-ocr page 1-

■ kr

*

A ■quot;gt;

1 * *

i ^ - • -* -.,

|rlt;*

r5C**i-^3

HBH

,- r

.. v - ^ ^ ^ ■ r*k

: ^ w ^ Tquot; V sf \'

• ••.••\' ^ J!\'. -\'v 2 ■ f

_, ■ - v U.,Y A^f \\. Vi»v»^

s \' \\ r - f- . ;f ^

; ■ - -Ld!^ , V c ^ 4-r\'^ J T -

lm j.*-quot;Jm K: *-\\±r\'\' f-, *■ ■

! \'Émï V ^*\' r ^

i* W-\' ^ amp; Tfgt; ^

bil; , -.*4^\' quot; \'r\\\'*\' ,*■**

-M\' « •■ h y . T . 7 . ■;■ ■,- ^ •;. u lt;h.

R- V.-ytyM. 4-:*

■\'\' ■-■ \'/jLiHrv ^ ^ ^ -quot;■■■

MHk^ -■ ^ V ■ ^ v v ^ a -gt;lt;-gt; ^

I i 11 ^ ^ -\' ^ A /J4 . ^ J*

n ^ ■ V, iw . • ^ \' k I\'\' -4r

\'• . \'^\'* J;\' ■\' \' j ^ \'\' / ■quot; \' s r 1 St

li#quot; :\'- -v --v .. n .fi gt; iquot;l

quot;\' quot;■ \'■ \' iL ■ \'\'\' X quot;t * .y*ir-

MPP. f J* * -.1?^

gt;

-,\'v ^

■x-N •

P^P\'W w-.;V gt; X-X v\' quot;v^

Ci^fc -quot; \' -M

ïJTquot;v^tf, # V • iML. * \'Vf » quot;** -\' amp; gt;

\'C r: 3p^ .\'■s-. w ;Vifcgt;

*•::/. »«-gt;■ iö-- ,^r

;r. v \'■ -f . gt;,; ■ us

w . \'- . lt;.Vlt;E- J^. ^

amp; v li\' \\ \' : r ?-.\'

14 ^ A - \\\' . ^ 4\'

mÊÈmèk* . w. . -n*- . U ■ *%,£*,

,v

Ir* \\quot;}

| \' ?-^i\'

quot; \' _- V \' **• V ,

: • y v

, ■!\'

v5quot;^, \'■ \'—■

\'4. k \' /\'

j 1 .■ gt;: I !v J»» \' 1

-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

DEHARBE\'S

VERKLARING

\' DKR

KATHOLIEKE

GELOOFS- n ZEDELEER

BEWERKT EN VERMEERDERD

UTRECHT,

Wed. J. R. VAN R ü S S U M. 1888.

-ocr page 6-

GOEDKEURING.

Het eerste deel der derde uitgave van „Deharbe\'s Verklaring der Katholieke Geloofs- en Zedeleerquot;

wordt bij deze door ons goedgekeurd en bizonder aanbevolen.

Utrecht den 26 Juni 1880.

De Aartsbisschop van Utrecht, t A. I. SCHAEPMAN.

-ocr page 7-

INHOUD.

Over hel eerste mensell en-imar en «leu zondeval.

Schepping van den mensch.

Welk is het voornaamste schepsel Gods op aarde? Op welke wijze schiep God de eerste menschen, Adam en Eva? (Waarom vormde God de vrouw uit het gebeente van den man?) Bladz. 1—5.

Natuur en oorspronkelijke toestand van den mensch.

Waaruit bestaat alzoo de mensch? (Wederlegging van het Mate-rialisrïius). Hoedanig heeft God den mensch geschapen? Waardoor was de eerste mensch een evenbeeld van God ? (Onderscheid tusschen het natuurlijke en bovennatuurlijke evenbeeld . Waarin bestaan de natuurlijke gaven, welke den mensch Gode gelijkend maken ? (De ziel onstertelijk — afbeeldsel der H. Drievuldigheid). Welke waren de bovennatuurlijke gaven, met welke God den eersten mensch heeft uitgerust? Waarom worden de gaven, over welke in de vorige vragen gesproken is, bovennatuurlijke gaven genoemd? Heelt God deze bovennatuurlijke gaven aan den eersten mensch enkel voor zijn persoon geschonken ? \' Bladzquot;. 5—34.

Zondeval van het eerste menschen-paar.

Onder welke voorwaarde heeft de eerste mensch dit bovennatuurlijk genadegeschenk voor zich zeiven en zijne nakomelingen gekregen ? (Waarom verbood God aan Adam en Eva -van de vrucht van zekeren boom te eten, en waarom wordt deze genoemd ; ;/boom der kennisquot; enz.?) Hebben Adam en Eva het gebod des Heeren onderhouden? (Was de overtreding eene groote zonde?) Welke straf kregen Adam en Eva? (Hoe werd de geheele mensch naar ziel en lichaam verzwakt?) Bladz. 34—42.

Erfzonde,

Hebben onze stamouders die bovennatuurlijke gaven alleen voor zich zei ven verloren ? (Verklaring van het woord //erfzonde.quot; — Antwoord op de klacht, dat wij allen door de schuld van een enkelen ongelukkig zijn geworden). Waarin bestaat de ellende, in welke onze

-ocr page 8-

ftamouders geheel het menschelijk geslacht gedompeld hebben? (Maria alleen zonder de smet der erfzonde). Hoe weten wij , dat alle men-schen met de erfzonde ter wereld komen? Is de erfzonde, hoewel geene persoonlijke, toch eene ware zonde ? (Natuur der erfzonde en wijze van hare voortplanting). Welke kwade gevolgen zijn met de erfzonde op alle menschen overgegaan ? (Van de slavernij des duivels, als gevolg der erfzonde). Hebben de kwade gevolgen der zonde alleen den mensch getroffen? (De zonde de bron aller rampen). Bladz. 43—82.

Gods ontferming over het gevallen mensch dom..

Heeft God de gevallen menschen, gelijk de gevallen Engelen, terstond verstooten ? Hoe zou het met den mensch gegaan zijn, als God zich niet over hem ontfermd had ? (Waarom had niemand genade kunnen bekomen?) Hoe ontfermde God zich over den gevallen mensch? (Wijsheid van God in het verlossingswerk). Heeft God terstond na de belofte in het paradijs den Verlosser gezonden? Als het waar is, dat niemand zonder de genade des Verlossers zalig kan worden: hoe konden dan degenen, die vóór de komst des Verlossers leefden, den hemel binnengaan ? Toepassing. Bladz. 82—93.

Goddelijke voorzorgen tot heil der menschen van den zondeval tot de komst des Verlossers.

Gods raadsbesluit tot heil der menschen, eerste opbaring. Zedelijke ontaarding van het menschelijk geslacht, zondvloed. Wat deed God, toen de afgoderij toenam en de menschen voortdurend slechter werden? (Roeping van Abraham, Gods verbond met de Israëlieten. Goddelijke belofte, leering en leiding). Wat gaf God den Israëlieten op den berg Sinaï? (Wetgeving. Godsdienstige plechtigheden. Tabernakel. Tempel. Afval van den waren God). Wat deed God te dien tijde, om het overal indringende kwaad te beteugelen? (Profeten. Straf der Babylonische gevangenschap. Terugkeer, bescherming van God, heldhafiig voorbeeld der Machabeën). — Gaf God ook aan de Heidenen middelen en genade tot heil hunner zielen? Welke waren deze? Waarom kwam de beloofde Verlosser niet terstond na den zondeval? Hoe was de toestand der wereld bij de komst van den Verlosser? — Toepassing.

Bladz. 93—115.

Tweede artikel des gelools.

«En in Jesus Christus, zijn eeniggeboren Zoon, onzen Heer.quot; Wat leert ons het tweede artikel der geloofsbelijdenis? Wat wil zeggen //Jesus?quot; (Beteekenis, heiligheid, kracht, zoetheid). Wat wil zeggen //Christus?quot; (Waarom wordt Jesus //de gezalfdequot; genoemd? Waarom onze Profeet, Priester en Koning?) Waarom wordt Jesus Christus de „eeniggeboren Zoon Godsquot; genoemd? (Zijn ook wij geen kinderen Gods? Kan Christus als mensch ook niet aangenomen Zoon Gods genoemd worden?) Waarom wordt Jesus Christus i-onze Heerquot; genoemd? — Toepassing. Bladz. 115—134.

^ 1. Jesus Christus, de beloofde Messias.

Voorzeggingen aangaande den Messias.

Hoe weten wij, dat Jesus Christus de door God beloofde Messias of Verlosser is? (Wat wil zeggen //Profeetquot;?) Wat hebben de Profeten aangaande den Verlosser voorzegd? Hoe hebben de Proleten den tijd der komst van den Messias aangeduid? Wat voorspelden de Profeten

-ocr page 9-

aangaande de geboorte van den Messias? Wat hebben de Profeten aangaande liet leven van den Messias voorspeld ? Wat voorspelden de Profeten aangaande het lijden en den dood van den Messias ? (In welken zin is Christus Koning?) Wat hebben de Profeten voorspeld aangaande de verrijzenis en de hemelvaart des Verlossers en de zending van den H. Geest? Wat hebben de Profeten aangaande de verwoesting van Jerusalem en de verwerping der Joden voorspeld ? Wat voorspelden de Profeten aangaande de bekeering der Heidenen, de stichting, de uitbreiding en den daar der Kerk ? Bladz. 135—151.

Bewi/jskracht der messiaausche profetieën.

Hebben de Profeten lang vóór de komst van Christus gesproken ? Zijn de voorspellingen der Profeten reeds lang vóór Christus bekend geweest? Hebben Christus en de Apostelen zich ook op het getuigenis der Profeten beroepen? (Aanduiding der in de voorzeggingen liggende bewijskracht). Bladz. 151—157.

Voorafheelclingtn van den Messias.

Zien wij in Christus niets anders dan de voorspellingen der Profeten vervuld? Welke zijn de merkwaardigste voorafbeeldingen van den Messias en zijne Kerk? (Bewijskracht der voorafbeelding). — Toepassing. Bladz. .157—167.

§ 3. JTesus Christus, \\vaai*B|jk GUmI-

quot;Waardoor weten wij, dat Jesus Christus do Zoon Gods, waarachtig God is? Bladz, 167.

Getuigenis der Profeten.

Hoe luiden de voorzeggingen der Profeten ? Bladz. 167—IB\'J-

Getuigenis van den hemelsehen Vader.

Wat heeft de hemelsche Vader getuigd? Bladz. 169.

Getuigenis van Christus.

Wat getuigt Christus van zich zeiven? (Hoe bekrachtigde Christus dit door de heiligheid zijns levens ? Hoe door wonderen ? Welke zijn dé voornaamste? Verdienen zij met recht ons geloof? Wat is een toonder?) Heiligheid van Christus\' leven. Wonderen van Christus. Hoe bewijzen de wouderen de godheid van Christus? (Voorzeggingen van Christus). Heelt Jesus de leer van zijne godheid door voorzeggingen bevestigd? Heeft Jesus Christus ook voorspellingen gedaan, welker vervulling nu nog voortduurt? Heeft Jesus de leer van zijne godheid met den dood bezegeld? Bladz. 169—189.

Getuigenis der Apostelen.

W at leeren de Apostelen aangaande den persoon van Christus ? (En hoe bevestigde God die leer?) Bladz. 189—191.

Getuigenis der katholieke Kerk.

Wat leert de katholieke Kerk aangaande den persoon van Christus? (Wat is het geloof der HH. Martelaars, en hoe bekrachtigde God hetzelve?) — Toepassing. Bladz. 1Ü1—200.

-ocr page 10-

Derde artikel «les geloofs.

Mensc/iwording en geboorte van Christus.

Wat leert cms hoofdzakelijk het derde artikel der geloofsbelijdenis? (Waarom wordt de menscliwording een groot geheim g^uoomd • En hoe is het eenigszins te verklaren? — Geboorte van Christus roeping der Heidenen, opoffering in den tempel). V\\at gelooven wij van Jesus Christus. wanneer wij het geheim der Meiischwordmg aannemen ? (Hoe spreekt Hij van zich zeiven als God en ho® als mensch )

Tweevoudigheid der naturen en eenheid des persoons.

Hoeveel naturen zijn er in Jesus Christus ? (Op welke wijze zijn zij met elkander vereenigd?) Zijn er in Jesus Christus ook twee van elkander onderscheiden willen? Zijn er ^n Jesus Christus ook twee personen? Waarom wordt de menscliwording van God den Zoon aan de werking des H. Geestes toegeschreven? (En hoe is zij *0°^ n®1 gemeenschappelijk werk der H. ürieèenheid ?) Bladz. 20S

Maria, de Maagd en Moeder Gods,

Van wien heeft God de Zoon de menschelijke natuur aangenomon? (Maria, Moeder Gods in den eigenlijken zin) Waarom wo dt Maria de //allerzuiverste Maagdquot; genoemd? (Belofte

van het bijbelsch woord: //broeder van Jesus ). Heeft Jesus Ohnst ook een vader gehad? (Huwelijk van Joseph met Ma™^z 222_228.

Boel der menscliwording.

Waarom is de Zoon Gods mensch geworden? hoe^equot;quot;®

menscliwording noodzakelijk? - Paleert Jesus

nut begrip enz. Voorbeeld van Jesus). Welke deugden

ons\'door zijn voorbeeld? Welk voorbeeld geeft Jesus in het bizonder

aan de jeugd? (In welken zin nam Hij toe in wijsheid en genade

Waarom verkoos Jesus Christus een arm en nederig ^29_247.

passing.

kierde artikel des geloofs-

Lijden en sterven van Christus.

Wat leert ons het vierde artikel der geloofsbeiijdenis? ^ wordt daarin van Pontius Pilatasmelding gemaakt?) HeeftJesiis Christus als God of als mensch geleden? Wat heeft Jesas Christus geleden? Is Jesus Christus waarlijk gestorven.\'\' (Heelt met d, ziel zich ook de godheid van het lichaam gescheiden ?) VVaarom wilde

Christus begraven worden? (En hoe lang bleef Hij in he g .)_

Christus verplicht den dood te ondergaan? Bladz. 24S in

liet verlossingswerk van Christus.

Waarom hooft Christus willen lijden en sterven? (Waarom koude niemand dan Christus voor onze zonden voldoen? en waarom is zijne

-ocr page 11-

voldoening van oneindige waarde?) Voor welke zonden heeft Christus voldaan? Was het noodzakeüjk, dat Christus ter voldoening voor onze zonden, zoo onbeschrijfelijk veel leed? Waarom wilde Christus niettemin zooveel voor ons lijden? Waarvan heeft Jesus Christus ons door zijn lijden en sterven verlost? Wat heeft Jesus Christus verder door zijn lijden en sterven ons verworven? (Hebben wij door Christus meer gewonnen, dan door Adam verloren?) Wat heeft Jesus Christus verder door zijn lijden en sterven ons verworven? Heeft Christus alleen voor diegenen, die werkelijk zalig worden, de genade cn eeuwige zaligheid verdiend? Als Christus voor alle menschen de eeuwige zaligheid verdiend heeft, waarom worden dan niet allen zalig? — Toepassing. Bladz. 255—281.

Yfjlcle artikel deis geloofs.

Neder daling van Christus in het voorgeborchte der hel.

Wat leeren ons de woorden: „die nedergedaald is ter helle?quot; Waarom waren de zielen der afgestorven rechtvaardigen in het voorgeborchte? Waarom is Christus in het voorgeborchte der hel nedergedaald? Bladz. 282—287.

Verrijzenis van Christus.

Wal leeren ons do woorden; »ten derden dage verrezen van den ;/dood?quot; (Hoe is Christus verrezen? En waarom heeft Hij de lidtee-kenen der wonde behouden?) Hoe weten wij dat Christus van den dood is opgestaan? Welk nut moeten wij trekken uit de leer van de opstanding des Heeren? — Toepassing. Bladz. 287—300.

Zesde artikel des geloofs.

Hemelvaart van Christus.

Wat leeren ons de woorden: „die is opgeklommen ten hemel?quot; (Is Christus alleen ten hemel gevaren?) Waarom is Christus ten hemel geklommen? Bladz. 300—304.

Christus aan de rechterhand des Vaders

Wat beteekenen de woorden: »Die zit aan de rechterhand Godsquot;? Toepassing. Bladz. 304—307.

Zevende artikel «les gelool\'s.

Het algemeen en hieonder oordeel.

Wat leert ons het zevende artikel der geloofsbelijdenis? Wanneer zal de dag van het algemeen oordeel komen? Waarover zullen wij geoordeeld worden? Hoe zal het oordeel gehouden worden? Is er, behalve het algemeen, ook nog een ander oordeel? Waarom zal er, behalve het bizonder oordeel, nog een algemeen plaatsvinden? Waar komt de ziel na het bizonder oordeel. Bladz. 308—328.

Vagevuur.

Welke zielen gaan naar het vagevuur? Waaruit weten wij, dat er een vagevuur bestaat? (Nietigheid der opwerpiugen tegen de leer van het vagevuur.) Zal het vagevuur ook na het algemeen oordeel nog bestaan? — Toepassing. Bladz. 328—336.

-ocr page 12-

Achtste artikel des geloofs.

Door wien wordt de vrucht of genade der goddelijke verlossing ons medegedeeld? Waar vooral wordt de vrucht of genade der ver-lossing door den H. Geest ons medegedeeld. Bladz. ooo ooi

Natuur can den H. Geest.

Wat is de H. Geest? Van wien gaat de H. Geest uit? (Waarom wordt de derde persoon in de Godheid bij voorkeur ^heilige Geest genoemd? En waarom wordt bij voorkeur aan Hcru \'j®\' we,j,^Q0Il,z,e,r heiliging toegeschreven?) Bladz. Sós o44.

Werking van den II. Geest.

Waar is de H. Geest? Waarom zeggen wij, dat de H. Geest //het .beginsel onzer heiligingquot; is; is dan niet Christus, als Verlosser, er het beginsel van? Wanneer heeft Christus aan zijne Kerk den H. Geest gezonden? Welke genade deelt de H. Geest aan de katholieke Kerk mede? Wordt de H. Geest ook nu nog gezonden? Welke genade schenkt (in het algemeen) de H. Geest aan de zielen? Welke zijn de zeven gaven van den H. Geest? Hoelang blijft de H. Geest met ^JI1® zeven gaven in de ziel? — Toepassing. Bladz. 011 \'

liegende artikel ties geloofs-§ f. Over de üerk.

Begrip der Kerk en hare inrichting in het algemeen.

Wat deden de Apostelen, nadat zij op het Pinksterfeest den H. Geest hadden ontvangen? Wat deden de Apostelen verder, toen de gemeenten der Christenen vermeerderden ? Stonden die afzonderlijke kerken met elkaar in verband ? Wat is alzoo de Kerk ?

Goddelijke oorsprong van de Kerk en hare vorming.

Bladz. 376-379.

Drievoudige macht in de Kerk.

Waarin vooral bestaat het den Apostelen opgedragen leer-, priester-en herdersambt. Bladz. 3/J—ooi

Primaat,

Waarom moesten de Apostelen hun ambt niet anders dan onder het opperbestuur van den H. Petrus waarnemen ? Is dan Christus het Opperhoofd der Kerk niet? Waarom was er behalve het onzichtbaar Opperhoofd een zichtbaar hoofd noodig ? Waaruit zien wij, dat Christus den H. Petrus tot opperhoofd zijner Kerk benoemd heeft? Welke feiten bevestigen, dat Petrus door Christus tot opperhoofd der Kerk benoemd is? Moest na den dood van den H. Petrus het ambt van een kerkelijk opperhoofd ophouden? Wie is sedert den dood vau den H. Petrus het zichtbaar opperhoofd der Kerk ? Oorsprong der wereldlijke macht van den Paus. De wereldlijke macht der Pausen is hoogst nuttig voor de Kerk. Bladz. 3S1 4Uo.

-ocr page 13-

Bei \'Episcopaat.

Moet ook het drievoudig ambt, hetwelkt alle Apostelen bekleed hebben, steeds voortbestaan? Wie zijn de opvolgers der Apostelen? Is het de wil des Heeren, dat de Paus alleen de Kerk bestuurt? Op welke wijze besturen de Bisschoppen de Kerk ? Heeft ook de wereldlijke macht of de Staat het recht de Kerk te besturen ? Door wien oefenen de Bisschoppen hun ambt in de afzonderlijke gemeenten (Parochiën) van hun Bisdom uit ? Hoe worden nu in de geheele Kerk de eenheid en goede orde staandij gehouden ? — Toepassing.

Bladz. 408—421.

§ 9. Over de kenteekenen der KLerk.

Heeft Christus ééne of meer dan ééne Kerk gesticht? Kan men die ééne, door Christus gestichte Kerk gemakkelijk onderscheiden ?

Bladz. 431—426.

Kenteekenen der ééne Kerk van Chirislns.

Waaraan erkent men de ware Kerk van Christus ? Welke Kerk heeft deze vier kenteekenen? Waarom is de roomsch-katholieke Kerk één? Waarom noemen wij de roomsch-katholieke Kerk heilig? Waarom is de roomsche Kerk katholiek of algemeen ? Waarom is de roomsch-katholieke Kerk apostoliek? Wat volgt er uit, dat geene andere Kerk, behalve de katholieke, de kenteekenen der Kerk van Christus heeft ? — Toepassing. Bladz. 420—463.

^ 3, Over de beslenimins «lei* M.lt;gt;rk en «Ie «la ar uit voorlkoiuende eijgensekappen-

Bestemming der Kerk.

Waartoe heeft Christus de Kerk gesticht? Hoe heeft Christus gezorgd, dat de Kerk daartoe in staat zou wezen? Bladz. 463—465.

Ver houding tusschen Kerk en Slaat.

Bladz. 465—469.

Eigenschappen der Kerk.

a) De katholieke Kerk is onfeilbaar.

Door wien wordt de goddelijke leer immer zuiver en onvervalscht in de Kerk bewaard? Waarin bestaat de onfeilbaarheid van het katholiek leerambt ? Vanwaar hebben wij de verzekering, dat het kerkelijk leerambt niet kan dwalen? Wat moeten wij doen, als er in geloofszaken verschil ontstaat? Wanneer geeft het kerkelijk leerambt zijne onfeilbare uitspraak? Over do onfeilbaarheid van den Paus. Waaraan ontleent het kerkelijk leerambt zijne beslissingen, wanneer er verschil over geloofszaken ontstaat? Bladz. 465.—504.

b) De katholieke Kerk is de aüeen zaligmakende.

Indien de katholieke Kerk alle menschen tot de zaligheid moet brengen, en daarom van Christus leer, genademiddelen en gezag ontvangen heeft, waartoe is dan ieder mensch van zijn kant verplicht? Wie is lidmaat der katholieke Kerk? Wie dwaalt door eigen schuld? Is het voldoende ter zaligheid, lidmaat der katholieke Kerk te zijn? Wat belijden wij met de woorden der geloolsbelijdenis: ,,lk geloot\' ;,ééne heilige katholieke Kerkquot;? — Toepassing. Bladz. 504—519.

-ocr page 14-

Gcasacciispliap der Heiligen-

Zijn alleen de Christenen op aarde met elkander tot ééne Kerk vereenigd ? Waarin bestaat deze geestelijke •vereenigingf ? Welk voordeel geeft ons de gemeenschap met de zaligen in den hemel ? Welk voordeel hebben zij, die in het vagevuur zijn, van onze gemeenschap met hen ? Welk voordeel verschaft ons de wederkeerige gemeenschap met de geloovigen op aarde? Hebben ook de zondaars, zoolang zij niet buiten de Kerk gebannen zijn, deel aan deze gemeenschap ? — Toepassing. Bladz. 519—532.

Tiende artikel des geloofs.

Vergiffenis der zonden.quot; Bladz. 532—533.

Elfde artikel des geloof*.

^Verrijzenis des vleesches.quot; Bladz. 533.

Dood.

Wat heeft er plaats bij den dood van denmensch? Waarom moeten alle menschen sterven ? Bladz. 533—539.

Ver rijzetiis.

Hoe lang blijft het lichaam in de aarde? Waarom zullen onze lichamen verrijzen? Zullen alle menschen verrijzen? Zullen alle lichamen der verrezenen gelijk zijn? — Toepassing. Bladz. 539—51-9.

Twaalfde artikel des geloofs-

De Hemel.

Wat leert ons het twaalfde artikel der geloofsbelijdenis? Waarin bestaat de eeuwige zaligheid der rechtvaardigen? Zullen allen even gelukkig zijn ? Bladz. 550—558.

Hel.

Wat zal het eeuwige leven voor de goddeloozen zijn? Wie wordt tot de strafl\'en der hel veroordeeld? Welke straffen zullen de verdoemden lijden? Waaruit weten wij, dat de straffen der verdoemden eeuwig zijn? Zullen alle verdoemden evenveel lijden? Worden allen, die verloren gaan, door hunne eigen schuld verdoemd? Waartoe is het dienstig, dikwijls te denken aan de uitersten? Waarom sluiten wii de geloofsbelijdenis der Apostelen met het woord „Amenquot;? — Toepassing. Bladz. 558—£72.

-ocr page 15-

OYER HET EERSTE MENSGHENPAAR EN DEN ZONDEVAL.

van «len mcusch.

Welk is het voornaamste schepsel Gods op air de ?

De mensch.

A.ls een heerlylce lusthof, niet koninklijke pracht versierd, kwam de aarde uit de almachtige hand des Scheppers voort. Het schepsel, voor hetwelk de wereld gemaakt was, ontbrak echter nog; het redelijk wezen, dat die aarde ten dienste en ter verheerlijking des Scheppers gebruiken moest, was nog niet geschapen. Toen sprak God: „laten Wij den „mensch maken naar ons evenbeeld en onze gelijkenis; dat „bij heerschappij voere over de visschen der zee en over de „vogelen des hemels en over de dieren en de geheele aarde, „en over al het gedierte, dat op aarde kruiptquot; (i. Mos. I, 26)\' „i^n Grod, zoo verhaalt de 11. Schrift vervolgens, ,,schiep „den mensch naar zijn evenbeeld, naar het evenbeeld Gods „schiep Hij hem, man en vrouw schiep Hij ze. En God „^egende hen en sprak : weest vruchtbaar en vermenigvul-„digt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar aan u : „heerscht over de visschen der zee en de vogelen des hemels „en over alle gedierten, welke zich op aarde bewegen,quot; Even schoon als waar zegt derhalve de Psalmist van den mensch. „Gij (o Heer!) hebt hem slechts een weinig minder „dan de Engelen gemaakt, met heerlijkheid en eer hem „gekroond en gesteld over de werken uwer handen. Alles „hebt Gij zijnen voeten onderworpen, schapen en runderen, „allen ja ook het gedierte des velds , het gevogelte des „hemels en de visschen der zee, die de paden des oceaans „doorwandelenquot; (VU, 6—9).

deuakbe, geloopsleee. ii. sie dkük. j

-ocr page 16-

2

Uit deze plaatsen der H. Schrift blijkt duidelijk, dat de mensch het voornaamste schepsel Gods op aarde is. Want 1) schiep God den mensch op het einde van den laatsten der scheppingsdagen, -wijl Hij hem, volgens de opmerking van den H. Gregorius van Nissa (over de schepping van den mensch. Hfdst. II), de wereld wilde binnenvoeren als een koning in eene feestzaal, welke Hij eerst allerprachtigst ingericht en versierd had; of ook, gelijk Lactantius zegt (over den toorn Gods, Hfdst. XIV), als een hoogepriester in den tempel, opdat hij namelijk als de eenige met verstand begaafde beschouwer en bewonderaar van het pas voltooide scheppingswerk, den goddelijken Bouwmeester in naam van alle schepselen offers van lof, van dank en aanbidding zou brengen.

2) Toen God de overige dingen schiep, sprak Hij: „het „worde!quot; of: „er zij!quot; maar nu: „laat Ons den mensch „scheppen.quot; Moet men uit deze geheel veranderde spreekwijze van God niet besluiten, dat de mensch hoog boven alle schepselen verheven is ? Zeer schoon merkt een uitstekend schrijver op: „Alvorens den mensch te scheppen, „gaat de Drieëenige God als het ware met zichzelven te „rade en geeft ons daardoor te kennen, dat het hier het „meesterstuk, de kroon der schepping geldt.quot;

3) Van den mensch, en van hem alleen, wordt gezegd: „God schiep den mensch naar zijn evenbeeld, naar het „evenbeeld Gods schiep Hij hem/\' Wordt met die woorden niet bepaald en ontegensprekelijk gezegd, dat de mensch onvergelijkelijk hoog boVen de overige schepselen is verheven ? De mensch is het evenbeeld van God! Wat er al in deze veelomvattende woorden besloten ligt, zal later verklaard worden.

4) Eindelijk worden alle schepselen aan de voeten van den mensch gebracht, ten teeken dat hij er over kan heerschen en er gebruik van mag maken; want al üet geschapene is bestemd om op zijne wijze den mensch van dienst te zijn, maar hij zelf moet God, den Opperheer van het heelal, dienen. De mensch is bijgevolg niet alleen door de hoogere voortreffelijkheid zijns wezens de kroon, maar ook door de beschikking van den Schepper de honing der zichtbare wereld.

Hoe groot en innig moet niet onze dankbaarheid jegens onzen Schepper zijn! Wat zullen wij Hem wedergeven voor de groote voorrechten, welke Hij ons geschonken heeft? Het heelal roept ons als het ware met luider stemme toe: „zie, o mensch, hoe groot de liefde van uwen Schepper „voor u is, daar Hij om u mij geschapen heeft en verlangde,

-ocr page 17-

„dat ik tot uwen dienst bereid zou zijn, opdat gij van uwen „kant Hem , den Heer der wereld, die mij om u en u om „zichzelven schiep, zoudt beminnen en eeren.\'\' —• „Ja, „opdat ik U, o mijn God! diene,quot; roept de H. Augustinus uit, „hebt Gij alles, wat Gij gemaakt hebt, tot mijnen „dienst gegeven.quot;

Niet tevreden met liet eenvoudige en schoone verhaal, dat Mozes ons van de schepping des menschen door God gegeven lieeft, hebben eenige natuurkundigen van onzen tijd naar eene andere verklaring gezocht. Dat velen dit deden met het doel om, als het mogelijk ware, het Christendom te ondermijnen, behoeft niet betwijfeld te worden. Voor het licht der Openbaring de oogen gesloten hebbende, zijn zij tot de merkwaardige ontdekking gekomen, dat de mensch niet door God. niet naar zijn evenbeeld geschapen is, maar afstamt van een dier, van den aap.

Het ligt volstrekt niet in onze bedoeling eene breedvoerige wederlegging te geven van deze goddelooze, den mensch diep onteerende en verlagende leer. Degenen, die verplicht zijn nader kennis te maken met de beweringen van Darwin en zijne volgelingen, verwijzen wij naar het boek van den ZeerEVV, Heer B. H. Klonne, getiteld; Onze voorouders, waarin wordt bewezen, dat de apen-theorie onvereenigbaar is met de wetenschap, strijdig met het gezond verstand.

Aanbevelenswaardig is ook eene brochure getiteld; „Komen de menschen uit apen voort?quot; door P. J. F. Molae (Amst. 1S69).

In een dertigtal bladzijden weerlegt deze schrijver al wat door de ongeloovige wetenschap wordt aangehaald ten bewijze van hare beweringen, en vervolgens bewijst hij de onmogelijkheid van zulk eene voortkomst.

Het eerste gedeelte bevat het volgende: Dat de menschen van apen afstammen, wordt niet bewezen :

noch uit de geschiedenis■. want nergens vinden wij het feit opgeteekend, dat ooit in den loop van duizenden jaren één dierlijk individu zich ook maar eene enkele schrede tot de menschheid heeft nadergebracht;

noch uit de geologie-, want de middenvormen tasschen aap en mensch zijn nergens in de aardlagen te vinden;

noch uit de natuurlijke historie-, want de fossiele apen verschillen minstens even sterk van den mensch als de thans levende.

In het tweede gedeelte gaat de schrijver aldus voort: De menschen kunnen onmogelijk afstammen van ajien; want tusschen aap en mensch bestaat een tweevoudig essentieel verschil:

1°. het dier wordt geboren, toegerust met alle vermogens en alle instinktmatige kennis, die het noodig heeft, om voor zijn bestaan en de voortplanting zijner soort te zorgen; de natuurlijke en kunstmatige ontwikkeling van het dier is binnen eene scherpe en enge kennis beperkt, en wat het individu aanleert, dit wordt niet overgebracht op de soort.

Al het gezegde geldt ook van de apen.

De mensch daarentegen is onwetend en zwak bij zijne geboorte, maar hij heeft het vermogen zich te ontwikkelen en te volmaken, en de ontwikkeling van het menschelijk individu wordt het eigendom der menschheid. Hoe nu zouden twee zoo essentiëel verschillende wezeus kunnen voortkomen van elkander?

2°. De mensch spreekt, en het dier, ook de aap, spreekt niet; en ten andere is het eene ongerijmdheid, dat de taal, die toch niet door den mensch uitgevonden is, weleer zou uitgevonden zijn door het dier. — Ook hieruit volgt noodzakelijk, dat de grenslijn, welke menschen en dieren thans van elkander scheidt, van allen aanvang af moet bestaan hebben.

-ocr page 18-

Op welke wijze schiep God de eerste menschen,

Adam en Eva ?

„God, de Heer, vormde den mensch uit het slijk der „aarde en blies in zijn aangezicht den adem des levens, en „alzoo werd de mensch tot een levend wezen. En God, de ,, Heer, sprak : het is niet goed, dat de mensch alleen zij;

„laat Ons hem eene hulpe maken, hem gelijk.....Daarom

„zond de Heer God een diepen slaap aan Adam, en toen „hi] ingeslapen was, nam Hij eene zijner ribben en vulde ,.die plaats met vleesch aan. En God de Heer, bouwde uit „de rib, welke Hij van Adam genomen had, eene vrouw, „en voerde haar tot Adamquot; (1. Mos., II).

Het lichaam van den eersten mensch is alzoo van het stof der aarde gevormd, daarom heet hij Adam, d. i. aardman, een man uit aarde. Dat lichaam was echter nog slechts een beeld zonder gevoel, zonder leven. Nu blies (jod in Adams aangezicht den adem des levens , d. i. Hij schiep de ziel en vereenigde die met het lichaam; toen eerst was de mensch een levend wezen. De H. Schrift gebruikt de uitdrukking: „God hliesom aan te toonen, dat de ziel niet, zooals het lichaam, uit eene aanwezig zijnde aardsche stof gemaakt is, maar onmiddellijk van God uitging en, van gelijke natuur als God, geest was. Gelijk namelijk de adem, welken men zien noch grijpen kan, onmiddellijk van dengene, die ademt, uitgaat, zoo ging ook de ziel als een onzichtbaar, geestelijk wezen onmiddellijk van God uit en in het nog levenloos lichaam van den eersten mensch over. De Heilige Schrift noemt de ziel adem des levens, wijl de mensch zonder de ziel niet ademen, niet leven kan. Verder lezen wij, dat God in het aangezicht blies; omdat het aangezicht van den mensch als het ware de spiegel der ziel is, daar de gevoelens en verschillende gewaarwordingen der ziel zich bizonder levendig op het gelaat afspiegelen.

De vrouw werd door God uit eene rib van den slapenden man gevormd, „En Adam,quot; zegt de H. Schrift, „noemde den „naam zijner vrouw Eva, omdat zij de moeder aller levenden „zijn zouquot; (1. Mos III, 20).

Ten antwoord op eene voor de liand liggende vraag, n.1. waarom God de vrouw niet eveneens uit het slijk der aarde, maar uit de ribbe van den man gevormd heeft, kan men, volgens de leer van den H. Thomas van Aquine !) vooral vier redenen aangeven.

\') Summ. I; q. 92, a. 2 et 3.

-ocr page 19-

5

1) God vormde Eva niet uit eene andere aanwezige stof, maar nam haar tiit liet lichaam van den man, omdat Hij wilde, dat alle men-schen zonder eenige uitzondering aan Adam hunnen lichamelijken oorsprong zouden ontleenen , en Adam aldus de stamvader van geheel het menschelijk geslacht worden zou. „Hij (God) heeft uit éénen „(inensch) het gansche menschelijk geslacht gemaakt, om over de ,geheele oppervlakte der aarde te wonenquot; (Hand. XVII, 26). Inderdaad getuigen niet enkel de HH. Boeken, de oudste overleveringen van verscheiden volkeren, maar ook de grondige navorschingen van dan laatsten tijd, dat de bevolking der geheele aarde maar één stamvader heeft. !) 3) God vormde de vrouw uit de ribbe van den man, om ons te leeren, dat man en vrouw als echtelingen (d. i. in het huwelijk) zich wederzijds zoo beminnen en zoo eendrachtig in huwelijkstrouw samen moeten leven, als waren zij maar één lichaam en éóne ziel. -/Dit is nu,quot; sprak Adam, toen hij JEva voor het eerst aanschouwde, „dit is nu gebeente uit mijn gebeente en vleesch van mijn vleesch; „daarom zal de man zijn vader en zijne moeder verlaten en zijne „vrouw aanhangenquot; (1. Mos. II, 23, 24). — 3) God maakte Eva niet uit een of ander bestanddeel van het hoofd, maar uit de ribbe van Adam, om aan te toonen , dat de vrouw den man onderdanig, d. i. in alles wat recht en billijk is, gehoorzaam moet zijn, doch de man van zijn kant verplicht is de vrouw niet als eene dienstmaagd, maar als eene levensgezellin liefdevol te behandelen. — 4) Eindelijk ligt ook in de vorming van Eva uit de rib van Adam eene geheimzinnige beteekenis (vergelijk Eph. V, 30). Gelijk Eva namelijk uit de zijde van den sluimerenden Adam, zoo zou de Kerk uit de zijde van den hemelschen Adam, Jesus Christus, voortkomen. Deze gedachte drukt de H. Kerkvader Angustinus zeer schoon en beknopt in de volgende woorden uit: „Adam viel in ^

„bestaan zou ontvangen; Jesus ./des doods, opdat uit Hem d

/leven treden zou. God nam uit de zijde van den slapenden Adam „eene ribbe om daaruit de vrouw te vormen; toen Jesus Christus aan „het kruis in den dood ontslapen was, werd zijne zijde met eene lans „doorboord, opdat het uitvloeiend bloed en Vater de Sacramenten „zouden vormen, welke de Kerk moeten heiligen en tot waardige „bruid van Christus makenquot; (Verh. IX, no. 10 over Joan.).

latuur en ourspi\'onkoliikc toestand van den menseli.

Waaruit bestaat alzoo de rnensch ?

Vit ziet en lichaam.

en

Dat de mensch niet alleen een lichaam, maar ook eene ziel heeft, wordt in de boven aangehaalde Schriftuurteksten

ifl

\') Een antwoord op de moeielijkheden, welke met het oog op de kleur, de verscheidenheid van talen en den schedelbouw gemaakt worden, kan men hier te minder verwachten, daar deze, zooals Die-ringer (Dogmat, bladz. 263) aanmerkt, zoowel op het gebied der ge-

-ocr page 20-

6

duidelijk geleerd (Zie 1. Mos. II, 7). Joden zoowel als Christenen hebben ze immer in dien zin begrepen, en wie ze anders durft verklaren, loochent met onbeschaamde driestheid eene altijd erkende en heilig gehouden waarheid. Wel is waar kunnen wij de ziel niet, gelijk het lichaam, met oogen zien of met handen betasten, wijl zij een geest is; niettemin hebben wij een helder bewustzijn van het bezit eener ziel. Wij kunnen het ons zeiven niet verhelen, dat er iets in ons is, dat denkt, dat overlegt, dat inziet, wat recht en onrecht is, dat wil, dat bemint of haat, dat het lichaam naar believen beweegt, het beveelt te staan, te zitten, te loopen, dat bijgevolg van het lichaam onderscheiden , niet het lichaam zelf is. Wie zulks ontkent, bedriegt zich zeiven. — Wanneer de ziel van het lichaam scheidt, is het lichaam dood: het blijft bewegingloos, verstijft en gaat weldra in slijk en stof over; maar de ziel sterft niet, want zij is de adem Gods, geschapen om eeuwig te leven; zij deelt alzoo geenszins in het lot van het lichaam, dat stof der aarde is. Daarom staat er in de 11. Schrift: „Het stof gaat weder tot de aarde terug, waaruit „het genomen is, en de geest keert terug tot God, die hem „gegeven heeft\'\' (Fred. XII, 17).

Hieruit kan men besluiten, wat men moet denken van die menschen, die zich zei ven en anderen diets maken, dat de mensch geene ziel heeft, en alles met den dood uit is. Zulke taal is goddeloos, is onzedelijk, is hoogst verderfelijk, onteert en verlaagt den mensch. — Die taal is 1) goddeloos; want wie zoo spreekt, lastert God, den Schepper, wijl hij diens edelste gave, de ziel, miskent en versmaadt, ja juist de krachten der ziel misbruikt, om Hem stoutweg in \'t aangezicht te zeggen : ik heb geen ziel; wie zóó spreekt, vernietigt tegelijk allen mogelijken godsdienst, daar er zonder eene redelijke ziel geen godsdienst denkbaar is. Die taal is

2) onzedelijk. De mensch denk en handelt met vrijen wil, dit getuigt ons inwendig bewustzijn. Het lichamelijke denkt niet, handelt niet volgens een vrij besluit. Dit zien wij terstond duidelijk in, wanneer wij eene vergelijking maken tusschen ons en de zichtbare dingen, welke ons omgeven. De steen valt immer ia dezelfde richting naar

Bchiedenis als der taalkennis en natuurwetenschap, van geene waarde bevonden zijn. Uitvoerige en degelijke bewijzen levert het voortreffelijk werk van Kardinaal Wiseman, dat Prof. Haneberg, met aanmerkingen verrijkt, heeft uitgegeven, onder den titel van//Zusammenhang z/der Ergebnisse wissenscliaftlicher Korschung mit der geofl\'enbarten //Religion,quot; alsmede: //Bijbel en wetenschapquot; van Prol\', lieusch door H. A. Banning. Zie bladz. 532 —5\'JO.

-ocr page 21-

7

den grond, wijkt niet naar believen nu rechts, dan links van de rechte lijn af: hij volgt onbewust de wet der zwaartekracht. De boom groeit, bloeit, draagt vruchten naar de bestendige, door den Schepper hem voorgeschreven wetten; hij denkt niet en verwisselt niet willekeurig van bladeren, bloesem en vruchten. Het dier zoekt voedsel, bouwt een nest, eene cel, een huisje, overeenkomstig het instinkt, dat God het gegeven heeft; maar het denkt niet, handelt niet met vrijen wil. Daarom zal het, aan zich zeiven overgelaten, niets leeren noch iets verleeren; gelijk voor eeuwen, vervaardigt de bij heden nog hare kunstige cel, en de spin haar luchtig net, de vogelen hunne nesten en de bever zijne hut; er is geene afwisseling, geene verandering, geen voor-of achteruitgang merkbaar. Geheel anders gaat het echter met den mensch, die dagelijks zijne levenswijze verandert. Naar omstandigheden neemt hij een spaarzaam maal voor lief, of zit aan eene rijk beladen tafel; hij hult zich in een gewaad van linnen, of kleedt zich in purper en zijde, woont van daag in tenten, morgen in paleizen. De mensch ontwerpt plannen en brengt ze ten uitvoer; hij maakt vorderingen in de kunsten en doet de wereld door zijne uitvindingen verbaasd staan. De mensch is in staat zich in gedachten boven alle zichtbare dingen uit, tot het hoven-zinnelijke, tot recht, deugd en plicht, ja tot God zeiven te verheffen, en om Gods wil al het aardsche, de zichtbare wereld met al hare pracht, te versmaden. Als wij nu in heel de lichamelijke wereld geen spoor van gedachten en vrijheid ontdekken, maar de mensch zich allerwege als een denkend en vrij handelend wezen aan ons voordoet, is het dan niet ongerijmd, te zeggen, dat er in den mensch niet iets onlichamelijks woont, hetwelk denkt en vrije besluiten neemt ? Is het niet dwaasheid, te loochenen, dat de mensch, en hij alleen, eene ziel bezit, die geest is, d. i. verstand en vrijen wil heeft ?

3) Die taal is ook hoogst verderfelijh en troosteloos. Wie het beginsel huldigt : „ik heb geene ziel, bij gevolg is „met den dood alles uit,quot; hij is tot alle kwaad in staat, hij ontbeert bij ongelukken, maar vooral in het uur des doods allen troost. Waarom zou zoo iemand bij geluk en welzijn niet al zijne lusten botvieren, waarom zich niet aan allerlei uitspattingen overgeven ? Waarom zou hij in armoede en drukkenden nood zijne hand niet uitstrekken naar eens anders goed, waarom zijn nijd en haat jegens de rijken en gelukkigen onderdrukken ? Waarom zou hij er bezwaar in vinden, misdaden op misdaden te stapelen, als het er op aankomt, zijne verkeerde neigingen te bevredigen ? God

-ocr page 22-

8

moge den mensch ten plicht stellen, zich zelveu te be-heerschen, de deugd moge in zich beminnenswaardig, de ondeugd hatelijk zijn: over dat alles bekommert hij zich niet. Zijne leus, de kern zijner levenswijsheid zal zijn : geniet zooveel gij kunt, doch zóó, dat gij er lang genot van kunt hebben. Eoe, wat u belieft, maar neem u in acht voor de gerechtsdienaars : dat is zijne hoogste wet; de arm der menschelijke gerechtigheid zijne eenige vrees ; dien te ontgaan, zich er tegen te verzetten of met geweld aan te onttrekken, zijne voornaamste zorg. Door vermetelen opstand en strijd tegen de overheid zal hij zijn heldenmoed toonen, gelijk het getroffen ever zich woedend werpt op den jager, die het getroffen heeft. Wat zou er van een huisgezin, van een staat, van de maatschappij worden, als zij vele dergelijke medeleden telde ? — Wilt ge het weten ? — Een troep wilde dieren. En wat zou er van de wereld worden ? Een groote moordkuil. Want vader- en broeder moord, verraad van het vaderland, afval van het geloof en van God zijn zoo schrikkelijk niet, dat degene, die aanneemt, dat met den dood alles een einde neemt, er voor terug zou deinzen. Indien deze en andere misdaden hem genot, rijkdom of eer verschaffen, als zij hem vrienden bezorgen en vijanden uit den weg ruimen, zal hij niet aarzelen ze terstond te begaan

\') In Frankrijk, waar het Materialismus reeds in (ie vorige eeuw en niet minder in den tegenwoordigen tijd veel onheil gesticht en zell\'s een openbaren leerstoel ingenomen heeft, werd eenige jaren geleden een notaris voor de crimineele rechtbank gedaagd, die zich aan drie zware misdrijven had schuldig gemaakt. Kadat de aangeklaagde met de getuigen drie dagen in liet verhoor was geweest, werd hij tot levenslangen dwangarbeid veroordeeld. Teen hij die rechterlijke uitspraak vernam, riep hij uit: «waarom ben ik niet ter dood veroor-./deeld? De dood zou voor mij eene weldaad zijn.quot; Op hetzelfde oogen-blik trok hij een mes uit zijn zak en wilde zich vermoorden. Degenen, die bij hem stonden, slaagden er in, hem spoedig te grijpen, en die afgrijselijke daad te verhinderen. Daarop sprak de ongelukkige met sterk beklemde stem: „Ik klaag hen aan, die mijne jeugd hebben geleid; de ongodsdienstige lessen, welke ik van hen gekregen heb, «zijn de oorzaak mijner misdaden.quot;

\'s Avonds voor zijn vertrek naar Toulon schreef hij nog aan, een zijner vrienden een langen brief, waaraan wij het volgende ont-ieenen; „U, dien ik eertijds mijn vriend mocht noemen, zal ik liet „zeggen, ja voor de geheele wereld zou ik het willen uitroepen: dï „slechte lessen hebben mij in het verderf gestort. Ik had, gelijk vgij weet, een goed hart; in mijne eerste jaren beminde en beoefende ./ik de deugd.... En hoe ben ik geworden, wat ik nu ben? ü, ,mocht liet antwoord, dat ik te geven lieb, het hart mijner nu zoo

,diep bedroefde moeder niet met nog meer smart vervullen!.....

//De dag van mijne komst in de school, waar ik werd heen gezonden, /heeft mijn ongeluk beslist. Kon ik toch allen ouders met krachtige «stem toeroepen: //Siddert! geeft wel acht, dat gij uwe kinderen niet »aan het verderf prijs geeft.... Onderzoekt met zorg den grond....

-ocr page 23-

9

W;anneer God nu dergelijke menschen door rampen en ziekten, of de menschelijke gerechtigheid door kerker en boeien voor anderen onschadelijk maakt; hoe bitter is dan hun lot, hoe akelig hun toestand? Eene grenzelooze, on-verzadelijke zucht naar genietingen in het hart te dragen en zich in de onmogelijkheid geplaatst te zien, op eenigerlei wijze die zucht te kunnen bevredigen, dat is een voorsmaak van de hel; die zucht door de verbeeldingskracht te voeden en aan te kweeken, en daarentegen enkel smart en druk-kenden nood te moeten verduren, dat is bijna de hel zelve.

Dat zulke ongelukkigen naar hun levenseind verlangen ; dat velen door zelfmoord inderdaad hun leven verkorten, leert de ondervinding in onze dagen helaas! maar al te dikwijls. Gesteld echter, dat de menschen , die zeggen : „dood is doodquot; in alles naar wensch slagen; gesteld, dat hun alle middelen en wegen open staan, om hunne lusten bot te vieren; gesteld, dat het hun gelukt, hunne fouten en misdaden voor de oogen der wereld te verbergen , ja zelfs met den sluier van rechtschapenheid en deugd te versieren : zijn zij daarom wel gelukkig te noemen ? Moet

./Vertrouwt den uiterlijken schijn niet, want aan God hebt gij reken-

//Schap van uwe kinderen af te leggenquot;..... Alles werkt in eene

.slechte schooi samen tot verleidingquot; en zedeloosheid; zelfs een Engel

//zou er bedorven worden..... V/ie kan aan die verlokking weêr-

//Staan? En toch heb ik langen tijd gestreden, heimelijk geweend;

•/eindelijk ben ik bezweken..... Velen, ik weet het, komen niet

^oo ver op den slechten weg, als ik. Velen verlaten die scholen «■en blijven in de oogen der maatschappij rechtschapen menschen\'. zij zijn ■/het echter slechts in schijn. Wie van al mijne makkers, die zich //Streng aan de lessen zijner meesters houdt, zou bij voorkomende ■gelegenheden niet eveneens handelen, gelijk ik gedaan heb? Dat hij ■/Opsta, de hand op zijn geweten legge en antwoorde! — Men leerde ■/Ons, dat de godsdienst oorzaak is van alle rampen der menschheid, //dat hare geloofsstellingen belachelijk, hare zedeleer vernederend, /hare godsdienstoefeningen kinderwerk zijn; men verzekerde, dat ■/Oe hel niet bestaat, maar slechts tot schrik voor kinderen is uil /gedacht, dat de onsterfelijkheid der ziel door geen verstandig man kan worden aangenomen. Dit alles heb ik allengs op het woord t? \'J61\' r\'?.ees\'er? geloofd; overeenkomstig dat geloof heb ik gehandeld. •/Heel mijn misdrijf bestaat daarin, dat ik de grondstellingen ■/mijner goddelooze leeraars aangenomen en opgevolgd heb. En

•/nu ben ik aan het gerecht overgeleverd..... Toen de voorzitter

«van de rechtbank het waagde, mij van de eeuwige gerechtigheid en •/van ae straffen Gods te spreken, vroeg ik hem, of hij meende, mij i/Ctoor een verdichtsel vrees aan te jagen. Hij zweeg en stond ver-//baasd. Ik werd veroordeeld; het vonnis is en blijft gesproken. De //leerling moet door levenslange schande en straf boeten voor het //geloot, dat hij aan zijns meesters woorden gehecht heeft. . . . Maar \'r mylle Terleiders voor den rechterstoel van den eeuwigen

t i eeilmaal een ieder naar zijne werken vergelden zal. Eeuwige (•vloek ruste op allen,. . . . die het er op toeleggen, door woorden yen geschritten het hart en den geest der jeugd te bederven!quot;

-ocr page 24-

10

niet de gedachte aan den dood, die onvermijdelijk hen eenmaal zal treffen, al hun genot vergallen ? Moet niet, wanneer dat oogenhlik van sterven weldra nadert, hunne smart des te heviger zijn, hoe meer hoop op genot zij bij een langer leven konden koesteren ? Hoe zullen die ongelukkigen op hun sterfbed zich de handen wringen, in wat angst en vertwijfeling zullen zij worstelen met den dood, die hen vernietigen zal ! Met wat bittere smart zullen zij scheiden van

hunne aardsche goederen.....van hunne vermaken .. ..,

vrienden.....van echtgenooten en kinderen, scheiden voor

immer, scheiden, om, als het waar is, wat zij beweren, tot het stof terug te keeren, als het niet waar is, in de eeuwige verdoemenis te vallen ! Die twijfel zelf, dat het wel eens niet waar zou kunnen zijn, wat zij in gezonde dagen zoo driest hebben volgehouden, of, hetgeen even dikwijls het geval is, de overtuiging, welke in die laatste oogenblikken weder opleeft, dat het werkelijk valsch is, en dat zij bijgevolg een eeuwig leven in de helsche pijnen te wachten hebben ; die twij fel of die overtuiging brengt dergelijke stervenden meestal tot volslagen wanhoop \').

\') De afgrijselijke dood van Voltaire is bekend, die van Mirabeau in deel I. verhaald. Wij vermelden hier liet niet minder huiveringwekkende einde van Collet d\'Herbois, die zich in de fransche revolutie door bloeddorst en wreedheid onderscheiden heeft. Collot d\'Herbois behoorde als toöneelspeler en dichter tot de vrijgeesten, die God en de onsterfelijkheid der ziel loochenden, en bijgevolg in den mensch niet veel meer zagen, dan een dier. waarop men naar believen jacht mag maken. Die gezindheid maakte hem de vertrouwde vriendschap van Uobespierre waardig. In het jaar 1793 werd Collot naar Lyon gezonden, waar hij duizenden onschuldigen door de hand des beuls liet vermoorden. Doch de straffende hand der goddelijke Gerechtigheid trof ook hem na weinig tijds. Als medeplichtige van Robespierre aangeklaagd, werd hij den idea Maart 1795 in hechtenis genomen en in April van hetzelfde jaar naar üayenne, eene fransche kolonie in het Zuidamerikaansche Guyana, verbannen. Aldaar aangekomen, werd Collot niet alleen door de blanken, maar ook door de zwarten verfoeid, en gewoonlijk de beul van godsdienst en mensclien genoemd. In zijne ellende riep hij dikwijls uit: „ik ben gestraft; de verlaten-«■heid, waarin ik mij bevind, is eene hel.quot; Weldra werd hij hevig aangetast door de koorts, welue zijne krachten merkbaar sloopte. In zijn lijden riep hij herhaaldelijk tot God om hulp. Een soldaat, wien hij had willen verleiden om God te verloochenen, vroeg hem nu, waarom hij eenige maanden tevoren met den Schepper gespot had. «Ach, mijn vriend!quot; gat\' hij ten antwoord, «mijn mond beloog mijn „hart.quot; Daarop kermde hij weder; //mijn God, mijn God! kan ik nog «vergeving mijner misdaden hopen? Zend mij een trooster , zend mij «iemand, die mij van den vreeselijken brand, welke mijn binnenste «verteert, bevrijde.quot; Zijn doodstrijd was zoo akelig om te zien, dat men zich genoodzaakt vond, den stervende in eene afgelegen kamer te laten brengen. Terwijl men een priester bij hem haalde, stierf de ongelukkige in wanhoop. De negers begroeven hem slechts half; zijn lichaam werd door de wilde dieren verscheurd.

-ocr page 25-

11

Hoe veel troostrijker daarentegen is de dood van degenen , die vast gelooven en overtuigd zijn , dat zij eene ziel hebben, welke hun lichaam overleeft, en die zoo leefden, dat hun dood de overgang in het beter vaderland, in den hemel is! Onverschrokken en welgemoed zien zij hunne ontbinding te gemoet, troosten zich zeiven en hen die achter blijven met de hoop op een spoedig wederzien.

Waarom weent gij ! — spreken zij tot de dierbare betrekkingen , die rondom hun sterfbed staan, — waarom zijt gij ontroostbaar? Ik verlaat de aarde, dit jammerdal, om het rijk der eeuwige vreugde binnen te gaan , waar ik niet zal ophouden, u te beminnen en aan u te denken , tot ook voor u het laatste uur uwer pelgrimsreize slaat, en de geboortedag voor de eeuwigheid aanbreekt. Alsdan zal ik u te gemoet snellen, en niets zal meer in staat zijn, ons van elkander te scheiden \').

\') Hoe verblijd en getroost bravo Christenen den dood te gemoet zien, leeren wij uit de volgende voorbeelden, welke uit eene ontelbare menigte gekozen zijn. Te Synope aan de Zwarte Zee leefde in de derde eeuw een zeer vroom Christen, tuinman van beroep, die Phocas heette. Zijn klein huisje, dat voor de stadspoort aan de groote straat lag, stond immer open, en wie er binnen trad werd als een welkome gast ontvangen en onthaald. Door die in het oog loopende gastvrijheid had Phocas eene zekere vermaardheid gekregen. Toen nu de vervolging der Christenen onder Diocletianus telken dag in hevigheid toenam, en de godvruchtige man zijn geloof door zijne werken verried, werd hij aangewezen als een hoogst gevaarlijk leerling van Christus, als onuitputtelijk in het vinden van middelen, om zijne broeders in het geloof te verbergen, te redden, te sterken en alzoo het getal der afgodendienaars te verminderen. Weldra werden er een paar soldaten naar Synope gezonden, die den tuinier Phocas moesten opzoeken en zonder verhoor het leven ontnemen. Phocas stond \'s avonds aan de deur en keek rechts en links door de straat naar vreemdelingen, die hij zou kunnen herbergen. In de verte zag hij nu de soldaten, bespeurde dat zij vreemdelingen waren, snelde hen te gemoet en verzocht hen, bij hem hun verblijf te houden. De mannen waren zeer blijde, traden binnen, en Phocas onthaalde hen zoo goed mogelijk. Toen zij aan het avondmaal zaten werd het gesprek levendig, en de edele waard vroeg zijne gasten, of zij misschien te Synope iets te verrichten hadden, waarbij hij van dienst kon zijn. O ja, zeiden zij, hij zou hun een grooten dienst kunnen bewijzen, en tot dank voor zijne gastvrijheid wilden zij hem met het doel hunner komst te Synope bekend maken, wel vertrouwende, dat hij het geheim stipt zou bewaren. Zij waren uitgezonden om een zekeren tuinman Phocas te vangen en te stratïen voor zijne vijandelijkheden jegens de goden en den keizer; hun verzoek was nu, dat hij de kroon op zijne goedheid zou zetten door hen te helpen, zich van dien gevaarlijken mensch meester te maken. De brave man hoorde zonder schrik hunne woorden aan. toonde niet de minste verlegenheid of vrees, dacht er ook niet aan, heimelijk de vlucht te nemen of zich te verbergen, maar zeide heel kalm; „in dit geval kan ik u zeker van dienst «zijn, daar ik den man ken en hem gemakkelijk zal vinden. Het zal i/niet noodig zijn lang te wachten en u veel moeite te geven, morgen

-ocr page 26-

12

4) Die taal onieert en verlaagt den rrensch.

Het is vooral de ziel, die den mensch tot mensch en derhalve, gelijk wij gezien hebben, de kroon en den koning der schepping maakt. Door haar is de mensch onderscheiden van het dier, dat gedachteloos en onvrij zijn leven doorbrengt en met den dood ophoudt te zijn. Daarom kan ook den mensch geene grootere beleediging toegevoegd, geene gevoeliger onteering worden aangedaan, dan wanneer men hem met het dier gelijk stelt, hem den naam van een of ander beest durft geven. Degene nu, die beweert: „als ik dood ben, is bij mij, zooals bij het dier, alles uit,quot; stelt zich zeiven op gelijke lijn met het dier, beschimpt zich zeiven zoo erg, als zijn grootste vijand hem in woede zou kunnen beschimpen. Op dusdanigen zijn toepasselijk de woorden van de H. Schrift: „de mensch, die in eere is, „bedenkt het niet, hij gelijkt (volgens zijne eigen uitspraakj

//breng ik liem gewis bij u. Rust dezen nacht vreedzaam iu mijne /geringe woning.quot; Verder sprak hij geen woord meer van deze aangelegenheid, maar ging voort, zijne moordenaars met de grootste vriendelijkheid te bedienen. Daarna maakte hij slaapplaatsen voor hen gereed, en toen zij sliepen, zorgde hij ook voor zich zeiven, name.ijk voor zijn graf en alles, wat tot de begrafenis noodig was. Den volgenden ochtend kwam hij naar hen toe en sprak: //Phocas is er. Gij kunt /hem grijpen, zoodra het u belieft.quot; Buitengewoon verheugd, zoo ras en gemakkelijk het doel hunner reizc bereikt te hebben, vroegen zij, waar de man was? //ïüet ver, hij staat voor u. Ik zelf ben ./Phocas de tuinman. Volbrengt uw werk, ik ben bereid.quot; De soldaten stonden verbaasd, en toen zij aan de liefderijke ontvangst bij zoo groote armoede dachten, wisten zij niet wat te doen, en nog minder toen hij hen goedig aansprak en hen aanmoedigde, hem te dooden, gelijk hun bevolen was. Zij aarzelden nog altijd; maar als hij nu verzekerde, dat hij den dood voor zijn geloof niet vreesde, begingen zij de wreede daad en sloegen hem het hoofd af (Die Martyrer van Hahn-Hahn, blz. 414, en volg.).

Toen de H. Catharina van Genua den dood voelde naderen, liet zij de vensters van hare ziekekamer openen, om den schoonen blauwen hemel te zien, welke zich weldra voor hare reine ziel zou openen, ^u smeekte zij hartelijk en vol verlangen; //Kom spoedig. Schepper, ,heilige Geest, eu bezoek het hart uwer dienares!quot; Geruimen tijd. was haar oog onafgewend ten hemel gericht, haar aangezicht schitterce, en getuigde van de vreugde van haar hart. Eindelijk riep zij herhaalde malen uit; ,/Welaan, laat ons gaan, laat ons opgaan naar onzen /Beminde! Nu niet meer aarde, nu niet meer zonde, nu niet meer ./angst en dood, maar eeuwig leven in Jesus Christus, den Gekruiste!quot; Zij kon niet langer spreken, nauwelijks adem halen, maar een vreug-delach speelde gestaaig om haren mond. Met den vinger wees zij beteekenisvol naar de hoogte, als wilde zij zeggen: nu gaan wij naaiden Heiland, den Geliefde mijns harten. Een oogenblik daarna scheidde hare ziel van het lichaam, om aan het hart van haren Verlosser rust tc vinden (Naar Hungari).

De zalige Petrus Klaver, Apostel der Negerslaven bijgenaamd, koesterde een zoo vast vertrouwen, dat het scheiden uit dit leven voor hem een overgang in een beter leven zou zijn, dat hij kort voor

-ocr page 27-

13

, „liet redelooze veequot; (Ps. XLVIII, 13) \'). — Hoe geheel anders, hoe veel verhevener en eerbiedwaardiger is niet de mensch, in het licht des geloofs beschouwd? Dat heilig geloof leert ons, in ons zei ven en in al onze medemenschen evenbeelden van God, door het kostbaar bloed van den God-mensch vrijgekochten , kinderen Gods en erfgenamen van het hemelrijk kennen, achten en beminnen. Ziedaar de ware grond der christelijke hoogachting voor zich zeiven en dei-innige, krachtige naastenliefde, welke wij in de Heiligen en hunne navolgers bewonderen. -) Ja, slechts in het licht des geloofs komt de mensch in zijne ware grootheid voor.

$ zijn dood lachend tot een zijner ordebroeders sprak: «■goede broeder, ïik zal nu deze wereld gaan verlaten; hebt gij soms cene boodschap „voor de andere wereld meé te geven?quot; En toen de kloosterling, 1 sterk ontroerd, hem verzocht, dat hij het klooster en de stad (Cartha-S Kena) God zou aanbevelen, gaf hij hem zijn woord daarop. Hetgeen na den dood van den gelukzaligen man gebeurde, bewees duidelijk, dat hij zich in zijn vertrouwen geenszins bedrogen had. Zijn lichaam, hetwelk door buitengewone boetedoening en gestrengheden geheel uitgeteerd was, zag er namelijk bloeiender uit dan ooit in zijn leven, zijn gelaat was liefelijk en schoon, zijne handen en voeten waren week en buigzaam en een aangename geur, die zelfs de zielen der aanwezigen doordrong en verkwikte, verspreidde zich door geheel de kamer.

\'J As onze ziel sterfelijk, dan zijn wij, even als het vee, op aarde ^gesteld om voedsel te zoeken en te sterven, dan is een staat van vrije, ^denkende wezens niets meer dan eene kudde redeloos vee, en de pmenscli — ik huiver, hem in die geringheid te beschouwen — van „de hoop op onsterfelijkheid beroofd, is het ellendigste dier op aarde, .■/dat tot zijn ongeluk over zijnen toestand nadenken, den dood vreezen, ;/en vertwijfelen moei.quot; Zoo spreekt de Jood Mozes Mendelssohn, een schrijver van den lateren tijd, in zijn bekenden Phaedon. Hoe beschamend is dit niet voor vele Christenen, die zich alle mogelijke moeite geven, om zich zeiven en huns gelijken diets te maken, dat zij //het ellendigste dier op aardequot; zijn!

2) Wanneer men den mensch beschouwt gelijk degenen, die zeggen, dat de ziel een ijdel woord of slechts dat lichaamsdeel is, hetwelk denkt, en wanneer men volgens deze (materialistische^ zienswijze de waarde van den mensch alleen naar de uiterlijke gestalte, naar de kracht van den lichaamsbouw, van armen, enz. afmeet, dan is het noodzakelijk gevolg daarvan, dat men hem niet veel hooger, ja zeer dikwijls minder schat, dan het redelooze dier, en hem behandelt ge-lijk men een beest niet zou durven behandelen. — Dat er mensehen zijn, die wetend of onwetend zich den mensch aldus voorstellen, be wijst de slavenhandel maar al te duidelijk. Om niet te spreken van de wreedheid, waarmede men namelijk up de kusten van Afrika op de arme Negers jacht maakt en hen van hunne vrijheid en van hun vaderland berooft; wie huivert niet bij de gedachte alleen aan den beklagens-waardigen toestand dier ongelukkigen bij hunne overvaart naar West-Indië en aan het droevige lot, dat hen aldaar wacht? Met geweld worden zij aan boord gebracht en door en op elkander in een duis-teren hoek van het schip gepakt. Daar liggen zij zonder bed, zonder kleeding en bijkans zonder eenig menschelijk voedsel, met zware jÜ ketenen beladen, in onreinheid als het ware begraven. Dit alles, gepaard met de gloeiende hitte dier luchtstreek, heeft voor de be-|| (ilagenswaardige olïers der onmenschelijkheid afgrijselijke ziekten.

-ocr page 28-

14

Hoedanig heeft God den mensch geschapen?

Hij heeft hem naar zijn beeld en gelijkenis geschapen. De geheele schepping is, zooals wij in deel I. reeds meermalen opmerkten, een heerlijke weerschijn van de goddelijke volmaaktheden: in elk schepsel, zelfs in het geringste

wonden en ontstekingen ten gevolge. De verpestende stank maakt het verblijf in die aardsche liel geheel onuitstaanbaar. Daarom geraken vele dier ongelukkigen in vertwijfeling; velen achten het verkieslijker van honger te sterven, dan door voedsel, dat voor honden nauwelijks goed genoeg is, een zoo rampzalig leven op te houden. — Op de plaats hunner bestemming aangekomen, worden de arme zwarten als vee op de markt gebracht en aan den meest biedende verkocht. En nu begint er weder een nieuw lijden. Met de zweep in de hand tot den arbeid gedwongen, door honger en dorst gekweld, door wreede opzichters op de gevoeligste en onteerendste wijze mishandeld, brengen zij den dag in den dienst hunner meesters, den nacht in eene soort van kerker door, die maar al te zeer aan het scheepshol bij de overvaart herinnert. Worden de slaven ziek, of maakt de ouderdom hen tot werken ongeschikt, dan worden zij veelal met slagen eu verwenschingen overladen, zonder hulp of onderkomen zijnde, den dood in de armen geworpen. Nog grooter dan de lichamelijke ellende dier ongelukkigsten der menschen is de geestelijke ellende, waarin zij versmachten. Bekrompen en traag van geest leven zij in de grootste onwetendheid, zoeken eene vergoeding voor hun aanhoudena lijden in het bevredigen van alle, zelfs van de laagste driften. Zij worden allengs waarvoor men hen houdt, ja zij worden waarlijk dieren. Het vonkje verstand, dat zij nog behouden, dient alleen om hun den weg te wijzen tot de afgronden der ontaarding, welke den redeloozen dieren eeuwig onbekend blijven. En schoon ook somwijlen een beter gevoel zich in hun binnenste openbaart, wanneer de goddelijke genade hen op iets hoogers, op .God, op godsdienst, op een eeuwig leven hiernamaals opmerkzaam maakt, dan verzet niet zelden de hebzucht hunner meesters zich tegen de pogingen, welke zij aanwenden om dat hoogere te leeren kennen, en aldus wordt het hun bijna onmogelijk gemaakt, zich in de waarheden des heils te doen onderwijzen. —■ Dit was voorheen en is gedeeltelijk thans nog het lot der arme Negerslaven. Dit zou in het algemeen het lot zijn van de dienende klasse der menschelijke maatschappij, indien de\'grondbeginselen van het Mate-rialismus de overhand kregen.

Hoe geheel anders handelen degenen, die den mensch in het licht des geloofs beschouwen, en bijgevolg in hem, hoe onaanzienlijk hij ook zijn moge, het onsterfelijke evenbeeld Gods, den prijs van het bloed van Jesus Christus, van den Godmensch, het kind Gods den erfgenaam van het hemelrijk zien? Dit blijkt allerduidelijkst uit het bewonderenswaardig voorbeeld van den bovengenoemden Petrus Klaver, die zich te Garthagena, het middenpunt van den VVestindischen slavenhandel, 36 jaren lang aan den dienst der ongelukkige Negerslaven wijdde. — Petrus Klaver, uit eene oud-adelijke familie in Catalonië geboren, trad in het jaar 1602 in de Sociëteit van Jesus en werd zeven jaren later op zijne herhaalde en vurige beden door zijne oversten als missionaris naar Indië gezonden. Eene grootmoedige liefde tot Jesus, den Gekruiste, maakte, dat hij zich aldaar met eene bizon-dere voorliefde tot de Negerslaven getrokken voelde. Door de leiding der goddelijke Voorzienigheid, die den zaligen Klaver lot heilsbode en redder dier ongelukkigen hadquot; uitverkoren, werd hij op uitdrukkelijk bevel zijner oversten naar Garthagena gezonden, waar telken jare

-ocr page 29-

15

■ en onbeduidendste, zien wij die meer of minder afgespiegeld. Hoe kon anders de H. Paulus zeggen, dat wij hier beneden God aanschouwen als in een spiegel (1 Cor. XIII, 12) en

eer- i--

: duizenden Negers aanlandden en verkoclit werden. Daar ontwikkelde

gste Klaver eene liefde en opoffering voor de arme zwarten, die inderdaad

; aan \'t wonderbare grensden. — Zoo dikwijls een met slaven bevracht

ï schip de haven binnenliep, begaf de ijverige missionaris zich terstond

aakt aan boord, om zijne nieuwe pleegkinderen te verwelkomen. Daar

^era- quot; ontving hij hen, uitgeput als zij waren door de ongemakken der reis,

lues- met zoo groote hartelijkheid en vreugde, met zoo warme vaderlijke

iden ; liefde, dat zelfs de ruwsten en cnmenschelijksten zich terstond tot

a. — hem getrokken gevoelden. Na de eerste begroeting deelde hij gebak,

war- a; versche en ingemaakte vruchten en andere lekkernijen onder hun uit,

Jcht. gaf hun verkwikkende dranken en won aldus geheel hun vertrouwen,

land • Nadat Klaver de arme Negers, die zulk eene ontvangst volstrekt niet

eede f verwacht hadden, voor zich ingenomen had, trachtte hij hen voor God

\'ren- 4 te winnen. Eerst doopte hij degenen, die tijdens de overvaart ter

eene wereld waren gekomen, en bezocht vervolgens de zware zieken, om

j de hen tot het H. Doopsel voor te bereiden; tot allen richtte hij woorden

lom van bemoediging, en bij het heengaan gaf hij hun op nieuw bewijzen

\' en •; zijner liefde en hartelijkheid.

den Op den dag der ontscheping wachtte hij hen aan den oever op.

nde reikte hun de hand bij het verlaten van de boot, droeg de zieken op

irin zijnen arm naar kleine wagens, welke hij te dien einde in gereed-

\'tste held hield, vergezelde hen dan naar de herberg, beval hen dringend

den der zorg en welwillendheid hunner meesters aan, en beloofde spoedig

den te zullen terug komen. En dat alles deed de liefderijke missionaris

Het met zoo ondubbelzinnige teekenen van oprechte vriendschap en op

veg zoo ongekunstelde wijze, dat alle toeschouwers er over verbaasd en

zen vol bewondering waren. — Later begon hij de onwetende en niet

iter ■- zelden allerdomste zwarten in de geloofswaarheden te onderwijzen,

ade Niets was in staat hem van dit moeielijk werk eens Apostels af te

i\'en | houden, noch het geringe begrip zijner kweekelingen, noch hunne

cht aangeboren onzindelijkheid en ruwheden, noch de beschimpingen en

dat scheldwoorden van den kant der hebzuchtige meesters, die het on-

lijk . gaarne zagen, dat de Negers in hunne vrije uren den missionaris

Dit f gehoor leenden. Klaver vergenoegde er zich niet mede, zijne lieve

en. | Zwarten Christenen te maken; hij wilde hen in goede, deugdzame

Ier Christenen herscheppen. Daarom bezocht hij ook degenen, die reeds

ite- genoegzaam onderwezen en gedoopt waren; dagelijks troostte hij de bedrukten, kwam door rijke aalmoezen, welke hij zelf voor hen

;ht bedelde, in hunne veelvuldige behoeften te hulp, stemde hunne harten

hij door beden en smeekingen tot naenschelijkheid en zachtheid, leidde

iet velen, die hunnen dienst waren ontvlucht, tot hunne meesters terug,

en vroeg voor hen vergeving en vermindering van straf,

iet Eveneens verschafte hij den zieken hulp en geneesmiddelen. De

er, gasthuizen, waar de blinde, kreupele en ongeneeslijke Negers ver-

m- pleegd werden, waren zijne lieveiingsoorden. Hij heelde daar niet

en enkel de wonden der ziel door de toediening der HH. Sacramenten,

iië maar droeg ook tot genezing hunner lichamelijke wonden naar ver-

rd mogen bij, daar hij die reinigde, uitwiesch en met groote zorg

sr- v verbond. Bij dergelijke gelegenheden wist de dienaar Gods zich

le zoo heldhaftig te overwinnen, dat onze in zeker opzicht zoo lijn

n- | gevoeligen tijd niet eens de aanduiding, laat staan de beschrijving van

ig zijne opoffering gedoogt.

Ie Ê Op zon- en feestdagen geleidde Klaver zijne Negers naar de kerk,

e- maakte zitplaatsen voor hen gereed en legde stroomatten op den

re vochtigen bodem, opdat zij geene koude zouden lijden. Toen eenige

-ocr page 30-

16

dat de eeuwige kracht en godheid in de geschapen dingen j ^ kenbaar en zichtbaar is? (Roip. I, 20). Nochtans is in 1 de geheele zichtbare schepping alleen de mensch Gods even- 1 beeld. Daarom zegt de H, Schrifi: „God schiep den mensch i ^ „naar zijn evenbeeld, naar het evenbeeld van God schiep \' „Hij hemquot; (1. Mos. I, 27). En daarin ligt juist de voor- ^

voorname vrouwen daar tegen opkwamen, wijl de eigenaardige, zeer walgelijke uitwaseming van het Negerras haar hinderde, gal\' hij . i bescheiden, doch vastberaden ten antwoord; ,,die arme menschenzijn i „Christenen en als zoodanig verplicht, de H. Mis te hooren.quot; Endaar bleef het bij; niemand waagde het verder, eene klacht uit te brengen.— ïta dit alles is het gemakkelijk te begrijpen, dat Klaver bij de Neger- | \' slaven zeer hoog in aanzien stond. Inderdaad maakten zijne liefde, zijne beden, zijne vermaningen en bedieningen een zoo grooten in druk op die ruwe menschen, dat het hem gelukte, vele honderd [■ 1 duizenden het H. Doopsel toe te dienen, en ook van de domsten ge- | heel andere menschen te vormen, hen tot eene groote zuiverheid van hart en levenswandel te brengen. — Klaver verliet zijne geliefde Negers zelfs na hun sterven niet. Hij beweende de dooden\', gelijk een teeder ■ minnende vader zijne kinderen; zamelde aalmoezen in, om iun eene ï behoorlijke, christelijke begrafenis te verschaffen, droeg het H. Misoffei 1 voor hen op, bezocht daarna de ouders en bloedverwanten der over- ti ledenen, vertroostte hen en weende met de weenenden. — Onier zulke pi offers van ware liefde tot deze in de oogen der wereld zoo verachtelijke menschen, gingen er 36 jaren voorbij. Eene steeds toenemende verzwakking, welke Klaver in den dienst der pestzieken had oogedaan, maakte aan zijn liefde- en zegenrijk leven een einde.

Ook in onze dagen zijn er edele zielen, die den mensch in den geest van dezen H. missionaris beschouwen en behandelen. Ja, men vindt er velen, niet enkel onder de vrome kloosterlingen, die geheel hun leven aan den dienst van de armen en lijdenden wijden, maar ook in den wereldlijken staat, zelfs in de hoogere en in de hoogste klassen der maatschappij. Wij kunnen niet nalaten, hier in het bizonder het schoone voorbeeld van de voor eenige jaren overleden gravin van Stolberg, geboren van Spee, te vermelden.

Deze edele vrouw, in de omstreek van Westheim in Westphalen wijd en zijd als de moeder der armen bekend en geëerd, kende geen grooter genoegen, geene aangenamere uitspanning dan het bezoeken van arme zieken. Als .een troostende engel trad zij aan het ziekbed, bracht geneesmiddelen en milde giften mede, en sterkte de lijders door hare woorden vol geloof en bemoediging. Bij een dier bezoeken vond zij eene zieke, die, door een afzichtelijken kanker aangetast, || zich van een ieder verlaten zag. Diep getroifen door den pijnlijken toestand der arme vrouw, haalde zij eene zorgzame oppasster, die\' voor eene rijke belooning de zieke zou verplegen. Na eenigen tijd kwam deze bij de gravin om haar te melden, dat zij onmogelijk nog langer de zieke kon bedienen, wijl de reuk alleen en nog meer hei zien van den hevigen kanker haar onverdragelijk was. ,/Edele vrouw,quot; voegde zij er bij, „al zoudt gij mij dagelijks nog zoo veel geld geven, „ik zou het toch niet langer kunnen uithouden.quot; De gravin antwoordde , zeer bedaard en even vriendelijk als altijd: thet is goed, mijn kind, !} „ik zal er voor zorgen, dat iemand anders haar verpleegt.quot; — Van nu af bezocht de gravin zelve herhaalde malen de zieke, bleef dikwijl-uren lang bij haar, reinigde en verbond de afzichtelijke wonde, be-M wees haar met de liefde en zorg der teederste moeder alle mogelijke \' diensten, en verliet haar niet, dan nadat de dood aan het lijden der arme zieke een einde had gemaakt.

-ocr page 31-

17

• \' ; treffelijkheid van den mensch, zijn ontegensprekelijke voor-is in 1 :\'ano boven alle overige zichtbare schepselen. Noch de eren- iaensc^1\' noch de Engelen mogen echter volkomen (wezenlijke) enscl1 1 evenbeelden Gods geboemd worden. Een volmaakt even-chiep I van en^el het eeuwige Woord des Vaders ,

voor- \' eeniggeboren Zoon, van wien derhalve nergens in de H. Schrift geschreven staat, dat Hij naar het evenbeeld des vaders gemaakt, maar dat Hij het evenbeeld des Vaders is. i, zeer | De uitdrukking: „naar het evenbeeld Godsquot; beteekent alzoo ■af hij I niet eene algeheele gelijkenis op God, maar enkel eene ®quot;daar i bizondere, hoewel met volmaakte gelijkenis op Hem.

Igen.— Men kan hier de vraag stellen, of de mensch naar het Neger-i lichaam of wel naar de ziel Gods evenbeeld is? De liefde,® vomeinsche Katechismus \') antwoordt in vereeniging met jnderd | de HH. Vaders en den grooten Godgeleerde Thomas van en ge-1 Aquine quot;) als volgt; „De mensch is liet evenbeeld Gods ^ var; i „naar de ziel.quot; De mensch draagt alzoo het zegel der geleider I lijkenis op God, niet omdat en inzooverre hij lichaam is. n eene | maar wijl en inzooverre hij geest is. — Evenwel ook r^ove\'r 1 riaar lic^aain gelijk de mensch meer op God, dan eenig [•zulke! lichamelijk wezen. Het menschelijk lichaam toch is

rachte-1 ontegensprekelijk het voortreffelijkste beeld der zichtbare ■eïaan i Inderdaad, wat in de overige lichamelijke dinger.

^ verstrooid voorkomt: het zijn, het leven, het gevoel, dat n geest H alles vereenigt het in zich in ryke volheid en verwonder-cnuu\' harmonie. Terwijl de dieren allen voorover ter aarde

ook in | gebogen zijn, ryst \'s menschen lichaam recht omhoog en klassen i verheft zich zijn hoofd hemelwaarts, ten teeken, dat hii ^ei het i heer is over de aarde en hare schepselen, en dat hij niet \' \' slechts der aarde, maar veel meer den hemel toebehoort, en pbalen p datgene zoeken moet, wat daarboven is. Hoe verheven zijn zo el-en 1 00^£ ^001\' gave der spraak, alleen den mensch geschon-ekbed. I iieni welke ons in staat stelt, door wederzijdsche mededeeling lijders f van gedachten en gevoelens elkander te leeren, te troosten, te ^etaT vermaneD i 0P te beuren, waardoor onze ziel in de innigste nTijkenj Semeenschap treedt met de ziel van anderen. Galenus, een er, die; beroemd geneesheer der oudheid, vond stof genoeg, om een en tijd geheel boek te schrijven over de voortreffelijkheid van het eer\'hei menschelijk lichaam. En, ofschoon heiden, wendt hij zich rouw,quot;f ergens tot God met de woorden: „o Gij, die ons gevormd ^rdde quot;^ebt! terwijl ik het menschelijk lichaam beschrijf, geloof iquot;kind. 1 een hed ter uwer eer te zingen. Ja, ik eer U meer. Van nu ikwijls de, be- j , ■

igelijke if,} \') P. 1. art 1. n. 22.

I en der 2) Sum. I. q. 93. a.

DEHAKBE, GELOOFSLEEK. II. DSUK. 2

i

-ocr page 32-

18

.,als ik de schoonheid uwer werken leer inzien, dan wanneer „ik in de tempels kostbaren wierook laat opstiigen.quot; Doch ons lichaam, hoe voortreffelijk ook gevormd, is toch onze ware grootheid niet; het is onvergelijkelijk geringer en minder dan de ziel. Het lichaam is stof, en zal terug-keeren tot stof, waaruit het genomen is; het is uit endoor zich zeiven niet in staat, zijnen Schepper te erkennen. Zijn waren en hoogsten adel ontleent het aan de ziel, wier zetel het is. Die adel bestaat daarin, dat het den onsterfelijken geest als werktuig dient ter beschouwing der natuur, tot lofprijzing van den Schepper, tot het verrichten van goede werken, tot voltrekking van heilige voornemens en besluiten; dat het \'t kanaal is, waardoor God aan de ziel degenadestroomen der HH. Sacramenten toevoert; dat het door middel van de ziel de levende tempel is van God, gelijk Paulus betuigt met de woorden: „Weet gij niet, dat uwe ledematen tempels ,,zijn van den H. Geest?quot; (2. Cor. VI, 19). Om dezelfde reden zal het lichaam ook niet altijd in het graf verblijven; maar verheerlijkt opstaan, om nimmermeer te sterven. En met het oog op dien hoogeren adel, welke het lichaam door deelname aan de voortreffelijkheid en de werking der ziel toekomt, lean het ook Gods evenbeeld genoemd worden.

Houd derhalve, waarde lezer, uw licliaam in eere, ontheilig liet niet door de zonde, opdat aan u niet de bedreiging worde vervuld van den Apostel; „wanneer iemand den tempel üods (zijn eigen lichaam^ ont-„heiligt, zal God hem in het verderf stortenquot; (I Cor. III, 17). — Intusschen blijft het altijd waar, dat de ziel, als het evenbeeld van God, als de geboren heerscheres der wereld, als de onsterfelijke erfgename van het hemelrijk, veel meer onze achting, liefde en zorg verdient, dan het lichaam, dat om harentwil geacht, bemind en verzorgd moet worden. Hoe kunnen wij echter aan de ziel beter onze achting en liefde bewijzen; hoe kunnen wij grootere zorg voor haar welzijn aan den dag leggen, dan juist door haar te laten heerschen over het lichaam en zijne begeerlijkheden? Die heerschappij is immers haar voorrecht, hare waardigheid, hare natuurlijke bestemming, hare volmaaktheid. „O mensch!quot; roept de H. Basiiins uit (Hom. 19, over de scheppingsdagen), „gij zijt tot heerschen geboren, en gij zoudt de „knecht uwer verkeerde neigingen, de slaaf der zonde worden? God „heeft u bevolen, aan het hoofd van alle schepselen te staan, en gij „werpt dat verheven voorrecht lichtzinnig van u weg? Hebt gij niet „het verstand gekregen, om uwe begeerlijkheid ten onder te brengen? „Als gij de aanlokselen der zonde met voeten treedt, zijt gij een „heersclier, al zouüt gij in de oogen der menschen een knecht otslaif „wezen.quot; — Hoe dwaas zijn derhalve degenen, die aan het sterfelijk lichaam meer zorg wijden, dan aan hunne onsterfelijke ziel, die aan de ziel het hoogere leven ontrooven, om het lichaam wel te doen. Te recht zeide de edele kanselier Thomas Morus van dusdanige menschen; „zij, die in dit pelgrimsleven zich aan ongebondenheid en wellust „overgeven, zijn gelijk aan den wandelaar, die op reis naar zijn vader-„land, waar alle vreugde en alle genoegens hem wachten, in eene her-„berg, uit liefde voor den waard, dienst neemt als stalknecht en in den „stal zijn leven wil eindigen.quot;

\\

-ocr page 33-

19

Totdusverre hebben wij gezien, dat de mensch (hoofdzakelijk naar de ziel) het evenbeeld van God is. Eene andere vraag is: wat wel den mensch tot Gods evenbeeld maakt? Hierop zou men in het algemeen ten antwoord kunnen geven : wat den mensch tot evenbeeld van God maakt, is zijne bizondere gelijkenis op God. Maar daardoor is nog niet alles bepaald genoeg gezegd; want men kan verder de vraag stellen, waarin die bizondere gelijkenis met God bestaat, wat de eigenlijke grond daarvan is, kortom, waardoor de mensch bij uitnemendheid, meer dan alle andere dingen der zichtbare schepping, Gode gelijkend is? Dit alles nu kan samengevat worden in eene enkele vraag, die volgt:

Waardoor was de eerste mensch een evenbeeld van God?

Door de natuurlijke en bovennatuurlijke gaven, welke hem Gode gelijkend maakten.

Het zal niet ondienstig zijn, hier voorloopig op te merken, dat niet zonder reden de vraag wordt gesteld; «waardoor was de eersie mensch,quot; en niet: «waardoor is de mensch in het algemeen het evenbeeld van «God?quot; Want niet alle trekken der hovennatuurlijke gelijkenis op God, waarvan hier spraak is, komen werkelijk, zooals later duidelijk zal worden, aan alle menschen op aarde toe; maar alle waren, als een bizonder genadegeschenk, den eersten mensch verleend.

Om het boven gegeven antwoord juist te verstaan, moet men allereerst het onderscheid tusschen natuurlijke en bovennatuurlijke gaven wel begrijpen. Natuurlijk kan men hier die goddelijke gaven noemen, welke tot de menschelijke natuur behooren, derhalve alle, welke God ons verleend heeft door ons als menschen te scheppen. Dusdanige zijn niet alleen de hoofdbestanddeelen der menschelijke natuur — lichaam en ziel — maar ook alle eigenschappen, krachten en vermogens, zoowel van het lichaam als van de ziel, die ons zijn aangeboren of tot de menschelgke natuur behooren, bijv, de enkelvoudigheid der ziel, de ontbindbaarheid van het lichaam, het vermogen om te denken, te willen, te spreken, te zien, te hooren; verder de aanleg voor wetenschap, voor verschillende kunsten, enz. —

Bovennatuurlijk heeten daarentegen die goddelijke gaven, welke wij niet van nature bezitten, welke niet uit \'s menschen natuur voortkomen , maar alles overtreffen, wat wij van nature hebben of waarop wij aanspraak konden maken. Dusdanige zijn alzoo door God als een geheel bizonder genadegeschenk gegeven, om ons te verheffen tot eene hoogere gemeenschap met Hem, tot een hoogeren adel dan onze natuur eischt, of om ons met krachten en deugden van eene hoogere (boven-

2*

-ocr page 34-

20

menschelijke) soort uit te rusten, zooals wij later duidelijk nullen inzien. \') Wij behoeven hier niet aan te merken , dat God zulke gaven naar eigen welgevallen en onder die voorwaarden, welke hij stellen wil, den mensch mede-deelen en weder ontnemen kan. Immers ook een aardsch koning kan een zijner onderdanen de gunst bewijzen, hem tot den adelstand te verheffen zonder hem dit verschuldigd te zijn, en, zoodra de edelman de vastgestelde voorwaarden niet vervult, den adelbrief terug eischen, zonder diens recht eenigermate te krenken.

Door de natuurlijke gaven wordt de mensch het natuurlylce, maar door de bovennatuurliike het bovennatuurlijke evenbeeld Gods. Verscheiden Schriftuitleggers meenen dit onderscheid te vinden in de woorden der H. Schrift: „laat ons den „mensch maken naar ons evenbeeld en onze gelijkenisen laten dan het woord „naar ons evenbeeld\'\'op de natuurlijke het woord „gelijkenisquot; daarentegen op de bovennatuurlijke gelijkenis met God slaan.

Waarin bestaan de natuurlijke gaven, welke den mensch Gods gelijkend maken?

Hoofdzakelijk daarin, dat \'s menschen ziel een onsterfelijk, met verstand begaafde geest is.

God is geest, ook de mensch is (naar de ziel) geest, en hierin juist ligt de gelijkenis op God, welke den mensch boven alle overige zichtbare dingen verheft. De geest alleen is Gods evenbeeld, wijl in hem alleen het geestelijk leven Gods, zijn eeuwig kennen en willen, zich afspiegelt. —De natuur nu van \'s menschen geest, zijne eigenaardigheid bestaat daarin, dat hy 1) met verstand en 2) met vrijen Vvil begaafd, en 3) niet gelijk het lichaam sterfelijk is ; bijgevolg bestaat ook in deze drie eigenschappen of vermogens der ziel, in de verstandelijkheid namelijk, in de vrijheid van wil en in de onsterfelijkheid, de natuurlijke gelijkenis van den mensch op God.

1) De ziel is met verstand begaafd. Het verstand is het vermogen, om de waarheid in de schepselen, en God zeiven , de hoogste waarheid, het toonbeeld en den oorsprong van alle waarheid, te kennen. Het is ook het vermogen, om het goed te kennen en van het kwaad, te

\') Volgens de leer van den H. Thomas kan men het onderscheid tusschen natuurlijk en bovennatuurlijk met weinig woorden aldus uitdrukken: „natuurlijk is, wat tot de menschelijke natuur als zoo-z/danig behoort, bovennatuurlijk wat haar als een geschenk is toege-,/Voegdquot; (contra gentes L. 4. c. 52).

-ocr page 35-

21

onderscheiden; want ook het goede is waarheid, inzoo-verre het met de goddelijke goedheid overeenkomt, de onvervalschte uitdrukking is van Gods goedheid. Het kwaad daarentegen is om de tegenovergestelde reden onwaarheid, leugen, omdat het evenbeeld, de mensch, daardoor zijce gelijkenis op het toonbeeld, op God, verliest. Vooral door dit onwaardeerbaar vermogen, om het ware en het goede te kennen, alsmede c\'oor de kennis van het ware en goede zeiven, gelijkt de mensch op den alwijzen God, die alles, wat waar en goed is, kent.

2) De ziel is vervolgens met een vrijen wil begaafd. De vrije wil is het vermogen, om hetgeen men als waar en goed heeft leeren kennen, te beminnen, zonder inwendige noodzakelijkheid (d. i. zonder eene onwederstaanbare aandrift der natuur) en zonder uitwendigen dwang, derhalve met vrije keuze te volvoeren. De H. Schrift zelve getuigt, dat God den mensch dit vermogen, de bron van alle verdiensten , bij de schepping heeft geschonken. „God heeft „van den beginne den mensch gemaakt, en hem de vrije

„keuze gelaten..... De mensch heeft vóór zich leven en dood

„(goed en kwaad) ; wat hij wil zal hem gegeven wordenquot; (Sir. XV, 14—18). Ook deze gave van den Schepper, de vrijheid, maakt den mensch in hooge mate aan God gelijk. Immers God ook is in al zijne werken naar buiten, bijv. in de schepping en verlossing der wereld, enz. volkomen vrij , d. i. onafhankelijk van allen dwang en alle noodzakelijkheid. En door het goed gebruik van deze gave, vau zijne vryheid , wordt de mensch een getrouw evenbeeld van den vrij werkenden God.

Uit de verstandelijkheid en vrijheid van den mensch volgt van zelf een nieuwe trek van gelijkenis op God, namelijk de heerschappij van den geest over de geheele zichtbare wereld. Immers met het verstand erkent de mensch het hoogere doeleinde der geschapen dingen, en daar hij met vrijheid is uitgerust, staat het in zijne macht, de schepselen tot lof en tot den dienst van God, zijn Opperheer, te gebruiken, en zoo van alles, middellijk of onmiddellijk ter bereiking zijner verheven bestemming partij te trekken. Op die wijze onderwerpt de menschelijke geest aan zich de geheele zinnelijke wereld, om zich zeiven in alles aan God, den Heer der schepping, te onderwerpen. In die heerschappij nu ligt, gelijk reeds gezegd is, eene nieuwe en sprekende gelijkenis op üod, den Koning der wereld, daar de mensch aldus zijn levend beeld, zijn stedehouder in de zichtbare wereld wordt.

3) De ziel van den mensch is onsterfelijk. Het lichaam, door den dood van de ziel gescheiden, gaat over in stof en asch, maar de ziel blijft leven, wijl zij als een enkelvoudig, geestelijk wezen geeue deelen heeft, waarin zij opgelost kan worden. Zij is evenwel niet onsterfelgk gelijk God, daar

-ocr page 36-

22

Hij, door zijne almacht, haar zou kunnen vernietigen, als het Hem behaagde. Doch God wil de ziel niet vernietigen, Hij wil, dat zij eeuwig zal leven. Dit getuigt ons de Openbaring, dit zegt zelfs onze rede. — Volgens de goddelijke Openbaring „heeft God den mensch onsterfelijk geschapenquot; (Wijsh. II, 23). Eerst door de zonde kwam de dood ia de wereld ; tengevolge van den dood keert het lichaam tot de aarde, maar de ziel tot God terug (Pred. XII, 7). „De „rechtvaardigen schijnen in de oogen der dwazen te ster-

„ven____maar zij zijn in vrede____Hunne hoop is vol van

„onsterfelijkheidquot; (Wijsh. 111,1—5). De goddelijke leeraar, Jesus Christus, zegt zelf, dat de God van Abraham, Isaak en Jakob „geen God der dooden, maar der levendenquot; is (Matlh. XXII, 32). En men merke wel op, dat Jesus door deze woorden de Saduceërs wilde wederleggen, die beweerden, dat er geen toekomstig leven is. Ook op eene andere plaats getuigt Jesus allerduidelijkst hetzelfde. „Dezequot; (de boozen) zegt Hij, „zullen in de eetiwige pijnen gaan, maar de recht-„vaardigen in het eeuwige levenquot; (Matth. XXV, 46). Het zal niet noodig zijn , andere teksten uit de H. Schrift aan te halen, daar de leer van de onsterfelijkheid der ziel eene hoofdleer des Christendoms is, zonder welke de geheele Openbaring door schrift en woord geen zin heeft, wijl de Openbaring overal het géloof aan de onsterfelijkheid der ziel veronderstelt. — Overigens is de mensch ook door het licht der rede in staat tot de overtuiging te komen, dat de ziel onsterfelijk is, d. i. van den kant van God volstrekt de vernietiging niet te duchten heeft. Door eigen ondervinding en die van anderen weten wij, dat in het hart van eiken mensch eene onwederstaanbare zucht naar eindelooze zaligheid te vinden is, welke door geene aardsche schatten, geene tijdelijke genoegens bevredigd kan worden. De rede zegt ons verder, dat deze allen aangeboren zucht slechts van den Schepper en Vormer aller harten, van God, komen kan, en dat de wijze, goede en heilige God ons dat verlangen niet in \'t hart gestort heeft, om ons met eene iidele hoop te bedriegen, om ons aanhoudend te kwellen en in een toestand van de smartelijkste ontberingen te brengen, •terwijl het dier in de zinnelijke wereld alles aanwezig vindt, wat het verlangt. Daarom troost onze rede ons ook met een toekomstig leven, met een toestand van eeuwige, onbegrensde zaligheid na den dood. Verder dwingt ons in zekeren zin de redelijke natuur, als ontwijfelbaar aau te nemen, dat God de deugd naar verdienste beloont, maar het kwaad bestraft. Wanneer wij echter een blik in de wereld werpen, zien wij niet zelden, dat de deugd armoede

-ocr page 37-

23

en gebrek liidt, terwijl de zonde overvloed van alles heeft; dat de deugd veracht, versmaad en bespot wordt, terwijl men het kwaad achting, lof en hulde schenkt, dat de deugd in boeien ligt, terwijl de misdaad trotsch het hoofd opsteekt; dat de deugd onder de slagen der boosheid zucht, ja soms er onder bezwijkt. Is dit geene reden, om twijfel aan de Voorzienigheid van een heiligen en rechtvaardigen God op te wekken ? Het verstand houdt ons echter van dien twijfel af, daar het ons hoorbaar genoeg toeroept: er is eene eeuwigheid, en die eeuwigheid heeft de oneindig heilige en rechtvaardige God zich voorbehouden., om de deugd, welke gedurende dit kortstondig leven op aarde miskend, vervolgd, is ■ mishandeld is , te rechtvaardigen en te kroonen\', daarentegen den huichelachtigen, zegevierenden zondaar te ontmaskeren en te bestraffen; er is een eeuwig leven, om het evenwicht tusschen de werken en de vergelding, hetwelk in de tijdelijke wereldorde zeer dikwerf onjuist is, op de schitterendste wijze te herstellen. — Neen, met den dood is alles niet uit. Tegen die goddelooze bewering verheffen zich om strijd en eenparig de volkeren van alle tijden en landen ; want bij allen vindt men het geloof aan een ander leven na den dood. En inderdaad, is dat geloof ijdel, dan moet geheel L het menschelijk geslacht met elkaar zijn overeengekomen, : om ééne en dezelfde dwaasheid te gelooven en vol te houden. De verschillende ceremoniën en gebruiken bij de begrafenissen , de offers voor de dooden , de vereering der voorouders , welke bij de talrijke volkeren van China aan afgoderij grenst, de leer der wijsgeeren \') en de vurige liederen

\') Bizonder merkwaardig is het, dat de beroemdsten der heiden-sche wijsgeeren, om dc onsterfelijkheid der ziel en de vergelding in een ander leven te bewijzen, zich op het geloof der vroegste tijden beroepen. ;/Voor dit geloof,quot; zegt Cicero, \'.) /spreekt de «geheele oudheid, welke, hoe nader zij bij den oorsprong en de «goddelijke afstamming kwam, des te beter voorzeker de waarheid ,/inzag.quot; Hetzelfde betuigt Aristotelesmet de woorden; //Dit is een „van de vroegste tijden bij ons voortlevend geloof, welks ontstaan «men evenmin kent als dengene, van wien het uitging.quot; Ook Plato drukt in zijne geschriften dezelfde gedachte uit. De heidenen van lateren tijd, de zoogenaamde vrijgeesten, zijn veelal van hetzelfde gevoelen. Een der beruchtsten (Bolingbroke) bekent, //dat de leer van «de onsterfelijkheid der ziel en van een toekomstigen toestand van «belooning of straf zeer oud is, alles wat wij met zekerheid weten //te boven gaat, en dat het geloof daaraan in den geest der oudste en «bekende volkeren reeds de diepste wortelen geschoten heeft.quot; De sagen der verschillende natiën zijn verzameld in «Die Traditionen des

\') Quaest. Tusc. I, 12.

-) Ue anima apud Plutarch, consolati ad Apoll. 37.

■ iM

-ocr page 38-

24

der oudste dichters getuigen genoegzaam, hoe diep het geloof aan de onsterfelijkheid der ziel in de harten der menscheu geworteld is. De meeste oude volkeren spreken van plaatsen, waar de schimmen (zielen) der overledenen verblijven, zoo bijv. de Grieken en Romeinen van het Elyseüm voor de braven, den Tartarus voor de slechten. De oude Duitschers plaatsen hunne helden, die in den strijd gevallen zijn, in het Walhalla; een schitterend verlicht oord (Gimle) was bij hen de woonplaats der deugdzamen, Kastrand heette de strafplaats der boozen. Omtrent dit oord zegt de Edda (godsdienstleer der Scandinaviërs) „er is aldaar een groot, „afgrijselijk gebouw, welks deuren op het noorden zien. „Het is met slangen bedekt, wier koppen naar binnen ge-„keerd zijn en gift uitspuwen, zoodat giftstroomen over den „bodem spoelen, waarin meineedigen en sluipmoordenaars „baden. Daar woont de oude nijdige slang (Nidhöggr.), „die aanhoudend aan den wortel van den levensboom knaagt „en in voortdurende vijandschap staat met den geest Gods.quot;

De ziel van den mensch is alzoo onsterfelijk. God leert het, de rede ziet het in, de stem van alle volkeren verkondigt het op duizenderlei wijzen. Door dit hooge voorrecht der onsterfelijkheid heeft de ziel eveneens eene groote gelijkenis op God, daar zijne eeuwigheid zich in hare oneindige voortduring afspiegelt.

De HH. Vaders en de Godgeleerden in het algemeen zien verder in \'s menschen ziel eene afbeelding, een heerlijken weerschijn van de ongeschapen Drieëenheid. Gelijk wij namelijk in de Godheid drie personen onderscheiden, zoo onderscheiden zij ook in onze ziel ten eerste het zijn, ten tweede het kennen, ten derde het willen-, want wij zijn, wij kennen en willen. Het zijn is niet het kennen, en het kennen is niet het willen. Daarvan overtuigt ons het innerlijkst gevoel, de innerlijkste gewaarwording, zoo vaak wij iets kennen of willen. Wij zien dit ook hieruit, dat de ziel, terwijl wij slapen, niet ophoudt te zijn, hoewel zij alsdan niet kent noch wil; verder daaruit, dat wij vele dingen kennen, zonder die tevens te willen.

,Menschengeslechtes,quot; door Lüken (Miinster 1856) § 89—90. — Toen Oolnmbus (zoo berichten Spaansche geschiedschrijvers) op het eiland Cuba aan het strand der zee eene H. Mis liet lezen, kwam er een inwoner bij hem en hield, toen alles was afgeloopen, met luider stem de volgende aanspraak; ,/Gij zijt in deze landen welke gij nooit gezien jhadt, met zoo groote macht gekomen, dat zij ons allen bevreesd „maakt. Verneem echter, dat er in de andere wereld, zooals wij zeer «goed weten, twee plaatsen zijn, waar de zielen heen gaan. De eene ,is allerakeligst en vol duisternis: deze is het erfdeel der boozen. Do «andere is goed en aangenaam, en daar vinden de beminnaars van ,den vrede en het geluk hunne rust. Gelooft gij, dat gij sterven «moet, gelooft gij, dat het goed en het kwaad, hetwelk gij gedaan «hebt, u zal vergolden worden, dan hoop en vertrouw ik, dat gij de-«genen , die u niet beleedigd hebben, evenmin zult beleedigen.quot;

-ocr page 39-

2D

■ Gelijk nu het zijn der ziel niet haar kennen, en Laar kennen niet

■ haar willen is, zoo onderscheiden wij ook haar zijn van het ver-Istand, waarmede zij kent, en het verstand van den wil, waarmede

/.ij iets wil. Drie krachten kan men derhalve in de ziel onderscheiden; het wezen der ziel, haar verstand en haar wil. Evenwel is de ziel

f een geheel enkelvoudig, geestelijk wezen zonder deelen, zonder spoor van samenstelling. Gelijk in de Godheid drie onderscheiden personen vucio niet drie deelen of drie verschillende wezens zijn, maar slechts één Q in een geheel enkelvoudig, geestelijk wezen zonder deelen, zonder spoor van samenstelling. Gelijk in de Godheid drie onderscheiden personen vucio niet drie deelen of drie verschillende wezens zijn, maar slechts één Q in en dezelfde God, het ééne ondeelbare en ongedeelde goddelijk wezen, \' i zoo zijn ook in onze geestelijke natuur zijn, versland en toil niet drie |deelen, ook niet drie wezens, maar de eene en dezelfde ziel, heteene en hetzelfde ondeelbare en ongedeelde geestelijke wezen. Gelijk verder lil den Vader, als oorsprong, de Zoon geteeld wordt, die hetwezen-llijk beeld,, de volkomen kennis des Vaders is, en uit den Vader en m den Zoon de H. Geest uitgaat, die de onderlinge liefde van beiden is, Mzoo komt ook in onze ziel uit het zijn het kennen, en uit beiden het 1 willen of beminnen voort, daar wij slechts datgene willen of beminnen, .s wat is en wat wij kennen. En geiijk de oneindige zaligheid van den Sdrieëenigen God daarin bestaat, dat hij eeuwig is, zich zei ven volmaakt kennende en beminnende, zoo bestaat ook onze hoogste zaligheid daarin, dat onze onsterfelijke ziel God eeuwig kent en bemint. I Aldus vormt onze geschapen ziel een trouw afbeeldsel van de on-I geschapen Drieeenheid. «) — Het geschapen afbeeldsel blijft echtlt; r lt;5 oneindig ver beneden het goddelijk toonbeeld. Want, hoewel wij het |zijn, het vermogen om te kennen, en het vermogen om te willen in de ééne ziel van elkander onderscheiden, zijn het toch niet drie verschillende personen. Daarenboven heeft ons zijn een begin gehad, onze kennis en wil is beperkt, gebrekkig, veranderlijk, ontstaat en houdt weder op, terwijl in God niets van dit alles plaats vindt, daar in Hem zijn, kennen en willen hetzelfde eeuwige, oneindig volmaakte, onveranderlijke, goddelijke wezen is.

ff \'elke waren de bovennatuurlijke gaven,, met welke God den eersten mensc/i heeft uitgerust?

Hoofdzakelijk deze: 1) dat de eerste mensch de heilig-makende genade, en daarmede het kindschap Gods en het

i; \') De aangewezen verdeeling der ééne, enkelvoudige ziel in zijn, kennen en xvilUn vindt men in de «Belijdenissenquot; van den H. Kerk-\'1 leeraar Augustinus (Boek XIII. hoofdst. II). Den Katecheet staat het echter vrij, op deze of eene andere wijze de gelijkenis der ziel op de H. Drieëenheid te verklaren, en dit te meer, daar niet alleen vei schillende, maar vaak ook dezelfde Vaders en Godgeleerden onderscheiden wijzen ter opheldering van dit punt aangeven. Zeer treilend .(en scherpzinnig, maar voor ongeletterden minder duidelijk, is die, welke de H. Thomas in zijn werk tegen de Heidenen ilVe boek. 22ste hoofdst.) voorstelt De engelachtige leeraar vindt namelijk de gelijkenis van \'s menschen geest op de goddelijke Drieëenheid in de akte, waardoor de mensch zich zeiven kent, en tengevolge van die kennis zich zeiven bemint. Want in die akte is de geest als kennende (in beperkten zin) gelijk aan den Vader, als gekend wordende (als innerlijk woord of gedachte) gelijk aan den Zoon, als bemind wordende (als de uit de kennis voortkomende liefde) gelijk aan den H. Geest. Deze beschouwing vindt men in Bossuet\'s Elevations sur les mystères (2e Sem. 4—G.) meesterlijk ontwikkeld. De gemakkelijkste verklaring 5 voor kinderen is de vroeger (deel I.) aangewezen, namelijk die, welke aan de drie verschillende vermogens der ziel: geheugen, verstand en i teil ontleend wordt.

i

-ocr page 40-

26

.

erfrecht op het hemelrijk bezat; 2) dat zijn verstand met

groote kennis begaafd, en zijn wil nooit door kwade lusten n bekoord; 3) dat hij aan geene rampen en kwellingen, ook

niet aan den dood onderworpen was. , f,

Ter verduidelijking van dit antwoord diene voorloopig de [ volgende gelijkenis. Een buitengewoon rijk en weldadig vorst vond op zekeren dag voor de poorten van zijn paleis

een arm en hulpeloos kind. Het was het kind van een dag- ^

looner. De behoeftige moeder had het daar neêrgelegd, in 0. de hoop, dat de aanzienlijke heer er zich over zou erbarmen

en het opvoeden. Wat zal nu de edele vorst doen ? Zal ^

hij het verlaten kind opnemen, het volgens den stand eens |

daglooners laten opvoeden, en, wanneer het groot geworden 0

is, zeggen: „nu zijt gij goed opgeschoten en krachtig; zorg jj

„voortaan zelf voor uw onderhoud; werk, gelijk het lieden Ê

„vau uwen stand betaamt. Indien gij vlijtig en rechtschapen jj

„zijt, zal ik ook in het vervolg u gedachtig zijn en u e

„nimmer aan het noodige gebrek laten lijden, het zal u h

„steeds wel gaan.quot; Wanneer de vorst verder niets voor den ^

vondeling deed, zou hij hem reeds eene zeer groote weldaad j

bewezen hebben. — De vorst, die onvergelijkelijk m:.ld en 0

grootmoedig is, besluit echter uit bizondere goedheid, den d

zoon van den armen daglooner als zijn kind aan te nemen. gt; j

De vondeling zal het groote geluk hebben, deel te nemen z

aan de pracht en heerlijkheid der prinsen van den bloede, .jv

Met die bedoeling verheft de vorst het kind tot den adel- ||

stand, schenkt het een koninklijk kleed, stelt hovelingen -v

aan om het te dienen, laat het eene vorstelijke opvoeding %

geven en bepaalt, dat het eenmaal met zijn zoon erfgenaam j van het rijk zal worden.

De toepassing van deze gelijkenis is zeer gemakkelijk ^

Alvorens God den mensch in \'t leven riep, was deze onver- j

gelijkelijk geringer dan het armste en hulpelooste kind, hij ^

was niets. De hand des Scheppers bracht hem uit het niet 1

te voorschijn, maakte hem het evenbeeld Gods, daar Hij i hem verstand en vrijen wil schonk, en rustte hem uit met verscheiden krachten en vermogens naar lichaam en ziel.

Dientengevolge had de Schepper tot zijn schepsel, God tot 1 den mensch kunnen zeggen: „Zie, o mensch! Ik heb u uit

„niets in het leven geroepen. Ik heb u het rijkst bedacht :

„onder alle schepselen der zichtbare wereld. Maak nu een :

„goed gebruik van de gaven, welke Ik u zoo mild ge- ^ „schonken heb, van uw verstand, van uwen wil, van uw

„geheugen, van uwe zintuigen, van alle krachten uwer ziel 1 „en uws lichaams. Mijn bijstand zal u nimmer ontbreken. „Zie! duizenden schepselen staan u ten dienste, maak er

-ocr page 41-

27

1 met ^gebruik van tot uw eigen voordeel en ter mijner vertieer-usten ^[ijking. Volgt gij hierin het licht uwer rede, luistert gij \' 00 ,,naar de stem van uw geweten, doet gij, wat goed is in , i-inijne oogen, dan zult gij reeds hier op aarde tevredenen ng de ï gelukkig zijn; ook na den dood zult gij leven en eene zoo £ „volmaakte zaligheid genieten, dat u niets meer te wenschen paleis ^overblijft.quot; Op deze wijze had God kunnen spreken en l,da?- Ilen mensch eene met zijne natuurlijke krachten en behoeften vereenkomende zaligheid, d. i. eene natuurlijke gelukzaligheid unnen geven. \') Voorzeker zou dit reeds eene overgroote eldaad geweest zijn, doch God heeft nog meer gedaan. De Openbaring toch, welke alleen ons over de inzichten en ndoorgrondelijke raadsbesluiten Gods naar waarheid kan nlichten, leert ons, dat God in zijne oneindige goedheid n barmhartigheid den mensch niet alleen tot eene met zijne atuurlijke vermogens overeenkomende, maar tot eene on-indig grootere, tot eene bovennatuurlijke zaligheid bestemd eeft. De mensch moest eenmaal „God zien, gelijk Hij isquot; I Joan. Ill, 2); hij moest Hem niet enkel in den spiegel er natuur, maar „van aanschijn tot aanschijn (d. i. in zijn neindig wezen) „aanschouwenquot; (1 Cor. XIII, 12). Door ie onmiddelijke aanschouwing en de daaruit voortvloeiende iefde tot God zou de mensch deelachtig worden aan die aligheid, welke God zelf geniet, als Hij zijn eigen goddelijk wezen aanschouwt en oneindig bemint. Teneinde Adam n staat te stellen, zich tot die bovennatuurlijke bestemming oor te bereiden en daartoe te geraken, verleende God hem erscheiden bovennatuurlijke gaven, welke het hem mogelijk, a gemakkelijk moesten maken, zijn doel te bereiken.

1) Hij gaf hem de heiligmakende genade. Daardoor werd e mensch in den goddelijken adelstand, in de gemeenschap Jpet de goddelijke natuur (2. Petr. I, 4) opgenomen, ja gt; tij bestemd, om plaats te nemen onder de hemelvorsten, daar met hij die genade ontving, teneinde eenmaal in den hemel met de scharen der Engelen, eeuwig gelukkig, God te aan-

Hij

met aiel. tot uit

\') Dat God den mensch in dien natuurtoestand scheppen kon, blijkt duidelijk uit de stelling van Bajus door den roomschen Stoel

verworpen. Deze luidt: «God heeft in den beginne den mensch niet vzóo kunnen scheppen, als hij thans geboren wordt.quot; Thans komt de ICut mensch met natuurlijke vermogens uitgerust, maar , zooals wij later een zullen zien, door de zonde van Adam ontbloot van de oorspronkelijke, bovennatuurlijke gaven ter wereld. In dien zuiver natuurlijken toestand, zonder eenige bovennatuurlijke voorrechten, had God, zoo het Hem behaagde, ook den eersten mensch en eveneens geheel het men-Jschelijk geslacht kannen schoppen. In dat geval zou echter het gemis der bovennatuurlijke gaven voor den mensch noch zonde, noch straf, \'noch hinderpaal geweest zijn, om de door God hem gegeven wet na te leven en het hem voorgestelde doel te bereiken.

i, in xmen \' Zal eens )rden zorg ieden tapen en u ial u l\' den daad d en den men. ;men )ede. idel-igen iing aam

lijk ver-

-ocr page 42-

28

schouwen. Die genade wordt de heiligmakende genoemd, wijl zij niet gelijk de aardsche adel zich bepaalt bij titel en waardigheid, tot uitwendige rechten en voorrechten, zonder den mensch deugdzamer te maken, maar de ziel waarlijk adelt door inwendige heiligheid en gerechtigheid. Want zonder de heiligmakende genade kan de mensch niet heilig zijn, maar met de heiligmakende genade worden tevens alle deugden ingestort, welke hem welgevallig in \'s Heeren oog en het evenbeeld van den oneindig Heilige en Rechtvaardige maken. Derhalve wordt met het gezegde: dat de eerste mensch in den beginne heilig en rechtvaardig geweest is, niet enkel aangeduid, dat hij vrij van alle zonden uit de hand des Scheppers voortkwam, maar dat hij bovendien met goddelijke genaden en deugden versierd, en alzoo eea voorwerp van Gods welbehagen , en door zijne heiligheid een bovennatuurlijk evenbeeld van God was. — Dat Adam voor zijn val die heiligheid en rechtvaardigheid werkelijk bezeten heeft, leert de Kerk uitdrukkelijk (Cone, van Trente. zitt. 5 can. I), en dit blijkt eveneens uit de woorden der H. Schrift (Eccl. VII, 30) „dat God den mensch recht (d. i. rechtvaardig) „gemaakt heelt,quot; en: „vernieuwt u in den „geest des gemoeds en trekt aan den nieuwen mensch, die „naar God geschapen is in gerechtigheid en ware heiligheid\'\' (Eph. IV, 23).

Met de heiligmakende genade is onafscheidelijk verbonden het bizondere, genaderijke, hovennalimrlijke kindschap Godn, wel te onderscheiden van dat, hetwelk aan alle menschen toekomt, inzooverre alle door de schepping kinderen van God, van den eénen Vader, zijn. Ieder die de heiligmakende genade bezit, heeft den Geest Gods, „den Geest der aanneming tot kinderen Gods\'\' (Rom. VIII, 15) in zich, is bijgevolg een kind Gods in dien hoogeren zin volgens de woorden van den Apostel: „allen, die door den Geest Gods geleid „worden, die zijn kinderen Godsquot; (Rom. VIII, 14). — Door die eervolle aanneming tot kind was den eersten mensch tevens het recht op het vaderlijk erfgoed en de toezegging van het hemelrijk gegeven. Want wie kind is, is ook erfgenaam. Zoo besluit de H. Paulus (Rom. VIII, 17): „in-„dien (wij) kinderen (zijn), ook erfgenamen, erfgenamen „namelijk van God en medeërfgenamen van Christus,\'\' of met andere woorden: als wij kinderen Gods zijn, zijn wij ook erfgenamen Gods en medeërfgenamen van Jesus Christus, die ons het verloren kindschap, en daarmede het verbeurde vaderlijk erfgoed , het hemelrijk heeft terug bezorgd.

2) God heeft het verstand van den eerden mensch met eene groote kennis begaafd. Dat leert ons de H. Schrift, zeggende (1. Mos.

-ocr page 43-

29

II, 20), dat Adam da passende namen van al bet vee en van al het gevogelte des hemels en van al het gevogelte des velds noemde. Immers daar de naam, zal deze juist zijn , de wezenlijke eigenschappen van het genoemde moet uitdrukken , volgt hieruit, dat de eerste mensch eene nauwkeurige kennis had van alles, wat God voor hem bracht om er een naam aan te geven. Adam zag zelfs in de toekomst, gelijk blijkt uit de voorzeggende woorden: ,,de „mensch zal zijnen vader en zijne moeder verlaten en zijne „vrouw aanhangen\'1 (1. Mos. II, 24). De groote kennis van het eerste menschenpaar wordt niet minder duidelijk aangewezen door de bewering van den wijzen Sirach (XVII, 5, G), dat God den eersten mensch en zijne gezellin niet alleen verstand, spraak en zintuigen gaf, maar „hem ook met „wijsheid vervulde, de wetenschap des geestes mededeelde „en het goede en kwade voor oogen stelde.quot; — Daar onze stamouders eene bovennatuurlijke bestemming hadden, strekte hunne kennis zich niet enkel uit tot die waarheden, welke het verstand uit zich zeiven kan bereiken, maar ook tot de bovennatuurlijke, d. i. die buiten het bereik der rede liggen. Ook behoefden zij niet, gelijk wij , door het gebruik hunner zintuigen en met veel moeite de zichtbare dingen en door middel van deze, God te leeren kennen ; zij verkregen, zooals de H. Thomas leert \'), die kennis door hunnen omgang met den Heer der wetenschappen, door genaderijke verlichtingen van hunnen geest. Daaruit volgt van zelf, dat hun verstand van valsche begrippen . verkeerde oordeelvellingen en vergissing vrij was. Toen zij door satan, die hen zocht te bedriegen, werkelijk misleid werden, geschiedde dit niet uit gebrek aan het inwendig licht der waarheid, maar uit vrij willigen hoogmoed, omdat zij zich opzettelijk van God afwendden en tot de leugen keerden. „Eva,quot; zegt de H. Augustinus ■) „zou aan de „woorden van de slang geen geloof gehecht hebben, had „de eigenliefde en de hoogmoed haar daartoe niet verleid.quot; Ue misleiding, waaraan zij gehoor gaven, kwam alzoo voort uit het misbruik van hunnen vrijen wil, geenszins uit hun verstand, hetwelk volmaakt goed en helder was.

Verder verleende God den eersten mensch eene zoo volkomen heerschappij over de booze neigingen en kwade begeerlijkheden , dat deze nimmer tegen hare meesteres, de rede, opstonden, en derhalve Adam\'s wil nooit door slechte

■) Summ. 1. q. 9é. — De verit. q. IS. ■) De Genes, ad lit. 1: 11. c. 39.

-ocr page 44-

30

begeerten heJcoord werd. Tegenwoordig ontstaan maar al te dikwijls in den mensch, zonder dat hij het wil, ja, eer hij het bemerkt, opwellingen van toorn, van haat, van wraaklust en andere driften; er ontstaan in zijn hart zinnelijke begeerten en gevoelens, waarover hij blozen moet. Niets dergelijks vond in Adam en Eva plaats, zij kenden de bekoringen der zinnelijkheid volstrekt niet (1. Mos. II, 25). Slechts door een boosaardig, vijandelijk wezen, dat buiten hen was, alleen door satan kon de eerste mensch, onder toelating Gods, tot zonde verleid of bekoord worden, gelijk ook de Godmensch, Jesus Christus, door denzelfden vijand bekoord werd. In zijn binnenste was er niets ongeregelds, geen spoor van booze lusten of kwade begeerlijkheden. Adam\'s wil was aan den wil van zijnen Schepper en Heer in alles onderworpen, en de zinnelijke neigingen en driften, door de genade betoomd, gehoorzaamden gewillig aan de rede. Zoo kon men het hart van den eersten mensch vergelijken bij den onbewolkten sterrenhemel, waar de schoonste en ongestoorde orde heerscht; bij een bloeiend rijk, welks bewoners slechts den eenen wil van hunnen braven vorst kennen en volbrengen; bij het zalig verblijf der Engelen, die al jubelende hunnen Heer en God op zijne wenken dienen. Zoo was de eerste mensch een heerlijk evenbeeld van den oneindig heiligen God zeiven, en leidde als zoodanig een zeer onschuldig en heilig leven.

3) Dat geluk van de eerste menschen wilde God in zijne goedheid nog verhoogen, door hen te bewaren voor den dood en alle andere rampen en smarten. — Adam, de lieveling des Alleihoogsten, zgn onschuldig kind, zou niet tot het stof wederkeeren, maar na een hoogst gelukkig leven in het aardscbe paradijs, zonder den dood te kennen, in het hemelsche worden overgeplaatst. Daarom zegt\' het boek der Wijsheid (II, 23): „God heeft den mensch onsterfelijk geschapen.quot;

Eerst door de zonde kwam de dood in de wereld, en met den dood alle ellende, ziekten, gebreken en smarten, die den dood voorafgaan of vergezellen, en in het algemeen alle onheilen en wederwaardigheden, welke de vreugde en het geluk des levens verstoren , zooals wij later zullen aantoonen. Den benijdenswaardigen toestand van den eersten mensch in bet paradijs schildert de H. Augustinus (de civit. Dei. XIV. c. 26) zeer schoon met de volgende woorden: „In het-„paradijs leefde de mensch gelijk hij verkoos, zoolang zijn „wil met den goddelijken wil overeenstemde. Goed door „den Algoede geschapen, leefde hij, zich verheugende in „God; hij leefde zonder aan iets behoefte te hebben, en het „stond in zijne macht, immer aldus te leven. Spijs was

-ocr page 45-

31

„hem bereid, opdat hij geen honger zou gevoelen; drank, „opdat dorst hem niét zou kwellen; de boom des levens „stond in het midden des lusthofs, opdat de ouderdom hem „niet zou verzwakken. Geen kiem van bederf was er in „zijn lichaam; geene ziekte van binnen, geene kwetsing van „buiten had hij te duchten. Zijn lichaam bloeide in volle „gezondheid, in zijne ziel heerschte rust en vrede. Gelijk „in het paradijs geene hitte of koude was, zoo was ook de „wil zijner bewoners noch door begeerten noch door vrees „geslingerd. Treurigheid of losbandige vroolijkheid konden „den lusthof niet binnengaan; ware en duurzame vreugde „vloeide uit de rijkste bron, uit God;.... lichaam en ziel „stonden met elkaar in de beste harmonie. Wel verre van „vermoeienis achter te laten, verkwikte de arbeid, en de „noodzakelijkheid van den slaap drong zich den mensch „nooit tegen zijnen wil op. Alles was hem gemakkelijk; „vreugde en vergenoegdheid omringden hem van alle kanten.quot; Daarenboven mochten Adam en Eva zich verheugen in eene volmaakte heerschappij over geheel de redelooze natuur, zoo toch had God tot hen gesproken: „vervult de aarde en onder-„werpt haar aan u, heerscht over de visschen der zee, en „de vogelen des hemels en over alle dieren, welke zich op „aarde bewegen.quot; — Om het volgende goed te verstaan, merken wij nog aan, dat de hier besproken bovennatuurlijke gaven, krachtens welke de mensch heilig en rechtvaardig en aan God hoogst welgevallig was, ook in het algemeen de oorspronkelijke heiligheid en rechtvaardigheid genoemd worden.

Waarom worden de gaven, over welke in de vorige vragen gesproken is, h ov enn a tuur lij ke gaven genoemd ?

Zij worden bovennatuurlijke gaven genoemd, wijl zij niet, gelijk de natuurlijke gaven, wezenlijke eigenschappen onzer natuur zijn of haar toekomen, maar een buitengewoon genade geschenk, hetwelk God den eersten mensch ook had kunnen onthouden, zonder daardoor in \'t minst tegen zijne oneindige wijsheid, goedheid en rechtvaardigheid te handeien.

Deze leer ontkenden in de zestiende eeuw vele Godgeleerden , die Luther\'s gevoelen deelende, beweerden, dat de bovengenoemde gaven, namelijk de heiligmakende genade, de volkomen heerschappij over de zinnelijkheid, de onsterfelijkheid des lichaams en het vrij zijn van alle lijden en rampen, niet bizondere genadegeschenken Gods, maar bloot natuurlijke d. i. aan de menschelijke natuur toekomende gaven geweest zijn. Verscheidene Pausen \') verwierpen, op de H. Schrift

\') Plus V, Gregorius XIII, Urbanus VIII in hunne bullen tegen Michael Bajus; Clemens XI, Innocentius XIII en anderen in do bullen,

-ocr page 46-

32

en de Overlevering steunende, deze dwaalleer, en de geheele Kerk 1 sprak hetzelfde vonnis uit. — Dat de heiligmakende gemde, het kind- 1 schap Gods, het erfrecht op het hemelrijk een geschenk der goddelijke f goedheid was, blijkt duidelijk genoeg uit het vorig antwoord. Het 1 woord „genadequot; zelf beteekent zoowel in de IIH. Boeken als in de ^ werken der HH. Vaders en Kerkleeraars in het algemeen en uitsluitend eene gave uit vrije goedheid. — Aangaande de volkomen heerschappij 1 van den eersten mensch over de zinnelijkheid zegt de H. Thomas: «het || „is duidelijk, dat die onderwerping van het lichaam onder den geest p ,en van cïe mindere krachten tegenover de rede geene natuurlijke i „gave was; anders toch zou zij na de zonde gebleven zijn, daar ook \'p, „in de gevallen engelen de natuurlijke gaven zijn gebleven.quot; De g mensch, uit lichaam en ziel bestaande, vereenigt overeenkomstig de | natuur in zich zinnelijke en geestelijke neigingen, welke tegen elkander !| strijd voeren, daar gene de ziel tot zingenot aansporen, terwijl deze daarentegen er op uit zijn, haar van het aardsche los te rukken en /| tot hoogere en bovenzinnelijke gevoelens te verheffen. Daarom schrijft de H. Augustinus (B IV. tegen Julian n0. 82) \') over den tekst (1 Mos. | I[, 35): ,/eene groote genade was daar, waar het aardsche, dierlijke 1 „lichaam geene dierlijke lusten had,quot; d. i. waar de zinnelijkheid niet p tegen de rede opstond, zich op geenerlei wijze deed gevoelen -) — | Ook de onsterfelijkheid des lichaams en het vrij zijn van ellende, ziek-ten en smarten was, gelijk de H. Augustinus zich uitdrukt, eene ver\' || wonderljke goddelijke genade. Daar namelijk het lichaam van den 3 mensch op dezelfde wijze is ingericht als de lichamen der dieren, | heeft het dezelfde lichamelijke behoeften aan spijs, drank, slaap, enz , || verder dezelfde onafweerbare bestemming van langzamerhand zijne | krachten te verliezen en de vernietiging tegemoet te gaan, zoo niet | de hand eens vijands den dood verhaast. Het is ook duidelijk, dat ^ dit alles, gelijk bij de dieren, met smarten en duizend onaangenaam- j heden gepaard gaat.

waarin zij de jansenistische leer van Quesnell veroordeelden, en Pius ^ VI in de bul,\' welke de jansenistische synode van Pistoja verwierp.

\') Summ. I. q. 95. art. 1.

■-) Dat de ongeschonden toestand van den eersten mensch, in welken de zinnelijkheid niet tegen de rede opstond, geenszins uit de nood-zakelijke gesteltenis der menschelijke natuur ontsproot of haar toe- 1 kwam, maar eene vrije gave Gods was, is niet enkel de leer van den ;J H. Thomas **), maar van de katholieke Kerk zelve, gelijk blijkt uit J hare veroordeeling van de volgende stelling van Bajus: „De volkomen- ; „heid, (integritas) waarin de eerste mensch geschapen werd, was niet 1 „eene verheffing der menschelijke natuur, waarop zij geen aanspraak ,| „kon maken, maar haar natuurlijke toestand.quot; — Komt het echter wel . met de natuur overeen, vraagt men, of is het niet veel eer tegen alle natuur, dat niet de verstandige geest, maar het begeerlijke || vleesch, niet de rede maar de zinnelijkheid in den mensch de opper- ; heerschappij voert? Voorzeker is het tegen alle orde der natuur, dat ] het hoogere in den mensch aan het lagere, het geeste.ijke aan het | zinnelijke zich onderwerpt en tot ongeoorloofde begeerten laat meé- | slepen; maar het strijdt geenszins tegen de menschelijke natuur, dal | de geest slechts door strijd en met moeite de heerschappij over de | lagere driften voert en bewaart. De begeerlijkheid zelve is natuurlijk, S doch alleen inzooverre de mensch de zinnelijke natuur met het ^ dier gemeen heett; daar echter de geest het hoogere ia den mensch j

„Q.uod homini in primo statu collatum fuit ut ratio totaliter ^ „inferiores vires contineret, et anima corpus, non fait ex virtute | ,principiorum naturaliura, sed ex virtute originalis justitiae, ex divina //liberalitate superadditae.quot; De verit. q. 25. a. 7.

-ocr page 47-

33

Heeft God deze bovennatuurlijke gaven aan den eersten mensch enkel voor zijn persoon geschonken ?

Neen , Hij heeft ze hem , als het hoofd en den stamvader, ook voor al zijne nakomelingen geschonken ; daarom zouden niet alleen de natuurlijke , maar ook de bovennatuurlijke gaven op geheel het menschelijk geslacht overgaan.

In Adam den eenen stamvader van alle menschen, bestond in den beginne geheel het menschelijk geslacht, gelijk in de kiem de plant, welke later uit haar voortkomt. „In „Adam,quot; zegt de H. Augustinus (De peccat, meritis, lib. 3, cap. 7), „waren alle menschen één.quot; De genadegaven, welke hij van God ontvangen heeft, ontving derhalve in hem en met hem geheel het menschelijk geslacht. In hem heeft niet enkel de eene mensch, maar , zooals de Kerk leert in het tweede Concilie van Orange (Can. 19), „de menschelijke „natuur (of geheel het menschelijk geslacht) het heil (de genaden des heils) „ontvangen.quot; Hetzelfde volgt ook uit de leer der Kerkvergadering van Trente , volgens welke Adam de van God ontvangen heiligheid en rechtvaardigheid niet alleen voor zich zeiven , „maar ook voor ons (zijne nakomelingen) „verloren heeft.quot; Immers, hoe had Adam de oorspronkelijke heiligheid en rechtvaardigheid voor ons kunnen verliezen, als hij die niet voor ons ontvangen had, d. i. als hij die niet gekregen had, teneinde ze ons als een erfdeel na te laten ? Dewijl God in Adam, het hoofd en den stamvader, de geheele menschelijke natuur met de bovennatuurlijke gave heeft uitgerust, zoo moesten ook van hem met het natuurlijk leven tegelijk het bovennatuurlijk , namelijk het genadeleven en alle daarmede gepaard gaande gaven en voorrechten, op al zijne nakomelingen, d. i. op iederen mensch afzonderlijk tot aan het einde der tijden, overgaan. Wij en alle menschen moesten alzoo ter wereld komen als kinderen Gods, heilig, rechtvaardig, geadeld door de heiligmakende genade, verrijkt met alle bovennatuurlijke goederen en gaven, waarvan totdusverre sprake was. Zoo was het de wil en de beschikking van God. Op het-

-

is, is het geheel natuurlijk, dat de zinnelijkheid de rede dient, inde door deze haar aangewezen perken blijft, en de vrije wil nooit aan de zondige neiging gehoor leent. Dat de zinnelijkheid nimmer in opstand komt tegen de rede, is eene volmaaktheid, welke God geenszins verplicht was den mensch te geven. Genoeg, dat Hij hem steeds middelen aan de hand geeft, waardoor hij, zoo hij slechts wil, de zinnelijke lusten naar het voorschrift der rede beheerschen of er de overwinning op behalen kan.

DEHAUBE, GELOOrSLEER. II. 3lt;ie DSUK.. 3

T

-ocr page 48-

34

zelfde oogenblik, dat onze met de natuurlijke gaven des verstands, des vrijen wils, enz. uitgeruste ziel met het van Adam afstammende lichaam vereemgd wordt, moest haar ook de oorspronkelijke gerechtigheid en heiligheid ten deel worden , indien namelijk onze stamvader de voorwaarde vervuld had, waaraan de bewaring der genoemde gaven voor hem zeiven, en de overdracht er van op de nakomelingschap verbonden was. \')

Zondeval van het eerste mensclienpaar-

Onder welke voorwaarde heeft de eerste menscJi dit bovennatuurlijk genadeyeschenk voor zic/i zelven en zijne nakomelingen gekregen?

Onder deze voorwaarde, dat hij het gebod des Heeren, van de vrucht van zekeren boom niet te eten, zou nakomen.

Ieder begrijpt terstond, dat het den Allerhoogste vnj staat, zijne genadegaven te verkenen, hoe, in welke mate, en onder welke voorwaarde het Hem behaagt. /00 dee en ook aardsche vorsten weldaden uit aan wie zooveel, en onder welke voorwaarden zij willen. Als Schepper dei-bovennatuurlijke, bij gevolg van den kant der menschen geheel onverdiende gaven, als onbeperkte Heer daarvan, heeft God zich aan geenen regel te houden; zijn wijze, heilige en goede wil is het eenige richtsnoer van de uit-

deeling zijner gaven. Hoewel nu de Allerhoogste den mensch

door hem als kind aan te nemen, ook het erfrecht op het hemelrijk verleend heeft, wilde Hij toch, dat de hemel voor hem niet enkel een erfgoed, maar ook eene beloonuig zou wezen, dat hij dien door vrije onderwerping van zijnen wil aan den goddelijken, door gehoorzaamheid, verdienen zou. Immers de schepper heeft den mensch den vrijen wi juist gegeven om er een goed gebruik van te maken, . 1. aan den goddelijken wil te onderwerpen en zoo de eeuwige zaligheid tot loon te erlangen. Die even wijze als goec ige beschikking strekt den mensch tot eer en derhalve tot verhooging ziiner zaligheid, doch tevens tot grootere verheer-lijking van den Allerhoogste, gelijk uit het vroeger gezegde

i) Thom, de Male. q. 4, art. 1 et alibi.

-ocr page 49-

35

over de gave der vrijheid blijkt. \') (Zie deel I.) Teneinde nu den mensch in staat te stellen, aan God de verschuldigde gehoorzaamheid te betoonen en metterdaad te bewijzen, gaf de Heer hem een gebod, dat op zichzelven niet zwaar, en zoowel door de voortreffelijke gaven der natuur als dooiden bijstand der genade zeer gemakkelijk te onderhouden, was. „Eet\'\' sprak de Heer tot Adam : „eet van alle boomea „in het paradijs; maar van den boom der kennis vau goed „en kwaad moogt gij niet etenquot; (1 Mos. II, 16, 17). Dit verbod kon Adam te minder zwaar vallen, daar het onbeperkt verlof, vun de vruchten van alle overige boomen te eten, was voorafgegaan. Van behoefte kon er derhalve geen spraak zijn, en zelfs in de straf, op weigering van gehoorzaamheid gesteld: „ten dage, dat gij daarvan eet, „zult gij sterven,quot; ligt een nieuw bewijs, hoezeer God, de algoede Wetgever, er op bedacht wat:, het gevaar dei-overtreding meer en meer te verwijderen. Door die bedreiging toch met den tijdelijken en eeuwigen dood, gaf Hij den mensch een allerkrachtigst middel aan de hand, om denkende aan de zware straf, des te gemakkelijker de bekoring te overwinnen.

Op de vraag, waarom God aan Adam en Eva juist dit en geen anrfer verbod gaf, dat hij van de vruchlen van den hoorn der kennis van goed en kvmad niet mocht eten, antwoordt de H. Thomas: het was Adam verboden van de vruchten van dien boom te eten, //niet omdat het «gebruik er van in zichzelven zondig of kwaad was, maar omdat hij //ten minste iets zou laten uitsluitend om de eene reden, dat het door //God zoo gewild was. Het eten dier vruchten was diensvolgens alleen //daarom zonde, wijl God het verboden had.quot;

De reden, waarom die boom, //de boom der kennis van goed en //kwaad \' genoemd wordt, geeft dezelfde H. Leeraar met de volgende woorden aan: «wijl de eerste mensch, nadat hij van de verboden //vrucht geproefd had, heeft geleerd, wolk onderscheid er is tusschen //het geluk, God te gehoorzamen, en tusschen het ongeluk, diens cgebod te overtreden.quot;

Hebben Adam en Eva het gebod des Heer en onderhouden ?

Neen, zij overtraden Gods gebod en aten van de verboden vrucht.

Toen satan het eerste menschenpaar zoo heerlijk door God zag uitgerust, werd hij met grimmigen haat en nijd

\') Te recht bemerkt een uitstekend geestelijk schrijver (Rogacci; over hot éóne noodzakelijke), dat elk goed ons veel aangenamer is, als wij iets hebben bijgedragen om ons dat te verschaffen, dan wanneer wij er niets voor gedaan hebben. Een jager bij voorbeeld heeft meer genoegen van een ever, dat hij zelf bemeesterd heeft, dan van een, dat hom ten geschenke gegeven wordt, enz.

3*

-ocr page 50-

36

Wens hen vervuld (Wijsh. II, 24). Hij haatte in hen het evenbeeld Gods, en beniidde hun het geluk en den onge-stoorden vrede van het paradijs, maar meernog de zaligheid,

welke eenmaal hun deel kou worden. Daarom besloot hij , onze stamouders te bekoren, en hen neer te storten in den afgrond der diepste ellende , waarin hij zelf gevallen was. De van natuur sluwe en listige slang was het werktuig , waarvan hij zich bediende, om tot hen te spreken en hen tot afval van God, hunnen schepper en Heer, te verleiden, weshalve dan ook in de H. Schrift satan „de oude slang genoemd wordt. De verleider wendde zich eerst tot Jiva in de hoop haar gemakkelijker ten val te brengen dan den man, daar de vrouw voor hem, gelijk de H, Thomas ) aanmerkt, in wijsheid of hoogere verlichting moest onderdoen. De mensch , door den satan verleid, overtrad wei ke-lijk Gods gebod. (Hoe dit geschiedde is uit de bijbelsche geschiedenis bekend ; verg, die van Past. J. O. H. Mure, deel 1) \')■ — Die overtreding was waarlijk eene zware

2) Het11\'is eerf0vrij algemeen gevoelen der Schriftuitleggers, dat de duivel niet slechts de gestalte van eene slang aangenomen, maarzicli wn eene werkeliiUe slang als werktuig ter volvoering van zijn boos

plan bediend heeft. Want de H. Schnl\'t zegt uitdrukkelijk dat de s ang „listiaer dan alle dieren der aardequot; geweest is, eu dat de Heer na den zondeval tot haar zeide: „op uwen buik zult gij kruipenensto quot;eten zoo lang gij leeftquot; (i. Mos III, 1, 14), hetgeen eene werkelijke slang en niet eene schijnbare aanduidt. — 1,6 /1Ve\'en cle opmerking van den li. Auguslinus, uit de slang, ge j )

dan ook uit bezetenen spreekt. In deze bootst hij somwyien de stem van de dieren, in gene bootste hij die der menschen na. — üe leden, waarom MoTes hie! den duivel niet uitdrukkelijk als verleider aanwijst, maar enkel van de slang melding maakt, is waarschijnlijk^ yooals Calmet zegt, omdat de geschiedenis van den zondeval den Isiaelieten uit eene zeer oude overlevering bekend was en dezewel wisten, dat men onder de slaag den duivel moest verstaan. - in ae woorden der H. Sehrift: „de slang was listiger dan alle dierea dei aarde die God de Heer gemaakt had,quot; schijnt eene aanduiding te liggen \' waarom de satan zich juist van de slang als werktuig bediende. De verleider deed namelijk deze keuze, wijl hij in de slang eel1® tuurlijke eigenschap ontdekte, welke met zijne eigen arglistige natuui veel overeenkomst had. God \'iet het toe opdat de mensch die de eigenschappen van alle dieren en alzoo ook de istigheld van esiang kende, daardoor tot wantrouwen en voorzichtigheid zou aangespoord worden. *) — Het moet ons echter niet bevreemden, dat Eva ^e siantj vrees noch afschuw had, vooral als wij bedenken, da. in liet paradijs alle dieren aan de heerschappij van den mensch onderworpen waren, en dat de eerste ouders die onderworpenheid der die en, der halve ook hunne onschadelijkheid kenden. Daarom was in bun oog geen dier verderfelijk of hatelijk; zij bewonderden integendeel in allen Gods almacht, goedheid en wijsheid.

*) Vergelijk Augustinus de Genes, ad. litt. I. 11- c. 3,

-ocr page 51-

37

zonde. God zelf had gesproken : „van den boom der „kennis van goed en kwaad moogt gi] niet eten ; want op „den dag, dat gij daarvan eet, zult gij sterven.\'\' De duivel van zijn kant ondermijnde arglistig het geloof aan de goddelijke waarachtigheid en waagde het zelfs, den Allerhoogste van leugentaal te beschuldigen, zeggende; „gij zult volstrekt niet stervenquot; (1. Mos. III, 4). Hij ondermijnde verder het vertrouwen op God en de liefde tot Hem, daar hij Eva de misdadige gedachte inblies, als had God die bedreiging uit afgunst er bijgevoegd, om haar van het hoogste goed, van het onuitsprekelijk geluk „te zijn als God\'\' af te houden. „God weet,quot; sprak hij , „dat op den dag, waarop gij van „dien boom eten zult, uwe oogen zullen open gaan en gij „gelijk goden zult zijn, kennende goed en kwaadquot; (l.Mos. lil, 5). Uit de taal had Eva, die toch met eene hoogere kennis van God begaafd was, gemakkelijk kunnen afleiden, dat een boos en vijandig wezen uit de slang sprak, en het was haar heiligste plicht, terstond dien godslasteraar den rug toe te keeren. Maar de hoogmoed bekroop haar hart: de streelende hoop, te zijn als God, de strafbare nieuwsgierigheid om het goed en het kwaad te kennen, alsmede de bekoorlijke vorm van de verheden vrucht, dat alles werkte samen, om haar geloof aan Gods bedreiging te schokken, en wekte in haar den lust op, er van te eten ; Eva wankelde en viel. Daarna gaf zij ook haren man van de verboden vrucht, „en hij atquot; (1. Mos. III, 6). Ondanks de groqte verplichting om den wil van zijnen Schepper en Heer le volbrengen; ondanks de tallooze weldaden, welke hij van Hem had ontvangen; ondanks de tijdelijke en eeuwige straflen, waarmede hij bedreigd was, maakte ook Adam zich uit hoogmoed \'), uit ongeregelde zucht naar kennis en veikeerde genegenheid jegens zijne echtgenoote, aan de vermetelste ongehoorzaamheid, den zwartsten ondank, de grootste dwaasheid, met één woord, aan afval van God — aan zware zonde schuldig. Zoo lieten zich onze stamouders tot opstand tegen God, den Allerhoogste, den oneindig Waarachtige, tegen God, den oorsprong van hun leven, verleiden door hem , die, volgens het getuigenis van den Zoon Gods zeiven, „een leugenaar, de vader der leugen-„taal, de menscheriinoordenaar van den beginne isquot; (Joan. YI1, 44). Kog duidelijker zal de zwaarte dier zonde van

\') »Hoogmoed is het begin van alle zondequot; (Sir. X, 15). Dat Adam uit hoogmoed en strafbare nieuwsgierigheid zondigde, blijkt uit de woorden van God: ,;Zie, Adam is gelijk een van ons geworden «kennende het goed en het kwaadquot; (1. Mos. Ill, 22).

-ocr page 52-

38

Adam en Eva ons blijken , als wij onze aandacht vestigen op de vreeselijke straf, waarmede God hen kastijdde.

Welke straf kregen Adam en Eva ?

Zij werden 1) van alle bovennatuurlijke gaven beroofd en daardoor ook in de krachten hunner ziel verzwakt; 2) uit het paradijs, waarin God hen geplaatst had, gedreven, e6) hadden zij de eeuwige verdoemenis verdiend.

De straf, waarmede God Adam bedreigd had, zeggende, „op den dag, dat gij daarvan eet, zult gij sterven,\' volgde den val van het eerste menschenpaar op den voet; want nauwelijks hadden zij van de verboden vrucht geproefd, ot

1) zij werden van alle bovennatuurlijke gaven^ beroofd, en daardoor ook in de natuurlijke krachten hunner ziel verzwakt. Het eerst verloren onze zondige stamouders de heiligmakende genade, die genade nameliik, Avaardoor zij heilige kinderen Gods en erfgenamen van het hemelrijk -waren. Daarom verklaart de Kerkvergadering van Trente; „indien iemand met „belijdt, dat de eerste mensch Adam, toen hij het gebod „Gods in het paradijs overtreden had, terstond de heiligheid „en rechtvaardigheid, waarin hij gesteld was, verloren heeft, „en door de misdaad dier overtreding den toorn en de giam-„ schap Gods heeft beloopen, hij zij in den ban.quot; Door het verlies der heiligmakende genade waren Ada,m en Lva van het bovennatuurlijk leven beroofd, geestetijk dood. — De rechtvaardige mensch heeft naar de ziel een tweevoudig leven, een natuurlijk en een bovennatuurlijk. Het natuuiljjke leven verliest de ziel nooit, wijl zij van natuur onsterfelijk is; maar wel kan zij het bovennatuurlijke leven, het leven der genade, verbeuren, den geestelijken dood sterven. In dezelfde verhouding namelijk waarin de ziel tot het lichaam staat, staat in zekeren zin de genade tot de ziel. Het lichaam, van de ziel beroofd, is stijf en bewegingloos, gelijkt op een levenloos werktuig, waarvan de bewerker zijne hand heeft afgetrokken, is buiten staat ook maar een enkel teeken van leven te geven. Kveneens is ook de ziel, beroofd van e heiligmakende genade, met betrekking tot^ hare hoogere bovennatuurlijke bestemming krachteloos, zij is van God afgekeerd en evenmin in staat, iets te doen, wat het loon des hemels waardig zou zijn, als een dood lichaam instaat is, te gaan of zich te bewegen. En die toestand der ziel duurt zoo lang voort, totdat de lielde haar weder bezielt, die goddelijke liefde, welke met de heiligmakende genade door den 11. Geest in onze harten wordt uitgestort, en die derhalve met betrekking tot het bovennatuurlijke leven als

-ocr page 53-

I

39

m de ziel van het leven onzer ziel is. Daarom wordt ook de

zware zonde doodzonde genoemd, wijl zij de ziel van die hoogere levenskracht, van het bovennatuurlijke leven, berooft. Ten gevolge van dit onherstelbaar verlies was derhalve de mensch van het leven tot den geestelijken dood over-n gegaan, uit den goddelijken adelstand, uit den staat van

it het kindschap des Allerhoogsten vervallen in den staat van

) , ongenade, in de jammerlijkste slavernij des duivels, wien

hij door de zonde gehuldigd had.

s; Verder ging met het verlies der heiligmakende genade x

e ook gepaard dat der overige bovennatuurlijke voorrechten,

it welke als het ware haar koninklijk gevolg uitmaakten. Met

)f haar verdween die gave van wijsheid en kennis, waarmede

n de Schepper den geest onzer eerste ouders verrijkt had; met

!. haar verdween tevens die wonderbare heerschappij der rede

e over de lagere, zinnelijke neigingen.— Zoo lang onze stam-

n ouders door de heiligmakende genade, welke in hen woonde,

kinderen Gods waren, beminde de Allerhoogste hen met •• it eene vaderlijke liefde. Hij achtte het niet te ver beneden

d zich, hun Leermeester te zijn, hen te verlichten en met

i hemelsche kennis te verrijken. Maar toen zij door de zonde

in plaats van kinderen Gods een voorwerp van afschuw,

kinderen der gramschap, geworden waren, onttrok Hij hun t dat goddelijk licht, hetwelk hun verstand zoo wonderlijk

i verlichtte. — Eveneens had God de ziel der eerste menschen,

; toen zij met de oorspronkelijke heiligheid prijkte, door bi-

, \' zondere genade zoo liefderijk en krachtig beschut, dat in 5 haar nooit eenige ongeregelde lust ontstond, welke den wil

: tot het kwaad aanlokte. Zoodra echter de zonde volbracht

i was, trok God die genade terug, en de zinnelijke driften

i voelden zich ontboeid. Zij stonden op tegen haren wettigen

i gebieder, tegen den geest, die van zijn kant zich tegen

, zijnen Schepper en Heer verzet had. Op die wijze ontstond

i in Adam en Eva de wet der ledematen, gelijk de II. Paulus

het noemt, welke tegen de wet van hunnen geest den strijd opnam, de harde wet der legeerlijJcheid — de natuurlijke neiging, om naar eigen lusten en niet overeenkomstig den wil van God te handelen. Daarom overdekte thans de blos der schaamte hun gelaat, en zij schaamden zich voor elkander (1. Mos. III, 7, 10, 11).

Onze stamouders verloren echter ten gevolge der zonde niet enkel hunne bovennaluurlijke voorrechten, zij werden ook in hunne natuurlijke zielskrachten oer zwakt, weshalve het Concilie van Trente uitdrukkelijk leert, dat door de overtreding van het goddelijk gebod „de geheele Adam .... naar lichaam en „ziel eene verandering ten kwade heeft ondergaan\'1 (zit. V.

-ocr page 54-

40

can. 1). De Godgeleerden Yergelijken daarom den gevallen raensch bij den vreemdeling in het Evangelie (Luc. X), die op den weg van Jerusalem naar Jericho in handen van roovers viel, welke hem niet enkel plunderden en van alles beroofden, maar hem ook wonden toelrachten, en die gewis aan het bekomen letsel gestorven zou zijn, had niet de barmhartige Samaritaan (het beeld van Jesus Christus, den Verlosser van de gevallen menschheid) zich zijner liefderijk aangetrokken. „Dat door de zonde de mensch „niet alleen van de bovennatuurlijke gaven beroofd, maar „ook in zijne natuurlijke vermogens verwond is geworden,quot; is eene door de Godgeleerden algemeen aangenomen grondstelling, waarmede zij den toestand aanduiden, waarin Adam door zijne ongehoorzaamheid gekomen is. — Wel verloor Adam geene zijner natuurlijke zielskrachten, nuiar zij wei\'den toch alle verzwakt. Aan het verstand werd niet alleen het hoogere, bovennatuurlijke licht, waarmede God het in zijne goedheid verrijkt had, onttrokken, maar het werd nog bovendien verduisterd , daar het natuurlijk geheugen verzwakt en het licht der rede bewolkt werd. Ook de wil werd geneigd tot het kwade, en zijne aangeboren kracht ter beoefening van het goed gekort. Die achteruitgang en verzwakking van den wil, als ook de verduistering van het verstand volgen natuurlijker wijze uit het verlies der bovennatuurlijke heerschappij van den geest over de lagere krachten der ziel.

De redelijke mensch heeft namelijk van natuur eene geneigdheid tot deugd. Die neiging was door de onderwerping van de zinnelijke lusten aan de rede, terwijl de rede zelve aan God volkomen onderworpen was, wonderlijk verhoogd en bekrachtigd , en wel zóó, dat zij in Adam de onbeperkt heerschende neiging des harten was. Doch zoodra de eerste mensch die bovennatuurlijke kracht verloren had, geraakten de booze lusten met de rede in strijd, en er onstond eene ongeregelde neiging tot het zinnelijke, eene bepaalde overhelling tot het kwaad, waardoor de natuurlijke neiging tot-de deugd gestremd, de hoogere, de deugdzame wil door de zinnelijkheid verlamd werd. Die overhelling tot het kwaad is des te sterker, daar de goederen der zinnelijke natuur voor oogen liggen en derhalve meer aanlokken, dan de goederen der geestelijke natuur, welke onzichtbaar en meestal toekomstig zijn. Daaruit volgde, dat het evenwicht verstoord werd, en de neiging ten kwade de overhand kreeg. — Door die neiging ten kwade, door die begeerte naar zingenot, werd ook het verstand verduisterd, gelijk de ondervinding leert, dat de kwade driften en verkeerde

-ocr page 55-

41

neigicgen den geest verwarren en zijn blik verduisteren \') Zoo ziet bijv. de wraakzuchtige, de dronkaard, de wellusteling zelf niet in, in welken afgrond van verlaging en verderf hem de bevrediging van ziinen hartstocht stort, en wanneer anderen het hem willen toonen, is hij te verblind om naar hunne voorstellingen te luisteren. . . . Hij is er enkel op uit, zijne onverzadelijke begeerten te bevredigen, en ziet niet in, dat alleen in God, het hoogste goed, ware zaligheid te vinden is. Het is allerduidelijkst, dat ook Adam en Eva die verduistering des verstands ondervonden hebben. Beiden verbergen zich, alsof zij in staat waren, zich aan het oog van den Alomtegenwoordige te onttrekken. In plaats van hunne booze daad te bekennen en om vergeving te smeeken, verontschuldigen zij zich: Adam werpt de schuld op Eva, Eva op de slang, hoewel zij toch moesten weten, dat de alwetende het binnenste van hun hart doorschouwde en hunne zonde kende. — Uit het gezegde zien wij , dat, gelijk de katholieke Kerk leert, door de zonde wel het bovennatuurlijke evenbeeld Gods in Adam geheel vernietigd, doch het natuurlijke niet vernietigd, maar verminkt is.

Door de zonde verloren onze stamouders ook nog de onsterfelijkheid des lichaams en het ongestoord geluk , hetwelk zij in het paradijs genoten. Ook ten opzichte van hun lichamelijk leven werd de bedreiging Gods vervuld; „op den dag dat „gij daarvan eet, zult gij den dood sterven.quot; Weliswaar stierven zij niet op denzelfden dag, dat zij van de verboden vrucht aten, den lichamelij ken dood; zij bereikten integendeel een zeer hoogen ouderdom (Adam leefde 930jaren.), „want „het was Gods wil, dat zij groeien en zich vermeerderen ea „de aarde vervullen\'\' zo\'uden (1. Mos. I, 28). Maar op dien dag werd toch het onherroepelijk vonnis over de menschen uitgesproken; „gij zijt stof en tot stof zult gij „wederkeerenquot; (1. Mes. lil, 19). En nu was inderdaad elke schrede van den mensch een stap nader tot het graf, dat zich aan den eindpaal van zijn leven voor hem opent. De ongestoorde vrede, de reine vreugde, welke voorheen zijne zaligheid uitmaakte, was verdwenen; vrees, berouw, schaamte, gewetensknagirg folterden sinds dien stonde zijn hart ^1. Mos. Ill, 10). In het zweet zijns aanschijns moest nu de mensch arbeiden en zijn brood eten. Het einde van een leven vol ellende, gebreken, ziekten zou de smartelijkste ontbinding — de dood zijn.

Onze stamouders werden uil het paradijs verbannen. —

\') S. Thom. Sum. I. II. q. 85. art. 3.

-ocr page 56-

42

Het paradijs, een heerlijk lustoord, was door God tot woonplaats der eerste menschen, zijne vrienden en lievelingen , testemd. Door de zonde had Adam echter de vriendschap en liefde Gods verbeurd en zich dien hemel op aarde onwaardig gemaakt; daarom werd hij aanstonds er uit gedreven. De woorden, welke God, alvorens Hij het vonnis voltrok, tot Adam richtte, zijn geene woorden meer van hulde en liefde, maar getuigen van zijn gerechten toorn: „Zie Adam is geworden gelijk een van Ons, kennende goed „en kwaadquot; (1. Mos. 111,22), Welk eene diepe beschaming ligt in deze woorden; met wat zieleleed moeten zij onzen strafwaard igen stamvader Adam en zijne medeplichtige , Eva, vervuld hebben! Wat bittere tranen zullen zij geschreid hebben, toen God de poort van het paradijs achter hen toesloot, en zij den eersten voetstap deden op den onvrien-delijken, met Gods vloek beladen bodem. Thans erkenden de quot;ongelukkigen , hoe dwaas zij gehandeld hadden; thans , maar te laat, zagen zij in dat de dreigende God, niet met zich laat spotten; thans, maar te laat, vloekten zij den verleider, die over hunne ellende lachte.

3) Voor de zonde hadden onze stamouders de eeuwige verdoemenis verdiend. Dat was het grootste ongeluk, het was de dood in den volsten zin, de dood der ziel, van welken geen terugkeer , geen opstaan meer mogelijk is. Een schrikkelijk , maar rechtvaardig vonnis! De opstand tegen God, den Allerhoogste, verdiende geene geringere straf. L\'e mensch had God de gehoorzaamheid opgezegd, om den satan te volgen , hij had zich met vrije keuze aan de zijde der oproerige geesten geschaard; daarom zou hij ook met hen hetzelfde lot deelen , naar het rijk der duisternis verwezen worden, dat, volgens het woord van Christus , „voor den „duivel en zijn aanhang bereid is\'\' (Matth. XXV, 41). Hij had zich van God afgekeerd , en daardoor het geluk , Hem van aanschijn tot aanschijn te aanschouwen , moedwillig verbeurd, in weerwil van het goddelijk verbod, in weerwil van de bedreiging, welke daarmede gepaard ging, had hij aan zijnen zinnelust toegegeven en van de verboden vrucht gegeten; met recht veroordeelde derhalve do Allerhoogste hem tot de straf, dien zondigen lust door eeuwige kwelling te boeten. Dit rechtvaardig en billijk vonnis had God op het eerste menschenpaar terstond na hunne zondige daad kunnen voltrekken; doch het behaagde Hem, hun tijd tot boete te laten en, gelijk later zal worden aangetoond , de verzoening met Hem niet enkel op de eene of andere wijze mogelijk te maken , maar zelts te bewerken.

-ocr page 57-

43

Erfzonde-

Hellen onze siamouders die In vennatuurlijke gaven alleen voor zich zeioen verloren ?

Neen , gelijk zi] die gaven niet er.kel voor zich , maar voor al hnnne nakomelingen zouden bewaard hebben door hunne gehoorzaamheid, hebben zij ook door hunne ongehoorzaamheid die niet alleen voor zich zeiven , maar voor ons allen verloren , en daardoor geheel het menschelijk geslacht in de grootste ellende gestort.

Onze stamouders hadden, zooals wij boven reeds aanmerkten , de bovennatuurlijke gaven niet voor zich alleen ontvangen. Van Adam zou de stroom der goddelijke genadegaven zich over alle geslachten tot aan het einde der dagen uitstorten. De voorwaarde, waaraan God de bewaring en overerving dier goederen verbonden had , was zeer gemakkelijk te vervullen. Onder de vele en heerlijke vruchten van het paradijs, was alleen het gebruik der vrucht van een enkelen boom aan Adam ontzegd. Indien nu de stamvader van ons geslacht, door Gods gebod te onderhouden, de heiligmakende genade benevens de andere bovennatuurlijke voorrechten bewaard had , dan zouden al die geschenken der goddelijke liefde en goedheid op geheel het menschelijk geslacht zijn overgegaan \'). Dewijl hij die echter door aiine ongehoorzaamheid verloren heeft, volgt er noodzakelijk uit, dat hij ze niet enkel voor zichzelven, maar tevens voor het geheele menschelijke geslacht, voor alle men-schen gezamenlijk en ieder in het bizonder verloren heeft. Eene bron kan geen water geven, als zij zelve het niet meer heeft, een vader kan niet aan zijne kinderen nalaten, wat hij niet meer bezit. Wat Adam van de hem toevertrouwde goederen verloren heeft, was noodzakelijk ook voor zijne kinderen verloren , dewijl zij die niet anders dan van hunnen stamvader ontvangen zouden. Derhalve leert het Concilie van Trente: „indien iemand beweert, dat de over-„treding van Adam hem alleen en niet zijne nakomelingschap heeft geschaad, en dat hij de van God ontvangen

.................. \\

\') Indien Adam de heiligmakende genade bewaard en aan ons overgeleverd , liad dan zouden daarom touh niet aüa menschen zalig geworden zijn. leder mensch had dan voor zich die genade door ougetrouvv-heid kunnen verliezen. Nochtans zou de strijd veel gemakkelijker geweest zijn dan nu het geval is.

-ocr page 58-

44

„heiligheid en rechtvaardigheid, welke hij verloren heeft, „voor zich zeiven alleen en niet ook voor ons heeft ver-„loren, of dat hij, besmeurd door de zonde van ongehoor-„zaamheid, alleen den dood en de straffen des lichaams „op geheel het menscheliik geslacht heeft overgebracht, en „niet ook de zonde, -welke de dood der ziel is ...hij zij „ic den banquot; (Zitt. V, can. 2).

Door de schuld van Adam is alzoo geheel het menschelijk geslacht in de grootste ellende gedompeld. Voorwaar een droevig lot, en het zou nogonvergelijkeliik beklagenswaardiger zijn, als aiet „de hemelsche AdamJesus Christus , de schade, welke ons de „aardschequot; heeft toegebracht, zoo rijkelijk had goed gemaakt, dat de H. Kerk er geen bezwaar in vindt, Adam\'s schuld om de verlossingwelke er op volgde, eene gelukkige1} d. i. geluk aanbrengende, te noemen.— Hoe groot echter de ellende moge zijn, waarin de zonde van Adam ons gestort heeft, het zou toch altijd hoogst dwaas en vermetel zijn , daarom over de goddelijke Voorzienigheid te klagen, als ware ons onrecht aangedaan , of als streed de katholieke leer van de erfzonde tegen de goddelijke goedheid en rechtvaardigheid. Was God dau verplicht, ons bovennatuurlijke gaven te schenken ? Geenszins. Moeten wij het integendeel niet als eene overgroote weldaad beschouwen, dat Hij ons die, al was het onder voorwaarde, verleende? Ongetwijfeld. En als nu de Allerhoogste ten gevolge van Adam\'s zonde ons die weldaden onthoudt, mogen wij dan wel zeggen, dat Hij ons iets ontnomen heeft, waarop wij billijkerwijze aanspraak kunnen maken ? Ook dat niet. — Een eenvoudig landman werd door zijn vorst uit goedheid in den adelstand opgenomen, en bekwam van hem een graafschap met heerlijke kasteelen en rijke bezittingen , om die na zijnen dood aan zijne zonen als een erfgoed na te laten. „Bewoon,quot; sprak de vorst, „bewoon en bezit dit goed als graaf; graven en bezitters „zullen ook uwe zonen zijn; ik vraag alleen gehoorzaamheid „van u; anders is adel en goed en alles, wat ik u geschonken heb, voor u en uwe kinderen verloren.quot; Veronderstel nu, dat die graaf zich aan hoogverraad schuldig maakte , dat hij tegen zijnen vorst en beer opstond; zouden dan de zonen van dien verrader zich wel kunnen beklagen, alsof hun een onrecht werd aangedaan, wanneer de vertoornde vorst den titel van graaf, de grafelijke voorrechten en het graafschap zelf weder terug nam? Op dit alles konden zij slechts aanspraak maken, indien hun vader trouw en

•) ü l\'elix culpa, quae talem ac tantum meruit habere rcdemptoi\'em

-ocr page 59-

45

gehoorzaam ware gebleven aan den goedigen vorst. Als kinderen van een ondankbaren opstandeling moeten zij blijde zijn, bet oorspronkelijk geringe erfgoed des vaders te kunnen aanvaarden, en als zonen van den landman den grond hunner vaderen te mogen bebouwen in het zweet huns aanscbijns. Zoo en niet anders gaat het met de kinderen van den stamvader Adam, die tegen zijnen God durfde opstaan.

Het ontbreekt helaas! niet aan zoogenaamde vrijdenkers, die uit de waarheid, dat God het geluk van geheel het menschelijk geslacht aan den wil van een enkelen mensch verbonden heelt, aanleiding nemen, om de kerkelijke leer van de erfzonde te misduiden of vermetel te verwerpen. De Algoede, zeggen zij, kon niet willen, dat wij allen door de schuld van een enkelen ongelukkig zouden worden. God kon dit inderdaad niet willen, maar toelaten kon Hij het. Toen God aan Adam, als het hoofd en den stamvader van het menschelijk geslacht, voor hem persoonlijk en voor zijne nakomelingschap, die heerlijke geheel overdiende gaven verleende, wilde Hij geenszins , dat hij deze door ongehoorzaamheid zou verliezen. Het was integendeel zijn ernstige wil, dat Adam, door getrouw te gehoorzamen, ze op zijne nakomelingen zou overdragen. Daarom paarde God aan het bovendien gemakkelijk te onderhouden gebod eene zoo gestrenge straf en gaf duidelijk te kennen, dat die straf onherroepelijk op de overtreding volgen zou: //Op den dag, dat gij daarvan eet,.... zult gij ^.sterven.quot; Hij liet het Adam, dien Hij terstond, bij de schepping met eene hooge kennis en sterke wilskracht had toegerust, aan niets ontbreken, wat hem de overwinning op de bekoring gemakkelijk kon maken. Dwang wilde Hij hem evenwel niet aandoen; Hij liet hem de vrije keuze tusschen dood en leven. Adam misbruikte devx\'jjheid, koos het kwaad. Wat reden hebt gij nu, om over God te klagen?

Dat God de zonde van onzen stamvader, waaraan ons aller ongeluk verbonden was, toelaten kon, zonder op te houden de Algoede en Alwijze te zijn, blijkt daaruit, dat ook tegenwoordig velen door de schuld van anderen ongelukkig worden, hetgeen allerzekerst zonder Gods toelating niet zou kunnen gebeuren. Hoe dikwijls geschiedt het niet, dat eene geheele familie, eene stad, ja gansche koninkrijken door de schuld van een enkelen in namelooze ellende gedompeld worden? Of meent gij, dat het moeielijk valt, huisgezinnen aan te wijzen, die ten gevolge der losbandigheid en verkwisting des vaders, enz. tot armoede en schande gekomen zijn; of steden, welke door de boosheid van een enkel mensch eene prooi der vlammen werden; of geheele rijken, ja gansche werelddeelen, die door de eerzucht van een enkelen monarch met brandstapels bedekt, en met het bloed van honderd duizenden geverfd zijn? Zoolang bedrog, diefstal, roof, moord en dergelijke mogelijk zijn en dag aan dag plaats vinden, zal ook de een door de schuld van den ander lijden. En God laat dit alles toe, wijl Hij den menschen de vrijheid, om goed of kwaad te doen, niet ontnemen of verzwakken, het kwaad met onmogelijk maken wil, en dewijl Hij voorzag, dat Hij door zijne wijsheid en almacht ook uit het kwaad goed zou trekken (Vergelijk deel I). Zou het onverstandig zijn, te beweren, dat een goede, rechtvaardige God in den loop der eeuwen niet kan gedoogen, dat iemand door de schuld van een ander ongelukkig wordt: even dwaas, ja goddeloos zou het wezen, te denken, dat God zulks in het begin des tijds niet kon toelaten; alsof het den Allerhoogste aan goedheid, wijsheid en macht ontbrak, ook de eerste zonde ten goede, d. i. tot het welzijn der menschen en zijne verheerlijking te doen strekken. Wij zelve ook rechtvaardigen die handelwijze Gods op handtastelijke wijze. Ontelbare malen gebeurt het, dat wij ons eigen lot, het geluk en

-ocr page 60-

46

het leven onzer betrekkingen in eens anders hand leggen. Wie b. v. r zich met al zijn goed, met echtgenoote en kinderen op zee begeeft, vertrouwt immers zijn eigen lot en dat der zijnen den stuurman toe, van wiens wil het afhangt, het schip in de veilige haven, of tegen klippen en zandbanken te voeren. En hoe dikwerf vertrouwt men zich niet op den spoorweg aan den stuurman der locomotief, in den oorlog aan den veldheer, voor het gerecht aan den rechter, enz.? Wanneer wij zelve nu ons welzijn toevertrouwen aan de handen van iemand, die\' in inzicht en deugdzaamheid met Adam volstrekt niet kan vergeleken worden; hoe kunnen wij ons dan beklagen, dat God aan onzen stamvader de bovennatuurlijke gaven heeft toevertrouwd, vooral daar Ilij de onafhankelijke Heer dier gaven was, terwijl wij niet de onafhankelijke meesters zijn van de goederen, welke wij anderen ter verzorging en bewaring overlaten?

Laten wij derhalve nimmer over Gods wijze en goedige beschikking morren, en Adam, die door zijn geloovig vertrouwen op den Verlosser en eene negenhonderdjarige boete bij God genaden gevonden heeft, niet zoo streng en mededoogenloos beoordeelen, maar dat liever iedereen zich zeiven afvrage, of hij een getrouw bestuurder is der tijdelijke en eeuwige goederen, welke hij van God ontvangen heeft, om ze op anderen over te dragen. Ieder onderzoeke bij zich zeiven, of niet anderen door zijne schuld ongelukkig worden ot reeds geworden zijn. Zijt gij een huisvaderen verkwist gij het vermogen, dat uwe kinderen eenmaal erven moeten, dan zijt gij in dit opzicht een even slecht bestuurder als Adam was. Zorgt gij er niet voor, dat uwe kinderen onschuld en deugd bewaren, aan de genademiddelen der H. Kerk deelnemen, zoo kunnen zij met evenveel recht klachten tegen u inbrengen, als gij tegen uwen stamvader. Zijt gij overste, rechter, geneesheer, ambtenaar, zie toe, dat uwe onderdanen, en alle, die aan uwe zorg zijn toevertrouwd, niet denzelfden vloek over u uitspreken , -welken gij misschien over Adam durft uitspreken. Zijt gij echter noch vader, noch overste, onderzoek u, of gij soms niet door kwade voorbeelden, door slechte taal te spreken, kortom door ei\'gernis en verleiding den grond tot het tijdelijk en eeuwig ongeluk van anderen legt. Ook op die wijze laadt gij, even als Adam, eene zware schuld op u, daar de zonde van ergernis in zekeren zin eene erfzonde is, omdat zij veelal door eene verpestende aansteking van geslacht tot geslacht overgaat.

Ten slotte merken wij hier nog op, dat de heiligmakende genade benevens de daarmede verbonden voorrechten gewis op ons zouden zijn overgegaan , indien Adam niet gezondigd had; doch daaruit volgt evenwel geenszins, dat wii alsdan niet meer in staat zouden geweest zijn te zondigen en de genade door eigen schuld te verliezen. Integendeel moet men met den H. Thomas \') aannemen, dat in dit geval ieder voor zich de proef had moeten doorstaan, en ter bewaring dier groote voorrechten zijne gehoorzaamheid aan God , door persoonlijk het gebod des Heeren na te komen , had moeten toonen. Zoudt gij , christen lezer, u beter staande gehouden hebben in de bekoring, dan Adam? En zoo niet;

\') Ue malo. q. 5. IV. ad 8.

:) Wat geeft u recht, te denken, te meenen, dat gij in en staat van onschuld en genade niet zoudt gevallen zijn? Wellicht de gedachte aan Adam en Eva, of het voorbeeld van Lucifer en zijne

-ocr page 61-

47

zoudt gij voor de zonde, uit eigen boosheid bedreven, wel zoo gemakkelijk vergeving bekomen hebben, als gij die thans verkrijgt voor de zonde, -welke gij bij uwe geboorte overerft? Aanbid derhalve, in plaats van te morren en te klagen, de ondoorgrondelijke raadsbesluiten Gods, en loof de goddelijke Wijsheid en Barmhartigheid, die ons ten gevolge der erfzonde den Verlosser, en door Hem en in Hem eene o vér-

engelen? Indien deze konden vallen en inderdaad gevallen zijn, hoe durft gij beweren, dat gij, door God in denzeltden toestand geplaatst, niet gevallen zoudt zijn? „Wat mij betrelt,quot; zegt een geleerd sclirijver van den lateren tijd\') //ik zou eerder geneigd zijn aan te nemen, „dat degenen, die In den tegenwoordigen toestand van verval verloren „gaan, ook in den staat der oorspronkelijke, gerechtigheid verloren „zouden gegaan zijn; ja, dat zij te dieper in den afgrond der hel „zouden gestort zijn, naar mate het licht hunner rede grooter ware „geweest. ïot dit besluit kom ik door de overtuiging, dat onze wü „de eenige oorzaak van ons ongeluk is.quot; Waar is hot, dat in den staat van onschuld onze wil ten goede geneigd zou geweest zijn, terwijl onze wil in den tegenwoordigen toestand tot het kwaad overhelt. Maar wij hebben thans ook krachtige beweegredenen, welke ons van het kwaad afhouden, die wij in den toestand der oorspronkelijke gerechtigheid niet zouden gehad hebben. Wij hebben dagelijks voor oogen en ondervinden diep en smartelijk de naruelooze ellende, welke ais een onafweerbaar gevolg met de zonde verbonden is; wij weten thans bij ondervinding, welk een groot kwaad het is, de goddelijke Majesteit te beleedigen. Dit bewustzijn, door eigen ondervinding verkregen, hield het eerste menschenpaar gedurende hunnen langen levensloop staande in het goede, terwijl zij tevoren maar eenige dagen in den staat van onschuld bleven. — Wanneer men overigens de handelwijze van God bij de heiliging der zielen meer van nabij beschouwt en ziet, hoe ellende, lijden, ziekten en wederwaardigheden van allerlei aard als het ware het dagelijksch brood zijn van degenen, die God in onschuld bewaren of uit de zonde trekken wil: dan komt men onwillekeurig tot het besluit, dat het voor de kinderen Adams, indien zij toch eene beproeving moeten ondergaan, juist geen ongeluk is, dat zij die in het tegenwoordige leven hebben. Voor \'t minst is het niet bewezen, dat het getal van hen, die in\'den huldigen toestand verloren gaan, grooter is, dan het in do andere veronderstelling zijn zou. De zonde der eerste puders was voorzeker (zoowel in zich zelve als in hare gevolgen beschouwd) een kwaad, dat alle begrip te boven gaat, doch „waar de misdaad meerder is ge-„worden, is de genade nog overvloediger gewoidenquot; (Kom. V, 20). Wanneer onze geest eenmaal op den dag van het algemeen oordeel met oen enkelen blik de geschiedenis der menschheid mag overzien, zal hij twee gevolgen der eerste zonde ontdekken; de onuitsprekelijke ellende van geheel het menschdom, en de oneindige goedheid Gods, die zelfs uit het kwaad goed voor zijne schepselen weet te trekken.

Hetzij men met het gevoelen van den genoemden schrijver overeen-stemme of niet, het laatste woord blijft hier, gelijk in alle geheimen der goddelijke genade en voorzienigheid: „O diepte des rijkdoins, der „wijsheid en der wetenschap Godsl Hoe ondoorgrondelijk zijn zijne //oordeelen en hoe onnaspeurlijk zijne wegen! Want wie heeft den

„zin des Heeren gekend? Of wie is zijn raadsman geweest?......

„llem zij eer in eeuwigheid. Amenquot; (Rom. XI, 33—36).

Martinet, la science de la vie.

• .-A\'

-ocr page 62-

48

stroomende, nooit uitgeputte bron van heiligheid en gerechtigheid geschonken heeft. — Wij hebben boven gezegd, dat onze stamouders door hunne ongehoorzaamheid heel het raenschelijk geslacht in de grootste ellende gestort hebben. Daarom volgt nu verder de vraag:

Waarin lestaat de ellende, in welke onze stamouders geheel het menschelijk gedacht gedompeld heihen?

Daarin , dat de zonde met hare kwade gevolgen van Adam op alle menschen is overgegaan, zoodat wy thans allen met de zonde besmet ter wereld komen.

Dewijl alle menschen in Adam hunnen stamvader, toen deze zich aan de zonde van ongehoorzaamheid schuldig maakte, als het ware één geheel, één huisgezin , één geslacht uitmaakten, gaan nu door natuurlijke afstamming van hem de zonde en hare kwade gevolgen op alle menschen en op ieder in het bizonder over, zoodat wij thans alle7i met de zonde besmet ter wereld komen en veroordeeld zijn, de straffen, ■welke de gevolgen zijn der zonde, te dragen. Zoo kan uit eene onreine bron slechts troebel, onrein water vlieten, en de vruchten van een boom, welke in de kiem is afgeknaagd en vergiftigd, kunnen niet anders dan bitter en vergiftig zijn. — Deze zonde wordt ter onderscheiding van die, welke wij persoonlijk begaan, erfzonde of genoemd; want

wij hebben haar niet persoonlijk, uit eigen vrije keuze bedreven, maar van onzen zondigen stamvader geërfd; zij is niet eene zonde van onzen persoon, maar eene zonde van onze natuur (van ons geslacht), daar wi] niet met onzen persoon , maar enkel door onze natuur in Adam waren. De erfzonde is derhalve ons deel geworden door afstamming van Adam, door deelneming aan de door hem en in hem zondige natuur, en niet gelijk de dadelijke of persoonlijke zonde door eene booze met eigen wil volbrachte daad. — Dat alle menschen, ook de kinderen van gedoopte ouders, door hunne natuurlijke afstamming van Adam, reeds van het eerste oogenblik huns levens met de erfzonde besmeurd zijn, leert de H. Kerk uitdrukkelijk, zcodat niemand, die weigert, dit vast en als ontwijfelbaar te gelooven , ter eeuwige zaligheid komen kan. — Wie de leer van de erfzonde niet gelooft, kan bijgevolg ook het dogma van de verlossing der wereld niet gelooven, stelt zich buiten het Christendom op joodsch of heidensch gebied, en wordt alzoo naar den afgrond van het eeuwig verderf voortgesleurd.

De H. Schrift geeft te kennen en de Overlevering ver-

-ocr page 63-

49

zekert, dat de Profeet Jeremias en Joannes de Dooper zonder zonde ter wereld zijn gekomen , doch niettemin blijft het waar, dat ook zij de vlek der erfzonde droegen op het oogen-blik, dat hunne ziel met het lichaam vereenigd werd. Eet grootste voorrecht dier Heiligen bestond aldus niet daarin, dat zij van de smet der zonde bewaard gebleven, maar reeds vóór hunne geboorte van die smet bevrijd zijn. Slechts ééne uitzondering erkent de II. Kerk, namelijk de allerheiligste en altijd gezegende Maagd en Moeder Gods Maria. — Jesus Christus, die van het eerste oogenblik zijns sterfelijken levens de volheid der goddelijke genade bezat, kan hier niet in aanmerking komen , wijl Hij niet, gelijk de overige raenschen, van Adam afstamde , maar als God uit God was geboren, en als mensch wel eene dochter van Adam tot moeder, maar geen vader had.

Aangaande de allerheiligste Maagd Maria werd in de katholieke Kerk steeds geloofd en geleerd en verdedigd, dat zij door eene geheel bizondere genade niet alleen van alle persoonlijke zonden , maar ook van alle smet der erfzonde volkomen bevrijd is gebleven. Deze leer werd echter eerst door onzen H. Vader Pius IX z. g. als dogma verklaard. Ofschoon men die waarheid, zooals wij zeiden, in alle tijden geloofd heeft, en het reeds sinds eeuwen streng verboden was, het tegendeel te leeren, had de H. Kerk echter niet bepaald, dat men die leer ook als ontwijfelbaar ge-looven moest; want men is niet verplicht, als goddelijke leer te gelooven, wat niet allerzekerst door God ter onzer zaligheid is geopenbaard. Of nu de genoemde leer in de goddelijke Openbaring vervat is, daarover was men het niet zóó eens, dat er, ter beslissing dier vraag, niet eene uitspraak der onfeilbare Kerk noodig was. En die uitspraak deed tot groote vreugde der geheele Christenheid onze H. Vader Pius IX z. g., op den 8sten December 1854 met de volgende plechtige woorden: „Krachtens het gezag van onzen „ Heer Jesus Christus , van de heilige Apostelen Petrus en „Paulus en het onze, verklaren, verkondigen en bepalen „wij, dat de leer, welke houdt, dat de allerheiligste Maagd „Maria van het eerste oogenblik harer ontvangenis, door „eene bizondere genade en voorrecht van den almachtigen „God, ziende op de verdiensten van Jesus Christus den „Verlosser der menschheid, van alle smet der erfschuld is „vrij bewaard, door God geopenbaard is, en derhalve door „alle geloovigen vast en bestendig geloofd moet worden. „Alzoo, wanneer er mochten zijn, die, hetgeen God verbloede, het zouden onderstaan, anders dan door ons be-„ paald is in het hart te meenen, dezen mogen weten en

DEHARBE, GELOOFSLEER. II. 3lt;le DRUK. A

-ocr page 64-

50

„in \'tvervolg indachtig zijn, dat zij door eigen oordeel „veroordeeld ten opzichte des geloofs schipbreuk geleden „hebben , en van de eenheid der Kerk zijn afgevallen.quot; — Voortaan kan er omtrent dit punt alzoo geen twiifel meer opriizen. Wie deze geloofs-waarheid niet aanneemt, heeft, gelijk de H. Vader zich uitdrukt, „in het geloof schipbreuk „geleden, en is van de eenheid der Kerk afvallig geworden.quot;

Deze uitspraak van den heiligen Stoel betreffende de leer van de onbevlekte ontvangenis der allerheiligste Moeder Gods en Maagd Maria is, volgens den Apostolischen brief van den H. Vader (8 December 1854) gegrond op de H. Schrift, op de eerbiedwaardige Overlevering, op het algemeen gevoelen der Kerk, op de handelwyze der roomsche Pausen, op de heerlijke overeenstemming der katholieke Bisschoppen en der geloovigen.

1) In de II. Schrijï staat van Maria geschreven, dat zij (door en met Jesus, haren goddelijken Zoon) de oude slang „den kop verpletterenquot;, d. i. geheel overwinnen zou (1 Mos. III, 25). Waar zóu men echter de zoo uitstekende overwinning van Maria op den vijand van bet menschelijk geslacht moeten zoeken, indien zij zelve door de erfzonde, ware het maar één oogenblik, onder zijn slavenjuk gezucht had? Verder werd Maria, zoo als de H. Lucas* (I, 21) verhaalt, door den Aartsengel Gabriël als „vol genadequot; begroet. Hoe kan men nu aannemen, dat haar de genade der oorspronkelijke heiligheid en rechtvaardigheid ontbroken heeft, welke het schoone sieraad onzer lichamelijke stammoeder Eva geweest is?

2) Ue overlevering. De HH. Vaders en Kerkleeraars (zegt Z. H. Pius IX) namen niets zoozeer ter harte , dan de verhevene heiligheid van Maria, hare zuiverheid van alle mogelijke smet der zoude als om strijd te roemen. Eene vooralbeelding dier geheel buitengewone zuiverheid van alle zonde zagen zij in de arke Noe\'s, welke, op Gods bevel gebouwd, ongedeerd aan den algemeenen ondergang dei-wereld ontkwam; in het braambosch, dat, ofschocn Mozes het van alle kanten zag branden, midden in de felle vlammen ongedeerd bleef; in dien gesloten tuin, welken de list des belagers niet beschadigen kan; in dien eerbiedwekkenden tempel Gods, welke, door goddelijke stralen verlicut, vol is van de heerlijkheid des Heeren. Daarom noemen diezelfde HH. Leeraars de allerheiligste Maagd met de woorden der Profeten de reine duif, bet H. Jerusalem, de arke der heiliging, de koningin, die uit den mond des Allerhoogsten geheel volmaakt, schoon en Gode gevallig en nooit door tenige vlek der zonde besmevrd voortkwam ; zij vergelijken

-ocr page 65-

51

•deel Maria met de nog maagdelijke, nog onschuldige, nog onsden gekrenkte Eva; zij noemen haar nu eens de lelie onder de \' — doornen, dan weer de geheel onbevlekte, de vleJckelooze, neer altijd gezegende, van alle smet der zonde vrije aarde, seft, waaruit de nieuwe Adam gevormd is, of wel het liefelijke •euk paradijs der onschuld en zaligheid, dat God zelf geplant en en.quot; tegen alle aanvallen van de vergiftige slang verdedigd heeft, leer een onverteerbaar hout, waaraan de worm der zonde nooit ïder knaagde, eene heldere Iron, de eenige dochter des levens en rief niet des doods, niet des toorns, den genade-knop, die uit H. een bedorven en ontstoken wortel, te^en de algeraeene wetten Ige- in, door bizondere goedheid Gods altijd groene ranken schiet, che Met dit alles nog niet tevreden, verklaren zij , dat er van eke zonde bij de heilige Maagd Maria geen spraak kan zijn, dewijl haar , ter algeheele overwinning van de zonde, zeer zij groote genade was geschonken ; ja, zij beweren , dat de mg maagdelijke Moeder Gods, door de genade voor alle zonde-[os, vlek bewaard, van nature schooner^ heerlijker en heiliger is.. er- dan de Cherubijnen en Seraphijnen en alle heirscharen van ge- Engelen ; dat zij als de dageraad in vollen glans ter wereld ie. is verschenen; dat zij altijd met God vereenigd, nooit in cht de duisternis, maar immer in het licht, eene waardige woning U) van Christus geweest is, niet om de schoonheid van haar [e\'\' lichaam, maar om de oorspronkelijke genade, ide 3) Het gevoelen der II. Kerk. De meening der Kerk om-:en trent het besproken voorrecht der roemrijke Moeder Gods m- blijkt op ondubbelzinnige wijze uit het feest der „ontvangenis ,.van Maria,quot; hetwelk in het zuiden reeds in de zevende sgt eeuw, in het oosten nog vroeger gevierd werd \'). Paus de Alexander VII spreekt hierover in een apostolischen zend-He brief aldus : „het is eene zeer oude en vrome meening der ne „Christenen , dat de ziel der allerheiligste Maagd van de [le „vlek der erfzonde is bewaard gebleven, en daarom hebben ■el „zij het feest barer ontvangenis plechtig gevierd.quot; Uit het er genoemde feest volgt overigens van zelf, dat de Kerk de es ontvangenis van Maria voor onbevlekt en heilig houdt, 5n dewijl zij zich immer ten regel heeft gesteld , alleen van es Heiligen en van datgene , wat zij heilig acht, een feest te !n vieren. — Verder is het allen bekend, met welken ijver is de leer van de onbevlekte ontvangenis door de aanzienlijkste [e klooster-orden aangenomen en door woord en schrift verbreid, ;r door zeer beroemde academiën en Godgeleerden van den i-n

ir \') Vergelijk; J. Haan, „Die unbelleckte Erapfiingnisz der seligsten

Jungfrau;quot; bladz. 102 en volg.

0

4*

-ocr page 66-

52

eersten rang voorgedragen, volgehouden en verdedigd, door kerkelijke vergaderingen (namelijk te Bazel, in het jaar 1431) openliik uitgesproken werd. Daarbij komt eindelijk nog, dat zélfs het Concilie van Trente, handelende over de erfzonde., leert dat „alle menschen met de erfzonde geboren „worden maar tevens plechtig verklaart „dat het de be-„doeling niet was, de allerheiligste en onbevlekte Maagd „in deze bepaling mede in te sluiten.\'\'

4) De handelwijze der Pausen, die, immer wakend voor het geloof en altijd zorgdragend om het christelijk leven te bevorderen, hebben bepaald, dat overal het feest der ontvangenis van de H. Maagd even plechtig als dat der geboorte, en door de geheele Kerk als een geboden kerkdag met octaaf gevierd zou worden. Zij stelden er eene hooge eer in, de vereering der onbevlekt ontvangen Moeder Gods ook op allerlei andere wijzen te bevorderen, nu eens door het verleenen van aflaten, door de goedkeuring van broederschappen , congregatiën en klooster-orden, ter eere van de onbevlekte ontvangenis opgericht; dan weder door hunne tevredenheid te betuigen aan hen , die altaren, kerken, enz. ter eere van de onbevlekte ontvangenis gebouwd, of onder eede beloofd hadden, dat voorrecht van \'s Heeren Moeder onverschrokken te verdedigen. Insgelijks waren de Pausen immer zeer bezorgd, om de leer van de onbevlekte ontvangenis ongedeerd en zuiver te bewaren. Zij gedoogden niet, dat die door iemand bespot of gelasterd werd; zij verboden allerstrengst, de tegenovergestelde meening in \'t openbaar of voor enkelen te verdedigen; herhaalde malen ook gaven zij duidelijk te kennen, dat de leer van de onbevlekte ontvangenis der allerheiligste Maagd werkelijk en in haar innerlijk wezen met de kerkelijke vereering en haren godsdienst geheel overeenstemmend was, en derhalve verdiende, ook in de H. liturgie en in plechtige gebeden uitgesproken te worden.

5) Be over eenslemming der Bisschoppen en geloovigen van heel de christenwereld. Alvorens de eerbiedwaardige Paus Pius IX z. g. deze leer als dogma verklaarde, had hij alle Bisschoppen van de geheele katholieke wereld verzooht, dat zij, na Grods hulp te hebben ingeroepen, hem, den Opperherder, zouden berichten, hoe het met het geloof en de devotie hunner onderhoorigen met betrekking tot de onbevlekte ontvangenis van de H. Moeder Gods gesteld was, en welke gevoelens zij zelve, als herders, aangaande dit punt koesterden. Allen getuigden, tevens uit naam hunner kudden, van hun geloof aan de onbevlekte ontvangenis van \'s Heeren Moeder, en bijna allen voegden bij dit getuigenis

-ocr page 67-

53

van hun geloof de dringende bede, dat de plaatsbekleeder van Jesus Christus op aarde de leer van de onbevlekte ontvangenis der allerheiligste Maagd, door zijne hooge macht en zijne laatste uitspraak, als geloofsartikel zou verklaren. Die eenparigheid van geloof, die algemeene wensch bleek ook in de vergadering van Kardinalen , Aartsbisschoppen, Bisschoppen en Godgeleerden, die door den H Vader, Pius IX, uit alle weielddeelen naar Eome geroepen waren. Met het volste recht kon derhalve de opvolger van Petrus de beslissende uitspraak doen, daar hij de geheele katholieke wereld, welke haar geloof aan de onbevlekte ontvangenis luide beleed, om die gunst zag bidden. De Stedehouder van Christus deed de plechtige uitspraak, en de geheele Christenheid gaf met een onbeschrijfelijk gejubel hare vreugde te kennen \').

!) Dit verheven voorreclit van Maria, hare onbevlekte ontvangenis, moet alle vereerders der Hemelkoningin krachtig aansporen, hun hart van de zonde in het algemeen en in het bizonder van alle onzuiverheid vrij te houden. Hoe toch zou een onrein, met de zonde bevlekt hart welgevallig kunnen zijn in het oog der allerzuivei\'ste onbevlekte Moeder? Het hart van het kind van Maria moet eene heldere afstraling zijn van het maagdelijke moederhart. Dan gelijk eene goede moeder, die zelve de reinheid op hoogen prijs stelt, er zich geenszins mede vergenoegt, van haar kind te verlangen, dat het zijn schoonste, zijn feestkleed rein bewaart, gelijk zij haren lieveling aan de hand leidt, ja hem op den arm neemt, wanneer hij gevaar loopt zich te besmetten, zóó en oneindig meer is Maria bezorgd voor hare kinderen, die haar goddelijke Zoon in den H. Doop met het kleed der onschuld gesierd heeft. Wij mogen derhalve in alle bekoringen met groot vertrouwen op hare hulp en haren moederlijken bijstand rekenen, als wij van onzen kant niet verzuimen, tot haar onze toevlucht te nemen. — Onze beden zullen vooral verhoord worden, als wij, op het voorbeeld van vele Heiligen, Maria als de onbevlekt ontvangene aanroepen, bijv. met het vrome schietgebedje: j/Door uwe onbevlekte ontvangenis en onge-«schonden maagdelijkheid bewaar mijne ziel, mijn hart en mijn //lichaam zuiver en onbevlekt van alle zonde.quot; •

EEen ander krachtig middel om de bizondere bescherming van Maria te verworven, is het godvruchtig dragen en vereeren der medaille van de onbevlekte ontvangenis. De hemel zelf heeft, volgens geloofwaardige berichten, in den laatsten tijd ons dit middel aan de hand gedaan en aanbevolen. Ir, het jaar 1830 namelijk zag in Parijs eene vrome novice van de orde der barmhartige zusters, terwijl zij bad, een wonderbaar beeld, dat de H. Waagd voorstelde, gelijk men haar onder den titel van de onbevlekte ontvangenis gewoonlijk afbeeldt. Stralen van een onbeschrijfelijk schitterend licht stroomden uit de uitgestrekte handen der H. Moeder maagd. Op hetzelfde oogenblik hoorde de novice eene stem, welke haar zeide; vdeze stralen zijn het «teeken der gunsten, welke Maria voor de menschen afsmeekt.quot; Rondom liet beeld stond met gouden letters geschreven: ,0 Maria! «zonder zonde ontvangen, bid voor ons, die onze toevlucht tot u //nemen.quot; Terstond daarna keerde het beeld zich om, en op de achterzijde bemerkte de zuster de letter M, uit wier midden zich een kruis verhief, en daar onder de allerheiligste harten van Jesus en Maria.Een ander krachtig middel om de bizondere bescherming van Maria te verworven, is het godvruchtig dragen en vereeren der medaille van de onbevlekte ontvangenis. De hemel zelf heeft, volgens geloofwaardige berichten, in den laatsten tijd ons dit middel aan de hand gedaan en aanbevolen. Ir, het jaar 1830 namelijk zag in Parijs eene vrome novice van de orde der barmhartige zusters, terwijl zij bad, een wonderbaar beeld, dat de H. Waagd voorstelde, gelijk men haar onder den titel van de onbevlekte ontvangenis gewoonlijk afbeeldt. Stralen van een onbeschrijfelijk schitterend licht stroomden uit de uitgestrekte handen der H. Moeder maagd. Op hetzelfde oogenblik hoorde de novice eene stem, welke haar zeide; vdeze stralen zijn het «teeken der gunsten, welke Maria voor de menschen afsmeekt.quot; Rondom liet beeld stond met gouden letters geschreven: ,0 Maria! «zonder zonde ontvangen, bid voor ons, die onze toevlucht tot u //nemen.quot; Terstond daarna keerde het beeld zich om, en op de achterzijde bemerkte de zuster de letter M, uit wier midden zich een kruis verhief, en daar onder de allerheiligste harten van Jesus en Maria.

-ocr page 68-

54

Hoe weten vrij, dat alle menschen met de erfzonde ter wereld komen ?

Wij weten dit, 1) uit de H. Schrift zoowel van het Oude als van het Nieuwe Verhond.

De koninklijke Profeet David zucht in zijn boetgezang tot God: „zie, in ongerechtigheid ben ik ontvangen, en

■Nadat zij dit alles nauwkeurig had gadegeslagen, riep opnieuw eene stem haar toe: „Naar dit voorbeeld moet eene medaille geslagen „worden, en de personen, die ze dragen, nadat zij kerkelijk gewijd „is, en met aandacht het schietgebedje bidden, zuilen zich in de bi-„zondere bescherming der Moeder (quot;iods mogen verheugen.quot; Daar deze verschijning zich tot driemaal toe herhaalde, werd er aan zijne hoogwaardigheid den Aartsbisschop kennis van gegeven. Deze veroorloofde terstond, dat de medaille geslagen werd, en weldra hoorde men van verscheiden wonderbare genezingen en bekeeringen (Uit een brief van den bestuurder der barmhartige zusters van Parijs).

Jlen wane echter niet, dat het voldoende is, zulk een medaille te dragen, om, zonder verder iets te doen, verzekerd te zijn van de overwinning der bekoringen. Dit uitwendig teeken, waardoor wij ons als bizondere vereerders der onbevlekte Moedermaagd doen kennen wijst ons op onzen plicht, om met moed en volharding te kampen, gelijk het een kind der onbevlekte Moeder past. Het wekt ons vooral op, alles ten olïer te brengen en te verlaten, wat aanleiding tot bekoringen geven kan, als; onzedelijke beelden en platen, slechte boeken en al wat de begeerlijkheid ontvlamt. — Een voorbeeld van die oft\'ervaardigheid geeft ons de volgende geschiedenis. Een jor. ge man las op een zeetocht in de omstreek van Genua een dier slechte boeken, waaraan zoo velen hun eeuwig ongeluk wijten. Onder het lezen riep hij herhaalde malen uit; „O wat een heerlijk boek, het verschaft mij ^een allergrootst genoegen; voor niets ter wereld zou ik het willen //missen 1quot; Nadat hij andermaal op die wijze aan zijn gevoel had lucht gegeven, wendde hij zich tot een ordesgeestelijke, die zich op hetzelfde schip bevond, reikte hem het boek over en sprak: //Pater, „zie het eens in, ik ben verzekerd, dat het u bevallen zal.quot; De geestelijke nam het boek, bladerde het eenige oogenblikken door en gaf het terug met de woorden: «ik ken er nu reeds den inhoud van. „Het boek valt niet in mijn smaak. De adem alleen van die geschrif-„ten is verpestend; veroorloof dat ik blijve, zoo als ik ben.quot; Dit bracht den jongeling tot nadenken. De pater, die zulks bemerkte, ging voort, óp liefderijken toon het ongeluk te beklagen van zoo vele jongelingen, die door het lezen van slechte boeken verleid, zich dooiden stroom der hartstochten laten voortslepen. Hij vergeleek hen bij den verloren zoon in het H Evangelie, en toonde in de geschiedenis van dien jeugdigen losbol het treffend beeld van een door de zinnelijke lusten verleid en bedorven hart. Dit was juist de geschiedenis van onzen jeugdigen romanlezer. „O dwaasheid,quot; riep vervolgens de pater met hoogen ernst uit; „o dwaasheid, waardoor een Christen „zijne ziel aan de driften overlaat! Hij geeft alles en ontvangt niets. „Doch ja! hij ontvangt een onderpand der hel; want niets heeft zoo-„veel overeenkomst met den toestand van een verdoemds, als de „staat van eene ziel , die aan de tirannie harer hartstochten is prijs „gegeven.... Mochten zij toch voor \'t minst tot de allerheiligste „Maagd hunne toevlucht nemen.quot; — „Ach!quot; dus viel de jongeling hem zuchtend in de rede, «ik beminde vroeger Maria zoo zeer! In het

-ocr page 69-

55

„in zonden heeft mijne moeder mij ontvangenquot; (ter wereld gebracht) (Ps. L, 7). In denzelfden zin zegt Job (XIV, 4): „Wie kan er rein zijn van de onreinen ? Niemand, al duurde „zijn leven maar éénen dag op aardequot; \'). De oudste Vaders halen deze plaatsen der H. Schrift reeds aan als bewiizen voor de katholieke leer van de erfzonde Het duidelijkst echter zijn de woorden van den H. Paulus in zijn brief aan de Komeinen (Zis V, 12). Volgens zijne uitspraak „is door éénen mensch de zonde, en door de zonde de dood, „in de wereld gekomea, en alzoo is op alle menschen de „dood overgegaan, omdat allen in hem gezondigd hebben.quot; Wat kan men duidelijker verlangen dan deze woordeu: alle menschen — zoowel kinderen als volwassenen — sterven om de zonden van èenen mensch, wijl allen in dien éénen mensch (Adam) hebben gezondigd. Dezelfde leer herhaalt de Apostel (vers 17—19), zeggende; „om des eenen mis-„daad heeft de dood geheerscht door den éénen.....door

//collegie , waar ik studeerde, had men mij sterk op \'t hart gedrukt, «steeds getrouw en vlijtig de Moeder Gods te vereeren. Zelfs heb ik „een tijd lang haar scapulier gedragen. Maar ik heb alles opgegeven „en mij geschaamd, haar toe te behooren. Hoe zou ik nog kunnen ./hopen, ooit weder hare goedheid te ondervinden?quot; — „Voorzeker „moogt gij dit hopen,quot; antwoordde de geestelijke, «en het zal u zelfs „gemakkelijk vallen, door de allerheiligste Maagd andermaal in liefde „te worden opgenomen. Breng haar een olïer van het boek, waaraan /gij zooveel waarde hecht!quot; — „Verzekert gij mij, dat haar zulks „aangenaam zal zijn, en dat zij weder mijne moeder zal worden?quot; — „Ja vriend, ik verzeker het u.quot; — „Welaan, hier is het,quot; sprak nu de jongeling, „doe er mede, wat gij verkiest!quot; „Neen,quot; antwoordde de poter, „ik wil u niet berooven van de verdienste, het offer zelf op „het altaar te leggen.quot; Toen de jongeling er echter op stond, dat andere handen dan de zijne dit offer aan de allerreinste Maagd zouden brengen, rukten zij tezamen het boek van een, en beide wierpen het deel, dat hun in handen gebleven was, in zee. Dit oogenschijn-lijk zoo geringe offer werd voor den jongeling eene bron van hemel-sche genadegaven. In zijn vaderland terug gekeerd, veranderde hij van leven, scheidde zich van zijne valsche vrienden, deed afstand van zijn vermogen, verliet zijne familie en trad in eene geestelijke orde, waarvan hij tot aan het einde zijns levens het sieraad bleef (Debussi, Meimaand).

Verwonderen wij ons niet, dat zoovele Heiligen de devotie tot de onbevlekte Moeder Gods zoo hoog geacht, zoo ijverig verbreid, zoo dringend aanbevolen hebben. Zij wisten bij ondervinding, hoe overstelpend de genadestroomen zijn, welke uit die devotie voortvloeien. Verwonderen wij ons evenmin over de vreugde, welke de geheele Kerk ondervond en zoo schitterend aan den dag legde, toen de leer der onbevlekte ontvangenis onder de geloofsartikelen werd opgenomen. De H. Vader zag en ziet daarin een heilmiddel tegen het gift dei-onzedelijkheid, dat in onze dagen uit duizend pennen vliet van duizend lippen stroomt, in duizenden met bloemen omkransde bekers aangeboden, en door jong en oud onbezonnen gedronken wordt.

\') Volgens de grieksche vertaling van de Septuaginta en de oude Vulgata (Versio Itala).

-ocr page 70-

56

rdes éénen misdaad is op alle menschen veroordeeling ge-„komen ;.... door de ongehoorzaamheid van een zijn de velen „(allen) tot zondaren gesteld.quot; Wij zijn derhalve allen, allen zonder nitzondering, „van natuur hinderen der gram-„schapquot; (Eph. II, 3), d. i. door onze afstamming van Adam nemen wij deel aan zijne zonde, deel aan den toestand van orgenade, waarin geheel het menschelijk geslacht door hem gekomen is, deel aan de straf van den tijdelijken en eeuwigen dood. — Hetzelfde volgt ook uit de leer van den Apostel, dat „Christus voor allen gestorven is1\' (2 Cor. V, 15). Is Christus voor allen gestorven, dan toch hehben ook allen behoefte aan verlossing, daar Christus voor de menschen gestorven is, om ze te verlossen. HehbeE wij allen verlossing noodig, dan hebben wij allen ook gezondigd. Niet allen evenwel hebben persoonlijk gezondigd; bijgevolg hebben allen in Adam gezondigd.

2) Uit de leer en de gebruiken der Kerk, vooral uit de uitdrukkelijke veroordeel in g van de tegenovergestelde dwaalleer en uit den doop ook van die kinderen, welke uit eigen boosheid nog niet zondigen kunnen. — Aangaande het geloof der Kerk betreffende de leer, dat alle menschen in de erfzonde ontvangen en geboren worden, kan niet de minste twijfel ontstaan. Dat geloof verkondigen de HH. Yaders en kerkelijke schrijvers van alle, zelfs van de eerste eeuwen des Christendoms. De H. Augustinua onder anderen schreef geheele boeken over dit onderwerp. Dat geloof openbaarde zich vooral bij de groote beweging, welke alom in het oosten en zuiden ontstond toen in de vijfde eeuw Pelagius zich verstoutte, het tegendeel te leeren; eveneens bij de veroordeeling van zijne leer, in vele Kerkvergaderingen uit gesproken. \') Met het volste recht kon alzoo de H. Augus-linus den Pelagiaan Julianus toeroepen: „niet ik heb „de erfzonde uitgedacht, het katholiek geloof heeft die van „oudsher aangenomen; maar gij die ze durft loochenen, zijt „voorwaar een invoerder van nieuwigheden.quot; 2) Op eene andere plaats beroept dezelfde Kerkleeraar zich op het getuigenis zijner voorgangers: „niet andersquot; (dan ik), spreekt hij, 3) „hebben de Schriftverklaarders van het begin der „Kerk af (over de erfzonde) geschreven, niet anders hebben „zij van hunne voorouderen ontvangen, niet anders aan hunne

\') In een tijdsverloop van 19 jaren (van 412 tot 431) werden er niet minder dan 24 Kerkvergaderingen gehouden, waar zijne leer als verfoeielijke ketterij werd verworpen en veroordeeld.

-) Lib. II. de nupt. et concup. c. 12.

•*) Lib. 111. peccat. merit, et remiss, c. 6.

-ocr page 71-

57

„nakomelingen nagelaten.quot; Wat zij in de Kerk vonden, „hebben zij behouden, wat deze leerde, hebben zij geleerdquot;\'). Het Concilie van Trente heeft diensvolgens in de boven (bladz. 43.) aangehaalde canon slechts herhaald, op nieuw ingescherpt en bekrachtigd, wat reeds vroeger eene algemeene door vele Kerkvergaderingen uitgesproken geloofsleer was. — Bovendien getuigen de gebruiken der Kerk van haar geloof aangaande de erfzonde. Dit geldt voornamelijk van do gewoonte, sinds de vroegste tijden des Christendoms gevolgd , om de pasgeboren kinderen te doopen, en ook dan de gebruikelijke bezweringen te doen. Daar dit H. Sacrament naar de woorden der H. Schrift (Eph. V , 26; Hand. II, 38) en volgens de geloofsbelijdenis van Nicea „ter vergeving „der zondenquot; is ingesteld, zou de Kerk de pasgeboren kinderen, die nog niet in staat zijn, persoonlijk te zondigen geenszins doopen, bijaldien zij niet vast geloofde, dat deze met de erfzonde besmet zijn. Evenmin zou zij, gelijk de H. Augustinus aanmerkt -), „bij de kinderen van geloovige „ouders de bezweringen doen, indien het niet noodig was, „hen van de macht der duisternis en van den vorst des „doods te bevrijden.quot; En inderdaad, als de kinderen zonder de erfsmet ter wereld kwamen, zou het Doopsel niets anders zijn, dan eene ijdele, nuttelooze ceremonie, zouden de exorcismen (bezweringen van den duivel) niet alleen schandelijk bijgeloof, maar tevens eene onteering Gods, eene bespotting van zijn zuiver evenbeeld zijn.

3) Zelfs heidenen en ongeloovigen erkenden, hoewel onvolkomen , dit bederf als een gevolg van de zonde, a) deels uit eene zeer oude algemeen verbreide overlevering, i)deels uit de ellende en de treurige geschiedenis van het mensche-lijk geslacht. — a) Zelfs de beruchte Voltaire3), die anders ai zijne talenten gebruikte, om de christelijke leer te lasteren en te honen, bekende openlijk: „de val van den onthaarden mensch is de grondslag van den godsdienst van oude „volken.quot; Wij kunnen waarlijk alle landen der aarde doorkruisen en alle heidensche volken van vroegeren en lateren tijd ondervragen: overal, zoowel in Azië als in Europa, ja zelfs op het pas ontdekte eiland Australië vinden wij de duidelijkste sporen van een algemeen geloof aan den oorspronkelijken val van het menschelijk geslacht. De aanvankelijke zaligheid in het paradijs, de gulden tijd der onschuld en deugd, de vrouw als verleidster van denman,

\') Lib. contra Julian, c. 7. \'-) Idem. c. 5.

^ Philosophie de I\'liistoire.

