedigingsschrift tegen de Heidenen aldus uit: «Wij vereeren,quot; zegt hij, «in de keizers het raadsbesluit van God, „overeenkomstig hetwelk Hij hen heeft aangesteld, om de volken //te regeeren. Wij weten, dat zij de bezitters dier macht zijn, welke ■/Hij hun daartoe heeft verleend ; daarom rekenen wij het ons ook „tot een heiligen plicht, dit van God voortkomend gezag ongeschon
»den te bewaren..... Wat moet ik nogf verder van onze vereering
»en liefde jegens den keizer zeggen ? Moeten wij hem niet beschouwen »als dengene, wien onze God tot regeerder verkozen en gesteld heeft... «Gml zal ik hem nooit noemen, omdat ik niet liegen, ook den keizei «niet bepotten wil. De titel van keizer, een verhèven titel, welken /.hij van God ontving, is hem genoeg.quot; Uit deze echt christelijke opvatting van de macht der overheid volgde dan ook die onverbreekbare trouw, waarmede de eerste Christenen, zelfs ten tijde der bloedigste vervolgingen, hunnen plicht als onderdanen vervulden. Ter-
240
In welke gevallen mag men aan zijne ouders, bestuurders en overheden niet gehoorzamen ?
Wanneer zij iets bevelen, wat voor God ongeoorloofd is.
Ongeoorloofd is, wat strijdt tegen den erkenden wil Gods, en tevens alles, wat tegen eenig gebod van God of de Kerk aandruischt. De rede hiervan is duidelijk. In dit geval zou de gehoorzaamheid aan de menschelijke overheid, welke
tulliaan stelt in het genoemde verdedigingsgeschrift deze tróuw met bizonderen nadruk voor. »Hoe dikwijls hebt gij zoo spreekt hij de Heidenen aan, «tegen ons gewoed? Hoe dikwijls heeft het op-»gezweepte gemeen ons met steenen geworpen, onze huizen in brand ■/gestoken? In de woede hunner Baohusi\'eesten spaarde men zelfs •/onze overledenen niet; men sleepte hen uit de vrijplaatsen van den ■/dood, uit de graven te voorschijn, en verminkte de lijken. Hebt ■/gij ooit bemerkt, dat wij ergens iets hebben ondernomen, om ons over ,deze onrechtvaardige grieven te wreken\'? Ontbrak het ons misschien ./aan macht, als geheime wrekers of verklaarde vijanden op te treden? •/Waren wij misschien te weinig in getal?.... Wij zijn pas van ■/gisteren en toch vervullen wij reeds alles, uwe steden, uwe kasteelen, //uwe legers, uwe verzamelplaatsen, uwpaleis, den senaat, het forum.... »En gesteld ook, dat onze strijdkrachten werkelijk minder waren ■ dan do uwe, zouden wij wel voor een openbaren krijg terugdeinzen, ../Wij, die uit den dood ons een genoegen maken? Het is overigens 7in onze macht, zonder oproer en geweld van wapenen , alleen door
•/hatelijke verwijdering en scheiding, u te beoorloogen---- Gij zoudt
«na ons vertrek van de woestijn en de doodsche stilte der .ontvolkte /Stad verschrikken. Gij konde\'t dan naar onderdanen omzien! Er «zouden meer vijanden dan burgers achterblijven: thans telt gij vweinige vijanden, omdat er zoo vele Christenen zijn.quot; — Ook nu nog verkondigt de katholieke Kerk aangaande de natuur en den oorsprong van de macht der overheid geheel dezelfde grondstellingen, en spoort de volken, die aan haar moederwoord gehoorzaamheid schenken, eveneens tot getrouwheid en plichtvervulling aan. In Tong-King en Cochin-China heerschte in het jaar 1859 een wreede en bloeddorstige vorst. Zijne dwingelandij moede, hebben zelfs zijne heidensche onderdanen zich tegen hem verzet. Veel onverdragelijker was echter hot lot der Christenen. Langdurige gevangenschap, verbanning , verbeurdverklaring van goederen, stokslagen, folteringen, doodstraf, alles, wat woede en haat vermag in te geven, werd op bevel van den wreeden landvorst toegepast, om hen, ware het mogelijk , geheel te verdelgen. Toch gaven zoowel de bewindvoerders dei-provinciën, als de voldheeren van het keizerlijke leger aangaande de Christenen het schoone getuigenis, dat zij de getrouwste onderdanen waren, de dapperste en offervaardigste strijders tegen de oproerlingen. . Als de eigen broeder van den keizer tegen hem eene samenzwering had gesmeed, vond hij bij de Christenen, niettegenstaande hij hun vrijheid van godsdienst en de zegepraal van het kruis ter belooning hunner deelneming aan het oproer beloofde, niet de minste hulp ter volvoering zijner verraderlijke plannen (Jaarboeken van de voortplantingen des geloofs. 3. heltt. 1859). — Uit het gezegde zal het iederen onbevooroordeelde blijken, dat de gewone spreekwijze, //koning, //keizer, enz. door de gralie Godsquot; niet eene ijdele, dweepende zinsnede is, maar de onvervalschte en echte uitdrukking van de christelijke zienswijze aangaande de wereldlijke macht.
241
ook, eene ongehoorzaamheid jegens God, eene verachting en beleediging van de allerhoogste Overheid zijn. „Als „de plaatsbekleeders des keizers,quot; zegt de H. Augustiims (Preek 62 over de woerden des Heeren) , „iets anders ge-„hieden dan de keizer zelf beveelt, wie twijfelt dan, dat „men in dat geval met achterstelling der eerste, den laatste „moet gehoorzamen? En als nu de keizer iets anders be-,,veelt, dan hetgeen God verlangt, wat dan? De keizer „gebiedt byv. den afgoden te offeren. Wat zegt gij? — „Het is niet geoorloofd. — Waaromniet? Omdat de hoogste „Machthebber het verbiedt,quot; Derhalve vermaant ook Christus: „geeft den keizer, wat des keizers is, (wat den keizer toekomt), ,.en Gode, wat van God is,quot; wat Gode toekomt (Matth. XXII, 21). Giebiedt dus een overste, wie hij ook zijn moge, iets, hetgeen met den wil van God in strijd is, dan moet men den gebieder antwoorden, gelijk Petrus en de Apostelen bij dergelijke gelegenheid den joodschen hoogen raad: „men moet Gode meer dan menschen gehoor-„zaam zijnquot; (Hand. V, 29). Want in zulk geval bekleedt de overste geenszins Gods plaats; daar het volstrekt onmogelijk is, dat God door zijnen plaatsbekleeder ons zou verplichten tot iets , wat zonde is, \')
l) De H. Martelares Perpetua leert ons door haar voorbeeld, hoe wij de beden en bevelen onzer ouders wederstaan moeten. wanneer deze het wagen, op iets aan te dringen, wat met de geboden Gods in strijd is. — Perpetua had een grijzen vader, dien zij onbeschrijfelijk beminde. Deze liet geen middel onbeproefd, om haar tot afval van het christelijk geloof te bewegen. Maar al zijn bidden en smeekingen, zijne vermaningen en liefkozingen, zijne bedreigingen en mishandelingen bleven vruchteloos. Kort voor het pijnlijk verhoor kwam de bedroefde grijsaard andermaal bij zijne dochter, zooals deze op eene zielroerende wijze zelve beschrijft. //Mijn vader sprak tot mij; «//Erbarm u over mijne »//grijze haren! Erbarm u over uwen vader! Denk, hoe ik u op de «handen gedragen, hoe ik u meer bemind heb, dan uwe broeders. ///.Denk aan uwe moeder, denk aan uw kind, hetwelk zonder u niet ////leven kan. Verzaak uwe eigenzinnigheid, welke mij bij alle menschen *//met schande bedekt en ons beiden ten gronde richt.quot; Zoo spi\'ak mijn //vader met de grootste teederheid, nam mij bij de hand en wierpzicli //voor mij ter aarde. Het harteleed van mijn grijzen vader smartte /-mij zeer. Ik zocht hem te troosten en zeide: op het schavot zal mij wedervaren, wat Gode behaagt. — Troosteloos verliet hij mij.quot; Toen Perpetua reeds op het schavot stond, verscheen haar vader opnieuw met haar kindje op de armen, trok haar een treede omlaag en zeide weenende; ^ontferm u over uw kind!quot; Ook de rechter sprak tot haar: //Ontferm u toch over uwen ouden vader en uw jeugdig kind.quot; Doch de edelmoedige bloedgetuige antwoordde: //dat kan ik niet, ik ben //eene Christin.quot; Zij stierf na veelvuldige folteringen door het staal van den beul (De Martelaars door Gravin Hahn-Hahn). — Ook als de ouders iets bevelen, wat in strijd is met een gebod der Kerk, moeten de kinderen weigeren, dat bevel te volbrengen. Het volgende voorval, hetwelk wij aan Stögor (hemelkroon, bladz. 76) ontleenen, stelt ons dit in het helderste daglicht. — Een adellijk heer, die slechts Christen
DEHABBE, GELOOFSLEER. III. 3de DRUK. 16
■242
TOEPASSING.
„Bewaar, mijn zoon, de voorschriften van uwen vader., „en wijk niet af van de lessen uwer moeder. Bind ze (als een dierbaar aandenken) „voor altijd op uw hart, en „wind ze (als het kostbaarste sieraad) om uwen hals. Dat „zij u begeleiden, waar gij gaat, en behoeden, wanneer „gij slaapt, en spreek met haar bij uw ontwaken,quot; behartig ze (Spr. VI, 20—22). Zoo vermaant de H. Geest u, kinderen, om naar de leeringen en vermaningen uwer ouders en van allen, die de plaats van ouders bij u be-kleeden, te hooren, ze diep in uwe harten te prenten en steeds voor oogen te hebben. Weest dus oplettend en leerzaam, opdat gij later niet met zoovele ontaarde en ongelukkige kinderen verzuchten moet: „waarom heb ik „de tucht gehaat en heeft mijn hart de waarschuwingen „niet aangenomen ? Waarom heb ik naar de stem van hen, ,,die mij leerden, niet gehoord, en was mijn oor niet naar „hun onderricht geneigd?quot; (Spr. V, 11—13). — Gij zijt nog jong en onervaren, gij behoeft wijze leering, om de valstrikken te ontgaan, welke gij reeds op uwen jeugdigen levensweg ontmoet; gij behoeft ernstige vermaning, wanneer gij door onvoorzichtigheden in het gevaar geraakt zijt, om daaruit te ontsnappen. Wie nu zou beter in staat kunnen zijn, u te leeren, dan uwe ouders, leermeesters en zielzorgers ? Door wien laat gij u liever onderrichten, vermanen en waarschuwen, dan juist door hen? Zij allen
in naam was, had zijn zoontje aan godvruchtige Priesters ter onderwijzing en opvoeding toevertrouwd. In de vacantie kwam liet knaapje in het ouderlijke huis terug. Als er nu op een vastendag op de tafel der ouders vleesch werd voorgezet, wilde de knaap dit niet eten. Dc vader beval het hem. Het kind antwoordde echter: //het zou eene ./doodzonde zijn heden vleesch te eten, heeft ons de professor gezegd, romdat de Kerk het verboden heeft, en het gebod der Kerk is gelijk »aan het gebod van God; ik mag dus niet; ik zal van de andere spijzen «gebruiken.quot; //Neen, deugniet!quot; hernam de vader vertoornd, //als gij „geen vleesch eet, zult gij van daag in het geheel niet eten; ga weg .van tafel, naar de andere kamer.quot; Het deed de moeder pijn aan het hart, dat haar lief kind honger moest lijden, daarom bracht zij het na den maaltijd in het geheim iets te eten. Het kind nam echter de spijzen niet aan en zeide: //neen, lieve moeder, ik mag niet; vader .. heeft mij hevolen, in het geheel niet te eten. Zijn hevel van vleesch te eten mag ik niet opvolgen, omdat ik God niet beleedigen wil; in ./het geheel niet eten, kan ik; daarom mag ik uwe liefde niet toe-i/geven, ik wil en moet aan het bevel van mijnen vader gehoorzamen.quot; De getroffen moeder verhaalde dit terstond den vader, en beiden wareu tot sehreiens toe bewogen. Toen de vader bij het begin van het volgende schooljaar zijn kind weder in het opvoedingsgesticht terugbracht, zeide hij tot den overste: //Mijn kind heeft mij tot het Christendom bekeerd.\'\'
243
hebben een groot gedeelte van hunne levensbaan afgelegd , zij hebben misschien door bittere ondervinding leeren inaien , hoe rampzalig het is, die schrede te doen, welke gij zoo gaarne doen wilt; de arglistigheid der wereld en hare be-driegelijke voorspiegelingen zijn voor hen geen geheim meer; zij zien den vijand van verre, terwijl gij hem, ofschoon hij u reeds de boeien aandoet, met kinderlijke zorgeloosheid voor een waren vriend houdt; zij kennen verder het best de goede en kwade neigingen uws harten, en zijn, eindelijk, door God zeiven aangesteld om u te leeren en in alle deugden te onderwijzen. Zou het niet dwaas zijn, zulke leeraars, opvoeders en raadgevers te versmaden, om de blinde drilt van den hartstocht of de inblazingen van lichtzinnige en gewetenlooze menschen te volgen? Zoudt gij u niet aan het grootste gevaar blootstellen , aan de band van verkeerde leidslieden en met hen, u in den afgrond te storten? Onderhoudt gij daarentegen de bevelen en verordeningen van uwe godvruchtige ouders als zoovele bevelen en verordeningen van God; let gij op hunne leeringen en vermaningen, op hunne waarschuwingen en terechtwijzingen, dan zal God u door hen leiden en tot gelukkige en deugdzame kinderen maken. Want het gebod (des vaders) is een fakkel, en de wet der moeder is een licht, en inscherping der tucht is de weg des levens (Spr. VI, 23). .)
\') Met de plicliten der kinderen jegens hunne ouders en der onderdanen jegens hunne overheden hebben ook de plichten der jongelieden ten opzichte der grijsaards, die men in het algemeen om hunnen ouderdom vader pleegt te noemen, eene groote overeenkomst.*) 1) Jongelieden moeten de ouden van dagen met achting bejegenen. Dit eischi God zelf; Hij, die gebood vader en moeder te eeren, roept ook de jeugd toe: //voor een grijs hoofd zult gij opstaan en den persoon van den ■/grijsaard in eere houdenquot; (3 Mos.\'XIX, 32). Zelfs bij de beschaafde volken van het heidendom droeg men den grijsaard hooge achting toe. Vooral was dit het geval bij de Spartanen. Bij een volksfeest der Grieken liep een grijsaard langen tijd rond, om eene plaats te vinden, teneinde te kunnen zitten. Toen hij nu ter plaatse kwam, waar de Spartanen zaten, stonden allo jongelieden eerbiedig op. Een algemeen gejuich van bijval beloonde dit bewijs van eerbied voor den ouderdom en de hoogverheugde grijsaard riep uit: »0 Goden! alle Grieken kenner, /de deugd, maar de Spartanen beoefenen haar.quot; Inderdaad, er is in het menschelijke leven nauwelijks een eerbiedwaardiger gezicht, dan dat van een edelen grijsaard, die gedurende een reeks van jaren in den kring zijner familie, in zijne gemeente, in zijn vaderland veelvuldige deugd beoefend en rijke verdiensten zich verworven heeft. — Deaciiting voor den ouderdom verlangt, dat men de hoogbejaarden met vriendelijkheid, toegevendheid en voorkomendheid behandele; dat men hun
s) Ook de romeinsche Katechismus rekent deze verplichting tot dif van het vierde gebod.
16*
244
Voortzetting van het vierde gebod.
Plichten der ouders en overheden.
Hebben de ouders en overheden, als Grods plaatsbe-kleeders , van den eenen kant het recht, van hunne kinderen en onderdaneu eerbied, liefde en gehoorzaamheid te vorderen, zoo hebben zij van den anderen kant als zoodanig jegens hunne kinderen en onderdanen ook groote plichten te vervullen. Strenge rekenschap zal eens van hen gevorderd worden, als zij deze verzuimen.
Welke zijn de plichten der ouders jegens hunne kinderen ?
1) De eerste en heiligste plicht der ouders is, dat zij hunne kinderen voor God en het eeuwig leven opvoeden.
gaarne den voorrang late, de eervolle en eerste plaats inruime; hen eerst hun gevoelen late zeggen en hen slechts met bescheidenheid in gebaren en toon tegenspreke. Derhalve schrijft de Apostel aan den Bisschop Timotheüs (1 Tim. V, 1, 2): ,/Spreek eenen oudere niet hard «toe, maar vermaan hem als een vader.... oudei\'e vrouwen als moeder.quot; Wie daarentegen oude lieden veracht, bespot, uitlacht, hen beleedigt en tergt, brandmerkt zich zeiven als een onopgevoed, ruw en onverstandig mensch, die niet verdient oud te worden en die vreezen moet. zelf veracht te worden . als hij oud wordt. — 2) Jongelieden moeten gaarne den goeden raad der ouden hooren, want //bij de ouden is ,/Wijsheid, bij een langeren leeftijd is doorzichtquot; (Job XII, 12). Edele grijsaards zijn de school des levens doorgegaan: zij hehben voorzichtigheid , beleid en wijze gematigdheid geleerd; zij weten door rijp en bedaard overleg zich zelve en anderen voor bedrog en overijling te vrijwaren. Dat alles ontbreekt de jeugd. Zij moet zich daarom\'ge-lukkig achten, met de ondervinding van den ouderdom verrijkt te worden; zij moet zich beijveren, aan de uitspraken en vermaningen van deugdzame grijsaards gehoor te verleenen en gevolg te geven. //Laat u „het woord der ouden niet ontgaan; want zij hebben ook van hunne «vaders geleerd; van hen kunt gij wijsheid leeren en hoe ook gij in //tijd van nood spreken moetquot; (Sir. VIII, 11, 12). — E,oboam, de zoon van Salomon, versmaadde de wijze raadgevingen van de ouden des rijks; hij volgde die van zijne onstuimige jeugdgenooten en verloor daardoor tien stammen van zijn rijk (3 Kon. XII, 1—20). Hoevele jongelingen en jonge dochters hebben hunne kostbaarste goederen, geheel hun levensgeluk verloren , omdat zij liever de inblazingen van onbezonnen vrienden en vriendinnen hunner jeugd, dan de raadgevingen van oudere, meer ervaren en in deugd beproefde vrienden en bloedverwanten wilden volgen ! — 3) Jonge lieden moeten, zooveel mogelijk, de ongemakken des ouderdoms verlichten. De ouderdom komt met gebreken. Heb daarom medelijden met grijsaards, verzoet hun de laatste schreden op de levensbaan, opdat zij , u zegenende, in het graf dalen. Wees toegevend met hunne luimen en gebreken; ondersteun hunne zwakheid; lenig hunne smarten; schenk hun eene vriendelijke, deelnemende opmerkzaamheid; bemoedig en troost hen. Maak u, door in het algemeen alle plichten jegens den ouderdom met christelijke liefde te vervullen, het hemelsche loon en een lang leven op aarde waardig.
245
Daarom moeten zij hen a) in den katholieken godsdienst goed onderrichten en doen onderwijzen, i) hen reeds vroegtijdig tot godsvrucht en tot alle goed aanzetten, c) hun een goed voorbeeld geven, d) hen voor verleiding bewaren, 6\') hunne gebreken met christelijke liefde bestraffen.
2) Moeten zij ook voor hun tijdelijk geluk en vooruitgang zorgen; daarom sondigen zij, a) als zij hun vermogen lichtzinnig verkwisten, 6) voor de voeding, kleeding en gezondheid hnnner kinderen niet behoorlijk zorgen, of c) als zij er zich niet aan laten gelegen liggen , hen vroegtijdig aan den arbeid te gewennen en iets nuttigs te laten leeren. — Zwak en hulpeloos komt het kind ter wereld, zijne tijdelijke en eeuwige, zijne aardsche en hemelsche bestemming geheel onbewust. Den ouders is nu door de goddelijke Voorziennigheid de last opgedragen, het arme schepsel tot zijne tweevoudige bestemming te brengen. Niet genoeg dat zij het natuurlijke leven aan het kind gegeven hebben, moeten zij ook zorgen, dat het door het H. Doopsel onverwijld het hoogere leven der genade verkrijge. In het vervolg moet de lichamelijke opvoeding en verpleging met de zorg voor de bewaring van het geestelijk leven des kinds, van de onschuld des Doopsels, en de opvoeding tot een waardig en nuttig lid der maatschappij met de opvoeding tot een waardig lid van het verloste geslacht, tot een kind der Kerk en een burger des hemels, onophoudelijk hand aan hand gaan. Ja, daar de eeuwige zaligheid elk aardsch geluk in waarde en voortreffelijkheid ver te boven gaat, zoo moet ook de zorg voor eene christelijke opvoeding, boven elke andere zorg den voorrang hebben. De kinderen voor God en de eeuwige zaligheid op te voeden , is dus voorzeker de voornaamste en heiligste plicht van christelijke ouders. Daarom zegt de H. Paulus: „Gij „vaders, voedt uwe kinderen op in de leer en in de tucht ,.des Heeren\'\' (Eph. VI, 4).
Vaders en moeders, onderwijst dus uwe jeugdige kinderen in de noodzakelijke waarheden des geloofs; leert hen, zoodra hun kinderlijk verstand ontwikkelt. God kennen, God vreezen en beminnen. Aleent toch niet, dat de godsdienstige opvoeding uitsluitend het werk en de verplichting der zielzorgers is. Waar de grondslag van het godsdienstig onderricht te huis ontbreekt, zal de zielzorger zich in de school en in de kerk vruchteloos beijveren, in de harten uwer kinderen den schoonen hemelsbouw der christelijke leer op te trekken. Zendt uwe kinderen vlijtig naar eene goede school en naar de christelijke leering; ondersteunt de leermeesters en zielzorgers, door hun gezag tegenover uwe klagende en wederspannige kinderen stipt en streng te handhaven. — Gewent verder uwe lieve kleinen aan het gebed, laat hen aandachtig hunne teedere handjes vouwen en godvruchtig tot God opzien.... Gaat hnnne ongeregelde lusten reeds in de vroegste jeugd tegen; want «de knaap, aan wiens wil toegegeven
246
„wordt, brengt zijne moeder schande aanquot; (Spr. XXIX, 15). Het onverstandige kind wordt namelijk, gelijk een heidensch wijsgeer (Aristoteles, Ettrik. 15. 3. Hft. 15) opmerkt, geheel door de zinnelijke lusten beheersclit. Wanneer nu liet gezag der ouders die niet beteugelt, worden zij steeds heviger en onstuimiger, en het kind wordt weldra een slaaf van toomelooze hartstochten, welke niet zullen nalaten , in het jeugdige hart de vreeselijkste verwoestingen aan te richten. — Gewent de kinderen aan eene vaardige en stipte gehoorzaamheid ter wille van God en bestraft hunne gebreken op heilzame wijze; niet uit gramschap en blinden hartstocht, niet zonder maat en reden , maar uit christelijke ouderliefde, met kalmte, wijze gematigdheid en naar verdiensten. Straf beveelt de H. Geest zelf aan: „Oiit-„houdt het kind de straf niet,quot; zegt Hij; „slaat gij het met de „roede, het zal daarvan niet sterven en gij zult zijne ziel van de hel „reddenquot; (Spr. XXIII, 13, lé). Voor overdrevenheid waarschuwt echter de Apostel met de wooi\'den: „Gij, ouders, verbittert uwe kinderen „niet (door overdreven en onbillijke straffen), opdat zij niet moede-„loos worden!quot; (Kol. III, 21). — Zijn de kinderen reeds opgewassen, dan moeten de ouders, verre van de zorg voor hun hooger welzijn te laten varen, deze veeleer verdubbelen. Als wachters over hunne kinderen, die tevens Gods kinderen zijn, moeten zij een waakzaam oog houden op hen en op allen, met wie zij in en buiten het huis gewoon zijn om te gaan; want slechts zoo zal het hun gelukken, hen voor de besmetting van het kwaad te bewaren. De H. Chrysostomus *) drukt den ouders deze verplichting met nadruk op het hart. „Handelt,quot; zegt hii. „met deze levende woningen Gods (met uwe kinderen) even\' „behoedzaam, als gij met uwe woonhuizen handelt. Gij vermaant „altijd uwe dienstboden, voorzichtig met het licht om te gaan, opdat „soms niet eene vonk ontvalle en daardoor het geheele huis in brand . „gerake. Vermaant hen evenzoo, dat zij niet door onzuivere woorden, „door onzedelijke liederen, door onbeschaamde gebaren eene vonk „in het hart van een nog onschuldigen zoon, van eene nog onschul-„dige dochter laten vallen , welke dit huis Gods in brand zou kunnen „steken.quot; •— Eindelijk mogen de ouders wel bedenken, dat al liunne moeite en zorgen bij, de opvoeding der kinderen vruchteloos zijn, bijaldien zij niet ernstig zorgen, hen door een goed voorbeeld voor te gaan. De Voorzienigheid heeft de neiging tot navolging der ouders in het kinderhart gelegd; daarom mag, gelijk de H. Hieronj\'mus aan Laeta schrijft (Br. 7), //het kind noch bij de moeder, noch bij „den vader iets bemerken, wat het zonder zonde niet zou kunnen „navolgen.quot;
Mochten toch de ouders de gewichtige verplichting der christelijke opvoeding Juist begrijpen en goed behartigen. Zij zouden dan de grondleggers van het tijdelijk en eeuwig welzijn hunner kinderen worden, en voor zich zelve niet alleen aan de andere zijde des grafs Gods loon, maar reeds hier beneden van hunne kinderen de heerlijkste vruchten van liefde, hoogachting en gehoorzaamheid inoogsten. Verzuimen zij daarentegen deze heiligste plichten, dan zullen zij. gelijk een Hell, die geen moed genoeg bezat, om de gebreken zijner zonen krachtig tegen te gaan (1. Kon. IV), verdriet en schande van hunne kinderen beleven, en wellicht door hartzeer over hun ont-eerend lot ten grave dalen. — En ware dit slechts al het rampzalige, wat zulken ouderen is voorbehouden! Maar Iets veel ergers wacht hen: „zij zondigen z waar, maken zich aan de zonden hunner „kinderen medeplichtig, en zijn daardoor niet zelden de oorzaak van „hunne eeuwige verdoemenis.quot; Van zulke ongelukkige ouders zegt de romelnsche Katechismus met trelïenden nadruk: „Zeer velen zijn „er slechts op bedacht en zorgen bijna uitsluitend ^ om hunnen kin-
!ii) Adv. vituperator vitae monast.
247
deren geld en goed en \'een rijk erfdeel na te laten. In plaats van ,hen tot godsdienst, tot godsvrucht, tot beoefening der deugd aan »te sporen^ zetten zij hen veeleer tot gierigheid en hebzucht aan. Zij ,/bekomnieren zich weinig om den goeden naam en de zaligheid vhunner kinderen, als zij maar welgesteld, maar rijk worden. Is ,/er wel iets schandelijker dan dit? Zoo laten zij hun als erfenis niet //alleen hunne bezittingen na, maar ook hunne zonden en misdaden, ./waardoor zij hun geene geleiders ten hemel worden, maar weg-//wijzers tot de eeuwige straffen der hel.quot; — Als reeds in dit leven velé kinderen zulke ouders in de gevangenis vervloekten, omdat zij hen als den oorsprong van hun schandelijk lot beschouwden : welke vreeselijke vloeken zullen dan wel verworpen kinderen gedurende de geheele eeuwigheid jegens hunne plichtvergetene vaders en moeders uitbrengen, door wie zij niet voor den hemel, maar voor de wereld en de hel werden opgevoeó.! \')
\') ïer bevestiging en opheldering van het gezegde zullen eenige kernspreuken aangaande de goede opvoeding niet overbodig zijn. — Albertus 111, hertog van Beijeren : pleegde te zeggen; »mijne zonen //moeten eerst voor God, en om God voor de wereld gevormd worden; //zij zijn allereerst Christenen, dan vorsten.quot; — Van hertog Karei, zoon van Ferdinand I, heeft een oorgetuige ons het volgende gezegde bewaard; //bij alle afdwalingen der jeugd kan men somtijds toegevend-,/heid gebruiken; maar hetgeen met dc godsvrucht strijdt en den geest //van God kan aftrekken, dat mag nooit over het hoofd gezien worden.quot; Deze woorden sprak de aartshertog, toen aan één zijner kinderen eene straf werd opgelegd, omdat het geweigerd had te bidden (Hurter, Gesch. van Ferdinand). — Hoe men de kinderen in de vroegste jeugd afschuw voor de zonde moet inprenten, zie Dl. II. Bladz. 92. — De heidensche wijsgeer Plutarchus heeft een geheel boek over de opvoeding der kinderen geschreven, waaruit zelfs christelijke ouders en leermeesters vele degelijke lessen kunnen nemen. Wij laten hier slechts eenige volgen. — //Niets gaat boven,eene goede opvoeding der kinderen; zij moet het begin, het midden en het einde van alle ouderlijke zorgen uitmaken. Goederen der fortuin zijn bedriegelijk en wisselvallig; de goede opvoeding is een onvernietigbaar, goddelijk goed. — De gebreken van het kind zijn nog klein en gemakkelijk te verbeteren, de misslagen van den jongeling daarentegen zijn dikwijls STOOt en boosaardig. Daarom moeten wijze ouders juist op dezen het zorvuldigst waken, om hen voor buitensporigheid te bewaren; juist ten opzichte van hen mogen zij lessen, beden, waarschuwingen, \'bedreigingen, raadgevingen noch beloften sparen; juist hen moeten zij door voorbeelden doen zien, hoe de eene door wellust zijn ongeluk berokkend heeft, de andere daarentegen door zedigheid met roem en deugd bekroond is geworden. Vooral moéten de ouders er ook op bedacht zijn, hen van een vertrouwelijken omgang met slechte menschen verwijderd te houden. — Lof en berisping zijn voor de kinderen nuttiger dan slagen, en door aanmoediging en beschaming worden zij krachtiger tot de deugd aangedreven en van het kwaad afgeschrikt, dan , door vloek- en scheldwoorden. — Zijn er strenge terechtwijzingen te geven, zoo volge men het voorbeeld van voorzichtige \'geneesheeren, die bittere geneesmiddelen door bijmenging van zoet bruikbaarder maken ; men vereenige strengheid met zachtheid. — Aechytas van Tarente zeide op zekeren dag tot zijnen knecht //gij zoudt slaag hebben, als ik niet zoo vertoornd was!quot; En Plato, wien een booze slaaf in gramschap gebracht had, riep Spensippus, zijnen neef, en zeide; „Neem hem weg en geef hem slaag; ik ben „al te gramstorig.quot; — Voor alles moet de levenswijze van den vader een voorbeeld van deugd voor de kinderen zijn. Een vader, die zijne kinderen berispt over gebreken, welke hij zelf heeft, zal on-
24S
Welke plichten hebben de overheden\' jegens de dienstboden ?
Zij moeten hen 1) niet hard, maar liefderijk behandelen,
2) ïmn het verdiende loon en het noodige voedsel geven ;
3) hen door woord en voorbeeld tot vervulling hunner christelijke plichten en tot alle goed aanzetten; 4) hen van liet kwaad en van alle slechte gelegenheden verwijderen.
t
Ue dienstbode staat in eene drievoudige betrekking tot zijnen heer, hij is zijn dienaar, zijn medebroeder in Christus, zijn huisgenoot\'. Aan deze drievoudige betrekking beantwoordt van den kant van den overste eene drievoudige verplichting. Oe heer is namelijk 1) verplicht den getrouwen dienstknecht als zoodanig het loon volgens hunne overeenkomst. zonder spijtige toereiking en zonder vermindering of korting uit te betalen, desgelijks hem gezonde, voedzame spijzen in genoegzame mate te geven; want de arbeider is zijne voeding en zijn loon waardig. Daarom zegt de H. Paulus (Kol. IV, 1): „Gij, heeren, geeft, wat ,/recht en billijk is, aan de knechten, daar gij weet, dat ook gij eenen „Heer in den hemel hebt, eenen Heer, bij wien geen aanzien is van Vpersoonquot; (Eph. VI: 9), en die het onrecht, waaraan gij u jegens uwe dienstboden schuldig maakt, streng zal straffen.— 2) De dienstknecht leeft als medebroeder in Christus net recht op eene liefdevolle behandeling van den heer. Reeds in het Oude Verbond lezen wij; „Hebt ,.gij een trouwen knecht, hij zij u zoo dierbaar, als gij u zeiven zijt. „Behandel hem als uwen broeder\' (Sir. XXXIII: 31); hoeveel te meer geldt dit in het Nieuwe Verbond, welks Stichter zoo dringend en met zoo grooten nadruk zeide; „Wat gij ooit aan eenen mijner geringste „broeders gedaan hebt, hebt gij Mij gedaan.quot; —Heeft soms uw knecht uit vergetenheid of onachtzaamheid, heeft hij zelfs uitlichtzinnigheid of nalatigheid in uwen dienst iets verzuimd,quot; hoe zoudt gij het durven wagen, hem met onverbiddelijke strengheid en liardheid0te bestraffen, als gij bedenkt, dat ook gij u van zoovele ontrouwheden, van zoo talrijke gebreken en verzuimenissen in den dienst van God, uwen hoogsten Heer, beschuldigen moet? De slaaf Onesimus was aan Philemon, zijnen heer, ontloopen, en later door Paulus tot het christelijk geloof bekeerd en gedoopt. Dit was reden genoeg voor den grooten Apostel, Iiem zijnen meester aan te bevelen, en dezen te verzoeken, dat hij den weggevluchten slaaf nu als een zeer beminden broeder in den Heer weder in zijn huis zou opnemen. —- Wordt een dienstknecht in uwen dienst ziek, verstoot hem niet uit uw huis, zonder u verder om hem te bekreunen; oefen aan hem het lichamelijke werk van barmhartigheid, de verpleging der zieken, of zorg tenminste, dat hij door anderen zorgvuldig verpleegd worde. De heidensche hoofdman vergenoegde er zich niet mede, zijn zieken knecht in huis te houden, hij gaf zich zelfs de moeite Christus op te zoeken en voor hem zoo dringend, als ware hij zijn eig:en kind. om de gezondheid te bidden (Matth. VIII). — 3) Zijn de dienstboden geene kinderen des huizes, zij zijn toch huisgenooten, en daarom is het eene strenge verplichting voor den heer, ook voor hun geestelijk welzijn bezorgd te zijn. Deze zorg is volgens de bemerking van den H. Augustinus (de civ. \'\'ei. lib. XIX c. lü), het eigenlijke kenteeken van een echt christelijken heer, van een echt christelijken huisvader, van eene echt christelijke
■/voorzichtiger wijze zijn eigen aanklager zijn.quot; — Daarop duidt ook het oude spreekwoord: „zooals de oude zingen, piepen de jongen.quot; (Het meeste, wat van de ouders gezegd is, kunnen ook de\'kindermeisjes en oppassers op zich toepassen.)
huismoeder. Do heer moet derhalve zijnen dienstboden niet alleen tijd en gelegenheid geven, om hunne christelijke plichten te vervullen bijv. des zondags de H. 3Iis bij te wonen, de predikatie en christelijke leering aan te hooren, van tijd tot tijd de HH. Sacramenten te ontvangen, enz., hij moet ook de lauwen en nalatigen sterk daartoe aanzetten, en allen door woord en voorbeeld daartoe opwekken; \') hij moet, eindelijk, door waakzaamheid en strenge handhaving der huiselijke tucht en orde zooveel mogelijk elke gelegenheid tot zonde van hen verwijderd houden. Verzuimen de overheden dezen heiligen plicht, dan houden zij op, cJtristdijke heeren te zijn. Want, «als iemand,quot; zegt de Apostel, (1. Tim. V: 8), „Yoor de zijnen en bizonder voorde ,/huisgenooten geene zorg draagt, dan heeft hij het geloof verloochend „en is erger dan een ongeloovige;quot; hij heeft het geloof verloochend, omdat hij de werken des geloofs niet doet, omdat hij zijn huishouden niet volgens de voorschriften van het geloof voorgaat; hij is slechter dan een ongeloovige, omdat zelfs de heidenen gewoon waren hunne huis-genooten tot den dienst hunner gewaande goden, namelijk hunner huisgoden, aan te sporen. — Wat moet men zeggen van die heeren, die er zich veeleer op toeleggen, hunne dienstboden door slechte gesprekken en spotternij met al, wat heilig en goddelijk is, tot ongeloovige, en door de schandelijkste verleidingslisten tot zedelooze menschen, tot gewillige werktuigen hunner doemwaardige lusten te maken? Zulke heeren zijn voor hunne dienstboden geene plaatsbe-kleeders Gods, maar plaatsbekleeders en medeplichtigen van den listigen duivel. (Eene uitmuntende predikatie over de strenge verplichting der heeren, om voor het heil hunner dienstboden te zorgen, kan men vinden bij Bourdaloue op den tweeden zondag na Paschen.)
Wat zijn de overheden aan hunne onderdanen schuldig?
De overheden zijn door God aangesteld tot welzijn hunner onderdanen; daarom moeten zij 1) het welzijn hunner onderdanen naar vermogen bevorderen; 2) hun ambt met wijsheid en onomkoopbare rechtvaardigheid waarnemen; 3) het kwaad straffen, en 4} allen door een christelijken levenswandel voorlichten.
i) Welk een heilzamen en machtigen invloed het voorbeeld dei heeren op hunne dienstboden uitoefent, bewijst-de marteldood der duizend-en-drie nicomedische Bloedgetuigen, wier gedachtenis op den 7iien Februari gevierd wordt. Zij waren allen bedienden der keizerlijke hofbeambten Basus, Eusebius, Eutychius en Basilides, die onder Diocletiaan het christelijk geloof met hun bloed bezegelden. Aangemoedigd door het voorbeeld hunner meesters, nam deze heilige schaar van dienstboden het heldhaftig besluit, zich uit eigen beweging voor den rechterstoel van Diocletianus te stellen en zich Christenen te verklaren. //Ook wij zijn Christenen;quot; riepen zij den dwingeland eenparig toe, „wij drukken de voetstappen van onze vaders en heeren. /Wij dienen den duivel niet, en aanbidden nooit de blinde, stomme ,en\' levenlooze afgodsbeelden!quot; Noch vleitaal noch bedreigingen vermochten de grootmoedige belijders, waaronder zich vele vrouwen en kinderen bevonden, een oogénblik te doen wankelen; door de soldaten van den in woede ontstoken keizer in stukken gehouwen eindigden allen op denzelfden dag hun leven van overwinning (Z. Bolland. 7. Februari).
250
,,Hoort nu, koningen,quot; roept de H. Geest in het boek der Wijsheid (VI: 2, 4). „hoort en begrijpt het; leert, rechters op het wijde wereld-„rond! . . . Van den Heer is u de heerschappij gegeven en de macht „van den Allerhoogste, die uwe werken onderzoeken en uwe raad-/;gevingen navorschen zal,quot; enz. God, de onzichtbare Heer van het heelal, hect\'t tevens den vorsten en overheden, als zijne plaatsbeklee-ders, de macht toevertrouwd, de hun onderworpen volken te regeeren, d. i. hen tot een waar zedelijk geluk te brengen, en hel bezit van dat geluk te beschermen. Derhalve leert ook de H. Paulus: „De ,/overheid is dienares van God, u ten heilquot; (Kom. XIII: 4). En met gegronde reden zegt hier de Apostel, „u (als privaat persoon) ten jheil,quot; daar ieder afzonderlijk in het welzijn van het geheele volk deelt, gelijk wij allen gezamenlijk en ieder in het bizonder deelen in het licht en in de warmte van de voor allen gemeenschappelijke zon. De vorsten moeten dus bij de waarneming yan hun ambt //niet //hun persoonlijk voordeel op het oog hebben, maar voor het algemeen „welzijn zorgen en al hunnen tijd aan het geluk hunner onderdanen wijdenquot; (Chrisostomus, Hom. Si3 over Rem.). — Zelfs de heidenen erkenden deze waarheid door het licht van het gezond verstand, ofschoon zij er niet aan dachten, de laatste oorzaak daarvan in de goddelijke Voorzienigheid te zoeken. „Het volk is niet om den be-„stuurder, maar de bestuurder is daar ten wille van het volk,quot; zegt Plato; en Aristoteles (Eth. B. VIII. Hoofdst. 13) vindt in het streven om het algemeen welzijn te bevorderen het onderscheid tusschen het koningschap en de dwingelandij. „De dwingeland,quot; merkt hij op, ,ziet slechts naar zijn voordeel, de koning naar het welzijn zijner „onderdanen. De betrekking tusschen vader en kinderen, ziedaar het „beeld der koninklijke regeering. Eenen vader gaat vooral het wel-„zijn zijner kinderen ter harte. Zoo is het ook der koninklijke waar-„digheid eigen, eene vaderlijke macht over de onderdanen, als over ^kinderen, te zijn.quot; Waarlijk vorderen ook wij. Christenen, en wel met meer recht en beter inzicht, van iederen koning of vorst, dat hij een ware vader voor het land zij. En wat van de vorsten en koningen geldt, dit geldt naar evenredigheid ook van iederen overheidspersoon. Volgens het gezegde is het dus de wereldlijke macht geoorloofd, het leven, de eer en het eigendom en in het algemeen elk goed recht der onderdanen tegen onrechtvaardige aanvallen en inbreuken van , anderen met alle haar ten dienste staande wettige middelen óf in persoon, öf door hare ambtenaren te beschermen, en de openbare rust en orde in den Staat tegen in- en buitenlandsche vijanden te handhaven. Het komt den vorsten ook toe, hunnen onderdanen nuttige en billijke wetten te geven, over hen met onpartijdigheid uitspraak te doen en dergelijken meer. — Bij dit alles\' moeten de overheden gedenken, dat zij eens voor Gods rechterstoel strenge rekenschap zullen afleggen, in het tweede boek der Kron. (XIX: 6, 7) staat: //Josaphat (de koning van Juda) gebood den rechters en zeide: ziet //toe, wat gij doet; want gij oetent het recht uit niet van eenen „mensoh, maar van den Heer, en alles, waarover gij oordeelt, zal //Op u terugkomen. Bij den Heer is geen onrecht of aanzien van „persoon, noch verlangen naar geschenkenquot; Waarlijk eene schoone, beteekenisvolle les voor de rechters dezer aarde!
De wereldlijke regeering raag zich echter geenszins vleien, haren plicht jegens het volk, hetwelk zij bestuurt, te vervullen, als zij alleen voor hunne stoffelijke belangen zorg draagt. Er zijn nog andere goederen, welke tot het ware geluk van een volk onvergelijkelijk meer bijdragen, dan rijkdom en welvaart, de openbare zedelijkheid namelijk en de godsdienst. Van de regeering, als de bewaarster der openbare zedelijkheid, lezen wij bij Paulus, dat zij „eene wreekster „is ter bestrafling voor hem, die kwaad doetquot; (Rom. XIII: 4). Maar al het waken en straffen zal weinig baten, als niet het leven dei-bewindvoerders zelve van dien aard is, dat het allen onderdanen tot
251
voorbeeld kan strekken; weinige straffen daarentegen zullen daar noodig zijn, waar op den troon het licht van het goede voorbeeld, van rechtvaardigheid, en zuiverheid van zeden gegeven wordt.
Reeds bij de Heidenen gold het spreekwoord: „naar het voorbeeld „van den Koning richt zich de geheele wereld.quot; — Het hoogste goed der onderdanen is de ware godsdienst. De bescherming van dit goed is dus de heiligste plicht van iederen christelijken bestuurder. Hij voldoet hieraan, als hij aan de Kerk, welke volgens goddelijke instelling de hoogere belangen, het eeuwige welzijn der volken beoogt, krachtig en bereidwillig de hand biedt, hare rechten, haren eigendom, hare bedienaren en bestuurders beschermt, de zegenrijke werkzaamheid dezer moeder en opvoedster der volken niet alleen niet tegengaat, maar de hinderpalen, welke haar, door wien ook, worden in den weg gelegd, wegneemt; als hij allen kinderen der ware Kerk volle vrijheid scliehkt, om naar haren geest en hare voorschriften te leven, enz. — Gelukkig de vorst, die er eene hoofdzaak van maakt, op zulke wijze, als dienaar Gods en gehoorzame zoon der Kerk, het hoogere welzijn zijner onderdanen en de eer des Allerhoogsten te bevorderen. De moederlijke zegen der Kerk zal zijnen troon bevestigen, de arm des Almachtigen hem beschermen en verheffen. Derhalve zegt de Geest Gods: „Gij Koningen der volken, wanneer gij lust „hebt in troonen en schepters, bemint dan de wijsheid, opdat gij in „eeuwigheid moogt heerschenquot; (Wijsh. VI, 22). ■
TOEPASSIN G.
Een godvreezend en getrouw bestuurder is niet slechts sen sieraad, maar ook een groote zegen voor liet geheele land, eene buitengewone gunstbetooning des hemels. Dit erkende reeds de koningin van Saba, die, verrukt over Salomons wijsheid tot hem zeide: „Gezegend zij de Heer, „uw God, die u op zijnen troon wilde stellen! Omdat „God Israël bemint, en het eeuwig behouden wil, daarom „heeft Hij u tot koning over hen aangesteld, daar gij „rechtvaardigheid uitoefent\'\' (2 Kron. IX, 8). Derhalve moeten wij God onophoudelijk bidden, dat Hij in zijne goedheid ons bestuurders schenke naar zijn hart, die in alles zijn heiligen wil volbrengen; wij moeten dagelijks den Heer om vergeving smeeken voor onze zonde en die des volks, opdat Hij ons om die zonden geene „vorsten „geve in zijne gramschapquot; (Openb. XIII, 11. Vergel. Job XXXIV, 30.; Is. XI, 4). — Wij moeten echter ook op eene andere wijze zorg dragen, dat, voorzoover het van ons afhangt, slechts geschikte personen tot waardigheid geraken. Vandaar is ieder christelijk burger in geweten verplicht, overeenkomstig zijnen stand, naar vermogen te zorgen, dat bij verkiezingen van openbare beambten , plaatselijke bestuurders, afgevaardigden in de kamers, die mannen den voorrang bekomen, van wie hij de overtuiging heeft, dat zij bij elke gelegenheid voor de hoogste en heiligste belangen des volks, welks wettige plaatsbe-
252
kleeders zij zijn, krachtig en onverschrokken hunnen en zullen optreden, en hen tegen de geweldadige aanvallen der vijanden van Staat en Kerk verdedigen en beschermen: „wijze en verstandige mannen, en wier wandel beproefd „isquot; (5 Mos. II). Wie dien plicht verzuimt, is schuldig aan den zedelijken en godsdienstigen ondergang van het land, welke niet uitblijven zal, als de macht in handen komt van slechtgezinde mannen.
ISet vijfilo ^cliod (*ods-
.. Gy zult niet doodslaan.quot;
Welke zonden verbiedt het vijfde gebod van God?
Het verbiedt alle zonden, door welke men den evennaaste of zich zeiven naar het leven des lichaams of der ziel schade toebrengt.
Nadat in het vierde gebod de bizondere plichten jegens diegenen onzer evenmenschen, die over ons gesteld zijn, zijn aangewezen, volgt nu in de zes overige geboden de uiteenzetting der plichten, welke wij jegens alle mede-menschen zonder uitzondering en onderscheid te vervullen hebben. — Het vijfde gebod bevat in het bizonder die plichten, welke op het kostbaarste van alle aardsche goederen, op het lichamelijk leven van onzen evenmensch en van ons zeiven betrekking hebben. Vandaar verbiedt het streng, aan dit voortreffelijkste goed, hetwelk als de wortel en de noodzakelijke voorwaarde van alle andere goederen der aarde is, zich te vergrijpen en zoo tegen den evennaaste en tegen zich zeiven te zondigen. Daar echter ook het leven der ziel, hetwelk een nog veel verhevener, namelijk een bovennatuurlijk goed is, door anderen in gevaar kan worden gebracht, wordt door dit gebod ook verboden, den evennaaste op eenigerlei wijze naar het leven der ziel te schaden.
Hoe bezondigt men zich aan het lichaam, en het leven van den evennaaste ?
Wanneer men 1) hem op onrechtvaardige wijze doodt, slaat of verwondt; 2) door krenking of harde behandeling zijn leven verbittert of verkort.
253
Een voorbedachtelijke, onwettige doodslag of moord is sene ontzettende, eene hemeltergende zonde. Want a) de moordenaar grijpt moedwillig het recht van God aan. God heeft den mensch het leven gegeven; aan God komt dus onbetwistbaar het recht toe over leven en dood van den mensch. En dit recht heeft de Allerhoogste zich zeiven voorbehouden; „Ik dood en maak levend,quot; zegt Hij (5 Mos. XXXII, 39). Wie nu, zonder van God daartoe gerechtigd te zijn, eenen mensch het leven beneemt, maakt moedwillig inbreuk op het opperste recht der goddelijke Majesteit. God toch heeft den mensch over zijnen naaste geene onbeperkte macht geschonken, even als over de dieren, over welke hem van den beginne onbeperkte macht ( IMos. I, 38) , dus ook het recht, ze tot zijn nut te dooden, gegeven is. Het leven van den naaste moet den mensch heilig en onschendbaar zijn, omdat hij het evenbeeld van God is. Daarom zegt God , de Heer : „wie menschenbloed vergiet, diens bloed zal ook ver-„goten worden; want de mensch is naar Gods evenbeeld geschapenquot; (1 Mos. IX, 6). De moordenaar vergrijpt zich in zekeren zin aan God zeiven, daar hij diens voortreffelijkst werk, het doel en de bekrooning van alle andere zichtbare werken, zooveel in hem is, vernietigt, den naar Gods beeld en gelijkenis geschapen mensch doodt. — h) De moordenaar ondermijnt de veiligheid der maatschappij. De veiligheid der maatschappij steunt namelijk op het vertrouwen en de overtuiging, dat hare leden niet alleen de goederen en rechten van anderen zullen ongedeerd laten, maar ook tegen onwettige aanrandingen beschermen. Dezen grondslag der maatschappelijke veiligheid of van vertrouwen schokt de moordenaar geweldiger, dan eenig ander misdadiger. Men kan immers niet veronderstellen, dat eenig goed of recht heilig en onschendbaar zou wezen voor hem, die niet aarzelt, zijnen naaste het kostbaarste van alle tijdelijke goederen, het leven te ontriemen. — Verder verliest de maat-\' schappij door den moord niet zelden de edelste mannen, die als hechte steunpilaren van het recht en de gerechtigheid, de maatschappij tegen de moedwillige aanvallen van ondeugd en ongerechtigheid beveiligen. — c) De moordenaar stort den naaste in het diepste tijdelijke, en soms in het eeuwige verderf. De tijdelijke smart, welke hij hem veroorzaakt, is het verlies van het allergrootste, geheel onherstelbare goed, van het leven. Bevindt zich de vermoorde op het oogenblik van zijn dood in staat van doodzonde , dan heeft de moordenaar hem den tijd tot boetvaardigheid ontnomen, voor hem het lijden der helsche pijnen bespoedigd. — Hoe streng God den moordenaar reeds hier beneden straft.
254
leert ons het voorbeeld van den broedermoorder Caïn, die heel zijn leven onrustig, voortvluchtig en elk oogenblik den dood van eene wrekende hand verwachtende, op de ruime aarde ronddwaalde (1. Mos. IV); eveneens van Achab en Jezabel, die Naboth op onwettige wijze om het leven gebracht hebben. De nakomelingschap van den eersten stierf uit; Jezabel werd uit het venster van haar paleis neergeworpen, door de hoeven der paarden vertreden, en haar vleesch door de honden gegeten (4. Kon. IX, 10). \')
i) Wie zich vergrijpt aan het leven van den evenmensch, heeft niet alleen den wrekenden arm der menschelijke, maar ook der goddelijke gerechtigheid te duchten. Eene menigte voorbeelden, voornamelijk uit den tijd van het schrikbewind der fransche omwenteling, leverde liet bewijs, dat de ijselijkste straffen dikwerf de moordenaars treffen, wanneer zij zulks het minste vermoeden. Wij bepalen ons hier bij de folterende gewetensangsten, welke den moordenaar bij elke schrede vervolgen, en niet zelden hem aanzetten, zich zelven aan den wereldlijken rechter over te leveren, of uit wanhoop aan zijn eigen leven gewelddadig de hand te slaan. Bij de reeds aangehaalde voorbeelden in D. I. voegen wij nog het volgende. — In Juni 1S16 werd eene zieke vrouw, Margaretha S. naar het gasthuis te Heidelberg gebracht. Na een kort verblijf aldaar verlangde zij te biechten, en deed, nadat dit geschied was, vrijwillig aan het gerecht de verklaring; //dat zij twee kinderen had omgebracht, en verlangde ,daarvoor gevonnisd te worden, en aldus rust te bekomen in haar «geweten.quot; In het verhoor genomen, beleed zij, dat zij sedert den moord van hare beide kinderen geene gewetensrust meer had gehad, zelfs na de Biecht niet, ofschoon zij zich oprecht beschuldigd en de vrijspreking bekomen had. «Zelfs dit,quot; zoo bekende zij verder,//zelfs //dit was mij niet genoeg; ik wilde aan de overheid mijne misdaad ./Openbaren, opdat mijn vonnis zou gegeven worden, en ik bid, dat /men mij, als ik gevonnisd word, het hoofd afzage, opdat ik, voor «hetgeen ik gedaan heb, gepijnigd worde en boete doe.quot; //Ook de .voeten,quot; ging zij voort, //moet men afzagen;quot; die voeten, met welke zij weleer danspartijen had nageloopen, waar zij haar zondig leven begonnen was (Zie de uitvoerige, volgens de processtukken verhaalde geschiedenis bij Herbst. II. D. bladz. 133 en volg.). — Op den 16 Mei des namiddags riep een dorpeling in Cihali (district ïrebitsch) door het luiden der klok de inwoners bijeen. Toen er zeer velen waren verschenen, legde hij openlijk de bekentenis af, dat hij in het jaar 1856 zijn zoon, omdat deze hem zijne spaarpenningen niet had willen geven, met een houweel verslagen, en het lijk in stukken gesneden in eene nabijzijnde schuur begraven had. Zijn geweten liet hem geen rust. — Dat de voortdurende gewetensfolteringen somtijds tot zelfmoord voeren, zien wij in het volgende voorval. Floriaan, de zoon van een eerlijken, maar behoeftigen landman, had zijn ouderen broeder uit nijd en afgunst vergiftigd. Als den jongen misdadiger de oogen over het ontzettende zijner daad opengingen, vond hij nergens rust noch duur. Hij vluchtte uit het ouderlijke huis, dwaalde lang in boscli en gebergte rond, werd eindelijk door een menschlievend jager in huis opgenomen en kreeg, nadat hij zich goed gedragen had. diens eenige dochter tot vrouw. Doch zelfs het huiselijk geluk kon de bittere verwijten van het beangstigd hart niet verbannen. Floriaan verliet zijne vrouw, en nadat hij achtereenvolgend kloosterbroeder en soldaat geweest was, schreef hij aan zijne echtgenoote zijne ge-
255
De zonde van doodslag is niet minder groot en strafbaar, indien zij door list of door de hand van een ander, dan wanneer zij openlijk en eigenhandig gepleegd wordt. Sluipmoord en manslag door omkooping zijn gewis nog verfoeielijker, dan de openlijke, eigenhandige, in het vuur der woede gepleegde moord, om de list en het bedrog, om de koele berekening, waarmede die geschieden. — Het dooden van den evenmenscli is geen moord, als dit öf om wettige redenen, gelijk uit de verklaring der volgende vragen blijken zal, of zonder voorbedachtzaamheid, zonder bedoeling en onvoorziens, bij ongeluk geschiedt. Van de zonde van moord kan echter hij niet geheel worden vrijgesproken, die met schuldige onvoorzichtigheid eene voor het leven van anderen gevaarlijke handeling verricht, bijv. boomen velt, zonder de voorbijgangers te waarschuwen, moedwillig met een geladen schietgeweer speelt, steenen werpt of die naar beneden laat rollen.
quot;Verwondingen, verminkingen , stooten, slagen , verkorting van het leven door verschillende grieven en onrechtvaardigheden zijn zonden tegen het vijfde gebod, omdat zi] voor de onschendbaarheid van het lichaam en de gezondheid nadeelig zijn, en zoo ten laatste de ontbinding, den dood verhaasten. Genoemde handelingen zijn meer of minder zware zonden, naarmate zij meer of minder in en op zich zelve er toe bij dragen om de gezond heid of de onschendbaarheid van het lichaam te verstoren en den dood te veroorzaken ; verder, naarmate zij meer of minder duidelijk voorzien zijn, en de bedoeling, waarmede zij volbracht worden, meer of minder boos is. Vandaar maken zich al diegenen aan meer of minder zware zonde schuldig tegen dit gebod, die ongezonde spijzen, bijv. onrijpe vruchten verkoopen, melk, wijn, enz. met schadelijke bestanddeelen vermengen, door het aanraden van onbeproefde geneesmiddelen de wonden of ziekten hunner evenmenschen verergeren ; insgelijks die hen uit lichtzinnigheid een plotse-lingen schrik aanjagen, tot hevige gramschap opwekken , enz.
Is het niemand geoorloofd een mensch te dooden\'?
1) Ja, dit is geoorloofd aan de overheid, ter bestraffing van misdaden. — Zeker is het, dat God zijn recht over het leven en den dood der menschen aan de wereldlijke
schiedenis in den volgenden brief: //Keen, ik kan de smarten mijner ,/ziel niet meer dragen. Lees mijne geschiedenis en verneem daaruit. »gij, goede, deugdzame vrouw, aan wolken ellendeling gij uw lot «verbonden hebt. Dank God, dat Hij u uit de handen van quot;een mis-//dadiger, die zijns gelijken op aarde niet heeft, bevrijdde. Ik mag /,niet gelooven, dat er in de hel pijnen zijn, welke die evenaren, •/welke mijn geweten mij hier beneden doet lijden. Leef gelukkig. //Als gij dezen brief leest, zal ik reeds in de andere wereld zijn, / waar eeuwige pijn mij wacht.quot;
256
macht kan overdragen. Dat Hij dit voor zekere gevallen ook werkelijke gedaan heeft, waarborgt ons de H. Schrift zoowel van het Oude als Nieuwe Verbond. Volgens haar getuigenis heeft God. in het Oude Verbond aan de overheid van het uitverkoren volk bevolen, over verscheidene misdaden de doodstraf uit te spreken (5. Mos. XX). Ook in het Nieuwe Verbond bezit de wereldlijke macht hetzelfde recht. „Niet vergeefs,quot; zoo schrijft de Apostel aan de Romeinen (XIII, 4), ,draagt zij het zwaard; want zij is „dienares van God, wreekster tot gramschap, hem, die het „kwaad doet!quot; — Deze overdracht van het goddelijk recht op de wereldlijke overheid kan men ook uit den natuurlijken toestand van de burgerlijke maatschappij of van den Staat met zekerheid afleiden. Elke Staat is namelijk als een lichaam, welks afzonderlijke leden de gewone burgers zijn. Gelijk het nu volgens de natuurwet geoorloofd, ja, niet zelden verplichtend is, een schadelijk lid van het lichaam af te snijden, opdat niet het geheele lichaam aangestoken worde en sterve, zoo is het ook geoorloofd, en m menig geval zelfs strenge verplichting, tot heil van den Staat, enkele verdorven leden door het zwaard der gerechtigheid als van het lichaam af te snijden, en zoo voor altijd onschadelijk te maken. De overheden, welke naar recht en billijkheid over groote misdadigers, voornamelijk over moordenaars, de doodstraf uitspreken, wel verre van tegen het vijfde gebod te zondigen, dragen er zeer sterk toe bij, dat alle onderdanen dat gebod uit vrees voor de doodstraf naleven en heilig houden. Zelfs de bedreiging van eene levenslange gevangenis is niet in staat, zooals de geschiedenis ons zoo veelvuldig toont, de hand van slechte menschen van moorden terug te houden, omdat hun daarbij het hoogste aardsche goed, het leven, in zekeren zin gewaarborgd is, en hun de hoop blijft, vroeg of laat de gevangenis te ontsnappen of daaruit ontslagen te worden.
2) Aan anderen, die niet ambtshalve daartoe gerechtigd zijn, is het slechts ter verdediging van het vaderland of ter wettige verwering geoorloofd, iemand te dooden. — Als een moordenaar met zulk geweld op iemand aanvalt, dat den aangevallene, om zijn eigen leven te redden, geen enkel ander middel overblijft, dan den onredelijken aanrander te voorkomen en hem den doodsteek te geven, dan maakt de aangevallene, met dit te doen, slechts gebruik van zijn recht van zelfverdediging, en is geenszins schuldig aan de zonde van doodslag. Iets anders zou het echter zijn, als hij zijn eigen leven door zachtere middelen kon redden, bijv. door het afnemen der wapenen van zijnen
257
vijand, door slagen of verwonding, door het roepen 0111 hulp, of door ijlings te vluchten; in dit geval zou de doodslag de palen der wettige verdediging te buiten gaan ei biina gelijk staan met een eigenlijken moord. De vrijheid om ter verdediging van zich zeiven een ander te dooden, blijkt deels uit het aangeboren recht en de verplichting om het eigen leven te bewaren, en uit het beginsel dei-christelijke liefde, welke ons wel de verplichting oplegt, den naaste te beminnen, maar niet meer dan ons zei ven ; deels hieruit, dat het met alle veiligheid, en bijgevolg met de maatschappij , welke zonder deze niet bestaan kan, gedaan zou wezen, wanneer het niet geoorloofd ware, in uitersten nood zijn leven door het dooden van den onrecht-matigen aanvaller te beschermen. Een zoodanige afstand van het heiligste recht des levens zou moord en straat-rooverij bevorderen en de wereld spoedig in een moordhol herscheppen. — Gelijk het nu iederen mensch afzonderlijk geoorloofd is, ingeval hij onmogelijk van de overheid bescherming verkrijgen kan, zich zeiven te beschermen en geweld met geweld te keeren, zoo is het ook aan een geheel rijk of een Staat geoorloofd. Dit geschiedt door den oorlog, waarin de aangevallen Staat als één man zich verheft, om den onrechtvaardigen aanvaller eene bloedige nederlaag toe te brengen. Het is echter niet alleen ter wering van een onrechtvaardigen aanval geoorloofd oorlog te voeren, de vorst mag ook ter handvaving zijner rechten, of, na voorafgegane zware krenking van den kant van een naburigen Staat, om eene behoorlijke voldoening te verkrijgen, te velde trekken, doch in deze gevallen eerst dan, wanneer billijke onderhandelingen den vrede niet tot stand kunnen brengen. Want, daar er tusschen twee onafhankelijke regeeringen of vorsten geene gerechtigde overheid op aarde is om te beslissen , zoo kan aan de onderdrukte en gekrenkte partij liet recht niet ontzegd worden, zich langs den eenig mogelijken weg recht te verschaffen. Indien nu een vorst zijne onderdanen tot een rechtvaardigen oorlog oproept, mogen en moeten zij zijne roepstem volgen, en alle iu oorlogstijd geoorloofde middelen gebruiken om den vijand te verzwakken en te overwinnen. Bij twijfel, of de oorlog rechtvaardig is of niet, mag en moet de onderdaan zynen vorst gehoorzamen, daar het een algemeene regel is, dat de onderdaan de bevelen der overheid rechtvaardig en billijk moet achten, als hem de onrechtvaardigheid en onbillijkheid daarvan niet gebleken is. De toepassing van dezen algemeenen regel op het gestelde geval is vooral noodzakelijk, dewijl het onderzoeken en navragen over de
DEIIAli.BE, GELOOFSLEER. III. 3lt;ie DRUK. ] 7
258
rechtmatigheid van den oorlog zeer ongelukkig en hoogst nadeelig op dien oorlog zeiven en in het algemeen op de verdediging van het vaderland werken zou. Anders is het gelegen met soldaten, die niet onder de gehoorzaamheid van den vorst staan, maar eerst na de oorlogsverklaring met hunnen vrijen wil geworven worden. Zij mogen geen dienst nemen, alvorens zii overtuigd zijn, dat de oorlog wettig is.
Er is zeker een groot onderscheid tussclien den oorlog, de verdediging ter wettige verwering en het tweegevecht, d. i. de strijd van twee personen na voorafgemaakte afspraak of overeenkomst. Iemand is of acht zich beleedigd, hij daagt zijnen beleediger uit, ten bepaalden tijde, ter bestemde plaatse, met dit of dat bepaald wapentuig met hem\'te vechten; neemt deze de uitdaging aan en komt het werkelijk tot een treffen, dan is dit een tweegevecht of duel, Zulk een tweegevecht is in elk geval, al zou het niet op leven en dood gaan, eene groote misdaad, welke met de goddelijke en wereldlijke orde strijdt, en derhalve nooit geoorloofd is. Het duël strijdt a) tegen het qoddelyk gezag, tegen het vijfde gebod Gods. Gaat het tweegevecht op dood en leven, dan maakt zich de duëllist aan een dubbelen moord schuldig; hij heeft namelijk de bedoeling, zijnen vijand te dooden en stelt zich zeiven aan het oogenschijnlijk gevaar bloot, door hem gedood te worden; die bedoeling maakt hem tot een moordenaar van zijnen evenmensch, deze vermetelheid tot zelfmoordenaar. Wordt hij dóodelijk getroffen in het tweegevecht, dan sterft hij niet alleen den tijdelijken, maar ook, omdat hij in staat van doodzonde is, den eeuwigen dood; overwint hij daarentegen, dan roept het bloed van zijn vermoorden vijand ten hemel om wraak, en het vuur der hel, waarin de ziel van dezen is neergestort, brandt op zijn geweten. De duellist zondigt dus in dit geval in meer dan één opzicht tegen het gebod; „gij zult niet doodslaan.quot; Doch ook dan, wanneer men met het tweegevecht alleen eene wonde wil slaan, overtreedt men het vijfde gebod moedwillig, daar het niet enkel eiken aanval op het leven, inaar ook de beschadiging of verminking van het lichaam van onzen naaste en van ons zelven verbiedt. Het duël strijdt h) met het wereldlijk gezag. Want door het duël wordt, als door eene handeling van strafwaardige zelfwraak, de wereldlijke overheid in hare rechten, als rechtster en bestrafster van het onrecht, gekrenkt, hare wetten voorbijgegaan en met voeten getreden, hare zorg voor de rust en het welzijn van hot gezin en den staat verijdeld. Het duël strijdt eindelijk c) mét het kerkelijk gezag, hetwelk het duël als een overblijfsel van de barbaarschheid van vroegere eeuwen veroordeeld, en in de Kerkvergadering van Trente (Zitt. XXV. Hoofdst. 19), uitdrukkelijk verklaard heeft: ,/Het verfoeielijk gebruik van het tweegevecht, op aan-z/sporing van satan ingevoerd, opdat het hem gelukke, door din ,blocdigen dood van het lichaam ook den ondergang der ziel te «bewerken, moet van de christelijke wereld verdelgd worden.quot; En om aan deze hare plechtige verklaring een nog grooter gewicht bi;, te zetten, en de volbrenging van het gebod in zekeren zin noodzakelijk tc maken, bepaalde de Kerk daar ter plaatse, dat zij, die zulk een tweegevecht aangaan, „do straf van excommunicatié en altijddurende //eerloosheid beloopen, volgens de kerkelijke voorschriften als moor-rdenaar zullen gestraft worden, en als zij in het gevecht vallen, de ,/kcrkelijke begrafenis moeten derven.quot; — De duëllisten vervallen in dezelfde\'kerkelijke straffen, wanneer het voorgenomen en afgesproken duël om een of ander beletsel niet volvoerd wordt; verder ook, als men daarbij niet den dood wil, maar, gelijk men gewoon is te
259
zeggen, slechts het perste bloed of een bepaald getal houwen of steken (Constit. van Clemens XVÏII). Gezegde straffen der Kerk beloopen niet alleen de duellisten en helpers of eigenlijke getuigen, maar ook allen, die het duël aanraden of daartoe helpen, indien die raad of die hulp er werkelijk toe bijdraagt of het bevordert; desgelijks de toeschouwers, wanneer zij niet bij toeval, als in het voorbijgaan, het tweegevecht gadeslaan, maar met voorbedachtzaamheid daarbij tegenwoordig zijn, door hunne tegenwoordigheid het billijken, of de strijders aanmoedigen.
Men is gewoon het duel te rechtvaardigen met te zeggen, dat dit in vele gevallen het eenige middel is, om het verwijt van lafheid van zich af te werpen en zijne eer te redden. Deze rechtvaardiging is van geene beteekenis. Want eerstens is zulk een duël, gelij\'k juist bewezen is, èen op zich zelf ongeoorloofd, met de natuurwet strijdend, zelfs door goddelijke en menscnelijke wetten stre\'ng verboden middel; het mag derhalve nimmer worden aangewend, om daardoor de eer te bewaren; want het zou eene onvergeeflijke dwaasheid zijn, aan te nemen, dat een slecht, een zondig middel door het beoogde goede doel geheiligd of gerechtvaardigd wordt. — Ten tweede is dit middel van nature geheel ongeschikt, om de braafheid van den duëllist te bewijzen. Deze kan in het tweegevecht behalve de vaardigheid in het vechten ook den droeven moed aan den dag leggen, zich te laten doodsteken, of zijnen vijand koelbloedig te dooden; doch die moed is niet eer- maar vloekwaardig. In het algemeen is het onvergelijkelijk eervoller, eene ruwe barbaarsche gewoonte te trotseeren, dan haar te huldigen. — Het duël is eindelijk ook niet let eenige middel, om zijne eer te redden; tot de redding der eer van bizondere personen zijn\' de wereldlijke rechtbanken ingesteld. Eenieder staat het vrij, zich tot deze te wenden. Lieten deze in een of ander geval den \'beleedigde zonder bescherming van zijn recht, dan nog zou het vcor hem beter zijn, door kortzichtige, door verblinde menschen voor lafaard, ja zelfs voor eerloos gehouden, dan door het tweegevecht moordenaar van het lichaam en van de ziel van zijnen evenmensch en van zich zeiven te worden. Wat zal het hem baten, dat de geheele wereld hem als het vreeselijkste slagzwaard eert, zoo God hem als een met bloed bevlekten misdadiger veracht en veroordeelt? \')
\') Br bestaat nog een bevelschrift van Keizer Joseph van het jaar 1771, waarin hij aan een generaal van zijn leger opdraagt, over twee duellisten, den graaf v. K. en den hoofdman W. krijgsraad te houden, en hem, die de meeste schuld van het tweegevecht droeg, streng te straffen. Daarin leest men: //De graaf v. K. is oploopend, jong, door //zijne geboorte en door een valsch eergevoel verblind. Hoofdman //W. is een oud krijgsman, die elke zaak met degen en pistool wil «afdoen. Ik wil en duld geen tweegevecht bij mijn leger, en veracht //de stellingen van hen, die het verdedigen, die het zoeken te billijken /en zich koelbloedig doorsteken. Als ik officieren heb, die zich met /•moed aan elk gevaar prijsgeven, dapperheid en vastberadenheid in -/het aanvallen en verdedigen toonen, dan schat ik hen hoog. De //onverschilligheid, welke zij bij zulke gelegenheden voor den dood i-toonen, strekt tot heil voor hun vaderland en hun tot eer. Mannen //echter, die bereid zijn alles aan de wraak en den haat jegens hunnen //vijand op te offeren, veracht ik; ik houd zulk een mensch voor «niets beter, dan voor een romeinschen kampvechter .... Eene i-zoodanige barbaarsche gewoonte, welke aan de eeuw der barbaarsche «vorsten doet denken en welke dikwijls zoo treurige gevolgen in //sommige huisgezinnen gehad heeft, wil ik onderdrukt en gestraft //hebben, al moet het ook de helft mijner officieren kosten. Nog zijn «er menschen, die met het karakter van heldenmoed dat van een ./goeden onderdaan in zich vereenigen, en dit kan slechts hij doen, die
17*
260
Verbiedt het injfde gebod alleen de werkelijk slechte daad tegen het lenen van den naaste?
Het verbiedt ook alles, wat tot de booze daad voert en verleidt, als : gramschap , haat, nijd , twist, schimp- en vloekwoorden.
Tot de booze, onwettige daad tegen het leven van den eveumensch, tot krenkingen, verwondingen en zelfs tot manslag voeren de ongeregelde neigingen van grampschap, haat en nijd. Deze verkeerde neigingen verleiden het hart, om den naaste lichamelijk ongeluk, ja, zelfs den dood te wenschen, zich over diens leed te verheugen en over het tegendeel, d. i. over lichamelijk geluk en een lang leven, zich te be ■ droeven^ Zulke vrijwillige vreugde en droefheid , zulke wenschen en begeerten, om den naaste aan gezondheid en leven te schaden, zijn , ofschoon men niet tot de uiterlijke daad overgaat, inwendige zonden tegen het vijfde gebod ; zij zijn in Gods oog ware doodslagen.\') In dezen zin schrijft
z/de staatswetten eerbiedigt.quot; — Merkwaardig is ook, wat de meermalen genoemde Pater Alexander van Rliodez uit de Sociëteit van Jesus, als ooggetuige, aangaande de lieidensche soldaten van hec koninkrijk Tonkin bericht. //Ik moet overeenkomstig de waarheid //bekennen,quot; schrijft de Missionaris, «dat de Tonkineesche soldaten, //oischoon zij tezamen wonen en met verachting van den dood den /Vijand slag. leveren, toch elkander ais broeders beminnen, en nooit ./hoorde ik, dat een van hen zijne wapenen tot verwonding van zijnen „makker misbruikt heeft. Tot mijne beschaming en tot schande van „ons Christenen moet ik zeggen, dat een Franschman, die naar z/Tokin gekomen was, en aldaar een Portugees ontmoette, die ziji; ,vijand was, niet lang kon leven, zonder met hem een gevecht aan ,/te gaan. Onze lieidensche soldaten, die de twee Europeanen met „blanke wapenen elkander zagen aanvallen, stonden niet weinig ver-ybaasd over deze woede, en zeiden vervolgens tot mij, dat zij nog ,nooit zulk eene barbaarschheid gezien hadden.quot;
Als men het onheil voor oogen houdt, hetwelk uit het tweegevecht niet alleen voor de strijdenden, maar ook voor hunne huisgezinnen en den Staat voortkomt, moet men het zeker als de heiligste verplichting van iederen overheidspersoon beschouwen, alles in te spannen, om dit doemenswaardig werk tegen te gaan. Een navolgenswaardig voorbeeld verhaalt Mehler. In den krijg, welken de trouwe, koningsgezinde Vendeers tegen het leger der Republikeinen voerden, ontstond tusschen twee kavalaristen een hevige\'twist. De esn trok den degen en bracht den andere eene lichte schram toe. Deze wilde nu den stoot herhalen, maar de heer van Donnisson, een even godvruchtig als dapper generaal, wierp zich tusschen beiden en riep: //Jesus heeft //zijnen beulen vergeven, en zal nu de soldaat van een Christenleger ,/zijnen makker dooden?quot; Deze koene tusschenkomst en christelijke vermaning maakte aan den strijd een einde: eene hartelijke omlielzing bevestigde de verzoening.
i) Een katholiek Missionaris verklaarde aan eenige Negers de tien geboden Gods. Bij het eerste gebod zeide een Neger tot zich zeiven: °Ik ben schuldig; desgelijks bij het tweede, derde en vierde gebod. Maar bij het vijfde dacht hij: „neen, niet schuldig, ik heb nog
261
de H. Joannes (1. Br. Ill, 15): „Ieder, die zijnen broeder „haat, is een moordenaar.quot; Zeker wil de Apostel daarmede niet zeggen, dat ieder, die haat tegen zijnen naaste draagt, terstond tot een werkelijken moord overgaat, maar hij wil te kennen geven, dat haat de bron is van doodslagen, welke in het hart bedreven worden, namelijk door gedachten en begeerten van moord en moordaanslagen. Datzelfde geldt ook van nijd en gramschap. De nijd, door Caïn tegen zijn onschuldigen broeder Abel, door de zonen van Jacob tegen Joseph, door de Joden tegen Jesus Christus in het hart gekoesterd, de nijd bracht allen op de gedachte hem om het leven te brengen , die het vooorwerp was van hunne boosaardige gezindheid. — Met betrekking tot de inwendige gramschap zegt Christus zelf (Matth. V, 21): „gij hebt „gehoord, dat tot de ouden gezegd is: gy zult niet dood-„slaan, en al wie doodslaat, zal strafbaar zijn voor het ge-,,rechtquot;, d. i. hem zullen de rechters veroordeelen, als eenen overtreder van het goddelijk gebod. „-Maar Ik zeg u: dat „al wie op zijnen broeder vergramd wordt, strafbaar zal zijn „voor het gerecht.quot; Dat is: dit gebod verbiedt niet alleen den werkelijken manslag, maar in het algemeen elke onredelijke, zij het ook alleen inwendige gramschap, en derhalve zal ieder, die op onbillijke wijze vergramd wordt, door God geoordeeld worden. 1)
De hartstochten van nijd, haat, gramschap of wraak verleiden niet alleen tot gedachten, wenschen en inwendige aanslagen op het leven van den naaste, maar ook tot andere inwendige zonden tegen het vijfde gebod; zij brengen, wien zij beheerschen, tot eene harde , barsche, zelfs wreede handelwijze jegens den evenmensen, tot hoon, tot schimpen vloekwoorden, tot twist en tweedracht, en voeren zoo, gelijk de ondervinding genoegzaam leert, tot rooverijën, moord en doodslag. \') Daarom zijn ook de uitbarstingen
-/inemand om het leven gebracht.quot; De Missionaris ging voort: ,/Hebt «gij nooit gramschap en haat in uwe harten gevoed^? //Hebt gij nooit gewenscht, dat deze man of gene vrouw dood ware?quot; Toen gevoelde zich de Neger eensklaps tot in het binnenste getroffen. //Waarlijk dat heb ik,quot; dacht hij, en zijn hart begon hevig te kloppen. //Massa!quot; (leeraar) riep hij uit, //dan héb ik waarschijnlijk reeds vóór «het ontbijt tien menschen doodgeslagen. Ik had niet gedacht, dat ./ik zoo slecht was.quot;
\'•) Hoe de rechtvaardige gramschap van de onrechtmatige onderscheiden is, zal bij de leer over de hoofdzonden verklaard worden.
-) I)e gramschap beneemt somtijds het bewustzijn; de toornige spreekt en handelt raast en ti^rt als een waanzinnige; daarom noemde ook de heidensche wijsgeer *eneca zeer juist de gramschap //eene korte razernij.quot; Toen in het jaar 1805 de Franschen naar dê rivier de Inn voortrukten, overnachtte een troep met een officier bijna
262
van genoemde hartstochten , ia en op zich zelve beschouwd, meer in strijd met het vijfde gebod, dan die inwendige zonden. De Heiland zelf maakt ons daarop opmerkzaam, als Hij, ter boven aangehaalde plaatse, zegt: „die echter „tot zijn broeder zegt: Kaka, zal strafbaar zijn voor den „raad; en die zegt; gij dwaas, zal schuldig zijn aan het „helsche vuurquot; (Matth. V, 22). De goddelijke Leeraar wil zeggen: wie tegen den naaste niet alleen inwendig vergramd wordt, maar hem ook door onbetamelijke woorden onteert, begaat eene grootere zonde dan de eerste; want het „gerechtquot; beslist bij de Joden over kleinere, de „hooge „raadquot; daarentegen over grootere misdaden; wie echter zijnen naaste door beschimpingen beleedigt en erg bedroeft, verdient de helsche straf, gelijk dit door de oogenblikke-iijke verbanning naar het dal van Gehenna^ waar de Joden ai het onreine verbrandden, wordt aangeduid, i) — Een-
I
twee uren van Wasserberg in eene boerenwoning aan den groeten weg. De landman alleen was achtergebleven, de anderen waren gevlucht. De Franschen braken des morgens zeer vroeg weder op en marcheerden naar Wasserberg. Daar aangekomen, miste de officier zijne beurs, welke hij in zijnen borstzak gedragen had. Dat hij den avond tevoren zijn geld nog gehad had, was zeker; hij reed nu naar de boerenwoning terug, waar zij den nacht hadden doorgebracht, om de beurs terug te vinden. De spijt van den officier steeg telkens, daar hij en zijne gezellen alle hoeken doorzochten en niets konden vinden. Buiten zich zeiven van gramschap schold hij den eerlijken landman, die ook hielp zoeken, voor een dief, vloekte en dreigde met den degen. Als deze echter zeer angstig geworden, nochmaals het tezamen \'gepakte stroo, waarop de soldaten geslapen hadden, opnam en zorgvuldig uitschudde, en nu werkelijk de lang gezociite beurs er uit viel, riep de vertoornde officier; //Ha, schurk!quot; en stootte hem den degen in het lichaam. Op deze plotselinge misdaad volgde wel oogenblikkelijk berouw, maar te laai; de ongelukkige landman stierf aan zijne wonde, en de moordenaar, door den krijgsraad veroordeeld, verwenschte, toen men hem wegvoerde om doodgeschoten te worden, dén hartstocht van gramschap, welke hem in zulk eene ellende gedompeld had ((Gebedenboekje voor katholieke soldaten).
\') Daarmede wil echter de goddelijke Heiland niet zeggen, dat men alleen in het laatste geval zich aan eene groo te zonde schuldig maakt, maar, gelijk Cornelius a Lapide juist opmerkt, dat de zonde in het laatste geval altijd eene groote zonde is, tenzij onbedachtzaamheid en derg. haar kleiner maken, terwijl in beide eerste gevallen liet eene doodzonde of zelfs dagelijksche zonde zijn kan, daar het volgens het gebruik der Joden bij zoodanige misdaden de zaak van het gerecht en van den hoogen raad was, om de zwaarte der schuld te bepalen en dicnsvolgens het strafvonnis te vellen. — Over de bcteekenis van de uitdrukking //Rakaquot; en ,/dwaasquot; zijn de uitleggers der H. Schrift van verschillende gevoelens. Volgens Cornelius zou „Rakaquot; een ellen-d.igen, armzaligen mensch, //dwaasquot; daarentegen een onverstandigen, als het ware verzinnelijkten, verdierlijkten mensch beteekenen. Dit is in ieder geval zeker, dat „Rakaquot; eene geringere, /.dwaasquot; (fatue) eene veel grootere en meer kwetsende beschimping is.. De grootte der beschimping hangt overigens niet alleen af van de beteekenis van het smaadwoord, maar ook van de omstandigheden.
163
ieder is dus krachtens het vijfde gebod verplicht, de opwellingen van gramschap, nijd en afkeer terstond te onderdrukken , teneinde aldus de oorzaak van inwendige en uitwendige zonden tegen dit gebod weg te nemen.
Hoe bezondigt men zich tegen zijn eigen lichaam en leven?
1) Als men zich zeiven het leven beneemt. — Wie aan zijn eigen leven geweldadig de hand slaat, is een zelfmoordenaar en begaat als zoodanig eene drievoudige vreese-lijke misdaad: a) eene misdaad tegen de goddelijke Majesteit, welke alleen de macht over leven en dood toekomt; U) testen zijne eigen ziel, welke hij zonder medelijden in de eeuwige verdoemenis stort; c) tegen de maatschappij en vooral tegen de zijnen, aan wie Hj eene onbeschrijfelijke smart berokkent. De mensch is geen onafhankelijk bezitter of eigenaar van zijn leven, evenmin als hij de oorsprong er van is; hij is alleen de verantwoordelijke bestuurder van dit door God hem aanvertrouwd kostbaar talent, waarmede hij zich schatten van verdiensten en de eeuwige zaligheid verwerven moet. Hieruit blijkt de boosheid en strafwaardigheid van de misdaad , waaraan de zelfmoordenaar zich jegens God schuldig maakt. Hij verwerpt het talent, hem ter getrouwe en vlijtige besturing toevertrouwd, als ware dit zijn eigendom, en loochent zoo Gods oppermacht; hii stoot het van zich af, als ware het hem alleen tot kwelling en ongeluk gegeven, en lastert de wijsheid en goedheid van Hem, die het in zijne groote liefde en goedheid hem tot geluk en zaligheid geschonken heeft. — De zelfmoordenaar zondigt echter niet alleen tegen God, maar ook tegen zich zeiven; want hij berooft zich van den tijd om boete te doen, deugd te oefenen en zich verdiensten voor den hemel te vergaderen; hij stort zich zeiven, als zijn eigen wreedsten vijand, koelbloedig en met open oogen in der-afgrond des verderfs, levert zich als een oproeri^en onderdaan der goddelijke Gerechtigheid ter eeuwige verdoemenis over. — De zelfmoordenaar is verder niet alleen een vijand van God en zich zeiven, maar ook een vijand van zijn gezin, hetwelk hij onteert in kommer en hartzeer dompelt; hij is een vijand van de maatschappij; van den Staat, welken hij bij een langer leven wellicht gewichtige diensten had kunnen bewijzen; een vijand zelfs van de menschelijke samenleving, welke hij van een lid berooft en door zijn doemwaardig voorbeeld ergert. — Zal men zich na al het gezegde wel verwonderen, dat de H. Kerk den zelfmoordenaar ook na zijn afsterven nog met hare straffen ver-
264
volgt? Dat zij, -wanneer het bewezen is, dat de zelfmoord met volle bewustzijn gepleegd werd, aan het lijk de kerkelijke begrafenis weigert? Deze straf is inderdaad de uitdrukking van den afkeer, welken de Kerk voor zulk eene misdaad gevoelt, en bizonder geschikt, ook in de harten van hare kinderen den diepsten afschuw voor zelfmoord op te wekken. Neen, over deze heilzame strengheid dei-Kerk mag men zich niet verwonderen, maar wel moet het onze verbazing wekken, dat er in onze verlichte eeuw schrijvers gevonden worden , die trachten, den voorbedachten zelfmoord als een heldenfeit aan te prijzen. Is het eene heldendaad, het lijden en de wederwaardigheden des levens niet te kunnen verdragen ? Is het eene heldendaad, de lange reeks van misdaden, waardoor men zich ongelukkig gemaakt heeft, met de allervreeselijkste misdaad te eindigen, om eene eeuwigheid van pijnen te beginnen ? Daartoe is geen heldenmoed noodig, maar lafheid, gebrek aau geloof, tot waanzinnigheid geklommen hoogmoed en wanhoop. Een held is hij, die zich zeiven overwint, die de ongeoorloofde vreugde en genietingen, waarin hij zich tot hiertoe gebaad heeft, verlaat en oprecht boete doet; maar de verachtenswaardigste en ellendigste aller menschen is hij , die op het bevel van zijne onbedwongen hartstochten zijn eigen beul wordt. \')
2) Men bezondigt zich tegen zijn eigen lichaam en leven, ais men zijne, gezondheid verzwakt of zijn leven verkort door onmatigheid in eten en drinken, door hevigen toorn,
\') ,,Beter u van heden af,quot; zoo roept de vrijgeest Rousseau deagene toe, die wegens verdriet in het leven met de gedachte van zelfmoord zwanger gaat; „bedwing uwe ongeregelde neigingen, verbrand uw „huis niet, om u de moeite te besparen, het in orde te brengen. /,Zeg toch niet: „het leven is een ongeluk voor mij,quot; daar het „van u zeiven afhangt, het een geluk te doen zijn, en als het een «ongeluk is, geleefd te hebben, dit slechts eene reden te meer is, oir. ,,langer, maar gelukkig te leven. Zeg toch niet, dat het u vergund „is te sterven want in plaats hiervan moest gij eerder zeggen, dat „het vergund is, geen mensch te zijn, dat het geoorloofd is, u tegen „den oorsprong van uw aanzijn te verzetten en uwe bestemming te „missen. De zelfmoord is een diefachtige en schandelijke dood, een „aan het menschdom gepleegde roof.quot; Zoo oordeelt de godspraak van de vrijdenkende wijsbegeerte, op het standpunt der rede, over den zelfmoord. — Hoe de mensch tot zulk eene hoogte van wanhoop en misdadige waanzinnigheid geraakt, is reeds vroeger dikwijls aangetoond. Hier merken wij nog aan, dat een dikwijls begane weg tot zelfmoord de speelzucht is. — Voor eenigen tijd vergiftigde zich een zekere heer Belin in Parijs met opium, nadat hij in een speelhuis van het Palels Uoyal 200,000 t\'rs. benevens de lijfrente zijner echtgenoote, eene jonge engelsche dame, door de roulette verloren had i;Herbst\'s voorbeeldenboek D. II. Bladz. 143). Geen jaar gaat er voorbij, of de dagbladen vermelden zelfmoorden, waarvan de speelzucht oorzaak was
265
enz. — Menschen , die zich daaraan plichtig maken , kunnen ook in zekeren zin zelfmoordenaars genoemd worden , omdat zij, zender dit juist te beoogen, hunnen dood bespoedigen. Tot deze soort van zelfmoordenaars behooren: a) zij, die zich zonder noodzakelijkheid blootstellen aan het gevaar van het leven of de gezonde ledematen te verliezen , gelijk dit bij moed-willig klimmen , klauteren, springen, op dun ijs glijden, enz. het geval is. Gebeurt dit echter, om verhevene plichten te vervullen, bijv. om het lichamelijk of geestelijk leven van den naaste te redden, dan is het niet alleer. geoorloofd, maar in menig geval zelfs geboden, leven, gezondheid of ledematen aan het gevaar bloot te stellen. Zoo voldoet de soldaat aan eene heilige verplichting, als hij op het bevel van zijn aanvoerder, met gevaar van zijn leven te verliezen, op den vijand losgaat of in de bres springt; desgelijks de Priester, die bij het sterfbed van een pestzieke vertoeft, om hemde troostmiddelen van den godsdienst toe te dienen, ofschoon hij voorziet, dat hij daardoor een offer der besmettelijke ziekte zal worden. Deze handelwijze is des te verdienstelijker en heldhaftiger, naarmate het goed van den even-mensch, hetwelk men tracht te redden, en het gevaar, waaraan men zich daarbij moet prijsgeven, grooteris. \') — Tot diegenen, die strafbaar het leven verkorten, behooren i) zij, die uit snoeplust alles door elkander (ongekende. misschien vergiftige kruiden, onrijpe vruchten, enz.) eten of, uit gebrek aan zelf beheersching, bij de grootste warmte, koud water of iets dergelijks drinken, in het algemeen zich eensklaps sterk verkoelen; verder zij , die in bedenkelijke ziekten, uit gierigheid of eigenziunigheid, geen
\') In de stad Auch in Frankrijk ontstond in liet jaar 1781 brand. De Aartsbisschop, de hoogwaardige Heer van Apchon, snelde toe, om anderen door zijn voorbeeld aan te moedigen.\' In één der brandende huizen waren twee kleine kinderen achtei\'gelaten, en dc moeder riep jammerend om hulp. fWie redt de kinderen?quot; riep de Bisschop. Niemand waagde zich in het gevaar; want het huis dreigde reeds in te storten. „Drie duizend pond geef ik den redder!quot; riep de Prelaat met luider stem. Maar vruchteloos; niemand bood zich ter redding aan. /,Dan zal ik zeil\' de redder zijn;quot; riep toen de Aartsbisschop-Hij legde zijn bisschoppelijk gewaad ai\' en klom op eene ladder in het brandende gebouw. Het gelukte hem, spoedig de kinderen meester te worden. Door rook en vlammen omhuld, de geredde kinderen op de armen dragende, kwam hij nu weder de ladder af. Nauwelijks had hij de kleinen aan de van vreugde opgetogene moeder overgegeven, of het huis stortte krakend in een. De edelmoedige Aartsbisschop gaf nu het geld, hetwelk hij ter belooning voor de redding der kinderen had uitgeloofd, aan de door den brand verarmde moeder, en werd zoo in tweevoudig opzicht haar redder (Volgens //uher\'s tweede geb, d, liefde).
266
geneesheer willen gebruiken of diens voorschriften niet nakomen: maar vooral c) zij, die door dronkenschap en zwelgerij, door hevige en aanhoudende gramschap, door wraakgierigheid, afgunst, nijd, haat, buitenmatige droefheid en bezorgdheid of andere ongeregelde hartstochten hunne ■ gezondheid langzamerhand ondermijnen en den dood verhaasten. \')
Tegen het vijfde gebod zondigen ook zij , die uit droefgeestigheid, uit gebrek aan geduld en overgeving aan den goddelijken wil of uit wanhoop zich zeiven den dood wenschen. Niet ongeoorloofd is echter deze wensch, om zwaar lijden te ontgaan, wanneer daarbij het vertrouwen op God en de overgeving aan Gods heiligsten wil niet wordt uitgesloten. Weascht iemand te sterven, teneinde aldus buiten alle gevaar te zijn. God, wien hij boven alles bemint, te beleedigen, of ook, om deelachtig te worden aan het geluk der zaligen en God nog beter te kunnen beminnen, dan is dit verlangen niet alleen niet laakbaar, maar zelfs eene verdienstelijke oefening van volmaakte liefde tot God; het is die hemelsche stemming der ziel, welke den Apostel
\') Het gezegde wordt pok bevestigd door de H. Schrift, namelijk in liet aan wijze levensregelen zoo rijke boek Sirach. „Wil niet naar ^alle spijzen begeerig zijn,quot; lezen wij onder anderen daar ter plaatse, ,want op het gebruik van vele spijzen volgt ziekte.... wegens onma-■/tigheid zijn velen gestorven1\' (Eoofdst. XXXVil, 32, SI). //Wat heeft //hij voor een leven, die het door wijn verkort?quot; (XXXI, 33). Nijd //eii gramschap verkorten de levensdagenquot; (XXX, 36). «-Droefheid be-//spoedigt den doodquot; (XXXVIII, 19). „De gierigaard wordt niet ver-//zadigd, voordat hij gebrek lijdende zijn leven eindigtquot; (XtV, 9). — Zélfs de dagelijksche ondervinding getuigt voor de waarheid van de boven aangegeven leer. De even godvruchtige als geleerde Graaf de Maistre drukt zich in zijne //avondgesprekken van St. Petersburgquot; over dit onderwerp volgender wij ze uit; //Duizendmaal hebben wij //het spreekwoord herhaald, dat de tafel meer menschen doodt, dan »de oorlog; maar zeer weinigen denken na over de groote waarheid //van deze onbetwijfelbare zinspreuk.quot; //Wij duchten,quot; zegt hij elders met betrekking tot het zingenot, //wij duchten voor den moordenaar; //maar wat zijn alle moordenaars tezamen genomen, wat is zelfs de /oorlog in vergelijking van de misdaad, welke de bron des levens ,/uitdroogt?quot; Daarmede stemc ook Bossuet in, die in zijne preek tegen de zucht naar genoegens zegt: //de dwingelanden hebben nooit lol-//teringen uitgevonden, welke ondragelijker zijn dan die, welke de //genoegens hun veroorzaken, die zich daaraan overgeven.quot; — iSiet overbodig kan het zijn, ter waarschuwing van velen op te merken, dat de gramschap zelfs in staat is een plotselingen dood te veroorzaken. De hongaarsche koning Mathias en Wenceslaus, de koning van fio/ieme, stierven beiden ten gevolge eener hevige opwelling van toorn op het slagveld. — Slaurulius, de hoogmoedige minister van de grieksche keizerin Irene, geraakte, toen hij zich in zijne eerzuchtige verwachtingen bedrogen zag, in zulk eene woedende drift, dat er eene ader sprong, en eene hevige bloedstorting in weinige minuten een einde aan zijn leven maakte (Stolberg. Gesch. d. Godsd. B, XXIV). Dergelijke gevallen zijn niet zeldzaam.
267
deed uitroepen: „ik verlang ontbonden te worden en met „Christus te zijnquot; (Phil. I, 23).
Hoe benadeelt men den naaste naar het leven der ziel ?
Als men hem ergernis geeft, d. i. als men hem met opzet tot zonden verleidt of hem vrijwillig aanleiding en gelegenheid tot zondigen geeft.
Den evenmensch „ergeren, hem ergernis geven,quot; is, naar de beteekenis van het woord, den evenmenscli enjer, slimmer maken, den toestand zijner ziel verergeren; het is den naaste op gelijke wijze aan het leven der ziel be-nadeelen, als men door verwonding of moord het leven des lichaams benadeelt of doodt, den liohamelijken toestand verslimmert. Men geeft den naaste ergernis met of zonder opzet. Met opzet geschiedt dit, als men iets doet of zegt om hem tot eene of andere zonde te verleiden; want iedere zonde benadeelt de ziel, maakt haren toestand erger of slimmer. Het opzettelijk ergernis geven is in alle gevallen eene zonde, en wel eene meer of minder groote, naarmate de zonde, waartoe men den naaste wil verleiden, grooter is. Zonder opzet geeft men den naaste ergernis, als men door eene of andere handeling of door eenig woord aanleiding of gelegenheid tot zonde geeft, zonder hem echter net voorbedachtzaamheid tot zonde te willen verleiden. Wanneer men niet opzettelijk ergernis geeft, doet men zonde zoo dikwijls men vooraf inziet oif, bij behoorlijk nadenken, kon en moest inzien, dat de handeling, welke men verricht, of het woord, hetwelk men spreekt, in zich zelve of in de gegeven omstandigheden geschikt is, den naaste aanleiding of gelegenheid tot zonde te geven en men in weerwil daarvan toch handelt of spreekt.
Bijaldien echter, geheel buiten schuld, de kwade gevolgen niet worden ingezien , zou men zich aan de zonde van ergernis niet schuldig maken, omdat in dit geval de geestelijke schade van den naaste geenszins voorzien, bijgevolg ook niet „vrij-„willigquot;, niet vrij gewild is. Ook hij is vrij van de schuld van ergernis, die iets, dat op zich zeiven goed of onverschillig is, doet of spreekt, ofschoon hij voorziet, dat een ander alleen uit loosheid daaraan ergernis zal nemen, want in die omstandigheden heeft de naaste de geleden schade der ziel aan zijn eigen slechten wil te wijten. Daarom onthield Christus zelf zich niet van de genezing van den waterzuchtige op den sabbath, ofschoon hij wel wist, dat de Phariseën zich daaraan zouden ergeren.
Aan de zonde van ergernis maken zich in algemeen allen schuldig, die op eene of andere wijze anderen tot zonde
268
aansporen , aanmanen, helpen, het kwaad gebieden en goedkeuren ; in het bizonder echter zij, 1) die goddelooze of onzedige gesprekken voeren of zich oneerbaar kleeden; 2) die slechte boeken, prenten en beelden verspreiden; 3) die voor dieven, dronkaards, spelers en andere slechte menschen hun huis openen tot ongeoorloofde bijeenkomsten; 4) de overheden , die een slecht voorbeeld geven, of het kwaad niet volgens hunnen plicht verhinderen. Deze allen verleiden, gelijk men begrijpt, ontelbaren tot zondige voornemens, of vergemakkelijken de uitvoering daarvan, d. i. zij allen geven aanleiding en gelegenheid tot zonde. (Meer hierover bij de leer over de vreemde zonden).
Wat moet ons vooral van het ergernis-geven afschrikken!\'
1) De gedachte, dat de ergernis-gever een helper is van den satan , die door verleiding tot zonde de zielen vermoordt, welke Jesus Christus met zijn bloed heeft vrijgekocht. — Jesus, de eeniggeboren Zoon van den eeuwigen Vader, de onsterfelijke Koning der glorie, aarzelde niet, tot delging onzer zonden en tot heil onzer zielen, de menschelijke natuur aan te nemen, te midden van veelvuldige moeielijkheden en bezwaren, drie ec-dertig jaren lang, op aarde te verbleven en zijn leven van lijden met den smartelijksten dood te eindigen. Dat goddelijk werk der redding onzer zielen tracht de duivel te verijdelen door een onophoudelijk en onvermoeid streven om de zielen der menschen in het verderf te storten, van het leven der genade te berooven; daarom heet hij ook „moordenaar van den beginnequot; (Joan. VIII, 44).— Aan satans zijde nu staat de ergernis-gever of verleider; hij is zijne hulp, de begunstiger en bevorderaar zijner ziel-moordende aanslagen, het vrij handelend werktuig, waarvan zich de helsche vijand bedient, om het evenbeeld Gods in de ziel te vernietigen, het bloed en den dood van den God-mensch voor haar ten onnutte te maken , het rijk van den H. Geest in haar te verstoren, Gods tempel en altaar omver te werpen. De ergernis-gever is dus, gelijk de duivel zelf, een vijand van den driéëenigen God en vooral van Jesus Christus , die de ziel van den naaste voor den duren prijs van zijn bloed gekocht heeft; hij is niet zelden een wreeder vijand van God en van de ziel, dan de listige duivel zelf, omdat hij door zijne aanlokkelijke verleidingskunsten de argelooze, onbedachtzame ziel gemakkelijker tot den val brengt, dan satan door al zijne inblazingen en geweldige aanvallen. Wat kan er echter schrikkelijke!- bedacht worden, dan zoo de bondgenoot, als \'t ware de rechterhand van den
269
verstoorder der werken Gods, van den helschen zielen-moorder te zijn?
2) De verschrikkelijke gevolgen der verleiding, daar de verleiden gewoonlijk weder anderen verleiden , en de zonde aldus al verder en verder wordt voortgeplant. — Een onzuiver woord, eene onbetamelijke houding, eene ongeoorloofde vrijheid leidt dikwijls tot de kennis en volvoering van het kwaad, en eene enkele zondige daad legt dikwerf de kiem eener schandelijke gewoonte in het hart, eene kiem, welke later ontelbare vruchten des verderfs voortbrengt. En bleef dat verderf, hetwelk de verleiding in geest, hart en levenswandel voortbrengt, bij den verleiden persoon beperkt, het zou nog eenigszins te berekenen en te beschrijven zijn. Doch neen; de verleide wordt meestal weer een verleider, en zoo wordt de zonde altijd verder en in altijd grooteren omvang voortgeplant, en brengt niet zelden over geheele familiën, steden en landen, ja, over geheele wereld-deelen een onuitsprekelijk ongeluk. Mochten toch de ergernisgevers , mochten toch de verleiders het wel ter harte nemen, welk een vreeselijk kwaad zij aanrichten en welke verantwoording zij zich daardoor op den hals halen! Hunne zonde is als eene vuurvonk, welke geworpen wordt in eene met buskruid gevulde bewaarplaats, waar de eene korrel buskruid den anderen aansteekt, en alle tezamen de vreeselijkste verwoesting aanrichten; zij is gelijk aan de zonde van onzen stamvader, welke op al zijne nakomelingen overging en allen nederstortte in dien bodemloozen afgrond van tijdelijk en eeuwig verderf, uit welken slechts de hand van den Godmensch hen bevrijden kon. \') — De duidelijkste bewijzen hiervoor leveren ons de HH. Boeken. De boosheid van Caïn verspreidde zich als door aansteking over geheel het menschelijk geslacht, en riep eindelijk den schro-melijkste aller straffen, den zondvloed, over het mensch-dom af. Ook het voorbeeld van Jeroboam toont ons dui-
\') Wie zal het onheil berekenen, hetwelk een enkel ergerlijk woord soms stichten kan? Een onschuldig jongeling hoort het onzuivere woord. De nieuwsgierigheid en de aangeboren begeerlijkheid ontwaken, en voeren langzamerhand tot talrijke vrijwillige onzuivere gedachten en voorstellingen: daaruit worden al spoedig onzuivere gevoelens, aandoeningen en zondige begeerten geboren, en kort oi\' lang daarna de slechte daad. Wanneer dan de verleide jaarlijks ook slechts een enkelen, en deze weder een enkelen, en zoo verder, tot zonde verleidt, dan bedraagt het getal der verleiden in twintig jaren over het millioen. Het ongehoorde tal van zonden, welke tengevolge der verleiding door dit millioen verleiden bedreven worden, kan God, de alwetende Rechter, alleen berekenen. Waar is de verleider, die niet siddert en beeft, wanneer hij dit ernstig bedenkt?
270
delijk, hoe vreeselijk de zonde van ergernis is in hare gevolgen en straffen. Jeroboam bedreef de zonde van afgoderii en verleidde daartoe zijn volk. Tot straf dier misdaad werd niet alleen hij zelf en zijn geheele huis ten gronde gericht, maar ook geheel het volk van Israël, hetwelk zijnen koning in de zonde gevolgd was, werd zeer hard gestraft (3. Kon. XII—XIX).
3) De vreeselijke uitspraak van Jesus Christus. — Uit de boosheid en de ontzettende gevolgen der ergernis kan men de bedreiging verklaren van den Heiland, welke zoo geschikt is, den mensch van het ergernis-geven af te schrikken. „Die een van deze kleinen, die in Mij ge-„looven, ergert, dien ware het beter, dat een molensteen „aan zijnen hals gehangen en hij in de diepte der zee verdronken wierd,quot; en dat vreeselijke „wee,quot; dat Hij der wereld „wegens de ergernisquot; en den mensch, „door wien „de ergernis komtdaar ter plaatse toeroept (Matth. XVIII, 6, 7). — Daaruit kan men ook begrijpen, waarom de godvreezende Eleazar liever wilde sterven, dan der jeugd ergernis geven (2. Mach. VI), en waarom Paulus aan de Corinthiërs schrijft (1. Br. VIII, 13): „als eene „spijze mijnen broeder ergert, wil ik geen vleesch eten in „eeuwigheid, opdat ik mijnen broeder niet ergere.quot; i) — Was de Apostel, teneinde de zwakke en onwetende broeders door het gebruik van offervleesch niet te ergeren, bereid, zijn geheele leven lang geen vleesch te eten; hoeveel te meer moeten wij ons dan wachten, door zondige handelingen en woorden, onzen naaste een steen des aanstoots te worden ? Zou het anders ook voor ons niet beter zijn, dat wij niet geboren waren?
\') Te Alexandria leefde eene godvruchtige vrouw, Alexandra genaamd, in de diepste afzondering van de wereld, zoodat gedurende tien jaren noch man, noch vrouw haar gelaat zag. De cel, of liever iiet graf van rotsen, hetwelk zij bewoonde, had slechts eene kleine opening, waardoor men haar van tijd tot tijd eenige levensmiddelen toereikte. Als de H. Melania deze godvreeicndc woestijnbewoonster eens bezocht en haar vroeg, wat haar toch bewogen had, om zich voor de menschen in dien grafkelder te verbergen, gaf quot;Alexandia het behartigenswaardige antwoord; „met eene ongeregelde neiging ■/droeg een jong mensch mij zijne liefde toe. Toen heb ik mij liever «levend in het graf willen opsluiten, dan eene ziel te hindereu en //te verwoesten, welke naar Gods evenbeeld geschapen isquot; (Hahn-Hahn, Vaders der woestijn). Alexandra was wel niet verplicht, teneinde de ongeregelde neiging van den jongen mensch niet te voeden, zich eene zoo strenge, buitengewone levenswijze op te leggen, maar ook diegenen bedriegen zich bitter, die meenen, in dergelijke gevallen, teneinde aan den hartstocht van den zwakken evenmensch geen voedsel te geven, tot geenerlei beperking of voorzichtigheid gehouden te zijn, als ware het met den plicht der christelijke liefde overeen te brengen, onverschillig voor den ondergang van den naaste te wezen.
271
Wat moet men doen, als men den naaste naar lichaam of ziel lenadeeld heeft?
Men moet niet slechts de zonde beweenen en biechten.. maar ook het veroorzaakte kwaad zooveel mogelijk herstellen.
Opdat de zonde, door welke men den naaste naar lichaam of ziel schade heeft toegebracht, vergeven worde, moet zij, gelijk elke andere groote zonde, 1) van harte beweend en oprecht gebiecht worden. En daar men door eene en dezelfde handeling somtijds meer dan één mensch lichamelijke of geestelijke schade kan veroorzaken, is het noodzakelijk, dat men bij de belijdenis der zonde tevens verklare, hoeveel personen men naar het lichaam benadeeld, desgelijks aan hoevelen men ergernis gegeven heeft. Ook moet noodzakelijk beleden worden, of men den naaste zwaar gewond of gedood heeft; verder, tot welke soort van zonde men hem verleid heeft. — 2) Wordt gevorderd, dat men de onrechtvaardig toegebrachte schade naar vermogen her stelle. Wie een ander gewond of verminkt heeft, is dus verplicht, de tijdelijke schade, welke daaruit ontstaat, alsmede de kosten der genezing, de geleden schade wegens onbekwaamheid om te werken of een beroep uit te oefenen en dergelijke, te herstellen. Volgt de dood den onrechtvaardigen . aanval op het leven van den naaste, dan rust op den moordenaar de verplichting, aan de achtergelatenen van den vermoorde schadevergoeding te geven, d. i. aan de hulpbehoevende ouders, echtgenoote en kinderen die ondersteuning te verleenen, waartoe de overledene verplicht was, en waarvan zij door den moord verstoken zijn. — Ook de ergernis-gever is verplicht, de schade aan de ziel van den naaste toegebracht, naar vermogen te herstellen. Heeft hij met slechte woorden en geschriften aanstoot gegeven, dan is het beste middel, de ergernis weg te nemen door eene openlijke afkeuring en herroeping dier ergerlijke woorden of geschriften. Was hij door de openbare verachting van den godsdienst of door eene schandelijke levenswijze anderen een steen des aanstoots, dat hij zich dan des te meer be-ijvere, zijne godsdienstige plichten nauwgezet, zonder vrees of merschelijk opzicht te vervullen, en den geërgerden voortaan met een deugdzamen, christelijken levenswandel voor te lichten. Heeft hij met opzet de onschuld verleid, dan moet hij alle middelen, welke voorzichtigheid en zielenijver hem aan de hand geven , zorgvuldig aanwenden, opdat de verleide de zonde niet meer bedrijve en de bedrevene zonden beweene en biechte. Bij alle ergernis moet de ergernis-gever
272
(namelijk als zijne vroegere pogingen zonder gevolg zijn gebleven) door een vurig en aanhoudend gebed, door werken van godsvrucht en boetvaardigheid de genade van bekeering voor den geërgerde trachten te verwerven.
JFai gebiedt het vijfde gebod Gods?
Het gebiedt ons, 1) in vrede en eendracht met onzen naaste te leven. Gelijk in het algemeen elk der tien geboden iets gebiedt, zoo ook het vijfde. Jesus zelf duidt daarop , als Hij, dit gebod verklarende, niet alleen doodslag, vijandige gezindheid en opwellingen van gramschap, smaad en schimpwoorden uitdrukkelij k verbiedt. maar ook de verzoening, den vrede en de broederlijke eendracht aanbeveelt (Malth. V, 21—24). — Het is echter niet immer in onze macht, met alle menschen in vrede te leven; „want menigmaal kan „men\'\', zoo merkt de H. Thomas op, „met zekere lieden „niet arders vrede houden, dan door in hunne boosheid te „deelen, hetgeen een ongeoorloofde vrede is.quot; Om deze reden schrijft de Apostel: „Indien het mogelijk is, houdt, „zooveel in u is, met alle menschen vrede!\'\' (Hom. XII, 18). „Doet gij dus het uwe,quot; zegt de H. Chrysostomus (over ] Cor. VII, 15), „geeft niemand aanleiding tot twist en „tweedracht.... En als de naaste den vrede niet houdt, „weest dan niet vergramd in het hart, maar koestert meer „en meer eene vriendschappelijke genegenheid voor hem.quot;— -2) Zoowel het geestelijk als lichamelijk .welzijn van den natste overeenkomstig onzen staat te bevorderen. Krachtens het eerste gebod rust op iedereen de verplichting, het lichamelijk en vooral het geestelijk welzijn van den evenmensch naar omstandigheden en vermogen te bevorderen. De Allerhoogste zelf heeft immers „eenieder bevolen, op zijnen naaste acht „te gevenquot; (Sir. XVII, 12). (Zie boven de verklaring van de lichamelijke en geestelijke werken van barmhartigheid.) Daarbij moet vooral gelet worden op den stand, waarin wij geplaatst zijn , welke ons meer of minder in staat stelt en aanleiding geeft, werken van liefde te verrichten, en soms ons op geheel bizondere wijze de verplichting oplegt, voor het tijdelijke en geestelijke welzijn van anderen zorg te dragen, i) — Voor ons eigen leven en onze gezondheid
\') Hoewel het gebod: «gij zult niet doodslaan,quot; ten doel heeft, het leven van den evenmensch te verzekeren, strekt het zich in zekere mate ook uit tot de dieren, inzooverre het namelijk moordlust en wreedheid in het algemeen verbiedt. Want het moedwillig, bloeddorstig dooden en wreedaardig plagen der dieren is niet slechts een misbruik van de macht, door God aan den mensch over de dieren gegeven, maar wekt op, voedt en vermeerdert in het hart de neiging
273
redelijke zorg te dragen. Dat wij verplicht zijn , voor ons lichaam , dus voor het leven , de onschendbaarheid onzer ledematen en de gezondheid te zorgen, is reeds boven bewezen, en blijkt overigens genoegzaam uit het verbod, van zich het leven te benemen of te verkorten. De H. Schrift zelve maakt daarop opmerkzaam, als zij ons beveelt, in ziekte den geneesheer en de geneesmiddelen niet te versmaden. „Eer den geneesheer ter wille van de noodzakelijkheid,quot; zegt de H. Geest bij Sirach (XXXVIII, 1—12). „De „Allerhoogste schiep de geneesmiddelen uit de aarde, en de „wijze zal ze niet schuwen.quot; En op dezelfde plaats: „mijn „zoon, verzuim u zeiven niet in uwe ziekte.... Geef toe-„gang aan den geneesheer; want de Heer heeft hem ge-„schapen (aangesteld) ; laat hem niet van u gaan , want „zijne diensten zijn noodzakelijk.quot; — De zorg voor uwe gezondheid moet echter niet al te angstig, moet niet zoodanig zijn, dat zi] het lichaam eer verzwakt en verweekt, dan versterkt en bekwaam maakt tot den arbeid, tot de vervulling der plichten van uwen staat en uw beroep; een dergelijke bezorgdheid zou noch redelijk, noch christelijk wezen.
TOEPASSING.
De 11. Kerkleeraar Basilius (hom. 11 over het geduld) verhaalt van Pericles het volgende. Een man uit de heffe
om ook jegens den naaste wreedaardig en bloeddorstig te zijn. — Van de oude Atheners wordt verhaald, dat zij een knaap, die gevangen wachtels de oogen had uitgestoken en vervolgens weder liet vliegen, om deze wreedheid ter dood veroordeelden. De rechters bevestigden hun vonnis met de woorden: //indien deze als knaap reeds zoo wreed //jegens de dieren is, wat zal hij dan eens als man voor de menschen ffzijn? \' ■ Die straf was voorzeker te hard, maar de vrees, welke haar uitlokte, getuigde van een juist oordeel, daar de ondervinding leert, dat van kleine dierenplagers bijna altijd groote menschenplagers komen. Domitiaan, een bloeddorstig tiran en vervolger der Christenen, was reeds als knaap wreed jegens de dieren. Hij vond er bizonder genoegen in, de vliegen in zijne kamer met eene puntige schrijfnaald te steken. Zelfs als keizer besteedde hij dagelijks een bepaalden tijd aan deze wreede vliegenjacht en verkreeg daarin groote vaardigheid. Dit gaf zijn geestigen hoveling Bibius Crispinus aanleiding, aan iemand, die hem vroeg, of er iemand bij den keizer was, te antwoorden: „Keen, zelfs geen enkele vlieg is bij hemquot; (Stolberg. Gesch. VII). — Ook de mozaïsche wet bevatte verscheidene bepalingen, welke op de goede behandeling en verzorging der dieren betrekking hadden (Zie 2. Mos. XXIII, 5, 9; 5. Mos. XXII, fi, 7, 13; XXV, 4). En de H. Geest zegt i0-liet boek der Spreuken (Xü, 10): „de rechtvaardige «zorgt ook votiiy zijn vee; maar hot hart van den goddelooze is vwreed.quot; — Zorgt God, de Allerhoogste, zelfs voor de vogelen der lucht en de bloemen des velds (Mattli. VI, ÜO—29), voedt Hij alles, wat leven heeft (Ps. CXLIV, 15), ontfermde Hij zich, gelijk de h! Schrift getuigt, ook over //de vele dieren,quot; welke in de groote stad ïfinive leefden (Jon. IV, 11), moet dan de mensch niet trachten ook hierin zijnen Heer en Schepper na te volgen?
DEHAKEE, GELOOFSLEER. III. 33e DRUK. 10
274
des volks overlaadde eens dezen beroemden veldheer en staatsman met de grievendste beleedigingen. Pericles stoorde er zich niet aan, maar bleef kalm, ofschoon de spotwoorden en schimpscheuten tot in den avond werden voortgezet. Ja, toen het donker geworden was, stak de beschimpte een licht aan en leidde zijnen beleediger vriendelijk naar huis. Dezelfde H. Kerkvader verhaalt ook van den heidenschen wijsgeer Euclides, dat deze iemand, die hem toeriep: „ik zweer u „den dood!quot; ten antwoord gaf; „en ik zweer u verzoening!quot; — Als Heidenen hunne hartstochten zoo weten te beheerschen, zou het dan niet schande zijn voor Christenen, bij elk hard woord, bij elke onbeduidende beleediging aan den toorn vrijen loop te geven, schimp met schimp, onrecht met onrecht , slagen met slagen te vergelden ? Is dit een gedrag, dat leden van een Godsgezin past ? Wie zal in zulke onverdraagzame , oploopende, wraakzuchtige menschen de navolgers erkennen van Hem, die zijnen leerlingen toeriep: „leert ,.van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hartequot; (Matth. XI, 29), en die tot hen sprak: „zoo iemand u „op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere \'toe.quot; (Matth. V, 39)? Neen, zulke menschen verdienen den naam van Christen niet, zij zijn vulkanen, welke bij de minste aanleiding een stroom van beleedigingen, vloeken en verwenschingen uitbraken en niet zelden dood en verderf verspreiden. \') Daarom, lezer, bedwing van uwe jeugd af de opwellingen van gramschap, wees vreedzaam, vriendelijk en zachtmoedig volgens het voorbeeld van Jesus. Wordt iemand op u gramstorig, vergram u niet, maar „breek door „een zachtzinnig antwoord de gramschap*\' (Spreuk. XV, l); „heb de liefde, welke de band der volmaaktheid is. En de „vrede van Christus heersche met blijdschap in uwe hartenquot;
i) Gramstorige menschen zijn gewoon de uitdrukkingen ,/satan,quot; ,/duivel,quot; voortdurend in den mond te hebben, als wilden zij aan iedereen te kennen geven, van welken vader zij de kinderen zijn. — De Heer Joinville, die het leven van Lodevvijk den Heilige, koning van Frankrijk, beschreven heeft, getuigt plechtig, dat hij gedurende de 20 jaren, welke hij met den Heilige heelt doorgebracht, hem nooit den naam van den duivel heefr. hoeren uitspreken, tenzij deze naam in een boek, dat hij las, voorkwam. Joinville voegt er vervolgens bij: »het strekt Frankrijk en diens koning (den opvolger van don H. „Lodewijk) tot groore oneer, wanneer men het ongjjlnerkt laat door-„.gaan, dat nauwelijks de mond tot spreken wordu geopend zonder ,/dat de duivel zicli In het gesprek mengt; en het is een groot misbruik /. van de tong, als iemand, man of vrouw, den naaste naar den duivel „wenscht, vooral daar de mensch, zoodra hij gedoopt is. God toebe-;/hoort. Wie in het kasteel Joinville zulke taal voert, zal zijne straf //ontvangenquot; — Een heerlijk voorbeeld en eene schoone les voor vele ouders en kinderen!
275
(Col. Ill, 14, 15). — Leef in de beste verhouding met iedereen; alleen niet met degenen, die trachten u tot zonde te verleiden. Vlucht voor de verleiders, als voor den helschen vijand zeiven; want gelijk hij, zoo willen ook zij uwe ziel vermoorden. Luister derhalve niet naar hunne vleitaal, wijs hunne liefkozingen af, wantrouw hunne beloften, versmaad hunne geschenken. „De vijand (uwer ziel) heeft zoete „woorden op zijne lippen, maar in zijn hart bedoelt hij, u „in de groeve te stortenquot; (Sir. XII, 15). — Wacht u wel door eenig aanstootelijk woord of door eenige onbetamelijke daad zelf de verleider uwer medemenschen te worden , opdat u niet de vloek der verleiden treffe. „Wees toch hem niet „ten verderve, voor wien Christus is gestorven.... Breek „het werk Gods niet afquot; (Eom. XIV, 15, 20). Ach! hoe ijselijk zou dit wezen. Welk een zwaar oordeel zoudtgiju op den hals halen.1) Mijd derhalve niet alleen het kwaad, maar gelijk de Apostel zegt (1 Thess. V, 22) : „vlucht allen „schijn van kwaad,\' opdat uw zuivere, heilige levenswandel voor allen een licht zij en een spoorslag tot de deugd.
Zesde gebod Ciods.
„Gij zult geen overspel hedrijven.quot;
Wat verbiedt hel zesde gebod van God?
Het verbiedt 1) overspel en alle zonden van onkuisch-heid : onkuische oogslagen , gesprekken , spotternijen , aanrakingen en alles, wat de schaamte kwetst. — Naast de veiligheid des levens wordt tot de instandhouding en welvaart van het menschelijk geslacht de onverbreekbaarheid
gt;) Thomas de Cantipratenser verhaalt het volgende, hoogst droevige voorval. ■— Een zijner medeleerlingen onderscheidde zich in het begin der studiejaren bizonder door bescheidenheid en zedigheid, maar gaf zich later, door het kwade voorbeeld zijner medestudenten verleid aan de schandelijkste zonden over. Alle vermaningen en bedreigino-en zijner vrienden waren vergeefsch. Eens, na een met spel en zwelgerij doorgebrachten dag, begon hij \'s nachts eensklaps te schreien en te kermen. De huisgenooten kwamen ijlings bij hem, vroegen wat hem deerde, vonden hem in doodsgevaar, maanden hem aan, door een oprecht berouw en eene goede biecht zich tot de eeuwigheid voor te bereiden. Zij richtten niets uit; de stervende wellusteling zweeg bij al hunne beden, vermaningen en bedreigingen. Eindeliik brak hij in een hartverscheurend geschreeuw uit: „wee, mijn ver-* leider, wee hem! Ik zie de hol voor mij geopend; het is gedaan //met mij.quot; — Onder het spreken dezer woorden gaf hij den geest.
18*
276
van het huwelijk gevorderd. Daarmede staat of valt het huisgezin en derhalve geheel de menschelijke maatschappij. Om deze reden ook wordt in het zesde gebod uitdrukkelijk en op de eerste plaats de echtbreuk verboden, door welke de band der liefde, de eendracht en trouw tusschen de gehuwden met geweld wordt verbroken. Het is echter zeker, en geheel volgens de leer der HH. Vaders en Godgeleerden, ja volgens de H. Schrift (zie 5 Mos. XXII, 17 ; Tob. IV, 13; Matth. XV, 10, 20; 1 Thess, IV, 3; Eph. V, 3), dat door hetzelfde gebod tegelijk met overspel ook alle andere on-kuischheid verboden wordt, dewijl, zooals de romeinsche Katechismus opmerkt, degene, die de andere zonden van onkuischheid niet vermijdt, zeer licht in de misdaad van overspel vervalt. Alle zonden tegen de kuischheid zijn.alzoo ook zonden tegen het zesde gebod i)
Tegen de kuischheid zondigt men door onkuische oogslagen, als men naar voorwerpen ziet, die geschikt zijn, onzuivere gedachten, voorstellingen en begeerten op te wekken ; of wel, als men zijn oog niet van dergelijke voorwerpen afkeert, wanneer die bij toeval onder het oog komen; door onzedige gesprekken en spotternijen, als men over aanstootelijke dingen spreekt, onzedige geschiedenissen zich laat verhalen en die aan anderen vertelt, uitdrukkingen gebruikt, welke dubbelzinnig zijn, die namelijk van den eenen kant eene onverschillige zaak aanduiden, maar van den anderen kant op iets oneerbaars zinspelen ; desgelijks als men onzedige of schaamtelooze liederen zingt, enz. Van dit alles zegt de H. Paulus (Eph. V, 3,4): „Onzuiverheid moet onder u „zelfs niet genoemd worden, gelijk het heiligen betaamt.quot;2) —
gt;) Zie S. Thom. Summa 2. Q. 100. a. 6.; de Male Q. 15. a. 3.; Contra Gentes L. 3. c. 112.
-) Van degenen, die onliuische taal spreken, zegt de H. Kerkleeraar Clirysostomus (Hom. VI over den brie! aan de Corinthiërs): //C.ls dat-//geiie, wat zij uit hunnen mond spuwen, zoo onrein is, bedenk, hoe //Onzuiver dan de bron moet zijn, waaruit dat vuilnis voortkomt. „Waar het hart vol van is, loopt de mond van over (Matth. XII, 34). //Wat is er verachtelijker dan een mensch, die oneerbare gesprekken //voert? Beter ware het, dat gij het walgelijkste uit den mond spuwdet, „dan ontuchtige woorden. Met een ongereinigden mond neemt gij „niet eens gewone spijzen, en gij waagt het met eene zoo onzuivere „ziel de H. Geheimen te ontvangen! Als iemand een onreinen schotel „op uwe tafel bracht, zoudt gij hem zeker met stokslagen wegjagen, „en denkt gij nu niet, dat gij den toorn Gods over uw hoold zult „trekken, als gij woorden spreekt, die onzuiverder zijn, dan eenige „onreine schotel, en liet daarbij nog waagt, God op uwe tatel te „ontvangen? Want de tafel van God is onze mond, als wij het H. „Sacrament op onze tong nemen. Niets wekt den toorn van Hem, „den Heilige en Zuivere, meer op, dan dergelijke gesprekken. Niets „maakt de menschen uitgelatener en schaamteloozer, dan zulke ge-
277
Verder zondigt men tegen de kuischheid door oneerbare aanrakingen , door schaamtelooze gebaren , spelen en ontblootingen , eindelijk door alles, wat de schaamte kwetst, d i. door alles, waarover kinderen blozen, waarvoor zij zich zouden moeten schamen en wat zij zeker zouden nalaten, bijaldien zij wisten , dat vader of moeder, leeraar of zielzorger hen gadesloegen, of als zij aan dezen later zouden moeten zeggen, dat zij het gesproken, gedaan of toegelaten hadden. Daarom gafLode-wijk de Heilige bij het naderen van den dood aan zijnen zoon de volgende vermaning: „geef acht, dat gij nooit vrij-„willig iets oneerbaars zegt of doet, opdat, wanneer ook „de geheele wereld u zou ondervragen, gij zonder blozen „kunt zeggen ; ja, dat heb ik gedaan , of dat heb ik gezegd.quot;
2) Het zesde gebod verbiedt alles , wat\' tot onkuischheid verleidt. — Gelijk door het vijfde gebod niet alleen verwonding en doodslag, maar ook het verwenschen , vloeken en schelden verboden is^ wijl dit zeer dikwijls de oorzaak van bloedige tooneelen en zelfs van moordaanslagen wordt, zoo verbiedt het zesde gebod niet enkel denzonden van onkuischheid, maar ook alles, wat daartoe aanleiding of gelegenheid geeft. Derhalve:
a) het onvoorzichtig vestigen der oog en op anderen. Het oog is als \'t ware de spiegel, waarin de ziel de voorwerpen dei-zinnenwereld aanschouwt. Is die spiegel naar oneerbare of bekoorlijke voorwerpen gekeerd, en vertoonen er zich dientengevolge beelden op, welke de ongeregelde neigingen des harten streelen, dan ontstaat er terstond oproer in dat hart; het ontbrandt van zondige begeerten en gaat niet zelden tot slechte daden over. Zoo ging het den twee misdadigen grijsaards , van wie Daniël (XIII) spreekt; hun zondige lust ontstond daardoor, dat zij dagelijks Susanna, de vrouw van Joachim, met welgevallen gade sloegen, terwijl zij in den tuin hare wandeling deed. Zoo ging het zelfs David, den man naar Gods hart; een onbewaakte blik maakte hem overspeler en moordenaar (2 Kon. XI). De HH. Vaders ijveren met grooten nadruk tegen onvoorzichtige oogslagen. „Wie „onvoorzichtig door het venster des lichaams naar buiten „ziet,quot; zegt de H. Paus Gregorius (Mare. Boek 21, hfs. 2), „valt meestal, en als \'tware zonder het te weten, in zijne „zondige lusten.quot; En de H. Augustinus noemt in zijne
«sprekken in den mond te hebben en aan te hooren. Niets vernielt //zoozeer de kuischheid als de vlam, welke door die taal ontstoken //wordt.quot; — ,/Daarom bid ik u,quot; gaat de H. Kerkleeraar elders voort (Eph. hom. XVII), ^laat ons geheel uitroeien die kwade gewoonte en //slechts zulke gesprekken voeren, welke ons passen; de geheiligde //mond mag geene eerlooze en schandelijke woorden uitspreken.quot;
278
Slate preek aan de kluizenaars, het oog de „deurquot; of „poort „der zielwaardoor de zonde met gemak quot;binnen komt. Hooren wij verder de vermaning van den Leeraar aller levenswijsheid , van den H. Geest zeiven: „Sla,\'\' dus spreekt Hij , „uwe oogen op geene maagd, opdat hare schoonheid „u niet ten val verstrekke. Zie naar alle kanten niet om „in de wijken der stad. Keer uw gelaat af van eene opge-„tooide vrouw, en zie niet naar de schoonheid van anderen. „Door de schoonheid eener vrouw gingen reeds velen ten „gronde, en door haar ontbrandt de begeerlijkheid als een „vuurquot; (Sir. IX, 5—9). — Kan men zich nog verwonderen, dat de Heiligen hunne oogen beschouwden als de gevaarlijkste vijanden, op wie voortdurend acht geslagen moet worden. De zalige Jordanus, generaal van de orde der Dominicanen, had in eene ziekte een zijner oogen verloren. Toen hij later het kapittel der orde bijeenriep, sprak hg tot de aanwezige kloosterlingen: „Broeders! dankt God, ik „heb reeds één vijand verlorenquot; (Boll. 13 Febr.).
b) Oneerbare Meederdracht. Eene oneerbaar gekleede vrouw is , gelijk de H. Cyprianus zich uitdrukt, niet alleen „een „dolk en een vergift voor allen, die op haar hun oog vestigen zij is, volgens de bemerking van den H. Barnardus , niet enkel „een werktuig, waarvan de satan zich bedient, om „de zielen van den evennaaste ten verderve te brengen,quot; zij is ook zich zelve een steen des aanstoots, stelt hare eigen ziel bloot aan het grootste gevaar. Zij toch wekt door hare aanstootelijke kleederdracht lichtzinnige menschen op tot oneerbare aandoeningen. ongeoorloofde vrijheden en gevaarlijke navolging, en wordt helaas! maar al te dikwijls zelve aangegrepen door het onzuiver vuur, dat zij met of zonder opzet in anderen ontsteekt. De kleeding nu verdient oneerbaar, schaamteloos en aanstooteiijk genoemd te worden, als zij of wel die deelen van het lichaam, welke volgens de christelijke welvoegelijkheid bedekt moesten worden , ongedekt laat, of als zij op eene zoodanige wijze om het lichaam sluit of zoo dun en doorschijnend is, dat het zedelijk doel der kleeding niet bereikt wordt. Men verschoont eene dusdanige onteering van zich zeiven met te zeggen: „het is de „mode.\'\' Wat was voor den zondvloed onder de menschen, de verleide Godskinderen , niet de mode ? vraagt de vrome O verberg, en gaat dan voort: heeft de mode van dien tijd, namelijk slecht te leven , hen van den ondergang gered ? Zal deze verontschuldiging ons voor het eeuwig ongeluk bewaren, als wij het kwaad bedrijven ? „Maar men wordt „uitgelachen als men niet met de mode méégaat.quot; Dat men hen, die eene goede of onverschillige mode uit eigenzinnig-
279
beid of om zonderling te zijn, niet willen volgen, uitlacht, dit zij zoo; maar is eene mode in strijd met de zedigheid of eene andere christelijke deugd, dan kunnen alleen onwetende, domme, ongodsdienstige menschen er over lachen, dat men zulk eene mode niet volgt. In dit geval moeten wij ons een van beide laten welgevallen, of wel dat dwaze menschen, die zich noch om hun eigen, noch om eens anders heil bekreunen, ons uitlachen, of dat de verstan-digen, die uit ware liefde ook voor ons geluk bezorgd zijn, over ons weenen? Is het niet beter, dat de dwazen om ons lachen, dan dat de verslandigen, die uit ware liefde ook voor ons geluk bezorgd ziin, over ons weenen ? l) — Er is verder ook eene kleederdracht, die op zichzelve niet oneerbaar, maar in gegeven omstandigheden voor christelijke vrouwen ongepast en hoogst lakenswaardig is. Dit is het geval, als zij zich hoven haar vermogen en haren stand kleeden en opschikken, of binnen de grenzen van haren stand uit trots en behaagzucht er op uit zijn, door prachtige kleederen en uitgezochte sieraden aller oogen tot zich te trekken en boven baars gelijken te schitteren. Dezen allen roept de Apostel toe: „de vrouwen moeten in eene wel-„voegelijke kleeding met zedigheid en gematigdheid zich „opschikken, niet met gevlochten haien of goud, of „peerlen, of kostbare gewadenquot; (1. Tim. II, 9). De ondervinding leert het overal en dikwerf, dat pronkzieke meisjes meestal ongelukkige vrouwen worden, en pronkzieke vrouwen juist niet de getrouwste echtgenooten zijn.
c) Slechte hoeken en schandelijke platen of heelden. „Slechte „gesprekken bederven de goede zeden,quot; zegt de Apostel (1. Cor. XV, 33). Die uitspraak geldt eveneens, ja, nog
\') De H. Hilarius sprak eens tot eene minder zedelijk gekleede koningsdochter vol ernst en waardigheid: //ofschoon gij eene prinses //Zijt, houdt gij toch niet op Christin te wezen;\'daarom moogt gij ,/U altijd overeenkomstig uwen stand als Christin, maar niet als eene //heldin kleeden.quot; — Toen een jonge heer, volgens de laatste mode gekleed, eens den H. Philippus Neri vroeg, hoe zijn kleed hem beviel, gaf de Heilige ten antwoord: //als uw iiart maar onbedorven is, is ^alles goed; doch zoo uw liart geheel onbedorven was, zoudt gij //dergelijke nieuwmodische kleederen niet dragen. Want weet, wie //zich ijdel en bovenmate \'opsclnkt om anderen te behagen, mag //nooit zeggen, dat hij inwendig kuisch en zedig is. Zijn opschik //overtuigt hem van leugentaal.\' (Mehler). Prinses Ëlisabeth, de engelachtige zuster van den ongelukkigen koning Lodewijk XVI, werd in den loop van het revolutionaire schrikbewind ter dood veroordeeld. Toen zij met meer andere dames op den lijkwagen naar de gerechtsplaats reed, bemerkte zij, dat eene van deze niet zedig genoeg gekleed was. Terstond scheurde de prinses haren doek in tweeën en gaf beleefd een gedeelte aan de dame, om zich te dekken (Menzel\'s Gesch. d. fr. Kevolutie).
280
meer van slechte boeken; want geen vijand is zoo gevaarlijk voor de onschuld en reinheid des harten, dan een slecht, onzedig boek. De verleider wordt soms teruggehouden door een onafweerbaar gevoel van hoogachting voor onschuld en deugd; hij wordt in de volvoering zijner ziel-moordende plannen verhinderd door de voorzorg van ouders en meer dergelijken. Doch geheel anders is dit het geval met de slechte boeken. Deze blozen niet, vreezen de beschaming niet, met afschuw afgewezen te worden; listig worden zij aan het oog van ouders, leeraars en voogden onttrokken; zij staan bij dag en bi] nacht ten dienste, om voor lezers en lezeressen de geheimen der menschelijke boosheid en bedorvenheid te onthullen of ze als achter een doorschijnenden sluier te laten raden. Jslen leest een zoodanig boek en leest het nogmaals; men verwijlt met lust bij de verleidende schilderingen, welke het biedt, en zuigt het vergift der onzuiverheid met graagte in. — En dit geldt niet alleen van die boeken, welke als slecht en ontuchtig door eenieder gebrandmerkt zijn, die namelijk de misdaad geheel ongesluierd voorstellen en met de grootste onbeschaamdheid leeren, maar ook van die slechte boeken, welke met groote kunst de schandelijkheid der zonde bewimpelen en bemantelen, van den anderen kant de bekoorlijke zijde er van schoon weten voor te stellen, opdat de lezer zonder vrees beminne en begeere, wat hij moest haten en met afschuw van zich. af wijzen; ja het geldt vooral van deze soort boeken, dewijl degenen, die nog niet geheel bedorven zijn, voor zich zeiven en voor anderen zich zouden schamen, de eerstgenoemden ter hand te nemen, terwijl het, om zoo te spreken, tot den goeden toon behoort, den kostbaren tijd door het lezen van overdreven gevoelige romans en liefde-histories te verspillen, en het een hoofdbestanddeel der hedendaagsche opvoeding uitmaakt, de verbeelding met aanlokkelijke voorstellingen op te vullen en het hart langzamerhand in een poel van zinnelijke gevoelens en begeerten te herscheppen. — Het lezen van dusdanige boeken wreekt zich in den regel allerverschrikkelijkst op de lezers. Want is de leeslust eenmaal hartstocht geworden, en dat wordt hij gewoonlijk, dan wordt de tijd, ter vervulling der huiselijke en christelijke plichten gevorderd, verkwist, de gezondheid vernield, het gezond verstand bedorven, het hart verweekt en alle zorg ter verkrijging van ware, grondige deugd en braafheid terzijde gesteld. Hoevele jongelieden, op wie aller hoop was gevestigd, zijn door het voortdurend lezen van romans voorde ernstige plichten en zorgen van het gewone leven on-
281
bruikbaar, hoevele zijn deugnieten, dwazen en misdadigers geworden! Het getal dier ongelukkigen is overgroot! l) —
\') De H. Alphonsus Maria de Ligorio richt zich in zijn //godsdienstig //onderwijsquot; tot de huisvaders met de woorden: //Verbiedt uwen kin-//deren streng het lezen van romans; want deze stichten somtijds ^zelfs nog grooter kwaad, dan de algemeen bekende slechte boeken. //Zij laten in de ongelukkige jongelieden zekere indrukken na, welke //hun alle godsvrucht roeven en hen opwekken, zich in de zonde te //Storten.quot; Wij zouden hier ook de woorden kunnen aanhalen van de H. Teresia, die in hare levensgeschiedenis (hoofdst. 2.) zelve getuigt, hoe nadeelig voor haar het lezen van romans, die oogenschijnlijk vrij gepast waren, geweest is; daar men echter al te zeer geneigd is, in dit opzicht aan de Heiligen een minder onbevooroordeeld oordeel toe te schrijven, schijnt het doelmatiger, getuigenissen aan te halen vaji mannen, aan wie men noch overdrijving noch te groote vreesachtigheid zal toekennen. Dessault, die onder de fransche letterkundigen van onze eeuw eene voorname plaats inneemt, zegt(Annales litter, torn. 5.): //zelfs de beste, romans zijn gevaarlijk; de jongelieden ^scheppen daaruit een zekeren lust naar avontuurlijkheden, die niet ,dan zeer gevaartijk kan zijn-, eene dergelijke lectuur is eene kwade «school, de jeugd heeft daarbij slechts te verliezen.quot; Dezelfde schrijft bijna tezelfder plaatse: „het lezen van romans maakt den geest roman-ytisch. Een romantische geest laat zich door de verbeelding meê-//Slepen, gaat van het natuurlijke en ware al verder en verder af, om //zich in de gewesten der hersenschimmen te verlustigen.quot; — J. J. Rousseau drukt zich in de eerste voorrede van den door hem vervaardigden roman; „La nouvelle Heloïsequot; aldus uit: //nooit heeft een „kuisch meisje romans gelezen. Ik heb aan dezen een vrij duidelijken titel gegeven, opdat men terstond bij het opslaan zou weten, waaraan „men- zich te houden heeft. Het meisje, dat in weerwil van dit //Opschrift het waagt ééne bladzijde van dezen roman te lezen, is ver-gloren (est une lille perdue). Zij wachte zich echter wel, haar cmge-//luk aan dit boek toe te schrijven ,■ het kwaad dagteekent van vroeger.quot; vin de tweede voorrede schrijft dezelfde: „men heeft de lectuur van «romans nuttig voor de jeugd willen maken. Ik ken geen dwazer //plan dan dat. Het is hetzelfde als een huis in brand te steken , om //de vuurvonken te laten spelen.quot; — Men denke niet, dat alleen het lezen van fransche romans verderfelijk is; vele hollandsche romans zijn in den regel geen haar beter. Op vele romanschrijvers kan worden toegepast, wat de geleerde Wolfgang Menzel (Gesch. der deutschen Litter. II.) van een der meestgevierde duitsche dichters zegt. //Gothe,quot; schrijft hij, „bezat in hoogen graad het talent om „den lezer tot zijnen medeplichtige te maken, diens goedkeuring af „te persen.... Al zien wij ook de zonde duidelijk voor oogen , hij „dwingt ons mede te zondigen, en wij ontkomen niet zonder de //schaamte, ons een oogenblik vergeten \'te hebben.quot; Over de liefdegeschiedenissen zegt dezelfde schrijver: „ieder mensch, wiens hart „op de rechte plaats zit, zal eene zekere walging en eene diepe //verachting niet kunnen onderdrukken, als hij dergelijke liefde-//histories uit de hand legt ... „De natuurlijke zielenadel verheft „zich tegen het misbruik, dat onreinheid voor onschuld verkoopt.quot; — Maar. aldus antwoordt gij, wie kan altijd ernstige zaken lezen? — Vooreerst moet gij niet altijd lezen. Alles heeft zijn tijd. Wie te veel leest, denkt te weinig, verhit zijn hoofd en behoudt niets goeds. Het veel lezen maakt dat men van alles iets weet, doch niets van ecnige beteekenis. Ten andere moogt gij wel nu en dan iets boeiends en onderhoudends lezen, doch wat onzedig is of daartoe noodzakelijk voeren moet nimmer. — Men blijft echter niet altijd kind, men moet
282
Nog verderfelijker dan de boeken werken onzedige platen en heelden op het jeugdig hart. Terwijl de boeken het aanstootelijke voorwerp slechts aan den geest voorhouden, stelt de plaat of het beeld dit voor oogen en drukt het met groote levendigheid en met alle bekoorlijkheid der kunst in de ziel. Het is derhalve moeielijk te begrijpen , hoe christelijke ouders, die op de onschuld en reinheid van zeden hunner kinderen prijs stellen, in hunne woon-en slaapkamers en in tuinen dergelijke schaamtelooze beelden durven plaatsen. Men geeft voor, daardoor bij de kinderen gevoel voor het schoone en voor de kunst op te wekken; maar men bedenkt niet, dat juist daardoor het gevoel voor het schandelijke wordt opgewekt, en het gevoel voor het allerschoonste, voor onschuld en reinheid van zeden, langzamerhand verstikt wordt, en dat het kunstgevoel al te duur betaald is, wanneer men daarvoor het hoogere evenbeeld van God als koopprijs ten beste geeft.
d) Gevaarlijke vriemlsc/iafiisbelrekJchigen en bijeenkomsten. „ Houd „u verwijderd van uwe vijanden,quot; aldus vermaant ons. de H. Geest (Sir. VI, 13), „maar wees ook op uwe hoede „voor uwe vrienden.quot; Men vindt er namelijk, die zich vrienden noemen, doch inderdaad gevaarlijker zijn, dan de ergste vijanden. Dergelijke valsche vrienden zijn die vleiers, die, om uwe genegenheid te winnen, u slechts hetgeen u aangenaam is zeggen, u bewonderen, u in alles toejuichen, zelfs het kwaad, dat gij pleegt, verontschuldigen en prijzen. Dergelijke vrienden zijn vooral degenen, die door een kwaad voorbeeld of slechte taal u tot zonde tegen de eerbaarheid verleiden. Zulke menschen zijn „lokvogels van den duivel, waardoor hij anderen zoekt te „vangenquot; (Ephrem over de goede meen in g); zij zijn „be-„dorven vruchten,quot; welke de goede aansteken (Vine. Ferrer. Fastenpred.); zij zijn „graven vol van slijkquot; (Thomas in Ps. V) , die een verpestenden stank verspreiden. Hunne dubbelzinnige en onzedige gesprekken zijn een sluipend vergift, dat der onschuld ongemerkt den dood aanbrengt; zij zijn gloeiende pijlen, welke het heiligdom van het zuivere hart, den tempel des H. Geestes, in brand steken.
Hoort iemand dusdanige ongepaste gesprekken en kan hij zich niet gevoegelijk verwijderen, dat hij dan voor \'t minst den raad volge, welken zelfs de heidensche wijsgeer Epik-
ook liet kwaad leeren kennen. — :t Is maar al te waar, helaas! in het kwaad blijft men niet altijd kind, ofschoon men het immer blijven moest (1, Cor. XIV, 20), en wee dengene, die uit zulke schotschriften der misdaad het kwaad leert kennen, om het lief te hebben. Zie de studie van Pater van Meurs S. J. getiteld; de Koman.
283
tetus geeft: „hij wijze den schaamteloozen spreker terecht, „inzooverre de omstandigheden het toelaten; wanneer hij „daartoe niet bij machte is, toone hij door stilzwijgend-„heid en verontwaardiging, dat zulke gesprekken hem mis-„hagen.\'\' \') — Onder alle gevaarlijke vriendschapsbetrekkingen zijn voorzeker die de gevaarlijkste, welke tusschen personen van beiderlei geslacht onderhouden worden, de ongeoorloofde verkeeringen. Eene verkeering moet als ongeoorloofd en gevaarlijk beschouwd worden, als zij wordt gehouden zonder voorkennis der ouders of dier plaatsbe-kleeders, zonder plan en hoop op een huwelijk, en zonder door de ouders of andere achtbare personen met zorg en zedelijken ernst bewaakt te worden. 1\\Ioge ook bij dergelijke verkeeringen de genegenheid aanvankelijk niet onzuiver, moge de bedoeling niet kwaad zijn, vroeger of later zal er zeker kwaad tusschen komen: onzedige gedachten en begeerten zullen in de harten binnensluipen, en van deze tot onkuische oogslagen , ongeoorloofde vrijheden, liefkozingen, enz. is nog slechts een kleine stap. „In het „eerst houdt men verkeering uit vriendschappelijke genegen-„heid,quot; zegt de H. Ligorio , „maar daarna wordt de neiging „hartstocht, en als de hartstocht eenmaal vuur gevat heeft, „verblindt hij het verstand en maakt, dat men in duizend „zonden van onzuivere gedachten en woorden, dat men „eindelijk zelfs in onkuische werken valt.... O-hoevele „ongelukkige jongelieden wint de satan op dusdanige „wijze!quot; — Christelijke jongelingen en meisjes moeten alzoo elke te groote vertrouwelijkheid met het andere
\') Be H. Bernardinus van Siena ondersclieidde zich in zijne jeugd bizonder door zijn kuischen levenswandel. Üe deugd openbaarde zich op allerlei wijzen en verwierf hem zelfs bij de boozen een groot aanzien. Ken enkel woord, in strijd met de zedigheidj dat in zijne tegenwoordigheid gesproken werd, deed hem terstond sterk blozen en vervulde hem met de levendigste verontwaardiging. Ofschoon hij in den omgang zeer zachtaardig, jegens iedereen beleefd en eerbiedig was, kon hij echter boos worden, als iemand het ondernam, in zijn bijzijn de eerbaarheid te kwetsen. Hij gaf een man van hoogen ótand, die zich een onpassend gesprok veroorloofde, eeue duchtige berisping, welke hem beschaamde en verbeterde. De zedelijkheid van Bernardinus was een krachtige teugel, welke zelfs den uitge-latenste in toom hield. Alle minder gepaste gesprekken werden afgebroken zoodra hij verscheen. „Stil,quot; dus sprak men, „Bernardinus „komt.quot; Niettemin verstoutte zich eens een bedorven mensch, den heiligen jongeling tot onbehoorlijke dingen aan te sporen. Toen begon Bernardinus in heiligen toorn luid te schreien en den verleider met geweld van zich af te stooten. Op zijn geroep schoten Bernardinus\' makkers toe en vervolgden den wellusteling, die de vlucht nam, met steenen, tot hij aan hunne oogen was ontkomen (Wasser, Lebens Vorbilder).
284
geslacht zorgvuldig mijden; zij mogen in den vriendschap-pelijken omgang zich nimmer veroorloven, iets voor hunne ouders of degenen, die de plaats der ouders innemen, te verbergen (bijv. gesprekken, geschenken, brieven); want zij weten, dat alles, wat licht schuwt, kwaad is of zeker gemakkelijk tot kwaad kan voeren. — Vooral is het dringend noodzakelijk, dat geheime en nachtelijke lij een-komsten van jongelieden van beiderlei geslacht zorgvuldig vermeden en voorkomen worden. De zekerheid, door geen menschelijk oog, zelfs niet door zijns gelijken gadegeslagen te worden, verzwakt het natuurlijk gevoel van schaamte, en de hartstocht, van den lastigen teugel der uiterlijke welvoegelijkheid bevrijd, verkrijgt eene bijkans onweder-staanbare macht over de hayten. Alleen de gedachte aan het alziend oog van God zou in staat wezen, den aandrang er van te wederstaan; dan, wie gehoor gevende aan den hartstocht, ten believe van zijnen hartstocht zich aan de oogen der menschen onttrekt, valt het gewis moeielijk, aan het oog van God te denken. Op zulke bijeenkomsten vooral is van toepassing de uitspraak van den H. Geest: „wie het gevaar bemint, zal er in omkomen\'\' (Sir. Ill, 27). Duizenden jongelieden hebben het verlies hunner onschuld en deugd te beweenen, omdat zij zwak en onvoorzichtig genoeg waren, tot dergelijke samenkomsten zich te laten overhalen; en duizenden en nogmaals duizenden vaders en moeders branden in de hel, wijl zij gewetenloos en plicht vergeten genoeg waren, hunnen kinderen dergelijke bijeenkomsten te veroorloven.
e) Onwelvoegelijke tooneelspelen en dansen. In het onwel-voegelijke tooneelstuk vereenigt zich het onbetamelijke, dubbelzinnige woord met de verleidende voorstelling, welke op het tooneel wordt gegeven. Weelderige kleeding en onbehoorlijk gebarenspel verhoogen nog den verderfelijken invloed der voorstelling, en de dichtkunst, schilderkunst en muziek wedijveren, om eene meêslepende betoovering over de spelende personen en over hunne handelingen, hoe aanstootelijk ook, uit te spreiden. Dat nu, al deze omstandigheden bijeengenomen, het tooneel eene school der misdaad, een der krachtigste middelen ter verleiding, verweeking en ontzedelijking moet genoemd worden, zal geen weldenkend mensch kunnen ontkennen. Dewijl in onze dagen de meeste tooneelstukken, vooral de blijspelen, meer of min onbetamelijk zijn, daar zij, op enkele uitzonderingen na, de schandelijkste liefdehistories onder alle bedenkelijke omstandigheden en vormen voorstellen, kan in het bizonder de jeugd niet genoeg voor het bezoeken der schouwburgen
285
gewaarschuwd worden. — De voorstanders van het bezoeken der schouwburgen en vooral de ouders, die zelve hunne kinderen daarheen brengen, plegen voorwaar geheel anders te spreken. Voor hen is het theater eene school van fijne beschaving, van goeden toon, ja zelfs van deugd, „Ja,quot; zoo schrijft J. J. Rousseau (Lettre d\'Alembert), een voor lieden van dit slag onverdachte zederechter, ,.ja „wel, de schouwburg is eene fraaie school! Het onder-,(richt, hetwelk de jongelieden, die men er heenzendt, „daar ontvangen, is waarlijk allerliefst. Daar worden al „onze verkeerde neigingen gevoed, en die, welke ons be-„heerschen, krijgen aldaar nieuwe overmacht. De aan-„houdende gemoedsaandoeningen, welke wij in den schouw-„burg ondervinden, ontzenuwen ons, maken ons onbekwaam, „den aandrang der hartstochten te wederstaan, en verdelgen „de liefde tot arbeidzaamheid. Men leert in den schouw-„burg de hatelijkheid der misdaad onder een bevallig ge-„waad te verbergen, de zedelijkheid belachelijk te maken, „goede burgers in vrijgeesten, huismoeders in lediggangsters „te herscheppen.quot; i) Dat de HH. Vaders tegen de schouwburgen ijverden en ze als leerscholen van het kwaad aanwezen, is algemeen bekend. Tertullianus verhaalt, in zijn boek over de tooneelspelen , van eene christen vrouw , die
\') Het tooneel zou gewis eene school van deugd kunnen zijn, als het was, wat het zijn moest, doch dat is het juist niet. Een schrijver der vorige eeuw (La Mothe), die zelf voor het tooneel werkte, zegt in zijne redevoering over het treurspel onbewimpeld; „wij stellen ons „niet ten doel den geest met het wezen der misdaad en der deugd „bekend te maken, door beide in haar ware licht te plaatsen. Wij „zoeken slechts door een mengelmoes van deugd en ondeugd de „hartstochten te prikkelen, en ofschoon wij ook somwijlen de rede „huldigen, heffen wij daardoor de werking der hartstochten, die wij „gestreeld hebben, evenwel geenszins op. Wij leeren eenlge oogen-„blikken, maar hebben daarentegen langen tijd verleid, en hoe ook „de les moge zijn, waarmede het stuk eindigt, , het tegengift is te „zwak en komt te laat.quot; — De ondervinding bevestigt de diepe waarheid van dit merkwaardig getuigenis. Of waar lieeft men ooit gezien, dat door het invoeren van het tooneelspel de openbare zedelijkheid verbeterde, godsvrucht en godsdienst toenamen, weelde en genotzucht, de ondergang van zoovele lamiliën, verbannen, en het kwaad, ik wil niet zeggen verdrongen, maar alleen binnen de perken van eene zekere uiterlijke welvoegelijkheid teruggewezen werd? Heel de geschiedenis getuigt juist het tegendeel, In het heidensche Rome bloeiden, volgens de opmerking van den H, Angustinus, de zedelijke en burgerlijke deugden zoo lang, tot het de schouwspelen leerde kennen. — Toen de romeinsche censoren in het jaar 400 na de stichting van Rome in den senaat het bouwen van een steenen schouwburg voorstelden, verhief de groote Scipio daartegen zijne stem en leverde het bewijs, dat de tooneelspelen onmisbaar het zedelijk verval der Romeinen na zich zouden slepen. Zijne rede was zoo hevig en overtuigend, dat de senaat alles, wat tot den voorgenomen bouw bestemd
286
den schouwburg bezocht had en door den duivel bezeten naar huis was teruggekeerd. Toen eenigen tijd daarna een geestelijke den vorst der duisternis afvroeg, hoe hij het gewaagd had, zijn intrek in eene christen vrouw te nemen, gaf deze ten antwoord: „wijl ik haar in mijn huis gevonden „heb.quot; — Niet minder gevaarlijk dan de tooneelspelen zijn ook de dansen, daar zij in het algemeen tot een al te ver-trouwelijken en hartstochtelijken omgang met personen van
was, aanstonds liet verkoopen. — De romeinsche geschiedschrijver ïacitus spreekt in zijne beschrijving- van Germaniö met grooten lof van de zedelijkheid der oude Duitschers: ^overspel was daar uiterst zeldzaam, en de prijsgegeven deugd vond geene verschooningen hij schrijft die uitstekende hoedanigheid onzer voorvaderen vooral daaraan toe, dat er bij hen geene verleidende schouwspelen waren.— Ook in onze dagen oordeelt men, zelfs van den kant der Protestanten, over don invloed van het tooneel niet gunstiger. De predikanten van het protestantsche canton ScbalThausen gaven in het jaar 1838 openlijk eene ernstige vermaning aan den stedelijken raad en de geheele burgerij, om hen van het bouwen van een schouwburg af te houden. Daartoe schetsten zij met levendige kleuren de verderfelijke gevolgen van het hedeadaagsche, in zedelijk opzicht zoo diep ge zonken tooneel en zeiden terecht; ,/een schouwspel, waarin de zede-vlijkheid niet in eere wordt gehouden, moest in onze dagen voor Jedige banken opgevoerd wordenquot; (Ami de la Relig. 16. Fev. 1838).