-ocr page 72-

58

de bekoring van de booze slang, het eten van de verboden vrucbt, de nieuwsgierigheid als oorzaak van de zonde en van de verbanning uit het paradijs, de straffen der zonde en de vloek, welke nu van den geboortedag tot den dood op elk menschenkind rust; dit alles is, ofschoon veelvuldig verward en verminkt, toch onmiskenbaar in de heidensche sagen bewaard gebleven. \') Bijkans alle heidensche volkeren hadden en hebben nog heden godsdienstige plechtigheden tot reiniging der pasgeboren kinderen, eene soort van doopsel. In het oude Rome bijv. werden de kinderen op den. achtsten of negenden dag na de geboorte, in het zoogenaamde wij - of reinigingswater afgewasschen, en ontvingen dan eenen naam. In Mexico bad de priester bij eene dergelijke gelegenheid tot de godheid, dat zij de zonde, door de kinderen voor de grondvestiging der wereld begaan, genadig uitdelgen en hun eene nieuwe geboorte verleenen mocht. 1) In Indië smeekt de afgodenpriester met luider stem: „O God, rein, eenig, onzichtbaar, eeuwig en vol-„maakt! Wij brengen U dit kind ten offer; het is ontsproten uit een heiligen stam, gezalfd met onvergankelijke „olie, gezuiverd in het water.quot; 2) In Tibet ontstak men tegelijk vuur, en liet men het kind schijnbaar door de vlam gaan, om het door water en vuur tevens te reinipfen. Overigens brachten alle oude volken Moedige zoenoffers aan hunne goden, teneinde de gevolgen eener aangeboren schuld zooveel mogelijk weg te nemen; velen daarenboven, zooals Indianen en Egyptenaren, leerden uitdrukkelijk, dat het leven op aarde een straf- en boetetijd is \'). — b) De veelvuldige ellende van het menschelijk leven en de treurige ervaring van de uitbreiding en heerschappij van het kwaad onder de menschen werkte vooral mede, om de kennis van een aangeboren bederf der menschelijke natuur te bevestigen. De oude dichters schetsen hunnen tijd als een ijzeren, waarin zonde en ellende heerscht, en de wijsgeeren klagen, dat het menschelijk leven niets anders is dan eene gevangenschap, een toestand van boete of eene ziekte. „Waarom verberg ik onder zachte uitdruk-„kingen,quot; roept Seneca uit 3), „de algemeene ziekte? Wij

„zijn allen slecht; slecht leven wij onder slechten.....

„De deugd is moeielijk te vinden ; men heeft daartoe een „wegwijzer en leidsman noodig, maar ook zonder leermeester

1

) Idem. § 29.

2

3) Rohrbacher „Histojre de réglise, torn. IV.

3

s) De ira, de benef. — quaest. nat 3.

-ocr page 73-

59

„leert men het kwaad.quot; „Vele wijze mannen,quot; spreekt een ander \'), „beweenden niet heden eerst, maar reeds lang „het leven van den mensch en beschouwden het als eene „straf.quot; „De mensch,quot; schrijft de romeinsche wijsgeer Cicero , „is niet door eene moederlijke, maar door eene „stiefmoederlijke natuur voortgebracht...., toch ligt in hem, „als onder puin begraven , eene, om zoo te spreken, godde-„lijke vonk van den geest en het verstand.quot; En op eene andere plaats 3) vindt hij door de overweging der mensche-lijke afdwalingen en rampen , zich genoopt, het gevoelen van vele wijzen der oudheid aan te nemen en zegt: „wij „zijn op deze wereld, om te boeten voor zonden, welke „wij in een ander, vroeger leven begaan hebbenquot; 4).

Is de erfzonde, hoewel geene persoonlijke, toch eene ware zonde ?

Ja, zij is eene ware, eigenlijke zonde, welke door de Kerk „dood der ziel\'\' genoemd wordt. — Aldus de Kerkvergadering van Trente, in vereeniging met de H. Schrift en de apostolische Overlevering (Zitt. V, can. 2).

De erfzonde is dus niet, gelijk eenige ketters beweerden, 1) de lichamelijke dood. Deze ging wel als straf der zonde van onzen stamvader op alle menschen over, is derhalve een gevolg der zonde, maar niet de erfzonde zelve. Het onderscheid tusschen de zonde en den dood , als straf der

\') De oude wijsgeer Krantor, een leerling van Plato.

2) De republ. 3.

3) Hortens. apud s. August, contra Julian.

4) Niet overbodig zal hier de waarschuwing zijn, dat men bij de bewijsvoering, „uit de ellende en de droevige geschiedenis des inensch-j/dornsquot; zich moet wachten voor alle overdrijving, waaraan nu en dan, gelijk Kardinaal Gousset opmerkt, 1) eenige schrijvers zich schuldig-maken, die dan, door onvoorzichtigen ijver misleid, de dwaling van Jansenius nabij komen. Dat de dood, de rampen des levens, de strijd tusschen geest en vleesch gevolgen en straffen der zonde zijn, weten wij onbetwijfelbaar uit de goddelijke Openbaring. Wil men echter de erfzonde uit de rede alleen bewijzen door de stelling op te zetten, dat het lijden van dezen tijd, de dood en de weerbarstigheid des vleesches slechts uit de zonde kunnen voortkomen, dan zal men die bezwaarlijk met de leer van den H. Thomas en van de 11. Kerk kunnen overeenbrengen. De H. Thomas leert duidelijk het tegen deel. 2; ;/God,quot; zegt hij, „kon in den beginne, toen Hij den mensch „schiep, ook een anderen mensch uit het leem der aarde gevormd en

1

Théol dogm. torn. II. Partie 2 chap. 5. art. 2.

2

**gt; Sent. 1. Dist. 31. q. 1. a. 2.

-ocr page 74-

60

zonde, duidt de Apostel aan, zeggende (Eom. V, 12) dat de dood door de zonde in de wereld gekomen en op alle menschen overgegaan is, wgl allen in Adam gezondigd hebten. — Bovendien is de dood van het lichaam slechts een lichamelijk kwaad, de zonde is echter een kwaad van de ziel, niet van het lichaam. Daarom verklaart het Concilie van Trente (zitt. V, can. 2): „indien iemand beweert.... „dat Adam door de zonde van ongehoorzaamheid enkel den „dood en de straffen des lichaams op geheel het menschelijk „geslacht heeft overgebracht, en niet tevens de zonde, welke „de dood der ziel is, hij zij in den ban.quot; — Dat de zonde inzooverre de dood der ziel is als zij haar van het boven-

„hem in zijn natuurlijken toestand gelaten hebben, onderworpen na-//melijk aan den dood en velerlei rampen, verplicht den strijd des „vleesches tegen den geest te voeren; want daardoor zou niets aan de „natuur van den mensch ontnomen zijn, daar dit alles veeleer uit de „natuur zelve volgt.quot; De H. Kerk leert hetzelfde, zooals blijkt uit hare veroordeeling van de 55atB stelling van Bajus. ®) — En inderdaad, als God nu de braven alleen om hen te beproeven en te volmaken, aan velerlei smarten en rampen onderwerpt, als Hij hen ook nu in allerlei bekoringen laat komen, en wil, dat zij door geduld in het lijden en door strijd tegen de aanvechtingen des duivels hunne eeuwige zaligheid verdienen; waarom zou Hij dan niet in den beginne in staat zijn geweest, den onschuldigen mensch in dien toestand van beproeving te plaatsen? Stond het Hem niet vrij, den mensch aan zwaardere of lichtere beproevingen in het paradijs te onderwerpen ? Hoe kan datgene, wat thans niet met de goddelijke volmaaktheden in strijd is, in den beginne er mede in strijd geweest zijn? Moet het niet vermetelheid genoemd worden, de goddelijke wijsheid dus te beperken en te beweren; God heeft den mensch alleen op die wijze, als Hij het werkelijk gedaan heeft, op de proef kunnen stellen? — Dat de Heidenen uit de veelvuldige rampen van dit leven tot het besluit komen, dat de mensch reeds vóór zijne komst ter wereld zich aan eene zonde moet schuldig gemaakt hebben, geeft ons nog volstrekt geen recht, als onbetwijfelbaar aan te nemen, dat de rede noodzakelijk uit het tegenwoordige lijden tot eene erfschuld besluiten moei. Want ten eerste is het meer dan waarschijnlijk, dat de heidensche wijsgeeren door de overlevering op die gedachte zijn gekomen; ten tweede zouden zij de bron der menschelijke ellende bezwaarlijk in eene diergelijke zonde gezocht hebben, waren zij op de gedachte gekomen, dat God den mensch ook tot beproeving, tot zuivering en om hem des te rijker loon te geven in het toekomstige leven, lijden en rampen kan toezenden. — Evenwel willen wij niet ontkennen, dat de overweging en nauwlettende beschouwing van het onmiskenbaar verval en bederf der menschelijke natuur zeer geschikt is, om de ongeloovigen datgene te doen aannemen, wat de Openbaring van de erfzonde leert, vooral wanneer men daarbij opmerkt dat de mensch ten gevolge der eerste zonde zoo diep gezonken en zoo ^raaar verwond is, dat hij uit eigen kracht zelfs niet meer in staat is, de natuurlijke zedewet geheel na te leven, waarover in de volgende aanmerking meer gezegd wordt.

*) Heus non potuisset ab initio talem creare hominem, qualis nunc nascitur.

-ocr page 75-

61

natuurlijke, goddelijke genadeleven berooft en in den eeuwigen dood, d. i. in de eeuwige verdoemenis stort, is boven reeds getoond.

De erfzonde is evenmin 2) de persoonlijke navolging van de zonde van Adam, d. i. de erfzonde bestaat niet daarin, dat wij uit eigen vrije keuze onzen stamvader, die het eerst gezondigd heeft, navolgen en zondigen gelijk hij. Daarom leert het genoemde Concilie, (zitt. V, can. 3) dat de erfzonde „eene door voortplanting, niet door navolging op ons „gekomen zonde\'\' is. Dit blijkt ook uit den dood van vele kleine kinderen. Waarom toch sterven deze? Allerzekerst om de zonde. De H. Schrift leert immers uitdrukkelijk, dat de dood door de zonde in de wereld gekomen en op alle menschen is overgegaan. Zij zouden bijgevolg niet sterven, als zij geene zonde hadden. Hebben nu de kleine kinderen wel, gelijk Adam, persoonlijk gezondigd? Geenszins. Zij hebben het gebruik der rede nog niet, kunnen derhalve ook niet met bewustzijn en vrije inwilliging zondigen, zooals Adam het gedaan heeft. Zoo sterven dan de kinderen om eene zonde, welke zij overgeërfd, maar niet door eene persoonlijke navolging van Adam begaan hebben, de erfzonde is dus iets geheel anders dan de navolging van Adam\'s zonde. Dit krachtig bewijs haalt ook de H. Paulus aan met de woorden: (Rom. V: 14) „de dood heeft geheerscht „van Adam tot Mozes, ook over hen (de kinderen) die niet „gezondigd hadden, in gelijkheid aan de overtreding van „Adam.quot;

De erfzonde is 3) geene alleen uiterlijk toegerekende, viaar eene innerlijke zonde, aan iederen mensc/i eigen, d, i. de erfzonde moet men zich niet voorstellen, als ware zij wezenlijk niet in ons, maar in Adam alleen, als werd zij ons enkel als zonde aangerekend, omdat wij kinderen van Adam zijn, tot de familie van Adam behooren, gelijk men somtijds een zoon de booze daad zijns vaders onredelijkerwijze als zonde aanrekent. De erfzonde moet integendeel volgens de leer der Kerk als eene zonde beschouwd worden, die „in ieder (iederen mensch) „als eene eigene woont,quot; (zitt. V, can. 3) zij moet beschouwd worden als eene vlek of eene verontreiniging der ziel, welke, door de natuurlijke afstamming, van den vader op het kind overgaat. Hoe toch had anders hetzelfde Concilie (zitt. V, can. 4) kunnen verklaren, dat de pas geboren kinderen gedoopt worden, „opdat door de „wedergeboorte gereinigd worde, wat zij door de geboorte (onreins) „op zich getrokken hebben.\'1 — Eindelijk kan men niet zeggen, dat de erfzonde niets anders is, dan 4) de ongeregelde begeerlijkheid des vleesches of de booze lust, welke

-ocr page 76-

62

ten gevolge van Adam\'s zondeval in de menschen is ontstaan. Dewiil volgens de leer der Kerk van den eenen kant door het H. Doopsel „alles, wat waarlijk en eigenlijk zonde „is, gedelgd wordt,quot; van den anderen kant echter „de be-„geerlijkheid in de gedoopten tot den doodstrijd blijftzoo is het duidelijk, dat de begeerlijkheid niet het wezen uitmaakt der erfzonde, die, gelijk wij reeds aanmerkten, waarlijk en eigenlijk zonde is. Wel noemt ook de Apostel de begeerlijkheid zonde, doch nimmer heeft de katholieke Kerk het er voor gehouden, dat „deze in de gedoopten zonde „genoemd wordt, omdat zij waarlijk en wezenlijk zonde is, „maar enkel daarom, wijl zij uit de zonde voortkomt en „tot de zonde geneigd maaktquot; (zitt. V. can. 5). — En verder daar de begeerlijkheid onloochenbaar vóór en na het Doopsel geheel dezelfde is, volgt uit de aangehaalde bepaling der Kerk, dat de begeerlijkheid ook in de onge-doopten geenszins zonde in den eigenlijken zin genoemd kan worden.

De erfzonde bestaat dus noch in den lichamelijken dood en de lichamelijke straffen, noch in de begeerlijkheid, noch in de persoonlijke navolging van Adam, noch eindelijk in eene schuld, die door uitwendige toerekening op ons rust. Zij is volgens de leer der Kerk eene ware, eigenlijke, iederen mensch als eigen inwonende zonde, eene zonde, die langs den weg der natuurlijke afstamming van Adam op zijne nakomelingen overgaat, hen terstond bij het begin huns levens verontreinigt, vijanden Gods en het hen;.e\\rijk onwaardig maakt, aan velerlei ellende en rampen des levens en zelfs aan den dood onderwerpt.

Op de vraag, hoe wij toch, alvorens te bestaan, in Adam reeds eene zonde konden doen, moet iederen Christen het antwoord genoeg zijn , hetwelk de H. Augustinus den Pelagiaan, Julianus gaf:- „ofschoon wii noch met ons „verstand begrijpen , noch door woorden verklaren kunnen , „hoe dit geschied is, blijft het evenwel waar, wat van „oudsher door het waarachtig katholiek geloof verkondigd „en in de geheele Kerk aangenomen is, dat namelijk „alle menschen (op eene of andere wijze) in Adam gezon-,.digd hebbenquot; (Rom. V, 12). Voorts merken wij aan, dat de Kerk nergens leert, dat wij reeds vóór of bij het begin onzes levens eene zondige daad volbracht hebben , gelijk Adam, toen hij van de verboden vrucht at. De zonde, welke van onzen stamvader op ons overgaat eu

\') Contra Julian. I. 6. c. 5.

-ocr page 77-

63

ais erfzonde ons aankleeft, is naar de eenparige leer der Godgeleerden geenszins eene zondige daad, maar een zondige toestand, -waarin wij zonder ons eigen vrii toedoen geraken l). Men moet namelijk wel degelijk een onderscheid maken tusschen de zonde als daad en tusschen de zonde als toestand. Wie iemand vermoordt, begaat eene zondige daad, welke meestal in één oogenblik voltooid is; maar ook nadat die boozs daad volbracht is, blijft in den dader de zonde als toestand, d. i. de zonde van doodslag kleeft nog op zijne ziel, de moordenaar blijft nog voor God in den toestand van zonde , bijgevolg in den staat van ongenade en vijandschap met God ; en hij blijft daarin zoo lang, tot hij door de heiligmakende genade, ^elke hij zondigende verloren heeft, weder geheiligd en met God verzoend is. ■— Elke zware zonde is namelijk in ons menschen eene vrijwillige afkeering van God, met wien wij in heilige liefde vereenigd moeten zijn. Wanneer nu de mensch zich door de zonde van God heeft afgekeerd, blijft hij in dien toestand gescheiden van God, tot hij weder door den band van heilige, bovennatuurlijke liefde, met God vereenigd wordt. En dewijl deze liefde, om den mensch met God te vereenigen, ook van nature bovennatuurlijk zijn moet, is de mensch niet bij machte, zich die te geven, noch ze door eigen kracht te verwerven; zij moet hem van boven, als genade des H. Geestes, worden ingestort. Eerst door middel van die heiligmakende genade treedt de mensch uit den zondigen toestand weder in den toestand van heiligheid en gerechtigheid, wordt derhalve wederom van alle zondevlek gereinigd, een kind Gods, een voorwerp van Gods welbehagen. — Hetgeen wij aangaande de zonde in het alge meen zeiden , kan men ook gemakkelijk op de erfzonde toepassen. De erfzonde iu haren oorsprong, d. i. in de bron beschouwd, waaruit zij over geheel het menschelijk geslacht zich uitstort, is de zondige daad, de ongehoorzaamheid van onzen stamvader. De erfzonde in ons is de zondige toestand, waarin geheel het menschelijk geslacht door Adam\'s zonde gekomen is, en in welken ieder mensch in het bizonder door de afstamming van Adam , d. i. door deel te nemen aan de zondige natuur van den gevallen stamvader komt. Het is een toestand van afval, van afgekeerdheid van God, een toestand van vijandschap met God, in welken wij God wel niet haten, maar Hem toch mishagen, dewijl ons de heiligheid en rechtvaardigheid , waarmede Hij ons

;

■ So

\') S. Thora, de raalo. q. 4. a. 2. ad i. Peccatum originale non eadem ratione dicitur peccatum, qua et actuale.

-ocr page 78-

64

in onzen stamvader heeft uitgerust, geheel ontbreekt, wijl wij niet meer door den geest van heilige liefde zijne kinderen zijn, gelijk wij het in Adam waren en volgens zijnen H. wil blijven moesten \'). Die toestand is derhalve wel ia staat, om, in plaats van Gods liefde en welbehagen, zijn gerechten toorn op ons te trekken.

Om dit beter te begrijpen , moeten wij nog eens in herinnering brengen, dat het geheele menschdom in en met Adam de bovennatuurlijke gaven had ontvangen, wijl, ge-liik de H, Augustinus zegt -), in Adam alle menschen één waren. In Adam, als de kiem, waaruit geheel het menschelijk geslacht zich ontwikkelen moest, waren wij alzoo een heilig, een godgevallig geslacht, met God door de genade, door bovennatuurlijke liefde allerinnigst ver-eenigd, en hestemd, Hem in zijne glorie eeuwig te aanschouwen , te beminnen en te verheerlijken. Om de boven aangeduide reden volgde nu eveneens uit de zonde, waardoor Adam zich van God afkeerde en de genadegaven verbeurde, dat ook geheel het menschelijk geslacht met hem van God afviel en in den zondigen toestand, gelijk wij dien beschreven , geraakte. Zoo valt een geheele ketting en al zijne schakels in de diepte, wanneer de eerste ring, welke in de hoogte was vast gehecht, breekt en neêrstort. De zonde van onzen stamvader heeft dus den band verbroken , welke in den beginne alle menschen onderling en bizonder met God verbond, en geheel het menschelijk. geslacht is tengevolge van dien val, gelijk Adam zelf, van God afgekeerd, naar lichaam en ziel achteruit gegaan, geestelijker wijze dood, geheel onbekwaam om uit eigen kracht met God in H. liefde zich weêr te vereenigen, d. i. zijne hoogere, bovennatuurlijke bestemming te bereiken. Ja, zoo diep is de mensch gezonken, zoo zwaar ook in zijne natuurlijke vermogens gewond, dat hij, hoewel niet tot al het zedelijk goede onbekwaam, echter te zwak is, om uit eigen kracht de geheele zedewet zóó te vervullen en zijnen Schepper zóó te beminnen, als ieder redelijk schepsel doen moet 1) En die bedorven, heillooze toestand

1

) Het is de leer der Godgeleerden en vooral van den H. Thomas, (Sum. 1. 2. q. 109. a. 2—i) dat de mensch in den toestand der erl-

-ocr page 79-

65

is het treurige erfdeel, dat wij door onze natuurlijke afstamming van Adam overnemen. Hoe zou nu Gods welgevallen op ons kunnen rusten ? Hoe zou de Allerhoogste

zonde wel enkele zedelijk goede liandelingen ook zonder de goddelijke genade verrichten kan, daar de krachten zijner ziel niet in diermate geknakt zijn, dat hij niet meer in staat zou wezen, het eene of andere goed te kennen en te willen; dat het licht zijner rede evenwel te zeer verduisterd en zijn wil door de neiging ten kwade te zeer verzwakt is, om uit eigen kracht in staat te zijn, alle, ook de zware bekoringen te overwinnen. Die aangeboren zwakheid in aanmerking geromen bevindt de mensch zich nu voorzeker in een noodlottiger toestand, dan wanneer hij met bloot natuurlijke gaven uitgerust, d. i. in den zuiveren natuurstaat uit de hand Gods voortgekomen en daarin gebleven was. God toch kon geenszins een redelijk wezen scheppen, zonder te willen, dat het in staat zou wezen. Hem, zijnen Schepper en Heer, zijn hoogste goed, te kennen, te beminnen, en voor\'t minst de natuurlijke zedewet geheel na te leven. Indien God dan den mensch met die neiging tot zingenot, welke thans als gevolg der erfzonde in ons is, in den beginne geschapen had, zou Hij hem zeker ook de noodige hulp en genoegzame middelen aan de hand gedaan hebben , teneinde die neiging, volgens het voorschrift der zedewet. te be-heerschen. Nu echter zijn wij in een toestand, waarin wij zeker niet meer bij machte zijn het zedelijk goede op die wijze te doen , als het voor het redelijk schepsel plicht is, wijl wij namelijk die natuurlijke middelen missen, welke wij van God mochten verwachten, als Hij ons voor eene bloot natuurlijke bestemming, voor eene natuurlijke zaligheid geschapen had. En daarin bestaat juist het diepste bederf der erfzonde, de zwaarste wonde, welke zij onze natuur geslagen heeft.

Geheel ten onrechte zou men evenwel hieruit besluiten, dat de mensch, met de erfzonde bevlekt , noodzakelijk tegen de zedewet zondigt, of dat hij met betrekking tot deze zijn vrijen wil verloren heeft. Ifeen, de mensch overtreedt niet met noodzakelijkheid de zedewet. God biedt den mensch, ook in den tegenwoordigen toestand. om de verdiensten van Jesus Christus, genoegzame genademiddelen aan, opdat hij niet enkel do zedewet geheel naïeve, maar zelfs zijne bovennatuurlijke bestemming bereike.

Indien de mensch weigert met de bovennatuurlijke genade mede te werken, heeft hij zijn ongeluk aan zich zeiven te wijten en mag hij op nieuwe middelen niet de minste aanspraak maken. — De menscïi heeft verder ook thans nog de vrijheid, te kiezen iusschen goed en kwaad, ofschoon hij, aan zich zeiven overgelaten, te zwak is, altijd en in elk geval het goede te kiezen. De H. Thomas verklaart dit (De ^ eritate q. 24. a. 15!) op de volgende wijze. De menschelijke wil is op zich zeiven een blind vermogen. Opdat hij het eene kieze en het andere verwerpe, moet de rede hem het eene als iets goeds, het andere als iets kwaads voorstellen. Voor den brave nu is God het hoogste goed, de zonde het grootste onheil. Zoodra. deze alzoo moet kiezen tusschen God en de zonde, voelt zijn wil zich reeds krachtig aangedreven, de zonde te ontvlieden, welke hij als het grootste kwaad kent en vreest. Niet geheel zoo gaat het echter met den zondaar. Zijn hart neigt zich tot het aardsche goed, hecht zich met voorliefde daaraan. Zal hij alzoo tusschen het aardsche en het hoogste goed eene keuze doen, dan heeft hij in den regel een rijp en kalm beraad noo-dig, om zich te overtuigen, dat het aardsche goed in vergelijking met God veeleer een waar onheil is. Alvorens hij evenwel daartoe komt. heeft niet zelden de booze hartstocht, welke door het voor oogen liggende zinnelijke goed steeds meer wordt opgewekt, reeds de

DEHARBE, GELOOFSLEER. IT. Slle DKUK. 5

-ocr page 80-

66

zijn welbehagen kunnen vinden in datgene, wat tegen zijne wijze en liefderijke beschikking strijdt, in de bedorvenheid van eene natuur, welke Hij rein en goed geschapen heeft ?\')

Het gezegde wordt ook door de woorden van den H. Paulus: „Wij zijn van nature kinderen der gramschapquot; (Eph. II, 3), bevestigd en opgehelderd. Uit die woorden volgt namelijk, dat er in den toestand van onze van Adam afstammende natuur iets ligt, hetwelk aan God mishaagt, waarvan Hij te recht een afschuw heeft. Immers, volgens dezelfden Apostel zijn wij allen kinderen der gramschap . niet om een persoonlijk wTanbedrijf (vergelijk Rom. V,14), maar door onze natuur. De Allerheiligste verfoeit echter niets dan hetgeen strijdt tegen zijn H. wil, tegen zijne goddelijke plannen, en niets strijdt tegen zijn H. wil, dan de zonde, overschillig of deze eene vrije daad zij van den wil of een toestand, welke uit zulk eene daad voortkomt.

Want juist daarin ligt het wezen der zonde, dat zij een verzet is tegen de door God gewilde orde; zoodra de zonde verdwijnt, keert alles wederom in de door Hem vastgestelde orde terug. De menschelijke natuur bevindt zich derhalve, naar de leer des Apostels, in een zondigen toestand, wijl zij niet meer is, wat zij volgens den wil en het plan van den Allerhoogste zijn moest =).

overwinning behaald. •— Daarbij evenwel is de zondaar geenszins vrij van schuld; want hij verkoos het kwaad tegen de inspraak van zijn geweten, met het bewustzijn, dat het kwaad is, en dat hij het juist om die reden niet doen moest. Dat de hartstocht hem overwon, is zijne schuld. Waarom deed hij zijn best niet, haar met behulp der goddelijke genade, welke tiod aan niemand weigert, te beheerschen. /God is getrouw; Hij zal niet toelaten, dat gij boven uwe krachten ,bekoord wordtquot; (I. Cor. X, 13).

\') Ö. ïhom. De malo. q. 4. a. 2 ad 10. Peccatum originate est peccatum naturae; et ideo inordinatio naturae per subtractionem .iriginalis justitiae facit rationem peccati originalis.

-) Het gezegde is niets dan de verklaring der volgende woorden , welke in sommige leerboeken worden gevonden: Door de zonde van Adam, die hij als hoofd en stamvader van het menschelijk geslacht beging, werd in en met Adam geheel het menschelijk geslacht van de oorspronkelijke heiligheid en rechtvaardigheid, d. i. van delic:\'lig-makende genade en alle bovennatuurlijke gaven, beroofd. Daardoor was hij naar lichaam en ziel verminderd, van nature geestelijk d ood, afgevallen en losgescheurd van God, niet meer bij machte, zijne lioogere, bovennatuurlijke bestemming te bereiken, God zag bijgevolg het plan zijner genaderijke liefde verijdeld en kon niet meer met welgevallen op den ontaarden mensch neerzien. Wij waren allen an nature kinderen der gramschap, dood in de zonde (Eph. II, 8).— Deze woorden geven te kennen hoe de mensch door het verlies der oorspronkelijke heiligheid en rechtvaardigheid van nature geestelijk \'lood is, en hoe //die dood der ziel,quot; waarmede het Concilie van ïrente de erfzonde aanduidt, op geheel het menschelijk geslacht is overgegaan. — Dat de erfzonde in elk Adamskind een toestand van dot-

-ocr page 81-

67

H

Welke Jcicade gevolgen zijn met de erfzonde op alle menschen overgegaan?

\\) De ongenade Gods en met haar het verlies van het kindschap Gods en van het erfrecht op het hemelrijk. Alles, wat Adam door de zonde van ongehoorzaamheid

overgeërfd en geestelijken dood is, leert de H. Kerk; dat zij eene zonde der natuur, een afgekeerd-zijn van liet menschelijk geslacht van God, zijn laatste doel, is, welk afgekeerd-zijn uit l et verlies der heiligraakende genade volgt en zijn laatsten grond heeft in do zonde van Adam . door dezen als hoofd en stamvader van het menschelijk geslacht bedreven, — dit is wel niet de leer van de Kerk, die over liet wezen der erfzonde niets anders bepaald heeft, maar toch van zeer vele geleerde schrijvers. Wij meenen daarom, dat de katecheet de natuur der erfzonde gerust volgens de leer der Godgeleerden mag uitleggen, om de moeielijkheden op te lossen, welke van vele kanten tegen het dogma der erfzonde gemaakt worden; moeielijkheden, welker strekking is, de kerkelijke leer der erfzonde te verminken, of de mogelijkheid van eene zoodanige zonde te loochenen. De Katechismus van Bellarminus, welke op bevel van den Paus gemaakt, ingevoerd en verbreid is, verklaart de erfzonde op de door ons aangegeven wijze. De oudste Godgeleerden, mannen van groot gezag, met den H. An-selmus, Thomas van Aquine, Bonaventura aan het hoofd, geven dezelfde verklaring. **) Ofschoon zij nu en dan in meening van elkander verschillen, wanneer het er op aankomt, juist te bepalen, waarin de erfzonde in formeel en materieel opzicht eigenlijk bestaat, komen zij toch daarin met elkaar overeen , dat zij in het algemeen in het gemis der heiligheid en rechtvaardigheid bestaat, waarmede onze natuur aanvankelijk was toegerust, en welke wij in Adam verloren hebben. Ook in den laatsten tijd word deze leer door velen aangenomen. Wij noemen hier slechts: Bernard de Rubeis, de peccato orig., op nieuw uitgegeven in 1857; Perrone Praelect. Theol. Tract, de Deo Creatore P. 3. c. 4.; Kleutgen Theol. der Vorzeit, deel II; Berlage Kathol. Dogmatik, deel V. 32.; Gousset, Théolog. dogmat. II. de Dieu P. 2. chap. 5. a. 3.; Wetzer\'s Kirchen-Lexicon, art. Erbsünde.

De bewering, dat het verlies der oorspronkelijke heiligheid en rechtvaardigheid niet de zonde zelve zijn kan, maar meer het gevolg der zonde is, kan men aldus beantwoorden; dit verlies was in Adam liet eerste gevolg en de straf der zonde, doch in ons is het niet enkel gevolg en straf, maar de zonde zelve of beter; de naaste oorzaak daarvan. ***) De reden ligt hierin, dal de zonde in Adam eene werkelijke (actueele) zonde was, welke het verlies der genade bloot ten gevolge had, maar in ons eene overgeërfde zonde, een zondige toestand, eene zonde der natuur is.

*) Zie Deharbe\'s ;/Volkommene Liebe Gottes,quot; bladz. 209. **) Anselm. de concept. Virg. cap. 27. ,/Hoc peccatnm, quod originale /dico, aliud intelligere nequeo in iisdem infantibus, nisi ipsam, fac-ttam per inobedientiam Adae, justitae debitae nuditatem.quot; — S. Thom. (de Jlalo q. 4. a. 2). „Originale peccatnm simpliciter est originalis /\'jüstitiae carentia.quot; — S. Bonaventura (Breviloq. P. 3. c. 5) //Certum «est, quod omnes nascimur natura filii irae, ac per hoe privati rec-/•titudine originalis justitae, quam privationem vocamus originalem eculpam.quot;

***) S. Thom. de Jlalo q. 4, a. 6. Nee est inconveniens, quod poena sit causa oulpae.

5::i 1

rn

ijquot;

ist

is

er

n.

en

st

.

ni

lt;

ii

n

n

r.

r

,

-ocr page 82-

68

verloren heeft, is in zijne nakomelingscliap niet weer te vinden, wiil hij dat alles niet enkel voor zich zei ven, maar ook voor al zijns nakomelingen verloren heeft. Gelijk Adam na zijnen val de heiligmakende genade, het kindschap Gods,

Op cene andere vraag: hoe die zondige loestand der natuur iederen mensch in het hizunder eigen wordt, kan men kort en bondig ten antwoord geven, dat deze op ieder in het bizonder overgaat gelijk de natuur zelve, namelijk door rte natuurlijke afstamming, door deel te nemen aan de in Adam, als in hare kiem, ontstoken menschelijke natuur. Ongeveer hetzelfde zegt de H. Thomas *): ;/Wij hebben allen //in Adam gezondigd, maar niet zóó, als hadden wij allen met Adam //de booze daad werkelijK bedreven, de verboden vrucht gegeten; //maar op die wijze, dat wij allen in Adam onzen natuurlijken oor-//sprong hebbende, bijgevolg deel krijgen aan die natuur, welke door //de zonde van onzen stamvader bevlekt en bedorven is, en derhalve „met recht eene zondige, natuur genoemd wordt.quot; In dien zondigen toestand der bevlekte, Oode ongevallige natuur blijft elke nakomeling van Adam, tot hij door de genade van het H. Doopsel opnieuw met God in heilige liefde vereenigd wordt. Wel ontvangt de mensch in het H. Sacrament der wedergeboorte niet alle voorrechten terug, waarmede zijne natuur in den beginne begaafd was; de natuurlijke onwetendheid, de neiging ten kwade, de dood en de ellende des levens blijven voortbestaan; doch de gedoopte is dan niet meer in een zondigen, tegen Gods wil strijdenden toestand. Van het oogenblik zijner wedergeboorte af, behoort de zoon van den eersten Adam tot eene andere orde, tot een nieuw geslacht; hij is in Gods oog eene spruit, een lid van den tweeden Adam (vergelijk Cone, van ïrente, zitt. VI; hoofdst. IV\'), derhalve een kind der belofte, een erfgenaam der onvergankelijke heerlijkheid. Met de heiligmakende genade, welke liij in het \'k. Doopsel verkrijgt, ontvangt hij tevens de goddelijke deugden en eene nieuwe, hooge kracht om de begeerlijkheid, welke in de overgeërfde natuur zoo machtig is, te beheerschen. Kortom, al het zondige wordt in den gedoopte weggenomen, en het evenbeeld Gods en de levensgemeenschap met God vernieuwd. **) Daarom geldi van de genade des H. Doopsels, wat van de Wijsheid geschreven staat; (.met haar verkreeg ik tegelijk alle goed; want een onuitputte-//lijke scliat is zij voor den mensch, en die er hun nut mede doen, //zijn deelachtig aan de vriendschap Godsquot; (VVijsh. VII, 11, 14), kunnen bijgevolg geene kinderen van (Jods gramschap meer zijn.

Men kan tegen de leer der erfzonde niet opwerpen, dat er tot het wezen der zonde ook eene akte van den wil gevorderd wordt, en dat een pas geboren kind niet in staat is, die te stellen. Als de erfzonde eene dadelijke (actueele) zonde was, zou inderdaad van den kant der kinderen ook eene akte van den wil daartoe gevorderd worden.

iS) Contra Gentil. I. 4. c. 52.

■**) S. Thora, de Malo q. 4. a. 2. ad 2. et a. 6. ad 4. 7. Justitia originalis restituitur in baptismo, quantum ad hoc, quod supsrior pars aniraas conjungatur Ueo, per cujus privationem inerat reatus culpae; sed non quantum ad hoo, quod ratioui subjiciantur inferiores

vires____ Et, sic, quantum ad superiorem partem, anima participat

novitatem Cliristi. Sed quantum ad inferiores animae vires et ad ipsum corpus, remanet adhuc vetustas, quae est ex Adam .... (Porro) vires inferiores non sunt sasceptivae culpae, nisi in quantum possunt moveri a superioribus. Et ideo remota culpa a superiori parte animae, non remanet ratio culpae in inferioribus.

-ocr page 83-

69

het erfrecht op den hemel -verloren had, zoo ontberen ook wij reeds hij het hegin onzes levens die genadegaven. Reeds in het eerste oogenblik van ons bestaan missen wij de heiligmakende genade, waarmede God ons in Adam heeft

Daar zij echter, zooals wij boven verklaarden, een zondige toestand (liabitueele zonde) is, gaat zij, zonder dat wij het willen, met de natuur op ons over. Immers wij kunnen de menschelijke natuur slechts verkrijgen in dien toestand, waarin zij werkelijk is, namelijk als in hare kiem bedorven en bevlekt. Is het water in zijne bron troebel, dan is ook, zonder dat er verder iets gedaan wordt, Be beek, die uit de bron ontspringt, onrein. Men kan dien zondigen toestand zeer goed vergelijken met den staat, waarin een mensch verkeert, die zich van de hand zijns vriends losrukt, en in een diepen pat nederstort. Er is zeker eene akte van den wil noodig, om zich zoo moedwillig in het water te storten, maar geene tweede, om na den val er in te blijven. Vrij moge hij nu duizend wilsakten maken en alle krachten inspannen, om zich uit de diepte op te hellen; hij blijft in den afgrond, totdat eene reddende hand hem er uithaalt. Zoo gaat het ook met eiken zondaar. Het is bijv. geenszins noodig, dat de moordenaar, om in den zondigen toestand te blijven, waarin hij, door vrijwillig een moord te begaan, zich gestort heeft, den wil tot moorden vernieuwe of bekrachtige: neen, hij blijft ook buitendien in den toestand van zonde, totdat de heiligmakende genade weder in zijn hart terugkeert. Daaruit wordt het ons duidelijk, hoe een kind, alvorens het in staat is, het kwaad te willen, nochtans een erfzondaar zijn kan. liet is in den toestand van zonde, d. i. zonder de oorspronkelijke heiligheid en rechtvaardigheid geboren, en het blijft in clien ongelukkigen toestand tot het in het H. Doopsel door de genade van Jesus Christus geheiligd en gerechtvaardigd is (1 Cor. VI, 11).

Men wane echter niet, dat een zondige toestand zonder eenige voorafgaande wilsakte ontstaan kan. Neen, het kwaad heeft altijd in den \'hoozen wil van den mensch zijn oorsprong; want God , de Allerheiligste, kan de bron van het kwaad niet zijn. Integendeel ligt juist daarin de laatste grond, waarom de ongelukkige en ziekelijke toestand, in welken alle Adamskinderen geboren worden, eene zonde is; wijl deze namelijk van den boozen, zondigen wil1), van de ongehoorzaamheid van onzen stamvader afkomstig is. ^*) Het gemis toch van de oorspronkelijke heiligheid en rechtvaardigheid is in zich zeiven

1

S. Thom. de Jlalo. q. 4. a. 1.

-ocr page 84-

70

uitgerust; en juist daarom mishagen wij in den staat van ongenade aan God, wij! Hij bij de schepping ons tot het hemelsch bruiloftsmaal heeft uitgenoodis;d, en nu ons zonder bruiloftskleed ziet. Wij zijn als kinderen van gram-

t^eene zonde, maar alleen door zijne betrekking tot de vrije zondedaad van Adam, aan wien wij dat gemis wijten.1) ïer verduidelijking van liet gezegde lette men op het onderscheid tussehen gemis (negatie), gebrek (privatia) en schuld of zonde. Dat een slapende het gebruik zijner rede ontbeert, is enkel een gemis van hoogeie volkomenheid, hetwelk bijv. in Christus, onzen Heer, niet plaats vond. Dat een krankzinnige geen verstand heeft, is een gebrek, want volgens den gewonen loop der nat\'iur moest hij het hebben. In iemand, die zich aan het onmatig gebruik van drank heeft schuldig gemaakt, is dat gemis echter niet enkel een gebrek maar ook eene zonde., daar zijne onmatigheid er dc oorzaak van is. Daarom is de toestand van den laatste ellendig en wekt afscliuw, terwijl de toestand van den krankzinnige veelal medelijden opwekt. — Ditzelfde geldt ten opzichte van de erfzonde. Indien men het gemis der oorspronkelijke rechtvaardigheid in zich beschouwt en zich liet geval denkt, dat God den mensch zonder dit voorrecht geschapen had, dan zou dat gemis geen gebrek te noemen zijn, en nog veel minder eene zonde: de mensch immers zou in dien toestand alles bezitten, wat hij overeenkomstig zijne natuur en zijne natuurlijke bestemming hebben moei. Wanneer men er echter op ziet, wat de mensohelijke natuur aanvankelijk door Gods genade bezeten heeft, en, om in staat te zijn hare bovennatuurlijke Bestemming te bereiken, voortdurend bezitten moet, dan is een zoodanig gemis een wezenlijk gebrek, en inzooverre het door den vrijen wil veroorzaakt is, eene zonde.2) De oorzaak toch, waarom het gemis van die oorspronkelijke rechtvaardigheid onze ziel in Gods oog dermate misvormt, dat zij zijn mishagen verdient, is deze, dat (volgens de beschikking, die God met wonderbare liefde in den beginne gemaakt heeft) onze ziel met die gave uitgerust en alzoo met den Allerhoogste in bovennatuurlijke liefde vereenigd moest zijn, maar het door de allen menschen gemeene schuld van den stamvader niet meer is.3)

Hetgeen wij lotdusverre over de natuur, over den aard der erfzonde en over de wijze harer voortplanting gezegd hebben, kan men in het kort op de volgende wijze uitdrukken. Elke zonde is uit haren aard eene afgekeerdheid van God, of, gelijk reeds is aangemerkt, een verzet tegen de door God gewilde orde, en juist daarom in zich kwaad , derhalve Gods haat waardig. Zulk verzet kan echter slechts uit eene persoonlijke verkeerde wilsakte voortkomen; en dit vond werkelijk plaats in Adam, den oorsprong, de kiem (principium) van onze natuur en den vertegenwoordiger van het geheele mensch-dom, dat in hem met genade verrijkt en door hem er van berooid, van God, haar hoogste goed, afgekeerd werd. Zoo is de menschelijke natuur door de zonde van den eened bedorven en bevlekt, en daardoor, en dewijl alle menschen op den gewonen weg der afstamming

1

Vergelijk de veroordeelde stelling van Bajus.

2

S. Thom. (contra Gent. I. 4. c. 52.) (^uia destitutio (gratiae origi-nalis) ex voluniario peccato processit, delectus consequens sus:ipit culpae rationem. Sic igitur delectus hujusmodi culpabilis est per comparationem ad primum principium, quod est peccatam Adae.

3

Zie Kleutgen, Theologie der Vorzeit, II. c. I. § \'J.

-ocr page 85-

71

schap (Eph. II, 3), onbekwaam het hemelrijk te beërven, hetwelk Hij in zijne vaderlijke liefde ons heeft toegedacht en bereid. Daarom moeten wij, om eenmaal in dat rijk binnen te gaan, door den H. Doop, als door eene nieuwe geboorte, kinderen Gods worden; want, zoo leert Jesus Christus zelf; „tenzij iemand wedergeboren worde uit water ,.en den heiligen Geest, kan hy het rijk Gods niet ingaanquot; (Joan. Ill, 5).

2) Onwetendheid, begeerlijkheid en neiging ten kwade.

Volgens de meening van Luther en van de eerste hervormers was in den gevallen mensch niet het geringste goed, zelfs geen vonkje zijner geestelijke kracht achtergebleven; hij was geheel boos, voor alle goed geheel dood, zijn wil was met betrekking tot geestelijke dingen even onvermogend als een steen, als een blok. \') Uergelijke leeringen, welke zelfs door de ondervinding en het gezond verstand worden tegengesproken, heeft de katholieke Kerk in het Concilie van Trente verworpen, uitdrukkelijk verklarende (Zitt. VI. Hoofdst. I. en can. 5), dat de viije wil van Adam door de zonde wel verzwakt en gebogen, doch geenszins vernietigd is. De mensch heeft, gelijk we reeds opmerkten, door den zondeval geene zijner natuurlijke vermogens verloren. De ziel van Adam en heel zijne nakontelingschap behield het vermogen om het ware te kennen en het goede te willen ; docli dat vermogen werd, door de onttrekking of onthouding van de bovennatuurlijke kracht, verlamd en ziekelijk, gelijk eene bloem, die bij gebrek aan de verwarmende zonnestralen en den vruchtbaren regen verdort en verwelkt.

Door de zonde van onzen stamvader werd, zoo als reeds verklaard is, het licht van zijn verstand verduisterd, de kracht van zijnen wil verzwakt, en er ontstond in hem de ongeregelde begeerlijkheid, de neiging ten kwade. Dezelfde

aan de bedorvene natuur van dien éénen deel nemen, worden zij allen met de zonde besmet. *)

staat I is tot I u ons | gram- I

edaaii [ ijking ■ sratie), I bruik I heid, h it een 1 s den ; zich I is dat I zijne | i den 1 rank- | ! van I vaar- 1 den ■ geen 1 nsch fl nstig j neer B loor

Uil]\'- ■

eoquot; H

den

rom ^

ods

dat

be- ■

\') Zie Mohler\'s Symbolik, I: cap. 12 S 6.

a) Deze uillegging is gegrond op de leer van den H. Anselmus (De concept. Virgin, et Urig. peccat. c. 2i), van den H. Thomas (Compend. Theol, c. 13. alias P. I. c. 169\', van den II. Bonaventura (iireviloq. P. 3. c. 0). Deze Heiligen leeren, dat door Adam de natuur besmet is, en daardoor alle manschen met. de zonde bevlekt worden. Hoe dan heeft Adam de natuur besmet? Door haar te be-rooven van de bovennatuurlijke voorrechten, welke met haar op alle menschen moesten overgaan. Adam suo peccato coirupit natu-ram humanam, subtrahendo donum gratuitum. Aldus de H.Thomas, de Malo q. 4. a. 2. ad. 2. En Comp. theol. c. 23: Primum peccatum prlmi parentis sustulit donum totum (originalis justitae) quod super-naturaliter erat collatum in humana natura personae primi paientis : et sic dicitur cormpisse vel infecisse naturam. Tevens bedenke men, dat door de berooving der heiligmakende genade niet alleen de betrekking van onze ziel tot God, maar ook haar physieke toestand een andere is, dan hij oorspronkelijk was. Zie Kleutgen , op. cit.

-ocr page 86-

72

wonden heeft de zonde van Adam ook ons en allen meu-schen toegebracht: — a) de wonde van onwetendheid. Hoe groot en algemeen de onwetendheid is onder de menschen, bewijzen hunne ontelbare, beklagenswaardige dwalingen in de gewichtigste waarheden en aangelegenheden, voornamelij k met betrekking tot het hoogere en goddelijke. Hoe vaak gebeurt het, dat men „het goed kwaad en het kwaad goed „noemt, en zoo van de duisternis licht en van het licht „duisternis maakt?quot; (Is. V, 20). Heeft niet de wereld door hare vermeende wijsheid God zeiven in zijne wijsheid miskend ? Heeft zij niet in plaats van den onsterfelijkea God steen en hout, viervoetige en kruipende dieren aangebeden? (Eom. I, 23, zie deel I). — Evenwel ging het verstand ten gevolge der erfzonde niet verloren; het vermogen om de waarheid op te sporen en te erkennen, bleef, hoewel verzwakt, in den mensch aanwezig, zoowel op het gebied der godsdienstige als op dat der natuurlijke waarheid (Zie Horn. I, 19, 20). — V) De wonde der le-geerlykheid des vleesches en de neiging van den wil ten kwade. Alhoewel de mensch in den tegenwoordigen toestand van zondigheid en verval het goede erkent, in zijnen geest het billijkt en er genoegen in vindt; toch moet hij strijd voeren tegen de ongeregelde zinnelijkheid of de begeerlijkheid des vleesches, welke hem tot de zonde aanlokt. Dit ondervond zelfs de groote Apostel Paulus : „ik hebzegt hij, „naar den inwendigen mensch, een welbehagen in de „wet Gods; maar ik ontwaar in mijne leden eene andere „wet, die strijdt tegen de wet van mijn gemoed, en mij „een gevangene maakt onder de wet der zonde, die in „mijne leden is.quot; Daarom zucht hij: „ik, ellendig mensch ! „W ie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods ?quot; d. i. wie zal mij van de begeerlijkheid, welke in mijn lichaam woont en mij tot de zonde en den dood wil brengen, bevrijden ? Men werpe overigens slechts een blik op de geschiedenis van het menschdom, om zich te overtuigen, hos diep en gevaarlijk die wonde is. Adam en Eva reeds moesten met bittere smart ontwaren, dat de kwade begeerlijkheid , die zij door hunne ongehoorzaamheid ontkluisterd hadden, in hun gezin het schrikkelijkste onheil te weeg bracht. De nijd bemacatigde zich van Caïn, hunnen oudsten zoon, en verleidde hem om zijn onschuldigen broeder Abel te vermoorden. Vruchteloos had de Heer vermanend tot hem gesproken: ,.de zondige begeerte moet onder u zijn, en „gij moet er over heerschenquot; (1. Mos. IV, 7). „De latere „nakomelingen van Adam volgden allen den weg hunner „zondige lusten in dier mate, dat alle gedachten van

-ocr page 87-

73

„hun hart immer ten kwade geneigd waren, en het God „berouwde den mensch geschapen te hebben op aardequot; (1 Mos. YI, 5, 6). Daarom quot;brak op het bevel des Heeren de zondvloed over de aarde los en deed alle vleesch, „dat zijnen weg verdorven had op aaide,quot; omkomen. Alleen de brave Noe met zijn huisgezin ontkwam dien algemeenen ondergang. Maar ook na den zondvloed volgden de euveldaden, die nit booze lusten voortkwamen, voortdurend op elkander; aanhoudend tot op den huidigen dag betwistte de begeerlijkheid den Allerhoogste de heerschappij over de harten der menschen. Hetzelfde leert ons een onbevangen blik in ons eigen hart. Hoevele fouten en gebreken, hoevele ongeregelde bewegingen, hoevele bochten en wanordelijkheden ontdekken wij daarin, zij zijn meer in getal dan de zandkorrels aan het strand van de zee. En wat is de bron van dit alles? Het is de ons aangeboren neiging-ten kwade, de onverzadelijke lust naar alles, wat onze zinnelijkheid en onredelijke eigenliefde streelt. — Die verderfelijke zucht openbaart zich reeds in de prilste jeugd, gelijk de H. Schrift getuigt met deze woorden: „de gedachten „van het menschelijk hart zijn van der jeugd af ten kwade „geneigdquot; (1. Mos. VIII, 21). Wie kleine kinderen met opmeikzaamheid gade slaat, zal door eigen ondervinding zich van die waarheid overtuigen. Het kind, aan zich zei ven overgelaten, geeft helaas ! maar al te dikwijls aan het kwaad boven het goed de voorkeur. Het vindt niet zelden zijn vermaak in breken en vernielen, en gewoonlijk is zijn genoegen des te grooter, hoe meer ontevredenheid zijne omgeving daarover toont. Gelukt het hem de straf te ontkomen, eerst dan is zijne vreugd volmaakt. Een niet geringer vermaak vinden vele kinderen in het slaan en schoppen, het verminken en dooden van dieren, en zelis in het plagen en tergen van andere kinderen, die bedaarder of zwakker zijn dan zij.. Yindt men er ook niet, die in het ouderlijke huis aan niets gebrek hebben en niettemin de keukens en boomgaarden hunner buren binnen sluipen, om met eene of andere verboden vrucht hunnen eetlust te bevredigen? En hoe vaak ontmoet men reeds bij kinderen de neiging tot liegen en bedriegen, tot toorn , hoogmoed, ontevredenheid en andere nog ergere ondeugden? — Hoe dankbaar moeten derhalve de kinderen zijn, als hunne ouders en leermeesters over hen waken ! hoe dankbaar wanneer deze met groote zorg alles , wat de driften ontvlamt of voedsel geeft, van hen verwijderd houden! \') hoe dankbaar, als de vader, de

t\'

\') De H. Teresia drukt zich hieromtrent in hare levensbeschrijving

-ocr page 88-

74

moeder of wie ook over hen te bevelen heeft, de eerste verschiinselen dier hartstochten met ernst en verstandige strengheid tegen gaan. Hoe dankbaar moeten de kinderen zelfs dan niet zijn, wanneer men hen voor aanmerkeliike, dikwiils herhaalde fouten gevoelig straft! De tuchtroede is een der voornaamste middelen , ora de wonde der begeerlijkheid in de harten der kinderen te heelen. Daarom zegt de H. Geest in de Schrift; „roede en straf geven wiisheidquot; (Spreuk. XXIX, 15). Daarom telt Hij de tuchtiging ouder de bewijzen der welbegrepen ouderlijke liefde, zeggende: „Wie de roede spaart, haat zijn zoon; maar wie hem lief „heeft, houdt hem bestendig onder de tuchtquot; (Spreuk. XIII, 24).

3) Allerlei wederwaardigheden, smarten, plagen en eindelijk de dood. -- Dit getuigt de H. Schrift, en de dagelijksche ondervinding bevestigt het maar al te zeer. In het boek Sirach staat geschreven: „vele ellende is voor alle menschen ..bestemd. Een zwaar juk ligt op de kinderen Adams (van den dag hunner geboorte af) „tot op den dag, dat zij in ,.de aarde, ons aller moeder, begraven worden. Hunne go-„dachten en de bekommeringen van hun hart zijn gericht „op hetgeen hen te wachten staat en op den dag des doods. „Zoowel bij dengene, die op den troon zit in heerlijkheid, „als bij hem, die in stof en asch vernederd is; bij dengene, ..die een hemelsblauw kleed draagt, als bij hem, die met „grof lijnwaad is gedekt.quot; En de prediker (IV, 1, 2) zegt: „ik zag de onderdrukkingen, die onder de zon gepleegd „weiden, de tranen der onschuldigen, en niemand, die „hen vertroostte. Toen roemde ik de dooden gelukkig „boven de levenden.quot; Eveneens sprak de dappere Judas de Machabeër: „Beter is het, dat wij sterven in den strijd, „dan het ongeluk te zien van ons volk en heiligdomquot; (1. Mach. Ui , 59). Met deze getuigenissen der H. Schrift stemt volkomen overeen het treffende woord van den heiden-schen schrijver Plinius. Deze zegt in zijne inleiding tot de geschiedenis der natuur: „aan handen en voeten gebonden „ligt het schepsel, dat over anderen heerschen moet, en het

(hoofdst. 2) op de volgende wijze uit; «wanneer ik aan vaders of vmoeders goeden raad moest geven, zon ik hun bizonder aanbevelen, , nimmer toe te staan, dat hunne minderjarige kinderen met andere personen verkeeren, dan met diegenen, die hunnen vooruitgang in »het goede kunnen bevorderen. Uit is van liet grootste belang, want /.wij zijn van nature meer ten kwade dan ten goede geneigd. Ik „weet iiet bij ondervinding; de goede voorbeelden van eene mijner »zusters, die zeer bescheiden en vroom was, baatten mij minder, dan „de sieehte hoedanigheden van eene mijner bloedverwanten mij kwaad deden,quot;

-ocr page 89-

75

„begint zijn leven met lijden om de eenige schuld, dat het „geboren is. O dwaasheid der menschen, die, na zulk een „begin, wanen tot groote dingen geboren te zijn !quot; En waarlijk niet minder dwaas is de raensch, die meent, dat hij geboren is om hier beneden vreugde en een ongestoord welzijn te genieten, die waant, dat de aarde hem hoogst gelukkig kan maken. De ellende en de wederwaardigheden, welke elke dag met zich brengt, moesten toch voldoende zijn, om zelfs de meest verblinden tot de ware overtuiging te brengen. — iJat ook de daod het bittere, onafweêrbare lot van alle Adamskinderen is, zien wij allerduidelijkst. Wat is de geheele aarde anders dan een groot kerkhof, waar duizenden geslachten in de kluisters liggen van den algemeenen overwinnaar, tot aan den dag des oordeels, wanneer Gods almacht de alheerschappij des doods breken, d, i. de menschen weder ten leven opwekken zal? — De verschrikkelijkste aller straffen is echter de eeuioige dood, de eeuwige verdoemenis. Gelijk namelijk het bovennatuurlijke leven der ziel in het bezit der heiliginakende genade bestaat, zoo bestaat ook de bovennatuurlijke dood der ziel in het gemis of verlies dier genade. En gelijk het bovennatuurlijke leven der ziel eerst na het tijdelijke leven door de eeuwige aanschouwing Gods voltooid wordt, zoo wordt ook de dood der ziel eerst na den lichamelij keu dood de voltooide, eeuv/ige dood, namelijk doordat de ziel eeuwig van God afgekeerd blijft en bijgevolg de eeuwige verdoemenis ingaat. Daaruit moet men evenwel niet besluiten, dat de ongedoopte kinderen, die, alleen met de erfzonde bevlekt, uit dit leven scheiden, tot de pijnen der hel veroordeeld worden. Nergens wordt dit door de Kerk geleerd. Paus Innocentius lil i) leert integendeel met de aanzienlijkste Godgeleerden, „dat „de straf der erfzonde de ontbering is van het aanschouwen „Gods, maar de straf der werkelijke zonde de een wige kwel-„ling in de hel.quot;

Een ander gevolg van de erfzonde is de slavernij des duivels, welke, volgens dc leer van het Concilie van Trente, met de doodstraf verbonden is. De woorden der Kerkvergadering luiden aldus; //indien «iemand niet belijdt, dat de eerste mensch, nadat luj in het paradijs «het gebod van God had overtreden.... den dood, waarmede Gort «hem tevoren bedreigd had, en met den dood de gevangenschap //Onder de macht van hem, die daarna de heerschappij over den dood «voerde, d. i. van den duivel, op zich getrokken heelt, hij zij gevloektquot; (Zitt. V. can. 1). Als yieugenaar en menschenmoordenaar van den i/beginnequot;, heeft satan de zoude en door de zonde den tijdelijken en eeuwigen dood ingevoerd; hij is alzoo de vorst des dooüs, zijn rijk is een rijk des doods, een rijk van ongenade. Wie altijd in de ongenade

!) Extravag. c. Majores , de baptism.

-ocr page 90-

76

Gods leeft, bijgevolg buiten liet rijk Gods, buiten het rijk des levens en des lichts gesloten is, behoort tot het rijk van den satan, tot hel rijk van den dood en de duisternis, bevindt zich in de slavernij des duivels. Wel is waar, is en blijft God de eenige wettige Heer zoowel van leven als van dood; Hij heelt alleen het recht, het vonnis dee «loods te vellen. Hij alleen de macht den dood te overwinnen, Aan satan kan bijgevolg de heerschappij des doods slechts inzooverre toekomen, als hem door God macht gelaten wordt over diegenen, die door de zonde den dood verdiend hebben. *Zonder recht\'1, zegt de H. Bernardus, //heeft satan zich die heerschappij aangematigd,... ./maar met recht heelt God hem die gelaten,quot; want //waarmede de /mensch zondigt, daarmede wordt hij ook gestraftquot; lAVijsh. XI, 17). De mensch, die bestemd was, in den hemel den troon in te nemen, irelken satan moest ruimen, om zijnen hoogmoed in den afgrond dec hel te boeten , gaf gehoor aan den boozen geest, eu stond eveneens tegen den Allerhoogste op. Wat was nu billijker, dan dat hij onder worpen bleef aan hem, aan wien hij zelf uit vrije keuze zich onderworpen had, wien hij liever wilde gehoorzamen, dan God zijnen Schepper en lieer? Be gevallen mensch zon inderdaad eeuwig in de slavernij van den vorst der hel gebleven zijn, indien de Zoon Gods niet gekomen was, om het rijk des duivels op aarde te vernielen, en voor allen het rijk des hemels weder te openen.

Deze leer van de slavernij des duivels vinden wij op vele plaatsen der H. Schrift. Van degenen «die de waarheid weerstreven,quot; schrijft de .Apostel Paulus (2. lim. II, 26), //dat zij zich in de strikken des .„duivels bevinden, door wien zij gevangen gehouden worden naar //zijn wil.quot; En ergens anders (Heb. II. 34) leert hij: «Christus heeft //vleesch en bloed aangenomen, opdat Hij door den dood dengene //zou te niet doen, die het geweld des doods had, dat is, den duivel.quot; En in den brief aan de Coll. (I, 13) maant hij ons aan tot dankbaarheid jegens God, »die ons gered heeft uit de macht der duisternis en //Overgebracht in het rijk van den Zoon zijner liefde.quot; Christus zelf noemt den duivel (Joan. XIV, 30) //den vorst dezer wereld,quot; (Luc. XI, 21) /,den sterk gewapende;quot; en tot de Joden, die gekomen waren, om Hem gevangen Ie nemen, sprak Hij (Luc. XXII, 53): //deze is uwe ,/Ure, en de macht der duisternis,quot; d. i. thans is het uur, door den Vader bepaald, gekomen, en aan den duivel is macht gegeven, imj door u aan het kruis te brengen.—Ook do HH. Vaders leeren eenparig hetzelfde. Ja zelfs een trotsche en verwaande geest (Abailard), die in de twaalfde eeuw zijne stem tegen deze leer verhief, zag zich toch gedwongen te erkennen, dat alle katholieke leeraars van de tijden der Apostelen af met elkaar overeenstemden, dat de duivel macht over den mensch heeft, dewijl deze hem geheel vrijwillig is gehoorzaam geworden. Daarom werd ook de ketterij van Abailard, dat //Christus niet het vleesch heeft aangenomen, om ons van het juk des //duivels te bevrijden,quot; door Paus Innocentius 11 veroordeeld. Bij ds getuigenissen der H. Schrift en de eenparige overlevering der HH. Vaders, die aangaande deze leerstelling geen twijfel overlaten, kan men nog twee onloochenbare feiten voegen, -welke op zich zelve genoeg zijn, om het gelooi aan de aangematigde wereldheerschappij des satans te bevestigen, namelijk de verbreiding van den dwazen den mensch onteerenden algodendienst over de geheele voorchristelijke wereld, en het allerwege en van oudsher bestaand gebruik der Kerk, de macht des satans duor gebeden, zegeningen en bezweringen te fnuiken.

Wat den zoo algemeen verbreiden afgodendienst betreft, welken vol keren en natiën, geleerden en onwetenden, aanzienlijken en geringen huldigden, en gewis tot hun ongeluk voor lijd en eeuwigheid, hoe zou men die anders kunnen verklaren, dan door aan te nemen, dat aan een vijandig wezen, den satan, macht gegeven of liever gelaten is, om de menschen tengevolge hunner zonde te beheerschen, en daar zij weigerden, den waren God, wien hemel en aarde verkon

-ocr page 91-

77

digen, de verschuldigde eer te geven, onder hen in plaats van den godsdienst den duivelsdienst in te voeren ? In de H. Schrift en bij do Kerkleeraars is inderdaad afgodendienst en duivelsdienst hetzelfde. ,7Zij offerden aan de duivels,quot; lozen we (5. Hos. XXXII, 17), «niet „aan God, maar aan de goden, die zij niet kenden.quot; //Alle goden der „heidenen zijn kwade geestenquot; (Ps. XCV , 5). //Gij hebt niet aan God, maar aan de duivelen offers gebrachtquot; (Bar. IV, 7\'j. /,Wat de heidenen „offeren, dat offeren zij aan de duivels en niet aan God. Ik wil echter „niet, dat gij gemeenschap hebt met de duivelsquot; enz. (1. Oor. X, 20). Eveneens worden in de geheime Openbaring (IX, 20) degenen, die de H gonden, zilveren, metalen, steenen, houten\'quot; afgoden aanbidden, „aan-„bidders van de duivelsquot; genoemd. In het algemeen wordt daar het Christendom als het rijk van God, en het heidendom als het rijk van de oude slang, van den satan, „die de gansche wereld verleidt,quot; beschreven. Wij zouden ons bestek te buiten gaan, wilden we de woorden der HH. Vaders en kerkelijke schrijvers aanhalen.1). Allen, zonder uitzondering, zien de hoogste afdwaling van het heidendom hierin, dat het de machten der duisternis als godheden vereerde, en dieren en menschen hun ten offer bracht — Ook heden looft bij vele heidensche volkeren nog het bewustzijn, dat zij zich eertijds van de vereering van het hoogste wezen afgekeerd en zich overgegeven hebben aan den dienst van de lagere of booze geesten, wien nu de heerschappij der wereld is overgelaten. Zoo wordt een der hoofdbestanddeelon van het heidendom, de waarzeggerij, de geestenbezwering, en wat daarmede in verband staat, zelfs in de oogen der heidensche volkeren van onzen tijd niet als iets goeds, maar integendeel als oen afschuwelijke omgang met de onderwereld en hare machten beschouwd.2)

Dat de duivel, wien Christus overwonnen en geboeid heeft, aan het einde der tijden weder los gelaten zal worden, en dat zijne macht dan eene nieuwe vlucht nemen zal, is in het boek der geheime Openbaring (XX) als zeker uitgesproken. Gelijk namelijk de val van het oude heidendom wordt aangeduid met de woorden; „de Engel greep „den draak, de oude slang, welke is de duivel en satan, en boeide „hem voor duizend jaren;quot; wordt aldaar ook de afval van God, welke in de laatste tijden plaats zal hebben, en het nieuwe heidendom voorspeld : „en wanneer de duizend ja.ren ten einde zullen zijn, zal de „satan losgelaten worden uit zijne gevangenis en hij zal uitgaan en verleiden de volkeren . — en hij zal hen tot den krijg verzamelen, „welker getal is als het zand dor zee.quot;\'

Aangaande de geboden, zegeningen en bezweringen, welkende katholieke Kerk vanoudsher, voornamelijk bij de toediening van het H. Doopsel, heeft gebruikt en thans nog gebruikt, zal het genoeg zijn aan te merken, dat zij daardoor blijk geeft van hare vaste overtuiging en van haar onwankelbaar geloof, dat de mensch door de zonde het rijk des satans binnentreedt, dat hij als zondaar slaaf is van den duivel, en uit zich zeiven te zwak, om de strikken des vijands te verbroken, zijne aanlokselen en aanvechtingen te wederstaan. Daarom treedt zij op in den naam van den drieëenigen God, met de door den Heer Jesus haar verleende macht, tegen den vorst der duisternis, vervloekt en bezweert hem, het schepsel, door den Allerhoogste te zijner eere geschapen, te verlaten, en smeekt tot den Heer, dat Hij toch de boeien des duivels verbreke en diens vurige pijlen onschadelijk make (Vergelijk het rom. Ritueel).

1

) Vele schoone aanhalingen vindt men bij Dieringer, System der göttlichen Thaten des Christenthums 1 § 23.

2

) Men zie hierover Lüken; die Traditionen des Menschengeslechtes ; 32.

-ocr page 92-

78

Uelhen de kwade gevolgen der zonde alleen den mensch getrojjen ?

Neen, de straf kwam ook over de aarde, welke ter wille van den mensch geschapen is.

Zoolang Adam zoowel het natuurlijke als het bovennatuurlijke evenbeeld Gods ia zijn hart rein en ongedeerd bewaarde, heerschte hij ook als koning over de aarde. Dooi de hand des Scheppers beplant en met hemelschen dauw besproeid, bracht zij in groote menigte bloemen, kruiden en vruchten voort, zonder dat Adam zich daarvoor eenige moeite had te geven. Ook de dieren speelden onbevreesd onder de oogen van hunnen koning; zelfs de leeuw en de tijger lagen als lammeren aan zijne voeten en gehoorzaamden hem gedwee op zijne wenken. Alles verheugde zich, op zijne wijze ter wille van den mensch te zijn: zegen was aan de geheels aarde, vergenoegdheid aan alles, wat daarop leefde en zich bewoog, geschonken. Adam zondigde — en terstond trof de vloek Gods de aarde om de zonde van haren koning, en in de dieren ontwaakte de hun aangeboren wildheid en wreedheid. „Om uwe zonde „zij de aarde vervloekt,quot; sprak God tot Adam, „onder „zwaren arbeid zult gij voedsel trekken uit haar alle de „dagen uws levens; distelen en doornen zal zij u voort-„brengenquot;\' (1. Wos. III, 17, 18). Eu die vloek drukt ook thans nog de aarde en dwingt duizenden harer bewoners, in het zweet huns aanschijns haar te bebouwen en met onzeglijke moeite haar het noodige levensonderhoud te ontwringen. De meeste dieren dienen den mensch slechts onwillig, slechts met vrees en schrik; en men vindt er rauwelijks éèn , dat zich niet nu en dan weêrbarstig toont, dat het niet waagt, tegen zijnen meester zich te verdedigen of op te staan; velen dorsten zelfs naar het bloed hunner heeren. — Een ander bewijs , dat de vloek van God op de aarde en alles, wat daarop leeft, is neêrgedaald, vinden wij in de zegeningen, welke de H. Kerk in den naam des Verlossers over de velden, vruchten, enz. uitspreekt. De zegen van den tweeden Adam moet overal weder goeci maken, wat de schuld van den eersten bedorven heeft. — Op den vloek, welke ten gevolge der zonde de geheele aarde getroffen heeft, wijzen ook de woorden van den Apostel (liom. VlU , 20). „het schepsel (de geheele zichtbare natuur) „is aan de ijdelheid (het verderf; onderworpen geworden, niet ..willens, maar om hem, die het onderworpen heeft\'\' (om fle zonde van Adam). Daarom „zuchten de schepselen\'\'

-ocr page 93-

79

T

(v. 22) naar de bevrijding uit dien toestand, waarin da wedergeboren mensch hen herstellen zal

Uit al het onheil, hetwelk, ten gevolge van de zonde, Adam en geheel zijn geslacht getroffen heeft, leeren wij

\') Als de mensch door den H. Doop weder in de rechte verhouding tot God komt en door een heilig leven als het ware in den toestami der oorspronkelijke onschuld terugkeert, behaagt hel. God somwijlen, hem die hoogere macht over de schepselen, namelijk over de dieren, welke door de zonde is verloren geraakt, minstens gedeeltelijk terug te geven. De levensbeschrijvingen der oudvaders in de woestijn, meest door tijdgenooten opgemaakt, zijn vol van de merkwaardigste voorbeelden, dat zelfs de wildste dieren aan hunne bevelen en wenken gehoorzaamden. — Sulpitius en Cassianus kwamen eens een kluizenaar der Egyptische woestenij bezoeken. De oudvader leidde zijne gasten naar een palmboom, en niet gering was hunne verlegenheid en angst toen zij daar een leeuw vonden. De kluizenaar echter naderde onbevreesd den boom, plukte eene hand vol vruchten en hield die het dier voor, dat ze uit de hand at en vervolgens bedaard wegging. — De abt Joannes had van zijnen overste bevel gekregen, eene leeuwin te vangen, die den weg naar de kerk onveilig en moeielijk maakte voor de kluizenaars. Joannes nam een strik en begaf zich naar het eenzaam gelegen kerkje. De leeuwin liet zich niet wachten, maar in plaats van den dienaar Gods aan te vallen, nam zij voor hem de vlucht. Joannes liep haar na en riep: //Sta stil! mijn vader heeft het „bevolen, ik moet u vangen.quot; En ziel het wilde, woeste dier blijft staan en laat zich binden. Groot was de verbazing van den abt, toen hij laat in den avond zijn leerling zonder de minste vrees met de leeuwin aan den strik zag terugkomen. Om zijnen hoog door God begunstigden vriend in ootmoed te houden, sprak hij liem hard aan. en zeide: »hoe kunt gij zoo dwaas zijn, het woeste dier hier te bren-//gen?quot; Terstond nam Joannes de leeuwin den strik af, en zij ijlde naar hare wildernis terug.

Van den oudvader Uelemis wordt verhaald, dat hij eens uitgegaan zijnde, om zijne broeders in do woestijn te bezoeken, eenige levensmiddelen had mede genomen. Toen die last hem onder weg te zwaar werd, en hij in de verte eenige schuwe boschezels zag, liep hij er een, belaadde dien met zijn pak, plaatste er zich boven op en reed aldus naar de tenten, welke hij wilde bezoeken. Iets dergelijks wordt van den H. Corbianus en van den H. Uorbertus, Bisschop van Maagdenburg, medegedeeld.

Van verscheiden Heiligen lezen wij, dat zij met de dieren, vooral met de vogelen, in een zoo vertrouwelijken omgang leefden, als dit bij onze eerste ouders in het paradijs het geval kan geweest zijn. Toen de H. Franciscus van Assisi te Alvianum kwam, waar hij het volk op straat bijeenriep en begon te preken, waren de zwaluwen op de daken in het rond zoo luul bezig, dat men nauwelijks in staat was, den Heilige te hooren. Hij sprak nu; «.zwaluwen daar boven ! «gij hebt nu meer dan genoeg gesproken; het is tijd, dat ook ik aan //hot woord kom; hoort derhalve het woord Gods aan en zwijgt, tot ik ^geëindigd heb.quot; Allen, alsof zij het verstaan hadden, zwegen sul en zij verroerden zich niet. — Bij Creccia werd hem dooreen broeder een levende jonge haas gebracht, die zoo pas in een strik was gevangen. De Heilige had medelijden met den armen gevangene en sprak tot hem: «Vriend haasje, kom eens bij mij! hoe hebt gij u toch «door den strik laleu bedriegen?quot; Toen de broeder hierop het dier op den grond zette om het de vrijheid weêr te geven, sprong het tegen den Heilige op en verborg zich in zijn kleed. Hij greep het dier, liefkoosde het vriendelijk en maande het aan, zich voortaan, niet meer

-ocr page 94-

80

„hoe kwaad en bitter het is, God den Heer te verlaten\'quot; (Jerem. II, 19). Verdient de zonde, de oorzaak van onzen ongelukkigen toestand en van het beklagenswaardig verval, waarin de mecschheid zucht, niet als het grootste kwaad verfoeid te worden? Wie moet haar niet vluchten, vooral dewiil zij ook nu nog, gelijk in den beginne voor iederen mensch in het bizonder, zoowel als voor gansche volkeren en voor geheel het menscheliik geslacht de eenige bron van tijdelijk en eeuwig ongeluk is? — Adam was hoogst gelukkig, zoolang hij in onschuld leefde. Zijn geest was sterk verlicht en met een vasten blik op God, de oneindige Waarheid, gericht; zijn hart vond rust in God, het voorwerp zijner liefde en vreugde; zijne zintuigen waren geopend voor de wonderen der schepping en aan den geest onderdanig; zijne woonplaats was heerlijk en verrukkeliik, zijne bezigheid, de verzorging des lusthofs, aangenaam en verkwikkend, in den Allerhoogste zeiven vond bij een vader en leermeester. Als stamvader zou hij zijn geheele geslacht even gelukkig maken, als hij zelf was. Maar de zonde vernietigde plotseling al dat geluk, en trok verwarring, onrust, ellende, lijden en dood op hem

te laten vangen; daarna zette hij het weer op den grond. Hoe dikwijls hij dit echter deed, \'t was aliijd te vergeefs, telkens sprong het haasje weêt tegen den Heilige op, zoodat hij zich eindelijk genoodzaakt vond, het door den broeder diep in het woud te laten dragen.

Dergelijke trekken vinden wij ook in het leven van den H. Joseph van Uupertino. Wanneer hij in den tuin bad of mediteerde, kwamen de vogelen dikwijls om hem heen vliegen of zongen en speelden zonder wantrouwen aan zijne voeten; en als hij hun dan toeriep: ,/zingt «lieve vogeltjes, zingt lustig, vreest niet, dat het mij hindere!quot; dan verhieven zij hunne stemmen nog meer en zongen nog liefelijker dan tevoren. — De dienaar Gods had een vogel in eene kooi, die hem telken morgen toeriep; //Broeder Joseph, spreek uw gebod! Broeder ,Joseph, spreek uw gebed!quot; Eens dat de vogel, waar hij veel van hield, voor het venster zijner tent hing, kwam er een roofvogel op de kooi vliegen. Het arme vogeltje riep door vliegen en piepen zijn heer te hulp. Toen deze er bij kwam, was het echter reeds dood. Als Joseph nu den roofvogel zag, die nog om de kooi vloog, riep hij hem toe; //dief, gij hebt mijn vogeltje gedood, gij verdient streng «.gestraft te worden; kom, dat ik u doode!quot; Terstond kwam de roofvogel nader bij en legde zich op de kooi, alsof hij inderdaad dood was. Joseph gaf hem met de hand twee of drie lichte slagen ev» zeide; //ga nu heen, ditmaal zal ik u vergeven, maar doe het nooit weêr.quot;

Bij de H. Ilosa van Lima kwam in het laatste jaar van haar leven gedurende de geheele vasten een klein vogeltje met bizonder liefelijke stem. Tegen het ondergaan van de zon zette het zicli op een boom in de nabijheid en wachtte daar het teeken af tot aanheding van het lied. Wanneer Rosa haren avondzanger in het oog kreeg, verzocht zij hem met haar een lied te zingen tot lof van G-od, dat zij zelve gedicht had. Een geheel uur lang zongen zij dan beurtelings en zonder dat de orde in het minst verstoord werd.

Vergelijk: „die Mystik von Görresquot; en »Da? Exempelbuch von »Herbst,quot; th. I.

-ocr page 95-

31

en zijne nakomelingen af. — Een gelijk lot is ook uw deel, Christen, indien gij zondigt. Het geluk der onschuld verdwijnt, ellende en verderf omringen u. Verward en verblind wordt dan uw verstand, ledig, ontevreden en onrustig uw hart. Het gelijkt aan eene zee, door den stormwind fel bewogen! Gij zijt bevreesd voor den Allerhoogste als Adam, gij siddert voor zijne straf. Angst en gewetensknaging vervolgen u overal en verwonden bij eiken tred uw hart, dooide zonde besmeurd. En wanneer de tijdelijke dood u overvalt, zijt gij ook eeuwig dood, eeuwig in de uiterste duisternis, eeuwig in het rijk van den haat, eeuwig in de schandelijkste slavernij des satans, eeuwig in de pijnen der hel. Opiederen zondaar zijn van toepassing de woorden, welke God tot het zondige volk van Israël richtte: „omdat gij den Heer, uwen „God, niet gediend hebt, met vreugde en met een goed hart, „om den overvloed van alles, zult gij uwe vijanden dienen „in honger en in dorst, in naaktheid en in gebrek aan allesquot; (5. Mos. XXVIII, 47, 48). En nochtans (wie kan het gelooven?) wordt de zonde zoo weinig gevreesd, zoo zelden vermeden, zoo lichtzinnig bedreven, zoo vermetel herhaald, zoo God tergend opeengehoopt! — Daarom treft God niet enkel sommige menschen, maar geheele familiën, geheele landen met de zwaarste straffen; daarom stort Hij de schaal zijner gramschap uit over de geheele aarde, waar zoo velen met ophouden Hem door hunne misdaden als \'t ware uit te tarten. De H. Schrift getuigt, dat „de zonde het is, welke „de volkeren ongelukkig maaktquot; (Spr. XIV, 34). In ontelbare voorbeelden stelt zij deze waarheid voor oogen. Zij leert het uitdrukkelijk: „dood, bloedvergieten , strijd, zwaard „onderdrukking, honger, verderf en plagen: dat alles is „voor de goddeloozen bestemd, en om hunnentwege is de „zondvloed gekomenquot; (Ps. XL, 9, 10).

Wie is in staat de dwaasheid der zondaars te begrijpen, die liever Gods straf op zich zei ven en hunne medemenschen trekken, dan God te dienen en gelukkig te zijn? Of is misschien het juk des Heeren zoo bitter, is de last van zijn dienst zoo zwaar en drukkend, dat men het beter moet achten, hèt juk des satans te dragen en, na een ongelukkig leven, eeuwig door Hem gepijnigd te worden ? „O zondaar!\'\' roept de H. Thomas van Villanova uit, „komt God u zóó „voor; is de liefde, de dienst van uwen God u zoo lastig, dat „gij liever in het eeuwig vuur wilt branden, dan Hem te dienen, „Hem te beminnen?quot; — Zeg mij, Christen, indien een machtig koning dexer aarde u uitnoodigde om hem te dienen, indien hij u tot loon de helft van zijn uitgestrekt en heerlijk rijk beloofde; zoudt gij aarzelen, hem uwen dienst aan te bieden? O zeker

DEHARBE, GELOOFSLEER. II. 3lt;lc DRUK. g

-ocr page 96-

82

niet; onder zulke voorwaarden zou het u geenszins hard schijnen, geheel naar den wil van dien heer te leven, al zijne bevelen zoo nauwkeurig mogelijk te volbrengen. Welnu, God noodigt u uit, de Koning van hemel en van aarde vraagt u in zijnen dienst; ten loon belooft Hij u het volle bezit van het hemelrijk, de kroon van het eeuwig leven, en gij zoudt Hem antwoorden: „ik zal U niet dienen ?quot; Waar is uw verstand, waar uwe liefde, ik wil niet zeggen tot God, maar tot u zeiven ? Zou God dien dwazen hoogmoed ongestraft kunnen laten? Is er niet een goddelijk geduld en eene overgroote lankmoedigheid noodig, om u voor die onzinnige weigering niet terstond in den afgrond der hel te storten? „Geef derhalve acht, mijn zoon! Alle „de dagen uws levens heb God in uw hart, en wacht u „wel, ooit in eene zonde toe te stemmen en de geboden des „Heeren niet te gedenkenquot; (Tob. IV, 6). — „Vlucht voor „de zonde als voor eene slang; want als gij haar nabij „komt, grijpt zij u. Hare tanden zijn leeuwentanden, welke „den mensch het leven rooven. Elke misdaad is als een „tweesnijdend zwaard, welks wonden ongeneesbaar zijnquot; (Sir. XXI, 2 en volg. \'). Inderdaad de goddelijke genade is alleen bij machte, de wonden der zonde te heelen.

Gods ontferming; over het gevallen menselnloni.

Heeft God de gevallen menschen, gelijk de gevallen engelen , terstond ter dooien ?

Neen, God ontfermde zich over hen.

De mensch had zich met vrijen wil van zijnen Heer en God losgescheurd, hij had door de snoode overtreding van Gods gebod zich aan de slavernij des duivels onderworpen,

\') Blanca, de vrome moeder van Lodewijk den Heilige, koning van Frankrijk, zeide bijna dagelijks tot haren zoon: «er is in de //wereld geen grooter ongeluk , dan de zonde, — hoezeer ik u ook /met alle tcederheid van een moederhart liefheb, liever wilde ik u »hier dood op de baar zien liggen, dan ooit te moeten hooren , dat gij in dat ongeluk zoudt gevallen zijnquot; (Stolberg, Keligionsgesch. d. XXII). — Eveneens sprak de zuster van den zaligen fetrus For-rerius tot haren eenigen zoon. „Mijn kind,quot; was zij gewoon te zeggen, «veel liever wilde ik u ontzield voor mijne oogen zien, dan te weten, /dat uwe ziel door eene doodzonde besmeurd zon wezen. Neem dit /wel in acht, opdat uwe moeder niet sterve van smart over den dood /uwer ziel.quot;

-ocr page 97-

83

Hij moest alzoo, van zijne misdaad zich bewust, verwachten dat de Allerhoogste op hem de straf, waarmede Hij bedreigd was, voltrekken en hem voor eeuwig van zich afwerpen zou. Indien de vertoornde God dit werkelijk gedaan had, dan had de zondige mensch niet anders kunnen uitroepen, dan: „Gij zijt rechtvaardig, o Heer, en rechtvaardig „is uw oordeel!quot; (Ps. GXVIII, 137). En wien anders dan zich zelveu had hij zijn ongeluk moeten wijten, daar God hem met onuitsprekelijke liefde en goedheid zoo groote weldaden bewezen en oneindig grootere bereid had ? Doch, zoo spreekt de H. Franciscus van Sales (in zijn Theotimus), „God nam het bedrog in aanmerking, waardoor satan de „eerste menschen misleid had, als ook de hevigheid der „bekoring, welke hen ten val bracht; Hij zag daarenboven „dat geheel het menschelijk geslacht door de schuld van „een enkelen verloren ging,quot; en wilde niet, gelijk de H. Athanasius (over de menschwording) reeds aanmerkt, dat satan er op zou bogen, dat het hem gelukt was, door zijne arglistigheid Gods werk te vernietigen. Om deze en vele andere redenen, maar vooral bewogen door „zijne groote „liefde, waarmede Hij ons van eeuwigheid bemind heeftquot; (Eph. II, 4), ontfermde Hij zich over onze natuur en besloot, haar weder in genade op te nemen.

Hoe zou het met den mensch gegaan zijn, al ft God zich niet over hem, ontfermd had?

Geen mensch zou genade bekomen hebben en niemand zou in staat geweest zijn, zijne zaligheid te bewerken.

Evenmin als het Adam en Eva na huune verbanning uit het aardsche paradijs veroorloofd was, er in terug te keeren, daar een Cherub met vlammend zwaard den toegang versperde, hadden zij het hemelsche paradijs kunnen binnengaan, dewijl de arm der goddelijke gerechtigheid de poorten gesloten hield. De mensch had boosaardig Gods gebod overtreden. Daardoor had hij het recht op de eeuwige zaligheid waarvoor hij aanvankelijk bestemd was, voor zich en zijne nakomelingen verloren; te gelijker tijd had hij ook verloren de genade, zonder welke het onmogélijk is, in het rijk der hemelen te komen; hi] had bovendien zich zeiven en zijne nakomelingschap eene zware met de natuurlijke krachten onuitwischbare schuld op den hals gehaald. Ue zondige mensch had zich alzoo in een afgrond gestort, waaruit hij zich zeiven nooit kon opheffen; hij had zich aan den dood prijs gegeven en was geheel buiten staat, daaruit op te staan: het leven der genade en diensvolgens

6*

-ocr page 98-

84

ook het leven der glorie, liet eeuwig zalige leven, was voor hem eene onmogelijkheid geworden. — Zou de mensch geholpen « worden , dan moest trod hem vergeven, en, niet gedachtig

hetgeen geschied was, hem wederom als kind eu erfgenaam van het rijk in genade opnemen, hem weder in het hezit der verloren bovennatuurlijke goederen en rechten stellen. Was het echter wel billijk, dat de mensch, nadat hij zoo laaghartig het gebod van God met voeten had getreden, ongestraft bleef, zelfs, gelijk vroeger, de liefde bezat van den zoo zwaar beleedigden God , als ware de ongehoorzaamheid jegens Hem eene zaak van geringe beteekenis ? De grenzelooze goedheid en barmhartigheid Gods was inderdaad bereid, vergeving te schenken en den zoo diep gezonken mensch de reddende hand te bieden; maar zijne oneindige gerechtigheid vorderde, dat of wel de zonde naar verdienste bestaft, of de goddelijke Majesteit voor de oneer, Haar aangedaan, algeheele voldoening gebracht zou worden. En waarlijk hoogst billijk was bet en geheel overeenkomstig Gods wijsheid, dat er voor hemel en aarde getuigenis werd afgelegd, hoe strafwaardig de opstand is tegen de hoogste en allerheiligste Majesteit van God. \')

\') Eenige Godgeleerden, onder anderen de H. Anselmus, *) beweerden, dat God den mensch niet had kunnen vergeven, zonder van hem eene volkomen geëvenrodigde voldoening te eischen. Dientengevolge had alzoo de mensch op geene andere wijze gered kunnen worden, dan door de menschwording van den Zoon Gods, daar het slechts een Godmensch mogelijk is, eene oneindige voldoening te geven. Deze meening is echter in strijd met het gevoelen dor overige Kerkvaders. „Wie zou durven ontkennen,quot; schrijft de H. Bernardus, **) „dat den Almachtige andere en weder andere middelen en wegen ten „dienste stonden, om den mensch te verlossen ?quot; Ongeveer hetzelfde schrijven ook Athanasius, Leo, Cyrillus van Alexandrië, Gregorius van Xazianze en de II. Augustinus. ***) — Volgens andere Godgeleerden, tot welke ook de kardinaal Gousset, Aartsbisschop van liheims, behoort, ***\') kon God den mensch wel vergeven, doch niet zonder eene of andere voldoening. De meeste Godgeleerden zijn echter van gevoelen, dat God den mensch ook zonder eénige voorafgaande voldoening had kunnen vergeven; want, zeggen zij , God zou als de eenige en hoogste Heer door die genadige kwijtschelding der zonde niemand onrecht gedaan hebben. Als de beleedigde stond het Hem vrij, een eerherstel te vorderen of dit kwijt te schelden ; en als hoogste wetgever kon Hij zich het recht voorbehouden, de strafwet, tegen de zonde uitgevaardigd, in bepaalde gevallen door vrijspreking (dispensatie) op te heffen, vooral daar God op geenerlei wijze verplicht is, jegens zijne schepselen met alle strengheid zijner gerechtigheid te handelen en het daarentegen enkel van zijn vrijen wil afhangt, zonder zijne overige volmaaktheden te verloochenen,

*) Lib. cur Deus homo.

**) Ep. 190 ad Innocent. II. adversus Abaelard.

***) Lib. de agon. Christ c. il.

ïhéol. dogm. T. II de l\'incarn. chap. 1. art. 3.

-ocr page 99-

85

Teneinde alzco den mensoh weder in genade op te nemen, vorderde de goddelijke Gerechtigheid eene voldoening ge-evenredigd aan de zonde; geen schepsel, maar het minst de zoo diep gevallen mensch was in staat, die te brengen. — Het is duidelijk, dat elke krenking of vermindering der eer recht geeft op een geëvenredigd eerherstel, en dat zulks grooter moet zijn , naarmate de toegevoegde oneer grooter is geweest. Wanneer bijv. de eene burger den anderen beschimpt, is hij verplicht, hem in zijne eer zoo goed mogelijk te herstellen. Datzelfde geldt ook, wanneer de burger een hooggeplaatsten ambtenaar of zelfs den koning beschimpt. Maar in het laatste geval behoort het eerherstel veel grooter te zijn, wijl ook de beschimping veel grooter is; want de onteering is des te gevoeliger en bijgevolg ook des te grooter, naarmate de beleediger geringer en de be-leedigde aanzienlijker is. Daar nu de zonde uit den boozen wil van een gering schepsel voortkomt, en de allerhoogste, de oneindige Majesteit onteert, is het klaarblijkelijk, dat zij in zekeren zin eene oneindige onteering moet genoemd worden, inzooverre zij namelijk zóó groot is, dat men zich volstrekt geene grootere kan voorstellen. Daaruit volgt, dat ook het eerherstel, hetwelk er volkomen mede geëvenredigd is, of de algeheele voldoening, eene zoodanige moet zijn, die grooter is, dan elke denkbare voldoening, d. i. eene oneindige. Geen schepsel echter, zelfs de volmaaktste Engel niet, is bij machte, eene dusdanige voldoening te geven. Ja, al zouden alle koren der zalige geesten zich vereenigen, zij zouden het niet vermogen, wijl hunne voldoening altijd maar eene eindige blijft. Hoeveel minder kon derhalve de zoo diep gezonken mensch, het kind van gramschap, de vijand van God, genoegzaam de eer herstellen van zijnen zoo zwaar beleedigden bchepperi^ — De zondige mensch zou alzoo reddeloos verloren geweest zijn, had üod zich niet allergenadigst over hem ontfermd. Daarom zegt de H. Schrift : „naar zijne barmhartigheid heeft God ons „gered,quot; (ïit. lil, 5) „barmhartigheid des Heeren is \'t, „dat wij niet vernietigd zijn\'\' (Klaagl. III, 22).

do gerechtigheid of de goedheid in hooge mate te openbaren. I)e menschworcting was derhalve tot redding Van het nienschelijk geslacht inzouverre noodzakelijk, als God besloten had, dat Hem volgens de gestrengheid zijner gerechtigheid voldoening moest gebracht worden. Daarom kan men met den li. Leo (Preek over de geboorte des Heeren) zeggen, dat Uod den gevallen mensch //alleen duor de kracht zijner //goedheid helpen kon. en tevens, dat het eenige middel om hem te //helpen, de vereeniging was der goddelijke natuur met de menschelijke.quot;

-ocr page 100-

86

Hoe ontfermde God zich over den gevallen menscA ?

Hij teloofde hem eenen Verlosser, die voor hem voldoen, de zonde van hem wegnemen en hem de genade en het erfrecht op den hemel weder verwerven zou. — God wilde den mensch niet uit het parades verbannen, zonder hem een troost mede te geven, zonder een straal van hoop in zijn hart achter te laten. Daarom sprak Hij tot de slangf: „vijandschap zal Ik stellen tusschen u en de vrouw, tusschen „uw zaad en haar zaad, zij zal u den kop verpletterenquot; (1. Mos. III, 15). \'t Is duidelijk, dat deze straf den satan gold, die zich van de slang als een werktuig bediend had. God had de zichtbare slang, het werktuig der verleiding, hare straf reeds aangekondigd, toen Hij tot haar sprak; „omdat gij dit gedaan hebt, zijt gij gevloekt onder alle „dieren der aarde.quot; In de eerste aangehaalde woorden verkondigde Hii de straf van de oude, onzichtbare slang, den verleider, die uit haar gesproken had. Hij, die door de vrouw had gezegevierd, zou door de vrouw (de allerheiligste Maagd Maria), door het zaad van de vrouw (door Jesus Christus) overwonnen, vertreden worden. Even beschamend en verpletterend als dit woord voor satan was, even troostend en bemoedigend was het voor de eerste ouders. Daarentegen zouden zij slechts weinig troost gekregen hebben met de belofte, dat eenmaal de vrouw door een barer nakomelingen het broedsel van het gehate dier, de zichtbare slang, den kop zou verpletteren. Welke schadeloosstelling zouden zij hierin gevonden hebben voor het verlies der onschuld, voor het verlies van het aardsche en hemelsche paradijs ? In de aangehaalde woorden is derhalve zoowel de straf van den satan als de belofte des Verlossers vervat. — Deze zal voldoen voor de zonden der wereld; door zijne vernedering en gehoorzaamheid tot in den dood des kruises den Allerhoogste weder in zijne eer, welke hoogmoed en ongehoorzaamheid Hem ontroofd hebben, herstellen; Hij zal God en mensch te gelijk zijn: God, opdat zijne verootmoediging en zijne gehoorzaamheid van oneindige waarde zou zijn ; mensch, om zich in onze plaats te kunnen vernederen. Zoo zal dan God de straf der zonde ondergaan, opdat de mensch niet, gelijk hij verdiend had, gestraft worde.

Overweeg hier de lioogte en diepte, den ganschen, oneindigen omvang der wijsheid van den Allerhoogste, en erken, dat de verlossing door de menschwording met recht het „werk der godde-„lijke wijsheidquot; genoemd wordt (Deel I). God was tegelijk rechter en vader van den gevallen mensch: als rechter was Hij ver-

-ocr page 101-

b7

iilicht eenc volkomen, oneindige voldoening te vorderen, en daar de menscli niet bij machte was- die te geven, hem tot den eenwigen dood, tot de eeuwige verdoemenis te veroordeelen; als vader daarentegen werd Hij door zijne onuitsprekelijke goedheid bewogen , den mensch wederom in genade op te nemen. Nu bood zijne wijsheid Hem een middel aan, waardoor het Hom mogelijk werd, zijne gestrenge gerechtigheid en zijne onbegrensde goedheid en barmhartigheid in eene hooge, oneindige mate te voldoen, volgons de woorden van den Psalmist: (LXXX1V, 11) //gerechtigheid en vrede kussen elkaamp;r.quot; De eeuwige Zoon Gods verklaarde zich bereid, de menschelijke natuur aan te nomen, om voor de menschen te voldoen, voor hen te lijden en te sterven; en de eeuwige Vader aanvaardde in zijne liefde tot den mensch het aanbod van zijnen Zoon. Op die wonderbare, genaderijke wijze zullen alle menschen vergeving bekomen, en leven om de verdiensten van den Godmensch. De Godraensch zal bijgevolg middelaar tusschen God en hot zondige menschdom, Hij zal do Verlosser en de Grondlegger van een nieuw verbond van vriendschap en liefde tusschen God en den mensch zijn. Zeer treffend zegt de H. Augustinus (Over de H. Drieëenh. Hoofdst. X): ,/Het ontbrak God niet ,/aan andere middelen, om de ellende des menschdoms te verholpen, »maar niets was meer geschikt ter bereiking van zijn doel dan de //inenschwording.quot; //Gelijk door des éénen misdaad over alle men-,/Schen (geko.nen is het oordeel) tot veroordeeling (des doods): zoo „ook (is) door des éénen rechtvaardigheid over alle menschen (goko-//inen do genade) tot rechtvaardigmaking des levens;.... opdat, gelijk //de zonde geheerscht heeft tot den dood, zoo ook de genade heersche idoor rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jesus Christus //onzen Heerquot; (Rom. V, 18, 21). Derhalve kon en kan de zondige mensch in do tegenwoordige heilsorde enkel en alleen door den Godmensch en Verlosser, Jesus Christus, weder in genade komen en het erfrecht op het hemelrijk verwerven : „want allen hebben gezondigd (minstens in Adam), //en derven de heerlijkheid Gods (d.i. de genade, «■welke tot de heerlijkheid Gods, ter zaligheid voert), //wordende om «niet, (zonder eenige voorafgaande verdienste) gerechtvaardigd door «zijne genade, door de verlossing, welke in Christus Jesus isquot; (Rom. UI\', 23, 24). \'

Heeft God terstond na de helofte in het paradijs den Verlosser gezonden ?

Xeea, Hij zond Hem (volgens de gewone tijdrekening) eerst vier duizend jaren na de schepping der wereld, zoo als van eeuwigheid in de raadsbesluiten zijner goddelijke wijsheid was vastgesteld. Daarom zegt de Apostel (Gal. IV, 4, 5): „Toen de volheid des tijds gekomen was, (d.i. toen de tijd, welken God tevoren bepaald had, vervuld was) „zond God zijn eeniggeboren Zoon, geboren uit eene „vrouw (de allerheiligste Maagd Maria), opdat wij (verlost) „de aanneming tot kinderen verkrijgen konden.quot; — Waarom God eerst na zoo langen tusschentijd den Verlosser zond , zal later verklaard worden. Het lag eenmaal zoo in het plan zijner al wij ze Voorzienigheid. Jesus zelf stelt ons dit voor oogen in de gelijkenis vah den huisvader, die een wijnberg plantte, dezen verpachtte, eerst zijne knechten,

-ocr page 102-

88

en eindelijk zijn eenigen zoon naar de trouwelooze wiin-gaardeniers zond, om de vruchten in ontvangst te nemen. Zoo zond God ook tot de menschen, vooral tot zijn uitverkoren volk, eerst Profeten en eindeliik zijnen eert ingeboren Zoon, om door Hem vruchten van deugd en vroomheid in te zamelen.

Ah het via ar is, dat niemand zonder de genade des Verlossers zalig lean worden: . hoe konden dan degenen, die vóór de komst des Verlossers leefden, den hemel binnengaan ?

Degenen, die vóór de komst van den Verlosser leefden , konden niet vóór Hem den hemel binnengaan, maar met de genade, welke God hun om de toekomstige verdiensten van den Verlosser gaf, konden zij het hemelrijk verdienen en daarna er met Hem ingaan.

Niemand kon den hemel binnen gaan vooraleer de godde-Igke Verlosser, als overwinnaar van dood en bel, diens poorten weder had open gesloten en er zelfs glorierijk en zegepralend was ingetrokken. Doch ook vóór de komst des Heilands en vóór zijne glorierijke hemelvaart ontbrak het den menschen niet aan goddelijke genade, om een vroom en heilig leven te leiden en door het verrichten van goede werken den hemel te verdienen. Dit leert ons het voorbeeld van zoovele Heiligen uit den voorchristelijken tijd, die God zelf ons als toonbeelden van geduld en onderworpenheid aan zijnen H. wil, als toonbeelden van een levendig geloof, van godsvrucht, van vroomheid, van standvastigheid, kuisch-heid, naastenliefde en andere deugden voor oogen stelt. Men denke slechts aan Noë, Abraham en den kuischen Joseph, aan den geduldigen lijder Job, aan David, den man naar Gods hart, aan Tobias, aan Mozes en de Profeten, aan Esther, Susanna, aan de moeder der Machabeën en aan zoo vele anderen, van wier hooge deugden de H. Schrift melding maakt. Met recht zegt derhalve de H. Leo (2\'! Preek op het Pinksterfeest): „Wij moeten ons overtuigd houden, „dat de volheid des H. Geestes, welke op Pinksterdag „over de leerlingen des lleeren werd uitgestort, niet het „begin van de uitdeeling der genade, maar eene toegift der „goddelijke mildheid was. Want ook de Patriarchen, de „Profeten, de Priesters en alle Heiligen van vroegere tijden „waren door de heiligmakende genade van denzelfden godde-„lijken Geest bezield.... De aard van dit hcmelsch geschenk „bleef immer dezelfde, hoewel de mate der mededeeling ver-

-ocr page 103-

89

„schillend -was.quot;\' — Deze ter zaligheid noodzakelijke genaden verleende God den mensch tei wille van het Lam, dat van den beginne der wereld als ten heil der menschen geslachtofferd, der goddelijke Gerechtigheid voor oogen lag (Openh. XIII, 8). Ofschoon, namelijk, het offer ter verlossing dei-wereld nog niet in werkelijkheid volbracht, het zoenbloed van het goddelijk Lam nog niet vergoten was, hadevenwel God, voor wien al het toekomstige tegenwoordig is, het reeds aangenomen, en zijn rechtvaardige toorn was reeds gestild. Hij, voor wien geene verwisseling van tijd plaats vindt, zag met oneindig welgevallen op den offerdood des Verlossers neer, en ziende op datof(er,was Hij den mensch genadig en deelde hem de genade mede, welke hij noodig had om een heilig leven te leiden en zich vele verdiensten te verzamelen.

Vóór de komst van Christus was voorzeker nog niet die liooge kennis van God over de aarde verbreid, er waren nog niet die genaderijke middelen ter taligheid gegeven, zoo als nu, nadat Jesus, de weg. de waarheid en het leven, verschenen is, en als mensch en Verlosser onder ons gewoond heeft: ziedaar eene reden om ons gelukkig te schatten, dat wij na de komst van den Heiland der wereld het leven hebben ontvangen. Niettemin gaf God, ziende op de verdiensten van Jesus Christus, aan alle menschen genademiddelen genoeg, om voor \'t minst God zóó te kennen, op den toekomstigen Verlosser zóó te hopen, en de goddelijke wet zóó te onderhouden, als dit ter verkrijging der zaligheid noodig was «Uat derhalve de //klaagtoonen zwijgen,quot; zegt de H. Leo,1) //van allen, die het waagden «over Gods beschikkingen te morren en den Allerhoogste te besclml-//digen, dat Hij al te lang gewacht heeft met de geboorte van den «Verlosser, alsof op de verleden tijden niet is toegepast geworden, «wat in den laatsten tijd volbracht werd. De toekomstige mensch-«wording was (voor hen, die vóór Christus leefden) van niet geringer «belang, dan de plaats gehad hebbende (voor ons); er is geen tijd «geweest, dat God niet op geheimvolle wijze de heiliging der men-«schen mogelijk maakte. Hetgeen de Apostelen gepredikt hebben, «dat hebben de Profeten voorspeld, en men mag niet iets als te laat ge-«komen beschouwen, wat reeds voordat het geschiedde, zoo vast

«gelooft werd, als ware het gebeurd..... God is alzoo niet door een

«of ander nieuw raadsbesluit of door eene vertraagde erbarming «den mensch te hulp gekomen; Hr heeft integendeel van het begin «der wereld voor allen eene en dezelfde bron des heils geopend en «aangewezen. Die genade, waardoor alle Heiligen zonder uitzondering //gerechtvaardigd zijn, is niet met de geboorte van Christus begonnen, «maar slechts vermeerderd.quot;

TOEPASSING.

Aan het einde van deze afdeeliug werpen wij nog een blik op het gezegde. De mensch is naar het evenbeeld Gods geschapen, doch door de zonde werd dat heerlijk beeld deels

\') 3e Preek over de geboorte des Heeren. Vergelijk de le Prjak over het lijden van Christus,

-ocr page 104-

90

verminkt, deels geheel vernield. Als een voorwerp van Gods gramschap zou derhalve de men3ch, zouden wij allen voor eeuwig door God verstooten zijn geworden. Maar Hij, die rijk is aan erbarming, beloofde ons een Verlosser, die de zonde van ons wegnemen en ons weder in het bezit der verloren genadegoederen stellen zou. -— Door de oneindige verdiensten nu van dien goddelijken Verlosser zijt gij, lezer, bij den H. Doop weder een geheel schoon en onbevlekt evenbeeld van den Allerhoogste geworden. Met het kleed der onschuld versierd, zijt gij weder welgevallig in het oog van uwen hemelschen Vader; Hij ziet u met onbeschrijfelijke liefde aan en roept u als het ware toe: gij zijt geheel schoon, mijn kind, en er is geene vlek aan u Gelijk God, de ongeschapen schoonheid, alles oneindig overtreft, wat er ooit schoon geschapen is en gedacht kan worden, zoo overtreft ook uwe ziel, als het vernieuwde evenbeeld Gods, alle schoonheid, welke aan alle schepselen in den hemel en op aarde te vinden is en gedacht kan worden. Al het zichtbare toch is slechts inzooverre schoon, als het met de goddelijke schoonheid, welke de bron en het toonbeeld van alle schoon is, eenige gelijkheid heeft. Waar is echter eene gelijkenis op God te vinden, welke vergeleken kan worden met die van eene redelijke, door de heilig-makende genade als vergoddelijkte ziel ? De hoogste lichamelijke schoonheid is als niets in vergelijking met die geestelijke schoonheid, welke te recht eene afstraling der eeuwige zon, „een straal van Gods aanschijnquot; genoemd wordt (Ps. IV, 7). De lichamelijke schoonheid is vergankelijk, gelijk aan de bloem, die ras verwelkt en blad voor blad afwerpt, zij duurt slechts zoo lang, als de ziel in het lichaam blijft; scheidt de ziel van het lichaam, dan verdwijnt alle schoonheid: het vuur der oogen dooft uit, de wangen verbleeken, de klank der stem sterft weg en in korten tijd gaat het ontzielde lichaam in stof eu asch over. Da schoonheid van eene onschuldige ziel daarentegen is onverwelkbaar, eeuwig van duur gelijk de ziel zelve. Zij is niet gelijk aan de maan, die slechts zoo lang schittert, als de zon haar beschijnt; zij heeft veel meer van de zon, wier glans nimmer afneemt. Een Engel is onvergelijkelijk schooner dan de beste afbeelding, welke ooit van hem gemaakt is; zoo is ook eene engelreine ziel veel schooner dan het lichaam, waarin zij slechts onvolmaakt zich afspiegelt. Konden wij de ziel van een pas gedoopt kind, dat heerlijk evenbeeld van God, met onze oogen aanschouwen, wij zouden opgetogen stam van bewondering. God zelf vicdt zijn vermaak in zulk eene ziel, Hij bemint haar innig om hare hemelsche schoonheid.

-ocr page 105-

91

rIndien gij wist,quot; sprak eens de Heer tot de H. Catharina van Genua, „hoe zeer ik eene onschuldige ziel lief heb, .,\'t zou een wonder zijn, als gij niet van overgroote hlijd-„schap stierft.quot; — Bewaar dan. Christen, bewaar met de grootste zorg dit goddelijk evenbeeld in uw hart. Geef acht, dat gij het niet verontreinigt of vernielt. Waak dag en nacht, opdat geene enkele zonde uw hart bekruipe. De zonde, welke in de wereld alle ellende gebracht heeft, zou met haren onreinen adem die allerzuiverste afstraling der goddelijke schoonheid bevlekken. Gods beeld zou dan in uwe ziel niet meer kenbaar ziin. Beschouw aandachtig, zoo pleegde de H. Aloysius van Gonzaga te zeggen, een vijver of een klein meer; wanneer het water zuiver en helder is, ziet men daarin als in een spiegel het schitterend beeld der zon; is daarentegen het water troebel en moerassig, dan ziet men er te vergeefs naar uit. Eveneens gaat het met onze ziel. Zoolang zij rein en vlekkeloos is, vinden wij in haar eene afstraling van het goddelijk evenbeeld; is zij echter met zonden bevlekt, dan verdwijnt terstond die heerlijke weerschijn der godheid. Mogen ook in de ziel eenige trekken van natuurlijke gelijkenis met haren Schepper blijven, zooals men die zelfs bij de verworpen geesten nog vindt; dat hooger, bovennatuurlijk evenbeeld, waardoor zij God vooral aangenaam en dierbaar is, is toch geheel uitgewischt en vernield.

Hoe nu zult gij de zonde mijden, en zoo het evenbeeld Gods onbesmet bewaren? Herinner u onze ongelukkige stamouders Adam en Eva. Hoe kwam het, dat zij zoo diep vielen? Zij leenden gehoor aan den verleider, lieten de vreeze Gods uit hunne harten verdwijnen, dachten niet aan de straf des eeuwigen doods, waarmede de Schepper hen bedreigd had, noch aan de groote weldaden, welke zij van Hem ontvangen hadden. Ziedaar de voornaamste oorzaken van hunnen beklagenswaardigen val. Wilt gij een dergelijk ongeluk ontgaan, wilt gij de zonde vermijden, ontvlucht vooral den verleider, mijd den omgang met booze, bedorven menschen, luister niet naar hen, die onbetamelijke of slechte taal durven spreken, \') Laat u niet op een dwaalspoor

\') Toen de H. Aloysius van Gonzaga eenigen tijd bij den hertog van öavoye doorbracht, bevond hij zich op zekeren dag in gezelschap van verscheiden adellijke jongelingen, bij wie zich toevallig ook eeu zeventigjarige grijsaard had aangesloten. In den loop van het gesprek liet deze uit lichtzinnigheid of onbedachtzaamheid zich eenige onwel-voegelijke woorden ontvallen. Duidelijk kon men \'tden H. jongeling aanzien, dat hij er ontevreden over was. Hij nam dan ook het woord op en sprak: /,gij moest a schamen, mijnheer, gij een grijsaard en «■edelman, in eeii kring van jonge edellieden dergelijke taal te voeren!

-ocr page 106-

92

brengen, wanneer zij u zeggen: waarom heeft men u dit of dat verbodener steekt immers volstrekt geen kwaad in,. ... anderen doen het ook wel;.... men gunt u zeker geen genoegen; hoe zou God zulke kleinigheden zoo zwaar kunnen bestraffen? — Hoort gij die taal\'r1 Het is het sissen van de slang; op dezelfde wijze verleidde zij Eva, Geef op dergelijke taal van de menschen en op die inblazingen van den duivel nimmer eenig antwoord; anders zult gij zeker ten val komen, gelijk onze ongelukkige stammoeder, die onbezonnen genoeg was, er naar te luisteren en met den verleider eene woordenwisseling te houden. Vestig nooit uw oog of uwe gedachten op dingen, die tot zonde aanlokken. Als Eva hare oogen terstond van de verboden vrucht had afgekeerd, zou zij er niet van geplukt en gegeten hebben. Speel niet met de bekoring; stel de zondige gedachten en begeerten oogenblikkelijk uit uw hoofd, opdat zij u niet betooveren en in de strikken der zonde lokken. Ue natuurkundigen verhalen, dat de ratelslang als \'t ware eene zekere tooverkracht in het oog heeft, waardoor zij de vogels, welke om haar heen vliegen, tot zich weet te trekken. Krijgt zij een vogel in het oog, dan js het diertje niet meer in staat zijn blik vau zijne vijandin af te wenden. Het vliegt nu, ai klagende, om haar rond, komt al nader en nader, tot het eindelijk in haar giftigen bek den dood vindt. Zoo zal het ook uwe ziel gaan, als zij op de booze voorspiegelingen van de helsche slang haar oog vestigt, m plaats van die te verfoeien.

Wapen u derhalve met de heilige vreeze Gods; want „de „vrees des Heeren verdrijft de zondequot; (JSir. I, 27}, Vrees God als uwen alomtegenwoordige!!, alwetenden, allerhoogsten Hechter, en bedenk, dat Hij u in hetzelide oogenblik, dat gij de zonde begaat, in den afgrond der hel kan storten. Vrees niet minder, God te beleedigen, daar Hij uw beste Vader is, wien gij het leven en alles te danken hebt. Hit is de vreeze van Gods brave kinderen. Van deu H. Anselmus, die reeds als kind bizonder godsdienstig leefde en later op den aarts-

»Gij geeft daardoor aanleiding tot zonde. De H. Paulus zegt: /„Slechte v /Woorden bederven de goede zeden!quot;quot; Aloysius nam nu een godvruchtig boek ter hand en verliet de zaal, terwijl de grijsaard, diep beschaamu, geen antwoord wist te geven en de jonge heden zeer gestichc waren (Zie; Cepari, het leven van den H. Aloysius bewerkt door S. van den Anker, i^r. Amsterdam 1562 bladz. bttj. — Van den H. Stanislaus KLostka wordt verhaald, dat hij reeds als kind zulk een afschuw van al te vrije en oneerbare woorden had, dat hij dikwijls als hij die hoorde, in onmacht viel. Hij beschouwde te recht de zuiverheid des harten als eene teedere bloem, welker schoonheid licht verwelkt, als een spiegel, die door den minsten ademtocht besmeurd wordt.

-ocr page 107-

93

bisschoppelijken zetel van Canterbury verheven werd, lezen wij, dat, als hem de keuze gelaten werd tusschen de zonde of de piinen der hel, hij zich liever, gelijk hij zelf zeide, in den afgrond der hel zou gestort hebben, dan eene zonde te begaan \'). — Mocht ook gij , waarde lezer, geen onheil en geen verlies zoozeer vreezen, als de scheiding van God! geen gewin hooger schatten dan zijne genade, geen vermaak meer beminnen dan de blrdschap in Hem ! Dan zal s:eene verleiding ten kwade machtig genoeg zijn, u van de liefde Gods te scheiden. Dat alzoo uwe eerste gedachte bij het ontwaken zij: „Heer, bewaar mij heden voor de zonde;\'\' herhaal dikwijls door den dag, vooral in het uur der beproeving: „Heer laat niet toe, dat ik mij ooit van U af-„scheide; liever wil ik sterven dan U te beleedigen.quot; Wees niet beducht, dat het leven in de vreeze des Heeren treurig en vol kommer zijn zal. Er is integendeel niets , dat meer troost en zoetheid geeft, dan die kinderlijke vrees, om God, den Vader, die ons innig lief heeft, te bedroeven. Zij verheugt de ziel, verkwikt het hart, schenkt eene blijde hoop in het uur van sterven. De geest der waarheid verzekert ons in de H. Schrift: „bij de vreeze des Heeren lijdt men ,.geene schade. De vrees des Heeren is als een gezegende „lusthof, met meer dan aardsche heerlijkheid overschaduwd\'\' (Sir. XL, 27, 28). „De vrees des Heeren brengt eer en „roem, wordt met vreugde en blijdschap gekroond. De „vrees des Heeren vervroolijkt het hart, geeft lust, blijdschap en een lang leven. Wie den Heer vreest, dien zal „het wel gaan in zijn uiterste, en in den dag zijns doods ,.zal hij gezegend wordenquot; (Sir. I, 11—13).

fiioddelijkc voorzoi\'jïcii tot lieil «Ier luen-sclico van «lea zondeval lot de komst des Verlossers 2).

God heeft van den beginne zich aan onze stamouders als den hoogsten Heer en den almachtigen Schepper, als hun laatste einde en hunne eeuwige zaligheid geopenbaard; Hij heeft hun zijne goedheid leeren kennen door de volheid van

\') Boll. 21 April.

f) Men verwachte niet, dat wij iiier in bizonderheden treden. Wij willen niet nutteloos herhalen, wat elke bijbelsche geschiedenis verhaalt. Wij bepalen oas derhalve tot de hoofdpunten, welke den kateciieet van dienst kunnen zijn.

-ocr page 108-

94

zegen en genaden , welke Hij hun selionk, zijne rechtvaardigheid door de straffen, welke Hij over hen deed neêrkomen, zijne barmhartigheid door de belofte eens Verlossers, die den kop der slang zou verpletten. Deze kennis van God en zijne volmaaktheden moesten Adam en Eva aan hunne nakomelingschap overleveren, opdat allen het eeuwige leven zouden erlangen in het geloof aan den waren God, in het vertrouwen op den beloofden Heiland der wereld, en door getrouwe naleving der zedewet, welke God in het hart van eiken mensch geprent heeft. Hoe zwaar ook de wonden waren, welke de zonde den mensch had toegebracht, allen zouden toch bij machte zijn deze wetten na te komen met de hulp der genade, welke God ter wille van den komenden Verlosser niemand weigerde. Zelfs het verdriet des levens en de veelvuldige wederwaardigheden, waaronder de mensch thans gebukt ging, moesten hem tot God, den redder in den nood, geleiden, en zijn verlangen naar den toekomstigen Verlosser onderhouden en opwekken. Te dien einde liet God volgens zijne wijze voorzienigheid de eerste Aartsvaders eenen verbazend hoogen ouderdom bereiken, opdat zij in staat zouden zijn, hunne na kleinkinderen nog mondeling in de noodzakelijke waarheden te onderrichten en in de vreeze des Heeren op te voeden.

Toen echter de nakomelingen van den vromen Seth, den zoon van Adam en plaatsbekleeder van den vermoorden Abel, met de kwaadwillige afstammelingen van den broedermoorder Gain in nauwere gemeenschap traden, nam de zedeloosheid dermate toe, dat, volgens het getuigenis der H. Schrift „de „aarde met ongerechtigheid vervuld was\'\' (1. Mos. VI, 13). Toen besloot God het ontaarde menschdom gestreng te straffen. Het onverbeterlijk geslacht moest van de aarde gebannen worden, en uit de familie van den godvreezenden Noë een nieuw geslacht ontspruiten. Onvergetelijk moest de strengheid der straffende rechtvaardigheid Gods zijn, de nakomelingen moesten hunne kinderen en kindskinderen er over onderhouden, opdat in \'t vervolg alle vleesch den Heer vreezen en zijn gebod eerbiedigen zou. „Zoo liet dan God ..tot straf der boosheid den zondvloed losbreken, waarin „alle menschen omkwamen, uitgenomen de vrome Noë en „zijne familie.quot;

Hoe zal het nieuwe geslacht zich nu gedragen ? Zal het, door deze schrikwekkende straf geleerd, het geloof in den éénen God bewaren en voortaan in de vreeze des Heeren wandelen ?— Door hoogmoed en snoode wereldliefde verblind, verzonk de mensch weldra wederom in de diepte der ondeugd. De gedachte aan eenen oneindig rechtvaardigen, alomtegenwoordigen

-ocr page 109-

95

God, wiens wil heilig en onschendbaar ip, werd hem lastig, ja onverdragelijk. Daarom maakte hij in de verblindheid zijns harten met eigen hand goden, voor wie hij niet behoefde te blozen of te sidderen. Aan zon en maan, dieren en planten , houten en steenen beelden, zelfs aan boosaardige menschen werd, in stede van den waren, almachtigen God, de hulde der vereering en aanbidding gebracht.

iyat deed God, toen de afgoderij toenam en de minschen voortdurend slechter teerden?

God verkoos Zich, om het ware geloof en de hoop op den Verlosser onder de menschen te bewaren, een eigen volk, en sloot daarmede een bizonder verbond.

Ongeveer vierhonderd jaren na den zondvloed leefde in Chaldea, een-gewest van ilesopotamië, een getrouwe dienaar van den waren God, Abram genaamd. Tot dezen sprak de Heer: „Ga uit uw land, en uit uwe maagschappen en uit „uws vaders huis, en ga naar een land, dat Ik u toonen .,zal. Ik wil u tot een groot volk maken en u zegenen, .,en in u zullen alle geslachten der aarde gezegend ■wezen1\' (1. Mos. XII, 1—3). Toen verliet Abram het land, waarin zijne vaderen vreemde goden dienden (Jos. XXIV, 2), en trok naar Cansan (het huidige Palestina of het beloofde land). Andermaal sprak God tot Abram (thans Abraham, d. i. vader der menigte): „Ik wil u zegenen en uwe „nakomelingschap vermeerderen als de sterren des hemels „en als het zand aan het strand der zee, en in uw zaad „zullen alle volkeren der aarde gezegend zijnquot; (1 Mos. XV, 5, en XII, 17, 18). En: „Ik zal mijn verbond vaststellen „tusschen Mij en u, en tusschen uw nazaad in zijne voort-„telingen door een eeuwig verbond: opdat Ik uw God zij, „en van uw zaad na u; . . . onderhoud gij dan ook „mijn verbond en uw zaad na u in zijne geslachten\'\' (Aid. XYII, 7, 9). Abraham verkreeg werkelijk in zijnen hoogen ouderdom den zoon der belofte, wien hij den naam van Isaak gaf, en werd alzoo de stamvader van een groot — van het joodsche of israëlietische — volk.

Opdat nu dit volk, uitverkoren ter bewaring en verbreiding van het ware geloof en van de hoop op den Verlosser , zich zou vrij waren van den afgodendienst en boosheid, welke al meer en meer toenamen, sloot de lieer in\'t vervolg met geheel Israël, zooals Hij met den stamvader Abraham had gedaan, een eigen H. Verbond (Vergel. Deel 1). Dit plechtig verbond bestond hoofdzakelijk daarin, „dat

-ocr page 110-

96

,God van zijnen kant den Israëlieten de belofte gaf, hen „als zijn uitverkoren volk bizonder te zullen beschermen „en, zoolang zij getrouw bleven, ook met tijdelijke welvaart „te zegenen, en dat uit hen het heil der wereld — de „Verlosser — zou opgaan, door wien (overeenkomstig de , belofte aan Abraham) alle volkeren der aarde gezegend „zouden worden. De Israëlieten beloofden van hunnen „kant, altijd alleen den éénen waren God te aanbidden „en getrouw al zijne geboden na te komenquot;. Dit beloofden zij plechtig in de woestijn (2 Mos. XXIV); dit bezweerden zij heilig in het land Canaan (Jos. XXIV).

Dientengevolge vertrouwde God aan Israel\'s volk zijne openbaringen toe tot heil der menschen. Hij sprak namelijk van tijd tot tijd en op velerlei wijzen tot de Oudvaders, tot Abraham, Isaiik, Jacob, later tot Mbzes, David en de overige Profeten, maakte hun zijnen wil bekend en gaf hun geboden en beloften, opdat zij hunne tijdgenooten en hunne zonen en kindskinderen zouden onderrichten. Deswege sprak de Heer: „kan Ik voor Abraham verbergen, wat Ik „wil doen? Terwijl Ik weet, dat hij zijnen kinderen en „zijn huisgezin na hem bevelen zal, den weg des Heeren „te bewandelen en recht en gerechtigheid te beoefenenquot; {1 Mos. XVIII, 17, 19). Derhalve sprak ook Mozes kort voor zijnen dood tot het volk: „Vraag uwen vader, en „ hij zal het u zeggen, uwen grootouders, en zij zullen het „u vertellenquot;. En: „neemt alle woorden ter harte, welke „ik heden voor u bezweer, en gebiedt uwen zonen, dat „zij die bewaren en nakomen en alles vervullen, wat in „de wet geschreven staatquot; (5. Mos. XXXII, 7, 46).

Niet enkel echter door den mond der Oudvaders onderwees God zijn volk: Hij onderrichtte het ook door feiten. Door sene reeks van verbazende teekenen en wonderwerken openbaarde Hij het zijne macht, door tallooze daden zijne goedheid, door het kwaad te verbieden en het goed voor te schrijven zijne heiligheid, door verschooning en toegevendheid zijne lankmoedigheid, door vergeving zijne barmhartigheid, door tuchtiging zijne rechtvaardigheid, en in de wonderbare beschikkingen, die velen door zwakheid tot overwinning, door vernedering tot verheffing brachten, schitterde zijne wijsheid allerheerlijkst uit. „Ik ben God en „anders is er geen God,quot; deze waarheid moest Israël nimmer vergeten. — Eene bizondere beschikking van God had Israël uit het land Canaan naar Egypte gevoerd. Hier liet God het volk na den dood van Joseph in harde slavernij geraken, zooals Hij aan Abraham had voorspeld (1 Mos. XV, 13). Onverdragelijk was het juk, dat hen drukte. „Toen riepen

-ocr page 111-

97

„de kinderen Israels ouder zuchten over hunne verdrukking „tot den Heer; hunne klachten stegen op tot God, en deze „verhoorde hun gesmeekquot; (2. Mos. II, 23, 24). „Ik hebquot;, sprak Hij tot Mozes, „de onderdrukking mijns volks in „Egypte gezien, en de klachten der zonen van Israël „dringen tot Mij door. Maar kom, u wil Ik naar Pharaö „zenden, en voer gij mijn volk uit Egyptequot; (2. Mos. III, 7—10). De Almachtige sloeg nu Egypte met harde plagen , doodde door de hand des Engels „alle eerstgeborenen in het „land, van den eerstgeborene van Pharaö tot den eerstge-borene der gevangenen,quot; voerde het bevrijde volk droogvoets tusschen de opgetrokken baren der roode zee door, en begroef den vervolger Pharaö met geheel zijn krijgsleger in de plotseling samenstortende golven. Zoo moest Israël erkennen, dat Hij alleen de Heer is, en dat er buiten Hem geen andere God bestaat; dat Hij doodt en levend maakt, wondt en heelt, en niemand zijne hand kan ontsnappen (5. Mos. XXXII, 39). Zoo moest het volk leeren, met vast geloof, met sterk vertrouwen, met kinderlijke dankbaarheid en onverbreekbare trouw den Heer aan te hangen. Tot een eeuwig aandenken dier wonderbare verlossing stelde God het Paaschfeest en de heiliging der eerstgeboorte in (2. Mos. XIII). De ouders moesten hunnen kinderen den oorsprong en de beteekenis dezer instelling verklaren : „Vraagt „u te eeniger tijd uw zoon, wat is dat? dan zult gij hem „antwoorden: De Heer heeft ons met sterke hand uit Egypte „gevoerd, uit het huis der slavernij,quot; enz. (2. Mos. XIII, 14).

Ook in de woestijn trok de Heer voor de Israëlieten uit, om ze te geleiden, bij dag in eene wolkzuil en bij nacht in eene vuurkolom, opdat Hij altijd hun leidsman op den weg zou zijn. Nimmer verliet die wolkkolom bij dag of die vuurzuil bij nacht het volk (2. Mos. XIII, 21, 22). Met zoo groote gunst en liefde bestuurde God zijn volk; gelijk de beste Vader zorgde Hij voor al hunne\' behoeften. Liet hij nu en dan ook zijne gestrengheid gevoelen, om hunne wederspannigheid en onbestendigheid te bestraffen, nooit trok Hij toch zijne vaderhand van zijne kinderen af. Hij spijsde de morrenden met wonderbaar hemelbrood en liet water in overvloed uit de steenrotsen onts-pringen, om hunnen dorst te lesschen. Elke schrede in de woestijn teekende hij met schitterende wonderen, welke Hij deed voor de oogen van het gansche volk. — Doch al die gunstbewijzen en weldaden, welke de Heer zijn volk in zoo ruime mate schonk, waren, gelijk Paulus verzekert (1. Cor. X), slechts voorafbeeldsels en voorteekenen van nog veel hoogere zegeningen, welke het eenmaal door den beloofden Verlosser

DEIÏARBE, CELOOfSLEEK. II. 3^ DEUK. 7

-ocr page 112-

98

der wereld zouden toevloeien. ) Zij moesten, als zoovele onderpanden der macht en trouw van God, het geloof in zijne beloften bevestigen, de hoop op den toekomende Verlosser verlevendigen. En waarom zou Israël niet hopen? Het had toch duidelijk genoeg ondervonden, dat zijn God niet was gelijk de goden der heidenen, gelijk de goden van hout en steen, waarin geen heil is. Was aller aandacht niet steeds gericht op den Verlosser, aan zijne vaderen, ja reeds in het paradijs beloofd, als op eenen Profeet, die gelijk Jilozes, door God uit \'t midden des volks verwekt, gelijk Mozes tevens leidsman, wetgever, middelaar en redder zou zjn ? (3. Mos. XVIII, 15—19). Had Balaam niet plechtig verkondigd, dat er eene ster uit Jacob zoti opgaan, een schepier in Israël opJcomen, die de viianden zou verpletteren en verdelgen? (4. Mos. XXIV, 17). Josuë uit den stam Ephraïm kon die beloofde aanvoerder niet wezen; Hij moest uit den stam Juda spruiten. Met het land Ganailn , dat overvloeide van melk en honing, kon het laatste doel van hun verlangen zijn, want niet beperkt zal het rijk wezen, waarin het verkoren volk door de ster uit Jacob eenmaal zal geleid worden. Neen, de geheele aarde moet den verwachten Messias onderworpen zijn, en door Hem „zullen alle volkeren „der aarde gezegend worden.quot;

Wat gaf God den Israëlieten op den herg Sinaï?

Hij gaf hun zijne geboden, op twee steenen tafelen geschreven , en vele andere godsdienstige en burgerlijke wetten, om hen langzamerhand tot de komst van den Heiland dei-wereld voor te bereiden.

De tien geboden bevatten de natuurlijke zedewet, welke de Schepper iederen mensch met onuitwischbare trekken in het hart heeft geprent. De rede zelve toch verplicht ons, den éénen waren God te vereeren en te aanbidden, zijnen Naam heilig te bewaren , de ouders te eerbiedigen, niet dood te slaan, geene ontucht te bedrijven, niet te stelen, enz.; en zoodra wij een dezer plichten verzuimen, overlaadt het geweten ons met de bitterste verwijten. Opdat deze geboden den Israëlieten des te heiliger zouden zijn, opdat zij zich niet door het voorgeven van onwetendheid verontschuldigen en van de vervulling dier wet zouden kunnen vrijspreken, verkondigde God zijn wil met schrikwekkende majesteit onder donderslagen en bliksemstralen op den hoogen berg

\') Ue verklaring der voorafbeeldingen zal in het tweede gelool\'s-artikel § 1, na de voorzeggingen , gegeven worden.

-ocr page 113-

99

Sinaï en gaf hun zijne geboden, op twee steenen tafelen geschreven. Bij deze zoo nadrukkelijk ingescherpte wet, die den grondslag der beschaving van een volk, den korten inhoud van alle menschelijke plichten jegens God en den naaste bevat, voegde God nog vele andere wetten en voorschriften, deels om den uitwendigen godsdienst, de plechtigheden (ceremoniën) en handelingen vast te stellen, deels ook om hun leven als staatsburgers te regelen. Hij gebood, dat men Hem een heiligdom (de tent, den tabernakel des Verbonds) zou bouwen, om daarin te wonen, en eene Bonds-arke vervaardigen, waarin de tafelen der wet moesten bewaard blijven. „Van daarquot;, zeide Hij tot Mozes, „zal Ik gebieden „en tot u spreken op den troon der genade tusschen de „beide Cherubijnen, die op de Arke des getuigenis zullen „zijn, alles wat Ik door u den kinderen Israels gebieden „zalquot; (2. Mos. XXV, 22). Eveneens stelde Hij een eigen priesterdom in, dat de voorgeschreven lof- en brandoffers, de zoen-, dank- en smeekoffers op de even nauwkeurig bepaalde wijze moest opdragen. Al deze offeranden hadden gelijk weleer die van den vromen Isaak en van den koning Melchisedech, betrekking op het allerheiligste Offer, hetwelk eenmaal door Christus opgedragen zou worden; want het Oude Verbond „had alleen de schaduw der toekcmende „goederen,quot; zooals de H. Paulus in zijn brief aan de Hebreeuwen aantoont; het was in zijnen ganschen omvang en in al zijne deelen slechts eene heen wij zing op het Nieuwe Verbond, eene grootsche voorafbeelding daarvan.

Later werd de godsdienstige feestviering en door middel van deze het geloof aan God, de eerbied en de liefde jegens Hem veel verhoogd, doordat Salomon den Heer eenen tempel bouwde, die in pracht en heerlijkheid alles overtrof, wat ooit de wereld prachtigs en heerlijks gezien had. In dezen tempel alleen mochten voortaan den Allerhoogste offers gebracht worden, en alle Israëlieten waren verplicht, op zekere tijden des jaars naar Jerusalem te reizen, om daar hunne gebeden te storten en den Heer geschenken aan te bieden. De majesteit van dezen eenigen tempel, de ver-eeniging van het gansche volk om het ééne altaar, de gemeenschappelijke deelneming aan de luisterrijke offeranden van aanbiding en lof des éénen Gods dienden om allen vaster aan Hem te verbinden, en steeds verder van de buitensporigheden en bedriegelijken praal van den afgodendienst te verwijderen. Niettemin scheidde kort na Salomon\'s dood het grootste gedeelte der natie zich van den waren God. De afvalligen bouwden te Samaria een eigen tempel en maakten zich aan alle gruwelen der afgoderij schuldig.

-ocr page 114-

100

Wal deed God te dien tijde, om het overal indringende kwaad te beteugelen?

God verwekte de Profeten en zond hen tot het volk, om het in zijnen naam te onderrichten, onder bedreiging dei-goddelijke straffen tot boete te vermanen, en door herhaling der vroegere beloften hun geloof en hun vertrouwen weder te verlevendigen. \') Wel waren er reeds vroeger mannen opgestaan, die, door God voorgelicht, het volk den god-delijken wil bekend maakten en het toekomstige voorspelden; doch de Profeten vertoonden zich bizonder in dezen treurigen tijd. Zoo leefden in dit tijdstip Elias en Eliseüs, die vele en groote wonderen wrochtten; eveneens de meeste Profeten , wier voorzeggingen in de HH. Boeken zijn opgc-teekend. — Dan helaas! de waarschuwingen , vermaningen en boetpreken der Profeten waren allen vergeefsch. In plaats van de Godsgezanten te hooren, versmaadde, vervolgde en doodde hen het verstokte volk (Matth. XXIII, 37). Gelijk in vroegere tijden, bleef ook thans de straf des afvals van God niet lang uit. Uit het Oosten vielen heidensche overwinnaars met eene groote heirmacht in het land, overweldigden en verwoestten Jerusalem en den tempel, en sleepten het volk in gevangenschap weg. De stam Juda evenwel, waaruit de beloofde Verlosser moest voortkomen, mocht niet tenondergaan. Door eene wonderbare beschikking van God keerde deze na eene zeventigjarige gevangenschap in zijn vaderland terug. Jerusalem en de tempel werden wederom opgebouwd, en de ware God werd opnieuw vereerd en aangebeden.

In \'t vervolg had het joodsche volk veel van den hoogmoed en de willekeur van vreemde overheerschers te verduren. Het zwaarst evenwel werd het gedrukt door het vijandelijk juk onder Antiochus, den doorluohtigen koning van Sj\'rië. Deze goddelooze vorst, niet tevreden Jerusalem veroverd, den tempel onteerd en beroofd te hebben, was er op uit, het ongelukkige volk den kostbaarsten schat en laatsten troost, den godsdienst van den éénen waren God. met list en geweld te ontnemen. Doch zijn vermetel plan mislukte vooral door de onwrikbare standvastigheid en trouw, welke God tot bevestiging van den waren godsdienst in veler harten opwekte, maar ook door den overmoed en de sterkte van het heldengeslacht der Machabecn, die aau de spits des legers den strijd ter bevrijduïjj van het heidensche juk voerden. God stond de Machabeen zichtbaar bij en schonk hun voortdurend de zege over de vijanden van zijnen heiligen naam. De tempel, door de afgoderij ontheiligd, werd gereinigd en door het volk wederom onder onbeschrijfelijk gejuich ingewijd. .Na Israels bevrijding

\') In het tweede geloofs-artikel zal breedvoerig over da voorzeggingen der Proleten gehandeld worden.

-ocr page 115-

101

uit de handen der Heidenen ging de familie der Machabeën voort, zich het lot van het joodsche volk aan te trekken, totdat de wereld-uverheerschende Romeinen zich ir de joodsche aangelegenheden mengden en een buitenlander. Herodes den Idumeër, onder romeinsche afhankelijkheid op den troon plaatsten. Dit laatste geschiedde 37 Jaren vóór de geboorte van den Verlosser der wereld, Jesus Christus.

Gaf God ook aan de Heidenen middelen en genade tot heil hunner zielen?

Ja, Hij maakte zich niet slechts aan de Joden maar ook aan de Heidenen bekend, en vermaande ben op velerlei ■wijzen tot boetvaardigheid en bekeering.

Hoewel wij niet alle middelen en wegen kennen, waarvan de goddelijke Voorzienigheid zich bediende, om ook de Heidenen ter zaligheid te brengen, mogen wij toch met zekerheid aannemen, dat het bun aan de noodzakelijke middelen geenszins ontbroken heeft. „Of is Hij God van de „Joden alleen? Niet ook van de Heidenen? Ja, ook van „de Heidenen,\'\' antwoordt de H. Paulus (Eom. III, 29). Zoo heeft derhalve God niet alleen voor bet lichamelijk, maar vooral ook voor het geestelijk welzijn der Heidenen zorg gedragen, wijl in zijne oogen de ziel van onvergelijkelijk hoogere waarde is dan het lichaam, i— Voor alle men-schen, dus ook voor de Heidenen, is Christus, Gods Zoon, aan \'t kruis gestorven. Het zou eene godslastering wezen, te beweren of slechts te denken, dat de Algoede de Heidenen niet wilde redden, niet door Christus ter eeuwige zaligheid wilde brengen. Was alzoo hun eeuwig heil werkelijk Gods heilige wil, dan moest Hij hun ook middelen aan de hand geven , om zich het kostbaar Bloed van den Godmensch ten nutte te maken. Wat baat het den bewoners eener stad eene rijke, overvloeiende waterbron in de nabijheid te hebben, wanneer zij er onmogelijk bij kunnen komen ? Of wat baat het eenen troep slaven, dat het losgeld, voor hen bestemd, in den toegegrendelden toren, en achter de onoverklimbare muren van een sterken burg is weggelegd, als de burgheer het hun niet laat geworden ? Even weinig zou het den Heidenen helpen, dat er eene zee van genaden uit \'t hart van den Godmensch stroomt, indien geen kanaal dat genadewater in hunne harten leidde. Even weinig zou het dezen ongeiukkigen gevangenen des Satans baten, indien de oneindige losprijs in den hemel voor hen was nederge-legd, maar op geenerlei wijze hun werd toegereikt, noch door hen kon verkregen worden. Zulk eene heilsorde zou niets beteekenen en in strijd zijn met Gods goedheid en wijsheid. — Wij mogen dus geen oogenblik aarzelen te

-ocr page 116-

102

gelooven, dat er ook onder de Heidenen gevonden werden, die, terwijl zij God vreesden, de wet, welke Hij in hunne harten geschreven had, op eene Hem welgevallige wijs vervulden, en daardoor ter eeuwige zaligheid geraakten? \') Want de joodsche Synagoog was niet gelijk de christelijke Kerk de alleenzaligmakende gemeenschap der kinderen Gods. Daarom sprak ook de prins der Apostelen, Petrus: „Ik „ondervind in waarheid, dat God geen aannemer des per-„soons is; maar in ieder volk is elk, die Hem vreest en „rechtvaardigheid oefent. Hem welgevalligquot; (Handel X, 34, 35). — Wij zien, dat God de Heidenen onderrichtte en tot het goede dringend aanmaande:

i) Door de slem des geioetens en door inwendige inspraken. — God had, volgens het getuigenis van den H. Paulus (Rom. II. 15, 16), ook in hunne harten het woord der natuurwet geschreven. Handelden zij naar die wet, dan smaakten

In de berichten der Missionarissen, die in Peru het christelijk geloof predikten, lezen wij een zeer opvallend cn treffend voorbeeld. Bij den Peruaanschen stam der Varais, waar de veelwijverij en de grootste zedeloosheid heerschten, troffen de missionarissen een vijftigjarig man aan, die, volgens geloofwaardige getuigenissen zijner stam-genooten en zijne eigene bekentenis, van jongs af een onbesmet leven geleid had. Toen men hem vroeg, of hij dan nooit bekoringen van zijne zinnelijke lusten ondergaan had, gt.f hij tenantwoord; „jazeker „neb ik die ondervonden en wel zeer vele en hevige, maar ik heb ze //steeds krachtig bestreden, wijl ik vast overtuigd was, dat het onge-„huwde, kuische leven God, den Gever en Heer van alle dingen, wel-„gevallig is, en het Opperwezen wel verdient, dat de mensch alles, „wat zijne zinnen streelt maar tegelijk met den wil van dien Heer in „strijd is, bereidwillig ten olïer brenge.quot; — Dergelijke gevallen vindt men meer. Ook onder de wilde Brazilianen, die aan hunne zinnelijke lusten den vrijen teugel lieten, bevond zich een voornaam heidensch jongeling, die van kindsbeen af zijnen landslieden het bewonderenswaardige voorbeeld van maagdelijke zuiverheid gegeven had, en daarom door hen als een hooger wezen beschouwd werd. Toen deze vernam, dat aan de zeekust de godsdienst des hemels gepredikt werd, kwam hij, als door een onwederstaanbaar gevoel daartoe gedreven, bij\' de missionarissen, om in den waren godsdienst onderwezen te worden. Zijn zuiver hart nam de heilige leer van het Christendom gretig op; hij ontving weldra het H. Doopsel en stierf, nadat hij weinig tijds onder de Christenen geleefd had, vol vreugde over zijne spoedige vereeniging met Christus, een zaligen dood (Gesch der Societeit van Jesus door Sacchino, d. V. B. 9. No. 366 en B. 5. No. 191). — Deze deugdzame, kuische heidenen leefden wel is waar na de komst van Christus, maar zij hadden de leer van Jesus nog niet gehoord, aan de genademiddelen der 11. Kerk waren zij niet deelachtig geworden. Niettemin voerden zij door de genade des\' Verlossers een onbevlekten levenswandel en dit te midden van volkeren, die zich aan den schandelijksten afgodendienst en aan allerlei euveldaden overgaven. Waarom zouden wij dan niet aannemen, dat er ook te midden van het vóórchristelijk heidendom menschen waren, die uit kracht van de genade, welke zij om de verdiensten van den toekomenden Verlosser bekwamen, een vroom, God welgevallig leven leidden? (Zie August. De civit. Dei, L. XVIII. c. 47).

-ocr page 117-

103

zij den zoeten troost van een rein en gerust geweten; deden zij tegen die wet, dan voelden zij den knagenden worm in hun gemoed. Door de zucht naar geluk, die in het hart van eiken mensch huisvest, en door de vrees voor een hoogeren Vergelder, waarvan zij zich nooit geheel konden ontdoen i), werden zij aangespoord, naar de stem van hst geweten te luisteren. — Daarmede vereenigden zich de inwendige verlichtingen en inspraken der goddelijke genade, waardoor zij nog krachtdadiger tot beoefening der gerechtigheid opgewekt en aangemaand werden; „want er is,quot; zegt de H. Augustinus, „geen mensch zóó bedorven, dat God in „zijn hart niet spreektquot;. Ook de H. Fulgentius drukt zich geheel in denzelfden geest uit (over de menschw. en genad. 27) : „God schrijft zijne wet in\'t hart der Heidenen, „niet enkel de redelijke natuur, maar ook de genade hun „verleenende\'\'. En de schrijver van het werk over de roeping der heidenen, hetwelk veelal aan den H. Prosper wordt toegekend, stelt het zich tot eene bizondere taak, te bewijzen, dat de goddelijke genade ten allen tijde en aan alle menschen, geloovigen en ongeloovigen, is medegedeeld geworden. of met andere woorden, dat God eiken mensch niet enkel de natuurwet, maar ook de inwendige genade, om volgens die wet te leven, geschonken heeft.J) — Wie kan er aan twijfelen, dat ook zij vele ingevingen van boven gekregen hebben, terwijl volgens de katholieke leer ieder mensch een Engelbewaarder heeft, wiens grootste zorg het is, zijn pleegkind, hem door den Heer der heir-scharen toevertrouwd, tot de eeuwige zaligheid te helpen. De H. Schrift, die (Dan. X, 13, 20) van den Engel dei-Persen en Grieken gewaagt, rechtvaardigt de meening, dat ook aan de heidensche natiën een schutsengel was toegevoegd, die zorg moest dragen, door hoogere leiding het heil dier volken te bevorderen.

2) Door weldaden in de orde der natuur. — „God heeft „zich zei ven (ook voor de Heidenen) niet onbetuigd gelaten, „weldoende van den hemel, gevende regen en vruchtbare „tijden, vervullende met spijze en met vroolijkheid onze „harten\'1 (Hand. XIV, 16). Indien zij God niet als den al machtigen, alles besturenden Schepper erkenden en als hunnen grootsten Weldoener lief hadden, dan was dit geheel

\') Plato erkent zelf (Pliaed. p. 77), dat in zijnen tijd de Grieken niet de sagen van Hades (Hel) en de toekomende straffen, zoolang zij gezond waren, gewoonlijk den spot dreven, maar wanneer zij den dood nabij kwamen, den angst voor die straffen toch niet konden afweren.

-) Vergel. den tekst van Orosius, D. I.

-ocr page 118-

104

hunne schuld. Hetgeen de H. Ambrosius van het hemel-gesternte zegt, geldt ook van elke zichtbare schoonheid en van de gansche natuur: „God heeft zulk een schoon „gesternte geschapen, opdat de menschen daaruit zouden „zien, hoe groot en bewonderenswaardig Hij zelf is, en „dat Hem alleen aanbidding toekomt.quot; \')

3) Door straffen. — God strafte het geheele menschdom door de wateren des zondvloeds, de steden Sodoma en Gomorrha door het vuur des hemels, de volkeren van Egypte en Canaan door ongehoorde plagen. Deze en dergeliike bestraffingen moesten — a) degenen, welke er door getroffen werden, tot God terugvoeren. Daarom gaf God den schuldigen meestendeels „tijd en gelegenheid, van hunne boosheid „af te zienquot;. Vandaar zegt de H. Schrift (Wijsh. XII: 1, 2): „O Heer, hoe goed en zachtzinnig is uw geest in alle

„dingen! Gij straft degenen, die afdwalen..... en vermaant

„hen de boosheid te verlaten.quot; God liet inderdaad Noë meer dan honderd jaren aan de ark bouwen en gedurende dezen tijd de ontaarde menschen tot boetvaardigheid opwekken (2. Petr. II, 5). En toen de wolksluizen reeds losbraken, verleende Hij den rouwmoedigen de genade van vergiffenis (1 Petr. 111,20). Deze stralfen van Gods hand moesten—b) de volgende geslachten van de losbandigheid afschrikken. En waarlijk, wat was daartoe beter geschikt, dan de schier algeheele verdelging van het menschelijk geslacht, dan die rookende puinhoopen der misdadige steden Sodoma en Gemorrha, dan die verschrikkelijke tuchtiging der ontaarde volkeren van Egypte en Canaan? De gedachten aan den zondvloed is zelfs uit het geheugen der heidensche volken van onzen tijd nog niet geheel uitgewischt. Eeuwen lang waren de brandstoffen van Sodoma den volkeren in den omtrek getuigen der gestrengheid van het goddelijk strafgericht. Het boek der wisheid, dat volgens de meeste en uitstekendste Schriftnavorschers in de eeuw der Machabeën geschreven werd, getuigt, dat nog te dien tijde „de aard-„bodem (der verwoeste stad) in het wild lag en rookte, „de boomen vruchten droegen, die niet rijp werden, en de „zoutzuil tot aandenken van eene ongeloovige ziel er nog „stondquot; (Wijsh. X, 7).

De God der Israëlieten had zich namelijk bij de volkeren, die met hen in nauwere aanraking kwamen , als eenen machtigen God en strengen Vergelder bekend en gevreesd gemaakt.

\') Hier boort ook de breedvoerige tekst van Chrysostomus, die in D. I. bi. iSö aangehaald wordt.

-ocr page 119-

105

Toen ten tijde van Samuël, omtrent vierhonderd jaar naden uittocht uit Egypte, het volk Israël\'s tegen de Philistijnen te velde trok, en de arke des verhonds in het leger gebracht werd, ontstelden de Philistijnen en zeiden: „God is in „\'t leger gekomen!quot; en zij kermden en riepen; „wee ons, „wee ons! wie zal ons uit de hand van deze groote goden „redden? Het zijn de goden, welke Egypte met allerlei „plagen sloegen!\'\' (1. Kon.IY, 7, 8). — Ook was \'t den Heidenen niet ontgaan, dat Israël\'s God zelfs zijn uitverkoren volk tuchtigde, zoodra het Hem ontrouw werd Dit blijkt uit de toespraak, welke Achicr, „de overste der kinderen „Ammonsquot;, in den krijgsraad van den Syrischen bevelhebber Holofernes hield (Judith Y). Hij doorloopt de negen-honderdjarige geschiedenis van het Israëlietische volk en toont aan, dat de Israëlieten, „zoo dikwijls zij naast hunnen „God eenen anderen vereerden, aan roof, zwaard en hoon „overgeleverd werden;quot; dat het hun daarentegen „goed ging, „zoo lang zij niet voor het aangezicht huns Gods zondigden.quot; Hij sluit zijne rede met deze merkwaardige woorden: „Nu ..dan, mijn heer, onderzoek: is er ergens eenig onrecht voor „het aanschijn van hunnen God gepleegd, laat ons dan tegen „hen optrekken, wijl hun God hen zeker aan u zal over-„leveren; maar heeft dit volk geene misdaad voor zijnen „God bedreven, dan zullen wij hun niet kunnen wederstaan; „hun God zal hen beschermen, en wij zullen ten spot van „het geheele land zijn.quot;

4) Door hinten gewone mannen, die Hij van tijd tot tijd onder hen liet optreden. Job was voor de stammen van Arabië een heerlijk voorbeeld van geloovige godsvrucht en uitstekende hoop op den Verlosser. Melchisedech, koning en priester, droeg ten aanschouwe der heidensche volkeren van Canaiiu den hoogsten God, die hemel en aarde geschapen heeft, offers van aanbidding op (1. Mos. XIV, 18), Balaam, een valsche „waarzegger,quot; verkondigde, door den Heer schier gedwongen , den Moabieten de macht en waarachtigheid van den God Israël\'s en diens liefdevolle inzichten met dit uitverkoren volk (4. Mos. XXJ.II en XXIV). Jonas verliet ongedeerd den buik van den walvisch, om de goddelooze Ninivieten met Gods strafgericht te bedreigen en hen tot boetvaardigheid te bewegen. l)anièl was uitgekozen, om den Babylonischen en Persischen koningen te betuigen, dat de God van Israël „de God der goden, de Heer der koningen „is.quot; De Allerhoogste schonk hem wijsheid, om hunne geheimvolle droomen te verklaren (Dan. II en IV), de bedriegerijen van Baals priesters te ontdekken (aid. XIV); Hij redde hem op wonderbare wijze uit den vreeselijken

-ocr page 120-

106

leeuwenkuil. Daarom schreef Darius aau alle volkereu, natiën en talen van het Persische rijk: „Ik heb het bevel „uitgevaardigd, dat men in het gansche gebied van mijn „rijk den God van Daniël vreeze en vereere; want Hij is „de levende God, die blijft in eeuwigheid. Hij is een Ver-„ losser en Heiland, die teekenen en wonderen doet in den „hemel en op aarde.quot; „ Daniël bleef in eer onder de regeering „van Darius en onder de regeering van Cyrus, den Persiaanquot; (Dan. VI, 26—28).

5) Door de Israëlieten, die Hij met hunne KR. Boekeu onder de Beidenen verstrooide. — Gelijk eenige uitgelezen mannen, zoo had ook het geheele Israëlietische volk de hooge roeping, om de Heidenen tot erkening, vrees en liefde van den waren God te brengen. Aan die roeping beantwoordde het in Egypte, in de gevechten rondom het beloofde land, ten tijde van David en Salomon, waar zijn roem en de naam van zijnen God de landen der Heidenen wijd en zijd vervulde; die roeping volbracht het vooral ook ten tijde der Babylonische gevangenschap. Alzoo werd, hetgeen voor de Joden eene straf was, voor de Heidenen eene bron van zegen en genade. „Deswegequot; zoo spreekt de oude Tobias, „heeft God „u (Israëlieten) onder de Heidenen verstrooid, die Hem niet „kennen, opdat gij zijne wonderen zoudt verhalen, en hun „ter kennis brengen, dat er geen andere almachtige God „is dan Hijquot; (Tob. XIII, 4, 6). Inderdaad bleven de Joden ook in Babyion getrouw aan de aanbidding en belijdenis van den waren God, en de wonderen van Gods bescherming en voorzorg vergezelden hen ook in het toenmalige middenpunt des heidendoms. Zij maakten de volkeren, die tot-dusverre den God der Joden nauwelijks bij naam kenden, met zijne wetten, beloften en bedreigingen bekend. En hunne zending bleef niet zonder gevolg. Zelfs Nabuchodo-nosor, de koning van Babyion, riep, nadat hij getuige was geweest van de wonderbare redding der drie Hebreeuwsohe jongelingen uit den vuuroven: „Er is geen ander God, die „aldus kan redden,quot; en hij vaardigde een koninklijk schrijven uit: „Nabuchodonosor, de koning, aan alle volken, natiën „en talen, die op de geheele aarde wonen. De allerhoogste „God heeft wonderen en teekenen bij mij gedaan; daarom „behaagt het mij zijne teekenen, wijl zij groot, en zijne „wonderen, wijl zij machtig zijn, bekend te maken: zijn „rijk is een eeuwig rijk en zijne heerschappij duurt van „geslacht tot geslacht\'1 (Dah. III, 31 — 33). Üezelfde vorst getuigt na de diepe vernedering, waarmede God hem getroffen had: „Alle bewoners der aarde zijn voor Hem (den Allerhoogste) „te achten als niets; want Hij handelt volgens

-ocr page 121-

107

„zijnen wil zoowel met de hemelmachten, als met de aard-„bewoners: en er is niemand, die zijner macht wederstaan „en tot Hem zeggen kan: waarom hebt Gij dit gedaan?\'\' (Dan. IV, 3:2). Eveneens maakte ook Cyrus, de Persische koning, aan geheel zijn rijk bekend: „De Heer, de God des „hemels, heeft mij geboden, dat ik Hem te Jerusalem een ^huis zoude bouwen,.... Hij is (de ware) God, die woont „te Jerusalemquot; (1. Esdr. I, Ü, 3). — Ook na den terugkeer van het uitverkoren volk uit de gevangenschap bleven vele Joden in Babyion en omliggende landen, en verspreidden alzoo het zaad der kennis van den waren God in de harten der heidenen. Later, — in de derde eeuw vóór Christus geboorte, werden de HH. Boeken in Egypte door de zoogenaamde zeventig (eigenlijk twee-en-zeventig) joodsche vertalers in \'tGrieksch, dat destijds de heerschende taal was, overgezet, zoodat alle volkeren er gebruik van konden maken.

6) Ook soms door Engelen, door droomen en wonderbare verschijningen of voorvallen. — Behalve de reeds genoemde middelen meldt de H. Schrift nog vele andere, waarvan God zich bediende, om tot de Heidenen te spreken. Den romeinschen hoofdman Cornelius maande God door eenen Engel aan, Petrus, den prins der Apostelen, te laten ontbieden (Hand. X, 3). Den trotschen koning Nabuchodonosor waarschuwde de Heer in droomgezichten (Dan. IV). Voorde oogen van den heiligschendigen Balthasar schreef eene geheimzinnige hand dat schrikwekkend verwerpingsoordeel: Mane, Thecel ,gt; Phares (Dan. V). Tot Balailm sprak de ezelin, die uit schrik voor den Engel, dien zij voor zich zag staan, niet verder wilde, en tevens verweet de Engel zelf, dreigend met het opgeheven zwaard, hem zijne verkeerde wegen (4. Los. XXil, 28—30).

Waarom kwam de beloofde Verlosser niet terstond na den zondeval?

Omdat de menschen eerst moesten leeren, in wat diepe ellende de zonde hen gestort had, en dat niemand hen redden kon dan God alleen. \')

\') „Wie kan Gods raadsbesluiten weten? 01\' wie kan denken, wat //God wil?quot; Deze spreuk der Wijsheid (IX, 13) is ook bij de gestelde vraag van toepassing-; daarom zegt de H. Chrysostomus (hom. XXVII, over den brief aan de liom.): „Wilt gij navorschen, waarom het ge-„heim der menschwording nu en niet vrocgor onthuld is, gij waagt „een gevaarlijk stuk, daar gij voorbarig de geheimenissen Gods onder-„zookt en van Hem rekenschap vordert. Want over zulke onderwerpen \'.moet men niet redetwisten , maar ze met liefde aannemen.quot; — Hoewel het vermetelheid en zoude zou wezen, dit geheim te willen doorgron-

-ocr page 122-

108

Zoo lang er hoop was, dat de zieke Lazarus op eene natuurlijke wijze weder kon genezen, ging Jesus niet naar Bethanië, om hem gezond te maken. Eerst vier dagen na

den, is liet toch geenszins ongeoorloofd met ootmoed en heiligen leerlust naar de oorzaak te vragen, waarom de Verlosser zoo laat op aarde is verschenen. Zelfs de HH. Kerkvaders stelden het zich ten taak deze vraag te beantwoorden; evenwel kwamen hunne gevoelens niet altijd overeen. Terwijl Eusebius van Cesarea1) van meening is, dat de menschen zich in den beginne in een toestand van diep verval en verwildering bevonden, en door God allengs tot betere zeden gebracht-en tot de opname van den Heiland voorbereid zijn, zegt daarentegen Gregorius van Hyssa (Redev. over de geboorte van Chr. d. I), dat de goddelijke Heiland Jesus Christus in de wereld is gekomen toen het zedelijk bederf der menschen het toppunt bereikt had. Gelijkerwijze drukken zich ook Tertullianus, Athanasius, Joannes van Damascus en anderen uit, en zoowel de uitkomsten der geschiedkundige navor-sching als de jaarboeken van den tijd vóór Christus schijnen eveneens meer de laatste uitspraak te begunstigen. Hiermede willen wij echter geenszins beweren, dat zij als de alleen ware aangenomen en bewaard moet worden.

Ook de geschiedenis van onzen tijd leert, hoe wijs het raadsbesluit Gods was, dat Jesus Christus eerst vier duizend jaren na den zondeval ter wereld zou komen. Kog zijn er geene volle 2000 jaren vervlogen sinds de komst van den Godmensch, en reeds waagde men het te midden van christelijke volkeren, het leven van Jesus Christus als een verdicht verhaal voor te stellen. Ja, zoo ver ging men, hoewel het oude heidendom met al zijne betooveringen voor der glans van dit feit verdwenen is, en de H. Kerk , als een eeuwig gedenkteeken van het Godmenschelijk werk van Jesus Christus, allen voor oogen staat, ofschoon legioenen van martelaars met hun bloed het feit der verlossing door Christus bezegeld, ofschoon de geleerdste en heiligste mannen uit alle christelijke eeuwen zich beijverd hebben dat feit te boekstaven. En die goddelooze vermetelheid werd als verlichting, als vooruitgang in de geschiedkundige navorschingen begroet! Wat zou er niet gebeurd zijn, als Christus vierduizend jaren vroeger verschenen was ? Keeds lang zou hoogmoed en twijfelzucht gewis op de gedachte gekomen zijn, de komst van Christus en de daarmee verbonden verlossing der wereld als een geestig verdichtsel zonder eenigen historischen grond te beschouwen en uit te geven. — Christus kwam, zooals de H. Ambrosius schrijft,2) in do verouderende, reeds haar einde naderende wereld. En toch staat er geschreven; ^wanneer de //Zoon des menschen (om te oordeelen) komt, zal Hij wel geloof vinden //Op aarde?quot; (Luc. XVIII, 8), en op eene andere plaats: //Dan (vóór liet laatste oordeel).... //zal de liefde bij velen verkoelenquot; (Matth. XXIV, 12). Hoeveel te meer nog zouden die woorden des Heilands bewaarheid zijn, als Christus in de eerste tijden der wereld verschenen was? Hot ligt eenmaal zoo in den aard van den mensch, dat zijn geloof in den loop der tijden aan vastheid en levendigheid verliest, en dat de ijver, de liefde en dankbaarheid afneemt, hoe meer men zich van het tijdstip verwijdert, waarop men eene weldaad ontvangen heeft. Indien Christus nu in de eerste jaren na den zondeval ter wereld verschenen was, dan zou het geloof in Hem en de liefde en dankbaarheid jegens Hem zonder een nieuw wonder niet tot in onze dagen hebben voortbestaan.

1

De demonstrat evang. in prooem.

2

De benedict. Patr. c. 11.

-ocr page 123-

109

den dood van zijn innig beminden vriend, toen diens lictaam reeds tot bederf overging, begaf Hii zich daarheen, om den doode weder ten leven op te wekken. Wat mag wel de reden zijn geweest, dat Jesus zoo lang draalde? Ongetwijfeld, opdat het wonder der opwekking, waarmede Christus zijne goddelijke zending wilde bewijzen, te schitterender en opvallender zou zijn; opdat allen, die er getuigen van waren, Hem zouden erkennen als den herstelier van het lichamelijk leven van dengene, dien Hij met alle aanwezigen als overleden beweend had — Om dezelfde reden liet Qod ook vierduizend jaren voorbijgaan, alvorens Hij kwam om de belofte, welke Hij in het paradijs gegeven had , te vervullen, en het geheele menschdom, dat in de boeien van den eeuwigen dood lag, tot een nieuw leven op te wekken. God liet toe, dat de gevallen mensch, die, van het hoogere leven beroofd, aan zware, door natuurlijke middelen ongeneeslijke wonden leed, in den diepsten afgrond der zedelijke ontaarding en in allerlei ellende verzonk, ja als het ware tot bederf overging, opdat het wonder der opwekking tot een nieuw leven door de genade van den Verlosser des te heerlijker zou uitkomen , opdat de menschen des te gemakkelijker zouden inzien, dat God alleen de gever van het hoogere leven is, en bijgevolg des te vaster aan de kracht zijner genade gelooven, des te hartelijker er voor danken, en te ijveriger er gebruik van maken zouden. — In den regel is men voor een geschenk slechts dan waarlijk dankbaar en doet men er zijn voordeel mede, als men er de hooge waarde van kent en weet te schatten. Wat nu kan ons de waarde van eenig goed beter leeren kennen, dan de ondervinding, dat het gemis er van den mensch in diepe ellende stort ? Niemand weet het geluk der vrijheid beter te waarderen , dan degene, die jaren lang in ketenen en boeien gesmacht heeft. Indien Gods Zoon terstond na den zondeval uit den hemel was neêrgedaald, om de wonden van het menschdom te heelen, de boeien der slavernij te ontbinden, men zou de weldaad der genezing en verlossing al te gering geschat en bijgevolg ook slecht benut hebben; men zou geen tijd, geene gelegenheid gehad hebben, om te ondervinden, dat de ellende, waarin de zonde den mensch stort, grenzeloos is, en dat niemand redding kan brengen, dan God alleen. Hoogst waarschijnlijk zouden in dat geval de menschen in hunne verblindheid niet God, maar zichzelven de eer gegeven, hun geluk niet aan den Verlosser, maar aan hunne eigen krachten en pogingen toegeschreven hebben. De goddelijke Heiland kwam alzoo eerst nadat het menschelijk geslacht vier duizend jaren lang in de duisternis

-ocr page 124-

110

en cle grootste ellende gezucht en handtasteliik ondervonden had, dat er geen andere naam onder den hemel gegeven is, waardoor het gered kon worden, dan de gezegende naam van den Verlosser , Jesus Christus.

Hetgeen eeuwen lang de beroemdste wetgevers, de geleerdste wijsgeeren, de machtigste vorsten niet vermochten ; hetgeen de verschrikkelijkste straffen en de schitterendste wonderen, hetgeen de wetten, onder donder- en bliksemslagen verkondigd, hetgeen Mozes, Elias en alle door Gods Geest verlichte Profeten niet bewerkten; dat zou Jesus, stervend aan het kruishout, bewerken — het heil der wereld. Vergeefs zal de hel alle machten der aarde tegen den Verlosser wapenen ; Hij zal niet gelijk Elias zijne vijanden met het vuur des Hemels vernietigen, Hij zal hen overwinnen „met de kracht zijns woords, met den adem „zijner lippenquot; (Is. XI, 4). Hij zendt arme visschers heel de wereld rond, om het woord des heils te verkondigen, en ziet! de altaren der goden storten in een, de God van hemel en van aarde wordt aangebeden en de gedaante der aarde vernieuwd. Waarlijk „die verandering komt van de „rechterhand des Allerhoogsten (Ps. LXV11,11). Wie daarin niet het werk der goddelijke macht en wijsheid ziet, diens oogen zijn met blindheid geslagen.

Hoe was de toestand, der wereld hij de lomst van den Verlosser ?

De geheele wereld lag diep in afgoderij en ia allerlei kwaad verzonken ; de Joden alleen erkenden nog den waren God.

Gelijk de zon aan het uitspansel des hemels van den beginne af en voortdurend de wereld met hare stralen verlichtte en verwarmde, zoo liet de Allerhoogste ook immer het licht en de kracht zijner genade in de harten der men-schen neêrdalen, opdat zij Hem, den God des hemels, zouden kennen, beminnen en dienen. „De menschen beminden „echter de duisternis meer dan het licht\'\' (Joan. Ill, 19) „Zij zeiden tot God: wijk van ons, de kennis uwer wegen „willen wy niet. Wie is de Almachtige, dat wij Hem „zouden dienen?quot; (Job. XXI, 14, 15), — Al spoedig bleek het, in wat afgrond van boosheid de mensch verzinkt, als hij Gods leidende hand versmaadt, om zijn eigen weg te bewandeien. De liefde tot een teugelloos leven had hem tot afgoderij verleid, en daardoor viel hij al dieper en dieper in alle gruwelen der zonde. „Toen zij (de menschen) zich niet „verwaardigden, God in erkentenis te houden, gaf God „hen over aan eenen onwaardigen zin, om te doen hetgeen

-ocr page 125-

Ill

„niet betaamt, vervuld met alle ongerechtigheid, slechtheid, „onkuischeid, gierigheid, ondeugendheid, vol nijd, moord, „twist, hedrog , kwaadaardigheid , oorblazers , lasteraars , „God tergenden, euvelmoedigen , hoovaardigen, opgeblazenen, „kwaadstichters; den ouderen ongehoorzaam , overstandig, „ontrouw, liefdeloos, onverzoenlijk, onmedeoogendquot; (Rom. X, 28—31). Zelfs bij de beschaafste volkeren, bij de Grieken en Eomeicen, waren twee gedeelten der maatschappij slaven, en deze werden als dieren behandeld; vreemde natiën hielden zij voor barbaren, en daarom geboren tot slavendienst. Wreedheid was vermaak, bevrediging van bloeddorst een hoog genot; zelfs de voornaamste romeinsche matronen kenden geen grooter genoegen, dan menschen met leeuwen en tijgers te zien worstelen en getuigen van hunnen wreeden dood te zijn. Zoo moesten in de romeinsche kampspelen , die meestal ter eere der goden met een plechtig men-schenoffer ingeleid en op het teeken eener maagdelijke priesteres begonnen werden, duizenden onder de tanden der wilde beesten of onder het zwaard van de overwinnende tegenpartij hun bloed vergieten, — en dat alleen om het volk genoegen te geven. — De heidensche godsdienst, wel verre van de menschen te beteren en te veredelen, werd integendeel eene kweekschool van allerlei misdaden, en hare feesten waren zeer geschikt, om de laatste sporen van deugd, mensche-lijkheid en schaamtegevoel te verstikken. Er was geene euveldaad zoo groot, die niet door het voorbeeld van een of\' anderen harer goden gerechtvaardigd werd. Rome ging er trotsch op, 30,000 goden te vereeren , en dit getal nam nog voortdurend toe. Sinds keizer Augustus, onder wiens regeering de Heiland der wereld geboren werd, onder de goden van het rijk was opgenomen, maakten ook de slechtste keizers tijdens hun leven aanspaak op diezelfde eer, en door vleiers en fortuinzoekers werd zij hun gegeven. De ware God van hemel en aarde alleen was ongekend en zonder vereering. In het beschaafde Athene, de zetelplaats der heidensche wijsheid, stond een altaar met het opschrift: „aan den onbekenden God7\' (Hand. XVII, 33). Bracht men den goden gebeden en offers, \'twas niet, om van hen wijsheid en deugd, maar om geluk en welvaart of het welslagen van eene of andere veeltijds zondige onderneming te erlangen \').

Dat zulk een godsdienst, wel verre van het vreeselijk, met eiken dag toenemend zedebederf tegen te gaan, het

\'! Cicero. De nat. Peor. 3, 30.

-ocr page 126-

112

telkens nieuw voedsel gaf, was voor lederen Romein zonneklaar. Daarom zochten velen hun heil in de grondstellingen eener hooggeprezene wijsbegeerte. Eome wemelde toen ter tijd van philosophen ; maar hunne leer vloeide over van ongerijmdheden, twijfelingen en tegenspraak,,hun laatste woord was meestal schandelijke verloochening van al het bovenzinnelijke en goddelijke, of wel trotsche zelfvergoding. Zij zochten niet naar de wijsheid, die van boven komt; daarom „werden zij ijdel in hunne gedachten, en hun on-verstandig hart werd verduisterd; zeggende wijzen te zijn, „zijn zij dwazen geworden\'\' (Rom. I, 21, 22). Hoewel zelfs heidensche wijsgeeren in den loop der eeuwen nu en dan iets waars en schoons van de godheid geleerd hebben, vermochten zij toch niets tegen het algemeen heerschende bederf. Daargelaten toch dat hun leven met hunne schoone lesringen volstrekt niet overeen kwam, waren allen het met elkaar dadrin eens, dat men ten aanzien van de vereering van God, zich naar de wetten en inrichtingen van het land richten moest, zelfs in het geval, dat deze dwaas en verkeerd waren. — In die wildernis van zedelijk verval was nergens een kiem van een nieuw en beter leven te ontdekken. Geen wonder alzoo, dat zelfs in den schoot van het heidendom vele harten hulp verlangden, dat velen naar een helder schijnend voorbeeld van menscbelijke deugd, naar eene vaste, goddelij ke leer reikhalzend uitzagen, naar eene leer, die hun zekerheid aangaande hunne bestemming, aangaande den toestand na den dood geven zou. Zestig jaren vóór Christus schilderde Cicero, de aanzienlijkste onder de romeinsche wijsgeeren, met treffende woorden de hooge verrukking, welke de menschen zouden gevoelen, wanneer zij eenmaal zoo gelukkig zouden zijn, de volmaakte deugd levend en persoonlijk te kunnen aanschouwen i). Dit onwaardeerbare geluk zou het naar verlossing smachtende menschdom weldra ten deel vallen.

Slaan wij ons oog op het joodscke volk, dan vinden wij ook bij hen ten tijde der komst van Christus een verschrikkelijk zedebederf. De H. Paulus (Rom. Ill, \'10—18) past op hen de woorden toe van den Psalmist: „niet een is rechtvaardig; er is geen verstandige; er is geen, die God zoekt. „Allen zijn afgeweken, tegelijk zijn zij onnut geworden; ,.er is geen, die goed doet, er is met één. Een open graf ,,is hunne keel; met hun tongen hebben zij bedriegelijk „gehandeld; addereuvergift is ouder hunne lippen. Hun mond

i) De Fin. 5. 24. C\'J.

-ocr page 127-

113

„is vol vervloeking en bitterheid; snel zijn hunne_ voeten, „om bloed te vergieten; verderf en ellende zijn op hunne „wegen; en den weg des vredes hebben zij niet gekend; „vreeze Gods is niet voor huune oogea.quot; En Christus zelf houdt hun voor, gelijk de H. Gregorius van Nyssa opmerkt (brief aan Theophilus), dat zij strafbaarder zijn dan de Heidenen. „De mannen van Ninive,\'\' dus spreekt Hij, „zullen op den oordeelsdag met dit geslacht optreden en „het veroordeelen, want zij hebben op de prediking van „Jonas boete gedaan: en zie, meer dan Jonas is hierquot; (Matth. XII, 51). — Sinds de Babylonische gevangenschap hadden zij wel is waar niet meer gelijk vroeger de afgoderij gediend; Israël erkende en vereerde tijdens de komst van Jesus Christus den éénen waren God, had ook ijver voor de wet, maar het was een ijver voor de doode letter; de geest der wet was bij de meesten verloren gegaan. Geene zuivere, heilige godsvrucht dreef hen aan, voor de wet Gods te ijveren, maar huichelarij , eerzucht, hoogmoed, eigenwaan en schijnheiligheid. Met dien ijver voor de wet bedekten zij voorde oogen der menschen de verschrikkelijkste misdaden. Uit ijver voor de wet zullen zij den beloofden Messias aan het kruis hechten, den H. Stephanus steenigen, alle leerlingen van Christus lasteren en met doodelijken haat vervolgen. Die phariseesche geest, welke „muggen uitziftte en kameelen door-„zwelgdequot; (Matth. XXII, 24), beheerschte vooral de priesters en schriftgeleerden, die geroepen waren om het volk beter gezind te maken, ware vroomheid en godsvrucht in te boezemen. — Wel ontging het toenmaal den Joden nie*, dat het tijdstip gekomen was, waarop de voorzeggingen vervuld zouden worden en de lang Verwachte komen zou Met een vurig verlangen zagen priesters en volk naar den Messias uit, maar hunne hoop was, op weinige uitzonderingen na, geheel aardsch. Zij verbeidden een machtigen koning, die met groote pracht en heerlijkheid optreden, aan de spitse van een geducht leger de gehate volkeren der heidenen onder zijn juk brengende, een nieuw rijk stichten zou, waar de zonen van Abraham overvloed aan alles zouden hebben. Die aardsche gezindheid was de hoofdoorzaak, waarom de Verlosser door de zijnen niet werd aangenomen, de reden, waarom de woorden van Jesus vervuld zijn: „Ik zeg u, dat velen van het Oosten en „Westen komen zullen, en met Abraham, Isaak en Jacob „aanzitten in het rijk der hemelen, maar dat de kinderen „des rijks in de uiterste duisternissen zullen geworpen ..worden, waar geween zal zijn en knarsing der tandenquot; (Matth. VIII, II, 12).

DEUARBE, GELOOrSLEEIl. II. 3ie DRUK. g

-ocr page 128-

114

TOEPASSING.

Wanneer wij de geschieclems der eeuwen vóór Christus opmerkzaam en oplettend doorbladeren, ontmoet ons vor-schend oog veel, wat de wereld heerliik en groot noemde en nog noemt, veel, waarin volgens hare meening het geluk van den mensch bestaat. Wij vinden daar menschen, die in steden en paleizen van bewonderenswaardige grootheid en pracht hunne dagen in ledigheid en wellust doorbrachten , die hunnen schepter over tallooze volkeren uitstrekten, en met den roem van hunnen naam en den lof hunner heldendaden de geheele aarde tot zwijgen brachten, menschen, die als wijze wetgevers, als machtige veroveraars geprezen en bewonderd werden, menschen eindelijk, aan wie door honderd duizenden goddelijke eer gegeven werd. Doch onder die velen vinden wij er maar zeer weinigen, die waarlijk gelukkig zijn , wijl er slechts weinigen waren in wie God, de eenige bron van waar geluk, welgevallen had. Daarom verdwenen zij ook de een na den ander, en werden meestal door de straffende hand van God weggerukt. Enkel zij, die in den waren God geloofden, die op den beloofden Yerlosser hoopten en Gods gebod heilig hielden, alleen zij waren waarlijk gelukkig, omdat zij hunne vreugde vonden in God, en een voorwerp van zijn welgevallen waren. Joseph in den kerker, Daniël in den leeuwenkuil, de jVTachabeesche broeders in den doodstrijd, ^)b op den mesthoop, zij allen waren veel gelukkiger dan de trotsche koningen van Egypte, Babylonië, Syrië en al de wereldbeheerschende keizers van het heidensche Rome. Zij allen wisten, dat God hun vriend, hun vader en vergelder was, zij wisten, dat hun Verlosser leefde, dat zij eenmaal uit het graf opstaan en met hunne lichamelijke oogen den Heiland zien zouden; genen echter gingen na een kortstondig leven eene rampzalige eeuwigheid te gemoet. Eeeds op hun sterfbed en luider nog in het andere leven moesten zij uitroepen: „zoo zijn wij dan afgedwaald vau „den weg der waarheid, en het licht der gerechtigheid „verlichtte ons niet, en de zon der gerechtigheid ging voor „ons niet op! Wij zijn moede geworden op den weg der „ boosheid en des verderfs en wandelden door zware wegen, „maar den weg des Heeren kenden wij niet! Wat hielp „ons de trots? Wat baatte ons des rijkdoms pralerij? „Dat alles ging voorbij als eene schaduw eu als een voort-„ijlende bode en als een schip, dat de bewogen zes doorvaart, „waarvan men, is het voorbij, geen spoor vindt.... Alaoo

-ocr page 129-

115

„zijn ook wij geboren en weldra weder verdwenen en wij „kunnen geen teeken van deugd aanwijzen, maar door onze „boosheid werden wij voortgedrevenquot; (Wijsh. V, G—14). Wat nu was de oorzaak, dat zoo weinigen in God geloofden , op Hem hoopten en Hem beminden ? Vanwaar kwam het, dat zij hun oog van de Zon, die van den beginne de wereld met een hooger licht vervulde, afkeerden ? Zonder twijfel daarvan, dat zij den aardschen luister, die de zinnen treft en het hart bekruipt, als hun hoogste goed aanzagen en daarom het oog van hunnen geest niet tot de eeuwige Zon, die God is, verhieven; zij waren gelijk aan onverstandige kinderen, die het beeld der zon in een waterspiegel voor de zon zelve houden en, terwijl zij er naar grijpen, in den vloed omkomen. Liefde tot het zingenot hield de Heidenen terug van de kennis van God, die op velerlei wijzen tot hen sprak; verlangen naar eer, roem en rijkdom verblindde dermate het door goddelijk licht omvloten oog der Joden, dat zij zich herhaaldelijk van God afkeerden, en toen eindelijk God mensch werd om de wereld te verlossen, Hem niet erkenden, of liever niet wilden erkennen, wijl Hij zonder eenige aardscbe pracht en heerlijkheid in zijn eigendom kwam.

Waarde lezer, wilt gij waarlijk gelukkig, welgevallig in Gods oog worden, geloof in God, hoop op God, vertrouw op zijne beloften, volbreng in liefde zijne geboden. Sluit u bij Jesus den Verlosser aan, luister naar zijne stem, volg zijne voorbeelden. „Bemin niet de wereld noch alles, „wat in de wereld is\'\'; want de glans van alle wereldsche dingen is duisternis in vergelijking met het licht, dat van God uitgaat, om iederen mensch te verlichten, die in de wereld komt, in vergelijking met Jesus Christus, onzen goddelijken Verlosser.

Tweede Artikel des getaofs:

„En in Jesus Christus, z\'jn eeniggeloren Zoon,

onzen Heer.\'quot;

Het eerste artikel des geloofs omvat die geopenbaarde waarheden, welke op den „éenen God, den almachtigen Vader, Schepper van «hemel en aardequot; betrekking hebben. God de Vader is van eeuwigheid de oorsprong der beide andere goddelijke personen, en in den tijd werd Hij de Gever, Onderhouder en Bestuurder van alle zichtbare en onzichtbare dingen. Als zoodanig gaf Hij den menschen een gebod; maar het schepsel overtrad de wet van zijnen Heer en stortte zich in een onpeilbaren afgrond van verderf. Toen erbarmde Zich. de beste Vader over zijn diep gevallen kind, en beloofde het eenen

8*

-ocr page 130-

116

Verlosser. — De zes volgende artikelen, bevatten de geloofsleeringen, welke op dien Verlosser betrekking hebben. Zij duiden Hom achtereenvolgens aan als den Zoon des eeuwigen Vaders en als den Zoon der Maagd Maria, als waarlijk God en waarlijk mensch, die ons ten heil op aarde rondging, leed en stierf, die uit kracht zijner godheid van den dood opstond, die thans als Godmensch aan de rechterhand des Vaders zit, en eens zal wederkomen als Rechter van levenden en dooden. — Hier volgt derhalve de vraag:

IVat leert ons het tweede artikel der geloofsbelijdenis ?

Het leert ons , dat de Verlosser, door God aan de menschen beloofd en gezonden, de eeniggeboren Zoon Gods is, Jesus Christus onze Heer.

God, de algoede Vader, heeft den menschen een Verlosser beloofd, door wien alléén genade en heil zou verkregen worden. Het tweede artikel des geloofs geeft eenige nadere verklaringen van dien Verlosser, leert ons namelijk zijn naam, zijne goddelijke afkomst en zijne eigenschap als onze Heer.

Elk woord verdient onze aandacht; zelfs de uitdrukking inquot; mag niet voorbij gegaan worden. Na „en\'\' moet uit het eerste geloofsartikel „ik geloofquot; er bij gedacht worden. ,.En in Jesus Christusquot; beteekent aldus; „en ik geloof in „Jesus Christus, den eeniggeboren Zoon Gods evenzoo als „ik aan God den Vader geloof.quot; Het woordje „mquot; heeft hier dezelfde beteekenis als in het eerste artikel. In Jesus Christus gelooven is alzoo niet enkel gelooven, dat er een Jesus Christus bestaat; het beteekent niet alleen, aan de woorden van Jesus Christus geloof schenken, maar het beduidt ook de richting van den wil op Jesus Christus en zijne leer, het toont aan, dat men met vertrouwen en liefde zich aan Jesus Christus en zijne goddelijke leer overgeeft.

Wat wil zeggen „Jesus\'quot;

Jesus zegt zooveel als: Heiland of Verlosser.

1) Beteekenis van den naam Jesus.

De naam „Jesus,quot; welke den mensch geworden Zoon Gods gegeven werd, beduidt Heiland of Verlosser in den volsten zin. Volgens het getuigenis der H. Schrift hadden wel is waar anderen reeds dien naam gedragen, doch daar deze slechts in een zeer beperkten zin heilandeu of verlossers waren, d. i. dewijl zij slechts een enkel volk en slechts tijdelijk gelukkig maakten, slechts uit tijdelijke slavernij bevrijdden, was ook de beteekenis van hunnen naam slechts eene beperkte; hun naam was in vergelijking met den naam van den Godmensch, wat de schaduw is in vergelijking

-ocr page 131-

117

met het licht, het voorbeeld in vergelijking met de volheid der waarheid. Jesus of Josnë, de zoon van Nave, voerde het volk van Israël, hetwelk door Mozes uit de slavernij van Egypte bevrijd was, in het land der belofte; Jesus, de zoon van Josedek, bracht met Zorohabel de Joden uit de babylonische gevangenschap in hun vaderland terug: Jesus daarentegen, de eeniggeboren Zoon van God, bevrijdde alle volkeren der aarde van de slavernij des duivels, uit de boeien des eeuwigen doods; Jesus verloste alle menschen van de zonde en van alle vreeselijke rampen, welke door de zonde in de wereld zijn gekomen. Daarom sprak de Engel tot Joseph, den voedstervader van den Godmensch: „gij zult zijn naam Jesus noemen, want Hij zal zijn volk (het uitverkoren geslacht) „van hunne zonden verlossenquot; (Matth. I, 21). Jesus, de mensch geworden Zoon Gods, is bijgevolg de eenige, wien die naam in zijne ware en volkomen beteekenis toekomt. „Want er is geen andere naam „onder den hemel aan de menschen gegeven, waardoor wij „zalig kunnen worden\'\' (Hand. IV, 12 l).

2) HeiligJieid van den naam Jesus.

Die naam werd door den oneindig heiligen God van eeuwig heid den Heilige der heiligen toegedacht, en in den tijd door een dier zuivere geesten, die rondom den troon der heerlijkheid staan, den Zoon Gods reeds vóór zijne geboorte gegeven. Met dien naam begroette Maria, de heiligste moeder, haar goddelijk kind; van dien naam staat geschreven, „dat „hij boven allen naam is,quot; dat hem de hoogste vereering toekomt: „in den naam van Jesus moeten alle knieën zich „buigen van die in den hemel, op aarde en onder de aarde „zijnquot; (Phil. II, 10). Die naam vereert de heilige Kerk niet alleen op den dag der besnijdenis van den goddelijken Heiland, maar ook door een afzonderlijk feest, dat op den tweeden zondag na Drie-Koningen gevierd wordt, en het feest van den heiligen naam Jesus heet. Zij beveelt aan de piiesteis het hoofd vol eerbied te buigen, zoo dikwijls zij onder de H. Offerande der Mis dien aanbiddelijken naam uitspreken. Op het voorbeeld der Kerk betuigden ook alle Heiligen den diepsten eerbied voor den naam Jesus. De H. Paulus bad dien altijd in zijne gedachten, en uit de volheid des harten vloeiden daarvan zijn toespraken en brieven over. In zijne brieven vindt men den heiligen naam twee honderd en negentien maal opgeteekend, en wie aandachtig

\') Het bewijs dat Jesus waarlijk de beloofde Verlosser of Messias is , volgt in § ï.

-ocr page 132-

die geschriften leest, zal in deze opvallende herhaling een duidelijk hewiis van des Apostels diepste vereering van dien naam ontdekken. — De H. Franciseus van Assisi koesterde in zijn hart een zoo grooten eerbied voor den H. naam Jesns, dat zijne stem zoowel als zijne gelaatstrekken by het uitspreken er van zijne innerlijke gevoelens openbaarden. Hij ging hierin zóó ver, dat hij op zekeren dag zijne medebroeders vermaande, de stukjes papier, welke op den grond lagen, op te rapen, wijl hij bezorgd was, dat soms op een of ander de naam van Jesns kon staan. De H. Francisca van Chantal brandde den naam van Jesus met gloeiend ij zei-op hare borst, en de zalige Hendrik Suso sneed dien met een puntig mes op zijn hart. — Zorgen ook wij derhalve, den heiligen naam van onzen Verlosser met hart en mond te vereeren, dien nimmer en nergens zonder innerlijke aandacht en uitwendigen eerbied uit te spreken. Alles, wat ons aan dien goddelijken naam herinnert, alles, wat er betrekking op heeft, zij ons heilig en dierbaar; heilig het zinnebeeld, heilig de kerkelijke viering van dien naam, heilig vooral het gebruik van den vromen groet: „geloofd „zij Jesus Christus — in eeuwigheid! Amen.quot; Om dit zoo loffelijk gebruik te bevorderen, verleende Sixtus V, in het jaar 1587, een aflaat van honderd dagen aan degenen, die elkander met de woorden: „geloofd zij Jesus Christus — in eeuwigheid!quot; of „Amenquot; begroeten.

3) Kracht van den heiligen naam -Jesus.

De Heiland had tot zijne leerlingen gezegd: „in mijnen „naam zullen zij (de geloovigen) duivelen uitdrijven; nieuwe „talen zullen zij spreken; slangen zullen zij opnemen, en „indien zij iets doodelijks zullen gedronken hebben, het zal „hun niet schaden; kranken zullen zij de handen opleggen, „en zij zullen gezond wordenquot; (Marc. XVI, 17, 18). Vol vertrouwen op die belofte trokken nu de Apostelen uit Jerusalem naar de uiteinden der aarde, teekenden hunne schreden met wonderdaden, verjoegen den Satan uit zijne tempels, en grondvestten op de puinhoopen van het heidendom de Kerk van Christus. In den naam Jesus genas Petrus een man, die van zijne geboorte af kreupel was, en aan de poort des tempels van Jerusalem aalmoezen vroeg. „Zilver en goud heb ik niet;quot; sprak de prins der Apostelen, „doch hetgeen ik heb, dat geef ik u: in den naam van „Jesus Christus, den Nazarener, sta op en wandel!quot; (Hand. III, 5-, 6). Door de kracht van den naam Jesus gaf dezelfde Apostel aan den verlamde te Lydda de gezondheid, en aan Tabitha te Joppe het leven weder (Hand. IX). Door de kracht van den naam Jesus dreef Paulus te Philippi den

-ocr page 133-

119

duivel uit eene bezetene. De Apostel sprak tot den geest; „ik beveel u, in den naam van Jesus Christus, van haar „uit te gaan. En hij ging uit ter zelfder urequot; (Hand. XVI, 18). De naam Jesus was alzoo het wapen, waarmede de Apostelen en hunne opvolgers de wereld en de hel overwonnen hebben; de naam Jesus is in het algemeen voor iederen Christen een krachtige hulp tegen de aanvechtingen van de wereld en van den helschen geest. Herinneren wij ons dikwijls aan de woorden van den H. Gregorius van Nazianze: „de helsche geesten sidderen ook nu nog, als de „naam Jesus genoemd wordt,quot; en aan die van den H. Chry-sostomus in de negende homelie over den brief aan de Colossensers: „hetzij gij eet, hetzij gij drinkt, hetzij gij „onder weg zijt, doe alles in den naam Jesus, d. i. roep „dien aan. Doe alles in den naam des Heeren, en alles ..zal gelukken. Als gij met geloof den naam Jesus aan-„roept, zult gij ziekten van u verwijderen en duivels op de „vlucht jagen. En gebeurt het soms, dat gij de ziekte niet „kunt verdrijven, het geschiedt niet uit onmacht van dien . naam, maar wijl het aldus beter voor u is.. . . Doordien „naam is de wereld bekeerd, de tirannie opgeheven, de „duivel onder de voeten getreden en de hemel geopend.quot;

Roepen wij derhalve bij al onze ondernemingen, bij alle gevaren raar lichaam en ziel vol aandacht, geloof en vertrouwen, den naam Jesus aan, en wij zullen ook in ons zijne wonderbare kracht ondervinden. Laat anderen op eigen kracht, op menschelijke hulp, op bijgeloovige middelen bun vertrouwen stellen ; wij vertrouwen op den naam des Heeren, welken wij aanroepen. \') De namen der machtigsten dezer

J) Ter bekrachtiging van liet gezegde strakke de volgende gebeurtenis, welke wij in het leven van den godvruchtigen Thomas van Kempen vinden opgeleekend. Op zekeren dag verscheen de helsche geest in de cel van den vromen kloosterling. Onthutst begon de dienaar Gods met luider stemme de groetenis des Engels te hidden. De booze geest scheen er zich weinig om te bekreunen. Zoodra Thomas echter het woord „Jesusquot; uitsprak. nam hij, als door den bliksem gotrolïen , ijlings de vlucht. Nu erkende Thomas, hoe weinig de satan tegen den naam van Jesus bestand is, dankte God, dat hij een zoo gemakkelijk middel had gevonden, om de helsche machten op de vlucht te drijven en nam het besluit, nimmermeer voor de bedreigingen en aanvallen van den boozen geest bevreesd te zijn (Uit zijne levensbeschrijving door Rosweyde). — Dergelijke voorbeelden vindt men zeer veel in de levensbeschrijvingen der Oudvaders. De II. kluizenaar Antonins, die, gelijk bekend is, van dusdanige verschijningen en bekoringen veel te lijden had, richtte op zijn sterfbed nog de volgende vermaning tot zijne leerlingen ; ,/Gij kent de verschillende kunst-„grepen van den helschen geest; gij waart getuigen van zijne verwoede //aanvallen. Roept slechts Jesus aan; prent dien H. naam diep in uwe //harten; door een vast en kinderlijk geloof aan de kracht van dezen //naam zult gij de gansche hel verjagen.quot;

-ocr page 134-

120

wereld zullen verdwijnen, maar de naam van Jesus zal eeuwig geprezen worden.

4) Zoetheid en vertroosting van den naam Jems.

De naam Jesus is zoet en vertroostend, want hij herinnert ons aan alle weldaden, welke wij van den Godmensch ontvangen hebben en nog mogen verwachten. „De naam Jesus „is honig in den mond, een aangename klank voor het oor, „jubel in het hartquot; \') van iederen Christen. De zondaar denkt bij het uitspreken of aanhooren van den naam Jesus aan den goeden Eerder, die het verdwaalde schaap opzoekt en naar de schaapskooi terug draagt; aan den barmhartigen Samaritaan, die uit den hemel nederdaalt, om hem, den zwaar gewonde, te verplegen en heelenden balsem in de wonde te gieten; aan den goedigen vader, die bereid is, hem, den verloren zoon, met onbeschrijfelijke liefde op te nemen ; hij denkt aan het bloed, dat zijn Heiland aan het kruis voor hem vergoten heeft. Hoe zoet en troostvol is die gedachte voor het hart des zondaars 2). — Voor den rechtvaardige, den brave is de naam van den liefderijksten meester, van den trouwsten broeder en vriend, van den besten vader, den machtigsten beschermer en voorspreker, van het schitterendste voorbeeld aller deugden, van het kostbaarst onderpand van alle genaden en het eeuwige leven. Wat kan er zoeter en troostrijker voor hem zijn? 3) Wan-

\') S. Bern. Preek 15. over liet Hooglied.

-) De H. Ephrem had met een godvruchtigen jongeling, Julianus genaamd , innige vriendschap gesloten. Bij zekere gelegenheid bemerkte hij, dat de hoeken van zijn jeugdigen vriend in een slechten staat en vele woorden er in uitgewischt -waren; vooral was dit echter het geval bij den allerheiligsten naam Jesus. Toen Ephrem hem vroeg wat dit beteekende , gaf hij ten antwoord : ;/Ik kan u niets verbergen. «Er is voor mij op aarde geen naam zoo zoet en zoo liefelijk ais de ;/H. naam Jesus. Deze is immers de naam van mijn Verlosser, die »ons allen zoo onuitsprekelijk lief heeft gehad. Zoo dikwijls ik aan «die oneindige liefde denk, moet ik tranen van wederliefde en dank-„baarheid schreien; wanneer ik echter mijne zonden gedachtig ben, „dan staat mij terstond die zondares voor den geest, die den godde-„lijken Heiland naderde, zijne voeten met hare tranen bevochtigde en «vervolgens met de haren afdroogde, en ik kan mijne tranen niet „weerhouden. Telkens als mijn oog den H. naam Jesus ontmoet, „stort ik tranen van dankbaarheid of berouw; en daarom vindt gij «dien heiligen naam in mijne boeken op vele plaatsen onleesbaar en / //uitgewischtquot; (Stolberg\'s Religions-Geschichte).

De eerwaardige moeder Agnes van Jesus, uit de orde van den H. Dominicus . had reeds in hare jeugdige jaren Jesus als den Heer van hare ziel en van haar lichaam verkoren. Zij leidde een zeer afgezonderd en onschuldig leven; de beoefening der deugd was hare grootste zorg. Twintig jaren oud zijnde kreeg zij eene buitengewoon pijnlijke ziekte, welke maanden lang duurde. Nimmer hoorde men echter eene klacht uit haren mond ; zij zocht immer en vond telkens in hare onuitstaanbare smarten verzachting, namelijk door een blik

-ocr page 135-

I

121

neer de dood Eabij is, wanneer zijne angsten en smarten zich doen gevoelen, wanneer de machten der duisternis zich tot een laatsten aanval wapenen: hoe zoet, hoe troostvol is dan de raam van Jesus ! Daar vooral is die heilige naam eene uitgegoten olie, welke den stervende bijlicht tot in de eeuwigheid, hem krachtig en onoverwinbaar maakt in den beslissenden strijd, hem de bittere smart der scheiding verlicht. Toen de H. Mechtildis op haar sterfbed lag, hare pijnen ondragelijk en de behoringen vreeselijk werden, riep zij telkens: „o liefderijke Jesus, o goede Jesus!quot; en de hevigheid barer smarten nam af, en ook de bekoringen verdwenen. — Gelukkig de Christen, die, gelijk zoovele heilige dienaars en dienaressen Gods, met denzoeten naam Jesus op de lippen den laatsten adem uitblaast! — Hi] zal zijnen Jesus vinden en in Hem eindelooze zaligheid! — Mochten wij toch allen onder het getal dier gelukkigen behooren !

iï\'at wil zeggen „ Christus /quot;

Christus beteekent zooveel als gezalfde.

Jesus wordt gezalfde (in de grieksche taal Christus, in de hebreeuwsche Messias) genoemd, dewijl in het Oude Verbond de profeten, hoogepriesters en koningen met olie gezalfd werden, en Jesus onze hoogste Profeet, Priester en Koning is. — Dat de profeten, hoogepriesters en koningen met olie gezalfd werden, weten wij uit verscheiden plaatsen der H. Schrift. De Heer sprak tot Elias: „ga naar Da-„mascus, en als gij daar gekomen zijt, zalf Hazaël tot „koning over Syrië, en Jehu tot koning over Israël, en „Eliseüs tot profeet in uwe plaatsquot; (3 Kon. XIX, 15, 16). Eveneens zalfde Mozes op Gods bevel Aaron tot hooge-priester. De Heer sprak tot Mozes: „zalf en heilig Aaron , en zijne zonen, opdat zij als priesters Mij dienen\'\' (2 Mos. XXX, 30. Vergelijk XXIX, 7). — Die zalving-was eensdeels eene wijding, gelijk aan die, welke reeds in het Oude Verbond aan de voorwerpen, welke tot den godsdienst bestemd waren, gegeven werd; van den anderen kant was zij het teeken, dat God aan den gezalfde een der genoemde ambten opdroeg. De naam „gezalfde\' is

te werpen op het kruisbeeld en met teedere liefde en gelatenheid herhaaldelijk uit te roepen : „O mijn God , o mijn lieve en aanbiddelijke Jesus! wees duizend- en duizendmaal geprezen!\'\' (Uit Hun-gari\'s „Anecdotenschatz.quot;) Bij allen nood en bij alle lijden zij deze bede ook onze hulp en redding! ^

-ocr page 136-

122

alzoo, gelijk de romeinsche Katechismus opmerkt, een naam van de waardigheid en van het ambt. Die naam komt hij uitnemendheid en in den volsten zin aan Jesus, als den hoogsten Profeet, Priester en Koning toe. De zalving van Jesus was echter niet eene uiterlijke, met aardsche olie door een sterfelijk mensch toegediend ; zij was eene inwendige, waarvan de uitwendige een zinnebeeld is (1. Kon. XVI. 13), eene zalving met geestelijke olie door God den\' Vader zeiven volbracht. Het was de volheid aller genaden en gaven van den heiligen Geest, die op het oogenblik der vereeniging zijner menschelijke ziel met de goddelijke natuur in de rijkste mate over Hem uitgegoten werd. Daarom spreekt de H. Petrus (Hand. X, 38): „God heeft Jesus van „Nazareth met den H. Geest en met kracht gezalfd.quot; En Jesus past de woorden van den Profeet Isaïas op zich zei ven toe en zegt; „de geest des Heeren is over Mij, daarom „heeft Hij Mij gezalfd en gezonden om den armen het „Evangelie te verkondigen en de gebrokenen van harte ..te genezenquot; (Luc. IV, 18). De zalving van Jesus is, om alles met één woord te zeggen, de volheid der godheid, die in Hem woont.

Jesus Christus is derhalve 1) Leer aar of Profeet. De H. Petrus bewijst aan de Joden, dat Jesus van Nazareth degene is, van wien Mozes tot het volk sprak; „De Heer, „uw God, zal uit iiwe broederen u eenen Profeet, gelijk

..mij, verwekken..... alle ziele, die dezen Profeet niet

„hoort, zal uit den volke worden uitgeroeidquot; (Hand, III, 22, 23). Jesus is inderdaad Profeet, en niet alleen, omdat Hij het toekomstige voorspelde, hetgeen een hoofdbestanddeel van het profetenambt uitmaakte, maar ook wijl Hij als 1 eeraar de geheimenissen Gods openbaarde en den menschen door woord en voorbeeld alles leerde, wat zij gelooven, hopen en doen moeten, om tot de eeuwige zaligheid te komen; want hierin bestond de andere niet minder gewichtige taak van de profeten. Jesus Christus is Profeet of Leeraar, doch niet in den gewonen zin, gelijk er vele anderen worden gevonden; Hij is de hoogste, opperste, onfeilbare, algemeene, volmaakte Leeraar der menschen.

Hij is geenszins een leeraar gelijk de Profeten des Ouden Verbonds, die van een ander boven hen macht en zending om te leeren ontvingen , die zeiven door God moesten onderricht worden in datgene, wat zij aan het volk verkondigden, niet in eigen naam, maar als gezanten des Heeren; Hij is zelf God, de waarheid in persoon (Joan. XIV, 6). Hij leert in eigen naam, niet wat Hij van anderen heeft geleerd, maar wat Hij is, wat Hij in de hoogste volheid

-ocr page 137-

in Zich zeiven bezit. Er kan dan ook geen spraak sijn van feilbaarheid; in Christus spreekt de oneindige Waarheid zelve.

Wat zijne leer betreft, deze is de hoogste en verhevenste. welke den mensch gegeven is. Christus heeft ons niet alleen zekerheid gegeven omtrent die waarheden, welke de mensch . strikt genomen, ook door zijne eigen natuurlijke krachten kan kennen; Hij heeft de openbaringen Gods, reeds vroeger door de Profeten verkondigd., volmaakt en voltooid. In Christus is de waarheid zelve ons verschenen, de hoogde openbaring ons geschonken. Eene volmaaktere kan ons niet gegeven worden. De openbaring in Christus is voor alle volkeren en geslachten, voor alle plaatsen en tijden tot aan de voleinding der eeuwen (Matth. XXVIII, 19, 40; Marc. XVI, 15; Joan. X, 16).

Hieruit volgt, dat de openbaring in Christus, gelijk zij voor allen gegeven is, zoo ook voor allen én voldoende én noodzakelijk is ter zaligheid. Duidelijk leerde dit onze goddelijke Verlosser, als Hij tot Nicodemus zeide: „zóó „lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eeniggeboren „Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, „niet verloren ga. maar het eeuwig leven hebbe. Want „God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat „Hij de wereld zou oordeelen, maar opdat de wereld door „Hem zou behouden worden. Die in Hem gelooft, wordt „niet geoordeeld; maar die niet gelooft, is alreeds geoor-„ deeld, omdat hij niet gelooft in den naam van den eeniggeboren „Zoon van Godquot; (Joan. Ill, 16 —18). De openbaring in Christus ons gedaan en toegekomen staat dan ook in het nauwste verhand en den inniscsten samenhang met het werk onzer verlossing. Niet alleen als noodzakelijke voorwaarde , inzoover de mensch niet met God kan verzoend worden, noch het eeuwig geluk des hemels zich verwerven , zoo hij niet eerst God kent, zich zijne eigen bestemming bewust is, en de middelen weet, waardoor hij deze bereiken moet.

De waarheid in Christus ons geopenbaard is zelve eene kracht Gods in ons werkende ter zaligheid (Rom. I, 16). Als van God uitgegaan is zij noodzakelijk vijandig aan alles, wat met God strijdig is, en moet zij tot vereeniging met God voeren. Zij kan niet ernstig in den zondaar worden opgenomen, zonder dat zij eene heilzame vrees bij hem opwekt voor Gods gestrenge en rechtvaardige oordeelen, schrik voor de zonde, hoop op vergeving, en verlangen naar bekeering bij hem doet ontstaan. Zij, de waarheid. het woord van God, is levend en werkdadig, meer doordringend

-ocr page 138-

124

dan alle tweesnijdend zwaard (Eom. IV, 12) , in de ziel de gelukkigste schifting en scheiding uitwerkend, den zondaar van zijne zonden, het hart van zijne driften scheidende. Vandaar dan ook, dat de Kerkvergadering van Trente het geloof, d. i. de erkende en aangenomen waarheid, noemt niet alleen het begin, maar ook den grondslag en den wortel van alle rechtvaardiging.

Wat die kracht nog verhoogt, is, dat Christus zelf het volmaaktste toonbeeld is van al datgene, wat Hij aan zijne leerlingen ter beoefening voorstelt. Hij is niet alleen de waarheid, ook de heiligheid zelve. Hij kon terecht spreken; ,.Ik „heb u een voorbeeld gegeven, opdat gelijk Ik gedaan heb, „ook gij doen zult1\' (Joan. XIII, 14).

Eindelijk, de waarheid, in Christus ons geopenbaard, bevredigt al onze zedelijke behoeften. Zij is een licht voor den geest, overvloedig bestralende zoowel den geleerdsten als den onwetendsten mensch. Niet minder schenkt zij bevrediging aan het menschelijk hart. Zij kweekt het gevoel der zedelijke vrijheid (Joan. VIII, 31) en der zedelijke kracht (Phil. IV, 13), en in dezelfde mate als zij wordt beoefend, sterkt zij in den mensch het blijde bewustzijn, dat hij kind is van God, schenkt zij hem den vrede als voorsmaak der toekomstige zaligheid.

Zoo worden wij in de waarheid van Christus geheiligd.

Eveneens was Jesus 2) Priester, niet naar de levitische orde, maar volgens de orde van Melchisedech (Hebr. V, 6). Daarom zegt Paulus ; „Daar wij een zoo grooten Hooge-

„priester hebben.....Jesus, den Zoon Gods, zoo laat ons

„vasthouden aan de belijdenis\'\' (van ons geloof) (Hebr. IV, 14). Jesus is Priester, omdat hij alle priesterliike bedieningen volbracht heeft en ook thans nog volbrengt. Christus, als Hoogepriester van het menschelijk geslacht beloold en in de wereld gekomen, heeft, zich zeiven ten oöer brengend op het hout des kruises aan den hemelschen Vader, voor ons en in onze plaats de straf der zonde ondergaan , daardoor overvloedig onze schuld afgeboet, Gods rechtvaardigheid bevredigd, het onrecht Gode aangedaan hersteld, ons met God verzoend, en voor allen niet slechts vergeving van zonden en kwijtschelding van de straffen der hel verdiend, maar ook herstel in Gods liefde, aanneming tot zijne kinderen en erfgenamen des hemels, overvloedige genaden eindelijk, om, hersteld in het leven der rechtvaardigheid, daarin te volharden en het eeuwige leven der glorie te verdienen.

Het ofler des kruises is zeker de voornaamste, maar niet de eenige hcogepriesterlijke handeling van Christus. Ook

-ocr page 139-

125

de voorbede voor het volk behoort tot de bediening des priesters. Vandaar, dat wij den Verlosser zoo dikwerf ge-heele nachten zien doorbrengen in het gebed. Hij bad dan voor zijn volk, dat hij kwam verlossen van de zonde.

Christus is Hoogepriester in eeuwigheid, gelijk de konink-lijke Profeet reeds had voorzegd, en Paulus bevestigt: „omdat Christus in eeuwigheid blijft, heeft Hij een eeuwig-„durend priesterschap\'\' (Hebr. VII, 24). Wat Hij als Hoogepriester voor ons op aarde heefquot; gedaan, zet Hij voort in den hemel èu door de voortdurende en onafgebroken toepassing van het eenmaal aan het kruis voltrokken offer èn door altoos onze voorspreker en middelaar te zijn bij den Vader, „daar Hij altyd leeft om voor ons te biddenquot; (Hebr. VII, 25).

Jesus, eindelijk, is ook 3) Koning. Hij getuigt dit van zich zeiven bij Joannes XVIII, 37. Immers op de recht-streeksche vraag van den romeinschen landvoogd Pilatus, of Hij een Koning is, antwoordt Christus: „Gij zegt het, ,.Ik ben Koning. Daartoe ben Ik geboren en daartoe in „de wereld gekomen.quot; Christus is de nieuwe stamvader van ons geslacht, de tweede Adam, gelijk de Apostel Hem noemt; Hij heeft ons vrijgekocht en voor zich veroverd ten koste van zijn H. Bloed, en is derhalve met volle recht onze Koning. Reeds in den staat zijner vernedering, gedurende zijn verblijf op aarde, gaf Christus bewijzen zijner koninklijke macht door de wonderen, welke Hij in eigen naam verrichtte; door de heerschappij , welke Hij over de helsche geesten voerde, door de vergeving van zonde, welke Hij schonk, door de kwij tschelding van zondestraffen, welke Hij verleende. Met zijnen dood hield de staat zijner vernedering op, en begon de volleuitoefening zijner koninklijke machtsvolkomenheid, om door zijne verryzenis en hemelvaart tot de hoogste heerlijkheid te worden opgevoerd..

Het koningschap van Christus overtreft alle koningschap dezer wereld. Elke aardsche koning, hoe groot hij ook zij, ziet grenzen gesteld aan zijne macht, aan zijne wijsheid en goedheid; hij is niet gevrijwaard voor feilen en misslagen in zijn bestuur, daar menschelijke zwakheid en menschelijk onvermogen hem aankleeft. Christus daarentegen kent geene grenzen noch aan zijne macht, noch aan zijne goedheid. Hij regeert en bestiert naar zijn welgevallen, maar immer rechtvaardig, altijd met oneindige wijsheid en goedheid, terwijl niets in staat is, zijne plannen te verijdelen, maar zelfs dat, wat schijnt tegen te werken, door Hem dienstbaar wordt gemaakt aan de vervulling zijner oogmerken.

-ocr page 140-

126

Eik koninkrijk dezer aarde is beo-rensd in ruimte en in rijd. Christus\' rijk duurt eeuwig, strekt zich uit over allen. Ook de hemelsche geesten zijn Hem onderdanig, en zelfs zij, die voor altijd uit zijn rijk zijn verstoeten, blijven onderworpen aan zijne macht, daar het doemvonnis, wat Hij eenmaal over hen uitsprak, hen voor eeuwig houdt ingesloten in de kolken der hel.

Het doel ook van Christus\' koninkrijk overtreft oneindig ver dat van elk ander. Dat doel toch is niet tijdelijke voorspoed, aardsche zegeningen of wereldsch geluk; neen, quot;t is geen ander dan de heiliging en de eeuwige zaliging des menschen, de overplanting van ieder en mensch in het hemelsch vaderland.

Het rijk van Christus is, gelijk Hij zelf zeide, niet van deze wereld. Toch is het ook in deze wereld. In zijne hoogste volkomenheid wordt het rijk van Christus gevonden in den hemel, waar Hij alles in allen is, waar de Engelen en Heiligen onafscheidelijk met Hem zijn vereenigd en zijne glorie en zaligheid deelen.

Een lageren trap van volkomenheid heeft het rijk van Christus in het vagevuur. De zielen zijn daar wel verzekerd, voor eeuwig met Hem vereenigd te worden, maar bezitten Hem nog niet in zijne heerlijkheid en zijn nog niet volmaakt gelukkig.

Eindelijk ook op aarde wordt het rijk van Christus gevonden. Hij is hier het onzichtbaar hoofd zijner Kerk, welke hij leidt en bestuurt, om haar tot het eeuwig vaderland te voeren.

Later, over de Kerk sprekende, vinden we gelegenheid, dit nader te verklaren.

Jesus is echter niet Profeet, Priester en Koning gelijk anderen, die vóór zijne tijdelijke geboorte die ambten bekleedden: Hij is de hoogste Profeet, de hoogde Priester, de hoogste Koning. Niemand was en niemand wordt gelijk Hij gezalfd met de volheid der godheid; niemand gelijk Hij geroepen en gezonden om Leeraar, Priester en Koning van alle volkeren en van iederen mensch in het bizonder te zijn ; niemand gelijk Hij bestemd, zijn ambt uit te oefenen tot aan het einde der tijden. Even als Jesus alleen in den volsten zin Heiland of Verlosser is, is Hij ook alleen in den volsten zin Profeet en Leeraar, Priester en Koning. De profeten, priesters en koningen vóór Hem waren slechts zijne verkondigers en voorafbeeldingen; de leeraars, priesters en koningen na Hem zijn enkel zijne plaatsbekleeders, en als zoodanig verplicht. Hem in de waarneming dier ambten na te volgen. — Jesus is bijgevolg de „groote Profeetquot;\'

-ocr page 141-

127

(Lue. VII, 16), „de Heer der Profeten, de hoeksteen en „de wijding van het profetendomquot; (Aldus de H. Augustinus, Verb. 24 over Joan. n. 7). Hij is de Hoogepriester, „heilig, „schuldeloos, onbevlekt, afgescheiden van de zondaars en „hooger dan de hemelquot; (Hebr. VII, 26). „Op zijn kleed „staat geschreven: Koning der koningen en Heer der heerenquot; (Openb. XIX, 16), „ziine macht is eeuwige macht, die niet „afgenomen, en zijn rijk, een rijk dat niet verwoest wordt\'\' (^Dan. VII, 14). „Hem, den eenigen God, zij eerenheer-„lijkheid in alle eeuwigheid! Amenquot; (1. Tim. I, 17).

Waarom wordt Jesus Christus de ^eeuiggeboren Zoon „ Gods\' genoemd ?

Jesus Christus wordt genoemd de eeniggeboren Zoon van God, den Vader, omdat Hij als de tweede persoon der allerheiligste Drieëenheid de eenige, ware en eigenlijke Zoon Gods van eeuwigheid is, één van wezen met God den Vader.