Nieuwsgierige kinderen, die alles willen zien, wat op straat en op de markt gebeurt, en die hunne ouders niet met rust laten vooraleer deze hun geld geven, om het eerste het beste poppenspel, enz. te kunnen bezoeken, mogen een voorbeeld nemen aan een chineeschen christenknaap. Pater Gonnet schrijft den Z111111 Juli 1857 het volgende; ./een knaap van zeven jaren, Laurens genaamd, die met zijn tien-//jarigen broeder Paul de school bezocht, heeft bewijzen van sclirander-»heid en deugd afgelegd, die zijnen leeftijd ver te boven gaan. Op „zekeren dag dat de heidensche en christen kinderen bij afwezigheid „van den meester speelden, hoorde men eensklaps in de verte het ,/geschal der Tam-Tam.quot; ,/Dat is de schouwburg,quot; zeide een heidensch kind, //komt, laat ons gaan zien.quot; -/Het beijverde zich, om Paul, „die slechts zwakken weerstand bood, mede te nemen. Toen ontstond ver een strijd in zijn binnenste; van den eenen kant het verlangen, //om den schouwburg te zien, van den anderen kant de vrees van ,/God te beleedigen; want deze voorstellingen zijn zeer ergerlijk, en „wij veroorloven het onzen Christenen nooit, ze bij te wonen. De ./kleine Laurens, zwijgend de oogen op zijnen broeder richtende, ,/Scheen hem te zeggen: //Pas op, als gij u laat verleiden, dan ga ik vjiaar moeder en zeg het haar.quot; Het heidenkind zag de moeielijkheid //in, en trachtte die weg te nemen, door aan Laurens eenige sapeken «(eene chineesche munt) te beloven, als hij daarover het stilzwijgen ./bewaarde. Paul scheen hiermede ingenomen. Maar Laurens liield ./zijne verontwaardiging niet langer tegen; //zou ik mijne en uwe ziel ,/VOOr eenige sapeken aan den duivel verkoopen! Neen, neen, nooit ... ,/Ga vrij naar den schouwburg, als gij wilt, ik zal moeder er kennis „van geven; zij zal even spoedig daar zijn, als gij.quot; Paul waagde het niet mede te gaan en bespaarde zich een scherp verwijt van zijne moeder, die alles van Laurens vernam. ./Is dan mijn oudere broeder //niet bij zinnen?quot; hernam deze met geestdrift; «.ais ik niet*bij hern ,/geweest was, zou hij zwaar gezondigd hebben.quot;
287
het andere geslacht voeren, en zoo, gelijk uit het bovengezegde blijkt, tot vele en groote zonden tegen de heilige deugd aanleiding geven. Het gevaarlijkste zijn ongetwijfeld de tot diep in den nacht voortgezette dansen in herbergen en voor het publiek opengestelde localen, waar meestal ongebondenheid en hartstocht den toon aangeven, waar de welvoegelijkheid uit het oog verloren, waar de christelijke schaamte en ingetogenheid gehoond wordt. Maar ook die dansen, waarbij de grenzen der uiterlijke welvoegelij kheid niet overtreden worden, zijn niet zonder vele en groote gevaren. De H. Franciscus van Sales (Philoth. 3e boek, hfdst. 33) vergelijkt zulke dansen (bals) met de paddestoelen, en zegt er van, wat de geneesheeren aangaande laatstgenoemden getuigen, „dat zelfs de allerbeste niet „deugen, dewijl zij twist, nijd, beschimpingen en onzedig-„heden na zich slepen.quot; Het kan inderdaad geenszins betwijfeld worden, dat de grootere vrijheid in den omgang met personen van het andere geslacht, de verhitting van het bloed, de verwarring van den geest, de duisternis van den nacht, enz, ook bij overigens welvoegelijke danspartijen of bals maar al te dikwijls nadeelig voor de kuischheid zijn. \') — Gevaarlijker echter dan het dansen is in den
\') Graaf van Stolberg maakt (Gcscli. D. VUI), van liet tooneel sprekende, deze even scherpe als juiste bemerking: «Ik beroep mij op «het gevoel van alle Christenen, of zij niet, meer dan bij het bericht „van eiken anderen plotselingen dood, zouden geschokt worden, als ,zij hoorden, dat iemand eensklaps in den schouwburg gestorven z/was ? Zou de ware liefde tot God ons wel bezielen, als wij ons uit «vrije keuze in een toestand brachten, waaruit wij niet gaarne voor „zijn aanschijn zouden geroepen worden?quot; Hetzelfde geldt ook van een onverwachten dood op het bal of in de danszalen; een zeker teeken, dat het dansen eene even slechte voorbereiding is tot den dood, die elk oogenblik dreigt, als de schouwburg. De H. Franciscus van Sales geeft aan personen, die om dringende redenen, als het ware uit noodzakelijkheid, het bal bezoeken, den raad, na den afloop daarvan //heilige en heilzame lessen in het geheugen te roepen, welke //geschikt zijn, den gevaarlijken indruk weg te nemen, welken het „lichtvaardig genoegen van het bal misschien op hen heeft gemaakt.quot; jSiet minder nuttig zou het zijn, terstond daarop of den volgenden dag ernstig aan het werk te gaan, en daardoor elke gedachte aan het bal en wat aldaar is voorgevallen af te breken, en den geest tot inkeer te brengen, — De H. Adelheid, weduwe van Lothorius, koning van Italië en later weduwe van Keizer\'Otto den Groote, bracht in het klooster te Seis, nabij Straatsburg, hare laatste dagen in oefeningen van godsvrucht en boetvaardigheid door. Drie dagen voor haren dood had zij haar doodkleed afgemaakt. Zij zeide tot haren biechtvader, wien zij het toonde: „dit doodkleed heb ik met eigen handen „in gereedheid gebracht. Zoo dikwijls als ik in keizerlijke pracht „en grootheid verschijnen moest, de gouden kroon met edelgesteenten „op het hoofd, in zijden kleederen gedost, schitterend van goud en „zilver, werkte ik eenige oogenblikken aan dit kleed, opdat mijn „oog, door aardschen glans verblind, op dit werk en op die donkere
4
288
regel het nachtelijk\'te huis brengen, als de partij is afge-loopen. Wij beroepen ons hier op de dagelijksche ondervinding der zielzorgers en biechtvaders: in de danszaal verbleekt de onschuld, op den weg naar huis vrordt zij geheel te grave gedragen.
f) Dronkenschap en zwelgerij. Het overmatig gebruik van ■wijn of andere geestrijke dranken wekt de zinnelijke lusten op en voedt ze; het benevelt het verstand dermate, dat het de boosheid en schandeliikheid der ontucht ter nauwer-aood meer erkent, en bewerkt, dat de wil maar al te vaak door de ongeregelde bewegingen der zinnelijkheid overweldigd wordt. Daarom zegt de lï. Hieronymus (over den brief aan Titus): „een zwelger zal ik nooit als kuisch beschouwen;quot; en de H. Ambrosius (over den brief aan de Ephesiërs hfdst. V) ; „waar zwelgerij gevonden wordt, „daar woont ook zeker de ontucht.quot; De genoemde HH, Vaders drukken slechts met andere woorden de gedachte des Apostels uit, die aan de Ephesiërs schrijft: „drinkt u „niet dronken aan wijn, waarin wulpschheid ligt.quot; De H. Geest had overigens reeds lang tevoren hetzelfde geleerd: „de wijn,quot; dus staat er in het boek der Spreuken (XX, 1), „maakt onkuisch en de dronkenschap oproerig,quot; d. i. tot zinnelijke uitspattingen geneigd; en een weinig vei der (XXIJ, 31—34) lezen wij de waarschuwing: „zie den „wijn niet aan, als hij geelachtig ziet, als zijne kleur in „den roemer blinkt: hij gaat liefelijk er in, maar op \'tlaatst „steekt hij als de slang, en giet zijn gift uit als een basi-„liscus; uwe oogen zullen naar vreemde vrouwen zien , en „uw hart zal verkeerde dingen spreken. En gij zult zijn „als iemand, die midden op zee slaapt en als een sluimerende „stuurman, die het roer verloren heeft.quot; — Het is in \'t algemeen zeer nadeelig voor de kuischheid, door spijs en drank de begeerlijkheid te streelen. De mensch, die zich veelvuldig aan overdaad overgeeft, wordt moedwillig en losbandig, niet ongelijk aan het paard, dat, als het te goed onderhouden wordt, uitslaat en zich niet wil laten beheerschen. Daarom vermaant de Apostel de geloovigen van Rome (XIII, 13): „laat ons eerbaar wandelen, niet
„in brasserijen en dronkenschappen......verzorgt niet het
„vleesch tot begeerlijkheden.quot;
,/kleur ziende, mocht uitrusten. En zoo, steeds denkende aan liet „einde, hetwelk den- vorst met den tiedelaar gelijk stelt, is het mij, „door Gods genade gelukt, de bron van alle zonden, de hoovae.rdig-//heid, tegen te gaanquot; (Hungari, vruchten van het kruis). — Zoo iedere hartstochtelijke danseres, van het bal teruggekeerd, slechts één steek aan haar doodkleed naaide, menigeen zou spoedig den dans moede worden.
289
g) Lediggang en eene weelcelijke levenswijze. Lediggang is, gelijk in het algemeen van alle zonden, in het bizonder het begin van onzuiverheid. Een mensch, die altijd iets nuttigs doet, heeft nimmer tijd aan zondige dingen te denken; doch wie zonder bezigheden is, komt in zulke ledige uren dikwijls tot onzuivere gedachten, voorstellingen en begeerten, welke, zoo er niet terstond tegenstand aan geboden wordt, in den regel zondige werken na zich slepen. „De lediggang leert veel kwaad,quot; zegt de H. Geest door den mond van den wijzen Sirach (XXXIII, 29). Koning David heeft dit ondervonden. Zoolang hij bezig was met oorlog voeren, bleef hij de man naar Gods hart; een ledig uur verleidde hem tot overspel. Met recht dus zeggen de geesteliike schrijvers, dat de satan zich bedient van den lediggang als van eene open deur, om het verpestende gezelschap van kwade gedachten en onzuivere lusten ook in de zuiverste harten ingang te verschaffen. quot;) Cassianus getuigt, dat het bij de kluizenaars een spreekwoord was: een arbeidzaam mensch wordt door éenen duivel bekoord en verontrust, maar een lediglooper door honderden. — Ook de weekelijke levenswijze, namelijk als de mensch alle inspanning, alle moeielijkheden met overdreven angst en zorg van zich afweert, is eene doodsvijandin der kuisch-heid. 1) De mensch wordt niet alleen door fijne spijzen, kostbare dranken en lediggang, maar ook door weekelijke kleedine: en slaapstede, door eene te langgerekte nachtrust vertroeteld en tot allerlei zingenot geneigd. Daarom geldt van het lichaam, dat men week houdt, de uitspraak van
1
) Een geleerd geneesheer zeide eens: den besten gezondheidsmaatregel heeft God zelf aan Adam gegeven,\' namelijk; „In het zweet »uws aanschijns zult gij uw brood verdienen.quot; Ook een voortreffelijke maatregel van deugd is: „Versterk uw lichaam door den arbeid, „en uw,geest wordt in den strijd tegen uwen inwendigen vijand, de „kwade begeerlijkheid, versterkt.quot;
DEHABBE, GELOOPSLEEK. III. 3de DRUK. 19
290
den H. Geest: „wie zijnen knecht van jongs af vertroetelt, „zal hem later weerspanning vindenquot; (Spr. XXIX, 21).— „Het leven van den menscb op aarde is een strijd\'\' (Job VII, 1), en wel bizonder een strijd tegen de zinnelijke lusten; het leven daarentegen van hem, die gewoon is, niets aan zijn lichaam te weigeren, is eene voortdurende, schandelijke nederlaag.
Waarom moet men zich vooral voor de onkuisehheid hoeden?
1) Omdat er geene zonde schandelijker is, daar zij den mensch, die toch, als Gods evenbeeld en tempel, tot een zuiver en heilig leven geroepen is, verlaagt tot het onreine dier, om welke reden zij ook zonde van onreinheid genoemd wordt. — Door de onkuisehheid wordt de mensch meer dan door eenige andere zonde gelijk aan het dier, wijl hij daardoor geheel onder het juk der dierlijke lusten geraakt, en zijn hoogste geluk zoekt in hetzelfde, waarin het onreine dier dat vindt. Deze in het oog vallende gelijkenis met het dier is gewis eene afschuwelijke schandvlek, de diepste vernedering voor den mensch en vooral voor den Christen. Het laatste doel en de hoogste zaligheid van den mensch en den Christen is namelijk: natuurlijke en bovennatuurlijke gelijkvormigheid met God; er kan alzoo niets schandelijkers gedacht worden, dan dat hij, die geschapen en bestemd \'is, om zich zooveel mogelijk aan God gelijk te maken, zich vrijwillig alle moeite geeft, om gelijk te worden aan her, dier. gt;) Het was, volgens de leer des Apostels, de grootste dwaasheid en schande van het heidendom, dat zijne aan-
\') De groote leermeester van het geestelijk leven, Joannes van A qui la, uit zich hierover op de volgende wijze: Meent gij niet, ,dat het zeer vreemd zou zijn, als een onnoozel dier een mensch „rondleidde, waarheen het maar wilde; als het den mensch geleidde, „door wien het geleid^oet worden? en toch zijn er zeer velen, die //Zich door hunne dierlijke begeerten laten rondleiden, armen en ./rijken; omdat hun getal zoo groot is, bemerken wij nauwelijks het //ai\'schuweiijke van de zaak; het verschrikt ons niet meer, het verbaast «ons niet meer, en dit is eene tweede nog grootere rampquot; — Van den heidenschen wijsgeer Diogenes wordt verhaald, dat hij op een helderen middag met een lantaarn op het marktplein te Athene rondliep, alsof hij iets zocht. Toen men hem vroeg, wat hij zocht, gaf hij ten antwoord: //Ik zoek een mensch.quot; — ;/ilaar,quot; bemerkte iemand, „ziet gij dan niet, dat het geheele plein vol menschen is?quot; Diogenes antwoordde: „Deze zijn geene menschen, maar dieren; „want zij leven niet als menschen, maar als het vee, en laten zich „door hunne dierlijke lusten leiden en regeeren.quot; — Ook Seneca, ofschoon een Heiden, deed de schoone, zelfs voor Christenen behartigenswaardige uitspraak: „Ik ben veel te groot, en tot iets veel -zgrooters geboren, dan de slaaf van mijn lichaam te zijn.quot;
291
hangers de heerliikheid van den onvergelijkelijken God verruilden met het beeld en de gelijkenis van den vergankelijken mensch en ook van de dieren (Eom. I, 23); datzelfde is ook de dwaasheid en schande van den Christen, die ziine gedachten en geheel zijn hart aan de onreinheid overgeeft, die hetgeen onrein en dierlijk in hem is, in zekeren zin ten afgod maakt. Hij misvormt door de zonde van onzuiverheid het natuurlijke, wischt uit en verdelgt het bovennatuurlijke evenbeeld Gods in zijn hart; hij onteert züa lichaam, den tempel van den H, Geest (1. Cor. III, 17), en ofschoon door God geroepen om een rein, heilig leven te leiden; ofschoon afgewasschen met het bloed van den Godmensch, gereinigd en geheiligd door de genade van den Geest der zuivere liefde; ofschoon bestemd om eenmaal in vereeniging met de Engelen den God van alle heiligheid eeuwig te prijzen en te bezitten, leidt hij het leven van een redeloos, onrein dier. Wat onteering, wat onuitsprekelijke verlaging! Waarlijk hij verdient, door God, zijnen Schepper, Verlosser en Heiligmaker, door alle Engelen en Heiligen, door alle menschen, ja, door den duivel zeiven, van wien zulke onreinheid ver verwijderd is, zoo diep mogelijk veracht te worden.
2) Omdat geene zonde zoo verschrikkelijk in hare gevolgen, is. Want a) zij berooft den mensch van de onschuld en verpest hem naar lichaam en ziel. Onder „onschuldquot; wordt hier niet alleen verstaan de toestand van zondeloosheid in het algemeen, welke iedere zware zonde opheft, maar in het bizonder de reinheid, de onbevlektheid van lichaam en ziel. De schoonste bloem van christelijke deugd, de lelie uit den lusthof, door den hemelschen hovenier Jesus Christus in zijne Kerk geplant, verwelkt bij den eersten adem der onreine lusten. Wat de herfstvorst voor hef heerlijkst bloembed is, dat is de zonde van onzuiverheid voor de liefelijke hemelplant van ongeschonden kuischheid. Het verlies der onschuld of zuiverheid van hart is alzoo het eerste gevolg der onzuiverheid, maar geenszins het eenige. Die misdaad verpest, d. i. verontreinigt en bederft ook het lichaam en de ziel van den onkuischaard, gelijk een pestbuil, die al verder en verder gaat, den daarmee behebten mensch misvormt en onder hevige smarten doodt. Heeft namelijk de onzuiverheid haren troon in het hart opgeslagen, dan beheerscht zij alle zintuigen en krachten des lichaams en alle vermogens der ziel. Zij beheerscht en schandvlekt de oogen door onkuische opslagen, de ooren door het aan-hooren van onzedige gesprekken, de tong door het spreken van onzuivere woorden en schandelijke liederen; handen ,
19*
292
voeten , alle lidmaten van het lichaam misbruikt zij tot haren afschuwelijken dienst. Datzelfde jammerlijke lot treft ook de vermogens der ziel: zij ontwijdt het geheugen door de herinnering aan vroeger bedreven zonden en gelegenheden der zonde, de verbeeldingskracht door duizend onreine voorstellingen en droomerijen, het verstand door de kennis van alle geheimen der misdaad en door het opsporen van middelen en wegen tot onzuiver genot, het be^eervermogen door den lust naar alle moErelijke slechtheid; zij maakt den geest geheel dierlijk, onontvankelijk voor al het hoogere. Hetgeen Daniël (XIII, 9) van de ontuchtige rijken zegt, wordt bewaarheid bij alle slaven der onzuiverheid en bij eenieder van hen in \'tbizonder: „zij wenden hunne oogen af, om „dén hemel niet meer te zien en aan het rechtvaardig „oordeel niet meer te denken.quot;
b) De onkuischheid verleidt tot vele andere zonden en misdaden, niet zelden tot moord en vertwijfeling. Het is gemakkelijk te bewijzen, dat de ontucht meer dan eenige andere zonden den weg baant tot eene veelvuldige overtreding van alle geboden van God en van de Kerk. Hoe vaak komt uit onkuischheid onverschilligheid in den godsdienst en eindelijk afval van het geloof voort? (Vergelijk deel I). Hoe menigmaal is zij oorzaak van heiligschennende biechten en communiën, hoe dikwijls van vloeken, lasteringen en verwenschingen tegen God, wiens geboden en bedreigingen de dierlijke vreugde van den wellusteling verstoren en vergallen? Hoe vaak verleidt die zonde tot overtreding der heiligste en plechtigste geloften, tot eeden, die de wellusteling nooit denkt na te komen, of niet vervult, als hij het doel zijner onreine wenschen bereikt heeft! Hoe menigmaal verzuimt de ontuchtige op zon- en feestdagen de H. Mis* om in dien tijd aan zijne lusten te voldoen; en als hij werkelijk ter kerk gaat, hoe vaak zal hij het doen alleen om zijne oogen te vestigen op voorwerpen, die eene menigte onzuivere gedachten, voorstellingen en begeerten in zijnen geest brengen! Is niet de ontucht oorzaak van ontelbare zonden tegen de gehoorzaamheid aan ouders verschuldigd? Vergrijpen de ontuchtiajen zich niet aan het leven van hunnen naaste en, uit verdriet en vertwijfeling, aan hun eigen leven? Hoevele kinder- en zelfmoorden moeten op rekening dier afschuwelijke drift geschreven worden, om niet te spreken, van den toorn, ijverzucht, haat en andere zonden tegen de liefde, die uit deze bron zoo menigvuldig voortvloeien? Het voorbeeld van David, van Herodes en Herodias strekke hier ten bewijze. Stilzwijgend gaan wij ook voorbij de ongetrouwheien van kinderen en dienstboden.
293
waartoe het verlangen, om zich ODgeoorloofde genoegens te verschaffen, hen aanzet; desgelijks het onbeschaamde kwaadspreken en eerrooven, waardoor wellustelingen hunne eigen schande pogen te dekken en op anderen te schuiven. Wie, door den hartstocht van onzuiverheid geprikkeld, zelfs voor doodslag en verraad niet afschrikt, hoe zou hij voor diefstal, leugentaal en kwaadsprekendheid terugdeinzen, als zij hein dienen om zijne onzuivere begeerten te vervullen, om ongestoord zijne dierlijke neigingen te bevredigen? Ja, er is bijna geene misdaad, waartoe de ontucht, gelijk de geschiedenis getuigt, niet aanleiding heeft gegeven, en, zooals de dagelijksche ondervinding leert, ook heden nog aanleiding geeft. \')
c) De onzuiverheid stort den mensch in ellende, onteering en schande, eindelijk in de eeuwige verdoemenis. — Hoe diep de afgrond is van tijdelijke ellende en oneer, waarin de ontuchtige zich door zijn zondig leven stort, leert de goddelijke Heiland zelf in de gelijkenis van den verloren zoon. Die onverstandige, onwaardige zoon verspilde door een losbandig leven in korten tijd zijn geheele vermogen. Nadat hij alles had doorgebracht, ontstond er hongersnood in het land, waar hij zich bevofad, en hij begon gebrek te lijden. Nu ging hij heen en verhuurde zich bij een landman uit die streek. Deze zond hem naar zijne hoeve, om de zwijnen te hoeden. Door den honger gekweld, wenschte hij zich te mogen voeden met hetgeen men den dieren voorwierp , maar niemand gaf het hem (Luc. XV). Ziedaar het
!) Oe geschiedenis der wereld en der Kerk is rijk aan bewijzen hiervoor. Men herinnere zieli slechts Hendrik Vlli van Engeland, wien de wellust tot de afschuwelijkste misdaden en tot de walgelijkste wreedheden vervoerde. — De Heidenen zelfs erkenden de waarheid van het gezegde. Cicero voert in zijne samenspraak over den ouderdom de volgende Troorden van Archytas van Tarente aan: /,Er is,quot; beweert deze wijsgeer, veldheer en staatsman, „niets verderfelijker z/in den mensch dan de begeerlijkheid, wier nooit verzadigde lusten //onbeschaamd en ongebonden tot genot aanzetten. Door haar ont-//Staan verraad des vaderlands, door haar staatsomwentelingen, door //haar geheime onderhandelingen met de vijanden; geene zonde, geene //misdaad is zoo groot, of de wellust zet er den mensch toe aan; tot //alle groote zonden worden de menschen door hare aanlokkelijk-//heden getrokken. Jïiets is met den geest, dit allervoortreffelijkste //geschenk der natuur of der goden, meer in strijd, dan de begeer-//lijkheid, Want waar zij heerscht, daar vindt de matigheid geene //plaats, en in het algemeen kan in het rijk der wellust de deugd //niet bestaan. Men stelle zich een mensch voor, die den hoogsten ■/graad van zinnelijkheid gevoelt; hij kan zonder twijfel, zoolang zij //duurt, niets overleggen , geene verstJindige gedachten vormen. Daarom //is niets zoo afschuwelijk, niets zoo verderfelijk als de wellust, daar //zij. tot een zekeren graad geklommen en langeren tijd durend, het //licht van den geest geheel uitdoolt.quot;
294
beeld der meeste wellustelingen. Die ongelukkige zonen van den edelsten en verhevensten Vader in den hemel verspelen de goederen der ziel, de heiligmakende genade en de hemelsche gunsten, welke Hij hun verleende, met slechte vrienden in drinkparty en en uitspattingen en geraken zoo in armoede; zij verteren langzamerhand hunne lichaamskrachten , en een leger van ziekten en gebreken wreekt zich op hen voor de onzuivere genoegens, welke zij hebben genoten. Zeer dikwijls wordt letterlijk aan hen vervuld de bedreiging van den H. Geest: „wie voor de oogen des „Scheppers zonde doet, moet in de handen des geneesheers „vallenquot; (Sir. XXXVIII, 15), en: „wie zich bij wellustelingen aansluit, wordt een booswicht; bederf en wormen „worden zijn loonquot; (Sir..XIX, 3). In ellende en smart ziet de ontuchtige wel naar hulp uit, maar meestal te vergeefs. Niemand heeft medelijden met hem; ieder ontvlucht hem; het brandmerk der ontucht maakt hem tot een voorwerp van afschuw by jong en oud; zelfs zijne vroegere bondgenooten in de misdaad versmaden hem. „Wie een „overspeler is,quot; zegt de H. Geest, „zamelt oneer en schande, „en zijne schande wordt nimmer uitgewischtquot; (Sir VI, 32, 33). — Intusschen geraakt de ontuchtige door herhaaldelijk te zondigen al meer en meer in de slavernij des satans, die hem zonder ophouden krachtig aanspoort om zijne onreine lusten te bevredigen. Nooit zal \'t echter den wellusteling gelukken, aan zijne onverzadelijke hartstochten voldoening te geven; nimmer zal hij ia het zingenot die hoogere zaligheid vinden, waarnaar zijn geest, zijne ziel van nature streeft, tot welker genot hij geschapen is. Zoo is het leven van den ontuchtige een langdurig, onafgebroken lijden door eigen schuld, en de dood, wel verre van den ongelukkigen slaaf der zinnen uit de veelvuldige kwellingen te verlossen , stort hem in de eeuwige verdoemenis, „waar „hst deel der ontuchtigen zal zijn in den poel, die met vuur „en zwavel brandtquot; (Openb. XXI, 8 i). Behalve deze ver-
ij Kan men zijn lichaam wel wreeder behandelen, dan door zijne onzuivere lusten te bevredigen? De wellusteling handelt met zijn lichaam gelijk men gewoon is te handelen met schadelijke dieren, welke men wil ombrengen; hij biedt het een lokaas, hetwelk het vergiftigt. Want //geene aanstekende ziekte,quot; zegt de beroemde geneesheer Tissot. //Ondermijnt zoozeer de natuurlijke lichaamskrachten, z,verzwakt zoozeer de jeugd, verkort zoozeer \'s menschen leven, als „de zonde van ontucht.quot; Wie telt al de zuchten, al het lijden, hetwelk de zonde van ontucht ten gevolge heeft; wie vermag dit te schetsen? De krankzinnigen-gestichten en gasthuizen van ongeneselijken kunnen ons daarvan een denkbeeld geven.
De zonde, die voldoening biedt.
Is zoet vergift; vertrouw haar niet.
295
schrikkelijke gevolgen, die alle noodzakelijk meer of min met de zonde van orkuischheid verbonden zijn, wijst de H. Schrift ons nog in het bizonder op de straffen, waarmede God die zonde getroffen heeft. Onan , de tweede zoon van den patriarch Judas, werd om die misdaad plotseling met den dood gestraft (1. Mos. XXXVIII, 10). Om de zonde van onkuischheid werd bijna de geheele stam van Benjamin door het zwaard verdelgd (Eecht. XX); om die zelfde zonde stierven ia de woestijn 24,000 Israëlieten (4. Mos. XXV, 9). Wegens de onkuischheid vernielde een vuurregen de bloeiende steden Sodoma en Gomorrha (1. Mos. XIX); en omdat „alle vleesch (door ontucht) zijnen weg „bedorven hadquot; (1. Mos. VI, 12), opende God alle bronnen der diepte en alle sluizen des hemels en verdelgde het misdadig geslacht door den zondvloed. — Ongetwijfeld moeten ook vele andere rampen, welke in lateien tijd en ook nu zoovele volkeren troffen, als eene straf van God voor de zonde van onkuischheid, waaraan men zoo menigvuldig zich durft overgeven, beschouwd worden. In het algemeen geeft de ernstige en grondige studie der geschiedenis ons recht, aan te nemen, dat sommige volkeren, zoowel in hunne afdwalingen als in hunne ellende, door eigen schuld op den hals gehaald, in den toestand der diepste verlaging het beeld zijn van den „verloren zoon.quot; \') Mochten toch allen, vooral
Het ontzettendste van alles echter is, üat de zondaar, die gewoon is zicli aan de wellust over te geven, liet tijdelijke en eeuwige verderf met rassclie schreden ziet naderen, en geen moed en vastberadenheid genoeg heeft, door eene oprechte bekeering en zorgvuldige aanwending van gepaste middelen, zijn ongeluk te ontloopen. — Een Priester quot;beijverde zich, een doodzieken wellusteling door zijn smeeken en door bedreiging met de eeuwige straffen tot boetvaarvaardigheid en verbetering te bewegen. De ongelukkige scheen getroffen en stortte heete tranen, maar onder weenen en snikken sprak hij de vreeselijke ■ffcorden: j-Al kondet gij de poorten der hel openen en daar de /,duivelen, gereed staande om mij te ontvangen-, laten zien, zou ik «mij toch bij de eerste gelegenheid, welke zich voordeed, van mijne //gewone zonde niet kunnen onthouden, al ware het ook geheel fZeker, dat ik terstond daarop zou sterven en eeuwig verdoemd //wordenquot; (Drexel. ov. Salom ). Zoo moedeloos en neergeslagen maakt de ingewortelde slechte gewoonte den zondaar. Eenieder vermijde dus alle zonden tegen de deugd van zuiverheid. Want wie er eene bedrijft, zal licht tot de tweede en derde overgaan, daar het even moeielijk is, den aandrang van den eenmaal ontketenden hartstocht te wederstaan, als een steen, welke uit de hand gevallen is, in zijn val tegen te houden. Wie den eersten stap tot quot;onzuiverheid heeft gedaan, zal niet zeggen: i-Tot hiertoe en niet verder.quot; Wedersta van den beginne, opdat het kwaad niet van lieverlede in de ziel als \'t ware inkankere ,en de te laat aangewende middelen vruchteloos maken.
\') Karei de Groote pleegde te zeggen: „De zonden van ontucht /■zijn het, waardoor geheele rijken me^t hunne vorsten gevallen zijn.quot; (Stolb. Gesch. D. 25). — Als God den Israëlieten beval, zich voor de
296
de jongelieden, de aangeduide vreeselijke gevolgen der onzuiverheid immers voor oogen houden en ter harte nemen! Voorzeker zouden velen van hen, zoo niet uit liefde tot God, voor \'t minst uit vrees voor die onheilen, de onzuiverheid vermijden en nooit den breeden weg betreden, die tot zulk een afgrond van tijdelijke en eeuwige ellende voert.
Is elke zonde van onhiischheid eene zware zonde?
\\
Ja, elke zonde van onkuischheid, die iemand wetens en willens begaat aan zich zeiven of met anderen, is eene doodzonde.
Dat de zonden van onkuischheid, ook dan, wanneer zij alleen inwendig of in het hart plaats vinden, ware zonden zijn, leert de H, Schrift duidelijk. „Ik zeg u,quot; spreekt Jesus Christus, „dat eenieder, die eene vrouw, met begeerte „naar haar, aanziet, reeds den echt met haar gebroken heeft „in zijn hart.quot; En de Apostel schrijft in den eersten brief aan de Corinthiërs (VI, 9): „Bedriegt u niet! noch on-„tuchtigen, noch overspelers zullen het rijk Gods beërven en aan de Ephesiërs (V, 5): „weet wel, dat geen welluste-„ling en ontuchtige deel heeft aan het rijk van Christus en „van God.quot; Eveneens schrijft dezelfde Apostel in zijnen brief aan de Galatiërs (V, 19—21), „dat degenen, die de „werken des vleesches, onzuiverheid, ontucht, enz. doen, „het rijk Gods niet zullen erlangen.quot; Zeker nu is het, dat niemand buiten het hemelrijk wordt gesloten, dan degene, die eene zware zonde heeft bedreven. Daarom moet. men zich wel wachten, aan onzuivere gedachten en begeerten, onzuivere neigingen en gevoelens in zijn hart toe te geven, en zich niet vermeten, uit moedwil of ongeregelde zinnelijke lust met zich zeiven of anderen iets onbehoorlijks te bedrijven, de schaamte te kwetsen. —Bij opkomenden twijfel, of iets tegen de kuischheid strijdt, stelle men zich niet gerust met de gedachte alleen: anderen doen hetzelfde en houden het niet voor zonde. Men ondervrage zijnen biechtvader en vermij de vooreerst datgene, waarover men in twijfel is, allerzorgvuldigst.
Velen maken zich bij de beoordeeling der zwaarte van deze zonde aan eeue zeer gevaarlijke dwaling schuldig. Zij meenen, dat alleen
gruwelen der ontucht te wachten, welke de Canaanieten pleegden, voegde Hij er de bedreiging bij: //Opdat ook het land niet u uit-,/spuwe als gij zulke dingen, doet, gelijk het\'t volk (van Canaiin), ./hetwelk voor u was, heeft uitgespuwdquot; (3. Mos. XVIII, \'28).
297
de grootere misslagen, namelijk daden tegen de kuisclilieid , groots zonden zijn. En toch is elke gedachte, elk woord, elke handeling , die öt\' wel in zich zelve onrein is, óf waardoor iets onzuivers bedoeld wordt, eene doodzonde, wanneer daarbij niet de volle kennis en toestemming ontbreekt, welke bij elke zware zonde verondersteld wordt. Dat dergelijke, voor minder groot gehouden zonden van onzuiverheid inderdaad doodzonden zijn, moet door allen vast aangenomen worden, en wel, zooals de H. Antonius opmerkt, \') niet als een gevoelen, waaraan men ook zijne goedkeuring zou kunnen weigeren, maar als eene waarheid, die evenzeer als elke andere christelijke zedeleer tot het geloof behoort. Wie hardnekkig het tegendeel beweert, is een ketter, wijl zijne bewering strijdt tegen de H. Schrift, zooals die door de Heiligen is verklaard. De diepe grond hiervan is gemakkelijk te vinden, als men in aanmerking neemt, dat dergelijke gedachten, woorden, handelingen en bedoelingen den mensch blootstellen aan het naaste en oogenschijnlijke gevaar, de zwaarste zonden ^tegen de kuischheid te begaan, ja, dat zij het begin dier misdrijven, als \'t ware de eerste schrede naar den afgrond des verderfs zijn. — Hoewel nu, volgens ons gezegde, alle zonden tegen de kuischheid zware zonden zijn, zijn toch niet alle even zwaar. Integendeel is de eene zwaarder dan de andere, al naar de personen, met wie men de zonde begaat, of hoe misdadiger en onnatuurlijker de zonde is, en hoe schandelijker hare gevolgen zijn. Grooter en zwaarder is bijgevolg de zonde met gehuwden dan met ongehuwden, met geestelijken dan met personen van den wereldlijken staat, grooter en zwaarder met verwanten dan met niet-verwanten. Tot de grootheid en zwaarte dei-zonde van onzuiverheid draagt ook veel bij de heiligheid der plaats, en de omstandigheid, dat men door eene gelofte verplicht is, de kuischheid te bewaren. Zonden, die met groote schaamteloosheid bedreven worden, zonden, waardoor de mensch zich zelfs beneden het dier verlaagt, zijn eveneens zwaarder dan andere, waardoor de menschelijke natuur minder onteerd, de tempel des H. Geestes niet zoo ontzettwid geschandvlekt wordt. Zwaarder dan andere zijn eindelijk ook die zonden, welke voor dengene, die ze begaat, of voor den naaste verderfelijker gevolgen hebben. Zoo zijn zonden van onkuisch-heid, waarmede voor den evennaaste ergernis, verlies van zijn goeden naam of andere tijdelijke goederen verbonden is, zwaarder dan die, welke niets dergelijks na zich slepen. Misdrijven van de eerste soort verplichten ook, de veroorzaakte schade zooveel mogelijk goed te. maken. — Op de verschillende grootheid der zonden van onkuiscli-heid maakt zoowel de goddelijke als de kerkelijke, ja zelfs de wereldlijke wetgeving of strafbepaling ons opmerkzaam. Zoo bepaalde God in het (hide \\rerbond, voor zekere zonden tegen de kuischheid de doodstraf door steeniging, voor andere de veel pijnlijker door het vuur (3. Moe. XX). De oude boeteregels der Kerk -stelden voor onderscheidene misdrijven van ontucht een korteren of langeren tijd van boete vast, van één tot vijftien jaar; voor eene zekere zonde zelfs eene levenslange boete. Ook door de wereldlijke rechters worden, gelijk bekend is, onderscheidene misdrijven van deze soort met verschillende straffen getroffen. 2)
!) Parte 2. Tit. 5 cap. 1.
-) Het strekt onze eeuw juist niet tot eer, dat het groote getal misdaden tegen de zuiverheid nauwelijks meer gedoogt, ze naar behooren te straffen, en nog minder, dat dergelijke zonden dikwijls voor gewone, bijna onvermijdelijke zwakheden gehouden en uitgekreten worden. Hoe geheel verschillend dachten hierover onze heidensche voorvaderen! Hoe beschamend is voor ons, hunne christelijke nakomelingen, de afkeer, welken zij voor zulke misdaden hadden, en de
298
Ten aanzien van datgene, wat in zich zelve of van natureonkuisch is, kan alzoo, wanneer genoegzame kennis en toestemming aanwezig is, van geene dagelijksche zonde spraak zijn. Anders is het met dat, wat enkel tot zonde van onkuischheid voert, met datgene, wat er aanleiding en gelegenheid toe geeft, gelijk, volgens het boven gezegde, \\-an vele romans, schouwspelen, bals en andere vermakelijkheden beweerd moet worden. Is dergelijke lectuur, is het bezoeken van schouwburgen, danspartijen, enz. met het naaste gevaar van onkuischheid verbonden, dan is het altijd onder doodzonde verboden; is het gevaar op zich zelve of de omstandigheden in aanmerking genomen verwijderd, en is overigens de wil vast besloten, alle onzuiverheid ook in gedachten en begeerten te vermijden, dan kan voorzeker niet gezegd worden, dat men in dat geval zich aan eene zware zonde tegen de kuischheid schuldig maakt. Niettemin is degene, die zich lichtzinnig, buiten noodzakelijkheid en gewichtige reden aan het meer verwijderde gevaar tot zonde van onkuischheid of zware bekoringen blootstelt, van eene dagelijksche zonde niet vrij te spreken. Bovendien moet nog aangemerkt worden, dat datgene, wat voor den een slechts eene verwijderde gelegenheid is, voor den ander, om zijne natuurlijke zwakheid en zijne slechte gewoonten eene naaste eelegenheid en zeer gevaarlijk zijn kan. Derhalve mag men zich in dit punt niet geheel op het voorbeeld van anderen, zeil\'s van rechtschapen lieden beroepen. Een braaf Christen, die de hooge waarde der kuischheid weet op prijs te stellen, zal er altijd op bedacht wezen, ook het verwijderde gevaar van zondigen tegen die deugd met de meeste zorgvuldigheid te vermijden, en, wanneer beleefdheid en plicht hem niet veroorloven , aan alle besproken gelegenheden zich te onttrekken. zal hij toch God om bijstand smeeken en tevens vast vertrouwen, dat de Allerhoogste hem niet zal verlaten, die met eene goede bedoeling zich aan eene lastige, met eenig gevaar verbonden noodzakelijkheid onderwerpt.
/ï\'ai gebiedt het zesde gebod Gods? a
Het gebiedt ons, in al onze ■woorden en werken eerbaar en zedig te zijn, en de oDschuld onzer ziel, als het hoogste
onverbiddelijke strengheid, waarmede zij die veroordeelden en straften. Reeds de H. Bonifacius aarzelde niet, in een brief aan Ethelbald, koning der Merciërs, die den luister zijner vele goede hoedanigheden door schandelijke buitensporigheden verduisterde, op de reine zeden van het oude heidensche Saksen te wijzen en hem daardoor te ba-schamen. ,,Herinner uquot;, schreef hij hem (in het jaar 745), ,/hoe eerloos ,/het voor u is, onder de dwingelandij van een dierlijken hartstocht z/te zuchten, en door zulke schanddaden uwen God te beleedigen, die //U de heerschappij over een zoo machtig volk gegeven heeft. Ontferm »u over uwe ziel en uwe onderdanen, voor wie gij eens rekenschap „geven moet. De zuiverheid stond bij de Heidenen van het or.de z/öaksen in zoo groote hoogachting, dat, als eene maagd overtuigd /-werd van ontucht of eene getrouwde vrouw van overspel, men haar «worgde en de lichamen verbrandde. De verleider werd op de plaats, /.waar hare asch lag, opgehangen. Menigmaal werden ook deze ^vrouwen door personen van hare kunne met roeden geslagen, en „aan het geheele lichaam met puntige ijzers gestoken. En zoo leidde /«men haar van dorp tot dorp, totdat zij onder die langzame foltering //bezweken. Als Heidenen, die den waren God niet kenden, zulke „liefde voor de zuiverheid toonden, welke liefde moet gij dan hebben. „die Christen en koning zijt?quot; (Br. 62. van den H. Bonifacius).
299
goed en het schoonste sieraad van den mensch, zorgvuldig te bewaren.
Het zesde gebod verbiedt alles, wat de deugd van kuisch-heid kwetst en tot kwetsing er van verleidt; het gebiedt van den anderen kant, die deugd te beoefenen en in hare reinheid te bewaren. Men onderscheidt gewoonlijk eene drievoudige kuischheid; die der gehuwden, die der weduwen en die der maagden. Ieder is verplicht, volgens zijnen staat de kuischheid te beoefenen en te bewaren. i)e hier volgende verklaring heeft derhalve op alle staten betrekking, maar geldt toch hoofdzakelijk van de beoefening en bewaring der maagdelijke zuiverheid, welke de volmaaktste is , en bij uitnemendheid „kuischheid,quot; ook „onschuld,quot; „maagdelijkheidquot; genoemd wordt. De beoefening der deugd van kuischheid verplicht niet alleen eerbaar, ingetogen , zedig te zijn, waar zonde of het naaste gevaar van zonden dreigt, maar altijd en overal, \'t zij wij ons alleen of bij anderen, in afgelegen of druk bezochte plaatsen bevinden. „Welk eene schitterende „parel is niet de zedigheid; hoe liefelijk schijnt zij uit in „den wandel en het gedrag des jongelings! Zij is de op-„rechte tolk van eene*edele gezindheid, de zuster der ingetogenheid, het nooit verdoovende licht van den kuischen „geest. Niets schandelijks, niets onpassends valt er op neder, „zonder dat zij het terstond verraadt; zij, de bewaarster „van den goeden naam, de getuige der onschuld, \'s levens „schoonste sieraad.quot; Aldus de H. Bernardus (Preek 86 over het Hooglied). \') Om de deugd van kuischheid wel te behartigen en te bewaren, is het noodig, ten eerste, dat wij
!) In het leven van den H. Kluizenaar Antonius verhaalt de H. Atlianasius van den H. Oudvader Amnion, wiens ziel de eersle, door Engelenkoren begeleid, Haar den hemel zag opstijgen, het volgende zeer stichtende voorval. — Op eene reis door de woestijn kwam Ammon met zijn gezel Theodoor voor eene rivier , welke zij moesten doorwaden. Ue vrome Oudvader bad nu zijn reisgezel een weinig achter te blijven, opdat de een niet gedwongen zou zijn, de naaktheid van den ander te zien. Theodoor gehoorzaamde, niettemin bloosde de dienaar Gods, toen hij zich begon uit te kleeden, en terwijl hij bij zich zeiven naar een middel zocht, om, zonder zich te ontkleeden, aan den anderen oever te komen, hief eene goddelijke kracht hem in de hoogte en plaatste hem aan de andere zijde van de rivier. Zoo beloonde God door een wonder de eerbaarheid van dien Heilige. — De eerbaarheid van keizer Maximiliaan I. was zoo groot, dat hij zich noch bij het opstaan, noch bij het ter ruste gaan in liet aan- en uitkleeden liet behulpzaam zijn. Zelfs in het doodsuur gaf hij een bewijs van deze schoone deugd. Zijn einde voelende naderen, liet hij zich een kleed brengen, trok het zelf aan en beval, dat men hem zoo begraven moest (Herfst voorbeeldenboek.D. 2). — Zeer beschamend zijn dergelijke voorbeelden voor hen, die niet blozen, zich vooral bij het baden, onbeschaamd en onbetamelijk in tegenwoordigheid van anderen te ontkleeden.
300
van de -waardij en de verrukkelijke schoonheid dier deugd ons levendig overtuigen, en ten tweede de geschiktste middelen daartoe met zorg en volharding aanwenden.
1) Waardij der kuisckheid. De kuischheid is een hoog, een onschatbaar goed. Zij verheft den mensch boven zijne lagere, dierlijke heigingen; „zij maakt,quot; zooals de H. Am-brosius (Boek I. over de zuiverheid) zegt, „ van gebrekkige „menschen Engelen.quot; In denzelfden zin merkt de H. Ber-nardus (Brief 24.) op; „de kuische mensch is wel onder-„scheiden van den Engel, doch niet wat de deugd, maar „enkel wat de zaligheid aangaat; de reinheid des Engels „is zaliger, \'s menschen kuischheid heldhaftiger.quot; Daarom aarzelt de H. Chrysostomus niet, te beweren, dat de kuischheid den mensch in zekeren zin boven de Engelen verheft, wijl het voor hem verdienstelijker is, in weerwil der tal-looze aanvechtingen van den kant des duivels, der wereld en des vleesches zuiver te blijven, dan voor genen zonder strijd Engelen te zijn. — God zelf, wiens oordeel over de waarde der dingen onbedriegelijk is., openbaarde duidelijk zijne hoogschatting van deze deugd, daar Hij eene onbevlekte maagd tot moeder van zijn eeniggedoren Zoon, den kuischen Joseph tot voedstervader, den zuiveren Joannes den Dooper tot diens voorlooper verkoos. Het was ook de kuischheid, welke den H. Evangelist Joannes tot den meest geliefden leerling van den menschgeworden God maakte; die deugd bereidde hem het groot geluk, bij het laatste avondmaal aan Jesus\' hart te rusten, en aan den voet des kruises de maagd aller maagden tot moeder te verkrijgen. — Ook de menschen, aan wier beoordeeling wij helaas maar al te vaak meer gewicht hechten, dan aan het oordeel van God zeiven, ook de menschen kunnen hunne achting aan de onbevlekte kuischheid niet ontzeggen. In het\'oude heidensche Rome werd het „heilig vuurquot; ter eere der godin Vesta door maagdelijke handen onderhouden. Deze maagden (Vestaalsche maagden genaamd) stonden aldaar in hooge eer. Zelfs de keizers veroorloofden haar, aan zijne rechter zijde te gaan, en wanneer een ten dood veroordeelde misdadiger, dien men ter strafplaats heenvoerde, eene van haar ontmoette, moest hij uit eerbied voor de maagdelijke priesteres in vrijheid gesteld worden. Zoo ziet men bewaarheid de uitspraak des H. Geestes in het boek der Wijsheid (IV, 1): „O hoe schoon „is een kuisch geslacht! Onsterfelijk is zijn aandenken; bij „God en de menschen is het in eere.quot; — De kuischheid siert den geheelen mensch; zij siert zijn lichaam door een ingetogen, zedig wezen, door eene edele houding, door bescheidenheid in de oogen, door gematigdheid en voorzichtig-
301
heid in het spreken, door eene waakzame regeling van alle gebaren en bewegingen; zij siert echter ook, en veel schooner en liefelijker nog, de ziel. De kuische ziel draagt in uitstekenden graad het heerlijke indruksel der geliikenis op God, den Allerzuiverste, op Jesus, den Koning en minnaar van maagdelijke zielen; versierd met het schoone bruiloftskleed der heiligende genade, trekt zij het oog der hemel-lingen op zich, en gaat in liefelijke majesteit door het land der ballingschap de omarmingen van haren goddelijken Bruidegom tegemoet. \')
\') Verwonderen wij ons derhalve niet, dat zoovele Heiligen folteringen en den dood verkozen boven het verlies der maagdelijke zuiverheid. De acten der llartelaars leveren eene menigte voorbeelden. — Eene der eersten , die ter wille van hare zuivere deugd aangeklaagd en gefolterd werd , was Potamiana, eene arme slavin van zoo buitengewone schoonheid, dat haar eigen heer,, die te Alexandrië woonde, om hare hand vroeg. Maar Potamiana had reeds vroeg besloten, hare maagdelijke zuiverheid getrouw te bewaren en slechts haren hemelschen Bruidegom toe te hooren; vandaar wees zij het voorstel van haren heer al\' en had nu vele verwijten en belagingen te verduren. De ongeregelde liefde van haren heer sloeg weldra in haat over. Hij klaagde haar aan bij Agnila, den Prefect van Egypte, als eene christin, die onophoudelijk den keizer vloekte wegens de wreede vervolging der Christenen. Tevens beloofde hij aan den Prefect eene groote som geid, als hij Potamiana door bedreiging en schrik kon bewegen, haar geloof te verloochenen en aan zijne neiging geen weerstand te bieden. In dit geval mocht haar geen leed geschieden. Volhardde zij echter bij hare eigenzinnigheid, dan zon zij moeten sterven. Zij werd dan voor den Prefect gebracht. Er lagen vele foltertuigen gereed, en Aguila liet die allen op de rij af haar zien en het gebruik er van verklaren. Dit maakte evenmin indruk op Potamiana, als de paarlen en juweelen, welke de lastige minnaar haar getoond en beloofd had. Nu liet Aguila haar een weinig folteren, vervolgens harder en eindelijk al wreeder. Maar de maagd bleef onbewegelijk. De Prefect werd vertoornd, omdat zij de pijnen niet achtte, welke hij haar liet aandoen, en hij dacht eene nieuwe foltering uit. Onder een grooten ketel met pik liet hij een geweldig vuur ontsteken, en toen deze kookte en opborrelde, zeide hij tot Potamiana: «ga. thans «-en gehoorzaam uwen heer, anders laat ik u in dezen ketel werpen.quot; Zij antwoordde kalm: //God verhoede, dat een rechter zoo onrccht-//vaardig zij, mij iets ongeoorloofds te bevelen.quot; Toen geraakte de Prefect in woede en beval, haar ontkleed in den ketel te werpen. Potamiana zeide nu met luider stem; //Heerl Ik bid u, laat mij liever //met de kleederen van lieverleden in het kokende pik neder.quot; Daar dit langzaam indompelen hare doodsmarten aanmerkelijk vermeerderde, stond. Aguila haren wensch toe. Zij werd met ketenen, welke om lichaam en armen gingen, boven den ketel omhoog geheven en langzaam in het brandende pik neergelaten. Na eene foltering van drie uren gaf Potamiana den geest, zonder dat eenige klacht over hare lippen gekomen was (Gr. Hahn-Hahn, die Miirtirer). — Moge in de bekoring de zinspreuk van den H. Casimirus ook de onze zijn: //Ik //wil liever sterven, dan de zuiverheid des harten verliezen.quot; Of laten wij met den H. Edmond, Bisschop van Cantelberg in Engeland, naar den Gekruisigde zien en uitroepen: //Ik wil liever op een gloei-//enden brandstapel springen, dan in ééne zonde inwilligen.quot;
302
2) Middelen om de kuischheid telewaren. Daar de kuisch-heid, gelijk wij hebben bewezen, een zoo groot goed, een zoo heerlijk sieraad der ziel is, zal een ieder gewis alle geschikte middelen ter bewaring dezer deugd met alle zorg willen aanwenden. Zulke middelen zijn:
d) Het vluchten van slechte gezelschappen en gelegenheden tot zonde. Dit is het noodzakelijkste middel, zegt de H. Alphonsus de Ligorio (Katech. bladz. 122). In strijd tegen de zonde van onzuiverheid zal, naar de eenparige leer der geestelijke schrijvers, slechts diegene zegevieren, die het gevaar vermijdt, en, als hij in gevaar mocht komen, de vlucht neemt. „De vreesachtigen zijn daar de overwinnaars,quot; zegt de H. Philippus Neri. Daarom vermaant de H. Geest in het boek der Spreuken: „Mijn zoon , wanneer de zondaars „u lokken, volg hen niet. Als zij vragen: kom met ons, „ga, mijn zoon, niet met hen.\'\' Loth ontkwam het verterend vuur en redde zijn leven alleen door de vlucht uit de woonplaats der boozen; zoo zult ook gij uwe onschuld niet anders redden, dan door de vlucht voor en uit alle slechte gezelschappen en gelegenheden. Hoop toch niet, verstandig genoeg en in de deugd genoegzaam versterkt te zijn, om in het gevaar niet te vallen, Zijt gij wijzer dan Salomon, zijt gij deugdzamer dan David, de man naar Gods hart? „Wanneer de ceders van den Libanon (in deugd en heiligheid vergrijsde mannen), „zoo beklagenswaardig vielen, „hoe zal het dan het zwakke riet vergaan ?quot; vraagt terecht een Kerkvader. Houd u overtuigd, dat een enkele slechte vriend, eene enkele gelegenheid genoeg is, om u van de onschuld te berooven, u in de eeuwige verdoemenis te storten. Duizenden vervloeken in de hel hunne lichtzinnigheid en zuchten nu: „och! had ik dien mensch nooit gezien, nooit „gesproken, ook ik zou thans een kind der zaligheid wezen!quot; l) h) Het bewaken der zintuigen, vooral der oogen. — De deugd der kuischheid is [gelijk aan een helderen spiegel, wiens glans door den geringsten ademtocht besmeurd wordt; zij is gelijk aan een sneeuwwit bruidskleed: de minste vlek
\') Wacht u, ten believe van een vriend, ooit iets onbetamelijks te doen. Geene vriendschap moet u dierbaarder zijn dan de vriendschap Gods. Hebt gij deze verloren, en zijt gij door God in den afgrond der hel verstooten, dan zal geen vriend u kunnen helpen, niemand u aan de eeuwige pijnen ontrukken. — De godvruchtige jongeling Ferdinand van Verona moest eens aan het lage aanzoek van een zijner vrienden weerstand bieden. Als deze daarop in de grootste verontwaardiging uitriep; //wat baat mij dan uwe vriendschap, als gij «niet eenmaal doen wil, waarom ik u smeek?quot; — antwoordde Ferdinand; -/Integendeel, wat baat mij de uwe, als ik om u kwaad moet doen „en Gods genade zal verliezen?quot; (Naar HunganJKreuzes-Fnichte.)
303
bederft het; aan eene bloeiende lelie: eene onachtzame hand doet haar verwelken; zij is gelijk aan een kostelijkeu balsem in eene glazen vaas: de geringste stoot is hier verderfelijk. Daarom moeten wij bizonder bezorgd zijn, niet alleen over ons hart, maar ook over onze zintuigen en vooral over de gevaarlijkste aller zintuigen, over de oogen, te waken, opdat de kuischheid geene schade lijdte. De H. Aloysius waakte zoo gestreng over zijne oogen, dat hij na verloop van twee jaren, gedurende welke hij als edelknaap in de omgeving der keizerin was, haar gelaat nog niet kende. Eenieder onzer bidde tot God met den Profeet; „wend „af (o Heer) mijne oogen, opdat zij de ijdelheid niet zienquot; (Ps. GXVIII, 37).
c) Het dikwerf ontvangen der HH. Sacramenten. — Van dit middel schrijft de H. Laurentius Justinianus; „het beste „en heilzaamste middel, om de opwellingen der zinnelijke „lusten tegen te gaan, is, dat degene, die zich door deze „vergiftige pijlen gewond voelt, alle krachten inspanne en „de goddelijke Sacramenten dikwijls met groote godsvrucht „ontvange.\'\' In het H. Sacrament van boetvaardigheid namelijk, wordt den biechteling niet alleen eene bizondere genade geschonken, om de zonde te vermijden, maar ook zal hij daar leeren, hoe hij de bekoringen het gemakkelijkst en krachtigst kan afweren; en zelfs de gedachte, dat men de zonde aan den priester moet belijden, is een der geschiktste middelen om er zich van te vrijwaren. In het H. Sacrament des Altaars ontvangt de Christen het brood der sterken, het voedsel der uitverkorenen en den wijn. die maagden voorbrengt (Zach, Ih. IX, 17); hij vereenigt zich op \'t innigste met den Oorsprong van alle reinheid, en wordt door die vereeniging, mits zij na eene behoorlijke voorbereiding geschiede, in staat gesteld en aangespoord, om zuiver en heilig te leven.
d) Het gebed tot God en de allerheiligste Maagd, vooral ten tijde der bekoring. — Daar de kuischheid, volgens het gezegde van den wijzen Salomon, een goddelijk genadegeschenk is (Wijsh. XIII, 21), is het gebed ter verkrijging en bewaring dier deugd allernoodzakelijkst. Meer dan ooit is echter het gebed noodig ten tijde van den strijd. Zoodra gij den prikkel der bekoring gevoelt, roep dan met alle hartelijkheid tot God: „Heer! haast U om mij te helpen!\'\' (Ps. XCII, 1, 2). „Op U, Heer, heb ik gehoopt; in „eeuwigheid zal ik niet beschaamd gemaakt worden.. .. „Bevrijd en verlos mij 1 Neig uw oor tot mij, en red «mij!quot; (Ps. LXX, 1, 2). Deze en dergelijke vrome verzuchtingen wenden niet alleen den geest van de zondige,
304
bekoorlijke voorwerpen af, maar maken ook, dat de Allerhoogste zich genadig over den bekoorde ontfermt en hem rijke genade verleent, om krachtig en aanhoudend tegenstand te bieden. — Eveneens is het zeer aan te raden, bij zware bekoringen zijne toevlucht tot Maria te nemen, haar, de allerzuiverste Maagd, om haren bijstand te smeeken. De engelachtige jongeling Joannes Berchmans bad bij elke bekoring\'. „O Maria verlaat mij niet; laat mij niet te „vergeefs op u vertrouwen! Ik ben uw zoon. Gij weet, „dat ik gezworen heb en nochmaals zweer, als uw ware „zoon te willen overwinnen en sterven.quot;
e) De gedachte aan den alomtegenwoordigen God, aan het onbekende uur des doods en in het algemeen aan de uitersten van den mensch. — Van de gedachte aan Gods tegenwoordigheid bediende zich Joseph in Egypte, om tegen de onbehoorlijke aanzoeken zijner meesteres bestand te zijn. Hoe zou ik,quot; sprak hij, „zoo groot kwaad doen, en „zondigen tegen mijnen God?quot; (1. Mos. XXXIX, 9). De gedachte aan den alomtegenwoordigen God versterkte ook de kuische Susanna in het uur der bekoring zoozeer, dat zij den rechters, die hare kuischheid of bij weigering haar leven bedreigden onverschrokken toeriep: „ik wil liever „zonder die daad in uwe handen vallen (sterven), dan „zondigen voor het aanschijn van den Heerquot; (Daniël XIII, 23). En wie ook zou zulke schandelijke zonden kunnen begaan, als hij levendig overtuigd was, dat het oog van den Allerhoogste, het oog van den eeuwigen Hechter op hem nederziet ? Zou hij niet vreezen, dat God den dienaar zijner straffende gerechtigheid, den dood, zal uitzenden, om hem, den boosdoener, op het oogenblik van de zonde voor zijnen rechterstoel te dagen? Zou hij niet vreezen, voor een oogenblikkelijk genot zich eene eeuwige kwelling op den hals te halen? En wie zal bij dergelijke overdenkingen nog voortgaan met zondigen? Welaan, „gedenk „bij al uwe werken aan uwe uitersten, en gij zult in „eeuwigheid niet zondigenquot; (Sir. VII, 40).
f) De naarstige beoefening van ootmoed, versterving des vleesches en verloochening van zich zeiven. — De waarachtig ootmoedige mistrouwt zich zeiven, vreest voor zich zeiven, vreest voor zijne aangeboren zwakte en geibrekke-lijkheid. Daarom vermijdt hij de gevaren en gelegenheden, wendt nauwkeurig de middelen aan, welke hem kracht kunnen geven. Hij bidt in het gevaar, waarin hij onvoorziens en onschuldig gekomen is , met vertrouwen en hartelijkheid tot God: hij smeekt om de genade, waardoor den mensch alles vermag, en welke aan dengene, die er nederig
305
om bidt, nooit wordt geweigerd. Daarom wordt ook de ootmoedige voor de vernedering der onzuiverheid bewaard, terwijl de hoovaardige tot straf van zijnen hoogmoed niet zelden aan de booze lusten van zijn hart wordt overgelaten (Vergelijk Eom. I, 21—32). Een niet minder uitmuntend middel ter bewaring der kuischheid is de uitwendige en inwendige versterving. Door de eerste wordt de ziel geoefend in den strijd en krachtig; door de laatste (door vasten, waken en andera strengheden) worden de lusten des lichaams verzwakt, de ongeregelde bewegingen onderdrukt en veelvuldige genade verworven, waardoor het der ziel gemakkelijk valt, de ongekrenkte heerschappij over het vleesch te behalen. Daarom zegt de H. Paulus (Gal. V, 24) van alle Christenen in het algemeen: „zij, die „Christus toebehooren, hebben hun vleesch gekruisigd met „al deszelfs lusten en begeerlijkheden;quot; en van zich zeiven schrijft hij (1 Cor. IX, 27) : „ik tuchtig mijn lichaam en „breng het onder bedwang; opdat ik niet, na anderen „gepredikt te hebben, zelf verloren ga.quot; \')
TOEPASSING.
De H. Geest begint den lof der kuischheid met de reeds aangehaalde woorden: „O hoe schoon is een kuisch geslacht! „Onsterfelijk is ziin aandenken, bij God en bij de menschen „is het in eere;quot; en Hij besluit dien met deze veelbe-teekenende spreuk: „eeuwig prijkt het met de kroon der „overwinning en draagt den prijs voor den strijd van „onbevlekte zuiverheid wegquot; (Wijsh. IV, 2). Welk eene groote aanmoediging ligt niet in deze weinige slotwoorden? Wel is de strijd ter bewaring der kuischheid veelvuldig en hevig; veelvuldig en hevig van binnen en van buiten. De innerlijke strijd tegen de zinnelijke neigingen is zoo moeie-
•) Om de bekoring tegen do zuiverheid te orerwinnen, stortte zich de H. Bernard us in een bijna toegevroren vijver, wentelde zich de H. Benodictus in doornen rond, hield de H. kluizenaar Martiniaan zijne voeten in het vuur. Ook van de pasbekeerden in Cochin-China bericht de dikwijls genoemde Pater Alexander van Rhodes, dat zij bij hevige opwellingen van onzuivere begeerlijkheid een vinger over het vuur hielden en tot zich zeiven zeiden: „Beproef, of gij het vuur „der hel verdragen kunt, als gij in deze bekoring bezwijkt.quot; — Al zijn deze voorbeelden niet onvoorwaardelijk ter navolging aangehaald, zij dienen toch tot eene heilzame beschaming voor hen, die zich zoo weinig moeite getroosten, om de onzuivere bekoringen te wederstaan, die, oni mij zoo uittedrukken , bij den eersten aanval van den vijand de wapenen neerleggen en zich gevangen geven.
DEHAItBE, GELOOFSLEER. III. 3^ DHUK. 20
306
lijk en langdurig, dat zelfs de H. Paulus verzuchtte: „ik „ongelukkige mensch ! wie zal mij van dit lichaam des doods „bevrijden?quot; (Eom. VII, 24). Ook van buiten wordt de kuischheid dikwerf en hevig aangevallen; aangevallen door sluwe verleiders, aangevallen door diep gezonken menschen, voor wie de kuische zeden van anderen tot een onver-dragelijk verwijt strekken, aangevallen door volleerde boosdoeners , voor wie geen middel te slecht, geene daad te geweldig is. Doch de roem van hen, die bij alle aanvallen overwinnaars blijven, is onsterfelijk; hun naam wordt met groote plechtigheid en geestdrift gevierd , als de naam van den machtigen wereldbeheerscher. Eeuwig prijkt die onbevlekte schaar van maagdelijke helden met de zegekroon des eeuwigen vredes in het hemelsch Jerusalem. De hooge prijs van ongeschonden zuiverheid is het volle genot der onuitsprekelijke zaligheid in de nabijheid van het Lam en de bizondere eer van Het te volgen, waar Het ook gaat, en een nieuw lied te zingen, dat alleen maagden zingen kunnen (Openb. XIV, 3, 4). ,.Gaat dan voort, „lievelingen Gods,quot; roept de H, Kerkleeraar Augustinus , „gaat voort, kuische jongelingen en maagden, bewaart den „schat der kuischheid ten einde toe. Gij zult bij het „bruiloftsfeest van het Lam een nieuw lied zingen, een „lied, niet zooals de geheele aarde er een zingt, maar „gelijk gij alleen het zingen kunt. Gij zult vreugde genieten, niet wereldsche, ijdele, onzinnige, bedriegelijke „vreugde, ook niet enkel een zoodanige als de overige „hemelingen, die niet in den maagdelijken staat geleefd „hebben, mogen genieten, maar eene van deze geheel „onderscheidene vreugde. Want ook het nieuwe, u geheel „eigenaardige lied kan de overige schaar van zaligen niet „zingen, maar hooren zal zij het en zich verheugen over „uwe heerlijke voorrechten. En gij, die het zingt en hoort „tegelijk, gij zult des te zaliger u verblijden, gij zult des „te gelukkiger heerschenquot; (Over de maagdelijkheid, 8ate boek, hoofdst. 27, 29).
307
ai et zevemle gcltod C-oiis.
„Gij zult niet stelen.quot;
Wat verbiedt hel zevende gebod van God?
Het zevende gebod heeft ten doel, het eigendom van den mensch tegen eiken onrechtvaardigen aanval te beveiligen.
Het verbiedt den naaste te benadeelen in zijne tijdelijke goederen door roof, diefstal, bedrog, woeker of op elke andere wijze.
Men zondigt dus tegen het zevende gebod:
1.) Door roof en diefstal; door roof, wanneer men den naaste een hem toebehoorend goed, zijn eigendom , op onrechtvaardige wijze, d. i. tegen zijn redelijken wil, met geweld ontneemt — rooft; door diefstal, als men het heimelijk ontvreemdt — steelt. Als dus de een den ander aanvalt en hem zijn geld met geweld afneemt, dan is hij schuldig aan roof-, als hij het daarentegen steelsgewijze uit den zak of uit de kast van een ander haalt, dan begaat hij een diefstal. Zoo echter iemand een ander, die zich zeiven wil doodsteken, den dolk ontrukt of steelsgewijze ontvreemdt, dan maakt hij zich noch aan roof noch aan diefstal plichtig, omdat de beroofde alleen onredelijker wijze in dit geval zijne toestemming tot de berooving weigeren kan. Hetzelfde geldt ook, als iemand op bevel der wettige overheid aan een ander een voorwerp ontneemt, hetwelk door een rechtvaardig vonnis verbeurd is verklaard; in dat geval zich te verzetten, is onrechtvaardig en onredelijk handelen. — Eveneens, als iemand zich niet anders uit den uitersten nood, wanneer het namelijk het behoud zijns levens geldt, weet te helpen, dan door ontvreemding van eene zaak, welke een ander bezit; want in deze omstandigheden is de ontvreemding niet een diefstal, niet eene met de wet strijdige handeling, maar eene uitoefening van het onvervreemdbare recht van zelfbehoud. Willigde de eigenaar van het ontvreemde goed, mits hij zelf zich niet in denzelfden nood bevond, deze door nood gedrongen wegneming niet in, dan zou zijne weigering onbillijk, dus onredelijk zijn. Daarbij moet echter wel opgemerkt worden, dat men zich niet in den uitersten nood bevindt, als men
20*
308
door middel van vragen nog hulp verkrijgen kan;1) verder dat men in den uitersten nood niet meer mag wegnemen, dan juist noodzakelijk is, om dien op te heffen. -)
Aan diefstal en roof maken zich overigens niet alleen eigenlijke dieven en roovers schuldig, maar a) ook allen, die hun daartoe raad geven of hulp verleeaen. — Door raad werken diegenen tot den diefstal mede, en maken zich dus daaraan schuldig, (hetzelfde geldt ook, gelijk duidelijk is, van den roof), die aan de dieven taad geven om te stelen, verder die hun aanwijzen waar, hoe en wanneer zij het gemakkelijkste en het zekerste hunne plannen om te stelen kunnen volvoeren; — door hulp zondigen diegenen, die hen bij de uitvoering zelve behulpzaam zijn door het geven van werktuigen , door het aaiidragen en vasthouden van ladders tot inbraak, door wacht te houden, door het aanwijzen of verleenen van schuilplaatsen, waar de dieven zich kunnen verbergen. — Neemt men deel aan den diefstal door raad en hulp te verleeaen, des te meer door hevelen. Op den bevelende, als de eerste en eigenlijke oorzaak van den diefstal, komt de hoofdschuld neêr. Ook is hij ■ niet vrij te spreken van medeplichtigheid, die weet, dat een ander het voornemen heeft om te stelen en hem daarin niet verhindert als hij kan, vooral wanneer hij ambtshalve, gelijk de overheid, of overeenkomstig een verdrag, gelijk de gehuurde en door de overheid aangestelde bewakers en der-gelijken, verplicht is, den diefstal met alle hem ten dienste staande middelen te verhinderen. Medeplichtigen zijn h) ook diegenen, die gestolen goed koopen, verkoopen, bergsn
!) De meening, dat men niet alleen in deu uitersten .maar ook in eiken groeten, drukkenden nood iets raxig wegnemen, is door Paus Innocentius XI, veroordeeld in het jaar 167Ü.
-) De geheime schadeloosstelling, waardoor iemand, die op een ander eene vordering heeft, zich op geheime wijze met den eigendom des schuldenaars betaalt, is dan. maar ook alleen dan geen diefstal, wanneer de schuld onbetwistbaar is, en de zich zeiven betalende niet meer wegneemt, dan hem volgens streng recht toekomt, en hij op eene andere wijze het verschuldigde niet kan verkrijgen. — Voor de geheime schadeloosstelling, welke altijd eene zeer gevaarlijke zaak is, en slechts op den wijzen en onpartijdigen raad van nauwgezette mannen mag ondernomen worden, zijn vooral dienstboden te waarschuwen, die zeer dikwijls na met hunne overheden, uit vrije keuze, voor een bepaald loon te zijn overeengekomen, bij zich zelve denken, dat hunne diensten niet behoorlijk betaald worden, en om die reden zonder voorkennis van den heer zich menige zaak toeëigenen. Eene dergelijke schadeloosstelling is waarlijk diefstal, daar zulke dienstboden volstrekt geen wettigen rechtstitel voor zich hebben. De o verste is hun niets verschuldigd, dan het bij verdrag bedongene; wat daarboven gaat, is dus onrechtvaardigheid (Zie Steil. 37, door Innocentius in het jaar 1679 veroordeeld).
309
of bewaren. Want deze allen maken zich, als zi] weten of met grond vermoeden, dat zij met dieven te doen hebben, meer of minder aan medewerking tot den diefstal schuldig. Inderdaad worden velen dieven van beroep omdat zij zoo gemakkelijk lieden vinden, die slecht genoeg zijn, tegen deelneming aan het gestolene hunne helers, koopers en verkoopers te zijn. Met vele ontvreemde voorwerpen zouden de dieven niets kunnen beginnen, en het niet wagen er geld van te maken, als zij geene veilige onderhandelaars hadden; insgelijks zouden velen het gestolene niet aan het navorschend oog van overheid of eigenaar kunnen onttrekken , wanneer zij het niet naar vertrouwde dievenholen konden slepen. Verder c) allen, die gevonden of geleende zaken niet teruggeven. — Geleende zaken te behouden, is gewis schandelijke ondankbaarheid en diefstal te gelijk. — Wie gevonden goed houdt, is een dief in den strengen zin des woords , als hij weet, wien het toebehoort, of ingeval hij dit niet weet, zich geene, of zelfs, als de gevonden zaak van groots waarde is, zich slechts geringe moeite geelt, om den eigenaar te vinden. Slechts dan, wanneer de vinder zich vlijtig, maar zonder gevolg beijverd heeft, den eigenaar te ontdekken, kan het geoorloofd zijn, het gevondene, als eene zaak, welke geen eigenaar heeft, voor zich te behouden of naar goedvinden weg te geven, i) — d) Die hunne schulden niet betalen. Het rnaien van schulden zonder gegronde hoop, die op den bepaalden tijd, of met het zeker vooruitzicht, die in het geheel niet te kunnen betalen, is eene helaas maar al te geliefde wijze om den naaste zijne goederen te doen verliezen. Men maakt bij een klein vermogen groote uitgaven en staatsie, onderneemt onzekere, slecht berekende handelszaken, waagt groote sommen in het spel, houdt prachtige tafels, kostbare partijen ; het geld tot zulke huishouding leent de argelooze vriend, de waren en stoffen geeft de koopman op borg, den arbeid levert de handwerksman op rekening, totdat eindelijk de heer genoodzaakt wordt te verklaren, dat hij onvermogend is om te betalen. — e) Die zonder nood bedelen en zoo aan wezenlijke armen de aalmoes ontstelen. Zulke aalmoezendieven zijn zij, die, zoo niet een groot
J) Of liet ook den vinder, die zicli zelven niet als arm beschouwen kan, in dit geval geoorloofd is, liet gevondene voor zich te behouden, dan of hij het den armen geven moet, daarover zijn de Moralisten het niet eens. Gousset (Moral. D. i. n0. Tol) schrijft: //Jlen spore de //geloovigen aan, het den armen te geven, als tot een werk van liefde; //doch men vermijde alles, wat hen kan doen gelooven, dat zij daartoe, «als tot een werk van rechtvaardigheid, verplicht zijn,quot; omdat deze verplichting niet zeker is.
310
vermogen (hetgeen somtijds het geval is), toch zóóveel hebhen hijeen gebedeld, dat zij gemakkelijk in hunne behoeften konden voorzien, als zij zich met het gewone voedsel der armen wilden vergenoegen; verder zij, die jong, gezond en sterk zijn, en derhalve als daglooners of dienstboden hun bestaan konden vinden, als zij zich op den arbeid toelegden. De schade, welke zulke aan bede-larii en ledigheid verslaafde landloopers en dagdieven aan de wezenlijke armen en aan hen, die door lichaamsgebreken en door ouderdom tot den arbeid ongeschikt zijn, veroorzaken, is veelgrooter, dan men zich gewoonliik voorstelt; want zij ontnemen hun niet alleen de aalmoes, maar stellen door hunne onbeschaamdheid en bedriegerijen de armen in het algemeen in een zeer ongunstig daglicht, zoodat de bron van milddadigheid van vele zijden spaarzamer vloeit. — Men begaat eene zonde tegen het zevende gebod:
2) Door ledrog. Aan bedrog of bedriegelijke schending van eens anders goed maakt zich schuldig: a) wie den naaste in den handel bedriegt, bijv. met valsche maten, gewichten, geld of slechte koopwaren. Mochten toch kooplieden en herbergiers, mochten in het algemeen allen, wier beroep het hun mogelijk en gemakkelijk maakt, doorslechte maat en gewicht den naaste tekort te doen, mochten zij dikwijls en ernstig de waarschuwing der H. Schrift overwegen , mochten zij haar boven de deur hunner winkels en werkplaatsen schrijven en diep in hun hart prenten: „Gij „zult geen onrecht doen in de ellemaat, in gewicht, in „maat. Zuivere schaal, zuiver gewicht, zuivere schepel „en zuivere maatquot; (3. Mos. XIX, 35, 36). „Gij zult „geen tweederlei gewicht hebben, een grooter en een „kleiner; ook zult gij in uw huis niet een grooter en „kleiner schepel hebben. Zuiver en goed gewicht zult gij „hebben, zuivere en goede schepels. Want de Heer, uw „God, verfoeit hem, die zulks doet, en Hij heeft een „afschuw van alle onrechtvaardigheidquot; (5. Mos. XXV, 10—IQ). „Dubbel gewicht en dubbele maat; beiden sijn „een gruwel bij God.quot; Spreuk. XX, 10. — Wie va.sch of afgedankt geld voor echt en gangbaar uitgeeft of tegen goed geld inwisselt, pleegt bedrog, ook ingeval hij zelf het valsche geld voor goed geld heeft aangenomen. Dat men zelf bedrogen is, geeft immers geen recht, om een ander te bedriegen. — Evenzoo bedriegt en besteelt men den naaste, als men, in den klein- of groothandel, oude, bedorven koopwaren voor versche en goede, onechte voorechte, en wel voor den prijs van goede, nieuwe, en echte waren verkoopt; als men goede waar vervalscht, bijv.
311
wijn, melk met water of met andere bestanddeelen vermengt; als men by den verkoop, voornamelijk van dieren, de verborgen gebreken, d. i. zoodanige, welke de zaken voor den kooper onbruikbaar maken of de waarde veel verminderen, niet aangeeft. Is het gebrek onbeduidend, van geen belang, of is het duidelijk zichtbaar, dan is de ver-kooper in den regel niet verplicht, het aan te toonen; in elk geval moet echter de prijs van het beschadigde voorwerp altijd naar evenredigheid van de mindere waarde verkleind worden. In het algemeen is het nooit geoorloofd, van den nood of de onkunde des koopers gebruik te maken, om koopwaren tot een onbillyken prijs te verkoopen. — l) Degene, die voor zijn werk of zijne waren te veel vordert. Aan deze wijze van bedriegen maken zich vooral schuldig de handwerkslieden, die, hetzij na eene met elkander getroffene overeenkomst, hetzij bij dringenden nood, het weekloon bovenmate verhoogen; verder de kooplieden , apothekers en dergelijken , die voor hunne, ofschoon overigens goede waren, een te hoogen prijs verlangen en aannemen. Is de prijs van koopwaren door de overheid bepaald, dan zou het eene onrechtvaardigheid zijn, dien te boven te gaan; is deze daarentegen voor de verkoopers vrij, dan moet hij volgens de natuurlijke waarde der zaak afgemeten en vastgesteld worden. Daar echter dezelfde zaak quot;zeer dikwijls door verschillenden ook verschillend gewaardeerd wordt, ontstaat het drievoudige onderscheid: van den laagsten prijs, onder welken eene zaak gewoonlijk niet geschat wordt; van den hoog sten prijs, hoven welken zij niet geschat wordt, en van den middelharen prijs, welke tusschen de beide eersten inligt. Wie bij de vaststelling van den natuurlijken prijs binnen de palen van deze drievoudige prijsbepaling blijft, kan niet van onrechtvaardigheid beschuldigd worden. Wie echter boven den hoogsten billijken prijs gaat en alleen daarop bedacht is, hoe hij zijne waren zoo duur mogelijk verkoopen kan, eigent zich eene onrechtvaardige winst toe. — c) Die de grenssteenen op de velden verplaatst. Voor deze bedriegelijke inkorting van eens anders eigendom waarschuwt reeds de H, Geest (5 Mos. XIX, 14): „Gij zult niet wegnemen,quot; zegt God, de Heer, „noch verplaatsen de grenzen van uwen naaste.1\' Een zoodanig bedrog is des te grooter, naarmate het langer in zijne gevolgen voortduurt. Daardoor blijft soms de eigenaar voor altijd van een deel zijner goederen beroofd, i) — d)
\') Hoe streng en nauwgezet men zich wachten moet, de onroerende
312
Wie brand sticht, om geld van de waarborg-maatschappij te krijgen. Het bedrog, hetwelk in deze schandelijke daad gelegen is, ligt voor de hand. Schadeloosstelling voor brand wordt met recht alleen dan gevraagd, als de brand zonder eigen schuld, bij ongeluk ontstaan is. Derhalve is het van zelf duidelijk, dat hij, die zijn huis aansteekt en zich daarvoor uit de brandkast de veroorzaakte schade laat uitbetalen, een diefstal pleegt aan de brandwaarborg-maatschappij. Hetzelfde is ook het geval, wanneer iemand bij een met opzet aangestoken of toevallig ontstanen brand zekere gewaarborgde voorwerpen redt en niettemin zich daarvoor schadeloosstelling laat geven. — e) Wie valsche kwitantiën of bewijsstukken maakt, onnoodige of onrechtvaardige processen voert, rechters of getuigen zoekt om te koopen, enz. — In het maken van valsche rekeningen of kwitantiën, in de vervaardiging van valsche overeenkomsten of bewijsschriften, ligt behalve de bedriegelijke benadeeling of ontvreemding van eens anders eigendom ook nog eene misdadige aanranding van het openbaar vertrouwen, hetwelk de grondslag van het maatschappelijk verkeer uitmaakt. — Een proces of rechtszaak is ontioodig, als men door minnelijke schikking tot zijn recht kan komen; het is onrechtvaardig, als voor het recht alleen schijngronden aanwezig zijn, wier nietigheid men inziet of bij bedaard overleg kon inzien. Wie onnoodïg een proces aangaat, maakt zich minstens aan eene liefdelooze, onrechtvaardige handelwijze schuldig, stoort den vrede des harten en het genot van het huiselijk
goederen, bijv. weilanden, akkers, bosschen van rijken en voornamen, zelfs van vorsten en koningen, hoe onbeduidend ook te verminderen of te benadeelen, toont ons het schoone voorbeeld van den H. Eligins. Deze hud van den franschen koning Uagobert I. een huis ten geschenke gekregen. Be godvruchtige dienaar Gods wilde er een klooster van maken; maar het ontbrak hem daartoe nog aan de naast aangelegene kleine plaats, welke den koning toebehoorde. Eligius liet de genoemde plaats opmeten, om de ruimte van het plein nauwkeurig te kennen, en smeekte vervolgens den koning, dat hij hem dit zoude afstaan. De bede werd hem terstond toegestaan. Toen het echter latev bleek, dat men bij het opmeten van den grond zich één voet vergist had, liet de Heilige terstond het begonnen werk staken en snelde :.iaar den koning, om hem vergeving te smeeken wegens de onjuiste opgave van de ruimte der vlakte. De koning was zeer verbaasd over eene zoo groote nauwgezetheid, en zeide tot de aanwezige hovelingen ;/ziedaar „de eerlijkheid van hen, die Jesus Christus belijden; mijne stedehou-
„ders en beambten maken er weinig gewetenszaak uit, mij landerijen en
„grondgebied te ontnemen; deze dienaar Gods daarentegen durfde met „eéne handbreedte meer behouden, dan ik hem geschonken had.quot; Dago-bert bleef ook niet in gebreke, deze eerlijkheid te beloonen; hij verdubbelde de geheele schenking en benoemde Eligius later tot zijnen thesaurier, overtuigd, dat een zoo getrouw man een veel kostbaarder schat is, dan. alle\' schatten, welke men hem toevertrouwt (Volgens HerbstExempelb.).
313
geluk van zijnen evenmensch, en veroorzaakt hem on-noodige uitgaven. Wie een onrechtvaardig proces aanlegt, voortzet, en door allerlei voorwendsels, door omkooping van getuigen en rechters, enz. tot een gunstig einde tracht te komen, maakt zich aan een hedrog schuldig, hetwelk dikwijls de ergste gevolgen, den ondergang van geheele familiën, onverzoenlijken haat en dergelijken na zich sleept. Hiertoe werken mede de advokaten, die zulk een proces aanraden, en door behendige verdraaiing van het recht eene gunstige beslissing verkrijgen; verder zij, die met voorbedachtzaamheid valsche getuigenissen afleggen, alsmede en wel op bizondere wij ze de rechters, die zich ten gunste van het onrecht laten omkoopen. Vandaar nemen deze allen ook deel aan de zonde van onrechtvaarheid, welke op zoo bedriegelijke wijze jegens de tegenpartij gepleegd wordt. — Men zondigt tegen het zevende gebod:
3) Door woeker. Woeker in den strengen zin (waarvan hier op de eerste plaats spraak is) beteekent de winst, welke men zich voor eenvoudige dienstbetooning van het leenen 1 j laat betalen. Deze woeker is ongeoorloofd als een vergrijp tegen de aan den naaste verschuldigde liefde en eveneens, wijl men van diens nood partii trekt, om ziek op onbillijke wijze te verrijken. Zoo zou dus hij, die een ander één schepel koren leent en twee schepels of den prijs daarvan terug eischt, zich aan woeker schuldig maken en eene onrechtvaardigheid begaan, omdat het geleende door de teruggave van één schepel of van den loopenden
\') Dit leenverdrag moet men wel ondersclieiden van dat, waardoor men aan een ander eenige zaak, hetzij gratis, hetzij tegen eene bepaalde betaling, een tijdlang ten gebruike overgeeft, onder de verplichting echter, de geleende zaak unbeschadigd weder terug te geven, of als zij door verzuim van den leenenden persoon geleden heeft, haar weder in behoorlijken staat te brengen of de schade op eene andere wijze te vergoeden. Krachtens het eerste leencontract wordt de leenende eigenaar van de geleende zaak en kan daarover naar goeddunken beschikken, bijv. het geleende geld uitgeven, de geleende vruchten verleren; krachtens het laatste daarentegen wordt de leenende alleen tijdelijk gebruiker en mag de zaak, welker gebruik hem toegestaan is (bijv. een geleenden wagen, een gepachten tuin, een gehuurd huis), niet zooals en waartoe hij wil, maar alleen overeenkomstig het verdrag met den leener gebruiken. Voorwerp van het eerste verdrag zijn zaken, wier gebruik in verbruiken bestaat, bijv. graan; voorwerp van het laatste daarentegen zoodanige, wier gebruik zich van verbruiken onderscheidt. Daarom heeft ook dit geval niet alleen de zaak zelve, bijv. het huis, maar ook het gebruik daarvan (de bewoning van het huis) eene eigen te bepalen waarde; dus mag men voor het afgestane gebruik huurgeld eischen. In geen geval echter valt de waarde der zaak met de waarde van het gebruik of verbruik tezamen; dus zou het onbillijk zijn, de volle waarde der zaak en bovendien nog betaling voor het gebruik er van te vorderen.
314
prijs daarvoor voldoende vergoed is, en het leenen zelf niet behoeft betaald te worden, daar de bezitter volgens de wet der liefde verplicht is, den in nood verkeerenden evecmensch door een onbaatzuchtig en kosteloos leenen te helpen. De goddelijke Heiland zegt toch: „Geeft te leen, „zonder iets daarvan te hopenquot; (Luc. VI, 35). — a) Aan woeker in den strengen zin maakt hij zich schuldig, die voor het geleende ongeoorloofde rente vordert. Er zijn zonder twijfel verscheidene redenen of rechtstitels, volgens welke het geoorloofd is, in zooverre de verplichting der kostelooze ondersteuning of aalmoes niet bestaat, voor geleend geld eene billijke winst of rente te vorderen. Zulke redenen zijn: ten eerste, het uit het leenen ontstaande verlies voor den leener; ten tweede, de ophoudende winst voor hem ; ten derde , buitengewoon gevaar van het geleende geld kwijt te raken; ten vierde kan ook als reden of rechtstitel beschouwd worden j de bepaling der burgerlijke wet, volgens welke het toegestaan is, in den regel vijf ten honderd in burgelijke zaken en in handelszaken zes ten honderd te vragen. Een voorbeeld zal het gezegde ophelderen. — Titus is in het bezit van eene som gelds, welke hij tot den aankoop van graan bestemd heeft. Zijn buurman verzoekt hem dat geld voor een bepaalden tijd te leen. Hij doet zulks, vordert echter eene billijke rente, omdat hij, zooals hij voorziet, het graan, hetwelk hij voornemens was te koopen, later veel duurder zal moeten betalen. Titus handelt niet onrechtvaardig; hij heeft den rechtstitel van ontstane schade voor zich. Was hij van plan, de gevraagde som tot eene voordeelige handelsonderneming te gebruiken, dan ook zou zijne rentevordering evenzeer rechtvaardig zijn, als steunende op den rechtstitel van ophoudende winst. Moest Titus met grond vreezen, dat zijn geld bij den buurman in minder vertrouwde handen zou wezen, en groot gevaar loopen van verloren te gaan, dau mag hij zeker eene billijke rente eischen. — Wie echter jen te vraagt, waar geen reden of rechtstitel voorhanden is, of meer vraagt, dan mag gevraagd worden, drijft woeker, begaat dus eene onrechtvaardigheid jegens zijnen naaste en handelt tegen het uitdrukkelijk gebod des Heeren, die zegt: „üw geld zult gij uwen broeder niet „op woeker gevenquot; (3. Mos. XXV, 37). — li) Woekeraar wordt ook gewoonlijk diegene genoemd, die het graan of de koopwaren opkoopt, om den prijs in de hoogte te drijven. Tot de koopwaren, wier prijs, zooals die van het graan, door opkoopen , bewaren en door andere woekerachtige listen bovenmate, d. i. boven den hoogsten prijs, welken
315
men anders geeft, opgedreven wordt, behooren vooral zekere algemeen onontbeerlijke levensmiddelen. De woeker met levensmiddelen is des te afschuwelijker en wraakbaarder, hoe meer de buitendien toch verdrukte arme klassen dei-maatschappij daaronder lijden. Graanzolders en goederenpakhuizen van zulke verdrukkers der medemenschen zijn heillooze woekerplaatsen, waarover de vloek Gods vroeg of laat zal neerdalen. Want er staat geschreven ; , Wie koren „verbergt, wordt vervloekt onder het volkquot; (Spreuk. XI, 26); en bij Amos (VIII, 4—7): „Hoort het, gij (woekeraar), „die den arme vertrapt en de behoeftigen des lands uitzuigt.... „De Heer zweert, in eeuwigheid zal Ik al uwe werken „niet vergeten.\'\' 1) — e) Door woeker zondigen in het
!) De H. Kerkleeraar Joannes Chrysostomus, Patriarcli van Con-stantinopel, ijvert in zijne negen-en dertigste Homelie over den eersten brief aan de Corinthiërs tegen deze wijze van woeker. „Onze stad.quot; zegt hij, „werd eens door eene lange droogte bezocht; allen vreesden de „grootste ellende, en smeekten tot God, dat Hij die plaag zou afwenden. „Toen zag men het woord van Jiozes, dat de hemel metaal zou worden, „vervuld; alles ging een verschrikkelijken dood te gemoet. Doch „tegen alle verwachting behaagde het den goeden en barmhartigen God, „weldra een rijken en aanhoudenden regen te geven. Allen verheugden ^zich nu en hielden vroolijke dagen als menschen, die van de poorten „des doods verlost waren. Maar bij dezen zegen en die algemeene „vreugde wandelde een zeer rijk man droevig en ter neergeslagen rond „en verkwijnde bijna van toorn. Als velen hem nu vroegen, waarom „hij alleen bij de algemeene vreugde niet blijde was, kon hij de oorzaak „van zijn harteleed niet verbergen. „Ik heb 10,000 schepels graanquot;, „zeide \'hij, „en nu weet ik niet, wat ik daarmede beginnen moet.quot; „Wat zegt gij, o mensch? Gij bedroeft u, dat niet allen sterven, opdat „gij alleen goud zoudt kunnen opstapelen? Gij gaat rond als vijand „van al het goede op aarde, als vijand der milddadigheid van den „Beheerscher. der wereld, als vriend, of juister, als slaaf van den „mammon. Hoest men die tong niet uitrukken, dat hart niet door-„boren, waaruit zulke woorden voortkomen? Hier ziet gij, dat het geld „de menschen verandert, en aan verslindende dieren en duivelen gelijk „maakt. Want wat is betreurenswaardiger, dan een zoodanige mensch, „die hongersnood wenscht, opdat zijn goud zich ve.rmeerdere? — Dit „heb ik niet alleen voor genen gezegd, maar voor allen, die aan de-„zelfde ziekte lijden en door verhooging van den prijs der levens-„middelen hunne broeders in armoede dompelen. Nergens wordt op „naastenliefde gelet, integendeel verhoogt de hebzucht overal den prijs „van het graan en den wijn. De een verkoopt vroeger, de ander „later, maar niemand met het oog op den evennaaste; deze, opdat „hij meer verkrijge; gene, opdat hij geen verlies moge hebbe, als de „koopwaren dreigen te bederven. Dewijl velen zich om Gods gebod „niet bekommeren en alles ophouden, dwingt God hen langs een „anderen weg tot menschlievendheid, daar Hij de vruchten der aarde „niet lang laat duren, opdat zij tenminste uit vrees, dat alles bederven „zal, tegen hunnen wil aan de armen van hetgeen zij op zolders ver-„zameld hebben, zouden mededeelen. En toch zijn eenigen zoo on-„verzadelijk, dat zij ook daardoor geene betere gevoelens krijgen. „Velen, die den hongerigen nooit eenig eten gegeven hebben, werden „genoodzaakt geheele zolders vol graan in den stroom te werpen. quot;Dewijl zij geen acht sloegen op Gods gebod, die beveeltj den arme
316
algemeen allen, die van den nood en de onwetendheid des naasten tot hun eigen voordeel en winst misbruik maken.
Daar de eigenlijke boosheid van den woeker hoofdzakelijk daarin bestaat, dat men zich den nood des naasten ten nutte maakt, om zich te verrijken, wordt de uitdrukking „woekerquot; ook dikwijls, ofschoon in minder eigenlijken zin, gebruikt, om elke ongeoorloofde, overdreven winst aan te duiden, waarbij de nood of onkunde van den naaste misbruikt wordt, zooals dit vooral dikwijls bij verpandingen geschiedt. Moge men nu zulke wijze van verrijking woeker of ook eenvoudig bedrog noemen: ééne zaak staat vast, dat men daardoor eene zonde tegen het zevende gebod begaat. Overigens kan slechts arglist en joodsche woekerzucht den mensch er toe brengen, dat hij den naaste, terwijl hij hem met de eene hand uit den nood redt, met de andere in een nog dieperen nederstort, dat hij, als eene loerende spin de vlieg, welke zich in haar web verwart, zoo den bedrukten medebroeder, die zich tot hem wendt, in zijn dievennet inspint en uitzuigt.
4) Het zevende gebod verbiedt niet alleen elke ontvreemding, maar ook iedere onrechtvaardige schending of beschadiging van eens anders tijdelijke goederen of eigendom. „Elke onrechtvaardige beschadigingquot; wordt hier gezegd • want gelijk niet elke schade, welke men den naaste aan zijn leven toebrengt, onrechtvaardig is, zoo is ook niet elke beschadiging van eens anders eigendom onrechtvaardig, onwettig. Een wettige oorlog bijv. heeft zoowel in het land van vriend als van vijand noodzakelijk vele eigendomsschendingen of beschadigingen tengevolge, welke, wanneer zij binnen de palen van het oorlogsrecht blijven, geenszins als onrechtvaardig beschouwd kunnen worden; anders toch zou het nooit geoorloofd wezen, oorlog te voeren. Men benadeelt echter den naaste in zijn eigendom hoofdzakelijk: a) als men zijne weilanden, tuinen, wijnbergen, korenlanden of boomen bederft; wanneer men het gras, het tuingewas, de jonge vruchten vertreedt, de aangerijpte aftrekt, het vee
,,mede te deelen, moesten zij. dooi- den graanworm gedwongen, de vgelieele voorraadschuur, waar alles bedorven en onbruikbaar was, //ledigen, waardoor zij zich niet alleen aan bespotting blootstelden, maar ook, behalve het verlies, vloek over hunne hool\'den verzamelden. ■/Zoo gaat het den gierigaards hier beneden; eu welke tong vermag //de straffen te schetsen, welke in het toekomstige leven hen wachten? //Gelijk zij hier beneden het door den korenworm doorvreten on on-„bruikbare graan in den stroom werpen, zoo worden zij aan de andere „zijde des gral\'s als onnutte knechten voor God in den vuurstroom //geworpen. Gelijk de kcrenworm en de made aan het graan knaagt, //zoo worden daar hunne zielen door onuitstaanbare smarten door-;,knaagd.quot;
*
317
in het land of de boomgaarden brengt, de heiningen vernielt, de wijngaardranken afsnijdt, de takken der boomen aftrekt, door snijden, boren, afdoen van de schors, enz. den wasdom beneemt, en zoo den eigenaar niet zelden vele jaren van vruchten berooft. Ook aan woning, stalling en gereedschappen wordt den naaste dikwijls schade toegebracht door het inwerpen der vensters, het inslaan der deuren, door het breken en stukslaan van werktuigen, waarvan men in het bezit is gekomen, enz. — b) Als men het vee van een ander wondt of doodt. Zoo benadeelen dienstboden, die het hunne zorg toevertrouwde vee niet verzorgen, lam slaan of werpen, de paarden kreupel rijden; zoo de buren, die onschadelijke dieren schieten, vergiftigen...; zoo de herders, die de kudde op ongezonde of gevaarlijke weiden voeren.... Hiertoe behoort ook het jagen op eens anders jachtgebied, de zoogenaamde wildstrooperij, waardoor den eigenaar van het jachtgebied en dikwijls ook aan anderen, in het bizonder aan de door hem aangestelde jagers, door verwonding of ombrenging, schade wordt toegebracht. — Wanneer men door spel of verkwisting zijn gezin in nood brengt. Op deze wijze benadeelen oudei\'s hunne kinderen , mannen hunne vrouwen, en omgekeerd, als zij hun vermogen verspillen. Hoe menig man draagt schuld, dat vrouw en kinderen in den drukkendsten nood geraken en ten slotte tot den bedelstaf komen, omdat hij zijne neiging tot drinken, tot spelen en tot andere dure uitspattingen niet beteugelt! Ook vrouwen zijn er helaas! maar al te vele, die door praal- en genotzucht niet alleen het zuur verdiende loon van hunnen ijverigen en werkzamen man verkwisten, maar ook het medegebrachte huwelijksgoed of het eigen vermogen van den man zonder zijne voorkennis en toestemming aanspreken, en op goed vertrouwen koopen. Hare kinderen, voor wier overdreven opschik en zucht naar vermaken zulke ijdele, onverstandige moeders onmatige uitgaven doen, zullen eens, wanneer honger hen verteert en armoede hun de noodige kleeding weigert, hare slecht begrepen liefde van wreedheid beschuldigen en verwenschen. Tot deze soort van schenners van eens anders eigendom zijn ook die zonen en dochters te rekenen, die door verkwistende uitgaven het vaderlijk vermogen verminderen en zoo aan medebroeders en zusters groot nadeel doen. Aan deze misdaad maken zich vooral studenten schuldig, die in plaats van hunnen studietijd tot het aanleeren van noodzakelijke kundigheden ten nutte te maken, dezen veeleer besteden, om hun gereed geld in koffiehuizen, op bals, bij drinkgezelschappen en vroolijke partijen te verkwisten. —
318
d) Als men den verplichten arbeid verzuimt. Door verzuim van den verschuldigden arbeid en de zorg voor het eigendom van anderen wordt niet zelden groote schade aangericht. Deze misslag wordt dikwijls begaan door hen, die ambtshalve de goederen van anderen te bewaren of te be-heeren hebben, als voogden, zaakwaarnemers rekenplichtige reizigers, notarissen, ambtenaars der belastingen en tolgaarders; verder allen, die door een uitdrukkelijk of stilzwijgend verdrag zich tot bepaalde werken verbonden hebben, als kunstenaars, handwerkers, daglooners en vooral de dienstboden. — e) Als men handwerkers of kooplieden in kwaden naam brengt, om hun de nering te ontnemen, en in het algemeen zoo dikwijls men den naaste aan zijn eigendom onrechtvaardige schade toebrengt. Men schendt het eigendom van den naaste niet enkel, wanneer men op onwettige wijze het aantast, beschadigt of in een slechten staat brengt, maar ook, wanneer men hem door onwettige middelen buiten staat stelt eene billijke winst te erlangen. Dit geschiedt meestal door leugen, laster, kwaadspreken , omkooping en dergelijken, somtijds ook door het smeden van kuiperijen en geweld te gebruiken tegen hem, die op goeden weg is, om eene beduidende winst te maken. Wel het meest komt deze soort van onrechtvaardigheid voor onder beambten, kooplieden, handswerklieden en dienstboden , die elkander belasteren, in een kwaad gerucht brengen en met alle wapenen van leugen en list vervolgen, omdat eenieder eene hoogere en \' voordeeliger plaats, een beteren dienst, uitgebreider en voornamer nering hebben wil: deze allen bejagen tijdelijk gewin en rijkdom, en de een brengt den ander ten onder, om de eerste te wezen.
Over allen en eenieder, die het zevende gebod, hetzij door roof, diefstal, bedrog, of op wat wijze ook overtreden, spreekt de Apostel in den naam van God het oordeel uit, als hij aan de geloovigen van Corinthe schrijft: „Weet gij niet, dat onrechtvaardigen het rijk Gods niet „bezitten zullen? Bedriegt u niet!... Noch dieven, noch „roovers zullen het rijk Gods bezittenquot; (l.Cor. VI, 9, lO)1
De onrechtvaardiglieden, welke dag aan dag door rijken en armen begaan worden, zijn waarlijk ontelbaar. \') En toch zijn er zeer
\') In de eerste eeuwen durfden de Christenen in hunne verdedlgings-schriften op hunne alom bekende rechtvaardigheid en trouw wijzen; zonder vrees van tegen zich zeiven te getuigen, durfden zij den Heidenen in het gezicht zeggen, wat Octavius tegen Minutius Felix (in het jaar •2Ü0 n. Ghr.) hun toeroept: »Uwe gevangenissen zijn vol misdadigers, ;/maar waar vindt gij in eene dezer een Christen? Gij vindt er geen,
319
weinigen, die hun onrecht inzien, weinigen, die niet nu deze, dan gene reden van verontschuldiging of zelfs van rechtvaardiging weten in te brengen. — De rijke drukt den arme door hemeltergenden woeker, en doet daarmede, gelijk hij zegt, niemand onrecht. //Ik dwing niemand, „van mij granen te koopen of geld te leenen. Neemt hij mijne eischen ,/vrijwillig aan, dan heeft hij zich over mij geenszins te beklagen.quot; Voorzeker dwingt gij hem niet, bij u geld of graan te vragen; maar de nood dwingt hem. Hij ziet geen middel meer om zijn leven en dat van de zijnen te onderhouden; daarom werpt hij zich, hoewel angst hem lang weerhield, in uwe woekerklauwen. Zijne vrije keuzeis gelijk aan die van een ongelukkigen voetreiziger, die door roovers wordt aangevallen en liever zijne beurs dan het leven laat. — De arme op zijne beurt besteelt den rijke, en brengt zijn geweten tot zwijgen, denkende: ,hij heeft nog genoeg, ik doe hem daardoor geen hinder.quot; En als allen dachten en handelden gelijk gij, zou hem dan nog genoeg overblijven? Het gebod Gods luidt zeer stellig: //gij zult niet stelen;quot; het maakt geen onderscheid tusschen rijk en arm. Wel is het eene grootere zonde, den arme van het weinige, dat hij bezit, iets te ontnemen, omdat hij het ontvreemde pijnlijker mist; daarom houdt het echter niet op zonde te zijn, als men den rijke besteelt. Moord is eene grootere zonde dan verwonding, en toch is ook de laatste zondig. — //De tijden zijn benauwd,quot; zegt een ander, //ik heb vele kinderen en //kan ze toch niet laten verhongeren.quot; Werk vlijtiger, wees spaarzaam en matig, vraag aan edelmoedige menschen ondersteuning, leef als een braai Christen, vertrouw en bid tot God, en noch gij, noch uwe kinderen zullen honger lijden. Antwoord mij: zijn er niet duizenden, die nog armer zijn dan gij en toch niet stelen of bedriegen? — «Anderen //maken het ook niet beter; het is eenmaal zoo de gewoonte.quot; Schoone verontschuldiging! Als anderen u beroofden en bedrogen, zoudt gij dan dit woord wel laten gelden? Dat stelen en bedriegen gewoonte is, is waar en erg genoeg; maar gewoonte verontschuldigt niet; anders zou God alle geboden moeten vernietigen, de hel te niet doen, en alles, wat misdadig is, in den hemel opnemen, daar het gewoonte is alle geboden Gods te verachten en tot de grootste misdaden over te gaan. — //Maar ik ontvreemd slechts een onbeduidend iets; ik bedrieg ./enkel in kleinigheden.quot; Ook zóó kunt gij eene groote zonde doen, en dat doet gij werkelijk: 1) wanneer uwe ontvreemding of bedriegerij dikwijls herhaald wordt, zoodat de eigenaar eene groote schade lijdt, of wanneer gij ook slechts den wil hebt, ze dikwijls te herhalen. Voorzeker is niet elke kleine diefstal of bedriegerij eene doodzonde; maar elke diefstal en elk bedrog, hoe gering en onbeduidend ook, is minstens eene dagelijksche zonde, dus in elk geval ongeoorloofd. Men zou zich echter bedriegen, als men meende, door kleine ontvreemdingen en bedriegerijen nooit zwaar tegen het zevende gebod te zondigen. Daar men namelijk door kleine diefstallen\'even gemakkelijk als door eene belangrijke ontvreemding den naaste langzamerhand eene beduidende schade veroorzaken, en zich met vreemd goed verrijken kan, is het duidelijk, dat men door herhaling van dergelijke kleine diefstallen en bedriegerijen ook zwaar kan zondigen, ja dat men bij elke herhaling van een kleinen diefstal werkelijk zwaar
//tenzij een Martelaar of afvallige!quot; Hoe geheel anders is het met de liefde voor de rechtvaardigheid en trouw van vele Christenen onzer dagen gesteld! Waar zoovelen slechts jagen naar winst en spoedig rijk willen worden, moet het niemand vreemd voorkomen, dat onrechtvaardigheid in handel en wandel, dat woeker en bedrog als een snelvlietende stroom de dammen van het recht doorbreken, alle klassen der maatschappij omvatten, en landen en rijken een tijdelijken ondergang te gemoet voeren.
320
zondigt, indien men bij het begin reeds de bedoeling gehad heeft, den naaste eene groote som te ontvreemden. Met deze zoo zondige bedoeling is elke, zelfs de kleinste ontvreemding en het geringste bedrog eene doodzonde, zelfs dan, wanneer men inderdaad tot de ontvreemding eener aanmerkelijke som niet zou geraken. Heeft men echter in den beginne deze bedoeling niet gehad, en bemerkt men eerst later, dat men reeds tot eene aanmerkelijke som gekomen is of komen zal en ziet men van de voortzetting van genoemde onrechtvaardigheden niet af, dan zou men zich voortaan, gelijk in het eerste geval, telkenmale aan eene groote zonde schuldig, maken. — 2) Men kan echter ook door een enkelen kleinen diefstal zwaar misdoen, namelijk als het verlies van de op zich zelve geringe zaak den naaste een niet gering nadeel berokkent. Zoo zon hij, die eenen handwerksman een werktuig van zeer geringe waarde, bijv. eenen kleermaker zijne naald, ontstal, eene doodzonde begaan, als deze daardoor een tijd lang verhinderd werd, zijn brood te verdienen.
Nauwkeurig en voor alle gevallen te bepalen, hoe groot de ontvreemde of door bedrog verkregene som zijn moet, opdat zij als aanmerkelijk beschouwd moet worden en eene doodzonde is, is eene zeer moeielijke taak, waardoor bij het gewone volk tot zeer verkeerde begrippen aanleiding zou kunnen gegeven worden. Er moet bij bijzondere gevallen op de verschillende omstandigheden der personen (van den steler en den bestolene, van den bedrieger en den bedrogene), van tijd (in zoover die op de waarde der ontvreemde zaak invloed heeft), van plaats enz. gelet worden. In het algemeen komt het bij diefstal dikwijls niet alleen op de natuurlijke waarde van het gestolen voorwerp aan, maar ook op de schade, welke door de ontvreemding den naaste toegebracht wordt, en op de grootheid van het verdriet, hetwelk de eigenaar redelijkerwijze daarover heeft. Bij kleine in tusschenpoozen gepleegde diefstallen wordt, vooral wanneer de bedoeling om tot eene aanmerkelijke som te komen niet bestaat, eene grootere som gevorderd, opdat iemand zwaar zondige, dan bij een enkelen grooten diefstal. De reden hiervan is deze, dat de eigenaar de kleinere, langzamerhand gepleegde diefstallen lichter vergeeft en vergeet, dan wanneer men hem op eens de geheele som ontvreemdt. Evenzoo kan eene van een zeker getal personen gestolen som grooter zijn, om eene doodzonde te worden, dan wanneer zij van een enkelen persoon ware weggenomen, omdat ieder van deze personen bij deeling het kleine verlies niet zoo erg gevoelt, als een enkel persoon het geheele aanmerkelijke verlies gevoelen zou.
Bij dienstboden hoort men niet zelden de verontschuldiging: „ik; z/heb dit of dat slechts weggenomen, om het den armen als aalmoes j-te geven.quot; — Milddadigheid verstrekt tot eer; maar haar ten koste van den naaste uit te oefenen, is onrechtvaardigheid jegens den een, om liefderijk jegens den ander te wezen; dit is verkeerd. Dienstboden mogen dus van het eigendom hunner overheden geene aalmoezen geven, ,tenzij de overheid het wete en goedkeure.quot; Slechts de overgebleven spijzen, welke anders ligt bederven, mogen zij aan de armen uitdeelen. — Ook vrouwen zondigen tegen de rechtvaardigheid, als zij, zonder weten en toestemming van haren man, van het gemeenschappelijke huwelijksgoed of van het eigendom van haren echtgenoot meer aalmoezen geven, dan haar stand of hare huiselijke omstandigheden toelaten.
Wat moet men doen, als men eens anders goed bezit, of den naaste onrechtvaardig benadeeld heeft^
Men moet het ontvreemde goed terug geven, de schade naar vermogen herstellen; zonder dit verkrijgt men geene vergeving van God.
321
De verplichting van restitutie is door de ■woorden van het zevende gebod: „gij zult niet stelen,quot; duidelijk genoeg uitgedrukt. Daar toch „restitutiequot; niets anders beteekent, dan hèt ontvreemde weder op zijne stede of plaats terugbrengen, dus den wettigen eigenaar weder in bezit stellen, zoo is niet-teruggeven het onrechtvaardig behouden van eens anders goed, het volharden in de neiging, waarmede de diefstal bedreven werd en in het daardoor verkregen onrechtvaardig bezit, bijgevolg een voortgezette diefstal.— Ook in de wet der natuur ligt deze verplichting, want door haar worden wij aangezet, aan anderen datgene niet te doen, wat wij niet willen, dat ons van anderen geschiede. Zeker nu wil eenieder, dat anderen de hem ontnomen tijdelijke goederen niet houden, maar zoodra mogelijk teruggeven: eveneens dus moet eenieder tegenover zijnen naaste handelen. — De vervulling van deze verplichting is eene noodzakelijke voorwaarde, waaraan God de vergeving der zonde of de rechtvaardiging verbonden heeft. „Als de „goddelooze het geroofde teruggeeft, in de geboden des „Heeren wandelt en geen onrecht pleegt, waarlijk hij zal „leven en niet stervenquot; (Ezech. XXXIII, 15). Al zou hij, die onrechtvaardig goed bezit, aan God vergeving en genade smeeken, al zou hij tranen storten en door vasten en lange gebeden den hemel trachten te bevredigen: zijne zonden worden niet van hem weggenomen, vooraleer hij besluit, het geroofde terug te geven aan hem, wien hij het onrechtvaardig ontnomen heeft. „Wie het goed van „een ander, dat hij onwettig bezit, niet teruggeeft, als hij „het kan, hij doet niet, maar huichelt boetvaardigheid: de „zonde blijft, zoolang de teruggeving achterwege blijftquot; (August. Br. 153 aan Macedon). De Priester, de Bisschop , zelfs de Paus heeft de macht niet, hem van de zonde vrij te spreken, zoolang hij door het vrijwillig uitstellen van restitutie aan de onrechtvaardigheid verkleefd is. — Niet minder dringend en ter verkrijging van de vergeving der zonde noodzakelijk is de verplichting van schadevergoeding. Zij heeft eveneens de natuur- en geopenbaarde wet tot grondslag en is van de eerstgenoemde verplichting niet in en op zich zelve onderscheiden, daar beide de herstelling van den naaste in het wettig bezit beoogen, maar alleen daardoor , dat bij de restitutie het door ontvreemding ontnomen goed teruggegeven, bij schadevergoeding daarentegen of het beschadigde eigendom weder in den vorigen goeden staat hersteld, of de aangerichte schade door eene billijke schadevergoeding weggenomen wordt.
Ten aanzien van het teruggeven en het herstellen der schade
DEHAKBB, GELOOFSLEER. UT. 3^ DRUK. 91
322
zlin hoofdzakelijk vier vragen te beantwoorden : 1) Wie is verplicht terug te geven of schade te herstellen? 2) Hoeveel moet men teruggeven of herstellen ? 3) Aan wien moet men teruggeven of schade vergoeden ? 4) Wanneer moet men aan de verplichting van restitutie of schadevergoeding voldoen ?
I) Tot terug geving en herstellen van schade is gehouden: a) hij, die het goed van een ander of de waarde er van bezit, of werkeliik schade heeft aangericht. Het is uit het zooeven verklaarde duidelijk, dat degene, die zelf of door anderen, aan zijne bevelen onderworpen, geld ontvreemd, desgelijks hij, die andere voorwerpen, bijv. zilverwerk , kleedingstukken, veld- of boomvruchten onrechtvaardig tot zich genomen heeft, de ontvreemde som en de andere voorwerpen, voorzoover hij ze nog bezit, of als zij verkocht of verbruikt zijn, hunne volle waarde aan den eigenaar moet teruggeven. Even duidelijk is het, dat wie door bevel of daad de oorzaak van eens anders schade is, die naar vermogen moet vergoeden. — ó) Als deze het niet doet, zijn zij gehouden het te doen, die aan de zonde door raad of daad deelnamen, of die haar niet verhinderden, ofschoon zij zulks konden en bij verdrag of ambsthalve daartoe verplicht waren. De eigenaar moet zijn eigendom terug hebben; zoo wil het de door God vastgestelde rechtsorde. Is dus de hoofdaanleider van den diefstal, van hst bedrog, van de veroorzaakte schade 5f niet in staat, of niet voornemens, het ontvreemde terug te geven en de schade te herstellen, dan gaat deze verplichting op hen over, die aan de onrechtvaardige handeling op werkdadige wijze, door raad of daad, deel gehad hebben. Als medewerkende deelnemers aan den diefstal en aan de beschadiging van eens anders eigendom moeten, gelijk daar ter plaatse gezegd werd, ook zij beschouwd worden, die de onrechtvaardigheid niet verhinderden, ofschoon het hun aan middelen daartoe niet ontbrak, en ofschoon zij volgens verdrag en krachtens hunnen stand en hun ambt daartoe verplicht waren. Zoo zijn bijv. de ouders verplicht de schade te herstellen, veroorzaakt door hunne kinderen, ingeval deze zulks niet vermogen, en zij zelve van de beschadiging iets wisten en haar door hun stilzwijgen als \'t ware billijkten of zelfs de behulpzame hand boden Ook de wereldlijke macht is verplicht tot restitutie, als zij bevindt, dat de door haar aangestelde ambtenaren buitenlanders en vreemdelingen bedriegen, en zij dit onrecht niet naar behooren tegengaat. Ingeval dus, dat deze ambtenaren niet kunnen of niet willen teruggeven, is de overheid inderdaad verplicht het onrechtvaardig afgeperste goed
323
terug te geven, de veroorzaaktequot; schade te herstellen. — Wanneer hij, die eens anders goed bezit of verbruikt heeft, dit niet teruggeeft, moet ten aanzien van het teruggeven onder de deelnemers de volgende orde worden in acht genomen. Op de eerste plaats is de bevelende tot de teruggave verplicht, omdat zijn bevel den grootsten invloed op de ontvreemding gehad heeft; dan volgt degene, die het bevel uitgevoerd, den diefstal gepleegd heeft; na hem volgen zonder onderscheid al degenen, die door raad of daad den diefstal of het bedrog bevorderd hebben, en eindelijk degenen, die het kwaad niet, zooals hun plicht was, verhinderd hebben. Dezelfde orde moet men volgen bij vergoeding van schade. Op de eerste plaats komt hij, door of op wiens last de schade is aangericht; daarop volgt degene, die de schade heeft toegebracht; op dezen volgen de overigen, die door raad en hulp rechtstreekschen invloed op de schade aanbrengende handeling hebben uitgeoefend, d. i. die werkdadige bevorderaars daarvan waren; op de laatste plaats zijn zij tot vergoeding verplicht, die bij de beschadiging stilgezwegen, d. i. deze door plichtvergeten werkeloosheid bevorderd of mogeliik gemaakt hebben. Hebben meer personen met elkander na eene gemeenschappelijke overeenkomst iets gestolen, bijv. de vruchten van een boom, of eene of andere schade aangericht, bijv. een boom vernield, dan is ieder verplicht, zijn aandeel in den ge-heelen roof terug te geven en zijn aandeel in de gezamenlijk toegebrachte schade te herstellen. Zouden echter van drie deelnemers twee deze verplichting niet vervullen, dan moet de derde de geheele som van den roof teruggeven en de geheele schade vergoeden, omdat hij door de gemaakte overeenkomst tot gezamenlijke ontvreemding en tot gezamenlijke schadeaanrichting zijne toestemming gegeven heeft. Daarbij houdt hij evenwel het recht, van de beide andere deelnemers het verschuldigde aandeel te vorderen. — Voor allen, in bovenstaand antwoord genoemd, is teruggave en vergoeding eene zware, op verbeurte der zaligheid te vervullen verplichting, tenzij de diefstal zoo onbeduidend en de beschadiging zoo weinig strafbaar ware, dat geen van beiden tot eene groote zonde zou kunnen aangerekend worden.
2) Hoeveel moet men teruggeven of vergoeden? a) Heeft men eens anders goed met opzet en omoettig tot zich genomen, achtergehouden of beschadigd, dan moet men den eigenaar volkomen schadeloos stellen. Als men wetens en willens en op onwettige wyze eens anders eigendom, van welken aard die ook zijn moge, ontvreemd, achtergehouden of beschadigd heeft, is het geenszins voldoende, het ontvreemde
21*
324
goed of, in zoover het niet meer voorhandenis, de waarde, welke het ten tijde der ontvreemding had, terug te geven of de aanvankelijke schade te vergoeden, maar men moet nog bovendien datgene teruggeven, wat het reeds heeft opgebracht of zeker opgebracht zou hebben, als het niet beschadigd was geworden. Want elke zaak baat den heer of wettigen eigenaar, zelfs als zij in vreemde handen is; en zij baat rijkelijker, als zij onbeschadigd, d. i. in een goeden, ongeschonden staat is. In het algemeen moet de eigenaar in dat bezit hersteld worden, waarin hij ten tijde der teruggave of der schadevergoeding zou geweest zijn, als hij tot dien tijd in het ongestoord bezit van den onbe-schadigden eigendom gebleven ware, of met andere woorden, er moet aan den eigenaar vergoed worden alle winst, van welke men hem beroofd, en alle schade, welke men hem veroorzaakt heeft. Slechts dan zal de teruggave en vergoeding eene volkomene zijn, gelijk God, de Oorsprong der rechtvaardigheid, die verlangt. Ten aanzien van de teruggave dient echter opgemerkt te worden, dat de onwettige bezitter gerechtigd is, van de tijdelijke opbrengst van het ontvreemde en gebruikte goed de noodzakelijke kosten, welke de eigenaar evenmin had kunnen vermijden, af te trekken.— Een paar voorbeelden zullen dit duidelijk maken. Wie een ander een paard ontstolen en het vijf jaren lang gebruikt heeft, moet niet alleen het paard of de waarde er van aan den eigenaar teruggeven, maar ook de waarde der veulens, welke het intusschen geworpen heeft, en den prijs van het gebruik vergoeden, na aftrek echter van die kosten, welke ook de wettige bezitter tot voeding en onderhoud van het paard, en de veulens zou hebben moeten dragen. Evenzoo wanneer iemand bij een molenaar uit boos opzet het raderwerk in den molen verbrijzeld, of de waterleiding verstopt heeft, zoodat hij veertien dagen lang niet malen kon, dan is de beschadiger gehouden, niet slechts het raderwerk of de waterleiding weder in den vorigen staat te brengen, maar ook het verlies te vergoeden, hetwelk de molenaar gehad heeft, doordat hij veertien dagen niet kon malen. — i) Heeft men echter buiten weten, en Killen het goed van een ander in bezit, dan moet men, zcodra men weet, dat het eens anders goed is, alles teruggeven, wat nog voorhanden, en zooveel als men er rijker door geworden is. Somtijds gebeurt het, dat men eerlijk, door aankoop op eene jaar- of andere markt, op eene openbare veiling, of van een koopman, die bekend staat, handel te drijven in voorwerpen als die, welke men heeft gekocht, (zie ons Burg. Wetboek, Art. 637.) door schenking of
325
erfenis eens anders goed verkrijgt en het een geruimen tijd bezit, het gebruikt of ook verbruikt, zonder te ontwaren, dat men niet de wettige bezitter daarvan is. Ia dit geval is men verplichb, zoodra men met zekerheid weet, dat dit goed aan een ander toebehoort, alles terug te geven, wat daarvan of van deszelfs opbrengst na aftrek der kosten nog voorhanden is, en in het algemeen zooveel als mea door het bezit en gebruik er van rijker geworden is. Bijvoorbeeld: iemand is door erfenis in het bezit van 1000 gulden gekomen. Na ongeveer twee jaren ontdekt hij, dat gezegde som door zij nan erflater aan een koopman ontstolen is. Is nu de eerlijke erfgenaam in verloop der twee jaren van de gezegde 1000 guldens door bedrog, diefstal of eenig ander ongeval beroofd gewordea, daa is hij niet verplicht die terug te geven. Zou hij gedurende dien tijd de genoemde som bewaard hebben, zonder voordeel daarvan te trekken, zonder haar bijv. op rente uit te zetten, dan is hij alleen verplicht deze aan den wettigen bezitter ter hand te stellen, maar geenszins de winst te vergoeden, welke de laatste in de twee jaren waarschijnlijk daarvan zou getrokken hebben. Want in dit, gelijk in het vorige geval, is de eerlijke bezitter van onrechtvaardig goed niet rijker geworden. Heeft hij echter daarvoor een akker gekocht en dien deels verpacht, deels zelf bebouwd, dan moet hij den koopman, als den wettigen eigenaar, niet slechts den geheelen akker, maar ook het reeds geïnde en nog loopende pachtgeld, benevens het nog aanwezige graan en alles, wat hij door bebouwing rijker geworden is , overgeven. De eigenaar van zynen kant is echter verplicht, hem alle tot de bewerking van den akker gedane moeite en arbeid en alle gemaakte onkosten te vergoeden. — Heeft men den naaste onwetend, dus zonder schuld, schade toegebracht , zonder zelf eenig voordeel daarvan te trekken, dan is men in geweten niet verplicht, vergoeding te geven, tenzij men volgens de bestaande wetten door den rechter daartoe veroordeeld worde. Als onschuldig kan echter niet beschouwd worden degene, die, ofschoon hij niet het voornemen had iemand te benadeelen, toch door groote nalatigheid en onachtzaamheid schade berokkend heeft.
3) Aan wien moet men teruggeven of de schade vergoeden? Men is verplicht, het ontvreemde terug te geven en de aangerichte schade te vergoeden aan den eigenaar of aan zijne rechtverkrijgenden. Wien door diefstal of beschadiging onrecht geschied is, dien moet door teruggave en herstelling recht wedervaren, d. i. voldoening gegeven worden. Is de eigenaar gestorven, dan treedt op de eerste
326
plaats diens natuurlijke of wettige erfgenaam, of, bij gemis van dezen, zijn schuldeischer in het eigendomsrecht van den overledene, en bijgevolg moet hem het ontvreemde goed ter hand gesteld, de schade vergoed worden. Zij, die meenen, dat het voldoende is, het onrechtvaardig goed onder de armen te verdeelen, daarvoor te laten bidden of HH. Missen op te dragen, enz. bevinden zich in eene grove en gevaarlijke dwaling. Niet de arme is in zijn bezit te kort gedaan, maar de eigenaar; en de onwettige bezitter beeft volstrekt geen recht, over diens goederen ten gunste der armen te besehikken. Als het echter niet mogelijk is, den wettigen eigenaar te ontdekken, of als de teruggave van het terug te geven goed met al te groote moeieliikheden gepaard gaat, dan mag en mout men het onrechtvaardige goed den armen geven of tot godvruchtige doeleinden besteden. Nimmer toch is het geoorloofd, door onrechtvaardig verkregen goed zich zeiven te verrijken of uit onrechtvaardigheid voordeel te trekken. Eene zoodanige verdunning aan de hebzucht der menschen zou gewis de verderfelijkste gevolgen voor de geheele maatschappij na zich slepen. Immers, het zou bij ontelbare gelegenheden gemakkelijk zijn, een of ander te ontvreemden, waarvan de eigenaar later niet meer kan gevonden worden, vooral als men zich niet zeer spoedig en niet zeer ijverig daartoe moeite geeft. — Heeft zich iemand, bijv. een koopman, door valsch gewicht, maat, enz. aan den eigendom van verscheidenen vergrepen , dan is hij verplicht, zooveel mogelijk ieder afzonderlijk het ontvreemde terug te geven. Dit zal het gevoegelijkst geschieden, door zijnen kalanten even lang, als hij hun onrechtvaardige afbreuk gedaan heeft, voortaan in gewicht, maat enz ongemerkt iets meer te geven. Zoo hem hiertoe de mogelijkheid afgesneden is, moet hij het onrechtvaardig verkregen geld aan de armen en wel bij voorkeur aan de armen zijner gemeente uitdeelen, of tot godsdienstige en voor het algemeen nuttige doeleinden besteden.
4) IVauneer moet men teruggeven of vergoeden? — Men moet den oprechten wil hebben, het zoo spoedig mogelijk te doen, en men raag intusschen niets verzuimen, om zich in staat te stellen, deze verplichting te vervullen. De verplichting van restitutie en schadevergoeding geldt altijd en voor altijd, d. i. onophoudelijk en ten allen tijde, omdat het altijd en voor altijd verboden is, eens anders goed te houden, of de schade, welke men verplicht is te voorkomen, te laten voortduren. De teruggave en vergoeding van de schade moet dus zoodra mogelijk, zonder uitstel geschieden, daar anders de zonde van onrecht-
327
vaardigheid steeds in grootte toeneemt, en met elk nieuw voornemen, om de genoemde verplichting niet te vervullen, gelijk ook met elk voorbedachtelijk verzuim der daartoe noodzakelijke middelen, tevens in getal vermeerdert. — Is het echter den onwettigen bezitter of benadeelaar onmogelijk of uiterst moeielijk, terstond aan die verplichting te voldoen, dan mag het hem toch nooit aan den oprechten wil ontbreken, het zoo spoedig mogelijk te doen, en in-tusschen alle hem ten dienste staande middelen aan te wenden, om zich in staat te stellen, aan den eisch van deze dringende verplichting geheel of ten deele te beantwoorden. Waar deze oprechte wil en dit redelijk pogen ontbreken, daar ontbreekt ook de ware geest van boetvaardigheid, zonder welken geene vergeving der zonden te hopen is. \')
Heeft de hebzucht den mensch zoover veroverd, dat hij zijne hand naar eens anders goed uitsteekt, dan blijft zij niet in gebreke hem duizenderlei uitvluchten in te geven, om hem voor de luide en ernstige inspraak der verplichting van restitutie doof en halsstarrig te maken. — ,/Hoe zoude ik kunnen teruggeven?quot; zegt men, //ik «.heb nauwelijks zooveel, als ik tot onderhoud van mijn gezin be-z/hoef.quot; üaar misschien heeft hij, aan wien gij teruggeven moet, even weinig of nog minder dan gij, en dan zijt gij verplicht, ook van het weinige, dat gij hebt, terug te geven; want het is niet billijk, dat de onschuldige om uwe onrechtvaardigheid in ellende verzacht. En verondersteld ook, dat hij rijk is, zijt gij daardoor van de verplichting, om het gestolene terug te geven, ontslagen? üewis, indien gij in weerwil van alle pogingen en sparen in het geheel niets kunt over- en wegleggen, om het ontvreemde, tenminste van lieverlede terug te geven, dan is God voorloopig met iiwoprechteu wil, om het onrecht zoo spoedig mogelijk te herstellen, tevreden. Maar is dit ook werkelijk het geval? Zijt gij ijverig en spaarzaam, spoort, gij ook uwe kinderen tot werken en spaarzaamheid aan? Brengt gij geen geld naar herbergen en partijen, geeft gij geen geld uit voor vermaken en het bezoeken van schouwburgen, verliest gij geen geld door het spel? Leg dat geld, hetwelk anders toch voor uw gezin verloren is, bij uwe door bizondere vlijt vermeerderde spaarpenningen, en gij zult dra in staat zijn, uwe schuld tenminste ten deele af te doen. — //Als ik teruggeef, zegt een ander, .dan breng z/ik het geluk en welvaren mijner kinderen ten onder.quot; O ongelukkige, beklagenswaardige kinderen, wier geluk en welvaren steunt op een onrechtvaardig bezit: de vloek Gods hecht zich aan hun en-deel vast! Wilt gij voor het tijdelijk welzijn uwer kinderen zorgen, geef dan terug, en God zal het weinige, dat u nog overblijft, zegenen en vermeerderen, als liet tot zaligheid uwer kinderen strekt. Al zouden ook uwe kinderen arm worden, zou dit ongeluk wel zoo groot
■) Een schoon voorbeeld van oogenblikkelijke en volkomen restitutie hebben wij in den rouwmoedigen tollenaar Zacheus. Hij zegt niet; «Zoo ik iemand iets te kort heb gedaan, dan zal ik trachten //het later, wanneer het mogelijk is, spoedig weer te geven,quot; maar, »gt;dan geef ik het vierdubbel weder,quot; namelijk , terstond, zonder uitstel en overvloedig. Daarom viel hem ook het geluk ten deel, uit den mond van den Heiland die troostvolle woorden te hooren: iHedeti «is dezen huize zaligheid wedervaren, nademaal ook deze een zoon •/van Abraham is\' (Luc. XIX; 8, 9).
328
voor hen zijn, als met u en door u voor eeuwig verloren te gaan? Kunt gij wel plichtvergetener en wreeder jegens hen handelen, dan juist door het goed van een ander niet terug te geven? Zoudt gij hun daardoor niet zelf den strik omwerpen, waarmede de duivel hen zeker in het eeuwig verderf rukken zal, als zij in uwe voetstappen treden? \'/ — ,Indien ik wilde teruggeven, dan zou ik mijn stand en //rang niet meer kunnen handhaven.quot; Mijn vriend! het is niet onvermijdelijk noodzakelijk, dat gij uwen stand en rang handhaaft, maar wel, riat gij teruggeeft. Wat haat het nu zoovelen verworpelingen, die als bezitters van eens anders goed stierven, wat baat het hun, hunnen stand en rang gehandhaafd te hebben. Wat zal het u baten, als gij eenmaal, gelijk thans in hunne zonde , eeuwig in hun lot deelen zult? Stijg af van de hoogte, waarop gij u door onrechtvaardigheid met moeite gebracht hebt; neem weder de plaats in, welke de goddelijke Voorzienigheid u heeft aangewezen. Leef in dien staat bescheiden en matig, bepaal u bij het noodzakelijke voor
\') Het volgende voorval ontleenen wij aan eene goed gewaarborgde schriftelijke mededeeling. — Het was op den 31squot;quot; Juli 1839, dat te T. . . ., eene stad in het zuiden van Fankrijk, een Priester aan het ziekbed van een rijk man geroepen werd. De geroepene, die vroeger den zieke herhaalde malen in gewetensaangelegenheden raad had gegeven, was van gevoelen, dat deze laatste aangelegenheid spoedig beslist zou zijn. Maar schrik en ontzetting grepen hem aan, als hij terstond bij zijne intrede in de kamer den zieke mot klagende stem hoorde uitroepen: //Het is met mijne eeuwige zaligheid gedaan. //Keeds sinds jaren ben ik in het bezit van vreemd goed. Het staat z/bij mij vast, het nooit terug te geven. Doe ik zulks, dan zou mijn ,/geheele gezin in armoede geraken, en ik zelf door allen voor een ^eerloos mensch gehouden worden. Ga terug; ik behoef uwe hulp //niet. Gij hebt mij voor een rechtschapen man aangezien, en nu //Sterf ik volgens Gods rechtvaardig oordeel den dood van den ver-i-worpeling.quot; De Priester vol zieleijver gaf zich nu een geheel uur lang alle moeite, om het vertrouwen op de goddelijke barmhartigheid in het hart van den wanhopende weder op te wekken. IJaar vruchteloos. Op de woorden: «wat zal mijne vrouw zeggen; wat //zal van mijne kinderen geworden?quot; ledeu alle pogingen schipbreuk. Intusschen snelt de van het droevig voorval onderrichte vrouw toe, omhelst haren echtgenoot en roept, in tranen uitbarstende, den stervende toe: //Ach , mijn beminde! red uwe ziel. geef weder, wat //gij onrechtvaardig bezit. Voor mij en mijne kinderen is water en //gebedeld brood genoeg, wij zullen met de behoeftigen tevreden //zijn, als gij slechts uwe ziel van de pijnen der hel bevrijdt.quot; Zulke bemoedigende woorden, welke goddelijke en huwelijksliefde haar ingaven, troffen het wanhopige hart van den stervende dermate, dat hij eene rouwmoedige biecht sprak, terstond tien duizend gulden teruggaf en spoedig daarna zacht in den Heer ontsliep. Niet zoo gelukkig was het uiteinde van een anderen bezitter van onrechtvaardig goed. Deze liet, zijn dood voelende naderen, omstreeks middernacht zijn klein, minderjarig zoontje aan de stervenssponde brengen. Men stond het den stervende niet zonder bezorgdheid toe; want reeds sinds verscheidene uren scheen hij droefgeestig en in Levigen strijd met zich zei ven te zijn. Toen men het kind bracht, kwam een traan in het oog van den ongelukkigen vader; hij zag het onschuldige kind weemoedig aan, drukte vervolgens met reeds kille lippen een kus op zijn voorhoofd en liet het wegvoeren. //Ik wenschte //mijn kind nog eens te zien,quot; zeide hij vervolgens met gebroken stem. //Ik zal het in eeuwigheid niet wederzien: ik ben verdoemd,quot; Dit waren zijne laatste woorden. — Voor de waarheid van dit feit kan de schrijver instaan.
329
uw huishouden, wees matiger bij den maaltijd, kleed u eenvoudiger, bedien u zelf of verminder tenminste liet getal uwer dienstboden, dan zult gij aan de verplichting van restitutie van lieverlede kunnen voldoen. — Zeg niet; mijne eer en goede naam loopen daardoor gevaar. Dit is een ijdel voorwendsel, hetwelk allen, die verplicht zijn terug te geven, gewoonlijk aanvoeren. Een voorzichtig biechtvader zal middelen en wegen vinden, welke gij kunt inslaan, zonder iets van uwe eer bij de menschen te verliezen, en bij God isergeene grootere eer dan de beoefening van gerechtigheid.
Wat moeten wij overwegen, opdat wij ons niet aan eens anders goed vergrijpen of de restitutie verzuimen?
1) Dat het goed van een ander geen geluk en zegen aanbrengt, maar onheil, vloek, angst en een rampzalig einde. „Aan Gods zegen is alles gelegen,quot; luidt een overoud en zeer waar spreekwoord, waartoe de Geest Gods zelf aanleiding schijnt gegeven te hebhen, als Hij zegt: „de zegen des Heeren maakt rijk1\' (Spreuk. X, 22). Gods zegen kan echter onmogelijk rusten op geld en goed, hetwelk men onrechtvaardig tot zich neemt of bezit. Van den anderen kant verkondigt de H. Geest den verwervers en bezitters van eens anders eigendom den vloek Gods, onheil en menigvuldig wee. „Wie onrecht „zaait,quot; zegt de H. Geest , „zal ongeluk oogstenquot; (Spreuk. XXII, 8); en bij Sirach (XVI, 9): „wie zijn „huis met vreemd geld bouwt, hij verzamelt steenen tot „zijnen grafheuvel,quot; d. i. tot zijn ondergang. Tezelfder plaatse (XL, 13) lezen wij: „De goederen der onrecht-„vaardigen droogen op als eene beek, en gaan gelijk een „hevige donderslag in regen over.\'\' Daarom roept ook de Profeet Habacuc uit (II, 6, 9); „Wee hem, die ophoopt, „wat niet van hem is...., wee hem, die uit gierigheid „onrechtvaardig goed verzamelt voor zijn huis!\'\' En de Profeet Micheas (VI, 10): „Nog is er vuur in het huis „van den goddelooze, schatten van onrechtvaardigheid.\'\' Ja, zelfs geheele volken worden somtijds getroffen door den vloek Gods tot straf der onrechtvaardigheid (Sirach. X, 8). De dagelijksche ondervinding levert vele bewijzen, van hoe weinig nut het goed van een ander voor diens bezitter is. Het ongeluk, hetwelk daarmede verbonden is, geeft in den mond des volks de kern tot vele spreekwoorden. „Onrechtvaardig goed,quot; zoo zegt men, „gedijt „niet„één onrechtvaardige penning kost tien rechtvaardige;quot; „zoo gewonnen, zoo geronnen.quot; — Moge het ook aan eenigen, ten gevolge van de wijze beschikkingen der goddelijke Voorzienigheid, vergund zijn, langeren tijd in het bezit van eens anders goed te blijven, hoe weinig zijn zij daarom te benijden ? Gestadige vrees voor dieven en be-
330
driegers, gelijk zij zelve zijn, verontrust hun hart; bange zorg, dat hunne onrechtvaardigheden ontdekt, aan het daglicht gebracht en gestraft zullen worden, foltert hen dag en nacht en verbittert alle vreugde, elk levensgenot.1) En hoe dikwijls geschiedt het niet, dat hunne droeve voorgevoelens en vrees verwezenlijkt worden, de wereldlijke macht hen aangrijpt en hen de verdiende straf doet ondergaan ? Eindigde niet reeds menigeen zijn leven in de akelige duisternis van een kerker of op de gerechtsplaats, die als rechtschapen en aanzienlijk man, door allen geacht en betreurd, zou gestorven zijn, had hij niet, door hebzucht beheerscht, zijne hand naar eens anders goed uitgestrekt ? 2)
1
\') Een dief ontstal den H. iledardus eene jonge koe, aan wier hals eene klok hing-. Hierop leidde hij de koe naai- huis; maar zelfs als deze zich niet verroerde, luidde de klok steeds voort. De dief vreesde ontdekt te worden en vulde derhalve de klok met hooi op; maar niettegenstaande dat luidde zij. Wat zou hij doen? Hij doet de koe de klok af en sluit deze in eene kast; maar ook daar houdt zij niet op te luiden; hij begraaft ze in de aarde en zij luidt ook daar nog. quot;Vol angst hierover leidde de dief de gestoleiie koe naar den H. Medardus terug en terstond verstomde het klokgelui. Maken wij de toepassing op ons zeiven. Wie vreemd goed bezit, heeft in zijn binnenste eene voortdurend luidende klok, welke hem toeroept: ;/als «gij het vreemde goed niet teruggeeft, gaat gij voor eeuwig verlortn!quot; Hoe kan men echter waren vrede genieten, als men voortdurend door zulke gewetensangsten gekweld wordt? (Ligorio, Katech. over liet zevende gebod. Ook de Bollandisten verhalen dit voorval in het leven van den H. Iledardus op den Juni.)
2
) Hoewel de straffen der goddelijke gerechtigheid niet altijd in het oogvallend en handtastelijk zijn, zou het toch niet moeielijk wezen, geheele boekdeelen te vullen met voorbeelden, waarin de wraak van Uod, die als Oorsprong en Handhaver der maatschappelijke orde over de onschendbaarheid van het goed des naasten waakt, allerduideüjlist zichtbaar is. Wij bepalen ons tot de volgende voorvallen. — Eene arme weduwe, die door een hardvochtig en onrechtvaardig Christen werd genoodzaakt, om tweemaal zooveel te betalen als zij hem verschuldigd was, nam hare toevlucht tot den H. Juventius, Bisschop van Pavia. Juventius had medelijden met de zoo hard verdrukte vrouw. Hij gaf bevel, eerst te beproeven dien hardvochtigen mensch door quot;bedreiging met de goddelijke straffen van zijn onrechtvaardigen eisch te doen afzien; ingeval hij echter daarop aanhield, hem de verlangde som geld uit zijne kas te betalen. Den diaken Escuperantius werd deze zaak toevertrouwd, doch hij vermocht niets op het verstokte gemoed van den woekeraar en verdrukker. Toen hij daarna, volgens den verkregen last, den bedrieger het verlangde geld wilde overhandigen, viel deze plotseling, als terneêrgeworpen, dood ter c.arde (Berthold S. Austria). — Drio dieven hadden voorgenomen, eene rijke kerk van den H. Florianus, die onder Diocletiaan bij Lorch in Oostenrijk den marteldood ondergaan heeft, te plunderen. Daar zij dea ingang goed gesloten vonden, klom één van hen op het dak en kwam zoo binnen in het kerkje. Terwijl hij daar in alle hoeken een werktuig zocht, om de deur te doen openspringen, was het hem alsof het beeld van den H. Martelaar hem voortdurend met een straffenden blik vervolgde. Dit bracht hem in verlegenheid, en toen zijne medeplichtigen, over zijn lang dralen vertoornd, op de deur
331
4»
2) Wij moeten verder overwegen, dat de dood ons eenmaal het onrechtvaardige goed ontnemen zal, en wel vroeger, dan wij verwachten. — „Ziet gij niet dagelijks,quot; zegt de H. Chrysostomus (2de hom. op den hr. tot de Eom.) , „hoe zij, die men ten grave draagt, van alles ontbloot „weg gebracht worden en niets van huis medenemen; hoe „zij zelfs het doodkleed, dat hen omhult, aan de wormen „moeten ten prooi laten?quot; Ook u, Christen, zalmen niet meer medegeven j wanneer gij eens als lijk ten grave gedragen wordt. Al het overige moet* gij voor lachende erfgenamen achterlaten, die u er niet eens voor zullen danken, dat gij het met verpanding van uwe onsterfelijke ziel verworven en nagelaten hebt. Waartoe hoopt gij dus onrechtvaardige schatten opeen ? Zal uw dood niet bitter genoeg zijn, dat gij hem door dat onrechtvaardig bezit nog meer verbittert? Valt het den stervende reeds hard en pijnlijk, de rechtvaardig verkregen goederen te verlaten,
klupten, deelde hij hun de ware reden van zijn talmen mede. ;/Wat,quot; riep hem een van buiten toe, ybedek het beeld met een doek, dan ^zal Floviaan het wel laten, naar u te zien.quot; Die raad werd opgevolgd, de deuren opengebroken en alles, wat eenige waarde had, geroofd. Maar zie, de wraaknemende hand van God, voor wiens oog niets verborgen kan worden, bereikte de roovers zonder uitstel. Degeen, die had aangeraden; om het beeld te bedekken, stierf niet ver van het kerkje aan een plotselingen aanval van razernij; de andere sprong met zijn paard door onvoorzichtigheid in den Donaa en verdronk. De derde, wien het beklagenswaardige einde zijner beide deelgenooteu in de misdaad tot betere gedachten bracht, deed terstond oprechte boetvaardigheid, en verhaalde een Priester de ge-heele toedracht der zaak (Daar ter plaatse en bij de Bollandisten op den 4. Mei). — In het begin der achttiende eeuw werd in eene stad van Italië een adellijk heer bij herhaling verzocht, een huis aan de kloosterlingen van die plaats te verkoopen. Men was voornemens, hem den hoogsten prijs daarvoor te geven, welke volgens eene voor-loopige, nauwgezette schatting duizend romeinsche daalders bedroeg. De edelman kocht echter de beëedigde schatters om, en deze bepaalden de waarde van het huis op twee duizend daalders. Een der omgekochten kreeg spoedig berouw over die onrechtvaardige daad. Hij haastte zich dien ten gevolge, den Bisschop dier stad daarvan kennis te geven. Deze liet zich nu de gevraagde koopsom brengen, ontbood vervolgens den verkooper bij zich, en toen hij hem eigenhandig de daalders uitbetaalde, zeide.hij: //iseem, mijnheer, dit «geld in ontvangst, God zegene en vermeerdere het, mogen welvaart «en geluk daarmede uw huis binnengaan.quot; Hierop gaf hij hem ook de andere duizend daalders over, doch zeide hem daarbij , dat dit zondegeld hem ongeluk, brand en armoede zou aanbrengen. De voorspelling werd spoedig verwezenlijkt. Weinige dagen later brak er in het paleis van den edelman, door onvoorzichtigheid, brand uit, en legde het geheel in de asch. Daarbij troffen slag op slag don bedrieger zoo vele ongevallen, dat hij nog in den loop van hetzelfde jaar zich gedrongen zag, bij de op zoo schandelijke wijze bedrogen nonnen eene liefdegift te vragen. — Caesar Balimo, die dit verhaalt, voegt er de opmerking bij. dat hij de hem goed bekende namen niet noemt, omdat de zaak nog al te versch in hel geheugen ligt
332
de scheiding van onrechtvaardig verkregen goed is nog onvergeliikelijk harder en pijnlijker; deels, omdat men het ongeregeld en hartstochtelijk bemint, deels echter ook, omdat bij het naderen van den dood de ingesluimerde gewetenswroeging en de vrees voor de welverdiende eeuwige straffen weder ontwaken en met vernieuwde hevigheid, de scheidende ziel aanvallen. Mochten toch de bezitters van onrechtvaardig goed dit vreeselijk oogenblik zich dikwijls en ernstig voor den geest brengen en bedenken, dat het onverwacht, gelijk een dief in den nacht, hen overvallen kan. Zij zouden het dan zonder twijfel voorkomen, door teruggave van het ontvreemde, en door vergoeding der aangerichte schade zich een kalmer sterfuur bereiden. — Wij moeten eindelijk overwegen, dat:
3) Niets dwazer is, dan ter wille van een vergankelijk goed den hemel te verbeuren en zijne ziel in een onuit-bluschbaar vuur te werpen. — Verlies van den hemel en eeuwige pijn der hel, is het onvermijdelijk lot van hen, die met eene groote zonde van oni\'echtvaardigheid bezwanrd , uit dit leven scheiden. Als toch, gelijk de H. Augustinus juist aanmerkt, reeds hij een oordeel zonder barmhartigheid te wachten heeft, die niet uit barmhartigheid den naaste van het zijne wil mededeelen, hoeveel meer dan degene, die aan anderen zelfs het hunne ontnam. Met recht roept de H. Apostel Jacobus (V, 1—3,) zoodauigen toe: „Wel-„aan, gij (onrechtvaardige) rijken, weent en huilt over uwe „ellende.quot; Waar zijn thans de schatten, naar welke gij zoo begeerig geweest zijt? De dood heeft ze u ontnomen. Gij hebt daaraan boven de hemelsche goederen en de goddelijke vriendschap de voorkeur gegeven; daarvoor „hebt „gij u schatten van gramschap (Gods) verzameld voor den „laatsten tyd,1\' voor den dag des oordeels, voor alle eeuwigheid. Daar, in den vuurpoel der goddelijke gerechtigheid, zult gij duizend vloeken uitbraken over die onrechtvaardige goederen, welke gij tot uwen eigen ondergang en tot verderf uwer vrouw en kinderen hebt tezamen geschraapt. Daar zullen tandengeknars, woede, wanhoop, eeuwig vuur, eeuwige honger en dorst, eeuwige pijn uw deel zijn. O onuitsprekelijke dwaasheid! den hoon der geheele hel waardig! Een grooter genoegen kunt gij den duivel niet deen, dan wanneer gij hem uwe ziel tot zulken spotprijs verpandt. Is het niet juist, alsof gij hem zegt: „Satan! uit „liefde tot de goederen, welke mij niet behooren, welke „ik misschien heden, wellicht morgen, in elk geval spoedig „verlaten moet, uit liefde tot dat goud en zilver, wil ik „uw eigendom, uw slaaf zijn; liever den hemel, het kind-
333
„schap van God den Vader, de verdiensten van den men sch-„geworden Zoon, de genade van den H. Geest verliezen, „liever den bijstand van de Koningin des hemels, de „vriendschap der Engelen, het gezelschap der Heiligen, „den eeuwige vrede mijns harten missen. Liever wil ik de „folteringen van mijn geweten verdragen, liever zonde op „zonde stapelen, al mijne verdiensten verliezen; liever het „voorwerp van vloek en haat zijn van hen, die ik bedro-„gen, misleid, bestolen heb; liever de schuld van mijne „verdoemenis dragen en quot;voor hemel en hel een gruwel „wezen, dan het onrechtvaardige goed terug te geven.quot; l) Eene zoo onbegrijpelijke dwaasheid moet Satan zelf, hoe verheugd hij er ook over is, toch verachten en met helschen spot overladen.
(Fat gebiedt het zevende gebod\'?
riet gebiedt, 1) aan ieder het zijne te geven. — Het zevende gebod verbiedt niet alleen, anderen het hunne te ontvreemden en het ontvreemde te houden], het gebiedt ook in het algemeen, in handel en wandel aan ieder het zijne te geven, rechtvaardig te zijn in het aangaan van overeenkomsten, rechtvaardig in het houden der aangegane verbintenissen, rechtvaardig in de aflossing der schulden aan de schuldeischers, rechtvaardig in de uitbetaling van het loon aan arbeiders en dienstboden; ook rechtvaardig en eerlijk te zijn in het spelen. \'-) Zelfs bij de Heidenen
:) Jlut zulke uitdrukkingen van wanhoop stierf zekere koopman, van wieu in de geschiedenis der Cisterciënsers gewag wordt gemaakt. Hij had zich door allerlei woeker en bedrog groote schatten verzameld. Kort voor zijnen dood liet hij den notaris bij zich komen en beval hem, bij het gemaakte testament de volgende laatste bepaling te voegen: //Ik wil en verlang, dat na mijn afsterven mijn lichaam aan //de aarde, vanwaar het komt, mijne ziel aan. den duivel, aan wien /,zij toebehoort, worde overgegeven.quot; Bij deze woorden beefden alle aanwezigen en meenden, dat da stervende het bewustzijn verloren had. Hij herhaalde echter het gezegde met de verzekering, dat hij volkomen bij zijn verstand was, en voegde er dan met de stem en houding van een wanhopende \'oij; //Ja, dit is mijn besluit, dit is //mijn laatste wil; mijne ziel moet aan den duivel overgeleverd //worden, en met haar ook de ziel mijner echtgenoote en die mijner //kinderen; mijne ziel, omdat ik mij door diefstal en bedrog verrijkt //heb; de ziel mijner vrouw, omdat zij mij door hare praalzucht «daartoe verleidde; de zielen mijner kinderen, omdat ik uit dwaze //liefde tot hen niet besluiten kon, de onrechtvaardige winst weder «te geven.quot; Na deze woorden gat de ongelukkige den geest {Brydayne D. 3. fragment over de restitutie).
2) In het jaar 1845 kwam Pater de Smet, Missionaris van de Sociëteit van Jesus, bij de Koetenen, een wilde volkstam in Noord-Amerika. Hij was de eerste Priester, die aldaar het christelijk geloof verkondigde en hen in de geboden Gods onderrichtte. De Indianen leenden aan zijne woorden een gewillig oor, en ontvingen vol ijver
334
was het gezegde, „ieder het ziine,quot; een spreekwoord. Inderdaad vordert het gezond verstand, de wet der natuur van ons, dat wij in alle opzichten rechtvaardigheid jegens anderen beoefenen, omdat wij allen willen, dat ook anderen jegens ons rechtvaardig en billijk zijn. Zonder deze zedelijke deugd kan de vrede en de welvaart der maatschappij niet bestaan. „Neem de rechtvaardigheid weg,\'1 zegt de H. Augustinus (de civ. Dei. Lib. IV. c. 4), „en de Staten „zijn niets anders dan openbare rooversholen.quot; — Wel de gevaarlijkste vijanden der rechtvaardigheid en bijgevolg van den vrede en de welvaart der maatschappij zijn de zoogenaamde comrmnütea, d. z. lieden , die het eigendomsrecht van bizondere personen bestrijden, de geheele wereld als gemeenschappelijk goed beschouwende, dien ten gevolge beweren, dat men alles evenredig verdeelen moet. Daargelaten dat op deze wijze de orde der goddelijke Voorzienigheid ten aanzien van de verdeeling der goederen omvergeworpen, en de bepalingen onzer voorvaderen opgeheven worden, is er en was er nooit iets dwazer, dan deze taal. Wie moet de evenredige verdeeling der goederen tot stand brengen? Wie er voor waken? En als het onmogelijke mogelijk, als die verdeeling eens gemaakt werd, hoe lang zou dat gelijkmatig bezit bestaan? Zou nier, de een met zijn deel spaarzamer omgaan, door vlijt en arbeid het vermeerderen; de andere daarentegen het terstond verkwisten en verbrassen ? En wat dan ? Moet dan opnieuw de algemeene verdeeling van goederen, en wel ten gunste van dien ledigganger en verkwister plaats hebben? Wie, die wel nadenkt, kan dit in ernst beweren? Er zou aan het deelen geen einde komen, en dagdieven en slempers zouden de bevoorrechte leden der maatschappij zijn. Wie ook zou in eene aldus geregelde maatschappij kunnen leven ? Wie arbeiden, wie sparen, wie voor zich zeiven en zijne onderdaaen zorgen.
het H. Doopsel. In de lente van 1859 vond hij gelegenheid, hen op nienvv te bezoeken en te onderzoeken, of zij aan de goede leer, welke zij bij hunne bekeering ontvingen, waren getrouw gebleven. Tot zijne groote vreugde vond hij onder hen alle deugden, welke den Christen sieren; broederlijke liefde, evangelische eenvoudigheid, onschuld en vrede. Aangaande hunne eerlijkheid in handel en wandel getuigt Pater de Smet in zijn schrijven van 1 November 1859; „zij „is zoo goed bekend, dat de kramer zijne kraam verlaat, en dikwijls //verscheidene weken lang laat openstaan; de Indianen gaan er in en //bedienen zich zelve volgens hunne tijdelijke behoeften, en bij zijne ./terugkomst wordt aan den kramer voor alle weggenomen voor-«werpen getrouw betaald. Hij heeft mij zelf verklaard, dat hem bij „deze wijze van handeldrijven, niets, zelfs niet de waarde van eene ,speld, ontnomen was.quot;
335
Het zevende gebod gebiedt, 2) weldadig jegens den naaste te zijn. Tot handhaving der maatschappelijke orde, eendracht en welvaart wordt volgens het bovengezegde gevorderd, dat eenieder in het rustig, ongehinderd bezit van zijn eigendom bliive; maar even noodzakelijk is het ook, dat de arme en bedrukte leden der maatschappij ondersteund worden , en juist daarom is dit ook, gelijk boven werd aangetoond, de wil van God, die door deze onderlinge hulp en ondersteuning alle kinderen van zijn groot gezin in werkdadige liefde met elkander wil verbinden. Derhalve zegt de H. Ambrosius\'): „wie aan den behoeftigen van datgene, wat „men in overvloed bezit, niet mededeelt, pleegt eene even „groote misdaad, als degene, die aan den bezitter het ziine „ontneemt,quot; en de H. Basilius (over het woord van den rijke, Luc. XII): „waarom zijt gij rijk en een ander arm, „tenzij omdat gij u door milddadigheid en uitdeeling uwer „goederen verdiensten zoudt verwerven, deze echter totbe-„looning voor zijn geduld gekroond worde ?quot; Daarom schrijlt ook de H. Paulus aan Timotheus (1 Ep. VI, 17, 18): „gebied aan de rijken dezer wereld, niet hoogmoedig te „zijn, niet te vertrouwen op onzekeren rijkdom, maar op „den levenden God (die ons alles rijkelijk geeft tot genot), „goed te doen, rijk te worden aan goede werken, gaarne „te geven en mede te deelen.\'\'
TOEPASSING.
Men klaagt tegenwoordig dikwijls en te recht over het verdwijnen der eerlijkheid en trouw niet slechts in het openbaar verkeer, maar ook in het huiselijk leven. Heeren vinden geene dienstboden meer, aan wie zij hun goed zonder angst durven toevertrouwen; ouders bemerken helaas! dikwijls te laat, dat hunne kinderen, voor wie zij meenden niets te moeten wegsluiten, door herhaalde diefstallen aanmerkelijke sommen ontvreemden. Waar is de bron dier ontrouw van huisgenooten te zoeken? Somtijds in het slechte voorbeeld der overheden en ouders zelve; dikwijls echter ook en wel meestal in de onverzadelijkheid en genotzucht der jeugd. Er zijn overheden en ouders, die er geene gewetenszaak van maken, hunne onderdanen en kinderen tot bedriegerijen en diefstal aan te sporen, aan te zetten, af te zenden, ja in zekeren zin te dwingen; overheden en ouders, die de zinspreuk: „beter weinig met „rechtvaardigheid, dan veel met bedrog,1\' geheel vergetende ,
•) Serm. de temp. in appendice.
336
van de hand hunner dienstboden , zonen en dochters zich bedienen, om meester te worden van het goed van een ander, wat zij met eigen hand. niet kunnen krijgen. Zou het niet inderdaad een wonder zijn, als diezelfde dienstboden en kinderen hunne vaardigheid in het stelen ook niet aan den eigendom hunner overheden en ouders beproefden ? — Nog grooter drijfveer tot huiselijke diefstallen is onmatigheid, genot- en praalzucht bij dienstboden zoowel als bij de kinderen des huizes. Hoe menige knecht werdt een dief van zijnen heer , omdat hij aan den drank, aan het spel, aan het bezoeken van herbergen verslaafd is? \') Hoe menige dienstmaagd eigent zich nu dit, dan dat toe, omdat zij snoepachtig en pronkziek is en in alle genoegens wil meêdoen. Juist dezelfde gebreken zijn het ook, waardoor de zonen en dochters van zoo vele familiën tot huiselijke ontrouwheden verleid worden. Zulke kinderen zijn gewoon hun geweten tot zwijgen te brengen, door tot zich zelve of door medeplichtige dienstboden of vrienden zich te laten zeggen: „gij neemt slechts weg, „wat u later toch toekomt.quot; Nietige verontschuldiging! Ziet gij niet, dat gij zelf u veroordeelt? Wat u eerst later zal toekomen, dat komt u thans niet toe: gij steelt dus, wanneer gij zonder voorkennis en verlof uwer ouders
\') Welke ongelukkige gevolgen het hartstochtelijk spelen dikwijls na zich sleept, bewijst het volgende feit. Te Landshut, in Beijeren, leefde omstreeks het jaar 1763 een welopgevoede boerenjongen, wiens gedrag, de noodlottige zucht naar het spelen om geld niet gerekend, nauwelijks iets te wenschen overliet. Waar de gelegenheid zich aanbood, zat hij aan de speeltafel en offerde uren en dagen aan diea slechten hartstocht op. Wat hem echter op het spel nog heeter maakte, was, dat hij bijna altijd won. Op zekeren dag echter liet het geluk hem in den steek en hij verloor alles, wat hij sinds langen tijd had gewonnen, tot den laatsten penning toe. Toen hij zich door deze ongelukkige wending der fortuin in de onmogelijkheid verplaatst zag, verder aan het spel deel te nemen, nam hij het rampzalig besluit, een rijken boer uit den omtrek, bij wien hij vroeger trouw en eerlijk gediend had, te bestelen. Toen nu op zekeren feestdag het geheele gezin vau zijn voormaligcn meester zich ter kerk had begeven, klopte hij aan diens deur aan, en werd door de dienstbode, die alleen het huis bewaarde, zonder achterdocht of aarzelen binnengelaten. De ongewone dief meende zijne misdaad niet zeker genoeg te kunnen volbrengen, zoolang deze in leven was; hij greep dus naar eene bijl en sloeg de niets kwaads vermoedende dienstmeid met éénen slag dood. Uaarop begaf hij zich naai tie geldkast, haalde er zooveel uit, als hij juist noodig had en sloop dan wej;. ^oodra echter bij het heengaan zijn oog op het lijk van de vermoorde viel, gevoelde hij zulk een angst en een zoo bitter berouw, dat hij terstond wenschte aangepakt te worden, evenwel zonder den moed te hebben, zich zeiven bij den rechter aan te geven. God beschikte het zoo, dat bij het onderzoek van het feit het vermoeden van den moord op hem viel. De jongeling bekende de misdaad, en werd ter dood veroordeeld.