Dat de eerste persoon in de godheid van eeuwigheid af in den waren en eigenlijken zin Vader is, en als zoodanig een waren en eigenlijken Zoon voortbrengt, die volkomen aan Hem gelijk en van een en hetzelfde wezen met Hem is, dit werd reeds in de leer over de H. Drieëenheid vrij breedvoerig besproken en tevens gezegd, dat deze Zoon de tweede persoon in de godheid is, het eeuwige Woord. — Buiten dit goddelijk Woord, dat in den tijd vleesch geworden en met den naam „Jesusquot; genoemd is, is er geen andere Zoon Gods in den waren zin, wijl er geen andere is, die van eeuwigheid door God den Vader voortgebracht en met Hem van hetzelfde wezen is. Want ofschoon ook de H. Geest van een en hetzelfde wezen met den Vader is en van Hem zijn oorsprong heeft, is deze toch niet Zoon, dewijl ilij van den Vader en den Zoon tegelijk uitgaat, maar geenszins voortgebracht of geboren worde. Jesus Christus is dus alleen de ware, van eeuwigheid af geboren Zoon Gods; Hij alleen is, gelijk de geloofsbelijdenis van Ni.cea leert, „God .,,van God, licht van licht, ware God van den waren God, „geboren, niet geschapen, één van wezen met den Vader,quot; bijgevolg even machtig, even goed en volmaakt als de Vader. Van het licht komt licht voort, van het mostaardzaadje eene mostaardplant, van den mensch wordt een mensch, en van God wordt God geboren, d. i. de eenige Zoon, die ééns en dezelfde goddelijke natuur als de Vader heeft.

Wel is v/aar zijn ook de Christenen door den H. Doop

-ocr page 142-

128

Underen, zonen van God geworden. De H. Joannes (1. Br. Ill, 1) leert het uitdrukkelijk met de woorden : „ziet, welke „liefde de Vader ons bewezen heeft, dat wij Gods kinderen „heeten en zijn.quot; Doch wij zijn niet in denzelfden zin kinderen, zonen van God als Jesus Christus. Hij is van natuur en van eeuwigheid af Zoon Gods ; wij echter zijn het niet van natuur, maar door de goddelijke genade, welke de H. Geest in onze harten heeft uitgestort. Wij zijn ook niet zonen Gods van eeuwigheid; wij zijn het eerst in den tijd, door genadevolle aanneming tot kinderen, geworden. Want, zoo leert de H. Paulus (Gal, IV, 4—6), „toen de volheid des „tijds kwam, zond God zijnen Zoon (den eengeborenen), „opdat wij als kinderen zouden aangenomen worden. Wijl „gij echter kinderen zijt,\'\' dus gaat de Apostel voort, „zond „God den Geest zijns Zoons in onze harten, die roept: „Abba, Vader.quot; Daarom zegt ook de H. Joannes (I, 12): „allen, die Hem (den mensch geworden Zoon Gods) hebben „ontvangen,quot;\' d. i. die zijne heiligmakende genade, den geest van het kindschap in hunne harten opnamen „hun gaf Hij „de macht kinderen Gods te worden.quot; — Tusschen een aangenomen en een geboren vorstenzoon is voorwaar een groot en wezenlijk onderscheid. Wat gene uit louter goedheid ontving: adel, waardigheid, aandeel van het vorstelijk erfgoed, dat bezit deze als een geboorterecht. Maar nog on-vergelijkeiijker, ja oneindig grooter is het onderscheid tusschen den eeuwigen, eengeboren Zoon Gods en al degenen, die door de genade als kinderen zijn aangenomen; want Christus is de goddelijke natuur met al hare oneindige volmaaktheden eigen; voor de overigen kan die natuur onmogelijk eigen worden: Christus is God, de anderen zijn en blijven schepselen. Daarom sprak God tot niemand, noch van de menschen, noch van de Engelen: „Gij zijt mijn Zoon „heden (nu, ieder oogeublik, van eeuwigheid) heb Ik U „voortgebracht\'\' (Hebr. I, 5). Zóó sprak Hij alleen tot Jesus Christus, den Messias. „De Heer (God de Vader) „sprak tot Mij zegt de koninklijke Profeet in den persoon van den Messias, „Gij zijt mijn Zoon, heden heb Ik U „geteeldquot; (Ps. II, 7). Zelfs de Joden verstonden deze woorden als door den Psalmist gesproken van den Messias.

Hoewel Jesus Christus de meuschelijke natuur heeft aangenomen , en als mensch niet van óéne en dezelfde natuur met Grod den Vader is, kan men toch geenszins zeggen, dat Hij als mensch niet de ware, maar slechts een aangenomen Zoon van (iod is. Want ofschoon Hij naar de menschelijke natuur niet door God voortgebracht, maar geschapen is, wordt Hij evenwel als mensch en als (iod met het volste recht als de ware, eengeboren Zoon Gods genoemd, dewijl in zijn i\'énen goddelijken persoon menschheid en godheid onafscheidelijk

-ocr page 143-

129

vereenigd zijn. \') „God,quot; zegt de H. Paulus (Rom. VIII, 32), „heeft «zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar Hem voor ons allen ten „beste gegeven.quot; En Jesus zelf spreekt (Joan. III. 16): „Zoozeerheeft „God de wereld lief gehad, dat Hij zijn eengeboren Zoon ten beste „gaf.quot; üit deze en dergelijke plaatsen van de H. Schrift blijkt, dat Jesus ook als mensch de „eigenquot; en „eengeborenquot; Zoon Gods is; want het is duidelijk, dat Hij als mensch aan het lijden en den dood werd overgegeven, daar Hij als God noch lijden noch sterven kon. Ook van den aan het kruis gestorven Heiland mogen en moeten wij derhalve zeggen; „Waarlijk deze mensch is Gods Zoon.quot; 1) Wij onderscheiden wel ten gevolge der mensch wording twee geboorten, eene eeuwige en eene tijdelijke, maar wij nemen daarom toch volstrekt niet twee Zonen aan. Immers Hij, die van eeuwigheid af uit den schoot des Vaders voortkwam, en Hij, die in den tijd uit de H. Maao-d Maria geboren werd, is de eene en\'dezelfde goddelijke Zoon, gelijk in het derde artikel des geloofs zal aangetoond worden.

Waarom wordt Jesus Christus ronze Heer\' genoemd?

Jesus Christus wordt genoemd en is onze Heer, 1) als God, omdat Hij één met den Yader, even als deze Heer en Schepper van hemel en aarde is; — 2) als mensch, wijl Hij in de menschelijke natuur ons verlost, derhalve als zijn

1

) De leer, dat Jesus Christus als mensch slechts een aangenomen Zoon van God is, werd in de laatste helft der achtste eeuw door twee spaansche Bisschoppen, Felix en Elipandus, verbreid, maar spoedig door vele kerkelijke Synoden zoowel in Duitschland als ook in Spanje, en door de Pausen Adrianus I en Leo III verworpen. Opmerkelijk zijn de ivoorden, waarmede de frankforter Synode, welke onder het voorzitterschap van den pauselijken legaat, in het bijzijn van Karei den Groote, gehouden werd, haren eerbied voor de leer der HH. Vaders aan den dag legde. „Houdt u.quot; dus schrijft zij aan de Bisschoppen van Spanje, „binnen de perken der HH. Vaders; volgt „hen stap voor stap na; gelooft vast, wat zij uitgesproken hebben, „dat zal u genoeg zijn. De HH. Vaders waren onze leeraars in den „Heer, onze leidslieden op den weg des levens.quot; En tot de ketters zich wendende: „Gij allen, wie gij ook zijn moogt, die u vermeet, „Christus een aangenomen Zoon te noemen j zegt eens, van waar hebt quot;Sy die leer, die benaming? De Patriarchen hebben niets van dien „naam geweten, de Profeten hem niet gebruikt, de Schriftverklaarders „niet uitgesproken, de leeraars van ons geloof niet overgeleverd. Zijt //gij wellieht in den derden hemel opgeklommen en hebt gij soms „geheimvolle woorden gehoord, die totdusverre in de H. Kerk nooit „gehoord zijn geweest ? ... Gij vraagt misschien, waarom men er „bezwaar in vindt, Christus een aangenomen Zoon te noemen. Welaan, „ik zal het u zoggen: omdat noch de Apostelen zoo geleerd hebben, „noch de heilige katholieke Kerk zich van die benaming bedient, „maar integendeel, afgaande op het getuigenis der Apostelen en de „leer der HH. Vaders, Christus immer den eigenlijken Zoon Gods „noemt.quot; — Karei de Groote drukte zich te zelfder gelegenheid aldus uit. „Wat mij betreft,quot; schreef hij onder anderen aan den Bisschop Elipandus, „ik houd mij met de volste overtuiging en van ganscher „harte aan de apostolische overleveringen der katholieke Kerk,quot;

DEUAKBE, GELOOfSI.EEH. II. 33e DRUK. Q

-ocr page 144-

130

eigendom met zijn bloed vrijgekocht heeft, en in diezelfde natuur eenmaal onze rechter, en eeuwig ons hoofd en koning zijn zal.

Veel wordt er in de H. Schrift aangaande den Verlosser gezegd, waarvan Hem het een inzooverre Hij God is, het ander inzooverre Hij mensch is, toekomt. Als God is Jesus Christus almachtig, eeuwig, alom tegenwoordig; als mensch daarentegen heeft Hij geleden, is Hij gestorven en verrezen. Echter, merkt de romeinsche Katechismus aan (Deel I. art. 2. n. 16) , komen Hem bovendien nog eenige eigenschappen naar de goddelijke en menschelijke natuur te gelijk toe, zoo bijv. hier, dat Hij „onze Heer\'\' d. i. de eigenaar en onbeperkte gebieder van ons allen is.

Als God is Jesus Christus één met den Vader, een en de hoogste Heer, die hemel en aarde uit niets geschapen heeft, en al het geschapene met oneindige wijsheid en macht behoudt en regeert. „ Door Hem, het eeuwige Woord, is „alies gemaakt geworden en zonder Hem werd er niets „gemaakt, wat gemaakt isquot; (Joan, I, 2) , „Hij draagt alles „door het woord zijner krachtquot; (Hebr, I, 13). Wij zijn alzoo met lichaam en ziel zijn eigendom, zijne dienaars in den strengsten en ruimsten zin des woords. Gelijk, „het „leem in de hand des pottenbakkersquot; zijn wij , de schepselen, allen in zijne hand (Jerem. XVIII, 6). Een woord uit zijn mond, een wenk van Hem moet ons genoeg zijn, om met de diepste onderdanigheid en met onverbreekbare trouw zijnen goddelijken wil te volbrengen. „Houdt mijne geboden,quot; spreekt Hij , „en vervult die. Ik ben de Heerquot; (3. Mos. XIX, 37). Wie zou Hem, den Opperheer, gehoorzaamheid kunnen weigeren, wie ongestraft zich tegen Hem verzetten ? „Heer, Heer, almachtige Koning, in uwe macht

„is alles gelegd, en er is niemand, die U kan wederstaan____

„Gij hebt hemel en aarde gemaakt en alles wat onder den „hemel is, Gij zijt de Heer van alles, en er is niemand, „die met ü, den Heer, kan vergeleken worden\'\'(Est. XIII, 6—11). „Wie zou U, Koning der volkeren , niet vreezen?quot; (Jerem. X, 7).

2) Ook als mensch is Jesus Christus onze Heer. Want — a) toen wij door de zonde in de slavernij des duivels gekomen waren en den eeuwigen dood verdiend hadden, daalde Hij van den hoogen hemel op de aarde af, nam de menschelijke natuur aan, om ons uit de slavernij van den vorst der duisternis los te koopen en van den eeuwigen dood te verlossen. „De Heiland kwam,quot; zegt de H. Augustinus (Verh. 120 over Joan.), „en betaalde den losprijs; Hij „vergoot zijn bloed en kocht de wereld vrij.quot; Alzoo „niet „met vergankelijk goud en zilver zijn wij vrijgekocht.

-ocr page 145-

131

„maar met het kostbaar bloed van Christus , als van het „onbesmet en vlekkeloos lamquot; (1 Petr. I, 18, 19). Heeft Jesus Christus ons door den duren prijs van zijn bloed vrijgekocht, dan behooren wij Hem ook in eigendom toe. Daarom schrijft de H. Paulus aan die van Corinthe (l.VI, 12, 20): „Weet gij niet.... dat gij niet u zeiven toebe-„hoort? Gij zijt duur gekocht.quot; Jesus is bijgevolg niet enkel als Schepper, maar ook als Verlosser, en wijl Hi] ons in de menschelijke natuur verlost heeft, ook als mensch onze Heer. — b) Daarom zal Hij ook eenmaal als Hechter wederkomen, om van ons rekenschap te vragen, of wij Hem trouw gediend, zijn heiligen wil zoo stipt mogelijk vervuld hebben. En gelijk Hij eens als mensch in de diepste vernedering voor den heidenschen landvoogd Pilatus stond, en tot ons eeuwig heil het vonnis\'van den schandelijken kruisdood over zich liet uitspreken , zoo zal Hij ook aan het einde der tijden als mensch met groote macht en heerlijkheid verschijnen, om te oordeelen de levenden en de dooden. Daarom spreekt Petrus (Hand. X, 42): „Hij „(Jesus van Nazareth) heeft ons geboden, aan het volk te „verkondigen en te getuigen, dat Hij het is, die door God „is aangesteld tot Rechter over levenden en dooden.quot; En Jesus zelf zegt bij Joannes (V, 22 en 27): „De Vader „oordeelt niemand, maar heeft alle oordeel aan den Zoon

„gegeven..... Hij heeft Hem macht gegeven, oordeel te

„houden, omdat Hij de Zoon des menschen is.quot; — c) En gelijk Jesus eens als mensch aan het kruishout opgeheven, bespot, gelasterd werd en den geest gaf, heeft God, de rechtvaardige Vergelder, ook zijne allerheiligste mensch-heid boven alles verheven en verheerlijkt. „Hij heeft Hem „uit den dood opgewekt en aan zijne rechterhand in den „hemel geplaatst, ver boven alle Overheid en Macht en „Kracht en Heerschappij of met welken naam die ook ge-„noemd worden, niet slechts in deze wereld, maar ook in „de toekomende. Alles heeft Hij zijnen voeten onderworpen „en Hem tot Hoofd gesteld over de geheele Kerk, die „zijn lichaam isquot; (Eph. I, 20—23. Vergelijk Philip. II, 8—11 en Col. 1, 18).

TOEPASSING.

Twee heeren, lezer, maken aanspraak op uwen dienst, namelijk Jesim, uw God en uw Verlosser, uw toekomstige Sechter, uw eeuwige Koning, en Lucifer, de vorst der hel, de grimmige vijand van God en van de menschen. Jesus roept u vol liefde toe : „Volg Mij na,quot; onderwerp aan Mij uw ver-

9*

-ocr page 146-

132

stand door het geloof, schenk Mij uw hart door hoop, liefde en gehoorzaamheid. Hij noodigt u uit, Hem te dienen, en zijne geboden te volbrengen, om u hier op aarde en in het andere leven gelukkig te maken. Lucifer daarentegen tracht met list u over te halen , aan zijne leugenachtige beloften en voorspiegelingen geloof te schenken , begeerig te haken naar de ijdele goederen, welke hij u voorhoudt; hij wil over u heerschen, om u voor eeuwig in het ongeluk te storten. Deze beide heeren kunt gij onmogelijk tegelijk dienen. „Niemand,quot; zegt Jesus Christus, „kan twee heeren dienenquot; (Matth. VI, 24). „Of wie kanquot;, vraagt de Apostel, „het „licht met de duisternis overeen brengen ? Wat overeen-„stemming is er tusschen Christus en Belial ?quot; (2. Cor. VI, 14, 15). — Het staat u evenmin vrij, u noch aan den een, noch aan den ander te onderwerpen. Immers „wie niet „voor mij is ^ is tegen Mijspreekt Jesus, de hemelsche Koning (Matth. XII, 30). En inderdaad, gij bemint God bovenal en onderhoudt zijne geboden, of wel gij doet het niet: in het eerste geval dient gij God , in het tweede geval dient gij den satan, wiens wil gij volbrengt.

Wien wilt gij volgen, Christen ? Zie, beide heeren hebben in de wereld hunne legervanen geplant; beide zijn voortdurend met elkander in strijd. Zonder twijfel hebt gij het vast besluit gemaakt onder de vaan van Jesus Christus te strijden. Zou het niet de schandelijkste trouweloosheid, de zwartste ondank en tegelijk de onbegrijpelijkste dwaasheid zijn, bijaldien gij zoudt weigeren, een dienaar en krijgsman van Christus te zijn ? — Hebt gij niet bij den H. Doop plechtig den duivel verzaakt, en aan Jesus uw eenigen Heer en Heiland eeuwige trouw gezworen ? Hebt gij sedert dien tijd niet dikwerf, door de vernieuwing der doopbelofte en door goede voornemens, dien heiligen eed van trouw herhaald ? O! hoe schandelijk zou het voor u zijn, ten aanzien van geheel het hemelsch hof uwen Jesus te verraden, de banier, waarop zijn aanbiddingswaardige naam prijkt, lafhartig te verlaten en bij uwen en uw\'s Konings doodsvijand dienst te nemen ? — Zoudt gij kunnen vergeten en miskennen, wat Jesus voor u gedaan, wat Hij voor u geleden heeft ? Zoudt gij kunnen vergeten, dat het Hem bloed en leven gekost heeft, om u uit de slavernij des duivels te verlossen en het u mogelijk te maken, door het H. Doopsel in zijne uitverkoren legerschaar te treden? Zoudt gij kunnen vergeten , dat Hij u ia den strijd voorging, alle moeielijk-heden daarvan het eerst verdroeg, dat Hij u steeds terzijde staat om uwen arm te sterken, uwe wonden te genezen ? Zoudt gij daartoe in staat zijn : hoe groot zou dan uwe

-ocr page 147-

133

ondankbaarheid niet wezen ? — En welk loon belooft de helsche vorst zijnen dienaars? Goederen, waardoor zij al meer en meer in zijne strikken verward raken, goederen, welke ben al dieper en dieper in bet verderf storten, namelijk rijkdommen, eeretitels, ongeoorloofde vermaken en genietingen , goederen, op welke men zoo terecbt de woorden kan toepassen van de H. Schrift: „Wat baat het den mensch, „als hij de gebeele wereld wint, maar schade lijdt aan zijne „ziel?quot; (Matth. XVI, 26). Met allerlei voorspiegelingen en ijdele verwachtingen houdt de satan zijne ongelukkige slaven vast, totdat de dood in de zonde hen voor immer aan zijne keten smeedt. Wel wetend, dat hij niet bij machte is iets te geven, trekt hij nochtans de oogen van duizenden op aardsche goederen en genietingen, en fluistert een ieder toe, wat hij eenmaal tot den Godmensch sprak: „Dit alles „zal ik u geven, als gij neêrvalt en mij aanbidtquot; (Matth. IV, 9). Hem, die dwaas genoeg is, op zijne leugenachtige beloften te vertrouwen, rukt hij met zich in de eeuwige verdoemenis mede: zoo loont satan zijne aanhangers. — Hoe zeker daarentegen en hoe heerlijk is het loon, dat Jesus zijnen kampvechters belooft? Het is niet minder dan zijne eigen, eeuwige, onbeschrijfelijke heerlijkheid in het rijk zijns hemelschen Vaders. „Waar Ik ben,quot; zegt „Hij, daar zal ook mijn dienaar zijnquot; (Joan. XII, 26). „Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, „die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij mijne heerlijkheid zienquot; (Joan. XVII, 24). £n millioenen van uitverkorenen, die nu en in alle eeuwigheid zich voor den troon van den Koning der glorie in hunne overwinning verheugen en uit de bron van eindelooze zaligheid drinken, geven getuigenis van de waarachtigheid en getrouwheid zijner beloften.

Welaan, christen lezer, volg dan Jesus, uwen Heer en Koning, in den heiligen strijd tegen den vorst dezer wereld en der duisternis, „die rondgaat als een brullende leeuw, „zoekende, wien hij zal verslinden; wedersta hem, sterk „in het geloofquot; (1. Petr. V, 8, 9). Voer als een ridderlijk krijgsman van Christus ook strijd tegen de bondgenooten van den Satan, strijd tegen de booze wereld; overwin de verkeerde neigingen van uw hart, de ijdelheid, den hoogmoed, de zucht naar eer en verboden vermaken; gedoog niet, dat zij met uwen vijand in verbond treden, en u een verrader maken van Christus\' krijgsvaan. Verlies in dien heiligen krijg, waar het Gods eer en uwe eeuwige zaligheid geldt, uwen aanvoerder nimmer uit \'t oog; treed in zijne voetstappen, al zouden zij u langs den ruwen kruisweg op den Kalvarieberg voeren; gebruik de wapenen, welke Hij u

-ocr page 148-

134

aan de hand geeft; het gebed, de geestelijke lezing, de versterving der zintuigen. Neem het Brood der sterken en drink uit den kelk, welken Hij u aanbiedt, om u met een heiligen strijdlust te vervullen. Alsdan, waarde Christen, moogt gij eenmaal, aan het einde van uwe strijden zegebaan gekomen, vol zaligen troost uitroepen: „Ik „heb den goeden strijd gestreden, den loop voleind, het „geloof bewaard; voor het overige is mij de kroon der gerechtigheid weggelegd, welke de Heer, de rechtvaardige „Rechter, mij op dien dag geven zal (2. Tim. IV, 7, 8) ■).

\') Het voorbeeld der veertig martelaren van Sebaste zal ons leeren, dat wij onder de vaan van Jesus Christus standvastig tot in den dood moeten strijden. Gelukkig degenen, die ten einde toe volharden! Maar wee den Christen, die midden op den goeden weg zich omkeert, en trouweloos naar liet leger van den vorst der duisternis overloopt! Hij verruilt de heerlijke kroon, welke hem reeds wachtte, tegen de schandelijke boeien van eeuwige slavernij. — Toen Agricolus, stadhouder van Sebaste in Armenië, het bevel van keizer Licinius, dat allen aan de goden moesten offeren, in het leger afkondigde, stonden veertig soldaten, in den bloei van hun leven, uitmuntende door hunne dapperheid, als één man op en spraken: „ik ben Christen!quot; De stadhouder, over die onverwachte belijdenis geheel onthutst, trachtte hen door beloften en bedreigingen tot afval van hun geloof te bewegen. Maar de veertig martelaren bleven standvastig en riepen als uit éénen mond: ,/Ik neem geene eerbewijzen aan, waaruit schande geboren „wordt. Ik versmaad geschenken, welke mij verderf aanbrengen. „Geef mij goud, dat altijd duurt, en eer, die eeuwig bloeit.... Ik //hoop slechts op eene heerlijkheid, welke in den hemel is, en ducht „slechts ééne pijn, het helsche vuur... . Gij ziet hier mannen voor u, „die geene vrees kennen, en die niet gemakkelijk over te halen zijn, „wijl zij geen verlangen hebben naar het leven van dezen tijd. Wij „zijn bereid, ons voor ons geloof en uit liefde tot God op allerlei „wijzen te laten pijnigen en dooden.quot; De stadhouder, buiten zich zeiven van woede op het hooren dier koene taal, liet hunnen mond met steenen stuk slaan en overlegde nu, hoe hij hunnen dood het bitterst kon maken. Het was winter, en de koude, die in Armenië buitengewoon streng is, werd nog verhoogd door een feilen noorde-wind. De landvoogd beval nu, dat de veertig soldaten, geheel ontkleed, des nachts, nabij de stadsmuren op een poel, welke sterk was toegevrozen, aan de strengheid der koude blootgesteld zouden worden. Om hen nog meer te pijnigen en als tot afval te dwingen, deed hij in de nabijheid van dezen poel een warm bad in gereedheid brengen voor degenen, die zich aan \'s keizers wil zouden onderworpen. Nauwelijks hadden de martelaren hunne straf vernomen, of zij begaven zich met vreugde naar den poel, ontdeden zich van hunne kleederen en moedigden elkander tot volharding aan. Vervolgens vielen zij gezamenlijk neder en baden: „Heer, wij zijn veertig in getal; laatnim-„mer toe, dat er minder dan veertig bekroond worden. Dat niemand „aan dit getal, hetwelk Gij niet zonder oogmerk hebt bepaald, ont-„breke!quot; De wacht, die bij hen gesteld was, verzuimde niet, hen aan te sporen tot onderwerping. Een van dit geheimzinnig getal laat zich, helaas! verleiden en verlaat zijnen post, doch nauwelijks is hij in de badkamer of hij geeft den geest. Zijne diep getroffen medge-zellen worden intusschen door een wonder getroost. Een der wachters namelijk, die zich bij het bad verwarmde, ziet op eens den hemel

-ocr page 149-

135

1. «Tcsiis Christus, tie bcloofcle Uesslas-

Voorzeggingen aangaande den Messias.

Hoe welen wij, dat Jems Christus de door God beloofde Messias of verlosser is?

Doordat in Hem (ea in He:n alleen) alles is vervuld geworden, wat de Profeten aangaande den Verlosser voorspeld hebben, zooals uit het leven en lijden van Christus blijkt.

De toestand, waarin Adam en zijne geheele nakomelingschap door de zonde geraakte, zou, gelijk reeds is aangetoond, troosteloos, ja, wanhopig geweest zijn, als God zich niet over den gevallen zondaar erbarmd en hem niet een toekomstigen Verlosser beloofd had. De goede God was echter mededoogend en sprak in het bijzijn van Adam tot de slang; „Ik zal vyandschap stellen tusschen u en de „vrouw, tusschen uw zaad en haar zaad: zij zal u den kop „vertredenquot; (1. Mos. III, 15), d. i. zij, de moeder van den toekomstigen Heiland, of, volgens den hebreemvschen tekst. Hij, de nakomeling der vrouw, de Heiland zelf, zal u als overwinnaar den kop verpletteren. Dit was de eerste lichtstraal van hoop in de duisternis en schaduw des doods, waarmede Adam sinds het oogenblik dat hij zondigde omgeven was: dit was de eerste ochtendschemering van den nog verwyderden verlossingsdag. — De nakomelingschap

zich openen cn liemelsche geesten afdalen; hij ontdekt negen-en-dertig kroonen in limine handen, die zij op de hoofden der belijders plaatsen; ééne ontbrak; de belooning van den afgevallene, die zich door zijne onstandvastigheid de kroon onwaardig had gemaakt. Getroffen door deze liemelsche verschijning, bekeert zich de wachter, ontdoet zich van zijne kleederen, en, terwijl hij belijdt Christen te zijn, vereenigt hij zich met de negen-en-dertig martelaren. Den volgenden dag deed de rechter de martelaren op karren vervoeren om hen vervolgens in het vuur te werpen. Bijna allen waren dood of stervende, de jongste uitgezonderd, die zich nog in goeden welstand bevond. In de hoop van dezen te winnen, voerde men hem niet weg; doch zijne moeder, die eene weduwe en van\'geringe afkomst, maar rijk in geloof en ter plaatse tegenwoordig was, dit valsche mededoogen niet kunnende dulden, berispte de beulen, naderde haren zoon, wekte hem op tot standvastigheid, nam hem in haren armen en legde hem bij de andere martelaren op de kar, zeggende: ;/ga, ga, mijn zoon, ,/breng deze gelukkige reis met uwe medgezellen ten einde, opdat gij /,niet do laatste voor God verschijnen moogt.quot; Zonder een traan te storten, zelfs met een opgeruimd gelaat, volgde zij de kar, tot aan den brandstapel, waarop allen door het vuur verteerd werden (Levens der Heiligen door Mgr. v. d. Haagen, 10 Maart).

-ocr page 150-

136

der vrouw zal zeer talrijk zijn, zal over de geheele aarde verspreid wonen en tot het einde der wereld bestaan. Wie onder de millioenen van Eva\'s kinderen zal nu de beloofde Overwinnaar der slang, de Verlosser van liet menscb-dom zijn? Waaraan zal de naar bevrijding smachtende wereld haren Heiland erkennen ? God vond in de schatten zijner wijsheid een middel om den toekomstigen Verlosser zoo nauwkeurig te beschrijven, dat de menschen, indien zij slechts van goeden wil en oplettend wilden zijn, den beloofden Messias gemakkelijk van alle Eva\'s kinderen konden onderscheiden. Het door God gekozen middel tot bekendmaking van den Verlosser der wereld was eene rij van Profeten, d. i. eene rij van mannen, die door goddelijke verlichting, op last van den Allerhoogste, den toekomstigen Verlosser vooruit beschreven, door ondubbelzinnige en onbe-driegelijke kenteekenen aanduidden. Die door God verlichte mannen, die Profeten, waren om zoo te spreken de voorboden , die de hemelsche Huisvader in den verwoesten wijnberg zond, om den zw\'aar bedrukten werklieden aan te kondigen, dat zijn eigen Zoon tot hunne redding zou verschijnen, en om verscheidene kenteekenen aan te geven, waaraan zij dien Zoon, aanstonds bij zijn optreden, zouden erkennen. Zoo handelen ook de vorsten dezer aarde, die in een verafgelegen werelddeel uitgestrekte rijken bezitten; alvorens zij een stadhouder daarheen zenden, laten zij dien door boden of gezanten aankondigen en den onderdanen berichten, wie die stadhouder is, wanneer hij aldaar zal aanlanden, welke hoedanigheden en volmachten hij heeft, kortom, waaraan hij te kennen is. Als nu op den bepaalden tijd iemand in dat rijk komt, die zegt de stadhouder des konings te zijn, als terstond bij zijn optreden alle aangegeven kenteekenen duidelijk aan zijn persoon te vinden zijn en wel zóó, dat zij aan niemand anders zoo nauwkeurig kunnen gevonden worden, dan zullen de getrouwe en goedgezinde onderdanen er geen bezwaar in vinden, hem als den stadhouder van hunnen heer en koning te erkennen en als zoodanig de verschuldigde eer te bewijzen. De toepassing dezer gelijkenis met betrekking tot God, de Profeten en Jesus Christus ligt voor de hand.

Wat heihen de Profeten aangaande den Verlosser voorzegd?

Zij hebben vooral voorspeld; 1) den tijd en de plaats zijner geboorte; 2) de bizonderheden van zijn leven,

-ocr page 151-

137

lijden en dood; 3) zijne verrijzenis en hemelvaart, alsmede de zending van den H. Geest; 4) de verwoesting van Jerusalem na zijnen dood, de verwerping der Joden en de bekeering der Heidenen; 5) de stichting en onvergankelijkheid der Kerk.

Deze voorzeggingen zijn van dien aard, dat zij op Christus en wel op Christus alleen, d. i. op geen anderen noch vóór Hem, noch na Hem passen, daar zij volgens het getuigenis der H. geschiedenis in Rem alleen vervuld zijn. Mogen ook enkele voorspellingen op een of anderen beroemden man vóór Christus, bijv. op David, toepasselijk zijn, alle gezamenlijk kunnen zij op Hem alleen worden toegepast. En ofschoon na Christus, gelijk geschiedkundig bewezen is, velen zich voor den Messias hebben uitgegeven, werden zij weldra als bedriegers ten toon gesteld, dewijl de voorzeggingen der Profeten in hen geenszins vervuld waren.

Hoe hebben de Profeten den tijd der komst van den Mesdas aangeduid

1) De Profeet Daniël (IX, 25—27) voorspelde, dat na het bevel der wederopbouwing van Jerusalem tot den dood van den Messias geene volle 70 Jaarweken, d. i. 490 jaren, zouden verloopen. 2) Jacob voorspelde, dat tijdens de komst van den Messias de schepter van Juda zou geweken zijn; wederom andere Profeten, dat de tempel te Jerusalem nog staan, en de wereld in groote verwachting zijn zou. En dit alles is nauwkeurig iu Jesus vervuld.

1) Toen Daniël in de babylonische gevangenschap God om genade voor zijn volk smeekte, verscheen de engel Gabriël en verkondigde hem, dat, na „zeventig weken de „overtreding uitgewischt, aan de zonde een einde gemaakt, „de ongerechtigheid gedelgd, de eeuwige gerechtigheid gebracht, visioen en voorspelling vervuld, de Allerheiligste „gezalfd zou worden,quot; enz. Het lijdt geen twijfel, dat deze woorden alleen betrekking hebben op het verlossingswerk van Jesus Christus, die in de voorzegging uitdrukkelijk genoemd wordt „Christus, de vorst.quot; Ook zijn alle schrijvers het eens, dat men hier ter plaatse onder „weken,quot; niet dagweken, maar jaarweken moet verstaan. Deze wijze van tijdsbepaling was bij de Joden in zwang, zooals blijkt uit het 3e boek van Mozes (XXV, 8), waar geschreven staat: „gij zult u tellen 7 jaarweken, dat is zeven maal „zeven, tezamen 49 jaren.quot; Gelijk namelijk de dagweek 7 dagen telt, telt de jaarweek 7 jaren. Volgens de opgave

-ocr page 152-

138

van den Engel begonnen de 70 jaarweken „van den tijd „af, dat uitgaat het woord (het bevel), om Jerusalem te „herhouwen,quot; en uit de gewone tijdrekening hlijkt ook inderdaad, dat van dat tijdstip af tot den dood van Jesus Christus juist 490 min SVa jaar verstreken zijn. Zoo zien wij Daniel\'s voorzegging volkomen vervuld; immers volgens die voorspelling moest Christus niet aan het einde, doch in het midden der zeventigste jaarweek sterven. Dit duidde Gabriël aan met de woorden: „maar in ëene week zal Hij „(Christus) voor velen den hond sterken en in het midden „der week zullen de slacht- en spijsoffers ophouden.\'\' „In „eene week,quot; d. i. in die, welke op de 69ste, waarvan de Engel tevoren gesproken had, volgen zal, alzoo in de zeventigste, zal Christus door de verkondiging van de nieuwe wet den beloofden nieuwen „Bondquot; stichten, en „in het midden der „weekquot; dien door zijn offer aan het kruis bezegelen; daardoor zal dan de waarde en de beteekenis der „slacht- en „spijsoffers van het Oude Verbond ophouden.quot; Want het geheele wezen der offers van het Oude Verbond bestond in de voorafbeelding van het groote offer, dat Jesus Christus, de eenige Hoogepriester, ter verzoening der wereld zelf zou brengen. Zoodra dit voltrokken was, hadden gene bij God alle waarde verloren. Daarom scheurde ook bij den dood van Christus het voorhangsel des tempels van boven tot onder in twee stukken (Matth. XXVII, 51), en hoorde men spoedig daarna eene stem uit het binnenste van het heiligdom, die riep: „weg van hier! weg van hier! „laat ons van hier weggaan!quot; \') Alhoewel de geleerden niet met elkaar overeenstemmen omtrent de wijze, hoe men deze tijdruimte van 490 jaren moet berekenen, levert dit echter geen belangrijk bezwaar op. Wie de geheele voorzegging leest, ziet terstond duidelijk in, dat de Messias gedood moest worden en wel vóór de verwoesting van Jerusalem en van den tempel. Dit is werkelijk vervuld in J esus Christus, en kan bij geen anderen meer in vervulling gaan, daar Jerusalem en de tempel korten tijd daarna verwoest zijn. Alzoo is volgens DaniéVs voorspelling de Messias reeds gekomen en wel ten voorzegden tijde, en deze is Jesus Christus, onze Heer.

2) Toen Jacob\'s einde nabij was, riep hij zijne zonen bij zich, en ieder ontving zijn deel der profetische zegeningen. Door God verlicht sprak hij tot zijn zoon Juda: „de schepter „zal van Juda niet wijken, noch het oppergebied uit zijne „nakomelingschap, tot Hij komt, die zal gezonden worden;

\') Zie Fl. Josephns (ie bolle jud. VI: 31, en Tacitus histor. V: 13.

-ocr page 153-

139

„en deze zal de verwachting der volken zijnquot; (1. Mos. XLIX, 10). — Alle geleerden, zoowel Joden als Christenen hebben deze plaats opgevat als eene voorspelling van den toekomstigen Verlosser der wereld. Volgens deze profetische woorden moest de Messias eerst dan verschijnen, wanneer Juda, beroofd van den schepter, geene eigen regeering meer hebben, de staatsmacht niet meer uitoefenen zou. De geschiedenis getuigt van de vervulling dezer voorzegging bij de komst van Jesus. Sinds Jacob\'s dood was de schepter uit den stam van Juda nooit geheel geweken. Niet alleen ten tijde der koningen, die door God zeiven uit den stam van Juda verkozen werden, maar ook tijdens de babylonische gevangenschap, welke echter niet lang van duur was, voerden, zonder eenige tegenspraak, mannen uit dezen stam het recht over leven en dood, waarin de hoogste macht bestaat. De geschiedenis van de tendoodveroordeelde Susanna levert daarvan het bewijs (Dan. XIII. Vergelijk 4. Kon. XXV, 27—28). Na den terugkeer uit Babyion, namelijk ten tijde der Machabeën, bestuurde een hoofdzakelijk uit Juda\'s nakomelingen gekozen raad der oudsten (Synedrium) de hoogste staatszaken, terwijl de Machabeën , met toestemming en op last van dien raad, den rang van opperveldheeren bekleedden, doch het bestuur van den Staat geenszins met hen deelden. De sluwe Idumeër Herodes Antipas trok eindelijk, door de machtige Romeinen ondersteund, de oppermacht tot zich en besliste met de grootste willekeur over leven en dood, terwijl dat recht aan den stam van Juda, gelijk de Joden zeiven bekenden (Joan, XVIII, 31), onttrokken was. Juist ten dien tijde, op het einde der regeering van Herodes, toen de joodsche stam de heerschappij voor goed verloren had, kwam Jesus de lang verwachte Messias, ter wereld. Ook hoorde men op zekeren dag den kreet: „wee ons! wee ons! de schepter „is van Juda geweken!quot; zoo getuigt de joodsche Talmud zelf.

2) De Profeet Aggeiis (II, 7,8, 10) troost de Joden, die den eersten tempel gezien hadden en tranen van droefheid en smart schreiden, omdat de tempel onder Zorobabel gebouwd met dien van Salomon in pracht en heerlijkheid bij lange na niet kon vergeleken worden. Hij voorspelt, dat de Messias door zijne verschijning den tweeden tempel grooter heerlijkheid, dan die van een eersten, verleenen zal. De heilige Ziener spreekt; „nog eene korte wijle, dan „zal Ik den hemel en de aarde en de zee en het drooge beboeren. En ik zal alle volken beroeren, en Hij zal komen „de door alle volken Verlangde, en Ik zal dit huis met heerlijk-„beid vervullen.... Grooter zal de heerlijkheid van dit laatste „huis, dan die van het eerste zijn, spreekt de Heer der

-ocr page 154-

140

„ heir scharen, en in deze plaats zal Ik den vrede geven.quot; — En inderdaad, de Messias verscheen, toen Hij algemeen door Joden en door Heidenen met een vurig verlangen verwacht werd, en Hij verscheen in den tweeden tempel, want Herodes stichtte geen nieuwen tempel, maar herbouwde slechts dien van Zorobabel, welken hij ook veel verfraaide, Keeds als kind werd Jesus, de Messias, in den tempel gedragen, en aldaar zijnen goddelijken Vader ten offer aangeboden (Luc. II, 27).

Wat voorspelden de Profeten aangaande de geboorte van den Messias?

Isaïas (VII, 13, 14) voorspelde, dat de Messias, de vredevorst, zou geboren worden uit haar, die niettegenstaande haar moederschap, bij uitnemendheid verdient de Maagd genoemd te werden. „Zie,quot; spreekt de Profeet, „de „Maagd zal ontvangen en eenen zoon baren, en zijn naam ,.zal men Emmanuel (God met ons) noemen.quot; De H. Chrysos-tomus zegt: „er is hier spraak niet van eene maagd, maar „van de Maagd, d. i. van eene beroemde en eenige maagd.\'\' I)e gezegende vrucht dier maagdelijke moeder is een spruit, een nakomeling van David. „Een spruit zal opschieten uit „den wortel van Jesse (Jesse was Davids vader. Matth. I, 5). „En op Hem zal rusten de Geest des Heeren, de Geest „van wijsheid en verstand, de Geest van raad en sterkte, de „Geest van wetenschap en godsvrucht, en de Geest der „vreeze Gods zal Hem vervullenquot; (Is XIII, 1—2). Van dezen met alle gaven des H. Geestes vervulden spruit wordt in het hebreeuwsche vers gezegd, dat hij komt uit een afgehouwen tronk, om aan te duiden, dat tijdens zijne geboorte de stam van David in de diepste nederigheid zal leven. — Micltaeas (V, 2—4) geeft niet enkel het geslacht, den stam, de familie, maar zelfs den naam van het onaanzienlijke stadje op, waar de Messias, de hersteller van den vrede, moet geboren worden: „En gij Bethlehem „Ephrata! zijt wel klein onder de duizendtallen (stamhui-„zen) van Juda; toch zal uit u degene voorttreden, die „heerschen zal in Israël; en zijn uitgang (hemelsche geboorte) „is van den beginne, van de dagen der eeuwigheid. En Hij „zal de vrede zgn.quot; Zelfs hetgeen aan de wieg van den pas geboren Messias gebeuren zal, hebben de Profeten voorspeld. Isaïas en David zien in den geest, koningen uit het verre Oosten komen, om Hem offers te brengen. „Sta „op, Jerusalem ! schitter in klaarheid ! want uw licht is „gekomen en de glorie des Heeren over u opgegaan.. . .

-ocr page 155-

141

„Eene overstrooming van kameelen bedekt u ! Dromeda-„rissen uit Madian en Epha (Arabië); uit Saba komen zij „allen, goud en wierook aanbrengende en den lof des Heeren „verkondigendequot; (Is. LX, 1—6). En David zingt: „De „koningen van Tharsis en van de eilanden zullen geschen-„ken offeren, de koningen van Arabië en Saba gaven aan-„brengenquot; (Ps. LXXI, 10). Wanneer men de gewijde geschiedenis raadpleegt, ziet men terstond, hoe nauwkeurig die voorzeggingen aangaande de geboorte van den Heiland der wereld vervuld zijn. De allerheiligste Maagd Maria uit het huis van David ontvangt door overschadawing van den H. Geest. Zij baart eenen Zoon in den stal te Bethlehem Ephrata, en de Engelen boodschappen de geboorte van den vredevorst al zingende: „eere zij God in den „hoogen, en vrede op aarde aan de menschen, die van „goeden wille zijnquot; (Luc. II). Eu ziet! wijzen (koningen) uit het Oosten komen naar Jerusalem, doen onderzoek naar de geboorteplek van den pas geboren Koning der J oden , en worden op Bethlehem gewezen. Aldaar vinden zij het kind met Maria zijne Moeder, bidden het aan en brengen het geschenken, goud, wierook en myrrhe (Matth. II), Zoo moesten de voorzeggingen eerst letterlijk vervuld worden , om die veel heerlijker vervulling aan te duiden, welke later plaats had, toen namelijk volkeren en koningen zonder tal tot de ware Kerk van Christus kwamen en Jesus aanbaden.

Wat hehhen de Profeten aangaande het leven van den Messias voorspeld ?

Niet tevreden, den tijd zijner komst, de plaats en onderscheiden omstandigheden zijner geboorte aangegeven te hebben, beschrijven zij ook zijne persoonlijke eigenschappen en daden, en leveren aldus eene treffende karakterschets en nauwkeurige levensbeschriiving van den Verlangde der volkeren. Isaïas (XLI, 1—4) spreekt in den persoon van God aangaande den Messias, dien hij ergens anders, „God „met ons,quot; en eenvoudig weg „Godquot; noemt: „Zie, mijn „dienaar, dien Ik ondersteun, mijn uitverkorene, in wien „mijne ziel welbehagen heeft! Ik heb mijnen Geest op „Hem uitgestort. Hij zal het recht den volken verkondi-

„gen..... Hij zal het geknakte riet niet breken en het

„rookend vlaslemmet niet uitblusscben.. .. En op zijne „leer wachten de eilanden.quot; Malachias (III, 1) ziet een Engel d. i. een Godsgezant voor Hem uitgaan en den weg voor Hem bereiden. Deze Profeet zegt: „Zie, Ik zend „mijnen Engel, die den weg bereide voor mijn aangezicht.

-ocr page 156-

142

„En weldra zal dan tot zijnen tempel komen de Heer, „dien gij zoekt, en de Engel des verbonds, naar wien gij „verlangt. Ziet Hij komt, zegt de Heer der heirscharen.quot;

Isaïas (LXI, 1, 2) ziet Hem verder zijn leeraarsambt vervullen en zijn heilaanbrengend woord met wonderen en teekenen bekrachtigen. „De Geest des Heeren is over Mij,quot; spreekt de Profeet in den persoon van den Messias, „want „de Heer heeft Mij gezalfd; om den armen heil te verkon-„digen zond Hij Mij, om te genezen die vermorzeld zijn „van harte; om te verkondigen aan de gevangenen verlossing , en aan de gebondenen slaking hunner boeien; om „uit te roepen het genadejaar des Heeren en den dag der „wrake van onzen God; om alle treurigen te vertroosten.quot;

Tot de onder het juk der zonde zuchtenden wendt zich de H. Ziener met de woorden: „weest getroost en vreest „niet.... God zelf komt en verlost u. Dan worden de „oogen der blinden en de ooren der dooven geopend; dan „springt de kreupele gelijk een hert, en de tong der stom-„men juichtquot; (Is. XXXV, 4-6).

Ook de liefelijke triumf\' van den Vredevorst zweefde den door God verlichten Profeet Zacharias voor oogen. Vol heilige geestdrift roept hij uit: „verheugt u, gij dochters „van Jerusalem! Ziet, uw Koning komt tot u rechtvaardig „en als Heiland. Hij is arm en rijdt op eene ezelin, op „het jonge veulen eener ezelinquot; (Zach. IX , 9). — Wie ziet in de aangehaalde voorzeggingen niet de hoofdtrekken van het karakter en van het leven van Jesus Christus ! Voor Hem uit gaat Joannes de Dooper; Hij zelf trekt door geheel Judea, predikende en heelende alle gebreken, het eene wonder volgt op het andere. Na drie jaren aldus gewerkt te hebben komt Hij , gezeten op eene ezelin, Jerusalem binnen, terwijl het volk jubelend uitroept: „Geze-„gend zij Hij, die komt in den naam des Heeren ! Vrede „zij op de aarde en eer in den hoogen!quot; (Luc. XIX, 37, 38). Men zou even ongeloovig moeten zijn als de Joden bet waren, om hierin en in het voorgaande de nauwkeurige vervulling der voorspellingen te miskennen.

Wat voorspelden de I\'rof eten aangaande het lijden en den dood van den Messias ?

Bijna alle omstandigheden, zelfs de geringste. — De grootheid van zijn lijden, de oorzaken er van en de wijze, waarop de Heiland alles verdragen heeft, schildert Isaïas (LUI, 2—8) met de krachtigste en roerendste uitdrukkingen: „Gestalte en „schoonheid heeft hij (de lijdende Messias) niet; wij zien Hem,

-ocr page 157-

143

„maar Hij heeft geene gestalte, en wij begeeren Hem niet, den „verachte en den minste der menschen, den man van smar-„ten, die de ellende kent en gelijk is aan iemand, voor „wien men zijn gelaat bedekt (omdat men hem niet zonder „walging kan aanzien); den verachte, dien wij dan ook niet „tellen. In waarheid! Hij draagt onze kwalen, Hij torsoht „onze smarten. Wij hielden Hem voor een melaatsche, „door God geslagen en vernederd: — maar om onze ongerechtigheid is Hij verwond, om onze misdaden is Hij verbrijzeld, de kastijding, die ons vrede brengt, is op Hem „gevallen, en door zijne striemen zijn wij genezen. Wij allen „dwaalden als schapen, iedereen doolde zijns weegs;—maar „de Heer legde op Hem de ongerechtigheid vau ons allen. „Hij werd geofferd, omdat Hij zelf het wilde, en Hij opende „zijnen mond niet; als een lam werd Hij ter slachting ge-„leid; als een schaap, dat zwijgt voor dengene, die het „scheert, zoo deed Hij zijnen mond niet open. Uit de fol-„tering van het strafgericht wordt Hij (door den dood) weggerukt; — zijn geslacht (d. i. zijnen leeftijd) wie zal*dat „vermelden ? — daar Hij afgesneden is uit het land der „levenden. Om de zonde van mijn volk heb Ik (zegt God) „Hem geslagen.quot; Wij zouden te ver gaan, wilden wij alle trekken uit het lijden van den Heiland en alle omstandigheden van zijnen dood, gelijk zij door de Profeten tevoren beschreven zijn, bijeen brengen en uitvoerig bespreken. Zij zien den Messias dertig zilverlingen waard geschat en voor dien spotprijs verkocht (Zach. XI, 12), door zijnen leerling verraden (Ps. XL, 10), door het volk veracht en gehoond (Ps. XXI, 7), in het aangezicht geslagen, bespuwd (Is. L, 6), zonder medelijden en erbarming met wonden en moedwilligen spot overladen, met gal en azijn gelaafd (Ps. LXVIII, 22 en 27), onder de boosdoeners gerekend (Is. LUI, 12), aan handen en voeten doorboord (Ps. XXI, 17), onder spottend hoofdschudden gelasterd (Ps. XXI, 8 en 9), beroofd van zijne kleederen, om welke men het lot werpt (v. 19), door God zeiven verlaten (v. 2), eindelijk gedood (Dan. IX, 26). Hoe nauwkeurig al deze voorzeggingen vervuld zijn, blijkt uit de aandachtige lezing der lijdensgeschiedenis van onzen Heer.

Eene enkele aanmerking, welke bij liet lezen der Profeten van groot nut kan zijn, mogen wij hier niet achterwege laten. Deze door God verlichte mannen schetsen den Messias menigmaal als een machtigen Koning, die allen volkeren heil en zegen zal aanbrengen. In overeenstemming met de overigen roept Isaïas {IX, 11, o5) vol heilige vreugde uit: //een Kind is ons geboren, een Zoon is ons geschonken!

«Hij draagt de heerschappij op zijnen schouder.....Op den troon van

«David zal Hij zitten .... van nu af en tot in eeuwigheid.quot; — //Als-

-ocr page 158-

144

//dan (wanneer het rijk van den Messias begint) zal de wolf met het Ailara wonen, en de panter naast het bokje nederliggen; vaars, leeuw

//en schaap zullen in één hol verblijven, en een kind zal ze hoeden____

„Dan verheugt zich de woestijn en bloeit als eene lelie; want in de «gloeiende vlakte breken waterbeken uit, en stroomen in het dorre //land .... Die de Heer verlost heeft, komen naar Sion onder lof-,/gczang; eeuwige vreugde kroont hun hoofd, blijdschap en zielsge-z/not wordt hun ten deel, kommer en zuchten vlieden.quot; Moet het niet opvallend schijnen, dat dezelfde heilige Ziener op de boven aangehaalde plaats (LUI, 2, S) denzelfden Messias aanduidt als «eenen /.man van smartenquot;, die, als een tak van den boom, //uit het land //der levenden wordt afgesnedendat David Hem //een worm, den //spot der menschen en het uitwerpsel des volksquot; noemt? Hoe kan men die grootheid en die geringheid, die heerlijkheid en die versmading , die eeuwige heerschappij en dien tijdelijken dood van een en denzelfden Messias met elkander vereenigen? Is hier niet eene duidelijke, onoplosbare tegenstrijdigheid in de voorzeggingen der Profeten? Moet men niet denken, gelijk eenige Rabbijnen, dat hier spraak is van een Messias, die groot en heerlijk zich voordoet, en van een anderen, die smaad cn vernedering lijdt? — Ziedaar de moeielijkheid. De beste oplossing dezer schijnbare tegenstrijdigheid, welke men in de boeken van allo Profeten meent te ontdekken, gaf Jesus de Messias zelf, toen de romeinsche landvoogd Pilatus Hem de vraag stelde: //ziit Gij de Koning der Joden?quot; Jesus antwoordde: „Mijn rijk is //niet van deze wereld. Zoo mijn rijk van deze wereld ware, gewis //zouden mijne dienaren gestreden hebben, dat Ik den Joden niet werd «.overgeleverd. Nu echter is mijn rijk niet van hier.quot; Pilatus zeide nu tot Hem; /,Zoo zijt Gij dan Koning?quot; Jesus antwoordde: //gij zegt //hot, Ik ben Koning. Daartoe beu Ik geboren, en daartoe in de «wereld gekomenquot; (Joan. XVIII, 33 — 37). Het rijk van Christus is alzoo geen wereldlijk rijk, gelijk de aardsgezinde Joden het dachten en wenschten en nog heden denken en wenschon. Derhalve moet al hetgeen de Profeten aangaande do heerlijkheid van den Messias en de zaligheid van zijn rijk voorspelden, op zijn geestelijk Koningschap, op zijne geestelijke heerschappij en op do volheid \'der onzichtbare goederen en genadegaven, waarmede Hij de wereld verrijken zou, worden toegepast; want om het verlangen naar die schatten op te wekken, moesten de Profeten ze voor het zinnelijke volk aanschouwelijk maken onder het zinnebeeld van zichtbaren, bloeionden welstand en tijdelijke zegeningen. !) Hetgeen zij daarentegen van des Messias lijden, vernederingen en dood voorspelden, moet in don eigenlijken, letterlijken zin verstaan worden. Al dat lijdon on die vernederingen, die schandelijke dood aan hot kruishout waren voor don Godmensch de weg ter eeuwige heerlijkheid. //Moest de Christus «dit niet lijden, en aldus ingaan in zijne heerlijkheid?quot; (Luc. XXIV, 26). Datzelfde lijden en die vernederingen waren tevens de grondslag van een nieuw en geestelijk rijk, de Kerk, die wel op aarde beginnen , maar zich onder aanhoudenden strijd verbreiden en eerst in den hemel de zegepraal vieren en eeuwig duren moet. Dit begrepen de aardsgezinde Joden zoo weinig, dat zij ergernis namen aan de vernedering van den Heiland, dat zij met Hem als met oen gewaandon koning den spot dreven, en zich gekrenkt gevoelden, toen Pilatus op het kruis liet schrijven : //Jesus van Nazareth, de Koning der Joden.quot; De ongelukkigen schaamden zich en schamen zich, helaas i heden ten dage nog over den gekruisigden Jesus, hunnen Verlosser. O, gave God, dat wij gerust konden zeggen, dat er geene Christenen zijn, die, gelijk aan de verblinde Joden, den lijdenden Heiland niet willen erkennen!

i) Zie Dieringer, System, der gottl. Thaten. I. § 33.

-ocr page 159-

145

Wat heihen de Profeten voorspeld aangaande de verrijzenis en de hemelvaart des Verlossers en de zending van den H. Geest ?

Zij beschriiven zijne verheffing, als eene belooning voor de geleden smarten en vernederingen. De koninklijke zanger ziet den Messias uit de beek der smarten drinken, maar ook juist daarom zijn hoofd verheffen (Ps. CIX, 7). Hij ziet Hem in de onderwereld, maar voorspelt, dat Hij daarin niet blijven zal. „Gij zult,quot; spreekt hij tot God in den persoon van den Messias, „mijne zie! niet in het dooden-„rijk laten en niet gedoogen, dat uw Heilige het bederf „ziequot; (Ps. XV, 10). Ook Isaïas zegt (XI, 10) van Hem; „zijn graf zal heerlijk zijn.\'\' David ziet den Messias ten hemel varen, de uit het voorgeborchte der hel verloste zielen in tviumf met zich voeren en hemelsche gaven aan de menschen schenken : „Gij zijt de hoogte opgestegen, Gi] „voert gevangenen in triumf, Gij ontvangt (van den Vader) „geschenken voor de menschenquot; \') (Ps. LXVII, 19, 34). Op eene andere plaats (Ps. XXIII, 7) noodigt hij de poorten des hemels uit, zich te openen, om den Messias, „den „Koning der heerlijkheid,quot; in het rijk der glorie te laten binnen trekken. Daar ziet hij Hem aan de rechterhand des Vaders zitten, wachtende, „tot zijne vijanden gesteld worden „ten voetbank zijner voetenquot; (Ps. CIX, 1). De uitstorting van den H. Geest is vooral voorspeld door den Profeet Joël: „Ik zal mijnen Geest uitstorten over alle vleesch; „uwe zonen en uwe dochters zullen profeteeren; uwe grijs-„aards zullen droomen droomen, en uwe jongelingen zullen „gezichten zien. En ook op mijne dienstknechten en dienst-„maagden zal Ik in die dagen van mijnen Geest uitstorten,quot; spreekt de Heer door den mond van den Profeet (II, 28, 29). Vergelijk 1. Cor. XII, 4—11).

Wat hellen de Profeten aangaande de verwoesting van Jerusalem en de verwerping der Joden voorspeld?

1) Nadat Christus zal gedood zijn, zoo lezen wij bij Daniël in de boven aangehaalde voorspelling, zal een vreemd volk met zijnen veldheer komen „en stad en heiligdom ver-„woesten; haar einde zal verwoesting zijn, en de vernieling „is besloten na het einde van den oorlog,quot; d. i. de oorlog

\') Vergelijk Eph. IV ;8, en Bellarminus over Ps. LXXVII;19.

DEIIAMiE, GELOOrSLEKK. II. Süe DRUK. JQ

-ocr page 160-

146

zal met verwoesting van de stad en van het heiligdom eindigen. Het gezegde bekrachtigend , gaat de Profeet door: „Slacht- en spijsoffer zal ophouden : in den tempel zal de „gruwel der verwoesting tot aan het laatste einde duren.quot; Vanwaar het vreemde volk met zijnen veldheer komen zal, had reeds Balaam in de bekende voorspelling over den Messias gezegd: „Zij zullen in schepen uit Italië komen „en de Hebreeuwen verwoestenquot; \') (4. Mos. XXIV, 24).— Dat dit alles stiptelijk vervuld is, zien wij uit de geschiedenis, welke een joodsch tijdgenoot en ooggetuige, Flavius Josephus, opgeteekend heeft. De grootste ellende kwam weldra na Christus\' dood over de heiligschennende stad. Het rampzalige volk verdeelde zich in partijen, die met de hoogste woede elkander bestreden. De tempel werd het tooneel van huiveringwekkende moordtafereelen ; op éénen dag werden er 8500 menschen in omgebracht. In den loop van het zeven-en-dertigste jaar na den dood van Jesus stonden de romeinsche legioenen, door Titus aangevoerd, voor Jerusalem, en sloten de stad van alle kanten in. Onbeschrijfelijk was de ellende, welke gedurende het beleg door zwaard, honger, pest en de wreedheid der vijanden van binnen en buiten werd aangericht. Eindelijk werd de stad onder een schrikkelijk bloedbad veroverd en op bevel van den veldheer geslecht. De heerlijke tempel lag in puin en assche. Vergeefs had Titus alles aangewend, om dien te redden. Hij wilde een zoo heerlijk gebouw, dat tot roem van het rijk moest behouden worden, niet vernietigen. Maar in de hitte van den strijd greep een romeinsch soldaat eene brandende lont, en slingerde die door het venster in de vertrekken, welke het heiligdom omgaven. Terstond stond alles in laaie vlam. Titus schoot toe, gebood dat men den brand zou blusschen, maar het was te vergeefs. De voorzegging moest vervuld worden. „God,quot; schrijft Flavius Josephus, „had sinds lang „het gebouw ten vure veroordeeld.quot; Titus zelf zag hierin Gods strafgericht: „niet ik ben de onverwinnaar, maar God, „die op de Joden vertoornd was,quot; sprak hij tot degenen, die hem lauwerkransen brachten. Op de puinhoopen des tempels werd de romeinsche adelaar geplant; onder keizer Hadrianus bouwde men er een tempel voor Jupiter, en thans staat aldaar de turksche moskee van Omar

\') Zie de vertaling van Loch en Reischl.

:) i)en l\'Jdcquot; December van liet jaar 6(J werd het Kapitool met den tempel vu.n Jupiter Kapitolinus en de heiligdommen van Juno en Minerva, door de Romeinen in brand gestoken , eene prooi der vlammen. Tacitus noemt dit de smartelijkste en onteerendste gebeurtenis, welke den romeinschen Staat sinds de stichting van Rome getroffen

-ocr page 161-

147

2) Ook de verdere lotgevallen der Joden hebben de Profeten voorspeld, namelijk, ,,dat zij verblind, verstoeten, „onder alle volkeren verstrooid, noch offer noch tempel meer „zullen hebben, dat God hen echter niet uitroeien, maar „de overgeblevenen op het einde der tijden redden zal.quot;

Daniël had reeds voorspeld, dat het volk, hetwelk den Messias zou verloochenen en dooden, geen offer en tempel meer hebben en ophouden zou, „ziin volk te zijn.quot; Isaïas voorzegde, dat ten tijde van den Messias de joodsche synagoge met het volk verstoeten, haar naam tén vloek en de ware dienaren Gods anders genoemd zouden worden: „zoo „spreekt de Heer: waar is de scheidbrief uwer moeder (de „synagoge), waarmede Ik haar heb weggezonden ? Of waar ,,is mijn schuldeischer, aan wien Ik u verkocht heb ? Ziet, „om uwe wanbedryven zijt gij verkocht, en om uwe mis-„daden is uwe moeder weggezonden. Want Ik kwam, en ,.er was niemand; Ik riep, en niemand was er, die hoordequot; (Is. L, 1, 2). Dat er hier van den Messias spraak is, bewijzen de volgende woorden: „mijn lichaam bied Ik hun, „die Mij slaan, mijne wangen hun, die Mij den baard uitrukken , mijn aangezicht keer Ik niet af van hen, die Mij „schelden en bespuwen.quot; En nadat de Profeet, in het 65ste hoofdstuk, de roeping en bekeering der Heidenen aangekondigd heeft, wendt hij zich tot de J oden met deze woorden : „gij zult uwen naam als een vloekwoord aan mijne uit-„verkorenen achterlaten ; God de Heer zal u dooden en zijne „knechten met een anderen naam (van Christus) noemen.quot; Door den mond van den koninklijken Profeet (Ps. LXVIII, 22—27) verkondigt de Messias hun het verschrikkelijke strafgericht, dat hen te wachten staat. „Gelijk zij Mij,quot; dus spreekt Hij, „gal te eten gaven, en in mijnen dorst Mij met „azijn laafden; zoo zal ook hen een bitter lot treffen; hunne „tafel zal hun ten valstrik en ter vergelding en ten aan-„stoot zijn (Vergel. Hom. XI, 9). Hunne odgen zullen „duister worden, zoodat zij niet zien, en hunne ruggen „worden al krommer! Stort uit (o God!) over hen uwen „toorn ; en de woede uwer gramschap grijpe hen aan! Hunne „woning zal verlaten worden, en in hunne hutten niemand

heeft. Acht maanden daarna, den lO116quot; Augustus van het jaar 70, wierp een soldaat de brandende lont in den tempel van Jerusalem, en de tempel zonk in assche neer. Aldus waren binnen weinige maanden het heiligdom der romeinsche natie, het godsdienstig middenpunt des rijks, en de tempel van den waren God door romeinsche soldaten, onwetend werktuigen ter volvoering van \'s Heeren raadsbesluiten, vernietigd. Er moest aanleiding gegeven worden voor de aanbidding in geest en waarheid.

10*

-ocr page 162-

148

,,ziin, die er in woont! Want zij hebben vervolgd wien ,.Gij geslagen hebt, en de smarten mijner wonden nog verdroot;quot; enz. — Doch niet altijd zal de toorn over het vroeger uitverkoren volk uitgestort blijven; want er staat geschreven (Is. LIX, 20); „maar voor Sion komt de Verlosser, voor hen, die omkeeren van hunne boosheid in ,,Jacob, spreekt de Heerquot; (Verg. Rom. XI, 26). Wanneer dit geschieden zal, duidt de Profeet Oseas aan (III, 4, 5): „vele dagen zullen de zonen van Israël blijveu zonder koning, „zonder vorsten, zonder offer, zonder altaar, zonder ephod „(priesterlijk sieraad). En daarna zullen de zonen van Israël „zich bekeeren en den Heer hunnen God, en David, hunnen „koning (den Messias) zoeken; en zij zullen in vreezeden „Heer en zijne goederen nabijkomen in den laatsten tijd. „De overblijfselen zullen zich bekeeren, ja de overblijfselen „van Jacob tot den sterken Godquot; (Is. X, 21). Om allen twijfel aangaande de vervulling dezer voorzegging te verbannen, is het niet noodig een blik te werpen in de ge-schiedboeken, welke ons berichten, dat na de verovering van Jerusalem door de Romeinen, alle Joden, die onder de zeventien jaren oud waren, als slaven verkocht, en de overige grootendeels in de romeinsche provinciën tot openbaren arbeid of tot den strijd met wilde dieren bestemd wei\'den; dat vijftig jaren later, onder keizer Hadrianus, eene ontelbare menigte deels verbannen, deels verkocht, en het grootste deel des lands bijna in eene woestenij veranderd werd; — Israël, het door God verstoeten volk, leeft ook nu nog, gelijk heel de wereld ziet, onder alle natiën verstrooid. Het wacht nog altijd op den Messias, die uit den stam Juda en uit het huis van David komen moet, in weerwil dat sinds lang de geslachtsregisters verloren zijn geraakt. Het blijft nog wachten op den Messias, hoewel reeds lang de voorzeggingen vervuld, de schepter van Juda weggenomen, stad en heiligdom verwoest zijn! En sedert achttien eeuwen is Israël zonder land, zonder tempel, zonder vorsten, zonder priesterdom, zwervend en voortvluchtig als Gain, sinds het namelijk den Messias miskende, hoonde, zijn bloed over zich en zgne kinderen riep. Hem kruisigde, den Verrezene verloochende en nog verloochent. Die blinddoek, welke tot op den huidigen dag op het oog of liever op het aardsgezind hart der Joden ligt (2. Cor. III, 15), zoodat zij op klaarlichten dag als in den duisteren nacht ronddolen (Is. LIX, 10), deze is wel de verschrikkelijkste en handtastelijkste aller straffen. — Zwaar drukt op de Israëlieten de arm des Almach-tigen sinds zoo vele jaren ! De barmhartigheid van God is echter altijd grooter, dan zijne gerechtigheid gestreng is. Hoe over-

-ocr page 163-

149

stelpend zal het geluk zijn der Israëlieten, wanneer zij Jesus van Nazareth, dien hunne vaderen gekruisigd hebben, als hunnen Verlosser en Heer zullen erkennen; wanneer vervuld wordt hetgeen Hij sprak door den mond van den Profeet Zacharias: „Ik zal over het huis van David en over de „inwoners van Jerusalem uitstorten den Geest der genade en „des gebeds; en zij zullen opzien tot Mij, dien zij door-„stoken hebben, en zij zullen Hem beklagen, gelijk men „een eenig kind beklaagt, en weenen over Hem, gelijk „men over den dood van den eerstgeborene pleegt te wee-„nen. Te dien dage zal de rouw in Jerusalem groot zijnquot; (Zach. XII, 10).

IF ai voorspelden de Vr of eten aangaande de leJceering der Heidenen, de stichting, de uithreiding en den duur der Kerk?

Alles, wat wij reeds vervuld of der vervulling nabi] zien. — 1) De hekeering der Heidenen was door de Profeten als een der voornaamste kenteekenen, waaraan men den Messias erkennen kon, aangegeven. Reeds aan Abraham beloofde God een nakomeling, die allen, bijgevolg ook den heidenschen volkeren ten heil verstrekken zal: „in uw zaad „zullen gezegend worden alle volkeren der aardequot; (1. Mos. XXII, 18). Tot den Messias spreekt God door den mond van den Profeet (Isaïas XLII, 6, 7): „Ik geef U den „volke ten verbond, den Heidenen tot licht, om de oogen „der blinden te openen, de gevangenen te voeren uit den „kerker, uit het gevangenhuis, die in het donker zaten.quot; En: „\'tis te gering, dat Gij mijn dienstknecht wezen zoudt, „om Jacob\'s mannen op te richten en Israël\'s loten te „herstellen: zie. Ik heb U ook gesteld tot een licht der „Heidenen en om mijn heil te zijn tot aan het eind der

„aarde..... Koningen zullen het zien, vorsten opstaan

„en zich nederbuigen om des Heeren wil..... Ziet dezen,

„vanverre komen zij; en ziet genen uit het noorden en „uit het zuidenquot; (XLIX, 6, 7). „Tot een teeken voorde „volkeren,quot; spreekt God de Heer (Is. LV, 4, 5), „heb Ik „Hem (den Messias) gemaakt tot een vorst en leeraar der „volken. Ziet! natiën, die gij niet kendet, zult gij roepen; ,.en natiën, die u niet kenden, komen tot u geloopenquot; (Vergelijk LXVI, 18—23, en LX). Die roeping en bekeering der Heidenen schetst ook David in zijne heilige gezangen: „Alle einden der aarde zullen tot den Heer „terugkeeren, en alle geslachten der Heidenen bidden voor

-ocr page 164-

150

„zijn aangezicht; want het rijk is des Heeren, en Hij zal „heerschen over de Heidenenquot; (Ps. XXI, 28, 29. Zie ook Ps. LXXI, 11, 17 en LXXXV, 9).

2) Aangaande het nieuwe Godsrijk — de Kerk, welke de Messias stichten zal, voorzeggen de Profeten; a) „dat „zij van zee tot zee, tot aan de grenzen der aarde zich zal „uitstrekken en in eeuwigheid niet vergaan kan.quot; „In de „laatste dagen,\'\' spreekt Isaïas (II, 2, 3), „zal de berg „van \'s Heeren huis vast staan op de kruin der bergen, „verheven boven de heuvels; alle volken stroomen daarheen! „Vele volken komen en zeggen: komt, laat ons opstijgen „tot den berg des Heeren , tot het huis van Jacob\'s God! „Hij zal ons zijne wegen leeren, en wij zullen op zijne „paden wandelen; want de wet gaat uit van Sion en „\'s Heeren woord van Jerusalem.quot; Hetzelfde zegt de Profeet Micheas, en hij voegt er bij; „de Heer zal over haarheer-„schen op den berg Sion van nu af tot in eeuwigheidquot; (Mich, IV, 7). — Wie denkt, bij het lezen dier voorspellingen, niet aan de Kerk, door Christus op de steenrots gesticht, aan de onbedriegelijke leerares der waarheid, en aan Rome, de op zeven heuvelen gebouwde hoofdstad des Christendoms? De koninklijke Profeet David verkondigt eveneens het rijk van den Messias met de woorden: „Hij „ (de Messias) zal heerschen van zee tot zee, van den vloed „tot aan des aardrijks uiteinden. Voor Hem zullen zich „nederwerpen de Ethiopiërs, en zijne vijanden het stof „lekken,quot; enz. „Alle koningen der aarde zullen Hem „aanbidden, alle volkeren Hem dienenquot; (Ps. LXXI. Vergelijk Ps. LXXXVIII). — Nog nauwkeuriger duidt Daniël (11, 14) dit rijk aan. Na melding gemaakt te hebben van de vier wereldheerschappijen, de babylonische, persische, grieksche, romeinsche, die op elkander zullen volgen, spreekt hij: „In de dagen van deze koninkrijken zal de God des „hemels een rijk verwekken, dat in eeuwigheid niet ver-„woest zal worden ; zijn rijk zal aan geen anderen gegeven „worden, en het zal vernietigen en omverwerpen alle rijken, „maar zelf eeuwig bestaan.quot; Dat eeuwige, heel de wereld omvattende rijk is het rijk van Jesus Christus, hetwelk het heidensche rijk der Romeinen, dat zelf alle andere rijken had vernietigd, met de wapenen des geloofs overwon.

In dit nieuwe, geestelijke rijk zal de Messias „een „nieuw, onbloedig offer en een nieuw priesterschap stichten.quot; Zoo drukt God zich uit door den mond van den Profeet Malachias (I, 10, 11): „Ik heb geen welgevallen in u, „(priesters van het joodsche volk), en neem geen offer aan »uit uwe handen; want van den opgang der zon tot haren

-ocr page 165-

151

„ondergang zal mijn naam groot worden onder de volken, ,,en op alle plaatsen zal mijnen naam geofferd, en een rein „offer gebracht worden; want groot zal mijn naam worden „onder de volkeren, spreekt de Heer der heirscharen.\'\' En op eene andere plaats, nadat er gezegd is, dat de heidensche volkeren de Kerk zullen binnengaan, spreekt de Heer, „En Ik zal uit ben priesters en levieten kiezenquot; (Is. LXVI:

12),..... „u berders geven van mijn hart, die u weiden

„met wijsheid en verstand____Dan zal men niet meer zeg-

„gen: zie de arke des verbonds van den Heer; ja, zij zal „niet meer opkomen in bet hart, en men zal van baar niet den-„ken, noch baar bezoeken, noch eene anderemaken, maar „te dien tijde zal men Jerusalem (het nieuwe Jerusalem, „de christelijke Kerk) heeten des Heeren troonquot; (Jerem. III, 15); „want zie, Ik zelf, die tot u spreek, ben dan „tegenwoordigquot; (Is. LII, (5). „Ik, Ik zelf wil u troostenquot; (Is. LI, 12). — Wie slechts een weinig van de Kerk van Christus kent, ziet zonder moeite de vervulling dezer voorspellingen.

Bewijskracht der mcssiaanselie profetiën.

Tlehhen de Profeten lang vóór de komst van Christus gesproken ?

De eerste belofte des Verlossers werd, gelijk boven is opgemerkt, terstond na den zondeval gedaan. God herbaalde die later aan den aartsvader Abraham. Hij verleende den stervenden patriarch Jacob (ongeveer 1700 jaren vóór Christus) de gave der voorzegging betreffende den toekom-stigen Verlosser, en dreef hem ongetwijfeld aan, alles, wat hem dienaangaande door goddelijke ingeving bekend was, zijnen zonen mede te deelen (1. Mos. XLIX, 9—10). Dezelfde gave schonk God ook aan Mozes (5. XVIII, 15—19), die 1500 jaar vóór Christus leefde In het vervolg gaf Hij aan het Israëlitische volk van tijd tot tijd heilige mannen, die op goddelijke ingeving den Verlosser voorspelden, Hem allengs al duidelijker beschreven, en op die wijze de verwachting van bet uitverkoren volk onderhielden en aankweekten. Zulke mannen waren David (1056 jaren vóör Christus), Amos, Oseas en Joël (800 jaren vóór Christus), Isaïas (G70 vóór Chr.) , Jeremias (628 vóór Chr.) , en anderen, die doorgaans dan optraden, wanneer de herinnering

-ocr page 166-

152

aan den toekomstigen Messias tot verbetering of ten troost des volks dringeud noodzakelijk was. Malachias sluit de rij der Profeten omstreeks 450 jarea vóór Christus geboorte. De Messias en zijn rijk waren thans duidelijk genoeg voorspeld en beschreven : de sterren verbleekten bij het opkomen van de zon. Niet zonder eene wijze bedoeling onttrok God in dezen tijd aan zijn volk de gave der voorspelling. Anders toch zou men wellicht in den waan gekomen zijn, dat de Profeten datgene wat zij voorspelden, op eene of andere natuurlijke wijze voorzien of geraden hadden. Bovendien moest die nauwe omgang, welken God door middel van de Profeten met zijn volk gehouden had, worden afgebroken, opdat aller verlangen door de ontbering meer opgewekt, en de bereidwillige ontvangst van den menschgeworden Zoon Gods voorbereid zou worden.

Zijn de voorspellingen der F rafelen reeds lang vóór Christus heleend geweest ?

De messiaansche voorspellingen waren reeds vele eeuwen vóór Christus opgeteekend, door de Joden bewaard en gelezen , ook in andere talen overgezet en zelfs onder de Heidenen verbreid. Een ontegensprekelijk bewijs voor de opteekening en bewaring der profetiën levert de bovengenoemde Plavius Josephus, een joodsch schrijver, die tijdens de verwoesting van Jerusalem leefde. In zijn verdedigingsgeschrift tegen den heidenschen leeraar Appion leert hij , dat de Joden 22 boeken hadden, welke terecht als goddelijke boeken beschouwd werden, en de geschiedenis van den geheelen voortijd mededeelden. Vijf daarvan zyn door Mozes opgesteld. Sinds Mozes\'dood hebben de Profeten de gebeurtenissen van hunnen tijd opgeteekend. Groot moet immer het aanzien geweest zijn, hetwelk die boeken genoten ; want gedurende al den tijd, welke sedert dien vervlogen is, heeft niemand het gewaagd, aan deze boeken, door er iets af te nemen of bij te voegen, eenige verandering te maken, \'t is den Jood eigen, die boeken als Gods woord en leer te eeren en er zich aan te houden, ja, in tijd van nood er voor te sterven \'). Het zingen der Psalmen bij het brengen van offers, en het lezen van gedeelten uit de boeken van Mozes en de Profeten was bij de Joden, gelijk men weet, in zwang — De eerste

!) Zie Haneberg: //Versucli einer Geschichte der bibl. Oflenbarung;quot; bladz. 405.

2) Zie deel I. bladz. 55 en volg.

-ocr page 167-

153

vertaling der 5 boeken van Mozes in de grieksche taal werd omstreeks het jaar 285 vóór Christus te Alexandrië door 72 geleerden der joodsche natie ondernomen. Door die overzetting in eene taal, welke toen ter tijd onder de beschaafde volkeren het meest in gebruik was, werden zij ook aan de Heidenen bekend. De vertaling der overige heilige Boeken (ook der Profeten) werd omstreeks het jaar 245 voleindigd. Men moet derhalve aannemen, dat ook de Heidenen aan de beloften en voorspellingen van een Messias niet vreemd zijn gebleven. De overtuiging „dat het Oosten machtig zou worden en de heeren der „wereld van Judea zouden uitgaanwas, volgens het getuigenis van heidensche schrijvers, tijdens de komst van Christus, algemeen verbreid en draagt er niet weinig toe bij, ieder, die slechts even nadenkt, in die meening te versterken. Behalve deze oudste grieksche vertaling is er nog eene chaldeeuwsche, die waarschijnlijk weinige jaren vóór Christus is vervaardigd, en eene syrische, die bij de invoering van het Christendom in Edessa schijnt gemaakt te zijn. De samaritaansche vertaling beperkt zich tot de 5 boeken van Mozes en werd omstreeks het jaar 20 vóór Christus ondernomen \').

Hehhen Christus en de Apostelen zich ook op het getuigenis der Profeten beroepen ?

Christus zelf past de voorspellingen der Profeten op zich toe en beroept er zich op als onafwijsbare getuigenissen zijner goddelijke zending en waardigheid. Hij spreekt tot de Joden; „onderzoekt,\'* of: „gij onderzoekt de Schriften, „want gij meent daarin het eeuwige leven te hebben , en „deze zijn het, die van Mij getuigenis geven; maar gij wilt „niet tot Mij komen, om het eeuwige leven te erlangenquot; (Joan. V, 39, 40). Volgens de bemerking der Schriftverklaarders wil de Heiland daarmede zeggen : gij onderzoekt in de Schrift, om er uit te leeren, wat u ten eeuwige leven, ter eeuwige zaligheid kan brengen. Gij doet er wel aan! Maar gij weet, dat die Schriften naar Mij verwijzen, als naar dengene, bij wien de waarheid en het eeuwige leven te vinden is, en evenwel wilt gij niet tot Mij komen. Ook deed Christus aan de twijfelende en moedelooze leerlingen, die naar Emmaus gingen, het verwijt, dat zij de

\') Vergelijk Haneberg, afd. IX, hoofdst. 3.

-ocr page 168-

154

voorzeggingen der Profeten aangaande den Messias niet goed begrepen: „O onverstandigen en tragen van harte, „om alles te gelooven hetgeen de Profeten gesproken hebben! ,,Moest de Christus (volgens hunne voorspellingen) dit niet „lijden, en aldus ingaan in zijne heerlijkheid? En begin-„nende van Mozes en al de Profeten, verklaarde Hij hun, „in alle de Schriften, hetgeen er van Hem geschreven stondquot; (Luc. XXIV, 25—27). Zelfs de Apostelen en die met hen vergaderd waren, verwees Hij naar het getuigenis der Profeten. Hij sprak tot hen: „deze zijn de woorden, welke „Ik tot u gesproken heb, als Ik nog bij u was: dat alles „vervuld moest worden, hetgeen in de wet van Mozes, en „ir de Profeten, en in de Psalmen van Mij geschreven staat. „Toen opende Hij hun den zin, dat zij de Schriften verstonden! En Hij sprak tot hen: aldus staat geschreven, „en aldus moest de Christus lijden, en ten derden dage van „de dooden verrijzenquot; (Luc. 44—46). — De H. Petrus toonde aan, dat in Jesus, den Gekruiste en Verrezene, de voorzeggingen der Profeten vervuld waren, en overtuigde daardoor eens 3000, en bij eene andere gelegenheid zelfs 5000 Joden van de waarheid van den christelijken godsdienst (Hand. II en III). En Paulus betuigde voor den koning Agrippa, „dat hij getuigenis aflegde voor klein en groot „en niets anders sprak, dan hetgeen de Profeten en Blozes „gezegd hebben, dat geschieden zoude\'\' (Hand. XXVI, 22). De Evangelisten maken er ons dikwijls opmerkzaam op, dat in het leven, het lijden en den dood van Jesus Christus dit of dat gebeurd is, opdat de Schrift (d. i. de voorzeggingen, welke in de H. Schrift zijn opgeteekend) vervuld zoude worden. Ook van Apollo, een leerling der Apostelen, wordt gezegd: „nadrukkelijk wederlegde hij in het open-„baar de Joden, aantoonende door de Schriften, dat Jesus „de Christus is,quot; d. i. de door God beloofde en door de Profeten voorspelde Messias (Hand. XVIII, 28).

De bewijskracht, welke in de voorzeggingen ligt, is zoo groot, dat Christus, in de gelijkenis van den rijken vrek, den in Gods schoot rustenden aartsvader Abraham deze woorden in den mond geeft: //Zij ,hebben Mozes en de Profeten; dat zij die hooren!... Indien zij //Mozes en de Profeten niet hooren, zullen zij ook niet gelooven, aï //Stond er iemand uit de dooden opquot; (Luc. XVI, 29, 31).

Daarom zegt ook de H. Petrus (2l-■. br. 1: 19) ter bevestiging dei-christelijke leer, namelijk van de verheerlijking van Jesus Christus: «wij hebben nog een vaster getuigenis, het profetische woord.quot; De Apostel wil zeggen; ons getuigenis van \'s Heeren verheerlijking is vast, d. i. geeft volle zekerheid, wij toch waren op den heiligen berg ooggetuigen van de macht en de heerlijkheid van Jesus Christus, als den eengeboren Zoon Gods. Zoudt gij echter meenen, dat onze zintuigen ons bedrogen hebben, dan kunnen wij ons op een nog sterker

-ocr page 169-

155

getuigenis beroepen, op het woord, door de Profeten op ingeving ■van God gesproken, dat zoowel voor uwe, als voor onze oogen vervuld is. vEn gij doet wel,quot; gaat hij voort, ,/dat gij daar acht op //geeft als op een licht, hetwelk op eene duistere plaats schijnt.quot; De HH. Vaders bewijzen eveneens aan de Joden en zelfs aan de\'Heidenen uit de vervulling der voorzeggingen de goddelijke zending van Jesus Christus. Zoo bekent ook de H. Justinus, tevoren een heidensch wijs-geer, !) dat hij door het lezen der Profeten bekeerd was. En inderdaad, de voorspellingen der Profeten, welke in Christus vervuld zijn, leveren een ontegensprekelijk bewijs, dat Hij de beloofde Messias, en bijgevolg de door Hem verkondigde godsdienst van God afkomstig, goddelijk is. Zoowel de inhoud als de wijze en de tijd, waarop zij gegeven zijn, en niet minder de wondervolle overeenstemming dier menigte voorspellingen brengen ons tot dit besluit.

1. Inhoud, üe Profeten voorspelden niet natuurverschijnselen, welke naar onveranderlijke wetten op bepaalde tijden geregeld wederkeeren, gelijk bijv. zons- en maansverduisteringen, maar feiten, van den vrijen wil Gods of der menschen afhankelijk. Van den vrijen wil van God hingen af zoowel de zending van een Messias, als de keuze van den stam, waaruit Hij geboren zou worden; verders de tijd en de plaats zijner geboorte, zijn optreden met wonderkracht, zijn lijden en dood, zijne opstanding ten derden dage, enz. Van den vrijen wil der menschen hing af de erkenning en verwerping van den Messias en diens leer, de zegetocht, welke men Hem te Jerusalem bereidde, do verschillende omstandigheden van zijn lijden en dood. Uit alles kon alleen Hij weten, voor wien niets een geheim, voor wien al het toekomstige tegenwoordig is, die weet, wat Hij zelf doen zal, en wat de menschen met vrijen wil zullen doen of laten, met één woord alleen de Alwetende. Zonder goddelijke ingeving kon dit alles door niemand voorzien, bijgevolg ook niet voorzegd worden. Vele voorspellingen waren zoozeer in strijd met de verwachting der menschen, dat ze bezwaarlijk aldus in iemands gedachte konden oprijzen. Wie bijv. had kunnen denken, dat de menschen hunnen Verlosser, den Zoon van God, op wien aller hoop gevestigd was, zouden lasteren, bespuwen, met slagen overladen, met gal en azijn laven, aan handen en voeten doorboren?

2. Wijze. ■— De taal der Profeten is nooit onzeker, raadselachtig, gissend, gelijk de taal der heidensche orakels was, en ook nog heden de taal van leugenachtige waarzeggers gewoonlijk is. Niet zelden is de taal der Profeten zinnebeeldig en eischt vlijt en moeite, om het duister der toekomst te onthullen; maar veelal is zij ook zoo duidelijk, stelt zij alles zoo nauwkeurig en in de bizonderheden voor, dat men eer een Evangelist dan een Profeet meent te lezen -). Zoo vinden wij bij Daniël: //Christus zal gedood worden.... Een volk zal met //zijnen vorst komen, stad en heiligdom verwoesten, en in den tempel //zal de gruwel der verwoesting zijn, en de vernieling tot aan het

\') In zijn gesprek met Tryphon, een beroemd joodsch geleerde.

\'-) Vele voorspellingen hebben tegelijk betrekking op eene nabij-zijnde en meer verwijderde toekomst, bijv. op de bevrijding uit de babylonische gevangenschap en op do bevrijding uit de slavernij van de zonde en van den satan; op de eerste komst van Christus ter verlossing van het menschdom en op zijne tweede komst om te oordeelen de levenden en de dooden; op het rijk van Salomon en het rijk van den Messias. Inzooverre de voorspellingen na korteren tijd zullen vervuld worden, moeten ze veelal in den letterlijken zin verstaan worden; wanneer echter de vervulling eerst in latere tijden zal plaats hebben, in een hoogeren, mystieken zin. Niet zelden is de spoedige vervulling de voorafbeelding van dezelfde voorzegging, inzooverre zij op latere tijden betrekking heeft.

-ocr page 170-

156

//einde voortduren;quot; en bij Zacliarias {IX. 9): „Juich, gij dochter van //Jerusalem! Zie uw koning komt tot u als Heiland, Hij is arm en «rijdt op eeue ezelin, op liet jonge veulen eener ezelin.quot; Wien zweeft bij het lezen dezer woorden niet de geschiedenis der verwoesting van Jerusalem en de zegevierende intocht van Jesus in die stad voor oogen? — In Psalm XXI staat geschreven: „Ik ben een worm en „geen mensch; de spot der menschen en de verachting des volks. Allen, //die Mij zien, drijven den spot met Mij, bewegen de lippen en schud-„den het hoofd. Hij heeft zijne hoop gesteld op den Heer, dat deze „Hem nu redde, wijl Hij zijn welgevallen in Hem heeft!quot; Lees nu Mattheüs XXVII, 39—43 en vergelijk. Is de Profeet niet even breedvoerig, nauwkeurig en duidelijk als de geschiedschrijver?

Daar de Profeten het toekomstige meestal als tegenwoordig zien, stellen zij het ook veelal als zoodanig voor.

3. Tijd. De Profeten voorspelden vier, zeven, tien en nog meer eeuwen vóór Christus. De Joden zelve getuigen dit. Wie zal het getuigenis van dit volk in twijfel trekken of als verdacht aanzien? Het getuigt immers tegen zich zeiven. Is het wel waarschijnlijk of denkbaar, dat menschelijke scherpzichtigheid in staat zou zijn, feiten, zooals de aangeduide, eeuwen tevoren te zien en te berekenen?

4. Aantal der Profeten en voo\'zeggingen. Indien in de H. Schrift enkel de voorspellingen van don eenen of den anderen Profeet waren opgeteekend, zou men nog aan eenigerlei vervalsching kunnen denken; daar er echter zoo vele zijn, en de talrijke voorspellingen in de verschillende deelen der H. Schrift, in de boeken van Mozes, in de Psalmen, in de boeken dor Profeten vermeld zijn, is eene vervalsching geheel onmogelijk. Hoe toch zou die ongemerkt geschied en verborgen gebleven zijn? — Dat groote aantal Profeten, zoo onderscheiden door tijd, geboortegrond, karakter en opleiding, hebben met elkander een volmaakt beeld van den Messias ontworpen. Is dit niet een wonder? Indien verscheiden beeldhouwers uit verschillende eeuwen, zonder dat de een zijn werk naar dat van den ander regelde, deze een arm, geene eene hand,\'een derde een hoofd, kortom al de ledematen van een menschelijk lichaam gemaakt hadden; wanneer al die brokstukken eene eeuw na den laatsten kunstenaar verzameld werden, en het nu bleek, dat zij een in alle, zelfs in de geringste deelen afgewerkt standbeeld van een grooten tijdgenoot uitmaakten, zou men dat wel als iets toevalligs of natuurlijks aanzien? De toepassing is gemakkelijk.

Het is derhalve duidelijk, dat God de Profeten verlichtte, hun de toekomst voor oogen stelde, uit hunnen mond sprak; alzoo heeft God zelf den toekomstigen Messias, zijn eeniggeboren Zoon, vooruit gekenschetst en door zijne almacht en wijsheid de vervulling der voorspelde kenteekenen in Christus zichtbaar voor allen gemaakt. Bijgevolg is Christus de beloofde Messias, of God zelf heeft de menschen in de grootste en verderfelijkste dwaling gebracht, wat niemand zonder godslastering kan beweren.

Wellicht zal menig lezer hier de vraag stellen; als allo voorspellingen, welke den Joden aangaande den toekomstigen en vurig verlangden Messias waren gegeven , in Christus in vervulling zijn gegaan, vanwaar komt het dan toch, dat Israël als volk Hem heeft verworpen?

Het antwoord op deze vraag is niet moeielijk te geven. Het was voorzegd, dat de groote massa don Christus verwerpen zou, en kort na \'s Heeren dood kwam het oordeel over Israël, wat het zelf over zijn hoofd had afgeroepen, zooals we vroeger reeds vermeld hebben.

De eerste reden nu, waarom de Joden Christus niet als den Messias wilden erkennen, moet gezocht worden in de zedelijke hedorvenheid van het grootste deel des volks. Wat Stephanus stervend uitsprak, is het oordeel over Israël, gelijk de geschiedenis reeds lang had geveld: //Gij hardnekkigen en onbesnodenen van hart en ooren, //altijd hebt gij den H. Geest wederstaan, gelijk uwe vaderen. Wien

-ocr page 171-

157

^onder de Profeten hebben uwe vaderen niet vervolgd? Zij hebben „gedood, die tevoren de komst des Kechtvaardigen verkondigden. ;/van wien gij nu verraders en moordenaren geworden zijtquot; (Hand. VII, 51).

Hierbij komt, dat de leiding des volks geheel lag in de handen der Phariseën en van het met dezen verhonden Priesterdom. In dien tijd zien wij het hoogepriesterschap veelzijdig verlangd en koopbaar geworden. In de Phariseën vindt men den trots der wetgeleerden, hooge ingenomenheid met zich zeiven wegens vervulling van alle geboden, he: bewustzijn de uitverkoren gunstelingen des Heeren te zijn. In eene dusdanige stemming moesten zij zich door de optreding van Jesus. dien ongeleerden Galileër, door de bewondering, welke Hij bij het volk opwekte, vooral door zijn aandringen op zedelijke vernieuwing, en zijn verwerpen van hunne bloot uiterlijke heiligheid, in de hoogste mate gekrenkt gevoelen.

Hij had niet in hunne scholen geleerd. Hij gaf geen acht op Minne wetsverklaring, en liet niet na, hen somwijlen voor het volk door zijne treffende antwoorden te beschamen. Dit alles vervulde hen met grimmigen haat en zette hen aan tot wraak, welke slechts in zijnen kruisdood bevrediging kon vinden.

Voor alles echter was het de verwachting van een machtigen aardschen honing , die Israël tot de zegepraal over zijne vijanden zou voeren , wat de gemoederen van allen bezig hield. Hij kon daarom niet de Beloofde zijn, die niet kwam aan de spits van een talrijk zegevierend leger, die het volk niet opriep tot den strijd tegen de gehate Romeinen. Christus eischte zedelijke, niet staatkundig\'! herstelling; daarom werd Hij verworpen. Hij is ook voor de Heidenen gezonden, sluit hen niet uit van do weldaad zijner belofte, in plaats van, zooals de Phariseën wilden, hen als slaven aan het uitverkoren volk te onderwerpen; zulk bestaan verdiende den dood.

Daarom heeft Israël Jesns verworpen!

Toorafbcclfliii^en van fleas Messias.

Zien wij in Christus niets anders dan de voorspellingen der Profeten vervuld?

Wij zien ook in Hem de vervulling van alle voorafbeeldingen , in welke de daden en het lijden van den Messias vele eeuwen tevoren zijn aangeduid.

De voorzeggingen der Profeten waren, gelijk wij hebben getoond, een middel, waarvan God zich in zijne wijsheid en goedheid bediende, om den toekomstigen Messias aan te wijzen en te beschrijven, opdat Hij bij zijne komst door niemand, die opmerkzaam van geest en goed van tvü was, miskend of niet erkend zou worden. — Een dergelijk middel om den toekomstigen Verlosser te kenmerken, waren de voorafbeeldingen , die op Hem en zijn rijk betrekking hadden.

Onder „voorafbeeldingquot; verstaat men in het algemeen datgene, wat eene in het oog loopende gelijkenis heeft met

-ocr page 172-

158

iets, hetwelk nog niet aanwezig is, maar in het vervolg van tijd zal komen.

Eene messiaansche voorafbeelding zal derhalve zijn alles, wat overeenkomstig Gods bedoeling eene in het oog loo-pende gelijkenis met den toekomstigen Messias en diens rijk, d. i. met diens eigenschappen, ambten , daden en lijden en de inrichtingen zijner Kerk heeft. Zulke voorafbeeldingen zijn feiieiijke voorspellingen, gelijk de profetiën voorzeggingen door het woord zijn.

Men onderscheidt gewoonlijk tweederlei voorafbeeldingen : persoonlijke en zakelijke. Ligt de door God bedoelde gelijkenis op den toekomstigen Messias in het karakter, in het ambt, in het leven en de werken, in de lotgevallen van eenen persoon, dan is die persoon eene persoonlijke voorafbeelding van den Messias ; ligt daarentegen die gelijkenis niet in eenen persoon, maar in eene zaak, dan wordt deze eene zakelijke voorafbeelding genoemd. De zaak is nu eens een levenloos voorwerp, gelijk het manna; dan een levend, zooals het offerdier, hetwelk ter verzoening in de woestijn gebracht werd; of wel eene gebeurtenis, als bijv. de redding van Noë door middel van de ark, of eene voorgeschreven handeling, gelijk het slachten van het paaschlam. De boeken van het Oude Testament zijn vol van voorafbeeldingen van beiderlei soort. Immers volgens de eenparige leer der Apostelen (Hebr. X, 1 en 1. Uor. X. 6, 11), der HH. Vaders en der Kerk was het Oude Testament niets anders dan eene voorafbeelding van den nieuwen, door den Messias te stichten bond, in welken het verbond met Abraham gesloten in een hoogeren, volmaakten zin voltooid zou worden. \') „De voorchristelijke instellingen „Gods staan derhalve tegenover het Christendom als de „schets tot het afgewerkte beeld, of als het beeld tot de „werkelgkheid, als het aardsche tegenover het hemelsche, „als het lichamelijke tegenover het geestelijke.quot; 2) Gelijk het geheele Oude Testament, zoo moesten ook, volgens den wil van God, de voorafbeeldingen, van welke hier spraak is, het volk voorbereiden op de komst van den Messias, en het aansporen, om zijne Kerk binnen te gaan.

Welke zijn de merkwaardigste voorafbeeldingen van den Messias en zijne Kerk ?

1. Voorafbeeldingen van zijn lijden en dood en derhalve

1) Zie S. August, de civit. Dei L. XVI; cap. II.

2) Dieringer: System. I; § 34.

-ocr page 173-

159

van zijn werk als Verlosser zien wij in Abel, Isaak, Joseph, David, het paaschlam, het zoenoffer, de koperen slang.

Nauwelijks dertig jaren na de eerste belofte van eenen Verlosser dronk de aarde het bloed van „Abel den recht-gt;ivaardigequot; (Matth. XXIII, 35), die door de hand van zijnen broeder Cain, wien de nijd verteerde, was verslagen. Wie erkent niet in Abel den onschuldigen herder, Jesus Christus, den „rechtvaardige Godsquot; (Is. XLI, 5), „den herder der „volkerenquot; (Zach. XI, 12), „den vorst, het hoofd der „herdersquot; (1. Petr. V, 4), die door het volk van Israël uit nyd aan het kruis genageld, met zijn heilig bloed de aarde bevochtigde.

In Isaak, het kind der belofte, den eenigen zoon van Abraham, die den berg Moria beklimt en op de schouders het hout draagt, waarop hij den Heer als een brandoffer moet worden aangeboden, in Isaiik, die zich zonder de minste klacht laat binden en God het offer van zijn leven aanbiedt, terwijl zijn vader de hand uitstrekt naar het mes, om hem te slachtofferen, in Isaak treedt voor de oogen van onzen geest het beeld van Jesus Christus, den eenig-geboren Zoon des eeuwigen Vaders, het beeld van Jesus, die zelf het zware kruis, waaraan Hij als zoenoffer voor de zonden der wereld moest sterven, den Calvarieberg opdraagt , en zich aldaar zonder den mond te openen, op het offeraltaar laat uitstrekken en aan het kruishout nagelen.

Joseph, de zoon van Jacob, wordt door zijne broeders, die hem de goedheid en voorliefde van hunnen vader benijden , aan beidensche kooplieden verkocht, naar Egypte gevoerd, aldaar valschelijk beticht en langen tijd in een akeligen kerker gehouden. Eindelijk geraakt hij uit de gevangenis, waarin hij als begraven lag; door Pharao over gansch Egypte gesteld en met den naam van „heiland der „wereldquot; vereerd (Mos. XLI, 45), wordt hij de redder van dit volk en van zijne trouwelooze broeders. Zoo werd ook Jesus Christus door zijne broeders, de Joden, aan den heidenschen landvoogd Pilatus overgeleverd, door hooge-priesters en ouderlingen des volks valschelijk beschuldigd en in het graf gelegd; maar God wekte Hem op van de dooden (Hom. VIII, 11), „verhoogde Hem en gaf Hem „eenen naam, die boven alle namen is, zoodat in zijnen „naam zich alle knieën buigen in den hemel, op de aarde „en onder de aardequot; (Phil. II, 8—10). „En de zaligheid „is in geen ander; want er is ook onder den hemel geen „andere naam den menschen gegeven, door welken wij zalig „kannen worden\'\' (Hand. IV, 12).

David, de overvvinnaai\' van den reus Goliath, David de

-ocr page 174-

160

koning van Israël, door Acliitophel, zijnen vertrouweling verraden (2. Kon. XV, 12), door zijn eigen zoon Absalon aangevallen en vervolgd, gaat diep bedroefd over de beek Cedron, wordt op zijne vlucht door Semtï gelasterd en met smaad overladen. Jesus Christus, de overwinnaar van dood en hel, Jesus Christus , de Koning der heerlijkbeid, wordt op gelijke wijze door Judas, zijnen leerling verraden, door de zijnen met doodelijken haat vervolgd. Hij gaat bedroefd tot in den dood over dezelfde beek Cedron. Hij wordt met smaad, laster en bitteren hoon overladen. David was derhalve in de verschillende omstandigheden zijns lijdens de voorafbeelding van den lijdenden Messias, doch gelijk overal, blijft ook hier de schaduw ver beneden de waarheid.

Behalve deze persoonlijke typen van het lijden en den dood van den Messias, vindt men zakelijke voorafbeeldingen, bijv. het paaschlam, het zoenoffer en de koperen slang.

De Joden, die in het land van Egypte zwaar gedrukt ■werden, moesten op Gods bevel de deurposten hunner woningen bestrijken met het bloed van het paaschlam, om zich tegen de onverbiddelijke hand van den doodenden engel te beveiligen. Dat paaschlam was een zinnebeeld van Jesus Christus, het reine lam Gods, dat aan den stam van het kruis geslacht werd, en door zijn kostbaar bloed de men-schen van den eeuwigen dood bevrijdde.

Op het Verzoeningsfeest der Joden ging de Hoogepriester nadat hij in den voorhof des tempels den offerdienst had waargenomen, met het bloed van het geslachte offerdier in het Heilige der heiligen en bracht het, als een zoe)ioffer voor de misdaden van Israël, voor het aanschijn des tieeren, en besprenkelde daarmede het verzoendeksel en de arke. Zoo ging ook onze Hoogepriester, Jesus Christus, na zijn offer op aarde gebracht te hebben, met zijn bloed in den hemel voor den troon des Allerhoogsten, om het tot verzoening voor ons den eeuwigen Vader aan te bieden. — Ook legde de Hoogepriester, volgens het voorschrift dei-wet , beide handen op het hoofd van een offerdier, terwijl hij luide de zonden van het geheele volk beleed, en liet het vervolgens, als het ware met de zonden der kinderen Israels beladen, als zoenoffer in de woestijn brengen, waar het den onvermijdelijken dood te gemoet ging. Zoo werd Jesus, de Godmensch, met ons aller ongerechtigheid beladen, uit het land der levenden gevoerd; Hij stierf, buiten Jerusalem gebracht, den offerdood ter verzoening voor de zonden van geheel de wereld (Zie Hebr. IX, 7, 11 en 12.1. Joan. II, 2).

Toen de kinderen Israels in de woestijn, tot straf voor hun vermetel gemor tegen God, door de giftige slangen

-ocr page 175-

161

gebeten, in menigte stierven ,, sprak de Heer tot ilozes, die genade voor zijn volk smeekte: „maak eene slang van „koper, en hang die op aan een paal; wie gebeten wordt „en die slang aanziet, zal levenquot; (Mos, XX[, 8). Mozes gehoorzaamde, plaatste de koperen slang zoo hoog, dat zij door allen gezien kon worden, en ieder die haar aanzag, werd oogenblikkeliik genezen. Dit is de voorafbeelding ; de vervulling daarvan in Christus, den Gekruiste, is allerduidelijkst. De menschen stierven bij duizenden door de beten der helsche slang, welke den eeuwigen dood ten gevolge hadden. Toen werd Jesus aan den kruispaal opgehangen op den berg van Golgotha, om niet slechts het teeken, maar de werkende oorzaak van behoud te wezen. En nu was de doodende macht der helsche slang gebroken, want wie in geloof en vertrouwen opziet naar het heilig kruis, hij sterft den dood der zouden niet, maar wordt genezen, en zal leven in eeuwigheid. De koperen slang had de gedaante van de giftige, doch genas hare beten ; Christus hing aan het kruis in de gestalte van het zondig vleesch (Rom. VIII, 13), en genas ons zoo van de wonden, welke de zonde ons had toegebracht.

2. De voortreffelijkste voorafbeelding van den Messias in het priesterschap is Melchisedech. — Melchisedech was koning; zijn naam beteekent: honing der gerechtigheid; hij was koning van Salem, d. i. koning des vredes; —Christus getuigde zelf: „Ik ben Koning\' (Joan. XVIII, 37); en zijne namen zijn: Ome Rechtvaardige (.Ier. XXIII, 6), Vredevorst (Is IX, 6), — Melchisedech was koning en priester tevens ; — Christus is Priester en Koning in eeuwigheid. — Melchisedech verschijnt in de H. Schrift „zonder vader. zonder moeder, „zonder vermelding van geslacht, zonder (bekend) begin van „dagen of einde van levenquot; (Hebr, VII, 3);— van Christus staat geschreven: „wie zal zijn geslacht vermelden (Is. LUI, 8). Zonder moeder is Hij in den hemel en zonder vader op aarde, en zijne beide geboorten zijn ondoor grondelijke geheimenissen ; Hij was vóór alle begin en zijn leven kent geen einde. — Van Melchisedech weten wij alleen, dat hij geofferd en gezegend heeft; — Christus\' offer was de samenvatting van zijne geheele werkzaamheid op aarde, en door Hem alleen daalt de zegen Gods over de geheele wereld af. — Melchisedech\'s offer bestond uit brood eu wijn en hij verdeelde die spijs en dien drank onder Abram\'s knechten, om hen te verkwikken na den strijd en te versterken op hunne verdere reis naar hun land; — onze Heer Jesus Christus heeft in het laaste avondmaal zich zeiven, onder de gedaanten van brood en wijn, geofferd, en

DEHAKBE, GELOOFSLEEK. II. 3^ DRUK. J 2

-ocr page 176-

162

aan zijne Apostelen gegeven tot voedsel hunner ziel; en aan de priesters der nieuwe wet verleende Hij de macht om ter zijner gedachtenis hetzelfde te doen , wat Hij had gedaan, zijn waarachtig Vleesch en bloed dagelijks aan God op te dragen in de heilige Mis , en met die goddelijke Offer-spijze hunne eigen zielen en die van het geloovige volk te verkwikken in den grooten strijd des heils, en te versterken op de reis naar het hemelsch vaderland. £n, ofschoon de priesters zijne dienaren zijn aan het heilig altaar, Hij toch, Jesus Christus zelf, is de eigenlijke Offeraar, de ware Priester, in wien de voorspelling vervuld is: „De Heer „heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt „Priester in eeuwigheid volgens de orde van Melchisedechquot; (Ps. CIX. 4). (Volgens de voortreffelijke bijbelsche geschiedenis van Past. J. C. H. Muré, deel I.)

3. Als eene voorafbeelding van den Messias in zijn ambt van Profeet en middelaar treedt Mozes op. — Mozes was als Profeet een door God gezonden leeraar van het uitverkoren volk en de verkondiger der goddelijke wet, dei-goddelijke beloften en straffen. Als middelaar tusschen God en de kinderen Israels voerde hij hen, na groote teekenen gedaan te hebben, uit Egypte, het land der slavernij, in de woestijn, stichtte daar een bond met den Allerhoogste, en onder aanhoudende wonderen leidde hij hen door de woestijn naar het beloofde land, alles aanwendende, om het morrende volk tevreden te stellen en den vertoornden God door zijne beden te verzoenen. Op die wijze werd Mozes eeuwen tevoren een getrouw en sprekend beeld van den Messias, Jesus Christus, die door zijn goddelijken Vader gezonden werd als leeraar van alle volkeren, bizonder van het uitverkoren volk der Joden, als middelaar tusschen God en de menschen, als stichter van den nieuwen bond van liefde en genade (Hebr. VIII, 9), als een ervaren leidsman op den verren, moeielijken en gevaarlijken weg door de woestijn dezes levens naar het land der belofte, naar het beter vaderland, den hemel. Daarom sprak Mozes zelf, op Hem, als den toekomstigen Messias, duidende: „En de „Heer sprak tot mij: een Profeet zal Ik verwekken uit uw „geslacht en uit uwe broeders, die op Mij gelijkt, en Ik „zal mijne woorden in zijnen mond leggen, en Hij zal alles „tot u spreken, wat Ik Hem gebieden zal. Wie echter „zijne woorden, welke Hij in mijnen naam zal spreken, niet „hooren wil, op dien zal Ik het wrekenquot; (3. Mos. XVIII, 18, 29). Daarom zegt ook Jesus van zich zei ven: „Ik „ben de weg, de waarheid en het levenquot; (Joan. XIV, 6). Als Profeet, d, i. als leeraar is Hij de waarheid, als leids-

-ocr page 177-

163

man is Hii de weg, als middelaar is Hij het leven, dewijl Hij ons door zijne bemiddeling van den eeuwigen dood verloste , ons met den oorsprong des levens in voortdurende vereeniging houdt, of den band, welke ons met God ver-eenigt, wanneer die verbroken wordt, door zijne genade weder aanknoopt.

4. Ook de Verrijzenis van den Messias was het uitverkoren volk in eene voorafbeelding voor oogen gesteld. — De Profeet Jonas wordt, om de woede der onstuimige baren te breken, in zee geworpen en door een walvisch verslonden. Na drie dagen in diens buik te hebben doorgebracht, komt Jonas weder levend en ongedeerd te voorschijn (Joan. II). De storm, welken de hartstochten der menschen en de machten der hel tegen Jesus hadden opgewekt, bedaarde niet, dan nadat de Godmensch door den dood als verslonden, in het graf was gelegd. Maar op den derden dag verlaat Jesus ongedeerd en heerlijk den schoot der aarde, zooals Hij zelf voorspeld had met de woorden: „gelijk Jonas drie „dagen en drie nachten in den buik van het zeegedrocht „geweest is, alzoo zal de Zoon des menschen drie dagen „en drie nachten in het hart der aarde zijnquot; (Matth. VII, 40).

5. Niet minder duidelijk zien wij in het Oude Verbond ook het geestelijk rijk van den Messias met zijne heilvolle instellingen, d. i. de Kerk met hare Sacramenten en haar heilig offer, voorafgebeeld.

De merkwaardigste voorafbeelding der Kerk, als eene instelling van God tot redding van het menschelijk geslacht, is de arJce van Noè. Gelijk de ark het eenige middel was van behoud bij de algemeene verwoesting, (zie de genoemde bijbelsche gesch. deel I.) zoo is er geene zaligheid te hopen buiten de eenige, alleen zaligmakende Kerk. „Hij kan God „niet tot Vader hebben,quot; zeide de H. Bisschop en Martelaar Cyprianus reeds in de 3de eeuw, „die de Kerk niet tot „moeder heeft.quot; Evenmin als iemand buiten Noë\'s ark den ondergang ontkomen kon, zal iemand buiten de Kerk kunnen behouden worden. De ark bevatte allerlei schepselen: de Kerk heeft alle volken in haren schoot opgenomen; de ark had slechts eene deur: de Kerk heeft slechts eenen ingang; hoevele schepselen in de ark waren, weet men niet; hoe-velen door een oprecht verlangen naar het ware geloof, door goede trouw in hunne dwaling, door getrouwe onderhouding van Gods geboden, inzooverre zij die kennen, tot de Kerk behooren, ofschoon zij geene leden der zichtbare Kerk zijn, weet geen mensch op aarde. De ark was een broos vaartuig, een verachtelijk hout, gelijk de H. Schrift haar noemt, en uit eigen kracht niet bestand tegen het woeden der ver-

11*

-ocr page 178-

164

nielende golven; maar Gods wiisheid bestuurde haar, en maakte haar tot een overwinnend hout: ook de Kerk was tegenover de woedende vervolgingen, die van baar eerste bestaan af tegen haar uitbraken, machteloos naar de wereld en beroofd van alle stoffelijke kracht; maar de Zoon Gods is met haar en verlaat haar niet; zijn Geest bestuurt het schip der Kerk en daarom is zij sterk en onoverwinnelijk tegenover de machten der hel en der aarde; het kruishout, dat eens een hout der verachting was, is en blijft in haar het hout der overwinning. Naarmate de wateren des zond-vloeds hooger stegen, hieven zij de ark hooger op; alle aanvallen en vervolgingen tegen de Kerk hebben slechts gediend om haar meer te verheffen en bare onvergankelijkheid helderder te toonen en te bewijzen; en, als hare vijanden het machtigst zijn, als de nood het hoogst geklommen schijnt, als men haar het ergst verguist en berooft, dan juist viert zij hare schitterendste zegepralen.

De Roode Zee is eene treffende voorafbeelding van het H. Doopsel. Gelijk namelijk voor de kinderen Israels, om de tiranny van Pharao, den koning van Egypte, te ontvluchten, geen andere weg open stond, dan de weg door de zee, zoo kunnen wij slechts door het Doopsel verlost worden uit de slavernij des duivels. De kolom, welke de Joden des daags door hare schaduw beschutte tegen de hitte der zon, en in de duisternis hen verlichtte, stelt ons de heilrijke vruchten van het Doopsel voor oogen.

In het manna, die Engelenspijze, welke in de woestijn dagelijks van den hemel regende, zien wij eene voorafbeelding van het levende hemelbrood, dat in de H. Kerk dag aan dag op het altaar nederdaalt tot eene spijs voor de geloovigen, de heilige Eucharistie. Gelijk het manna, dat tegelijk met den dauw uit den hemel nederviel, den Joden geschonken werd, opdat zij niet van honger zouden sterven, zoo heeft onze Heer, Jesus Christus, naar wien Oudvaders en Profeten hadden verzucht: „dauwt, hemelen, van boven, „wolken, regent den Rechtvaardige af,quot; eene spijs gegeven aan zijne kinderen, opdat hunne zielen niet van honger bezwijken zouden. — Zoolang de Israëlieten in de woestijn omzwierven, aten zij het hemeisch brood; Christus blijft in zijn H. Sacrament de spijs der zielen, zoolang er men-schen de woestijn dezer wereld doortrekken: want daar vooral vervult Hij zijne belofte; „Ik ben met u alle dagen „tot aan het einde der eeuwen.\'\' Toen de Joden in het beloofde land kwamen, hield de manna-regen op; aan ieder, die den beloofden hemel binnentreedt, geeft God een thans nog verborgen manna; want Hij, die nu zich zei ven, verborgen onder

-ocr page 179-

165

de gedaanten, welke zijne heerlijkheid omsluieren, aan ons geeft, is voor de zaligen des hemels, in den onbedekten glans zijner oneindige majesteit, de volle en oneindige verzadiging.

Eein en wit was het manna; rein en wit is de broods-gedaante, waaronder de Zoon van God tegenwoordig is. — Zoet was de smaak van het manna, alle aangenaamheid vereenigend en zich naar ieders smaak schikkend ; in de H. Communie wordt geproefd en ondervonden, hoe zoet de Heer is (Ps. XXXIII), want daar ontvangen wij den Gever der genade met al de volheid zijner gaven, daar wordt ieder heilig verlangen voldaan, elke wensch der rechtvaardige ziel bevredigd. — De Joden ontvingen het manna eerst nadat zij door de Roode Zee getrokken waren; alleen voor den Christen, die in de wateren des Doopsels is gewasschen, heeft onze Verlosser zijn heiligen maaltijd aangericht. — Het manna onderhield het lichamelijk leven der Israëlieten, maar toch stierven bijna allen, die er van gegeten hadden; het H. Sacrament des Altaars onderhoudt het leven onzer ziel, dat voortduurt in eeuwigheid, en is tevens voor ons lichaam het zaad der onsterfelijkheid, dat op den dag der opstanding zijne rijpe vruchten voortbrengt; voor ziel en lichaam beiden is dat aanbiddelijk Sacrament het onderpand der toekomstige heerlijkheid (Vergelijk Joan. VI, 48—59, de bijbelsche gesch. van Past. Mure, en: Het manna des N. V. door W. van Eootselaar, bladz. 38 en volg.).

De tempel van Jerusalem^ eindelijk, met zijne offers was het schaduwbeeld van onze tempels, waarin het allerheiligste offer van het Nieuwe Verbond met onderscheiden godsdienstige ceremoniën wordt opgedragen.

Wij merlven hier ter loops aan, dat de vervulling der voorafbeeldingen In Christus een in zijne soort even steekhoudend bewijs oplevert voor de goddelijkheid zijner zending, als dat, .hetwelk de vervulling der voorspellingen ons geeft. God immers is de onmiddellijke oorsprong zoowel van de personen, in wie wij eene voorafbeelding van Christus zagen, als ook van de overige dingen, die eenigerlei gelijkenis op Christus, zijne Kerk en hare genademiddelen hebben. Zoo werd het Paaschlam naar zijn voorschrift geslacht, het zoenoffer volgens zijne verordening den dood gewijd, de koperen slang op zijn bevel opgericht. Op Gods bevel splitsten zich de baren van de Koode Zee, regende het manna uit den hemel, enz. En inderdaad kun God alleen vooruit weten, wat eenigerlei gelijkenis met den Messias heeft, wien Hij alleen in de ondoorgrondelijke diepte zijner eeuwige raadsbesluiten volkomen kende, en als tegenwoordig zag. Eveneens is het enkel aan Gods wijze voorzienigheid en almacht toe te schrijven, dat de voorafbeeldingen allan in Jesus Christus ten volle bewaarheid zijn.

De voorafbeeldingen van het Oude Testament, van welke hier maar een klein gedeelte werd aangehaald, bestaan niet in eenige uit de geschiedenis willekeurig gekozen trekken; zij vormen eene onafgebroken keten van meestal buitengewone verschijnselen, welke alleen

-ocr page 180-

166

in de christelijke openbaring hare volle verklaring vinden. Siet enkel liet boven vermelde offer van den vromen Isaak, ook de beleediging, welke hij van Ismaël te dulden had, en zijn huwelijk met Rebekka zijn duidelijk voorafbeeldingen; eveneens Jacob\'s lotgevallen, de zegen, welke hem in Esan\'s plaats ten deel viel, de haat en de vervolging van zijn broeder, enz.; later het in bezit nemen van het beloofde land door Josuë; de voorbeeldelooze overwinning van (iedeon ; Samson\'s wonderbare reuzenkracht; Salomon\'s geluk en heerlijkheid; enz. 0e stipte vervulling van al deze en vele andere voorafbeeldingen, welke hier onvermeld blijven, kan niet toevallig zijn. Het lag allerduidelijkst in het plan der goddelijke Voorzienigheid, dat het Oude Verbond niet slechts de voorbereiding, maar ook de voorafbeelding van het Nieuwe zijn zou, en derhalve deszelt\'s gebeurtenissen en inrichtingen zich op eene hoogere wijze in het Christendom ontwikkelen en als het ware herhalen zouden. Het Oude Verbond met zijne wonderbare lotgevallen, eigenaardige gebruiken en voorschriften blijft een raadsel, als in het Christendom niet de oplossing gezocht wordt.

TOEPASSING.

Onuitsprekelijk groot en innig was het verlangen der Aartsvaders en Profeten naar den beloofden Verlosser. „Wek uwe „macht op, o Heer!quot; zuchtte David, „en kom om ons te ver-„lossenquot; (Ps. LXXIX, 3). „Beloon ons uwe barmhartigheid, „en schenk ons uw heilquot; d. i. den Heiland (Ps. LXXXIV, 8). En Isaias, brandende van verlangen naar den Messias, roept uit: „O, scheurdet Gij de hemelen, en daaldet Gij neder!quot; (Is. LXIV, 1. en XLV, 8). „Dauwt, hemelen! van hoven, „wolken, regent den Gerechtige; dat de aarde zicli opene „en den Heiland voortbrenge!quot; Dat vurig verlangen naaiden Verlosser was de zoetste troost zoowel in eigen lijden, als bij het zien van den rampspoed van hun volk. — Maar veel gelukkiger zijn wij, aan wie het vergund is, op den Heiland, die verschenen is, neêr te zien, zijne zegeningen en genadeschatten, ja, Hem zalven op onze altaren te bezitten. Jesus zelf noemde zijne tijdgenooten gelukkig, omdat het hun gegeven was, Hem, den lang Verwachte, te zien. „Zalig zijn de oogen,quot; zegt Hij (Luc. X, 23), „welke zien, „wat gij ziet. Want Ik zeg u, dat vele Profeten en koningen „verlangd hebben te zien, wat gij ziet, en zij hebben het ,niet gezien, en te hooren, wat gij hoort, en zij hebben het „niet gehoord.quot; Al hebben wij niet gelijk de tijdgenooten van Jesus het groote geluk, met lichamelijke oogen den Grodmensch te aanschouwen en persoonlijk met Hem te ver-keeren, wij kunnen toch, steunende op het getuigenis der H. Schrift en der Kerk, met alle waarheid zeggen: „De „goedheid en menschlievendheid van God, onzen Heiland, „is (op aarde) verschenen (Tit. Ill, 4); het Woord is „vleesch geworden, en heeft onder ons gewoond, en wij „hebben zijne heerlijkheid gezienquot; (Joan. 1, 14). Weinig

-ocr page 181-

167

zal het ons echter haten, na de komst van den Verlosser op aarde te leven, als wij ons die niet ten nutte maken, als Jesus niet, gelijk Hij in de wereld is gekomen, geestelijker wijze in onze harten komt, om daar als het ware herboren te worden. Moge Hij toch immer in onze harten eene waardige woonplaats vinden, opdat zijne verschijning op aarde ons niet ten onheil strekke, en ons lot niet verschrikkelijker zij dan van degenen, die voor zijne eerste komst ter wereld leelden. Bevlijtigen wij ons derhalve altijd, maar vooral in den H. Adventstijd, door reinheid van harte, een heiligen levenswandel en een vurig verlangen ons tot zijne komst voor te bereiden; volgen wij hierin de H. Kerk, de maagdelijke bruid van Christus en onze moeder, die niet ophoudt met een vurig verlangen naar haren godde-lijken Bruidegom te verzuchten. Hoepen wij met haar: „O „dageraad des heils! Glans van het eeuwig licht en zon „der gerechtigheid! Kom en verlicht ons, die in de duister-„nissen en in de schaduw des doods gezeten zijn! O Emma-„nuël, God met ons! onze Koning en Wetgever! Gij, de „lang Verwachte der volkeren en hun Heiland! Kom ons „verlossen, Heer, onze God!quot; — Aan die heilige, vurige verzuchtingen van de moeder met hare kinderen zal Jesus niet weerstaan: Hij zal zijn intrek in onze harten nemen en ons licht, onze kracht, ons leven zijn hier en in eeuwigheid.

§ \'£• Jesus Oiristus waarlijk €iod.

Waardoor weten wij, dat Jesus Christus de Zoon Oods, waarachtig God is.

1) Door de voorzeggingen der Profeten, 2) door het getuigenis van zijn hemelschen Vader, 3) door zijn eigen getuigenis, 4) uit de leer der Apostelen, 5) uit de leer dei-katholieke Kerk.

Oetuigeiiis «Ier Profeten.

Hoe luiden de voorzeggingen der Fr of eten?

Zij noemen den beloofden Verlosser: „God, God met ons, „den Allerheiligste, den Wonderbare, den Vader der toe-

-ocr page 182-

168

„komst.quot; Isaïas zegt van Hem: „God zal zelf komen en „u verlossen;quot; en Jeremias: „Dit is de naam, waarmede „men Hem noemen zal: de Heer — Jehova — onzerecht-„ vaardige.\'\' De koninklijke Profeet David noemt den Messias in Psalm XLIV herhaalde malen God, tot Hem sprekende: „Uw troon, o God! staat immer en eeuwig. Gij bemint „de gerechtigheid en haat het onrecht; daarom heeft U , o „God, uw God (namelijk God de Vader) met vreugde ge-„zalfd.quot; Isaïas (VII, 15) noemt Hem „Emmanuel,quot; d. i. God met ons: „Zie, de maagd zal ontvangen en eenen Zoon „baren, en zijn naam zal men Emmanuel noemen.quot; Christus als het licht der wereld aanduidende, spreekt dezelfde Profeet: „Voor de bewoners van het land der schaduwen „des doods gaat een licht op. ... Want een Kind is ons „geboren, een Zoon is ons geschonken! Hy draagt de heer-„schappij op zijne schouders, en zijn naam wordt genoemd: „Wonderbare, raadgever. God, sterke. Vader der toekomstige

„eeuwen, vredevorst......op den troon van David zal Hij

„zitten van nu af en tot in eeuwigheid.\'\' En het terneergeslagen volk door de belofte des Messias troostende, spreekt Hij ergens anders (XXXV, 4—6): „Zegt aan de klein-„mcedigen: weest getroost en vreest niet,.... Godzelfkomt, „en verlost u. Dan openen zich de oogen der blinden, en „de ooren der dooven gaan open,quot; enz. En wederom (XL, 9—11): „Zegt aan de steden van Juda: ziet daar uw nGod\\ Ziet, God de Heer komt met macht.... Gelijk een „herder zal Hij zijne kudde weiden, de lammeren zal Hij „in zijn arm vergaderen, ze op zijnen schoot opheffen, en „de zoogende schapen zal Hij zelf dragen.quot; Al deze plaatsen slaan allerzekerst op Jesus Christus, den Messias. Het bewijs hiervan ligt in de laatste nog bizonder daarin, dat Isaïas onmiddellijk tevoren op „de stem des roependen in de woestijn,quot; op den voorlooper van Christus gewezen had. Even duidelijk zijn de woorden van den Profeet Jeremias : „zie, „de dagen komen, spreekt de Heer, dat ik aan David een „rechtvaardigen spruit verwekken zal; als koning zal Hij „regeeren, Hij zal wijs zijn en recht en gerechtigheid oefenen „op de aarde. In zijne dagen zal Juda gered worden en „Israël in veiligheid wonen. En dit is de naam, waarmede „men Hem noemen zal: Heer — Jehova — onze Eecht-„ vaardige !quot; (XXIII, 5, 6). De naam Jehova wordt inde H. Schrift aan niemand anders dan aan God toegekend: „Ik ben de Heer — Jehova — dat is mijn naam; mijne „eer geef Ik aan geen anderenquot; (Is. XLII, 8). — Wij gaan vele andere getuigenissen der Profeten voorbij en besluiten met de woorden van den H. Joannes den Dooper,

-ocr page 183-

169

die, gelijk Jesus zelf zegt. gvooter is dan alle Profeten. Toen deze Jesus tot zich zag komen, sprak hij: „Ziet het „Lam Gods ! Ziet, die wegneemt de zonden der wereld ! „Deze is het, van wien ik gezegd heb: na mi] komt een „man, die vóór mij geweest is; want Hij was eerder, dan

„ik....... En ik heb gezien, en getuigenis gegeven, dat

„deze de Zoon Gods isquot; (Joan. I, 29, 30, 34).

Cüeluigcnis van tien licmelschen VadU-i*,

Wai heeft de hemelsehr. Vader getuigd!

Bij den doop van Christus in de Jordaan en bij zijne verheerliiking op den Thabor hoorde men eene stem uit den hemel, die riep: „Deze is miin welbeminde Zoon, in wien „Ik mijn welbehagen hebquot; (Matth. Ill en XVII). — Op dit getuigenis van den hemelschen Vader beroept zich de Apostel Petrus in zijn tweeden brief (I, 16—18) met de woorden; „wij volgden geene uitgedachte verdichtselen, „toen we u bekend maakten de kracht en de tegenwoordig-„heid van onzen Heer Jesus Christus, maar wij waren „ooggetuigen zijner heerlijkheid. Want Hij ontving van God „den Vader eer en luister, toen uit de majestueuse heerlijkheid deze stem op Hem overkwam: „„Deze is mijn „„welbeminde Zoon, in wien Ik mijn welbehagen heb, hoort „„Hem!quot;quot; En deze stem, welke van den hemel afkwam, „hebben wij gehoord, toen wij met Hem waren op den „heiligen berg.quot;

CMetuisenist van Christus.

Wat getuigt Christus van zich zeiven?

Christus getuigde 1) dat Hij Gods Zoon en waarachtig God als zijn Vader is; 2) Hij bekrachtigde zijn getuigenis zoowel door de heiligheid zijns levens als door wonderen en voorspellingen, en 3) bezegelde het met zijn dood.

1) Christus getuigde, dat Hij Gods Zoon en waarachtig God als zijn Vader is. Hij noemde niemand anders zijn Vader dan God, hoewel de Joden Htm verweten, dat Hij de Zoon was van Joseph, den timmerman (Matth. XIII, 55 en Joan. VI, 42). Zichzelven noemde Hij Gods Zoon, en wel den „eengeborenenquot; (Joan. Ill, 16), die „het begin en de

-ocr page 184-

170

„oorsprong\'\' aller dingen (Joan. VIII, 25), ouder dan Abraham, vóór de wereld (Joan. XVII, 5), van God uitgegaan (Joan. VII, 42), „uit den hemel neêrgedaald, in „den hemel is\'\' (Joan. Ill, 13), die alzoo niet, zooals underen, slechts een aangenomen zoon of een gezant van God, maar waarlijk God is gelijk de Vader; want „Ik en „de Vader,quot; zegt Hij, „zijn één. De Vader is in Mij en „Ik ben in den Vader\'\' (Joan. X, 30). „Wie Mij ziet, ziet „ook den Vaderquot; (Joan. XIV, 9). „Alles wat de Vader „heeft, is het mijnequot; (Joan. XVI, 15). „Alles wat de „Vader doet, dat doet ook de Zoon desgelijks.... Want „gelijk de Vader de dooden opwekt en levend maakt, alzoo „maakt ook de Zoon levend, wie Hij wil.... opdat allen „den Zoon eeren, gelijk zij den Vader eeren. Voorwaar, „voorwaar. Ik zeg u: de ure komt, en is nu, wanneer de „dooden de stem van den Zoon Gods hooren zullen, en die „haar hooren, zullen leven. Want gelijk de Vader het leven ,,in zichzelven heeft, alzoo heeft Hij ook den Zoon gegeven, „het leven in zichzelven te hebbenquot; (Joan. V, 19,20,23, 25, 26). „Ik ben de opstanding en het leven: die in Mij „gelooft, al ware bij gestorven, zal levenquot; (Joan. XI, 25). Wis ziet hier niet, dat Jesus zich de volmaaktheden en werken Gods toekent en zich als God met den Vader gelijkstelt?

De Joden erkenden dit zeer goed, en daarom ergerden zij zich in zijne woorden en waren zelfs meer dan eens op het punt Hem als godslasteraar te steenigen. „Wij steenigen „U niet wegens een goed werk,quot; spraken zij tot Hem, „maar wegens godslastering, en omdat Gij , een mensch „zijnde, ü zeiven tot God maaktquot; (Joan. X, 33) 1). Indien Jesus niet waarlijk God geweest was, dan had Hij gewis, om die ergernis weg te nemen, bepaald en onbewimpeld verklaard, dat Hij niet God, maar alleen een gezant of de plaatsbekleeder van God op aarde was; Hij zou alsdan in zijne woorden en handelingen alles zorgvuldig vermeden hebben , wat maar eenigszins aanleiding kon geven tot zulk eene verderfelijke dwaling. Jesus deed echter juist het tegendeel. Hij verzekerde telkens, dat Hij wel mensch en de Zoon des menschen was, doch tevens, dat Hij God was en Zoon van God; Hij beriep zich gelijk tevoren op zijne kracht om wonderen te doen, waardoor God de Vader zelf getuigenis voor de waarheid zijner woorden aflegde. „Indien Ik,quot; sprak Hij tot zijne vijanden, „de werken mijns Vaders niet doe, gelooft Mij

gt;) Vergelijk Joan. V: 18, VI; 42; VII 30; VIII: 59.

-ocr page 185-

171

„niet! Maar indien Ik ze doe, al wilt gij Mij niet ge-„looven, gelooft aan de werken, opdat gij moogt weten en „gelooven, dat de Vader in Mij is en Ik in den Vader „benquot; (Joan. X, 37 , 38). Hij zegt verder, dat men aan Hem gelooven moet, om het eeuwige leven te hebben , dat Hij het geven zal aan ieder, die in Hem gelooft. „Ik „ben,quot; voegt Hij er bij, „het levende brood, hetwelk van „den hemel is nedergedaald,... het leven aan de wereld „geeft.... Wie van dit brood eet, zal leven in eeuwig-

„heid..... en Ik zal hem opwekken ten jongsten dagequot;

(Joan. VI, 27). Wien anders dan God alleen komt het toe, zulk eene taal te voeren, zulke beloften te doen? — Wij zien Jesus alom optreden en handelen als den opper-machtigen Heer van alles Hij vergeeft niet alleen zelf de zonden (Marc. II, 5), maar schenkt ook aan zijne Apostelen de genade des H. Geestes, en met haar de macht om de zonden te vergeven. Dat de macht der zondevergeving aan God alleen toebehoort, en als zoodanig ook door JesusJ vijanden werd gehouden, blijkt daaruit, dat zij , toen Jesus ten gunste van den lamme van die macht gebruik had gemaakt , in hunne harten dachten : „ Hij lastert G od! Wie „kan zonden vergeven, dan God alleen?quot; (Mare. 11, 7;. Aan den prins der Apostelen, aan Petrus geeft Christus de sleutelen van het rijk der hemelen en de verzekering, dat al wat hij op aarde zal binden, ook in den hemel gebonden zal zijn , en al wat hij op de aarde zal ontbinden, ook in den hemel ontbonden zal wezen (Matth. XVI, 19). Jesus belooft aan den goeden moordenaar het paradijs (Luc. XXIII, 43); aan zijne leerlingen belooft Hij, den H. Geest te zenden (Joan. XVI, 7) en alles te doen, waarom zij Hem zeiven of den Vader in zijnen naam zullen bidden (Joan. XIV, 13, 14). Hij geeft hun verder de macht in zijnen naam de duivelen uit te drijven, de zieken te genezen en andere wonderen te doen (Marc. XVI. 17, 18). De blindgeborene, dien Hij genezen had, viel voor Hem neder en aanbad Hem als den Zoon van God, en Jesus neemt die hulde aan (Joan. IX, 35—38). Petrus bekent plechtig, dat „Christus, de Zoon van den levenden Godquot; is, en Jesus prijst het hoofd der Apostelen zalig; want voegt Hij erbij, „vleesch en bloed heeft u dit niet geopenbaard, maar mijn „Vader, die in den hemel isquot; (Matth. XVI, 17). Thomas spreekt tot den verrezen Jesus: „Mijn Heer en mijn God!quot; (Joan. XX, 28). En Jesus wederlegt die plechtige bekentenis van zijnen leerling niet, maar zegt: „omdat gij „Mij gezien hebt, Thomas, hebt gij geloofd; zalig zijn zij, „die niet zien en toch gelooven!quot; (Joan. XX, 29). —Hoe

-ocr page 186-

172

had Christus bepaalder en nadrukkelijker kunnen betuigen, dat Hij Gods Zoon en waarlijk God is ? \')

2) Christus hekrachtlgde zijn getuigenis zooicel door de heiligheid van zijn leven, als door zijne wonderen en voorzeggingen.

a) Heiligheid van Christus\' leven.

„Wie uwer,quot; zegt Hij tot de Phariseën, zijne doodsvijanden, ,,kan Mij van zonde overtuigen ?quot; (Joan. VIII , 46). De Phariseën konden niets antwoorden ; niemand was in staat, Hem van het geringste kwaad aan te klagen. Daarop zeide Jesus: „waarom gelooft ge Mij (alzoo) niet, wanneer „Ik u de waarheid zeg, wanneer Ik u verzeker, dat Ik „God, dat ik van God uitgegaan ben ?quot; Zoo heilig was het leven van Jesus, dat Hij het durfde ondernemen, zulke vijanden op eene zoo plechtige en diep beschamende wijze uit te dagen. Jesus wilde daardoor zijne vijanden doen inzien, hoe ongegrond hun ongeloof was, hoe boosaardig zij handelden met Hem te houden voor een mensch, bedorven genoeg om zich als eene Godheid op te werpen. Zelfs Judas, zijn verrader, die drie jaren in den vertrou-welijksten omgang met Christus geleefd had, kon niets tegen Hem inbrengen ; vol schaamte en vertwijfeling bracht hij het geld der misdaad, de dertig zilverlingen, aan den hoogepriester en de ouderlingen terug, en zeide: „ik heb „gezondigd, verradende onschuldig bloedquot; (Matth. XXVII, 4). En Pilatus, de heidensche landvoogd, aan wien Jesus door de vijanden was overgeleverd, achtte zich verplicht, nadat hij alle klachten had gehoord, openlijk en plechtig te verklaren : „ik vind geene schuld in Hemquot; (Joan. XIX, 4). „Ik ben onschuldig aan het bloed van dezen rechtvaardige; „gij moogt toezien!quot; (Matth, XXVII, 24).

Die schuldeloosheid van Christus is echter nog niet alles; in Hem is ook de volheid aller deugden, niet alleen aller natuurlijke deugden, gelijk ze ook de beteren onder de Heidenen eenigermate erkend , en, alhoewel zeer onvolkomen, beoefend hebben; niet alleen van die hoogere gerechtigheid , welke in de erkenning en de vreeze van den eenig waren God wortelt, en welke wij in de dienaren Gods in het Oude Verbond waarnemen; maar in Hem is de volheid

\') Die plaatsen der H. Schrift, welke met de aangeliaalde in strijd schijnen te zijn, moeten van de menschelijke natuur van Christus verstaan worden, zooals in het volgende geloofsartikel zal worden aangetoond.

-ocr page 187-

173

van die hovenaardscJu: heiligheid, welke eerst door Hem op aarde verschenen is en welke wij in de christelijke Heiligen bewonderen. Zeker, er wordt geene deugd gevonden, geene godsdienstige, zedelijke, maatschappelijke deugd, welke wii door Christus niet in hare hoogste volkomenheid beoefend zien. Het is niet alleen onmogelijk eeue deugd volkomener, dan zij zich in Christus vertoont, op de aarde te vinden; wij kunnen haar ook niet volkomener denken.

Wij hebben overigens voor de heiligheid van Christus een bewijs, dat waarlijk ieder rcoet overweldigen, aan wien die helden van deugd, die wij Heiligen noemen , ook slechts eenigszins bekend zijn. Het is aan geen twijfel onderhevig, dat het Christendom den mensch tot eene goddelijke hoogte heeft opgevoerd, waarvan wij daarbuiten geene gelijkenis vinden. Die vrijheid van menschelijke zelfzucht, die reinheid en sterkte der ziel, dat vuur eener liefde, welke blijmoedig zich zelve ten offer brengt, is slechts den chris-telyken Heiligen eigen, en wel in buitengewonen, held-haftigen graad. Welnu, al deze Heiligen waren navolgers van Christus; Hem gelijkvormig te worden in bedoeling , leven en handelen was de eenige regel van hun wil. Christus was het toonbeeld, waarop zij staarden en wat zij met al de kracht hunner ziel nastreefden. Maar hoe hoog zij ook stegen in de volmaaktheid, altijd bleven zij verre bij hun voorbeeld ten achter. Ook in de Heiligen ontwaren wij sporen van menschelijke gebrekkigheid ; in Christus is het licht zonder schaduw. Ja, in Hem hebben wij eene onder het menschdom volstrekt eenige verschijning voor ons In den Christus zijn de schijnbaar \'t meest tegenovergestelde eigenschappen en deugden, kinderlijke eenvoud en wonderbare voorzichtigheid, zachtheid en goedertierenheid tegelijk met eene onwrikbare kracht, de volmaaktste ootmoed met de verhevenste waardigheid, een rustloos werken met de diepste innerlijkheid, een gloeiende ijver met eene hemelsche kalmte, eene alomvattende liefde en ontferming met den hoogsten ernst eener heilige rechtvaardigheid in het zuiverste evenwicht verbonden. Juist deze wonderbare eenheid en harmonie verleent Hem die onvergankelijke, zedelijke schoonheid, welke ieder gevoelt, wiens zedelijk gevoel niet verstompt is. Gelijk in het witte licht alle kleuren des regenboogs in hare ongedeelde eenheid schitteren, zoo zijn alle deugden der wijzen en rechtvaardigen , alle heiligheid der Heiligen in de volkomenheid van Christus als in haar oorsprong en toonbeeld in de hoogste volheid en de reinste schoonheid verbonden, zooals later meer breedvoerig zal aangetoond worden.

-ocr page 188-

174

b) Wonderen van Christus.

Waneer wij , aan de hand van de HH. Evangelisten, Jesus van Nazareth in zijn openbaar leven vergezellen, zien wii Hem vele buitengewone werken volbrengen, die, volgens de uitspraak van eiken onbevooroordeelde, alle bekende krachten der natuur verre te boven gaan, en bijgevolg aan eene hoogere, bovennatuurliike, goddelijke kracht toegeschreven moeten worden. Insgelijks zijn wij ook bij en na zijnen dood getuigen van even buitengewone gebeurtenissen, welke in de nauwste betrekking met Hem staan. Te Cana in Galilea veranderde Jesus water in wijn (Joan II); in eene dorre streek bij Bethsaïda spijzigde Hij vijfduizend men-schen met vijf brooden en twee vischen (Matth. XIV); bij eene andere gelegenheid verzadigde Hij vierduizend man, de vrouwen en kinderen niet medegerekend, met zeven brooden en eenige vischjes (Matth XV); Hij wandelde op de galileesche zee (Matth. XIV) en stilde de onstuimige golven door een enkel woord (Matth. VIII). Jesus dreef herhaalde malen den duivel uit de bezetenen (Matth. VIII en Marc. IX), gaf den dooven het gehoor, den stommen de spraak (Mare. VII), den blinden het gezicht (Joan. X. Luc. XVIII), den lammen het volle gebruik hunner leden terug (Marc. II. en III); Hij genas ook de sinds lang verouderde ziekten en gebreken (Joan. V Luc. VIII). „De mare van Hem „ging uit in geheel Syrië, en zij brachten tot Hem allen, „die kwalijk gesteld waren, met onderscheiden ziekten en „kwalen bevangen, ook van den duivel bezetenen en maan-„zieken, en verlamden, en Hij genas henquot; (Matth. IV, 24), „zoodat de scharen zich verwonderden^ ziende, dat de „stommen spraken, de kreupelen wandelden, de blinden zagen : „zij verheerlijkten den God van Israëlquot; (Matth. XV, 31). Zelfs aan den dood en het graf ontrukte Jesus hunnen buit, daar Hij eenigen, die reeds gestorven en begraven waren, weder in \'t leven terugriep. Zoo schonk Hij het leven aan den zoon der weduwe van Naïm, aan de dochter van den overste der synagoge van Capharnaüm (Luc. VII. en Matth. IX) , en Lazarus kwam op zijn bevel te voorschijn uit het graf, waarin hij reeds vier dagen gelegen had. Ziedaar enkele van de vele, ja bijna ontelbare wonderen, welke Jesus gedurende zijn driejarig leeraarsambt gewrocht heeft. Onder de wonderbare gebeurtenissen, welke bij den dood van Jesus en daarna plaats vonden , behoort de rouw en de ontsteltenis der geheele natuur, de opening der graven en de verschijningen te Jerusalem. .. . Verder

-ocr page 189-

175

(ie opstanding van Jesus zeiven, de omgang van den Verrezene met zijne leerlingen en eindelijk zijne glorierijke hemelvaart.

Deze feiten gebeurden niet in het verborgen, maar openlijk; niet enkel in het bijzijn der leerlingen, maar meestal voor eene groote menigte volks, in het aangezicht van nijdige vijanden, die er immer op uit waren, zijne handelingen ten kwade te duiden Zij waren in het algemeen van dien aard, dat geheel Judea en de omliggende lauden er kennis van kregen en getuigenis van konden afleggen. Dat zij juist zóó zijn voorgevallen, als de Evangelisten verhalen, waarborgt ons de geloofwaardigheid der HH. Schrijvers, welke, gelijk vroeger reeds is aangetoond, geenszins in twijfel kan getrokken worden. — Wij voegen hier alleen nog bij dat zelfs de gezworen vijanden van het Christendom, die in staat waren, de waarheid te onderzoeken , namelijk de Joden en Heidenen, haar noch loochenden noch in twijfel trokken. Hoewel er den Phariseën en Schriftgeleerden veel aan gelegen lag, de wonderen van Jesus weg te cijferen, zooals bizonder uit het gerechtelijk verhoor bij de genezing van den blindgeborene blijkt, ondernamen zij toch nietdit te doen. Het eenigste wat hun overbleef was, die buitengewone werken van Jesus aan verstandhouding met den helschen geest, d. i. aan tooverij of aan den duivel zeiven toe te schrijven. En toen het volk niettemin in menigte Jesus volgde, en Hem als een Profeet en gezant van God beschouwde, namen zij het besluit , hunne lastige tegenpartij met geweld uit den weg te ruimen. „Deze mensch,quot; spraken zij, „doet vele wonderen. „Indien wij Hem zoo laten geworden, zullen allen in Hem „gelooven. Alzoo besloten zij van dien dag af. Hem te „dooden\'\' (Joan. XI, 47, 53), Ook in den Talmud , welke bij de Joden na de H. Schrift het grootste gezag had, en niet lang na de verwoesting van Jerusalem geschreven werd, zijn de wonderen en teekenen van Jesus als onloochenbare feiten vermeld. Eveneens bekenden de Heidenerf, zelfs van latere tijden, onder andere Celsus, Porphyrins en Julianus de Afvallige in de geschriften , welke zij ter bestrijding van het Christendom opstelden, de waarheid van genoemde feiten, maar zochten die, gelijk de Phariseën, door de tooverkracht van Christus te verklaren. De duizenden, die het Christendom aannamen en niet aarzelden er hun bloed voor te storten, zijn bewijzen, dat eveneens zeer velen de werken van Jesus als werken van God beschouwden. Onder die belijders van het christelijk geloof bevonden zich reeds in de eerste tijden mannen, die zich door eene fijn beschaafde opvoeding en hoogen

-ocr page 190-

176

rang kenmerkten, zooals bijv. de proconsul Sergius Paulus, de consul Flavius Clemens, een bloedverwant van keizer Domitianus, Acilius Glabrio, die eveneens consul geweest was, verder beroemde wijsgeeren en geleerden, als Dionysius de Areopagiet, Aristides, Athenagoras, Justinus en anderen. Zelfs onder de Joden waren uitstekende mannen, die dooide wonderen van Christus in Hem geloofden , zooals Nico-demus, „een overste der Jodenquot; (Joan. Ill, 1), Jaïrus, een overste der synagoge (Luc. VII[, 41), en „eene groote „menigte (joodsche) priestersquot; (Hand. VI, 7). Deze waren toch wel in staat, de wonderen van Christus nauwkeurig te onderzoeken.

Iedereen, die de natuur van die wonderbare feiten en de wijze, waarop zij hebben plaats gehad, ernstig en met verstand nagaat, zal ongetwijfeld inzien, dat zij zoowel op zicli zeiven als met elkaar beschouwd, van een bovennatuurlijke, goddelijke kracht getuigen. Ongehoord en nooit gezien is het, dat iemand door menschelijke kracht en natuurlijke middelen bij machte was, Jesus\' wonderdaden na te volgen. Of wien kwam het ooit in de gedachte, vijf duizend menschen met vijf brooden en twee visschen te spijzigen ? Wie achtte het mogelijk, eenen blindgeborene het gezicht te geven ? Wie beproefde het eenen doode, die reeds tot bederf overging, weder in het leven te roepen? Dergelijken wonderen heeft nooit een gezonde en onbevooroordeelde geest in ernst als het werk van menschelijke kunst en natuurlijke (d. i. in de zichtbare natuur liggende) krachten aangezien. L)e ondervinding, welke na zes duizend jaren nog niets dergelijks kan aanwijzen, spreekt er al te luide en al te plechtig tegen. — En inderdaad zien wij ook bij de wonderen van Jesus geen spoor van voorzorgen of voorloopige maatregelen. Jesus handelt immer waar en wanneer het Hem goeddunkt; zijne kracht strekt zich uit over alle levende en levenlooze voorwerpen. Hij werkt in de nabijheid en in de verte en altijd met dezelfde snelheid, altijd met denzelfden goeden uitslag, steeds zonder eenige inspanning of kunstmatige voorbereiding. Hij wil. Hij spreekt slechts een woord, en de natuur gehoorzaamt. Omdat Hij wil, wordt het water onder de handen van de dienaars in den voortreffelijksten wijn veranderd, het brood onder de handen der leerlingen zoodanig vermeerderd, dat er, nadat vijf duizend menschen verzadigd zijn, nog twaalf korven vol brokken overblijven. Tot den stormwind en de woedende baren spreekt Hij : „Zwijgt, weest stil! £n de wind ging liggen, en er werd groote stilte\'\' (Marc. IV, 39). Tot den melaatsche zegt Hij: „Ik wil, wórd gereinigd! En terstond

-ocr page 191-

177

„werd hij van zijne melaatschheid gezuiverd\'\' (Matth. VIII, 3); tot den hoveling, die Hem smeekte, zijnen stervenden zoon te genezen, zegt Hij: „ga, uw zoon leeft!quot; (Joan. IV, 50); tot de dooden: „Ik zeg u, sta op!quot; of: „kom te voorschijn!\'\' en de dooden staan van de baar op, of komen uit het graf. Behaagde het Hem nu en dan, zich van eenig voorwerp als van een natuurlijk middel te bedienen, dan viel zijne keuze juist op iets, wat ter bereiking van zijn oogmerk van nature eer hinderlijk dan bevorderlijk kon zijn. Zoo bijv. bestreek Christus, bij de genezing van den blindgeborene, diens oogleden met slijk, om hem ziende te maken, en stak zijnen vinger in het oor van den doofstomme, om hem het gehoor weêr te geven \'). Het is derhalve allerduidelijkst, dat de wonderwerken van Jesus niet aan eene natuurlijke, maar aan eene hoogere, iovennatuurlijke kracht moeten worden toegeschreven.

Deze hoogere. bovennatuurlijke kracht kwam echter geenszins, zooals de ofigeloovige, door hunnen hartstocht verblinde Joden en Heidenen beweerden, van den boozen geest, maar zij was inderdaad eene goddelijke kracht. De ongegrondheid hunner beschuldiging is zonneklaar. Jesus immer trad altijd op als de vijand van den satan; Hij dreef legioenen van booze geesten uit de bezetenen, maakte stervende een einde aan het rijk van den duivel. Hoe kon dan de hel-sche vorst den Heiland de behulpzame hand bieden ter verbreiding van eene voor hem zoo hatelijke leer; hoe kon hij het geloof aan zijn grootsten vijand bevorderen? Zou de sluwe geest dan niet met zich zeiven in strijd gekomen zijn, niet aan den val van zijn eigen rijk gewerkt hebben? Jesus zelf haalt dit aan, om te bewijzen, dat Hij niet in Beëlzebub, den prins der duivelen, den duivel uitdreef. „Ieder rijk,quot; zegt Hij, „tegen zich zelf verdeeld, zal ver-

\') «/Hetzelfde geldt,quot; zegt Dr. vanDrey 1), „vsmAe oplegging derhan-«den (Zie Matth. VIII, 3. enz.; Marc. VI, 5). Ook dit middel kon en „kan, gelijk de ondervinding ons leert, van nature de kracht niet //hebben, dergelijke uitwerkselen voort te brengen, als de I1H. Evan-z/gelisten verhalen. Do beteekenis van de aanraking der zieken of van //de oplegging der handen wordt ons uit het volgende duidelijk. De „Apostelen zeggen ons namelijk, dat de Heer Christus Jesus, als Hij „volgens zijne gewoonte de kleine kinderen zegende, hen omvatte en «hun de handen oplegde (Matth. XIX, 12—15). Uverigens zien wij de „oplegging der handen reeds in het Oude Testament als een symbool „der zegening in het algemeen (1. Mos. XLVI1I, 14); of bijquot; de op-„dracht van olïers (2. Mos. XXIX, 10); of bij het overdragen van een „ambtquot; (4. Mos. XXVII, 23).

12

1

„Apologetikquot;, deel II. ^ 80.

DEHAllBE GELOOFSLEER. II. 3de DRUK.

-ocr page 192-

178

„woest worden, en het eene huis op het andere vallen. „Zoo nu de satan ook tegen zich zei ven verdeeld is, hoe „zal zijn rijk bestaan? Want gij zegt, dat Ik door Beëlzebub de duivelen uitdrijve\'\' (Luc. XI, 17, 18). De buitengewone daden en voorvallen, waarvan totdusverre spraak was, kunnen bijgevolg alleen van God voortkomen, en zijn derhalve ware wonderen; want wonderen zijn buitengewone werken, welke niet door natuurlijke krachten, maar alleen door Gods almacht volbracht kunnen worden.\'\' \')

God alleen is de Heer van leven en dood, van gezondheid en ziekte, van lucht, water en alle elementen, van de gan-sche zichtbare en onzichtbare natuur. Hij alleen heeft derhalve de macht, dooden tot het leven op te wekken, ongeneeslijke zieken in één oogenblik gezond te maken, stormen te stillen, enz. „Hij alléén doet groote wonderenquot; (Ps. GXXXV, 4). De mensch is daartoe niet bij machte, tenzij God, de Heer, hem door eene bizondere genade die macht verleent. Ook de Engelen, zoowel de goede als de kwade, ofschoon van nature eene veel hoogere kracht bezittende dan de mensch, zijn in het gebruik dier kracht, en vooral in hunne inwerking op de menschen, geheel en al van\' God afhankelijk. De goede Engelen kunnen slechts wonderen doen als dienaars van Gods almacht, en de kwade kunnen hoogstens schijnbare wonderen verrichten; nooit zal God echter toelaten, dat zij door hunne bedriegelijke werken den mensch, die de waarheid met een oprecht hart zoekt, misleiden. De Allerhoogste alleen handelt als de onbeperkte meester van het heelal, Hij is de opperste wetgever, en de geheele natuur gehoorzaamt op zijne wenken. Het staat Hem vrij, te doen, wat de krachten der zichtbare en onzichtbare natuur te boven gaat, en dit doet Hij ook in enkele gevallen, om duidelijk aan te toonen, dat dit of dat buitengewoon werk, hetwelk wij „wonderquot; noemen, onmiddellijk van Hem uitgaat.

Hoe hetoijzen de wonderen de godheid van Christus ?

Zij bewijzen 1) dat Christus waarheid spreekt, wanneer Hij beweert, de Zoon van God te zijn, daar God onmogelijk eene leugen door wonderen kan bekrachtigen. — Toen God in het brandende braambosch aan Mozes verscheen en hem

\') Vera miracula non possant fieri nisi virtate divina. S. Tliom. opusc. de luimanit. Christ. 12. Zie Sam. 1. q. 110. a. 4. — Contra Gent. I. 4. c, 102.

-ocr page 193-

179

het bevel gaf, den oudsten van Israël te verkondigen , dat God de Heer hem verschenen was en besloten had, zijn volk uit de slavernij van Egypte te verlossen, antwoordde deze: „zij zullen mij niet gelooven, maar zeggen: de Heer is u „niet verschenen.quot; Toen verleende God aan Mozes de macht om wonderen te doen „en hi] deed wonderen voor het volk, „en het volk geloofdequot; (2. Mos. IV). En toen Jesus in de volheid des tijds uit den hemel nederdaalde , den Joden ziine goddelijke leer verkondigde en plechtig verklaarde, dat Hij door God gezonden en Gods Zoon was, spraken zij: „wat „teeken doet Gij dan , opdat wij zien en U gelooven ? Mozes „heeft in de woestijn het manna gegeven, en Gij, wat werkt „Gij?quot; (Joan. VI, 30, 31).—Wonderen zijn alzoo teekens, waardoor God diegenen, welke Hij met eene buitengewone zending belast, geloofwaardig maakt. Treedt ergens een mensch op, die spreekt: ten bewijze, dat ik door God gezonden ben en waarheid leer, zal deze blinde het gezicht terug krijgen, of deze doode weder levend worden, en geschiedt het gelijk hij zegt, dan is het bewezen, dat zijne leer waar is, dan kan niemand meer aan zijne zending twijfelen. Immers dewijl God alleen wonderen doet en God, als de eeuwige Waarheid, onmogelijk de leugen bevestigen kan, is het wonder (indien het inderdaad verdient een wonder genoemd te worden en geen bedrog is) een onomstootelijk bewijs voor de waarheid van het gezegde, op die wijze bevestigd. Zoo nu heeft Jesus gedaan; Hij heeft hoofdzakelijk wonderen gewrocht, om zijne leer te bekrachtigen, en de menschen te overtuigen, dat Hij waarlijk de Messias, de Zoon Gods is. Op twintig onderscheiden plaatsen van hel Evangelie maakt Hij zijne toehoorders op zijne wonderen, als op een bewijs zijner goddelijke afkomst, leer en zending opmerkzaam. „Ue werken,quot; zegt liij, „welke de Vader Mij „gegeven heeft, om die te volbrengen, deze werken, welke „Ik doe, geven van Mij getuigenis, dat de Vader Mij ge-„zonden heeft\'\' (Joan. V, 36). En een andermaal: „al wilt „gij Mij (mijne woorden) niet gelooven, gelooft aan de „werken, opdat Gij moogt weten en gelooven, dat de Vader „in Mij is en Ik in den Vader benquot; (Joan. X, 38). Toen er twee leerlingen, door Joannes den Dooper gezonden, tot Hem kwamen, om te vragen, of Hij de beloofde Messias was, gaf Hij hun ten antwoord; „Gaat en boodschapt aan „Joannes, wat gij gezien en gehoord hebt: blinden zien, „kreupelen gaan, melaatschen worden gezuiverd, dooven „hooren, dooden verrijzenquot; (Matth. XI, 3). Alvorens Jesus Lazarus van den dood opwekte, verklaarde Hij plechtig, dat het geschiedde: „opdat de Zoon Gods verheerlijkt zou

12*

-ocr page 194-

180

worden,quot; en het volk geloofde, dat Hij door God den Vader gezonden was (Joan. XI, 4 42).\')

De wonderen van Jesus, waarop Hii zich zoo vaak heriep , hieven dan ook niet zonder vrucht. Allen, die niet verstokt van harte waren , erkenden de kracht van dit hewijs. Daarom spraken zij hij de opwekking van den jongeling van Naïm; „een groot Profeet is onder ons opgestaan, en „God heeft zijn volk bezochtquot; (Luc VII, 16). Het volk van Jerusalem trok Hem geloovig te gemoet, leidde Hem in zegepraal de stad hinnen en riep: „Hosanna! gezegend „is Hij, die daar komt in den naam des Heeren, de Koning „van Israël!quot; (Joan. XII, 13). Ongetwijfeld dachten en spraken velen, die getuigen der wonderen van Jesus geweest waren, gelijk Nicodemus, een lid van den joodschen raad: „Meester, wij weten, dat Gij een leeraar zijt, van God „gekomen ; want niemand kan deze wonderen doen, die Gii „doet, tenzij God met Hem isquot; (Joan. III, 2). — Is Jesus een leeraar, die van God gekomen is, dan is Hij ook Gods Zoon, wijl Hij dit herhaalde malen en uitdrukkelijk geleerd heeft.

2) Die wonderen bewijzen, dat Christus goddelijke macht hezit, daar Hij uit eigen kracht wonderen deed. — De Profeten , de Apostelen en alle Heiligen, die wonderen gedaan hebben, bekenden zeiven dat zij die niet in hunnen naam, niet uit eigen kracht, maar in den naam en door de kracht van God deden, dat God hun de macht daartoe verleend had. Daarom riepen Elias en Eliseus, zooals de H. Athanasius opmerkt (Eedev. 4 tegen de Arianen), God aan, opdat Hij de dooden zou opwekken ; daarom smeekte Elias den Heer, alvorens hij ter beschaming van de priesters van Baal het vuur des hemels op het offeraltaar afriep; „Heer, God! „toon heden, dat Gij de God van Israël zijt, en ik uw „knecht hen.... Verhoor mij. Heer, verhoor mij, opdat „uw volk erkenne, dat Gij, Heer! God zijtquot; (3. Kon. XXXVI, 37). Daarom sprak Samuël tijdens den tarwenoogst

\') Dewijl Christus voornamelijk wonderen deed, opdat men in Hem zou gelooven, vorderde Hij ook eerst bereidwilligheid om te geloocen van diegenen, die een wonder van Hem verlangden. Waar deze ontbrak, deed Hij er geene, gelijk bij Herodes, of slechts weinige, zooals in zijne geboorteplaats, omdat zij daar vruchteloos geweest waren. Daarom zegt Marc. (VI, 5, 0): //Hij konde aldaar geene wondertee-,;keneii doen, behalve dat Hij weinige zieken, hun de handen opgelegd ilt;hebbeude, genas.quot; Nimmer ontbrak het Jesus aan de macht om wonderen te doen, maar de menschen misten den goeden wil, om van de wonderen tot hunne zaligheid gebruik te maken. Nochtans genas Hij eenige zieken; want ook zijne vaderstad moest deelachtig worden aan de weldaden, welke zijne menschlievendheid en goedheid allerwege zoo rijkelijk uitdeelden.

-ocr page 195-

181

tot het volk van Israël: „Blijft en ziet het groote wonder, „dat God doen zal voor uwe oogen.... Ik zal tot den Heer „roepen, dat Hij donderslagen en regen geve. .. . En Samuël „riep tot den Heer, en de Heer gaf donder en regen ten „zelfden dagequot; (1. Kon. XII, 16—18). Om dezelfde reden zeide ook de H. Petras tot den lamgeborene: „in den naam. „van Jesus Christus den Nazarener, sta op en wandel!quot; — Jesus daarentegen treedt overal op als wonderdoener in eigennaam en met eigen macht. „Ik wil, word gereinigd,\'\' spreekt Hij tot den melaatsche (Luc. V, 13); „Sta op, neem „uw bed op en ga,quot; tot den verlamde (Marc. II, 11); „Ik „zal komen en hem (den knecht) gezond maken,quot; tot den hoofdman van Capharnaüm (Matth. VIII, 7) ; tot den jongeling, die dood op de baar lag: „Ik zeg u, sta op!quot; (Luc. VII, 4). Wel is waar schrijft Christus zijnen Vader in den hemel de wonderen toe, maar niet minder zich zeiven, want Hij zegt: „alles, wat de Vader doet, dit doet ook de Zoon „desgelijks .... gelijk de Vader de dooden opwekt en levend „maakt, alzoo maakt ook de Zoon levend, wie Hij wilquot; (Joan. V, 19, 20). Nergens sluit Hij zich zeiven uit, maar verzekert telkens, dat zijn en zijns Vaders werk een en hetzelfde is. — Daarbij komt nog, dat Christus niet alleen zelf wonderen doet, maar ook zijnen Apostelen de macht geeft, in zijnen naam wonderen te verrichten (Marc. XVI, 17, 18). Met de woorden : „geneest kranken, wekt dooden „op, zuivert melaatschen, drijft duivelen uitquot; (Matth. X, 8), verleent Hij hun eene macht, welke God alleen toekomt , de macht over de zichtbare en onzichtbare natuur. En die macht hebben in deu naam van Jesus en in het geloof aan zijne godheid, niet enkel de Apostelen, maar duizenden na hen in de H. Kerk uitgeoefend. Is dit niet een onomstootelijk bewijs, dat Jesus Christus waarlijk God is ?\')

c) Voorzeggingen van Christus.

Heeft Jesus de leer van zijne godheid door voorzeggingen bevestigd ?

Ja, want Hij voorspelde vele dingen, welke God alleen kon weten: het verraad van Judas en de verloochening van Petrus, zijnen dood, zijne verrijzenis, hemelvaart, enz.

■) „De ongeloovigen — zegt Past. Muró (Bijb. gesch. deel III) — heb-vben veelal de gewoonte om met het Evangelie, cn bepaaldelijk met ,/de wonderen, die daarin verhaald worden, den spot te drijven. — »\\Veet dan, beminde lezer! dat niets zoo gemakkelijk is als te spotten «met heilige zaken; om dat te kunnen is niets anders noodig dan dat i\'iii6ri esii slcclit mensch is.quot;

-ocr page 196-

182

De voorspellingen van Jesus, welke allernauwkeurigst vervuld zijn , behooren ontegensprekelijk tot de buitengewone werken of teekenen , waaruit de menschen konden zien en nog altijd kunnen besluiten, dat de leer van Jesus eene goddelijke, en Jesus inderdaad, gelijk Hi] van zich zeiven getuigd of geleerd beeft, Gods Zoon is. Want alleen voor het alziend oog van God ligt de toekomst, zoowel als bet tegenwoordige, open. Gelijk de wonderen van Jesus slechts door goddelijke almacht konden verricht worden, konden ook zijne voorspellingen alleen door goddelijke alwetendheid gedaan worden; zij moeten derhalve als ware wonderen, en bijgevolg als onomstootelijke bewijzen zijner godheid beschouwd worden. Niemand kan ontkennen, dat Jesus verscheiden dingen, die alle menschelijke berekening of gissing verre tebovengingen, met de grootste zekerheid en nauwkeurigheid voorspeld heeft, en dat die voorzeggingen allen, tot in de geringste, onbeduideDdste omstandigheden, vervuld zijn.

Jesus voorspelde bij het laatste avondmaal, dat Judas Hem verraden en Petrus vóór het hanengekraai Hem ver-loochenen zou. En Judas, zijn tafelvriend, werd inderdaad een verrader, en Petrus deed wat Jesus voorzegd had. Wie had ooit kunnen vermoeden, dat Petrus, die zijnen Heer als God erkende, en nog kort tevoren eeuwige trouw beloofde , zoo diep zou vallen ? — Reeds vroeger had Jesus tot zijne leerlingen gezegd: „ziet, wij gaan opwaarts naar „Jerusalem, en de Zoon des menschen zal den Opper-„priesters en Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij „zullen Hem ter dood veroordeelen. Zij zullen Hem aan „de Heidenen overleveren, om bespot en gegeeseld en gekruisigd te worden ; en ten derden dage zal Hij verrijzenquot; (Matth. XX, 18, 19). Maar dit alles was naar menschelijke berekening zoo min waarschijnlijk, dat de discipelen zijne voorspelling niet eens begrepen: „zij verstonden daar-„van nietsquot; (Luc. XVIII, 34). Het gebeurde echter zooals Jesus voorzegd had; zelfs datgene, wat enkel en alleen van den ondoorgrondelijken wil en het raadsbesluit van God afhing en meer dan al het andere boven alle menschelijke berekening of gissing verbeven was : Jesus stond ten derden dage uit het graf op. Eveneens werd ook Jesus\' voorspelling van zijn heengaan tot den Vader en van de zending des H. Geestes (Joan. XVI) vervuld. Indien Christus niet God geweest was, hoe had Hij dan zijne eigen hemelvaart en vooral de uitstorting van den H. Geest in zijnen naam kunnen voorspellen, daar deze wondervolle feiten geheel van Gods vrijen wil afhingen ? En zou God ooit de leer

-ocr page 197-

183

van een menscli, die zich ten onrechte als God uitgeeft, kunnen begunstigen, door op eene wonderbare wijze haarklein de voorspellingen van dien valschen Profeet te vervullen ? Uit de voorspellingen van Christus en hare vervulling blijkt alzoo allerduidelijkst, dat Jesus waarlijk de Zoon van God, God zelf is.

Heeft Jesus Christus ook voorspellingen gedaan,

welker vervulling nu nog voortduurt ?

Ja, 1) dat het Evangelie in de geheele wereld gepredikt, 2) de Kerk door de machten der hel niet overweldigd zou worden , en 3) dat van den tempel te Jerusalem geen steen op den anderen blijven zou.

1) Yoor zijne glorierijke opstanding zeide Jesus reeds; „Dit Evangelie des rijks zal gepredikt worden in geheelde „wereld, allen volken tot een getuigenisquot; (Matth. XXIV, 14). Ook voorspelde Christus toen reeds nauwkeurig, dat de prediking van zijn Evangelie ingang zou vinden, dat zijn rijk zich over heel de aarde zou uitbreiden, terwijl Hij het vergeleek met het mostaardzaadje, „hetwelk wel het „kleinste is onder alle de zaden; doch, als het opgeschoten „is, is het grooter dan alle moeskruiden, en het wordt „een boom, zoodat de vogelen des hemels komen en in „zijne takken wonenquot; (Matth. XIII, 31). Wie zich den toenmaligen toestand der wereld voor oogen stelt en daarbij denkt aan de leer van Christus, welke geheel tegenstrijdig was met de beginselen en zeden des volks, ja, door priesters en Schriftgeleerden werd tegengewerkt, hij zal moeten erkennen, dat de vervulling van \'s Heeren voorspelling geheel onwaarschijnlijk was. Zelfs toen Jesus die voorspelling na zijne verrijzenis herhaalde, en tot zijne leerlingen sprak; „Gij zult mijne getuigen zijn in Jerusalem „en in geheel Judea en in Samarië, en tot aan het uiteinde der aardequot; (Hand. 1,1), zelfs toen was het voor ieder, die met de goddelijke kracht, waarmede de Apostelen waren uitgerust, onbekend was, volstrekt onmogelijk, de vervulling dier voorzeggingen te vermoeden, laat staan te voorzien. Het was geenszins te denken, dat twaalf arme visschers in staat zouden zijn, de dikke duisternis van het heidendom, welke de aarde overdekte, te verdrijven, den vierduizendjarigen troon der hartstochten omver te werpen, den gruwel van den afgodendienst, in weerwil van den hard-nekkigsten tegenstand, te verbannen door eene geloofsleer vol geheimenissen, en door eene zoo gestrenge zedeleer de

-ocr page 198-

184

in den grond bedorven wereld in eene christelijke te herscheppen. De vervulling bleef echter niet lang achterwege. Onder een zwaren en bloedigen strijd, welken de geschiedenis ons verhaalt, kwam die wondervolle verandering langzamerhand tot stand. Ue leer van Jesus van Nazareth drong en dringt nu nog tot aan de grenzen der aarde door, wordt overal niet enkel gelezen, of ter lezing aangeboden, maar met eene alles opofferende liefde gepredikt en door rijken en armen, door voornamen en geringen, door geleerden en ongeleerden, met heilige geestdrift aangenomen.

2) üe tweede voorspelling van Jesus, van welker voortdurende vervulling wij getuigen zijn, is deze : dat de Kerk door de macht der hel nooit overweldigd zal worden. — Onze goddelijke Verlosser sprak tot Petrus, zijnen leerling: „Gij zijt Petrus, en op deze steenrots zal Ik mijne „Kerk bouwen, en de poorten der hel zullen haar niet „overweldigen.\'\' Aan strijd heeft het de Kerk van Christus niet ontbroken, maar evenmin aan overwinningen; strijd heeft zij nog in onze dagen te voeren, en zoo zeker als Jesus, haar Stichter, God is, zal ook nu de kroon der overwinning haar niet ontgaan. Het heidendom met al zijne verleiding en marteltuigen , de ketterij met al hare arglistigheid en woede, neen, zij waren niet bij machte, de rots, waarop de Kerk gegrondvest is, te schokken. Zij alleen heeft nooit gewankeld, zij wankelt ook nu nog niet, hoezeer de machten der aarde en der hel samen • spannen om haar te vernietigen. Zij is de zou, die wel een oogenblik haar hoofd kan buigen achter de wolken, maar weldra met verhoogden glans te voorschijn treedt; zij is de rots , die wel gezweept kan worden door de golven , maar nooit bezwijkt, üe voorzegging des Heeren wordt ten allen tijde vervuld!

3) De verwoeste tempel van Jerusalem getuigt eveneens nog in onze dagen van de echtheid der voorspelling van Jesus bij Marc. XII, 1—2, alwaar Hij tot een leerling, die, den tempel bewonderende, zeide; „zie toch. Meester! „wat steenen! en wat gebouwen!quot; ten antwoord gaf: ziet „gij al deze gebouwen ? Er zal niet één steen op den andereu „gelaten worden, die niet zal worden afgebroken^ \') De geschiedenis stelt ons de verschrikkelijke, door Christus voorspelde verwoesting van het ondankbare Jerusalem en van den tempel met de levendigste trekken voor oogen! Te vergeefs gaf later keizer Julianus de Afvallige aan het

Vergelijk Luc. XIX. 41—44. \\Iatth. XXIV, 1, 2.

-ocr page 199-

185

joodsche volk verlof, den tempel weder op te bouwen. Zoo dikwijls men beproefde aldaar een nieuwen tempel te stichten , werden de grondsteenen van den ouden, die nog op elkander waren gebleven, door eene wonderbare aardbeving uit de diepte, waarin zij lagen, weggeslingerd, zoodat er geen enkele steen op den anderen bleef; \') een treffend afbeeldsel van bet joodsche volk, dat den hoeksteen, Christus , verwierp, en nu, tot straf, zonder een eigen vaderland te hebben, over geheel den aardbodem verstrooid is. De tempel van Jerusalem is verdwenen en eene turksche moskee in zijne plaats gekomen. — Zoo duurt de vervulling van \'s Heeren voorspelling voort, en zij zal voortduren tot aan het einde der tijden. Want hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar Jesus\' woorden zullen niet voorbijgaan.

\') Omstreeks het midden der vierde eeuw liet Julianus de Afvallige de Joden uitnoodigen, den tempel van Jerusalem te herstellen. Ue Joden, die reeds onder Adrianus en Constantijn te vergeefs beproefd hadden, hun heiligdom weder op te bouwen, gaven mot vreugde aan dien wenk gehoor. Van alle kanten, zelfs uit do verste wereldstreken stroomden zij naar Jerusalem. Alypeius, de vriend van Juliaan, zou de onderneming leiden, de stadhouder van het gewest hem bijstaan, en zeer groote sommen gelds werden beschikbaar gesteld. Met be-wonderenswaardigen ijver ging men aan hot werk; bouwstofi\'en werden in groote menigte bijeen gebracht en de fundamenten gegraven. Vol-ens het getuigenis van den H. Gregorius van Nazianze leenden zelfs e vrouwen ijverig de hand. Haar de Almachtige wist het plan dor goddeloozen te verijdelen. Hevige windvlagen rukten de bouwstoffen weg, bliksemstralen vernielden de werktuigen, eene aardbeving slingerde de steenen, die nog in het oude fundament gebleven waren, uit elkander, en wierp de gebouwen in de nabijheid ten gronde. Op de kleederen der aanwezigen zag men kruisen, 1) en des nachts verscheen ook aan den hemel een schitterend kruis, dat door een krans was omgeven. Eindelijk sloegen er vlammen uit den grond, welke vele arbeiders doodden, anderen verminkten en ten laatste Joden en Heidenen dwongen, het begonnen werk te staken.

Die wonderbare verijdeling van den tempelbouw wordt ons medegedeeld zoowel door de oudere geschrijvers, Theodoretus, öocrates, Öozomenus, Kulinus en andereu, als ook door de Kerkvaders van dien tijd, Ambrosius, Chrysostomus, Gregorius van Nazianze. Laatstgenoemde, na in zijne tweede preek tegen Julianus deze gebeurtenis levendig voorgesteld te hebben, gaat aldus voort; »nog heden ten „dage kunnen zij, die getuigen van dit wonder waren of er van boordden vertellen, de Ideederen aantoonen, waarin het kruisteeken ge-//drukt is.quot; Hetzelfde getuigt de geschiedschrijver Sozomenus in zijne //Hist, eccles.quot; (1. 5. c. 22.) en de heiden Ammianus Marcellinus, lib. 23 c. 1.

1

Volgens Theodoretus (Hist, eccles. III. c. 17) waren deze kruisen zwartachtig.

-ocr page 200-

186

Heeft Jesus de leer van zijne godheid met den dood bezegeld?

Hii heeft die leer met zijnen dood bezegeld, daar Hij, bezworen bij den levenden God, voor zij ne rechters de plechtige bekentenis aflegde, dat Hij „de Christus, de Zoon Gods is, „dat Hij zal zitten aan de rechterhand der kracht Gods en „op de wolken des hemels komenen op die bekentenis den dood onderging.

Niet alleen in tegenwoordigheid van zijne leerlingen, maar ook voor al het volk en voor den hoogen raad verklaarde Jesus plechtig, dat Hij de Zoon Gods is. Toen de hooge-priester Gaïphas tot Hem sprak: „Ik bezweer u bij den „levenden God, dat gij ons zegt, of Gij de Christus, de „Zoon Gods zijt.quot; gaf Jesus tenantwoord: ,,gij hebt het ge-„zegd. Ik ben het. Maar Ik zeg u; van nu aan zult gij „den Zoon des menschen zien, zittende aan de rechterhand „der kracht Gods, en komende op de wolken des hemelsquot; (Matth. XXVI, 63, 64). Nu riepen allen; „Gij zijt alzoo de „Zoon Gods?quot; en Jesus herhaalde ziin antwoord en sprak: „Gij zegt het, en ik ben hef\' (Luc. XXII, 70). „Toen scheurde „de hoogepriester zijne kleederen en zeide: Hij heeft God „gelasterd! Waartoe hebben wij nog getuigen noodig? Ziet, „gij hebt nu de godslastering gehoord. Wat dunkt u ? Zij, „antwoordende, zeiden: Hij is des doods schuldig!quot; (Matth. XXVI, 65—67). Jesus echter sprak geen woord, om de zware aanklacht van godslastering eu het tegen Hem uitgesproken vonnis door eene nadere verklaring of door de herroeping zijner woorden van zich af te wenden. Toen de hooge raad Hem aan den landvoogd Pilatus overleverde, en deze naar Jesus\' misdrijf vroeg, gaven de priesters en Schriftgeleerden ten antwoord: „wij hebben eene wet, en „naar de wet moet Hij sterven, omdat Hij zich zeiven Gods „Zoon gemaakt heeftquot; (Joan. XIX, 7); doch ook op dat oogenblik wilde Jesus geene nadere verklaring geven, veel minder zijne woorden herroepen: Hij zweeg stil, bekende door dat zwijgen luide zijne godheid en bezegelde die bekentenis met zijn heilig bloed.

Wanneer een of ander mensch zich voor de rechtbank valschelijk als God uitgaf en, als lasteraar ter dood veroordeeld, niettemin bij zijn gezegde bleef, zonder eenige nadere verklaring te geven, zouden wij hem dan niet vooreen waanzinnige of voor een verstokten booswicht houden ? Kunnen wij derhalve Jesus wel grooter oneer aandoen, dan door te twijfelen aan zijne plechtige verklaring, dat Hij God is ? Kan men weigeren aan Christus\' woord te gelooven j

-ocr page 201-

187

als men bedenkt, wat er al bij en na zijnen dood plaats vond? Terwijl Jesus aan het kruis hing, „kwam er duisternis „over de geheele aarde van de zesde tot de negende ure toequot; (Matth. XXVII, 45).\') En toen de Gekruiste zijn hoofd gebogen en den geest gegeven had, „ ziet, toen scheurde „het voorhangsel van den tempel in twee stukken, van boven „tot beneden, en de aarde beefde, en de steenrotsen barstten ; „de graven openden zich, en vele lichamen der heiligen, „ die ontslapen waren, stonden op ; en gaande uit hunne ,,graven, na zijne verrijzenis, zijn zij in de heilige stadge-,,komen en aan velen verschenenquot; (Matth. XXVII, 51—53). Ten derden dage stond Jesus zelf op, verliet het gesloten en verzegelde graf, en verscheen veertig dagen lang meermalen aan zijne leerlingen in een verheerlijkt lichaam, tot Hij voor hunne oogen zegevierend ten hemel steeg. En al deze verbazende teekenen en wonderen zou God ten gunste en ter verheerlijking van een waanzinnige of snooden godslasteraar gedaan hebben!! De heidensche hoofdman, die den Gekruiste bewaakte, en getuige van de aardbeving en van al hetgeen er verder geschiedde, geweest was, riep luide uit: „Waarlijk, deze was Gods Zoon!quot; Het strekt gewis tot niet geringe schande van onzen tijd, dat er zijn, die zich Christenen noemen, en evenwel ongelooviger zijn dan deze heiden was. Wat zullen zij, die goddeloozen, eenmaal ter verontschuldiging van hun ongeloof kunnen inbrengen ? Wellicht dat zij niet, gelijk deze hoofdman, de wonderen hebben gezien, die bij den dood van Christus zijn voorgevallen? Maar is dan de waarheid dier feiten niet genoegzaam in het Evangelie gewaarborgd ? Zien zij daarenboven niet met eigen oogen het grootste aller wonderen: de bekeering der heidensche wereld, de vernietiging van den afgodendienst,

\') Deze duisternis, welke zoolang duurde als Jesus aan het kruis hing, was geenszins volgens de gewone wetten der natuur ontstaan; zij was geheel buitengewoon, waarlijk een wonder. Zij had plaats bij volle maan, wanneer de maan, tegenover de zon staande, niet tusschen de zon en de aarde kan komen en bijgevolg ook de aarde niet verduisteren kan. Zelfs de Heidenen stonden er over verbaasd. Phlegon, een heidensch geschiedschrijver, maakt er in het vijftiende boek van de Kronijk der Olympiaden melding van. Hij schrijft daar: vin het vierde jaar der twee honderd-en-tweede olympiade (het jaar //van Christus\' dood) was de grootste en merkwaardigste zonsverduis-„tering, welke ooit plaats vond. De dag veranderde omstreeks het „zesde uur {volgens onze berekening omstreeks twaalf uur) in duis-//ternis, zoodat men de sterren aan den hemel zag. Ten zelfden tijde «wierp de aardbeving te Kicea, eene stad in Bithynië, vele huizen z/om.quot; Ook andere heidensche schrijvers maken, zooals Eusebius (Chron. lib. S) getuigt, van deze duisternis melding, en Tertullianus beroept zich voor de Heidenen op de oorkonden, welke daarvan in hunne archieven voorhanden waren (Apol. n0. 21).

-ocr page 202-

188

de eer, welke Jesus, den Gekruiste, over geheel den aardbodem gebracht wordt? Achttien eeuwen zijn reeds vervlogen, sinds Jesus deze wereld verliet, en nog immer leeft Hij bemind en aangebeden in de harten zijner getrouwen zonder tal! Welke andere liefde kan vergeleken worden met eene liefde, die bereid is, ieder oogenblik bloed en leven voor den beminde te geven? Is dit geen wonder? Is dit niet een onomstootelijk bewijs voor de godheid van Christus ? \')

1) JJeze gedachte vindt men op eene geniale wijze uiteengezet in een gesprek van Hapoleon I inet generaal Bertrand op het eiland St. Helena, hetwelk in het jaar 1841 door generaal Montholon openbaar is gemaakt. ,Jesus wil de liefde der menschen,quot; zegt Napoleon, //Hij wil het hart, verlangt het; en het gelukt Hem onvoorwaardelijk. «.Dat is voor mij een bewijs zijner godheid. Alexander, Caesar, Han-//nibal, Lodewijk XIV konden het met al luin talent zoo ver niet ,/brengen. Zij veroverden de wereld, maar konden geen enkelen vriend quot;krijgen. ... Christus daarentegen spreekt, en terstond sluiten de //geslachten der menschen zich bij Hem aan; de band, welke hen met //Hem verbindt, is inniger en vaster, dan die des bloeds, heiliger en //muchtiger dan eenige andere. Hij ontvonkt de vlam eener liefde, „welke onze eigenliefde uitbluscht en legen elke andere liefde opweegt. ,/lloet men aan dit wonder van zijnen wil niet het Woord erkennen, „dat de wereld geschapen heeft? Üe stichters van andere godsdiensten //hebben van zulk eene verheven en innige liefde, die het wezen des //Christendoms uitmaakt, niet eens begrip gehad. En zij mochten zich „ook wel wachten, tegen eene rots te stooten; wantin die zaak, //namelijk zich liefde te winnen, draagt de mensch in zijn binnenste „het diep gevoel zijner onmacht. Daarom is ontegensprekelijk het //grootste wonder van Christus het rijk der liefde.... Allen, die „waarlijk in Hem gelouven, gevoelen die bewonderenswaardige liefde, — veen voor het verstand onverklaarbaar en voor de krachten der men-//schen onmogelijk verschijnsel, — een heilig vuur, welks kracht en „duur door den tijd, die zooveel vernielt, niet verzwakt of beperkt //kan worden. En ik. Napoleon, bewonder dit te meer, dewijl ik er «zelf dikwijls op bedacht was. Het geeft mij een volslagen bewijs //voor Jesus godheid.quot;

„Ik heb wel vele duizenden ontvlamd, zoodat zij voor mij stierven. „(Daarmede wil ik geenszins eene vergelijking maken tusschen de •/geestdrift van een soldaat en de christelijke Heide; God beware mij!) „Maar altijd was mijn bijzijn, mijn blik, mijne stem noodig. Een „woord van mij bracht de harten in geestdrift. Ja, ik bezit het „geheim dier tooverkracht, en toch heb ik het geheim niet, in de „harten mijne liefde en mijnen naam te vereeuwigen.. . . Waar zijn „thans mijne vrienden, nu ik op St. Helena ben? Nu zie ik mij

»verlaten. Ziedaar het lot der groote mannen____ Men vergeet ons!

„Lodewijk XIV was nauwelijks overleden, of hij werd door zijne

„hovelingen vergeten, ja zelfs bespot...... Nog een oogenblik, en

„hetzellde lot treft ook mij. Ik sterf vóór den tijd, en mijn lichaam „zal aan de aarde worden overgegeven ten spijze der wormen. Dat „is het naderend lot van den grooten Napoleon! — Welke eene diepe „klove ligt er tusschen mijne ellende en de eeuwige heerschappij „van Christus, die op de gansche wereld gepredikt, bemind en aan-„gebeden wordt en nog altijd leeft! Zijn dood —■ heet dat sterven? „is het niet veelmeer leven?\' — Ja, de dood van Christus is de dood „van een God!quot; (Zie Nicolas: Etudesphil. sur leChrist, torn. 4. chas II).

-ocr page 203-

189

Dit tewijs hebben zij dagelijks voor oogen, en nochtans houden zij niet op, Jesus te onteeren, te verguizen. God en zijnen Gezalfde te lasteren! Zullen zij niet vergaan van schaamte , als de Heer op den laatsten der dagen hun zal toeroepen: o gij ontaard geslacht! een ongeloof als bij u, heb Ik zelfs bij de Heidenen niet gevonden ?

Wat leer en de Apostelen aangaande den persoon van Christus ?

De Apostelen leeren uitdrukkelijk, 1) dat Jesus Christus waarlijk God is. — De H. Joannes schrijft (1. Br. V, 20): „Wij weten, dat de Zoon (Jesus Christus) gekomen is, en „ons den zin gegeven heeft, om den waren God te kennen, „en met zijn waren Zoon vereenigd te zijn. Deze is de ware „God en het eeuwige leven.quot; Even uitdrukkelijk en in de strengste beteekenis van het woord wordt Christus door den Apostel Paulus „Godquot; genoemd. „Christus,quot; zoo schrijft hij aan de Romeinen (IX, 5), „die is boveu alles, God „hoog geprezen in eeuwigheid. Amen !quot;

De Apostelen leeren, 2) dat Jesus Christus de gansche volheid der godheid bezit. — „In Hem woont de geheele „volheid der godheid lichamelijk\'\' (Col II, 9). De H. Paulus wil hiermede zeggen: de geheele majesteit en heerlijkheid van het goddelijk Wezen, alle goddelijke eigenschappen zijn in Christus, gelijk de ziel in het lichaam, d. i. lichamelijk, wezenlijk, in den eigenlijken zin deswoords. niet enkel zoo als de godheid in de brave menschen woont. !)eH. Joannes spreekt over Jesus Christus op de volgende wijze: „Inden „beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en „het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. „Alles is door Hetzelve gemaakt en zonder Hetzelve is niets „gemaakt, hetgeen gemaakt is\'\' (Joan. I, 1—3). Dat Christus werkelijk „het Woordquot; is, over Hetwelk Joannes spreekt, blijkt duidelijk uit het veertiende vers: „En het Woord is „vleesch geworden, en heeft onder ons gewoond.quot; De Apostel leert alzoo aangaande Christus, het vleesch geworden Woord, dat Hij „in den beginne (d. i. van alle eeuwigheid) was;1\' dat Hij „bij Godquot; derhalve een van God (den Vader) onderscheiden persoon was, dat Hij, niettegenstaande die persoonlijke onderscheidenheid van God (den Vader) , even-

-ocr page 204-

190

wel „God wasd. i. de goddelijke natuur of het goddelijk wezen bezat en in eeuwigheid bezit; verder, dat „alles „door Christus gemaakt,\'\' Hij zelf alzoo niet gemaakt of geschapen is. Dezelfde leer vinden we ook in de overige geschriften van de Apostelen uitgedrukt. „ Door Christus,quot; schrijft de H. Paulus, „is alles geschapen, wat in den hemel „en wat op aarde is, het zichtbare en het onzichtbare; „hetzij Troonen, of Heerschappiien, of Overheden, of Machten: „alles is door Hem en in Hem geschapen; en Hij is vóór „alles, en alle dingen bestaan door Hem\'\' (Col. I, 16, 17). En in den brief aan de Hebreën (I, 2, 3) zegt dezelfde Apostel: „Door zijnen Zoon (Christus) heeft God de wereld „gemaakt, die, daar Hij het afschijnsel\' is van zijne heer-„lijkheid en het evenbeeld van zijn Wezen, alle dingen „draagt door het woord zijner kracht.quot; Nog vele andere plaatsen der H. Schrift zouden wij hier kunnen aanhalen, waar aan Jesus Christus goddelijke macht, goddelijke wijsheid, eeuwige, onveranderlijke heerlijkheid en andere goddelijke volmaaktheden worden toegekend, of in welke Hij de Gever van alle leven en genade, de eengeboren Zoon Gods, die in den schoot des Vaders is, enz. genoemd wordt.

De Apostelen leeren, 3) dat Jesus Christus waardig is door alle schepselen aangebeden te worden. — Aan de Philippensen (II, 10, 11) schrijft de H. Paulus: „In den „naam van Jesus moeten alle knieën zich buigen van die „in den hemel, op de aarde en onder de aarde zijn, en „alle tongen belijden, dat de Heer Jesus Christus in de „heerlijkheid van God den Vader is.quot; En (Hebr. 1,6): „alle Engelen Gods moeten Hem (den Messias J. C.) aanbidden.quot; Dat hier van „aanbiddingquot; in den waren en eigenlijken zin, en niet, gelijk op andere plaatsen der H. Schrift, alleen van eene uiterlijke eerbetuiging spraak is, blijkt daaruit, dat ook de geesten zoowel des lichts als der duisternis Jesus Christus moeten aanbidden. Ware aanbidding nu komt alleen aan God toe. Bijgevolg is Christus volgens de leer der Apostelen waarlijk God.

De Allerhoogste liet niet na, de leer der Apostelen aangaande de godheid van Jesus den Gekruiste door opvallende en onloochenbare wonderen te bevestigen. In de Handelingen der Apostelen zien wij er vele voorbeelden van. De faam van de wonderkracht der discipelen was zoo groot en zoo algemeen verbreid, „dat velen de kranken uitdroegen „op de straten, en op bedden en draagbaren nederlegden, „opdat, als Petrus kwam, althans zijne schaduw eeniegelijk „van hen mocht beschaduwen, en zij van hunne krank-„heden ontheven wierden. En er kwam ook eene menigte

-ocr page 205-

.191

„uit de omliggende steden gezamenlijk naar Jerusalem , „brengende kranken, en dit! van onreine geesten gekweld „waren; en zij werden alle genezenquot; (Hand. V, 15, 16). Het grootste van alle wonderen was echter de bekeering der diep bedorven heidensche wereld.

Octnigenis tlei* Ei.atliolicke B4.ci*k.

Wat leert de katholieke Kerk aangaande den persoon van Christus ?

De katholieke Kerk heeft van oudsher geloofd en geleerd, dat Jesus Christus waarachtig God en één van wezen met den Vader is. Ter verdediging dezer christelijke geloofsleer heeft zij in het Concilie van Nicea eene eigen geloofsbelijdenis gemaakt en allen, die iets anders leeren, met den banvloek getroffen.

Getrouw aan de leer van haren Stichter en van de Apostelen heeft de H. Kerk immer de godheid van Jesus Christus 1) geloofd. Dat geloof leeren wij kennen:

a) uit de eenparige belijdenissen, welke de HH Martelaren voor de heidensche rechters afgelegd en met hun bloed bezegeld hebben. De H. Eeverentianus , Bisschop van Autun in Gallië, antwoordde den rechter, die hem met foltering en dood bedreigde: „Onze Heer, Jesus Christus, de Zoon „van den levenden God, die hemel en aarde en alles, wat „daarin is, gemaakt heeft, de eenige, onsterfelijke God, „wien de Engelen en alle hemelsche krachten belijden, „Hij is bij machte, ons van al uwe kwellingen te bevrij-„den.quot; En de H. Laurentius, die met den H. Pergentinus te Arctium in Hetrurië een door talrijke wonderen verheerlijkten marteldood stierf, sprak tot Tiburtius, zijnen rechter: „wij erkennen geen anderen God, dan Jesus Christus, „den Zoon van den levenden God, die hemel en aarde „geschapen heeft,quot; enz. — Toen de H. Felix, Bisschop van Tibiura in Afrika, als bloedgetuige van Christus op de gerechtsplaats was gekomen, hief hij zijne oogen ten hemel en bad: „O God, ik dank U voor uwe overstelpende goedheid. Zes-en-vijftig jaren heb ik op deze wereld „geleefd en ü gediend. Thans buig ik veriieugd mijn hals „als een offer voor U, o Jesus Christus, Heer van hemel „en van aarde, wien roem en eere toekomt van eeuwigheid „tot eeuwigheid, Amen.quot; Deze en vele andere dergelijke

-ocr page 206-

192

belijdenissen vinden wij in de authentieke akten der Martelaren bij Euinart en de Bollandisten.

1) Uit de geschriften van degenen, die het Christendom tegen de Joden en Heidenen verdedigden, als: Athenagoras, Justinus, Tertullianus, Cyprianus, Clemens van Alexandrië, Arnobius en anderen. Kortheidshalve halen wij slechts iets aan uit de geschriften van laatstgenoemde. „Daar „Christus,quot; zoo schrijft Arnobius aan de Heidenen, „waar-jachtig en ongetwijfeld God is, moogt gij even zeker aannemen, dat wij Hem eeren en aanbidden. Die Christus „is alzoo God ! zal wellicht de een of ander toornig en „spottend antwoorden. Ja! God is Hij, herhalen wij, de „ware en levende God.quot; — Men begrijpt van zelf, dat deze beroemde verdedigers van het Christendom, wanneer zij zoo krachtig en moedig voor de leer van Christus\' godheid streden, niet in het strijdperk traden voor hunne eigen gevoelens, maar voor het algemeen geloof der Kerk.

c) TI it het getuigenis der Heidenen, die de Christenen hoonden en vervolgden, hoofdzakelijk, omdat deze de goden van het rijk versmaadden en een mensch aanbaden, die tot straf voor zijne misdaden met openbare schande gebrandmerkt, gegeeseld en gekruisigd was. \')

2) De katholieke Kerk heeft ook van oudsher geleerd, dat Jesus Christus waarachtig God is. Dit blijkt uit de geschriften der oudste Kerkvaders, leerlingen en opvolgers der Apostelen, namelijk van den H. Paus Clemens, den H. Ignatius, die in het jaar 71 na Christus den bisschoppelijken stoel van Antiochië besteeg, den H. Irenetis, die sedert het jaar 178 (na Chr.) Bisschop van Lyon was, en van vele anderen. Ireneüs schrijft 1): „Zoo heeft dan Christus van allen het „getuigenis bekomen, dat Hij waarlijk God is: van den „Vader, van den H. Geest, van de Engelen, van de (leven-„looze) schepping zelve, van de menschen , van de afgevallen „geesten, van zijne vijanden, en eindelijk zelfs van den „dood.quot; — De overeenstemming der HH. Vaders was in dit punt zoo in het oog loopend, dat de tegenovergestelde leer terstond als eene ongehoorde nieuwheid, als ketterij met afschuw verworpen werd. Toen namelijk in de derde eeuw Paul us van Samosate opstond en leerde, dat Christus alleen mensch was, vergaderden in het jaar 265—270 eene menigte Bisschoppen en beleden, dat Jesus Christus van natuur en in persoon God is. „Dit geloof,quot; voegden zij er bij, „is in de H. katholieke Kerk van de tijden der

1

) Adv. haeres. III. c. li. n3. 7.

-ocr page 207-

193

„HH. Apostelen tot op den huldigen dag geleerd en behouden.quot; — Niet lang daarna verstoutte zich Arius, een priester te Alexandrië, de goddelooze leer te verkondigen, dat de Zoon niet van eeuwigheid uit den Vader geboren, maar in den tijd, vóór de wereld, geschapen is; dat Hij bijgevolg niet één en hetzelfde wezen is met den Vader, niet gelijk deze in den eigenlijken zin God kan genoemd worden. Spoedig daarop verhieven vele Bisschoppen tegen hem en zijne aanhangers hunne stem en klaagden hem aan. De H. Alexander, Bisschop van Alexandrië, drukte zich over deze ketterij aldus uit: „zij bekreunen er zich weinig „om, of zij steun vinden in een of anderen ouden Kerk-„leeraar; zij dulden niet, dat een van degenen, die ons „van kindsbeen af in het geloof onderwezen hebben, hun „ter zijde gesteld worde; zij bogen er op, dat zij alleen „die leer uitgevonden hebben, dat hun alleen is geopen-„baard, wat vóór hen nog niemand in de gedachte is „gekomen.quot; Op gelijke wijze spreekt de H. Athanasius quot;) tot de Arianen: „Ziet, wij bewijzen u, dat ons geloof van „onze voorvaderen op onze vaders is overgegaan. Welke „vaders kunt gij, nieuwe Joden, die gij zijt, ter rechtvaardiging van uwe nieuwe leer aanvoeren ? \'t Is een feit, „dat gij er geen enkelen aanhaalt. Allen verfoeien uwe „leer.\' — In het jaar 325 werd te Nicea tegen deze ketterg eene algemeene Kerkvergadering gehouden, en eene geloofsbelijdenis opgesteld, waarin hoofdzakelijk de leer wordt uitgesproken, dat „Jesus Christus, uit het wezen des Vaders „geboren, van een en hetzelfde wezen met den Vaderderhalve God, gelijk de Vader is. Merkwaardig is ook de banvloek, welken de Vaders aan genoemde geloofsbelijdenis toevoegden: „wie zegt, dat er een tijd geweest is, dat de „Zoon Gods niet was, en alvorens Hij geworden is, niet „geweest is, dat Hij uit het niet in het leven is gekomen; „of wie zegt, dat de Zoon Gods uit een ander\'wezen (dan „dat des Vaders) geworden, dat Hij geschapen, veranderlijk, „of niet altijd dezelfde geweest is; hem treft de katholieke „en apostolische Kerk met den ban.quot;

Na deze besluiten van de Kerkvergadering medegedeeld te hebben, zal het niet noodig zijn, de woorden der HH. Vaders aan te halen, die later de leer der godheid van Christus verdedigd hebben, als Athanasius, Hilarus, Chiysostomus, Augustinus, enz.

Zoowel vóór als na het Concilie van Nicea hebben duizenden deze geloofswaarheid beleden, en voor hun geloof met

\') Lib. de decret. Nic. Synodi. DEHAME, GELOO?SLEEE. II. 3lt;lc DRUK

-ocr page 208-

194

vreugde onmtspiebelijke folteringen en zelfs den dood ondergaan.

De geschiedenis der christelijke Kerk levert ons vele heerlijke trekken van grootmoedige bloedgetuigen der godheid van Jesus Christus. Keizer Valens, die ne Arianen bizonder was toegedaan, verbood den Katholieken allerstrengst, eenige godsdienstoefening te houden. Deze sloegen echter geen acht op dit onrechtva ardig verbod, en hielden als naar gewoonte godsdienstige bijeenkomsten. Nu beval de Keizer, de plaats, waar de Katholieken vergaderden, met soldaten te omsingelen en allen, die zich daar bevonden, zonder genade te vermoorden. De prefect des keizers, wien dit wreed bevel geenszins aanstond, gaf den Katholieken kennis van hot gevaar, dat hen bedreigde. Doch, wel verre van zich te laten afschrikken, stroomden zij in groote menigte naar hunne bedeplaats en waren innig verheugd, dat zij in de gelegenheid gesteld werden, voor het geloof aan de godheid van Jesus hun bloed te kunnen vergieten. Toen nu de prefect met zijne manschappen naar de kerk trok, om hot bevel des keizers ten uitvoer te brengen, trof hij eene jeugdige vrouw aan, die met een kind aan de hand haar best deed om hem vooruit te gaan. — „Waarheen zoo *haastig?quot; vroeg de prefect. //Naar de kerk!quot; was het antwoord. „Wat wilt ge toch?quot; hernam hij vriendelijk en medelijdend, //hebt ge „dan het bevel des Keizers niet vernomen?quot; „Ja wol,quot; sprak domoeder, „en juist daarom maak ik zoo voel spoed met mijn eenig kind, „oplat ook ons het geluk ten deel valle, voor hot geloof aan de godheid „van Jesus, den eengeboren Zoon Gods, ons leven op te offeren.quot; De prefect, verbaasd over dien heldenmoed, keerde met zijne bende om, ging naar den Keizer en berichtte hom, wat hij gezien en gehoord had. Deze bewonderde de standvastigheid der Katholieken, verliet de stad en verontrustte hen niet moer.

Veelvuldig waren vooral de heldhaftige bloedgetuigenissen voor do godheid van Christus onder do wreede vandaalsche koningen Genserich on Hunnorich. Onder de rogeoring van den laatste was geheel Afrika een ware moordkuil. Hot bloed der Katholieken stroomde dagelijks; en niet ton onrechte wordt er beweerd, dat do vervolging in Afrika, onder Hunnorich, nog met moor verwoedheid gevoerd werd en bloediger was, dan die onder Keizer Diocletianus. Vele, grootendoola hoogbejaarde Bisschoppon, oono menigte priesters, diakenen, voorlezers, enz. met al hunne mannelijke aanverwanten en onderhoorigen, in hot geheel meer dan vijf duizend personen, worden naar de akelige woestenijen van Mauretanië verbannen. De dag van hot vertrek naar do plaats hunner ballingschap was een zondag. Bleek, afgemat, als schimmen, kwamen do belijders uit de gevangenissen, of beter gezegd uit de moordholen der stad Sicque, waar men hen voorloopig had opeengepakt. Evenwel bemerkte men niet het geringste spoor van neerslachtigheid; geen trek van hun gelaat verried eenigerlei vrees of angst; met luider stem zongen zij psalmen en hymnen, en toonden door hunne blijdschap, dat zij het als eene groote genade beschouwden, om den naam van Jesus, hoon, versmading en kwellingen te verduren. Overal waar de stoet voorbij kwam, stroomden de Katholieken, mot brandende kaarsen in de band, hen te gemoet; zij brachten hunne kinderen aan de voeten dor bannelingen on smeekten om hunnen zogen. Men bemerkte eene vrouw, die een reiszak op den rug droog en een knaapje aan de hand leidde. „Loop, loop, lieve!quot; riep zij herhaalde malen den kleine toe, „zie eens, hoe die roemrijke „schaar van heilige belijders hunne kroon te gemoet snellen!quot; Eenige geestelijken wilden haar afwijzen, en stolden haar den jeugdigen leeftijd van haar kind voor oogen. „Neen, neen,quot; antwoordde de brave vrouw, „ik ben eene aanverwante van den overleden Bisschop „van Jurita; deze kleine is mijn neefje, en ik breng hem daar, waar „hij in veiligheid kan wezen en niot in de macht der ariaansche wol-

-ocr page 209-

«ven zal komen.quot; — Met den grootsten spoed werd nu de marsoh voortgezet, en hoe meer eerbied het volk voor de bannelingen betuigde, des te wreeder werden zij door de Arianen mishandeld en gegriefd. Grijsaards en kinderen, uitgeput van vermoeienis, sleurde men met geweld, als dieren, langs de wegen voort. Het bloed dei-martelaars verlde weldra den grond, dien zij betraden. Velen gaven onder weg den geest en werden, zooveel mogelijk, door hunne lot-genooten Jangs den weg begraven. Ter plaatse hunner ballingschap gekomen, kregen zij niets te eten dau ongekookte gerst, welke op bepaalde uren van den dag, als waren zij beesten, hun werd toegeworpen. Maar ook zelfs dit karige voedsel werd hun weldra onthouden. Zij moesten nu, dood zwak als zij waren, op een onbebouwden, geheel woesten bodem het noodzakelijke onderhoud zoeken. — De gedachtenis dezer belijders en martelaren viert de Kerk den la^en Oktober.

Daarmede was de vervolging begonnen, doch spoedig zou zij alge-meener en bloediger worden. Hunnerich vaardigde nu een edikt uit, waarbij de katholieke godsdienst voor altijd in het vandaalsche rijk verboden werd. Sinds dien stonde was niet alleen roof en plundering, maar ook foltering en moord aan de orde van den dag. Hunnerich sloeg geen acht op stand, geslacht of leeftijd; zijne wreedheid spaarde geestelijken noch leeken, mannen noch vrouwen, grijsaards noch jongelingen; zelfs zuigelingen vielen onder het zwaard van dezen tweeden Herodes. Ariaansche priesters en bisschoppen gingen rond en voltrokken met barbaarsche woede de bloedige bevelen van den tiran. De snoodste van hen, Antonius genaamd, trok, door soldaten en beulen vergezeld, de geheele provincie van Tamalluma door, deed de Katholieken in diepe, ongezonde kerkers werpen, velen dood gee-selen , anderen op de pijnbank spannen, en liet dan met eene helsche vreugde zijn blik weiden over de grootmoedige belijders van Christus\' godheid, die veelal onder de handen hunner beulen den geest gaven.— Een enkel voorbeeld van christelijken heldenmoed en onwankelbare trouw zij hier voldoende. Teucarius van Carthago, eertijds met het onderwijs en de opleiding der koorknapen belast, wees den ariaanschen priesters twaalf zijner vroegere kweekelingen aan, die door hunne uitstekende bekwaamheid in de muziek en den helderen, zilveren klank hunner stemmen een sieraad der ariaansche kerk konden worden. Er werd besloten, met hen eene uitzondering te maken en hen niet in ballingschap te zenden. Toen de kinderen dit hoorden, omklemden zij weenend en schreiend de knieën van hunne gelukkige geloofsgenooten; men sloeg hen met stokken en spietsen, maar te vergeefs; zij verzekerden liever te sterven, dan zich van hunne vrienden te laten scheiden. Daar alle beloften, hoe schoon ook, niets baatten, ging men tot andere middelen over. Men wierp hen in onderaardsche holen en liet hen bitter honger lijden. Om den anderen dag werden zij gegeeseld of met roeden geslagen. Hoe wreed men echter deze kinderen mishandelde, telkens riepen zij uit, dat men hen kon martelen, ja zelfs dooden, maar zij toch nimmer het geloof aan Jesus Christus, den waren God van God, zouden verloochenen, dat zij nooit ontrouw zouden worden aan het verbond, bij den H. Doop met Christus en zijne Kerk gesloten. Men was eindelijk genoodzaakt hen los te laten, en nu vormden do jeugdige geloofshelden het besluit, nimmer van elkander te scheiden. Was de geheele stad vroeger gesticht in hunne boven verwachting standvastige belijdenis, zij was het nu niet minder in hunnen vromen levenswandel, en men noemde hen in het vervolg; de twaalf kleine Apostelen van Carthago.

Victor, Bisschop van Vita, een tijdgenoot, getuigt, dat er in geheel Afrika geene grooto of kleine stad, geen vlek, geen dorp was, waarin men niet menschen met afgesneden neus en ooren of uitgerukte oogen aantrof. — Zoo diep was het geloof aan de godheid van Jesus Christus in de harten der Christenen geworteld, dat zij liever alle folteringen verdroegen, dan dat geloof te verloochenen; terwijl men in onze

13*

-ocr page 210-

196

dagen, helaasI maar al te lafhartig daartoe overgaat, .ja zich niet ontziet, door woord en door geschrift ook anderen van dat kostbaarste goed te berooven.

Niet zelden behaagde het God de belijdenis zijner bloedgetuigen door onloochenbare -wonderen te bekrachtigen. Bizonder opmerkelijk is hetgeen in het jaar 484 te Tipasa gebeurde, en door vele ooggetuigen is bevestigd. De stad Tipasa was tijdens het vandaalsche rijk tamelijk bevolkt en door den zeehandel, welken zij dreef, in bloeienden welstand. Hunnerich had besloten er een ariaanschen Bisschop heen te zenden. Zoodra de inwoners hiervan kennis kregen, ging ieder, die maar eenigszins kon, scheep en vluchtte naar Spanje; alleen diegenen, die geen middel vonden om te ontvluchten, bleven achter. Toen Buliman-des, de ariaansche Bisschop, aankwam, vond hij de stad bijna ledig, en de -weinigen, die achter waren gebleven, weigerden standvastig in kerkelijke gemeenschap met hem te leven, en namen, zoodra zij hem van verre zagen aankomen, de vlucht. Hunnerich ten hoogste verontwaardigd, zond nu een afgezant benevens eene bende soldaten naar de stad, met bevel, alle inwoners van Tipasa en van de ge-heele omstreek de rechterhand af te kappen en de tong uit te snijden. De landbewoners werden de stad binnen gedreven en tegelijk met de burgers op de pleinen bijeengebracht. Hier werd allen het gevelde vonnis aangekondigd, maar men voegde er bij , dat ieder, die onverwijld tot de ariaansche Kerk wilde overgaan, genade zou verkrijgen. Onder de gansche menigte vond men echter niet een enkelen verrader van zijn geloof. Mededoogenloos werd alzoo aan allen, zonder uitzondering, het onmenschelijk bevel van den tiran voltrokken. Doch nu behaagde het ook den Allerhoogste, zich zei ven en zijne getrouwe dienaars te verheerlijken. Allen, wier tong men had uitgesneden, spraken na deze verminking nog even luide, nog even duidelijk en vloeiend als tevoren. Ja zelfs een doofstomme, die vroeger slechts onsamenhangende klanken kon uitbrengen, kreeg plotseling het spraakgebruik, loofde en prees met luider stemme de goedheid van zijnen God, die hem het gebrachte offer honderdvoudig wedergaf. Zeer velen dier belijders vonden weldra daarna gelegenheid om het vandaalsche rijk te ontvluchten, verspreidden zich over den ganschen aardbodem, leefden nog jaren lang als sprekende bewijzen der ontferming Gods, wiens wonderen en almacht zij alom verkondigden, als bewijzen der godheid van Christus. Ongeveer een zeventigtal van hen, waaronder verscheiden Bisschoppen en priesters, kwamen te

-ocr page 211-

197

Con Stan tin opel aan, en werden aldaar eervol ontvangen. Ook de sub-diaken Eeparatus , die om zijne groote deugden dikwijls aan het hof genoodigd, en door keizer Zeno en diens gemalin met onderscheiding ontvangen werd, behoorde tot het getal dier standvastige belijders. Op hem vooral beroept zich Victor, Bisschop van Vita, bij het verhalen van deze wonderlijke gebeurtenis. „Men begeve zich zegt hij, „naar Constantiaopel; daar zal men in het kei-„zerlijk paleis den subdiaken Reparatus vinden, die hoewel „hij geene tong heeft, wat ieder met eigen oogen zien kan, „nochtans zoo duidelijk en zoo goed spreekt als ieder anderquot; \').

TOEPASSING.

Onwillekeurig vraagt men hier zich zei ven af, hoe het mogelijk is, dat er nog Christenen zijn, die in weerwil van de zoo vele en handtastelijke bewijzen voor de godheid van Jesus Christus, deze toch in twijfel trekken, ja zelfs loochenen. Wat is wel de oorzaak van die beklagenswaardige blindheid, die op klaarlichten dag de zon niet ziet ? Moge het bij sommigen meer of min schuldige onwetendheid zijn, de dagelijksche ondervinding leert maar al te wel, dat het veelal bedorvenheid van hart; is. Beter dan eene lange bewijsvoering zal de volgende ware gebeurtenis dit leeren.