337
iets wegneemt. Vandaar leert de H. Geest zelf (Spreuk. XXVIII, 24): „wie ziinen vader of zijne moeder iets „ontneemt en zegt, dat het geene zonde is, hij is deelgenoot van den straatroover.quot; Uw diefstal, welke menigmaal de huisgenooten in eene onrechtvaardige verdenking brengt, wordt u niet vergeven, tenzij uwe ouders daarvan onderricht, u het ontvreemde schenken, of gij zelf bereid zijt, het vroeger of later, zoodra gij kunt, van het uwe terug te geven. Het laatste wordt vooial eene noodzakelijke verplichting, als door eene aanmerkelijke ontvreemding de broeders en zusters schade geleden hebben. Bedenkt overigens, hoe hatelijk en ondankbaar gij handelt, daar gi] hen besteelt, die dag en nacht voor uw onderhoud bezorgd zijn, en misschien geen middel kunnen vinden, om wat zij bezitten, tegen uwe neiging van stelen te verzekeren. — Lieve kinderen! doet nooit zoo. Weest tevreden met hetgeen uwe goede ouders u geven of veroorloven te nemen. Zij beminnen u en zullen het u nooit aan het noodige laten ontbreken. Ontvreemdt nimmer iets, hoe gering het ook zijn moge, en neemt het spreekwoord ter haite: „ilet het kleine begint men, met het groote eindigt „men.quot; Reeds menigeen eindigde zijn leven op het schavot, die met de ontvreemding eener kleinigheid begonnen was. i)
Kunt gij schrijven? Kunt gij lezen?
Wilt dit prenten in uw hart;
Eens oneerlijkheid bedreven
Geeft altijd gewetenssmart.
\') Bekend is de geschiedenis van zekeren dief, die om zijne vele misdaden eindelijk met de galg gestraft werd. Nog onder de galg smeekte hij om vergunning, zijne moeder te mogen spreken, die haren ongelukkigen zoon op weg naar den dood vergezeld had en algemeen medelijden verwekte. Ue bede werd hem toegestaan. Maar in plaats van haar iets te zeggen, voegde hij haar eene gevoelige heleediging toe. Al het volk verschrikte door deze boosaardige handelwijze. De veroordeelde verklaarde nu openlijk, dat zijne moeder tot zijne vroegere grove misdaden, en dus tot zijn tegenwoordig ongeluk den grondslag gelegd had, omdat zij hem niet strafte, ja veeleer er genoegen in scheen te hebben, als hij als jongen soms eene pen of een blaadje papier aan een zijner medescholieren ontvreemd had en naar huis bracht — Een ernstige wenk voor ouders en meesters, die niet iedere poging van ontvreemding, welk zij bij hunne kinderen en kweekelingen waarnemen, met onverbiddelijke strengheid bestraffen.
DKHARBE, GBLOOFSLEEB. III. 3lt;le DRUK. 22
338
Achtste gebod Oods.
„Gij zult tegen wren naaste geen valsche getuigenis gevend
Wat verbiedt het achtste gebod?
Het achtste gebod levert iederen mensch krachtdadige hescherming tegen de nadeelige gesprekken van anderen.
Het verbiedt valsche getuigenis af te leggen vooral bij het gerecht, d. i. iets te zeggen wat niet waar is.
De reden, waarom in de tien geboden het verbod van valsche getuigenis te geven achter dat van den diefstal, dus de schending van het hoogere goed, van de eer, achter de benadeeling van de minder waarde hebbende goederen der fortuin gesteld werd, is volgens de leer van den H. Thomas \') deze, dat men zich aan de goederen der fortuin noodzakelijk door werken vergrijpt, aan de eer daarentegen door woorden, en de zonden in werken op zich zelve grooter zijn dan de zouden in woorden. Als eene tweede reden dezer achterstelling kan men ook zeggen, dat have en goed op de eerste plaats en onmiddellijk op het onderhoud en de bewaring van het lichamelijk leven, van het hoogste aardsche goed van den mensch, betrekking hebben, terwijl eer en goede naam slechts middellijk daarmede in verband slaan, en in het algemeen meer een sieraad zijn van het leven, dan een middel tot het behoud er vau. — De krenking van de eer en den goeden naam door woorden geschiedt wei op veelvuldige wijzen, maar geheel bizonder door „valsche getuigenis,quot; hetwelk men voor het gerecht tegen zijnen naaste aflegt. Daarom stelt ook de goddelijke Wetgever dit geval, deze gevoeligste en in hare gevolgen verderfelijkste eerschending zelf voor. Het is krachtens het achtste gebod op de eerste plaats ten strengste verboden, voor het gerecht valsche getuigenis tegen den naaste af te leggen, d. i. iets te zij nen nadeele te zeggen, wat niet waar is, hetzij men als aanklager of getuige in eigenlijken zin, of wel als aanklager en getuige tegelijk optreedt, gelijk de ouderlingen tegen de kuische busanna deden. — De H. Schrift noemt degenen, die zich aan deze misdaad schuldig maken, „kinderen van
\') Sum. Tlieol. 1. 2. 9100. a; b.
339
„den duivelquot;, van den vader der leugentaal. Tn het derde Boek der Koningen (Hoofdst. XXI.) wordt namelijk verhaald, dat, toen Naboth zijnen wijnberg, het erfdeel van zijn vader, welken hij volgens de wet Gods niet verkoopen mocht, aan koning Achab noch door verruiling noch door verkoop wilde afstaan, de koningin Jezabel, zijne godde-looze echtgenoote, het besluit nam, den grootmoedigen Naboth uit den weg te ruimen, om zoo in het bezit van zijnen wijnberg te geraken. Valsche getuigen moesten den wederspannige aanklagen, dat hij God en den koning vervloekt had, en de omgekochte ouderlinscen moesten hem op deze beschuldiging doen steenigen. Daar staat: „De „oudsten en voornaamsten deden, gelijk Jezabel hun be-„volen had .... Zij brachten twee mannen aan , kinderen „van den duivel, en stelden hen tegenover hem (Naboth); „deze echter spraken, namelijk als kinderen van den duivel, „een valsche getuigenis tegen hem voor de menigte.quot;
Wie dus, gehoorzamende aan de wettige macht, voor het gerecht verschijnt, en aangezet wordt, om iets tegen een ander te verklaren, hij wachte zich, een kind van den duivel te zijn; „hij spreke de zuivere waarheid, gelijk hij „ze weet, niet meer en niet minder.quot; (Verg. de leer over den meineed, bladz. 173 en volg.) Zóó, maar ook alleen zóó, is hij een kind van den waarheidlievenden God, in wiens tegenwoordigheid hij getuigenis aflegt. Want gelijk het niet geoorloofd is, onwaarheid te zeggen of te bevestigen, zoo is het ook zonde, de waarheid ten deele te verzwijgen. Men is dus streng verplicht, alles te verklaren, wat men weet, al zou de uitspraak ten nadeele verstrekken van dengene, tegen wien men als getuige optreedt. Die schade treft den beschuldigde met volle recht. Het is de welverdiende straf voor het misdrijf; want het is ten algemeenen nutte noodzakelijk, dat misdadigers naar behooren gestraft worden. Die straf zou echter niet toegepast kunnen worden, als de gedaagde getuigen niet alles mededeelden, wat zij met betrekking tot de gepleegde misdaad weten. Derhalve verbiedt ook het goddelijke gebod niet, tegen d.en naaste getuigenis, maar wel vaUche getuigenis te geven. En hoewel eik valsch getuigenis, zoowel ten voordeele als ten nadeele van den naaste wordt verboden, het laatste toch vooral en uitdrukkelijk, wijl het eene veel grootere zonde is, door een onwaar getuigenis eenen onschuldige straf te berokkenen, dan eenen schuldige van de straf te bevrijden. In het Oude Verbond had God bevolen, den valschen getuigen dezelfde straf op te leggen, welke degene, tegen wien het
22*
340
getuigenis gericht was, verdiende te ondergaan, indien het op waarheid berustte. Zoo lezen wij in het vijfde boek van Mozes (XIX, 10—20); „wanneer de valsche getuige „eene leugen gesproken heeft tegen zijnen broeder, dan „zullen zij (de rechters) hem doen, gelijk hij zijnen broeder „meende te doen, opdat anderen het hooren eu vreezen, „en nimmer het wagen, zoo iets te ondernemen.quot;
Welke zonden worden door het acfdste gehod nog verboden?
1) Leugentaal, 2) kwaadspreken, lasteren en oorblazerij, 3) valsche argwaan, kwaad oordeel en in het algemeen alle zonden, waardoor men den naaste in zijne eer en zijn goeden naam benadeelt. — Het achtste gebod verbiedt niet alleen het valsche getuigenis voor het gerecht, hetwelk de eer en goeden naam krenkt, maar in het algemeen alle kwaadsprekendheid in het gezellig verkeer ; verder alle zonden, waardoor de evenmensch , zij het al niet bij anderen, toch bij ons zelve, in onze eigen oogen, iets van de hem toekomende achting en eer verliest; eindelijk alle zonden van onwaarheid, ook wanneer die niet rechtstreeks de eer of den goeden naam krenken.
Wat is leugentaal?
Leugentaal is wetens en met opzet onwaarheid zeggen. — Men zegt onwaarheid wetens, als men het bewustzijn heeft, dat datgene, wat men zegt, valsch is. Men zegt ze met opzet, ais men den wil of het voornemen heeft, datgene, wat men als valsch kent, voor waar uit te geven. Dit geschiedt, schoon niet altijd, toch meestal met de bedoeling, om anderen te bedriegen of in dwaling te brengen. \') Een
\') Vele Godgeleerden beweren, dat de bedoeling om te bedriegen tot het wezen van de leugen behoort, en beroepen zich daarbij op het gezag van den H. Thomas en den H. Augustinus. Anderen daarentegen leeren, zich op het gezag van dezelfde H. Leeraars grondende, juist het tegendeel. De H. Thomas, beweren de laatsten, leert zeer duidelijk; dat het wezen van de leugen bestaat in de bedoeling, om de onwaarheid te zeggen-, de bedoeling om te bedriegen behoort alleen tot eene zekere volmaking van de leugen, welke tot het wezen er van in verhouding staat ais een gevolg tot de oorzaak; want bedrog is het gewone, ofschoon niet noodzakelijk bedoelde gevolg van de leugen. 1) Als echter de H. Augustinus leert, dat een onwaar woord,
1
Ratio mendacil sumitur ex hoc, quod aliquis habet voluntatem lalsum enuntiandi. — Cupidltas fullendi perlinet ad perfectionem mendacii, non autem ad speciem ipsius, sieut nee aliquis effectus pertinet ad speciem suae causae. 2. 2. q. 110. a. 1.
341
kind wordt door zijne ouders gevraagd, of het in de school geweest is, en ofschoon het den geheelen schooltijd op straat heeft doorgebracht, zegt het evenwel ja. Dit kind heeft gelogen; want, wel wetende, dat het de school verzuimd heeft, zegt het toch voorbedachteliik het tegendeel. Wanneer iemand iets onwaars zegt, zonder te weten of minstens zonder er aan te denken, dat het onwaar is, liegt hij niet, wijl hij noch wetens noch willens onwaarheid zegt. Ook diegene maakt zich niet aan leugentaal schuldig, die gelijkenissen, fabels, verhaaltjes, enz. voorstelt; want hoewel hij weet, dat deze geene waarheid bevatten , dat namelijk de vos en de raaf, dat in het algemeen dieren en planten nimmer een gesprek kunnen aangaan, doet hij toch geene leugen, dewijl hij niet den wil of het plan heeft, onwaarheid te zeggen, maar slechts de waarheid in het kleed der verdichting voor te stellen. Meende daarentegen iemand bij vergissing, dat iets onwaar is, en gaf hij het toch voor waarheid uit, dan zou hij eene leugen begaan, omdat hij werkelijk den wil had, onwaarheid te zeggen. In dien wil of in die bedoeling bestaat derhalve het wezen van de leugen. — De leugen wordt al naar de bedoeling, welke men er bij heeft, verschillend genoemd. Wil men door eene leugen een ander eene onaangenaamheid besparen of eenig nadeel van hem afkeeren, dan doet men eene leugen om ledwil. Hiertoe behoort ook de leugen , waardoor men zich zeiven óf uit de verlegenheid zoekt te redden óf voor nadeel te bewaren, namelijk de noodleugen. De ergste soort van leugens is die, waardoor een ander schade wordt berokkend. Wil men eindelijk uit scherts
met den wil om te bedriegen uitgesproken, leugen is, wil hij, gelijk uit zijne uitdrukkelijke verklaring blijkt, daarmede niet beweren; dat er zonder die bedoeling geene leugen bestaat. 1) Werkelijk kan het geval zich voordoen, dat iemand voorbedaahtelijk onwaarheid spreekt, derhalve liegt, zonder hem, aan wien hij onwaarheid zegt, te willen bedriegen. In landen bijv., waar volgens de bestaande wetten de rechter niet bevoegd is, een aangeklaagden en van de misdaad genoegzaam overtuigden boosdoener ten dood te veroordeelen, alvorens deze zijne misdaad bekend heeft, gebeurde het meermalen, dat hij in weerwil van de tot driemalen toe herhaalde folteringen hardnekkig do ontkenning zijner door niemand betwijfelde misdaad volhield. Deze ontkenning was wel eene leugen, waarmede de misdadiger echter niemand wilde bedriegen, maar alleen er op uit was den dood te ontkonaen. „Mijne tong zal mij niet aan de galg bren-;/gen,quot; zeide eens in zulk geval een schuldige, dien wij zouden kunnen noemen.
1
Enunciationem falsam cum voluntate ad fallendum prolatam, manifestum est, esse mendachim. Sed utrum hoc solum sit menda-cium, alia quaestio est. De mendacio. c. 4. n0. 3.
342
anderen iets diets maken, dan begaat men eene leugen uit scherts. Klachten, waarin het avontuurlijke en het onwaarschijnlijke zoo sterk voorkomen, dat ieder verstandig mensch de onwaarheid met handen tasten kan, zijn wel schertserijen, maar geene leugens.
Elke leugen is op zich zelve, d. i. uit haren aard, zondig; daarom mag men nooit liegen, noch tot nut van zich aelven , noch tot voordeel van anderen, zelfs niet uit scherts of nood; al is de bedoeling nog zoo goed, zij is toch niet in staat een slecht middel te heiligen of de toepassing er van te rechtvaardigen. Derhalve vermaant de wijze Sirach; „wees er nimmer op uit, eenige leugen „te spreken;quot; en in het boek der Spreuken (XIII, 5) lezen wij: „de rechtvaardige heeft een afschuw van leugen-„taal,\'\' \') — De boosheid der leugentaal blijkt uit meer
!) Het ontbreekt niet aan voorbeelden van hen, die liever de grootste pijnen verduurden, dan eene leugen te zeggen, ja liever wilden sterven, dan ook slechts hunne toestemming tot eene leugen van anderen te geven. — Firmus, Bisschop van Tagaste in Afrika,, had een onschuldig mensch, wien men ter veroordeeling opzocht, in zijn paleis een toevluchtsoord geschonken en hem op eene veilige plaats verborgen. Intusschen gelukte het den keizerlijken gerechtsdienaars den vluchteling op het spoor te komen. Zij verschenen dus voor den grootmoedigen Bisschop en vroegen hem, ot\'hij den vogelvrij verklaarde verborgen hield en waar hij was. De Bisschop antwoordde met vastberadenheid en vertrouwen, dat hij noch mocht liegen, noch het geheim verblijf van den onschuldige verraden. Op dit woord deden de verbolgen gerechtsdienaars den godvruchtigen Kisschop alle bedenkelijke folteringen aan, om hem tot de aanwijzing te dwingen, maar Firmus bleef standvastig en onverbiddelijk bij zijne weigering. De zaak werd den keizer medegedeeld, en deze, ofschoon een Heiden, bewonderde zoozeer de waarheid- en naastenliefde van den edelen Bisschop, dat hij terstond den door hem verborgen vluchteling genade schonk. Zoo getuigt de H. Augustinus in zijn boek over de leugen. Hoofdst. 23. — Anthimus, Bisschop van Nicomedië, moest, gelijk Metaphrast verhaalt, op bevel van den keizer Maximianus gevangen genomen en ter dood gebracht worden. Toen gebeurde het, dat de soldaten, die den Heilige opzochten, in zijne woning kwamen en van hem eenige verkwikking verlangden. Anthimus willigde voorkomend hun verlangen in en onthaalde de gevaarlijke gasten zeer goed. Na tafel traden de gerechtsdienaars nader en deden bij hunnen vriendelijken gastheer navraag, waar zich wel de Bisschcp Anthimus zou ophouden. ;/Dien hebt gij voor u staan,quot; antwoordde de Heilige met onverschrokken houding. //Die ben ik; voert mij, //waarheen het u behaagt, ik volg.quot; De soldaten, wier hart door de liefdevolle gastvrijheid van den H. Bisschop was getroffen, draalden en bemerkten, dat het hun gemakkelijk zou vallen, den tiran te bedriegen; zij konden hem zeggen, dat zij Anthimus niet gevonden hadden. //Dat moogt gij in het geheel niet doen, mijne kinderen,quot; antwoordde de Heilige. //Ik wil niet, dat gij mij het leven met eene „leugen redt; neen, ik wil liever sterven, dan u zulks aanraden.quot; Hierop volgde hij de soldaten en verwierf de vurig verlangde martelkroon. — Gedurende het republikeinsche bloedrecht in Frankrijk, viel te Straatsburg in den BI sas het volgende voor. Teneinde quot;de
343
dan eene reden. Ten eerste strijdt de leugen tegen de waarachtigheid van God, en is alzoo een voorwerp van afschuw in zijne oogen; „leugenachtige lippen zijn den „Heer een gruwelquot; (Spr. VI, 15). Ten tweede onteert de leugen dengene, die ze uitspreekt, daar zij den mensch, die toch bestemd en door de kostbare hemelgave van het spraakvermogen bekwaam gemaakt is, den oneindig Waarachtige gelijkvormig te worden, eene gelijkenis en verwantschap geeft met den Satan, „den leugenaar van den „beginne.quot; Daarom sprak de Heiland tot de leugenachtige Joden: „gij hebt den duivel tot vader... wanneer hij „leugen spreekt, spreekt hij uit zijn eigen; want hij is „een leugenaar en de vader der leugenquot; (Joan. VIII, 44). Ook bij de menschen verliest de leugenaar achting en aanzien als zijne leugens ontdekt worden. Een leugenaar is bij allen en overal gehaat, een voorwerp van wantrouwen en verachting. Niets is zoo waar als het spreekwoord; „den leugenaar gelooft men niet, zelfs niet als hij de „waarheid spreekt.quot; De Geest der waarheid zegt immers zelf; „een groote schandvlek van den mensch is de leugenquot; (Sir. XX, 26). Ten derde schaadt de leugen den naaste en in zekeren zin de geheele maatschappij. Ontelbaren verliezen door leugentaal have en goed, achting en aanzien, eer en goeden naam. Zelfs leugens uit nood en scherts doen om het daarmede gepaard gaande bedrog den naaste kwaad, want zij trekken zijnen geest meer of min af van het goede, waarnaar hij steeds dorst — de waarheid. En
priesters, die aan God en zijne H. Kerk trouw gebleven waren, elk •werk der zielzorg in zekeren zin onmogelijk te maken, werd op doodstraf verboden zich te verkleeden. Een priester dier plaats, wien het heil der zielen dierbaarder was dan zijn eigen leven, bekreunde zich weinig om het republikeinsche verbod en ging voort, nu eens zoo, dan anders verkleed, aan de zwaar verdrukte inwoners van Straatsburg de troostmiddelen van den godsdienst te geven. Ongelukkig viel hij echter spoedig in handen van de gerechtsdienaars en werd in de gevangenis geworpen. Nauwelijks had zich de mare hiervan in de stad verspreid, of verscheidenen van de aanzienlijkste burgers begaven zich tot den president van het crimineele gerechtshof, om de vrijspraak van den met den dood bedreigden geestelijke te bewerken. De president toonde goeden wil, om aan hunne bede te voldoen. «De wet tegen verkleeding,quot; zeide hij, „is eerst korte-„lings uitgevaardigd. De gevangene zwere, dat hij het niet heeft //geweten en ik zal hem ontslaan.quot; Met dit bericht begaf men zich nu tot den gevangene. Deze weigerde echter standvastig, van het aangeboden reddingsmiddel gebruik te maken. „De wet was mij //niet onbekend,quot; zeide hij, „ik wil liever sterven, dan mijn leven „door eene leugen te koopen.quot; Het loon voor zijne heldhaftige waarheidsliefde was de guillotine. Des te heerlijker zal zijne belooning zijn in den schoot van den oneindig waarachtigen en in zijne beloften getrouwen God.
344
hoe bitter en vernederend is het dikwerf voor den belogene, als hij begrijpt, dat hij bedrogen is!
De leugen is uit haren aard ook eene vgandin van het maatschappelijk leven en bijgevolg van de geheele maatschappij , daar zij den band van het onderling vertrouwen verscheurt en dien geheel zou wegnemen, wanneer leugentaal onder de medeleden de overhand nam. Dit nu zou voorzeker plaats vinden, indien men leugentaal, ook alleen in geval van nood, als geoorloofd beschouwde, daar het alsdan aan het door ongeregelde eigenliefde bevangen oordeel van eenieder bleef overgelaten, over het aanwezig zijn dier noodzakelijkheid te beslissen. — De zondigheid van elke leugen kan men ook uit het achtste gebod van God afleiden. Immers, gelijk bij de overige geboden niet alleeu datgene zonde is, wat met de woorden van elk gebod in strijd is, maar ook dat, wat daartoe den weg baant en verleidt, zoo ook hier. Nu is het onloochenbaar, dat elke leugen, wetens en met opzet gedaan, de waarheidlievende gezindheid verzwakt, en zoo de ziel tot andere belangrijke en voor den mensch hoogst schadelijke leugens bereid en geneigd maakt. Wie in het gezellig verkeer uit schertsen noodleugens niets maakt, zal zich bij voorkomende gelegenheden ook weinig of niets bekreunen, om eene leugen voor liet gerecht. Derhalve is elke leugen eene zonde tegen liet achtste gebod. — Niet elke leugen evenwel is eene zware zonde. Zij is eene doodzonde, wanneer daardoor de eer van God aanmerkelijk gekrenkt wordt, gelijk dat het geval is bij leugens, welke den godsdienst, de li. Kerk, de priesterschap of ook ons eigen zieleheil groot nadeel veroorzaken. Daarom staat er geschreven: „de mond, „die liegt, doodt de zielquot; (VVijsh. I, 11). \') Verder is
\') 0e H. Andreas Avellinus bekleedde een tijd lang den rang van advokaat, echter slechts in zaken, welke het kerkelijk reciit betroffen. Toen hem eens eene kleine leugen ten voordeele zijner partij was ontvallen, en terstond daarop, bij het lezen der H. Schrift, hem de spreuk voor oogen kwam: „L)e mond, welke liegt, doodt de ziel,quot; gevoelde hij zulk een berouw, dat hij van dat oogenblik het ambt van advokaat nederlegde, teneinde het gevaar, van (iod te belee-digen, te ontkomen. (Volgens den romeinschen Brevier 10 November). — Ook door eene soort van noodleugen kan een kind zwaar zondigen, als het namelijk met woorden of handelingen voor zijne ouders zoekt te verborgen, dat het slechte boeken leest, in slechte gezelschappen verkeert, enz., omdat hieruit dikwijls eene groote schade voor zijne ziel ontstaan kan en inderdaad bijna altijd ontstaat. Schaam u dus nooit, eene bedreven fout openhartig en vrij te bekennen; want dikwijls is de leugen eene veel grootere fout dan die, welke men daardoor zoekt te verbergen, en in elk geval een veel grooter kwaad dan de straffen, welke men daarvoor van
345
de leugen eene doodzonde, wanneer daardoor den naaste aan zijne eer, aan zijn goeden naam of eenig ander goed eene belangrijke schade toegebracht of hem in het algemeen eene zware beleediging toegevoegd wordt. Zulke-leugens had de koninklijke Profeet op \'toog, als hij tot God riep; „Gij verderft allen, die leugentaal spreken; de man des „bloeds en bedrogs is een gruwel voorden Heerquot; (Ps. V, 7). Eindelijk wordt eene op zich zelve geringe leugen ook dan groote zonde, wanneer zij groote ergernis ten gevolge heeft, hetgeen niet zelden plaats vindt bij leugens uit scherts, waarbij men geestelijke of wereldlijke overheden belachelijk maakt. In alle andere gevallen is de leugen slechts eene dagelijksche zonden, doch van de hatelijkste en onteerendste soort, vooral wanneer het liegen gewoonte wordt. \') Hoezeer God de leugen haat en hoe streng Hij ze
den kant der menschen, aan wie men de fout bekent, te wachten heeft. — Een negenjarige knaap had iets gebroken, en daar hij wel wist, dat zijn vader daarover zeer vertoornd zon zijn, weende hij bitter. De dienstboden, vroegen hem, waarom hij tocli zoo schreide, en gaven hem, nadat zij de oorzaak zijner tranen hadden vernomen, den raad, zich met eene leugen uit den nood te ledden. Ue knaap wees echter dit middel om de straf te ontgaan bepaald van de hand, zeggende; „Het is beter geslagen te worden dan te liegen. Vader j^mag met mij doen, wat hij wil; ik zal nooit liegen, al zou vader ;/mij doodslaan. Want,quot; zoo voegde het goede kind er bij, //hoe „zou ik het durven wagen, de H. Maagd Maria ooit weder om iets vte vragen, als ik onwaarheid sprak?quot; (Lohner Bibliotheek.)
\') Eene leugen, welke op zich zelve klein schijnt, kan nu en dan zeer groote gevolgen hebben. — Aan keizer Theodosius werd op zekeren dag een phrygischen appel van buitengewone grootte ten geschenke gebracht. Theodosius zond terstond de zeldzame vrucht naar zijne gemalin, de keizerin Eudoxia. Deze gaf den reusach-tigen appel, zonder het minste kwaad daarbij te denken, aan Pauli-nus, een hoveling, dien zij evenzeer om zijne deugd, als om zijne buitengewone geleerdheid hoogachtte. Paulinus nu wist niets beters te doen dan het van de keizerin gekregen geschenk aan den keizer te quot;brengen. Theodosius stond verbaasd, dacht over het zeldzame voorval na, en kreeg, door ijverzucht verleid, eene zeer slechte gedachte. Hij vervoegde zich terstond bij Eudoxia, en vroeg haar, wat zij met den appel gedaan had. Verrast en niet zonder bezorgdheid, dat de keizer, haar gemaal, kwaad mocht vermoeden, als zij de waarheid verhaalde, gaf zij met schijnbare rondborstigheid ten antwoord, dat zij den appel reeds gebruikt had. Ue keizer vroeg haar ten tweeden male. Eudoxia gaf hetzelfde antwoord en bevestigde het zelfs met een eed. Meer was niet noodig, om het opgevatte kwaad vermoeden in een boven allen twijfel verheven oordcel te veranderen. Buiten zich zeiven van gramschap, verweet hij zijne gemalin de leugen, en liet, om haar daarvan oogenblikkelijk to overtuigen, den haar geschonken appel te voorschijn brengen. Alsdan veroordeelde hij Paulinus ter dood en zond Eudoxia in ballingschap. Zulk een groot ongeluk stichtte eene enkele kleine noodleugen. — Vooral moet, men de ongelukkige gewoonte van liegen vermijden. De woorden van hem, die deze gewoonte heeft aangenomen, worden bijna altijd in twijfel getrokken, en dus ziet de leugenaar zich in zekeren
346
soms bestraft, toont ons op eene schrikbarende wijze het voorbeeld van Ananias en Saphira, die den dood stierven, wijl zij gelogen hadden tegen den H. Geest. — Hoewel het nooit geoorloofd is, eene onwaarheid te zeggen, ismen evenwel in den omgang met anderen niet altijd verplicht, de waarheid in al hare uitgestrektheid , gelijk wij ze kennen, te zeggen. Er komen zelfs gevallen voor, dat men uit naastenliefde of van ambtswege verplicht is, de waarheid te verzwijgen en op de gestelde vragen een ontwijkend antwoord te geven. \')
zin in de noodzakelijklieid gebracht, ze met eeden te bevestigen, om alzoo zijnen evenmensch geloof af te dwingen. Bovendien is de slechte gewoonte van liegen eene dier zielekwalen, welke maar zeer moeie-lijk te genezen zijn, gelijk de romeinsche Katechismus opmerkt.
\') Zoo mag men in het algemeen onbevoegde vragen, op welker beantwoording de vrager geen recht heeft, eenvoudig afwijzen met de woorden: »Dat gaat mij niet aan;quot; — //ik bekommer mij over //dergelijke zaken niet,quot; — ^ik heb tijd noch lust mij met het doen en //laten van anderen te bemoeien,quot; enz. — De H Thomas van Kantelberg zag zich om zijne standvastigheid in de verdediging der kerkelijke rechten genoodzaakt, voor de bloedige wraak van Hendrik II te vluchten. Als een arme monnik verkleed, op een paard zonder toom en zadel zittend, ontmoette hij op zijne vlucht de gewapenden des konings, die hem vroegen, of hij de Aartsbisschop van Kantelberg was. Thomas lachte en zeide: «oordeelt zelf, of dit het gewaad van //een Aartsbisschop is.\'1 Door d:.t ontwijkend antwoord ontkwam hij aan de handen der gerechtsdienaren. — Somtijds kan men ook op snedige wijze de aandacht van den vrager van het onderwerp der vraag afwenden, of ook door eene uitdrukking, wier dubbele of meervoudige zin zich uit de omstandigheden laat afleiden, de waarheid verbergen , welker openbaarmaking een hoogere plicht verbiedt. //In het loven van de Heiligen Gods,quot; schrijft de H. Franciscus van Sales in zijne Philothea, B. 11. hoofdst. 30, //vinden wij verscheidene «voorbeelden van dien aard.\'quot; Bekend is dat van den H. Athanasins, Patriarch van Alexandrië. Deze zeilde van Alexandrië den Nijl opwaarts, om den bloeddorst van Jnlianus den Afvallige te ontkomen. Toen hij het keizerlijk schip, waarop, gelijk men met zekerheid kon vermoeden, de te zijner vermoording uitgezonden huurtroepen zich bevonden, in het gezicht kreeg, liet hij terstond de bark wenden en stroomafwaarts sturen. Spoedig waren de schepen tegenover elkander, en de bevelhebber van het keizerlijk jacht deed aan den Patriarch zeiven de vraag, of Athanasius nog ver van daar was De voortvluchtige Patriarch antwoordde met kalmte: ,Athanasius is niet zeer //ver verwijderd.quot; Hierop zeilden beide schepen naar een verschillenden kant, en de Heilige was gered, zonder onwaarheid gezegd te hebben. De vrager had gemakkelijk op de gedachte kunnen komen, dat het antwoord: „Athanasius is niet ver verwijderd .quot; beteekende, hij bevindt zich op het schip; maar God verhoedde dit, en de dienaar Gods was niet verplicht er zijne vervolgers opmerkzaam op te maken. — De Godgeleerden, onder anderen de H. Ligorio, veroor-looven den biechtvader, die over iets gevraagd wordt, wat hij slechts uit de biecht weet, te antwoorden: ;/lk weet het niet.quot; Ditisgeene leugen; want tegenover hen, die hem daarnaar vragen, is het eveneens, als wist hij het in het geheel niet, daar hij het onder geene omstandigheden mag mededeelen. ledereen moet dit weten en kan bijgevolg ook den hier gemeenden zin van het ontkennend antwoord
347
Aan de leugen sluit zich in \'t algemeen elke veinzerij en in het bizonder huichelarij aan, waardoor men zich beter of vromer voordoet dat men inderdaad is, om daardoor anderen in dwaling te brengen. Huichelarij is eene soort van leugen, daar de huichelaar zijn evenmensch door woord en daad, door teekens en gebaren in den waan zoekt te brengen, dat hij vroom en deugdzaam is, ofschoon hij wel weet, dat hij het geenszins is. De huichelarij is bijgevolg gelijk de leugen op zich zelve zonde en wel groote zonde, als daardoor de ware vroomheid en deugd in een kwaden naam komen. Huichelaars van de gevaarlijkste soort zijn zij , die aan al hun doen en laten een bekoorlijken schijn van rechtschapenheid en vroomheid weten te geven, om anderen des te gemakkelijker te verleiden, of in de strikken hunner verkeerde tegen het ware geloof strijdende begrippen te lokken en voor hunne verwerpelijke sekte te winnen. — Hoezeer God de huichelarij verfoeit, zien wij duidelijk in den goddelijken Heiland, die de schijnheilige Phariseën met groote strengheid behandelde en hun vol heilige verontwaardiging toeriep!: „Wee u. Schriftgeleerden en Phariseën, „schijnheiligen! want gij zijt gelijk aan witgepleisterde „graven, die van buiten den menschen wel fraai schijnen, „maar van binnen vol zijn van doodsbeenderen en alle „verrotting. Alzoo ook schijnt gij wel den menschen van „buiten rechtvaardig, maar van binnen zijt gij vol geveinsd-„heid en boosheidquot; (Matth. XXIII, 27—28). — Hetgeen aangaande de huichelarij gezegd is, geldt ook meer of min van elke andere valschheid. Zoo is bijv. gehuichelde vriendschap, gelijk die van Judas, evenzeer eene feitelijke leugen als huichelachtige vroomheid.
Hoe maakt men zich schuldig aan kwaadxpreken ?
Als men zonder noodzakelijkheid de gebreken van den naaste openbaart.
Wie met eene of meer werkelijke, maar geheime fouten zijns naasten bekend is, en buiten noodzakelijkheid, d. i. zonder eene toereikende reden, die aan anderen bekend maakt of openbaart, maakt zich aan kwaadspreken schuldig. Het kwaadspreken is dus eene krenking of vermindering van de eer des naasten, d. i. van zijnen goeden naam.
begrijpen. Ten slotte moet echter nog bemerkt worden, dat het niet geoorloofd ia, zonder noodzakelijkheid of gewichtige redenen dergelijke dubbelzinnige spreekwijzen ter verberging der waarheid te bezigen.
348
Deze zonde strijdt zoowel tegen de christelijke naastenliefde als tegen de rechtvaardigheid: tegen fa naastenliefde, daar de kwaadspreker zijnen evenmensch een letsel toevoegt, dat hem allerdiepst moet kwetsen; tegen de rechtvaardigheid, dewijl hij een der dierbaarste goederen van den naaste, de eer ol achting, aantast, waarop deze recht heeft bij allen, zoolang zij niets van diens geheime gebreken weten. En men zegge niet, dat de naaste door zijne fouten het recht op de algemeene achting verloren heeft. Dit zou waar zijn, als hij zijne misslagen of zonden openlijk, als \'t ware voor aller oogen, tot algemeene ergernis begaan had; doch bij geheime fouten is dit geheel anders: de goddelijke wet veroorlooft niet, deze zonder eene voldoende reden te openbaren, evenmin als het een privaat persoon vrij staat, een misdadiger, die het leven verbeurd heeft, op eigen gezag te dooden.
Men mag echter, ja, men moet de geheime fouten van den naaste bekend maken, als dit 1) ten beste van den zondaar, of 5!) ter ver-hoeding van grooter onheil noodzakelijk is — Heeft men gegronde hoop, dat de zondaar, duordat men de fouten, welke hij in het geheim bedrijft, aan anderen, die het kwaad kunnen tegengaan, openbaart, tot inkeer zal komen en verbeterd worden, dan bezondigt men zich door eene dusdanige openbaring noch tegen de hem verschuldigde liefde, daar men inderdaad hnm den grootsten liefdedienst bewijst, noch tegen de gerechtigheid, daar de zondaar geen recht heeft te verlangen, dat men tot zijne eigen groote schade de door hem begane misdrijven stilzwijgend gedoogt. L\'e Heiland zelf stelt ons in dit geval de openbaring van eens anders misdrijven ten plicht, zeggende ; // als uw broeder tegen u gezundigd (door zijne slechte daden
u geërgerd) ,heeft, ga en berisp hem tusschen u en hem alleen.....
#indien hij niet naar u hoort, neem er nog een of twee met u.....
,/En indien hij ook naar hen niet hoort, zeg het aan de Kerk,quot; aan de kerkelijke overheid (Matth. XV111, 15—17). Eveneens is het ook geoorluol\'d, somtijds zelfs strenge verplichting de geheime misslagen van een ander te openbaren, als die openbaring een noodzakelijk middel is, om een aanmerkelijk nadeel af te wenden, dat uit het verzwijgen voor dengene, die het verzwijgt, of voor anderen, wellicht zelis voor Kerk en Staat, zou voorlkomen. Want ook in zulke omstandigheden wordt noch de liefde noch de gerechtigheid gekwetst; de liefde niet, dewijl in \'t algemeen niemand verplicht is, van een ander eene schade af te weren, als hij voorziet, dat hij zelf of anderen daardoor een even groot of nog veel grooter nadeel zullen lijden; ook niet de gerechtigheid, wijl degene, die misdaan heeft, niet dan zeer ten onrechte zou kunnen vorderen, dat men zijne eer onaangetast laat, indien anderen daarvan een tijdelijk of geestelijk nadeel zouden hebben. Zoo mocht de H. Paulns met het volste recht aan Timotheus (2 Br. IV, 14, X5,) schrijven; ,/Alex-«ander de smid, heeft mij veel kwaad gedaan. Mijd ook gij hem, ,want hij heeft zich zeer tegen onze reden verzet.quot; Zoo mogen en moeten bijv. ook jongelieden de onbetamelijke handelwijze en de pogingen van een verleider; dienstboden de geheime verkeeringen of dieverijen van hunne mededienstboden of van de kinderen des huizes; onderdanen de oproerige en verraderlijke plannen van den naaste aangeven en aan den dag brengen. Desgelijks mag en moet men ook diegenen ontmaskeren, die in het geheim onzedige, ket-
349
tersche of goddelooze grondstellingen verbreiden, wiil daaruit voor de geheele maatschappij de verderfelijkste gevolgen ontstaan. — Daarbij dient echter wel in acht genomen te worden: 1) dat men de fouten met eene goede meening openbare en alleen aan diegenen, die het kwaad kunnen verhelpen. Geschiedt de overigens geoorloofde, ja zelfs plichtmatige openbaring van eens anders fouten uit nijd, haat, ijverzucht, wraakzucht of met andere dergelijke bedoelingen, dan zou men zich wel niet door de openbaring ze.lvê, maar door de hartstochtelijke bedoeling en gezindheid bezondigen. Moge ook de openbaring van dergelijke misslagen niet met eene kwade meening, maar alleen uit praatzucht geschieden, zij is immer zonde, wanneer zij plaats heeft zonder eene billijke reden, of aan diegenen, die het kwaad niet kunnen keeren. In dit opzicht bezondigen zich zeer vele dienstboden, die onder elkander vrij de gebreken der kinderen openbaren, maar zich wel wachten aan hen, wier plicht het is, dezen terecht te wijzen, daarvan kennis te geven. Niet zelden geschiedt het ook, dat men over de ongetrouwheden van eens anders dienstboden, over de bedriegerijen van handwerkslieden en kooplieden, enz, zich onderhoudt en uitlaat, zonder evenwel de bestolenen zelve op de misslagen dier lieden aandachtig te maken. Eene dusdanige openbaring van eens anders gebreken is zeker zondig, wijl zij onbehoorlijk en doelloos is, daar op die wijze noch degenen, die misdoen, gebeterd, noch de schade van den naaste afgekeerd wordt; zij is eene heillooze verbreiding van de ergenis. — Bij de gegronde en geoorloofde openbaring van geheime fouten mag men 2) die niet vergrooten, en de onzekere niet als zeker aangeven. Zoowel de liefde als de gerechtigheid eischt, dat men bij dergelijke aanklachten of onthullingen, welke men den ouders aangaande hunne kinderen, den oversten aangaande hunne dienstboden en onderhoorigen doet, streng bij de waarheid blijft. Alles wat bezijden de waarheid gaat, is zonde, is zelfs lastertaal. Hierover meer in de verklaring der volgende vraag.
Hoe zondigt men door laster?
Wanneer men den naaste fouten toedicht, die hij volstrekt niet heeft, of zijne werkelijke fouten vergroot.
Lasteren wil zeggen, zijnen naaste in een kwaden naam brengen dooi- valschelijk van hem te zegfgen, dat hii deze of gene ftrat bedreven heeft, met deze of gene misdaad besmeurd is. Zoo lasterden de Joden den goddelijken Heiland, toen zij van Hem zeiden, dat Hij zich als koning had willen opwerpen, dat Hij een sabbathschenner, een dronkaard was, enz. De laster (calumnia) is alzoo van het kwaadspreken (detractio) daardoor onderscheiden, dat zij iets onwaars, geheel of gedeeltelijk verdichte fouten van den naaste zegt, terwijl het kwaadspreken ware, werkelijk bestaande fouten openbaart, die men moest verzwijgen, üe laster strijdt bijgevolg niet enkel tegen de liefde en gerechtigheid, gelijk het kwaadspreken, maar ook tegen de waarachtigheid gelijk de leugen. Derhalve geldt alles, wat totdusverre van de leugen en van het kwaadspreken gezegd is, eveneens van den laster, en dit te meer, omdat het toedichten van misdrijven nog met eene bizondere
350
boosheid gepaard gaat, en de liefde en gerechtigheid zwaarder krenkt dan het opgeven van werkelijke misslagen. Ook de overdrijving of vergrooting van werkelijk bestaande fouten des evennaasten wordt, zooals in het vorig antwoord is opgemerkt, met recht als eene soort van laster beschouwd. Want datgene, waardoor de bestaande gebreken vergroot worden, is eene eerkrenkende leugen, biigevolg laster — Behalve de grove, onverholen lastertaal is er ook eene fijnere, meer bedekte, welke zich achter een schijn van billijkheid, welwillendheid en argeloosheid weet te verbergen, om slechts des te meer en zekerder den naaste te benadeelen. Dusdanige lasteraars beginnen somwijlen het gesprek over hunnen evenmensch met lofspraken, doch eindigen die of breken ze af met een verdacht ,.maarquot; of „evenwel j\'\' waardoor den goeden naam der geprezenen een veel grooter nadeel wordt toegebracht, dan wanneer zij hen onverholen gelaakt hadden. „Deze vrouw is braaf,quot; zeggen de lieden van dat slag, „zij gaat veel ter kerk, enz.; „mocht men evenwel alles zeggen, wat men weetquot;.... Men breekt het gesprek af en laat de aanwezigen, tot kwade vermoedens geneigd, het ergste denken. „Die man,quot; zoo spreekt men, „is spaarzaam en vlijtig; maar ik heb „dingen gehoord, die zeker niemand van hem gedacht zou „hebben.quot; Anderen leiden hunne lastertaal in met te betreuren, dat zij niet geheel in hetzelfde gunstige gevoelen aangaande dezen of genen persoon, die in hun bijzijn geprezen wordt, kunnen deelen. Heeft hunne lichte verdenking indruk gemaakt, dan laten zij zich herhaaldelijk vragen, als \'t ware dwingen om datgene, wat zij ondervonden of bemerkt hebben, bekend te maken. Slechts tegen hun gemoed in, naar zij voorgeven, komen zij eindelijk voor den dag en hanteeren het mes der liefdelooze kritiek zoo meesterlijk, dat er aan den persoon, die tot-dusverre aller achting en eerbied werd waardig gekeurd, niets goeds meer overblijft. De prijzenswaardige handelingen van hunne offers schrijven zij toe aan eerzucht, huichelarij en list; hunne onbestreden verdiensten zoeken ze geheel weg te cijferen en de edele eigenschappen van hun hart plaatsen zij in een verkeerd daglicht. Waagt iemand een woord van waarheid in het midden te brengen, dan nemsn zij den indruk weg, dien het op de aan wezenden maakt, door een veelbeteekenend stilzwijgen, door een sluwen glimlach. Waarlijk, „wie op die wijze lastert, doet niet „minder dan eene slang, die in stilte steektquot; (Pred. X. 11).
Zoowel de laster als het kwaadspreken zijn op zich zelve zware zonden, wijl zij den goeden naam kwetsen, die,
351
volgens de uitdrukking der H. Schrift, „beter is dan veel „rijkdomquot; (Spr. XXII 1). Op het gevoelige van den laster wijzende, spreekt de wijze Sirach (XXVIII, 21); „de „slag van een geesel maakt striemen, maar de slag van „de tong verbrijzelt het gebeente.\'\' Daarom waarschuwt de
H. Geest voor de lastertaal met den meesten nadruk: „vrees, mijn zoon, den heer en den koning, en meng u „niet onder de lasteraars, want plotseling ontstaat hun „verderfquot; (Spr. XXIV, 22); en de H. Paulus telt den laster onder de afschuwelijkste misdaden, waarin de Heidenen vervielen, toen God hen aan hun ongeluk overliet (Kom.
I, 30). Zelfs met tijdelijke straffen bedreigt God de lasteraars en eerroovers, als Hij door den mond van den koninklijken Profeet spreekt: „Den man met eene kwade tong „zal \'t niet wel gaan op aardequot; (Ps. CXXXIX, 12). Dit ondervond Aman, de gunsteling van koning Assuerus. Hij had het joodsohe volk bij zijn gebieder belasterd, alsof zij de wetten van het rijk niet naleefden. Het bloedbevel, dat hij door die lastertaal had uitgelokt, bleef onvolvoerd. De lasteraar echter viel kort daarna bij den koning in ongenade en eindigde zijn leven aan de galg. (Esth. XIII.)1).
\') De straf van den lasteraar blijft meestal reeds op deze wereld niet lang uit. De H. Gregorius, Bisschop van .Neo-Cesareii, bijgenaamd /,de wonderdoener,quot; maakte als Kateclmmeen te Alexanririë schitterende vorderingen in de christelijke wetenschappen, en leidde daarbij een zoo onscnuldig leven, dat zijne kennis zoowel als zijne hooge deugd den nijd van andere jongelingen opwekten. Zij kochten eene vrouw om, die aan Theodorus, (zooheette Gregorius als Katechu-meen) zware zonden verwijtei moest, op het oogenblik dat hij in een gezelschap van geleerde mannen wetenschappelijke vragen ophelderde. Met een groot misbaar verlangde zij liet geld van hem, hetwelk hij haar, gelijk zij stout beweerde, schuldig was. Allen stonden daarover verbaasd, behalve Theodorus. Hij beval met groote bedaardheid zijnen knecht, het verlangde geld te betalen, om door haar met rust gelaten te worden. i)it geschiedde. .Nauwelijks echter had de ongelukkige het geld in ontvangst genomen, of de bóoze geest maakte zich van haar meester. Onder vreeselijke stuiptrekkingen en jammerklachten viel zij op den grond neder, en zij zou gestorven zijn, had Theodorus niet de genade Gods over haar afgeroepen, door dit gebed haar gezond gemaakt, zijne benijders beschaamd en de hel verwonnen (Hahn-Hahn, de Martelaars). — De H. Bernardus verhaalt in het leven van den H. Malachias, Aartsbisschop en Primaat van Ierland, het volgende voorval. Ken man, die door zijne geslepen tong voornamen en armen aanzien en zells bij den koning hooge gunst verworven had, trad overal als vijand van den H. Aartsbisschop op, overviel hem dikwijls met schimpwoorden, en lasterde hom in zijne afwezigheid. Maar zijne onbeschaamde lastertong kreeg spoedig liet verdiende loon. Zij zwol op en ging tot verrotting over, zoodat de wormen in groote menigte uit zijn lasterenden mond te voorschijn kwamen. Na zeven dagen van onbeschrijfelijke smarten gaf de ellendeling den geest. — Als de bovengenoemde Aartsbisschop op zekeren dag tot het volk sprak, verstoutte zich een roekeloos vrouwspersoon,
352
Is elke zonde van laster of Ttwaadsprékendheid even groot?
Hoewel lasteren en kwaadspreken als krenking van den goeden naam uit hunnen aard doodzonden zijn , mag toch niet beweerd worden, dat eenieder telkens, wanneer hij van den naaste eenig kwaad zegt, zich aan eene zware zonde schuldig maakt. Want nu en dan geschiedt het, dat men enkel uit onachtzaamheid, overijling of verrassing een woord te veel zegt, waarover men al spoedig berouw gevoelt, of dat men slechts gering kwaad vertelt, slechts algemeene niet zeer onteerende uitdrukkingen gebruikt, bijv. dat deze en gene luimig is, gaarne tegenspreekt. In dergelijke gevallen maakt men zich niet aan eene doodzonde plichtig. — In het algemeen kan gezegd worden, dat de zonden van kwaadspreken of laster grooter zijn, naarmate 1) de fouten aan merkelijker, en de persoon, over wien men spreekt of die zijne meening uitspreekt, aanzienlijker is. Wie een groot misdrijf van een ander openbaart, of hem eene grove fout toedicht, zondigt ontegensprekelijk zwaarder dan degene, die slechts een geringen misslag ontdekt of valschelijk aan iemand toeschrijft, omdat de openbaring of toedichting van het eerste er meer toe bijdraagt, den goeden naam van den ander te bevlekken, vooral wanneer het tot eene soort van zonden behoort, die in het algemeen of minstens door degenen, in wier bijzijn de eerrooving of laster plaats heeft, meer dan andere verfoeid, voor hatelijker en onteerender gehouden worden. Eene verzwarende omstandigheid van den laster en de eerrooving is het ook, wanneer de bekend gemaakte of toegedichte fout als meermalen plaats gehad hebbende wordt voorgesteld; want de meermalen herhaalde misslag geeft recht om te denken, dat de beschuldigde zich eene kwade gewoonte van die misdaad gemaakt heeft. — Bij overigens dezelfde gebreken is de zonde van laster en eerrooving des te grooter, hoe vlekkeloozer de goede naam, hoe grooter het aanzien, hoe hooger de waardigheid en het ambt van den persoon is, wien men belastert, of wiens geheime fouten men ontdekt. De reden daarvan is deze, dat een zoodanig persoon de krenking van zijn goeden naam veel dieper en smartelijker gevoelt, en daarenboven veel grooter nadeel daardoor lijdt.
den spreker met liistevingen en beschimpingen te onderbreken, en hem voor een huichelaar en dief uit te schelden. Malachias, zachtmoedig en zedig als hij was, antwoordde geen woord; maar de Heer antwoordde voor zijnen dienaar. De lasterende vrouw werd eensklaps krankzinnig en riep onophoudelijk uit; „Malachias verwurgt mij! „Malachias verwurgt mij!quot; totdat zij kort daarop een vreeselijken dood stierf.
353
^—
Ten opzichte van dusdanige personen kan men zich zelfs door het toedichten van geringe misslagen aan eene zware zonde schuldig maken. Dit zou bijv. het geval zijn, als men van een geacht overheidspersoon zeide, dat hij een, schoon onbeduidenden , diefstal of eenig klein bedrog gepleegd had. — Eveneens wordt de zonde van laster en eerrooving verzwaard, als de persoon, die lastert of kwaadspreekt, overigens bezonnen, geloofwaardig of hooggeplaatst is, dewijl in dit geval de laster of eerrooving gemakkelijker en in uitgestrekter, invloedrijker kringen ingang vindt, en zoo de goede naam van den belasterde veel zwaarder en gevoeliger gekwetst wordt. — De zonde van laster en kwaadspreken is des te grooter, naarmate de schade en het nadeel, hetwelk daaruit ontspruit, grooter is. Laster en eerrooving hebben, behalve de krenking van den goeden naam, dikwijls nog andere nadeelen ten gevolge, namelijk die met het verlies van den goeden naam verbonden zijn en onmiddellijk daaruit voortkomen. Die nadeelen zijn dikwijls onberekenbaar. Met den goeden naam gaan meestal de vrede en de vreugde des harten en des huisgezins verloren, gaan verloren lust en liefde ter vervulling der beroepsplichten , verloren het noodig aanzien, de algemeene achting, de invloed, dien men tot dusverre op zijns gelijken en zijne ondergeschikten heeft uitgeoefend, verloren het vertrouwen, hetwelk men in handel en wandel genoten heeft. Een beambte, die door het kwaadspreken zijn iroeden naam heeft verloren, verliest niet zelden zijne betrekking, de werkman en handwerker zijne begunstigers, de dienstbode zijn dienst, de arbeider zijn dagelijksch brood, en van dit alles draagt de lasteraar en eerroover de schuld. Hoevele gelukkige verkeeringen worden door het belasteren van den bruidegom of de bruid vernietigd; hoevele winstgevende betrekkingen achteruit gezet; hoevele eerbiedwaardige en degelijke mannen van openbare ambten en waardigheden uitgesloten, uitgesloten niet enkel tot hun eigen nadeel, maar ook tot groote schade van gemeente, stad of rijk, waartoe zij behooren ! — Niet minder schadelijk dan de laster en het kwaadspreken betreffende zedelijke gebreken, is vaak ook de bekendmaking van zekere ont-eerende vlekken, welke den naaste buiten zijne schuld aankleven, bijv. zijne onwettige geboorte; eveneens de valsche aantijging, dat iemand in zijn vak of in het waarnemen van zijn ambt weinig bedreven is, enz. Ook op die wijze kan de goede naam van den evennaaste grootelijks in gevaar gebracht en gekrenkt worden.
Door kwaadspreken en lasteren bezondigt men zich des
■DEHARBB, GELOOFSLEER. !II. 3lt;le DRUK. 23
-
354
te zwaarder, naarmate 3) meer personen die lastertaal hooren. Immers het blijkt van zelf, dat de naaste zoowel aan zijnen goeden naam, als ook dien ten gevolge aan zijne andere goederen veel grooter schade lijdt, en veel gevoeliger gekrenkt wordt, wanneer geheime fouten in tegenwoordigheid van vele. vooral van achtbare personen aan den dag gebracht of verdicht worden. De genoemde zonden zijn eindeliik des te grooter, naarmate 4) de bedoeling, welke men daarbij heeft, slechter is. Ofschoon men namelijk ook dan zich zwaar vergrijpen kan, als men uit lichtzinnigheid en praatzucht den goeden naam des naasten, vooral op het punt van eerbaarheid, aanmerkelijk krenkt, zondigt men toch zeker bij overigens gelijke omstandigheden zwaarder, als men met eene kwade bedoeling, uit nijd, liefdeloosheid, wraakzucht en met den wil en het voornemen om den evenmensch te benadeelen, kwaadspreekt of lastert.
Tot deze zonden behoort nog het hatelijke misdrijf van oorblazerïj, hetwelk daarin bestaat, dat men, zonder eene gegronde reden, aan iemand terug zegt, wat een ander nadeeligs of ongunstigs van hem verteld hedft, en zoo haat, tweedracht en niet zelden doodelijke vijandschap sticht. De li. Geest stelt de verderfelijke gevolgen der oorblazerij met de krachtigste trekken voor oogen. „ De „oorblazerquot; zegt Hij, „wordt vervloekt; want onder velen, „die in vrede leven, richt hij verwarring aan. De tong „van een derden (van een boosaardigen overdrager) heeft „reeds velen aangehitst.... sterke steden heeft zij (door tweedracht) vernield en vorstelijke huizen ondermijnd; de „macht der volkeren heeft zij gefnuikt en krachtige natiën „uitgeroeid.... Wie op zulk eenen acht slaat, zal geene „rust hebben, en geen vriend, op wien hij zich verlaten „kanquot; (Spr. XX VIII, 15—20). „Is daarentegen de „oorblazer verwijderd, dan rusten de oneenighedenquot; (Spr. XXVI, 20). Daarom waarschuwt de wijze birach (V,16, 17): „Moogt gij toch geen oorblazer heeten, opdat gi; „met uwe tong niet uwe schande bewerkt! Op den ooibla-„zer valt haat, vijandschap en onteering.\'\'
De zonde van kwaadspreken wordt helaas! maar al te vaak bedreven In vele gezelscliappen weet meu zich nauwelijks over iets anders te onderhouden, dan over de feilen, welke de naaste gemankt heeft of gemaakt moet hebben. Keeds de H. Hleronymus waarschuwt daarvoor in zijn brief aan Celantia, eene romeinsche dame, die hem om voorschriften aangaande het geestelijk ieven gevraagd had. ;/Er //Zijn,quot; aldus schrijft hij, //maar zeer weinigen, die zich van deze //zonde vrij houden. Zeiden zult gij menschen vinden, die er niar //Streven, zoo vlekkeloos te leven, (lat zij afstand doen van het ge-//iioegen, hot leven van anderen te laken. Ue booze zucht tot laken ,heeft zich zoozeer van het menschelijk hart bemachtigd, dat zelfs
355
„zij, die zicli van de overige zonden ontslagen hebben, in deze als z/in den laatsten strik des satans vervallen.quot; — Betrekkelijk deze zonde bedriegt men zich zeiven vaak, en zijn de menigvnldigste verontschuldigingen in omloop; verontschuldigingen, waardoor boosheid en gehuichelde rechtschapenheid zich iets voorliegen. Dikwijls genoeg hoort men; ,ik heb die zaak niet uit de lucht gegrepen; „ik vertel maar, wat ik van anderen gehoord heb.quot; Men acht zich aldus gerechtigd, kwaadsprekers en lasteraars te zijn, wijl anderen het ook zijn, en in plaats van anderen daarin te verhinderen, maakt men zich medeplichtig. »Hebt gij iets nadeeligs tegen uwen naaste //gehoord,quot; zegt de wijze Sirach (XIX, 10), «laat het in u wegsttrven, //wees verzekerd, dat het u niet hinderen zalquot;. Wat beteekent dat, vraagt de H. Chrysostomus, (3 over de beeldzuilen), //wat beteekent: *laat het in u wegsterven.quot; Dat wil zeggen, //verdelg het, begraaf //het, laat het er niet meer uitkomen.quot; — //Haar de misslag was //reeds bekendquot; Is eene zondige daad niet enkel aan eenigen, maar inderdaad algemeen of aan zoovelen bekend, dat zij weldra openbaar zal worden, dan is de bekendmaking er van ter plaatse, waar dit het geval is, geene zonde tegen de gerechtigheid; het zou echter zonde wezen, als men het vergrijp vertelde op eene plaats, waar het niet bekend was, en ook zonder deze mededeeling niet bekend zou geworden zijn; desgelijks wanneer men het verhaalde aan hen, die wel eene verdenking, maar geene zekerheid er van hadden. Eene uitzondering hierop maakt echter het geval, dat de misdadiger door een openbaar vonnis als eerloos verklaard werd, daar het tot het algemeen welzijn dienstig is, te waarschuwen voor lieden . jegens wie het wereldlijk gerecht gestrenge maatregelen moet nemen. — Nochtans kan men zich ook in dit geval tegen de liefde bezondigen, vooral als het misdrijf reeds vergeten, de misdadiger verbeterd, of eene groote ergernis met de openharing der misdaad verbonden is. In hetalgemeen betaamt het den Christen niet, zonder eene genoegzame reden van bekende fouten des naasten te spreken. Het is en blijft immer eene onbehoorlijke handelwijze, en de Christen moet zich schamen, als hij zich het liefst met het kwaad van anderen bezig houdt. Het voegt hem beter, zich in de goede eigenschappen en deugden van zijnen even-mensch te verheugen. //Als ik geen goed van mijnen naaste weet te //zeggen,quot; merkt de H. Teresia aan, ,/dan wil ik liever van hem //zwijgen.quot; — Anderen verontschuldigen hun kwaadspreken met te zeggen: ,/ik heb het maar aan een enkelen gezegd en hem daarenboven //Streng het stilzwijgen aanbevolen.quot; — Inriien de mededeeling slechts geschied was, om bij dezen in gewichtige aangelegenheden raad te vragen, dan kan zij er eenigszins door; geschiedde zij echter enkel om het hart te ontlasten, aan kwade gezindheid lucht te geven of om andere nietsafdoende redenen, dan was zij zeker zonde, wijl het den naaste geenszins onverschillig kan zijn, zij het ook slechts bij een enkel persoon zijn goeden naam te verliezen. Dat gij het stilzwijgen hebt aanbevolen, doet niets ter zake. Treffend spreekt hierover Chrysostomus: /Hebben de lieden, die zich altijd //bekommeren om datgene, wat hun niet aangaat, weder iets kwaads //ontdekt, dan vertellen zij het aan een ander, en verbieden dezen «allerstrengst, het verder over te brengen, maar geven juist daar-//door te kennen, dat zij iets berispelijks gedaan hebben. Immers «als gij verlangt, dat men iets niet vertier zegt, hadt gij vooral het „niet moeten bekend maken. Wilt gij, dat iets niet bekend worde, „dan moet gij het eerst dit verzwijgen. Kunt gij zelf niet zwijgen, «zoo is het vergeefs, anderen tot zwijgen te vermanen.quot;
Is ook het luisteren naar kwaadspreken zonde?
Ja, het is zoude naar kwaadspreken 1) met welgevallen te luisteren. Komt het genoegen, dat men in het kwaad-
23*
356
spreken vindt, uit het genot voort, hetwelk men in het kwaad van anderen heeft, dan bezondigt men zich dikwijls zwaar door er naar te luisteren, geliik duideliik is ; ontstaat het daarentegen enkel uit de beweging der nieuwsgierigheid , dan begaat men in den rep;el slechts eene dageliiksche zonde. Is het voor den toehoorder, bijv. voor een overste, van groot belang, te weten, wat anderen van den persoon , van wien men kwaad spreekt, denken , en leent hii enkel met die bedoeling een gewillig oor, zonder tot kwaadspreken aanleiding te geven of dit te bevorderen, dan maakt hij zich aan geene enkele zonde schuldig. — Het is zonde 2) kwaadspreken niet te verminderen, waar men het kan. De christeliike liefde maakt het ons ten plicht, het kwaad te verhinderen en de schade van onzen naaste naar vermogen te beletten. Indien derhalve iemand ziet, dat men zijnen naaste een voorwerp van waarde zoekt te ontvreemden, en hii laat den dief, ofschoon hij met geringe moeite en zonder zelf groote schade te lijden , hem daarin verhinderen kan, niettemin rustig begaan, dan zou hij zich ontegensprekelijk tegen de liefde bezondigen. Hetzelfde geldt, als men dengene, die den naaste zijn kostbaarste kleinood, zijn goeden naam , heimelijk ontrooft, ongehinderd liet begaan, als men hem zonder veel moeite en nadeel daarin verhinderen kon. Derhalve vermaant de H. Schrift: „Omzoom „uwe ooren met doornen, en luister niet naar de kwaadsprekende tongquot; (Sir. XX VIII, 28). De H. Thomas merkt evenwel aan: „wanneer iemand niet uit welgevallen „in de zonde, maar uit menscheüjk opzicht, nalatigheid of „uit eene zekere angstvalligheid het kwaadspreken niet „tegengaat, zondigt hij wel, maar niet zwaar, gelijk de „kwaadspreker zelf, en is meestal slechts aan eene dage-„lijksche zonde schuldig.\'\' Dikwerf is het zelfs doelmatiger, dat men den eerroover niet rechtstreeks tegenspreekt en terecht wijst, wijl anders de kwaadspreker, om de verdenking, dat hij een kwaadspreker zij, van zich af te weren, genoodzaakt wordt, zijn gezegde nog meer te bekrachtigen en minstens schijnbare bewijzen voor den dag te brengen. Heeft men in het algemeen weinig of geene hoop, dat de rechtstreeksche terechtwijzing baten zal, dan is het beste, zijn afkeer van het kwaadspreken te bewijzen door zich te verwijderen, en waar dit niet gevoegelijk kan geschieden, eene andere wending aan het gesprek te geven, of door stilzwijgendheid en ernst te toonen, dat dergelijke liefdelooze gesprekken ons lastig vallen. De H. Geest zelf geeft dien raad in het boek der Spreuken (XXV, 23), als Hij zegt: „de noordenwind verdrijft den regen en een somber gelaat
357
„de kwaadsprekende tong.quot; Strenger dan anderen zijn echter de overheden verplicht, het kwaadspreken en lasteren , waaraan hunne onderdaken zich schuldig maken, te verhinderen, deels omdat zij dit gemakkelijk vermogen, deels ook, omdat zij in hunne hoedanigheid van overheid verplicht zijn, de fouten hunner onderhoorigen te berispen. Van den anderen kant moet men zich evenwel ook wachten , met overhaasting te denken , dat iemand de eer van zijnen naaste wil krenken, zoodra hij begint met iets kwaads van hem te zeggen wijl hij soms eene genoegzame reden daartoe hebben kan. — Het is zonde 3j tot kwaadspreken door vragen of aanmoediging gelegenheid te geven of dit voort Le zetten. — Terwijl hij, die het kwaadspreken niet verhindert, alleen tegen de liefde zondigt, vergrijpt zich degene, die het uitlokt of voortzet, tegen de liefde en tegen de rechtvaardigheid tegelijk. Men lokt het kwaadspreken uit, als men uit nieuwsgierigheid of vreugde over eens anders leed naar de gebreken van anderen vraagt, gesprekken over slechte geruchten, welke aangaande den naaste in omloop zijn, te berde brengt; somtijds ook als men de verdiensten van een ander bovenmate verheft, maar tevens daarbij laat doorstralen, dat men slechts de meening van anderen aanhaalt, zonder daarvan zeker te zijn. Men zei het kwaadspreken voort, als men het door woorden en gebaren bevestigt, den kwaadspreker prijst, en door allerlei bewijzen van bijval aanspoort. Zoodanigen zijn gelijk aan de deelgenooten van een brandstichter, die aan dezen de brandende toorts in de hand geven j hem op den weg brengen , waar hij het huis, hetwelk hij wenscht aan te steken, het gemakkelijkst kan naderen, en die hem door gebaren en wenken aansporen, om werkelijk brand te stichten. Van hen zegt de H. JBernardus (L. 11, de considerat.): „Het is „moeielijk te zeggen, wat doemwaardiger is, kwaad te „spreken of aan kwaadsprekers gehoor te geven.quot;
IVaartoe is degene verplicht, die de eer van den naaste gekrenkt heeft?
Hij is verplicht, 1) de geroofde eer terug te geven. Dewijl de eer een veel kostbaarder goed is, dan goud of zilver, is het duidelijk, dat wie haar aanmerkelijk krenkt, evenzeer tot teruggave verplicht is, als de dief, die goud en zilver ontvreemd heeft. Ook hier geldt het woord van den H. Augustinus: „zonder teruggave geene vergeving der „zonde.\'\' I)e eer van den naaste wordt volgens de gegeven verklaringen gekrenkt: ten eerste door onbillyke openbaring
358
van werkelijk bestaande, maar geheime gebreken, — hoiad-spreken; ten tweede door het verhalen van verdichte gebreken, = lader. Evenzeer, ja nog gevoeliger wordt de eer van den naaste gekrenkt, ten derde door he-tchi/nping, wanneer men namelijk niet alleen in zijne afwezigheid zijn goeden naam aanrandt, de goede raeening, welke anderen van hem hebben, vermindert, maar doordat men hem eer-krenkende woorden in zijn bijzijn toevoegt, of op andere wijze hem verachting toont, de hem toekomende inwendige en uitwendige achting rooft of schendt — Heeft iemand zijnen naaste door kwaadspreken van zijn goeden naam beroofd, dan is hij gehouden, dezen te verontschuldigen ea op andere geoorloofde wijze hem in zijne eer te herstellen. Zoo iemand mag niet zeggen, dat hij onwaarheid gesproken heeft; want dit zou eene zoogenaamde hulpleugen zijn, maar hij moet zich beijveren, den nadeeligen indruk van zijn kwaadspreken weg te nemen, door de verhaalde gebreken zooveel mogelijk te verontschuldigen, aan de goede eigenschappen des persoons, van wien hij kwaadgesproken heelt, te herinneren, hem bizondere bewijzen van achting te geven, en zoo den in de meening van anderen gedaalden persoon weder naar vermogen in zijne eer te herstellen. Indien het geopenbaarde gebrek, door gerechtelijk onderzoek of langs een anderen weg aan den dag gekomen, maar door den langen duur van tijd in vergetelheid geraakt is, dan is het beter, van het vroeger bekend gemaakte gebrek in het geheel niet meer te spreken. — Wie zijnen even-mensch door laster in een kwaden naam gebracht heeft, is tot herroeping verplicht, en wel tot eene openlijke herroeping, als de laster openlijk, bijv. in eene volksvergadering of door een spotschrift heeft plaats gehad. Deze herroeping is strenge verplichting voor den lasteraar, wijl zij het eenige middel is om de door lastertaal geroofde eer terug te geven. Zou echter de herroeping aan den herroepende veel meer schade berokkenen dan die, welke den evenmensch door het lasteren is toegebracht, of zou de plaatselijke afstand of andere omstandigheden de herroeping in zekeren zin onmogelijk maken, dan is de verplichting, om haar te doen, zoolang niet aanwezig, totdat zij minder schadelijk of door veranderde omstandigheden mogelijk is geworden. In het geval, dat de goede naam door eene rechterlijke uitspraak weder teruggeven is, of de gelasterde op zijne beurt den lasteraar heeft gelasterd, zou ook de verplichting van herroeping ophouden. — De krenking dei eer door hoon verplicht, openlijk of in het geheim vergiffenis te vragen, naargelang de hoon openlijk of onder
359
vier oogen heeft plaats gehad. Want de berooving van de uitwendige eer, van de achting bij de menschen, kan in den regel slechts hersteld worden door te verklaren, dat de evenmensch, die men onteerd, beschimpt heeft, onze achting en eer en die van anderen waardig zii; dit nu geschiedt door vergiffenis te vragen of voldoening te geven. Wat echter de wijze hiervan aangaat, deze is verschillend naargelang van de hoedanigheid en den stand van den hoonende en den gehoonde. Staat degene, die iemand gehoond heeft, hooger dan de gehoonde, is de eerste de overheid van den laatste, dan is hij tenminste verplicht, den gekrenkten onderdaan met welwillendheid te behandelen, hem het eerst te groeten, hem andere bewiizen van bizondere achting te geven Is de gehoonde zijns gelijke dan moet hij, die beschimpt heeft, toonen, dat hem ziine handelwijze berouwt, hij moet zich minstens verontschuldigen of andere pogingen doen, welke geschikt zijn, de verzoening tot stand te brengen Staat daarentegen de hoonende volgens zijnen rang onder den gekrenkten persoon, dan moet hij hem om vergeving vragen, tenzij gene van die voldoening afstand doet.
2) Hij is verplicht, alle andere schade te vergoeden. Dat uit het verlies van den goeden naam door kwaadspreken en laster, tengevolge waarvan de evenmensch van de innerlijke achting, welke anderen hem toedroegen, beroofd wordt, dikwijls veelvuldige en aanmerkelijke schade ontstaat, is reeds in het voorafgaande getoond. Het lijdt echter geen twijfel, dat de beschimping, waardoor de gehoonde meestal tegelijk van de uit- en inwendige achting beroofd wordt, eene niet minder groote, ja, in verhouding de grootste schade veroorzaakt. Daar nu iedereen, die den eveumensch op onrechtvaardige wijze eenige aanmerkelijke schade aan zijn eigendom heeft toegebracht, zich tot eene behoorlijke restitutie streng verplicht ziet, is het duidelijk, dat ook de eerroover, lasteraar en beschimper verplicht is de minstens eenigermate voorziene schade aan het tijdelijk vermogen te herstellen En deze verplichting van schadevergoeding gaat zelfs op de erfgenamen van den benadeelaar over, terwijl de verplichting van herroeping en van ver-gevingvragen alleen rust op den persoon, die gelasterd of gehoond heeft, en met zijnen dood ophoudt. — Het gezegde zal duidelijker worden in de toepassing op een bizonder geval. Veronderstel, iemand heeft van een koopman van beproefde deugd in tegenwoordigheid van anderen gezegd, dat hij een bedrieger is, slechte waren voor goede verkoopt, valsch gewicht en slechte maten heeft en dergelijke laste-
360
ringen meer. Als nu genoemde koopman tengevolge van deze lasterlijke aantijging een aanmerkelijk getal zijner begunstigers verliest en aldus groote schade lijdt, dan is de lasteraar niet alleen verplicht, voor den toegevoegden hoon vergeving te vragen, en die valsche verklaring te herroepen, maar ook de veroorzaakte schade naar vermogen te herstellen. Want in dit geval kon en moest de belee-diger, als hij zijn verstand wilde gebruiken, dit nadeelig gevolg zijner beschimping voorzien. Sterft de lasteraar voordat hij zijne verplichting vervuld heeft, dan behoeven zijne kinderen of andere erfgenamen aan den koopman noch vergeving te vragen noch herroeping te doen; alleen de verplichting van schadevergoeding rust op hen, omdat zij bezitters van het nagelaten vermogen zijn, waaruit volgens streng recht schadevergoeding gegeven moet worden.
Hoe zondigt men door kwaad vermoeden en vermetel oordeel ?
Men zondigt 1) door hoaad vermoeden, als men zonder voldoende reden van den evenmensch iets kwaads veronderstelt. — Wie van zijn evenmensch kwaad denkt, d. i. de meening koestert, dat hij iets kwaads gedaan heeft, doet, of voornemens is te doen, zonder dit evenwel voor zeker te houden, hij heeft een vermoeden van kwaad. Er is tweeërlei argwaan, namelijk een gegronde en een ongegronde, welke laatste ook valsche argwaan genoemd wordt, niet omdat hetgeen men vermoedt in elk geval valsch is, maar omdat de vermoedende geene voldoende reden heeft om te vermoeden, dat het waar is. Als bijv. een koopman door een ander herhaalde malen bedrogen is, heeft hij goede reden te denken of te vermoeden, dat deze ook in de toekomst bij de eerste de beste gelegenheid opnieuw zal trachten hem te bedriegen; zijn argwaan of zijne gedachte van kwaad steunt in dit geval op eene voldoende reden en is bijgevolg gerechtvaardigd. Heeft daarentegen gene zich altijd eerlijk getoond, en trekt hij niettemin zijne eerlijkheid in twijfel, misschien omdat hij in korten tijd een zeer aanzienlijk vermogen verworven heeft, dan zou zijn vermoeden op geene voldoende reden gegrond, een valsche argwaan, een kwaad vermoeden zijn. — Het kwaad vermoeden is volgens zijne natuur zoowel in strijd met de liefde, als met de rechtvaardigheid: met de liefde, omdat ook wij willen, dat anderen niet zonder reden kwaad van ons denken, twijfel over onze eerlijkheid en deugd koesteren; met de rechtvaardigheid, omdat men daardoor de inwendige achting van den evenmensch bij zich zeiven
361
aanrandt, en op onbevoegde wijze zich afvraagt, of hij haar waardig is of niet. Gelijk het nu met de rechtvaardigheid strijdt, zijnen eventnensch hij anderen in achting te doen dalen, zoo strijdt het evenzeer met haar, zonder voldoende reden de goede meening, welke ten opzichte van hem hij ons moet vaststaan, door kwaad vermoeden en verdenking aan het wankelen te brengen. Want er is onzen evenmensch evenveel aan gelegen, bij ons in goeden naam te staan, als bij iemand anders. Derhalve zegt de Profeet Zacharias (VIII, 17) : „Niemand denke kwaad „in zijn hart van den evenmensch. want dit haat ik, „zegt de Heer;\'\' en de H. Paulus ziet in de argwaan een kenteeken, dat men de ware naastenliefde mist, schrijvende : „zij (de liefde) denkt geen kwaadquot; (1 Cor. XIII, 5). — Hiermede wordt echter de voorzichtigheid , welke ons raadt, niet eenieder zonder onderscheid en in alle omstandigheden zonder verder nadenken te vertrouwen, noch veroordeeld, noch uitgesloten. Was de mensch, gelijk hij in den beginne uit Gods hand te voorschijn kwam, rechtvaardig, zuiver, en onschuldig, dan zou het alleszins onnoodig, ja, belee-digend en onteerend zijn voor eenieder, als men hem het volle vertrouwen ook maar een oogenblik weigerde; dewijl echter ten gevolge van de erfzonde zooveel het hart binnensluipt, dat eenieder in zekere zaken en omstandigheden zich zeiven wantrouwen moet, zoo strijdt het noch tegen de liefde, noch tegen de rechtvaardigheid, als men in het vertrouwen op de eerlijkheid en welwillendheid van den evenmensch eene zekere mate houdt. Dit geldt voornamelijk van de overheden, op wie de verplichting rust, een waakzaam oog op de onderdanen te houden. Onbetwistbaar blijven door een al te groot vertrouwen op de deugd hunner kinderen die ouders in gebreke, die hun veroorloven ge-meenzamen omgang in de eenzaamheid te houden , denkende en zeggende: „mijne dochter is braaf, en de jongeling ook; „er geschiedt volstrekt geen kwaad.quot; De bedorvenheid van het menschelijk hart en de door afgezonderde bijeenkomsten aangeboden gelegenheid, van haar toe te geven, is eene voldoende reden om te veronderstellen, dat het daar, tenminste op den duur, niet zonder zonde eindigen zal. Een zoodanig vermoeden , hetwelk niet den persoon der kinderen, maar hunne tot het kwaad geneigde natuur op het oog heeft, is noch liefdeloos, noch onrechtvaardig; veeleer is het een bewijs van voorzichtige liefde en plichtmatige ouderlijke voorzorg, waarvoor de kinderen niet dankbaar genoeg kunnen zijn. Gelijk het intusschen overeenkomstig de ware voorzichtigheid is, anderen niet te veel deugd toe
362
te schrijven, zoo is het van den anderen kant zeer onvoorzichtig, te veel kwaad van hen te denken, of altijd en in alle opzichten wantrouwend en argwanend te zijn. Niets toch grieft een edel hart meer, niets beneemt meer den moed en alle aansporing tot het goede en volmaakte, dan het tegen de borst stootende bewustzijn, bij elke schrede door het bespiedend oog van wantrouwen en kwaad vermoeden vervolgd te worden.
2) Door vermetel oordeel, als men zonder voldoende reden het kwaad, dat men van een ander denkt, voor waar en zeker houdt. Het vermetel oordeel is onderscheiden van het kwaad vermoeden alleen daardoor, dat het eerste een bepaald nadeel ig oordeel, een voor zeker houden van het kwaad is, hetwelk men van den evenmensch zonder voldoende reden denkt, terwijl het laatste bij een eenvoudig meenen of vermoeden staan blijft. Het is dien ten gevolge een op zich zelven grooter vergrijp tegen de liefde en rechtvaardigheid dan het kwaad vermoeden. Want gewis lijdt de goede naam van den evenmensch er meer ouder, als ik voor waar en zeker houde, dat hij kwaad gedaan heeft, het doet of voornemeus is te doen, dan wanneer ik het alleen vermoed, alleen geneigd ben, het yoor waar te houden Bij een veimetel oordeel zijn wij als \'t ware gezeten om te oordeelen over de bedoelingen en handelingen van onzen evenmensch, getuigen wij op onbevoegde wijze tegen hem, oordeelen of veroordeelen hem. Daarom vermaant de Heiland zelf: „Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordtquot; \\Matth. VU, 1); en (Luc. Vi, 37): „Oordeelt met en gij zult niet geoordeeld worden; ver-„oordeelt niet en gij zult niet veroordeeld worden.quot; \')
\') Het zat ons zeker in het sterfuur zeer tot troost verstrekken, als wij onzen evenmensch nooit vermetel geoordeeld hebben. — In een klüoster op den berg Sinaï leefde een monnik, die aan de al-gemeene geestelijke oefeningen vrij nalatig deel nam, en derhalve tij de overige monniken juist niet in den besten naam stond. Hij werd ziek. Ue Abt bezocht hem en zag tot zijne niet geringe verbazing, dat de zieke bij het naderen van den dood, in plaats van onrustig te worden, veeleer kalmer werd. Hij deed hem daarover een ernstig verwijt en gaf hem zijne verwondering te kennen, dat hij op liet cogenbllk, waarop hij aan God rekenschap over zijne misslagen zou gaan aüeggen, eene zoo groote kalmte van geweten kon hebben, daar hij tocli een in den dienst van Gud zoo traag leven geleid had. ,/Verwonder u niet, mijn vader,quot; antwoordde de zieke, /,de Heer heeft mij een Engel gezonden met de verzekering, dat ik /,in den hemel zal komen, en Hij zal zijn gegeven woord hoviden.quot; Hij heeft gezegd: „Uordeelt niet, dan zult gij niet geoordeeld wor-;/den; veroordeelt niet, dan zult gij niet veroordeeld worden.quot; //Ofschoon ik, hetzij uit ziekelijkheid, hetzij uit lauwheid, niet alle //gemeenschappelijke verplichtingen nauwgezet vervulde, zoo heb ik //toch niet nagelaten, met geduld steeds alle krenkingen, welke mij
363
Werkelijk verdient de bsoordeeling van onzen evenmensch en het vonnis van veroordeeling, hetwelk wij over zijne bedoelingen en handelingen uitspreken, een streng oordeel van den éénen goddelijken Rechter. Want, ten eerste, zijn wij onbevoegde rechters van den naaste. Onze evenmensch is Gods onderdaan, Gods dienstknecht. Met recht roept daarom de Apostel ons toe: „wie zijt gij, die eens „anders dienstknecht oordeelt?quot; (Rom. XIV, 4) en de H. Jacobus (IV, 12, 13): „Er is één Wetgever en Rechter, „die verdoemen en verlossen kan; maar wie zijt gij, die „uwen evenmensch oordeelt?\'\' — Ten tweede zijn wij rechters zonder Jcennis van zaJceu. Ons oordeel betreft of de inwendige bedoelingen of de uiterlijke handelingen van den evenmensch. In het eerste geval gaan wii verder, dan een menschelijk hart gaan mag. Wij oordeelen over het inwendige, hetgeen God alleen doorgrondt, wien het alleen klaar voor oogen ligt, wien het alleen ook toekomt, daarover te oordeelen. In het laatste geval bedriegt de schijn ons ontelbare malen, juist omdat wij de bedoelingen, de inwendige drijfveeren niet kennen, welke den evenmensch aanzetten, zoo of anders te handelen, en welke dikwijls edeler en zuiverder zijn, dan wij in onze boosheid vermoeden kunnen. De Hoogepriester Heli hield de biddende Anna, de moeder van den profeet Samuel, voor dronken (1. Kon. I, 1b). De schijn had hem bedrogen. De Joden zeiden van de leerlingen van Jesus, die na de nederdaling van den H. Geest vol vuur en geestdrift de verrijzenis van den Heer predikten: „zij zijn vol zoeten wijnsquot; (Hand II, 13,). Ook zij waren door den schijn bedrogen. De inwoners van Malta oordeelden verkeerd over Paul us, aan wiens hand, toen hij, pas aan schipbreuk ontkomen , van dor hout een vuur willende aanleggen, een bijtende slang zich vastklemde: „gewis, die mensch is een moordenaar, „wien, al is hg aan de zee ontkomen, de, wraak (Gods) „niet leven laat\'\' (Hand. XXVill, 4). Zij oordeelden zoo volgens den uiterlijken schijn, en dwaalden. — Wij zijn eindelijk onrechtvaardige, hartstochtelijke rechters van onze evenmenschen. Daarop maakt de Heiland zelf opmerk-
„daarom ten, deel vielen, te verdragen, en allen van gansclier harte //te vergeven, en verre van slecht over hen te oordeelen, die mij ,/kwalijk bejegenden, heb ik al imnne handelingen en hunne woorden //ten goede geduid. Dit bereidt mij thans 7.00 groote vreugde.quot; De H. Anastasius, de Sinaït genaamd, vroeger monnik op Sinaï, later Patriarch van Antiochië, verhaalt dit feit aan het slot zijner rede de s. Synaxi en voegt er de veelbeteekenende woorden bij; //Christus jde Heer is mij tot getuige, dat er nog heden verscheidenen leven; «die dit gezien hebben.quot;
364
zaam, als Hij zegt: „wat ziet gij den splinter in het oog „uws broeders, maar den balk in uw eigen oog ziet gij „niet ?quot; (Matth. VII, 3,). Bij een vermetel oordeel speelt dikwijls de nijd de rol van aanklager; liefdeloosheid en vreugde over eens anders leed leiden het verhoor; huichelarij en eigenliefde vellen het vonnis, breken den staf over den wandel van den evenmensch. Inderdaad zoowel kwaad vermoeden als vermetel oordeel komen in den regel daaruit voort, dat men zelf slecht is, en daarom ook van den naaste licht kwaad vermoedt, of dat men tegen den evenmensch vooringenomen is en hem geen goed, maar kwaad gunt. — Voor den rechterstoel van een nijdig, door hoogmoed en laatdunkendheid vergiftigd hart ■ vindt zelfs de deugd van den evenmensch geene genade. Is de naaste godvruchtig en zedig, dan is hij een huichelaar; is hij milddadig, dan noemt men hem een verkwister; is hij spaarzaam, een gierigaard; is hij behoedzaam en omzichtig, dan heet hij vol listen; is hij openhartig en oprecht, dan is hij onvoorzichtig en onbehoedzaam. Het oordeelend oog van den hartstocht is gelijk aan het oog van den geelzuchtige, dat alle voorwerpen anders gekleurd ziet, dan zij zijn, omdat het zelf niet helder en gezond is, gelijk het zijn moet. Een duidelijk voorbeeld, hoe onbillijk, hoe hemeltergend onrechtvaardig de hartstocht den naaste beoordeelt, levert het leven van den Heiland zeiven. Jesus Christus, de Heiligste der Heiligen, leidde een zoo onschuldig leven, dat niemand het minste in Hem kon laken. Niettemin, of liever juist da\'arom, zagen Hem de Phariseën met afgunstige oogen aan, noemden Hem een zondaar, omdat Hij milddadig en liefdevol met de zondaars omging; een gulzigaard en dronkaard, wijl Hij met hen aan tafel zat, om voor hen het hemelsch brood zijner leer te breken; zij zeiden van Hem, dat Hij wonderen deed in den naam en door de macht van den duivel, en keurden het eindelijk zelfs goed, dat Hij ten dood gebracht werd.
Met betrekking tot de zonden van kwaad vermoeden en van vermetel oordeel, dient vooreerst opgemerkt te worden, dat zij niet eens dagelijksche zonden zijn, als zij geheel zonder nagedachte en zonder overleg geschieden, als de wil daaraan geen deel neemt, als men ze afkeurt, zoodra men gedachtig wordt, dat zij ongegrond en vermetel zijn. Is er echter sprake van een voorbedacht en vrijwillig kwaad vermoeden, van een voorbedacht en vrijwillig vermetel oordeel, dan geldt, hetgeen reeds boven getoond is, dat het eerste in en op zich zelve kleinere zonde is, dan het tweede, daar het kwaad vermoeden de goede meening, welke wij van anderen hebben, niet zoozeer wegneemt, als wel acn het wankelen brengt; het tweede daarentegen volgens zijnen aard geëigend is, den goeden naam van den evenmensch bij ons zelve weg te nemen of zwaar te kwetsen;
365
ofschoon men ook somtijds daarbij, hetzij om de nietigheid van het voorwerp, hetzij uit gebrek aan toestemming zich alleen aan eene dagelijksche zonde schuldig maakt. — In het algemeen is echter het vermetel oordeel grooter zonde, naarmate het minder gegrond is, hoe langer en hardnekkiger men er bij blijft, hoe grooter de ten laste gelegde misdaad, hoe achtbaarder de persoon is, over wien men het velt. Verder wordt de zonde van vermetel oordeel vooral verzwaard, wanneer men het in het bijzijn van anderen uitspreekt, waaruit voor den evenmensch dikwijls groote schade ontstaat. Wie een vermetel oordeel over een ander uitspreekt en hem daardoor schade berokkent , is, gelijk de lasteraar, niet alleen tot herstel van eer, maar ook van scliade verplicht. Het gezegde geldt in evenredigheid ook van het kwaad vermoeden.
Wat gebiedt het achtste gebod Gods?
Het gebiedt: 1) altijd de waarheid te spreken.—Dewijl God, die de Waarheid in persoon is, door het achtste gehod elke leugen en valschheid verbiedt, gebiedt Hij ook waarheidlievend te zijn in gesprekken en in alles, wat onder de menschen de plaats der spraak inneemt, in alles, wat dient tot wederzijdsche mededeeling en veraanschouwelijking van gedachte en gevoel des harten. Daarom vermaant de Apostel (Eph. IV, 25): „Leg de leugen af; ieder spreke „de waarheid met zijnen evenmensch ; want wij zijn leden „onder elkander.\'\' De leden van het menschelijk lichaam werken, niets kwaads vermoedende, tot het algemeene welzijn tezamen ; zij misleiden en bedriegen elkaar niet. De gewonde hand, de gekwetste voet deelen hunne smart aan de overige leden mede, opdat zij geholpen worden; geniet daarentegen een der ledematen genoegen, dan laat deze ook de andere leden daarin deelen. Op gelijke wijze moeten de leden van het geheimvol lichaam van Christus elkander samenhouden, en tot het gezamenlijk welzijn zonder eigenbelang medewerken, zij moeten, door den éénen geest van waarheid bezield, elkander niet beliegen en bedriegen, maar in woord en wandel „waarheid oefenen in liefdequot; (Eph. IV, 15). Daarom roept de Geest van waarheid eenieder toe; „Spreek op geenerlei wijze tegen het woord „der waarheid, en schaam u, als gij bij vergissing hebt „gelogenquot; (Sir. IV, 30). Zoo diep moet de liefde tot de waarheid in onze harten gevestigd zijn, dat zelfs niet in overijling eene leugen aan onze lippen ontsnappe, en de ontglipte ons terstond berouwe en met schaamte vervulle. Mochten wij toch allen zoo waarheidlievend zijn als Nathanaël, wien Jesus, de eeuwige Waarheid zelve, het schoone getuigenis van waarheidliefde gaf. Hij zeide: „Zie, „een ware Israëliet, in wien geen bedrog isquot; (Joan. 1,47). Alsdan zouden ook wij ons mogen troosten met het antwoord ,
366
hetwelk de koninklijke Profeet zich geeft op de vraag: „wie zal wonen (o Heer!) in uwen tent, of wie zal rusten „op uwen heiligen berg? — Wie zonder zonde wandelt en „gerechtigheid pleegt: die waarheid zegt in zijn hart, die „geene valschheid pleegt met zijne tongquot; (Ps. XIV, 1—3).
2) Voor de eer en den goeden naam des naasten behoorlijk te zorgen. — De verplichting, voor de eer en den goeden naam van den evenmensch zorg te dragen, of te verhoeden, dat noch wi], noch anderen deze zijne kostbare goederen door kwaadsprekendheid, laster of beschimping aanranden, is reeds genoegzaam aangetoond. Deze verplichting verbiedt ons tevens, de brieven van anderen open te breken; want ook dit, zegt de H. Ligorio (Katecb, Bladz. 151), is eene soort van verachting, derhalve eene zonde, tenzij men kan voorzien, dat den afzender en ontvanger daaraan niets gelegen ligt. Verder gebiedt zij, dat wij de ons aanvertrouwde geheimen getrouw bewaren, en aan ieder de verschuldigde achting toon en: „Eert allenquot; (1 Petr. II, 17). „Voorkomt elkander met eerbied \'(Rom. XII, 10). — God gebiedt ons daarenboven nog, voor onze eigen eer en goeden naam te zorgen, daar die goederen ook voor ons, gelijk voor den evenmensch, van de hoogste waarde zijn. „Laat uwe eer niet bevlekkenquot; (zoo lezen wij bij Sirach (XXXIII, 24), en (terzelfde plaatse (XLI, 15): „Draag zorg voor een goeden naam; want hij zal „langer duren, dan duizend kostbare, groote schatten.quot; De verplichting van te zorgen voor onze eer en onzen goeden naam, d. i. voor ons aanzien bij de menschen en de goede meening, welke anderen van ons koesleren, rust op ons, zoo dikwijls en inzoover dit gevorderd wordt door: a) de eer van God. Daarom zegt Jesus Christus: „Alzoo schijne „uw licht voor de menschen, opdat zij uwe goede werken „zien en uwen Vader verheerlijken, die in den hemel isquot; (Matth. V, 16); en de H. Petrus (I. Br. II, 12, 15): „Leidt een goeden wandel onder de Heidenen, opdat zij, „die kwaad van u spreken als van boosdoeners, uwe goede „werken zien en God verheerlijken in den dag der bezoe-„king.. .. Want zoo is de wil van God, dat gij door goed „te doen de onwetendheid van dwaze menschen, (die den christelijkeu godsdienst lasteren, zonder dien te kennen) „tot zwijgen brengt.quot; Ofschoon wij dus van den eenea kant geen goed moeten doen met het doei, om van de menschen gezien en daarvoor geprezen te worden (Hailh. VI, 1—5), zoo is het toch van den anderen kant mee slechts geoorloofd, maar zelfs Gods wil en gebod, dat wij voor onzen goeden naam zorg dragen, namelijk als daar-
367
door de eer van God bevorderd en zijn allerheiligste tiaam verheerlijkt wordt; want zóó wordt onze eer tot God getrokken , en valt geheel terug op Hem, wien alleen eere toekomt, terwijl daarentegen niets zóózeer tot versmading van onzen godsdienst en tevens van zijn goddelijken Stichter zou verstrekken, dan wanneer wij, \'s Heeren leerlingen, in de oogen der wereld slechte menschen zouden schijnen. — b) De stichting van omen evennaaste Onk om den evenmensch te stichten, moeten wij behoorlijke zorg dragen voor onzen goeden naam. Want gelijk het slechte voorbeeld den evenmensch ten ondergang strekt, zoo strekt van den anderen kant het stichtende voorbeeld tot zijne zaligheid. Als hij ziet en hoort, dat anderen een onschuldig, een onberispelijk leven leiden, dan gevoelt hij zich sterk opgewekt en aangespoord, om de christelijke deugden te beoefenen. Derhalve vermaant de H. Paulus de geloovigen van Rome: „Betracht het goede, niet alleen voor God, „maar ook voor alle menschenquot; (Eom XII, 17). Daarom is het somtijds zelfs plicht, eene valsche beschuldiging of booze lastertaal van ons of onze onderdanen met alle goede middelen af te weren. Zoo handelde Jesus Christus zelf. Immers, toen men Hem bij Annas een kaakslag gaf met het verwijt, dat Hij den Hoogepriester onbetamelijk geantwoord had, vorderde Hij onmiddellijk het bewijs voor die onrechtvaardige beschuldiging. Ook de H. Paulus rechtvaardigde zich voor het gerecht, toen hij aangeklaagd was, door het lasteren van de mozaïsche wet een oproer onder de Joden verwekt te hebben (Hand. XXIV en XXV). — c) De. \'plichten van onzen staat. Wie bij at.deren geene achting geniet, maar integendeel door eenieder met verachting wordt aangezien, hij zal ook aan de plichten van zijn ambt of beroep niet kunnen voldoen; hij zal voor het welzijn zijner medementchen weinig of niets uitwerken. Van een eerloozen mensch wil niemand geleerd, niemand geraden, niemand terechtgewezen, niemand verbeterd, niemand tot het goede en volmaakte aangespoord worden. Om op anderen een weldadigen invloed uit te oefenen, moet men hun achting inboezemen. De verplichting van zorg te dragen voor een goeden naam rust derhalve vooral op de overheden. Vandaar vermaant ook de Apostel zijn beminden leerling, den Bisschop Timotheus: „Geef niemand „gelegenheid, u om uwe jeugd te verachten, maar wees een „voorbeeld voor de geloovigen in woord, in wandel, in „liefde, in geloof, in zuiverheidquot; (I Tim. IV, 12). — Hoe zuiver en prijzenswaardig echter ook onze bedoeling, hoe noodzakelijk de verdediging van onze eer en onzen
368
goeden naam zij, toch is het altijd en onder alle omstandigheden ongeoorloofd, zich daartoe van onwettige middelen te bedienen. Zoowel ter verkrijging, als ter verdediging van eer en goeden naam mogen slechts geoorloofde middelen aangewend worden. Het beste en raadzaamste van alles, wat ons ten dienste staat, is onbetwistbaar datgene, wat wij boven reeds aangaven, dat wij namelijk altijd een christelijken levenswandel leiden en ook allen schijn van het kwaad zooveel mogelijk vermijden, gedachtig het woord van den Apostel: „Vermijdt eiken schijn van het kwaad\'\' (1 Thess. V, 22). Wie zich zelven niet acht, zich door een zondig leven vernedert, zal nimmer in staat zijn , anderen achting in te boezemen. „Weest dus,quot; zoo vermaant de Apostel, „zonder twist, eenvoudige kinderen „Gods, onberispelijk te midden van een slecht en verkeerd „geslacht, onder hetwelk gij als lichten in de wereld „schittertquot; (Phil. II, 15).
Terwijl wij voor onze eer zorgen, moeten wij ons evenwel zorg-vuldig wachten voor ijiiele eerzucht, welke met een verkeerd oogmerk en door ongeoorloofde middelen naar aanzien, lof en roem quot;bij de menschen streelt, of die tracht te bewaren. Zij, die in dezen strik van satan geraken, worden verraders van de eer van God, omdat //zij de eer bij menschen meer liefhebben, dan de eer bij «Godquot; (Jo\'ann. XII, 43i; omdat zij zelve bij hunne overigens prijzenswaardige handelingen niet de eer van God, maar slechts hunne eigen eer beöogen en aldus gelijk worden aan die dwazen, die tot elkander zeiden: //komt, wij zullen ons een toren bouwen, wiens top „tot aan den hemel reikt, en onzen naam beroemd makenquot; (1. Mos. XI, 4). Zulke menschen ontzien geene middelen, om hunne gren-zelooze eer- en roemzucht te bevredigen; onrechtvaardigheid, verdrukking, leugen, bedrog, meineed, alles meet tot hun baatzuchtig doel helpen. Worden zij in hunne eer gekrenkt, of meenen zij gekrenkt te zijn, dan kent hunne verbittering, hun haat en hunne wraakzucht geene grenzen. Vandaar zegt de H. Chrysostomus (hom. 17- op .den brief aan de Kom.): „Eene moeder der hel is de ijdele „eerzucht; geweldig steekt zij dat vuur aan, en voedt den giftigen „wormquot; — Zelfs godvruchtige, zich ernstig op de deugd en volmaaktheid toeleggende Christenen moeten zich wel wachten, onder het voorwendsel van Gods eer en het zieleheil van den evenmenseh uit verborgen eigenliefde zich zelven, d. i. hunne eigen eer te zoeken. Want onbetwistbaar wordt door het geduldig verdragen van laster en beschimping God zeer dikwijls in veel hoogeren graf.d verheerlijkt, dan door de schitterendste redding van onze eer Het voorbeeld van den Godmensch zelven, die door zijnen smaadvollen dood aan het kruis de eer zijns Vaders herstelde en voor alle menschen verzoening en genade bewerkte, leert ons dit allerduidelijkst. Daarom schrijft de H. Petrus aan de geloovigen : „Zalig zijt gij, als „gij om den naam van Christus beschimpt wordt; want de eer, de „heerlijkheid, de kracht Gods en zijn Geest rust op uquot; (1 Petr. IV , 14). Daarom vreesden de Apostelen de bedreigingen niet van den Raad, maar verheugden zich, //dat zij waardig waren gekeurd, „voor den naam van Jesus te lijdenquot; (Hand. V, 41); daarom verlangden de Heiligen van alle eeuwen evenzeer naar bespotting en hoon, als de kinderen der wereld naar ijdele eer, en roemden met
369
den H. Paulus in niets anders dan in den smaad van het kruis van Jesus Christas. //Thans begrijp ik,quot; zoo schreef een Japansch bloedgetuige uit den gruwelijken kerker, waarin hij vier jaren verzuchtte, aan de zijnen, //thans begrijp ik, dat spot en hoon en elk onrecht, //uit liefde tot God met geduld verdragen, verre boven alle schep-»ters en diademen van koningen en keizers te verkiezen zijn.quot; \')
3) üe tong altiid in bedwang te houden. — Daar de tong het voornaamste werktuig is, waardoor de mensch de
!) Het volgende voorbeeld zsl toonen, hoe de Heiligen de verplichting begrepen van zorg te dragen voor hunne eer. Ignatius van Loyola, wiens adellijke afkomst meermalen vermeld is, dorstte voor zijne bekeering naar roem en eer bij de menschen; daarna echter was hij er enkel op uit, die ongeregelde neiging van zijn hart even ridderlijk te bestrijden, als hij haar vroeger had bevredigd. Met die bedoeling trok hij een grof boetelileed aan, omgordde zijne lendenen met een koord, bedelde zijn dagelijksch voedsel van deur tot deur en gaf zich het aanzien van een eenvoudig mensch uit de laagste volksklasse. Hij verheugde zich van harte,quot;als de kinderen met de vingers naar hem wezen, hem met steenen wierpen en onder luid gejouw om hem heen liepen, of als degenen, aan wie hij om eene aalmoes vroeg, hem uitlachten en beschimpten. Ook later bewaarde Ignatius deze neiging, deze liefde tot de versmading. Terwijl God hem op den kandelaar plaatste en al zijne ondernemingen zegende; terwijl Hij hem door mededeeling van buitengewone gaven en zelfs door de gave van wonderen te doen voor de menschen verheerlijkte, brandde zijn hart van verlangen, op het voorbeeld van Jesus (\'hristus en uit liefde tot Hem, bespotting, verachting en elk onrecht te verdragen; ja hij had zich volgens zijne eigen woorden gaarne openlijk voor een dwaas uitgegeven, om zoo door allen veracht en bespot te worden. Als echter hij en zijne gezellen, terwijl zij te Rome de apostolische bediening waarnamen, bij het volk als uitvinders van nieuwigheden en ketters in een slecht daglicht werden gesteld, drong hij er met nadrnk op aan, dat zijne eer hersteld zou worden door de herroeping der uitgestrooide lasteringen. Het was bij deze gelegenheid, dat hij aan Pater Contarini het volgende schreef: ,Ik weet wel, dat wij de menschen daardoor niet tot zwijgen zullen //brengen, en ik ben ook niet zoo dwaas, dit te verlangen: wij willen ,slechts de eer van den godsdienst redden, welke in zekeren zin aan rde onze verbonden is. Er is ons weinig aan gelegen, dat men ons //voor ontwetend houdt, ja, dat men zelfs gelooft, dat wij misdadigers //zijn; maar dat de leer, welke wij prediken, in de meening van het #volk voor valsch gehouden wordt, en dat men den weg, waarop ^wij de zielen leiden, als den weg des verderfs beschouwt, dit kunnen i.wij niet dalden, zonder verraders onzer bediening te worden; want //die leer is de leer van Jesus Christus, en deze weg is de weg van //Zaligheid.quot; — Hebben wij het in de volmaaktheid niet zoo ver gebracht, dat wij gelijk de Heiligen naar verachting, hoon en smaad verlangen, en ons ter wille van Christus daarover verheugen, zoo laten wij tenminste ook daar, waar wij op geoorloofde wijze onze eer verdedigen, zulk gevoelen koesteren, dat wij bereid zijn versmading te lijden, voorzooverre dit tot eer van God en tot onze zaligheid dienstig is, *) volgens de uitspraak van Jesus Christus: „zoo iemand //ii op de rechter wang slaat, keer hem dan ook de andere toequot; (Matth. V, 39). Nooit kan het geoorloofd zijn, hoon met hoon te vergelden: „antwoord den dwazen niet volgens zijne dwaasheid, „opdat gij hem niet gelijk wordtquot; (Spreuk. XXVI, 4).
*) 8. Thom. 2. 2 q. 73. a. 3.
DEIIAIi.BE, GELOOFSLF.ER. III. 3lie DRUK.. 24
370
eer van ziinen naaste krenkt, maakt God ons in dit gebod van het behoorlijke gebruik en de beteugeling der tong eene bizondere verplichting. Aan dien zoo gewichtigen plicht zullen wij bet gemakkelijkst voldoen, als wij a) niet spreken zonder te overwegen en te bedenken, dat de mensch van elk woord rekenschap geven moet. Onbedachtzaamheid is, gelijk men weet, de moeder van ontelbare zonden der tong. Hoe dikwijls heeft men reden, onbedachre gesprekken te beweenen en te beklagen ? Hoe dikwijls gebeurt het niet, dat men gaarne eene aanzienlijke som gelds zou geven, konde men daarmêe een onbezonnen woord terugnemen ? Hoe dikwijls is haat, onverzoenlijke vijandschap, bloedige wraak het treurige gevolg van een onbedachtzaam gesprek ? Derhalve zegt de Geest, Gods; „wie zijnen mond bewaart, „bewaart zijne ziel [voor zonde]; wie echter onbedachtzaam „in woorden is, hem zal het kwalijk gaanquot; (Spr. XIII : 3). Het zal hem gaan gelijk een schipper, die zijne hand niet aan het roer houdt, en het schip laat drijven, waar het wil; evenals voor dezen de schipbreuk, zoo is voor hem de zonde onvermijdelijk. Men spreke dus niet, voordat men bij zich zeiven overdacht en goed overwogen heeft, of en wat men spreken moet. \') Men neme dikwijls het woord van den goddelijken Heiland ter harte: „Ik zeg u, „van elk ijdel woord, hetwelk de menschen zullen gespro-„ken hebben, dat zij daarvan rekenschap zullen geven op „den dag des oordeelsquot; (Matth. XII: 36).— 6) Wij zullen onze tong behoorlijk in bedwang houden, als wij ons hart zuiver bewaren van eerzucht, nijd, haat, wraakzucht, enz. Is namelijk het hart kalm, is het vrij van de onstuimigheid en woeste drift der hartstochten, dan zal de geest de tong zonder moeite bedwingen, zonder moeite haar tot lof van God en tot stichting van den evenmensch gebruiken; is het hart echter in hartstochtelijke beweging en verwarring , dan is de geest niet meer in staat de tong te leiden, de hartstocht maakt haar aan zich dienstbaar en verleidt haar, gelijk de H. Jacobus opmerkt (III, 9), „om de menschen „te vervloeken, die naar Gods evenbeeld geschapen zijn.quot; Vandaar zegt de Zaligmaker zelf: „Hoe kunt gij spreken, „wat goed is, daar gij kwaad zijt\'? Want uit den overvloed „des harten spreekt de mondquot; (Matth. XII ,34;).
\') Zeer schoon leert de H. Vincentius Ferrerius: ,Wij moeten „mot de woorden even spaarzaam omgaan als met liet geld. Voordat //men de beurs opent, bedenkt men wel of en hoeveel men te be-, talen heeft, zoo moeten wij ook, voordat wij onzen mond tot spreken „openen, wel bedenken, of en hoeveel wij spreken zullen.quot;
Wilt gij, lezer, u reeds hier op aarde in gelukkige dagen verheugen en eens den hemel binnengaan, leg u dan steeds op de waarheid en oprechtheid toe, bewaar uwe lippen zorgvuldig voor leugenachtige gesprekken. „Want wie het „leven wil liefhebben en goede dagen zien, hij beware zijn „tong voor het kwaad, en 2Üine lippen, dat zij geen bedrog „sprekenquot; (1. Petr. III, 10). Een leugenaar wordt door niemand geacht. Hij groeit op tot schande voor zijne ouders, tot bezorgdheid voor de buren, tot verderf voor zich zei ven. Van de gewoonte van liegen komt men spoedig tot de gewoonte van bedriegen en ontvreemden, en vervolgens op de eerlooze baan van dieven en bedriegers, totdat men na korten tijd, door zijne behendigheid in het liegen en stelen in den steek gelaten en betrapt, in den kerker en in boeien zijn droevig lot moet betreuren. — Ook tot andere schandelijke zonden en misdaden moedigt de hatelijke gewoonte en behendigheid van liegen aan. Een kind, hetwelk in dit punt een beklagenswaardig meester geworden is, deinst allengs voor geen kwaad, voor geene schandelijke zonde terug, omdat het rekent op zijne dikwijls getoonde bedrevenheid van aich door liegen te redden en anderen valsch aan te klagen, en vast vertrouwt, de welverdiende straffen van ouders en overheden te ontgaan. Ongelukkig de broeders en zusters, de medeleerlingen en speelgenooten van zulk een leugenachtig kind! Het zal door zijne lasteringen, valsche beschuldigingen en oor-blazerij de rustverstoorder van het gezin, van de school en niet zelden van de geheele buurtschap zijn. — De God van waarheid beware u allen voor leugenachtigheid ! Vermijdt echter niet alleen de leugen, maar ook den omgang, met leugenaars, opdat deze verderfelijke pest u niet aansteke.
Het negende en tiende gebod amp;ods.
„ Gij zult mos naasten huisvrouw niet begeer en.\'\'\'
„Gij zult zijn kuis niet hegeeren, noch zijn land, noch zijn „dienstknecht, noch zijne dienstmaagd, noch zijn os, noch „zijn ezel, noch iets wat hem loebehoort.\'\'\'\'
De menschelijke wetgever let slechts op het uiterlijke, slechts op datgene, wat zich door daden of woorden naar buiten openbaart; zijne bedoeling is dus alleen het regelen
24*
.
372
der handelingen en gesprekken ziiner onderdanen. De goddelijke Wetgever daarentegen ziet ook de geheime bewegingen van het hart en beoogt, ook deze^ door zijne heilige wet te regelen, d. i.-het inwendige gelijk het uitwendige der menschen, zijne onderdanen, te heiligen. Derhalve voegt Hij bij de geboden, welke op de handelingen en woorden der menschen betrekking hebben, het negende en tiende gebod, opdat zoo ook de inwendige zonde door gedachten en begeerten vermeden, de inwendige^ heiligheid bereikt worde. „De mensch ziet, wat na-ir buiten is, de „Heer echter ziet het hartquot; (1 Kon. XVI, 7), — De regeling der gedachten en begeerten van het menschelijk hart beantwoordt geheel aan de heiligheid en wijsheid van den goddel ij ken Wetgever. Want de slechte, ongeregelde gedachten en begeerten bezoedelen en onteeren het hart van den mensch, hetwelk bestemd is, een heiligdom, een tempel van den drieëenigen God te zijn; zij onteeren en schandvlekken gedachte, verstand en wil, waardoor de ziel een evenbeeld van den Allerzuiverste en Allerheiligste zijn moet; zij bewerken, dat de zonde daar haar troon opslaat, waar God, de Geest van zuiverheid en heiligheid, als in zijn rijk, onbeperkt heerschen moet. — Bovendien zou God den mensch niet genoegzaam van de zonden, welke door handelingen en woorden bedreven worden, af houden; als Hij niet tevens de bronnen er van verstopte, de wortels afsneed, de drijfveeren verlamde en uit den weg ruimde. Die bronnen, die wortels, die drijfveeren nu zijn onbetwistbaar de ongeregelde neigingen van het hart. Immers, gelijk Jesus zelf getuigt: „uit het hart komen „doodslagen, overspelen, dieverijen, valsche getuigenissen, lasteringenquot; (Matth. XV 19). Ja, de zonden door woorden en werken ontkenen allen hare innerlijke boosheid aan het ongeregelde hart, aan den kwaden wiL Deze beide laatste geboden geven alzoo een schitterend bewijs van de volmaaktheid, heiligheid en wijsheid der goddelijke wetgeving.
IVal verbiedt het negende gebod van God?
Het verbiedt op de eerste plaats de begeerte naar de echtgenoote van een ander, en in het algemeen alle onzuivere gedachten en begeerten.
Gelijk het zesde gebod op de eerste plaats overspel, en vervolgens ook alle onkuische werken en woorden verbiedt, zoo wordt door dit negende gebod op de eerste plaats de begeerte, het inwendig verlangen naar overspel, maar op de tweede plaats in het algemeen alle onzuivere
373
gedachten, wensclien en begeerten verboden. De omvang van het negende gebod is dus geheel dezelfde, als die van het zesde, alleen met het onderscheid, dat het zesde gebod vooral de uitwendige zonden van onkuischheid, de zonden door woorden en werken, het negende bij voorkeur de inwendige zonden, de zonden door gedachten en begeerten verbiedt. Dat zelfs het verlangen of de begeerte om overspel te doen, d. i. met de vrouw van een ander omgang te hebben, als ware het zijne eigen echtgenoote , dat reeds deze begeerte, evenals werkelijk overspel, zonde is, leerde Christus met uitdrukkelijke woorden, als Hij tot de Phariseën zeide: „gij hebt gehoord, dat tot de ouden „gezegd is: gij zult geen overspel bedrijven. Doch Ik zeg „u, dat zoo wie eene vrouw aanziet, om haar tebegeeren, „alreeds overspel in zijn hart met haar gedaan heeftquot; (Matth. V, 27, 28). — Alle andere onzuivere gedachten en begeerten zijn zonden tegen dit gebod. niet alleen omdat zij strijden tegen de zuiverheid des harten, welke wij volgens Gods wil moeten bewaren, maar vooral ook omdat zij onzuivere begeerten opwekken en deze begeerten tot overspel verleiden. Vandaar zegt de H, Geest: „slechte „gedachten zijn een gruwel voor den Heerquot; (Spr. XV, 26).
Zijn onzuivere gedachten en begeerten altijd zonde f
1) Zij zijn geene zonden , zoolang zij ons mishagen en wij ons beijveren, ze te verzetten. — Men heeft onzuivere gedachten, als men zich in den geest, door middel van de verbeeldingskracht, voorwerpen of handelingen voorstelt, welke van nature geëigend zijn, de onzuivere lusten of de begeerlijkheid gaande te maken en op te wekken; onkuische begeerten daarentegen, als men begeert of verlangt, zoodanige voorwerpen of handelingen te zien, er van te lezen of te hooien spreken, of zelfs dergelijke onzuivere werken te volbrengen. — Zoowel de onkuische gedachten als de onzuivere begeterten kunnen in ons opkomen zonder eenige schuld van onze zijde, geheel en al buiten onzen wil. Zij kunnen of uit de ons aangeboren begeerlijkheid ontstaan, of door toevallige waarnemingen der zintuigen of eindelijk door inblazing en voorspiegeling van den helschen verleider worden te weeg gebracht. In al deze gevallen zijn zij geene zonden, zoolang de ziel het kwaad blijft verfoeien, zoolang de wil aan de aanlokkelijkheden van het begeervermogen weêrstand biedt en in geen opzicht zijne toestemming geeft: het hart blijft daarbij zuiver en onbevlekt, omdat men zich met het onzuivere volstrekt niet wil inlaten.
374
Ja, het hart neemt zelfs toe in liefde tot de zuiverheid en wordt meer en meer bevestigd in deze schoone deugd, als men zich moeite geeft, de slechte gedachten en begeerten te verdrijven en den aandrang der bekoring door tegenovergestelde oefeningen van deugd te vernietigen. Want een goed is des te dierbaarder en heeft te meer waarde, hoe meer het ons kost; wij hechten ons daaraan te sterker, hoe hardnekkiger de strijd is, welken wij ter bewaring daarvan te onderstaan hebben. Van een mensch , die krachtig tegen de onzuivere gedachten en begeerten strijdt, gelden de woorden des H. Geestes ; „Hij kon zondigen , en zondigde „niet, kwaad doen, en deed het niet; daarom zijn zijne „goederen verzekerd in den Heerquot; (Sir. XXXI, 10, 11), 2) Zij zijn echter groote zonden , als men er vrijwillig behagen in heeft. — Allereerst moet men hier het onvrg-willige, het elke, overweging voorafgaand behagen in de slechte gedachten onderscheiden van het vrijwillige behagen, hetwelk op de plaats gehad hebbende overweging volgt. Want gelijk eene onzuivere gedachte onwillekeurig, zonder onze schuld, in den geest kan onstaan, zoo kan ook zonder onze schuld een zeker behagen, een zinnelijk genoegen daarin ontstaan, hetwelk niet in onzen vrijen wil, maar alleen in de door de erfzonde bedorven natuur zijn oorsprong heeft. Dien kwaden lust nu kan onze wil goed-of af keuren, tot den zijne maken of met verachting van zich afkeeren, omdat hij met vrijheid begaafd is. Keurt de wil dien goed, neemt hij er deel aan, gelijk Adam aan de verboden vrucht, welke hem door Eva werd aangeboden, dan wordt de zinnelijke begeerlijkheid vrijwillig en is zeer groote zonde; stemt echter de wil er niet mede in, zoodra hij er de zondigheid van inziet, wendt hij ze met vastberadenheid af, dan blijft die begeerlijkheid onvrijwillig en is zij geene zonde, hoe lang ook de bekoring moge duren. Derhalve is noch het onvrijwillig genoegen in de onkuische gedachten, noch de daaruit voortkomende onvrijwillige begeerte of het verlangen naar onzuivere dingen, maar alleen de vrijwillige, door inwendige overtuiging gegeven toestemming in die gedachten en begeerten zondig. Dit
\') Gedurende de vervolging der Christenen onder Keizer Diocle-tiaan bevond zich te Antino, eene stad in Egypte, zekere Arianus, die als prefect deze stad regeerde of, beter gezegd, het volk kwelde. Hij had een groot aantal Christenen laten aanklagen, waaronder ook een, die eerst onlangs het geloof omhelsd had. Deze pasbe-keerde heette Philemon. Onmogelijk is het te beschrijven, hoevele uitgezochte verleidingen de rustelooze prefect aanwendde, om hem tot afval te verleiden. Daar bedreigingen en vleierijen zonder gevolg
375
vrijwillig genoegen in onzuivere voorstellingen, ofschoon onwillekeurig ontstaan of voorbedachtelijk voor den geest gehaald, is zelfs dan groote zonde, wanneer het maar een oogenblik duurt. Want gelijk het ongetwijfeld groote zonde is, bij het zien van schaamtelooze beelden of schilderiien een enkel oogenblik uit zingenot te verblijven, zoo is bet eveneens eene doodzonde, onzuivere beelden of voorstellingen in de verbeelding, met de oogen van den geest zinnelijk te aanschouwen. Vandaar bedriegen zich degenen, die meenen, dat men met gedachten alleen dan zwaar zondigt, als zij met onzuivere begeerten en gevoelens gepaard gaan, of tot onzuivere voornemens of werken leiden. Het vrijwillig behagen scheppen op zich zelf in gedachten, zonder verder te gaan, is zware zonde. Zoo leert de H. Augustinus (B. 12. v. d. b. Drievuldigheid, hfdst, 12), als hij zegt: „wanneer de geest in ongeoorloofde gedachten, „welke hij terstond bij het eerste opkomen moest tegengaan, „genoegen schept; wanneer bij die onderhoudt en met „welgevallen voedt, dan begaat bij ontwijfelbaar eene „zonde, en zelfs dan, als hij zich niet voorneemt, zijne „gedachte te volvoeren.quot; Dat hier echter niet alleen van eene dagelijksche, maar van eene doodzonde spraak is.
bleven, ging de tiran tot de folterbank over. Terwijl de pijniging plaats had, liet hij Philemon vragen, of hij, naar den allerhoogsten ■wil des keizers, het geloof wilde verloochenen, teneinde alzoo verdere martelingen te ontgaan. Toen sprak de edele belijder met een ernstig gelaat tot den prelect: //Wilt gij, dat ik naar u luistere, zoo luister „eerst naar mij.quot; „Spreek vrij,quot; antwoordde Arianus vol hoop, dat Philemon had nagedacht en hem zou gehoorzamen. //Laat hier een ;/vat brengen,quot; zeide Philemon tot de omstanders, «zet een klein ,kind daarin en dekt het alsdan toe.quot; Zoo geschiedde het. „Schiet z/nu.quot; zoo ging hij voort, «van alle kanten met pijlen op het vat/\' Men deed, zooals bevolen was. Maar hoe talrijk de pijlen ook waren, die op het vat aanvlogen, zij schampten allen af\'en vielen op den grond. //Neemt nu het deksel van het vat, en ziet eens hoe het //kind gevaren is,quot; sprak de martelaar. Men vond het kind zooals men het er in geplaatst had zonder het minste letsel, üu wendde zich Philemon tot den rechter met de woorden; //Dit vat leert u, z/wat gij nog niet weet. Evenmin als deze pijlen het kind in het «vat gedeerd hebben, evenmin ook kunt gij den Christen schaden; «zijn lichaam, ja, kunt gij martelen en verwonden, maar zijne ziel //blijft vast in het geloof en ongedeerd in de deugd. Als de Christen gzeli niet wil. dan kunnen al uwe folteringen hem geen leed ver-z/oorzaken.quot; Zoo zegevierde de christenheld over den tiran en verkreeg tot belooning de kroon der Martelaren (Kosmini, Catechet. werken). Passen wij dit verhaal op ons zelve toe. Alle pijlen van wereld, vleesch en hel kunnen onze ziel niet schaden, als wij zelve niet willen; op het schild van ons geloof en op ons vast, onherroepelijk besluit van God niet te beleedigen, breken alle vijandelijke pijlen en springen terug.
376
blijkt volgens de uitlegging van den H. Thomas 1) uit de volgende woorden van dien Kerkleeraar: „derhalve „heeft de mensch de verdoemenis te wachten, als hem door „de genade van den Middelaar die zonde van gedachte niet „vergeven wordt.1\' — Indien nu de vrijwillig en met genoegen gevoede gedachte reeds doodzonde is, dan geldt dit, gelijk de 11. Augustinus bij dezelfde plaats opmerkt, des te meer van de vrijwillige begeerte, waardoor men de handeling, welke het onderwerp van de slechte gedachte is, wenscht te volvoeren of zich moeite geeft, om die te volvoeren. Zeker toch is er eene veel grootere boosheid in gelegen, het onzuivere te begeeren, te wenschen of zelfs de volbrenging daarvan werkelijk te zoeken, dan het zich alleen voor oogea te stellen. Daarom is men ook verplicht, de vrijwillige onkuische begeerten in de Biecht afzonderlijk aan te geven, wanneer zij met de gedachten verbonden waren of daaruit voortkwamen.
Met recht verwacht men* hier de beantwoording der vraag, of men. door onzuivere gedachten en begeerten somtijds alleen eene dage-lijksche zonde doet, en wanneer dit het geval is. Men doet alleen eene dagelijksche zonde door gedachten en begeerten; a) als men ze wel niet met opzet veroorzaakt ol\' met voorbedachtzaamheid onderhoudt, maar evenwel door eigen, ofschoon niet groote schuld te weeg brengt. Dit geschiedt gewoonlijk, als men zich liclilzinnig oogslagen, woorden, scherts veroorlooft, welke juist niet geheel oneerbaar zijn, doch waarvan mea weet, dat zij geschikt zijn om onkuische gedachten en begeerten te veroorzaken. Zou men echter bij ondervinding weten, dat men in zoodanige gedachten en begeerten gewoon is toe te stemmen, dan zou men ook onder groote zonde verplicht zijn, dergelijke ooizaken, zooveel als maar mogelijk is, te vermijden. (Hierover hebben wij reeds bij het zesde gebod geiiandeld, waar er spraak was van het vermijden van datgene, wat tot onzuiverheid leidt./ Men maakt zich verder alJeen aan eene dagelijksche zonde plichtig, V) als men in plaats van de opkomende slechte gedachten terstond uit den geest te verdrijven en te onderdrukken, alleen uit nieuwsgierigiieirt een oogenblik en als het ware maar met één oor naar het gesis der heJsche slang luistert, gelijk weleer onze stammoeder Eva in liet paradijs, zonder echter behagen in de onzuivere inblazingen te hebben of zich bloot te stellen aan een nader gevaar, van er genoegen in te nemen. — i)oet de vijand aan den bevelhebber eener vesting het voorstel, hem die -vesting tegen eene. schitterende belooning verraderlijk over te geven, en willigt deze dit geenszins in, maar laat hij den tot hem gezonden onderhandelaar tocli uitspreken, en leent hij aan zijn voorstel zonder gegronde redea een nieuwsgierig oor, dan heeft hij wel de aan zijnen koning verschuldigde trouw niet gebroken, doch hem niettemin eenige reden tot billijke ontevredenheid gegeven. Uit nu is des te meer het geval bij inblazingen tegen de zuiverheid, daar ieder mensch in zijn binnenste
\') De verit. q. 15. a. 41.
377
een gevaarlijken vijand, de zinnelijke begeerlijkheid, heeft; een vijand, die gemakkelijk met het uitwendige zich vereenigt, om den wil tot instemming in het kwaad te verlokken. — c) Men maakt zich aan eene dagelijksche zonde schuldig, wanneer men eenigszins, doch onduidelijk en onvolmaakt de zondigheid van genoemde gedachten bemerkt en er een zeker behagen in die gedachten bijkomt, dat men had kunnen en moeten verhinderen. In dit geval merkt of erkent de mensch de zondigheid dier gedachte genoegzaam, om ze als onge-oorloufd te beschouwen en te verfoeien, echter niet voldoende, om zwaar te zondigen, ingeval hij in het verfoeien daarvan \'eenigszins nalatig is. Zulke gedachten zijn dus uit onvolmaakte overwtginy of Tcennis van het kwaad alleen dagelijksche zonden; tenminste ingeval, dat het gebrek aan kennis of bedachtzaamheid niet uit eene strafbare, grootelijks schuldige onwetendheid of onachtzaamheid voortkomt, gelijk later in het onderricht over het onderscheid van dood- en dagelijksche zonde zal aangetoond worden. — Jlen pleegt d) ook dan dagelijksche zonde , als men volkomen kennis van de zonde der onzuivere gedacliten heeft, en die ook verfoeit en bestrijdt, maar niet met alle wilskracht, mei eenige traagheid of nalatigheid. Want in dit geval is de wil van den mensch niet zonder alle schuld, daar hij niet bepaald en krachtig genoeg aan de bekoring wederstaat. Zulke zonden van gedachten zijn üus dagelijksche zonden, om de onvolmaakte toestemming. De vier aangegeven gevallen zijn gemakkelijk van elkander te onderscheiden. In het eerste geval begaat men slechts eene dagelijksche zonde, omdat men de slechte gedacliten niet met opzet wil, maar alleen eenige gelegenheid daartoe geeft; in het tweede geval, omdat men niet uit genoegen, maar slechts uit nitinvs-gierigheicl zich in het begin een weinig er mede ophoudt; in het derde geval, omdat men bij den plotselingen aanval der bekoring of in halfwakenden toestand z;ch het kwaad niet goed bewust is, dus het ook niet met volle kennis wil; in het vierde geval eindelijk, omdat men aan het erkende kwaad zijne vuile toestem.ning niet geeft , maar daar tegen standvastig strijdt, ofschoon minder krachtig, dan plicht was.
Hoe moeten wij onts gedragen, als wij door onzuiveie gedachten en begeerUn bekoord worden?
1) Wij moeten terstocd erristigen tegenstand bieden en God om hulp aanroepen. Onzuivere gedachten en begeerten zijn een vijandelijke aanval op de reinheid des harten; bijgevolg vordert de eer van God, de adel, het heil onzer ziel, dat wij den naderenden en aanvallenden vijand behoorlijken tegenstand bieden. Zal echter onze tegenstand gepast en van gevolg ziin, dan moeten wij ten eerste weerstand bieden, opdat het ons niet ga gelijk Eva, die aan de verleidende stem der slang eene wijle gehoor gaf, en zoo tot den val gebracht werd Oogenblikkelijke tegenstand is bij alle bekoringen de zekerste waarborg van de overwinning, vooral echter bij die tegen de eerbaarheid. Heeft de vonk der onzuivere begeerlijkheid, welke men in het begin gemakkelijk smoren kon, in het hart rondge-giepen, dan is het doorgaans moeielijk, de overal blakende, door satan meer en meer ontstoken vlammen der begeerlijkheid te dempen en te blusschen.
378
Ten tweede moet de tegenstand ernstig zijn. Met het vuur valt niet te spelen; evenmin met de oneerbare bekoringen. Hiermede willen wij echter niet zeggen, dat men de onzuivere inblazingen met geweld of met angstige en krachtige inspanning uit de gedachten verbannen moet. Door vrees en geweldigen tegenstand wordt niet zelden de prikkeling en de kracht der bekoring veeleer vermeerderd, dan verzwakt De ernstige tegenstand bestaat daarin, dat de bekoorde, hoezeer ook de booze natuur zich daartegen verzette, de oogen des geestes van de onzuivere voorstellingen afwende, aan heilzame dingen, aan den dood, aan het oordeel, aan den hemel en de hel denke. Somtijds is het ook goed en raadzaam , oogen en gedachten op onverschillige voorwerpen te vestigen en zich daarmede bezig te houden. Zoo toch wordt de verbeelding, welke, gelijk de vlinder van bloem tot bloem, van beeld tot beeld gaat, van de onzuivere voorstellingen afgetrokken, en de oplettendheid van den geest tot het onschadelijke of nuttige gekeerd. — Wij moeten, ten derde. God om bijstand aanroepen. In den strijd tegen genoemde bekoringen is het zekerste en raadzaamste, met een vurig gebed en vol vertrouwen tot God zijne toevlucht te nemen. God om genade en bijstand te smeeken. Ook de wijze Salomon bediende zich van dit middel om kuisch te blijven. „Daar ik wist,quot; zegt hij (Wijsh. VIII, 21), „dat ik niet anders kuisch „kon zijn, tenzij het mij door God gegeven werd, zooging „ik tot den Heer en bad Hem uit geheel mijn hart.quot; „Zoodra gij eene bekoring gevoelt,quot; zegt de H. Franciscus van Sales (Philot. 4. D. 7. hfdst.), „doe dan gelijk de „kinderen, die, als zij een wolf of beer zien, terstond tot „vader of moeder loopen of hen tenminste om hulp roepen: „op gelijke wijze neem ook gij tot God uwe toevlucht, bid „Hem om de hulp zijner barmhartigheid.quot; Dit middel geeft ons de Zaligmaker zelf aan de hand, als Hij zegt: „Bidt, „opdat gij niet in bekoring valt.quot;
2) Als de bekoring aanhoudt, moeten wij niet kleinmoedig worden, maar volharden in den strijd. — Het is nietaltijd. in onze macht, de onzuivere gedachten en gevoelens zoo spoedig te verwijderen, als wij wel wenschten. Zelfs de Heiligen vermochten dit niet altijd Velen van hen hadden een moeieiijken en langdurigen strijd tegen dergelijke aanvechtingen uit te staan, zooals de H. Hilarion, de H. Hieronimus, de H. Benedictus, de H. Catharina van Siena en ook de groote Apostel Paulus zelf, die driemaal den Heer bad, dat Hij den prikkel des vleesches van hem mocht wegnemen, en tot antwoord kreeg: „mijne genade is u
379
„genoegquot; (2. Cor. XII, 9). Bijgevolg mogen ook wij niet kleinmoedig en wanhopig worden, als wij door aanhoudende bekoringen van dien aard gekweld worden. \') Wij moeten integendeel op het voorbeeld dier Heiligen in vertrouwen op de goddelijke genade, waardoor wij over al onze vijanden kunnen zegevieren, en met het oog voortdurend op de heerlgke kroon, welke Jesus, de eeuwige Eechter, eens na voleindigde loopbaan ons geven zal, ridderlijk in den strijd volharden. Daartoe vermaant ons de H. Apostel Jacobus (I, 12), als hij schrijft; „zalig de mensch, die de be-„koring doorstaat; want als hij zal beproefd zijn, zal hij de „kroon des levens ontvangen.quot; „Indien de bekoring aanhoudt,quot; zoo gaat de H. Franciscus van Sales op de bovengenoemde plaats voort, „of als zij heviger wordt, „omhels dan in den geest het H. Kruis, alsof gij Jesus, „den Gekruisigde, voor u zaagt; beloof Hem herhaaldelijk „en plechtig, nimmer in de bekoring toe te stemmen; bid „Hem, dat hij uwe verdediging op zich neme, en volhard
\') Er zijn vele vrome zielen, die erg gekweld worden door gedachten tegen de zuiverheid. — Een vroom kluizenaar, die door zulke gedachten geplaagd werd, durfde, zooals Gerson (X bl. 71.) verhaalt, gedurende 20 Jaren met niemand daarover opreken, wijl bij dacht, dat het afschuwelijk en ongehoord was, en dat eenleder die het hoorde, zich zou ergeren. Ka verloop van deze 20 jaren vatte hij eindelijk het besluit op, zich tot een oudvader der woestijn te richten. Hij ging dan tot hem en legde de belijdenis hiervan schriftelijk in zijne handen neder, wijl hij den moed niet had ze noordeling mede te deelen. Toen de heilige grijsaard het geschrift gelezen had, begon hij te lachen en sprak: //mijn zoon, leg uwe hand //Op mijn hoofd.quot; De kluizenaar deed zulks en de grijsaard vervolgde : //Ik neem uwe zonden op mij; verontrust u daarover vertaan niet //meer.quot; //Hoe, mijn vader!quot; antwoordde toen deze als verstomd; //ik dacht reeds met den eenen voet in de hel te staan, en gij zegt, //dat ik mij daarover verder niet behoef ongerust te maken?quot; //Hebt //gij soms,quot; hervatte de oudvader, „behagen gehad in die gedachten?quot; De kluizenaar verzekerde, dat zij hem integendeel grooten kommer en veel smart veroorzaakt hadden. //Daar dit zoo is,quot; ging de man Gods voort, „is het een teeken, dat gij er de schuld niet van zijt, //en dat de satan ze alleen in u opwekte om u tot wanhoop te brengen. //Daarom dan mijn zoon, volg mijn raad. Wanneer u opnieuw zulke //gedachten in het hoofd komen, spreek dan tot den duivel: 4Weeu, //geest van onzuiverheid! op u zullen die onzuivere gedachten en //beelden terugvallen! Ik wil geen deel daaraan nemen; neen, liever „duizendmaal sterven, dan God beleedigen!quot; Deze woorden van den vromen oudvader troostten en sterkten den kluizenaar zoozeer, dat hij, van dien tijd af niet meer werd aangevallen door die gedachten, welke hem vroeger zoo zwaar gefolterd hadden. — //De strijd tegen „de bekoringen, zegt de H. bernardus (de interiori domo c. 19), „is lastig maar kostbaar; want is hij met moeite verbonden, dan quot;zal hij ook zijne kroon hebben. De bekoring schaadt niet, waar vgeene toestemming is; integendeel, wat den strijder moeite baart, „kroont den overwinnaar.quot;
380
„in die verzekering en in dat gebed zoolang de strijd „duurt. Zie niet op de bekoring, maar alleen op Jesus „Christus; het gezicht der bekoring, vooral als zij hevig „is, kon uwen moed doen wankelen. Geef aan uwen geest „eeue andere richting en doe eenig goed en loffelijk werk, „hetwelk door de levendige deelneming, welke het hart „daarin neemt, geschikt is, het gevoel der bekoring te „verstikken.quot;\' — „Laat n ook, zegt Scnpoli (geestel. strijd, hoofdst. 18) , „ten tijde der bekoring volstrekt niet in met „de gedachte, of gij hebt toegestemd of niet; want ook „dit, al heeft het den schijn van goed, is niets anders dan „eene list, eene verborgen hinderlaag van den bekoorder, „hij wil u daardoor droevig, angstvallig en kleinmoedig „maken; hij houdt u slechts in zulke muggezifterijen , opdat „hij u zoo tot eenig behagen daarin verleide.quot;
Wat gebiedt het negende gebod?
Het gebiedt alleen naar datgene te streven, wat eerbaar en heilig is, volgens de vermaning van den Apostel: „wat „waarachtig, wat kuisch, wat heilig, wat deugdzaam is, „wat tot een goeden naam behoort, streeft daarnaar,quot; d, i. denkt daaraan, stelt daarop uwe gedachten en verlangens; dat zij uwe grootste zorg (Phil, IV, b). Het negende gebod bepaalt er zich dus niet bij, de onzuivere gedachten, voorstellingen , neigingen , wenschen, begeerten en in het algemeen elke onzuivere gewaarwording uit het hart te verbannen; het beoogt bovendien daarin zuivere, eerbare, heilige gevoelens aan te kweeken. Gelijk namelijk een wijs en bekwaam tuinier zich niet tevreden stelt ais hij in zijnen tuin het onkruid met den wortel heeft uitgetrokken, maar zich ook beijvert, dien met schoone en nuttige gewassen te beplanten; zoo ook is het God niet genoeg, de wortelen onzer onreine zonden, de slechte gedachten en begeerten, uit den bodem van ons hait weg te nemen, Hij wil, dat reine gedachten, zuivere begeerten, kuische gevoelens er wortel schieten, bloemen en vruchten van zuiveie, heilige liefde voortbrengen. Derhalve roept Hij door den mond van den Apostel ieder onzer toe; „wandel in den geest,quot; d. i. voJg de ingeving van den Geest der zuivere liefde, dien gij in het H. Doopsel hebt ontvangen; laat uw hart steeds meer en meer gloeien van het vuur der goddelijke liefde, dat mijn eeniggeboren Zoon op de wereld is komen ontsteken; voed engelreine gedachten en gevoelens, verlang met maagdelijk vuur naar de vereeniging met Jesus, mijnen Zoon, den Bruidegom van onbevlekte zielen; wek m u
381
een vurig verlangen op naar de eeuwige vereeniging met Mij, den oneindig Zuivere. Wandel zoo in den geest, en gij zult de lusten des vleesches niet volbrengen (Gal. V, 16), de goddelijke liefde zal meer en meer verzwakken en alle onzuivere, zinnelijke liefde uit uw hart verbannen.
Wat verbiedt het tiende gebod Gods!
Het verbiedt alle vrijwillige onrechtvaardige begeerten naar het g\'oed van een ander. — Onder „huis, akker, „knecht, dienstmaagd, os, ezel en alles, wat hem (den evenmensch) „toebehoort,quot; verstaat men de roerende en onroerende goederen van den evenmensch, van welken aard en van welke waarde zij ook mogen zijn; insgelijks den adel, de macht, het aanzien, de waardigheid en den roem van den naaste, daar ook dit goederen zijn van hooge waarde, en de evenmensch ze, als tot den uiterlijken luister van zijn huis behoorende, met recht noemt.—
Gelijk nu het zevende gebod verbiedt, de goederen der fortuin van den evenmensch door een onrechtvaardigen aanval op zijn eigendomsrecht, namelijk door roof, diefstal, bedrog en woeker zich toe te eigenen, zoo verbiedt het tiende gebod de vrijwillige begeerte of het verlangen, gezegde goederen op onreehlnaardige vnjze of tot nadeel van den naaste te verkrijgen. Volgens het gezegde is dus het verlangen naar de bezitting van den evenmensch niet altijd zonde, maar alleen dan, als wij die zoo begeeren, zoo ons toewenschen of zoeken te verkrijgen, dat voor den evenmensch daaruit nadeel voortkomt. Zeker is het niet ongeoorloofd, het huis, den tuin of andere zaken, welke hij vrijwillig te koop heeft, door een billijken en rechtvaardigen koop of door ruiling te willen verkrijgen, daar de naaste tot den verkoop of de verruiling alleen overgaat, omdat hij zich daarvan eenig voordeel belooft.
Tegen dit gebod bezondigen zich kinderen en erfgenamen, die naar den dood hunner ouders of verwanten wenschen, om des te eer in het bezit der ouderlijke nalatenschap te komen; verder, zooals de romeinsche Katechismus zegt, kooplieden, die duurte en broodgebrek wenschen en zeer ongaarne zien, dat buiten hen ook nog anderen verknopen of koopen, om des te duurder te kunnen verknopen en goedkooper in te koopen; in het algemeen al degenen, die wenschen dat anderen gebrek lijden, teneinde door liet koopen en verknopen te winnen. Ook de soldaten zondigen, als zij naar oorlog verlangen om te mogen plunderen; geneesheeren, die ziekten wenschen;
382
rechtsgeleerden, die naar oneenigheden en proeessen verlangend uitzien; handwerkslieden , die zich verblliden, als de nood den naaste dwingt van hunnen dienst gebruik te maken of aan anderen, die hetzelfde ambacht uitoefenen, hunne begunstigers misgunnen. Eveneens bezondigen zich ook grootelijks degenen, die naar eer en roem verlangen en het voornemen maken door laster, kwaadspreken en \' eerrooving anderen van dit goed te berooven en, ten koste van dezen, zich zei ven te verheffen en beroemd te maken.— Men kan zich bovendien tegen het tiende gebod bezondigen door een al te hevig, hartstochtelijk verlangen naar tijdelijke goederen in het algemeen, d. i. door hebzucht. Want uit die ongeregelde neiging tot aardsche goederen komen ontelbare malen niet enkel ongeoorloofde verlangens voort naar eens anders goed, maar ook besluiten en goed berekende aanslagen, om zich daarvan meester te maken; verder nijd, vreugde over het nadeel van een ander, zucht naar processen en andere dergelijke en nog erger onheilen. Daarom aarzelt de Apostel met, de hebzucht „den wortel ^van alle kwaadquot;\' te noemen (1. Tim. VI, 10). Het boven, bij het achtste gebod, aangehaalde voorbeeld van Achab en Jezabel toont ons handtastelijk, hoever de hebzucht hare slaven weet te brengen, i) — Gelijk men
gt;) Het gevaar van door hebzucht allengs tot de grootste zonden te komen, blijft altijd en overal hetzelfde; heden zoowel als gisteren verschaft het onrechtmatig streven naar rijkdom bewoners aan den kerker, en vermoeit den arm van het straffend gerecht. Ken enkel
voorbeeld. In L.....een dorp in Zwaben, leefde een jonge landman,
met name Georgius. Hij had eene slechte opvoeding genoten en was zeer vroeg gehuwd Deze jonge man nu wilde spoedig rijk worden en liet zich derhalve met allerlei vereenigingen in, waarmede hij niet bekend was. Alles ging echter den kreeftengang. Terwijl zijn huisgezin jaarlijks grooter werd, namen ook zijne schulden toe. Eindelijk kwamen er eenige onvruchtbare jaren na elkander, en ten laatste eene veeziekte. Door die ongelukken raakte Georgius geheel ten gronde, en bleef nog 3000 gulden schuldig. Daar nu zijn vermogen niet zooveel bedroeg, werden al zijne goederen aangesproken. Alleen zijne vrouw behield nog iets van hetgeen zij had aangebracht. .Nu begon Georgius handel in paarden te drijven; hij was echter ongelukkig en ook het vermogen zijner vrouw ging te niet. Nu moest hij als daglooner werken en zoo kon hij nog altijd het noodige onderhoud voor zich zeiven en zijn huisgezin winnen. Doch lot zijn ongeluk kwam hij in kennis met een slecht mensch,
Joannes H____, die zijn goed met spel en drank had doorgebracht,
en reeds lang er op uit was, op onwettige wijze er weêr boven op te komen. Beiden beraadslaagden nu met elkaar, hoe zij weder iets zouden verkrijgen, en kwamen eindelijk tot het misdadig besluit om een rijk inwoner van Zwabisch-Gmund, Joannes Kuhnhaeser, te ver-moorden en uit te plunderen. Den 7llen Mei 1795 bespiedden zij hem, toen hij van Heidenheim naar Aaien ging, overvielen hem op den weg en brachten hem om het leven. Zij vonden 2ÜÜ gulden bij hem. Dit geld deelden zij, brachten toen het lijk in een nabij.
383
zondigt door de begeerte, om zich eens anders goed op onrechtvaardige wijze toe te eigenen, zoo misdoet men ook tegen het tiende gebod, als men dddrom genoegen en vreugde in het nadeel, het ongeluk of den dood van anderen heeft, omdat deze ons ten voordeel strekken of eene bron van winst voor ons worden. Die baatzuchtige vreugde over het leed van een ander is, zooals wij reeds opmei-kten, eigenlijk niers dan eene vrucht van de kwade begeerte, en deze zelve eene dochter van de hebzucht.
Wat gehiedt het tiende gehod Gods?
Het gebiedt 1) aan eenieder het zijne te gunnen, d. i. van harte tevreden te zijn en te wenschen , dat ieder hebbe en behoude, hetgeen de goddelijke Voorzienigheid hem geschonken heeft. Die welwillende gezindheid stelt zelfs de natuurwet ons ten plicht, daar wij allen wenschen en willen , dat anderen zich over onze bezitting niet bedroeven, maar daarentegen het gaarne zien, dat ook wij door den al wij zen Gever der aardsche goederen rijk bedacht worden. Die gezindheid is bovendien eene noodzakelijke voorwaarde van de tijdelijke welvaart der maatschappij, wijl niemand rustig en vergenoegd kan leven onder menschen, van wie hij weet, dat zij hem misgunnen, wat hij bezit. Wie zou zich verheugen over zijne goederen, als hij vermoedde, dat zij anderen een doorn in \'toog zijn, en wie zou niet vreezen, dat degenen, die hem het zijne niet gunnen, het hem ook weldra niet meer laten zullen ? — Hetgeen aangaande de stoffelijke goederen gezegd is, geldt niet minder van de eer. Daarom schrijft de Apostel aan de Galaten : laat ons niet „ijdele goederen najagen, elkander tergende, elkander be-„nijdende.quot;\' Een schoon voorbeeld van vreugde over de eer en het aanzien van anderen geeft ons Mozes, de woordvoerder van den goddelijken Wetgever. Mozes had oudsten verkozen, die hem bij het bestuur van het volk Israëls moesten behulpzaam zijn, en God had hun onder andere
gelegen boschje en slopen henen. Georglus ging met het geroofde geld naar huis en betaalde zijne schulden. De lichtzinnige fi. echter pronkte met zijn geld en trok zoo de verdenking van schuld aan den reeds bekend geworden moord op zich. Spoedig werd hij aangeklaagd en in het verhoor gebracht; hier beleed hij niet alleen de gepleegde misdaad, maar ook wie zijn helper geweest was. ïlu werd ook Georgius gevangen genomen en tot bekentenis der misdaad gebracht. Kort daarop vielen de hoofden der twee moordenaars onder het zwaard, en tot een afschrikwekkend voorbeeld werden zij op spiesen ten toon gesteld en hunne lichamen op het rad gelegd (Levensvruchten van Sinai en Golgotha).
384
gunsten ook de gave der voorzegging geschonken. Nu geraakte Josuë in onrust. Vreezende, dat Mozes in aanzien zou verliezen, omdat hij niet meer de eenige Profeet was, gaf hij zijne bezorgdheid te kennen en sprak; „Mozes, mijn „heer, laat niet toe, dat zij voorspellen in het leger.quot; Mozes gaf hem echter het leerrijk en onbaatzuchtig antwoord: „Waarom zijt gij iiverzuohtig voor mij? Wie „geve ons, dat heel het volk voorspellineren doe, en de „Heer hun zijnen geest schenke!quot; (4 Mos. XI, 29).
2) Met het onze tevreden te zijn. — De ontevredenheid met datgene, wat men uit de hand der goddelijke Voorzienigheid ontvangen heeft, is een ruime, onuitputtelijke bron van ongerechtigheden, die in het hart door duizenderlei hebzuchtige begeerten, en metterdaad door diefstal en bedriegerijen bedreven worden. Die ontevredenheid zet den mensch onophoudelijk aan, zicb in de hoogte te stellen, zich schatten te vergaderen; men wil rijk worden, rijk in weinig tijds, rijk worden om eiken prijs: „\'slevens eenige „taak is het streven naar gewinquot; (Wijsh. XV, 12). Moge iemand bij zulk een najagen van aardsche goederen steeds alleen op den naam van eerlijk man ijverzuchtig zijn; moge hij zelfs het vaste voornemen hebben, zich slechts op eene rechtvaardige wijze te verrijken, zijne handen zuiver van onrechtvaardig goed te houden; de onmatige liefde tot het aardsche zal hem verblinden en meêslepen, en terwijl hij zich op zijne ingebeelde rechtschapenheid beroemt, zal bij anderen benadeelen en bedriegen. „Wie zich overhaast om „rijk te worden, zal niet onschuldig zijn,quot; getuigt de Geest der waarheid zelf (Spr. XXVIII, 20), en op eene andere plaats zegt Hij: „wie het goud (ongeregeld) bemint, blijft „niet zonder zonde. . . . Wee degenen, die er naar dorsten !quot; (Sir. XXXI, 5, 7). Eveneens leert ook de Apostel (1 Tim. VI, 9): „die rijk willen worden, vallen in de „bekoring en valstrikken des duivels en vele onnutte, „schadelijke begeerten, welke den mensch in den ondergang „en het verderf storten.quot; Daarom verlangt de goddelijke Wetgever van ons, dat wij, tevreden met datgene, wat Hij ons geschonken heeft, zijne gaven door spaarzaamheid en zorg bewaren en volgens zijne beschikking door vlijt en werkzaamheid vermeerderen, met een vast vertrouwen op zijnen zegen, die onvergelijkelijk meer waard is, dan alle schatten der wereld. — God verlangt dit echter van ons, niet alleen opdat wij ons hart zuiver van hebzuchtige begeerten en onze handen zuiver van roof bewaren, maar ook, om ons waarlijk gelukkig te maken. De tevredenheid is inderdaad eene overvloedige bron van vrede en rust voor den
385
aardschen pelgrim. De Apostel zelf wijst ons op deze waarheid, schrijvende: „een groot gewin is godzaligheiden „genoegzaamheid; want wij hebben niets in deze wereld „ingebracht en kunnen ook niets medenemen. Als wij „voedsel en kleeding hebben, laten wij daarmede tevreden „zijn.quot; Eene bovenmatige zorg voor datgene, wat wij toch eenmaal moeten achterlaten, zou ons verhinderen, door beoefening der deugd schatten te verzamelen, die voor het toekomstige leven bewaard worden; schatten, welke ons reeds hier op aarde gelukkig maken door de hoop der eeuwige zaligheid, waarop zij ons recht geven. Tevredenheid verzoet alzoo üet tijdelijk leven en verrijkt ons voor het eeuwige; ontevredenheid daarentegen maakt ons dit leven bitter en belet ons, schatten voor den hemel te vergaderen. „De „hebzuchtige,quot; zugt de H. Schrift (Sir XIV, 9), „wordt „niet moede, voordat hij verdorrend zijn leven verteert;quot; van de tevredenen lezen wij: „het leven van den genoeg-„hebbenden werkman wordt verzoet, en gij kunt daarin „een schat vindenquot; (Sir. XL, 18). „Meen toch niet,quot; zegt de H. Chrysostomus fHomil. 12 over den. brief aan de Hom.), „dat een groot vermogen u eenig genoegen zal „aanbrengen; genoegen kunt gij slechts hebben, als gij niet „verlangt rijk te worden. Zoolang wij dorst hebben, duurt „de kwelling, en al schepten wij ook alle bronnen uit en „dronken wij duizend waterstroomen, de kwelling zou nog „grooter worden.\'\'
Niet zwaar valt het den Christen, wien God met tijdelijke goederen of tenminste met de noodzakelijke behoeften des levens zegende, met het zijne tevreden te zijn; voor den arme alleen valt het zwaar, bovenmate zwaar, met zijn lot tevreden te wezen, wijl hij om zoo te spreken niets heeft, wat hij het zijne noemen kan. En toch is dit gebod ook voor den arme zoowel als voor den rijke gegeven; ook de arme moet gelalen moet van ganscher harte in zijne behoeftigheid tevreden zijn. Die tevredenheid wordt hem mogelijk, ja zelfs licht, als hij bedenkt, 1) «dat een rein geweten het grootste j/goed is.quot; „Wees niet bevreesd, mijn zoon: wij leiden wel een arm eleven, maar wij zullen vele goederen hebben, als wij God vreezen, „alle zonden mijden en weldoenquot; (Tob IV, 23). Met die woorden, welke de oude Tobias tot zijnen zoon richtte, kan elke arme zich zeiven, kan elke behoeftige vader, elke noodlijdende moeder hunne kinderen troosten Inderdaad is de arme, wiens geweten hem niets verwijt, «wien geen leedwezen over eene zonde kweltquot; (Sir. XIV, 1), te midden zijner ellende en zijn gebrek rijk en gelukkig te noemen, ja rijker en gelukkiger dan de rijkste en in -de oogen der wereld \'gelukkigste zondaar; want „beter is het weinige met de vreeze des „Heeren dan groote schatten, die niet verzadigenquot; (Spr. XV, 16). Terwijl de rijke zijne hoop stelt op zijne vergankelijke rijkdommen en steunt op den arm van sterfelijke dienaren, vertrouwt de arme, wiens hart rein is, op den Heer van hemel en aarde en zijn vertrouwen zal niet beschaamd worden. Want «de Heer is de toevlucht «der armen geworden; een helper te rechten tijde in de behoefte;
DEHABBE, GELOOFSLEER. III. 3\'1» DRUK. 25
386
»Hij vergeet het geschrei der armen nietquot; (Ps. IX , 10, 13). — De arme verzoent zich lichtelijk met zijn drukkend lot, als hij bedenkt, 2) //dat hij zijn vaderland hierboven heeftquot; Een reiziger, die uit verre landen in het schoone vaderland wederkeert, vergeet den lastigen weg, de onvriendelijkheid van reisgezellen en herbergiers, let niet op ongemak van weder, noch op honger, dorst en vermoeidheid; neen, voor zijn geest zweven alleen de vreugde en de verschillende genoegens die hem in het vaderland en den schoot zijner familie wachten. Zoo is het ook met den arme; deze denkt verblijd aan het vaderland aan gene zijde van het graf, aan het vaderlijke huis in den hemel en aan de veelvuldige vreugde en eeuwige genietingen, die hem daar bewaard zijn. Lijdt hij honger en dorst, dan roept hij zich zeiven toe: //daarboven zal ik verzadigd worden *bij het vreugdemaal in den hemel daar zal ik mijnen dorst lesschen »aan de bron der eeuwige zaligheid,quot; zinkt hij moede en uitgeput neder, dan troost hij zich met de woorden: ,/daarboven zal ik rusten „aan het hart van mijn hemelschen Vader, en mijne rust zal geen //einde hebben;quot; wordt hij met schande en verachting afgewezen van de deur der rijken, dan fluistert hom zijn goede Engel troostend in: //daarboven zult gij ontvangen worden; Engelen en Heiligen zullen //wedijveren om u bij uwe intrede in het vaderlijke huis te ver-//Welkomen;quot; moet hij eene arme woning en harde legerstede voor lief nemen, dan wordt hij verlicht door de gedachte: «daarboven, «in de schitterend verlichte zaal des hemels zal ik een troon be-irklimmen en eeuwig met Christus heerschen.quot; Eindelijk wordt de behoeftigheid den arme niet alleen dragelijk, maar zelfs aangenaam en begeerenswaardig, als hij bedenkt, -i) dat ook Christus om ons arm is geworden, en Hij allen, die uit liefde tot Hem de armoede geduldig dragen, eens heerlijk zal beloonen. Mochten toch de armen en noodlijdenden, in plaats van zich te vergrammen over hunne behoeftigheid en de rijken, in hnn vergankelijk geluk te benijden, mochten zij zich vol geloof en liefde herinneren aan Jesus in de armoede van de krib, aan .lesus in zijne naaktheid aan \'t kruis, en tot zich zelve zeggen: //Christus, de Zoon Gods, Chri-tus, de //Heer en Koning van hemel en aarde, Christus was arm zooals ik, „Christus was zelfs armer dan ik, Christus was arm uit liefde tot //mij; Christus is nu rijk, om mij arme goddelijk te beloonen, als „ik uit liefde tot Hem de lasten der armoe draag.quot; Waarlijk, zulke troostgronden zullen de bitterheid van den drukkendsten nood verzoeten en het lijden der armoede in eene bron van den zaligsten troost verkeeren. \')
\') De armoede heeft in de oogen van den geloovige, van den Christen, die besloten is tot de navolging van den armen Jesus, iets zoo beminnelijks, dat zeer velen aan het lijden en de moeielijkheid der armoede de voorkeur geven boven alle gemakken, welke een voorname stand en groote rijkdommen geven, en velen bij het dragen der beüoeftigheid gelukkiger en tevredener zijn dan voorheen in het genot van tijdelijke goederen en vreugden. Tot voorbeeld diene de legende^ van den H. WendeKnus. In Schotland, waar reeds vroegtijdig het Christendom heerlijke vruchten droeg, leefde 1000 jaar na de geboorte onzes Heeren een koningszoon met name Wendelinus. Alles, wat zijn hart kon verlangen, geld en goed, rijke kleederenen kostbare spijzen, lusthoven en kasteelen, alles bezat hij. Dat alles, behaagde hem echter niet; zijne zitl haakte niet naar liet rijk zijns vaders, maar naar het rijk der hemelen, en hij overlegde bij zich zeiven, hoe hij dat zou bemachtigen. Daar hem nu het leven aan het hof hiertoe niet geschikt voorkwam en de rijken, volgens het woord van onzen Heer, niet gemakkelijk in den hemel komen, maakte hij het voornemen, om in armoede en eenzaamheid te gaan leven.