Baron Binder von Kriegelstein, lid van liet Oostenrijksche gezantschap in Munchen, was een man van voortreffelijke eigenschappen en uitstekende bekwaamheden. Den 22»teD Februari van het jaar 1790 overviel hem eene zware ziekte, die de voorbode scheen van densnel naderenden dood. Zijn lijden werd, volgens het getuigenis van den geneesheer, niet weinig vergroot door eene onverdragelijke, aan vertwijfeling grenzende beangstheid des harten. Toen deze hem de troostmiddelen van den godsdienst voorstelde, antwoordde hij openhartig, dat hij volstrekt geen godsdienst meer had. Evenwel liet hij zich overhalen, een priester van de St. Pieterskerk (den zeer eerw. Heer Grundmayer) die hem nu en dan bezocht, om het noodige onderwijs in den katholieken godsdienst te verzoeken. De toedracht der zaak deelt de brave priester zelf op de volgende wijze mede. //Toen ik op „den 27steü Mei, tegen den avond, den zieke bezocht, sprak hij mij, //zoodra ik in de kamer was gekomen, aldus aan: eerwaarde Heer! „nimmer zijt gij mij zoo welkom geweest als nu. Ik heb veel met u ■;te bespreken, doch zonder getuigen.quot; — De aanwezigen verlieten terstond het vertrek, en de zieke ging zuchtende en met weemoedige

\') Aangaande de echtheid van deze ongehoorde gebeurtenis bestaat niet de minste twijfel. Niet enkel Victor, Bisschop van Vita, wiens getuigenis alleen voldoende zou wezen, maar ook alle gelijktijdig en kort daarna levende geschiedschrijvers, als Evagrius, Procopius, Mar-cellinus, maken er melding van (Zie Stolberg, //Geschichte der Reli-./gion,quot; deel 18, bladz. 233).

-ocr page 212-

198

stem voort: //Help mij, eerwaarde! als er nog hulp voor mij is.... „Onbeschrijfelijk is de angst en de wroeging van mijn geweten; op „den duur is die benauwdheid onuitstaanbaar.quot; — Op mijne vraag, wat wel de oorzaak was van zijne groote ontsteltenis, antwoordde hij vertrouwelijk: „ik zal u alles openhartig ontdekken; maar verschrik „niet. — Ofschoon ik door goed katholieke ouders opgebracht en in „eene katholieke school grondig in het Christendom onderwezen ben, „werd ik toch, ruim twaalf jaren geleden, een vrijgeest, een rechte „ongeloovige. Wel geloofde ik, op het eenparige getuigenis der geschiedschrijvers afgaande, dat er lang geleden een man leefde, die „zich Christus noemde; doch het geloof aan zijne godheid en aan de /,door Hem geopenbaarde geheimenissen achtte ik bijgeloof en dwaas-„heid. Thans ontstaat er in mij, tusschen den aandrang om te geloo-„ven en de neiging tot ongeloof, een zoo vervaarlijke strijd, eene zoo „groote verwarring en beangstheid, dat het niet te beschrijven is.... „Help mij toch, bid ik u, uit dien doolhof.quot;

„Die strijd, die gewetensknaging, mijnheer de baron, is eene bui-„tengewone genade, waardoor God u tot het geloof wil terugbrengen. „Maar, zeg mij toch hoe het mogelijk is, dat gij , een goed onderwe-„zcu katholiek, zoo ver gekomen zijt?quot; — „Ik zal het u ronduit „zeggen: een vrij, losbandig leven en het lezen van goddelooze boeken „hebben mij tot ongeloof gebracht.quot; — „Dat geloof Ik heel gaarne,quot; ging de priester voort, „nooit zal bij goed onderwezen Katholieken „het ongeloof de eerste zware zonde zijn, immer zullen andere zonden „en zondige gewoonten voor het ongeloof den weg gebaand hebben. .. „Een mensch, die nog geloof en godsdienst heeft, kan, zonder hevige „onrust en martelende gewetenswroeging, zich niet aan de zonde „overgeven. Het bewustzijn, dat hij de eeuwige straffen der hel ver-„diend heeft, vervolgt hem overal en laat hem dag noch nacht met „rust. Wanneer hij niettemin voortgaat met zondigen, en aan de „verbetering zijns levens begint te wanhopen, zal hij weldra naar een „middel uitzien, om zijn oproerig geweten tot zwijgen te brengen. „Twijfel aan Christus\' godheid, aan de waarheid zijner woorden, aan „het toekomstig oordeel, aan hemel en hel, rijst op in zijn hart, en „gaarne tracht hij zich zelven diets te maken , dat dit alles niets is „dan verdichtsel, uitgevonden door de priesters, enz. Om zijnen twijfel „eenigszins te rechtvaardigen, maakt hij kennis met vrijgeesten en „leest allerlei goddelooze boeken, terwijl de omgang met waarlijk „geleerde en achtenswaardige mannen geheel afgebroken en zorgvul-„dig vermeden wordt. Met één woord, de zondaar zoekt rust en „troost in het ongeloof, omdat het hom aan moed en goeden wil „ontbreekt, volgens het geloof te leven: het ongeloof is het oorkussen, „waarop hij tracht in te slapen.quot;

— „Hetgeen gij daar zegt, is maar al te waar. Het ging ten minste „mij juist zoo; hartstochten, schandelijke driften en zonden, ik beken „het, zijn de oorzaak van mijn ongeloof geweest.quot; —

„Daar gij eene katholieke opvoeding genoten hebt, zal het niet „moeielljk vallen, van u weder een Christen en geloovige te maken. „De herinnering aan de eerste beginselen van den godsdienst zal, „dunkt mij, al genoeg wezen. Gij hebt reeds verklaard, dat gij aan „het bestaan van Christus niet in \'t minst twijfelt.quot; — „Zeker niet,quot; was het antwoord. „Geloofwaardige geschiedschrijvers van dien tijd „hebben de plaats en den tijd zijner geboorte en zijn geheelen „levensloop tot in de kleinste bizonderheden beschreven; \'tzou der-„halve dwaasheid zijn, te twijfelen, of Christus ooit bestaan heeft. „Met evenveel recht zou men aan het bestaan van Cicero, Karei V, „Lodewijk XIV kunnen twijfelen. Maar zulke twijfelingen zijn waar-„lijk dwaasheden.quot; — „Goed! Doch dezelfde geschiedschrijvers, ja, die /.met Christus geleefd, die zijne daden inet oogen gezien, die voor „de waarheid hunner geschiedenis hun leven gegeven hebben,—juist „dezelfden verhalen van Christus\' wonderbare daden, welke allen,

-ocr page 213-

199

„die er van hoorden, verbaasd deden staan; zij betuigden in liet bijzijn ;/van de gezworen vijanden van Jesus Christus de heiligheid van zijne //leer, van zijn leven, en niemand waagde liet, hunne woorden tegen „te spreken. Indien gij, mijnheer de baron, aan het bestaan van //Christus gelooft, moet gij bijgevolg ook datgene gelooven, wat de //geschiedschrijvers, die te gelijker tijd met Hem leefden, van de leer, //van het leven, van de wonderen van Christus, enz. bericht hebben.— „Ja, die feiten geloof ik. Maar ook menschen hehben, zoo men voor-,/geeft, dergelijke dingen gedaan. Hoe kan men er alzoo uit besluiten, „dat Christus waarlijk God is?quot;

Kadat de brave priester breedvoerig had aangetoond, dat die feiten, vooral als men ze beschouwt in verband met de vervulde voorspellingen der Profeten en de door alle eeuwen in den naam van Jesus gedane wonderen, met de verzekering van Christus, dat llij God is, ontegensprekelijk bewijzen zijn voor de godheid van Christus, sprak de zieke: „gij hebt mij overwonnen, eerwaarde heer! Ik geloof aan „Jesus Christus, aan zijne godheid en aan zijne openbaringen.quot; — Om zijn geloof nog meer te bevestigen, ging de geestelijke voort: „Veronderstel eens, dat een booswicht in de schatkamer van een vorst „dringt, de grootste kostbaarheden wegsteelt en de vlucht neemt. „Terstond worden er nasporingen gedaan, en men vindt overtuigende „bewijzen, dat een wel bekend, een berucht man de dader is. Wat „doet men in dit geval? Men beschrijft hem zoo nauwkeurig mogelijk, „men geeft zijnen naam, zijne geboorteplaats, zijn ouderdom, zijne „grootte, zijné gelaatstrekken, zijne kleeding, zijne taal en spreek-„wijze, vooral zijne bizondere kenteekenen op. gt;lu gaan de gerechts-„dienaars hem na, en weldra vinden zij er een, die alle opgegeven „kenteekenen, zonder uitzondering, heeft, ook die, welke hem van „anderen onderscheiden. Zoudt gij het wel wagen, ook maar om een „paar guldens te wedden, dat deze mensch niet degene is, die zoo „beschreven werd?quot; — „Dan zon ik een dwaas of een verkwister „moeten zijn.quot; — „Welnu, handelen de ongeloovigen niet even dwaas, „en dat wel in een geval, waarbij oneindig meer dan alle schatten „der wereld op het spel staat? Ofschoon men hun zonneklaar aantoont, „dat Christus alle kenteekenen van den beloofden goddelijken Yer-„losser, gelijk zij door de Profeten tevoren zijn opgegeven, in zich „vereenigt; ofschoon Hij, om niet te spreken van de heiligheid van „zijne leer en zijnen levenswandel, ontelbare wonderen deed; of-„schocn Hij den blinden het gezicht, den stommen de spraak, kreu-„pelen het gebruik hunner leden gaf... ofschoon Hij met een enkel „woord de dooden ten leven opwekte; ofschoon Hij alle bizonderheden „van zijn lijden, zijnen kruisdood en zijne verrijzenis voorspelde; //ofschoon Hij, na zijne overwinning op dood en graf, nog 40 dagen „zichtbaar op aarde rondging, daarna ten hemel voer, volgens zijne „belofte den H. Geest zond en de zwakste Apostelen in onverschrok-„ken verkondigers zijner godheid veranderde; ofschoon duizenden „belijders de godheid van Christus en de goddelijkheid zijner leer, „onder nieuwe wonderen, met hun bloed bezegelden; ofschoon, ein-„delijk, het rijk van Christus op aarde, de H. Kerk, te midden van „de veelvuldige en geweldige aanvallen der wereldlijke en helsche „machten, nog immer vast en heerlijk zich vertoont, — zoo wagen „toch de ongeloovigen, in weerwil van al deze schitterende kentee-„kenen en bewijzen, niet eenig geld, maar ziel en zaligheid er aan, „en houden staande, dat alles, wat men van de godheid van Christus en

„zijne openbaringen leert en predikt leugentaal, bedrog, fabels zijn.quot;----

„Ik beef, wanneer ik mijne dwaasheid gedenk.... Wat zou ervan „mij geworden zijn, als God mij in dien toestand had laten sterven?... „Uenkt gij, eerwaarde heer, dat ik nog genade bij God, dien ik zoo „vaak en zwaar beleedigd heb, zal vinden?quot; Toen de priester een bevestigend antwoord gegeven en den zieke vertroost had, verklaarde deze zich bereid, eene rouwmoedige biecht te spreken.

-ocr page 214-

200

Die genade viel hem daags daarna ten deel. Met een diep geroerd en vermorseld hart ontving hij het H. Sacrament van Boetvaardigheid en later de Sacramenten der stervenden. Kalm en geheel overgegeven aan Gods H. wil sprak hij: //Thans vrees ik den dood niet //meer.... O waren toch alle ongeloovigen hier tegenwoordig! Hoe ^duidelijk zou ik hen overtuigen, dat niets dan het ware geloof, een //goed geweten en de vereeniging met God waren vrede en tevreden-//heid geven kan.quot; Daarna beval hij zijne gemalin hunne twee kinderen in den katholieken godsdienst op te voeden. //Als zij dien //schat hebben,quot; sprak hij, //zijn zij rijk genoeg. Al het overige „vergaat, is ijdelheid.quot; Drie dagen vóór zijn dood verzocht hij dat men op: zijn grafsteen zou schrijven: //Hier ligt iemand, die twaalf »jaren ongeloovig leefde, maar op zijn sterfbed door eene bizondere ,genade weder een geloovige is geworden en na zijne bekeering vol //troost den dood te gemoet zag.quot; — Ook wendde hij zich tot mij met de woorden: „U, eerwaarde heer, smeek ik nogmaals, mijne bekee-//ring ter eere Gods. tot herstel van de gegeven ergernissen, tot ver-//betering der ongeloovigen, mondeling en schriftelijk bekend te //maken. Menigeen zal mij voor een lafaard, een kleingeestige houden; „zeg echter aan dezen in mijnen naam, dat zij zelve de verblinde, //de zwakke geesten zijn, die de kracht niet bezitten om hunne harts-//tochten te overwinnen en zich boven de bespotthig van huns gelijken «te verheffen.quot; — Van nu af was zijne eenige zorg, zich op zijn nabij-zijnd einde voor te bereiden. — //Ik kan,quot; zegt de geestelijke, ,/bij * mijne priesterlijke eer verzekeren, dat ik nog niemand zoo\'gelaten, «zoo vol berouw, met zulk een vurig verlangen om bij God te zijn, »heb zien sterven.quot; Kort voor zijnen doodstrijd nam hij het kruis-beelc. in handen en riep uit; „o Jesus, erbarm U mijnerIquot; Toen drukte hij het vurig aan zijne borst, kuste de vijf wonden van Jesus en sprak: //Kom, mijn Jesus! neem mij op in uwen arm; met een //groot vertrouwen ga ik U te gemoet!quot; Na eenige oogenblikken ontsliep hij zacht in den Heer. \')

De zonde benevelt liet verstand. (Zie deel I. bladz. 153). Wees, waarde lezer! steeds vroom en deugdzaam, en nimmer zult gij aan de godheid van Jesus Christus en aan de goddelijkheid zijner leer twijfelen. Christus immers verzekert en belooft zelf, dat wie zyne lessen houdt, zal inzien, dat zij goddelijk zijn. „Wil iemand,quot; zoo luiden zijne woorden (Joan. VII, 17), „den wil (des Vaders) doen, hij zal aan de leer „erkennen, of zij uit God is, dan of Ik uit Mij zei ven „spreekChristus wil namelijk zeggen: doet eerst den wil Gods en hetgeen Ik u als Gods wil leer kennen, of maakt voor \'t minst het voornemen, hebt den ernstigen wil dien te doen; dan zult gij erkennen, dat mijne leer niet voortkomt van een mensch, geene leer is, die Ik als mensch uitgedacht en uitgevonden heb, maar dat zij uit God is, de leer van dengene, die My gezonden heeft, van den Vader in den hemel.

\') //Gesammelten Schriften zur Vertheidigung der Religion,quot; Augsburg 1791, deel VIII.

-ocr page 215-

201

Derde artikel «les ^eloofs:

,,Die ontvangen is van den heiligen Geest, geboren „uit de Maagd Maria?\'

llenseliwordin^; en geboorte van Christus.

Wat leert ons hoofdzakelijk het derde artikel der geloofsbelijdenis ?

Het leert ons, dat Gods Zoon mensch is geworden door de werking van den H. Geest, d. L dat Hij een lichaam en eene ziel aangenomen heeft, gelijk wij menschen die hebben.

Het tweede geloofsartikel stelde ons Jesus Christus voor oogen als den van eeuwigheid uit het wezen des Vaders voortgebrachten, eengeboren Zoon Gods, derhalve als den waren God; het derde nu leert ons, dat dezelfde Jesus Christus tegelijk waarlijk mensch is, wijl Hij in den tijd de menschelijke natuur aangenomen heeft, en uit Maria, de allerzuiverste Maagd, is geboren.— Toen namelijk de tijd, welken God in zijne eeuwige raadsbesluiten ter verlossing van het zondig menschdom. had vastgesteld, die door de Aartsvaders zoo vurig verlangde, door de Profeten voorspelde tijd van genade en ontferming gekomen was, toen door de wijze beschikking der goddelijke Voorzienigheid de geheele aarde in vrede den Vorst des vredes verwachtte; — toen zond God den Aartsengel Gabriël tot Maria, eene maagd uit den stam van David, teneinde haar aan te kondigen , dat zij was uitverkoren, om de moeder des Heilands te worden. „Wees gegroet, gij vol van genade,quot; zoo sprak de gezant des hemels haar vol eerbied toe, „de Heer is „met u, gezegend zijt gij onder de vrouwen!quot; En: „zie, „gij zult eenen Zoon baren en zijnen naam zult gij Jesus „noemen. Deze zal groot zijn en de Zoon des Allerhoogsten „genoemd worden; God, de Heer, zal Hem den troon van „zijnen vader David geven, en Hij zal over het huis van „Jacob heerschen in eeuwigheid, en zijns rijks zal geen „einde zijnquot; (Luc. I, 27—33). Maria sprak: „Ziehier de „dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord\'\' (v. 38). En op hetzelfde oogenblik daalde voor ons menschen en ons ten heil de Zoon Gods, de tweede Persoon der allerheiligste Drievuldigheid, uit den hoogen hemel (dien Hij echter als God niet verliet) op onze aarde neder en nam in den zuiveren schoot der allerheiligste Maagd door de werking van den H.

-ocr page 216-

202

Geest vleescli en bloed aan. „En het Woord („de Eenig-„geborene des Vadersquot; nameliik) is vleescli gewordenquot; (Joan. I, 14). — Daarmede wil de H. Evangelist echter geenszins te kennen geven, dat de Zoon Gods enkel het menschelijk lichaam heeft aangenomen. Neen, met het menscheliik lichaam heeft Christus ook te gelijker tijd de menschelijke ziel aangenomen, die door God op hetzelfde oogenblik geschapen en met het lichaam vereenigd werd. Het lichaam van Christus is derhalve geen oogenblik zonder ziel, of zijne ziel zonder lichaam geweest; want de Zoon Gods heeft te geliiker tijd de geheele menscholiike natuur — lichaam en ziel — aangenomen, en met zijne goddelijke natuur voor altijd en eeuwig vereenigd. „Het Woord is vleesch geworden,quot; wil derhalve zeggen: het Woord is mensch geworden. Zoo lezen we ook in de H. Schrift: „allevleesch „had zijnen weg bedorven,quot; hetgeen beteekent: amp;\\\\e menscheit, wandelen op den weg des verderfs.

Die vereeniging van het eeuwig Woord met de menschelijke natuur, noemen wij de menschwording van Jesus Christus. Toen namelijk de Zoon Gods een lichaam en eene ziel aannam, gelijk wij mensehen die hebben, is llij waarlijk mensch geworden, zonder evenwel op te houden, God te zijn. De uitdrukking „geworden,quot;\' beteekent alzoo hier niet eene «ë;-andering, zooals wanneer wij zeggen: te Cana is water wijn geworden, of een overgang, als in de gewone spreekwijze: de mensch is oud, ziek, enz. geworden. Gelijk een vorst, die van zijn troon stijgt en zich als den geringste zijner onderdanen kleedt, om een ongelukkige in zijne gevangenis te bezoeken en te troosten, in dat nederig gewaad evenwel zijne koninklijke waardigheid en macht geheel behoudt, zoo heeft ook de Zoon Gods, toen Hij mensch werd en zich met onze natuur niet enkel bekleedde, maar op het innigste vereenigde, geenszins opgehouden, in het ongekrenkt bezit van de goddelijke natuur en al hare oneindige volmaaktheden te zijn. — Hoe is het echter mogelijk, dat de Oneindige met het eindige, God met de menschelijke natuur eene zoo innige en onafscheidelijke verbmdtenis aangaat, en niettemin blij ve, wat Hij tevoren was ? Dit gaat ons begrip geheel te boven, wij kunnen er ons geen denkbeeld van maken, maar „bij God is geen ding onmogelijkquot; (Luc. 1,37). Terecht wordt derhalve die ondoorgrondelijke vereeniging van den tweeden goddelijken persoon met de menschelijke natuur een geheim genoemd: „groot is dit geheim der god-„zaligheid, hetwelk geopenbaard wordt in het vleesch\'\' (1. Tim. III, 16). Het is een der diepste en verhevenste geheimenissen van onzen godsdienst, een geheim, dat wij

-ocr page 217-

203

met een kinderlijk geloof aannemen , met ootmoed aanbidden, met heilige verrukking overdenken moeten, een geheim, waarvoor wij God oneindigen dank verschuldigd ziin, wijl het voor ons de bron van alle heil, van alle hemelsche gaven en zegeningen geworden is. — De H. Augustinus tracht het door de volgende gelijkenis eenigszins te verklaren: wanneer wi] eene gedachte uitspreken, kleedt deze zich in een hoorbaar geluid, zonder echter in dat geluid veranderd te worden. Zij bliift, na eene gestalte aangenomen, na zich als het ware verlichamelijkt te hebben, onveranderd in den geest. Op gelijke wijze blijft het idee van den schilder in den geest des schilders, nadat hij het in een schilderstuk heeft uitgedrukt. Zoo is ook het eeuwig Woord, door de menschelijke natuur aan te nemen, niet in haar veranderd; Het is na de menschwording gebleven, wat het tevoren was, de eengeboren Zoon Gods, één van wezen met den Vader.

Toen Maria de boodschap des Engels ontving, woonde zij met Joseph, haren maagdelijken bruidegom, te Nazareth, een onaanzienlijk stadje van Galilea. Jesus. de Verlosser der wereld, zou echter niet daar, maar te Bethlehem, de geboorteplaats van David, wel dertig uren gaans van Nazareth gelegen, ter wereld komen; zoo hadden de Profeten, door God verlicht, voorspeld. „En het geschiedde in die „dagen, dat er van den keizer Augustus een gebod uitging, „om de geheele wereld op te schrijven. En allen gingen, „om zich aan te geven, een ieder in zijne stad. En ook „Joseph ging op van Galilea, uit de stad Nazareth, tot de „stad van David, welke Bethlehem geheeten wordt, omdat „hij uit het huis en geslacht van David was, om zich aan „te geven met Maria, zijne verloofde vrouw , welke zwanger „was. Maar het geschiedde, toen zij daar waren, dat de „dagen vervuld werden, dat zij baren zoude. En zij baarde „haren eerstgeboren Zoon, en wond Hem in doeken, en „legde Hem in eene kribbe, omdat er voor hen geene plaats „was in de herbergquot; (Luc. II, 1—7). Niet omringd door een schitterenden hofstoet, maar in de diepste verborgenheid, geringheid en armoede wilde Jesus geboren worden, opdat de wereld terstond zou erkennen, dat Hij niet was gekomen, om een groot aardsch rijk te stichten en de menschen te overladen met tijdelijke goederen, maar met eeuwigdurende, hemelsche schatten. „Welk een groote leerstoelroept de H. Thomas van Villanova uit, ,,is die kribbe, waarop de „goddelijke Wijsheid, de Leeraar der gansche wereld, ge-„zeten is! Men leest daar het geheele Evangelie.quot; Ofschoon in het duister van den nacht, in een afgelegen stal, in buitengewone armoede en geringheid geboren, werd de Zoon Gods

-ocr page 218-

204

toch al spoedig door de menschen erkend en ontving aldaar de eerstelingen hunner hulde. Vrome, eenvoudige herders hielden in dezelfde landstreek de nachtwake over hunne kudden. „En ziet, een Engel des Heeren stond bij hen, ,,en de heerlijkheid Gods omscheen hen. En de Engel zeide „tot hen: quot;Vreest niet, want ziet, ik verkondig u groote „blijdschap.... dat heden in de stad van David, u de „Zaligmaker geboren is, welke is de Christus, de Heer. En „dit zij u het teeken: gij zult een kindje vinden, indoeken „gewonden, en liggende in eene kribbe. En terstond was ,,er bij den Engel eene menigte van de hemelsche heir-„scharen, God lovende, en zeggende: Glorie zij God in het „allerhoogste, en op aarde vrede den menschen, die van „goeden wille zijnquot; (Luc. II, 9—14). De gelukkige herders haastten zich, den quot;wenk des Engels te volgen en den nieuwgeboren Heiland op te zoeken. Zij verlieten aanstonds hunne kudden en gingen, blijde van hart, naar Bethlehem. Daar vonden zij Maria en Joseph en het goddelijk Kind, dat in de kribbe lag; zij erkenden in Hem den door den Engel aan-geduiden Heiland en aanbaden Hem met een levend geloof.\') —

\') BethUhem, d. i. huis des broods, de geboorteplaats van David en van zijn gezagenden nakomeling Jesus Christus, ligt bijna in het middeupunt van Judea, twee uren ten zuiden van Jerusalem, in eene vruchtbare vallei. Ongeveer 200 schreden oostwaarts van het tegenwoordige Bethlehem staat een klooster met eene prachtige kerk, waaide geboorteplaats van het goddelijk Kind te vinden is. Deze kerk is dezelfde, welke de vrome keizerin Helena, de moeder van Constantijn den Groote, over den stal met de kribbe liet bouwen, nadat men eerst het afgodsbeeld van Adonis, opgericht door den vijand van het Christendom, keizer Adriaan, omvergeworpen en weggeruimd had. „Zij is opgetrokken in den vorm van een latijnsch kruis en heefteen „altaarkoor in het oosten. Het indrukwekkende middenschip met „vier beuken wordt gevormd door zware monolithische marmeren „zuilen, die (de muurpijlers niet meegeteld) in vier rijen staan. Het .-/geheel heeft zonder het portaal eene lengte van 60, bij eene breedte „van 28 el; terwijl het transsept in de lengte 38 ellen meet. De «houten kap is, zooals van den beginne af, zigtbaar, doch bij eene „herstelling in de IS1^ eeuw is het cederhout door eene andere hout-/,soort vervangen. Te oordeelen naar hetgeen nu nog, niet slechts in /het hoofdschip, maar ook in het transsept en het altaarkoor door ■/Ons kan worden opgemerkt, moet het eene pracht van mozaïk-schil-,/dering geweest zijn door de gansche Basiliek, en moet het waar zijn, »wat Edrisi in de twaalfde eeuw schreef, dat geene Kerk in rijkdom «van dekoratie met die van Bethlehem kon vergeleken worden.

//De heilige grot, waarin de Verlosser geboren werd, bevindt zich «onder het transsept der Basiliek; men kan er in afdalen langs twee «marmeren trappen,\'de eene van 13, de andere van 10 treden, ter ./wederzijde van den ingang des altaarkoors gesteld. Als men langs «den een of den anderen dezer trappen afdaalt, komt men aan het /oosteinde in de grot. Men moet nogtans opmerken, dat geen dezer «beide toegangen van den tijd des Verlossers zijn; ze zijn later ge-vinaakt, terwijl de oude toegang in den zijwand der grot veiligheids-yhalve is dichtgemetseld. De rigting der grot is van het Oosten naar

-ocr page 219-

205

Doch niet alleen den Joden, het uitverkoren volk, maar ook den Heidenen moest de geboorte des Verlossers bekend gemaakt worden. Omstreeks het xmr, dat Christus geboren werd, vertoonde zich in het verre Oosten eene geheel ongewone, schitterende ster aan den hemel. Drie wijzen (volgens een oude overlevering drie Koningen) zagen deze nieuwe ster, en, door eene stem in hun binnenste onderricht, erkenden zij daarin het teeken, den heraut van den lang verbeiden Verlosser der wereld, en den hemelschen wegwijzer naaide geboorteplaats van het goddelijk Kind. Zonder uitstel besloten de drie Koningen de wonderbare ster te volgen. Deze ging hen voor naar Jerusalem en vervolgens naar Bethlehem, totdat zij, komende boven de plaats waar het Kind was, staande bleef. De wijzen „in het huis tredende, „vonden het Kind met Maria, zijne moeder, en zij vielen „neder en aanbaden Het, en zij openden hunne schatten, en „droegen Hem tot geschenken op, goud, wierook en mirrhequot; (Mattb. II, 11). Door die roeping der Heidenen openbaarde Jesus zich als het beloofde Licht voor het volk, zuchtende in de duisternis en de schaduw des doods; daarom wordt het jaarlijksch herinneringsfeest hieraan genoemd: feest „van „\'s Heeren Verschijning.quot; — Ook de grijze Simeon duidde Jesus, bij gelegenheid zijner opoffering in den tempel, aan als „het „licht tot verlichting der Heidenenquot; (Luc. II, 32), en de H.

„het Westen, zij heeft eene lengte van IS bij eene breedte van 12 „voet; haar gewelf zal niet hooger dan 9 voet zijn. De plek, waar „iedereen zich met diepe ontroering op den grond nederwerpt, is aan „het oosteinde des heiligdoms; daar is het altaar van de geboorte des „Heeren, daar leest men in eene zilveren ster op den mannergrond:

Hic de Virgine Maria Jesus Christus nalus est.

Hier is Jesus Christus uit de Maagd Maria geboren.

„Een weinig zuidwaarts van het geboortealtaar, voorbij eene zuil, „die het gewelf steunt, vindt men, een paar treden beneden den be-„ganen grond, eene rotsholte: hier stond de kribbe, waarin het god-„delijk Kind door de Moeder werd neergelegd. Men weet, dat de „kribbe zelve naar Rome is overgebracht, en daar in de Kerk Santa „Maria Maggiore vereerd wordt.quot;\'... . „De godsvrucht der geloovigen „heeft het huis des nieuwgeboren Konings op eene bijzondere wijze „versierd; marmeren platen bedekken vloer en wanden, rondom zijn „kostbare zijden behangsels aangebracht, terwijl boven de altaren de „geboorte en de aanbidding der Wijzen door waardige schilderstukken worden voorgesteld. Een groot getal zilveren lampen verlichten „bij voortduring het heiligdomquot; (Pelgrimsreize naar het heilige Land, door P. M. S. pr. \'s Gravenhage 18G4. bladz. 358). Op Kersnacht houden de Christenen van Bethlehem eene plechtige processie naar de geboorteplaats des Heeren. Vooraan gaat de latijnsche Patriarch en draagt in zijne armen een beeld van het Kind Jesus. Hem volgen de andere priesters en Christenen, als ook de aanwezige pelgrims, allen met brandende fakkels in de hand. — De plaats, waar de herders de stem des Engels vernamen, is tegenwoordig met een muur omgeven en met 50 a 60 olijfboomen beplant.

-ocr page 220-

206

Kerk wijdt op den feestdag van Maria Lichtmis de kaarsen , waarmede zij vervolgens plechtigen omgang (processie) houdt, opdat de geloovigen zich levendig Jesus zouden voorstellen, die als een schitterend licht is opgegaan, om den nacht des Heidendoms te verdrijven. Ook wij moeten met eene groote godsvrucht aan deze heilige en zinrijke plechtigheid deelnemen ; want ook wij hebben het aan J esus, het Licht dei-Heidenen, te danken, dat wij niet, gelijk onze voorouders, in duistere wouden den vorst der duisternis offeranden brengen en afgodsbeelden aanbidden, maar in \'t licht van het ware geloof wandelen en den waren, den eenigen God aanbidden en Hem het offer van een rein hart toewijden.

Wat gelooven wij van Jesus Christus, wanneer wij het geheim der mensehwording aannemen ?

Wij gelooven dat Jesus Christus tegelijk waarlijk God en waarlijk mensch — Godmensch is: God is Hij van eeuwigheid, en mensch is Hij geworden in den tijd.

Jesus Christus is waarlijk God; • want Hij is, zooals in het tweede geloofs-artikel werd aangetoond, de eeniggeboren Zoon des eeuwigen Vaders, de tweede Persoon der allerheiligste Drieëenheid. — Jesus Christus is ook waarlijk mensch; Hij heeft niet, zooals bij voorbeeld de Engelen, wanneer zij aan de menschen zichtbaar verschijnen, enkel de gedaante van een mensch (Tob. XII, 19), maar een wezenlijk menschelijk lichaam aangenomen. Hij werd als kind geboren, groeide op, at, dronk en sliep, gevoelde honger, dorst en vermoeidheid, werd gebonden, geslagen, gekruisigd en gedood. „Beschouwt mijne handen en voeten,\'\' sprak Hij tot zijne leerlingen, „voelt en ziet; want een geest „heeft geen vleesch en beenderen, gelijk gij Mij ziet hebbenquot; (Luc. XXIV, 39). Met het lichaam nam Jesus Christus ook tevens eene ware menschelij ke, d. i. met verstand en wil begaafde, ziel aan. In zijne ziel gevoelde Hij vreugde, liefde, medelijden, angst, vrees, droefheid. In den hof van Olijven riep Hij uit: „mijne ziel is bedroefd tot den dood „toe\'\' (Matth. XXVI, 38). En de Evangelist verzekert, „dat Hem een Engel van den hemel verscheen, die Hem „versterktequot; (Luc. XXII, 43) en Hem vertroostte. Het is dan ook eene door de Kerk uitdrukkelijk veroordeelde dwaling \'), dat Christus geene menschelij ke ziel gehad.

\') Zie anathem. 7. van den Paus Damasas in het Cone, van Rome, gehouden in het jaar 387.

-ocr page 221-

207

maar de godheid in Hem de plaats der ziel vervangen zou hebben.

Dewijl alzoo Jesus Christus tegelijk waarachtig God en waarachtig mensch is, wordt Hij geheel juist en terecht Godmensch genoemd. God is onze Verlosser van alle eeuwigheid af, vóór alle tijden, zonder begin en einde: mensch is Hij in den tijd geworden, toen Hij namelijk vóór bijna twee duizend jaren uit den hemel nederdaalde, de mensche-lijke natuur aannam, en uit Maria, de reinste Maagd, geboren werd. Godmensch is derhalve Jesus Christus niet van alle eeuwigheid; in alle eeuwigheid zal Hij echter Godmensch blijven, wijl het eeuwig Woord, de goddelijke Zoon, de menschbeid aangenomen heeft, om zich nimmermeer van haar te scheiden. — Door deze aanneming van en onverbreekbare vereeniging met de menschheid is evenwel de Zoon Gods niet in een anderen toestand overgaan, zoodat Hij van zijne goddelijke volmaaktheid niet het minste verloren , en evenmin eene nieuwe volmaaktheid gekregen heeft; neen Hij is geheel onveranderd gebleven. Goud blijft goud, ook dan wanneer het met potaarde in aanraking komt, en de glans der zon wordt niet verhoogd door het dofle licht eener lamp. Hetzelfde geldt van de godheid des ee\'uwigen Zoons bij zijne, hoewel onvergelijkelijk innigere vereeniging met de menschelijke natuur. Als God is Christus een hoogst enkelvoudig, noodzakelijk, oneindig volmaakt wezen; onmogelijk kan Hij dus het geringste verliezen, daar Hij als enkelvoudig geene deelen, als noodzakelijk geene toevallige eigenschappen heeft, welke Hij missen kan; evenzoo is het onmogelijk, dat Hij volmaakter worde, daar eene oneindige volmaaktheid nimmer kan toenemen. Niet de godheid van Christus, maar alleen de menschheid is bijgevolg dooide menschwording volmaakter geworden. „Üe zon,quot; zoo bemerkt Joannes Damascenus \'), „schenkt ons licht en „warmte, zonder iets van ons terug te ontvangen; hoeveel „meer geldt dit van den Heer en Schepper der zon ?quot; Én gelijk de zon, in geval er eene nieuwe planeet ontstond, deze terstond, zonder de geringste vermindering van haar eigen licht, zou verlichten en verwarmen, zoo begon ook de godheid in Christus, zonder zelve eenigszins te veranderen , op de met haar vereenigde menschheid aanstonds haren genaderijken invloed uit te oefenen.

Wijl Jesus Christus God en mensch tegelijk is, spreekt Hij van zieh zeiven nu eens als God, d. i. met betrekking tot zijne godheid,

In op. dogm. p. 9.

-ocr page 222-

208

dan als mensch. d. i. met betrekking tot zijne menschheid. Als God

gewaagt Hij van zich zeiven, wanneer Hij zegt: \'\'Ik en de Vader zijn //éénquot; (Joan. X, 30). „Al hetgeen de Vader doet, dit doet ook de Zoon ,desgelijksquot; (Joan. V, 19). „Al hetgeen de Vader heeft, is mijnquot; (Joan. XVI, 15). „Eer Abraham werd, ben Ik.quot; Joan. VIII, 58). Want als God is Hij zijnen Vader in alles gelijk, eeuwig, almachtig, volmaakt als de Vader. — Als mensch spreekt Hij, wanneer Hij zegt: „Üe Vader is grooter dan Ikquot; (Joan. XIV, 28); want als mensch (volgens de menschheid) is Jesus een schepsel, bijgevolg minder dan de Vader. Als mensch sprak Hij tot de zonen van Zebedeiis: „mijnen „kelk zult gij wel drinken , maar te zitten aan mijne rechter- of lin-„kerhand, komt Mij niet toe, aan u te gevenquot; (Matth. XX, 23). Als mensch sprak Hij: „De Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij „Mij gezalfd en gezonden;quot; en: „Vader, niet mijn, maar uw wil ge-„schiedequot;, enz. De jongeling, die in Christus enkel de menschheid zag, en niet de godheid erkende, maar Hem niettemin „goede Meesterquot; noemde en vroeg : „welk goed moet ik doen ?quot; kreeg van Jesus ten antwoord: „W,at noemt gij Mij goed?quot; en: „Wat vraagt gij Mij naar „het goede? Eén is goed,namelijk God !quot;(Marc. X, 18, Slatth. XIX, 17). Daarmede wilde Jesus geenszins zeggen, dat Hij niet God, of als mensch niet goed was, maar Hij wilde te kennen geven, dat elk mensch slechts eene beperkte goedheid bezit, en God alleen de oneindige goedheid, het goede in en voor zich, het hoogste goed is: dat bijgevolg aan God alleen deze naam in den strengsten zin toekomt. Hij wilde derhalve de hulde des jongelings alleen dan aannemen, als Hij door hem niet enkel als mensch, maar ook als God, of als God-mensch erkend werd. — Om alzoo de woorden der H. Schrift aangaande Jesus Christus, welke oogenschijnlijk met elkaar strijden, behoorlijk te verstaan en te verklaren, moet men niet vergeten, dat van Hem, den eenen en zelfden persoon, nu eens inzooverre Hij God, dan inzooverre Hij mensch is, gesproken wordt. — Deze verschillende spreekwijze over den Godmensch komt veel overeen met de wijze, waarop wij van ons zelve gewoon zijn te spreken. Immers wij ook spreken verschillend, naar gelang wij onze ziel of ons lichaam op het oog hebben. Wat is de mensch? Een aardworm, stof en asch, zoo antwoorden wij, wanneer wij onze lichamelijke natuur in aanmerking nemen. „Gij zijt stof,quot; sprak God zelf tot de menschen, „en gij zult tot stof wederkeerenquot; (1 Mos. III, 19). Hebben wij echter onze geestelijke natuur in \'toog, dan luidt ons antwoord: de mensch is de koning en de kroon der schepping, de adem, het onsterfelijk evenbeeld des Allerhoogsten, den Engelen bijna gelijk geworden (Ps. VIII, 5—7). Beide antwoorden zijn even waar, wijl de mensch uit lichaam en ziel, d. i. uit eene lichamelijke en geestelijke zelfstandigheid bestaat.

Tweevoudiglieid der naturen en Éénheid des persoons.

Hoeveel naturen zijn er in Jesus Christus ?

Er ziin twee naturen in Jesus Christus: de goddelijke natuur, wiil Hij God is, en de menschelijJce, wijl Hij mensch is.

De goddelijke natuur in Christus is zijne godheid, de men-schelijke natuur zijne menschheid. De goddelijke natuur heeft Hij krachtens zijne eeuwige geboorte uit God den

-ocr page 223-

209

Vader; de menschelijke natuur krachtens zijne tijdelijke geboorte uit Maria de reine Maagd. Hoewel beide naturen in Christus op \'t innigst vereenigd zijn, verschillen zij niettemin wezenlijk van elkander. Iets dergelijks zien wij in de vereeniging van ons lichaam en onze ziel. Beiden zijn in denzelfden mensch allerinnigst met elkander vereenigd; niettemin is het lichaam geheel iets anders dan de ziel; het lichaam is vleesch, de ziel is geest. Eveneens is ook de menschheid van Christus met zijne godheid innig verbonden , en evenwel van nature oneindig van de godheid verschillend. — De wijze, waarop de goddelijke natuur in Christus met de menschelijke vereenigd is, kan met geene vereeniging, zelfs niet met die, welke tusschen lichaam en ziel bestaat, vergeleken worden. Als vereeniging van het oneindige met het eindige is zij eenig in hare soort, onuitsprekelijk, onbegrijpelijk. De vereeniging van ons lichaam met onze ziel is niet onafscheidelijk, doch die der godheid met de menschheid is onafscheidelijJc in Christus. Zelfs bij zijnen dood beeft zijne godheid zich noch van bet lichaam, noch van de ziel gescheiden. Door de vereeniging van ons lichaam met de ziel wordt er eene andere natuur, namelijk de menschelijke, gevormd; want de menschelijke natuur bestaat noch uit het lichaam alleen, noch uit de ziel alleen, maar in bet vereenigd zijn van ons lichaam en onze ziel bestaat eigenlijk de menschelijke natuur. Door de verbinding der godheid met de menschheid ontstaat er echter geene godmenschelijke natuur; het zij verre van ons, zoo iets te denken. In ons menscben komen lichaam en ziel elkaar te hulp, niet alleen tot vorming der menschelijke natuur, maar ook ter uitvoering van hunne eigenaardige handelingen, aangezien lichaam en ziel in hunne eigenaardige werkzaam -beid dikwerf van elkander afhangen. Zoo kan bet lichaam zonder de ziel zich niet bewegen, niet gevoelen, niet leven, en als het lichaam gewond of ziek is, honger of dorst heeft, dan gevoelt ook de ziel die smart en die behoefte, dan wordt zij in hare geestelijke werkzaamheden gestoord, en niet zelden stremt de kwetsing van een of ander edel deel des menschelijken lichaams, bijv. van de hersenen, bet gebruik der boogere zielskrachten, bijv. van bet verstand en den vrijen wil. Bij Christus daarentegen is het geheel anders. Beide naturen zijn elk in hare soort volkomen, en in de haar eigen werkingen onafhankelijk. Elke natuur heeft namelijk haar eigenaardig, bizonder leven, bare eigenaardige , bizondere werkzaamheid. Toen in Christus de menschheid honger en dorst, angst en droefheid ondervond, onuitsprekelijke smarten leed, bleef zijne godheid van al

BEHAKBE, GELOOl\'SLEER. II. 34e DRUK. ^4

-ocr page 224-

210

dit lijden en al deze zwakheden geheel vrij ; zelfs de bitterste dood aan het kruis verstoorde de oneindige gelukzaligheid der godheid geen enkel oogenhlik.

Eveneens mogen wij niet aannemen, dat de menschelijke natuur door hare vereeniging met de goddelijke natuur zich in deze oploste, als het ware vernietigd of verslonden werd, zooals een druppel olie in den grooten oceaan wegzinkt en verdwijnt, of wel dat beiden zich met elkander vermengden en wegsmolten, gelijk twee metalen in den smeltkroes, zoodat zij daarna maar ééne door vermenging ontstane natuur uitmaakten. A.1 deze gedachten en voorstellingen zijn zoo ongerijmd, dat wij er hier in het geheel niet van zouden spreken, waren er geene ketters geweest, die zich, naar hun hoofd Eutyches, Eulycïnanen noemende, dergel ij ken onzin geleerd en, zooals dit veelal bij trotsche geesten het geval is, met de onbeschaamdste hardnekkigheid verdedigd hebben. Deze dwaalleer werd in de algemeene Kerkvergadering te Chalcedo, waar 250 Bisschoppen onder voorzitterschap van vier pauselijke Legaten vergaderd waren, plechtig veroordeeld. Het geloofsbesluit der Kerkvergadering luidt: „In „de voetstappen der HM. Vaders tredende, leeren wij allen „eenparig, dat men moet belijden, dat de ééne en dezelfde „Jesus Christus de Zoon (Gods) en onze Heer is, dat Hij „volmaakt in de goddelijke natuur, en volmaakt in de „menschelijke natuur, waarachtig God, en waarachtig mensch „is.... Dat de één en dezelfde Christus, de eengeboren „Zoon en Heer, in twee naturen zonder vermenging, zonder „gedaantewisseling, zonder scheiding, zonder afzondering „moet erkend worden; dat door de vereeniging het onder-„ scheid der naturen niet vernietigd, maar integendeel de „eigenaardigheid van beide naturen behouden is.quot; — Met-tegenstaande deze uitspraak is de leer vanEutyches in het oosten niet geheel uitgestorven. Een gedeelte der Armeniërs, de Kopten in Egypte, de Jacobieten in Syrië zijn ook nu nog aanhangers dezer beklagenswaardige dwaling, welke, daar zij in Christus de menschelijke natuur ontkent, de menschen van het geluk en den troost berooft, in Hem niet alleen hunnen God te aanbidden, maar ook hunnen broeder te beminnen.

Zijn er in Jesus Christus ook hoee van elkander onderscheiden willen ?

Ja, er bestaat in Jesus Christus een goddelijke wil en een menschelijke, welke echter aan den goddelijken wil volkomen onderworpen is.

-ocr page 225-

211

Gelijk tot de goddelijke natuur een goddelijke wil behoort, zoo behoort ook tot de menschelijke natuur een meu-schelijke wil; want evenmin als een God zonder verstand en wil, is eene menschelijke ziel denkbaar, die niet met verstand en wil, d. i. raet de kracht of het vermogen, zoowel om te kennen, alsook om te willen, begaafd zou zijn. Daar nu Christus beide naturen in hare geheele volkomenheid bezit, volgt noodzakelijk, dat in Hem ook twee aan beide naturen beantwoordende, en gelijk deze van elkander onderscheiden willen zijn. Indien de menschelijke natuur slechts een werktuig zonder wil in de hand van God, het eeuwige Woord, geweest was, en derhalve Christus geen anderen dan den goddelijken wil had gehad, dan zou de H. Paulus ten onrechte van Hem leeren, dat „Hij gehoorzaam werd „tot den doodquot; (Phil. II, S), en dat Hij ons door zijne gehoorzaamheid gerechtvaardigd of verlost heeft (Rom. V, 19). Immers de gehoorzaamheid is de vrije onderwerping van onzen eigen wil aan een hoogeren wil; bijgevolg moest, zou zulk eene onderwerping mogelijk wezen, een tweevoudige wil bestaan. Als God kon Christus echter geen dubbelen wil hebben; want Vader, Zoon en 11. Geest hebben slechts één en denzelfden allerhoogsten wil. Er volgt derhalve onbetwistbaar uit, dat Christus behalve den goddelijken wil ook nog een menschelijken wil gehad heeft. Dit is de leer der HH. Vaders, gegrond op de uitspraak der H. Schrift; het is de uitdrukkelijke leer van geheel de katholieke Kerk, die in de zesde algemeene Kerkvergadering van Constantinopel (in \'t jaar 680) de tegenovergestelde dwaling, dat er in Christus slechts één (de goddelijke) wil is, plechtig veroordeeld heeft. \')

Ofschoon wij in Christus niet alleen twee naturen, maar ook twee willen erkennen, belijden wij tevens met de genoemde Kerkvergadering, „dat deze beide willen elkander

i) Dewijl men onder de uitdrukking „wilquot; zoowel het eigenaardig vermogen van de menschelijke natuur om te willen, als ook de daad, welk daaruit voortkomt (akte, uiting van den wil), ol\' wel beiden tegelijk verstaan kan, ontstaat de vraag, in welken zin deze uitdrukking hier, waar er van den menschelijken wil van Christus spraak is, genomen moet worden. Het is buiten twijfel, dat //wilquot; hier niet alleen het vermogen om te willen, maar ook de daaruit voortspruitende akte beteekent. Want, gelijk Suarez opmerkt, •) de heilige Schrift spreekt vooral van de akten van den menschelijken wil van Christus, en de Conciliën spreken te gelijker tijd en op dezelfde wijze van het vermogen om de akten te stellen. Zoo vindt men onder

*) Disp. 37. Sect. 1. in 3. p. s. Thom.

14*

-ocr page 226-

212

„niet tegenstrijdig zijn, daar zijn menschelijke wil niet weder-„staat, noch tegenstreeft, maar aan zijn goddelijken en almach-„tigen wil onderworpen is.quot; — Deze volkomen onderdanigheid van den menschel ij keu wil aan den goddelijken blijkt uit vele plaatsen der H. Schrift. „Ik zoek niet mijnen wil,quot; zegt Christus (Joan. V, 30), „maar den wil van Hem, die My „gezonden heeft.quot; Eveneens bij Joan. VI, 38: „Ik ben „uit den hemel nedergedaald, niet om mijnen wil te doen, „maar den wil van Hem, die Mij gezonden heeft.quot; En toen Hem, bij het naderende lijden , in den Olijfhof de doodsangst overviel, sprak Christus tot zijnen hemelschen Vader: „mijn Vader! indien het mogelijk is, laat deze kelk van Mij „voorbijgaan! Nochtans niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij „wiltquot; (Matth. XXVI, 39), of zooals bij Lucas XXII, 42 staat; „Vader! indien Gij wilt, neem dezen kelk van Mij; „nochtans niet mijn wil, maar de uwe geschiede!quot; Daarmede wilde Christus, volgens de opmerking van den H. Cy-rillus van Alexandrie, zeggen \'): „O Vader, indien het „mogelijk is dat Ik zonder den dood te ondergaan, aan hen, „die den dood verdiend hebben, het leven wedergeve; indien „de dood overwonnen kan worden, zonder dat Ik er onder „bezwijke, dan wensch Ik volgens de menschheid, dat deze „kelk voorbijga. Daar het nochtans anders niet geschieden „kan, geschiede niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt.quot; „De „menschheid namelijk,quot; zoo schrijft de abt Rupertus ■), „ondervond natuurlijker wijze vrees en ontsteltenis voor dien „bitteren doodskelk, en de ziel wilde gaarne, uit natuurlijke „genegenheid voor het lichaam, in het vleesch verblijven. „De godheid daarentegen had enkel voor oogen, wat tot „heil der-menschen vereischt werd, en Christus\'menschheid „stelde den goddelyken wil boven dien der menschelijke „natuur.quot; Aldus wilde inderdaad Christus\' menschelijke wil iets anders dan de goddelijke, evenwel niet onvoorwaardelijk. Daar Christus tevens zag, dat de vervulling van den wil

anderen in den brief van Paus Agathon, welke in de genoemde Kerkvergadering van Constantinopel werd voorgelezen: „Volgens datgene, //wat de Profeten aangaande Christus leerden, wat Hij zelf geleerd, ,/en de geloofsbelijdenis der HH. Vaders ons overgeleverd heeft, ver-,kondigen wij luide, dat er in Hem (in Christus) twee natuurlijke „willen en twee werkzaamheden zijn.quot; Ook de grond , welken Suarez aangeeft, mag niet voorbijgezien worden. Hij merkt namelijk op, dat elk vermogen gegeven is om er mede te werken, en alleen door het vermogen van te willen Christus geene verdiensten zich kon verwerven, noch voldoening geven, wijl daartoe akten van den wil vereischt worden.

!) Boek 4. over Joan.

2) De vict. ver. Dei. 1. 1-2. c. 17.

-ocr page 227-

213

zijner menschheid met de vaderlijke inzichten en raadsbesluiten onvereenigbaar was, deed Hij er afstand van, d. i. Hij onderwierp ziin menscheUjken wil aan den goddelijken met oogenblikkelijke en volkomen overgeving. Zoo moeten ook wij onzen wil aan den goddelijken onderwerpen. Begeert- God een of ander moeielijk offer, b. v. van een geliefden vriend, broeder of vader, wellicht zelfs het offer onzer gezondheid, onzes levens, dan moeten wij niet klagen, niet tegenspreken, maar ons aan den goddelijken wil overgeven. Voorzeker mogen wij met Jesus bidden: Heer, indien het mogelijk is, dat ik U volgens uwen heiligsten wil ver-heerlijke en ter zaligheid gerake zonder den bitteren kelk te drinken, moge die dan van mij voorbijgaan; doch wij moeten er ook vol ootmoed en overgeving bijvoegen: „Echter „niet mijn, maar uw wil geschiede; niet gelijk ik wil, maar „gelijk Gij wilt.quot;

Zijn er in Jesus Christus ook twee personen ?

Neen, Jesus Christus is slechts één goddelijke persoon, want de beide naturen zijn in den eenen persoon van den Zoon Gods onafscheidelijk vereenigd. — Twee punten moeten we hier verklaren: 1) dat Christus slechts één persoon, 2) dat deze ééne persoon geen menschelijke of wel godmensche-lijke, maar een goddelijke persoon, namelijk geen andere dan de tweede persoon der H. Drieëenheid is.

1) Van Jesus Christus, onzen Heer, zegt de geloofsbelijdenis van den H. Athanasius; „Ofschoon Hij God en „mensch is, zoo zijn er toch niet twee, maar er is slechts „één Christus.... Want gelijk de redelijke ziel en het „lichaam één mensch is, zoo is ook de ééne Christus God „en mensch.quot; Gelijk in ons de ziel en het lichaam éénen mensch, éénen persoon uitmaken, zoo zijn ook in Christus de goddelijke en menschelijke natuur onafscheidelijk, voor altijd en eeuwig tot één persoon vereenigd. Christus, de Zoon des menschen, is daarom niet een afzonderlijke, van Christus, den Zoon van God, verschillende, maar een en dezelfde persoon, een en dezelfde Christus. En deze eenheid van persoon moet men niet enkel van de uiterlijke gedaante en verschijning, zooals zekere ketters beweerden, maar ook van de innerlijke, wezenlijke eenheid verstaan. Christus is als onzichtbare God en als zichtbare mensch geheel dezelfde persoon. — Wij mogen ons deswege de vereeniging van Gods Zoon met de menschelijke natuur niet zoo voorstellen, als had Hij die slechts gelijk een kleed aangetrokken, want het kleed maakt met den mensch, die het draagt, niet één

-ocr page 228-

214

en denzelfden persoon uit. Wie b. v. een zijden kleed aantrekt, kan daarom niet zeggen, dat hij zijde is geworden, dat het kleed met hem een en denzelfden mensch uitmaakt. De Zoon Gods daarentegen heeft de menschelijke natuur zoo nauw met zich vereenigd, zoo onuitsprekelijk innig aan zich verbonden, dat de H. Schrift zegt: „Hij is vleesch „(d. i. mensch) geworden,quot; en de Kerk leert: God en mensch is één, is in Christus één en dezelfde persoon. Ook mogen wij ons deze vereeniging niet zóó denken, als had zich eerst de ziel met het lichaam tot een menschelijken persoon vereenigd, en daarna het goddelijk Woord dezen éénen mensch tot zijne woning gekozen en met zijne genadegaven vervuld; want het goddelijk Woord heeft, vleesch wordende, niet een menschelijken persoon, maar de menschelijke natuur aangenomen; en deze, zegt de H. Leo (Preek 3. over de geboorte des Heeren), „werd niet zoodanig door haren Schepper in zijne gemeenschap opge-„nomen, dat Hij slechts de bewoner, en zij enkel de woning „zou wezen.\'\' Tot eiken rechtvaardige komt Christus, en neemt zijn intrek bij hem (Joan. XIV, 23); de rechtvaardige wordt daardoor echter niet één persoon met Christus, zoodat hij geenszins zeggen kan: Ik ben God, ik ben de Schepper van het heelal. Wel is in Christus de menschheid iets anders dan de godheid, doch Christus is niet een andere persoon als mensch, en een andere als God, maar God en mensch is geheel de ééne en dezelfde persoon, de ééne en dezelfde Zoon Gods, hoog geprezen in eeuwigheid. Vandaar zeggen wij, van Christus sprekende, met alle recht: God is kind geworden. God lag in de kribbe. God heeft geleden, is aan het kruis gestorven, en wederom: deze mensch is God, almachtig, alwetend, de Schepper van hemel en aarde. Want ofschoon Christus niet volgens de godheid geleden heeft en gestorven is, en niet volgens de menschheid de wereld heeft geschapen, blijft het toch immer waar, dat degene, die de wereld geschapen heeft, de ééne en dezelfde Christus is. — En wanneer wij aldus spreken en gelooven, dan spreken en gelooven wij niets anders, dan de H. Schrift spreekt en leert, en de katholieke Kerk altoos gesproken, geloofd en geleerd heeft. Volgens de woorden der H. Schrift is het dezelfde Zoon des menschen, die als God in den hemel woont, die uit den hemel nedergedaald en als mensch weder ten hemel is opgeklommen (Joan. Ill, 13; VI, 63); één en dezelfde, die als mensch nog geen vijftig jaren oud, toch (als God) ouder is dan Abraham (Joan. VII, 52); één en dezelfde, die als God gezegd heeft: „Ik ben de „opstanding en het levenquot; (Joan. XI, 25), en die als mensch

-ocr page 229-

215

aan het kruis geroepen heeft: „Mijn God, miin God! „waarom hebt Gij Mij verlaten?\'\' (Matth. XXVII, 48); één en dezelfde, die Gode gelijk is, en niettemin in de gedaante van een slaaf den menschen gelijk bevonden werd (Phil. II, 7). „Niet een ander is van den Vader, en een „ander van de Maagd, maar dezelfde anders van den Vader, „en anders van de Maagd geborenquot; \'). „Niet een ander is „God, een ander mensch, maar juist dezelfde is waarachtig „God, die ook mensch is, en wederom dezelfde is waarachtig „mensch, die ook God is, Jesus Christus de eenige Zoon „Godsquot; ■). In denzelfden zia drukken zich in het algemeen alle HH. Vaders en kerkelijke schrijvers uit.

Deze leer van twee naturen, welke in den eénen persoon van den Zoon Gods onafscheidelijk vereenigd zijn, is reeds vóór meer dan duizend jaren in de algemeene Kerkvergade-ricgen van Ephese, Chalcedo, en in de derde van Constan-tinopel plechtig uitgesproken. Ook werd daar eenstemming en herhaaldelijk de dwaling veroordeeld van degenen, die in schijn éénen Christus aannamen, inzooverre namelijk slechts één zichtbaar onder de menschen verkeerde, doch in waarheid twee, daar zij beweerden, dat de zichtbare Christus (Christus mensch) niet dezelfde als de onzichtbare (Christus God) , maar de eerste slechts de tempel en het tabernakel des laatsten was. „Dit is alzoo het echte geloof,quot; zegt de geloofsbelijdenis van den H. Athanasius, „hetgeen wij voor „waar houden en bekennen, dat onze Heer Jesus Christus

„tegelijk God en mensch is____volkomen mensch____ Hoewel

„Hij God en mensch is, zijn er toch niet twee, maar is er „slechts één Christus : één niet door verandering der god-„heid in het vleesch , maar door aanneming der menschheid „in God: volstrekt één, niet door vermenging van de zelfstandigheid (der naturen), maar door de eenheid des per-„soons. ... Dit is het katholiek geloof, en degene, die dit „niet getrouw en vastelijk gelooft, kan niet zalig worden.\'

2) De ééne persoon, Jesus Christus, is blijkbaar geen mensc/ielijke persoon; want met dit te leeren zou men tot de godslastering komen, dat het eeuwig Woord door de aanneming der menscheliike natuur opgehouden heeft, de tweede persoon in de godheid, de Zoon van God te zijn. — Hij is ook geen godmensehelijke persoon; want, zooals de HH. Vaders eenparig leeren, is door de vereeniging der beide naturen in Christus evenmin een nieuwe persoon,

!) Dc H. Ambrosius over de menschwording. Hfdst. 5. K\'1. 35. -) Cassain , B. I. over de menschwording. H. 5.

-ocr page 230-

216

als eene nieuwe, zoogenaamde godmensclaelijke natuur ontstaan, hetgeen toch wezen moest, indien de goddelijke persoon een godmenschelijke geworden was. Met recht wel is waar, noemen wij Christus een Godmensch; wijl Hij inderdaad tegelijk God en mensch is. Met recht onderscheiden wij ook in Hem eene godmenschelijke werkzaamheid (godmenschelijke handelingen of verrichtingen), wijl in Hem eene tweevoudige natuurlijke kracht en wijze van werken, eene goddelijke en menschelijke bestaat \') ; wij noemen echter Christus niet een godmenschelijken persoon, wijl in Hem geene dubbele, eene goddelijke en eene menschelijke persoonlijkheid is, d. i. wijl Hij niet goddelijke en menschelijke persoon tegelijk is. Christus is alzoo geen andere dan goddelijke persoon, de tweede persoon der allerheiligste Drieëeuheid, de eengeboren , van eeuwigheid voortgebrachte Zoon van God den Vader. Deze goddelijke Zoon nam in den tijd de menschelijke natuur aan, en vereenigde haar op eene zoo innige en onvergeiijkbare wijze met zijne goddelijke natuur, dat Christus\' menschheid niet afzonderlijk, niet op zich zelve bestaat, maar haar bestaan in de persoonlijkheid van den goddelijken Zoon heeft, zoodat zij slechts een goddelijke, in twee naturen bestaande persoon is. Daarom verklaart de vijfde algemeene Kerkvergadering in den 10lei1 Canon; „wie niet bekent, dat onze naar het „vleesch gekruisigde Heer Jesus waarlijk God en Heer der „heerlijkheid is, en een van de H. Drieëenheid, die zij in „den ban.\'\'

Tot meerdere opheldering van het reeds gezegde zal de volgende verklaring van den H. Thomas (Compend. theolog.) dienen. —- De uitdrukking „persoonquot; (hypostasis) beteekent bij de Godgeleerden in het algemeen een geheel, iets, dat in en voor zich bestaat, dat derhalve noch een aanvallend deel is, noch eenige aanvulling noodig heeft, ook niet als bij toeval met een ander is verbonden, gelijk bijv. de gestalte of de kleur met eene zelfstandigheid, üns lichaam en onze ziel, als van elkander gescheiden gedacht, zijn geen persoon, want zij zijn bestemd, als deelen der menschelijke natuur met elkander verbonden te zijn, en eerst in hunne vereeniging een op zich zelve bestaand geheel, een menschelijken persoon te vormen. Was nu de goddelijke natuur in Christus geen volmaakt voltooid geheel, maar, zooals de menschelijke ziel, als het ware een deel, hetwelk verbonden met een ander wezen eerst voltooid moet worden, dan zou door hare vereeniging met de menschheid een nieuwe (godmenschelijke) persoon ontstaan zijn, bestaande uit godheid, lichaam en ziel, geheel op dezelfde

!) De Kerkvergadering van Laterane (I. can. 15.) spreekt den banvloek uit over degenen, die zoo dwaas zijn van aan te nemen, dat de godmenschelijke werkzaamheid van Christus, deivirilem opera-tionem, quod Graeci dicunt 6-a-j, slechts ééne, en niet, zooals de H.H. Vaders leeren, eene tweevoudige, goddelijke en menschelijke, is.

-ocr page 231-

217

wijze, als uit de vereeniging van onze ziel met het lichaam de men-schelijke persoon ontstaat. Daar echter de goddelijke natuur in Christus van eeuwigheid een op en voor zich zeiven bestaand geheel, een in alle opzichten oneindig volmaakt, voor alle vervolmaking onbevattelijk wezen is, blijft zrne persoonlijkheid, wat zij vóór de aanneming der menschheid was, eene zuiver goddelijke. De ziel daarentegen en het lichaam van Christus werden tot de deelname aan de persoonlijkheid van het eeuwig Woord verheven, bekwamen daarin hun bestaan, en bijgevolg is de eene persoon van den Zoon Gods tevens persoon (hypostasis) van den zoon des menschen.

Wij zeiden zooeven, dat door de vereeniging der ziel met het lichaam de menschelijke persoon ontstaat. — Daar nu in de allerheiligste menschwording eene vereeniging van de ziel van Christus met het lichaam plaats had, zou men hieruit kunnen afleiden, dat Christus ook een menschelijke persoon moet zijn, tenzij dat de menschelijke natuur door de vereeniging met het eeuwig Woord hare persoonlijkheid verloren heeft en van persoon niet-persoon geworden is. Geheel ten onrechte zou men echter die gevolgtrekking maken. »AVant het goddelijk Woord,quot; zegt het Concilie van Toledo, //heeft //niet den persoon des menschen, maar alleen de natuur aangenomen.quot; Deze menschelijke natuur heeft hare persoonlijkheid niet verloren, wijl zij nooit eene eigene had, nooit in en op zich zelve, afgezonderd van den persoon des Woords, maar steeds in denzelven en door den-zelven bestond (subsisteerde). Want op het eigen oogenblik, dat door de werking van den heiligen Geest de ziel met het lichaam vereenigd werd, vereenigde de Zoon Gods beiden in zich met zijne goddelijke natuur, en op die wijze maakte het lichaam en de ziel van Christus nooit, gelijk dat bij ons menschen het geval is, een op zich zelve staand geheel uit, maar had steeds in gemeenschap met de goddelijke natuur haar bestaan in den persoon des Woords, zoodat slechts ééne en dezelfde Zoon Gods in eene tweevoudige natuur bestaat.

Heeft echter Christus, gelijk gezegd is, niet den persoon, maar alleen de natuur des menschen aangenomen, hoe kan Christus dan van zich zeiven als van den zoon des menschen spreken? De zoon des menschen is toch zeker een persoon. — Hierop antwoordt de H. An-selmus (de Incarnat. c. 5,) even juist als bondig: //In Christus is God ,persoon en de mensch persoon, en evenwel zijn er niet twee personen, „maar er is slechts één persoon;quot; want „dezelfde persoon ^hypostasis) //van liet eeuwig Woord,quot; zegt de H. Joannes van Damascus, \') //is //de persoon van beide naturen, zoodat geene van deze onpersoonlijk, //noch de persoonlijkheid der eene van de persoonlijkheid der andere ,/onderscheiden is.quot; Doordat nu de menschelijke natuur hare eigenaardige persoonlijkheid verliest, houdt zij niet op, als zoodanig volkomen te zijn. Immers, zooals Petavius 1) opmerkt, heeft zij niet slechts alle wezenlijke bestanddeelen in de geheele volmaaktheid, maar zij zou ook hare eigen, eike menschelijke natuur eigenaardige wijze van bestaan (subsistentie) hebben, als de gewone, der natuur toekomende wijze van bestaan, door de goddelijke tusschenkomst, niet door eene buitengewone en onvergelijkelijk verhevener vervangen was geworden. Het behoort gewis tot de volkomenheid der menschelijke natuur, dat zij op eene of andere haar passende wijze bestaat; doch het is voor haar veel volmaakter, in een goddelijken persoon, dan in en op zichzelve te bestaan. En juist daardoor onderscheidt zich de hypostatische vereeniging der goddelijke en menschelijke natuur van elke andere vereeniging, dat de eene goddelijke hypostasis ook de draagster der menschelijke natuur, of, wat hetzelfde is, dat

1

) De incarnat. L. 3. c. 15. n. 6.

-ocr page 232-

218

deze niet door eene eigene, maar door de goddelijke persoonlijkheid des Woords persoon is.

Dergelijke, het geheim der menschwording betreffende, ophelderingen zullen wellicht in het oog van velen spitsvondig en onnut schijnen, omdat zij wanen, dat de theorie bij het christelijk leven weinig afdoet, en het alleen op de praktijk aankomt, dat alleen in het naleven der geboden de smalle weg ter zaligheid te vinden is. Van die meening waren echter geenszins onze leeraars in het geloof, de HH. Kerkvaders. //Niet enkel in de beoefening van deugdzame werken,quot; zegt de H. Leo (Serm. 5. de nativit.), „en in de onderhouding der -/geboden, maar ook in het ware geloof bestaat de smalle en moeielijke „weg, die tot het leven voert. Het is eene zaak van niet geringe //inspanning en gevaren, tusschen wankelende gevoelens en schijn-z/waarheden door, zonder aanstoot het eenig pad der gezonde leer te „bewandelen, en daar, waar men links en rechts de strikken der //dwaling bemerkt, aan alle gevaar van zich te bedriegen te ontko-//men.quot; En de H. Fulgentius (1. ad Tras. c. 3), merkt op, //dat bijna //alle dwalingen in het geloof daardoor zijn ingeslopen, dat men het //groote geheim der menschwording niet geloofde, gelijk het is, of „zelfs in het geheel niet aannam.quot; — Het geloof aan dit geheimenis , hetwelk als het ware het aantrekkingspunt is, waarom ons heil zich beweegt, zooals de romeinsche Katechismus getuigt, ligt echter hoofdzakelijk daarin, dat bij de tweevoudigheid der natuur niet alleen de uiterlijke, maar ook de innerlijke (physieke) eenheid des persoons of de eene hypostasis (óéne ikheid) worde vastgehouden. Is namelijk Christus God en Christus mensch niet de eene en zelfde persoon (hypostasis), dan is het Woord niet vleesch geworden, dan is Maria niet de moeder Gods, dan is God niet voor ons gek-ruisigd, niet gestorven, niet verrezen, dan heeft God ons niet verlost, dan is Christus, de zoon des menschen, niet de Zoon Gods, niet waarachtig God, dan verleidt de katholieke Kerk ons tot afgoderij, als zij ons gebiedt, het lichaam en bloed van Jesus Christus te aanbidden. Het is derhalve geenszins eene vrome overdrijving, maar de volle, onomstootelijke waarheid, «dat aan iedere letter van deze (den persoon van Christus //betreffende) leeringen als het ware eene geheele wereld hangt, en „dus geene enkele, oogenschijnlijk nog zoo geringe, aangetast kan „worden, zonder dat tegelijk de grondslag van het Christendom, de ./leer van de verlossing, geschokt en geheel omver geworpen wordt.quot; 2) \'t Was alzoo niet om kleinigheden te doen, als de Kerkvaders en Kerkvergaderingen eeuwen lang deze grondleeringen tegen alle openlijke en bedekte aanvallen der dwaalleeraars met bovenmenschelijke scherpzinnigheid en onvermoeiden ijver verdedigden, en niet gedoogden, dat aan de leer, door de Apostelen verkondigd, ook maar ééne letter veranderd, óéne dubbelzinnige, van de kerkelijke spreekwijze afwijkende uitdrukking gebruikt werd. Wie zal niet erkennen, dat ook in de rationalistische richting van onzen tijd onmiskenbaar een dreigend gevaar ligt, van namelijk de verhevenste en heiligste geheimenissen van onzen godsdienst oppervlakkig, ja, verkeerd voor te stellen, dewijl men tracht ze onder het bereik der rede te brengen? De kate-cheet heeft, \'t is waar, bij het christelijk onderwijs zich niet in te laten met alle spitsvondigheden der ketterijen, geen taal te voeren , welke zijne hoorders niet verstaan; doch allernoodzakelijkst is het, dat hij de leer van de christelijke geheimenissen niet oppervlakkig, maar juist en grondig, op eene bevattelijke wijze, zijnen toehoorders voorstelt en verklaart. Dit zal hem echter alleen dan gelukken, als

\') Ook Nestorius nam (in een zekeren zin) éénen persoon aan, doch niet ééne hypostasis.

2) Dr. Konrad Martin: „Wissenschaft von den göttlichen Dingen,quot; bladz. 265.

-ocr page 233-

219

hij nauwkeurig de leer der Kerk kent, en weet, welke uitdrukkingen hij met betrekking tot elk geheim gebruiken mag.

Waren er twee personen in Christus, een goddelijke en een men-schelijke, dan zouden wij, zonder ons aan afgoderij schuldig te maken, Christus\' menschheid niet mogen aanbidden. Daar deze echter met de godheid in één en denzelfden persoon vereenigd is, zoo hadden de Vaders der voornoemde Kei-kvergadering reden genoeg, den volgenden canon te stellen: /,Wie niet, overeenkomstig do oorspronkelijke over-z/levering der H. Kerk Gods, aan G-od, het menschgeworden Woord „met deszelfs vleesch ééne en dezelfde aanbidding bewijst, hij zij in //den ban.\'quot; Zeer schoon zegt de H. Athanasius (Bi. aan Adelplüus): „Wij aanbidden geen schepsel, maar den vleeschgeworden Heer der „schepping, het goddelijk Woord. Want, hoewel het vleesch, op zich „zelf beschouwd, een deel der schepping is, zoo is het toch Gods „lichaa,m geworden. Wij aanbidden evenwel dit lichaam niet afge-„zonderd van het eeuwig Woord; evenmin scheiden wij het Woord „van het vleesch, wanneer wij het willen aanbidden.quot; \') — De H. Schrift maakt ook geen onderscheid tusschen de godheid en de menschheid, wanneer zij over de aanbidding van den Godmensch spreekt, zooals genoegzaam blijkt uit de woorden van den II. Paulus (Hebr. I, 6): „En Hem (den Godmensch) moeten alle HH, Engelen Gods ,aanbidden.quot;

Waarom wordt de mensclmording van God den Zoon aan de tcerking des II. Geestes toegeschreven ?

Omdat zij bij uitstek eene werking is der goddelijke liefde en genade jegens ons menschen.

Niet zonder reden schrijven wij de menscliwording van Jesus Christus aan de werkzaamheid, aan de kracht des H. Geestes toe. De H. Schrift leert dit uitdrukkelijk: „Zie,quot; sprak de Engel des Heeren tot Maria, „gij zult in „itwen schoot ontvangen, en eenen Zoon baren, en zijnen

„naam zult gij Jesus heeten..... De II. Geest zal over

„u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u over-„schaduwen : daarom ook zal het Heilige, dat uit u zal „geboren worden, Gods Zoon genoemd worden\'\' (Luc. I, 31, 35). Desgelijks sprak de Engel des Heeren in den slaap tot Joseph, den maagdelijken bruidegom van Maria: „Joseph, gij zoon van David! schroom niet, Maria, uwe „vrouw, tot u te nemen, want hetgeen in haar geboren is, „is van den heiligen Geest1\' (Matth. I, 20). In overeenstemming met de H. Schrift belijdt de Kerk in de geloofsbelijdenis der Apostelen van Gods Zoon, da,t „Hij ont-„vangen is van den H. Geest,quot; en in die van Nicea, dat „Hij door den H. Geest, uit de maagd Maria vleesch heeft „aangenomen.quot; De H. Geest alzoo, die in den beginne levengevend „boven de wateren zweefdedaalde neder over

\') Vergel. de Bulle van Pius VI. „auctorem fidei.quot; 61.

-ocr page 234-

220

de allerheiligste Maagd en bewerkte, op eene geheel ongehoorde, geheimvolle wijze, dat zij waarlijk moeder werd van Gods Zoon en het tijdelijke leven schonk aan Hem, die het eeuwige leven is. Dit verheven wonder, waardoor vervuld werd hetgeen de Profeet Isaïas (VII, 14) voorspeld had: „Zie, eene maagd zal ontvangen en eenen zoon baren,quot; was dus het werk van den H. Geest. Niet eenig mensch, maar Hij , die de bron en de oorsprong van alle heiligheid is, de goddelijke Geest, moest de oorsprong der engelreine ontvangenis van den Heilige der Heiligen zijn.

Wanneer men zegt, dat Jesus Christus door de werking des H. Geestes .ontvangen is, beteekent dit niet, dat deze persoon der allerheiligste Drieëenheid alleen het ondoorgrondelijk geheim der menschwording gewrocht heeft. Alle drie de goddelijke personen hebben daarbij samengewerkt, daar volgens de geloofsleer alles, wat God buiten zich werkt in de geschapen dingen, aan alle drie de personen gemeen is, en nooit de een zonder den anderen iets volbrengt. Gelijk men echter aan den Vader de schepping, aan den Zoon de verlossing, aan den H. Geest de heiligmaking toeschrijft, ofschoon zoowel de Vader als de Zoon en de H. Geest bg de schepping, bij de verlossing en heiligmaking medegewerkt hebben en nog medewerken, zoo wordt ook de menschwording van Jesus Christus, alhoewel zij door de werking en de kracht van alle drie de goddelijke personen is tot stand gebracht, echter in het bizonder aan den. H. Geest toegeschreven, wijl zij bij uitstek een werk der goddelijke liefde en genade is. — Dat de werken der liefde aan den H. Geest worden toegekend, is (in Deel I.) reeds aangemerkt. Hetzelfde geldt echter ook van de werken der genade, die inderdaad niets anders dan bewijzen der goddelijke liefde zijn. Kon de Almachtige ons wel eene grootere liefde en genade betoonen, dan Hij ons door het geheim der menschwording bewezen heeft? Jesus zelf maakt ons op de grootheid dier gave opmerkzaam, als Hij zegt: „zoo lief heeft „God de wereld gehad, dat Hij zijnen eeniggeboren Zoon ,;gegeven heeftquot; (Joan. Ill, 16). Waar vindt men een vader, die zijn dienstknecht, zijn vijand zoozeer bemint, dat hij, om dezen te redden, zijn eenigen zoon aan de diepste vernedering, ja zelfs aan den dood overgeeft? En waar treft men een zoon aan, die zich voor een slaaf en een vijand van zijnen innig geliefden vader zulk eene verootmoediging, een zoo smartvol leven en een zoo bitteren dood laat welgevallen , als Jesus Christus, de menschgeworden Zoon Gods? — Doch niet enkel voor ons was de menschwording een werk der genade, zij was het ook voor demenschelijke

-ocr page 235-

221

natuur, die door Christus werd aangenomen. „Waardoor „toch heeft de menschelijke natuur verdiend,quot; vraagt de fl. Augustinus (Enchirid, hoofd. 36), „dat zij tot de eenheid „des persoons werd aangenomen? Welke goede wil, welke „goede werken waren voorafgegaan, waardoor eenig mensch „zou verdiend hebben, éen persoon met God te worden?quot; Eveneens was de menschwording in en uit Maria eene onvergelijkelijke genade voor de gezegende onder de vrouwen. Vol hemelsche waarheid zijn de woorden des Engels: „Maria, „gij hebt genade gevonden bij Godquot; (Luc. I, 30). Maria immers werd door die genade „uitverkoren door God, aan-„genomen door God, verwant met God, wezenlijkvereenigd „met God (het menschgeworden Woord).....eerwaardig

boven allen van haar geslacht, meesteres onder de maagden, „koningin onder de dochters van Adam; om die genade „zullen alle geslachten haar zalig prijzen, alle hemelsche „geesten haar, als de gelukzalige, met verbazing aanstaren, „alle natiën haren lof verkondigen.quot; \')

Wij mogen echter uit het gezegde, dat de menschwording door de kracht of de werking des H. Geestes volbracht werd, geenszins de gevolgtrekking maken, dat de H. Geest vader van het menschgeworden Woord genoemd moet worden. Hoewel Jesus Christus door de kracht van den EL Geest op eene geheimvolle wijze ontvangen werd, is Hi] toch naar zijne menschelijke natuur niet van één en hetzelfde wezen met den H. Geest, maar met Maria, de allerheiligste Maagd, uit wie Hij geboren is. Evenmin mogen wij uit de leer der Kerk, dat de menschwording het werk is van de H. Drievuldigheid, besluiten, dat niet de Zoon alleen, maar ook de Vader en de H. Geest mensch geworden zijn. Zeer duidelijk drukt zich hierover de H. Ildephonsus uit, de woorden van den Engel tot Maria omschrijvende: „de geheele Drieëenheid,quot; spreekt hij, „zal in u de ontvangenis bewerken, maar alleen „de persoon des Zoons in u geboren worden en vleesch „aannemen.quot;

Hoe dit geschiedde, is en blijft een ondoorgrondelijk geheim; evenwel kan men toch eene zekere gelijkenis vinden in de vorming van het uiterlijk woord, waarbij wij eene onzichtbare gedachte (het inwendig woord) door hoorbare geluiden aan anderen verstaanbaar maken of mededeelen. Ter vorming van een hoorbaar woord worden vereischt: geheugen, gedachte en wil. Niemand kan namelijk eene gedachte uitspreken, welke hij niet eerst in zijnen geest gehad heeft; het geheugen moet hem eerst de geschikte geluiden (woorden) geven, en even noodzakelijk moet hij den wil hebben, die gedachten werkelijk door woorden uit te drukken. Dan hoewel het geheugen en

\') Aldus de H. Ildephonsus, Lib. de Virginit. beatae Mariae.

-ocr page 236-

222

de wil medewerken om eene gedachte uit te drukken, kleedt de gedachte zich nochtans enkel in het hoorbare woord, en wordt zoo door andere menschen verstaan. Op gelijke wijze, zegt een Kerkvader, waren bij de menschwording de Vader en de H. Geest werkzaam ; maar de Zoon alleen nam de menschelijke natuur aan, om als mensch onder menschen te verkeeren ; alleen de Zoon trok het kleed onzer sterfelijkheid aan, ofschoon alle drie de goddelijke personen daarbij medegewerkt hebben. Oc Zoon alleen heeft derhalve de menschelijke natuur in zich met de goddelijke vereenigd, niet tot eene natuur, welke Hem met den Vader en den H. Geest gemeen is, maar tot eenen persoon, waardoor Hij zich van den Vader en den H. Geest onderscheidt. Diensvolgens zeggen wij ook terecht van den Zoon, dat Hij mensch geworden, gekruisigd, gestorven en verrezen is; maar geenszins mogen wij dit zeggen van den Vader en den H. Geest, of van de H. Driecenheid of van de godheid in het algemeen. \')

llaria. de llaa^d en Moeder Gods,

Van vjlen heeft God de Zoon de menschelijlte natuur aangenomen ?

Van Maria, de reinste maagd; daarom heet zij ook moeder Gods. — Dit antwoord bevat drie geloofspunten van onae H. katholieke Kerk: 1) dat de Zoon Gods van Maria de menschelijke natuur heeft aangenomen; 2) dat haar met volle recht de naam van „moeder Godsquot; toekomt; 3) dat Maria, uit wie Christus geboren werd, eene reine, altijd onbevlekte maagd was en gebleven is. — Het eerste en tweede punt zal hier besproken worden; het derde den inhoud der volgende vraag uitmaken.

1) Be Zoon Gods heeft van Maria de menschelijke natuur aangenomen. — In de eerste eeuwen des Christendoms waren er ketters, die beweerden , dat Jesus geen waar, maar slechts een schijnliehaam gehad heeft, gelijk de Engelen , wanneer zij met de menschen verkeeren. Anderen gaven wel toe, dat Christus een waar lichaam gehad heeft, maar loochenden, dat het een menschelijk lichaam, d. i. van dezelfde natuur en van hetzelfde wezen als het onze, geweest is. Zij leerden, dat Christus niet van Maria de menschelijke natuur (vleesch en bloed) aangenomen maar zijn lichaam uit den hemel medegebracht, of zelf uit onderscheiden stoffen gemaakt heeft. Volgens deze ketterij was Jesus alzoo niet de ware Zoon van Maria, niet waarlijk mensch, en de

\') Het Concilie van Rheims, door Eugenius III in het jaar 114S gehouden, leert: »Credimus et confltemur ipsam divinitatem, sive //substantiam divinam sive naturam divinam dicas, incarnatam esse, „sed in Filio.quot; Door het Concilie van Constanz is de volgende stelling van Jan Huss veroordeeld: vDuae naturae, divinitas et huma-^nitas, sunt unus Christus.quot;

-ocr page 237-

geheele leer van de menschwording en verlossing onhoudbaar. Tegenover al deze ketterijen zegt de geloofsbelijdenis van Athanasius: „dit is het ware geloof, dat wij voor waar „houden en belijden, dat onze Heer Jesus Christus Gods „Zoon, God en mensch is; God uit de zelfstandigheid des „Vaders van eeuwigheid af voortgebracht, en mensch uit „het wezen der moeder in den tijd geboren,quot; en de algemeene Kerkvergadering van Chalcedo: „wij leeren allen eenparig, „dat onze Heer Jesus Christus waarachtig God en waarachtig „mensch is, bestaande uit een redelijke ziel en een (quot;men schel ijk) „lichaam, één van wezen met den Vader naar de godheid, „van hetzdfde wezen w.et ons naar de menschheid, in alles „ons gelijk, doch zonder zonde.quot; — Gelijk namelijk in den beginne het lichaam van onze stammoeder Eva uit de ribbe van Adam door Gods almacht gevormd werd, zoo werd ook door dezelfde almachtige kracht van den H. Geest, uit het reine vleesch en bloed van Maria, het menschelijk lichaam van Jesus Christus gevormd. Aldus moeten de woorden van de geloofsbelijdenis der Apostelen: „geboren uit de „maagd Mariaquot; verstaan worden. En op die wijze is onze goddelijke Heiland, als mensch, vleesch en bloed gelijk wij , bijgevolg van één en hetzelfde wezen met ons geworden. Hij, de Zoon des Allerhoogsten, spreekt tot ons kinderen van Adam, de zoo troostende woorden, welke eertijds koning David tot de oudsten van Juda sprak: „gij zijt mijne broe-„ders, gij mijn gebeente en mijn vleeschquot; (2 Kon. XIX, 12). — De H. Kerk, dankbaar voor de onschatbare weldaad der menschwording, viert jaarlijks plechtig den dag, waarop dit heilig geheim aan de allerheiligste Maagd medegedeeld en in haar volbracht werd, onder den titel van Maria-boodschap.

2) Met Tiet volste recht komt aan de allerheiligste maagd Maria de naam van Moeder Gods toe. — Dit blijkt reeds uit de woorden van den Engel (Luc. I, 35): „het Heilige, dat „uit u (Maria) geboren zal worden, zal Gods Zoon genoemd „worden;quot; vervolgens ook uit de woorden van de geloofsbelijdenis der Apostelen: „Ik geloof in Jesus Christus, zijnen „(Gods) eengeboren Zoon, die ontvangen is van den H. „Geest, geboren uit de maagd Maria.quot; „Immersquot; dus vraagt de H. Augustinus (Redev. 186), „hoe konden wij volgens ,,onze geloofsbelijdenis belijden, dat wig gelooven in den ,,Zoon Gods, die uit de maagd Maria geboren is, als niet ,,de Zoon Gods, maar (slechts) de zoon eens menschen uit ,,de maagd Maria geboren werd? Welk Christen zal het „loochenen, dat deze maagd een mensch gebaard heeft?quot; Van oudsher heeft de katholieke Kerk geloofd en geleerd, dat de H. maagd Maria moeder Gods is. Toen Nestorius,

-ocr page 238-

224

de Patriarch van Cocstantinopel, in de vijfde eeuw zich verstoutte, openlijk te leeren, dat Maria niet moeder Gods maar enkel moeder van Christus was , kreeg hij terstond heel het christen volk tegen zich. Twee honderd Bisschoppen vergaderden te Ephese en spraken den banvloek uit over een ieder, ,,die niet belijdt, dat de H. maagd Moeder „Gods is.quot; Ook de vijfde algemeene Kerkvergadering, welke niet lang daarna gehouden werd, veroordeelde allen, die niet belijden, „dat Maria in den eigenlijken en waren zin „Gods moeder is.quot; \')

Maria is dus waarlijk moeder Gods. Zoo noemen wij haar in de schoone, door de H. Kerk zelve gemaakte gebeden, welke wij dagelijks tot haar richten : „heilige Maria, Moeder „Gods! bid voor ons.1\' Welk eene verheven waardigheid ligt in dezen titel! Als moeder Gods bekleedt Maria de hoogste waardigheid in den hemel en op aarde. „God kon „wel eene grootere wereld, een grooteren hemel scheppen, „maar eene grootere, meer verheven moeder, dan de moeder „Gods is, kon Hij niet scheppenquot; 2), wijl, gelijk de H, Thomas opmerkt, er niets grooter en verhevener is dan God. .Reeds in de eerste christelijke eeuwen klonk onder het H. Misoffer het vurig gezang ^): „Waarlijk billijk en „rechtvaardig is het, U, o moeder Gods ! te loven, U, „altijd heilige, geheel vlekkelooze moeder van onzen God, „gij, eerbiedwaardiger dan de Cherubijnen, onvergelijkelijk

1

Een treffend bewijs van kinderlijke devotie en liefde tot Maria en van een onwankelbaar geloof aan hare hooge waardigheid als Moeder Gods, gaf het volk van Ephese, toen de daar vergaderde Bisschoppen haar goddelijk moederschap tegen de ketterij van Nestorius in bescherming namen en het aangehaalde geloofsartikel opstelden. De zitting van het Concilie had van \'s morgens vroeg tot \'s avonds laat geduurd, en het geloovige volk van Ephese had voortdurend aan de deuren der kerk, waar de Bisschoppen bijeen waren, gewacht, om de uitspraak te vernemen. Toen nu eindelijk werd bekend gemaakt, dat de dwaling verworpen en Maria, de onbevlekte Maagd, als de waarachtige moeder van God erkend was, hief het gansche volk eenparig een luid gejubel aan, waaraan geen einde scheen te komen; het loofde God en zijne heilige Moeder en dankte onder vreugdetranen de Vaders van het Concilie. Snel, als door een too verslag, werd de geheele Etad feestelijk verlicht, en langs alle straten weerklonken de blijde liederen. Als Engelen uit den hemel werden de Bisschoppen, die uit de kerk kwamen, ontvangen, en met brandende fakkels in zegepraal naar hunne woningen geleid. De aanzienlijkste en voornaamste iiwo-ners der stad stonden aan het hoofd van den stoet; vrouwen en maagden gingen voor de Vaders uit en brandden in gouden schalen kostbaren wierook, terwijl van duizend lippen de woorden klonken : «.heilige ,/Maria, Moeder Gods, bid voor ons.quot; — Zoo vierden de Christenen der eerste eenwen den triumf der Moeder Gods (Theodoretus, kerkelijke Geschiedenis).

2

J) S. Bonaventura Specul. B. V. M. lect. 10.

3) Liturgia S. Chrysostomi.

-ocr page 239-

225

„heerlijker dan de Seraphijnen, die, zonder op te houden „maagd te ziin, God gebaard hebt, TJ, ware moeder van „God, TJ loven wij !quot; Én wie durft er aan twijfelen, dat alle lof en alle eer, welke wij Maria, de moeder, bewijzen, op Jesus, haren goddelijken Zoon, terugkaatst ? Zij immers is al wat zij is slechts door Hem, die door haar wilde worden, wat Hij tevoren niet was — de zoon des menschen. Maria is moeder Gods ! Hoe groot moet derhalve onze eerbied niet wezen voor haar, maar ook ons vertrouwen op hare macht! Als moeder Gods kan zij alles voor ons bij God verkrijgen ; als moeder Gods beschouwt en bemint zij ons als hare kinderen, wijl Jesus, haar goddelijke Zoon, door het aannemen van de menschelijke natuur, ons tot zijne broeders, en bijgevolg zijne moeder tot de onze gemaakt heeft. „Tengevolge der menschwording van het ..eeuwig Woord werd Maria quot; gelijk de H. Laurentius Justinianus \') zegt, „de deur des hemels, de ster der zee, „de troost der wereld, de toevlucht der zondaars, de haven „der schipbreukelingen, de hulp van allen, die in gevaar „zijn, de weg voor de dwalenden , de middelares der „wereld, de schrik en de angst der booze geesten.\'\' Gods moeder is mijne moeder: dit zij onze vreugde in het leven, onze troost in het lijden, onze hoop op het sterfbed , dit zal eens onze vreugde in het hemelrijk vermeerderen.

3. Waarom wordt Maria de „allerzuiverste maagd\'\'\'\' genoemd?

Omdat zij immer eene zuivere en geheel onbevlekte maagd gebleven is, zoowel vóór als na en bij de geboorte van het goddelijk Kind.

Wij moeten derhalve vast gelooven , dat Maria niet alleen steeds van alle vlek der erfzonde en van elke andere, zelfs van de geringste persoonlijke zonde vrij was-, maar dat zij ook altijd, zoowel vóór, als bij en na de geboorte van haar goddelijk Kind, eene onbevlekte maagd gebleven is. Dit is de uitdrukkelijke leer der H. Kerk. Het Concilie van Laterane, onder Martinus I (in het jaar 649), sluit een ieder van de kerkelijke gemeenschap uit, „die niet volgens „de leer der Vaders belijdt, dat Maria altijd maagd is;quot; en de Vaders der zesde algemeene Kerkvergadering (in het jaar 680) kennen de Moeder Gods, „voor, in en na de „geboorte onbesmette maagdelijkheid\'\' toe. De H. Augustinus (Redev. 51 n. 18) had reeds drie eeuwen tevoren gezegd:

\') Over het geluk der liefde tot God. Hfdst. 9. § S.

DEHARBE, GELOOFSLEER. II. 3de nr. UK. Jq

-ocr page 240-

226

„Maria heeft als maagd ontvangen, als maagd gebaard, en „is na de geboorte eene onbevlekte maagd gebleven,quot; en de 11. Gregorius van Nyssa (Preek op de geboorte van Christus) vond in het doornbosch, dat brandde zonder te verbranden, eene voorafbeelding van de onbevlekte maagdelijkheid der moeder Gods. — Maria is dus eene reine, steeds onbesmette, ja de onvergelijkelijk reine en onbevlekte maagd. De Kerk vereert vele Heiligen, die steeds reine maagden gebleven zijn, maar geene enkele, die met de allerheiligste maagd in onschuld en heiligheid kan vergeleken worden, niemand, die het schoone sieraad der maagdelijkheid met de zegeningen van het moederschap in zich vereenigd heeft. Dit ongehoord voorrecht komt alleen de gezegende onder de vrouwen toe , dit verbazend wonder heeft de arm des Almachtigen enkel ten gunste van haar bewerkt, die Hij boven alle dochters van Eva tot de onvergelijkelijke waardigheid van moeder Gods verkoren had. „Het was „billijk,quot; spreekt de H. Kerkleeraar Bernardus i) , „dat „de Vlekkelooze, die voornemens was, de vlekken van „allen te delgen, uit eene onbevlekte geboren werd.quot; Aldus werd, volgens het getuigenis van den Evangelist Mattheus, letterlijk vervuld wat de Profeet Isaïas vele eeuwen tevoren voorspeld had met de woorden: „Zie, de „maagd zal ontvangen en eenen Zoon baren, en zijn naam „zal genoemd worden Emmanuelquot; (God met ons). „Maria „is dus,quot; om ons andermaal van de woorden des H. Lau-rentius Justinianus te bedienen, „de heiligste maagd, die „door den glans van alle deugden opgeluisterd, met de „volheid der genade begaafd, door hare schoonheid den „Koning des hemels tot zich trok. Alle denkbare eer en „waardigheid, alle verdiensten, alle genaden ea glorie waren „in Maria vereenigd. Groot was zij, toen ze geboren werd, „grooter, toen ze het eeuwig Woord ontving. Immer en „overal was zij heilig, immer en overal vol van genade, „immer en overal vlekkeloos.quot; 2)

\') Homilie 3. over „Jlissus est.quot;

2) Terecht stelt de H. Ambrosias (de Virgin.) Maria, de onvergelijkbaar zuivere, als een volmaakt toonbeeld niet alleen van maagdelijke zuiverheid, muar ook van alle andere deugden, voor oogen. Gelijk zij moeten ook wij derhalve zuiver, ootmoedig van harte, bescheiden in het spreken, kloek en bezonnen in onze handelingen zijn; wij moeten niet zoeken den menschen , maar God te behagen, nie.nan I krenken, aan allen goed toewenschen, de voorschriften der rede volgen, de deugd beminnen. Op Maria, dit verheven voorbeeld, moeten wij onzen blik vestigen, gelijk goed opgevoede kinderen op hunne moeder, om altijd en in alle opzichten te doen, zooals zij gedaan heeft.—- üit El-Biar in Afrika, waar de vrome zusters van den goéden Herder zich in den jongsten tijd gevestigd hebben, schreef eene van haar het

-ocr page 241-

Maria heeft zich, gelijk do HH. Vaders leeren , in nog jeugdige iaren vrijwillig den Heer toegewijd. God zelf, die haar van eeuwigheid tot de maagdelijke moeder van zijnen Zoon uitverkoren en bestemd had, gaf haar, zooals de H. Bernardus zegt, het verlangen in, altijddurende kuischheid te bewaren. Ziedaar de verklaring van hare bevreemding en aarzeling bij de boodschap des Engels, en de zin dei-woorden, waarmede de H. Gabriël haar beantwoordde: //vrees niet, //Maria,quot; enz. (Luc. I, 30). — Do katholieke Kerk leert derhalve ook, dat Jesus Christus niet alleen haar eerstgeborene, maar ook haar eeniggeborene was. Wanneer de H. Schrift (Matth- XII, 46) van de broeders van Jesus Christus melding maakt, moet men daaronder niet werkelijke broeders, maar slech-s de naaste aanverwanten, de neven van Christus, verstaan; want in de heilige Boeken worden de naaste aanverwanten ,/broedersquot; genoemd. «-Zoo wordt Lot {1. Mos. XIII, S) «de broeder van Abraham, Laban (1. Mos. XXIX, 15) de broeder van //Jacob geheeten, terwijl het zeker is, dat zij niet broeders, maar „aanverwanten waren. Zoo ook wordt Jacobus, de zoon van Alpheus, //gelijk Joseph, almede zoon van Alpheus, broeder des Heeren genoemd. //Immers Maria, die met Cleophas (ook Alpheus genaamd) gehuwd „was, wordt door Joannes (XIX, 25) de zuster geheeten van Maria, „de gebenedijde Moeder onzes Heeren, en dezelfde Maria wordt door //Mattheüs (XXVil, 56) en door Marcus (XV, 40) de moeder van Ja-//cobus en Joseph genoemdquot; (Aldus Lipman, N. T. bladz. 53). Hetgeen wij lezen bij Matth. I, 26: «en hij (Joseph) bekende haar (Maria) niet, „totdat zij haren eerstgeboren Zoon baarde,quot; bewijst niets tegen het gezegde. „De uitdrukking totdat beteekent, gelijk in andere plaatsen „der H. Schrift, ook hier geenszins , dat hetgeen niet geschiedde totdat, ,/wel geschiedde nadat - gelijk Hieronymus en Augustinns terecht „leeren. Zoo bijv. (). Mos. VIII, 7) keerde de raaf, waarvan aldaar „gezegd wordt, dat zij niet terug kwam, totdat de aarde droog was, „ook niet naar de arke terug, nadat de aaïde was droog geworden: „zij keerde nimmer weder. Zoo baarde (2. Kon. VI, 23) Michol, van «wie aldaar gezegd wordt, dat zij niet baarde tot haren dood, gewis „niet na haren dood.... Eerstgeboren heet ook hij, die eenig(jehorm\\s, „zie Jos. XVII, 1, waar Machlr, de eeniggeboren zoon van Manasses, „de eerstgeboren zoon genoemd wordtquot; (Lipman : IS. T. bladz. 4).

Heeft Jesus Christus ook «en vader gehad?

Als menseh had Jesus Christus geen vader; want Joseph, de maagdelijke bruidegom van Maria, was slechts zijn voedster- of pleegvader.

volgende: „Den IS^en November namen wij, ter eere van Maria, een „allerliefst meisje van vier jaren bij ons op. Het wist niets van God, „noch van het kruisteeken of van het gebed. Wij brachten het bij „een beeld der heilige Maagd en zeiden, dat zij aan de Moeder Gods „haar hart moest schenken en beloven, haar immer lief te hebben. „Sinds dien tijd spreekt het kind gestadig van de H. Maagd. Binnen „een uur kende zij een groot gedeelte van het Onze Vader, wendde „zich onder het bidden altijd naar het beeld der H. Maagd in de „school, en vroeg heel kinderlijk: „niet waar, de H. Maagd kent ook //„het gebed en de letters.quot; Bij alles, wat men haar gelast, vraagt „zij terstond: „heeft de H. Maagd het ook zoo gedaan ?quot; en zegt „men: „ja,quot; dan is zij volkomen tevreden en doet dadelijk alles, „wat mén haar beveelt, met groote vreugde.quot; — Mochten wij toch in eenvoud en ijver om Maria na te volgen, dit kind gelijk zijn! Hoe spoedig zou het heilige leven der Moeder Gods zich in ons leven afspiegelen !

15*

-ocr page 242-

228

Evenmin als Jesus Christus als God, d. i. naar de goddelijke natuur, eene moeder had, had Hij ook als mensch, d. i. naar zijne menschelijke natuur, een vader. Jesus werd wel, gelijk de Evangelist Lucas (11, 23) getuigt „voor „den Zoon van Joseph gehouden,quot; maar toch was Joseph niet (in den eigenlijken en waren zin) de vader vanJesus, maar slechts de maagdelijke echtgenoot van Maria en als zoodanig de voedster- of pleegvader van het goddelijk Kind. — Jesus Christus noemde, ook als mensch. God, den hemel-schen Vader, zijnen Vader, en inderdaad is Hij ook als mensch waarlijk Gods Zoon, doch niet in dien zin, als had Hij naar de menschheid dezelfde natuur en hetzelfde wezen als de hemelsche Vader, maar slechts inzooverre , gelijk wij reeds vroeger hehben uitgelegd, als Christus de Zoon des menschen en Christus de Zoon van God één en dezelfde persoon was.

Terecht wordt Joseph echter «de maagdelijke echtgenoot van Mariaquot; en //voedster- of pleegvader van Jesasquot; genoemd. God wilde en schikte het zóó, dat de maagdelijke moeder van zijn Zoon huwde met Joseph, die wel een arme timmerman, maar uit Üavids stam gesproten, en bij alle armoede en schijnbare geringheid een hoogst deugdzaam en heilig man was. — Als hoofdredenen waarom de goddelijke Voorzienigheid dit huwelijk wilde, worden door de HH. Vaders de volgende opgegeven \'): ten eerste zou daardoor de goede naam der maagdelijke moeder en de eer van het goddelijk Kind gewaarborgd worden voor de anders onvermijdelijke lasteringen der menschen. Ten andere zou door Joseph, die, gelijk men wist, een afstammeling van David was, tevens de sts.m der allerheiligste maagd en van haren Zoon algemeen bekend worden, daar eene erfdochter, als Maria was, volgens de joodsche wet, alleen met een bruidegom uit denzelfden stam in het huwelijk mocht treden. Eindelijk zou Maria en haar goddelijk Kind in Joseph een trouwen leidsman, verzorger en beschermer vinden, vooral als zij, voor Herodes beducht, naar Egypte moest vluchten. 1)

1

\'-) Gelijk het voor Maria eene allergrootste genade was, dat zij Moeder van God den Zoon werd, zoo was het ook een zeer groot voorrecht voor den H. Joseph, dat hij de echtgenoot van Maria en de voedstervader van Jesus mocht wezen. God heeft aan den H. Joseph, door hem die waardigheid te geven, meer eer bewezen, dan aan alle Patriarchen, Profeten en Apostelen. Deze toch hebben slechts den naam van dienaars, maar de H. Joseph dien van vader. /,Zie, uw „vader en ik,quot; sprak Maria tot Jesus in den tempel, «zochten U met „smartequot; (Luc. II, 48). Groot is dan ook de macht, welke de H. Joseph in den hemel heeft. ;Jk herinner mij niet,quot; zegt de H. The-resia, „den H. Joseph ooit te vergeefs om iets gevraagd te hebben. „Wonderlijke dingen zou men vernemen, wilde ik alle gunsten ver-„halen, waarmede God mij overlaadt, de gevaren naar lichaam en „ziel, waaruit Hij mij op de voorbede van dezen Heilige bevrijd „heeft?.... Daar ik bij ondervinding weet. hoe verbazend veel hij „bij God vermag, zou ik de gansche wereld wel willen aansporen, „dien glorierijken Heilige op eene bizondere wijze te vereeren.quot; Gaat

-ocr page 243-

229

Voel dei* meuseliTVorcling\'.

Waar om is de Zoon Gods mensch geworden ?

Hoofdzakelijk 1) om ia onze uatuur voor ons te kunnen lijden en sterven, want als God kon Hij noch lijden, noch sterven; 2) om ons zoowel door zijn woord te leeren, wat wij gelooven, hopen en doen moeten om zalig te worden, als ook door zijn voorbeeld op den weg der deugd en heiligheid ons te verlichten en te versterken.

Tengevolge der zonde van onzen stamvader was het ons volstrekt onmogelijk, tot de eeuwige zaligheid te komen. Wij lagen in de boeien der zonde, ons verstand was verduisterd, onze wilskracht ten goede gebroken. Door de zonde was de deur des hemels gesloten: de met blindheid geslagen geest kende den weg, welke ten eeuwigen leven voert, niet meer, en de wil miste de noodige kracht en den moed, om dien weg te bewaudelen. Wij hadden derhalve behoefte aan een Verlosser, die 1) door zijn lijden en sterven eene genoegzame voldoening bracht en zoo de boeien der zonde van ons afnam, 2) door zijn goddelijk woord ons den rechten weg ten hemel leerde, en 3) door zyn godmenschelijk voorbeeld ons aanmoedigde, dien weg te betreden en daarop voort te gaan. En ziedaar, volgens de leer der HH. Vaders \'), de reden, waarom de Zoon Gods onze menschelijke natuur aannam, als mensch op aarde verscheen en onder ons woonde.

De Zoon Gods is alzoo mensch geworden, 1) om voor ons te kunnen lijden en sterven. Het lag, zooals wij vroeger reeds hebben aangetoond, in de raadsbesluiten van den oneindig rechtvaardigen God, de zonde der menschen slechts onder die voorwaarde te vergeven, dat zijner beleedigde Majesteit eene algeheele voldoening zou gebracht worden. God de Zoon wilde nu door zijne gehoorzaamheid tot in den dood des kruises voor ons voldoen, zooals wij in het vierde artikel des geloofs duidelijker zullen zien. Als God kon echter het

derhalve tot Joseph, ouders; hij zal voor u de genade verkrijgen, om. de plichten van uwen staat behoorlijk te vervullen, en uwe zorgen verlichten. Gaat tot Joseph, jongelingen en maagden; hij zal uwe kuischheid beschermen. Gaat tot Joseph , zieken en stervenden; Joseph zal u troosten en sterken; hij zal uwe ziel in de armen van zijn goddelijken Zoon , uw genadigen Rechter, voeren. Mogen onze laatste woorden zijn; Jesus, Maria, Joseph, in uwe handen beveel ik mijnen geest!

\') S. August, sermo 188; Fulgent, de grat. Christi. c. 35.

-ocr page 244-

230

eeuwig Woord onmogelijk liiden en evenmin den dood ondergaan, dewijl Het naar zijne goddeiyke natuur een onlichamelijke, zuivere geest, het eeuwige leven, en de volmaakte, voor alle smarten of lijden ontoegankelijke zaligheid zelve is. De Heiligen in den hemel kunnen door geenerlei lijden getroffen worden, omdat zij G-od van aanschijn tot aanschijn aanschouwen en door die aanschouwing eeuwig gelukkig zijn: hoe zou dan God, de bron van alle zaligheid, die sijne eigen oneindige volmaaktheid en schoonheid van eeuwigheid tot eeuwigheid aanschouwt en geheel bevat, een enkel oogen-blik kunnen lijden? Wilde de Zoon Gods inderdaad lijden en sterven, dan moest Hij ook eene natuur aannemen, geschikt tot lijden en sterven. — Voorzeker had God de Zoon in eene andere natuur, bijv. in de natuur van een Engel, kunnen gehoorzamen en eene voldoening van oneindige waarde kunnen brengen; maar het behaagde Hem, de veel geringer, aan het lijden en den dood onderworpen natuur van den mensch met zich te vereenigen, om in deze aan Gods gerechtigheid voor ons te voldoen. De zondaar had namelijk den dood verdiend; de Zoon Gods wilde dien ondergaan. De zonde was een snoode opstand tegen de goddelijke Majesteit; het lijden en de dood van Christus was de allerdiepste vernedering voor God. De zonde was door menschen begaan: overeenkomstig de eischen der Gerecliligkeid, moest ook de mensch de zonde uitwisschen. Door de zonde had satan de menschelijke natuur overwonnen : in de m.en~ schelijlce natuur moest wederom, volgens Gods wijze raadsbesluiten, de satan, tot zijne diepste beschaming, overwonnen worden. Door de zonde verstoutte zich de mensch, aan God gelijk te willen worden; uit oneindige goedheid en ontferming werd, gelijk de HH. Vaders zich uitdrukken, God mensch, opdat de mensch als het ware God, d. i. door de genade tot het goddelijk kindschap verheven zou worden.

De Zoon Gods is mensch geworden, 2) teneinde ons door zijn woord te leeren, wat wij moeten gclooveu, hopen en doen, om zalig te worden. — Toen God op Sinaï den Israëlieten, die aan den voet van den berg bijeen stonden, ondsr donder en bliksem de wet gaf, waren zij vol vrees, hielden zich, door schrik bevangen, in de verte, en zeiden tot Mozes: „spreek gij met ons en wij zullen hooren; maar „dat God niet met ons spreke, opdat wij niet sterven\'\' (2. Mos. XX, 18, 19). En de Heer sprak tot Mozes: „Eenen Profeet zal Ik hun opwekken uit het midden hunner „broeders, aan u gelijk; mijne woorden zal Ik leggen in „zijnen mond, en Hij zal tot hen spreken, al wat Ik Hem „gelasten zal. Die zijne woorden, welke Hij in mijnen

-ocr page 245-

231

„naam spieken zal, niet hcoren wil, op dien zal Ik het „■wiekenquot; (5. Mos. XVIJI, 16, 18). Deze uit het midden zijner hroedeis (de menschen) uitverkoren Profeet of Leeraar is Jesus Christus. Daarom spreekt Hij, de mensch geworden Wijsheid (Matth. XXII, 10): „een is uw leeraar, Christus en (Joan. quot;VIII, 12) : „Ik hen het licht der wereld.quot; „Daartoe hen Ik geboren en daartoe in de wereld gekomen, „om der waarheid getuigenis te geven,quot; d. i. waarheid te leeren (Joan. XYIII, 37). — Op Jesus Christus, den god-menschelijken Leeraar, slaan derhalve de woorden van den Profeet (Isaïas LV, 4): „Zie, ik heb Hem gesteld den „volke ten getuige, tot een vorst en leeraar der volken.quot; Hem geldt de troostvolle voorspelling: „het volk, dat in „de duisternis is gezeten, ziet een groot licht, en voor „hen, die in het land van de schaduwen des doods zitten, „gaat een licht opquot; (Matth. IV, lö en Is. IX, 12).

In deel I, bladz. 34 hebben wij reeds gesproken van de duisternis, welke het verstand van alle natiën der wereld, met uitzondering van het israëlietiesche volk, omhulde. Wij hebben gezien, dat de kennis van den éénen waren God, van het eeuwige leven en den weg dei-zaligheid om zoo te spreken spoorloos verdwenen was. Kan er echter wel een grooter ongeluk bestaan, dan geheel liet leven door te brengen zonder eene zekere kennis van den waren God en van den waren godsdienst, zonder geloof, zonder hoop, zonder lielde, en zoo op de ruwste wegen in het eeuwig verderf te storten ? — Welken dank zijn wij derhalve aan Jesus Christus verschuldigd, dat Hij als mensch op aarde verschijnen en als broeder de broeders onderrichten, van hart tot hart spreken wilde! Welken dank zijn wij Hem schuldig voor zijn goddelijk woord, dat alle menschen verlicht, die het gewillig opnemen! Welken dank zijt gij, lezer, aan Christus, den goddelijken Leeraar, niet verschuldigd, gij, die nu reeds meer en dieper kennis aangaande God en goddelijke dingen hebt. dan de grootste wijsgeeren der oudheid hadden, na een leven in de moeielijkste navorscningen doorgebracht: meer ook dan de onchristelijke geleerden van onze dagen, die zicli van het ware licht afgekeerd hebben, om een Üik-kerend dwaallicht na te jagen, dat hen te midden der dikste duisternis in den steek laat! \')

De Eengeborene, die van eeuwigheid in den schoot des Vaders is, heeft ons in den tijd de goddelijke geheimenissen geopenbaard, — en alles geleerd, wat wij gelooven, hopen en doen moeten, om zalig te worden. — a) Hij openbaarde ons het ondcorgrordelijk geheim der allerheiligste Drieeenheid, de wonderbare raadsbesluiten der goddelijke liefde

\') Een als vrijgeest bekend leeraar aan de hoogeschool van Parijs (Joufroy) schreef kort voor zijn dood deze merkwaardige woorden: #er is een boekje, dat de kinderen van buiten leeren, en waarover //zij in de kerk ondervraagd worden. Leest dat boekje: het is de ^Katechismus. Daarin vindt gij de oplossing van alle groote levens-//vragen, welke ik opgesteld heb, van alle zonder uitzondering.quot;

-ocr page 246-

232

en ontferming tot zaligheid der menschen. Uit zijnen mond vernamen wij de blijde boodschap, dat God, uit overgroote liefde tot ons zondaars, zijn eeniggeboren Zoon ten beste gaf, hoe deze uit den hemel nederdaalde, om het verloren schaap te zoeken, het liefderijk naar zijne kudde terug te voeren, en door zijn bitter lijden en zijnen kruisdood aan den eeuwigen ondergang te ontrukken; hoe, eindelijk, de H. Geest tot ons komt, ons heiligt, van kinderen der gramschap kinderen Gods en erfgenamen des rijks maakt; hoe die 11. Geest in ons, als in zijn levenden tempel, woont, ons verlicht, sterkt, troost en met zijne goddelijke liefdevlam ontvonkt. — i) Jesus Christus, onze goddelijke Heiland, is het, die ons het eerst leerde, vol kinderlijk vertrouwen

tot God te bidden: „onze Vader, die in den hemel zij t,quot;.....

die ons zeide, dat wij alle goed, vooral vergeving dei-zonden , rijkelijke genade en de eeuwige zaligheid van onzen Vader in den hemel moeten verwachten en vragen. Op het hemelsch vaderland, op dat zalige rijk, waarheen Hij gegaan is, om ons eene heerlijke woonplaats te bereiden, richt Hij vooral onzen blik. „Zoekt,quot; spieekt Hij, boven „alles het rijk Gods en zijne gerechtigheidquot; (Matth. VI, 3). „Wilt u geene schatten vergaderen op de aarde, waar de „roest en de mot ze verteren, en waar de dieven ze opdel-„ven en stelen. Maar vergadert u schatten in den hemel, „waar noch de roest, noch de mot ze verteren, en waarde „dieven ze niet opdelven noch stelenquot; (Matth. VI, 19, 20). — c) Ook den weg naar het hemelsch vaderland wijst Jesus nauwkeurig aan. „Eng is de poort, en nauw de weg, die „tot het leven leidt, en hoe weinigen zijn er, die hem vindenquot; (Matth. \\II, 13, 14j. „Wilt gij tot het leven ingaan, „onderhoud de gebodenquot; (Matth. XIX, 17). He onderhouding der geboden is bijgevolg de enge poort en de smalle weg ten hemel, terwijl de overtreding der wet de wijde poort en de breede weg ten verderve is. Wie immer zijne zinnen streelt en aan hoogmoed en eerzucht zich overgeeft , wandelt op den weg der eeuwige verdoemenis; maar wie met riddermoed en heilig geweld de neigingen van zijn hart in de enge perken der goddelijke geboden dringt, wie zich zei ven verloochent, in oprechte nederigheid zich aan God onderwerpt, zijn hart van alle zonden rein bewaart, deze wandelt op het smalle pad ten hemel. Daarom stelt ook Jesus, onze goddelijke Leermeester, de ware zaligheid niet, gelijk zoovele aardsgezinde menschen, in het bezit van groote rijkdommen, niet in eer en zingenot, maar in de grootmoedige onthechting van al die goederen. „Zalig,quot; zegt Hij, „zijn de armen van geest,.....zalig zijn zij, die

-ocr page 247-

233

treuren,.....zalig de zuiveren van harte,.... zalig zijn

„zij , die vervolgingen lijden om de gerechtigheid; want hun is het rijk der hemelenquot; (Matth. V). Nooit heeft een geleerde dezer wereld aldus gesproken : deze tevoren onbekende leer komt duidelijk van den hemel. — Het meest en het nadrukkelijkst scherpte de goddelijke Heiland het gebod der liefde in. „Bemin God bovenal en den naaste gelijk u „zeiven dit is volgens zijne uitspraak „het eerste en hoogste „gebod,quot; en de kern van alle geboden. Aau de onderhouding-van dat gebod, aan de werkdadige liefde, wil Hij zijne leerlingen erkennen. Wanneer iemand den geringsten der menschen een liefdedienst bewijst , zal Jesus die weldaad aanzien en vergelden, als ware ze Hem zei ven bewezen, wie daarentegen zijn evenmensch afwijst, wie de hongerigen

niet spijst, de dorstigen niet laaft, de naakten niet kleedt,____

dien zal Hij even streng oordeelen, als had hij Hem zeiven dien liefdedienst geweigerd. De liefde moet zich tot alle menschen, vrienden of vijanden, uitstrekken. „Hebt uwe „vijanden lief,quot; zeide Hij tot zijne leerlingen, „doet wel „dengenen, die u haten, en bidt voor hen, die u vervolgen „en lasteren, opdat gij kinderen zijt van uwen Vader, die ,,in den hemel is, die zijne zon doet opgaan over goeden en „kwaden, en het doet regenen over rechtvaardigen en onrecht-„vaardigenquot; (Matth. V, 44, 45). „En gij zult zalig zijn „spreekt Hij tot allen (Luc. XIV, 14), omdat zij niet heb-„hen, u te vergelden; want het zal u vergolden worden in „de opstanding der rechtvaardigen.quot; \')

Om zijne verheven, goddelijke leer ook voor de ongeletterden toegankelijk en aanschouwelijk te maken, droeg Jesus die meestal in gelijkenissen voor; en daar hij wel wist, hoe diep de wond is, die de zonde ons geslagen heeft, en dat de uitwendige leering zonder de inwendige genade niet toereikond is, om die te heelen, verbond Hij met het hoorbaar woord tegelijk de genade, welke het verstand verlichtte en het hart tot eene gewillige opname en opvolging zijner lessen aanwakkerde. Daarom spraken de leerlingen,\' aan wie Hij na

\') Hoeveel hooger staat de mensch in liet rijk van Jesus Christus, dan vroeger in de heidensche wereld! De romeinsche wet was zeker niet eene der slechtste; evenwel schonk zij den vader het recht over het leven en deu dood van zijne kinderen. Het stond hem volkomen vrij, zijn kind op te voeden, te verkoopen, of terstond na de geboorte weg te werpen en te laten sterven. Den echtgenoot veroorloofde zij, zijne gade te dooden, niet alleen als zij tot ontrouw verleid was, maar ook wanneer zij zich aan dronkenschap had schuldig gemaakt. Volgens do romeinsche wet was de slaaf niots meer dan eene zaak, eene bezitting, waarover de meester naar willekeur kon beschikken, lloerdere bizonderheden hieromtrent kan men vinden bij Dr. Döllin-ger; //Heidenthum und Judenthum; die socialen und sittlichen Zu-/Stande der Komer.quot; § 3.

-ocr page 248-

234

zijne verrijzenis do H. Schrift verklaarde: ;/Was niet ons hart bran-z/dende in ons, toen Hij op den weg sprak, en ons de Schriften opende?quot; (Luc. XXIV, 32). — Zoudeii wij dan aarzelen, naar dien goddelijken Lceraar, vol van waarheid en genade, te hooren, als Hij ons door den mond zijner onfeilbare Kerk do geheimenissen van onzen godsdienst en den wil zijns Vaders even helder en krachtdadig als vroeger verkondigt? Zonden wij Hem de ootmoedige hulde van ons verstand, een vast, onvoorwaardelijk en onbeperkt geloof weigeren? Gewis zouden wij ons dan aan eene hoogst strafwaardige ongehoorzaamheid schuldig maken jegens God, die Jesus als leeraar der wereld gezonden heeft] — «Deze is mijn welbeminde Zoon, in wien Ik mijn welbehagen //heb; hoort Heralquot; (Math. XVII, 5). Die nadrukkelijke vermaning, welke de eeuwige Vader op den Thabor tot Jesus\' leerlingen richtte, is ook tot ons, hunne discipelen en erfgenamen des geloofs, gesproken. Besluiten wij derhalve, immer Jesus in zijne H Kerk te hooren, doch niet enkel, Hem te hooren, maar ieder woord, dat Hij tot ons richt, In ons hart op te nemen, daar zorgvuldig te bewaren en met den bijstand der genade tot richtsnoer van ons leven te maken. Op die wijze zal het zaadkorreltje van den goddelijken Zaaier in ons hart, als in een goeden bodem, honderdvoudige vrucht dragen.

De Zoon Gods is menscli geworden, 3) om ons door zijn voorbeeld voor ie lichten en aan te moedigen. De wet van Christus maakt den menscli een voortdurenden strijd tot plicht; want zonder eene aanhoudende overwinning van inwendige en uitwendige vijanden des heils is het onmogelijk, den weg der goddelijke geboden te bewandelen: „het rijk der „hemelen lijdt geweld, en die geweld gebruiken nemen het „inquot; (Matth. XI, 12). Onze goddelijke Verlosser was er daarom vooral op uit, ons niet enkel de deugd te leeren, maar ook tot den strijd, met de beoefening der deugd verbonden , voor te gaan en aan te moedigen. Hij kon dit voorzeker door woorden alleen; doch, wanneer wij van den eenen kant onze natuurlijke zwakheid, van den anderen kant de onophoudelijke aanvallen der vijanden beschouwen, dan moeten wij wel bekennen, dat die lessen ons bezwaarlijk krachtig genoeg tot dien geestelijken strijd zouden opgewekt hebben, zoodat allicht nu en dan de onmogelijkheid van in den strijd te volharden en de overwinning te behalen voorgewend zou worden. Daarom wilde Jesus Christus bij zijne lessen het onvergelijkelijk krachtdadig voorbeeld voegen, „teneinde ons,quot; gelijk de H. Augustinus opmerkt, „niet „enkel door zijne leer en genade, maar ook door zijn „wandel tot het streven naar heiligheid aan te sporenquot; (Preek 4. over de geboorte des Heeren). — De Zoon Gods werd alzoo mensch om ons in alles, de zonde uitgezonderd, gelijk te worden (Hebr. IV, 15). Reeds als kind in de kribbe wilde Hij tegen de drievoudige neiging van ons bedorven hart heldhaftig te velde trekken : tegen de ongeregelde neiging tot bezittingen door armoede; tegen de neiging tot ij dele eer door vernedering van zich zei ven; tegen de ver-

-ocr page 249-

235

woestende neiging tot zingenot door het verdragen van allerlei smarten. Dien strijd zette Hij voort in de jongelingsjaren en in den mannelijken leeftijd, in zijn verborgen en openbaar leven, en eindelijk bracht Hij aan het kruis dien vijanden van onze zaligheid eene volslagen nederlaag toe Zelfs van de bekoringen des satans wilde onze Heiland niet vrij zijn, om ons in die gevaren niet zonder voorbeeld, troost en opwekking te laten. Met het volste recht kon derhalve Jesus zeggen: „wie zijn kruis niet draagt en Slij navolgt, kan „mijn leerling niet zijn1\' (Luc. XIV, 27), „is mijner niet „waardigquot;\' (Matth. X, 38). Immers Christus deed niet gelijk de Schriftgeleerden en schijnheilige Phariseën, die anderen zware en ondragelijke lasten oplegden, maar zelve ze met hunnen vinger niet aanraakten (Matth. XXIII, 4). Hij nam het eerst en wel het zwaarste kruis op zich en snelde vroolijk, als een held, de baan der deugden in (Ps. XVIII, 6) , ons laat Hij een lichter kruis en Hij helpt ons door zijne genade het te dragen.

Welke deugden leert Jesus ons door zijn voorheeld?

Alle deugden in den hoogsten graad, vooral den ijver voor de eer Gods en voor het heil der menschen, de zachtmoedigheid , de nederigheid, het geduld, de goedheid en barmhartigheid jegens allen, zelfs jegens de bitterste vijanden, en de gehoorzaamheid aan den hemelschen Vader tot in den dood.

Het geheele leven van Jesus Christus op aarde was gewijd aan de verheerlijking zijns hemelschen Vaders. Deswege sprak Hij aan het einde van zijne loopbaan in een plechtig gebed tot den Vader: „Ik heb ü verheerlijkt op aarde. Ik „heb het werk volbracht, hetwelk Gij mij gegeven hebt om „te doenquot; (Joan. XVII, 4). Waar het de eer zijns Vaders gold, daar kende zijn ijver geene perken. Hij ging in den tempel, en dreef allen daaruit, die verkochten en kochten, en wierp de tafels der wisselaars en de gestoelten dergenen, die de duiven verkochten, omver; want de ijver voor het huis zijns Vaders verteerde Hem (Matth. XXI, 12 en Joan. II, 17). —

Niet minder groot was zijn ijver voor het heil der zielen. Jesus wist, dat de verheerlijking van zijn goddelijken Vader hoofdzakelijk daarin bestaat, dat Hij door allen gekend, bemind en aangebeden wordt. Om te redden, wat verloren was, daalde Hij uit den hemel op aarde neder, verkeerde onder ons en leed om onzentwille de hevigste smarten. Hij is de goede Herder, die het woeste tranendal der aarde betreedt , op ongebaande, lastige wegen het verdwaalde schaap

-ocr page 250-

236

achtervolgt, met krachtige hand verlost uit de doornen dei-zonden en hooze lusten, waarin het verwikkeld is, met teederheid op de schouders neemt en vol vreugde naar de vaderlijke kudde draagt; ja, er zelfs niet tegen opziet, tot redding van het verloren schaap zijn leven te geven. — Dan, hoe groot ook de ijver van den Heiland was, Hij ging toch niet hard en met gestrengheid te werk. Jesus bluschte het rookende vlas en verbrak het gekrookte riet niet (Matth. XII, 20). Gedachtig aan zijne zending, om de menschen zalig te maken en niet in het verderf te storten, bestrafte Hij zijne leerlingen, die, verontwaardigd over de ondankbaarheid en hardvochtigheid der Samaritanen, gelijk eertijds Elias, vuur van den hemel op hen wilden afroepen, met deze beteekenisvolle woorden: „gij weet niet, van wat geest „gij zijtquot; (Luc. IX, 54).

Zachtmoedigheid en nederigheid, deugden, welke de wereld niet kent, welke in hare oogen zwakheid en lafheid zijn, die deugden vooral moeten wij van Jesus leeren. „Leert „van Alij; want Ik ben zachtmoedig en nederig van hartequot; (Matth. XI, 19). Hoe bewonderenswaardig is niet het voorbeeld, dat Jesus ons van de deugd der nederigheid geeft! Hij, de Zoon van God, de Heer der heirscharen , de Koning der eeuwen, Hij stelde er zich niet mede tevreden, onder de gedaante van een slaaf zijne goddelijke heerlijkheid te verbergen; Hij wilde als het geringste kind in eenen stal geboren worden, als de onmachtigste voor het zwaard van Herodes vluchten; Hij verlangt als ware Hij gelijk de andere menschen met zonden besmet, van Joannes het doopsel van boetvaardigheid, en werpt zich bij het laatste avondmaal, als de dienaar van allen, aan de voeten van zijne leerlingen ja, zelfs aan de voeten van den verrader Judas! — O mensch! stof en asch! o mensch, in zonde ontvangen en geboren, hoe kunt gij nog ij del, hoovaardig, trotsch en aanmatigend zyn, als ge de woorden van Jesus hoort; „Ik „heb u een voorbeeld gegeven, opdat, gelijk Ik u gedaan „heb, gij alzoo doet?\'\' (Joan. XIII, 15). Is dan de knecht grooter dan de Heer, de zondige aardworm grooter dan God ? — Als wij nederig en zachtmoedig van harte zijn, zal het ons niet zwaar vallen, ook geduld te oefenen en het voorschrift van den Apostel na te komen: „wandelt met alle nederig-„heid en zachtmoedigheid, met geduld, elkander verdragende „in liefdequot; (£ph. IV, 2). Ook van die deugd heeft Jesus ons een schitterend „voorbeeld nagelaten, opdat wij de „voetslappen zouden volgen van Hem, die niet weder schold „als Hij gescholden werd, en als Hij leed niet dreigde, ^inaar zich overliet aan dengene, die Hem onrechtvaardig

-ocr page 251-

237

oordeeldequot; (1. Petr. II, 21—^\'23). Hetgeen Isaïas (LUI, 7, 8) aangaande Jesas voorspeld had, werd letterlijk vervuld. Als een schaap voor de slachtbank, werd Hij naar de gerechtsplaats gevoerd, en geliik een lam voor dengene, die het scheert, niet klaagt, zoo deed ook Jesus zijn mond niet open, toen men Hem allerwreedst mishandelde en aan het kruishout nagelde.

Maar niet alleen nederigheid, zachtmoedigheid, geduld , ook „goedheid en barmhartigheid moeten wij aantrekken,quot; indien wij waarlijk „als Gods uitverkorenen , heiligen en welbemindenquot; (Coll. Ill, 12), Jesus volkomen navolgen en zoo gezind willen zijn, „gelijk ook Hij gezind wasquot; (Phil. II, 5). Jegens allen, zelf jegens zijne gezworen vijanden, was Jesus vol goedheid en liefde, vol barmhartigheid. Als de barmhartige Samaritaan trok Hij geheel Judea door, genas ontelbaren van hunne lichamelijke gebreken en ziekten wekte zelfs dooden ten leven op. Hoe menig gewond hart verkwikte Hij door den balsem van zijn hemelschen troost; hoe velen, die met de boeien der zonde en des doods beladen waren, werden door Hem bevrijd en tot het leven terug geroepen! Wie denkt hier niet aan de samaritaansche vrouw, die Hij bij de Jacobsbron door zijne liefdevolle toespraak tot de kennis van hare zonden en tevens van haren Heiland bracht? (Joan. IV). Wie niet aan Zacheüs, bij wien Jesus zijn intrek nam, om hem, den openbaren zondaar, welgevallig in G-ods oog, zoon van Abraham, te maken? Wie niet aan Magdalena, die uit zijn mond de verzekering bekwam, dat hare zonden haar vergeven waren ? (Luc. XXIII, 48). Wie eindelijk denkt niet aan den goeden moordenaar, wien Jesus, van het kruis af, toeriep: „voorwaar. Ik zeg u, heden zult gij met Mij in het paradijs „zijn?quot;\' (Luc. XVIII, 43). — Zelfs zijnen bittersten onttrok Jesus zijne liefde en ontferming niet. „Vriend, „waartoe zijt gij gekomen?quot; sprak Hij tot Judas, zijnen verrader, om diens hart te vermurwen en tot berouw te bewegen. „Vader, vergeef het hun want zij weten niet, „wat zij doen\'quot; (Luc. XXIII, 34) , zoo bad Hij tot den Vader voor zijne moordenaars. — Is de liefde de kroon aller deugden en, gelijk de Apostel zegt (Coll. Ill, 14), „de band der volmaaktheid:quot; de gehoorzaamheid is er de proefsteen van; want, zonder eene onvoorwaardelijke onderwerping aan den allerhoogsten en allerheiligsten wil Gods, bestaat er geene ware liefde, geene deugd. En ook hierin stelt Jesus ons zijn heerlijk voorbeeld voor oogen. „Vader,quot; sprak Hij bij het begin van zijn bitter lijden, „niet mijn, „maar uw wil geschiedequot; (Luc. XXII, 42) , en die vol-

-ocr page 252-

238

komen overgeving in den wil zijns hemelschen Vaders had Hij heel zijn leven getoond. Daarom zegt de Apostel: „Hij „vernederde zich zei ven en was gehoorzaam tot in den docd, „ja, tot in den dood des kruises\'\' (Phil. II, 8). Zooieerde Hij ons, het dierbaarste wat wij bezitten : fortuin, krachten, gezondheid, ja zelfs het leven, den Allerhoogste ten offer te brengen.

Jesus is het volmaakste toonbeeld en voorbeeld van alle deugden, zonder eenige uitzondering, \'t Is dan ook onmogelijk die allen te beschrijven. De bovengenoemden worden hier aangehaald, niet alleen, omdat zij het karakter van Jesus bij uitstek kenteekenen, maar ook wijl zij door allen en in alle standen en omstandigheden des levens nagevolgd kunnen worden. Daarom moeten die deugden immer en overal het voorwerp onzer overweging zijn; wij moeten trachten, ons die eigen te maken, opdat ons hart en onze wandel gelijkvormig worden aan het hart en den levenswandel van den goddelijken Heiland. „Te vergeefs toch dragen „wij den naam van Christen,quot; zegt de H. Leo, „als wij „Christus niet navolgen/\'

Welle voorbeeld geeft Jesus in het bizonder aan de jeugd ?

Hij leert de jeugd door zijn voorbeeld 1) vrijivillig te gehoorzamen. — De woorden der H. Schrift: „Hij was hun (Joseph en Maria) „onderdanigquot; (Luc. II, 51), behelzen de korte, maar inhoudrijke beschrijving van het leven van Jesus in het huisje te Nazareth, van zijn twaalfde tot zijn dertigste jaar. \') „Wie was onderdanig?quot; vraagt de

\'■) Jesus wilde gedurende zijn verborgen leven van den wil zijner ouders afhankelijk zijn in alles, wat Hij als mensch en als lid dei-heilige familie verrichtte. In handelingen daarentegen, welke Hem uitsluitend als God eigen waren, zooals de onderhouding en besturing der wereld, kon Hij op geenerlei wijze aan eenig schepsel onderworpen zijn. Insgelijks hing Jesus ook in die handelingen, welke op zijn ambt als Messias of Verlosser der wereld betrekking hadden, gelijk bijv. leoren, wonderen doen en dergelijken, enkel af van denwiivan dengene, die Hem gezonden had, namelijk van den wil zijns hemelschen Vaders. Daaruit verklaart zich gemakkelijk zijn verblijf in den tempel buiten weten der ouders, en het antwoord, dat Hij zijne moeder bij die gelegenheid en op de bruiloft te Cana in Galilea gaf. Ook do woorden dos Heeren bij Matth, XII, 4S vinden hierin eene bevredigende verklaring. Jesus trad namelijk bij genoemde gelegenheden niet als zoon van Joseph en Maria, maar als gezant van God op, en volbracht als zoodanig den wil van zijn hemelschen Vader.— Het eigenmachtig achterblijven van Jesus in den tempel is voor ons ook nog in een ander opzicht hoogst leerrijk. Jesus gaf daardoor een voorbeeld, hoe kinderen tegenover hunne ouders mogen en moeten handelen, wanneer zij, na een rijp onderzoek en na met verstandige lieden en vooral met hun biechtvader geraadpleegd te hebben, inzien, dat God hen tot zijn bizonderen dienst in den priesterlijken-

-ocr page 253-

239

H. Bernardas, \') „en aan wie?quot; Het antwoord van den H. Kerkleeraar luidt: „Hi] is de Zoon Gods, de Schepper „van hemel en aarde... Hij is onderdanig aan menschen, „die Hij in grootheid, ma^ht en wijsheid onvergelijkelijk overtreft.quot; Welke beschaming voor zoo velen, die niet schroomen, hunnen ouders de verschuldigde gehoorzaamheid te weigeren! Maar welk een troost voor goede, gehoorzame kinderen, wier geweten het schoone getuigenis geeft, dat zij trachten het kind Jesus na te volgen! — Jesus gehoorzaamde in alles; zelfs het geringste en moeielijkste werk in het armoedig huis en in de werkplaats van zijn voedstervader wilde Hij verrichten, om ons te leeren, dat in de oogen Gods niets van hetgeen men op bevel van zijne plaats-bekleeders, de ouders, eu met het oog op Hein volbrengt, gering is. — Jesus was gehoorzaam tot in zijn dertigste jaar. Bedenkt het wel, kinderen, Jesus was gehoorzaam van zijn twaalfde tot zijn achttiende jaar, terwijl zoo velen in die jaren helaas! maar al te dikwijls ruw, gebiedend en eigenzinnig beginnen te worden, en zich wijzer en verstandiger wanen, dan vader en moeder. Hij was gehoorzaam van zijn achttiende tot zijn vier-en-twintigste jaar; hoe velen ziet men niet op dien leeftijd, die belangrijke dingen ondernemen zonder voorkennis van hunne ouders, en de vermaningen en raadgevingen van vader of moeder in den wind slaan. Jesus was gehoorzaam van zijn vier-en twintigste tot zijn dertigste jaar. Tegenwoordig durft menigeen op dien leeftijd reeds aanspraak maken op onafhankelijkheid, en veroorzaakt, het vierde gebod geheel vergetende, door een oneerbiedig en liefdeloos gedrag zijnen ouders het grootste verdriet.

2) Rij leert de jeugd het gebed en het onderricht lief te hebben, gaarne in Gods huis te vertoeven. — Liefde tot het gebed, tot leeren en het godvruchtig bezoeken der kerk, zijn eveneens deugden, welke inderdaad ten sieraad strekken van het kinderlijk hart. Het goddelijk kind Jesus wilde ook hierin het schoonste voorbeeld geven. De H. Schrift verhaalt ons, om niet te spreken van zijn dagelijksch gebed,

ol\' kloosterstaat geroepen heeft. Indien onverstandige ouders in dit geval hunne kinderen door beden, bedreigingen en verwijten van hunne roeping willen afhouden, dan mogen, ja, dan moeten uie kinderen met den verschuldigden eerbied antwoorden: „weet gij dan «niet, dat ik zijn moet in hetgeen mijns Vaders is?quot; — Vaderen moeder mogen zich nimmer een recht aanmatigen, dat tegen den erkenden wil van God en zijne beschikking strijdt; en doen zij het, dan mag en moet het kind bij zijn besluit blijven; want men moet God meer gehoorzamen, dan den menschen (Hand. IV, 20). Zoo deed de H. Thomas van Aquine, de H. Aloysius, de H, Stanislaus, de H. Olara, de H. Joanna Francisca van Cliantal en vele andere Heiligen.

\') Sermo I. super //Missus est.quot;

-ocr page 254-

240

van zijne onafgebroken vereeniging met den hemelschen Vader, dat Hij reeds op zijn twaalfde jaar met Joseph en Maria eene moeielijke reis deed, dertig nren ver ging, om den Allerhoogste in den tempel van Jerusalem openlijk te huldigen. — Hoezeer moet dit voorbeeld de kinderen niet aanmoedigen, om gaarne te bidden en de kerk, het huis van den hemelschen Vader, te bezoeken! Jesus behoefde niet te bidden om genade voor zich zeiven; Hij had geene behoefte aan de uiterlijke schoonheid des tempels en de openbare viering van den godsdienst, om tot godsvrucht gestemd en opgewekt te worden. Jesus deed enkel zoo, omdat Hij u wilde leeren, hoe gy , die evenzeer behoefte hebt aan het gebed als aan lichamelijk voedsel, handelen moet. Immers wat het voedsel voor het lichaam is, dat is de genade voor de ziel; zonder gebed mag men echter op genade geene aanspraak maken. Eveneens hebt gij ook behoefte aan eene uitwendige opwekking door de plechtige stilte van het huis des Heeren, opdat de gedachte aan de tegenwoordigheid, grootheid en majesteit van den hemelschen Vader diep in uw geest geprent en de godsvrucht in uw hart gevoed worde. Dit wist Jesus, en daarom ging Hij, om u een voorbeeld te geven, opwaarts naar den tempel, en bleef drie dagen in het huis zijns Vaders. — Ook had Jesus volstrekt geen onderricht noodig; Hij wist alles oneindig beter dan alle menschen en Engelen tezamen; want „alle „schatten der wijsheid en kennis waren in hem verborgenquot; (Col. II, 3). Evenwel wilde Hij , ter genoemde gelegenheid, in den tempel, waar openbaar onderwijs gegeven werd, midden onder de leeraars der wet vertoeven, naar hen hooren en hen ondervragen (Luc. II, 46). Waarom handelde Jesus aldus? Opdat gij in zijne voetstappen tredende, gaarne en vlijtig de school zoudt bezoeken, en vooral met aandacht en heilige leergierigheid de preek en den katechismus, zoo allernoodzakelijkst voor allen, zoudt aanhooren. Gedraag u bij het godsdienstig onderwijs gelijk de twaalfjarige Jesus in den tempel; luister aandachtig naar uwen leeraar, en vraag hem beleefd en bescheiden, wanneer gij het een of ander niet begrijpt, dan zult gij Jesus Christus meer en meer leeren kennen en beminnen. — Toen de H. Basilius en de H. Gregorius van Nazianze in het weelderige Athene zich op de studiën toelegden, kenden zij, volgens hei getuigenis van hunnen tijdgenoot Rufinus, geen anderen weg dan naar de kerk en naar de school. Dat waren ijverige navolgers van het kind Jesus!

3) Jesus leert de jeugd in wijsheid en genade mei de jaren toe ie nemen.

-ocr page 255-

241

Het is buiten twijfel, dat Jesus noch als God noch als mensch in wijsheid en genade kon toenemen. Immers als God was Hij de oneindige wijsheid en genade zelve ; als mensch ontving Hij in het eerste oogenblik van zijn leven op aarde, krachtens de wezenlijke vereeniginir der menschheid met den persoon van het Woord, de geheele volheid der wijsheid en genade, waarvoor eene menschelijke ziel bevattelijk is. Het ging namelijk bij Jesus. den Godmensch, geheel anders dan bij ons. Wij krijgen kennis en genade in eene beperkte mate, en wij zijn verplicht, de vermeerdering dier genade te verdienen. Jesus daarentegen kreeg, zooals Joannes de Dooper getuigt, den H. Geest met zijne goddelijke gaven //niet bij matequot; (Joan. Ill, 34), maar in de geheele, onvermeerbare volheid, wijl dit Hem, als den waren en eeniggeboren Zoon Gods, toekwam. •) — Hoe kan de H. Schrift evenwel zeggen: „Jesus nam toe in wijsheid, en in ouderdom, en in //genade bij God en de menschen?quot; (Luc. II, 52). Op deze vraaquot;- antwoordt Cornelius a Lapide: Jesus nam toe in wijsheid, enz. //niet als //hadde Christus allengs en trapsgewijs toegenomen in zmren(%/? kracht //des geestes, daar Hij, -van den aanvang der ontvangenis, de volheid //der genade en des H. Geestes bezat; maar dewijl Hij in toenemende *mate, door woorden en werken, de Godskracht naar iu/to heeft uito-e-//oefend en geopenbaard.quot; Zie Mr. Lipman: N. T. bladz. 250.

Jesus nam ook hij God in genade en wijsheid toe. Dit beteekent, dat de wijsheid en genade, welke de menschen allengs in Jesus opmerkten, niet in schijn, maar waarlijk in Gods oog wijsheid en heiligheid waren.

Waarom wilde Jesus niet terstond bij zijne komst ter wereld, maar eerst langzamerhand, met het klimmen der jaren, zijn goddelijk licht laten schijnen ? Hij gaf aan dit laatste de voorkeur, omdat Hij een armoedig en nederig leven wenschte te leiden ; maar vooral ook omdat Hij ons door zijn voorbeeld wilde leeren, hoe wij op het pad der deugd vooruitgang kunnen maken. Het zij derhalve voortaan onze eerste zorg, volgens de vermaning van den prins der Apostelen, bij het toenemen onzer jaren „in de genade en

\') De HH. Vaders en godgeleerde schrijvers leeren eenparig, dat de ziel van Jesus Christus terstond in het eerste oogenblik van haar bestaan, de geheele volheid van wijsheid, genade en heiligheid gehad heeft. Zij trekken dit besluit uit de persoonlijke vereeniging van de menschelijke natuur met het goddelijk Woord, waardoor Christus „vol van genade en waarheid isquot; (Coll. II, 14), en „alle volheid in „Hem woontquot; (Coll. I, 19). Daarom schrijft de H. Joannes Damasce-nus: «) „degenen die beweren, dat Christus zóó in wijsheid en genade „heeft toegenomen, dat Hij eene vermeerdering van kennis verkregen „heeft, vereeren niet de persoonlijke (hypostatische) vereeniging.quot; En Origenes zegt in de acht- en negentiende homelie over Lucas II, 46: „De Heer stelde vragen (aan de wetgeleerden) niet om van hen te leeren j „maar om vragenderwijze hen te leeren.quot; Jesus alzoo kon niets leereni wat Hij niet reeds wist; Hij kon echter als mensch op eene nieuwe wijze tot de kennis komen van datgene, wat Hij reeds wist, namelijk door eigen ondervinding, en alleen in die, op den weg der ondervinding verkregen, kennis kan men in Christus een vooruitgang, een toenemen denken, overeenkomstig de woorden van den Apostel (Hebr. V, 8): -/Hij leerde uit datgene, wat Hij geleden heeft, gehoorzaamheid/\'

*) Lib. 3. e. 21. de orthod. fide.

DKHABBE, GELOOFSLEER. II. oie DRUK.

16

-ocr page 256-

242

„kennis van onzen Heer en Heiland Jesus Christus te wassenquot; (2. Petr. III, 18), om meer en meer aan ons goddelijk Voorbeeld gelijk te worden.

Waarom verkoos Jesus Christus een arm en nederig leven ?

1) Om terstond bii het begin van zijn leven voor ons te lijden; 2) om ons te leeren, dat wij de ijdele goederen dezer wereld niet moeten liefhebben en zoeken.

De goddelijke Voorzienigheid laat aan niemand bij zijne geboorte de keuze tusschen een leven in pracht en eer, en een leven in armoede en ellende. De een wordt in rijkdom en vorsteliike grootheid, de ander in behoefte en geringheid geboren, beiden echter geheel onbewust van hun lot. Maar den Zoon Gods was de vrije keuze gegeven. Tegen de beginselen der wereld en de verwachting van de joodsche natie verkoos Hij een arm, nederig leven. Armoede en ellende zouden den Koning des hemels en der aarde bij zijne komst ter wereld ontvangen, armoede en ellende Hem gedurende geheel zijn leven vergezellen. Dereden, waarom Jesus dit gezelschap verkoos, lag

1) daarin, dat een arm, nederig leven Hem meer gelegenheid aanbood om voor ons te lijden, honger en dorst, hitte en koude, arbeid en vermoeienis, ongemakken en bezwaren, vernedering en verachting te verdragen voor ons geluk. De geboorte van Jesus in den stal te Bethlehem, de vlucht naar Egypte, de zware arbeid in het huis te Nazareth, de vermoeienissen gedurende zijn openbaar leven, alles toont handtastelijk, dat armoede en geringheid rijke bronnen zijn van moeielijkheden en lijden. Jesus zelf getuigt van zich zeiven: „de vossen hebben holen en de vogelen des hemels „nesten; maar de Zoon des menschen heeft niet, waar Hij „het hoofd nederleggequot; (Matth. VIII, 20). En door den mond van den Profeet spreekt Hij: „ Ik ben arm en in „arbeid van der jeugd afquot; (Ps. LXXXVII, 16); „meer „dan de haren mijns hoofds zijn zij, die onverdiend Mij hatenquot;

(Ps. LXVIII, 5).

2) Eene andere reden, waarom Jesus een arm. nederig leven verkoos, was deze: wijl Hij ons wilde leeren, dat wij de ijdele goederen dezer wereld, rijkdommen, roem en eer niet ongeregeld mogen beminnen en zoeken. — Elke zonde komt eigenlijk daarvan, dat men de aardsche goederen meer bemint dan de hemelsche, de schepselen meer dan den Schepper. De ongeregelde liefde tot de ijdele goederen dezer wereld is bijgevolg de bron van alle kwaad. Daar nu Christus gekomen is, „opdat wij der zonde afgestorven zijnde, der „gerechtigheid leven zoudenquot; (1. Petr, II, 24), wilde Hij

-ocr page 257-

243

ons niet enkel door zijne lessen, maar ook door zijn voorbeeld van de nietigheid dei aardsohe goederen overtuigen. Daarom versmaadde Hij die, en gaf aan een behoeftig, onaanzienlijk leven boven een leven in pracht ea heerlijk-, heid de voorkeur. Dit bewijst ons duidelijk, dat de goederen dezer aarde in zich van geene waarde zijn, en dat het gemis dier goederen geen ramp, maar integendeel de kortste ea zekerste weg is ter zaligheid, waarnaar wi] vurig moeten verlangen. — Vrij moge dan de wereld hare schijngoederen aanprijzen, vrij moge men beu wijs en verstandig noemen, die er in geslaagd zijn, zich van hare schatten meester te maken: het blijft eene waarheid, dat Jesus, de goddelijke Wijsheid, door woord en voorbeeld hunne denk-, spreek-en handelwijze veroordeelt. Immers, als de aardsche goederen waarde hadden, als zij ons waarlijk gelukkig konden maken waarom zou Jesus die dan versmaad hebben, Hij, wien alle macht, alle rijkdom en eer ten dienste stonden ? Waarom prees Hij zalig de armen van geest? Waarom sprak Hij (Matth XIX, 21) tot den rijken jongeling; „Wilt gij vol-maakt zijn, ga, verkoop wat gij bezit, en geef het den „armen, en gij zult een schat in den hemel hebben. En „kom, volg Mij!quot; Zeer treffend roept de heilige Bernardus uit: „Christus bedriegt zich of de wereld; Christus, als de „goddelijke Wijsheid, kan zich onmogelijk bedriegen; met „rechtwordt alzoode kloekheid der wereld dwaasheid genoemd.quot;

Het moet ons derhalve geenszins verwonderen, als -wij zien, dat de Heiligen er eene eer in stellen, met den armen Jesus arm, met den Verachte veracht te zijn. Armoede en geringheid hebben niets onteerends meer, sinds Christus die vrijwillig gekozen heeft. ,/Wan-»neer een koning,quot; zegt Bossuet (Lofrede op den H. Franciscas van Assisi), //met de dochter van een eenvoudigen landman huwt, wordt •/deze koningin. Wel is men er een tijd lang ontevreden over, maar »ten laatste wordt zij toch erkend en geëerd: zij is geadeld door haren //koninklijken gemaal. Hetzelfde geldt van de armoede. Sinds Christus Kleze als bruid verkoos, is zij, hoe ook de wereld daarover verstoord «is en mort, vol adel en koninklijke waardigheid.quot; De H. Franciscus van Assisi noemde inderdaad de armoede zijne koningin, en koningen stegen van hun troon, om de uitverkoren hruid van den God-mensch te huldigen. — Karloman, een zoon van Karei Martel, en oom van Karei den Groote, deed afstand van zijne uitgestrekte heerschappij, om op den berg Loretto bij Rome, als arme monnik, een stil, onbekend leven te leiden. Daar hem in het klooster, dat hij gesticht had, en van vreemdelingen, die, door de faam zijner heiligheid uitgelokt, naar hem toekwamen, al te veel eer wedervoer, nam hij heimelijk de vlucht en begaf zich in een klooster op den berg Cassino, alwaar hij, door niemand gekend, eenigen tijd dc kudde weidde, daarna de zorg kreeg voor een kleinen tuin, en éindelijk den kok bij zijn werk moest helpen. Deze kok nu, die driftig van aard was, werd dikwijls boos op hem en voegde hem dan harde woorden toe. De vorst, de voormalige gebieder der Franken, verontschuldigde en beklaagde zich nooit; integendeel was hij gewoon te zeggen: «Sinds onze lieve Heiland, Jesus Christus, zich zoo onuitsprekelijk

16*

-ocr page 258-

244

,/diep vernederde en gehoorzaam was tot den dood des kruises, zijn „de grootste vernederingen eervol en glorierijk.quot; — Dergelijke voorbeelden vindt men bij menigte in de levensbeschrijvingen van bijna alle Heiligen. — Gevoelen wij niet de kracht in ons, met zooveel heldenmoed den armen en nederigen Jesus na te volgen, laten we tenminste, als de armoede ons deel is, het oog op Hem vestigen, en met gering voedsel, eene kleine woning en slechte kleeding tevreden zijn; laat ons met geduld achterstelling, vernedering en smaad verdragen, daar de Godmensch met zijn voorbeeld ons is voorgegaan.\') — Heeft echter de Voorzienigheid ons rijkdom en eerambten gegeven, „laten wij er ons hart niet aan hechtenquot; (Ps. LXI, 11). Overtuigen wij ons meer en meer, dat een goed geweten veel grooter waarde

l) Hoezeer het voorbeeld van den armen, nederigen Jesus geschikt is, hen te troosten en op te beuren, die in armoede en ellende hunne dagen moeten doorbrengen, zien wij uit het leven der zalige Germana Cousin. Zij was de dochter van een armen landman van Pibrac, een onaanzienlijk dorp in den omtrek van Toulouse. Van hare geboorte ai\' zwak en misvormd, stond het kind, dat reeds vroeg hare ouders verloor, ten prooi aan de nukken eener onbarmhartige stiefmoeder. Geen plaatsje aan den huiselijken haard werd haar gegund; zij moest blijde zijn, in den slechtsten hoek van het vaderlijk huis te mogen overnachten; haar bed was in den stal of in den gang op een bos hout. Het was haar verboden, met de andere kinderen der familie, met hare broeders en zusters, die zij hartelijk liefhad, om te gaan. Op het voorbeeld van den armen, verachten Jesus en uit liefde tot Hem, verdroeg Germana dit alles stilzwijgend en met heilige vreugde, en evenals ware dit kruis nog te licht, legde zij zich nog andere verstervingen en boetevverken op. Geheel haar leven gebruikr.e zij niet anders dan brood en water. Hare liefste spijs was de vervulling van den goddelijken wil, het gebed, en vooral het Brood der Engelen, hetquot; H. Sacrament des Altaars, dat zij zeer dikwijls ontving, na zicli door eene ootmoedige en oprechte biecht, gezuiverd te hebben van die fouten, welke do wereld niet acht, maar heilige zielen bitter beweenen. Zoo leefde Germana jaren lang onbekend, in de beoefening der heldhaftigste deugden. Ieder dreef den spot met hare eenvoudigheid en men gaf haar allerlei namen. Doch hoe meer de menschen haar kwelden, destemeer zegende God zijne nederige dienstmaagd Hij waakte op eene wonderbare wijze over hare kudde, wanneer zij naar de H. Mis ging, en liet haar zelfs op zekeren dag op weg naar de kerk voor de oogen van diegenen, die haar gade sloegen en den spot met haar dreven, droogvoets door eene opgezwollen beek gaan. Bij eene andere gelegenheid nam God zijne dienares tegen de onrechtvaardige strengheid harer stiefmoeder in bescherming. Germana, ofschoon de allerarmste, was gewoon, het spaarzaam stukje brood, dat zij kreeg, met de armen, in wie zij den behoeftigen Jesus zag, te deelen. Ue argwanende stiefmoeder had dit bemerkt en verdacht hare dochter terstond van diefstal. Toen nu Germana een paar stukjes gespaard brood in haren boezelaar wegdroeg, liep zij haar, met een stok in de hand, woedend na. Twee inwoners van Pibrac, die de dreigende gebaren van de vertoornde vrouw bemerkten, volgden haar op den voet, om de arme stiefdochter des noods te verdedigen. Toen zij Germana had ingehaald, opende zij haren boezelaar; maar in plaats van brood, vielen er, ofschoon het winter was, schoone frissche bloemen, sierlijk bijeen gebonden, op den grond. Ten hoogste verbaasd, snelden de getuigen van dit wonder dadelijk naar Pibrac, en verhaalden wat er zoo even gebeurd was, en sinds dien tijd zag men Germana steeds als eene heilige aan. Ook de stiefvader was thans overtuigd van de deugd zijner dochter, verbood zijne vrouw, haar hard te behandelen en wilde voor Germana

-ocr page 259-

heeft, dan alle schatten en rijkdommen der wereld; herinneren wij ons dikwijls de schoone woorden van den H. Augnstinus : //De rijke «dieeft goud in de kist, de arrac. heeft God in het hart. Vergelijk nu ,het goud met God. Gene bezit vergankelijk goed, dat hem ontnomen „kan worden; deze bezit den onvergankeiijken God, die eeuwig bij „hem blijft.quot; Laten wij toch nimmer trotsch en overmoedig op aard-sche schatten zijn! A\'erachten wij nooit de armen, maar eeren wij hen als broeders en vrienden van den armen en nederigen Heiland ; verheugen wij ons over onzen rijkdom, wijl deze ons in staat stelt, den nood en het gebrek der armen te verlichten, en gelijkvormig te worden aan God, ,/die rijk is voor allen, die Hem \' aanroepenquot; (Rom. X, 12). !)

TOEPASSING,

Te Burgos, in Spanje, leefde omstreeks het einde der zestiende eeuw een vroom, bizonder door God begunstigd

in het huis naast de andere kinderen eene plaats inruimen. Doch het vrome kind had, met het oog op Jesus, de armoede en achterstelling zoo lief gekregen, dat zij dringend verzocht, rustig in den donkeren hoek te mogen wonen.

Kort daarna (in \'t jaar 1601) ontsliep Germana, slechts twee-en-twintig Jaren oud, zacht in den Heer. om door God in dezelfde mate verheven te worden, als zij zich, uit liefde tot zijn armen en ootmoe-digen Zoon en op diens voorbeeld, vernederd had. Zelfs haar dood was een zegetocht, gelijk blijkt uit een visioen van twee vrome kloosterlingen, toen de zalige den geest gaf. Deze zagen midden in den nacht de omstreek van Pibrac door een heerlijk licht verlicht, en eene groote schaar in het wit gckleede maagden op de woning van Germana afdalen. Spoedig daarna stegen zij weder op, maar er was eene nieuwe bijgekomen, die eene kroon van frissche bloemen droeg en door de andere maagden werd omringd: het was Germana. — Drie-en-veertig jaren later vond men haar lichaam ongeschonden, en vele wonderen hadden er plaats bij haar verheerlijkt graf (Veuillot, La vie de la bieu heureuse Germaine Cousin).

\') De H. Paula, eene adellijke romeinsche vrouw, bezat zeer groote rijkdommen; niettemin leidde zij, vooral na den dood van haren gemaal Texotius, een zeer boetvaardig leven, uitsluitend aan de werken der geestelijke en lichamelijke barmhartigheid gewijd. De vermaken en genietingen der wereld hadden voor haar geene aantrekkelijkheid meer, en haar eenige troost was het dienen van Jesus in den persoon der armen en hulpbehoeftigen. In aller nood trachtte zij te voorzien, de zieken paste zij op, de stervenden ging zij bezoeken en troosten ; en zorgde voor eene behoorlijke begrafenis. Zij gebruikte voor dusdanige liefdewerken niet alleen alles, wat zij door hare hoogst eenvoudige levenswijze bespaarde, maar ook een gedeelte van haar vermogen, waarover zij vrij kon beschikken, üit innige liefde tot den mensch geworden Zoon Gods, deed zij in het jaar 385 met hare dochter eene pelgrimsreize naar het heilige land; bezocht, alom weldoende, alle plekken, welke .lesus door zijn leven, lijden en sterven geheiligd heeft, en legde eindelijk in de grot der geboorte des Heeren haren pelgrimsstaf neder. Te Bethlehem bouwde zij eene groote herberg voor pelgrims en een nonnenklooster, hetwelk zij zelve met hare geliefde dochter en vele vrome weduwen betrok. Paula was de ziel en het hart van dit genootschap. Zij was overal de eerste en de laatste, de eerste om te dienen, te bidden, de laatste om rust te nemen. Het geringste huiswerk werd door haar verricht; zij bediende met onuit-

-ocr page 260-

246

kind Joanna Rodriguez genaamd. Reeds in haar vierdejaar legde zij eene buitengewone neiging voor de deugd aan den dag. Hare ouders hadden een keurig versierde huiskapel. alwaar een hij uitstek schoon beeld, het kind Jesus voorstellende, op een troon geplaatst was. Dit had het hart van de kleine Joanna geheel ingenomen. Dikwerf verliet zij hare speelgenooten en ging in stilte naar de eenzame kapel, om daar zich in kinderlijke eenvoud en vertrouwelijkheid met het lieve kind Jesus te onderhouden. Wanneer zij zoo godvruchtig voor het beeld nederknielde. was\' t haar alsof Jesus met haar sprak, en zij vond geen einde om Hem te zeggen, hoezeer zij Hem liefhad. — Op zekeren dag beproefde zij kinderlijk het koorgebed na te doen der in de nabijheid wonende Clarissen. Nu verscheen haar de Heer en sprak: „dochter, wat doet gij hier?quot; — „Ik bid met „den H. Dominicus,\'\' was het antwoord. — „Dat is goed,quot; ging de Êeer voort; „maar zeg eens, hebt gij Mij lief?\'\'— „Ik heb alleen het kleine Jesus-beeld lief, dat vader in de „kapel heeft,quot; gaf Joanna ten antwoord. — «Die ben Ik,quot; hernam de Heer, „Ik ben \'t, wien het beeld voorstelt, en „gij moet het alleen beminnen, omdat het een afbeelsel is „van Mij.quot; Vervolgens gaf Hij haar Maria tot moeder en beschermster, en beval haar, deze in alles te gehoorzamen. Joanna deed, zooals haar geboden was, dacht voordurend aan haren lieven Jesus, bekwam de grootste gunstbewijzen van Hem en nam dagelijks toe in deugd en genade totaan haren zaligen dood. — Dit voorbeeld leert n, hoezeer en op welke wijze goede kinderen het kindje Jesus moeten beminnen, en tevens hoe innig het kindje Jesus beminnende kinderen liefheeft. Treed alzoo, jeugdige lezer, in de voetstappen van de vrome Joanna. Bemin het goddelijk Kind van ganscher harte, en bewijs het metder-daad , dat gij het hartelijk liefhebt. Denk dikwijls aan

sprekelijke liefde de zieken, zorgde voor de keukon, dekte de tafels, vulde de bekers, hield het huis in orde. Geen werk was haar te gering, niets haar te lastig. Zij deed alles, wat de goddelijke Heiland in het nederig huisje te Nazareth gedaan heeft, en waartoe Hij ons allen uitnoodigt met de woorden ; «wie onder u de eerste wil zijn, z/die zal uw knecht zijn, gelijk de Zoon des menschen niet gekomen z/is, om gediend te worden, maar om te dienenquot; (Matth. XX, 27, 28) (Zie het leven der H. Paula, breedvoerig verhaald door gravin Halm-Hahn ; //Vater der Wüstequot;).

De H. Lodewijk, koning van Frankrijk, ontzag zich niet, de armen en melaatschen te omarmen, hunne voeten te wasschen, hunne wonden te reinigen en hun uit liefde tot Jesus Christus de allergeringste diensten te bewijzen. Men zag hem arme menschen, die aan de pest waren gestorven , op zijne koninklijke handen wegdragen, om, hetgeen door anderen geweigerd werd, hen te begraven.

-ocr page 261-

247

Jesus, aanbid Hem, doe in alles, overal en altijd, gelijk Hij gedaan heeft; dat zijn de beste en -welgevalligste bewijzen van uwe liefde tot Hem. Ja, deck zeer dikwerf en met hartelijkheid aan Jesus; in de school, te huis, denk aan Jesus; op weg naar de kerk, naar school en van daar terug, denk aan Jesus; bij uw werk, bij het spel, aan tafel, denk aan Jesus, het goddelijk kind, en volg het na. Vraag Jesus\' hulp dag aan dag, als gij zijne beeltenis ziet, \'s morgens en \'s avond.3, in alle gevaren naar ziel en lichaam; roep Hem aan, vanneer de arbeid of het leeren u zwaar valt, wanneer ellende en gebrek u neerdrukt, en vooral in de ure der bekoring. Schenk het kind Jesus geheel uw hart, al uwe liefde. Er is immers niets in den hemel en op aarde, wat beminnenswaardiger is, dan het kind Jesus in de kribbe, het kind Jesus op de armen zijner allerzaligste Moeder, in het huis te Nazareth, in de werkplaats van zijn voedstervader Joseph, in den tempel te Jerusalem. Handel uit liefde tot het kind Jesus steeds zoo als Hij uit liefde tot u gedaan heeft. Doe uw best, braaf, vlijtig, vriendelijk en volgzaam te zijn, wijl Jesus ter liefde van u , tot uwe leering en tot uw heil, het braafste, vlijtigste, vriendelijkste en volgzaamste kind heeft willen zijn.

Als gij het kind Jesus op die wijze liefhebt, zal het u, zij \'t dan ook niet zoo opvallend als de brave Joanna, toch niet minder innig en hartelijk beminnen. Jesus zal u tot zich roepen, gelijk Hij in den loop van zijn openbaar leven de kleinen tot zich riep, om hun de handen op te leggen en hen te zegenen; Hij zal u op een bizondere wijze zegenen, wijl gij Hem als getrouwe navolgers en evenbeelden gelijkvormig en welgevallig wilt worden; Hij zal u zegenen gelijk Hij de HH. drie koningen zegende, die Hem goud, wierook en myrrhe ten offer brachten: want heerlijker dan goud is de liefde, geuriger dan wierook het gebed, en kostbaarder dan myrrhe het geweld, dat gij u moet aandoen, om zijn voorbeeld na te volgen. Ja, Jesus zal u zegenen met tij delij ken en eeuwigen zegen, Hij zal u rijkelijk zijne genade schenken, opdat gij hier op aarde, gelijk Hij, in wijsheid en deugd voor God en menschen toenemende, eenmaal in den hemel Hem zeiven en door Hem en in Hem oneindige zaligheid moogt bezitten.\')

\') De katecheet vindt hier cene geschikte gelegenheid om melding te maken van het schoone, door den H. Stoel goedgekeurde en aanbevolen broederschap der heilige Kindsheid. Door de kleine offers, welke de leden brengen, worden duizenden kinderen van Heidenen aan den tijdelijken en eeuwigen dood ontrukt.

-ocr page 262-

248

Tierde artikel «leis geloolfe;

■.die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruist, „gestorven en legraven.quot;

Lifden eu sterven van Christus.

Wat leert ons het vierde artikel der geloofsbelijdenis!\'

Het leert ons, dat Jesus Christus voor ons geleden heeft, aan het kruis gestorven en in \'t graf gelegd is. — Het derde artikel des geloofs stelt ons de menschwording van den Zoon Gods en zijne geboorte uit de Maagd Maria, het vierde zijn lijden onder Pontius Pilatus, zijnen dood en zijne begrafenis voor oogen. De Zoon is mensch geworden, om te kunnen lijden en sterven; Hij heeft inderdaad geleden, en is aan het kruis gestorven, zooals de geloofsbelijdenis van Nicea uitdrukkelijk leert. Niet zonder reden wordt van Pontius Pilatus, die Jesus ter dood veroordeelde, melding gemaakt. Hij toch vervulde als landvoogd in Judea de plaats van den romeinschen keizer Tiberius, en was als deze een Heiden. Door het noemen van zijn naam wordt alzoo niet enkel de tijd van Christus\' dood nauwkeurig aangegeven, maar ook de vervulling der voorzegging can Jesus, dat Hij aan de Heidenen zou worden overgeleverd , bevestigd (Luc. XVIII, 32).

Heeft Jesus Christus als God of als mensch geleden ?

Jesus Christus heeft als mensch, d. i. naar zijne mensche-lyke natuur geleden; want als God of naar de goddelijke natuur kon Hij niet lijden, gelijk reeds voldoende is uitgelegd. Ofschoon Christus alleen in zijne menschelijke, niet in de goddelijke natuur geleden heeft, blijft het toch immer waar, dat God voor ons geleden heeft, God voor ons gestorven is; want Hij, die geleden heeft en aan het kruis is gestorven, is waarlijk God, geen andere dan God. De menschelijke natuur was als het ware slechts het werktuig, waarvan de Zoon Gods zich bediende, om door lyden en dood het werk onzer verlossing te volbrengen. O wonder der goedheid en ontferming! God de Schepper des hemels en der aarde, lijdt voor zijne schepselen, de Koning en Heer van alles voor zijne knechten, de Onschuldigste voorde schuldigen ; God, de oorsprong van alle leven, sterft

-ocr page 263-

249

voor ons, die in de boeien van den eeuwigen dood lagen! — God zond eertijds een Engel, die den jongen Tobias als beschermer en geleider moest dienen, — voorwaar eene groote weldaad! maar tot ons zond Hij zijn eengeboren Zoon, den Koning der Engelen, opdat deze voor ons zou Igden en den dood ondergaan. Wie is in staat, de grootheid dier genade te bevatten ?

Wat heeft Jesus Christus geleden ?

Hij heeft, zijn geheele leven lang (zooals wij boven reeds zeiden), onbeschrijfelijk veel geleden. Ten laatste leed Hij doodsangst in den hof van Olijven, werd door Judas verraden, daarna gevangen genomen, bespot, bespuwd, ge-geeseld , met doornen gekroond en eindelijk aan een kruis gehecht.

Nooit heeft eenig mensch zooveel geleden als Jesus Christus, onze Heiland1). Daarom worden Hem met recht de volgende woorden in den mond gelegd: „Geeft acht en ziet, of er „eene smart gelijk is aan mijne smartquot; (Klaagl. I, 12); „groot als de zee is mijne ellendequot; (II, 13).

1) Nooit heeft eenig mensch eene zoo onuitsprekelijke droefheid en zooveel zielelijden ondervonden, als Jesus in den hof van Olijven. De droefheid van Jesus ontstond, ten eerste, uit de smart over de vele zonden dermenschen, waarmede Hij zich beladen had. Die droefheid was onvergelijkelijk grooter dan het hevigste rouwgevoel, dat ooit een mensch ondervonden heeft of kan ondervinden, daar nooit iemand God zoozeer beminde, noch kan beminnen, als Jesus, en niemand eene zoo juiste kennis der geheele boosheid en afschuwelijkheid van de zonde gehad heeft en kan hebben als Hij. De zoo groote droefheid van den Heiland ontstond, ten tweede, uit het smartelijk vooruitzicht, dat vele menschen geen voordeel zouden doen met de verdiensten van zijn lijden, en daardoor eeuwig verloren zouden gaan. Nooit ging zelfs den edelsten mensch het ongeluk en verderf van anderen zoo ter harte, als Jesus, wijl niemand ooit de menschen zoo innig beminde, en niemand den geheelen omvang van het ongeluk en de bodemlooze diepte des verderfs , hetwelk uit de zonde voortkomt, zoo duidelijk en volkomen begreep als Jesus. Eene derde oorzaak van \'s Heeren droefheid en angst was de natuurlijke huivering voor de talrijke folteringen en den pijnlijken dood.

\') S. Thorn. Sum. 3. q. 46. art.

-ocr page 264-

250

welke Hem te wachten stond, en dien Bij met eene zekerheid en helderheid voorzag, als nooit een mensch den zijnen kan voorzien. De droefheid van den Verlosser was zoo groot, dat een bloedzweet van geheel zijn heilig lichaam afgudste , en zij alleen Hem den dood zou aangedaan hebben, indien zijne godheid Hem niet voor nog grooter lijden gesterkt en in het leven behouden had \'). Daarom klaagde Hij zelf: „mijne ziel is bedroefd tot den dood toequot; (Matth. XXVI, 38).

2) Nooit heeft eenig mensch zooveel ondankbaarheid ondervonden , nooit iemand zoo groote onteering verdragen, als Jesus Christus. Het is zelfs onmogelijk, dat eenig mensch zulk een ondank en zoo schandelijke onteering ondervinde. Dewijl toch de ondankbaarheid des te grooter is, naarmate de bewezen weldaad grooter is, en de onteering des te meer krenkt, naarmate de onteerde persoon aanzienlijker is, volgt er ontegensprekelijk uit, dat de ondankbaarheid jegens den Godmensch, en de oneer, welke Hem werd aangedaan, haars gelijke niet kan vinden, dewijl zijne weldaden van oneindige waarde zijn, en zijn persoon oneindige eer toekomt.— Hoe groot was de ondank niet alleen van het volk en van de stad Jerusalem, maar zelfs van zijne leerlingen en vertrouwdste vrienden I Een van hen verraadt Hem met een kus; een ander verloochent Hem, tot driemaal toe, onder eede; de overigen gaan op de vlucht, zoodra zijn leven gevaar loopt. — En welke oneer werd Hem aangedaan, Hem, wien alle eer en aanbidding in den hemel en op de aarde toekomt! Als een misdadiger gevangen genomen en geboeid, werd Hij onder spot en hoongelach door de straten

\') Volgens de eenparige leer der Godgeleerden genoot de ziel van Christus door de hypostatische vereeniging met de godheid, van het eerste oogenblik van haar bestaan, de aanschouwing Gods. Daardoor werd natuurlijk de ziel met eene onuitsprekelijke zaligheid vervuld en voor alle lijden ontoegankelijk. Het lag evenwel geheel in Christus\' macht, dien heilrijken invloed der aanschouwing van God op eene wonderbare wijze tegen te houden, en Hij hield dien ook werkelijk tegen, om den lijdenskelk ter onzer verlossing tot op den bodem te ledigen. Dit blijkt uit Matth. XXVI, 38 en XXVII, 46, Luc. XXII, 43. Dientengevolge bleef Christus als mensch gelijk wij, voor vrees, angst, droefheid en de diepste zielesmart toegankelijk. De pijnlijke gevoelens der ziel van Christus waren derhalve verschillend van de onze, niet uit haren aard, maar enkel daardoor, dat Hij die ondervond, wijl Hij wilde en niet omdat Hij moest, dat zij bij Hem nooit anders, dan uit gegronde redenen ontstonden, nooit de gewilde maat te boven gingen en nimmer het inwendig evenwicht, de zielerust stoorden , terwijl ze in ons onvrijwillig, zeer dikwijls ongegrond en overdreven zijn, en niet zelden in de ziel de grootste verwarring voortbrengen.— Ook voor lichamelijke of zinnelijke smart was Christus vatbaar, en wel te meer, zeggen de Godgeleerden, naarmate zijn door den H. Geest gevormd lichaam fijner was (zie den romeinschen Katech. I. art. 4).

-ocr page 265-

251

van Jerusalem naar Annas en Caïphas gesleept; door den hoogenraad als godslasteraar des doods schuldig verklaard; aan den heidecschen landvoogd overgeleverd en voor diens rechterstoel valschelijk aangeklaagd; door den koning Herodes met een spotmantel omhangen; door ruwe krijgsknechten en het gemeen bespot, hespuwd, -wreed met vuisten in het aangezicht geslagen ; door het geheele volk achter een moordenaar , achter Barahhas, gesteld; doorPilatus eindelijk, op den onstuimigen eisch der opgewonden menigte, tot den schandelijken dood des kruises veroordeeld.

3) Talloos en ongehoord waren ook de smarten, welke de Godmensch aan alle ledematen van zijn heilig lichaam heeft uitgestaan. Door de bloedige geeseling en door de wreede doornenkrooning was Jesus zoo jammerliik gewond, dat Pilatus Hem aan het volk voorstelde met de beteekenisvolle woorden: „Ziet, de mensch !quot; in de hoop, dat het zien alleen van den mishandelden Jesus genoeg zou zijn, om zelfs diens grootste vijanden tot medelijden te bewegen (Joan. XIX, 5). En wie is in staat, te beschrijven, wat Jesus geleden heeft, toen Hij het zware kruis op zijne gewonde schouders, onder stoeten en slagen, den Calvarieberg opsleepte; wat Hij geleden heeft, toen Hem de kleederen met geweld van het lichaam gerukt en alle wonden der geeseling vernieuwd werden; toen Hij op den kruisbalk geworpen, aan handen en voeten met groote nagelen doorboord , drie volle uren in naamlooze smarten, in brandenden dorst, bespot en belasterd, aan den schandpaal hangend, met den dood worstelde en niet eer stervend zijn hoofd boog, dan toen Hij gal en azijn, de laatste druppelen van zijnen lijdenskelk, geproefd had? \') — Wel hebben ook de

\') De eenparige overlevering der Vaders en kerkelijke Sclirijvers zegt, dat Jesus niet gegeeseld is naar de wet der Joden, volgens welke liet getal der slagen niet boven de negen-en-dertig mocht gaan, maar naar de wet der Romeinen, welke het getal der striemen geheel overliet aan de willekeur van den rechter of van diegenen, die de straf der geeseling voltrokken. — Het gewone werktuig bij de romein-sche geeseling bestond uit eenige lederen riemen, aan een handvest verbonden, en aan wier einde ijzeren spitsen of looden ballen gehecht waren. De veroordeelden werden half naakt aan eene zuil gebonden en met zulke geesels verschrikkelijk ontvleescht. Velen bezweken onder deze foltering of behielden slechts zooveel kracht als noodig was, om nog de kruisiging te ondergaan. — Op de geeseling van Jesus volgde de niet minder smartelijke krooning met doornen, waardoor het heilig hoofd van onzen goddelijken Verlosser rondom allerpijnlijkst gekwetst weid. Het toppunt van het bitter lijden van onzen Heer was de kruisiging. De smarten er van waren onuitstaanbaar, niet alleen wijl Christus daarbij nieuwe wonden kreeg, maar ook door de houding, in welke de Gekruisigde aan het schandhout werd genageld. Dientengevolge moest namelijk het bloed met geweld op het hart aandringen, hetgeen de grootste smarten veroorzaakte.

-ocr page 266-

252

martelaren vele en groote smarten geleden, maar God verzachtte hun lijden door den balsem van hemelschen troost in hooge mate, dat zij niet zelden jubelden en verheugd waren te midden der wreedste pijniging. Jesus alleen ondervond de hevigste martelingen zonder den minsten troost, de geringste leniging. Daarom riep Hij klagend uit; „mijn „God, mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten?quot; (Matth. XXVII, 46).

Is Jesus Christus waarlijk gestorven

Ja, zijne ziel heeft zich van het lichaam gescheiden. — Omstreeks het zesde uur (volgens onze rekening omstreeks 12 ure) was Jesus gekruisigd, en tegen het negende uur (ten 3 ure na den middag), „riep Hi] met luider stemme „en sprak: Vader! in uwe handen beveel ik mijnen geest. „En dit zeggende stierf Hijquot; (Luc. XXIII, 46); of zooals de H. Joannes zich uitdrukt: „Hij boog zijn hoofd en gaf „den geest\'\' (Joan. XIX, 50). Ook getuigde de hoofdman die Hem had zien sterven, bij den landvoogd, dat Hij waarlijk gestorven was (Marc. XV, 45), en zelfs de hooge-priesters en Phariseën spraken tot Pilatus in de onbetwijfelde veronderstelling dat de oproerling (gelijk zij Jesus durfc\'en noemen) niet meer leefde (Matth. XXVII, 63). Alle twijfel aangaande den dood van Christus werd weggenomen; doordat „een der soldaten zijne zijde met een speer doorstak, en er „terstond bloed en water uitkwam,quot; gelijk de H, Evangelist Joannes (XIX, 34) als ooggetuigge bericht, — Evenwel heeit de godheid zich geenszins tegelijk met de ziel van het lichaam gescheiden. „Integendeel gelooven en belijden „wij\'\', zegt de romeinsche Katechismus (Deel I. art. 4), „dat, na de scheiding der ziel van het lichaam, de god-„heid zoowel met het lichaam in het graf, als ook met „de ziel in het voorgeborchte der hel, vereenigd gebleven „is;quot; want het is de leer der Kerk, dat de tweede goddelijke Persoon de geheele menschelijke natuur (lichaam en ziel) heeft aangenomen, om zich niet meer van haar te scheiden. Overigens blijkt het gezegde uit de woorden van de geloofsbelijdenis der Apostelen, waarmede wij uitdrukkelijk belijden, „dat de eeniggeboren Zoon Gods is begraven en ter „belle nedergedaald.quot; Indien nu in Christus, na de scheiding der ziel van het lichaam, ook de godheid zich van het lichaam en de ziel had afgescheiden, dan zou men geheel ten onrechte zeggen, dat de Zoon Gods is begraven en ter helle nedergedaald.

-ocr page 267-

253

Waarom wilde Christus begraven worden?

Opdat zijn dood des te onloochenbaarder en zijne verrijzenis des te heerlijker zou wezen. Als Christus terstond na het sterven weder was opgestaan, zou men er wellicht aan getwijfeld hebhen, of hij werkelijk gestorven was. Hij bleef derhalve, gelijk Hij voorzegd had, drie dagen en drie nachten in het graf, ten einde zoo alle waarschijnlijkheid te keeren, dat Hij schijndood zou geweest zijn. Onder de uitdrukkking: „drie dagen en drie nachtenmoet men echter niet drie volle dagen en nachten verstaan, wijl Jesus maar een gedeelte van den dag en den nacht van Vrijdag, den geheelen dag en den geheelen nacht van Zaterdag en een gedeelte van den nacht en den dag van Zondag in het graf gebleven is. De Joden hadden van de Romeinen het gebruik overgenomen, de vier-en-twintig uren van den dag van middernacht tot middernacht te rekenen, zoodat bijv. de Zaterdag te middernacht ophield en de Zondag te middernacht begon.

Was Christus verplicht den dood te ondergaan ?

Neen, Christus heeft vrijwillig den dood ondergaan. „Hij is opgeofferd geworden, wijl Hij het zelf wilde\'\' (Is. LUI, 7). „Niemand,quot; zegt de goddelijke Heiland, „neemt het leven van Mij, maar Ik leg het af van Mij „zeiven; en Ik heb macht, het af te leggen, en Ik heb „macht het wederom te nemenquot; (Joan. X, 18). Zijne vijanden wilde Hem meermalen aangrijpen en dooden,maar niemand durfde de hand aan Hem slaan, wijl Hij het niet gedoogde. Toen de ure echter was gekomen, dat Hij voor ons heil den dood wilde ondergaan, liet Hij zich door hen gevamp;ngen nemen en binden, ofschoon het Hem gemakkelijk zou geweest zijn, dit te beletten, daar het enkele woord; „Ik ben het,quot; allen ter aarde wierp (Joan. XVIII, 6). Zelfs de smarten, die den dood tengevolge hadden, leed Jesus niet, omdat Hij moest, maar wijl Hi] wilde. „De geest „van Christus,quot; zegt de H. Augustiuus (Boek IV over de H. Drievuldigheid), „verliet het lichaam niet uit dwang, „maar omdat Hij wilde, toen Hij wilde en gelijk Hij wilde.quot; — Christus stierf wel uit gehoorzaamheid aan den hemelschen Vader: „Opdat de wereld erkenne, dat Ik den Vader ,,lief heb, en zoo doe, gelijk de Vader Mij bevolen heeft: „staat op, laat ons van hier gaan;quot; aldus sprak Hij zelf na het laatste avondmaal tot zijne leerlingen (Joan. XVI, 31.

-ocr page 268-

254

Vergelijk Joan. X, 18). Hij dronk den kelk des lijdens, wijl de Vader het zoo wilde (Matth. XXIV, 42); want „Hij „was gehoorzaam tot in den dood, ja tot in den dood des „kruises\'\' (Phil. II, 8). Nochtans was zijne gehoorzaamheid geheel vrijwillig.\') „Mijn God, Ik heb het gewildquot;, zegt Hij door den mond van den koninklijken Profeet (Ps. XXXIX, 9). Jesus onderwierp zich aan het raadsbesluit van den Vader, die de wereld door het kruis wilde verlossen, niet gedwongen, maar uit liefde tot zijnen Vader, zooals Hij zelf betuigt (Joan. XIV, 31) , en eveneens uit liefde en medenlijden jegens de menschen. Jesus Christus toch is waarlijk de goede Herder, die vrijwillig zijn leven ten beste geeft voor zijne schapen (Joan. X, 11). En juist in dat offer bestaat, volgens zijne eigen woorden , de grootste liefde, welke iemand aan anderen kan bewijzen (Joan. XV, 13). Ja, „naar zijne barmhartigheid heeft Hij ons gered\'\' (Tit. Ill, 5). Hij, „die rijk is aan ontferming, heeft om zijne „overgroote liefde, waarmede Hij ons bemind heeft,quot; voor ons den dood ondergaan (Eph. II, 4). Daarom zegt de Apostel Paulus: „ik leef in het geloof aan den Zoon amp;ods, „die mij bemind en zich zeiven voor mij ten beste gegeven

\') Christus kon gewis niets zondigs willen; Hij kon echter overeenkomstig zijne menschelijke natuur het leven, vooral in tegenoverstelling van den pijnlijksten dood, als iets goeds willen; gelijk zijn gebed in den hof van Olijven bewijst. En ofschoon , ten gevolge dei-hypostatische vereeniging, de goddelijke wil in Christus den mensche-lijken in alles onfeilbaar bestuurde, is het toch zeker, dat daardoor de vrijheid van den laatsten op geenerlei wijze verminderd werd, evenmin als onze vrijheid van wil door den invloed der genade verloren gaat. Zoo is het dan waar, dat Christus van den eenen. kant de akte, waardoor Hij het bevel, Hem door den Vader gegeven, om te sterven, voltrok, vrijwillig stelde, daar Hij door de natuurlijke wilskracht, welke Hem als mensch toekwam en welke ongeschonden was, die even goed kon achterlaten; maar van den anderen kant is het niet minder waar, dat Christus zijne vrijheid op geenerlei wijze misbruiken, zich niet aan het geringste verzet tegen den wil zijns Vaders schuldig maken Icon; niet als ware het den menschelijken wil van nature onmogelijk geweest, eene keuze tusschen leven\'en dooi te doen, maar omdat die menschelijke wil steeds onder de leiding stond van den goddelijken wil en dien, hoeivel ongedwongen, toch onmisbaar volgde. En daar, krachtens de wezenlijke vereeniging der menschelijke natuur met den persoon van het eeuwig Woord, die goddelijke leiding van den menschelijken wil even onafscheidelijk was, als de goddelijke natuur zelve aan de menschelijke, was Christus in den strengsten zin des woords geheel buiten staat eenigerloi zonde te doen (erat impeccabilis), hetgeen bij geen anderen Heilige het geval was, noch zijn kon, dan bij Jesus Christus. Op deze wijze tracht Suarez (in 3. Part. s. Thom. disp. 87. s. 3.) de schij nbare tegenstrijdigheid weg te nemen tusschen. deze drie waarheden: ii Christus stierf uit gehoorzaamheid; 2) Hij stierf tevens vrijwillig, en nochtans 3) kon Hij niet anders dan gehoorzamen , wijl Hij niet kon zondigen.

-ocr page 269-

255

„heeftquot; (Gal. II, 20), en ergens anders: „wandelt in liefde, „gelijk ook Christus ons bemind en zich voor ons ten offer „gegeven heeftquot; (Eph. V, 2). Het lijden en de dood van Christus was derhalve zoowel een werk der volmaaktste liefde, als der heldhaftigste gehoorzaamheid; „want uit „liefde was Hij gehoorzaam,quot; en daarom had de Allerhoogste in Hem zijn oneindig welbehagen. In dien zin zegt Christus (Joan. X, 15; 17): „Daarom bemint Mij de Vader, „wijl ik mijn leven ten beste geef voor mijne schapen,quot;

en de Apostel: „Hij was gehoorzaam tot in den dood.....

„daarom heeft God Hem verhevenquot; (Phil. II, 8, 9).

Het verlossingswerk, van Christus.

Waarom heeft Christus willen lijden en sterven?

Christus heeft willen lijden en sterven, om in onse plaats der goddelijke Gerechtigheid voldoening te brengen voor onze zonden , en daardoor ons te verlossen en zalig te maken.

Troosteloos en met zware ketenen beladen zat een ongelukkige in een duisteren kerker. Vroeger rijk en aanzienlijk, had hij door eene slechte huishouding heel zijn vermogen verspild en daarenboven groote schulden gemaakt, welke hij onmogelijk kon betalen. Dientengevolge was hij gevangen genomen en in den kerker geworpen. De toestand van den armen gevangene was hoogst Ireurig, vooral daar hij nog bovendien wegens overtreding van \'s lands wetten de doodstraf te wachten had. Dit vernam een rijk en voornaam heer. Het droevig lot van den ongelukkige ging hem ter harte, ofschoon hij zwaar door hem beleedigd was, en hij besloot, wat het hem ook kosten mocht, hulp te leenen. Hij biedt zich diensvolgens bij den vorst als borg voor den gevangene aan, en verklaart zich bereid, diens schulden te betalen en de straf, welke hem boven het hoofd hing, te ondergaan. Nu treedt hij in den kerker van den ongelukkige, maakt de boeien los, laat zich die aandoen en zegt dan tot den schuldige; wees getroost, ik zal voor u in de gevangenis uwe schulden delgen en in uwe plaate aan het vonnis van den koning mij onderwerpen ; ja, al zou ik ook den dood moeten ondergaan , ik ben bereid. Ga thans geniet de vrijheid, en neem, opdat het u aan niets ontbrèke, deze juweelen ; de bestuurders van mijne goederen zullen ook verder voor u zorgen. Alles, wat gij

-ocr page 270-

256

verloren hebt, zal u ruimschoots worden terug gegeven. Men stelle zich de verrassing voor van den gevangene, de vreugde en dankbaarheid van den verloste. — Neen, zult gij wellicht zeggen, dat is toch al te onwaarschijnlijk, dat is onmogelijk: een zoo goede heer leeft er niet onder de zon, zoo iemand is er nooit en nergens geweest. Wat zelfs het beste kind niet zou doen voor zijnen vader, dat doet geen rijk en voornaam heer voor eenen strafschuldige, wien hij niets verplicht is en van wien hij niets te verwachten heeft, die bovendien zijn vijand is. — Gij hebt gelijk, lezer, dat zou geen mensch voor zijnen naaste doen. Maaide Zoon Gods, Jesus Christus, heeft niet alleen dit, maar nog onvergelijkelijk meer voor ons, en wel voor ieder onzer, alzoo ook voor u, gedaan. Hem alleen hebt ge het te danken, dat gij, uit de duisternis en de schaduw des doods gered, u in de vrijheid der kinderen Gods moogt verheugen, en in plaats van de eeuwige ellende te versmachten , eene eindelooze zaligheid moogt te gemoet zien. Jesus heeft u verlost, gered, verrijkt.

Herinner u, om dit beter te begrijpen, hetgeen wij boven hebben gezegd. Wij waren allen in onzen stamvader Adam met de heerlijkste genadegaven overladen, en nog veel heerlijker goederen stonden ons te wachten voor de gansche eeuwigheid. Maar de zonde trad tusschen ons en God, beroofde ons van alle genadegoederen, sloot voor ons, niet alleen het aardsche, maar ook het hemelsche paradijs, en maakte ons des eeuwigen doods schuldig. Aan eene redding uit dien allerbeklagenswaardigsten toestand was niet meer te denken, wijl wij geheel onvermogend waren om de schuld te delgen, welke tengevolge der zonde op ons rustte, d. i. omdat wij volstrekt buiten staat waren, de voldoening te brengen, der goddelijke Majesteit voor de Haar aangedane beleediging verschuldigd. Wel kan de zondige mensch, de nietige aardworm , die vermetel tegen den Allerhoogste is opgestaan., voor de beleedigde Majesteit zich in het stof werpen. Doch wat grootheid ligt er in die vernedering? Is de mensch niet buitendien ten strengste verplicht, dit te doen? Zou hij zich niet eene nieuwe schuld op den hals halen, als hij die huldiging naliet? Welk eerherstel wordt alzoo daardoor God, den Allerhoogste, gebracht? Niet het minste. Neen, „geen mensch kan het rantsoen betalen, noch de waarde „der verlossing voor zijne ziel, al zou hij zich ook eeuwig „moeite geven en nimmer de verderving zienquot; (Ps. XLVIII , 8—10). Alleen een goddelijke persoon kon der goddelijke Gerechtigheid voldoening brengen. Want gelijk de beleediging ten aanzien van den beleedigden persoon oneindig

-ocr page 271-

257

was, moest ook de voldoening ten aanzien van den persoon, die ze bracht, oneindig wezen, om algeheel te zijn, d i. opdat de oneer, welke door de zonde den Allerhoogste was aangedaan, door eene niet minder groote eer vergoed zou worden. Alleen een goddelijke persoon kon derhalve door eene volkomen voldoening onze schuld bij den Allerhoogste wegnemen: deed Hij het niet, dan bleef den mensch, die onvermogend was om te voldoen, niets over, dan tot voldoening te lijden, d. i de goddelijke Grerechtigheid tevreden te stellen door het dragen van eene eeuwige straf.

De goddelijke persoon, die het op zich nam voor ons de verschuldigde voldoening te brengen, is, gelijk we reeds weten, de eengeboren Zoon Gods, de tweede persoon der allerheiligste Drievuldigheid. Daar het echter hoogst billiik en passend was, dat de mensch voor de zonde, welke hij bedreven had, voldeed, nam de Zoon Gods , in het tranendal nederdalende, onze natuur aan, laadde al onze schulden op zich en bood zichzelven aan, om in onze plaats de straffen, welke wij door de zonde verdiend hadden, te lijden, en zoo der goddelijke Gerechtigheid voldoening te geven. Zelfs den dood, ja den bitteren en schandelijken quot;dood aan het kruis, wilde de menschgeworden Zoon Gods uit gehoorzaamheid aan zijn eeuwigen Vader ondergaan, wijl de mensch door hoogmoed en ongehoorzaamheid den eeuwige:; dood verdiend had. Even als Christus bij zijne komst ter wereld zich den hemelschen Vader tot ons heil opofferde, zoo smeekte Hij aan het kruis op nieuw, dat de Vader toch het offer zijns levens tot uitwissching onzer misdaden en tot afwending van den eeuwigen dood, welken wij verdiend hadden, genadig zou aannemen.—Met oneindig welbehagen nam God de Vader het onbevlekte offer aan, hetwelk Hem uit vrijwillige gehoorzaamheid en onbegrensde liefde ter verheerlijking zijns naams en tot heil der menschen werd aangeboden, \') en ter wille van zijn geliefden Zoon gaf Hij ons, zondigen kinderen van Adam, zijne liefde en genade weder. — Zoo heeft Jesus Christus ons verlost, zoo heeft Hij de onschatbare genade der eeuwige zaligheid ons wedergegeven. 2) Terecht zegt de H. Paulus: „gelijk door de „ongehoorzaamheid des eénen menschen de velen tot zondaars „gesteld zijn, zoo zullen ook door de gehoorzaamheid des

•) S. Bernard, adv. Abailard. c. 8. Non mors sed voluntas placuit sponte morientis.

\'-) Conc. Trid. Sess. 6. c. Vil. Dorainus noster Jesus Christus, cum essemus iniraiei, propter niniiara cliaritatem, qua dilexit nos, sua sanetissima passione in ligno crucis nobis juslilicationem meruit et pro xiobis Deo l\'atri satisfecit.

17

DE1IARBB, GELOOiyr.EEll, II. .3lle DRUK.

-ocr page 272-

258

„Eénen de velen tot rechtvaardigen gesteld -wordenquot; (Kom. V, 19).

Wie bewondert hier niet de onuitsprekelijke liefde van den Allerhoogste? „Hetgeen de dienstknecht verschuldigd „is, betaalt de Heer; hetgeen de mensch misdoet, herstelt „God!quot; zegt de H. Anselmus. Een wonder van liefde zou het voorzeker geweest zijn, als God voor den onschuldigen mensch geleden had; maar heerlijker schittert die liefde, doordien, „als wii nog zondaars waren, Christus voor ons „gestorven isquot; (Eom. V, 8). „Wie onzer,quot; vraagt een geesteliik schrijver, \') „zou zoo vermetel geweest zijn, wie „had het durven wagen, tot den Allerhoogste te zeggen; „Heer! uwe gerechtigheid vervolgt mij om debeleedigingen, „welke ik U heb aangedaan, en ik kan haar niet ontkomen ; „ik smeek U alzoo, stijg af van den troon uwer heerlijkheid, „neem een sterfelijk lichaam aan, laat U geeselen en hechten „aan het kruishout, dat op mijne schouderen moest geladen „worden ? Dwaas en vermetel zouden wij ieder noemen, die „zulk eene bede zou durven richten niet tot God, door hem „beleedigd, maar tot een aardschen vorst, ja, tot zijnen „vader, broeder of vriend. En toch heeft de Koning des „hemels en der aarde dit alles ongevraagd, uit eigen be-„weging, gedaan voor den mensch, die zijn vijand en vergader was.quot; In Jesus Christus was zelfs de schijn va,n zonde niet, waarvoor Hij kon boeten. Enkel „om onze „misdaden is Hij gewond, om onze zonden geslagenquot; (Is. LUI, 5). „Hij, die geene zonde beging, en in wiens mond „geen bedrog gevonden werd .... droeg onze zonden (d. i. de straf der zonde) ,,in zijn lichaam aan het kruishout „op, opdat wij gestorven aan de zonde, voor de gerechtig-„heid zouden leven.quot; „Door zijne striemen ,quot; voegt de H. Petrus er bij, „zijt gij genezenquot; (1. Petr. II, 22—24). — „Niet alleen een krachtig geneesmiddel tegen de wonden „hebben wij door onzen goddelijken Heiland bekomen zegt de H. Chrysostomus (Hom. 10. over den brief aan de Kom.), „maar ook gezondheid, schoonheid, eer, rijkdom „en waarde, welke onze natuur verre tebovengaat.... want „wij hebben niet slechts zooveel genade ontvangen, als wij „noodig hadden ter uitwissching der zonden, maar nog „veel meer.quot; „Wanneer iemand,\'\' zoo schrijft dezelfde H. Kerkleeraar, „eenen mensch, die hem tien penningen schul-„dig was, in den kerker liet werpen, en er dan een ander „opdaagde, die hem niet alleen tien penningen, maar tien „duizend talenten goud schonk, den gevangene in een

•) Rogacci: Het éune noodzakelijke. Deel. I. iifdst. 2i.

-ocr page 273-

259

„koninklijk paleis tracht, op den verheven koningstrooa „plaatste en de hoogste eer en alle heerlijkheid met hem „deelde, zou dit niet eene onmetelijke weldaad zijn ? Welnu „veel meer, dan wij schuldig waren, heeft Jesus Christus „betaald, en daarenboven ons overgroote weldaden verleend.quot; Daarom schrijft de Apostel: „niet gelijk de misdaad, zoo „ook de gave. Want indien door de misdaad des éénen ..de velen gestorven zijn, veel meer is Gods genade des „éénen mensch Jesus Christus.quot; „Loof dan den Heer, „mijne ziel! en vergeet geene van zijne weldaden. Hij is „\'t, die al uwe zonden vergeeft, die al uwe krankheden „geneest, die uw leven verlost van het verderf, die u kroont „met goedheid en barmhartigheden.quot; (Ps. CU, 2—4).

Voor welke zonden heeft Christus voldaan?

Christus heeft voldaan voor de zonden der geheele wereld — voor de erfzonde en voor alle andere zonden der menschen. „Jesus Christus,\'\' zoo schrijft de H. Joannes aan de ge-loovigen, „is de verzoening voor onze zonden, doch niet „alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der geheele „wereldquot; (1. Joan. II, 2). Had Christus alleen voldaan voor de erfzonde, dan konden wij voor onze persoonlijke zonden op geenerlei wijze vergeving hopen of verkrijgen. Noch berouw noch tranen, noch vasten noch gebed, noch liefdewerken noch boetvaardigheid, met één woord niets, wat de mensch zich opleggen of wat hij lijden kan, zou in staat zijn de schuld ook maar van eene enkele zonde te delgen. Verkrijgen wij thans door den H. Doop vergeving der erfzonde, en door eene oprechte en rouwmoedige biecht vergeving van alle persoonlijke zonden, wij hebben dit te danken aan de voldoening van Jesus Christus, welke Hij door zijn bitter lijden en sterven voor onze talrijke en zware zonden gebracht heeft. — Daarom zegt de romeinsche Kate-cbismus (Deel I. art. 4. nquot;. 14): „wanneer iemand onder-„zoekt, wat de oorzaak is, waarom de Zoon Gods zich „aan het bitterst lijden heeft onderworpen, bij zal vinden, „dat, behalve de zonde van onze eerste ouders, de voor-„naamste oorzaak daarvan de zonden en misdaden zijn, „welke de menschen van den beginne der wereld tot op „den huldigen dag begaan hebben en verder nog tot aan „het einde der tijden bedrijven zullen. Want de Zoon Gods, „onze Verlosser, heeft bij zijn lijden en sterven voor oogen „gehad, de zonden der wereld uit te wisschen, en daarvoor „aan God, zijn Vader, rijke en overvloedige voldoening te „geven.quot;

37*

-ocr page 274-

260

Ook uwe zonden waren alzoo oorzaak van het bitter lijden en sterven van Jesus Christus. Om uwe onreine lusten is Jesus van zijne kleederen beroofd en gegeeseld; om uwen hoogmoed met doornen gekroond; om uwe eerzucht bespot, gehoond, bespuwd, met het purper der schande en met het gewaad der dwaasheid bekleed; om uwe onmatigheid met gal en azijn gelaafd; om uwe hebzucht aan handen

en voeten doorboord en naakt aan het kruis genageld.....

In alle waarheid moet ieder zondaar uitroepen: „ik ben „schuldig, o mijn goddelijke Verlosser, ja ik ben schuldig „aan uwe ongehoorde smarten, aau uwen schandelijken „kruisdood!quot;.... In Frankrijk had eene aanzienlijke dame haren zoon gedwongen, tegen zijn wil naar Italië te reizen. Hij stierf onderweg. Hierover bedroefd en zich als zijne moordenares beschouwende, onttrok de beklagenswaardige moeder zich aau het gezelschap harer vrienden, ging op het land wonen en leidde daar een zeer gestreng leven. Haar voedsel bestond voortaan in water en brood, en eerst tegen het einde harer dagen voegde zij er een weinig melk bij. De gedachte: „ik hen de moordenares van mijn zoonquot;, liet haar dag noch nacht met rust, drong als een dolk door haar hart en maakte haar ontroostbaar. ») — Met veel meer grond, dan deze moeder zich voor de moordenares van haren zoon hield, moeten wij ons voor de beulen en moordenaars van onzen Heiland, onzen Koning, houden. Hoezeer moet ons dit ter harte gaan, hoe groot moet daarbij onze smart, hoe diep onze droefheid zijn! Zielen, die Jesus innig liefhebben, zijn bij deze overweging meestal sterk ontroerd. quot;) — Zoo dikwijls de zalige Angela van Foligny het

1) Aldus Saint-Jure: Le livre des élus. Hfdst. 7.

2) Op zekeren dag verscheen onze Heiland aan de H. Catharina van Genua. De goddelijke Verlosser droeg op zijne schouders het zware kruis en teekende eiken voetstap af met het bloed, dat uit zijn overal met wonden overdekt lichaam vloeide. Tegelijkertijd hoorde zij inwendig de woorden: „ziet ge dit bloed? Weet, dat het uit liefde tot ,/U en ter uitwissching uwer zonden vergoten is.quot; Dat gezicht en die geheimzinnige vermaning maakten een zoo diepen indruk op Catharina, dat het haar in \'t vervolg steeds was, als had zij den met bloed bedekten , aan het kruis gehechten Heiland voortdurend voor oogen. Bij de gedachte, dat zij Hem al die smarten en beleedigingen veroorzaakt had, riep zij telkens: „o Jesus! mijne liefde, nooit, nooit /meer eene zonde!quot; De haat jegens zich zelve, welke haar sinds dat ooquot;-enblik bezielde, was zoo groot, dat zij dikwijls uitriep: »0 mijn „lieve Jesus! in ben bereid, als \'t ü behaagt, voor heel de wereld „mijne zonden te belijden.quot; Bij de generale biecht, welke zij daarna aflegde, was haar hart als verpletterd van berouw, en steeds bleef zij zoo goed gestemd, dat zij liever de pijnen van duizend heller; wilde verduren, dan de geringste zonde te bedrijven.

-ocr page 275-

261

afbeeldsel van een of ander geheim van het bitter lijden zag, en dan bij zich zelve overdacht, dat zij den Heiland zoo groote kwellingen veroorzaakt had, gevoelde zij de hevigste smarten. Desgelijks wordt verhaald van een pelgrim uit de stad Dinant, die in het jaar 1216 met veel godsvrucht de plaatsen bezoekende, welke de Godmer.sch door zijn lijden geheiligd heeft, op den Calvarieberg gekomen, zijne droefheid bij de herinnering aan het lijden des Heeren niet kon bedwingen, maar stroomen van tranen vergoot en luid begon te kermen. Zijn hart kon die ontroering niet lang verduren, het brak, en de vrome pelgrim zonk ontzield op die heilige plaats neder. \') — Wij hebben voorzeker niet minder reden over het lijden van Jesus te treuren, dan de zalige Angela en deae rouwmoedige bedevaartganger Waren wij niet, door onze zware en talrijke zonden, oorzaak van \'s Heeren lijden? En toch, hoe gering is onze smart bij de gedachte aan de pijnen, welke de Heiland om onzeutwil heeft uitgestaan ?

ïï\' as het noodzukelylc, dat Christus ter voldoening voor onze zonden zoo onbeschrijfelijh veel leed ?

Ook het geringste lijden van den Godmensch zou op zich zelve genoeg geweest zijn, wijl elk zijner werken van oneindige waarde is. — Een enkele bloeddruppel van Jesus Christus, zegt Paus Clemens VI,1) zou voldoende geweest zijn, om geheel het menschelijk geslacht te verlossen, daalde heilige menschheid van Christus met het goddelijk Woord tot één persoon vereenigd was. Immers hoe voornamer de persoon is, die voldoet, des te grooter is ook de waarde der voldoening, wijl de eer, welke daardoor den beleedig-den persoon bewezen wordt , eveneens des te grooter is. Zoo wordt bijv. een vorst veel meer geëerd als een andere vorst hem te voet valt of de hand kust, dan wanneer een gering onderdaan hem diezelfde hulde brengt. De handelingen nu van Jesus Christus, ofschoon in de menschelijke natuur verricht, zijn handelingen van God den Zoon, en als zoodanig van oneindige waarde. Daarom had ook het geringste werk, hetwelk Jesus Christus zijn hemelschen Vader ter voldoening voor onze zonden aanbood\', eene oneindig verzoenende kracht, en dit te meer, daar alle werken

1

) Extravag. //ünigenitusquot; de poenit. ct remiss.

-ocr page 276-

262

van den Godmensch uit oneindige liefde tot den Vader en tot den mensch volbracht werden. — Daar Jesus nu niet een, maar al zijne werken, van het eerste oogenblik van zijn sterfelijk leven tot het laatste, voor ons opgeofferd heeft, blijkt het van zelf, dat Hij niet alleen genoeg, maar overvloedig voor ons voldaan heeft, en dat Hij ons, gelijk de bovengenoemde Paus leert, een oneindigen schat van verdiensten verworven heeft, welke nooit uitgeput, noch op eenigerlei wijze verminderd kan worden. Met recht hoopt derhalve onze ziel op den Heer : „want bij den Heer „is barmhartigheid en bij Hem is overvloedige verlossingquot; (Ps. CXXIX, 7), en zeer juist zegt de Apostel: „waar „de misdaad overvloedig is geworden, is de genade nog „meer overvloedig gewordenquot; (Rom. V, 20).

Waarom tvilde Christus niettemin zooveel voor ons lijden ?

Hoofdzakelijk1) 1) opdat wij des te beter de grootheid zijner liefde zouden erkennen. — Het geringste lijden, de geringste vernedering, een zucht, een traan van Jesus Christus was wel genoeg, om de zonden van alle menschen uit te wisschen; „maar wat ter verlossing genoeg was, was „niet genoeg voor zijne liefde,quot; zegt de H. Chrysostomus. Daar er namelijk geen krachtiger bewijs van ware en be-langelooze liefde is, dan te lijden voor hem, dien men lief heeft, wilde Jesus, om ons de grootheid en hartelijkheid van zijne liefde levendig voor oogen te stellen, onuitsprekelijk veel lijden en zelfs zijn leven voor ons ten offer brengen. De H. Joannes zegt: „Daaraan hebben wij de „liefde Gods erkend, dat Hij zijn leven voor ons ten beste „gafquot; (1. Joan. Ill, 16), en de Apostel: „Hij heeft mij „bemind en zichzelven voor mij ten offer gebracht\'\' (Gal. II, 20). Ja, meer dan zijn eigen leven heeft Hij mij bemind , daar Hij zich voor mij opofferde, voor mij aan \'t kruishout stierf; zoo mag ieder onzer tot zich zeivan spreken. „Want,quot; zegt de H. Chrysostomus (over den Gaia-tenbrief, hfdst. 2), „Jesus zou niet geweigerd hebben, zelfs „ter wille van een enkelen, mensch te worden; daar Hij. in „dezelfde mate als de geheele wereld, ook iederen mensch „in het bizonder lief heeftquot; ^). En waarom liet Jesus, er

\') S. Thom. Sum. 3. q. 46. a. 3.

2) De H. Gertrurla kreeg eens van Jesus, haren goddelijken Bruidegom, de volgende les. Zoo dikwijls de mensch zijn oog op het beeld van den Gekruiste vestigt, moet hij innig overtuigd zijn, dat

-ocr page 277-

263

zich zooveel aau geleger zijn, u te toonen, hoezeer zijn hart van lieide tot u brandt? Ongetwijfeld, opdat gij Hem eveneens beminnen , en door die wederliefde uw geluk bevestigen zoudt. Beschouw dan, Christen, den lijdenden en aan het schandhout stervenden Verlosser. Al zijne wonden, elke bloeddruppel, die er uit vloeit, elke zucht van zijn minnend hart, elke lastering en bespotting, die zijnen doodstrijd verbitteren, de laatste ademtocht en de opening van zijn heilig hart roepen ieder onzer toe; zie, hoe Ik u heb lief gehad, o schenk Mij uwe wederliefde! — Ja! wij willen Jesus beminnen; want zoo als Hij heeft niemand ons bemind, kan niemand ons beminnen. Leve Jesus, de Gekruisigde, onze liefde !

Christus heeft 2) willen lijden, opdat wij de boosheid en strafwaardigheid der zonde erkennen en die des te meer verfoeien en vluchten zouden. — Wie zal besluiten, het kwaad te bedrijven, als hij bedenkt, hoe onuitsprekelijk veel de Heiland om de zonde geleden heeft? Zeg eens, christen lezer, wanneer gij het geluk hadt gehad, Jesus op aarde te zien en als uwen God te erkennen, zoudt gij dan wel vermetel, ondankbaar, wreed en goddeloos genoeg geweest zijn , om u bij de ontaarde en diep bedorven Joden te scharen en Hem, den Koning der heerlijkheid, te bespotten , te geeselen, met doornen te kroonen ,te kruisigen ? O zeker niet! Maar wat doet gij thans, wanneer ge zondigt? Bedrijft gij dan niet, wat Christus meer verfoeit, dan de grootste pijnen en den bittersteu dood, welken Hij voor ons ondergaan heeit ? Met vreugde en een vurig verlangen onderwierp Christus zich aan het lijden en den dood, toen het er op aankwam, de zonden der wereld te delgen. De zonde was bijgevolg in zijn oog een oneindig grooter en verfoeielijker kwaad, dan marteling en kruisdood. Van u gelden alzoo de woorden van den H. Paulus aan de Hebreeuwen : ,;zij (de zondaars) kruisigen andermaal den Zoon „Gods en drijven den spot met Hem.quot; Gij vernieuwt de onteeringen, welke den Heer in dagen van zijn sterfelijk leven zijn aangedaan; gij geeselt, kroont en kruisigt Hem

Jesus hem aldus toespreekt: «zie, hoe Ik uit liel\'de tot u ontbloot, «bespot, ontvleescht en wreed mishandeld aan het kruis genageld //ben! En toch brandt mijn hart ook nu nog zoozeer van lieide tot //U, dat Ik, ware het noodig voor uw geluk, en stond er geen andere «weg tot uwe redding open, ieder oogenblik bereid zou wezen, voor ,u al het mogelijke te lijden, wat Ik voor de geheele wereld geleden ,heb.quot; Bij deze overweging moet de Christen gevoelens van hartelijke dankbaarheid in zijn hart opwekken, dan zal hij nooit zonder vrucht zijn oog op het kruisbeeld werpen.

-ocr page 278-

264

ten tweede male; gij verDieuwt, zoo veel in u is, alle smarten en den bitteren dood van den Godmensch. Üwe zonde is den Heiland onuitstaanbaar; om de zonde toch heeft Hij alles geleden en zou Hij andermaal moeten lijden, indien Hij dat nog kon, en indien zijn lijden en dood niet toereikend waren geweest, om alle zonden van alle menschen uit te wisschen. — Overweeg dit wel en bedenk, dat uwe zonde u zwaarder zal toegerekend worden, dan den Joden de hunne, wijl deze, gelijk de Apostel getuigt, „den Heer „der heerlijkheid nimmer zouden gekruisigd hebben, bij-„aldien zij Hem (als zoodanig) erkend hadden1\' (l.\'Cor. II, 8), terwijl gij er u op beroemt. Hem te kennen, maar door uwe handelingen Hem verloochent (Tit. I, 16), en zoo in zekeren zin geweldadig de hand aan Hem slaat i).