387
TOEPASSING.
Zalig is hij , die ia waarheid met den koninklijken Profeet kan uitroepen : „mijne ziel verlangt en smacht
trok het pelgrimsgewaad aan, nam een staf in de hand, en toog henen uit Schotland, arm en behoeftig, zonder dat iemand er van wist. Eerst bereikte hij Engeland stak toen de zee over en kwam eindelijk na vele moeite en hinderpalen in het Bisdom Trier. Daar bouwde hij in een groot woud eene kluis, woonde daar , en diende God naar het voorbeeld der oudvaders met bidden, vasten en waken. Eens toen hij niets te eten had, ging hij het woud rond, en ontmoette een edelman Wendelinus smeekte hem om eene aalmoes. De edelman vroeg zijn naam, vanwaar hij kwam en wat hij uitoefende. Uit nederigheid zweeg Wendelinus over zijne afkomst en zeide alleen, dat hij een arme pelgrim uit Sohotland was, dat hij hier op de wijze der kluizenaars leefde en Wendelinus heette. Toen antwoordde de edelman: ,/Wendelinus, hoe kunt gij uwen tijd aldus jdoorbrengen? volg mij, ik heb in de nabijheid een landgoed, kom „en hoed mijn vee.quot; Wendelinus gehoorzaamde, ging met den edelman en hoedde eerst zijne zwijnen en ten laatste zijne schapen. Daarbij vergat hij echter den goeden God niet, maar ging voort. Hem zoowel door werken als door bidden te dienen. Het liefste dreef hij zijne schapen op eenzame en afgelegen weiden, waar hij ongehinderd kon bidden en overwegen. Dan zette hij zich op een heuvel neder en dacht aan David, nog herdersknaap, die ook eens de schapen hoedde, of aan de herders die de nachtwake hielden bij Bethlehem en aan wie de Engel de geboorte des Heeren verkondigde. Vaak ging hij naar een eenzaam oord, knielde neder en bad dan uren lang, of luisterde naar de vogelen des wouds, die vroeg en laat zoo liefelijk zongen, of zijn hart verlustigde zich in de bloemen, die op de velden groeiden en in de sterren, die tintelden aan het uitspansel. Daar was het hem zoo wel en zoo blijde om \'t hart, dat hij alle koninklijke pracht en eer versmaadde, en zich rijker achtte dan voorheen. Doch tevens moest hij lijden en menigvuldige smarten dragen. De andere dienstboden lachten en dreven den spot met zijne godsvrucht, en toen zij zagen, dat de heer van liet landgoed hem een goed hart toedroeg, benijdden ze hem en trachtten den vromen herder op alle wijzen zwart te maken en te belasteren. Maar de edelman luisterde er niet naar en sprak tot hen; «Indien gij zoo //vroom en vlijtig waart als Wendelinus, dan • zou ik u evenzeer vachten en liefhebben als hem.quot; Dikwerf ook kreeg Wendelinus, als hij zoo alleen met zijne kudde was, vele bekoringen. Dan kwam hom in de gedachte: «gij zijt toch een koningszoon, en hoedt hier «zwijnen en schapen. Sta op en keer terug naar aw vaderland; leef «daar in koninklijke vreugde en eer; eet kostbare spijzen, kleed u fin prachtige kleederen, geniet de genoegens der wereld als andere «menschen.quot; Doch bij deze en andere aanvechtingen nam hij zijne toevlucht tot het gebed en de kastijding, en verdreef aldus het verlangen naar het aardsche vaderland uit liefde tot het hemelsehe. Alzoo leetde Wendelinus gemimen tijd. Daarop spoorde hem de Geest Gods aan, om de armoede, die hij tot nu toe vrijwillig had uitgeoefend, te beloven en zich aldus tot een heiligen plicht te maken. Hij bad om toegelaten te worden in het Benedictijner klooster te Tholky, werd aangenomen en stierf daar als abt. Op het sterfbed bekende hij aan zijn biechlvader, wat hij tot nu toe aan allen verzwegen had. dat hij een koningszoon was en vrijwillig alles had verlaten. Toen dankte hij God, die hem zoo liefdevol en wonder-
25*
388
„naar de voorhoven Gods, mijn hart en mijn vleesch „juichen in den levenden God*\' (PsLXXXIII, 3). Dat verlangen en die vreugde zijn eene onsterfelijke, naar Gods evenbeeld geschapen ziel waardig; dat alleen biedt den aardschen pelgrim waren troost en een zeker onderpand der eeuwigdurende bevrediging van zijn ingeboren streven naar geluk. O Christen! onderhoud moedig en trouw de bovenstaande geboden, en dat hemelsch verlangen, die heilige vreugde zal uw hart meer en meer vervullen, meer en meer heiligen. Want hoe meer de mensch zijne gedachten, wenschen en begeerten aftrekt van het geschapene, van de goederen en vreugde dezer wereld, des te vrijer en vlugger wordt zijn opzien tot God, des te inniger en smachtender zijne liefde tot Hem en de hemelsche goederen. Wel valt het zwaar, de gedachte aan het aardsche uit het hoofd te stellen en de liefde tot het aardsche en het verlangen er naar uit het hart te verbannen. De verblindende glans der zinnenwereld verleidt, en niet minder de zoadige begeerlijkheid; duizend bedriegehjke beelden en voorspiegelingen van den helschen bekoorder lachen toe: wie kan al die bekoorlijkheid wederstaan, wie zijn hart voor besmetting, voor ongeregelde neiging beschutten? Alleen hij , die de vergankelijkheid en nietigheid van al het aardsche begrijpt in het licht des geloofs, en onbelemmerde blikken op God en op de onveranderlijke goederen slaat, alleen hij, die het tijdelijke gering acht en (iod, doel en oorsprong
baar geleid had, en deed zijne intrede in het hemelsche rijk, waarnaar alleen zijn hart begeerd had, en waarvoor hij een aardsch rijk had verlaten en opgeofferd (Naar Werfer\'s legenden).
//Hoe weinig de armoede waarlijk ongelukkig maakt,quot; dus zegt de H. Chrysostomus leerrede op Lazarus, «zien we in den armen ,/Lazarus. Eens lag hij in ellende voor de deur van den rijke, nu //rust hij in den schoot van Abraham. Eens likten de honden zijne //wonden, nu wordt hij door Engelen gediend. Eens was hij arm, //nu leeft hij in heerlijkheid. Eens leed hij honger, nu heeft hij //overvloed. Eens moest hij strijden, nu draagt hij de zegekroon... //Laten wij van hem leeren, om noch de rijken gelukkig te noemen, «noch de armen voor ongelukkig te houden... L)e rijke stierf en „werd begraven in de hel (Luc. XVI, 22). De dood kwam, wischte „al die heerlijkheid uit, greep hem aan als een gevangene en sleepte ,/hem mede, en de oogen van den rijkaard waren ter neêrgeslagen „vol schaamte en angst, als een mensch, die alleen in den slaap «veel vreugde heeft genoten, en zich nu bij het ontwaken echande-//lijk bedrogen ziet. En nu moest de rijke den arme smeeken, nu „smachtte hij naar den disch van hem, die voorheen zooveel honger „had geleden en wien eene plaats was toegewezen onder de honden. „Alles was veranderd, en nu zag men, wie In waarheid de rijke „en wie in waarheid de arme was: dat Lazarus de rijkste, de andere „daarentegen de armste onder allen was.quot;
389
van alle goed, boven alles hoogschat; alleen hij, die zijn hart met geweld van het geschapene losrukt en het God toewijdt, om in God alleen te rusten; alleen de ziel die God in alles en boven alles bemint. „Niets is er,quot; schrijft de H. Joannes Chrysostomus (Hotnel. 54 aan het volk), „wat de vurige liefde tot God niet overwint Noch vuur, „noch staal, noch armoede, noch krankheid, noch dood, „noch iets dergelijks, zal voor hem, die zulke liefde bezit, „ha.rd schijnen; integendeel acht bij alles gering, stijgt hij „omhoog naar den hemel, en toont zich datgene, wat hem „daar wacht, niet onwaardig. Op niets let hij, noch op „den hemel, noch op de aarde, noch op de zee; zijne „oogen zijn alleen gevestigd op de heerlijkheid van de „goddelijke schoonheid. De lasten des levens drukken „hem niet ter neder, en het geluk is niet in staat hem „trotsch te maken.\'\' God schenke ons deze liefde en zijne genade tot de volmaakte onderhouding zijner geboden en wetten! Amen.
Over de geboden der D. H.ei\'k.
De Wetgever op Sinaï had wel vooral, maar\'niet uitsluitend het israëlitische volk. Hij had ook het geheele menschelijke geslacht op het oog. De geboden, die Hij daar op de twee steenen tafelen schreef, de geboden, wier grondtrekken Hij in elk menschehjk hart tegelijk bij de schepping grifte, die wijze en heilige geboden hadden en hebben tot aan het einde der tijden verbindende kracht voor alle medeleden en voor eenieder in \'t bizonder van de groote over de wijde aarde uitgestrekte en alle tijden omvattende maatschappij : voor Joden, Heidenen, Turken en Christenen. Het hoofdgebod der liefde en de tien geboden Gods zijn alzoo voor alle menschen gegeven. Nu komt de vraag, of de Christen nog ar.dere hem als zoodanig opgelegde voorschriften moet volbrengen.
Zijn de Christenen ook verplicht, behalve de geboden van God, nog andere geboden te onderhouden?
Ja, de geboden der H. Kerk.
Het is ontegensprekelijk, dat de Christenen, d. z. de belijders der leer van Jesus Christus, behalve de geboden Gods, welke ieder mensch moet onderhouden, krachtens hunne bizondere hoedanigheid van Christenen ook die ge-
390
boden te onderhouden hebben, welke de H. Kerk, die eerbiedwaardige, over den geheelen aardbodem verbreide, door Christus zeiven gestichte en met een zichtbaar herdersambt voorziene maatschappii, gegeven heeft; want door het H. Doopsel zijn zij hare levende ledematen geworden. In dien zin bepaalde de algemeene Kerkvergadering van Trente (Zitt. VII. Can. 8) tegen de hervormers der zestiende eeuw: „als iemand zegt, dat de gedoopten vrij zijn van alle ge-„boden der Kerk, welke geschreven of overgeleverd zijn, „zoodat zij niet gehouden zijn die na te komen, tenzij zij „zich daaraan uit vrije keuze willen onderwerpen, by is „in den ban;\'\' eveneens (Zitt. VI. Can. 20): „indien iemand „zegt, dat de gerechtvaardigde niet verplicht is, de geboden „van God en van de Kerk te onderhouden, hij is in den ban.quot;
Daar deze geboden alleen de Christenen aangaan, is het duidelijk, dat zij voor Joden, Turken en Heidenen van geenerlei verbindende kracht zijn. Diegenen daarentegen, die door het Doopsel in de Kerk eenmaal zijn binnengegaan, maar in het vervolg door de excommunicatie van hare gemeenschap worden uitgesloten, of zich zei ven vrij willig door scheuring of ketterij van haar gescheiden hebben, zij allen zijn evenals de Katholieken, die in de kerkelijke gemeenschap leven, verplicht, genoemde geboden te onderhouden. Slechts de onbekendheid met de geboden der H. Kerk, de onmogelijkheid om ze na te leven of de buiten schuld verkeerde overtuiging van niet daartoe verplicht te zijn, kan bij ketters en scheurmakers de overtreding er van verontschuldigen. Wil echter de Kerk om bizondere redenen een of ander gebod of eene verordening niet tot de van haar afgescheidene onderdanen uitstrekken, dan is het van zelf duidelijk, dat deze ook niet verplicht zijn, die te onderhouden.
Van wien hee/t de Kerk het recht geboden te geven?
Van Jesus Christus zei ven, die de Kerk gelast heeft, de geloovigen in zijnen naam te leiden en te regeeren.
Bij het negende artikel des geloofs is reeds uitvoerig bewezen, dat Christus, de goddelyke Wetgever van het Nieuwe Verbond, aan de Kerk als zijne plaatsbekleedster op aarde en de voortzetster van zijn verlossingswerk, de macht heeft medegedeeld, in zijnen naam niet alleen de door Hem gegeven wet te verkondigen, maar in den loop der tijden ook van haren kant wetten uit te vaardigen, die naar omstandigheden noodzakelijk of dienstig kunnen zijn, om hare taak te vervuilen, d. i. om de geloovigen
391
op den weg tot het eeuwige leven te leiden en te besturen, de trouwe schapen naar den schaapstal van den eenen goddeliiken Herder te voeren. Want juist met dat doel heeft Christus in zijne Kerk een zichtbaar, tot aan het einde der tijden voortdurend herdersambt ingesteld, het met zijne eigen volmacht tot bevordering van het heil der zielen toegerust, met de kracht des H Geestes gesterkt, en aan de spits er van een opperhoofd gesteld met de woorden: „weid mijne lammeren, weid mijne schapen.quot; Gelijk namelijk een verstandig koning; die zich naar een vreemd land begeeft, om aldaar geruimen tijd te verblijven , den stadhouder, die in zijne afwezigheid het rijk moet besturen, de volmacht geeft, wetten uit te vaardigen, al naardat de omstandigheden het eischen tot bevordering van het algemeen belang, zoo handelde ook Christus, toen Hij van de aarde in zijn vaderlijk erfrijk, in den hemel terugkeerde. Hij ook stelde aan, zooals de H. Paulus getuigt (Eph IV, 11—15), „herders en leeraars ter vervolmaking „der Heiligen, voor de opbouwing van het lichaam van „Christus, ... opdat wij waarheid oefenen in liefde en „toenemen in, alles door Hem, die het hoofd is, Christus.quot; Jesus Christus wil derhalve ook, dat men de geboden der Kerk naïeve, als waren zij van Hem zeiven uitgegaan, wijl zij werkelijk in zijnen naam en ingevolge de door Hem verleende wetgevende macht zijn uitgevaardigd, en Hij beschouwt de verachting er van als eene verachting van zijn eigen persoonlijk gezag. Daarom zegt Hij tot allen, die het kerkelijk herdersambt bekleeden: „wie u hoort, „hoort Mij; wie u veracht, veracht Mijquot; (Luc. X, Ki).— Het is bovendien een onloochenbaar en algemeen erkend feit, dat de Kerk van de apostolische ti]den af tot den huidigen dag deze wetgevende macht voortdurend heeft uit-geoeiend. Bijkans ontelbare verordeningen, die door Pausen en Bisschoppen gedeeltelijk in, gedeeltelijk buiten de Kerkvergaderingen en Synoden gegeven werden, leveren ons daarvan het bewijs, en wanneer de Kerk wetten gaf, beriep zij zich nooit op eene van de christelijke gemeente ontvangen macht, maar immer alleen op de volmacht aan haar opperhoofd geschonken door Christus, wien aile macht in den hemel en op aarde gegeven is. Wie nu zou het durven wagen, tegen de onfeilbare, door den H. Geest verlichte en bestuurde Kerk de aanklacht in te brengen, dat zij, van hare stichting af tot nu toe, hare bevoegdheid misbruikt en zich eene macht aangematigd heeft, die baar van rechtswege nooit toekwam ? — De Kerk is verder, zoowel volgens de H. Schrift als de Overlevering,
392
ook ten aanzien van haren uitwendigen toestand een zichtbaar rijk. Daar er nu geen rijk denkbaar is zonder eene regeering , en daar deze wezenlijk de wetgevende macht in zich sluit, zoo kan der Kerk de volmacht, om wetten te geven, niet ontkend worden, zonder tegelijk hare stichting en haar bestaan als rijk van Christus op aarde te loochenen. De Kerk is alzoo, volgens het gezegde, wetgeefster in Christus\' . plaats. Daaruit volgt duidelijk, dat geen harer medeleden zich aan de naleving harer geboden onttrekken mag. En dit is ook de reden, waarom geëxcommuniceerden, ketters en scheurmakers tot de onderhouding der kerkelijke geboden verbonden blijven. Nimmer toch kunnen misdrijven, welke de tijdelijke uitsluiting van de kerkelijke gemeenschap ten gevolge hebben, noch onrechtmatige opstand tegen de kerkelijke macht, of losscheuring van de Kerk, iemand recht geven, de verplichting om hare voorschriften na te komen , van zich af te schudden.
Heeft de Kerk geen ander recht, dan geboden te geven?
Zij heeft ook het recht te waken, dat de geboden worden nageleefd, en de overtreders te straffen. »
Het recht om wetten voor te schrijven zou door Christus aan de Kerk verleend zijn, zonder iets te beteekenen, als Hij haar niet tegelijk ook de volmacht had geschonken om aan te dringen op de naleving harer geboden en verordeningen, en hare onderdanen, ingeval van overtreding, voor haren rechterstoel te roepen en te bestraifen. Eene dusdanige wetgevende macht zou tot de welvaart der Kerk, tot stichting en heiliging der geloovigen weinig of liever niets baten. Schenk een wereldlijk rijk het recht, wetten te geven, maar onttrek het de volmacht, de overtreding er van te bestraffen; wat zal er van worden? Zal het kunnen bestaan ? Hoe nu zou men den goddelijken Stichter der Kerk, welke tot het einde der wereld staande moet blijven, eene zoo gebrekkige mededeeling van macht durven toeschrijven? Zou men daardoor zijne wijsheid en zorg niet in twijfel trekken? Christus heeft alzoo aan de Kerk de macht geschonken, de geloovigen niet enkel door geboden te verplichten, maar ook met straffen te treffen, zooals blijkt uit de onbeperkte macht der binding, welke Hij haar verleend heeft, en eveneens uit de sleutelmacht, welke Hij haar opperhoofd gegeven heeft (Zie deel II). Derhalve zijn de oversten der Kerk verplicht, de geloovigen ernstig aan te manen tot onderhouding der christelijke wet, en de overtreders terecht te wijzen. Voor ieder hunner geldt de vermaning van den Apostel aan den Bisschop Timotheus
393
(2 Tim. IV, 2): „predik het woord, houd aan tijdig en „ontijdig, overtuig, hid, draf in alle geduld.quot; — Dat ook de Apostelen, zich bewust van dat recht en dien plicht, niet alleen verscheidene voorschriften gaven, maar tevens bedreigden, oordeelden, bestraften, is in het tweede deel reeds aangewezen. In de voetstappen der Apostelen traden ook de Pausen en Bisschoppen, hunne opvolgers, tot in onze tijden, en de katholieke Kerk heeft dit recht steeds erkend , en de tegenovergestelde leer als ketterij verworpen. l) Wat is ook billijker, dan dat de Kerk hare geestelijke goederen onttrekt aan diegenen, die er een slecht gebruik van maken ? Kan men het haar ten kwade duiden, dat zij hen buiten hare gemeenschap sluit, die hardnekkig haar de verschuldigde gehoorzaamheid weigeren en anderen door ergenis ten ongeluk verstrekken ? Gebruikte de Kerk deze heilzame gestrengheid niet, zij zou aan elk der gezonde leden en aan hel geheele lichaam schade berokkenen. De boozen zelve zouden door straffeloosheid tot hun eigen ongeluk in de zonde van opstand en ergernis bekrachtigd worden. 2) Heeft overigens elke wereldlijke Staat het onbetwistbare recht, de misdadigers te straffen, de on verbeterlij ken onschadelijk te maken; op welken grond zoude men dat recht aan het geestelijk rijk der Kerk ontzeggend 3)
\') Bullen van Pins VI. Auctor fldei. Stelling 4, 5.
s) Ook de zoogenaamde //gereformeerde of evangelische Kerk,quot; wier aanhangers het der roomsch-katholieke Kerk tot verwijt maken, dat zij hare macht om te straffen uitoefent, vooral met verontwaardiging optreden tegen het uitspreken van den banvloek; ook dit jegens hare leden zoo toegevend genootschap heeft, zooals de geschiedenis getuigt, dezelfde macht dikwerf uitgeoefend en oefent die zelfs heden nog uit, om eenigszins het in haren schoot optredend ongeloof en de losbandigheid tejfen te gaan. In Dessau is in het jaar 1858 door het protestantsche consistorie eene bekendmaking betreffende de zich noemende vrije gemeenten rondgezonden, welke de Volgende bepalingen bevat; //degenen, die tot de zoogenaamde vrije gemeenten overgaan, //a) houden op, medeleden der christelijk-evangelische Kerk te zijn, «en verliezen alle rechten, welke hun als zoodanig toekwamen; b) »moyen in de evangelische Kerk niet voorgesteld en opgenomen //worden .... c) kunnen de christelijk-kerkelijke begrafenis niet »bekoinen; d) kunnen geene medeleden van het christelijk-evangelische (-weeshuis zijn . . . e) hebben geen deel in de stichtingen en prebenden «uit evangelisch-kerkelijke instellingen; zij mogen bij het doopen in «de evangelische gemeenten niet als borgen optreden noch er eenig ^werkzaam deel aan nemenquot; („Die neue iVliinchener Zeitung,quot; 1MU. 40).
3) Ue katholieke Kerk heeft bij het bestraffen harer kinderen niet zoozeer hunne tuchtiging dan wel hunne verbetering op \'t oog. Zij handelt hierin gelijk de H. Paulus, die den ontuchtigen Corinthiër excommuniceerde, ^opdat de geest gered zou worden ten dage van «onzen Heer Jesus Christus,quot; d. i. opdat hij boete zou doen en aldus de verdoemenis ontkomen (1 Cor. V, 5). De kerkelijke straffen of de zoogenaamde censuren (excommunicatie, suspensie en interdict)
394
Welke zijn de algemeene of hoofdgehoden der Kerfc ?
Ue volgende vijf:
1) Gij zult de geboden feestdagen vieren. 2) Gij zult alle zon- en feestdagen de H. Mis met aandacht (eerbiedig) hooren. 3) Gij zult de geboden vastendagen, ais ook het verschil van spijzen houden. 4) Gij zult tenminste eens in het jaar uwe zocdgn aan een daartoe gemachtigden Priester biechten, 5) Gij zult het allerheiligste Sacrament des Altaars tenminste eens in het jaar, namelijk omtrent Paschen, ontvangen.
Deze geboden der Kerk heeten algemeene of hoofdgeboden, omdat zij alle Christenen van eiken levensstaat aangaan en verplichten; terwijl andere kerkelijke voorschriften óf alleen tot een bepaalden staat, bijv. tot den geestelijken staat zich uitstrekken, óf slechts eene bepaalde klasse van ge-loovigen , óf wel alle, maar alleen in zekere omstandigheden, verplichten. Voorschriften van dezen aard zijn bijv. op verboden tijden geen bruiloft te houden, en het gebod, dat men bij het ontvangen van het allerheiligste Sacrament
dienen derhalve ter verbetering van den zondaar. Zij worden slechts uitgesproken tegen diegenen, die hardnekkig in de zonde volharden, met het doel, hen krachtig aan te sporen, in zich zelve te keeren en hunnen levenswandel te verbeteren. Is dit doel bereikt, dan worden de straffen ingetrokken. — üe bovengenoemde straffen bestaan in het onttrekken der geestelijke goederen, waarover de Kerk, naar de verordening van haren goddelijken Stichter en Bruidegom, ten gunste harer kinderen beschikken kan. Dusdanige goederen zijn de HH. Sacramenten, de aflaten, de geestelijke jurisdictie, de macht tot liet waarnemen van geestelijke 1\'unctiën, de deelneming aan den openbaren godsdienst door het hooren der H. Mis en derg ; eveneens de deelneming aan de verdiensten en voorbeden der geioovigen op aarde en der Heiligen in den hemel, eindelijk, de kerkelijke begrafenis. De excommunicatie of de groote kerkban berooft den plichtige van alle genoemde goederen. De geëxcommuniceerde houdt op , lid van de gemeenschap der Heiligen te zijn, verliest het recht, den ge-meenschappelijken godsdienst, de H Mis. zegeningen , processiën enz; bij te wonen De preek echter en het christelijk onderricht mag hij bijwonen, opdat hij door het aanhooren van Gods woord op den goeden weg terugkeere. In de middeleeuwen had volgens de toenmalige rijkswetten, de groote kerkelijke ban, ook de burgerlijke of rijksban ten gevolge. — Door het interdict wordt de band der kerkelijke gemeenschap niet geheel verbroken, maar het houden van openbaren godsdienst, het ontvangen en toedienen van sommige Sacramenten en der kerkelijke begrafenis verboden. Deze straf kan om eene groote misdaad een geheel land , eene stad of ook afzonderlijke peisonen en genootschappen treffen. — üe straf van suspensie kan slechts een geestelijke treffen. Zij verbiedt hem voor een tijd geheel of ten deele de uitoefening dier macht, welke hem uit kracht van de ontvangen heilige wijdingen of uit hoofde zijner betrekking of beneficie eigen is. Zoo is de kerkelijke macht gewoon, eenen geestelijke, de bijv. eene van ketterij verdachte leer verspreidt, de uitoefening van geestelijke functiën geheel of ten deele te verbieden.
395
nuchter moet zijn, d. i. van middernacht af noch spijs noch drank mag nuttigen. Het eerste van deze geboden verplicht alleen die Christenen, die den huweliiken staat willen intreden, het bruidspaar; het laatste daarentegen verbindt wel alle Christenen, maar alleen dan, als zij de H. Communie willen ontvangen.
Waartoe heeft de Kerk ons deze geloden gegeven?
1) Om de goddelijke geboden te verklaren, en nader te bepalen, hoe zi] gehouden moeten worden. — Het is niet de bedoeling der H. Kerk, door nieuwe geboden haren kinderen een nieuwen last op te leggen, het juk des Heeren te verzwaren. Als eene zorgvuldige moeder en voorzichtige leermeesteres wil zij door hare geboden den zin en den geest van de geboden des Heeren ophelderen; insgelijks den tijd en de wijze nader bepalen , hoe wij die moeten volbrengen. Het eerste gebod van God legt ons reeds de verplichting op, de weldaden en geheimvolle barmhartigheid des Allerhoogsten met dankbaarheid te gedenken, en Hem, de Bron van alle heiligheid, in zijne Heiligen te vereeren en te loven; het eerste gebod der Kerk schrijft ons voor, deze verplichting te volbrengen door de aandachtige viering der door haar ingestelde feestdagen des Heeren en zijner Heiligen. Het derde gebod van God vordert van ons de heiliging van den zondag; het tweede gebod der Kerk verklaart, dat tot deze heiliging vooral het bijwonen der H. Wis behoort. De christelijke wet wil, dat wij ons zeiven verloochenen, door het kruisigen van ons vleesch en het versterven van alle zinnelijke lusten (Gal. V, 24) den gekruisigden Heiland zullen navolgen; het derde gebod der Kerk geeft ons door de verordening van het vasten een middel aan de hand ; om de overwinning van ons zeiven en de versterving der zinnelijkheid op bepaalde tijden en op eene Gode welgevallige wijze te oefenen.\')
\') Schoon en zeer beliartigingswaardig is liet antwoord, hetwelk de beroemde Kardinaal Stanislaus Osius aan eenigen zijner vrienden gaf, die hem smeekten, zijn streng vasten voor zijne gezondheid en het welzijn der Kerk, waarvoor hij zoo nuttig was, eenigszins te matigen. »Ik doe het voor mijn eigen geluk,quot; hernam hij, //als ik tracht de „veertigdaagsche vasten en de andere vastendagen der Kerk goed »te onderhouden. Mijn doel is lang te leven. In de geboden Gods »staat namelijk geschreven: //Gij zult vader en moeder eeren, opdat //gij lang moogt leven op aarde.quot; Mijn vader is God in den hemel, „en mijne moeder de Kerk op aarde. God nu, mijn Vader, beveelt //mij te vasten, en de Kerk, mijne moeder, schrijft mij de dagen »voor, waarop ik vasten moet. Bereidvaardig gehoorzaam ik beiden.
396
Christus eindelijk heeft het H. Sacrament der Biecht en des Altaars ingesteld, en zijn heiligen wil uitgesproken, dat wij allen uit die bron van genade troost en eeuwig geluk zullen putten. De Kerk verplicht ons door de twee laatste geboden te» strengste, deze HH. Sacramenten minstens eens in het jaar te ontvangen; zij doet ons zoo een- heilzaam geweld aan, opdat wij toch onze ziel elk jaar reinigen door het Bloed van Jesus Christus, laven en sterken door het nuttigen van het Vleesch en Bloed van onzen Heer.
2) Om ons tot een godvruchtig en boetvaardig leven aan te sporen, en daardoor ons eeuwig geluk te bevorderen. — Waren alle Christenen, gelijk zij zijn moesten, ijverig en vol vurige liefde tot God, dan zouden er geene geboden noodig zijn: zij zouden uit eigen beweging doen, waartoe zij thans door geboden moeten worden aagespoord Aan de eerste Christenen behoefde meu zeker niet te gebieden, tenminste eens in het jaar aan het goddelijk Liefdemaal deel te nemen; het levende Brood, hetwelk van den hemel is nedergedaald, was voor hen het dagelijksche voedsel hunner zielen. Er was ook geen gebod der Kerk noodig, om hen te bewegen, op zon- en feestdagen de H. Mis bij te wonen; zij deden dit evenwel, dikwerf met levensgevaar. Eerst toen er bij velen lauwheid en onverschilligheid was ingeslopen, zag de Kerk zich genoodzaakt, op het gebruik dier genademiddelen door geboden aan te dringen en de nalatigen door bedreiging van straffen daartoe krachtig aan te sporen. De geboden zijn dus volgens de bedoeling der Kerk geneesmiddelen tegen de lauwheid en de nalatigheid in de beoefening der christelijke wet. Zij zijn voorbehoedmiddelen tegen de natuurlijke onbestendigheid, welke ons maar al te dikwijls verleidt, om van de beoefening der deugden af te gaan en vooral de vervulling van datgene, wat voor de natuur lastig is, gelijk het vasten, biechten, enz. te verwaaiioozen. De geboden der Kerk zijn middelen, welke ons den weg ten hemel, het onderhouden der goddelijke geboden vergemakkelijken , daar zij ons aanzetten , de wapenen der versterving tot den strijd tegen onze vijanden aan te grijpen, moed en volharding te zoeken. Dat de geboden der Kerk voor alle geloovigen een bepaalden tijd en eene gelijkvormige wijze ter volbrenging der goddelijke
,/lk hoop, dat ik tot loon mijner gehoorzaamheid een eeuwig en ,/volmaakt gelukkig leven erlangen zalquot; (Guillos. D. 2.)i Juist hetzelfde antwoord kan men ook geven omtrent de stipte volbrenging van alle overige geboden onzer moeder de H. Kerk.
397
geboden vaststellen, ook dit vergemakkeliikt de vervulling voor ieder in het bizonder op buitengewone wijze; want in het eenparige voorbeeld van allen ligt gewis een sterke spoorslag voor eiken mensch. — De geboden der Kerk eindelijk zijn eene rijke bron van verdiensten voor allen, die ze heilig houden, daar zij aan de werken van godsvrucht en boetvaardigheid welke op zich zelve reeds-be-loonenswaardig zijn, nog de groote verdienste der gehoorzaamheid paren.
Hoe verplicht de 11. Kerk ons tot het onderhouden dezer geboden?
Zij verplicht ons streng, d. i. onder doodzonde.
Het lijdt geen twijfel, dat de Kerk, als wetgeefster Christus\' plaats bekleedende, de gelooviijen tot het onderhouden van hare geboden onder doodzonde verplichten kan, d. i. dat zij het volle recht daartoe heeft. Evenmin kan ook betwijfeld worden, dat zij tot volbrensring der boven aangevoerde vijf geboden onder doodzonde verplichten wil. De overtreding van de geboden der Kerk is dus in en op zich zelve doodzonde. De Kerk han onder doodzonde tot de onderhouding van bovenstaande geboden verplichten. Zelfs de wereldlijke wetgever kan zijne onderdanen onder zware zonde verplichten tot het naleven van werken , welke tot het algemeen welzijn veel bijdragen; waarom nu zou de door Christus zeiven aangestelde wetgeefster dit recht ontberen ? Eene moeder beveelt haar kind, iets te doen, wat tot de huiselijke en zedelijke tucht en orde dringend gevorderd wordt, en het kind is onder zware zonde gehouden, dat bevel te volbrengen; zou nu de moeder aller geloovi^en, de H. Kerk, minder macht over hare kinderen hebben 7 Zou het kind der Kerk zonder groote zonde zich kunnen onttrekken aan het volbrengen dier geboden, welke gewis zeer veel tot het welzijn van het greheele- Christendom en van ieder lid afzonderlijk bijdragen? Het blijkt overigens uit de woorden van den Zaligmaker, dat dit recht aan de Kerk, zijne bruid, toekomt. „Wie de Kerk niet hoort,quot; zegt de goddelijke Leeraar, „hij zij u als een Heiden en „een openbare zondaarquot; (Matth. XVIII, 1). Wie kan, na zulk eene strenge aanbeveling der kerkelijke gehoorzaamheid, de grootheid der zonde, van ongehoorzaamheid, nog twijfelachtig noemen? \') In het Oude Verbond
\') //God zal mij om de overtreding der kerkelijke geboden niet j-verdoemen,quot; zeide eens een slecht Christen; als ik maar getrouw geboden vervul, dan is Hij over mij reeds tevreden.quot; //Maar ;/is dit wel mogelijk vroeg hem hierop een goed gezind vriend. i/Hebt gij ooit iemand gekend, die de geboden der Kerk verachtte.
398
was het uitverkoren volk aan de priesters strenge gehoorzaamheid schuldig. God zeide: „Gij zult doen, wat „de oversten (de priesters) zeggen ;.. gij zult hun woord „volgen en niet afwijken noch ter rechter noch ter linker „zi]de; wie echter hoovaardig is en aan het gebod des „priesters niet gehoorzamen wil, die mensch zal sterven „en gij zult het kwaad uit Israël wegnemen; en al het „volk, hetwelk het hoort , zal u vreezen, opdat later „niemand zich door hoovaardigheid opblazequot; (5. Mos. XVII, 10—13). En aan de Kerk, welke in den naam van Christus en aangespoord en geleid door zijnen Geest, aan het uitverkoren volk van het Nieuwe Verbond wetten geeft, aan haar, de heiligste en wijste wetgeefster op aarde, zoude men ongehoorzaam en weerspannig kunnen ziin , zonder zich aan eene groote zonde schuldig te maken ? Wat de H. Paulus, als bedienaar der Kerk, van zich zelven zegt, dat kan de Kerk met evenveel recht zeggen: „Gij weet, welke voorschriften ik u gegeven heb door den „Heer Jesus...; wie daarop niet let, hij veracht niet een „mensch, maar God\'\' (1 Thess. IV, 2, 8). God verachten is zeker eene doodzonde. — 2) De Kerk wil ons door bovengenoemde geboden onder doodzonde verplichten. De Godgeleerden leeren, en leerden in alle eeuwen eenparig, dat de geloovigen onder zware zonde verplicht zijn, de geboden der Kerk te volbrengen. In dienzelfden zin gaven ook de Bisschoppen herderlijke brieven en verordeningen, namen deze leer in de Katechismussen hunner diocesen alsook in de synodale besluiten en beschikkingen op. Wie zal ontkennen, dat de Kerk in dit alles te kennen geeft, dat zij de geloovigen tot het onderhouden dezer geboden streng wil verplichten? In het tegenovergestelde geval toch zou men tot de dwaze en vermetele veronderstelling moeten komen, dat deze Godgeleerden, Bisschoppen en Kerkvergaderingen allen te zamen gedwaald, in den naam der Kerk en toch tegen haren wil en hare bedoeling, sinds onheugelijke tijden den geloovigen een drukkenden gewetensplicht hebben opgelegd. — Overigens blijkt het reeds uit de verklaring der vorige vraag, dat zoowel het onderwerp der kerkelijke geboden, de viering namelijk van de geboden feestdagen, het vasten, het ontvangen van het allerheiligste Sacrament des Altaars, enz. in zich zelve
//en de geboden Gods in eere hield? Is het niet eveneens een ge-,bod van God, dat wij de Kerk moeten hooren? En zijn wij niet „aan heidenen en openbare zondaars gelijk, als wij hare stem verdachten ?quot;
399
zeer gewichtig, en ook het doel er van , de bevordering van het eeuwig geluk door godsvrucht en den geest van boetvaardigheid, van da hoogste beteekenis is. Bij de bepaling, of een gebod streng verplicht of niet, geldt als hoofdregel: de wetgever wil streng verplichten , zoo dikwijls het onderwerp van zijn gebod van groot belang, of wel, in zich zelve van minder belang zijnde, toch tot bereiking van een belangrijk doel zeer bevorderlijk is, tenzij hij zijn tegenovergestelden wil bepaald uitspreke of verklare. Die verklaring heeft echter de Kerk ten aanzien van de vijt geboden nooit gegeven. Want ofschoon zij als moederlijke wetgeefster haren kinderen geene al te zware lasten wil opleggen, heeft zij van den anderen kant deels door het bedreigen met zware straffen duidelijk genoeg te kennen gegeven, dat de vrijwillige overtreding van hare geboden als eene groote zonde moet beschouwd worden. Zoo heeft het leerambt der Kerk met betrekking tot het eerste en derde gebod door Paus Innocentius XI (in het jaar 1679. steil. 52) en door Paus Alexander VII (steil. 23 in het jaar 16G5) de leer verworpen, „dat hij, die de „feestdagen niet houdt, of het gebod van vasten niet vol-„brengt, alleen eene dagelijksche zonde doet, voor zoover „daarbij geene ergernis, geene verachting der wet en geene „openbare ongehoorzaamheid plaats heeft.\'\' Met betrekking tot het gebod van tenminste eens in het jaar te biechten, verklaarde de Kerkvergadering van Trente (Zitt. 14. can. 8): „Indien iemand zegt,.. dat niet allen en ieder der ge-„loovigen van beiderlei geslacht verplicnt zijn, volgens de „verordening van het Concilie van Lateraue, eens in het „jaar op de in de Kerk gebruikelijke wijze alle zonden te „biechten, hij zij in den ban.\'\' Insgelijks stelde het Concilie van Laterane (in het jaar 1215) met betrekking tot het gebod van de Paaschcommunie in can. 21 vast „dat aan „hem, die het niet volbrengt, bij zijn leven de toegang „tot de Kerk belet en na zijn afsterven de christelijke „begrafenis geweigerd moet worden.quot; Wat het tweede aangaat, is het evenzeer geschiedkundig bewezen, dat de Kerk altyd hel verzuim der H. Mis op zon- en feestdagen als eene groote zonde beschouwd heeft, en verscheidene Kerkvergaderingen dat verzuim met de straf der excommunicatie getroffen hebben. !) Door het gezegde wordt echter geenszins ontkend, dat sr ook ten aanzien van de kerkelijke zoowel als van de goddelijke geboden vele ge-
\') Zie Bintenm\'s Denkwiirdigkeiten B. 5. D. 1. tl I adz. 140 en volg.
400
vallen kunnen voorkomen, waarin de overtreding geene groote, maar alleen eene dagelijksche zonde is, gelijk later zal verklaard worden.
TOEPASSING.
„Hoor, miin zoon, naar de leer uws vaders en verlaat „de veet uwer moeder niet, opdat er een sieraad op uw „hoofd kome en een ketting aan uwen halsquot; (Spr. I, 8). Deze woorden van den H. Geest gelden ook u, Christen, u, het kind van God en de H Kerk. Onderhoud de vaderlijke wetten, de geboden Gods, maar volbreng ook de geboden uwer verhevene moeder, de Kerk. Die handel-wiize, die ootmoedige, kinderlijke gehoorzaamheid siert uwe ziel schooner, dan kostbaar juweel en edelgesteente uw lichaam vermag te sieren. Die gehoorzaamheid doet uw verstand en uw hart eer aan. Wat toch zou er edeler en verstandiger kunnen zijn, dan de stipte volbrenging dier geboden, welke eene zoo eerbiedwaardige, met schier negentienhonderdjarige ondervinding uitgeruste, door den Geest Gods geleide en bezielde Kerk, eene voor het geestelijk welzijn harer kinderen onophoudelijk bezorgde Moeder gegeven heeft; dier geboden, welke op zichzelve zoozeer geschikt zijn, om de deugd, de godsvrucht en tevens het eeuwig geluk van iedereen te bevorderen ? Schande, eeuwige schande daarentegen is het voor een Christen, voor een kind der H. Kerk, tegen hare voorschriften op te treden, die te gispen, als onpassend, en als niet meer met den tijd overeenkomende voor te stellen. Wie kent de behoefte van een kind beter, dan de moeder? Wie verstaat \'t beter, het te helpen, dan juist zijne moeder? Blozen moeten allen en zich schamen, die het wagen, de wetten van hunne aloude, onfeilbare, heilige moeder voor den rechterstoel van hun klein verstand te brengen en met de grootste vermetelheid te beslissen, dat het beter ware de feestdagen af te schaffen, beter tot het aanhooren van de predikatie dan tot het Mis hooren te verplichten, het vasten, biechten. tot de H. Communie gaan, aan de godsvrucht, d. i. aan de willekeur van eenieder over te laten. Aan dusdanige waanwijze, ongeroepen raadgevers kan de H. Kerk antwoorden: „Ik weet, dat ik den Geest Gods hebquot; (1. Cor. VII, 40); of liever: „Ik meen, dat ook ik den Geest Gods heb, en „dat gij door den geest der wereld bedrogen wordt, zoo „dikwijls gij mijne voorschriften laakt en versmaadt.quot;
401
Eerste gebod «Ier Kerk.
Wat wordt ons in het eerste gebod der Kerk levolen ?
De feestdagen, welke de Kerk ter eere van onzen Heer en zijne Heiligen ingesteld heeft, op gelijke wijze als den zondag te vieren.
De Synagoog, het schaduwbeeld en de voorloopster der christelijke Kerk, heeft bij verschillende gelegenheden godsdienstige feesten ingesteld, om voor alle toekomende tijden het aandenken van verscheidene uitmuntende weldaden des Allerhoogsten te bewaren. Zoo staat in het boek Judith (XVI, 31): „De feestdag van deze overwinning (op Holo-fernes en de -Assyriërs) „werd door de Hebreen onder het „getal der heilige dagen opgenomen, en door de Jo len „gevierd van dien tijd af tot op den huidigen dag.quot; Ook na den val van Aman, den doodvijand van het hebreeuwsche volk, hielden de .loden twee dagen feest, en namen tevens voor hunne nakomelingen de verplichting op zich, om die voortaan te vieren. „Dit zijn de dagen, welke nooit door „vergetelheid vernietigd, maar gevierd moeten worden door „alle geslachten in alle landen van het rijkquot; (Esth. IX, 28). Op gelijke wijze heeft ook de Kerk op verschillende tijden onderscheidene feesten of gedenkdagen ter eere van Jesus Christus, van zijne glorievolle Moeder, en van zijne verheerlijkte vrienden en lievelingen , de Heiligen, vastgesteld en voorgeschreven. — De viering van deze feesten was altijd geheel gelijk aan de viering van den zondag, en bestond dus, zooals bij het derde gebod is aangetoond, in de onthouding van slaafsche en in de beoefening van godvruchtige werken, vooral in het bijwonen van den openbaren godsdienst i).
\') Danr de Kerk in Gods plaats de geloovigen beveelt, de feestdagen des Heeren en der Heiligen op dezelfde wijze als den zondag te vieren, moet het ons niet bevreemden, dat God de suhenners der feestdagen even streng straft als de zondagschenners, daar toch in elk goed geregeld huisgezin de vader het gezag der moeder als zijn eigen gezag beschouwt. Uit de talrijke voorbeelden, welke deze waarheid bevestigen en door de Bollandisten zijn opgeteekend kiezen wij er slechts enkele. — Toen de H. Hubertiis (omstreeks lOS\'J) op den bisSchoppelijken zetel van Turijn geplaatst was , gebeurde het volgende. Ken Uoer spande op het feest van den H. Maxirtvs, die (omstreeks 4f)5) Bisschop van genoemde stad geweest was en derhalve bizonder hoog vereerd werd, een paar ossen voor zijn wagen, om hooi in de schuur te rijden. Doch zie! eenklaps ontvlamde op wonderbare wijze het voeder en verbrandde met wagen en gespan.— In die zelfde plaats, maar op een anderen tijd, waagde het een DEHABBE, GELOOFSLEER. III. S\'ie DRUK, Ort
402
Het recht om dergelijke feest- of gedenkdagen in te stellen kan volgens de reeds gegeven verklaringen geenszins aan de Kerk betwist worden. Want wat is «zulk een feestdag instellen,quot; anders , dan verordenen, gebieden dat een zekere bepaalde dag juist op dezelfde wijze gevierd of geheiligd worde als de zondag? Daartoe nu heeft de Kerk, zooals boven bewezen is, het onbetwistbare recht \'j Eveneens en om dezelfde reden staat het ook de Kerk vrij. de ingestelde feestdagen weder af te schnffen, te verzetten of op zekere plaatsen te beperken, als tijd en omstandigheden het vorderen. Gelijk namelijk de Kerk, als quot;de door Christus aangestelde wetgeefster, om het geestelijk nut harer kinderen kan gebieden, een bepaalden dag feestelijk le vieren, zoo staat het ook aan haar, ingeval zij zulks later heilzamer acht, haar {iebod meer of min te veranderen, eenigen harer onderdanen geheel of gedeeltelijk daarvan vrij te spreken, ja zelfs, het geheel op te huffen. Dat alles vloeit noodzakelijk voort uit den aard der wetgevende macht, welke haar eigen is Want iederen wetgever staat het vrij de door hem gegeven wetten naar vereischte van het algemeen welzijn te veranderen, die geheel of ten deele op te heffen. Vandaar is een zeker verschijnsel op kerkelijk gebied, hetwelk voor minder onderwezenen somtijds een steen des aanstoots wordt, gemakkelijk te verklaren, het feit namelijk, dat in eenige plaatsen, vooral waar de Katholieken onder ongeloovigen wonen, met bewilliging van den H Stoel verscheidene feestdagen afgeschaft of op de zondagen verzet zijn geworden, terwijl zij in anderelanden, nog op de oorspronkelijk vastgestelde dagen gevierd worden. Voorzeker toch kunnen er in zulke plaatsen omstandiglieden bestaan of redenen voorhanden zijn, welke het üpperhoold der Kerk bewegen, om de feestdagen te verminderen of te verzetten. Daardoor wordt echter aan de eenheid der Kerk noch ten opzichte van haar geloof, noch van hare zedeleer te kort gedaan, veeleer vertoont zich de Kerk daar als de ééne wijze wetgeefster der geheele christenwereld, welke het geestelijk welzijn aller volkeren der aarde op het oog heeft, en de strengheid van hare geboden naar de krachten en behoeften harer kinderen weet af te meten.
landman, eveneens op het feest van dien Heilige, het gedroogde hooi bijeen te zamelen Plotseling brak er een windvlaag lus, schoot in de opgezette oppers, dreel ze in de lucht en strooide ze heinde en verre in den geheelen omtrek rond. — ten ander greep , als eene groote menigte volks van nabij en van verre tot de viering van het bovengenoemde feest toestroomde, de zeis in de hand, om op zijn land hooi te maaien. De wraak des hemels bleef niet weg. Nauwelijks had hij zijn werk begonnen, of de kramp verlamde armen en beenen van den verachter des feestdags. — Nog een ander verstoutte zich, om op denzelfden feestdag hout te kloven; de bijl gleed uit en verwondde den overtreder. De wond was zoo boosaardig, dat geene geneeskuudige hulp haar vermocht te genezen. ilt;e rechtvaardige straf van God hierin erkendende, liet de zieke zich twee jaren lateropden vooravond van het feest van den H. Muximus ter kerk dragen droeg offergaven op en overnachtte daar onder gebed en verzuchtingen. Den volgenden morgen was zijne wond genezen, en hij keerde verheugd en met een groot ge%roel van dankbaarheil en eerbied jegens den Heilige, naur huis terug (Bolland. Ü5 Juni).
\') Tot menigen feestdag gaf de godsvrucht van het christenvolk de eerste aanleiding, daar het op bepaalde dagen van het jaar, op welke, volgens de overlevering, een of ander verheven geheim van onzen H. godsdienst voltrokken of eeq^Apostel ot een voorname Martelaar, een Bisschop of geloofsbelijder van het land gestorven was. uit eigen beweging tot godsdienstige viering samenstroomde. De kerkelijke overheden en de Synoden billijkten en bekrachtigden dan door hun gezag zoodanige feesten, regelden de viering daarvan, maakten die
403
Waartoe zijn de feestdagen des Heer en en der Heiligen ingesteld?
1) De feestdagen des Heeren zijn ingesteld, opdat wij a) de geheimen onzer verlossing zouden gedenken. „De „Kerk,quot; schrijft de H. Augustinus (B. 32. Hldst. 12. tegen Faustus) , „viert jaarlijks de op bepaalde dagen voltrokken „en voornaamste geheimen , opdat de telkens terngkeerende „beschouwing het noodzakelijk en heilzaam aandenken aan „deze beware.quot; Zij is bij het instellen der feesten de oplettende en trouwe navolgster van den goddelijken Wetgever van het Oude Verbond, die het Phase- of Paaschfeest tot een eeuwig aandenken aan de verlossing uit de slavernij van Egypte instelde en voorschreef. „Gedenk,\'\' zeide Hij door Mozes tot het volk van Israël, „gedenk dezen dag, „waarop gij uit Egypte getrokken zijt, uit het huis der „slavernij. Hij zal een feestdag des Heeren zijn. Hij zij „u als een teeken op uwe hand en als een gedenkteeken „voor uwe oogen. Onderhoud dezen dienst op den bepaalden „tijd, van jaar tot jaarquot; (2 Mos. XIII; 3—10). Gelijk
naar omstandigheden en na rijp beraad tot eene algemeene verplichting, stelden ook, waar het noodig was, den dag der viering nader vast, opdat tot grootere stichting overal eenheid en gelijkvormigheid zou bestaan. — Van de allereerste eeuwen af werd het Paasch- en Pinksterfeest gehouden, maar met overal op een en denzelfden dag. Later bepaalde de algemeene Kerkvergadering van Nicea in het jaar 325 den dag, waarop jüarlijks zoowel in de oostersche als westersche Kerk Paschen moest gevierd worden, en wel zoo, dat genoemd feest nooit met het Paschen of Paaschfeest der Joden inviel. Daardoor werd eveneens de dag zoowel voor Pinksteren als voor de Hemelvaart van Christus vastgesteld. — Ook het Kersfeest of feest van Christus\' geboorte werd van den beginne niet overal op denzelfden dag gevierd. Te Rome had de viering daarvan, volgens eene aloude overlevering, plaats op den 25sten December, terwijl in de meeste oosiersche Kerken de Geboorte met de Verschijning des Heeren, d. i. met het, feest van Driekoningen op den G11»quot; Jaruari gevierd werd. Later erkenden ook de oostersche Bisschoppen de overlevering der romeinsche Moederkerk en stelden eveneens liet Kersfeest op 25 December. Zoo geschiedde het ten tij^le van den H. Joannes Chrysostomus te Antiochië, en de geloovigen dier stad namen deze beschikking zoo bereidvaardig aan, dat de Heilige /,in de snelheid, waarmede dit feest algemeen ,/bekend werd en lot zulke hoogte en bloei geraakte,quot; een bewijs daarvoor zag, ,/dat deze werkelijk de dag was, waarop onze Heer «Jesus Christus geboren werdquot; (In de preek van het Kersfeest te Antiochië, gehouden in het jaar St-B). Dezelfde H. Leeraar voert daar nog sterker bewijs voor de echtheid der romeinsche overlevering aan. «Uit de woorden van de H. Schrift blijkt,quot; zegt hij, ,,dat Christus //ten tijde der eerste opschrijving onder Cyrinus geboren werd. Wie .,nii de oude acten, welke in Rome bewaard worden, kan inzien, (gelijk de Christenen te Rome, vooral na den val van het Heidendom door Constantinns werkelijk kenden) //zal den tijd dier opschrij-//viug nauwkeurig vinden.quot;
26*
404
dus het Paaschfeest der Joden volgens den wil van God een gedenkdair der verlossing uit Egypte was, zoo moeten volgens de bedoelingen der H. Kerk de verschillende feesten des Heeren dagen van herinnering zijn aan de onvergelijkelijk grootere weldaad der verlossing uit de slavernij van den lielschen Pharao; aan de bevrijding van het juk der zonde, en aan alle daarmede in verband staande hemelsche genadebewijzen. Op deze dagen moeten wij alles gedenken, watjesus, de menschgeworden Zoon Gods, gedaan en geleden heeft, om de banden des doods te verbreken, welke ons omknelden en ter neder bogen; om ons door zijne goddelijke leer en zijn god menschelijk voorbeeld den weg te toonen door de gevaarvolle woestijn van dit aardsohe leven, om ons den zegent ijken intocht in het beloofde land van het hemelsch Jerusalem mogelijk en gemakkelijk te maken. Dat aandenken moet echter niet voorbijgaand, maar voortdurend, niet slechts oppervlakkig, maar hartelijk en aandachtig zijn. h) Om God voor zijne genaden te bedanken. De H. Chrysostomus zegt in de reeds aangehaalde redevoering over het Kersfeest; „Wij willen ons verheugen ,,over het geluk, ons door de geboorte van Christus geschonken, en den menschgevvorden God prijzen wegens ,,zijne groote vernedering, en Hem volgens onze krachten „lof en dank brengén. Laat ons jegens onzen Weldoener ..niet ondankbaar zijn.quot; Juist dezelfde taal kunnen en inoeten ook wij bij de viering van elk geheim onzer verlossing voeren. De Christen mag zich niet tevreden stellen met de hartelijke en godvruchtige herinnering aan de weldaden van den Zaligmaker; hij moet ook met mond en hart den Heer daarvoor prijzen en den Verlosser zijn oprechten en innigsten dank betuigen. Dien eisch deed üod ook aan de bevrijde Israëlieten, als Hij hun tot plicht stelde, om op het Paaschfeest aan hunne kinderen te zeggen en met dankbare harten te verhalen, welke groote dingen Hij aan hen gedaan had, toen hij hen redde uit Egypte, het land van harde slavernij (2. Mos XIII, 8). En ook de ü. Kerk verlangt van ons, hare kinderen, dat wij altijd, maar vooral op de feestdagen des Heeren, bezield zijn met de gevoelens van lof en dankbaarheid, welke zij zelve vooral op het Paaschfeest in haar gevoelvol gezang uitdrukt: „Waarlijk „waardig en billijk, betamelijk en heilzaam is het, dat wij „U, heilige lieer, almachtige Vader, eeuwig God, zonder ,.ophouden en altijd dank zeggen, en vooral in dezen tijd „IJ met vreugde prijzen, daar Christus, ons Paaschlam, is „geofferd geworden. Want Hij is het ware Lam Gods, „hetwelk de zonden der wereld weggenomen, onzen dood
405
„door zijnen dood vernietiffd en door zijne verrijzenis ons het „leven teruggeven heeftquot; (Praefatie van Paschen). O mocht onze tong op de feesten van den Heiland alleen tot hymmen van lof en dankbaarheid ontbonden zijn 1 Mochten wij elkander wederkeerig tot die heilige plichtsvervulling aanmoedigen, gelijk weleer de Aartsengel Raphael het gezin van den vromen Tobias opwekte, als hij zeide: „Looft den Heer des hemels, „en dankt Hem voor alle levenden, want Hij heeft aan u „zijne barmhartigheid getoondquot; (Tob. XII, 6). c) Om onzen ijver in den dienst van God te vernieuwen. Weinig zou aan onze ziel de herinnering der weldaden van onze verlossing baten, weinig onze dankbaarheid en lof den Verlosser verheerlijken, als wij ons niet beijverden, de dankbaarheid van ons hart door oefeningen van deugd en godsvrucht, door ijver in den dienst van God aan den dag te leggen. „Geene andere dankbaarheid is Gode aangenaam, als die, „waardoor wij onze zielen redden en ons met vlijt op de „deugd toeleggen Wij willen daarom alles Hem ten oöer „brengen: geloof, hoop, liefde, versterving, aalmoezen, „naastenliefde.quot; Voortreffelijk is de raadgeving, welke ons in dit opzicht een voornaam meester van het geestelijk leven geeft (navolg, van Christus B. 1. Hfdst. 19) : „Onze god-„vruchtige oefeningen moeten op de voornaamste feestdagen „een nieuw leven ontvangen ; van het eene feest tot het andere „moeten wij goede voornemens maken, alsof wij het eerst-„volgend feest niet meer op aarde, maar in den hemel „bijwonen, en daar den eeuwigen feestdag vieren zullen.\'\' Daartoe helpt voor alles het waardig ontvangen van het H. Sacrament der biecht en des Altaars. *) Daarom zij het onze
\') Hiertoe maant ook de H. Chrysostomus in de boven aangehaalde preek op het Kersfeest zijne toehoorders aan, drukt hun echter tevens met klem op het hart, steeds met de grootste godsvrucht en eerbied tot de H. Tafel te naderen. De Katecheet kan dien eerbied en die godsvrucht niet beter en dringender aanbevelen, dan met de eigen woorden van den welbespraakten H. Kerkleeraar. //Als gij,quot; zegt hij. //tot deze huiveringwekkende en heilige tafel, tot het H. //Sacrament nadert, doe zulks in vreeze en siddering, met een zuiver //geweten, onder vasten en gebed. Herinner u, o mensch welk Offer //gij ontvangen, welke talel gij naderen moet. Bedenk, dat gij, die //slechts stof en asch zijt, het Lichaam en Bloed van Christus ont-//vangt. Als een koning u aan zijne tafel noodigt, dan zit gij in //eerbied aan en neemt met bedeesdheid van de voorgediende spijzen. jHier echter heeft God u tot zijnen maaltijd genoodigd, en zijn «eenigen Zoon u voorgesteld; de Engelen staan in vreeze en siddering //rondom Hem geschaard, de Cherubijnen bedekken hun aanschijn en „de Seraphijnen roepen vol eerbied; „///Heilig, heilig, is de Heer!quot;quot; «Wat ons op die tafel wordt voorgezet, is een heilzaam gtnees-,middel voor onze zielen, een onuitsprekelijke schat, welke ons «.het rijk der hemelen schenkt. Vol heilige vrees moeten wij dus ,naderen en vol dankbaarheid nedervallen, onze zonden belijdende , »weenende van berouw over het kwaad, hetwelk wij hebben gedaan,
406
ernstigste zorg, door eene ootmoedinfe en berouwvolle belijdenis der zonden in den rechterstoel van boetvaardigheid tot zoodanige feestdagen ons voor te bereiden, en op die dagen den Oorsprong en Voltrekker der geheimen, onzen Heer Jesus Christus, in het allerheiligste ISacrainent des Altaars met godsvrucht te ontvangen. 1)
2) De feestdagen der Heiligen zijn ingesteld ; a) om den Heer te loven voor de genaden, welke Hij hun, en door hen ook ons, bewezen heeft. De strijdende Kerk wendt alle middelen aan, om hare striidende kinderen tot de overwinning te helpen. Een dier middelen, en wel een bizonder krachtdadig, is de instelling van de feestdagen der Heiligen, d, i. van de gedenkdagen der zegepraal van hare verheerlijkte kinderen, die, reeds met Christus vereenigd, in den hemel heerschen. Op die feestdagen vooral moeten de ge-loovigen op aarde de genade herdenken, welke hunne nu zegevierende, met de kroon der onsterfelijkheid versierde broeders, in den loop van hun strijdvol leven op aarde van God, de bron aller genaden, door Jesus Christus, hunnen Koning en Aanvoerder, ontvangen hebben. De gedachte aan die overvloedige genadegaven moet ons aansporen, (xod plechtig te bedanken voor de genade en rijke erbarming, welke Hij onzen, met de zagenpalm bekroonden broeders bewezen heefc, en Hem met eene heilige vervoering te loven, dat Hij zoo groote dingen aan hen gedaan heeft. Verder moeten wij op zulke feestdagen ons de vele weldaden herinneren, welke wij zelve door tasschenkomst der Heiligen , vooral door Maria, de Koningin van alle Heiligen , verkregen hebben en nog voortdurend verkrijgen; wij moeten ons daaraan herinneren, niet alleen om onze dankbaarheid aan de Heiligen te toonen, maar ook en wel hoofdzakelijk om God te prijzen voor de groote macht, welke Hij hun verleend
»onze handen biddend tot God opheffende; zoo ons zuiverende, »moeten wij in alle stilte en orde naderen tot den Koning des hemels. »Met eene geestelijke liefde moeten wij dit zuiver en heilig Ulïer /^ontvangen, met ijver onze oogeu daarop vestigen, en onze harten «ontsteken, opdat wij hier niet ter verdoeming naderen, maar tot //geluk der ziel, tot liefde, tot deugd, tot verzoening met God, tot //een innigen vrede en tot grondslag voor ontelbare goederen, opdat //Wij ons zelve heiligen en de evenmenschen slichten.quot;
\') Wij zouden te ver gaan, wilden wij alle feesten des Heeren afzonderlijk hier opnoemen, den tijd hunner instelling en hunne beteekenis aangeven. Dit is dan ook minder noodzakelijk, daar wij bij de verklaring van elk geheim reeds gewag hebben gemaakt van de leesten, welke daarmede in betrekking staan. Bovendien zal her. nuttiger zijn, dat de Katecheet niet alle feesten tezelfder tijd naar volgorde, maar afzonderlijk, gelijk zij in verloop van het kerkelijk jaar voorkomen, bespreekt, om zoo de kinderen tot eene godvruchtige viering dier feesten beter voor te bereiden.
407
heeft en steeds verleent, opdat zij ons, hunne nog striidende broeders, in eiken strijd, nood en aangelegenheid bijstaan en helpen. Die gemeenschappeliike lof en dankbetuigingen , waardoor God als de bron van alle heiligheid en als uitdeder van alle sterkte en macht erkend, vereerd en geprezen wordt, die harteliike erkentelijkheid voor alles, wat God voor onze zalige broeders, en door hen voor ons gedaan heeft, die godvruchtige stemming zal ons de hulde en genade des Allerhoogsten in over^roote mate doen geworden, en ons waardig maken, door de Koningin des Hemels en de Heiligen ondersteund en eindelijk tot de zegepraal gevoerd te worden. De feestdagen der Heiligen zijn ingesteld, 6) opdat wij , de voorbeelden hunner deugden en hunne zaligheid ons voor oogen stellende, het besluit zouden nemen, hen na te volgen. De H. Kerk kent het hart van hare kinderen; zij weet, dat dexe door niets levendiger opgewekt en krachtiger aangedreven worden, om den strijd ter zaligheid te strijden, dan door de gedachte aan het voorbeeld hunner zegevierende broeders en de overheerlijke vruchten der overwinning, door hen behaald. Daarom verlangt zij ook niets vuriger, dan dat wij op de feestdagen der Heiligen ons hunnen strijd en den prijs hunner zegepraal, de eeuwige zaligheid, voor oogen stellen , opdat ook in ons die heldhaftige strijdlust ontbrands, welke ons, zoowel als hen, tot de overwinning op de wereld, vleesch en hel geleiden zal. Gelijk weleer de moeder der macha-beesche martelaren, gaat de H. Kerk op zulke dagen ons voor en moedigt ieder onzer door opwekkende woorden aan. Ik bid u, mijn kind, roept zij ons toe, ik bid u! blik ten hemel, waar zooveleti uwer broeders troonen, Zie, hoe zij u wenken met den zegepalm! Zie, hoe op hun verheerlijkt hoofd de diadeem der eeuwige glorie straalt! Vrees niet: gij zijt niet zwakker, niet gebrekkiger, dan zij waren; strijd moedig en met volharding gelijk zij, gij zult eeuwig met Jesus leven en heerschen gelijk zij. quot;Wie zou aan zulk eene uitnoodiging kunnen wederstaan ? Wie zou zich niet gedrongen gevoelen, met den jongsteu der machabeesche broeders uit te roepen: „ik geef, gelijk „mijne broeders, lichaam en ziel voor de wet Gods,quot; en ik zal ook gelijk zij na een kort lijden het verbond des eeuwigen levens, na een spoedig voorbij gaanden strijd het rijk van den goddelijken Overwinnaar binnengaan {2. Mach. quot;VU, 57). De feestdagen der Heiligen zijn ook ingesteld, — c) opdat wij hen zouden aanroepen om hunne voorbede bij God. Zonder twijfel verlangt de Kerk, dat wij ten allen tijde onze verheerlijkte broeders in den hemel om hunne
408
voorspraak aanroepen; maar zij verlangt dit vooral op de te hunner eere ingestelde feestdagen. Redenen hiervoor zijn niet moeieliik te vinden. De Kerk verlangt dit, geliik zij in het algemeen wil, dat men de Heiligen op de hun plechtig toegewijde dagen bizonder vereere, dus ook bizonder aanroepe, daar ook de aanroeping tot de vereering behoort; zij verlangt het, omdat zij de overtuiging koestert, dat de aanroeping op die dagen vooral kractitig is, daar zij door al hare kinderen gemeenschappelijk geschiedt. Ook is het niet te veel verondersteld, als wij aannemen, dat de Heiligen op de te hunner eer gevierde feesten met buitengewone welwillendheid op hunne vereerders nederzien, en dat God er behagen in neemt, hen op den gedenkdag van hunnen zegepralenden intocht in het hemelsch Jerusalem op eene voortreffelijke wijze te verheerlijken, door genadig de beden te verhooren, welke zij opdragen voor hunne nog strijdende broeders.
TOEPASSING.
De bestemming van den Christen is, een andere Christus te worden, d. i. in zijn leven het leven van Christus te toonen, gelijk het zegel den vorm van den zegelring; het te toonen met eene volmaaktheid, welke hem gerechtigt, met den Apostel te zeggen: „Ik leef, doch niet ik, maar „Christus leeft in mijquot; (Gal. II, 20). Al hare kinderen tot die hooge, onuitsprekelijk verhevene bestemming te voeren, ziedaar de onafgebroken zorg der H. Kerk. Daarop doelen jaar uit jaar in al hare feesten, daarop de voorbereiding tot de voornaamste van deze, daarop ook de daarmede verbonden nafeesten. — Het kerkelijk jaar i8 verdeeld volgens de drie hoofdfeesten: Kersmis, Paschen en Pinksteren, in drie hoogtijden of feestkringen. Het Kersfeest is ingesteld tot gedachtenis aan de mensch-wording en tijdelijke geboorte van den Zoon Gods; het Paaschfeest tot gedachtenis aan zijne zegepraal over dood en nel; het Pinksterfeest tot een aandenken aan de zending van den H. Geest en de plechtige stichting der Kerk.
Het kerkelijk jaar begint met den Advent, d. i. met het voorleest van Kersmis, met de voorbereiding tot de komst van den Verlosser tot diens geestelijke wedergeboorte in het hart van den Christen. In verloop van dien H. tijd. voert de Kerk ons in den geest terug naar de eeuw vóór de eerste komst van den Zaligmaker der wereld, den tijd van verwachting naar Hem, die komen moest. Wat toen in de heilbehoevende, naar verlossing smachtende wereld
409
voorviel, dat moet gedurende den Advent in het hart van iederen ijverigen Christen plaats grijpen. De kennis en een diep gevoel van de zonde, alsook van de ellende, welke zij ten gevolge heeft, moet een vurig verlangen naar Jesus, onzen Zaligmaker, in ons opwekken, en dat verlangen moet ons- aanzelteo, onze ziel door waardige vruchten van boetvaardigheid tot het ontvangen van den vurig verlangden, heilaanbrengenden, goddelijken Gastheer voor te bereiden. Hem den weg in ons hart te banen. Derhalve maant de H. Kerk, op het voorbeeld van den Voorlooper van Christus, hare kinderen met klem tot boetvaardigheid en verbetering des levens aan, stelt hun het schrikkelijke van het algemeene oordeel der wereld voor oogen , verbiedt luidruchtige vermaken , vermaant tot vasten en de beoefening van goede werken, üe Bruid weet, dat haar goddelijke Bruidegom alleen daar zijnen intrek neemt, waar Hem eene zuivere, zijner heilige Majesteit waardige woonplaats bereid is. — Gedurende het nafeest van Kersmis , hetwelk tot Lichtmis duurt en die feesten des Heeren in zich besluit, welke op de geheimen der kindsheid van den Zaligmaker betrekking hebben , gedurende dit nafeest moeten de Christenen zich in den geest met het goddelijk Kind beüig houden; zij moeten het als hunnen Jesus begroeten, en medelijden toonen op den dag der Besnijdenis; zij moeten het met de drie Wijzen als Koning, als God en als Verlosser aller volken aanbidden en door het offer van hun hart vereeren; zij moeten het op de vlucht naar Egypte vergezellen, en op Lichtmis in vereeniging met Hem zich den Allerhoogste toewijden Deze liefdevolle toewijding aan het goddelijk Kindje Jesus, zal ten gevolge hebben, dat het in ons hart, als in eene aangename kribbe of woonplaats, gaarne verblijft en er als het ware opgroeit, d. i. zijne verlossende en heiligende macht meer en meer openbaart
Op het feestgetij van Kersmis volgt dat van Paschen. Het begint met den zondag Septuagesima, welke somtijds nog voor het einde van het Kersgetij invalt. Dit lange voorfeest, vooral echter de Vastentijd, welke met Asch-woensdag begint, heeft tot bizonder doel, ons door vasten en andere boetewerken tot den blijden dag der Verrijzenis voor te bereiden; want „als wij met Christus zullen ge-„leden hebben dan zullen wij ook met Christus verheerlijkt „wordenquot; (Hom. Vlll, 16). Gelijk namelijk het lijden en de smartvolle verlossingsdood van den Zaligmaker zijne verrijzenis tot het leven en zijne verheerlijking moest voorafgaan, zoo moeten ook wij door boetvaardigheid en kruisiging
410
van ons zeiven de zonde afsterven, teneinde op het Paasch.-feest tot een nieuw, hemelsch leven te verrijzen. Dien geest van Tboetvaardigheid zoekt de Kerk op verschillende wijzen op te wekken en te onderhouden. In het begin van den Vastentijd wijdt zij asch en strooit die op het hoofd van hare kinderen, opdat de gedachte aan den licharae-lijken dood voor de gelonvigen de oefeningen van boetvaar-heid en versterving vergemakkelijke. De heenwijzinsr op het voorbeeld van den in de woestijn vastenden Heiland, de ernstige inhoud der vastenpredikatiën , onderscheidene tot inkeer en tot vermorzeling des harten stemmende oefeningen, namelijk het zingen van den boetpsalm Miserere, de opdracht van het H. Misoffer in de boetekleur, de spaarzame, tot geestelijke droefheid opwekkende versiering der altaren , dat alles moet den Christen aanmanen en aanmoedigen, dezen tijd van boetvaardigheid boetvaardig door te brengen. Hoe meer de vastentijd voortgaat, des te levendiger drukt zich die geest van boetvaardigheid en rouw in de gebeden en plechtigheden der Kerk uit. In de goede- of lijdensweek bereikt eindelijk de geestelijke droef heid haar toppunt. In de laatste dagen dier week verstomt het orgel, de klokken zwijgen, en diepintastende klaagliederen weêr-galmen in de van alle sieraad ontdane kerken. De H. Kerk volgt als minnende Bruid haren lijdenden Bruidegom schrede voor schrede, en leidt al hare kinderen met zich den Calvarieberg op, terwijl zij hun bij herhaling den ge-heelen loop van de lijdensgeschiedenis des Heeren voor oogen stelt. Op Goedenvrijdag onthult zij onder weemoedige treurgezangen het beeld van den Gekruisigde, en noodigt allen uit, de allerheiligste wonden van den Zaligmaker te kussen, en zijn heilig kruis, het werktuig van de verlossing der wereld, met de innigste godsvrucht en eerbied te vereeren. Daarop vereenigt zij de treurenden om het graf, waaruit de tot hunne zaligheid gestorven Oorsprong des levens op den derden dag in de Heerlijkheid der verrijzenis moet te voorschijn treden, wekt hen op in stille beschouwing tranen van berouw over hunne misdaden te storten, en het onherroepelijk besluit te vormen, niet langer in het graf der zonde te blijven, maar door eene oprechte biecht met Christus op te staan, om niet weder den dood der zonde te sterven. De vreugdefeesten van Paschen of van de voltrokken en door de verrijzenis bezegelde verlossing duren voort tot aan het feest der hemelvaart van Christus, op welken dag de Verrezene het aardrijk verlaat, om als Overwinnaar bezit te nemen van het rijk der hemelen. Dit nafeest moet den Christen, die zijn
411
lijdenden Heiland gevolgd is, nu ook den vreugdevollen, glorieriiken wandel van den Verrezene, insgelijks de liefde en teedere oplettendheid, waarmede Jesus diegenen troost, die met Hem geleden hebben, levendig voor oogen stellen. De kleur van droefheid is uit de kerk verdwenen; het sieraad op de altaren teruggekeerd; de Priester verschijnt in wit misgewaad aan het altaar en voegt in het octaaf van Paschen bij den I/.e missa esl tweemaal „Alleluja;quot; het beeld van den Verrezene wordt ons op het altaar getoond in de Paaschkaars, en haar zacht licht verkondigt den voortdurenden dag der verlossing. Alles ademt heilige vreugde. De Evangeliën, welke in dezen jubeltijd worden voorgelezen, beschrijven ons het genadevolle verkeer van den Verrezene met de zijnen , en de Epistels wijzen er onophoudelijk op, dat door de verrijzenis de waarheid van ons geloof is bezegeld geworden , dat wij in den lijdenden en stervenden Jesus niet vergeefs geloofd hebben, daar Hij thans als de Verrezene in den glans der verheerlijking voor ons staat.
Met het feest der Hemelvaart begint de derde feestkring van het kerkelijk jaar, de Pinkster kring. Het voorleest van Pinksteren of van de nederlaling des H. Geestes en van de plechtige stichting der Xevk , is eene nadrukkelijke uitnoodi-ging, om zich door een eenparig en aanhoudend gebed tot de nederdaling van den tJeest van vertroosting voor te bereiden. Jesus is in den hemel teruggekeerd, Hij heeft aan de rechterhand van zijn eeuwigen Vader de door erfrecht Hem toekomende en tevens verdiende troon van heerlijkheid bestegen ; wat zou nu zijn leerling beter en nuttiger kunnen doen, dan op het voorbeeld van Maria en van de Apostelen van Hemelvaartsdag af tot Pinksteren in het gebed te volharden en met de H. Kerk onophoudelijk te smeeken: „Zend uwen Geest,quot; of „Kom, H. Geest, vervulde harten „uwer geloovigen en ontsteek in hen het vuur uwer liefde\'.\'quot; — Het nafeest van Pinksteren strekt zich niet alleen uit tot het daaropvolgend octaaf, maar ook tot de geheele tijdruimte , welke tusschen dit feest en den Advent ligt. De lange duur daarvan legt den geloovigen de verplichting op, met de ontvangen weldaden van den H. Geest steeds mede te werken, en duidt tevens aan het langdurig bestaan der op Pinksteren gestichte Kerk, namelijk tot aan het laatste ooideel. Mochten toch alle kinderen der Kerk volgens dien geest hunner H. moeder het christelijk jaar doorbrengen; hoe blijde en genoegelijk zoude voor hen het einde der jaren, de dag der eeuwigheid aanbreken! Geheel hun leven zou een voortdurende, zegevolle godsdienst zijn en
412
het leven der Heiligen evenaren, hetwelk tusschen het drievoudig tijdperk der kerkelijke feestkringen aan allen als toonbeeld wordt voor oogen gesteld en leert, hoe ieder in zijn eigen leven het leven van Christus, van den Heilige der Heiligen, kan en moet uitdrukken. Zie verder het uitmuntende werk van wijlen den Hoogw. Professor van Warmond, Mgr. P. van der Ploeg; Het kerkelijk jaar.
Tweede gebod der kerk.
Wat vjordt om in hel tweede gebod der Kerk bevolen?
Op alle zon- en feestdagen het H. Misoffer met behoor-lijke aandacht, met eerbied en godsvrucht bij te wonen. Bij de verklaring van dit kerkelijk gebod zullen wij vooral twee punten beschouwen: I) De verplichting, op zon- en feestdagen de H. Mis bij te wonen, 2) de wijze, waarop wij de H Mis moeten bijwonen.
1) Het tweede gebod der H. Kerk verplicht ons, „op „alle zon- en feestdagen de H, Mis bij te wonen.quot; — Van oudsher werd in de Kerk de H. Mis als het gewichtigste deel der godsdienstige viering van den zon- en feestdag beschouwd, en men achtte zich streng verplicht, die bij te wonen. Reeds de Handelingen der Apostelen (XX, 7) bevatten eene ondubbelzinnige aanduiding van het bijwonen der H. Mis op de zondagen, en de H. Justinus spreekt in zijn verdedigingsschrift aan de heidensche keizers van de viering der heilige geheimen op zondag als van een algemeen gebruik. „Op zondag,quot; zegt hij (Apolog. I, N0. 67), „vergaderen alle (christelijke) stad- en landbewoners op „dezelfde plaats, waar dan de schriften der Apostelen „en Profeten worden gelezen. Heeft de lezer geëindigd, „dan houdt de overheid (de Bisschop) eene verma-„ning.... Vervolgens staan wij op en bidden. Na het „einde van het gebed wordt er brood, wijn en water „aangebracht; de Bisschop verricht gebeden en dankzeg-„gingen, en het volk roept: Amen, en van datgene waarover „de dankzegging is uitgesproken, wordt aan ieder der aanwezigen iets gegeven en aan den afwezenden door de „diakens gebracht.quot; Met de uitdrukking „dankzegging\'1 duidt Justinus op de woorden, waardoor de priester in de H. Mis brood en wijn in het lichaam en bloed van Jesus Christus verandert, zooals uit het onmiddellijk voorafgaande duidelijk blijkt. — Dat zelfs zware kerkelijke straffen de
413
overtreders van dit kerkelijk gebod troffen, is reeds boven vermeld. Zoo verordende de Kerkvergadering van Rheiras (Kan. 7) in de zevende eeuw, „dat wie tweemaal in het „jaar op zon- en feestdagen de H. Mis verzuimde, buiten „de kerk gesloten en hem de kerkelijke begrafenis geweigerd „moest worden.\'\'
De verplichting van de H. Mis bij te wonen vordert, dat men deze niet alleen ten deele, maar geheel hoore. Want onder „Mis\'\' wordt de geheele offerdaad met alle voorbereidende en volgende gebeden en ceremoniën verstaan. Derhalve verklaarde het Concilie van Agde (in het jaar 506) Hldst. XLVI1: „Wij bevelen, dat op zondagen (ook) de „leeken de geheele Mis bijwonen, en het volk zich niet „verstoute, voor den zegen des priesters heen te gaan. „Zouden eenigen dit doen, dan zullen zij daarvoor van den „Bisschop eene openbare berisping ontvangen.quot; Deze bepaling werd later opgenomen in de verzameling dier wetten en verordeningen , welke in de Kerk algemeen gehouden worden; bijgevolg is het de wil en de bedoeling der Kerk, om de geloovigen op de zondagen, en daar sommige kerkdagen ten aanzien van het godsdienstig vieren er mede gelijk staan, ook op die feestdagen tot het aanhooren eener geheele H. Mis te verplichten — Verder eischt het gebod van Mis te hooren, dat men eene en H. Mis geheel,
d. i. de H. Mis van een en denzeiIden priester van het begin tot het einde bijwone; want de H. Mis, het offer van het Nieuwe Verbond, is een afzonderlijk, op zich zeiven staand geheel, eene samenhangende reeks van gebeden, lessen en ceremoniën, welke op de eéne offerdaad, als haar middelpunt, betrekking hebben. Evenwel is men jaar uit jaar in, zelfs op Kersmis, slechts verplicht ééue H. Mis te hooren. — De verplichting van op zon- en feestdagen het H. Misoffer bij te wonen, , rust in den regel op alle geloovigen van beiderlei geslacht, die tot een voldoend gebruik van het verstand gekomen zijn, om bij het H. Offer op eene behoorlijke wijze tegenwoordig te kunnen zijn , wat gewoonlijk bij kinderen van zeven jaar wordt verondersteld. Daarom vermaant de onbekende schrijver van eene uit vroegere eeuwen afkomstige, langen tijd aan den H. Augustinus toegeschreven homilie, alle geloovigen zonder uitzondering zoo nadrukkelijk tot het bijwonen van de H. Mis op zon- en feestdagen. „Op „zon- en feestdagen,quot; zegt hij, „boude zich niemand van „de offerande der H, Mis verwijderd; niemand blijve ledig „in huis, terwijl alles naar de kerk gaat.quot;
ïegen deze verplichting bezondigen zich diensvolge;is allen,
414
die de H. Mis door eigen schuld geheel of ten deele verzuimen. Door eigen schuld misdoet hij in dit geval, die zonder eenige voldoende reden van verontschuldiging öf in het geheel riet naar de H. Mis gaat, öf te laat komt, óf alvorens de H. Mis ten einde is zich verwijdert. In het eerste geval maakt men zich telkenmale aan eene doodzonde schuldig, in de beide laatste gevallen aan eene dood-of dagelijksche zonde, naargelang men een aanmerkelijk of een minder aanmerkelijk deel der H. Mis verzuimt, \'t Is echter niet gemakkelijk, voor alle gevallen vooraf te bepalen, wat een aanmerkelijk deel is, omdat het bij de verschillende deelen der H Mis niet alleen op den duur, maar ook en wel vooral op de belangrijkheid er van, op de nadere of meer verwijderde betrekking tot de offerdaad aankomt. Sommige Godgeleerden houden het voor geene doodzonde, als men eerst na het Evangelie, maar vóór de offerande in de ü. Mis komt. Anderen zijn echter van gevoelen, dat men zich ook in dit geval reeds zwaar bezondigt. „Daarin stemmen allen overeen,\'\' zegt de H. Ligorio, „dat hij geene zware zonde begaat, die het begin „der H. Mis tot aan het Epistel verzuimt, of die niet meer „tegenwoordig is bij de gebeden, welke na de Communie „van den priester uitgesproken worden. Wie echter bij de „Consecratie of bij de Communie van den priester niet „tegenwoordig is, kau aan het kerkelijk gebod niet vol-„doen.quot; i) Aan de verplichting van Mis te hooren voldoet ook hij niet, die te gelijker tijde twee halve Missen hoort, welke door twee verschillende priesters gelezen worden (het tegenovergestelde gevoelen is uitdrukkelijk door Innocentius XI. veroordeeld), of degene die twee halve Missen achter elkander, — eene bijv. van de Consecratie tot aan het einde, de andere van het begin tot aan de Consecratie bijwoont; omdat deze verschillende deelen niet bijeen behooren, niet een en hetzelfde Misoffer uitmaken. Voor het overige moet men bij het verzuim van de H Mis er ook op letten, öf het geheel met voorbedachtzaamheid öi uit gewoonte geschiedt öf met ergernis gepaard gaat. — Eene voldoende reden van verontschuldiging is eene niet ingebeelde, maar werkelijk bestaande aanmerkelijke schade, welke wij zelve of onze naaste ten gevolge van het Mishooren aan de goederen des lichaams of der ziel ondergaan zouden. Als verontschuldigd zijn dus te houden de zieken, de pas herstelden en in het algemeen zij, wier gezondheid door het kerkgaan of het verblijf in de kerk aanmerkelijk zou
\') Zie Ligorio Moral. Ill: 310 en Katech. Bladz. 70.
415
lijden; eveneens de ziekenoppassers en oppasters, die niet kunnen worden afgelost; verder zij, die op het huis , vooral op de kleine kinderen in huis of ook op de kudden passen, veldvruchten, wijnbergen en dergelijken bewaken, of andere gewichtige en onuitstelbare bezigheden moeten verrichten, en, of wel, omdat er maar eéne H. Mis op die plaats is, öf wel om andere omstandigheden, met elkaar niet verwisselen kunnen. Overstrooming, urenverre afstand, bij slecht weder, noodzakelijke reizen op zee, of in streken, waar men geene kerk aantreft, deze en dergelijke omstandigheden, welke met groote moeielijkheid of gevaar voor gezondheid en leven verbonden zijn, zijn evenzeer eene voldoende reden van verontschuldiging. — Ten slotte moet nog opgemerkt worden, dat om te voldoen aan de verplichting van het hooren der H. Mis, niet gevorderd wordt, den Mis lezenden Priester te zien of te hooren, mits de geloovige naar waarheid zeggen kan, dat hij tot diegenen behoort, die de H. Mis bijwonen. Ware dit het geval niet, stond hij van dezen verwijderd en geheel afgezonderd , en zou hij niet kunnen zeggen, dat hij zich in den geest met diegenen vereenigt, die Mis hooren, dan zou hij aan het kerkelijk gebod, hetwelk ook eene uiterlijke deelneming aan het gemeenschappelijke Misoffer voorschrijft, geenszins voldoen.
Op de vraag, -waarom de Kerk op zon- en feestdagen aan de ge-loovigen hoofdzakelijk het hooren der H. Mis beveelt, luidt het antwoord; »üradat het heilige ilisolfer de heiligste en heilzaamste vgodsdienstoefening is, waardoor de Allerhoogste op de waardigste //wijze vereerd wordt.quot; .Niet zonder diingende redenen verplicht onze heilige wetgeefster, de Kerk, al hare kinderen, vóór alle andere godsdienstige handelingen, tot het hooren der H. Jlis, de deelneming aan het onbloedige offer van het Kieuwe Verbond. Hiertoe beweegt haar a) de hciligh\'id van het Misoffer. In de 11. Mis draagt namelijk de heiligste Hougepriester zich zeiven, zijn allerheiligst Vleesch en Bloed aan den God van heiligheid, zijn hemelschen Vader, als de reinste, heiligste offergave op, als eene offeigave, waardoor alleen den Allerhoogste eene zijner oneindige Majesteit geheel waardige, volkomene vereering gebracht wordt. Hij, de Heilige der Heiligen, offert daarin zich zeiven aan de goddelijke Majesteit op, om de door den kruisdood verlosten meer en meer met Haar te verzoenen, hen met hemelsche schatten van genade te verrijken, met één woord, hen tot een heilig, onbevlekt volk te maken. Vandaar is er geene godsdienstige handeling, welke den Allerhoogste zoo welgevallig is, als het H. Misoffer, geene, welke deze ia voortreffelijkheid evenaart.— b) Beweegt haar de heilzame kracht van het Misoffer. Dit blijkt duidelijk uit het voorgaande. JJe H. Mis is inderdaad eene over-stroomende, nooit opdroogende bron van vergeving eu genade voor het geheele menschdom, voor de geheele H. Keik, voor iedere gemeente, voor iederen geloovige. Want zij is het offer, ,waarin «•dezelfde Christus op onbloedige wijze geofferd wordt, die zich op //het altaar des kruises eenmaal op bloedige wijze geofferd heeftquot; (Kerk,v. van Trente, Zitt. 22. Hfdst. 2). In en door de H. Mis worden
416
op ons de oneindige verdiensten van het bloedige offer aan het kruis toegepast. — Had de H. Kerk haren kinderen iets heiliger, iets nuttiger en heilzamer kunnen voorschrijven, dan de openbare deelneming aan dit allerheiligste en heilzaamste offer? Als wij de allerheiligste offerande op behoorlijke wijze bijwonen, en in vereeniging met den zichtbaren priester die de plaats van den onzichl baren Offeraar bekleedt, aan den Allerhoogste deze Hem oneindig welgevallige vlekke-looze offergave brengen, wordt het ons mogelijk, de goddelijke Majesteit naar behooren te eeren en te verheerlijken. Haar voor alle geschonken genaden en weldaden te bedanken, voor de vele, dagelijks herhaalde belee\'iigingen voldoening aan te bieden en van Haar in allen nood des lichaams en der ziel hulp en genade te smeeken. (Hierover zal in het derde hoofdstuk bij de leer over het H. Misoffer uitvoeriger gehandeld worden.)
2) Wij moeten het H. Misoffer met behoorlijke aandacht, met eerbied en godsvrucht bijwonen. Dit vordert de verhevenheid en goddelijkheid van het allerheiligste offer. Dewijl toch volgens de woorden van de Kerkvergadering van Trente (Zitt 22) geen ander zoo heilig en goddeliik werk kan verricht worden , als dit groot geheim , in hetwelk dat levenvoortbrengend offer, waardoor wij met God den Vader weder verzoend zijn, dagelijks door den Priester op het altaar opgedragen wordt, is het van zelf duidelijk dat niet alleen de offerende Priester , maar ook de in ver-eenigina: met hem offerende schaar van geloovigen met de grootste aandacht, met den diepsten eerbied en de^innigste godsvrucht deze heiligste en heilzaamste offerande moeten bijwonen. Zeer schoon zegt daarom de H. Chrysostomus in zijn beroemd geschrift over hel Priesterschap; „Als gij\' „den Heer geofferd daar (op het altaar) ziet liggen, en als „de Priester zich over het offer heenbuigt en bidt, en als „allen (door het nuttigen der offergave) met dat kostbare „Bloed besproeid zijn; meent gij dan nog onder de menschen „en op aarde te zijn? Of ziet gij niet veeleer, als in den „hemel opgenomen en van alle aardsche gedachte ontheven, „met de oogen san uwen geest en met eene zuivere ziel „rondom u hetzelfde, wat in den hemel is? O wonder! „o goedheid Gods! Hem, die met den Vader in den hooge „troont. Hem houdt de Priester in zijne handen..,. Moet „ik u de verhevenheid van dit wonder door een ander won-„der aanschouwelijk maken? Ik zie in den geest Elias, „en rondom hem eene ontelbare schaar van volk, en het „offerdier bereid op het altaar (Verg. 3 Kon. XVlil, „30—39) Alle aanwezige staan stil en zwijgen, de Profeet „alleen bidt. Plotseling valt er vuur van den hemel op „het altaar. Dit is verwonderlijk en wekt ieders verbazing. „Maar let nu eens op hetgeen hier plaats grijpt; en niet „alleen zult gij iets wonderbaars zien, maar iets uiter-„mate wonderbaars en verbazingwekkends. De Priester
417
,,staat daar; geen vuur, maar den H. Geest smeekt hij „dringend af; langen tijd volhardt hij in het gebed, niet „opdat een uit den hemel gezonden vuurstraal het ofier „verteere, maar de genade er op nederdale, waardoor het „alle harten ontvlamme en ze reiner make dan gelouterd „zilver. In dit zegen volle oogenblik staan de Engelen den „Priester ter zijde, de hemelsche machten jubelen en ver-„vullen de nabijheid van het altaar met lofzangen op het Offer „en den Offeraar.quot; i) — Oordeel nu zelf, Christen, of
i) De H. Kerkleeraar verhaalt tezelfder plaatse, dat een godvruchtig grijsaard, wien God vele geheimen had geopenbaard, eens eene groote schaar van heilige Engelen zag, die onder de H. Mis in een heerlijk blinkend gewaad en met gebogen hoofd het Altaar omgaven, gelijk lakeien gewoon zijn hunnen koning te omgeven. — ^Volgens het //getuigenis van den H. Nilus mocht Chrysostomus zelf meer dan eens //een dergelijk gezicht genieten. De H. Patriarch deelde deze hemelsche „gunstbetooningen vol bewondering en vreugde aldus aan zijne geeste-//lijke broeders mede. Zoodra de priester de plechtigheid van het H. //Offer begon, daalden ontelbare hemelsche geesten uit den hemel //neder. In een verwonderlijk schoon hulsel, blootsvoets, aandachtig j.en met neêrgeslagen oogen omgaven zij het altaar; vol eerbied , //kalmte en in stilte woonden zij de voltrekking bij van het groot //geheim. Vervolgens verdeelden zij zich in de kerk, om de Bis-//schoppen, Priesters en Diakens, die aan de geloovigen het Lichaam „en het allerheiligste Bloed des Heeren uitreikten, bereidvaardig bij „te staan en hen te ondersteunen. (Bolland. D. 4 September, bladz. 669). — Vele andere Heiligen hadden dergelijke visioenen. De H. Eu/hymius zag dikwijls, dat de Engelen hem bij liet opdragen van het H. Offer behulpzaam waren. De H Gerardus verzekerde, dat nooit eene H. Mis wordt opgedragen, waarbij niet minstens twee Engelen verschijnen, om hunnen Schepper op te wachten en Hem ten dienste te zijn (Bolland. D: 8 September, bladz. 98, 108). — Vandaar zegt de H. Oregorins (1. i. dialog c. 58.) : »Welk geloovige zou kunnen //twijfelen, dat ten tijde van het H. Offer door het woord van der. «priester de hemelen zich openen, dat bij dit Geheim des Heeren de //Engelenkoren tegenwoordig zijn, dat ter viering daarvan het nede-//rigste met het hoogste, de aarde met den hemel zich vereenigt?quot; — In de oostersche Kerk volgens de syrische liturgie van den H. Jacobus 1) roept de diaken bij de Consecratie: //Hoe schrikwekkend is dit uur, /,mijne broeders, hoe vreeselijk dit ongenblik, waarop de levendmakende //H. Geest uit de hoogte des\'hemels komt en nederdaalt op dit liefde-boffer in het heiligdom, om het te heiligen. Bidt in stilte en sidderend.quot; Hierop wendt zich de diaken tot het volk met de woorden: //Neigt ../uwe hoofden voor den God van barmhartigheid , voor het altaar van „verzoening en voor het Lichaam en Bloed van onzen Zaligmaker.... „De hemelsche machten zijn hier bij ons; zij bewijzen hunnen eerbied „aan het Lichaam van den Zoon Gods, die voor ons geofferd wordt.quot; En volgens de grieksche liturgie van denzelfden Apostel zingen de „lectors; „Menschl sterveling! Zwijg met vreeze en siddering; denk „aan geene aardsche dingen; want de Koning der koningen, de lieer „der heeren, Jesus Christus, onze God, komt, om zich op te offeren „en zich aan de geloovigen tot spijze te geven. De koren der Engelen „met alle hemelsche Vorstendommen en Machten, de Cherubijnen en „Seraphijnen gaan voor hem uit, bedekken hun aanschijn en zingen „met luide stemmen: Alleluja, alleluja, alleluja!quot;
27
1
Aloys Asseman. Codex liturg. S. 4, p. 2. DEHAREE, GELOOPSLEBR. III. 3de DRUK.
418
iemand zich riet bezondigt, naar omstandigheden zich zwaar bezondigt, als hij zonder aandacht, eerbied en godsvrucht bii dit heilig, door de hemelsche geesten zoo hoog gevierd offer tegenwoordig is; als hij het bijwoont zonAer aandacht, d. i. als bii in plaats van verstand en geest op de heiligste offerdaad te richten, zich met allerlei zaken bezig houdt, het kunstvolle der muziek of der kerk bewondert, uit nieuwsgierigheid boeken leest, op de kleederdracht der aanwezigen zijne oogen vestigt, enz.; zonder eerbied, d i. als hij met anderen spreekt, lacht, rondziet, in het algemeen zich veroorlooft eene houding aan te nemen, als ware hij in een schouwburg; zonder godsvrucht, d. i. zonder godvruchtige stemming van het gemoed, zonder het hart eenigszins tot God te verheffen, ja zelfs zonder de bedoeling te hebben, door het hooren der H. Mis God te vereeren. Waarlijk, een zoodanige eert God niet, hij onteert Hem, dikwijls genoeg tot ergernis der omstaanders; bi] woont niet het H. Misoffer bij , maar bespot in zekeren zin de offerande, den Geofferde en de aan het offer deelnemende christelijke gemeente. In plaats van door dit allerheiligste Zoenoffer van de zonde ontdaan te worden, zal hij met nieuwe zonden beladen, de kerk verlaten. \')
\') Behartigingswaard zijn de woorden van den H. Chrysostomus: //Als gij in den schouwburg gaat, ziet gij, hoe de dansers zich met „zwier bewegen en alles vermijden, wat tegen de kunst en welvoe-/,gelijkheid is. üij staat echter daar en overschrijdt alle betamelijkheid. «■Weet gij niet, dat gij te midden van Engelen verwijlt, dat gij met //Engelen lofzangen zingt? En gij staat daar en lacht. Zou het te „verwonderen zijn, als het onweder insloeg? De Koning is hier tegen-*woordig; Hij monstert zijne legerschaar, en gij staat daarbij en lacht!quot; (Hom. 24. op de Hand. der Ap ) Joannes de Aalmoezenier duldde niet, dat iemand in de kerk praatte. Wie dit deed, wees hij in aller tegenwoordigheid de kerkdeur, terwijl hij tot hem zeide: «zijt gij hier „gekomen om te bidden, wend dan geest en mond tot het gebed; zijt //gij echter gekomen om te praten, weet dan, dat er geschreven staat: wEet huis Gods moet een bedehuis zijn, maakt het dus niet tot een //fi\'ooversholquot; quot; (Levensgesch. §42).— Üe H. .Joanm-s C/i\'macws verhaalt: „Als wij ons in de kerk in het gebed bevonden, en onze abt er //eenigeri bemerkte, die met elkander spraken, legde hij hun tot boete „op, de geheele week voor de kerkdeur te staan en wegens de gegeven „ergernis aan allen, die binnen traden, vergiffenis te vragen.quot; — Philip II, koning van Spanje, verstootte twee adellijke heeren van zijn hof, omdat zij onder de H. Mis gepraat hadden. Deze vorst oordeelde, dat diegenen, die voor den hemelschen Koning zoo weinig achting betoonden, zich maar al te licht zouden laten verleiden, om ook hem, den aardschen gebieder, de verschuldigde achting te weigeren. — De vrome keizerin Eleonora, gemalin van Leopold 1, die in het jaar 1720 stierf, woonde alle zon- en feestdagen de geheele godsdienstoefening knielend bij. Toen men haar eens zeide, dat zij zich ontzien en tenminste onder de predikatie staan of zitten moest, gaf zij het schoone antwoord; „niemand van mijnen hofstoet durft „zich in mijne tegenwoordigheid nederzetten, allen buigen zich voor „eene arme zondares, en zou ik dit bij mijnen Schepper en God
419
Stelt men nu de vraag, of degene, die op zon-en feestdagen wel eene geheele Mis, maar niet met behoorlijke aandacht, eerbied en godsvrucht bijwoont, toch aan de hoofdzaak volgens het kerkelijk gebod van Mis hooren voldoet, of wel daarentegen verplicht is, eene tweede H. Slis te hooren, als hadde hij er nog geene gehoord; — dan dient bij de beantwoording dier vraag vooral het ondubbelzinnig doel van het kerkelijk gebod in het oog te worden gehouden. Gewis schrijft de H. Kerk ons een godvruchtig werk voor, een werk namelijk, waardoor God vereerd, de zon- of feestdag op behoorlijke wijze geheiligd wordt. De vereering van God is echter dan slechts goed, als zij ,.in „geesten in waarheidquot; (Joan. IV) geschiedt; bijgevolg schrijft ons de H. Kerk voor, de H Mis zóó te hooren, dat daardoor God in geest en in waarheid vereerd wordt. Wie de geheele H. Mis of een aanmerkelijk gedeelte alleen met het lichaam, volstrekt niet met den geest bijwoont; wie de H. Mis geheel of grootendeels zonder aandacht hoort,
gedurende een aanmerkelijk gedeelte daarvan slaapt, uit nieuwsgierigheid rondziet, of zich met de lezing van verhalen, legenden, enz. bezig houdt, vervult zeker niet het tweede kerkelijk gebod. Hetzelfde moet gezegd worden van hen, die in het geheel niet met het doel om God te vereeren , maar met geheel andere bedoelingen, soms alleen om te zien en gezien te worden, of om eenen vriend aan te treffen, den zang of de muziek te hooren, naar de H. Mis gaan. Hoe toch zou hij God kunnen vereeren, die den wil en de begeerte niet heeft, dit te doen? — En al zou men ook in het begin de rechte meening hebben en onder de H. Mis zich niets onbetamelijks in de uiterlijke houding, noch eene met het Mishooren onvereenigbare bezigheid veroorloven, maar evenwel zonder eenige inwendige aandacht
//durven wagen!quot; (Katholiekquot;, Sept. 1S59). i/acrohius, een schrijver, die ten tijde van Theodosius den Groote leefde, bericht (1. 3 Saturn, c. 2) van de Egyptenaren en Creters, dat zij hunnen afgoden steeds met groote oplettendheid en eerbied offers brachten. Wanneer hunne priesters, door het volk vergezeld, naar den afgodstempel gingen, richtten zij, bij den ingang gekomen, aan de omstaande menigte de vraag: //weet gij, veie op deze plaats woont?quot; Op het antwoord des volks: „Het is de tempel der Godheid,quot; vroegen zij verder; „weet gij. //waartoe wij hier zijn bijeengekomen?quot; en het volk antwoordde; //Wij „komen om der Godheid offers te brengen en Haar te danken voor «de ontvangen weldaden.quot; I)an eerst gingen zij den tempel binnen om oilers op te dragen. Mochten toch alle Christenen deze twee vragen tot zich zeiven richten, alvorens zij den tempel van iten menschge-worden God betraden, om zijn onbloedig Offer bij te wonen! Zonder twijfel zouden zij dan met meer aandacht en eerbied en bijgevolg ook met onvergelijkelijk grooter geestelijk voordeel aan de heilige Geheimen deelnemen.
27*
420
zijn, d. i. denkt men niet aan God, let men op geenerlei wijze op de H. Offerdaad, geeft men zich een geruimea tijd vrijwillig aan de verstrooide gedachten over, ofschoon men bemerkt en weet, dat men in de door de Kerk geboden H. Mis verstrooid is; dan zou men ook in dat geval aan het kerkelijk gebod, van de H. Mis bij te wonen, niet voldoen. Aldus leert, zegt de H. Ligorio (Katech. bladz. 75), verreweg het grootste gedeelte der Godgeleerden, die hunne meening beschouwen als eene geheel natuurlijke gevolgtrekking van de leerstelling, dat de Kerk aan hare kinderen de H. Mis voorschrijft als een werk, waardoor God op de Hem behoorlijke enquot; alleen welgevallige wijze, namelijk in geest en in waarheid, vereerd wordt. 1) — Overigens moet ieder voor zijne zaligheid ijverende Christen, ook afgezien van de verplichting van het kerkelijk gebod, er met allen ernst zich op toeleggen, om op alle zon- en feestdagen de H. Mis niet alleen met uitwendige aandacht en eerbied, maar ook met inwendige godsvrucht te hooren, door een godvruchtig gebed met den Priester, die het H. Offer opdraagt, zich te vereenigen. Hij moet dit ook om die reden doen^ dat in het algemeen het gebed noodzakelijk is ter verkrijging der zaligheid, en men zeer moet vreezen, dat
1
Alle Godgeleerden stemmen hierin overeen, dat degene, die zonder er eenigszins aan te denken, om een godsdienstig werk te doen , alleen met liet lichaam de H. Mis bijwoont, aan het kerkelijk gebod niet voldoet, daar anders ook een slapende of beschonkene, die bewusteloos tegenwoordig is, dat gebod zou kunnen vervullen. Sinds lano- werd echter de vraag opgeworpen en verschillend beantwoord, of tleeene, die wel met het doel om God te vereeren, maar zonder inwendige \'en godsdienstige aandacht des geestes Mis hoort, het ker-keliik gebod in zooverre volbrengt, dat hij niet op zware zonde verplicht is, eene andere H. Mis bij te wonen. Het waarschijnlijkste en door do meeste Godgeleerden, ook door den H. Ligorio verdedigd trevoelen is, dat een zoodanige het in den bedoelden zin niet volbrengt. ï)och de H. Ligorio houdt ook het tegenovergestelde gevoelen voor vrii waarschijnlijk, en öcavini, een beroemd moralist van dien tijd, houdt het om de Godgeleerden , die het verdedigen, voor geenszins onwaarschijnlijk. Zelfs uit het in verscheidene katechismussen voorkomende formulier van het kerkelijk gebod: „Gij zult alle zon- en „feestdagen de H. Mis met aandacht hooren,quot; kan men, in den strengen zin genomen , de gevolgtrekking niet maken, dat ieder die onder de H Mis niet aandachtig bidt of bij één der voornaamste deelen vrijwillig verstrooid is, het gebod niet vervult, dus zich grootelijks bezondigt- want het kan niet bewezen worden, dat de Kerk met de aangehaalde woorden het gebod gegeven heeft. Ware dit het geval, dan .quot;louden de Godgeleerden zich op het formulier van het kerkelijk frebod beroepen en het antwoord zou in de verschillende ko.techis-mus^en niet zoo verschillend zijn. In den katechismus van Canisius staat ,/eerbiedigquot; in plaats van „aandachtigquot; hooren. En in den door Bellarminus gemaakten en door verscheidene Pausen goedgekeurden katechismus wordt eenvoudig, zonder verdere bijvoeging, geboden „de H. Mis bij te wonen.quot;
421
degenen, wien aan zijne zaligheid zoo weinig gelegen ligt, dat hij zich niet eens beijvert, op zon- en feestdagen bij de allerheiligste godsdienstoefening der H. Mis te bidden , het gebed geheel verwaarloozen en dus het grootste gevaar loopen zal, van de eeuwige zaligheid te verliezen. \')
Op de verdere vraag, waar men op zon-en feestdagen het H. Misoffer moet bijwonen, is het antwoord; i-als het, gevoegelijk geschieden //kan in de Parochiekerk; er kan echter ook in elk ander open-;/baar Godshuis aan het kerkelijk gebod voldaan worden.quot; Dit antwoord steunt op de uitspraak van Kenedictus XIV *), welke luidt: //Ten //huidigen dage staat het allen vrij , in elk Godshuis, mits het geene ,privaatkapel of privaatoratorium zij, de H. Jlis bij te wonen.quot; Wie dus op genoemde dagen in eene of andere tot den openbaren godsdienst bestemde kerk of kapel Mis hoort, voldoet aan het kerkelijk gebod; in kapellen en oratoriën daarentegen, welke met kerkelijke vergunning in een burgerhuis ter viering der H. Geheimen opgericht zijn en aan de openbare straat geen ingang hebben, kunnen alleen diegenen aan het gebod der Kerk voldoen, ten wier gunste de machtiging hiertoe verleend is geworden, die in den kerkelijken machtbrief genoemd worden. Volgens het gezegde bestaat dus tegenwoordig de algemeene verplichting niet meer, op zon- en feestdagen de Mis inde Parochiekerk te hooren. Ofschoon zij vroeger op vele plaatsen bestond, is het toch uitgemaakt, dat zij thans, gelijk Benedictus XIV op de aangehaalde plaats bewijst, //door het tegenovergestelde gebruik is //Opgeheven.quot; — Hoewel het bij de tegenwoordige omstandigheden niet in de bedoeling der Kerk ligt, de geloovigen onder zonde te verplichten, de H. Mis in de Parochiekerk bij te wonen, daar zij vreest, dat eene dergelijke verplichting de volbrenging van het voor vele Christenen bovendien lastige gebod nog verzwaren en dus hen veeleer tot geestelijk nadeel dan tot nut verstrekken zou, houdt zij daarom toch niet op, de geloovigen dringend aan te sporen en aan te manen, hij voorkeur in de Parochiekerk de godsdienstoeieningen op zon- en feestdagen bij te wonen. **) Zij doet dit hoofdzakelijk, ,/omdat in de Parochiekerk //de aangestelde zielzorger voor de hem toevertrouwde parochianen jpredikt en het H. Misoffer opdraagt.quot; — De pastoor is de door de kerkelijke overheid aangestelde en ten gevolge dier aanstelling door God met bizondere genade uitgeruste geestelijke vader en leidsman zijner gemeentenaren. Als zoodanig kent hij het beste de geestelijke behoeften zijner parochianen, weet ook het beste aan hunne zwakheden, fouten en gebreken met vaderlijke liefde en gestrengheid te gemoet te komen, de in de gemeente heerschende misbruiken te berispen en te bestrijden, de goede kiemen te ontwikkelen, hun wasdom te bevorderen en in het algemeen de zijner zorg aanbevolenen ,
\') Vergenoegt er u echter niet mede, gedachteloos eenige gebeden bij de H. Mis op te zeggen. Het gebed, dat enkel met de lippen geschiedt, is geen gebed. Wilt gij dat uw gebed den Vader in den hemel behage en tot uw eeuwig heil dienstig zij, dan moet ook het hart bidden. «Het orgel is altijd in de kerk, helpt bij den godsdienst, //Stemt ook in als gij zingt, en toch kan men niet zeggen, dat het //orgel godvruchtig, aandachtig is, omdat het zelf ni.ets doet, niets ,er van weet, geen verstand en geen gevoel heeft. Zoo verdient ook «gij niet godvruchtig en aandachtig genoemd te worden en het baat //U niets, als gij in de kerk zijt en alleen met den mond eenige ge-//beden stamelt, waarvan uw verstand niets weet, waaraan uw hart //geen deel neemt,\' (Sailer\'s Pastoraltheologie).
*) De synodo. L. 11. c. 14
**) Conc. Trid. Sess. 22. Decret, de observandis etc.
422
volgens tijd en omstandigheden, door een woord vol zalving van de zonde af te houden en tot de beoefening van christelijke deugden aan te sporen. — Verder betaamt het ook zonder twijfel, dat de parochianen met bizondere voorliefde deelnemen aan dat H. Olïer, hetwelk de over hen aangestelde priester en herder, hun pastoor, volgens plicht voor hen, tot hun geestelijk welzijn aan den Allerhoogste opdraagt; dat zij zich in eene kinderlijk godvruchtige offergezindheid vereenigen met hem, die het zich tot een zoeten en heiligen plicht acht, op hen en in het bizonder op de aanwezigen de vruchten van dit allerheiligste Olïer toe te passen. Deze schatting van aanbidding en dankbaarheid, welke zij als trouwe en gehoorzame schaapjes door en met hunnen herder voor zich zelve en voor de geheele gemeente aan hunnen Heer en God brengen, zal hen zeker nieuwe, overvloedige genaden en hemelsche zegeningen verwerven. — Eindelijk strekt het ook tot niet geringe stichting van de geheele gemeente, als al hare loden zich bevlijtigen, in zoover de omstandigheden het veroorloven, zich om het gemeenschappelijk altaar te vergaderen, de gemeenschappelijke godsdienstoefening bij te wonen; de ijver van den eene ontsteekt dan den ijver van uen andere, en men krijgt de Parochiekerk lief, omdat velen haar beminnen en bezoeken. Wie daarentegen jaar uit jaar in om de nietigste redenen van de Parochiekerk verwijderd blijft, hij sticht, vooral in de gemeenten ten platten lande, waar zulk eene handelwijze meer in het oog loopt, niet zelden ergernis, daar het gemakkelijk den schijn krijgt, als versmaadde hij de godsdienstoefening van zijnen pastoor.
Moet het ons genoeg zijn, op zon- en feestdagen alleen de H. Mis te hooien ?
Neen, de ijver voor de eer van God en voor het heil ouzer ziel moet ons aanzetten, ook de overige godsdienstoefeningen, voornamelijk de predikatie en christelijke leering hij te wonen. De kerk verlangt vurig, dat wij de zon-en feestdagen heiligen niet alleen door eene godvruchtige deelneming aan het H. Misoffer, maar ook door andere godsdienstige werken, namelijk door het hooren van het goddelijk woord in de predikatie eu christelijke leering. Daartoe noodigt zij al hare kinderen dringend uit, beveelt aan de Bisschoppen en de Priesters, die met de zielzorg belast zijn, op die dagen het woord Gods te verkondigen, te preeken en christelijke leering te houden, opdat aan de geloovigen de gelegenheid niet zou ontbreken, in de christelijke waarheden onderwezen te worden; verder stelt zij het de geestelijkheid ten plicht, hunne onderdanen tot hetaan-hooren van het goddelijk woord te vermanen , uit te noodigen en naar vermogen er op aan te dringen. \') Zelfs het gebruik,
i) Het is een feit, hetwelk geen bewijs behoeft, dat ontelbaren hunne bekeering, dus hun eeuwig geluk, aan de door Christus zeiven verordende predikatie te danken hebben. Zonder tot de apostolische tijden terug te keeren, herinnere men zich slechts de verbazende bèkeeringen, welke door het preeken van den H. Bernard us, Vincen-tius Ferrerius, Joannes van Capistrane, Franciseus Xaverius, en in de laatste eeuw door den H. Alphonsus de Ligorio en den H. Franciseus van Hieronymo bewerkt werden. — Door de predikatiën van den H.
423
dat de eigenlijk gezegde predikatie met de Hoogmis, waartoe de H. Kerk alle Parochianen zoo nadrukkelijk uit-noodigt, op het nauwst verbonden is, bewijst het levendig verlangen der Kerk, dat al hare kinderen op de genoemde dagen het^woord van zaligheid vernemen. Evenwel maakt zij het niet allen tot een strengen gewetensplicht, gelijk de H. Mis, zoo ook de overige godsdienstoefeningen bij te wenen, deels omdat zij hare kinderen niet door vermeerdering van strenge geboden aan een grooter gevaar van zware zonde wil blootstellen, deels omdat de behoefte aan het onderricht niet bij allen dezelfde is, voornamelijk echter, omdat zij verwacht van onzen ijver voor de eer van God en van den ijver voor onze zaligheid, dat wij haren duidelijk genoeg uitgesproken wensch uit eigen beweging zullen vervullen. Onze ijver voor de eer van God moet ons namelijk aanzetten, alles te doen, wat in ons vermogen is, om de viering van den godsdienst op zon-en feestdagen te verhoogen.
Geidt het gezegde in het algemeen voor alle geloovigen, moeten om de aangehaalde redenen allen het zich tot plicht rekenen, de preek, de christelijke leering en anderen godsdienstoefeningen bij te wonen, toch moet omtrent hen,
Ambrosius werd het hart van Augustinus getroffen, zoodat het zich voor de waarheid opende; door het preeken van den H. Nonnus kwam de zondares Pelagia tot inkeer en werd eene heilige boetelinge. Ga-millns van Leilis, Joannes van God en ontelbare anderen kregen in de predikatie de eerste opwekking tot een godvruchtig leven. Geen wonder dat de helsche bekoorder alles inspant, om den zondaar van de heilzame aanhooring van het woord Gods af te houden en ai\' te schrikken. Menigmaal ontstaat in het binnenste van hen, die de preek het meeste noodig hebben, een hevige strijd; gelukkig wanneer zij als overwinnaars daaruit te voorschijn treden. — Bij gelegenheid eener missie had een landman, die een ontstichtenden levenswandel leidde, in de verblindheid zijns harten het vaste vo.ornemeu gemaakt, de missiepreeken niet bij te wonen, en voerde zijn plan ook werkelijk op den morgen van den eersten dag uit, maar niet zonder inwendige ongerustheid. Ook des namiddags liet hij de anderen naar de kerk gaan en bleef te huis. De verwij tingen van het geweten verontrustten hem echter zoodanig, dat het hem in de kamer te eng werd. Hij begaf zich naar het veld om eenige afleiding te hebben. Üen volgenden morgen wilde hij eveneens handelen; maar de inwendige stem, welke hem vermaande, naar de preek te gaan, was zoo doordringend en de werking der genade zoo sterk, dat hij ter kerke ging, zonder zich
foed rekenschap te kunnen geven, waarom hij het deed. Hij hoorde e preek, hoorde ze met steeds klimmende oplettendheid en eindelijk viel het goddelijke woord, zoo drukt hij zelf zich uit, //als een ver-„kwikkende regen in zijn hart.quot; Inwendige tevredenheid nam de plaats der pijnlijke onrust in, en tranen van berouw en vermorseling toonden zijne inwendige verandering. Na de preek voltrok hij door eene oprechte biecht het werk zijner bekeering en sprak vervolgens in zalige vervoering; //Ik ben thans als pas geboren.quot; Dergelijke voorbeelden zijn niet zeldzaam.oed rekenschap te kunnen geven, waarom hij het deed. Hij hoorde e preek, hoorde ze met steeds klimmende oplettendheid en eindelijk viel het goddelijke woord, zoo drukt hij zelf zich uit, //als een ver-„kwikkende regen in zijn hart.quot; Inwendige tevredenheid nam de plaats der pijnlijke onrust in, en tranen van berouw en vermorseling toonden zijne inwendige verandering. Na de preek voltrok hij door eene oprechte biecht het werk zijner bekeering en sprak vervolgens in zalige vervoering; //Ik ben thans als pas geboren.quot; Dergelijke voorbeelden zijn niet zeldzaam.
424
die in de geloofswaarheden en christelijke plichten onwetend zijn, en geen ander middel bij de haud hebben, om zich te onderrichten of te laten onderrichten , nog bizonder aangemerkt worden, dat zij reeds door het gebod der christelijke liefde streng verplicht zijn, zooveel mogelijk de predikatie en vooral de christelijke leering bij te wonen, om zoo tot de noodzakelijke godsdienstkennis te geraken. — Overigens wordt het met volle recht als een kwaad teeken beschouwd, wanneer iemand, wie ook, het hooren van Gods woord uit gewoonte of uit afkeer doorgaans verzuimt. Zulke menschen mogen wel ernstig de woorden van den Zaligmaker in overweging nemen: „Wie uit God is, hoort „Gods woorden, daarom hoort gij niet, omdat gij uit God „niet zijt!quot; (Joan. VIII, 47).
Het is echter niet genoeg, dat wij de preek aanhooren, wij moeten die ook op de rechte wijze aanhooren, opdat wij het door God en door de H. Kerk, onze Moeder, beoogde voordeel daaruit trekken; want .-mijn woord,quot; zegt de Heer door den mond van den Profeet Isaias (LV, 11), „zal niet ijdel tot mij terugkeeren.quot; Werkt het woord Gods niet tot ons heil, dan werkt het om het misbruik, dat wij daarvan maken, tot ona verderf; het zal den last onzer schuld en onze verantwoordelijkheid verzwaren en eens voor den goddelijken rechterstoel tot eene onwederlegbare aanklacht worden — Wij moeten dus 1) de predikatie aanhooren met ernst en aandacht en een innig verlangen naar ons heil. Want wat kan het ons baten, dat de klank van het goddelijk woord tot ons oor doordringt, als wij daarop geen acht geven? Evenmin als het zonlicht ons baat, wanneer wij onze oogen gesloten houden. Niet zoozeer op de welluidendheid en vloeibaarheid der taal, öp de sierlijke rede, op de schoone houding en gebaren van den predikant moeten wij letten, maar vooral op den inhoud der preek, opdat wij niet, door de bewondering van het geluid vervoerd, de heilzame kern vruchteloos laten liggen, en om het woord van den mensch niet Gods woord vergeten. De goddelijke Rechter zal ons niet vragen, of wij schoone redevoeringen gehoord, maar wel of wij de gehoorde predikatiën tot verbetering van ons leven ten nutte gemaakt hebben. Daarom moeten wij het woord Gods niet alleen met aandacht, maar ook met een oprecht verlangen naar ons heil hooren. Niet voldoening der nieuwsgierigheid, niet bezigheid voor verstand en verbeelding, niet de studie van welsprekendheid, niet de oefening van scherpzinnigheid en schranderheid in de beoordeeling van den spreker en van de voordracht, niet de verveling in den ledigen tijd, niet de lastige verplichting, niets van dergelijke zaken moet den Christen tot de predikatie heenvoeren; alleen het hartelijk verlangen om het heil zijner onsterfelijke ziel te bevorderen, in het licht van het goddelijk woord zijne gebreken te erkennen, en in de kracht, welke het schenkt, godvruchtige voornemens te maken tot verbetering des levens, dit verlangen, de honger en dorst naar de christelijke rechtvaardigheid, moeten hem tot het hooren van het goddelijk woord, tot het nuttigen dier hemelsche zieleprijs aanzetten. \') ;/Ik vond uw woord,quot; sprak Jeremias (XV, 16)
i) Als Paulus te Beroea optrad en Gods woord verkondigde bekeerde zich eene groote menigte, zelfs vele aanzienlijke mannen en vrouwen; want //zij ontvingen het woord,quot; gelijk de Handelingen der Apostelen (XVII, 11) getuigen, //met alle bereidvaardigheidquot; en vorschten vlijtig naar de waarheid, om daardoor hun heil te vinden.
425
tot God, //en het werd mijne spijs, uw woord werd mij tot vreugde //en de lust mijns harten.quot; 0 dat ook wij met een goed geweten zulke taal konden voeren, zoo dikwijls wij na het einde eener predikatie de kerk verlaten; dit zou zonder twijfel een zeker teeken zijn , dat wij die met eene goede stemming gehoord hadden \'). 2 Wij moeten ook het goddelijk woord wel overwegen, op ons zei ven toepassen en getrouw bewaren. Het zaad, hetwelk op de oppervlakte van den akker blijft liggen, schiet geen wortel en ontkiemt niet, brengt geene vruchten voort. Zoo gaat het ook met het hemelsche zaad van het goddelijk woo-d; dringt het niet door in de aarde van ons hart, dan is het vrachteloos daarop gevallen. Wij moeten ons dus beijveren, volgens het voorbeeld van Maria, de goddelijke leer in ons hart op te nemen, die in het geheugen te bewaren en dikwijls te overwegen (Luc. II, 19). Desgelijks moeten wij het woord Gods reeds bij het aanhooren en ook later altijd op ons ze/wn, op ons eigen doen en laten, niet op het doen en laten van onzen evenmensch toepassen. De hemelsche Zaaier heeft op onzen akker gezaaid; zou het niet dwaas zijn, dat kostbare zaad op onze aarde zonder verzorging te laten liggen, om ons bezig te houden met den wasdom van hetgeen op vreemde aarde viel? Zouden wij dan niet gelijk zijn aan den Phariseër, die slechts den tempel inging, om den duizendmaal beteren tollenaar aan te klagen en zich zeiven te rechtvaardigen? 2) — Het is eindelijk niet voldoende, dat wij het woord Gods
Toen hij echter vervolgens naar het wereldberoemde Athene trok en in den Areopagus preekte, bekeerden er zich slechts zeer weinigen, omdat geen verlangen naar hunne zaligheid, maar enkel nieuwsgierigheid de Atheners aandreef, den Apostel te hooren. Alle Atheners namelijk, en de door hen opgenomen vreemdelingen hadden voor niets anders tijd over, dan om wat nieuws te zeggen of te hooren: derhalve hadden zij hem ook tot preeken uitgenoodigd met de woorden: ,Gij brengt ons fommige nieuwigheden ter oore; wij wenschen dan «•te weten, wat dit zijn mag.quot; Bij eene dusdanige zielsgesteltcnis kan het ons niet bevreemden, dat eenigen der toehoorders van den Apostel, nadat hij hen van de verrijzenis der dooden had gesproken, spottend zich verwijderden, en dat anderen zeiden: //wij willen u //andermaal hierover hooren.quot; — Het was dezen Atheners, gelijk ten huidigen dage zoo menigen Christen, bij het hooren der preek niet om de waarheid, maar alleen om de voldoening der nieuwsgierigheid te doen.
\') De H. Francisco van Jesus had er zulk een genoegen in , preeken te hooren dat onder de preek gedurig haar gelaat ophelderde. Zij bekommerde er zich weinig om, of de priester volgens de regels der welsprekendheid sprak of niet; hoe hij ook predikte, zij luisteide met gespannen aandacht en stortte tranen van gevoel. Als anderen, wien het moeielijk viel, een onbedreven predikant slechts eenmaal te hooren, zich daarover verwonderd toonden, gaf zij de schoone les: //vreemden en bannelingen letten ér volstrekt niet op, als zij van //hun vaderland, van vrienden en bloedverwanten tijding ontvangen, //of de overbrenger in sierlijke en schoone woorden het nieuws voor-//draagt of niet; zij zijn tevreden als zij maar het verlangde bericht //krijgen. Moeten wij dan, die ver van den Heer rondwandelen, ook //eene ongeletterde redevoering niet met een begeerig oor en aandachtig //aanhooren?quot; (llerbst, voorbeeldenboek D. 2.)
2) Alen vindt niet zelden zelfs Christenen, die door den hartstocht zoo zeer beheerscht en verblind zijn, dat zij op den prediker gram worden, als hij, zijn heiligsten plicht vervullende, hunne zonden en ergernissen berispt en zijnen toehoorders met apostolische vrijmoedigheid zekere fouten en gebreken voor oogen stelt, welke zij zoo gaarne verholen zouden zien. Zulke al te gevoelige toehoorders
426
in het geheugen bewaren, het hij ons overwegen en op ons toepassen; wij moeten het ook getrouw opvolgen, het tot een licht en richtsnoer van onzen wandel stellen. God vordert van ons, volgens de vermaning van den Apostel Jacohus, dat wij, »vol brengers van zijn ,zwoord zijn,quot; alleen zoodanigen noemt de Heiland zalig, als Hij zegt: «zalig zijn degenen, die Gods woord hooren en het bewarenquot; (Luc. XI, 28). Moge toch het zaad van het goddelijk woord in onze harten nooit vertreden, nooit door don bekoorder geroofd, nooit door wereldsohe zorgen verstikt worden, maar daarin als in eene goede aarde honderdvoudige vruchten voortbrengen! (Matth. XIII, 18—24).!)
TOEPASSING.
Christenen, als gij eene rijke goudgroeve vondt, waaruit gij naar willekeur onmeetbare schatten kondet halen, zoudt gij niet gaarne al uwe bezigheden ter zijde stellen en daarheen snellen, om u met geringe moeite en in hooge mate rijk te maken? Voorzeker gij zoudt aldus handelen. Welnu, goud en zilver zijn niet te vergelijken met de oneindige schatten der goddelijke genaden, welke ons in het H. Misoffer altijd overvloedig worden aangeboden. Hoe groot is dus de dwaasheid en verblindheid van vele Christenen, die het geringste voorwendsel voldoende achten, om zich te ontslaan van de verplichting, op zon- en feestdagen Mis te hooren; die zelfs hunne bezigheden, reizen en feestpartijen tot genoemde dagen uitstellen, om zooals zij zeggen, geen tijd te verliezen! Niet veel beter of verstandiger handelen degenen, die steeds naar de kortste H. Mis uitzien, daarbij veelal te laat komen, voor het einde heengaan en gedurig uit verveling praten, rondzien, de aanwezigen in oogenschouw nemen en dergelijke onbetamelijkheden begaan. Goede God! Zijn deze nog Christenen? Hoe gierig zijn zij op den tijd, welken zij tot den dienst van God en tot
deden beter, hierin het voorbeeld van Lodewijk XIV na te volgen. Bourdaloue, zijn hofprediker, was op zekeren dag vrijmoedig en met alle kracht der welsprekenheid tegen de ergerlijke zeden van het toenmalige hof opgetreden. De koning, die zich geraakt gevoelde, kon in den beginne zijne verontwaardiging moeielijk ver-bergen, spoedig echter werd hij kalm en zeide; //Hij heeft zijn //plicht gedaan, doen wij nu ook den onzequot; (Cretineau-Joly, Gesch. der Soc. van Jesus D 4. Hfdst. 5. Fransche uitgave in 6 dl.).
\'i Eenigen worden door de prediking van het goddelijk woord getroffen en geschokt; er komt eene goede gedachte in hen op, een godvruchtig voornemen begint te ontkiemen, maar daar blijft het bij. Toen Paulus over de rechtvaardigheid en kulschheid en het toekomende oordeel handelde, werd Felix (de landvoogd) verschrikt en antwoordde; „Voor ditmaal, ga; maar te gelegener tijd zal ik u //Ontbiedenquot; (Hand. XXIV, 25); en koning zeide lot den Apostel,
die in zijne tegenwoordigheid van het geloof aan Jesus Christus, den Verrezene, op de doorslaandste wijze rekenschap gegeven had: fIn //kort overreedt gij mij om Christen te wordenquot; (Hand. XXVI, 28).
427
heil hunner onsterfelijke zielen moesten besteden! Is het niet, alsof het werk hunner zaligheid in hunne oogen het allerlaatste, het allergeringste is? Schijnt het niet, als heschouwden zij elk oogenblik, hetwelk zij in de kerk doorbrengen, als een onvergeeflijk tijdverlies? Bij het verwerven van tijdelijk voordeel, bij genoegens en vermaken, bij de speeltafel, in de herberg, in den schouwburg, op het bal verveelt de tijd nooit, daar achten zij geheele dagen en nachten goed besteed; maar een half uur, hetwelk zij des zondags in de kerk, in de tegenwoordigheid van den Koring der koningen, bij het allerheiligste Offer van het Verbond der liefde doorbrengen, een half uur, terwijl zij uit de overstroomende bronnen van den Zaligmaker overvloed van hemelsche genaden konden putten , een half uur, dat hun door de hemelsche geesten in zekeren zin benijd wordt, een zoo heilig, zoo zegen vol, zoo genaderijk half uur komt hun als eene verhakte eeuwigheid voor. Is dat eene christelijke denkwijze? Wilt zoo niet handelen Christenen! Beschouwt veeleer alles, wat op den dienst van God en het heil uwer zielen betrekking heeft, als het hoogste en gewichtigste. Stelt het u dus ten onverander-lijken regel, op alle zon- en feestdagen de Hoogmis en de predikatie en wel, als het gevoeglijk kan geschieden, in uwe Parochiekerk bij te wonen. Ingeval ziekte of andere omstandigheden u niet veroorlooven, op eenen zon- of feestdag de H. Mis bij te wonen, tracht tenminste te huis door gebed en godvruchtige lezing God te vereeren , en u in den geest met den het plechtig Offer opdragenden Priester en de geheele gemeente te vereenigen, tracht ook op een dag in de week het onschuldig verzuim in te halen.
Vele Christenen hebben de zeer loffelijke, nooit genoeg aan te bevelen gewoonte, voor zoover het met hunne plichten van staat en beroep ongehinderd kan geschieden, eiken dag de H. Mis te hooren, teneinde aan de zegeningen en genaden, welke uit dat geheimvol Offer voortvloeien, tot voordeel van zich zelve, hunne betrekkingen en onder-hoorigen dag aan dag deelachtig te worden, i) De H. Koning Lodewijk had een zeer uitgestrekt rijk te besturen, en hij
\') ;/Eene H. Mis,quot; placht de vrome prinses van Hoheclohe te zeggen, //is voor mij eene geheele zee van Gods barmhartigheden.quot; Ongetwijfeld zouden ook wij hetzelfde ondervinden, als wij ons beijvei-den, het H. Offer met een levendig geloof, met een diepen eerbied en innige godsvrucht bij te wonen. — Bekend is de stichtende legende van een godvruchtigen hoveling van de H. Elisabeth, koningin van Portugal, welke de stof tot Schillers ballade: //de wandeling naar de ijzerhutquot; geleverd heeft. In de acten der Bollandisten van deze Heilige wordt er echter geen gewag van gemaakt.
428
regeerde het met groote wijsheid en nauwgezetheid; evenwel woonde hij, volgens het eenparig bericht zyner levensbeschrijvers, dagelijks eene stille Mis voor de overledenen en eene Hoogmis bij; in den H. vastentijd hoorde hij drie, nu en dan zelfs vier HH. Missen. Deze vrome vorst liet ook op den zon- en feestdag , soms zelfs op werkdagen eene preek houden en hoorde die met de meeste aandacht en den diepsten eerbied aan. \') Toen hem eens werd gezegd, dat eenigen der aanzienlijken er over ontevreden waren, dat hij zoovele Missen en predikatiën bijwoonde, gaf de Heilige ten antwoord: „als ik nog eens zooveeltijd „aan het spel, de jacht en vogelvangst besteedde, zou „niemand er een woord tegen zeggenquot; (Bolland, 25 August.). Het voorbeeld van den godvruchtigen Koning vond in vele vorstelijke huizen navolging. Ook de Keizerin Maria Teresia had in de moeielijkste tijden de staatszaken van een groot rgk te behartigen; nochtans woonde zij eiken dag, na baai-ochtendgebed verricht te hebben, de H. Mis bij. Daarna werkte zij aan de staatszaken tot negen uur, hoorde andermaal eene H. Mis, en zette nu haar werk tot één uur voort. O hadden wij dien ijver en den geest des geloofs, hoe licht zouden wij dan ook tijd vinden, in de week de H. Mis bij te wonen!
Derde gebod der Kerk-
Wat wordt ons in het derde gebod der Kerk bevolen?
Er wordt ons bevolen, de geboden vasten- en onthoudings-dagen te onderhouden.
Fasten in het algemeen is zich van spijzen onthouden. Dit nu kan op tweederlei wijze geschieden , namelijk door zich
\') De godvruchtige gewoonte van den H. Koning, om dagelijks verscheidene H. Missen te hooren, is des te stichtender, daar hij hiermede niet tevreden, ook iederen dag de aan de priesters voorgeschreven kerkelijke getijden, verder de getijden der allerheiligste Maagd en het officie voor de overledenen bad. Zelfs op reis liet hij deze godvruchtige oefeningen niet achter; de geestelijken, die hem vergezelden, moesten hem de genoemde getijden voorzingen. Ook toen hij ziek ter nederlag, liet hij ze voorbidden en bad zelf luide mede, als zijne krachten het eenigszins toelieten. — Dit bewonderenswaardig voorbeeld van den H. koning toont ons bovendien, hoezeer wij alle gebeden en godsdienstige oefeningen der Kerk moeten hoogschatten. Deze hoogachting toch was voorzeker de reden, waarom hij na de H. Mis aan het bidden der kerkelijke getijden de grootste waarde hechtte.
429
een tiid lang te onthouden van alle spijzen, of slechts door zich te onthouden van eene bepaalde noort van spijs. Dit laatste wordt gewoonlijk door het woord onthmuling aangeduid, en de dagen, op welke die onthouding geboden is, worden dan „onthoudingsdagen\'\' genoemd ; onder vasten, daarentegen, is men gewoon het eerste te verstaan, en de daartoe aangewezen tijden vastendagen (in den eigenlijken zin) te noemen. Het kerkelijk gebod nu sluit zoowel het eigenlijke vasten, als de onthouding van sommige spijzen in. Daarom luidt het: „Geen geboden vastendagen zult gij breken,quot; of een ander uitvoeriger en juister formulier: „Gij zult de veertig-„daagsche vasten, de quatertemper- en andere geboden „vastendagen houden, als ook op vrijdag en zaterdag u van „vleeschspijzen onthouden.quot; Hoe nu de vasten- en onthoudingsdagen naar het kerkelijke voorschrift behooren onderhouden te worden, zal later verklaard worden. Het eerst beantwoorden wij de vraag:
Welke zijn de door de Kerk geboden (eigenlijke) vastendagen ?
Deze zijn, 1) de veertigdaagsche vasten, d. i. alle dagen van Asch-woensdag tot Paschen, uitgenomen de zondagen. 2) De cjuaterlem/perdagen, welke zijn de woensdag, vrijdag en zaterdag a) na den eersten zondag van den Advent, b) na den eersten zondag van de vasten, c) na Pinksterzondag, d) na den feestdag van Kruisverheffing. 3) Eenige andere dagen door het jaar, als de vigiliedagen of vooravonden der feestdagen i)
\') De Hoogleeraar Kist gaf in den loop van het jaar 1S4S een werk uit, dat ten titel voert: ,/Neêrlands bededagen en biddagsbrieven.quot; In dat werk tracht hij onder anderen te betoogen, dat de vastgestelde vasten- en boetedagen niet evangelisch zijn, en in de eerste tijden der kerk vruchteloos worden gezocht. — Tot sta,ving van zijn betoog beroept hij zich op de geschiedenis der kerkelijke tucht in de Latijnsche-en Grieksche Kerk, en vooral op eene controverse over de vastendagen tusschen Tertullianus, als Montanist, en de Katholieken. De Hoogleeraar komt tot het besluit, dat wij in die vastgestelde vastendagen eene echt joodsche of heidensche instelling hebben overgenomen, een van die joodsche en heidensche bestanddeelen, die medegewerkt hebben, gelijk hij zegt, tot den bezoedelden toestand, die al spoedig na de vierde en vijfde eeuw het Christendom aankleefde, en dat die overname grootendeels toe te schrijven is aan den invloed der Montanisten.
Deze beweringen zijn allen gelogenstraft in ons voortreffelijk maandschrift «de Katholiekquot; deel XV, waar wordt bewezen, dat de Heer Kist èn onbekend is met de tucht der Grieksche en Latijnsche Kerk, èn het punt van controverse tusschen Tertulliaan en de Katholieken zoo weinig kent, dat zijne onkunde hierin bijna ongelooflijk is. Vervolgens haalt «de Katholiekquot; menigvuldige getuigenissen aan uit de oudheid, waaruit blijkt, dat er van de tijden der Apostelen af vastgestelde vastendagen waren en bepaaldelijk het jejunium antepaschale door de Katholieken als verplichtend onderhouden werd.
430
1) De oorsprong der veertigdaagsche vasten klimt op tot de eerste tijden des Christendoms, en wordt niet zonder grond voor eene apostolische instelling gehouden. Zoo schrijft de H. Hieronymus (Br. 54) aan Marcellinus: //Wij vasten gedurende veertig dagen naar de aposto-„lische overlevering;quot; en de H. Leo, de geloovigen tot boetvaardigheid vermanende, spreekt (Preek. 43.): «Moge toch de apostolische instel-z/ling der veertigdaagsche vasten geheel en getrouw onderhouden „worden.quot; Niet te vergeefs namelijk had Jesus Christus aangaande zijne Apostelen gezegd: „Er zullen dagen komen, waarin de „bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en dan zullen zij vastenquot; (Matth. IX, 15). Gedachtig aan deze voorzegging huns goddelijken Meesters, en aan het voorbeeld, dat Hij zelf hun door een veertig-daagsch vasten had gegeven, hebben de Apostelen zonder twijfel na zijne Hemelvaart het vasten beoefend, en den geloovigen ter beoefening dringend aanbevolen. Zooveel is zeker, dat reeds ten tijde van den H. Augustinus de veertigdaagsche vasten overal werd onderhouden. Deze H. Leeraar getuigt dit zelf met duidelijke woorden. „Voor Paschen,quot; zegt hij (Serm. 125), „vasten wij gedurende veertig „dagen.quot; „üit zijnquot; (aldus, Serm. 2Ü9), „die verhevene , heilige dagen „die, bij het naderen van het Paaschfeest. door iedereen, over den „ganschen aardbodem met loffelijke godsvrucht gevierd worden.quot; Vervolgens gaat hij voort, leerende, hoe met de gebruikelijke vasten ook gebed en aalmoezen behooren gepaard te gaan. — De Kerk schrijft de veertigdaagsche vasten voor, als voorbereiding tot den H. Paaschdag, opdat wij door versterving onzer zinnelijke lusten de zuiverheid des lichaams en der ziel erlangen of vermeerderen, en alzoo de H. Paaschgeheimen heiliger en voordeeliger vieren. Voorts zullen de moeielijkheden van het vasten het aandenken aan het lijden van onzen Verlosser in ons levendig houden, en ons de gelegenheid aanbieden, heldhaftige navolgers te zijn van Hem, die Zich door lijden en dood den weg tot eene glorievolle opstanding baande, lieze gronden vat de H. Leo (Preek 49.) in de volgende bewoordingen bondig te zamen. „Geliefden, het H. Paaschfeest is nabij. Laten „wij ons door de gebruikelijke veertigdaagsche vasten, waardoor de „heiliging van ons lichaam en onze ziel bevorderd wordt, daartoe „voorbereiden. Dewijl wij de viering van het grootste der feesten „te gemoet gaan, zoo laat onze voorbereiding daarin bestaan, dat wij „met den gestorven Heiland aan de wereld afsterven, opdat wij met „den Opgewekte ook opgewekt mogen worden.quot; — Het bepaalde getal „veertigquot; is door de Kerk bij voorkeur gekozen, omdat in het oude Verbond Mozes en Elias, en in het nieuwe Verbond Jesus Christus zelf dit getal dagen door strenge vasten geheiligd hebben.
2) De Quatertemjierdagen worden aldus genoemd naar de latijnsche uitdrukking Quatuor tempora, en zijn die vastendagen, waarmede de geloovigen de vier jaargetijden, lente, zomer, herfst en winter, heiligen Deze zijn den Heer op bizondere wijze toegewijde vastendagen, wijl daardoor de eerstelingen van elk jaargetijde, namelijk voor elke drie maanden drie dagen, den Allerhoogste bizonder gewijd en als schatting gebracht worden.
Ook de Quatertemperdagen klimmen tot de vroegste tijden des Christen-doms op, en de gelukzalige Paus Leo de Groote, van wien verscheidene leerredenen hierover tot ons gekomen zijn, aarzelt geen oogenblik, ze als eene apostolische overlevering te beschouwen. Het bizonder doel, dat de Kerk daarmede voor oogen heeft, is tweevoudig. Het eerste en oorspronkelijke is het welzijn der geloovigen. Elk der vier jaargetijden biedt den Christen nieuwe weldaden, maar ook nieuwe gevaren; in elk getijde draagt de menschelijke zwakheid hare beklagenswaardige vruchten, dagelijksche feilen en zonden. Daarom verordende de H. Kerk bij den aanvang van elk getijde dagen van vasten en gebed, om God, den oorsprong onzes levens, te danken voor de in het verstreken jaargetijde ontvangen natuurlijke en boven-
431
natuurlijke weldaden, en Hem te hidden, dat Hij in het ingetreden jaargetijde alle gevaren, die ons lichaam en onze ziel alsook onze tijdelijke goederen, oogst, gewassen, enz. zouden dreigen, genadig ai\' te wenden; eindelijk om de goddelijke Majesteit ie smeetei
voor de in het vervlogen jaargetijde begane zonden, en daarvoor door vasten en aalmoezen zooveel mogelijk te boeten. Om deze reden zegt de H. Leo (Preek 9 over de Quatertemper-vasten): ,Deze vasten »is met de vier jaargetijden vereenzelvigd, opdat de in den loop des #jaars geregelde terugkeer daarvan ons leere, dat wij in elk tijdstip //reiniging behoeven, en steeds moeten trachten door vasten en aal-,/moezen de fouten en misslagen onzer kwade hartstochten te delgen.quot; — Het verdere doel der Quatertemperdagen is de bevordering van het algeheele welzijn der H Kerk, namelijk om daardoor van God, den Heer, ijverige en waardige priesters te vragen. Naar het getuigenis der H. Schrift (Hand. XIH, 3) vastte en bad de gansche gemeente van Antiochië, toen Saulus en Barnabas de handen opgelegd (gewijd) werden; en zoo vereenigen zich ook thans, wanneer, volgens het verlangen der H. Kerk, op de Quatertemperdagen de H. wijding plaats heeft, alle ge]oovigen in vasten en gebed, opdat de H Geest in overvloedige volheid op de nieuwgewijde priesters nederdale, en het Heiligdom zich steeds in waardige dienaren moge verheugen.
3) Tot de door de K.erk algemeen voorgeschreven vastendagen behooren ook de Vigihedayen , welke gehouden worden op eiken dag, die een hoogen feestdag voorafgaat, teneinde zich alzoo in den geest van versterving en boetvaardigheid waardig tot het feest voor te bereiden. De naam „Viyiliequot; komt af van het latijnsche woord Vigilin of ^igi-lare, hetwelk waken beteekent, aangezien de geloovigen in vroegere tijden den nacht vóór hooge feestdagen in de kerkgebouwen wakend en biddend doorbrachten. De Vigiliedagen werden van oudsher in acht genomen, maar hun getal was niet altoos en is nog niet overal hetzelfde. Naar het algemeen voorschrift der H. Kerk moeten de Vigiliedagen gehouden worden op de vooravonden van alle feesten van den Heiland, (uitgenomen Driekoningen, Hemelvaartsdag en H. Sacramentsdag) voor Maria Hemelvaart, Allerheiligen, Joannes den Dooper; verder voor de feesten der Apostelen (behalve de feesten van de Apostelen Philippus en Jacobus, den H. Joannes en den H. Barnabas) alsook den vooravond van het feest van den H. Lau-rentius. In sommige bisdommen zijn de genoemde Vigiliedagen Aen voorgaanden zaterdag gezet, in andere geheel opgeheven, en in nog andere door de instelling van twee vastendagen in elke Adventsweek veranderd. — Behalve de genoemde veertigdaagsche-. Quatertemper-en Vigilievasten, die naar een zeer oud voorschrift in de gansche Kerk gehouden worden, kwamen en komen nog op verschillende tijden en plaatsen andere vastendagen voor. Met betrekking tot deze geldt als algemeene regel: eenieder is verplicht de in zijn bisdom vastgestelde vastendagen te onderhouden.
Waarin lestant, het kerkdijk gebod van vasten op de verplichte vastendagen ?
Het bestaat in drie deelen en wel 1) daarin, dat men op de eigenlijke vastendagen slechts eenmaal daags zijn nooddruft mag nemen. Nochtans is het, naar het tegenwoordig bestaande gebruik geoorloofd, des avonds eene kleine versterking (zoogenaamde Collatie) te nemen. Dit avondeten behoort echter in hoedanigheid en hoeveelheid van spijzen zoodanig te wezen, dat het niet gelijk staat met een tweeden
432
maaltijd. \') Een vaste, algemeen geldende regel, wat en hoeveel ieder afzonderlijk als collatie gebruiken mag, kan
i) Zeer verkeerd zou men het derde gebod dor Kerk begrijpen, als men van gedachte was, dat het behalve de onthouding van vleeschspijzen niets anders vordert, dan dat men niet meer dan eenmaal op een dag zich verzadigt; dat men bijgevolg spijzen nuttigen mag, zoo dikwijls men wil, als men daarbij maar de voorzichtigheid in acht neemt van zich niet te verzadigen. Het eerste vereischte van het gebod van vasten was van oudsher, dat men maar eenmaal op den dag spijzen nuttigde. 1) //in vroegere eeuwen,\' zegt Benedictus XIV (Instit. S5), //bepaalde zich de kerkelijke vasten niet alleen hierbij, „dat men slechts eene enkele maal spijs gebruikte, en zich van vleesch //en wijn onthield, maar zelfs het drinken van water was verboden.quot; Toen men den H. Fructuosus, Bisschop van Tarragona, ten marteldood leidde, boden eenige heidenen uit medelijden hem een dronk frisch water aan. Hij weigerde echter standvastig, daarvan gebruik te maken, omdat het vastendag en de bepaalde tijd tot eten nog niet gekomen was. Later begonnen de monniken, die den geheelen dag zwaren arbeid moesten verrichten, alvorens zij tot de geestelijke lezing bijeen kwamen, hunnen dorst met water te lesschen, en voegden er, opdat de kille drank hunne gezondheid niet zou schaden, een weinig brood bij. Zoo werd de thans algemeen gebruikelijke avondcollatie in het leven geroepen. — Wat nu het herhaald gebruik van drank aangaat, zoo is het ten huidigen dage, gelijk Benedictus XIV (a. a. O) beweert, de eenparige leer der Godgeleerden, dat daardoor de vasten niet verbroken wordt. De genoemde Paus, die onder de Godgeleerden van den lateren tijd eene zeer voorname plaats inneemt, beroept zich namelijk op den H. Thomas, die (2. 2. q. li?- a. b. ad. 2) zonder aarzeling de volgende stelling opzet: //Het ligt niet in de i/bedoeling der Kerk, de orthouding van drank voor te schrijven.quot; (Eveneens 4. Sent. diss. 15. g. 0. a. 4.) Onder „drankquot; mag echter hier niet elk drinkbaar vocht verstaan worden, maar alleen die soorten, welke volgens hunnen natuurlijken aard op de eerste plaats en hoofdzakelijk dienen, om den dorst te lesschen of te verkwikken, Dranken daarentegen waarvan men zich gewoonlijk bedient als voedingsmiddel, gelijk melk, bouillon en derg., zijn, juist omdat zij veeleer voeden dan ververschen, van den bovengestelden regèl uitgezonderd. Ofschoon het herhaald gebruik van wijn, bier en andere geestrijke dranken op vastendagen niet verboden is, omdat daardoor de vasten niet verbroken wordt, kan echter door die dranken niet alleen tegen de deugd van matigheid gezondigd en de verdienste van het vasten verloren, maar ook tegen den geest en het doel van het gebod van vasten, hetwelk de beteugeling van het zingenot en onderdrukking der begeerlijkheid beoogt, gehandeld worden. — Ook bij het gebruik van andere dranken, welke hetzij in of op zich zelve, hetzij door bijmenging van suiker, enz. niet weinig voedingsstof bevatten, moet op de hoeveelheid gelet worden. In Italië bijv. wordt toegelaten, des morgens een kop dunne chocolade te drinken, omdat deze, in eene naar evenredigheid grooter hoeveelheid water opgelost, vooreen eoorloofden drank wordt gehouden. Zeer juist merkt echter Bene-ictus XIV aan (a. a. O.): //Wie zou dengene, die hierin de maat te „buiten ging, of op denzelfden dag meermalen dien drank gebruikte, „van elke schending van het gebod van vasten kunnen vrijspreken, „vooral daar de grootste Godgeleerden, die het gebruik van choco-„lade ééns toestaan, de herhaling daarvan voor ongeoorloofd houden?quot;
1
Ut tantum semel in die a jejunantibus comedatur. S. Thom. 2. 1. q. 147. a. 6. Alle Godgeleerden stellen met den H. Thomas als eerste en voornaamste voorwaarde van het vasten unicam comestionem.
433
hier niet nauwkeurig aangegeven worden, dewijl de natuurlijke behoefte aan voedsel zoo verschillend is, dat, wat voor den eene ter nauwernood eene geoorloofde versterking is , voor den andere een volle maaltijd kan zyn. Bij het bepalen der hoeveelheid eener collatie behoort men alzoo te letten op de natuurlijke behoeften van den vastende, alsmede op de meerdere of mindere krachten des lichaams, de bizondere moeielijkheden, die het vasten voor sommigen heeft, en de werkzaamheden, welke de vasterde verrichten moet. Want er is arbeid, die niet geheel van vasten ontheft, maar eenigszins het nemen van eene grootere collatie wettigt. Ook de aanhoudende duur van de vasten kan, naar de bemerking van Kardinaal G-ousset, tot bepaling van de maat der avondversterking in aanmerking komen. Doch men denke niet, zegt de H. Ligorio (Katech. bl. 83.), dat men het vasten-gebod met betrekking tot de collatie onderhouden heeft, wanneer men slechts zeggen kan, niet volkomen zijn nooddruft genomen te hebben. Ongeoorloofd is het ook, zonder geldige redenen in den loop van den dag eenig voedsel te gebruiken. Wie alzoo, van tijd tot tijd, zij het slechts een weinig voedsel gebruikt, hij begaat telkens eene dage-lijksche zonde, ja, hij loopt gevaar zwaar te zondigen, daar het gebruikte op die wijze langzamerhand eene beduidende hoeveelheid worden kan. Derhalve is ook de bewering: „wie op vastendagen dikwijls een weinig eet, breekt de „vasten niet, al hadde hij ook ten slotte eene aanzienlijke „hoeveelheid genoten,\'\' door Paus Alexander VII verworpen.
2) „Dat de eene maaltijd niet voor den middag genomen „worde.quot; — In de eerste tijden des Christendoms gebruikte men eerst na zonsondergang voedsel; later werd het uur van den maaltijd ten drie ure vastgesteld. Tegenwoordig is het algemeen geoorloofd op de geboden vastendagen op den gewonen middagtijd, namelijk ten twaalf of half twaalf ure te eten. gt;) Ook is het, luidens eene verklaring der romeinsche Poenitentiarie van den jare 1834, niet verboden „wanneer men eenige goede reden heeft, de collatie des „morgens tusschen tien en elf uur, en het middagmaal des „namiddags ten vier of vijf ure te gebruiken.quot; \')
3) „Dat men zich van zekere spijzen, bizonder van vleesch-„spijzen, onthoude/\' — Hierover zal in eene der eerstvolgende vragen gesproken worden. — Op St. Marcus en de Kruisdagen is men verplicht te vasten tot den middag, en den geheelen dag zich te onthouden van vleesch.
\'■) Ligorio .Moraaltheolog. 3« geb. n°. 1060. Gousaet D. 1. n0. 298. 2) Guiy D. 2. n°. 899.
DEHARBE, GELOOFSLEER. III. 33e DRUK. 28
434
Wie zijn verplicht op gezegde wijze ie vasten?
Alle Christenen, die den vollen ouderdom van een-en-twintig jaren bereikt hebben en door geene geldige reden verontschuldigd zijn.
De H. Kerk, wel wetende, dat jonge lieden, tot bevordering van hunnen wasdom, en ter ongestoorde ontwikkeling der lichamelijke krachten, dagelijks meermalen en rijkelijker voedsel behoeven, verplichtte hen niet tot onderhouding van het gebod der vasten, vóór zij een-entwintig jaren oud zijn. Van dezen tijd af, waarop de wasdom der jeugd gemeenlijk ophoudt, is ieder Christen verplicht de geboden vastendagen op de bovengezegde wijze te onderhouden, tenzij gewichtige redenen hem daarvan ontheffen. — Dat genoemde plicht en diensvolgens ook de juiste vervulling er van op doodzonde verbindend is , werd reeds vroeger aangetoond. De bewering van het tegendeel staat in lijnrechte tegenspraak met de eenparige leer der HH. Vaders en Godgeleerden. Daarom werd dan ook de stelling, „dat de overtreding van „het gebod der vasten slechts dan eene zware zonde is, „wanneer zij uit verachting van het kerkelijk gebod, of „uit een opzettelijk verzet tegen de Kerk voortkomt,quot; door Paus Alexander VII met recht verworpen.
Eenieder, die verplicht is te vasten, behartige de vermaning van den H. Ambrosius (Preek 8 over Ps. 48) ; „wacht u wel het gebod der vasten te breken. Gedoog „niet, dat aardsche spijzen u van den hemelschen maaltijd „berooven.\'\' — Als wettig verschoond kan men houden, 1) Zieken, ziekelijken en genezenden, zoo ook bejaarden, vrouwen, die in gezegende omstandigheid verkeeren of een kind te voeden hebben, en in \'t algemeen allen, die van zoo zwakke lichaamsgesteldheid zijn, dat zij niet kunnen vasten zonder hunne gezondheid zeer te benadeelen. Ten opzichte der bejaarden houden onderscheidene Godgeleerden, onder anderen de B. Alphonsus de Ligorio (n0. 1036), het voor icaarsehijnlijk, dat allen, die hun zestigste jaar ingetreden zijn, van het vasten zijn vrijgesteld. Zeker zijn deze daarvan vrij, als zij zwak zijn of aan hunne kracht om te vasten getwijfeld wordt. — 2) Armen, die niet zooveel bezitten, dat zij een genoegzamen maaltijd kunnen nemen, of wier spijzen zoo weinig voedend zijn, dat één enkele maaltijd met toereikende is, om hunne krachten te onderhouden. 3) Degenen, die «Mwew a/\'SezVi? te verrichten hebben, waartoe zij, de vasten onderhoudende, niet in staat zouden zijn. Zoo houdt men algemeen voor verontschuldigd landbouwers , tuinlieden, metselaars, timmerlieden,schrijnwerkers.
435
bakkers, enz,, tenminste als zij zwaren arbeid moeten verrichten. Ook zieken oppassers, dienstboden , die verplicht zijn zwaren handenarbeid te verrichten, hebben in den regel eene voldoende reden tot verontschuldiging —4) Allen, voor wie het vasten een werkelijk en niet slechts ingebeeld beletsel zou zijn, om de plichten van hunnen stand of hun beroep naar behooren te vervullen, zoo ook degenen , wien de vervulling hunner plichten door het vasten wel niet geheel onmogelijk gemaakt, maar toch buitengewoon verzwaard zou worden, en die dus gevaar zouden loopen bij strenge onderhouding van het gebod der vasten, hunne geestes- en lichaamskrachten aanmerkelijk te verzwakken. Op dezen grond kunnen ook onderwijzers en onderwijzeressen, rechters, advokaten, studeerenden, reizigers, enz. soms van het vasten vrijgesteld worden. — Zonder reden echter zou diegene zich van het vasten ontheven achten, die, juist om het kerkelijk gebod der vasten te ontduiken, een dusdauigen zwaren arbeid of bezigheid ondernam; zoo ook degene, die enkel uit vermaak op vastendagen eene reis deed of eene jachtpartij bijwoonde, want de Kerk verlangt, dat men aan de onderhouding barer geboden geene on-noodige hinderpalen in den weg zal leggen.
Wanneer is volgens algemeen kerkelijk voorschrift de onthouding van vleeschspyzen geboden?
Zij is geboden 1) op alle vrijdagen en zaterdagen des geheelen jaars; valt echter de eerste Kerstdag op een vrijdag of zaterdag, dan is op dien dag het eten van vleesch algemeen geoorloofd. — 2) Op alle eigenlijke vastendagen, wijl op die dagen, gelijk vroeger reeds gezegd is, vasten en onthouding tegelijk moet geschieden. — 3) Op de zondagen der veertigdaagsche vasten. Want hoewel het gebod van het (eigenlijke) vasten op de zondagen van den vastentijd van oudsher eene uitzondering maakt, strekt zich toch het gebod, gedurende de groote vasten (van Asch-woensdag tot Paschen) geen vleesch te eten, ook tot de zondagen uit. — Aldus luidt het algemeene kerkelijke gebod van onthouding, hetwelk men streng behoort in acht te nemen, althans voor zooverre het door geene wettige dispensatie is opgeheven; want naar de overeenstemmende leer der Godgeleerden begaat ook hij eene doodzonde, die het onthoudingsgebod vrijwillig overtreedt. Het is evenwel niet aan te nemen, dat het gebruik van elke hoeveelheid vleesch, hoe gering ook, eene zware zonde zou,zijn. Grooter hoeveelheid wordt ook vereischt tot doodzonde wanneer men geen
28*
436
vleesch maar slechts met vet bereide spijzen gebruikt, wijl in\' dit geval het vet slechts een gering deel der ge-
men\' d, overtreding va. bet gebed der onthouding zeer streng, vooral wanneer zulks ge durende den vastentijd geschiedde Zoo beval onder anderen het Concilie van Toledo (J. 653) , „dat degene, die zich verstout, in de veertigdaagsche vasten vleesch te eten, op Paschen van de H. Communie zal uitgesloten worden en het geheele jaar zich van vleeschspijzen moet gouden dewll hij \'ep gehemde herhge d.gen h, onthoudings-voorschrift niet in acht genomen heeft. ) quot;De H. Kerkvergadering van Trente ste de wel zulke quot;straffen niet vast, maar vermaande toch alle zielzorgers, quot;b de komst des Heeren alle vlijt aan te wenden om de eeloovigen van de instelling der heilige roomsche Kerk quot;bizonder die te doen houden, welke tot versterving des quot;vleesches dienen, zooals de onthouding van sommige spy zen quot;en het vastenquot; (Zitt. 25 Besluit van het onderscheid der
spijzen, enz.).