En hoe durft gij dan nog denken en zeggen ; God ziet zoo nauw niet op de zonde, Hy zal niet zoo streng met mij handelen ? — Zie op naar den Gekruisigde, tel zijne wonden, beschouw zijn heilig bloed, zijn verbleekt gelaat, zijn stervend oog, hoor zijn laatste woord, zijne laatste verzuchting! Jesus, de Heiligste en Onbevlekte, Jesus, de eengeboren Zoon van God, het voorwerp van het welbehagen des Vaders, Jesus gevoelt op den Calvarieberg aan het kruishout de gestrengheid der goddelijke Gerechtigheid, Hij geeft onder verschrikkelijke pijnen den geest, wijl Hij borg is geworden voor u, wijl Hij uwe misdaden op zich heeit geladen. Welke straffen zullen u eenmaal treffen, als gij

\') De lieidcnsclie schrijver Valerius Maximus (Boek V. hfdst. 9), verhaalt de volgende geschiedenis. Een braven vader werd bericht, dat zijn zoon zwanger ging van het plan om hem te vermoorden. Hoewel het hem in den beginne onbegrijpelijk voorkwam, dat zijn kind ondankbaar genoeg zou wezen, zulk een voornemen te koesteren, overtuigde hij zich evenwel al spoedig van de waarheid der gedane mededeeling. Meer bezorgd voor zijn ontaarden zoon, dan voor zicli zeiven, huiverde de ongelukkige vader bij de gedachte, dat zijn kind eenmaal tot straf voor den gepleegden vadermoord door de hand des beuls zou moeten sterven. Hij gaat naar hem toe, geleidt hem naar eene algelegen, eenzame plaats, geelt hem daar een dolk in de hard, ontbloot zijne borst, en zegt: ;/doe, wat gij voor hebt, vermoord «■uwen vaderl hier kunt ge het ongestraft doen!quot; Zooveel liefde ontwapende den booswicht. Met afschuw wierp hij het moordstaal weg, viel zijn vader schreiend te voet, smeekte hem om vergeving, en was voortaan een goede zoon. — Jesus, onze Heiland, Jesus, onze Koning en God, heeft zich aan zijne doodsvijanden overgeleverd, marteling en dood ondergaan, om ons aan de straffen der goddelijke Gerechtigheid te onttrekken. En toch zijn er Christenen, die ondankbaarder, verstokter en wreeder dan die onnatuurlijke zoon, hunnen Heiland door zware zonden andermaal kruisigen! O boosheid! o schande!

-ocr page 279-

265

niet ophemelt, door de zonde het lijden en den dood van Christus te vernieuwen ? God heeft, om uwe zonden te delgen, ziin eenigen Zoon niet gespaard: zal Hij u wel sparen, als gij Hem andermaal beleedigt en onteert, het verlossingswerk van zijnen Zoon verijdelt? — Christen, vergeet het nimmer! De zonde is geene kleinigheid, God straft ze vreeselijk, wellicht reeds hier, zeker in de eeuwigheid!

3) Christus wilde zooveel liiden, opdat ook wij ons kruis met des te meer geduld zouden dragen. — Christus is niet gekomen, om ons te bevrijden van alle tijdelijke onheilen en rampen, welke als gevolgen der zonde ons treffen, maar om ons te leeren , overeenkomstig Gods wijze raadsbesluiten, die met geduld te dragen, en er eene rijke bron van verdiensten voor den hemel van te maken. Daarom wilde Jesus ons een voorbeeld geven, hoe wij het lijden en de moeielijk-heden geduldig moeten dragen. En inderdaad, had Hij wel een beter middel kunnen aanwenden, om ons geduld in te prenten en de waarde der rampen te leeren kennen, dan zijn voorbeeld? Als Jesus, de Heer, zooveel lijdt, hoe kan de dienaar zich dan beklagen? Als Jesus, de Onschuldige, den lijdenskelk tot op den bodem ledigt, hoe durft dan de schuldige weigeren, dien te drinken ? Als Jesus, de geboren erfgenaam van het vaderlijk rijk, door lijden en dood het moet binnengaan, kan dan zijn medeërfgenaam uit gunst een anderen weg bewandelen, dan den koninklijken weg des kruises, om daar eene plaats te vinden? Deze beweegredenen stelt de Apostel den verdrukten gelooviger. levendig voor oogen met de woorden: „laat ons opzien tot Jesus, „die voor de vreugde. Hem voorgesteld, het kruis verdragen „en de schande veracht heeft, en (thans) gezeten is aan de

„rechterhand des troons van God. Ja, denkt aan üem____

„opdat gij niet verflauwt en uwen moed niet laat zinkenquot; (Hebr. XII, 2, 3). — Welaan, Christen, vestig dan uwen blik op Jesus, den Gekruiste. Ziet op Jesus, armen en noodlijdenden! Hij was nog armer en in grooter nood dan gij: gij weet, waar ge uw hoofd kunt neerleggen, Jesus wist het niet; u wordt ten minste een dronk helder water aangeboden , Jesus moest gal en azijn drinken.... Ziet op Jesus, miskenden en vervolgden! Zoo schandelijk miskend, zoo wreed vervolgd gelijk Hij, zijt gij het niet. ,.. Ziel op Jesus, zieken en gebrekkigen! Wat zijn uwe smarten in vergelijking met het lijden van den Gekruiste?.... Ziel op Jesus, gij die troosteloos zijt en velerlei wederwaardigheden ondervindt! Nog hebt gij geen bloed gezweet.... Sinds Christus marteling en dood ondergaan heeft, is het

-ocr page 280-

266

lijden de weg ter zaligheid, \') de dood de poort ten eeuwigen leven geworden. 2)

\') Toen de H. Franciscus van Assisi op zekeren dag hevige smarten gevoelde, zeirle een broeder tot hem: goede vader! bid toch ;/dat God uwe pijn verzachte en den lijdenskelk van u neme; zijne ;/hand drukt al te zwaar op u.quot; Die taal beviel den Heilige volstrekt niet, en op strengen toon sprak hij tot den voorbarigen broeder: »a!s «de eenvoud van uw hart u niet eenigszins verontschuldigde, zoudt ,/giJ voortaan niet meer onder mijne oogen mogen komen. Hebt gij „dan nog nooit uwen Heiland in den hof van Olijven beschouwd? //Hebt ge uit zijn goddelijken mond nog nooit de schoone woorden //gehoord: Vader niet mijn, maar uw wil geschiede! Zie, zoo spreekt //ook een ieder, die met Christus wil lijden.quot; Daarom vouwde Franciscus zijne handen en bad; «mijn God! de vervulling van uwen wil //is mijn zoetste troost op aarde. Wat Gij wilt, o Heer, zal aan mij .geschieden, niet wat ik wilquot; (Mehler\'s Beispiele).

Eene adellijke jonge dochter had het besluit genomen in eene zeer strenge orde te gaan. Zij meldde zich tedieneinde bij de overste aan, en verzocht opgenomen te worden. Deze, eene brave en verstandige vrouw, wilde de roeping van de postulante een weinig op de proef stellen en schetste haar derhalve met sterke kleuren de moeielijkheden van het kloosterleven in het algemeen, en de strengheden van hare orde in \'t bizonder. De jonge dame scheen getroffen en bleef op onderscheiden vragen liet antwoord schuldig. //Mijne dochter,quot; hernam de overste, //antwoordt ge niet?quot; — //Ik heb u maar één ding te vragen,quot; sprak nu de jonkvrouw, «zijn er bij u ook kruisbeelden? Zal ik er „een vinden in die celle, waar men zoo nauw woont en op zulk een „hard bed moet slapen, in die eetzaal, waar het voedsel zoo spaar-z/zaam en onsmakelijk is, in die kapittelkamer, waar men zulke strenge «berispingen krijgt?quot; — vJa, mijne dochter, in al die vertrekken „zult gij kruisbeelden vinden.quot; — „Welnu,quot; antwoordde de postulante, „waar ik het beeld van mijn gekruisten Heiland aantref, hoop „ik niets ondragelijk te vindenquot; (Debussi\'s Meimaand).

2) De Christenen der eerste eeuwen ondergingen, met het oog op Jesus, den Gekruiste, verheugd den dood, dewijl zij dien als eene deelname aan liet lijden en sterven van hunnen Heiland en ah de intrede in het betere leven beschouwden; ditzelfde vond in latere tijden veelvuldig plaats. Van de tallooze voorbeelden, die bijna op elke bladzijde der kerkelijke geschiedenis, vooral van Japan, voorkomen , willen wij er slechts een enkel aanhalen, dat tot den lateren tijd behoort en wellicht minder bekend is. — Onder de regeering van Hendrik VIII, koning van Engeland, die, door zijne schandelijke driften voortgestuwd, de Katholieken hevig vervolgde, was Joannes Fischer, een voorbeeld van deugd, ijver en getrouwheid, op den bisschoppelijken stoel van Rochester gezeten. Van staatswege opgeroepen , om den koning als opperhoofd der Kerk te erkennen, weigerde hij vastberaden, en werd daarom, als schuldig aan hoogverraad, ter dood veroordeeld. Toen men den eerbiedwaardigen grijsaard den dood aankondigde, schreide hij tranen van vreugde. „O mijn Jesus,quot; riep hij blijde uit, „ik ben dan waardig gekeurd, voor U te lijden „en te sterven! Dat men mij terstond, zonder uitstel ter dood brenge.quot; Zoodra de heldhaftige belijder in de verte de plaats zag, waar het vonnis zou voltrokken worden, wierp hij den stok weg, die hem tot steun gediend had, en sprak op blijden toon: „vooruit, met moed „vooruit; het einde is nabij!quot; Op het schavot gekomen, wenechte hij zijnen koning alle heil, \'bad luide het Te Deum, beval zijne ziel der goddelijke Barmhartigheid aan , legde vervolgens zijn grijs hoofd op het blok, en na een oogenblik vloog zijne schoone ziel ten hemel, om den palm der martelaren en de kroon des levens te ontvangen.

-ocr page 281-

2(57

Waarvan heeft Jesus Christus door zijn lijden en sterven ons verlost?

1) Christus heeft ons verlost van de zonde. — Christus heeft namelijk der goddelijke Gerechtigheid eene volkomen ja overvloedige voldoening voor alle zonden der menscheu gebracht, en om die oneindige voldoening verkrijgen wij van God vergeving van onze zonden — zoowel van de erfzonde , als ook van de dadelijke , d. i. door onzen eigen vrijen wil bedreven zonden. Daarom staat van Hem geschreven: „Zie het Lam Gods, dat wegneemt de zonden „der wereldquot; (Joan. 1, 29); want zonder Christus zou de zonde als een drukkende last ons eeuwig bezwaard hebben. — Daar Jesus Christus hoofzakelijk door zijn bitter lijden en sterven, door het storten van zijn bloed, de zonden dei-wereld heeft weggenomen, wordt de vergeving der zonde vooral aan het heilig hloed van Christus toegeschreven. Jesus zelf zegt bij het laatste avondmaal tot zijne leerlingen , terwijl Hij hun de kelk van zijn heilig bloed toerijkt: „Dit „is mijn bloed des Nieuwen Verbonds, hetwelk voor velen (d. i. voor alle menschen) „zal vergoten worden, tot vergiffenis der zondenquot; (Matth. XXVI, 28). En Paulus zegt: „dat wij door zijn (des Heilands) bloed de verlossing, „de vergeving der zonden hebbenquot; (Eph. I, 7). Desgelijks leert de H. Joannes in de geheime Openbaring (I, 5), dat Jesus Christus „ons bemind en ons gewasschen heeft van „onze zonden met zijn bloed.\'\' — Ook het Oude Verbond werd met bloed bezegeld, en bijkans alles met bloed gereinigd, en zonder bloedvergieten was er geene vergeving (d. i. geene uitwendige reiniging, een zinnebeeld van de beloofde innerlijke Hebr. IX, 20—22), om aan te duiden, dat Christus, de oorsprong van hel Nieuwe Verbond, dit eveneens met zijn bloed bezegelen, en door het storten van zijn heilig bloed de harten der menschen van de vlekken der zonden reinigen zou.

Christus heeft ons 2) verlost van de slavernij des duivels, die door de zonde ons overmeesterd had. — Dat en inhoe-ver wij in de slavernij des satans gekomen zijn , is vroeger reeds aangetoond; dat Jesus Christus door zijn dood aan het kruis den helschen tiran overwonnen en ons uit diens boeien bevrijd heeft, betuigde de Heiland zelf, toen Hij, bij het naderen van zijn dood, tot zijne leerlingen sprak: „nu is het oordeel der wereld: nu zal de vorst dezer wereld „buiten geworpen worden. En ik, wanneer Ik van de aarde „zal opgeheven zijn, zal allen tot Mij trekkenquot; (Joan. XII,

-ocr page 282-

268

31, 32). Wie leest in deze woorden niet de zegepraal van den Gekruiste over satan, den vorst der wereld , de overwinning, die de bevrijding van het in slavernij verzuchtend raenschdom tengevolge had ? Satan beheerschte de wereld naar willekeur door de onverzadelijke begeerte naar rijkdommen, ijdele eer en zingenot; Jesus, de Gekruiste, verbrak de drievoudige slavenketen door zijne vrijwillige armoede en ontberingen, door zijne diepe vernedering, door zijn allerbitterts lijden. Satan had de harten dermenschen aan zich geboeid door bedriegelijke beloften en voorspiegelingen, hij had zich als hun God opgeworpen en, als zoodanig, gruwelijke en onteerende huldigingen geëischt; .lesus de Gekruiste trok de menschen tot zich door de onweder-staanbare macht zijner groote liefde, en leerde hun door zijn voorbeeld, een onbevlekt, ootmoedig en geduldig hart aan God ten offer brengen. Daarom is het kruis de zegevaan des Verlossers, waarvoor de hel siddert en op de vlucht gaat, de tempels der afgoden ineenstorten, de macht des Heidendoms verdwijnt als een nachtelijke droom. Zeer schoon en krachtig schrijft de Apostel Paulus: „Christus Leeft „vleesch en bloed aangenomen, opdat Hij, door den dood „hem zoude te niet doen, die de macht des doods had, „dat is, den duivel, en verlossen zoude allen, die door de „vrees des doods, gedurende geheel hun leven, der slavernij „onderworpen warenquot; (Hebr. II, 14, 15). Daar Jesus doorzijn dood aan het kruis de menschen van de strikken der zonde en van de straffen des eeuwigen doods bevrijdde, ontnam Hij hun ook de vrees voor den tijdelijken dood, die gewis voor de zondaars verschrikkelijk, maar voor de rechtvaardigen en met God verzoenden een zachte sluimer is, waaruit zij , door Christus opgewekt, ten eeuwigen leven ontwaken. Ofschoon aan den duivel niet alle macht is ontnomen, om ons te vervolgen en opnieuw in zijne slavernij te lokken, is die macht toch zoo gebroken, dat alleen de lafaard door hem overwonnen kan worden , vooral omdat de Verlosser op de strijders nederziet, hen aanmoedigt, ondersteunt en opricht, en hun de onvergelijke kroon der overwinning voor oogen houdt, liet een vast vertrouwen kan bijgevolg de soldaat van Christus in den strijd tegen de helsche machten uitroepen : De Heer is mijn heil wien zou ik vreezen ? De Heer is mijn beschermer, voor wien zou ik beven? Wanneer de vijanden, als grimmige dieren, mij aanvallen, zullen zij krachteloos ter aarde storten. „Al zou een geheel leger tegen mij opstaan; mijn hart zal „niet vreezen , wijl de Heer met mij isquot; (Ps. XXVI, 3).

Christus heeft ons 3) bevrijd van de eeuwige verdoemenis,

-ocr page 283-

269

welke wij door de zonde verdiend hebben. Het vonnis dei-eeuwige verdoemenis was over alle menschen uitgesproken. Geheel het menschdom had het in den persoon van den Kondigen stamvader als het ware onderteekend, en door persoonliik te zondigen heeft ieder zondaar voor zich zelven eveneens gedaan. Dit handschrift lag, om zoo te spreken, in de hand des duivels, wien God de voltrekking van zijn vonnis had overgelaten, en geen mensch was in staat, zich aan hem te onttrekken. „God heeft ons echter niet tot toorn (ter verdoemenis) bestemd, maar tot verkrijging der „zaligheid door onzen Heer Jesus Christus, die voor ons „gestorven isquot; (1. Thess. V, 9). Deze „wischte het hand-„schrift der veroordeeling uit, en hechtte het aan \'t kruisquot; {Coll II, 14). Hij nagelde het aan \'tkruis, opdat, gelijk Bossuet opmerkt, „de goddelijke Vader niet op ons dood-„vonnis zou kunnen zien, zonder tegelijk het teeken van „den verzoenenden offerdood van zijn eengeboren Zoon voor „oogen te hebben.quot; — O, hoe dankbaar moeten wij derhalve onzen goddelijken Heiland niet wezen voor zijn bitter lieden en sterven! Als iemand met eigen levensgevaar u uit een brand redde, zoudt gii u dan niet verplicht achten,

hem altijd dankbaar te zijn ?..... Oneindig meer heeft

Jesus voor u gedaan. Niet alleen met gevaar, maar door het offer van zijn leven, door zijn laatsten druppel bloed te vergieten, heeft Hij u van den dood, van de vlammen der hel bevrijd. Is het niet billijk, dat gij, uit dankbaarheid voor die onschatbare weldaad , u geheel aan zijn heiligen dienst toewijdt, dat gij alles doet voor Hem, die zoo onuitsprekelijk veel voor u gedaan en geleden heeft, die uit liefde tot aan het kruis zijn leven heeft opgeofferd ? Is \'t niet billijk, dat gij bij al uw doen en laten Jesus, den Gekruisigde, zoekt te behagen, door getrouw zijne lessen op te volgen en zijn heilig voorbeeld na te streven? Dit alleen vraagt de Heiland van u ten dank voor zijn lijden en zijnen dood; ,,want Christus,quot; zegt de Apostel, ,.is voor allen gestorven, opdat zij, die leven, niet meer „voor zich leven, maar voor Hem, die voor allen gestor-„ven isquot; (2. Cor. Y, 15). Wees derhalve steeds braaf en deugdzaam, en het kostbaar bloed van Jesus Christus zal voor u niet te vergeefs gestort zijn.

Wal heeft Jesus Christus verder door zijn lijden en sterven ons verworven ?

1) Christus heeft ons met God verzoend. De zonde heeft vijandschap gemaakt tusschen God en den mensch. Reeds

-ocr page 284-

270

„van nature kinderen van gramschapquot; (Eph. II, 5), hielden de nakomelingen van onzen stamvader niet op, door persoonlijke misdaden de goddelijke Majesteit te beleedigen en de schaal van zijn gerechten toorn meer en meer te vullen. Aan eene verzoening met God viel derhalve in het geheel niet meer te denken : daartoe ontbrak de wil en de macht. Toen trad onze Heiland, Jesus Christus, als middelaar op en bracht door zijn kruisdood de volko-menste verzoening tot stand. Door Jesus Christus werd God in den hoogen de ontroofde eer, den menschen op aarde de vrede teruggeschonken; door Jesus „hebben wij „weder ontvangen den geest der aanneming tot kinderen , „in welken wij roepen: Abba, Vader!quot; (Rom. VIII, 15). „Als wij vijanden waren, zijn wij met God verzoend door „den dood van zijnen Zoonquot; (Rom. V, 10). Christus

„maakte vrede.....verzoende ons met God door het kruis,

„daar Hij de vijandschap door zich zeiven (d. i. door het offer van zich zeiven) „dooddequot; (Eph. II, 15, 1G). Daarom wordt Christus terecht „de Middelaar tusschen God en de „menschenquot; genoemd. — De verzoening, welke de Heiland bewerkt heeft, wordt door den Apostel vooral aan\'s Heeren dood toegeschreven: ten eerste, omdat daardoor de zonde, de oorzaak der vijandschap met God, uitgewischt, en dus de hinderpaal der verzoening opgeheven werd; maar ten tweede ook, omdat de dood het welgevalligste offer voor God, de volmaaktste hulde, en bijgevolg bizonder geschikt was, den Allerhoogste te bewegen, zijne vaderlijke goedheid en genade te schenken. Daarom schrijft de Apostel (Eph. V, 2): „Christus heeft ons bemindquot; en zich voor ons overgegeven ,,als eene gave en offer, tot een welrieken-„den geur.quot; Wanneer onder menschen, die jaren lang in vijandschap geleefd hebben, eene volkomen verzoening tot-stand komt, stelt de beleedigde zich niet tevreden, de oorzaak van den haat en de tweedracht weg te nemen, maar beijvert zich daarenboven, door geschenken of eenige hulde zich welgevallig te maken: zoo wilde ook Jeamp;us, ter volkomen verzoening van den zondigen mensch met den beleedigden God, niet enkel de zonden wegnemen, maar ook door een offer van oneindige waarde de bi.zon-dere goedheid van den Allerhoogste voor de zondaars verwerven. Dit offer nu was zijn dood aan het kruis. \')

2) Christus heeft den hemel weder voor ons geopend. De tweede vrucht van den kruisdood van onzen Heiland is de wederopening van het hemelrijk, dat, gelijk boven gezegd is,

\') S. Thora. Sum. 3. q. 49. a. 4.

-ocr page 285-

271

door de zonde was gesloten. Daar de menschen door de volkomen verzoening met God wederom in de waardigheid van het kindschap Gods hersteld waren, traden zij ook opnieuw in de rechten der kinderen Gods ; de ingang in het vaderhuis stond hun weder open, en het recht op het vaderlijk erfgoed was hun terug geschonken. „Wij hebben eene ge-„gronde hoop, in het heiligdom (den hemel) door het bloed ,.van Christus in te gaan, waarheen Hij ons een nieuwen „en levendigen weg bereid heeftquot; schrijft de Apostel aan de Hebreeuwen (X, 19, 20). Met recht noemt derhalve de H. Chrysostomus het kruis van Christus de hoop des Christens, den sleutel van het paradijs, en zingt de H. Kerk: „gegroet o kruis, mijne eenige hoop!quot; — Hoe zou de hemelsche Vader de poorten des hemels voor ons kunnen sluiten, die zijn eeniggeboren Zoon door zijn lijden en dood ons geopend heeft? Neen, alleen de zonde, die den Gekruiste en het heilig, tot onze zaligheid vergoten bloed onteert, alleen de zonde kan de deur des hemels opnieuw voor ons sluiten.

3) Christus heeft door zijn lijden en sterven overvloedige genade voor ons verdiend, waardoor wij heilig en zalig kunnen worden. Gelijk Adam, onze lichamelijke stamvader, als hoofd van geheel het menschdom, door zijne ongehoorzaamheid niet enkel voor zich zei ven, maar ook voor alle menschen de goddelijke genadegaven verloren heeft, zoo heeft ook Christus, onze geestelijke stamvader, als hoofd van het vernieuwd geslacht, door zijne vrijwillige gehoorzaamheid tot in den dood des kruises, niet alleen voor zich de verheerlijking zijner heilige menschheid, en een naam, die boven alle namen is, maar ook voor ons overvloedige genade ter eeuwige zaligheid verdiend \'). „Christus,\'\' zegt

\') Verdienen in het algemeen is eene handeling verrichten, die recht op belooning of vergelding geeft. — Dat Christus in den eigenlijken zin verdiend heeft, is eene geloofswaarheid, welke zoowel op de U. Schrift als op de Traditie steunt. Hij heeft verdiend van het eerste oogenblik van zijn sterfelijk leven tot aan het laatste en onophoudelijk. Met den dood eindigde bij Hem, gelijk bij ons, dc tijd van zijne aardsche loopbaan, derhalve ook van verdienste. Dit duidt Christus zelf aan in de woorden, welke Hij met betrekking tot zich zeiven sprak: «de nacht komt, wanneer niemand werken kanquot; (Joan. IX, 4). — Het valt niet te ontkennen, dat ook het heilig bloed, hetwelk uit zijne doorboorde zijde vloeide, tot ons heil strekte; dit was echter slechts inzooverre verdienstelijk, als Christus krachtens zijne goddelijke alwetendheid het reeds vóór zijn dood ter onzer verlossing had opgeofl\'erd. — Christus heeft niet alleen voor ons, maar ook voor zich zeiven verdiend. Voor ons heeft Hij verdiend: vergeving der zonden, de genade der rechtvaardigmaking, de toekomstige opstanding, de eeuwige zaligheid en alles, wat tot verkrijging daarvan dienstig en

-ocr page 286-

272

Chrj-sostomus (over den brief aan de Eomeinen, hom. 10) „heeft niet enkel zooveel weder goed gemaakt als Adam „bedorven had, maar nog meer en in eene veel hoogere „mate;quot; en de H. Leo (1. Pr. over de Hemelvaart): „Wij „hebben door de onuitsprekeliike genade van Jesus Christus „meer en iets grooters verkregen, dan wii door den nijd ,,des satans verloren hadden.\'\' Deze gezegden worden ten volle gerechtvaardigd door de woorden des Apostels: „God

voordeelig- is. Voor zich zeiven, d. i. voor zijne heilige menschlieid heeft Hij alles verdiend, wat deze eerst na den dood erlangde, bijv. de onlijdelijkheid der ziel, de verheerlijking des liehaams, de glorievolle verrijzenis, de hemelvaart, enz.; eveneens de verheerlijking van zijnen naam en alles, wat daarop betrekking heeft, zoodat. Hij ook als mensch het Hoofd der Kerk, de Rechter van levenden en dooden is, wien alle macht en aanbidding in den hemel en op aarde toekomt. Hit blijkt uit vele plaatsen der H. Schriftuur; Is. LUI, 10—12; Luc. XXIV, 26; .loan. XVIII, 5; Phil. II, 9—11; Hebr. 11,8; Openb. V, 12 ; enz. Wie ontkent dat Christus ook voor zich zeiven verdiend heeft , treedt in het dwaalspoor van Calvijn. — Verscheiden Godgeleerden zijn van meening, dat Christus door zijn lijden en sterven ook de heiligmakende genade en al die genadegaven verdiend heeft, welke Hij ten gevolge der hypostatische vereeniging van af het eerste oogenblik van zijn sterfelijk leven bezat, derhalve ook de eeuwige zaligheid. welke in het aanschouwen van God bestaat, daar niemand de heiligmakende genade verdient, zonder tegelijk de eeuwige zaligheid te verdienen. De meerderheid der Theologanten , waaronder de H. Thomas, Bonaventura en Suarez, deelen echter op goede gronden niet in dit gevoelen, hoewel laatstgenoemde toegeeft, dat het noch vermetel, noch onwaarschijnlijk is. — In alle geval moet de katecheet zich wel wachten, dit punt zoo voor te stellen, 1) alsof Christus de verheerlijking van zijn heilig lichaam, waarvan boven spraak was , niet als helooning gehoorzaamheid en zijner vernedering tot in

den dood des kruises ontvangen heeft; want daardoor zou hij in strijd komen met de uitspraak der H. Schrift; 2) alsof het een leerstuk der J\\crA; is, dat Christus voor zich den hemel, d. 1. de wezenlijke zalig-heid , als loon verdiend heeft, daar de meeste en uitmuntende Godgeleerden het tegendeel beweren. Het eerste is, gelijk we opmerkten, eene theologische meening, welke niet onaannemelijk is, maar geens-z,nSr. ^j61* ^61* Kerk. Eindelijk 3) mag niet zoo geleerd worden, alsof datgene, wat Christus inderdaad voor zich verdiend heeft, en volgens Gods beschikking verdienen moest (Luc XXIV. 26). Hem als den waren Zoon van God niet buitendien toekwam; als had Hij, bijaldien dit alles door zijn lijden en dood niet verdiend was, geen recht of geene aanspraak daarop gehad , gelijk wij geene aanspraak op de zalige opstanding en den hemel hebben, indien wij die goederen J11!6,? }rerdienen- Door eene dergelijke voorstelling zou men ongetwij-i ld de waardigheid en de gerechte aanspraken van God den Zoon te kort doen. De engelachtige leeraar, de H. Thomas , drukt zich daarover aldus uit: //Christus heeft niet gelijk wij mensclien verdiend , *-om een recht te verkrijgen op iets, waarop Hij er nog geen had, //ook quot;iet om een hooger recht te verwerven, dan Hij reeds had, ^maar enkel, om het recht, dat Hij door de hypostatische vereeniging „bezat, ook als verdienste te bezitten.quot; — Op gelijke wijze kan een koninklijke prins het geboorterecht op den troon ook door persoonlijke heldendaden verdienen.

-ocr page 287-

273

„heeft ons gezegend met aile geestelijke zegeningen, met

„hemelsche gaven in Christus.....naar den rijkdom zijner

„genade, welke ons overvloedig is ten deel grewordenquot; (Eph. I, 3, 7, 8). Op eene andere plaats (Rom. V, 15, 21) zegt de H. Paulus uitdrukkelijk, dat de verlosten door Jesus Christus „de volheid der genade, der gaven en der „gerechtigheid bekomen.quot;

a.) In den aardschen Adam was voorzeker onze natuur tot eene liooge waardigheid verheven, mev lioerlijke genadegaven versierd. Maar hoeveel verhevener is thans hare waardigheid, hoeveel heerlijker zijn thans de voorrechten, welke de hemelsche Adam haar verschaft heeft? Door het eeuwig Woord opgenomen en tot éénen persoon vereenigd, troont nu de menschelijke natuur boven de Cherubijnen en Seraphijnen aan de rechterhand van God, den almachtigen Vader, en ontvangt de hulde der aanbidding van de zalige geesten. Door den Godmensch Jesus Christus zijn ook wij allen geroepen, aan de glorie en heerlijkheid van ons goddelijk Hoofd deel ie nemen. Want door Hem zijn wij niet alleen kinderen Gods, gelijk wij dit ook in Adam waren, wij zijn tevens broeders van den Kengeborene des Vaders, zijne medeërfgenamen, ledematen van zijn geheimzinnig lichaam, wij staan met Hem in de innigste levensgemeenschap. gelijk de levende wijnrank met den wijnstok, gelijk de ledematen van ons lichaam met ons hoofd; wij zijn. volgens de uitdrukking van den Apostel, «mede //Overgeplaatst in den hemelquot; (Eph. II, 9). Vandaar dat de H. Leo zegt: „de Zoon Gods heeft degenen, die de vijand in het paradijs van «het toppunt der zaligheid had afgestort, bij zich zeiven ingelijfd en «aan de rechterhand des Vaders geplaatst.quot; Doordat wij, als ledematen, met .lesus Christus, ons hoofd, vereenigd zijn, krijgen onze goede werken in Gods oog eene onvergankelijke hoogere waarde, dan zij zonder dat gehad zouden hebben. Want, om de woorden van het Concilie van Trente te gebruiken (Zitting XIV hoofdst. S), //in Hem „(den Godmensch) leven wij, in Hem verdienen wij, van Hem hebben „alzoo onze werken hunne kracht, door Hem worden zij den Vader «aangeboden, door Hem worden zij van den Vader aangenomen.quot; In Jesus, met Jesus en door Jesus eeren en loven wij God; de vereering en aanbidding, welke wij armzalige menschen der goddelijke Majesteit brengen, wordt om het Hoofd, wien wij als levende ledematen van hetzelfde lichaam toebehooren, eene hulde van de hoogste waarde. — h.) In plaats van het aardsche paradijs, welks ingang de zonde van Adam ook voor ons gesloten heeft, staat nu de Kerk, de H. tempel Gods, open, de Kerk, „gebouwd op den grondslag der-Apostelen en //Profeten, terwijl Jesus zelf de hoeksteen isquot; (Eph, II, 20). Hier stroomen ons genaden toe in de rijkste volheid; hier vinden wij een bad ter afwassching van al onze zonden; hier vernemen wij de blijde boodschap, de zuivere, de onvervalschte leer, welke de Zoon Gods, op aarde rondgaande, verkondigd heeft; hier wordt ons het levend hemelsbrood, zijn allerheiligst lichaam en zijn kostbaar bloed, ter voeding onzer zielen, tot een onderpand der onsterfelijkheid gegeven. Hij, onze Heiland en God , woont en verkeert met \'ons, offert zich altijd op voor ons, die de dure prijs zijn van zijne smarten en van zijn bloed. Met eiken tred ontmoeten wij in dit nieuwe paradijs, wel niet de volheid van aardsche goederen, maar een overstelpemie\'n rijkdom van hemelsche zegeningen. — c. In den staat van onschuld zouden wij, wel is waar, met geringe moeite den proeftijd doorgestaan hebben, en, zonder den dood te sterven, in het land der zaligen zijn overgegaan; in den huidigen toestand hebben wij eon voortdurenden strijd van binnen en buiten te strijden, rukt de dood met een onaf-DEIÏAKBE, GELOOPSLEEK. II. 3ie DRUK. } g

-ocr page 288-

274

zienbaar gevolg van rampen en moeielijkheden eiken dag nader op ons aan. Maar hoe heviger en hoe langer thans de strijd is, des te machtiger is de genade, welke ons sterkt; hoe smartelijker de dood is, des te aangenamer en zaliger is de opstanding ten eeuwige leven. Terwijl Adam, zoo schrijft de H. Augustinus, \') in den hof der zaligheid, zonder van eenigen kant geweld te lijden, de goddelijke bedreigingen niet achtte, en in weerwil dat het hem zoo gemakkelijk viel de zonde te vermijden, ze evenwel beging en daardoor zijn geluk verbeurde; zien wij nu, bij den hevigsten strijd, door de genade van Jesus Christus ondersteund, ontelbaren vaststaan, in de hoop op de eeuwige goederen; zij beoefenen deugden, welke in het paradijs niet gebloeid hebben: geduld, heldenmoed, versterving, barmhartigheid, zelfopoffering voor hot heil van den naaste. — Hoe heerlijk zal dan ook het loon voor die edele strijders zijn! Hoe schitterend de kroon der overwinning, die eens hun hoofd zal sieren! Hoe onbeschrijfelijk gelukkig zullen wij eenmaal zijn, wanneer het ons gegeven wordt, de heilige menschheid van Christus in hare goddelijke glorie, de heilige Maagd en moeder Gods Maria met alle uitverkorenen in de heerlijkheid te aanschouwen, de lof- en dankliederen te hooren, en al de wijze plannen der liefdevolle ontfermingen Gods jegens ons en geheel het menschelijk geslacht te bewonderen! — Zoo heeft God, de Algoede, Alwijze en Almachtige, het verderf, dat de zonde aan het gansche menschdom heeft berokkend, in eene overvloedige bron van genade en hemelsche zegeningen veranderd door Jesus Christus, onzen Heiland, hoog geprezen in eeuwigheid!

Reeft Christus alleen voor diegenen, die werleelijh zalig worden , de genade en eeuwige zaligheid verdiend ?

Neen , Hij heeft ze voor alle menschen zonder uitzondering -verdiend, gelijk Hij ook voor allen zonder uitzondeu-ing gestorven is.

De H. Schrift getuigt op verscheiden plaatsen uitdrukkelijk, dat Christus door den Vader voor alle menschen ten beste is gegeven, en dat Hij zich zeiven voor allen ten offer aangeboden heeft en voor allen gen!omen is (Vergelijk Rom. VIII, 32; 1. Tim. II, 6; 2. Cor. V, 15). Christus nu is gestorven, om voor degenen, voor wie Hij stierf, genade en de eeuwige zaligheid te verdienen, gelijk reeds is aangetoond; bijgevolg heeft Hij ook voor allen zonder uitzondering genade en zaligheid verdiend. — Christus is verder volgens het getuigenis der H. Scurift, de eenparige leer der Vaders en het onwankelbaar geloof der Kerk ,,Verlosser der wereldquot; (Joan. Ill, 17): ilij is „het Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereldquot; (Joan. II, 29) , „de verzoening voor de zonden der ge-„heele wereldquot; (Joan. II, 2). Indien Christus, gelijk Cal-vijn en andere dwaalleeraars beweerden, niet voor alle menschen, maar alleen voor de uitverkorenen of geloovigen

\') De corrept. et gratia cap. 12.

-ocr page 289-

275

genade en zaligheid verdiend had, dan zou Hij niet de Verlosser, niet de verzoening dea- geheele wereld zijn; dan zou Hii niet de zonden der wereld, maar enkel de zonden der uitverkorenen en geloovigen, die in de wereld zijn, weggenomen hebben; voor de niet-uitverkorenen en ongeloovigen zou Christus in deze veronderstelling niets gedaan, hen niet verlost hebben. Niets beteekenend en dwaas is het antwoord der ketters, dat Christus inzooverre Verlosser der geheele wereld is, ais zijn lijden en sterven oneindige waarde heeft, en bijgevolg toereikend zou geweest zijn, om ook de niet-uitverkorenen en ongeloovigen te verlossen, indien Hii dien losprijs voor dezen gebracht had. Immers, daargelaten dat Jesus Christus werkeliik voor het heil van alle menschen en van ieder in het bizonder zich heeft opgeofferd , zou Hij in dien zin met het volste recht ook de Verlosser van de gevallen Engelen, van den duivel genoemd kunnen worden, dewijl , als het bij de verlossing enkel en alleen op de oneindige waarde van Christus\' dood aankwam, deze voldoende zou geweest zijn, om ook de redding der verdoemden te bewerken. — Wij moeten derhalve met de katholieke Kerk gelooven en beliiden, dat Christus voor alle menschen zonder uitzondering den dood ondergaan en zich den hemelschen Vader ten offer gebracht heeft, om voor allen gezamenlijk en voor ieder in\'t bizonder voldoende genade ter verkrijging der eeuwige zaligheid te verdienen. Vandaar dat de Pausen Innocentius II, Alexander VII en Clemens XI de leer, „dat Christus alleen voor „de zaligheid der uitverkorenen of voorbestemden gestorven „is,quot; verworpen en als „goddeloos, godslasterlijk.... en „ketterschquot; gebrandmerkt hebben. Ook de Kerkvergadering van Trente (Zitt. VI Hfdst. 2, 3) leert: „de hemel-„sche Vader heeft Jesus Christus, zijnen Zoon, gezonden, „opdat alle menschen als kinderen Gods zouden aangenomen „worden.... en Hij (Christus) is voor allen gestorven, „ofschoon niet allen aan de weldaad van zijnen dood deelachtig worden.quot;

Als Christus voor alle menschen de eeuwige zaligheid verdiend heeft, waarom worden dan niet allen zalig ?

Omdat niet allen van hunnen kant doen, wat ter verkrijging der zaligheid noodzakelijk is, d. i. omdat niet allen gelooven, de geboden onderhouden en de genademiddelen gebruiken.

Christus, zeiden wij, heeft ons van de zonde, van de

A

18*

-ocr page 290-

276

slavernii des duivels en de eeuwige verdoemenis verlost. Hij heeft ons met God verzoend, den hemel voor ons weder geopend en overvloedige genade verdiend. Daaruit volgt echter geenszins, dat er nu niemand meer in de zonde en slaverni] des duivels is, dat niemand meer verloren kan gaan, dat, tengevolge van Christus\' verlossingswerk, alle menschen heilig en rechtvaardig zijn, en als vrienden en kinderen Gods het hemelrijk binnengaan. „God heeft u „wel geschapen zonder u,quot; zegt de H. Augustinus, „maar „Hii wil u niet zalig maken zonder u quot; d. i. zonder uw toedoen zult gij de eeuwige zaligheid, welke Jesus Christus voor u verdiend heeft, niet verkrijgen. De hemel zal niet alleen de prijs van het bloed van Christus, maar ook de belooning zijn van den strijd, door u gestreden. Alleen hij, die wettig gestreden heeft, zegt de H. Paulus (2. Tim. II, 5), zal gekroond worden. Dezelfde H. Apostel leert, „dat Christus de oorzaak der eeuwige zaligheid geworden „is voor allen, die Hem gehoorzaam zijnquot; (Hebr. V, 9). Christus zelf verlangt uwe medewerking met de volgende woorden: „wilt gij tot het leven ingaan, onderhoud de „gebodenquot; (Matth. XIX, 17), en: „wie gelooft, en ge-„doopt wordt, zal zalig worden; maar wie niet zal geloo-„ven, zal verdoemd wordenquot; (Marc. XVI, 16).

Deze woorden van den Heiland leeren ons, wat wij van onzen kant doen moeten, om deelachtig te worden aan de genaden en de eeuwige zaligheid, welke alle menschen kunnen verkrijgen door Christus\' dood. Wij moeten nameiijk met Jesus, ons Hoofd, in vereeniging komen, opdat het leven der genade van Hem uit en in ons overstroome, gelijk het sap van den wijnstok in de daarmede vereenigde ranken. Indien wij geen deel nemen aan het genaderijk leven van den tweeden Adam, blijven wij, als met de schuld beladen spruiten van den eersten, aan den eeuwigen dood onderworpen. De vereeniging met Jesus begint met het geloof aan Hem en zijne goddelijke leer. Het geloof is derhalve allernoodzakelijkst ter zaligheid ; het is als \'t ware de eerste schrede naar den Verlosser. Dat geloof nu moet, om de levensgemeenschap met Christus werkelijk tot stand te brengen, levend zijn door de liefde, welke ons bij den H. Doop wordt ingestort. Immers volgens de leer der Kerkvergadering van Trente (Zitt, VI. Hoofdst. 7) „vereenigt „het geloof zonder de liefde den mensch niet volkomen met „Christus, maakt hem niet tot een levend lid van zijn „lichaam,quot; daar het geloof zonder de liefde dood is, en hetgeen dood is niet levend kan maken. De liefde van den Christen moet zich toonen door goede werken, door het

-ocr page 291-

277

onderhouden der geboden. De liefde tot God bestaat voorzeker daarin, dat wij zijne geboden houden (Joan. V, 3j. Die liefde moet ook bewaard, gevoed en hooger opgevoerd worden door bet gebruik der genademiddelen, welke Christus met het H. Doopsel, het eerste en noodzakelijkste Sacrament, in zijne Kerk tot heil van hare onderhoorigen heeft ingesteld. \') Wie alzoo de schoonste en kostbaarste vrucht der verlossing genieten, d. i. tot de eeuwige zaligheid komen wil, moet als een levend lid van het geheimvol lichaam van Jesus Christus, gelooven, de geboden onderhouden en de genademiddelen gebruiken, welke Jesus voor ons verdiend, ingesteld en achtergelaten heeft. — Onder deze voorwaarden, welke met den bijstand zijner genade zoo gemakkelijk te vervullen zijn, wil Christus de volheid zijner verdiensten ons doen toekomen, aan zijne heerlijkheid en zijn rijk ons deelachtig maken. O oneindige liefde en ontferming Gods! Zoo weinig verlangt God voor zooveel!.. .. Wanneer wij echter weigeren, dat weinige te doen, dan mogen wij niet aan Jesus , onzen Heiland, de schuld van ons eeuwig ongeluk geven: neen wij dragen alsdan de schuld van ons onheil, wij zijn de oorzaak van onze eeuwige verdoemenis. Jesus heeft onder de bitterste smarten eenen kelk bereid, die te alle tijden, in alle omstandigheden en aan alle menschen heil kan aanbrengen ; indien wij echter dien kelk niet drinken, kan de zaligheid ons deel niet worden. Ontbreekt onze medewerking, dan zal de genade, welke Jesus voor ons verdiend heeft, ons niet baten. Daarom spreekt de H. Paulus: „Ik verheug mij na in het lijden, en vul aan in mijn vleesch, „wat aan het lijden van Christus voor zijn lichaam, dat de „Kerk is, ontbreektquot; (Col. I, 24).

TOEPASSING.

„Geef mij mijn boekquot;, riep met half gebroken stem de H. Philippus Benitius, toen hij op sterven lag, „geef mij „mijn boek!quot; De broeders, die om zijn sterfbed stonden, begrepen niet, wat hij bedoelde, en brachten nu het eene, dan het andere boek bij hem. De stervende wees alles van de hand en riep nog dringender: „Geel mij mijn boek.quot;

\') „Meritum Christi,quot; zegt de H. Thomas (de verit. q. 29. a. 7. ad 8) ,sufficienter operatur, ut quaedam causa universalis saiutis humanae »sed oportet liane causam applicari singulis per Sacramenta et per //fidem , quae per dilectionem operatur. Et idee requiritur aliquid //aliud ad salutem nostram praeter meritum Christi, cujus tarnen //meritum Christi est causa.quot;

-ocr page 292-

278

Terwijl hij dus sprak, vestigde hij zijn oog aanhoudend op het kruisbeeld, dat op zijne tafel stond. Toen een der aanwezigen dit bemerkte, nam hij het op en gaf het den Heilige in de hand. Philippus greep het aan , tranen van blijdschap schreiende, drukte het vol eerbied en liefde aan zijn hart en sprak: ,,Ja, ja, dat is mijn boek; daarin heb ik ge-,,durende mijn leven steeds gelezen; met dit boek wil ik ,,mijn leven sluiten.quot; Een oogenblik daarna gaf de dienaar Gods, met het kruis in zijne armen, den geest. — Jesus, de Gekruiste, was en is het boek van alle Heiligen en uitverkorenen. Daarin lazen zij dag en nacht, daaruit schepten zij goddelijke wijsheid en kracht, overvloedigen troost, hemelsche vreugde, een onwankelbaar vertrouwen op hun eeuwig geluk. De boosheid en afschuwelijkheid der zonde, de onverbiddelijke strengheid der goddelijke Gerechtigheid, de grenzelooze liefde en ontferming van den hemelschen Vader stond voor hen in dat boek met de duidelijkste letters geschreven. Vandaar dat de H. Laurentius Justinianus den Gekruiste een opengeslagen boek noemde, waaruit de geheele wetenschap van het godgevallig leven geleerd wordt; en de engelachtige leeraar Thomas van Aquine bekent, dat hij uit het boek van den Gekruisigde meer geleerd heeft., dan uit alle andere boeken. — Jesus, de Gekruiste, moet derhalve ook ons boek zijn. ,,De Heer zelfzegt Laurertinus Justinianus, „heeft dat boek geschreven, niet op pa.pier, „noch op hout of steen, maar op eigen vleesch, met eigen t,bloed; en om allen in staat te stellen, het te lezen, heeft ,,Hij het opengeslagen op klaar lichten dag, op den Calvarie-nberg.quot; In dat boek zullen ook wij beschreven vinden de blijde boodschap van onze verlossing en heiliging, de geheimenissen der heiligheid en gerechtigheid Gods, de over-groote liefde en barmhartigheid van onzen Verlosser en alle heerlijke voorbeelden van deugd van ons goddelijk Toonbeeld, vooral zijne zachtmoedigheid en nederigheid, zijn geduld, zijne gehoorzaamheid aan den hemelschen Vader, zijne liefde voor alle menschen, zelfs voor zijne grootste vijanden. Willen wij smart gevoelen over onze zonden en tranen schreien van boetvaardigheid, laat ons in dat boek lezen; willen wij in ons eene heilige liefde opwekken, troost

en sterkte bij de wederwaardigheden des levens verkrijgen.....

lezen wij herhaaldelijk in dat boek. Laat ons met een geestelijken schrijver uitroepen: „O hoek aller boeken, „waarin wij dag en nacht moeten bladeren, dat ons hand-„boek, onze wegwijzer ten eeuwige leven moet zijn!quot; Ja, nemen we dat boek ter hand en zeggen we met den vromen Hendrik Suso: „Leer mij de ware levenswijsheid in de school

-ocr page 293-

279

„van uw hart, zuiver en volmaak mijne kennis in uwe „heilige wonden! Gij, mijn Gekruiste, zult voortaan mijn „eenig hoek, het eenig voorwerp mijner overweging zijn, „opdat ik van dag tot dag meer aan de schepselen afsterve „en slechts in U en voor U leve.quot;

De H. Kerk blijft niet in gebreke, voor de oogen harer kinderen het aandenken aan het bitter lijden en sterven van haren gekruisigden Bruidegom, volgens zijnen laatsten wil, telkens te vernieuwen. Dagelijks draagt zij door de handen van duizenden harer dienaars het H. Misoffer op, vertegenwoordigt den kruisdood van Christus, om allen aan de vruchten van het verlossingswerk in rijke mate deel te doen nemen. Dagelijks noodigt zij door klokgelui de ge-loovigen uit tot het bijwonen van het H. Offer, en stelt het al haren kinderen uitdrukkelijk en streng ten plicht, minstens op zon- en feestdagen aandachtig bij de H. Mis tegenwoordig te zijn. Geheel doordrongen en vervuld van liefde en dankbaarheid jegens haren goddelijkeu Stichter en Bruidegom, laat zij geene gelegenheid voorbijgaan, om ons de geschiedenis van zijn bitter lijden en sterven voor oogen te stellen en tot eene ernstige overweging daarvan op te wekken. In iederen tempel, op elk altaar, op elk kerkhof zien wij het beeld van den Gekruiste, hetwelk de bezorgde moeder der geloovigen aldaar geplaatst heeft. Zij wijdt in elke week den Vrijdag aan de bizondere vereering van het lijden en den dood van Christus, en schrijft haren kinderen voor, door onthouding van vleesch-spijzen zich te versterven en zoo een druppel van den bitteren lijdenskelk des Heeren te proeven. Ook de feesten, welke tot een godvruchtig aandenken aan de vinding en verheffing van het H. Kruis zijn ingesteld, getuigen van de liefde, welke de katholieke Kerk voor den Gekruisigde gevoelt. Maar vooral in de goede week zien wij, hoezeer de Kerk het lijden en den dood van Christus vereert. In rouwgewaad gehuld, zingt jsij op die dagen klaagliederen, verzamelt hare treurende kinderen in de van allen tooi ontbloote tempels, en brengt hare hulde aan het kruis, het altaar van den Yerlosser. — Moet de liefde en dankbaarheid jegens onzen gekruisigden Heiland ook ons niet aansporen, aan de uitnoodiging onzer moeder de H. Kerk gehoor te geven? Moeten wij ons niet bevlijtigen, niet alleen des Zondags, maar, zoo dikwijls onze werkzaamheden het toelaten, ook in de week, de H. Mis te hooren en daarbij het bloedig offer van Christus te gedenken ? Moet ook voor ons de Vrijdag niet een dag zijn van herinnering aan het lijden des Heilands, een dag van boete ? Laten

-ocr page 294-

280

wij vooral de goede week gebruiken, om onze zonden, de oorzaak van \'s Heeren dood, te beweenen en het lijden van Christus te overwegen. — De H. Lodewijk, koning van Frankrijk, vereerde op Goeden Vrijdag het H. kruis met den grootsten ootmoed, vermorzeling des harten en eerbied. De godvruchtige hertogin Margaretha van Lotharingen begaf zich op den sterfdag des Heeren in een klooster, om daar in de eenzaamheid zich ongestoord met de overweging van het bitter lijden en sterven van Christus bezig te houden, en uren Jang bleef haar oog op den Gekruisigde gevestigd. — De vereering van het H. kruis was en is nog allen recht-geaarden kinderen der katholieke Kerk lief en dierbaar. Het kruis prijkt niet alleen in hunne kerken en op de torenspitsen , maar het siert ook de borst, de kroon der vorsten, het staat in hunne huiskamers en slaapvertrekken, op de rustplaatsen van hunne dierbare overledenen \'). Terwijl de onheilige geest van den zoogenaamden vooruitgang het kruis bespot en met de voeten treedt, zal men den waren Katholiek eer het leven ontnemen, dan zijne liefde en zijnen eerbied voor het kruis van Jesus. De Katholiek zal er eene groote eer in stellen, zijn bloed te vergieten, om het H. kruis, dat zijn roem, zijn troost en het teeken van zijn heil is, voor onteering te bewaren quot;). Moge toch deze liefde en eerbied

■) God zelf bevorderde niet zelden de vereering van liet heilig kruis. Op zekeren dag bevonden zich in de stad Bairuth eenige Joden in een huis. dat kort tevoren door een Christen bewoond was, en zagen daar een Christusbeeld. Zij wilden nu hunnen haat jegens den gekruisigden Godmensch op diens heilige beeltenis koelen. Daarom namen zij het mede naar hunne synagoge en bespuwden het in het bijzijn van hunne rabbijnen, sloegen het met een stok, dreven er nagels in, en haalden eindelijk eene lans, die zij het beeld in de rechter zijde stieten. Zie, o wonder! bloed en water vloeide er uit! De verstokten zijn nog niet getroffen; de rabbijnen gebieden, het bloed in eeu beker op te vangen en aan de zieken te geven. Nauwelijks raakt dit bloed hunne lippen, of zij zijn genezen. Bij dit wonder vallen allen op de knieën, roepen de goddelijke Barmhartigheid aan, en leggen ondubbelzinnige bewijzen hunner volkomen bekeering aan den dag. Hierop begeven zij zich naar den Bisschop van de stad, om hem te smeeken, tot een eeuwig aandenken aan dit wonder van ontferming, hunne synagoge in eene christelijke kerk te hei-scheppen. Dat geschiedde ook werkelijk, en de kerk werd den goddelijken Heiland toegewijd. Het romeinsche martyrologium vermeldt deze wonderbare gebeurtenis op den negenden November.

2) In de vlakte van het dorpje Üeneden-Briacé in de Vendée staan nog de eerwaardige gedenkteekenen van een oud kruis, aan welks voet ten tijde der l\'ransche omwenteling het bloed van een martelaar heeft gestroomd. De toedracht der zaak was deze. Een dapper man, Ripoche genaamd, was, in den loop van den heldenstrijd der koiings-

fezinde Vendeërs tegen de legers der republiek, gewapend in de hanen der vijanden gevallen. Men bracht hem terstond naar het bovenvermelde kruis, dat in de nabijheid zijner woning stond, en richtte de volgende woorden tot hem : „gij zijt met het wapen in de handezinde Vendeërs tegen de legers der republiek, gewapend in de hanen der vijanden gevallen. Men bracht hem terstond naar het bovenvermelde kruis, dat in de nabijheid zijner woning stond, en richtte de volgende woorden tot hem : „gij zijt met het wapen in de hand

-ocr page 295-

281

ook onze harten steads meer en meer doordringen en verkwikken ! Gelukkig de Christen, voor wien Jesus, de Gekruisigde, leeraar, raadsman , vriend, voor wien Hij alles is in leven en in dood. Hoe blijde hoe vertrouwelijk zal \'s Heeren dienaar in zijn laatste uur een blik op het kruisbeeld werpen; hoe vurig zal hij dit teeken des heils kussen, als de priester het aan zijn verbleekte lippen houdt! Hoe zoet en zalig zal het voor hem zijn, zijne ziel, die het lichaam verlaat, in de handen van den Gekruiste aan te bevelen! — Een uitmuntend priester (Grou, schrijver van verscheiden geestelijke werken) greep toen hij reeds lag te sterven, met beide handen zijn kruisbeeld, en riep met half gebroken stem : „O mijn God, hoe zalig is het in uwe armen te sterven!quot;

//gevangen gekomen; uw doodvonnis is reeds geveld. — Doch ziedaar «uwe hut, waarin gij geboren zijt, waarin nu nog uw oude vader //leei\'t; ook gij zult leven, als ge wilt gehoorzamen 1quot; i)e brave Vendeër sloeg een blik op de vaderlijke woning, en tranen schoten hem in de oogen. „Wat moet ik doen, om het leven te behouden?quot; was zijne vraag. — „Neem deze bijl en houw dit kruis omver!quot; antwoordde hem een soldaat der republiek. Kipoche greep de bijl. Ue overige krijgsgevangenen huiverden toen zij dit zagen, en beschouwden hunnen kameraad reeds als een afvallige; de republikeinen daarentegen triomfeerden. Zij bedrogen zich. Kipoche, op wien alle oogen waren gevestigd, had zich met één sprong voor den voet van het kruis geplaatst en riep met luider stem; //dood en verderf den vermetele, die „het waagt, het kruis van Jesus Christus te onteeren I Ik zal het tot „mijn laatston ademtocht verdedigen!quot; Terwijl hij deze woorden sprak, straalde een hemelsch vuur uit zijne oogen. en met meer dan natuurlijke kracht uitgerust, gelukte liet hem, een tijd lang de godslasteraars van het kruis te weren. Maar ten laatste vielen zij gezamenlijk met een vreeselijk geschreeuw op den moedigen strijder aan en wierpen hem op den grond. Nog klemde hij zich vast aan het kruis. De snoodaards rukten zijne armen los, zetten hem hunne bajonetten op de borst en herhaalden nogmaals hun godslasterlijk voorstel: „hak „neêr dit teeken des bijgeloofs, en wij schenken u het leven!quot; Met luider stem riep de christenheld echter uit: „Het is het teeken mijner „verlossing; ook nu nog wil ik het omarmen.quot; — Hij spande zijne laatste krachten in, om het kruis te verdedigen, maar viel weldra dood ter neder iHungari; kath. Anecdoten-Schatz, d. 111).

Gelijk algemeen bekend is, werden in de eerste j-aren der Reformatie, de beelden van den gekruisigden Heiland op vele plaatsen met duivelsche woede verminkt en vernield, en de vereering van het kruis werd niet zeiden als eene misdaad beschouwd. — Onder de regeering van koningin Elisabeth van Engeland, werd, onder honderd anderen, ook Willem Filbie ter dood gebracht om de eenige reden, dat hij katholiek en priester was. Om den weg naar de gerechtsplaats en de laatste oogenblikken te verzoeten , hield hij een kruisbeeld in de vouwen van zijn zakdoek verborgen. Onmiddellijk voor de voltrekking van het vonnis, trad een der beulen naar hem toe en vroeg hem: „Wat hebt ge in uwen zakdoek?quot; rukte hem dien uit de handen en vond nu het kruisbeeld. Bij deze ontdekking riep de beul woedend uit: O snoode booswicht! hij heeft een kruis bij zich!quot; En al de omstanders deelden in de gevoelens van den beul; met razende kreten werd de dood van den edelen Belijder geëischt (Zie Herbst: Exempelbuch).

-ocr page 296-

282

Vlfftlc artikel des geloofd:

Die nedergedaald is ter helle , ten derden dage „verrezen van den duodS

Hederdalin^ van Christus 3u het voor-^eborehte der hel.

Wat leer en ons de woorden : „die nedergedaald is „ter helle?quot;

Dat de ziel van Jesus Christus na zijn dood is nedergedaald in het voorgeborchte der hel, d. i. in die plaats , waar de zielen dergenen, die in Gods liefde gestorven waren, den tijd barer verlossing te gemoet zagen. — Door deze woorden van de geloofsbelijdenis der Apostelen wordt ons alzoo te gelooven voorgesteld, zegt de romeinsche Katechis-mus, dat, toen Christus gestorven was, zijne ziel ter helle , d. i. in het voorgeborchte, nedergedaald, en daar zoo lang gebleven is, als zijn lichaam in het graf lag. Ofschoon enkel de ziel van Christus in het voorgeborchte der hel is neêrgedaald, belijden wij echter met de aangehaalde woorden van het symbolum, dat „Jesus Christus, de eengeboren „Zoon van God,\'\' nedergedaald is, dewijl, gelijk we reeds meermalen opmerkten, bij den dood van Christus de godheid noch van de ziel, noch van het lichaam scheidde. Een en dezelfde goddelijke persoon was derhalve te gelijker tijd in het voorgeborchte der hel en in het graf, daar vereenigd met de ziel, hier met het lichaam.

Onder „hel,quot; zegt de romeinsche Katechismus verder , moet men hier niet het graf verstaan, zooals eenigen (Calvijn en Beza) met niet minder goddeloosheid dan onkunde zich verbeeld hebben. Daar de Apostelen ons in het voorgaande artikel geleerd hebben, dat de Heer Christus begraven is, zoo was er geen reden om datzelfde op eene andere en minder duidelijke wijze te herhalen. De uitdrukking „helquot; beteekent in het algemeen eene der plaatsen, waar de zielen der afgestorvenen van de aanschouwing Gods verstoken zijn. Die plaatsen zijn echter zeer verschillend, In de eene, welke een allerverschrikkelijkste en zeer duistere kerker is , worden de zielen der verdoemden met de onzuivere geesten door een eeuwig en onuitbluschbaar vuur gepijnigd, en deze wordt daarom het helsche vuur , de afgrond, en in den eigenlijken zin de hel genoemd. Vervolgens is er eene plaats.

-ocr page 297-

283

waar de zielen der godvreezenden een tijd lang gezuiverd worden , om aldus den toegang te verkrijgen tot het hemelsch vaderland, „in hetwelk niets dat besmet is binnen gaatquot; (Openb. XXI, 27). Deze tweede plaats heet daarom reinigingsoord of vagevuur. Eene derde plaats eindelijk is die, waar de zielen der Heiligen, die vóór de komst van Christus geleefd hebben, werden opgenomen, en waar zij, zonder eenig gevoel van pijn door de zalige hoop hunner verlossing onderschraagd, een gerust verblijf genoten. In deze laatste woonplaats, welke wij gewoonlijk het voorge-horchte der hel noemen, is Jesus Christus na zijn kruisdood nedergedaald, niet enkel door 2ijne kracht en macht, maar zoo, dat zijne ziel daar inderdaad tegenwoordig was. Het Concilie van Sens en Innocentius II hebben het eerste uitdrukkelijk veroordeeld, terwijl het laatste een geloofspunt is, op het getuigenis der Vaders en der H. Schrift gegrond. De veerde algemeene Kerkvergadering van Laterane leert aldus: „De eengehoren Zoon Gods, Jesus Christus is ter „helle nedergedaald; Hij is in de ziel nedergedaald en in „het vleesch opgestaan.\'\' G-elijk Christus in het vleesch waarlijk verrezen is, is Hij in de ziel werkelijk neêrgedaald ter helle. Ditzelfde betuigen niet alleen de HH. Kerkvaders,1) maar ook de woorden der H. Schrift van het Oude en Nieuwe Verbond. In het boek der Psalmen (XV, 10) lezen wij ; „gij zult mijne ziel in de hel niet laten.\'\' Deze woorden, welke volgens de leer van den H. Petrus (Hand. II, 32) op Jesus Christus betrekking hebben, zijn duidelijk van het voorgeborchte der hel, niet van het graf, te verstaan , daar alleen het lichaam van Christus, maar geenszins zijne ziel in het graf lag. Eveneens blijkt dit uit de woorden van den H. Petrus (Eph. IV, 8, 9), waarmede hij betuigt, dat Christus, alvorens ten hemel te varen, „eerst „is nedergedaald in de onderste deelen der aarde,quot; d. i. in het voorgeborchte der hel. Alle twijfel wordt weggenomen door de uitspraak van den H. Petrus (1. br. III, 18, 19): „Christusquot; zegt hij, „werd wel gedood naar het vleesch, „maar in het leven herroepen naar den geest, in welken Hy „ook naar de geesten kwam, die in de gevangenis (in het voorgeborchte, in den schoot van Abraham Luc. XVI, 22) „waren, en hun predikte,quot; d. i. de blijde boodschap van de voltooiing van het verlossingswerk verkondigde. (Onder de „ongeioovigen\'\' van wie Petrus spreekt, moet men hier niet verstaan degenen, die tijdens den zondvloed in ongeloof volhardende, gestorven en ter helle, de plaats der ver-

\') Zie; Pouget, Instit. Cath.

-ocr page 298-

284

doemden, gegaan zijn, maar hen, die door de straffen verschrikt, zich tot God bekeerd hebben).

Waarom waren de zielen der afgestorven rechtvaardigen in het voorgeborchte f

Omdat de hemel door de zonde gesloten was, en eerst door Christus zou geopend worden.

Hoewel de menschen reeds vóór den offerdood van Jesus Christus konden gerechtvaardigd worden door zijne verdiensten, en tegelijk met de heiligmakende genade een recht op den hemel verwerven, was hun toch niet vergund, terstond na hunnen dood er binnen te gaan, wijl de zonde van Adam den ingang bad gesloten. Jesus Christus, de Hoogepriester van het Nieuwe Verbond, moest door zijn bloedigen kruisdood den hemel weder openen. Dit alles was volgens de leer van den H. Paulus aangeduid in het voorschrift der wet van lüozes, krachtens hetwelk het slechts aan den hoogepriester veroorloofd was, in het heilige der heiligen biimen te gaan, en wel eerst, nadat hij een bloedig zoenoffer had aangeboden: „in de achtertentquot; (het heilige der heiligen), schrijft Paulus (Hebr. IX, 7, 8), „ging eenmaal „\'sjaais de hoogepriester alleen, niet zonder bloed, hetwelk „hij offerde voor zijne en voor des volks zonden, waarmeê „de heilige Geest dit te kennen gaf, dat de weg tot het „(hemelschj heiligdom nog niet geopend was, zoolang de „eerste tent (het Onde Verbond) bestond.quot; Het heilige der heiligen , waar het volk niet mocht binnengaan, was namelijk het beeld van den hemel, welke voor alle menschen gesloten was; de hoogepriester, die eenmaal in het jaar, op den grooten verzoendag, na een bloedig offer gebracht te hebben, er binnen ging, was een type van Jesus Christus , die door zijn bloedig offer aan het kruis in het heiligdom des hemels ging; dat de hoogepriester voor het volk het heilige der heiligen niet mocht ontsluiten, was eene opwekking voor hen, om den anderen Hoogepriester te verwachten , die eenmaal in staat zou zijn voor allen het ware heiligdom, den hemel, te openen. Daarom scheurde ook het vcorhangsel, hetwelk het heilige der heiligen van het heilige scheidde, bij den dood van Christus, „in twee „stukken, van boven tot benedenquot; (Matth. XXVII, 51), ten teeken , dat van nu af het hemelsch heiligdom geopend was. — Het was echter billijk, dat Christus, die het ontsloot, ook het eerst er binnen ging; eerstens omdat het niet passend was, dat de ledematen den hemel binnen trokken, terwijl het Hoofd zich nog op aarde bevond;

-ocr page 299-

285

ten tweede, wijl ontegensprekelijk den Hoogepriester vóór het volk, den waren en eigenlijken Zoon vóór de aangenomen kinderen, den Eerstgeborene vóór zijne broeders, den Erfgenaam door geboorterecht vóór de mede-erfgenamen uit genade de toegang in het heiligdom, in het vaderlijk rijk toekwam.

Waar om is Christus in het voorgeborchte der hel nedergedaald?

1) Om de zielen der rechtvaardigen te troosten en te bevrijden; 2) om ook in de onderwereld zijne macht en heerlijkheid te toonen.

1) Door zijn dood had Jesus Christus voor de zonden der wereld geheel voldaan; Hij daalde alzoo in het voorgeborchte der hel niet af, om opnieuw voor ons te lijden, maar om de rechtvaardigen , die daar het zalig oogenblik hunner verlossing reikhalzend tegemoet zagen, aan de vruchten van zijn lijden en zijnen dood deelachtig te maken. De Heiland kwam dus in het verblijf der vrome Oudvaders, om hun de volbrachte verlossing aan te kondigen, hunne zielen door de mededeeling der hoogste zaligheid , welke in het aanschouwen van God bestaat, met onuitsprekelijke vreugde te vervullen, en hun de vurig verlangde vrijheid der kinderen Gods te brengen \'). Dit had Jesus den goeden

\') Zoowel Bellarminus (in zijne verklaring van het Symbolum) als de romeinsche Katecliismus leeren met den H. Thomas (Sum. p. 3. q. 52), dat Christus reeds bij zijne nederdaling in het voorgeborchte den Oudvaders de volmaakte zaligheid geschonken heeft, waaraan wij eerst in den hemel deelachtig worden, de zaligheid namelijk, die bestaat in het aanschouwen van God. Deze leer houdt Suarez voor ontwijfelbaar, wijl door den dood van Christus het verlossingswerk volbracht was, en er alzoo niets meer in den weg stond, waarom de zielen der rechtvaardigen niet terstond het verleende loon, de eeuwige gelukzaligheid, ontvangen zouden. Onder de uitdrukking //hemelquot; kan men verstaan de eeuwige zaligheid, welke daarin gelegen is, dat men God van aanschijn tot aanschijn aanschouwt; deze nu was reeds door den dood van Christus ontsloten, en allen, die daarna, zonder de zuivering van het vagevuur noodig te hebben, uit deze wereld scheidden, genoten terstond na hunnen dood de aanschouwing Gods. Men kan echter onder //hemelquot; ook de plaats verstaan, waar de allerheiligste menschheid van Christus met alle zaligen eeuwig troont, en deze werd eerst geopend, toen Christus op den veertigstcn dag na zijne verrijzenis met de Oudvaders er binnen ging. Deze leer komt overeen met die van Benedictus Xll (Constit. //Benedictus Deusquot; an 133G): //Auctoritate apostolica definimus, quod animae Sanctorum,

//qui de hoc miindo ante D. n. Jesu Christi passionem decesserunt,____

«post ascensionem Salvatoris nostri in coelum, fuerunt, sunt et erunt «in coelo .... ac post D. n. Jesu Christi passionem et mortem vide-//rant et vident divinam essentiam visione intuitiva,quot; etc. — Christus daalde alzoo in het voorgeborchte neder, niet alleen om den recht-vaordigon, die daar vertoefden, aan te kondigen, dat zij na veertig dagen met Hem ten hemel zouden opgaan , maar om hen werkelijk »te bevrijden en op hen de vruchten van zijn lijden toe te passen.quot;

-ocr page 300-

286

moordenaar beloofd met de woorden: „Heden zult gij met „Mij in het paradijs zijn!quot; (Luc. XXIII, 43), en hetgeen Hij den moordenaar verleende, dat heeft Hij, zooals Origenes (Hom. 15. over 1. Mos.) opmerkt, ook aan allen verleend, die zich in het voorgeborchte bevonden. Onder de uitdrukking paradijs moet hier derhalve noch het aardsche paradijs, noch de eigenlijke hemel, waar Christus de Oud-vaders eerst bij zijne hemelvaart binnen voerde, verstaan worden. Dat woord duidt hier den toestand van glorie en zaligheid aan, waarin deze rechtvaardigen kwamen, zoodra de Verlosser in hun midden verscheen en hun verlangen stilde. De heilige bewoners van het voorgeborchte aanschouwden namelijk Christus, hunnen Heiland, in den schitterenden glans zijner godheid. „Van hem nu, die in „het genot der goddelijke glorie is, zegt men, dat hij in „het paradijs is aldus de H. Thomas \'). — Op het eigen oogenblik dat Christus het voorgeborchte binnentrad, waren alzoo de rechtvaardige Oudvaders geene gevangenen meer: de erfstraf was gedelgd, de laatste boei verbroken, de scheidsmuren tusschen God en deze heilige zielen ineengestort, de plaats der gevangenschap in een verblijf van vreugde, jubel en zaligheid veranderd. Op deze bevrijding doelen de woorden van den Profeet Zacharias (IX, 11): „Gij hebt uwe gevangenen door het bloed van uw verbond „uitgelaten uit den kuil, die zonder water was ook die van den Apostel: „Hij ontwapende de opperheerschappijen „en de machten (van het rgk der duisternis) en zegepraalde over hen,quot; namelijk door hun den buit des doocs te ontrukken. Ook de uitdrukking van den Profeet Oseas (XIII, 14): „Uit de hand des doods zal Ik hen bevrijden, „van den dood hen redden ; o dood! Ik zal uw dood wezen; „hel, Ik zal uw beet zijn,quot; werd vervuld bij de-verlossing der Oudvaders uit het voorgeborchte der hel, hoewel die woorden niet minder op de toekomstige opstanding der dooden betrekking hebben.

Aldus de romeinsche Katechismus, en in denzelfden zin spreekt het IVie Concilie van Toledo, uAlleen daalde Hij neder,quot; zegt de H. Martelaar Ignatius, «.maar met eene groote schare steeg Hij weder op.quot; Eveneens spreken Thaddeus bij Eusebius (hist. eocl. cap. uit.) en Cy-rillus van Jerusalem (catech. 14). Nog bepaalder drukt zich de H. Epiphanius uit (haeres. 77. n. 25). „Zijne godheid,quot; schrijft hij, „daalde „met de ziel in het voorgeborchte neder en bevrijdde door hare kracht „degenen, die daar gevangen werden gehouden. Daarna steeg de „Zoon Gods met zijne allerheiligste ziel weder op, en vergezeld door „die menigte gevangenen, welke Hij verlost had, verrees Hij te-n „derden dage met lichaam en ziel van de dooden.quot;

\') Sum. o. q. 52. a. 4. ad 3.

-ocr page 301-

287

2) Jesus daalde neder in de onderwereld, om ook daar zijne macht en heerlijkheid, als Koning en Overwinnaar, te openbaren en de hulde re ontvangen, van welke in den brief aan die van Philippi geschreven staat: „In den naam „van Jesus moeten alle knieën zich buigen, van hen die „in den hemel, op de aarde en onder de aarde zijn\'\' (Phil. II, 10). Uit deze plaats der H. Schrift trekken de Godgeleerden verder het besluit, dat de uitwerking der neder-daling van Christus in de onderwereld zich ook tot de helbewoners heeft uitgestrekt, daar deze, door hetgeen zij daarvan vernamen, beschaamd en tot de aanbidding van den goddelijken Overwinnaar gedwongen werden. Christus is echter met zijne ziel enkel in het voorgeborchte werkelijk en wezenlijk tegenwoordig geweest.

Verrijzciiis van Chrfctus.

Wat leer en ons de woorden: „ten derden dage verrezen „van den dood?\'\'

Dat de ziel van Christus op den derden dag na zijnen dood, gelijk Hij had voorspeld, zich door eigen kracht met het lichaam weder vereenigd heeft, en de Verlosser uit het gesloten graf glorierijk en onsterfelijk is opgestaan.

Christus had gedurende zijn leven herhaalde malen met duidelijke woorden voorzegd, dat Hij na drie dagen weder zou opstaan (Zie Matth. XII, 39; XX, 12; Luc. XVIII, 33; Joan. II, 19, 21; X, 18). De Schriftgeleerden en Phariseën hadden die voorspelling van Jesus gehoord en zorgvuldig in hun geheugen geprent; daarom begaven zij zich na den dood des Verlossers tot den landvoogd Pilatus en spraken: „Heer! wij herinneren ons, dat die verleider, „toen Hij nog leefde, gezegd heeft: Ik zal na drie dagen „verrijzen. Gebied dus, dat het graf tot den derden dag „bewaakt worde, opdat niet wellicht zijne leerlingen komen, „en Hem stelen, en aan het volk zeggen: Hij is van de „dooden verrezen, en de laatste dwaling zal erger zijn, dan „de eerste. Pilatus zeidetothen: Gijlieden hebt eene wacht, „gaat, en bewaakt het, gelijk gij het goedvindt. Zij gingen „dan het graf met wachters bezetten, en den steen verkegelenquot; (Matth. XXVII, 62—66), welke voor de opening des grafs gewenteld was. Hier rustte nu het heilig lichaam des Heeren tot den vroegen morgen van den derden dag. Plotseling ontstond er toen, gelijk de HH. Evangelisten

-ocr page 302-

288

verhalen, eene hevige aardbeving hij het graf. Te gelijker tijd daalde een Engel des Heeren uit den hemel neder, wentelde den steen van het ledige graf, en plaatste zich daarop, terwijl de wachters van schrik en ontsteltenis als dooden waren, maar spoedig tot bezinning kwamen en in overhaaste vlucht naar de stad snelden, om den hooge-priesters en den ouderlingen verslag van het gebeurde te geven. Toen, ten zelfden tijd, Maria Magdalena met andere vrouwen, die zeer vroeg in den morgen zich op weg hadden begeven, om den Heer te balsemen, bij het graf kwamen, zagen zij den steen afgewenteld, doch het lichaam vonden zij niet (Matth. XXVlil en Luc. XXIV). Terstond keerde Maria Magdalena terug „en kwam tot Simon Petrus en tot „den anderen leerling, dien Jesus lief had, en zeide tot hen: „zij hebben den Heer uit het graf weggenomen\'\' (Joan. XX, 2). De overige vrouwen traden het open graf binnen, zagen twee Engelen, vernamen van hen, dat de Heer was verrezen, en deelden, in de stad teruggekeerd, die tijding den leerlingen mede (Luc. XXIV, 4—9). In dien tusschentijd kwamen ook Petrus en Joannes bij het graf, vonden daar alleen de linnen doeken, en gingen terstond weder heen (Joan. XX, 3—10). Middelerwijl kwam Maria Magdalena ten tweede male bij het graf, zag eerst twee Engelen en weldra daarna den Heer zei ven , die haar gelastte, den leerlingen zijne verrijzenis bekend te maken (Joan. XX, 11—18). Door deze en andere verschijningen verspreidde zich de eerste tijding van de opstanding des Heeren onder zijne leerlingen. — Dat Christus het allereerst aan zijne heilige moeder verschenen is, wordt algemeen aangenomen in de katholieke Kerk (Suarez. in 3. p. s. Thora. q. 55. art. 4. sect. 5). Met recht mogen wij veronderstellen, dat de gezegende onder de vrouwen, die haren goddelijken Zoon met hare oogen zag op het oogenblik dat Hij geboren werd. Hem ook met hare oogen heeft gezien op het oogenblik dat Hij, ten onsterfelijke leven herboren, uit het graf te voorschijn trad. De heilige Moeder Gods wist immers — wie onzer twijfelt er aan? — dat Jesus in dien nacht verrijzen zou; mogen wij dan niet veronderstellen, dat zij dien nacht niet binnen Jerusalem, maar in de nabijheid van het graf haars Zoons heefc doorgebracht, en dat Jesus in het eigen oogenblik zijner opstanding, aan zijne Moeder verschenen is om haar, vóór alle anderen, in de vreugde der verrijzenis te doen deelen, omdat zij meer dan alle anderen in het lijden des kruises had gedeeld.

1) Vóór en na de verrijzenis van Christus zijn ook anderen van den dood tot het leven teruggekeerd, maar geen enkele

-ocr page 303-

289

uit eigen kracht. Zij allen werden opgewekt; nooit is iemand uit eigen kracht var den dood opgestaan. Christus alleen stond op door zijn eigen, wel niet menschelijke, maar goddelijke kracht: Hem, die gelijk de Vader het leven in zich zei ven heeft. Hem alleen kwam de macht toe, het te geven en weêr te nemen (Joan. X, 18). Daar deze goddelijke kracht dezelfde is als de almacht des Vaders, en daar de Zoon alles, wat Hij heeft, van den Vader heeft, wordt de verrijzenis ook aan den Vader toegeschreven. „God de Vader,quot; zegt Paulus (Gal. I, 1), „heeft Hem (Christus) „van de dooden opgewekt.quot; — 2) Jesus kwam, volgens de eenparige overlevering der HH. Vaders, uit het gesloten graf te voorschijn, eer de Engel den steen had afgewenteld. Hij verrees in hemelsche glorie en heerlijkheid. Zijn verheerlijkt lichaam, door de kracht der godheid wederom met de ziel vereenigd, nam deel aan de voorrechten der geestelijke natuur. Helder als de zon, snel bewegend als de gedachte, alles doordringend als de geest, was Hij tevens ontoegankelijk voor alle lijden en onsterfelijk. Christus gebruikte, volgens de H. Schrift, (Hand. I, 4) ook na zijne glorierijke opstanding nog spijs; dit geschiedde echter niet, omdat Hij daaraan eenigszins behoefte had, maar enkel om de leerlingen van de waarheid en werkelijkheid van zijn verrezen lichaam ontegensprekelijk te overtuigen.

Ofschoon Christus met een verheerlijkt lichaam opstond, wilde Hij evenwel niet in schijn, maar in waarheid de //litteekenen aanbanden ;/en voeten en aan de zijde behouden.quot; Dit blijkt duidelijk uit de woorden, welke de verrezen Christus tot den ongeloovigen Thomas richtte : //Steek,quot; sprak Hij tot hem, ,/Uwen vinger hierin (in de plaats der nagelen), „en bezie mijne handen, en neem uwe hand. en leg die //in mijne zijdequot; (Joan. iX, 27). — De Heiland behield deze sporen van zijn doorgestaan lijden, en draagt die, zooals de HH. Vaders leeren, immer: 1) //ten teeken zijner zegepraal op de hel.quot; Dc schitterende merkteekenen zijner doodelijke wonden moesten even zoovele getuigen zijn, dat de menschheid verlost, de hemel ontsloten, de hel overwonnen was. Gelijk de teekenen der wonden, in een bloedigen krijg verkregen, het schoonste sieraad zijn van den held en zijne dapperheid doen kennen, zoo ook waren \'s Heeren wondmerken even zoovele eereteekenen en sieraden van den almachtigen Overwinnaar. Waarschijnlijk zullen ook de HH. Martelaars, gelijk de H. Augustinus aanmerkt, •) bij de algemeene opstanding eveneens de teekenen der wonden, die zij voor Christus ontvangen hebben, als hun schoonste sieraad, aan hemel, aarde en hel vertoonen. — 2) Ten bewijze, dat Hij mot hetzelfde lichaam, waarin Hij geleden heeft, is opgestaan. Niet enkel den ongeloovigen leerling Thomas en den overigen Apostelen wilde de verrezen Heiland deze waarheid handtastelijk bewijzen; al zijne uitverkorenen moesten door de merkteekenen der verheerlijkte menschheid de geheele eeuwigheid door er levendig aan herinnerd

\') De civit. Dei. L. 22. C. 19, 20.

DEHAKBE, GELOOJSI.EEK. II. DRUK.

19

-ocr page 304-

290

worden, dat juist dit lichaam het geheiligde werktuig hunner verlossing was. — 3) Om ze op den oordeelsdag, ten troost der rechtvaardigen en ter beschaming der goddeloozen, te toonen. Hoe troostend zal inderdaad het gezicht dier glorierijke wonden voor de rechtvaardigen zijn in dat plechtig oogenblik, als de Zoon des menschen op aarde nederdaalt, om alle geslachten te oordeelen! Die heerlijke bewijzen vau liefde en ontferming, die kostbare onderpanden der hemelsche goedheid verdrijven alle vrees voor het gestrenge oordeel; de goeden naderen met een heilig vertrouwen den Rechter, in wiens handen zij de vergeving geschreven, in wiens hart zij hunne rechtvaardiging gedrukt zien. — Vreeselijk en onuitstaanbaar zal echter het gezicht dierzelfde teekenen zijn voor degenen, die met zonden beladen ten oordeel komen. Elk litteeken legt getuigenis tegen den zondaar, tegen zijn ongeloof en verstoktheid af; ja elk teeken eischt luide en plechtig, voor de gansche schepping, des zondaars verdoemenis. Gij zijt de oorzaak dier wonden; gij hebt die wonden veracht; gij hebt het kostbaar bloed, dat er uit gevloeid is. niet geteld, maar vertreden. Verdoemenis, eeuwige verdoemenis over u, wijl gij geweigerd hebt, uit de wonden van uwen Verlosser heil te scheppen! Zoo zal de aanklacht der glorierijke litteekenen luiden. — Willen wij niet. dat op den laatsten der dagen de vloek der heilige wonden ons treffe, maar hopen wij op ontferming, op de eeuwige zaligheid, o, laat ons dan met den geest ingaan in die geheiligde woonplaatsen der minnende zielen, om daarin te wonen, om daarin te leven en te sterven. Wie in de wonden des Heeren sterft, zal bij het zien dei-heilige merkteekenen //de ontfermingen des Heeren in eeuwigheid bedingenquot; (Ps. LXXXVIII, 2). i)

\') Toen de H. Franciscus van Assist twee jaren voor zijn dood op den berg Alverne het bitter lijden van Jesus Christus overwoog, verscheen hem eene gestalte, gelijk een Seraphijn, met zes schitterende, vlammende vleugels, die uit den hemel naar hem toe kwam. De Heilige zag nu tusschen de vleugelen het beeld van iemand, die met uitgerekte handen en voeten aan een kruis gehecht was. De vleugels waren zoo geschikt, dat hij er twee boven het hoofd had, twee als om te vliegen uitstrekte en zich het gansche lichaam met de beide anderen bedekte. Franciscus stond verbaasd over deze verschijning, terwijl vreugde, met smart vermengd, zijne ziel vervulde. De tegenwoordigheid van Jesus Christus, die zich onder het zinnebeeld van een Seraphijn, zoo wonderbaar en gemeenzaam aan hem vertoonde, vervulde hem met eene overgroote blijdschap; doch door het gezicht der kruisiging gevoelde hij zijne ziel als met een zwaard doorstoken. De Heer openbaarde hem het geheim, en nu begreep hij, dat deze verschijning zich aan zijne oogen vertoonde, om hem te doen kennen, dat hij geenszins door het martelaarschap in het vleesch, maar door den liefdegloed des harten als hervormd, een beeld van Jesus den Gekruiste moest worden. Toen de verschijning verdwenen was, liet zij een wonderbaar vuur in zijn hart achter, en ook in zijn lichaam waren even wonderbaar de teekenen van een gekruiste gedrukt, c.lsof zijn vleesch, week gelijk was en door het vuur vloeibaar geworden, de indrukselen der teekenen van een zegelring ontvangen had. Terstond begonnen zich de teekenen der nagelen in zijne handen en voeten te vertoonen, zooals hij die in de afbeelding van den gekruisigden God-mensch had opgemerkt. Zijne handen en voeten waren namelijk met nagelen doorboord; de ronde en zwarte koppen zag men in het midden der handen en boven op de voeten geplaatst, de punten: die een weinig langwerpig waren, kwamen aan de andere zijde te voorschijn. Hij had ook in de rechterzijde een rood litteeken, alsof die met eene lans doorboord was; het bloed drong dikwijls uit deze wonde en bevochtigde zijn kleed.

-ocr page 305-

291

Hoe zoeten wij dat Christus van den dood is opgestaan ?

Uit het getuigenis van de Apostelen en van \'s Heeren leerlingen, die Hem na zijne verrijzenis meermalen zagen, Hem aanraakten, met Hem aten, spraken en omgingen, en die zijne verrijzenis overal, zelfs voor den hoogen raad, welke Hem ten dood veroordeeld had, luide verkondigden, ofschoon zij daardoor slechts doodelijken haat en vervolging zich op den hals haalden.

Het getuigenis, dat de Apostelen en leerlingen van Jesus aangaande de verrijzenis van hun goddelijken Meester aflegden, is boven alle redelijke opwerping verheven, wijl het voortkomt van getuigen, die zich niet bedrogen hebben, en evenmin anderen wilden of konden bedriegen.

1) Zij hebben zich zeiven niet bedrogen. De Apostelen en leerlingen van Jesus waren geenszins lichtgeloovige mannen. Toen de vrouwen hun de boodschap brachten, dat het lichaam des Heeren uit het graf verdwenen, dat de Heer opgestaan was, „schenen die woorden hun eene dwaasheid, ,.en zij geloofden haar nietquot; (Luc. XXIV, 11). Petrus verstond ook toen nog niet ..de Schrift, dat Jesus uit de „dooden moest opstaan,quot; als hij het ledige graf met de linnen doeken gezien hadquot; (Joan. X , 9), en Thomas bleef, zelfs na het getuigenis der overige Apostelen gehoord te hebben, nog ongeloovig (Joan. X, 25). Zij vertrouwden hunne oogen niet, toen de Verrezene in hun midden verscheen. Integendeel „beangst en verschrikt geworden, meen-„den zij een geest te zienquot; (Luc. XXIV, 37). Jesus moest hen toespreken, Hij moest door het toonen zijner wonden, door het gebruiken van spijs en door het verklaren der H. Schrift de twijfelenden overtuigen, dat Hij het was. „Wat zijt gij ontsteld?quot; sprak Hij tot hen, „en waarom „rijzen zulke gedachten in uwe harten op. Beschouwt „mijne handen en voeten; Ik ben het zelf; voelt en ziet! „want een geest heeft geen vleesch en beenderen, gelijk „gij Mij ziet hebben. En als Hij dit gezegd had, toonde „Hij hun zijne handen en voeten. En als zij nog niet geloofden , en van vreugde verbaasd waren, sprak Hij: Hebt „gij hier iets te eten i Zij dan boden Hem een stuk van „een gebraden visch en honigraat. En als Hij, in hun „bijzijn, gegeten had, nam Hij hetgeen overbleef, en gaf

Dit wonder werd door verscheiden personen, onder anderen ook door den toenmaligen Paus Alexander IV gezien en bevestigd. Bene-fiictus IX, Sixtus IV en V hebben een bizonder feest daarvan ingesteld, hetwelk door de geheele Kerk den 17den September gevierd wordt.

19*

-ocr page 306-

292

„het hun.... Toen opende Hij hun den zin, dat zij de „Schriften verstonden. En Hij sprak tot hen: aldus staat „geschreven, en aldus moest de Christus lijden, en ten „derden dage van de dooden verrijzenquot;.... (Luc. XXIV , 38 en volg.). — Wie, gelijk hier de Apostelen, niet eens datgene gelooft, wat hij met oogen ziet en met handen betast, verdient waarlijk allerminst het verwijt van licht-geloovigheid. Verder zagen de Apostelen en leerlingen den Verrezene niet slechts eene enkele maal: Jesus verscheen hun gedurende de veertig dagen, welke Hij op aarde doorbracht, meermalen, at zelfs verscheiden keeren met hen, vertoonde zich niet enkel aan den eenen of den anderen, maar veelal aan verscheidenen, eens ,,aan vijf honderd „broeders te gelijkquot; (1. Cor. XV, 6). Die verschijningen des Heeren hadden niet plaats in de duisternis van den nacht of in den droom, niet bij den flauwen schijn eener lamp, maar op klaarlichten da^, niet in het verborgen, maar in den hof, waar het graf lag, op openbare straten, in de eetzaal, aan den oever van het meer Genesareth, op een berg in Galilea. Deze verschijningen eindelijk waren niet een vluchtig komen en verdwijnen gelijk het iicht van een bliksemstraal; zij waren integendeel van langen duur. Jesus vertoefde bij zijne leerlingen, verweet hun dikwerf hun ongeloof, onderwees hen in de Schrift, sprak met hen over het rijk Gods, gaf hun en voornamelijk Petrus verscheiden volmachten en onderwijzingen ten beste der Kerk, welke zij op aarde moesten uitbreiden (Joan. XX, 23 en XXI, 16; Marc. XI, 14). Het zou bijgevolg dwaasheid zijn, aan te nemen, dat de Apostelen, als getuigen der verrijzenis, zich bedrogen hebben.

2) Even onverstandig zou het wezen, te beweren, dat de Apostelen, getuigenis van de opstanding afleggende, bedriegen zvilden. Wij zien hen als getuigen van de verrijzenis optreden niet in schuilhoeken en voor hunne geestverwanten , maar voor het gansche volk, dat den dood van Jesus begeerd had; voor den hoogepriester en den geheelen hoogen raad, die den Heer aan Pilatus had overgeleverd; onder de oogen van den romeinschen landvoogd, die Hem als een misdadiger tot den schandelijksten dood veroordeeld had. Welke voordeelen konden zij wel van dien stap verwachten ? Wat anders kon er het gevolg van zijn, dan haat, verzet, vervolging, kerker en dood ? . Waar ter wereld zal men een verstandig mensch vinden, die zonder hoop op eenig voordeel, ja, in het zeker vooruitzicht van groot nadeel, zelfs van den dood, er aan denkt, een geheel volk, priesters en overheden , allerschandelijkst te beliegen ?

-ocr page 307-

293

Kan men zoo iets van de leerlingen van Jesus, wier rechtschapen karakter uit de Evangeliën bekend is, met eenigen grond van waarschijnliikheid vermoeden ?

3) De Apostelen en leerlingen van Jesus konden aangaande de verrijzenis van hunnen Meester anderen niet bedriegen, zelfs al hadden zij bet gewild. Onmogelijk zou het hun geweest zijn de Joden te overtuigen van Christus\' verrijzenis, indien Hij niet werkelijk opgestaan was, d. i. indien Hij of wel nog in het graf lag, öf door hen er uit was genomen. In het eerste geval immers konden de Joden zich met eigen oogen van de waarheid overtuigen, in het andere zou het gerechtelijk onderzoek het bedrog der Apostelen gewis aan den dag gebracht hebben, vooral daar de vijanden van Jesus zoo sluwe en doortastende maatregelen genomen hadden, dat de leerlingen het lichaam onmogelijk konden wegslepen, zonder op heeter daad betrapt, of later ten gevolge van nasporingen, die men zeker doen zou, van die misdaad overtuigd te worden.

Wel zeiden de vijanden des Heeren, dat zij van ooggetuigen vernomen hadden, dat het lichaam uit het graf was verdwenen, dat de leerlingen het weggenomen hadden , en bekrachtigden hunne woorden door het getuigenis dergenen, die bij het graf de wacht hadden gehouden. Maar dit gezegde was slechts een dekmantel van hun boosaardig ongeloof, eene beschuldiging, waaraan zij zei ven geen geloof hechten , eene nietige, leugenachtige uitvlucht. — d) Inderdaad rustte de aanklacht, dat de leerlingen het lichaam van hunnen Meester ontvreemd hadden, enkel en alleen op het getuigenis der wachters, die door den slaap waren overmand. „Zijne discipelen zijn in den nacht gekomen, en „hebben Hem gestolen, als wij sliepenquot;\' (Matth. XVIII, 13). Zoo luidt het getuigenis der door den hoogen raad omgekochte soldaten. Kan men echter iets nietigers en belache-lijkers uitdenken, dan getuigen aan te halen, die tevoren bekennen, dat zij in een diepen slaap zijn verzonken geweest, toen datgene gebeurde, waarvan zij getuigenis moeten afleggen ? I)e soldaten konden enkel zeggen, dat zij geslapen hadden, en dat bij hun ontwaken het graf ledig was geweest; maar op wat wijze het lichaam uit het graf verdwenen was, konden zij evenmin weten, als een dronkaard weet, wat er gedurende zijne volslagen dronkenschap is voorgevallen. — l) Verder is er niets onwaarschijnlijkers dan de veronderstelling, dat het den leerlingen in de gedachte zou gekomen zijn , het lichaam van Jesus weg te nemen. Zij wisten immers, dat zij er zich niet meesier van konden maken, dan nadat het hun gelukt zou wezen, ongemerkt

-ocr page 308-

294

de wachters, die van priesters en ouderlingen vernomen hadden, met welk eene gewichtige taak zij belast waren, voorbij te sluipen, en de eenige opening van het graf, waarvoor een groote, zwaar verzegelde steen lag, met oogen-schijnlijk levensgevaar te bereiken. Vanwaar hadden dan de leerlingen, die gedurende het leven van hunnen Meester zoo vreesachtig, en na diens dood zoo ter neêr geslagen waren, eensklaps moed en lust gekregen, om het koenste en gevaarlijkste aller waagstukken te ondernemen, en wel ten gunste van Hem, die hen, ten spot van geheel Judea, in al hunne verwachtingen zoo wreed bedrogen had ? — c) Gesteld ook, dat zij inderdaad moeds genoeg hadden gehad, om dit dolle waagstuk te ondernemen; hoe zou het hun mogelijk geweest zijn, door de slapende soldaten heen, bij het graf te komen, het zegel te hreken, den zwaren steen weg te wentelen, het verstijfde lichaam te ontdoen van de linnen doeken, waarin het gehuld was, en het langs denzelfden weg mede te nemen, zonder dat ook maar één der wachters het oog geopend en alarm gemaakt had ? — d) Indien het eindelijk den leerlingen gelukt was, het onmogelijke mogelijk te maken, het lichaam te stelen, zonder dat de soldaten het bemerkten, waarom hebben dan de vijanden van Jesus deze plichtvergeten, slaperige wachters niet gerechtelijk aangeklaagd? Waarom gaven zij hun zelfs „veel geldquot; om datgene uit te strooien, ■wat hun de zwaarste straf op den hals had moeten halen ? En waarom stelden zij tegen de leerlingen van Jesus, die het zegel van den Staat verbroken en den diefstal begaan hadden, geen gerechtelijk onderzoek in ? Waarom deden zij geene nasporingen, om het ontstolen lichaam of voor \'t minst de sporen er van te vinden ? Zeker niet om de gehate leerlingen te sparen; ook niet, wijl de zaak hun van weinig belang voorkwam. Dit bewijst de handelwijze derzelfde vijanden van Jesus tegen de Apostelen, toen deze later openlijk getuigenis gaven van de verrijzenis des Heeren. Niet alleen bedreigingen, maar ook kerker en geeselslagen werden te baat genomen, om die lastige verkondigers der verryzenis den mond te sluiten. Wat was alzoo de reden, dat zij de schuldigen niet vervolgden, niet bestraften ? Er was geene andere dan juist het bewustzijn van de waarheid der opstanding, dat hun de handen bond: doo:: de gerechtelijke nasporingen zouden zij den Joden en Heidenen een nieuw en doorslaand bewijs er voor geleverd hebben. Christus is dus niet door zijne leerlingen weggenomen, maar, gelijk deze getuigen, van den dood opgestaan.

In de vorige eeuw kwamen sommigen op het treffende

-ocr page 309-

295

denkbeeld, dat de Apostelen in zes-en-dertig uren een onderaardschen gang van de stad naar het graf gemaakt hadden, midden door de rotsen, waarop Jerusalem gebouwd is!

In onze eeuw van zoogenaamde verlichting, in deze dagen van ongeloof, heeft men opnieuw een middel gevonden, om het feit der opstanding natuurlijk te verklaren. Men durft namelijk zeggen, dat Christus slechts schijndood is geweest, en, na zijn bewustzijn herkregen te hebben, het graf heeft verlaten. Deze bewering is zoo ongerijmd, dat zelfs de joodsche hooge raad, die alles, wat maar eenigs-zins waarschijnlijk was , cm het verdwijnen van Christus uit het graf eene minder gevaarlijke uitlegging te geven, gretig aanvatte , er niet in de verte aan gedacht heeft. Wel is er irderdaad een reusachtig ongeloof toe noodig, om tegen het eenparig getuigenis van Jesus\' vijanden en vrienden aan te nemen , dat Hij niet waarachtig dood is geweest, en een fabelachtig geloof, om in ernst voorwaar te houden, dat een aan handen en voeten doorboorde, door bloedverlies en eene diepe wonde in de zijde verzwakte schijndoode, na drie dagen zonder eenig voedsel in het graf gelegen te hebben, kracht genoeg zou herkrijgen, om met zijne gewonde handen den zwaren steen, welke het graf gesloten hield, weg te schuiven, en op zijne doorboorde voeten ongemerkt den wachters te ontvluchten. — Het getuigenis, dat de Apostelen van \'s Heeren verrijzenis afleggen, is bijgevolg zeker en onverwerpelijk.

Een onomstootelijk bewijs voor deze waarheid, leveren ook die duizenden, die korten tijd na de verrijzenis van den Heiland op de prediking der Apostelen zich bekeerd en den naam des Heeren beleden hebben. Immers, als het getuigenis der leerlingen niet hoven allen twijfel verheven was geweest, zou gewis niemand hunner aangenomen hebben , dat Hij, die voor hunne oogen als een misdadiger den dood had ondergaan, de eengeboren Zoon Gods, waarlijk God geweest was; geen enkele zou voor dit geloof den haat en de vervolging van de hoogepriesters en het volk op zich geladen en vrijwillig al die ofiers gebracht hebben, welke de godsdienst des Gekruisten van hen eischte. Datzelfde geldt ook van al degenen, die zich in het vervolg der tijden bij Christus en zijne Kerk geloovig aangesloten, die aan de belijdenis van hun geloof goed en bloed opgeofferd hebben. Heel de christelijke wereld staat alzoo als één man voor de waarheid van het getuigenis der Apostelen in, daar zij de leer van de verrijzenis aannam en aanneemt. — Desgelijks zijn ook de overstelpende zegeningen, welke de christelijke godsdienst op aarde verbreid heeft en

-ocr page 310-

296

nog voortduiend verbreidt, een zekere borg voor de waarheid van het getuigenis der Apostelen aangaande \'s Ileeren opstanding. Want daar de christelijke godsdienst op het feit der verrijzenis als op een on wankelbaren steunpilaar rust, volgt noodzakelijk, dat dit feit waar en niet verdicht is, dewijl een op leugen en bedrog gevestigde godsdienst onmogelijk in staat kan wezen, zoo schitterende vruchten van deugd en heiligheid voort te brengen.

Welk nut moeten wij trekken uit de leer van de opstanding des Ileeren ?

1) De leer van \'s Ileeren verrijzenis moet ons versterken in het geloof aan zijne godheid en in de hoop op onze toekomstige opstanding. — Petrus, het hoofd der Apostelen leert dit uitdrukkelijk met de volgende woorden : „God „heeft Hem (Christus) opgewekt en Hem heerlijkheid ge-„geven, opdat uw geloof en uwe hoop beruste op Godquot; (1. Petr. I, 21). De verrijzenis van Christus is een wonder en tevens een voorbeeld: een wonder, opdat wij aan zijne godheid gelooven; een voorbeeld der opstanding, welke ook wij op goeden grond verwachten en hopen, omdat Christus, die ze ons beloofd heeft, van den dood is opgestaan.

d) De Apostelen beriepen zich, ja Christus zelf beriep zich bij voorkeur op dit wonder, om te bewijzen, dat zijne leer goddelijk, dat Hij — de Zoon des menschen — Gods Zoon was. Het geloof aan dit wonder eischte Christus nadrukkelijk van zijne leerlingen: „Wees niet ongeloovig,quot; sprak Hij tot Thomas, „maar geloovig !quot; (Joan. XX, 27). Dat geloof wordt ook met bizonderen nadruk van ons gevorderd, dewijl daarmede het geheele Christendom staat of valt. „Indien gij,quot; schrijft Paulus (Kom. X, 2), „den „Heere Jesus met uwen mond belijdt, en met uw hart ge-„looft, dat God Hem uit de dooden heeft opgewekt, zult „gij zalig worden. Doch als er geene verrijzenis der dooden „is, dan is ook Christus niet verrezenquot; (v. 13). De Apostel , merkt de H. Augustinus (over Ps. CXX) aan, zegt niet: „gij zult zalig worden, als gij gelooft, dat Christus „gestorven is, hetgeen ook de Joden en Heidenen en al „zijne vijanden geloofd hebben ; maar hij zegt: indien gij „gelooft, dat God Hem uit de dooden heeft opgewekt. Wij „Christenen gelooven de opstanding van Christus: dat is „voor ons de hoofdzaak. En wel terecht, daar de Apostel „op eene andere plaats (1 Cor. XV , 14) schrijft: is Ghris-„tus niet verrezen, dan is onze prediking ijdel, ijdel ook

-ocr page 311-

297

„uw (het christelijk) geloof,quot; — Het geloof aan het wonder der verrijzenis werd ook door de HH. Martelaren voor de rechtbank der heidensche tirannen beleden; zij beroemden zich er op, wanneer men hen wilde tergen met het verwijt, dat zij een gekruisigden misdadiger aanbaden. \')

ö) Op de glorierijke verrijzenis des Heeren, als het voor-leeld en onderpand van onze opstanding op den laatsten der dagen, verwijst ons de H. Apostel met de woorden: „Indien „Christus gepredikt wordt, als Degene, die van de dooden „is opgestaan: hoe zeggen dan sommigen onder u, dat er „geene opstanding der dooden is?quot; (1 Uor. XV, 12). Wij zijn met Christus één lichaam; dewijl ons Hoofd is verrezen, zullen ook wij, zijne ledematen, verrijzen. Wij zijn met Christus als het ware één vleesch; het vleesch, dat Hij van ons heeft aangenomen, heeft Hij door den kruisdood voor ons opgeofferd, maar door zijne opstanding weder levend gemaakt, en, als onzen eersteling, den Vader in den hemel aangeboden. „Hoop derhalve,quot; zegt de H. Augustinus in zijne verklaring van Ps. CXXIX, „dat aan u „zal volbracht worden, wat reeds aan uwen eersteling is „volbracht.quot; — Die zekere hoop moet ons bij alle rampen en wederwaardigheden van dit leven moed geven en opbeuren. Laten wij , met het oog op dien zaligen dag dei-opstanding, in dit dal van tranen met denzelfden Apostel uitroepen: „op allerlei wijze worden wij geprangd, maar „wij verliezen den moed niet; wij geraken in nood, maar „komen niet om; wij lijden vervolging, doch worden niet „verlaten. Want wij weten, dat dezelfde, die Jesus heeft „opgewekt, ook ons met Jesus zal opwekken. Daarom ver-

\') De H. Margaretha, Martelares te Antiochië, door den heidenschen prefect Olybrius naar haar geloof gevraagd, antwoordde moedig, dat zij eene Cliristin was. //Hoe!quot; riep de prefect, verontwaardigd over hare koene taal, //scliaamt gij u niet. Christin te zijn? Zijt gij nog »dwaas genoeg, een mensch voor God te houden, die als misdadiger ytusschen twee moordenaars aan het kruis zijn leven eindigde?quot; jrlïoe ,/weet gij,quot; vroeg nu de edele maagd, „dat Jesus Christus, wien ik ,/als mijn God aanbid, aan \'tkruis gehecht is?quot; — ,/Uit uwe Evange-«liën, welke ik zelf gelezen heb,quot; gaf Olybrius ten antwoord. //Gij ïhebt gelijk, maar lees eens verder. Diezelfde boeken, die het lijden «en den kruisdood van mijn Verlosser melden , leeren tevens, dat Hij. //Op den derden dag, van den dood opgestaan en later uit eigen kracht //ten liemel gevaren is, waar Hij nu zetelt aan de rechterhand van «God, zijnen Vader. Gij moet u schamen, dat gij alleen oogen hebt «voor de oneer Jesus Christus, mijn God en Verlosser aangedaan, //doch voor den glans zijner godheid blind zijt. Ik geloof aan de ■/godheid van Jesus Christus, niet omdat Hij geleden heeft en gestorven is, maar wijl Hij uit eigen macht zegepralend uit het graf is «opgestaan. Daarom behoort Hem mijn hart, en al had ik duizend ./levens, met vreugde zou ik Hem die ten offer brengen.quot;

-ocr page 312-

298

„tragen wij niet; integendeel, hoe meer onze uitwendige „mensch verdorven wordt, des te meer wordt de inwendige „vernieuwd van dag tot dag. Want ons tegenwoordig lijden, „dat oogenblikkelijk en licht is, bewerkt eene uitmuntende, „eeuwige, alles overtreffende heerlijkheidquot; (2. Cor. IV, 8—17).

De leer van \'s Heeren opstanding moet ons 2) aansporen, uit den dood der zonde tot een nieuw, heilig leven op te staan. Dit leert ons de Apostel, schrijvende aan de Romeinen : „gelijk Christus opgestaan is uit de dooden, zoo ook moeten „wij in nieuwheid des levens wandelenquot; (een nieuw leven beginnen). Christus\' verrijzenis is alzoo niet alleen het voorbeeld van de toekomstige glorierijke opstandig van ons lichaam, zij moet het niet minder wezen van de huidige opstanding onzes geestes, welke laatste volstrekt noodigtot de eerste is. Gelijk namelijk Christus ter uitwissching onzer zonden gestorven is, en na zijn dood in een verheerlijkt lichaam het duistere graf verliet, om niet meer te sterven; zoo moeten ook wij der zonde afsterven, en door de heilige liefde als \'t ware verheerlijkt, uit het graf der zonden verrijzen, om voortaan een nieuw, hemelsch leven te leiden. Alleen dan, wanneer wij thans gelijkvormig aan Christus worden, wanneer wij der zonde afsterven en, naar den geest vernieuwd, deugdzaam leven, zullen wij eenmaal aan zijne glorie en heerlijkheid deelnemen, en eeuwig met Hem leven. Daarom schrijft de Apostel terzelfder plaatse; „indien wij met Christus gestorven zijn, gelooven wij, dat „wij ook met Christus zullen medeleven,quot; en op eene andere: „als wij met Hem gestorven zijn, zullen wij ook met Hem „leven\'\' (Tim. II, 11).

Dit nieuw, godgevallig leven hebben wij reeds bij den H. Doop begonnen. Toen wij den satan en de zonde plechtig verzaakten, en door het H. Sacrament van alle vlekken der zonde gereinigd, als een nieuw schepsel ten eeuwige leven herboren en geheiligd werden, hebben wij beloofd in de genade (het nieuwe leven) te volharden. Derhalve mag de Christen, gelijk de H. Paulus leert (Eom. VI), niet meer de zonde dienen, niet meer zijne booze lusten volgen , maar aan de zonde gestorven, moet hy alleen voor God leven in Jesus Christus, onzen Heer. Daar echter niemand, zoolang wy met het lichaam des doods vereenigd zijn, zoo heilig en rechtvaardig is, dat hij niet dikwerf struikelt (Spr. XXIV, 16), en niet voortdurend naar hoogere heiligheid en gerechtig-heid streven moet, mogen wij er ons niet mede tevreden stellen, in den H. Doop tot een nieuw leven opgestaan te zijn. Laten wij, door dagelijks onzen ijver te vernieuwen, dat leven meer en meer in ons aankweeken. Die aanhou-

-ocr page 313-

299

dende vernieuwing van den geest was de eerste raad, welken de heilige Oud vader Antonius zipen leerlingen gaf; die dage-lijksche opstanding tot een hooger, hemelsch leven de laatste vermaning, welke hij stervend tot hen richtte. „Lieve kin-„deren!quot; sprak hij, „ik ga thans, volgens het woord der „H. Schrift, den weg mijner vaderen; want God roept mij, „en mijne ziel brandt van verlangen, om den hemel te „aanschouwen; u, mijne teerbeminden, vermaan ik echter, „dat gij steeds zoo zult denken, alsof gij eerst heden den „weg ten eeuwige leven betreden hadt, opdat de ijver en „de kracht van uw eerste besluit dag aan dag toeneme.quot; — Indien wij het goddelijke genadeleven , dat wij in den H. Doop ontvingen, weder verloren hebben, dan mogen wij, zonder ons bloot te stellen aan het gevaar van eeuwig verloren te gaan, geen oogenblik wachten, met bet graf der zonde te verlaten en door het H. Sacrament van boetvaardigheid met Jesus tot een nieuw leven op te staan. Daartoe noodigt de H. Kerk den zondaar aanhoudend uit, ten allen tijde den rechterstoel der genade en barmhartigheid voor hem open stellende; daartoe wekt zij hem vooral in den Paaschtijd met liefde en gestrengheid op, en zi] wenscht niets vuriger, dan dat al hare kinderen in den loop van den Vastentijd door eene oprechte boete zich tot die nieuwe opstanding met Christus voorbereiden.

TOEPASSING.

Op het plechtig oogenblik, dat Chlodwig, koning der Franken, in de kathedraal te Eheims, de doopvont naderde, riep de H. Aartsbisschop Remigius hem toe; „Kniel, trotsche „Saliër; buig uw hoofd; aanbid wat gij hebt verbrijzeld, „verbrijzel wat gij hebt aangebeden.quot; — Ditzelfde wordt ook gevraagd van iederen Christen, die door het H. Sacrament van boetvaardigheid tot een nieuw leven in Christus wil opstaan. Buig uw hoofd, zoo roept de priester, als Gods plaatsbekleeder, den zondaar toe; verzaak uwen hoogmoed, verzaak voor altijd de zonde. Vereer nu, wat gij totdus-verre verbrijzeld hebt: houd in eere Gods heilige geboden, welke gij vroeger lichtzinnig hebt overtreden, houd in eere de HH. Sacramenten, welke gij versmaad en misbruikt hebt.... Verbrijzel wat gij hebt aangebeden; verbrijzel den afgod van uw hart, dien schandelijken hartstocht en drift; verbreek de banden der kwade gewoonten, waarmede hij u aan zijn dienst geboeid hield; ontvlucht den omgang met

degenen, die denzelfden afgod ziel en zaligheid offeren____

Is het u ernst met uwe bekeering, sta dan op uit het graf

-ocr page 314-

300

der zonde, en doe uw best, voortaan een hemelsch leven te leiden. Dat is de ware opstanding tot een nieuw, godgevallig leven, „Indien gij met Christus verrezen zijt,quot; schrijft de Apostel, „zoekt de dingen, die hierboven zijn, „daar Christus is, zittende aan de rechterhand Godsquot;(Coll. XII, 1—2). Wie in dat nieuwe leven, in dat bestendig streven naar het eeuwige en hemelsche, in dien strijd tegen de booze neigingen en lusten des harten ten einde toe volhardt, zal op den oordeelsdag, zoo waar als God leeft en in zijne beloften getrouw is, door Christus opgewekt, en „gelijkvormig aan zijn verheerlijkt lichaamquot; (Phil. III, 21), uit het graf opstaan , om uit de handen van den almachtigen Rechter de kroon der gerechtigheid en den onverwelkbaren palm der overwinning over wereld, dood en hel te ontvangen.

Kcscle artikel des geioofe:

,,Die opgeklommen is (en hemel, zit ter rechterhand Gods „zijns Vaders almachtig!\'\'

BBemelvaart van Chrislus-

Wat leeren ons de woorden: „die is opgeklommen ten hemel?quot;

Dat Jesus Christus door eigen kracht ten hemel is opgeklommen.

Op den veertigsten dag na zijne verrijzenis verscheen Jesus Christus ten laatste male aan zijne leerlingen, leidde hen naar Bethanië en van daar naar den Olijfberg, naaide plaats, waar zijn bitter lijden was begonnen. Toen hief Hij zijne handen zegenend op, en terwijl Hij hen zegende, geschiedde het, dat Hij voor hunne oogen werd opgenomen , en eene wolk nam Hem weg uit hunne oogen. \') Aldus verhaalt de H. Lucas aan het einde van zijn Evangelie

\') De Olijfberg, waar Jesus zijn bitter lijden met den doodsangst, en zijne eeuwige vreugde met de hemelvaart begon, ligt ten oosten van Jerusalem, aan de overzijde van de beek Cedron. Aan den voet van den Olijfberg bevindt zich de hof van Gethsemané; nog staat er eenige olijfboomen, die, naar men veronderstelt, de getuigen van den angst, het gebed en het bloedzweet van onzen Verlosser geweest zijn. (Zie //Pelgrimsreize naar het heilige Land, door P. M. S. bladz. 316). Op de middelkruin steeg Jesua ten hemel, den indruk, het sfoor zijner voeten achterlatende. De H. Hieronymus schrijft als ooggetuige (de locis Hebraicis), dat de ingedrukte voetstappen des Heeren nog

-ocr page 315-

301

en in hei, begin van de Handelingen. — Jesus voer ten hemel 1) niet als God. Want als God was Hij in den hemel en op de aarde en op alle plaatsen, kon zich alzoo niet van de eene plaats naar de andere begeven. Jesus klom ten hemel als mensch, d. i. de menschelijke ziel en het menschelijk lichaam van Christus verlieten deze aarde, om den hemel, door lijden en sterven verdiend, binnen te gaan. 2) Vit eigen kracht. Ook de Profeet Elias voer ten hemel, doch niet door eigen, maar door goddelijke kracht. Jesus daarentegen steeg op door eigen kracht, en wel, zooals de romeinsche Katechismus leert, niet enkel door de in Hem wonende goddelijke almacht, maar ook door de kracht der verheerlijkte ziel, die haar verheerlijkt lichaam naar believen bewegen, en bijgevolg ook met zich ten hemel voeren kon. 3) Tegelijk met de vrome afgestorvenen van het Oude Verhond. Jesus steeg op ten hemel, omgeven door de juichende scharen van heilige Oudvaders en profeten en rechtvaardigen, die Hij uit het voorgeborchte bevrijd had. „Hij is opgevaren ten hoogen,quot; zegt de Apostel (Eph. IV, 8), „Hij heeft gevangen gevoerd ,.de gevangenschap.quot; Met dit gevolg deed Hij zijn plech-tigen intocht in het hemelsche Jerusalem. Jubelend en lof-zingend ijlden de koren der zalige geesten Hem te gemoet, en geleidden Hem boven alle uemelingen aan de rechterhand van zijn goddelijken Vader. — Derhalve wandelt Jesus Christus thans niet meer gelijk vroeger op aarde. Met zijne heilige menschheid is Hij nu in den hemel, en op eene onbegrijpelijke wijze ook in het allerheiligst Sacrament des Altaars tegenwoordig.

Waarom is Christus ten hemel geTdommen?

1) Om als overwinnaar van dood en hel bezit te nemen van het rijk zijner heerlijkheid — Christus had door zijn lijden en sterven dood en hel overwonnen en hun den buit ontrukt. Gelijk nu een koning, na een bloedigen strijd en eene met groote moeite behaalde overwinning, zegevierend het veroverde rijk binnentrekt, om het, als den welverdienden prijs zijner overwinning, in bezit te nemen, zoo trok ook Jesus, de Koning der koningen, als overwinnaar van dood en hel, het hemelsch rijk binnen, om er voor eeuwig bezit van te nemen. De koninklijke zanger roept hier in verrukking de koren der zalige geesten toe; „opent

getoond wei-den in zijn tijd. Tegenwoordig is, volgens het getuigenis van verscheiden reizigers, alleen nog de linker voetstap te zien, daalde rechter door de Turken in het midden der zeventiende eeuw is weggenomen en in hunne moskee bewaard en vereerd wordt.

-ocr page 316-

302

„uwe poorten, gij vorsten! opdat de Koning der heerlijkheid „er binnen ga;quot; en op de vraag: „wie is de Koning der „heerlijkheid?quot; luidt het antwoord: „De Heer, die sterk

„en machtig, de Heer, die machtig in den strijd is.....

„De Heer der heirscharen, Hij zelf, is de Koning der heer-„lijkheid!quot; (Ps. XXIII, 7—10). Is het niet billijk, dat ook wij, zijne verlosten, ons verheugen en juichen over de zegepraal van onzen goddelijken Redder? Ja, wel is het billijk; daarom spreekt de Profeet: „Klapt in uwe handen, „juicht Gode, met eene stem des jubel-gezangs! Want de „Heer, de Allerhoogste, is een groot Koning. God toog „op onder bazuingeschal: looft onzen God, looft onzen „God, looft onzen Koning, looft!quot; (Ps. XLVI).

2) Christus is ten hemel opgeklommen, om onze middelaar en voorspreker bij zijnen Vader te zijn. „Hij is de eeuwige „Hoogepriester,quot; zegt de H. Paulus in zijn brief aan de Hebreeuwen (VII, 25), „die altijd leeft om voor ons te „bidden.quot; En Christus zelf verzekerde, dat Hij in den hemel den Vader voor ons zal bidden (Joan. XIV, 16). Zou de hemelsche Vader zijn eengeboren Zoon, dien Hij ons schonk, en die zichzelven voor ons ten offer heeft gegeven , kunnen aanschouwen, en zich niet over ons ontfermen ? Zou Hij de glorierijke teekenen van \'s Heeren wonden kunnen zien, zonder het kostbaar bloed te gedenken, hetwelk gevloeid heeft tot delging onzer zonden, en daardoor niet bevredigd worden? Zou Hij ons de slagen zijner gerechtigheid met onverbiddelijke gestrengheid doen gevoelen, als Hij Christus voor zich ziet, die al onze misdaden in zijn lichaam op het kruishout gedragen, die onzen schuldbrief er aan gehecht en door zijnen dood verscheurd heeft? Welk een troost is het niet voor ons, in den hemel zulk een Middelaar en eene zoo krachtige voorspraak te hebben ? Eu al waren ook onze zonden rood als scharlaken, al overtroffen zij het getal der haren van ons hoofd, ja, der zandkorrels aan het strand der zee: zouden wij daarom den moed verliezen., zouden wij aan onze vergeving wanhopen ? Wie zal ons oor-deelen, wie verdoemen, wanneer wij met eene ware droefheid des harten om vergiffenis smeeken? Jesus Christus? „Jesus „Christus, die gestorven is, wat meer is, die ook verrezen .is; die ter rechterhand Gods is; die ook tot voorspraak is „voor ons?quot; (Rom. VIII, 42). Neen, de zondaar, die waarlijk berouw heeft, behoeft niet te vreezen; want zijn aanklager is tegelijk zijn alvermogende Voorspreker. Nemen wij derhalve de woorden van Joannes, den geliefden leerling des Heeren, wel ter harte, volgen wij zijnen raad: „Mijjne „kindertjes, dit schrijf iku, opdat gij niet zondigt. Wanneer

-ocr page 317-

303

„iemand echter gezondigd heeft, dan hebben wij een Voorspreker bij den Vader, Jesus Christus, den Eechtvaardige; „en deze is de verzoening voor onze zondenquot; (1. Joan. II, 1—2).

3) Christus is ten hemel opgeklommen, om zijnen leerlingen den H. Geest te zenden. „Ik zeg u de waarheid,quot; sprak Jesus tot zijne bedroefde leerlingen: „het is u dienstig, „dat Ik ga; want indien Ik niet wegga, zal de Vertrooster „niet tot u komen; maar indien Ik wegga, zal Ik Hem „tot u zendenquot; (Joan. XVI, 7). Jesus moed derhalve ten hemel opklimmen; Hij moest van zijn bovenaardsch rijk bezit nemen, zou de heilige Geest in zijn rijk op aarde (de Kerk) nederdalen en de volheid van hemelsche genadegaven er over uitstorten. Terecht noemt alzoo de H. Leo (Redev. 4. op Pinksteren) „de hemelvaart van Christus de oorzaak „der zending van den H. Geest,quot; daar de laatste aan de eerste, als aan „eene noodzakelijke voorwaarde, verbonden „was.quot; — a) Zoolang Jesus nog zichtbaar onder zijne leerlingen verkeerde, waren zij steeds in de verbeelding, dat hun Meester, die door zijne verrijzenis getoond had, dat Hij waarlijk de Messias was, een schitterend rijk op aarde zou stichten. Zoo weinig hadden zij de woorden van den verrezen Heiland over het toekomstige Godsrijk begrepen , dat zij eenige oogenblikken voor zijne hemelvaart met verwonderlijken eenvoud Hem nog de vraag deden: „Heer, zult Gij in dezen tijd het rijk van Israël herstelden ?quot; (Hand. 1, 6). Christus moest zich derhalve aan hunne oogen onttrekken, om hun alle aardsche verwachtingen dienaangaande te ontnemen. — h) Ook lag het in de plannen Gods, dat de H. Geest eerst zou gezonden worden, nadat God de Zoon de zending, door den Vader Hem opgedragen , volbracht, het verlossingswerk door de opening van het hemelrijk voltooid zou hebben. De Vader had namelijk de menschen geschapen en bestemd, om nauw met Hem vereenigd te worden; de Zoon had zich ten taak gesteld, de wereld, die door de zonde zich van God had afgescheiden, te verlossen, d. i. de hinderpalen der verzoening uit den weg te ruimen. De H. Geest zou door den Vader en den Zoon gezonden worden, om voortdurend die vereeniging der menschen met God, door toepassing dei-vruchten van het verlossingswerk, te voltrekken, de menschen door zijne genadegaven te heiligen. Wel is waar had de Zoon ook tijdens zijn verblijf op aarde den H. Geest kunnen zenden; doch de menschen moesten overtuigd worden, dat de H. Geest niet alleen door den Vader, maar ook door den Zoon gezonden wordt, om nimmer uit het geheugen te verliezen, dat zij de komst van den Trooster

-ocr page 318-

304

aan de verdiensten van Christus te danken hebben. Dit zou echter niet zoo in het oogloopend geweest zijn, als Jesus den H. Geest had gezonden, terwijl Hij zelf nog op aarde vertoefde. Volgens onze denk- en spreekwijze toch veronderstelt de zending, dat de zendende niet onder ons is, maar uit de verte den gezondene tot ons zendt. \')

4) Christus is ten hemel opgeklommen, om ook voor ons den hemel te openen en eene woning te bereiden. Die verzekering gaf Jesus zelf bij het laatste avondmaal aan zijne leerlingen met de woorden : „In mijns Vaders huis zijn „vele woningen.... Ik ga u eene plaats bereiden. En „wanneer Ik heengegaan zal zijn, en u eene plaats zal bereid „hebben, zal Ik weder komen (op den oordeelsdag) en zal „u tot Mij nemen, opdat, waar Ik ben, ook gij zijtquot; (Joan. XIV, 2, 3). Daarom bad Hij, na afloop van het avondmaal: „Vader! die Gij Mij gegeven hebt, wil Ik, „dat, waar Ik ben, ook zij met Mij zijnquot; (Joan. XVII, 24). Wel is het rijk, hetwelk de uitverkorenen zullen bezitten, van de grondlegging der wereld bereid (Matth, XXV); evenwel zeide Jesus, dat Hij heenging, om voor de zijnen eene plaats te bereiden, wijl Hij ging, om de poorten van het hemelriik te openen, die sinds den zondeval van onzen stamvader gesloten waren, en omdat Hij ons uit den hemel den H. Geest met al de genadegaven wilde zenden, waardoor wij tot het bezit van het beloofde rijk voorbereid en bekwaam gemaakt worden. Jesus bereidde ons alzoo woningen in den hemel, zegt de H. Augustinus (in zijne verhandeling over deze plaats van den H. Joannes) doordat hij ons de genade verleende, den hemel binnen te gaan en te bezitten.

5) Eindelijk, Christus is ten hemel opgeklommen, om onze gedachten en neigingen ten hemel op te voeren, opdat wij, aan het aardsche onthecht, aan het hemelsche zouden denken en voor den hemel zouden arbeiden.

Christus aan de rechterhand des Vaders-

IFai beteekenen de looorden: „die zit aan de rechter-„hand Gods!\'quot;

Zij beteekenen, dat Christus, die als God aan den Vader gelijk is, ook als mensch, boven al het geschapene ver-

\') Vergelijk Maldonatus over Joan. XVI; 7.

-ocr page 319-

305

heven is, en meer dan ee.nig schepsel deel neemt aan de macht en heerlijkheid der goddelijke Majesteit.

God is een geest, die geen lichaam, bijgevolg ook geene rechter- of Imkerhand heeft, gelijk wij menschen. De uitdrukking dat Christus ,,zit aan de rechterhand Gods welke wij in de geloofsbelijdenis der Apostelen, als ook op verscheiden plaatsen der H. Schrift vinden, is derhalve zinnebeeldig, en duidt aan, dat Christus, als mensch, den voorrang boven alle schepselen heeft, en in de hoogste rust en opperste eer is bij God den Vader. Volgens oude gebruiken stellen hooggeplaatste personen hen, die zij bizonder eeren, die zij deel aan hunne heerschappij willen geven, aan hunne rechterzijde. Zoo deed reeds de wijze Salomon, toen zijne moeder Bethsabee bij hem kwam: hij liet voor haar een troon in gereedheid brengen, „en zij zat aan zijne „rechterhandquot; (3. Kon. II, 12). Eveneens beteekent ook het zitten hier niet de plaatsing of houding des lichaams, maar een vast en onveranderlijk bezit van de waardigheid, oppermacht en glorie, die Christus van zijnen Vader ontvangen heeft. — En die macht en heerlijkheid heeft Christus ontvangen als mensch, ter belooning voor zijne vernedering tot in den schandelijken dood des kruises; want als God bezat Hij van eeuwigheid de hoogste, onbeperkte macht en heerlijkheid , welke alzoo niet vermeerderd kon worden. Op Christus, als mensch, slaan de woorden van den H. Paulas aan de Ephesiërs : „Hij , (God de Vader) heeft Hem van den dood „opgewekt, en in den hemel aan zijne rechterhand gesteld, „boven alle Overheid en Macht en Krachten Heerschappij, „en alle waardigheid, die genoemd wordt, niet alleen in „deze, maar ook in de toekomende wereld. Alles heeft Hij „onder zijne voeten geplaatst en Hem gesteld tot hoofd over „zijne Kerk, welke zijn lichaam isquot; (I, 20—23). Dus ook als mensch is Jesus Christus het Hoofd der Kerk, de Heer van hemel en van aarde; ook als mensch bezit Hij eene macht en heerlijkheid, welke aan geen geschapen wezen toekomt. Vandaar dat de H. Paulus op eene andere plaats zegt: „Tot wien van de Engelen heeft God ooit gezegd: „zit aan mijne rechterhand?quot; (Hebr. I, 13). Aan de glorie van ons Hoofd Jesus Christus nemen ook wij deel, indien wij levende ledematen van zijn lichaam, van de Kerk, zijn. Als het hoofd de koninklijke kroon draagt, worden dan daardoor de ledematen niet geadeld en gekroond ? Laten wij toch nimmer ons eene zoo hooge eer onwaardig maken! Laten wij steeds het overgroote geluk naar waarde schatten, ware kinderen der H. katholieke Kerk, levende ledematen te zijn van Hem, die in eeuwige heerlijkheid

DEIIAllBE, GELOOrSLEER. II. 3de DEUK. 20

-ocr page 320-

306

troont aan de rechterhand van zijnen en onzen godde-lijken Vader!

TOEPASSING.

Een edelman, die op de jacht verdwaald was, bevond zich op eens midden in eene akelige en onafzienbare wildernis. Terwijl hij angstig rond zag en luisterde, of zich niet ergens in de nabijheid een zijner jachtgenooten ophield, klonk uit het diepste van het woud een bizonder liefelijk gezang. Verbaasd richtte hij zijne schreden naar de plaats, vanwaar die stem scheen te komen. Wie zal het zeggen, wat bij gevoelde, toen hij den zanger in het oog kreeg ? Het was een arme melaatsche, wiens lichaam, door eene afgrijselijke ziekte verteerd, bij stukken afviel. — „Hoe is het mogelijk, „dat gii in den ellendigen toestand, waarin gij verkeert, „zoo blijde kunt zingen ?\'\' riep de edelman hem toe. — „Heb ik geene reden, mij te verheugen en te zingen?quot; was het antwoord. „Zie, de eenige scheidsmuur, welke „mij van God verwijderd houdt, mijn armzalig lichaam, „valt langzamerhand in een; weldra zal mijne ziel vrij en „vroolijk naar de woonplaats der zaligen, naar God opstijgen. „Dat is mijne vreugde; ziedaar de reden van mijn jubelgezang.quot; — Zoo en niet anders moeten ook wij gezir.d zijn. Immers, „wij weten,quot; zegt de Apostel, „dat, wan-„neer de hutte onzer aardsche woning gesloopt zal zijn, „wij een gebouw bij God hebben, een huis, niet met handen „gemaakt, maar eeuwig in den hemelquot; (2. Cor. V, 1). Met een vurig verlangen moeten wij naar die eeuwige belooning des hemels verzuchten en ons verheugen, als de ure nadert, waarop het ons vergund is, ontbonden te worden en met Christus te zijn. Wij zijn „pelgrims en vreemdelingen „op aardequot; (Hebr. XI, 13); ons vaderland, de plaats onzer zalige ruste is de hemel, waar Christus ons is voorgegaan; daar boven is onze schat, daar boven moet ook ons hart zijn, bij Jesus, onzen Verlosser en Zaligmaker. Alle moeite moeten wij ons geven, geen offer moet ons te zwaar vallen, om tot de vreugde des hemels te komen; want geen oog heeft het gezien, geen oor heeft het gehoord, in geen menschenhart is het opgekomen, wat Jesus bereid heeft voor degenen, die den weg bewandelen, waarop Hij de heerlijkheid zijns Vaders is ingegaan.

Bedriegen wij ons echter niet; die weg alleen, welken Christus heeft bewandeld, voert ten hemel, ter eeuwige zaligheid: het is de weg van strijd, van zelfverloochening.

-ocr page 321-

307

van lijden. Wel verzet aich onze bedorven natuur daartegen ; wel zetten wereld en hel ons aan, het zondig rozenpad te kiezen; maar het einde er van is droefenis, dood en verderf; het einde van den kruisweg daarentegen is hemelvreugde en eeuwig leven. Indien er een korter en gemakkelijker weg ten hemel was, zou Jesus, de eeuwige wijsheid en liefde, dien gekend en ook gewezen hebben, vooral daar Hij niets vuriger wenscht, dan dat wij allen daar komen, waar Hij is — in den hemel. Er is echter geen andere. „Als wij met Jesus lijden, zullen wii ook „met Hem verheerlijkt wordenquot; (Rom. VIII, 17). „Wordt „derhalve niet bevreesd en laat den moed niet zinken, „maar ziet op tot Jesus, die voor de vreugde Hem voorgesteld, het kruis verdragen en de schande veracht heeft, „en gezeten is aan de rechterhand des troons van Godquot; (Hebr. XI, 13 en XII, 2—3). ■)

M De H. Catharina van Siena verzorgde uit liefde tot Jesus gcruimen tijd eene oude weduwe, die aan borstkanker leed. Ofsclioon deze wond een zoo onuitstaanbaren reuk verspreidde, dat niemand meer bij het ziekbed der arme zieke wilde komen, bleef Catharina toch dag en nacht hij haar, wiesch en verbond hare wonden zonder het minste teeken van walging of tegenzin te geven. In den beginne was Andrea (zoo heette de zieke) verbaasd over het geduld van hare vrome verpleegster, maar al spoedig vatte zij een groeten afkoer voor haar op. Zij schreef haar de verkeerdste bedoelingen toe en ging in haren onnatuurlijken haat zoo ver, dat zij de Heilige bij allen, die haar kwamen bezoeken, op de snoodste wijze verdacht maakte en door de sluwste lastertaal in een kwaad daglicht trachtte te stellen. Dit gelukte haar inderdaad zoo goed, dat zelfs de zusters van den derden regel van den H. Dominicus, onder welke Catharina hoorde, haar geheel mistrouwden. Evenwel ging Catharina voort met de verpleging der zieke, zonder ooit de geringste klacht te uiten, \'s Avonds was zij gewoon in haar stil kamertje voor het beeld des Verlossers haar beklemd hart uit te storten. „Machtige Heer!quot; bad zij dan onder tranen, „geliefde Bruidegom mijner ziel! help mij, Gij, die mijne „onschuld kent; gedoog niet, dat er eene vlek op mijn naam kleve, ,die uwe bruid niet past.quot; Toen zij eens in dier voege gebeden had, verscheen de goddelijke Verlosser haar met een gouden, met diamanten gesierden diadeem in de rechterhand en eeno kroon van doornen in de. linker. Hij sprak tot haar: „mijne dochter, weet, dat gij deze „beide kronen op verschillende tijden dragen moet; kies die, welke „u het best bevalt. Neemt gij in deze wereld de doornenkroon, dan „wacht u de gouden in het andere leven; maar zoo gij nu de gouden „kiest, zult gij na uwen dood de doornenkroon moeten dragen.quot; Catharina antwoordde: „Sinds lang. Heer, heb ik afstand gedaan van „mijn wil, om enkel uw heiligen wil te volgen; er rest mij geene ■■keuze. Daar Gij mij evenwel gebiedt te spreken. wil ik mij immer „in mijn leven naar uw lijden richten en uit liefde tot ü met liefde ■,aUe beproevingen ondergaan.quot; Daarop ontving zij uit de hand des Verlossers de doornenkroon en drukte die zoo krachtig op haar hoofd, dat zij er diepe wonden van kreeg, welke haar verscheiden dagen hevige pijnen veroorzaakten. Toen sprak de Heiland vol liefde tot

20:!:

-ocr page 322-

308

Zevende artikel des geloofs

,,Vagt;i daar zal Hij homeu oordeelen de levenden en de doodenquot;

liet algemeen en bizondei* oordeel.

Wat leert ons het zevende artikel der geloofsbelijdenis ?

Dat Jesus Christus op het einde der wereld met groote macht en heerlijkheid zal komen, om alle menschen, levenden en dooden, goeden en kwaden, te oordeelen.

Dit artikel is het laatste, hetwelk op den persoon van God den Zoon, op den tweeden persoon der allerheiligste Drievuldigheid, betrekking heeft. liet stelt ons de tweede komst van Jesus Christus in deze wereld voor oogen, gelijk het derde artikel ons over de eerste komst des Verlossers onderricht geeft.

Deze tweede komst zal plaats vinden op het einde der wereld, op den jongsten, d. i. op den laatsten dag, die ook genoemd wordt „de groote of schrikbarende dagquot; (Malash. IV, 5), „een dag van gramschap, een dag van ellende en „angst, een dag van jammer en geweenquot; (Soph. I, 15). „Dan zullen de hemelen,quot; zegt de Prins der Apostelen (2. Petr III), „met groot gedruisch vergaan, en de ele-„menten (de grondstoffen der wereld) brandende ontbonden

haar: //alles is in mijne macht; Ik heb deze ergernis toegelaten, maar „Ik Itan die ook heel spoedig weder wegnemen. Ga voort met de „zieke op te passen.quot; Na deze woorden verdween de hemelsche Bruidegom, en de met doornen gekroonde bruid gevoelde zich hoogst gelukkig.

Met nieuwen moed bezield en gesterkt keerde de Heilige nu naar de zieke terug en verheugde zich, opnieuw het voorwerp harer verwijten en verdenkingen te zijn. ïoen korten tijd daarna hare eigen móeder vernam, welke kwade geruchten er in omloop waren, en bezorgd voor de eer van hare dochter en van geheel haar huis, haar verbood, de ondankbare zieke nog langer te verplegen, wierp Catha-rina zich aan hare voeten neder, smeekte haar, ter liefde van Jesus. den Gekruisigde, zoo lang en op zulk een teederen toon, dat zij eindelijk ontroerd werd en het verbod introk.

Zooveel liefde tot het lijden en zoo groote edelmoedigheid wilde Jesus reeds hier op aarde niet onbeloond laten. Andrea was ten hoogste verwonderd, dat de dienares des Heeren, niettegenstamde alle beleedigingen, welke zij haar had aangedaan, niet het minste teeken van onrust of verstoordheid gaf. Zij begon hare fouten in te zien en gevoelde ten laatste er een groot berouw over. Zij bad, zij smeekte Catharina om vergeving en beloofde eerherstel. Wat Andrea beloofde, hield zij ook getrouw: zij herriep openlijk al het kwaad, dat zij van Catharina gesproken had, en hield niet op, de zuiverheid en heiligheid der vrome maagd te prijzen.

-ocr page 323-

309

„worden, en de aarde, eu wat daar op gewrocht is, uit-„branden.quot; Deze wereld, het tooneel van zoovele gruwelen en hemeltergende misdaden , zal alzoo eenmaal met al hare pracht en heerliikheid, door een algemeenen en verschrik-kelijken brand vernield worden. „De hemel en de aarde, „die nu zijn,quot; schrijft de II. Petrus ter aangehaalde plaatse, „blijven behouden en worden bewaard voor het vuur tegen „den dag des oordeels en der verdoeming van de godde-„loozen.quot; Ziedaar het lot van deze wereld ! \') Alsdan zal Jesus zichtbaar uit den hemel nederdalen, gelijk Hii zichtbaar ten hemel is opgeklommen. Hij zal verschijnen in zijne II. menschheid, in welke Hij miskend, gehoond, mishandeld, gekruisigd is geworden; Hij zal komen, niet alleen om als God, maar ook als mensch geheel de wereld te oordeelen. Want ,,de Vader heeft Hem (zijnen Zoon) „de macht gegeven, oordeel te houden, omdat Hij de Zoon „des menschen is,quot; zegt Christus zelf bij Joannes Y, 27.— Hoezeer zal echter die tweede komst des Ileeren van de eerste onderscheiden zijn ! Bij zijne eerste komst verscheen Hij op aarde ais een zwak kind, in de grootste behoefte, prijs gegeven aan de willekeur van een bloeddorstigen tiran ; maar bij de tweede zal [lij komen als de Koning van het heelal, met groote macht en heerlijkheid, omgeven door zijne Engelen en Heiligen (Matth. XXIV, 30 en XXV , 31), Bij zijne eerste komst kwam Hij om de menschen te zoeken en zalig te maken ; bij zijne tweede zal Hij komen, om allen te oordeelen, om eenieder naar hetgeen hij gedaan heeft, \'t zij goed of kwaad, te vergelden. „Hij zal komen om te oordeelen de levenden en de dooden.\'\' Onder de uitdrukking levenden worden gewoonlijk diegenen verstaan, die, volgens de woorden van den Apostel (I Thess. IV, 16) op den oordeelsdag „nog leven (in het lichaam) „en overgebleven zijn;quot; en onder de dooden hen, „die vóór de tweede komst van Christus uit dit leven zijn „gescheiden.quot; Men kan evenwel onder de levenden ook de geestelijker wijze dooden, d. i. die zich in staat van genade zijn, de goeden en rechtvaardigen, — en de geestelijker wijze dooden, d. i. die zich in staat van doodzonde bevinden, de boozen of zondaars, verstaan. Nochtans

\') Mochten wij, bij de gedachte aan het vergankelijke van alle aardsche heerlijkheid, steeds de woorden ons herinneren, welke Paus Clemens IX, na de HH. Sacramenten der stervenden ontvangen te hebben, tot zijnen neef den Kardinaal Alban richtte: //Ziedaar, zoo •/eindigt alle eer en grootheid dezer wereld! Kiets is groot, wat niet //in Gods oog groot is. Streef nooit naar eene andere, dan naar deze //heilige en ware eer!quot;

-ocr page 324-

310

moet men niet denken, dat degenen, die de Rechter nog in leven vindt, in den hemel of in de hel zullen binnengaan, zonder gestorven te zijn; het is zeker, dat allen zonder uitzondering zullen sterven, maar zij kunnen terstond weder opstaan, de rechtvaardigen om eeuwig gelukkig te zijn, de zondaars ter eeuwige verdoemenis. Het staat ieder vrij, eene derde verklaring van genoemde uitdrukking aan te nemen, namelijk die, welke zegt, dat onder „de levendenquot; zij moeten verstaan worden, die op het oogenblik, dat men de geloofsbelijdenis bidt, nog in een sterfelijk lichaam wonen, en onder de uitdrukking „de dooden\'\' diegenen, die vóór dit tijdstip gestorven zijn. De hoofdzaak is, dat men gelooft en belijdt, dat alle menschen op den jongsten dag zullen geoordeeld worden, om ten aanschouwe van heel de wereld naar verdienste beloond of bestraft te worden.

Dat er op het einde der tijden een algemeen oordeel zal gehouden worden, d. i. een oordeel over alle menschen der geheele wereld zich uitstrekkend, hetwelk wij daarom ook „het laatste\'\' noemen, is eene der grondwaarheden, welke God ter instandhouding der wereldorde aan alle geslachten der menschen geopenbaard heeft. Reeds de Patriarchen, die vóór den zondvloed leefden, erkenden en verkondigden deze waarheid, ter waarschuwing der goddeloozen. „Ziezoo sprak Henoch, de zevende na Adam, „zie, de Heer komt „met zijne duizenden Heiligen, om gericht te oefenen tegen „allen, en alle goddeloozen onder hen te straffen, wegens „al hun werkenquot; (Judas 14 en 15). Eveneens sprak God over het laatste oordeel door den mond der Profeten. „Zie,quot; roept Isaïas (XIII, 2—12) uit, „de dag des Heerenkomt, „een wreede dag, vol van verbolgenheid en toorn en grim-„migheid, om het land te maken tot eene wildernis en „deszelfs zondaars daaruit te verdelgen. Want de sterren ,,des hemels met hare pracht doen haar licht niet schijnen; de „zon verduistert bij haren opgang, en de maan schijnt niet „in haar licht. Dan zal Ik bezoeking doen (oordeel houden) „over de zonde der aarde en over de boosheid der godde-..loozen; Ik zal een einde maken aan der ongeloovigen trots „en den hoogmoed der geweldigen vernederen. Daarbij zal „Ik hen beroeren en de aarde doen schudden uit hare „plaats, wegens de verbolgenheid van den Heer der heir-„scharen , wegens het branden zijns toorns op dien dag.quot; Bij deze profetie sluit zich aan de bekende voorspelling van Joël: „Ik zal teekenen stellen in den hemel en op aarde: „bloed en vuur en damp van rook. De zon wordt veranderd in donkerheid en de maan in bloed, eer de dag „des Heeren komt, de groote, de vreeselijke. Dan zal \'t

-ocr page 325-

311

„geschieden: ieder, die den naam des Heeren aanroept;, zal „behouden worden; want op den berg Sion en in J erusalem „zal redding zijn, en onder de overblijvenden (die het ver-„derf ontkomen), zullen zij wezen, die de Heer geroepen „heeft. Want zie, in die dagen en in dien tijd, wanneer „Ik de gevangenschap (d. i. het hardnekkig ongeloof) van „Juda en Jerusalem zal hebben omgewend, zal Ik alle „volken verzamelen en hen voeren naar het dal Josaphat, „en daar zal Ik over hen oordeel houden wegens mijn volk „en mijn erfdeel Israël (c\'. i. de Kerk, waartoe dan ook „de Joden zullen behooren) , dat zij onder de volken verstrooid hebben, en mijn land hebben zij verdeeld. Staat „op, volken! komt naar het dal Josaphat! want daar zal „Ik zitten, om alle volken in het rond te oordeelenquot; (Joël II, 30, III, 2, 12). Daniël zag in een visioen den „Oude van dagenquot; (Eeuwige) zich nederzetten om te oordeelen, en het boek (der goddelijke alwetendheid) openslaan. En Jesus zelf zegt (Matth. XVI, 27): „De Zoon des „menschen zal komen in de heerlijkheid van zijnen Vader „met zijne Engelen, en alsdan zal Hij eenieder vergelden „naar diens werken.\'\' Deze woorden maakt Christus nog duidelijker door de gelijkenis van het onkruid, dat de vijand onder de tarwe gezaaid had (Matth. XIII). Toen namelijk het zaad opschoot, openbaarde zich ook het onkruid „En „de dienstknechten van den vader des huisgezins kwamen tot hem en zeiden : wilt gij dat wij het gaan uitwieden ? „En hij zeide: neen! opdat gij bij geval, het onkruid „uitwieclende, niet daarmede tegelijk de tarwe uittrekt. „Laat beide opwassen tot den oogst, en dan zal ik tot „de maaiers zeggen: verzamelt eerst het onkruid, en bindt „het in bundels, om te verbranden, maar vergadert de „tarwe in mijne schuren.quot; Deze gelijkenis past Jesus zelf op het laatste oordeel toe, zeggende: „Die het goede zaad „zaait, is de Zoon des menschen. De akker is de wereld. „Het goede zaad zijn de kinderen des rijks. Doch het onkruid „zijn de kinderen des boozen. Maar de vijand, die het ge-„zaaid heeft, is de duivel. De oogst dan is de voleinding „der wereld. En de maaiers zijn de Engelen. Gelijkerwijs „nu het onkruid uitgewied en met vuur verbrand wordt, „alzoo zal het zijn in de voleindiging der wereld. De Zoon „des menschen zal zijne Engelen uitzenden, en zij zullen „uit zijn rijk verzamelen alle de ergernissen, en degenen, „die de ongerechtigheid doen; en zij zullen die werpen in „den oven des vuurs.quot; — Na de hemelvaart des Heeren kwamen Engelen uit den hemel den bedroefden leerlingen de wederkomst van den Heiland verkondigen met de woor-

-ocr page 326-

312

den ; „Galileesche mannen, wat staat gij hemelwaarts te „zien? Deze Jesus, die van u opgenomen is in den hemel, „zal alzoo komen, als gij Hem hebt zien ten hemel varen.quot; —• De Apostelen predikten, naar het voorbeeld en volgens het bevel van hunnen goddelijken Meester, deze leer van het laatste oordeel met den grootsten nadruk. „Hij (Jesus van Nazareth) „heeft ons geboden,quot; sprak Petrus (Hand. X, 42), „den volke te prediken en te betuigen, dat Hij het is, „die van God gesteld is tot Rechter over levenden en „dooden;quot; en Paulus leerde in den Areopaag van Athene: „Hij (God) heeft eenen dag bepaald, op welken Hij de „wereld naar gerechtigheid zal oordeelen door eenen man (Jesus Christus), „dien Hij daartoe bestemd heeft, aan allen „verzekering gevende, door Hem uit de dooden op te wekken.quot;

Wanneer zal de dag van hei algemeen oordeel komen?

Dien dag en die ure weet niemand, zelfs niet de Engelen des hemels.

Zoo antwoordde Jesus zelf (Matth. XXIV , 36). Toen zijne leerlingen Hem ondervroegen naar den tijd, dat Hij als heerscher zou optreden, zeide Hij: ,,u komt het niet „toe, tijden of stonden te weten, welke de Vader in zijne „macht heeft gesteldquot; (Hand. 1, 7). Door dit antwoord heeft de goddelijke Verlosser, zooals de H. Augustinus; (de civit. Dei, boek 18, hoofdst. 53) opmerkt, alle voorbarige berekening en tijdsopgave van het algemeen oordeel terstond afgesneden. Dewijl er echter vóór het einde der wereld groot gevaar van afval van God zal wezen, daar vele bedriegers zullen opstaan en valsche teekenen en wonderen doen, „zoodat ook de uitverkorenen, indien het mo-„gelijk ware, in dwaling zouden gebracht wordenquot; (Matth. XXIV, 24), daarom hebben Christus en de Apostelen vele dingen, die voor het einde der tijden op den aardbodem zullen gebeuren, voorspeld, opdat de geloovigen zouden waken en zich niet tot afval laten verleiden.

Dusdanige gebeurtenissen en teekenen zijn volgens de H. Schrift:

1) De voorafgaande verkondiging van het Evangelie over den geheeltn aardbodem. „Dit Evangelie des rijks,quot; zegt Christus (Matth. XXIV, 14), ,zal gepredikt worden in geheel de wereld, allen volken tot „getuigenis, en alsdan zal de voleinding komen.quot; \')

2) Oorlog, pest, hongersnood, aardbeving, groote ellende. //Volk zal „tegen volk, en rijk tegen rijk opstaan; en er zullen zijn pestziekten,

!) Daaruit kan men echter niet besluiten, dat de geheele wereld in den tijd, die het algemeen oordeel voorat\' gaat, aan Christus gelooven zal, en alle menschen den katholieken godsdienst zullen aannemen.

-ocr page 327-

313

„en hongersnood, en aardbevingen op verscheiden plaatsen. Doch »dit alles is het begin der ellenden. Alsdan zullen zij u overleveren «tot kwelling: en zij znllen u dooden, en gij zult van alle volkeren ,/gehaat worden, om mijnen naamquot; (Matth. XXIV, 7—9).

3) Het rijk van den antichrist en groote afval. Dit teeken geeft de H. Paulus aan met de woorden; //Laat u door niemand op eenigerlei „wijze misleiden, want eerst moet de afval komen, en de mensch der ,/zonde, de zoon des verderfs, openbaar worden, die zich verzet tegen, «en zich verheft boven alles, wat God of goddelijk heet, zoodat hij ,/zich in den tempel Gods plaatst en zich voor God uitgeeft.... Wiens „komst zal toe te schrijven zijn aan de werking des satans, door //allerlei krachten, en teekenen, en valsche wonderen en door allerlei «verleiding tot slechtheid bij degenen, die verloren gaan, omdat zij ,/de waarheid niet aangenomen heoben, waardoor zij behouden konden „worden. Waarom (d. i. tot straf van hun ongeloof) ook God aan de «dwaling zoo groot eene macht over hen geven zal, dat zij aan de «leugen geloof zullen hechtenquot; (2. Thess. 3, 4, 10). — Voornamelijk ten tijde van den Antichrist zal alzoo de groote afval van Christus en zijne Kerk plaats vinden. Tengevolge der verblinding en verleiding van dezen vijand van Christus (Dan. VII, 20) „zaX de boosheid toene-„men, en de liefde van velen verkoelenquot; (Matth. XXI V, 12j, zoo zelfs, dat Jesus (Luc. XVIII, 8) met het oog op dien dag de vraag stelt: //Wanneer de Zoon des menschen komt, zal Hij nog geloof vinden „op aarde?quot; Niet lang zal echter de Antichrist heerschen; de dagen van zijn rijk zullen om de uitverkorenen verkort worden (Matth. XXIV, 22). De booswicht zal ontmaskerd worden, en „de lieer Jesus «zal hem dooden met den adem van zijn mond, en vernietigen door «den luister zijner komstquot; (2 Thess. II, S). \')

Want, ofschoon van den eenen kant niet met zekerheid ontkend kan worden, dat zulks werkelijk geschieden zal, kan het toch van den anderen kant evenmin worden staande gehouden, dewijl het ons niet geopenbaard is. De aangehaalde voorzegging van Christus is namelijk genoegzaam bewaarheid, als zijn Evangelie langzamerhand en achtereenvolgend over den geheelen aardbodem gepredikt wordt. En zelfs de woorden (bij Joannes X, 16): //het zal één schaapstal en één Herder //zijn,quot; beteekenen niet, dat eenmaal alle menschen tegelijk tot de Kerk zullen behooren, en zoo gezamenlijk maar écne kudde onder den eenen Herder, Jesus Christus, en diens plaatsbekleeder zullen uitmaken. Christus toch voorzegt hier alleen de bekeering der Heidenen, en wijst er op, hoe dientengevolge uit Joden en Heidenen één schaapstal, ééne algemeene, katholieke Kerk ontstaan zal, die. zooveel aan haar ligt, allen omvat (Aldus Suarez in 3. S. ïhom. q. 5Ü. Disp. 56. S. 1).

\') De uitdrukking //Antichristquot; wordt in de H. Schrift nu eens in een ruimeren zin genomen, namelijk voor iederen vijand van Christus, dan weder in een meer beperkten, voor den eigenlijken Antichrist, die tegen het einde der wereld optreden, met list en geweld de Kerk vervolgen en voor zijnen persoon goddelijke hulde eischen zal. In den eersten zin moeten de woorden van den H. Joannes (1. br. II, 18) verstaan worden: //reeds nu zijn er vele antichristen „(valsche leeraars) geworden;quot; in den laatsten de aangehaalde woorden van den H. Paulus aan die van Thessalonica. — Uit de woorden: «•de Heer Jesus zal hem vernietigen door de heerlijkheid zijner komst,quot; volgt niet, zooals de meeste Schriftuitleggers zeggen, dat de Antichrist zal heerschen tot den oordeelsdag en eerst verpletterd zal worden, als Jesus komt om te oordeelen. Met het oog op Dan. XII, 12 zijn zij integendeel van meening, dat na den val van den Antichrist den menschen nog eenige tijd tot boetedoening zal gelaten worden.

-ocr page 328-

314

4) De hornat van Elias en Henoch. In de dagen van den antichrist znllen ook Elias en Henoch optreden en voor Jesus en diens leer getuigenis atleggen. //Zie,quot; spreekt de Heer bij Malachias (IV. 5, 0), «Ik zal u den Profeet Elias zenden, eer de gróote en vreeselijke dag «des Heeren komt. Hij zal het hart der vaders tot de zonen en het j/hart der zonen tot hunne vaders bekeeren;quot; en Jesus zelf bevestigt (Matth. XVII, 11) deze uitspraak met de woorden; «Elias zal komen //en alles weder herstellen.quot; — Desgelijks is ook de wederkomst vau Henoch voorspeld door den wijzen Siracli; //Henoch heeft aan God //behaagd, en werd in het Paradijs verplaatst, om (aan het einde der „wereld) de volkeren (die den antichrist aanhangen) tot boete op te //wekken.quot; \')

5) De hekeering der Joden, welke, zoo als boven werd aangetoond, door de Profeten is voorspeld, en vooral door de prediking van Elias zal bewerkt worden.

6) Teekenen aan den hemel. //Terstond na de verdrukking van die //dagen,quot; (door den antichrist teweeggebracht) zegt Christus, „zal „de zon verduisterd worden, en de maan zal haar licht niet geven, „en de sterren zullen van den hemel vallen, en de krachten der „hemelen zullen beroerd wordenquot;... (Luc. XXI, 26); „de inenschen //zullen bezwijken van schrik en verwachting der dingen, die de „gansche wereld zullen overkomen.quot; -)

Waarover zullen ivij geoordeeld worden ?

Wij zullen geoordeeld worden over alle gedachten, woorden en handelingen, en over het verzuim van goede werken.

Het oordeel van de wereldlijke rechtbank bepaalt zich hij uitwendige handelingen en woorden, maar Gods oordeel gaat ook over gedachten, begeerten en bedoelingen, welke in het binnenste der ziel gevoed en zorgvuldig -verborgen gehouden worden. Elke handeling van den mensch, elk woord, elke gedachte, elk verlangen, elke bedoeling, met één woord alles, wat goed of kwaad is, valt onder het bereik van den goddelijken Rechter, die „harten en nieren „doorgrondt ;J\' over dat alles zullen wij voor zijnen rechterstoel rekenschap moeten afleggen. „Alles wat geschiedt, „hetzij goed of kwaad, zal Grod voor het oordeel brengenquot; (Pred. XII, 14); „de gedachten van den goddelooze „zullen onderzocht en zijne misdaden gestraft wordenquot; (Wijsh. I, 9). Jesus zelf zegt (Matth. XII, 36): „Ik

\') De aangehaalde plaatsen der H. Schrift zijn, vooral in verbf.nd met de woorden der geheime Openbaring (XI, 3—15) zoo duide\'.ijk en bepaald, dat de HH. Vaders niet aarzelen, die in den letterlijiten zin, namelijk van de persoonlijke wederkomst van Henoch en Elias te verstaan (Zie Suarez, 1. c. Disp. 65. S. 2).

2) Of die „teekenen aan den hemelquot; alle in den letterlijken zin opgenomen moeten worden, en hoe die in het bizonder zich zullen voordoen, kan niet met zekerheid gezegd worden. Evenwel zullen zij zeer zeker plaats hebben, gelijk blijkt uit de waarschuwing, welke Christus gaf, terwijl hij van die teekenen sprak: „als nu deze dingen „beginnen te geschieden, ziet omhoog, en heft uwe hoofden opwaarts, „want uwe verlossing is nabijquot; (Luc. XXI, 2SJ.

-ocr page 329-

315

„zeg u, van elk ijdel woord, hetwelk de menschen zullen „gesproken hebben, zullen zij rekenschap geven in den dag „des oordeels;quot; en de H. Paulus schriift: „wij moeten allen „verschijnen voor den rechterstoel van Christus, opdat eenieder ontvange naar hetgeen hij in zijn lichaam (in zijn „sterfelijk leven) gedaan heeft, hetzij goed of kwaad.quot;

Doch niet alleen over het goed en kwaad, dat wij gedaan, gesproken of gedacht hebben, zullen wij worden geoordeeld, maar ook over het goede, dat wij verzuimd hebben, en over het kwaad, dat wel door anderen bedreven is, maar waartoe wij aanleiding gegeven, of wat wij niet belet hebben, ofschoon wij het konden verhinderen. Wij zullen rekenschap moeten geven van de natuurlijke gaven en talenten, welke wij als trage knechten begraven, van den kostbaren tijd, dien wij als dwaze maagden verslapen, verspild hebben, van de hemelgaven, die ons zoo rijkelijk zijn ten deel gevallen, zonder dat wij er een gepast gebruik van maakten. ï) Ouders zullen rekenschap moeten geven van de zonden hunner slecht opgevoede kinderen; heeren en meesters van de misdrijven hunner dienstboden, die zij niet bewaakt hebben ; overheden van de afdwalingen hunner verwaarloosde onderdanen: verleiders van de onafzienbare rij van zonden en misdaden dergenen, die zij door onkui-sche of goddelooze gesprekken , door ongeoorloofde vrijheden, door slechte boeken, enz. op den weg der zonde hebben gebracht.

Hoe zal het oordeel gehouden worden ?

1) Ronut van den Rechter. — Nadat de voorteekenen , welke wij zoo even aanduidden, hebben plaats gehad, breekt eindelijk de groote, van eeuwigheid vastgestelde dag des oordeels aan. Alsdan zal God „zijne Engelen uitzenden,quot; niet meer gelijk vroeger als boden des vredes, maar als dienaars zijner gestrenge, onverbiddelijke gerechtigheid. Zij komen om de dooden met bazuingeschal uit hunnen doodslaap op te wekken. Alom zal de dood zijnen buit terug geven, de graven zullen zich openen, en uit alle wereld-deelen zullen de opgewekten eensklaps bijeen zijn. Kinderen en grijsaards, aanzienlijken en geringen, koningen en bedelaars , goeden en kwaden — allen zullen op het gebod der

i) Lodewijk van Grenade verhaalt van een heiligen man die gewoon was telkens wanneer de klok sloeg, te zeggen: „o mijn God, wederom «is er een uur vervlogen van de weinige, die den tijd mijns levens (■uitmaken, een uur, waarvan ik rekenschap geven moet.quot;

-ocr page 330-

316

Engelen ten oordeel komen. \') Daarna „zal het teeken van „den Zoon des menschen aan den hemel verschijnenquot; (Matth. XXIV, 30), namelijk het kruis, dat schitterend in de wolken zweeft, den rechtvaardigen ten troost, den zondaars tot schrik. \') Nu zullen alle geslachten van den aardbodem den Zoon des menschen zien komen met groote macht en heerlijkheid en alle Engelen met Hem. — Vol vreugde zullen de uitverkorenen den eeuwigen Rechter begroeten. „Zie,quot; zullen zij uitroepen, „zie, dat is onze God! Wij hebben „Hem verbeid, en Hij helpt ons, dat is onze Heer! Wij „hebben Hem verwacht, wij verheugen ons, en wij verblijden „ons in zijn heir\' (Is. XXV, 9). Hoe groot daarentegen zal de ontsteltenis zijn der goddeloozen, als zij Jesns zien, dien zij bespot, „dien zij doorstoken hebben!quot; (Openb. I, 7). Zij zullen hunne oogen niet durven opslaan: „angsten en „weeën grijpen hen aan; de een ziet ontsteld den anderen „aan; hunne gezichten zijn als vlammenquot; (Is. XIII, 8). .,In de holen en rotsen, in de diepe spelonken der aarde „zouden zij zich gaarne verbergen uit vrees voor den Hechter „en voor den luister zijner majesteitquot; (Is. II, 19. Vergelijk Luc. XVIII, 30). 3)

\') De vraag, op welke plaats der aarde Christus het laatste oordeel zal houden, kan niet met zekerheid beantwoord worden. Uit Joël (III, 2): //Ik zal alle volkeren verzamelen en hen voeren naar «het dal van Josaphat, en daar zal Ik over hen oordeel houden,quot; besluiten eenigen, dat het laatste oordeel in het dal Cedron, tus-sehen Jerusalem en den Olijfberg, hetwelk van oudsher het //dal van «Josaphatquot; genoemd wordt, en in deszelfs omgeving zal plaats vinden. Anderen daarentegen (o. a. Allioli) houden zich aan de beteekenis van het hebreeuwsche woord //jekoschaphat,quot; welke is: de ITeer oordeelt, en verstaan //dal van Josaphatquot; niet als eigennaam, maar in den zin van dal van het oordeel des Heeren, zonder eenige aanwijzing van plaats. Deze meening schijnt eenigermate door de H. schrift bevestigd te worden, daar de Profeet Joël het door hem bedoelde dal ook dal van eharuts (dal der verplettering of des dorschwagens) noemt, hetgeen zeker geen eigennaam is.

2) Onder „het teeken van den Zoon des menschen,quot; hetwelk aan den hemel zal verschijnen, verstaan de HH. Vaders eenparig het teeken des kruises, en zelfs de Kerk zingt: //Dit teeken zal aan den hemel „prijken, wanneer de Heer komt om te oordeelen.quot; Of het kruishout, waaraan de Godmensch gestorven is, dan wel de gedaante van een kruis in de lucht zal zweven, daarover loopen de meeningen uiteen. Suarez houdt het laatste voor waarschijnlijk.

:i) In liet leven der Oudvaders vinden we de volgende geschiedenis. — Een jongeling had het besluit genomen, zich in een klooster te begeven Zijne moeder beproefde het onmogelijke, namelijk hem van zijn voornemen ai\' te brengen. Dag en nacht bestormde zij haren zoon met beden, klachten en tranen. Maar de standvastige jongeling gaf telkens ten antwoord: „ik wil mijne ziel redden,quot; en de moeder, die vroom en godvreezend was, gaf hem eindelijk hare toestemming en den zegen er bij. — De jongeling trad alzoo in het klooster, doch verloor al spoedig zijn eersten ijver en leidde een lauw, plichtverge-

-ocr page 331-

317

Vervolgens zal de Rechter plaats nemen op den troon zijner heerlijkheid, en de volkeren, die aan zijne voeten vergaderd zijn, „van elkander scheiden, gelijk de herderde „schapen van de bokken scheidtquot; (Matth. XXV, 31, 32). De Engelen zullen op zijn gebod die gewichtige scheiding voltrekken. Zonder in het minst acht te geven op adel en waardigheid, macht of grootheid, zal aan ieder naar verdienste zijne plaats worden aangewezen. In één oogenblik zal geheel het menschelijk geslacht, de vromen aan de rechterzijde, de goddeloozen aan de linkerzijde van Jesus\' rechterstoel, het vonnis afwachten. Christen! wilt gij op dien laatsten der dagen afgescheiden van de bokken, bij de schapen geplaatst worden, volg dan immer als een trouw, leidzaam schaapje de stem van den goeden Heider; wees ootmoedig, zachtmoedig, geduldig, vlekkeloos; word met iederen dag meer gelijkvormig aan het Lam Gods, dat dagelijks op onze altaren zich aan God ten offer brengt, en gij zult gewis aan de rechterhand van den eeuwigen Rechter, „den Herder der volkeren,quot; staan.

2) Openbaring der gewetens. — Na de genoemde voorbereidingen begint het oordeel met de openbaring der geheimen van het hart. Hiervan zegt de H. Joannes in het boek der geheime Openbaring: „ik zag de doodeu, groot en klein, „staande voor den troon. En de boeken werden geopend, (d. i. de gewetens werden ontsloten, zoodat iedereen door eene bizoudere verlichting daarin al het goed eu kwaad, als in een opengeslagen boek, lezen kan,l) „eu weder wordt

ten leven. ïTa eenigen tijd stierf zijne moeder, en ook hij viel in eene zware ziekte. Op zekeren dag nu werd hij in den geest voor den rechterstoel van bod gevoerd. Daar zag hij zijne brave moeder onder de uitverkorenen, maar zich zeiven onder degenen, die ter helle waren verwezen. Zijne verheerlijkte moeder wendde zich thans met heilige verontwaardiging tot haren ontaarden zoon, en haar vertoornde blik drong hem als een dolk door het hart. — //Zoon!quot; riep zij: «.zoon, wat zie ik? Is dit uw einde? Wat beteekenden die woorden, //ik wil mijne ziel redden? Zijt gij in het klooster gegaan, om ver-//doemd te worden?quot; Ontsteld en diep beschaamd, was de aangesprokene niet bij machte zijn oog op te slaan en een woord ter verontschuldiging te spreken. — Toen hij na eenige oogenblikken weder tot bezinning kwam, maakte hij van deze waarschuwing een goed gebruik, en leidde, nadat hij van zijne ziekte hersteld was, een zeer boetvaardig leven. Wanneer zijne medebroeders en vrienden hem aanmaanden, zijne gestrengheid eenigszins te matigen, gaf hij ten antwoord; „kon ik den blik en het verwijt mijner zalige moeder niet „verdragen, hoe zal ik dan eenmaal bij het laatste oordeel den blik „en de verwijten van mijn goddelijken Rechter kunnen verdragen?quot;

\') Aldus Augustinus, de civit. Bei lib. 11. cap. 14. Hieronymus in Dan. VIL In dien zin zegt ook Basilius ad virg. laps, in append.: „goed en kwaad, wat openbaar en verborgen is, woorden, werken, «gedachten, alles tezamen zal bekend gemaakt worden, zoodat alle

-ocr page 332-

318

„er een boek open gedaan, het boek des levens (het boek der goddelijke alwetendheid) „en de dooden worden geoor-„deeld naar datgene, wat geschreven stond in de boeken „volgens hunne werken.\'\' Op eene andere plaats der H. Schrift lezen wij: „wanneer de Heer komt, zal Hij ook het-„geen in de duisternis verborgen is aan den dag brengen en „de bedoelingen der harten openbaar makenquot; (1. Oor. IV, 5). Dan zal in hoogeren zin bewaarheid worden het woord, dat de Profeet Nahum over het zondige Ninivé uitsprak: „Zie, „Ik ben tegen u, spreekt de Heer der heirscharen, Ik zal „uwe boosheid ontdekken, den volkeren zal Ik uwe naakt-„heid en den koninkrijken uwe schande toonen. De grootste „oneer zal Ik u aandoen, en u tot een schouwspel stellenquot; (Nah. III, 5, 6). Ik zal ontdekken die sluwe plannen der eerzucht, die bedrieglijke kunstgrepen der hebzucht, die lage ontwerpen van den nijd, die wreede aanslagen der wraakzucht, die schandelijke gedachten, voorstellingen en begeerten der zinnelijke lusten; Ik zal onthullen die werken der duisternis; Ik zal de verborgenheden van uw hart aan alle volkeren doen kennen: hemel en aarde zullen ontwaren, wat bederf daarin heerscht, en van schrik terugdeinzen. Wee het kind, dat zijne kortzichtige ouders misleid heeft! Wee den ouders, die het heiligdom des huisgezins door zonde geschandvlekt hebben! Wee den Christen, die voor den rechterstoel der biecht het durfde wagen, God zei ven in den persoon zijns plaatsbekleeders te bedriegen en te baliegen!.., „Niets is er verborgen, dat niet openbaar zal „worden, en niets geheim, dat niet geweten zal wordenquot; (Matth. X, 26). —Denk alzoo nooit, waarde lezer: duisternis omgeeft mij, niemand ziet mij, als ik kwaad doe. Het oog van uwen toekomstigen Rechter ziet alles, — en alles, wat geschiedt, zal Hij voor zijn oordeel brengen; alles zal Hij niet alleen aan uwe ouders en leeraars, voor wie gij u zoo angstig verbergt, maar aan de geheele wereld, aan alle Engelen en menschen bekend maken, zonder u te sparen, zonder de geringste omstandigheid te verbergen. l)

//Engelen en mensclien liet kunnen liooren.quot; Dit zal echter niet, gelijk de H. Thomas opmerkt, door woorden, maar door eene oogen-blikkelijke verlichting geschieden. //Fiet ergo virtute divina, ut sta-//tim unicuique occurrant bona vel mala omnia quaecumque fecit, //pro qui bus est praemiandus vel puniendus , et non solum unicuique /,de se ipso, sed etiam unicuique de aliisquot; (Comp. Theol. Tr. II. cap GO:.

\') Eenigen zijn van gevoelen, dat bij het algemeen ooiueel de zonden der uitoerkorenen, die door boetvaardigheid zijn uitgewischt, verborgen zullen blijven. De openbaring dier zonden, zeggen zij, zou eene beschaming en straf zijn, en in strijd met de belofte des

-ocr page 333-

319

Wat zal de zondaar dan tot zijne verontschuldiging bijbrengen ? Wat zal hij zeggen ? Dat hij de wet des Heeren niet gekend heeft? De eeuwige Rechter zal hem het boek van zijn eigen geweten voorhouden , hetwelk hem die leugentaal verwijt; Hij zal hem wijzen op de verkondigers van het goddelijk woord, die hij zoo herhaalde malen kon hooren; Hij zal als getuigen tegen hem aaiivoeren zijne brave ouders, leeraars, zielzorgers.... Zal hij zijne zwakheid voorwenden? Dan zullen tegen hem optreden ontelbare scharen van Heiligen, de bloedgetuigen met hunne palmtakken, de maagden met de lelie der onschuld en maagdelijkheid, de belijders met de vanen der overwinning op wereld, vleesch en hel. Wij konden de wet van God naleven, zullen zij hem toeroepen ; ook gij waart er toe in staat, geholpen door de genade, welke u nooit ontbroken heeft. Wij waren men-schen gelijk gij, zwak en gebrekkelijk als gij, tot de zonde geneigd als gij, tot het kwaad bekoord als gij; wij hebben gezegevierd door Hem, die ons sterkte: ook gij had kunnen overwinnen, maar gij hebt niet gewild, uw ongeluk is uwe schuld, uwe verdoemenis is uw werk, de hel, welke gij verdiend hebt, hebt gij zelf gegraven, het vuur zelf ontstoken. — Neen, op dien verschrikkelijken dag is er geene verontschuldiging, geen uitvlucht meer vcor den zondaar. Op het zien van de uitverkorenen en van het heilige kruis, waaraan een Godmensch voor allen zijn bloed gestort heeft, zal de schuldige voor eeuwig verstommen.

Heeren (Ezecli. XVIII, 21, 22), dat Hij, als de goddelooze boete doet, diens misdaden niet meer zal gedenken. De meeste Godgeleerden verwerpen echter deze meening, wijl zij, naar hun inzien, niet overeenkomt met de leer van de H. Schrift en de aanzienlijkste Theologanten, vooral van den H. Thomas, Bonaventura, Anselmus, en met het hoofddoel van het laatste oordeel, hetwelk daarin bestaat, dat de volmaaktheden van God betreffende de regeering der wereld en de goede werken der vromen aan alle schepselen geopenbaard worden. Hoe toch zou de geheele omvang der genade- en ontl\'er-mingsvclle goedheid Gods jegens de uitverkorenen erkend kunnen worden, als hunne misdrijven geheim bleven? En hoe zouden al hunne verdiensten, door boetvaardigheicl en goede werken verkregen, openbaar kunnen worden, indien de grootheid hunner schuld niet tevens door allen gekend werd? De Heiligen zullen door die openbaring evenmin bestraft of bedroefd worden, als tegenwoordig de zaligheid van den H. Petrus, van de H. Magdalena of van den koning David er door verminderd wordt, dat hunne vroegere misstappen nog voortdurend in de Kerk worden medegedeeld. Integendeel verheugen zij zich, dat alle schepselen de barmhartigheid erkennen, welke God hun bewezen heeft, opdat allen Hem daarvoor loven en prijzen, gelijk ook zij in eeuwigheid doen. — De belofte bij Ezechiël— //Ik zal zijne misdaden niet meer gedenken,quot; — kan alleen in dien zin gezegd zijn, dat God er niet meer aan wil denken om ze te bestraffen; van een eigenlijk vergeten kan bij God, den Alwetende, volstrekt geene spraak zijnquot; (Zie Suarea 1. c. disp. 57. sect. 7).

-ocr page 334-

320

3) Be uitspraak van het vonnis. — De vreugde en glorie der rechtvaardigen, als ook de smart en schande der god-deloozen worden voltooid door de uitspraak van den eeuwigen Rechter. — Zoodra de openbaring der gewetens heeft plaats gehad, zal Jesus met verhoogden luister van zijnen troon opstaan. Hemel, aarde en hel zwijgen en wachten op de eeuwig onveranderlijke uitspraak. Dan opent Hij zijn goddelijken mond en spreekt tot de rechtvaardigen met hemelsche liefde en goedheid : „Komt, gezegenden mijns „Vaders! bezit het rijk, hetwelk van de grondlegging der „wereld voor u bereid isquot; (Matth. XXV, 34); en tot de zondaars, met een vlammend gelaat en eene donderende stem: „Gaat van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, het-„welk den duivel en zijnen engelen bereid isquot;.... (Matth. XXV, 41).

Wijkt van mij ! Ik heb, toen het nog tijd was, alles gedaan, om door weldaden uw hart aan Mij te boeien, gij hebt al mijne pogingen verijdeld; Ik heb u geroepen, gij hebt Mij niet gehoord, mijne dringende uitnoodiging was u lastig; Ik heb vol teederheid en medelijden mijne armen naar u uitgestrekt, maar gij hebt er geen acht op geslagen, gij hebt Mij versmaad. Gaat nu van Mij, gij vervloekten! Gij hebt het evenbeeld mijns Vaders geschandvlekt, gij hebt mijn bloed met voeten getreden, gij hebt den tempel des H. Geestes ontwijd en onteerd, gij hebt de menschen tot het kwaad verleid, gij hebt met den satan gewedijverd in boosheid, gij hebt aan zijn rijk boven het mijne de voorkeur gegeven; daarom wijkt van Mij, uitvaagsel der schepping, gaat in het eeuwige vuur! Die woonplaats hebt gij zelf gekozen; daar zult gij in eeuwigheid blijven. — Met het laatste woord van het vonnis begint de voltrekking, welke zonder einde is. De poorten des hemels openen zich, en de uitverkorenen trekken verheugd en gekroond met Jesus de heerlijke stad Gods binnen, „zij gaan in het eeuwige leven.quot; De hel opent haren afgrond en rukt de rampzalige offers der zonde in hare diepte, om ze nimmer weêr te geven : „de boozen gaan in de eeuwige pijnquot; (Matth. XXV, 46).\') —

\') Eenigen gaan in liet eeuwige leven, de anderen in de eeuwige pijn. Ontzettende scheiding! Wie huivert niet bij de gedachte aan dien stonde? i)an worden kinderen van hunne ouders., broeders van hunne zusters, vrienden van hunne vrienden, leerlingen van hunne leeraars.... met onwederstaanbare kracht gescheiden, voor eeuwig gescheiden. Ue smart dier scheiding wordt door geene hoop op wederzien verzacht: eene onoverschrijdbare, oneindige klove scheidt in alle eeuwigheid harten, die hier op aarde door den innigsten, door een onontbindbaren band vereenigd waren. Vermetel zou het zijn, de gevoelens te beschrijven, welke op dat vreeselijk oogenblik der

-ocr page 335-

321

Wat zal eens ons lot zijn? Nog is de keuze ons gelaten. \')

scheiding liet hart der verdoemden verscheuren, vermetel, den laat-sten blik te schetsen, welke verworpen kinderen, broeders en zusters hunnen verheerlijkten ouders, broeders en zusters toewerpen; vermetel, de woorden aan te duiden, waarmede zij hunne smart en hunne vertwijfeling- uitdrukken. Dat alles is onbeschrijfelijk, onuitsprekelijk.

i) — //Wie zou nog kunnen zondigen,quot; zegt Paus Clemens, //als //hij voortdurend het oordeel Gcds, dat bij het einde der wereld //zal plaats hebben, voor oogen had?quot; — De Heiligen, die geheel hun leven in de strengste boetvaardigheid doorbrachten, sidderden zoo dikwijls zij aan dien laatsten der dagen dachten. De H. Ephrem roept in eene preek over het laatste oordeel uit: /,Wie is in staat ,/die verschrikkelijke dingen te beschrijven, wiens tong kan ze uit-z/spreken? De Koning der koningen zal uit den hemel nederdalen; //Hij zal komen om te oordeelen en alle bewoners van den aardbo-//dem voor zijn rechterstoel te roepen. Bij de gedachte aan deze //Waarheid sidder ik aan al mijne leden en ben op het punt van in „zwijm te vallen, mijne oogen zijn gevuld met tranen, mijne stem «gaat verloren, mijne lippen beven, mijne tong stamelt, en mijne //gedachten geraken in verwarring. Een donderslag vervult ons thans //met angst en schrik; hoe zullen wij het geschal der bazuinen, het-„welk de dooden in het leven roepen zal, verdragen ?quot; — Dezelfde gevoelens van vrees en ontsteltenis grepen den H. Hieronymus aan bij de overweging van het laatste oordeel; het was hem, als hoorde hij telkens het vreeselijk geschal der bazuinen en het geroep van den Engel: ,/Staat op, dooden , komt ten oordeel!quot;

Hoe heilzaam de overweging van het laatste oordeel vooral voor zware zondaars is, bewijst de bekeering van Pelagia, de voornaamste zangeres van Antiochië, die, tot groote ergernis van de geheele stad, een zeer buitensporig leven leidde. Op zekeren dag begaf zij zich uit nieuwsgierigheid en behaagzucht naar de kerk, waar de H.\'Nonnus, Bisschop van Edessa, preekte over den laatsten dag, over het geluk en de straf der eeuwigheid. De gansche vergadering was diep geroerd en aangedaan, maar niemand was zoo doordrongen van schrik en angst voor het oordeel, als juist Pelagia. Oprecht bekeerd wierp zij zich na de preek in tegenwoordigheid van verscheiden andere Bisschoppen voor de voeten van den H. Ubnnus neder, en smeekte om de genade des H. Doopsels. ÏTadat men haar genoegzaam op de proef gesteld en zich van haar berouw overtuigd had , verkreeg zij haren wensch. Daarna bracht Pelagia alles, wat zij aan goud en zilver, aan edelsteenen , sieraden, prachtige kleederen en andere kostbaarheden bezat, bij den H. Bisschop, om haar vermogen tot goede werken te besteden, en ging nu op reis naar het heilige Land. Aldaar bouwde zij op den Olijfberg eene cel, wier eenig venstertje op het dal van Josaphat uitzag, en bracht hier hare overige levensdagen in boetvaardigheid door.

De heidensche koning der Bulgaren, Bogoris, werd door de bijbel-sche voorstelling van het laatste oordeel tot het Christendom gebracht. (Jemimen tijd hadden de christen zendelingen reeds aan de bekeering van dezen woesten, oorlogzuchtigen vorst gearbeid, maar zonder het minste gevolg. Zelfs het voorbeeld en de opwekking van zijne zuster, die aan het byzantijnsche hof in het christelijk geloof onderricht was, vermochten niets op hem. Toen voerde de goddelijke Voorzienigheid een griekschcn monnik, Methodius genaamd , die als een uitstekend schilder bekend stond, naar den onverzettelijken vorst. Bogoris had juist een prachtig paleis laten bouwen en verzocht den kunstenaar, liet met schilderstukken te versieren. Methodius schilderde nu het laatste oordeel in zulke meesterlijk ontworpen en uitgevoerde tafc-

DEIIAKBü, GELOOFSLEER. II. DEUK. 21

-ocr page 336-

322

Is er, behalve het algemeen, ooh nog een ander oordeel?

Ja, het Uzonder oordeel, hetwelk ieder mensch terstond na zijnen dood zal ondergaan.

Zoodra de raensch uit dit leven scheidt, treedt hij voor den rechterstoel van zijnen Schepper en Heer, om rekenschap af te leggen van alles , wat hij ooit gedaan , gesproken , gedacht heeft, van alle zoowel natuurlijke als hemelsche gaven, welke hij uit Gods milde hand ontvangen, van het goed of slecht gebruik, dat hij van het geschapene gemaakt heeft. Dit oordeel, waarbij ieder schepsel afzonderlijk voor den Schepper, de rentmeester voor zijn gestrengen Heer verschijnt, heet het bizonder oordeel, omdat het tusschen God en de ziel van iederen mensch in het bizonder, zonder getuigen plaats heeft. Van de uitspraak, daar gedaan , hangt het geluk of ongeluk van de geheele eeuwigheid af; het vonnis , dat daar geveld wordt, blijft onverandelijk: als de „boom valt in het zuiden of in het noorden, ter plaatse „daar hij valt, blijft hij liggenquot; (Pred. XI, 3). Het algemeen oordeel is slechts de vernieuwing, bevestiging en openbaring van het eerste. — Daarom zegt de H. Schritt, dat God „eenieder (reeds) op den dag des doods vergelden „zal naar zijne handelingenquot; (Sir. XL , 28). Op dit bizonder oordeel doelen ook, volgens sommige HH. Vaders, de woorden van den H. Paulus: „het is den menschen gesteld „eens te sterven, en daarna het oordeel.quot; Zoo spreekt onder anderen de H. Ambrosius: „Het is bepaald, dat alle men-„schen eenmaal zullen sterven, en terstond na den dooi „zal ieder naar verdienste ontvangen.quot; En de H. Ghrysos-tomus zegt in de veertiende homilie over Matth.: „alle „zielen zullen oogenblikkelijk na haar verscheiden voordat „verschrikkelijk oordeel gesteld worden.quot; De H. Augus-tinus (boek II over de ziel en haren oorsprong; hoofdst. 8) leert: „Terecht en allerheilzaamst gelooft men, dat alle „zielen, als zij het lichaam verlaten hebben, geoordeeld „worden, nog vóór zij verschijnen voor dat oordeel, waar „zij, na met haar lichaam weder vereenigd te zijn, moeten „geoordeeld worden.quot; — En inderdaad twijfelt dan ook geen geloovige, maar houdt zich, steunende op de overlevering der H. Kerk, vast overtuigd, dat hij terstond na zijnen

reeleu en met zulke levendige kleuren, dat de koning bij de onthulling van zijn werk ten hoogste verbaasd stond en getroffen was. Hij vroeg den kunstenaar naar de verklaring van deze schildering, en nadat hij die gehoord had, toonde hij zich bereid, Christen te worden, en ontving weldra met al zijn volk het H. Doopsel.

-ocr page 337-

323

dood voor den rechterstoal van God moet verschijnen, en naar hetgeen hij gedaan heeft, \'t zij goed of kwaad, ontvangen zal. Daarom zuchten de rechtvaardigen met den H. Paulus: „ik wensch ontbonden te worden en met Christus „te zijnquot; (Phil. I, 23). Daarom roepen de rouwmoedige zondaars, bij het naderen van den dood, met den vromen Job; „o Heer, verdoem mij niet!quot; Daarom hoort men dikwijls degenen, die in de woning van een afgestorvene vergaderd zijn, tot elkander zeggen: „hij staat reeds voor „Gods oordeel,quot; of „hij is reeds geoordeeldquot; — Christen! denk dikwerf aan het beslissend oogenblik van uw sterven, wanneer gij zult verschijnen voor uwen Rechter, wien gij niet kunt ontvlieden, wijl Hij alomtegenwoordig en almachtig is; voor uwen Rechter, die nu nog goed, medelijdend, barmhartig en vol ontferming is, maar dan streng en onverbiddelijk zal zijn; voor uwen Rechter, die geeue verontschuldiging aanneemt, geene voorspraak aanhoort, die geen uitstel, geen tijd tot boete meer geven zal; voor uwen Rechter, wiens vonnis eeuwig onherroepelijk is. Bedenk het wel, dat oogenblik zal komen, misschien eerder dan gij vermoedt; onvoorziens als de dief in den nacht, wellicht heden

nog — O oogenblik, waarvan het lot der eeuwigheid af-

- *

\') Baltassar, de machtige koning van Babyion, vierde op zekeren dag feest met zijne liovelingen en vrouwen , in dronkenschap en wellust. Toen de brooddronkenheid ten top gestegen was, beval de misdadige koning, dat men de gouden en zilveren vaten, die zijn grootvader uit den tempel van Jerusalem had weggeroofd, zou brengen, om daaruit den wijn ter eere der afgoden te drinken. Zijn bevel werd volbracht, en de schalen en bekers, die weleer voor Jehova\'s offerdienst gebezigd waren, werden nu op de schandelijkste wijze ontheiligd. — Doch eensklaps verstomt de luidruchtige vreugde. Daar, boven aan den wand der feestzaal, tegenover den kroonluchter , ver-toonen zich vingers als van de hand eens menschen; zij schrijven eenige woorden en verdwijnen ; maar het schrift blijft staan. Hevig ontstelt de koning; de geweldige schok doet hem bijna bezwijken. Miemand is in staat hot schrikwekkend schrift te lezen. De babyloni-sche wijzen worden geroepen, maar hunne kennis schiet te kort, cn de angst van den koning en van al zijne rijksgrooten vermeerdert elk oogenblik. Nu werd Daniël, de Profeet, ontboden. Met de onverschrokkenheid van een gotsgezant bracht hij don koning onder het oog. hoe trotsch en heiligschennend deze zich gedragen had tegen God, en eindigde aldus: lt;rdit is het schrift, dat daar geschreven „staat: mane, thekel, phares. En dit is de uitlegging : mane : geteld //heeft God uw rijk en een einde daaraan gemaakt. Thekel: gewogen /.zijt gij op do waag en te licht bevonden. Phares: verdeeld is uw //koninkrijk en gegeven aan de Mediërs en Persen.quot; — Uog in den-zelfden nacht word dit vonnis voltrokken; Babyion werd veroverd, de koning vermoord, en het rijk kwam in handen van Darius, den Mediër.

Hoevele zondaars zijn gelijk aan dezen rampzaligen vorst! Zij houden kostbare tafels, drinken uit den beker van ongeoorloofde vermaken en jubelen alsof zij duizend jaren te leven hebben, en reeds

21s

-ocr page 338-

324

hangt: wie kan aan het oordeel des Heeren denken en nog voortgaan met zondigen of in de zonden leven\'? \')

Waarom zal er, behalve het bizonder oordeel, nog een algemeen plaats vinden ?

Hoofdzakeli]k : 1) opdat Gods wijsheid en rechtvaardigheid door alle menschen erkend worden.

a) Wijsheid. By het algemeen oordeel zal God zich als de oneindig wijze Bestuurder der menschelijke lotgevallen doen kennen. Alle schijnbare wanordelijkheden en onbillijkheden, waaraan kortzichtige menschen zich soms ergeren, zullen dan door heel de wereld als even zoovele voortreffelijke middelen ter bevordering van het heil der menschen erkend worden. Oorlog, hongersnood, pest en de geheele stroom van tijdelijke rampen, waaronder thans zoowel enkele menschen als geheele volken zuchten, zullen dan als schitterende bewijzen der goddelijke liefde, goedheid en ontferming door eenieder beschouwd worden. De zonde zelve met hare treurige gevolgen zal door alle schepselen als de aanleidende oorzaak tot de overstelpende genade der verlossing worden erkend. 6) Met niet minder luister zal alsdan de rechtvaardigheid Gods uitschijnen. Dan zal het tijdelijk geluk, de voorspoed der zondaars tegenover het vele lijder en den bitteren nood der braven, geen raadsel meer zijn. Dan zal het blijken, dat God de geringste goede gedachte niet onbeloond, en de geringste slechte daad, de geheimste zondige gedachte en booze begeerte niet ongestraft heeft gelaten. Dan zal eenieder inzien, hoe billijk het bizonder oordeel Gods is geweest, hoe rechtvaardig het gevelde vonnis, hoe verdiend de rampzalige toestand is, waarin de boozen verzuchten, en het geluk, waarin de braven voor eeuwig zich verheugen. Hemel en aarde zullen getuigen zijn van de onverbreekbare getrouwheid Gods in het verleenen van de toegezegde belooning, en van de onverbiddelijke gestrengheid in het voltrekken der aangekondigde straf. Daarom

schrijft de liand der goddelijke Gerechtigheid het verschrikkelijke mane, thekel, phares. G-Vtórf\'zijn hunne dagen, hunne werken

en te licht bevonden, gedeeld, afgesneden is hun levensdraad. Eer zij tot bezinning komen, plaatst de dood hen voor den alwetenden, on-verbiddelijken Hechter!

\') Een vroom Aartsbisschop van Frankrijk had in zijne slaapkamer, in zijn bidstoel, ja zelfs in zijn wapen de woorden geschreven: „aan ,• een draad hangt het leven, aan het leven hangt de dood, aan den ,/dood de eeuwigheid!quot; Houden ook wij die heilzame spreuk steeds voor oogen!

-ocr page 339-

325

staat er in de H. Schrift: „God roept den hemel toe van „boven, en de aarde, dat Hij zijn volk zal oordeelen. En „de hemelen zullen zijne gerechtigheid verkondigen, want „God is Rechterquot; (Ps. XLIX, 4, 6). Zelfs de verdoemden zullen gedwongen zijn te erkennen, dat God rechtvaardig en heilig in zijn oordeel is.

2) Opdat Jesus voor de geheele wereld verheerlijkt worde. In den loop der tijden „razen de Heidenen en woeden de „natiën vruchteloos! Des aardrijks koningen staan op, en „vorsten houden samen raad. tegen (God) den Heer, en tegen „zijn Gezalfde (den Messias).quot; De zondaars steken vermetel het hoofd omhoog en roepen in hunnen overmoed: „laat ons vaneenrijten hunne handen en van ons werpen „hun jukquot; (Ps. II, 1—3). En het gelukt den trouwe-loozen Joden, Christus, den Gezalfde des Heeren, te grijpen, te pijnigen, aan het schandhout des kruises te hechten; het gelukt ook Godvergeten Christenen, telkens de vernedering en schande van Christus\' kruisiging door zware zonden te vernieuwen. En de bünde Heidenen verachten en bespotten de heilaanbrengende leer des Verlossers, verwerpen die als dwaasheid, en noemen den menschgeworden Zoon van God niet anders, dan een gekruisigden misdadiger. — Maar na dien tijd van onteering komt een dag van verheerlijking, de dag van het algemeen oordeel. „Als-„dan zullen- zij (alle volkeren) den Zoon des menschen „zien komen op de wolken des hemels met groote macht „en heerlijkheidquot; (Matth. XXIV, 30). Op dien dag „zal ,,de Heer doen hooren zijne gebiedende stem, en doen zien „zijn nederdalenden arm , in grimmigen toorn, met verte-„rende vlammen\'quot;\' (Is. XXX, 30). „Dan spreekt Hij tot „hen in zijnen toorn, en verschrikt hen in zijne verbolgenheidquot; (Ps. II, 5). Ja, onbeschrijfelijk zal alsdan de schrik en verwarring zijn van allen, die zich tegen Jesus en zijne heilige wet verzet hebben. De luister zijner heerlijkheid zal hen verpletteren. Het bewustzijh , dat zij den Koning der koningen, den Heer der heeren miskend en als den ellendigsten slaaf mishandeld, den Wijze der wijzen als een dwaas bespot, den Heilige der heiligen als den snoodsten misdadiger aan den schandpaal des kruises genageld hebben, — dat verschrikkelijk bewustzijn zou hen vernietigen, als niet de kracht Gods ter meerdere foltering hun leven staande hield.

3) Opdat de braven openlijk de verdiende eer en de god-deloozen de verdiende schande ontvangen. — Jesus treedt aan het einde der tijden als Hechter op, opdat allen, die Hem volgden in lijden en vernedering, voor de geheele

-ocr page 340-

326

schepping geëerd en verheerlijkt worden; diegenen daarentegen, die in zijne oneer een voorwerp van ergernis, en in zijn kruis eene dwaasheid gevonden hebben, beschaamd, aan de verachting van hemel en aarde en het hoongelach der hel prijs gegeven worden. Voor den rechterstoel van Jesus zal het blijken, dat de wijsheid der godddeloozen dwaasheid, hunne macht zwakheid, hun tijdelijk geluk onheil en verderf geweest is; de dwaasheid des kruises daarentegen , de zwakheid en het lijden der dienaars en navolgers van den Gekruisigde zullen als de hoogste wijsheid, als hemelsche kracht, als de bron van onuitsprekelijke zaligheid erkend worden. Daar zullen de zondaars niet meer uitroepen: „laat ons den deugdzamen lagen leggen en hen ten val

brengen..... Laat ons door hoon en smart hen op den

„toets stellen,... tot een schandelijken dood veroordeelenquot; (Wijsh. II). Want „alsdan zullen de rechtvaardigen met „groote vrijmoedigheid staan voor het aangezicht dergenen, „die hen verdrukten en op hunnen arbeid met verachting „nederzagenquot; (Wijsh. V, 1). De goddeloozen zullen het hooren , hoezeer de eeuwige Hechter de goede werken op prijs stelt; zij zullen zien de edele harten der braven, de zuivere bedoelingen en grootmoedige opofferingen, de ontelbare overwinningen, welke die helden der deugd op de vijanden hunner zaligheid behaald, de tranen van berouw en boetvaardigheid, waarmede deze hunne misstappen beweend hebben. „Zij zullen het zien, door angstige vrees „geschokt, en verwonderd staan over het ongedachte heil (der vromen). „Vol naberouw, en zuchtende van benauwd-„heid des geestes, zullen zij tot elkander zeggen: deze zijn „het, die wij vroeger bespot en beschimpt hebben. Wij „dwazen! wij hielden hun leven voor onzinnigheid, en hun-„nen dood voor schandelijk! Zie, hoe zij onder de kinde-„ren Gods gerekend zijn, en hun lot onder de Heiligen is! „Wij dwaalden af van den weg der waarheid, en het licht „der gerechtigheid verlichtte ons niet, en de zon der ken-„nis ging voor ons niet op. Wij zijn moede geworden op „den weg der boosheid en des verderfs en bewandelden

„ongebaande wegen.....Wat heeft onze vermetele hoovaardij

„ons gebaat? Wat nut de rijkdom aangebracht, waarop „wij zoo trotsch ons verhieven? Dat alles is als eene

„schaduw en als een loopend gerucht voorbij gegaan.....

„Zoo zijn ook wij slechts geboren om te niet te gaan, en „wij kunnen geen teeken van deugd aanwijzen, maar door „onze boosheid zijn wij weggeteerdquot; (Wijsh. V). Aldus zullen de zondaars bij het oordeel spreken en tevens inzien, „welk een onderscheid er is tusschen den rechtvaardige en

-ocr page 341-

327

„den booze, tusschen dengene, die God dient, en dengene. „die Hem niet dientquot; (Malach. III, 8). „Wij mogen „ons derhalve niet bedroeven,quot; zegt de H. Chrysostomus, „als wii Gods vijanden in bloeienden welstand zien leven; „want de vijanden des Heeren, hoezeer zij zich ook verheffen, verdwijnen als rook, zoodra zij in de hoogte zijn „gestegenquot; (Homil. 39. over 1. Cor).

JFaar komt de ziel na het bizonder oordeel?

In den hemel, in de hel, of in het vagevuur.

De verdoemde ziel vaart ter helle, de geheel zuivere snelt in den schoot van God, en de ziel, die nog zuivering noodig heeft, wordt door den goddelijken Rechter, die niets onreins het hemelrijk laat binnengaan, naar het vagevuur verwezen, om daar te verblijven, tot zij volkomen gereinigd en de aanschouwing Gods waardig is. — Dat de boozen terstond in de hel geworpen worden, blijkt uit de gelijkenis van den rijken vrek zoo duidelijk, dat het onnoodig is nog andere bewijzen aan te halen. „De rijke stier!,quot; dus lezen wij bij Luc. XVI, 32, „en werd in de hel begraven.quot; Evenmin kan men er aan twijfelen, dat de reine en heilige zielen niet eerst na de opstanding der lichamen, na het algemeen, maar terstond na het bizonder oordeel den hemel ingaan. Schrift en Traditie stemmen hier overeen, en de Kerk, op beide steunende, heeft dit in het Concilie van Florence \') uitdrukkelijk verklaard. Het Concilie van Trente (Zitt. 25) veronderstelt hetzelfde, als het leert , „dat men de Heiligen, die in den hemel de eeuwige geluk-„zaligheid genieten, mag aanroepen.\'\' Op dit leerstuk is ook de leer over de „zegevierende Kerkquot; waarvan later zal gesproken worden, gegrond. Zeer schoon en treffend spreekt de Kerk deze leer uit in het gebed, waarmede zij aan God de zielen barer stervende kinderen aanbeveelt. „Ik „beveel u aan den almogenden God,\'\' roept zij den stervende, toe, „en stel u in de handen van Hem, wiens schepsel „gij zijt, opdat gij, na de algemeene schuld der menschen „door den dood betaald te hebben, moogt wederkeeren tot „uwen Schepper, die u uit het slijk der aarde gevormd „heeft. Dat dan, als uwe ziel het lichaam uittreedt, de „schitterende schaar der Engelen haar tegensnelle; de ge-„rechtsraad der Apostelen tot u kome; het zegepralende heir „der witgekleede Martelaren u te gemoet ga; de met leliën gegierde menigte der klaarblinkende Belijders omgeve u;

\') In decreto unionis Graecorum.

-ocr page 342-

328

„het koor der jubelende maagden ontvange u.. .. Dat het „zachte en aanminnige aanschijn van Christus Jesus u ver-„schijne en Hij u eene plaats toewijze onder diegenen die „altijd met Hem zijn.... Verre van u wijke de booze „satan met zijne trawanten .... wanneer gij, vergezeld door „de Engelen, de eeuwigheid ingaat.... Dat de dienaren „des duivels zich niet verstouten, uwen weg te belem-„meren.... Christus, de Zoon van den levenden God, „plaatse u in den altijd liefelijken bloei van zijn paradijs, „en die ware Herder erkenne u onder zijne schapen. Hij „ontbinde u van al uwe zonden, en stelle u aan zijne rechter-„hand in het erfdeel zijner uitverkorenen. Zie uwen Ver-„losser van aanschijn tot aanschijn, en aanschouw, voor „altijd in zijne tegenwoordigheid, met zalige oogen, de aller-„klaarste waarheid. Geniet dan, onder de scharen der „gelukzaligen, de zoetheid der goddelijke aanschouwing in „alle eeuwigheid. Amen.quot;

Vagevuur.

Wij hebben reeds gezegd, dat de zielen, die nog gezuiverd moeten worden na het bizonder oordeel, in het vagevuur komen. De vraag is nu: welke zielen hebber, zuivering noodig of, volgens den Katechismus:

Welke zielen gaan naar het vagevuur!\'

1) Die zielen, welke wel niet met zware, maar toch met dagelijksche zonden uit dit leven gescheiden zijn. Wie met eene doodzonde bevlekt voor den rechterstoel van God verschijnt, kan niet meer gezuiverd worden; wie in staat van genade, doch niet zonder dagelijksche zonden voor het oordeel komt, kan nog gezuiverd worden, en heeft ook behoefte aan reiniging, wijl hij met God, den oneindig Heilige, in de nauwste vereeniging moet komen.

2) Ook die zielen komen in het vagevuur, die niet mei zonden besmet gestorven zijn, maar de schulden der zonda nog niet geheel afgeboet hebben. Men herinnere zich namelijk, dat door het H. Sacrament van Boetvaardigheid niet alle tijdelijke straffen worden kwijtgescholden. Die straffen nu moeten, volgens de leer van het Concilie van Trente (Zitt. YI can. 30), hier op de wereld, of wel in het vagevuur afgeboet worden, alvorens men het hemelrijk kan binnen gaan. Indien Gcd in het uur des doods de tijdelijke straffen aan allen zonder onderscheid kwijt schold, zouden

-ocr page 343-

329

de lauwen en tragen, gelijk de H. Thomas opmerkt, ) uit hunne lauwheid en traagheid voordeel trekken.

Waaruit weten wij dat er een vagevuur bestaat?

1) Uit de 11. Schrift zoowel van het Oude als van het Nieuwé~Verbond. — irT het tweede boek der Machabeën (XII, 46) staat geschreven: \'„het is ëene héilige~en heil-quot; „zame gedachte voor de overledenen te bidden, opdat zii „van hunne zonden ontslagen worden.quot; Volgens deze plaats der H. Schriftuur zijn er alzoo afgestorvenen, die nog met zonden bevlekt zijn en door het gSeJ er vaii bevrijd kunnen worden. Dit kan echter onmogelijk van de zaligen in den hemel, of van de verdoemden ~iïr~de hel gezegd worden, daar de eersten vrij van zonde, de laatsten reddeloos zijn. Er moet bijgevolg noodzakelijk eene derde plaats wezen, waar de zielen, die met geringere zonden besmet zijn, verblijven tot zij geheel zijn gereinigd, — en deze is de reinigingsplaats of het vagevuur. — Bij Mattheus (XII, 33) waarschuwt Jesus voor de zonden tegen den ii. Geest, zeggende: „het zal hem niet vergeven worden, noch in deze „wereld, noch in de toekomende.quot; Daaruit besluiten de RH. Vaders terecht, dat er ook nog in de andere wereld zonden vergeven worden; „anders tochmerkt de H. Augu-„stinus aan (de civit. Dei L. 21. c. 24), „zou van zekere „zonden zonder grond gezegd worden, dat zij noch in deze, „noch in de andere wereld vergeven worden.quot; Noch in den hemel, noch in de hel kan er echter eene zondevergeving plaats hebben; niet in den hemelquot;, wijl daar niets zondigs binnen gaat; niet in de hel, wijl de verdoemde onverbeterlijk is en geene vergeving kan verwerven. Er moet alzco in de andere wereld, behalve de hemel en de hel, nog eene derde plaats zijn, waar die zuivering geschiedt, namelijk het vagevuur. — Dit bliikt eveneens uit de verzekering van Jesus (Matth. V, 26), dat zekere zondaars niet eer uit den kerker ontslagen worden, dan nadat zij den laatsten penning betaald hebben. De hemel toch is geene strafplaats, geen kerker tot afboeting der zonden, en uit de hel wordt niemand ontslagen. De kerker, waarvan de Heiland spreekt, is bijgevolg eene derde plaats, onderscheiden van den hemel en de hel, het vagevuur. — Ook in de woorden van den

Contra Gentil. L. i. c. 91.

-) Onder de stellingen van Luther, welke door Leo X veroordeeld zijn, bevindt zich ook deze: ^Purgatorium non potest probari ex sacra scriptura, quae sit in canone.quot;

-ocr page 344-

330

Apostel (1 Cor. Ill, 11—15) kan men een bewijs voor het bestaaif~v5n\'\'TrêlTvttgevmir^Trrrten. „De dag des Heeren,quot; schrijft hij, „zal een ieders ■werk aan den dag brengen,.... „en hoedanig het werk van eenieder is, zal het vuur bedroeven. Als iemands werk daar tegen bestand is, (proef-„houdend als goud, zilver, edelsteenen) zal hij loon ontvangen; doch indien het verbrandt (d. i. zijn er nog „onvolmaaktheden, kleine fouten en gebreken in) zal hij „schade lijden; hij zelf zal evenwel zalig worden, zoo echter „als door het vuur.quot; Het vuur, waarvan de Apostel hier spreekt, kan niet zijn het vuur der rampen op deze wereld; want er Is spraakquot;van vuur, dat na dit leven brandt, waar ieder loon of straf ontvangt. Het kan evenmin beteekenen de beproeving van den Kechter; want het brandt, veroorzaakt pijn, verteert de brandbare stof. Het kan eindelijk ook niet het helsche vuur zijn, wijl degene, die zich in dit vuur bevindt, na schade geleden te hebben, zalig zal worden. Het kan bijgevolg alleen het vuur in de reinigingsplaats, het vagevuur zijn. ï)

2) Uit de onfeilbare Traditie der Kerk. — De katholieke Kerk TTidt voor ^quot;quot;quot;afgestorvenen, draagt het heilig Offer voor hen op, beveelt herhaaldelijk het gebed aan voor die in den Heer zijn ontslapen, wekt hare kinderen op, door aalmoezen, vasten en andere goede werken de overledenen te hulp te komen. En die handelwijze, wel verre van nieuw

\') ,/Vagevuur — van vagen — vegen = reinigen, en vuur — veeg — ^zuiverend vuur, (ignis purgatorius) ter onderscheiding van het niet „zuiverend, eeuwig vuur der hel — is, wat het hoofdwoord betreft, »eene aan de gewijde schriften ontleende uitdrukking, welker betee-z/kenis wij naar bijbelsch spraakgebruik hebben vast te stellen.

„Het woordje vuur wordt door de gewijde schrijvers veelmalen „gebezigd voor: kwelling, pijnen, straffen. Zóó (om met een enkel „voorbeeld te staven, wat overigens geen opmerkzamen bijbellezer „ontgaan zal) zóó noemt Mozes (5. boek IV, 24 en elders. Verg. „Hebr. XII, 29) den Heer „een verslindend vuur,quot; om den weer-„barstigen Israëliet de wraak des Allerhoogsten aan te kondigen. „Dezelfde uitdrukking gebruikt de profeet Isaïas, waar hij het ramp-„zalig lot beschrijft dergenen, die tegen den Heer zullen gezondigd -/hebben : „Het vuur zal hun nooit worden uitgedaanquot; (LXVI, 24). „Wij vinden hetzelfde in de schriften des Nieuwen Verbonds. „Eeuwig //„vuur, onuitbluschbaar vuurquot; zijn er uitdrukkingen, om de straffen „der verdoemden te beteekenen.

„Hiernaar kunnen wij het vagevuur bepalen als: een lijden, eene „straf ter zuivering, te ondergaan, in den zin der katholieke Kerk, ydoor diegenen, die, in Gods liefde ontslapen, nog niet zuiver ge-//noeg zijn, om toegelaten te worden tot het zaligend aanschouwen „van Hem, in wiens heilig oog de hemelen niet zuiver zijn. — Wat „betreft den aard en duur der vagevuursstraf, gelijk ook de plaats, „waar zij moet ondergaan worden, daarvan verklaart de Kerk niets, „gelijk de Kerkvergadering van Trente overtuigend bewijstquot; (Zie „de „Katholiekquot; deel V. (1S44.) bladz. 324 en volg.).

-ocr page 345-

331

te zijn, dagteekent van den oorsprong der Kerk. De H. Augustinus (Lib. de haer. c. 53.) schrijft: „de ketters mogen „zeggen, wat zij willen, zeker is het een overoud gebruik „der Kerk voor de overledenen te bidden en het H. Offer „op te dragen.quot; \') En de H. Gregorius van Nyssa (serm. de mortuis) spreekt: „Het gebruik om voor de overledenen „te bidden, hebben wij van de eerste leerlingen van Jesus „overgenomen.quot; Dat de Kerk immer voor de afgestorvenea hare gebeden opdroeg, is een feit, hetwelk niet alleen dooide HH. Vaders en kerkelijke Schrijvers der eerste eeuwen, maar ook door Conciliën, oude Misboeken, liturgiën en andere gedenkteekenen gewaarborgd wordt (Zie Symboliek van J. Buchmann,* vertaald door A. J. van Bemmel, bladz. 443). Wat volgt daaruit? Ontegensprekelijk dat de katholieke Kerk van oudsher geloofd heeft en nog gelooft, dat er een vagevuur bestaat, d. i. eene derde plaats, waar, gelijk de H. Augustinus (loco cit.) zich uitdrukt, diegenen ingaan , „die uit dit leven gescheiden zijn en niet zoo boos waren, „dat zij, als de genade onwaardig, veroordeeld werden, maar „ook niet zoo braaf, dat zij geschikt waren , onmiddellijk „de zaligheid te verkrijgen.quot; Nimmer toch heeft de katholieke Kerk er aan gedacht, voor de zaligen of de verdoemden te bidden, daar zij vast gelooft, dat het gebed zoowel voor de eersten als voor de laatsten geheel nutteloos is. Daarom spreken ook al de Kerkleeraars uitdrukkeliik van een reinigend vuur. Zoo leert de H. Gregorius van Nyssa: „als de mensch „zijn lichaam verlaten heeft, kan hij God niet naderen, „vooraleer een reinigend vuur de vlekken heeft uitgewischt, „waarmede zijne ziel besmet was.\'1 En de H. Augustinus maakt op den boven aangehaalden tekst van den Apostel de volgende bemerking: „wijl er staat: hij zal zalig worden,quot; „denkt men lichtzinnig (zonder vrees) aan dit vuur, ofschoon „de pijnen smartelijker zullen zijn, dan al hetgeen de menschen „in dit leven kunnen lijden.quot; üe uitdrukkelijke verklaring der Kerkvergadering van Trente eindelijk sluit allen redelijken twijfel uit. Zij leert in de 25ate zitting: ,,Daar de katholieke ,,Kerk, door den H. Geest geleerd, uit de heilige Boeken

\') Een sclioon getuigenis levert ons dezelfde H. Leeraar, sprekende van het overlijden zijner moeder Monica (Conf. L. IX. C. 13). „Ol-,/schoon mijne moeder,quot; aldus bidt hij tot God, /,zóó geleel\'d heeft, «dat in haar geloof en haren zedelijken wandel uw naam dikwerf //geprezen werd, mag ik toch niet zeggen, dat sinds den tijd, waarop ,.,(jij haar door den Doop vernieuwd hebt, geen woord tegen uw ge-//bo\'d uit haren mond is gekomen. ... Vergeef haar, o Heer, vergeef

//haar, bid ik ü, treed niet met haar in het gerecht..... Toen de

«dag harer ontbinding nabij was, beval zij ons maar ééne zaak, dat «■wij haar bestendig gedachtig zouden zijn aan uw altaar.quot;

-ocr page 346-

332

„en de aloude Overlevering der Vaders in de H. Kerk-„vergadering (Zitt. VI, can. 30) verklaard heeft, dat er „een vagevuur ledaat, . beveelt dezelfde Kerkvergadering „den Bisschoppen, met alle vlijt acht te geven, dat de „gezonde leer aangaande de zuiveringsplaats, die door de „HH. Vaders en Conciliën is overgeleverd, alom geleerd „en gepredikt, en door het Christenvolk geloofd en gehouden worde quot;

3) Ook in zekeren zin uit de rede. — Door het hooger licht der Openbaring, en ook zonder dat, is het gezond verstand in staat, te begriipen, dat niemand den hemei kan binnengaan (Openb. XXI, 27) en met God, den oneindig Heilige, vereenigd worden, die \'niet geheel zuiver is; eveneens, dat alleen degenen, die, geheel vau God afgekeerd , in doodzonde sterft, eeuwig van G od gescheiden, ter helle verwezen wordt. Wanneer men nu de menschelijke zwakheid in aanmerking neemt, moet men erkennen, dat er gewis vele zielen zijn, die niet geheel zuiver, en ook vele, die niet met eene doodzonde bevlekt uit dit leven scheiden, en voor deze zielen vraagt de rede eene derde plaats, waar eene zuivering moet plaats vinden, opdat zij eindelijk, geheel gereinigd, het hemelrijk kunnen ingaan. Immers, dat die zielen om hare geringe vlekken en schulden eeuwig buiten den hemel gesloten zouden blijven, dit kan ons verstand met de oneindige goedheid van God niet overeenbrengen. Daarenboven zou de gedachte, dat de hemel enkel is voor hen, die geheel zuiver zijn, en de hel voor allen, die met de geringste zondevlek besmeurd zijn, openstaat, den mensch tot vertwijfeling brengen. Wat zou ons kunnen troosten bij den dood van vrienden en bloedverwanten, van onze ouders, broeders en zusters , van wie wij moeten vreezen, dat zij niet zonder eenige vlek of zondeschuld uit dit leven gescheiden zijn ? Met welk een angst zouden wij het uur van onzen dood niet tegemoet zien, als wij wisten, dat om elke zonde, hoe gering ook, om iedere fout, die niet door boete geheel is uitgewischt, het eeuwig vuur der hel ons wachtteHoe troostend daarentegen is de leer van het vagevuur, die ons verzekert, dat wij de zielen van onze dierbare overledenen ook aan de andere zijde des grafs de hulprijke hand kunnen bieden r De herinnering aan de pijnen der algestorvenen in het vagevuur brengt ons geenszins tot vertwijfeling, maar spoort ons krachtig aan, zelfs de geringste onvolmaakthedea en zonden te vermijden en de begane fouten door liefdewerken en door oprechte boetvaardigheid uit te wisschen. — Ue leer van het vagevuur steunt alzoo niet enkel op de 11. Öchrift en de Overlevering

-ocr page 347-

333

maar beantwoordt ook in hooge mate aan de eischen van onze rede en aan de edelste gevoelens van het menschelijk hart.

In weerwil van al deze bewijzen, welke ons recht geven, de leer van liet bestaan eener zuiveringsplaats als eene door God geopenbaarde en met ons verstand overeenkomende waarheid aan te nemen, wordt zij toch, meer dan eenige andere geloofsleer, bespot en bestreden. De reden, waarom men den band van liefde, welke ons met onze dierbare afgestorvenen vereenigt, zoo wreed wil verscheuren, is inderdaad moeielijk te bepalen.

Luther, die eerst getuigde; //ik geloof, ja, ik durf zelfs zeggen, //ik weet zeker, dat er eene zuiveringsplaats bestaat, en ik geef gemak-//kelijk toe, dat er ook in de Sciirift melding van gemaakt wordt,quot; schreef later, als naar gewoonte zich weinig gelijk blijvende: //het ,/vagevuur is eene uitvinding des duivels;quot; en Calvijn, zijn mededinger en navolger, noemt het: „een verfoeielijke vond van satan, verijdeling „van het kruis en ondermijning van het geloof.quot;

Men zegt, er staat geschreven: ./waar de boom valt, ten zuiden of «ten noorden, daar blijft hijquot; (Pred. XI, 3), en besluit daaruit, dat er volgens den Bijbel in het andere leven alleen een hemel en eene hel bestaat. — Deze woorden zijn genomen uit het üude Testament, üe Protestanten zullen echter niet ontkennen, dat de vrome Oud vaders eerst in het voorgeborchte geweest zijn, en vervolgens met Christus den hemel zijn binnen gegaan. Indien zij nu, in weerwil van dezen Schriftuurtekst, vóór Christus\' Hemelvaart eene derde plaats aannemen, waarom zouden wij niet met evenveel recht na Christus\' Hemelvaart eene dergelijke plaats aannemen, vooral daar dit niet in het minste strijdt met den aangehaalden tekst? De H. Schrift duidt hier namelijk alleen de twee eeuwig blijvende toestanden der zielen aan, den toestand van zaligheid en van verdoemenis; den toestand van zuivering, waarin de afgestorvenen, die met geringe vlekken besmeurd zijn, zich bevinden, en die geen blijvende, maar als het ware slechts een overgangstoestand is, gaat zij stilzwijgend voorbij. Zij doet dit met des te meer grond, daar de zielen in het vagevuur door de heiligmakende genade reeds een onverliesbaar recht op de eeuwige zaligheid hebben.

Maar, zeggen onze bestrijders, wij vinden de leer van het vagevuur niet in den Bijbel. — Gesteld, dat zij inderdaad niet in de H. Schrift vervat was, zoude het daarom uitgemaakt zijn, dat God ze niet geopenbaard heeft? Indien wij met hen aannamen, dat de H.Schrift de eenige bron is der Openbaring, zou ons antwoord bevestigend moeten zijn. Die grondstelling is echter blijkbaar valsch, gelijk in deel I, is bewezen. — Is dan de leer van het vagevuur inderdaad niet in de H. Schrift te vinden? De Katholiek heeft geene moeielijkheid , die terstond te ontdekken. De HU. Vaders der eerste eeuwen hebben deze leer in de H. Schrift gevonden en er ons, hunne leerlingen, opmerkzaam op gemaakt. Dat vele Protestanten ze niet vinden, willen we gaarne gelooven: het is niet te verwonderen, dat de leerling niet. vindt, hetgeen de leeraar wel gevonden, maar met verachting weggeworpen heeft. Dat de naam vagevuur (purgatorium) in den Bijbel niet voorkomt, bewijst niets, wijl het hier toch geenszins te doen is om de uitdrukking, maar om deleer, niét om de schaal maar om de kern. Geloovige Protestanten nemen ook de leer van de H. Drievuldigheid, van de menschwording, enz. als bijbelscli aan, hoewel deze uitdrukkingen niet in de Schrift voorkomen. — Men werpt ons verder tegen, dat liet boek der Machabeën niet van goddelijken oorsprong, bijgevolg de leer van het vagevuur geene goddelijke leer is. — Vooreerst blijkt uit de boven aangehaalde bewijzen , dat het genoemde boek niet het eenige der H. Boeken is, waaruit het bestaan van eene zuiveringsplaats bewezen kan worden. Vervolgens komt de vraag, met welk recht men de goddelijkheid van dit boek verwerpt, daar toch

-ocr page 348-

334

de katholieke Kerk, van wie alleen wij den Bijbel ontvangen hebben, (verg. deel I) het onder de goddeliike boeken, telt.

,Uan laten wij ook de goddelijkheid van dit boek in het midden ; //men zal het ons echter niet willen ontrooven als getuige van het ,/bereids voor de Messias komst levendig geloof der Joden aan eene „zuivering na dit leven. En zie, Christus, die zonder aarzelen de //dwaling bestreed en de schadelijke meeningen der Phariseön gispte; „de Apostelen, die hunnen goddelijken Meester moedig volgden; //Paulus vooral, wiens gansch Apostel-leven een voortdurende strijd //tegen de joodsgezinden kan genoemd worden ; noch Christus, noch /..Paulus, noch oen der Apostelen heeft ooit, zooveel hunne schriften //getuigen, de vagevuurs-leer aangevallen, haar ooit als dwaling be-,/teekend, ook maar van ter zijde, ook maar door een enkel woord. //Dit verschijnsel is, meenen wij, van het meeste gewicht. Immers «naar de me\'ening der Protestanten, is het vagevuurs-geloof wel even «anti-christelijk, om niet te zeggen, in deszelfs ganschen omvang het //christendom\' veel meer verwoestend, dan de noodzakelijk-verklaring «van besnijdenis, onderscheid van spijzen , in acht nemen van feesten „en nieuw-manen, enz. Moest dan Paulus, om van den Verlosser //niet te spreken, wiens woorden men zeggen kan , niet alle te zijn „opgeteekend, moest Paulus, bekend als hij was met die Joodsche //leer, haar in zijne anti-Joodsgezinde brieven, bijv. aan de Romeinen, „de Corinthiërs, de Galaten niet gewraakt hebben? Kim de nauwlet-„tende ijveraar van Christus, kon hij zwijgen van eene leer, die naar „Protestantsch gevoelen, den zoendood des Verlossers aanrandt, de ,/goddelijke kracht des kruises verloochent?quot; (de Katholiek, deel V. bladz. 338).

Tegen het bewijs uit de rede voert men aan, dat het niet noodig is, eene zuivering\' na den dood aan te nemen, wijl God de kleinere vlekken en straffen der zonden in het uur des doods wegneemt , en de dood alleen reeds vagevuur genoeg is. In welk boek dor H. Schrift staat dit geschreven? Wien heeft God dit geopenbaard? Het is zeker, dat God de groote zonden eeuwig en allerstrengst straft; maar zou Hij ook de geringere wel geheel ongestraft laten ? Is dit eenigszins waarschijnlijk? Zou die leer den mensch niet brengen tot de grootsv.e onverschilligheid omtrent kleinere zonden, en daardoor langzamerhand den weg tot groote misdrijven openzetten ? En komt het wel overeen met het denkbeeld, hetwelk rede en openbaring ons van Gods wijsheid. heiligheid en rechtvaardigheid geven , als men aanneemt, dat God den mensch bij het naderen van den dood do kleinere zonden vergeeft, zonder dat deze van zijnen kant er op eenigerlei wijze berouw over gevoelt en ze verfoeit? Ook kan men niet aannemen , dat de dood-alleen de plaats van het vagevuur vervangt. De dood immers is een gevolg, eene straf der erfzonde, niet een middel tot zuivering van persoonlijke zonden. Wel kunnen de pijnen dei-ziekte, wanneer men die in den geest van boetvaardigheid en met geduld verdraagt, en zelfs de dood, als men dien met overgeving aan den wil Gods uit zijne hand aanneemt, de straffen, welke wij door de zonden verdiend hebben, geheel of gedeeltelijk delgen. Maar menigeen sterft plotseling of zonder eene zware ziekte. Bij anderen is het geduld, de gelijkvormigheid met den wil des Hceren en de onthechting aan al het aardsche niet zoo volkomen , dat de ziel er geene behoefte aan heeft, nog meer gezuiverd te worden.

Zal het vagevuur ook na hel algemeen oordeel nog bestaan ?

Na het algemeen oordeel bestaan alleen de hemel en de hel. Aldus hebben wij Katholieken van oudsher geleerd, zooals onder anderen de H. Kerkleeraar Augustinus (in zijn werk:

-ocr page 349-

335

de civit. Dei lib. 21 c. 13 et 16) getuigt. Die waarheid blijkt eveneens uit de woorden der H. Schrift: „Dezen (de kwaden) „zullen (na het algemeen oordeel) gaan in de „eeuwige pïjn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige levenquot; (Matth. XXV, 46). Gelijk namelijk bij het algemeen oordeel alle menschen, naar zij gedaan hebben, hetzij goed of kwaad, of wel ter rechter, of ter linker zijde staan, zoo zullen zij ook na den afloop, al naar dat zij voor of tegen God gestreden hebben, in de woning der gelukzaligheid, in den hemel, opgenomen, of in de plaats der eeuwige ellende, in de hel, gestooten worden. Van eene tijdelijke pijn en straf is en kan zelfs geen spraak meer zijn, dewijl dan het einde van den tijd (1. Cor. XV, 24) gekomen is, en de plechtige verzekering van den Engel „dat er in het „vervolg geen tijd meer zijn zalquot; (Openb. X, 6) in vervulling is gegaan. De II. Schrift leert verder, dat de rechtvaardigen zullen opstaan, „in kracht en heerlijkheidquot; (Cor. 1. c), en dat Jesus Christus bij zijne tweede komst ons vernederd lichaam zal veranderen, om aan zijn heerlijk lichaam gelijkvormig te zijn (Phil. Ill, 21). Een toestand van zuivering en lyden kan toch niet gepaard gaan met deze verheerlijking.

TOEPASSING.

Hemel of hel! Eeuwige vreugde of eeuwige kwelling ! Het een of het ander zal ieder van ons ten deel vallen ! Dan is er geen uitweg meer, geene verandering, volstrekt geene keuze! — Ernstige waarheid! Moet een elk zich hier niet afvragen: waar zal ik eenmaal wonen; waar in eeuwigheid zijn ? in de heerlijkheid en vreugde der stad Gods of in den brandenden zwavelpoel der hel ? — Wilt gij het weten? — Welnu, gij ziilt daiir zijn, waar gij thans ernstig en aanhoudend wilt, dat gij zult komen. Aan genade zal het u nooit ontbreken, als het u nooit aan goeden wil ontbreekt. O mocht toch al ons doen en laten steeds ten hemel gericht zijn ! Maar ach ! hoe dikwerf verliest men juist dit ééne noodzakelijke uit het oog! Men put al de kracht van zijn geest uit in ijdele , eerzuchtige plannen en ondernemingen ; men wil zich op aarde een paradijs scheppen *en vergeet den hemel, de vreugde, die eindeloos is. O onbegrijpelijke dwaasheid ! — Op zekeren dag kwam bij den H. Philippus Neri een jongeling, Erans Zassara genaamd, en verhaalde hem met groote blijdschap en jeugdig vuur, dat het hem eindelijk vergund was, zijn lang gekoesterden en innigen wensch te volgen en de rechten te bestudeeren;

-ocr page 350-

336

hij zou vlijt noch moeite sparen, om zijne studiën zoo spoedig en zoo goed mogelijk te voleindigen. — „En dan ?quot; vroeg Philippus. — „Dan zal ik vele moeielijke processen voeren „en door welsprekendheid en slimheid mij beroemd maken.quot;— „ÜV dan ?quot; — „Dan zal ik ambten en waardigheden verkrijgen en rijk worden.\'\' — „Hn dan?quot; — „Dan neem ik „er een gemakkelijk en genoegelijk leven van, en zie zonder „zorg mijne oude dagen tegemoet.quot; — „En dan ?quot; woeg ie Heilige verder. — „Dan — danquot; — antwoordde de jongeling zichtbaar getroffen, „dan zal ik sterven.quot; — „En dan ?quot; ging Philippus voort, „en dan? wat zult gij dan doen, „wanneer uw laatste proces gevoerd wordt, waarbij gij zelf „de aangeklaagde, de Alwetende uw Rechter, hemel of hel ,uw vonnis zijn zal\'?quot; De jongeling stond sprakeloos en als door den bliksem getroffen. Dat vreeselijke dan ?quot; was hem diep in het hart gedrongen ; hij kon het niet meer uit zijne gedachte stellen. jSfa eenigen tijd gaf hij de studie der rechtsgeleerdheid op, trad in eene geestelijke ^rde en leidde in het vervolg een heilig leven. — Hoe heilzaam zou het voor ons wezen, als ook wij bij de keuze van een levensstaat , bij gewichtige ondernemingen , ja bij onze dagelijk-sche bezigheden telkens ons zeiven de vraag stelden : „En „dan?quot; — „En dan?quot; — In dat geval zou de dood ons zeker niet onvoorbereid overvallen , en het vonnis der eeuwige veroordeeling ons niet treffen.

échtste artikel des «doofs:

„Ih geloof in den heiligen Geestquot;

Door wisn icordt de vrucht of genade der goddelijke verlossing ons medegedeeld?

Door den H. Geest. — De vrucht der verlossing bestaat vooral daarin, dat Jesus Christus den hemel, die door de zonde gesloten was, weder geopend, ons den weg er heen aangewezen, en overvloedige genade verdiend heeft, waardoor wij allen er kunnen binnengaan. Die goddelijke genade, zonder welke het ons niet mogelijk is, de eeuwige zaligheid te verwerven, ontvangen wij door den II. Geest, geliik aanstonds meer uitvoerig zal worden aangetoond. Door den H. Geest wordt ons alzoo de vrucht der verlossing medegedeeld. En inderdaad, Jesus zou ons te vergeefs van

-ocr page 351-

337

de zondestraf verlost, te vergeefs door het storten van zijn bloed den hemel geopend, te vergeefs bovennatuurlijke kracht en hulp, om er binnen te gaan, verdiend hebben, als de heilige Geest ons die bovennatuurlijke genadegaven niet mededeelde, d. i. als Hij ons niet werkelijk heiligde, een nieuw leven schonk en sterkte, met één woord, als Hii ons niet bekwaam maakte, den hemel te verkrijgen en te bezitten.

Waar vooral wordt de vrucht of genade der verlossing door den H. Geest ons medegedeeld?

Zij wordt ons medegedeeld in de katholieke Kerk, aan wie de H. Geest door Christus juist daarom beloofd en gezonden is.

Hiermede willen wij echter geenszins beweren, dat buiten de katholieke Kerk den mensch volstrekt geene genade verleend wordt. Als God hen, die buiten de Kerk zijn, geene genade schonk, zouden zij er nooit kunnen binnen gaan, want ook dit is eene groote genade, en dan zouden alle dwalenden en ongeloovigen reddeloos verloren zijn. Daarom heeft Paus Clemens IX genoemde stelling onvoorwaardelijk verworpen \'). De zin van het gegeven antwoord is derhalve deze: in den regel ontvangt de mensch alleen in de katholieke Kerk door den H. Geest alle ter eeuwige zaligheid noodzakelijke middelen en genaden, daar Christus zijne Kerk gesticht heeft, teneinde zij alle menschen van alle tijden tot het eeuwige leven zou voeren. Alleen in de katholieke Kerk zijn de onmetelijke schatten der goddelijke verlossing nedergelegd; haar alleen heeft Christus zijnen H. Geest, den Uitdeeler aller bovennatuurlijke gaven, beloofd en gezonden, dien Geest, van wien Hij zelf getuigt, dat de wereld Hem niet ontvangen kan, omdat zij Hem niet ziet en niet kent (Joan. XVI, 17). Terecht schrijft alzoo de H. Ireneus : quot;) „Waar de Kerk is, daar is de Geest Gods, „en waar de Geest Gods is, daar is de Kerk en alle ge-„nade en de H. Kerkleeraar Augustinus: „Wie den H.

„Geest heeft, is in de Kerk..... Maar wie buiten de Kerk

„is, heeft den H, Geest nietquot; (Sermo. 268).

\') Bulla /.Unigenitusquot; 8 Sept. 1713.

2 Lib. adv. haeres. c. 10.

DEHAKBE GELGOÏSLEER. II. 3lt;le DllUK. 22

-ocr page 352-

338

van den H. Ocest.

Wat is de H. Geest ?

De heilige Geest is de derde persoon van de allerheiligste Drievuldigheid, waarliik God met den Vader en den Zoon.

Zoo leert de H. Schrift. — 1) Zij getuigt, dat de H. Geest waarlijk God is , van één en hetzelfde wezen met den Vader en den Zoon, en de derde persoon der allerh. Drievuldigheid, want — a) zij noemt Hem, even als den Vader en den Zoon, eenvoudig God. „Waarom heeft satan uw hart „hekoord,quot; sprak Petrus tot Ananias (Hand. V, 3, 4), ,,om den H. Geest te beliegen?.... Gij heht niet menschen „heiogen, maar God !\'\' Duidelijk geeft hier het hoofd der Apostelen aan den H. Geest den naam van „God.quot;^ Eveneens noemt ook de H. Paulus den H. Geest „Godals hij aan de Corinthiërs (1. Br. VI, 19, 20) schrijft: „weet „gij niet, dat uwe ledematen een tempel zijn van den H.

„Geest, die in u is ?____ Verheerlijkt en draagt God in

quot;,uw lichaam.quot; Verder stelt de H. Schrift den H. Geest gelijk met den Vader en den Zoon. De H. Joannes schrijft in zijn lsten brief (Hoofdst. V, vers 7) ; „Drie zijn er, die .getuigenis geven: de Vader, het Woord en de H. Geest, en „deze drie zijn één.quot; Bij Matth. XXVIII, 19 lezen wij: „gaat derhalve, en leert alle volken, en doopt hen in den quot;naam des Vaders, en des Zoons, en des heiligen Geestes.quot; ï) In de HH. Boeken worden aan den H. Geest, zoowel als aan den Vader en den Zoon goddelijke volmaaktheden toegeschreven. Zoo lezen wij in den 3stea brief van Paulus aan die van Corinthe: „Dezen wordt door den Geest (kort tevoren „Godquot; „genoemd) „gegeven het woord der wijsheid, „genen het woord van kennis door denzelfden Geest; eenen

anderen het geloof door denzelfden Geest; aan eenen anderen .,de gave der genezing door dien eenen Geest; aan eenen „anderen de kracht van wonderen te doen , aan eenen anderen „de voorzegging, aan eenen anderen de onderscheiding der „geesten, aan eenen anderen het spreken van verschillende

^talen..... Dit alles nu werkt een en dezelfde Geest, die

„ieder bedeelt, gelijk Hij wil\'\'(XII, 8—11). Het is duidelijk, dat in dezen tekst van den Apostel den H. Geest almacht en alwetendheid wordt toegekend, want alleen de Almachtige en Alwetende kan naar welgevallen ieder de macht geven, wonderen te doen en de toekomst te voorspellen. Ook op eene andere plaats (1. Cor. II, 10—11) schrijft de Apostel den H. Geest goddelijke kennis en alwetendheid toe, zeg-

-ocr page 353-

339

gende ; „de Geest doorgrondt alles, zelfs de diepten Gods de Geest Gods alleen „erkent wat Godes is.quot; Om de diepten der godheid te doorschouwen en het wezen Gods volkomen te kennen, wordt voorzeker een oneindig of alwetend verstand gevorderd. Wii laten vele teksten der H. Schrift, die volgens de HH. Vaders op de godheid van den H. Geest betrekking hebben, achterwege, en voegen hier enkel nog bij, dat de H. Geest dezelfde is, dien Isaïas op den troon des hemels zag zitten, en voor wien de Seraphijnen aanbiddend riepen: „Heilig, heilig, heilig is de Heer, de God „der heirscharen, de geheele aarde is vol van zijne heer-.,lijkheid;quot; dezelfde, die hem het profetenambt opdroeg (Is. VI, 1 en volg.). Dit leert ons de H. Paulus (Hand. XXVIII, 25 en volg.), als hij, de woorden van den God der heirscharen aan den Profeet Isaïas aanhalende, zegt: „Terecht heeft de H. Geest gesproken,quot; enz. Verscheiden goddelijke eigenschappen: de eeuwige heerschappij, de allerhoogste majesteit, de heiligheid en onmetelijkheid, worden hier, gelijk ieder zien kan, aan den H. Geest toegekend.— ) Niet alleen de naam van „God,quot; en goddelijke eigenschappen , maar ook goddelijke werken worden in de H. Schrift aan den H. Geest toegeschreven. Door den H. Geest wordt alles (jeschapen, krijgt alles een nieuw leven. „Gij zendt uwen „Geest uit,quot; roept ds koninklijke Profeet irit (Ps. GIII, 30), „en ze worden [de dingen, die tot stof zijn wedergekeerd] „als opnieuw geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des „aardrijks.quot; Door den H. Geest wordt de mensch herboren tot een godgelijkend leven, dat hem waardig maakt, den hemel binnen te gaan. Daarom spreekt Jesus (bij Joannes III, 5): „tenzij iemand wedergeboren worde uit water en „den H. Geest, kan hij in het rijk Gods niet ingaan.\'\' Door den H. Geest worden wij geheiligd, volgens het woord van den Apostel: „gij zijt geheiligd, gij zijtgerechtvaardigd „in den naam van onzen Heer Jesus Christus en in den „Geest van onzen God\'\' (1. Cor. VI, 11). „De liefde Gods „is uitgestort in onze harten door den H. Geest, die ons „gegeven isquot; (Eom. V, 5), Uit de aangehaalde Schriftuurplaatsen blijkt genoegzaam, dat aan den H, Geest eene scheppende, herlevendmakende, heiligende, bijgevolg lijke werkzaamheid wordt toegekend, \'t Is gewis onnoodig, nog meer bewijzen voor de godheid van den H. Geest te leveren. Immers, als het bewezen is, dat de 11. Schrift aan den H. Geest den naam van God en ook maar ééne goddelijke volmaaktheid toekent, maar één enkel goddelijk werk toeschrijft, dan is ook ontegensprekelijk aangetoond, dat dezelfde Geest God is, alle goddelijke volmaaktheden

22*

-ocr page 354-

340

bezit, alle goddelijke werken doen kan, daar het bezit van eene enkele goddeliike, d. i. oneindige volmaaktheid alle overige oneindige volmaaktheden in zich sluit, en een enkel goddelijk werk de oneindige natuur en werkzaamheid van God veronderstelt.

2) De H. Schrift getuigt even duidelijk en bepaald, dat de H. Geest een van den Vader en den Zoon onderscheiden persoon is. — Een helder en onomstootelijk bewijs hiervoor lio-t in de woorden van den goddelijken Heiland : „Ik zal .den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Vertrooster geven, opdat Hi] met n blijve in eeuwigheid, den Geest quot;der waarheidquot; (Joan. XIV, 1G). Hier worden namelijk de biddende Zoon, de zendende Vader en de gezonden wordende 11. Geest als van elkander onderscheiden personen aangeduid. Hetzelfde persoonlijk onderscheid zien wij uit de woorden, waarmede Christus den H. Geest met zich zelven en zijn Vader gelijk stelt, als Hij onmiddellijk voor zijne hemelvaart tot de vergaderde Apostelen zegt: „leert alle volkeren en doopt hen in den naam des Vaders en „des Zoons en des H. Geestesquot; (Matth. XXVIII, 19). Zoo verscheen ook de H. Geest by den doop van Jesus als een van den Vader en den Zoon onderscheiden persoon. „De „H. Geest daalde op Hem (Jesus) neder, in lichamelijke „gedaante, als eene duive, en eene stem kwam uil; den „hemel: Gij zijt mijn welbeminde Zoon !quot; Wie onderscheidt hier niet den persoon van den roependen Vader, den persoon van Jesus, den Zoon, en eindelijk den persoon van den H. Geest, die in de gedaante van eene duif boven het hoofd van den Zoon zweeft ?

Zoo leert ook en heeft van oudsher geleerd de H. katholieke Kerk. — Eeeds in de vierde eeuw (in het jaar 381) werd in eene Kerkvergadering te Constantinopel door 150 Bisschoppen eenparig de leer van Macedonius, die de godheid van den H. Geest loochende, veroordeeld. Tevens voegden zij bij de woorden van de geloofsbelijdenis van Nicea: „ik geloof in den H. Geest,quot; nog deze: „den Heer „en Levendmaker,.... die met den Vader en den Zoon „iegelijk aangebeden en verheerlijkt wordt, die door de „Profeten gesproken heeft.quot; De Vaders van het Concilie zonden een verslag naar den H. Paus Damasus en beriepen zich op de hooye oudheid van deze geloofsleer en op de overeenstemming met het doopsformulier. Paus Damasus bevestigde de leer der genoemde Kerkvergadering, welke als de tweede algemeene erkend is. Eenige jaren tevoren had deze Paus eene Synode te Rome gehouden en den ban uitgesproken over allen, die niet beleden, dat „de H. Geest

-ocr page 355-

341

„dezelfde macht en hetzelfde wezen heeft als de Vader en „de Zoon,. . .. dat den Vader , den Zoon en den H. Geest „eene en dezelfde godheid, majesteit en macht, eene en „dezelfde glorie en heerlijkheid, hetzelfde rijk, dezelfde „wil, dezelfde waarheid toekomt.quot; — Zoo werd de nieuwe leer van Macedonius terstond bij haar ontstaan door de geheele oostersche en westersche Kerk gebrandmerkt en verworpen.

fan men gaat de II. Geest uit ?

De H. Geest gaat uit van den Vader en den Zoon, als van één beginsel. — Het is eene waarheid van ons geloof, 1) dat de H. Geest niet enkel van den Vader, maar ook van den Zoon uitgaat, en 2) dat Hij van beiden te gelijk, als van éénen oorsprong, uitgaat.

1) Het uitgaan des H. Geestes van den Vader en den Zoon leert de H. Schrift uitdrukkelijk: „wanneer de Vertrooster zal gekomen zijn,quot; zegt Christus (Joan. XV, 26), „dien Ik u van den Vader zenden zal, den Geest der „waarheid, die van den Vader uitgaat, die zal van Mij „getuigenis geven.quot; In deze Schriftuurplaats vrordt het uitgaan des H. Geestes van den Vader zoo bepaald mogelijk geleerd. Het uitgaan van den Zoon blijkt vooral uit de woorden des Heeren bij Joan. XVI, 13: „Hij (de H. Geest) „zal van het mijne nemen? Wat anders toch kan de H. Geest van den Zoon ontvangen als het goddelijke wezen, daar alles, wat Hij heeft en is, niet toevallig is, noch toevallig zijn kan, maar het goddelijke wezen zelf is. „Hij „zal van het mijne ontvangen,quot; is alzoo in den mond van Jesus, den Zoon Gods, even zooveel als: Hij zal mijn wezen ontvangen, Hij zal van My uitgaan, of, wat met betrekking tot den H. Geest geheel hetzelfde is. Hij (jaat van Mij uit, daar in God noch toekomst, noch vergankelijkheid denkbaar is. — Verder wordt de H. Geest in de Schriftuur nu eens Geest des Vaders, dan weder Geest des Zoons genoemd. „Niet gij zijt het, die spreekt, maar „de Geest des Vaders,quot; zegt Christus bij Matth. X, 20, en de H. Paulus schrijft aan de Galaten (IV, 6): „God „heeft den Geest van zijnen Zoon in uwe harten gezonden.quot; De H. Geest zou echter, volgens de opmerking van den H. Augustinus (Boek 4 der Dneëenheid, Hldst. 20) zonder reden als Geest des Vaders en des Zoons worden aangegeven, als Hij niet van den Vader en den Zoon tegelijk voortkwam. — Eindelijk komt in de H. Schrift op verscheiden plaatsen de Zoon als zendend, de H. Geest als

-ocr page 356-

r

342

gezonden voor. Dewijl nu, bij de volmaakte gelijkheid van natuur en ■waardigheid der goddelijke personen, geen sprake ziin kan van zending op hevel of raad, kan zij alleen hierm haren grond hebben, dat de H. Geest ook van den Zoon voortkomt, ook van den Zoon zijn oorsprong neemt.

Diezelfde leer verkondigt de H. Kerk met duidelijke woorden in de geloofsbelijdenis van Nicea , en in de eveneens zeer oude van Athanasius. In de eerste luidt het. ^Jij geloof in den H. Geest, die van den Vader en den quot;Zoon voortkomt,quot; en in de tweede: „De H. Geest is door „den Vader en den Zoon niet gemaakt, noch geschapen, „noch geboren, maar Hij komt voort. De tweede Kerkvergadering van Lyon, gehouden onder Gregorius X, in het jaar 1274, stelt als leerstuk des geloofs vast, dat de H. Geest uit den Vader en den Zoon voortkomt, terwijl zij zich op de bestaande leer der Kerkvaderen beroept. Hare uitspraak luidt; „Wij belijden vol geloofden godsvrucht,

de H. Geest van den Vader en den Zoon voortkomt.

Dat heeft de U. roomsche Kerk, de moeder en leermeesteres

allen, die in Christus gelooven, tot op den huidigen beleden, verkondigd en geleerd, daaraan houdt zij nu nog vast, dat verkondigt, belijdt en leert zij, „uu.u is de onveranderlijke belijdenis der rechtge.ioovige „Vaders en Leeraars, zoowel van de Latijnen, als van de „Grieken.quot; in denzelfden zin leert ook het Concilie van Florence, gehouden in het jaar 1439 \').

„van

,;ook „dat

„dat

i) De biivoeeinff ;/en van den Zoonwelke in de geloofsbelijdenis van Nicea voorkomt, was noch in het eerste Symbolum van Nicea noch in het eerste van Constantinopel vervat. In het eerste beleed de Kerkvergadering alleen; ,Wij gelooven in den H. Ueest. In net tweede werden, ter verdediging van de godheid des H. Geestes tegeu de dwaling der Macedonianen, er nog bijgevoegd de woorden: „die „van den \'Vader voortkomt,quot; omdat reeds lang vemlaard was; dat Hij niet geschapen, maar evenals de Zoon één van wezen is met den Vader. De boven genoemde bijvoeging bevindt zich in de Athana-siaansche geloofsbelijdenis en in de geloofsbepalingen van de deide Synode van Toledo (5S9), en de Kerk zag zich later gedrongen, om de nieuwe dwaalleer, dat de H. Geest van den Vader alleen voortkomt, tegen te gaan. ook in de algemeen aangenomen Kiceesche (eindelijk Niceesch-Constantinopolitaansche) geloofsbelijdenis deze woorden „en „van den Zoonquot; op te nemen. Photius, Patriarch van Constantinopel, had derhalve zeer groot ongelijk, toen hij de Westersche Kerk van nieuwheid en vervalsching in de geloofsleer beschuldigde. e ^ dat de H. Geest van den Vader en den Zoon voortkomt , was destijds niets minder dan nieuw. Reeds Gyrillus van Alexandne schrijft in zijn brief aan üestorius, welke in het algemeen Concilie van ^phese leerstellig gezag had: „Men kan den Geest niet van den Zoon sc iel i, „omdat Hij de Geest der Waarheid genoemd wordt, en Christus de „Waarheid is; Hij komt derhalve zoowel uit dezen als uit den \\ actei

-ocr page 357-

343

2) De H. Geest komt voort van den Vader en den Zoon, als van één beginsel. Ofschoon de H. Geest van den Vader er den Zoon en alzoo van twee personen voortkomt, heeft Uil echter niet twee oorsprongen, maar slechts één , omdat de Vader en de Zoon tegelijk en van eeuwigheid door eene en dezelfde daad en door eene en dezelfde kracht den H. Geest voortbrengen. De algemeene Kerkvergaderingen : de tweede van Lyon en die van [Florence, hebben dit leerstuk plechtig uitgesproken. „Wij verklaren,quot; — zoo luidt het besluit, hetwelk met toestenmring der latijnsche en grieksche Vaderen door Eugenius IV in het Concilie van Florence gegeven werd — ,.dat allen, die in Christus gelooven, voor „waar houden, aannemen en belijden zullen, dat de H. Geest „van eeuwigheid is uit den Vader en den Zoon, . . . dat Hij „uit beiden van eeuwigheid als uit één beginsel (uit éénen oorsprong) „en door eene eenige uitademing voortkomt.quot;

De derde persoon in de Godheid wordt bij voorkeur heilige Geest genoemd, omdat Christus (^latth. XXVIII, 19) met de woorden : „in den naam des Vaders en des Zoons en „des heiligen Geeslesen eveneens de Apostelen in hunne brieven (1. Joan. V, 7; 2. Cor. XIII; 1. Petr. I, 2) Hem dezen naam toevoegen. Die naam duidt de verhouding van den derden persoon tot de beide anderen niet zóó aan, gelijk de namen „Vaderquot; en „Zoonquot; de verhouding van den eersten tot den tweeden, en van den tweeden tot den eersten uitdrukken, het geeft ook geene bizonderheid aan, den derden persoon eigen, maar veeleer eigenschappen van de goddelijke natuur, welke aan alle drie de personen gemeen is; want de benaming „Geestquot; en „ heiligquot; komt ook den beiden anderen goddelijken personen toe, want ook de Vader is geest, en de Zoon is geest, ook de Vader is heilig, en de Zoon is heilig; maar wij geven dezen naam bij voorkeur aan den derden persoon, gedeeltelijk om hem van den persoon des Vaders en des Zoons te onderscheiden, daar wij anders geene uitdrukking hebben , om het onderscheidende, den derden persoon eigen, met betrekking tot den eersten

«voort.quot; In dcnzelfden zin drukt hij zich ook uit in zijne anathema-tismen, die door de algemeene Kerkvergaderingen van Ephese, Chalcedon, enz. bepaald als katholieke leer zijn aangenomen. Dat de H. Geest van den Vader en den Zoon tegelijk voortkomt, leeren ook de HH. Augustinus, Ambrosius, Epiphanius, Chrysostomus en anderen. Daarom verklaarden de latijnsche en grieksche Vaders in het reeds genoemde Concilie van Florence: dat de woorden: «en van i/den Zoonquot; tot verklaring der ware /,lecr en tot wegneming van eene //dringende behoefte geoorloofd en verstandig in het (Niceesch-Con-ïstantinopolitaansche) symbolum zijn ingelascht geworden.quot;

-ocr page 358-

344

en tweeden aan te geven, gedeeltelijk om zijne bizondere werkzaamheden met betrekking tot de menschen aan te duiden. Wij noemen den derden persoon in de Grodheid heilig, niet alleen omdat Hij, zooals de beide andere personen in zich oneindig heilig, ja de heiligheid zelve is, maar ook omdat Hij ons heiligt; want gelijk aan den eersten persoon bij voorkeur de schepping, en aan den tweeden de verlossing, zoo wordt aan den derden de heiliging der menschen toegeschreven. Daar namelijk onze heiliging geschiedt door de goddelijke liefde, welke de zonde verbant uit onze harten en ons met God vereenigt, is het alleszins billijk, dat die heiligmaking aan den derden persoon, die de heilige liefde zelve is, bij voorkeur worde toegekend, te meer daar er in de H. Schrift staat: „De liefde Gods is uitgestort „in onze harten, door den H. Geest, die ons gegeven isquot; ^om. V, 5). Wij noemen den derden persoon ook geest, omdat het leven, hetwelk Hij ons mededeelt, volgens de opmerking van den romeinschen Katechismus, een geestelijk leven in hoogeren zin, een bovennatuurlijk, een aan het goddelijke gelijkvormig genadeleven is. Het onderscheid tusschen dit en het natuurlijk leven wordt door den godde-lijken Heiland zei ven aangegeven, met de woorden: „Wat „uit het vleesch geboren is , is vleesch ; en wat uit den „geest geboren is, is geestquot; (Joan. Ill, 6). Eene tweede reden, waarom de derde persoon geest genoemd wordt, vinden de Godgeleerden daarin, dat het woord „Geestquot; in de latijnsche en grieksche taal de beteekenis heeft van „adem.quot; Evenals namelijk de adem voortkomt van degenen, die ademen, en eene zachte beweging van een daarvoor vatbaar voorwerp voortbrengt, op gelijke wijze komt ook de derde persoon in de Godheid uit den Vader en den Zoon voort, en spoort ons aan, met de hulp zijner genade, God te beminnen en in heilige liefde met God vereenigd te blijven.

Werking van den 11- Geest-

Waar is de II. Geest ?

Als God is Hij overal; maar als onze Heiligmaker en uitdeeler der bovennatuurlijke gaven en genaden, is hij bizonder in de katholieke Kerk en in de zielen der rechtvaardigen.

Wij kunnen hier den H. Geest of naar zijn wezen of

-ocr page 359-

345

naar zijne werking beschouwen. Naar zijn wezen is de H. Geest overal, omdat hij God is. Want God is volgens zijn wezen, zooals wij reeds op eene andere plaats aanmerkten (Deel I) onmetelijk en alomtegenwoordig, alzoo overal en zelfs overal te gelijker tijd, overal geheel en volmaakt; „Hij is,\'\' zooals de H. Augustinus zegt (brief 57), „niet alleen geheel in het heelal, maar ook geheel „in elk deel er van/\' Dan ofschoon God overal, en overal geheel tegenwoordig is, kunnen wij toch, voorzoover wij alleen onze oogen slaan op zijne werking, of de plaats willen aangeven, waar Hij bij voorkeur zich aan ons openbaart en in rijke volheid genade uitdeelt, op goede gronden zeggen, dat Hij bizonder in deze of gene plaats tegenwoordig is. Zoo sprak reeds Jacob, toen hij ontwaakte na den droom, waarin God hem verschenen was : „Waarlijk de Heer is

„op deze plaa.ts..... Hier is niet anders dan het huis van

„Godquot; (1. Mos. XXVIir, 16, 17). En Christus zelf leert ons bidden: „Onze Vader, die in de hemelen zijtquot; (Jlatth. VI, 9), omdat God namelijk in de heerlijkheid des hemels zich op eene bizonder genaderijke en schitterende wijze aan de Heiligen vertoont. Wat nu van de goddelijke werking in :t algemeen gezegd wordt, geldt ook van de persoonlijke werking van den H. Geest. Ook de H. Geest werkt overal; maar toch kunnen en moeten wij zeggen, dat Hij geheel bizonder in de katholieke Kerk en in de zielen der rechtvaardigen zijne genaderijke werking openbaart en ontvouwt. Ofschoon Hij namelijk, even als de zon, welke aan allen, die op aarde wonen, liclit en warmte schenkt, aan alle menschen genaden van verlichting en opwekking tot het goede uitdeelt, werkt Hij toch op eene geheel bizondere wijze in de H. Kerk en in de harten der rechtvaardigen, zooals uit de volgende antwoorden zal blijken. Alleen van de katholieke Kerk en van geene andere kan met waarheid gezegd worden, dat de H. Geest in eeuwigheid bij haar verblijft, volgens de belofte van Jesus Christus: „Ik zal „den quot;Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster „geven, opdat Hij in eeuwigheid bij u blijve\'\' (Joan. XIV, 1G). Én alleen van de rechtvaardigen schrijft de Apostel, dat de H. Geest in hen is, en dat Hij in hen woont (1 Cor. 111, 1(5; VI, 19). — Daar echter de werking van den li. Geest, zoowel in de Kerk van Christus, voorzoover deze de bewaarster der goddelijke leer, de bestuurster van het verloste geslacht, de uitdeelster der ÜH. Sacramenten is, als in de afzonderlijke leden geen ander doel heeft dan de heiliging van allen ; en daar die heiligende werking zich voornamelijk daardoor openbaart, dat Hij ons de volheid

-ocr page 360-

346

zijner bovennatuurlijke genaden en gaven uitdeelt, beweren wij met alle recht, dat „de H. Geest, als beginsel van „onze heiliging en uitdeeler der bovennatuurlijke gaven en \'genaden, bizonder in de katholieke Kerk en ia de zielen „der rechtvaardigen is.\'\'

WctaroM zeggen wij, dat de II. Geest nliet beginsel onzsv „heiligingquot; is; is dan niet Christus, als Verlosser,

er het leginsel van ?

Christus is het beginsel van onze heiliging, mzoover Hij ons de genade der heiliging verdiend en voorbereid heeft ; doch de H. Geest, voorzoover Hij ons om de verdiensten van Christus werkelijk heiligt, d. i. van zonden reinigt, rechtvaardig, en aan God welgevallig maakt.

Dit wordt duidelijk uit de woorden van den H. Paulus (1. Cor. VI, 11): „Gij zijt afgewasschen, gij zijt geheiligd, „gij zijt gerechtvaardigd in den naam van onzen lieer Jesus „Christus en in den Geest van onzen God.quot; — De Apostel wil hiermede zeggen: gij, geloovigen van Corinthe, die voorheen met zonden bezoedeld waart, gij zijt door het H. Doopsel gereinigd van uwe zonden, met de heiligmakende genade en alle bovennatuurlijke deugden versierd geworden in den naam d. i. door de verdiensten van Jesus Christus, en in den Geest van onzen God, d. i. door de kracht des H. Geestes. Zoo wordt derhalve de heiliging van den mensch door den Apostel zoowel aan den Verlosser Jesus Christus, als aan den H. Geest toegeschreven, maar op verschillende wijze: aan den eersten als aan dengene, die ze verdiend heeft; aan den tweeden als aan dengene, die ze toepast. Het volgende zal dit nog duidelijker maken. Het gewone en blijvende middel om de inwendige heiliging te verkrijgen, is het gebruik der HH. Sacramenten als even zoovele zichtbare teekenen, door welke ons onzichtbare genade en alzoo inwendige heiliging verleend wordt. Nu ligt er eene dubbele vraag voor de hand; vooreerst, wie heeft ons die genade dei-inwendige heiliging verdiend, welke ons door de HH. Sacramenten wordt medegedeeld? en ten tweede, wie heeft de HH. Sacramenten ingesteld en als middelen ter heiliging bestemd? Op beide vragen volgt één antwoord: het is Jesus Christus, onze Heer. Wij zijn het derhalve aan de oneindige verdiensten van onzen Heiland verschuldigd, dat wij , hoe diep ook in de zonden gevallen, nog genade en heiliging mogen verwachten; wij danken het zijne liefde en ontferming, dat Hij ons zulke middelen ter hand gesteld heeft, om de

-ocr page 361-

347

inwendige heiliging te verkrijgen, of zoo wij die reeds bezitten, ze te vermeerderen. Jesus Christus is alzoo het beginsel van onze heiliging, inzoover Hij ons door zijnen dood de genade der rechtvaardiging verdiend en door de instelling der HH. Sacramenten lereid, d. i. het verwerven eu vermeerderen van die genade niet alleen mogelijk maar ook gemakkelijk gemaakt heeft. — Stellen wij nu verder de vraag, wie het is, die ons in de HH. Sacramenten die genade der heiliging mededeelt, wie onze ziel van de smetten der zonden inderdaad reinigt, wie ons van den dood dei-zonde tot een nieuw bovennatuurlijk leven opwekt en voor de oogen van God heilig en rechtvaardig maakt, dan luidt het antwoord: dat is de H. Geest, wien Christus, na zijn terugkeer tot den Vader, aan zijne Kerk geschonken heeft tot heil van het menschelijk geslacht, om het werk dei-verlossing voort te zetten en toe te passen ; daarom dan ook wordt de H. Geest „Heiligmaker\'\' en „Levendmakerquot; genoemd. En voorzeker zouden die uiterlijke teekenen, zooals het afwasschen met doopwater, het zalven met de H.Olie, of de woorden der priesterlijke absolutie, onmogelijk reiniging en heiliging kunnen schenken, zoo met die teekenen geene daaraan beantwoordende genaden verbonden waren. Waar genade wordt medegedeeld, daar is de H. Geest bij voorkeur werkzaam; want ofschoon de uitdeeling der genade aan alle drie de goddelijke Personen gemeen is, wordt ze echter als werk der liefde, zooals wij reeds opmerkten, op bizondere wijze aan den H. Geest toegeschreven, omdat Hij de Geest der liefde , de persoonlijke liefde van den Vader en den Zoon is.

Wanneer heeft Christus aan zijne Kerk den H. Geest gezonden ?

Hij heeft Hem op zichibare wijze aan haar gezonden op het Pinksterfeest, toen de H. Geest onder de gedaante van vurige tongen op de Apostelen nederdaalde.

Van den Olijfberg, waar zij getuigen van de hemelvaart huns goddelijken Meesters geweest waren, keerden de Apostelen naar Jerusalem terug en volhardden daar in eene zaal, met de vrouwen en Maria, de Moeder van Jesus, eensgezind in het gebed, opdat zij, volgens de vroeger gegeven belofte, „uitgerust zouden worden met kracht uit den hooge,quot;d. i. met den H. Geest (Luc. XXIV, 49). „Als nu de dag van „bet Pinksterfeest gekomen was,quot; zoo schrijft de H.Lucas (Handel, der Ap. II, 2—4), „ontstond er plotseling uit „den hemel een gebruis, als van een opkomenden geweldigen

en an en en

3ij

rt ;

,en .us

iUS

tel iie H. ide len en H. sch us, ide end tst. jne 3n, ht-7.00

iele der ira-de ing sus

■ige

hoe ing

-ocr page 362-

348

„wind en vervulde het geheele huis,quot; waarin de Apostelen en jongeren des Heeren vergaderd waren. „En er ver-schenen hun verdeelde tongen, als van vuur, zich neder-„zettende op een ieder van hen, en allen werden vervuld „met den H. Geest.quot; Alle omstandigheden van de neder-daling des H. Geestes over de geheele te Jerusalem verzamelde Christengemeente zijn merkwaardig en leerzaam. Zij had plaats vijftig dagen na de verrijzenis van Jesus Christus, op het Pinksterfeest der Joden, opdat de waarheid geheel en al met de voorafbeelding zou overeenstemmen. Even als namelijk de Israëlieten op den vijftigsten dag na hunne bevrijding uit de slavernij van Egypte du wet des Heeren, geschreven op steenen tafelen, ontvingen , zoo moest ook de nieuwe wet der liefde en genade op den vijftigsten dag na de verrijzenis, waardoor Christus het menschdcm uit de slavernij des doods bevrijd heeft, door den H. Geest in de harten der verlosten geschreven worden. Deze was alzoo de dag der plechtige verkondiging van de nieuwe wet en van het nieuwe verbond: het oude verbond was ten einde. Toen werd de voorzegging van den Profeet Jeremias vervuld (XXXI, 31—33): „Zie er komen dagen, spreekt de Heer, waarop Ik „met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw „verbond sluit, niet een verbond, zooals Ik gesloten heb „met hunne vaderen op den dag, waarop Ik ze bij de hand „nam, om ze uit het land van Egypte te voeren, welk „verbond zij braken;... . maar dit zal het verbond zijn, „hetwelk Ik met het huis van Israël sluit na die dagen, „spreekt de Heer: Ik zal mijne wet in hun binnenste „leggen, en ze in hun hart schrijven, en Ik zal hun God „wezen, en zij zullen mijn volk zijn.quot; — De komst des H. Geestes geschiedde in het gebruis, gelijk aan dat van een opkomenden geweldigen wind. Het rjehruis, dat verre gehoord werd, was het zinnebeeld van het geschal des Evan-gelie\'s, hetwelk uit den mond der Apostelen zich over alle Janden der aarde zou verbreiden, volgens de woorden van den koninklijken Profeet David : „Over de gansche aarde „ging hun geschal uit, en tot aan de grenzen der aarde „hunne woordenquot; (Ps. XVIII, 5). Het geweldig opkomen des winds duidt aan, hoe snel en onweerstaanbaar de goddelijke Geest voor de Kerk van Christus, niettegenstaande al den tegenstand van hel, van wereld en menschelijke hartstochten, eeu weg zou banen, en haar zou helpen om over het Heidendom te zegevieren. — De H. Geest daalde op de vergaderde geloovigen neder in de gedaante van vurige iongen, teneinde aan te duiden, dat Hij gezonden was om eerst de Apostelen en jongeren des Heeren zelve

-ocr page 363-

349

als door een heilig vuur te verlichten en hen in staat te stellen, door hunne woorden des heils ook de wereld met de kennis van Jesus Christus, den Gekruiste, ie verlichten, met ware liefde tot God en den naaste te verwarmen, van zonden en ongeregelde neigingen te zuiveren, en tot de heldhaftigste oefeningen en oifers van deugd aan te moedigen en te ontvlammen.

Hetgeen de wonderbare verschijnselen hij de nederdaling des 11. Geestes voorbeduidden, ging in de Apostelen tegelijk en op eene in het oog vallende wijze in vervulling. Moedig en vastberaden traden zij, met Petrus aan het hoofd, onverwijld op en legden met onweerstaanbare kracht in hunne woorden getuigenis af van Christus\' verrijzenis, van de waarheid en goddelijkheid zijner leer. Al die duizenden , welke uit allerlei landen naar Jerusalem gekomen waren, om het Pinksterfeest te vieren, en, door de buitengewone verschijnselen opgewekt, rondom het huis, waar de geloo-vigen zich bevonden, verzameld waren, —allen waren vol verbazing en bewondering, toen een ieder in zijne eigen taal die mannen van Galilea de grootheden Gods hoorde verkondigen. Drie duizend sloten na de eerste prediking van het hoofd der Apostelen zich bij de christelijke gemeente aan. Gedachtig aan de voorspelling van hun god-delijken Leermeester, predikten de Apostelen van nu af te Jerusalem voor het gansche volk, onder de oogen van den verbitterden hoogen raad, en juichten, wijl zij waardig geacht werden, om Jesus\' naam geeselslagen en smaad te verduren. Vervolgens trokken zij geheel Judea en Samaria door en brachten de blijde boodschap des heils tot aan de uiterste grenzen des aardrijks over. De faam van hunne wonderdaden ging voor hen uit; bij hunne aankomst vielen de tempels en afgoden der Heidenen in één; hunne bezielde woorden ontvlamden overal de harten met die brandende liefde tót Jesus, den Gekruiste en Verrezene, waarmede zij zelve vervuld waren, en die hun kracht schonk en moed, om de uitgezochtste pijnigingen, ja zelfs den dood te trotseeren.

De zending des H. Geestes gold echter niet alleen de Apostelen, maar ook de geheele christelijke Kerk. Vooreerst toch was de H. Geest aan de gansche Kerk voor alle tijden beloofd. Volgens den zooeven aangehaalden tekst van Jeremias (XXXI, 31, 32) zou het nieuwe f er-hond, welks wet de H. Geest met onuitwischbare trekken in de harten schrijven zou, niet gesloten worden met enkele Israëlieten, maar met het huis van Israël (met alle geloovigen van Israël, met de Kerk). En Isaïas zegt

-ocr page 364-

350

{LIX, 20, 22): „Dan (wanneer de Verlosser komt) zal „dit mijn verbond met hen (met de geloovigen) zijn, spreekt „de Heer; mijn Geest, die in u is, (o heilige gemeente) en „mijne woorden, die Ik in uwen mond gelegd heb, zullen „niet wijken van uwen mond en van den mond uwer kin-deren, spreekt de Heer, van nu af tot in eeuwigheid.quot; — Ten Uveecle was, volgens de opmerking van den H. Augus-tinus (lste Preek op Pinksterzondag), „in de opperzaal te „Jerusalem de geheele Kerk verzameld, de geheele Kerk „ontving aldaar den H. Geest.\'\' Inderdaad zien wij daar de zichtbare gemeenschap der Christenen even als heden vereenigd in het geloof en in de belijdenis van Christus\' leer, eensgezind in het gebed onder de leiding van het door Christus zeiven aangestelde zichtbare opperhoofd, den H. Petrus. Door de Apostelen, aangesteld als leeraars, priesters en bestuurders der heilige gemeente, als ook door wettige opvolgers in dat drievoudig ambt, zou de H. Geest, in de opperzaal te Jerusalem aan de ontluikende Kerk voor immer medegedeeld, alle eeuwen door tot aan het einde der tiiden aan eiken Christen worden medegedeeld. Dit was de wil van .Tesus Christus, die in zijne Kerk eene heilsinrichting van eeuwigen duur wilde stichten, en die, toen Hij in het begin den H. Geest zond, het beste wist, hoezeer zijne geloovigen ten allen tijde den H. Geest noodig zouden hebben, om met Hem en zijn goddelijken Vader vereenigd te blijven en tot het eeuwig leven te geraken.

Welke genade deelt de II. Geest aan de katholieke Kerk mede?

Hij leert, heiligt en regeert haar op onzichtbare wijze tot aan het einde der wereld.

1) De H. Geest leert de Kerk. — Dat de H. Geest zijne Kerk zou leeren, beloofde Jesus Christus aan de Apostelen, die Hij tot het openlijk leeraarsambt bestemd had, toen Rij tot hen sprak: „Ik wil den Vader bidden, en Hij zal u „een anderen Trooster geven, opdat Hij in eeuwigheid bij „u blijve, den Geest der waarheid, wien de wereld niet „ontvangen kan, Hij zal u alles leeren ,. . . alle waarheid „leeren\'\' (Joan. XIV, 16, 17, 26; XVI, 53). „Het staat „derhalve vast, dat de H. Geest, dien Christus hier den „Geest der waarheid noemt, eeuwig in de Kerk woont, haar „onderwijst, in alle waarheid inleidt, dat Hij haar alles „verkondigt, ingeeft, voorhoudt en tegelijk in den mond „legt, wat van Christus (d. i. echt christelijke leer) is.quot; Zoo schrijft een even geleerde als vrome Aartsbisschop, die in de zestiende eeuw te Londen zijn geloof met zijn bloed

-ocr page 365-

351

bezegelde, i) De H. Geest is derhalve de onzichtbare Leeraar der Kerk; Hi] verlicht degenen, wier plicht het is de christelijke Openbaring zuiver en onvervalscht te bewaren, de insluipende dwaling te ontmaskeren en bij voorkomende geschillen over de waarheden des geloofs eene onfeilbare uitspraak te doen. Dezelfde Geest der waarheid staat ook het christelijke volk bij, opdat de leer, door de Apostelen en Kerkvaderen overgeleverd, in de harten der geloovigen trouw bewaard blijve, en zich van geslacht tot geslacht voortplante tot aan het einde der wereld. De H. Geest namelijk, die door den mond der Kerk de waarheden des heils voortdurend verkondigt, schrijft ze ook in de harten der Christenen, :) wekt en bewaart in hen dien onbedorven geloofszin, dat diep, zekerleidend gevoel, hetwelk gevoegelijk „de zalving des H. Geestesquot; genoemd kan worden (1. Joan. II, 20—27), dat gevoel, hetwelk, zich wortelend in de christelijke waarheid, tegen elke nieuwheid opstaat , en alles verfoeit, wat, zij het slechts van verre, vervalschiug des geloofs zich ten doel stelt. — Wanneer wij dan de sekten , die zich van de katholieke Kerk hebben afgescheiden, de eene wTaarheid des geloofs na de andere zien wegwerpen, wanneer wij hen met rassche schreden van dwaling tot dwaling naar den afgrond des ongeloofs zien voortsnellen, dan moeten wij ons daarover geenszins verwonderen; zij allen toch missen de hoogere verlichting en zalving van den „Geest der waarheid.quot;

2) De H. Geest heiligt de Kerk. — „Wat de ziel is „voor ons lichaam,quot; zegt de H. Augustinus, in zijne eerste preek op het Pinksterfeest, „dat is de H. Geest voor het (geheimzinnige) „lichaam van Christus, de Kerk; wat de „ziel in alle leden van het eene lichaam doet, doet de H. „Geest in de geheele Kerk.quot; De ziel is in alle leden des lichaams tegenwoordig, geeft allen tegelijk leven en wasdom. Zoo doet ook de H. Geest in de Kerk. Hij is het, die aan al hare leden het leven der genade geeft; van Hem gaat die heiligende krach1; door geheel het geheimvolle lichaam van Christus heen, evenals de natuurlijke levenskracht uit het hart door alle leden van ons lichaam; Hij

\') Joannes Fischer (Engl. Jolin. Fischer) Aartsbisschop van Rochester in het boek, dat hij tegen Luther geschreven heeft.

-) //Zij hebben.quot; zegt de H. Ireneus (adv. haeres. L. 3. c. 3), //de //waarheden des heils door den II. Geest in hunne harten geschreven , //en bewaren trouw de oude Overlevering.... Laat iemand hun de //hersenschimmen der dwaalleeraars voorhouden, aanstonds zullen zij /Om de godslasterlijke taal de ooren sluiten en vluchten.quot; Vergelijk Mühler\'s Symbolik over de Overlevering.

-ocr page 366-

352

is als \'t ware de polsslag van het Gode gevallig leven , van de heilige liefde, welke de Bruid van Christus bezielt. Alle bovennatuurlijke gaven en deugden, welke in de afzonderlijke leden der Kerk zich reeds in den beginne voordeden en nog voordoen, alle heiligheid en elke wasdom van die leden hebben diensvolgens den H. Geest tot beginsel. Ook de veelvuldige genademiddelen der Kerk van Christus bezitten door den Geest der heiligheid heiligende kracht en werking. Daarom smeekt de Kerk bij het wijden van het Doopwater zoo plechtig en nadrukkelijk de kracht des H. Geestes er over af; \') daarom heeft ook Christus aan zijne Apostelen den H. Geest verleend, toen Hij hun de volmacht gaf, de zonden te vergeven (Joan. XX, 22). Om die reden wijst de H. Kerkvader Chiysostomus, in zijne preek ter gelegenheid van het Pinksterfeest, op de macht van de zonden te vergeven, op de kracht der heilige wijdingen, op de geheimvolle verandering der offergaven, om aan te toonen, dat de H. Geest in de Kerk is en haar heiligt. — Aan de heiligende werking van den Geest der liefde dankt de Kerk van Christus die heldhaftige liefde tot God en den naaste, welke overal en ten allen tijde door zoovelen barer kinderen werd beoefend en nu nog beoefend wordt. Aan die werking des H. Geestes dankt zij die tallooze scharen van heldhaftige Bloedgetuigen, die koren van engelreine Maagden, die onafzienbare rei van Belijders van eiken leeftijd, van eiken rang en elk geslacht, welke wij in alle christelijke eeuwen kunnen bewonderen, die godsdienstige genootschappen, welke zich de volkomen navolging van den vrijwillig armen, verguisden en lijdenden Heiland tot eenig doel van hun leven stellen, en zoo de levende afbeelding van den gekruisigden Godmensch worden. Zulke sieraden kan dan ook alleen de ware Kerk van Christus aanwijzen, dewyl in haar alleen de Geest der heiligheid immer woont.

3) De H. Geest regeert de Kerk. — „Memand betwij-„feit het,quot; merkt de reeds genoemde Aartsbisschop van liochester aan, „dat de Kerk bestuurd wordt door den „H. Geest, tenzij misschien degene, die zich van het geloof „aan het Evangelie van Christus heeft losgescheurd.quot; Wel is Christus het onzichtbare Opperhoofd der door Hem gestichte Kerk, en als zoodanig regeert Hij haar ook op onzichtbare wijze, echter niet anders dan door den H. Geest,

\') Driemaal zingt de Priester, terwijl hij icderen keer de Paascli-kaars laat nederdalen in het doopwater, dat gezegend moet worden: //descendat in hanc plenitndinem fontis virtus Spiritus Sancti.quot;

-ocr page 367-

353

die van Hem zoowel als van den Vader gezonden , bii gevolg zijn Geest is. — Toen in de eerste christelijke Kerk mannen uitgezonden moesten worden, om aan de Heidenen het Evangelie te verkondigen, sprak de H. Geest: „zondert „mij Saulus en Barnabas af tot het werk, waartoe ik hen „geroepen heh.. .. Dezen nu uitgezonden door den H. Geest „togen naar Seleucia,quot; enz. (Hand. XIII, 2, 4). En toen de Apostelen in de Kerkvergadering te Jerusalem verordeningen aan de geloovigen achterlieten, deden zij zulks met de woorden: „Het heeft; den H. Geest en ons behaagd, „u geen meerderen last op te leggen dan dit noodwendige enz. (Hand. XV, 28). Eveneens vermaande de H. Paulus de bestuurders der Kerk van Ephese, „acht te geven op „de kudde, over welke de H. Geest hen tot Bisschoppen „had aangesteldquot; (Hand. XX, 28). Daarom zegt de H. Chrysostomus in de boven aangehaalde preek op Pinksteren; „Als de H. Geest niet in de Kerk was, zouden er geene „herders of leeraars zijn.quot; Ten gevolge dier genaderijke leiding des H. Geestes, heerschte en heerscht er in de over de gansche aarde verbreide Kerk voortdurend de schoonste orde, de innigste vereeniging met het zichtbare Opperhoofd, den Paus, en met het onzichtbare Hoofd, Jesus Christus, „door wien (d. i. door wiens Geest) het gansche lichaam „samengevoegd en verbonden wordt.... en wasdom ver-„krijgt tot zijne opbouwing in liefdequot; (Eph. IV, 15, 16). Aan dezelfde leiding van den H. Geest is het toe te schrijven, dat, ofschoon er in alle tijden onvolmaakte, bijwijlen zelfs onwaardige menschen de kerkelijke bediening waarnamen , er echter met betrekking tot het geloof of de christelijke zeden nooit verordeningen en wetten gegeven zijn, die met de verordeningen en wetten van Christus in tegenspraak waren; dat, hoewel er in den loop der tijden hier of daar beklagenswaardige misbruiken aan den dag kwamen, deze toch nooit door de Kerk uitgelokt, gevoed of gebillijkt werden. Wanneer wij eindelijk de Kerk van Christus, ondanks alle vervolgingen en geweldige aanvallen harer vijanden, ondanks alle hinderpalen en strikken, die haar door hare ontaarde kinderen in den weg gelegd werden , in een altijd toenemenden luister over de geheele aarde verspreid zien, en haar overal weldaden en hemelsche zegeningen zien ronddeelen, dan zijn wij gewis gedrongen te erkennen, dat het de goddelijke Geest is, die haar krachtig en zacht aan de hand leidt, voor haar de harten der volken opent, en haar, die zelve weerloos is, door zijn almachtigen bijstand over al hare vijanden en vervolgers doet zegevieren.

23

DEHAiUiE, GELOOrSLEEK. II. 3lt;k DBÜK.

-ocr page 368-

354

Men kan met recht zeggen, dat de buitengewone gaven der talen, der wonderen en voorzeggingen, waarmede do H. Geest de jeugdige Kerk uitrustte, nooit geheel uit de Kerk -van Christus verdwenen zijn. Zelis in die eeuwen, waarin de H. Geest, volgens het zeggen van velen onzer vijanden, de Kerk zou verlaten hebben, vindt men de stelligste feiten, welke het voortbestaan dor taal- en wondergaven bewijzen. Men doorbladcre slechts de kerkelijke geschiedenis: zij levert ons talrijke bewijzen \') — Maar zelfs in geval, dat die wonderbare gaven des H. Geestes verdwenen zouden zijn, zou men daaruit geenszins mogen besluiten, dat zijne werking in de Kerk heeft opgehouden. Immers, volgens de opmerking van den H. Augustinus , zou dan de verbreiding zelve der Kerk, als deze zonder wonderen en teekenen plaats vond, het allergrootste wonder zijn. En inderdaad, wie zal den vinger Gods daarin niet erkennen, dat de Kerk, zooals boven is aangeduid, niettegenstaande alle geweld der wereld, der hel en der oproerige hartstochten van de ziel, zonder eenige of ten hoogste met zeer geringe menschelijke middelen allengs zich over de geheelo aarde heeft verbreid? Overigens geven de HH. Vaders als reden, waarom deze gaven in de Kerk, toen zij reeds sterk was, zeldzamer voorkomen het volgende aan: dat zij namelijk ter bevestiging des geloofs niet meer zoo noodig zijn, als in den beginne.

\') De H. Vincentius Ferrerius van de orde van den H. Dominicus, in Spanje geboren, trok als verkondiger van het woord Gods niet alleen verscheiden provinciën van zijn vaderland door, maar ook Frankrijk, Italië, Ylaanderen, Engeland, eenige streken van Duitsch-land en andere landen. Overal stroomde het volk toe om zijne prediking te hooren, en ofschoon hij slechts zijne moedertaal kende, werd hij toch overal en door al zijne toehoorders, oud en jong, zoo goed verstaan, als had hij in hunne eigen taal gesproken. — De H. Antonius van Padua predikte te Rome voor het volk, en werd door alle toehoorders, van welke natie zij ook waren, verstaan. — Van den II. Franciscus Xaverius , den Apostel van Indië en Japan, verhalen de acten zijner heiligverklaring, dat hij de talen van de meeste volken zoo vaardig en juist sprak, als ware hij bij hen geboren en opgevoed. Het gebeurde ook meermalen , dat, wanneer lieden van verschillende natiën te gelijker tijd hem hoorden prediken, een elk hem in zijne eigen taal verstond. In de levensbeschrijving van dien Heilige vindt men het zeer merkwaardig feit opgeteekend, dat hij, door twaalf en nog meer personen te gelijk en verschillend ondervraagd, met een eenig antwoord aan allen tegelijk een passend besluit op hunne vragen gaf. —- Meer voorbeelden, betrekking hebbende op de gave der talen, kan men lezen bij Görres, Christliche Mystik, dl. 2, blz. 191.

Veel meer in het oog vallend dan de gave der talen, ontmoeten wij in alle eeuwen de gave van wonderen te verrichten, d. i. de gave der wonderen in den eigenlijken zin. Om niet te spreken van de eerste christelijke eeuwen, toen de H. Gregorius, de wonderdoerer bijgenaamd, door zijn geloovig gebed, volgens het getuigenis van den H. Basilius, een berg verzette, om ruimte voor den opbouw eener kerk te hebben; toen , volgens het bericht van den H. Athanasius en Hieronymus, de H kluizenaar Antonius de egyptische woestijnen, en de H. Hilarion , voor de faam van zijne eigen heiligheid vluchtend, vele landen , die hij doortrok, tot een tooneel van verbazende wonderwerken maakte; toen Simon, de zuilbewoner, door zijn leven, dat op zich zeiven een voortdurend wonder was, het gansclic Oosten deed verbaasd staan; de H. Martinus, Bisschop van Tours, de H. Ordestichter Benedictus, de H. Patricius, Apostel van Ierland, ook het Westen wijd en zijd met de schitterendste wonderen vervulden; de H. Augustinus , Apostel van Engeland. zulke buitengewone daden verrichtte , dat de H. Paus Gregorius de Groote niet aarzelde, ze gelijk te stellen

-ocr page 369-

355

Wordt de II. Geest ook nu nog gezonden?

Op onzichtbare wijze wordt Hij ook nu nog gezonden, zoo dikwijls Hij met zijne heiligmakende genade in onze zielen komt, om in haar te wonen.

met de wonderen der Apostelen — al deze en tallooze andere wonderen van vroegeren tijd ter zijde stellende, maken wij bizonder melding van den H. Bernardus, die in de twaalfde eeuw algemeen opzien door zijne wonderen verwekte. Op zijne reis door Italië, waar hij aan het Concilie van Pisa zou deelnemen, begon eene niet onderbroken reeks van wonderwerken. Aan zieken van welken aard ook gaf hij de gezondheid , aan blinden het gezicht, aan lammen het gebruik hunner leden, aan bezetenen de vrijheid weder. Als hij later op bevel van den Paus naar Duitschland ging, om daar den kruistocht te prediken, zag men dezelfde wonderen herhaald. Van Constanz tot Straatsburg en^ den Rijn benedenwaarts naar Worms en Spiers ; van Oppenheim, Kreuznach, Coblentz, Bonn naar Keulen en van daar tot aan zijn klooster, was het eene aaneenschakeling van wonderen. Overal omringde hem het volk: in de kerk, op straat, in h.iis word hij door hen belegerd. Van nabij en van verre af bracht men alle zieken tot hem, opdat hij hen zou aanraken en zegenen. Dikwerf was het gedrang zoo groot, dat men bij een venster van zijne woonkamer de zieken ophief, die dan somtijds alleen door het aanraken van den muur plotseling genazen. In één woord, de wonderbare genezingen waren zoo talrijk, dat zijne reisgezellen, die er een dagboek van hielden, het niet konden volhouden met ze allen op te schrijven (vergelijk de geschiedenis van den H. Bernardus door Ratisbonne).

Tn de vijftiende eeuw traden onder anderen de H. Vincentius Ferrerius, van wiens gave der talen reeds gesproken is, en de H. Franciscus van Paula, stichter van de orde der Minderbroeders, als wonderdoeners op. De eerste wekte te Salamanca voor eene talrijke volksmenigte een doode ten leven op; de laatste deed een dergelijk wonder te Cosem-a, met den. zoon zijner zuster. Deze lag reeds twee dagen in het graf, toen Franciscus het lichaam in zijne cel liet dragen en begon te bidden. Spoedig keerde bij den doode het leven, en bij de troostelooze moeder haar zoon in jeugdige kracht terug. De Bollandisten geven geschiedkundige bewijzen voor zes andere doodenopwekkingen van dezen dienaar Gods, die ook door vele andere wonderen geheel Italië, Frankrijk en aangrenzende landen deed verbaasd staan.

In de zestiende eeuw zien wij den H. Joannes de Deo, die gedurende een half uur in de vlammen van het brandende gasthuis van Grenada als een reddende engel der zieken vertoefde, ongedeerd te voorschijn treden; de H. Philippus Nerius genas door gebed\' en oplegging dei-handen een groot aantal zieken; de li. Franciscus Xaverius, wien wij reeds boven genoemd hebben, verbreidde en bevestigde het christelijk geloof in Indië en Japan, door wonderbare genezingen en doodenopwekkingen. De wonderen door den H. Franciscus gedaan zijn zoozeer boven elke verdenking verheven, dat zelfs protestantsche schrijvers hem als een wonderdoener beschouwen en het alleen betreuren, dat hij niet een der hunnen was. Niet minder in het oog vallend was de gave dor wonderen, welke den zaligen Petrus Klaver uit het Gezelschap vap .lesus (t 1654) en den eerwaardigen Pater Anchieta, den Apostel van Brazilië (f 1597), deed uitschitteren. Klaver, die voor de arme negerslaven van West-lndië alles zijn wilde, om allen voor Christus te winnen, opende hun de oogen des geestes, nadat hij hunne lichamelijke oogen had ontsloten, heelde de melaatschheid hunner zielen, nadat hij door hooger kracht de lichamelijke had verdreven, en geleidde ze tot het bezit van het eeuwig leven, nadat hij hun het tijdelijke wonderbaar

-ocr page 370-

356

De heiligmakende genade is, zooals reeds meermalen werd aangeduid, en in het derde hoofdstuk meer uitvoerig zal verklaard worden, eene onverdiende bovennatuurlijke gave, die de H. Geest aan onze zielen mededeelt, waardoor wij van zondaren rechtvaardigen, kinderen Gods en erfgenamen

bewaard of teruggesclionken had 1). Bij Ancliieta waren de wonderen zoo veelvuldig, dat hij , zooals eertijds de H. Gregorius van Neocesarea, van wien boven melding gemaakt werd, den naam van „wonderdoenerquot; verkreeg. Zijne wondermacht toonde zich voornamelijk door zijne verbazende heerschappij over de elementen en de geheeie dierenwereld 2). Wij geven slechts eenigen tot voorbeeld. — Eens stond Anchieta in overdenking verzonken aan het strand der zee. De vloed kwam nader, Anchieta verroerde zich niet: weldra stroomden de golven over hem heen, maar door geen droppel werd hij bevochtigd. — Een anderen keer was de wonderdoener in een schuitje. Er ontstond windstilte , en de onverdragelijke hitte der zon hinderde de scheepslieden. Anchieta , aan den naastbijzijnden oever eenige vogelen ziende, sprak tot hen: //Gaat, zoekt uwe kameraden, en brengt ons een weinigje „schaduw.quot; Aanstonds verwijderden zij zich gehoorzaam, maar keerden na eenige oogenblikken met eene menigte anderen terug, vormden boven het schip een ondoordringbaar zonnescherm, en door hun vriendelijken vleugelslag waait den verbaasden scheepslieden eene zachte koelte tegen. — Bij eene andere gelegenheid beklaagden zich eenige visschers over het ongunstige weder en de onstuimige zee, welke hun liet visschen onmogelijk maakten. Anchieta verzocht hun, hem naar het strand te volgen. „Welke visschen zoudt ge dan van „daag willen vangen?quot; vroeg hij hun vol ernst en vriendelijkheid. In vroolijke scherts noemden zij eene soort van visschen, die aan deze oeverkant in het geheel niet voorkwam. Anchieta wees de plaatsen aan waar zij zulke visschen zouden bekomen. En werkelijk bevond zich daar op hetzelfde ©ogenblik zulk een menigte van de verlangde visschen, dat zij ze met de hand konden vangen. (Nog meer kan men vinden in zijne levensgeschiedenis en bij Juvencius hist. Soc. Jesu. P. 5. lib 23.) Die wonderkracht was niet vruchteloos; zij verschafte den Apostel aanzien bij de wilden en geloof aan zijne woorden. — Ongeveer te-zelfden tijde leefde in Catalonië een heilige leekebroeder der Recollec-ten, Saloator ah Horta geheeten (f 1307), die de gave der wonderen in een zeer hoogen graad bezat. Drie dooden riep hij in het leven terug, benevens vier anderen, die reeds in doodstrijd lagen. Drie-en-twintig genas hij alleen door het kruisteeken. Drie honderd doofstommen kregen door hem spraak en gehoor weder. Vele bezetenen werden door zijnen zegen in den naam der II. Drieëenheid bevrijd; ontelbare zieken van allerlei aard verheugden zich door hem weder over liet bezit hunner gezondheid (Zie Görres Mystik Dl. 2. bladz. 213). Zelfs de achttiende eeuw kan van wonderen getuigen. Onderscheidene worden ons medegedeeld van den H. Franciscus van Hieronymo, uit de societeit van Jesus, en den H. Alphonsus Maria van Ligorio, den stichter der congregatie van den Allerheiligsten Verlosser, die beiden door Paus Gregorius XVI op het feest van de H. Drievuldigheid des

1

„Vele door de geneesheeren verlaten zieken maakte hij plotse-

2

„ling gezond; aan velen gaf hij hot licht der oogen weêr; drie dooden „riep hij in het leven terug.quot; Aldus in de kerkelijke getij ien op zijn feest, dat op den Qitn September gevierd wordt.

-ocr page 371-

357

des hemels worden. Men noemt ze heiligmakende genade, ook genade der rechtvaardigmaking, omdat zij ons heiligt, ons van den toestand der zonde in den toestand der gerechtigheid verplaatst, van die gerechtigheid namelijk, die ons welgevallig in Gods oog maakt en bekwaam, het rijk der hemelen te bezitten. — Deze heiligmakende genade ontvangen wij in het H. Doopsel, en wanneer wij door de doodzonde haar verloren hebben, in het H. Sacrament der Biecht of door een volmaakt berouw met den ernstigen wil, om zoodra mogelijk het H. Sacrament der Biecht te ontvangen. Met de heiligmakende genade ontvangen wij echter niet alleen eene gave des H. Geestes, maar den H. Geest, den Gever zeiven van die gave, zoodat wij Hem bezitten, in ons hebben, in ons dragen. Zoo leeren de HH. Vaders; en daarom wordt niet alleen aan de genade des H. Geestes, maar ook aan Hem, den H. Geest zeiven, de naam van gave Gods gegeven. „De H. Geest,quot; zegt de H. Bisschop Isidorus, \') „wordt gave genoemd, omdat Hij zelf gegeven wordt.\'\' En

jaars 1839 onder het getal der Heiligen zijn opgenomen. Beiden viel, gelijk dc kerkelijke getijden melden, het wonderbare voorrecht ten deel, op een en denzell\'den tijd in twee verschillende plaatsen aanwezig te zijn. Van den laatsten wordt verhaald, dat hij te gelijker tijd In den biechtstoel en op den kansel geweest is. Nog zonderlinger is in dit opzicht het volgende feit. Op den gisten September 1774 was de H. Alphonsus te Arienzo, waar hij zich toenmaals ophield, slapende in zijn leuningstoel gezeten. Jierst den volgenden ochtend ontwaakte hij omstreeks acht ure, en gaf nu met de bel een teeken. Toen de bedienden de opmerking maakten, dat er reeds twee dagenverloopen waren sinds hij iets gebruikt of eenig teeken van leven gegeven had, antwoordde de Heilige: ./gij hebt gelijk, maar wist gij dan niet dat ,/ik den Paus, die juist overleden is, hulp verleend heb?quot; Weinig tijds daarna kreeg men de tijding, dat Paus Clemens XIV, den 22steii September het tijdelijke met het eeuwige verwisseld had, juist op hetzelfde uur, dat Alphonsus zijnen dood had aangekondigd. Zie Giattini; Vita del beato Alphonso Maria de Liguori. P. 2. c. 11.

De Heiligen, die van God de macht gekregen hadden, wonderen te doen, bezaten veelal ook de gave der voorzegging, soms ook het vermogen om de harten der menschen te doorschouwen. Üe bovengenoemde H. Franciscus van Hieronymo verliet op zekeren dag eensklaps zijn biechtstoel, ging ijlings de kerk uit, bleef op de straat staan, sprak iemand aan, die voorbij kwam, en vroeg; //waar heen, mijn vriend ?quot; De vreemdeling antwoordde op trotschen toon: «ik ga ,mijne zaken na; wat hebt gij mij te vragen?quot; ,/Hoen, neen, beste!quot; hernam Franciscus allervriendelijkst, „zeg mij oprecht, waar gaat gij //heen?quot; De vreemdeling overlaadde den Heilige met beschimpingen, maar deze liet zich daardoor niet uit het veld slaan. „Komt gij vroeg hij zacht, „niet van buiten, draagt gij geene wapenen bij u, «om uwen vriend te vermoorden? Zijt gij niet bereid, zijne entevens ,/uwe ziel in het eeuwig verderf te storten?quot; De vreemdeling stond verbaasd en sprak onwillekeurig: ,het is waar.quot; — „Welaan dan,quot; riep Franciscus. „doe boetvaardigheid en kom biechten!quot; Gewillig volgde deze hem nu naar de kerk, legde eene rouwmoedige belijdenis zijner zonden af en keerde geheel bekeerd naar huis terug (Herbst. Deel I).

\') Etymol. L. 7. c. 3.

-ocr page 372-

358

de H. Augustinus schrijft\'): „De geleerdste en uitstekendste „uitleggers der goddelijke Schriften verkondigen het luide, „dat de H. Geest eene gave Gods is, opdat wij het namelijk „zouden weten, dat God ons geene geringere gave dan zich „zeiven schenkt.quot; Deze leer is eveneens gegrond op de duidelijke uitspraken der H. Schrift: „Weet gij niet,quot; spreekt de Apostel tot de Corinthiërs, die in het Doopsel de heilig-makende genade ontvangen hadden, „dat gij een tempel „Gods zijt, en de Geest Gods in u woont?quot; En wederom: „Weet gij niet, dat onze leden een tempel zijn van den „H. Geest, die in u is, dien gij van God hebt?quot; (1. Cor. III, 16; VI, 19). Christus zelf belooft zijnen leerlingen niet alleen den bijstand des II. Geestes, maar den H. Geest zeiven. „De Geest der waarheid,quot; zegt Hij (Joan. XIV, 17), „zal bij u blijven en in u zijn.\'\'\' En in vers 23: „Indien „iemand Mij lief heeft, zal mijn Vader hem liefhebben, en „Wij zullen tot hem komen en ons verblijf bij hem nemen.quot; Al spreekt de Zaligmaker hier alleen van den persoon des Vaders en van zichzelven, geldt dit toch eveneens van den persoon des H. Geestes, die als één van wezen met beiden, van hen onafscheidelijk is. De goddelijke personen nemen, volgens de aangehaalde woorden, bij hem, die God lief heeft, hun verblijf. Deze goddelijke liefde nu is onafscheidelijk van de heiligmakende genade; met de heiligmakende genade alzoo komt ook de II. Geest tot ons. — Met de genoemde genade komt Hij echter op eene geheel andere wijze in onze ziel, dan wanneer Hij haar enkel ten goede aanspoort, in het laatste geval komt Hij slechts tot de ziel als in het voorbijgaan, werkt Hij, om zoo te spreken, van buiten op haar, gelijk eene vermanende of waarschuwende stem, die onze ooren binnendringt en weder zwijgt; in het eerste geval daarentegen gaat Hij in het hart binnen, neemt er ziju verblijf in, vertoeft er in, als in een Hem toegewij den tempel, vereenigt zich zoo innig mogelijk met de ziel, zooals het vuur met ijzer en staal, dat het met zijnen gloed doordringt zonder het te verteren. \'2) Hij komt in de ziel als beginsel en uitdeeler van bovennatuurlijke goederen en gaven, vervult haar voortdurend met hemelsch licht en goddelijke kracht, en wordt alzoo „eene waterbron, die voortstroomt ten „eeuwigen levenquot; (Joan. IV, 14). :\')

\') De fide et Symb. c. 9.

\'•\') Zoo spreken de HU. Gregorius van Nazianze, Cyrillus van Alex-andriii en die van Jerusalem, Basilius, enz..

3) Het is wel geene geloolsleer, maar tocli neemt men, steunende op de Openbaring, algemeen aan, dat de H. Geest niet enkel door zijne genade, maar ook persoonlijk in de ziel van den rechtvaardige

-ocr page 373-

359

Evenals wij zeggen, dat de Zoon Gods in de wereld is gezonden, omdat Hij daarin kwam ten einde de menschelijke natuur aan te nemen en voortdurend onder ons te wonen, en evenals wy boven zeiden, dat de H Geest door den Vader en den Zoon is gezonden, omdat Hij op bet Pinksterfeest op de Apostelen en de geheele Kerk nederdaalde, ten einde haar met eene bizondere volheid van genade te verrijken, en eeuwig bij haar te blijven: zeggen wij op de beste gronden, dat de H. Geest ook nu nog wordt gezonden, zoo dikwerf Hij met de heiligmakeade genade tot ons korct, onze harten tot zijne levende tempels inwijdt en door zijne kracht er niet alleen bestendig in werkt, maar ook naar zijn wezen op eene nieuwe, geheel bizondere wijze er voortdurend in woont, i) — Deze zending wordt eene onzichtbare genoemd, dewijl zij niet zoo als die, welke op het Pinksterfeest plaats vond, met de zintuigen kan waargenomen worden. — Uit hetgeen tot nu toe gezegd is, blijkt genoeg, welk eene onschatbare gave de heiligmakende genade is; eene gave, waarmede in waarheid alle goed, ja, de Gever van alle goed tot ons komt (Wijsh. VII, 11). En toch hoe weinig wordt deze genade door velen geacht, hoe gering worden die goederen en die eer, welke zij der ziel aanbrengt, geschat, hoe lichtvaardig door zoo velen verwaarloosd! O mocht gij, lezer, „de gave Gods erkennenquot; (Joan. IV, 10) en inzien, wie Hij is, die met die gave uw hart binnenging op den dag van uw H. Doopsel. Hoe zorgvuldig zoudt ge haar bewaren, ja, zelfs ten koste van uw leven verdedigen! Hoe dankbaar zoudt ge uwen ouders, leermeesters, opvoeders en zielzorgers wezen, dat zij u ter bewaring van dat allerkostbaarst kleinood met raad en daad behulpzaam zijn! En hadt ge het ongeluk gehad, die heiligende genade en de daarmee verbonden goederen te verliezen, hoe bitter zoudt ge dat onherstelbare verlies beweenen! Zeker zoudt ge dan bij dag noch bij nacht kunnen rusten, vooraleer gij deze kostelijke gave en met haar het leven, den adel en

en

woont en zich met haar op eene bizonder innige, geheel eigenaardige wijze vereenigt. De HH. Vaders komen tot deze gevolgtrekking door de aangehaalde en vele andere teksten der H. Schrift, en waren er zoo vast van overtuigd, dat zij er gebruik van maakten, om tegen de llacedonianen de godheid van den H. Geest te bewijzen. En de H. Apostel Paulus schrijft; ^indien Christus in uis, is wel het lichaam „dood om de zonde, maar de geest leeft om de rechtvaardigmaking. „Indien toch de Geest van Hem, die Jesus uit de dooden heeft opge-„wekt, in u woont, zal Hij, die Jesus Christus uit de dooden heeft „opgewekt, ook uwe sterfelijke lichamen levend maken, om zijnen „Geest, die in u woontquot; (zie verder Petavius, Tom. 2. de Trinit. lib. è. cap. 6. en Kleutgen, Bd. II. Th. I. Abth. 7- lioofst. 6). \') b. Thomae Summa 1. q. 43. a. 3 et 6.

-ocr page 374-

360

het schoonste sieraad uwer ziel, door het waardig ontvangen van het H. Sacrament der Biecht herkregen hadt.

W elke genade schenkt (in het algemeen) de 11. Geest aan de zielen?

Hij verlicht, heiligt, sterkt en troost haar, ziedaar de reden, waarom Hij niet alleen Heiligmaker, maar ook Trooster genoemd wordt.

Wij moeten er wel van overtuigd zijn, dat al het goede, hetwelk wij bezitten, voortkomt van den H, Geest, die de liefde des Yaders en des Zoons en als zoodanig de eeuwige onuitputtelijke bron van alle natuurlijke weldaden en bovennatuurlijke genaden is. Uit ons zelve zijn wij niets, kunnen wij niets; uit ons zelve kunnen wij zelfs niet eene goede gedachte vormen, maar al ons kunnen is uit God (2. Cor. III, 5). Zonder de genade des H. Geestes kunnen wij niet het minste voor onze zaligheid aanvangen, voortzetten of voleindigen. „Niemand kan zeggen Heer behalve in den H. Geest\'\'

(1. Cor. XII, 3). Daarom smeekt de Kerk den goddelijken Geest; „Kom, H. Geest, kom Vader der armen, kom Gever „van genaden, kom Licht der harten! Zonder uw goddelijk „bestuur is er niets in den mensch, is er niets dan gebreken !quot; — Wanneer wij alzoo op de vraag, welke genade de H. Geest aan de zielen mededeelt, het antwoord laten volgen: „Hij verlicht, heiligt, sterkt en troost ze,\'\' willen wij daardoor slechts eenige en wel de voornaamste aangeven, daar wij niet in staat zijn, alle genaden op te tellet.

1. De H. Geest verlicht ons verstand, opdat wij in het licht des geloofs erkennen, wat goed, waar en heilzaam is. Immers, als de H. Geest niet een straal van zijn goddelijk licht in onze harten zond, zou het woord van den priester, die de waarheid predikt, ons weinig baten; niettegenstaande het natuurlijk licht van den geest, al bezitten wij een voortreffelijk verstand en al hebben wij alle wetenschappen, toch kunnen wij daardoor niet eens tot het christelijk geloof, veel minder tot de eeuwige zaligheid komen. — Het voorbeeld der Apostelen strekke ons ten bewijze. Deze hadden drie jaren achtereenvolgend uit den mond van Jesus Christus, hunnen goddelijken Leermeester , de verhevenste waarheden vernomen; de God-mensch zelf had ze hun door gelijkenissen verklaard en duidelijk gemaakt; en toch bleven zij, wat de goddelijke dingen aangaat, zoo onwetend, dat, wanneer Hij hun, zelfs met de duidelijkste uitdrukkingen, over zyn verlossingswerk, zijn toekomstig lijden en sterven sprak,

-ocr page 375-

361

„zij er niets van verstondenquot; (Luc. XVIII, 34), ja, zich daaraan ergerden (Matth. XVI, 23). Nog kort voor zijn lijden sprak Hij tot hen: „Ik heb u veel te zeggen, maar „gij kunt het nu niet dragenquot; (Joan. XVI, 12) , d. i. gij zgt nu nog veel te aardsgezind, om de verheven waarheden te begrijpen. Zelfs na de verrijzenis hadden de leerlingen van Jesus, zooals boven reeds is aangeduid, zulk eene gebrekkige kennis van het goddelijke, dat wel op allen de woorden pasten, welke Christus aan de twee in het geloof wankelende leerlingen van Emmaus toevoegde: „O gij onverstandigen en tragen van hart, om te ge-„looven.quot; — Toen echter de H. Geest over hen nederdaalde, toen rees in hunnen geest de zon der goddelijke waarheid op, en verlichtte door hun woord de gansche, in de dikste duisternis des Heidendoms begraven wereld met allerschitterendst licht. Van toen af konden de wereldwijzen van alle eeuwen bij de vroeger zoo onervaren visschers van G-alilea ter schole gaan ; en eenige gedeelten van de brieven der Apostelen behelsden eene meer volkomen verklaring over God en goddelijke dingen, dan de uitgebreide werken der geleerden, zoowel vóór als na Christus.

2. De Ü. Geest heiligt onze zielen, want Hij is, zooals wij reeds verklaard hebben, het beginsel aller heiliging en de uitdeeler aller genaden, die ter heiliging voeren, haar volmaken en bewaren. „Door den H. Geest,quot; zegt de H. Chrysostomus (Homil. 2 over Pinksteren), „verkrijgen wij „de vergeving onzer zonden; door Hem worden wij van alle „smetten der zonde gereinigd ; door zijne gave zijn de men-„schen, die zich aan de leiding der genade overgeven, in „Engelen herschapen, niet omdat zij van natuur zijn ver-„anderd, maar, wat nog verwonderlijker is, omdat zij, „menschen gebleven zijnde, zoo zuiver en heilig wandelen

„als de Engelen..... Door de genade des H. Geestes wordt

„de mensch, die, eenige oogenblikken tevoren, met de „smetten der zonden bezoedeld was, schooner en schit-„terender dan de zon.1\' — Inderdaad, wie ziet niet die wonderbare kracht des H. Geestes in de ongehoorde verandering , welke bij de Apostelen plaats vond ? Dezelfde mannen, die zich tevoren zondig, aardsgezind, ja zeer onvolmaakt aan ons voordeden, diezelfde mannen vertoonen zich nu overal als heldere sterren, als voorbeelden van de zuiverste liefde jegens God en van den meest brandenden ijver voor zijne eer. Als vaten van heiligheid verspreiden zij den zoeten geur van Jesus, den Gekruiste, over de gansche aarde; door goddelijke liefde en een geheel hemelsch leven als liet ware in Christus veranderd, kan eenieder

-ocr page 376-

362

hunner met den H. Paulus aan alle menschen toeroepen: „Weest mijne navolgers, zooals ik die van Christus benquot; (1. Cor. IV, 16); en: „met Christus ben ik aan het kruis „gehecht, ik leef, doch niet ik, maar Christus leeft in mijquot; (Gal. II, 19. 20).

3. De H. Geest sterkt onzen wil volgens de belofte van Jesus Christus: „gij zult de kracht des H. Geestes ontvangenquot; (Hand. 1, 8). — Zonder de genade des H. Geestes is de mensch tegenover de vijanden zijner zaligheid niets dan onmacht en zwakte. Zuilen, die hecht schenen eu sterk genoeg, om de gewelven des hemels te dragen, waggelden als riet, en braken in tweeën; helden, die met eene geduchte krijgsmacht koningen voor zich uitdreven, gelijk de wolf eene weerlooze kudde, waren onmachtig voor den drang hunner eigen hartstochten: toorn, wellust, eerzucht leidden als tirannen al hunne schreden. Door de genade des H. Geestes echter wordt de bloohartigste een held; de zwakste een reus, de herdersknaap verwinnaar van Goliath. Zeer schoon zegt de H.Bernardus \'j: „Doorde genade „des H. Geestes wordt de mensch tegen bekoring en vervol-„ging gehard, onoverwinneliik, onbevreesd.quot; Daarom getuigt Salomon: „De rechtvaardige is gerust en onverschrokken als „een leeuwquot; (Spr. VXVIII, I). Herinnert u slechts het reeds gezegde. Hoe zwak, hoe vreesachtig en laf waren de Apostelen, toen zij met de kracht van boven nog niet waren uitgerust. Petrus, naar zijne plechtige en herhaalde betuigingen te oordeelen, de moedigste onder hen, wankelde en viel op het woord eener dienstmaagd. Al de overigen waren op de vlucht gegaan, toen men hunnen Heer gevangen nam, en kwamen eerst na zyn dood en zijne verrijzenis weder tezamen in eene afgelegen bovenzaal met gesloten deuren, omdat zij voor de Joden bevreesd waren. Isia de nederdaling van den Geest der sterkte kenden zij geene vrees noch angst meer; met onverschrokken moed trokken zij alle landen der aarde door, deinsden niet terug voor foltering en lijden, maar hielden „sterven voor gewinquot; (Phil. I, 21).

4. De H. Geest troost ons in alle wederwaardigheden, rampspoed en lijden van dit leven. Daarom noemde Christus zelf den Geest, dien Hij beloofde te zenden, den Trooster, en de Kerk noemt Hem in de Hymne; „kom, H. Geest, „den besten Trooster, den zoeten Gast der ziel en zoete „verkwikking.quot; De H. Geest troost onze zielen, „terwijl „Hij haar den vrede Gods brengt, die alle begrip te boven „gaatquot; (Phil. IV, 7); Hij troost ze in vervolging en lijden,

\') Du donis S. Sp. 4. inter supposit. ap. Mabill.

-ocr page 377-

363

terwijl Hij den balsem zijner genaden in haar uitstort ea haar met zulke blijdschap vervult, dat zij met den A.postei uitroept: „Hij is het, die ons troost in alle droefheid\'\' (2. Cor. I, 4), en: „Ik ben met troost vervuld en vloei „over van vreugde in alle droefheidquot; (2. Cor. VII, 4).

Deze en vele andere uitwerkselen brengt de H. Geest in ons voort door onderscheiden genaden, die Hij ons tot zaligheid van onze ziel mededeelt. — De genade, waardoor Hij ons heiligt, heet, zooalireeds gezegd is, de hciligmalcende. Andere genaden heeten werkelijke (actueele) genaden, die voorbijgaand op de ziel werken, gelijk een voorbijtrekkende lichtstraal, die de duisternis des geestes verdrijft, of als eene stem, die waarschuwt, vermaant, nu eens stil, dan weder luid tot het goede aanspoort, of afschrik inboezemt voor het kwaad, en dan weder zwijgt (Over deze onderscheiden genaden zal in het derde hoofdstuk van den Katechismus meer in het breede gehandeld worden). Daarenboven zijn er nog de zeven gaven en de twaalf vruchten van den H. Geest, waarover wij nu zullen spreken.

Welke zijn de zeven gaven van den 11. Geest ?

1) De gaaf van wijsheid, 2) van verstand, 3) van raad, 4) van sterkte, 5) van wetenschap, C) van godsvrucht, 7) van vreeze Gods.

Deze gaven zijn van de bovengenoemde gaven der talen, der wonderen en der voorspellingen hoofdzakelijk daardoor onderscheiden, dat de laatsten bij voorkeur verleend worden om ze te gebruiken tot zaligmaking van anderen, tot verlieerlijking Gods en zijner Kerk, de eersten daarentegen, namelijk deze zeven, vooral ter zaligheid van hen, die ze ontvangen. Üe gaven des H. Geestes worden ons op het oogen blik der rechtvaardiging tegelijk niet de goddelijke deugden van gelool\', hoop en liefde ingestort. •) Zij zijn als \'t ware het bruidstooisel , de huwelijksgift der gerechtvaardigde en aan God door de heilige liefde verloofde zielen, een heerlijk feestgeschenk, waarmeè de hemelsche Vader zijne aangenomen kinderen op het oogenblik hunner wedergeboorte vereert en verrijkt. Daar zij echter bij de instorting in het H. Doopsel nog niet ontwikkeld zijn, gelijk de zaden, waaruit zich de planten slechts langzaam ontwikkelen, moet het onze hoogste zorg zijn, die hemelsche zaden op den vernieuwden grond onzer zielen aan te kweeken, hunnen wasdom en bloei te bevorderen en door een vurig gebed van God af te smeeken. Die bede zal zeker nooit onverhoord blijven; Christus toch zegt zelf; wanneer gij (menschen), die

\') Ofschoon geen uitdrukkelijk leerstuk dor Kerk, wordt dit toch door den H. Thomas en de meerderheid der Theologanten geleerd, en aangeduid door de woorden van het Concilie van Trente (G- Zitt. cap. 7), volgens hetwelk de rechtvaardigmaking geschiedt door ,do .■/vrijwillige opname der genade en der gaven.quot;

-ocr page 378-

364

vboos zijt, uwen kinderen goede gaven weet te geven, hoeveel te //meer zal dan uw Vader in den hemel den goeden Geest geven aan ,hen, die Hem er om biddenquot; (Lue. XI, 13). — De kostbare gaven des H. Geestes zijn ons, zooals de Godgeleerden aanmerken, vooral gegeven tot beschutting en volmaking van onze deugden, terwijl zij, als de vleugelen aan den arend, aan onze zielen de kracht verleenen, om de leiding des H. Geestes ten allen tijde te volgen en aldus tot een hoogen graad van christelijke deugd en volmaaktheid te komen.\')

De zeven gaven staan in den Katechismus in dezelfde orde als bij den Profeet Isaias (XI, 2), waar hij ze aan den Messias. Jesus Christus, toekent. Hij begint met de hoogste gave, de wijsheid, en daalt tot de onderste, de vrees des Heeren, als van den hemel naar de aarde af: //wij daarentegen,quot; zegt de H. Paus Gregorius (homilie 19 over Ezechiël), //wij, als armzalige vreemdelingen, die hun pelgrimstocht /,van de aarde naar de hemel richten, klimmen in de optelling van //die gaven dezelfde trappen op, van de vrees des Heeren tot de gaaf „der wijsheid.quot; — Dat opstijgen, hetwelk gepaard gaat met onzen voortgang op den weg der volmaaktheid, moet men echter niet zóó verstaan, alsof de verkrijging of vermeerdering van eene gave (bijv. van godsvrucht) niet plaats kan hebben, voordat de onmiddellijk voorgaande gave (de vrees des Heeren) in de ziel de hoogste volmaaktheid bereikt heeft. De H. Geest is bereid, naar de behoefte van het christelijk leven, nu de eene of andere, dan weder meerdere gaven gelijktijdig te verleenen of te vermeerderen. //De geest blaast, //waar Hij wilquot; (Joan. Ill, 8).

Wij zullen bij onze korte verklaring dier zeven gaven den H. Gregorius volgen.

1) Vree ze Gods. — Wij noemen op de eerste plaats de vreeze Gods, omdat er geschreven staat: „De vrees des „Heeren is het beginsel der wijsheidquot; (Sir. 1, 16). — Er hestaat eene tweevoudige vreeze Gods : eene slaafscke en eene kinderlijke. Vermijdt men het kwaad als een slaaf, alleen uit vrees voor de straf van den Heer, dan is men door eene slaafsche vrees hezield; doch vermijdt men het als een goed kind, uit vrees van den besten en beminnens-waardigsten Vader te beleedigen, dan heeft men eene kinderlijke vreeze Gods. De eerste is goed en eene genadegave Gods, zoo leert het Concilie van Trente (14de Zitt. cap. 4). Die vrees toch spoorde de Ninivieten aan, zich te vernederen en oprechte boete te doen op de prediking van den Profeet Jonas, De kinderlijke vreeze Gods is echter veel edeler en beter, en inzooverre zij de ziel aanspoort om zelfs de kleinste zonden te vermijden, is zij in den eigenlijken zin eene der zeven gaven des H. Geestes, waarvan hier sprake is. Met recht noemt men haar kinderlijke vreeze Gods, wijl het den rechtgeaarden kinderen Gods eigen is, overal en altijd beducht te zijn, dat zij iets zullen doen, hetgeen hun besten en beminnelijksten Vader zou kunnen

!) S. Thomas Sum. I. 2, q. 69. a. 2. 3. Habert, Theol. dogm. de gratia c. 4 § 9. //Dona disponunt ad actus excellentes et heroicos.quot;

-ocr page 379-

365

mishagen. De Heiligen, die door deze kinderlijke vreeze Gods vervuld waren, waakten immer op zich zeiven, schrikten zelfs voor den schijn van zonde, en waren bereid liever te sterven, dan God, hunnen Vader door de kleinste vrijwillige overtreding zijner geboden te beleedigen. gt;)

2) Godsvrucht. — Een goed kind stelt zich niet tevreden met alles te vermijden, wat zijnen vader beleedigen kan, maar het eert en bemint hem ook, verkeert gaarne met hem, heeft ook degenen lief, die den vader welgevallig zijn, en is er ernstig op bedacht, hem altijd vreugde te verschaffen. Zoo is het ook met het kind van God. Niet alleen vermijdt het de zonde, maar het vereert en mint ook God, zijn besten Vader; het strekt zijne liefde en vereering uit tot diegenen, die God lief heeft, tot de Engelen en Heiligen, als vrienden van zijn hemelschen Vader, ook tot de evennaasten, als zijne geliefde kinderen en evenbeelden; het vindt zijn grootste genoegen in den omgang met God, zijne zoetste vreugde in \'tgebed, in de lezing-van goede boeken, in den godsdienst en het aanhooren van het goddelijk woord, kortom in de trouwe vervulling van den vaderlijken wil en in alles, wat op de eer en verheerlijking van zijn beminden Vader betrekking heeft. Wie zoo gezind is en zoo handelt, is waarlijk godvruchtig; in hem openbaart zich op eene in het oog loopende wijze de gave der aan God zoo welgevallige godsvrucht. 1)

1

) Deze gave van godsvrucht bezat de H. Aloysius, de beschermheilige der studeerende jeugd, reeds als kind. Hij wist zich eerder met God, dan met de me\'nschen te onderhouden. Van zijne zevende jaar af maakte hij zich gewoon dagelijks de getijden der allerheiligste IVIaagd en de zeven boetpsalmen knielende te bidden, en hield deze oefening zijn geheele leven vol. Bij al zijne godsdienstoefeningen was Aloysius zoo aandachtig, dat hij op de vraag van zijn biechtvader of hij in het gebed verstrooiingen had, na even gedacht te hebben, dit merkwaardig antwoord gaf: „Als men de verstrooiingen, die ik in «zes weken gehad heb, bij elkander neemt, zullen zij ongeveer zooveel „tijd bedragen, als men noodig heeft, om een „Wees gegroetquot;\' te

-ocr page 380-

366

3) Wetenschap. — Wanneer wij er ons ernstig op toeleggen, alles te vermijden, wat God mishaagt, en ons in de werken der godsvrucht vlijtig oefenen, vermeerdert de H. Geest in ons de gave der kennis, d. i. Hij verlicht al meer en meer onze harten , terwijl Hij, zooals de Apostel zegt, zijn goddelijk licht er laat instralen (2. Cor. IV, 6), opdat wij in alle heilzame kennis toenemen en in het goede voortgang maken. Deze kennis strekt zich uit, volgens den H, Bona-ventura (De donis S. Spiritus), zoowel over de waarheden, die wij gelooven, als over de plichten, die wij overeenkomstig het geloof moeten vervullen. Zij is echter onderscheiden van die kennis, welke wij door eigen vinding en studie verkrijgen. Zij is eene gave des H. Geestes, die gewoonlijk bewerkt, dat de waarheid, ook wanneer wij ze reeds vroeger kenden, zich in een helderder licht, dan ooit tevoren, aan onzen geest vertoont, zoodat zij tegelijk ons hart verwarmt en aandrijft, om onzen wandel naar die hoogere kennis in te richten. Zij leert ons den wil Gods te kennen, de wereld en alle geschapen dingen in hunne betrekking tot God, als hunnen oorsprong en hun laatste doel, te beschouwen. Zij is de wetenschap der Heiligen, die alle aardsche kennis en alle aardsche geleerdheid verre overtreft. Velen bezitten veelvoudige en uitgebreide kennis; maar hun weten is onvruchtbaar, en geleidt noch hen zelve noch anderen tot de zaligheid. Die kennis komt niet van den „Vader des Lichtsquot; (Joan. I, 17), daarom doet zij niet zelden den Schepper voor het schepsel, het onvergankelijk licht voor de voorbijgaande schaduw vergeten. Daarentegen zijn er, die voor de oogen der wereld onwetend schijnen, die weinig of niets uit boeken geleerd hebben, maar door

«bidden.quot; Zijne godsvrucht bepaalde zich echter niet alleen bij het gebed, zij spoorde den H. jongeling aan, om den goddelijken wil in alles zoo stipt mogelijk op te volgen, al zijne plichten nauwkeurig te vervullen, en, na zijne intrede in de Societeit van Jesus, de wetten en regelen er van zoo volmaakt in het oog te houden, dat men hem, gedurende geheel zijn leven in de Orde, van geene enkele overtreding, hoe gering dan ook, kon beschuldigen. Uit deze ware godsvrucht ontsproot ongetwijfeld zijne vurige devotie tot Maria, de Moeder van God, voor wier beeltenis hij, ter nauwernood negen jaren oud, de geloite van eeuwige zuiverheid allegde, en tot de HH. Engelen, in wier lof hij onuitputtelijk was, zooals eene nog bestaande lofrede op hen bewijst. Uit diezelfde bron vloeide ook zijne heldhaftige liefde tot den naaste. Verheugd verliet hij zijne stille cel bij het uitbreken der pest in Rome, om de besmetten te verplegen, en zijnen adel, zijn vroeger aanzien, zelfs liet dreigend levensgevaar vergetende, in het hospitaal de geringste en lastigste diensten te leenen. Het loon voor zooveel liefde bleef niet uit: Aloysius stierf ten gevolge zijner heldhaftige ziekenverpleging en ging binnen in de vreugde des Heereu (Uit het leven van dien Heilige door P. Cepari).

-ocr page 381-

367

den H. Geest verlicht, niettemin zeer bekwaam zijn op de wegen der zaligheid, voor wie de gansche natuur een opengeslagen boek is, waarin zij God en zijne volmaaktheden lezen. \')

4) Sterkte. — Dan, waartoe zou het ons dienstig zijn, onze plichten nauwkeurig te kennen, indien ons de sterkte ontbrak om ze te vervullen? Bij de gave der wetenschap komt alzoo die der sterkte, opdat wij in den strijd tegen den vijand onzer zaligheid niet het onderspit delven, maar, ondanks alle aanvechtingen en vervolgingen, den wil van God volbrengen. Deze gave des H. Geestes is hierdoor onderscheiden van de kracht, eene der zoogenaamde kardinale deugden, dat zij ons niet alleen, zooals deze, hulp verleent om de dagelijksche plichten van den Christen te vervullen, maar ook om de leiding des H. Geestes te volgen, waar het er op aankomt, met heldenmoed de zwaarste offers, bloed en leven, te brengen voor het H. geloof, de verdediging van de ondercirukte en vervolgde onschuld en deugd, de

\') Deze gave openbaarde zich bij geleerden en ongeleerden. — Mannen, die de diepe wetenschap van den II. Bonaventura bewonderden, onderzochten naar de rijke en uitgelezen bibliotheek, waaruit hij die wetenschap putte. De H. Thomas van Aquine stelde hem eens dezelfde vraag, waarop de seraphijnsche leeraar, wijzend op het kruis in zijne cel antwoordde: ,/Ziedaar de bron, waaruit mijne kennis //voortvloeit!quot; — Rinaldus, langen tijd de medegezel van den H. Thomas, verhaalt van dezen Heilige, dat hij zijne buitengewone kennis niet zoozeer aan eigen inspanning, dan wei aan het gebed te danken had. Want zoo dikwijls hij voornemens was te studeeren, te redetwisten, te lezen, te schrijven of te dicteeren, begon hij eerst onder vele tranen te bidden, om den goddelijken bijstand te verkrijgen (Zie verder Görres, Mystik. dl. 2. bladz. 206). Rupertus, abt van Deutz, nabij Keulen, (in het jaar 1124) had in éénen nacht door zijn gebed de kennis der H. Schrift in zulk een hoogen graad verkregen, dat niemand te zijnen tijde met hem kon vergeleken worden.

De H. Antonius, de kluizenaar, kon lezen noch sclirijven, en echter bezat hij de wetenschap der Heiligen in uitstekenden graad. Want duizenden bracht hij op den weg der zaligheid; hij wederlegde de spitsvondigheden der dwaalleeraars, en onderrichtte zelfs de vorsten der aarde, onder anderen Constantijn den Groote en diens zonen, die zulks door een eigenhandig schrijven aan den kluizenaar hadden verzocht. Iets dergelijks wordt verhaald van Gregorius Lopez, den kluizenaar, die in 1596 in zijne kluis, niet ver van Mexico, stierf. Deze verklaarde zelf, in zijne jeugd geen onderricht in het Latijn of in de schoone kunsten en wetenschappen ontvangen te hebben. Doch in zijne vereeniging met God werd hem de kennis der latijnsehe taal en eene verbazende kennis van de H. Schrift ingestort. Hij kende de Htl. Boeken woord voor woord van buiten, en alle plaatsen, hoe raoeielijk ook, wist hij met buitengewone helderheid en met overtuigende gronden uit te leggen Daarbij was hij nog ervaren in de geschiedenis der wereld en der Kerk, in de sterrekunde en in de kennis der aarde; verschillende takken der natuurwetenschap beoefende hij met den besten uitslag, doch daarbij vergat hij nooit Ood en de zorg voor zijne zaligheid (Görres, Myst. dl. 2. bladz. 202).

-ocr page 382-

368

bevordering van de zaligheid des evennaasten. — De H. Franciscus Xaverius bezat de gave van sterkte in hoogen graad, en toch sidderde hij van vrees, zooals hij zelf bekende , toen hij den op menschenvleesch verhitten barbaren van het eiland Mora de boodschap der zaligheid ging verkondigen. Doch de H. Geest sterkte hem met zijne gave — en moedig toog hij henen, en veranderde die bloeddorstige wilden in lammeren van Christus. \')

5) Raad. — Het is evenwel niet genoeg, dat wij in het algemeen onze plichten kennen, en ook den vasten wil hebben, die, ondanks alle hinderpalen, te vervullen. Er komen niet zelden bizondere gevallen voor, waarin wij niet weten, wat beter of Gode meer welgevallig is, of welke middelen bij voorkeur moeten aangewend worden, om het doel te bereiken, hetwelk wij ons voorgesteld en als het beste erkend hebben. Opdat ons nu bij deze keuze de eigenliefde of de schijn van het goede niet bedriege, of de booze vijand, die zich volgens den Apostel menigmaal in een engel des lichts verandert, er niet achter schuile, komt de H. Geest met de gave des raads ons te hulp. Wij leeren dan door de verlichting des H. Geestes, of ook door eene vaste overtuiging, verbonden met inwendigen vrede en geestelijken troost, wat wij doen moeten om aan God te behagen. Bizonder noodzakelijk is ons deze hoogere verlichting, wanneer wij een levensstaat gaan kiezen, of de geschiktste middelen moeten aangrijpen, om eene of andere gewichtige onderneming, ter eere Gods aangevangen, te doen gelukken, of wanneer wij als bestuurders anderen moeten leiden en regeeren. Een gewoon beleid is dikwijls niet voldoende, want zeer dikwijls „is onze voorzichtigheid onzeker.... Wie „zal uwen wil kennen (o God!), wanneer Gij niet uwen ,)H. Geest van boven neerzendt, opdat de menschen leeren, „wat ü behaagt?quot; (Wijsh. IX, 14—18). \')

\') Van de gave der sterkte zijn er evenveel voorbeelden als wij HH. Martelaars in de Kerk hebben. Men herinnere zich de reeds vroeger aangehaalde bewijzen, bijv. van den H. jongeling Cyrillus, de jonge martelaren van Japan, *den H. Steplianus, Laurentius, of de zaven Machabeën.

2) Wat de gave van raad betreft, hiervoor is geene verklaring door voorbeelden noodig. Wij merken slechts aan, dat die daden der Heiligen, welke uiterlijk strijden tegen de grondbeginselen van men-schelijken moed, hunnen oorsprong hebben in de bizondere ingevingen des H. Geestes. Het is daarom, niet zelden vermetel, de Heiligen in al hunne buitengewone daden te willen navolgen, wijl men daartoe de inwendige aansporing, leiding en kracht des H. Geestes noodig heeft. Nog vermeteler echter is het, die daden der Heiligen te berispen, omdat men zich niet geroepen gevoelt ze na te volgen, of omdat men den Geest Gods, die ons aanspoort, om tenminste in ge-

-ocr page 383-

369

6) Verstand. — Door de gave der wetenschap wordt ons verstand reeds zoodanig verlicht, dat wi] vele geloofswaar -heden, namelijk die, welke ons verstandelijk vermogen niet te boven gaan, (hijv. dat de mensch geschapen is, om God te kennen, te beminnen enz.; dat Gods voorzienigheid de geheele wereld doet voortbestaan en wijselijk bestuurt) veel duidelijker en beter kennen dan tevoren; slechts die are-heimen van onzen godsdienst, welke alle menschelijk begrip te boven gaan, blijven voor ons verstand zooals vroeger verborgen. Maar wanneer God eene ziel tot een hoogeren trap van heiligheid wil opvoeren, geeft Hij haar niet zelden door een bizonder genaderijk licht een meer of minder dieper blik in die goddelijke geheimen, opdat zij door deze hoo-gere kennis van de volmaaktheden Gods worde aangespoord, Hem nog volmaakter te dienen. Dat licht is de gave des verstands. \') Door haar hebben eenvoudige geloovigen, die alle wetenschappelijke opleiding misten, eene zoo diepe kennis van de verhevenste geheimen, zelfs van de H. Drieëenheid of van de Jlenschwording, verkregen, dat geleerde mannen, die hen er over hoorden spreken, verbaasd waren en bekennen moesten, dat zij nooit tot zulk eene verheven opvatting van die geheimen zouden gekomen zijn. De levens der Heiligen leveren ons vele dusdanige voorbeelden. quot;)

7) Wijsheid. — Deze is de grootste en de uitstekendste aller gaven des H. Geestes. Het is die wijsheid, welke ons in de H. Schrift zoo dikwijls en zoo duidelijk aanbevolen en aangeprezen wordt; die wijsheid, wellie als een uitvloeisel der ongeschapen Wijsheid is, en door den H. Geest in onze harten wordt uitgestort. De H. Bonaventura noemt ze „een bovennatuurlijk, blijvend, door den H. Geest

wone handelingen de voetstappen der Heiligen te drukken, uit traagheid en weekelijkheid wederstaat.

\') Donum intellectus //est lux divina, qua potentia intellectus per-yfectiones divinas et lidei nostrae arcana acnte, profunde et stupenda „cum admiratione penetrat.quot; Aldus Scaramelli directorium inyst Tom. I. Tract. 1. c. 7. Eveneens de H. Bonaventura de donis Sp. S.

-) De z. Ludwina quot;bezat in hooge mate de gave des rerstont/s. Ofschoon ongeleerd, drong ze toch diep in vele geheimen van onzen godsdienst door. Een uitstekend Godgeleerde vroeg haar eens, hoe het kwam, dat, ofschoon de geheele Drievuldigheid bij dc Mensch wording werkzaam is geweest, toch alleen de eeuwige Zoon in den schoot der Maagd is vleesch geworden. Dc Heilige beantwoordde die vraag tot verbazing en tot volle bevrediging van den Godgeleerde, terwijl zij de gelijke werkzaamheid der II. Drievuldigheid met een drievoudigen zonnestraal, en het einde er van, dat alleen in den schoot der allerzuiverste Maagd daalde, mot den goddelijken Zoon vergeleek. Hetzelfde verhalen de kerkelijke getijden van Paschalis Baylon, die, ofschoon ongeleerd , in vele geheimen van ons geloof doordrong, en daarvan iu boeken het bewijs heeft geleverd.

BEHAKBE, GELOOESLEEK. II. 3^ DRUK. 24

-ocr page 384-

370

„ingestort vermogen om God te kennen en innig lief te „hebben.quot; De gave der wijsheid verlicht alzoo niet alleen onzen geest, zooals die der wetenschap, des raads en des verstands, maar ontvlamt ook ons hart van liefde tot God, verleent ons een zoeten smaak in de goddelijke dingen, en vermeerdert ons verlangen naar de hemelsche goederen , vooral naar het aanschouwen of het volle bezit van God. In het steeds toenemende licht, dat wij door die gave verkrijgen, leeren wij meer en meer inzien de nietigheid van het geschapene in vergelijking met het hoogste, het oneindige goed , den oorsprong van alle waarheid, schoonheid en volmaaktheid. Door haar leeren wij God boven alles, en alles in God te beminnen , waarin zeker de volmaaktheid van het christelijke leven bestaat. — Laat ons alzoo hartelijk en aanhoudend deze allerkostbaarste gave van God afsmeeken, die haar, volgens de uitspraak van den H. Jacobus (I, 5,) „aan allen rijkelijk geeft, maar ze „niet voorwerpt.quot; \')

Over de vruchten des H. Geestes kunnen wij niet breedvoerig spreken. Als de H. Geest in liet hart woont, dan is de mensch gelijk aan een boom in vollen groei, die de beste en zoetste vruchten oplevert, d. i. werken van deugd en heiligheid verricht; wordt daarentegen de geest der wereld en des vleesches meester van eene ziel, dan is zij gelijk een boom, die slechte en wrange vruchten draagt, //wer-«ken van \'t vleesch voortbrengt, zooals: onzuiverheid, vijandschap, //twist, nijd, toorn, doodslagquot;, enz. (Gal. V, 19i. Aan die vruchten alzoo, d. i. aan onze werken kunnen wij zien, welke geest ons bezielt. ./Aan hunne vruchten zult gij ze (de menschen) kennen,quot; zegt de goddelijke Verlosser; want «elke goede boom brengt goede vruchten, ,,een kwade echter slechte vruchten voortquot; (Matth. VII, 10, 17). De vruchten des H. Geestes zijn: /,liefde, blijdschap, vrede, verduldigheid, ,/goedertierendheid, goedheid, lankmoedigheid, zachtmoedigheid, ge-//trouwheid, zedigheid, eerbaarheid en reinheid.quot; Evenals de Apostel niet alle vruchten des vleesches, maar alleen de voornaamste heeft opgeteld, duidt hij hier ook alleen de voornaamste vruchten des H. Geestes aan. Alle vruchten des H. Geestes zijn beminnelijk , maken het leven aangenaam, verzoeten het reeds hier beneden. Under haar neemt de vreugde de tweede plaats in. De heiligheid is alzoo niet, gelijk de kinderen der wereld veelal meenen, de moeder der droefgeestigheid en treurigheid, zij wraakt geenszins de vreugde. — De H, Athanasius verhaalt van den H. kluizenaar Antonius, wiens buitengewone strengheden wijd en zijd verbazing en bewondering verwekten, dat hij zulk een blijmoedig voorkomen had, dat vreemdelingen, die zijne kluis bezochten, hem op het eerste gezicht aan zijn rustig.

\') De gave van wijsheid is zichtbaar in de geschiedenis van eiken Heilige. Gelijk namelijk de kinderen der wereld in hunne dwaasheid de vergankelijke goederen boven de eeuwige verkiezen, zoo houden de kinderen Gods in hunne wijsheid alles met den Apostel voor schade en verachten zij het als slijk, om Christus te winnen (Phil. II, 8), die de wijsheid des Vaders is. Deze goddelijke Wijsheid alleen verlangen zij, en om haar te verwerven is geen offer hun te pijnlijk , geen werk te zwaar.

-ocr page 385-

371

van vreugde schitterend gelaat erkenden en van de overige kluizenaars onderscheidden. De zinnelijke mensch begrijpt echter niet, dat een verstorven en boetvaardig leven met ware vreugde vereenigbaar is. De wereld kent de vreugde des H. Geestes niet; zij ziet wel de doornen der zelfverloochening, maar niet hare rozen; zij kent de bitterheid van het lijden, maar proeft er de zoetheid nietvari; zij ziet het kruis, maar niet den balsem, welke de Geest des vredes en der vreugde er over uitstort.

Hoelang hlijft de H. Geest met zijne zeven gaven in de ziel?

Zoolang zij zich van zware zonde vrij houdt; want de doodzonde verdrijft den H. Geest uit de ziel.

De doodzonde is voornamelijk hierdoor van de dagelijksche onderscheiden, dat zij eene geheele afgekeerdheid van God, eene verklaarde vijandschap met God, in zekeren zin eene afgoderij is. Daarom kan de H. Geest onmogelijk in eene ziel blijven , die in staat van doodzonde leeft. „Of hoe „kan licht zich voegen bij duisternis ? Hoe kan zich de „tempel van God met de afgoden vereenen?quot; (2. Cor. VI, 14, 16). „De wijsheid,quot; d. i. de H. Geest, de bron en uitdeeler der hemelsche wijsheid, „gaat niet in eene booze „ziel binnen, en woont niet in een lichaam, dat de zonde „dient; want de H. Geest vliedt den huichelaar,quot; d. i. een mensch, die Hem alleen uitwendig vereert, maar door een zondig leven verloochent (Wijsh. I, 4,5). „De H. Geest,quot; zegt Origenes in de zesde homilie over het vierde boek van Mozes, „toeft alleen bij diegenen, die zuiver van harte „zijn, woont daarentegen niet in een lichaam, dat aan de „zonde onderworpen is, maar ontvlucht het. Want de „Geest Gods kan de gemeenschap met den boozen geest „niet verduren. Zeker is het, dat de booze geest, zoolang „de toestand der zonde voortduurt, zijne heerschappij in het „hart van den mensch uitoefent. Maken wij voor hem eene „plaats in ons hart, nemen wij hem door booze gedachten ..en schandelijke begeerten in ons op, dan wordt de H. Geest „bedroefd en verdrongen. Daarom vermaande de Apostel: „„Wilt den H. Geest niet bedroevenquot;quot; (Eph. IV, 30).

TOEPASSING.

Welk een ontzettend kwaad is alzoo de doodzonde, die den tempel Gods ontwijdt, den H. Geest met zijn schitterend gevolg van deugden en gaven uit het hart drijft, om er den satan met heel zijn aanhang en al zijne gruwelen intrede en blijvende woonplaats te verschaffen! „Wee hunner, als „Ik van hen afwijk!quot; roept de Geest Gods door den mond van den profeet Oseas (IX, J2) den zondaren toe. Ja, wee

24*

-ocr page 386-

372

den zondaren, als de H. Geest van hen wijkt! Met Hem wijkt ook de liefde, de vreugde, de vrede en hemelsche troost en alle hoop op de eeuwige zaligheid. Wee den zondaars! Want de H. Geest wijkt alleen van hen, wanneer zij zelve door ontheiliging hunner ziel, die zijn levende tempel is, Hem verdrijven. „Maar wanneer iemand den „tempel Gods ontheiligt, zal God hem ten gronde richten\' (1. Cor. III, 17). Duidelijk is het, dat hier geen spraak is van den uit steen gehouwden tempel, maar van het hart des menschen; niet van eene ontheiliging door uitwendige tempelschennis, maar door elke zware zonde; daarom voegt de Apostel er bij: „De tempel Gods is heilig, en gij zijt „die.quot; — Vlucht dan de zonde! Verbied haar door godsvrucht de intrede in uw hart, opdat niet de satan zijn troon er in opsla, en de II. Geest wijke. Vermijd zondige gedachten, voorstellingen en begeerten; vermijd onzuivere gesprekken ; vermijd slechte werken ! Bedroef den H. Geest niet, blusch zijn heilig vuur op het altaar van uw hart niet uit! Integendeel, onderhoud het met ijver en zorgvuldigheid, opdat het u meer en meer verlichte, verwarme, zuivere, van goddelijke liefde ontvlamme en als het ware verheerlijke. De God van alle genade blijve immer met u! \'j

legende artikel tics gelooid:

„De heilige katholieke Kerk, gemeenschap der IIeilige7i.quot;

§ 1. Over «Ie Merk.

Begrip der Kerk en hare inrichting in het algemeen.

Wat deden de Apostelen, nadat zij op \'t Pinksterfeest den H. Geest hadden ontvangen ?

Zij trokken de geheele wereld door, predikten en doopten, en vereenigden om zich heen allen, die geloofden en zich

\') Da H. Martelaar Ignatius, voor den rechterstoel van Trajanus gedaagd, noemde zich //i\'heophorusquot; (d. i. Godsdrager), omdat liij God in zijn hart droeg. Van de H. Leonidas, vader van den grooten ïverk-leeraar Origenes, wordt verhaald, dat hij zijn kind, als het in de wieg sluimerde, dikwerf vol eerbied op de borst kuste. Toen men hem naar de reden daarvan vroeg, gaf hij ten antwoord; //Het hart van /,mijn kind is de tempel van den H. Geest.quot; — Dit geldt ook van uwe harten, lieve kinderen, zoo lang gij de onschuld des Doopsels bewaart!

-ocr page 387-

1

373

lieten doopen: zoo ontstonden op vele plaatsen christelijke gemeenten, wier opperhoofden de Apostelen waren.

Het is een onloochenbaar feit, dat de Apostelen, na het ontvangen van den H. Geest, overeenkomstig de belofte en het voorschrift van Jesus Christus, door de geheele wereld uitgingen, om allen volken de blijde boodschap der zaligheid te verkondigen. Zij begonnen hunne apostolische loopbaan te Jerusalem, verspreidden zich van daar over geheel Judea en Samaria, kwamen in de landen der Heidenen en trokken voort naar alle richtingen tot aan de grenzen der aarde. Overal waar zij kwamen, verkondigden zij hunne hooge zending. Zij predikten en doopten allen, die geloofden aan hun door wonderen bevestigd woord. Zoo ontstonden overal kerken van openlijke belijders der leer van Jesus ühristus. De eerste werd opgericht te Jerusalem , waar drie duizend menschen bij de eerste, en vijf duizend bij de tweede geloofsverkondiging van den H. Petrus zich bekeerden (Hand. II, 41 en IV, 4). Spoedig daarna vereenigden zich ook de geloovigen in Samaria naar het voorbeeld van die van Jerusalem, en later werden ook dergelijke gemeenten te Antiochië, Corinthe, ïhessalonica, Ephese, Rome en op talrijke andere plaatsen gesticht. In al die christelijke gemeenten „volhardden de geloovigen in de leer der Apostelen, „in de gemeenschap van het breken des broods (des offerbroods, het lichaam van Christus) „en in gemeenschappelijk „gebedquot; (Hand. II, 42). Yan de gemeente te Jerusalem, die het voorbeeld van alle overigen was, lezen wij (Hand. IV, 23): „De menigte van geloovigen was één hart en „ééne ziel.quot; i\'e eerste opperhoofden dier christengemeenten waren de Apostelen. De geschiedenis der Apostelen en hunne brieven deelen ons deze feiten mede. Werkelijk zien wij hen optreden, niet alleen als geloofsverkondigers en uitdeelers der Sacramenten, maar ook als waarnemers van het bestuur. Zij maken verscheiden verordeningen, geven wetten, schaffen gebruiken en misbruiken af, dreigen üe onrustigen en weêrspannigen, oordeelen en bestraffen hen met verbanning uit de Iverk, en nemen de berouwhebbenden er weder in op. In de eerste algemeene vergadering der Apostelen, te Jerusalem gehouden, ontslaan zij de bekeerde Heidenen van de verplichting om zich te laten besnijden , en verbieden hun daarentegen het gebruik van bloed en het verstikte (Hand. XV, 26). De H. Apostel Joannes verbiedt den geloovigen omgang te houden met de dwaalleeraars (2. Joan. I, 10), en de H. Paulus geeft de vrouwen vele voorschriiten over hare handelwijze jegens hare echtgenooten, over haar gedrag in het huis des Heeren, enz.; hij sluit

-ocr page 388-

374

te Epliese Hymaneüs en Alexander buiten de kerkelijke gemeenschap (1. Tim, I, 20); eveneens den ontuchtige te Corinthe (1. Cor. V, 5); den laatste wederom opnemende, nadat hij teekenen van berouw en verbetering gegeven heeft (1. Cor. II, 10). — De Apostelen gedroegen zich alzoo als wettige, door God aangestelde opperhoofden der nieuwe christenkerken, en werden ook door de geloovigen als zoodanig erkend en vereerd. Men gehoorzaamde hun, en onderhield hunne voorschriften; men onderwierp zich aan | de straffen, die zij uitspraken, en beijverde zich om in alles hunne bevelen na te komen, zooals bizonder blijkt uit het schoone voorbeeld der gemeente van Corinthe.

Wat deden de Apostelen verder, toen de gemeenten der Christenen vermeerderden ?

Toen de Apostelen, door bet dagelijks toenemend aantal der Christenen, zich niet meer in staat zagen, persoonlijk alle gemeenten te leiden, waren zij bedacht op waardige opvolgers in het bestuur. Zij kozen daartoe, uit de oudsten, mannen van beproefde deugd, wijdden die tot Bisschoppen , gaven hun de volmacht om de gemeenten, welke hun werden aanbevolen, te besturen, en de toestemming om anderen te wijdden en als opperhoofden aan te stellen, opdat de leden aldus immer vereenigd, in christelijk geloof en wandel zouden bevestigd worden en voortgaan. Zoo verhalen ons de Handelingen der Apostelen (XIV, 22) van Paulus en Barnabas, die in de steden van Klein-Azië en Syrië het Evangelie predikten: „Zij stelden over hen (de geloovigen) „met gebed en vasten oudsten \') aan in alle „kerken.quot; En de H. Paulus schrijft aan zijn leerling Titus (1, 5): „Daarom heb ik u in Creta achtergelaten, opdat „gij van stad tot stad oudsten zoudt aanstellen.quot;

Stonden die afzonderlijke kerken met elkaar in verhand ?

Ja, allen stonden met elkaar in nauw verband: zij beleden hetzelfde geloof, namen deel aan dezelfde HU.. Sacramenten , en vormden tezamen ééne groote christenkerk onder een gemeenschappelijk opperhoofd — den H. Petrus.

■) De benaming //oudstequot; (Presbyter) gold in de eerotc tijden des Christendoms van de Bisschoppen en Priesters, omdat beiden gewoonlijk uit de oudsten van de Kerk werden gekozen. Later gold de naam Presbyterquot; uitsluitend voor den gewonen Priester in tegenstelling van de Bisschoppen.

-ocr page 389-

375

Gelijk de leden der afzonderlijke gemeenten onder elkander, zoo stonden ook de afzonderlijke, over de gansche aarde verspreide kerken, met elkaar in het nauwste verband. Allen beleden hetzelfde christelijk geloof, brachten hetzelfde offer, deelden uit en ontvingen dezelfde HH. Sacramenten , en allen erkenden met hunne Bisschoppen één en hetzelfde opperhoofd, den H. Petrus, zooals in het vervolg zal verklaard worden. Daardoor werden alle gemeenten, al waren zij door landen en zeeën nog zoover van elkander gescheiden, tot ééne groote christenkerk verbonden, die men, zoowel in tegenstelling met afzonderlijke gemeenten of kerken, als om hare uitbreiding over de aarde de lalhio-lieke, d. i. de algemeene Kerk of eenvoudig de Kerk noemde. — Het ging met de Kerk van Christus als met een goed geordend rijk, in hetwelk de verschillende provinciën door dezelfde wetten en verordeningen en door hetzelfde opperhoofd, koning of keizer, hoever zij ook uit elkander liggen, tot een schoon geheel verbonden en vereenigd worden.

Ter verklaring van de uitdrukking «Kerkquot; is het genoeg de kinderen er opmerkzaam op te maken, dat zij nu eens de plaats aanduidt, waar de geloovigen zich verzamelen om God te aanbidden; dan weder de geloovigen, die zich daar verzamelen, bijv. in de spreekwijzen; de gansche Kerk was geroerd, smoit in tranen; of wel eene christelijke gemeente, aan wier hoofd een Bisschop staat. bijv. de kerk van An-tiochië, van Rome, van Haarlem; soms, gelijk in het negende artikel des gelool\'s, de vereeniging van alle christelijke gemeenten, d. i. van alle waargeloovige Christenen , die in de leerende en hoorende Kerk onderscheiden wordt. Daarom zegt de H. Augustinus in de uitlegging van den 1495tel1 Psalm: «De Kerk is het over de gansche wereld ,,verspreide waargeloovige volk.quot; Zoo opgevat, wordt de Kerk \') in de H. Schrift //Huis Godsquot; (1. Tim. III, 15), «•Tempel Godsquot; (Ephes. 11, 21), «Stad Godsquot; (Hebr. XII, 22), „Bruid van Christusquot; {2. Cor. XI, 2), „Lichaam van Christusquot; (Ephes. I, 23), namelijk «mystiekquot; of //geheimvolquot; lichaam, «Kijk Gods,quot; //Hemelrijkquot; genoemd (ilarc. IV, 26, 30, Matth. XIII, 21, 31, enz.). — Tot nadere verklaring van de uitdrukking //Kerkquot; in den laatsten zin dient de volgende vraag;

Wal is alzoo de Kerk ?

De Kerk is de vergadering van alle Christenen op aarde, die door de belijdenis van hetzelfde geloof en door het deelnemen aan dezelfde Sacramenten vereenigd zijn onder een gemeenschappeliik opperhoofd (den Paus), als den opvolger van den H. Petrus, en de hem ondergeschikte Bisschoppen (als de opvolgers der overige Apostelen).

!) Het woord „Kerkquot; wordt gewoonlijk afgeleid van het grieksche „y.vpia/.r.quot; namelijk ol/.i\'x to-j K-jpioj „huis des Heerenquot;, of ook van „t/.y.lvrnxquot; uitkiazing en beteekent dan; vereeniging, vergadering, maatschappij.

-ocr page 390-

376

De Kerk is alzoo eene gemeente of genootschap; zij is een over de gansche aarde uitgebreid rijk, dat alle men-schen omvat, die gedoopt zijn en het ware geloof van Christus bezitten, en die niet enkel inwendig door den band van wederzijdsche liefde, maar ook uitwendig, d. i. op zichtbare wijze, met elkander vereenigd zijn. Die zichtbare vereeniging nu bestaat hierin, dat zij, ten eerste, hetzelfde geloof openlijk door woord en daad, namelijk ook door uitwendigen godsdienst, belijden; ten tweede, dezelfde zichtbare genademiddelen of Sacramenten gebruiken; ten derde, aan hetzelfde zichtbare Opperhoofd van alle (Jhris-teuen, aan den roomschen Paus, als aan den plaatsbe-kleeder van Christus en opvolger van den H. Petrus, en aan hunne wettige Bisschoppen, de opvolgers der Apostelen in alles wat het geloof en het christelyk leven betreft, vrijwillig gehoorzaam zijn.

Cioddclijkc oorsjpronj;- van «1c Merk. cu iiarc voE\'uiing;.

Christus wilde niet alleen den menschen de goddelijke waarheid zelf verkondigen en door trouwe plaatsbekleeders ten allen tijde laten prediken, maar daarenboven op aarde een geestelijk rijk stichten en allen, die zyne leer geloovig zouden aannemen, in dat rijk, hetwelk zijne Kerk is, voortdurend vereenigen. Die bedoeling van Christus blijkt uit de H. Schrift zoowel van het Oude als Nieuwe Verbond. Keeds de Profeten hadden herhaalde malen en plechtig voorspeld, dat de Messias een ryk zou stichten, hetwelk van zee tot zee, tot aan de grenzen der aarde reikt (Ps. 71), een rijk, dat op de vier groote wereldrijken volgen en het laatste van deze, het romeinsche rijk, vernietigen zou. £n Christus zelf sprak zeer dikwijls over zijn rijk. VoorPilatus bekende hij openlijk: „Ik ben Koning. Daartoe be:a ik „geboren en in de wereld gekomenquot; (Joan. XVIII, 37). Toen Hij kort tevoren zeide: „mijn rijk is niet van deze „wereld,quot; ontkende daardoor, zooals de H. Augustinus zegt (Verhand. 115 over Joan.), geenszins dat zijn rijk in deze wereld is; Hij wilde het alleen als een meer dan wereldsch, als een geestelijk rijk aanduiden. Op eene andere plaats noemt Hij het „hemelrijkquot; (Matth. XHI), doch oedoelt met uit woord niet het toekomende hemelrijk, maar een rijk, dat Hij op aarde zou stichten, dat de vooraf beelding

-ocr page 391-

377

en als \'t ware het voorhof en de poort zou wezen, door welke men in het andere binnengaat, een rijk dat het wereldsche overleeft, en dan in \'t hemelrijk zal opgaan. Dat de Zaligmaker dit bedoelt, is duidelijk. Christus toch vergelijkt aldaar het rijk der hemelen met eenen akker, waarin naast de goede tarwe ook onkruid opschiet ; met een net, dat goede en kwade visschen bevat, en (Matth. XXV) met tien maagden, waaronder zich vijf dwazen en vijf wijzen bevinden. Daardoor geeft Hij namelijk te kennen, dat in zijn rijk op aarde goeden en kwaden zullen zijn, hetgeen van het toekomstig rijk der hemelen niet kan gezegd worden. Evenmin kan de Zaligmaker onder de uitdrukking „rijk der hemelenquot; het rijk der genade in de harten der rechtvaardigen verstaan hebben, zooals de boven aangegeven redenen genoegzaam aanduiden.

Het rijk van Christus is derhalve niets anders dan de Kerk, volgens zijne belofte op de steenrots gebouwd; zoo hebben het de Apostelen, zoo de HH. Kerkvaders geleerd. Bovendien is het bestaan eener Kerk, waarvan Christus de Stichter is, als ook hare uitbreiding over den geheelen aardbodem, een onloochenbaar geschiedkundig feit.

Heeft Christus, gelijk Hij beloofd heeft en de geschiedenis getuigt, een rijk (de Kerk) gesticht, dan heeft Hij, in zijne goddelijke wijsheid, aan dat rijk ongetwijfeld ook een regeeringsvorm, d. i. eene- doelmatige, blijvende inrichting gegeven en eene wettige overheid aangesteld, daar zelfs niet een huisgezin, veel minder dus een zoo uitgebreid rijk, zonder deze kan blijven bestaan. — De inrichting der Kerk, die ons terstond bij haar ontstaan en in het vervolg ten allen tijde in het oog valt, is dus het werk van Christus. De Apostelen hebben van hunnen kant slechts de instellingen van Christus behouden en ingevoerd; zij waren de gevolmachtigde uitvoerders van zijn goddelijken wil, en traden met woord en daad als zoodanig op. „De „Apostelen des Heeren,quot; zegt Tertullianus (over de verjaring, Hoofdst. VI), verzekeren ons, dat alles, wat door hen is ingevoerd, niet uit eigen willekeur, maar op last van Christus den volken is overgeleverd.

Zoolang Christus op aarde verbleef, nam Hij zelf, als Gezalfde Gods, het leer-, priester-, herders- of koningsambt waar. Toeu Hij aan de wereld zijne zichtbare tegenwoordigheid onttrokken had, wilde Hij zich van menschen, die door Hem zeiven gekozen waren , als even zoovele werktuigen ter waarneming van dit drievoudig ambt in zijne Kerk bedienen. Te dien einde gaf Hij vóór zijne hemelvaart aan zijne Apostelen de macht en zending, welke Hij

-ocr page 392-

378

zelf van den Vader ontvangen had. Krachtens deze zending en volmacht moesten de Apostelen voortaan het leer-, priester- en herdersambt in zijnen naam en op zijn last ten beste zijner Kerk tot het einde der tijden waarnemen. „Mij „is alle macht gegeven,quot; sprak Hij tot de Apostelen, „in „den hemel en op aarde. Gaat derhalve, en leert alle „volken en doopt hen in den naam des Vaders, en des „Zoons, en des H. Geestes ; en leert hen onderhouden alles, „wat Ik n bevolen heb; en ziet, Ik ben met u alle de „dagen tot aan de voleinding der wereldquot; (Matth. XXVIII, 18—20). Desgelijks had Hij reeds vroeger tot hen gezegd: „Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u. „ Wier zonden gij zult vergeven, dien worden zij vergeven ; „en wier zonden gij zult houden, dien worden zij gehoudenquot; (Joan. XX, 21, 23). En lang tevoren had Hij tot hen gesproken; „Waarlijk, zeg Ik u, al wat gij op aarde binden zult, „zal ook in den hemel gebonden zijn; en al wat gij op „aarde zult ontbinden, zal ook in den hemel ontbonden zijn.quot; — In de woorden: „Leert alle volken,quot; en, zooals Marcus schrijft: „predikt het Evangelie aan alle schepselen,quot; lag de bepaalde en plechtige opdracht van het leerambt, zoodat ieder Apostel, alsmede de H. Paulus, wien de Heer op bizondere wijze tot het Apostelambt riep, toen van zich zeggen kon: „wij zijn gezanten in Christus\' plaats, daar „God door ons vermaantquot; (2. Cor. V, 20). —Met de woorden : „ Doopt henen : „wier zonden gij vergeeft/\'... , als ook met die, welke Christus bij het laatste Avondmaal, ua de verandering van het brood en den wijn in zijn allerheiligst vleesch en bloed, tot hen sprak: „Doet dit ter „mijner gedachtenisquot; (Luc. XXII, 19), werd hun het priesterambt opgedragen, krachtens welk de Apostelen, als plaatsbekleeders van den eeuwigen Hoogepriester Jesus Christus, aan God het reinste offer brengen, en de door Hem zeiven ingestelde genademiddelen aan de geloovigen moeten uitdeelen. Met recht zegt daarom de H. Paulus, als in naam van alle overige Apostelen : „Zoo boude ons „ieder voor dienaars van Christus en uitdeelers der godde-„lijke geheimenquot; (1. Cor. IV, 1). — De woorden eindelijk: „Leert hen onderhouden, al hetgeen Ik u bevolen heb,quot; bevestigen onbetwistbaar, dat Jesus zijnen Apostelen de volmacht en het recht gegeven heeft, van alle menschen te vorderen, dat zij hun in alle verordeningen en voorschriften, die het christelijk leven betreffen, zullen gehoorzamen; terwijl deze: „wat gij op aarde binden zult,quot;.... op de macht wijzen, de wederspanningen, zelfs door geestelijke straffen, tot de verschuldigde gehoorzaamheid te noodzaken.

-ocr page 393-

379

Hetgeen Christus tot de 72 leerlingen zeide, toen Hij hen bij zijn leven ter verkondiging van het rijk Gods uitzond, geldt derhalve des te meer van de Apostelen, die zijne plaatsbekleeders zijn: „wie u hoort, hoort Mij; en wie u „versmaadt, versmaadt Mijquot; (Luc. X, 16). — Onder zijne Apostelen heeft Jesus zich echter één, namelijk Simon of Petrus, tot zijn Stedehouder op aarde uitverkozen, wien Hij behalve met het drievoudige ambt ook nog met de hoogste kerkelijke macht en waardigheid bekleedde. Onder het opzicht en de opperleiding vau Petrus moesten dus de overige Apostelen het hun verleende leer-, priester- en herdersambt in eenheid waarnemen. — Dit zal later worden bewezen. — Verder zij aangemerkt, dat het drievoudig apostolisch ambt niet enkel ten tijde der Apostelen, maar ook na hunnen dood, ja tot het einde der wereld moet voortbestaan onder het oppertoezicht en de leiding van den Stedehouder van Christus, zooals blijkt uit de woorden: „Ziet, Ik ben met u tot de voleinding der wereld,\'\' en in het vervolg duidelijk zal worden bewezen. — Zoo is dus door Christus uit de volkomenheid zijner Godmenschelijke macht, niet door de Apostelen uit willekeur, aan de Kerk voor alle tijden eene duurzame en onveranderlijke regeling of inrichting gegeven, waardoor tevens voor het zuivere geloof, voor de juiste toediening der genademiddelen, alsmede voor het behoud en de vervolmaking der christelijke tucht en het kerkelijke leven zoo goed mogelijk gezorgd was.

Uricvoutlige auacht i» de K.erk.

Waarin vooral bestaat het den Apostelen opgedragen leer-, priester- en herdersambt ?

1) Het leerambt bestaat in de macht en in de daarmede verbonden verplichting om de door Christus geopenbaarde waarheden, de goddelijke leer, en wel volgens haren ge-heelen omvang en ongeschonden te verkondigen, steeds verder en verder te verbreiden : opdat aldus alle menschen den alleen waren God erkennen , en Hem, dien Hij gezonden heeft, Jesus Christus, de eeuwige Waarheid. Tot dit leerambt behoort ook de macht en de plicht, om de geloovigen ■ voor dwalingen te waarschuwen , hen er opmerkzaam op te maken, desgelijks de dwalingen te wederleggen , en openlijk te verwerpen; verder, bij opkomende gel oofst wij felingen een

-ocr page 394-

380

zeker uitsluitsel te geven, en de geschillen over geloofspunten uit te maken en als machthebbende te beslissen. Zoo werd het leerambt niet slechts door de Apostelen opgevat, gelijk boven reeds getoond is, maar, volgens het getuigenis der kerkelijke geschiedenis, van den beginne af tot nu toe uitgeoefend.

2) Het priesterambt omvat in zijne volkomenheid de macht om het onbloedig offer des Nieuwen Verbonds, het H. Misoffer , op te dragen, de zonden te vergeven, den geloovigen door oplegging der handen den H. Geest mede te deelen (Hand. VIII, 17), door de H. wijding zich helpers bij het opdragen van het H. offer en opvolgers in het drievoudig ambt te vormen, en alle overige genademiddelen en zegeningen der Kerk uit te deelen. .Deze macht werd zoowel door de Apostelen , als ook door hunne opvolgers in de priesterlijke bediening, maar nooit door leeken uitgeoefend, daar de laatsten niet in den eigenlijken zin priesters zijn (Vergel. de leer van het H. Sacrament des Priesterschaps).

3) Het herdersambt ziet op de innerlijke en uiterlijke leiding der schaapjes van Christus op den weg tot het eeuwig leven, en bestaat in de macht, om zoowel enkele schaapjes, als de geheele kudde in naam en op last van Jesus Christus te regeeren, hen door gebod en verbod bijeen te houden , van gevaarlijke wegen en schadelijke dreven te verwijderen, op goede, heilzame weiden te voeren, en, voorzoover zij niet goedwillig de roepstem van den herder willen volgen, door toediening van straffen, als door een slag met den herdersstaf, tot het goede aan te drijven of van het kwaad af te schrikken. Het ligt bovendien in de macht des herders, de wederspannige of besmette schapen, in het belang der geheele kudde, buiten den gemeenschappelijken schaapstal te sluiten, als ook hen, die niet tot den schaapstal van Christus behooren, er in op te nemen, als zij met eene oprechte meening toetreden en als gehoorzame schaapjes daarin willen blijven. Desgelijks staat het ook den herder vrij , schaapjes, die hij uit de schaapskooi gestooten heeft, weder binnen te laten, wanneer zij, door de straffen verbeterd, rouwmoedig daarom vragen. — Ongegrond is de opwerping, welke men maakt tegen het herdersambt in het algemeen, en in het bizonder tegen de macht der Kerk om te straffen, naar aanleiding der woorden, die Christus tot zijne Apostelen richtte: „De koningen der volken „heerschen over hen,... doch gij niet alzooquot; (Luc. XXii, 25, 2ö), en de bewering, dat deze met de instelling van Christus in strijd is. Ongetwijfeld moet de uitoefening van het herdersambt bescheiden en liefderijk zijn, gelijk de

-ocr page 395-

381

Apostel het voorschrijft (1. Petr. V, 2, 3), maar mag toch geenszins met zwakheid en onverschilligheid gepaard gaan. Een herder, die uit kwalijk begrepen goedheid voor een enkel schaap, de gansche kudde laat omkomen, maakt zich jegens de laatste aan wreedheid schuldig. — De H. Paulus was zachtaardig en toegevend; maar, toen het er op aankwam, de gemeente van Corinthe voor aansteking te bewaren , trad hij met onverbiddelijke strengheid op; nauwelijks had hij echter zijn doel bereikt, of zijne strengheid week wederom voor vaderlijke goedheid; gelijk hij in Christus\' plaats gestraft had, zoo vergaf hij ook nu in Christus\' plaats. Dat niet enkel de Apostelen, maar ook hunne opvolgers het herdersambt zoo verstaan en in dien zin uitgeoefend hebben, bewijst elke bladzijde der kerkelijke geschiedenis, alsmede ontelbare plaatsen der HH. Vaders en kerkelijke Schrijvers uit de eerste eeuwen.

Primaat-

Waarom moesten de Apostelen hun amht niet anders dan onder het opperbestuur van den II. Petrus waarnemen?

Omdat Christus ter behouding der eenheid en eensgezindheid, den H. Petrus (gelijk boven reeds opgemerkt is) tot zijn Stedehouder op aarde en tot zichtbaar opperhoofd der gansche Kerk benoemd heeft.

Zou in de Kerk van Christus eenheid en eensgezindheid quot; behouden worden, zouden alle Christenen één lichaam, alle christelijke gemeenten ééne enkele groote gemeente of Kerk uitmaken, dan moest er noodzakelijk één hoofd, één gemeenschappelijke band zijn van alle op den aardbol verspreide gemeenten, anders toch zouden er evenveel Kerken als christelijke gemeenten zijn, maar geene enkele, van welke men kan zeggen, dat zij de ééne Kérk van Christus, de katholieke Kerk is. Zouden verder in deze ééne gemeente of Kerk niet eindelooze scheuringen en verdeeldheden ontstaan, dan moest er één hoogste scheidsrechter, aan wien allen zich te onderwerpen hebben, aangesteld worden. Dit ééne hoofd, die ééne band, die hoogste scheidsrechter was de H. Petrus, door Christus voor zijn heengaan naar den Vader tot zijn Stedehouder op aarde, tot zichtbaar opperhoofd der geheele Kerk gekozen en aangesteld. Om Petrus moesten derhalve de Apostelen evenals de overige ledematen der Kerk, als om het middelpunt der eenheid, zich vereenigen en scharen, aan hem moesten zij zich houden,

-ocr page 396-

382

als aan Christus zeiven, aan zijne leiding moesten zij zich overgeven, als aan de leiding van Christus zeiven. Dewijl nu Christus gewild heeft, dat alle Apostelen van Petrus, zijn Stedehouder, afhankelijk zouden wezen, kon ook geen van hen eene kerk anders dan op Petrus, de steenrots, stichten, geene kerk regeeren, zonder zich aan het opperbestuur van Petrus te onderwerpen. Zelfs het geloof van iederen Apostel op zich zeiven kon slechts inzoover de grondslag eener nieuwe kerkelijke gemeente zijn, als het met het geloof van Petrus overeenstemde.

Is dan Christus zelf het Opperhoofd der Kerk niet?

Christus is ongetwijfeld het Opperhoofd der Kerk, maar het onzichtbare.

Dat Christus de hoogste Leeraar, de hoogste Priester, de hoogste Koning, de Herder der herders, het door God gestelde hoofd der Kerk is en eeuwig blijft, werd vroeger reeds bewezen. Sinds Christus, ten hemel opgevaren^ter rechterhand zijns Vaders gezeten is, is Hij voor de Kerk op aarde onzichtbaar geworden, en daarom wordt Hij haar onzichtbaar Opperhoofd genoemd. In den persoon van den H. Petrus heeft Hij echter aan zijn rijk hier beneden een opperhoofd gegeven , dat gezien, wiens stem gehoord kan worden, in één woord, dat zichtbaar is. Zoo plegen ook de vorsten cfezer wereld, als zij zich verplicht zien, geruimer. tijd hunne onderdanen te verlaten, een bestierder des rijks of stedehouder aan te stellen, in wiens persoon het volk den af-• wezigen vorst voor oogen heeft, hem eerbied en gehoorzaamheid bewijst. Gelijk nu zulk een plaatsbekleeder slechts volgens den wil des monarchs het toevertrouwde rijk mag regeeren, en over de waarneming van zijn ambt strenge rekenschap heeft af te leggen, zoo is ook de stedehouder van Christus, het zichtbaar opperhoofd der Kerk, verplicht haar geheel volgens den wil en de instelling van Jesus Christus, haar onzichtbaar Opperhoofd , te regeeren, en van zijn bestuur eenmaal de strengste rekenschap te geven. — Op gelijke wijze zijn ook de koningen dezer aarde en in het algemeen alle bestuurders zichtbare plaatsbekleders van God, die de onzichtbare Bestuurder en Heer der ge-heele wereld is, en op den laatsten der dagen van allen over de waarneming van hun ambt rekenschap zal vragen.

Waarom was er behalve het onzichtbaar Opperhoofd een zichtbaar hoofd noodig ?

Omdat de Kerk eene zichtbare gemeente, een zichtbaar

-ocr page 397-

383

lichaam is, en een zichtbaar lichaam ook een zichtbaar hoofd moet hebben.

De Kerk is eene zichtbare gemeente, eeu zichtbaar lichaam : want zij bestaat niet uit onzichtbare geesten, maar uit menschen, die in sterfelijk vleesch zichtbaar op aarde leven. Gelijk een zichtbaar lichaam, zoo moet ook de Kerk een zichtbaar hoofd hebben; dit ligt reeds in de natuur der zaak en in de beschikking der goddelijke Voorzienigheid, van welke Christus bij de instelling der Kerk niet wilde afgaan. Nergens ter wereld vindt men een genootschap van menschen, dat geen zichtbaar opperhoofd heeft. Van het huisgezin is de vader, van het leger de veldheer, van het rijk de koning het hoofd. En hoewel wij overtuigd zijn, dat God, als wereldbestuurder, zijne hand steeds over ons uitgestrekt houdt, en de menschelijke lotgevallen beschikt, zouden wij toch een ieder van dwaasheid beschuldigen , die wilde beweren , dat een schip zonder stuurman zeker en weibehouden in de haven zal binnen-loopen, dat een leger zonder veldheer de zege behalen, een rijk zonder bestuurders bestaan en bloeien zal. Hoewel Christus, als onzichtbaar Opperhoofd, het scheepje zijner Kerk bestuurt, Hij doet het niet zonder de hand van een uitgelezen stuurman; ofschoon Hij de zijnen tot de overwinning leidt. Hij doet het niet zonder een beproefden aanvoerder; Hij bewaart en regeert zijn rijk, doch niet zonder zijn zichtbaren plaatsbekleeder, den H. Petrus.

Waaruit zien wij, dat Christus den II. Petrus tot opperhoofd zijner Kerk benoemd heeft ?

Wij zien het daaruit, dat Christus 1) op Petrus, als op den eigenlijken grondsteen, zijne Kerk gebouwd, 2) hem in het bizonder de sleutels van het hemelrijk overgegeven, 3) hem alleen opgedragen heeft, zijne kudde te leiden.

Wij lezen bij den H. Mattheus (XVI, 13—\'19): „Als „nu Jesus in de omstreken van Cesarea van Philippus ,,gekomen was, vraagde Hij zijnen leerlingen, zeggende; „wie, zeggen de menschen, dat de Zoon des menschen is? „En zij zeiden ; eenigen zeggen, Joannes de Dooper; anderen, „Elias; en weder anderen , Jeremias, of één van de Profeten. „Jesus zeide tot hen: maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben ? „En Simon Petrus antwoordde, en zeide: Gij zijt de Christus, „de Zoon van den levenden God. En Jesus antwoordde , „en sprak tot hem: zalig zijt gij, Simon, zoon van Jonas ! „want vleesch en bloed heeft u dit niet geopenbaard, maar

-ocr page 398-

384

„mijn Vader, die in de hemelen is. En Ik zeg u: gii zijt „Petrus (steenrots) en op deze steenrots zal Ik mijne Kerk „ bouwen, en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. En Ik zal u de sleutelen van het rijk der „hemelen geven. En al wat gij op de aarde zult binden, „zal ook in den hemel gebonden zijn, en al wat gij op de „aarde zult ontbinden , zal ook in den hemel ontbonden zijn.quot;

Christus belooft hier aan Petrus 1) dat hij voor de Kerk, voor het geestelijk rijk, datgene zal wezen, wat het fundament, de grondslag, is voor een stoffelijk gebouw. Waartoe nu dient de grondslag, de grondsteen, voor een gebouw? Op den grondslag steunt het geheele gebouw en al de deelen van het gebouw; van den grondslag hangt het geheele gebouw af, daaraan ontleent het al zijne sterkte. Neem den grondslag weg, en alle deelen splijten uiteen, het geheele gebouw valt in duigen; wordt de grondslag ondermijnd, het gebouw kan niet langer bestaan. Petrus zal dus de grondsteen worden van de Kerk des Heeren, van zijn rijk op aarde; de Kerk zal op hem, als op eene rots, gebouwd worden; alle deelen zullen door hem kracht en onoverwinnelijke sterkte hebben, maar zonder hem, van hem afgescheiden, niet meer tot het geestelijk rijk behooren, d. i. Petrus wordt gesteld als het hoofd van de gansche Kerk, als het middelpunt der eenheid, aan wien allen zich moeten onderwerpen , met wien allen moeten overeenstemmen, zoodat wie niet met hem vereenigd zijn, zich van de Kerk hebben afgescheiden , ophouden leden der Kerk te wezen \').

Christus belooft 2) aan Petrus, dat Hij hem de sleutels zal geven van het rijk der hemelen. De overgave der sleutels was reeds vóór den tijd, dat de goddelijke Verlosser leefde, en is tot heden eene symbolische handeling, waardoor de macht, welke iemand bezit, op een ander wordt overgedragen. De Profeet Isaïas, voorzeggende, dat God Eliacim zou verheffen, en dat aan dezen de macht van het huis van David zou verleend worden, gebruikt het woord sleutel, om dit aan te duiden; „En ik zal den sleutel van

\') Degenen, die op het voorbeeld van Calvijn aannemen, dat Cliris-tus na de woorden; ;,Gij zijt Petrus,quot; eensklaps het onderwerp zijner rede veranderd en met den vinger op zich zeiven wijzend gezegd heeft: „En op deze steenrots (d. i. op Mij, Jesus van Nazareth) zal iJk mijne Kerk bouwen,quot; worden zeer. juist wederlegd door den Protestant Michaëlis: „Die vinger is niet Christus\' vinger,, maar de //vinger van den twistzoekenden uitleggerquot; (Inleid, in het N. Test. D. I. § 14). — Dergelijke gezochte uitleggingen of opzettelijke verdraaiin ■ gen zijn het beste bewijs, hoe duidelijk de tekst op zich zeiven is en hoe doorslaand de waarheid, welke men zoo gaarne zou omverstooten, er door bewezen wordt.

-ocr page 399-

385

„het huis David op zijne schouderen leggen,quot; nadat hij tevoren het woord macht had gebruikt. In het boek der geheime Openbaring van Joannes wordt Gods macht over dood en hel uitgedrukt door de woorden: „Sleutel des doods „en der hel.quot; Ook nu nog beteekent het overreiken der sleutels van eene stad, dat deze aan anderen wordt overgegeven.

Hetzelfde wordt aangeduid door de uitdrukking: binden en ontbinden. Binden beteekent naar het taalgebruik der H. Schrift nu eens bevelen, dan weêr straffen; onthinden daarentegen, van verplichtingen, van schuld of straf vrijmaken (Matth. XXIII, 4, en XVIII, 18); beiden beteekent derhalve: met volmacht te werk gaan. Wordt nu aan Petrus de sleutelmacht in de Kerk opgedragen, dan bezit hij de hoogste macht over alle schatten, die in de Kerk, het huis Gods, zijn weggelegd; kan hij alles binden en ontbinden, dan moeten allen hem als hunnen opperheer erkennen en zich in alles, wat op het huis Gods betrekking heeft, aan hem onderwerpen. \')

Hetgeen Jesus aan Petrus beloofde, heeft Hij hem wer-kelijk gegeven voor zijn heengaan tot den Vader. Bij de verschijning namelijk aan het meer van Tiberias vroeg de verrezen Christus aan Petrus, in tegenwoordigheid der andere Apostelen, tot drie malen: „Bemint gij Mij, bemint gij Mij „meer dan deze?quot; en na het bevestigend antwoord sprak Hij tot hem: „Weid mijne lammeren, weid myne schapenquot; (Joan. XXI, 15—18), d. i. weid mijne gansche kudde, regeer als opperherder de geheele Christenheid. Tot Petrus alleen zegt Christus: „weid mijne lammeren, weid mijne „schapen;quot; want hem alleen spreekt Hij aan, ja. Hij sluit de overige Apostelen zelfs uit, daar Hij aan Petrus tevoren vraagt: „bemint gij Mij meer dan deze?quot; „Waarom,quot; vraagt de H. Chrysostomus, „is Petrus de eenige, tot wien „Jesus Christus dit zegt? Het is, wijl hij de aanvoerder „der Apostelen, de tolk der leerlingen, het hoofd der ver-„gadering is. Daarom ook wendde Christus zich tot hem „boven al de anderen. Terwijl Hij hem toonde, dat hij „voortaan moest vertrouwen, daar zijne verloochening was „uitgewischt, stelt Hij tegelijkertijd hem het bestuur over „zijne broeders in handen.quot;

\') Zelfs protestantsche geleerden hebben deze woorden des Heeren aldus begrepen. Onder anderen zegt Reinhard: sleutels zijn in de quot;Sehnft eene afbeelding van de macht, welke iemand bezit. Matth. //XVI, 19 heeft de beteekenis als hadde Jesus gezegd; Ik geef u in «mijne Kerk de hoogste macht.quot; (Tories, iiber die Dogmatik, J 634.)

DEHARBE, GELOOPSLEER. 11. I)KÜK. 95

-ocr page 400-

9

386

Met den last om de kudde van Christus te weiden, is aan Petrus de volmacht gegeven, zorg te dragen voor al datgene, wat tot haar welzijn behoort. Het woord weiden heteekent in de H. Schrift niet alleen voeden, maar ook besturen, regeeren. Zoo worden ook koningen herders genoemd. „Gij zijt mijn herder, gij zult mijnen wil volbrengen,quot; zegt God tot Cyrus (Is. XLIV,28), sprekende van zijn riik. De woorden van Psalm II, 9 : „Gij (Christus) „zult hen regeeren met iizeren schepter,quot; luiden in den oorsproi)kelijken hebreeuwschen tekst: „Gij zult hen weiden.quot; Ook de voorspelling: „uit u (Bethlehem) zal voortkomen „degene, die mijn volk Israël regeeren zal,quot; wordt in het grieksch bij Matth. (II, 6) weergegeven door; die mijn volk Israël weiden zal.

Duidelijk is het dus, dat Petrus, terwijl hij het ambt ontvangt, om de kudde te weiden, tot Opperhoofd der Kerk benoemd wordt, en wel van de geheele Kerk. Christus immers draagt hem de zorg op over al zijne schapen en lammeren, alzoo over datgene, wat Hij ergens anders zijn „schaapstalquot; noemt; daartoe nu behooren allen, overheden zoowel als onderdanen. Geen der Apostelen is door Christus met Petrus gelijk gesteld; allen, schapen en lammeren, zijn onder de opperhoede van Petrus gebracht. „Met deze „zoo duidelijke leer der H. Schrift,quot; zegt het Vatikaansche Concilie, „zooals zij door de katholieke Kerk altijd verstaan „is, zijn openlijk in strijd de booze gevoelens dergenen, „die, dezen door den Heer Christus in zijne Kerk inge-„stelden vorm van bestuur omverwerpende, ontkennen, dat „Petrus alleen boven de overige Apostelen, hetzij ieder „afzonderlijk, hetzij allen tezamen, met een waar en eigenlijk „primaat van rechtsmacht door Christus begiftigd is; ol „die verzekeren, dat hetzelfde primaat niet onmiddellijk „en rechtstreeks aan den H. Petrus zeiven, maar aan de „Kerk, en door haar aan dezen als aan den dienaar der „Kerk zelve, geschonken is. Indien iemand derhalve zegt, „dat de heilige Apostel Petrus door den Heer Christus niet „is aangesteld tot prins van alle Apostelen en zichtbaar „hoofd der geheele strijdende Kerk, of dat deze van den-

zelfden Heer Jesus Christus enkel het primaat van eer, „niet van ware en eigenlijke rechtsmacht rechtstreeks en „onmiddellijk ontvangen heeft, hij zij in den banquot; (Conc. Vatic. Sess. IV. cap. I).

Wel worden ook de overige Apostelen in de H. Schrift grondzuilen der Kerk genoemd (Eph. II, 20; Openb XXI, 14); wel verkregen ook zij de macht van te binden en te ontbinden (zie het achttiende hoofdstuk van Mattheus) ; wel

-ocr page 401-

387

werd ook hun het herdersambt toevertrouwd : niettemin is Petrus het fundament op eene andere wijze dan de overige Apostelen; de bindings- en ontbindingsmacht van Petrus is eene grootere, dan die, welke aan alle Apostelen werd medegedeeld ; het herdersambt des eersten is veel uitgebreider, dan dat der laatsten. Petrus is op zich zeiven de grondsteen der Kerk, buiten en onafhankelijk van de overige Apostelen ; zij zijn slechts gezamenlijk fundamenten der Kerk, slechts in vereeniging met Petrus, afhankelijk van hem. Petrus alleen is op die wijze fundament, dat met hem de ge-heele Kerk staat of valt. Tot Petrus alleen en tot hem in het bizonder zeide Christus: „Gij zijt de steenrots en op deze „steenrots zal Ik mijne Kerk bouwen.\'\' Voor Petrus in het bizonder heeft Christus , wiens beden onfeilbaar verhoord worden, om standvastigheid in het geloof gebeden: „Simon, „Simon ! zie, satan heeft ulieden {vos, u en uwe broeders) „begeerd, als tarwe te ziften. Maar Ik heb voor u ((e) „gebeden, opdat uw (iua) geloof niet bezwijkequot; (Luc. XXII, 31, 32); hem alleen heelt Hij den last gegeven, wanneer hij eens bekeerd zal zijn, „zijne broeders in het geloof te „versterken.quot; Petrus ontving de sleutels van het rijk dei-hemelen om er, zonder van eenig mensch afhankelijk te zijn, gebruik van te maken; de Apostelen zouden er zich ook van bedienen, doch afhankelijk van hem, aan wien ze door Christus in het bizonder waren toevertrouwd. „Aan „Petruszegt Cyrillus van Alexandrië, „vermaakte Christus „zijne macht over de gansche Kerk, gelijk Hij ze van den „Vader bekomen had, en aan niemand anders buiten hem.quot; i) Gelijk de macht der sleutelen, zoo werd ook het herdersambt in zijn ruimsten omvang en zonder eenige beperking overgegeven aan Petrus. Zeer schoon zegt een oud Kerkvader (vermoedelijk de H. Eucherius) in zijne preek op Petrus en Paulus: „Niet slechts tot herder heeft Christus „Petrus aangesteld, maar tot herder der herders. Petrus „weidt alzoo niet alleen de lammeren, maar ook de schapen ; „hij leidt de onderdanen en de overheden ; hij is de herder „van allen, daar de Kerk toch slechts uit lammeren en „schapen bestaat.quot; Uit het tot hiertoe gezegde blijkt duidelijk, dat Christus Petrus tot zichtbaar opperhoofd der Kerk uitverkoren en hem ais zoodanig het primaat, d. i. de volheid van het leer-, priester- en herdersambt geschonken heeft.

\') Petro plenissimum commisit; et nulli alii Christus, quod suum ost plenum, sed ipsi soli dedit. (In thesaur.)

25 ■\'

-ocr page 402-

388

Welke feiten henestigen, dat, Petrus door Christus tot opperhoofd der Kerk benoemd is ?

Deze, dat Petrus na Christus\' hemelvaart 1) inderdaad als opperhoofd alom is opgetreden.

De Handelingen der Apostelen leveren ons hiervoor eene menigte bewijzen. Overal toont Petrus zich als de eerste onder de Apostelen, als de voorzitter hunner vergadering, als de opperbestuurder van de Kerk. Petrus is het, die in de vergadering der Apostelen en Discipelen, de keuze van een nieuwen Apostel in de plaats van den verrader Judas voorstelt en doorvoert. Hij is \'t, die op het Pinksterfeest voor het toegestroomde volk zijne medeapostelen verdedigt en het eerst het Evangelie verkondigt. Hij doet het eerste wonder, predikt vervolgens Christus, den Verrezene, en rechtvaardigt zich en de overige Apostelen voor den hoogen raad. Petrus bezoekt als kerkelijk opperhoofd alle door de Apostelen in Judea, Samaria en Galilea gestichte gemeenten (Hand. IX, 31, 32). Hij bekomt het eerst door openbaring Gods de aanmaning, dat men ook den Heidenen de blijde boodschap moest verkondigen; hij is de eerste, die bij hen predikt, waarna de overige Apostelen zijn voorbeeld volgen. Petrus neemt het woord op als er in de vergadering der Apostelen en Oudsten te Jerusalem groote twist ontstaat over de verplichting der wet van Mozes; hij spreekt zijn oordeel uit en allen stemmen met hem in. Petrus verschijnt dus bij iedere gelegenheid als het hoofd der Apostelen en der Kerk.

2) Dat Petrus ook steeds door de Kerk als opperhoofd der Apostelen en de herder der geheele kudde van Christus erkend is.

Vandaar „bad de Kerk zonder ophouden voor hem,quot; toen hij in de gevangenis was (Hand. XII, 5). Vandaar noemen hem de Evangelisten bij de optelling zoowel van enkele, als van alle Apostelen, altijd het eerst, ofschoon hij noch de oudste van hen, noch de lievelingsleerling van Jesus was, ofschoon zij ten opzichte der overige Apostelen de volgorde dikwijls veranderen. Zoo lezen wij bij Mattheus (X, 2); de namen der twaalf Apostelen zijn deze: de eerste „Simon, Petrus genaamd.\'\' Daar bovendien op de uitdrukking „de eerstequot; niet, gelijk bij optellingen gebruikelijk is, „de „tweede, derde,quot; enz. volgen, is het duidelijk, dat deze hier den voorrang aanduidt, en gelijk staat met de voornaamste, het hoofd der overigen. Zelfs Paulus, de groote Apostel der Heidenen, kwam, ofschoon zijn apostolaat door den

-ocr page 403-

389

schitterendsten uitslag bekrachtigd werd, naar Jerusalem om Petrus te zien en verwijlde vijftien dagen bij hem (Gal. 1,18), daar, volgens de opmerking der Vaders \'), ook hij, die het Evangelie niet van menschen, maar van Jesus Christus zeiven door goddelijke openbaring bad ontvangen , in Petrus „den eersten en het opperhoofd der Apostelen vereerde, wien „de Heiland de zorg aller kerken opgedragen had.quot; — Evenzoo heeft de Kerk van het begin af altijd het primaat van Petrus erkend. De geleerde Bellarminus 1) haalt vierentwintig plaatsen der Vacers uit de eerste eeuwen der christelijke jaartelling aan, die als even zoovele stemmen „der oudsten,quot; zoowel uit de grieksche als latijnsebe Kerk, den voorrang van Petrus eenparig en luide verkondigen. Zonder vrees voor tegenspraak kon daarom Philippus, de legaat van Paus Coelestinus, voor de in het algemeen Concilie van Ephese (431) verzamelde Bisschoppen zeggen; „Niemand twijfelt, ja allen eeuwen is \'t bekend, dat de H. „Petrus, de prins en het opperhoofd der Apostelen, de zuil „des geloofs en de grondsteen der katholieke Kerk, die nu „en altijd in zijne opvolgers leeft en beslist, de sleutelen „van het rijk der hemelen ontvangen heeft.quot; Deze uitspraak heeft des te meer gewicht, daar op het genoemde Concilie uitsluitend oostersche Bisschoppen tegenwoordig waren, die zeker slechts door de zegepralende kracht der geschiedkundige waarheid konden bewogen worden, een feit aan te nemen, waaruit de afhankelijkheid der Kerk van het oosten van de Kerk te Kome onmiddellijk en noodzakelijk volgde. — Om dit nog meer op te helderen, moeten wij ons herinneren, dat ten tijde van keizer Rudolf van Habsburg de westersche vorsten bijeengekomen zijn, om over de gemeenschappelijke belangen hunner landen te beraadslagen. Wanneer nu in deze doorluchtige vergadering de afgevaardigde des keizers was opgestaan en verklaard had, dat Leo III, zooals ieder weet, Karei den Groote voor meer dan vier honderd jaren de roomsche keizerskroon op het hoofd gezet heeft, en dat bijgevolg alle vorsten verplicht zijn, den tegenwoordigen keizer, als diens opvolger, te huldigen en naar zijne bepalingen zich te schikken; zouden er dan geene tegenwerpingen gemaakt zijn in geval de legaat het aangevoerde feit uit de lucht gegrepen had? 2)

1

) De Rom. Pontif. Lib. I. c. XXV.

2

\') Indien het Primaat van Petras noch door de Schrift gestaafd, noch door de vroegere eeuwen erkend was geworden, vanwaar zou dan de Kussisch-schismatieke Kerk den verrukkenden lofzang hebben,

-ocr page 404-

390

Moest na den dood van den 11. Petrus het arnli van een kerkelijk opperhoofd ophouden?

Neen, want 1) gelijk de Kerk, zooals Christus haar gesticht heeft, immer moet voortbestaan, zoo moeten ook de steenrots, waarop Hij haar gebouwd, en het opperherders-ambt, hetwelk Hij zelf, om haar te regeeren, ingesteld heeft, immer blijven voortbestaan.

De Kerk moet, volgens den wil van Jesus Christus, als een zichtbaar gebouw, in weerwil van alle aanvechtingen der hellemacht, tot het einde der wereld, onverzettelijk blijven staan. Derhalve moet ook de steenrots, waarop zij gebouwd is, voortbestaan, daar in het tegenovergesteld geval het gebouw noodzakelijk zou ineenstorten. Deze steenrots nu is Petrus; Petrus moet dus altijd der Kerk als een zichtbare grondslag dienen. Verder moet de Kerk eene kudde zyn, die alle schapen van Christus, van welken tijd ook, bevat. Tot opperherder dezer kudde is Petrus aangesteld. Petrus mag dus niet ophouden, aan het hoofd der kudde te staan en haar te weiden, wijl de schapen, die een anderen opperherder volgen dan den éénen door Christus aangetoonden, daardoor ophouden schapen van Christus te zijn. Petrus moet dus in de Kerk voortleven. Daar Petrus echter, gelij k ieder ander aan den dood onderworpen, sterven moest, zoo kan hier slechts van een voortleven in den persoon zijner wettige opvolgers sprake zijn. Zeer treffend zegt Stolberg (Rel. Gesch. Bd. X beil.); „De aan Petrus verleende waardig-„heid om de kudde van Jesus Christus te weiden, werd „evenmin met den Apostel gekruisigd , als het hoogepriester-„schap met Aaron, den hoogepriester, op den berg Hor „begraven werd.quot;

2) Was een zichtbaar opperhoofd noodzakelijk, toen de Kerk nog klein was, en er geene of slechts weinige dwalingen waren; des te noodzakelijker was deze later, toen de Kerk zich had uitgebreid, en vele dwalingen en scheuringen ontstonden.

welken de geleerde graaf de Maistre, die de russische taal en letterkunde door en door kende (Du Pape, lib. I. ch X) ons overgeleverd heeft? Hij luidt: //Heilige Petrus, heil u! Prins der Apostelen! Apos-z/tolische Primaat! onverzettelijke rots desgelool\'s! Ter belooning uwer «belijdenis, eeuwige grondzuil der Kerk, herder der kudde en drager «van de sleutelen des hemels, voor alle Apostelen uitverkoren, de „eerste na Jesus, en de vaste steun zijner Kerk! Heilu, onverzettelijke „zuil van het waar geloof. Prins van het apostolisch collegie! Gij „waart de eerste Bisschop van Rome, de eer en roem der groote stad; „op u is de Kerk gesticht.quot;

-ocr page 405-

391

Niet zonder grond heef: Christus den H. Petrus als zichtbaar opperhoofd zijner Kerk aangesteld. Hij deed dit, gelijk boven is bewezen, om hare eenheid te behouden. Had de Kerk zulk een opperhoofd, zulk een band van eenheid noodig ten tijde der Apostelen, over wie de H. Geest in zóó rijke mate was nedergedaald, dat geen van hen in strijd met de Openbaring van Christus leeren kon, ten tijde der Apostelen, toen zelfs velen der geloovigen met wonderbare gaven van wijsheid, wetenschap, voorzegging, onderscheiding der geesten, enz. (1. Cor. XII) uitgerust waren, toen de Kerk, in vergelijking met latere tijden, nog van geringe uitgestrektheid was, en het juist daarom gemakkelijker moest vallen, de opkomende dwalingen en scheuringen in de kiem te verstikken; — behoefde de Kerk reeds te dien tijde een zichtbaar opperhoofd, hoeveel te dringender toont zich diezelfde behoefte voor latere eeuwen. De onfeilbaarheid der Apostelen ging niet over op iederen opvolger van hen in het leer- en herdersambt; de buitengewone genadegaven werden bij de geloovigen zeldzamer; de Kerk bekwam eene reusachtige uitbreiding, omspande de volken der oude en nieuwe wereld, en overeenkomstig de voorzegging des Heilands (Matth XXIV, 11), ontstonden nu hier, dan daar, vele scheuringen en dwalingen : omstandigheden, die het voortbestaan van een zichtbaar opperhoofd na den dood der Apostelen veel onontbeerlijker maakten, dan ten tijde der Apostelen.

Wie is sedert den dood van den H. Petrus het ziehthaar opperhoofd der Kerk?

De H. Vader, de Paus, die de wettige opvolger van den H. Petrus op den bisschoppelijken Stoel te Rome is, en derhalve altijd als het zichtbaar opperhoofd der Kerk en de stedehouder van Christus erkend is geworden.

Dat Petrus den bisschoppelijken Stoel te Rome gesticht en tot zijn dood ingenomen heeft, is een feit, hetwelk door geheel de christelijke oudheid bevestigd wordt. De oudste Vaders en kerkelijke Schryvers, insgelijks eene menigte van gedenkteekenen, maar in het bizonder het graf van den H. Petrus, hetwelk reeds in de eerste eeuw des Christendoms in hooge eer gehouden werd, sluiten allen twijfel buiten. \') — Gelijk nu in een rijk de wettig verkozen

■) Zelfs voorname protestantsche geleerden erkennen dit, en zien met verontwaardiging neêr op de stoutmoedigheid van hen, die het

-ocr page 406-

392

vorst, als wettige opvolger van den overleden koning, in alle waardigheden en rechten van dezen optreedt; gelijk hij tegelijker tijd de hoogste macht verkrijgt om zijne waardigheid staande te houden, zijne rechten te verzekeren en uit te oefenen; met één woord, gelijk hij, evenals zijn voorganger, koning en als zoodanig voor de wet een en dezelfde persoon met den gestorvene is; — zoo werden ook de Pausen die, wettig gekozen, den bisschoppelijken Stoel van Petrus te Pome bestegen, als zijne opvolgers, tevens de bezitters van zijne waardigheid, van al zijne rechten, van zijne onbeperkte macht. Eenieder van hen was dus het zichtbare opperhoofd der geheele Kerk, de stedehouder van Christus, daar Petrus, de Bisschop van Rome, het opperherdersambt over de geheele Kerk bezeten heefc (Zie het Vatik. Gone. zitt. IV. hoofdst. 2).

Derhalve heeft ook altijd de geheele katholieke Christenheid in den Bisschop van Rome of in den Paus (Van papa, vader) den voorrang boven alle Bisschoppen en het oppei-herderschap van Petrus over de geheele Kerk erkend en vereerd. — Reeds de H. Bisschop Ireneus, de leerling van Policarpus, een discipel van den H. ApostelJoannes, wees, in zijn geschrift tegen de ketterijen (Boek III. hfdst. 3), de dwaalleeraars van zijnen tijd op de roomsche Kerk; .,,want „met deze moet noodzakelijk iedere Kerk — alle geloovi-„gen, allerwege, wegens haren aangetoondeu voorrang over-„eenstemmen.quot; Hetzelfde doet de H. Gyprianus in zijn geschrift over de eenheid der Kerk. Hij ziet de oorzaak aller scheuringen daarin: „dat men niet teruggaat tot den „oorsprong der waarheid, niet omziet naar het hoofd, de „woorden van den hemelschen Vader niet gadeslaat, die „toch zegt: „Gij zijt Petrus,quot; enz.quot; (Matth. XVi; Joan. XXI). — Daaruit trekt de genoemde leeraar het volgende besluit: om met de katholieke Kerk vereend te blijven , moet men zich houden aan de roomsche Kerk (d. i. de Kerk te Rome), de erfgename van den Stoel van Petrus, die

tegenspreken. //Dat Petrus in Rome geweest is, zal geen oprecht //Uhnsten loochenen.quot; Zoo spreekt Hugo de Groot, (Annot. in epist. i. Petr. V, 18) en Baratier schrijft In zijne verhandeling over de volgorde der Bisschoppen van Rome; „dat Petrus te Rome geweest ,is, is een feit, hetwelk door de geheele oudheid wordt medegedeeld. //Het strekt een Protestant tot schande, te moeten bekennen, dat een ./enkele van zijnen Godsdienst het in twijfel heeft getrokken.quot; Desgelijks bemerkt Herder (Ideën zur Philosophie der Geschichte, 19 Bd.): //Het zou eene groote dwaasheid zijn, te loochenen, dat Petrus de /Kerk in Rome gevestigd en met zijn bloed verheerlijkt heeft.quot; Dat Leibnitz in zijn leerstelsel der godgeleerdheid dezelfde uitspraak doet, is bekend.

-ocr page 407-

393

de oorsprong, het middelpunt en de band der eenheid is, of, gelijk hij in zijn 55sten brief zegt, „de eerste en voor-„naamste Kerk.quot; Bovendien kennen de HH. Vaders, namelijk Athanasius, Pacianus, Basilius, Hieronymus. Optatus, Augustinus en meer anderen, den Bisschop van Rome den voorrang niet alleen wat zijne waardigheid betreft, maar ook in het leer- en herdersgezag om geene andere reden toe, dan omdat hij de opvolger is van Petrus, den prins der Apostelen. Met andere woorden herhalen zij telkens de gedachte van den H. Kerkleeraar Petrus Chiysologus, uitgesproken naar aanleiding der boven aangehaalde woorden van den pauselijken legaat in het algemeen Concilie van Ephese: „Petrus leeft op zijnen (den roomschen) Stoel „voort; hij bekleedt het voorzitterschap en verkondigt alom „de ware leer.quot;

Deze oppermacht des opvolgers van Petrus werd ook ten allen tijde feitelijk erkend. Toen er in de eerste eeuw twisten ontstonden in de kerk te Corinthe, wendde zij zich niet tot den H. Apostel Joannes, die nog in leven was en de kerk van Ephese regeerde, maar tot Clemens, den veraf wonenden Bisschop van Rome, den derden opvolger van den H. Petrus. Desgelijks legde in de tweede eeuw Paus Victor den twist in de kerken van Azië omtrent de Paaschviering bij, en in de derde eeuw verklaarde Paus Stephanus tegen Cypriaan en andere afrikaansche Bisschoppen den wederdoop der ketters, die zich bekeerden, onnoodig en ongeoorloofd, dreigde zelf met uitsluiting van de kerkelijke gemeenschap, bijaldien zij zich niet aan de beslissing van den apostolischen Stoel onderwierpen.—Voelde zich ergens een Bisschop in zijne rechten gekrenkt, hij wendde zich tot den Bisschop van Rome, en deze verleende hem aanstonds krachtigen bijstand. Zoo bracht Paus Julius den H. Athanasius, Patriarch van Alexandrië, en later Paulus, den Patriarch van Constantinopel, weder op hunne zetels terug. Insgelyks deed ook Paus Innocentius ten gunste van den H. Joannes Chrysostomus, die mede Patriarch van Constantinopel en, gelijk de vroegere, onwettig verbannen was i). — Doch niet alleen enkele Bisschoppen afzonderlijk,

■) Zelfs de ketters zochten, zoolang zij hoop op een gunstigen uitslag hadden, den Paus voor hunne zaak te winnen en hunne dwaal-leeringen door zijn gezag te steunen. Zoo handelden Nestorius, Entyches, Feliigius en vele anderen uit vroegeren en lateren tijd. Üok Martijn Luther sloeg in den beginne denzeil\'den weg in. In het protest, dat hij an lölti) den pauselijken legaat Cajetanas gaf, lezen wij: //Ik bid in allen ootmoed en onderwerping, dat uwe vaderlijke «liefde dit twistgeding onzen allerheiligsten Vader Leo X wil voor-

-ocr page 408-

394

maar ook de in Conciliën vergaderde Bisschoppen erkenden de oppermacht der Pausen. Nooit is er eene algemeens Kerkvergadering gehouden, bij welke de Paus of diens gezant niet het voorzitterschap had, en nooit heeft eene kerkelijke beslissing algemeene goedkeuring gevonden, alvorens zij door den Paus bevestigd was. Reeds in het eerste algemeene Concilie van Nicea leidde de gezant van den roomschen Paus de handelingen, en het eerste Concilie van Constantinopel, waarbij de Paus noch in persoon, noch door zijne afgezanten tegenwoordig was, verkreeg slechts daarom de benaming en het gezag van het tweede algemeene Concilie, wyl de geloofsstellingen er van met die, welke in de Synode van Laterane onder het voorzitterschap van Paus Damasus gemaakt waren, overeenstemden, en diensvolgens door dezen bekrachtigd weiden. — Het zevende algemeene Concilie (het tweede van Nicea) weigerde, eene vergadering, welke ongeveer dertig jaren tevoren door meer dan honderd Bisschoppen gehouden was, te erkennen, wijl, „detoenmalige „roomsche Paus noch in persoon, noch door zijne plaats-„bekleeders, noch door een apostolischen brief er in besrokken was geweest, hetgeen toch een vereischte der

„stellen, opdat het door de Kerk erkend en uitgemaakt, met een ,/gerust geweten herroepen of ernstig te gelooven kan worden aanbe-//volenquot; (Zie Luthers schriften, Jena in het jaar 15Ö0, bij Donatus Kichzenhain. D. I. bl. 114 a.)- Aan den Paus schrijft hij zelf uit Aldenberg op den Sdquot;1 Maart van het jaar 1519 het volgende: „Aller-heiligste Vader, ik betuig voor God en al zijne schepselen, dat ik «nooit voornemens geweest, noch op den huldigen dag van voornemen «ben; ik betuig, dat ik mij niet ernstig heb voorgenomen, de macht //der roomsche Kerk en uwer Heiligheid op eenigerlei wijze aan te ,vallen. Ja, ik beken openlijk, dat de macht onzer Kerk boven alles //is, en haar niets, nocli in den hemel, noch op aarde kan worden //voorgetrokken, dan alleen Jesus Christus, de Heer van alles. Ik hoop, «dat uwe Heiligheid derhalve geen acht geve opbooze, valsche laster-//tongen, die over Luther anders spreken of hem lasteren.quot; Eene dergelijke taal voert Luther in een anderen brief aan Leo X (bladz. 58), waarin hij onder anderen schrijft: //Daarom, heilige Vader, val *ik uwe Heiligheid te voet, en doe tevens afstand van al, wat ik ben „en heb. Uwe Heiligheid handele met mij naar haar welgevallen. //Het staat uwe Heiligheid vrij, mijne zaak goed te keuren of te ver-//werpen, mij gelijk of ongelijk te geven, mij het leven te schenken, //of te ontnemen. Hoe die uitspraak ook zij, ik zal niet anders zeggen, //dan dat uwer Heiligheids stem de stem van Christus is, die door U //handelt en spreekt.quot; — Maar toen Leo X later van het hem toegekende recht gebruik maakte en de leerstellingen van Luther verwierp, veranderde deze openlijk zijne wijze van uitdrukking, noemde voortaan, (om andere onbetamelijke schimpwoorden niet aan te halen) den Paus den //Antichristquot; en verbrandde voor de Estherpoort te Whtenberg den banbul van Leo X. Terwijl hij dien op den brandstapel wierp, sprak hij: //Wijl gij den Heilige des Heeren bedroefd hebt, bedroeve «■en vertere u het eeuwige vuur.quot;

-ocr page 409-

395

„Conciliën is.quot; — Nog vele andere bewijzen zouden -wij kunnen aanhalen; kortheidshalve vermelden wij alleen de volgende woorden der Kerkvergadering van Florence (1439); „Wij stellen vast,quot; zoo spreken de daar vergaderde griek-sche en latijnsche Vaders , „dat de heilige apostolische Stoel, „de roomsche Paus, het geestelijk oppergezag over den „geheelen aardbodem heeft, en dat de roomsche Paus is de „opvolger van den H. Petrus, den Prins der Apostelen, „de ware Stedehouder van Christus, het hoofd der geheele „Kerk, de vader en leeraar aller Christenen, en dat hem „in den persoon des H. Petrus de volkomen macht, om „de geheele kerk te weiden, te regeeren en te leiden, door „onzen Heer Jesus Christus is verleend, zooals ook de „besluiten en de handelingen der algemeene Conciliën leerenquot; (Zie het Vatik. Cone., Zitt. IV, hfdst. 3). — Deze en vele andere bewijsstukken voor het Primaat van den room-schen Paus nalezende, aarzelde Stolberg niet (Gesch. deel X aanh.) te beweren: „dat niet één historisch feit noch „in de kerkelijke, noch in de wereldlijke geschiedenis op „sterkere getuigen en bewijsgronden rust, dan het door de „geheele Christenheid erkende oppergezag des opvolgers van „den Apostel Petrus te Eome over alle kerken van het „oosten tot het westen.quot;

Het is bijgevolg niet te verwonderen, dat de H. Kerkleeraar Ambrosius bij de verklaring van den veertigsten Psalm uitroept: „waar Petrus is, daar is de Kerk,quot; en llieronymus in een brief aan Damasus: „wie het niet met „den Paus houdt, die houdt het niet met Christus;quot; en niemand zal de vraag verrassen, welke de H. Cypriaan stelt in het boek over de eenheid der Kerk: „Hoe kan degene, „die den Stoel van Petrus, op wien de Kerk gesticht is, „verlaat, nog het vertrouwen koesteren, dat hij lid blijft „van de Kerk ?quot; Inderdaad werden zij , die zich van den roomschen Stoel scheidden, ten allen tijde als afvalligen van de katholieke Kerk beschouwd. Zoo zegt ook het Provinc. Conc. van Utrecht (Cap. VII): „Wij verwerpen „die dwaalleer, welke meent, dat de katholieke Kerk ergens „kan bestaan zonder den band van eenheid met den Bisschop „van Kome.\'5 Daarom hebben ook in den loop der eeuwen velen uit geloovige gehechtheid aan den roomschen Stoel niet alleen tijdelijke goederen, eer en waardigheid, maar zelfs bloed en leven ten offer gebracht \'). Laten ook wij

i) Wij zouden te ver gaan, wilden wij hier de plunderingen, pijnlijke verhooren en doodvonnissen opnoemen en beselirijven, waarmede Hendrik VIII van fingeland de Katholieken vervolgde, om de eenige

-ocr page 410-

396

getrouwe aanhangers blijven van den roomschen Stoel; leenen wij aan de lasteringen en onteeringen , waarmede ongeloo-vigen, ketters en slechte katholieken de Kerk overladen, geen oogenblik gehoor1), beschermen en verdedigen wij, naar ver

reden, dat zij den roomschen Paus en niet hem, den koning, als opperhoofd der Kerk wilden erkennen. Wij gaan eveneens voorbij de ontelbare mishandelingen en verdrukkingen, welke de russische Katholieken, ook in den laatsten tijd, onder de regeering van Nicolaas 1\', om hunne gehechtheid aan de roomsch-katholieke Kerk, te verduren hadden en nog hebben. Een weinig breedvoeriger zullen wij spreken over Pater Andreas Bobola, uit de Sociëteit van Jesus, eenigen tijd geleden door Pius IX z. g. onder het getal der zaligen opgenomen, die zijne gehechtheid aan de Kerk onder vreeselijke martelingen met zijn bloed bezegelde. — Andreas Bobola, uit eene der oudste en aanzienlijkste l\'amiliën van Polen geboren, had in zijn vaderland dertig jaren lang met onvermoeiden ijver gewerkt, en zeer vele scheurmakers tot de Kerk teruggebracht. Bij een inval der Kozakken in het gewest Pinkz, geraakte Bobola, niet ver van Janow, in hunne handen. In den Beginne zochten deze dweepende aanhangers der scheuring den gevangene door overreding en beloften voor haar te winnen. Toen zij evenwel zagen, dat alle dergelijke pogingen op zijne onverzettelijke standvastigheid schipbreuk leden, geeselden en sloegen zij hem allerbitterst Vervolgens bonden zij hem aan twee paardenzadels vast, sleepten hem zoo naar Janow en brachten hem bij hunnen hoofdman. Deze eischte op gebiedenden toon, dat de gevangene de gemeenschap met Kome zou breken. De edelmoedige belijder antwoordde; „Ik //ben Katholiek en Priester; in het katholiek geloof ben ik geboren «en ik wil er, met Gods hulp, in sterven.quot; Die onverschrokken taal bracht den hoofdman in woede. Hij trok zijn sabel, gaf den bloedgetuige een houw op het hoofd en verwondde de hand, waarmede Bobola getracht had den slag af te weren. Een tweede sabelhouw trof den linkervoet en wierp den dienaar Gods ter aarde. Terwijl hij daar op den grond lag, stiet een soldaat hem het rechter oog uit. Hierop werd liobola naar het slachthuis van Janow gesleept en akkar met brandende fakkels langzaam geroosterd. Vervolgens rukten die barbaren hem de huid van het hoold, van de handen en den rug af, en trokken zijne tong door eene breede wonde, welke zij van achter aan zijn hoofd gemaakt hadden, uit den mond. Zoo ellendig verminkt, lieten zij hem aan zijn lot over. Een overste, die eenige oogenblikken daarna üobola nog in leven vond, gaf bevel, dat men een einde aan zijn doodstrijd zou maken. Twee sabelhouwen aan den hals bespoedigden zijnen marteldood, die op den 16iitu Mei 1657, de namiddags ten drie ure, plaats vond.

\') Ongelukkig genoeg vergeten velen, zelfs Katholieken, alhetgroote en verhevene, door de Pausen ten beste der maatschappij gesticht, wijl zij liever hun oog richten op de feiten, welke de geschiedenis uit het privaatleven van een enkelen Paus vermeldt, dan op de schitterende voorbeelden van onverschrokken moed en van alle deugden, waardoor de overigen zich hebben onderscheiden; wijl zij liever de meestal overdreven en hartstochtelijke beschuldigingen, dan de welverdiende loftuitingen hooren en als waarheid aannemen. Hadden de Pausen niets meer gedaan, dan de beschaving, de zedelijkheid en den welstand der volkeren te bevorderen, ook dan nog zou ieder rechtgeaard mensch, van welken godsdienst hij ook zij, hun dankbaarheid verschuldigd zijn. En dat de Pausen dit werkelijk gedaan hebben, kan niemand redelijkerwijze ontkennen. //De Pausen,quot; zegt de beroemde protestantsche geschiedschrijver Joannes von Muller

-ocr page 411-

397

mogen, hare geheiligde voorrechten; zien wij op naar die onver-zetteiiike steenrots, wanneer de opbruisende baren van botgevierde hartstochten altaar en troon, Kerk en Staat bedreigen, als het slepende vergif van schijnheilige ketters alle klassen van menschen doordringt en besmet, wanneer de geest van trotschheid en hoogheid in den schoot der Kerk dwalingen en scheuringen verwekt. De Stoel van Petrus

(Reisen der Piibste), leefden in moeielijke tijden, doch hebben ons valles gegeven, wat ons voordeelig is, en in plaats van bloedtooneelen ,/en moerassige wouden, vele krachtige staatslichamen in ons midden //gebracht.quot; Dezelfde schrijver zegt (in zijne beantwoording der vraag: wat is de Paus?) //de Paus heeft de wilde jeugd onzer staten door //godsvrucht getemd.quot; //Zonder de Pausen,quot; schrijft de protestantsche predikant Tobler (Anrede an mancherlei Betrübte der jetzigen Zeit. 1808), /,zou er geen gemeenschappelijke godsdienst in de wereld zijn //gebleven; de onontbeerlijke godsdienst zou verdwenen, en ook wij, als //Kerk, zouden in onze voorouders gestorven of liever nooit in het leven «•gekomen zijn.quot; Een ander protestantsch geleerde, Sir Edward Sandys, schrijft: //De Paus was de vader van allen, de raadsman en gids der //Christenen; hij was het, die liunne vijandschappen verzoende en hunne „oneenigheden uitmaakte.quot; //Hoe lang,quot; zegt de protestantsche sclirijver Cobbet, «.hebben ons de woorden: //pauselijke usurpatie en tiranniequot; //in de ooren geklonken.\' Die beschuldiging tegen den Paus gaat alle //begrip te boven.quot; Nog altijd wordt de pauselijke waardigheid als gevaarlijk voor den Staat voorgesteld.

leder, die zonder vooroordeelen en in de gescliiedenis niet geheel vreemd is, zal zijne goedkeuring hechten aan de woorden van een doorluchtig Kerkvoogd, zijne Eminentie den Kardinaal Joannes von Geissel, Aartsbisschop van Keulen (Hirtenbrief vom 18 Jan. 1858): «.De Kerk met den Paus aan het hoofd redde de dierbaarste goederen «.van het menschdom uit den algemeenen ondergang; bewaarde en «.verzorgde die in haren schoot, üe Pausen waren de leeraars der «.volkeren, zij behielden en bevorderen den godsdienst en met dezen //recht en orde, wetenschap en kunst, beschaving en zedelijkheid. „Waar het kruis en de hoogste goederen in gevaar kwamen, traden «.zij met hunnen overgeërfden en onwankelbaren moed op, riepen de //belijders van het kruis en de ridders ten strijde, en onder hunnen z/zegón en leiding overwon steeds het kruis. Met dezelfde kracht //boog ook hun woord de vermetelheid der christelijke machtvoerders, //die meenden ongestraft de perken der goddelijke wet te kunnen «.overschrijden, en gelijk zij den onderdanen leerden, gehoorzaam te //zijn aan de door God gestelde overheden, zoo verhieven zij ook .hunne stem voor de volkeren tegen onchristelijke verdrukking. Hun //gezag handhaafde den vrede en verhoedde, dat de oude barbaarsch-„heid in tijden van geweld niet andermaal de overhand verkreeg, en //het zaad des Evangelie\'s. ten koste van zooveel bloed gestrooid en «.met zooveel moeite gekweekt, niet weder vertreden werd.quot;

Is iedereen, zoowel de geloovige als de ongeloovige, aan de Pausen grooten dank verschuldigd voor de vele weldaden dor maatschappij bewezen; hoeveel grooter moet dan niet de dankbaarheid zijuvan den Katholiek, die van hen aanhoudend zoovele bovennatuurlijke weldaden en hemelsche zegeningen ontvangt? Aan hen dankt de Katholiek het, dat zijn geloof zuiver is bewaard, dat de goddelijke genademiddelen steeds aanwezig zijn, dat de christelijke zeden en deugden steeds aangekweekt worden (zie verder Wilmers Lehrbuch der Keli-gion, Ü. II. Bladz. 728 en verv.).

-ocr page 412-

398

staat onwrikbaar, overleeft alle mensclielijke wisselvalligheden ; de Stoel van Petrus weert dwaling en invoering van nieuwigheden allerkrachtigst af, en geeft aan de wereld den vrede, welken geene aardsche macht haar geven kan. Onze genegenheid jegens de roomsche Kerk zij gelijk aan die van Bossuet; laten wij in zijne geestdrift deelen en met hem uitroepen: „O heilige, roomsche Kerk, moeder der „Kerken en moeder aller geloovigen, Kerk door God uitverkoren, om zijne kinderen in hetzelfde geloof en dezelfde „liefde te vereenigen! Altijd zullen wij ons uit het diepste „onzer harten aan uwe eenheid houden! Dat ik eerder mij „zeiven, dan u vergete, o roomsche Kerk!quot;

Van het Primaat, d. i, van het geestelijk oppergezag van den Paus over de geheele Kerk, moet men wel onderscheiden zijne wereldlijke macht. Zijne geestelijke macht is van godde-lijken oorsprong en van het Pausdom onafscheidelijk; de wereldlijke daarentegen is van menschelijken oorsprong, en was in den beginne niet met het Pausdom verbonden. Het schijnt ons niet ondienstig, vooral in den ongelukkigen tijd van vervolging, dien wij beleven, een en ander mede te deelen over de wereldlijke macht van het opperhoofd dei-Kerk en het nut daarvan aan te wijzen.

1. Oorsprong der wereldlijke macht van den Paus.

In het jaar 42 na Christus, onder de regeering van keizer Claudius, kwam Petrus, aangesteld door den goddelijkeu Heiland tot hoofd der Kerk, tegen welke de poorten dei-hel niets zouden vermogen, naar de hoofdstad van bijna geheel de wereld, naar Rome.

Het romeinsche rijk strekte zich toen uit over Gallië, Spanje, Italië, Griekenland, Klein-Azië, Azië tot aan den Euphraat, Egypte en het noorden van .Afrika. Al de macht der aarde was in de stad Rome, als één middelpunt, samengetrokken; hare burgers waren de koningen der aarde. Die grootheid en de daarmee gepaard gaande weelde werkten echter zeer nadeelig op den zedelijken toestand des volks. Ja, Rome leverde in die dagen eene akelige vereeniging van weelde en ellende, van grootheid en verlaging. De letteren kenden bijna geene andere verdiensten dan de dwingelandij te bewierooken; de kunsten strekten schier uitsluiterd om het zedebederf aan te kweeken; de wetenschap peinsde slechts op middelen om het genot der machtigen te vergrooten, en de godsdienst hulde het verstand in duisternissen en bedierf het hart des volks. Dit was de toestand van Rome, toen Petrus er verscheen om de leer des Evangelies te ver-

-ocr page 413-

399

kondigen. Hi] kwam, zegt L. Veuillot, \') den ootmoed vestigen in dit rijk des hoogmoeds, de zuiverheid in dit middelpunt van den wellust, de christelijke vrijheid in deze hel der dwingelandij. Bij zijne eerste prediking reeds waren er velen, die, door den geest Gods verlicht en ondersteund, de leer des heils geloovig aannamen en beleden. Rijken zoowel als armen, geleerden en ongeletterden snelden toe, om Petrus\' woord te hooren, en duizenden verheugden zich weldra in de genade der bekeering tot het Christendom. In ware christelijke liefde vereenigd hielp de een den andere, offerde elk met vreugde van hetgeen hij bezat om de behoeften zijner medechristenen te bevredigen, maar vooral om de middelen voor de waardige vereering des Verlossers aan te brengen. Zoo kwam het, dat te Rome, even als in de aziatische gewesten, langzamerhand ten dienste der jeugdige Kerkeenig vermogen voorhanden was. Dat geld en goed, door de belijders van \'s Heeren naam bijeengebracht en ter beschikking van den vorst der Apostelen gesteld, ging van den H. Petrus op zijne opvolgers over, en dit patrimonium Petri is de oorsprong van het wereldliik goed der Kerk, hetwelk volgens de raadsbesluiten der Voorzienigheid bewaard en vermeerderd moest worden, naarmate de Kerk zich al verder uitbreidde.

liet erfdeel der liefde, hetwelk de H. Petrus aan de Kerk van Rome had vermaakt, was inderdaad spoedig zoozeer vermeerderd, dat deze alle andere kerken in tiidelijke bezittingen overtrof, en daardoor zich in staat gesteld zag, ook in werken van liefde en hulpbetoon de eerste plaats in te nemen ten zegen van alle liidende deelen van het groot geheel, en alle kerken der Christenen kon ondersteunen.

De vervolgingen, welke de Kerk des Heeren gedurende bijkans drie eeuwen te verduren had, wel verre van den ijver en de liefde der Christenen te drukken, dienden slechts om het verlangen naar de hemelsche goederen meer en meer op te wekken en bevorderden de onthechting aan het aard-sche, dat elk oogenblik kon ontnomen worden. Waar waren de tijdelijke goederen van zoovele romeinsche Christenen beter geborgen, dan in de handen der Kerk, die er tot onderhoud der armen, tot opluistering van den godsdienst gebruik van maakte ?

Door die schenkingen zag de Kerk zich in staat gesteld reeds ten tijde van den H. diaken Laurentius 1500 arme

\') De quelques erreurs sur la papautó, bl. 50.

-ocr page 414-

400

maagden, weduwen en zieken te onderhouden, en daarenboven zelfs de meest verwijderde gemeenten in den nood bij te staan.

De giften aan de Kerk van Rome bestonden niet alleen in geld of kostbare sieraden, als gouden en zilveren kelken, misgewaden, enz., maar ook, zelfs tijdens de vervolging, in vaste goederen, dus in grondbezittingen. We lezen toch, dat keizer Alexander Severus (222—235) een geschil over een stuk gronds ten gunste van den Bisschop van Rome en de Christenen besliste.

Met Keizer Constantijn (311) ging voor de christeliike Kerk de zon der gerechtigheid, des vredes, en der tijdelijke welvaart op. Hij beval dat den Bisschoppen als dienaren van den waren God de grootste eer zou bewezen worden en gaf zelfs daarin een goed voorbeeld. „Ik zie,quot; zeide hij, „in eiken Bisschop eene afbeelding van Christusquot; (Euseb. vita Const. L 1. cap. 41). De Bisschoppen kregen nu het recht, aan de slaven de vrijheid te geven en in rechtszaken uitspraak te doen; vooral droeg hij hun de armen-verzorging op in alle provinciën van het groote rijk, waarbii de aangestelde prefecten met geldelijke middelen en hulp krachtig ondersteunden. De Keizer beval ook, dat alle huizen, velden, tuinen en andere goederen, ten tijde van de vervolging aan de Kerk ontnomen, wederom in haar bezit zouden gesteld worden. \') Verwoeste kerken moesten met groote pracht weder opgebouwd worden, en vele andere werden er gesticht door de zorg van den grooten Constantijn, vooral te Rome, Constantinopel en in verschillende plaatsen van Palestina. Aan de kerken schonk hij behalve de kostbaarste sieraden en rijke inkomsten ook aanzienlijke vaste goederen, in Rome en Italië, in Afrika, Azië, ja zelfs in de provinciën van den Euphraat gelegen. Als de moeder en meesteres van alle christengemeenten, was echter de Kerk van Rome, gelijk zij moest zijn, de rijkste, de machtigste en ook de edelmoedigste. Al de geloovigen over geheel de aarde vereerden haar als het middelpunt der Katholiciteit en schonken haar bereidvaardig hunne goederen met hunne gehoorzaamheid en liefde.

Constantijn gevoelde, dat de keizerlijke macht naast de pauselijke niet op hare plaats was. Hij erkende, zegt Chantrel, dat de onsterfelijkheid niet anders aan Rome beloofd was, dan ten behoeve van het christelijk Rome der

\') Omnia ergo quae ad ecclesias recte visa fuerint pertinere, sive domus ac possessie sit, sive agri, sive horti seu quaecumque alia. . . restitui jubemus. — Euseb. Vita Const, lib. 2 cap. 39.

-ocr page 415-

401

H. Kerk; hij erkende, dat die lange reeks van buitengewone gebeurtenissen, welko Rome tot de hoofdstad der wereld hadden verbeven, geen ander doel kon hebben, dan om eene hoofdstad te stichten voor het rijk van Jesus Christus, den Koning van geheel de wereld.

Voorzeker het was billijk, dat de Pausen, in naam der Kerk, meester bleven van hunne en hare hoofdstad. Drie eeuwen lang hadden zij ddar hun bloed gestort; drie eeuwen lang hadden duizenden Martelaars aan hunne zijde gestreden ; de katakomben waren met heilige beenderen opgevuld; geene plaats in Rome, of zij was getuige geweest van eene dier zelfopofferingen voor God, welke duizendmaal vollediger, roemrijker en verhevener waren dan de zelfopofferingen van het heidensche Rome uit vaderlandsliefde; voortaan zouden de wereldsche feestvieringen en alle prachtvertooning der menschelijke grootheid, in deze stad, door het bloed van ontelbare Martelaren tot een heiligdom des Heeren gewijd, misplaatst geweest zijn; binnen hare muren kon nog slechts de godsdienst zijne feestvieringen houden en pracht ontwikkelen.

Constantijn, hiervan overtuigd, verliet Rome en vestigde den keizerlijken zetel te Constantinopel.

De Paus, uit de katakomben verhuisd naar een vorstelijk paleis, werd toen door niemand te Rome in aanzien overtroffen. Hij staat daar, zegt Chantrel, \') alleen, zonder wedergade; hij staat daar hoog en wordt niet meer door een hoogere overschaduwd; hij is geheel onbelemmerd in zijn veelzijdig bestuur. Hij is het hoofd van een nu zegevierenden godsdienst; hij moet naar de stalen wet des vooruitgangs in uitwendig aanzien toenemen; is het nog wonder, dat Constantijn met Rome te verlaten, in de meening der Christenen, niets anders deed, dan Rome aan de Pausen overlaten; dat zij in lateren tijd bij het allengs klimmen van \'s Pausen invloed ook in wereldlijke zaken, het niet anders begrepen, of hij had dien sedert den tijd van Constantijn en met \'s Keizers toestemming uitgeoefend ?