,, wplke (ioor de Kerk gedurende de veertigdaagsche
alles, ^ „r ^aj. (^gze onthoudingswet niet overal en ten s.Uen
Het is echter wa , on(jerhonden werd, dewijl de Bisschoppen en de roomsfhe ötoel op de behoeften en zeden alsmede op het klimaat
„ontkennen.quot; zegtBinterim ^gn^oe^uii^n over ieders van de
W^nstt tfo-p
daagbcne vast christeliiken godsdienst beschouwde. —
éamp;Jüs.
TfnVn!e TZTe vasten zelfs® aan de zieken niet het gebruik van
Ippsr.h Verscheidene Synoden, aan wie om eemge verzachting was gevraagd, wezen het verzoek van de hand (Blnterim\'s Denkwurdigk.
\' SD Thomd 2 q. 147. a. 8. ad 3. Destelling: ,,Het is niet
) ö. , „phriiik der onthouding van eieren en melkspijzen
bquot;hi heett\'quot;quot; *-pquot;\'
Alexander VII veroordeeld.
437
en de voortbrengselen van de verschillende landen immer hebben acht gegeven. Wie van het verlof, om op vastendagen vleesch te eten,
Ïebruik maakt, mag bij denzelfden maaltijd geen visch gebruiken. »it verbod, betreffende het gelijktijdig gebruik van vleesch en visch, is, naar de verklaring van Paus Benedictus XIV (10 Juni 1745). onder doodzonde verbindend, en geldt ook voor de zondagen der veertig-daagsche vasten, \') doch niet voor de vrijdagen of zaterdagen des jaars, die slechts onthoudings- en geene vastendagen zijn. Lgt;e Kerk vereenigt dit verbod met de dispensatie, omdat men kan aannemen, dat voor hen, die vleeschspijzen noodig hebben, het gebruik van visch geene noodzakelijke quot;jehoefte is, en omgekeerd, dat voor hen, die visch hebben en verdragen kunnen, vleeschspijzen geene noodzakelijke behoefte zijn, aismede opdat men zich zoodoende toch eenigermate kan versterven.ebruik maakt, mag bij denzelfden maaltijd geen visch gebruiken. »it verbod, betreffende het gelijktijdig gebruik van vleesch en visch, is, naar de verklaring van Paus Benedictus XIV (10 Juni 1745). onder doodzonde verbindend, en geldt ook voor de zondagen der veertig-daagsche vasten, \') doch niet voor de vrijdagen of zaterdagen des jaars, die slechts onthoudings- en geene vastendagen zijn. Lgt;e Kerk vereenigt dit verbod met de dispensatie, omdat men kan aannemen, dat voor hen, die vleeschspijzen noodig hebben, het gebruik van visch geene noodzakelijke quot;jehoefte is, en omgekeerd, dat voor hen, die visch hebben en verdragen kunnen, vleeschspijzen geene noodzakelijke behoefte zijn, aismede opdat men zich zoodoende toch eenigermate kan versterven.
De kortste en zekerste weg om het vasten- en onthoudingsgebod naar behooren te onderhouden, is de reeds aangehaalde algemeene regel: „Eenieder richte zich naar het gebruik, dat in zijn Bisdom „door de geestelijke overheid gebillijkt is en \'s jaarslijks door den //Bisschop in den vastenbrief bekend gemaakt en in herinnering ge-z/bracht wordt. Nochtans staat het iedereen vrij, de algemeene „kerkelijke voorschriften omtrent het vasten en de orthouding in „hare oorspronkelijke gestrengheid te onderhouden; wil men echter „de toegestane verzachtingen aannemen, dan moet men binnen de „grenzen blijven, dat is, slechts gebruik maken van die dispensatiën, „welke de Bisschop, tot wiens diocees men behoort, voor zijn Bis-,dom heeft verleend. Welke gebruiken ook in een naburig Bis-„dom mogen bestaan, dit doet niets ter zake; de dispensatie van „een Bisschop strekt zich niet uit over het Bisdom van een anderquot;. 2)
Wie zijn tot de onthouding van vleeschspijzen verplicht!1
Tot de onthouding van vleesch- en andere bovengenoemde spijzen naar de algemeene voorschriften, is ieder Christen verplicht, die zijn zevende levensjaar voleind, en tot onderscheid des verstands gekomen is, tenzij eene wettige oorzaak, als ziekte, armoede, enz. hem verontschuldigt. Verontschuldigd zijn alzoo; 1) zieken en zwakken, voor wie de onthouding van vleeschspijzen schadelijk zou zijn; 2) armen, die hun dagelijksch voedsel van deur tot deur moeten bedelen, of althans niet zooveel bezitten, dat zij zich een verzadigenden maaltijd verschaffen kunnen; zij mogen het hun aangeboden vleesch gebruiken; 3) soldaten, die van het voedsel hun door het rijk verstrekt gebruik maken; 4) dienstboden, wier oversten hun geene toereikende spijzen verschaffen. Zou echter in de oogen der omgeving het gebruik van vleeschspijzen als eene verloochening van den katholieken godsdienst beschouwd worden, of kregen zulke dienstboden den schijn als verachtten zij het kerkelijk gebod van onthouding, dan zouden zij zich door vleesch
\') S. Ligorio. De praeceptis Jïccl. n0. 1015.
Gelijk van zelf spreekt, behoort het tot de bizondere zorg van den katecheet, de kinderen en volwassenen met de bisschoppelijke vastenverordeningen en de in zijn Bisdom bestaande gebruiken bekend te maken.
438
te eten grootelijks bezondigen. Christelijke dienstboden mogen daarom voorzichtigheidshalve niet in diensten gaan, waar zij waarschijn lijk geene gelegenheid zullen hebben, het gebod van onthouding te vervullen; zij behooren alles in het werk te stellen, om in een dienst te komen, waar zij, ten allen tijde de geboden der H. Kerk ongehinderd kunnen onderhouden; 5) reizigers, die geene veroorloofde spijzen kunnen bekomen of zich bevinden in plaatsen , waar eene algemeene dispensatie verleend is, zooals b. v. in het aartsbisdom Keulen, waar in den jaarlijkschen vastenbrief den logementhouders wordt toegestaan, alle dagen des jaars, uitgenomen den goeden Vrijdag, vleesch-spijzen voor te dienen, en den gasten verlof wordt gegeven, er gebruik van te maken.
Ten opzichte van de dispensatiën achten wij de volgende bemerkingen noodig.
o) De verzachting of dispensatie van eenig algemem kerkelijk gebod, welke den geloovigen van een Bisdom toegestaan wordt, mag slechts door hen gebruikt worden, die zich in dat Bisdom bevinden. Begeven zij zich dus naar een Bisdom, waar deze dispensatie niet verleend is. dan mogen zij er ook geen gebruik van maken. Ditzelfde geldt overigens niet alleen de onthouding, maar ook de algemeene kerkelijke feest- en vastendagen. — Bevindt zich daarentegen iemand, in wiens Bisdom het algemeen kerkelijk voorschrift nog geheel van kracht is, in een ander Bisdom, waar daarvan geheel of gedeeltelijk gedispenseerd is, dan mag hij ook van die dispensatie gebruik maken, zelfs dan, wanneer hij er slechts doortrekt.
Eene oude vrouw, welke haar dorpsgemeente nog nooit verlaten had, zag zich door onvoorziene omstandigheden genoodzaakt de hoofdstad tot hare verblijfplaats te kiezen. De bizondere godsdienstplechtigheden, welke zij daar in de okerken aanschouwde, en waarvan zij in haar dorp nog nooit getuige geweest was, konden haar echter niet erg stichten, zij was er over verontwaardigd en klaagde aan eene harer oude vriendinnen uit het dorp, toen deze haar eens kwam bezoeken; //ach! wat is het geloof hier veranderd, het is geheel anders als bij ons ,/in het dorp; alleen het lof in de week is nog hetzelfde gebleven.quot; Die goede vrouw verwarde de plechtigheden en ceremoniën der kerk met de geloofspunten, en zóó gaat het ook somtijds met Katholieken, die, wegens verschil van kerktucht in het vasten, ookmeenen, dat er verschil van geloofsleer bestaat. Ook onkatholieken hebben somtijds de dwaasheid het verschil van tucht in de roomsche Kerk als verschil van geloof en gemis aan eenheid aan te geven. Hierop diene tot antwoord; Ons geloof is één; niet in kerktucht, maar in geloofsleer. De geloofsleer moet bij de katholieken van China zóó zijn als bij ons en te Rome: maar de kerktucht kan naar eisch der persoonlijke en plaatselijke omstandigheden gewijzigd worden, of zou de inwoner van Amsterdam en die van Constantinopel altijd voor dezelfde kerktucht berekend zijn? Ook het vasten behoort tot\' de kerktucht, en verschil in het vasten doet alzoo niets af aan de geloofsleer en is geen bewijs van gemis aan eenheid in de roomsche Kerk. Ue H. Augustinus zeide reeds; //Als ik hier (Milaan) ben, vast ik zaterdags niet als ik te „Rome ben, vast ik des zaterdags; tot welke Kerk gij komt, onder-„houdt hare gewoonte, zoo gij geene verergenis lijden of geven wilt.quot; En wel verre dat dit verschil van kerktucht een bewijs zou zijn van gemis aan eenheid, is het juist een sterker bewijs daarvoor; want
439
niettegenstaande de kerktucht verschilt naar aanleiding van plaats, persoon of tijd. en het geloofsleven zich alzoo verschillend uit, blijft toch de geloofsleer één en dezelfde, en is nooit voor verandering vatbaar. Het gewone spreekwoord: zooveel hoofden, zooveel zinnen is dus in de katholieke Kerk met betrekking tot de geloofsleer niet waar. Er is slechts één hoofd, één zin, ééne geloofsleer, h) In twijfel, of men van het vasten of de onthouding verschoond is, moet men zich door zijn Bisschop of Biechtvader, als deze daartoe van den Bisschop gemachtigd is, laten vrijstellen. Zoo echter de reden, waarom men zich van het gebod ontheven acht, duidelijk en onbetwistbaar is, behoeft men, zooals reeds bij het derde gebod Gods bemerkt is,
feene dispensatie te verzoeken, vooral wanneer liet gebruik deze han-elwijze billijkt, en men zich niet gemakkelijk tot de overheden wenden kan.\' c) Zoo iemand door het opgeven van valsche redenen of het overdrijven van de nadeelen ten gevolge van het vasten of de onthouding, de dispensatie verkregen heeft, is deze ongeldig, en alzoo zondigt een dusdanige eveneens tegen het kerkelijk gebod, als had hij in het geheel geene dispensatie aangevraagd,eene dispensatie te verzoeken, vooral wanneer liet gebruik deze han-elwijze billijkt, en men zich niet gemakkelijk tot de overheden wenden kan.\' c) Zoo iemand door het opgeven van valsche redenen of het overdrijven van de nadeelen ten gevolge van het vasten of de onthouding, de dispensatie verkregen heeft, is deze ongeldig, en alzoo zondigt een dusdanige eveneens tegen het kerkelijk gebod, als had hij in het geheel geene dispensatie aangevraagd, d) Met de dispensatie van het onthoudingsgebod is die van het gebod van vasten niet noodzakelijk en onafscheidelijk vereenigd. Is het iemand veroorloofd, op een vastendag vleesch te eten, dun is hij derhalve daardoor nog niet gemachtigd, meer dan eenmaal daags zijn nooddruft te nemen. Ditzelfde geldt ook van liet omgekeerde: wanneer namelijk iemand enkel van het vasten is vrijgesteld, behoeft hij nog eene bizondere dispensatie om vleeschspijzen te mogen eten. e) Degenen, die niet kunnen vasten, behooren deze boetpleging door andere goede werken te vervangen. Zoo het verrichten van eenig godvruchtig werk, b. v. het doen van eenig gebed, het geven van eene aalmoes en dergel. als voorwaarde der dispensatie is opgelegd, zijn de ge-dispenseerden tot de vervulling daarvan verplicht; is daarentegen de dispensatie zonder beding geschonken, dan ook blijft het toch den goeden en godvruchtigen geest der gedispenseerden aanbevolen, zulke werken naar vermogen te verrichten. Oesarius, Aartsbisschop van Arles, vermaant hiertoe zijne oniierhoorigen met woorden, die ieder onzer op zich zeiven kan toepassen: //Indien gij niet vasten knnt. «moet gij den armen mildere aalmoezen geven, opdat gij alzoo de //zonden en straffen, waarvan gij door het vasten niet ontslagen //kunt worden, door het geven van aalmoezen moogt vrijkoopenquot; (Hom. 2).
Waar07ii gebiedt de Kerk hel vasten?
1) Omdat het vasten God den Heer welgevallig is. Dat het vasten welgevallig is aan God, is duidelijk uit verscheiden redenen. — a) God zelf heeft het vasten meermalen bevolen, en om het vasten genade en barmhartigheid bewezen; een onomstooteliik bewijs, dat Hem dit werk van boetvaardigheid bizonder welgevallig is. Indien een vader zijnen kinderen, een koning zijnen onderdanen deze of gene handeling herhaaldelijk aanbeveelt; wanneer zij hunnen onderdanen of kinderen, mits deze het bevel volbrengen, bewijzen van uitstekende gunst en liefde geven; wie zal er dan nog aan twijfelen, dat de eene zoowel als de andere op dat werk grooten prijs stelt, en het beiden hoogst aangenaam is ? Zoo handelt nu inderdaad God, onze Vader en Koning, ten opzichte van het vasten.
340
„Bekeert u tot Mij, roept Hij door den mond van den Profeet, „bekeert u tot Mij van ganscher harte met vasten, „weenen en klagenquot; (Joel II, 12). En reeds vroeger gaf Hij door den Aartsengel Kaphaël den godvreezenden Tobias de aanmoedigende verzekering; „Het gebed met vasten en „aalmoezen is beter dan schatten van goud op te leggenquot; (Tob. XII, 8). — „Mozes viel neder voor den Heer veertig „dagen en veertig nachten en at geen brood noch dronk „water, om de zouden die zijn volk bedreven had. En „de Heer verhoorde hemquot; (5. Mos. IX, 18, 19). Toen Holofernes met eene geweldige legermacht tegen Judea optrok, „riep al het volk allervurigst tot den Heer; zij „verootmoedigden zich door vasten en bidden, zij en hunne „vrouwen.quot; Toen sprak Eliachim, de Hoogepiester des Heeren, tot bet volk; „Weet dat Jehova u zal verhooren, „indien gij volhardt in vasten en bidden voor zijn aanschijn en het hoogepriesterlijke woord werd vervuld (Jud. IV, 7—12). Ten tijde des vromen Konings Josaphat hadden machtige vijanden tegen het rijk van Juda saamgespannen, en kwamen in groot aantal opzetten. Toen „kondigde „Josaphat een algemeenen vastendag aan in gansch Juda,quot; en God sprak door zijn Profeet tot de biddenden en vastenden: „O Juda en Jerusalem I vreest niet en zijt „zonder angst; morgen zult gij tegen hen uittrekken en „Jehova zal met u zijn.quot; Zoo geschiedde het ook; de vijanden vernietigden elkander (2. Kron. XX, 3 en volg.). Dusdanige weldaden * en gunsten, wier aantal onnoemelijk is, bewees God in het Oude Verbond aan diegenen, die met vasten en bidden tot Hem hunne toevlucht namen. — Jesus Christus zelf onderricht ons, dat zijn hemelsche Vader slechts aan diegenen macht over de geesten der duisternis verleent, die bet gebed met vasten verbinden. Immers tot zijne jongeren, die vergeefs getracht hadden een bezetene te bevrijden, sprak Hij deze beteekenisvolle woorden: „Dit soort wordt niet uitgedreven dan door „bidden en vastenquot; (Matth. XVII, 20).
6) Jesus Christus, de Apostelen en de Heiligen van alle tijden hebben gevast. Jesus, de eeniggeboren Zoon Gods, weet zeker het beste, wat zijn hemelschen Vader welgevallig is, en Hij zegt ook van zich zeiven; „hetgeen „zijn welbehagen is, doe ik altoosquot; (Joannes VIII, 29;. Nu zien wij den Heiland in de woestijn veertig dagen lang de strengste vasten onderhouden; derhalve is het vasten een Gode welbehagelijk werk; een werk, dat de goddelijke Leeraar en het toonbeeld van alle heiligheid, door zijn voorbeeld, dat krachtiger spreekt dan vele woorden,
441
ons ter navolging aanbeveelt. — Naar dit voorbeeld van Jesus richtten zióh zijne vertrouwdste vrienden en leerlingen, de Apostelen. Ook zij vastten en geboden het vasten aan de geloovigen (Hand. XIV, 22; XIH, 2, 3). In \'talgemeen leefden alle uitstekende vrienden Gods, zoowel des Ouden als des Nieuwen Verbonds, in de zekere overtuiging, dat het vasten, vooral in vereeniging met het gebed, den Allerhoogste bizonder aangenaam is, en namen derhalve in alle droefheid daartoe hunne toevlucht. Zoo vastte Mozes om Gods toorn van het uitverkoren volk af te wenden; om dezelfde reden vastte Samuel en het gansche volk met hem; zoo vastten David, Elias, Judith, Esther, Daniël, de babylonische jongelingen, de Machabeën en geheel Israël, om bizondere genade en erbarming van den Heer te erlangen. \') Ook de vrome weduwe Anna, de profetes, bracht haar leven in den tempel met gebed en vasten door, en werd waardig geacht den Heiland der wereld te zien (Luc. II, 37). — In de levensgeschiedenis der Heiligen van het Nieuwe Verbond zien wij overal voorbeelden van buitengewonen ijver in het onderhouden der geboden en ook in het vrij willig vasten; niet slechts degenen, die in enge kloostercellen of rotsholen een leven van boete en versterving leidden, maar zelfs zij, die te midden van aardsche pracht aan de koninklijke hoven, ja zelfs op den troon leefden. 1j Vele Heiligen, vooral de
1
) Van Keizer Justinianus, die in het midden dei- zesde eeuw inliet oosten regeerde, verhaalt een tijdgenoot, dat hij gedurende de vasten in de twee dagen maar eenmaal spijzen gebruikte, en, bij dezen éénen maaltijd, zich onthoudende van brood en wijn, slechts moeskruiden met water gebruikte. (Pouget institut. cathol. praec. eccl.) — De H. Kanut, koning van Denemarken, was gewoon niet alleen gedurende de veertigdaagsche vasten, maar ook alle vrijdagen van het jaar, op water en brood te vasten. Zell\'s a!s hij met de grootsten van zijn rijk aan de koninklijke tafel zat, wist hij deze strenge vasten ongemerkt te houden, en liet de hem voorgestelde kostbare gerechten door vertrouwde hovelingen naar de armen brengen (Bolland. 10 Juli). — Lodewijk de Heilige, Koning van Frankrijk, vergenoegde er zich niet mede, de door de Kerk vastgestelde vastendagen volgens voorschrift te onderhouden, hij vastte bovendien veertig dagen voor Kersmis, onthield zich op de vrijdagen van den vastentijd en den advent ook van visch, en gebruikte het geheele jaar door des vrijdags-geen vruchten, ofschoon hij daarvan zeer veel hield. Was hij voornemens iets gewichtigs te ondernemen, dan bereidde hij zich daartoe voor door vasten. Voor zijn kruistocht naar het Heilige Land vastte hij een geheel jaar; insgelijks ook voor zijn terugkeer uit Palestina naai-zijn vaderland (Bolland. 25 Aug.). — Niet minder ijver, om zich door vasten te versterven, toonden ook vele christelijke vorstinnen. De H. Elisaheth, koningin van Portugal, hield behalve de gewone jaar-
442
\\
vaders der woestijn, gebruikten zeer weinig of zoolang in het geheel geene spijzen, dat hun leven inderdaad een voortdurend wonder was; een feit, hetwelk als een nieuw bewijs kan beschouwd worden, hoe aangenaam den Heer dit buitengewoon en gestreng vasten is, daar Hij zeker niet door eene wonderbare tusschenkomst het leven der zich verstervenden gesterkt zou hebben als deze in zijne oogen niet welgevallig waren geweest. \') — c) Het vasten
lijksche vasten nog eene veertigdaagsche vasten ter eere der HH. Engelen, en voegde bij de overige kerkelijke vastendagen uit vrije keuze verscheidene andere. Zij was namelijk gewoon te vasten op den vooravond van die Heiligen, tot wie zij eene bizondere devotie had. Haar gewoon voedsel op vastendagen was water en brood. Van vleesch-spijzen onthield zij zich wel drie vierer.deel jaars, en zij zoude in hare strengheid nog verder gegaan zijn, had haar koninklijke gemaal geen bezwaar daartegen ingebracht (Bolland. 4 Juli). — Ook in Tateren tijd schitterde een schoon voorbeeld van christelijke boetvaardigheid op een der grootste tronen. Teresia Eleonora, de reeds genoemde gemalin van Keizer Leopold I, had zich in hare prilste jeugd gewoon gemaakt, haar lichaam door vasten en andere boetewerken te versterven. Zij zette deze strenge levenswijze ook als keizerin voort. Dikwijls ondernam zij barrevoets bedevaarten naar heilige plaatsen, tuchtigde zich zelve met geeselslagen en boetegordels. Op de gewone in het jaar voorkomende vastendagen onthield zij zich niet alleen van vleesch, maar at bijna niets. Gedurende den advent, de vaster en op de vigiliën der voornaamste feesten liet zij het karige en armoedige voedsel uit het klooster der Karmelitessen halen. — Een niet minder boetvaardig leven leidde de keizerin Anna Eleonora, gemalin van Ferdinand II. Onder hare kleeueren droeg zij voortdurend een haren boetgewaad op het bloote lichaam; zij vastte zeer streng, niet alleen op de vastgestelde dagen, maar ook alle vrijdagen en zaterdagen van het jaar, alsmede op de vooravonden van de leesten der Heiligen, die zij bizonder vereerde.
\'•) Een zeer opmerkelijk en even geloofwaardig voorbeeld vinden wij in de levensgeschiedenis van den zaligen Nicolaas van der Flue, die in de vijftiende eeuw Zwitserland, zijn vaderland, en de aangrenzende landen met den glans zijner deugden en den roem van buitengewone heiligheid vervulde. Deze godvruchtige dienaar Gods, nabij Saxeln in het kanton Unterwalden geboren, gevoelde van kindsbeen af eene sterke neiging, om zijne ziel meer en meer van het aardsche los te scheuren en tot het hemelsche te verheffen. Te dien einde begon hij vooreerst eiken vrijdag, later ook op de maandagen, woensdagen en zaterdagen te vasten. In de veertigdaagsche vasten at hij slechts eenmaal daags een weinig droog brood en eenige
fedroogde vruchten. Zoo deed hij vóór zijn twintigste jaar, en als e menschen hem zeiden, dat hij al te streng vastte en zijne gezondheid benadeelde, gaf hij altijd ten antwoord: «God wil het zoo.quot; In weerwil van zijne voorliefde voor de eenzaamheid, trad hij evenwel volgens het verlangen zijner ouders in het huwelijk, leelde daarin zeer gelukkig en werd vader van tien kinderen, die hij allen in de heilige vreeze des Heeren opvoedde. Daarbij waren toch altijd zijne gedachten, om de wereld vaarwel te zeggen en alleen voor God te leven. Verscheidene hemelsche visioenen en openbaringen versterkten hem in dit voornemen. Toen hij, ruim vijftigjaar oud, zijne kinderen bezorgd zag, verliet mij met toestemming zijner deugdzame vrouw de ouderlijke haardstede\', om eene plaats te zoeken, waar hij stil en ongestoord zich aan het gebed en de oefeningen van boetvaardigheidedroogde vruchten. Zoo deed hij vóór zijn twintigste jaar, en als e menschen hem zeiden, dat hij al te streng vastte en zijne gezondheid benadeelde, gaf hij altijd ten antwoord: «God wil het zoo.quot; In weerwil van zijne voorliefde voor de eenzaamheid, trad hij evenwel volgens het verlangen zijner ouders in het huwelijk, leelde daarin zeer gelukkig en werd vader van tien kinderen, die hij allen in de heilige vreeze des Heeren opvoedde. Daarbij waren toch altijd zijne gedachten, om de wereld vaarwel te zeggen en alleen voor God te leven. Verscheidene hemelsche visioenen en openbaringen versterkten hem in dit voornemen. Toen hij, ruim vijftigjaar oud, zijne kinderen bezorgd zag, verliet mij met toestemming zijner deugdzame vrouw de ouderlijke haardstede\', om eene plaats te zoeken, waar hij stil en ongestoord zich aan het gebed en de oefeningen van boetvaardigheid
443
is verder eene veroormoediging van onzen hoogmoedigen geest en eene beteugeling onzer zinnelijke driften. God kent onze geringheid en alzijdige afhankelijkheid van zijne genade en erbarming; God wil, dat ook wij van onzen kant die erkennen. Zulk eene door God gewilde erkentenis
kon overgeven. Op de reis, welke hij tot dit doel ondernomen had, overviel den dienaar Gods de slaap, en het was, als omstraalde hem eensklaps een hemelsch licht. Te gelijker tijd kreeg hij inwendig zulke smarten, alsof men hem met een mes de ingewanden uitsneed. Van dat oogenblik af gevoelde Kicolaas zijn leven lang noch honger noch dorst meer. — Op de eenzame plaats, welke de dienaar Gods zich tot voortdurend verblijf verkoos, bouwde hij met behulp der bewoners van de drie naburige dorpen Saxeln, Sarnen en Kei-ns tussohen rotsen en struiken eene armoedige hut van boomtakken en schors, en daar naast eene kleine kapel. De legerstede van den godvruch-tigen kluizenaar was een harde plank; een steen diende hem tot hoofdkussen, en zijne kleeding bestond uit een ouden, bruinen rok, welke tot de enkels zijner voeten reikte, en uit een koord, waarmede hij zijne lendenen omgordde. Schoenen droeg hij niet; ook zijn hoofd was onbedekt; altijd had hij een rozenkrans bij zich, waaraan hij bad. Zoo bracht de dienaar Gods den tijd in het gebed, de overweging en den handenarbeid door, zonder de minste spijs of eenigen drank te nemen. Zijn eenige versterking was het Brood der Engelen, het Lichaam en Bloed van Jesus Christus in het H. Sacrament, hetwelk hij alle veertien dagen placht te ontvangen.
Deze levenswijze wekte heinde en verre veel opspraak. Eenigen zeiden: „Men brengt hem voedsel in het geheim;quot; anderen zeiden: „Broeder Klaas is een schijnheilige, een bedrieger.quot; De overheden des lands rekenden liet zich nu ten plicht, zich van de ware toedracht der zaak te overtuigen. Zij omringden derhalve de vallei met bewakers, die eene geheele maand lang bij dag en bij nacht moesten uitzien, of er niet iemand kwam en broeder Klaas voedsel bracht. ÏTa verloop der maand bleek hot, dat er geen bedrog bestond. Hierop zonden de overheden van het land afgezanten naar Uonstantz tot den toenmaligen Bisschop Herman van Landesberg, met verzoek, de kapel in de vallei te wijden, Klaas zelf over zijn vasten te ondervragen en hem te beproeven. Herman zond zijnen Wijbisschop Thomas, die zich spoedig van zijne dubbele taak kweet. Na afloop van de wijding der kapel trad de prelaat de hut van broeder Klaas binnen, en vernam van hem, dat hij reeds anderhalf jaar noch spijs noch drank genuttigd had. Vervolgens deed de Wijbisschop aan den godvruchtigen eremiet de vraag: „Welke is de voornaamste en Gode behagelijkste „deugd?quot; Nicolaas antwoordde: „Ik meen de gehoorzaamheid.quot; Toen nam do Bisschop brood en wijn, wat hij opzettelijk had laten brongen, stelde het den dienaar Gods voor en sprak: „Ziedaar mijn broeder, //spijs en drank, welke de gehoorzaamheid u voorzet. Neem en eet //het aangebodene, opdat gij het loon dor eerste en grootste deugd „moogt verkrijgen.quot; Nicolaas ontstelde, maar verzette zich niet Hij nam een stukje brood, at het en dronk een weinig wijn. Toen werd hij echter zoo benauwd, dat hij meende te sterven. Na dit voorval smeekte de Bisschop om vergeving en sprak tot hem: „Lieve broeder, „ik heb zoodanige beproeving op bevel mijner overheid moeten doen; „thans zie ik echter, dat gij een godvruchtig en geloofwaardig man „aijt.quot; Nu zette Nicolaas tot aan zijn dood, welke op den Sisten Maart 1487, das op zijn zeventigsten verjaardag volgde, zonder moeite die wonderbare.leefwijze voort, zoodat hij ongeveer twintig jaren zonder eten en drinken doorbracht (Bolland. 22 Maart).
444
nu is het vasten, daar wij door onthouding van spijzen niet slechts ons lichaam aan God onderwerpen en eeniger-mate ten offer brengen, maar ook de hoovaardij des geestes breken. De H. Schrift verklaart zelve deze dubbele werking van het vasten. Van de Koningin Esther lezen wij: „zij „verootmoedigde zich met vastenquot; (Esth. XIV, 2) ; en de koninklijke Profeet David sprak tot God: „ik veroot-„moedigde mijne ziel met vastenquot; (Ps. XXXIV, 13). — Het vasten is echter niet alleen geschikt, om ons lichaam en onze ziel te verootmoedigen, maar ook om de goede orde te herstellen , welke door de zonden verstoord en verwoest is; die wondervolle harmonie, door welke alle zinnelijke neigingen onderworpen worden aan het verstand, en dit weder aan den Allerhoogste. Want door de onthouding van spijzen worden de zinnelijke lusten van ons hart verzwakt, getemd, en onder het beheer van den geest gebracht. — „Niemand,quot; zegt de H. Augustinus (over het nut v. h. vasten), „niemand zegge tot zich zeiven of „luistere naar den bekoorder, als deze hem influistert; Ei „wat baat het vasten? Gij benadeelt u zeiven, tuchtigt, „foltert en kruisigt u daardoor. Kan het God aangenaam „zijn, u zei ven zoo te kwellen? Zou het niet wreed „zijn, als Hij in uwe tuchtiging welbehagen had ? Antwoord „dien bekoorder: Ja, ik kruisig mij, opdat ik daardoor „bij God genade vinde; ik tuchtig mij, opdat ik Hem wel-„gevallig zij, opdat ik Hem de vreugde bereide van mij „genadig en barmhartig te kunnen zijn.\'\' — Het lijdt derhalve geen twijfel, dat God met bizonder welgevallen op ons neder ziet, als wij door vasten ons verootmoedigen en onze zinnelijke lusten beteugelen , alzoo datgene in ons vernietigen, wat zijne heiligheid het meest verfoeit: hoogmoed en ongeregelde begeerten.
2) De Kerk gebiedt het vasten, dewijl het ons nuttig en heilzaam is. Door het vasten toch — a) geven wij God voor de bedreven zonden genoegdoening en wenden aldus de verdiende straffen van ons af. — Elke zonde verdient eene straf van God, den Rechter en Vergelder van alle kwaad. Wanneer wij nu ons zelve tuchtigen, zelve ons de verdiende straffen toedienen, ontwapenen wij den arm der straffende gerechtigheid Gods: „Zoo wij ons „zelve richten (bestraffen) , zuilen wij (door God) niet „gericht (gestraft) worden,quot; zegt de H. Paulus (1. Cor. XI, 31). Zulk eene tuchtiging van ons zelve, zulk eene vrijwillige voldoening of boete voor onze zonden en ongeoorloofde zinnelijke vermaken, is het vastendaardoor worden derhalve de straffen Gods van ons afgewend. Dit
445
voordeel zagen de Niniviten in het vasten, toen zij, na de strafpredikatie van den Profeet Jonas, tot inkeer kwamen; „God erbarmde zich over hen, en voerde de „bedreigde straf niet uitquot; (Jonas III, 10). Ditzelfde voordeel kunnen en zullen ook wij allen uit het vasten trekken. Dewijl nu niemand zich beroemen kan, zonder zonde te zij n, zoo mag ook niemand dit krachtige middel tot afwending der tijdelijke straffen van de hand wijzen. Verder betaamt het den Christen, door het genoemde werk van boetvaardigheid niet slechts van zich zei ven, maar ook van de zijnen, van zijn vaderland, ja van de gansche Christenheid den dreigenden arm van Gods gerechtigheid af te wenden of die althans te verzachten. Zoo deden, gelijk boven reeds opgemerkt is, de rechtvaardigen des Ouden Verbonds, die, wanneer de Heer op zijn volk vertoornd was, door gebed en vasten den goddelijken toorn trachtten te bedaren.
In denzelfden zin zeide ook Paulus: „ik vul aan in mijn „vleesch wat aan het lijden van Christus voor zijn lichaam , „hetwelk de Kerk is, ontbreektquot; (Col. I, 24). Wat kan er aan het lijden van Christus nog ontbreken ? Sprak de aan het kruishout stervende Heiland niet zelf: „het is „volbracht!1\' d. i. alles, alles is volbracht. „Waarlijk,quot; antwoordt hierop de H. Augustinus (Ps. LXXXVI, 5), „is al het lijden volbracht in Hem, als het Hoofd; doch „er blijft nog te lijden over in zijn lichaam; gij nu zijt „dat lichaam van Christus en zijne ledematen.quot; Daarom moeten allen, die Christus toebehooren; gelijk Hij, het Hoofd, voor de ledematen gedaan heeft, zoo ook zij, de \' ledematen, voor elkander boeten ea aldus, in vereeniging met het Hoofd, Gods rechtvaardige toorn stillen.
5) Verkrijgen wij de heerschappij over onze zinnelijkheid en worden daardoor voor den herval in de zonde bewaard. „Het vleesch strijdt tegen den geest en de geest tegen „het vleeschquot; (Gal. V, 17). Met deze woorden maakt de Apostel ons opmerkzaam op den voortdurenden strijd, welken het hooger en edeler deel van onze ziel tegen de lagere, zinnelijke driften en lusten te voeren heeft. Gelijk nu een dapper en voorzichtig veldheer er op uit is, den toevoer van levensmiddelen naar het vijandelijk leger af te snijden en het op die wijze te verzwakken, zoo moet ook de geest om zijn gezworen vijand, het vleesch, de booze begeerlijkheid, gemakkelijker te overwinnen, het door versterving of tijdelijke onthouding van het gewone voedsel krachteloos maken. De H. Augustinus bedient zich van eene andere gelijkenis. „Als gij,quot; zoo spreekt hij, „een
446
„al te moedig paard hadt, dat u gemakkelijk zou kunnen „neêrwerpen, zoudt gij het dan niet eenig voedsel ont-„houden, om het door honger te beteugelen? Waarom „zoudt gij ook niet uw oproerig lichaam door vasten be-„dwingen?.... Wie aan zijn lichaam geen geoorloofd „genot ontzegt, zal het weldra iets ongeoorloofds toestaan.quot; Een dusdanige wordt, ongeacht alle goede voornemens, door de begeerlijkheid van zijn welgevoed lichaam maar al te dikwijls tot zonde opgewekt en verleid; diens geest geraakt maar al te vaak in de schandelijke dienstbaarheid des vleesches. Die overwegingen deden den H. Paus Leo zeggen: „het behoort mede tot de uitstekendste gaven des „H. Geestes , dat ons tegen de lusten des vleesches en de „bekoringen des duivels bet beschermmiddel van het vasten „verleend werd, een middel, waardoor wij met Gods bijstand „in alle bekoringen de overwinning zullen behalen.quot; In denzelfden zin spreekt ook de H. Bernardus (over Quadrag): „Het vasten wischt niet alleen de bedreven zonden uit, „maar voorkomt ook die, welke wij in het vervolg zouden-„kunnen begaan/\' — Men zegge niet, dat het vasten een hard, tegen de redelijke eigenliefde strijdend middel is. Zal men, antwoordt de H. Augustinus, een vader van wreedheid en onredelijkheid beschuldigen, als hij zijn kind van tijd tot tijd iets onthoudt, waarnaar het verlangt, om het aldus in de gehoorzaamheid en versterving te oefenen? Of zal men een meester liefdeloos en onverstandig noemen, wanneer hij zijn weerspannigen knecht tuchtigt en door bestraffing tot de orde brengt?
Door het vasten wordt ons c) de oefening van deugd en gebed gemakkelijk gemaakt, en erlangen wij des te zekerder Gods genade en de eeuwige zaligheid. Dit volgt uit hét reeds gezegde; want in dezelfde mate als bet aardsche in ons door vasten verzwakt wordt, versterkt het hemelsche. Niets drukt ons hart dieper in het stof der aarde; niets trekt onzen geest krachtiger van de overweging der eeuwige goederen af; niets verlamt meer ons verlangen en streven daarnaar, dan de ongeregelde neiging tot zingenot. Het vasten, als verzwakking en dooding der zinnelijkheid, is bijgevolg eene bron van geestelijke versterking en hooger, bemelsch leven. — Daarom looft en dankt ook de Kerk gedurende de vasten bij het H. Offer God den Allerhoogste, dat Hij door het bevel van vasten „de zonde onderdrukt, „de gemoederen verheft, deugd en hemelloon verleent.\'\' Om dezelfde reden zijn ook de HH. Yaders, namelijk Athanasius, Basilius, Ambrosius, Augustinus, Leo, Petrus Chrysologvjs, Bernardus, enz. onuitputtelijk in den lof van
447
het vasten. Zoo spreekt bijv. de H. Basilius; „Het vasten „vormt de Profeten (de leeraars der goddelijke wet), sterkt „de machthebbers, verleent wijsheid aan de wetgevers; „het vasten is de beste bescherming der ziel, de voor-„zichtif^ste leidsman des lichaams, de verdediging en het „wapen der dapperen; de oefenplaats der strijders van „Christus. Het vasten verdrijft de bekoringen, spoort aan „tot vroomheid, bewerkt matigheid en onthouding, geeft „kracht in den strijd, schenkt rust en vredequot; (Hom. 1. Over het vasten). „Het vasten,quot; zegt Chrysologus, „is de „dood der zonde, het leven der deugden, de vrede der „lichamen, het sieraad der ledematen, de schoonheid des „levens, de sterkte des geestes, een schutsmuur der kuisch-„heid, een bolwerk der schaamte, eene woonplaats der „heiligheid, eene school van verdiensten.quot; De H. Joannes Chrysostomus vat de reeds aangegeven redenen van de heilzaamheid van het vasten in de volgende woorden samen: „vast, wijl gij gezondigd hebt; vast, om niet te zondigen; „vast, teneinde te ontvangen; vast, opdat voortdurend bij „u blijve, hetgeen gij ontvangen hebt.quot;
Als de H. Kerk op bepaalde dagen het gebruik van vleesch en van al datgene, wat van het vleesch komt, verbiedt, maar het gebruik van visschen, van dieren, die bestendig in het water leven, als kreeften, oesters, enz., die wat hunne natuurlijke gesteltenis aangaat veel overeenkomst hebben met de waterdieren, als sneppen, kikvorschen, schildpadden, enz. geoorloofd verklaart, doet zij dit, omdat de vleeschspijzen in den regel voedzamer en smakelijker zijn dan de zoogenaamde vastenspijzen, en derhalve de begeerlijkheid meer streelen. Want, gelijk de H. Angustinus opmerkt, het onderscheid van spijzen wordt overeenkomstig de gezonde leer niet in acht genomen omdat de eene spijs rein, de andere daarentegen onrein is, maar enkel wijl de onthouding van vleeschspijzen meer bijdraagt tot de versterving der begeerlijkheid. — De berisping, welke de H. Faulus hun toevoegt (1 Tim. IV, 3, 4), //die verbieden spijzen te gebruiken, welke God /.geschapen heelt, daar toch alles wat God heett geschapen, goed en «niet te verwerpen is,quot; tref; geenszins de katholieke Kerk. De Apostel had daarbij diegenen op het oog, die beweerden, dat eenige spijzen van nature onrein zijn en, als van den booze voortkomende, verboden. Deze bewering verwerpt ook de Kerk, en zij heeft die steeds verworpen. jSiettemin hield zij toch om de boven aangehaalde reden de onderhouding van het onderscheid vim spijzen vast. Zij wist wel , dat het de bedoeling van den H. Paulus niet kon zijn, dit gebruik eenigszins te laken, daar God zelf den Israëlieten sommige spijzen verbood, de te Jerusalem vergaderde Apostelen aan de eerste Christenen dezelfde voorschriften aangaande het onderscheid der spijzen gaven , en \'t hem zeker niet onbekend was, dat de vooiiooper des Heeren, Joannes de Dooper, zich gelijk de Nazareërs van vele spijzen onthoudende, slechts sprinkhanen en wilden honig at, en dat Eleazar en de Machabeesche broeders liever den smartelijksten dood ondergingen, dan de door Gods wet voorgeschreven onderscheiding van spijzen niet na te komen, \'t Is alzoo geen bijgeloof, volgens het voorschrift der katholieke Kerk zich van sommige spijzen te onthouden, maar een hoogst verdienstelijk werk van gehoorzaamheid en
448
boetvaardio-heid. — Ook de woorden van Christus; „hetgeen den „«fond ingaat, besmet den menseh nietquot; (Matth. XV, 11), geven ceen recht, het kerkelijk gebod der onthouding te overtreden. Wel is waar zal geene spijs op zich zelve het hart van den mensen met zonde bevlekken; doch wanneer de Kerk als Gods plaatsbekleedster, tot oefening van den christelijken geest van boetvaardigheid, het gebruik van eene op zich zelve goede spijze verbiedt besmeurt reeds de wil en het voornemen om die te gebruiken het hart met de zonde van ongehoorzaamheid en minachting van het kerkelijk gebod. I)e vrucht, waarvan onze stamouders aten, was in zich zelve zeer goed, geliik alles, wat God geschapen heeft; maar het gebruik er van was hun verboden. Daarom zondigden zij ook zwaar door het eten van die vrucht en besmetten zich zelve en de geheele nakomelingschap met de vlek der zonde.
TOEPASSING.
Volgens de leer der Kerkvergadering van Trente moet geheel het leven van den Christen eene aanhoudende boetedoening zijn. Dewijl namelijk ieder Christen, zwak en gebrekkig als hij is, zich dagelijks aan zonden en fouten plichtig maakt, waarvoor Hij der goddelijke Majesteit hier op aarde of wel in het andere leven voldoening moet geven , en daar hij krachtens de oneindige verdiensten van Jesus Christus hier op aarde veel gemakkelijker de goddelijke gerechtigheid bevredigen kan dan ginds in het vagevuur, verlangt de christelijke eigenliefde van eenieder, dat hij zich bevlijtige, de dagelijksche zonden door eene dage-lijksche boete uit te wi\'sschen. Daarom zegt de H. Bernardus (3ae Preek over de veertigdaagsche vasten): „in eene groote „dwaliog zijn zij allen verstrikt, die meenen, dat de weinige „dagen van den H. vastentijd genoeg zijn om boeivaardig-quot;heid te doen, daar ontegensprekelijk de geheele levens-„tijd tot het beoefenen der boetvaardigheid gegeven en be-„stemd is.quot; Evenwel vindt men tegenwoordig vele Christenen, die niet eens deze weinige dagen zooals \'t behoort met boetewerken, namelijk met vasten, willen doorbrengen. Geheel anders dachten en handelden de Christenen der vroegere eeuwen. Gedreven door een heiligen ijver tot •boete vastten allen met genoegen, hielden zich met groote nauwgezetheid aan de algemeene kerkelijke voorschriften aangaande het vasten, en ofschoon deze toenmaals veel strenger waren dan thans, maakten toch velen het vasten nog moeielijker, daar zij verscheidene dagen achter elkaar zonder spijs of drank doorbrachten. Dit alles getuigen de HH. Vaders herhaaldelijk in hunne openbare redevoeringen en geschriften, zonder dat iemand het gewaagd heeft, hen van overdrijving te beschuldigen. Basilius onamp;sx anderen zegt (Hom. 2); „er bestaat geen eiland, geene „stad, geen volk, geen hoek der aarde, waar de verordening
449
,,vaii het vasten niet is doorgedrongen. Krijgslieden en „reizigers, schippers en kooplieden, allen vernemen die en „richten er zich naar met groote vreugde.quot; DeH. C/irysos-iomus drukt zich voor het vergaderde volk der stad Antiochië op de volgende wijze over het heerschende gebruik van vasten uit: „de gewoonte is zoo machtig en krachtig, „dat de Christen gedurende den vastentijd, al zou iemand „hem ook duizendmaal bekoren en uitnoodigen, aan eene „drinkpartij of iets verbodens deel te nemen, zich liever „alle moeielijkheid wil getroosten, dan eene ongeoorloofde „spijze te gebruiken. En dit doen wij, ofschoon onze „neiging ons trekt tot spijs en drank. Wijl deze nauw-gezetheid ons tot gewoonte is geworden , verdragen wij „echter alles met moed.quot; Ook de H. Augustinus verzekert, dat hij te Milaan en te Rome getuige van een bijna onge-loofelijk streng vasten geweest is. „Men vindt er daar, „die drie en ook nog meer dagen achtereen, zonder eenig „voedsel of eenigen drank doorbrengen, en wel niet enkel „mannen, maar ook vrouwen, die met het werk harer „handen het brood moeten verdienen.quot; — Van de goede week in \'t bizonder schrijft de H. Epiphanius: „gedurende „de zes dagen voor Paschen pleegt al het volk eerst tegen „den avond water en brood te gebruiken: eenigen brengen „twee, anderen drie of vier, sommigen zelfs de geheele „week tot aan den ochtend van het Paaschfeest zonder „eenig voedsel door.quot; Dusdanige getuigenissen en voorbeelden zijn voorwaar wel geschikt., ons allerdiepst te beschamen, ons, die niet eens den goeden wil hebben, het in onze dagen zoozeer verzachte gebod van vasten en onthouding tot delging van onze vele fouten, waardoor wij tijdelijke en eeuwige straffen verdiend hebben, naar be-hooren te onderhouden. \')
Wij zouden echter noch naar den zin Gods , noch volgens den geest der H. Kerk vasten, als wij overeenkomstig het kerkelijk voorschrift ons wel onthielden van spijzen, maar de overige werken van boetvaardigheid en godsvrucht, in
\') Groote reden om zich te scliamen zouden vele Christenen vinden, als zij eene vergelijking maakten tusschen dat, wat zij uit boetvaardigheid, uit liefde tot God doen, en tusschen de verbazende strengheden, waartoe de vorst der duisternis ongelukkige heidenen en afgodendienaars weet aan te sporen. — De indische afgodenpriesters of »braminenquot; drijven het in de strengheid van het vasten zoover, dat eenigen hunner maar om do vier dagen, anderen zelfs eerst na acht dagen een geregelden maaltijd nemen.— In China is er eene heidensche secte, wier ledematen //vastersquot; genoemd worden. Van deze bericht een apostolisch missionaris, dat „hun voedsel slechts uit kruiden bestaat, „daar het hun verboden is, vleesch, visch of eieren te etenquot; (Z. Annalen v. d. voortplant, d. gel. Afl. 5. 1859, Brief van den Heer Durand).
DEHAKBE, GELOOPSLEER. III. Süe DEUK. 29
450
\'t bizon der de ware, oprechte bekeering des harten achterlieten. „Is \'t een vasten gelijk Ik wensch,quot; spreekt God door zijn Profeet (Is. LVIII. 5—11), „wanneer de mensch „den geheelen dag zich kastiidt en in zak en assche ligt ■ „Is niet dat,een vasten, gelijk Ik wensch: de banden der „boosheid ontbinden, de boeien der zonde afwerpen? — „Breek den hongerigen uw brood, breng armen en die „zonder woning zijn in uw huis; als gij eenen naakte „ziet, kleed hem en veracht uw vleesch (d. i. uw caasten) ^niet.\'\' Volgens het verlangen Gods wenscht ook de door zijnen H. Geest bestuurde en bezielde Kerk, dat hare kinderen aan het lichamelijk vasten door verschillende werken van boetvaardigheid en liefde eene hoogere wijding geven. Daarom verbiedt zij gedurende de vasten, strenger dan te eeniger tijd, alle openbare vermakelijkheden, bruiloften, die met maaltijden en drinkgelagen veroonden zijn ; daarom wekt zij hare kinderen op, met zorg de zonde te vluchten, ijverig te bidden, vele aalmoezen uit te deelen ; daarom noodigt zij hen uit, meermalen de kerk te bezoeken en het woord Gods aan te hooren, enz. De HH. Vaders dringen eveneens op die godvruchtige stemming en de oefening van boete aan en verklaren, dat anders de onthouding van spijzen weinig of volstrekt niet baat. „Niet „het vasten op zich zelve,quot; zegt de H. Chrysostomus, „maar alleen het ware vasten; niet de onthouding van „spijzen alleen, maar de onthouding van zonden kan den „mensch redden.... Gij vast! \'t Is wel, maar toon mij „dit door werken. Door welke werken vraagt gij t Zie. „als gij een arme ontmoet, erbarm u over hem. Als gy „een vijand gewaar wordt, verzoen u met hem. Ziet gi] „een buurman gelukkig, benijd hem niet. Neen, niet uw „mond alleen moet vasten, maar ook oog en oor, voeten „ ren handen en alle ledematen van uw lichaam. De handen „moeten vasten door zuiver te blijven van onrechtvaardig „goed en hebzucht. De voeten moeten vasten, door zich „niet te begeven naar ongepaste vermakelijkheden. De „oogen moeten vasten door niet begeerlijk rond te zien. „Het zien toch is de spijze der oogen. Is nu het zien „ongeoorloofd, zondig, dan schaadt zulks het vasten en „brengt de geheele ziel in het ongeluk. Het zou immers „de grootste dwaasheid zijn, den mond zelfs geoorloofde „spijzen te ontzeggen, en daarentegen aan het oog zondigs „blikken toe te staan. Gij onthoudt u van vleesch. Goed. „Maar laat ook uwe oogen zich niet in den lust des „vleesches vermeien. Ook uw mond moet vasten, door „isich van schandelijke woorden en lasteringen te ont-
451
„houden; wat toch zou het baten, zoo wij het vleesch der „dieren niet aten, maar als wilde dieren den goeden naam „van onze broeders verscheurden ? . Vasten wij op die „wijze, dat wij niet enkel van spijzen, maar ook van „zonden ons onthouden, dan zullen wij in dit leven reeds „goede hoop op de eeuwige zaligheid hebben, en in het „andere leven met een blij vertrouwen tot Christus gaan „en de onuitsprekelijke goederen des hemels genieten.quot;
Vierde en vi|lkie gelsssd der i4erk.
IFai wordt ons in het vierde en vijfde gebod der Kerk bevolen ?
Er wordt ons bevolen, 1) minstens eenmaal in het jaar-bij een wettig gewijden Priester geldig te biechten, en 2) omstreeks Paschen de H. Communie waardig te ontvangen.
Daar Jesus Christus zelf door de instelling van het H. Sacrament van Boetvaardigheid de belijdenis der zonden, als noodzakelijk om vergeving te verkrijgen, verordend, en eveneens het ontvangen van zijn H. vleesch en bloed, de Communie, den geloovigen geboden heeft, opdat zij „het eeuwige leven in zich hebbenquot; (Joan. V-I, 54), bestond in de katholieke Kerk ten allen tijde het gebruik van te biechten en te communiceeren. Wanneer en hoe dikwijls de geloovigen de HH. Sacramenten van Boetvaardigheid en des Altaars ontvangen moeten , was door Christus niet bepaald, en de ijver der eerste christelijke eeuwen maakte eene dusdanige bepaling ook van den kant dei-Kerk overbodig. Toen echter na verloop van tijd die ijver verkoelde, en er sommige Christenen waren, die jaren lieten voorbijgaan, zonder tot den rechterstoel der biecht en de tafel des Heeren te naderen, vond de voor het heil harer onderhoorigen zoozeer bezorgde Kerk zich genoodzaakt , een gebod uit te vaardigen, om de trage en onverschillige kinderen onder bedreiging der strengste kerkelij ke straffen tot de vervulling van hunnen plicht aan te sporen. Dit geschiedde dan ook inderdaad in de vierde algemeen e Kerkvergadering van Laterane (J. 1215). Die verordening luidt aldus: „alle geloovigen van beiderlei geslacht moeten , „nadat zij tot de jaren van onderscheid zijn gekomen, alle „zonden in het geheim, tenminste eenmaal \'sjaars, aan „hunnen eigen Priester oprecht biechten en minstens „omstreeks Paschen het Sacrament der Eucharistie met „eerbied ontvangen; bij verzuim hiervan zal hun in het „leven de toegang tot de kerk en na den dood de christe-
29*
452
„lijke begrafenis geweigerd wordenquot; (Can. 21). Aangaande deze straffen dient echter opgemerkt te worden, dat men die niet beloopt door het feitelijk overtreden van het kerkelijk gebod alleen; om de overtreders werkelijk te treffen, moeten zij door de kerkelijke overheid over hen worden uitgesproken.
Aangaande deze tweevoudige verplichting, in de aangehaalde verordening vervat, moet men wel op het volgende letten. — 1) Zoowel de verplichting van eenmaal \'sjaars te biechten als van de Paaschcommunie bestaat ook nu nog. De Kerkvergadering van Trente spreekt het banvonnis uit over eenieder, die het waagt, het bestaan er van te loochenen. De achtste Canon, welke op de jaar-lijkscbe biecht betrekking heeft, is boven reeds aangehaald. Éveneens luidt ook aangaande de Paaschcommunie (Canon 9, 11; Zitt. 13): „indien iemand ontkent, dat alle ge-„loovigen van beiderlei geslacht, als zij tot de jaren van „onderscheid zijn gekomen, gehouden zijn, jaarlijks minstens ,omstreeks Paschen , naar het voorschrift onzer Moeder, „de H. Kerk, te communiceeren, hij zij in den ban.quot; En deze verplichting moet niet als eene lichte, alleen onder dagelijksche zonde, maar als eene zware, onder doodzonde verbindende, beschouwd worden, gelijk duidelijk blijkt uit de zware straffen, waarmede de Kerkvergadering van Laterane de overtreders bedreigt.
2) De geloovige voldoet slechts dan aan het vierde en vijfde gebod, als hij geldig biecht en waardig communiceert. Immers daar de Kerk door deze beide geboden alleen bepaalt, dat eenieder verplicht is, den bovendien reeds bestaanden, door Christus zeiven opgelegden plicht van biecht en Communie tenminste eens in \'t jaar te vervullen , is het allerduidelijkst, dat eene ongeldige biecht en eene onwaardige Communie niet voldoende zijn, daar toch zeker noch Jesus Christus, noch de Kerk eene heiligschennende biecht en Communie ten plicht konden stellen. Daarom verwierp Alexander VII de stelling: „Wie vrijwillig eene „ongeldige biecht aflegt, voldoet aan het kerkelijk gebod;quot; desgelijks Innocentius XI de volgende: „door een heiligschennende Communie wordt aan het gebod der jaarlijksche „Communie voldaan.quot; Bijgevolg wie de voorgeschreven biecht vrijwillig of met opzet ongeldig aflegt en de Paaschcommunie onwaardig ontvangt, begaat behalve de dubbele heiligschennis ook nog eene zonde tegen het vierde en vijfde gebod der Kerk. De heiligschenner alsmede degene, die de\' absolutie niet ontvangen heeft, is verplicht zoodra mogelijk aan deze geboden te voldoen.
453
3) Voor de jaarlijksche biecht heeft de Kerk wei geen bepaalden tijd vastgesteld, doch zeker is het haar wensch, dat de geloovigen volgens het aloud gebruik hunne jaar-lij ksche biecht in den vastentijd afleggen. De Kerkvergadering van Trente drukt zich hieromtrent aldus uit: „Met buitengewoon groot nut der geloovigen wordt thans „in de geheele Kerk het heilzaam gebruik, in dien heiligen „en zoozeer geschikten tijd der veertigdaagsche vasten te „biechten , onderhouden ; welk gebruik deze Kerkvergade-„ring als eene vrome gewoonte goedkeurt en aanneemt.\'\' De oefeningen van boetvaardigheid en godsvrucht van den vastentijd dragen er inderdaad zeer veel toe bij, de geloovigen tot een ernstig onderzoek des gewetens en eene oprechte aanklacht, tot het afleggen eener geldige biecht, welke de Paaschcommunie moet voorafgaan, te brengen. — Voor de jaarlijksche nuttiging van het allerheiligst Sacrament des Altaars is de Fa a .s (.hlijd bestemd. Deze tijd begint volgens het algemeene kerkelijke recht op Palmzondag eti houdt op \'s zondags na Paschen. Evenwel kan die tijd door de kerkelijke overheid voor eene geheele gemeente of ook voor een geheel bisdom naar omstandigheden verlengd worden. Ook de pastoor en de biechtvader kunnen, als zij het noodig achten, aan iederen geloovige afzonderlijk verlof geven, de Paaschcommunie langer dan den in hun bisdom bepaalden tijd uit te stellen. Degene evenwel die de Paaschcommunie verzuimd of met verlof uitgesteld heeft, of deze om gegronde redenen op den voorgeschreven tijd niet houden kon, is verplicht, zoodra hij gelegenheid vindt, zijn verzuim in te halen. — Dat de H. Kerk voor het nuttigen der Eucharistie den Paaschtijd heeft aangewezen , getuigt van hare wijsheid en bezorgdheid, om het christelijk leven te bevorderen. Zij koos namelijk dien tijd om hare kinderen tot het goddelijk liefdemaal te voeren , dewijl Jesus het iu dienzelfden tijd heeft ingesteld; zij koos Paschen, wijl Jesus in dien tijd gestorven en verrezen is, opdat ook wij door eene oprechte biecht aan de zonde afsterven en door het ontvangen van het II. Lichaam en Bloed van Jesus Christus de kiem en het onderpand van een nieuw, onsterfelijk, geheel hemelsch leven is ons souden opnemen.
4) De jaarlijksche biecht moet geschieden aan een Priester, die van zijn Bisschop de volmacht heeft ontvangen om biecht te hooren. — Vroeger bestond het kerkelijk voorschrift, de jaarlijksche biecht bij zijn eigen zielzorger of pastoor af te leggen. Wie bij een anderen Priester wilde biechten, moest van den pastoor verlof daartoe gevraagd
454
en verkregen hebben, anders kon de biechteling niet geldig geabsolveerd v/orden. Zoo had het genoemde Concilie van Laterane vastgesteld. Dit voorschrift geldt echter tegenwoordig niet meer, gelijk blijkt uit onderscheidene verklaringen der Pausen en uit de leer van alle Godgeleerden.\') De Paaschcommunie echter moet iedere geloovige volgens het kerkelijk voorschrift in zijne parochiekerk ontvangen, tenzij de onmogelijkheid of een algemeen of bizonder verlof hem verontschuldigt. Deze verplichting is wel niet uitdrukkelijk in de aangehaalde Canon van het Concilie van Laterane vervat, maar kan er toch gemakkelijk uit afgeleid worden. Overigens is zij door verscheidene bepalingen van den roomschen Stoel en het algemeen gebruik der Kerk genoegzaam vastgesteld. De reden van dit voorschrift ligt in de bedoeling der Kerk om de onderhoorigen van iedere gemeente, als kinderen van één gezin, aan de gemeenschappelijke tafel des Heeren te verzamelen en hen aan te sporen, minstens eenmaal in het jaar uit de hand van hunnen zielzorger het Brood des levens, het Sacrament
\') De verklaringen dienaangaande van Paus Clemens VII[ en Clemens X zijn te vinden bij Benedictus XIV {Instit. IS). Deze merkt aan, dat de uitdrukking «aan den eigen priesterquot; (proprio sacerdoti), waarvan zich het Concilie van Laterane bedient, niet alleen op den pastoor, maar onbetwistbaar ook op den Paus, als den oppersten zielenherder der Kerk , en op den Bisschop als den herder van zijn bisdom, van toepassing is, daar de pastoor zelf de geestelijke jurisdictie over zijne parochianen van den Bisschop ontvangt. Wie dus bij zijn Bisschop of bij een door hem aangestelden, d. i. met de macht, om in zijn bisdom ook in den paaschtijd iedereen biecht te hooren, be-kleeden priester zijne biecht spreekt, voldoet aan het voorschrift dei-Kerkvergadering van Laterane. Want de door den Bisschop, als den eigen priester, aan een biechtvader verleende bevoegdheid, om allen, zonder uitzondering van tijd en persoon, de biecht af te nemen, en de waardig bevondenen te absolveeren, bevat duidelijk ook voor de geloovigen de vergunning, om bij hem de belijdenis imnrier zonden te doen. Vandaar maakt Benedictus XIV (a. a. O.) de gevolgtrekking: „Ter vervulling van het gebod der jaarlijksche biecht is het dus vol-„doende, dat men bij een of anderen (door den Bisschop voor zijn diocees) //aangestelden priester biecht.quot; — Juist dezelfde leer heeft ook de H. Alphonsus de Liqorio (Theol. moral, d. G. n. 564.) en noemt die algemeen aangenomen en zeker. Hij voegt er ter beslissing een besluit bij der Congrey. Episcop. van den Sden April 1754 met de bemerking, dat de geloovigen zelfs tegen den wil van hunnen pastoor bij eiken voor het diocees aangestelden priester mogen biechten. Men zou ook hier met Benedictus XIV op het gezag van i/oawnes XXII zich kunnen beroepen, die, zooals Natalis Alexander (Kerk Gesch. Eeuw 13 en 14; hidst. 3. art. 7.) bericht, de door Joannes van Poliac opgezette leerstelling: //Zij, die aan een met algemeene macht om „biecht te hooren voorzienen ordesgeestelijke hunne biecht gedaan „hebben, zijn verplicht, de gebiechte zonden aan hunnen pastoor op-„nieuw te \'biechten,quot; — als dwaling verwierp en den genoemden doctor in de godgeleerdheid tot openlijke herroeping verplichtte.
455
der liefde te ontvangen. Dat de Bisschop aan de onder-hoorigen van zijn bisdom en de pastoor aan zijne gemeente-naren een bizonder verlof kan geven, de Paaschcommnnie elders te ontvangen, blijkt van zelf. — De onmogelijkheid of eene al te groote moeieliikheid, ora het kerkelijk voorschrift in dit opzicht na te komen, ontslaat mede van deze verplichting. Reizigers en diegenen, die in het land rondtrekken , zonder ergens eene vaste woonplaats te hebben, kunnen het gebod der Paaschcommnnie overal vervullen.
5) Volgens de bepaling van het genoemde Concilie zijn alle geloovigen verplicht eenmaal \'s jaars te biechten, die tot ie jaren van onderscheid gekomen zijn, d. z. allen, wier kennis en onderscheiding van goed en. kwaad zoover gaat, dat zij in staat zijn, zich aan eene zware zonde schuldig te maken. Dewijl toch het H, Sacrament van Boetvaardigheid hoofdzakelijk ter uitwissching der doodzonden is ingesteld en tot vergeving der dagelijksche zonden niet noodzakelijk gevorderd wordt, mag men aannemen, dat het. Concilie de verplichting van te biechten niet tot diegenen heeft willen uitstrekken, die uit gebrek aan kennis en doorzicht niet in staat zijn, zich aan eene doodzonde plichtig te maken. Onmogelijk is het echter, met zekerheid den tijd te bepalen, waarop een kind tot die kennis en onderscheiding gekomen is, en nauwkeurig te weten, of het nog in het bezit der genade van het H. Doopsel is of niet. Derhalve is het zeer raadzaam, aangaande de eerste biecht het zekerste te kiezen, on stelt men gewoonlijk die verplichting vast voor kinderen, die den leeftijd van zeven jaren bereikt hebben. De kinderen moeten het als eene groote genade beschouwen , wanneer zij door hunnen zielzorger vroegtijdig tot de biecht worden toegelaten , en dit te meer, daar de biecht niet alleen ter vergeving der bedreven zonden dient, maar ook het krachtigste middel is, om zich in het vervolg voor de zonde te vrijwaren. — Ook de verplichting der Paaschcommunie geldt, volgens de woorden derzelfde Canon, voor allen, die tot de jaren van onderscheid zijn gekomen. Evenwel moeten wij opmerken, dat tot het ontvangen van dit H. Sacrament eene grootere rijpheid des geestes, eene meer volkomen kennis der christelijke leer, eene zorgvuldige voorbereiding gevorderd wordt. Bij elk geval moet de zielzorger beslissen , of alle genoemde vereischten aanwezig zijn, dat een kind deze hemelspijze van de gewone spijzen genoegzaam onderscheiden en met nut ontvangen kan. Kinderen en ouders mogen zich alzoo niet beklagen, ingeval de Pastoor het beter acht, de eerste H. Communie nog een tijd lang uit
456
te stellen; immers het is heilzamer, dat men naar dit hemelsch Brood hongert, dan dat men het, vooral voor de eerste maai, zonder eene behoorlijke voorbereiding nuttigt, üe dagelijksche ondervinding toch leert, dat eene lauwe, zonder genoegzame voorbereiding ontvangen eerste H. Communie gewoonlijk eene lange reeks van lauwe en onvoorbereide Communiën na zich sleept. Eveneens moeten de ouders zich onderwerpen, als de pastoor hunne kinderen bekwaam oordeelt, want dan bestaat ook voor hen de kerkelijke wet.
Hoewel de Kerk dooi- haar vierde en vijfde gebod alleen streng verplicht, eenmaal \'sjaars te biechten en omstreeks Paschen te com-municeeren, mogen wij ons daarmede toch niet tevreden stellen. Het licht geenszins in de bedoeling der wijze en heilige wetgeefster, door deze voorschriften aan onze liefde tot God en den ijver voor het heil onzer ziel, welke ons tot het meermalen biechten en commu-niceeren moeten aansporen, paal en perk te stellen. De Kerk wil ons niet gebieden, slechts eenmaal uit die genadebronnen te putten, maar wel ten strengste verbieden, een jaar voorbij te laten gaan, zonder minstens eenmaal er gebruik van te maken; want zij wi) en koestert den vurigsien wensch, dat wij ons zeer dikwijls aan die onuitsprekelijke genade deelachtig maken. Mochten wij allen steeds zoo zuiver en deugdzaam leven, dat wij het konden wagen, dagelijks of zoo dikwerf wij het H. Misoffer bijwonen, niet alleen geestelijker wijze, maar werkelijk de H. Communie te ontvangen! Zoo was het bij de eerste Christenen het gebruik; wij weten uit de ./Handelingen der //Apostelenquot; (II, 46), zegt de romeinsche Katechismus (deel II, over de Euchar. n. 03), «dat er een tijd geweest is, waarin de geloovigen //alle dagen dit H. Sacrament ontvingen. Allen, die toen het christe-//lijk geloof beleden, waren van eene ware en oprechte liefde zoozeer „ontvlamd, gaven zich zoozeer aan het gebed en vrome oefeningen «over, dat zij immer bereid waren, de geheimen van het Lichaam //des Heeren te ontvangen.quot; ,/Langen tijd bestond ookgelijk dezelfde Katechismus getuigt, //in de Kerk het gebruik, dat de priester, nadat ,/het offer was volbracht en hij het Lichaam des Heeren genoten had, //tot het aanwezige volk zich keerde en met de volgende woorden hen ,/tot de tafel des Heeren noodigde: Komt, broeders, ter Communie!quot; Jgt;og ten tijde van Karei den Groote verordenden de Bisschoppen, dat allen op de zon- en hooge feestdagen de H. Eucharistie zouden ontvangen, behalve degenen, aan wie het was voorgeschreven, zich daarvan te onthouden. Dien ijver in het dikwerf ontvangen der H. Communie goedkeurende, drukt de Kerkvergadering van Trente (zitt. z2 hfdst. 6,) het verlangen uit, dat dezelfde ijver nog aanwezig mocht zijn, en beveelt (zitt. 13. hldst. 8.) het veelvuldig communiceeren ten sterkste aan. Wie alzoo na eene behoorlijke voorbereiding meermalen het allerheiligste Lichaam des Heeren ontvangt, handelt geheel volgens de meening en den geest der H. Kerk, vervult een harer liefste wenschen; wie daarentegen verzuimt, tenminste eenmaal\'sjaarg tot de tafel des Heeren te naderen, verdient, volgens haar oordeel, als een afvallige en als een openbaar zondaar behandeld te worden. — In de Synode van Agde werd de volgende uitspraak gedaan: //de //leeken, die omstreeks Kersmis, Paschen en Pinksteren niet communi-//ceeren, moeten niet als Katholieken gelden en beschouwd worden;quot; en de Synode van Toulouse (Can. 11) duidt hen aan als //van ketterij ■verdacht.quot; Hoeveel te meer geldt dit van degenen, die, ongehoorzaam aan het gebod der algemeene Kerkvergadering van Laterane , verzuimen omstreeks Paschen de H. Communie te ontvangen. Wannee;
nu de Kerk in onze dagen, met haren goddelijken Stichter in lankmoedigheid in zekeren ziii wedijverende, niet over alien en eenieder, die de Paaschcommunie verzuimen, het banvonnis uitspreekt, is het daarom niet minder waar, dat zulke lauwe Katholieken die vreeselijke straf wel verdienden. Do Kerk gelijkt hierin den huisvader van \'het Evangelie, die den onvruchtbaren boom één jaar, twee jaar en ook langer liet staan en afwachtte, of hij toch eindelijk de gewenschte vruchten dragen zou. Zoo wacht ook de Kerk dikwijls jaren lang, of hare kinderen niet eindelijk de vruchten van eerie nauwgezette vervulling hunner godsdienstige plichten brengen zullen; als het ware gedwongen door hunne boosheid en weerspauningheid spreekt zij ten laatste het banvonnis uit en stoot het weerbarstig kind uit haren schoot.
TOEPASSING.
Een rijk heer richtte een prachtig gastmaal aan ea noodigde zijne vrienden daartoe uit. Deze begonnen zich echter te verontschuldigen. De een had eene landhoeve gekocht en gaf voor, dat hij moest gaan om die te bezichtigen ; een ander had een koppel ossen gekocht en moest die gaan beproeven; quot;weder een ander had eene vrouw getrouwd, en kon daarom aan de uitnoodiging geen gevolg geven. De heer werd nu vertoornd en betuigde, dat niemand van de genoodigden zijn gastmaal smaken zou (Luc. XIV). Niet beter handelen vele Christenen, voor wie Jesus Christus een heerlijk, een goddelijk maal bereid heeft, en die om de nietigste redenen verzuimen, daaraan deel te nemen; Christenen, die verzuimen tot de tafel des Heeren te gaan, ofschoon Christus\' plaatsbekleedster, de Kerk, hen niet alleen daartoe uitnoodigt, maar door bedreiging met de strengste straffen aanmaant. Kan men den Heer Jesus wel eene gevoeliger oneer aandoen, dan deze? Jesus, de Zoon Gods, noodigt uit; en de Christen, het armzalig kind van Adam, weigert halsstarrig aan die uitnoodiging gehoor te geven. Jesus biedt den genoodigden een hemelsch bad- aan ter afwassching van alle vlekken der zonde, Hij is bereid, den zondaar in het H. Sacrament van Boetvaardigheid het prachtige kleed der heiligmakende genade te hergeven en hem zóó geschikt te maken, de hemelsche bruiloftszaal in te gaan; maar de Christen wijst dit bewijs van onuitsprekelijke goedheid en erbarming koelbloedig en trotsch van de hand. Jesus heeft den genoodigden zijn eigen Vleesch, het levend Brood, dat van den hemel gekomen is, tot spijs, en zijn heilig Bloed, den wijn, die reine zielen met hemelvreugd vervult, ten drank bereid; en de Christen durft weigeren bij dien goddelijken maaltijd te verschijnen. Liever wil hij zich, als de verloren zoon, met de spijs van onreine dieren voeden, liever de knecht
458
van een wreeden meester, van Satan, liever de slaaf zijner hartstochten zijn, dan deelnemen aan het maal der liefde, dat Jesus, de edelste en beste Koning, voor zijne vrienden heeft aangericht. Al zou de zwaarste straf hem treffen, al zou hij gebannen worden uit het zoete paradijs, uit de H. Kerk, al zou zelfs zijn lichaam, deelend ia den vloek der ziel, eens de gewijde rustplaats moeten derven: dat alles is niet in staat, hem over te halen, zich als gast aan de door Jesus, den Godmensch, bereide tafel te plaatsen. Is dit niet de grootste ondank, welken een Christen zijnen Heiland kan toevoegen? Wat vreeselijk oordeel heeft die ongelukkige niet te duchten ?, Zal hij deel kunnen nemen aan het hemelscb gastmaal ? Of moeten niet op hem worden toegepast de woorden des Heilands: „Ik zeg u, dat niemand „van de genoodigden mijn gastmaal smaken zal?quot; (Luc. XIV, 24). — Wacht u alzoo voor die lauwheid, onverschilligheid en gehechtheid aan het aardsche, welke u zou kunnen verleiden, in plaats van omstreeks Paschen aan de tafel des Heeren te verschijnen, aan uwe zucht naar lust; en gewin, of, wat nog erger is, aan uwe booze lusten toe te geven. \') Stel u ten regel, meermalen, minstens op de hooge feestdagen van het jaar, het Brood der Engelen te nuttigen; ja, volg meer en meer bet voorbeeld der eerste Christenen, richt uw leven zoodanig in, dat gij , zoo niet dagelijks of wekelijks, toch gelijk godvreezende Christenen gewoonlijk doen, alle maanden het Lichaam des Heeren eten en zijn Bloed moogt drinken, dan zult gij leven in eeuwigheid.
Over «Ie overtreding eSer geboden.
In bet eerste deel der christelijke zedeleer, hetwelk over de hoofdgeboden Gods en de vijf geboden der Kerk handelt, werd getoond, wat met die geboden in strijd, met andere woorden wat zondig is; in dit tweede deel zal
\') De eerw. heer Durieu, missionaris bij de wilde volksstammeM van Noord-Amerika, verhaalt in zijn brief van i Juli 1859 aangaande de bekeerden, die hij, door zijne overheid naar een anderen post geroepen, had moeten verlaten, dat zij reeds drie jaren lang een priester misten, en niettemin nog altijd den godsdienst liefhadden en het voor niets groots hielden, als zij honderd uren moesten afleggen, om alle jaren aan hunnen paaschplicht te voldoen (Annal. tot voortplant, d. Gel. 1860 All. 4). Zoo weten die bekeerde wilden de genade Gods te waardeeren!
459
verklaard worden, wat de zonde is, d. i. welke de natuur of het wezen, de eigenlijke boosheid en het ongeluk der zonde in het algemeen is, en hoevele soorten van zonden er zijn. Immers men kan zeer goed weten , dat iets, eene gedachte, een woord, een werk, zonde d. i. zondig is, zonder daarom een duidelijk en juist begrip van de natuur, de boosheid en het nadeel der zonde te hebben. Wel is er in de gegeven verklaringen reeds dikwijls , namelijk bij het onderricht over den zondeval, spraak geweest van de inwendige boosheid en de erge gevolgen der zonde; niettemin is eene afzonderlijke behandeling van dit onderwerp noodzakelijk, omdat hei elders slechts in het voorbijgaan is aangeraakt; zij is tevens zeer nuttig, omdat juist de boosheid en de ongelukkige gevolgen der zonde in zich zelve van dien aard zijn, dat de duidelijke kennis daarvan buitengewoon veel bijdraagt, om den mensch van de zonde af te houden en tot berouw over de bedreven zonden aan te zetten.
§ 1. c3e zonde in Sict algemeen.
Wat is de zonde ?
De zonde is eene vrijwillige overtreding der goddelijke wet. „Wat anders is de zonde, zoo niet eene overtreding ,,der goddelijke wet?\'\' zegt de H. Kerkleeraar Ambrosius (Boek van het paradijs, hfdst. 8).
1) Men overtreedt de goddelijke wet, als men doet, wat zij verbiedt, of niet doet, wat zij gebiedt. De uitdrukking „overtredenquot; duidt namelijk aan, dat men over de grenzen van het geoorloofde of het door de goddelijke wet voorgeschreven richtsnoer heengaat. „De zonde,quot; zegt de H. Augustinus (serm. 51), „is eene overtreding, wijl de mensch „als hij zondigt de regels der gerechtigheid overschrijdt.\'\' — De goddelijke wet wordt hier in den uitgestrektsten zin genomen en beteekent den gebiedenden of verbiedenden wil van God, van onzen Heer en Wetgever, op welke wijze en door wien ook aan ons geopenbaard. Zij omvat dus niet alleen de op Sinaï en door Christus gegeven geboden en voorschriften, maar ook die, welke God van den beginne den mensch in het hart geschreven heeft en door de stem der rede ons te kennen geeft (de natuurwet) ; verder de geboden of bevelen, welke van menschen, als plaatsbe-
460
kleeders Gods, uitgaan, zooals de geboden van geestelijke en wereldlijke overheden, alsmede van ouders en andere oversten. Eenieder dus, die de wet, door de wettige overheid tot welzijn van den Staat gegeven, overtreedt, maakt zich schuldig aan overtreding der goddelijke wet, welke ons gebiedt, den oversten te gehoorzamen en hun onderdanig te zijn. Vandaar het woord van den H. Paulus: „Die der (overheidhebbende) macht wederstaat, wederstaat „Gods verordeningquot; (Rom. XIII, 2).
2) Opdat eene overtreding der goddelijke wet den mensch tot zonde worde aangerekend, moet zij vrywiüig zijn, d. i. uit zijn vriien wil voortkomen. Een kwaad, eene schennis der zedelijke orde, waaraan de vrije wil geen deel neemt, kan den mensch niet ten laste worden gelegd, daaraan heeft hij geene schuld. „De zonde,\'\' zegt de H. Augustinus, i) „is zoodanig een vrij-gewild kwaad, dat het volstrekt geene „zonde is, als het niet vrij-gewild is.\'1 —Eene overtreding der goddeliike wet kan alleen dan vrijwillig genoemd worden, als zij wetens en willens, d. i. ten eerste met kennis en voorbedachtzaamheid, ten tweede met vrije toestemming van den wil geschiedt.
a) Kennis en voorledachizaamheid bestaat daarin, dat men bij de overtreding der wet wete en tenminste eemgszics inzie, dat men iets ongeoorloofds doet, tegen de wet handelt. Want iets, waarvan men volstrekt geene kennis draagt, of waaraan men, ingeval ook eenige kennis daarvan bestaat, volstrekt niet denkt, kan evenmin het voorwerp zijn van het zien vermogen, van het oog. Als iemand zonder te weten, of zonder op het oogenblik van handelen er aan te denken, dat zijne handeling tegen de wet of ongeoorloofd is, deze verricht, kan dus van hem geenszins gezegd worden, dat hij het met de wet strijdende, het ongeoorloofde gewild heeft; eene zoodanige overtreding der wet wordt hem derhalve niet tot schuld of zonde aangerekend, verdient dus ook geen straf. Een Katholiek bijv. begeeft zich uit een bisdom, waar het vergund is op zaterdag vleesch te eten, naar een ander, waar het algemeen kerkelijk gebod van onthouding nog van volle kracht is, en eet daar vleeschspijzen, zonder er in \'t minste aan te denken, dat dit verboden kan zijn. Deze Katholiek overtreedt voorzeker het kerkelijk gebod van onthouding, maar maakt zich voor God en zijn geweten niet aan zonde schuldig, omdat hij, zooals verondersteld wordt, de strijdigheid zijner
\') Retract, b. 1. c. 13. n. 5.
461
handeling met de wet volstrekt niet kent of tenminste daaraan niet denkt. — Geheel anders moet echter geoordeeld worden, als de onbekendheid met de wet of de onbedachtzaamheid door eigen schuld zou voortkomen , dus zondig is. Onwetendheid is schuldig als men de wet niet kent, omdat men haar opzettelijk niet kennen wil, ofschoon men haar had kunnen en moeten kennen. „Iets anders is „het niet weten/\' zegt de H. Paus Gregorius (Zedeleer. B. 15. hfdst. 25) , „iets anders het niet-weten willen. „Want wie zijn oor van de stem der waarheid afwendt, „om iets niet te weten , is geen onwetende, maar een verdachter der wet.quot; Ware in het bovenaangehaalde geval bij den Katholiek twijfel opgekomen, of soms in het bisdom, waar hij vertoeft, het gebod van onthouding bestond, en had hij uit nalatigheid of uit vrees van in het gebruik van vleeschspijzen gestoord te worden, verzuimd, zich te vergewissen, dan zou hij tegen het gebod van onthouding gezondigd hebben. — Het gebrek aan voorbedachtzaamheid of de onbedachtzaamheid is schuldig, als men op het ongeoorloofde eener handeling niet let, omdat men zich door een boozen hartstocht, door nijd of eergierigheid, door heb- of wraakzucht, enz. verblinden en tot onoverwogen handelingen laat medeslepen, of omdat men, onverschillig voor het kwaad geworden, zijne lusten volgt, zonder zich te bekommeren, of iets geoorloofd of verboden zij. Eene zoodanige onbedachtzaamheid. welke uit een verkeerden wil voortkomt, kan van zonde niet vrijgesproken worden.
b) Vrije toestemming van den wil heeft plaats, als de wil, aan welken de vrije keuze tusschen goed en kwaad gelaten is, het gekende kwaad kiest, in het gekende kwaad toestemt. Dat de vrije toestemming van den wil tot de zonde gevorderd wordt, blijkt duidelijk uit de uitdrukking „vrij-„willig;quot; want mijne handeling kan nooit vrijwillig heeten, als ik die niet volbrengen wil, als ik daartoe mijne toestemming niet geef, als het niet in mijne macht staat, aan mijn vrijen wil niet is overgelaten , haar te doen of achter te laten. Tijdens de vervolging der Christener. gebeurde het, dat men de belijders van het heilig geloof met geweld voor de afgodsbeelden sleepte, korrels wierook in hunne handen legde en die boven de offervlammen uitgestrekt hield, om hen aldus te dwingen, aan de afgoden wierook te offeren. Wie zal deze Christenen van zonde beschuldigen, als zij, door lichamelijke smart overmeesterd . uit de opgetrokken hand den wierook in het vuur lieten vallen, terwijl zij mer hart en mond de valsche goden
462
verachtten? Zij zondigden inderdaad niet, omdat bij hen de vrije toestemming tot dit Godonteerend reukoffer ontbrak. Wegens gebrek aan vrije toestemming kunnen ook de allereerste bewegingen van ongeduld, toorn , wraakzucht, welke bij grove beleedigingen eensklaps opkomen en alle overweging voorafgaan, niet als zonde aangerekend worden, juist omdat zij onvrijwillig zijn, omdat het ontstaan of niet ontstaan daarvan niet van onzen vrijen wil afhangt.— Zulke bewegingen houden échter op, onvrijwillig te zijn, zoodra het verstand ze waarneemt, en de wil zich niet beijvert, om ze te onderdrukken. — Gelijk er nu van den eenen kant geene zonde is zonder vrije toestemming in het kwaad, zoo is toch van den anderen kant, opdat iets tot zonde worde aangerekend, niet noodig dat men het kwaad, noch ook deze of gene zondige daad wille en beooge; men kan ook zondigen door iets te willen, wat oorzaak van het kwaad is , waaruit kwaad voortkomt, mits het echter op eenige wijze is voorzien. Zoo beoogt bijv. iemand, die aan den drank verslaafd is, door het gebruik van geestrijke dranken wel juist niet de dronkenschap , noch de godslasteringen, ruwheden en buitensporigheden , waaraan hij zich in dien toestand schuldig maakt; als hij echter bij ondervinding weet, dat hij, vooral bij zekere gelegenheden, in het drinken geen maat kan houden en voorziet, dat hij in de dronkenschap vele andere zonden begaan zal, dan maakt hij zich door het deelnemen aan drinkpartijen niet alleen aan dronkenschap, maar ook aan alle daarmede gepaard gaande en daaruit voortkomende zonden schuldig, ook al zouden door eenig toeval die voorziene en dus gewilde handelingen niet volgen. Hetzelfde geldt van degenen, die gewoon zijn uit drift of uit gewoonten te zondigen met woorden of werken; want zoolang de mensch verzuimt, zich te overwinnen , die slechte gewoonten af te leggen of hare kracht te verzwakken , zoolang nemen zelfs de onvoorbedachtelijke zonden van gewoonte deel aan de voortdurende vrijwilligheid der gewoonte, waaruit zij voortkomen. Men zegge dus niet: „Ik was mij niet meester, de gramschap heeft „mij overmeesterd, de kracht der gewoonte was te groot.quot; — Waarom hebt gij het zoo ver laten komen, dat een blinde hartstocht u met geweld de wet voorschrijft? En waarom zijt gij zoo nalatig, dat gij de aangematigde heerschappij niet weder ontneemt? Ware het u ernst, de zonden te vermijden, dan zoudt gij op de eerste plaats hare bronnen verstoppen, d. i. uwe hartstochten bedwingen, uwe kwade gewoonten uitroeien.
463
Gelijk, volgens het gezegde, eene handeling (objectief cl\' materieel) tegen de wet den naensch niet tot zonde wordt aangerekend, voor zoover hij buiten zijne schuld niet weet, dat zij verboden is, zoo kan wederkeerig het geval zich voordoen, dat èene (objectief) geoorloofde handeling hem voor God toch tot zonde aangerekend wordt, omdat hij door dwaling zich overtuigd houdt, dat zij verboden is, en haar niettegenstaande dat verricht. Meent bijv. iemand die voornemens is vleesch te eten, met zekerheid, maar bij vergissing, dat het een geboden vastendag is, en eet hij toch vleesch, dan zondigt hij werkelijk, omdat hij den wil heeft, het kerkelijk gebod van onthouding te overtreden. Zoo zeker is het, dat de zonde eigenlijk in den wil van te zondigen bestaat. In alle omstandigheden houde men zich dus aan den algemeen geldenden regel: „Handel nooit tegen „uw geweten,quot; d. i. tegen de overtuiging van uw verstand, hetwelk u eene handeling als ongeoorloofd aangeeft. Zij ook deze uitspraak of beslissing somtijds verkeerd, zoo is en blijft zij toch voor den mensch het richtsnoer van het handelen , waarvan hij niet mag afgaan, zoolang hij die voor ontwijfelbaar juist en waar houdt. Want heeft iemand de overtuiging, dat iets verboden is, en doet hij het toch, of geboden, en verzuimt hij het toch, dan heeft hij duidelijk den wil, om tegen de zedewet te handelen, begaat dus werkelijk eene zonde. Derhalve zegt de H. Paulus: «/Alles, wat niet uit overtuiging //geschiedt, is zonde\'\' (Rom. XIV, 23). En de wijzeSirach(XXXlt, 37,) geeft de vermaning: „Bij al uwe werken volg getrouw uw geweten; „want dat is in Gods geboden wandelen.quot; \')
\') Wanneer hier ter plaatse gezegd wordt, dat de uitspraak van het geweten eene dwaalstem kan zijn, en op eene andere plaats (deel I.) beweerd werd, dat de stem van het geweten onbedrie-gelijk is als ware het Gods stem, moet men, om zich niet te vergissen, wel bedenken, dat het geweten onder een tweevoudig opzicht kan beschouwd worden, of wel als verkondiger van die wet, welke God in elk hart der menschen inprent, als Hij liet den natuurlijken aanleg schenkt om het algemeene onderscheid tusschen goed en kwaad, tusschen recht en onrecht te kennen; of wel als rechter, wien het toekomt, de algemeene grondstellingen der goddelijke zedewet op afzonderlijke handelingen toe te passen, die met dat onbedriege-lijk richtsnoer te vergelijken en te beslissen, of de bizondere, zoo of zoo geschapen handeling, welke men voornemens is te verrichten, goed of kwaad is. — Als verkondiger der natuurwet, welke ons aanspoort, het goede te doen, het kwaad daarentegen te mijden, den wil van den oppersten VVetgever te vervullen, diens straffen voor de ongehoorzaamheid te duchten, diens belooning voor de volbrenging zijner geboden te hopeu, den evennaaste te beminnen, ieder net zijne te geven en te laten, — als verkondiger van deze heilige, van God zeiven voortkomende wet is het geweten onbedrie-gelijk. ïliets is in staat den getuige dier hoogere, den mensch ingeschapen wet op een dwaalspoor te brengen, want „het licht des •/Heeren schijnt over hemquot; (Ps. IV, 7). Niets kan hem voor altijd tot zwijgen brengen, hij ontwaakt telkens weder en „brengt over / de ziel (des menschen) droefenis en angstquot; (Rom. II, 9). Zelfs de gruwelen van het heidendom waren niet bij machte, dien plaatsbe-kleeder van den hemelsclien Wetgever uit het hart te verbannen. Daarom zegt de H. Paulus van de heidenen: „hun geweten geeft „hun getuigenis, dat het woord der wet in hun harten geschreven „isquot; (Rom. II, 15). Niets, noch bedreiging, noch vleierij, is instaat, dien woordvoerder van den Allerhoogste te bewegen, het goed kwaad en het kwaad goed te noemen; hij is onomkoopbaar en blijft in zijne uitspraak immer en overal dezelfde. Met recht wordt alzoo het geweten in dezen zin genoemd de stem Gods, een straal van het goddelijk Jicht, welke de schreden van den mensch voorlicht een
464
Op hoevelerlei wijzen kan men zich bezondigen ?
Men kan zich bezondigen 1) door het kwaad te doen, en dit geschiedt met kwade gedachten, begeerten, woorden en werken; 2) door verzuim van het goed, wat men verplicht is te doen. — De H. Kerkleeraar Augustinus stelt in zijn boek over de volmaakte gerechtigheid des menschen de vraag; „Op hoeveierlei wijzen erkent men, dat iets „zonde is?quot; en voegt er tevens het antwoord bij: „Op „tweevoudige wijze, als men doet, wat verboden, of nalaat, ,,wat geboden is.\'\' De zonden der eerste soort noemt men „zonden van bedrijf,quot; die der laatste „zonden van verzuim.quot;
1) De zonden van bedrijf zijn onderscheiden naargelang
onverbiddelijke veroordeelaar van het kwaad en een rechtvaardige erkenner en belooner van het goed. — Beschouwt men echter liet geweten als rechter, die verplicht is, in elk bizonder geval te oor-deelen, of iets goed of kwaad, met de goddelijke wet overeenstemmend is of niet, dan is zijne uitspraak niet boven de mogelijkheid van dwaling verheven. Eene dusdanige uitspraak van het geweten is namelijk volgens de leer van den H. Thomas {1. 9, 79), niet anders dan de toepassing van de algemeene grondstellingen der ingeschapen zedewet, teneinde in een bepaald geval te oordeelen of de handeling, welke men verrichten wil, goed of kwaad, met de grondregels der goddelijke wet overeenkomstig is of niet, of men er goed aan gedaan heeft ze te verrichten of niet. Hierbij nu is het verstand van den mensch in een tweevoudig opzicht blootgesteld aan het gevaar van te dwalen. Ten eerste kan het gebeuren, dat de mensch slechts eene gebrekkige kennis van het goed en het kwaad heeft, als hij namelijk de natuurwet niet in haren geheelen omvang duidelijk genoeg kent, of wel eene positieve goddelijke of menschelijke wet, welke in het gestelde geval moet worden toegepast, niet kent of over het hoofd ziet. In zulke omstandigheden zal zijn oordeel over het goede of kwade der handeling gelijk staan met het oordeel van een rechter, die niet alle landswetten kent of zich die niet alle herinnert, d. i. geen juist oordeel zijn. Ten tweede kan het gebeuren, dat het verstand de wet wel juist kent, doch bij de toepassing er van op een bizonder geval wegens eene verkeerde veronderstelling, of uit overhaasting, uit vooroordeelen van opvoeding of andere oorzaken. een verkeerd oordeel velt. Iemand weet bijv. dat het in algemeen verboden is, den evennaaste te dooden, maar geoorloofd , in zoover het noodzakelijk is, zijn eigen leven tegen een onbillijken aanvaller te verdedigen. Wanneer nu die persoon zich in zijne eer gekrenkt zag en dan bij zich zeiven dacht: «mijne eer is meer waard, .■/dan mijn leven,quot; en daaruit besloot: //alzoo mag ik, om mijne eer yte wreken, mijn vijand tot een tweegevecht uitdagen en hem als ik /,kan vermoorden,quot; dan zou dat oordeel van het verstand verkeerd zijn, gelijk reeds vroeger is aangetoond. Op dusdanige wijze kan alzoo het praktisch verstand of het geweten dwalen, wanneer het als geoorloofd voorstelt, wat ongeoorloofd is, of als verboden, wat geoorloofd is. Aldus nemen de Godgeleerden het geweten, wanneer zij van een dwalend geweten spreken. De uitspraak van het dwalend geweten is derhalve inderdaad niets anders, dan een verkeerd oordeel van ons praktisch verstand, hetwelk uit eene schuldige of onschuldige onwetendheid of uit eene valsche gevolgtrekking voortkomt.
465
aij door gedachten, begeerten , woorden of werken bedreven worden. Door gedac/den zondigt men, als men kwade, tegen eenig goddelijk gebod strijdende gedachten opzettelijk of lichtvaardig voor den geest haalt, aan onwillekeuria; invallende kwade gedachten toegeeft, die met welbehagen voedt en onderhoudt. Zulke gedachten kunnen ook groote zonden zijn; want er staat geschreven; „Verkeerde gedachten scheiden van Godquot; (Wijsh. I, 3). Door be-geerten maakt iemand zich aan eene zonde schuldig, als hij het kwaad, het tegen de wet strijdende voorwerp eener zondige gedachte wenscht of zelfs voornemens is het kwaad te volbrengen, en middelen en wegen daartoe opzoekt. Blijft het bij den wensch alleen, dan heet de begeerte onteerkdadig; komt er echter het voornemen en de poging bij, om het gewenschte kwaad uit te voeren, dan heet zij werkdadig en bevat een hoogeren graad van zonde. — Aangaande de begeerten moet worden opgemerkt, dat hij, die op een geboden vastendag bijv. zegt: „ik zou van daag „gaarne vleesch eten, als het door de Kerk niet verboden vwas,\'\' door zijn voorwaardelijk verlangen geenszins zondigt, terwijl diegene zich aan eene groote zonde zou schuldig makén, die in ernst denkt: „ik zou onzuiverheid bedrijven; „als er geene hel was.quot; Het onderscheid is hierin gelegen , dat vleesch eten niet in en op zich zelve zonde is, maar alleen in zooverre, als de Kerk het verbiedt, en bijgevolg ook de begeerte om vleesch te eten, in de veronderstelling, dat de Kerk het veroorloofde, niet zondig is. Onzuiverheid bedrijven is echter altijd kwaad, en al was er geene hel, toch zou die handeling slecht en in zich zelve verfoeielijk zijn; vandaar kan de begeerte, om ze te plegen, onder geene voorwaarde geoorloofd zijn. — Door woorden geschiedt de zonde, als men iets zegt, wat tegen eenig goddelijk gebod strijdt. Zoo zondigen ,al degenen, die gesprekken tegen het geloof, tegen den godsdienst, tegen de H. Kerk, tegen de goede zeden, tegen de christelijke liefde en gerechtigheid voeren (Verg. het 2de, 5\'llt;! en 8ate gebod Gods). — Door de daad begaat men eene zonde, zoo dikwijls men iets doet, eenige handeling verricht, welke met de goddelijke en kerkelijke geboden in strijd is,\' gelijk dit breedvoeriger verklaard werd bij de geboden Gods, vooral bij het derde tot het achtste gebod, en bij die dei-Kerk.
2) Eene zonde van verzuim begaat iemand, zoo dikwijls hij vrijwillig en met voorbedachtzaamheid iets verzuimt, wat hij verplicht is te doen. Met betrekking tot de hoon-neid van den wil geldt hier hetzelfde als van de zonde vau
DEHAKBE, GELOOrSI/EEK. III. 3\'!\'! DKITK. 30
466
bedrijf; want wie met opzet en vrijen wil niet doet, wat hij doen moet, verzet zich tegen de wet, welke hij volgen moest, diens wil is Ioob. — Wie echter de wet, welke eenige handeling voorschrijft , zonder zijne schuld niet kent, zondigt niet door verzuim, omdat hij den wil niet heeft, de wet te overtreden. Zoo zou hij, die verzuimde op een geboden feestdag de H. Mis te hooren, niet zondigen, als hij niet wist, dat het een geboden feestdag was, of als hij, dit wel wetende, door onachtzaamheid buiten zijne schuld den tijd der H. Mis liet verstrijken, en later er geene meer hooren kon. Zeer menigvuldig zijn de zonden van verzuim, aan welke men zich door schuldige onachtzaamheid tegen de verplichting om lichamelijke werken van barmhartigheid te verrichten, schuldig maakt, als ook die.,, welke men door verzuim van de bizondere stands- en beroepsplichten begaat. Zoo misdoen ouders en overheden, als zij nalaten, over de zeden hunner kinderen en dienstboden te waken, hen op hunne gebreken opmerkzaam te maken, hen tot de vervulling hunner godsdienstige plichten aan.te zetten; zoo de rechters en beambten, die verzuimen de landswetten te bestudeeren en in het algemeen zich tot het goed en nuttig waarnemen van hun ambt te bekwamen, of, hetzij uit onachtzaamheid, hetzij uit zwakheid en menschelijk opzicht, misbruiken laten insluipen, openbare ergernissen gedoogen ; zoo de herbergiers, die verzuimen, om in hunne volkskamers tucht en orde te handhaven eu derg. meer.
Zijn alle zonden even groot?
Keen, er zijn groote zonden, welke men doodzonden ■noemt, en er zijn kleinere, welke dagelijksche zonden genoemd worden.
Indien alle zonden even groot waren, gelijk eenigo ketters van vroegeren en lateren tijd beweerden, dan zouden klaarblijkelijk ook allen gelijke straffen verdienen. Er is echter moeielijk eene grootere dwaasheid uit te denken, dan deze, dat hij, die een nutteloos woord spreekt, of zijnen naaste een penning ontvreemt, even streng verdient gestraft te worden, als een ander, die valschelijk zweert, of zijnen evenmensch van het leven berooft. — In de katholieke Kerk werd ten allen tijde geleerd, dat er onderscheid is tusschen groote of doodzonden, en tusschen geringere of dagelijksche zonden, tusschen zonden, welke van het hemelrijk uitsluiten en de eeuwige straffen verdienen, en tusschen zonden, welke van de eeuwige zaligheid niet
467
berooven, doch alleen eene tijdelijke straf na zich slepen. En deze leer der Kerk steunt niet alleen op het gezond verstand, maar ook op de duidelijke getuigenissen der H. Schrift. Bij Matth. VII, 3 vergelijkt de Heiland zelf eenige zonden met splinters, andere met balken, als Hij zegt: „wat ziet gij een splinter in het oog uws broeders, „en den balk in uw eigen oog ziet gij niet?\'\' d. i. wat veroordeelt gij zoo streng de kleine zonden uws naasten, terwijl gij uwe eigen groote zonden niet veroordeelt ? Verder is\' op verscheidene plaatsen der H. Schrift spraak van zonden . welke den mensch Gods toorn en vijandschap op den hals halen, hem in het vuur der hel storten (bijv. 1. Cor. VI, 9—10); op andere plaatsen daarentegen van zonden, welke ook de rechtvaardige begaat, zonder daarom op te houden, rechtvaardig te zijn. Zoo lezen wij in het Boek des Predikers (VII, 21): „Er is geen rechtvaardige „op aarde, die niet zondigt,quot; en in het Boek der Spreuken (XXIV, 16): „Zevenmaal valt de rechtvaardige en staat „weder op.quot; Van dergelijke kleine zonden spreekt ook de H. Apostel Jacobus, waar hij zegt: „In vele zaken „misdoen wij allen,quot; en de H. Joannes: „Als wij zeggen, „wij hebben geene zonde, dan bedriegen wij ons zelve, „en de waarheid is niet in ons.quot; — Als men door elke zonde van overrassing en zwakheid de gerechtigheid en de aanspraak op het hemelrijk moest verliezen, welk mensch zou nog met vertrouwen kunnen hopen, een kind der zaligheid te worden? i)
De groote zonden worden doodzonden genoemd, omdat de ziel daardoor het bovennatuurlijke leven, d. i. de heilig-makende genade verliest en den eeuwigen dood of de verdoemenis verdient. Van eene dusdanige zonde staat er in de H. Schrift: „De zonde, als zij volbracht is, baart den „doodquot; (Jac. I, 15); en van hem, die eene zware zonde op zjjn geweten heeft: „gij hebt den naam, dat gij leeft
!) Jlen moet hier wel acht geven op de door de Kerk veroordeelde leer van Bajus: „er is geene zonde, die volgens hare natuur eene „dagelijksohe zonde is, maar elke zonde verdient de eeuwige strafquot; (steil. 20). Men heeft zich derhalve niet alleen te wachten°voor de leer der ketters van de IGde eeuw, dat geene zonde op zich zelve dagelijksche zonde is, dat alleen die zonden dagelijksohe zonden zijn, welke God niet aanrekent; maar ook voor het gevoelen van eenige oudere Theologanten, dat men bij sommige geestelijke schrijvers nog vindt, namelijk dat streng genomen alle zonden uit haren aard eene eeuwige straf verdienen, en dat bijgevolg het onderscheid tusschen dood en dagelijksche zonden alleen moet afgeleid worden ui.t de goddelijke goedheid en barmhartigheid, waardoor God zekere zonden niet bij het verlies der genade en eeuwige zaligheid wilde verbieden, ofschoon de aard daarvan Hem er recht toe gaf.
30;
46 S
„en ziit doodquot; (Openb. Ill, 1); en elders, hij is „levend ,,doodquot; (1 Tim. V, G). Van dezen dood zegt de H. Augustinus (Serm. 273): „Er is een dood des lichaams en een dood „der ziel. De ziel kan sterven en niet sterven. Zij kan „niet sterven, omdat zi] haar zelfbewustzijn nooit verliest: „zij kan sterven, als zij God verliest. Want gelijk de ziel „het leven des lichaams is, zoo is God het leven der „ziel. Gelijk dus het lichaam sterft, als de ziel het verlaat. „zoo sterft ook de ziel, als God haar verlaat.quot; Door de heiligmakende genade namelijk woont God in de ziel: met het verlies daarvan wijkt Hij uit haar en laat haar in den staat des doods achter, van het bovennatuurlijke leven beroofd en der eeuwige verdoemenis onderworpen. — De kleine zonden worden dagelijksche genoemd, omdat men er gemakkelijker (soms dagelijks) in kan vallen en omdat de vergeving er van gemakkelijker, en ook zonder ze te biechten, kan verkregen worden, bijv. door aalmoezen, vasten, het hooren der H. Mis, het ontvangen der H. Communie, een godvruchtig gebruik van het wijwater en andere goede werken, als daarmede een berouw over deze z:onden verbonden of ingesloten is. —- De gemakkelijkheid om vergeving der kleine zonden te verkrijgen, bestaat hoofdzakelijk daarin, dat men van deze bevrijd kan worden, zonder ze \'te biechten, terwijl dit bij de doodzonden alleen in geval van nood plaats heeft, wanneer men de verplichting, van ze te biechten, niet meer kan volbrengen, gelijk later zal verklaard worden. Ofschoon nu de biecht nier gevorderd wordt, ter verkrijging van de vergiffenis dei dagelijksche zonden, maar goede werken daartoe voldoende zijn, is het echter onvermijdelijk noodzakelijk, dat men er berouw over heeft. Want daar elke zonde in den boozen wil des menschen bestaat, is het duidelijk, dat God die niet vergeven kan, zoolang de wil het kwaad niet verfoeit. zoolang de zonde niet door eene tegenovergestelde oefening van deugd herroepen wordt, liet is echter niet noodig, dat men voorbedachtelijk berouw over de dagelijksche zonde verwekke, die uitdrukkelijk herroepe; het is volgens de algemeene leer der Godgeleerden voldoende, dat dit berouw, deze herroeping in de godvruchtige en boetvaardige stemming, waarmede de genoemde en dergelijke werken van godsvrucht verricht worden, ingesloten of vervat zij i)
\') Ongetwijfeld is het niet noodzakelijk, dagelijksche zonden te biechten, daar de Kerkvergadering van Trente zelve (zitt. 14 hfdst. 5) zoo duidelijk mogelijk verklaard lïeeft, dat deze zonder schuld kunnen verzwegen worden en (niet alleen door het Sacrament van Boetvaardigheid maar ook) door vele andere middelen uitgewischt worden.—
469
Om vergeving der dagelijksche zonden te verkrijgen, moet men echter in staat van genade zijn, daar in het algemeen de dagelijksche zorcle nooit wordt vergeven, tenzij de doodzonde te gelijk vergeven worde, of reeds vergever; zij.
Wanneer begaat men eene doodzonde, en wanneer begaat men eene dagelijksche zonde ?
Men begaat eene doodzonde, als men de goddelijke wet in eene aanmerkelijke zaak geheel vrjwillig d. i. met volle quot;kennis van het kwaad, en volle toestemming des wils overtreedt; men begaat daarentegen eene dagelijksche zonde, als men de goddelijke wet óf slechts in eene geringe zaak af niet geheel vrijwillig overtreedt. — Niet geheel vrijwillig, in tegenoverstelling van geheel vrijwillig, is de overtreding, als van den kant des verstands de genoegzame kennis van het kwaad, of van den kant des wils de volle toestemming of\' inwilliging ontbreekt. — Opdat dus eene zonde als doodzonde te beschouwen zij, wordt gevorderd
1) Eene aanmerkelijke zaak. Of datgene, wat door eenige wet geboden of verboden is, van groot belang zij, onderscheidt men \'t best uit de straffen, welke de wetgever op de overtreding daarvan gesteld heeft. Zoo kunnen bijv. de onderdanen van een wijzen en rechtvaardigen koning, wanneer deze iets op straffe des doods gebiedt of verbiedt, gemakkelijk de gevolgtrekking maken, dat het gebodene of verbodene van groot belang, en bijgevolg dat eene handeling, daai^nede in strijd, eene grove schending der openbare orde is. Eveneens is het met den gebiedenden of verbiedenden wil Gods, met de goddelijke wet, hoe ook ons geopenbaard. Wat namelijk God, de wijste en heiligste Wetgever, onder bedreiging des eeuwigen doods, dor eeuwige verdoemenis, gebiedt of verbiedt, dat moeten wij ongetwijfeld als eene aanmerkelijke, de natuurlijke of bovennatuurlijke orde zwaar schendende of wel in hooge mate bevorderende zaak beschouwen en aannemen. Doen wij nu, wat onder de eeuwige straffen verboden, of verzuimen wij, wat onder dezelfde straf geboden is, dan
Doch ook hierin stemmen, bijna alle Godgeleerden met den H. Thomas (3. q. S7. a. 3) overeen, dat een of wel uitdrukkelijk of in een andere akte of goed werk besloten berouw over de dagelijksche zonde gevorderd wordt, om de vergeving er van te verkrijgen. De H. Augustinus spreekt eveneens in dien zin (Br. 113? n. 53 aan Vineen-tüis): «denk toch niet, dat iemand van welke zonde ook, hetzij van «eene_ groote of kleine, zonder er berouw over te hebben, tot ver-/betering komen kan.quot;
470
overtreden wij de goddelijke wet in eene aanmerkelijke zaak. — Het is zeker niet altijd gemakkelijk, te beslissen. welke zonden op straffe van eeuwige verdoemenis, en welke daarentegen slechts onder tijdelijke straffen verboden zijn; welke zonden overtredingen in eene aanmerkelijke of\'geringe zaak, doodzonden of dagelijksche zonden zijn. Zelfs de groote Kerkleeraar Augustinus (de civit. Dei. XXI, C. 27) geeft de moeielijkheid dier beslissing toe, en voegt er bij: „Wellicht zijn wij hierover in het duister, opdat wij met „des te meer zorg alle zonden zouden vermijden.\'\' Een regel, volgens welken in alle voorkomende gevallen beslist kan worden, of deze of gene overtreding eeuwige straffen na zich sleept, of niet, of zij als eene doodzonde of dagelijksche zonde beschouwd moet worden, zulk een regel is niet te geven. Het zekerste is, zich bij alle beslissingen naar de algemeene leer der Godgeleerden te richten, daar deze doorgaans op de heilige Schrift, op de van oudsher overgeleverde leer der Kerk, en op de grondstellingen der gezonde rede gegrond is. Overigens is bij de verklaring-van de tien geboden Grods en de vijf geboden der Kerk met betrekking tot veie gevallen de beslissing der Godgeleerden aangegeven, en alzoo een richtsnoer aangewezen, waarnaar men in die en dergelijke gevallen te handelen heeft. Het zal den katecheet niet moeielijk vallen, den kinderen door eenige voorbeelden, uit de verhandeling van de geboden genomen, het gezegde duidelijk te maken.
Ter aanvulling van hetgeen aangaande liet gewichL^an het voorwerp bij de overtreding der goddelijke wet is verklaard, moeten wij nog opmerken, dat er verscheidene gevallen zijn, waarin eene zaak, eene daad, die in en op zich zelve niet van belang, en bijgevolg alleen eene dagelijksche zonde is, om bizondere redenen belangrijkheid verkrijgt en dus eene doodzonde. wordt. Dit heeft plaats — a) als men de goddelijke wet in eene op zich zelve geringe zaak overtreedt, met de bedoeling echter, om zich daardoor de overtreding van eene gewichtige zaak mogelijk of gemakkelijk te maken, üit dien hoofde wordt een onbeduidende diefstal eene zware zonde, als men de bedoeling heeft, om door vele dergelijke diefstallen tot eene aanzienlijke som te geraken; insgelijks kan eene vleierij groote zonde worden, als men daardoor beoogt, iemand tot eene zonde tegen de zuiverheid te verleiden. — b) Eveneens wordt de minder gewichtige zaak eene gewichtige, de dagelijksche zonde eene zware, als menden wil heeft, eenig kwaad te doen, onverschillig of het eene dagelijksche of eene doodzonde is. Zoo zou bijv. iemand door overtreding dei goddelijke wet in eene geringe zaak zwaar zondigen, als hij bij zich zeiven dacht; „het moge doodzonde of dagelijksche zonde zijn, ik wil ,/dit of dat toch doen, dit ol dat genot mij niet weigeren.quot; Eene in en op zich zelve minder belangrijke zaak wordt van grootbelang,— c) zoo dikwijls eene groote ergenis daarmede gepaard gaat, welke voorzien is, of, bij eenigen goeden wil, voorzien kon worden. Op deze wijze kunnen bijv. kleine fouten van ouders en andere overheden groote zonden worden, omdat zij niet zelden groote, voor de
471
zeden (lei- kinderen en onderdanen zeer nadeelige gevolgen na zich slepen. — d) Ook als eene op zich zelve onbeduidende zaak, gelijk te voorzien was, tot de overtreding van eenig gebod in eene aanmerkelijke zaak naaste gelegenheid of aanleiding wordt, dan moet zij als aanmerkelijk beschouwd en vermeden worden. Zoo wordt een al te vrije oogslag, welke voor den eene alleen dageiijksche zonde is. voor den andere, die bij ondervinding weet, dat deze hem aanleiding tot zware bekoringen geeft, waarin hij gewoon is toe te stemmen, om de aangevoerde reden eene doodzonde. — e) Eene verdere omstandigheid, welke de op zich zelve onbeduidende overtreding tot eene zware maakt, is als zij voortkomt uit formeele verachting van den wetgever en van zijne wet. Want in dit geval is de in zich zelve geringe overtreding de uitdrukking van een weerspan-nigen, zeer zondigen wil, welke ten spijt van den wetgever quot;doet, wat verboden , of niet doet, wat geboden is. Zou dus iemand teu bewijze, dat hij de Kerk en hare geboden veracht, op vrijdag al is het slechts een weinig vleesch eten, dan is zijne overtreding van het gebod van onthouding eene aanmerkelijke en grootelijks zondige daad. — f) Als eene zaak in zich zelve gering is, doch men meent, dat zij van groot gewicht zij en men toch de zondige daad stelt.
2) Volle kennis van het kwaad. Gelijk, volgens het vroeger verklaarde, het kwaad of het met de wet strijdende eener handeliog den mensch in het (jeheel niet wordt toegerekend, als het verstand dit volstrekt niet waarneemt of de wet niet eens kent; zoo wordt de geheele boosheid of zware zondigheid eener in zich zelve met de wet strijdende handeling hem niet tot schuld aangerekend, die slechts eene onvolmaakte kennis daarvan heeft, of er zich maar half van bewust is. Eene volle kennis van het kwaad wordt met recht aan hem toegekend, wien het geweten duidelijk zegt, dat hetgene, wat hij doet of voornemens is te doen, groote zonde is, maar niet aan hem, die zonder schuld dwaalt en voor dageiijksche zonde houdt, hetgeen doodzonde is, of die nauwelijks met een vluchtigen blik van den geest waarneemt, dat hetgeen, wat hij wil, zonde is. Zoo mag men eene in zich zelve zeer zondige handeling als dageiijksche zonde beschouwen, indien men die verricht in een half slapenden toestand en zich zeiven nog niet bewust, vooral wanneer men in het algemeen\' zoo is gestemd, dat men die in een geheel wakenden toestand niet .zou volbrengen. Op gelijke wijze verontschuldigt somtijds van groote zonde het gebrek aan alle voorbedachtzaamheid bij een woord, hotwelk als aan de lippen ontsnapt, of bij een aanval van wraakzucht een vermetel oordeel, eene onzuivere gedachte, welke men niet zoo spoedig onderdrukt, als men moest, omdat de grootheid der zonde van gedachte, van begeerte, van het oordeel, van de spraak niet ingezien en de zonde slechts met half bewustzijn begaan wordt. — Van doodzonde is men echter niet vrij te spreken, als men met opzet de stem van het geweten smoort, om haar
472
met te hooren, of wanneer het gebrek aan genoegzame kennis hoe ook uit eene strafbare onwetendheid, d. i. eene onwetendheid of onachtzaamheid door eigen schuld, voort-komt, gelijk dit reeds boven is verklaard.
3) Volle toeste7nming van den wil. Al kent de mensch duidelijk het kwaad, waartoe hij door de vijanden zijner zaligheid, vooral door zijne slechte begeerlijkheid aangelokt en bekoord wordt, als bij daartoe zijne volle inwilliging niet geeft, dan wordt hem ook in dat geval do zondige handeling niet ten voile aangerekend; want de verhouding der inwilliging in het erkende kwaad is de maatstaf van de boosheid des wils en deze weder de maatstaf der zonde. Maakt men zich in het bestrijden der bekoring aan eenige traagheid of eenig verzuim schuldig, dan begaat men eene dagelijksche zonde. — Wie aan geweld, hetwelk men hem aandoet, om hem tot eene zondige handeling te bewegen, niet uit al zijne krachten weerstand biedt; wie zich door bedreigingen, al ware het ook met den dood, aan het wankelen laat brengen, zondigt en wel zwaar, als de handeling groote zonde is, want door de verboden handeling, welke hij met opoffering van zijn leven kon vermijden, te volbrengen, geeft de wil inderdaad zijne voile toestemming. Eéne uitzondering, welke echter hoogst zelden voorkomt, kan hierbij plaats hebben, wanneer namelijk de vreesaanjaging zóó verrassend en overweldigend is, dat de dader zijn bewustzijn geheel verliest en niet meer weet wat hij doet.
Moeten wij alleen de zware zonden vluchten?
Neen, wij moeten elke zonde, zij moge zwaar of gering zijn, als het grootste kwaad op aarde vreezen en zorgvuldig vermijden.
Elke zonde, hoe onbeduidend zij ons ook toeschijne, is volgens hare natuur het grootste kwaad, d. i. grooter dan alle denkbare rampen, wijl elke zonde den Allerhoogste de Hem verschuldigde eer en hulde ontneemt, of die tenminste vermindert, en in dien zin alzoo een kwaad is (jode aangedaan. Elk ander kwaad, als armoede , beschimping, ziekte, dood, treft slechts het schepsel, en staat daarom even ver beneden de zonde, als de waardigheid des Scheppers boven de geringheid van het geschapene verheven is. Daarom ook is het nooit, zelfs niet om iets goeds te stichten of kwaad te verhinderen, geoorloofd, zij het ook de geringste zonden te bedrijven. „Al zoude,quot; zegt de H. Kerkleeraar Anselmus, \') „de gansche wereld
\') Lib. 1 Cur Deus homo c. 21.
473
„te gronde gaan, al zouden vele, ja oneindig vele werelden „met al wat zij bevatten te niet gaan, toch zou iedereen „dit eerder moeten toelaten dan door de geringste zoade „God te beleedigen.quot; — Een andere Leeraar \') tracht deze waarheid door het volgende voorbeeld duidelijk te maken. Wegens een onbeduidenden steek eener mug acht zich de mensch gerechtigd het lastige insekt \'t grootste kwaad aan te doen, dat het treffen kan, het te dooden, en wel omdat de mensch een onvergelijkelijk edeler schepsel is, dan de mug, en daarom ook den geringsten overlast van hare zijde hooger stelt, dan het grootste kwaad, dat het insekt kan overkomen. Op dezelfde wijze is ook het geringste kwaad, dat in den boven aangeduiden zin, de goddelijke Majesteit treft, onvergelijkelijk grooter, dan het allergrootste wat ooit een schepsel treffen kan, dewijl de voorrang van den mensch boven de mug veel geringer is, dan de voorrang des Scheppers boven het schepsel. Alie kwaad, dat het schepsel treffen kan, is derhalve niet te vergelijken bij de geringste vermindering van Gods eer. leder heeft alzoo, zelfs wanneer het slechts eene dagelijksche zonde betreft, alle reden met den vromen Joseph van Egypte uit te roepen: „Hoe kan ik zulk kwaad doen, en zondigen tegen „mijnen God?quot; (1 Mos. 39, 9). — Elke zonde is niet enkel een kwaad voor God, maar ook een kwaad voorden mensch, en wel een kwaad dat grooter is, dan alle aardsche rampen, ja, eigenlijk het eenige kwaad. Want noch armoede of vernedering, noch smarten of dood, noch iets wat de menschen als kwaad aanzien, kan den pelgrim, die van goeden wil is, van het bereiken zijns laatsten doels, de eeuwige zaligheid, dit eenige ware goed, afhouden of in zijn streven daarnaar belemmeren. Integendeel kunnen al deze aardsche rampen veel bijdragen tot het zéker erlangen van de hemelsche goederen, tot vooruitgang op den weg der deugd. JDe zonde alleen voert ons van den weg des hemels af, en doet ons, wanneer zij groot is. God, ons hoogste goed, verliezen; is zij klein, dan bemoeielijkt zij tenminste onzen voortgang, doordien zij ons van vele genade berooft, en tot traagheid brengt in liet beoefenen van de deugd. -)
\') Rogacci arVan het alleen noodige,quot; BI. ö, liool\'dst. 4.
-) Toen de trotsche keizerin Eudoxia zich in tegenwoordigheid harer hovelingen dreigend uitliet, dat zij den Patriarch van Constan-tinopel, Joannes Chr3\'sostomus, voor wien zij een grooten afkeer koesterde, door allerlei folteringen naar haren wil zou buigen, spraken eenigen van hen met evenveel vrijmoedigheid als waarheid; vgij zult niets uitrichten tegen dezen man, want hij kent en vreest
474
-
Wat moet ons van de zonde afschrikken?
De overweging van hare boosheid en ongelukkige gevolgen. Niets is meer geschikt, den mensch voor de overtreding der goddelijke wetten afschuw in te boezemen, en ze zorgvuldig te doen mijden, dan de kennis van de boosheid en afschuwelijkheid der zonde in zich zelve, en der verderfelijkheid harer gevolgen. Deze heilzame kennis verkrijgen wij het beste, door de gedurige en ijverige over-weging van de innerlijke boosheid der zonde alsmede van de vreeselijke straffen, die haar op den voet volgen. Wij zouden nimmer uit den met bloemen bekransten beker dei-zonde drinken, als wij goed wisten en erkenden, hoe bitter en giftig de dronk is, dien zij ons bereidt en toereikt.
„geen ander k.waad dan de zonde.quot; Werkelijk bleef de H. Patriarch onwankelbaar bij alle stormen en vervolgingen, welke de haat der keizerin en de gewelddadige arglist harer gunstelingen tegen hem opwekten. Onbevreesd en vol moed ging hij naar het oord. zijner ballingschap, waar hij zoo groote beleedigingen, rampen en moeie-lijkheden te lijden had, dat zijne lichamelijke krachten weldra uitgeput waren en een verhaaste dood een einde aan zijn heilig leven quot; maakte. — Uit zijne ballingsplaats schreef Chrysostomus aan de H. Otympias, wje de nood der Kerk en zijn ongeluk zeer ter harte gingen en vele tranen afpersten, de volgende woorden van troost eu opbeuring: „ééne zaak slechts is te beklagen en te vreezen, één kwaad //slechts, de zonde. Dit eene woord heb ik u reeds vroeger onop-//houdelijk toegeroepen. Al het overige, wat het ook zij, arglistige //Stréken, vijandschappen, lasteringen, verwenschingen, valsche aan-,klachten, intrekking van goederen, verbanning, scherpte des zwaards, //Ongemakken der zeevaart, vijandelijke aanvallen voor heel de wereld, //dat alles is niets dan kinderspel,quot; — Zulke gevoelens koesteren alle ware dienaars des Heeren. Toen de ariaanschgezinde keizer Valentius eens den II. Aartsbisschop Basilius iets voorstelde, wat met de plichten van zijne waardigheid in strijd was, weigerde deze standvastig. Nu daagde do keizerlijke prefect Modestus den prelaat voor zijnen rechterstoel en dreigde hem met verbanning en verbeurdverklaring zijnér goederen, met folteringen en den dood, bijaldien hij zijne weigering bleef volhouden. Op die bedreigingen antwoordde Basilius kalm eir onverschrokken; „dreig mij met iets anders, want dit alles maakt «■volstrekt geen indruk op mij. Als het vervulling onzer plichten .fgeldt, hebben wij alleen Ood voor oogen en verachten al het overige. //Vuur en zwaard, wilde dieren en gevangenissen zijn dan een groot «genot voor ons. Wend vrij alle bedreigingen en iolteringen aan: //niets zal in staat ziju, mij aan het wankelen te brengen.quot; En toen de prefect hem hierop tot den volgenden dag tijd schonk om zich te bedenken, antwoordde Basilius met dezelfde waardigheid en even onbevreesd: «dat is onnoodig, ik zal morgen zijn, wat ik heden //ben.quot; — O mochten ook wij de bedreigingen en de nog gevaarlijker vleitaal en beloften van degenen, die ons tot het overtreden der goddelijke wet, tot liet schenden van onzen plicht verleiden willen, met liet oog op Ood even onverschrokken en vastberaden beantwoorden; mochten ook wij van onzen kant uitroepen: //wat ik van //daag ben, zal ik ook morgen zijn, dat zal ik zijn alle dagen en ^oogenblikken van mijn lever : een Christen, die niets vreest, dan //God te beleedigen.quot;
475
Waarin bestaai in het algemeen de boosheid der doodzonde.
De boosheid der doodzonde bestaat 1) daarin, dat zij eene zware beleediging van God, onzen Opperheer is. — De mate der boosheid van eene toegevoegde beleediging hangt hoofdzakelijk af van de omstandigheden van den beleedig-den persoon en den beleediger, van den aard en de wijze der beleediging, van de beweegredenen, die tot de beleediging aansporen, en vaa de personen, in wier tegenwoordigheid ze wordt aangedaan. Al deze omstandigheden, welke de boosheid eener beleediging kunnen vermeerderen, vinden wij bij de doodzonde in een onbeschryfelijk hoogen, ja in den hoogsten graad, die denkbaar is, en maken haar tot een bodemloozen afgrond van boosheid, tot eenen gruwel, waarvoor zon en maan moeten verbleeken. — De beleedigde is God, de Eeuwige en Oneindige, God, de Schepper, Behouder en Bestierder van alle dingen (Rom. XI, 36), God, de onbeperkte Heer van alle schepselen, die in den hemel, op de aarde en onder de aarde zijn; God, de Koning der koningen, wiens troon de hemel, wiens voetbank de aarde is (Is. LXVI, 1), wiens hovelingen en gezanten de Engelen zijn; God, de alwij ze en allerheiligste Wetgever, op wiens wenk het licht schijnt en verdwijnt, sterren opkomen en vervliegen, wien millioenen schepselen met onverbreekbare nauwgezetheid gehoorzamen. — En wat is de mensch, die zynen God beleedlgt? Een armzalig, zwak, gebrekkig schepsel, „wiens dagen als hooi zijn, die „verweÜit als eene bloem des veldsquot; (Ps. Oil, 15), wiens leven „een damp is, die een korte poos zichtbaar is, en „dan verdwijntquot; (Jac. IV, 15). Wat is de menschquot; „Aarde en stofquot; (Sir. XVII, 31), „een worm\'\'(Job. XXV, 6), de spijs der wormen. Alle volkeren der aarde znn als niets voor den Allerhoogste (Is. XL, 17); en wat is de mensch ? Het dnizendmillioenste gedeelte van dat niet. — En waarin beslaat de beleediging, welke gij, ellendige aardworm, den Allerhoogste door de doodzonde aandoetquot;? Gij veracht het gebod, dat Hij in zijne liefde en goedheid u in \'t hart geschreven, door zijn eengeboren Zoon n geopenbaard. door zijn plaatsbskleeder u verkondigd heeft, het oneindig heilige en rechtvaardige gebod, dat Hij u gegeven heeft, opdat gij eeuwig gelukkig zoudt worden. Gij versmaadt de eeuwige belooning, welke Hij voor het getrouw onderhouden van zijne geboden beloofd heeft; gij versmaadt Hem zeiven, die uw overgroot loon zijn wil, gij drijft den spot met zijne bedreigingen, gij spot met de
476
eeuwige pijnen der hel, de billijke straf uwer ongehoorzaamheid. In waanzinnigen overmoed staat gij op tegen Hem, uwen Opperheer, den Heer van het heelal, gij weVpt zijn juk af en spreekt: „ik wil U niet dienen\'\' (Jerem. li, 20). O boosheid, onbeschrijfelijke boosheid! — Wat drijft u aan, o mensch, zoo tegen uwen Heer en God te handelenIs \'t het bezit van alle schatten der aarde ? Is \'t het genot van alle genoegens ? Is het de heerschappij over heel de wereld? Al ware dit alles de prijs van uwen opstand, zoudt gij daarom ophouden het dwaaste en boosaardigste schepsel te zijn\'? Zoudt gij, zelfs dan niet aan den druppel boven den onmetelijken oceaan der goederen, die in God zijn, de voorkeur geven\'? Zoudt gij zelfs , in dat geval, niet de schaduw boven het licht, den schijn boven de waarheid, het tijdelijke boven het eeuwige plaatsen ? .Doch dit is zoo niet. Neen, neen, de lust van een oogen-blik, eene snoode winst, eene ijdele eer, een niets, eene bedriegelijke voorspiegeling des satans drijft u aan, ten aanschouwe van heel het hemelsch hof, van alle Heiligen en Engelen, den alomtegenwoordigen God te zeggen: „ik „wil Ü niet dienen.\'\' \') Welk een triumf moet het niet voor den vorst der duisternis zijn, als hij u verleiden kan, om uwen Heer en God te trotseeren, Hem de verschuldigde gehoorzaamheid te weigeren ? O mensch bedenk dit wel en oordeel zelf, of er eene grootere boosheid denkbaar is dan de uwe, als gij u vermeet eene doodzonde te begaan en, zooveel m u is, God van den troon te stooten, om uwen hartstocht, de wereld en den satan te huldigen. ■)
\') Jlen dcnke toch niet, dat de verachting van God, waaraan de zondaar zich schuldig maakt, niet veel te beteekenen heel\'t, wijl degene, die zonrie doet, niet uitdrukkelijk tot God zegt: ^ik wil U //niet dienen.quot; Al spreekt de mond die boosaardige woorden niet, de daad spreekt aldus, Als een heer aan zijn knecht een zeker bevel geeft, en deze onder de oogen zijns meesters willens en wetens niet doet, wat hem geboden is, of doet, wat hem verboden is, is dit niet hetzelfde, als met duidelijke woorden zeggen: /,ik wil u niet dienen; -/gij hebt mij niet te bevelen?quot;
■■i) Bij de oorzaken, welke de doodzonde zulk eene zware beleediging Gods maken, verdient nog bizonder opgemerkt te worden deze, dal, de zondaar zich van God afwendt, als van zijn laatste doel, en zich wendt tot het schepsel als zijn laatste doel. Daar het een onvervreemdbaar recht van God en bijgevolg een allernoodzakelijkst ver-eischte der goede orde is, dat God het einddoel der gansche schepping en dus ook van den mensch is, en dat de schepselen slechts als middelen ter bereiking van dat einddoel, ter bereiking der eeuwige zaligheid, welke in het bezit van God bestaat gebruikt worden, stelt de zondaar door genoemden omkeer der goede orde het schepsel in de
377
De boosheid der doodzonde bestaat 2) daarin, dat zi] eene achandelijke ondankbaarheid is jegens God, onzen besten Vader. —1 Was God een hardvochtige, wreede Meester, die zijne onderdanen, gelijk eenmaal Pharao de Israëlieten, dag aan dag tot den zwaarsten arbeid met onverbiddelijke gestrengheid aandreef, dan zou de opstand tegen Hem en zijne wet nog eenigszins te verklaren zijn. Maar Hij is integendeel de beste, liefderijkste en goedigste Vader van alle menschen. Welke verschooning voor zijne misdaad zou derhalve het oproerig kind kunnen inbrengen ? En inderdaad, o mensch, wie gij ook zijn moogt, „is niet God uw Vader ?quot; (5 Mos. XXXII, 6). Dankt gij Hem niet uw bestaan en leven, de voorname plaats, welke gij in de zichtbare schepping inneemt, de uitstekende vermogens der ziel, welke u tot een evenbeeld van den Allerhoogste, in zekeren zin tot koning en heer van heel de wereld maken? Dankt gij Hem niet uw lichaam, uwe gezondheid, uwe zintuigen en krachten, uw oog, uw oor, uwe .tong? Dankt gij niet aan zijne vaderlijke liefde de voortduring en onderhouding van uw leven, duizend genoegens, waarmede uw levenspad zoo rijkelijk bestrooid is? En al deze natuurlijke weldaden, hoe groot en talrijk zij ook zijn mogen, zij allen zijn onvergelijkelijk geringer dan de bovennatuurlijke genaden, welke Hij u met goddelijke mildheid verleent. — Niet tevreden in den persoon van onzen stamvader geheel bet menschelijk geslacht als kind te hebben aangenomen, zond Hij, nadat deze door zijne ongehoorzaamheid het recht van het kindschap voor zich zeiven en zijne nakomelingen verloren had, zijn eengeboren Zoon in de wereld, zond Hem,
plaats van God. *) In dezen zin is het waarheid, dat de mensch •door de doodzonde den Allerhoogste, voor zoover hij kan van den troon der godheid wil stooten, om er het schepsel op te plaatsen; in dezen zin is elke doodzonde een zekere afgoderij, dewijl de zondaar rijkdom, eer, ijdele roem en zingenot tot afgoden van zijn hart maakt (Phil. Ill, 19). 2) Dit is ook de verklaring van het bekende gezegde van den H. Bernardns: ;/de zondaar vernietigt door zijn ver-//keerden wil, zooveel in hem is, God zeivenquot;. 3)
1
Proprium Dei est, ut sit finis ultimus; unde qni fine (ultimo) habet aliquid (aliud), illud est Deus suus. S. Thorn. Gom. in Philip 3, 19.
2
Quotcumque habemus vitia, tot recentes habemus deos. Unus-quisque enim, quod cupit et venerator, hoc illi Deus est. S. Hieronvm in Ps. 80.
3
quot;**) Ipsum Deum perimit. Sermo 3, in Pasch. Zoo leert ook Suarez; eum, qui mortaliter peccat,. virtualiter veile alium ultimum finem sibi constituere praetei Deum, et quia duo fines ultimi hominis simal esse non possunt, virtualiter veile, //Deum non esse.quot; De vitiis et peec. Disp. 2. S. 3.
478
in weerwil der ontelbare persoonlijke zonden, waarmede de menschen, ziine doodsvijanden, Hem beleedigden; zond Hem, opdat Hij door zijn lijden en door zijnen verzoening-s-dood aan het kruis niet alleen de erfzonde, maar ook alle andere zonden van de wereld, van ons allen zou wegnemen, en ons weder vrienden en innig- geliefde kinderen maken, fs dat niet eene ongehoorde vaderliefde? Ziende op de oneindige verdiensten van dezen zijn veelgeliefden Zoon, in wien Hij zijn welbehagen heeft, ziende op diens verzoenend leven en sterven, overlaadt Hij u. Christen, u, dien Hij eerst om de zonde verstoeten, maar nu weer met liefde als zijn kind opgenomen heeft, met tallooze genaden van verlichting, versterking en heiliging. Met. het oog op Jesus, uwen Heiland, geeft Hij u het vooruitzicht op het rijke erfgoed des-hemels, baant u den weg naar het hemelsch Jerusalem, opent u de eeirwige poorten en bereidt u eene plaats van eeuwigen vrede, eeuwige zaligheid, eeuwige rust in zijne onuitsprekelijk .gelukkig makende aanschouwing. O Christen, neem dit wel ter harte! Is God niet uw Vaderf1 Is Hij het niet meer dan eenig ander? — En wat doet de mensch, de Christen, die eene doodzonde begaat? Bi] staat op tegen dezen, zijn besten en liefderijksten Vader; hij doet nog meer, hij misbruikt juist de vaderlijke geschenken en weldaden, om zijn boosaardigen opstand te volbrengen. Absalom was de lieveling van David zijnen vader; Absalom ontving, zelfs nadat hij eenmaal zwaar tegen zijn vader gezondigd had, weldaden op weldaden uit David\'s hand. Door die vergevensgezindheid en liefde van zijn besten vader niet verbeterd, maar nog stoutmoediger gemaakt, gebruikt de ondankbare zoon de gunstbewijzen zijns vaders om het volk op te hitsen, eene samenzwering tegen David te bewerken en hem naar kroon en leven te staan. Was dat niet eene zwarte en verfoeie-lijke ondankbaarheid? Doch onvergelijkelijk zwarter en verfoeielijker isquot; de ondank, waaraan de mensch, de Christen, zich schuldig maakt, als hij het waagt, God, zijnen Vader in den hemel, door eene doodzonde te beleedigen. Ook hij bedient zich van de weldaden des Allerhoogsten, van zijn geheugen, verstand en wil, van alle zintuigen en krachten zijns lichaams, van de schoonheid en voortreffelijkheid der levenlooze en levende schepselen, om Gods vaderhart te krenken en Hem te trotseeren met datgene, waarmede hij Hem verheerlijken moest; ook de zondaar gaat zoo ver, dat hg boos is en in zgne boosheid volhardt, omdat zijn hemelsche Vader goed, barmhartig en lankmoedig is, omdat Hij vergeeft en nogmaals vergeeft,
479
ofschoon Hij alle redec heeft, het zondig kind na den eersten opstand tegen zijn vaderlijk gezag en zijne goddelijke majesteit voor eeuwig van zyn aanschijn te verwerpen: de zondaar stoot God, zijn Vader, van het altaar zijns harten, ja, zooveel in zijn vermogen is, van den troon dei-Godheid. Te recht klaagt alzoo God door den mond van den Profeet Isaïas (1, 2): ..Jioort gij hemelen, en gij aarde „geef acht, want de Heer spreekt: zonen heb ik opgevoed „en verheven, maar zij hebben Mij veracht.\'\'
De boosheid der doodzonde bestaat 3) daarin, dat zij eene vloekwaardige trouweloosheid jegens Jesns, onzen liefdevollen Verlosser, is. — Is de opstand en de ondankbaarheid tegen God een werk van onbeschrijfelijke boosheid voor iederen mensch, vooral is zulks het geval bij den Christen, wijl deze de beweegredenen om zgnen Heer en God te gehoorzamen beter kent, en veel grooter en talrijker weldaden uit de hand van zijn hemelschen Vader ontvangen heeft. Hetgeen echter aan de doodzonde van den Christen nog een bizonder hoogen graad van boosheid geeft, is dit, dat elke doodzonde, welke hij bedrijft, eene schandelijke ontrouw in zich sluit jegens Jesus, zijnen Heiland en Koning. Bij het H. Doopsel immers heeft de Christen in tegenwoordigheid van geheel het hemelsch hof den vorst der duisternis, wiens slaaf hij was, plechtig verzaakt, verzaakt aan.diens werken, de zonde, verzaakt aan zijne bedriegelijke praai, en van den anderen kant aan Christus, zijnen Heiland. eeuwige, on verbreekbare trouw gezworen, en plechtig beloofd, Hem, als zijn Koning en Aanvoerder, te volgen, onder zijne bevelen te strijden tot in den dood. Daarom werd hij door den Priester der Kerk, nadat hij tot driemaal toe verzaakt had aan den duivel, als soldaat van Christus, aan schouders en borst met de heilige olie gezalfd, teneinde sterk te zijn en onoverwinnelijk in den strijd der zaligheid. Wat doet nu de Christen als hij eene doodzonde bedrijft\'r Hij verbreekt zijne heilige en plechtige belofte, wendt zich af van zijn goddelijken Leidsman, keert als \'t ware de wapenen tegen Hem. sluit zich aan bij de scharen des satans, ontvangt de bevelen van satan, den doodsvijand van zijn besten en heiligsten Koning. Al blijft hij nog in het leger van Christus, al treedt hij niet uit de gemeenschap der strijdende Kerk, al wordt hij geen afvallige door de verloochening van zijn geloof, hij houdt het toch niet met Christus, maar met den vijand van Christus; want ook van de zondaars, die in den schoot der Kerk zijn, geldt het woord des Heeren bij Mattheus: „Wie niet met „Mij is, is tegen Mijquot; (XII, 30). Nooit zal een aardsch
480
koning en veldheer een soldaat als den zijne erkennen, van wien hi] weet, dat hij zich wel in zijn leger ophoudt, maar toch in geheime verstandhouding met het legerhoofd zijner vijanden staat en diens aanslagen naar vermogen bevordert; hij zal hem integendeel, zoodra mogelijk, uit zijne troepen verbannen en ten dood veroordeelen. Ook de Christen hoopt te vergeefs, door Jesus, zijn Koning, die tot in het diepste der harten van zijne strijders ziet, als een der zijnen erkend te worden; hij moet daarentegen ieder oosfenblik vreezen, met andere verworpelingen uit \'s Heeren goddelijken mond de verschrikkelijke woorden te hooien: „wijkt van Mij, gij allen, die het kwade pleegtquot; (Luc. XIII, 27); „wijkt van Mij, gij vèrvloekten, in het eeuwig „vuur, dat voor den duivel en zyn aanhang bereid isquot; (Matth. XXV, 41). Wordt de ongetrouwheid, waaraan men zich jegens een tijdelijk vorst schuldig maakt, als eene misdaad van vloekwaardige boosheid beschouwd, wie zal dan in staat zijn, de ongetrouwheid jegens Jesus, den eeuwigen, onsterfelijken Koning der menschen van alle tijden, naar verdienste te brandmerken ? Wie is bij machte de boosheid te beschrijven van dengene, die het waagt, de vérrader te worden van Jesus, wien hij als den God, die hem geschapen, als den Verlosser, die hem met den kost-oaren prijs van zijn bloed heeft vrijgekocht, als den Koning. door hem bij het H. Doopsel verkoren, plechtig gehoorzaamheid en navolging beloofd heeft; die vermetel genoeg is, zich te voegen in het midden van hen, die in hun Godonteerenden opstand uitroepen: „wij willen niet, dat „deze over ons heersche?quot; (Luc. XIX, 14). — De trouweloosheid van den zondigen Christen is te boosaardiger en afschuwelijker, hoe grooter en talrijker de weldaden zijn, welke hij .van Jesus, zijn goddelijken Heiland, ontvangen heeft en in \'s Heeren Kerk dagelijks ontvangt, hoe heerlijker het loon is, dat hij als een getrouwe strijder te wachten heeft, hoe verachtelijker de vijand, tot wien hij overloopt, hoe ellendiger de soldij, welke hij van dezen ontvangt, hoe schandelijker het vaan is, onder hetwelk hij als meineedige terugkeert. Wat kan er voor Jesus ont-eerender zijn, dan de handelwijze van zulk een trouweloozen Christen? Is het niet eene openlijke verklaring, dat de dienst des satans boven den dienst van Christus, het geluk, hetwelk de helsche vijand zijnen slaven belooft, boven de beloften, welke Jesus, de Koning der glorie, aan zijne vrienden en strijders doet, verdienen gesteld te worden\'? Waarlijk, die geringschatting is niet minder, ja in veie opzichten veel onteerender voor Christus, dan zelfs die
481
welke Hem van den kant der Joden te beurt viel, als zij Hem beneden den oproerling en moordenaar Barrabas stelden. Met alle recht zegt derhalve de H. Paulus van degenen, die, eenmaal verlicht, ook geproefd hebben de hemelsche gave en deelachtig geworden zijn aan den H. Geest, en toch weder afvallen, dat zij den Zoon Gods opnieuw kruisigen en bespotten (Hebr. VI, 4—6). Christen! overweeg dit alles wel en roep, van afschuw voor de doodzonde doordrongen, met denzelfden Apostel uit: „wanneer „iemand onzen Heer Jesus Christus niet liefheeft, zijne „geboden niet onderhoudt, hij is de vervloeking waardigquot; (1 Cor. XVI, 22). \')
Uit het gezegde kunnen wij ons eenigszins een denkbeeld van de boosheid der zonde vormen, doch de geheeie mate dier boosheid te bevatten, de geheeie diepte er van te doorgronden, dit vermogen wij niet. Geen mensch, geen Engel is daartoe in staat; zelfs de blik van den meest verlichten Cherub is niet bij machte, den huiveringwek-kenden afgrond van dit geheim der boosheid te doorgronden. Eén is er slechts, die zulks kan, en die eene is God. Ja, God, die alleen de oneindige volheid zijner volmaaktheid volkomen begrijpt, die alleen den oneindigen afstand tusschen zijne oppermajesteit en de geringheid van het schepsel doorschouwt, die alleen de maat, het getal en de onschatbare waarde der weldaden en genaden kent, welke de mensch en vooral de Christen van zijne oneindig milddadige hand ontvangen, maar snood misbruikt heeft; God alleen begrijpt volkomen de grootte der beleediging, de oneer, welke Hem door de zonde wordt aangedaan; voor Hem alleen is bijgevolg ook de mate, harer boosheid en snoodheid geen geheim. Willen wij nu weten, wat God van de zonde denkt, welk oordeel Hij, de Al wijze en oneindig Heilige, over de boosheid der zonde velt, dan hebben we slechts de vreeselijke straffen te zien, waarmede Hij naar het getuigenis zijner Openbaring de zonde getroffen heeft; want zijne oneindige wijsheid, gerechtigheid en goedheid waarborgen ons, dat Hij de zonde niet strenger straft noch bestraft heeft, dan zij om hare eigenaardige boosheid verdient. Vandaar de vraag:
Waaruit leeren wij het hest de hoosheid der doodzonde kennen?
1) Uit de zware straffen van de gevallen engelen en van
gt;) Een heerlijk voorbeeld van onverbreekbare getrouwheid aan onzen Heer Jesus Christus levert de stichtelijke geschiedenis van Victorianus, die onder Hunnerich proconsul van Afrika was. Door een vertrouweling van den ariaanschen koning tot afval van het katholiek geloof aangezocht, gaf de edele strijder ten antwoord; ^de «.koning kan mij verbranden of voor de wilde dieren werpen, of op veenigerlei wijze mijn lichaam laten pijnigen , dit alles kan hij doen; «maar mijne ziel te vermoorden, daartoe is hij niet bij machte, en «nooit zal het hem gelukken, al bood hij mij ook alle schatten van „zijn rijk; nooit zal hij er in slagen, mij over te halen om de trouw, •/mijn Verlosser gezworen, te breken, en het kleed der onschuld ,rbij het H. Doopsel verkregen, tegen vergankelijke rijkdommen te ./verruilen.quot; Dit moedig antwoord bracht Hunnerich in woede. Victorianus moest onder de hevigste marteling zijne getrouwheid met den dood bezegelen.
DEHAB.BE, GELOOFSI/EEK. III. 3de DBUK. 31
482
onze stamouders; 2) uit de eeuwige straf der hel, welke elke doodzonde verdient; 3) uit het bittere lijden en sterven, hetwelk de Zoon Gods om onze zonden ondergaan heeft.
Hoe verschrikkelijk God de zonde van de gevallen engelen en van onze eerste ouders bestraft heeft, is reeds in het eerste deel van dit werk aangetoond. Eveneens is in het tweede deel bewezen dat God elke doodzonde, waarmede de mensch uit dit leven scheidt, met de eeuwige straf der hel tuchtigt, en dat de eeuwige Vader zijn eengeboren Zoon enkel en alleen om onze zonden tot den smartelijken dood deskruises overgeleverd heeft, dewijl ook de gestrengste , tot aan het eind der tijden voortgezette boete van alle menschen ontoereikend zou geweest zijn, voor eene enkele zonde volkomen voldoening te geven. — Deze, door God, den rechtvaardigen Bestraffer van het kwaad, over de zonden gevelde en voltrokken straffen staan als onomstoote-lijke geloofswaarheden, als door God zeiven geopenbaarde feiten onwankelbaar vast. Niettemin zijn er, vooral in onzen verlichten tijd, niet weinigen, die het wagen, de zwaarste zonden en de schandelijkste misdrijven als licht te vergeven zwakheden voor te stellen en zich zeiven en anderen diets te maken, dat de Algoede het kwaad niet zoo streng zal opnemen als de Priesters en biechtvaders ons voorstellen. Waarlijk die vermetele lichtzinnigheic,, die verblindheid grenst aan \'t ongeloofelijke! Zal men van een misdadiger, die op bevel van een wijzen en zeer rechtvaardigen vorst, ter gerechtsplaats gevoerd en gevonniscl wordt, wel denken, dat hij zich aan eene verschoonbare zwakheid schuldig gemaakt, eene onbeduidende fout begaan heeft? Wie zou zoo dwaas zijn? Wat dan moeten wij niet denken, als wij den oneindig heiligen, wijzen, rechtvaardigen en goeden God om de zonde de vreeselijkste straffen zien uitspreken over zijne edelste schepselen, ja zelfs over zijn eengeboren Zoon ? Zou het eene geringe fout geweest zijn, om welke God honderdduizenden der schoonste, verhevenste geesten terstond uit deu hemel iu de hel, uit het rijk der ongestoorde zaligheid in den afgrond van naarnlooze kwellingen neerstortte, en hun, iu afschuwelijke duivels veranderd, geen enkelen straal van hoop en verlossing overliet voor de geheele eeuwigheid r\' Zou het eene licht te vergeven zwakheid geweest zijn, de zonde, om welke onze stamouders uit het paradijs gedreven en met geheel hunne nakomelingschap aau ontelbare rampen eu bekommeringen, aan den tijdelijken en eeuwigen dood onderworpen werden? Zou God den mensch, dien Hij als liefhebbende Vader met weldaden overladen, door zijn
483
eengeboren Zoon verlost en erfgenaam van zijn rijk gemaakt heeft, zou Hij dien lieveling om eene fout, welke niet veel te beteekenen heeft, eeuwig van zich afstooten, het kostbaar bloed van zijnen Zoon in hem laten verloren gaan? Indien de zonden der menschen slechts verschoonbare zwakheden waren, zou dan de hemelsche Yader daarvoor van zijn eengeboren, innig geliefden Zoon zoo strenge voldoening gevorderd hebben ? Had hij wel alle slagen zijner gramschap doen neerkomen op het schuldeloos hoofd van het Offerlam, geslacht op het kruishout? — Neen, de zonde is geene kleinigheid, zij is, zooals wij uit de straffen van God kunnen opmaken, eene ongehoorde boosheid, eene in zekeren zin oneindige, nooit genoeg te verfoeien misdaad. \')
Ue straffen, door God over de zonde uitgesproken, maken helaas! op vele menschen geen groeten indruk, gedeeltelijk omdat zij die uit lichtzinnigheid en onbedachtzaamheid niet genoeg behartigen , gedeeltelijk echter ook, omdat zij, na gezondigd te hebben, de-straffende hand van God niet aanstonds gevoelen. Ja, het gebeurt\' zelfs menigmaal, dat grooto zondaars door de wijze en aanbiddelijke toelating van God langen tijd overvloed aan allo tijdelijke goederen, geluk en welslagen bij al hunne ondernemingen hebben en daarom in huunen overmoed zoo verre gaan, dat zij durven denken en zeggen: „ik heb gezondigd, doch wat kwaad is mij wedervaren ?quot; (Sir. V, 4). De rampzaligen iveten en bedenken niet. dat elke zonde de verderfelijkste gevolgen voor hunne onsterfelijke ziel na zich sleept, gevolgen, die beklagenswaardiger zijn, dan \'eenig ander tijdelijk ongeluk of leed. Daarmede willen wij echter geenszins zeggen, dat de zonde nimmer voelbare tijdelijke straffen ten gevolge heeft; de wateren var den zondvloed, de vuurregen over Sodoma en Gomorrha, de plagen van Egypte, de rampspoed en nederlagen van het zondig volk van Israël bewijzen genoegzaam het tegendeel. Eveneens leert de ondervinding, dat de zonde den vrede des harten, den vrede der
\') Geheel anders als nu zal de zonde ons voorkomen, als wij eenmaal voor den rechterstoel van God zullen verschijnen. — Pater Le Jeune, een beroemd kanselredenaar der zeventiende eeuw, verhaalt, dat hij goed bekend is geweest met een man, die op zijn twintigste jaar door eene goddelijke verlichting eene zoo heldere \'en volkomen kennis van zijne zonde had verkregen, als hij die eerst in het bizonder oordeel zou gehad hebben. Hij had zich aan geene zware zonden schuldig gemaakt, maar enkel eenige fouten uit lichtzinnigheid begaan. Niettemin verwekte het gezicht daarvan zulk een schrik en walging in zijne ziel, dat hij drie maanden lang als te zieltogen lag. Het koude angstzweet drong zoo rijkelijk uit al zijne ledematen, dat zijn bed er geheel mede bevochtigd was. Zijne zielesmart was zoo groot, dat hij zijne hand op gloeiende kolen kon leggen, zonder de hitte van het vuur te bespeuren. „Hij hoeft mij met de meeste ■/oprechtheid verzekerd,quot; dus gaat de genoemde redenaar voort, „dat mingeval men hem de verzekering gegeven had, dat hij door zich op .een brandstapel te werpen en eeuwig daarop te verblijven, van die vinwendige kwelling kon bevrijd worden, hij dit als eene groote ver-»zachting zou aangezien hebben.quot; Hoe groot zou niet zijne smart geweest zijn, als hij vele zware zonden bedreven had?
31*
484
huisgezinnen stoort, dikwerf zelfs den ondergang van gansche staten en rijken veroorzaakt, dat zij de goederen dezer wereld, gezondheid, eer en goeden naam op eens ontrooft of allengs ontrukt. Wij bepalen ons echter hier bij de verklaring der ongelukkige gevolgen van elke doodzonde wat aangaat de bovennatuurlijke goederen, die, omdat zij het lichamelijk oog ontgaan en alleen door het geloof ■waargenomen worden, vooral verklaring en overweging behoeven. Derhalve de vraag;
Welke zijn de gevolgen der doodzonde?
1) De doodzonde scheidt ons van God en berooft ons van zijne liefde en vriendschap. — Door de heiligmakende genade, welke wij in het tl. Doopsel ontvangen en, ingeval wij die in het vervolg verloren hebben, door het H. Sacrament van Boetvaardigheid herkrijgen, worden wij , armzalige schepselen, met God, den Allerhoogste, op het innigst vereenigd, treden wij in eene bovennatuurlijke vriendschapsbetrekking met Hem en worden, gelijk zulks onder ware, elkander oprecht toegenegen vrienden pleegt te geschieden, één van geest en hart met Hem (1. Cor. VI, 17). Zoo lang wij in het bezit dier genade zijn, blijven wij zijne vrienden , de vertrouwden van zijn liefdevol, goddelijk hart, het voorwerp Van zijn bizonder welbehagen en van zijne overgroote teedere liefde. Gelijk een vriend in het huis zijns vriends, zoo neemt God zijn intrek in ons hart (Joan. XIV, 23), maakt er zijn geheiligden tempel van, vindt er zijn genoegen in daar te blijven, zooals Hij zeil\' verzekert: „mijn vermaak is het, met de kinderen der „menschen te zijnquot; (Spr. VIII, 31). — Welke tong, hoe welbespraakt ook, is in staat de voordeelen te schetsen dier geheimvolle vriendschap met God ? Schatten van goud, zilver en edelgesteenten, eer, aanzien, gunst en vriendschap der grooten en machtigen dezer aarde, de volheid van alle vermaken, dit alles is niets in vergelijking met den rijkdom van genaden, met de verhevenheid der eer en onderscheiding, met de volheid van zegen, zoetheid en troost, welke de ziel put uit de rijke bron der vriendschap met God. De vriend van God spreekt met God zijnen vriend: „Gij zijt „de mijne, en ik ben de uwe.quot; „Al het uwe behoort Ij mij, en al het mijne behoort U.quot; Zoo is hij rijk dooiden rijkdom van God zeiven, geëerd en geadeld door de oneindige Majesteit van God zeiven , gezegend en beschermd door de hand des Allerhoogsten, getroost en gelukkig door het vertrouwelijk verkeer met God, den oorsprong van allen troost en van alle zaligheid. — Door de doodzonde nu gaat de heiligmakende genade en met haar de goddelijke vriendschap verloren. — De zondaar verscheurt
485
met eigen hand de teedere, heilige banden, welke hem aan God, zijnen vriend, en welke G od aan hem boeiden; hij keert zich van zijn allerhoogsten Weldoener af, rukt zich van Hem los en veracht Hem. God van zijnen kant wijkt uit het met zonden bevlekte hart, onttrekt zijnen vijand zijne bizondere goedheid en genade, zijn zoo liefeüjken troost, en laat hem over aan de tirannie des satans en aan zijne hartstochten, waaraan de rampzaligen boven\'sHeeren zaligmakende liefde en vriendschap de voorkeur gegeven heeft.
2) Zij ontneemt- ons de macht om nieuwe verdiensten te vergaderen, berooft ons van alle reeds verworven verdiensten en van het erfrecht op den hemel.
De heiligmakende genade vormt niet alleen den band der innigste vriendschap tusschen God en onze ziel, maar door haar treden wij ook in een duurzame levensgemeenschap met den menschgeworden Zoon Gods, worden wij levende ledematen van zijn geheimzinnig lichaam, zijne broeders en medeërfgenamen ; door haar worden wij geschikt gemaakt om deel te nemen aan de verdiensten van ons goddelijk Hoofd, en zelve ook voor het hemelrijk verdienstelijke werken te verrichten. De doodzonde verdringt de heiligende genade uit ons hart, verscheurt den hemelschen band der levensvereeniging met Christus; zij scheidt den wijnrank van den waren wijnstok, en de afgesneden rank wordt weggeworpen, verdort, en is tot niets meer goed, dan om het vuur tot spijs te dienen (Joan. XV, 6; Ezech. XV, 4). De zondaar verliest namelijk door deze ongelukkige scheiding van den levenden wgnstok, welke Christus is, niet alleen de geschiktheid om te bloeien en vruchten te dragen, d. i. goede, voor den hemel verdienstelyke werken te verrichten; er wordt zelfs aan den bloesem en de vruchten, welke hij tevoren in vereeniging met den hemelschen wijnstok gedragen heeft, die hij als een levend lid van het geheimzinnig lichaam van Christus verricht heeft, niet meer gedacht; hij is nu gelijk aan het dorre hout, dat men bijeenzamelt en in \'t vuur werpt. Hij moge vele en schitterende deugden beoefend, zeer vele en bezwaarlijke werken voor God ondernomen, zeer groote rampen en ellende tot diens eer en verheerlijking doorgestaan hebben; van het oogenblik af, dat hij eene zware zonde begaat, is hij arm en naakt, ellendig en erbarmelijk, van alle verdiensten voor God beroofd. Al had hij al zijne goederen onder de armen verdeeld, de boetewerken van alle Heiligen alleen verricht, het lijden van alle Martelaren alleen gedragen, ja, al was hij een Apostel des Heeren geweest, en al had hij den verhevensten troon en de heer-
486
lijkste kroon in het hemelsch Jerusalem verdiend: sinds het oogenblik, dat hij zondigde, is hij even arm aan verdiensten als Judas, de verrader des Heeren. Want zóó spreekt God door den Profeet Ezechiël (XVIII, 24): „als „de rechtvaardige zich afkeert van zijne gerechtigheid en „kwaad doet. .. zullen al zijne gerechtigheden, welke hij „beoefend heeft, niet meer in herinnering komen.quot; — Door de zonde gaat echter niet alleen het vermogen om verdiensten voor den hemel te verzamelen, gaan niet alleen de reeds vergaderde verdiensten, maar zelfs het recht op den hemel verloren. De hemel toch is eene belooning, welke slechts aan de rechtvaardigen, aan de vrienden Gods beloofd is, een zegepalm, welke slechts voor hem, die teneinde toe in den strijd volhoudt, is weggelegd, een rijk, dat slechts aan de medeërfgenamen van Jesus Christus , alleen aan diegenen, die kinderen Gods genoemd worden en het werkelijk zijn, toegezegd is; door de doodzonde nu verbeurt de Christen al deze aanspraken, hij wordt van vriend van God een vijand des Heeren, in plaats van medestrijder van Christus diens tegenstander, in plaats van kind van God en erfgenaam des hemels een slaaf des satans en erfgenaam van het rijk der duisternis.
3) Zij haalt ons Gods straffen en ten laatste de eeuwige verdoemenis op den hals.
Aan het onherstelbaar verlies van de heiligmakende genade, de vriendschap, de liefde en het kindschap Gods, dat onfeilbaar en terstond op elke doodzonde volgt, paren zich nog de gevolgen der goddelijke straffen, zoowel die, welke vaak reeds hier op aarde den zondaar treffen, gelijk bij Gaïn , bij Cham, Nabuchodonosor, Antiochus , bij Ananias en Saphira en ontelbare andere het geval was, als ook die, waarvan hier bizonder spraak is, welke naar Gods gerechte raadsbesluiten eerst na den dood in on boetvaardigheid, onafweerbaar en eindeloos op den zondaar neerkomen. Opmerkenswaardig zijn de woorden van den H. Kerkleeraar Chiysostomus over dit laatste en verschrikkelijke gevolg der doodzonde, namelijk de eeuwige verdoemenis: „wat „zullen wij eenmaal gevoelen, als wij van de onuitsprekelijke „vreugde des hemels uitgesloten en tot de eeuwige pij a „veroordeeld worden? Ja, al bestond er geene hel, het „zou toch reeds eene ongehoorde straf zijn die onbeschrijfe-„lijke heerlijkheid en die oneindige eer te moeten derven. „Öf meent gij, dat het eene geringe marteling is, niet tot „de zaligen te behooren en aan die onuitsprekelijke heerlijkheid geen deel te mogen nemen, buiten die glorierijke „koren gesloten te zijn? Wanneer nu hierbij nog duisternis,
487
„geknars der tanden, nog onontbindbare ketenen, de worm, „die nooit sterft, het onuitbluschbaar vuur, angst en „kwelling vau allerlei aard komen; als de tong brandt, „gelijk die van den rijken vrek, als wij weeklagen, zonder „dat iemand ons boort, van smarten zucbten, zonder dat „iemand er acbt op slaat, en er niemand te vinden is, die „naar ons luistert; zijn wij dan niet de ongelukkigste ei\\ „beklagenswaardigste onder alle schepselen — Hebben wg na overweging van al deze waarheden niet alle reden . om uit te roepen: „allen, die zonden en onrecht doen, „zijn vijanden van hunne ziel?quot; (Tob. XII, 10). Hebben wij niet alle reden, de zonde, die afschuwelijke boosheid, te haten, niet alleen omdat God ze haat, maar ook, wijl zi] de doodvijandin van onze ziel is; van onze ziel, die door haar van de heerlijkste goederen beroofd, aan het steeds dreigende gevaar blootgesteld wordt, eeuwig er vau beroofd te blijven; van onze ziel, die zij hier beneden reeds onrust en angst, in het andere leven onbeschrijfelijke kwellingen bereidt? Waarlijk, wie de doodzonde en hare gevolgen kent, en haar niettemin liefheeft, is boven alle mate boosaardig en dwaas tegelijk.
Waarom moeten wij ook de dagelijksche zonde zorgvuldig vervulden ?
1) Omdat ook de dagelijksche zonde eene beleediging van God is.
Een zoon beleedigt zijnen vader niet enkel als hij de hand tegen hem opheft en hem in \'t aangezicht slaat, maar ook, als hij in minder gewichtige zaken tegen diens wil en bevelen handelt. Is in het eerste geval de beleediging veel grooter en meer krenkend, wijl die daad eene snoode verachting van het gezag en den persoon des vaders in zich sluit, ook in het andere geval is er toch reden tot droefheid voor het vaderhart, vooral wanneer met opzet en voorbedachtelijk gehandeld wordt; zulk eene beleediging is, zoo al niet eene verachting, toch eene minachting van den persoon des vaders en van diens gezag. Ditzelfde is van toepassing op de doodzonde en op de dagelijksche zonde. Beide zijn beleedigingen Gods, maar beleedigingen van verschillende boosheid en grootheid. Door de eerste staat de mensch laaghartig en vermetel tegen God, zijnen Heer en Vader op, trotseert Hem in \'t aangezicht, veracht Hem in zijne heilige wet; door de laatste weigert de mensch zijnen Opperheer en besten Vader wel niet in belangrijke zaken de gehoorzaamheid, maar hij toont zich
488
weerspannig en oproerig in minder gewichtige; hij geeft aan het schepsel niet de voorkeur hoven de vriendschap en het toekomstig bezit van God, daar hij weet, dat de dagelijksche zonde de vriendschap Gods niet wegneemt en God ze niet eeuwig bestraft, maar hij stelt toch het genot, hetwelk hij in het geschapene vindt, boven den hoogeren graad der goddelijke liefde, en wil liever de gevolgen der vaderlijke ontevredenheid ondervinden, liever aan de tijdelijke straffen zich onderwerpen, dan de dagelijksche zonde vermijden. Een dusdanige veracht, \'tis waar. God, zijnen Vader en zijn laatste doel, niet; hij wil niet door Hem verstoeten en onterfd worden, maar hij minacht Hem, stelt niet veel prijs op het toenemen in Gods liefde, bekreunt zich weinig om \'s Heeren ontevredenheid en straffen. Wat zou men, vraagt de H. Basilius, \') van eenen zoon denken, die zeide: „ik zal mij wel wachten, mijn vader te verraden „of eene andere zware misdaad te begaan, waarvoor hij mij „onterven kan; maar overigens zal ik mijne luimen volgen „en mijn wil doen, ofschoon ik weet, dat mijn gedrag hem „mishaagt. Zou dat eene kinderlijke gezindheid zijn ?quot; De dagelijksche zonde is alzoo ook eene beleediging Gods , eene krenking van zijne eer, eene verschrikkelijke ondankbaarheid en bijgevolg na de doodzonde het allergrootste en eenig ware kwaad. Want ofschoon wij een wezenlijk onderscheid aannemen tusschen zware en dagelijksche zonden , zal echter, zooals de H. Hieronymus (brief aan Celantia) opmerkt, „niemand eene enkele zonde als een gering „kwaad beschouwen, die niet zoozeer het bevel als deu „Bevelende, niet zoozeer de gewichtigheid van het gebod „ais wel de waardigheid van den Gebieder in aanmerking „neemt.quot; 2)
\') Prcem in rcg. lus. disp.
\') Van dit stantpunt uit beschouwden de Heiligen de boosheid en afschuwelijkheid der dagelijksche zonde en velden daarover een geheel ander oordeel, dan zoo vele lauwe en lichtzinnige wereldlingen, die dagelijksche zonden als water drinken, en het nauwelijks de moeite waard achten, er een ernstig berouw over te verwekken. De E. Catharina van Genua placht te zeggen : vik wil liever zonder zonde yin de hel, dan met het geringste, wat God mishaagt, bevlekt, in »den hemel zijn. . . Erkende de mensch hoe groot eene enkele „dagelijksche zonde is, hij zou liever geheel zijn leven in eene ,gloeiende kachel doorbrengen, dan die zonde op zijn geweten te ^hebben.quot; — Dewijl de Heiligen niets gering telden waardoor de goddelijke Majesteit beleedigd wordt, daarom beweenden zij ook de eringste fouten met vele tranen en onuitsprekelijke zielesmart geurende heel hun leven. De H. Franciscus van Assisi had door eene hemelsche verlichting de verzekering bekomen, dat zijne zonden waren vergeven. Niettemin ging hij voort, die te betreuren, zeggende : j.al had ik ook slechts éénmaal de geringste zonde bedreven, dan nog
489
2) Omdat de dagelij ksche zonde vele genaden, welke God ons schenken wil, terughoudt.
De dagelijksche zonde verlamt de ziel, en wel niet alleen daardoor, dat zij de kracht des geestes verzwakt, den ijver van den wil verkoelt en zoo tot lauwheid bij het gebed, bij het ontvangen der HH. Sacramenten, bij de beoefening der christelijke deugden brengt, maar ook daardoor, dat zij menige door God ons toegedachte genadegave in den weg staat of rechtstreeks verhindert. In het bizonder wordt de ziel door dagelijksche zonden onwaardig, om die buitengewone genadebewijzen te ontvangen, welke God gewoon is hun te schenken, die volmaakt zuiver van harte zijn. Want eene ziel, welke de dagelijksche zonden weinig telt, de booze neigingen laat voortwoekeren, eene ziel, welke dikwijls en met opzet dagelijksche zonden bedrijft, zal nimmer geraken tot dat vertrouwelijk verkeer met God, tot die inwendige vereeniging met Hem, nooit tot die hooge verlichting en dat verrukkende genoegen van het beschouwend gebed, tot dat heerlijk liefdevuur, waardoor het hart van zoovele dienaren en dienaressen Gods ontvlamd was. Den vogel gelyk, die, ofschoon slechts door zwakke draden in het vliegen verhinderd, langs den grond heen en weder vliegt, zal eene door de banden der dagelijksche zonden aan het schepsel gehechte ziel zich slechts weinig boven de aarde verheffen, nooit gelijk de adelaar tot de zon der gerechtigheid hare vlucht nemen. En als nu aan eiken graad van heiligheid, aan elke hoogere verheffing tot God ook eene vermeerdering van verdiensten beantwoordt, hoe arm aan verdiensten blijft dan zulk eene ziel in vergelijking met die, welke alle, zelfs de geringste dagelij ksche zonde zorgvuldig mijdt.
3) Omdat de dagelijksche zonde vele straffen Gods na zich sleept. Reeds de boven aangeduide, boosheid en bittere gevolgen der dagelijksche zonde moesten ons sterk aanzetten, ze meer dau aardsche ellende te verfoeien en te
»zou er reden genoeg tooi.\' mij zijn, die zoo lang ik leef te beweenen.quot; De H. Aloysius van Gonzaga had zich slechts twee geringe fouten te verwijten, dat hij namelijk als kind den soldaten van zijnen vader een weinig kruid had ontnomen, en eenige ruwe en ongepaste woorden, waarvan hij den zin niet eens begreep, nagezegd had. Die zonden nu waren het voorwerp van zijn berouw en zijne boetvaardigheid zoolang hij leefde. Toen hij die, nauwelijks acht jaren oud, te Florence biechtte, viel hij door zijne droefheid onverweldigd in onmacht. — Deze denk- en handelwijze der Heiligen maakt ons eenigermate begrijpelijk, hoezeer God zelf de dagelijksche zonde haat, en geeft ons den sleutel tot het geheimenis van die onverbiddelijke gestrengheid, waarmede Hij de overigens Hem zoo dierbare en welgevallige zielen in het vagevuur voor dergelijke fouten tuchtigt.
490
vluchten. Hoe zorgvuldig zullen wij ze echter vermijden , als wij ter harte nemen, welke strenge straffen de dage-lijksche zonden somtijds reeds in dit leven, maar vooral en onvermijdelijk aan gene zijde des grafs, in het vagevuur , ons op den hals halen ? Inderdaad , hoe zwaar God reeds in dit leven overtredingen, welke ons gering toeschijnen, gestraft heeft, kan uit menig voorbeeld der H, Schrift bewezen worden. Wij herinneren echter slechts aan het reeds vroeger aangehaalde voorbeeld van Mozes. Hij, de zoozeer bevoorrechte aanvoerder van het volk van Israël, mocht om een klein wantrouwen jegens God het schoone land van belofte niet ingaan, maar moest in het gezicht er van sterven (4. Mos. XX). Wat zijn evenwel alle straffen, welke den mensch om de dagelijksche zonde in dit aardsche leven kunnen treffen, in vergelijking met die, welke hij in het vagevuur vindt? Aldaar zal eene enkele dagelijksche zonde ons pijnen bereiden, welke alle mogelijke smarten dezer wereld overtreffen. Want, om niet te spreken van andere pijnen dier zuiveringsplaats, het vuur aldaar zal, volgens het gevoelen der Vaders, onder anderen van den H. Cesanius (Hom. 8) , „pijnlijker „zijn dan alle straffen, welke men op deze wereld lijden, „gevoelen of bedenken kan.quot;
4) Omdat zij langzamerhand tot zware zonden leidt. — Zoo leerde reeds de H. Joannes (Jhiysostomus in zijne verklaring van den brief aan de Galaten (Hfds. I). „Gelijk „de wonde,quot; zegt hij, „welke men verwaarloost, koorts en „bederf en eindelijk den dood na zich sleept, zoo vervak „de ziel, welke kleine zonden niet achó, altijd in grootere/\' Ongetwijfeld mag de dagelijksche zonde niet geheel en al met eene wonde vergeleken worden, daar vele kleine verwondingen op zich zelve den dood kunnen veroorzaken, terwijl vele dagelijksche zonden nooit in staat zijn, den dood der ziel aan te brengen, tenzij er eene groote misdaad bijkome. De overeenkomst bestaat echter hierin, dat, gelijk de wonde het lichaam, zóó de dagelijksche zonde de ziel verzwakt, in den strijd tegen de bekoring tot zware zonde trager en onverschilliger maakt, en aldus teu gevolge heeft, dat het gevaar van in groot kwaad te vallen, dreigender wordt. Als wij bovendien nog bedenken, dat de dagelijksche zonde de booze neigingen voedt en ontwikkelt, dat door de gewoonte van dagelijksche zonden te bedrijven de vreeze Gods en de afschuw voor de zoude vermindert, dat gemakkelijk, gelijk de H. Thomas \')
\') ü. Sent. dist. 24. q., 3.
491
opmerkt, „door het herhaald bedrijven van dagelijksche „zonden eene neiging tot de doodzonde ontstaat, daar meu „in iets des te meer behagen vindt, hoe meermalen men „het doet;quot; als wij dit alles bedenken, dan zal ons de uitspraak van den H. Geest niet bevreemden; „wie het „kleine niet acht, gaat langzamerhand ten grondequot; (Sir. XIX). — Hoe zeer moeten wij dus de dagelijksche zonde haten, hoe zorgvuldig ze vermijden, zij, die ons niet alleen berooft van de bizondere liefde en genade Gods, van ontelbare verdiensten, welks wij zonder hare boosaardige tusschenkomst ons verworven zouden hebben, maar ook den aan die verdiensten beant woordenden graad van hemelsche glorie doet verliezen, en, daarenboven als ongemerkt ons voert in de strikken onzer doodvijandin, de zware zonde, en zoo den weg tot de eeuwige verdoemenis baant.1)
\') Hoe geringe fouten langzamerhand tot grootere zonden leiden, zien wij uit hetgeen de H. Monica aan haren zoon Augustinus ter waarschuwing verhaalde. ^Ofschoon mijne ouders,quot; zoo sprak de Heilige, ^veel zorg voor mijne opvoeding droegen, had ik mij toch .yhet wijndrinken aangewend. Zij zonden mij namelijk, toen ik nog //kind was, met de dienstmaagd in den kelder. Ik tapte den wijn .•/uit het vat en vulde daarmede de flesschen. Daarbij nam ik in den ybeginne slechts eenige druppelen; want ik had van den wijn van „nature een afkeer. Ik hield dit voor te onbeduidend, om daaruit //eenig bezwaar te maken. Langzamerhand nam ik meer druppelen, ,/en gelijk men in het algemeen, als men kleine fouten niet lelt, ■/spoedig in groote valt, zoo gebeurde het ook, dat ik ten laatste //den wijn met volle teugen dronk. Op zekeren dag ontstond er //tusschen mij en de dienstmaagd twist, waarbij deze mij in gramschap //voor een drinkster uitschold. Dit verdiende verwijt opende mij ge-//lukkig de oogen, zoodat ik mij van dat oogenblik af beterdequot; (Belijdenissen van Augustinus B. 9. hfdst. 8). In de levensbeschrijving van den {op den SQstcn Mei 1800 zaligverklaarden) dienaar (iods, Benedictus Lahre, die in het jaar 1782 te Rome in geur van heiligheid stierf, vindt men den volgenden trek uit de jaren zijner jeugd opgeteekend, waaruit blijkt hoe hij over dit punt dacht. Gedurende zijn verblijf in het huis van zijn oom begaf Labre zich op zekeren dag naar den tuin, om volgens het bekomen bevel aardbeziën voor de tafel te plukken. Een kieiu meisje des huizes, hetwelk toevallig ook in den tuin kwam, wilde daarvan proeven en vroeg er eenige aan den plukker. Benedictus antwoordde terstond, dat hij niets durfde geven, maar het gaarne wilde doen, als zij verlof daartoe bij oom ging vragen. De kleine kwam spoedig terug en zeide: //Ik heb igeen verlof gekregen maar,quot; voegde zij er bij, //gij moest er mij itoch eenige geven; oom zal het niet gewaar worden.quot; //Indien oom //het al niet zou bemerken,quot; hernam Benedictus, /,zal God het toch //zien.quot; /,0 wat!quot; antwoordde weder het snoeplustige kind, »ik verlang ./er niet veel, maar twee; dat is eene kleinigheid, dat kunt gij wel »doen.quot; — „Eene kleinigheid! Wat zegt gij?quot; ging Benedictus voort, „hetgeen God beleedigt, kan geene kleinigheid zijn. Bovendien be-„ginnen wij met kleine zaken en komen vervolgens van lieverlede „tot grootere. Heden zijn het slechts weinige aardbeziën, weldra za! „men dingen van grootere waarde ontvreemden. Gij zelve zult heden «eenige naalden stelen, een anderen keer eene kleine schaar, en ver-
492
TOEPASSING.
Christen! welk ook uw lot op aarde zij , wacht u voor de zonde, wacht u vooral voor de doodzonde! Leeft gij in gelukkige omstandigheden, zijt gij rijk, aanzienlijk, geëerd en bemind van uwe medemenschen, geef acht, dat de zonde in uw hart niet binnensluipe en u niet den vijand van God make. Wat zullen rijkdommen, eer en waardigheden, wat vreugde en machtige beschermers u baten, als gij den vrede des harten en het kostbaarste kleinood der heiligmakeude genade verspild, de vriendschap en het kindschap van God verbeurd, het recht op den hemel verloren, de vreeselijkste straffen, de eeuwige pijnen der hel te vreezen hebt ? Zijt gij daarentegen arm en behoeftig, van nederige afkomst en veracht, van allen verlaten, zonder bescherming en hulp, mijd de zonde, en gij zijt rijk aan de goederen der genade, gij staat in hooge eer bij God, gij zijt zijn vriend, zijn teeder bemind kind, zijn toekomstige erfgenaam. O geef die hemelsche schatten , die eenige ware eer, die troostvolle verwachtingen niet weg voor eene band vol aarde, voor eene zeepbel, voor eene schaduw, welke voorbijgaat, verruil ze niet tegen aardsch, vergankelijk goed, wat het ook zjj. Zoek nooit hulp, nooit brood, nooit ondersteuning voor den prijs eener zonde. Dan, dan eerst zoudt gij een arm en rampzalig schepsel zijn, en verdienen door de merischen en door God veracht te worden. Wijs daarom ook in den grootsten nood, in armoede en verlatenheid met heilige drift die hand af, welke u hulp aanbiedt, maar tevens de onschuld, het gerust geweten, de genade Gods, de hoop op een beter leven rooven wil. Zeg tot hen, die alleen voor dien prijs u willen bijstaan, met den godvreezenden Tobias: „Ik leid „wel een arm leven, maar ik heb steeds vele goederen, „als ik God vrees en elke zonde vermijdquot; (Tob. IV, 23). Verre zij het van mij, dat ik om datgene, wat slechts in
«volgens zonder u lang te bedenken, dingen van veel grootere waarde. «Betreur die kwade begeerte en biecht ze zoodra mogelijk.quot; — Er. voor datzelfde, waarvoor de godvruchtige Benedictus het onbedachtzame meisje zoo ernstig waarschuwde, hoedde hij zich altijd zeer zorgvuldig. Op zekeren dag gebeurde het, dat hij op het land was met eenige knapen van zijnen leeftijd, die op het nabijzijndelandgoed appelen stalen. Zij meenden Benedictus een genoegen te doer , als zij hem er eenige aanboden. Maar alle menschelijk opzicht ter zijde stellende, en weigerende, om ook slechts een enkelen aan te nemen, zeide hij onverschrokken: «Deze appelen zijn gestolen, het is niet ^geoorloofd daarvan te eten, en ik wil er niets van hebben.quot;
493
schijn kwaad is, te vermijden, het grootste en eenig wezenlijke kwaad mij berokkenen zou. Liever wil ik in de diepste armoede, verachting en verlatenheid leven, dan mij blootstellen aan het gevaar van te sterven in de zonde en eeuwig verloren te gaan.
§ 2. Over de verscbillendc soorten van zonde.
Alle zonden zonder uitzondering komen daarin met elkander overeen, dat zij eene overtreding zijn der goddelijke wet, eene beleediging Gods, eene ongehoorzaamheid ea ondankbaarheid jegens God, en, naargelang harer grootte, bittere gevolgen en straffen na zich slepen. Niettemin is men gewoon bij de behandeling van de zonde verschillende soorten of wijzen van zonden te onderscheiden. De grond van dat onderscheid is bij de verschillende soorten verscheiden. Bij de ééne is het de aan dergelijke zonden eigen hoedanigheid, krachtens welke zij de bron van vele andere zonden worden; bij twee andere soorten is het eene bizon-dere boosheid en afschuwelijkheid, welke ze boven andere zonden hebben; en wederom bij ééne andere is het de omstandigheid, dat de tot die soort behoorende zonden, ofschoon niet persoonlijk door ons bedreven, toch ons worden aangerekend, als hadden wij zelve ze begaan.
Dusdanige bizondere soorten van zonden zijn: 1) de zeven hoofdzonden; 2) de zes zonden tegen den H. Geest; 3) de vier wraakroepende zonden; 4) de negen vreemde zonden.
Over de lioofdxonden.
De hoofdzonden worden niet aldus genoemd, omdat zij in het algemeen zwaarder zijn, dan andere zonden, daar er werkelijk zonden bedreven worden, welke volgens hare natuur zwaarder en afschuwelijker zijn , bijv. de godslastering, de moedwillige doodslag; ook niet omdat elke tot de hoofdzonden behoorende overtreding als doodzonde moet worden beschouwd, daar dit, gelijk in het algemeen bij elke andere overtreding der goddelijke wet, slechts dan het geval is, als daardoor „eene zware verplichting, hetzij jegens God «of jegens den naaste of ook jegens ons zei ven, geschonden „wordt.quot; Als bijv. iemand uit traagheid in den dienst van God eenmaal het morgen- en avond-gebed achterlaat.
494
dan maakt hij zich aan geene zware zonden schuldig; verzuimde hij echter om dezelfde reden op zondag de H. Mis, dan zou hij zich zwaar bezondigen. De hoofdzonden worden zoo genoemd, wegens de haar eigen rampzalige vruchtbaarheid , waardoor zij even zoovele „hoofdbronnen worden, „waaruit de andere zonden haren oorsprong nemen.quot; Want de mensch, die eenmaal in eene hoofdzonde vervallen is, wordt door haar aangezet en aangedreven, naar omstandigheden nu eens deze, dan gene verplichting, hoe zwaar ook, te schenden. — Daaruit blijkt duidelgk, dat de naam „hoofdzondequot; niet zoo zeer eene zondige handeling, eene zonde, maar veeleer de bereidvaardigheid om eene zondige neiging of hartstocht te volgen, d. i. eene ondeugd, beteekent. Daarom is ook de leer der hoofdzonden gelijk aan de leer van de hoofdondeugden. Hoofdzonden of hoof\'d-ondeugden zijn volgens den H. Gregorius (Moral. L. XXXl. c. 31) en alle Godgeleerden de volgende: 1) hoovaardigheid , 2) gierigheid, 3) onkuischheid, 4) nijd, 5) gulzigheid. 6) gramschap, 7) traagheid.
lloov aardigheid.
Hoovaardigheid is het ongeregelde verlangen om meer dan anderen met onderscheiding behandeld te worden en boven hen te staan. Deze ondeugd, die uit eene te groote schatting van zich zeiven voortkomt, zet den menssh aan, zich boven anderen te verheffen, hun de verschuldigde eer en achting te weigeren, aan niemand zich te onderwerpen, allen van zijnen wil en zijne luimen afhankelijk te maken, hen inwendig te verachten, beleedigend en laag te behandelen. Ja, hij gaat in zijne dwaze meening van zich zeiven somtijds zoover, dat hij, gelijk eens Lucifer , aan God zeiven de behoorlijke eer weigert, Gods geboden met voeten treedt en zijne straffen trotseert, dat hij ■Hem, den alleen Aanbiddenswaardige, veracht en zich zeiven in zekere mate vergoodt. Uit deze eene bron wellen ontelbare zonden op: — a) zonden van igddhcid, en wel van ij delheid in gedachten, als men zich in den geest met zijne wezenlijke of gewaande voorrechten bijna onophoudelijk en met zelfbehagen bezighoudt, en zich verheugt over lof, roem en achting van den kant der menschen; van ijdelheid in woorden, als men elke gelegenheid met grooten ijver opzoekt, om anderen op die voorrechten opmerkzaam te maken, door pralerij en grootspraak ze te vergrooten en in het gunstigste daglicht te stellen; ijdelheid in levenswijze, als men door kleederpracht, keurig huisraad, over-
495
bodige spiizen en derg. boven anderen en boven zijnen stand zich verheft; ijdelheid in handelwijze, als men door eere gebiedende houding, geringschattende manieren, ver-achtelijken toon en stootende handelwijze aan anderen ziine ingebeelde meerderheid laat gevoelen. — Verder komen uit de hoovaardigheid of de hoogmoed voort: — i) zonden van eerzucht, als men door aanwending van eerlooze middelen naar eer, waardigheid en macht streeft: — c) zonden van //uichelarij en veinzerij als men zijne onwetendheid met het kleed der beschaving en verlichting bedekt, zijn zedelijken achteruitgang met den schijn van godsvrucht behangt, gelijk de Phariseën deden, en door allerlei kunstgrepen den sclnjn aanneemt van hetgeen men zijn moest, ofschoon men het echter niet is; — (T) zonden van ongehoorzaamheid en weerspannigheid jegens geestelijke en wereldlijke overheden. Het is den hoogmoedige eigen , niemand boven zich te willen erkennen, zich zeiven wet te zijn en aan anderen zijnen wil als wet voor te schrijven. Vandaar zijn er geene ongehoorzamer , wederspanniger onderdanen dan de hoovaardigen en hoogmoedigen. In hunne aanmatiging en hoogmoedige verwaandheid geven zij immer aan hunne meening en hun oordeel den voorrang boven de meening en het oordeel der overheden en nemen alle middelen te baat om aan hunne overheid weerstand te bieden, ja- deinzen zelfs voor openbaar verzet en geweldigen tegenstand niet terug; — e) zonden van koelheid en harschheid jegens de onderdanen. Gelijk de hoogmoedige de slechtste onderdaan is, zoo is hij ook de slechtste heer en gebieder. Koel en hardvochtig dringt hij op de volbrenging zijner bevelen aan, bedient zich van onderdanen slechts als nietige werktuigen zijner luimen, ziet in hen niets, wat hij te verschoonen, niets, wat hij in aanmerking te nemen heeft. — Toornig en opvliegend gelijk Eoboam (3. Kon, XII, 10, 11), stelt hij tegenover hunne beden en rechtvaardige bézwaren slechts bedreigingen en onrechtvaardigheden ; — ƒ) zonden van heersch-zucht. Hoe minder de hoogmoedige in staat is, zich zeiven te bemeesteren, des te meer en des te inniger tracht hij zijne heerschappij over anderen uit te oefenen. Gaarne zou hij in zijnen kring de zon evenaren en zich tot middelpunt maken van alle gedachten, gesprekken, handelingen en bemoeiingen van al diegenen, die met hem in aanraking komen; hij spaart noch moeite, noch list, noch geweld, om zeer velen aan zijne dwingelandij te onderwerpen en van hen inschikkelijke trawanten te maken. — y) Zonden dan twist en tweedracht. Bij het gewelddadig handelen van den hoogmoedige, bij het onrechtvaardig tekeergaan tegen
496
zijns gelijken en zijne onderdanen kan het niet missen, dat hij op tegenspraak en wederspannigheid stuit. Vandaar, gelijk de dagelijksche ondervinding leert, leeft de hoogmoedige in voortdurenden twist en tweedracht met zijnen evenmensch, vooral met zijne omgeving, welke zich aan zijnen wil dikwijls niet onderwerpen mag, dikwijls ook niet wil. — h) Zonden van ondankbaarheid. Daar de hoos-moedige zich alles toeschrijft en , wat men ook uit liefde voor hem doet, in zekeren zin slechts als eene verplichte diensthetooning beschouwt, is hij ook de ondankbaarste van alle menschen. Niet zelden is eene aan den hoogmoedige bewezen weldaad voor hem eene reden te meer, om zich tegen den weldoener te verzetten, daar hij het als eene onvergeeflijke zwakheid aanziet, aan een ander, voor wat het ook zij, iets verplicht te zijn — ï) Zonden van afgunst en meedheid. Wie dwaas en onverstandig genoeg is, zich te houden voor iemand, aan wien volgens recht en billijkheid alle eer, alle lof, alle macht en alle goederen alleen moesten toekomen, hij kan niet onverschillig blijven , als hij anderen ziet, die evenzeer of in nog hoogere mate geëerd en gevierd worden dan hij. In zijn hart zal de hoogmoed aan den nijd en de afgunst de hand reiken , en beide hartstochten zullen alles beproeven, om dengene in wien hij voorrechten ontdekt, welke hem ontbreken, of aan wien eer bewezen wordt, naar welke hij vruchteloos haakt, in minachting te brengen, en dikwijls door het aanwenden der wreedste middelen uit den weg te ruimen, zooals wij dit zien bij Herodes, die tot den onmenschelijken moord der onschuldige kinderen overging, om zich van den pasgeboren Koning der Joden, zijn vermeenden mededinger, te ontdoen. Desgelijks verhaalt ons de H. Schrift in het boek Esther, dat Aman, de gunsteling van Assuerus, het wreede bevel uitlokte, om het geheele volk der Joden te verdelgen, enkel omdat Mardochëus weigerde voor hem de knie te buigen. — k) Zonden van ongeloof en ketterij, gelijk reeds in het eerste deel is aangetoond. Bereikt de hoogmoed zijn toppunt, dan voert dat kwaad zelfs tot de duivelsche zonde — l) van verklaarden haai tegen God. De hoogmoedige ziet in God, den Allerhoogste, den Almachtige, den oneindig Volmaakte en alleen Aanbiddens-waardige, in zekeren zin zijnen mededinger en wel een mededinger, die hem des te hatelijker is, hoe meer diens grootheid bij zijne geringheid , diens macht bij zijne zwakheid, diens volmaaktheid bij zijne slechtheid, diens aan-biddenswaardigheid bij zijne schuldigheid uitkomt, en hoe minder hij Hem, in weerwil van alle inspanning, kan
497
avenaren. Kan het ons na dit alles nog bevreemden, dat „de hoovaardigheid bij God en de menschen gehaat is dat de H. Geest haar als „het beginsel van alle zocdequot; brandmerkt (Sir. X, 7, 15); dat God zelf „den hoovaardigen „wederstaatquot; (1, Petr. V, 5), gelijk in het voorbeeld van NabucJioclonosor (Dan. IV) en van llolofernes (Jud. VI, 13) ons getoond wordt. \') Kan het ons bevreemden, dat de Allerhoogste, wien alleen alle eer toekomt, de vreeselijke bedreiging uitspreekt: „Wie in de hoovaardigheid verblijft, „wordt met vloek beladen en ten laatste in het verderf „gestort,quot; en dat Hij, aan deze bedreiging gevolg gevende, de hoovaardigen „onteert en geheel ten gronde richt,quot; ja zelfs het „aandenken aan hen verdelgt?\'\' (Sir. X, 15—21). 2)
\') Aan koning Uabuchodonosor had de Allerhoogste het koningschap met heerlijkheid, roem en eer geschonken, zoodat alle volkeren, stammen en talen voor hem sidderden en hem vreesden. Toen verhief hij zich op die grootheid; zijn geest werd versteend door hoogmoed; in plaats van den Allerhoogste de eer te geven, matigde hij zicli zeiven goddelijke eer aan. Maar de straf bleef niet lang uit. Als de sterke, trotsche overheerscher op zekeren dag uit ;-ijn paleis het rijke Babyion overzag en sprak; //Is dit niet Babyion, de groote stad, die //ik gebouwd heb tot zetel van mijn koninkrijk, in de grootheid mijner //macht en tot roem mijner heerlijkheid?quot; toen klonk er eene stem van den hemel: //Aan u wordt gezegd, koning Nabuchodonosor; quot;uw koningschap wordt u ontnomen! En uit het gezelschap der //menschen zal men u verstoeten, en bij de dieren zal uwe woning «zijn; gelijk liet rund, zult gij gras eten, en zeven jaren zullon voor /,u heengaan, totdat gij erkent, dat de Hoogste heerscht over hel ./rijk der menschen, en dat Hij het geeft, aan wien Hij wil.quot; — Tezelfder ure werd het vonnis over Nabuchodonosor voltrokken. Door waanzinnigheid overvallen werd hij aan aller oogen onttrokken en verwilderde dermate, dat hij als een stier hooi at, en zijn lichaam door den dauw des hemels bevochtigd werd, totdat zijne haren groeiden als die van den adelaar en zijne nagels als vogel klauwen. Maar na verloop van den door God vastgestelden straftijd hief üabuchodonosor zijne oogen ten hemel en zijn verstand werd hem teruggegeven, zijne heerlijkheid werd nog grooter dan tevoren, omdat hij zich voor den Allerhoogste verootmoedigd had. Toen sprak de bekeerde koning: ,/Ifc Nabuchodonosor prijs den Koning des hemels, «.omdat al zijne werken waarheid zijn en zijne wegen recht; en die «in hoogmoed wandelen weet Hij te vernederenquot; (Dan. IV en V).
De geestelijke hoovairidigheid, waardoor de menseh de geestelijke goederen, deugd, godsvrucht of bovennatuurlijke genadebewijzen gebruikt, teneinde zich boven anderen te verheffen, brengt den mensch niet minder in gevaar om de genade, ja zelfs de eeuwige zaligheid te verliezen. Want als God in het algemeen den hoovaardige weerstaat, is dit vooral het geval bij hen, die zich iets inbeelden op voorrechten, welke geheel en al genadegaven Gods zijn. Justinus, een kloostergezel van den zaligen Joannes Oapistranus, was door het gebed, de overweging, versterving, maagdelijke zuiverheid en andere godvruchtige oefeningen tot een hoogen graad van het beschouwend leven opgeklommen en met vele buitengewone genadebewijzen van God begiftigd. Heinde en verre was hij als een heilig en zeer be-DEHARBE, GEI/OOrSLEEE. III. 3ie DRUK.. 32
498
Gierigheid.
De hoovaardige streeft ongeregeld naar eer, lof, roemen allerlei onderscheiding; de gierigaard daarentegen zoekt uitwendige, tijdelijke goederen te verkrijgen en voortdurend te bezitten. Üe mensch, die door dezen hartstocht be-heerscht wordt, bemint geld en goed meer, dan het verdient bemind te worden, streeft er sterker naar, dan met de zorg voor zijn zieleheil en met de rechtvaardigheid bestaanbaar is, en hecht zich aan het verkregene onbehoorlijk vast. De gierigaard wil de goederen dezer aarde, niet om ze tot eenig Gode behagelijk doel aan te wenden, maar alleen om ze te hebben en in het bezit er van zijn genot te vinden: eene handelwijze, welke met de welgeordende liefde voor zich zeiven in strijd is. — Ook is deze hartstocht, gelij k reeds uit de verklaring van het zevende en tiende gebod Gods duidelijk blijkt, de bron van zeer vele en groote zonden. De gierigheid verleidt in het bizonder tot eene overdreven zorg voor het tijdelijke, tot eene onmatige droefheid over het verlies van aardsche goederen, tot het aanwenden van schandelijke en onrechtvaardige middelen om die goederen te verwerven, nameiijk leugen, meineed, diefstal, bedrog, woeker en simonie; verder tot ontrouw jegens vrienden, tot twist en tweedracht tusschen broeders, zusters en aanverwanten, tot onder drukking en benadeeling van weduwen en weezen, tot omkooping van het gerecht, tot het plegen van verraad aan vaderland en Kerk. Hoe menigeen wordt om hec geld een Judas van de heiligste belangen van God en
genadigd man gekend en geëerd. De roem van zijne deugd en heiligheid drong zelfs door tot den pauselijken troon. Paus Euge-nius IV, vol verlangen om dien uitstekenden dienaar Gods in persoon te leeren kennen , ontbood hem bij zich en ontving hem met buitengewone eerbewijzingen. Hij stond bij zijne komst voor hem op, omhelsde hem en liet hem naast zich zitten. Nu bekroop de ijdelheid en hoovaardigheid het hart van Justinus en bracht in hem eene hoogst treurige verandering te weeg. Toen hij daarna weder naar Joannes Gapistranus terugkeerde, bescliouwde deze hem met een weemoedigen blik en sprak tot hem: „o Broeder Justinus, als een „engel zijt gij heengegaan, als een duivel zijt gij teruggekeerd.quot; Het vervolg bevestigde volkomen de waarheid dezer hardschijnenae woorden. Justinus werd van dag tot dag hoovaardiger; bij elke onbeduidende aanleiding morde hij luide, dat men hem niet met behoorlijken eerbied behandelde; ja, hij vergat zich eindelijk zoo ver, dat hij een zijner medebroeders, door wien hij zich met verachting behandeld waande, een mes in de borst stiet. Na dezen moord nam hij de vlucht, zwierf overal rond, beging eene menigte misdaden, werd eindelijk te Napels gevangen genomen, en stierf, in ongeloofei\' boosheid verhard, een rampzaligen dood
499
godsdienst? Niet zelden verleidt de gierigheid tot het gebruik van bijgeloovige middelen, om geld en geldswaarde te verkrijgen; verder tot onmeedoogendheid jegens armeen noodlijdende medemenschen, welke men overeenkomstig het gehod van liefde door het uitdeelen van aalmoezen moest te hulp komen. Zelfs sluipmoord en doodslag telt de slaaf van dien hartstocht niet, als het er op aan komt, eene som gelds buit te maken of een rijk erfdeel tot zich te nemen. — „Wat is oorzaak van zoovele misdaden in „de wereld?\'\' vraagt de H. Chrysostomus. \') „De liefde „tot het geld, het dwaze verlangen naar rijkdommen, „die ongeneeselijke ziekte, dat onuitbluschbaar vuur, die „dwingeland, die de geheele wereld geweld aandoet;quot; en de H. Basilius (Homelie 7 over de gierigheid) : „Hoelang „zullen de rijkdommen een valstrik voor de zielen, een „angel des doods, eene lokspijze der zonde zijn? Hoelang ,.nog de brandstof uitmaken van den oorlog, wapenen „smeden en zwaarden scherpen? Ter verkrijging van rijk-„dommen verloochenen bloedverwanten de banden der „natuur, grijpen broeders onder elkander naar de wapenen, „zijn stille wegen met straat- en de zee met zeeroovers „opgepropt, steden met valsche aanklagers en valsche getuigen gevuld. Wie is de vader van de leugen? Wie „de oorzaak van den meineed? Is het niet de rijkdom „en gelddorst?quot; „Vandaar,quot; zoo spreekt dezelfde H. Leeraar op eene andere plaats (hom. 6. over de gierigheid) „vandaar de tranen der weezen, de verzuchtingen der „weduwen en der verdrukte armenquot; ... De H. Geest zelf zegt: „Niets is boozer, dan het geld te beminnen; want „zulk een mensch heeft ook zijne ziel te koopquot; (Sir. X, 10) ; eu elders door den mond van den Apostel (l. Tim. VI, 9): „die rijk willen worden, vallen in de bekoriag „en de valstrikken des duivels, en in, vele nuttelooze en „schadelijke verlangens, welke de menschen in het ver-„derf storten.quot; — Zoo ging het werkelijk Achaz, die zich tegen Gods uitdrukkelijk verbod eenig goed van den buit van Jericho had toegeëigend. Ter oorzake van deze uit hebzucht geboren misdaad bezweken de Israëlieten voor hunne vijanden; de misdadiger zelf werd op Gods bevel door zijn volk gesteenigd (Josuë VII); zoo gebeurde het met Ackab, wien de hebzucht tot den moord van Naboth vervoerde, en die tot straf daarvoor ellendig stierf (3 Kon. XXI, 22); zoo met Gièzi, den ontrouwen knecht van den Profeet Eliseus: de gierigheid verleidde hem tot leugentaal
\') Serm. cum Saturnius et Aurelianus acti essent in exilium.
32*
500
en berokkende hem de afzichtelijke melaatschheid (4 Kon. V, 27); zoo met Judas, die uit geldzucht zijnen Heer en Meester voor dertig zilverlingen verried, en als zelfmoordenaar stierf (Matt. XXVI, 27); zoo met Ananias en Saphira, die door denzelfden hartstocht verblind, niet menschen, maar God belogen, en daarom een plotselingen dood stierven (Hand. V). \')
OnkuischAeid.
Aan deze ondeugd maakt men zich schuldig, als men zich gedachten, begeerten, en werken veroorlooft, welke de heilige eerbaarheid schenden.
Over de zonden van onkuischheid is bij de verklaring van het zesde en negende gebod breedvoerig gehandeld; desgelijks werd daar bewezen, hoezeer de schandelijkste aller hartstochten tot de overtreding van alle geboden van God en de Kerk, tot moedwillige schennis der heiligste plichten verleidt en aanzet. En in waarheid, men heeft slechts de jaarboeken der geschiedenis opmerkzaam te doorbladeren en de dagelijks voorvallende misdaden van allerlei soort gade te slaan, om tot de overtuiging te komen, dat de onzuiverheid de bron en drijfveer van ontelbare zonden is.
\') Aan de inwoners der stad Posen werd eens door den vijand eene zoo groote brandschatting opgelegd, dat liet onmogelijk scheen, de gevorderde som te bestrijden, iïr leefde echter in genoemde stad eene dame, de weduwe van een vorst, die zooveel geld bezat, dat zij alleen zonder bezwaar de gelieele brandschatting had kunnen betalen. Tot die dame wendden zich nu de arme burgers met de smeekende bede, dat zij hen uit de verlegenheid mocht helpen; maar zij kregen geen gehoor. De beden werden herhaald, want de nood drong. Toen sloot de onbarmhartige zich op en niemand zag haar meer. Als zij eindelijk te lang vermist werd, zocht en vond men haar in een kelder, zittende voor eene geldkist, met het oog op de muntspeciën gericht, maar dood (Voorbeeldenboek van Herbst. D. 2). —Ue gierigaard is niet alleen hardvochtig jegens anderen, maar ook jegens zien zeiven, daar hij zich niet zelden uit gehechtheid aan zijn geld bet allernoodzakelijkste ontzegt. In het jaar 1848 deed zich te Boulogre, niet verre van Parijs, het volgende geval voor. Een voormalig smidsgezel, uit Picardië afkomstig, die onder den last van 75 jaren gebukt ging, had zich sedert eenigen tijd daar ter plaatse gevestigd. Hij woonde in eene ellendige stulp, droeg zeer armoedige kleederen en gebruikte enkel water en brood. Dewijl in het begin van December van het genoemde jaar de grijsaard verscheidene dagen achtereen niet meer te voorschijn kwam, achtten de buren zich verplicht, bij de plaatselijke overheid daarvan aangifte te doen. Spoedig stak men de deur van de stulp open en vond den oude levenloos en verstijfd op een ellendigen hoop stroo uitgestrekt. Een steen diende hem tot hoofdkussen en eene groote houten kist maakte zijn geheele huisraad uit; maar deze kist was met gouden en zilveren munt gevuld. Het nader onderzoek bewees, dat de vrek den hongerdood gestorven was (Oostenr. Volksvriend van het jaar 1849, n. 7).
501
Uit haar ontstaat tegenzin in liet gebed en in alles, wat op de beoefening der deugd en den dienst van God betrekking heeft; uit haar ontstaat zucht naar vermaak en verstrooiiüg, verzuim van beroepsplichten,\' behaagzucht, ongevoeligheid en wreedheid, allerlei schaamtelooze buitensporigheden en zonden tegen de natuur, verleiding der onschuld, bedriegelijke beloften en valsche eeden , diefstal en ondermijning vau gezondheid en huiselijk geluk, vijandschap, tweegevechten, zelfmoord, ongeloof, verloochening van God, heiligschennis, duivelskunst, waanzinnigheid en wanhoop.
Nijd.
De nijd is een verdriet, eene ontevredenheid, wijl de naaste dit of dat goed, zekere geestelijke of lichamelijke voorrechten, rijkdom, eereposten, betrekkingen , enz. bezit, omdat wij ons inbeelden, zelve daardoor minder geacht, geëerd en met minder onderscheiding behandeld te worden,quot; dan wij zulks verdienen. Uit deze, vooral uit hoogmoed en uit het overdreven gevoel van eigenwaarde, in elk geval uit verkeerde eigenliefde voortkomende misgunning, ontstaat gewoonlijk droefheid, omdat de naaste eenig goed bezit, en vreugde, ais hij daarvan beroofd wordt en het verliest. — Ontstaat echter de droefheid over het goed van den evenmensen of de vreugde, dat hij daarvan verstoken is, alleen uit de gegronde vrees, dat de naaste dat goed tot schade van ons of van anderen misbruiken zou , dan kan dit op zich zeiven geene zonde, geen nijd of afgunst genoemd worden Ook maakt men zich niet aan de zonde van nijd schuldig, als men spijt gevoelt, het goede niet te bezitten, hetwelk men in den evenmensch opmerkt, maar daarbij op geenerlei wijze den wensch koestert, dat hij dat goede in het geheel niet of niet in zoo hooge mate mocht bezitten. Eveneens is het niet ongeoorloofd, onder dezelfde voorwaarde, oprecht, doch niet onmatig, bedroefd te zijn, dat men niet zoo godvruchtig en deugdzaam is als anderen, die zich door godsvrucht en deugd onderscheiden, zoodanige droefheid is veeleer een prijzenswaardige wedijver, een heilige ijverzucht.
De hartstocht van nijd baart mede vele en groote zonden jegens God en den evenmensch. De nijdige toont zich in den regel ondankbaar jegens God, daar hij niet op de weldaden ziet, welke hij van \'s Heeren hand ontvangen heeft en nog ontvangt, maar met leede oogen alleen op het goede let, hetwelk God aan den evenmensch schenkt.
502
„Zijn oog is listig, hij is boos, omdat God jegens anderen „even goed is als jegens hemquot; (Matt. XX, 15). Niet zelden komt alzoo degene, die zich door nijd laat be-heerschen, tot morren en lasteringen jegens God, den oneindig wijzen, voorzichtigen en rechtvaardigen Verdeeler der tijdelijke goederen. In het oog van den nijdige verliest het goede, hetwelk hem ten deele is geworden, in zekeren zin alle waarde, en het goede, hetwelk de evenmensch bezit, schijnt hem bovenmate schoon en voortreffelijk. Daarom vindt hij in zijne verblindheid eene nieuwe reden om de goddelijke Voorzienigheid van partijdigheid en onrechtvaardigheid te beschuldigen. In den omgang met den evenmensch verleidt de nijd tot oorblazerii en laster, als tot een veelzijdig en krachtig middel om den evenmensch te berooven van de eer, welke men hem schenkt, van het ambt of de waardigheid, welke hij bekleedt, zelfs van het tijdelijk voordeel, van het inkomen, hetwelk daarmede verbonden is. Zoo belasterden Core, Datkan en Abiron Mozes, wien zij om zynen voorrang benijdden , voor het geheele volk, daar zij hem, dien de Schrift zelve „den „zachtmoedigsten aller menschenquot; (4 Mos. XII, 3) noemt, vau wreedheid en heerschzucht beschuldigden en tot hem zeiden: „Is het u te weinig, dat gij ons gevoerd hebt uit „een land, hetwelk van melk en honig overvloeide (welke verblindheid!) „om ons te doen sterven in de woestijn; „wilt gij ook nog over ons heerschen?quot; (4 Mos. XVI, 13). Teneinde zijnen evenmensch de goederen, welke hij bezit, te ontnemen, bedient zich de nijdigaard van alle mogelijke listen en bedrog: hij haat zijn gelukkigen medebroeder, zoekt zich op hem te wreken alleen omdat hij hem gelukkig en tevreden ziet, evenals de satan , die zich juist daarom op onze stamouders wreekte; hij vervolgt hem somtijds met een doodelijken haat, wijl hij moet bekennen, dat de evenmensch beter en deugdzamer is, dan hij. Zoo handelde Caïn jegens zijn onschuldigen broeder Abel; zoo de zonen van Jacob jegens hunnen god-
\') De nijdigaard heelt van zijn nijd geen ander voordeel dan verdriet en kommer; hij is zijn eigen plaaggeest. — Zekere boerin bezat eene schoone hoeve, een talrijken en sierlijken veestapel en toch benijdde zij altijd anderen. Des avonds, als het vee uit de weide kwam, plaatste zij zich aan de huisdeur en ergerde zich sterk, als zij eene schoone koe zag voorbijgaan, die haren buurman toebehoorde. Zag zij op andere velden mooien hennip of vlas, dan riep zij verontwaardigd uit: „anderen gelukt alles, mij niets!quot; Zoo ergerde en kwelde zij zich onophoudelijk. Daardoor werd zij ziekelijk en stierf in hare beste jaren aan de galkoorts, toen kort tevoren eene buurvrouw 100 daalders geërfd had. (Geseh. Katech. van Schmid. D. 3).
503
vreezenden broeder Joseph; zoo de koaing Saül jegens David; zoo vooral de Phariseën jegens den goddelijken Heiland; zij konden niet rusten, voordat zij Hem, den Allerheiligste, het offer van hunne afgunst en hunnen niid, aan het smaadvolle kruis gehecht hadden. Zulk een verderfelijken invloed heeft de nijd op het hart en het leven van den mensch, die aan zijne ingevingen gehoor leent. En hoe zou het anders kunnen zün\'? De nijd toch is van duivelschen oorsprong; want „door den „nijd des duivels is de dood in de wereld gekomen; die „hem toebehooren , volgen hem naquot; (Wijsh. II, 24, 25).— De HH. Vaders schilderen den nijd en zijne vreeselijke verwoesting in de harten met de heïdevste kleuren af. De H. Basilius zegt er van; „hij knaagt aan het hart van „den nijdige, gelijk de roest aan het ijzer, gelijk de worm „aan het hout, gelijk de adder aan de ingewanden, welke „haar het aanzijn gegeven hebben.quot; En de H. Chrysostomus (Hom. 7 over den brief de Eomeinen) zegt: „Al zou „iemand wonderen wrochten, de eerbaarheid bewaren,quot; „vasten, op de aarde slapen en met zulke deugd de Engelen „evenaren; hij blijft, als hij door nijd is aangestoken, „toch de ellendigste mensch.... Onmogelijk, onmogelijk „kan men het vuur ontgaan, hetwelk voor den duivel „bereid is, als men zich van dezen hartstocht niet losscheurt.quot;
Gulzigheid.
Gulzigheid is de onordelijke, ongeregelde zucht naar bevrediging der begeerlijkheid door genot van spijs en drank. Men maakt zich aan deze hoofdzonde schuldig, ten eerste als men le veel d. i. meer dan tot onderhouding van de lichamelijke gezondheid dienstig is, eet en drinkt; ten tweede als men ontijdig, d. i. tusschen de door den huise-lijken regel daartoe bepaalde tijden, daartoe geene wezenlijke behoefte en geene reden om te eten en te drinken, aanwezig is, alleen uit begeerlijkheid spijs of drank neemt; ten derde als men boven zijnen staat en zijne huiselijke omstandigheden al te fijne en kostbare, meer den mond streelende, dan voor de gezondheid dienstige spijzen en dranken gebruikt; ten vierde, als men spijs en drank met al te groote begeerigheid nuttigt, als \'t ware met oogen en mond verslindt. — Deze lage zonde, waardoor de mensch, het dier gelijk, zijn geluk in de bevrediging van zijnen smaak zoekt, ja niet zelden bovendien door het bovenmatig gebruik van bedwelmende dranken, door dronkenschap, zich ver beneden het redelooze dier verlaagt,
504
deze hoogst onteerende en hateliike zonde is de moeder van een groot aantal zonden, welke de daarmede behebte niet alleen tegen God en den evenmensch, maar ook tegen zich zeiven, namelijk tegen de verschuldigde zorg voor aijne tijdelijke goederen, voor eer en goeden naam, voor gezondheid en leven, pleegt te begaan. Uit deze bron ontspruit de vooral bij kinderen en dienstboden dikwijls voorkomende snoeplust, die ongelukkige zucht, om steels-gewijze te eten en te drinken, waardoor zij niet alleen dikwijls hunne gezondheid benadeelen , maar ook aan ouders en overheden somtijds zelfs aanmerkelijk nadeel berokkenen, en, gelijk de ondervinding leert en uit den aard der zaak volgt, tot leugentaal en diefstal verleid worden. TJit dezelfde bron vloeit voort de verkwisting, welke armoede en ellende, den algeheelen ondergang van ontelbare familiën ten gevolge heeft. Hoe vele jongelingen verspillen het verkregen vaderlijk erfdeel, gelijk de verloren zoon van het Evangelie (Luc. XV.) aan kostbare maaltijden eu drinkpartijen ! Hoevele mannen verkwisten niet alleen hun eigen vermogen, maar ook dat hunner echtgenooten in hero erg en en sociëteiten. Hoevele huisvaders bezetten de huiselijke tafel met dwaze weelde, om weldra in gijzeling te zuchten, en hunne vrouw en kinderen aan honger en schande prijs te geven! Deze droeve gevolgen zijn bijkans onvermijdelijk, daar bijna altijd met een onmatig leven lediggang, afkeer en ongeschiktheid tot elke ernstige en nuttige bezigheid gepaard gaan. \') — Maar de meest heillooze spruit van dezen vergiftigden wortel, van de onmatigheid, is wel de dronkenschap, die schandelgke toestand, waarin de mensch door onmatig gebruik van geestrijke draaken geraakt, en welke hem tot beneden het redelooze dier verlaagt; die zoo verfoeielijke toestand, welke in den regel met vloeken en zweren, met schimpen en schelden, met oneerbare taal en boerterij, met ruwheid en liederlijkheid, met ontucht en echtbreuk hand aan hand gaat en den mensch van het edelste en kostbaarste, hetwelk hij heeft, van het gebruik des verstands berooft; die verderfelijke toestand, die tea laatste domheid, zedelijken achteruitgang, veelal een plotse-lingen dood in de zonde of onboetvaardigheid in het uiterste
\') Al te walgelijk zou liet zijn de buitensporigheden van den eetlust der ontaarde Komeinen té schilderen. ï!iei zelden stierven die lieidensche zwelgers aan overdaad van genuttigde spijzen. Derhalve zeide eens Biblus Crispinus, toen eene onpasselijkheid hem verscheidene dagen belet had, aan de keizerlijke tafel van Domitianus te verschijnen: .,1k zou gestorven zijn, als ik niet ziek was geworden.quot; — Keizer Vitellïvs hield dagelijks drie of vier maal tafel, en elke maaltijd kostte niet minder dan 15s000 daalders.
505
ca zich sleept. „Aan wien het wee?quot; vraagt de H. Geest m her boek der Spreuken (XXIII, 29, 30). „Aan wiens „vader het wee\'? Wie heeft twist\'? Wie valt in de „groeve? Wie heeft wonden zonder oorzaak? Wie droeve „oogen ? Zijn zij het niet, die bij den wijn verwijlen eu „er zich op toeleggen om bekers te ledigen?quot; Christus zelf waarschuwt zijne leerlingen zeer nadrukkelijk voor alle onmatigheid: „Wacht uquot; (Lucas XXI, 34), „dat „uwe harten niet wellicht bezwaard worden door brasserij „en dronkenschap, en die dag (des oordeels) u niet onver-„hoeds overvalle;quot; en de Apostel noemt den buik den god der onmatigen (Phil. Ill, 19) Wie moet zich niet schamen de aanbidder van zulk een god te zijn ? x)
Tot welke groote misdaden de zonde van onmatigheid verleidt, en welk treurig uiteinde de onmatigen hebben, leert ons onder anderen het voorbeeld van Ballkasar, koning van Babylon, (Dan. V), en van den rijken vrek in het Evangelie (Luc. XVI). 2)
\') De H. Joannes Chrysostomus schetst den toestand van den dronkaard met de helderste en schrikwekkendste kleuren. (/Dronkenschap ((is vrijwillige waanzinnigheid, verraad van eigen gedachten, eene ./bespottelijke ziekte, een lijden, waarmede men lacht, een zelfge-,kozen duivel, en erger dan dwaasheid. Wilt gij zien, dat een //dronkaard nog ellendiger is dan een bezetene ? Met een bezetene .-/heeft iedereen medelijden, maar den dronkaard verfoeien wij; den eerste beklagen wij, op dezen echter zijn wij verontwaardigd en /vergramd. Waarom dat? Het kwaad van den een is een ongeluk, «dat van den ander eene strafwaardige lichtzinnigheid. De beschon-./kene heeft ook hetzelfde lijden te verdragen ais de bezetene. Hij «waggelt evenzoo, is even dwaas, valt eveneens voor den grond, „verdraait eveneens de oogen, trapt eveneens met de voeten, wanneer / hij gevallen is, en het schuim vertoont zich eveneens op zijnen mond. //De dronkaard is zijnen vriend tot walg, zijnen vijand ten spot, voor //Zijne dienaren een voorwerp van verachting, voor zijne vrouw //ondragelijk, voor allen onuitstaanbaar, en verachtelijker dan een «redeloos dier. Een dier drinkt slechts zoo lang, als het dorst heeft, ,en zijn lust wordt met zijne behoefte tegelijk gestild; gene daar-«entegen overschrijdt de juiste maat en is onredelijker dan het rede-«looze schepsel, tn wat nog erger is, eene buitensporigheid, welke ./Van zoovele,rampen en van zoo groote nadeelen vergezeld gaat, ,/Wordt soms niet eens als zonde beschouwd; ja aan de tafels der «rijken worden wedstrijden in deze zonde aangegaan. Men strijdt «met elkander, wie zich het meest onteeren, wie zijne zenuwen liet /meest verlammen, zijne krachten het meest verzwakken, en wie ./God den Heer het meest beleedigen kan. Dit is een echt helsche «wedstrijdquot; (Uit de redevoering over de Verrijzenis).
2) Van de droevige gevolgen der dronkenschap levert ons de geschiedenis aller eeuwen en de bijna dagelijksche ondervinding talrijke en veelal vreeselijke voorbeelden. Onder anderen verhaalt de H. Augustinus in eene redevoering het volgende voorval, dat in zijnen tijd en kort voordat hij deze redevoering hield, was gebeurd. Cyrdlus, de zoon van een algemeen geacht man, was aan den drank zeer overgegeven en bracht dag en nacht met lieden van zijne soort in
506
Ofschoon de zonden van onmatigheid in zichzelve geene doodzonde is, zal dit toch het geval zijn: 1) als men er eene gewoonte van maakt, zich in het genot van eten en drinken te verheugen en zijn hoogste geluk stelt in de voldoening van den smaak; als men namelijk leeft om te eten en te drinken en niet, gelijk God verordend heeft, eet en drinkt om te leven; 2) als men door overtollig eten en drinken zijne gezondheid aanmerkelijk benadeelt en de bovengenoemde verderfelijke gevolgen zich op den hals haalt; 3) als men uit eetlust en snoeperij de geboden van vasten en onthouding grootelijks schendt; 4) als men zich onbekwaam maakt, om zaken te verrichten, welke men onder doodzonde verplicht is te doen; 5) als de buitensporigheid in drinken tot dronkenschap klimt en den mensch van het gebruik van zijn verstand berooft; 6) als men
de herberg door. Op zekeren dag kwam hij beschonken naar huis en zocht in de bedwelming van zijnen hartstocht zijne eigen zuster tot onbetamelijkheden te verleiden. Deze echter wilde zich liever laten mishandelen dan de zonde te bedrijven. Op het geschrei der gewonde snelde de vader toe, maar ook hem stiei de woedende het moordstaal in dc borst. Eene tweede zuster, die haren vader wilde verdedigen, bezweek eveneens door den dolksteek van dit monster.— De H. Kerkleeraar benuttigde dit schrikwekkend voorval, om zijnen toehoorders in het hart te prenten, hoever een enkele onbedwongen hartstocht den mensch kan voeren; zijne tranen en zijn snikken vermeerderden nog de ki acht en den indruk zijner rede (Baudrand, Sticht. Geschied.). — Zelden gaat een jaar, ja, zelden eene maand voorbij, dat de dagbladen niet dergelijke, ten gevolge van dronkenschap plaats gehad hebbende voorvallen\'melden. Zoo schreef men aan de Augsburgsche courant het volgende uit Würtsburg. Eergisteren avond keerde een visscherszoon dezer plaats beschonken naar huis terug. In zijnen overmoed sloeg hij op den terugweg een man den hoed diep in het gezicht. Toen op het hulpgeschrei van den be-leedigde drie jongelieden uit eene nabijgelegen herberg toesprongen, trok de beschonkene zijn mes en verwondde alle drie, een van hen zelfs met gevaar van het leven te verliezen, daar hij hem het mes in den rug stak, zoodat het de long kwetste en in de wond afbrak. — „De Rijnsche bladen.quot; (bijbl. tot het Journal van Maintz 19 Febr. IhoO) ontleenen aan den „Courier du Luxembourgquot; het volgende gruwelijke voorval, hetwelk in de Ardennen geschied is. Viermannen kwamen in den nacht van eene naburige plaats terug, waar het markt geweest was. Zij waren allen dronken. Het begon te regenen en een van hen stak zijn regenscherm op Twee zijner medgezellen wilden met hem onder het scherm gaan, hij wilde dit beletten. Daarover ontstond een hevige strijd. De bezitter van het regenscherm droeg te gelijkertijd een stok met een degen bij zich; dezen trok hij nu en bracht daarmede een zijner vrienden een steek in den hals en een in de borst toe, en velde.hem dood ter neder. Vervolgens wendde hij zich tot den tweede en verwondde hem eveneens doodelijk, maar werd toch door dezen, die met een stok was gewapend, teruggedreven, viel achterover in eene door den regeu gezwollen beek en verdronk. De verwonde viel spoedig daarop dood neder. De vierde, de eenige getuige van dezen vreeselijken strijd, snelde door schrik bevangen naar huis, om van het gebeurde kennis te geven.
507
gelijk de Heidenen braakmiddelen neemt, om opnieuw te kunnen eten en drinken.
Het eten of drinken alleen ter voldoening van den smaak is, indien de juiste maat daarbij niet wordt overschreden, geene groote, maar toch eene dagelijksche zonde. Want daar de mensch, gelijk bij al zijne handelingen, ook bij het gebruik van spijs en drank een aan zijne redelijke natuur beantwoordend doel op het oog moet hebben, en de voldoening der zinnelijke, dierlijke neiging tot eten niet zoodanig is, blijkt van zelf, dat, wie bij het eten en drinken alleen die genoemde voldoening zoekt, welke -hij met de dieren gemeen heeft, afwijkt van de wet, door zijne redelijke natuur ingeprent. Derhalve heeft Paus Innocentius XI de stelling: „Uit voldoening alleen tot „verzadiging toe eten en drinken is geene zondein een decreet van 2 Maart 1679 veroordeeld. — Iets anders is het evenwel, alleen uit voldoening. alleen met het doel om zijne zinnelijkheid slaafs te dienen , spijs of drank te nemen , iets anders, dit met een edeler, den mensch en Christen waardig doel, maar niet, voldoening doen. Dit laatste is geenszins zonde, daar God, de wijze oorsprong onzer natuur, aan den mond den smaak, en ook aan spijs en drank de eigenschap gegeven heeft, welgevallig en aangenaam te zijn, deels opdat zij ons beter bekomen, deels echter ook, opdat wij ze met dankbaarheid jegens den algoeden Vader in den hemel nuttigen, en niet uit tegenzin verzuimen zouden, het noodige voedsel tot onderhoud van de gezondheid en het leven te nemen.
Gramschap.
De gramschap is eene ongeregelde beweging van het gemoed over een vermeend of werkelijk onrecht of over hetgeen ons op eenigerlei wijze onaangenaam is, meestal gepaard met het verlangen om zich te wreken. Wordt bijv. iemand van een ander door woord of daad beleedigd, of beeldt hij zich in, beleedigd te zijn, dan ontstaat gewoonlijk in het hart van den beleedigde eene prikkeling, welke tegen den persoon van den beleediger gericht is, en welke hem aanzet, om door oogenblikkelijke wraakneming voor het toegevoegde leed of onrecht zich vergoeding te verschaffen. — Wil de beleedigde eene groote wraak nemen, d. i. wil hij den beleediger een aanmerkelijk kwaad toebrengen, dan is de gramshap eene doodzonde, en wel des te grooter naarmate het kwaad grooter is, hetwelk de gramstorige den evennaaste toewenscht of zich beijvert hem
508
toe te brengen. Desgelijks is de gramschap ook eene doodzonde, als zij zich in vloeken, scheldwoorden en godslasteringen lucht geeft, of als men zich daardoor zoo laat meêsleepen, dat men groote ergernis geeft, alles, wat in handen komt, verbrijzelt en in stukken werpt. — Met de zondige gramschap mag echter de rechtvaardige afkeer of die toorn niet verwisseld worden, welke bij het zien eener misdaad uit liefde voor de orde, de rechtvaardigheid en den godsdienst voortkomt. Eene dusdanige gramschap is in geenen deele ongeregeld te noemen, als zij binnen de grenzen der gezonde rede blijft; zi] is veeleer goed en prijzenswaardig, daar zij niet weinig tot verhindering van het kwaad en tot bevordering van het goede bijdraagt. Yan deze heilige gramschap spreekt de koninklijke Profeet, waar hij zegt: „Wordt gram, maar wilt niet zondigen\'5 (Ps. IV, 5), en van haar was ook de allerheiligste en zachtmoedigste Verlosser bezield, als Hij de koopers en verkoopers uit den tempel te Jerusalem, uit het huis zijns Vaders verjoeg (Joan. II, 17). — Dat de onrechtmatige gramschap zeer vele en zware overtredingen, vooial van het gebod der naastenliefde, als haat, vijandschap, twist, verwenschingen, beschimpingen, vechtpartijen, verwondingen en doodslag tengevolge heeft, is reeds bij bet vijfde gebod Gods getoond. De H. Schrift heeft ons voorbeelden bewaard, welke bewijzen, dat de gramstorige zelfs voor den moord, der zijnen niet terugdeinst. Zoo wilde JSt-av, in de opwelling der gramschap zijnen broeder Jacob ombrengen (1 Mos. XXVII, 41), en Absaloyi doodde, door dezen hartstocht vervoerd, werkelijk zijnen broeder Amnon (2.gt;Kon. XIÏ). „De gramschapquot; zegt daarom de lï. Basilius (Hom. 10) , „scherpt het moordstaal en doopt het in het bloed „van den evenmensch ; in gramschap verloochent de broeder „zijnen broeder; vader en kinderen luisteren niet naar „de geheiligde stem der natuur. De gramstorige kent zich „zeiven niet meer; hoe zou hij nog zijne bloedverwanten „kennen? In zijne woeste onstuimigheid gelijkt hij den „bergstroom, welke in het dal neerstort, ea alles mede-„voert, wat hem in den weg komt. Niets is in staat den „als door razernij aangetaste binnen de grenzen der wel-„voegelijkheid te houden, noch de eerbied voor grijze „haren, noch de achting aan een deugdzamen wandel verschuldigd, noch de banden des bloèds, noch de dankbaar-„heid voor bewezene diensten/\' \') „De grammoedige,quot;
\') Hoe de drift den mensch vervoert, om zich zeiven en andereii or gelukkig te maken, is reeds vroeger in een voorbeeld getoond.
509
zegt de H. Ghrj\'sostonms (Redev. 8 tegen de Joden), „is „gelijk aan den dronkaard. Ook hem zwelt het gelaat op. „ook zigne stem wordt ontstuimig , ook ziine oogen schieten „vol met bloed, zijn verstand is bedwelmd, zijn oordeel „verbitterd, zijne tong trilt, zijne oogen draaien, zijne „ooren hooren niet goed, in zijn binnenste verheft zich „een storm en een on weder, hetwelk niet meer te bedaren „is.quot; \') Om deze verderfelijke gevolgen vermaande de Apostel de geloovigen van Ephese (IV, 31) zoo nadrukkelijk: „Alle bitterheid en drift en gramschap en getier en „laster worde uit uw midden verbannen , tegelyk met alle ..boosheid.quot;
Traagheid.
Men zondigt door traagheid, als men aan zijn natuurlijken afkeer van moeite en inspanning toegeeft, en zoo
Bizonder ongelukkig is liet, als ovei-neden zich aan de woede der gramschap overgeven, daar zij in den toestand van liartstochtelijke opwelling maar al te dikwijls aan de stem van recht en gematigdheid geen gehoor geven en onschuldigen als schuldigen straffen. — Theodosius de Groote, verbitterd over den smaad, welke zijn standbeeld te Thessalonica wedervaren was, gaf in de eerste opwelling van gramschap het bevel, om de in het amphitheater vergaderde onschuldige inwoners dier stad te overvallen en zonder onderscheid te vermoorden. — Lodewijk do Strenge, hertog van Beieren, bevond zich op eene plaats aan den Rijn, toen zijne in Donauwerth achtergebleven gemalin twee brieven schreef, waarvan de een aan den hertog, de andere aan Hendrik Kuscho, zijn krijgsoverste, gericht was. De beide brieven werden ongelukkig verwisseld, zoodat de. 1 satste den hertog in handen kwam. Eenige verplichtende uitdrukkingen, welke daarin voorkwamen brachten den hertog tot kwaad vermoeden en wekten zijne ijverzucht op Van gramschap ontvlamd sprong Lodewijk onverwijld te paard en snelde met ongehoorde inspanning, zonder te rusten of te slapen, naar Donauwerth. Daar aangekomen stiet hij den poortwachter van het slot omver, doodde eene kamenier, wierp eene andere over de tinne van den burgt naar beneden en liet den volgende morgen zijne ongelukkige gemalin, ongeacht haar smeeken, hare tranen en verklaringen van onschuld onthoofden. Spoedig gevoelde de wreedaard berouw over deze bloedige daad: in den daarop volgenden nacht is hij, naar men zegt, van spijt en schrik vergrijsd (Herbst. D. 2).
\') Een wijsgeer verhaalt, dat hij in zijne kinderjaren een mensch gezien heeft, die in aller ijl een deur wilde opensluiten, maar in weerwil van de grootste inspanning ■ er niet in kon slagen. Daarover geraakte deze zoodanig in woede, dat hij op den sleutel begon te bijten en hevig met den voet tegen de deur trapte. Daarbij liet zijne gramschap het echter niet berusten. Hij vloekte en raasde vreeselijk tegen den hemel, en stelde zich aan als een dolzinnige: zijne oogen spuwden vuur en kwamen ver uit hunne holten te voorschijn. Bij het zién van dezen man, zegt die wijsgeer, verkreeg ik zulk een haat en afschuw voor de zonde van gramschap, dat sinds dien tijd geen sterveling mij ooit gramstorig heeft gezien (Rodrigez. Over de versterving, hfdst. 9). — Mochten ook wij door dergelijke voorvallen, welke helaas! niet zeer zeldzaam zijn, van een derge-iijken afschuw en vrees voor de gramschap doordrongen worden 1
510
zijne plichten verzuimt. „Natuurlijkwordt de hier te bespreken afkeer genoemd, in zoover het in de natuur des menschen ligt, het moeielijke, d. i. alles wat moeite en inspanning kost, te vluchten, en naar het rustig en gemakkelijk genot des levens te reikhalzen. Aangaande dezen, iederen mensch aangeboren, afkeer van moeielijk-heden en ongemakken, welke meestal ongeregeld is en tot vele misstappen voert, vermaant da H. Schrift; „Haat „geen moeielijken arbeidquot; (Sir. Vil, 16). — Hier lette men op het onderscheid tusschen de traagheid ten aanzien van het tijdelijk geluk, namelijk van het lichamelijk welzijn, en tusschen de traagheid met betrekking tot het geestelijk geluk, tot den Gode behagelijken toestand der ziel, daar de laatste, waarvan hier vooral spraak is, zeer dikwijls zonder de eerste bestaat.
1) De eerste soort van traagheid, welke ook lichamelijke traagheid, schrik voor den arbeid, lediggang, kan genoemd worden, is afkeer, tegenzin, verdriet in den arbeid in het algemeen of tenminste in de werkzaamheden eigen aan iemands beroep, ouderdom en stand. Deze afkeer van den-arbeid en de daaruit voortkomende ledigheid strijdt rechtstreeks met de orde van God; want van het oogenblik af, dat over den zondigen stamvader aller menschen de rechtvaardige straf is uitgesproken: „De aarde zij vervloekt „in uwe werken, met veel arbeid zult gij van haar alle „dagen uws leven eten.... In het zweet uws aanschijns „zult gij uw brood etenquot; (1. Mos. Ill, 17, 19), van dat noodlottig oogenblik af wordt de mensch tot den arbeid geboren, gelijk de vogel tot het vlieger: (Job. V, 7). De arbeid is dus eens onvermijdelijke noodzakelijkheid zoowel voor iederen mensch op zich zei ven, als voor geheel het menschelijk geslacht. Ondervinding en geschiedenis bewijzen duidelijk, dat schrik voor den arbeid en ledigheid niet slechts over enkele personen, maar over geheele huisgezinnen , gemeenten, steden en landen eene onuitsprekelijke ellende verspreiden. Waar deze kwade geesten zich nestelen , daar wordt de nauwkeurige plichtvervulling en met haar de maatschappelijke orde omvergeworpen, daar verheffen ontevredenheid, haat, oproer, ongebondenheid en zedeloosheid vermetel het hoofd, en openen voor duizendvoudigen nood en allerlei ongelukken deur en poort. Ontelbare malen wordt de uitdrukking van den wijzen Salomon bewaarheid: „uit hoofde van de koude heeft de trage niet willen „ploegen; derhalve zal hij in den zomer bedelen en men „zal hem niets gevenquot; (Spreuk. XX, 4). En daar de ledigganger niet traag is om te genieten, zal hij gemakke-
511
lijk naar vreemd goed zijne handen uitsteken; hij zal door leugen, bedrog, diefstal en andere slechte middelen zoeken te verkrijgen, wat hij op de door God vastgestelde wijze uit traagheid niet weet te verdienen. Daarom heet de ledigheid het begin van alle zonden, en de H. Geest zeli getuigt: „De ledigheid leert veel kwaad\'\' (Sir. XXXIIi , 29). — Hoe beschamend is het voor den ledigganger, dat hem door dien Geest van waarheid tot leermeester wordt aangewezen een dier, hetwelk zelf geen leermeester, geen aanvoerder heeft! „Ga,quot; zegt Hij (Spr. VI, 6), „ga „bij de mier, gij trage, beschouw hare wegen en leer „wijsheid!quot; Zie, hoe vlijtig zij dag aan dag bezig is, en voorraad voor den komenden winter verzamelt. O leer van haar; arbeid vlijtig, vooral voor den hemel; want de levensdagen nemen af, de nacht komt, in welken niemand meer werken kan.
2) De geestelijke traagheid, ook lauwheid genaamd, is een toestand van nalatigheid en tegenzin met betrekking tot datgene, wat den dienst van God en het heil onzer ziel aangaat. De lauwe Christen onderscheidt zich wel van den grooten zondaar; hij tracht eenigszins aich voor grove buitensporigheden en misdaden te hoeden; maar eerstens doet hij weinig goed. Niet alleen geeft hij zich geene moeite, om die goede werken te verrichten, waartoe hij \'niet streng verplicht is, maar hij verzuimt zelfs de oefeningen van deugd en godsvrucht, waartoe hij verplicht is, verwaarloost het gebruik van ontelbare genademiddelen, versmaadt en veracht vele goddelijke ingevingen. Op de tweede plaats doet hij het weinige goed, hetwelk hij verricht, in den regel slecht. Bij het gebed is hij lauw, slaperig en verstrooid; bij het hooien van het goddelijk woord gevoelt hij walging en verveling; de H. Mis woont hij zonder aandacht bij; de HH. Sacramenten ontvangt hij zonder voor bereiding en zelfs dan, als hij met eenigen ijver aan een werk van godsvrucht begint, verliest hij spoedig weder den lust daartoe. Bovendien gaan deze en andere goede werken dikwijls gepaard met onedele bedoelingen, ijdelheid, zelfbehagen, menschenvrees en derg., omdat hij zelfs het goede meestal zonder ware deelneming des harten, alleen voor den schijn verricht. Het ergste is echter op de derde plaats, dat de lauwe veelal zijn uiterst gevaarlijken toestand niet inziet. Daar hij eenige christelijke plichten vervult, grove, in het oogloopende fouten vermijdt, houdt hij zich voor rechtvaardig, vlekkeloos, dankt God gelij k de Phariseër, dat hij niet is gelijk anderen. Is het reeds zoover gekomen, dat hij niet alleen de dagelijksche zonden
512
niet acht, maar ook wezenlijke plichten schendt, en bijgevolg de heiligmakende genade verloren heeft, dan wordt hij door eigenliefde en eigenzinnigheid zoozeer verblind, dat hij zijn droeven val niet inziet, wijl hij dien niet inzien wil. Hij let slechts op het weinige goede, dat hij doet, maar bedenkt niet, hoeveel goed hij verzuimt, hetwelk hij doen moest en zelfs in geweten streng verplicht is te doen; om den balk in zijn oog niet te zien, richt hij zijn oog op den splinter in het oog van zijnen even-mensch. Deshalve zegt God tot zulk eenen (Openb. III, 17): „gij zegt: ik ben rijk, ik heb overvloed en behoef „niets, en gij weet niet, dat gij ellendig en jammervol „zijt en arm en blind en naakt.\'\' „Ja,quot; zegt de H. Gregorius (Mor. 34. hfdst. 3), „wel is een zoodanige arm, „omdat hg geen rijkdom van deugden bezit; blind, omdat „hij niet ziet; naakt, omdat hij het schoone kleed der „heiligmakende genade verloren heeft.quot; Deze zyn de ken-teekenen der geestelijke lauwheid. — Uit de gegeven verklaring is gemakkelijk af te leiden, tot welk een diepen afgrond van verderf de lauwheid, voert. Ook het droeve lot van den tragen knecht, die aan handen en vtfeten gebonden in de uiterste duisternissen geworpen werd, en dat van de dwaze maagden, door den hemelschen Bruidegom van zijn bruiloftsmaal uitgesloten, toonen ons duidelijk, hoe de weg der lauwen eindigt. „Het begin des verderfs,quot; zegt de H. Ephraïm, „is de lauwheid, welke eerst bij onbe-„duidende aangelegenheden insluipt, later echter, den „geheelen mensch verstrikkende, hem aanzet, allen ijver „in de beoefening van den godsdienst te laten varen en „het juk quot;van den dienst des Heeren af te schudden quot; Werkelijk is het een bijna alledaagsch verschijnsel, dat lauwheid in geestelijke zaken tot verzuim der gewichtigste en zwaarste godsdienstige plichten verleidt en allengskens onverschilligheid in het geloof, ja ongeloof veroorzaakt (Yerg. Deel I). Niet zelden is ook de onboetvaardigJisid een gevolg der lauwheid en nalatigheid in den dienst van God, deels omdat de lauwe, gelijk boven is opgemerkt, te hoogmoedig is, om zijne schuld in te zien en goede vermaningen aan te nemen; deels omdat hij ten laatste te vreesachtig, krachteloos en kleinmoedig wordt, om den harden en moeielijken weg van boetvaardigheid en ernstige verbetering des levens in te slaan en met volharding te bewandelen. Daarom spreekt God die schrikwekkende woorden , welke iederen lauwen Christen, alvorens hij in den gapenden afgrond van onboetvaardigheid nedervalt, uit zijn dood-aanbrengenden slaap moesten opwekken; „0 dat gij
513
„koud waart of warm! Maar omdat gij lauw zijt, en noch „koud noch warm, zal Ik u uit mijnen mond uitspuwenquot; (Openb. III, 16). Waart gij koud, waart gij een groot zondaar in uwe en in aller oogen, dan vermocht misschien de gedachte aan mijne eeuwige straffen u te ontstellen, en uw versteend hart te verteederen; daar gij echter lauw zijt en u zei ven voor rechtvaardig houdt, maakt niets indruk op u, noch de menigte uwer zonden en verzuimenissen, noch de strengheid van mijn vonnis, noch de ernstige aandrang mijner ingevingen; daarom zal Ik u mijne hizondere bescherming onttrekken en toelaten, dat gij door Satan en uwe hartstochten met voeten getreden wordt, gelijk het speeksel, hetwelk men uit zijnen mond uitwerpt. \')
De leer over de hoofdzonden of hoofdondeugden is zonder twijfel van zeer groot nut voor iederen Christen, omdat eenieder daaruit licht kan afleiden, hoe zorgvuldig hij zich er voor hoeden en hoe krachtig hij de reeds ingewortelde uitroeien moet. Gelijk uit het vorige blijkt zijn al deze misdaden zoo afschuwelijk en in hare gevolgen zoo verderfelijk, dat het geen verder betoog behoeft, om den Christen te bewegen, met alle voorzichiigheid eiken toegang tot het hart te versperren, en voor zoover zij ingeslopen zijn, ze streng daaruit te verbannen. Wel het voornaumste middel, om dit dubbel doel te bereiken, is de beoefening van de aan elke hoofdmisdaad tegenovergestelde christelijke deugd. Daar in de volgende afdeeling hierover zal gehandeld worden, mogen wij ons hier ter plaatse bepalen bij het aanwijzen van een middel, hetwelk ter vermijding en uitroeiing der besproken hoofdzonden in het algemeen en van ieder dezer in het bizonder van het grootste nut is. i) Dat middel is de ontdekking en bestrijding der heerschende neiging van ons hart , uit welke gewoonlijk eene of ook meer dier hoofdzonden voortkomen.
Heerschende. neiging of hoofddrift noemt men doorgaans die, welke den mensch tot eene bepaalde soort van zonden aanzet, over de andere neigingen of drilten des harten gebiedt en deze als werktuigen tot het plegen der lievelingszonde gewoonlijk bezigt. Heeft bijv. in een hart de hebzucht de overhand, dan zal zij niet in gebreke blijven, den mensch tot gierigheid, en alle daarmede verwante en daaruit
gt;) Een jeugdig kluizenaar zeide eens tot een godvruchtigen oud-vader, zijn geestelijken leermeester: „Hoe komt het, mijn vader, «dat tegenzin en traagheid mij overmeesteren?quot; //Dit is een bewijs, „dat gij u noch de heerlijkheid des hemels, noch de pijn der hel „behoorlijk voor oogen stelt,quot; was het antwoord; //want als gij dat z/dtedt, dan zouden het verlangen naar de eeuwige zaligheid en de ,/vrees voor de eeuwiye straffen u genoeg aansporen tot ijver en „tot berouw, waarmede men die slaperigheid en traagheid van het //gemoed dapper bestrijden kanquot; (Hahn-Hahn. Vaders der woestijn; bladz. 242). Wenden ook wij dit middel aan tegen de verdertelijke zielsziekte der lauwheid.
2) Dewijl in de eerstvolgende afdeeling over de tegenovergestelde deugden gehandeld wordt, zullen wij hier niet, gelijk men anders e woon lijk doet, de middelen tegen elke hoofdzonde aangeven. Aan en Katecheet die ze hier ongaarne mist, staat het vrij, met de verklaring der hoofdzonden de loer over de tegenoverstaande deugden te vereenigen, en dan blijkt het van zelf, welke middelen tegen elke hoofdzonde moeten gebruikt worden.
33
DEHARBE, GELOOFSLEER. III 3lle DRUK.
514
voortkomende zonden aan te zetten; zij zal alle neigingen en krachten der ziel en zelfs des lichaams dienstbaar maken om haren dorst naar tijdelijk goed te stillen. Op gelijke wijze zal ook de hoogmoed en de heerschzucht hare heerschappij over \'het hart en over hét leven des menschen uitoefenen. Wil dus de Christen zich voor de zonde hoeden, of het aangewende kwaad afleggen, dan dient hij vooral te weten, welke zijne heerschende neiging is, tot welke zonden zij aanzet. Deze zoo gewichtige en heilzame kennis zal men het gemakkelijkst verkrijgen, als men geheel zijn verloopen leven aan een ernstig onderzoek onderwerpt. De zonde, waarover men zich in de meeste gevallen moest aanklagen, de bekoringen, waartegen men het meeste en het aanhoudendst te strijden heeft, verraden den heerschenden hartstocht, welke zich overigens met ongeloofelijke sluwheid zoekt te verbergen, te vermommen, en zich tracht te beveiligen voor de aanvallen van den goeden wil. De beste en zekerste middelen echtar, om den heer-schenden hartstocht te ontdekken, zijn: voortdurende oplettendheid op inwendige opwellingen, op woorden en handelingen, het dage-lijksch gewetensonderzoek en het gebed om verlichting van boven. Hoe aanhoudender gij God om het bovennatuurlijk licht der genade bidden zult, des te klaarder zult gij ook de geheimste gangen dier lievelingszonde doorschouwen. — Heeft men eenmaal zijn hoofdhartstocht leeren kennen, dan moet men dien als den allergrootsten en gevaarlijksten vijand der ziel bestrijden. De heerschende neiging is werkelijk onder andere neigingen tot het kwaad, wat Goliath was onder de Philistijnen. Is deze hoofdvijand verslagen, dan zal-len wij de overige vijanden met geringe moeite in bedwang houden en overwinnen. Men grijpe dus de heerschende neiging, welke zij ook zijn moge, met moed en vastberadenheid aan; hoe heviger de aanval is, des te zekerder de zegepraal. \') Eene enkele heldhaftige overwinning maakt somtijds aau dien strijd tegen den Goliath des harten een spoedig einde.
Zeer dikwijls evenwel is deze geestelijke strijd langdurig en hardnekkig. De lievelingsneiging herstelt zich spoedig weder van de geleden nederlaag en keert tot een vernieuwden, niet zelden zeer hevigen. aanval terug en dit vooral, als de strijder van Christus er niet ernstig op bedacht is, om alles van zich te verwijderen, wat die drift gaande, maken en ontsteken kan. Daarom, Christen, verlies uwen hoofdvijand nooit uit het oog; laat nooit na, hem krachtig te bestrijden; maak iederen morgen bij het opstaan het vaste voornemen, door het bestrijden van uw hoofdgebrek hem eene nederlaag toe te brengen. Zeg met den vromen koning David (Ps. XVII, 3s): „mijnen vijand „wil ik vervolgen en aanvallen; ik wil niet omkeeren, voordat hij „verdelgd is;quot; bid God om den krachtigen bijstand zijner genade en
i) In den oorlog, welken de koning van Syrië tegen Achab, koning van Israël, voerde, beval hij aan al zijne veldoversten: „Strijdt niet „met den geringste en niet met den grootste, behalve metdenkonirg „van Israël\' (2 Kron. XVIII, 30). De dappere aanvoerder des legers koesterde namelijk de houp, dat de dood van den koning hem gemakkelijk de zegepraal op het geheele vijandelijke leger zou do3n behalen. En deze hoop bedroog hem niet. Want zoodra Achab door een in het onzekere afgeschoten pijl gedood was, week het geheele leger van alle kanten, en de krijg nam plotseling een einde. Zoo zal ook de geestelijke strijd van den mensch een gunstigen afloop hebben, een gelukkig einde nemen, als hij vooral den koning zijner hartstochten aangrijpt en tracht te overwinnen. De pijlen, welke voor dezen hooldvijand dienstig zijn, mogen echter niet in net onzekere worden afgeschoten. De strijder moet goed mikken en zich moeite geven, om de wondbare plaats van den aanvoerder en gebieder zijner hartstochten op te sporen.
515
betreed moedig en onverschrokken de strijdplaats. Vraag \'s avonds, alvorens gij n ter ruste begeeft rekenschap aan u zei ven, hos gij gedurende den dag den strijd des Heeren gestreden hebt, tel de overwinningen, welke gij behaald hebt, en dank er den Allerhoogste voor; tel ook de nederlagen welke gij hebt geleden, verwek daarover een oprecht berouw, en leg u zeiven eene boete daarvoor op. //A!s ,/het ons vermogen geldt,quot; zegt de H Chrysostomus zeer schoon, quot;gt; ,/dan gaan wij gaarne des morgens reeds aan het rekenen; met be-,trekkiiig tot onze handelingen is \'t het beste, des avonds rekening «te houden, als wij alleen zijn en niemand ons hindert en stoort. „Dan moeten wij over alles, wat wij gedurende den dag gedaan en ,/gesproken hebben, aan ons zelve rekenschap afleggen. Bemerken ,wij, dat wij gezondigd hebben, dan moeten wij onze ziel tuchtigen, „ons hart straffen, en ons gemoed met zulk een berouw vervullen, ,/dat het, als wij weder zijn opgestaan, nooit meer waagt ons in ^dezelfde zonden te storten.quot;
©ver tie zonden tegen den H. Oeest.
Zonden tegen den H. Geest zijn die, welke uit boosheid geschieden, bizonder strijden tegen Gods barmhartigheid, en daarom zeer zelden vergeven worden.
Onbetwistbaar is elke zonde, waaraan de mensch zich schuldig maakt, volgens hare natuur tegen den H. Geest, die een Geest der waarheid is. Onder dit opzicht zijn echter ook alle zonden tegen den Vader en den Zoon, daar de Vader en de Zoon, geli]k de H. Geest, oneindig heilig zijn, en de boosheid van elke zonde oneindig haten. Er is niettemin eene soort van zonden, welke in het bizonder „zonden tegen den H. Geestquot; worden genoemd, omdat zij meer dan andere den H. Geest, als den oorsprong aller genade en heiligheid, weerstaan. De eigenlijke, op bizondere wijze tegen den H. Geest gerichte boosheid dier zonden bestaat daarin, dat degenen, die ze bedrijven, aan de genade van den H. Geest, welke den mensch door de goddelgke goedheid tot de eeuwige zaiigheid wordt aangeboden, met opzet wederstaan, ja deze met hardnekkigheid van zich stooten, en zoo den goddelijken Gever met diens gaven verachten. Van deze zonden zegt Christus, „dat zij noch in deze, noch in de toekomende wereld verbeven wordenquot; (Matth. XII, 32). Sommige Katholieken, wanneer zij deze woorden des Heeren lezen of hooren, geraken in moeielijkheid, hoe zij die in overeenstemming moeten brengen met de leer der Kerk, welke ons voorhoudt, dat alle zonden hoe groot en zwaar zij ook zgn
vergeven kunnen worden.
-*-
\') Homel. Non esse ad gratiam concionand.
33*
516
Om deze moeielijklieid op te lossen moeten wij eenige onderscheidingen maken.
De goddelijke Verlosser sprak deze woorden tot de Phariseën, die voortdurend de heiligheid van Christus aanschouwden en biina dagelijks getuigen waren van zijne wonderwerken. Zij konden en moesten de goddelijke zending des Verlossers kennen, en niettegenstaande hunne volle overtuiging wilden zij de waarheid niet zien; zij waren op den Zaligmaker verbitterd, beschuldigden Hem, dat Hij een onreinen geest in had en trachtten Hem te dooden. De Phariseën maakten zich alzoo schuldig aan opzettelijke Godslastering teg\'en den H. Geest, welke gepaard ging met zulk eene groote hardnekkigheid en verstoktheid van wil, dat de onboetvaardigheid ten einde toe hun deel zou zijn.
De Zaligmaker gaf hun dikwijls en niet onduidelijk te kennen, dat Hij kennis droeg van hunne opzettelijke Godslastering tegen den H. Geest, dat zij overtuigd waren van de waarheid, maar niet wilden gelooven en juist daarom Hem naar \'t leven stonden , zooals onder anderen blijkt uit de schoone gelijkenis bij Mattb. XXI, 32—41.
Ook de H. Marcus leert ons, dat de zonde der Phariseën bestond in opzettelijke Godslastering van den H. Geest. Na mededeeling van de aangehaalde woorden des Heeren, laat hij er onmiddellijk op volgen: „want zij zeiden: Hij „heeft een onreinen geestquot; (Marc. Ill, 39). De Phariseën zagen de wonderen van Christus, en zij beschuldigden Hem, dat Hij den duivel in had. Hoe is dit anders te verklaren dan alleen door boozen wil ?
Die zonde tegen den H. Geest zal den opzettelijken Godslasteraars niet vergeven worden. Zoo lezen wij bij Joan. VII, 34; „gij zult Mij zoeken, en niet vinden. En „waar Ik ben, kunt gij niet komen.quot; En nog duidelijker Joan. VIII, 21: „Ik ga henen, en gij zult Mij zoeken, „en in uwe zonden sterven.\'\'
En waarom nu zou die zonde niet vergeven worden, waarom zouden zij in hunne zonde sterven? Niet omdat die zonde in haar zelve onvergeeflijk is; alle zonden, boe groot of zwaar zij ook zijn, kunnen vergeven worden, maar omdat zij door hunne opzettelijke Godslastering tegen den H. Geest voor zich zeiven geheel vrijwillig de bron der genade afgesloten en alzoo het middel tot hunne be-keering met vrijen wil verworpen hadden.
Duidelijker nog.
De gelieele H. Drievuldigheid heeft medegewerkt en werkt mede aan het groote werk der verlossing. De Vader geeft
517
ons zijn eengeboren Zoon tot verlosser; de Zoon heeft ons voor zijn lijden en kruisdood met den Vader verzoend, en de wereld verlost, en de H. Geest is de uitdeeler der genade voor ons door Christus verdiend. Maar wie nu de genade hem door den H. Geest aangeboden verwerpt, hij verwerpt immers het geheele werk der verlossing? Hij verwerpt het geschenk des Vaders, het werk des Zoons, hij vertreedt — zooals de H. Paulus ons leert — den Zoon Gods zei ven, en maakt het bloed des Verlossers, waarin hij geheiligd is, onrein, wanneer hij den H. Geest smaad heeft aangedaan.
En hoe zou nu zoo iemand, die de geheele verlossing verwerpt, aan de vrucht der verlossing, welke bestaat in de vergiffenis der zonden en het eeuwig leven, deelachtig kunnen worden? Nog eene moeielijkheid blijft ons op te lossen.
De goddeliike Heiland spreekt wel alleen tot de Phariseën , maar niet alleen over de Phariseën. Hij spreekt in algemeene bewoordingen en zegt: „al wie zal gelasterd hebben tegen „den H. Geest, die zal geene vergeving hebben in eeuwigheid.quot; , Hierop kan met korte woorden geantwoord worden: al wie evenals de Phariseën zich aan zulke opzettelijke Godslastering schuldig maakt, en evenals zij met zulke boosheid en verstoktheid van wil aan de waarheid weerstand blijft bieden, ook hem zal dezelfde straf treffen: de onboetvaardigheid ten einde toe. Getuigen hiervan, helaas! in alle eeuwen der Kerk en ook in onze dagen zoovele afvalligen der Kerk en hardnekkige ketters, bij wie men dagelijks onrust op het gelaat kan lezen, en die toch sterven zooals zij geleefd hebben. — Uit \'s Heeren woorden volgt geenszins, dat het volstrekt onmogelijk is, op te houden, tegen den H. Geest te zondigen, zijne genade te verstoeten en te verachten. Eet staat allen gewis ten allen tijde vrij, zich van deze tegen den H. Geest strijdende stemming van den wil te ontdoen, gelijk het den zieke vrij staat, het afgewezen reddingsmiddel eindelijk toch te gebruiken. Geeft de zondaar nu aan den invloed der goddelijke genade weder plaats in zijn hart, laat hij zich daardoor tot een rouwmoedigen en vermorzelden terugkeer tot God stemmen, dan vindt ook hij weder vergeving bij den Vader van barmhartigheid, en de vloek, welke op de zonde tegen den H. Geest rust, wordt weggenomen. Het is dus met de niet vergeving dier zonden gelegen als met zekere ziekten, welke men ongeneeslijk noemt, niet als of de genezing er van geheel onmogelijk ware, maar omdat die zeer moeielijk is, en daarom slechts zelden plaats heeft.
Als „zonden tegen den H. Geest\'\' worden door den H.
518
Augustinus, door den H. Thomas en alle Godgeleerden de volgende genoemd:
1) Aan Gods genade wanhopen. Door vermetel vertrouwen misbruikt de zondaar de genade der goddelij ke barmhartigheid om te zondigen, door wanhoop stoot hij die tot zijn eeuwig verderf van zich af, daar hij namelijk alle hoop opgeeft, de vergeving zijner zonden en de eeuwige zaligheid te verkrijgen. Ook deze wanhoop is dus eene zonde tegen den H. Geest en wel eene zeer groote, gelijk reeds vroeger bewezen werd. Aan eene zoodanige zonde maakte zich Caïn schuldig, toen hij zeide: „mijne misdaad is te groot, „dan dat ik vergeving zou kunnen verkrijgenquot; (1, Mos. IV, 13); desgelijks Judas, de verrader van onzen Heer, die, nadat hij de rampzalige gevolgen van zijne afschuwelijke misdaad had ingezien, in grooten zieleangst voor de Opperpriester en Oudsten uitriep; „Ik heb gezondigd, „onschuldig bloed verradende,\'1 en in wanhoop zich ophing (Matth. XXVII). \'j
2) Vermetel, dal is zonder deugd, op Gods iarmhartigheid zich laten voorstaan. Zóó zondigt, gelijk reeds vroeger is getoond, degene, die van de grootheid der goddelijke barmhartigheid partij trekt, om des te vrijer te zondigen of des te langer in de zonden te verblijven. Een dusdanige zondigt tegen den H. Geest, wijl hij de oneindige barmhartigheid van God, die ter wille van zijne zaligheid de welverdiende straffen nog terughield, en hem uitnoodigde vol vertrouwen terug te keeren, misbruikt, om zijn hart te versteenen, en zich steeds dieper in het slijk der zonde te werpen. Wie vermetel op Gods barmhartigheid vertrouwende zondigt, veracht dus den rijkdom der goddelijke goedheid, het geduld en de lankmoedigheid Gods, en haalt zich straffen op den bals voor den dag van gramschap en rechtvaardige vergelding (Eom. I, 4, 5). Vandaar past op hem de waar-
1
) Niet zelden komen zij, die in hun leven vermetel op Gods barmhartigheid gezondigd hebben, door goddelijke toelating op het sterfbed tot wanhoop. Pater Cattaneo verhaalt — in zijne preek over den goeden dood — van een jeugdigen wellusteling, wien men dikwijls vermaande, dat hij toch zijn leven zou veranderen, doch die gewoon was te antwoorden: «-Eene Heilige, die almachtig is, //trekt zich mijner aan; deze Heilige is de barmhartigheid Gods.quot; Met die spreekwijze wees hij alle heilzame voorstellingen der goddelijke straffen spottend van de hand. Door eene doodelijke ziekte aangegrepen, liet hij echter een Biechtvader roepen; maar terwijl hij zich tot de Biecht voorbereidde, kwamen hem de zonden vin zijn geheele leven in zoodanige menigte en afschuwelijkheid voor den geest, dat hij vol schrik en ontzetting uitriep; »Ü eindeloos zonden-;/registor!quot; Hij stierfin wanhoop, voordat het hem gegeven was, zich met God te verzoenen (Ligorio. Preek 52).
519
schuwing van den Geest van waarheid (Sir V, 6—9): „Zeg niet: de barmhartigheid des Heeren is groot, Hij „zal de menigte mijner zonden vergeven.... Toef niet, „u tot den Heer te bekeeren, en stel het niet uit van „den eenen dag tot den anderen; want plotseling komt „zijne gramschap, en ten tijde der vergelding zal Hij u „vernietigen.quot; i)
3) De bekende christelijke waarheid iestrijden. De openbaring van den christelijken godsdienst en van elke afzonderlijke geloofswaarheid is zonder twijfel eene genade Gods, een lichtstraal, welke, van den Vader des lichts uitgaande, de duisternissen van ons verstand verlicht en onze schreden richt op het smalle, gevaarvolle pad der aarde naar het hemelsch vaderland. Wie dus de waarheden van het Christendom kent en, in weerwil van het goddelijk gezag, waardoor zij gewaarborgd zijn, ze niet aanneemt, maar bestrijdt of hardnekkig loochent, hij wederstaat voorbedachtelijk aan de genade en aan den Gever
!) Ongelukkig zijn er vele Christenen, die, levende in de hoop, dat het hun zal gegeven zijn, bij het naderen van den dood zich door de Biecht met God te verzoenen, gestadig voortzondigen en in de zonde volharden. Mochten deze beklagensvvaardigen, wier eeuwige zaligheid elk oogenblik op het spel staat, zich de bekende woorden van den H. Augustinus herinneren /,een moordenaar heeft God in z/getiade aangenomen, opdat gij niet zoudt wanhopen, maar slechts z/éénen, opdat gij niet vermetel zoudt hopen;quot; of aan die van den H. Gregorius den Groote: //God, die den boetvaardige vergeving z/heeft beloofd, heeft den zondaar den dag van morgen niet ver-//zekerd.quot; Hoe uiterst gevaarlijk het is, op Gods goedheid en barmhartigheid zich verlatende, te zondigen, te biechten, en in de hoop van andermaal te kunnen biechten, weder te zondigen, bewijst het voorbeeld, hetwelk D. II bladz. 510 werd aangehaald. — Wij voegen er nog een bij, hetwelk in het jaar 1824 in ons Holland is voorgevallen. Een persoon, die een buitensporigen levenswandel leidde, werd door eene beroerte getroiïen en liet een priester roepen Deze kwam, en daar de zieke teekenen van oprecht berouw gaf, sprak hij over haar de H Absolutie uit. Het gevaar-ging voorbij, en de herstelde viel in de oude zonden terug. Een tweede aanval van beroerte gaf aanleiding om denzelfden priester voor de tweede maal aan het ziekbed te roepen. Zelfs dezen keer toonde zij eene buitengewoon rouwmuedige stemming, deed de heiligste verzekeringen en kreeg, omdat zij in groot gevaar verkeerde, andermaal de vergeving van hare zonden. Kauwelijks echter was de rampzalige weder hersteld, of zij leefde even godvergeten als tevoren. Nogmaals trof de vermetele zondares eene beroerte, en nogmaals zond zij naar denzelfden priester, dat hij toch zoude komen, om hare Biecht te hooren. Toen deze gereed stond, om zich naar de zieke te begeven, kwam eene bode (niemand kon in het vervolg weten, wie en van waar zij was geweest) en boodschapte den priester, dat hij zich niet behoefde te haasten, dat er niet het minste gevaar aanwezig was. Zoo werd dan het bezoek der zieke tot den volgende dag uitgesteld. Intusschen was de ongelukkige zonder eenige vertroosting van den heiligen godsdienst gestorven (Uit schriftelijke mededeeling).
520
der genade, aan den H. Geest. Aan deze zonde maken zich allen schuldig, die niet, gelijk Saulm, uit onwetendheid , maar met volle kennis van de waarheid van onzen godsdienst, dus uit boosheid, de geloofsleer aanvallen, lasteren, vervalschen en loochenen. Zulke menschen treden in de voetstappen van den toovenaar Elymas, die aan de Apostelen Paulus en Barnabas, toen zij op het eiland Cyprus het Evangelie verkondigden, weerstond; van den toenmaligen landvoogd Sergius Paulus, die tot de aanneming der christe-lijke leer overhelde, doch de beide Apostelen zocht tegen te werken, en wien Paulus dus aansprak; „0 gij vol van „arglist en van alle bedrog, kind des duivels, vijand van „alle gerechtigheid! gij houdt niet op, de rechte wegen „van den Heer te verkeeren!\'\' (Hand. XIII, 10). »)
4) iJe broederlijke liefde benijden. De nijd, van welken hier sprake is, heeft betrekking op de bovennatuurlijke goederen, gaven en genaden, welke de Geest Gods in de harten van den evenmensch uitstort, waardoor Hij zijn rijk van genade en liefde in hen vestigt en uitbreidt. Zoo benijdde Cain zijnen broeder Abel, omdat Godgrooter behagen in diens offer had, dan in het zijne (1 Mos. IV). Zoo benijden zondige menschen diegenen, die zich door deuga en godsvrucht kenmerken: de bovennatuurlijke voorrechten van de laatsten zijn hun een doorn in het oog1; zij kunnen het goede, de vruchten van den H. Geest, in anderen niet dulden, omdat zij zelve boos zijn, en vruchten van den geest der duisternis voortbrengen. De hoogste boosheid van dezen nyd uit zich in de droefheid over den duur en den wasdom van het rijk Gods in de wereld en in de vreugde over de vermindering der kinderen Gods. Het blijkt van zelf, dat eene zoodanige, waarlijk duivelsche droefheid en vreugde eene zeer groote zonde is tegen den Geest der heiligheid, in zekere mate eene vrucht van den haat tegen Hem. Aan deze zonde maakten zich schuldig de vijanden van het Joodsche volk, als zij het wilden verhinderen , voor den Heer van hemel en aarde den tempel te Jerusalem weder op te bouwen (1. Esd. IV); desgelijks
1
niet gelooft, is reeds geoordeeld..... Dit echter is het oordeel,
»dat het licht in de wereld is gekomen, en de menschen de duis-ternis meer beminden dan het licht.quot; Een voorbeeld hiervan zie deel 1 bladz. 95.
521
de Joden zelve, toen zij de verbreiding van het rijk van Christus onder de Heidenen tegenwerkten, volk en overheid tegen de Apostelen opstookten (Hand. XILI, 14). Aan deze zonde maken zich ook nog ten huidigen dage velen schuldig, die zeer gaarne zien, dat men Joden en Turken en elke sekte bescherming en vrijheid verleent, maar aan de katholieke Kerk alle vrije beweging misgunnen en hare heiligste rechten snood bespotten.
5) Halsstarrig zijn in Loosheid. Heilzame vermaningen, zij mogen onmiddellijk van God uitgaan, gelijk dit bij inwendige verlichtingen, ingevingen, opwekkingen tot het goede, waarschuwingen voor het kwaad het geval is, of wel middellijk van God komen, bijv door den mond van de H. Kerk en van hare bedienaren, van ouders, overheden , vrienden, bekenden of onbekenden, of door verschillende voorvallen en gebeurtenissen, als door een haastigen dood van bloedverwanten of bekenden, door oorlog, hongersnood; vermaningen, welke ons tot boetvaardigheid en een oprechten terugkeer tot God aanzetten, zijn telkenmale eene genade van boven, een wenk van God, eene roepstem van den H. Geest. Wie nu zijn hart voor die genade met opzet versteent, weerstaat den H. Geest en verdient de harde berisping, welke de H. Stephanus tegen de medeleden van den Joodschen Raad, die, in weerwil van het wonder der verrijzenis van den Heer, toch niet aan zijne godheid wilden gelooven, met heilige verontwaardiging uitsprak: „Gij hardnekkigen en onbesnedenen „van hart en ooren! gij wederstaat altoos den H. Geest; „gelijk uwe vaderen, eveneens ook gijquot; (Hand. VII, 51). Deze zonde beging ook F/iarao, wiens hart in weerwil der verbazende wonderen en teekenen, waardoor God hem uit-noodigde om de Israëlieten uit de slavernij vrij te laten, hard en verstokt bleef (2. Mos. VII). i)
\') De meermalen genoemde Pater Alexander van llhodes bericht in zy?e. «Missiereizen in Tonking- en Cochinchinaquot; een voorval, hetwelk duidelijk bewijst, hoe vreeselijk God hen straft, die voor heilzame vermaningen hun hart gesloten houden. Een zeer rijk koopman, die echter een slecht Christen was, afkomstig uit de provincie Quinchin, ■woonde in de haven van Kean en verrijkte zich door den handel. Sedert eenigen tijd had hij zijne wettige vrouw verlaten, om eene andere te nemen, met wie hij tot groote ergenis der Christenen en zei Is der Heidenen in verboden omgang leefde. Dikwijls had ik hem vermaand en eenige malen over de groote misdaad, welke hij beging, berispt. Ik had hem met de gramschap van God, die hem voorzeker niet ongestraft zou laten, bedreigd. Al mijne vermaningen en bedreigingen bleven vruchteloos. De verstokte kon er niet toe besluiten, de ongelukkige vrouw te verlaten. Toen kwam God tusschen beide
522
a
6) Het berouw of de boetvaardigheid verachten. Aan deze zonde tegen den H. Geest maakt zich schuldig degene, die niet alleen, trots alle vermaningen en waarschuwingen, in de zonde verblijft, maar ook het voornemen maakt, om altijd daarin te verblijven. Bij dusdanigen komt behalve de zooeven besproken versteendheid nog het vaste besluit van den wil om tot het einde des levens verstokt en doof te blijven voor de stem van den H. Geest, die hen roept tot bekeering en boetvaardigheid. De onboetvaardige stoot dus, gelijk de H. Augustinus schrijft (Sermo 71. nquot;. 23), het kostbaarste geschenk van God, „de genade der wedergeboorte (door het H. Doopsel) of de verzoening met God (door het H. Sacrament van Boetvaardigheid) , „genaden , „welke in de Kerk door den H. Geest uitgedeeld worden, „met opzet voor altijd van zich af,quot; en stort zich dientengevolge met open oogen in den afgrond van het eeuwig verderf. Zoover kan de mensch in zijne boosheid komen, als hij weigert aan de stem van den goddelijken Geest gehoor te schenken! Laten wij daarom de vermaning van den Psalmist ter harte nemen (XOIV, 8); „Heden, als „gij zijne stem hoort, versteent uwe harten niet.quot; „Aan „een versteend hart,quot; zegt de Geest Gods zelf, „zal het
en zond hem eene zware ziekte. Maar nog was de zondaar vermetel genoeg, Hem te weerstaan. Toen zijne ziekte den hoogsten graad bereikt had, liet hij mij roepen en zeide, dat hij zich door de Biecht, waarvan hij zoo langen tijd geen gebruik had gemaakt, met God en de Kerk wilde verzoenen. Ik verklaarde hem bepaald, dat zoolang hij de vrouw, die hem van God had gescheiden, niet het huis ontzegd had, hij niet tot God kon terugkeeren, noch de vergeving van zijne zware zonden erlangen. Hij beloofde mij dit, zoolang hij meende, dat hij aan den dood niet zou ontsnappen, doch stelde het voortdurend uit, tot iiij van zijne ziekte genezen was, en spotte toen met God, omdat hij meende Hem niet meer noodig te hebben. Maar nu ook spotte God met hem. _ Een vreeselijbe storm verhief zich op de gansche zee in het gebie\'d van Cochinchina; de verwoesting was zoo groot, dat verscheidene schepen vergingen, en op het vasteland vele huizen invielen. Overal werden personen of door de golven verzwolgen, of onder de puinhoopen der huizen begraven. Door Gods genade werd bij deze ramp geen enkele on^er Christenen getroffen, uitgenomen deze ellendeling, die nog niet geheel genezen was. Reeds meende hij het gevaar ontkqmen te zijn, omdat hij zich in een zijner huizen, waar hij zich veilig waande, had laten dragen. God wist hem ook daar te vinden. Het huis. door len storm geschokt, stortte na eenige dagen geheel ineen. Alle ovenge bewoners konden zich nog redden, doch deze ongelukkige alleen werd door God als het ware vervolgd, nadat hij diens barmhartigheid zoo lang had vei smaad; hij werd onder de puinhoopen van het huis verpletterd en zijne ziel in de hel begraven. Immers hij was zonder Sacramenten en in ongehoorzaamheid jegens God en de Kerk gestorven. Een krachtig voorbeeld voorwaar, om allen door de vrees voor zuik eene duidelijke straf van God binnen de grenzen hunner plichten te houden.
523
„kwalijk gaan in het uiterste\'\' (Sir. Ill, 27). „Over den „man, die den vermanende hardnekkig veracht, komt „plotseling verderf, en het heil zal hem nimmer volgenquot; (Spreuk XXIX, 1), (Een merkwaardig voorbeeld van onboetvaardigheid is vroeger aangehaald.)
Over de wraakroepende zonden.
Gelijk bij de zonden tegen den H. Geest, welke geenerlei verontschuldiging in de zwakheid of onwetendheid vinden, de inwendige boosheid van den zondigen wil op den voorgrond treedt, zoo bij de wraakroepende zonden de ongehoorde boosheid en afschuwelijkheid der uiterlijke zondige daad. Deze is namelijk zoo groot, dat zij met eene uitgesproken uitdaging der goddeliike wraak kan gelijk gesteld worden. Daarom staat er in de H. Schrift zelve van elk dier zonden in het bizonder, dat zij tot den hemel om wraak roept. Werkelijk zijn zekere zondige daden in zich zelve beschouwd eene zoo vreeselijke schennis der goddelijke wetten, zulke grove misdaden tegen de natuurlijkeen zedelijke orde, dat God, als de oorsprong dier orde, zich gedwongen ziet, tot welzijn der geheele maatschappij dikwijls reeds in dit leven, met de meeste strengheid op te treden tegen hen, die er zich aan schuldig maken.
Er zijn vier zonden, welke men „wraakroependezonden1\' noemt;
1) Vrijwillige doodslag. God sprak tot Caïn, die het eerst de aarde met menschenbloed drenkte: „De stem van het „bloed uws broeders roept tot Mij van de aarde.quot; En om terstond in den beginne een afschrikwekkend voorbeeld te stellen, liet de Allerhoogste de straffen van dien roekeloozen moord op den voet volgen. „Gij zult,quot; sprak Hij tot den broedermoorder, „gij zult vervloekt zijn op de aarde, welke „haren mond opengedaan en uws broeders bloed van uwe „hand ontvangen heeft. * Als gij ze bebouwt, zal zij hare „vruchten niet geven; onrustig en voortvluchtig zult gij „op aarde zijn!... En Caïn week van het aanschijn des „Heeren en woonde voortvluchtig in het land\'\'(1. Mos. IV). Met het bloed der vermoorden roepen bijna altijd ook om wraak de tranen van ouders en bloedverwanten, de verzuchtingen en weeklachten van eene gade, wier troost en bescherming, van kinderen, wier vaders en opvoeders zij waren, en vinden dikwijls spoedig en opvallend verhooring
524
bij den Heer en Bestuurder der wereld, die zulke misdadige aantastingen der heiligste rechten van den mensch niet ongestraft laat. Zie meer over deze schrikkelijke zonde bij het vijfde gebod Gods.
2) Onkuiac/ikeid tegen de natuur. Deze afschuwelijke, onnatuurlijke zonde van ontucht, aan welke de Christen niet eens denken, welke men, zonder schaamrood te worden, niet noemen mag, was in Sodoma en Gomorrha gewoonte. Daarom sprak de Heer tot Abraham: „Het geterg (d. i. de hemeltergende ontucht) „van Sodoma en Gomorrha heeft „zich vermeerderd en hare zonde is zeer groot geworden en de beide Engelen, die Loth bezochten, zeiden; „wij „willen deze plaats verdelgen, omdat haar geterg groot is „geworden voor den Heer.quot; En de Heer regende (tot straf voor deze zonde) zwavel en vuur af van den hemel en vernietigde deze stad en den geheelen omtrek, alle bewoners der steden en alles, wat groeide op de aarde (1. Mos. XVIII en XIX). Zulke schandelijkheid bedreven ook de Heidenen, door God tot straf voor hunne hoovaar-digheid en hunnen afgodendienst aan de onzuivere lus\'.;en van bun hart overgelaten. Deshalve schrijft de Apostel £.an de Ephesiërs (V, 12) van hen: „wat in het geheim door „hen geschiedt, het is te schandelijk om het ook slechts „uit te spreken.quot; Deze zonde, welke de ziel, den tempel van den H. Geest, het lichaam en het evenbeeld van den drieëenigen God, zoo ontzettend onteert, heet ook „de stomme
„zonde,quot; omdat zij onder de Christenen niet behoort genoemd
te worden.
3) Verdrukking van armen , van weduwen en weezen. Deze verdrukking is eene hemeltergende liefdeloosheid en onrechtvaardigheid tegelijk. Daaraan maken zich diegenen schuldig, die de armen, de hulpbehoevende weduwen en weezen niet alleen niet bijstaan, gelijk zij dit overeenkomstig de wet .der christelijke liefde en hunnen stand doen moesten , maar hun het weinige, dat zij bezitten, ontnemen, hen in hunne rechten krenken en op elke wijze verdrukken, zonder dat deze, juist omdat zij zonder hulp en bescherming zijn, iets daartegen vermogen. Deze zonde begaan in het \\gt;vlqgt;Vllt;S.amp;c: pleegouders en voogden, die het vermogen der pleegkinderen en minderjarigen slecht beheeren, verspillen en misschien tot hun eigen voordeel aanwenden ; ambtenaren en rechters, die de weerlooze armen, weduwen en weeaen tegen de onrechtvaardige verdrukking van den kant van hebzuchtige rijken niet behoorlijk beschermen , zich zelis door de laatsten ten nadeele van de eersten laten omkoopen; woekeraars , die zich den nood der bedrukten ten nutte maken,
525
om hun den laatsten penning af te nemen; onbarmhartige schiddeischers, die den bedrukten toestand der schulderaars niet in aanmerking nemen, maar met onverbiddelijke strengheid de schulden invorderen en zoo hun niet slechts onbarmhartig afnemen, wat zij hebben, maar het hun ook in zekeren zin onmogelijk maken, ooit weder iets te winnen en te bezitten. Tot hen allen zegt de H. Geest; „Vloeien „niet de tranen der weduwen van de wangen af, roepen „zij niet tegen hem, die ze haar afperst? Van hare wangen „stijgen zij naar den hemel omhoogquot; (Sir. XXXV, 18, 19). Éeeds in de wet van het Oude Verbond staat: „weduwen „en weezen zult gij niet grieven; indien gij hen echter „grieft, zullen zij tot Mij roepen, en Ik zal hun geroep „hooren, en mijn toorn zal tot woede stijgen, en Ik zal „u met het zwaard slaan, en uwe vrouwen zullen weduwen „zijn, en uwe kinderen weezen\'\' (2. Mos. XXII, 22—24). En door den mond van den Profeet Isaïas (X, 1, 2) roept de Heer: „Wee hen.... die in het gerecht de „armen verdrukken en de rechtszaken der bedrukten geweld „aandoen , de weduwen tot hunnen buit maken en de „weezen berooven.quot; Ja, de Leeraar aller wijsheid en de rechtvaardige Rechter aller menschen, Jesus Christus zelf, dreigt de Phariseën, die door schijnheilige middelen de armen verdrukten, met de woorden: „Wee u, Schrift-„geleerden en Phariseën, die de huizen der weduwen „verslindt. Over u zal een zwaarder oordeel komenquot; (Matt. XXIII, 14 en Marc. XII, 40).
4) Onthouding of onttrekking van het loon der werTdïeden. Van deze groote onrechtvaardigheid staat in het vijfde boek van Mozes (XXIV, 14, 15) : „Gij zult den be-„hoeftigen en armen broeder zijn loon niet weigeren,. .. „maar op denzelfden dag zult gij hem het loon voor zijnen „arbeid geven vtór zonsondergang; want hij is arm en „onderhoudt daarmede zijn leven, opdat hij niet tegen u „tot den Heer roepe;quot; en de H. Apostel Jacobus noemt deze zonde met duidelijke woorden eene wraakroepende zonde. „Zie,quot; zegt hij (V, 4), „het loon der werklieden, „hetwelk door u onthouden wordt, roept, en dat geroep „is tot de ooren van den Heer der heerscharen gekomen.quot; Zulke zonden worden, helaas! maar al te dikwijls bedreven door heeren, die aan handwerkslieden, daglooners en dienstboden het bedongen loon in al te langen tijd niet betalen, of het hun onder het ongegronde voorwendsel, als hadden zij het werk slecht verricht, als waren zij in hunnen dienst niet vlijtig genoeg geweest, als ware er iets door hunne nalatigheid verloren gegaan of bedorven.
526
geheel of ten deele onthouden; op gelijke wiize zij, die hunne dienstboden om even nietige redenen vóór den tijd uit hunnen dienst wegzenden en hen zoo voor korteren of langeren tijd verdiensteloos en broodeloos maken, of de ten aanzien van het loon gemaakte overeenkomst willekeurig verbreken en naar believen geringer loon geven , gelijk Laban deed, die het met Jacob vastgestelde tienmaal veranderde (1. Mos. XXXI, 7). De H. Greest vergelijkt deze zonde met die van een moordenaar, als hij zegt: „het brood van den arme is diens leven; wie hem daar-„van berooft, is een moordenaar. Wie het in zweet verdiende brood rooft, is gelijk aan hem, die zijnen evennaaste doodt. Wie bloed vergiet en wie een daglooner „bedriegt, deze zijn broedersquot; (Sir. XXXIV, 25—27).
Over de vreemde zonden.
Vreemde zonden worden die zonden genoemd, welke wel door anderen bedreven, maar toch ons, als medeplichtigen, mede toegerekend worden. Deze zonden zijn. ons „vreemd,quot; in zoover het een ander is, die ze bedrijft; zij zijn ons echter niet vreemd, in zoover wij op deze of gene wijze eenig deel daarin hebben; zij worden ook ons toegerekend, omdat wij schuld en oorzaak zijn, dat zij door anderen bedreven worden, of omdat wij vrijwillig eenigszins daartoe helpen of bijdragen. Al zou ook de zondige daad van een ander niet gevolgd , de zonde niet gepleegd zijn geworden, toch hebben wij ons reeds aan eene vreemde zonde schuldig gemaakt, ingeval wij den wil, de bedoeling hebben gehad, door raad of daad of op welke wijze ook, hem daartoe te stemmen of hem daartoe behulpzaam te zijn. Bij God wordt namelijk, gelijk reeds elders is opgemerkt, de booze wil als booze daad aangerekend. Voor deze soort van zonden waarschuwt de H. Paulus zijnen leerling Timotheüs met de woorden: „Maak „u niet aan vreemde zonden schuldigquot; (1. Tim. V, 22). Hg waarschuwt ook alle Christenen, als hij in den brief aan de Eomeinen (1, 32) leert, dat niet alleen zij, die, gelijk de Heidenen, kwaad doen, „des doods (der eeuwige verdoemenis) „waardig zijn, maar ook die aan de daders „welgevallen hebben.quot; — Niemand dus achte zich vrij van zonde, als hij wetens en willens schuld en oorzaak is, dat anderen zondigen, of als hij tot de zonde van anderen
527
eeuige hulp verleent: zulk een is medeplichtig aan de zondige daad van anderen. „Hoe kunt gij gelooven zonder „zonde te zijn,quot; zegt de H. Chrysostomus, j) „daar gij „toch de oorzaak der geheele misdaad zijt? De zonde van „den dader is uw werk. Gij hebt het zwaard gescherpt , „gij de hand gewapend, en met de gewapende hand de „ongelukkige ziel gedood; hoe kunt gij de straf, waarmede „God den moordenaar bedreigt, ontvluchten ? Zeg mij eens , „wien haten, wien verfoeien wij ? Wien bestraffen de wetgevers en rechters? Zijn het degenen, die den giftbeker „drinken, of zij, die het vergift bereid hebben om anderen „te dooden? Betreuren wij niet degenen, die vergiftigd „worden als ongelukkigen, en veroordeelen wij niet de „giftmengers op alle wijze?.... Gij, rampzalige, gij hebt „den kelk der zonde gemengd, gij hebt dien uwen mede-„broeder aangeboden, gij hebt hem den doodelijken drank „toegereikt, en nadat hij dien gedronken heeft en den „dood gestorven is, waant gij u daarmede rein te kunnen „wasschen, dat gij zelf niet gedronken, maar alleen den „giftbeker aangeboden hebt? Verschrikkelijker dan de dood „des lichaams is de dood der ziel, zwaarder zal ook de „straf zijn. Gij moordt niet enkel het lichaam, maar ook „de ziel. De giftmengers doen het veelal uit woede, of „uit haat, of uit armoede. U echer drijft geen geleden „schade, geen nood dringt u, eens anders ziel den doodsteek „toe te brengen.\'\'
Vreemde zonden zijn de volgende: 1) Tot de zonde raden. Tot de zonde raden beteekent, een ander beweegredenen voorstellen, die geschikt zijn, hem over te halen om een zondig besluit te nemen, of ook hem middelen en wegen aanwijzen, om het genomen besluit op eene geschikte wijs uit te voeren. Zoo deed de hoogepriester Caïphas, toen Mj in de vergadering van den hoogen-raad sprak: „gij weet „niet en bedenkt niet, dat het u nuttig is, dat één mensch „voor het volk sterve, en niet het geheele volk verloren „gaquot; (Joan. XI, 49, 50); desgelijks Herodias, die hare dochter den afschuwelijken raad gaf, als prijs voor hare danskunst het hoofd van den H. Joannes den Dooper te vragen (Marc. VI). Aan deze vreemde zonde maken zich in het algemeen allen schuldig, die een ander tot eenige zonde gelegenheid of aanleiding geven, onverschillig of het kwaad werkelijk bedreven wordt of niet. In \'t bizonder misdoen degenen, die anderen ter erlanging der gezondheid, tot het vinden van schatten, tot geluk in de loterij, enz.
\') Opusc. Quod regular, feminae. T. I. ap. Montf.
528
allerhande verboden zegenspreuken en bijgeloovige middelen aanraden; eveneens die aanstooteliike modes, slechte boeken, goddelooze couranten, onkatholieke tractaatjes, enz. roemen en aanbevelen.
2) De zonden van anderen heschermen. — Wie in zijn geweten de woorden en handelwijze van een ander onbillijk en zondig keurt, maar die niettemin door woord, geschrift of daad in bescherming neemt en tegen de rechtens ingebrachte klachten en opwerpingen verdedigt, maakt zich aan de genoemde vreemde zonde schuldig. Dit gebeurt vaak door ouders, die de fouten en misslagen hunner kinderen tegen hun beter weten in bij leeraars en opvoeders, wereldlijke overheden en zielzorgers, verdedigen, om de schuldigen aan de welverdiende tuchtiging te onttrekken; — door lieden, die, veelal uit de onedelste beweegredenen tegen het recht partij trekken, soms ook onbeschaamd voor het gerecht optreden, en door alle mogelijke schijngronden en bedriegelijke gevolgtrekkingen het hemelschreiende onrecht als een schandelijk miskend recht voorstellen; — door courantiers , novellisten, die het zich ten taak stellen, als beschermers der karakter-, zede- en beginselloosheid op te treden en in naam van verlichting, vooruitgang, humaniteit en wat al niet meer, elk verzet tegen de wettige overheid en de wettig bestaande orde, eiken aanval op de rechten der Kerk, eiken opstand tegen waarheid en recht, elk plichtverzuim in den huiselijken kring en de maatschappij, nu eens sluw te bedekken , dan weder open en onverholen, te verdedigen, en voor de misdaad, welke elke christelijke pen met allea nadruk bekampen moest, in de bres te springen. De Geest Gods zelf roept dusdanigen verdedigers van het onrecht een dreigend wee toe, als Hij door zijnen Profeet spreekt: „wee u, die het kwaad goed en het goed kwaad noemt, „van de duisternis licht en van het licht duisternis maaktquot; (Is. V, 20). Tallooze onheilen ontspruiten uit die ver-doemenswaardige handelwijze. De meerderheid der lezers van zulke dagbladen worden bijna ongemerkt bewonderaars en lofredenaars van het onrecht en het verraad, gepleegd aan de heiligste belangen van Kerk en Staat. Het gevoel voor recht en billijkheid verdwijnt allengs uit de massa des volk, gaat eindelijk geheel verloren. Wee echter het volk, dat gevoel voor recht en deugd verloren heeft; het stort zich onweerstaanbaar in de geweldigste revolution en gaat zijn beklagenswaardijen ondergang zeker tegemoet.
3) Anderen de zonden gebieden. — Men gebiedt een ander te zondigen, als men zijne macht en invloed misbruikt, om hem door uitdrukkelijke woorden of door wenken, gebaren
529
en teekens te dwingen, iets zondigs te doen. David gaf zijnen veldheer Joab bevel, den edelen Drias op den gevaarlijksten post te plaatsen en hem vervolgens te verlaten , opdat hij zou gewond worden en sterven (2. Kon. XI, 15). Het moorddadig hevel werd volvoerd: ürias viel. En ofschoon David hem door eens anders hand omgebracht had, liet God den koning toch door den Profeet Nathan toeroepen : „Urias hebt gij vermoord en verslagen met het zwaard van „Ammons zoonquot; (2 Kon. XII, 9). Met deze zonde bevlekken de ouders hun geweten, die hunnen kinderen gebieden te liegen, te bedriegen, te stelen; overheden en meesters, die hunnen dienstboden, arbeiders en leerlingen gelasten, op zon- en feestdagen buiten noodzakelijkheid te arbeiden en zeifs de verplichte godsdienstoefeningen te verzuimen ; kooplieden enz., die hunne ondergeschikten dwingen , slechte, bedorven waren voor goede te verkoopen, te licht gewicht, te kleine maten, eene valsche el te gebruiken, wijn, bier, melk met water te vermengen en te vervalscben; enz. enz.
4) De zonde van anderen prijzen. — Deze zonde begaan allen, die het zondig doen of laten van een ander loven, het als iets prijzenswaardigs laten voorkomen en als navolgenswaardig voorstellen. Zoo handelen vleiers, die hunkeren naar de gunst van aanzienlijken, en daarom de zwakheden en fouten van dezen met den naam van deugden bestempelen; \') vaders en moeders, die in plaats van de ontwakende ijdelheid en pronkzucht hunner dochters te laken, ze prijzen en dwaas genoeg zijn, hare eerste schrede op den gladden weg der wereldsgezindheid en behaagzucht luide te bewonderen; lichtzinnige vrienden, die huns gelijken prijzen om hunne kracht en behendigheid in het stooten en slaan, om hunne koenheid in het verzet en den opstand tegen het ouderlijk gezag, om hunne behendigheid in het verkrijgen van geld, om hunne bekwaamheid in het drinken; zoo, eindelijk, die rampzalige verleiders,
!) Toen Karei VIII, Koning van Frankrijk, eens zwaar ziek lag, vroeg hij op zekeren dag aan zijnen kamnrdienaar, Bernardus genaamd: //Vanwaar komt het, dat er zoo weinige Koningen onder het getal //der Heiligen te vinden zijn?\' Bernard trok verlegen de schouders op en bleel\' uit eerbiedige vrees het antwoord schuldig. Toen nam de Koning het woord en zeide: j/Jlijn beminde Bernard, ik zal //het u zeggen. Het komt daarvan, dat zij ïoo vele vleiers rondom «zich hebben, en daarentegen zoo weinigen of niemand, die hen //om hunne gebreken bestraffen of hun de waarheid zeggenquot; (Handb. van Schuster, ü. 4). — Een veelbeteekenend woord voor allen, die, ofschoon zij geen koningen zijn, zich toch gestadig door vleiers omgeven zien.
DEHAKIiE , GELOOFSLEER. III. 3de DEUK. 34
530
die de goddelooste spotternijen met den godsdienst en zijne bedienaren, de onbeschaamdste lasteringen en eerroovende gesprekken, de afschmvelijkste taal ea de laagste kluchten luide goedkeuren en toejuichen.
5) Anderen in het zondigen helpen (mededeelen). — Tot zondigen helpt, a) wie wetens en willens feitelijk deel neemt in het kwaad. Dit geschiedt, gelijk reeds bij het vijfde gebod is aangeduid, als men dieven en roovers bij het inbreken of bij hunne aanvallen ter zijde staat, hun ladders, werktuigen tot het openbreken van vensters of deuren, wapens ter verdediging enz. aanbiedt; als men de wacht houdt, opdat zij niet overvallen en gegrepen worden, hun van de nasporingen van het wereldlijk gerecht kennis geeft of hen verbergt; als men tot bedriegerijen in maat en gewicht of tot andere onrechtvaardigheden de hand leent; als men dronkaards naar wensch en lusten geestrijke dranken schenkt, als men ongeoorloofde verkeeringen door het overbrengen van brieven, geschenken, enz. in de hand werkt, verboden speelhuizen onderhoudt, losbandige dansen toelaat, enz. Deze allen „nemen deel aan de onvruchtbare werken „der duisternis\'\' (Eph. V, 11), en laden als „medegenootenquot; der zondaars, gelijk deze, den rechtvaardigen toorn Gods op zich; h) wie door woord of werk inderdaad aanleiding geeft, dat de zondige lust van anderen ontwaakt en werkelijk ontstoken wordt Zoo bekoorde, hoewel te vergeefs, de vrouw van Job dezen vromen lijder, om tegen God te vloeken (Job. II, 9); de ontaarde vrouw van Putiphar, doch evenmin met gevolg, den onschuldigen Joseph, te zondigen tegen de kuischheid (1. Mos. XXXIX). Ook nu zijn er velen, die hunne medemenschen, vooral de voor het kwaad zoowel als voor het goede zoo ontvankelijke jeugd, tot zonde bekoren en verleiden. Dit geschiedt vooral door hen, die goddelooze of onzedelijke boeken schrijven, schandelijke platen en beelden maken, slechte boeken verkoopen, uitleenen, schenken, onzedige beelden en platen openlijk ten toon stellen; verder degenen, die zich weelderig en ontuchtig kleeden, schaamtelooze taal voeren, aanstootelijke liederen zingen, door vleierij, beloften, geld en andere geschenken tot onkuischheid zoeken te verleiden. Eveneens maken zich schuldig aan vreemde zonden degenen, die hunnen naaste tot gramschap, vloeken, verwenschingen en lastertaal opwekken, door lage oor-blazing en andere kunstgrepen twist, ongenoegen en aiet zelden onverzoenbare vijandschap stichten. — Te vergeefs zoekt men somtijds die vreemde zonde van zich af te schuiven met te zeggen: „het is mijne bedoeling niet,
531
„anderen tot zonde te brengen. Wat gaat het mij aan, „of anderen aan mijne schertserij, aan mijne grappen aanstoot „nemen?\'\' Wanneer gij spreekt of doet, wat op zich zeiven geschikt is, anderen tot zonde te verleiden, wordt gij de medeplichtige van hunne zonde, onverschillig of gij hunnen geestelijken ondergang bedoeld hebt of niet. Wie een zwaar geladen geweer lichtzinnig op eene volksmenigte afvuurt, is een moordenaar, ofschoon hij de bedoelimr niet heeft, het te worden; hoo zijt ook gij door uwe aanstoote-lijke gesprekken en handelingen een moordenaar der ziel, want het zijn doodelijke schoten die gij doet, al moogt gij willen treffen of niet.
6) In de zonde van anderen lehagen nemen. — Dit geschiedt als men eene zonde van den naaste of wel met uitdrukke-lyke woorden billijkt, veroorlooft, of door een welgevalligen lach en andere dergelijke teekenen daaraan zijne goedkeuring geeft. Zoo gaf Saulus zijne toestemming in de steeniging van den H. Stephanus door de kleederen van de beulen te bewaren. De H. Schrift zelve verklaart dit, zeggende: „Saulus had mede een welgevallen aan zijnen doodquot; (Hand. VII, 59). Aan toestemming in de zonde van anderen maken zich schuldig: overheden, die hunnen onderdanen verderfelijke spelen, losbandige vermakelijkheden, uitgaan in den nacht veroorloven; ouders en meesters, die de ongepaste kleederdracht .van kinderen en dienstboden, den gevaarlijken omgang, het bezoeken van schouwburgen, danshuizen en andere dergelijke plaatsen van uitspatting en genotzucht goedkeuren; verder degenen, die verdachte of zelfs slechte menschen in hun huis houden; logementhouders , die toelaten, dat in hunne zalen de deugd en den godsdienst bespot en gelasterd worden.
1) De zonde van anderen niet bestraffen. — Ouders en alle overheden mogen niet alleen niet stilzwijgen bij het zien der zonden van hunne kinderen en onderhoorigen, maar zij kunnen en moeten hen ook bestraffen. Verzuimen zij uit nalatigheid, partijdigheid of weekelijkheid de vervulling van dezen plicht, dan nemen zij deel aan de vreemde zonde, welke, omdat zij ongestraft blijft, gelijk de kanker al verder om zich heen grijpt en om zoo te spreken in het merg der ziel binnendringt. \') Zoo maakte zich de
\') Tot zekeren koning werd het verzoek gericht, een moordenaar het leven te laten. De edelmoedige vorst wilde echter geene genade schenken, omdat de misdadiger den derden moord bedreven had. „Uwe Majesteit,quot; sprak thans de hofnar lachende tot hem, «.uwe ,/Majesteit, vergeve mij! Deze mensch heeft er slechts eenen omge-
34*
532
Hoogepriester Heli aau de boosheid zijner zonen medeplichtig, „wijl hij wist, dat deze iets schandelijks deden, „en hen niet bestraftequot; (1. Kon. III, 13). Dezelfde fout verwijt ook Paulus den Corinthiërs, omdat zij den ontuchtige, die in hun midden leefde en door zijn ergerlijk voorbeeld , gelijk een weinig zuurdeeg een geheel brood, de geheele gemeente der Christenen bederven kon, niet bestraft hadden (1. Cor. V). Te recht zegt hier de H. Kerkleeraar Augustinus: „als wij degenen, over wie wij macht „hebben, allerlei zonden onder onze oogen laten doen, „dan zijn wij niet beter dan zijquot; (Boek V tegen Julianus, hfdst. 3).
8) De zonde van anderen niet heletten. — Wie zwijgt, waar hij, om het kwaad te voorkomen, uit christelijke liefde of ambts- en beroepswege spreken, d. i. door waarschuwing, vermaning, liefderijke toespraak, ernstige aanklacht bij ouders, overheden of zielzorgers, de zonde beletten of het reeds ingeslopen kwaad verhinderen kon en moest, draagt mede schuld aan de zonde van den naaste, maakt zich daaraan deelachtig. Daarom spreekt de Heer door den mond van den Profeet Ezechiël: „wanneer gij het den goddelooze niet verkondigt, dat „hij van zijne booze wegen zich bekeere, zal dezelfde „goddelooze in zijne misdaad sterven, maar zijn bloed „zal ik van uwe hand eischen.quot; (Vergelijk het vroeger gezegde over de broederlijke terechtwijzing en het vierde gebod, waar de plichten der ouders jegens hunne kinderen enz. behandeld worden.)
9) De zonden van anderen niet aandienen, niet overdragen. Aan deze zonde maakt men zich schuldig, als men het kwaad van anderen niet bekend maakt aan diegenen, die het kunnen en moeten beletten, zooals ouders, overheden, zielzorgers.
,bracht, namelijk den eerste; de beide anderen heeft uwe Majesteit «•omgebracht; want hadt gij hem terstond na den eersten moord naar ,/verdiensten gestraft, dan had hij de twee andere niet meer bedrevenquot; (Christelijke leer van Zwickenpllug). Deze beschuldiging kan voor vele ouders en overheden gelden, die zich niet genoodzaakt zouden zien de tweede en honderdste misdaad hunner kinderen te bestraffen, als zij de eerste naar behooren hadden gestraft. — Een knaap werd door zijn vader duchtig met de roede gekastijd, omdat hij aau zijne zusters verscheidene kleinigheden ontstolen had. Jammerend schreeuwde de kleine: „Ik heb maar kleinigheden genomen, en gij straft mij ,zoo hard!quot; yJuist,quot; antwoordde de vader, „opdat gij niet van een „kleinen dief een groote zoudt worden, moet uwe straf zeer gevoelig „zijn. Dieven, die aan de tuchtroede van den vader ontsnappen, „vallen den gerechtsdienaar in handen.quot;
533
toepassing.
Welk Christen, die prijs stelt op zijn eeuwig geluk, zal, na ri]pelijk alles overwogen te hebben, wat over de vreemde zonden gezegd is, zich niet gedrongen gevoelen, met den koninklijken Profeet uit te roepen: „Van mijne verborgen „zonden reinig mij (o Heer!) en wegens de vreemde „zonden spaar uwen knecht?quot; (Ps. XVIII, 13). Zwaar, buitenmate zwaar zal eenmaal op het sterfbed de menigte en boosheid der vreemde zonden op het geweten drukken van dengene, die zich in gezonde dagen weinig daarover bekreunde, die, wellicht zonder het rechtstreeks te bedoelen, door zijne woorden en geschriften of op wat wijze ook de moordenaar van talrijke zielen geworden is. De kerkelijke geschiedenis levert ods hiervoor een handtastelijk bewijs. Berengarius, aartsdiaken van Angers, had het ongeluk, het gift der ketterij te verbreiden; hij had er velen in dwaling gebracht. Tegen het einde van zijn leven trof hem Gods genade, hij zwoer zijne dwaling af en bekeerde zich oprecht. Toen hij reeds met den dood worstelde, werd hij plotseling zeer onrustig; angst en vrees maakten zich van hem meester. „Waarom, mijn broeder! zijt gij op eens „zoo onrustig? vanwaar die schrik?quot; vroeg de Priester, die hem in zijn laatste uur bijstond. „God is de barm-„hartigheid zelve, hoop op Hem!quot; „Ik weet het,quot; antwoordde de stervende „en ik heb het vaste vertrouwen, „dat Hij mijne eigen zonden zal vergeven; maar zal Hij „mij ook de zonden vergeven, waartoe ik anderen aanstoot „gaf? Het komt mij voor, dat de door mij op het dwaal-„spoor gebrachte zielen, die verloren zijn gegaan, aan den „rechterstoel Gods mij zullen opwachten, om wraak te „vorderen. Mij dunkt, ik hoor Jesus Christus in het „binnenste van mijn hart met eene schrikbarende stem mij „toeroepen: „waar zijn de zielen, die gij in het eeuwig „„verderf gestort hebt?quot; Wat zal ik antwoorden?—Wee „mij !quot;.... — Slechts met moeite slaagde de Priester er in, den stervende gerust te stellen. \') — Willen wij nu
!) Een ander voorbeeld, hoe zwaar het bewustzijn, dat men zich door verleiding aan den eeuwigen ondergang van anderen schuldig heeft gemaakt, op het hart drukt, verhaalt Beaudrand in zijn werk „Stichtende geschiedenissen,quot; met de bemerking, dat zijn verhaal in Frankrijk, zijn vaderland, in den loop der achttiende eeuw ia gebeurd. //In een onzer steden,quot; zoo bericht hij, //leefde een jon-//geling, die aan alle anderen tot voorbeeld en toonbeeld kon ver-//Strekken: godsvrucht, zedigheid, vreeze Gods, het dikwijls ont-
534
in dat voor de eeuwigheid alles beslissend oogenblik niet eene dergelijke onrust en gewetensangst ondervinden en de
* vangen der HH. Sacramenten, liefde tot het gebed, in één woord; »alle deugden van zijnen leeftijd waren in hem vereenigd. Bij gelegenheid van een openbaar vreugdefeest, hetwelk in eene naburige plaats gevierd werd, wilde hij ook daar heen gaan. Gewoonlijk deed hij zijne wandelingen in gezelschap van een vriend, die vroom en godvruchtig was gelijk hij; ditmaal echter ging hij tegen zijne gewoonte alleen. Op weg kwam een ander jong mensch bij hem, wiens gedrag en zeden in een zeer slechten naam stonden. Hij had hem niet moeten vertrouwen, en onder eenig gepast voorwendsel van hem moeten scheiden, maar hij deed dit ongelukkig niet. In den beginne Hep het gesprek slechts over onverschillige onderwerpen, langzamerhand slopen er eenige dubbelzinnige gezegden onder door; spoedig daarop volgden van de zijde van den verlokkenden begeleider onbetamelijke woorden en spottende uitvallen tegen het godvruchtig leven; vervolgens begon hij te spreken van genoegens en vermaken, welke hij had genoten; ongemerkt werden zijne gesprekken en manieren uitgelatener; éindelijk kwam hij zoo ver, dat hij den tot hiertoe zoo braven jongeling tot eene zware zonde tegen de kuischheid verleidde. Nauwelijks was echter de zonde bedreven, of de ongelukkig verleide viel in onmacht en stierf terstond, zonder een oogenblik tijd te hebben, om in zich zeiven te keeren. Bij dit schouwspel greep den verleider zulk eene ontsteltenis aan, dat hij onverwijld naar een nabijgelegen, zeer streng klooster ging, den overste riep, zich aan zijne voeten wierp en in tranen smeltende tot hem zeide: /Ach vader! Heb medelijden met een ellendeling, ,die zooeven eene ziel in het eeuwig verderf gestort heeft! Bewijs ,mij de liefdé, mij op te nemen, opdat ik mijn geheele leven lang ^boetvaardigheid plege.quot; De overste, een voorzichtig en ervaren mensch, prees zijne boetvaardige stemming en moedigde hem aan, daarin te volharden, stelde hem echter voor, dat men hem het verblijf in het klooster niet kon toestaan, zonder tevoren zijne roeping te beproeven. ,Welaan, mijn vader,quot; sprak de jonge boeteling- ,/ik ,zal zoo lang gij wilt aan de poorten des kloosters verblijven, ,nimmer zal ik mij van deze plaats verwijderen, tot mij het geluk ^ten deel valt, in uw genootschap te worden opgenomen, om geheel ,mijn leven over mijne misdaad te weenen.quot; De overste liet hem het klooster ingaan en onderwierp hem geruimen tijd aan eene strenge beproeving. De boeteling werd een volmaakt kloosterling en bewaarde steeds het aandenken aan zijne rampzalige daad. Zoo dikwijls de medebroeders vergaderden, legde hij zich neder op den drempel der deur, opdat allen over hem zouden heenstappen, en herhaalde gedurende dien tijd steeds de woorden: ^Ontfermt u over eenen „ongelukkige, die eene ziel in de hel gestort heeft.quot; — Dit voorval dient niet alleen, om ons van de verleiding af te schrikken, heï stelt ons tevens levendig voor oogen, dat degenen, die verzuimen den verleider te ontvluchten, voor hunne lichtzinnigheid en hunne menschen-vrees dikwijls zwaar moeten boeten.
Den verderfelijken invloed, welken het slechte voorbeeld ap het hart van den mensch uitoefent, schildert ons de H. Augustinus (Belijden. D. 2) op de duidelijkste en treffendste wijze. //Er stond,quot; zegt hij, //in de nabijheid van onzen wijnberg een pereboom met «vruchten behangen, welke noch door hare schoone gedaante, noch ,door hare smakelijkheid konden verlokken. Om dien boom te ^schudden en te plunderen, begaven zich in een duisteren nacht //eenigen onzer ondeugende jongelingen op weg. Wij sleepten de „peren mede, zooveel wij maar konden dragen, niet om ze zelf op
535
bitterheid van onze ontbinding niet vermeerderen, laten wij dan behoedzaam leven. Wachten wij ons, verleiders van onzen naaste te worden; laten wij er liever op bedacht zijn, het licht van een goed voorbeeld voor aller oogen te doen schijnen; in plaats van, door de vergiftige pijlen van ergernis, moordenaars van onsterfelijke zielen te worden, ontrukken wij den naaste het moordstaal, waarmede hij anderen den doodsteek wil geven, verhinderen wij hem, zooveel in ons vermogen is, de zonde te bedrijven.
Over dc deugd en de ehristelUlte volmaakttheid-
Mogen wij ons tevreden dellen met alleen de zware zonden en misdaden te vermijden?
Neen, wij moeten ons ook bevlijtigen, altijd deugdzamer te worden, en de aan onzen staat passende volmaaktheid te bereiken. \')
„te eten, maar om ze, ofschoon wij er ook eenigen van proefden, „voor de zwijnen te werpen.... Ik had geen trek in de peren; de „slechte daad zelve was het, die mij bekoorde, ea zij bekoorde mij,
„omdat wij met elkander die grap uitvoerden......Het gold eene
„klucht, en het deed ons hart goed, hen te foppen, die zoo iets „van ons niet verwacht hadden. Alleen had ik dien diefstal, waarbij
„mij aan het ontvreemde niets gelegen was, zeker niet begaan.....
„O vijandelijke vriendschap! Geen gewin-, geene wraakzucht was rhet, welke mij verleidde anderen te schaden, maar het woord: „er „„op los, gaan wij er op uit!quot; Ik schaamde mij, niet onbeschaamd (gelijk de anderen) „te wezen.quot;
\') Ofschoon de leer over de geboden eigenlijk het onderwerp van bet tweede hoofdstuk van dit boek uitmaakt, mag men toch de leer over de deugd en christelijke volmaaktheid geenszins als eene hier niet t\' huis behoorende toegift beschouwen, dewijl het ontegensprekelijk in het plan des goddelijken Wetgevers ligt, dat zijne geboden voortdurend en volmaakt onderhouden worden. Wat echter is de aanhoudende en volmaakte naleving der geboden Gods in den grond anders, dan de beoeiening der christelijke deugd en volmaaktheid? Wie er op uit is, de geboden Gods, gelijk ter zaligheid gevorderd wordt, voortdurend te onderhouden, moet ook met allen ernst naar ware deugden streven; slechts de deugdzame immers, slechts degene, die er een gemak van heeft gekregen, de geboden Gods na te leven, zal in den regel de goddelijke wet altijd en in alle voorkomende gevallen getrouw vervullen. Zoo zal bijv. degene, die zich de deugd van zachtmoedigheid verworven heeft, met gemak elke opwelling van toorn en wraakzucht onderdrukken, en dus de zonden tegen het vijfde gebod vermijden; desgelijks zal degene, die de deugd van kuischheid bezit, voortdurend alle vrijwillige onkuische gedachten, elke onkuische begeerte, elke onzedelijke daad en bijgevolg de zonde tegen het zesde gebod van zich verwijderd houden; daarentegen degene, die deze deugden niet bezit, wie er zelfs niet naar streeft, ze te verkrijgen, zal niet lang van zonden tegen de genoemde ge-
536
„Wijk af van het kwaad en doe het goedequot; (Ps. XXXVI, 27). Deze spreuk van den Geest der wijsheid bevat in zich de geheele christelijke zedewet. Volgens Hem moet de Christen er zich geenszins mede vergenoegen, het kwaad,
boden vrij blijven. Het ia derhalve des Christens strenge plicht, niet alleen de geboden te onderhonden, maar ook te streven naar die deugden, zonder welke deze op den duur niet kunnen vervuld worden.
De christelijke volmaaktheid is daardoor van de christelijke deugd onderscheiden, dat degene, die de eerste bezit, het goede niet alleen voortdurend, maar ook, wat de wijze betreft, volmaakt beoefent. Hoewel nu de verplichte beoefening van het goede ter zaligheid voldoende is, betaamt het toch iederen Christen, dat hij uitliefde, eerbied en dankbaarheid jegens God, zijne H. wet niet enkel ten allen tijde, maar ook volmaakt en steeds volmaakter trachte te vervullen. Gelijk namelijk een minnend kind er zich niet mede tevreden stelt, de uitdrukkelijke en strenge bevelen zijner ouders gewillig aan te nemen en volgens zijn plicht te volbrengen; gelijk het, gedachtig de weldaden, welke het van zijne ouders ontvangen heeft, gedachtig het gezag en de waardigheid, welke hun als (iods plaatsbekleeders toekomen, zich alle moeite geeft, ook in andere punten bereidwillig en met genoegen te doen, wat hun welgevallig is, en zelfs dan, als zij alleen hun wensch, op welke wijze ook, dóórgebaren of teekenea, te kennen geven, met kinderlijke gevoelens en groote nauwgezetheid te gehoorzamen: eveneens moet de Christen zich bevlijtigen, volmaakt gehoorzaam te zijn aan God, zijn besten Vader en Opperheer, d. i. naar eene volmaakte beoelening der goddelijke geboden streven. Aangaande de beschreven volmaaktheid leert de H. Thomas (3. Sent. 1). 39. q. 1. a. 8. s 2), dat de Christen niet verplicht is, die te hebben, maar dat hij zich toch beijveren moet ze te verkrijgen, opdat hij de goddelijke wet niet alleen zooals ter zaligheid volstrekt noodzakelijk is, maar volgens de eischen der volmaaktheid vervulle.
Die algemeene verplichting om naar de volmaaktheid volgens onzen staat te streven, ontspruit overigens reeds uit den plicht, dieit wij allen hebben, van niet alleen de zware, maar ook de geringste dage-lijksche zonden te vermijden. Want vindt men in dit sterfelijk leven geen mensch, hoe rechtvaardig en bezorgd ook voor de volmaaktheid die nooit de geringste zonde beging, hoewel minder zal hij zich dan van alle zonden vrijwaren, die niet eens zich beijvert, om volmaakt te worden. Het lijdt immers geen twijfel, dat hij, die ernstig en voortdurend er op uit is, de geboden niet alleen altijd, maar op de volmaaktste wijze te vervullen, zich niet zoo licht noch zoo dikwijls aan eenige zonde zal schuldig maken, als wel degene, die dezen wil en dit voornemen volstrekt niet heeft. Ofschoon dus volgens de algemeene leer der Godgeleerden het streven naar de christelijke volmaaktheid niet voor allen op verbeurte der eeuwige zaligheid geboden is, volgt daaruit toch geenszins, dat het op geenerlei wijze is geboden, naar de christelijke volmaaktheid in het algemeen te streven. Alleen die volmaaktheid, welke de beoefening der evangelische raden in zich sluit, is den Christen in het algemeen niet geboden, maar alleen aanbevolen, daar hij ook door andere middelen tot de met zijnen staat overeenkomende volmaaktheid kan geraken. (Zie Cornelius a Lap. over Matt. V, 4S en Chrysostomus B. III. de vituperat. vitae monach.)
*) Trident, cess. VI; cap. 10. S. August, de spiritu et lit. cap. 35 et alibi.
537
hetwelk hem door de goddelijke wet wordt verboden, zorgvuldig te mijden, de zondige neigingen en hartstochten, welke in zijn hart zetelen, te bestrijden en uit te roeien; hij moet bovendien zich beijveren, het goede te beoefenen, deugdzaam en steeds deugdzamer te worden, en zoo het natuurlijke zoowel als het bovennatuurlijke evenbeeld van God al duidelijker en levendiger in zich uit te drukken. Derhalve spreekt de H. Geest: „wie rechtvaardig is, worde „nog rechtvaardiger, en wie heilig is, worde nog heiligerquot; (Openb. XX. XXII, 11), En elders: „schaam u niet, u „tot aan uwen dood op de gerechtigheid toe te leggenquot; (Sir. XVIII, 22). Ieder wezea der ons omgevende zichtbare schepping, de neiging der natuur volgende, streeft naar de hem passende volmaaktheid, naar de volmaakte bereiking zijner bestemming; hoeveel te meer moet dit de Christen doen, tot wien gezegd is; „wees volmaakt, gelijk „uw Vader in den hemel volmaakt is.quot; Men moge dan op het pad der deugd reeds ver gevorderd zijn, toch houde men niet op, naar de mate der door God geschonken genade, van deugd tot deugd voort te gaan; men zegge in oprechtheid met den Apostel der wereld: „Ik houd het „er niet voor, de volmaaktheid reeds bereikt te hebben, „ik streef er naar: ik vergeet wat voorbij is, en streef „naar datgene, wat voor mij ligt\'\' (Phil. Ill, 18).—Bij dit onophoudelijk streven naar het hoogere en betere moet ieder Christen trachten, tot die volmaaktheid te geraken, welke aan zijnen staat past. Want hoewel de volmaaktheid volgens hare natuur voor alle Christenen dezelfde is, daar zij voor allen, gelijk later zal bewezen worden, in de volmaaktheid der goddelijke liefde bestaat, is zij toch in een ander opzicht bij verschillende Christenen, naargelang der verschillende standen en beroepen, verscheiden, daar niet alle standen dezelfde middelen aanbieden om tot de volmaaktheid te geraken, en niet in alle standen en levensomstandigheden dezelfde deugden op dezelfde wijze kunnen en moeten beoefend worden. De Karthuizer of Trappist bijv. moet de met zijn staat overeenkomende volmaaktheid trachten te bereiken door het vermijden van alle verkeer met de wereld, door een streng stilzwegen, door getrouwe inachtneming der evangelische raden, en nauwgezette volbrenging van alle oefeningen van het geestelijk leven, hem door zijne regels voorgeschreven. Wilde echter iemand, die gehuwd is of overeenkomstig zijnen staat en beroep met de wereld verkeeren moet, al deze middelen om de volmaaktheid te bereiken aanwenden, dan zou hij zich juist daardoor van de christelijke vol-
538
maaktheid verwijderen, wijl deze de nauwgezette vervulling der plichten van ieders staat insluit, welke met het aanwenden dier middelen geheel onvereenigbaar is.
§ JL. Over de ehristelUke deugd.
Waarom moeten wvj ons hevlijligen, altijd deugdzamer te worden?
Omdat de mensch alleen in zooverre goed en Gode welgevallig is, als hij deugdzaam is.