Toen Rome nog heidensch was, zegt de beroemde graaf de Maistre, stond daar de Paus den Keizers reeds in den weg. Hij was hun onderdaan; zij hadden alle macht tegen hem, hij had niet de geringste macht tegen hen; toch konden zij het aan zijne zijde niet uithouden. Op zijn voorhoofd stond het karakter van een zoo verheven priesterschap te lezen, dat de Keizer, die onder zijne titels ook dien van opperpriester noemde, hem binnen Rome met nog grooter

\') Deel III, blad. 65 der voortreiTelijke bewerking van Prof. Wensing. DKHiRBE, GKLOOFSLEER. II. Sie DEDK. 26

-ocr page 416-

402

ongeduld verdroeg, dan hij in zijne legers een Cesar uit- 1 stond, die hem het rijk betwistte. Eene verborgen hand j verdreef hen uit de eeuwige stad, teneinde deze aan het I hoofd der algemeene Kerk te schenken.

Constantijn dan vertrok, schrijft de eerw. Guéranger (Du j Naturalisme dans l\'histoire. tfnivers. 29 aoüt 1858), de arenden met zich nemende, en van dien tijd af mocht Rome openlijk den standaard der sleutelen verheffen, want deze is inderdaad het laatste woord van geheel het verleden dier merkwaardige stad, en de grond harer onsterfelijkheid. Onafgebroken duurde de vervulling voort der godspraak: Tu regere imperio populos, Romane, memento (Gedenk, Romein, dat het uwe taak is, de volken te regeeren), maar onder voorwaarde, dat binnen Rome geene andere tijdelijke macht op den troon zat, dan diegene, welke van hierboven de geestelijke regeeringsmacht ontvangen had.

Te Constantinopel gevestigd, was het eene der eerste zorgen van den Keizer den eerwaardigen zetel van den Paus zijne vereering te betuigen en daardoor ziine gemeenschap met de christelijke Kerk te voltrekken. Te dien einde bouwde hij de basiliek van Laterane en verrijkte haar met zoovele kostbaarheden, dat het volk dit godshuis de gouden basiliek noemde. Bovendien schonk hij aan deze kerk vaste goederen, te Rome, in de omstreek en in meer verwijderde provinciën gelegen, welke jaarlijks een aanzienlijk inkomen afwierpen. Dergelijke revenuën werden aan andere kerken van Rome, die aan de meest uitstekende helden des geloofs herinnerden, toegewezen.

Vele Keizers r.a Constantijn hebben de edikten, ten gunste der Kerk gegeven, nog verder uitgebreid, ja zelfs tot milddadigheid jegens de Kerk aangemoedigd. Fleury zegt (lloeurs des Chrétiens n. 50) : alle levensbeschrijvingen der Pausen, sinds den H. Sylvester (314) tot het einde der negende eeuw, gewagen telkens van geschenken, die aan de kerken van Rome door de Pausen, Keizers en geloovigen gegeven werden, en die geschenken waren niet enkel vaten van goud en zilver, maar huizen in Rome en landerijen daarbuiten, zoowel in Italië als ook in onderscheiden provinciën van het rijk.

Zoo was dan het erfgoed van den H. Petrus tot eene zeer aanzienlijke bezitting aangegroeid. Immer beschouwden zijne opvolgers op den pauselijken Stoel het als hunne dure verplichting met alle zorg voor het behoud en het nuttig gebruik der toevertrouwde goederen te waken. Te gelijker tijd waren de Pausen al meer en meer heer en meester van Rome en het romeinsch gebied geworden, en wel op de

-ocr page 417-

403

eenvoudigste en ongezochtste wijze. Dewijl namelijk de Keizers sinds Constantijn zich weinig of in het geheel niet om Eorae bekommerden, wendde het volk, dat bijkans algemeen den christelijken godsdienst omhelsd had, alsmede de Senaat, zich in alle, ook wereldlijke aangelegenheden , om raad en hulp tot het Opperhoofd der Kerk, hetgeen des te gemakkelijker verklaarbaar is, als men bedenkt, dat Rome zelfs ook naar het uiterlijke eene geheel andere, eene nieuwe gedaante had aangenomen, en op den Stoel van Petrus mannen waren gezeten, die zich door gerechtigheid, wijsheid, deugd en hulprijke liefde onderscheiden, zoodat, met uitzondering van een enkelen, allen tot het jaar 540 de kroon der heiligheid en vele daarenboven den palm der Martelaren verwierven. Hoe weinig beteekenend waren tegenover deze groote Pausen de zwakke, wankelmoedige mannen, die zich romeinsche Keizers noemden ! Dat de Opperhoofden der Kerk feitelijk de beheerschers van Eome waren, bewijst de geschiedenis. Zij ook waren het, die in dien tijd van verwarring, nood en ellende onder de volkeren, overal troost en hulp boden, overal de diepgedrukte volken aanmoedigden, zegen en geluk verspreidden.

Toen in het jaar 408 Alaric met zijne alles verwoestende benden het oude romeinsche rijk binnendrong, welks kracht reeds kort tevoren door de verdeeling in het oost- en west-romeinsche gebied zeer verzwakt was, zag men Paus Innocentius Home verlaten om den keizer tot gematigdheid jegens den machtigen overweldenaar te stemmen. Zijne voorstellen werden echter door Honorius van de hand gewezen, en Alaric gaf bevel tot de plundering van Rome. Gelukkiger slaagde in het midden van die eeuw zijn opvolger Leo 1, onder wiens pontificaat een veel geduchter vijand, de Hunnen onder Attila, moordend en brandend, de schoone streken van Italië doortrokken en een begeerig oog sloegen op de hoofdstad der christenwereld. Aquileia was weldra door het vuur en het zwaard vernield, Milaan, Verona, Mantua en Piacenza geplunderd. Waar bleef nu de Keizer ? Waar waren zijne veldoversten ? De keizerlijke regeering deed niets ter verdediging der ongelukkige bevolking. Valentiniaan nam zijne toevlucht naar Rome, tot den Paus; blijkbaar en als bij eenparige stemmen ging de tijdelijke oppermacht over in de handen van Leo, op wien alleen nog de hoop vau geheel het volk gevestigd was.

Attila had zijne legers aan de oevers van de Po opgeslagen. Hier maakte hij zich gereed, ter verovering van Midden-Italië op te rukken en vervolgens zich van Rome meester te maken. Leo aanvaardde met moed de gevaar-

26*

-ocr page 418-

404

volle zending, hem door den Keizer en den Senaat opgedragen. Aan het hoofd zijner weerlooze geestelijkheid trok de Paus de poort van Rome uit om den gevreesden Attila, den geesel Gods, op wiens wenken koningen sidderden en 70,000 woeste krijgslieden vaardig gehoorzaamden, te gaan spreken. Het gold hier het lot, niet alleen van Rome, maar van Italië, van het rijk, van geheel de Christenheid. Alvorens in de tegenwoordigheid des barbarenkonings te verschijnen, bekleedde Leo zich met het pauselijk plechtgewaad en zóó, vergezeld van zijne priesters, trad hij voor Attila. Tegen alle verwachting werd Leo met den meesten eerbied ontvangen; de ruwe koning gaf gehoor aan zijn woord en stond hem toe, wat gevraagd werd; de vrede was ge-teekend, Attila trok uit Italië terug.

Eeoige jaren later moest Leo onder dergelijke omstandigheden andermaal Rome te hulp komen. Valentianus III was door de hand van Maximus gevallen en de moordenaar had den troon van zijn offer beklommen Toen riep Eudoxia, de weduwe van Valentiaau, Genserik, den koning der Wandalen , uit Afrika naar Italië. In Juni 455 stond hij voor Rome. Nogmaals ging Leo met den olijftak des vredes naar het vijandelijk leger; God liet echter niet toe, dat zijn dienaar eene volledige veiligheid voor de stad verwierf. Rome had kastijding verdiend. De tusschenkomst van den H. Leo kon thans slechts het leven der inwoners redden en de stad voor de vernieling des vuurs bewaren, maar Genserik wilde zijne soldaten niet verbieden, de schatten der stad en der keizerlijke paleizen alsmede der burgers buit te maken.

Zonder dea apostolischen Stoel, zonder den man van. Gods Voorzienigheid, zonder Leo, den Paus, zou van Rome niets anders dan een onoverzienbare puinhoop zijn overgebleven. Terecht schrijft dan ook J. von Müller (Die Reisen der Pabste): „als de natuurlijke billijkheid beslissen kan, „dan is waarlijk de Paus met recht de heer van Rome, „want zonder hem zou Rome niet meer bestaan.quot;

Middelerwijl de keizers van het Westen zich met de re-geeringszaken weinig bezig hielden, verscheen Odoaker, de vorst der Herulen, een duitsch volk, en maakte in 476 een einde aan het westersche rijk. De nieuwe meesters bleven echter met lang in het bezit der veroverde landen; weldra moesten zij voor anderen wijken De Gothen rukten aan, overweldigden Italië en hielden het gedurende eenigen tijd m bezit. Maar weldra moesten ook zij op hunne beurt wederom plaats maken voor de Longobarden, die zich van het rijk meester maakten. De Grieken behielden alleen het

-ocr page 419-

405

exarchaat van Ravenna, benevens Rome en eenige havensteden.

Doch zelfs ook in Rome verminderde het gezag der grieksche Keizers al meer en meer en nam dat der Pausen in gelijke mate toe, ja, overtrof het welhaast. Reeds de H. Paus Gregorius de Groote schreef : „die op deze plaats (Rome) „herder is, wordt met uitwendige zorgen zoozeer „overladen, dat het dikwijls twijfelachtig is, of hij de plichten „vervult van een geestelijken herder of van een wereldsch „vorst.quot; In vele plaatsen zijner brieven ziet men hem handelen als oppermachtig bestuurder. Hij zendt bijv. een gouverneur naar Nepi, met last aan het volk om hem te gehoorzamen als aan den Paus zeiven; dan weder zendt hij een tribuun naar Napels, belast met de bewaking dier groote stad. Van alle kanten wendde men zich tot den Paus; alle zaken werden voor hem gebracht , ongemerkt en zonder te weten hoe, bad hij het opperbestuur verkregen.

Gregorius II schreef aan keizer Leo: „het geheele Westen „heeft de oogen op onze geringheid gevestigd,____ het beschouwt ons als beslisser en bestuurder der openbare rust...quot; Onder Paus Gregorius III (721—741) werd Rome bedreigd door Luitprand, den koning der Longobarden. Tegen zijne krijgsmacht waien de Romeinen niet bestand, en van Con-stantinopel was geen bijstand te verwachten. Wederom moest dan de Paus als redder optreden. Hij wendde zich nu om hulp tot de Franken, die onder den hofmeijer Karei Martel, de sterkste en krijgshaftigste macht van geheel het Westen waren — en Rome was behouden.

Onder Paus Stephanus II had Rome andermaal het ergste te duchten en wel van den kant van Aistolf, der Lombarden koning. Aller oogen waren wederom alleen op het Opperhoofd der Kerk gevestigd. Paus Stephanus begaf zich te vergeefs naar de woonplaats des konings, naar Pavia. Zijn verzoek, dat de veroverde steden zouden teruggegeven worden , werd van de hand gewezen en alle waarborgen voor de veiligheid en rust van Rome\'s volk geweigerd. De Paus had voor de laatste maal het bevel van Constantinopel vervuld ; nu deed hij, wijl er van den keizer volstrekt geene hulp te verwachten was, wat het belang van Rome noodzakelijk maakte, hij begaf zich, ofschoon hoogbejaard en ziekelijk, in het barre jaargetijde over de Alpen, om bij den koning der Franken hulp te zoeken. De koning met zijne geheele familie kwam den Paus te gemoet en bewees hem koninklijke eer. Een gezantschap der Franken vergezelde hem op zijne terugreis, en vorderde van Aistolf, dat hij hetgeen door hem in bezit was genomen zou terug-

-ocr page 420-

406

geven. Eene trotsche weigerinp; was het antwoord van den Longobard; het zwaard moest alzoo beslissen. Pepijn voerde j zijne Franken over de Alpen, dwong Aistolf het beleg van | Rome op te breken, ontnam hem 22 steden, welke vroeger I in het bezit der Grieken en door de Lombarden overmees- | terd waren, en schonk in 757 dat alles, als door het ooiiogs- f recht ongetwijfeld zijn eigendom geworden, in volkomenen | onverdeeld bezit aan den Stoel van den H. Petrus. Ook | te Eome was de heerschappij der Grieken reeds lang ge- 1 eindigd; de Romeinen, door de keizers verlaten, gaven uit i eigen beweging alle gezag aan de Pausen, die toen zelve hunne ambtenaren aanstelden en het romeinsche volk hun | volk noemden.

De schenking werd door Pepijns opvolgers niet slechts f bevestigd, maar zelfs vergroot, en alzoo was de kerkelijJce | Staat, waar de Paus als wereldlijk en onafhankelijk vorst | het gebied voert, door de leiding der Voorzienigheid gevormd. I

Niet de Paus dus heeft zich de soevereiniteit aangematigd of toegeëigend : zij is inderdaad het werk der Voorzienigheid, welke de menschen hebben gediend; zij is het werk van God, die zijne Kerk bestuurt, haar naar de vorderingen der tijden mededeelt wat zij behoeft, om hare verheven zending te voltrekken. Alles heeft meegewerkt om den Paus ten troon te verheffen, zonder dat hij zelf noodig had zich iets aan te matigen, ja terwijl hij op alle wijzen zich aan die verheffing trachtte te onttrekken. De Pausen namen aan wat hun naar recht en billijkheid geschonken werd, en zij hebben hun bezit, het erfdeel van den H. Petrus, steeds tegen alle aanranding verdedigd.

2. De wereldlijke macht der Pausen is hoogst nuttig voor de Kerk.

Gewis, de wereldlijke macht van den Paus is niet in volstrekten zin noodzakelijk: zij behoort niet, en kan niet behooren, tot het wezen der goddelijke instelling. Deze is uit haren aard hooger dan eenige wereldlijke macht, en van den voortduur daarvan niet in het minste afhankelijk. De vijanden der katholieke Kerk, die geneigd zijn, hier onrecht en geweld goed te keuren, hetwelk zij in elk ander geval zouden afkeuren, verkeeren in eene voor hen zelve noodlottige dwaling. De ondergang der wereldlijke macht van den Paus kan nooit den val zijner geestelijke macht ten gevolge hebben. De wereld vermag niets tegen de goddelijke stichting, welke onvergankelijk is door haren oorsprong en door hare bestemming. Die met ij dele hoop geweld en

-ocr page 421-

407

onrecht toejuichen, bevorderen daardoor niets dan de heerschappij van beginselen, wier zegepraal weldra de zekerheid van alle bezittingen moet bedreigen.

De wereldlijke macht van het Opperhoofd der Kerk, ofschoon niet volstrekt noodzakelijk, is echter wenschelijk en nuttig. Dat zij voor allen zonder onderscheid van godsdienst dit is, blijkt reeds uit het volgende. Alleen zij , die geene bezittingen hebben of door eerlijke middelen verwerven kunnen, en die daarom geen belang hebben bij de veiligheid van bezittingen. zij alleen kunnen roofzieke en gewelddadige onteigening van hen, die bezitten, eene aanwinst achten. Voor alle anderen is de zegepraal van roofzucht een onheil en een gevaar, al zijn zij zelve daarvan de eerste slachtoffers niet. De bewoner van de schamelste hut is niet langer veilig, waar openbare schending van bezit niet slechts schaamteloos en straffeloos gepleegd, maar zelfs toegejuicht wordt. Niet de vorst alleen, die een anderen vorst in vollen vrede door geweld, oproer en list onttroond ziet, wordt daardoor zelf bedreigd, maar wij allen verliezen daardoor den waarborg van onze veiligheid, want er is geene veiligheid zonder handhaving van recht.

Nog uit een en ander en hooger gezichtspunt is de wereldlijke macht van den Paus nuttig en wenschelijk. \')

Zij is nuttig, omdat zij onzen heiligen godsdienst in het oog der volkeren verheft, omdat zij er den uiterlijken luister van verhoogt, die vooral gunstig werkt op degenen, die minder in staat zijn den innerlijken luister van den godsdienst te beseffen.

Zij is nuttig, omdat zij de onafhankelijkheid der Kerk begunstigt, en haar versterkt tot een krachtig bolwerk tegen de zoo gevaarlijke inmenging der wereldlijke vorsten in zaken des geloofs

Zij is nuttig, omdat zij onzen algemeenen Vader instaat stelt, met meerdere onbekrompenheid liefdadigheid te beoefenen, en aan de elders verdrukten krachtdadige hulp te verleenen.

Zij is nuttig, omdat zii den Paus in staat heeft gesteld, werken van christelijke geleerdheid en van christelijke kunst in het leven te roepen of te bevorderen.

Zij is nuttig, omdat zij den Paus daardoor in de gelegenheid stelt, met alle vorsten op den meest vriendschap-pelijken voet tot heil der Kerk te verkeeren, en als een vader aller geluk gelijkelijk te behartigen.

\') Over de wereldlijke macht van den Paus, leerrede van den Zeer Eervv. A. Frentrop, S. J. met open brief van Mr. Lipman.

-ocr page 422-

408

Terecht is derhalve door onzen grooten Pius z. g. de volgende stelling veroordeeld: „de afschaffing van het bur-„gerlijk bewind, hetwelk de apostolische Stoel bezit, zou „hoogst voordeelig zijn voor de vrijheid en het geluk der „Kerkquot; (Syll. prop. LXXVI).

Zie verder: Der Pabst und der Kirchenstaat von D. Rat-tinger S. J — De Maistre; du Pape. — Grosselin: Le pouvoir des Papes, enz.

liet Episcopaat.

Moei ook het drievoudig amht, hetwelk alle Apostelen hekleed heihen , steeds voortbestaan ?

Ja, het moest, volgens de beschikking des Heeren, van de Apostelen op hunne opvolgers overgaan, en in deze onafgebroken voortduren tot de voleinding der wereld. Dit leeren ons de woorden, die Christus bij de opdraging daarvan sprak: „En ziet. Ik ben met u alle dagen tot de voleinding der wereld,quot; hetgeen tot de Apostelen alleer niet gezegd kan zijn, daar zij niet leven zouden tot de voleinding der wereld.

Jesus Christus was op aarde verschenen, om alle men-schen van alle tijden met God te verzoenen en zalig te maken. Niet alleen ten tijde der Apostelen, maar voortdurend, tot de voleinding der dagen moest derhalve zijne heilaanbrengende leer gepredikt, zijne genademiddelen toegediend en de geloovigen tot eene nauwgezette nakoming zijner hemelsche voorschriften of geboden aangezet worden. Bijgevolg was het zeker Christus\' bedoeling, toen Hij aan de Apostelen als zijne plaatsbekleeders het leer-, priester-en herdersambt opdroeg, dat het van hen op hunne opvolgers zou overgaan tot aan de voleinding der eeuwen. Werkelijk blijkt dit duidelijk uit de woorden van Christus. „Gaat,quot; zegt Hij, „leert alle volken en doopt hen.... „en leert hen alles onderhouden.... En ziet, Ik be a met „u tot de voleinding der wereldquot; (Matth. XXVIII, 19,20). Want, ofschoon deze belofte van voortdurenden brstand ook op de Kerk in het algemeen kan worden toegepast, is het toch buiten allen twijfel, dat zij in het bizonder op de bekleeders van het leer-, priester- en herdersambt be-

-ocr page 423-

409

trekking heeft. — En „ziet, Ik ben met u.quot; „Ofschoon „Ik u mijne zichtbare tegenwoordigheid onttrek,quot; wilde Jesus zeggen, „zal Ik u toch niet verlaten, mijn geest zal „steeds bij u verblijven. Moge ook het drievoudig ambt, „waarmede Ik u tot heil der wereld bekleed heb, met veel „moeite, bezwaar, lijden, gevaren en vervolgingen gepaard „gaan, verliest den moed toch niet, want Ik ben met u „door hulp en genade, door leiding en regeering, door bescherming en redding. Ik ben met u alle dagen, d. i. „voortdurend, niet alleen op zekere tijden en stonden, maar „in alle tijden en uren : er zal tot de voleinding der we-„reld geen oogenblik zijn, dat Ik niet met u ben.quot; Dewijl nu de Apostelen sterven zouden, moet deze troostvolle belofte ook op hunne opvolgers in het leer-, priester- en herdersambt toegepast worden. — Gelijk dus, volgens de beschikking van Christus, op Petrus een zichtbaar opperhoofd der Kerk volgen moest, zoo moesten ook de Apostelen door anderen in het leer-, priester- en herdersambt geregeld opgevolgd worden. En deze behoefte is des te dringender, daar de opvolgers van den H. Petrus nog minder dan Petrus zelf in staat zijn, in den over den geheelen aardbodem verbreide Kerk het leer-, priester- en herdersambt alleen, d. i. zonder hulp van ondergeschikte leeraars, priesters en herders uit te oefenen. — Of moest misschien het kwaad, dat in vervolg van tijd uit de zwakheid der menschen gewis ontstaan zou, door regeeringshervormingen overeenkomstig den tijd verholpen worden ? Is deze veronderstelling niet in hooge mate ongerijmd ? Het bestuur der synagoge bestond 2000 jaren ongeschonden ; hoe kan men dan wanen, dat het door Gods Zoon onmiddellijk ingesteld bestuur van zijne Kerk, van die volmaakte, goddelijke stichting, ooit veranderd, als het nietig werk der menschen vernietigd zou worden ? Waar bleef dan de wijsheid en alwetendheid van den Stichter der Kerk ? Uit al het gezegde blijkt onbetwistbaar, dat de door Ohristus aan zijne Kerk gegeven instelling tot de voleinding der wereld moet voortbestaan.

Wie zijn de opvolgers der Apostelen ?

De Bisschoppen, die wettig gewijd en met het opperhoofd der Kerk, den Paus, vereenigd zijn, namelijk de Bisschoppen der katholieke Kerk.

Het is eene van oudsher algemeen erkende, ook door de H. Kerkvergadering van Trente (Zitt. XXIII, hfdst. 4) en het Vatikaansche Concilie ^Zitt. IV, hfdst. ö) plechtig

-ocr page 424-

410

uitgesproken leerstelling, dat de Bisschoppen opvolgers der Apostelen zijn. De HH. Vaders en kerkelijke Schrijvers, als Ireneus, Cyprianus, Eusebius, Hieronymus, Gregorius \') en anderen stellen haar als eene uitgemaakte, boven allen twijfel verheven waarheid voor. — Reeds uit de Handelingen der Apostelen en uit hunne brieven zien wij , dat zij aan het hoofd der gemeenten Bisschoppen stelden met den last en de volmacht, in hunne plaats de hun toevertrouwde kudden te weiden. Deze Bisschoppen bedienden ook na den dood der Apostelen hun drievoudig ambt, wijdden op hunne beurt weder anderen tot Bisschoppen, terwijl zij hun, naar het voorbeeld der Apostelen en overeenkomstig de instelling van Christus, de macht opdroegen, die zij van hunnen Heer ontvangen hadden. — Priesters, die geen Bisschoppen zijn, kunnen slechts inzooverre opvolgers der Apostelen genoemd worden, als zij met de Bisschoppen in de bediening van het drievoudig ambt, waarvan deze het volle bezit hebben, deelen. — Zal een Bisschop wettig opvolger der Apostelen zijn, dan moet hij

1) wettig gewijd zijn, d. i. hij moet door een anderen geldig gewijden Bisschop op de door Christus ingestelde en in de Kerk gebruikelijke wijze de bisschoppelijke w jding ontvangen hebben ; want slechts de Bisschoppen kunnen de Bisschops- en Priesterwijding toedienen.

2) De Bisschop moet, om waarlijk opvolger der Apostelen te zijn, met het algemeene opperhoofd der Kerk, mei den Faus, in vereeniging oj gemeenschap zijn. — Al heeft een Bisschop zijne wijding wettig ontvangen en door haar het ouuitwischbaar bisschoppelijk kenteeken bekomen, al heeft hij dezen of genen bisschoppelijken zetel ingenomen, waarop in de eerste tijden der Kerk een Apostel gezeten was, b. v. dien van Jerusalem, wiens eerste Bisschop de Apostel Jacobus was, of dien van Alexandrië, welken de H. Marcus, een leerling van den H. Petrus, bezet heeft, toch mist hij alle recht ter bediening van het drievoudig, aan de Apostelen verleende ambt, is bijgevolg geen wettig opvolger van hen, zoo lang hij zich niet aan den roomschen Stoel onderwerpt. En inderdaad, hoe zou iemand aanspraak op de kerkelijke bediening kunnen maken, die van het hoofd der Kerk gescheiden, niet eens lidmaat der Kerk zijn kan? Zou het niet de grootste tegenstrijdigheid wezen, dat iemand, die buiten de Kerk is, tot de kerkelijke gemeenschap vol-

\') De teksten haalt onder anderen Philips aan in zijn Kerkelijk recht, Bd. I. § 22.

-ocr page 425-

411

strekt niet behoort, niettemin een kerkelijk ambt bekleedt? Dat degene, die zich van den Paus gescheiden heeft, daardoor zelfs buiten de Kerk en als een afgesneden lid van haar gescheiden is, blijkt uit de algemeen aangenomen grondstelling van den H Ambrosius: „waar Petrus (d. i. de Paus) „is, daar is de Kerk.\'\' Immers, geliik de Paus, als het zichtbaar hoofd, onmogelijk van de Kerk gescheiden zijn kan, zoo kunnen ook de zichtbare ledematen der Kerk onmogelijk van den Paus, hun hoofd, gescheiden worden of zelve zich scheiden, zonder op te houden ledematen der Kerk te zijn. Heeft nu iemand het recht niet, in de Kerk het leer-, priester- en herdersambt waar te nemen, dan is hij gewis geen ware opvolger der Apostelen , daar het tot het wezen van een wettigen opvolger behoort, dat hij niet slechts in de waardigheid, maar ook in de rechten van zijn voorganger treedt.

Dit volgt uit den aard der zaak, want aan de Apostelen en hunne opvolgers is geene macht verleend, dan in verband met hem, wien Christus de hoogste macht over de geheele Kerk heeft opgedragen. — De Apostelen konden namelijk hunnen opvolgers geene andere macht opdragen, dan die, welke zij van Christus ontvangen hadden; zij nu hebben geene van het opperhoofd der Kerk, van den H. Petrus, onafhankelijke leer-, priester- en herdersmacht bekomen; hijgevolg konden zij deze drievoudige macht slechts zdo aan hunne opvolgers opdragen, dat deze haar niet anders, dan in afhankelijkheid van Petrus, d. i. van den roomschen Paus, konden en moesten uitoefenen. Wie diensvolgens het drievoudig ambt eigenmachtig uitoefent, wie anders don in ondergeschiktheid aan den Paus leert, de HH. Sacramenten uitdeelt en de kudde weidt, toont daardoor reeds, dat hij geen opvolger der Apostelen is, daar hij door aanmatiging een recht uitoefent, hetwelk de Apostelen zelve noch bezeten, noch uitgeoefend, noch hunnen wettigen opvolgers gegeven hebhen. — De ware opvolger der Apostelen erkent dus met den H. Cyprianus (in zijn boek over de eenheid der Kerk) den roomschen Stoel als het ééne licht, uit hetwelk vele stralen schieten ; als den éénen stam, die vele stammen en takken heeft; als de ééne bron, waaruit vele beken vloeien. Derhalve, wie zich van den roomschen Stoel losscheurt, en in die scheiding voortleeft, kan slechts in naam opvolger der Apostelen zijn; hij is, volgens de bemerking van denzelfden Kerkleeraar, een lichtstraal, die verbleekt, omdat hij niet van de zon uitgaat; hij is een afgevallen of afgescheurde tak, die verdort en zonder vrucht blijft, omdat hij aan het levenssap van den éénen stam geen deel

-ocr page 426-

412

meer heeft; hij is gelijk een beekje, dat uitdroogt, omdat het van de bron is afgesneden. — Tot dezen behooren alle schismatieke Bisschoppen, namelijk die der grieksche, an-glicaausche en jansenistische of zoogenaamde oud-katholieke Kerk.

Is het de wil des Heer en, dat de Paus alleen de Kerk bestmirt ?

Ook de Bisschoppen moeten, volgens de goddelijke instelling de Kerk bestieren, maar slechts met en onder hun opperhoofd, den Paus.

De zending en de macht om te leeren, de genademiddelen uit te deelen en de geloovigen te leiden , werden door Jesus, den Stichter der Kerk, niet uitsluitend aan Petrus verleend. Tot alle Apostelen zeide Christus; „Gaat, leert alle volken, „doopt hentot allen: „leert hen mijne geboden onder-„houden,\'\' d. i. regeert hen; allen beloofde Hij hiertoe zijn voortdurenden bijstand. Diezelfde zending en volmacht gingen ook, gelijk boven bewezen is, van de Apostelen op hunne wettige opvolgers, de Bisschoppen, over. Daarom zegt de Apostel, dat de Bisschoppen door den H. Geest gesteld zijn, „om de Kerk Gods te regeerenquot; (Hand. XX, 28); en de H. Petrus vermaant hen met de woorden: „weidt de „aan u toevertrouwde kudde Gods\'\' (1. Petr. V, 2). Deze herderlijke macht hebben ook de Bisschoppen door alle tijden uitgeoefend, en zoowel de Pausen als de geloovigen hebben die hun altijd toegekend. Wij zijn nog in het bezit van zeven brieven, welke de Bisschop en Martelaar Ignatius aan verschillende christelijke gemeenten geschreven heeft, waaruit men ziet, dat hem niets meer ter harte ging, dan den geloovigen de onderdanigheid jegens den Bisschop, „die „Gods plaats bekleedt,quot; en de volmaaktste eenheid met hem aan te bevelen. „Gehoorzaamt allen,quot; schrijft hij, „aan „den Bisschop, gelijk Christus aan den Vader.... Volgt „hem met onver breekbare trouw.... Allen moeten den „Bisschop eeren gelijk Jesus Christus.\'\' De Bisschoppen, als de wettige opvolgers der Apostelen, zijn diensvolgens tevens geroepen om deel te nemen aan het bestuur der Kerk; daartoe hebben ook zij eene goddelijke macht, welke echter aan die van den roomschen Paus, als den herder der herders, ondergeschikt is. — Alhoewel de Paus, in gemeenschap met de Bisschoppen, of liever de Bisschoppen krachtens hunne gemeenschap met den Paus, tegelijk met hem de Kerk besturen, blijft toch volgens de instelling van Christus het wezenlijk karakter van het Godsrijk op aarde het alleen-

-ocr page 427-

413

heerschcnde. Aan de alleenheerschappij is het eigen, dat één over allen gebiedt, en dat allen jegens dezen éénen tot gehoorzaamheid verplicht zijn. Dit nu is het geval in de Kerk, in welke Christus het eenig onzichtbare en de Paus het eenig zichtbare hoofd is, wien allen gehoorzaamheid verschuldigd zijn.

Op loelke wijze besturen de Bisschoppen de Kerk?

Zij besturen haar op die wijze, 1) dat ieder Bisschop het hem door den Paus aangewezen deel der Kerk (Bisdom) waarneemt — Toen Christus zijne Apostelen de genoemde drievoudige zending en macht opdroeg, wees Hij niet ieder van hen in het bizonder een door bepaalde grenzen afgebakend deel van den aardbodem aan, om alleen daar de ontvangen zending te volvoeren, de opgedragen macht uit te oefenen. Integendeel wees Jesus eiken Apostel den ge-heelen aardbol als het veld zijner apostolische werkzaamheid aan. Voor alle Apostelen tezamen, en voor ieder in het bizonder golden de woorden: „Gaat in de wereld,quot; enz. zijt leeraars, priesters, herders der geheele wereld, van alle volken. Deze onbeperkte zending en macht gingen na den dood der Apostelen wel op het Episcopaat, d. i. op de Bisschoppen tezamen genomen, maar niet op iederen Bisschop in het bizonder over. Er werd integendeel iederen Bisschop een bepaald gebied aangewezen, binnen welks grenzen hij het leer-, priester- en herdersambt mocht en moest uitoefenen. Dit vereischte de goede orde, daar anders groote wanorde en oneenigheden tusschen herders en kudden en de verderfelijkste scheuringen te verwachten waren, vooral omdat de opvolgers der Apostelen niet gelijk deze persoonlijk onfeilbaar zijn. Aan deze regeling hielden zich reeds de Apostelen, daar zij volgens het getuigenis der li. Schrift (Hand. XIV, 22, Tit. I, 5), aan de Bisschoppen enkele christelijke gemeenten ter besturing toevertrouwden. Zoo is het ook in den loop der eeuwen gebleven , gelijk de kerkelijke geschiedenis duidelijk doet zien. Aan den Paus alleen dus is de geheele aardbodom onderworpen; de geestelijke macht en het recht van dén Paus alleen strekt zich over alle kerken tezamen en over iedere kerk in het bizonder uit. De macht der overige Bisschoppen daarentegen strekt zich slechts zoover uit, als de Paus wil, d. i. tot een streng afgebakend deel der geheele Kerk, dat men Bisdom, Diocees of Kerspel noemt, en dat door den Paus aan den Bisschop ter leering en verzorging wordt toevertrouwd. Dusdanige Bisdommen worden gewoonlijk door den naam der stad, waar

-ocr page 428-

414

de Bisschop zija zetel vestigt, nader aangeduid en van elkander onderscheiden.

Overeenkomstig de kerkelijke instelling is echter in lateren tijd ook onder de Bisschoppen eeue zekere rangorde ontstaan, zoodat sommige Bisschoppen in eenige, door het kerkelijk recht vastgestelde gevallen aan het rechtsgebied van een anderen Bisschop onderworpen zijn. Indien aan een Bisschop do Bisdommen van eenige rijken op gezegde wijze onderworpen zijn, heet deze Patriarch in den eigenlijken, oor-spronkelijken zin. Dusdanige Patriarchen waren reeds in de eerste eeuwen des Christendoms de Bisschoppen van Alexandrië en Antiochië. Door eene bizondere vergunning van den roomschen Stoel bekwamen later ook de Bisschoppen van Venetië Aquileia, Lissabon en anderen den titel van Patriarch, evenwel zonder dat hun rechtsgebied zich over meerdere rijken uitstrekte. — Strekt zich het rechtsgebied van een Bisschop over alle Bisdommen van één rijk uit, dan wordt hij Primaat genoemd; strekt het zich alleen tot eenige Bisdommen van het rijk uit, dan wordt hij JartsWssc/iop, en de Bisschoppen, die onder hem staan, Suffraganen of eenvoudig Bisschoppen genoemd. Een bisschop, die tot iiulp van een anderen Bisschop is benoemd, om namelijk in diens plaats de heilige wijdingen toe te dienen, bekomt den naam van Wijbisschop.

Volgens het tot hiertoe gezegde rust op iederen Bisschop de verplichting, zijn Bisdom onder het oppergezag van den Paus te besturen, alle scheuringen te voorkomen ot\' uit den weg te ruimen, en aldus naar vermogen het zijne er toe bij te brengen, om niet alleen het welzijn van het Bisdom, maar ook het algemeene welzijn der geheele Kerk te bevorderen. In dezen zin zegt de H. Cypriaan in zijn boek over de éénheid der Kerk: „het Bisschopsambt is iets, waarvan .edere „Bisschop een deel heeft, doch zóó, dat hij tevens voor het geheel «zorg draagt.quot;

2) De Bisschoppen deelen ook in het bestuur der Kerk, daar zij somtijds vergaderen, teneinde over het algemeene welziin der Kerk te beraadslagen en in gemeenschap met den Paus beslissingen en maatregelen te nemen. — Op de roepstem van het opperhoofd der Kerk, den Paus, komen nu en dan, vooral in gevaarvolle tijden, de Bisschoppen uit alle oorden der Kerk in groote menigte tezamen. Dit geschiedt met het doel, om over aangelegenheden, welke het welzijn der geheele Kerk aangaan, te beraadslagen, opkomende dwalingen met groote plechtigheid en verhoogden nadruk te veroordeelen, scheuringen te verhinderen, misbruiken uit te roeien of te verhoeden, kerkelijke tucht en orde door doelmatige, in overeenstemming met den Paus genomen, en dus voor alle geloovigen verplichtende verordeningen te handhaven en te bevorderen. Dusdanige vergaderingen heeten algemeene Kerkvergaderingen, in tegenoverstelling van die, welke door Bisschoppen van een enkel rijk of eene kerkelijke provincie gehouden, en nationale of provinciale Kerkvergaderingen genoemd worden, desgelijks in tegenoverstelling van synoden, die een Diocesaanbisschop met zijne onderhooiige geestelijkheid houdt.

-ocr page 429-

415

Heeft ook de wereldlijke macht of de Staat het recht de Kerk te besturen?

Neen, geene wereldlijke macht heeft het recht de Kerk te besturen, want de Kerk is volkomen onafhankelijk van den Staat.

De Apostelen en hunne opvolgers, maar niet de wereldlijke regeeringen, werden met het bestuur der Kerk belast, en daarom ook hebben de eerste verkondigers van het H. Evangelie zonder verlof en zelfs zonder voorkennis van den Staat overal christelijke gemeenten gesticht, evenwel nooit nalatende, de leden tot gehoorzaamheid aan de wereldlijke overheid in wereldsche aangelegenheden aan te sporen. Niet minder zorgde de Kerk in latere eeuwen, hare onafhankelijkheid van den Staat als grondstelling uit te spreken en inderdaad door te voeren. Osius, Bisschop van Corduba, een der uitstekendste mannen op de Kerkvergadering te Nicea, vermaande met bisschoppelijke vrijmoedigheid den Keizer Constantius, die, door de kuiperijen der Arianen misleid, zich in kerkelijke zaken mengde: ,.wil ons aan-„gaande kerkelijke aangelegenheden geene voorschriften opdringen, maar ontvang die liever van ons; aan U heeft „God het rijk opgedragen, en aan ons het kerkelijke toe-„vertrouwd.quot; Op dergelijke wijze schreef Paus G-elasius aan Keizer Anastasius: „Door een tweevoudig gezag wordt „deze wereld geregeerd, namelijk door het koninklijke en „het priesterlijke; het priesterlijke is zelfstandig en in hare „eigen aangelegenheden van het koninklijke onafhankelijk\'\' (Epist. 8).

Een blik in de geschiedenis overtuigt ons, dat de Kerk, hoewel zij er steeds naar streefde, in de beste verstandhouding te staan met de wereldlijke macht, nochtans op volle onafhankelijkheid in hare eigen aangelegenheden aandrong , en den invloed van buiten, dien zij niet beletten kon, slechts zuchtend duidde. Tegelijk zien wij, dat de wijste vorsten nooit er op uit waren, de Kerk in hare rechten te bemoeielijken. Theodosius de Jongere en Valen-tianus zonden Candidianus als hunnen gevolmachtigde naar het Concilie van Ephese, en vermeldden in een schrijven aan de vergaderde Vaders, dat zij hem verboden hadden, zich met vragen naar geloofszaken in te laten; „want,1\'zoo verklaarden zij, „het is niet geoorloofd, dat degene, die „niet in den bisschoppelijken rang staat, in kerkelijkeaan-j,gelegenheden en beraadslagingen zich menge.\'\' Reeds Constantijn de Groote had den Vaders van Nicea verklaard, dat zij van hem geene aanwijzingen konden ontvangen.

-ocr page 430-

416

Zoo was men overtuigd, dat de Kerk rechten bezit, die door niemand mogen ontnomen of beperkt worden. Gebeurde het soms, dat een of ander vorst op deze rechten inbreuk maakte, dan werd hij weldra tot zijn plicht teruggeroepen en genoodzaakt de Kerk te eerbiedigen.

In de wetten van alle beschaafde volkeren worden de door verjaring verkregen rechten geëerbiedigd en geldig verklaard; de Kerk nu heeft voor hare rechten en vrijheden de prescriptie van vele eeuwen. Ja, zij bestond reeds lang in vollen bloei en met hare volkomen organisatie, vóórdat er gedacht kon worden aan de opkomst of regeling der thans bestaande Staten. Deze alleen heeft de Kerk naaal haar, of liever in haar midden — zij toch omvat de gansche aarde — zien geboren worden, opwassen tot hunne tegenwoordige grootte en macht.

De macht en het gezag van elke maatschappi] worden bepaald en aangewezen door hare natuur en haar doeleinde. Gaat zij de grenzen barer natuurlijke bevoegheid te buiten, om het terrein eener andere wettige macht te betreden, dan begaat zij eene wederrechtelijke overweldiging.

Welnu, de Kerk is eene maatschappij van geheel anderen aaid dan de Staat; zij heeft aan dezen haar bestaan niet te danken; haar doel is geestelijk en bovennatuurlijk, zij bevordert en wil het geestelijk welzijn barer onderdanen. De Staat, uit zijne eigen natuur, beoogt alleen rechtstreeks den uitwendigen vrede en het tijdelijk geluk der maatschappij. Wanneer nu de Kerk op zuiver burgerlijk gebied den Staat wilde overheerschen, zou zij hare bevoegdheid te buiten gaan ; doch dit verlangt zij niet. Maar evenzoo begaat de Staat eene schending van recht, wanneer hij aan de Kerk beletselen stelt tot de vrije en onafhankelijke uitoefening van haar geestelijk gezag.

De Staat is verplicht aan de Kerk de hand der vriendschap toe te reiken, haar, als zij op onrechtvaardige wijze wordt aangevallen, of wanneer hare rechten, als zedelijk lichaam, geschonden worden, bijstand te verleenen. De Kerk van haren kant eerbiedigt de rechten van den Staat en bevordert zijn bloei en welvaart, door het volk te onderwij zen, het de gehoorzaamheid aan de wettige macht, als door den godsdienst opgelegd, te verkondigen; zii beschaaft de zeden en leert de menschen rechtvaardig, matig en zedelijk leven; zij lenigt de armoede en tijdelijke rampen , zij moedigt de kunsten en wetenschappen aan en tracht die te bevorderen — met één woord, met de haar eigen wonderbare kracht werkt zij mede om orde, rust en vrede in den Staat te bewaren en zijn vooruitgang en bloei,

-ocr page 431-

417

ook op maatschappeliik gebied, te bevorderen. Zie verder het Concil. Provinc. Ultraject. Cap. IX, bladz. 47 en volg. Syllab. § 5, vooral Stelling XIX, XX, XXXIII, XXXIV, en § VI, Steil. XXXIX, XL, XLI, LIV en LV, en J. H. Wijnen; „Scheiding van Kerk en Staat.quot;

Door wien oefenen de Bisschoppen hm ambt in de afzonderlijke gemeenten (Parochiën) van hun Bisdom uit?

Door de Priesters of zielzorgers, die zij met dat doel gezonden hebben.

Nadat Jesus de twaalf Apostelen geroepen en uitgezonden had, om onder de Joden te prediken, dat het riik Gods nabij was (Luc. III), verkoos Hi] nog twee-en-zeventig andere leerlingen tot helpers der Apostelen, „en zond hen „voor zijn aangezicht, twee aan twee, in alle steden en „plaatsen, waar Hij zelf zonde komenquot; (Luc. X, 1). Eveneens stelden de Apostelen behalve de Bisschoppen ook Priesters aan, die den Bisschop in de bediening van zijn drievoudig ambt de behulpzame hand moesten bieden. Wel kan men om die reden de Priesters opvolgers der 72 leerlingen noemen, maar niet in denzelfden zin, als men de Bisschoppen opvolgers der Apostelen noemt. De leerlingen ontvingen namelijk van Christus geene geestelijke macht en zending met den last, die op hunne opvolgers over te dragen, zooals dit bij de Apostelen het geval was. Daarom ontleent ook de Priester zijne macht en zending niet aan zijne voorgangers, aan de 72 leerlingen, maar zij gaat enkel van het Episcopaat uit, aan welks hoofd Petrus staat in den persoon van den roomschen Paus. Dientengevolge zijn de Pastoors niet van goddelijke instelling gelijk de Bisschoppen, en slechts die Priester is gerechtigd in eene gemeente of parochie de zielzorg uit te oefenen, die „door „zijnen eigen, wettigen Bisschop daartoe gezonden en gemachtigd is.quot; — Ingeval een Priester zich verstoutte, zonder zending van den Bisschop in diens Bisdom de bediening van zielzorger waai* te nemen, zouden de geloovigen der parochie hem niet als hunnen zielzorger erkennen, de godsdienstoefeningen, die hij houdt, niet bijwonen, de HH. Sacramenten van hem noch vragen, noch ontvangen mogen. Ook de absolutie, die een dusdanige priester in het Sacrament van boetvaardigheid zou uitspreken, is, behalve in het uiterste geval van nood, namelijk in doodsgevaar, ongeldig en nietig. Want ofschoon de Priester door de priesterlijke wijding de macht ontvangt, niet slechts om brood

DEHAUBE, GELOOFSLEER. II. Sle UKÜK. 07

-ocr page 432-

418

en wijn in het H. Lichaam en Bloed van Jesus Christus te veranderen, maar ook om de zonden te vergeven, kan hij toch deze rechterlijke macht slechts dan geldig uitoefenen, d. i. geldig ahsolveeren, wanneer en zoo lang hij door den Bisschop, in wiens Bisdom hij zich hevindt, daartoe gemachtigd is. — Maar dewijl nu van den anderen kant alle macht, welke de Priester of zielzorger van zijn Bisschop ontvangt, oorspronkelijk van God uitgaat, die het Episcopaat gesticht, en met de macht, om Priesters te wijden en te zenden, hekleed heeft, zijn alle Priesters, die van hunnen Bisschop of ook onmiddellijk van den Bisschop dei-Bisschoppen, den roomschen Paus, wijding en zending ontvangen hebben, „gezanten in Gods plaats, daar God als „door hen vermaantquot; (2. Cor. V, 20), en tot hen allen is gezegd, wat Jesus tot de door Hem gezonden leerlingen sprak: „Wie u hoort, hoort Mij, en wie u versmaadt, „versmaadt Mij. Maar wie Mij versmaadt, versmaadt Hem, „die Mij gezonden heeftquot; (Luc. X, 16).

Hoe worden nu in de geheele Kerk de eenheid en goede orde staande gehouden ?

Zij worden daardoor staande gehouden, dat allen,, die geen Priesters zijn, aan de Priesters, de Priesters aan de Bisschoppen, de Bisschoppen aan den Paus in vrijwillige gehoorzaamheid steeds ondergeschikt blijven.

De Kerk van Christus op aarde is met de machten dei-hel in een onophoudelijken strijd gewikkeld, en heet daarom te recht de strijdende Kerk. Zij is als een welgeordend leger, welks onzichtbare opperbevelhebber de Koning dei-koningen, Jesus Christus, is, terwijl de Paus, als zichtbaar opperbevelhebber, zijne plaats bekleedt. Reeds Paus Clemens, een leerling van de HH. Apostelen Petrus en Paulus, wien de oorspronkelijke inrichting der Kerk het beste bekend moest zijn, gebruikt deze vergelijking. „In „een leger,quot; zoo schrijft hij in zijn eersten brief aan de geloovigen van Corinthe (vs. 37), „zijn niet allen veld-„heeren, niet allen oversten, niet allen hoofdlieden van „hoogeren of lageren rang,quot; men vindt er ook gemeen-soldaten. Zoo is het ook in de onder de leiding van Christus strijdende Kerk. De goddelijke Heiland heeft namelijk niet aan alle ledematen der Kerk gelijk recht en gelijke macht gegeven, maar „aan eenieder zijne plaats aange-„wezen, gelijk het Hem welgevallig was.... Hij zelf „heeft eenigen tot Apostelen, eenigen tot Profeten, maar „eenigen tot Herders en Leeraars aangesteld ter volmaking

-ocr page 433-

419

„der Heiligen, tot uitoefening van den godsdienst. ... Ziin aii ..allen Apostelen, allen Profeten, allen Leeraars ?quot; (1. Cor. XII, 18, en Eph. IV , 11 , 12). — In een krijgcsleger gaat de macht en het recht om te bevelen niet van den gemeen-soldaat uit, klimt niet van onderen af tot den veldheer op, maar komt van hoven, van den koning en opperveldheer, tot alle graden van hoofdlieden en aanvoerders. Eveneens gaat de kerkelijke macht noch van enkele geloovigen, noch van geheel het jreloovige volk, maar van Christus uit, en daalt in verschillende mate tot zijne plaatsbekleeders, den Paus, de Bisschoppen, de Priesters, enz. af. Vooral in de eerste tijden der Kerk gebeurde het wel, dat het volk bij de keuze der Bisschoppen en zielzorgers creraadpleegrl werd; doch dit geschiedde slechts, gelijk de H. Cypriaan opmerkt, „opdat in het bijzijn des volks de gebreken der „hoozen hekend gemaakt, de verdiensten der goeden geprezen, en alzoo voorkomen zou worden, dat een onwaar-„dige zich den dienst van het Altaar aanmatigde of in de „rij der Priesters werd aangenomen.quot; Het volk mocht in zoodanige gevallen dengene aanduiden, dien men voor de kerkelijke bediening het waardigste hield; maai- de geestelijke macht kwam immer van den H. Geest door middel van de opperherders, die Hij in zijne Kerk heeft aangesteld. — Gelijk het eindelijk volstrekt onmogelijk is, dat in een leger de noodzakelijke eendracht en orde bestaat , wanneer de gemeen-soldaten, van welken rang zij ook zijn mogen , hunnen hoofdlieden en zelfs hunnen opperbevelhebber wederstreven en gehoorzaamheid weigeren; zoo zou ook de tot den luister en de zegepraal der Kerk gevorderde eenheid, tucht en orde ontbreken, wanneer zij, die geen Priesters zijn, aan de Priesters, de Priesters aan de Bisschoppen, de Bisschoppen aan den Paus de verschuldigde gehoorzaamheid onthielden. Als lidmaat der Kerk heeft zelfs de machtigste vorst dezer aarde tegenover de kerkelijke overheden geene andere plaats dan die van een volgzaam lam, aan den herdersstaf van Petrus onderworpen. Daarom vermaant, de H. Paus Clemens in zijn boven aane:ehaalden brief (N. 37 en 57) de Corinthiërs, bij wie eene scheuring ontslaan was. zoo krachtig: „Beschouwt de soldaten, die onder „onze veldheeren dienen, hoe nauwkeurig, hoe gehoorzaam, „hoe onderdanig zij de bevelen nakomen. Ieder volbrengt „in zijnen rang en op zijnen post, wat hem door den koning

„en zijn aanvoerder geboden wordt..... Gehoorzaamt ook

„gij aldus aan de Priesters; neemt de terechtwijzing in den „geest van boetvaardigheid aan, buigt uwe harten, leert „onderdanig zijn en legt allen hoogmoed en aanmatiging af.quot;

-ocr page 434-

420

TOEPASSING.

Wee dengenen, die de Kerk verachten en sclieuringen invoeren! „Zij volgen den weg van Caïn en gaan ten „gronde in het oproer van Core. ... Zij zijn dwaalsterren, quot;die het donker der eeuwige duisternissen te wachten heb-quot;benquot; (Jud. XI, 13). — Core, Dathan en Abiron hadden, onder het voorwendsel, dat al het volk heilig is en God toegewijd, derhalve allen in het oog van God gelijk zijn, teo-en Mozes en Aaron zich verzet; toen verslond hen de aarde, en het vuur van den hemel doodde hunnen aanhang (4. Mos. XVI). Alvorens deze straf over hen losbrak, beval de Heer zelf aan Mozes, het volk van die oproerlingen te verwijderen, opdat het, gelijk Cyprianus zegt (Br. 68), „door den omgang met de overtreders der wet „niet in hunne overtredingen en straffen zou deelen.quot; ^Mijdt daarom,quot; zegt dezelfde H. Leeraar (in zijn boek over de eenheid der Kerk), „bid ik u, mijne broeders, mijdt der-„gelijke lieden, vlucht de verderfelijke taal, waardoor zij u tot quot;ongehoorzaamheid jegens de geestelijke overheid aanzetten, quot;vlucht ze als de pest quot; — Voedt daarentegen in uwe harten diepen eerbied en onderdanigheid in het bizonder jegens onzen H. Vader, den Paus. In hem, „zit Petrus op den apostolischen ötoel; Petrus bindt en ontbindt door Pius [!{Leo); door hem stuurt Petrus het roer der Kerk, Petrus spreekt door zijnen mond. Petrus zegent door zijne hand, „Petrus leeft en werkt door Pius (Leo). Daarom is hij, als „opvolger van den Prins der Apostelen, het zichtbare hoofd quot;der katholieke Kerk, de eerste beschermer van het geloof, quot;,de eerste stedehouder van God en uitdeeler zijner genade-quot;middelen, de opperste handhaver der kerkelijke orde, de quot;herder der herders, de geestelijke vader van allen, die de ,|Kerk door den H. Doop herboren heeft; wij allen zijn quot;zijne geestelijke kinderenquot; (Herderlijke brief van Z. Em. Kardinaal Aartsb. van Keulen ,1858). Hem dus zijn wij allen kinderlijken eerbied, gehoorzaamheid en liefde verschuldigd. i) Eert en bemint ook uwe Bisschoppen en de overige

M Zelden willicht nimmer, openbaarde zich de kinderlijke eerbied en liefde iegens den H. Vader, den Paus, zoo treffend, als in het jaar 1S48, toen Pius IX z. g., door oproerlingen verjaagd, onder de bescherming van den koning van Napels, te üaütain ballingschap leefde. Dieper dan ooit was toen de eerbied en inniger de gehechtheul, waarmede de katholieke natiën op den zwaar gedrukten Vader der Olms-tenheid hun oog vestigden. Ontelbare brieven, die van de voortdurende trouw, de oprechtste bewondering en deelneming getuigden, aanbiedingen van hulp en geschenken werden den Paus toegezonden. Onder anderen ontving de H. Vader zelfs van een Lutheraan uit

-ocr page 435-

421

Priesters; gehoorzaamt bereidvaardig aan hunne verorde-niugen; ook zij bekleeden Gods plaats bij u, en deelen u met volle handen de schatten zijner genade mede. Neemt hunne vermaningen en terechtwijzingen in ootmoed aan, daar God het is, die u door hen vermaant en terechtwijst.\') Wie altijd de voorschriften nakomt, op hem zal de genade en zegen des Heeren rusten. Maar wie de waarschuwende stem van zijn zielzorger veracht, diens heilzame raadgevingen versmaadt, jegens diens bevelen zich wederspannig toont, hem zal eens een streng oordeel treffen. Wanneer Jesus, de Rechter der wereld, al, wat men den minsten zijner broeders goed of kwaad gedaan heeft, zoo aanziet, als had men het Hem zeiven gedaan; hoeveel te meer zal dit van diegenen gelden, die Hij aangesteld heeft om als vaders en herders der zielen zyne plaats te bekleeden ? -)

Lubeck, Christiaan Freytag genaamd, een brief, waarbij dertig dukaten gevoegd waren en die met de volgende woorden eindigde; //Ver-//oorloof mij, H. Vader, daar ik van een grooten eerbied voor uwen //geheiligden persoon doordrongen ben, ook verder voor U onzen //Heiland, Jesus Christus, te bidden. Gelieve daarvoor mijne familie //te zegenen, die, ofschoon van den lutherschen godsdienst, voor U „den rijksten zegen afbidt van de hand van onzen hemelschen Vader, „die zelf liefde en heiligheid is.quot; — üit de verst verwijderde landen zonden de Aartsbisschoppen en Bisschoppen adressen aan den hoog-waardigen banneling: uit Martinique, Oregon, Agra, Mexico, Auckland, Japan, Lima, Melbourne, 1\'ondichery, Sidney, Santiago, enz. Het is onmogelijk alle bisdommen en steden op te noemen, waaruit, als uit ééne bron, een groote stroom van bewijzen van deelneming naar Gaëta vloeide. V\\ aar eene katholieke gemeente bestond of een katholiek altaar was opgericht, daar gevoelde men zich verontwaardigd over den smaad, den H. Vader aangedaan, en de geheele Kerk achtte zich in den geheiligden persoon van haar opperhoofd diep gekrenkt.

\') Mochten toch allen hierin het schoone voorbeeld van den grooten Theodosius volgen I Deze anders zoo edelmoedige keizer bad in eene vlaag van toorn duizenden inwoners van het oproerige Thessalonica laten vermoorden. i)e H. Ambrosius, Bisschop van Milaan, hiervan kennis gekregen hebbende, stelde er zich niet mede tevreden, den Keizer door een brief, vol apostolische vrijmoedigheid, de grootheid van dit misdrijf voor oogen te houden en hem tot boetvaardigheid op te wekken, maar ging hom, toen hij niettemin, de kerk wilde inkomen, als plaatsbekleeder der goddelijke Majesteit onverschrokken tegemoet en wees hem aan den ingang des heiligdoius af. En als Theodosius onthutst, getrotl\'en en ontroerd de zonde van koning David ter verontschuldiging aanhaalde, riep de H. Bisschop hom toe: //hebt ■/gij den zondaar gevolgd, welaan volg dan ook den boeteling na.quot; Nu ging de Keizer zonder tegenspraak heên, deed acht maanden lang in zijn paleis de strengste boete en nam, toen hij weder in de kerk kwam, plaats bij de openbare boetelingen, totdat Ambrosius hem van zijne zonden vrijsprak. — Theodosius was later op den Bisschop, die zoo moedig zijn plicht volbracht, geenszins vertoornd; integendeel zeide hij in een gesprek met den Aartsbisschop Keearius te Constan-tinopel: //ik ken er maar één, die waardig is Bisschop te wezen, en deze is — Ambrosius.quot;

-) Willem IX, hertog van Aquitanie en graaf van Poitiers, was om

-ocr page 436-

422

§ 9. Over de kentcekenen der l£erk.

Heeft Christus ééne of meer dan éêne Kerk gesticht?

Christus heeft maar ééne Kerk gesticht, gelijk Hij maar één geloof geleerd, één doopsel, één leer- en herdersambt ingesteld heeft.

Het geloof en de doop zijn de banden, welke de menschen tot de Kerk van Christus, d. i. tot dat Godsrijk vereenigen, waarvan Jesus Christus de ééne Koning is, dewijl alleen diegenen daartoe behooren, die gedoopt zijn en het door Christus geleerde geloof belijden. Christus nu heeft maar één geloof geleerd en maar één doop ingesteld, volgens de woorden van den Apostel: „één Heer, één geloof en één „doopquot; (Eph. IV, 5); er kan derhalve maar ééne Kerk van Christus zijn. Immers, waar maar één band is, welke verscheiden deelen omslingert en vereenigt, daar kan gewis nok maar één geheel uit die vereeniging voortkomen. Zoo vereenigt de eene band der verwantschap verscheiden leden tot ééne familie, de eene band der staatsorde verscheiden burgers tot éénen Staat. — quot;Verder heeft Christus, gelijk reeds is aangetoond, voor alle volkeren der aarde slechts één leer- en herdersambt ingesteld. Want, hoewel er vele leeraars en herders zijn, bestaat er toch slechts één leer-en herdersambt, wijl iedere leeraar en herder door den band der afhankelijkheid met den oppersten leeraar en herder

zijn openbaar verzet tegen den wettigen Paus Innooentius II en tegen zijnen Bisschop, met den ban getroffen. De H. Bernardus werd nu als apostolisch gezant naar Aquilanië gezonden, om den hertog tot inkeer te brengen. Toen de onderhandelingen door de weerspannigheid van den schuldige vruchteloos schenen te zijn , spoedde de H. Bernardus zich naar de kerk om het H. Misoffer op te dragen, terwijl de hertog met zijne aanhangers voor de deur stonden. Na de consecratie nam de gezant de patoen met het allerheiligst lichaam onzes Heeren, begaf zich daarmede naar het kerkportaal en sprak tot den hertog: ffwij hebben tot u het woord gericht, en gij hebt de dienaars „van God veracht; zie! nu komt de Zoon Gods zefs, het Hool\'d van /,die Kerk, welke gij bedroeft; zie uwen Rechter, in wiens naam «allo machten, zoowel in den hemel als op aarde de kniën buigen!quot; Bij deze woorden zonk de hertog, als door den bliksem getroffen, op den grond neêr en kon geen letter spreken. Bernardus beval hem op te staan en zich met den Bisschop van Poitiers, die aanwezig was, te verzoenen. Willem reikte met eerbied den Bisschop de hand, maakte een einde aan de tweespalt en vergoedde de gegeven ergernis door zijn stichtenden levenswandel. — Verschijnt de goddelijke Rechter, onder de nederige gedaante van brood verborgen, zoo geducht aan hen, die zijnen plaatsbekleeder verachten: hoe groot zal dan niet hun schrik zijn, wanneer Hij op den oordeelsdag met macht en heerlijkheid rekenschap komt eischen?

-ocr page 437-

423

vereenigd is. Waar slechts één leerambt is, daar kan noodzakelijk ook maar één geloofsgenootschap, en waar slechts één herdersambt is, ook maar ééns kudde zijn. — Er is bijgevolg slechts ééne enkele Kerk van Christus. Dit zelfde leert ons de ondubbelzinnige uitspraak van haren Stichter zeiven. Christus zegt (Matth. XVI, 18) tot Petrus: ,.gij „zijt Petrus (de rots) , en op deze rots zal Ik mijne Kerk „bouwen.quot; Hij belooft alzoo éénen grondsteen te leggen en op dien eenen grondsteen ééne, niet meer dan ééne Kerk te zullen bouwen. Bij Joannes (X, 16) spreekt Jesus van zijne Kerk als van éénen schaapsstal en éénen herder; „er „zal,quot;\' zegt Hij, „maar één schaapsstal en één herder zijn.quot; Desgelijks kennen ook de Apostelen maar ééne Kerk. Volgens hen is deze het mystiek of geheimzinnig lichaam van Christus, welks leden de geloovigen zijn; Christus nu heeft maar één natuurlijk en ook slechts één mystiek lichaam; er is aldus maar ééne Kerk de Kerk van Christus, d. i. Christus beeft maar ééne Kerk gesticht.

Xan men die ééne, door Christus gestichte Kerk gemakkelijk onderscheiden ?

Ja, want Christus heeft eene zichtbare Kerk gesticht met eigenaardige kenteekenen, zoodat zij gemakkelijk te vinden is.

Eeeds de Profeten hebben de Kerk, welke de Messias zou stichten, als eene zichtbare voorspeld. Daniël (II, 44) duidt haar aan als een machtig rijk, dat zich over den ge-heelen aardbodem zal uitstrekken; en Isaïas noemt haar „den berg des Heeren, die op den top der bergen staat en „zich verheft boven de heuvelen, en waarheen alle volkeren „zullen stroomen.quot; — Christus zelf spreekt van zijne Kerk, die bestemd is om de leer des heils te verkondigen, als van eene stad, „welke op een berg staat,quot; als van een licht, „dat men niet ontsteekt en onder de korenmaat plaatst, „maar op den kandelaar, opdat het voor allen schijnequot; (Matth. V, 15). In het algemeen vergelijkt Jesns zijne Kerk met zichtbare voorwerpen, nu eens en wel het meest met een rijk, dan met een akker, met een net, soms met een mostaardzaadje, dat tot een boom opgroeit, met een schaapsstal, waarin allen moeten komen , met een burg, die op eene rots is gebouwd, enz. Daarenboven spreekt de goddelijke Leeraar: „als uw broeder tegen u gezondigd

„heeft.....zeg het aan de Kerk. Indien hij de Kerk niet

„hoort, zij hij u als de Heidenen en tollenaarsquot; (Matth. XVIII, 15—17). Kon Christus dengene, die de Kerk niet

-ocr page 438-

424

hoort, wel gelijk stellen met den Heiden en den openbaren zondaar, die de eeuwige verdoemenis te wachten hebben, indien de Kerk geheel onzichtbaar of moeielijk te vinden, als haar woord niet verstaanbaar was?

Niet minder duidelijk blijkt de zichtbaarheid van Christus\' Kerk, als wij beschouwen, dat zij volgens de leer der Apostelen zichtbaar (onder het bereik der zintuigen) moet zijn, en ook feitelijk is. De Kerk is zichtbaar:

1) in hare hoofden en ledematen; zij bestaat uit zichtbare overheden en zichtbare onderdanen, gelijk elke andere maatschappij. De Apostel vermaant de Bisschoppen (Hand. XX, 28) acht te geven op hunne geheele kudde; hoe zou dit mogelijk zijn, als die kudde onzichtbaar was? In zijn brief aan de Hebreeuwen (XIII, 17) maant hij de geloovigen dringend aan, „den oversten te gehoorzamen en hun onder-„danig te zijn.quot; Hoe kan dit geschieden, als de overheden niet kenbaar zijn ? —

2) De Kerk is zichtbaar of kenbaar in de verkondiging en de belijdenis har er leer. Volgens den wil van haren godde-lijken Stichter moet in de Kerk en door de Kerk de blijde boodschap des heils aan alle schepselen, alom en ten allen tijde tot aan het einde der wereld verkondigd worden. Werd die openbare prediking, welke ieder geloovige kan hooren, achtergelaten, dan zou ook het geloof van de wereld verdwijnen. Het geloof immers komt uit het gehoor, en het gehoor door het woord van Christus (Rom. X, 17). Daarom werd steeds en wordt ook nu nog het christelijk geloof van duizenden leerstoelen en kansels af verkondigd, door de waarheidlievende geloovigen gehoord en voor aller oogen met woord en daad beleden, beleden door het bezoeken der openbare godsdienstoefeningen, door het bidden der geloofsbelijdenis van de Apostelen, enz., beleden wyl men zich verplicht gevoelt, uitwendig van zijn geloof blijk te geven, overeenkomstig het woord van den Apostel: „met den „mond wordt belijdenis gedaan tot zaligheid1\' (Kom. X, 10).

3) De Kerk moet zichtbaar zyn en is het ook inderdaad in het offèr en in de uitdeeling der 1111. Sacramenten. Hoe zou de Apostel (Hebr. XIII, 10) van een offeraltaar, en (1. Cor. X, 16—21) van het breken des broods en het zegenen van den kelk kunnen spreken, als er in de Kerk geen zichtbaar offer, geene viering van het Avondmaal bestond ? Desgelijks dient de Kerk volgens den wil des Heeren op eene wijze, die onder het bereik der ziutaigen valt, het H. Doopsel, de absolutie van de zonden, kortom alle HH. Sacramenten toe. Derhalve, wie de zichtbaarheid der Kerk in twijfel trekt, komt niet enkel in strijd met

-ocr page 439-

het nadrukkelijk woord van Christus en de Apostelen, maar ook met het ontegensprekelijk getuigenis van de zintuigen, van het gezond verstand.

Wij willen lüermede volstrekt niet zeggen, dat er in de Kerk van Christus niets bestaat, wat buiten liet bereik onzer zintuigen valt, niets, wat onzichtbaar is, evenmin als men een mensch zichtbaar noemende, zeggen wil, dat er in den mensch niets is, hetgeen niet onder de zinnen valt. Gelijk namelijk de mensch lichaam en ziel, bijgevolg een zichtbaar en onzichtbaar bestanddeel heeft, welke in de innigste levensvereeniging met elkander den eenen mensch uitmaken, zoo bestaat ook de Kerk uit een zichtbaar en onzichtbaar element, als \'tware uit lichaam en ziel, welke door den H. Geest vereenigd en samen gehouden, de eene Kerk van Christus vormen. Onder lichaam der Kerk verstaat men derhalve al datgene, wat aan haar, als aan eene uit menschen samengestelde maatschappij, onder het bereik dei-zintuigen valt, d. i. haar uitwendigen vorm en beheer, haar opperhoofd, hare oversten en onderscheiden zichtbare ledematen, hare zichtbare heilsmiddelen, de prediking van Gods woord, kortom de christelijke Kerk, inzooverre zij onder de zintuigen valt of zichtbaar is. Onder ziel der Kerk daarentegen begrijpt men al datgene, wat aan haar door middel der zintuigen niet waargenomen kan worden , zooals b. v. het geloof, de hoop, de liefde, het leven der genade, de volheid der gaven van den H. Geest, inzooverre namelijk dit alles niet door werkingen naar buiten zich openbaart of zichtbaar is. — Wanneer nu een mensch bij de zichtbare Kerk is ingelijfd, d. i. wanneer hij met haar hetzelfde geloof belijdt, van hare zichtbare genademiddelen gebruik maakt en aan de geestelijke overheid gehoorzaamt, behoort hij tot het lichaam der Kerk, d. i. zijn uitwendig leven komt met het uitwendig leven der Kerk overeen. Wanneer lüj echter de liefde, de heiligmakende genade mist, behoort hij niet tot de ziel der Kerk, dewijl zijn innerlijk, onzichtbaar leven met het innerlijk leven der Kerk niet overeenstemt. Zoo iemand is dan wel een lidmaat dei-Kerk, maar een verdord, een gestorven lid, gelijk de tük, welken het sap van deu boom niet meer doordringt, of eene verdorde hand, die door den bloedsomloop niet meer levend wordt gehouden. Van den anderen kant is het ook mogelijk, gelijk later zal aangetoond worden, dat iemand de heiligmakende genade bezit, zonder bij de Kerk, die hij door onwetendheid zonder schuld niet kent, uitwendig te zijn ingelijfd. Zoo iemand behoort tot de ziel der Kerk, wijl zijn innerlijk leven met het innerlijke onzichtbare leven der Kerk overeenkomt. Daar hij evenwel niet tot het lichaam der Kerk behoort, mist hij ook eene menigte genaden, welke de ledematen van het lichaam der Kerk door het zichtbaar leer-, priester- en herdersambt ontvangen. — Uit het gezegde, dat er eenigen zijn, die enkel tot het lichaam der Kerk, en anderen, die alleen tot de ziel der Kerk behooren, kan men echter geenszins besluiten, dat er twee van elkander gescheiden en al het ware op zich zelve staande Kerken zijn, namelijk eene zichtbare en eene onzichtbare, er volgt slechts uit, dat men ook op twee verschillende gebrekkige wijzen lidmaat zijn kan der ééne Kerk, welke bestaat uit lichaam en ziel, die door den li. Geest onafscheidelijk met elkander verbonden zijn. Er is alzoo maar ééne Kerk van Christus, welke tegelijk zichtbaar en onzichtbaar is: zichtbaar, voorzooverre men haar beschouwt in hare uiterlijke verschijning, onzichtbaar, inzooverre men haar innerlijk geloofs- en genadeleven op \'t oog heeft. Wie derhalve de zichtbare Kerk gevonden heeft, heeft ook de onzichtbare gevonden, d. i. lüj heeft de dour den H. Geest levende, op eene onzichtbare wijze bestuurde, met de heerlijkste genadeschatten verrijkte Kerk gevonden. Want gelijk Christus, de Zoon van God, bij zijne mensch wording, niet een dood, maar een levend lichaam

-ocr page 440-

426

aangenomen heeft, zoo is ook de Kerk, zijn aangenomen geheimzinnig lichaam geen dood, maar een door den H. Geest bezield, levend lichaam. £n gelijk de godheid in Christus nooit ophield, met de eenmaal aangenomen menechelijke natuur, met lichaam en ziel ver-eenigd te zijn, zoo wil Christus ook met zijne ééne Kerk, welke uit lichaam en ziel bestaat, tot aan het einde der wereld vereenigd blijven. En inderdaad, week de Geest Gods ooit van de zichtbare, op de rots van Petrus gebouwde Kerk. dit zou slechts kunnen geschieden, als deze, tegen de belofte van Christus in, door de poorten der hel was overweldigd. — Daar Christus zijne Kerk ontegensprekelijk tot heil der menschen gesticht heeft, is het ook zijn wil en gebod, dat allen er binnen gaan, en in haar en door haar aan de goddelijke leer, aan hare genademiddelen en alzoo aan de eeuwige zaligheid deelachtig worden. De Kerk van Christus moet bijgevolg, niet alleen zichtbaar, maar zelfs gemakkelijk te erkennen zijn, d. i. zij moet zekere uitwendige kenteekenen hebben, waardoor het iederen onbevooroordeelde gemakkelijk wordt, haar van de vele godsdienstige genootschappen, die zich als om strijd, doch zonder recht, voor de Kerk van Christus uitgeven, te onderscheiden. Wij stellen alzoo de vraag, welke die onderscheiden kenteekenen zijn, of waaraan men de ware Kerk van Christus kan kennen.

K.eBilt;eckciicii der ééne Kerk. van Chrisiliis-

Waaraan erkent men de ware Kerk van Christus?

De ware Kerk van Christus erkent men daaraan, dat zij 1) één, 2) heilig, 3) katholiek en A) apostoliek is.

Dit getuigt reeds de geloofsbelijdenis van Nicea, wier gezag door onkatholieken, die aan de leer der christelijke oudheid nog eenige -waarde hechten, gehuldigd wordt. Wij lezen daar: „ik geloof in ééne (daarom ook eene eenige) „heilige, katholieke en apostolische Kerk.quot; De H. Schrift zelve schrijft der Kerk van Christus deze vier uitwendige eigenschappen of kenteekenen toe.

De Kerk van Christus moet naar het getuigenis der H. Schrift 1) één zijn. Volgens de boven aangehaalde Schnft-tuurplaatsen is zij een gebouw, een rijk, en wel een onverwoestbaar gebouw (\'Matth. XVI, IS) , een onoverwinnelijk rijk (Dan. II, 44). Indien nu de Kerk niet één was, zou het gebouw vervallen, het eene rijk zou in meerdere rijken verdeeld, gesplitst en opgelost worden. Want „ieder rijk, „tegen zich zelf verdeeld, zal verwoest worden, en het eene „huis op het andere vallenquot; (Luc. XI, 17). De Kerk van Christus moet één zijn in de verkondiging van het woord Gods, d. i. in de geloofsleer, één in de uitdeeling der Sacramenten , één in de gehoorzaamheid aan haar opperhoofd, daar Christus maar één geloof geleerd, voor alle menschen

-ocr page 441-

427

dezelfde genademiddelen of Sacramenten ingesteld, en slechts één opperhoofd ter voorkoming en wegruiming van alle scheuringen henoemd heeft. Van hoe groot belang, ja, hoe noodzakelijk die voortdurende eenheid der Kerk is, geeft Jesus Christus zelf ons te kennen, als Hii bij het laatste avondmaal op eene plechtige wijze hoofdzakelijk daarom den Vader smeekt. „Ik bid,quot; dus luidt zijne bede, „.... opdat „zij allen (de Apostelen en alle geloovigen) één zijn, gelijk „Gij, Vader! in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één „zijn: opdat de wereld geloove, dat Gij Mij gezonden hebtquot; (Joan. XVIII, 20, 21). Daarom beveelt ook de H. Pau-lus telkens deze zoo noodzakelijke eigenschap der Kerk op \'tnadrukkelijkst aan, vooral in zijnen brief aan die van Ephese (IV, 11—15), en verzoekt de geloovigen dringend, allen te mijden, „die verdeeldheden en ergenissen stichten „buiten de leer, welke gij geleerd hebt\'\' (Rom. XVII, 17).

De Kerk van Christus moet 2) heilig zijn, wijl zij het werk voortzet van Hem, „die zich zeiven gegeven heeft „voor ons, om ons te verlossen van alle ongerechtigheid en „te zuiveren voor zich zeiven tot een uitgelezen volk, ijve-„raar naar goede werkenquot; (Tif. II, 12), en haar doel de heiliging der mensehen is. Haar Stichter toch daalde uit den hemel neder, „opdat Hij haar heilig zoude „maken, haar gezuiverd hebbende met het bad des „waters in het woord des levens, opdat Hij zelf aan „zich zeiven volheerlijk de Kerk zoude voorstellen, niet „hebbende smet, of rimpel, of iets dergelijks, maar opdat „zij heilig zij en vlekkeloosquot; (Eph. V, 25—26). Zij moet heilig zijn, wijl zij, volgens de H. Schrift, het lichaam van Christus, de Bruid van Christus, het huis en de tempel van God is. Zij moet heilig zijn in hare ledematen, in hare leering, in hare wetten, in hare genademiddelen of Sacramenten, eindelijk in de vruchten, welke zij bij velen harer ledematen voortdurend voortbrengt, daar elke goede boom ook goede vruchten draagt.

De Kerk van Christus moet 3) haiholiek of algemeen zijn, omdat zij niet, gelijk de joodsche Synagoog, enkel voor ééne natie en voor een bepaalden tijd gesticht is, maar alle volkeren van alle plaatsen en alle tijden moet omvatten, zooals uit de meermalen aangehaalde woorden van Jesus Christus: „gaat en leert alle volken\'\', enz. genoegzaam blijkt. Door de Kerk „moet het Evangelie des rijks (van God) j.gepredikt worden in geheel de wereld, allen volken tot „getuigenisquot; (Matth. XXIV. 14). De Kerk is het rijk van God, hetwelk, naar de voorspelling der Profeten, van zee tot zee reiken en in eeuwigheid niet vergaan zal. Zij is

-ocr page 442-

428

de berg Sion, waarop de Heer over de volkeren heerschen zal van nu af tot in eeuwigheid (Mich. IV, 7).

De ware Kerk van Christes moet eindelijk 4) apostoliek zijn, wijl zij, zooals de H. Paulus aan die van Epliese schrijft (II, 20), „gebouwd is op den grondslag der Apos-„telen,quot; van wie zij na Christus hare leer en voornaamste instellingen ontvangen heeft. Inderdaad waren het de Apostelen, die de Kerk het allereerst over den aardbodem verspreidden. Alleen aan de Apostelen en hunne opvolgers heeft Christus beloofd , dat Hij met hen zou wezen tot het einde der wereld: „Ik ben met u alle de dagen tot de „voleinding der wereld1\' (Matth. XXVIII, 20).

Welle Kerk heeft deze vier kenteelenen ?

Deze vier kenteekenen heeft gewis geene andere, dan de roomsch-katholieke Kerk, d. i. die, welke den Paus van Rome als haar opperhoofd erkent.

Behalve de roomsch-katholieke Kerk zijn er, zooals wij reeds aanmerkten, nog vele andere godsdienstige genootschappen, die haren leden den naam van „Christenquot; geven en dan beweren, dat zij de ware door Christus gestichte Kerk zijn. In geene van deze kleinere of grootere genootschappen vinden wij de genoemde vier eigenschappen, welke toch, volgens het getuigenis der H. Schrift, van de Kerk van Christus onafscheidelijk zijn ; in geene vinden wij in \'t oog vallende bewijzen der eenheid, heiligheid, katholiciteit en apostoliciteit; integendeel komen zij ons voor als oneen en onheilig, als niet katholiek en niet apostoliek. üe roomsch-katholieke Kerk daarentegen vertoont zich ten aanschouwe van de geheele wereld als de ééne, heilige, katholieke en apostolieke Kerk, en daarom beweren wij terecht, dat zij alleen de kenteekenen der ware, door Christus gestichte Kerk heeft.

Waarom is de roomsch-katholieke Kerk één ?

1) Omdat zij altijd en overal hetzelfde geloof heeft geleerd en beleden en voortdurend leert en belijdt.

Ook nu nog gelden van de roomsch-katholieke Kerk de schoone woorden, waarmede de H. Ireneus (Adv. haer. Lib. I. 32. n. 16) hare eenheid van geloof aantoonde; „Ofschoon „over de geheele wereld verstrooid, bewaart toch de Kerk „getrouw de gepredikte heilsleer als bewoonde zij één huis, „gelooft overal hetzelfde, als had zij ééne ziel, leert alom „eenparig hetzelfde, als had zij maar één mond. Ofschoon

-ocr page 443-

429

„de talen verschillend zijn, is toch het begrip de overge-,,leverde leer één en hetzelfde. De kerken, in Germanië „gevestigd, gelooven en leeren niets anders dan die van „Hibernië of Gallië, het Oosten of Egypte, Lybië of het „midden van den aardbol; maar geliik de zon in de gansche „wereld ééne en dezelfde is, zoo straalt ook het licht, de „prediking der waarheid, overal en verlicht alle menschen, „die tot de kennis der waarheid willen komen\'\' (Vergelijk hier deel I, bladz. 85 en 132). — Wel heeft de Kerk aan hare geloofsbelijdenis in den loop der tijden een meer bepaalden vorm en grootere ontwikkeling gegeven \'), maar geenszins hare geloofsleer in het geringste veranderd, evenmin als de gewijde redenaar of katecheet eene met weinig woorden aangegeven leerstelling verandert, wanneer hij die in eene meer uitgebreide redevoering nauwkeuriger bepaalt en ontvouwt. Nooit heeft men kunnen aantoonen, dat zij één geloofsartikel verworpen heeft, hetwelk zij vroeger had aangenomen, of één heeft aangenomen , hetwelk zij voorheen had verworpen 2). De Kerk duldde en duldt gewis verschil van gevoelens, maar nimmer in datgene, wat zij, als door God geopenbaard, te gelooven voorstelt, d. i. tegen de geloofsleer. Wie zich in dit opzicht niet aan het kerkelijk leerambt onderwerpt en bijgevolg een ander geloof leert of belijdt, als het ééne katholieke, die wordt buiten hare gemeenschap gesloten.

2) De Kerk is één, wijl zij in alle tijden en overal hetzelfde offer en dezelfde Sacramenten heeft. De eenheid der roomsch-kathoiieke Kerk is, wat aangaat haar onbloedig offer en hare zeven heilige Sacramenten, allerduidelijkst zichtbaar. Waar ter wereld Bisschoppen en Priesters zijn, wordt dit offer opgedragen, worden deze Sacramenten toegediend. Moge er ook betrekkelijk de ceremoniën en gebeden , welke bij de H. Mis en bij de toediening der HJ3. Sacramenten voorkomen en van kerkelijken oorsprong zijn.

\') De H. Augustinus merkt aan, dat inzonderheid de ketterijen de Kerk aanleiding gaven, om bizondere geloofspunten vlijtiger te beschouwen, duidelijker te vatten, nadrukkelijker te prediken. „Vóór „de Arianen,quot; zegt hij, „heeft men de H. Drieëenheid, vóór de ïfova-„tianen heeft men biecht en boete, vóór de Overdoopers heeft men „het Doopsel niet zoo volkomen en klaar behandeld.quot; Zie verder: O, Spitsen: „de ontwikkeling der Kerkleer en \'s Pausen onfeilbaarheid,quot; bladz. 415 en volg.

-) De juistheid dezer bewering behoeft hier geenszins breedvoerig gestaafd te worden, daar in deel I reeds voldoende bewijzen zijn geleverd, en zelfs protestantsche schrijvers luide over dieoneenigheid klagen, en erkennen, dat er geen middel schijnt te wezen, om dit ongerief te verhelpen (zie het Frankfurter Kathol. Kirchenblatt, 1S5S n. 5).

-ocr page 444-

430

velerlei verscheidenheid zich voordoen : het wezenlijke, het door Christus verordende, blieft echter alom hetzelfde. En zoo was het in alle tijden, dit getuigt ons zelfs de reeds vroeger van de roomsche Kerk afgescheiden grieksch-schis-matieke Kerk, welke zoowel het H. Misoffer als ook de zeven FIH. Sacaraenten behouden heeft.

3) Zij is eindelijk één, dewijl zij in den wettigen opvolger van Petrus, in den roomschen Paus, een gemeenschappelijk opperhoofd heeft. Het is onnoodig het bewijs hiervoor te leveren, wijl dit reeds uit bet boven gezegde blijkt en het juist een der voornaamste verwijten is, welke de andersdenkende geloovigen den Katholieken toevoegen, dat zij papen, papisten, d. i. gehoorzame onderdanen van den roomschen Paus zijn. — Onze vijanden maken er wel veel ophef van, dat er in de roomsche Kerk somtijds twee, eenmaal zelfs drie Pausen geweest zijn, doch daardoor werd de eenheid van het wettig opperhoofd in de Kerk volstrekt niet opgeheven. Immers, van die twee of drie Pausen was één de wettige opvolger van Petrus, of wel geen. In het eerste geval was die eene het wettige opperhoofd der roomsch-katholieke Kerk, ofschoon hij, omdat men bezwaar maakte omtrent de wettigheid der keuze, of wel om andere redenen, niet door alle Katholieken als zoodanig erkend werd ; in het tweede geval was de roomsche Stoel onbezet, gelijk plaats vindt telkens bij het overlijden van den Paus, zonder dat de eenheid der Kerk er door lijdt. Overigens heerschte ook gedurende die woelige tijden in de geheele Christenwereld de overtuiging, dat er in de Kerk maar één wettig opperhoofd was, hoewel de gevoelens verdeeld waren, wie als dat eeuig wettig hoofd der Kerk beschouwd moest worden.

De roomsch-katholieke Kerk is alzoo één , zij is het geheel alleen en uitsluitend. Alle godsdienstige genootschappen, welke in de zestiende eeuw uit den afval van de roomsche Kerk zijn voortgesproten, ontberen van oudsher die eenheid van geloof, i) Terstond bij haar ontstaan verdeelden zij zioh in verschillende partijen of sekten, die elkander op de bitterste en grofste wijze aanvielen en aangaande de voornaamste geloofspunten aanhoudend met elkaar in twist waren. Ook met zich zelve kwamen zij dikwerf in tegenspraak. -) Niets beter is het in onze dagen met de eenheid der Protestanten

\') Over de grieksch-schismatieke Kerk spreken wij later. 2) De bekentenissen van Oalvijn, Melanchthon en anderen komen voor in deel I., bladz. 77, 81, 104, 131.

-ocr page 445-

431

gesteld, i) Nadat hunne ieer herhaalde malen veranderd is, zijn zij eindelijk zoo ver gekomen, dat zij zelfs de schaduw van eene gemeenschappelijke geloofsleer niet meer hebben, en , hun eenparigen haat tegen het pausdom en de katholieke Kerk er buiten gerekend, het eigenlijk in niets meer eens zijn, dan in dit punt, dat men in alles oneens wezen en

!) Om tenminste den schijn van eenheid te redden, hebben de Protestanten reeds vroeger het onderscheid uitgedacht tusschenquot; fun-dainenteele en niet-fnndamenteele waarheden des geloofs (Zie deel I., bladz. 138). In de fundamenteele leerstukken, dus beweren velen van hen, zijn zij het onderling eens; hunne onecnigheden betreffen alleen bijzaken, welke eenieder naar believen aannemen of verwerpen kan. Tegen dit gezegde verheft zich echter met allen ernst de Protestant Wigand, terwijl hij hen, die zich van deze uitvlucht willen bedienen, niet zeer hoffelijk\' de deur afsluit met de woorden: „neen, het zijn z/geene beuzeling\'en, waarom wij strijden, maar de gewichtigste hoofd-»stukken der christelijke leer.quot; En die krachtige uitspraak schijnt zeer gegrond, als men bedekt, dat de medeleden der protestantsche genootschappen strijd voeren om vragen, die tot het innigste wezen van het Christendom behooren, bijv. of Christus God is of niet; desgelijks om vragen, van welker oplossing niets minder, dan het bestaan eener christelijke Kerk afhangt; om levensvragen als bijv.: wat is de Kerk? Wie is lid van de Kerk? Heeft men zich enkel aan de Evangeliën of aan de geheele H. Schrift of ook aan de confessies te houden? enz. — „Maar,quot; dus antwoorden de onkatholieken, „wij zijn allen „één in het qfloof aan Christus, wij zijn alzoo allen ledematen zijner „Kerk.quot; Willen zij daarmêe zeggen: wij gelooven allen, dat Christus waarlijk God en één van wezen met den Vader en den H. Geest is? In dat geval moeten er duizenden buiten de protestantsche Kerk gesloten worden, daar zeer velen, gebruik makende van hun recht vau vrij onderzoek, zoo ver gekomen zijn, dat zij de godheid van Christus loochenen. Daartoe hebben de Protestanten echter noch het recht noch den wil: geen recht, wijl de loochenaars van Christus\' godheid volgens de echt protestantsche grondbeginselen te werk gaan; ook den wil niet, wijl op die wijze hunne gelederen te veel zouden verdunnen. Of zou het wellicht, om lid te wezen van de Kerk van Christus, genoeg zijn, aan Christus als aan een wijsgeer, een weldoener van het menschdom, enz. te gelooven, en zijne leer naar verkiezing en goeddunken aan te nemen of niet? Maar dan zon de christelijke Kerk de vergaderplaats zijn van alle mogelijke, in leer en zeden elkaar rechtstreeks tegensprekende sekten, die er ooit waren en nog zijn. Alle ketters der eerste eeuwen en ook van lateren tijd zouden alsdan ledematen der eene Kerk van Christus zijn. De ongerijmdheid van deze veronderstelling is allerduidelijkst. Om lid te zijn deréeneKerk vau Christus wordt niet alleen gevorderd, dat men Christus als God of als wijsgeer erkent, men moet bovendien zijne leer, juist omdat zij een goddelijke leer is, in alle punten geloovig aannemen. Uit en dit alleen is het ware geloof aan Christus, waardoor de mensch een lid der christelijke Kerk wordt. — Er zijn er ook, die antwoorden, dat het geloof niets afdoet; dat niet het geloof aan Christus, maar de liefde in Christus, d. i. ter wille van Christus, allen vereenigt tot eene Kerk of tot eene groote familie in God. Zouden in ci:. geval niet alle menschen, niemand uitgezonderd, tot die Kerk behouren? Immers, niet enkel Christenen, maar ook Mahomedanen, Joden, Heidenen en Atheïsten zijn wij verplicht om Christus te beminnen. Wie de Kerk van Christus zoo ver wil uitstrekken, bewerkt juist het tegendeel, heft haar geheel op.

-ocr page 446-

432

toch tot eene christelijke Kerk behooren kan. 2) Even in \'t oog loopend is de oneenheid der andersdenkende godsdienstige genootschappen wat betreft het Offer en de Sacramenten. Terwiil de Augsburger Confessie verklaart, dat „de Mis behouden en met grooten eerbied gevierd wordt,quot; leest men in eene andere luthersche beliidenis (schmal-kaldische artikelen): „men moet de menschen leeren, dat „de Mis als eene uitvinding der menschen zonder zonde kan „achterbliiven,quot; en in den Heidelberger katechismus, welke bij de Protestanten hoog staat aangeschreven, wordt de H. Mis „eene vervloekte afgoderijquot; genoemd. Ook in Zweden werd (in het jaar 1858) de Mis, welke de luthersche Kerk aldaar nog behouden had, „als een overblijfsel van den paapschen „afgodöndienstquot; door een gedeelte der geestelijkheid hevig aangevallen, door anderen even vurig verdedigd. — Betrekkelijk de Sacramenten gaat de oneenigheid der Protestanten zoo ver, dat zij het niet allen eens zijn, of Christus die wel heeft ingesteld. Zij, die zulks bevestigen zijn weder oneens over het getal. Sommigen nemen er twee aan: het doopsel en avondmaal; anderen drie: doopsel, biecht en avondmaal. Zoo heeft ook Luther nu eens twee, dan weder drie; Melanchthon twee, drie, vier, ja zelfs vijf Sacramenten aangenomen. \') Even groot is het verschil van leer ten opzichte van het wezen en de werkende kracht der Sacramenten. 1) Velen houden zelfs het doopsel voor niets anders dan eene ceremonie of voor eene verklaring, dat men de christelijke Kerk binnentreedt. Wat nu 3) de eenheid betreft, welke uit een gemeenschappelijk opperhoofd voortkomt, ieder ziet terstond, dat deze door alle niet-katholieke genootschappen gemist wordt. Immers zij protesteeren allen tegen het door Christus aangestelde opperhoofd; de kerkelijke macht, welke de vorst of het opperconsistorie uitoefent, heeft dezelfde grenzen als het land zelf, en kan bijgevolg slechts de medeleden van een enkel land verbinden.

i)e protestantsche genootschappen zijn derhalve zonder uitzondering in al de genoemde punten oneens, ja zij kunnen ook niet anders, dan oneenig zijn. Immers als men ten regel stelt, dat ieder in den Bijbel zijn geloof moet zoeken en den Bijbel naar willekeur mag uitleggen, wordt noodzakelijk ieder Protestant zijn eigen paus, die geen hooger gezag behoeft te erkennen. 2) Derhalve moet het niemand

1

) Möhler; Symbolik, cap, § 20. en volg.

2

;i) Dit onderwerp wordt opgehelderd door don Heer Laval, voormalig predikant te Gondé-sur-Uoireau, in een briei\', -vvaarin hij zijnen

-ocr page 447-

433

bevreemden, dat er bij hsn ten laatste, gelijk Eeneion aanmerkt, evenveel godsdiensten als hoofden zijn. \')

geloofsbroeders van zijn terugkeer tot de katholieke Kerk rekenschap geeft, op eene even duidelijke als eigenaardige wijze. — „Gij ont-z/dekt,quot; — dus schrijft hij, — „dit of dat dogma in den Bijbel. Gij -gelooft het naar uw inzicht- Maar, wanneer eene andere rede er „niet hetzelfde in vindt, of zelfs het tegendeel, dan moet ik uw dogma „verwerpen, overeenkomstig dezelfde grondstellingen, volgens welke „gij het aanneemt. Zoo gelooft bijv. de Lutheraan aan de waarachtige //tegenwoordigheid van Jesus Christus in het H. Sacrament des altaars, „wijl zijne rede dit dogma in de H. Schrift vindt. Daarentegen vindt „de rede van een Calvinist, die zich niet aan de luthersche behoeft „te onderwerpen, dat dogma er niet in, en bijgevolg kan de Lutheraan „niet vergen, dat de ander gelooft gelijk hij, en kan hij evenmin de „noodzakelijkheid hiervan beweren. Zoo is verder zoowel de luthersche ^als de calvinistische rede overtuigd, dat de godheid van Christus //allerduidelijkst in den Bijbel geleerd wordt. Maar als nu de Sociniaan, -/die ook de H. Schrift naar zijne rede verklaart, daarin grond vindt „om het tegendeel aan te nemen, dan mogen Lutheranen noch Calvi-„nisten zeggen, dat het geloot aan de godheid van Jesus Christus „noodzakelijk is. Zij moeten integendeel toegeven, düt de Sociniaan „overeenkomstig het protestantsche beginsel: „alles, wat uwe rede „duidelijk inziet, is waar, en omgekeerd,quot; haar verwerpen moet. „Hetzelfde geldt van alle geopenbaarde waarheden. Wij vinden geene „enkele, welke men, volgens de protestantsche grondstellingen, nood-„zakelijk gelooven moet om Christen te blijven. •—■ Ondervraag slechts „den Protestant en dring hem, u de waarheden aan te geven, welke „de Christen noodzakelijk gelooven moet. Hij zal n het antwoord „schuldig blijven.... Hij gevoelt, dat hij niet bij machte is, zijn ge-„loof te bepalen, zóózeer, dat hij met een anglikaanschen bisschop „bekent, dat het Protestantismus daarin bestaat, dat men gelooven „kan, wat men wil, en belijden mag, wat men gelooft. — Het Pro-„testantismus duldt die taal zonder bedenken. Het spreekt tot het „volk met den Bijbel in de hand; „de waarheid is in dit boek vervat. „Jlaar wat de waarheid, wat het Christendom is, dat weet ik niet. „Gelooft gij aan de H. Drievuldigheid, aan de godheid van Christus, „aan de eeuwige straffen, gij zijt een Christen. Gelooft gij er echter „niet aan, gij zijt niettemin een Christen. Welke ook uwe persoonlijke „gevoelens mogen zijn — het is genoeg, als gij slechts beweert, die „in den Bijbel te vinden. Wie waagt het te bepalen, wat noodzakelijk „moet geloofd worden? Dat matigt de katholieke Kerk zich aan, en „zij heeft het ten allen tijde gedaan. Daarom verwerpen wij haar. „Wij voor ons, wij dulden zulk een dwang niet, als wij onzen eigen //geloofsregel niet willen verloochenen, toegevendë echter, dat het „opvallend schijnt, hoe God tot de menschen gesproken zou hebben, quot;zonder dat zij wisten, wat Hij gesproken heeft. Daar dit evenwel „niet anders kan zijn, en het Protestantismus niet in het ongelijk mag „gesteld worden, moet men gelooven, dat het werkelijk zoo is. Blijf „derhalve rustig bij die onzekerheid en wees verzekerd, dat gij een «goed Christen kunt zijn, al weet gij niet, wat noodzakelijk geloofd „moet worden, om Christen te zijn. — Wat mij betreft, die taal over-„tuigde mij, dat men moet opbonden Protestant te wezen, om Christen ;te worden.quot;

\') Omstreeks liet midden der zestiende eeuw verwekte de bekeering van koningin Christina van Zweden een groot opzien. De eerste aanleiding tot dien overgang was voor de edele, fijn beschaafde vorstin de oneenigheid van het Protestantismus, en van den anderen kant de eenheid van het Catholicismus. Ua die opmerking gemaakt te hebben ging haar niets zoo zeer ter harte, als zich grondig in de katholieke DEHARBE, GELOOFSLEEK. II. 3,|e DUUK. 28

-ocr page 448-

434

Waarom noemen wij de roomsch-katholieJce Kerh heilig ?

1) Wijl haar Stichter en hare leer heilig zijn.

De Stichter der roomsch-katholieke Kerk is niemand anders, dan Jesus Christus, de mensch geworden Heiland zelf. Want het is een openhaar feit, dat Jesus Christus eene, maar ook slechts ééne Kerk gesticht heeft. Met minder zeker is het, dat de roomsch-katholieke Kerk beweert en alle eeuwen door beweerd heeft, die ééne Kerk te zijn; verder, dat niemand er ooit in geslaagd is, een anderen stichter er van aan te wijzen, terwijl men bij alle overige godsdienstige genootschappen, hoe onbeduidend ook, den naam van den stichter, den tijd van hunne stichting en hunnen voortgang aan de hand der geschiedenis nauwkeurig aangeven en bepalen kan.

Deze omstandigheid rechtigt, ja noodzaakt ons, aan te nemen, wat de roomsch-katholieke Kerk immer gezegd heeft, namelijk, dat zij door Christus gesticht is, vooral daar niet de minste reden aanwezig is, waarom ook niet de naam van den stichter en de tijd der stichting van de zoo uitgebreide en wereldbekende roomsch-katholieke Kerk aangegeven zou kunnen worden, ingeval zij het werk van een ander dan van Christus was. Dus is de roomsch-katholieke Kerk zeker heilig in haren Stichter. — Zij is ook heilig in hare leer. Vooreerst heeft zij deze van haren heiligen Stichter ontvangen. Immers, daar het van den eenen kant onloochenbaar is, dat Jesus aan zijne Kerk ook zijne leer heeft overgegeven, en van den anderen kant uit het gezegde blijkt, dat de roomsch-katholieke Kerk door Christus gesticht is, kan het ook niet worden tegengesproken, dat zij hare leer van Christus heeft ontvangen. Dat zij in den loop der eeuwen geenerlei verandering, vermenging of verval-sching ondergaan heeft, daarvoor vinden wij een waarborg in hare reeds bewezen eenheid.

De leer der Kerk van Christus is dus, gelijk zij het van den beginne was, nog heden de leer van Christus, derhalve

leer te laten onderwijzen. Al spoedig werd zij van de waarheid van onzen godsdienst overtuigd, en besloot nu terstond tot do katholieke Kerk terug te keeren. Ongeacht de grootste moeielijkheden, welke zich in den weg stelden, bleef zij getrouw aan hare verkregen overtuiging en haar heldhaftig besluit. Om in een katholiek land vrij en ongestoord haren godsdienst te kunnen uitoefenen, legde zij hare kroon af, verliet in stilte het hof, scheepte zich naar de Nederlanden in, kwam te Antwerpen en Brussel, waar zij op Kersnacht van het jaar 1654- in de kapel van den aartshertog Leopold de dwaling afzwoer. Van hier begaf zij zich naar Frankrijk en eindelijk naar Home, waar zij zich met der woon vestigde en in het jaar 1689 stierf, immer dankbaar, dat God haar uit de dwaling verlost had, om haar in den schoot der ware Kerk te laten sterven.

-ocr page 449-

435

eene heilige leer. — En inderdaad was het\'niemand harer vijanden mogelijk ook slechts het minst onheilige in hare leer te ontdekken en te bewijzen. Veeleer zal ieder onbevooroordeelde eene wonderbare overeenstemming van hare leer met de leer en het voorbeeld van Jesus Christus, gelijk deze in het Evangelie beschreven zijn, waarnemen. Evenals Christus, zoo leert ook de roomsch-katholieke Kerk, onbekommerd over den algemeenen tegenstand der menschelijke hartstochten, altijd en overal zelfverloochening, boetvaar-diprheid, ootmoed, geduld, innige liefde tot God en den evennaaste. Gelijk Christus, zoo leert ook zij de hoogste volmaaktheid , geeft aan degenen, „die het bevatten kunnen,quot; den raad van vrijwillicre armoede, eeuwicre zuiverheid en volkomen gehoorzaamheid aan eene geestelijke overheid

Wel beschuldiqen vele vranden der katholieke Kerk haar, dat zij eene aanmatigende werkheiligheid leert, daar zij de beoefening van goede werken aanbeveelt; zij beschuldigen haar van afgoderij, daar zij de vereering der Heiligen predikt, verscheiden godsdienstige plechtigheden verricht, en de overblijfselen van hare in den Heer ontslapen ledematen ter vereering uitstelt, enz. Maar dit alles is laster en grove verwringing van de leer en handelwijze der katholieke Kerk. — Ook voor de heiligheid der katholieke leer heeft God zelf zeer dikwijls getuigenis afgelegd, als Hij haar door wonderen bevestigde en hen, die haar verbreidden of aannamen, tot bekrachtiging hunner leer met de gave van wonderen te doen uitrustte. \')

\') Onze andersdenkende broeders zullen toch niet durven beweren , dat Vincentius Ferrerius. Franciscus van Paula, Joannes Capistranus eu anderen, die korten tijd voor de Reformatie met goedkeuring van den Paus als ijverige boetpredikers half Europa doortrokken, eene andere leer hebben voorgedragen, dan die der roomsch-katholieke Kerk; dat zij, predikende over de noodzakelijkheid der boetvaardigheid, over de goede werken, het li. Misoffer en de vereering der Heiligen, zelve niet deden wat zij leerden. Evenmin zullen zij het wagen, te ontkennen, dat de missionarissen, die de roomsch-katholieke Kerk kort na het ontstaan der Reformatie naar Indic, Japan en China zond, dat bijv. Franciscus Xaverius en honderden zijner tijdgenooten een andere leer dan de roomsch-katholieke gepredikt hebben. Wanneer wij nu die zendelingen hunne schreden met de schitterendste wonderen zien afteekenen, moeten wij noodzakelijk tot het besluit komen, dat de leer der roomsch-katholieke Kerk eene heilige leer is, of wel, hetgeen eene godslastering zou zijn, aannemen, dat God dien missionarissen zijne almacht ter beschikking heeft gesteld , om zoowel Europa als dc ongelukkige Indianen, Chineezen, enz. in de strikken der onheilige katholieke leer te lokken. De wonderen, welke gedeeltelijk ter bevestiging, gedeeltelijk ter verbreiding der katholieke Kerk, namelijk onmiddellijk voor en na de Beformatie gewrocht werden, zijn derhalve even zoovele onomstootelijke, goddelijke bewijzen voor de waarheid en heiligheid van ons geloof. — Daarbij komt nog, dat God in alle tijden, ook na het optreden der hervor.

28*

-ocr page 450-

436

De roomsch-katholieke Kerk is 2) heilig, omdat zij alle middelen ter heiliging trouw bewaart en uitdeelt. — Die middelen ter heiliging zijn vooral de zeven door Christus ingestelde Sacramenten, waardoor den mensch de inwendige heiligheid of de vermeerdering er van gegeven wordt, en het H. Mis-offer, waarin de Heilige der Heiligen zich zeiven door de handen van den Priester opoffert, om zijne broeders te heiligen, hen aan de verdiensten der verlossing in ruimere mate deelachtig te maken.

Al deze middelen van heiliging heeft de roomsch katholieke Kerk steeds trouw bewaard en meer en meer uitgedeeld, zij bewaart en deelt die ook nog op dit oogenblik uit, en wordt niet moede, het waardig gebruik daarvan aan te bevelen en te bevorderen. \') — Behalve de genoemde

mers, niet alleen degenen, die de aloude roomsch-lcatholieke leer verbreidden, met de gave van wonderen uitrustte, maar zelfs liun, die aan dat woord geloofden, deze leer aannamen en volgden, de kracht om wonderen te doen verleende. Zoo verhaalt Pater Alexander van Rhodes, uit de Sociëteit van Jesus, als ooggetuige, vele buitengewone daden, welke God door de bekeerden van Tonkin volbracht. „Behalve „de inwendige genadebewijzen,quot; schrijft hij, //bij het schoone werk der *bekeering van zoovele Heidenen, droegen ook de onophoudelijke /,wonderen der nieuwbekeerden tot den wasdom der Kerk zeer veel „bij. Ik zeg, onophoudelijke wonderen, wijl inderdaad het getal „er van zoo groot is geweest, dat onze katecheten zich niet meer „de moeite gaven, die 00 te tellen. Ik weet, hoe groot de zonde „is van hen, die wonderen verdichten, en God beware mij voor zoo „iets, maar ik kan in waarheid zeggen, wat ik gezien heb en hetgeen „mij door degenen, bij wie het wonder geschied was, is verhaald. — „Deze goede Christenen dreven met het H. kruis en wijwater de dui-„vels uit en heelden allerlei zieken. Met vier en vijf druppels van „het water, dat zij te drinken gaven, genazen zij verscheiden blinden „en wekten zelfs twee dooden ten leven op. Een heidensch heer, „wiens echtgenoote Christin was, kwam en bad mij, eenige Christenen „naar een marktveld te zenden, hetwelk hem toebehoorde, waar velen „zijner onderdanen ernstig ziek lagen, zoodat eiken dag de een na den „anderen wegstierf. Ik zond er zes katecheten henen met bevel, vol-„strekt niets, wat men hun voor de genezing der zieken zou aanbieden, „aan te nemen. Zij reisden af met hunne wapens in de hand, om den „duivel, dien men voor de oorzaak der ziekten hield, te bestrijden. „Hunne uitrusting was een kruis, het wijwater, de gewijde palmtak, ,eene gewijde waskaars en het beeld der allerheiligste Maagd, hetwelk „ik hun. bij den Doop gegeven had. Zij trokken heen, plantten kruisen „bij het begin, in het midden en aan het einde der plaats, bekochten „de zieken, spraken een gebed, gaven eenige druppels wijwater te „drinken, en binnen acht dagen genazen zij 272 zieken. Deze gebeur-„tenis was terstond in het gansche koninkrijk bekend. De heer van „het vlek kwam en dankte mij onder een vloed van tranen. Dit gaf „den Christenen nieuwen moed en bekeerden vele Heidenen van hunne „dwaling.quot; — Opmerkelijk is het, dat de nieuwbekeerden van Tonkin zich juist van die voorwerpen en zegeningen bedienden om wonderen te doen, welke de Reformatoren van Europa als ellendig bijgeloof verwierpen.

\') Luther zelf moest getuigen, dat deze en alle andere middelen ter zaligheid in de katholieke Kerk aanwezig zijn. In het jaar 1528,

-ocr page 451-

437

middelen ter heiliging ziin er in de roomsch-katholieke Kerk nog verscheiden andere, die op den geest en de leer van Christus gegrond en geschikt zijn, om de geloo-vigen, deels van de zonde te verwijderen, deels tot gods dienst en liefde tot God, ja zelfs tot de hoogste volmaaktheid van het christelijk leven te brengen. Ileiligingsmiddelen van dezen aard zijn de JcerheljTce vasten en de onthouding van zekere spijzen, waardoor de booze neigingen en begeerten worden beteugeld; het bijwonen der godsdienstoefeningen, kerkelijke plechtighsden en gebruiken, waardoor de geest ter behartiging der hamelsche goederen opgewekt, en tot godsdienst en liefde voor God wordt ontvlamd; de zoogenaamd evangelische raden, door wier naleving de ziel tot volmaakte navolging van Christus, tot de hoogste volmaaktheid verheven wordt. Ook deze middelen en wegen ter heiligheid beveelt de roomsch-katholieke Kerk haren kinderen aan, opdat zij hunnen goddelijken Stichter en Bruidegom meer en meer gelijkvormig en aangenaam worden.

3) De roomsch-katholieke Kerk, eindelijk, is heilig, omdat in haar altijd heiligen waren, wier heiligheid ook door wonderen en buitengewone genadegaven van God bevestigd werd. — Niet te vergeefs heeft de roomsch-katholieke Kerk hare heilige leer gepredikt; niet vruchteloos heeft zij de heiligingsmiddeien bewaard en uitgedeeld. Zij heeft de oude heiden wereld, ook onze heidensche voorvaderen, tot het Christendom bekeerd, en ter beoefening van alle, ja, van de moeielijkste deugden middelen aan de hand gegeven; zij heeft ook in latere eeuwen, zelfs na de zoogenaamde hervorming, ontelbare volken van Azië, Amerika en Australië, van Kanibalen en wreede afgodendienaars tot ijverige navolgers van Jesus Christus gemaakt.\') — Elke

alzoo elf jaren nadat de Reformatie was begonnen, schreef hij 1):/;wij //bekennen, dat er onder liet pausdom veel christelijk goed, ja alle //christelijk goed is, en het van daar tot ons is gekomen; wij bekennen //namelijk, dat in het pausdom de ware H. Schrift, het ware Uoopsel, //het ware Sacrament des Altaars, de ware sleutels ter vergeving der //zonden, het ware predikambt en de ware Katechismus is. . . . Ik //zeg, dat onder den Paus de ware Christenkerk is, ja het puik der //Christenheid, en vele vrome, groote Heiligen. . , en alles, wat de //Christenheid hebben moet.quot; In het zevende deel zijner werken, waar hij over het zestiende hoofdstuk van den H. Joannes schrijft, herhaalt liij in weinige woorden hetzelfde en trekt vervolgens het besluit: //Daarom moet het geloot, de christelijke Kerk en de H. Geest bij hen (de Katholieken) „zijn.quot;

i) Wij vermelden hier slechts in \'t kort hetgeen de bovengenoemde Pater Alexander van Rhodes over den heiligen levenswandel der be-

1

Luther\'s werken, deel IV, bladz. 32U. (Jena 1560.)

-ocr page 452-

438

eeuw daarenboven telt eene groote menigte harer kinderen, die door heldhaftige deugden hebben uitgemunt, geheele genootschappen , welke door bewonderenswaardige zelfopoffering zich aan den dienst van God en het geluk vooral der armen, verachten en lijdenden hebben toegewijd; \') wier ware,

keerlingen van Tonkin in zijne missiereizen beeft opgeteekend. „Het ^onschuldige leven,quot; schrijft hij, /.en de deugd welke wij in de nieuwe „Christenen moeten bewonderen, zijn éen nog duidelijker bewijs der „hand Gods, dan de wonderen. Ik kan zeggen, dat niets mijn hart „zoo innig getroffen heeft, als het zien, dat er in dit rijk bijkans „evenveel engelen als Christenen zijn, en dat de genade des H. Öoop-„sels hun allen denzelfden Geest inademt als den Apostelen en bloed-„getuigen der eerste Kerk. ... De liefde, welke zij voor hun geloof „koesteren, bezoerat hun eene ongeloordijke hoogachting in voor alle „gebruiken der Kerk, welke er mede in betrekking staan. Ik toon „hun nooit het beeld van den gekruisten Heiland, of ik zie ze tranen „storten. Zij komen vijftien dagreizen ver, om te biechten of de H. „Mis te hooren. Als zij van de kerk, waar de H. Mis wordt gelezen, „maar acht of negen uur verwijderd zijn, verzuimen zij die op feest-„dagen nooit; \'s avonds tevoren komen zij reeds en keeren den vol-„gendon dag, na afloop van den avondgodsdienst, weder huiswaarts; „daarbij knielen zij aanhoudend en zijn zoo ingetogen, datik ze nooit „zonder tranen kan aanzien. — Eiken ochtend bidden zij trouw een „of ander geheim, waarbij zij allen troost, welken God aan reine zielen „te proeven geeft, ondervinden. .Niets verrukt mij meer, dan de zorg, „waarmede zij zich tot de Biecht en Communie voorbereiden. Daags „tevoren vasten zij en doen vrijwillig werken van boetvaardigheid,quot; enz.

!) Eene der opvallendste verschijnselen van de innerlijke heiligheid en heiligende kracht der roomsch-katholieke Kerk zijn de talrijke geestelijke orden en godsdienstige vereenigingen, welke in den loop der eeuwen ontstaan zijn en nog ontstaan. Gelijk de bloesems van een boom niet allen tegelijk uit hunne knoppen te voorschijn komen, maar langzamerhand en de een na den ander zich ontvouwer, zoo vertoonden zich ook deze geestelijke bloesems aan den levensboom der Kerk in eene sphoone opeenvolging en prijken nu talrijk en in volle pracht, üaast de orden, welke afgescheiden van de wereld in de stille eenzaamheid en heilige overweging, voor de zondaars God om vergeving smeeken, bij dag en bij nacht den Allerhoogste lofzin-gen, zijne vaderlijke goedheid prijzen en Hem den dank brengen, welken\'de gedachtelooze, ondankbare wereld Hem verschuldigd blijft — naast die beschouwende orden, waarin het veiborgen leven van Jesus zich zoo levendig afspiegelt, blijven ook die orden, welke, het werkzaam leven van den Heiland navolgende, onder kerkelijk toezicht zich beijveren in de geestelijke en lichamelijke behoeften van hunnen evenmensch naar krachten hulp te verleenen. Dusdanige orden en godsdienstige vereenigingen zijn die, welke het zich bizonder ten taak stellen, heidenen eu afgedwaalden tot de kennis van den waren God en de ware Kerk te brengen, de jeugd op te voeden en te onderwijzen; verder die, welke zich vooral arme, verlatene, ouder-looze kinderen aantrekken, hen onderwijzen, verzorgen en tot goede Christenen en bruikbare leden der maatschappij opkweeken; alsmede die, welke zich aan de geestelijke en lichamelijke verzorging van arme gevangenen en zieken wijden. In het algemeen kan men zeggen dat aan het zorgzame moederoog der roomsch-katholieke Kerk geene klasse van behoeftigen ontgaat, en nooit ontbrak het haar aan edelmoedige kinderen, die bereid waren naar haren wenscli en raad den ontdekten nood met de grootste offervaardigheid te verhelpen. Scharen

-ocr page 453-

439

3ren, | inwendige heiligheid God zelf bewees, daar Hij hen, als

e ge- | trouwe en voorzichtige bestuurders, de volheid zijner ge-

sring | nadegaven mededeelde, en door hen bij hun leven of op

men, 1 hunne voorbede na hunnen dood wonderen wrocht. \')

are, I _

ivan .iongellngen en maagden uit alle standen volgden immer hare moederlijke wenken, vormden vrome vereenigingen en strekten liunne zegenrijke werkzaamheid over den geheelen aardbodem uit. Niet zelden zag en ziet men ook nu nog vorsten en vorstinnen in het kleed van vrijwillige armoede de ;:alen der gasthuizen en de hutten der ellende binnentreden, met heldhaftig geduld de ondeugendheden van halfverwilderde kinderen en de ruwheid van misdadigers verdragen. — Doch niet alleen ter leniging van behoeften, welke het menschdom dag aan dag drukken, roept de Kerk hare edele kinderen op; ook ter afwending van buitengewonen tijdelijken nood bezielt zij hen met onbeschrijfelijken heldenmoed. Zoo omstonden ten tijde, dat de Turken met eene geweldige macht de Christenen bedreigden, de ridderorden, wier leden, het kruis op de borst en het zwaard in de hand, met ridderlijken moed en verbazingwekkende dapperheid den overmoed der trotsche Muzelmannen fnuikten. En toen deze aartsvijanden van de.n christelijken naam nu hier dan daar, te water en te land, op de Christenen jacht maakten en hen als slaven meevoerden, toen ontstonden er nieuwe orden tot loskooping dezer ongelukkige gevangenen. Alle leden, zoowel der bespiegelende, als der werkende orden en religieuse genootschappen, beloofden en beloven niet slechts al huune krachten te wijden aan het heilige doel, waarnaar zij streven, maar ook in vrijwillige armoede, eeuwige zuiverheid en gehoorzaamheid jegens hunne geestelijke overheden te leven, om zoodoende, door geenerlei aardsche hoop of vrees belet, altijd bereid te zijn de zwaarste plichten van hun ambt te vervullen. En, als ware deze zelfopoffering nog niet heldhaftig genoeg, voegden verscheiden orden nog andere beloften hierbij, welker onderhouding soms met de grootste moeielijkheden verbonden is. Zoo verplichten zich de leden van de orde vanvan .iongellngen en maagden uit alle standen volgden immer hare moederlijke wenken, vormden vrome vereenigingen en strekten liunne zegenrijke werkzaamheid over den geheelen aardbodem uit. Niet zelden zag en ziet men ook nu nog vorsten en vorstinnen in het kleed van vrijwillige armoede de ;:alen der gasthuizen en de hutten der ellende binnentreden, met heldhaftig geduld de ondeugendheden van halfverwilderde kinderen en de ruwheid van misdadigers verdragen. — Doch niet alleen ter leniging van behoeften, welke het menschdom dag aan dag drukken, roept de Kerk hare edele kinderen op; ook ter afwending van buitengewonen tijdelijken nood bezielt zij hen met onbeschrijfelijken heldenmoed. Zoo omstonden ten tijde, dat de Turken met eene geweldige macht de Christenen bedreigden, de ridderorden, wier leden, het kruis op de borst en het zwaard in de hand, met ridderlijken moed en verbazingwekkende dapperheid den overmoed der trotsche Muzelmannen fnuikten. En toen deze aartsvijanden van de.n christelijken naam nu hier dan daar, te water en te land, op de Christenen jacht maakten en hen als slaven meevoerden, toen ontstonden er nieuwe orden tot loskooping dezer ongelukkige gevangenen. Alle leden, zoowel der bespiegelende, als der werkende orden en religieuse genootschappen, beloofden en beloven niet slechts al huune krachten te wijden aan het heilige doel, waarnaar zij streven, maar ook in vrijwillige armoede, eeuwige zuiverheid en gehoorzaamheid jegens hunne geestelijke overheden te leven, om zoodoende, door geenerlei aardsche hoop of vrees belet, altijd bereid te zijn de zwaarste plichten van hun ambt te vervullen. En, als ware deze zelfopoffering nog niet heldhaftig genoeg, voegden verscheiden orden nog andere beloften hierbij, welker onderhouding soms met de grootste moeielijkheden verbonden is. Zoo verplichten zich de leden van de orde van Maria tot loskooping der yevangenen om , ter bevrijding van anderen, zelve in de slavernij te gaan; anderen verbinden zich, de arme zieken te verplegen, zelfs dan, wanneer deze met aanstekende of besmettelijke kwalen behebt zijn. Wie dit alles onbevooroordeeld overweegt, moet voorzeker met den grooten protestantschen geleerde, Leibnitz,instemmen, die in zijn //System der Theologiequot; over de geestelijke orden zich op de volgende wijze uitdrukt: „De geestelijke orden en andere dergelijke ,/inrichtingen zijn mij aitoos verwonderlijk voorgekomen. Degenen, «die ze verachten, hebben van de deugd slechts een zeer bekrompen //begrip, en meten datgene, wat de menschen aan God verschuldigd //zijn, slechts af naar het koude en ziellooze dagelijksche leven.quot;

\') De roomsch-katholieke Kerk was door alle eeuwen in staat talrijke kinderen aan te wijzen, wier heiligheid God, hetzij door wonderlijke verschijnselen bij hun stoffelijk overschot of reliquiën, hetzij door wonderen, welke Hij bij hunne aanroeping wrocht, op eene in het oogvallende wijze bevestigde. Het getal der Heiligen van alle standen en geslachten beloopt millioenen, en de wonderen, welke tot bevestiging hunner heiligheid geschied zijn, zijn in waarheid ontelbaar. Wie slechts opmerkzaam de folianten der Bollandisten doorbladert, zal deze bewering volkomen gerechtvaardigd vinden. Voor de echtheid en de waarheid dezer wonderen, waarborgt ons de onverbiddelijke gestrengheid , waarmede de Kerk, vooral sedert den tijd van Urbanus VIII (1G23), deze onderzoekt, alvorens zij hen, tot wier verheerlijking, of op wier aanroeping de wonderen geschied zijn, ouder het getal der Zaligen of Heiligen plaatst. Om zich een denkbeeld van deze strengheid te maken,

-ocr page 454-

440

Maar, — aldus werpen de vijanden op, — ten tijde der hervorming waren er toeh vele misbruiken in de roomsch-katholieke Kerk. — Moot daaruit misschien volgen, dat toenmaals de roomsch-katholieke Kerk opgehouden heeft, eene heilige Kerk te zijn? Ue Protestanten maken deze gevolgtrekking, om hunne scheiding van de Moederkerk te rechtvaardigen of te verschconen; maar zij doen het met het grootste onrecht. De Kerk zou het verwijt van onheiligheid eerst dan verdie-

is het genoeg, het geleerde werk van Benedictus XIV over de canonisatie der Heiligen te lezen. Deze strengheid blijkt ons ook duidelijk uit het volgende feit, hetwelk verhaald wordt door P. Daubentón in zijn werk over het leven van den H. Franciscus Regis. Een prote-stantsch Engelschman van uitgebreide kennis bevond zicli te Kome tijdens het proces der heiligverklaring van den zaligen Franciscus Kegis. Een prelaat, met wien hij in kennis was gekomen, toonde hem op zekeren dag de bewijsstukken van verscheiden wonderen, teneinde die te onderzoeken. Nadat hij ze onderzocht had, gaf hij ze den prelaat terug, met de woorden; //Wanneer alle wonderen, welke «men in uwe Kerk aanneemt, zoo doorslaand bewezen en door zulke ^deugdelijke redenen gestaafd werden als deze, dan konden ook wij //ze gerust aannemen, en gij waart verheven boven alle spotter-„nijen, waarvan uwe wonderen doorgaans het voorwerp zijn.quot; — //Wel //nu,quot; antwoordde de prelaat, //van al de hier genoemde wonderen is //er niet een, als genoegzaam bewezen, aangenomen.quot; De Protestant was door dit onverwachte antwoord geheel uit het veld geslagen en bekende, dat slechts blinde vooringenomenheid twijfelen kan aan de stipte zorgvuldigheid, de grondige nauwgezetheid, en de uiterste strengheid, waarmede de Kerk bij de beoordeeling der wonderen te werk gaat.

\'t Is onnoodig hier eenige wonderen, welke door de voorspraak der Heiligen geschied zijn, te verhalen. Wij bepalen ons bij een enkel feit, dat ons aantoont, hoe God somtijds het stoffelijk overschot zijner heilige dienaars wonderbaar bewaart en verheerlijkt. Dit ieit wordt ons door een ooggetuige, Karei Georg Maijer, op de volgende wijze verhaald. Een der merkwaardigste en vreemdste verschijnselen is zeker de gunst der onbederfelijkheid. Om dit verschijnsel te zien, wandelden wij naar het klooster der Kapucijnen. Daar gekomen bracht een der eerwaardige broeders ons in de zijkapel, stak de waskaarsen aan en schoof het voorstuk des altaars weg, voor hetwelk in het latijn de woorden geschreven stonden: //Hier rust het rlichaam van den zaligen Crispinus.quot; Voor onze oogen lag, uitgestrekt op eene harde rustplaats, het hoofd nog bedekt met de door ouderdom vergrijsde haren, de kin met den witten baard getooid, de oogen half geopend, met roode wangen, met een lach op de nog vleeschkleurige lippen, in de blanke, nauwelijks verbleekte handen kruisbeeld en rozekrans houdende, een arme Kapucijn, die voor ruim honderd jaren gestorven was. Het is de eerwaardige en door de Kerk zaligverklaarde broeder Crispinus van Viterbo. Wij konden ons niet verzadigen met het zien van den Zalige, die een ongemeen blijmoedigen enverheffen-den indruk op het gemoed maakt. Als in een zachten slaap, schijnt Crispinus, even als eertijds in zijne pij te rusten; zijne gelaatstrekken zijn zoo behouden gebleven, zoo vol uitdrukking en de dood heeft zoo weinig zijn bedervenden invloed daarop uitgeoefend, dat men onwillekeurig verwacht, dat de rustende zich opheffen en levend onder ons staan zal. In het voorbijgaan mag hier nog aangemerkt worden, dat de Kerk bij hare zaligspreking de onbederfelijkheid der lichamen slechts dan als bewijs laat gelden, wanneer genoegzaam en door het getuigenis van geneeskundigen bewezen is, dat die niet door natuurlijke middelen en invloed veroorzaakt is, en wanneer andere wonderen benevens de overige vereischten er bij komen.

-ocr page 455-

nen, als zij de misbruiken, die in waarheid bij lange na zoo beduidend niet waren, als men voorgeeft, gebillijkt of bevorderd had. Dit was echter nooit het geval, integendeel heeft zij alle misbruiken, toen zoowel als in aüe andere tijden gelaakt, verfoeid, verworpen, en met alle haar ten dienste staande middelen, zooveel zij vermocht, uitgeroeid. Om zich hiervan ten sterkste te overtuigen, leze men slechts de bepalingen van de Kerkvergadering van Trente met betrekking-tot de verbetering der kerkelijke tucht. Om de bestaande misbruiken uit den weg te nemen, waren geenszins de handen van ongeroepen hervormers noodig, die wel zouden gedaan hebben, met hunne eigen zeden te verbeteren; menschen, gelijk zij, konden aan de Kerk slechts nog dieper en smartelijker wonden slaan. Wij mogen de Kerk daarom niet onheilig noemen, omdat er misbruiken zijn ingeslopen, maar moeten haar heilig noemen, omdat zij zich ten allen tijde beijverd heeft, die te voorkomen. — Of moet men wellicht daarom de Kerk van gebrek aan heiligheid beschuldigen, dat in haar misbruiken mogelijk zijn? Wat is misbruik? Het is het slechte gebruik van eene in zich zelve goede, of althans onverschillige, tenminste niet slechte zaak. Er was ten tijde der hervorming in de roomsch-katholieke Kerk yveel goeds, ja alle goed,quot; gelijk Luther zelf beweert. Men kan verder een misbruik beschouwen als de overtreding eener wet, die het juiste gebruik voorschrijft, het verkeerde verbiedt. Maar wat heeft de overtreding eener wet met de goedheid en rechtvaardigheid der wet te maken? Zijn de wetten van een Staat slecht, omdat er burgers gevonden worden, die ze Overtreden\'? Zijn de misdaden, die in een Staat bedreven worden, aan de wet, of niet veeleer aan de misdadige burgers toe te schrijven? Wat ware in dat geval van de geboden Gods te denken? Wanneer de Katholiek zich aan de vastgestelde voorschrilten zijner Kerk aangaande het geloof en de zeden vergrijpt; als hij aan hare leiding en heiligmakende werken wederstaat, hare vermaningen en de door haar aangeboden genademiddelen met verachting van do hand wijst, dan is hij zelf de schuld hiervan, geenszins de Kerk. •— Anders zou het zijn, als die Katholieken, die nauwgezet de voorschriften des geloofs en de zeden van de roomsch-katholieke Kerk volbrengen, juist daardoor voor de men-schelijke samenleving een steen des aanstoots werden. Dan eerst zou men hun zondig leven mogen ten laste leggen aan de katholieke leerstellingen, die zij volgden. Maar dit is nog van geen enkelen bewezen, dit zal ook nooit door iemand bewezen kunnen worden, omdat, gelijk reeds aangetoond is, de katholieke leer eene heilige leer, de leer van Christus is. — Dat er in de roomsch-katholieke Kerk zelfs onheilige bedienaren van het altaar gevonden werden, bewijst evenmin, dat zij onheilig is, als volgt, dat het collegie der Apostelen onheilig geweest is, omdat er een Judas onder hen was. L)e Priesters zijn en blijven menschen, zwakke, aan gebreken onderhevige menschen, en als zoodanig aan dwaling en zonde onderworpen. Van zoodanige betreurenswaardige bedienaren gelden de woorden van Jesus (iMatth. XXIII, 3): „Onderhoudt en doet, al hetgeen zij u zeggen, „maar doet niet naar hunne werken.quot;

Als de Kerk om die reden, dat er misbruiken en ergernissen in haar voorkomen, ophield eene heilige, en dus de ware Kerk te zijn, hoe kon dan Christus zelf zijne Kerk vergelijken met een akker, waarop tarwe en onkruid groeit, en met een net, dat goede en slechte visschen bevat (Matth. XIII)? Waar moet dan ten tijde der Apostelen de ware Kerk geweest zijn? lieeds toen toch waren er ergernissen, groote ergernissen, scheuring, twistzucht, lauwheid en andere misdaden (I Cor. V, 1 en XI, 10-30). Ja, zelfs de kerkelijke overheden van den apostolischen tijd waren niet allen vlekkeloos, gelijk uit het boek der Openbaring (Hoofdst. II en III) blijkt. Daar lezen wij ouder anderen: „Aan den Engel (d. i. den bisschop) der „gemeente te Sardis schrijf: Ik (de Heer) ken uwe werken, gij hebt

-ocr page 456-

442

//den naam dat gij leeft en gij zijt dood.quot; — Was de afwezigheid van elk misbruik, van elke overtreding der voorschriften van het geloof en de zeden van den kant barer ledematen eene noodzakelijke eigenschap der Kerk van Christus, dan had zij, volgens het gezegde, reeds ten tijde der Apostelen niet meer bestaan, en zou zij ook thans nergens bestaan, zeker niet bij de hervormde godsdienst-genootschappen; wijl ook deze niet loochenen kunnen, dat bij hen vele beklagenswaardige misbruiken en zedelijke gebreken aan het licht komen.

Het kenteeken van heiligheid komt de roomsch katholieke Kerk alleen toe. Alle nieuwere godsdienstige genootschappen zijn volstrekt niet heilig; — 1) omdat hunne stichters niet heilig zijn. Wel is waar beweert elk genootschap, dat Christus zijn stichter is ; maar het bewijs zullen zij in eeuwigheid schuldig blijven De vraag toch is hier niet, of zij enkele leerstellingen en inrichtingen van Christus behouden, als uit den schipbreuk gered hebben; maar de vraag is, of Christus de onkatholieke kerkelijke genootschappen als zoodanig gesticht heelt of niet. Uit de geschiedenis blijkt echter het tegendeel, namelij k dat zij door zich af te scheiden van de roomsch-katholieke Kerk, door verwerping van hare leer en haar gezag, door instelling van een eigen leer en een eigen bestuur, door het bouwen van eigen tempels en de instelling van een eigen godsdienst ontstaan zijn. Wie de oorzaak des afvals van de oude Moederkerk is, moet dus ook de stichter van al deze zoogenaamde kerken wezen. De stichters van het verzet tegen de roomsch-katholieke Kerk zijn, zooals bekend is, in Bohemen Joannes Hus, in Duitsch-land Martijn Luther, in Frankrijk en het fransche Zwitserland Calvijn, in het duitsche Zwitserland Zwingel, in Engeland Hendrik VlII, enz. Derhalve ontleenden ook de verschillende nieuwe godsdienstige genootschappen hunne namen van hunne stichters. De aanhangers van Luther noemden zich Lutheranen, die van Calvijn Calvinisten, die van Zwingel Zwinglianen, enz.; gelijk zich in de eerste eeuwen van het Christendom de aanhangers van Nestorius Nestorianen, die van Eutyches Eutychianen, die van Alius Ananen noemden. Later traden in verschillende landen onderscheiden mannen op, die in den schoot der genoemde godsdienstige genootschappen zich een aanhang vormden en zoo de stichters van nieuwe gemeenten of sekten werden. Wij kunnen hier de namen van al die kerkstichters niet opnoemen, maar de geschiedenis heeft ze opgeteekend van Münzer, den stichter der wederdoopers, tot den afvalligen Dollinger, het hoofd der zoogenaamde oud-katholieke Kerk. Dat nu de heiligheid van deze mannen , die allen de vaandels van verzet tegen de heilige, roomsch-katholieke Kerk gevoerd hebben, niet schitterend, nog minder door wonderen

-ocr page 457-

443

bekrachtigd is geweest, leert de geschiedenis der Kerk en der wereld zoo duidelijk, dat het ocnoodig is, met eene lange, onaangename en hoogst ontstichtende bewijsvoering ons in te laten. Men zou ons ongetwijfeld van liefdeloosheid en onverdraagzaamheid jegens onze dwalende broeders beschuldigen, als wij bij zulk eene beschrijving de waarheid en alleen de waarheid mededeelden.

2) De onkatholieke godsdienstige genootschappen zijn niet heilig, omdat zij vele geloofspunten en genademiddelen, bijv. het H. Misoffer en de meeste Sacramenten, verworpen, daarentegen grondstellingen aangenomen hebben, die met de heiligheid in strijd zijn. Door het onderscheid, hetwelk de Protestanten maken tusschen de fundamenteele en niet-fun-damenteele waarheden des geloofs, en nog meer door hunne grondstelling van het vrije onderzoek, is aan iedereen de vrijheid geschonken, naar eigen goedvinden geloofsartikelen aan te nemen of te verwerpen. En van die vrijheid werd sinds het begin der Reformatie tot nu toe zoo ruim gebruik gemaakt, dat er bijna geen enkel geloofspunt is, hetwelk niet in den schoot van eene of andere protestantsche gemeente verworpen werd, zonder dat men daarover met recht eene klachte kon inbrengen. Desgelijks werden door de protestantsche genootschappen niet alleen de kerkelijke vasten, de verheven plechtigheden van den godsdienst, de schoone, betee-kenisvolle ceremoniën, de evangelische raden, enz., maar ook het H. Misoffer en de meeste HH. Sacramenten afgeschaft. Hoe nu zou een godsdienstig genootschap, hetwelk instellingen afschaft, welke vijftien eeuwen lang in de geheele christen wereld, in het Oosten en in het Westen, als middelen ter bevordering der heiligheid erkend, aanbevolen, uitgedeeld en door de geloovigen met den besten uitslag aangewend zijn, een heilig genootschap kunnen genoemd worden? — Nog veel minder kan men eene Kerk heilig noemen, wier stichter openlijk leeringen predikte, welke lijnrecht met de heiligheid in strijd zijn. Dit hebben de hervormers ontegensprekelijk gedaan. Zij leerden, dat demensch door de erfzonde van zijn vrijen wil geheel beroofd en diensvolgens de gedoopte in de onmogelijkheid is, zijne booze neigingen te overwinnen en de geboden Gods te onderhouden; verder, dat de goede werken ter zaligheid niet noodzakelijk zijn, daar het geloof alleen den mensch rechtvaardigt, i) Calvijn leerde zelf, dat God van eeuwig-

i) „Thans ziet gij,quot; schrijft Luther, 1) //hoe rijk de Christen of de

1

De captivit. Babyion. Tom. 2. fol. 264. Uitlegging van den brief aan de Galaten.

-ocr page 458-

444

heid af een gedeelte der menschen zonder hunne schuld voor de eeuwige verdoemenis en anderen voor de eeuwige zaligheid bestemd heeft. Volgens deze huiveringwekkende leer moge de mensch zooveel goed doen als in zijn vermogen is, \'tzal hem niets baten, als hij voor de eeuwige verdoemenis bestemd is; is hij daarentegen ter zaligheid bestemd, dan kan al het kwade, dat hij doet, hem geenszins van het eeuwig geluk berooven. Hoe nu kan de heiligheid en het oprecht streven naar deugd met zulke leeringen gepaard gaan? Wel zijn na verloop van tijd vele prote-stantsche gemeenten van eenige grondstellingen der hervormers afgeweken, doch zij zijn en blijven spruiten van Luther en Calvijn, zij hebben van hen den geest van opstand tegen de heilige en heiligmakende leer onzer H. Kerk, verwerpen, gelijk dezen, de meeste barer genademiddelen, ja, zij zijn hen zelfs op den weg der ontkenning en verwerping van al, wat echt christelijk is, verre vooruit.

3) Daar volgens het gezegde de niet-katholieke gemeenten noch in hare stichters, noch in hare leer heilig zijn, en de middelen ter heiliging grootendeels versmaden, missen zij ook de vruchten van ware heiligheid. Luther zelf, het hoofd der hervormers, klaagt op vele plaatsen zijner werken er over, dat de verbeteringen, welke hij in de Kerk, gelijk hij zegt, wilde invoeren, zichtbaar in duigen zijn gevallen, ja het kwaad verergerd hebben. \') Dergelijke klachten heffen met evenveel recht ook de overige reformatoren en hunne tijdgenooten aan, zelfs diegenen, die hunne aanhangers waren en gebleven zijn, of zich tenminste aanvan-

«gedoopte is; want zelfs wanneer hij wil, kan hij zijne zaligheid niet ^verliezen, hoe groot zijne zonden zijn, tenzij hij niet wil gelooven. »Geene zonde kan hem verdoemen, dan alleen liet ongeloof.quot; Vandaar schreef deze ongelukkige in het jaar 1521 van den Wartburg aan zijn vriend Melanchton : „Wees zondaar en zondig krachtig, maar geloof „nog krachtiger.quot; 1)

\') In zijne verklaring van den briel aan de Galaten (Walchsche Ausg. VUL 2683) schrijlt Luther: „Zij (de aanhangers van het nieuwe „Evangelie) maken van de geestelijke vrijheid eene teugellooze vrijheid „des vleesches. Zij zijn zevenmaal erger onder den naam der vrijheid, „dan zij onder de paapsche tirannie geweest zijn.quot; En in de uitlegging van deii tweeden Psalm (Walch. V, 114) spreekt hij: „Overal, waar ons „Evangelie ingang vond en gehoord werd, volgde het oproer, twee-//dracht en sekten ontstonden in de Kerk; eerbaarheid en goede zeden „verdwenen, en iedereen wilde doen, wat hem beliefde, als waren alle „wetten, recht en orde opgeheven, hetgeen helaas! maar altewaaris. „Want de ongebondenheid in alle staten is tegenwoordig veel grooter „dan voorheen.quot;

1

Epist. Lutheri a Joh. Aurifrabo, coll. torn. 1. Möhler\'s Symboliek I. Hootdst. 3. Dechamp\'s waarheid en redelijkheid des geloofs, Onderhoud. 5.

-ocr page 459-

445

kelijk veel van het nieuwe Evangelie beloofden.\') Wij geven gaarne toe, dat er ook onder de onkatholieken rechtschapen, deugdzame menschen zijn. Dit verschijnsel is echter veelal daardoor op te lossen, dat deze lieden beter zijn dan de grondstellingen van het Protestantismus, welke zij wel aannemen, maar niet tot richtsnoer van hun geloof en leven maken. Niet zelden behooren dusdanigen, zonder het te weten, tot de ziel der roomsch-katholieke Kerk en treden alzoo met haar in eene geheime levensvereeniging, welke voor hen de bron van vele bizondere genaden wordt. (Hierover zal later breedvoerig gesproken worden.) Bovendien merken wij aan, dat men wei onderscheid moet maken tusschen eene zekere uiterlijke vroomheid en eene inner-lijke echt christelijke levenswijze, tusschen eene mensche-lijke rechtschapenheid en deugd in het privaat- en burgerlijk leven, welke ook somwijlen bij Joden en Heidenen voorkomt, en tusschen het heroïsmus der christelijke deugd. Dit laatste is buiten de roomsch-katholieke Kerk niet te vinden. 1 ) Of in welken anderen aardbodem bloeit de

1

) Dewijl de Kerk geen van liare kinderen onder het getal dei-Zaligen of Heiligen opneemt, van wie liet niet onorastootelijk bewezen is, dat zij do christelijke deugden in een heldhafdgen graad beoefend hebben, levert dit reeds zoovele bewijzen voor de heldhaftigheid der deugd in de roomsch-katholieke Kerk als zij zalig-en heiligverklaarden telt. Wij bepalen ons derhalve bij de vermelding van enkele voorbeelden. — De heilige Petrus Paschalis, Bisschop van Jaën, ging, nadat hij zijn vermogen tot loskooping der gevangenen en ter ondersteuning der armen besteed had, zelf\' onder de Turken, die hem in ketenen sloegen. De geestelijken en liet volk van zijn kerspel zonden hem eene som gelds te zijner vrijkooping. „De Heilige,quot; zegt Heliot (Histoire des ordres religieux et militaires), „nam het geld met grooten „dank aan; maar in plaats van het tot zijne vrijkooping te gebruiken, „kocht hij daarmede een aantal vrouwen en kinderen los, wier zwakheid „hem deed vreezen, dat zij van het christelijk geloof zouden afvallen, „en zoo bleef hij in handen der barbaren, en verwierf daar omtrent „het jaar 1300 de martelaarskroon.quot; — Margaretha, koningin van Schotland, die van vaderszijde von den koning van Engeland, van moederszijde van den keizer van Duitschland afstamde, schitterde gedurende dertig jaren voor hare onderdanen als een volmaakt toonbeeld van vroomheid en naastenliefde. Zoo dikwijls zij in het openbaar verscheen, zag men haar omringd van een aantal- armen en noodlijdenden, die immer in haar eene milde en zorgvuldige moeder vonden. Nooit verliet zij de hulpbehoevenden zonder troost en rijkelijke ondersteuning geschonken te hebben; dagelijks spijsde zij ongeveer drie honderd behoeftigen, zette hun met eigen hand het voedsel voor, wiesch hunne voeten, en reinigde hunne wonden. Hare koninklijke inkomsten waren niet toereikend voor hare milde aalmoezen. Daarom gaf zij dikwijls \'hare kleederen en sieraden aan de noodlijdenden, en putte zelfs meer dan eens hiervoor de schatkist uit. — De afgrijselijke pest, welke in het jaar 1570 te Milaan woedde, bood den Aartsbisschop dezer zwaar bezochte stad, den heiligen Carolus Borromeus, eene schoone gelegenheid

-ocr page 460-

446

schoone, de hemelsche plant van altijddurende, vrijwillige maagdeliikheid ? Waar rijpt de zoo kostbare vrucht van allesopofïerende liefde tot God en den naaste? Waar vindt men mannen, die de teederste banden van bloedverwantschap en vriendschap verbreken, in de verst afgelegen werelddeelen , onder ruwe, soms bloeddorstige heidensche volkeren zich begeven, zonder andere begeleiding dan die van hunnen gekruisigden Verlosser, zonder andere bescherming dan die der Voorzienigheid, zonder eenige andere bedoeling dan voor Jesus Christus zielen te winnen, zonder ander vooruitzicht dan voor hunnen gekruisten Heiland

om zijne heldhaftige naastenliefde te toonen. Hij bevond zich juist te Lodi, toen hij de schrikbarende boodschap van het uitbreken der vreeselijke ziekte ontving. Dadelijk ijlde hij, het oogenschijnlijk gevaar der besmetting trotseerend, naar Milaan. Het volk hem ziende, brak in luide jammerklachten uit. , Barmhartigheid, barmhartigheid, o Heer!quot; riepen allen hem tegen. Luid weenende begaf hij zich naar de hoofdkerk en bad. In zijn paleis terugkeerd, vond hij daar vele ambtenaren, die hem baden de zorg voor de stad op zich te nemen. Carolns bracht den nacht weenend en biddend door; hij schreef openbare bidstonden en vastendagen uit, opdat ieder zich met God verzoenen en den hemel om medelijden smeeken zou. Bij de processie ging hij barrevoets, met een strik om den hals, en het kruis in de hand. Drie dagen lang werd onafgebroken in alle kerken gebeden, op iederen dag van dit algemeen gebed predikte hij en vermaande allen tot boetvaardigheid. Alsdan maakte hij zijn testament, waarin de armen als de voornaamste erfgenamen beschreven werden. Om in de dringendste behoeften te voorzien, liet Carolus al het zilver, dat in zijn paleis voorhanden was, naar de munt brengen om daarvan geld te slaan; vervolgens kocht hij lijnwaad, kleederen en voedsel, en zond een en ander naar de woningen der ellende. Ook zorgde hij voor ziekenoppassers en priesters, die dea stervenden de HH. Sacramenten toedienden. Hij zelf, bereid zijn leven voor zijne schapen te geven, ijlde onvermoeid tot de zieken en bracht hun den troost van den godsdienst. Ongeveer 120 wereld-geestelijken en 14 monniken stierven den heldendood der christelijke zelfopoffering en liefde. De Aartsbisschop bleef verschoond, als ware het voor nieuwe liefde-offers. Het gevolg der pest was namelijk, dat er een grenzelooze nood en armoede ontstond. De winter met honger en koude was op handen. De gegoeden hadden hunne bedienden, de fabriekanien en neringdoenden hunne daglooners en arbeiders ontslagen. Ongeveer 70,000 menschen doolden broodeloos in de ontvolkte stad rond. Carolus troostte hen, huisvestte velen in een groot gebouw, buiten Hilar.n gelegen; anderen plaatste hij als wakers, zleken-oppassers en bedienden in de hospitalen. Hij liet zijne bedden, gordijnen, tapijten in kleedersn veranderen en kleedde daarmede de halfnaakten. Hij maakte groote schulden teneinde de armen te kunnen ondersteunen. Zelfs zijn geestelijk gewaad liet hij tot kleedingstukken vermaken, zoodat men arme menschen zag in kardinaalskleeding. Zoo woonde de trouwe herder, zelf nauwelijks behoorlijk gekleed, in hot bijkans ledige paleis. Eens op een avond kwam hij, vermoeid van het bezoeken der zieken, te huis. Hij vroeg water en brood, zijn eenigst voedsel in dezen tijd. Üe bediende bracht hem slechts water, wijl er brood noch geld voorhamlen was. — In zulke werken van lichamelijke en geestelijke barmiiartigheid volhardde de H. Aartsbisschop zoo lang, tot de sterfte, welke in de stad Milaan alleen 17000 menschen wegmaaide, geheel geweken was (Uit Hepps Kirchengeschichte).

-ocr page 461-

447

en Koning alle mogelijke rampen, ja zelfs marteling en dood te ondergaan ? Waar vindt men geheele scharen van helden en heldinnen, die, niet tevreden met alle aardsche goederen en verwachtingen, hun lichaam en alle krachten der ziel aan den voet des altaars hunnen Heer en Bruidegom ten offer gebracht te hebben, ook hun geheele leven met volmaakte liefde toewijden aan de opvoeding en verzorging van arme, verwaai-loosde kinderen, aan de zedelijke opheffing van diepgevallen meisjes, aan de zoo moeielijke oppassing van zieken; die niet terugdeinzen voor het beeld des doods, dat hun dagelijks voor oogen zweeft, die zelfs zich niet laten afschrikken door den doodelijken adem van besmettelijke zieken ? Buiten de roomsch-katholieke Kerk nergens. — Eveneens zullen de onkatholieken moeten bekennen, dat zij geene Heiligen hebben, wier heiligheid God door wonderen heeft bevestigd. Zij mogen de geheele geschiedenis hunner Kerk doorbladeren, een ontegensprekelijk wonder ter bevestiging der heiligheid van één der hunnen zullen zij er nooit in vinden.

IVaar om is de roomsche Kerk katholiek of algemeen ?

1) Omdat zij van Christus af altijd bestaan heeft met hetzelfde leer-, priester- en herdersambt gelijk thans; derhalve is zij algemeen wat aangaat den tijd. — Een onom-stootelijk bewijs levert de tot Christus opklimmende ge-

\') Tegenwoordig (1858) telt liet genootschap der barmhartige zusters, waarvan het moederhuis te Parijs gevestigd is, 15,000 leden. Behalve deze, bestaan er in de katholieke Kerk nog talrijke andere genootschappen en vereenigingen van beiderlei geslacht, die zich uit christelijke liefde aan de verpleging der kranken wijden. *) De Protestanten hebben wel is waar, sedert eenigen tijd ook eene vereeniging van barrahaptige zusters, die zich diakonessen of pleegzusters noemen. #Het is mij toch een onverklaarbaar verschijnsel,quot; schrijft een protes-tantscli predikant aan zijn ambtgenoot, //dat terwijl het ons de //grootste moeite van de wereld kost ééne zuster te verwerven, de //Katholieken ze in overvloed vindenquot; (Holl. volksbl. 5 Aug. 1854). In eene te Fürth gehouden protestantsche conferentie klaagde men openlijk over de zoo gebrekkige uitwerking dezer inrichtingen. /.De //oorzaak ligt daarin,quot; zeide men, //dat wij de gelofte van eeuwige //zuiverheid niet meer bezitten; de grootste meerderheid onzer zusteren //treedt in het huwelijk en gaat voor ons verlorenquot; (Nürnberg Evang. K. S. April 1854).

Hier mag wel genoemd worden de in ons land op vele plaatsen bestaande vereeniging van de H. Elisabeth, wier leden, meestal uit gegoede vrouwen bestaande, het zich ten taak stellen, zoo door milde bijdragen, als door persoonlijke diensten, hare beste pogingen aan de verzorging en ondersteuning van arme zieken te wijden.

-ocr page 462-

448

schiedenis der roomsche Kerk. Volgens haar getuigenis heeft de roomsche Kerk zich ddardoor van alle andere zoogenaamde Kerken onderscheiden, dat in haar ten alle tijden van Christus af hetzelfde geloof is verkondigd, dezelfde Sacramenten zijn toegediend, en aan hetzelfde gezag steeds werd gehoorzaamd, wijl in haar een eenig, zichtbaar leer-, priester- en herdersambt bestond, daar al degenen, die dit ambt wettig waarnamen, hierin van hunne Bisschoppen, als hunne opperleeraars^ opperpriesters of opperherders, en deze wederom van den roomschen Paus, als het opperhoofd van alle leeraars, priesters en herders, afhankelijk waren en die afhankelijkheid door vrijwillige gehoorzaamheid aan den dasj legden. Over die onafgebroken ondergeschiktheid van de Priesters aan de Bisschoppen, en van deze aan den Paus, den opvolger van den H. Petrus, heerscht bi] alle HH. Vaders en kerkelijke schrijvers, zelfs uit de eerste eeuwen des Christendoms, één gevoelen. De getuigenissen van den H. Clemens, van Ignatius, Ireneus, Tertullianus en Cyprianus zijn bekend en meerendeels vroeger reeds door ons aangehaald. Het is alzoo onmogelijk een tijdpunt na Christus aan te wijzen , dat die besproken ondergeschiktheid in het waarnemen van het drievoudig ambt in de roomsche Kerk niet bestond of anders was dan tegenwoordig: bijgevolg heeft de roomsche Kerk, gelijk zij thans bestaat als een zichtbaar genootschap, door leeraars, priesters en herders bestuurd, reeds van Christus af bestaan, en verdient zij reeds om die reden den naam van katholiek of algemeen.

2) De roomsche Kerk is ook algemeen wat aangaat de plaats, wijl zij over den geheelen aardbodem verbreid is. — Terwijl de verschillende christelijke sekten slechts eene meer of minder beteekenende. doch meestalv tot eenige landen beperkte uitgestrektheid verkregen, overschreed de roomsche Kerk weldra na haar ontstaan alle grenzen, en wel zoo, dat de stem der Apostelen reeds over de geheele aarde uitging en tot aan de grenzen der wereld weerklonk. Daarom schrijft de H. Paulus aan de Romeinen: „Vooreerst „nu dank ik mijnen God door Jesus Christus voor u a\'.len, „dat uw geloof verkondigd wordt in geheel de wereldquot; (1,8), en daarom werd reeds in de eerste eeuwen des Christendoms de roomsche Kerk zelfs door afvalligen en ongeloovigen ter onderscheiding van de toenmalige sekten de katlioliehe genoemd. „Wij moeten vasthouden,quot; schrijft Augustinus in zijn boek over de eenheid der Kerk (hoofdst. VII, n0. ]2), „aan den christelijken godsdienst en aan de „gemeenschap met die Kerk, welke katholiek is, en de

-ocr page 463-

449

„katholieke genoumd wordt, niet alleen door hare eieren ..kinderen, maar door al hare vijanden. Want zelfs de ketters „en de aanhangers der scheuringen noemen haar, wanneer „zi] , niet met de hunnen, maar met andersdenkenden spreken, „onwillekeurig, de katholieke. Zij zouden ook niet begrepen „worden, als zij haar niet met dien naam aanduidden, waar-„mede zij door de gansche wereld genoemd wordt.quot; Hiermede overeenstemmende, zegt de H Kerkleeraar Optatus in het tweede boek tegen Parmenianus; „De (roornsche) „Kerk wordt de katholieke genoemd, omdat zij alom verspreid is.\'\' Die algemeene uitbreiding door de wonderlijke vruchtbaarheid, welke God aan zijne Kerk, de moeder vnn het verlost geslacht, verleend heeft, had van oudsher ten gevolge, dat het getal der leden van de roornsche Kerk het getal der aanhangers van elk ander godsdienstig genootschap verre overtrof. Ook in onze dagen zijn de medeleden der roornsche Kerk veel talrijker, dan die van eenige andere niet-roomsche gemeente, ja zelfs talrijker dan de aanhangers van alle sekten te zamen \'). Al zouden er ook. vooral tegen het einde der wereld, vele landen van het roomsch-katholiek geloof afvallen, toch zal de roornsche Kerk daardoor niet ophouden de katholieke te zijn. Geenszins toch wordt er tot de katholiciteit der Kerk van Christus volgens de bepaalde aanduidingen der H. Schrift (Mattii XXVIII, 11; XXIV, 14; Kom. XI, 25) vereischt, dat zij ten allen tijde alle landen der aarde omvat; integendeel is het genoeg, dat zij , gelijk de zon langzamerhand voortgaande, het eene na het andere met het heilrijk licht harer leer verlichte en door de genad - ui 1 leien levend make en bekrachtige. Wanneer nu, dorr de boosheid der volkeren, in enkele landen naar de geheimvolle, maar rechtvaardige oordeelen Gods, haar licht wordt onttrokken en hare genadebron uitdroogt, blijft het toch waar, dat zij die landen reeds verlicht en levend gemaakt heeft, en\'dat zij opnieuw in staat en immer er op uit is, hen te verlichten en hun het leven te geven, d. i. de Kerk blijft ook in dat geval katholiek of algemeen wat hare uitgestrektheid betreft.

3) De roornsche Kerk is algemeen., omdat zij voor alle menschen gesticht is en zich door de verkondiging van het Evangelie voortdurend uitbreidt, volgens het bevel des Heeren : „Gaat en predikt het Evangelie aan alle schepselenquot; (Marc. XVI, 15). De geschiedenis leert ons, dat de room-

•) Zie Wilmer\'s Handbuch II, Bladz. 839. Volgens nauwkeurige berekening, zegt Schouppe (Elein. theol. dogm. p. 240) bedraagt liet getal der onkatholieken 120,000,000, dat der Katholieken 170,000,000.

DEUARBE, GELOOl\'SLEEE. II. 3\'^ DRUK. 29

-ocr page 464-

450

sche Kerk, zich bewust van hare hooge roeping en het bevel van haren goddeliiken Stichter, in alle eeuwen hare Priesters uitzond, om den heidenschen volkeren de bliide boodschap des heils te verkondigen en hen in het vaderhuis van God te voeren. Gelijk eene bezorgde moeder, wier kind in eene afgrijselijke wildernis in gevaar van vergiftige slangen en verscheurende dieren ronddoolt, en overal door ijzingwekkende afgronden bedreigd wordt, de dienaars des huizes uitzendt, om het geliefde kind op te zoeken en naaide ouderlijke woning terug te brengen; gelijk zij met een vurig verlangen die terugkomst tegemoet ziet en hare moederlijke armen vol liefde en teederheid naar haar kind uitstrekt ; zoo deed ten allen tijde de roomsche Kerk met de ongelukkige Heidenen, die Jesus Christus aan hare moederlijke zorg heeft toevertrouwd. Aan hare liefderijke bezorgdheid danken alle katholieke landen het ware geloof en hunne chrislelijke zeden. Zelfs ten tijde dat de christelijke ijver, als men aan de woorden van partijdige schrijvers onvoorwaardelijk geloof wil hechten, was uitgebluscht, en de vorsten der Kerk, hunne geestelijke waardigheid en plichten vergetende, zich bijna uitsluitend met wereldlijke aangelegenheden bezig hielden; ten tijde, dat de Pausen te Avignon als het ware in de schaduw van den franschen koningstroon leefden, zelfs toen zonden zij priesters uit de orde van den H. Franciscus en Dominicus naar Ethiopië, Persië, Indië en China, om daar het geloof te prediken. In het jaar 1360 benoemde Paus Clemens V den Franciscaan Joannes de Monte Corvino, die vele jaren bij de Chineezen net christelijk geloof verkondigd had, tot Aartsbisschop van Cambalu, de hoofdstad van China (het tegenwoordige Peking) en tot pauselijken gezant van geheel het Oosten; tevens voegde hij hem zes Bisschoppen toe, als medearbeiders in dien onmetelijken wijngaard des Heeren. De opvolger van Clemens, Joannes XXII, zond een Dominicaan (Franco van Perugia) als Aartsbisschop naar Soltania, de hoofdstad van Persië, en gaf hem eveneens zes Bisschoppen als helpers mede. — Hetgeen de roomsch-katholieke Kerk sinds de ontdekking van Amerika ter bekeering der heider.sche bewoners van die nieuwe wereld gedaan heeft; hoe hare zendelirgen, onder onbeschrijfelijke moeielijkheden , gevaren en kwellingen, in dien hoofdzetel van den afgodenaienst zijn binnen gedrongen, en niet zelden ten koste van hun bloed de hel menigen buit, totdusverre ongestoord bemeten, ontrukt hebben; hoe zij aldaar, en eveneens in Azië en Afrika, schier ontelbare rijken door hunne prediking voor Christus veroverd hebben; — dit alles vormt eene der heer-

-ocr page 465-

451

het I liikste bladzijden uit de geschiedenis van den lateren tijd.

are I Men herinnere zich. slechts de bloeiende, door den H. Fran-

jde I ciscus Xaverius gestichte Kerk van Tndië en Japan , de

uis I Kerk van Paraguay, Mexico, China, Tonkin, enz. — En

ier I ook in den laatsten tijd is in het hart der roomsch-katho-

ige | lieke Kerk de ijver voor de uitbreiding des geloofs niet

oor I verkoeld; integendeel is die door de ontdekking van Australië,

iles I een nieuw en uitgestrekt veld ter bearbeiding, bizonder

iar I toegenomen. Het getal der geestelijke orden , die het zich

;en I ten taak stellen, zendelingen te vormen, is aanzienlijk ver-

oe- I meerderd, en de reeds bestaande worden niet moede, het

lit- I vroeger begonnen werk ter bekeering der Heidenen voort

de I te zetten. Desgelijks vindt men ook nu nog inrichtingen,

ke I waar de wereldpriesters tot de verheven bestemming der

3kI I buitenlandsche missiën worden opgeleid. Wij gewagen hier

ne I alleen van de Propaganda te Rome, waar uitstekende Pries-

er, I ters van alle natiën tot het apostolaat onder de Heidenen

or- I en tot het martelaarschap worden voorbereid. En dat het

de I zaad van Gods woord, door zoo velen uitgestrooid, in ^

en | vruchtbare aarde valt, bewijst het steeds toenemeDd aantal

e- 1 van apostolische vikariaten en bisdommen. Zoo wordt aan

on | de roomsch-katholieke Kerk de profetische gelijkenis van

on I Christus, namelijk van het mostaardzaadje, telken dag meer

sn I en meer vervuld.

ië I De roomsche Kerk alleen heeft recht op den naam van

ar I katholieke of algemeene Kerk. De overige godsdienstige ge-

es f nootschappen zijn noch wat den tijd, noch wat de uitge-

et I strektheid betreft, algemeen. De grond ligt daarin, dat zij

m I eerst in lateren tijd ontstaan zijn, en onophoudelijk zich in

ï) 1 eene menigte sekten gesplitst hebben, waarvan geene enkele

is I algemeen verspreid is, noch zich op de door Christus be-

n I paalde wijze uitbreidt, a.) De godsdienstige genootschap-

n i: pen, welke aan de zoogenaamde Reformatie hun ontstaan

so I te danken hebben, behooren tot een lateren tijd, tot de

d I zestiende eeuw. Hun voorwendsel, dat zij reeds vroeger,

1- I maar onzichtbaar, bestaan hebben, is in deel I. bladz. 129

s I als eene ijdele uitvlucht ten toon gesteld. Verder blijkt

e I uit den aard en de inrichting der Kerk van Christus dui-

e I delijk genoeg, dat die Kerk onmogelijk alleen onzichtbaar

ii I kan gedacht worden, b.) Het is evenzeer een onloochenbaar

t I feit, dat het Protestantismus sinds zijn ontstaan tot op

n 1 heden niet heeft opgehouden, zich in eene menigte van

, I sekten te splitsen, welke alle van elkander verschillen en

! I hare eigenaardige leeringen, godsdienst en gebruiken hebben.

: I quot;Van eene algemeene verbreiding van eenig godsdienstig ge-

I nootschap kan derhalve geenszins spraak zijn, dewijl van de

29*

-ocr page 466-

452

bijkans ontelbare sektea de eeae hier, de aaiere dia:-, maxr geen enkele algemeen verspreid is. Wii hebbea reeds aangetoond, dat bet de grootste dwaasheid is, te willen beweren, dat die verschillende sekten, welke onderling steeds met elkander ia strijd zijn, nochtans wne algemeene Kerk vormen, wijl zij, gelijk men voorgeeft, in de hoofipuntea des geloofs, of voor het minst ia het geloof aan Ciiristus , overeenstemmen. — c.) Op wat wijze en door welke middelen het Protestantismus bij zyne opkomst zich heeft uitgebreid, zal later breedvoeriger worden besproken. Wij vragen hier alleen, of het ook, gelijk de roomsoh-katholieke Kerk, voldoet aan het bevel des Heeren: „gaat en „leert alle volkeren,quot; en „predikt het Evangelie aan alle „schepselen.\'\' Waar zijn de natiën, aan welke het Protestantismus het Evangelie gepredikt, welke het gedoopt en tot de onderhouding der christelijke wet gebracht heeft? Waar vindt men een enkel land, door de Protestaatea bekeerd en aan de gruwelen vaa het Heidendom ontrakt? En waar zijn in het Protestantismus die apostolisohe mannen, die, gelijk een Franciscus Xaverius, met het kruis op de borst de aanvallen der helsche machten trotseerden en het kruis plantten van den barmhartigen Godmensen, waar kort tevoren het bloed van menschenoffars ten hemel riep om wraak? De roem van zulke mannen te bezitten, komt uitsluitend aan de roomsch-katholieke Kerk toe.

Wel is waar zijn er in de laatste zestig jaren ook protestantsche vereonigingen voor de missiën opgericht, die het zich ten taak stellen, mannen ter verbreiding van het „zuivere Evangeliequot; naar die streken te zenden, waar de roomsch katholieke missionarissen door zweet en bloed reeds een weg gebaand hebben. Men vindt tegenwoordig .dergelijke zendelingen in Amerika, Indië, China, Nienw-Zeeland, enz. JJoch wie ziet niet liet onderscheid tusschen deze en de roomsch-katholieke zendelingen? \') Terwijl de laatsten met gevaar van hun leven

\') //Sedert vier eeuwen aldus uitte zich kort geleden een lid van het londensch zendelinggenootschap , //is het oog van Rome op China //gevestigd geweest. Op dit oogenblik bezit de roomsche Kerk aldaar //dertienquot; Bisschoppen en oen half mülioen bekeerlingen. Jesuieten hergaven zich bij menigte daareen, om het land in bezit te nemen. „O, hadden wij toch den ijver der roomsch-katholieken ! Een der in-//drukwekkendste tafereelen uit de geschiedenis der missiën is voorzeker //dat van den hoogbegaafden Jesuïet Marerius, die, des avonds op het „eiland Sancian landende, bad voor China\'s bekeering; eer de morgen „daagde zijn reeds gebroken oog naar China wendde en dan met een „gebed voor de verlossing van dat land den laatsten adem uitblies. //U ! zullen wij het toelaten, dat de verdedigers van het Pausdom ons //in ijver voor China\'s bekeering overtreffen ? Er is een tijd geweest, „dat de ijver voor de bekeering der Chineezen onder de roomsch ka-//tholieken zoo groot was, dat tachtig jeugdige Priesters bij de pro-„gaganda te Rome een verzoekschrift indienden, hetwelk zij met hun

-ocr page 467-

453

alom prediken , bestaat het werk der eersten hoofdzakelijk in de uit-deeling van Bijbels, welke de arme Heidenen vaak niet kunnen of niet willen lezen, in de verbreiding- van de doode letter des Evangelies, waarvan zelfs de geleerdste Protestanten elkander het juist begrip betwisten. Wien zij dit geheimvol boek in de hand of in den zak gespeeld hebben, tellen zij onder hunne aanhangers, onbekommerd over het verdere lot van den Bijbel en diens bezitter. Beschermd door de wereldlijke macht, zijn zij voor gevaren gewaarborgd Daarbij trekken zij in den regel 20UU gulden en £00 gulden toelage, wanneer zij gehuwd zijn, alsmede de helft der toelage voor ieder kind ;/Aomen zij in hunne woonplaats,quot; Echrijft een protestantsch blad1), //dan zijn zij groote heeren, die een zwerm van bedienden om zich r/heen mceten hebben, de tljnste spijzen gebruiken en de beste, klee-//deren dragenquot; ^). Moge men ook hier en ginds eene loffelijke uit-

1

) Kasseier Quaitalberichte, 1851. Bladz. 86.

-ocr page 468-

451

zondering vinden, het blijft toch altijd waar, dat de protestantsclie missionarissen geen gevolg, dat naam mag hebben, van hun werk kunnen aantoonen, tenzij men het een gunstig resultaat wil heeten, dat het hun van tijd tot tijd gelukt, lauwe, kleingeloovige Katholieken tot alval te verleiden. Ofschoon zij den Heidenen liet juk van Christus al zeer gemakkelijk maken M, hebben zij het totdusverre nog zoover niet gebracht, dat zij ook maar één heidenschen volksstam tot het christelijk geloof en een christelijkcn levenswandel bekeerden 2).

Waarom is de roomsch-kalkolieJce Kerk aposloliek?

1) Omdat Christus door de Apostelen zijne Kerk over de wereld heeft verbreid, en zij derhalve van den tijd der Apostelen af bestaat. — Daar het bewezen is, dat de Stichter der roomsch-katholieke Kerk niemand anders dan Jesus Christus zelf is, kan het ook niet twijfelachtig zijn, dat de oorsprong dier Kerk tot de Apostelen reikt, dewijl deze, zooals men weet, naast Christus de stichters van \'s Heeren Kerk waren. De Apostelen zijn het namelijk, aan wie door

\') Eene vereeniging van predikanten, bestaande uit Episcopalen , Presbyterianen, Jlethodisten, Baptisten en Congregationalisten, vaardigde te Calcutta met meerderheid van stemmen den volgenden regel uit: //Wanneer een leek, alvorens hij Christen wordt, meer dan éene //vrouw heeft, zal het naar de praxis der Joden en der oorspronkelijke „Kerk hem geoorloofd zijn, die te behouden; maar ter vervulling van „een kerkelijk ambt, zal zoo iemand niet benoemd kunnen wordenquot; (Westfal. Klrchenblatt lb50. No 14).

Het ontbreekt niet aan feiten, waaruit blijkt, dat de protestantsclie zendelingen, om de heidenen voor het „zuivere Evangeliequot; te winnen, de werkzaamheid der katholieke geloofsverkondigers op eene wijze dwarsboomen, welke met het Evangelie zeker niet in overeenstemming is. üit vele bewijzen mag het volgende ten voorbeeld dienen. Het nieuwsblad der amerikaansche calvinistische woordverkondigers op de Sandwichseilanden, „Die Ameisequot; genaamd, had in het jaar 1S42 een artikel met het opschrift: „Over degenen, die door papisten „omgebracht zijn, omdat zij met hen in gevoelen verschilden.quot; Dit artikel bevat de hoogst merkwaardige berekening der bloedige offers van het Katholicisme. Men leest daarin; „Men berekent dat er 200,000 „gedood zijn onder paus Juliaan, gedurende een tijdvak van zeven „jaren. (Een paus Julinan is er niet geweest.) 100,000 werden in Frank-„rijk ter wille van don godsdienst aan de woede der papisten opge-„offerd. 100 000 Waldensen werden door de papisten omgebracht. 900,000 „werden door de Jesuïeten in Europa vermoord. 30,000, zegt men, wer-„den door den koning Alewa (van wien niemand iets weet) terecht „gesteld. 150,000 in Ierland op éénen dag gedood. Coed onderrichte „personen zijn van meening, dat de papisten, in den loop van 1400

„jaren, 500,000,000 van hunne medemenschen vermoord hebben.....

„Volk van Havanna! (zoo sluit het artikel) wat denkt gij van den „pauselijken godsdienst?quot; (Vergelijkt L\'union Catholique Nquot;. 17. 1842).

2) De onvruchtbaarheid der protestantsclie missiën is eene waarheid, welke zelfs door diegenen luide erkend wordt, die h(3t grootste belang er bij hebben, ze te verbergen. Toen de anglikaansehe bisschop van Salisbury in het jaar 1842 in de Pauluskerk te Londen voor de vereeniging ter verbreiding des Evangelie\'s. over den toestand der m ssie verslag gaf, sprak hij: „Ik moet het, ofschoon met leedwezen, zeggen, „deze missiën hebben geen gevolg.quot; Francis Nettement hoorde deze verklaring en bevestigde die. (Gazette de France du 7 juin 1^42.)

-ocr page 469-

455

Christus werd bevolen, zijne leer over den ganschen aardbodem te verkondigen, en zij hebben zich ook zoo trouw en ijverig moerelijk van die taak gekweten (Rom. X, 18). Zij toch hebben de Kerk van hunnen goddelijken Meester onder de joodsche en heidensche natiën geplant, alom met hun zweet besproeid en met hun bloed gedrenkt. Daarom betuigt de H. Paul us, dat de Heer zijne Kerk op de Apostelen, als op de (zichtbare) „grondslagenquot; gebouwd heeft (Eph. II, 20), en de H. Joannes, „dat de muren der stad Gods (d. i. der Kerk) „twaalf grondsteenen hebben, waarop de „twaalf namen staan der twaalf Apostelen van bet Lamquot; (Open. XXI, 14). — Op de vraag, welke Kerk door de Apostelen gesticht is, kan gewis geen ander antwoord gegeven worden, dan dat het de rooinsch-katholieke is, wijl alle andere, zooals de geschiedenis leert, van latere dag-teekening zijn. De roomsch katholieke Kerk alleen heeft zich niet door scheiding van eene of andere oudere moederkerk gevormd, maar zij is ontegenzeggelijk de moederkerk zelve, die door alle eeuwen tot de tijden der Apostelen opklimt. Hetgeen Tertullianus zeide tot de verkondigers van nieuwe leeringen, dat kan met recht ook tot de heden-daagsche sekten gezegd worden: „De Apostelen hebben „eerst kerken in iedere stad gesticht; van deze ontleenden „daarna de overige kerken den tak des geloofa en het zaad „der Kerk, en ontleenen die nog dagelijks, om kerken te „worden. Daardoor worden zij zelve apostolische kerken, „wijl zij er spruiten van zijn. Elk wezen, van welken ,aard ook, moet naar zijnen oorsprong beoordeeld worden; „deze kerken, zoo talrijk en zoo groot, zijn alzoo ééne „Kerk, namelijk die ééne, welke door de Apostelen gesticht „en de gemeenschappelijke stam van allen is.quot;

De roomsch-katholieke Kerk is apostoliek, 2) wijl hare leer apostoliek en op de apostolieke overlevering gegrondvest is. — Dit volgt reeds uit het gezegde. Immers, als de roomsch katholieüe Kerk de door de Apostelen gestichte stam- en moederkerk is, dan heeft zij gewis ook de leer dier Apostelen en tevens den beloofden tl. Geest ontvangen, om deze leer getrouw en onvervalscht te bewaren. In het tegenovergestelde geval toch zou Christus de belofte, aan zijne Kerk gedaan, niet gehouden en voor het eeuwig heil der menschen geene genoegzame voorzorg gehad hebben, zooals wij later breedvoerig zullen aantoonen. Overigens is het een feit, dat de roomsch katholieke Kerk immer tegen alles, wat nieuw is, optrad, en niet alleen aan de schriftelijke leeringen, maar ook aan de mondelinge overleveringen, als aan den grondregel van haar geloof, vasthield.

-ocr page 470-

456

Daarvoor vindt men evenveel bewijzen, als er in den loop der eeuwen Conciliën en Synoden tegen ketters en scheurmakers gehouden zijn. Hieruit verklaart zich dan ook het opvallend verschijnsel, dat de andersdenkende Christenen des te nader bij de roomsch-katholieke leer komen, naarmate zij ijveriger en oprechter in de geschriften der HH. Vaders naar de apostolische overleveringen zoeken. \')

De roomsch-katholieke Kerk is apostoliek, 3) omdat hare oversten. Paus en Bisschoppen, wettige opvolgers der Apostelen zijn. — Dat de roomsche Paus de wettige opvolger van Petrus is, en de Bisschoppen, die met den Paus ver-eenigd en van hem afhankelijk zijn, gelijk Christus verordend heeft, de opvolgers der Apostelen zijn, is boven reeds ■-■^.ngewezen. Die stelling geldt derhalve evenzeer van den tamp;aus roemvol regeerenden Paus Leo XIII en het heden-daagsche Episcopaat. Daarenboven is niets gemakkelijker, dan geschiedkundig te bewijzen, dat Leo XIII de wettige opvoiger is van den prins der Apostelen, den H. Petrus, daar hij in de onafgebroken rij der Bisschoppen, die op den Stoel van Petrus gezeten hebben, en wier namen en regeeringstijd in de annalen der kerkelijke geschiedenis zijn

\') Dit verschijnsel openbaarde zich ook in den jongsten tijd in Engeland op eene onloochenbare wijze. Vele door geleerdheid uitmuntende leden der universiteit te Oxford, met Pusey en Newman aan hut hoofd, hadden, naar aanleiding van de innerlijke ontbinding dei-hoofdkerk en de meerdere ontwikkeling der staatskerk, zich verbonden om elkander de behulpzame hand te bieden, teneinde haar eene vastere en meer onafhankelijke plaats te doen innemen. Het beste middel hiertoe scheen dezen geleerden de terugkeer tot de apostolische inrichtingen, namelijk liet onafhankelijke apostolische Episcopaat. Zij legden zich derhalve met vlijt toe op de studie der Kerkvaders van de eerste eeuwen, wijl zij uit die geschriften de zekerste en volledigste aanwijzing over de apostolische instellingen en leer hoopten te vinden. Inderdaad kwamen zij door middel dezer navorschingen in korten tijd tot geheel katholieke of ten minste de katholieke leer zeer nabijkomende resultaten. Het Episcopaat is volgens hen apostoliek en een door üod ingesteld noodzakelijk vereisehte der ware Kerk; het wordt voortgeplant door de oplegging der handen of de wijding. Zij geven der Kerk alleen het recht, de li. Schrift naar waarheid uit te leggen, en ruimen ook aan de Overlevering eene plaats in. i)e Sacramenten zijn voor hen niet meer eenvoudige teekenen, maar werkelijke genaae-stroomen; wat de Eucharistie betreft bekennen zij de wezenlijke, van ons geloof onafhankelijke tegenwoordigheid van Jesus Christus. Ook in de leer van de aanroeping der Heiligen, van het vagevuur, van di* vereering der beelden spreken zij zoo, dat zij de roomsch-katholieke leer zeer nabij komen. Velen dezer geleerden, onder anderen de beroemde iiewman, zagen weldra in, dat in de katholieke Kerk alle instellingen, wetten en leeringen worden gevonden, welke de Apostelen gehad hebben, en traden daarom, met talrijke en zware opofferingen, in de moederkerk. Nog anderen zullen de voetstappen dezer edele mannen volgen, indien zij voortgaan met onbevangen geest en goeden wil, uit de eerwaardige schriften der HH. Uudvaders te putten.

-ocr page 471-

457

opgeteekend, voorkomt. Ieder van ons mag alzoo met den H. Augustinus\') terecht zeggen; „hetgeen mij aan de katholieke „Kerk boeit, is die onafgebroken rij der Bisschoppen van „den Apostel af, wien Christus zijne kudde heeft toever-„trouwd, tot den tegenwoordigen Paus toe.quot; Hoewel men niet immer op gelijke wijze, namelijk door al hunne voorgangers op te tellen, kan aantoonen, dat al de overige Bisschoppen der over de gansche aarde verspreide Kerk tot de Apostelen opklimmen, is het echter niet moeieliik in te zien, dat zi] alle wettige opvolgers der Apostelen ziin. Allen toch zonder uitzondering hebben, naar de verordening der Apostelen, de bisschoppelijke wijding van een vroegeren, en deze wederom van een nog vroeger wettig gewijden Bisschop ontvangen, en zoo verder, totdat men:\'\' eindelijk aan een Bisschop komt, die zijne wijding van een Apostel ontvangen heeft. Ook nemen alle Bisschoppen der katholieke Kerk het leer-, priester- en herdersambt, hetwelk den Apostelen voor hun eigen persoon en voor hunne opvolgers is toevertrouwd, niet anders waar, dan in afhankelijkheid van en vrijwillige gehoorzaamheid aan den Paus, van wien zij ook, als van den Stedehouder van Christus en opvolger van den prins der Apostelen, hunne zending ontvangen.

De roomsche Kerk alleen is apostoliek. Zij alleen is met de Apostelen begonnen eu heeft tot op den huidigen dag voortdurend bestaan. Voor alle overige godsdienstige genootschappen gelden de woorden van den H. Hilariua (Boek IV, over de H. Drievuldigheid): „gij zijt te laat gekomen, te „laat zijt gij opgestaan.quot; Want 1) zij allen zijn eerst lang na de Apostelen ontstaan, en wel door zich los te rukken van de oude, apostolieke Kerk. Zij mogen voorgeven, wat zij verkiezen, het blijft altijd waar, dat zij niet de levende spruiten der oude moederkerk, maar afgevallen takken zijn. Zij hebben immers de moederkerk uitgemaakt voor de Kerk van den antichrist, hare leer verworpen, haar van bijgeloof en afgoderij beschuldigd, en daarom haar de verschuldigde gehoorzaamheid opgezegd , en ook nu nog staan zij in het open veld tegen de oude Kerk, die den Paus tot opperhoofd heeft, d. i. tegen de roomsch-katholieke. Is nu, gelijk boven bewezen werd, de roomsch-katholieke Kerk de oude , apostolieke, d. i. door de Apostelen gegrondveste Kerk, hoe kunnen zij, die zich van haar afgescheiden hebben en haar aanhoudend bestrijden, er dan aanspraak op maken, apostoliek te zijn? — De protestaut-

\') Contra epist. Fundament, c. 4. n. 5.

-ocr page 472-

458

sche genootschappen kunnen 2) geene aanspraak makenquot; op den naam van „apostoliekwijl hunne leer niet apostoliek is. Immers , daargelaten dat zij onvoorwaardeliik de apos-tolieke Overleveringen verwerpen, kan toch hunne leer niet apostoliek wezen, niet de leer der Apostelen zijn, omdat zij tegenstrijdigheden bevat, welke terstond in het oog loopen en even als het licht der maan, om zoo te spreken, met eiken dag verandering ondergaat, terwijl de apostolieke leer als het zonnelicht met onverdoofden luister de eeuwen doortrekt en den aardbodem verlicht. Daarenboven, hoe zou eene leer apostoliek kunnen zijn, die stellingen bevat, welke met gezond verstand in strijd zijn en zeer nadeelig werken op de zedelijkheid ? (Dit werd reeds aangetoond). De stichter zelf van de zoogenaamde Eefonnatie zag zich gedwongen, teneinde den afstand tusschen zijne leer en die der Apostelen eenigszins te verduisteren, den brief van den H Apostel Jacobus te verwerpen, den tekst van den H. Paulus op vele plaatsen te vervalschen en den zin er van te verwringen. \') — 3) Eindelijk kunnen zij niet apostoliek genoemd worden, wijl zij geene wettige opvolgers der Apostelen, derhalve ook geene door Christus gezonden leeraars of herders hebben. Op alle hervormers zijn van toepassing de woorden, welke de H. Optatus in de vijfde eeuw tot de Donatisten richtte: „gij zijt zonen zonder vaders, leerlingen zonder „leeraars, herders zonder kudde;quot; en niet minder die, waarmede Tertullianus de ketters van zijnen tijd uitdaagde, hunne al stamming van de Apostelen te bewijzen: „welaan, „laat zien den oorsprong uwer kerken, de orde en opvolging „uwer Bisschoppen tot aan de Apostelen of tot die apostolische mannen, die tot het einde van hun leven in de ge-„meenschap der Apostelen volhard hebben ; want daardoor „bewijzen de apostolieke kerken, dat zij dien naam verdienen.quot; Met welk recht traden de leeraars en verkondigers van het nieuwe, ongekende Evangelie op? Wie had hen gezonden? Christus zeker niet; alleen tot de Apostelen en hunne wettige opvolgers, de Bisschoppen, had Hij gezegd : „gaat en leert,quot; enz. — Zullen zij wellicht voorgeven, dat zij die zending niet behoeven, dat zij, gelijk de Profeten en de Apostelen, onmiddellijk door God geroepen en op buitengewone wijze gezonden zijn om te leeren, de Kerk van hare misbruikeu te zuiveren, haar te reformeeren? Maar welke zijn de bewijzen dier buitengewone goddelijke zending? Zijn het wonderen en teekenen, waardoor Uod hen als zijne buitengewone gezanten kenmerkte ? De geschiedenis vermeldt

i Vergelijk Döllinger; /Die Reformation,quot; III.

-ocr page 473-

459

dit niet. x) Is het hunne opvallende heiligheid, die ons recht geeft, hen te beschouwen als menschen, aan wie God eene zoo verheven zending heeft toevertrouwd ? De geschiedenis zegt ons juist het tegendeel. Of was hunne leer zoo onloochenbaar heilig en goddelijk, dat de vorige leer der Kerk in het licht van dit nieuw Evangelie op het eerste gezicht onjuist en goddeloos scheen \'? De preken der hervormers , hunne nagelaten schriften en de gevolgen van hunne leeringen getuigen ook te dezen aauzien allerduidelijkst het tegendeel J). Zij kunnen alzoo vergeleken worden met die

\') Luther zelf nam als grondregel aan, dat ieder, die zich eene buitengewone zending toeschrijft, en krachtens deze als stichter van een nieuwen godsdienst optreedt, zich, evenals de Apostelen, door de gave der teekenen en wonderen kenbaar moet maken. Zijne bewering luidde: „Wie iets nieuws te voorschijn brengen of iets anders z/leeren wil, moet door God geroepen zijn en zijne roeping door ,/wezenlijke wonderwerken bekrachtigen. Kan hij dat niet, dan make „hij zich uit de voetenquot; 1). En toen de katholieke Godgeleerden, op zijne eigen uitspraak steunende, hem toevoegden, dat hij dan eveneens zijne buitengewone zending tot omverwerping der bestaande Kerk door wonderen moest bewijzen\', geraakte hij in de pijnlijkste verlegenheid. Hij zeide daarop in eene predikatie; //Wanneer de nood //het vordert en zij het Evangelie willen benauwen en verdrukken, „moeten wij er waarlijk toe overgaan en ook teeltenen doenquot; 2). Later hield hij het meer geraden trotsch te antwoorden, dat hij de papisten wilde behandelen, zoo als Christus de Joden behandeld heeft (Hatth. XII, 39), „en zij daarom ook geene teekenen van hem „zouden zienquot; 3), in \'t algemeen veranderde hij nopens dit punt naar omstandigheden en behoeften zijne meening, en wel binnen 24 jaren nietminder dan veertienmaal (Zie Uöllinger, die Reformation. 151. 205 enz.).

-) Men heeft dikwijls Luthers tegenspraak en ongerijmdheden daarmede zoeken te verontschuldigen, dat hij zich allengs van de paapsche denkbeelden heeft losgemaakt, en zijn immer voorwaartsstrevend verstand slechts langzamerhand tot het zuivere licht van het reine Evangelie is doorgedrongen. Dit is echter eene onwaarheid. .Neen, hij stelde terstond bij het begin zijner prediking grondbeginselen, die zoowel met de toenmalige kerkelijke leer als met de gezonde rede in de grofste tegenspraak waren. Wij voeren hier slecht één bewijs aan, uit een protestantsch werk van den laatsten tijd. Dr. Hugo Laemmer, privaat docent der Theologie te Berlijn, schrijft in zijn boek, getiteld: „die „vortridentinisch-katholische Theologie des lielormations-Zeitalters. 1858quot; op de volgende wijze : //De Katholieken hebben reeds vóór de „Kerkvergadering van ïrente beweerd: na Adams val, is door de zonden-„vergevende genade Gods de menschelijke wilinzooverre vrijgemaakt, „dat deze onder den bijstand der goddelijke genade in een geregelden (normalen) „toestand volharden kan. maar toch de geneigdheid tot het „kwade behoudtquot;. Dus is de vrijheid van wil door de erfzonde wel verzwakt, maar niet vernietigd; zij is wel verlamd, maar niet gebroken. Daarentegen leerden Luther en zijne aanhangers, dat de mensch geene vrijheid van wil heeft, maar God in ons goed en kwaad werkt. Hij

1

Walch\'sche Ausorabe, IX. BI. 1099.

2

A. a. O. S. 1295.

3

A. a. O. S. 1768.

-ocr page 474-

460

Profeten, van wie de Heer tot Jeremias (XIV, 14) zegt: „Ik heb hen niet gezonden en hun niets geboden en niet „tot hen gesproken.quot;

De protestantsche genootschappen zijn alzoo nocli één, poch heilig: noch algemeen , noch apostoliek. Hetzelfde geldt ook van de ooster-sche sekten, de Nestorianen, Eutyohianen, enz.; desgelijks van de grieksch-schismatieke Kerk, welke wij thans meer van nabij willen beschouwen. — De grieksch-sohismatieke Kerk , wel te onderscheiden van de grieksche Kerk, welke met de roomsch-katholieke Kerk ver-eenigd is, doet zich thans voor, de inwendige scheuringen er buiten gerekend, in eene drievoudige vertakking, namelijk als oud-grieksche. russische- en nieuw-grieksche Kerk. iJe oud-grieksche schismatieke Kerk, wier hoofd de Patriarch van Constantinopel is, omvat de patriarchaten Antiochië, Alexandrië en Jerusalem ; de russische Kerk bevat de schismatieke aartsbisdommen en bisdommen van het russische rijk, en staat onder de Synode van Petersburg, waar de regeerende keizer het voorzitterschap bekleedt; de nieuw-grieksche, ten laatste, strekt zich uit over het tegenwoordige koninkrijk Griekenland en erkent, luidens de verklaring van het jaar 1833, den koning als haar opperhoofd. De oud-grieksclie, als het ware de moeder der beide andere schismatieke Kerken, ontleent haren oorsprong aan Photius, den Patriarch van Constantinopel (in het jaar 803) en aan Aiichaél Cerularius (1054), die het verband tusschen de oostersche Kerk en den roomschen Stoel gewelddadig verbrak en het schisma, door Photius begonnen , met kracht doorzette. — Later, hoofdzakelijk in de vijftiende eeuw, werd ook Rusland mede in de grieksche scheuring betrokken, en zoo ontstond de boven aangeduide russisch-schismatieke Kerk, welke aanvankelijk aan den Patriarch van Constantinopel onderworpen was, sinds het einde der zestiende eeuw een eigen patriarchaat vormde, namelijk van Moskou, en in het jaar I73i zich van Constantinopel onafhankelijk verklaarde en werd gelijk zij nu is.

Ma dit alles kan het niet moeielijk zijn, aan te toonen, dat de schismatieke Kerken alle kenteekenen der ware Kerk van Christus missen. ïen eerste zijn zij niet apostoliek, omdat zij zich van een apostolischen Stoel losgescheurd hebben en in ongehoorzaamheid en wederspannigheid jegens den Paus volharden. Hare Patriarchen, Aartsbisschoppen en Bisschoppen zijn niet de ware opvolgers der Apostelen, wijl zij het drievoudig ambt niet gelijk deze in afhankelijkheid van den ötoel van Petrus bekleeden en op anderen overdragen. tJaarbij komt nog, dat zij eerst na de tijden der Apostelen ontstaan zijn. — Eveneens ontbreekt de eenheid van opperhoofd, daar de verschillende schismatieke Kerken verschillende opperhoofden hebben, of liever dewijl geene van haar een opperhoofd heeft, maar allen onder het gezag van wereldlijke regenten staan. Zelfs de oud-grieksche Kerk

is de bewerkende oorzaak der zonde in den raensch, en alles geschiedt ten gevolge der noodzakelijkheid. De schrijver voegt er vervolgens bij (en hij mag dit te eer, daar hij zelf protestant is geweest 1i, en wist, dat zijne geloofsgenooten thans zulke leeringen verfoeien); //Zulk eene dwaling niet hare gevolgen is geene meuschelijke, maar «eene dierlijke daad en godslastering.\'\'

1

Dr. Laemmer is, sinds hij deze woorden schreef, tot de katholieke Kerk overgegaan. (Zie hierover: Het Kieuwe Testament vertaald door Mr. S. P. Lipman , Ie deel inleiding, bladz. XXI] noot en volg. en ibid. 2de deel, voorrede bladz. LXX1X).

-ocr page 475-

461

is zoo afhankelijk van den turkschen sultan, dat deze naar believen den meestbiedende op den patriarchalen zetel van Oonstantinopel plaatst en, naar luim of eigenbelang het medebrengt, weder afzet. Met zelden gebeurt het ook , dat de schismatieke geestelijkheid van Oonstantinopel, zelfs bij kerkelijke geschillen, aan de turlische rechtbank beslissing vraagt \'). Dat de schismatleken ook in hunne leer oneenig zijn, blijkt reeds daaruit, dat zij in het Concilie van Florence (1439) de leeringen der roomsch-katholieke Kerk, als zijnde de van oudsher overgeleverde, wilden aannemen, maar later weder voortgingen met die te bestrijden. — Desgelijks missen de schismatieke Kerken het kenteeken der heüiglieid. — Hare stichters Photius en Ce-rularius waren, gelijk men weet, trotsche, eerzuchtige mannen, die voor geene gewelddaad terugschrikten, opstandelingen tegen het tot-dusverre algemeen erkende opperhoofd der Kerk, den roomschen Paus. Ook de bron der heiligheid is bij haar verzegeld, daar zij sedert het begin van haar ontstaan tot den huldigen dag geen enkelen, door wonderen verheerlijkten Heilige kunnen aanwijzen. — Eveneens ontbreekt haar ook het kenteeken der katholiciteit. Zij zijn niet algemeen wat den tijd betreft, daar zij eerst in de negende eeuw ontstonden; evenmin zijn zij katholiek, wat aangaat de uitgestrektheid, dewijl zij zich slechts over eene betrekkelijk geringe landstreek verspreid hebben. Zij zijn eindelijk ook niet katholiek wat betreft de feitelijke uitbreiding, daar zij, als te laat opgekomen, het bevel om het Evangelie aan alle volkeren te prediken niet ontvangen hebben, noch op eene buitengewone wijze geroepen zijn, om die taak te vervullen, waarvoor zij trouwens zich ook geene moeite geven. Ofschoon de russische Kerk zich in den laatsten tijd meer heeft uitgebreid, heeft zij dit niet aan de prediking van het Evangelie, maar aan de list en gewelddadigheden der russische machthebbers te danken. Als leden, die gescheiden zijn van het lichaam van Christus, de roomsch-katholieke Kerk, rust op allen de vloek der onvruchtbaarheid.

Wat volgt er uit, dat geene andere Kerk, Itehaloe de katholieke, de kenteekenen der Kerk van Christin heeft?

Dat de roomsch-katholieke Kerk alleen de ware, de door Christus gestichte Kerk is.

Uit het vorige hoofdstuk blijkt, dat enkel de roomsch-katholieke Kerk alle aangegeven kenteekenen der ééne Kerk van Christus bezit. Zij is alzoo in waarheid diegene, waarvoor zij zich immer heeft uitgegeven, diegene, waarvoor zij door de edelste, door heiligheid en wetenschap uitmuntende mannen van alle christelijke eeuwen erkend, waarvoor zij door de meest beschaafde volken steeds gehouden is: zij is de ééne Kerk van Christus. Als zij het niet was, zou de dwaling dergenen, die haar als zoodanig beschouwen, geheel onschuldig zijn; de geheele schuld er van zou neerkomen op God, die tallooze wonderen gewrocht heeft, om de roomsch-katholieke Kerk als zijn goddelijk werk te doen aannemen. Inderdaad, de eenheid der katholieke Kerk is

\') Historisch-polit. Bliitter 1853. Bladz. 785.

-ocr page 476-

462

een wonder, haar voortbestaan is een wonder, hare uitbreiding is een wonder, de zegeningen en weldaden, welke zij alom verspreidt, zijn wonderen: zou God, om zoo te spreken, al die wonderen slechts gedaan hebben, teneinde de menschen aangaande zijne ware Kerk in dwaling te brengen? Welk gezond verstand kan zoo iets aannemen! — Ja, de roomsch katholieke Kerk is de ware, door Christus gestichte Kerk, zij is de stad Gods op den top van den heiligen berg gebouwd, op wier twaalf poorten, gelijk op die van het hemelsch Jerusalem, de namen der twaalf Apostelen geschreven staan, de stad Gods, wier licht en grondslag de Heer zelf is, wier glans zich over het geheele aardrijk verspreidt; de stad Gods, waarheen alle volkeren zich begeven, om binnen hare geheiligde muren bescherming tegen alle vijanden des heils, en den voorsmaak der hemelsche vreugde te vinden.

TOEPASSING.

„Zalig zijn allen, die u (Kerk) beminnen en zich ver-„heugen in uwen vrede,quot; zoo roept de godvreezende Tobias (Xlli, 8) uit, in den geest het geluk voorziende van degenen, aan wie het gegeven zou zijn, in de stad Gods op aarde, in de ware Kerk te wonen. Waarlijk, zalig zijn wij allen, wij, die zonder ons toedoen en zonder het verdiend te hebben in de Kerk geboren en opgevoed werden, wij, die met blijdschap uit de genadestroomen putten, welke haar vruchtbaar maken , wij , die de heerlijkheid des tempels zien, waarin de Heer der heirscharen zijnen troon heeftop-geslagen , en de heil aanbrengende stem van den goddelijken Leeraar hooren, die van het eene einde van dit eerwaardig Jerusalem tot aan het andere weerklinkt. — Laten wij toch dikwerf die onschatbare genade, dat wij medeburgers dier heilige Stad zijn, overpeinzen! Lalen wij ons door die overweging opwekken, om toch, zooveel wij vermogen, anderen aan datzelfde geluk deelachtig te maken! Laten wij door een heiligen levenswandel hen aansporen, hunne schreden naar die woonstede van vrede en zaligheid te richten ! — Verheffen wij ons echter niet boven degenen, die buiten de Kerk zijn; bespotten en veroordeelen wij hen niet, wijl onze hoogmoed en liefdeloosheid hen wellicht zouden terughouden, den heiligen berg te beklimmen. Danken wij den goeden God onophoudelijk, dat wij ons in het bezit der waarheid mogen verheugen; vragen wij dat de Heer ook het hart der afgedwaalden door zijne genade treffe, en hen brenge tot de ware Kerk. Hooren wij hierover den H. Augustinus.

-ocr page 477-

463

In de verklaring van Psalm LXV roept die H. Leeraarraet diepe ontroering uit: „als de stem van uwen Bisschop iets „bij u vermag, smeeken wij u allen, die in de Kerk zijt, „hoont toch diegenen niet, die er buiten zijn; maar bidt „liever voor hen, opdat ook zij er in komen; want God is „machtig genoeg, hen tot zijne kudde te voeren.quot; Eu op eene andere plaats (over Ps. XXXII) zegt hij: „Broeders, „wij manen u dringend aan, liefde te koesteren voor hen, „die buiten de Kerk zijn, zij mogen Heidenen wezen, die „nog niet aan Christus gelooven, of zoodanigen, die wel „gelijk wij_Christus als hun Hoofd erkennen, maar van „zijn geheimzinnig lichaam, de Kerk, gescheiden zijn. „Hebben wij medelijden met dezen als met onze broeders. „Daarom bezweer ik u bi] de hartelijke liefde van onzen „Heiland Jesus Christus, bi] zijne onuitsprekelijke goedheid „bezweer ik u, bewijst uwen zwakken en verdwaalden „broeders groote liefde en overstelpende barmhartigheid, ^zendt uit het diepste van uw hart voor hen gebeden op „tot God.quot; — Geve God, dat alle volkeren, weldra in den schoot der roomsch-katholieke Kerk vereenigd, vrede, welvaart en zaligheid mogen vinden!

§. 3. Over de bcstemiuins lt;ler H4ei*k en de daaruit voorlkomeude ei^enseliappeu.

Bfiesteininins der Bamp;erk.

Waartoe heeft Christus de Kerk gesticht?

Christus heeft de Kerk gesticht, om door haar alle menschen tot de eeuwige zaligheid te brengen.

Jesus heeft wel door zijn bitter lijden en sterven het verlossingswerk voor allen volbracht; Hij heeft voor den mensch tallooze genaden en de eeuwige zaligheid verdiend, maar deze oneindige verdiensten moeten, om tot het werkelijke bezit der zaligheid te voeren, op eenieder persoonlijk toegepast worden. Wel heeft Hij zijne goddelijke leer aan zijne tijdgenooten in het joodsche land verkondigd, maar als een licht moest die leer alle menschen van alle landen en tijden verlichten; zij moet alzoo ook na zijnen terugkeer tot den Vader, „allen geslachtenquot; gepredikt worden. Christus heeft verder voor den mensch Sacramenten, als even zoovele zichtbare genadebronnen, ingesteld; maar deze HH.

-ocr page 478-

464

Sacramecten moeten, om den verlosten nuttig te zijn, overal en in alle tijden uitgedeeld, deze genadebronnen moeten tot het hart van eiken geloovige geleid worden. Eindelijk, Christus was hij zijn leven de goede herder zijner schapen; deze hehben echter ook na zijne hemelvaart behoefte aan eene zichtbare leiding, en dit wel te meer, wijl het getal dier schapen tot in het ontelbare moet aangroeien. Ter bereiking van zijne oogmerken, heeft Hij de Kerk gesticht, die, terwijl Hij in de armen des doods rustte, uit zijne doorboorde zijde voortkwam. — En schoon ook de II. Geest op eene onzichtbare wijze de verzoening, verlichting , heiliging en leiding in het hart van de geloovigen bewerkt, geschiedt dit toch door de zichtbare tusschenkomst der Kerk, omdat de zichtbare verzoening, verlichting, heiliging en leiding, waarmede de onzichtbare onafscheidelijk verbonden is, aan de menschelijke natuur meer beantwoordt en aangenaam is. Daarom is ook Gods Zoon mensch geworden, om als Godmenseh de menschen te verlossen, te leeren, te heiligen en te leiden. De II. Kerk is alzoo de plaatsbekleedster van haren goddelijken Bruidegom en geroepen om zijn werk voort te zetten, de menschen tot aan het einde der eeuwen ter eeuwige zaligheid te voeren: dat is hare bestemming, dat de plicht, welken zij hierbeneden te vervullen heeft IIaamp;,r goddelijke Stichter kon haar geen ander doel voorschrijven dan dat, waarom Hij zelf in de wereld gekomen is, namelijk „zalig te maken, wat verloren „wasquot; (Matth. XVIII, 11).

Hoe heeft Christus gezorgd, dat de Kerk daartoe in staat zou wezen?

Hij heeft 1) aan de Kerk zijne leer, zijne genademiddelen en zijne macht toebetrouwd, en 2) haar den bijstand van den H. Geest verleend, opdat ook zij de goddelijke leer immer onvervalscht zoude bewaren, de genademiddelen goed uitdeelen en van hare macht tot heil der menschen gebruik maken.

VVien God eene bestemming geeft, hem verleent Hij de geschiktste middelen, om die bestemming te bereiken. Dit geldt ook de Kerk. Zij moet in Christus\' plaats de volkeren van den aardbodem leeren, daarom gaf de God-mensch haar zijne leer. Zij moet in zijne plaats door het uitdeelen der HH. Sacramenten de menschen heiligen; daarom liet Hij haar de vruchten van zijn verlossingswerk, de schatten zijner verdiensten, en de middelen om die op de geloovigen toe te passen, d. z. de door Hem ingestelde genademiddelen. De

-ocr page 479-

465

Kerk moet de menschen in zijne plaats op den weg ter zaligheid leiden; daarom gaf Hij haar zijne Zierderlyke macht. Een en ander blijkt uit hetgeen wij hoven zeiden over het drievoudig ambt, hetwelk Christus aan de bestuurders zijner Kerk, namelijk aan de Apostelen en hunne opvolgers, heeft opgedragen. — Teneinde de Kerk in staat te stellen, om, ofschoon samengesteld uit menschen, die uit zich zelve gebrekkig en aan dwaling onderhevig zijn , evenwel de goddelijke leer onvervalscht te bewaren, en de geestelijke macht wettig en tot geluk van geheel de christelijke gemeente te gebruiken, verleende hij haar den voovtdurenden bijstand van den H. Geest. In de katholieke Kerk vinden wij derhalve de ongeschonden christelijke leer, de ware genademiddelen en de juiste toediening er van, eindelijk de hoogste geestelijke volmacht en de getrouwe uitoefening dier macht tot heil van het geloovig volk.

Terliomling tussclicn Kerk en Slaat

De Kerk, door Christus gesticht, moet noodzakelijk onafhankelijk van elke macht en geheel vrij zijn in de verkondiging des geloofs, in hare uitspraken of voorschriften over de zedeleer, in de bediening der HH. Sacramenten en in de uitoefening van het kerkelijk gezag. Eveneens moet zij onafhankelijk zijn in die tijdelijke zaken, welke tot bereiking van haar doel noodzakelijk zijn.

Immers 1) Christus heeft aan zijne Kerk al datgene gegeven, wat noodzakelijk is om hare bestemming te bereiken, anders toch zou Hij een onvolmaakt werk tot stand gebracht hebben.

Indien eenige macht ter wereld het recht had de Kerk te beletten de geloofsleer te prediken, de HH, Sacramenten toe te dienen of haar te berooven van datgene, wat zij tot de volvoering van hare zending noodig heeft, dan zou Christus haar een last opgedragen hebben, zonder haar de noodige middelen om dien last te volbrengen mede te deelen.

Dit echter mag niet aangenomen worden. Dus is het zeker, dat de goddelijke Stichter der Kerk haar die vrijheid en onafhankelijkheid van elke andere macht geschonken heeft.

2) Christus heeft aan zijne Kerk de macht en het gezag gegeven om alle menschen te onderwijzen en allen op den weg der zaligheid te geleiden en te besturen. Niemand ter wereld heeft derhalve het recht die macht der Kerk paal

DEHARBE, GELOOJ\'SLF.EK, II. 3de DRUK. 30

-ocr page 480-

466

of perk te stellen, dat gezag te verkorten, tenzij hem van Christus zeiven daartoe de macht geschonken werd. Die macht nu heeft Christus aan niemand, zelfs niet aan keizers of koningen verleend. Want a) alleen aan zijne Apostelen en aan hunne opvolgers droeg Hij het gezag op om zijne Kerk te besturen, b) Zonder de vorsten of wereldlijke machthebbers te raadplegen, ja zelfs geheel tegen hunnen zin, stichtte Hij zijne Kerk. c) Aan zijne Apostelen voorspelde Hij vervolging van den kant der wereldlijke machtvoerders.

3) Zóó dan ook hebben het de Apostelen begrepen, die met

volkomen onafhankelijkheid, niettegenstaande geweld en vervolging, de leer des Evangelies predikten en de Kerk bestuurden. Zóó geloofden men het gedurende al de christen eeuwen.

4) Hetzelfde volgt evenzeer uit de natuur der Kerk zelve. De Kerk toch is eene maatschappij van geheel anderen aard dan de Staat. Zij heeft aan den Staat haar bestaan niet te danken; haar doel is geestelijk en bovennatuurlijk. De Staat, die onmiddellijk slechts het tijdelijk geluk der onderdanen beoogt, heeft dus het recht niet op een hem vreemd gebied te treden en de Kerk in haren werkkring, haar door God aangewezen, te belemmeren.

Bijgevolg is het duidelijk, dat de Kerk geheel onafhanke-lijk is van den Staat in de boven aangehaalde punten, gelijk

daarentegen de Staat in zuiver stoffelijke zaken, welke uitsluitend de tijdelijke welvaart des volks ten doel hebben, eveneens onafhankelijk blijft.

Ingeval nu de Kerk en de Staat elkander op een gemengd terrein ontmoeten, waar namelijk geestelijke en stoffelijke belangen samen verbonden zijn, bijv. bij het Huwelijk, welke zijn dan ieders rechten?

Dan behoort het godsdienstige geheel aan de Kerk, net burgelijke aan den Staat. Zoo komt het Huwelijk^ a s Sacrament, als onoplosbare verbintenis, geheel aan de .kei toe, terwijl de Staat de burgerlijke rechten regelt, en bepaalt wat noodig is en gevorderd wordt om op die rechten aanspraak te kunnen maken.

Wanneer er moeielijkheden over het bepalen der weder-zijdsche rechten ontstaan, dan a) is de Kerk altijd vredelievend en toegevend, tot onderhandeling; bereid, gelijk de ontelbare Concordaten, tusschen den Paus en sommige Hegeeringen gesloten, getuigen, h) Kan het geschil aldus niet opgelost worden, dan komt aan de Kerk zeker het recht der eindbeslissing toe, omdat het doel der Kerk verhevener is dan dat van den Staat; omdat de Kerk alleen met onfeilbaar gezag kan oordeelen over de zedelijkheid en rechtvaardigheid van in- en uitwendige handelingen, en

-ocr page 481-

467

omdat de belangen der Kerk nooit in strijd kunnen zijn met het wel begrepen belang van den Staat. Zoo schreef kardinaal Antonelli: „de Kerk heeft nooit gevorderd en „verlangt ook thans niet, eene rechtstreeksche en absolute „macht over de politieke rechten van den Staat uit te „oefenen.... Zij heeft het recht en ook de verplichting om „over de zedelijkheid en rechtvaardigheid van alle in- en „uitwendige daden te oordeelen, in verband met de natuur-„lijke en goddelijke wetten (nameliik uitspraak te doen of eene zaak rechtvaardig en goed is of niet). „Dit oordeel „der Kerk valt rechtstreeks op de moraliteit dier handelingen, „doch slaat indirect terug op de zaken zelve, waaraan die „moraliteit verbonden is (d. w. z wanneer de Kerk verklaart, dat deze of gene daad strijdig is met de natuurlijke of goddelijke wet, dan is die daad zelve daardoor als kwaad en onrechtvaardig veroordeeld). „Dit echter is geene „inmenging in politieke zaken, welke tot het gebied der „burgerlijke macht behooren zonder eenige afhankelijkheid „van eene andere machtquot; (Aan den minister Daru, 19 Maart 1870).

a) Om de verplichtingen van den Staat goed te omschrijven, moeten wij dit beginsel vooropstellen; dat God, de Heer en Meester van het heelal, niet slechts door elk individu, maar ook door den Staat moet erkend worden. De Staat toch is niets anders dan de vereeniging van vele menschen tot een geineenschappelijk doel. Gelijk nu ieder mensch in \'t bizonder, zoo zijn ook allen gezamenlijk aan God onderworpen, en verplicht naar zijne geboden te leven. Hieruit volgt dus, dat de Staat, die God niet als het hoogste gezag erkent, misdadig is. De Staat moet het gezag van God erkennen, van wien alléén hij zijne macht ontvangen heeft. De Staat moet derhalve ook zijne wetten en verordeningen overeenkomstig de goddelijke geboden inrichten.

b) De Kerk is eene door God gestichte maatschappij. Zij ontving van haren Stichter de rechten en vrijheden, welke boven zijn aangeduid. De Staat mag dus die rechten niet ontnemen of verkorten, maar is verplicht, haar in het volkomen bezit daarvan te handhaven.

c) De Staat heeft ten doel het tijdelijk welzijn zijner onderdanen te bevorderen. De Kerk, de onfeilbare leermeesteres der waarheid , toont den volkeren den rechten weg aan, om volgens Gods wil te leven; zij leert allen gehoorzaamheid aan het wettig gezag; zi) richt scholen op tot veredeling van geest en hart; zij bouwt gestichten voor armen, weezen en lijdenden; zy moedigt kunsten, weten-

30*

-ocr page 482-

468

schappen en nijverheid aan en spreekt daarover haren zegen uit.

Indien nu de Staat het heil des volks waarlijk wil behartigen, dan moet hij met de Kerk in vrede en vriendschap leven, en haar ook bijstand en bescherming verleenen.

Kerk en Staat moeten voorzeker volkomen onderscheiden blijven: de Staat onafhankelijk in alle zuiver burgerlijke en politieke aangelegenheden \'), en de Kerk vrij op haar eigen gebied.

\') Sommige Pausen, zegt men, hebben zich het recht aangematigd om over het staatkundig bekeer van keizers en koningen teoordeelen; zij hebben zells vorsten afgezet en hunne onderdanen van den eed van trouw en van de verplichting om te gehoorzamen ontslagen.

Om de tusschenkomst der Pausen in de tijdelijke aangelegenheden der vorsten gedurende de Middeneeuwen goed te beoordeelen, moet men met tijden en instellingen rekening houden. Dan zal men zien, dat de Pausen mannen van hunne eeuw zijn geweest, dat zij gehandeld hebben zooals de hoofden der maatschappij in die tijden moesten handelen.

Europa was geheel Katholiek. Koningen en volken erkenden den Paus voor hun geestelijk Opperhoofd, eerden hem als hunnen vader, namen tot hem hunne toevlucht als tot den natuurlijken scheidsrechter in hunne geschillen. Deze scheidsrechterlijke uitspraak werd langzamerhand en als van lieverlede in het openbaar recht opgenoaien. Zoo ontstond er, door der vorsten eigen toedoen, in het leenstelsel een opperleenheerschappij der Pausen. Voeg nog daarbij, dat de Canons der Kerkvergaderingen, volgens welke de Paus zijne uitspraken deed, in de burgerlijke wetgeving een volkomen gezag hadden, — De Paus beschouwde van zijn kant alle geloovigen, vorsten en onderdanen, als zijne innig geliefde kinderen. De koningen vooral, van wie het heil der volkeren afhangt, deelden het meest in zijne liefdevolle zorgen. Hij onderwees en vermaande hen met goedheid. Gebeurde het soms, \'dat de een of ander vorst, doof voor de vermaningen des Pausen, voortging met zijn volk te verdrukken, of de Kerk door zijne ergerlijke levenswijze te verontrusten, dan dreigde hij hein met eene onwrikbare standvastigheid en sloeg hem, als niets kon baten, in den kerkdijken ban. — Zoo was het gezag der Pausen een teugel voor de willekeur der vorsten, en een schutsel, dat het welzijn en de vrijheid der volken beschermde. De Pausen der Middeneeuwen waren , wat de Pausen altijd geweest zijn en nog zijn: de verdedigers der ware vrijheid tegen alle dwingelandij, de beschermers van het ware gezag tegen alle losbandigheid, de \'bemiddelaars van den vrede in alle oneenigheden. Zoo hebben wij gezien, dat Pius IX z. g. in het jaar 1870 aan Koning Wilhelm en Napoleon III zijne bemiddeling heeft aangeboden. Ware zijne hulp aangenomen, wij zouden van een der bloedigste oorlogen geen getuigen zijn geweest.