Gelijk de wetenschap den mensch geleerd maakt, zoo maakt de deugd hem goed, geeft hem zedelijke goedheid. Zonder deugd kan iemand rijk, voornaam, machtig, een groot geleerde, een uitmuntend kunstenaar, een onoverwinnelijk veldheer en veroveraar zijn, maar een goed mensch is hij niet; men kan hem om zijne talentenj zijne macht en zijn geluk bewonderen, misschien zelfs bengden, maar toch moet men het betreuren en beklagen, dat hem die eigenschap ontbreekt, welke alleen den mensch eerwaardig en beminnelijk maakt, de zedelijke goedheid. Deze waarheid ontging zelfs deu Heidenen niet. Vandaar gold reeds bij hen als eene onbetwistbare grondstelling het woord van Aristoteles, een hunner grootste wijsgeeren: „De deugd „alleen maakt hem goed, die haar bezit.quot; ») Als nu da mensch zonder deugd, zonder zedelijke goedheid, niet eens den medemensch welgevallig zijn kan, hoe zou dan Gods welbehagen op hem rusten ? Hoe zou God, de oneindig Heilige, de oneindige volheid en de oorsprong van alle zedelijke goedheid, zijn welbehagen hebben in dengene, die dezen trek van gelijkvormigheid met Hem niet bezit 7 !)
1) Daarom noemden ook de heidensche wijsgeeren niet dien Staa: gelukkig, welke vele rijke burgers, maar wel dien, welke vele deugdzame burgers telde. —■ Plutarclius zegt in zijne kernspreuken, dat men eens aan een wijsgeer, met name Charislaus, de vraag had gesteld, welken Staat hij voor den besten hield. Het antwoord van den wijsgeer was kort en bondig: „dien, waarin de burgers met elkander /,in de deugd wedijveren.quot;
2) Heeds hieruit, dat de deugd ons Gode gelijkvormig maakt, blijkt duidelijk, welk kostbaar goed en hoe geschikt zij is, om ons meer dan alle aardsche goederen gelukkig te maken. Karei IX, Koning van Frankrijk, vroeg eens aan den grooter dichter 7orquato Tasso, wie naar zijne meening de gelukkigste was. Tasso bedacht zich niet lang en antwoordde: //God.quot; „üat weet eenieder,quot; hernam de Koning, „daarop doelde mijne vraag niet, maar wie buiten en naast God de ^gelukkigste is? Toen antwoordde Tasso: //Wie aan God het meest „gelijkvormig is geworden, d. i. de deugdzaamstequot; (Het „Onze Vaderquot; van Veith.).
539
Willen wij aan God meer en meer behagen, gelijk de bestemming van iederen Christen vordert, dan moeten wij derhalve ook ons best doen, meer en meer in de deugd vooruitgang te maken. Volgens het gevoelen van den H. Bernardus (Br. 31) is hij niet eens goed te noemen, die niet beter worden wil. — Hierbij moeten wij echter nog opmerken, dat niet elke deugd, welke den mensch zedelijke goedheid verleent, hem ook Gode welgevallig en het eeuwige leven waardig maakt. Dit bewerkt alleen de christelijke deugd. Vandaar volgt de vraag:
Waarin bestaat de christelijke deugd?
De christelijke deugd bestaat in het algemeen in den voortdurenden wil en het streven, om te doen, wat Gode welgevallig is.
Het woord „deugdquot; beteekent in het algemeen de voortdurende geneigdheid en bereidvaardigheid van den wil, om bq voorkomende gelegenheid het goede te doen. De deugd bestaat dus niet in eene vluchtige neiging van den wil tot het goede, ook niet in eene of andere voorbijgaande handeling, waardoor de mensch het goede wil en poogt te doen of werkelijk doet, maar, gelijk reeds boven is verklaard, in eene blijvende stemming der ziel, welke den mensch bereid en geneigd maakt, om het goede, zoodra zich eene gelegenheid aanbiedt, te beoefenen, en wel niet alleen den eenen of anderen keer, maar zoo dikwijls de gelegenheid daartoe terugkeert; zij bestaat in eene voortdurende neiging van den wil tot het goede, in eene neiging, welke bewerkt, dat men het goede niet alleen dikwijls, maar bij voortduring beoefent. De deugd is dus de lijnrechte tegenoverstelling van den toestand van zonde, welke niets anders is dan eene blijvende neiging of geneigdheid van den wil om het kwaad te volbrengen. Terwijl de wil van den zondaar gelijk is aan eene slecht gestemde snaar, welke alleen wanklanken voortbrengt, gelijkt daarentegen de wil van den deugdzame aan eene zuiver gestemde snaar, welke zoo dikwijls men ze aanslaat, den zuiversten en liefelijksten toon geeft. — De wil van den mensch nu kan op het natuurlijke of op het bovennatuurlijke gericht zijn, d. i. de mensch kan of alleen naar datgene streven, wat met zijne redelijke natuur overeenkomt, zonder zich daarbij een hooger doel voor te stellen, of hij kan zijn doelwit op het bovennatuurlijke, de eeuwige zaligheid, richten, en ter bereiking daarvan zich beijveren, om alles te doen, wat God beveelt, „wat Gode welgevallig is,quot; In het
540
eerste geval is zijne deugd eene bloot natuurlyke, in het laatste echter eene bovennatuurlijke en christelijke deugd. Het is alzoo eene eigenschap der christelijke deugd, niet alleen te handelen volgens het begrip en het richtsnoer der rede, maar overeenkomstig de leer en de wet van Christus; want wat Grode waarlijk behaagt, wat Hij van ons vordert, wat bijgevolg tot verkrijging der zaligheid noodzakelijk is, dit weten wy uit de leer van Jesus Christus en uit de geboden , welke Hij ons heeft gegeven. Wie dus van de leer en de wet van Christus afwijkt, niet in het licht des ge-loofs, maar alleen der rede, zonder op zijne hoogere, bovennatuurlijke bestemming acht te geven, de deugd beoefent, hij mag in de oogeu der wereld voor rechtschapen gelden, maar Gode welgevallig is hij niet; chrislelijke deugd bezit hij geenszins. — Natuurlijke deugden vindt men ook bij de Heidenen; want ook zij vermochten te erkennen, wat aan hunne redelijke natuur passend was, en ook hun wil kon geneigd zijn, dat bij voortduring te beoefenen. En dat velen onder hen dit werkelijk gedaan hebben, bewijst de geschiedenis, daar zij ons de matigheid van een Fabricius, de trouw van een Regulus, enz. mededeelt. Op zulke zuiver natuurlijke deugden roemen ook onder anderen de vrijgeesten onzer dagen, die de rede als de hoogste wetgeefster erkennen, en aan het geloof der rede de voorkeur geven boven het goddelijke. Maar, mogen zij ook dergelijke deugden bezitten, het zijn toch geenszins echte christelijke deugden, aan welke alleen de eeuwige zalig-
\') Doorgaans wordt de deugd in het algemeen beschreven als de vaardigheid, om het goede te willen en te doen, en de christelijke deugd als „de vaardigheid, om het goede te willen en te doen op /,eene wijze, welke met de wet van Jesus Christus overeenkomt en „het eeuwige leven waardig maakt.quot; Hier wordt onder //deugdquot; vooral de zedelijke deugd verstaan, gelijk dit ook in het gewone taalgebruik pleegt te geschieden; want de goddelijke deugden kunnen geene //vaardighedenquot; genoemd worden, daar vaardigheid door voortdurende oefening verworven wordt, de goddelijke deugden daarentegen door God worden ingestort, om ons niet de vaardigheid, maar het vermogen tot bovennatuurlijke oefeningen van deugd mede te deelen, zooals dit later zal worden verklaard. Eene algemeene omschrijving van de deugd in het algemeen, welke zoowel op de goddelijke als op de zedelijke deugd van toepassing is, is in onze taal moeielijk te geven, daar ons eene algemeen gebruikelijke uitdrukking ontbreekt voor habitus, welke in den zin der Godgeleerden niets anders is, dan animi qualitas de se permanens, bene disponent putentiam in ordine ad operationem. De deugd, in het algemeen genomen is dus: animi habitus hominem disponens ad bene recteque operandum. Deze habitus nu kan ingestort of verworven wezen. Als ingestorr. is hij vooral eene kracht, geschiktheid, bekwaamheid, potentia bupernatiiralis ad supernaturaliter operandum; als verworven is hij eene vaardigheid ad facile prompte et alacriter operandum.
541
heid beloofd is. De H. Augustinus verweet het den Pelagiaan Joannes (B. IV hfdst. 3), dien vrijgeest der vijfde eeuw, met groote scherpte, dat hij het gewaagd had, de deugden der ongeloovigen ware deugden te noemen, daar bij hen van ware, d. i. Gode welgevallige en der eeuwige belooning waardig makende deugden volstrekt geen spraak kan zijn. De groote Kerkleeraar gaat daar ter plaatse van het onbetwistbare beginsel uit: de rechtvaardige leeft uit het geloofquot; (Hebr. X, 38), „zonder het geloof is het onmogeliik Gode „te behagenquot; (Hebr. XI, 6), en komt nu tot de onom-stootelijke gevolgtrekking, dat eene deugd, welke niet in het (christelijk) geloof wortelt en uit het geloof bloeit, het welbehagen van God niet waardig en dus vruchteloos is. „Voorzeker,quot; zegt hij, „zullen zij, die natuurlijke „deugden beoefend hebben, in den dag des oordeels minder „streng worden gestraft, dan wanneer zij in plaats van „deze de tegenovergestelde zonden gepleegd hadden ; maar „op een hemelsch loon zullen zij geene aanspraak kunnen „maken, omdat zij daarbij alleen het aardsche loon, d\'e „eer der menschen, het geluk van het aardsche leven op het „oog hadden.quot; \') — Willen wij dus de kroon der heer-
\') Zulke deugden zijn gelijk aan onechte edelgesteenten en parelen van glas, welke door hunnen bedriegelijken glans het oog van den onkundige misleiden, maar wier onechtheid aan den scherpen blik van den kenner niet ontgaat. De menschen laten zich somtijds door den glans van zekere natuurlijke deugden verblinden en in hun oordeel bedriegen; maar het oog van God dringt door den sluier der leugen en huichelarij, het ziet den modder en het slijk in de opgesierde graven van de harten der menschen. Wel wordt menigeen onder de menschen als voorzichtig, matig, rechtvaardig, onbaatzuchtig, milddadig en sterk van geest, met één woord als deugdzaam geprezen, over wien God, de niet te bedriegen en onomkoopbare Rechter der deugd, geheel anders oordeelt, wien Hij door de stem des gewetens toeroept, gelijk aan den engel der gemeente te Sardis; jflk ken uwe werken, gij hebt den naam, dat gij leeft, en gij zijt «doodquot; (Openb. Ill, 1). Daaruit blijkt oök, welke geringe waarde dergelijke bloot natuurlijke deugden hebben, dewijl, gelijk de ondervinding leert, eenige dezer somtijds zelfs bij de zondigste menschen voorkomen. — Geheel anders is het echter met de christelijke deugd, welke in den voortdurenden wil bestaat, om Gode welbehngelijk te handelen en het eeuwige leven te erlangen. Want het is duidelijk, dat de Christen ophoudt dien wil te hebben, zoodra hij slechts in ééne enkele doodzonde valt en vrijwillig daarin blijft. Wie daarentegen maar ééne christelijke deugd bezit, sluit geene dezer uit, maar beoefent ze alle, ofschoon naar omstandigheden de eene meer, de andere minder, omdat allen noodzakelijk zijn, teneinde Gode te behagen en het eeuwige leven te erlangen. Zou iemand de opwerping maken, dat er ook Christenen zijn, die, in weerwil van hun zondig leven, toch de ingestorte deugden van geloof en hoop bewaren, dan kan men met den H. Thomas (2. 2, q. 35, a. 4) antwoorden, dat het geloof en de hoop zonder de liefde wel in zekeren zin (aliqualiter) deugden kunnen genoemd worden, maar niet in den
542
liikheid verdienen, dan moeten wij ons met debovennatuur-lijke hulp der genade de christelijke deugd eigen maken, die namelijk, welke ons aanzet, voortdurend te doen, wat aan God waarlijk welgevallig is, en dat te doen niet alleen ter wille van het aardsche geluk, maar uit bovennatuurlijke, d. i. aan de leer van het christelijk geloof of der Openbaring ontleende beweegredenen, i)
eigenlijken, hier bedoelden zm (propie loquendo) deugden zijn, daar bij deze de voortdurende wil cm alles te doen, wat Gode welgevallig en ter verkrijging van het laatste einde, de eeuwige zaligheid, noodzakelijk is, ontbreekt. Eene zoodanige richting van den wil kan namelijk zonder de liefde Gods onmogelijk beslaan. Om deze reden is, volgens het gevoelen van denzeïl\'den Leeraar (ib. a. 2.), ook elke zedelijke deugd zonder de liefde üods geene ware christelijke deugd in den vollen en eigelijken zin des woords. Geheel in overeenstemming hiermede leert de H. Augustinus , dat er „zonder ware //godsvrucht geene ware deugd zijn kanquot; (De civ. Dei lib. V. cap. 19).
\') De H. Joannes Damascenus verhaalt in de levensbeschrijving der HH. Barlaam en Joaaphat (hfdst. 13) eene geestige parabel, waarin de eerste aan den laatste de groote waarde der deugd duidelijk voorstelde en tot de beoefening van het goede aanspoorde.
Iemand had drie vrienden. Twee van deze beminde hij innig, verwachtte het meeste van hen en onderwierp zich om hunnentwil aan groote moeielijkheden, vermoeienissen en gevaren. Voor den derden vriend klopte zijn hart minder warm; hij behandelde hem dikwijls zelfs met zichtbare koelheid , omdat hij zich van diens vriendschap\' een gering voordeel beloofde. Intusschen geraakte hij in schulden en werd derhalve voor den rechterstoel van zijnen koning geroepen. Thans drong hem de nood, zijne vrienden om bijstand te smeeken. Hij begaf zich tot den eersten. Deze ontving hem koud en hardvochtig, gaf hem een linnen kleed mede op reis en liet hem bitter teleurgesteld vertrekken. Bij den tweeden vriend ging het hem niet veel beter. Deze betoonde hem wel eenig medelijden, vergezelde hem een gedeelte van den weg en keerde vervolgens onbekommerd over zijn lot naar zijne bezigheden terug. Met een ongerust gemoed betrad de ongelukkige nu den drempel van den derden vriend. Het bewustzijn, dat hij jegens hem maar al te dikwijls was te kort geschoten, bedekte hem met schaamte en deed hem weinig goeds hopen. Maar hoe verbaasd stond hij, als deze uit erkentelijkheid voor de hem van tijd tot tijd bewezen oplettendheid zich bereid verklaarde , hem naar den koning te vergezellen, en daar zijne verdediging op zich te nemen. — De eerste vriend is de rijkdom; roept de dood den mensch voor Gods oordeel, dan blijft de rijkdom achter en geeft den overledene slechts een doodkleed in het graf mede. De tweede vriend zijn de bloedverwanten en kennissen; deze vergezellen den mensch tot aan het graf, keeren van daar echter terug en vergeten in het gewoel van tijdelijke zorgen en bezigheden den ontslapene. De derde vriend eindelijk is de deugd, het geloof, de hoop en de liefde met gevolg: deze verlaat den mensch niet, gaat met hem voor Gods rechterstoel en verwerft hem een genadig oordeel. Christenen! naar wiens vriendschap hebben wij tot dusverre gedongen ? Naar wiens vriendschap zullen wij voortaan staan? De keuze kan ons niet zwaar vallen. De deugd alleen is onze vriendschap waardig, want zij alleen blijft ons getrouw in leven en in dood, zij alleen vergezelt ons voor Gods troon en opent ons de deur der gelukzalige eeuwigheid.
543
lt;Soc1deliike en zec1el|}kc «leugcleu.
Hoe wordt de christelijke deugd verdeeld?
In goddelijke en zedelijke deugden.
1) Goddelijke deugden heeten die, welke onmiddellijk van God voortkomen en onmiddellijk op God betrekking hebben, gelijk bij de deugden des geloofs, der hoop en der liefde het geval is. — Deze deugden, krachtens welke wij op eene tot het eeuwige leven voordeelige wijze gelooven,\' hopen en beminnen, zijn geheel en al van bovennatuurlijken aard; zij ontspruiten niet uit de natuurlijke bekwaamheden of vermogens van \'s menschen ziel, maar worden hem van boven medejfedeeld; zij worden door God, den eenigen oorsprong van alle bovennatuurlijke deugden, in de ziel van den mensch ingestort, gelijk later zal worden verklaard. De goddelijke deugden van geloof, hoop en liefde komen dus onmiddellijk van God voort. Zij hebben*\' eveneens onmiddellijk betrekking op God, en wel in een tweevoudig opzicht. Want ten eerste is God het eigenlijke en onmiddellijke voorwerp (objectum materiale) dezer drievoudige deugd. Wij gelooven, namelijk, aan God, aan zijn bestaan en zijne volmaaktheid; wij hopen op God als onzen toekomstigen Zaligmaker, als ons toekomstig bezit; wij beminnen God als het in zich zeiven hoogste en oneindig beminnenswaardige goed. Zonder twijfel gelooven wij niet slechts die waarheden, welke God tot onmiddellijk voorwerp hebben, maar ook andere heilswaarheden, als de verrijzenis der dooden, het laatste oordeel, de eeuwigheid der helsche straffen en meer andere; wij hopen niet alleen de eeuwige zaligheid, maar ook de geschikte middelen daartoe, menigvuldige geestelijke goederen of genaden; wij beminnen naast God ook den evennaaste; maar altijd blijft het waar, dat God, ofschoon niet het eenige, toch het eerste en voornaamste voorwerp van ons geloof, van onze hoop en liefde is, en dat wij al het overige gelooven, hopen en beminnen om God. \') Wij gelooven namelijk de overige heilswaarheden als zoodanige, door welke God zich aan ons openbaart; wij hopen op de geestelijke goederen en genaden als middelen, welke tot het bezit van God voeren ; wij beminnen den evennaaste, als kind en evenbeeld van God. — God is echter niet alleen het eerste en onmiddellijke voorwerp van ons geloof, onze hoop en onze liefde,
\') S. Thom. L. 3. sent. d. 26, q. 2, a.
544
Hij is, ten tweede, ook de eigenlijke en eenige beweegreden (objectum formale) dezer drie deugden. Wij gelooven aan God, enkel en alleen, omdat Hij , de onfeilbare, onbedriege-lijke Waarheid, gesproken heeft; wij hopen op God, omdat Hij, de oneindig Goede, Machtige en Getrouwe , het goed, hetwelk wij van Hem verwachten en hetgeen Hij zelf is, beloofd heeft; wij beminnen eindelijk God, omdat Hij het hoogste en in zich zeiven oneindig beminnenswaardige goed is. — Deze drie deugden staan dus in een tweevoudig opzicht onmiddellijk in betrekking met God, hetgeen bij alle andere deugden, zelfs bij de deugd der godsvereering het geval niet is, tenzij deze de oefening van geloof, hoop en liefde in zich sluite. Want wie Gode de verschuldigde vereering brengt, toont zich rechtvaardig jegens Hem, daar hij Hem geeft, wat Hem toekomt; bij de deugd van rechtvaardigheid is echter het naaste en onmiddellijke voorwerp niet de persoon, welken men recht verschaft, maar het recht zelf, hetwelk men hem verschaft. De wil is hier niet, gelijk bij de liefde, in de eerste plaats op den persoon, maar op het recht gericht; men bemint op de eerste plaats het recht, niet den persoon. Ook de beweegreden is niet de persoon, aan wien men recht laat toekomen, maar de billijkheid, welke vordert, dat aan eenieder het zijne worde gegeven.
2) Zedelijke deugden heeten die, welke ons zedelijk gedrag zoo regelen, gelijk het Gode behagelijk is. De zedelijke deugden zijn onderscheiden van de goddelijke, ten eerste daardoor, dat zij in de zedelijke natuur zelve van den mensch zetelen , dus in en op zich zelve niet bovennatuurlijk zijn. Vandaar is het niet onvermijdelijk noodzakelijk, dat God ze op bovennatuurlijke wijze mededeelt of instort, daar Hij als Schepper reeds de kiem daartoe in het hart heeft gelegd. De mensch nu kan en moet met de hulp der genade doox\' voortdurende oefening zijne deugd voeden, verzorgen en tot eene krachtige plant doen opgroeien. Doen wij dit met het oog op God, ons bovennatuurlijk, laatste doel, dan worden deze zedelijke deugden veredeld, tot bovennatuurlijke, christelijke deugden verheven. — De zedelijke deugden zijn onderscheiden van de goddelijke, ten tweede, daardoor, dat het onmiddellijk voorwerp er van niet God zelf, maar onze zedelijke verplichting is, hetzij dat deze op God, op den evennaaste of op ons zei ven betrekking heeft. Zoo is bijv. het voorwerp der zedelijke deugd van rechtvaardigheid de heilighouding der rechten van den evenmensch; van de matigheid de onderdrukking der booze neiging en hartstochten, enz. — Het derde
545
onderscheid tusschen de goddelijke en zedelijke deugden bestaat eindelijk daarin, dat bij de laatste de onmiddelliike beweegreden niet noodzakelijk God zelf is, maar nu eens de achting voor zijne wet, dan weder de schoonheid en de waardigheid der bedoelde deugd, of wel de hatelijkheid dei-tegenovergestelde ondeugd.
Geloof, hoop en liefde, die uithoofde van het onmiddellijk voorwerp, waarop zij betrekking hebben, goddelijke deugden heeten, worden ook om haren oorsprong ingestorte deugden genoemd in tegenoverstelling van de zedelijke, welke onder hetzelfde opzicht verworven deugden genoemd worden. De uitdrukking «ingestortequot; deugden is aan de H. Schrift ontleend (Rom. V, 5 en Tit. Ill, 6), en beteekent die deugden, welke door God aan het menschelijk hart op genadevolle, onbeschrijfelijke wijze worden medegedeeld, welke als een vruchtbaarmakende dauw, als éene genezende of versterkende olie of een aangenamen geur verspreidende balsem worden uitgestort. Volgens de nadere bepaling der Godgeleerden is de deugd ingestort, z/in zoover zij eene goddelijke gave is, welke aan de ziel met de //heiligmakende genade wordt geschonken, om haar tot hovennatuur-,lijke oefeningen van deugd, d. i. tot dusdanige Gode behagehjke, „acten of handelingen, welke het eeuwig leven verdienen, bekwaam\'\' fen geneigd te maken.quot; — De mensch heeft wel reeds van nature de onvernietigbare bekwaamheid en geneigdheid, om genoegzaam gewaarborgde waarheden en feiten te gelooven, het beloofde goed te hopen en het in zich beminnenswaardige ook werkelijk te beminnen, maar dit enkel natuurlijk gelooven, hopen en beminnen, blijft toch oneindig ver beneden dat geloof, die hoop en die liefde, waardoor wij verdienen het hemelrijk binnen te gaan. Tot het eeuwig leven voeren ons alleen zoodanige oefeningen van deugd, welke van de genade uitgaan, welke als het ware eene uiting of openbaring zijn van dat hoogere, bovennatuurlijke, Gode gelijkvormige leven, hetwelk de goddelijke genade in de ziel voortbrengt; want slechts zulke oefeningen van deugd staan in verhouding met ons toekomstig leven van glorie in den hemel. Inderdaad, ware het ons toegestaan, zonder de genade van den Heiland, door de beoefening van zuiver natuurlijke deugden, het eeuwige leven waardig te worden, dan zou de noodzakelijkheid van den genade aanbrengenden verlossingsdood van Christus volstrekt niet te bewijzen zijn. — Wat nu zijn de ingestorte deugden van geloof, hoop en liefde? Zij zijn niets anders, dan blijvende genadegaven van den in Christus tot het bovennatuurlijk leven herboren mensch; krachten, aan zijne nieuwe hemelsche natuur beantwoordende; vermogens, welke hem geschikt en geneigd maken, om Gode behagelijke en voor den hemel verdienstelijke werken te verrichten. \') Want gelijk God den mensch tot het natuurlijk werken
\') Om het denkbeeld der ingestorte deugden voor het verstand van
kinderen duidelijker te maken, zal het volgende niet onnut zijn. _
Lezen en schrijven moet gewoonlijk geleerd, en de kennis van vreemde talen met inspanning verkregen worden. Intusschen vinden wij toch in de kerkelijke geschiedenis en in de levensbeschrijvingen van verschillende Heiligen het feit opgeteekend, dat God somtijds ook eensklaps de bekwaamheid om te lezen en te schrijven of om vreemde talen te spreken heeft mede gedeeld. Dit laatste had niet alleen plaats op het Pinksterfeest bij de Apostelen, maar ook, gelijk elders, (Deel. U, bl. 360) reeds is verhaald bij den H. Franciscus Xaverius. Vincentius Ferrerius en anderen. Een opvallend voorbeeld van de
DEHARBE, GELOOiSLEER. III. Sde DRUK. ■JP,
546
met gepaste, blijvende krachten en vermogens voorzag en hem eene aan zijne redelijke natuur gepaste neiging tot het goede in \'t hart legde, zoo wilde Hij ook uit oneindige goedheid den door het H. Doopsel gerochtvaardi^den en in het evenbeeld van den hemelschen Adam, Christus, veranderden mensch met vermogens van hemelschen aard uitrusten en hem in staat stellen, een geheel hemelsch en den hemel waardig leven te leiden. De oneindig wijze en goede God wilde namelijk niet toelaten, dat de nieuwe in Christus herboren mensch minder rijk begaafd en minder bij machte zou zijn. om zijn bovennatuurlijk doel, de eeuwige zaligheid, te bereiken, dan de in Adam geborene was, om zijn natuurlijk einde te erlangen, een natuurlijk geluk te verkrijgen. \') De goddelijke genadegaven moesten dus in ons verblijven (1 Joan. III, 9), Christus door het geloof in onze harten iconen, en wij in de liefde wortel en grond vinden (Eph. III, 16, 17).
Geloof, hoop en liefde worden „onmiddellijk en bij voorkeur inge-
eerste wijze levert ons de levensgeschiedenis van de H. Catharinavan Siena (Chavin van Malan; hfdst. 4). Catharina had in hare jeugd geen lezen of schrijven geleerd. Later had zij eene harer medgezellinnen gesmeekt, haar te leeren lezen, opdat zij de getijden der Kerk zou kunnen bidden. Gedurende verscheidene weken kon zij niettegenstaande de ijverigste inspanning niets leeren. Toen wierp zij zich op zekeren morgen treurig aan de voeten van den Verlosser neder en sprak: „Jleester, hoe gelukkig zou ik zijn, als het U behaagde, mij »het lezen te leeren, om door het bidden der getijden U te kunr.en kloven en prijzen! Behaagt dit echter uwe goddelijke Majesteit niet, „dan geschiede uw wil.quot; God verhoorde zijne nederige dienaresse, en van dat oogenblik af las Catharina met groot gemak, wat zij te voren niet vermocht- Later leerde God haar ook op even wonderbare wijze schrijven. Na eene ziekte van verscheidene dagen stond zij op zekeren dag op, nam een stuk perkament en schreef met vermiljoen; „Heilige Geest! kom in mijn hart; uwe kracht trekke het „tot God; geef mij uwe liefde en uwe vreeze.quot; Vervolgens schreef zij terstond aan haren Biechtvader, Pater Raimundns: „De Heer onder-„wees, gelijk een leermeester, die zijnen kweekeling- vormt, mijne „hand, om de gedachten mijner ziel te schrijven. Zoodra gij vertrokken waart, begon ik met den bijstand van den glorierijken „Evangelist Joannes en den H. Thomas van Aquine te leeren schrijven, „zonder dat ik het gewaar werd, als\'t ware slapende.quot; De H. Catharina schreef tot welzijn der Kerk aan vorsten, monarchen, kardinalen en aan den Paus; hare brieven zijn zoo meesterlijk geschreven, dat zij nog heden door alle kenners als een voorbeeld van schoonschrift worden geprezen.
De besproken kundigheden en bekwaamheden, waarmede God zijue Heiligen uitrustte, zonder dat zij, gelijk andere menschen, zich daartoe moeite behoefden te geven, worden met recht ingestorte kennis en bekwaamheden genoemd, omdat zij uit (iod, de Bron van alle kennis en wetenschap, in zijne bevoorrechte schepselen, de Heiligen, zoo spoedig, zacht en rijk overgestort worden, gelijk bronwater in de verzengde aarde of gelijk de lichtstraal der opgaande zon in den duisteren dampkring. Eveneens is het ook met de ingestorte goddelijke deugden. Want gelijk God wetenschappen en bekwaamheden, welke men volgens den gewonen loop van zaken slechts door voortdurende inspanning verkrijgt, op een oogenblik kan mededoelen, bezit Hij ook onbetwistbaar de macht, op gelijke wijze deugden te verleenen, welke de mensch door geeue natuurlijke poging, hoe ijverig en aanhoudend ook, in staat is te verkrijgen, gelijk zulks met de drie goddelijke deugden het geval is.
\') S. Thom. de virtutib. a. 10.
547
istorte deugdenquot; genoemd. Want ofschoon wij met recht aannemen, dat behalve de drie goddelijke deugden ook de zedelijke ingestort worden, is dit toch geane geloofsleer, gelijk zulks het geval is bij de eerste, maar alleen een welgegrond gevoelen der Godgeleerden. \') En altoos blijft het waar, dat //onder het heerlijk gevolg van alle «deugden, welke met de heiligmakende genade door God in de ziel «worden ingestortquot; (Rom. Katech. over het Doopsel), geloof, hoop en liefde de eerste plaats innemen, en bijgevolg ook met reden als onmiddellijk ingestort beschouwd worden. — Eveneens verdienen zij bij voorkeur, vóór alle andere deugden, de benaming van „ingestorte //deugden,quot; omdat zij, gelijk boven reeds is opgemerkt, doorraensche-lijke kracht en pogingen geenszins kunnen worden verkregen terwijl alle andere deugden ook door beoefening verworven kunnen worden.— Dan ofschoon wij de goddelijke deugden evenmin als de heiligmakende genade zelve verdienen of door eigen krachten verwerven kunnen; ofschoon deze onschatbare gaven een vrij geschenk van de erbarmende liefde Gods zijn, zijn toch allen, die de jaren van verstand bereikt hebben, verplicht en gehouden, zich tot het ontvangen er van met de hulp der goddelijke genade behoorlijk voor te bereiden. Zal de goddelijke Zaaier het hemelsche zaad in de aarde van ons hart laten nedervallen, dan mogen wij van onzen kant geene moeite sparen, om het voorloopig te bearbeiden. Deze voorbereiding is geene andere dan die, welke van de volwassenen tot het waardig ontvangen van het H. Sacrament des Doopsels en der Biecht wordt gevorderd. Want\'\' bij de eerste rechtvaardiging, welke in het H Doopsel plaats heeft, worden, volgens de leer van de H. Kerkvergadering van Trente (Zitt. 6. hoofdst. 7), deze drie deugden tegelijk ingestort en heeft men, hetgeen nooit zonder eigen grove schuld geschiedt, de eene of de andere dezer deugden of alle te zamen verloren, dan volgt andermaal de instorting er van bij de nieuwe rechtvaardiging door het H. Sacrament van Boetvaardigheid.
Verworven wordt de deugd genoemd, in zoover de mensch haar met Gods hulp door voortdurende beoefening verwerft. Als iemand den hem van natuur eigen aanleg tot de deugd door menigvuldige en voortdurende deugdacten ontwikkelt en vormt, dan ontstaat eene altijd grootere vaardigheid of gemakkelijkheid om bij elke voorkomende gelegenheid deugdzaam, d. i. volgens de voorschriften der zedelijke deugd, te handelen. Het gaat hiermede als met de ontwikkeling van den natuurlijken aanleg tot kunst. Een beginnend schilder moet dikwijls en vlijtig het penseel hanteeren; een eerst beginnend leerling in de toonkunst moet dikwijls en onvermoeid spelen, om bekwaam in zijn kunst te worden. Zoo moet ook degene die zijn natuurlijken aanleg om zed\'lijk goed te handelen tot gemakkelijkheid wil brengen, die deugdzaam worden wil, zich dikwerf en aanhoudend in het onderhouden der zedewet oefenen. Met dc geneigdheid toch, welke de ingestorte deugd schenkt, om bovennatuurlijke oefeningen van deugd te verrichten, is niet tevens de gemakkelijkheid daarvan verbonden, welke alleen de vrucht is eener aanhoudende oefening. Dat genadegeschenk geeft wel aan den wil eene bepaalde richting naar het bovennatuurlijk doel, hetwelk wij beoogen, doet hem daartoe overhellen, opdat hij des te gemakkelijker en voortdurender er naar streve, maar geeft hem die getnakkelijkheid, behendigheid en vreugde in het verrichten van acten van deugd niet, welke uit eene langdurige beoefening voortkomt en door de gewoonte ons als het ware tot eene tweede betere natuur wordt. Want als dit het geval was, zouden in een pasgedoopten volwassene de wellicht vóór het Doopsel aangenomen onzedelijke handelwijze door de inge-
\') S. Thom. 1. 2, 63. a. 3.
i) Hierover meer bij het H. Sacrament des Doopsels.
35*
548
storte deugden volkomen en oogenblikkelijk worden weggenomen, daar twee vermogens om met gemak iets te verrichten nadr geheel tegenovergestelde richting niet naast elkander kunnen staan; en al had een zoodanige vóór het Doopsel zelfs vele jaren zich aan alle zonden vrij overgegeven, dan zoude hij, ingeval de gemakkelijkheid met de deugd tegelijk werd ingestort, de deugd met hetzelfde gemak beoefenen, als een ander, die in de gestadige beoefening er van is vergrijsd. Dit strijdt echter gewis met de dagelijksche ondervinding. Hetzelfde zou het geval zijn met een verouderden zondaar, die bij de instorting der deugden, na het waardig ontvangen van het U. Sacrament der Biecht terstond de gemakkelijkheid om alle zedelijke deugden te oefenen zou moeten bezitten. — De door voortdurende beoefening van zedelijke deugden verkregen gemakkelijkheid is in en op zich zelve geheel natuurlijk; want zij ontstaat, geheel overeenkomstig de natuur, uit het dikwijls en langeren tijd voortgezet herhalen van deugdsacten. Vandaar gebeurt het niet zelden, dat in den zondaar, nadat hij door groote zonden de goddelijke genade en- met haar de ingestorte bovennatuurlijke gave van zedelijke deugden verloren heeft, \') de voorzichtigheid, zachtmoedigheid, matigheid en derg., in den toestand der genade door overwinning van zich zeiven verworven, als natuurlijke deugden toch in hem achterblijven. — Ofschoon nu de besproken vaardigheid oatuurlijk is en blijft, zijn toch de afzonderlijke oefeningen van deugd, voor zoover zij met behulp der goddelijke genade of krachtens de door God In de ziel ingestorte bovennatuurlijke bekwaamheid met betrekking tot God worden verricht, waarlijk bovennatuurlijke of christelijke oefeningen van deugd.
Ter aanvulling van het reeds verklaarde kan dienen de opmerking, dat, als er van zedelijke deugd sprake is, slechts hij verdient \'leuqd-zaam genoemd te worden, die het daarin tot een gemakkelijkheid heeft gebracht. Niemand geve zich dus aan de grove en gevaarlijke misleiding over, dat hij deze deugden bezit, gelijk het den Christen betaamt, alleen omdat zij hem in het H. Doopsel worden ingesv.ort, of omdat hij van tijd tot tijd eene oefening van zedelijke deugd volbrengt; zonder aanhoudende inspanning en zelfoverwinning wordt de deugd in den vollen zin des woords noch verworven noch bewaard. Zelfs de goddelijke deugden moeten geoefend en door die oefening versterkt worden, willen wij ze niet verliezen.
Wanneer moet men de goddelijke deugden verwekken?
Meermalen in het leven, vooral 1) in zware bekoringen tegen deze dengdea, 2) bij het ontvangen der HH. Sacramenten, 3) in gevaar van sterven en op het sterfbed.
Zeker is het, dat de goddelijke deugden niet alleen een noodzakelijk vereischte zijn ter bereiking van onae bovennatuurlijke bestemming, maar ook een zeer krachtdadig middel ter bevordering van het christelijk leven en de christelijke volmaaktheid. Het geloof stort een hemelsch licht uit over onze aardsche pelgrimsreize, licht den sluier van de geheimvolle toekomst op, toont ons de kroon der toekomstige heerlijkheid en „het onvergankelijke, onbevlekte,
lt;) S. Thom. Sum. 1. 3. q. 65. a. 3. Qui amittit caritatem per pec-catum mortale, amittit omnes virtutes morales infusas.
549
„onverwelkbare erfdeel, hetwelk voor ons in den hemel is „weggelegdquot; (1. Petr. 1, 4); de hoop op die onwaardeerbare, hemelsche goederen, de beloofde eeuwigdurende zaligheid in den schoot van God, spoort onzen wil aan, op den door het geloof ons aangewezen weg des heils te wandelen; de liefde geeft vleugels aan onze schreden, verheft ons hoven alle hinderpalen, welke zich aan ons voordoen, en zet ons niet alleen sterk aan, te streven naar de ver-eeniging met God, den oneindig Beminnenswaardige, aan de andere zijde des grafs, maar vereenigt ons reeds hier beneden met Hem. Het is dus een heilige en dure plicht voor iederen Christen , deze hem bij het H. Doopsel ingestorte deugden getrouw en standvastig tot het einde zijns levens te bewaren en derhalve ook de ter bewaring dier genadegaven gepaste middelen aan te wenden. Een voortreffelijk middel hiertoe is onbetwistbaar de menigvuldige oefening of verwekking van genoemde deugden. Derhalve hebben vele Christenen, voor hunne zaligheid bezorgd, het zich ten levensregel gesteld, eiken morgen en avond of eenmaal, daags de oefeningen der goddelijke deugden te bidden. Dat het echter niet alleen, gelijk uit de aangevoerde reden blijkt, zeer raadzaam, maar somtijds zelfs geboden is, acten van geloof, hoop en liefde te verwekken, blijkt daaruit, dat Paus Alexander VII de tegenovergestelde leer verworpen heeft. \') — Hoe dikwiils de Christen, tot de jaren van onderscheid gekomen, gehouden is, acten van geloof, hoop en liefde te verwekken, en op welk tijdstip deze verplichting begint, is niet juist te bepalen. Is een kind tot de kennis gekomen van hetgeen een Christen noodzakelijk moet gelooven, hopen en beminnen, om zalig te worden, dan is het ook terstond verplicht, de daaraan beantwoordende oefeningen van deugd te verwekken. — Teneinde echter aan den strengen plicht, om de drie goddelijke deugden te verwekken, te voldoen, is het in het algemeen genoeg, zoodanige godsdienstige handelingen te verrichten, waarin eene acte van geloof, hoop, liefde of van alle drie tegelijk ligt opgesloten. Zoo kan men bijv. aan de verplichting, om de deugd des geloofs te verwekken, voldoen, als men met eerbied en voorbedachtzaamheid het kruisteeken maakt; ingelijks aan de verplichting, om de hoop te verwekken, als men aandachtig het gebed des Heeren, het „Onze Vader,quot; bidt; en het volmaakte berouw over zijne zonden sluit in zich zoowel eene acte van geloof als ook van liefde Gods.
l) Proposit. I, ab Alexandre VII, damnata.
550
Bizonder dringend wordt de verplichting, om de goddelijke deugden (uitdrukkelijk of in eene andere daad ingesloten) te verwekken, in zware bekoringen tegen die deugden. Komen er twijfelingen of bezwaren tegen den godsdienst in onzen geest op, dan is er niets heilzamer, dan bij zich zeiven te zeggen: „mijn God: ik geloof alles, wat Gij hebt ge-„openbaard, en wat uwe H. Kerk mij te gelooven voor-„stelt.\'\' Bekruipt treurigheid, kleinmoedigheid en vertwijfeling ons hart, dan zal de godvruchtige verzuchting: „op U, o Heer, heb ik gehoopt, in eeuwigheid zal ik ,met beschaamd worden,quot; het geweld der bekoring breken; verzet zich in lijden en wederwaardigheden ons binnenste tegen God; gevoelen wij ons geneigd tot morren en klagen, of dringen zich aan onzen geest zelfs gedachten van godslastering op: het zekerste middel om den opstand onzer booze natuur te stillen, is eene acte van liefde tot God. Zeggen wij met kinderlijken eenvoud: „mijn God! „ Ik bemin U van ganscher harte en boven alles, omdat „Gij het hoogste, beminnenswaardigste goed zijt,quot; en de storm der bekoring zal zonder schade voorbijloeien. Zoo er bij bekoringen tegen de goddelijke deugden geen ander middel is, om een zegevierenden weerstand te bieden, dan zou de bekoorde onder zware zonde verplicht zijn de aangeduide oefening van deugd te verwekken. — Zeer raadzaam is het ook bij het ontoangcn der HH. Sacramenten acten van geloof, hoop en liefde te verwekken, om zoo met grootere aandacht en rijker voordeel van deze onwaardeerbare genademiddelen gebruik te maken. Eene bizondere verplichting hiertoe bestaat evenwel alleen in zooverre, dat de besproken acten in de noodzakelijke voorbereiding tot het waardig ontvangen van een H. Sacrament moeten vervat zijn, gelijk bijv. bij het H. Sacrament der biecht geloof en hoop in het berouw, als de onvermijdelijke voorbereiding tot het waardig ontvangen van dat Sacrament. — Ook in dreigend gevaar van sterven, op het sterfbed, is men gehouden, als het mogelijk is, de acten der goddelijke deugden te verwekken, zoowel om in den laatsten gevaarvollen strijd het geloof, het vertrouwen en de liefde te bewaren, als om zich beter tot de naderende intrede in de eeuwigheid en op dep spoedige vereeniging met God, den oorsprong, de beweegreden, het voorwerp en einddoel dezer deugden, voor te bereiden. \')
\') De H. Koning- Lodewijlc, over wien wij reeds herhaalde malen gesproken hebben, was gewoon te zeggen, dat de satan, die sluwe vijand onzer zaligheid, zich alle bedenkelijke moeite geeft, om hen, die den dood nabij zijn, zoover te brengen, dat zij in eenigentwijfel
551
Men kan de goddelijke deugden op de volgende wijze verwekken.
„O mijn God, ik geloof vastelijk alles, wat Gij ons door uwe //heilige, katholieke Kerk te gelooven voorstelt, omdat Gij, de eeu-,/wige, onfeilbare Waarheid, zulks hebt geopenbaard.quot;
,U mijn God! ik hoop om de verdiensten van Jesus Christus van »U vergeving mijner zonden, uwe genade en het eeuwig leven te //verkrijgen, omdat Gij, almachtige, barmhartige en getrouwe God, «zulks hebt beloofd.quot;
//O mijn Godl ik bemin U van ganscher harte en boven alles, „omdat Gij mijn beste Vader en het hoogste, beminnenswaardigste «goed zijt. Uit liefde tot u bemin ik ook mijnen evennaaste, vriend ,/Of vijand, gelijk mij zeiven.quot; Amen.
Schoon het geenszins eene verplichting is, de acten der goddelijke deugden volgens eene bepaalde formule te verwekken, achten wij dit, vooral voor minder onderwezenen, toch zeer nuttig en raadzaam. Daarbij rnoet men zich echter wachten voor het maar al te menigvuldig misbruik, deze formule gedachteloos te lezen of op te zeggen.— Om het menigvuldig verwekken der drie goddelijke deugden aan te bevelen en te bevorderen, heeft Paus Benedictus XIV (Üecret. 28 Jan. 1756) aan hen, die de gezegde acten met hart en mond aandachtig bidden, iederen keer eenen aflaat van 7 jaren en 7 quadragenen, en aan hen die dit in het doodsuur doen. een vollen aflaat verleend, mits zij die acten in hun leven dikwijls hebben gebeden. Krachtens hetzelfde decreet kunnen ook allen, die de genoemde acten dagelijks op gezegde wijze bidden, op éénen dag der maand, als zij, na het waardig ontvangen der Biecht en Communie, voor de H. Kerk enz. bidden, een volle aflaat verdienen.
De keuze der mondeling uit te spreken formule is aan eenieder vrijgelaten; echter moeten de beweegredenen der genoemde deugden er in zijn uitgedrukt.
Kardinale (le«is;(lon.
Welle zijn onder de zedelijke deugden de vier grond- of hoofddeugden , die de overige deugden in zich hen alien ?
1) Voorzichtigheid, 2) rechtvaardigheid, 3) matigheid, 4) sterkte. — Onder het groot aantal zedelijke deugden
aangaande het geloof van deze wereld scheiden. 7Wantquot;, zoo voegt de Heilige er bij, //de booze vijand weet wel, dat hij den mensch ede goede werken, welke deze verricht heeft, niet kan ontnemen; »hij weet ook. dat hij geen deel aan den stervende heeft, als deze ,/zijn geloof tot het einde toe bewaart. Daarom moet men op zijne «hóede wezen en tot den verleider zeggen; Ga weg van mij! Gij //zult er mij nimmer toe brengen, dat ik niet vastelijk aanneem alle //leerstukken des geloofs; al liet gij mij alle ledematen afsnijden, dan «zou ik toch in die leer loven en sterven. Wie zoo handelt, over-,wint den vijand met dezelfde wapenen, waarmede deze hem wilde //doodenquot; (Joinville, levens dér Heil.). — Hetzelfde geldt ook van de bekoringen tegen de goddelijke deugden dev hoop en der liefde.
Toen de H. Martinus, Bisschop van Tours, op het sterfbed lag, naderde hem de helsche bekoorder en trachtte den stervende gedachten van vertwijfeling in te blazen. Toen verzamelde de Heilige zijne laatste krachten en sprak luide en onverschrokken tot den helschen vijand: «Wat slaat gij daar, wreed dier? Gij zult geen «deel aan mij hebben.quot; Na deze woorden gaf hij zijne ziel in de handen van God over, op wien hij zijn vertrouwen had gesteld (Uit de levensgeschied. van dien Heilige, 11 Nov.).
552
zijn er eenige, welke om hare bizondere belangrijkheid en haren bepaalden invloed op het zedelijk leven ook onze geheel bizondere aandacht en opheldering vragen en verdienen. Deze zijn de opgenoemde grond- of hoofddeugden, welke ook kardinale deugden worden genoemd Zij worden genoemd gronddeugden, omdat zij den grondslag, het fundament van het zedelijk leven uitmaken, als \'t ware zoovele grondsteenen of grondzuilen zijn, waarop de overige deugden steunen, en alzoo het geheele gebouw des zedelijken levens rust. Zij heeten ook hoofddeugden, omdat alle overige op deze vier betrekking hebben of daartoe teruggebracht kunnen worden. Op gelijke wijze worden ook zekere kleuren grond- of hoofdkleuren genoemd, omdat alle andere uit de menigvuldige vermenging er van ontstaan en tot deze kunnen worden teruggebracht. — De besproken hoofddeugden worden ook met den naam van kardinale deugden, bestempeld. Deze naam komt van het latijnsche woord cardo, de duim, de ijzeren haken, waarin bijv. eene deur hangt; gelijk namelijk eene deur in hare duimen is bevestigd, daarop en daarom zich beweegt, zoo zijn ook alle zedelijke deugden in de vier hoofddeugden bevestigd, steunen er op en bewegen zich er om, als om vier duimen, welke zij niet mogen uitgaan, zullen zij hare juiste beweging, hare regelmatige beoefening bewaren. Zoo is bijv. de iiver voor de eer van God eene schoone deugd, maar zij zou veel in schoonheid en waarde verliezen, als zij den duim der voorzichtigheid uitging. Niet minder schoon is de deugd van milddadigheid, maar zij mag den duim der rechtvaardigheid niet verlaten ; de boetvaardigheid is eene noodzakelijke deugd, maar bleef zij niet in den duim der matigheid, dan zou zij in vertwijfeling ontaarden. En wat zou eindelijk van elke andere deugd geworden, als haar de duim, het steunpunt der sterkte ontbrak? — Wie de vier grond-, hoofd- .of kardinaaldeugden bezit, hem zal het ook niet aan de overige zedeliike deugden ontbreken; ontbreken echter aan iemand gene, dan zullen deze bij hem slechts schijndeugden, slechts blinkend schijnschoon wezen.
Bestaat de deugd in het algemeen in de richting van den wil tot het goede of het Gode welgevallige, dan moeten ook de vier kardinale deugden op het goede betrekking hebben, dan moet elk dezer eene eigen strekking of richting hebben tot het goede. Dientengevolge bestaat
1) De voorzichtigheid daarin, dat wij erkennen, wat waarlijk goed en Gode welgevallig is, en ons tot het kwaad door den schijn van het goed niet laten verleiden. — Voor-
553
zichtigheid is in het algemeen, volgens de leer van den H. Augustinus \') en den H. Basilius, *) „de kennis van „hetgeen goed of kwaad, te erlangen of te vermiiden, te „doen of te latenquot; is. Christelijke voorzichtigheid in het hizonder is dus de kennis van hetgeen de Christen te doen of te vermyden heeft, om waarlijk (in christelijken zin) goed en Gode welgevallig te handelen. Daar nu de Christen alleen dan waarlijk goed en Gode hehagelijk handelt, als hij niet alleen het doel kent, waartoe hij door God is geschapen, en de gepaste middelen, om het doel te bereiken, maar ook deze middelen op gepaste wijze aanwendt, bestaat de christelijke voorzichtigheid hoofdzakelijk daarin, dat men het voorgestelde doel en einde en de middelen daartoe ten allea tijde en in alle omstandigheden erkennende, de erkende middelen na rijp beraad en op doelmatige wi]ze weet aan te wenden. Vandaar dat deze deugd, ofschoon zij haren zetel in het verstand heeft, toch onder de zedelijke deugden wordt gerekend, omdat zij aan onzen wil en door dezen aan ons geheele doen en laten de ware christelijke richting naar het behoorlijk doel geeft. Zij is, gelijk de H. Bernardus (preek 2 over het Hoogl.) zich uitdrukt, „de regeleerster „en bestuurster der overige deugden.\'\' „Neem de voor-„zicbtigheid weg,quot; voegt de H. Leeraar er bij, „en de „deugd is geene deugd meer, maar een gebrek/\'
De klippen, waarop de Christen op zynen tocht door het leven het meest schipbreuk lijdt, zijn de schijngoederen dezer wereld. Door hunnen bedriegelijken glans laat hij zich, helaas! maar al te dikwijls verleiden, om zijn oog van de hemelsche goederen af te wenden en uit alle krachten , door aanwending van alle, zelfs van de verwerpelijkste middelen naar het bezit der aardsche goederen te streven; de Christen handelt slecht, omdat de schijn van goed, welke hij in de vergankelijke goederen ontdekt, zijnen geest bedriegt en zijn. hart door een ongeregeld verlangen medesleept. Met zelden wordt echter ook het in zich zelve waarlijk goede eene klip, als men bij de keuze der middelen, om het te bereiken, onbezonnen, en bij het gebruik der middelen onvoorzichtig en onstuiming handelt, gelijk dit onder anderen bij hen het geval is, die uit overdreven en onbezonnen ijver voor de eer van God, het hart van hunnen evenmensch kwetsen, en zóó het goede, hetwelk zij wilden bevorderen, veeleer doen uitstellen of zelfs geheel tegenhouden. Teneinde de genoemde klippen gelukkig te
\') De S3 quaest. q. 81 — De lib. arbltrlo. 1. s. c. t3. J) Hom. li. Var. argum. — Hom. 12. ad popul.
554
ontkomen, vermaant ons de goddelijke Heiland zelf, „voorzichtig als de slangenquot; te wezen (Matth. X, 16), en stelt ons het voorbeeld voor oogen der vijf wijze maagden (Math. XXV), die de intrede in de hemelsche bruiloftszaal aan hare voorzichtigheid hadden te danken. En op eene andere plaats (Luc. XVI) wijst Christus ons op de verwerpelijke voorzichtigheid der wereldlingeu, welke daarin bestaat, dat zij in het aanwenden der middelen onvermoeid zijn, om hun rampzalig doel te bereiken, en de goddelijke Leermeester sluit met de woorden: „De kinderen „dezer wereld zijn in hun geslacht (in hunne tijdelijke aangelegenheden) „voorzichtiger dan de kinderen des lichts\'\' in de onvergelijkelijk gewichtiger aangelegenheid van hun zieleheil.
Veroordeelen wij dus van ganscher harte de voorzichtigheid der wereld j welke met verbazende scherpzinnigheid alle middelen opzoekt ea met groote vaardigheid en steeds vurigen ijver aanwendt, om zich op ongeoorloofde wijze rijkdommen, eer en genot te verschaffen; smeeken wij dikwerf van üod de christelijke voorzichtigheid af, welke ons bereid en geneigd maakt, om in al onze handelingen naar een Gode welgevallig doel door Gode behagelijke middelen en op Gode behagelijke wijze te streven. i)
\') De deugd der christelijke voorzichtigheid stelde de bovengenoemde kluizenaar Barlaüm zijnen leerling Josaphat, den zoon van den heidenschen Koning Abenner, op de volgende wijze figuurlijk voor. — In eene zekere stad heerschte de eigenaardige gewoonte om elk jaar een nieuwen koning te kiezen. l)e keuze viel altijd op een vreemdeling, die met dit overoude gebruik niet bekend werd gemaakt. Deze koning voor één jaar kon gedurende zijne regeering over het volk en de schatten des rijks naar welgevallen beschikken; was echter die korte tijd verstreken, dan stonden allen tegen hem op, en zonder dat hij zulks voorzag, werd hij van de vreugde en het genot van een weelderig hofleven beroofd en verdreven van den troon, welken hij voor altijd meende te bezitten. Daarbij bleef het echter niet. Men ontnam den onttroonden vorst alles, beroofde hem zelfs van zijne kleederen en bracht hem op een woest, onbewoonbaar eiland, waar de ongelukkige, door honger en dorst gekweld en door de gedachte aan het voormalige genot gepijnigd, ellendig versmachtte. Het gebeurde nu eens, dat men een vreemdeling, lot koning verkoos, die een man van verstand en bizondere voorzichtigheid was. Zoodra hij zich in het bezit van den troon zag, begon hij na te denken over de zeldzame manier, waarop hij daartoe gekomen was. Hetgeen hem vooral opvallend scheen, was dit, dat hij nooit van zijnen voorganger hoorde spreken, en niet wist hoe hij gestorven, ja niet eens, of hij gestorven, en wat er van hem geworden was. Daar hij vruchteloos poogde achter dit geheim te komen, zag hij naar een wijzen raadsman om en vond er werkelijk een onder de burgers der stad. Deze bracht hem de zonderlinge staatswetten ter kennis en noemde hem hét eiland, netwelk na verloop van een jaar zijn verblijf zou worden. Nadat hij dit vernomen had, was hij er op bedacht, zooveel mogelijk schatten te verzamelen en naar het als zijne toekomstige woonplaats genoemde
555
Tot de beoefening der christelijke voorzichtigheid vermaant ons ook de Apostel met deze woorden: „maakt u niet „gelijkvormig aan de wereld, maar beproeft, wat de goede, „welbehagelijke, volmaakte wil Gods is\'\' (Kom. XII, 2). Moge de wereld hare voorzichtigheid prijzen, vertrouwt hare woorden, hare leerstellingen niet; want „de voor-„zichtigheid des vleesches (der wereld) is de doodquot; (Rom. VIII, 6), veroorzaakt onfeilbaar den dood der ziel. Derhalve waarschuwde ook Christus zijne leerlingen (Matth. VII, 15): „wacht u voor de valsche Profeten,quot; en zijn H. Evangelie roept ons gedurig datzelfde vermanende woord toe. Wie aan de voorzichtigen dezer wereld gehoor geeft, hem zal het gaaa, gelijk eens Josaphat, koning vanJuda, tot wien de Profeet des Heeren zeide: „gij hebt vriendschap „gesloten met hen, die den Heer haten, daarom verdient „gij de gramschap des Heerenquot; (2, Kron. XIX, 4),
2) De rechtvaardigheid bestaat daarin , dat wij het goede altijd bepaald willen en alzoo steeds bereid zijn, aan eenieder te geven, wat wij hem schuldig zijn. — Grelijk de christelijke voorzichtigheid hoofdzakelijk in het verstand haren troon opslaat, en van daar uit de verlichtster en bestuurster van den wil en de handelingen des Christens wordt, zoo heeft daarentegen de kardinale deugd der christelijke rechtvaardigheid haren zetel in den wil, en maakt dien bereid en genegen om het goede, hetwelk haar bizonder voorwerp uitmaakt, altijd bepaald te willen en te volbrengen. Dit aan de zedelijke deugd van rechtvaardigheid eigen goede bestaat daarin, dat men ieder ten aanzien van de wet Gods geeft, hetgeen hem toekomt. Gelijk dus de
eiland te zenden. Intusschen brak het einde van het jaar en van zijne regeering aan, en het ging hem gelijk zijn voorgangei\'. Maar zijn lot was nu alles behalve beklagenswaardig; hij vond op het eilattd alle schatten, welke hij vooruit gezonden had, en genoot langejaren de vruchteu zijner voorzichtigheid in vrede en geluk. — De stad met die zonderlinge gewoonte van zoo dikwijls haren koning te ont-troonen en den onttroonde te verstooten, is de arglistige wereld, welke hare dienaren verheft, met den glans van vergankelijke goederen omstraalt, door vleierijen en valsclie beloften in slaap wie^t en hunne oogen van de hemelsche goederen aftrekt. Het einde des levens breekt aan, de dood rukt den gunsteling der wereld uit alle genot en vreugde en voert hem in het land der rampzalige eeuwigheid. De vourzichlige vorst, wien het gelukt onmetelijke schatten vooruit te zenden, is de Christen, die door het voorbeeld van Jesus Christus en door zijne heilaanbrengende leer de onzekerheid van de gunst der wereld en de vergankelijkheid der aardsche goederen kennende, met de beoefening van godvruchtige en Gode behagelijke werken zich schatten voor den hemel verzamelt, en zoo aan gene zijde des grafs zich eene onverwelkbare kroon, eene eeuwige heerlijkheid bereidt (Joan Damasc. Levensgesch. dor HH. Üarlaam en Josaphat).
556
natuurlijke rechtvaardigheid door de rechtsgeleerden \') gewoonlijk beschreven wordt, als „de vaste en voortdurende „wil, om aan ieder zijn recht te verschaffen,quot; zoo wordt ook op dezelfde wijze van de christelijke rechtvaardigheid gezegd, dat zij „de bepaalde, aanhoudende wil is, om „eenieder te geven, wat wij hem schuldig zijn,quot; overeenkomstig de leer van Jesus Christus: „geef den Keizer, wat „des Keizers, en God, wat Godes is.quot; Dat wil zeggen: wees rechtvaardig in elk opzicht, rechtvaardig met betrekking tot hetgeen gij Gode verschuldigd, en met betrekking tot hetgeen gij krachtens de verhouding, waarin gij tot de maatschappij, tot den staat, tot het gezin staat, den mensch verschuldigd zijt, onverschillig of deze boven u staan, gelijk de overheden, of naast u, uws gelijken, of onder u, als uwe onderdanen. Jegens God toonen wij ons rechtvaardig door een onverwrikbaar geloof aan ziin woord, door gehoorzaamheid aan zijn heiligen wil en de uitdrukking daarvan, zijne geboden, door ijver voor zijne eer, een vast vertrouwen op zijne goedheid en barmhartigheid, door liefde voor zijne oneindige volmaaktheid, door aanbidding van zijne majesteit en opperheerschappij, door voldoening voor de bedrevene zonden om zijne heiligheid en rechtvaardigheid. Jegens den evennaaste zijn wij rechtvaardig en billijk, als wij aan de geestelijke en wereldlijke overheden gehoorzaamheid, eerbied en liefde; aan onze gelijken achting, liefde en trouw; aan de ondergeschikten bescherming, welwillendheid en verzorging ; aan allen , zonder uitzondering, erkenning en heilighouding hunner rechten en ware deelneming in hun geluk of ongeluk betoonen. Van deze rechtvaardigheid jegens onze evennaasten spreekt de Apostel in zijn brief aan de Eomeinen (XIII, 7, 8): „geeft aan allen het verschuldigde: schatting, „aan wie schatting; tol, aan wie tol; vreeze, aan wie vreeze; „eere, aan wie eere toekomt.quot; — O mocht toch de rechtvaardigheid, die schoone deugd, door de Christenen, gelijk behoort, bemind en beoefend worden; de aarde, dit tranendal, zoude spoedig in een paradijs veranderd zijn! Waar rechtvaardigheid bloeit, waar zij hart en geest aan den Allerhoogste onderwerpt, waar zij den wierook van aanbidding ten hemel opzendt, daar stroomt Gods zegen op de aarde af, en vrede en heilige vreugde vervullen aller harten. Waar rechtvaardigheid heerscht; waar zij onder broeders het oordeel velt; waar zij onder burgers in handel en wandel maat en orde houdt; waar zij de banden der
\') Ulpian Q 58. a. 1.
557
huwelijkstrouw enger en enger toehaalt; waar zij aan ouders het richtsnoer geeft tot de liefde en opvoeding hunner kinderen, den kinderen gehoorzaamheid en dankbaarheid leert; waar zij de overheid tot christelijke toegevendheid en goedheid jegens de dienstboden opwekt, de dienstboden trouw, onderdanig en eerbiedig jegens hunne meesters maakt; waar de rechtvaardigheid op den troon zit, wetten geeft en handhaaft, de ware verdiensten beloont, de misdaad bestraft; waar zij het gegeven woord heilig houdt, de verdragen nakomt; waar zij de onderdanen leert, de gezworen trouw jegens den vorst te houden, de door God aangestelde overheden te achten, wat rechtvaardig is te geven. Kerk en vaderland lief te hebben, voor beider welvaart en rechten goed en bloed veil te hebben, daar moet geluk en zegen des hemels, orde en eendracht wonen en ongestoorde zaligheid de harten verheugen. \')
\') Onder de schoone vermaningen, welke Lodewijk de Heilige, aan zijnen zoon en opvolger, koning Philip August, stervende naliet, bevindt zich ook de volgende, waarmede hij hem dringend ter beoefening der rechtvaardigheid aanmaant: //Mijn zoon! wees in het //handhaven der rechtvaardigheid standvastig en streng, zonder u noch vter rechter noch ter linkerzijde te buigen. Ondersteun het recht en .onderzoek de klachten der armen, totdat de waarheid u gebleken is. »Als gij vreemd goed, door u of uwe voorvaderen verkregen, onder hebt, en de zaak zeker is, geef het dan zonder uitstel terug; is ^echter de zaak twijfelachtig, laat haar dan onverwijld door wijze «.mannen onderzoeken. Bovendien moet ge u beijveren, dat uwe lieden //en onderdanen in vrede en rechtvaardigheid onder u leven. Eer en //bemin allen die de H. Kerk toebehooren en verhoed, dat men hen //beroove of inbreuk make op de gaven en aalmoezén, welke uwe »voorvaderen hun hebben geschonkenquot; (Joinville, levens der Heil.).
Mochten alle overheden deze woorden des H. Konings ter harte nemen, en alle sterbende vaders aan hunne kinderen zulke indrukwekkende vermaningen ter beoefening der rechtvaardigheid geven!
Ook de straffende rechtvaardigheid draagt tot den vrede en het geluk in het huisgezin en den Staat veel bij, hoe luide de mensche-lijke hartstocht en boosheid er ook opwerpingen tegen maken. Onder den griekschen Keizer Justinus II hadden woeker, bedrog en allerlei onrechtvaardigheid dermate de overhand genomen, dat hij op zekeren dag in den Senaat zich daarover bitter beklaagde en de aanwezige senatoren wegens het slecht handhaven der openbare rechtvaardigheid met verwijten overlaadde. Toen verhief een hunner zijne stem en verklaarde den monarch, dat hij aan de klachten van onrechtvaardigheid in korten tijd een einde zou maken, als hem onbepaalde volmacht werd gegeven, om de misdaad zonder aanzien van persoon en betrekking te bestraffen. Justinus nam het aanbod aan en droeg hem terstond de prefectuur van Constantinopel met de uitgestrektste volmachten op. Het duurde niet lang. of er kwam eene arme weduwe bij den nieuwen prefect en klaagde, dat een heer, die bij her. hof in groot aanzien stond, haar een deel van het erfdeel van haren overledenen man ontnomen en anderen te kort gedaan had. Terstond schreef de prefect aan den beklaagde en maande hem aan, de weduwe het geroofde terug te geven. De weduw.e moest zelfs den br-ef brengen, maar werd door den trotschen verdrukker onder smaadwoorden he
558
3) De matigheid bestaat daarin, dat wij de zinnelijke neigingen en begeerten, welke ons van het goede afhouden, bedwingen. — De wil des Christens wordt zoo dikwijls van het pad der christelijke deugd afgeleid door de zinnelijke neigingen en begeerten, welke hij niet beteugelt. Zij verduisteren het oog des geestes, gelijk dampen, die uit het moeras opstijgen, het licht der zon; zij maken den wil traag en weerspannig, om de neiging naar het hoogere en bovennatuurlijke te volgen, en verleiden hem zelfs, om zijn hoogste geluk te stellen in het zingenot. Deze rampzalige verwarring der door de erfzonde ontkluisterde, som-tyds ook door zonden en slechte gewoonten gevoede en gestegen zinnelijke driften en hartstochten beteugelt de christelijke matigheid, daar zij die terugvoert in de behoorlijke, door rede en geloof aangewezen grenzen. Tot deze zoo gewichtige en voor het christelijk leven zoo noodzakelijke deugd noodigt de H. Petrus in zijn eersten brief (II, 11) alle Christenen uit met de volgende woorden; „Onthoudt u van de vleeschelijke lusten, welke tegen de ziel
huis uitgejaagd. Nu werd hij door den prefect voor het gerecht gedaagd; maar ook de bode van de rechtbank werd gehoond en de gedaagde verscheen niet. Daar de prefect wist, dat de beklaagde dikwijls aan de keizerlijke tafel werd genoodigd, wachtte hij den dag af, waarop dit weder net geval zou zijn. Toen dit geschiedde, begaf hij zich met een talrijk gevolg van gerechtsdienaren naar het paleis, liet dezen in de voorzaal, ging alleen naar de eetzaal en tot den Keizer. //Vorst,quot; sprak hij nu ernstig en plechtig, „toen gij mij //de zorg voor de rechtvaardigheid in de stad opdroegt, was het uw „wil, dat ieder, die onrecht pleegde, hoe aanzienlijk ook, gestraft, en //aan iedereen die onrecht had geleden, al ware hij nog zoo arm. recht //verschaft zou worden. Ik kom om u te vragen, of dit ook thans „nog uw allerhoogste wil zij of niet.quot; — «Zeker is dit ook nu nog //mijn onveranderlijke wil,quot; antwoordde de Keizer en voegde er bij: //Ik zelf zou, als ik voor uwen rechterstoel werd aangeklaagd, van *mijnen troon komen en u voor het gerecht ten antwoord staan.quot; Hierop gaf de prefect een teeken, de deuren der zaal gingen open, en de gerechtsdienaren traden binnen, om den onrechtvaardigen verdrukker aan de keizerlijke tafel zelve te vatten. Justinus liet het bedaard toe. De gasten, verbaasd over de koenheid van den prefect zagen elkander zwijgend aan, en de hoogmoedige, wiens trots thans eensklaps verdween, werd door de dienaren der gerechtigheid weggevoerd. In het rechthuis wachtte reeds de aanklaagster. Streng werd thans de zaak onderzocht, de getuigen werden gehoord. en toen de beklaagde van verscheidene zeer strafbare onrechtvaardigheden was overtuigd, sprak de prefect over hem terstond het vonnis uit. Hij werd met roeden geslagen, geschoren, achterwaarts op een ezel geplaatst en langs verscheidene straten der stad aldus rondgevoerd. Een publieke omroeper ging vooraf en verkondigde met luider stem de bedrevene misdaad, den naam en stand van den misdadiger en de aan hem voltrokken straf. Dit ongehoorde voorbeeld van strenge rechtvaardigheid had het gewenschte gevolg; binnen een jaar tijds waren orde en veiligheid van eigendom zeer goed hersteld (Stolberg, Gesch. der godsdienst, D. 20).
559
„strijden.quot; En wie zou aan die uitnoodiging niet gaarne voldoen ? Wie niet door onverdroten overwinning van zich zeiven naar die schoone deugd streven, welke de moeder en beschermster van zoovele andere christelijke deugden is? Onder haar bescherming en invloed groeit en bloeit de deugd van ingetogenheid, welk het gebruik der zintuigen, voornamelijk der oogen, regelt; de deugd van zachtmoedigheid en milddadigheid, welke de gevoelens en opwellingen van toorn en wraakzucht smoort en geheel onderdrukt, i) — Laten wij derhalve de deugd van matigheid beoefenen, om daardoor „onze lichamen tot eene levende, heilige, Gode „welbehagelijke offerande op te dragenquot; (Rom. XII, 1). Zeggen wij, door het beoefenen van die deugd, vaarwel aan de wereldsche lusten, opdat wij zedig, rechtvaardig en godvreezend leven in deze wereld \'Tit. II, 12), gelijk eens de vrome Esther aan het weelderig hof van Koning Assuerus.
4) O-s sterile bestaat daarin, dat wij ons door geene moeielijkheden en gevaren van het verrichten van goede werken laten afschrikken. — De beoefening van elke zedelijke deugd is op den duur met groote bezwaren en kamp-vechtingen van allerlei aard verbonden. Wie zich op de deugd toelegt, wie het goed, hetwelk in het bezit van de deugd ligt, wil erlangen , moet een mannelijken en krachtigen
i) De H. Franciscus van Sales was volgens zijne eigen bekentenis van natuur zeer tot gramschap geneigd, maar bestreed die drift zoo onophoudelijk en met zulke vastberadenheid, dat hij ook bij de grofste beschimpingen en verongelijkingen zich zeiven meester bleef. Èen jong edelman, die den Heilige haatte, kwam met zijne honden en onbeschaamde gezellen onder diens vensters een vreeselijk leven maken. Hiermede niet tevreden, had hij de stoutheid, zelfs de kamer van den H. Bisschop binnen te dringen en deze met allerlei smaadwoorden, welke de woeste gramschap hem ingaf, te overladen. De Prelaat zag en hoorde alles bedaard aan en antwoordde niet het minste. De edelman, die deze bedaardheid voor verachting opnam , geraakte nog meer in woede en verdubbelde zijne honende gebaren. De Bisschop bleef gelaten en gaf zelfs geen enkel teeken van ongeduld. Toen de woedende zich eindelijk had verwijderd , vroeg iemand den Bisschop verwonderd, hoe hij toch de kracht had bezeten, om zulke versmading rustig en stilzwijgend aan te nemen. //Mijne tong «en ik,quot; gaf hij hierop ten antwoord, /-wij hebben een onverbreek-vbaar verdrag aangegaan: wij zijn overeen gekomen, dat, terwijl mijn //hart geprikkeld is, mijne tong geen woord zal spreken. Kon ik ,den armen onwetende beter de wijsheid leeren, om zich te be-„heerschen, dan door mij zeiven te beheerschen, konde ik zijne ^gramschap gemakkelijker stillen, dan door mijn stilzwijgen? //Moet ;/men geen medelijden hebben met een ongelukkige, die door zijnen //hartstocht wordt vervoerd?quot; — Als wij bij inwendige ophitsing niet kunnen zwijgen, dan is onze zelf beheersching nog zeer gebrekkig, en de zegepraal van den hartstocht op ons verstand zoo goed als reeds behaald.
560
moed hebben, om alle bekoringen ten kwade te overwinnen : hij moet sterk zijn. In dezen zin echter is de sterkte niet zoozeer eene bizondere deugd, als wel eene voorwaarde; zonder welke geene echt christelijke deugd denkbaar is. Als bizondere deugd werkt de sterkte vooral op de overwinning van dusdanige moeiel ij kheden en hinderpalen , welke zich aan degenen, die eene of andere deugd beoefenen, van buiten af voordoen, als: lichamelijke vermoeienis en inspanning, vervolging, verdrukking, gevangenschap, foltering en doodsgevaar. Het is der christelijke sterkte eigen, zich door geene bezwaren en vervolgingen te laten afschrikken. — Een heerlijk voorbeeld van sterkte gaven, reeds voor de komst des Heilands, de zeven Machabeesche broeders en hunne moeder, van wie de H. Geest getuigt, dat zij, om de goddelijke wet na te komen, „de smarten als niets „achttenquot; (2 Macch. VII, 12); het heerlijkste en navolgenswaardigste voorbeeld gaf echter onze Heiland zelf, die ter vervulling van den wil des Vaders het bitterst lijden en den smavtelijksten dood met onbeschrijfelijke kalmte en bereidwilligheid onderging. Op de navolging van dit goddelijk voorbeeld legden zich dan ook alle ijverige leerlingen en navolgers van Christus toe, en brachten het daarin zoover, dat zij alle gevaren, vervolgingen, martelingen, ja zelfs den dood trotseerden, om de eer van God en het heil hunner zielen te bevorderen. Door sterkte onderscheidden zich de Apostelen, vooral de H. Paulus (2 Cor. XI, 23—35), de HH. Martelaars, die om de belijdenis van hun geloof verheugd en met onverschrokken moed ongehoorde folteringen en den pijnlijksten dood ce genioet snelden: de HH. Maagden, die liever alles wilden lijden en haar leven ten offer brengen, dan de parel van onbevlekte maagdelijkheid te verliezen. — Met de sterkte gaat hand aan hand de deugd der grootmoedigheid, welke geene oefening van deugd te moeielijk, te zwaar acht; verder de kalmte en gelatenheid te midden der vervolging, welke zelfs de heidenen bewonderden, het onwankelbaar geduld in het verdragen van lijden en pijnen, de volharding in het goede tot den dood. \') Moge de deugd van sterkte ook het doel
\') De levensgesehiedenisseu der Heiligen ,• vooral van de HH. Martelaren, zijn rijk aan schoone trekken van sterkte. Wij bepalen ons bij een enkel voorbeeld uit het leven van een Heilige der laatste eeuw. — Ue H. Frauciscus Regis werd eens gewaar, dat een man van stand eene jeugdige weeze door sluwe beloften tot eene bijeenkomst had overgehaald, waar hare onschuld groot gevaar moest loopen. Onverwijld begaf Regis zich naar de aangeduide plaats. De tegenwoordigheid van den heiligen man verraste den wellusteling en
561
van ons streven, het voorwerp van ons aanhoudend gebed, de kostbare vrucht van onze onverdroten vlijt, van onze dagelijksche overwinning op ons zei ven zijn !
De besproken hoofd- of Itardinale deugden ontspruiten allen uit de wijsheid, welke van boven komt, van den Vader des lichts. Daarom zegt de H. Geest: //Zij (de wijsheid) leert matigheid en voorzich-ytigheid, rechtvaardigheid en sterkte, welke het nuttigste zijn in u\'s menschen levenquot; (Wijsh. Vill, 7). Dewijl namelijk, volgens het gezegde van den H. Augustinus {Stad Gods ïgt;. It), hfdst. 1. 5.), er in het algemeen niets beters en nuttigers in den mensch bestaat dan de deugd, en, gelijk bewezen werd, er zonder deze vier kardinale deugden geenszins eene andere ware deugd bestaan kan, is het duidelijk, dat het bezit dier deugden onder alle goede en nuttige zaken het beste en nuttigste is. Willen wij nu rijk aan deugden en waai-lijk gelukkig worden, laten wij dan uit voorzichtigheid onze keuze vestigen op de geschiktste middelen, om tot God en den liemel te komen; vervullen wij door gerechtigheid allo plichten, welke ons jegens God en den naaste zijn opgelegd; houden wij door matigheid de tirannieke heerschappij der zinnelijke lusten van ons verwijderd, en bedienen wij ons door sterkte van alle krachten, welke God ons geschonken heeft, om het kwaad van ons af te weren en het goede, trots alle hindernissen, te bereiken. T)e leer en het verheven voorbeeld van de menschgeworden wijsheid, Jesus Christus, zullen ons steeds leeren, hoe wij de genoemde deugden moeten beoefenen; zij zullen ons voortdurend krachtig aansporen, die werkelijk te beoefenen en zoo door een deugdzaam loven getrouwe volgelingen van den Godmensch te worden. Immers, tot dat einde is //het Woord vleesch geworden en //heeft onder ons gewoondquot; {Joan. I, 14.), «opdat wij ons onthouden »van de wereldscho lusten, zedig, rechtvaardig en godvreezend leven //in deze wereldquot; (Tit. II, 12).
Welke deugden staan in het hizoncler tegenover de hoofdzonden ?
1) De nederigheid, 2) de milddadigheid, 3) de kuisch-heid 4) de welwillende liefde, 5) de matigheid in spijs
bracht hem in eene niet geringe verlegenheid. Verontwaardigd, zijne verleidingsplannen verraden te zien. sprak hij in woede tot Regis: ,/Wat zoekt gij hier? Gij mengt u in al te veel zaken, welke u //niet aangaan.quot; „Ik zoek hier het onschuldige lam,quot; antwoordde de Heilige, //dat gij, als een verscheurende wolf aan God ontrooven //wilt.quot; «.Verwijder u,quot; hernam de verleider, /.anders zal uwe on-//voorzichtigheid u duur te staan komen.quot; Met heilige vrijmoedigheid gaf hem de dienaar Gods ten antwoord, «dat hij zich niet zou ver-vwijderen, voordat hij de eer en onschuld der bedoelde weeze ver-//zekerd wist Wat nu uwe bedreigingen aangaat,quot; voegde hij er bij, «weet dan, dat zij niet in staat zijn, mij schrik aan te jagen. «Ik reken het mij tot eer, als offer uwer blinde woede te vallen.quot; Thans kon de roekelooze verleider zich niet meer bedwingen; hij trok zijnen degen en dreigde den Heilige te doorsteken. //O zeer „gaarne,quot; riep Franciscus Regis uit, «zeer gaarne wil ik mijn bloed „vergieten voor de eer van Jesus Christus Stoot toe! Ik sterf met //vreugde, als God maar niet wordt beleedigd.quot; De onverzettelijke standvastigheid van den dienaar Gods, op wiens gelaat liemelsche deugd straalde, ontwapende den wellusteling, die zich beschaamd verwijderde (Schelke, Levens der Heiligen).
DEHAME, GELOOrSLEEK. III. 3lle DllUK. gg
562
eii drank, 0) de zachtmoedigheid, 7) de ijver in het goede.
1) Tegenover de zonde van hoogmoed staat de deugd van nederigheid. Terwijl de hoovaardige, zich op zijne ingebeelde voorrechten veihefïende, al hooger opklimt, om gelijk eenmaal Lucifer, boven de wolken zijn troon op te slaan en in zijn hoogmoed niet alleen de menschen, maar ook den Allerhoogste te trotseeren, daalt de nederige door eene ware kennis van zich zeiven al dieper neer in den bodem-loozen afgrond van zijne eigen nietigheid en zondigheid, erkent dien oprecht, acht zich zei ven van harte gering, verblijdt zich als door anderen aan God lof en eer wordt gegeven, terwijl aan hem de verdiende verachting ten deel valt; en wel verre van zijnen medemensch wetten te willen voorschrijven, is hij daarentegen bereid, de minste van allen, de dienaar van allen te zijn. Deze ootmoedige gezindheid belet hem wel niet, de natuurlijke en bovennatuurlijke voorrechten, welke hij bezit, op te merken en te erkennen, maar juist die kennis geeft hem eene nieuwe beweegreden aan de hand, zich in het stof neer te buigen voor Hem, van wien alle goed voortkomt, die rijkdom, eer en macht, in \'t bizonder zijne genadegaven aan hem, een zoo nietig schepsel, wil verleenen. De christelijkerederig-heid bestaat alzco daarin, dat wij in de erkenning onzer zwakheid en zondigheid al het goede aan God toeschrijven, en ons zelve gering achten. — Door deze deugd hebben zich alle Heiligen en vrome dienaars des Heeren onderscheiden ; de ootmoed was immer de grondslag van het verheven gebouw hunner deugden. Eeeds in den godvreezenden aartsvader Abraham zien wij die deugd schitteren. Vol eerbied staat de toekomstige stamvader van het uitverkoren volk voor den Heer en spreekt, voor Sodoma om redding smeekend: „Dewijl ik eenmaal begonnen ben, zal ik „spreken met mijnen Heer, ofschoon ik stof en asch benquot; (1. Mos. XVIlï, 27). Paulus, die tot in den derden hemel was opgenomen en ontegensprekelijk meer gearbeid had, dan een der andere Apostelen, noemde zich zeiven, met het oog op zijne vroegere zonden, „den eersten onder „de zondaarsquot; (1. Tim. I, 15), „den geringsten onder de „Apostelen, niet waardig Apostel genoemd te wordenquot; (1. Cor. XV, 9). En Maria, ofschoon door den Engel als vol van genade begroet en door den H. Geest overschaduwd, Maria, ofschoon moeder Gods en Koningin van hemel en aarde, noemt zich in den ootmoed haars harten eene dienstmaagd des Heeren, en looft God, dat Hij op hare geringheid heeft neergezien (Luc, I). — Jesus zelf, de Leeraar
563
en het volmaakte toonbeeld van alle deugden, beval zijnen leerlingen herhaaldelijk de nederigheid door woord en voorbeeld aan. Toen zijne leerlingen, ter gelegenheid van eene woordenwisseling onder hen, de vraag stelden: „wien houdt „gij voor den grootste in het hemelrijk,quot; d. i in het nieuwe rijk van den Messias, de Kerk, riep Jesus een kind bij zich, plaatste het midden onder hen en sprak: „waarlijk „Ik zeg u, als gij u niet bekeert (uwen hoogmoed en eerzucht niet aflegt) , „en niet wordt gelijk de kinderen (eenvoudig, zonder aanspraak te maken, van uwe zwakheid bewust), „zult gij het hemelrijk niet ingaan,quot; zult gil niet levende ledematen van miine Kerk hier op aarde, niet erfgenamen van mijn rijk in den hemel zijn. „Wie „zich vernedert Relijk dit kind, hij is de grootste in het „rijk der hemelen\'\' (Matth. XVIII, 3. 4). Volgens de leer des Verlossers is alzoo de nederigheid de maatstaf der ware grootheid. Daarom sprak Hij ook bij eene andere dergelijke gelegenheid, toen nameli]k de moeder der kinderen van Zebedeus van Hem vroeg, dat Hij aan hare beide zonen de eerste plaats in zijn rijk zou geven, terwijl Hij haar op het minder passende van dat verzoek opmerkzaam maakte, de volgende leerrijke woorden: „Gij weet dat de vorsten „der volken over hen heerschen, en dat de grooten macht „over hen oefenen. Zoo mag het onder u niet zijn; maar „al wie onder u groot wil worden, die zij uw dienaar. „En wie onder u de eerste wil zijn, die zal uw knecht „zijn.quot; En om aan de aangeboren ijdelheid en trotschheid van het menschelijk hart elk voorwendsel te ontnemen, voegt Christus er bij, dat ook Hij, de Zoon des menschen , „niet gekomen is, om gediend te worden, maar om te „dienenquot; (Matth. XX, 20—28). Deze leer bekrachtigde en verduidelijkte de goddelijke Verlosser door zijn voorbeeld, vooral bij het laatste avondmaal, toen Hij de voeten wiesch van al zijne leerlingen, zelfs van den verrader Judas. Jesus zelf verklaart , dat dit nederig dienstbetoon ten doel had, zijne leerlingen te vermanen , elkander dergelijke liefdediensten in allen ootmoed te bewijzen. „Weet gijsprak de Heer na de voetwassching, „weet gij, wat Ik u gedaan „heb ? Gij noemt Mij Meester en Heer, en gij zegt wel, „want Ik ben het. Indien dan Ik, de Heer en de Meester, „uwe voeten gewasschen heb, moet ook gij elkanders voeten „wasschen. Want een voorbeeld heb Ik u gegeven, opdat,
„gelijk Ik u gedaan heb , gij ook alzoo doet.....Zalig zult
„gij zijn, indien gij het doetquot; (Joan. XIII, 12—17).
Moeten wij, deze woorden van onzen goddelijken Leeraar en zijn heerlijk voorbeeld ernstig overwegende, niet met den
36*
564
vromen Thomas van Kempen uitroepen: „o raeasch! leer u „zelven zoo diep mogelijk vernederen, leer, stof en as^h, „u aan aller voeten neerwerpen, leer n zeivan de voetbank „uwer medemenschen maken.\'\' Leer, o mensch! van uwen God, want Hij is zachtmoedig en ootmoedig van harte; volg uwen Opperheer na, die mensch werd, niet alleen om u te verlossen, maar ook om u te leeren ootmoedig, de dienaar van allen te zijn. — De leer en het voorbeeld van Christus is echter niet de eenige beweegreden, die ons tot het beoefenen dezer deugd moet aansporen; er zijn buitendien nog zoovele en zoo dringende redenen, dat het slechts doorliet diepste bederf van ous hoovaardig hart te verklaren is, waarom de beoefening van de nederigheid ous niet gemakkelijker valt, dan die van elke andere deugd. Waarlijk als wij wel begrijpen, dat wij uit het niet zijn voortgekomen, dat wij uit ons zelve niets zijn, niets vermogen, niets goeds verdienen, dat wij door onze zoiiden zelfs eeuwige straffen verdiend hebben, en wegens onze aangeboren zwakheid en zondigheid elk oogenblik in gevaar zijn , door nieuwe zonden eene vermeerdering der helsche pijnen of de straf der hel opnieuw te verdienen; als wij verder in aanmerking nemen, hoe weinig in getal onae goede werken zijn, die wij niet uit ous zelve, maar door de genade van onzen Verlosser verricht hebben, in vergelijking met die, welke wij door onze schuld hebben nagelaten, en hoe min verdienstelijk. deze in de oogen van God schijnen moeten, daar wij die zoo onvolmaakt en met zoo weinig zuivere meening volbrachten; als wij dit alles in gemoede overdenken, en daarbij nog de verschrikkelijke onzekerheid overwegen, of wij werkelijk in staat van genade zijn of tot het einde des levens daarin zullen verblijven, kinderen dei-zaligheid of een buit der hel zullen wordèn, hebben wij dan wel eene enkele reden, ons in gedachten te verheffen ? Hebben wij daarentegen niet alle reden om elke opwelling van hoogmoed te onderdrukken eu voortdurend te veikeeren in die ootmoedige stemming, waarmede de tollenaar in het Evangelie bezield was (Luc. XVI11), toen hij van schaamte over zijne zonden de oogen niet durfde opslaan, en rouwmoedig op de borst kloppende uitriep: „O Heer, wees „mij, arme zondaar, genadig!quot; !)
\') In dit werk hebben wij op verschillende plaatsen getoond, hoezeer de Heiligen de deugd van ootmoed waardeerden, en hoe ijverig zij er naar streefden, oiu die door het vluchten van alle ijdele, wereldsche eer en dooi* de nederigste werken van christelijke liefde eu hulpbetoon te beoefenen. Wij wijzen slechts op het voorbeeld van Carloman, van den II. Alexius en de H. Elisabeth.
565
2) De milddadigheid staat tegenover de gierigheid. Deze deugd maakt dengene, die haar bezit, bereid en genegen
Dat God, gelijk de H. Schrift op vele plaatsen getuigt, de nede-rigen bemint en verheft en hen ook niet zelden zoo in uescherming neemt, dat Hij hunne trotsche verachters straft en vernedert, bewijst onder anderen het volgend voorval. Ten tijde van Karei don Dikke leefde in het klooster te St. Gallen een godvruchtige ordesgeestelijke, Notker genaamd. De Keizer, die dikwijls naar St. Gallen kwam, kreeg hem om zijne uitstekende deugd lief, en nam hem tot zijn geestelijken raadsman. Bij een later bezoek had de Keizer vele voorname begeleiders, onder anderen ook een geleerde, die van een trotsch karakter was Als deze zag, dat de Keizer welwillend niet Uotker omging en hem over vele zaken ondervroeg, nam hij daaraan ergernis en meende, dat hij even goed \'s Keizers vertrouwde raadsman kon wezen als deze monnik, die bovendien wegens zijn moeielijken tongval niet goed sprak. Als hij nu met de andere hovelingen door de kerk ging en Notker op een stoel zag knielen en bidden, zeide hij spotlachend tot zijne gezellen; „Ziet, dat moet »de geleerdste man wezen in het rijk des Keizers; geeft acht, ik ga „en stel hem eene vraag, welke zijne wijsheid wel beschamen zal.quot; Hij ging nu tot den H. man en sprak; «Geleerde man, wat doet, „thans onze lieve Heer in den hemel?quot; Notker stond op, groette\'\' den vrager en antwoordde bescheiden: „Ik weet het wel: wat Hij „ten allen tijde doet, doet Hij ook thans en zal het ook met u doen; „Hij verheft de nederigen en vernedert de hoogmoedigen.quot; ïoei dreven de hovelingen den spot met den geleerden heer, die van toorn en schaamte beurtelings rood en bleek werd, en, zonder een woord te spreken, de kerkdeur uitging. De Heilige echter knielde weêr neder en bad. — Toen de Keizer drie dagen later vertrok, en ook de geleerde vol verdriet op zijn sierlijk paard sprong en zonder groeten voorbij reed, gebeurde het, dat het paard steigerde en zijn ruiter op den grond wierp. De trotsche man kwetste zijn gelaat en brak bovendien een been. De kloosterbroeders snelden terstond toe, beurden hem op en droegen hem naar het klooster, verbonden hem en wendden alle middelen aan, om hem eenige leniging te verschaffen. Doch alle oppassing en verzorging wilde niet baten, en met den zieke werd het hoe langer hoe erger. Middelerwijl werd het bekend, dat de geleerde den godvruchtigen pater Notker in de kerk getoetst en deze hem op zijne beurt zijn ongeval voorspeld had. Eenigen, die het hoorden, zeiden; „Er is hem naar verdiensten wedervaren: God ,/verheft do nederigen en vernedert de hoogmoedigen.quot; Anderen echter, die medelijden met zijn ongeluk hadden, zeiden tot hem; „Wilt gij „genezen worden, roep dan den godvruchtigen Notker, vraag hem om „vergeving en smeek zijnen zegen af.quot; Daartoe was de zieke echter nog veel te hoogmoedig Eerst toen des middernachts de pijnen aan den voet heviger en al heviger werden, braken zij zijnen hoogmoed. Zuchtende en weenende sprak hij nu tot de kloosterbroeders: „gaat „spoedig heen, en haalt bij mij onwaardige den dienaar van God, dat „hij mij vergeve en mij zegene.quot; De broeders gingen heen en wekten den vromen Notker, die terstond opstond en naar de ziekekamer snelde. Als hij de deur binnen trad, riep de zieke hem van zijn bed af toe: „Heilige vader, ik heb gezondigd tegen u, daar ik u beproeven „wilde. Vergeef mij om Gods wil en raak mijn zieken voet aan, „dan hoop ik gezond te worden.quot; Notker hief zijne oogen en handen ten hemel en bad, en terstond week de pijn, het been begon langzamerhand aan elkander te groeien en in weinige dagen was hot genezen. Opgeruimd en hersteld keerde hij naar Keizer Karei teru,; en zegende in zijn hart den door zijnen ootmoed aan God welggt; valligen Notker (Uit het legendeboek van Werfer).
566
met zijn vermogen en volgens wijze regelen de nooddruftigen te helpen, of tot andere loffeliike doeleinden bij te dragen. Zij houdt biigevolg het midden tusschen gierigheid en verkwisting, daar zij van den eenen kant de begeerte naar tijdelijke goederen matigt en de ongeregelde gehechtheid daaraan geen wortel laat schieten, maar van den anderen kant er ook verre van af is, de tijdelijke goederen opeens onverstandige en onchristelijke wijze te verspillen en te verkwisten. De milddadige zorgt wel voor zijn vermogen, maar doet zulks naar het voorschrift der christelijke voorzichtigheid; ook bemint hij het alleen als een middel ter beieiking van goede, den Christen waardige doeleinden.— De milddadigheid geeft den mensch eene bizondere gelijkenis met God, daar de milddadige, voor zooverre zijn vermogen het toelaat, gelijk de Heer „rijk is voor allen die eene tijdelijke ondersteuning behoeven. Ziet hij een arme, met vreugde schenkt hij hem eene aalmoes, gedachtig het woord van den vromen Tobias aan zijnen zoon: „Als gij veel hebt, geef dan rijkelijk; als gij weinig „hebt, tracht ook van dat weinige gaarne te gevenquot; (Tob. IV 9). Ontdekt hij een behoeftig gezin, dan is zijne eerste en liefste zorg, het zooveel mogelijk uit den nood te helpen. Zoo bezocht Tobias gedurende de assyrische gevangenschap „dagelijks al zijne verwanten, troostte hea, „en deelde aan eenieder van zijn vermogen mede, zooveel „hij konquot; (Tob. 1, 19). Zoo beoefenden ook de eerste Christenen de deugd van milddadigheid op eene uitstekende wij ze; zij brachten bun vermogen aan de voeten der Apostelen,4 om hen in staat te stellen, in aller behoeften te voorzien. Geldt het de oprichting, de stichting van een blijvend werk van barmhartigheid, den bouw van eene kerk of eenig ander heiligdom, de versiering van een altaar, enz., dan is de milddadige gaarne bereid, zijn penningske bij te dragen. Al is hij niet bij machte gelijk Salomon eenen tempel te bouwen, die in pracht en heerlijkheid zijns gelijken niet heeft, hij offert toch, evenals de weduwe in het Evangelie, zijne geringe gift met eene bereidwilligheid, die in Gods oogen onvergelijkelijk meer waard is dan goud en edelgesteenten. Het genoegen van den milddadige bestaat in het geven, niet in het ontvangen, en als hij het met vreugde ontvangt, geschiedt het, om het ontvangene met grooter vreugde aan de hehoeftigen te schenken. \') — De christelijke milddadigheid zoekt geen
\') De christelijke milddadigheid toont zich ook in onze dagen op de schitterendste wijze door de krachtdadige ondersteuning der armen,
567
aardsch loon, zij laat zich zelfs door ondankbaarlieid en miskenning van hare liefd evverken niet terughouden. Zij heeft een hemelsch loon. op \'t oog en vertrouwt op de woorden des Heilands, die zegt: „geeft eri u zal gegeven
zieken en noodlijdenden, alsmede door de vele bijdragen tot bet stichten van gasthuizen, tot den opbouw en tot de herstelling van kerken en andere heiligdommen. Ue jaarlijksche berichten en verslagen van de menigvuldige, ter beoefening van lichamelijke en geestelijke werken van barmhartigheid en ter bevordering van andere Gode behagelijke doeleinden, bijna alom opgerichte vereenigingen bewijzen handtastelijk, hoe schoon deze deugd ook ten huidigen dage in de harten van ijverige Christenen bloeit, welke heerlijke vruchten zij voortbrengt. Jaarlijks verschijnen er geheele boekdee-len , waaruit blijkt, hoe bij velen de ééne schoone trek van milddadigheid zich aan de andere paart. — Uit één dezer even belangrijke als stichtende geschriften getiteld: „De armoede te Parijs en «de christelijke weldadigheidsgestichten,quot; ontleenen wij, slechts bij wijze van voorbeeld, het volgende: Te Parijs bezocht een priester het gezin van een beroemd generaal en verhaalde aan diens gemalin, in tegenwoordigheid van hun kind, van de ellende der armen. De knaap scheen er in het geheel niet op te letten; hij speelde en was zonder ophouden zoo druk bezig, dat de moeder dikwijls moesf\' zeggen: //wees toch stil, kind!quot; Niettemin had hij alles gehoord. Hij ging naar de kamer zijns vaders, plaatste zich op diens knieën, omhelsde hem met beide armen, en liefkoosde hem zoo, dat de vader licht kon raden, dat hij hem eenige aangelegenheid des harten, eene bede had voor te stellen. Het duurde ook niet lang, of het kind zeide den vader zachtjes aan het oor; «Ik zou gaarne mijn spaarpot heb-j/ben, goede papoatjef ... mijne veertig franken.quot; — //Die kunt gij thans «niet krijgen. Wat wilt gij daarmede doen?quot; — „Lieve papa, ik //had ze toch zoo gaarne; o ik bid ulquot; — //Het is thans onmogelijk.quot; — De knaap ging treurig weg naar zijne moeder, scheen over iets na te denken en keerde vervolgens naar zijn vader terug; „Ik «zal het u maar zeggen, wat ik met het geld wil aanvangen; ik „wil aan de armen van den heer Pastoor tien franken geven.quot; De getroffen vader kustte weenende het kind, verhaalde aan de moeder het voorval, en deze beloonde den kleine drievoudig met hare liefkozingen De tien franken werden den armen gegeven, zonder dat de inhoud van den spaarpot werd verminderd. — Twee soldaten van het romeinsche garnizoen gingen te Home een winkel binnen, om eenige gedachtenissen te koopen, welke zij aan de kerk van hunne geboorteplaats in Frankrijk wilden schenken. Dit trof eene voorname dame, die toevallig in denzelfden winkel was. Toen de koop gesloten was, zeide zij tot den koopman: „zet alles op mijne rekening, wat „deze heeren gekocht hebbenquot; „O, Mevrouw,quot; antwoordden zij, „wij „zijn ii zeer dankbaar, maar wij wenschten toch liever zelve te bestalen. Wij hebben reeds zes maanden geen brandenwijn gedronken, „en geen tabak gerookt, teneinde een klein aandenken naar huis te „kunnen zenden, en het zou ons niet aangenaam wezen, als iemand „anders dan wij dit had betaald.quot; Als de dame verder bij die brave soldaten aanhield, lieten zij zich alleen overhalen, om een klein aandenken voor hunne ouders aan te nemen. — Een ander soldaat vernam, dat de kerk van zijn dorp gevaar liep van In te storten. Om ze in stand te honden en geheel te herstellen, was er eene vrij aanzienlijke som noodig. Terstond had hij besloten , om, daar hij spoedig zijn ontslag kreeg, nogmaals als plaatsvervanger dienst te nemen, en zond den prijs zijner verkochte vrijheid naar zijn geboortegrond voor de arme kerk.
♦
568
„wordenquot; (Luc. VIII, 58), God, die zicli door zijne schepselen in milddadigheid niet laat overtreffen, pleegt er voor te zorgen, dat het goed van den milddadige niet afneemt, maar vermeerdert, gelijk de olie en het meel van de arme weduwe van Sarepta, die den Profeet Elias gastvrij opnam. In elk geval vergeldt de Allerhoogste de met milde hand uitgedeelde tijdelijke goederen met veel kostbaarder, met hemelsche schatten, met schatten van genade hier op aarde, met schatten van glorie en einde-looze zaligheid in het toekomstige leven. Daarom merkt de H. Cniysostomus (Hom 16. over den brief aan de Rom.) zeer treffend op: „zie niet op het goud, hetwelk gij uitgeeft, „maar op de inkomsten, die gij er van trekt. Zoo de zaaier „zich verheugt, ofschoon hij in \'t onzekere zaait, hoeveel „te meer moet dan zich verblijden degene, die voor den „hemel zaait?\'\'
3) De kuischheid staat tegenover de misdaad van on-kuischheid. Deze zonde brengt de ziel onder de dwingelandij der geweldigste en gevaarlijkste aller zinnelijke lusten; de kuischheid daarentegen bewaakt, bedwingt en beheerscht die aanhoudend. Zij veroorlooft den mensch noch in noch buiten het huwelijk eenige bevrediging, welke door de goddelijke wet verboden is. Diensvolgens bestaat zij in de bepaalde en aanhoudende beteugeling van alle onreine lusten en begeerten, welke de heilige schaamte kwetsen. Deze allerliefste, doch met veelvuldige worstelingen verbonden deugd draagt ontegensprekelijk het meest bij tot den waren zielenadel, tot de ware zielerust, tot de ware vrijheid des geestes, tot de eeuwige vereeniging met b-od, dea Allerzuiverste. De zinnelijke lust, waarover de onbedorven mensch zich schaamt en bloost , is onder alle zinnelijke lusten, wat Goliath was onder de Philistijnen. Gelijk Goliath dag aan dag bij het leger kwam, het uitverkoren volk bespotte en tot den strijd uitdaagde, zoo doet ook deze lust. Onophoudelijk roept hij de ziel, met hare schaamte den spot drijvend, ten strijde op, tracht achtereenvolgend zich het geheugen, het verstand en den wil dienstbaar te maken en alzoo de ziel van haren aangeboren natuurlijken, en door den H. Doop verkregen bovennatuurlijken adel te berooven, haar aan zijne omstuimige ■verlangens en aan de gewetenswroeging, welke uit de bevrediging er van ontstaat, prijs te geven, haar het schandelijkst en onverdragelijkst slavenjuk op te leggen, meer en meer aan het dier gelijk te maken, ja zelfs beneden het dier te verlagen, en haar zoo de vereeniging met God, den zuiversten Geest, onmogelijk te maken. Tegen dien
569
vijandelijken Goliath treedt de kuischheid op, gelijk David, de godvreezende, bescheiden herdersknaap, niet vertrouwend op eigen kracht, maar in den naam van den Heer, haren God ; gelijk David nadert ook zij den reus niet te veel, maar overwint hem door de kracht des geloofs, doodt hem met het zwaard der versterving. De prijs van hare zegepraal is niet enkel de bewaring van haren adel, de vrede des harten en de vrijheid der kinderen Gods, maar ook de hoogachting der menschen, de bewondering der Engelen, het welgevallen Gods, het geheimvolle huwelijk met Hem, den Bruidegom der vlekkelooze zielen. \')
\') Te Finthen, eene landelijke gemeente nabij de stad Mainz, werd in de vorige eeuw eene zeer schoone parochiekerk gebouwd. De versiering van het koorgewelf is eene kostbare schildering van eene meesterhand. Deze stelt in het geheel de patronen der kerk voor, die de gemeente aan de allerheiligste Maagd en door haar aan den Zaligmaker aanbevelen. Aan de voeten van den H. Joseph knielt een meisje in landelijke kleeding. De maagdelijke Bruidegom van Maria beveelt het met eene uitdrukking van hemelsche vreugde aan zijne zuivere Bruid, en deze wendt de genadevolle blikken van haren Zoon, den Bruidegom van reine zielen, op de biddende maagd, geheeten, weleer het sieraad en nog het toonbeeld der vrouvveiijke jeugd van die gemeente. Agnes P/eiJer was een eenvoudig boerenmeisje, maar uitstekend door den adeldom en de reinheid haars harten en hare voorbeeldige ingetogenheid. Het ontbrak niet aan valstrikken, welke men hare deugd spande, maar Agnes was godvruchtig en waakzaam; daarom waakte de Hemel over haar. Op zekeren dag (het was de derde Paaschdag, de 101» April 1754) had Agnes zich naar het naburige überolm begeven, om aan hare bloedverwanten volgens gewoonte de Paascheieren te brengen. Xerug-keerende noodzaakte een onverwacht opkomend onweder haar, onder een dikken boom eenige beschutting te zoeken. Met hetzelfde doel voegden zich bij haar een burger van Üuerolm en een schaapherdersknecht uit dezelfde plaats, die in de nabijheid de schapen hoedde. Nauwelijks begon de hageljacht te vermicderon, of de burger van Oberolm zette zijnen weg voort. Agnes geen kwaad vermoedende , vertoefde nog eenige oogenblikken en wilde, toen hét opgehouden had met regenen, vertrekken. Maar de schaapherder, een onzedelijk, bedorven mensch, trachtte haar met zondige bedoelingen terug te houden. Toen de kuische maagd dit bemerkte, nam zij in grooten angst de vlucht. De wellusteling wist haar echter te achterhalen. Maar ook nu verweerde Agnes zich uit alle kracht onder het voortdurend aanroepen der allerheiligste namen van Jesus, Maria. Joseph! En toen de roekelooze dreigde, haar, zoo zij nog langer tegenstand bood, te doorsteken, antwoordde zij met vastberadenheid: „Liever ^wil ik sterven, dan mijne onschuld verliezen ?quot; Hu ontstak de schaapherder in gramschap, en daar het hem niet gelukte, de edelmoedige maagd het kostbaarste kleinood der onschuld te ontrukken, beroofde hij haar door dertien messteken van het leven. Als spoedig daarna het vreeselijk verminkte lijk van Agnes werd gevonden, viel tengevolge der verklaring van den genoemden burger uit überolm terstond verdenking op den schaapherdersknecht, die in het gerechtelijk verhoor de misdaad met alle bizonderheden bekende, en zoo de zegepraal der onschuld van Agnes openbaarde. Het gerecht van Mainz veroordeelde den misdadiger ter dood door het rad. De stoffelijke
570
4) De welwillende liefde staat tegenover de hoofdzonde van nijd en verdrijft die uit het hart. Wat de welwillende naastenliefde in het algemeen is, hebben wij in het begin van dit deel genoegzaam verklaard. Als bizondere , tegenover den nijd slaande deugd bestaat zij daarin, dat wij allen menschen goed gunnen, en in de vreugde en het leed van den naaste oprecht deelnemen. Wie zijnen evenmensch oprecht en belangeloos lief heeft, zal niet alleen zich bevlijtigen, zelf hem goed te bewijzen, hem als Tobias liefdegaven te schenken, of met hem, gelijk Euth met Noëmi, vreugde zoowel als tegenspoed en droefheid te deelenhij zal ook hartelijk blijde zijn, als anderen den naaste goed doen, en de goddelijke Voorzienigheid hem met gaven en genaden overlaadt. Terwijl de nijdigaard zijnen naaste het goed, hetwelk deze van anderen of uit de hand van God ontvangen heeft, misgunt, omdat hij door datgene, wat deze heeft, zich zeiven benadeeld acht; terwijl hij over de rijkdommen, de eer, het aanzien, de macht, over de deugd en genadegaven, welke zijn medemensch verkregen heeft, zich vertoornt en bedroefd is, zich daarentegen verheugt, als deze die goederen verliest; terwijl de nijdige op die wijze liefdeloos handelt, gunt degene, die zijnen naaste waarlijk liefheeft, hem alle goed, hetwelk hij bezit; hij verheugt er zich over als over het zijne, en treurt over het verlies, dat de naaste hjdt, als leed hij het zelf. En gesteld ook, dat de naaste in het bezit is van onvergelijkelijk grooter goederen, dan de zijne, toch wordt daardoor zijne welwillende gezindheid niet veranderd, maar hij zal integendeel wenschen, dat die goederen des naasten nog meer mogen toenemen. \') Zoo deed Joannes de Dooper,
overblijfselen der Martelares werden in het jaar 1854 met groote plechtigheid uit hunne vroegere begraafplaats naar de nieuwe parochiekerk overgebracht, en in rte kapel der Moeder Gods voor het altaar van de Koningin der Maagden bijgezet. De grafsteen , welke de rustplaats dier maagd bedekt, heeft iiet eenvondige opschrift: //Hier rast „het gebeente van Agnes l\'/eiler, de kz\'oon der maagden van Finthen, //vermoord in den strijd voor hare onschuld, den IG^n April 1754 — //hier bijgezet den 17gt;|ii April 1754quot; In den geheelen omtrok leeft het aandenken van dit schoone voorbeeld van deugd voort en zal ongetwijfeld voortleven bij alle toekomende geslachten. Ziedaar een voorbeeld uit ontelbare. Hoe vele duizenden, ja honderdduizenden van dergelijke christelijke heldinnen heeft niet de katholieke Kerk sedert haar bestaan voortgebracht! Wij herinneren hier allee.i aan de H. Ursula en hare talrijke gezellinnen, die alle met de onbevlekte lelie der maagdelijkheid\'den eeuwig groenenden palm van het marte-laarEchap aan de voeten van haren goddelijken Bruidegom nederlegden.
\') Wie de welwillende liefde bezit, \'gunt niet alleen zijn evennaaste goederen en genoegens gelijk zich zeiven, maar hij doet soms ook afstand van zijn goed, om het aan anderen te verschaffen. Een
571
toen zijne leerlingen hem berichtten, dat ook Jesus doopte en allen tot Hem gingen. Wel verre van zich daarover te bedroeven, sprak hij tot hen: „Nu is mijne blijdschap „vervuld geworden. Hij moest wassen, maar ik minder „worden\'\' (Joan. Ill, 29, 30). — Van deze deugd schrijft de Apostel aan de Komeineu: „Bemint elkander met waarlijk „broederlijke liefde. Verblijdt u met de blijden, en weent „met de weenendenquot; (Rom. XII, 10, 15). Laten ook wij ons beijveren, die welwillende liefde ons eigen te maken; laten wij ons van harte verheugen, als anderen goed doen, als zij van deugd tot deugd opklimmen, \') dan zullen wij rijk worden aan verdiensten voor God. Want gelijk wij ons door vreugde of welgevallen in het kwaad van anderen daaraan werkelijk deelachtig en schuldig maken, zoo zal
schoon voorbeeld van dien aard vinden wij in het leven van den jeugdigen Alacarius. Bij dezen heiligen Abt kwam eens een landman en bracht hem een zeer schoonen en grooten druiventros ten geschenke. „Neem,quot; zoo zeide hij hem, „neem, godvruchtige Vader, ,deze kleine gave eu verkwik er u mede.:\' Macarius nam dankbaar de druiven aan en de vriendelijke gever verwijderde zich. Toen de Abt weder alleen was, viel hem in, dat naast hem een broeder woonde, die pas van eene zware ziekte was genezen. Welnu, dacht Macarius, deze heeft aan zulk eene lafenis meer behoefte dan gij zelf, en hij bracht ze spoedig daarheen. De begiftigde dankte hartelijk en was voornemens, toen de Abt vertrokken was, de druiven terstond te proeven. Hij bedwong zich echter, schudde het hoofd en sprak tot zich zei ven; //Neen, neen, dat zou niet billijk zijn. Gij //zijt weder vrij goed hersteld en hebt eene zoodanige verkwikking „niet zoo noodig, als uw zieke buurman, die aan de heete koorts „lijdt.quot; En hij stond oogenblikkelijk op. om de druiven aan den zieken broeder te brengen. Voor dezen was zulk eene verkwikking zeer welkom, en nauwelijks had de gedienstige medebroeder de cel verlaten, of hij stak reeds zijne vingeis naar de aanlokkelijke druiven uit. Maar ziel ook hij trok de hand weder terug, bezag de druiven nader en zeide: „Neen, eene zoo heerlijke vrucht is bij ons uiterst „zeldzaam. Uie is waard, dat onze goede Abt Macarius ze gebruikt!quot; Zoodra nu de koorts hem na eenigen tijd verliet, stond hij op, kroop, op zijne kruk steunende, naar. den Abt en legde de wandelende druiven ongemerkt in diens cel. Toen Macarius ze later vond, dankte hij God voor den geest van liefde, welke zijne broeders bezielde en bad Hem vol vuur, dat zij meer en meer onder hen mocht heerschen. (üit het leven der Vaders van de woestijn.)
\') Wanneer een koopman met verscheidene anderen een handelsverdrag aangaat, om winst en verlies met elkander te deelen, dan kan hij het redelijker wijze niet ongaarne zien, dat zijne deelge-nooten in den handel hunne zaak met ijver, slimheid en goed gevolg drijven; veeleer zal hij zich daarover oprecht en van harte verheugen, daar dit evenzeer tot zijn eigen voordeel als tot dat der anderen strekt. Om diezelfde reden zal de verlichte Gtiristen zich over de deugden en verdiensten zijner medechristenen verheugen, daar, zooals bij de leer over de gemeenschap der Heiligen is aangetoond, in het groote gezin der verlosten, wier vader de hemelsche Adam, Christus, wier moeder de tweede Eva, de katholieke Kerk, is, de goederen en verdiensten van het ééne lid op veelvoudige wijze aan alle overige leden te stade komen.
572
ook de vreugde, het welgevallen in het goed, dat wij in anderen ontdekken, ons als verdienste aangerekend worden. In dezen zin zegt de H. Gregoiius de Groote; „zoo gij „eens anders goed bemint, zult gij het daardoor zelfs tot „het uwe maken; maar gij bemint het niet, en daarom „wordt het u ais zonde toegerekend.quot; En Hugo van St. Victor roept uit: „O welwillende liefde, hoe rijk zijt gij! „Gij trekt alles tot u en berooft niemand; gij maakt alles „het uwe en ontneemt niemand het zijne; gij hebt welgevallen in het goede van anderen en maakt het zoo uw „eigendomquot;.
o) JLte matigheid in spijs en drank staat tegenover de onmatigheid in het eten en drinken. Deze deugd regelt het den mensch aangeboren verlangen naar spijs en drank, treedt alzoo in den mensch als bestrijdster en beheerscheres van den ongeregelden eet- en drinklust op. Zij behoort tot de kardinale deugd der matigheid, is een bizondere tak daarvan en bestaat, gelijk reeds is aangeduid, in de beheersching van ons zelve met betrekking tot onze neiging naar spijs en drank. De perken, welke aan onze natuurlijke begeerte naar spijs en drank door de rede zijn voorgeschreven, alsmede de beweegredenen om die grenzen op geenerlei wijze te overschrijden , werden vroeger reeds aangegeven en breedvoerig besproken. Wij hebben hier slechts te herinneren, op welke wijze de deugd van matigheid hare taak pleegt te volbrengen, of met andere woorden, welke uitwerkselen de deugd van matigheid voortbrengt in dengene, die haar bezit. De christelijke matigheid maakt ons bereid en geneigd: d) de kerkelijke vasten en het geboden onderscheid van spijzen in acht te nemen, lieeds in het Oude Verbond verbood God het uitverkoren volk het gebruik van zekere spijzen. Het schoone voorbeeld van Daniël. Ananias, Misaël en Azarias (Dan. I), alsmede van de Machabeërs, leert ons hoe heilig de Joden dit goddelijk verbod naleefden. En hoeveel te meer moeten wij, Christenen, door de genoemde deugd gedreven, het kerkelijk gebod der vasten en onthouding nakomen
Die deugd maakt ons ook geneigd: h) bij het gebruik van geoorloofde spijzen en dranken elke overschrijding van de rechte maat zorgvuldig te vermijden; — c) in de keuze van spijs en drank niet te gezocht, niet in de eerste plaats op de bevrediging van den smaak bedacht te zijn; d) den tijd van eten en drinken niet naar den prikkel van onzen eetlust, maar naar de ware natuurlijke behoefte te bepalen, en bijgevolg ook niet meermalen te eten en te drinken, dan tot onderhoud van onze gezondheid en van de ter
573
vervulling onzer plichten noodige krachtea dienstig ea noodzakelijk is; e) rechtstreeks tegen den eetlust in te handelen of dien te versterven, hetzij door vrijwillige onthouding van spijzen, die voedzamer en smakelijker zijn dan andere, quot;) hetzij door aan tafel van het een of ander niet te gebruiken. — De versterving van den smaak en eetlust werd van oudsher door de Christenen beoefend, en gold steeds als een voortreffelijk middel niet alleen om de gezondheid des lichaams, maar ook om de geestelijke welvaart te bevorderen.
„Zij beteugelt,quot; zegt een H. Kerkvader, „de begeerlijk-wheden, verwijdert de kwade gedachten en brengt Heiligen „voort; zij bluscht ook het vuur van den wellust en ver-„dedigt de geheele ziel tegen de hevige aanvallen van „alle zonden.quot;
Somtijds is men verplicht, zich geheel van geestrijke dranken te onthouden, wanneer men namelijk door het gebruik er van, zich bijna zeker aan de zonde van dronkenschap overgeeft. 2)
\') De Heiligen trachtten hunnen eetlust niet alleen door do vrijwillige onthouding van smaakvolle,\' maar ook door het gebruik van onsmakelijke spijzen te versterven. — De kok van het. collegio, waar de II. Franciscus Borgia overste was, wildo hem op zekeren dag eene bizondere lekkere soep bereiden, omdat hij wist, dat Franciscus aan maagpijn leed. De goede broeder, een jonge novice van adellijke alkomst, verzamelde nu in den tuin verscheidene kruiden, maar liet zich, uit onervarenheid in de kookkunst, bij de keuze zijner kruiden waarschijnlijk door den geur leiden en nam hoofdzakelijk alsem. Toen de Heilige de soep begon te eten, bemerkte hij terstond bij den eersten lepel, dat het alsemnat was; hij liet evenwel niets blijken en zeide geen wonrd, om den goedhartigen, maar onbekwamen kok niet te bedroeven. Hij at de helft der soep op, en daar hij door de maagkramp niet meer kon gebruiken, zond hij liet overschot naar de keuken terug. Thans kwam de goede broeder op de gedachte, of hij zich kon vergist hebben en proefde er een weinig van. Hij bevond ze bitter als gal en ging dus oogenblikkelijknaar den Heilige, om hem onder vele tranen vergeving en eene strenge boetpleging te smeeken. Deze echter, wel verre van den beschaamden broeder hard te bejegenen, ontving hem met een vriendelijk lachje, prees zijn goeden wil, dankte hem en zeide: //gij hebt zonder te weten, de spijs ./getroffen, welke voor mij het best te verdragen is.quot; Do Heilige had daarmede zeker niet zijne gezondheid, maar zijne versterving op het oog. — Hoeveel verdriet, woordenstrijd en ontevredenheid zouden uit het huiselijk leven verbannen woiden, ais eenieder, als vooral overheden, echtgenooten en kinderen zich beijverden nu en dan aan tafel het voorbeeld van dezen Heilige slechts in lt;ie verte na te volgen.
2) Dat zulk een voornemen door ijverige Christenen niet zelden genomen en met Gods hulp ten uitvoer gebracht wordt, bewijst het ontstaan en de vooruitgang van het zoogenaamde matigheidsgeuoot-schap, als ook de zegenrijke vruchten, welke het in vele plaatsen, vooral waar het ongelukkige drinken van brandewijn en jenever in zwang was, heeft gedragen. — De Dominicaan Matt keus, zoo bericht dc ünivers 2 April 1840, heeft in Ierland een groot matigheidsge-
574
6) De zachimotdigheïd staat tegenover de zonde van gramschap. Door deze deugd bestriidt en overwint de Christen elke aangeboren neiging, welke hem tot ongegronde, de palen van rede en recht overschrijdende gramschap bekoort, en ten gevolge daarvan tot een ongeregeld verlangen naar wraakneming verleidt. Zij bestaat alzoo in de onderdrukking van allen wraaklust en van alle opwellingen van onrechtvaardige gramschap of toorn. De zachtmoedige waakt zorgvuldig over zijn hart, let op de eerste opwellingen der gevoeligheid, dringt die, zoodra hij ze bemerkt, krachtig terug, laat ze geene heerschappij over zijne verbeelding, over zijne gevoelens en over zijne tong uitoefenen, zelfs dan niet, als hi] diep gekrenkt en door zware be-leedigingen tot drift aangezet wordt. De zachtmoedige zwijgt zoolang , tot hij zonder hartstocht en kalm spreken kan; hij volgt den Heiland na, die zegt: „leert van Mij, „dat Ik zachtmoedig ben en nederig van harte\'\' (Matth. XI, 29), en die ons vooral in zijn lijden het schitterendst voorbeeld van zachtmoedigheid gegeven heeft. Wie in het bezit is van deze deugd, stelt er zich niet mede tevreden, de opwellingen van toorn en de begeerte naar wraak te onderdrukken, maar hij beijvert zich daarenboven, de tegenovergestelde gevoelens van liefde en welwillendheid in zijn hart op te wekken, en deze ongehuicheld, met edelen eenvoud en bescheidenheid, door zachte, verzoenende woorden
nootschap opgericht, hetwelk reeds anderhalf millioen leden telt. Op de plaatsen, waar de apostolische ijver hem brengt, neemt hij de personen, die zich bij hem aanmelden en die het vast besluit hebben genomen, matig te leven, in het genootschap op. Het voorgeschreven formulier van opneming luidt; //Ik ïi. B. beloof, mij met Gods hulp //van alle bedwelmende dranken te onthouden en, zooveel mij moge-„lijk is, te verhinderen, dat anderen zich dronken drinken.quot; Na deze woorden roept de missionaris der matigheid , die hun de handen oplegt uit: //God zegene u en geve u de genade, om uwe be-//lofte te houden.quot; Hij deelt ook eene kleine medaille onder hen uit, teneinde de leden van het genootschap steeds aan de gedane belofte te herinneren. — Ook bij de bekeerde Indianen kwam het voornemen, om zich van alle bedwelmende dranken te onthouden, dikwijls tot rijpheid en uitvoering. Pater Haecken, Missionaris bij de Pathowatomiten , een indiaanschen stam van Ivoord-Amerika, bericht in het jaar IS^l het volgende: //Zeven Otawas, waaronder de «hoofdman van den stam, hebben het H. Doopsel ontvangen. Vóór //zijne bekeering tot het Christendom was deze hootdman, gelijk «bijna alle Indianen, een erge dronkaard; maar sinds het oogenblik, //dat het H. doopwater over zijn hoofd is uitgestort. heeft in hem ,eene aan het wonderbare grenzende verandering plaats gegrepen. //Sedert hij neophiet is, heeft hij geen druppel drank meer gebruikt, «en als men hem dien te drinken aanbiedt, pleegt hij te antwoorden, «dat hij den drank verzaakt en afgezworen heeft.quot;
575
aan den dag te leggen, i) „Vriend, waartoe zijt gij ge-„komen?quot; (Matth, 26, 50) sprak Jesus, het volmaakte voorbeeld van zachtmoedigheid, tot den verrader Judas, en eveneens plegen ook de ware navolgers van Jesus te spreken, tot degenen, die door tegenspraak en beleedigende woorden hen tot toorn opwekken en als \'t ware tot wraakneming uitdagen. Mogen ook anderen, die zich hunne vrienden noemen, den toorn als rechtvaardig, den wraak als billijk
\') De H. Franciscus van Sales, wiens geheele Jeven als het ware slechts eene voortgezette beoefening der zachtmoedigheid was, sprak eens op verzoek van eei) edelman voor eene aanmerkelijke som borg. Na verloop van den tijd van betjiling wendde zich de scluildeischer met de vordering tot deu H. Bisschop. Ueze antwoordde echter met alle vriendelijkheid , dat de edelman wel honderdmaal meer bezat dan het bedrag der geheele schuld uitmaakte; daar dus het kapitaal verzekerd was, kon hij over den intrest geene moeielijkheid maken; dat de schuldenaar thans in het leger van den vorst was en het niet terstond kon verlaten, om hem tevreden te stellen; dat hij toch maar een weinig geduld moest hebben. Doch de schuldeischer was met deze rechtvaardige en billijke verontschuldigingen niet tevreden, en hield dringend en onstuimig op zijne vordering aan. Nu smeekte de Heilige slechts zoolang om uitstel, tot hij den edelman de zaak ter kennis had gebracht. Maar de opgewonden schuldeischer wilde van niets dergelijks hooren en deed den Bisschop de yrolste en onbe-tamelijkste.verwijten. Op dat alles antwoordde tranciscus van Sales met ongeloofelijke zachtmoedigheid: „Mijnheer, ik ben uw herder. //Aan u, het schaapje, betaamt het, mi) te onderhouden. Zult gij «■nu den moed hebben mij, in plaats daarvan, het brood uit den „mond te nemen? Gij weet welk een onbeduidend inkomen ik heb, //zoodat ik slechts met moeite daarvan kan leven. Nooit heb ik zoo-„veel geld in mijn bezit gehad , als uwe tegenwoordige schuldvordering ,bedraagt.... Ik heb eenig vermogen van mijzelven, ik geef het u «over. Daar is mijn huisraad, neem het mede, verkoop het; ik geef „mij geheel aan uwen wil over. Slechts ééne zaak vraag ik u, bemin »mij uit liefde tot God, en beleedig Hem niet door gramschap, haat „of ergerlijke handelingen; meer verlang ik niet.quot; — „Dat alles,quot; hernam gene, „is maar ijdele praat en huichelarij!quot; Hij ging voort met razen en duizend scheldwoorden tegen den Heilige uit te braken. Deze liet zich echter niet van zijn stuk afbrengen , maar bleef zoo bedaard , alsof gene hem met zegeningen overlaadde, hem rozen in het aangezicht strooide. Zijne eenige smart was , dat God voortdurend beleedigd werd door den woedenden schuldeischer. Om daaraan een einde te maken, sprak hij minzaam; „mijn onbezonnen borgblijven ,heeft u deze gramschap veroorzaakt; ik zal mij dus alle moeite geven, „om u te bevredigen. Bn wees, na alles wat er is voorgevallen, ver-„zekerd, dat, hadt gij mij één oog uitgestoken, ik met het andereu „even minzaam zou aanzien, als waart gij de beste vriend , dien ik „op de wereld heb.quot; Nu verwijderde zich de onbeschaamde, nog altijd morrende en scheldende. De Heilige van zijnen kant berichtte den afloop der zaak aan den edelman , die onverwijld de schuld betaalde. \'Ihans eerst kwam de schuldeischer tot bezinning. Vol schaamte en berouw begaf hij zich naar den heiligen Bisschop en smeekte hem duizendmaal om vergeving. Deze ontving hem met open armen en bewees hem later bizondere liefde, hem zijn veroverden vriend noemende (Geest van den h. Franc. v. Sales. D. I. hfdst. 6).
576
voorstellen: zij geven aan deze inblazingen geen gehoor, maar zullen liever als David, die zijnen doodsvijaud Sanl tweemaal (1 Kon. XXrV, 26) in zi]ne macht had, uitroepen: „de Heer zij mij genadig, dat ik zoo iets doen zou,\'\' dat ik op mijn boozen broeder vertoornd zou wezen en eene wraak op hem zou nemen, welke alleen aan God toekomt! — De zachtmoedige laat het echter geenszins bij liefderijke woorden blijven: hij opent zelfs de hand, om weldaden te doen aan dengene, die hem beleedigingen toevoegt , en smeekt God om genade voor allen, die hem tot gramschap opwekken; hij treedt in de voetstappen van den goddelijken Verlosser, die, als hij geslagen werd, niet terug sloeg en voor zijne beleedigers bad, ja voor hen zijn kostbaar bloed ten offer bood. Zoo handelde aan de spitse aller bloedgetuigen de H. Stephanus, als hij zijne oogen hemelwaarts heffende voor zijne beulen bad: „Heer! reken „hun deze zonde niet toe!quot; (Hand. VII, 59.)
7) De ijver in het goede staat tegenover de zonde van lauwheid of traagheid, in het bizonder van traagheid in den dienst van God. Deze deugd komt voort uit de liefde tot God, behoort tot de schoonste vruchten er van en bestaat daarin, dat wij gewillig en met vreugde God dienen, zijne eer naar vermogen bevorderen en al onze plichten getrouw vervullen. Hiertoe vermaant de Apostel ons met de woorden: „weest niet traag in zorgvuldigheid; zijt vurig van „geest; dient den Heerquot; (Rom. XII 11). De ijver in het goede is gelijk een vuur, dat op het offeraltaar des harten brandt, welks vlam steeds in de hoogte stijgt, al meer en meer om zich heen grijpt en eindelijk het geheele hart bemeestert, doorgloeit en van alle aardsche gevoelens zuivert. De heilzame werking dier vlam van heiligen ijver, door de goddelijke liefde zelve ontstoken en gevoed, blgft echter niet in het hart besloten, maar deelt zich aan alle vermogens der ziel, aan den geheelen mensch mede. Door haar verlicht, beschouwt het verstand on vermoeid de waarheden des heils; door haar verwarmd, gedijen alle goede kiemen van den wil en brengen, als planten door de lentezon bestraald, onverwijld de heerlijkste knoppen en bloemen voort: door haar gezuiverd, onttrekt de ziel zich aan het verlagend zinneleven en gloeit van verlangen naar God en de hemelsche goederen. Door die inwendige verlichting verkrijgt het geheele leven van den mensch eene wonderbare richting naar al datgene, wat aan God welgevallig is. Met zich nooit verloochenende bereidwilligheid, met vreugde dient de ijverige Christen zijnen Heer en God; met onverbreekbare getrouwheid zoowel in het kleine als in het groote
577
vervult hij Gods heiligen wil, onderhoudt hij \'s Heeren geboden, de plichten van zijnen staat en van zijn beroep. Moge ook het offer, hetwelk de eer van God van hem eischt, groot wezen; moge ook de strijd van de bedorven natuur hevig zijn en de moeielijkheden van alle kanten opkomen, de ijverige Christen laat er zich niet door afschrikken. — Toen de edele priester Mathathias zag, dat de tempel van Jerusalem en de heilige vaten door de syrische bevelhebbers ontwijd waren en de sabbathdag ontheiligd werd, ontstak hij in een brandenden ijver voor de eer des Allerhoogsten. Hij kon die gruwelen niet langer aanzien en besloot, met gevaar van niet alleen zijne goederen maar ook zijn leven te verliezen, de stad te verlaten. „Al wie,quot; zoo riep hij in de stad met luider stemme uit, „al wie „ijver voor de wet heeft en den bond oprecht onderhoudt, „trekke uit en volge mij na!quot; (1 Macch. II, 27). Eveneens is ook de ijverige Christen immer bereid, voor de eer en verheerlijking Gods op te staan, bet rijk Gods niet alleen in zijn eigen hart meer en meer te vestigen, maar het ook\'\' in de harten van anderen ingang te verschaffen; geene moeite, geene inspanning is hem te groot of te langdurig, als het er op aan komt, eene ziel voor God te winnen. Die ijver mag echter niet verward worden met den\'Voelbaren troost, met de gevoelige godsvrucht en blijdschap, waardoor God nu en dan degenen, die beginnen Hem te dienen, onuitsprekelijk gelukkig maakt, om hun een afkeer in te boezemen van de wereldsche genoegens en hen aan zich te boeien. Die troostrijke en blijde gevoelens gaan voorbij, de ijver daarentegen blijft, blijft zelfs dan, wanneer God ter beproeving, zuivering en volmaking der ziel, in plaats van troost onrust, in plaats van hoogere verlichtingen duisternis des geestes en somberheid des gemoeds, in plaats van zalige gevoelens voor het godsdienstige afge-keerdheid en tegenzin toelaat; de ware ijver blijft ook in zulke toestanden van inwendige verlatenheid en dorheid des geestes, wijl hij niet in het gevoelvermogen, maar in den wil gezeteld is, wijl hij in eene opgewekte en krachtige neiging ten goede, ter vervulling van den goddelijken wil bestaat, i) De ijverige Christen zal bij een dusdanig ziele-
\') Een duidelijk bewijs hiervoor geeft ons het volgende voorval uit het leven van den H. Franciscus Borgia. In het jaar 1541 bereidde hij zich gedurende den geheelen vastentijd voor tot het waardig vieren der lijdensweek door verdubbeling zijner uiterst strenge boetewerken. Toen nu de zoolang gewenschte week was aangebroken, werd zijne ziel. welverre van met de verlangde vertroosting en het hartelijk medelijden met den lijdenden Verlosser vervuld te worden, DEHAEBE, GELOOrSLEER. III. DEUK. 37
578
lijden den moed niet verliezen, het gebed en de oefeningen van godsvrucht en zelfverloochening niet nalaten; hij zal geduldig voortgaan en gelijk Jesus, hij zijnen doodsangst in den hof van Olijven, ten hemel roepen: „Vader , indien „het mogelijk is, laat dezen kelk van mij voorbijgaan; „doch niet gelijk ik wil, maar gelijk Gij het wiltquot; (Matth. XXVI, 39).
TOEPASSING.
Gelijk een krijgsman slechts dan de schoonste deugd van zijnen stand, de dapperheid, zich eigen maakt, als hij, door zijn veldheer herhaalde malen ten strijde gevoerd, moedig en onverschrokken den aanrukkenden vijand wederstaat, vervolgt en neêrwerpt, zoo zal ook de christenstrijder nimmer in het bezit van eenige deugd komen, wanneer hij niet onder de leiding van den goddelijken Aanvoerder zijne vijanden, in \'t bizonder zijne booze hartstochten , bestrijdt, en, voor zooverre dit in het sterfelijk leven mogelijk is, doodt. Niet hij derhalve is hier op aarde, waar het lot voor de eeuwigheid beslist wordt, de gelukkigste en de meest benijdenswaardige, die slechs zelden en zwak strijd voert, maar degene, die, dag aan dag door machtige vijanden aangevallen, moedig strijdt en zegevierend uit het strijdperk telkens wederkeert. Strijder van Christus! al zijn uwe vijanden, al zijn uwe hartstochten nog zoo talrijk, al zijn zij machtig en onvermoeid in hunne aanvallen, laat den moed niet zinken; zie naar Jesus , uw Aanvoerder; vertrouw op den bijstand, welken Hij u belooft. Jesus roept u ten strijde; Jesus voert u aan in den strijd; Jesus verlaat u niet, wanneer gij trouw onder zijne vanen blijft; Jesus zal u sterken, uwe wonden genezen, u de zegepraal bezorgen, Jesus zal u na de behaalde overwinning den on verwelkbaren zegekrans op het hoofd plaatsen. Laat u
integendeel met zulk eene dorheid en gevoelloosheid bevangen , dat hij geen enkelen traan van godsvrucht kon storten. Terwijl er nauwelijks één zondaar was, hoe diep ook gevallen, die niet tenminste eeuigszins bewogen en getroffen werd, bleef hij geheel koud, zoowel bij het lezen als bij het overwegen en het kerkelijk vieren dier smartvolle geheimen. Het was voor hem inderdaad eene ware viering van het lijden, en zelfs van het pijnlijkste oogenblik, namelijk van het verlatenzijn der ziel van Jesus Christus aan het kruis. Als echter deze onvruchtbare, van alle geestelijke verkwikking en elkp vertroosting beroofde week voorbij was, keerde eensklaps de vroegere rijkdom van genade en heilige godsvrucht terug; de bronnen van boete-en vreugdetranen openden zich weder, en zij welden rijker dan te voren (Uit het leven van dien Heilige, door Bartholi).
579
nooit tot een wapenstilstand met uwe vijanden, uwe booze neigingen, verlokken; zij zouden er slechts partij van trekken om u onverwachts aan te vallen, om u, den onbedachtzame, des te gemakkelijker te overwinnen. Laten de vijanden u in vrede, grijp ze aan, vervolg ze, gedekt door het schild des geloofs , met het zwaard der versterving; vervolg ze onverpoosd en onvermoeid: het kleinood der deugd en het overgroot loon is wel uw zweet en uwe aanhoudende inspanning waard. ,,Vrees niet voor datgene
„wat gij liiden zult......Wees getrouw tot in den dood;
„dan zal Ik u de kroon des levens geven ,quot; spreekt de Heer (Openb. 11, 10).
§ 8. Over de oltrisiolsjke Tolmnaktheid-
Waarom moeten wij allen naar de met omen staat overeen-komende volmaaktheid streven?
Wij moeten dit doen: 1) omdat onze Heer en Zaligmaker tot allen zegt: „weest volmaakt, gelijk uw Vader in den „hemel volmaakt is,quot; en ons dus de volmaaktheid van God zeiven, als doel van ons streven voor oogen stelt. — Als God, de Heer, Abraham zijnen dienaar tot de volmaaktheid aanmaande met de woorden: „wandel voor Mij en „wees volmaaktquot; (1. Mos. XVII, 1), kan het ons gewis niet bevreemden, dat Christus ons, zijne broeders, eene zoo ernstige en dringende vermaning tot de volmaaktheid geeft; en van den anderen kant mag de Heiland voorzeker verwachten, dat wij die getrouw en voortdurend zullen nakomen, vooral daar Hij ons in zijn leven op aarde het voorbeeld van alle volmaaktheid heeft gegeven. De Apostelen vermaanden dan ook alle geloovigeh zeer nadrukkelijk, om de volmaaktheid en heiligheid des levens tot voorwerp van hun onophoudelijk streven te maken. Zoo de H. Petrus (1. Ep. I, 15, 16), als hij hun toeroept: „weest „gelijk de Heilige, die u geroepen heeft, ook zelve heilig „in geheel uwen wandel; want er staat geschreven: „„gij „„zult heilig zijn, omdat Ik heilig benquot;quot; (3. Mos. XI, 44); zoo ook de H. Jacobus (I, 4), die evenzeer allen vermaant, te streven, „volmaakt en zonder eenig gebrekquot; te wezen; zoo de H. Paulus op verscheidene plaatsen, waar hij de Christenen opwekt, „volmaakt,quot; „vlekkeloos „onberispelijkquot; te leven.
2) Omdat wij God uit geheel ons hart, uit geheel onze
580
ziel, uit geheel ons gemoed ea uit al onze krachten moeten beminnen. — Want ofschoon het ons op aarde, wegens de ons aangeboren zwakheid ea zondigheid, onmogelijk is, dit gebod in zijne geheele volmaaktheid te vervullen, heeft God het ons toch gegeven, opdat wij daardoor zouden aangespoord worden, Hem tenminste steeds meer en inniger te beminnen en aan dien heiligen ij ver van liefde volstrekt geene grenzen te stellen. En zeer billijk is het, dat wij onze liefde tot God niet beperken, daar ook Hij met onbegrensde, eeuwige liefde tot ons zijn eeniggeboren Zoon voor ons heil gegeven heeft.
3) Omdat wij des te gelukkiger in den hemel zullen zijn, naarmate ons leven op aarde heiliger is geweest. — Hoe heiliger de ziel bij haar verscheiden uit dit leven is, des te grooter zal ook haar geluk wezen gedurende de geheele eeuwigheid, wijl zij God des te meer gelijkvormig zijn zal en bijgevolg des te bekwamer, om Hem te kennen en te beminnen, gelijk Hij zich zei ven kent en bemint, derhalve aan zijn goddelijk geluk, hetwelk bestaat in kennen en beminnen, deel te nemen. Tot heiligheid nu moeten wij komen door het zorgvuldig vermijden van alle kwaad, door de voortdurende beoefening van het goede overeenkomstig de ons door God verleende genade, ia een woord door een vromen, godvruchtigen levenswandel. Hoe zorgvuldiger wij ons thans wachten voor elke zonde, zelfs voor de minste; hoe vlijtiger wij ons beijveren, goede werken te verrichten, de christelijke deugden te oefenen, ons geheel en zonder terughouding aan God te geven, en dagelijks, ja onophoudelijk in volmaaktheid toe te nemen, des te grooter zal ook ons eeuwig geluk wezen. Willen wij dus niet, dat ons geweten aan de deur der eeuwigheid, waar de nacht zal aanbreken, waarin niemand meer iets goeds, iets verdienstelijks kan verrichten, ons bitter verwijten zal, dat wij den meesten tijd onzes levens hebben verkwist, leggen wij ons dan thans ernstig en voortdurend op de christelijke volmaaktheid toe. En waren wij tot hiertoe lauw en traag of zelfs onverschillig, trachten wij dan nu des te ijveriger te wezen. Moeten wij ons niet schamen, als wij zoovele werken ondernemen, zoo vele moeielijkheden verdragen, om een voorbijgaand en valsch geluk te verwerven, hetwelk het bezit van aardsche goederen ons kan schenken, en daarentegen ons zoo weinig moeite geven voor dat eeuwige, volmaakte geluk? Vergeten wij toch nooit dat alles verloren gaat, behalve hetgeen wij voor God en de eeuwigheid doen.
■ij Omdat wij licht in zware zonden vallen en eindelijk
581
in het eeuwig verderf storten, als wij ons niet steeds be-vlytigen om in het goede toe te nemen. Wie meent, het in de volmaaktheid ver genoeg gebracht te hebben, zich in het algemeen weinig bekommert om haar te verkrijgen, of, hetgeen nog erger is, zich voorneemt, wat den dienst van God oelreft, slechts het onvermijdelijk noodzakelijke te doen, hij loopt groot gevaar, in vele punten aan zijna verplichting te kort te schieten, aan zijne zondige neigingen meer en meer toe te geven, eerst dagelijksche, maar weldra ook groote zonden te bedrijven; hij heeft te vreezen, dat hij, op dien weg des verderfs voortwandelende, in den afgrond zal nederstorten, welke zich aan het einde vertoont, in den afgrond der hel, waar geene redding mogelijk is. Een schipper, die stroomopwaarts moet varen, om de plaats zijner bestemming te bereiken, mag de riemen niet uit de handen leggen, niet ophouden of rusten, voordat hij in de gewenschte haven binnenloopt; deed hij anders, dan zou de afwaartsstroomende vloed zijne boot mede voortslepen, hem steeds verder van zijn doel verwijderen, en vroeg of laat op verborgen klippen verbrijzelen. Op gelijke wijze moet ook de Christen op zijne levensvaart, tegen den stroom van zijne zinnelijke en aardsche neigingen in, aanhoudend naar de haven van eeuwigen vrede en geluk stevenen, wil hij niet, door den maalstroom aangegrepen, met alle kracht stroomafwaarts drijven, schipbreuk lijden en ten gronde gaan. — En dit treurige lot heeft hij, die zich geene moeite geeft, om op den weg der deugd en christelijke volmaaktheid voortgang te maken, des te meer te vreezen^ daar het onherroepelijk vast staat, dat God aan hen, die met de verleende genade medewerken, nieuwe en rijkere genade schenkt, maar aan hen, die het toevertrouwde talent zich niet ten nutte maakten, dit, ofschoon niet geheel, toch voor het grootste gedeelte ontneemt. „Want aan eeniegelijk, die heeft, zal gegeven „worden en hij zal overvloed hebben; maar van hem, die „niet heeft, zal ook hetgeen hij schijnt te hebben, worden „weggenomenquot; (Matth. VXV, 29), d. i. hem zullen de genadegaven, welke hij zich niet ten nutte maakt, welke hij bijgevolg niet zoozeer heeft, als wel schijnt te hebben, worden ontnomen. Is het niet te verwachten, dat zoo iemand spoedig van dagelijksche zonden tot doodzonden zal komen ?
Waarin leslaat de chrislelijlce volmaajctheid ?
De christelijke volmaaktheid bestaat daarin, dat wij ,
582
vrij van alle ongeregelde liefde voor de wereld en ons zeiven, God boven alles en alles in God beminnen.
De mensch is voorzeker des te volmaakter, hoe inniger hij met God, den oneindig Volmaakte, vereenigd leeft, hoe meer hij met Hem één van geest en één van wil is geworden. Die innige vereeniging met God wordt door de liefde bewerkt. In de volmaaktheid der liefde bestaat alzoo de volmaaktheid van den Christen. „Ieder,quot; zegt de H. Franciscus van Sales, „stelt zich de volmaaktheid op zijne „wijze voor; eenigen stellen haar in het geven van aalmoezen, anderen in het dikwijls ontvangen der HH. Sacra-„menten, weder anderen in het gebed, enz.; maar zij allen „bedriegen zich, daar zij de middelen voor het doel, of „het gevolg voor de oorzaak nemen. Ik voor mij weet en „ken geene andere volmaaktheid, dan die van God te be-„minnen uit geheel ons hart en den evennaaste gelijk zich
„zeiven; iedere andere volmaaktheid is valsch......■ „„Boven
„„alles/quot;\' zegt de Apostel, „„laat ons de liefde hebben, „„welke de band der volmaaktheid isquot;quot; (Col. III, 14), de „liefde, welke ons niet alleen met God verbindt en ver-„eenigt, maar ook alle overige deugden bij elkander houdt „en ze tot het ééne ware middelpunt voert, hetwelk is: „God en zijne eerquot; (Geest des Heil. D. I no. 25 en D. VI. n0. 6). — Tot de christelijke volmaaktheid wordt echter niet alleen gevorderd, dat men God boven «We# d. i. dat men geen schepsel meer dan God of zelfs maar op dezelfde wijze als God beminne; want deze liefde moet ieder hebben, als hij tot de eeuwige zaligheid geraken wil. Volmaakt is alleen by , die God niet slechts boven alles, maar ook alles, wat hij bemint, in God, d. i. uit liefde tot God bemint. Al het verlangen en begeeren van den volmaakten mensch is gericht op God, als het laatste doel; de liefde Gods is de drijfveer van zijn wil en zijne handelwijze; zijn geheele leven en werken is dus eene onophoudelijke oefening dei-liefde Gods. In een diep gevoel dier liefde riep de koninklijke Profeet tot God: „wat heb ik in den hemel en wat bemin „ik op aarde buiten U ? De God mijns harten en mijn „deel is God in eeuwigheidquot; (Ps. LXXII, 25, 26), en de H. Franciscus van Assisië: „mijn God en mijn al!quot; „Zulke „gelukkige zielenquot; zegt ergens de H. Franciscus van Sales „beminnen wel naast God ook andere voorwerpen, maar „daaronder is er geen enkel; wat zij niet in God en om God „beminnen.quot; Zij beminnen ook de menschen, maar deze liefde klimt op tot God, die hen naar zijn evenbeeld geschapen, tot den prijs van het bloed zijns eeniggeborenen Zoons gekocht heeft, en die beveelt, hen te beminnen.
583
Daarom ook zijn zij hunnen vijanden en vervolgers even oprecht en van harte toegedaan, als hunnen vrienden en weldoeners. Ook vele andere dingen, welke God ten dienste der menschen heeft geschapen, zijn het voorwerp hunner liefde; doch zij beminnen daarin niet hun eigen nut of genot, maar God; hun hart heeft er vermaak in, inzooverre zij Gods gaven zijn, herauten zijner almacht, wijsheid en goedheid, voortreffelijke middelen, om den Allerhoogste te dienen en zijne eer te bevorderen. Derhalve bedroeven zij zich niet als hun in plaats van rijkdom armoede , in plaats van eer verachting, in plaats van lof berisping, spot, hoon en eene smaadvolle behandeling ten deel valt. Alle wederwaardigheden en alle ongemakken , hitte en koude, honger en dorst, pijn en smart, ziekte en dood, — alles is hun lief en dierbaar, omdat zij weten, dat alles van Gods vaderhand komt, en indien zij het willen, tot hunne eeuwige zaligheid dienstig is. Zoo beminnen de Heiligen den God huns harten altijd en overal, in alle aangelegenheden en omstandigheden van dezen aardschen pelgrimstocht op dezelfde wijze, daar zij altijd en overal God in de schepselen en de schepselen in God zien, en niet de schepselen in en op zich zelve, maar in de schepselen den Schepper beminnen. Moge het schepsel ook nog zoovele en schoone voorrechten bezitten, zij vinden het alleen in zooverre beminnenswaardig, als God zich daarin afspiegelt; zij handelen evenals de paarlvisschers, „die, als zij paarlen „in de oesters vinden, hunne vangst om de paarlen waar-„deeren.\'\' (Franc, van Sales a. a. O.) \') — Gelijk nu de
\') Op eenieder, die tot de volmaaktheid is gekomen, zijn van toepassing de woorden, welke wij in do akten der heiligverklaring van den H. Ignatius van Loyola lezen: „Hij bewaarde zijn hart niet alleen //Voor hetgeen tegen de liefde is. maar hij verwijderde ook van zich «de liefde tot alle zaken buiten God en droeg haar op God over.quot; — Voorbeelden tot opheldering en bevestiging- van het gezegde kunnen uit de levensbeschrijvingen van alle heilige en godvruchtige dienaren Gods worden aangehaald. Van den H. Franciscus Borgia schrijft P. Bartoli (levensbeschr. hfdst. 79): „In het woordenboek van dezen //Heilige kwamen do uitdrukkingen; ongeluk, toeval, tegenspoed, „ramp en andere tot de taal der aardschgezinde menschen behoorende ^spreekwijzen niet voor. Hij had zijne oogen op niets anders dan op „de hand Gods gericht, erkende deze als de bron van alles, wat hem //Overkwam, en nam alle wederwaardigheden met vreugde en. dank-,/baarheid van God aan. Regen en wind. koude en hitte, alle onaan-//genaamheden van het jaargetijde en het weder, vereerde hij als de //dienaars van God en volbrengers der bevelen van zijnen Vader in „den hemel. Op zekeren nacht moest hij aan de poort van oen collegie, //waar hij diep in den nacht onverwachts aankwam, lang wachten. //Ofschoon het groote en dikke vlokken sneeuwde, zocht hij toch //geene huisvesting, maar bleef stilstaan en ontving, om zoo te spreken, ,de sneeuwvlokken met eerbied , daar het hem, zooals hij zich uit-
584
volmaakten God in alles beminnen, wat waarlijk beminnenswaardig is, zoo verfoeien zij ook uit kinderlijke liefde alles, wat waarlijk afschuw verdient, de zonde, en wel elke, zelfs de minste zonde. Deze haten en vluchten zij meer dan den dood, niet zoozeer uit vrees der straffen of uit hoop op belooning, maar veeleer uit zuivere, onbaatzuchtige liefde tot Hem, die hen bemint en wiens wil hun boven alles heilig is. \') Zulke edele zielen kunnen in
„drukte, voorkwam, als zag hij zijn beminden Vader en Heer in de „lucht, en hoe Hij er een genoegen in vond de sneeuw naar hem »toe te werpen en hem te treffen.quot; — üe Heilige bevond zich te Valladolid op weg naar het paleis der Regentes Dona Joanna, toen hem de plotselinge dood van zijne innig geliefde dochter, de gravin van Lerma, door goddelijke openbaring werd medegedeeld. De dienaar Gods bleef stilstaan , sloot zijne oogen, bleef eenige minuten zwijgend in deze houding, bad vervolgens een weinig voor de overledene en zette zijnen weg voort. Nadat hij met de Kegentes gesproken had, zeide hij tot haar bij het heengaan: „Uwe Hoogheid gelieve te bidden „voor de ziel van hare getrouwe dienares, de gravin van Lerma, die „korten tijd geleden naar het andere leven onverwachts is overgegaan.quot; De Kegentes ontstelde hevig , want de afgestorvene was eene dergenen, die zij het meest beminde. Daarop zag zij den Heilige verwonderd aan en zeide tot hem: „Hoe is het toch mogelijk, dat gij deze tijding „mij zoo maar in het voorbijgaan mededeelt ? En op zulk eene wijze „spreekt dan de vader van den dood zijner dochter en van zulk eene „dochter?quot; De dienaar Gods antwoordde onverwijld; „Mevrouw ! wat „men van een ander heeft en slechts als leengoed bezit, geeft men „aan den eigenaar gaarne terug. Wat wij hebben en wat wij zijn, „is immers slechts in zooverre het onze, dat het veel meer aan God „behoort dan aan ons. Als Hij het ons geeft, dan geeft Hij ons wat „het zijne is; als Hij \'tterug wil hebben, dan wil Hij hebben, wat „het zijne is, en men doet onbillijk, zich te beklagen, dat Hij het ,ons niet langer laat, in plaats van te danken, dat Hij het ons zoo „lang heeft gelaten. Gelijk het geven geheel van zijnen vrijen wil „uitging, zoo kan Hij het even vrij terugnemen, ofschoon wij, door „onze eigenliefde verblind , hierover anders oordeelen. God, die de „oneindige goedheid is en ons onvergelijkelijk meer bemint, dan wij „ons zelve, doet alles tot ons welzijn, hetzij Hij ons geeft of ontneemt, „en wij zijn Hem voor alles dezelfde dankbaarheid schuldig.quot;
\') Dit beval de meergenoemde heilige koning Lode wijk IX van Frankrijk aan zijne dochter, de koningin van Navarre, in een brief vol schoone en verhevene lessen. „Beminde dochter zoo schrijft hij , „bemin den Heer uwen God uit geheel uw hart en uit al uwe „krachten. Hem beminnen is voor u verdienen. Het schepsel: het-„welk de liefde van zijn hart aan eenig ander voorwerp schenkt dan „aan God of om God , bedriegt zich zelve.... Koester steeds het „verlangen, God uwen Heer meer en meer te behagen , en wees zoo „gestemd, dat gij, al zoudt gij ook weten , nooit eene vergelding „voor eenig goed, noch straf voor eenig kwaad te ontvangen, i toch „zoudt wachten, iets te doen , wat Gode mishaagt, en u beijveren „naar vermogen te doen, wat Hem bevalt, uit zuivere liefde tot „Hem.quot; — De Heilige wilde hiermede voorzeker niet zeggen, dat zijne dochter de hoop op belooning en de vrees voor straf uit haar hart moest verbannen; hij wilde haar slechts aansporen, om bij elke gelegenheid zich te beijveren, uit de edelste beweegredenen van onbaatzuchtige liefde te handelen. — In dezen zin moet men ook het volgende visioen opnemen, hetwelk broeder Ivo, een Dominicaan
585
waarheid met den Apostel der wereld uitroepen: „wie zal „ons dan scheiden van de liefde van Christus ? verdrukking ? „of beangstiging? of honger? of naaktheid? of gevaar, of „vervolging? of zwaard?quot; (Rom. VIII, 35). Doorgloeid en verteerd door het zuiverste vuur van heilige liefde, geheel in God en voor God levende, kunnen zij met Paulus zeggen: „Ik leef, doch niet ik, maar Christus leeft in mijquot; (Gal. II, 20). »)
Hoe is het evenwel mogelijk, dat de zwakke, zondige mensch tot die volmaaktheid geraakt, dat hij door zulk eene zuivere liefde bezield en doorgloeid, een zoo verheven , in zekeren zin geheel goddelijk leven kan leiden? Niet anders dan daardoor, dat hij met de hulp der goddelijke genade zich zeiven en de wereld afsterve, d. i. dat hij zijn hart zuivere van „alle ongeregelde liefde tot de wereld en „zich zeiven.quot; „De liefde tot de wereld en tot God,quot; zegt de H. Joannes Climacus, „kunnen niet gelijktijdig in „een en hetzelfde hart wonen, gelijk men met een en „hetzelfde oog niet tegelijk hemel en aarde zien kan.quot; Geheel in denzelfden zin spreekt ook de H. Paus Gregorius de Groote (Moral B. XVIII, hfdst. 8): „Daar kan het „zaad van hemelsche liefde niet groeien, waar het door de „doornen van aardsche lusten wordt verstikt.quot; Wilt gij dus
uit het gevolg van den H. Koning, te Damascus had. Deze godvruchtige kloosterling had zich op last van koning Lodewijk, die toen te Ptolomaïs was, naar den Suitan in de genoemde stad begeven. Daar ter plaatse ontmoette hij op weg naar de woning des Sultans eene vrouw, die in de rechterhand eene brandende iakkel, in de linker eene vaas met water droeg Broeder Ivo vroeg haar, wat zij daarmede wilde beginnen ? Toen gaf de vrouw ten antwoord; //Ik //wil met het vuur het paradijs verbranden en met het water de hel „uitblusschen, opdat men geen goed doe om het loon van het paradijs, ynoch uit vrees voor de hel, maar alleen uit liefde tot God, onzen „Schepper, die het hoogste goed is en ons zoo zeer heeft bemind, «dat Hij zich voor onze zaligheid ten dood overgafquot; (Bolland. 25. Augustus).
\') Daarmede wordt echter niet beweerd, dat de Heiligen altijd uit de zuiverste, uit volmaakte liefde handelden en zich nooit aan eene onvolmaaktheid of zelfs aan eene dagelijksche zonde schuldig maakten. //Het gebeurt somtijds quot; zegt de H. Franciscus van Sales , (t. a. p.), //dat zielen, die tot den hoogsten trap van volmaakte liefde »zijn opgeklommen, in den ijver der liefde verflauwen en tot in de //grootste onvolmaaktheden, ja zelfs tot in aanmerkelijke dagelijksche //zonden vervallen. Dewijl evenwel deze edelmoedige zielen in den «regel God met volmaakt zuivere liefde beminnen, moet men niet-//temin bekennen, dat zij in den staat der volkomene liefde zijn. //Omgekeerd zijn er ook zielen, die nog met vele ijdele en gevaar-olijke neigingen zijn behebt en toch somtijds gevoelens der zuiverste «en hoogste liefde hebben. Daar dit echter alleen voorbijgaande //oogenblikken zijn, kan men daarom nog niet zeggen, dat zij zich «reeds in den staat van volmaakte liefde bevinden, want zij zijn nog //eerstbeginnenden en nog in de leerjaren.quot;
586
God met zuivere liefde omhelzen , houd dan op, u zeiven en de goederen dezer wereld ongeregeld te beminnen. „Als gij „de aardsche liefde uit uw hart verwijdert zegt de H. Augustinus (Verh. 2. en 4 over 1. Joan.), „dan zal de godde-„lijke liefde er haar intrek nemen. Wilt gij de liefde tot God in „uw hart planten, roei dan het tuig der wereldsche liefde
„uit..... Gij zijt een vat, maar niet een vol vat. Giet
„uit, wat gij hebt, opdat gij ontvangt, wat gij niet „hebt.... Wilt gij met goed aangevuld worden, giet uit „het kwade. Gij meent, dat God u met honig wil aanvullen; als gij vol azijn zijt, waar moet dan de honig „blijven? Dat vat moet geledigd, moet gereinigd, moet „zorgvuldig uitgeveegd en uitgewreven worden, opdat het „den honigquot; , den wijn der goddelijke liefde iu zich kunne „opnemen.quot; \')
Welke is in het algemeen de weg der volmaaktheid?
De navolging van Jesus Christus. — Wie volmaakt wil worden, moet, zooals wij zeiden, zijn hart vrij maken van alle ongeregelde liefde tot de wereld en tot zich zei ven , en de zuiverste liefde Gods daarin opnemen en doen heerschen. Een en ander leert ons het voorbeeld van den goddelijken Heiland op de duidelijkste en indrukwekkendste wijze. Jesus , de menschgeworden Zoon van God, in wiens heiligste ziel zelfs niet de minste schijn van ongeregelde liefde werd gevonden, bewandelde niettemin als een reus den moeielijken weg van zelfverloochening, van de kribbe te Bethlehem tot de kruin van den Calvarieberg. De bitterste armoede, de diepste vernedering, de wreedste smarten waren zijn deel gedurende geheel zijn leven en hadden tegen hem samengezworen, om aan het smaadvolle kruishout Hem ten dood te brengen en dien dood te ver-
\') Als een voorbeeld, hoe ijverig en zorgvuldig de Heiligen er op bedacht waren, hun hart van elke neiging, welke niet op God betrekking heeft, te zuiveren, kan de volgende trek uit het leven van den H. Franciscus van Sales dienen. Deze Bisschop zeide op zekeren dag in eene overspannen uitstorting van zijn minnend hart to; een zijner vertrouwelingen, die het later verhaalde: ,/Voorwaar, als ik „slechts een enkel vezeltje van eene neiging in mij ontdekte, welke „niet uit God, in God en voor God was, dan zou ik mij daarvan »oogenblikkelijk losmaken. Liever wilde ik Hem niet, volstrekt niet, „dan niet geheel en zonder achterhouding toebehooren.quot; — Bijna altijd had deze grootmoedige dienaar Gods en uitstekende meester van het geestelijke leven de volgende woorden op de lippen: „om in „de liefde Gods toe te nemen, moet men in verlangen naar haar toe-„nemen, en om in verlangen naar haar toe te nemen, moet men af-„nemen in verlangen naar de overige dingen.quot;
587
bitteren. Waartoe nu moest dit alles strekken, zoo niet om ons, die zoozeer noodig hebben gezuiverd te worden van de al te groote gehechtheid aan rijkdom, eer en genot, uit te noodigen en aan te sporen, zeer ijverig en voortdurend ons op die onthechting toe te leggen? Willen wij ons hart tot het ontvangen der goddelijke liefde bereiden, drukken wij dan, volgens onzen stand en onzen levens-. staat, de voetstappen van den armen , vernederden, lijdenden en aan het kruis stervenden Zaligmaker; verbannen wij uit ons hart de ongeregelde liefde tot de tijdelijke goederen ; verdragen wij geduldig de gevolgen der armoede, welke wij volgens het liefdevol raadsbesluit der goddelijke Voorzienigheid ondervinden; wreken wij ons niet over geleden smaad en onrecht; morren wij niet over lijden, ziekten en smarten, waarmede God ons bezoekt, of welke ons, volgens zijne wijze toelating, door anderen worden bereid: dit is de koninklijke weg tot de zuivere liefde Gods, de weg, welken Jesus ons getoond en met de teekenen van zijn heilig bloed heeft afgebakend. Bij elke schrede, welke-\' wij op dien weg doen, zal de goddelijke liefde rijkelijker in onze harten gestort, zullen wij meer en meer in staat zijn, ooi aan Jesus, ons Toonbeeld en Voorbeeld, in de innige en werkdadige liefde tot zijn hemelschen Vader gelijkvormig te worden. — Die steeds toenemende liefde zal ons aanzetten, den Heiland ook na te volgen in den vuriger ijver voor de eer zijns Vaders, in de standvastige en heldhaftige vervulling van den vaderlijken wil en de gehoorzaamheid tot den dood. Ook wij zullen dan, gelijk ons goddelijk Voorbeeld, niets anders op het oog hebben dan hier beneden te volbrengen, wat de Vader ons bevolen heeft te doen (Joan, XVII, 4); ook wij zullen nimmer onze eer, maar de- eer van onzen Vader in den hemel zoeken (Joan. VIII, 50); ook onze spijze zal wezen, \'s Heeren heiligsten wil te volbrengen (Joan. IV, 34). Mocht God zelfs het offer van ons leven van ons vorderen, wij zouden op het voorbeeld van onzen Verlosser uitroepen; „opdat de wereld eikenne, dat Ik den Vader lief heb, en „zoo doe, als de Vader geboden heeft, laat ons van hier „gaanquot; (Joan, XIV, 31). — Wij hebben dus slechts de voetstappen van Jesus Christus te drukken, om tot de ver-hevenste volmaaktheid te geraken. Deshalve noemde zich Jesus zelf „de weg,j\' welke tot het leven voert (Joan. XIV, G), en zeide: „wilt gij volmaakt wezen.... zoo „volgt Mijquot; (Matth. XIX, 21 j. Niet voor allen gelden de woorden: „verkoop alles, wat gij hebt en geef het den „armen;quot; maar tot allen is gezegd: „volgt Mij.quot; Tot
588
allen zegt Christus: „leert van Mij; want Ik ben zacht-„moedig en nederig van hartequot; (Matth. XI, 29); tot allen; „een voorbeeld heb Ik u gegeven, opdat, gelijk Ik u „gedaan heb, gij ook alzoo doetquot; (Joan. XIII, 15). Tot allen ook zegt de Apostel: „trekt aan den Heer Jesus „Christusquot; (Eom. XIII, 14), d. i. volgens het gevoelen van den H. Thomas, volgt Christus na, maakt u den geest, de deugden van Christus eigen, gij allen, van welken stand gij ook moogt wezen. „Christuszoo merkt de H. Basilius aan (kloosterl. Stelling), „heeft de mensche-„lijke natuur aangenomen om in zich zeiven een beeld „van ware godsvrucht en deugd te geven en het aan „allen, mannen en vrouwen, als het volmaaktste toonbeeld, „hetwelk eenieder met alle kracht moet navolgen, voor „oogen te stellen.quot; l)
Volmaakflieid in den kloosterstaat. Evangelische raden.
Welke li zonder e middelen heeft Christus ter verkrijging der volmaaktheid aangeraden?
Vooral die, welke wij de evangelische raden noemen, en deze zijn: 1) de vrijwillige armoede, 2) de eeuwige zuiverheid, 3) de volkomen gehoorzaamheid onder een geestelijken overste.
De middelen ter verkrijging der christelijke volmaaktheid zijn talrijk en van verschillenden aard. Eenige, waarvan later gesproken zal worden, zijn daartoe onvermijdelijk noodzakelijk, als het ijverige gebed, de voortdurende zelfoverwinning, de vlijtige beoefening van goede werken; andere middelen daarentegen worden ter bereiking der christelijke volmaaktheid wel niet noodzakelijk gevorderd, maar zijn daartoe toch zeer nuttig. Tot ieze door Jesus Christus en zijne Kerk aanbevolen en aangeraden middelen, om volmaakt te worden, behooren voornamelijk de in het bovenstaande antwoord opgenoemde
•) Een kloosterbroeder verzocht eens zijnen overste om een boek, waaruit hij de volmaaktheid konde leeren. Toen gaf de Abr, hem een Christusbeeld met de woorden: //Ziedaar een boek zonder letters. «Bezie dat boek vlijtig, lees het vlijtig en richt uw leven er naar in „dan zult gij volmaakt wordenquot; (Werier).
589
„evangelische raden.quot; Zij heeten raden ter onderscheiding van de geboden, welke wij onder zonde verplicht zijn te onderhouden, terwijl de naleving der raden ons wel nadrukkelijk aanbevolen, maar toch vrijgelaten is. Christus zelf wijst op dit onderscheid tusschen gebod en raad. Want met betrekking tot de geboden zegt Hij; „wilt gij „tot het leven ingaan, onderhoud de geboden;quot; aangaande den raad der vrij willige armoede daarentegen: „wilt gij „volmaakt wezen, ga, verkoop alles... en gij zult een „schat in den hemel hebben\'\' (Matth. XIX, 17, 21). Hetzelfde onderscheid maakt ook de Apostel der wereld, als hij aan de Corinthiërs schrijft: „wat de maagden (d. i. den maagdelijken staat) „aangaat, ik heb geen gebod van den Heer, „maar ik geef mijn raad... Ik boude dan, dat dit (het ongehuwd blijven) „goed is,.... dewijl het den mensch goed is, „zóó te zijnquot; (1. Cor. VII). — \'Evangelisch worden deze raden genoemd, omdat Jesus Christus ze in zijn Evangelie allereerst gegeven en geleerd heeft. In het Oude Verbond had God zijn volk dien raad niet gegeven 7\' de evangelische raden moeten als eene vrucht van het nieuwe, volmaakte verbond van liefde beschouwd worden, en zijq, dan ook sinds bet begin van het Christendom door ontelbare aanhangers getrouw opgevolgd.
1) De vrijwillige armoede wordt beoefend door dengene, die uit een vrij besluit van den wil zich het werkelijk bezit van tijdelijke goederen ontzegt, en zelfs de hoop en het verlangen, om ooit dergelijke goederen te verwerven en te bezitten, vaarwel zegt, opdat hij door geene aardsche vreeze of hoop, door geene zorg voor tijdelijke goederen worde verhinderd, zijn hart aan de onvergankelijke, hemelsche goederen onverdeeld te schenken. Immers het lijdt geen twijfel, dat niet alleen het verwerven, maar ook het bezitten van tijdelijke goederen den mensch vele verstrooiingen bereidt, en den geest van het streven naar de eeuwige, onverliesbare schatten, naar God, wiens bezit alleen den dorst van zijn hart kan lesschen, als \'t ware met geweld afkeerig maakt. Het is zelfs zeer moeielijk, rijkdommen te bezitten, zonder, door ongeregelde gehechtheid daaraan , den hoogsten, oneindigen schat, zijnen God, te verliezen. Derhalve zegt de wijze Sirach (XXXI, 6—9) : „Velen „komen om het goud tot den val.... Gelukkig de rijke, „die zonder smet wordt bevonden, die aan het goud niet „den voorrang gaf en op geld en schatten zijne hoop niet „stelde. Wie is zoodanig iemand? Wij willen hem prijzen; „want hij heeft een wonder in zijn leven gedaan.quot; De evangelische raad der vrijwillige armoede is dus: het vrij-
590
willig afstand doen van de tijdelijke goederen, om des te ongestoorder naar de eeuwige te streven. Dezen raad gaf Jesus Christus aan den rijken jongeling en in diens persoon aan de Christenen aller eeuwen met de woorden: „wilt gij volmaakt wezen, ga, verkoop alles, wat gij heht „en geef het den armen.quot; En om ons tot het opvolgen van dien raad op te wekken en aan te sporen, voegt Hij er de belofte bij van een onvergelijkelijk kostbaarder schat: „En gij zult een schat in den hemel hebbenquot; (Matth. XIX, 21). Ook de woorden: „kom en volg Mij,quot; bevatten niet alleen eene uitnoodiging, om den gegeven raad te volgen en volmaakt te worden, maar ook eene verwijzing op zijn voorbeeld van vrijwillige armoede; zij beteekenen zooveel als: „kom, wees vrijwillig arm, gelijk Ik uw „Heer en Meester.quot; — Deze raad van den goddelijken Leeraar vond in de eerste christen-eeuwen bij ontelb-iren een veel gunstiger opvolging dan bij den jongeling, aan wien hij het eerst werd gegeven en die „treurig wegging,quot; omdat hij den moed niet had, alles te verlaten en alles te verzaken. Reeds de Handelingen der Apostelen getuigen (II, 42—47), dat velen hunne bezittingen verkochten en den prijs daarvan tot gemeenschappelijk gebruik aan de voeten der Apostelen nederlegden. Met de meest gegronde reden zeide dus de H. Barlaam tot zijnen koninldijken leerling Josaphat, wien hij de verzaking van alle aardsche goederen aanbeval: „niet over een in den laatsten tijd „ingevoerd, maar door de Apostelen overgeleverd gebruik „heb ik u onderricht... . Velen zijn Christus in zijne armoede „gevolgd en betreden ook ten huidigen dage zijne voet-„stappenquot; (Joan. Damascen. in het leven van genoemden Heilige). Tot de millioenen, die in den loop der christelijke eeuwen volgens den raad van Christus alles verkochten en aan de armen uitdeelden, behoort ook de H. Augustinus. Hij beijverde zich zelfs, anderen tot de navolging van den vrijwillig armen Jesus over te halen, en schreef aan Hilarius: „Ik voor mij vermaan en spoor, zooveel ik maar vermag, „ook anderen aan, om de vrijwillige armoede te beoefenen, „en ik leef met hen, die op mijn woord daartoe hebben „besloten, in den naam des Heeren in gemeenschap; de „zuivere leer wordt echter bij ons vastgehouden, dat men „hen, die niet doen zoo als wij, niet met verwaande eigen-„zinnigheid mag veroordeelen.quot; \')
\') Nooit voorzeker was er eene rijke, die zijne schatten meer beminde, dan de H. Franciscus van Assisië de armoede In het jaar
591
2) De eeuwige zuiverheid is de vrijwillige, levenslange onthouding niet alleen van alle onzuivere lusten, maar ook
1208 woonde hij eens in de kerk S. Maria der Engelen te Agsisië de H. Mis bij. Daar troffen hem de woorden van het Evangelie: „Gij «zult noch goud, noch zilver, noch geld in uwe gordels hebben; ook //geenen zak op den weg, noch twee rokken, noch schoenen, noch //een staf.quot; Het was alsof de evangelische armoede in den vollen glans van haren rijkdom en hare schoonheid voor de oogen van zijn geest kwam. //Dat is het, wat ik zoek,quot; riep hij uit, «dat is het, «wat ik van ganscher harte wensch!quot; en op het oogenblik wierp hij het gereede geld. hetwelk hij nog had, zijne schoenen en zijn staf weg, trok een grof, ruw kleed van aschgrauwe kleur aan, nam een koord tot gordel en predikte zijnen medeburgers boetvaardigheid en zelfverloochening. Spoedig verzamelden zich verscheidene leerlingen om den moedigen leeraar der evangelische armoede. Deze omstandig-heid drong hem, gemeenschappelijke levensregelen te ontwerpen en die aan den toenmaligen Paus Innocentius III ter bekrachtiging voor te leggen. Hij reisde te dien einde naar Kome, waar hem de god-vruchtige Paus, omgeven van zijne Kardinalen, zeer vriendelijk ontving. Oplettend luisterde Innocentius III naar de ontvouwing der door Franciscus ontworpen regels, en achtte zich gelukkig aan de Kerk ware, werkelijke armen te kunnen geven. Eenige Kardinalen achtten echter den regel der armoede al te streng en de menschelijke-krachten te boven gaande, en maakten derhalve aan den Paus eenige opmerkingen. Toen nam de Bisschop van Sabima het woord op, zeggende: //als wij de bede van dezen arme afwijzen, onder voor-«wendsel dat zijne regels nieuw en al te moeielijk zijn, dan mogen //Wij wel bedenken, dat wij daardoor het Evangelie zelf verwerpen, //omdat zij geheel volgens de leer van het Evangelie zijn; want de //bewering, dat de evangelische volmaaktheid iets onredelijks en on-//mogelijks bevat, is niets minder dan lastering van Jesus, den maker ,/van het Evangelie.quot; Innocentius, door deze vrijmoedige taal getroffen, zeide tot Franciscus: //Mijn zoon! bid onzen Heer Jesus vChristus, dat Hij ons zijnen wil doe kennen, opdat wij uwe godsvruchtige wenschen kunnen begunstigen.quot; — De dienaar Gods ging nu weg en bad ijverig. Spoedig kwam hij echter terug en zeide tot den Paus: //Er was eens eene zeer schoone, maar zeer arme maagd, //die in de woestijn leelde. Een koning zag haar en werd door hare ^schoonheid zoo ingenomen, dat hij haar tot gemalin verkoor, eenige //jaren met haar leefde en kinderen bij haar verwekte, die alle trekken /rvan den vader met de volle schoonheid der moeder in zich vereenig-//den. Eindelijk keerde hij naar zijn hof terug. De moeder bracht «nu hare kinderen met de grootste zorgvuldigheid groot en na eenigen //tijd zeide zij tot hen : //mijne kinderen ! gij zijt uit een groot koning ////geboren, zoekt hem op en hij zal u geven, wat u toekomt.quot;quot; En j.als de kinderen bij hunnen koninklijken vader kwamen, vroeg hij ^hun, over hunne schoonheid verrukt: ,/«wiens kinderen zijt gij?quot;quot; //Zij antwoordden: «wij zijn de kinderen eener arme vrouw, die in ////de woestijn woont.quot;quot; Toen omhelsde hen de koning met groote «vreugde en riep uit: ////vreest niet, gij zijt mijne kinderen! Als „//vreemdelingen aan mijne tafel worden gespijsd, hoeveel te meer //»zal ik voor mijne kinderen zorgen!quot;quot; Deze Koning, heilige Vader, fis onze Heer Jesus Christus; de schoone maagd is de armoede, welke «overal verbannen en veracht, zich in de wereld als in eene woestijn «bevindt. De Koning der koningen gevoelde bij zijne nederdaling «op aarde zulk eene liefde voor haar, dat Hij in de kribbe zich met »haar vereenigde. Zij baarde Hem in de woestijn dezer wereld ver-//Scheidene kinderen: de Apostelen, de Kluizenaars, de Monniken en ,vele anderen, die zich vrijwillig aan de armoede hebben gewijd.
592
van het huwelijk, om God onverdeeld te kunnen dienen. Ook dezen raad gaf de goddelijke Heiland , toen Hij (Matth. XIX, 10—12) zijne leerlingen, die zeiden, als de zaak van den man met zijne vrouw zóó is (dat hij haar niet mag verlaten), „dan is het niet oorbaar te trouwen,\'\' wel niet onvoorwaardelijk verplichtte, maar niettemin hun duidelijk te kennen gaf, dat het beter was ongetrouwd te blijven , of met andere woorden, dat het niet in en op zich zeiven, maar wel om de voortreffelijkheid van den maagdelijken staat, niet oorbaar is te trouwen. „Niet allen,quot; zegt Hij , „bevatten dit woord (dat het beter is, niet in het huwelijk te treden) „maar alleen zij, aan wie het gegeven is,quot; en Hij voegt er bij, dat er zijn, die uit eigen beweging van het huwelijk zich onthouden, „om het rijk der hemelen,quot; d. i. om des te gemakkelijker en zekerder in het rijk der hemelen te komen. De slotwoorden eindelijk: „wie het „bevatten kan, bevatte het!quot; lieten den leerlingen geen twijfel meer over, dat hun goddelijk Leeraar het huwelijk in vergelijking met den maagdelijken staat voor minder oorbaar hield, en hen wilde aansporen, om aan den maagdelijken staat de voorkeur te geven. Ook de voorliefde, welke de Heiland jegens zijn maagdelijken leerling Joannes bij verschillende omstandigheden aan den dag legde, moest hen tot de vaste overtuiging brengen, dat het zijn vurigste wensch was, dat allen diens voetstappen zouden drukken, en Hem, evenals deze geliefde leerling, door een maagdelijk leven gelijkvormig worden. — Gelijk de Meester, zoo dachten en leerden dan ook de leerlingen. „Aangaande de „maagden,quot; schrijft de H. Paulus aan de Corinthiërs (1. Ep. VII, 25, 28), „heb ik geen bevel des Heeren;
„maar ik geef mijn raad..... Wie zijne maagd uithuwe-
„lijkt, doet wel; maar wie ze niet uithuwt, doet beter.quot; En kort daarop geeft de Apostel ook de reden aan, waarom
iren de goede moeder heeft ze allen, met het kenteeken der koninklijke «armoede zoowel als van haren ootmoed en hare gehoorzaair.heid, »naar hunnen Vader, den Koning des hemels, gezonden. De groote ^Koning heeft ze ook alle met liefde opgenomen, heeft beloofd ze te „spijzen en tot hen gezegd; ,/»Ik, die de zon laat opgaan over recht-vaardigen en onrechtvaardigen, die aan ieder schepsel geef, wat het „„behoeft, zoude Ik niet veel liever voor mijne kinderen zorgen ?quot;quot; — „Voorwaar,quot; riep toen Innocentius uit: „deze is de mensch, die de „Kerk van Jesus Christus door zijne leer en door zijne werken schragen „zal!quot; En nu verhaalde de Paus, dat hij in den verloopen nacht in den slaap eene arme had gezien, die de Kerk van Laterane , welke dreigde in te storten, geschraagd en gehouden had. Hierop knielde Franciscus neder en verkreeg van het Opperhoofd der Kerk den apostolischen zegen, de mondelinge bevestiging zijner regelen en de goedkeuring van de bedoelde Orde.
593
zij, die ongetrouwd blijven, beter doen, dan anderen, die huwen, namelijk de volmaaktere, onverdeelde dienst van God. „Die geene vrouw heeft,quot; schrijft hij, „is bezorgd, „over hetgeen den Heer betreft, hoe hij God zal behagen. „Maar die eene vrouw heeft, is bezorgd, over hetgeen de „wereld betreft, hoe hij zijne vrouw zal behagen, en hij „is verdeeld. En de ongetrouwde vrouw en de maagd „denken om hetgeen den Heer betreft, om heilig te zijn „naar lichaam en geest; maar de getrouwde denkt om het-„geen de wereld betreft, hoe zij haren man zal behagen.*\' — En gelijk Christus en de Apostelen dachten en leerden, zoo dacht en leerde ook altijd de katholieke Kerk aangaande de voorrechten van den maagdelijken staat. De HH. Vaders wedijveren, in het prijzen van den maagdelijken staat. Verscheidene der voornaamste, als Athanasius, Ambrosius , Augustinus, Chrysostomus, Basilius, Hieronymus en anderen schreven geheele boeken tot lof en aanbeveling van dien verheven staat. „O maagdom,quot; roept onder anderen de H. Athanasius (boek over den maagdelijken staat) in vervoering uit, „o maagdom, onmetelijke schat, onverwelkbare „kroon, tempel van God en woonplaats van den H. Geest! „o maagdom, kostbare, voor velen verborgen, door weinigen „gevonden parel! O maagdelijke zuiverheid, vriendin van „God, voorwerp der loftuitingen van alle Heiligen! O „maagdelijke reinheid, door velen gehaat, door hen echter, „die uwer waardig zijn, erkend! O reinheid, welke aan „den dood en de hel ontsnapt en het deel der onsterfelij ken „wordt! O onthouding, gij vreugde der Profeten, gij roem „der Apostelen, gij leven der Engelen, gij kroon der „Heiligen! Gelukkig wie u bezit, gelukkig wie de moeie-„lijkheden, welke u vergezellen, standvastig draagt; na „een kort lijden zal hij zich eeuwig verblijden.quot; —Ook in latere eeuwen gaf de katholieke Kerk hare buitengewone hoogachting voor den maagdelijken staat op veelvoudige wijze te kennen, maar vooral op de algemeene Kerkvergadering van Trente, waar zij, door een afzonderlijken Canon de hoogere voortreffelijkheid van den maagdelijken staat boven het huwelijk vaststellende, verklaarde (Zitt. 24 Can. 10): „Als iemand zegt dat aan het huwelijk boven „den maagdelijken staat de voorkeur moet gegeven worden, „en dat het niet beter en godvruchtiger is, in den maag-gelijken staat te verbliiven, hij zij in den ban.quot;
De woorden, waarmede Christus , de Apostelen, de HH. Vaders en de geheele Kerk tot den maagdelijken staat aanmaanden en aanspoorden, vielen, gelijk ten huidigen dage, ten allen tijde bij ontelbare Christenen van beiderlei
DEHABBE, GELOOPSLEEB. III DKÜK. gg
594
geslacht in eene vruchtbare aarde. De teedere lelie der zuiverheid en maagdelijkheid maakte van oudsher het schoonste sieraad uit van den lusthof der Kerk, welken Jesus, de hemelsche Hovenier op aarde, in dit woeste tranendal heeft aangelegd, en welken Hij meer en meer met den dauw zijner genade bevochtigt en met de stralen zijner liefde verwarmt. Deze aangename, voor de hemelsche bruiloftszaal bestemde lelie bloeide altijd en overal, waar de blijde tijding van het christelijk geloof is verkondigd geworden, in de harten van duizenden van allerlei stand, ouderdom en geslacht. De woestijnen van Egypte verspreiden den geur dier hemelsche bloem, en te midden der doornen van heidensche boosheid en bedorvenheid prijkt zij duizendvoudig in vlekkelooze reinheid. Tallooze scharen van heilige Maagden waren Jesus, haren Bruidegom, met onverbreekbare trouw toegedaan, en bezegelden niet zelden met haar bloed den band barer liefde. Is och vleierij , noch beloften, noch bedreigingen, noch folteringen waren in staat de lelie van haar hart te knakken of te ontbladeren. Jesus was de koning vau haar zuiver hart, aan Hem wijdden zij zich met onverdeelde liefde toe. \')
\') De liefde tot de maagdelijke zuiverheid straalt ons in liet loven der H. Calharina van Stëna heerlijk te gemoet. Nog had de Heilige haar zevende jaar niet bereikt, toen zij, zooals haar biechtvader Raimundus getuigt, door goddelijke openbaring wist, dat de H. Maagd Maria de eerste is geweest, die aan God, haren Heer, eeuwige zuiverheid heelt beloofd. Dat voorbeeld van hare Koningin en Moeder zette het godvruchtige kind sterk aan, om hetzelfde te doen. Zij trok derhalve op zekeren dag naar eene eenzame plaats, wierp zich op de knieën en wijdde zich onder de moederlijke bescherming der Koningin des hemels aan den dienst van haren uitverkoren Bruidegom, onverdeeld en zonder voorbehoud toe. «O allerzaligste en allerheiligste „Maagd,quot; sprak zij, «-die de eerste van alle vrouwen u aan God hebt ;geTnjd, toen gij Hem uwe gelofte van zuiverheid deedt, welke ude ,/genade heeft verworven, Moeder van den eeniggeboren en eeuwigen /,Zoon te worden! ik bid uwe onuitsprekelijke moederliefde, niet op ,/mijne zonden en mijne nietswaardigheid te zien, maar mij overgroote «genade te verkrijgen en Hem tot Bruidegom te geven, naar wien //ik uit alle krachten mijner ziel verlang, uwen allerheiligster, en //eeniggeboren Zoon, onzen Heer Jesns Christus; ik beloof Hom en „u, nooit een anderen bruidegom te nemen en mijne zuiverheid onge-«.schonden te bewarep quot; — He onderhouding dezer gelofte veroorzaakte de godvruchtige maagd ontelbare en langdurige moeielijkheden en huiselijke vervolgingen. Hare overigens achtbare ouders, die besloten hadden haar aan een aardschen bruidegom uit te huwen, beproefden al het mogelijke, om haar smaak in opschik en wereldsche genoegens te doen krijgen. Vooral was het de moeder, die haai\' onophoudelijk van huwen\'sprak en bij hare verwanten naar een jeugdigen echtgenoot voor haar uitzag. Maar ook van het aannemelijkste huwelijk had de zuivere Calharina een afkeer. Zij besloot dns, om aan alle kwellingen harer moeder en vrienden een einde te maken, haar schoon, golvend haar af te snijden. Toen de moeder deze kunstgreep gewaar
595
3) De derde evangelische raad, de volleomen gehoorzaamheid, onder een geestelijken overste, bestaat daarin, dat de mensch
werd, geraakte zij buiten zich zelve van gramschap en ging totrawe beschimpingen over. „Ellendige,quot; riep zij haar toe, „meent gij zoo »u aan onzen wil te onttrekken? Wacht maar; die haren groeien „weder aan, en al zou u het hart breken, gij zult een man nemen, ^eerder laat ik u niet met rust.\'\' Vervolgens ging zij tot de volvoering der bedreiging over. Kr werd terstond besloten, dat Catharina geene kamer meer zou hebben; desgelijks moest dat voorgewende verkeer met God ophouden; zij moest onophoudelijk in het huishouden quot;bezig, dienstbode wezen. De zuivere dienares des Hoeren offerde al deze werkzaamheden en wederwaardigheden den Zaligmaker op, en wist zich op hot innigste met haren hemelschen bruidegom te vereenigen. Het ouderlijke huis werd aangenaam in hare oogen; de keuken voor haar een heiligdom, en zij erkende later, dat zij, bij het bedienen van haren vader zich slechts voorstelde, onzen Verlosser Jesus Christus te bedienen; in hare moeder zag zij de heilige Maagd, in hare broeders en de overige leden van het gozin de Apostelen en leerlingen des ITecren. Zoo was al haar leed in vreugde verkeerd: God troostte en verhief haar, terwijl de menschen er op uit waren, haar te kwellen en te verootmoedigen. Door goddelijke kracht ondersteund, bleef Catharina steeds zegevieren.
Haar vader, godvruchtiger dan de overigen, begreep eenigszins de verhevene deugd zijner dochter; hij besloot al hare handelingen met groote zorgvuldigheid gade te slaan en te onderzoeken. Spoedig zag hij, niet zonder verlichting van boven, dat geene luimen, overspanning of eigenzinnigheid, maar de genade in het hart zijner dochter werkte en haar tot de zuiverheid aandreef; hij beloofde aan God, niet langer het heilig streven van zijn engelachtig kind te weerstaan. — Weldra zou de lange en harde beproeving van Catliarina eindigen. Door een hemelsch visioen zag zij, dat zij het kleed der zusters van boetvaardigheid van den H. Uominicus moest aannemen. Nu meende zij, de in hare jeugd gedane belofte van zuiverheid niet langer te mogen verzwijgen. „Het is geen tijd meer van zwijgen,quot; zeide zij dan op zekeren dag tot hare geheele familie, „ik moet openhartig spreken ; „ik moet u mijn hart en het besluit, hetwelk ik niet eerst heden heb\' „genomen, maar dat ik sinds mijne kindsheid voed, openbaren. Weet „dan, dat ik de gelofte van zuiverheid gedaan heb, niet uit kinderlijke „lichtzinnigheid, maar na rijp beraad. Voor onzen Heer Jesus Christus „en zijne glorievolle Moeder heb ik mij verbonden , nooit een anderen „bruidegom te willen hebben, dan dén Heer. Thans, nu ik opge-„groeid ben, zeg ik u, dat deze wil door de genade Gods zich in mij „heeft bevestigd, en dat men eer de rotsen zou kunnen week maken, „dan dien wil te breken; gij zoudt dus tijd en pogingen nutteloos „aanwenden. Geeft dan uw plan, om mij te doen huwen, op; want „ik zal dat nooit inwilligen. Men moet Gode meer gehoorzamen dan „den menschen. Wilt gij mij in uw huis houden, zij het slechts als „dienstmaagd, ik ben daartoe bereid; jaagt gij mij van u weg, dan „zal mijn besluit daardoor niet aan het wankelen gebracht worden. „Ik heb een rijken en machtigen liruidegom, die niet zal toelaten, „dat het mij aan \'t noodige ontbroke.quot; — Bij deze woorden snikten allen. De vurige aanspraak der anders zoo stille en verlegen maagd ging allen diep ter harte. Eindelijk nam de vader getroffen het woord en sprak: „God verhoede, mijne dochter, dat wij ons verder „verzetten tegen uwen wil, welke ook Gods wil is. \' Wij hebben „uit eene lange ondervinding geleerd, dat geheel uwe handelwijze „volgens den goddelijken wil is; doe dus, wat u de H. Geest zal in-„geven.quot;... En zich tot zijne echtgenoote en zijne zonen wendende,
38*
596
zijn eigen wil verzaakt, om onder een overste, die de plaats van God bekleedt, des te zekerder den goddelijken wil te volbrengen. Daar die liefde, waarin de christelijke volmaaktheid hoofdzakelijk bestaat, niet aanwezig kan zijn, zoolang onze wil met den goddelijken wil niet volkomen overeenstemt, zoo moet hij, die tot de volmaaktheid wil komen, zijn eigen wil verzaken; hij moet steeds oog en hart op den wil en het welbehagen van God hebben gericht, om dien in alle opzichten op te volgen. Dit is, volgens de leer der HH. Vaders, die volslagen zelfverloochening, waartoe Christus nitnoodigt met de woorden: „wie na Mij wil komen, hij verloochene zich zeiven, neme „dagelijks zijif kruis op en volge Mij naquot; (Luc. IX, 23, Matt. XVI, 24). „Want,quot; zoo merkt de H. Gregorius de Groote op (32 Homel. over \'t Evang.), „zich zeiven ver-„loochenen is niets anders, dan zijnen eigen wil verzaken, „om den goddelijken wil te vervullen.quot; De wil Gods is ons voor vele gevallen geopenbaard door de geboden van God en de Kerk; evenwel zijn er toch vele handelingen, welke door de goddelijke of kerkelijke wet noch geboden noch verboden zijn, waarbij wij echter, willen we ons met gver op de volmaaktheid toeleggen, het grootere welbehagen van God altijd in het oog moeten houden. Vertrouwt nu de mensch zijn eigen oordeel, kiest hij bij alle dergelijke handelingen zijn eigen goeddunken tot richtsnoer, dan gebeurt het niet zelden, dat hij, door zijne eigenliefde verblind, in plaats van te volbrengen, wat Gode welgevalli-ger is, veeleer het tegendeel doet. Dit erkenden immer alle leermeesters van het geestelijk leven. Vandaar aarzelde ook de H. Bernardus niet te zeggen: „wie zijn eigen „leermeester wil wezen, wordt de leerling van een dwaasquot; (Br. 89); vandaar stemmen allen met het gevoelen van den H. Kerkleeraar Basilius in, als hij zegt: „De allermceie-„lijkste taak is wel die, om zich zeiven te kennen eu te „leiden; want ieder is jegens zich zeiven een toegevend
ging hij voort: //niemand bedroeve in het vervolg mijn dierbaar ;/kind, en niemand verhindere haar, hare godvruchtige oefeningen ,/te volbrengen. Zij moet haren Bruidegom vrij dienen en voor ons „allen bidden; wij zullen nooit eene andere, zoo eervolle aanver-z/wantschap vinden. Hoe toch zouden wij ons mogen beklagen, daar „wij, in plaats van een mensch, God zelf tot aanverwant bekomen?quot; — Catharina was over de plotselinge verandering harer familie even verbaasd als verheugd; zij prees in haar hart de zegepraal van haren innig beminden Heiland en Bruidegom, en vond in dit genadebewijs eene nieuwe beweegreden tot warme liefde en getrouwe overgave aan Hem (Chavin van Malan, in \'t leven der Heil., en Bolland. 30 April).
597
„rechter, en houdt, wat hem aangenaam is, ook voor „nuttig; gemakkeliik is het echter door een ander gekend „en geleid te wordenquot; (Steil, voor de Monniken, hfdst. 21, 22). Veel zekerder en raadzamer is het dus, vooral in geesteliike zaken, door een geestelijken overste zich te laten leiden en besturen, den weg van gehoorzaamheid te volgen in alles, wat niet klaarblijkelijk zondig is, d. i. door eenige goddelijke of kerkelijke wet verboden, maar aan onze vrije, zelfstandige keuze overgelaten. Den raad van Christus,\'om dit werkelijk te doen, zagen de HH. Vaders in de boven aangehaalde woorden der H. Schrift (Luc. IX, 23; zie Luc. XIV, 26—33; Matth. XVI, 24; XIX, 21), waarmede de Heer ons tot eene dagelijksche, volmaakte verloochening van ons zeiven uitnoodigt, tot die zelfverloochening, welke wel niet op verlies der eeuwige zaligheid geboden, maar ter volmaakte bereiking daarvan zoo dienstig is, waardoor wij op uitstekende wijze gelijkvormig worden aan Hem, die gehoorzaam is geweest tot in den dood, ja den dood des kruises (Phil. II, 8), en die on? recht geeft met ons goddelijk Toonbeeld te zeggen; „van „mij zeiven doe ik nietsquot; (Joan. VIII, 28), want „ik „zoek niet mijn wil, maar den wil van dengene, die mij „gezonden heeft,quot; namelijk van den hemelschen Vader (Joan. V, 30). Die uitnoodigmg, dien raad van den goddelijken Heiland opvolgende, hebben van den beginne des Christendoms tot op onze tijden ontelbaren het zoete juk der gehoorzaamheid op zich genomen en blijmoedig gedragen. Woestijnen en steden waren getuigen van de nauwgezetheid, waarmede ijverige navolgers van den vrijwillig gehoorzamen Zoon Gods de bevelen, ja de minste wenken van hunnen geestelijken overste, in wien zij den persoon van Christus, den tolk van den goddelijken wil, den middelaar tusschen God en zich zei ven, de onderdanen, zagen (Basil, t. a. p. hfdst. 23), verheugd en bereidwillig volbrachten en zoo op aarde het wonderbare schouwspel vermenigvuldigden, hetwelk de sterrenhemel ons biedt, waar de ontelbare hemellichamen op den wenk van hunnen Schepper in de schoonste, onverbreekbare orde en harmonie hunne banen doorloopen en zich om de zon, hun middelpunt, bewegen, ■) De H. Kerk zag het van de vroegste
\') De Tolmaaktste gehoorzaamheid zien wij in het algemeen in alle levensbeschrijvingen van de woestijnhewoners van Egypte, Syrië en Palestina, maar op bizondere wijze in het leven van den H. Kluizenaar Panlus, wien men om zijn bewonderenswaardigen eenvoud des harten ,/den eenvoudigequot; heette. Deze begaf zich, reeds zestig jaren oud, naar den H. Antonius in de woestijn en zeide hem, dat
598
tijden af gaarne, dat hare kinderen dien verheven trap van zelfverloochenig bestegen en zich aan een geestelijken
hij wilde leeren om kluizenaar te worden. Antonius antwoordde , dat zulks op een zoo lioogen ouderdom niet meer mogelijk was; hij moest trachten elders oprecht godvruchtig den Heer te dienen, wijl hij de strengheid van het leven der kluizenaars niet zou verdragen. Niettegenstaande de herhaalde bede van Paulus bleet\' Antonius bij zijn besluit: //gij kunt geen kluizenaar worden,quot; trok zich terug in zijne cel en sloot zich drie dagen daarin op, het aan den goeden grijsaard overlatende, of hij zijn raad wilde opvolgen of niet. Den vierden dag kwam Antonius weder uit zijne grot, en zie, Paulus was nog altijd tezelfder plaatse. //Beminde grijsaard,quot; sprak nu Antonius tot hem, //dit is geene plaats voor u.quot; //Mijn vader,quot; antwoordde Paulus met vastberadenheid, ,/ik zal nergers anders sterven, dan //juist op deze plaats.quot; Antonius zag, dat de oude niet de minste levensmiddelen bij zich had, en daar hij nog niet genoeg wist welken geest dezen grijsaard bezielde, liet hij\'hem binnen komen, gaf hem een weinig brood en water en sprak; //Paulus, gij kunt volmaakt «en zalig worden, als gij do gehoorzaamheid wilt \'beoefenen.quot; ^Ik «wil haar beoefenen, beveel slechts,quot; zeide Paulus met kinderlijken eenvoud. Deze bereidvaardigheid om te gehoorzamen, en wel op zoo vergevorderden ouderdom, verheugde Antonius zeer, en hij begon terstond met Paulus om te gaan, als met eene zeer heilige ziel. z/Ga,quot; zeide hij hom, „ga thans naar buiten, plaats u voor de spelonk //en bid, totdat ik u werk breng.quot; Paulus volbracht terstond wat hem bevolen was. Antonius liet hem daar den geheelen dag en den geheelen nacht staan, en zoo dikwijls hij door eene kleine opening zijner cel naar hem zag, stond Paulus in het gebed verdiept onbewegelijk op dezelfde plaats, zoodat hij in vierentwintig uren geen stroobreedte was geweken, onbekommerd over de verzengende zon.ie-hitte en den nachtelijken dauw. -N u bracht Antonius hem in waier geweekte palmtvvijgen en zeide: //vlecht daarvan een koord, gelijk „ge mij ziet maken.quot; X\'aulus vlocht met grooten ijver en veel moeite vijftien ellen tezamen. Als Antonius nu het koord bezag, beviel het hem niet. „Gij hebt het te vast gedraaidsprak hij tot den grijsaard, //maak het weder los, en vlecht het losser.quot; Paulus gehoorzaamde zonder tegenspraak en vlocht de vijftien ellen op nieuw tezamen, hetgeen des te moeielijker ging, omdat de weeke palm-twijgeii door het eerste vlechten krom waren geworden. Dit moest Paulus verscheidene dagen lang doen, zonder dat hij spijs of drank had bekomen, omdat Antonius hem wille beproeven, of hij bij alle moeielijkheden geduldig was en zich door niets liet afschrikken. Als de door God verlichte Oud vader zag. dat de goede grijsaard den moed niet liet zinken en met woord noch gebaar zich beklaagde, maar steeds vurig en vroolijk aan het werk bleef, verheugde hij zich, ging tot hem en sprak: //wilt gij thans een stuk brood met mij eten, mijn «■beminde Paulus?quot; //Zooals gij wilt, vader!quot; was het antwoord. Zij gingen beide de grot in, en Antonius legde vier brooden gereed, één voor zich en drie voor Paulus; zij waren echter hard als ste;n, zoodat zij in water moesten geweekt worden. Terwijl dit geschiedde , bad Antonius een psalm en herhaalde dien twaalfmaal, en Paulus bad hartelijk mede. Vervolgens sprak de heilige meester tot zijn heiligen leerling: „wij zullen ons nederzetten en nog niet eten, maar „de weldaden Gods herdenken.quot; En toen het nacht was geworden , zeide Antonius: „Ue etenstijd is voorbij, iaat ons het dankgebed „spreken en slapen gaan.quot; Paulus gehoorzaamde gewillig. ïegen middernacht wekte de Üiidvader hem om te bidden, en eerst op den avond van dien dag gebruikten zij van het brood. Toen ieder er een
599
overste door de gelofte van volmaakte gehoorzaamheid onderwierpen ; zij keurde steeds de geestelijke orden goed, welke vooral aan die gelofte haar ontstaan, aan de getrouwe onderhouding daarvan hare voortduring, haren bloei en hare erkende zegenrijke werkzaamheid danken.
Waarom zijn de evangelische raden de leste middelen ter volmaaktheid ?
1) Omdat daardoor de grootste hinderpaal der christeliike volmaaktheid verwijderd wordt, namelijk de ongeregelde liefde en begeerte naar aardsche goederen, zinnelijke lusten en ongebondenheid. Mets strijdt meer met de christelijke volmaaktheid dan de zonde, en niets is bijgevolg een grooter hinderpaal, om tot de volmaaktheid te komen, dan datgene , wat tot de zonde verleidt: de hebzucht, de vleeschelijke lusten en de hoogmoed, welke eigen wil tot hoogsten wetgever maken (Joan. I. B. II, 16). Alles wat er toe Tbijdraagt, om deze drievoudige ongeregelde liefde in ons hart te verzwakken en te onderdrukken, moet als een middel ter volmaaktheid beschouwd worden, en hoe meer het tot dat einde bijbrengt, des te beter is het te noemen. De evangelische raden nu dragen, als zij getrouw worden opgevolgd, er zeer veel toe bij, om de genoemde drievoudige begeerlijkheid krachteloos te maken en te overwinnen ; diensvolgens worden zij terecht beschouwd als een buitengewoon middel om tot de zuivere, onverdeelde liefde van God, tot de volmaaktheid te komen. — Door de opvolging der evangelische raden wordt de ons aangeboren neiging tot het bezit van aardsche goederen, tot het genot van zinnelijke genoegens en tot onafhankelijkheid of het ongestoord volbrengen van onzen eigen wil het diepst gekrenkt,
genuttigd had, zeide Antonias; „neem nog een broodje en eet het.quot; «Als gij er ook nog één eet, anders niet,quot; antwoordde Paulns. .//Ik //mag niet, omdat ik kluizenaar ben, en als zoodanig de armoede moet ,/beoefenen,quot; hernam Antonius. //Dan mag ik ook niet, omdat ik «kluizenaar wil worden,quot; sprak . Paulus bedaard en gebruikte niets meer. Ook later oefende Antonius zijn leerling dikwijls in de gehoorzaamheid. Nu eens moest hij een geheelen dag water uit de bron scheppen en het terstond weder uitgieten, dan eens zijn kleed scheuren, aaneen hechtén en opnieuw scheuren, ontelbare keeren gereed gemaakte korven ontvlechten en weder aaneen vlechten. Eindelijk nam de H. üudvader den veel beproefden Paulus onder het getal der kluizenaars op. „O mijne broeders,quot; zeide hij op zekeren dag tot de om hem vergaderde leerlingen, «deze Paulus veroordeelt ons allen; „want niemand onzer hoort en volgt de inspraken van den H. Geest „zoo nauwgezet, als hij elk woord in acht neemt, hetwelk ik tot „hem spreekquot; (Vaders der woestijn, door Grav. Hahn—Halm).
600
als t ware gedood, daar de mensch door vrijwillig afstand ^oen van a^e ^aDS 0P bet bezit dier goederen, welke hij , zonder zich te bezondigen, had kunnen verwerven of behouden; van het zingenot, dat hem niet onvoorwaardelijk ontzegd was; van die vrijheid om zijn eigen wil te doen, welken hij zonder in strijd te komen met eenige goddelijke of kerkelijke wet had kunnen opvolgen; daar de mensch door dien drievoudigen afstand voor altijd aan de genoemde drievoudige neiging alle voedsel onttrekt, en haar alzoo langzamerhand krachteloos maakt en dwingt te sterven. Zoolang hem namelijk nog aardsche goederen, geoorloofd zingenot ten dienste staan, en in vele opzichten nog de vrijheid om naar eigen goeddunken te handelen overblijft, ligt het gevaar, van in de strikken dier drievoudige neiging te geraken, nog niet ver verwijderd; de mensch heeft dan altijd nog een voorwerp, waaraan hij zich hechten, hetwelk tij weldra ook ongeregeld begeeren en beminnen kan. — Het is duidelijk, gelijk boven reeds is opgemerkt, dat naarmate de aardsche liefde, welke zich overeenkomstig die drievoudige richting openbaart, allengs afneemt, indezelfde mate ook de liefde tot God in het hart toeneemt; en dat hoe meer men het gevaar, door de drievoudige begeerlijkheid overmeesterd te worden, verwijderd houdt, des te bestendiger en onbeperkter de heerschappij der goddelijke liefde zijn zal.
2) Wijl de mensch daardoor alles, wat hij heeft en is. God den Heer ten offer brengt: de uitwendige goederen door de gelofte van armoede, het lichaam door de gelofte van zuiverheid, en de ziel of den wil door de gelofte van gehoorzaamheid. — Gelijk men geen grooter beletsel om God boven alles en in alles te beminnen, d. i. volmaakt te worden, denken kan, dan de zonde, zoo is er van den anderen kant niets, wat de ziel meer tot de volmaaktheid aandrijft, dan de offerwilligheid jegens God en de werkelijke overgave aan Hem. Die offerwilligheid en overgave nu liggen ontegensprekelijk in het besluit om de drie evangelische raden te volgen en in de getrouwe naleving er van; daarom worden zij ook terecht als de beste middelen ter volmaaktheid aangewezen. Inderdaad, wie het besluit neemt, door het opvolgen der evangelische raden, iu de voetstappen van den vrijwillig armen, lijdenden en tot in den kruisdood gehoorzamen Heiland te treden, en dat besluit ook nauwkeurig volvoert, bewijst aan God, zijnen Opperheer, niet alleen de grootst mogelijke offerwilligheid, maar geeft zich ook zoo volmaakt mogelijk aan Hem over, vooral wanneer men door eene gelofte zich voor altijd
601
daartoe verplicht. Een dusdanige offert aan God alles, wat hij heeft en hopen kan; hij offert door de gelofte van vrijwillige armoede alle aardsche bezittingen, alle tijdelijke goederen, en dat voor den geheelen duur zijn levens; hij offert door de gelofte van eeuwige zuiverheid ook zijn lichaam, wijl hij de genoegens van het huwelijk zich ontzegt en eene nieuwe heilige verplichting op zich neemt om de zinnelijke lusten zorgvuldig en krachtig te onderdrukken , en met onverbiadelijke gestrengheid alles zich te ontzeggen , wat hem tot ontrouw zou kunnen brengen; hij offert door de belofte van volmaakte gehoorzaamheid het edelste en voornaamste deel van zich zeiven, zijnen vrijen wil, en met en door dezen zijne geheele ziel; hij offert zich volkomen, daar hij belooft in al zijn doen en laten zich van den goddelijken wil, welke hem door zijne geestelijke overheid wordt bekend gemaakt, onvoorwaardelijk afhankelijk te maken. Wie alzoo de gelofte doet, de drie evangelische raden te zullen onderhouden en zijne gelofte nakomt, is in waarheid een levend brandoffer, der goddelijke Majesteit aangeboden, daar bij, om zoo te spreken, elk oogenblik van zijn leven God aanbiedt wat hij heeft en niet eens zich zeiven terughoudt. In dien zin spreekt de H. Gregorius (Hom. 8 over Ezechiël); „Als iemand iets van het zijne „aan God belooft, maar iets anders niet belooft, is zulks „een offer; maar als hij alles, wat hij heeft, geheel zijn „leven, verstand en wil den almogenden God belooft, dan is „dit een brandoffer.quot; Wie kan er nog aan twijfelen, dat eene dusdanige dagelijks, elk uur, ja elk oogenblik gebrachte offerande van zich zeiven niet een hoogst geschikt middel is, om voor de zuiverste, geheel onverdeelde liefde tot God zijn hart te openen en bijgevolg tot de christelijke volmaaktheid te komen?
Wie is verplicht de evangelische raden te onderhouden?
De kloosterlingen en allen, die zich door eene gelofte daartoe verplicht hebben.
1) Kloosterlingen zijn personen van beiderlei geslacht, die in den religieusen staat leven. Onder religieusen staat in den strengen zin verstaat men eene door de Kerk goedgekeurde voortdurende levenswijze, waarin Christenen onder een bepaalden regel en in gemeenschap naar de volmaaktheid streven door het afleggen der drievoudige (gewoonlijk plechtige) gelofte van armoede, kuischheid en volmaakte gehoorzaamheid, \') Het blijkt van zelf, dat deze allen verplicht
\') De bevestiging of goedkeuring van kloosterregels en instituten
602
zijn, de evangelische raden na te komen, dewijl zij uit eigen vrijen wil zich daartoe verplicht hebben. Want
behoort ook tot liet onfeilbaar gezag der H. Kerk. //Elke regel zegt Kardinaal Gousset, »welke door de Kerk als godvruchtig of //met de evangelische raden, met de hoofdstellingen der christelijke //heiligheid overeenstemmend, en voor de stichting der geloovigen //bevorderlijk, goedgekeurd en aangenomen ia, kan met de zeden en «den godsdienst niet in strijd wezen.... Men kan dus de religieuss //Orden, deze of gene door den H. Stoel goedgekeurde instelling niet //aanvallen, zonder mot de vijanden der Kerk gemeene zaak te maken. ,/Toen de volksvergadering in Frankrijk de religieuse orden verdrukte zegt Pius VI (Breve van den 10 Maart 171)1), «wandelde zij in den rgeest der ketters; zij veroordeelde de belijdenis der evangelische //raden; zij laakte eene levenswijze welke als in hooge mate met de jrleer der Apostelen overeenstemmend, is goedgekeurd.quot; — Met betrekking tot de menigmaal opgeworpen vraag, of de religieuse orden aan de Kerk nuttig zijn of niet, schrijft dezelfde Prins der Kerk (a. a. V): //Ten allen tijde heeft de katholieke Kerk in het Oosten zoowel «als in het Westen de geestelijke orden tot opbouwing van het ge-,/heimvol lichaam van .lesus Christus nuttig geacht, en als het geschiktste j.middel beschouwd tot eene lichtere beoefening der evangelische raden, //der zelfverloochening en volkomen opoffering, welke ons door Jesus //Christus is aanbevolen....quot; Neen, de religieuse orden zijn niet zonder nut; een bewijs daarvoor is, dat zij altijd de vijanden der Kerk tegen zich hadden. Hooren wij Pius IX spreken (Rondgaande brief aan alle Generalen, Abten, Provincialen en andere oversten van religieuse orden van 17 Juni 1847): //Niemand voorzeker loochent en kan het «loochenen . dat de religieuse vereenigingen sedert het eerste ooge.iblik //harer stichting zich beroemd maakten door talrijke personen, die //uitstekend door de verscheidenheid hunner wetenschappen en de //diepte hunner geleerdheid, schitterend in den glans aller deugden //en alle glorie der heiligheid , somtijds met de hoogste waardigheden //bekleed, brandende van eene vurige liefde tot üod en alle menschen, //voor Engelen en menschen een toonbeeld zijn geworden. Zij kenden //geen ander vermaak, dan al hunne pogingen, al hun ijver, geheel //hunne wilskracht aan te wenden, om zich dag en nacht met de //beschouwing van goddelijke dingen bezig te houden, aan hun lichaam ,de versterving van onzen Heer Jesus Christus te dragen, het katholiek //geloof in het Oosten zoowel a!s in het Westen te verbreiden en »moedig er voor te strijden; met geriuld verdroegen zij allerlei bitter-//heden , pijnen, folteringen, ja zelfs den dood. Zij rukten de onwetende «en barbaarsche volkeren uit de duisternis der dwaling, uitdewreed-/.heid hunner zeden en uit den slaap hunner zonden, om ze tot het //licht der evangelische waarheid, tot de beoefening der deugd, tot de //zeden der beschaving te brengen. Zij verzorgen, bewaren en voeden //de wetenschap, de geleerdheid en kunsten; zij vormen zorgvuldig //de teedere, buigzame ziel van het kind tot godsvrucht en goede //zeden, vervullen het met gezonde leer, en brengen deafgedwaalden //Op den weg des heils terug. Dit is nog niet alles; de barmhartigheid «van Christus aantrekkende, is er niet eene akte van heldhaftige //liefde, welke zij niet zelfs ten koste van hun leven beoefenen , om //aan de slaven, aan de gevangenen, aan de zieken , aan de stervenden, «aan alle ongelukkigen , armen en bedrukten alle hulpbetoon te be-»wijzen, hunne smarten te lenigen, hunne tranen af te droogen, //kortom, op elke wijze met hulp en verzorging bij te staan.quot;
De edelmoedige zelfopoffering en engelachtige zuiverheid, waarmede godvruchtige iionnen zich aan den dienst der zieken en de opvoeding der kinderen wijden, dwingt zelfs den Muzelmannen , bij
603
geloften, welke men niet met de behoorlijke vrijheid van wil, maar alleen uit dwang aflegt, zijn nietig en verbinden bijgevolg niemand. Door uitwendigen, onbillijken dwang kan men wel iemand in een klooster opsluiten, maar er nooit een religieus van maken. 2) Degenen, die (zonder tot eene eigenlijke orde te behooren) zich door eene gelofte tot het onderhouden dier evangelische raden verplicht hebben, zijn: a) zij, die in geestelijke genootschappen onder een kerkelijk goedgekeurden regel leven, en diensvolgens de geloften van armoede, kuischheid en gehoorzaamheid afleggen, zonder door de Kerk als eigenlijke orde erkend te zijn. In den lateren tijd zijn er meer dei-gelijke vereenigingen of congregatiën ontstaan, welke naar het bizonder doei, dat zij zich hebben voorgesteld, ten troost der H. Kerk hoogst gezegend werkzaam zijn. \') — h) Al degenen, die zonder
wie de vrouwen het veraclite en verwaarloosde deel der maatschappij uitmaken, oprechte hoogachting af. De annalen van het schoone, alle aanbeveling, onderstenning en verbreiding waardige werk „der //scholen in het Oostenquot; leveren ons treffende bewijzen hiervoor, waarvan wij de twee volgende uitkiezen. Te Damascus in Syrië bevindt zich tegenwoordig (1859) een godsdienstig genootschap van Zusters, die zich aan den dienst der zieken en liet onderricht der kinderen wijden. De goede Nonnen hebben reeds de bewondering van allen , zelfs van de in die streken zeer dweepzieke Turken, opgewekt. Ken man uit het volk uitte die diep gevestigde hoogachting en bewondering op eene zeer eenvoudige, maar opmerkenswaardige wijze. Getroffen door den liefdevollen ijver, waarmede eene der zusters onderwijs gaf, naderde hij haar, nam haar vol eerbied bij den mouw van hnar ordeskleed en sprak: //Zeg mij. Zuster, zijt gij zoo gekleed //uit den hemel nedergedaald ?quot; — Toen de regeerende Sultan destijds twee zijner dochters uithuwde, zond hij eene aanzienlijke som gelds aan de barmhartige Zusters te Constantinopel met de bede, dat zij den zegen des hemels over de beide echtparen zouden afsmeeken. //Bidt,quot; zoo liet hij haar zeggen, //bidt voor mijne kinderen, want //het is onmogelijk, dat de gebeden van vrouwen, die zooveel goed //doen, Gode niet uiterst aangenaam zijn.quot; — Zelfs de Liedouïnen , de gevreesde straatroovers van het Oosten, toonen voor de Nonnen eene niet geringe achting. De algerneene overste \'//der vrouwen van Naza-//rethquot; schrijft onder dagteekening van 20 Februari 1858 hieromtrent het volgende: //Ik zag verscheidene malen Bedouïnen op onze kleine //karavanen toeschieten, met de duidelijke bedoeling van ons uit te //plunderen. Hun blik geleek aan dien van een roofdier en de geheele //uitdrukking van wildheid was wel in staat ons schrik aan te jagen. yToen zij echter vernamen, dat wij Nonnen waren, die in deze landen //kwamen, om ons aan hunne zieken en hunne kinderen te wijden, //lieten zij hunne wapenen vallen en gaven ons welwillend een geleide. //Als ik in de nabijheid van Sennaar, het oude Bethulia, op een af-/, grijselij ken weg was afgedwaald, ging er één voor mij uit en toonde //mij al de vastliggende steenen, opdat ik zonder gevaar den voet zou //nederzetten.1\' — Bij wien komt hier de godvruchtige wensch niet op, dat velen, die zich voor beschaafd houden en zich Christenen noemen, van Turken en Bedouïnen de gepaste welvoegelijkheid jegens arme Zusters mogen leeren!
\') Daar in onze eeuw de geestelijke orden en congregatiën veel
604
lid eener geestelijke vereeniging te zijn, de gelofte van altiiddurende armoede en kuischheid en van volmaakte ge-
besproken worden, kan het niet overbodig wezen, hier iets over de roeping tot het kloosterleven op te merken. Ofschoon Christus, de Heer, tot allen zegt: „Wilt gij volmaakt zijn, zoo... volg mij na,quot; en bijgevolg de beoefening der evangelische raden in het algemeen als een voortreffelijk middel om de volmaaktheid te verkrijgen aanbeveelt, volgt hier toch niet uit, dat alle Christenen op bizondere wijze daartoe zijn geroepen. Van den anderen kant is het echter ook buiten allen twijfel, dat vele Christenen door inwendige inspraken en verlichtingen eene bizondere goddelijke roeping hebben. Want God, die volgens het plan zijner wijze Voorzienigheid den ordesstaat in het aanzijn riep, schenkt onbetwistbaar ook aan velen de roeping daartoe. Dit is des te duidelijker, naarmate ieder nadenkende beter inziet, dat niet de natuur, maar alleen de genade den mensch kan doen besluiten, eene levenswijze te kiezen, welke eene voortdurende bestrijding der natuurlijke neigingen, volmaakte versterving en verloochening van zich zeiven ten doel heeft. //Het voornemen om in „den ordesstaat te treden,quot; zegt de H. Bonaventura, „wordt niet in-z/gegeven door vleesch en bloed, maar door Hem, van wien Joannes „zegt: //„De mensch kan niets aanvangen, tenzij het hem van den »//hemel geschonken worde.quot;quot; — Verder is het onloochenbaar, dat uit kracht van de in de natuurlijke orde heerschende Voorzienigheid elk wezen op eigenaardige wijze wordt bestuurd; hoeveel te meer moet men dus als uitgemaakt aannemen, dat God in de onvergelijkelijk verhevener orde der zaligheid dezelfde handelwijze zal volgen, dat Hij tevens volgens zijne eeuwige raadsbesluiten aan ieder zijnen staat heeft aangewezen , welke voor hem de geschiktste is, om zijn zaligheid te bewerken en God te verheerlijken , een staat, in welken Hij hem ook bizondere hulp en genade heeft bereid. De H. Apostel Paulus toch getuigt, dat (.eenieder zijne «eigen gave heeft, de eene zoo, de andere zooquot; (1, Cor. VII, 7). Daarom is het van \'t grootste gewicht, dat ieder wel wete, tot welken staat God hem heeft geroepen. Wie lichtzinnig, uit luim of blinden hartstocht een levensstaat kiest, moet later gewoonlijk zijne keuze bitter betreuren. Mochten toch alle jongelingen en jonge dochters, voor dat zij tot de keuze van een staat overgaan met den H. Paulus tot den Heer roepen: //wat wilt Gij, dat ik doen zal ?quot; (Hand. IX, 6), of met den Psalmist; „Doe mij den weg kennen, waarop ik wandelen //moetquot; (Ps. CXLII, 81; „toon mij. Heer uwe wegen, en leer mij „uwe voetpaden, leid mij in uwe waarheidquot; (Ps. XXIV, 4, 5). Mochten allen bij dit allergewichtigste werk geen vleesch en bloed, geen wereldsgezinde vrienden, maar God en diens plaatsbeklceder, een vromen, kundigen Biechtvader of Priester raadplegen; zeker zouden er dan zoo velen zich in den Ingetreden levensstaat niet ongelukkig gevoelen en anderen evenzeer ongelukkig maken — Nu doet zich echter de vraag voor, of degene, die zich om gewichtige redenen door God tot den kloosterstaat geroepen waant, eene zonde begaat, als hij, zich beroepende op de Jeer, dat Christus de beoefening der evangelische raden niet beveelt, maar alleen aanraadt, aan de goddelijke roeping geen gevolg geeft? Deze vraag beantwoorden de voornaamste Godgeleerden met den H. Ligorio (Moraal d. 5, 11°. 78) op de volgende wijze: wanneer iemand de overtuiging heeft, dat hij, voor zoover hij de roeping van God tot het ordesleven niet volgt, om zijne persoonlijke zwakheid en zondigheid, of door het gemis van die bizondere middelen, welke dat leven hem aanbiedt, zijne zaligheid niet zal kunnen bewerken, dan zondigt hij zonder twijfel zwaar, omdat hij zich gewis aan het gevaar der eeuwige verdoemenis blootstelt. Meent daarentegen iemand, dat hij buiten den ordesstand bijna
605
hoorzaamheid aan een geestelijken overste, bijv. aan hunnen Bisschop of biechtvader afgelegd hebben. Wij achten het niet ondienstig, de geloovigen te vermanen, tot het afleggen der drie geloften of van een dezer niet over te gaan dan na rijp beraad en na wijzen raad gevraagd te hebben, daar het ongetwijfeld veel moeielijker is, te midden der gevaren, verstrooiingen en verschillende omstandigheden van het maatschappelijk leven in de wereld de genoemde geloften te onderhouden, dan in de stille afzondering van het klooster. — cj Tot het naleven van den evangelischen raad van eeuwige zuiverheid verplichten zich ook degenen, die den priestelijken staat omhelzen, en wel bij het ontvangen der wijding van het Subdiaconaat. Het doel van dit kerkelijk voorschrift is voornamelijk, dat de Priesters in staat gesteld worden, met des te grootere reinheid des lichaams en der ziel de heilige geheimen op te dragen, en in het algemeen zich volmaakter en onverdeelder aan den dienst van God en het heil der zielen te kunnen wijden.
Volmaaktheid in den wereldiyken staat. Acht zaligheden.
Kan men oolc in den wereldlijken slaat een volmaakt leven leiden?
Ja, als men niet volgens den geest der wereld, maar volgens den geest van Jesus Christus leeft.
evengoed zijne ziel zal kunnen redden, dan misdoet hij wel niet zwaar, maar mag toch, verondersteld, dat hij zich op gegronde redenen geroepen houdt, geenszins van alle schuld worden vrijgesproken, daar hij in dit geval aan het onzekere boven het zekere de voorkeur geeft, en de vele bizondere middelen, om in den ordesstaat zijne zaligheid te bewerken, van de hand wijst. Inderdaad doet zulk een mensch niet alleen afstand van die volmaaktheid, tot welke hij zich door God bestemd acht, maar stelt zich ook meer dan anderen, die niet tot den ordesstaat zijn geroepen, aan liet gevaar bloot, van op de klippen van aardsche goederen, eer en vreugde, schipbreuk te lijden en eeuwig verloren te gaan. Want ofschoon dit gevaar voor allen, die in de wereld leven, gemeen is, heeft toch de tot den ordesstaat geroepene het meer te vroezen, daar hij er niet op rekenen mag, dat God hem zoo rijke genade zal schenken, om dat gevaar te ontkomen, als Hij zulks doet ten gunste van hen, die de roeping hebben, om zich in de wereld te heiligen. Terwijl dus degene, die de goddelijke roeping volgt, volgens het bekende gevoelen van den H. Barnardus, die kostbare parel van den ordesstaat vindt, //in welken ïde mensch zuiverder leeft, zeldzamer valt, spoediger opstaat, zekerder ^wandelt, meer verkwikt wordt, kalmer rust, met meer vertrouwen ,sterft, spoediger gezuiverd en overvloediger beloond wordt,quot; — moet liij , die deze hem door God aangeboden parel niet aanneemt, in voortdurende bezorgdheid en vrees leven, zelfs de eeuwige zaligheid te zullen verliezen.
606
Daar Christus ons allen, zonder uitzondering, iiitnoodigt, onverwijld naar de volmaaktheid te streven, zeggende: „■weest volmaakt, gelijk uw Vader in den hemel volmaakt „isquot; (Matth. V, 48), mag men er niet aan twijfelen, dat men ook in de wereld, d. i. in den wereldlijken staat, niet alleen zijne zaligheid bewerken, maar zelfs tot de christelijke volmaaktheid komen kan. \') Was het anders, dan zou men uit de woorden van Christus moeten besluiten, dat elk Christen geroepen is, de wereld en alles, wat in de wereld is, te verlaten en zich in de afzondering te begeven, hetgeen met het goddelijk wereldbestuur geenszins overeen te brengen is. Na alles, wat hierover reeds vroeger gezegd is, zal het onnoodig zijn breeder uit te wijden. — Al hadden wij overigens geen ander bewijs, dan het voorbeeld van bijna ontelbare Heiligen, die zelfs te midden van de aaniokselen en gevaren der booze wereld een bij uitstek heilig leven leidden, een leven geheel volgens de verba-venste grondstellingen van het Christendom, zou dit reden genoeg zijn, het als eene uitgemaakte zaak te beschouwen, dat ook voor diegenen, die niet tot den kloosterstaat geroepen zijn, de weg tot de christelijke volmaaktheid open staat. Dien weg betraden en bewandelden onverdroten de heilige koningen Eduard van Engeland, Canut van Dene-
!) In liet algemeen mag, gelijk zulks dikwijls geschiedt, de christe-telijke volmaaktheid, welke voor alle Christenen bereikbaar is, niet verwisseld worden met den zoogenaamden slaat van volmaaktheid, tot welken niet alle Christenen geroepen zijn te leven. Het kan gebeuren, dat iemand in den staat van -solmaaktheid leeft, zonder volmaakt te wezen, en omgekeerd, dat iemand volmaakt is, zonder zich in den staat van volmaaktheid te bevinden, gelijk het mogelijk is, dat iemand tot den ridderstand behoort, zonder de ridderdeugden te hebben, en dat een ander, zonder ridder te zijn, de aan een ridder passende dapperheid en deugd bezit (i Thom. 2, 3, 9. 1Ï4 a. 4). De christelijke volmaaktheid bestaat in de inwendige heiligheid; daartoe kan ieder Christen ook in den wereldlijken staat geraken, en gewis moet ieder er naar streven. Iets anders dan deze inwendige, alleen voor het goddelijk oog zichtbare volmaaktheid, is echter de door uiterlijke kenteekenen zich openbarende staat van volmaaktneid, welke als zoodanig door de Kerk zelve erkend en van andere standen onderscheiden wordt Een dusdanige staat is de geestelijke orrfe.sstoaz, daar elk lid eener orde ten aanschouwe der Kerk de verplichting aangaat, door de beoefening der drie evangelische raden naar de volmaaktheid te streven. Wie dus den religieusen staat is ingetreden, is, gelijk bij alle vrijwillig op zich genomen verplichting, streng gehouden, zijn streven niet alleen te richten naar de vervulling van de geboden van God en de Kerk, zooals zij op eiken geloovige rust, maar bovendien naar de verkrijging van de aan zijn staat tot een bizonder doel voorgestelde volmaaktheid. Staat van volmaaktheid is dus de ordesstaat, niet alsof allen, die dien staat omhelzen, volmaakt zijn. maar omdat allen uit kracht van hunnen staat de strenge verplichting hebben, naar de volmaaktheid te streven.
607
marken , Lodewiik van Frankrijk , Stephamis van Hongarije en keizer Hendrik van Uuitschland; eveneens deden dit de heilige vorstinnen Clothilde, Adelheid, Mathilda, Kunigonda, Elisabeth van Portugal, Elisabeth van Thuringen en andere. De goddelijke Voorzienigheid heeft zorggedragen, dat inderdaad eiken christelijken levensstand voorbeelden van hoogere volmaaktheid voor oogen zweven. Met heiligen trots zien godvruchtige dienstboden op de heerlijke toonbeelden North-burga, Zitta, Dula en op de duizend Martelaars van Nicomedie; vrome landlieden en herders op den H. Isidorus en Wendelinus; tuiniers op den H. Phocas; handwerkers op den H. Bonavita, op den II. Eligius, goudsmid, op den H. Joseph, den timmerman van Nazareth; kooplieden op den H. Homobonus \'); kunstenaars, die hunne talenten
\') Wij bepalen ons hier tot eenige trekken uit liet leven van den H. koopman Ilomohonus. — Homobonus werd te Cremona in Italië uit vrome en godvreezende ouders geboren. Zijn vader, een wel-\' gesteld koopman, leerde hem reeds vroegtijdig den liandel, en Homobonus iegde zich daarop met de nauwkeurigste zorg toe. lederen morgen, voordat hij aan zijn werk ging, verrichtte hij zijn gebed en woonde het H. Misoffer aandachtig bij. Hij placht te zeggen: //Men moet vóór alles het rijk Gods zoeken,quot; en: //Aan Gods zegen //is alles gelegen.quot; Homobonus gal\' vlijtig acht, dat hij niet het minste bedrog pleegde, en geen ongeoorloofd voordeel in het koopen of verkoopen zocht. Geen penning wilde hij onrechtvaardig bezitten. Nooit overvroeg hij op de koopwaren, maar gaf terstond en oprecht den bepaalden prijs daarvan op. Geen vloek, geene leugen hoorde men ooit uit zijn mond. Voor de betaling der schulden droeg hij ongeloolëlijke zorg, opdat voor zijn evennaaste uit de vertraging geene schade zoude voortkomen. Op zon- en feestdagen hield hij zich uitsluitend bezig met het werk zijner zaligheid. Den meesten tijd bracht hij dan in do kerk met bidden, het ontvangen der HH. Sacramenten en het aanhooren van het goddelijk woord door. Te huis was op zulke dagen het lezen van een geestelijk boek zijn grootste vermaak. Ook toen hij gehuwd was en na den dood zijner ouders den handel op zijn eigen naam voortzette, bleef hij bij zijne vrome en edele gewoonten. Geene hebzucht, maar het verlangen, om door de uildeeling van de winst onder do armen zich hemelsche schatten te vergaderen, spoorde hem tot eene onvermoeide werkzaamheid en noeste vlijt aan Zijne menigvuldige en rijke aalmoezen verwierven hem den schoonen naam, van „vader der armen.quot; Geen behoeftige liet hij zonder ondersteuning gaan. Voor hen, die zich schaamden , te bedelen , bracht hij de aalmoes zelf te huis, en wekte hen op tot geduld en vertrouwen op God. Zijne echtgenoote, al te angstig voor den tijdelijken vooruitgang bezorgd, deed hem dikwijls bittere verwijten over deze milddadigheid jegens de armen. Hij liet zich echter niet uit het veld slaan. Zacht e» bedaard zeide hij haar; „Meent gij dan, goede vrouw, dat ons tijdelijk vermogen „er door lijden zal, als wij ons medelijdend en milddadig jegens de „armen toonen? O. dat is zoo niet! Het woord Gods leert ons juist „het tegendeel. Christus zelf zegt: „geeft, dan zal u gegeven wor-„den.quot; Spoedig zou de al te bezorgde huisvrouw een duidelijk bewijs daarvan hebben. Op zekeren dag gaf Homobonus al het voorhanden zijnde brood aan de armen, zonder ook slechts een
608
en bekwaamheden aan de verheerlijking van God en zijne Kerk wijden, op de H. Caecilia; geneesheeren op den H.
enkel wittebrood terug te houden. Toen zijne vrouw die afwezig was, na hare terugkomst de tafel dekte, waren er evenveel brooden als zij te voren had aangeschaft. Zij nam er een van en bracht het op de tafel, maar bevond het bij liet opensnijden veel witter en smakelijker dan naar gewoonte. Hierover verwonderd, vroeg zij de dienstmeid, hoe deze aan dit brood was gekomen, en vernam nu, dat Homobonus al het brood onder de armen had uitgedeeld. Toen zag zij in, diep beschaamd over haar gebrekkig vertrouwen, dat God het aan de armen uitgedeelde brood door een veel voortreffelijker had vergoed. — Homobonus was gewoon , des middernachts op te staan en in eene nabijgelegen kerk de metten en de daarop volgende vroegmis bij te wonen. Op deze heilige plaats en gedurende deze godvruchtige oefening riep God hem tot de eeuwige belooning. Bij de »gloria in excelsisquot; strekte hij zijne beide armen uit, sloot ze terstonil kruisgewijze op de borst tezamen en gaf zonder het minste teeken van doodsangst den geest. Het was den 13J\'n November 11Ö7. Toen men den dienaar Gods in de beschreven houding dood vond, naderden alle aanwezigen en vereerden hem als een Heilige. Zijn lichaam werd in dezelfde kerk begraven, en God verheerlijkte liet graf van zijn dienaar door talrijke wonderen. Zij waren zoo groot en menigvuldig, dat Paus Innocentius III niet aarzelde, Homobonus reeds het volgende jaar onder het getal der Heiligen te tellen (Legende der Heiligen door Vogel. 2 Nov.).
De volgende trekken uit het leven der HH. Oudvaders in de woestijn bewijzen zonneklaar, dat men ook bij een eenvoudig, aan de wereld bijna onbekend leven een hoogen graad van volmaaktheid kan bereiken. — JL»e H. Kluizenaar Macarim stond in zoo grooten geur van heiligheid, dat zeer velen zich tot hem in de egyptische woestijn begaven, om onder zijne leiding naar de volmaaktheid te streven. Deze omstandigheid maakte zich de helsche verleider ten nutte, om den Kluizenaar tot hoogmoed te verlokken. Derhalve bad Macarius dag en nacht, dat God hem toch eene heilzame vernedering zou overzenden. Zijn gebed vond spoedig verhooring. Op ingeving van boven moest hij zich naar twee vrouwen in eene ver verwijderde stad begeven, om van haar eene volmaaktheid te leeren, tot welke hij nog niet was gekomen. Deze vrouwen leefden in hetzelfde huis, en er was niet het minste buitengewoons in haar en in hare handelingen te bemerken. Macarius drong bij haar aan, om hem hare levenswijze mede te deelen. //Ach,quot; spraken zij, ,/dat is de moeite «niet waard, vader! wij leven sedert vijftien jaren zeer stil en vreed-z/zaam tezamen; wij hebben nooit een kwaad woord gewisseld; wij „zijn gehoorzaam aan onze mannen, beminnen het stilzwijgen, denken lt;rbij alle huiselijke bezigheden aan Gods tegenwoordigheid, ziedaar j.alies wat wij uit liefde tot Hem doen. en dat is helaas! zeer weinig,quot; Maar Macarius keerde gesticht en beschaamd naar de woestijn terug.— Ten tijde eener aanhoudende, vreeselijke aardbeving, welke verscheidene steden van Syrië in puinhoopen veranderde, stroomden duizenden menschen naar den meergenoemden H. Kluizenaar Snnon Stijl in de woestijn, om zijne voors|iraak bij God te vragen. Simon begaf zich voor de bedrukte menigte in het gebed, terwijl de aardschokken nog voortduurden en zelfs de zuil, waarop hij stond, deden schudden en wankelen. Bij het toenemend gevaar gebood Simon de aanwezige scharen »Kyrie eieisonquot; te roepen. Na dit hartverscheurend geroep om erbarming sprak de H. Kluizenaar met ootmoed: ,Broeders! „ééne ziel van ons is verhoord geworden; om u daarvan te overtuigen, „wil ik u den man toonen.quot; En hij riep een eenvoudigen landman
609
Pantaleon en de HH. Cosmas en Damianus; christelijke soldaten op den H. Mauritius en het geheele thebaansche legioen; hofbeambten op de HH, Bloedgetuigen Bassus, Eusebius; Eutychius en Basilides. Al deze schitterende voorbeelden van deugd voor degenen, die in de wereld leven, kwamen tot eene zoo uitstekecde volmaaktheid enkel daardoor, dat zij niet naar den geest, d. i. naar de grondstellingen en ontaarde zeden der wereldlingen, maar volgens den geest van Jesus Christus, d.. i. naar diens leer en voorbeeld hun leven inrichtten. Zij allen herinnerden zich de waarschuwing van den H. Joannes (1. Joan. II, 15, 1G): „indien iemand „de wereld bemint, is de liefde des Vaders niet in hem; „want alles, wat in de wereld is, is begeerlijkheid des „vleesches, begeerlijkheid der oogen en hoovaardij des „levens;quot; zi] waren vast overtuigd, dat „wie de vriend „dezer wereld zijn wil, vijand Gods wordt\'\' (Jac. IV, 4), .en dat diegene Christus niet toebehoort, die „den geest „van Jesus Christus niet heeft\'\' (Rom. VIII, 9). Daarom, legden zi] er zich ook met allen ernst op toe, „zich onbe-„vlekt van deze wereld te bewarenquot; (Jac I, 27), en gebruikten deze wereld (d. i. de vergankelijke goederen, eerambten en genietingen) „als gebruikten zij die nietquot; (1. Cor. VII, öl). Eenieder dus, die in den wereldlijken staat de christelijke volmaaktheid hereiken wil, betrede voortdurend den weg, welken de Heiligen bewandeld hebben; hij leve naar den geest van Christus, niet naar den verkeerden geest der zondige wereld, die met Gods heiligen en remen geest zoo sterk mogelijk in strijd is.
Waaruit zien wij voorat, dal de yeesl der wereld in strijd is met den geest van Christus?
Wij zien dit uit de woorden van Jesus Christus, welke de acht zaligheden genoemd worden. — Cnder de uitdrukking „zaligheidquot; wordt hier zeker niet, zuoals gewoonlijk, het bezit en genot van alle heinelsche goederen verstaan, daar
uit de menigte en zeide hem: /,gij zi.jt het, mijn broeder! maar zeg „mij , waardoor gij zoo welbeliagelijk zijt bij God.quot; De man antwoordde verlegen: „Vergeving, mijn vader! \'gij vergist u; want ik „ben een zeer gewoon zondig mensch.quot; „Spreek toch, spreek!quot; beval Simon, en de brave man ging voort; „ik ben een daglooner, en „mijne levenswijze is zoo, dat ik mijn loon in drie deelen verdeel; „het eene geef ik aan de armen, het andere betaal ik als schatting //aan den Staat, en het derde gebruik ik voor mijne dagelijksche „uitgaven. En zoo heb ik altijd gedaan.quot; Toen zagen allen vol eerbied op den verlegen man, die in zijne eenvoudigheid zoo welgevallig was bij God. De aardbeving hield werkelijk op (Gr. Halm— Hahn, vaders der woestijn).
DEHABBE, GELOOESLEEE. III. 3de DRUK. 39
610
in dien zin eigenlijk slechts van ééne zaligheid spraak kan zijn; de uitdrukking „zaligheidquot; beteekent hier eene „zalig-„priizing\'\' van diegenen, die door de wereld voor ongelukkig gehouden worden. Deze zaligheden of zaligprijzingen van Christus luiden:
1) „Zalig zijn de armen van geest; want hun is het rijk
„der hemelen.\'\'
De wereld is gewoon, het geluk van den mensch naar het meer of minder aanzienlijk bezit van aardsche goederen af te meten. Wie schatten van goud, zilver of juweelen, prachtige paleizen, uitgestrekte landerijen, wie vele en machtige vrienden en begunstigers, scharen van dienaars en vleiers bezit, hem telt de wereld onder de gelukkigen, hem prijst zij zalig. Geheel anders oordeelt echter Jesus, de eeuwige, onbedriegelijke Waarheid, zeggende: „wee u „li]ken! want gii hebt uwen troost weg!quot; (Luc. VI, 24). ïs het niet, alsof Hii zeide: „o gij ongelukkigen, al uw „troost bepaalt zich bij het vergankelijke, met duizend quot;bitterheden vermengde genoegen , dat uwe vluchtige poede-quot;ren u bereiden?quot; Van den anderen kant noemt Hij diegenen zalig, die arm in den geest zijn en belooft hun tot loon het hemelrijk. De zaligprij zing des Heilands geldt alzoo niet alle armen zonder onderscheid; zij betreft niet degenen, die arm zijn uit nood of dwang, niet degenen, die niets bezitten, niets te verwachten hebben, niet degenen, die de tijdelijke goederen, welke zij eenmaal bezaten , verspild of verloren hebben, maar het verlangen naar rijkdom, de hoogschatting van aardsche goederen, in hun hart\' voeden en zich in klaagtoonen en gemor over hunne armoede uitlaten. Alleen de armen van geest worden door Christus zalig geprezen. Tot deze behooren: a) de werkelijke armen, als zij hunne behoeftigheid bereidwillig, met overgeving aan Gods heiligen wil en beschikkingen, met geduld verdragen, gelijk de verarmde Job; i) degenen die uit liefde tot God, volgens de uitnoodigmg van Christus, alles ver-koopen en verlaten, om hunnen Schepper en Heer zender eenige tijdelijke hindernis te dienen en, naar het voorbeeld der Apostelen, tot den goddelijken Leeraar der armoede te kunnen zeggen: „zie, wij hebben alles verlaten en zijn ,,ü nagevolgdquot; (Matth. XIX, 27); c) degenen, die__wel aardsche goederen bezitten, maar zoo „als bezaten zij ze „nietquot; (3 . Cor. VII, 30), die hun hart er niet aan hechten, die hunnen rijkdom slechts gebruiken als een middel om deugden en góede werken te beoefenen, en gelijk Esther (XIV, 16) hun goed veeleer als een last beschouwen en grootmoedig alles overgeven, wanneer zij het niet meer
611
kunnen bezitten zonder ontrouw aan hunnen plicht te worden; i) d) eindelijk de ootmoedigen; immers wie ootmoedig is, is ook waarlijk arm van geest; hij beschouwt zich als arm, schrijft niets aan zich zei ven toe. Alles, wat de nederige bezit, hetzij lichamelijke, hetzij geestelijke voorrechten, alles schrijft hij aan God toe; in het gevoel zijner geringheid roept hij met Maria uit: „mijne ziel „maakt groot den Heer en verheugd heeft zich mijn geest „in God, mijnen Zf.ligmaker; want groote barmhartigheid „heeft Hij mij bewezen.quot; Dusdanige armen hebben eene heerlijke belooning te wachten. Rust der ziel in dit leven, eene blijde hoop in het uur des doods, eeuwige, hemelsche goederen aan de andere zijde des grafs zijn hun uitgelezen deel: „hun is het rijk der hemelen.quot;
2) „Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen de „aarde bezitten.quot;
De wereld acht en prijst diegenen gelukkig, die de macht hebben, hunne vijanden te vernederen, die er in slagen wraak te nemen op hunne beleedigers. Jesus daarentegen, het volmaakte toonbeeld der zachtmoedigheid, spreekt: „zalig zijn de zachtmoedigen.quot; Die zaligprijzing geldt al degenen, die uit christelijke deugd de opwellingen van toorn, nijd, ijverzucht, wraak en andere hartstochten
\') De H. Elizabeth, landgravin van Thiiringen, spijsde dagelijks ongeveer 900 armen, verzorgde zeer vele ouderlooze kinderen. diende de zieken en was op allerlei wijzen een voorbeeld van erbarmende lielde cn weldadigheid. De wereld vergold liet de dienares des Heeren naar gewoonte zeer slecht. Als haar gemaal op een kruistocht in Italië gestorven was, nam diens broeder Hendrik tegen het recht van haren eerstgeboren zoon de regeering in handen, en Elisabeth werd aangeklaagd, door hare vele aalmoezen de inkomsten des lands verkwist te hebben. Van al hare goederen beroofd, nit haar paleis verdreven, ja zelfs uit de stad gebannen, vond zij nergens huisvesting. Toen moest Elisabeth, eene geboren koningsdochter, de gemalin van een vorst, met hare drie, haar nagezonden kinderen en twee godvruchtige kameniers, die hare verstooten en vervolgde meesteres niet wilden verlaten, in bittere armoede rondtrekken en gelijk eene bedelares voeding en herberging zoeken. De doorlnchtige vrouw, die te voren zooveel goed gedaan, zoovele hnngerigen gespijsd, zoo vele naakten gekleed en zieken verpleegd had, vond thans geen medelijden bij de menschen , werd dikwijls hardvochtig en met hoon gewezen van de deuren, wier drempels zij vroeger als troosteres en uitdeelster van weldaden had betreden. Zelfs in het ziekenhuis, hetwelk zij in de nabijheid van haar slot gesticht, en waar zij met eigen handen de armen en zieken gediend had , vond zij thans geen onderkomen. Niettemin loofde de heilige vorstin God , én liet nooit een hard woord over hare lippen komen , ja zij dankte God veeleer voor deze vernedering als voor eene bizondere genade. — Wie aldus het verlies van al zijne goederen verdraagt, bewijst duidelijk, dat zijn hart ook ten tijde, dat hij die bezat, er niet aan geheclit was, dat hij ook te midden van den overvloed arm van geest was (Voor-beeldenb. van Herbst, D. 2).
39*
612
zoo beheerschen , dat zij bij alle voorkomende tegen-heden, van welken aard en oorsprong deze ook zijn mogen, inwendig en uiterlijk, in hun hart en in hunne gebaren, die kalmte bewaren, welke den navolgers van den zachtmoedigen Heiland voegt; die verder elk hard, elk krenkend woord vermijden, en bij ontvangen beleedi-gingen zoo weinig aan wraak denken, dat zij haat met liefde , kwaad met goed vergelden, i) Op anderen, die alleen uit wereldsche inzichten, enkel om zich in tegenwoordigheid der menschen niet te vergrijpen of om zich bij hen welgevallig te maken, terwijl het in hun binnenste stormt, uiterlijk zich den schijn van kalmte geven, op dusdanigen is deze zaligprijzing niet van toepassing, en zij hebben ook niet het loon te wachten, dat beloofd is aan hen, die uit liefde tot God zachtmoedig van harte zijn; zij zullen niet gelijk deze „de aarde bezitten.quot;
Het bezit der aarde moet hier hoofdzakelijk in den figuurlijken zin worden opgenomen De zachtmoedige bezit namelijk het aardrijk zijns harten; hij bezit zich zeiven, laat zich niet door aardsche neigingen, gevoelens en opwellingen buiten zich zeiven brengen; hij bezit het aardrijk der harten van zijne medemenschen, doordat hij daarin, als iii zijn eigen hart, de stormen van woedende hartstochten stilt en bezweert; hij zal eindelijk „het land der levendenquot;, het rijk der zaligen in den hemel, bezitten. Immers, gelijk de H. Hieronymus over Matth. V, 4 opmerkt: „noch het land „Chanaan, noch eenige andere streek der aarde is het „erfdeel, den zachtmoedigen beloofd, maar dat land, het-„welk de koninklijke Profeet zich toewenschte, als hij „sprak: „ik hoop de goederen des Heeren te zien in het „land der levendenquot; (lJs. XXXVI, 10). Overigens kan niet ontkend worden, dat de woorden: „zij zullen de aarde
i) Een treffend voorbeeld hiervan gaf de H. Uhaldus. Eens vsrgat een Moor, wien Ubaldus kort te voren een billijk verwijt had moeten doen, zich in zijne drilt zoover, dat hij den jnist voorbijgaanden Bisschop aangreep en hem in een kalkput wierp. De Heilige, zonder een woord te zeggen, hielp zieh met moeite weder uit de put en ging slil naar huis, alsol\' hem het ongeluk bij toeval was overkomen. Hel volk wus eehter niet zoo geduldig; het meende\'t onrecht, hetwelk hun geliefden Bisschop was aangedaan, te moeten wreken. Toen de Üisschop dit bemerkte, nam hij onverwijld den Moor bij zich en hield dezen in zijn huis, opdat hem geen kwaad zou kunnen overkomen. Daardoor nu werd deze mensch zoodanig getroffen, dat hij verklaarde bereid te zijn, de misdaad, aan welke hij zich had schuldig gemaakt, zelfs met den dood te boeten, en werkelijk op het puut stond, zich zeiven aan het verbolgen volk over te geven. Maar übaldus belette hem dit, omhelsde hem, gaf hem de verzekering van eene volkomen vergeving en beloofde hem zijn gebed en zijne voorbede bij God (Herbst. t. r. p.).
613
„bezittenquot;, ook eenigermate in den letterlijken zin kunnen verstaan worden, daar gewoonlijk de zachtmoedigen , zooveel in hen is, datgene, wat zij aan tijdelijke goederen hebben, door hunne toegevendheid en floor het vermijden van allen strijd in rust en vrede bewaren.
3) „Zalig zijn zij, die treuren; want zij zullen vertroost worden.quot;
Niets strijdt gewis meer met de grondstellingen der wereld en harer aanhangers, dan deze uitspraak van den goddelijken Leeraar der wijsheid dan de zaligprijzing der treurenden. Het leven der wereldlingen is een woest jagen naar ijilele vermaken, en diegenen worden voor de gelukkigsten gehouden, die er in slagen, volop genoegens te smaken en in onophoudelijke vermakelijkheden de oorzaken van gegronde droefenis te vergeten. Daarom roept de Heiland u toe: „wee u, die thans lacht; want gij zult treuren en weenenquot; (Luc. VI, 25). Evenwel wordt niet ieder, die treurt, door Christus zalig geprezen ; want er bestaat eene treurigheid volgens den geest der wereld, eene droefheid over mislukte\'\' aardsche verwachtingen, over in duigen gevallen plannen tot vermaak, over het verlies van ijdele, vergankelijke goederen, en die treurigheid, die ongeregelde droefheid bewerkt den dood (2 Cor. VII, 10). Wie echter treurt over zijne eigen zonden en over de zonden van andere menschen, over de zonden der gansche wereld; wie treurt, gelijk de H. Paulus (2 Cor. XII, 20, 21), over de verdrukking der H. Kerk en over de verwoestingen, welke de helsche vijand en zijne trawanten in het rijk Gods aanrichten; wie treurt bij de gedachte, dat hij in dit tranendal voortdurend is blootgesteld aan het gevaar van zijne bestemming te missen, en uitroept met den Profeet: „wee „mij, omdat mijn verblijf verlengd is!quot; (Ps. GXIX, 15) „of met den Apostel: „ik, ellendig mensch! wie zal mij „verlossen van het lichaam dezes doods?quot; (Rom. VII, 24); wie treurt uit een vurig verlangen om met Jesus, den Bruidegom zijner ziel, eeuwig, onafscheidelijk vereenigd te worden; wie om zulke redenen treurt, diens treurigheid is volgens den geest van Jesus Christus en geeft recht op de belooning, welke de Heiland den treurenden beloofd heeft: „hij zal getroost worden.quot; Ja, hij zal getroost worden door de vergeving zijner eigen zonden, welke hij beweent, door de genade der bekeering, welke hij niet zelden voor zijnen naaste met heete tranen afsmeekt, getroost door de bescherming en zegepraal, welke de Allerhoogste aan zijne Kerk bij haren zwaren strijd verleent, getroost door te worden opgenomen in het land der belofte, waar geene
614
droefheid, geen klaagtoon, geen gevaar van God te be-leedigen en te verliezen meer zijn zal, waar God alle tranen zal afwisschen van zijne wangen (Openb. Vil, 17), waar alle vromen, die nu met tranen zaaien, zullen oogsten met blijdschap \') (Ps. CXXV, 5). De heilige droefheid is zelve met een onuitsprekelijk zoeten troost verbonden. Derhalve „zegt de H. Augustinus: „zoeter zijn de tranen des gebeds, „dan de genoegens van een schouwspelquot; (Verkl. vau Ps. CXXVII, n0. 10). Ja, zoo er een waar genoegen in de wereld bestaat, is het die heilige droefenis, waarbij onbeschrijfelijke vertroostingen van den H. Geest ons toevloeien. Wie ze reeds ondervonden heeft, kent ze; maar wie nooit getreurd heeft en nooit geweend, niet zooals de wereld, maar gelijk de braven, de door den geest der boete doordrongen, de door het verlangen naar den hemel ontvlamde zielen treuren en weenen, hij kan door geeue beschrijving den troost begrijpen, waarvan reeds hier op aarde het hart
\') Ten tijde van Keizer Theodosius den Groote en aan diens hof te Constantinopel leefde Arsenius, diaken der roomsche Kerk, een man van gebed en heilige werken, als opvoeder der keizerlijke p;rinsen Arcadins en Honorius. Op zekeren dag vernam deze dienaar Gods eene hemelsche stem, welke hem toeriep: yArsenius, vlucht, zwijg, *rust, en gij zult uwe ziel redden.quot; Terstond verliet hij heimelijk het hof en begaf zich in de woestijn. Daar leefde hij vijf cn vijftig jaren in strenge boetvaardigheid en heilige vermorseling des harten. Ofschoon hij altijd een godvruchtig leven had geleid, zwommen toch zijne oogen voortdurend in tranen. Arsenius weende niet van droefheid of zwaarmoedigheid, hij weende uit verlangen naar het hemelsch vaderland, hij weende over de ondankbaarheid der menschen jegens God, hij weende over zijne eigen gebreken en zonden, van welke zelfs de rechtvaardigen hier op aarde niet geheel vrij zijn. Vooral was het de gedachte aan de toekomstige strenge rekenschap voor Gods rechterstoel, welke zijne ziel met heilige vrees vervulde. Dikwijls hoorden zijne leerlingen hem in de gesloten cel verzuchten: //O Heer, verlaat mij niet, ofschoon ik U tot hiertoe zoo weinig //getrouw was! Ach, geef mij de genade, dat ik toch eindelijk eens //beginne, ü te dienen.quot; Als hij in zijn OSste levensjaar zijn laatste uur voelde naderen, drukte hij het zijn geliefden leerlingen dringend op het hart, in het gebed aan hem, als den grootsten zondaar, te denken. Daarna overviel hem groote angst en benauwdheid, hij weende bitter. Toen zeiden zijne leerlingen tot hem: //Waarom weent gij, „vader, vreest gij dan den dood? //Gewis.quot; antwoordde de stervende Heilige, //gewis ik vrees den dood en ik kan zeggen, dat deze vrees „mij geen oogen blik heeft verlaten, zoolang ik monnik was.quot; — Hoe meer zijn einde naderde, des te meer week echter de vrees var hem, ten laatste maakte zij plaats voor diepe, heilige rust en hij ontsliep in den vrede des Heeren. Toen men van zijnen dood kennis gafaan den Patriarch Theophilus, riep deze uit: „Gelukkige Arsenius, omdat „gij het laatste oogenblik steeds voor oogen hadt!quot; En de Oud vader Poëmen zeide onder tranen: „Gelukkige Arsenius, wijl gij over u „zelven weendet, zoolang gij op aarde waart! Wie hier niet weent, „zal in het andere leven eeuwig over zich zelven weenen!quot; (Levens der Oudvaders volgens Kosweijde en Gr. Hahn—Hahn).
615
dier vromen overstroomt. Verkwikkend zijn zulke tranen, „als dauw van den Hermon, die neêrvalt op den berg Sionquot; (Ps. CXXXII, 3).
4) „Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de recht-„vaardigheid; want zij zullen verzadigd worden.quot;
Gelijk honger en dorst in het algemeen het groote lichamelijke verlangen naar spijs en drank aanduiden, zoo wordt hier door deze uitdrukking het groote geestelijke verlangen naar de aan onze onsterfelijke ziel passende goederen van deugd en volmaaktheid, met één woord, het verlangen naar de christelijke rechtvaardigheid uitgedrukt. Christus immers vergelijkt zelf den goddelijken wil met eene spijze (Joan. IV, 34), en zijne van den Hemel gebrachte leer met een water, hetwelk springt ten eeuwigen leven (Joan. IV, 14). Honger en dorst naar rechtvaardigheid is alzoo niets anders, dan de voortdurende wil, op den weg des Heeren steeds grooteren voortgang te maken , het brandend verlangen, door eene standvastige volbrenging van den goddelijken wil en een vlijtig gebruik van de genademiddelen van den H. godsdienst, de christelijke volmaaktheid te bereiken. — De wereld weet niets van dien honger en dorst, zij begrijpt en acht dien niet, ja zij heeft zelfs medelijden met en betreurt degenen, die daardoor aangedreven, zich in de wereld op de volmaaktheid volgens hunnen staat toeleggen, of het besluit nemen, zich in den religieusen staat geheel den Heer toe te wijden. Jesus Christus daarentegen prijst zulke hongerenden en dorstenden zalig en belooft hun volkomen verzadiging. God zal hun reeds in dit leven verleen en, wat zij wenschen: vele genaden, groote verdiensten, zoete vertroostingen, vreugde en vrede in den H. Geest, zalige liefde, verhevene volmaaktheid; in het andere leven zal Hij al hunne verlangens bevredigen door „de heldere „aanschouwing zijner heerlijkheidquot; (Ps. XVI, 15); Hij zal hen eeuwig laven met den stroom zijner zaligheid, „dat „zij dronken worden door den overvloed van zijn huis\'\' (Ps. XXXV, 9) »).
•) Alle Heiligen gevoelden onophoudelijk honger en dorst naar de rechtvaardigheid; ja, zonder dien honger en dorst, d. i. zonder dat heilig verlangen der ziel, is het onmogelijk, rechtvaardig, veel minder volmaakt te leven. Daarom vermaant ons de H. Geest, //de ^waarheid te zoeken als goud en ze op te garen als schattenquot; (Spreuk. 11, 4). Want haar begin is een zeer oprecht verlangen naar //deze..... zij wordt gemakkelijk gezien door hen, die haar be-//minnen, die naar haar verlangen1\' i.Wijsh. VI). Ja, naarmate de mensch in rechtvaardigheid toeneemt, hongert en dorst hij ook naar haar. Derhalve zegt de Wijsheid (in het Koek Sirach XXIV, 20); //Die mij eten, hebben nog honger, en die mij drinken, hebben
616
5) „Zalig zijn de barmhartigen; want zij zullen barm-„hartigheid verwerven.quot;
Barmhartig is degene, die uit ware, christelijke liefde en hartelijke deelneming tracht, zooveel in zijn vermogen is, in de lichamelijke en geestelijke behoeften van zijn evennaaste te voorzien. De kinderen dezer wereld zijn veel te baatzuchtig om barmhartig te zijn. Alleen op hun eigen welbehagen en hun gemak bedacht, bekommeren zij zich zeer weinig om den nood van anderen, weinig om de veelvuldige behoeften van hunnen evenmensch. Zij achten zich gelukkig, als het hun gelukt, door eene barsche en koele handelwijze de noodlijdenden van den drempel hunner woning te weren en het gekerm van gebrek of smart, dat van alle kanten in hunne ooren klinkt, door het gedruisch hunner vreugde en vermakelijkheden te verdooven. Christus leert echter: „zalig zijn de barmhartigen;quot; en Hij voegt er bij: „want zij zullen barmhartigheid verwerven.quot; (Matth. V, 7). Reeds hier op aarde zal God de barmhartigen met barmhartigheid vergelden. Hij zal een genadig oor leenen aan hun gesmeek, hun de zondestraffen kwijtschelden , voor vele rampen bewaren en- genade in ruime maté schenken. In het andere leven zal Hij hen niet naar zijne onverbid-delijke gestrengheid oordeelen, maar „naar zijne groote „barmhartigheid\'\' beloonen (Matth. XXV, 34—40). Hij zal hen beloonen zoo mild en in zoo overstroomende volheid, als met zijne goddelijke barmhartigheid, welke de menschelijke oneindig overtreft, overeenkomt. 1)
//nog dorst.quot; Het verlangen en streven, om eiken dag rechtvaardiger en heiliger te worden, onophoudelijk van liet goede tot liet betere over te gaan, is het onbedriegehjke kenteeken en de eigenlijke levenstaak van den lechtvaaidige op aarde. Verwonderen wij ons dus niet, dat het heelal der rechtvaardigen en nog meer dat der volmaakten zoo klein is. De menschen geven zich meer moeite voor eene spijs, welke maar een oogenblik verzadigt, dan voor die, welke blijft ten eeuwigen leven (Joan. VI, 27); zij verlangen vuriger naar aardsche goederen, dan naar die zoo kostbare schatten van genade, welke de goddelijke Heiland kun in de rijkste volheid wil mede-deelen, als zij er slechts naar verlangen en er Hem om bidden. — Dit gaf Jesus op zekeren dag aan den eerwaardigen Balthazar ALvares in een hemelsch visioen duidelijk te kennen Toen deze zoo begenadigde leidsman van de H Teresia eens voor het allerheiligste Sacrament nederknielde en in de aanbidding en beschouwing van dit liefdegeheiin verdiept was, vertoonde zich eensklaps voor zijn geest in de Heilige Hostie het Kindje Jesus. Uet had zijne armen naar hem uitgestrekt, en in die kleine handen schitterden zoovele kostbare paarien en edelgesteenten, als het maar kon vasthouden. Tezelfden tijde vernam de biddende uit den mond van Jeous de woorden: „was er toch iemand, die mij deze afnam!quot; (De hemel-kroon van Stoger).
l) In Rusland leefde een hooggeplaatst officier. Hij was een goed
617
9) „Zalig zijn de zuiveren van harte ; want zij zullen „God zien.quot;
De zuiverheid des harten, welke het voorwerp van deze zaligprijzing uitmaakt, omvat niet alleen het vrijzijn van alle tegen de kuischheid strijdende gedachten, begeerten en handelingen, maar in \'t algemeen het vrijzijn van alle zonden en elke ongeregelde neiging en hartstocht, in zooverre dit in ons sterfelijk lichaam met den bijstand der genade en door eene voortdurende waakzaamheid en aanhoudenden strijd mogelijk is. Tot de zuiverheid des harten wordt bovendien gevorderd, dat het met heilige, Gode welbehagelijke gevoelens, begeerten en besluiten vervuld zij. Het hart mag niet gelijk zijn aan een vat, dat wel van buiten en binnen zuiver, maar ledig is; het moet ook met den zuiversten balsem van heilige liefde gevuld zijn.
Aan deze zuiverheid des harten hechten de kinderen der wereld geene waarde. Tevreden met eene uitwendige, schijnbare reinheid en trotsch daarop, verwaarloozen zij de inwendige, en verdienen dikwerf het verwijt, hetwelk de goddelijke Heiland den schijnheiligen Phanseën deed, als Hij tot hen sprak: „wee u. Schriftgeleerden en Phariseën, „schijnheiligen! want gij reinigt het buitenste des drink-„bekers en des schotels, maar van binnen zijt gij vol roof „en onreinheid. Gij, blinde Pharisèër! maak eerst rein „het inwendige van beker en schotel, opdat het uitwendige
katholiek Christen en had een godvruchtigen Priester tot vriend. Op zekeren dag reed deze door het dorp, waar de overste woonde. Eene inwendige stem zeide hem: «Stijg af en bezoek uwen vriend.quot; Hij sloeg de gedachte in den wind, omdat hij geen tijd wilde verliezen. Voor de tweede, voor de derde maal liet zich de vorige stem hooren; «Bezoek den overste.quot; Hij gaf eindelijk toe, liet stilhouden, en ging in het huis en in de kamer van zijn vriend. ,/Ach, gij komt juist te gepasten tijde!quot; riep deze uit, als hij den priester zag binnenkomen. «.Mijne vroüw, die, zooals gij weet, «■protestant is, licht te sterven; zij zal uwen bijstand niet van de „hand wijzen, hoop ik,quot; Het was inderdaad zoo. De zieke gaf aan de stem der genade gehoor. Zij zwoer de dwaling af, sprak eene biecht van geheel haar leven, ontving de H. absolutie en stierf als een in het laatste uur door de. liclde van Jesus gevonden schaapje. Wat men na den doud van deze edelmoedige dame vernam, geeft ons eenig licht, waardoor zij deze buitengewone genade in zekere naate had verdiend, üit het dagboek der ontslapene bleek, dat zij zich tot regel had gesteld. geen dag van haar leven te laten voorbijgaan, zonder eenig werk van barmhartigheid te verrichten, en de dagelijksche opteekeningen bewezen, dat zij het voornemen van haar liefdevol hart met onverbroken trouw had vervuld. De edele vrouw was barmhartig geweest in haar leven, en de Heer was barmhartig jegens haar bij het sterven, en liet haar door de hemelpoort van barmhartigheid ingaan tot de eeuwige vreusde (Tezelfder plaatse).
618
„rein worde....... Van buiten schijnt gij wel den menschen
„rechtvaardig, maar van binnen zijt gij vol geveinsdheid „en boosheidquot; (Matth. XXIII, 25—28), De leerling en navolger van Christus herinnert zich altijd de woorden van zijn goddelijken Leeraar, het volmaaktste toonbeeld van zuiverheid, en met allen ijver legt hij er zich op toe, die reinheid te verkrijgen. Daarvoor zal hem dan ook het heerlijke loon geworden, dat de Heiland belooft aan degenen, die een zuiver hart hebben. Hij zal bij uitstek geschikt zijn, God in de zichtbare dingen als in een spiegel te aanschouwen , Hem te zien in het hooger licht van het christelijk geloof, daar God zich aan een zuiver hart soms openbaart (Joan. XIV, 21), gelijk het beeld der zon zich in eene heldere beek afspiegelt;1) hij zal, wanneer de dag
\') Hoe God zich aan de zuivere zielen in het gebed openbaart, hoe Hij door hoogere verlichting haar in zekere mate in de diepte zijner geheimen inleidt, hoe Hij haar hart met een hemelschen, nooit ver-doovenden liefdegloed vervalt, het met eene wonderkracht tot Zich trekt en boeit, daarvan is reeds boven melding gemaakt. De Heer gaat in zijne liefde tot hen , die zuiver van harte zijn, somtijds zoo ver, dat Hij, gelijk weleer met onze onschuldige stamouders, met hen in zichtbare gedaante op eene onbeschrijfelijk liefderijke en ver-trouwvolle wijze verkeert en zich naar hen, gelijk een vader naar zijne kinderen of gelijk een teederminnend vriend naar zijnen vriend, schikt. De levensgeschiedenis der Heiligen is rijk aan dergelijke feiten. Den H. Stanislaus Kostka verscheen de allerheiligste Maagd en legde hem haar goddelijk kind aan het hart en tot omhelzing op de armtn; dezelfde gunst viel ook den H. Antonius van Padua ten deel. Ae.n andere dienaars eu dienaressen van God toonde Jesus zich met het zware kruis beladen of aan het kruis hangende, en weder aan anderen in den glorievollen staat van verheerlijking. — De zalige Osanna Andreasi van de derde orde van den H Oominicns, in het jaar 1449 geboren, verhaalt zelve het volgende voorval van goddelijke begunstiging, welke haar, toen zij nog een kind was, ten deel is gevallen, //üadat ik langen tijd God gesmeekt had, verscheen mij de Heer, ,/de eenig ware Vertrooster, in de gedaante van een kind, helderder /;dan de zon, een hemelschen geur verspreidende, zeer beminnens-„waardig en vol genade. Zijne oogea waren geheel liefde; Hij had ,/Ze met eene liefdevolle uitdrukking op mij gericht en Hij trok mijne y/ziel, welke Hem in eene onuitsprekelijke aanschouwing zag, sterk «tot zich. Hij verscheen geheel eerbiedwaardig; een weinig gekruld ;/haar, schitterend als goud. golfde om zijn hoofd, waarop een zeer //Stekelige doornenkroon gedrukt was, maar op den schouder lag een //kruis, veel grooter dan Hij zelf. Als ik Hem zoo zag, wendde Hij, //zachtjes wenkend, zijn oog tot mij en zeide: //Dochter en bemrnde //ziel. Ik ben de Zoon der H. Maagd Maria en uw Schepper; altijd //heb Ik de kleinen bemind en ze gaarne rondom Mij gehad, omdat //in hen geene vlek is. Zuivere maagden neem Ik ook gaarne tot /,mijne bruiden aan en bewaar ze in hare heilige zuiverheid. En ,wanneer zij roepen: o goede Jesus! antwoord Ik haar terstond en //ben bij haar; en is ééne van deze bevreesd, dan spreek Ik tot haar: «wat wilt gij, beminde ziel! weet gij niet, dat Ik de almachtige God //ben en bij u blijf, elk kwaad van u afwerend?... Daarom vrees vtoch uiet;\'blijf volharden in mijne liefde, dan zal ook Ik steeds bij
619
der eeuwige vergelding aanbreekt en de sluier des tgds wordt weggenomen, met het oog van zijnen zuiveren geest den Allerzuiverste „aanschouwen van aanschijn tot aanschijnquot; (1. Cor. XIII, 12).
7) „Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen kinderen „Gods genoemd worden.quot;
Vreedzamen zijn degenen, die met God en hunneneven-naaste in vrede leven en, zooveel zij vermogen, er op uit zijn, ook anderen, die met God of onder elkander in vijandschap leven, door den band der liefde en vriendschap wederom te vereenigen. De vreedzame mensch schat den vrede hoog, tracht dien te bewaren en, als hij verbroken is, te herstellen ; gaarne doet hij afstand van vele rechten en voor-deelen, als het er op aankomt den vrede met anderen te bewaren of strijdende partijen tot eensgezindheid te brengen. — Terwijl de wereld den vrede niet heeft noch geven kan, dien zelfs niet weet te schatten; terwijl zij hare lofspraak verspilt aan hen, die gansche volken eu landen verdeeld maken en in bloedige oorlogen honderdduizenden ter slachtbank voeren; terwijl de wereld de vreedzamen bespot en veracht, prijst Christus hen zalig en zegt van hen, dat zij „kinderen Godsquot; zullen genoemd worden, d, i. kinderen Gods zijn en als zoodanig het hemelrijk als erfgoed bezitten. De vreedzamen heeten eu zijn bij uitnemendheid kinderen Gods om de sprekende gelijkenis, welke zij met hunnen Vader in den hemel, met den „God des vredesquot; (Rom. XV, 33) hebben; desgelijks om hunne gelijkenis met Jesus Christus „den Vorst des vredes,quot; bij wiens geboorte de Engelen den menschen van goeden wille vrede toej ubel-den; met Jesus Christus, „die kwam en ons den vrede „verkondigdequot; (Eph. II, 17), ^die door zijn bloed, aan „het kruis vergoten, vrede gesticht heeft,quot; den hemel met de aarde verzoenende (Col. I, 20). \')
«tl blijven, en wanneer gij u soms alleen bevindt, dan zal toch mijne genade niet van u wijken.quot; — Na deze toespraak verdween de Heer, en zijne dienares gevoelde zich buitengewoon getroost. Van dat oogenblik af was zij er alleen op uit, den Bruidegom van hare ziel te dienen en te behagen; haar hart klopte, als zij aan Hem dacht, en zij werd meer en meer versterkt door het onophoudelijk verkeer met den Beminde, die zich nog dikwijls gewaardigde, haar troostvolle verschijningen te geven (Bolland. Levensgeschiedenis der Zalige 18 Juni).
\') In het Bisdom Brescia was tusschen twee voorname familiün eene hevige vijandschap ontstaan. Zij bereikte het toppunt van verbittering, toen de ééne partij aan een edelen jongeling der andere familie een wreeden moord pleegde. De moeder van den vermoorde, eene weduwe van een mannelijken geest en vurig karakter, was op eene bloedige wraak bedacht. \'Het gebeurde nu, dat Paulus Segneri, een der uit-
620
8) „Zalig zijn zij, die vervolging lijden om de gerech-„tigheid, want hun is het rijk der hemelen.quot;
Ook hier is de wereld in de grootste tegenspraak met Christus, den Leeraar aller wijsheid. De wereld noemt hen gelukkig, die door huns gelijken geacht, hemind, gevierd, door hooggeplaatsten begunstigd, eerambten bekleeden en met de volheid van tijdelijke goederen voorzien zijn; Christus daarentegen prijst diegenen zalig, die door hunne medemenschen wel niet om eenige wettige reden, maar om de gerechtigheid ,• om de beoefening der christelijke deugden vervolgd worden. „Zalig zijn zij,quot; spreekt Hij, „die ver-„volging lijden om de gerechtigheid,quot; en: „zalig zijt gij, „als men u zal schelden en vervolgen, en u lasterende, „alle kwaad tegen u zal spreken , om Mij quot; d. i. omdat gij mijne dienaars, mijne navolgers zijt, omdat gij mijne geboden onderhoudt. — En gelijk bij de overige zalig-prijzingen, geeft de Heiland ook bij deze de groote belooning als beweegreden aan, die ons moet aansporen, oprecht te verlangen, dat het ons moge vergund worden, om wille der gerechtigheid vervolging, marteling en dood te ondergaan. „Verblijdt u en juicht,\'\' voegt de Heiland er hij, „want uw loon is groot in den hemel;quot; uw loon is het hemelrijk, is de deelname aan mijne heerlijkheid in eene des te hoogere mate, naargelang het lijden en de ver-
muntendste kanselredenaars van Italië, in de nabijheid eene missie gaf. God beschikte het zoo, dat de genoemde dame de preek over de verzoening bijwoonde. Zij werd daardoor zoo sterk getrofl\'en, dat zij zich nog denzelfden dag uit eigen beweging met haar geheele gevolg naar het huis van den beleediger begaf, om hem vergeving aau te bieden. Zoowel de beleediger als zijne ouders waren afwezig en de grootmoedige dame keerde onverrichter zake, maar met den vrede in het hart, naar haar paleis terug. Spoedig daarop kwam echter de moordenaar van haren zuon, door zijnen vader zeiven vergezeld, bij haar, om van zijnen kant vergeving te smeeken. De vader wierp zijn zuon in tegenwoordigheid der edelmoedige dame een koord om den hals. liet hem voor haar nederknielen en sprak tot haar; //Ziedaar aan /,uwe voeten mijn rouwmoedigen en vernederden zoon, doe mei hem, /,wat u tot boeting der misdaad goeddunkt!quot; De edelmoedigeviouw naderde nu vriendelijk den moordenaar van haren zoon, deed hem het koord van den hals, richtte hem op en bood hem de hand ter verzoening, terwijl zij sprak; //Dit zal strekken, om mijn overleden //kind de woonplaats der Zaligen te doen binnengaan.quot; Na dit roerend schouwspel begaven zich allen ter kerk, teneinde door c.e vereering van het kruis de verzoening te bevestigen, en het volk toonde zijne vreugde over deze edelmoedige daad door het gelui van alle klokken en een jubelzang 4Te Deum.quot; (Uit het leven van Paulus Segneri door Massai). — Hoe aangenaam zullen deze toonen van heilige vreugde tot in het hart dier vreedzame dame zijn doorgedrongen ; hoe vol vertrouwen mocht zij in dat plechtig oogenblik tot God opzien, opzien tot den Vader in Oen hemel, wiens waardig kind zij zich door zulk eene edelmoedige vredelievendheid getoond had.
621
volgingen grooter waren, welke gij om mijnen naam hebt doorgestaan. Welk een gevoel van zaligheid zal op den dag des oordeels de onrechtvaardig vervolgden overstroomen, als Jesus, de goddelijke Rechter, tot hen, gelijk eenmaal tot zijne leerlingen, spreken zal: gij zijt het, die met Mij, om mijnentwil wederwaardigheden verdragen hebt, „daar-„om heb ik u het rijk bereid, gelijk mijn Yader het mij „bereid heeft, dat gij eet en drinkt aan mijne tafel in mijn ,irijk!quot; (Luc. XXI, 28—^0). En toch is dit slechts de eerste druppel uit dien stroom van zaligheid, welke hun eeuwig en in alle volheid zal toevloeien. \')
\') Als de H. Franciscus van Assisië eens met Broeder Leo, bij strenge koude, van Perugia naar zijn klooster, Maria der Engelen, terugkeerde, sprak hij tot zijnen gezel: j-Uroeder Leo, als onze //Ordesgezellen, de Minder-broeders, aan de geheele wereld eenschit-vterend voorbeeld gaven, als zij aan de blinden het gezicht, aan de ,/Stommen de spraak terug schonken, als zij de duivelen uitdreven, en z/de dooden na vier dagen weder opwekten, wanneer zij alle talen en //wetenschappen kenden, als zij de gaven van wijsheid en van onder-z/Scheiding der geesten bezaten, als zij de taal der Engelen spraken //en alle ongeloovige volkeren tot het christelijk geloof bekeerden, //dan zou de vreugde daarover nog niet volmaakte vreugde zijn.quot; Toen zeide Broeder Leo met verbazing; //Vader, ik vraag u in den //naam van God, waar is dan volmaakte vreugde?quot; Hierop hernam Franciscus, de dienaar Gods: //Als wij doornat van den regen, met „slijk bedekt, van koude verkleumd en ■ door ^honger uitgeputte /,St Maria der Engelen aankomen; als wij aan de poort kloppen en ïde portier vraagt; wie zijt gij? als wij antwoorden: twee uwer (/Broeders, en hij nu zegt. gij liegt, gij zijt twee deugnieten, twee //landloopers, die op de wereld ronddwaalt en de aalmoes aan de „wezenlijke armen ontsteelt; als hij ons gedurende den nacht in „sneeuw en vorst voor de poort laat staan, en wij deze mishandeling /met geduld, zonder inwendige onrust en gemor verdragen, als wij „in ootmoed en liefde bedenken, dat de portier ons wel herkent en „alleen door eene beschikking of toelating Gods zoo jegens ons handelt, „dat is volmaakte vreugde. En als wij voortgaan met kloppen, en „do portier buitenkomt, ons duchtige slagen geeft en toeroept; wilt „gij u quot;spoedig van hier wegmaken, gij dagdieven! gaat naar het „hospitaal, hier is niets voor u te eten; als wij dit alles geduldig „verdragen, het hem van ganscher harte en in minzame liefde ver-„geven, dat, Leo, is de volmaakte vreugde. Wanneer ons eindelijk „in den uitersten nood de honger, de koude en de vorst dwingen „onder weenen en klagen, dringender om de opneming in het klooster „te verzoeken, en de portier gramstorig met een grooten stok naar buiten komt, ons hard aangrijpt, in de sneeuw werpt en zoo hevig „slaat, dat wij aan het geheele lichaam vol wonden zijn; als wij dit ,alles met vreugde verdragen, denkende, dat wij aan het lijden van „onzen gezegenden Heer Jesus Christus deelnemen — o mijn broeder, ./geloof mij, dat is volmaakte vreugde en zaligheid. VVant onder „alle gaven en genaden des H. Geestes, welke de Heiland zijnen „vrienden schenkt, is de voortreffelijkste, zich zeiven te overwinnen „en gewillig ongemak, onrecht, versmading en tegenspoed uit liefde „tot Jesus Christus te verdragenquot; (Bloementuin van Franciscus, en Chavin van Malan in het leven des Heiligen).
622
Welke middelen moet ieder Christen, van welken Hand hij ook zij, aanwenden, om tot de volmaaktheid te komen?
Hij moet 1) gaarne bidden, vlijtig liet woord Gods aan-hooren en dikwijls de Hïï. Sacramenten ontvangen; 2) zich zeiven standvastig overwinnen en verloochenen ; 3) zijne handelingen in staat van genade en op eene Gode welgevallige wijze verrichten.
Tot de vereeniging met God, d. i. tot de christelijke volmaaktheid, leidt vooral het gebed en de aandachtige overwearing van hemelsche dingen, eveneens het aanhooren van Gods woord, de geestelijke lezing, het meermalen ontvangen der HH. Sacramenten van Boetvaardigheid en des Altaars, dewijl door het gebruik dezer heilmiddelen talrijke genaden verkregen worden, en de liefde in het hart meer en meer ontvlamd wordt. Verder draagt ter bereiking van hetzelfde doel zeer veel bij de aanhoudende overwinning van zich zeiven, waardoor de hinderpalen, welke van den kant onzer verkeerde neigingen de vereeniging met God beletten , verzwakt en weggeruimd worden; desgelijks de goede raeening bij het verrichten van de gewone handelingen des dagelijkschen levens, dewijl daardoor de volmaaktheid voortdurend geoefend wordt, en juist door die oefening met eiken dag onze deugd opnieuw toeneemt.
1) Het gebed is voor eiken Christen in veelvuldig opzicht een voortreffelijk middel om tot de volmaaktheid volgens zijnen staat te komen. Door het gebed verkrijgt al wie naar de volmaaktheid streeft de daartoe noodige genaden van verlichting, opwekking, versterking en volharding; door het gebed, voornamelijk door het overwegend gebed, wordt het heilige vuur der liefde tot God meer en meer ontstoken, en eene onbeschrijfelijke innige vereeniging, een geheimvol huwelijk door de ziel met God, haren eenig Geliefde, voltrokken; door het gebed wordt het onderhoud van den Christen geheel hemelsch, zijn levenswandel een gestadig zijn en werken in Gods tegenwoordigheid, eene bestendige, uit liefde ontspringende en liefde voortbrengende vereeniging met Hem, in zekeren zin eene hervorming in Hem, den Geliefde, welke tot de innigste levensgemeenschap met Hem voert en den biddende recht geeft, met den Apostel uit te roepen; „Ik leef, doch niet ik, maar (de God mijns harten) „Christus leeft in mij.quot; Daarom hechtten ook de Heiligen van alle tijden eene zoo groote waarde aan het gebed; daarom hielden allen zich gaarne en zoo aanhoudend met het gebed en de overweging van
623
goddelijke dingen bezig; daarom was van oudsher de ijver in het gehed zoowel een kenteeken als eene vrucht van toenemende heiligheid. Niets was in staat, de Heiligen van het gebed af te houden: noch de omstandigheden destijds, noch de ongemakkelijkheid der plaats, noch de menigte van bezigheden, ambten en beroepszaken, noch de lange duur en de smarten der ziekte, .Esther bad op haren koninklijken troon; Daniël bad te midden der vraatzuchtige leeuwen; Paulus bad in de boeien, welke hij om den naam van Jesus droeg; Joseph, de voedstervader van onzen Heer, bad in de armoedige werkplaats; Isidorus bad bij zijn werk op het veld, Genoveva, de vrome herderin, terwiil zij hare kudde weidde. Wilt ook gij, Christen, heilig en volmaakt worden, doe dan, geliik de Heiligen gedaan hebben. Bid in de kerk, bid te huis, bid op het veld, bid in de stad, bid waar gij staat en gaat, wandel altijd in Gods tegenwoordigheid, en gij zult volmaakt wezen. Verontschuldig u niet door menigvuldige en verstrooiende bezigheden van uw beroep. Mozes was wetgever en aanvoerder; David was koning van een talrijk, veel-bevochten, machtig volk; Judas de Machabeër was in strijd vol le dagen veldheer, bestuurder en bestrijder van zijn volk; en Mozes, David en Judas vonden niettemin tijd tot een herhaald en aanhoudend gebed. Daartoe zijn niet vele woorden noodig, maar eene herhaalde verheffing des gemoeds tot God en een oprechte wil, om in alles, wat wij doen en laten, God te verheerlijken. Zoo wordt het geheele leven een gebed.
Het aanhooren van het goddelijk woord of, vooral als de gelegenheid daartoe ontbreekt, ook de geestelijke lezing bevordert eveneens het streven naar de christelijke volmaaktheid Het goddelijk woord verlicht het verstand van den Christen, stelt hem de grootheid, schoonheid en beminnenswaardigheid van God, de verhevenheid en onvergankelijkheid der hemelsche goederen voor oogen, ontsteekt in zijn hart eene vurige en brandende liefde tot die goederen en tot God, het hoogsie, oneindige goed, den oorsprong aller waardigheid, schoonheid en volmaaktheid: het goddelijke woord zet hem aan, met heilige verrukking-elk offer te brengen, teneinde de onwaardeerbare parel der volmaaktheid te verwerven. — Het aanhooren van het goddelijk woord bewoog den H. Kluizenaar Antonius om de wereld te verlaten en in de schrikwekkende woestijn van Thebe naar de hoogste volmaaktheid te streven: het aanhooren van het goddelijk woord deed den H. Franciscus van Assisië besluiten, om alles te verkoopen , en zich tot de
624
armoede te verbinden; door het aanhooren en het lezen van Gods woord werd de H. Augustinus in plaats van een ijdelen , aan het genot overgegeven voorstander der wereld een zielenherder volgens Gods hart, een onvermoeid ij veraar voorde eer van God, een der schoonste sieraden van de H. Kerk. Mochten wij geringen voortgang op den weg der volmaaktheid overeenkomstig onzen staat maken, laat ons toezien, of niet de reden hiervan is de geringe ijver, waarmede wij het woord Gods aanhooren of lezen. (Verg. 3. gebod Gods en 2. gebod der Kerk.) — Wat echter den Christen op den weg der volmaaktheid het meeste helpt, is zonder hei dihoijls ontvangen der ////. Sacramenten van Boetvaardigheid en des Altaars. Door het H. Sacrament der biecht wordt niet alleen de zonde, dé voornaamste hinderpaal onzer vereeniging met God, weggenomen , maar wordt ook de heiligmakende genade, bijgevolg de liefde tot God vermeerderd, en zoo de band der volmaaktheid al enger en enger toegehaald. In het H. Sacrament des Altaars heeft tusschen den menscbgeworden God en de ziel telkenmale eene zoo innige vereeniging plaats, dat geene menschelijke tong in staat is, die te beschrijven. — Wie dus in korten tijd een hoogen graad van volmaaktheid wil bereiken, bevlijtige zich vooral, naar het voorbeeld der eerste Christenen, „om in de leer der Apostelen, in de gemeenschap van , het breken des broods, in het gebed te volharden\'
(Hand. II, 42).
2) Een tweede middel, hetwelk ieder Christen, van welken stand hij ook zij, noodzakelijk moet aanwenden, om tot de christelijke volmaaktheid te geraken, is de standvastige verloochening van zich zeiven , welke met de standvastige overwinning van zich zeiven onafscheidelijk is vereenigd. — Wij verloochenen ons zelve, als wij geen acht slaan op de aanlokkende stem der in ons hart wonende kwade neigingen en hartstochten, op de inblazingen en verleidende opwellingen van hebzucht, van hoogmoed, van onzuiverheid, van gramschap, van nijd, enz.; als wij deze vijanden der goddelijke wet door de machtspreuk der rede en des geloofs tot zwijgen brengen, ze beheerschen en aan den wil Gods onderwerpen; als wij ons vele zaken ontzeggen, welke ons lief en aangenaam zijn en ook van geoorloofde zaken ons berooven, opdat wij ons van ongeoorloofde des te gemakkelijker zouden onthouden. Deze niet slechts nu en dan, maar standvastig beoefende zelfverloochening , waartoe men met zonder een moeielijken strijd, zonder eene menigvuldige overwinning van zich zeiven komt, dat bezwaarlijk kruisdragen, waartoe de
625
Heiland allen uitnoodigt met de woorden; „die na Mij „komen wil, hij verloochene zich zei ven en neme zijn „kruis op en volge Mijquot; (Luc. IX, 23); dat voortdurend afsterven van zich zeiven is voor den Christen zoo noodzakelijk, dat hij zonder dat met eens leerling, laat staan een volmaakt leerling en navolger van den Heiland zijn kan. Christus zelf toch zegt: „wie zijn kruis niet draagt „en Mii niet navolgt, hij kan miin Jeerling niet wezenquot; (Luc. XIV: 27). — De volmaaktheid is onbereikbaar voor hem, die zich zeiven niet verloochent, die niet dag op dag tegen zijne verkeerde neigingen, namelijk tegen zijn eigen wil, te velde trekt en dien overwint, omdat zonder dien strijd de geest des gebeds niet kan aanwezig zijn noch bereikt worden. En in waarheid, hoe zoude hij kunnen hopen, met behoorlijke aandacht en tegenwoordigheid van geest te bidden, die aan zijne zintuigen, aan zijne verbeeldingskracht en aan de lusten zijns harten, al zij het ook niet in ongeoorloofde dingen, den vrijen loop geeft? Zal hij niet aan ontelbare verstrooiingen, vreemdsoortige neigingen, wenschen en begeerten in het pebed toegeven ? Onmogelijk kan eene met duizenderlei gedachten en voorstellingen vervulde en door de bekoorlijkheid der schepselen gekluisterde ziel tot een vertrouwelijken omgang met God, tot eene innige vereeniging met Hem geraken. Het lijdt evenmin twijfel, dat hij, die zich in geoorloofde dingen niets weigert, een niet gering gevaar loopt, van , doorzijn eigen wil geleid, op het gladde, afhellende pad der natuurlijke neigingen voortwandelende, vroeg of laat zelfs diep, zeer diep te valien. Want wie in alle geoorloofde dingen zijne lusten inwilligt, is gelijk aan een mensch, die eene steile berghelling afglijdt met het voornemen, om, zoodra hij een afgrond of kuil ziet, oogenblikkelijk te blijven staan. Vandaar leert de H. Gregorius (Mor. B. V; hfdst. 6) zeer juist: „Hij alleen zal niet misdoen „in ongeoorloofde dingen, die zich somtijds ook in geoorloofde zaken voorzichtig weet te beperken.\'\' Deze waarheid ligt overigens zoo diep in den aard der zaak en wordt door de ondervinding zoo menigvuldig bevestigd, dat zij zelfs den heidenschen wijsgeeren niet onbekend was, gelijk uit zekere plaats bij Plutarchus blijkbaar is. „Hij kan zich van schadelijke en dwaze genoegens niet „verwijderd houden,quot; zegt de genoemde wijsgeer, „die „niet te voren dikwijls een geoorloofd genot veracht „heeft.quot; — Van den anderen kant ook zal hij des te gemakkelijker het ongeoorloofde zich ontzeggen, die aan zijne natuurlijke neigingen herhaaldelijk het geoorloofde
DEHAEBE, G ELOOMI-EEH. III. 3de DRUK. AQ
626
genot weigert of door oefeningen van versterving er zich tegen verzet. \')
3) Het derde middel, om in de christelijke volmaaktheid snelle vorderingen te maken, bestaat daarin, dat men zijne gewone, dagelijksche handelingen in staat van genade en op eene Gode iehagelyke wijze verricht. Gelijk een wandelaar, die zich op den goeden weg bevindt, met elke schrede het doel zijner wandeling naderbij komt, zoo nadert ook de Christen, die in staat van genade, dus op den goeden weg tot de volmaaktheid zich bevindt, door elk Gode behagelijk werk dit verheven doel; want door elk dusdanig werk verwerft hij zich eene vermeerdering van de heiligmakende genade, en naarmate der genade neemt bij ook in inwendige heiligheid toe. En gelijk de reiziger zijn doel des te eerder bereikt, hoe spoediger zijne schreden op elkander volgen en hoe grooter deze zijn , eveneens zal ook hij ,• die op den weg der deugd wandelt, des te sneller het hem voorgestelde doel der volmaaktheid bereiken, hoe meer goede werken hij doet, hoe voortreffelijker deze zijn, en hoe meer hij die op eene Gode welgevallige wijze verricht. Biedt zich de gelegenheid somtijds aan, dat de Christen heldhaftige werken, als het ware reuzenschreden tot de volmaaktheid doen kan, toch is deze gelegenheid betrekkelijk zeldzaam, en het kleinste getal zou tot volmaaktheid komen, wilde men alleen met zulke reuzenschreden, als springende, de volmaaktheid bereiken. Veel menigvuldiger zijn echter de gelegenheden, om minder opvallende, gewone, alledaagsche
\') De H. Franoiscus Borgia was gewoon de deugd af te meten naar den graad van versterving. Wanneer hij iemand wegens zijne verheven bespiegeling hoorde prijzen, maakte hij gewoonlijk de opmerking : «als hij verstorven is, dan is hij een Heilige; is hij zeer „verstorven, dan is hij een groot Heilige.quot; — Hij was zelf een volmaakt voorbeeld van versterving. Reeds voor hij, getroffen door het zien van het in vertering overgegane lijk zijner meesteres, de keizerin Isabella, der wereld had vaarwel gezegd, ten tijde dat hij zich nog aan het hof van Karei V ophield , beoefende hij niet alleen de voor iederen Christen noodzakelijke versterving, maar wist ook zijne geoorloofde genoegens met den myrrhe van zelfverloochening te vermengen. Zijne liefste uitspanning was de valkenjacht; maar ook daarbij was de versterving zijne voortdurende gezellin. „Dikwijls zoo sprak eens de dienaar Gods vertrouwelijk tot den leidsman zijner ziel, „dikwijls, als de valk, boven zijnen buit schreeuwende, op „het punt stond met bliksemsnelheid er op neer te vallen , sloeg ik „de oogen neder en benam ze het genoegen, waarvoor ik zooveel „gedaan had, waarnaar ik soms den geheelen dag zocht.quot; Dergelijke verstervingen verdienen des te meer aanbeveling, omdat zich bij elke schrede gelegenheid daartoe aanbiedt, en zij zonder de gezondheid en de krachten des lichaams te verzwakken, aan de ziel eene wonderbare kracht tot verloochening van den wil en tot volmaakte vervulling van den goddelijken wil mededeelen.
627
goede werken te verrichten; wie dus deze handelingen op eene Gode behagelijke wijze volbrengt, zal eiken dag een goed eind van den weg afleggen, en, dikwijls tegen alle verwachting in, spoedig tot het doel, de christelijke volmaaktheid , geraken.
Eenige wenken dienaangaande kunnen niet dan nuttig wezen. Onze dagelijksche handelingen zullen des te meer Gode behagen, naarmate zij meer gelijkvormig zijn met die, welke wij in het leven van den goddelijken Heiland ontmoeten , daar het zeker is, dat Jesus, het voorbeeld aller volmaaktheid, ook de meest gewone en nietigste handelingen op de allervolmaaktste, zijnen goddelijken Vader meest welgevallige wijze verrichtte. Wij moeten ons dus levendig voorstellen, hoe Jesus Christus de dagelijksche handelingen heeft verricht, en ons beijveren, om Hem uit liefde na te volgen. — Verplaatsen wij ons in den geest in het huis van Nazareth, waar Jesus met zijne gezegende Moeder en den H. Joseph dertig jaren leefde, en beschouwen wij\'Hem van het oogenblik van zijn ontwaken tot het uur van slapen gaan; vergezellen wij Hem in de werkplaats, waar Hij zgn H. Voedstervader bij den geringsten, zwaarsten arbeid van een timmerman onverdroten hulp leent; beschouwen wij in den geest, met welken ijver, en duur de Schepper en Bestuurder van hemel en aarde bijl en zaag hanteert; hoe verheugd en bereidwillig Hij zijne heilige Moeder in de verzorging van het kleine huishouden bijstaat. Werpen wij vervolgens ook een doorvorschenden blik in zijn goddelgk hart, om te zien, met welke zuivere, heilige bedoeling Jesus al zijne bezigheden verrichtte, hoe dikwijls en hoe vurig Hij ten allen tijde oog en hart tot zijnen Vader in den hemel verhief, hoe Hij Hem al deze geringschijnende werken met het vurigste verlangen, om \'s Vaders eer en het heil der menschen te bevorderen, met liefde opofferde, hoe Hij in de volkomen vervulling van den allerheiligsten, vaderlijken wil zijn hoogst en eenig genoegen vond, — Blijven wij echter bij deze godvruchtige voorstellingen en overwegingen niet staan, maar beijveren wij ons, aangedreven door eene heilige liefde, in het gewone leven, in onze dagelijksche handelingen ons naar dit godmenschelijk voorbeeld te regelen; laten wij ook ijverig zijn in den arbeid, welke ons door stand en beroep wordt aangewezen; beginnen wij alles met het doel, om God te behagen, en vernieuwen wij in den loop van den dag dikwijls die heilige meening; vereenigen wij onze moeielijkheden en inspanning met die van den Heiland en offeren wij onze verdiensten in vereeniging met zijne oneindige verdiensten den hemelsehen Vader op
628
opdat Gods genade des te overvloediger in ons hart neder-dale. Dit is onbetwistbaar voor alle Christenen de gemakke-lijkste en zekerste weg, om in korten tijd een hoogen graad van volmaaktheid te bereiken.
Op deze wijze kunnen ook onverschillige handelingen, zooals het nemen van den maaltijd, van uitspanning, van gezellig verkeer met den evenmensch, eene rijke bron van verdiensten, dus ook eene bron van nieuwe genaden en hoogere volmaaktheid worden. Van den godvruchtigen jongeling Joannes Berchmans lezen wij niet, dat hij buitengewone zaken gedaan, dat hij strengheden beoefend heeft, waarvoor onze gevoelige natuur terugdeinst; niettemin verwierf hij zich in jeugdigen leeftijd (hij stierf in zijn 23ste jaar) eene groote volmaaktheid, omdat hij het geregelde en gewone met eene buitengewone liefde en op eene buitengewoon volmaakte wijze verrichtte. Het oordeel, waardoor de Koomsche Stoel in het jaar 1843 den heldhaftigen graad der goddelijke en zedelijke deugden van den genoemden dienaar Gods als bewezen vaststelde, laat aangaande het gezegde niet den minsten twijfel.
Zal de maaltijd een Gode behagelijk en verdienstelijk werk zgn, dan mag de Christen niet verzuimen dien met het gebed te beginnen en te eindigen; desgeliiks moet hij daarbij matig en ingetogen wezen. — De godvruchtige, in onze verlichte dagen, helaas! al te menigvuldig versmade of uit menschelijk opzicht verzuimde gewoonte van voor en na den maaltijd te bidden, dagteekent van de vroegste christeneeuwen. Reeds Tertulliaan maakt er in zijn verdedigingsgeschrift gewag van. „Men plaatse zich niet aan
„tafel, dan nadat men eerst tot God heeft gebeden.....
„Evenzoo zij ook het gebed het einde van den maaltijd.quot;\' Dit aloude christelijke gebruik heeft zijn grond in de verhouding van den mensch tot God, die aan allen, die op Hem hopen, voeding geeft te rechten tijde. Yóor den maaltijd bidt de ijverige Christen om den zegen over de voorgestelde spijzen, als ook om de genade, bij het gebruik er van de juiste maat niet te overschrijden; na den maaltijd dankt hij den hemelschen Gever voor het genoten voedsel en voor al het goede, hetwelk hij van zijne vaderlijke hand heeft ontvangen. En wat kan er inderdaad billijker en plichtmatiger wezen dan deze dankzegging? Wij immers verlangen ook, dat de armen, die de kruimelen van onze tafel ontvangen, daarvoor ons hunnen dank brengen ; hoeveel te meer zijn wij dan verplicht, dit te doen jegens God, die ons niet den afval van den maaltijd overlaat, maar het geheele maal bereidt? De goddelijke Wet-
629
gever zelf nocdigt zijn uitverkoren volk uit. voor het overvloedige voedsel in het beloofde land dankbaar te wezen (5. Mos. VIII, 10); hoeveel te dringender moet deze verplichting dan voor den Christen zijn, die het voorbeeld voor oogen heeft van Jesus Christus; die zijnen Heiland bij het laatste Avondmaal en bij verscheidene andere gelegenheden, voor het gebruik van spijs en drank den zegen en daarna den lofzang ziet spreken; wien door den mond van den Apostel wordt geleerd, om de spijzen, welke God heeft geschapen, met dankzegging te gebruiken? (1 Tim. IV. 3j. — Onder den maaltijd zelven moet de Christen de deugd van matigheid beoefenen: hij moet, gelijk reeds vroeger getoond is, van spijs en drank niet meer gebruiken, dan, volgens goddelijke beschikking, tot onderhouding en vernieuwing der lichamelijke krachten noodig of dienstig is. Eindelijk moet de Christen bij den maaltijd zich zoo gedragen, als het een leerling van den Zaligmaker betaamt, en bijgevolg alle oningetogenheid, uitgelatenheid en oneerbaarheid zorgvuldig vermijden, opdat hij niet, terwijl hij de gave geniet, den Gever beleedige en zich verdere genaden onwaardig make.
Ook eene uitspanning mag de Christen zich veroorlooven. Zal deze echter een middel zijn, om in de deugd en liefde Gods toe te nemen, dan moet ze betamelijk zijn en te rechten tijde geschieden; verder moet men ze heiligen door eene goede meening en door de gedachte aan God, en mag men nimmer de grenzen der zedigheid te buiten gaan. — Over de uitspanningen, welke den Christen niet passen, werd bij het zesde gebod breedvoerig geiiandeld ; desgelijks is ook bij het derde gebod Gods op vele voor den Christen niet passende en ontijdige uitspanningen de aandacht gevestigd. Eene zaak moet hier nog opgemerkt worden, dat er menschen zijn, die zich nooit te reduen tijde ontspannen, omciat zij zich altijd ontspannen. Want uitspanning kan redelijker wijze slechts hem veroorloofd worden, die door een aanhoudenden, hetz.j lichamelijken, hetzij geestelijken arbeid, zijne krachten verzwakt, die, gelijk eene brandende lamp de uitgegoten olie, verbruikt heelt. Wie daarentegen zijne dagen in ledigheid en onophoudelijk in genoegens doorbrengt, hij heeft gewis geen recht op uitspanning: „wie „niet werken wil,quot; zegt de JH. Paulus (2. ïhess. 11,10), „hij moet ook niet eten,quot; en men kan met gegronde reden er bijvoegen, „hij moet zicli ook niet ontspannen,quot;\' daar bij deigelijken de uitspanning geen redelijk, veel minder een christelijk doel heelt. — Overigens kan de Christen de betamelijke en te rechten tijde genomen uitspanning heili-
630
gen, d. i. tot een Gode behagelijk werk maken, en hij doet dit werkelijk, wanneer hij daarbij eene goede meening heeft, en zich die uitspanning alleen veroorlooft, om zijne krachten tot een ijverigen en voortdurenden dienst van God te vernieuwen. Derhalve vermaant de Apostel de geloovi-gen; „hetzij gij eet of drinkt, of iets anders doet, doet „alles ter eere Godsquot; (1. Cor. X, 31). — Bij de uitspanning moet men vooral er op letten, dat daarbij de grenzen der zedigheid nooit worden overschreden, opdat niet de dag, welke met uitgelaten vreugde is begonnen, met droefheid en bittere smart over ontelbare zonden en misdaden eindige. Vandaar moet de Christen zich beijveren, bij geoorloofde uitspanningen en genoegens aan God te denken, om Hem, den heiligsten en zuiversten Opperheer, dooreen levendig geloof aan zijne alomtegenwoordigheid en alwetendheid steeds tot getuige zijner gedachten, woorden en werken te hebben. Een kind, hetwelk onder de oogen van zijnen vader en zijne moeder speelt, zal niet licht tegen de zedigheid zondigen; een Christen, die zich voor Gods aanschijn ontspant, nooit.
Tot de alledaagsche gelegenheden, om in de deugd en volmaaktheid voortgang te maken, behoort ook de omgang met den evenmensch. Zal het gezellig verkeer niet, geliik al te dikwijls geschiedt, eene bron van ontelbare fouten en gebreken worden, dan moet dit op eene waarlijk christelijke wijze, d. i. met de beginselen der rede en des geloofs overeenstemmend, plaats vinden. Daar, namelijk, het geloof ons in onzen evenmensch het kind en evenbeeld van God, den door het kostbaar bloed van den Zaligmaker vrij ge-kochten , tot het bezit van het hemelsche erfdeel, tot de aanschouwing Gods bestemden medebroeder doet kennen en beschouwen, zoo moeten wij in het gezellig verkeer jegens iedereen vriendelijk, welwillend, beleefd, deelnemend en voorkomend zyn , opdat wij niemand beleedigen , niemand op eenige wijze gelegenheid tot gegronde verontwaardiging geven. De H. Franciscus van Sales, die ons in dit opzicht als een uitmuntend voorbeeld steeds voor oogen moet zweven, schreef zich op de hoogeschool te Padua, ten aanzien van de wijze om met den evenmensch te verkeeren, den volgenden levensregel voor: „vooral zal „ik mij zorgvuldig wachten, andersn door bitse gezegden „of steekwoorden te hinderen, of mij ten koste van wieri „ook \'te vermaken. Ik zal eenieder achting beloonen , „jegens iedereen bescheiden zijn, niet veel, maar over „goede zaken spreken.quot; Franciscus beoefende dan ook op bizondere wijze de verdraagzaamheid; geduldig, toegevend
631
■wist hij de fouten en gebreken van den evenmensch te verdragen. Hij placht te zoggen: „het valt niet zwaar „den evenmensch/te beminnen, als hij vriendelijk en voor-„komend is: alle vliegen zetten zich op honig en suiker „neer; maar den naaste te beminnen, als hij gramstorig, „eigenzinnig, verdrietig is, is even onaangenaam als pillen „te slikken.quot; „O God!quot; roept hij in een zijner brieven uit, „wanneer zal de verdraagzaamheid in onze harten „wonen? Dit behoort mede tot de voortreffelijke lessen „dec Heiligen. Gelukkig wie het verstaat, verdraagzaam „te wezen! Dat is de proefsteen der christelijke naasten-„liefde.1\' — Bij het verkeer met den evenmensch is niet alleen welwillendheid en vriendelijkheid, maar ook groote voorzichtigheid noodzakelijk, opdat wij niet op eenige wijze tot het kwaad worden verleid. Dit was ook de reden, waarom de bovengenoemde Heilige het zich tot eene on verbreekbare wet stelde, „jegens iedereen vriende-„lijk, maar r^et weinigen vertrowvelyk te zijn.quot;
Zelfs het lijden en de wederwaardigheden, welke den Christen dagelijks treffen, worden eene mijn van hemelsche schatten van genade en een groot middel ter bevordering der volmaaktheid, als men ze op eene Gode behagelijke wijze verdraagt. Dit zal den mensch gelukken, als hij zich overtuigt, dat ze van God komen, als hij ze den Allerhoogste opoffert en Hem om de genade bidt er een goed gebruik van te maken. — Hoeveel de vaste overtuiging, dat alle lijden en wederwaardigheden beschikkingen en toelatingen van God zijn, tot een gemakkelijker of verdienstelijker verdragen daarvan bijdraagt, is reeds bij de leer over de goddelijke Voorzienigheid voldoende bewezen. Dan, in weerwil van die vaste overtuiging, valt het toch den Christen dikwijls zeer zwaar, de veelvuldige onaangenaamheden en moeielijkheden, welke elke dag in het openbaar leven met zich brengt, zonder ongeduld, kleinmoedigheid en ontsteltenis te verdragen. Hij heeft daartoe de goddelijke hulp noodig en voelt zich derhalve gedrongen, onophoudelijk God te bidden, dat Hij hem kracht en moed wil schenken, om zich het dagelijksche lijden en de wederwaardigheden ten nutte te maken, in vereeniging met het lijden van Christus Hem op te offeren, en zoo door vermeerdering der heilige liefde in de christelijke volmaaktheid toe te nemen, i)
\') Het ontbreekt niet aan lieden, die hunne onvolmaalitlieden en menigvuldige ongetroawheden in den dienst des Heeren verontschul-digeu met liet voorwendsel dat de huiselijke wederwaardigheden, de ontaardheden der kinderen de uitspattingen en ruwheden der dienst.
632
TOEPiSSING.
„Dien God, mijn zoon, met een volmaakt hart en met „een bereidvaardig gemoed; want alle harten doorgrondt „de Heer en alle gedachten der ziel kent Hij. Als gij „Hem zoekt, zult gij Hem vinden; als gij Hem echter
„verlaat, zal Hij u verwerpen in eeuwigheid..... Handel
manhaftig en moedig, vrees niet en schroom niet; want ,,de Heer zal met u wezen, en uiet van u. wijken, en u
boden en derg. het Imn onmogelijk maken , in de christelijke volmaaktheid te vorderen. Hoezeer dergelijke onvolmaakte Christenen zich bedriegen, bewijst het voorbeeld van de II. Godolcva van Vlaanderen. Godoleva werd óp het slot Longfort uit rijke, adellijke ouders geboren en aan een rijken en adellijken jongeling uit Vlaanderen, Bei tuilquot; genaamd, verloofd De dag van het huwelijk naderde en de adellijke bruid werd in het huis van haren bruidegom geleid. Tot hare grootste verbazing en smart moest Godoleva terstond bij hare komst daar ter plaatse ondervinden, dat de liefde en vriendschap van Bertulf door het aanzetten zijner moeder in afkeer was veranderd. Ue bruidegom gewaardigde zijne deugdzame, met alle voorrechten der natuur uitgeruste bruid niet eens een vriendelijken oogopslag en de schoonmoeder laakte in de onschuldige Godoleva alles, wat zij sprak of deed. Niettemin werden alle toebereidselen gemaakt en de bruiloft gehouden ; Bertulf liet zich echter maar zeer weinig zien en kon zijn inwendigen afkeer niet verbergen. Hij liet zijne gemalin eene, van de zijne afgezonderde woning aanwijzen en gaf te kennen, dat hij Godoleva niet meer kon of wilde zien, noch iets v.m haar hooren Godoleva, diep bedroefd en van alle menschen verlaten, nam hare toevlucht tot God in een ijverig gebed. Dag en nacht lag zij op de knieën en bad God, dat Hij het hart van Bertulf wilde verteed.=ren en hem eene christelijke huwelijksliefde schenken. God verhoorde haar
Sebed wel niet, gelijk zij verlangde, maar verleende haar de gens.de, dit uiselijk veidnet met een onoverwinnelijk geduld te verdragen. Om zijne vrome echlgenoote te kwellen en langzaam te dooden, gaf Bertulf aan een hardvochtigen bediende last, haar tot dageüjksch onderhoud alleen een stukje droog brood en een teug water te geven. De gewetenluoze dienaar kwam niet alleen het wreede bevel na, maar behandelde de godvreezende Godoleva op eene zoo grove en ontaarde wijze, als ware zij de verachtelijkste slavin. De christenheldin verdroeg dit alles zonder het minste teeken van verontwaardiging. Zij morde en klaagde nooit, noch over het onverantwoordelijk bevel van haren gemaal, nocli over de hardvochtige behandeling van den knecht; zij dankte en loofde veeleer God, dat Hij haar gelegenheid gaf, om veel te lijden. De schoonmoeder achtte deze wijze van sterven voor Godoleva al te langzaam; zij gaf daarom haren zoon den raad, zich spoediger van haar te ontdoen De zwaar bedrukte merkte dit roekeloos plan, en God gaf haar gelegenheid, om heimelijk naar hare ouders te ontvluchten. Deze nu wendden zich tot den graaf Balduin van Vlaanderen en tot den Bisschop van Nijmegen met de bede, dat zij Bertulf wegens zijn slecht gedrag zouden ondervragen en hem streng bevelen,ebed wel niet, gelijk zij verlangde, maar verleende haar de gens.de, dit uiselijk veidnet met een onoverwinnelijk geduld te verdragen. Om zijne vrome echlgenoote te kwellen en langzaam te dooden, gaf Bertulf aan een hardvochtigen bediende last, haar tot dageüjksch onderhoud alleen een stukje droog brood en een teug water te geven. De gewetenluoze dienaar kwam niet alleen het wreede bevel na, maar behandelde de godvreezende Godoleva op eene zoo grove en ontaarde wijze, als ware zij de verachtelijkste slavin. De christenheldin verdroeg dit alles zonder het minste teeken van verontwaardiging. Zij morde en klaagde nooit, noch over het onverantwoordelijk bevel van haren gemaal, nocli over de hardvochtige behandeling van den knecht; zij dankte en loofde veeleer God, dat Hij haar gelegenheid gaf, om veel te lijden. De schoonmoeder achtte deze wijze van sterven voor Godoleva al te langzaam; zij gaf daarom haren zoon den raad, zich spoediger van haar te ontdoen De zwaar bedrukte merkte dit roekeloos plan, en God gaf haar gelegenheid, om heimelijk naar hare ouders te ontvluchten. Deze nu wendden zich tot den graaf Balduin van Vlaanderen en tot den Bisschop van Nijmegen met de bede, dat zij Bertulf wegens zijn slecht gedrag zouden ondervragen en hem streng bevelen, zijne schuldelooze gemalin weder bij zich te nemen en haar voortaan geen leed meer aan te doen. Beiden trokken zich de zaak met ernst aan, en Bertulf huichelde berouw. Hij beloofde onder eede. niet alleen van zijne wreedheid af te zien, maar met Godoleva in \'t vervolg in liefde en eendracht te leven. Daarop keerde de dienares des Heeren bereidvaardig naar haren
633
„niet verlaten, totdat gij alle -werken hebt volbracht tot „den dienst van het huis des Heerenquot; (1 Kron. XXV1IL, 9 en 20). Met deze belangrijke woorden noodigde koning David, door God verlicht, zijn zoon Salomon uit, den Heer volmaakt te dienen en den prachtigen tempel van Jerusalem te bouwen. Ook op ons Christenen, ook op ons zijn deze plechtige woorden van toepassing. Wij hebben uit de verklaring van het tweede hoofdstuk gezien, welke geboden God op Sinaï en door zijne Kerk ons heeft gegeven; wij hebben gezien, welke deugden wij beoefenen, welke zonden wij vermijden moeten; wij hebben gezien het verheven doal der christelijke volmaaktiieid en den weg, welken wij kunnen en moeten inslaan, om dat doel te bereiken. Tot ieder van ons wordt nu van den kant des Allerhoogsten de plechtige vermaning gericht: dien God, mijn zoon! niet de wereld, niet den vorst der duister\' nis; dien niet uwe blmde hartstochten: neen, dien God, die alleen uw dienst geheel waardig is. Dien God niet als een slaaf, niet slechts als een loon dienaar, dien \'Hem als een minnend kind met een volmaakt, onverdeeld hart. Wees bereid met vreugde den weg te bewandelen, welken Hij u toont; handel altijd volgens zijne vaderlijke wenken. Dien God volkomen; wrant aan zijn oog ontgaat geene gedachte, geene opwelling en verlangen des harten , geen woord uit uwen mond, geene beweging uwer ledematen: alles, wat gij in zijn dienst volbrengt, ziet en beloont Hij hier beneden met steeds toenemende genaden en zaligmakende liefde. Tracht met ijver , met eenvoudigheid en een oprecht hart ai zijne geboden getrouw te onderhouden, en zijnen heiligen wil vaardig, voortdurend en heldhaftig te vervullen; zoek in de keuze van uwen levensstaat en in elk uwer bizondere werken den Heer, uwen God en gij zult Hem vinden en in Hem den vrede des harten, welken de wereld niet geven kan, Hoe ongelukkig zoudt
gemaal terug, docli werd thans nog veei harder behandeld dan te voren. lgt;e ingekankerde haat van Bertulf deed haar niets verwachten, dan een geweiddadigen dood, waartos zij zich dan ook werkelijk voorbereidde. De gedachte aan de eeuwige belooning was nu haar eenige troost. Haar lang en bitter lijden zou echter spoedig een einde nemen. Up last van Bertulf kwamen twee knechten, die «.iodoleva door sluipmoord om het leven moesten brengen. De gehuurde moordenaars slopen \'s nachts de slaapkamer der dienares van (iod binnen en wurgden haar op de wreedste wijze. Na den dood van Godoleva zag Bertulf de afschuwelijkheid zijner misdaad in en deed in een klooster strenge boete. Aan het graf der Heilige hadden talrijke wonderen plaats (Levens der Heiligen door Vogel op den 5den; bij de Bollandisten op den 7den Juli).
m .
gij daarentegen zijn, als gij, aan zijne roepstem weerstaande, Hem verliet en uwen eigen weg bewandeldet ? Dan toch zondt gij moeten vreezen, dat Hij u in eeuwigheid zal verwerpen! ■— Ongetwijfeld zult gij in den dienst des Heerea een grooten en moeielijken strijd te doorstaan hebben; het heiligdom van\' een rein , volmaakt hart, waarin de Heer jille dagen uws levens wil wonen , dat heiligdom , veel schooner en prachtiger dan de tempel van Jerusalem, wordt niet zonder groote en langdurige moeite en inspanning -opgebouwd. Handel manhaftig en moedig , houd niet op met uwen heiligen bouw, word niet moede in het streven naar heiligheid, voltrek het Gode wel-behagelijke werk! Vrees niet , al zouden ook geheele legerscharen van vijanden u bestrijden, sidder en schroom niet, de Heer sal met u wezen, Hij zal u ondersteunen. Hij .u redden, Hij zal de vijandelijke aanvallen afslaan, zijne bescherming zal u behoeden, zijne genade u versterken; de Heer uw God zal u niet verlaten, voordat gij alle werken tot zijn dienst hebt volbracht; Hij zal dan bij u wezen en in den tempel uws harten wonen, tot het gelukkige oogenblik aanbreekt, waarop gij Hem aanschouwen en in den tempel zijner eeuwige heerlijkheid wonen zult in eeuwigheid. O Christen! wie zou aan de indrukwekkende woorden dezer goddelijke vermaning geen gehoor geven; wie zulke zegenrijke uitnoodigingen niet opvolgen; wie moede worden op den weg der goddelijke wet, op den weg der christelijke volmaaktheid? Het hemelsche Jerusalem ligt voor ons, de heerlijke stad Gods, wier verlichting het Lam is; Jesus wacht ons; Hij, onze Aanvoerder en Koning, omgeven door ontelbare Heiligen, wenkt ons; laat ons met God den strijd des heils onophoudelijk strijden ; de zegepraal is ons, en de prijs daarvoor bovenmate groot, „ik zelf,quot; zegt de Heer, „Ik ben uw Beschermer en uw „overgroot loonquot; (1. Mos. XV, 1).
Einde van hut dek de Deel.
tn weer ideldet: eeuwig-n dienst •orstaan waarin \'igdom isalem, inspan-toud moede gt; wel-quot;elieele broom
bij
—v.quot; \' - \' quot; \' \' \'\' . • - • \'. • . -vs;.\' - v • i ï