Ten opzichte der duitsche Keizers handelden de Pausen, vooral Gregorius VII, Innocentius III, enz. met meer gezag; maar dc. verhouding dier vorsten tegenover de Pausen was ook eene geheel l izon-dere. Toen de Pausen liet Westersche Rijk uit zijn verval ophieven, stichtten zij een christelijk rijk, dat voor het tijdelijke aan een opperhoofd bij keuze was ouderworpen. Die keuze geschiedde krachtens een grondwet, welke de gekozene bezwoer te zullen naleven, en die hem, zoodra hij zijn eed durfde breken, zijne rechten ontnam. Wie nu moest beslissen of de vorst inderdaad zijn eed had vergeten? Voorzeker de Paus; hij deed uitspraak, en in dezen zin ontsloeg hij de volken van hun eed van trouw. De vervallenverklaring der vorsten.

-ocr page 483-

469

Zij mogen geenszins vijandig tegenover elkander staan, ook niet als twee vreemdelingen geheel gescheiden zijn, maar moeten in vriendschap en eendracht tot het tijdelijk en eeuwig geluk van het menschdom samenwerken.

Hier in Nederland, waar wij leven in eene maatschappij samengesteld uit Katholieken en andersgezinden en geregeerd worden door eene grondwet, welke aan alle gezindten gelijke rechten toekent, kunnen wij met die burgerlijke godsdienstvrijheid genoegen nemen, mits de vrijheid der Kerk niet belemmerd worde en aan geen Kerkgenootschap eenige voorkeur of voorrechten worde verleend. Wij ziin verplicht onze grondwet getrouw na te leven, maar mogen ook eischen, dat ze voor allen eerlijk worde toegepast.

Eigenschappen tier Kerk-

Hoewel strikt genomen alle eigenschappen der Kerk met hare bestemming samenhangen en uit haar voortspruiten, komen er hier toch slechts twee in aanmerking, namelijk hare onfeilbaarheid en het haar alleen toekomend vermogen om de menschen tot de eeuwige zaligheid te brengen. Over de anderen is boven reeds bij de kenteekenen der ware Kerk, die niets anders dan de zich naar buiten openbarende eigenschappen zijn, uitvoerig gesproken. Van deze beidelaatsten werd aldaar geene melding gemaakt, omdat zij innerlijke, bijgevolg geheel onzichtbare eigenschappen of kenteekenen zijn.

a) De katholieke Merk isgt; onfeilbaar.

Dewijl het onmogelijk is, zonder het ware geloof, hetwelk Christus ons geleerd heeft, de eeuwige zaligheid te verwerven, heeit God, die wil, dat alle menschen tot de kennis der waarheid komen en zalig worden, ook zorg gedragen, dat zijne leer tot aan het einde der lyden onvervalscht bewaard en gepredikt wordt, en bijgevolg het geloof aan die leer voor allen mogelijk en gemakkelijk is. Te dien einde heeft Christus zijne waarheid overgegeven aan de

welke daaruit volgde, was een wettig gevolg der duitsclie grondwet.

Het politiek gedrag der Pausen in de Middeleeuwen was alzoo op het recht gegrond, en in het belang van vorst en volk.

-ocr page 484-

470

Kerk, die, door den H. Geest bezield, verlicht en bestuurd, volgens den last des Heeren haar zuiver en onvervalscht alle eeuwen door bewaard, geloofd en verkondigd heeft, en ook heden nog bewaart, gelooft en verkondigt. Enkele volken kunnen wel in den loop des tiids afdwalen, van de ware leer en het ware geloof afvallen, maar nooit de geheele Kerk, nooit alle ledematen, die door de belijdenis van hetzelfde geloof tot één lichaam vereeni^d zijn onder een gemeenschappelijk opperhoofd, den Paus, en de hem ondergeschikte Bisschoppen. Onmogelijk kan het raadsbesluit des Allerhoogsten, die de Kerk tot eene trouwe bewaarster en leermeesteres zijner openbaring heeft aangesteld, ooit vernietigd, de belofte van Christus, dat deze nimmer voor de machten der hel zal bezwijken , ooit verijdeld worden. Daarom gelooven wij vast en belijden met hart en mond, dat de katholieke Kerk zoowel in haar geloof als in hare leer onfeilbaar is. — Hier ontstaat de vraag: hoe zal het licht der goddelijke waarheid in de geheele Kerk tot aan het einde der tijden bewaard worden ? Niet door de doode letter der Schrift, ook niet door eene onmiddellijke, voortdurende verlichting en ingeving van den H. Geest aan alle menschen, maar door het onfeilbare leerambt, dat God tot besturing en leering zijner Kerk heeft ingesteld, zooals wij thans zullen zien.

Door wien wordt de goddelijke leer immer zuiver en onvervalscht in de Kerk bewaard ?

Door het onfeilbaar leerambt der Kerk, d. i. door dsn roomschen Paus in vereeniging met de Bisschoppen.

Het is een feit, dat Jesus Christus, alvorens Hij zijn rijk op aarde, de Kerk, verliet, om bezit te nemen van het hemelrijk, de prediking zijner goddelijke leer niet enkel aan één Apostel, maar aan alle Apostelen tegelijk als aan een lichaam , een genootschap van leeraars, overgedragen, bijgevolg een leerambt ingesteld heeft. De Heiland wist namelijk, dat een enkele leeraar niet voldoende zou wezen, om het Evangelie op de geheele wereld , aan alle menschen te prediken. Slechts een genootschap, voorzien met de volmacht en den last om te leeren, slechts een leerambt zou het mogelijk zijn, zijne leer over de geheele aarde te verbreiden, als het eene lid deze, een ander eene tweede, en een derde wederom eene andere streek der wereld, de leer des heils verkondigend, kon doortrekken. Daarom zeide Christus op den Olijfberg tot zijne leerlingen , die Hij reeds

-ocr page 485-

471

vroeger tot zijne Apostelen had verkozen : „gaat in heel de „wereld, leert alle volkeren,quot; enz. Gelijk in dien tijd, volgens den wil en de bepaling van den goddelijken Leeraar, zoo bestaat er ook ie onze dagen een leerambt, hetwelk een groot aantal medeleden telt. En gelijk toenmaals de H. Petrus het hoofd en de opperste, onafhankelijke leeraar van het apostolisch leerambt was, zoo is ook heden de roomsche Paus, als opvolger van Petrus, het hoofd en de opperste, de onafhankelijke leeraar van het kerkelijk leerambt. Het leerambt der Kerk bestaat dus uit den room-schen Paus, den wettigen opvolger van Petrus, met de Bisschoppen , die de wettige opvolgers zijn van de Apostelen. — Aan dit leerambt heeft Christus de gave der onfeilbaarheid belooid en verleend, opdat de medeleden der Kerk te recht een onbepaald geloof aan hunne leerineen en besluiten zouden hechten, gelijk de katholieke geloofsregel eischt. Tot het christelijke geloof wordt gevorderd, dat wij eene vaste overtuiging en volkomen zekerheid hebben, dat hetgene wij gelooven goddelijke leer is. Dit nu zou het geval niet kunnen zijn, bijaldien Christus aan het kerkelijk leerambt, hetwelk uit feilbare menschen is samengesteld , niet het genoemde bovennatuurlijke voorrecht had medegedeeld.

Het besproken leerambt der Kerk wordt ook de leerende Kerk genoemd in tegenoverstelling van de geloovigen, die niet den last hebben ontvangen om te leeren, maar wel verplicht zijn, de leeringen aan te nemen en daarom de hoorende Kerk heeten. Het onderscheid tusschen de leerende en hoorende Kerk ligt reeds in den aard der zaak. Immers, men kan geenszins veronderstellen , dat Christus een leerambt ingesteld en met onfeilbaarheid toegerust zou hebben, zonder tegelijk leerlingen of hoorders aan te wijzen. De leerende Kerk wordt somwijlen ook eenvoudig „de Kerkquot; genoemd (Verg. Alatth. XYill, 17).

Waarin bestaat de onfeilbaarheid van het JcalJwliek leerambt?

Hierin, dat het door den bijstand van den H. Geestnoch in zijne geloofs- noch in zijne zedeleer dwalen kan.

De leerende Kerk is het leveid orgaan (als het ware de mond), waardoor de leer van Jesus Christus allen volkeren tot het einde der wereld zuiver en onvervalscht moet worden overgeleverd. Daar nu de leer van den Godmensch over geloofs- en zedeleer handelt, strekt zich ook de onfeilbaarheid over beiden uit, wijl zoowel de eene als de andere zuiver bewaard en aan de hoorende Kerk verkondigd moet

-ocr page 486-

472

worden. Het kerkelijk leerambt kan alzoo nimmer eene dwaling als eene door God geopenbaarde waarheid te ge-looven voorstellen, nimmer iets leeren, wat met de door God geopenbaarde waarheden maar eenigszins in strijd zou wezen. Eveneens kan het nooit eene zedeleer voordragen, in strijd met de levensregelen of zedelijke grondstellingen, welke Christus door woord en voorbeeld heeft gegeven. De door Christus en de Apostelen verkondigde wet is het richtsnoer zijner geboden , de maatstaf zijner vermaningen , waarschuwingen en eischen ; de vervulling er van is het doel van al zijne zorgen. De geloofs-en zedeleer der katholieke Kerk is, volgens de opmerking van den H. Cyprianus, (in zijn 73sten brief) „zuiver, gezond water, dat nooit troebel „gemaakt of vervalscht kan worden, daar de bron zelve, „waaruit het ontspringt, zuiver en helder is.quot; — De bewerkende oorzaak van die onfeilbaarheid is de hoogere bijstand, welken de H. Geest het kerkelijk leerambt verleent en tot het einde der dagen verleenen zal Onder dien bijstand moeten wij ons niet eene onmiddellijke, onafgebroken inspraak of ingeving des H. Geestes voorstellen, gelijk den Profeten en Evangelisten bij het schrijven der heilige boeken ten deel viel; het is genoeg, als wij aannemen, dat de H. Geest het leerambt der Kerk door zijne genaderijke, innerlijke leiding bewaart voor alle dwaling, welke door onwetendheid of verduistering van het verstand en beklagenswaardige zwakheid van wil, welke den mensch zijn aangeboren, zou kunnen veroorzaakt worden en ongetwijfeld ook veroorzaakt zou worden, bijaldien de goddelijke Heiland zijne leerende Kerk niet ter zijde stond en hare schreden geleidde. — De leer over de onfeilbaarheid der Kerk in het tweevoudig opzicht, waarover wij gesproken hebben, is eene geloofsleer, aan welke men zonder zwaar te zondigen niet twijfelen en die men nog minder bestrijden mag. Alle bepalingen en voorschriften der Conciliën plaatsen die geloofsstelling op den voorgrond en houden zich er aan. — Wij moeten bijgevolg vast overtuigd zijn en onvoorwaardelijk gelooven, dat niet alleen alles, wat de Kerk te gelooven voorstelt, onfeilbaar waar is , maar dat ook al hare geboden en verordeningen billijk en heilzaam zijn; dat het alzoo goed en verdienstelijk is, de door haar ingestelde feestdagen van Jesus Christus en van zijne Heiligen naar behooren te vieren; de geboden vaste- en onthoudingsdageu nauwkeurig te onderhouden, verder de Heiligen, hunne beelden en overblijfselen te vereeren; de aflaten, door de H. Kerk gegeven, te verdienen; dat de plechtigheden, welke bij de toediening der HH. ISacramenteu en bij het H. Misoffer zijn voorge-

-ocr page 487-

473

schreven, niet alleen niets bijgeloovigs bevatten, maar integendeel de godsvrucht bevorderen en met de leer en den geest des Christendoms allerschoonst overeenkomen; dat eindelijk de naleving der evangelische raden , welke de Kerk billijkt en aanbeveelt, de maagdelijke staat, welken zi) haren priesters voorschrijft, tot de stichting en het heil der geloovigen veel bijdraagt. Wie deze en dergelijke voorschriften en gebruiken der katholieke Kerk laakt of bespot, bewijst feitelijk, dat hij in het geloof aan de onfeilbaarheid der H. Kerk schipbreuk heeft geleden , of wel niet weet, wat hij doet.1)

Vanwaar hellen wij de verzekering, dat hel kerkelijk leerambt niet kan dwalen?

Van Christus zeiven, die ons de belofte gegeven heeft 1) dat Hij bij hen (bij zijne leeraars) zijn zal „alle de dagen „tot de voleinding der wereld\'\' (Mattb. XXVIII, 20). Met deze woorden beloofde Jeaus Christus aan het voor alle eeuwen ingestelde apostolische leerambt zijn voortdurenden bijstand ter vervulling der opgelegde taak „Gaat derhalve,quot; sprak llij, „leert alie volkenquot;, enz. Wendt uwe gebrekkige vorming niet voor, noch uw vroeger onvermogen, om de geheimen van mijn godsdienst te begrijpen, gaat gerust en leert; Ik, uw Leeraar en Meester, „Ik ben met u.quot; Draagt het leerambt, dat Ik u heb toevertrouwd, op uwe opvolgers over; Ik zal ook met hen zijn, ook hen zal Ik bekwaam maken, om leeraars der wereld te zijn; Ik zal uw en uwer opvolgers onzichtbare Leeraar zijn, en blijven tot de voleinding der dagen. Indien de Heer overeenkomstig zijne onvoorwaardelijke belofte altijd met het kerkelijk leerambt blijft, ten einde het in staat te stellen in zijnen naam

\') Ue onwettige Synode van Pistoje in het Groothertogdom van Toscane, welke omstreeks het einde der vorige eeuw (17ötj) door de aanhangers van Jansenius gehouden is, had onder andere valsche leerstellingen ook deze. dat in de tucht der katholieke Kerk onnuttige, al te moeielijke, gevaarlijke en nadeelige zaken gevonden worden , dat zij dus aan een onderzoek moest worden onderworpen. De stelling, „inzoover zij ook de door de Kerk vastgestelde en goedgekeurde //tucht aantast...., als of de door den Geest Gods bestuurde Kerk »eene onnuttige, al te moeielijke, ja zelfs gevaarlijke, schadelijke, z/tot ongeloof en materialismus ^bloot uiterlijken, stolïelijken godsdienst) ^leidende tucht zou kunnèn vaststellen,quot; werd door Pius VI in de bul Auctorem Jidei als „valsch, vermetel, ergerlijk, verderfelijk, //aanstootelijk voor godvruchtigen, onteereud voor de Kerk en den i/Geeot Gods, door wien zij geleid wordt, minstens als verkeerdquot; (d. i. zoo al niet kettersch) verworpen.

-ocr page 488-

474

en in zijne plaats de leer der zaligheid te verkondigen, hoe zou het dan kunnen dwalen? En bijaldien het in weerwil van deu bijstand des Heeren (hetgeen onbegrijpelijk is) in dwaling verviel en de menschen door valsche leeringen van den waren godsdienst afbracht, en derhalve het verlossingswerk verijdelde; hoe zou Christus dan nog er bij kunnen blij ven ? Hoe zou Hij met de verspreiders der allerverderfelijkste leugens vereenigd kunnen zijn en blijven ? Daar in de katholieke Kerk alzoo de wettige opvolging der Apostelen gevonden wordt, en met deze de onfeilbaarheid onafscheidelijk vereenigd is, volgt noodzakelijk, dat zij onfeilbaar is. — Op welke wijze nu wil Christus bij zijne leeraars blijven? Niet door persoonlijk bij hen tegenwoordig te zijn, maar door zijnen H. Geest; want reeds vroeger had Hij aan zijne Apostelen en hunne opvolgers beloofd:

2) „De H. Geest, de Geest van waarheid, zal bij u „blijven in eeuwigheid.quot; „Ik zal den Vader bidden , \'sprak Hij bij het laatste Avondmaal tot de vergaderde Apostelen, „en Hij zal u een anderen Vertrooster geven, opdat Hij „met u blijve in eeuwigheid, de Geest der waarheid\'\'(Joan. XVI, 1G, 17j. Op de alvermogende voorbede van Christus zal de Vader tot \'s Heeren toekomstige plaatsbekleeders den Geest der waarheid zenden, opdat Hij met hen blijve in eeuwigheid, d. i. in alle toekomstige eeuwen tot de voleinding der wereld. He Geest der waarheid is de Geest van Christus, want Christus is de Waarheid. Christus blijft dus bij zijne plaatsbekleeders in het leerambt door middel van zijnen H. Geest. Het gevolg daarvan zal zijn de volle kennis der leer van Christus; daarom voegt de Heiland er bij : „wanneer die Geest van waarheid zal gekomen zijn, „zal Hij u alle waarheid leereaquot; (Joan. XVI, I6j,en„tlij „zal u alles leeren\'\' (Joan. XVI, 26), alles, wat tot inrichting, bevestiging, verbreiding, stichting en volmaking der Kerk dienstig is, dat alles zal Hij u geven. — Hoe kan men nu met die voortduiende leiding van den Geest van Christus de feilbaarheid van het kerkelijk leergezag overeenbrengen? Zou de schuld der dwaling niet op den onzichtbaren goddelijken Leeraar neêrkomen, wanneer de zichtbare leeraars door Hem zeiven verkoren en bekwaam gemaakt, van de waarheid afweken ? — Christus deed eindelijk de belofte:

3) dat de Kerk, op Petrus, de steenrots, gesticht, door de poorten der hel met overweldigd zal worden (Matth. XVi, lö). Ook uit deze Schriftuurplaats volgt onbetwistbaar de onfeilbaarheid der leerende Kerk, wier hoofd en zichtbare grondzuil de H. Petrus was, en in den persoon

-ocr page 489-

475

zijner wettige opvolgers op den roomschen Stoel tot de voleinding der tijden zijn zal. Want kon het ooit plaats hebben, dat de leerende Kerk dwaalde, dan zou ook de boorende moeten dwalen, daar deze verplicht is, door de eerste zich te laten onderwijzen en leiden, en in dat geval zou de ge/ieele Kerk door den geest van leugen , door den vorst der bel, overwonnen en de belofte van Christus verijdeld worden.

Ook de H. Paulus verzekert ons, dat bet kerkelijke leerambt niet dwalen kan, daar bij „de Kerk van den „levenden God eene zuil en grondpilaar der waarheid\'\' noemt (1. Tim. III, 16). Immers, oischoon de benaming „zuil „en grondpilaar der waarheidquot; ook aan de vereenigde leerende- en boorende Kerk toekomt, dewijl in haar en door haar alle door Christus geopenbaarde waarbeden verkondigd en geloofd, het gausche gebouw van het geloof, welks toppen zich tot in den hemel verheffen, gesteund en gedragen wordt, is het echter niet te ontkennen, dat die naam bij voorkeur aan de leerende Kerk toekomt, vanwaar de bevestiging en hechtheid der boorende Kerk uitgaat. — Met het volste regt leert dus de H Ireneus, dat men nergens anders, dan in de katholieke Kerk, de waarheid moet zoeken, \') de waarheid namelijk, die Christus tot heil der menschen uit den hemel gebracht heeft; in haren schoot alleen vinden wij haar zuiver, ongeschonden , onvervalscbt. Derhalve moeten wij de leer der Kerk aanhooren, gelooven en opvolgen in de vaste overtuiging, dat het Jesus Christus zelf is, die ons door den mond der Kerk leert, bijgevolg dat al wie de leer der Kerk verwerpt, de leer van God verwerpt. quot;)

\') Adv. haer. I. 3. c. 4.

\'-) tüe taal der Kerk is de taal van God. God kan niet liegen , «dus ook de Kei k niet.quot; Zoo schreef Luther vijf jaren voor zijn dood (D. VII, bl. 417. a. Jena löfiS). Hen, die de tegenwoordigheid van Christus in het allerheiligste Sacrament des Altaars loochenden, verwees hij naar de eenparige leer der onfeilbare Kerk met deze woorden : ;/Dit artikel is van het begin der christelijke Kerk tot op //dit oogenblik eenparig gelooid en aangenomen, gelijk de boeken en „schriften der lieve V aders, zoowel Grieken als Kmneinen, alsmede //het dagelijksch gebruik en de ondervinding tot op dit oogenblik //bewijzen. Dit getuigenis der geheele heilige, christelijke Kerk zou, //indien wij niets anders hadden, ons alleen voldoende zijn, om bij 4.dit punt te blijven. Want het is gevaarlijk en vermetel, aan iets te „gehoorzamen of iets te gelooven tegen liet eenparig gevoelen, het „geloof en de leer der geheele heilige christelijke Kerk, zooals zij //van het begin tot nu, meer dan vijftien honderd jaren, in alle oorden ,der wereld eenparig gehouden heeft. Wanneer het een nieuw punt „gold, een punt, niet geloofd sedert het begin der heilige christelijke „Kerk, of was het niet bij alle Kerken noch bij de geheele Christen-

-ocr page 490-

476

Niet alleen de duidelijkste bewijzen uit de H. Schrift overtuigen ons van de onfeilbaarheid van het kerkelijk leerambt, maar ook de rede. „De Kerk moet, overeen-„komstig den wil van haren goddelijken Stichter, gedurende „alle eeuwen de leermeesteres der volkeren wezen, en deze „moeten wederkeerig hare leer niet slechts aanhooren, maar „ook geloovig aannemen. „Verkondigt het Evangelie aan „„alle volken,quot; dit was de taak door den Zaligmaker aan „zijne Apostelen opgedragen; maar daartegenover is ook „aan allen, die de prediking der Kerk zouden hoeren, eene „zware verplichting opgelegd, waarvan de verwaarloozing „de strengste straf ten gevolge zal hebben: „en wie niet „„geloofd zal hebben, zal veroordeeld worden.quot; De Kerk „derhalve moet de ware leer prediken, en allen moeten in „die leer gelooven; van beide zijden is de verplichting juist „omschreven. Maar hoe zal de Kerk de haar eens geopen-

»heid van alle oorden der wereld zoo eenparig gehouden, dan zou vliet niet zoo gevaarlijk noch vermetel zijn, daarover te twijfelen of //te redetwisten. Daar het echter van den beginne af en zoover zich //de geheele Christenheid uitstrekt eenparig gehouden is, handelt de-//gene, die er aan twijfelt, alsof hij aan geene christelijke Kerk gelooft, //en veroordeelt daardoor niet alleen de geheele heilige christelijke „Kerk als eene leermeesteres van afschuwelijke ketterij, maar ook „Christus zeiven en de Apostelen, die het artikel, hetwelk wij be-„spreken : Ik geloof eene, heilige, katholieke, christelijke Kerk vastge-//Steld hebben. Christus immers zegt (Matth. XXVill, 20): Zie, Ik ./ben mot u tot de voleinding der wereld, en de H. Faulus (1. Tim. III, 15): „Do Kerk van God is eene zuil en grondpilaar der waarheid!quot; (D. V. bl. 490. a.)

Erkende Luther, behalve de H. Schrift, ook het eenparig gevoelen der christelijke Kerk als beslissend in de waarheden des geloofs, met welk recht eischte hij dan op den Rijksdag te Worms, dat men hem de valschheid zijner leer uit de H. Schrift zou bewijzen, wijl hij haar anders niet met een gerust geweten kon herroepen ? Hoe is het ook mogelijk, iemand door de H. Schrift van dwaling te overtuigen, die zich het recht aanmatigt, den Bijbel naar eigen goeddunken uit te leggen, die de woorden met geweld en naar willekeur verdraait, zelfs den tekst vervalscht en geheele boeken verwerpt, omdat zij met zijne leer niet zijn overeen te brengen? l)at zijne dikwijls herhaalde belofte van te herroepen , als men hem uit de H. Schrift overtuigde, nooit ernstig gemeend was, blijkt hieruit, dat hij, door de katholieke Godgeleerden met de bewijzen der II. Schrift in het nauw gebracht, zelfs deze onfeilbare geloofsbron der goddelijke waarheid verwierp, terwijl hij zich op Christus alleen beriep. „Gij i/Papist,quot; schrijft hij (Walch. uitg. D. VIII. 2140), „pocht zeer op de

„Schrift____ Ik echter ben trotsch op Christus, die de ware Heer en

„Keizer is over de Schrift. Ik bekommer mij in het geheel niet om „al de plaatsen der Schrift; wanneer gij er nog meer tegen mij in-„brengt; want ik heb den Meester en Heer der Schrift op mijne hand, „met Hem wil ik het houden...quot; — Bij zulk eene handelwijze konden zelfs de doorslaandste bewijzen uit de H. Schrift niet baten, daar ieder die het gezag der Kerk niet erkent, en haar het recht, om in geloofszaken te beslissen, ontzegt, altijd van haar gescheiden blijft, en in hare gemeenschap niet kan worden opgenomen.

-ocr page 491-

477

„baarde leer altijd blijven verkondigen, zoo zij niet voor „vergissing, misvatting, dwaling gevrijwaard is? Hoe zal „zij na eenige eeuwen nog altijd dezelfde leer verkondigen, „die zij vroeger predikte, onvervalsclat, onverminderd en „onveranderd, als zij niet door God, op bovennatuurlijke „wijze, zelfs voor de minste afwijking behoed wordt? En „hoe kunnen alle menschen , onder bedreiging van de zwaarste „straffen, onder bedreiging van het verlies hunner eeuwige „zaligheid, verpligt worden, eene leer aan te nemen op „gezag van iemand, die geen ontwijfelbaren grond van „zekerheid kan aanvoeren? te gelooven in eene leer, die „niet op onwraakbaar getuigenis steunt, en waaromtrent „zij zich niet kunnen vergewissen, of zij waar of valscb „is? Een ieder begrijpt, dat de Kerk onfeilbaar zijn moet, „om aan deze verplichting te kunnen voldoen, en dat God „zelf aan de menschen in zijne Kerk een vasten waarborg „geven moet voor de zekerheid van hun geloof, als Hij „van hen een onvoorwaardelijk gelooven in de leer der „Kerk eischt. Daarenboven wilde Christus, dat de Kerk „zyne geopenbaarde waarheid als een kostbaar pand, in „haar geheel en voor altijd bewaren, tegen eiken aanval „haar verdedigen, den waren zin er van verklaren, en „alles, wat er mede in strijd was, veroordeelen zou. Doch „hoe kan de Kerk ook dezen last vervallen, zoo zij even „als de menschen aan dwaling onderhevig is, en niet een „voorregt bezit, wat haar boven den mensch verheft, en „voor dwaling of afwijking behoedt ? Daarenboven moet „de Kerk één zijn; ééa in bestuur, één m leer; zij moet „één lichaam, één gezin uitmaken, waarvan de leden onderling eensgezind zijn in geloof; maar ook dit is onmo-„gelijk, zoo de Kerk niet met onfeilbaar gezag allen kan „beheerschen en hare uitspraak niet als onfeilbaar kan doen „gelden. Dat er, zonder eene onfeilbare Kerk, verschil „van opvatting, ten aanzien van Schriftuur-en Overlevering, „en diensvolgens verschil van geloof ontstaan zou, zal nie-„mand ontkennen, die ook maar eene enkele bladzijde van „de geschiedenis der ketterijen gelezen heeft, of een enkel „oogenblik heeft nagedacht over de verschillende harfcstog-„ten, die in het hart des menschen leven. Eigenliefde, „vooringenomenheid met eigen beschouwing of vinding, „geven zich niet gevangen aan de uitspraak van anderen; „alleen eene uitspraak, die beslissend, boven allen twijfel „geloofwaardig, onfeilbaar zeker is, en die geen beroep „toelaat op hooger gezag, zulk eene uitspraak alleen kan „onderlinge geschillen öf voorkomen, of beslechten. Deze „eenheid vordert derhalve onfeilbaarheid, en wanneer zij

-ocr page 492-

478

„altijd bestaan heeft (gelijk door de geschiedenis gestaafd „wordt), bewijst zij tevens, dat men altijd en algemeen „aan de onfeilbaarheid der Kerk geloofd heeftquot; (üe Katholiek, \'s Grav. 1864, hladz. 48 en volg.).

Indien onze afgescheiden broeders deze ééne leerstelling oprecht aannamen, zou er aan alle geloofsgeschillen tusschen ons en htn op eens een einde komen. Immers als de stem van het katholieke leerambt de stem is van Jesus Christus, dan houden alle opwerpingen en alle tegenspraak ten aanzien van enkele geloofsstellingen terstond op. — Tot verdere opheldering en toelichting van dit hoogst gewichtige onderwerp stellen wij nog de vraag, of ook in de katholieke Kerk niet enkele leeraars in dwaling gevallen zijn? Ongetwijfeld is dit somtijds geschied. Velen dwaalden, maar slechts omdat zij anders leerden, dan het gezamenlijke leerambt; want de onfeilbaarheid is niet aan ieder in het bizonder verleend, maar aan de leeraars, aan den Paus en de Bisschoppen tezamen. Jesus Christus zelf en zijne Apostelen voorspelden herhaalde malen, dat er dvvaal-leeraars opstaan en velen verleiden zouden. yGeeft acht,quot; zoo vermaant de H. Paulus de Bisschoppen van Ephese, //geeft acht op u »zelven en op de geheele kudde. Want ik weet, dat na mijn vertrek ^roofzieke wolven onder u zullen komen , die de kudde niet zullen //Sparen. En ook uit uw midden zullen opstaan mannen, spre-z/kende verkeerde dingen, om de leerlingen tot afval te brengenquot; (Hand XX, 2S—30). Werkelijk stonden later in den schoot der Kerk dwaalleeraars op, en niet enkel leeken, maar ook priesters, als Arius, Eutyches, Luther, Zwingel en anderen; ja zelfs Hisschoppea, als Macedonius , Nestorius, enz, Uiettemin blijft het eene onomstootelijke geloofswaarheid, dat het katholieke leerambt onfeilbaar is, alzoo niet dwalen, noch door valsche leeringen tot dwaling voeren kan. Want moge ook een enkel lid of zelfs meerdere leden ervan, door afwijking van de goddelijke leer, in dwaling vervallen, toch houdt daarom het geheele leerambt, de Bisschoppen tezamen in verbinding met hun opperhoofd, den Paus, geenszins op, aan de regelen der katholieke overlevering, bijgevolg aan de wanrheid zich vast te houden; zij blijven van de vlek der dwaling geheel vrij. Als het geheele leerambt kon toestemmen in eene nieuwe leer of dwaling, dan toonden zij zich feilbaar; maar dit was nooit het geval; integendeel werden allen, die iets nieuws wilden invoeren, uit den schoot der Kerk gebannen en-hunne leeringen veroordeeld. Zoo ging het in vroegere tijden Mace donius, Arius, Nestorius en anderen; zoo later Luther Zwingel, Calvijn en anderen. Zoo zal het ook in de toekomst allen gaan, die trotsch en vermetel genoeg zullen wezen, om anders te leeren, dan het onfeilbare leerambt der katholieke Kerk.

Om den afval in de zestiende eeuw, welke aan de katholieke moederkerk zoovele kinderen ontrukte en later den volkeren van Europa onnoemelijke rampen berokkende, eenigszins te rechtvaardigen is onze tegenpartij vermetel genoeg, te beweren, dat de roomsch-katholieke Kerk in verloop van tij t van de goddelijke leer afgeweken en ia strafbare dwalingen vervallen is. God zou daarom Dr. Martijn Luther opgeroepen hebben, om door de prediking van het zuivere Evangelie de wonde der Kerk te heelen, en haar van de ingeslopen dwalingen te zuiveren. Om deze reden noemen zij ook die beklagenswaardige scheuring Re formatie of verbetering dtr Kerk. Aanklachten, welke door kinderen, die hunne moeder de gehoorzaamheid geweigerd en het ouderlijke huis verlaten hebben, tegen deze ingebracht worden, zijn in den regel zeer verdacht, en mogen nooit zonder een streng onderzoek aangenomen worden. Zulke aanklachten zijn voorzeker die, welke de Protestanten tegen de katholieke Kerk, hunne Moeder, in he tmidden brengen. Inderdaad blijkt het, bij nader onpartijdig onderzoek, dat

-ocr page 493-

479

hunne beschuldigingen geheel ongegrond zijn. Want in weerwil van alle pogingen, die zij gedurende drie eeuwen hebben aangewend, om hunne eerwaardige Moeder van dwaling te overtuigen, kan deze nog heden, gelijk ten tijde van Luther, al haren vijanden met edele waardigheid toeroepen: heb ik onwaarheid geleerd, bewijst het; heb ik waarheid geleerd, waarom slaat ge door uwe tegenspraak de waarheid in het aangezicht? Gij klaagt mij van dwaling aan. Welaan dani zegt mij, waar, wanneer, in welke stukken heb ik gedwaald? Waar zijn uwe doorslaande bewijzen? Welke zijn de tegenstrijdigheden, waarin ik mij gewikkeld, de veranderingen, waaidoorik mijne dwaling getoond heb? Gij hebt mij zonder reden verlaten: gij blijft mij steeds vijandig zonder reden. Ik was ten tijde van Luther de Kerk van Christus, of niet. Was ik die, dan was ik ook onfeilbair, en uwe scheiding een verzet tegen de waarheid; was ik het niet, dan was er toen geene Kerk van Christus; want ik was de eenige, die er toen aanspraak op kon maken en ook mankte, de Kerk van Christus te zijn, en in dat geval zou Christus, de Godmensch, die aan zijne Kerk eeuwige duurzaamheid beloofd heeft, geen woord hebben gehouden. Gij herhaalt duizendmaal, dat ik van de oorspronkelijke goddelijke leer ben afgeweken. Leest aandachtig en zonder voorourdeel de Kerkvaders en de kerkelijke Schrijvers der eerste eeuwen; ja, leest de Evangeliën, de Handelingen en Brieven der Apostelen, overal zult gij dezelfde leer vinden, die ik tot op dit oogenblik heb v- orgedragen. Veroordeelt gij mij, waarom veroordeelt gij dan ook de bron niet, waaruit ik onophoudelijk put? !) — En waarin zou ik dan van de goddelijke leer zijn afgeweken? Zegt, in welke punten? Weet gij ook, wat goddelijke leer is en wat niet? Gij weet het zelve niet, anders zoudt gij daarover niet twisten. Indien gij het echter zelve niet weet, hoe kunt gij zoo vermetel zijn te beweren, dat ik daarvan ben. afgegaan? — Eindelijk, bewijst mij, dat God u gezonden, en als de ware Kerk, als zijne Kerk, bekrachtigd heeft. Ik bestond voor u; mij komt onbetwistbiiar het recht toe, van u te eischen, dat gij bewijst, door God gezonden te zijn Waar zijn de wonderen uwer stichters, waar het wonder uwer uitbreiding, waar het wonder uwer zegeni-ijke werking? Ik zag tengevolge van uw verzet te^en mijn goddelijk gezag de vaan van oproer door half Europa voeren; ik zag de banden van orde en tucht losmaken en verscheuren als nooit tevoren; ik zag de bedienaren mijner altaren vermoord, mijne heiligdommen opengebroken, geplunderd, ontwijd, vernietigd; ik zag het beeld van den Gekruisigde, de beelden en reliquiën der Heiligen verbrijzeld en met voeten getreden; ik zag heinde en verre de aarde met broederbloed gedrenkt: — dat alles zag ik, maar wonderen zag ik niet één.Wat zou een beza-

\') In het begin, namelijk in de 16i\'! en l?11quot; eeuw, gaven de pro-testantsche geleerden zich veel moeite, om de Kerkvaders ten gunste van hun leerstelsel te wringen, maar met zulk een slecht gevolsr, dat de latere bestrijders van ons geloof het uit vertwijfeling opgaven. De geleerde Protestant Casauhon erkende, dat alle Kei kvaders op de katholieke zijde zijn; de even geleerde Ohrecht getuigde, dat hij bij het lezen hunner werken dikwijls bekoord is geworden, die op den gro\'nd te werpen, om de vele pauselijke leerstellingen , welke hij daarin vond. Vandaar overlaadde ook Middleton hen met allerlei versmading, en in zijn werk «onderzoek over de wonderenquot; schrijft hij: ,/ieder moet „inzien, hoe overeenstemmend de beginselen en gebruiken der vierde ^eeuw met de tegenwoordige gebruiken der Paapsche Kerk zijnquot; {Zie Milner, Ziel und Ende religiöser Controversen. Brief X en XXVI).

-) De Protestanten beroepen zich niet zelden op de voorbeeldelooze snelheid, waarmede de leer van Luther zich onder de hoogere en lagere standen verbreid heeft, als op een duidelijk wonder en doorslaand bewijs, dat de Hervorming het werk van Uod was. De hervormer zelf

-ocr page 494-

480

digd Protestant, die in de geschiedenis der laatste eeuwen niet onervaren is, tegen zulk eene taal zijner moederkerk kunnen inbrengen? En als hij niets weet in te brengen, niets weet te antwoorden, hoe kan hij nog aarzelen, terug te keeren in den schoot dier moederkerk, die recht heeft, zijnen terugkeer te verwachten, daar God haar ten allen tijde bekrachtigde, haar gezag bevestigde, haar beschermde, over de geheele wereld verbreidde, door talrijke wonderen verheerlijkte en aan hare werking de zegenrijkste gunsten schonk? (Verg. bov. § 2. Dl. I, bl. 40.) Het mag derhalve niemand bevreemden, dat ten huldigen dage zoo vele uitstekende Protestanten, niet zonder groote moeielijkheden en opofferingen, in de katholieke Kerk zaligheid en vrede zoeken.

Wai moeten wij doen, als er in geloof naken verschil ontstaat?

Wij moeten ons aan de beslissing van het kerkelijk leerambt houden.

Wanneer in een Staat twijfel of verschil ontstaat over den zin en de toepassing eener wet, dan zijn de burgers gehouden,

pleegde hierop te roemen; maar deze troost, zegt Döllinger, werd hem spoedig weder ontnomen, toen hij zag, hoe zijne vijanden, de Zwinglianen, de Wederdoopers en andere sekten, zich over een naai evenredigheid niet ongunstiger gevolg verheugden, ja niet zeldzaam hen, die voor de luthersche leer gewonnen waren, weder afvallig maakten. Daarover verontrust, verweet hij zijnen landslieden hunne zucht naar nieuwheden: ,Wij Duitschers zijn zulke menschen, dat wij op wat «nieuw is aanvallen, en wij hangen daaraan als dwazen, en WjC ons ./tegenkant, maakt er ons nog meer belust op; wanneer niemand ons ^tegenkant, dan worden wij zelve er spoedig afkeorig van en msede, /.en gapen naar iets andersquot; (Walch. Uitg. XX, 957). In Duitschland heeft echter de leer van Luther hare snelle uitbreiding niet zoozeer te danken aan de dweepzucht om nieuwheden in te voeren, dan wel aan hare bevrediging der zinnelijkheid en bizonder aan de gunst der vorsten, die zich met de kerkelijke goederen wilden verrijken. Bekend is het gevoelen van Frederik den Groote in zijne //merkwaardigheden van «Brandenburg.quot; — //Wil men de eenvoudige oorzaak van den snellen //vooruitgang der Hervorming opsporen, dan zal men bevinden, dat «deze in Engeland in den wellust, in Duitschland in de geldzucht, //en in Frankrijk in de zucht naar nieuwheden te vinden is quot; — Bewees de snelle uitbreiding van het Protestantismus dat zij liet werk van God was, dan zou men iedere ketterij en vooral het Arianismus voor het werk van God moeten aanzien. Deze rampzalige sekte stond aan de grooten den roof der kerkelijke goederen niet toe, lekte de menigte niet door cene zedeleer, welke de zinnen streelt, schafte het vasten, de biecht en de boetvaardigheid niet af, kon ook hare leugens en schimpschriften door den druk niet spoedig vermenigvuldigen en overal verspreiden, en toch vloog zij in korten tijd bijna door het geheele romeinsche rijk en verbreidde zich zelfs onder de woeste volksstammen van het Noorden. Wel is waar wendde zij, ter bereiking van haar doel, list en geweld aan; doch ieder, die de geschiedenis der zoogenaamde Hervorming kent, en weet, op wat wijze zij in Engeland, Zweden, Denemarken ingevoerd, en in Duitschland de Staatskerk geworden is, en hoelang zij in Frankrijk tegen den troon streed, zal wel moeten toegeven, dat ook deze dergelijke hulpmiddelen geenszins versmaadde.

-ocr page 495-

481

zich tot dat gerechtshof te wenden , hetwelk van ambtswege verplicht is, den wil van den wetgever, in de wet uitgedrukt, wettig uit te leggen. Zoo ook in het riik van Jesus Christus op aarde, in de Kerk. Het gerechtshof, waarvoor alle twijfelingen en verschillen in zaken, die het geloof en de zeden betreffen, beslist moeten worden, is het kerkelijk leerambt. Christus heeft zelf de herders en leeraars aangesteld. ... „opdat wij niet meer zouden zijn als kinderen, „heen en weder geslingerd, rondgevoerd door allerlei wind „van leering, als een speelbal der arglistigheid van men-„schen, wier toeleg is te verleidenquot; (Eph. IV, 14). — De onvoorwaardelijke onderwerping aan de beslissingen van het kerkelijk leerambt is niet alleen eene strenge verplichting voor iederen Christen, daar hij, die de leeraars, door Christus aangesteld, niet hoort, Christus zei ven niet hoort; maar ook het zekerste en tevens gemakkelijkste middel om tot volkomen en onfeilbare kennis van de geloofs- en zede-leer te komen. Zij is hot zekerste middel, omdat het kerkelijk leergezag niet dwalen kan; zij is tevens \\\\Qtgemakke■ lijk He, omdat ieder mensch, hoe ongeletterd ook, zelfs ieder kind, dat voor onderricht vatbaar is, het kerkelijk leergezag ondervragen en hooren kan. In iedere gemeente toch, hoe klein ook, draagt de aangestelde zielzorger in naam, op last en onder toezicht van den Bisschop de leer der Kerk voor; de Bisschop van zijnen kant staat ten aanzien zijner leer onder het oppertoezicht van den Paus, die of zelfsprekend als opperleeraar der Kerk, of met de vergaderde Bisschoppen de onfeilbaar leerende Kerk uitmaakt. Op deze wijze is er geene veeljarige studie en geen vermoeiend onderzoek noodig ; ijver in het leeren van den Kathechisraus en een oplettend aanhooren van de christelijke leer brengen zelfs weinig-begaafde schoolkinderen tot eene vollediger kennis van de geloofs- en zedeleer, dan een langjarig bij bellezen en onderzoek den geleerdsten Protestanten geven kan.

Wanneer geeft het kerkelijk leerambt zijne onfeilbare uil spraak ?

I. Door de besluiten eener algemeene Kerkvergadering.

Welke zijn de vereischten tot eene algemeene Kerkvergadering?

Daartoe is noodig, Ij dat de oproeping geschiede door hem, die gezag heeft over ai de Bisschoppen der wereld, namelijk door den Paus, den plaatsbekleeder van Jesus Christus, het hoofd en den herder der\' katholieke Kerk, den Bisschop der Bisschoppen en den eenigen opvolger van den H. Petrus, den Prins der Apostelen; 2) dat de Kerkvergadering worde voorgezeten door den Paus in persoon of voor \'t minst door een of meer legaten, uitdrukkelijk door hem met deze zoo gewichtige taak belast. Alleen de Paus heeft het recht bij het Concilie voor te zitten, gelijk hij alleen het recht heeft

DEHAHTÏE, GELOOPSLEEB. II. 3lle DEUK. 31

-ocr page 496-

482

dit bijeen te roepen. Verder wordt vereischt, 3) dat alle Bisschoppen der wereld bijeengeroepen worden; vooreerst omdat zij allen als rechters en leeraars des geloofs het recht hebben, oordeel te vellen over de verschillende leerstellige punten , die aan het Concilie worden voorgelegd, en ten andere, dewijl allen als herders van een gedeelte van het christenvolk het recht en de verplichting hebben , om met den Opperherder datgene te bespreken en te regelen, wat nuttig is voor het welzijn der geloovigen. Dan, ofschoon het een vereischte is, dat alle Bisschoppen der geheele wereld opgeroepen worden tot de Kerkvergadering, is het toch volstrekt niet noodig, dat zij er allen tegenwoordig zijn. Velen kunnen door wettige redenen verhinderd zijn. hun Bisdom te verlaten. Er zijn in het Concilie van Trente zittingen gehouden, waarin slechts vijt-en-dertig Bisschoppen met de pauselijke Legaten vergaderd waren. Het getal der aanwezige Bisschoppen doet niets af aan het algemeene van het Concilie. Eindelijk 4) wordt nog vereischt, dat alle besluiten goedgekeurd en bekrachtigd worden door den Paus zeiven. Zonder dat zijn het slechts wetsontwerpen. Alleen het oppergezag van den Paus geeft bepaaldelijk kracht van wet aan die besluiten.

Als een Concilie deze vier vereischten heeft, dan is het waarachtig en wettig algemeen. Ontbreekt er echter ook slechts ééne aan, dan blijft het niets meer dan eene vergadering van Bisschoppen, wier beslissingen in geweten niet voor de geheele Kerk verplichtend zijn.

Daar nu, zooals uit liet gezegde blijkt, eene algemeene Kerkvergadering de geheele Kerk vertegenwoordigt, het geheele leerambt der Kerk uitmaakt, gelden van haar de beloften, welke Christus aan de Kerk in \'t algemeen, of aan het leerambt in \'tbizonder gegeven heeft; zij is bijgevolg onfeilbaar. Wanneer door een algemeen Concilie eene uitspraak aangaande het geloof of de zedeleer gedaan is, dan moet deze terstond door allen erkend en aangenomen worden, want eene algemeene Kerkvergadering „ruimt „allen twijfel wegquot;, zooals de H. Augustinus schrijft (De Baptismo I. 1). Martinus V verlangde in het Concilie van Constanz dat men aan degenen, wier geloof werd verdacht, onder anderen de vraag zou stellen, of zij geloofden, dat eene algemeene Kerkvergadering de geheele Kerk vertegenwoordigt.

De Apostelen in het Concilie te Jerusalem vergaderd, kenden zich zeiven de onfeilbaarheid toe, zeggende: „het „heeft den H. Geest en ons goed gedacht.quot;

Ook de HH. Vaders schrijven aan de algemeene Conciliën „een goddelijk gezag, gelijk aan dat der H. Evangeliènquot;, toe. „Ik neem aan,\'\' zegt de H. Gregorius deGroote, „en „eerbiedig de vier algemeene Kerkvergaderingen als de vier „H. Evangeliënquot;; en de H. Ambrosius vermaant de geloovigen , liever den dood te ondergaan, dan van de gegeven bepalingen af te wijken.

A\'og cp eene andere wijze kan het kerkelijk leerambt zijne uitspraken geven, namelijk:

II. Wanneer „alle over den aardbodem verspreide Bis-

-ocr page 497-

483

schoppen of althans de overgroote meerderheid in eene, door „den Paus ambtelijk gegeven geloofsverklaring uitdrukkelijk „toestemmen, of, om het even hoe, ware\'t slechts door hun „stilzwijgen, die verklaring als zoodanig belijden en mits-„dien goedkeuren/\'

„Ook aan deze levensuiting van \'tkerkelijk leeraarsambt „behoort op denzelfden grond de genadegave der onfeilhaar-„heid. Immers de onfeilbaarheid is noch aan plaats, noch „aan lichamelijk bijeenzijn gebonden. Zij kleeft aan\'t leer-„aarsambt als zoodanig, en is aanwezig overal, waar het „als zoodanig zijne overtuiging uitspreekt. En al zijn nu „de Herders persoonlijk door plaatsruimte van elkander gescheiden, zeer zeker bestaat dan toch het leeraarsambt der „Kerk bij de geheelheid of meerderheid der met den Paus „verbonden en hie et nunc overeenstemmende Bisschoppen.1\' III. „De allerlaatste wijze, waarop het kerkelijk leeraars-„ambt gedacht kan worden buitengewoon werkzaam te zijn, „heeft plaats, wanneer het opperhoofd der Kerk uit de „hoogte van Petrus\' zetel (ex cathedra) beslist, en geheel „alleen beslist, nog vóórdat de meerderheid der Bisschoppen „heeft ingestemd, en daarvan onafhankelijk.quot; i)

Meer uitvoerig gaan we thans dit leerstuk der pauselij ke onfeilbaarheid verklaren.

Over de onfeillaarheid van den Paus,

I.

Immer heeft de katholieke wereld, voorgelicht door het woord der eeuwige Waarheid, vast geloofd, dat deH. Geest de Kerk des Heeren bijstaat en bestuurt, en tot ons spreekt door het leerambt dier Kerk. De uitspraak van eene al-gemeene Kerkvergadering werd steeds aangenomen als de onfeilbare uitspraak van den H. Geest zeiven. Wat nu leert het Vatikaansche Concilie aangaande de onfeilbaarheid van den Paus? Wij laten hier de woorden volgen van het vierde hoofdstuk der vierde zitting;

„Getrouwelijk vasthoudend aan de overlevering, van het „begin des christelijken geloofs af opgevangen, tot glorie „van God onzen Zaligmaker, ter verheffing van den katho-„lieken godsdienst, ten heil der christelijke volkeren, met „de goedkeuring van het heilig Concilie, leeren wij en ver-

\') //Dc roomsche Steenrotsquot; van P. Rudis, bewerkt door J, A. A. Ten Hagen, bladz. 36.

31*

-ocr page 498-

484

„klaren het een geopenbaard leerstuk te zijn, dat de Paus „van Home, wanneer hij spreekt , dat is, wanneer

„hij het ambt van aller Christenen herder en leeraar verhullend, met zijn hoogst, apostolisch gezag de leer over „geloof en zeden door de geheele Kerk te houden bepaalt, „door den goddelijken bijstand, hem in den H. Petrus be-„loofd, die onfeilbaarheid bezit, welke de goddelijke Verlosser gewild heeft, dat zijne Kerk in het bepalen der leer „over geloof en zeden zou bezitten, en dat dusdanige verklaringen der roomsche opperpriesters uit zich zelve, niet „echter door de toestemming der Kerk, onhervormbaar zijn.

„Zoo iemand zich mocht vermeten, wat God verhoede, „deze onze bepaling tegen te spreken, hij zij in den ban.quot;

Tot verklaring der onfeilbare uitspraak van de Kerk stellen wij de drie volgende vragen: ivaarin — wanneer — hoe is de Paus onfeilbaar?

1. ÏÏ\'aarin is de Paus onfeilbaar\'? Het Concilie geeft ons het antwoord, leerende, dat de roomsche Paus, wanneer hij „eene leer over geloof en zeden, door de geheele Kerk te houden,

„bepaalt,.....die onfeilbaarheid bezit, welke de goddelijke

„Verlosser gewild heeft, dat zijne Kerk in het bepalen der „leer over geloof en zeden zou bezitten.quot;

Uit deze woorden der Kerkvergadering blijkt, ten eerste, dat de onfeilbaarheid van den Paus volstrekt geen betrekking heeft op zijn zedeliik gedrag. De vijanden van Paus en Kerk hebben getracht het volk in den waan te brengen, dat het Vatikaansche Concilie ons wilde leeren , dat de Paus onmogelijk fouten begaan, nimmer zondigen kan. „Ziet „eens!quot;, roepen zij uit in dagbladen en tijdschriften, „wat „de Bisschoppen te Rome van den Paus gemaakt hebben; „zij verklaren hem niet in staat eene zonde te bedrijven!\'\' Aan eene dergelijke dwaasheid heeft echter het Concilie nimmer gedacht, veel minder haar als geloofswaarheid uitgesproken. De Paus toch is niet meer dan de heilige Petrus, wien Christus zelf tot opperhoofd zijner Kerk, tot Paus, heeft aangesteld. Gelijk Petrus, ook nadat hij Paus was geworden, nog zondigen kon , zoo is dit ook het geval met de Pausen; zij zijn en blijven menschen, en kunnen derhalve van hunnen vrijen wil door te zondigen misbruik maken. Wanneer de Paus „heilige Vader\'1\'1 genoemd wordt» wordt hem met dien titel niet de persoonlijke heiligheid toegeschreven; neen, dien naam geven wij hem slechts wegens de verhevenheid van zijn ambt, hetwelk hij als stedehouder van Christus bekleedt, zooals wij ook wereldlijken vorsten vereerende titels geven.

Anderen roepen uit: hoe is hel mogelijk, dat de Paus

-ocr page 499-

485

onfeilbaar is, daar er toch vele slechte Pausen geweest zijn.

Zooals reeds werd opgemerkt, kan elke Paus zondigen, omdat hij niet ophoudt mensch te zijn. Wanneer hij zondigt, dan is die zonde het werk van den mensch, niet van den Paus. Deze smetten van den persoon raken geenszins de heiligheid of het gezag van den Apostolischen stoel, die altijd denzelfden eerbied en dezelfde gehoorzaamheid verdient.

Maar zijn er inderdaad zooveel slechte Pausen geweest? Ziehier in korte trekken de onpartijdige geschiedenis dei-Pausen. Van den H. Petrus af tot Leo XIII zijn er 259 Pausen geweest. Onder hen telt men er zestig, die als Heiligen vereerd worden, en eene menigte groote mannen, die onder hunne tijdgenooten hebben uitgeschitterd. Bijna allen waren mannen, die in deugd, wetenschap en wijsheid uitmuntten. De onpartijdige geschiedschrijvers moeten erkennen, dat er slechts enkele Pausen zijn, die met meer of minder grond beschuldigd worden door hunne zeden de Kerk ontsticht te hebben; zij verdwijnen order de vele Pausen, die door uitstekende deugden sieraden van \'s Heeren Kerk geweest zijn.

Wij moeten daarenboven wel opmerken, 1°. dat vele feiten, welke aan de Pausen ten laste gelegd zijn, door de boosheid van anderen uitgedacht, vergroot of in een kwaad daglicht gesteld zijn. Vandaar dat de latere ontdekkingen op geschiedkundig gebied niet hebben geleid tot nieuwe beschuldigingen, maar nieuwe bewijzen en nieuwe getuigen hebben geleverd voor de rechtvaardiging , voor de onschuld , ja zelfs voor de heiligheid hunner daden; 2o. dat de Pausen, die beschuldigd worden, meerendeels tot een tijdperk be-hooren, waarin de vrije Pauskeuze door de wereldlijke macht werd belemmerd; 3°. dat geen dezer Pausen een decreet heeft uitgevaardigd, dat heizij op leerstellig, hetzij op zedelijk gebied, met de zuivere leer der Kerk in strijd was.

Geen onder hen heeft iets geleerd, iets bepaald met het doel deze wanordelijkheden te wettigen, zooals dat bijv.de hoofden van het Protestantisme gedaan hebben.

Uit de verklaring van het Vatikaansche Concilie blijkt, ten tweede, dat de onfeilbaarheid van den Paus zich niet uitstrekt tot geheel wereldlijke aangelegenheden. Als men dan de uitspraak der Vaders, dat de Paus onfeilbaar is, wil voorstellen als eene inbreuk op de rechten van bepaalde menschen en volkeren, als eene gevaarlijke en rampzalige leer, en durft beweren: de onfeilbare Paus kan over alles oordeeleu en beslissen ; bij kan staatregelingen en burgerlijke wetten eigendunkelijk goedkeuien of verwerpen, vorsten in de uitoefening hunner rechten bemoeielijken, de onderdanen

-ocr page 500-

486

verplichten, dezen de gehoorzaamheid te weigeren, en in het maatschappeliike leven ingrijpen, — dan is dit alles wederom niet anders, dan leugen en lastertaal. Het rijk van den Paus is het rijk van Christus, is alzoo niet van deze wereld; hi] mengt zich niet in zuiver wereldlijke aangelegenheden, veel minder maakt hij in het heoordeelen daarvan aanspraak op onfeilbaarheid. Als opperhoofd der Kerk heerscht hij over tweehonderd millioen Christenen, waaronder aanzienlijken en geringen, geleerden en onge-leerden, kunstenaars en werklieden, burgers en landlieden, kortom menschen van eiken stand worden gevonden. Is er echter onder zoo velen wel een enkele, die kan zeggen, dat de Paus zich in zijne tijdelijke zaken gemengd, hem iets geboden of verboden heeft? Den Paus is het onverschillig, welken regeeringsvorm een land heeft; hij schrijft in de burgerlijke wetgeving, in het burgerlijk bestuur niets voor; hij gebiedt niet oorlog te voeren of vrede te sluiten; met één woord, hij laat allen en eenieder in tijdelijke dingen volkomen vrijheid. Slechts in het enkele geval, dat er wetten gegeven of maatregelen genomen zouden worden, in strijd met de goddelijke wet, zou hij verplicht zijn zich daartegen te verzetten en met Petrus te verklaren, dat men aan God meer moet gehoorzamen dan aan de menschen. Dit zou hij moeten doen, wijl het oordeel over hetgeen, ook in rr.aat-schappelijke en politieke zaken, geoorloofd of ongeoorloofd is, aan hem behoort, en hij het recht en de verplichting heeft, de overtreding der goddelijke wet naar vermogen te verhoeden.

Uit de verklaring van het Vatikaansche Concilie volgt, ten derde, dat de onfeilbaarheid van den Paus geen recht-streeksche betrekking heeft op ongewijde wetenschappen. Er bestaan onder degenen , die zich aan deze wetenschappen toewijden, de verschillendste en meest uiteenloopende meeningen; wat de een beweert, ontkent de ander. De Paus nu zal er nooit aan denken, de vrijheid dezer geleerden te beperken, allerminst dus eene uitspraak te doen, waaraan zij zich moeten onderwerpen. Zoo lang zij zich op hun eigen gebied bewegen, hebben zij volle vrijheid. Iets anders zou het zijn, als zij beweringen opstelden, welke met de geopenbaarde waarheid in strijd zijn. Treedt de wetenschap, welke ook, buiten den haar eigen kring, komt zij op het godsdienstig gebied, onderwijst en verdedigt zij stellingen, die de Openbaring rechtstreeks of zijdelings loochenen of aanvallen, die strijdig zijn met de katholieke leer, ja, dan spreekt de Paus als bewaarder en verdediger der door God geopenbaarde waarheid; dan kan hij verklaren, dat die

-ocr page 501-

487

beginselen valsch zijn en verworpen moeten worden, als strijdig met de waarheden der Openbaring of met de eeuwige en onveranderlijke beginselen der christelijke zedeleer. Zoo handelende is hij niet alleen in zijn recht, maar volbrengt hij inderdaad zijn plicht, om namelijk zijne broeders in het geloof te bevestigen en hun den weg der waarheid, der gerechtigheid en zedelijkheid aan te wijzen.

Een paar voorbeelden. Wanneer men, in naam der zoogenaamde moderne wetenschap, verklaart, dat er geen God bestaat. Schepper van hst heelal; dat de voorzeggingen en wonderen, door de H. Schrift aangehaald, nooit hebben plaats gehad; dat elk stelsel van zedeleer moet bestaan in het vergaderen van rijkdommen en het najagen van wereldsche genoegens, enz. — dan treedt \'s Heeren plaatsbekleeder op en veroordeelt, niet de ware wetenschap, niet de zuiver stoffelijke beschouwingen der wetenschap, maar de dwalingen, daarin vervat, de valsche en met de katholieke geloofs-en zedeleer strijdende gevolgtrekkingen.

Uit de verklaring der laatste algemeens Kerkvergadering zien wij, ten vierde, dat de onfeilbaarheid van den Paus zelfs geen rechtstreeksche betrekking heeft op godsdienstige en kerkelijke zaken, welke niet tot de christelijke geloofs-en zedeleer behooren. Als opperhoofd der Kerk is de Paus de hoogste rechter in alle kerkelijke aangelegenheden; hem komt het toe, alles, wat tot den godsdienst, tot de kerkelijke tucht en orde behoort en den bloei der Kerk ten doel heeft, te verordenen en voor te schrijven. In al deze en dergelijke dingen zijn wij hem wel gehoorzaamheid verschuldigd; maar dat wij hem hierin ook de onfeilbaarheid toekennen, wordt niet van ons gevorderd.

De onfeilbaarheid van den Paus gaat alzoo bij lange na zoo verre niet, als de vijanden der Kerk, om dit leerstuk hatelijk te maken, voorgeven; zij strekt zich volgens de bepaalde verklaring van het Vatikaansche Concilie enkel en alleen uit tot de christelijke geloofs- en zedeleer, of met andere woorden tot datgene, wat wij moeten gelooven en doen, om aan God te behagen en zalig te worden. Even als aan de geheele leerende Kerk, komt het ook den Paus alleen toe, onfeilbaar te verklaren en vast te stellen, wat door God geopenbaarde geloofs- en zedeleer is. Hier merken wij echter op, dat de Paus, evenmin als de Kerk, eene nieuwe geloofs- en zedeleer voordragen en de geloovigen tot het aannemen daarvan verplichten kan, maar alleen zoodanige, welke reeds in de goddelijke Openbaring liggen opgesloten. God doet geene nieuwe openbaringen; alles, wat zijne goddelijke Wijsheid goed vond, den menschen te open-

-ocr page 502-

488

taren, dat heeft Hij in het Oude Verbond door de Aartsvaders en Profeten, in het Nieuwe Verbond door zijn Zoon Jesus Christus geopenbaard. De goddelijke Openbaring alzoo is een afgesloten geheel, er mag en er kan niets bijgevoegd en evenmin iets afgenomen worden. Plicht zoowel van den Paus als van de Kerk is het, de geopenbaarde waarheden, het pand des geloofs, te bewaren, te verdedigen , den waren zin er van en de goede toepassing vast te stellen, en de leericgen en beweringen, welke daarmede in strijd komen, af te wijzen en als dwaling te veroordeelen. Het is alzoo eene zeer dwaze en ongegronde vrees, dat de onfeilbare Paus het christenvolk naar believen eene geloofs- en zedeleer zou kunnen voorschrijven; dewijl zijne onfeilbaarheid, zooaly de Vaders in het Vatikaansche Concilie uitdrukkelijk verklaarden, dezelfde is, als die der Kerk in\'t algemeen, moet hij zich, als deze, bij alle bepalingen, welke hij aangaande het geloof en de zeden geeft, streng houden aan de goddelijke Openbaring, en kan hij enkel met onfeilbaar gezag leeren, dat deze of die waarheid werkelijk in de goddelijke Openbaring vervat is, of, dat deze en gene dwaling daarmede in strijd is.

De onfeilbaarheid van den Paus strekt zich derhalve volgens de verklaring der Kerkvergadering alleen uit tot de christelijke geloofs- en zedeleer, welke reeds door God geopenbaard is. — Eene tweede vraag stellen wij: wanneer is de Paus onfeilbaar?

2. De vraag: wanneer de Paus onfeilbaar is, beantwoordt het Vatikaansche Concilie met deze woorden: de Paus is onfeilbaar „wanneer hij spreekt ex cathedra, dat is, wanneer „hjj het ambt van aller Christenen herder en leeraar verhullende, met zijn hoogst, apostolisch gezag de leer over „geloof en zeden door de geheele Kerk te houden bepaalt.\'\' Uit deze verklaring van het Concilie leeren wij, dat de Paus niet in alle, maar slechts in bepaalde gevallen de onfeilbaarheid bezit.

\\\\ ij moeten hier vooreerst een onderscheid maken tusschen den Paus als bizonder persoon en als opperhoofd der Kerk. Als privaat persoon is hij evenmin onfeilbaar als elk ander mensch. Men zou derhalve veel te ver gaan, als men wilde gelooven, dat alles, wat de Paus spreekt of schrijft, goddelijke, onfeilbare waarheid is en als zoodanig moet worden aangenomen. Stellen wij ons voor, dat de Paus met iemand m gesprek is en zijne meening omtrent godsdienstige aangelegenheden te kennen geeft. Wat hij daar spreekt, heeft slechts het gezag van woorden, die een ander Oodgeleerde spreekt, en het zou eene dwaasheid zijn, te beweren, dat

-ocr page 503-

489

men aan zijn gezegde als Gods onfeilbaar woord gelooven moet. — Vele Pausen waren mannen van hooge geleerdheid, en schreven over godsdienstige onderwerpen uitmuntende verhandelingen. Ook die geschriften hebben geen aanspraak op onfeilbaarheid; zij hebben wederom geen grooter gezag, dan de werken van andere kerkelijke schrijvers. Datzelfde geldt van de toespraken en leerredenen, welke de Pausen evenals de Bisschoppen en Priesters houden ; ook deze behoeven niet als het onfeilbaar woord van God erkend te worden. Hieruit blijkt, dat men de leer van het Vatikaansche Concilie geheel verkeerd begrepen heeft, als men zegt, dat dit Concilie den Paus in alles, wat hij spreekt of schrijft, de onfeilbaarheid heeft toegekend.

Volgens de uitdrukkelijke verklaring van de Kerkvergadering is de Paus dan alleen onfeilbaar, als hij van zijn leerstoel af (ex cathedra) spreekt. Wanneer nu spreekt hij ex cathedra ? Het antwoord wordt ons gegeven door het Concilie met deze woorden : „wanneer hij het ambt van aller Christenen „herder en leeraar vervullend, met zijn hoogst, apostolisch „gezag de leer over geloof en zeden door de geheele Kerk „te houden bepaalt.quot;

Eene leer van den Paus is derhalve alleen dan onfeilbaar, wanneer hij optreedt „met zijn hoogst, apostolisch gezag, „vervullende het ambt van aller Christenen herder en leeraar.quot; De gave der onfeilbaarheid is niet verbonden met zijne hoogste macht van bestuur over de Kerk, in ruimeren zin, maar met zijne opperste macht om te leeren, en zelfs met deze slechts onder zekere voorwaarden. Er moet namelijk eene dubbele voorwaarde vervuld worden, opdat hij, bij de uitoefening van zijne opperste macht om te leeren, van zijn leerstoel af (ex cathedra) en derhalve onfeilbaar spreke. Hij moet, ten eerste, deze zijne opperste macht om te leeren uitoefenen betrekkelijk de christelijke en «ef/e-

leer. Wij hebben dit onder u\'5. 1. genoegzaam verklaard. — Vervolgens wordt nog vereischt, dat de Paus eene leer over het geloof of de zeden uitspreke, die dour de geheele Kerk moet worden gehouden, dat is, hij moet eene leer, welke het geloof of de zeden betreft, bij wijze van eindbeslissing en voor alle tijden vaststellen en de Kerk tot de aanneming dier uitspraak willen verplichten, ook deze zijne bedoeling uitwendig te kennen geven, hetzij door bedreiging van de straf der verbanning buiten de Kerk tegen hen, die zich aan de afgekondigde uitspraak niet onderwerpen, hetzij door andere uitdrukkingen , die zijne meening ontwy-felbaar doen kennen.

Toch is ook hier nog op te merken, dat slechts de eigen-

-ocr page 504-

490

lijke uitspraak of leer (de definitie of de conclusio, zoo als de Godgeleerden zich uitdrukken), maar niet de toelichtingen of bewijzen (de rationes conclusionis), die er als bijvoegsel aan worden toegevoegd, regel des geloofs zijn. Want deze bijvoegsels zijn niet het wezen der zaak. En tot de zaak zelve, niet tot de bijzaken moeten we door de pauselijke uitspraken van zijn hoogen leerstoel af (ex cathedra) verplicht worden.

De uitspraken des Pausen zijn alzoo onfeilbaar, wanneer hij van zijn hoogren leerstoel af (ex cathedra) spreekt. Hij spreekt ex cathedra, wanneer hij 1) het ambt van herder en leeraar aller Christenen uitoefent, en 2) hierbij krachtens zijn hoogst apostolisch gezag handelt; 3) wanneer het voorwerp der uitspraak eene leer is, welke het geloof of de zeden betreft; 4) wanneer hij hierover eene eindbeslissing, dat wil zeggen, eene leerstellige bepaling geeft, en wanneer hij 5) die bepaling geeft als eene uitspraak, waaraan de geheele Kerk zich houden moet — en deze ver-eischten moeten vereenigd aanwezig zijn ; het is niet genoeg, dat alleen de eene of de andere vervuld zij. Zij moeten daarenboven op genoegzaam kenbare wijze aanwezig zijn , zoodat er bij goeden wil en verstandig onderzoek geen redelijke twdjfel over de vervulling er van bestaan kan.

3. Ook de vraag: hoe de Paus onfeilbaar is, wordt door het Vatikaansche Concilie beantwoord, als het verklaart, dat de Paus „door den goddelijken bijstand, hem in „den heiligen Petrus beloofd , die onfeilbaarheid bezit, welke „de goddelijke Verlosser gewild heeft, dat zijne Kerk in „het bepalen der leer over geloof en zeden zou bezitten, „en dat derhalve dusdanige verklaringen van den roomschen „Opperpriester uit zich zelve, niet echter door de toestemming „der Kerk onhervormbaar zijn.quot;

a) Hier moeten wij vooral opmerken, dat de Paus slechts door een bizonderen goddelijken bijstand de onfeilbaarheid bezit. Was de Paus aan zich zeiven overgelaten, werd hij niet door den H. Geest verlicht en geholpen, dan zou er van geene onfeilbaarheid spraak kunnen zijn, zelfs al muntte hij door wetenschap en deugd boven al zijne tijd-genooten uit. De geschiedenis toph leert ons, dat ook de geleerdste en vroomste mannen soms in dwaling vervallen zijn. Zonder den bizonderen goddelijken bijstand zou zelfs de Kerk, namelijk de Paus en de Bisschoppen tezamen, niet onfeilbaar zijn. In de christelijke leering werd u reeds geleerd, dat de Kerk alleen uit dien hoofde onfeilbaar is, omdat Jesus Christus haar zijn hijstand en dien van den heiligen Geest voor alle tijden beloofd heeft. Datzelfde nu

-ocr page 505-

491

geldt ook van den Paus. Omdat hij, gelijk later zal bewezen worden, zich in den bizonderen goddelijken bijstand verheugt, kan hij bij zijne bepalingen in zaken van geloof en zeden niet dwalen. Het is derhalve niet noodig, om onfeilbaar te ziin, dat hij alwetend, ja, niet eens, dat hi] een groot geleerde is. Petrus immers en de overige Apostelen waren noch alwetend noch geleerd, en toch bezaten zij , zooals geen Katholiek ontkent, de onfeilbaarheid.

Wat den goddelijken bijstand betreft, deze bestaat niet daarin, dat God den Paus nieuwe openbaringen geeft; want, gelijk boven werd opgemerkt, alles, wat tot de christelijke geloofs- en zedeleer behoort, is reeds geopenbaard; maar daarin, dat Hij hem bijstaat, om de door de Apostelen overgeleverde Openbaring heilig te bewaren en getrouw uit te leggen. Is het dienstig, dat de Paus in zaken van geloof of zeden eene bepaling geve, dan staat God hem bij, opdat hij de in de Kerk aanwezige geopenbaarde waarheid kenneen vasthoude, en eveneens de tegenovergestelde dwalingen inzie en verwerpe. Ook is het buiten twijfel zeker, dat God den Paus in de keuze en het gebruik van de middelen, welke in elk geval tot de vaststelling der geopenbaarde waarheid en tot de afwijzing-der dwaling doeltreffend zijn, zijn bizonderen bijstand verleent. Onder die hulp zal de Paus tot het gebed zijne toevlucht nemen, met geleerde , vrome mannen beraadslagen, de gevoelens van de over de gansche aarde verspreide Bisschoppen inwinnen of eene Kerkvergadering beroepen, kortom, hij zal gewis alles doen , wat hem van den men-schelijken kant tot de kennis der waarheid noodzakelijk of doelmatig voorkomt, waarover evenwel noch de geloovigen, noch de Bisschoppen zich te bekommeren hebben, daar het alleen de goddelijke bijstand is, door welken de Paus de onfeilbaarheid bezit \').

I) Ue leerstellige bepalingen van den Paus zijn, zooals het Vatikaausche Concilie verklaart, uit\' zich zelve, maar niet door de toestemming der Kerk onfeilbaar. Deze leer der Kerkvergadering is een noodzakelijk gevolg der pauselijke onfeilbaarheid. Immers als de toestemming der Kerk noodzakelijk was, om eene uitspraak van den Paus als geldig en onfeilbaar te erkennen, dan kon er van eene onfeilbaarheid van den Paus geen spraak meer zijn; want in dat geval zou eerst de toestemming der Kerk de uitspraak van

\') Ook de H. Alphonsus verklaart, dat alle voorbereidingsmaatregelen enkel betamend , passend (,de congruentiaquot;) gt; geenszins onontbeerlijk, strikt noodzakelijk (;,de necessitatequot;) zijn (Diss, de Kom. Pontif. auct. nquot;. 110).

-ocr page 506-

492

den Paus onfeilbaar maken. Wel is het zeker, dat de Paus, wanneer hij in zaken van geloof en zeden krachtens zijn apostolisch leerambt eene uitspraak doet, de toestemming der Kerk nooit zal missen, want het lichaam zal zich nooit van het hoofd afscheiden, doch, en dit moeten wij wel opmerken, die toestemming is het niet, welke de bepaling van den Paus onfeilbaar maakt; omgekeerd veeleer neemt de Kerk zulk eene uitspraak aan, wijl zij eene onfeilbare is.

c) Een ander gevolg der onfeilbaarheid van den Paus is, dat zijne bepalingen over de geloofs- en zedeleer onveranderlijk, onhervormbaar zijn. Ik zeg; bepalingen over de geloofs- en zedeleer, want bepalingen, verordeningen en wetten in andere punten kunnen voorzeker veranderd of opgeheven worden. De reden hiervan is deze, omdat den. Paus de onfeilbaarheid in die zaken niet werd toegezegd, en omdat zuike verordeningen en wetten steeds met het oog op bizondere omstandigheden en toestanden gemaakt worden, en derhalve, wanneer deze veranderen, eveneens eene verandering ondergaan of geheel ter zijde gesteld moeten worden. Zoo heeft Paus Clemens XIV onderscheiden feestdagen opgeheven, wijl de tijdsomstandigheden dit eischten.

in die bepalingen echter, welke de christelijke geloofs-en zedeleer betreffen, is de Paus onfeilbaar; zij zijn onbe-driegelijke, goddelijke waarheid; zij zijn daarom onverancerlijk, volgens de uitspraak des Heeren : „hemel en aarde zullen „vergaan, maar mijne woorden zullen niet vergaanquot; (ÏVIatth. XXIV, 35). Men zou derhalve eene onmogelijkheid beproeven , als men van het Opperhoofd der Kerk o: van een algemeen Concilie wilde eischen, uitspraken, welke zij aangaande de geloofs of zedeleer gegeven hebben, terug te nemen ; wat zij eenmaal uitgesproken en bepaald hebben, dat blijft immer in volle kracht, en geen opvolgende Paus en geene volgende Kerkvergadering kan iets daaraan veranderen.

Danken wij God, dat Hij den Paus met de genadegave der onfeilbaarheid heeft uitgerust; want die gave is hem alleen tot ons heil gegeven. Welke dwalingen ook tegen ons heilig geloof opduiken, welke lasteringen de ongeloo-vigen en vrijgeesten tegen de leer van onze heilige katholieke Kerk ook uitbrengen, wij kunnen daarbij rustig blijven en mogen geen enkel oogenblik twijfelen, waar waarheid en dwaling is; waut wij kunnen tot ons zelve zeggen; wat de heilige Vader, de Paus, ons beveelt te gelooven en te doen, dat is waarheid, dat is goddelijke leer; wat in strijd is met hetgeen de heilige Vader ons leert, dat is dwaling en leugen. Laat u derüalve door de vijanden onzer

-ocr page 507-

493

Ef. Kerk niet verleiden; staat vast en houd u aan den heiligen Vader, den Paus, en de met hem vereenigde Bisschoppen en Priesters, opdat gij den kostbaren schat des geloofs moogt bewaren en als goede Katholieken de eeuwige zaligheid verwerven.

11.

Nadat wii, de woorden der Vatikaansehe Kerkvergadering beschouwende, geleerd hebben, maarin, wanneer en hoe de Paus, Christus\' stedehouder, zich in de gave der onfeilbaarheid raag verheugen, zullen we thans het bewijs leveren, dat de gegeven leerstelling ons geene nieuwe waarheid te gelooven aanbiedt, maar dat \'s Pausen onfeilbaarheid, zooals ze werd omschreven, niets meer is dan hetgeen de Kerk altijd aangaande den Paus gehouden heeft.

Beschouwen wij derhalve de leer der Kerk van haren aanvang af, en zien wij vervolgens, hoe zij ten allen tijde èn door hare woorden èn door hare handelingen feitelijk de onfeilbaarheid van den Paus heeft gehuldigd , en steeds duidelijker die waarheid heeft uitgesproken.

Beginnen wij met de alleroudste oorkonden der kerkelijke leer of overlevering, de gewijde Schriften des Nieuwen Verbonds; overtuigen we ons, dat onze Heer en Heiland zelf het allereerst de onfeilbaarheid des Pausen beeft geleerd.

1. Nadat Simon, Jonas\'zoon, plechtig de godheid van Jesus Christus beleden had, sprak de Heer tot hem: „gij „zijt Petrus (steenrots) en op deze steenrots zal Ik mijne „Kerk bouwen en de poorten der hel zullen haar niet over-„weldigen.\'\' Volgens deze verzekering van den goddelijken Verlosser zal het aan de poorten der hel, d. i. aan den duivel en zijn aanhang, nooit gelukken, de Kerk te overwinnen en te vernietigen. De Kerk zou échter gewis overwonnen en vernietigd worden, als de machten der hel er in slaagden, haar in dwaling te brengen; want eene Kerk, welke de door Christus geleerde waarheid niet meer zuiver bewaarde, maar dwalingen in zich opnam, zou niet meer de Kerk zijn van Christus, maar eene synagoge van den geest der leugentaal. De vraag is nu: waarom kan de Kerk niet in dwaling gebracht en vernietigd worden ? Om geene andere reden, dan omdat zij op Petrus, de rots, gebouwd is. Dit verklaart de Verlosser zelf uitdrukkelijk met de woorden: „gij zijt Petrus, en op deze steenrots zal Ik mijne „Kerk bouwen.quot; Hij wilde zeggen: wijl Ik mijne Kerk op u , de rots, bouw, zullen de poorten der hel haar niet over-

-ocr page 508-

494

weldigen. Petrus is alzoo, volgens de belofte des Heeren, voor de Kerk datgene, wat een sterke grondslag is voor een gebouw. Een huis, hetwelk op een rotsgrond gebouwdis, heeft eene zoo groote vastheid, dat het niet kan instorten. Zoo ook geeft Petrus, de rots, vastheid en onvergankelijkheid aan de Kerk, waardoor zij tegen eiken storm der hel onverwinneliik blijft staan en al hare aanvallen verijdelt. Hoe nu kan Petrus zulk eene kracht en vastheid geven aan de Kerk? Allerduideliikst, alleen omdat hij onfeilbaar is. Kon hij, of wat hetzelfde is, kon de Paus dwalen in de kerkelijke leer, dan zou hij ook aan de Kerk dwaling en zonde kunnen voorschrijven; hij zou voor de Kerk geene rots meer zijn, want voor \'t minst zou de mogelijkheid bestaan, dat het aan de poorten der hel gelukte, de Kerk te overweldigen. Dewijl dit echter, naar de uitdrukkelij ke verzekering des Heeren, nimmer geschieden kan, zoovolst noodzakelijk, dat Petrus en even als hij elke Paus onfeilbaar moet wezen. Deze tekst der H. Schrift levert derhalve een onwederlegbaar bewijs voor de onfeilbaarheid van den Paus. Vandaar dat de heilige Gregorius de Groote zegt: „wie weet niet, dat de H. Kerk gevestigd is op de vast-„heid van den Vorst der Apostelen, die de vastheid des „geloofs in zijnen naam droeg, daar hij Petrus, van petra, „dat is rots, genaamd ■werd.quot; „Het is alzoo,quot; dus besluit deze Kerkleeraar, „de plicht van den Heiligen Petrus, die „nog op zijnen stoel leeft en gezeten is, aan allen., die „hem vragen, de waarheid des geloofs te schenken.\'\'

Niet minder zeker is de leer der pauselijke onfeilbaarheid vervat in de woorden, welke de Heer na zijne verrijzenis tot Petrus sprak: „weid mijne lammeren, weid mijne scha-„pen!quot; (Joan. XXI, 15—17). Met deze woorden geeft de Verlosser aan Petrus het opperherderschap over de gansche Kerk, over de lammeren, d. i. over de geloovigen en over de schapen, d. i. over de Bisschoppen en Priesters. Petrus moet de lammeren en schapen, de geheele kudde, als herder weiden, d. i. leeren, leiden en besturen. Heeft nu Christus hier, wat geen enkel Katholiek loochent, aan Petrus het herdersambt over de geheele Kerk opgedragen, dan zijn ongetwijfeld alle geloovigen verplicht, den heiligen Petrus als hunnen herder te erkennen, zich aan hem te onderwerpen en zich door hem te laten geleiden. Die verplichting rust op alle geloovigen van eiken stand,leeftijd en geslacht, geestelijken zoowel als leeken, Bisschoppen als Priesters, dewijl Petrus de lammeren en schapen van Christus, waar onder alle ledematen der Kerk verstaan worden, moet weiden. Als nu Petrus en gelijk hij elke Paus naar \'s Heeren

-ocr page 509-

495

woord opperste herder der Kerk is, en alle geloovigen verplicht zijn, zich door hem te laten geleiden, wat volgt hieruit anders, dan dat de Paus onfeilbaar wezen moet? Indien hij niet onfeilbaar was, dan kon hij den geloovigen eene valsche leer als waarheid opdringen, hun iets gebieden, wat niet ten heil, maar ten verderve strekken zou. De schuld daarvan zou in dit geval gewis op Christus zeiven neêrkomen, daar Hij den Paus tot herder der Kerk aangesteld en de geloovigen streng verplicht heeft, hem te gehoorzamen. Wie zal het echter wagen, onzen goddelijken Heiland schuldig te heeten aan de afdwalingen en den ondergang der menschen! Verschrikkelijk zou die godslastering zijn! Wij moeten bijgevolg noodzakelijk besluiten: dewyl de goddelijke Verlosser den Paus het opperherderschap over de Kerk toevertrouwd en hem den last opgedragen heeft, de lammeren en schapen te weiden, heeft hij hem ook noodzakelijk de gave der onfeilbaarheid geschonken, daar hij anders zijn heilig ambt niet tot heil der geloovigen zou kunnen waarnemen.

Nog uitdrukkelijker vinden wij deze waarheid uitgesproken in de woorden van Jesus Christus tot Petrus (Luc. XX, 31—32): „Simon, Simon! zie, satan heeft ulieden (vos, u en de overige Apostelen) „begeerd, als tarwe, te ziften. „Maar ik heb voor u (te) gebeden, opdat uw (iua) geloof „niet bezwijke. Gij dan, wanneer gij eens bekeerd zijt, „versterk uwe broederen/\' De goddelijke Heiland voorspelt hier aan Petrus, dat hij, als ook zijne overige leerlingen en de geloovigen van alle tijden zware bekoringen tegen het geloof door den satan te doorstaan zullen hebben, maar Hij verzekert hem tevens, dat Hij zelf voor hem gebeden heeft, opdat zijn geloof niet zou bezwijken, dat is; opdat hij in geenerlei wijze het ware geloof zou verlaten. Niemand zal er aan twijfelen, of datgene, waarom Christus bidt, werkelijk geschiede. Als Christus nu voor Petrus gebeden heeft, dat zijn geloof niet bezwijke, wie zal dan nog durven beweren, dat Petrus in het geloof zou kunnen wankelen? Petrus was alzoo krachtens het gebed van Jesus onfeilbaar; hij kon zelf in het geloof niet dwalen en evenmin anderen de dwaling leeren. Wat van Petrus geldt, geldt ook van zijne opvolgers, de Pausen; ook dezen zijn door het gebed van Jesus onfeilbaar.

Petrus moet echter ook, volgens \'s Heeren last, zijne broederen sterkeu, d. i. hen in het geloof bevestigen. Dit veronderstelt duidelijk, dat hij zelf in het geloof nimmer dwale, het geloof nooit verlate; anders toch zou het kunnen gebeuren , dat hij, ia plaats van zijne broeders in de waar-

-ocr page 510-

-

\'

—-

496

beid te versterken, hen in dwaling bracht. De woorden van Christus: „sterk uwe broederszouden volstrekt ^eene beteekenis hebben, als niet Petrus en met hem elke Paus, maar alleen de Kerk onfeilbaar ware; want in dat geval moest niet Petrus de broeders, d. z. de Bisschoppen, maar moesten deze Petrus, d. i den Paus versterken in het geloof. Overigens ligt het in den aard der zaak, dat niet de ledematen het hoofd, maar wel het hoofd de ledematen sterkt. Daarom zegt de heilige Leo: „door Petras wordt „de vastheid van allen beschermd, en de hulp der goddelijke „genade zoo geregeld, dat de vastheid, welke aan Petrus „door Christus verleend werd, door Petrus op de Apostelen „wordt overgedragen.quot;

Zoo pleiten derhalve \'s Heeren eigen woorden , die wij beschouwden, voor de onfeilbaarheid van Petrus en zijne opvolgers.

Zien we thans, hoe die zelfde waarheid voortdurend door de Kerk geloofd en beleden werd.

2. De onfeilbaarheid van den Paus was steeds het geloof der Kerk; getuigenis hiervan geven ons de heilige Vaders en kerkelijke Schrijvers, de Kerkvergaderingen en de kerkelijke geschiedenis.

d). Ons bestek laat niet toe, ik zeg niet alle, maar slechts de voornaamste plaatsen der Kerkvaders, waaruit de onfeilbaarheid des Pausen blijkt, aan te halen; ik beperk mij tot enkelen.

Niemand moet het bevreemden, dat de getuigenissen der allereerste eeuwen na Christus zoo schielijk geteld zijn. Vooreerst toch zijn de christelijke oorkonden van die tijden uiterst schaarsch , en ten andere brengt de aard der dingen mede, dat de Paus toen weinig als opperleeraar werd geraadpleegd. liet levend woord der Apostelen was nauwelijks weggestorven, hunne prediking lag der Kerk nog zoo versch in het geheugen, dat er geen redelijke twijfel ontstaan kon wat zij geleerd hadden, of elke twijfel voor \'t minst al spoedig met zekerheid door de naaste moederkerk ken worden opgelost. Toch zien wij van de kerkelijke denkwijze omtrent den Paus als onfeilbaren rechter in geloofsgeschillen , uit de tweede helft der tweede eeuw, een groot Kerkvader als getuige optreden, namelijk den II. Irenem, Bisschop van Lyon, leerling van den II. Polycarpus, die door den H. Apostel Joannes onderwezen was Hij verwijst de ketters voornamelijk naar de apostolische Kerk van Rome en schrijft; „met deze Kerk (van liome) toch moet, uithoofde van hare „hoogere macht, de geheele Kerk overeenstemmen, dat is, „de wijd en zijd verspreide geloovigen; in haar bleef altijd

-ocr page 511-

497

„de apostolische overlevering Ijewaard.quot; Indien nu de Bisschop van de Kerk van Rome, die tevens het hoofd is der geheele Kerk, in de geloofsleer feilbaar was, waarom zouden dan alle geloovigen verplicht zijn met hem overeen te stemmen; op wat wijze zou dao de onfeilbaarheid der gansche Kerk blijken? In de derde eeuw schrijft Origenes aan den Paus. „zie, welke macht en kracht deze rots heeft, op „welke de Kerk vau Christus gebouwd is, dat de bepalin-„gen, welke van daar uitgaan, zulk eene kracht en waarde „hebben, als had God zelf gesproken.quot; Kan de onfeilbaarheid van den Paus üuidelijker worden bevestigd, dan met deze woorden? Zou de Paus niet onfeilbaar zijn, als zijne beslissingen met de uitspraken van God zeiven worden gelijk gesteld?

De H. Cyprianm, die eveneens in de derde eeuw leefde, schrijft van zekere ketters en scheurmakers aan Paus Cornelius; „zij durven nog wel scheep gaan, en naar de stad van Petrus, naar de hoofdkerk (van Rome), waarvan de „bisschoppelijke eenheid is uitgegaan, brieven brengen van „scheurmakers en vreemden, zonder te bedenken, dat het „daar Romeinen zijn, wier geloof door den Apostel werd „geprezen, die ontoegankelijk moesten geacht worden voor „wangeloof of ontrouwquot; (Eph. 54). En op eene andere plaats zegt dezelfde Heilige: „slechts daardoor ontstonden „ketterijen, slechts daardoor scheuringen, dat men den „Priester van God, den Allerhoogste, niet gehoorzaamde, „en aan den eenen Priester, die tegelijk rechter is in Gods „plaats, niet dacht.quot; De H. Cyprianus duidt hier den Paus aan den eenen Priester, die in plaats van God rechter is, en hij leidt de ketterijen daaruit af, dat men zich aan dezen rechter niet onderwerpt. Als nu de Paus zijne uitspraken aangaande de christelijke leer als plaatsbekleeder van God geeft, hoe zou hij dan kunnnen dwalen? Zou hij, dwaling in plaats van waarheid verkondigende, niet een plaatsbekleeder van den leugengeest zijn? En ook, als men in ketterij valt, zoodra men zich niet aan de uitspraken des Pausen houdt, wat volgt hieruit, zoo niet dat de Paus altijd de ware leer verkondigt, bijgevolg onfeilbaar is?

Bekend is het woord van den H. Augustinus, den grooten Kerkleeraar uit de vierde eeuw: „Rome heeft gesproken, „de zaak is geëindigd.quot; Er kan, wil deze Heilige zeggen, geen strijd meer zijn omtrent datgene, wat waarheid en wat dwaling is; want de Paus, de onfeilbare rechter in geloofsgeschillen, heefc uitspraak gedaan. De H. Amhrosius zegt: „waar Petrus is, daar is de Kerk.quot; De naam „Petrusquot; duidt hier niet alleen den grooten Apostel aan, maar ook

DEHABBE, GELOOFSLEEK, II. Süe DRUK..

-ocr page 512-

498

zijne opvolgers; derhalve, waar Petrus is, altijd voortlevends in zijne opvolgers, daar is ook de Kerk en het ware geloof. Vandaar dat dezelfde H. Bisschop zegt: „in „alles wensch ik de Kerk van Rome te volgen.quot;

Toen er in het Oosten twist ontstaan was, richtte lliero-nymvs, zeker willende gaan, zich tot Paus Damasus, hem smeekende, uitspraak te doen ; hij meent — zoo schrijft hij — den Stoel van Petrus en het geloof van Rome, door den mond eens Apostels geroemd, te moeten raadplegen. „Bij „u alleen wordt het erfdeel der Vaderen ongeschonden be-„waard ... gij zijt het licht der wereld.quot;

Pe 11. Petrus Chnjsoloijus, Bisschop van Ravenna, schrijft: „de gelukzalige Petrus, die op zijn eigen zetel én voortleeft én „regeeit, schenkt aan degenen, die het zoeken, het ware geloof.quot;

De H Sophronius, Patriarch van Jerusalem, de dwaling der Monotheliten ziende voortsluipen, zond den Priester Stephanus naar Rome,\' en sprak tot hem: „ga met spoed „van het eene uiteinde der wereld tot het andere, totdat „gij aanlandt hij den apostolischen Stoel, waar de grondslagen „liggen der rechtzinnige leerstukken,.... rust niet, maar houd „aan met bidden en smeeken, totdat zij met apostolische „wijsheid de nieuw ingevoerde leer volgens de canons hebben „uitgeroeid quot;

Dezelfde taal voeren alle Kerkvaders; zij allen erkennen in den Paus den stedehouder van Christus op aarde, den leeraar der gansche Kerk, den oppersten rechter in geloofsgeschillen , aan wiens uitspraak allen, die van het ware geloof niet willen afdwalen, zich met hart en mond moeten onderwerpen.

Niet minder dan de Kerkleeraars getuigen ook de Conciliën voor de orifeilbaarheid van den Paus.

In de algemeene Kerkvergadering van Chalcedon in 451, waar 5^0 Bisschoppen tegenwoordig waren, werd een brief voorgelezen van Paus Leo den Groote, waarin de katholieke leer verklaard werd. Na de voorlezing riepen alle Bisschoppen als uit éénen mond: ,,dit is het geloof der Vaderen, „dit is het geloof der Apostelen. Aldus gelooven wij allen... „Petrus heeft door Leo gesproken.quot; In het zesde algemeene Concilie, te Constantinopel gehouden in het jaar 680, werd door alle Vaders eer, pa u rel ij ken brief onderschreven, waarin gezegd wordt: „nooit heeft de apostolische Kerk (van Rome) „zich in iets van den weg der waarheid verwijderd. De „geheele katholieke Kerk, alle algemeene Kerkvergaderingen „hebben altijd hare leer, als die van den Prins der Apostelen „aangenomen.\'\' De achtste algemeene Kerkvergadering, in het jaar 869 in dezelfde stad gehouden, keurde eene geloofs-

-ocr page 513-

499

belijdenis goed, waarin onder anderen het volgende voorkomt: „in alles den apostolischen Stoel volgende en al „zijne decreten onderteekenende, hoop ik altijd met u te blijven „in eene zelfde gemeenschap, die des apostolischen Stoels, „in wien de volkomen en ware hechtheid van den christe-„lijken godsdienst berust.quot;

Hoe zou het nu mogelijk wezen, dat de Conciliën aldus spraken, dat zij dusdanige geloofsbelijdenissen goedkeurden, hoe konden zij beloven alle verklaringen des Pausen te onderschrijven, indien niet inderdaad de onfeilbaarheid van het opperhoofd der Kerk als eene zekere en aan allen bekende waarheid werd aangenomen? \')

Getuigenis voor het geloof aan de onfeilbaarheid van den Paus geeft ook de kerkelijke geschiedenis. Zij leert ons, dat de Bisschoppen, Priesters en leeken bij opkomende geloofsgeschillen ten allen tijde zich wendden tot den Paus, om door hem onderwezen te worden, wat als waarheid vastgehouden en als dwaling verworpen moest worden. Keeds ten tijde, dat de heilige Apostel Joannes nog leefde, richtten de Christenen te Corinthe zich niet tot dezen, maar tot den heiligen Paus Clemens in Rome, om door hem bij de onder hen uitgebroken scheuringen onderwezen te worden en hulp te verkrijgen. Eveneens zonden de Christenen in Lyon den heiligen Ireneus met een brief naar Paus Eleutherius, om ziine beslissing te vragen omtrent geloofsgeschillen. De H. Aupustinus zond aan Paus Boni-facius zijn geschrift tegen de Pelagianen om het te onderzoeken, en verzekerde tevoren, dat hij zich gaarne aan alle verbeteringen wilde onderwerpen. Dergelijke voorbeelden levert de kerkelijke geschiedenis van alle eeuwen bij menigte.

Eveneens leert zij, dat de Pausen immer uitspraak deden in geloofszaken en voor hunne beslissingen van alle ge-loovigen oprechte onderwerping gevorderd hebben. De Pausen vroegen niet eerst de goedkeuring der Bisschoppen, en wachtten niet, totdat deze hunne toestemming hadden gegeven, maar verboden onder de strengste kerkelijke straffen allen en eenieder, in \'tvervolg leeringen voor te dragen, welke zij als dwaling of ketterij verworpen hadden. Dez.quot;. handelwijze van den rooraschen Stoel werd steeds door alle katholieke Bisschoppen als recht en billijk erkend. Degenen, wier leer door de Pausen veroordeeld was, werden terstond

\') Zich aansluitende aan. de overlevering der katholieke Kerk, leerden in 1865 ook onze hoogwaardige Bisschoppen; «wij houden zonder eenigen twijfel, dat zijn leeraarschap (van den Paus) onfeil-„baar is in. alles, wat geloof en zeden betreftquot; (Conc. Ultr. p. 31).

-ocr page 514-

500

als dwaalleeraars beschouwd, zonder dat iemand zicli daartegen verzette. Wanneer nu van den eenea kant de ge-loovigen zich bij den apostolischen Stoel vervoegden, om zijne beslissing in geloofsvragen te vernemen en zich daaraan volkomen onderwierpen, en als van den anderen kant de heilige Stoel zelf zulke uitspraken gaf en streng aller onderwerping eischte, wat volgt hieruit anders, dan dat men de onfeilbaarheid van den Paus geloofd heeft ? Waarom zouden de geloovigen zich tot den Paus gewend of zich aan zijne beslissingen onderworpen hebben, als zij van meening waren geweest, dat hij kon dwalen ?

De geschiedenis getuigt ook, dat er vaak eeuwen voorbij gingen, voordat er eene Kerkvergadering gehouden werd, en dat de Pausen de geschillen omtrent de geloofs- en zedeleer eigenmachtig en onherroepelijk uitmaakten. In de eerste drie eeuwen was er geen Concilie; over het niet geringe aantal dwalingen, die toen reeds het hoofd opstaken, sprak de Paus alleen het oordeel uit en stelde vast, wat door de Christenwereld moest geloofd worden. Sinds het laatste algemeene Concilie van Trente tot nu zijn weder meer dan driehonderd jaren vervlogen. Hoevele dwalingen tegen de christelijke geloofs- en zedeleer zijn ook in dien tijd te voorschijn getreden ! Ook deze heeft de apostolische Stoel veroordeeld. Het houden van algemeene Kerkvergaderingen is in \'t algemeen eene moeielijke zaak, en dikwerf gaan er eeuwen voorbij, eer een Concilie tot stand kan komen. Was er in de Kerk buiten een algemeen Concilie geen onfeilbare rechter in geloofszaken, in welk een droe-vigen toestand zouden dan de geloovigen zich bevinden ? Bij ontstane geloofsgeschillen zouden zij niet weten , wien en wat zij te gelooven hebben, zij zonden moeten voortleven in de pijnlijkste onzekerheid , of zij het ware geloof nog hebben of niet. Zulk een toestand kan onze goddelijke Heiland echter onmogelijk gewild hebben. Wij komen derhalve noodzakelijk tot het besluit, dat er ook behalve de algemeene Conciliën iemand moet zijn , die de gave der onfeilbaarheid bezit. En wie kan dit anders zijn, dan de Paus, wien Christus tot opperhoofd zijner Kerk gesteld heeft ?

Volgens het getuigenis der geschiedenis eindelijk worden zelfs de besluiten der Conciliën eerst als verplichtend en wettig aangenomen, nadat de pauselijke goedkeuring en bevestiging verkregen is Wat volgt hieruit, als de Paus zou kunnen dwalen, als hij niet onfeilbaar was ? Voorzeker dit, dat hij ook valsche beslissingen van eene Kerkvergadering zou kunnen goedkeuren; want Conciliën, welke slechts uit Bisschoppen bestaan, kunnen dwalen en hebben

-ocr page 515-

501

soms gedwaald, zooals de geschiedenis ons leert. Dit was bijv. het geval met het Concilie van Constantinopel in het jaar 754, hetwelk -338 Bisschoppen bijwoonden, en door Paus Stephanus III verworpen werd. Als de Paus valsche bepalingen van een Concilie kon bevestigen, dan zou de gansche Kerk in dwaling gebracht worden, de geest dei-waarheid uit haar wijken, en zij ophouden de Kerk van Christus te zijn. Dewijl dit echter nimmer mogelijk is, ziet eenieder in, dat de Paus onfeilbaar moet wezen.

Men heeft gezegd: „waartoe nog Conciliën, als de Paus „alleen reeds onfeilbaar is ?quot; Ik antwoord: Conciliën zijn voorzeker niet volstrekt noodzakelijk en kunnen het niet zijn, wijl zij, zooals reeds werd aangemerkt, soms eeuwen lang niet mogelijk zijn. De Kerk staat reeds bijna 19 eeuwen, telt evenwel niet meer dan 18 algemeene Kerkvergaderingen, ofschoon er zeer dikwijls in geloofsvragen uitspraak moest gedaan worden, die door den Paus gegeven werd. Dan ofschoon algemeene Conciliën niet volstrekt noodzakelijk zijn, mogen zij toch niet als doelloos beschouwd worden. Immers al kan de Paus onfeilbare uitspraak doen aangaande de geloofs- en zedeleer, toch hebben die uitspraken grooter gewicht, en den geest van tegenspraak is alle uitvlucht ontnomen, wanneer de gansche Kerk als uit éénen mond spreekt. Vervolgens kan ook een grooter gevolg van de gemaakte verordeningen verwacht worden. De Bisschoppen, die op het Concilie aanwezig waren, kunnen met meer omzichtigheid en kennis de besluiten in \'t leven invoeren, dan wanneer deze hun enkel door Eome waren toegezonden. Vandaar dat men het van oudsher heeft goedgevonden, in zekere gevallen Conciliën te houden. Keeds de Apostelen, die toch allen onfeilbaar waren, maakten er een begin mede, daar zij in een Concilie te Jerusalem over de verbindtenis der wet van ilozes gemeenschappelijk uitspraak deden.

De geloofswaarheid van \'s Pausen onfeilbaarheid is derhalve zoo oud als de Kerk zelve; want, gelijk wij gezien hebben, Jesus Christus, onze aanbiddelijke Verlosser, heeft ze, naar het woord der Evangeliën, herhaaldelijk en duidelijk uitgesproken, en de Christenen van alle eeuwen hebben ze vol geloof aangenomen ; zij hebben de bepalingen van den apostolischen Stoel immer als in geweten verplichtend erkend en zich daaraan met hart en mond onderworpen. De Bisschoppen, op het Vatikaacsche Concilie de onfeilbaarheid van den Paus als leerstuk uitsprekende, hebben derhalve geene nieuwe leer verkondigd, maar alleen eene waarheid, welke Christus geleerd en alle Christenen van

-ocr page 516-

502

oudsher geloofd hebben, als dogma verklaard en te gelooven voorgeschreven. Was deze waarheid totdusverrc niet plechtig als leerstuk uitgesproken, zij werd toch geloofd gelijk vele andere waarheden des geloofs, bijv. die van de godheid van Christus, van zijne twee naturen in éenen persoon, van zijne waarachtige tegenwoordigheid ia het allerheiligste Sacrament onder de gedaanten van brood en wijn, van het zevental der Sacramenten, van het bestaan van het vagevuur, enz., welke waarheden eveneens eeuwen lang niet als leerstukken uitgesproken waren, maar niettemin door alle Katholieken geloofd werden. Geloofswaarheden worden alleen dan plechtig als dogma\'s uitgesproken, wanneer daartoe eene bizondere aanleiding bestaat, vooral wanneer dwalingen zich tegen de waarheid verheffen. En ziet, juist om die reden is de door de Kerk altijd beleden waarheid, dat de Paus onfeilbaar is, door de Vatikaansche Kerkvergadering ais leerstuk verklaard geworden. Kimmer werden er zoovele dwaaileeringen tegen de christelijke geloofs- en zedeleer ontsponnen en verspreid, als juist in onze dagen. Kon de Paus niet als onfeilbare rechter die dwalingen veroordeelen, men zou voortgaan ze te verkondigen, zeggende: „wij heb-„beu ons aan zijne uitspraken niet te onderwerpen.quot; Daarenboven wordt thans een geweldige strijd tegen den apos-tolischen Stoel gevoerd; velen en zelfs sommigen, die zich Katholieken heeten, willen van den Paus niet weten, zijne macht oui te leeren en de Kerk te besturen niet meer erkennen. Daarom was het noodzakelijk, dat het Yati-kaausche Concilie de oude leer over de geestelijke macht des Pausen in het daglicht stelde en in \'t bizonder over de pauselijke onfeilbaarheid uitspraak deed. Ka kan het onkruid niet langer onder de tarwe voortwoekeren; niemand kan aan de uitspraken van den Paus gehoorzaamheid weigeren en tevens beweren, dat hij evenwel Katholiek is, want het Concilie heeft plechtig verklaard en als dogma vastgesteld , dat de Paus onfeilbaar is, wanneer hij, het ambt van herder en leeraar aller Christenen vervullende, met zijn hoogst apostolisch gezag de leer over geloof en zeden door de geheele Kerk te houden verklaart; het Concilie heeft over eenieder, die dit leerstuk niet aanneemt, den ban uitgesproken. Het gevolg van deze uitspraak der Kerkvergadering is, dat allen, die de onfeilbaarheid van den Paus niet erkennen, daardoor ophouden Katholieken te zijn , alle genaden en heilmiddelen der Kerk moeten derven, en, als zij in hunne ongehoorzaamheid volharden, een eeuwig ongeluk te gemoet snellen.

Zorg alzoo, lezer, dat gij niet wankelt in het geloof.

-ocr page 517-

503

/en I Laat u doer goddeloosen en vrijdenkers niet op een dwaal-

tig I spoor leiden. Houd u aan uwen geestelijken herder, den

ele | Paus, en de met hem vereenigde Bisschoppen en Priesters,

Bid | door wie uwe heilige Jloeder, de Kevk, de ware, goddeliike

m, | leer altijd verkondigt; neem gewillig aan en doe alles, wat

ste I zij u voorschrijven, opdat gij eenmaal als een goede en trouwe

iet | Katholiek genade moogt vinden bij Jesus Christus, den

je- I Stichter onzer Kerk.

iet

ior I Waaraan ontleent het Icerielijk leerambt zijne bedisningen,

en | wanneer er verschil over geloofszaken ontstaat ?

oe

sn | Aan den inhoud der H. Schrift en der Overlevering,

ie | De leer der katholieke Kerk is geene andere, dan de leer

ie van Christus en van de Apostelen, welke haar ter trouwe

ig | bewaring en verkondiging is toevertrouwd. Deze godde-

le I lijke leer is in de H Schrift en in de mondelinge Over-

31\' | levering vervat; Schrift en Overlevering zijn dus de bronnen,

le I waaruit de Kerk steeds het zuiver water der christelijke quot;

2, | waarheden put (Verg. D. I. bl. o9 en volg.). Ziet de Kerk

)- 1 zich verplicht te beslissen, wat geloofd moet worden of

igt; | niet, dan geeft zij de beslissing eerst, nadat zij in de ge-

5- | noemde bronnen gevonden heeft, dat de leer, v/elke bestreden

h. f of onderzocht wordt, door God geopenbaard of niet geopen-e I baard is Door zoodanige beslissingen worden de geopen-r | baarde waarheden wel meer en meer ontvouwd, nader

i.- | verklaard, en duidelijker uitgesproken, maar geenszins ver-t I anderd of verminderd; niets nieuws wordt geleerd, niets s | bijgevoegd, wat uitvinding van menschen is. \') Gelijk de i I inhoud der Openbaring, zoo blijft ook de leer der Kerk in

| zich zelve altyd dezelfde, altijd de oude, van de Apostelen

| geërfde, door Christus overgeleverde leer.

De Kerk, na verloop van tijd hare leer vollediger en klaarder voorstellende, handelt als eene wijze moeder en leermeesteres, die hare kinderen naar omstandigheden en behoeften de kennis der waarheden ter zaligheid allengskens mededeelt. Daarenboven laat zich de Kerk aan niels meer gelegen liggen, dan ons, hare kinderen, op le wekken om het aloude geloof te bewaren en voor iedere nieuwheid te waarschuwen. „Bewaar ,quot; roept zij eenieder met den Apostel toe,,/bewaar „de bij u achlergclaten leer (de leer, welke gij van mij ontvangen hebt;, „en wacht u voor ongelukkige oneenigheden en geschillen der ,/valsche wetenschapquot; (1. Tim. VI, 20; 2. Tim. 1,14,. „De booze menschen „en verleiders zullen altijd kwader worden; want zij dwalen en brengen „andoren tot dwaling. Blijft gij echter bij hetgeen gij geleerd hebt.

\') Zie het werkje van den geleerden Pastoor van Zwolle, O. A. Spitzen: L)e ontwikkeling der Kerkleer en \'s Pausen onfeilbaarheid, bladz. 415 en volg. (Dompertje, 1871).

-ocr page 518-

504

//en wat u is toever\'rouwdquot; (2. Tim. Ill, 13, 14), »Wanneer iemand //U een ander Evangelie verkondigt, dan gij van mij ontvangen hebt, //hij zij vervloektquot; (d. i. hij wordt van mijne gemeenschap uitgesloten).— Dat onverbreekbaar vasthouden aan de oude, oorspronkelijke leer was van oudsher een onderscheidend kenteeken der katholieke Kerk, gelijk liet overbekende gezegde van Vincentius van Lerins (f 450) kort en bondig bewijst: //Wat overal, wat altijd, wat door allen geloofd „is geworden, dat is werkelijk en waarachtig katholiek.quot; Het ontbreekt geenszins aan lieden , die de H. Kerk verachten om dit vasthouden aan hare leer. De katholieke Kerk. zeggen zij, belet in beginsel allen vooruitgang, en terwijl alles om haar heen een nieuw aanzien verkrijgt en zich volmaakt, blijft zij hardnekkig bij het oude. Zij zien hierbij echter ééne zaak over het hoofd, namelijk dat eene door God geopenbaarde leer geenszins voor volmaking vatbaar is ; haar te willen verbeteren, is dus hare goddelijkheid miskennen of loochenen en dit is gewis geen vooruitgang, maar eene afwijking van het goddelijke tot het menschel ij ke; dat is een verzet tegen Christus zeiven, de eeuwige, onfeilbare Waarheid, dut is dwaling of goddeloosheid.

b) De katlioSickc Kerk is de alleen zaligmakende-

Indien de katholieke Kerk alle menschen tot de zaligheid moei hrengen, en daarom van Christus leer, genademiddelen en gezag ontvangen heeft; waartoe is dan ieder mensch van zijn kant verplicht ?

Eenieder is onder verbeurte der eeuwige zaligheid verplicht , lidmaat der katholieke Kerk te worden, hare leer te gelooven, hare genademiddelen te gebruiken , en zich aan haar gezag te onderwerpen.

De katholieke Kerk heeft van Jesus Christus, haren Stichter, de zending bekomen, welke Hij zelf van zijnen Vader had ontvangen (Joan. XX, 21). Als plaatsbekleedster van den menschgeworden God, moet zij het werk der verlossing en der heiliging van den mensch tot de voleinding der eeuwen voortzetten; door haar, de ware moeder dei-levenden , moet aan alle geslachten het hoogere leven, dat aan God gelijkvormig maakt, overvloedig ten deel worden. Daarom heeft Christus haar zijne goddelijke leer, zijne heilig-makende genademiddelen, en die heilzame macht, om de menschen op het pad der deugd tot de eeuwige zaligheid te brengen, gegeven; daarom wilde Hij altijd hij haar blijven, haar door zijnen H. Geest bezielen, en zoo in haar endoor haar voortdurend zijne kudde weiden, met de wateren zijner genade drenken, haar leiden en besturen. Derhalve, wie zich van de Kerk scheidt, scheidt zich van Christus; „want

-ocr page 519-

505

„buiten de christelijke Kerk is geene waarheid, geen Christus, „geene zaligheid.quot; Aldus Luther zelf (Kirchenpostille. D. I. hl. 92. Wittenberg, 1530). Wie die -Kerk veracht, veracht Christus, wijst zijne hemelsche leer, zijne genadevolle Sacramenten, zijne zekere, onhedriegelijke leiding snood van de hand; wie zich jegens de Kerk onverschillig gedraagt, is onverschillig voor Christus, voor de waarheid, welke Hij ons verkondigt, voor de genade, die Hij ons aanbiedt, voor den weg van zaligheid, waarop Hij ons leiden wil. Hoe nu zal degene, die zich aan eene zoo strafbare scheiding, verachting of onverschilligheid schuldig maakt, nog durven hopen, tot de eeuwige zaligheid te geraken? Wie op reis naar een veraf gelegen land, waar een rijk erfdeel hem wacht, den juisten weg niet zoekt te kennen of dien verlaat; wie de noodige levensmiddelen voor een langen, moeielijken tocht versmaadt, wie zelfs den goeden wegwijzer, die zich aanbiedt, van de hand wijst, zal nooit de erfenis, welke hij in bezit wil nemen, ontvangen. — Die scheiding van Christus, die verachting van Christus, die moedwillige versmading van zijn licht, zijne genade en zijne leiding, is reeds op zich zelve eene misdaad, welke den mensch van de eeuwige zaligheid berooft. Christus toch is niet uit den hemel gekomen, heeft door zooveel en smartelijk lijden ons de genade van hemelsche verlichting, sterkte en bijstand niet verdiend, opdat wij ze straffeloos van de hand zouden wijzen; veeleer zullen wij des te straf baarder wezen, hoe grooter de schatten van genade zijn, welke Hij zijne Kerk geschonken heeft, en door haar ons aanbiedt.

Daarom zegt Christus zelf: „wanneer iemand de Kerk niet „hoort, zij hij u als een heiden en tollenaar\' (Matth. XYIII, 17). Heidenen en openbare zondaars kunnen, zoolang zij hardnekkig in het ongeloof of in de onboetvaardigheid volharden, in het hemelrijk niet ingaan; dus ook diegenen niet, die de Kerk niet hooren. Dusdanigen zijn zij, die buiten de Kerk blijven, wier leer zij hardnekkig verwerpen, wier macht ter zaligheid en gezag zij niet willen erkennen er eerbiedigen. En toen Jesus zijne Apostelen ter verkondiging van het Evangelie uitzond, zeide Hij tot hen: „Wie (u en uwe wettige opvolgers) niet zal gelooven, „zal verdoemd wordenquot; (Marc. XVI, 16). Verdoeming treft dus eenieder, die niet gelooft, wat het kerkelijk leerambt, dat tengevolge der wettige opvolging met het apostolische één en hetzelfde is, te gelooven voorstelt of te doen voorschrijft: verdoeming treft hem, omdat hij Gods Zoon zeiven niet gelooft, die door het kerkelijk leerambt spreekt. — Volgens den Apostel is de Kerk het geheimvolle lichaam

-ocr page 520-

506

van Jesus Christus; wie dus de Kerk niet toebelioort, hij is geei) lid van het lichaam van Christus, hij behoort niet aan Christus, hij • kan dus niet zalig -worden. Inderdaad gelden van hem de woorden van den H. Augustinus: \') „Tot de zaligheid van het eeuwige leven kan niemand „komen, die Christus niet tot hoofd heeft, niemand echter „kan Christus tot hoofd hebben, wanneer hij zich niet be-„vindt in diens lichaam, dat de Kerk is.quot; Daarom leert de Apostel, „dat een ketterquot; (die zich namelijk door zijne valsche leer van de Kerk scheidt) „over zich zeiven het „vonnis van verdoeming uitspreektquot; (ïit. Ill, 11), en iemand buiten de Kerk sluiten staat, volgens de H. Schrift, gelijk met hem aan satan overgeven (1 Cor. V, 5).

Met minder duidelijk en onbewimpeld leerden ook de HH. Vaders, dat men op verbeurte der zaligheid verplicht is tot de Kerk te behooren. De H. Ireneus 2) zegt: „De „heer zal al diegenen veroordeelen, die zich buiten de „waarheid, d. i- buiten de Kerk, bevinden;1\' en de H. Cypriaau 3) verklaart: „Hij kan God niet tot Vader hebben, „die de Kerk niet tot moeder heeftdezelfde woorden herhaalt de H. Kerkleeraar Augustinus. Insgelijks deden de in het jaar 412 in de Kerkvergadering van Zirta vergaderde Bisschoppen van Afrika diezelfde uitspraak: „wie „van de katholieke Kerk gescheiden is , zal juist daarom, „dat hij tevens van de eenheid van Christus gescheiden is, „schoon hij ook loffelijk meent te leven , het leven niet „hebben, maar de gramschap üods blijft op hem.quot; Even bepaald is de uitspraak van de vierde algemeene Kerkvergadering van Laterane: „ Er is slechts eeae algemeene Kerk „van geioovigen, buiten welke niemand zalig wordtquot; i). Üm deze grondstelling: „buiten de Kerk geene zaligheid,quot; vergeleken ook Üngenes, Cyprianus, Chrysostomus Augustinus en meer andere Kerkvaders de Kerk met de ark van Noë, waarin alleen, tijdens den zondvloed, redding te vinden was. — Het staat dus vast, dat ieder op verbeurte der eeuwige zaligheid verplicht is, lidmaat der katholieke Kerk te zijn of te worden =_). Zij wordt alzoo met recht de

\') De unit. Eccles. c. 19.

Adv. haeres. 1. IV, c. 33 ad 62.

L)e unit. Eccles.

4) Una est lidelium universalis Ecclesia, extra quam nullus cmnino sal vat ur.

quot;) Dierbaar als de eeuwige zaligheid, moet dus den Katholiek zijne Kerk zijn. Tot geenen prijs, al gold het ook hot gewin der geheele wereld oi\' het verlies van alle goederen, ja zelfs het leven, mag hij haar verlaten, om eeue of andere sekte of eeu onkatholiek genootschap

-ocr page 521-

507

alleenzaligmakende Kerk genoemd, daar er buiten haar geene zaligheid is.

Wie is lidmaat der katholieke Kerk ?

Ieder gedoopte, die uoch vrijwillig zich van haar afgescheiden heeft, noch uit haar gebannen is.

Het Doopsel is, volgens de uitspraak der Kerkvergadering van Florence l) , „de deur van het geestelijk leven; want „door het Doopsel worden wij lidmaten van Christus, en „ingelijfd in de Kerk.quot; Door het li. Doopsel namelijk treedt de mensch in de innigste levensgemeenschap met Jesus Christus ; het kind van den aardschen, zondigen Adam wordt een spruit van den hemelschen onschuldigen Adam, een lid van zijn geheimvol lichaam (1 Cor. XII, 12), d. i. van de ééue ware, katholieke Kerk. Deze heilrijke werking heeft het Doopsel door de bizonder genaderijke instelling van Ctnistus ook dan, wanneer het door iemand, die buiten de Kerk is, wordt toegediend, mits hij alles getrouw doet, wat tot het Doopsel noodzakelijk is. leder geldig gedoopte is en blijft iu de katholieke Kerk, als een lid van het lichaam, totdat hij of zelf haar verlaat, of

aan te liangen. Hooit kunnen ouders toegeven, dat hunne kinderen, die zij voor God en het hemelrijk moeten opvoeden, aan de alleen zaligmakende Kerk onttrokken worden. Het grootste aardsche voordeel kan hunnen kinderen geene vergoeding geven voor htt geestelijk heil, dat zij door het verlaten der kathoiieUe Kerk verliezen. — In de chaldeeuwsche stad Armi woonde eene katholieke familie, welke men den steun en het voorbeeld der geloovigen uit de omstreken noemde. De huisvader, een uitgeweken Pool, trad, nadat hij een clialdeeuwsch meisje, Rachel genaamd, gehuwd had, in dienst van Teth-Ali-Schah, koning van i\'crsië, verkreeg den graad van Majoor, en stierf op het slagveld den heldendood. Hij liet drie zonen na, waarvan de twee oudsten reeds eervol den vader vervingen. Een van hen, met name Siskan, gat, zeventien jaar oud, aan den koning Teth-Ali-Schah, die onder de belofte van zijne hooge gunst hem aanzette, om Muselman te worden, dit edelmoedig antwoord. /i-Koning,quot; zeide hij met eene onverschrokkenheid, den eersten Christenmartelaren waardig, «mijn vader is voor u gestorven, ook ik ben tot //hetzelfde oü\'er bereid; maar als gij van mij verlangt mijn godsdienst //te verlaten, neem dan dit zwaard en keer het tegen uwen dienaar.quot; De vorst stond verbaasd over deze grootmoedigheid, en beiuonde hem met de bevordering tot een hoogeren graad (C. Bore, briefwisseling van een reiziger in het Oosten, bij üuillois). — Zulke voorbeelden moeten iederen Katholiek voor oogen zweven , wanneer men hem door Leloften of bedreigingen tot afval van zijne Kerk wil brengen ; want van de ware Kerk afvallig worden, is hetzelfde, als den waren godsdienst verzaken.

\') Decret. pro Armen. — Op welke wijze het Doopsel des waters door het Doopsel van begeerte en des bloeds kan vervangen worden, zal bij de leer over het H. Sacrament des Doopsels worden verklaard.

-ocr page 522-

508

door de kerkelijke overheid gebannen wordt. Dat uitgaan geschiedt door een openhaar verzet tegen een leerstuk dei-Kerk, of wel door de openbare belijdenis van eene door de katholieke Kerk veroordeelde geloofsleer (kettert]), of door openlijke gehoorzaamheid te weigeren aan het kerkelijk gezag. — Ontaarde ledematen worden door de kerkelijke overheid uit de gemeenschap der geloovigen gebannen (de ker-keliike ban), en heeten daarom geëxcommuniceerden.

Volgens het gezegde behooren niet tot de Kerk: 1) de Ongedoopten, als Joden, Heidenen, Mahomedanen. Dit geldt ook van de kinderen, uit christen-ouders geboren, alvorens zij het Doopsel hebben ontvangen. „Tenzij iemand weder-„geboren worde uit water en den H. Geest, kan hij in „het rijk Gods niet ingaanquot; (Joan. Ill, 5), noch in den hemel, noch hier in de H. Kerk, die bestemd is, om de menschen in den hemel te brengen; hij kan dus geen lidmaat van haar zijn. — 2) De keilers of zoodanigen, die bij eene door de Kerk veroordeelde sekte zijn ingelijfd; insgelijks de afvalligen en ongeloovigen, die openlijk het christelijk geloof afgezworen, verloochend of verworpen hebben. Van dit soort menschen zegt de H. Schrift, „dat zij in het geloof „hebben schipbreuk geledenquot; (1 Tim. I, 19), dat zij wel uit het christelijk genootschap voortgekomen, maar niet daarbij gebleven zijn (1. Joan. II, 19), „dat zij zelve het „vonnis der verdoeming vellenquot; (Tit. Ill, 11). — 3) De scheurmakers, die zich wel niet van de leer der Kerk, maar van de gehoorzaamheid aan haar of aan haar opperhoofd, den Paus, openlijk hebben losgemaakt. Dusdanigen behooren niet meer tot den éénen schaapstal van Christus (Joan. X), omdat zij zich tegen den éénen herder verzet hebben; zij behooren niet meer tot het lichaam van Christus (Kom. XII), omdat zij zich van het hoofd hebben afgescheiden. „De „scheurmaker,quot; zegt de Kerkvader Oplatus, \') „verlaat de „moeder, scheurt zich van haar los, wordt van den wortel „der Kerk afgesneden, gaat als oproerling eruit.quot; —4) De geëxcommuniceerden, d. i. die den kerkelijken ban (excommunicatie) beloopen hebben. Zoo sloot reeds de H. Paulus den misdadigen Corinthiër, die voor de geheele gemeente door zijn levenswandel eene ergernis was, deels om de ergernis weg te nemen, deels om hem zeiven te verbeteren, buiten de gemeenschap der Kerk (1. Cor. V, 5, 13), en zoo geschiedde het, volgens het getuigenis der kerkelijke geschiedenis, herhaalde malen in alle christelijke eeuwen.

!) Lib. I. contra Parmen.

-ocr page 523-

509

Hier doet zich van zelf de vraag op: zullen dan allen, die behooren tot eene der bovengenoemde klassen van men-schen, die zich buiten de katholieke Kerk bevinden, eeuwig verloren gaan? — Neen, maar slechts zij, die moedwillig, door eigen, zware schuld buiten de katholieke Kerk zijn, en dus in geenerlei opzicht, d. i. noch tot het lichaam, noch tot de ziel der Kerk behooren. Want even zeker als het is, dat buiten de roomsch-katholieke Kerk, als de alleen ware en zaligmakende Kerk van Christus, geene zaligheid te vinden is, even onloochenbaar is het ook, dat geen mensch zonder zijne eigen, groote schuld door God tot de eeuwige straffen veroordeeld wordt. Wie dus zonder zijne schuld — enkel ten gevolge zijner geboorte of opvoeding — eene sekte of scheuring is toegedaan, daarenboven de vaste overtuiging heeft, dat hij in den waren godsdienst leeft, of indien hij haar niet mocht hebben, oprecht naar de waarheid streeft, om deze, zoodra hij haar kent, aan te nemen, en intusschen zoo goed hij vermag den wil van God volbrengt, hij kan voorzeker en wel door middel der genade, welke Christus zijne Kerk tot heil der menschen gegeven heeft, tot de eeuwige zaligheid geraken. Immers, ofschoon hij niet in zichtbare vereeniging cf gemeenschap met de Kerk staat, ofschoon hij geen lidmaat van haar zichtbaar lichaam is, kan hij toch door zijn goeden wil met haar op onzichtbare wijze door denzeifden geest van liefde vereenigd zijn , d. i. tot de ziel der Kerk behooren. En dit heeft werkelijk plaats, als hij de heiligmakende genade, in het Doopsel ontvangen, öf nooit door een zware zonde verloren, öf, bijaldien hij haar heeft verloren, dooreen volmaakt berouw herkregen heeft. In deze gevallen is ook hij een levend lidmaat van Jesus Christus, bezield door denzelfden H. Geest, door wien de Kerk zelve bezield is; hij is dus tevens deelachtig aan de genade, welke de Kerk van haar goddelijk Hoofd op onzichtbare wijze toestroomt. — Dit is en was altijd de leer der katholieke Kerk; ten allen tijde geloofde men vast, dat niet de onschuldige onwetendheid, maar slechts eigen zware schuld en kwade wil den mensch uit het rijk Gods slait; zonder schuld wordt geen mensch gestraft, daar er zonder schuld geene zonde gedaan wordt. \') — Deze leer draagt de H. Augustinus uitdrukkelijk voor: „diegenen,quot; zoo schrijft hij

\') Daarom werd ook de leer van Bajus (Steil. 68), die liet uit onschuldige onwetendheid ontstaan ongeloof van hen, aan wie Christus niet verkondigd is geworden, voor zonde verklaarde, door de Kerk verworpen.

-ocr page 524-

510

(Br. 43), „die hunne meenin^, welke geheel onjuist, valsch „en verkeerd is, niet hardnekkig verdedigen, vooral wan-„neer zij haar niet uit ei^en vermetele verwaandheid opeje-„daan, maar van hunne misleide en in dwaling gevallen „ouders geërfd hebhen, doch van hunnen kant oprecht en „zorgvuldig de waarheid zoeken, en bereid zijn hunne dwa-„ling te verzaken, zoodra zij haar gevonden hebben, zijn „geenszins onder de ketters te rekenen.quot;

Alhoewel uit het gezegde reeds blijkt, dat onze o«sr/iwM«9dwalende broeders niet geheel van Christus en zijne Kerk zijn gescheiden, en ten gevolge van die onzichtbare levensgemeenschap vele en groote genaden bekomen, ontberen zij toch ontelbare voordeelen en genaden, waaraan diegenen deelachtig zijn, die tot het zichtbaar lichaam der Kerk behooren. Het woord Gods wordt hun niet zuiver en volledig verkondigd, en de zin er van niet door het gezag der onfeilbare Kerk gewaarborgd. Zij missen de onbloedige Offerande van het Nieuwe Testament, het allerheiligste Jlisoiïer, den troost en de sterkte van het ware Avondmaal, de onschatbare genade van vergeving der zonden door de priesterlijke macht, het H. Vormsel, het laatste Oliesel,enz.; verder de opwekkende feesten van onzen godsdienst, de heilzame gebruiken en zegeningen der Kerk. — Wij moeten dus God voor die onwaardeerbare genade, dat wij zonder onze verdiensten, boven zoo vele anderen, kinderen der katholieke Kerk zijn hoogst dankbaar wezen. Wij moeten ook door een ijverig en aanhoudend gebed God smeeken, dat allen, die buiten de Kerk zijn, eenmaal, als hare ware ledematen, deelachtig mogen worden aan alle Sacramenten en genaden, die ons zoo ruimschoots toevloeien. Beminnen wij onze dwalende broeders, en toonen wij hun onze liefde vooral daardoor, dat wij nen door een godvruchtigen levenswandel als \'t ware uitnoodigen, tot eene moeder te gaan, die zulke edele kinderen om zich verzamelt en met onbeschrijfelijk verlangen hare armen naar de dwalenden uitstrekt, om ook hen als hare beminde kinderen aan het hart te drukken, en met al de goederen te verrijken, waarmede de goddelijke Bruidegom haar begiftigd heeft en nog voortdurend begiftigt. Meer dan alle pogingen ter overreding zullen de werken van liefde en een deugdzaam leven hen overtuigen, dat het een onwaardeerbaar geluk is. God tot Vader en de roomsch-katholieke Kerk tot moeder te hebben. *)

\') Een Protestant bezocht eens het groote hospitaal te Parijs. Onder de duizend ongelukkigen, die dit huis altijd bevat, bevond zich een zieke, wiens ellende zonder voorbeeld was. Onnoozel en van zijne geboorte met ellende overladen, had de ongelukkige door eene wegkwijnende ziekte het gebruik zijner armen en beeneu verloren. Met een uitgeteerd gelaat, meer een worm dan een mensch , lag de ongelukkige in eene krib, daar hij de warmte van een bed niet kon verdragen. Zinneloosheid en pijn hadden den hartstocht van gramschap zóózeer in hem aangekweekt, dat hij bij het minste ongeval in een woedend geschreeuw uitbarstte. Dit schouwspel ontstelde den vieem-deling; maar zijne ontsteltenis ging over in verbazing, toen hij naast do krib eene geestelijke dochter van de orde der barmhartige zusters zag knielen en met de meeste opmerkzaamheid den ongelukkige bedienen. //Zuster,quot; vroeg de vreemdeling, //hoe kunt gij toch zoo «gerust, zoo tevreden bij dit wangedrocht verwijlen, wiens gezicht «.zoo verschrikkelijk is?quot; — 4Het is het liefste kind van ons geheele //huis,\'1 antwoordde de zuster, ,/want juist, omdat deze mensch zoo „ongelukkig is, beminnen wij hem allen, en boven alle andere zieken;

-ocr page 525-

511

Wie dwaalt door eigen schuld?

1) Degene, die de katholieke Kerk kent, van de waarheid harer leer overtuigd is, en evenwel haar niet binnengaat.— Zoodanige menschen zijn gelijk aan de gasten, die, tot liet feestmaal bij den koning genoodigd, om allerlei nietige voorwendselen aan die uitnoodiging niet voldoen; zij zijn gelijk aan de ongehoorzame knechten, die den wil van hunnen heer kennen, maar niet volbrengen, en daarom verdienen duchtig gestraft te worden; zij hebben de kostbare parel van het rijk Gods gevonden, en werpen die weg; de schat van waarheid en genade ligt in hun bereik, en zij geven zich de moeite niet, dien op te nemen. Zoodanige menschen verzetten zich en strijden tegen de bekende waarheid en zondigen alzoo tegen den H Geest, en wel des te zwaarder, naarmate hunne keunis van de waarheid der Kerk grooter is. — Te vergeefs geven zij voor, dat zij ook buiten de Kerk het christelijk geloof in hun hart kunnen dragen, de goddelijke wetten volbrengen , een rechtschapen, christelijken levenswandel leiden: wie niet doet, wat God tot uildrukkelijke voorwaarde der eeuwige zaligheid gesteld heeft, d. i wie de Kerk van zijnen eeniggeboren Zoon, Jesus Christus, kent en baar niet ingaat, om Hem door het inwendig geloof en de uiterlijke belijdenis met woord en daad te vereeren, maakt zich aan eene groote zonde schuldig; op hem zijn de boven aangehaalde woorden van het Concilie van Zirta toepasselijk: „Schoon hij ook loffelijk meent te „leven, zal hij om deze vrijwillige, hoogst schuldige schei-„ding van Christus en van diens Kerk het leven niet hebben, „maar de gramschap Gods blijlt op hem.quot;

2) Degene, die de katholieke Kerk wel zou kennen, wanneer hij trouw wilde onderzoeken, maar uit onverschilligheid of om andere strafbare redenen verzuimt te onderzoeken. — Er zijn dwalenden, die twijfelen, of hunne Kerk

//wij stillen zijne gramschap door zingen en bidden , ja wij hebben «hem reeds het bidden geleerd, en laten hem geen minuut alleen, //noch bij dag noch bij nacht.quot; Als de zuster zoo gesproken had, knielde zij neder voor de houten legerstede van dezen ongelukkige , wiens gelaatstrekken ophelderden, toen de pleegzuster met een blik van goedheid en liefde op hem nederzag. De vreemdeling , verstomd over die overgroote liefde, ging in zich zeiven, en werd kort daarna een kind der Kerk, die alleen de macht heeft zulk eene groote offer-liefde, zulk eene heilige geestdrift in te storten. (Geestelijke lezing in geschiedenissen en voorbeelden.) — Meer door zijne liefde en ziiclit-moedigheid on het aanlokkelijk voorbeeld van alle deugden dan door zijne geleerdheid bracht de H. Franciscus van Sales zeventig duizend Protestanten tot de katholieke Kerk terug.

-ocr page 526-

512

de ware, door Christus gestichte Kerk is of niet. Voor dezen is het onderzoek eene heilige, eene dringende verplichting. „Zoekt eerst het riik Gods en zijne gerechtigdheid,quot; zegt Jesus Christus (Matth. VI, 35), d. i. tracht waardige ledematen mijner Kerk, welke het rijk van God hier beneden is, te worden; tracht daarnaar meer dan naar al het andere; zoekt u te rechtvaardigen (te zuiveren en te heiligen), zoo als mijne Kerk leert: dat is de weg tot het rijk Gods aan de andere zijde des grafs , tot het hemelrijk. — Wie dus, hetzii uit onverschilligheid of traagheid , hetzij om aardsche bedoelingen of uit vrees van de waarheid in de katholieke Kerk te vinden, het onderzoek nalaat, kan van eene zware beleediging jegens God niet worden vrijgesproken. En degene, die dat onderzoek of ook den terugkeer tot de katholieke Kerk wel voorheeft, maar van dag tot dag uitstelt, hij vreeze, dat het hem gaan zal gelijk de dwaze maagden, die, door de onverwachte komst van den Bruidegom verrast, van het bruiloftsmaal werden uitgesloten.

Of deze of gene menscli met of zonder schuld in dwaling leeft of gestorven is, daarover staat liet ons niet vrij, maar God alleen te oordeelen. God alleen is het, „die harten en nieren doorgrondt\' (Ps. VII, 10; Hij alleen, //die liet verborgene der menschen oordeelen zalquot; (Rom. 11, 16). Ons gelden de woorden van den Apostel: «Oordeelt „niet voor den tijd, totdat de Heer komt, die hetgeen in de duisternis „verborgen is, in het licht brengen en de begeerten der harten open-„baren zalquot; (1 Cor. IV, 5). — Ook de Kerk veroorlooft zich niet hierover te oordeelen. Want, ofschoon zij als beginsel aanneemt en volhoudt, dat er buiten haar, volkomen afgescheiden van haar, geene zaligheid te vinden is, laat zij toch de eeuwige zaligheid van iederen dwalende in het bizonder onbeslist, omdat zij niet weet, wie met of zonder schuld dwaalt, en of de onschuldig dwalenden voor \'t minst niet op onzichtbare wijze met haar vereenigd zijn , d i. tot hare ziel behooren. Ofschoon zij de dwaling veroordeelt, is het echter ver van haar, de dwalenden te veroordeelen. \') Al verricht of gedoogt zij voor

\') De met roem bekende staatsman en schrijver Karei Lodewijk von /\'/aller bekleedde den post van Geheimraad van de republiek Bern, als hij in het jaar 1820 wegens zijn terugkeer tot de katholieke Kerk van dien post vervallen werd verklaard en genoodzaakt was zich tuiten \'s lands te begeven. Uit Parijs schreef hij aan zijne toen nog prote-stantsche familie een brief, waaraan wij het volgende ontleenen: „Gij „klaagt, dat de katholieke Kerk ons veroordeelt en dat zij beweert; „buiten haren schoot is er geene zaligheid te hopen. Ach, mijne „vrienden! hoe weinig kent gij de onmetelijke liefde dier goede Moeder, „waarvan wij ons ondoordacht gescheiden hebben, zeker meer tot ons, „dan tot haar nadeel. Zij veroordeelt uwen persoon niet, maar uwe „dwaalleeringen en de valsche leerstellingen, die men u voorhoudt; „zij haat u niet, zij bemint u, en ofschoon gij u van haar verwijderd „hebt, noemt zij u toch hare broeders, u, die nooit den Katholieken „dien vriendschappelijken naam geeft. Dagelijks aan den voet van liet „altaar bidt zij voor u; zij treurt over het verlies van zooveel beminde „kinderen, die zij ziet prijs gegeven aan de wolven, d. i. beroofd van

-ocr page 527-

513

de buiten hare zichtbare gemeenschap afgestorvenen geene openbare gebeden en weigert zij hun de kerkelijke begrafenis, verklaart zij echter daardoor geenszins, dat de zielen der dwalenden zonder uitzondering door God eeuwig verworpen zijn , en dat haar het gebed niet meer Ivm baten. Was dit de reden van hare handelwijze, dan zou zij gevolgelijk ook moeten verbieden, in bizondere gebeden die afgestorven dwalenden gedachtig te zijn, van wie men hopen mag, dat zij , onschuldig gedwaald hebbende, in de genade Gods uit dit leven zijn gescheiden : dit heeft de Kerk echter nooit verboden. Zij handelt bijgevolg slechts zoo, omdat zij, als de ééne ware Kerk van Christus, diegenen, die ten aanschouwe der wereld, als ledematen eener sekte, tot aan hun stervensuur openlijk in verzot tegen haar waren, na den dood niet als de haren erkennen, niet aLn hare gebeden, zegeningen en eerbewij-zingen deelachtig maken kan. Zou anders de Kerk zich zelve niet tegenspreken? Zou zij niet bekennen, dat zij de nog in\'t leven zijnde dwalenden onrechtvaardig uit hare zichtbare gemeenschap sluit, als zij de afgestorvenen onvoorwaardelijk als hare ledematen beschouwde en behandelde? Zou zij door zulk eene handelwijze geene aanleiding geven om te gelooven, dat het tot den dood toe volgehouden verzet tegen haar gezag eene geheel \'onverschillige zaak is? De Kerk, als een zichtbaar lichaam, kan slechts de schuld in aanmerking nemen, die zich in werken openbaart, maar zij ziet daarbij niet over het hoofd, dat God de inwendige schuld in het oog houdt, daarnaar oordeelt, en niemand veroordeelt, bij wien Hij de laatste niet vindt. Eveneens zal ook een vorst jegens hen handelen, die onder het vaandel desoproers gestaan hebben en met de wapenen in de hand gevallen zijn; hij zal hen niet als de zijnen erkennen, hun niet, als aan zijné getrouwe soldaten, de laatste eer der teraardebestelling bewijzen. En die handelwijze zal ieder billijk en rechtvaardig achten, zeil\'s in geval de vorst kon vermoeden , dat velen van hen zonder eigen zware schuld in het oproer betrokken waren, en voor de goede zaak meenden te strijden.\')

«zoo vele genademiddelen, en eene valsche leer toegedaan. Alle sekten //hebben tegen haar samengespannen, niet door een algemeen geloof, „maar door een algemeenen haat. En juist daaruit erkende ik, dat zij vde ware Kerk zijn moest, wijl alle dwaalleeraars, hoezeer ook met //elkander in strijd, hierin overeenstemmen, dat zij de waarheid haten. //De Kerk alleen\' beantwoordt dien haat met liefde, vergeldt het onrecht, »tiaar aangedaan, door lederen ongelukkige, welk geloof hij ook «heeft, troost en hulp te bieden. Waar hebt gij ooit een goed Katholiek ,/aangetroffen, die u kwaad heeft bejegend? Ik voor mij heb in mijn //leven niets dan goed van hen ontvangen; ik kan onmógelijk iemand «haten, die mij bemint.quot;

In de kerkelijke getijden, op den feestdag van de H. Teresia, lezen wij; -//Ue verblindheid van ongeloovigen en dwalenden beweende zij ./onophoudelijk, en om den toorn van den wrekenden God te bevre-«digen, offerde zij Hem voor hunne zaligheid hare vrijwillige lichaams-,/kastijdingen op.quot; — //Kunnen de Protestanten over het algemeen er //zich wel een denkbeeld van maken, dat millioenen Katholieken //dagelijks voor hen met ijver bidden, en dat dit gebed niet als uit «gewoonte geschiedt, maar eene wezenlijke uitstorting van hun hart «is? Neen, die ongelukkigen kunnen het niet; want zij hebben de „genade niet ontvangen, lidmaat van de Kerk, van bet lichaam van //Christus te zijn?quot; Zoo zegt Franciscus van Florenoourt in zijn werk; //Mijne bekeering tot de christelijke Kerk.quot;

\') Uit het gezegde blijkt, hoe onrechtvaardig men de katholieke Kerk van onverdraagzaamheid beschuldigt. Waarop toch komt de leerstelling neer, die bij andersdenkenden zoo groote verontwaardiging verwekt, hoewel zij zelve haar in hunne vroegere geloofsbelijdenissen hebben gesteld, 1) — de leerstelling namelijk: //Buiten dé Kerk is

1

Zie Bossuet, //Histoire des variations,quot; D. XV.

DEHARBE, GELOOFSLEER. II. 3;1e DRUK.

-ocr page 528-

514

Is liet voldoende ter zaligheid, lidmaat der hatholiele Kerk te zijn ?

Neen ; want er zijn ook bedorven en doode ledematen, die door de zonde zich de eeuwige verdoemenis op den hals halen.

Uit de boven aangehaalde geliikenissen der H. Schrift, namelijk van den akker, waarop goede tarwe en onkruid groeit; van het net, waarin goede en kwade visschen zijn (Matth. XIII); van de wijze en dwaze maagden (Matth. XXV), en eveneens uit de eenparige leer der HH. Vader-blijkt ontegenzeggelijk, dat de Kerk goede en kwade ledematen in haren schoot bevat. Goede ledematen zijn zij , die niet slechts door de belijdenis van het christelijk geloof en door de deelneming aan de HH. Sacramenten, maar ook door den geest der genade en den band der liefde onderling en met Jesus Christus, hun Hoofd, vereenigd en verbonden zijn. Zij worden ook levende ledematen genoemd, omdat zij door den H. Geest bezield, en bij Christus, den oorsprong en de bron van alle heiligheid, zijn ingelijfd ; slechte ledematen daarentegen zijn zij, die wel hetzelfde geloof als de goede belij den, en wel aan dezelfde Sacramenten deelnemen, maar om hunne zonden de vereeniging met Christus, het inwendig leven der genade missen, en daarom ook doode ledematen genoemd worden. Op dezen zijn van toepassing de woorden des Heeren tot den Bisschop der Kerk van Sardis: „Ik ken uwe werken, „gij hebt den naam, dat gij leeft, maar gij zijt doodquot; — (Openb. Ill, I), De levende ledematen hebben aanspraak

„er geene zaligheid ?quot; Zij komt eenvoudig op deze algemcene stelling neer; „wie vrijwillig in staat van zware schuld oL\' zonde leeft en zicli „voor zijnen dood niet bekeert, kan niet zalig worden.quot; Wat nu is in deze stelling te laken ? Waar vindt men een goed geloovig Protestant, die haar niet voor waar houdt, haar niet leert, haar niet openlijk belijdt? Het is genoeg, geen godloochenaar en geen verklaarde ongeloovige te zijn, om haar te moeten aannemen. Deze, en geene andere, is de leer der Kerk. — Het zou gemakkelijk wezen te bewijzen, dat de burgerlijke verdraagzaamheid, welke hierin bestaat, dat aanhangers van verschillende godsdiensten rustig en tevreden in een en denzelfden Staat samenleven en alle burgerlijke rechten en vrijheden genieten, door de Katholieken meestal beter dan door de Onkatholieken wordt beoefend. Maar nooit en nimmer kan de katholieke Kerk de godsdienstige of zoogenaamde theologische verdraagzaamheid erkennen, krachtens welke men alle leeringen en godsdiensten, hoe tegenstrijdig zij ook zijn, als even goed en ilienstig ter zaligheid houdt, en het niet waagt eene enkele als valsch te verwerpen; want dat is niet alleen tegen God, de eeuwige Waarheid, zondigen, maar ook onverstandig denken en handelen (Zie Perrone; het Protestantismus en de geloofsregels, II. Hoofdst. 4. Art. 2. en Essink; „de goddelijke „deugd der verdraagzaamheidquot;).

-ocr page 529-

515

op de eeuwige zaligheid; immers waar het Hoofd is , daar zullen ook de met hem vereenigde ledematen zijn ; de doode ledematen zullen echter, juist omdat zij inwendig van Christus gescheiden ziin, het eeuwige leven niet hebben. T)e slechten zijn gelijk aan het onkruid, dat in het vuur geworpen en verbrand wordt; zij zijn gelijk aan de slechte visschen, deze worden van de goede gescheiden en weggeworpen ; zi] zijn gelijk aan de dwaze maagden, deze blijven van het bruiloftsmaal uitgesloten. — Het is dus niet voldoende, alleen door den uitwendigen band lidmaat der katholieke Kerk, Katholiek te zijn; om tot de eeuwige zaligheid te komen, wordt vereischt, dat men een goed, met levendig geloof en werkdadige liefde bezield Katholiek zij. De slechte Katholiek zal integendeel wegens het ten hemel schreeuwende misbruik van zoovele en buitengewone genaden eene veel strengere rekenschap af te leggen en veel zwaardere eeuwige straffen te wachten hebben dan de ongeloovigen, Joden en Heidenen, „want een iegelijk, wien „veel is gegeven, van dien zal veel worden gevorderdquot; (Luc. XII, 18).

Wat belijden wij met de woorden der geloofsbelijdenis: „li „geloof ééns heilige Tcalholieke Kerlc?\'\'

Wij belijden, dat Christus eene zichtbare Kerk gesticht heeft, die onverdelgbaar in hare duurzaamheid en onfeilbaar in hare leer is, aan welke wij zonder voorbehoud gelooven en gehoorzamen moeten, willen wij de eeuwige zaligheid verkrijgen, en dat deze Kerk geene andere dan de roomsch-katholieke is.

Dit antwoord bevat het kort begrip van alle tot hiertoe bewezen geloofsstukken, welke op de Kerk van Christus betrekking hebben. Het is dus geenszins voldoende, aangaande de Kerk slechts datgene te gelooven, wat iedereen door middel van zijn verstand en zijne zintuigen begrijpt of begrijpen kan; dat er namelijk eene Kerk of gemeenschap van menschen bestaat, welke Christus belijden en zich Christenen noemen; dat de ledematen dezer over den geheelei; aardbodem verbreide christelijke gemeente door de belijdenis van dezelfde leer, door de deelneming aan dezelfde HH. Sacramenten en door een algemeen opperhoofd onderling vereenigd zijn, en dat velen van hen een deugdzaam en heilig leven leiden. Dit zijn feiten en wel zoo opvallende feiten, dat zelfs Joden en Heidenen zich daarvan kunnen overtuigen. Wij, katholieke Christenen, wij moeten bovendien nog gelooven en,

33*

-ocr page 530-

516

belijden, dat deze Kerk of maatschappij door Christus, den Godmensch, gesticht, bijgevolg van goddelijken oorsprong is; dat zij, als eene goddelijke stichting, eeuwigdurend zijn zal; dat de H. Geest bij haar blijft, haar voorlicht en voor alle dwaling bewaart, haar bezielt, heiligt, leidt en bestuurt; dat allen, op verbeurte der eeuwige zaligheid, aan deze eene ware Kerk, welke geene andere, dan de roomsch-katholieke is, onvoorwaardelijk geloof en gehoorzaamheid schuldig zijn, als aan Christus zeiven, die door haar spreekt en beveelt.

toepassing.

Als men op zekeren dag den H. Stanislaus Kostka vroeg, of hij Maria, de Moeder van God, beminde, schitterde zijn gelaat, tranen van aandoening glinsterden in zijn onschuldig oog en hij gaf ten antwoord: „zou ik Maria niet beminnen, „zij is immers mijne moeder !quot; — Deze weinige woorden behelzen ontegensprekelijk de schoonste lofrede op de Koningin des hemels, en tevens de teederste uitdrukking van een kinderlijk godvruchtig hart. Zoo moeten ook wij antwoorden, wanneer iemand ons de vraag doet: „Bemint gij de Kerk?quot; Heilige vreugde moet dan op ons gelaat schitteren ; een traan van dankbaarheid in onze oogen glinsteren, en onze lippen moeten met aandoening de woorden voortbrengen: „hoe, zou ik de heilige roomsch-katholieke Kerk „niet beminnen, zij is immers mijne moeder!quot; — Ja, de EL Kerk is onze moeder, de edelste, de beste, de zorgvuldigste van alle moeders, die op aarde zijn. Zij heeft ons terstond bij onze komst ter wereld door het H. Doopsel een nieuw, aan God gelijkvormig leven geschonken. Als zondige kinderen van Adam werden wij in hare armen gelegd; als kinderen van God en erfgenamen van het hemelrijk, verrijkt met het kleed der onschuld en versierd met de heiligmakende genade, gaf zij ons aan onze hoogst verblijde ouders terug. Daarmede zijn de bewijzen van hare moederliefde begonnen, die nu tot den laatsten ademtocht ons vergezellen, ja zelfs in het graf, in de eeuwigheid ons volgen zullen. — Nauwelijks heeft het kind der katholieke Kerk bet gebruik van zijn verstand bekomen, ofdiehemel-sche moeder voedt zijne ziel meer en meer met heilzame lessen, brengt het tot de kennis van den Vader m den hemel, en stort in zijn hart godsvrucht en liefde tot Jesus. Zij ontvouwt voor zijn kinderlijk oog de plechtigheden van den godsdienst, de pracht harer feesten, de sieraden van hare altaren, opdat zijn zoo licht verstrooide geest geboeid

-ocr page 531-

517

en zijn jeugdig hart met verlangen naar de hemelsche goederen en vreugden bezield worde, alvorens de geest dei-wereld het verleid en voor zich gewonnen heeft. Met een reikhalzend verlangen wacht dan die zorgvuldige moeder het oogenhlik af, waarop de ziel van haar kind de onschatbare genade, van met het Brood der sterken gevoed te worden, weet te onderscheiden en eenigermate te waardeeren. Is dat gelukkig uur eindelijk aangebroken, dan leidt zij het kind met vreugde en plechtigheid tot de tafel des Heeren, geeft het \'t Brood der Engelen, het allerheiligste Lichaam van Jesus Christus, in het Sacrament des Altaars, opdat het met meer kracht en zonder vermoeienis zijne kindsche loopbaan doorwandele. Breekt vervolgens de tijd aan, dat het geweld der hartstochten zich doet gevoelen, de tijd van gevaren en strijd, de jongelingsjaren, dan heeft zij in de haar toevertrouwde schatten van genade een nieuw middel om het te versterken. De overste der Kerk, de Bisschop, legt, in naam en op last van haar, den vormeling de handen op, zalft hem met Chrisma, en bidt voor hem, opdat de geest van sterkte over hem nederdale, en hem bekwaam make, zijn geloof standvastig te belijden, en , niettegenstaande, alle verleiding en aanvechtingen van den vijand der zaligheid, met onverbreekbare trouw volgens het geloof te leven. Nu draagt dat kind het teeken van overwinniug, het kruisteeken op zijn voorhoofd, en de vaderlijke zachte kaakslag heeft het vermaand, om liever alle lijden, smaad en onrecht te verdragen, dan het vaandel van zijn hemel-schen Koning door de zonde te verlaten. Moet, tot hare diepe smart, de bezorgde moeder zien, dat zoovelen barer kinderen voor de aanhoudende aanvallen van eigen bedorven neigingen, voor de verleiding der wereld en de vurige pijlen van den helschen vijand bezwijken, en, na zware wonden bekomen te hebben, den dood der ziel sterven, ook dan openbaart zich wederom de téedere moederliefde der Kerk. Zij heeft van haren goddelijken Stichter een heelmiddel tegen den doodelijken beet der helsche slang, een heelmiddel tegen alle wonden der ziel bekomen. Dit wendt zij nu aan : door het H. Sacrament van boetvaardigheid geeft zij aan de gewonden de gezondheid, aan de geestelijkerwijze gestorvenen het verloren leven der genade terug en sterkt allen door heilzame boetvaardigheid, vermaning, troost en inwendige genade tot een nieuwen en beteren strijd. En zoo handelt zij met onbeschrijfelijke goedheid en lankmoedigheid, zoo dikwijls de zondaar met een waarlijk boetvaardig hart tot haar terugkeert. — Gaan hare kinderen het huwelijk aan , dan geelt zij haren moe-

-ocr page 532-

518

derlijkeu zegen, en smeekt bizondere genade af over het echtpaar, dat voor haar geheiligd altaar staat, om onder haren invloed de stam van een heilig geslacht te worden. — Gevoelt een harer zonen, gelijk Aaron, zich tot den dienst van het altaar geroepen, zij schenkt hem, door de oplegging der bisschoppelijke handen , met het priesterschap de macht om het onbloedige Offer op te dragen en de zonden te vergeven. — Heeft eindelijk het kind der Kerk als aan de hand eener moeder zijne levensbaan doorloopen, kondigt eene zware ziekte zijn naderend einde aan, dan verdubbelt de teederste der moeders hare zorg en verpleging. Zij vertroost door hare bedienaren den zieke; zij wekt hem op tot overgeving aan den goddelijken wil en een vast vertrouwen van de vergeving zijner zonden; zij sterkt hem door de H. Teerspijze tot deu laatsten strijd, zuivert hem door het H. Sacrament des Oliesels van alle onvolmaaktheden en overblijfselen der zonde, opdat hij gerust voor zijnen üechter verschijne. Ligt de stervende te aieltogen, dan bidt de Kerk voor hem, en noodigt hare kinderen uit voor den stervende te bidden; zij beveelt hem aan den drieëenigen God en geheel het hemelsch hof. „Ge-„denk niet, o lieer!quot; roept die moeder, met de gestrenge oordeeleu van God en de menschelijke zwakheid wel bekend, „gedenk niet de zonde dezer ziel... Heeft zij gezondigd, „zij heeft toch U, den Vader, den Zoon en den H. Geest, nooit verloochend, het geloof bewaard en U, als Heer en „God, als den Schepper der wereld trouw aangebedenquot; .. . Welk eene moederlijke voorspraak en verontschuldiging! Zelfs het ontzielde hulsel harer kinderen verlaat de Kerk niet, maar zij eert het. Met groote plechtigheid en onder hartelijke gebeden laat zij het lijk in het gewijde graf neder, werpt een handvol aarde op de lijkkist en plant op den grafheuvel het teeken van verlossing, het H. kruis. Door dat kruis roept zij den overblijvenden toe: „Hier rust mijn „kind; mijn JBruidegom zal het opwekken ten jongsten dage.\'\' Doch langer dan het kruis op het graf, blijft het aandenken aan hare kinderen in het hart dier heilige moeder. Dagelijks gedenkt zij in het H. Offer de overledenen, en bidt voor hen; zij smeekt God, dat hun de eeuwige rust ten deel moge worden en het licht der andere wereld voor hen schijne. Kn jaarlijks vergadert zij op Allerzielendag de levende kinderen op de graven der afgestorven broeders ea zusters, opdat allen door godvruchtige gebeden zouden bijdragen tot de verlossing der overledenen uit de vlammen van het vagevuur, en tot het geluk van God te aanschouwen. — O welk eene moeder! Wie zou die moeder niet eeren, haar

-ocr page 533-

519

niet beminnen? Wie zou niet in blijde geestdrift al hare wenken volgen ?

Welaan dan, lezer, laat ons de H. Kerk, onze moeder, eeren door eene openhartige beliidenis van haar geloof, door den ongeveinsden lof barer instellingen en gebruiken, door oprechte hoogachting van hare bedienaren, door een heiligen levenswandel en gevoelens, die een kind, dat eene zoo verheven moeder heeft, waardig zijn ; laat ons de Kerk beminnen, en toonen wij onze kinderlijke liefde door innige deelneming in haar lijden, strijden en vreugde, door on-vermoeiden ijver voor hare uitbreiding, door een voortdurend gebed voor haren bloei en hare verheffing, in het bizonder echter door bereidvaardige en edelmoedige onderwerping aan al hare leerstellingen en geboden. Mogen anderen uit onbegrijpelijke lichtzinnigheid of uit boosheid hare verordeningen verachten, hare waarschuwingen en vermaningen in den wind slaan, hare voorschriften versmaden; laten wij toch als minnende kinderen aan de wetten onzer beste moeder gehoorzamen. God behoede ons , opdat wij de geboden der H. Kerk niet zullen overtreden, en een anderen weg inslaan. IJveren wij voor de Kerk, en zijn wij bereid, liever ons leven te geven, dan van bare sterke en liefdevol leidende moederhand af te wijken. Bidden wij God onophoudelijk om ééne zaak, vragen wij Hem, dat wij als hare ware kinderen leven en sterven mogen in den moederschoot der ééne, heilige, alleenzaligmakende, roomsch-katholieke Kerk.

fjieniecnsicliap tier Heiligen.

Zijn alleen de Christenen op aarde met elhander tot ééne Kerk vereenigd ?

Met de Christenen op aarde zijn ook op geestelijke wijze vereenigd de zaligen in den hemel en de zielen in het vagevuur.

De Kerk, als de vergadering van alle rechtgeloovige Christenen onder het algemeen opperhoofd, den roomschen Paus, maakt het rijk van Jesus Christus op aarde uit. Dit nu moet slechts als een deel van het algemeene rijk van Christus beschouwd worden, daar tot \'s Heeren rijk ook behooren de afgestorven rechtvaardigen, die öf als zaligen in den hemel zijn, öf, als, tijdelijke zuivering noodig hebbende, in het vagevuur lijden. Vandaar de benaming van „strijdende,\'\'

-ocr page 534-

520

„lijdende\'\' en „zegepralendequot; Kerk. De Kerk, wier ledematen onder de leiding van haar zichtbaar opperhoofd, den Paus, nog moeten striiden om het hemelsch Jerusalem te veroveren, is de strijdende Kerk; zij daarentegen, wier ledematen reeds den strijd gestreden, en zelfs gelukkig gestreden hebben, maar door kleine gebreken en straffen der zonden, door lichte verwondingen, in hunnen zegenrijken intocht binnen de stad Gods verhinderd worden, totdat zij volkomen genezen en waardig zijn voor den troon van hunnen Koning te verschijnen, met één woord, de zielen in het vagevuur, zij maken de lijdende Kerk uit. Die Kerk eindelijk, wier ledematen reeds bezit hebben genomen van het hemelsch Jerusalem, en met Jesus, hunnen Aanvoerder, ver-eenigd, de vruchten hunner overwinning smaken, de Kerk in den hemel, wordt de zegepralende Kerk genoemd. De ledematen dezer Kerken zijn allen op geestelijke wijze met elkander vereenigd, zoodat de drie Kerken eigenlijk slechts ééne en dezelfde gemeenschap, één en hetzelfde rijk van Jesus Christus, den Godmensch, nitmaken, en alleen door den drievoudigen toestand, waarin hare ledematen zich bevinden, van elkander onderscheiden zijn en blijven tot de voleinding der eeuwen. Na den jongsten dag houden de strijdende en lijdende Kerk op te bestaan, de zegepralende echter zal blijven in eeuwigheid, als het ééne rijk van den Verlosser.

Waarin lestaat deze geestelijke verteniging?

Deze geestelijke vereeniging bestaat hierin, dat allen ledematen zijn van één lichaam, waarvan Christus het hoofd is, en daarom aan de geestelijke goederen van het ééne lid ook de andere leden deelnemen.

Alle menschen, onverschillig of zij tot de strijdende, lijdende of zegepralende Kerk behooren, zijn ledematen van één lichaam. Het hoofd van dit ééne lichaam is Christus. „Hij (Christus) is het hoofd van het lichaam der Kerk,quot; zegt de H. Paulus in zijnen brief aan de Colossensers (1, 18), en tot de Ephesiërs (I, 22): „God heeft Hem tot hoofd „over de geheele Kerk gesteld.quot; Insgelijks schrijft de Apostel aan de geloovigen van Rome (Xli, 4, 5): „Gelijk wij in „één lichaam vele leden hebben, zoo zijn wij, de velen, één „lichaam in Christus, en elk afzonderlijk zijn wij leden van „elkander.quot; Volgens de leer van den Apostel der wereld maakt dus de geheele nieuwe menschheid éénen persoon uit, waarvan Christus het hoofd, de verlosten of vernieuwden de leden zijn. Deze geestelijke inlijving wordt oorspron-

-ocr page 535-

521

kelijk in het H. Doopsel voltrokken. „Want door éénen „Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, Joden of „Heidenen, slaven of vrijenquot; (1. Cor. XII, 13). Dat is, gelijk Chrysostomus in de 30te Homilie op den lsten brief aan de Corinthiërs zegt, „het is één Geest, die ons gedoopt „heeft. Want wij zijn niet gedoopt, opdat wij verscheiden „lichamen, maar opdat wij allen één lichaam zouden uit-„maken.quot;

Christus is op tweederlei wijze het hoofd der leden van zijne geheele Kerk: ten eerste, inzoover God „Hem aan zijne „rechterhand geplaatst heeft, boven alle oppergezag en kracht „en macht en alle waardigheid, die niet slechts op deze „wereld, maar in de toekomstige gevonden wordtbijgevolg inzoover Hij de Koning en Bestuurder der geheele Kerk is; ten tweede, inzoover Hij door middel van verschillende genadegaven, die Hij wel aan alle leden, maar niet aan allen op gelijke wijze en in gelijke mate (1. Gor. XII, 4, 6) mededeelt, een levendmakenden en heiligenden invloed op hen uitoefent. — Die heilzame invloed van het Hoofd op de leden der Kerk is oorzaak, dat de band van vereeniging van allen tot één lichaam bij eenigen onverbreekbaar blijft, gelijk bij de zaligen in den hemel en de rechtvaardigen in het vagevuur, en bij anderen steeds nauwer wordt toegehaald , gelijk bij de Christenen op aarde; want hoe overvloediger ons de heiligmakende genade van Jesus Christus toevloeit, des te nauwer is ook de band, die ousmetHem en de leden der Kerk in heilige liefde vereenigt. Ter verkrijging en tot vermeerdering dezer heiligmakende genade heeft de goddelijke Heiland vooral de heilige Sacramenten ingesteld.

Gelijk nu in een natuurlijk lichaam de werking van het ééne lid, bijv. van het oog, van de hand, enz. ten dienste staat van het geheele lichaam, — daar het oog niet voor zich alleen, maar ook ten dienste van alle overige leden de zienskracht uitoefent, en de hand niet voor zich zelve alleen, maar voor het geheele lichaam werkt, enz. — zoo is het ook met het geestelijk lichaam van Christus, met de H. Kerk, in welke het goed, wat ieder lid op zich zeiven bezit en verricht, aan alle overige leden, aan het geheele lichaam, als gemeenschappelijk goed, toebehoort. Deze geestelijke levens- en goederengemeenschap der geheele Kerk wordt genoemd „gemeenschap der Heiligen,quot; d. i. gemeenschap der Christenen op aarde, in het vagevuur en in den hemel. W ant ook de Christenen op aarde worden in de H. Schrift dikwijls lleüigen genoemd (Kom. I, 7; 1. Cor. I, 2; Eph. I, 1 enz.) niet alsof zij allen reeds, gelijk de zaligen in den hemel, tot volmaakte heiligheid zijn gekomen, maar

-ocr page 536-

522

omdat zii allen tot heiligheid geroepen (1. Thess. IV, 2) en in het H. Sacrament des Doopsels werkeliik reeds geheiligd zijn, volgens de woorden van den Apostel; „Gij zijt „afgewasschen, gij zijt geheiligd, gij zijt gerechtvaardigdquot; (1. Cor. VI, 11). De zielen in het vagevuur worden met evenveel recht „heiligquot; genoemd, omdat zij met de heilig-makende genade versierd van deze aarde gescheiden zijn, en door de zuiverende pijnen van het vagevuur ieder oogenhlik de volmaakte heiligheid meer en meer nabij komen. — Wie kan zich iets verhevener en heerlijker voorstellen, dan deze gemeenschap van het hemelsche leven met Christus en alle Heiligen, dan die onafgebroken deelneming aan de oneindige genaden, welke als met eiken polsslag uit het hart van den Verlosser vloeien, en alle leden van zijn geheimvol lichaam in staat stellen, vruchten van heerlijkheid voort te brengen, dan deze onderlinge ondersteuning en verrijking van alle leden der strijdende, lijdende en zegepralende Kerk, dan „de gemeenschap der Heiligen?quot; Wie tot deze gemeenschap behoort, is niet arm, al was hij ook in het oog der wereld de armste en de meest verlatene der menschen; hij is niet verachtelijk, al was hij ook de geringste en de meest verachte; zijn rijkdom zijn de verdiensten van Jesus Christus en van alle Heiligen; zijn adel is de adel van den Godmensch zeiven, door wien hij als een levend lid zijner Kerk is ingelijfd.

Welk voordeel geeft ons de gemeenschap met de zaligen in den hemel?

Dat de verdiensten, welke zij hier beneden verworven hebben, en hunne voorbede bij God ons ten dienste staan.

De dood, welke de aardsche banden verbreekt, kan den hemelschen band, welke de leden der Kerk op aarde met Christus, haar Hoofd, vereenigt, geenszins breken. Evenmin kan de dood den band verbreken, welke de leden der Kerk onder elkander vereenigt. Christus, het Hoofd der Kerk, heeft den dood overwonnen, en houdt in eeuwigheid al hare leden, als leden van zijn lichaam, door zijnen H. Geest bijeen. Daarom blijven ook de zaligen in den hemel onze broeders en vrienden; ja zij beminnen ons des te inniger, hoe nauwer zij aan de andere zijde des grafs met Jesus, hun Hoofd, vereenigd zijn, naarmate zij beter inzien, hoe zalig deze vereeniging is, en hoe vurig het Hoofd zelf haar wenscht. Bekend met de gevaren, die ons dreigen, en met den strijd, welken wij te voeren hebben , gevoelen de Heiligen, die met Christus heerschen, medelijden met ons, en „dragen

-ocr page 537-

523

„hunne gebeden voor ons aan den Heer opquot; (Kerkv. van Trente Zitt. XXV). En God heeft er behagen in, hunne beden genadig te verhooien, omdat het beden zijner vrienden, zijner huisgenooten, zijner veelgeliefde kinderen, billijke en heilige beden zijn, volmaakt overeenstemmende met zijn wil en zijne liefderijke inzichten. quot;) — Ook de rijke verdiensten, welke de Heiligen gedurende hun sterfelijk leven door de beoefening van goede werken zich verworven hebben, strekken ons thans nog voortdurend ter zaligheid, üeze zgn als \'t ware stilzwijgende beden, welke God onophoudelijk voor den geest zweven, en om welke Hij de uitdrukkelijke voorspraak der Heiligen des te bereidwilliger verhoort, en, ook afgezien van hunne voorspraak, aan de men.schen, als strijdgenooten en broeders der Heiligen, ontelbare genaden laat toevloeien. \'*) Zoo ook herinnert een koning zich de groote verdiensten van zijn getrouwen dienaar, en deze bewegen hem, diens verzoeken ten gunste ziiner onderdanen in te willigen, en ook hun zijne koninklijke hulde en genade te schenken. Inderdaad bewees God reeds in het Oude Verbond aan Salomon vele genaden „om zijnen vader David,quot; d. i. om de verdiensten, welke Üavid voor de eer van God verworven had, en het geheele volk van Israël werd herhaalde malen door den Heer begunstigd om de verdiensten van Abraham, Isaak en Jakob, hunne voorvaders. Met hoeveel te meer vertrouwen mogen wij dit in het Nieuwe Verbond verwachten, daar het een Verbond van buitengewone liefde en genade is. — Wanneer men onder de „verdiensten der „Heiligenquot; hunne overvloedige voldoeningen verstaat, is het niet minder zeker, dat ook deze ons ten dienste staan. Want de voldoeningen der Heiligen vormen in vereeniging met de oneindige voldoening van Christus, hun Hoofd, den onuitputbaren schat, waaraan de H. Kerk, door de toevoeging van aflaten of vergeving van tijdelijke stratfen, voor de ons ontbrekende voldoening volledige vergoeding ontleent, zooals wij brj de behandeling der aflaten breedvoeriger zullen bespreken.

Welk voordeel hebben zij, die in het vagevuur zijn, van onze gemeenschap mei hen?

Dat wij hen, als onze lijdende broeders, door gebeden, aalmoezen en andere goede werken, vooral door het H.

\') Over de vereering en aanroeping der Heiligen zal breedvoeriger bij het eerste der tien geboden gesproken worden.

^ S. Thom. Sum. Suppl. q. 73. art. 3.

-ocr page 538-

524

Misoffer en door toevoeging van aflaten ter hulp komen, opdat hunne pijnen verminderd en verkort worden. \')

1) Het geloof, dat de levenden den afgestorvenen aan de andere zijde des grafs door gebeden en offers hulp kunnen verleenen, was reeds in het Oude Verbond onder het volk van God verspreid, gelijk uit eene plaats van het tweede boek der Machabeën duidelijk blijkt. Na een bloedigen slag tegen Gorgias, stadhouder van Idumea, waarbij vele Joden gesneuveld waren, begonnen de overgeblevenen terstond te bidden, dat de zonden (der gesneuvelden) vergeten (d. i. vergeven) mochten worden... Yer volgens deed Judas (de veldheer van Judaquot;) eene inzameling, en zond 12000 drachmen zilver naar Jerusalem, om een offer voor de zonden der gestorvenen op te dragen (II. Mach. XII, 42, 43). Dit gemeenschappelijk gebed ter verlossing der overledenen , de gedachte, om tot hetzelf de doel eene inzameling onder het leger te doen, en hare rijke opbrengst, getuigen genoegzaam voor het in die tijden bij de Joden heerscbend geloof, dat men den afgestorvenen door gebeden en offers helpen kan, en tevens het godvruchtige gebruik, om het ook werkelijk te doen. De door God verlichte schrijver billijkt dit geloof en het daaruit ontstaan gebruik, er bijvoegende: „Het is dus eene heilige en nuttige gedachte, „voor de overledenen te bidden, opdat zij van hunne zon-„den bevrijd wordenquot;2) (V, 46).

\') De gedachte aan de liefdevolle betrekking en de gemeenschap der levenden met de afgestorvenen, gelijk het katholiek geloof ons die voor oogen stelt, heeft iets onuitsprekelijk troostends voor het hart der Christenen. „Ik kan die dierbare afgestorvenen bijstaan, en „men zal ook mij eens helpenzoo mag eenleder tot zich zeiven spreken. Het eerste schenkt zoeten troost in het leven, het laatste ontneemt het stervensuur een groot deel zijner bitterheid. Het was juist deze gedachte, die de zwaar beproefde koningin van Schotland, Maria Stuart, op de gerechtsplaats vergezelde en haar moed gaf, om de pogingen van een protestantsch leeraar, die haar in de laatste oogenblikken van het katholiek geloof wilde berooven , te verijdelen. Toen deze, in plaats van den biechtvader, dien zij gevraagd had, tot haar kwam, en haar vermaande, voor het heil van hare ziel te zorgen, en de Kerk te verlaten , waarin zij , ingeval zij volhardde, verloren moest gaan, antwoordde zij hem terstond vrijmoedig: „Over mijn «eeuwig heil heb ik mij niet te bekommeren. Ik ben in de katholieke „Kerk geboren; ik heb in haar geleefd, ik wil in haar sterven 1 Nooit, „nooit zal ik hare gemeenschap verlaten, in welke men ook aan de „andere zijde des grafs nog vereenigd blijft en de arme zielen door „gebeden en Offers gedenkt.quot; Hierna deed zij een kort gebed tot den gekruisigden Verlosser, drukte zijn beeld met liefde en teeder-heid aan haar hart, vroeg de omstaande vrouwen nogmaals om een godvruchtig gebed, en ontving den wreeden doodslag met de woorden: „Heer, in uwe handen beveel ik mijnen geest.quot;

-) Het loffelijk gebruik, om de lijdende zielen in het vagevuur te hulp te komen door heilige Missen, is overoud. Een bewijs hiervan

-ocr page 539-

525

2) Hetzelfde geloof en vroom gebruik vinden wij ook van de eerste tijden des Christendoms tot in onze dagen in de katholieke Kerk, gelijk boven reeds is bewezen. De bekende oorkonden van de HH. Martelaressen Felicitas en Perpetua (in het jaar 202 of 203), welke, volgens het getuigenis van den H. Augustinus, langen tijd tot stichting der ge-geloovigen openlijk in de kerken werden voorgelezen, alsmede de uiterste wil en de teraardebestelling van Gonstantijn den Groote, zooals zij door Eusebius in de levensbeschrijving van Gonstantijn verhaald worden, geven hiervoor nieuwe bewijzen. De H. Perpetua verhaalt zelve, in eene buitengewone verschijning gezien te hebben, dat haar broeder zich bevond in eene plaats van lijden, in eene zuiveringsplaats; na echter vurig voor de rust zijner ziel gebeden te hebben, had zij kort daarna in een visioen hem bevrijd gezien. Wat Gonstantijn den Groote aangaat, hij wenschte, volgens het getuigenis van den genoemden geschiedschrijver , uit een gevoel van godsvrucht, dat zijn stoffelijk overblijfsel te Gonstantinopel in de door hem gebouwde Kerk zou worden bijgezet, in de hoop, daardoor aan de gebeden der geloovigen en het H. Offer deelachtig te worden. Toen nu zijn lichaam ter aarde besteld werd, vergezelde hem eene talrijke volksmenigte die hare liefde tot den Keizer niet slechts bewees door tranen en rouwklachten, maar

geeft ons in de zesde eeuw de H. Paus Gregorius de Groote, eene gebeurtenis verhalende, welke kort voor zijn tijd was voorgevallen. Een dapper soldaat werd door de vijanden gevangen genomen, en als slaaf vervoerd naar een verafgelegen gewest, waar zij hem in ketenen klonken. Toen zijne vrouw langen tijd daarna niets meer van hem vernam, meende zij, dat hij gestorven was, en liet door een priester elke week het H. Alisoffer voor de rust zijner ziel opdragen. De gevangene werd echter weder vrijgelaten. In zijn vaderland teruggekeerd , verhaalde hij aan zijne vrouw iets wonders. Gedurende zijne gevangenschap waren namelijk zijne ketenen elke week op een bepaalden tijd geslaakt, en als hij nu met zijne vrouw nader over den tijd gesproken had , bevonden zij , dat hij juist op die dagen en op hetzelfde uur van zijne boeien bevrijd was geworden, waarop men de H. Mis voor hem had opgedragen (Hom. 37 over de Evang. en samensp. U. IV. hoofdst. 57). Uit dit voorval zien wij, hoe welgevallig aan God de liefde is, die ons aanzet, voor de in den Heer ontslapen broeders het H. Offer te laten opdragen, en hoe krachtig dit is, om de boetende zielen uit de plaats harer pijnen te verlossen. Wanneer God toch, ziende op het aan Hem opgedragen Offer, dezen gevangene bevrijdde van de boeien des lichaams , hoeveel te eer dan mogen wij verwachten, dat Hij voor de afgestorvenen, die Hij zoo innig bemint, ook de boeien en ketenen verbreken zal, waarmede zij in de plaats van verbanning nog gekluisterd zijn ; ja , daar vooral zal dit allerheiligst Offer voordeel en nut aan de zielen verschaffen. «-Op het oogenblik, dat het //heilig Offer voltrokken wordt, snellen Engelen des hemels toe, om a-de gevangenis van het vagevuur tc ontsluitenquot; (De H. Chrysostomus Hom. II. over de onbegrijp. natuur van God).

-ocr page 540-

526

vooral door de kostbaarste gave der gebeden voor zijne rust. Merkwaardig zijn ook de woorden, welke de H. Ambrosius na den dood van Keizer Theodosius tot het volk richtte: „Ik heb hem bemindquot;, sprak hij zeer getroffen, „daarom wil ik hem ook na zijn dood tot in het land der „levenden vergezellen; ik wil hem niet eer verlaten, voordat „ik hem door tranen en gebeden op den heiligen berg des „Heeren gebracht heb.quot; Onwederlegbare bewijzen, welke hier kortheidshalve niet kunnen aangevoerd worden, geven ook die vele, in den laatsten tijd ontdekte, doch zeer oude christelijke grafschriften, die den lezer tot gebeden voorde afgestorvenen opwekken. — Dat geloof, hetwelk zich sinds de apostolische tijden openbaart door de opdracht der H, Mis voor de dooden, de dagelijksche „mementoquot; voor de overledenen, alsmede door de instelling- van den Allerzielendag in de tiende eeuw (in het jaar 998), wordt in de tweede Kerkvergadering van Lyon (1274) op de volgende wijze uitgedrukt; „De H. roomsche Kerk verklaart, dat hun „(die niet geheel gezuiverd zijn) ter vermindering der „straffen (in de zuiveringsplaats) de voorbede der Heiligen „voordeelig is, namelijk de Misoffers, gebeden, aalmoezen „en andere werken van godsvrucht, welke de geloovigen „voor andere geloovigen volgens het gebruik der Kerk ge-„woon zijn te verrichten.quot; Hiermede komen ook overeen de beslissingen der algemeene Kerkvergaderingen van Florence (decreet van vereeniging) en van Trente (Zitt. XXV. Decreet over het vagevuur) met betrekking tot dit onderwerp.

3) Dat door onze gebeden, door werken van liefde en zelfverloochening, vooral echter door het allerheiligste Misoffer en door toevoeging van aflaten de pijnen der zielen in het vagevuur verminderd en verkort worden, blijkt eveneens uit de leer der Kerk over de „gemeenschap der „Heiligen quot; volgens welke de eene geloovige voor den anderen voldoen, d. i. de tijdelijke straffen af boeten kan. Want „daarin moet men,quot; volgens de uitdrukking van den romeinschen Katechismus (Sacr, van Boet. n0. 108—110), „de oneindige goedheid en barmhartigheid Gods ten hoogste „loven, en door onze dankzeggingen prijzen, dat de eene „voor den andere kan voldoen. . . Zij , die de genade Gods „bezitten, kunnen namelijk de voldoening, welke God toe-„komt, voor anderen verrichten. En daar kan geen ge-„loovige twijfelen, dewijl wij in het symbolum der Apos-.,telen de gemeenschap der Heiligen belijden.\'\' De zielen in het vagevuur zijn en blijven geloovigen (geloovige christenzielen); dus is het duidelijk, dat wij voor haar

-ocr page 541-

527

voldoening kunnen geven, i) ja zelfs, dat het een plicht van liefde is, haar dien d:enst te bewijzen, wijl zij met ons het eene lichaam van Christus uitmaken en lijdende leden daarvan zijn, leden, die des te dringender onze hulp behoeven , daar zij zich zelve op geenerlei wijze kunnen helpen. Gelijk het namelijk aan de leden van een natuurlijk lichaam eigen is, wederkeerig, naar behoefte, elkander bij te staan, zoo betaamt het ook, dat de leden van het geheimzinnig lichaam van Christus voor elkander zorg dragen (1 Cor. XII, 25), en door wederkeerig hulpbetoon elkander ondersteunen. Dit is bovendien allerzekerst het verlangen van Christus, het Opperhoofd, wien de afgestorvenen, zoowel als wij, toebehooren als leden, en die de schulden van al zijne leden geboet heeft, opdat de leden ook onderling elkanders schuld zouden helpen boeten j). Willen wij ons vasten, onze aalmoezen en andere goede werken tot vermindering of kwijtschelding der zondestraffen, welke de zielen in het vagevuur moeten af boeten, voordeelig maken, dan moeten wij ze tot dit doel en , volgens de aangehaalde woorden van den romeinschen Katechismus, in „staat van genadequot; verrichten. Immers door het goede, dat gedaan wordt iu staat van ongenade met God, kan onze eigen schuld of die van anderen evenmin afgedaan, als een hemelsch loon verdiend worden. Daaruit volgt echter niet, dat het gebed, het H, Misoffer en de aflaten ook niet van nut zijn voor de overledenen, wanneer hij, die het gebed verricht, de H. Mis laat opdragen en alles volbrengt wat tot het verdienen van den aflaat voorgeschreven is, zich in staat van doodzonde bevindt. Ook het gebed van den zondaar kan God uit genade en barmhartigheid verhooren, nederziende op den goeden wil en de liefdevolle neiging van dengene, die bidt, en op de behoefte der arme zielen; en dewijl door het H. Misoffer en de aflaten niet de voldoening van hem, die de H. Mis laat opdragen of het ter verdiening van den aflaat gevorderde werk verricht, maar de verdiensten van Christus op de zielen in het vagevuur worden toegepast, kan er

\') Duidelijk blijkt dit geloof uit de laatste woorden van den H. Koning Lodewijk aan zijnen zoon; //Beminde zoon, laat het heilig //Offer voor mijne ziel opdragen, en gebeden door het geheele rijk //Verrichten, en laat mij bizonder deelachtig zijn aan alle goede werken, „die gij doen zult.quot;

2) In de levenpgeschiedenis van de H. Magdalena van Pazzis wordt verhaald, dat zij tot troost der geloovige zielen geheele nachten in het gebed doorbracht, vastte en vele strenge boetewerken deed. Dikwijls smeekte zij God vurig, dat zij voor anderen mocht boeten, en niet zelden nam de Heer haar offer aan. Dan had zij gewoonlijk gedurende verscheiden dagen de vreeselijkste pijnen, en daarna zag zij de zielen in de vreugde des hemels binnengaan (Bolland. 23 Mei).

-ocr page 542-

528

moeielijk eene gegronde reden gevonden worden, waarom de zondige toestand, waarin iemand verkeert, de kracht dier toepassing zou verijdelen. \')

Welk voordeel verschaft ons de wederkcerige gemeenschap met de geloovigen op aarde?

Dat wij deel hebben aan alle H. Misoffers, gebeden en goede werken, welke in de katholieke Kerk geschieden, en in het algemeen aan al hare geestelijke goederen.

Door de genoemde gemeenschap hebben wij alzoo niet enkel deel aan alle geesteliike goederen der Kerk, als zoo-damt) , namelijk aan hare leer, aan haar gebed, aan hare zegeningen, aan alle genadegaven, welke God haar verleend heeft, aan alle Misoffers, die dagelijks over de geheele aarde worden opgedragen, aan alle HH. Sacramenten, welke Christus tot zaligheid der menschen ingesteld en aan haar als gemeenschappelijke middelen tot onze heiliging, ter bewaring en toediening achtergelaten heeft, namelijk aan de gemeenschappeliike tafel des Heeren, waaraan zij rijken en armen, voornamen en geringen, met dezelfde liefde voortdurend noodigt 2); wij hebben niet slechts deel aan al

\') Versclieiden Godgeleerden zijn van gevoelen, dat de zondaar in staat van ongenade geene allaten voor anderen verdienen kan, daar hij ze niet voor zich zeiven kan verdienen. Suarez antwoordt hun (Indulg. disp. 53 sect. 4), dat wanneer iemand de voorwaarden, ter verdiening van den aflaat bepaald, getrouw vervult, met het doel, om een aflaat voor de zielen in het vagevuur te winnen , het niet noodig is, dat hij dezen eerst voor zich zeiven winne , maar alleen dat de Kerk de voldoening van Christus en de Heiligen onmiddellijk aan de geloovige zielen toevoegt.

Suarez (Purgat. disp. 47. Sect. 2) acht het gevoelen, dat de zielen in het vagevuur van God gunsten voor ons kunnen afsmeeken, goed en waarschijnlijk, en twijfelt er niet aan, dat wij ons tot haar mogen wenden in de hoop, door hare voorspraak hulp te ontvangen. De. H. Thomas zegt (2. 2. q. 83. a. 3. ad. 3), dat wij die zielen om hare voorbede niet mogen aanroepen, daar zij God nog niet aanschouwen, en dus onze gedachten en gebeden niet kennen. Hierop antwoordt Suarez, dat ook de üudvaders in het voorgeborchte hebben gebeden voor de op aarde levenden, gelijk uit II. Machab. XV blijkt, en dat ook aan de geloovige zielen aangaande hare vrienden en bloedverwanten goddelijke openbaringen of verlichtingen kunnen gegeven worden. — Dat de Heiligen in den hemel voor de ongelukkige zielen in het vagevuur voorsprekers kunnen zijn, lijdt geen twijfel.

^ De deelneming aan hetzelfde H. Offer en hetzelfde Offermaal werd altijd als een uitmuntend teekcn en onderpand der wederkeerige gemeenschap en vereeniging van alle geloovigen aangezien. „Want eén «brood , één lichaam zijn wij allen, wij die aan één brood deel nemenquot; (1. Cor. X, 17). Daarom was het in de eerste eeuwen des Christendoms een gebruik , dat de Paus en de Bisschoppen bii het H. MisolTer een gedeelte van de H. Hostie afbraken en aan andere Bisschoppen of

-ocr page 543-

529

deze onschatbare gemeenschappelijke goederen der Kerk, maar ook aan de geestelijke goederen en verdiensten van teder har er leden. Alle strengheden, welke de boetvaardigeu plegen, alle aalmoezen, welke de barmhartigen uitdeelen, alle moeiten en zorgen , welke zich de Priesters ter bekeering der zondaars getroosten, al het zweet en bloed, dat de geloofsverkondigers bij de uitbreiding van de leer der zaligheid vergieten, alle werken van ootmoed en geduld, van liefde tot God en den evenmensch, welke door de kinderen der Kerk in staat van genade verricht worden; dat alles vormt een nieuwen schat voor het over de geheele aarde verbreide huisgezin Gods, een schat, waaruit iederquot; harer levende leden putten, waarmede hi] zich verrijken kan, daar allen zoodanig onderling verbonden en vereenigd zijn, dat, wat de eene doet, tot voordeel van allen en ieder ir. het bizonder strekt. — Het is eene zekere waarheid, dat niemand voor anderen het hemelrijk verdienen kan; „ieder toch zal volgens het goed of kwaad, dat hij „in zijn lichaam gedaan heeft, ontvangenquot; (11. Cor. V, 10); maar het is evenzeer waar, dat in deze heilige geraeenschap der geloovigen op aarde de een in staat is voor den andere aan de goddelijke Eechtvaardigheid voldoening te geven, de een voor den andere vele en buitengewone genaden en gaven van God afsmeeken en verdienen kan. Als God, de Heer, volgens het getuigenis der H. Schrift, Laban zegende om Jacob, diens rechtvaardigen neef (1. Mos. XXX, 27), als Hij het huis van Putiphar, den Egyptenaar, om den godvruchtigen Joseph zegende (1. Mos. XXXIX, 5); als Hij bereid was, de goddelooze stad Sodoma te spaven om tien rechtvaardigen, indien deze er zouden gevonden worden (1. Mos. VIII): hoeveel te meer zal Hij stroomen van genade en zegeningen over zijn huis, de Kerk, uitstorten en ieder harer bewoners weldaden en kwijtschelding verleenen om de ontelbare Heiligen, die in haar leven en werken, wier verdiensten, offers en gebeden voortdurend als een aangename geur tot zijn hemelschen troon opstijgen.

Priesters zonden tot een teeken der kerkelijke gemccnschnp. D?genon, die Het ontvingen, lieten liet, voor de nuttiging van het goddelijk Vleesch en Bloed, in den kelk neder met de woorden: //De vrede des „Heeren zij altijd met u.quot; Zoo namen, onder toewensching van vrede, ook de verwijderde kerken deel aan één en iietzellde Liefdemaal. Onder het uitspreken der aangehaalde woorden maakt heden nog de offerende Priester met een gedeelte der H Hostie driemaal het kruisteeken over den kelk . en laat Het dan daarin neder. Door die woorden wenseht hij aan de geloovigen den vrede, en door het kruisteeken over don kelk, welke het allerheiligste Bloed bevat, duidt hij aan, dat de ware vrede ons door bet li. kruis en het vergoten Bloed geschonken wordt.

DEIIARBE, GEl.OOTSLBEK. II. 3lt;ie DllUK. 34

-ocr page 544-

530

Hebben ook de zondaars, zoolang zij niet huiten de Kerk gebannen zijn , deel aan deze gemeenschap ?

De zondaars hebben wel, als afgestorven ledematen, de meeste geestelijke goederen verloren, maar zij hebben toch, krachtens hunne vereenig-ing met de Kerk, vele middelen en vele genaden tot hunne bekeering.

ï)ep;enen , die zich in staat van doodzonde bevinden, maar nog niet om eene groote misdaad en hunne hardnekkigheid door den banvloek buiten de gemeenschap der Kerk gesloten ziin, verkeeren, als gestorven ledematen der Kerk, niet *meer in die innige levensgemeenschap met Christus, die den band uitmaakt, waardoor alle geloovigen met elkander en met het Hoofd tot één lichaam zijn vereenigd. Want „als „wij zeggen,quot; zoo schrijft de Apostel der liefde (I. Br. I, 6, 7), „wij hebben gemeenschap met Hem (met Christus), en „wandelen in de duisternissen (der zonde), dan liegen wij... „Wanneer wij echter in het licht (der waarheid) wandelen .... dan hebben wij gemeenschap (met Hem en) met elkander.quot; Ten gevolge van dien toestand, dien geestelijken dood, missen zij alle geestelijke goederen, welke slechts hun toevloeien, die, door den H. Geest bezield, in Christus leven. Zij missen den genadevollen en zaligma-kenden invloed, welke voortdurend van het hoofd uitgaat, en gelijk het sap de levende takken van een boom, en het bloed alle deelen van het menschelijk lichaam, de ledematen doorstroomt. Zij missen verder alle genademiddelen wier gebruik slechts hun vergund en nuttig is, die in levensgemeenschap met Christus, in staat van genade zijn, nl. de Sacramenten der levenden. Zelfs het hemelsch Brood, hetwelk den levenden nieuwe vermeerdering van leven geeft, stort de geestelijkerwijze gestorvenen, omdat zij het onwaardig nuttigen, nog dieper in den toestand van dood en verdoemenis. Daar zij met de overige geloovigen niet meer door den band van bovennatuurlijke liefde en genade vereenigd zijn, hebben zij ook geen deel aan de vruchten der genade, aan de goede werken, verdiensten en voldoening der Heiligen. De gemeenschap der Heiligen, is voor hen ten deele nutteloos geworden en zij wederkeerig voor haar, omdat zij niet in staat zijn voor anderen te verdienen of te voldoen. Niettemin is de toestand der zondaars, die nog met de Kerk in uiterlijke levensvereeni-ging zijn, d. i. die tot het lichaam der Kerk behooren, minder gevaarlijk en beklagenswaardig, dan de staat van hen, die geheel van haar zijn gescheiden of uitgesloten. Zij hebben wel schipbreuk geleden, maar zij hebben toch eene

-ocr page 545-

531

plank bij de hand ^ waaraan zij zich kunnen vastklampen en het leven redden. Krachtens die uiterlijke vereeniging en gemeenschap is het hun nog toegestaan, aan de openbare gebeden, aan het H. Misofier, aan de godsdienstplechtigheden deel te nemen, en met behulp dezer genademiddelen en vooral door het H. Sacrament van boetvaardigheid opnieuw in vereeniging met Christus, tot het inwendig leven van genade en het volle bezit van alle voordeelen dier gemeenschap der Heiligen te komen. De Kerk houdt dus niet op, hen, die in zonde leven, als hare kinderen te beschouwen; zij zorgt voor bun geluk en noodigt hen tot bekeering uit; zij beweent hen, zucht, klaagt en bidt voor hen onophoudelijk tot haren hemelschen Bruidegom, dat Hij aan die doode zielen het leven der genade moge terugschenken.

TOEPASSING.

Wie is in staat naar waarde het geluk te schetsen van\'\' „medeburger der Heiligen, huisgenoot van Godquot; (Eph. II, ]9), lid van de gemeenschap der Heiligen te zijn? Door die heilige gemeenschap zijn wii in de nauwste vereeniging met de Patriarchen en Profeten, aan wie God zijne geheimen openbaarde; met de Apostelen, die het licht van het Evangelie tot de uiterste grenzen der aarde verbreidden; met de HH. Martelaren, die het geloof, dat ook wij belijden, met hun bloed bezegelden; met de HH. Belijders, die, de wisselvallige goederen der aarde verachtende, standvastig zich zeiven, den duivel en de wereld overwonnen; met zoovele engelreine Maagden, die tot loon barer getrouw bewaarde zuiverheid het onbevlekte Lam met blijdschap volgen, waar Het gaat; met die ontelbare scharen van Heiligen, die den hofstoet van den Koning der koningen uitmaken. Slaan wij dikwijls een blik naar boven, wanneer de strijd in dit tranendal ons zwaar valt, wanneer onze moed door het zien der tallooze vijanden en gevaren, die ons omringen en belagen, dreigt te zinken; zij allen bidden voor ons bij Jesus, onzen en hunnen Koning; zij allen strijden met ons door den hoogeren bijstand, welken zij ons uit den hemel verleer.en; zij allen wijzen ons op den zegepalm, dien zij behaalden, en wekken ons op tot een aanhoudenden en moedigen strijd door de heerlijke, onvergankelijke kroon , die zij ons voor oogen houden. Roepen wij telken morgen onze zegevierende broeders en zusters aan, vragen wij in den loop van den dag bij alle bekoring, in nood en in droefheid hunne bescherming,

34*

-ocr page 546-

532

Imnne hulp, hunne machtige voorspraak; en alvorens wij ons ter ruste begeven, smeeken wij hen; dat zij over ons waken en de hinderlagen van den vorst der duisternis verijdelen. Gedenken wij echter ook de leden der Kerk in het vagevuur. Zij zijn ons aandenken waardig, daar zij onze broeders en zusters, de beminde kinderen van God zijn; zij behoeven onze hulp, omdat de hand des Heeren hen zwaar getroffen heeft. Hunne pijnen zijn ons tot waarschuwing, hun hulpgeroep noodigt ons dringend uit, den weg der deugd onvermoeid te bewandelen, alle rechtvaardigheid te vervullen, opdat ons niets dergelijks of nog ergers wedervare.

Christenen ! Mogen wij op het voorbeeld der Heiligen, in voortdurende gemeenschap met hen, ten aanschouwe van hemel en aarde den goeden strijd strijden, de loopbaan van ons leven in de armen onzer moeder, de H. Kerk, voleinden, om eens in het hemelsch Jerusalem onder hare verheerlijkte kinderen geteld te worden en eeuwig met Jesus, haren goddeüjken Bruidegom, in de glorie vereenigd te zijn.

Tiende artikel des gscloofs:

„ Vergiffenis der zonden.quot;

Op het artikel over de Kerk, als de gemeenschap van het verloste menschdom, volgt de leer over de drie voornaamste voordeelen, welke eenieder uit deze gemeenschap toevloeien: de leer over de vergiffenis der zonden, over de glorievolle verrijzenis des vleesches en over het eeuwig leven. Door deze drie voordeelen of genaden wordt het drievoudige verlies, dat wij door den val van onzen stamvader in het paradijs geleden hebben, namelijk de zonde, de tijdelijke dood, en de eeuwige verdoemenis, in de Kerk, welke als het ware de voorhof is van het hemelsch paradijs, weggenomen en overvloedig vergoed. Door de vergeving der zouden wordt de dood der ziel verwijderd, door de verrijzenis de dood des lichaams overwonnen en van zijn buit beroofd, door het eeuwige leven wordt de eeuwige dood van ziel en lichaam vernietigd.

Het tiende geloofsartikel handelt over het eerste der drie genoemde voordeelen, over de vergiffenis der zonden. Het leert ons, dat ieder in de Kerk en door de Kerk de vergeving der zonden bekomen kan, of met andere woorden, dat de katholieke Kerk van Jesus Christus, haren godde-

-ocr page 547-

533

lijken Stichter, de macht en den last verkregen heeft, om den rouwmoedigen zondaar in zijne plaats en door de toepassing van zijne oneindige verdiensten de zonden waarachtig te vergeven, en niet alleen, gelijk sommigen beweren, te verklaren, dat zij door God zijn weggenomen. Deze macht strekt zich uit tot alle zonden, geene enkele uitgezonderd, en wordt door den Bisschop en de door hem aangestelde Priesters hij de bediening van het H. Sacrament des Doopsels en der Biecht, waartoe in zekeren zin ook het Sacrament des Oliesels behoort, voortdurend uitpeoefend. Het H. Doopsel kan in geval van nood ook door leeken in naam der Kerk toegediend worden; de Biecht daarentegen ter vergeving van de na het Doopsel bedreven zonden is, overeenkomstig de instelling van Christus, uitsluitend in handen van de katholieke Priesters, die, als door God gevolmacu-xigde rechters, verplicht zijn te oordeelen, of de zondaar in eene boetvaardige stemming, de vergeving der zonden waardig is of niet. — Daar deze geheele leer over de macht der Kerk om de zonden te vergeven bij het Sacrament des Doopsels, der Biecht en van het laatste Oliesel breeder moet behandeld worden, kunnen wij ons hier van eene verdere uiteenzetting ontslagen achten.

Hlfdc artikel des gelools:

„Verrijzenis des vleesches.quot;

In dit geloofsartikel is spraak over de toekomstige opwekking der lichamen van den dood tot het leven. Deze opwekking der dooden wordt in de geloofsbelijdenis dei-Apostelen „verrijzenis des vleeschesquot; genoemd, opdat, gelijk de romeinsche Katechismus opmerkt, „niemand meene, dat „de ziel even als heü lichaam aan den dood onderworpen „is, en beiden eens weder in het leven zullen worden terug-„geroepen ; want het staat vast, dat de ziel onsterfelijk is.quot; — Eerst zullen wij spreken over den dood, die noodzakelijk genoemde verrijzenis voorafgaat.

ElootL

Wat heeft er plaats hij den dood van den mensch ?

De ziel scheidt van het lichaam, en verschijnt voor Gods rechterstoel ; het lichaam keert terug tot stof.

-ocr page 548-

534

Dit tweevoudig lot verkondigt ons de H. Schrift met duidelijke woorden : „Het stof,quot; zegt de wijze man {XII, 7), „keert weder terug tot de aarde, vanwaar het was, en de „geest keert terug tot God, die hem gegeven heeftquot; — Eene wandeling op het kerkhof, een blik op het graf van een arme en in de groeve van een rijke, een blik op de marmeren grafzerk van een der grooten dezer aarde getuigt eiken dag voor den terugkeer van het lichaam tot stof en asch. Daarom roept de wijze Salomon uit (v. 8): „IJdel-„heid der ij delheden ! Alles is ij delheid !quot; — Geheel anders ia het lot der ziel. Als eenvoudig, geestelijk wezen keert zij na de scheiding van het lichaam, dat zij bezield en waarvan zij zich als een buigzaam werktuig bediend heeft, tot Hem terug, die haar onsterfelijk geschapen en met het sterfelijk lichaam vereenigd heeft; zij keert terug tot God, om uit zijne hand, volgens hare werken in het lichaam, goed of kwaad te ontvangen. Deze waarheid is in het zevende geloofsartikel duidelijk bewezen en verklaard. De mensch mag zich dus aan de vreugde en het genot des levens niet zoo overgeven, alsof hij geene rekenschap zal hebben af te leggen. „Weet,quot; vermaant de H. Geest (te zelfder plaatse XI, 8), „dat God u over alles voor zijn „rechterstoel brengen zal,quot;

Waarom moeten alle memchen sterven ?

Omdat allen in Adam gezondigd hebben.

Ofschoon het aan het lichaam van natuur eigen is te sterven en tot stof terug te gaan, zouden toch de menschen niet gestorven zijn, als Adam niet gezondigd had; want „door de zonde is de dood in de wereld gekomenquot; (Kom. V, 12). (Verg. de leer over de erfzonde en hare gevolgen.) Nu echter „is het voor de menschen vastgesteld, eens te stervenquot; (Hebr. IX, 27), en Christus, onze Verlosser van den eeuwigen dood, wilde de wet van den tijdelijken dood niet opheifen; Hij wilde het niet om de heiligste en wijste bedoelingen. Ten eerste toch moet de schrik voor den dood, die sedert den val van onzen stamvader onder duizend gedaanten de kinderen van Adam nadert, ons doen begrijpen, „hoe bitter en slecht het is. God, zijnen Heer, (door de zonde) „te verlatenquot; (Jerem. II, 19). Door de strengheid der straffen moet het geheele menschdom ondervinden, welk een groot en afschuwelijk kwaad en hoe groot de misdaad der zonde is. — Ten tweede wilde Christus ons de gelegenheid niet ontnemen , om door een vrijwillig en gelaten lijden der smarten van den dood, en door eene grootmoedige

-ocr page 549-

535

opoffering van ons hoogste goed op aarde een rijken schat van verdiensten te verwerven. Welke heerlijke kroonen zouden zoo vele HH. Martelaars ontberen, als het hun niet vergund ware geweest, bij de offers, die zij aan God brachten, ook dat van hun leven te voegen? — Eindelijk was het de wensch en wil van Christus, dat wij, zijne ledematen , door geduldig de smarten des doods te ondergaan, aan Hem , ons Hoofd, meer en meer gelijkvormig zouden worden, aan Hem, die ter verlossing der wereld zelf den dood wilde ondergaan, om zoo door den dood over den dood te zegepralen.

Zoo zeker het is, dat wij sterven zullen, zoo onzeker is ecliter de dag, het uur, het oogenblik van onzen dood. God wil ons in zijne wijze en aanbiddenswaardige raadsbesluiten dit gewichtig oogenblik verborgen houden. Met betrekking tot het doodsuur geldt dus de uitspraak van den Heiland: „U komt het niet toe, tijden of stonden te »weten, welke de Vader in zijne macht gesteld heeltquot; (Hand. I, 7). God laat ons in het onzekere aangaande ons sterfuur, 1) opdat wij Hem des te meer als den Opperheer van levenden en dooden zouden eeren en vreezen. Niets is inderdaad\' meer geschikt om Gods allerhoogste heerschappij over leven en dood ons in het geheugen te roepen. dan de\'\' gedachte: ik weet niet, wanneer ik sterven zal; het oogenblik van mijn dood hangt af van den wil van God. Zal ik nog eene reeks van jaren, maanden, dagen leven, zal ik morgen, heden, op dit uur, binnen weinige oogenblikken sterven? //Hij (God) is de Heer, die onzen adem //in zijne hand heeft\'\' En wie zou Hem niet eeren en vreezen, van wiens wenk en wil leven en dood elk oogenblik afhangt? — 2) God openbaart ons het uur des doods niet, opdat wij elk oogenblik ons tot den dood zouden bereid houden. Jesus Christus zelf voert de onzekerheid van het sterfuur bij herhaling aan als beweegreden, om zich tot den dood te bereiden. «Ziet toe,quot; zegt Hij,//waakt enbidt;want weet niet, wanneer de tijd daar is-.... Waakt alzoo! want gij weet z/iiiet, wanneer de Heer des huizes komt, des avonds laat, of te mid-z/dernacht, of met het hanengekraai, of in den morgenstond: opdat //Hij niet, wanneer Hij plotseling komt (om u door den dood voor zijn rechterstoel te dagen) //U slapende (d. i. onvoorbereid) vindequot; (Marc. XIII, 33, 35, Sfi). „Zijt ook gij bereid! want in de ure, dat //gij het niet vermoedt, zal de Zoon des menschen komenquot; (Luc. XII, 4U). Dezelfde vermaningen geeft Hij ons in verscheiden gelijkenissen, namelijk in die van den boozen knecht en van de dwaze maagden (Matth. XXIV en XXV). Door deze toont Hij ons, hoe rampzalig het is, die voorbereiding tot de komst van den dood uit te stellen. — Ook de dagelijksche ondervinding roept eenieder luide en ernstig toe: Wees bereid, gij kunt elk oogenblik sterven! Gij moogt jong of oud, rijk of arm, groot of gering zijn; gij kunt elk oogenblik sterven. Gij kunt sterven aan tafel, onder het spel, in een vroolijk gezelschap, op reis, in den schouwburg, te midden van een schitterend feest 1)

\') Ontelbaar zijn de voorbeelden, welke wij hier konden aanvoeren. Nauwelijks gaat eene week of maand voorbij, zonder dat er onverwachte sterfgevallen plaats hebben, waarvan de Katecheet gebruik kan maken, om een heilzamen indruk op zijne toehoorders te weeg te brengen. Wij halen hier slechts een voorbeeld uit het verledene aan, dat zeer geschikt is om te bewijzen, hoe alleronverwachtst de dood soms komt. Pater iieremberg verhaalt het in zijne ascetische werken op de volgende wijze. Karei, koning van Frankrijk, had

-ocr page 550-

536

Hen val van het paard, een brandwalm, de dolk van een sluipmoordenaar, het geweer van een onvoorzichtigen vriend, een onvoorzien toeval... kan aan uw leven plotseling een einde maken. Daarom houd u bereid, opdat de dood u niet in staat van zonde overvalle Hierin

zijne dochter aan den zoon van Ladislam, koning van Hongarije, ten huwelijk beloofd. Deze zond nu een talrijk, allerschitterendst gezantschap naar het fransche hof, om de prinses, de bruid, als eerewacht naar het nieuwe vaderland te vergezellen De gezant zelt\' was Ulrich, üisschop van l\'astait, tot wiens gevolg de koning van Hongarije tweehonderd der voornaamste edelen van dat rijk, evenveel uit het koninkrijk Bohemen en tweehonderd uit Oostenrijk verkozen had, die, allen uit den hoogen adel gesproten, prachtig gezadeld eu zoo rijk gekleed waren, dat ieder van hen in dezen optocht als een koning schitterde. De Bisschop nam nog honderd zijner onderdanen mede, zoodat het gevolg, dat zich naar Frankrijk begaf, uit zeven-honderd ridders bestond, die uit de kern der ridderschap gekozen, en op het prachtigst uitgedost waren ; opdat er niets aan de heerlijkheid van dat gevolg zou ontbreken, weiden er ook vierhonderd vrouwen van zeldzame schoonheid gekozen, die met de rijkste kleederen prijkten en met juweelen als overdekt waren. Zelfs de rijtuigen waren met goud beslagen, en met edelgesteenten versierd. Doch wat gebeurde er? Op den dag zeiven , waarop dit schitterend gezantschap Parijs binnen trok, kwam, nog vóór zij het paleis, dat tot hunne ontvangst bestemd was, genaderd waren, een renbode met de tijding, dat de bruidegom was overleden. Bij dit bericht werd de koning\'van Frankrijk zoo zeer geschokt, dat het hem onmogelijk was, het gezantschap eenig antwoord te geven, noch met den gezant zeiven te spreken, zoodat allen in smartvolle droefheid uit Parijs vertrokken en naar liuu land terugkeerden. Op zoodanige wijze vervult God niet zelden, volgens de woorden van den Profeet, op den dag van het vriendelijkst licht de aarde door den dood met nacht en duisternis (Geistl. Lesung in Gesch. und Beisp.).

1i Fr is geen grooter ongeluk dan te sterven in staat van zonde. Om dit te ontgaan moei geen otter u te zwaar, geene boetvaaidigheid te strerg zijn. — AJargaretha van Cortona begon reeds in jeugdige jaren den weg te bewandelen , welke tot het verderf leidt In haar achtste jaar verloor zij hare godvruchtige moeder, en kreeg aldus gelegenheid tot een vrijer leven, waarvan alle beden en waarschuwingen van haren diep bekommerden vader haar niet konden afhouden. Zonder eenig gevoel voor eerbaarheid ontvlood zij later in \'t geheim het vaderlijk huis, en leidde negen jaren lang een zeer ergerlijk leven met een jong edelman uit de stad, totdat eindelijk een onverwacht voorval haar ontrok aan den nabijzijnden afgrond, welken zij te ge-moet snelde. De edelman ging zekeren dag op reis en werd door roovers aangevallen en vermoord. De getrouwe hond, welken hij bij zich had, verwijlde twee dagen bij het lijk, den derden dag kwam hij kermende en huilende bij Margaretha, trok haar bij het kleed, als wilde hij zeggen, dat zij hem volgen zou. Margaretha vermoedende, dat er iets buitengewoons moest hebben plaats gegrepen, volgde den hond , die met een ongewoon en doordringend gekerm vooruit liep. Zij kwam eindelijk op de plaats, waar het lichaam van haren gestorven vriend lag, en, reeds verterende, een vreeselijken slank verspreidde. Margaretha stond hevig ontsteld, bij het lijk van den jongeling, en op hetzelfde oogenblik was het haar, alsof er bergen op haar hart vielen. Daar lag het ontzielde lichaam van hem, wien zij negen jaren lang in zondige liefde bemind had. ,/VVaar is thans „zijne ziel?\'quot; riep zij uit, en de gedachte aan Gods oordeel onderdrukte het antwoord. Haar zwaar beladen geweten deed haar sidderen voor een dergelijk lot. Dood en hel vervulden haar hart met eene heilzame

-ocr page 551-

537

bestaat de grootste levenswijsheid, dat wij altijd bereid zijn te sterven. Op die verheven wijsheid moogt gij slechts dan roemen, wanneer gij «de zonde zorgvuldig vermijdt en een godvruchtig leven leidt.quot; bterf dus dag op dag aan de Oooze lusten van uw hart, sterf aan de ijdele goederen en vreugden der wereld , sterf aan de zonde; leef voor uwen plicht, leef voor de deugd, leef voor God, en het oogenolik van den plotselingen dood zal voor u de snelle overgang tot een beter, eeuwig leven zijn 1). Handel alsof gij weet, dat de dood u plotseling treffen zal; zoo, maar ook zoo alleen, is uwe eeuwige zaligheid zeker. Hebt gij tot nu toe zoo gehandeld?.... Zou de dood u op ditoogenblik bereid vinden om voor Gods rechterstoel te verschijnen?.... Zoa Hij u de deur des hemels openen?.... Zijt gij niet bereid, verzuim toch niet langer, u ernstig voor te bereiden, //Morgen, morgen,quot; zegt gij; en waarom niet heden? Weet gij, dat gij morgen nog leven zult? God heeft het uur des doods verborgen, opdat ons die

1

vrees. Zij nam het vast besluit den weg te verlaten, welken zij zoolang in ongelukkige verblindheid bewandeld had Zij ging tot haren vader, hem ootmoedig om verg-eving smeekende. Vervolgens sprak zij onder tranen van een oprecht berouw bij een Priester uit de orde van den H. Franciscus eene generale biecht en verzocht, onder het getal der boetvaardige zusters te worden opgenomen. Nu bracht zij drie-en-twintig jaren in strenge boetvaardigheid door. Haar voedsel bestond in brood en water, de grond was haar bed, een harde steen haar hoofdkussen. Dag en nacht beweende zij hare zonden, totdat eindelijk op acht-en-veertig-jarigen ouderdom een zalige dood haar voerde tot den Heiland, ilie nooit een ootmoedijj en vermorzeld hart versmaadt. De katholieke Kerk eert haar onder de heilige Boetvaardigen.

\') Voor den godvruchtigen Christen is het gelieelo leven eene voorbereiding tot den dood, welke daarom voor hem niets schrikbarends heeft. Een goed kind verschrikt niet, wanneer men hem zegt; „Vader //komt!quot; Een goed Christen moet zich verliengeu, als de ure nadert, dat hij zeggen kan: „thans ga ik tot God, mijn besten en beminne-//lijksten Vader!quot; — ïoen de brave en zeer verdienstelijke Graaf Leopold van ütolherg van den geneesheer vernam, dat hij niet meer tot middernacht leven zou, riep hij blijde uit: „God zij geloofd!quot; en den geneesheer de handen drukkende, ging hij voort: „Uank, „dank! Ik dank u zeer. Geloofd zij Jesus Christus!quot; Terwijl hij deze woorden sprak, neigde hij zijn hoofd ter zijde en na enkele ademhalingen ging hij tot zijn Vader. — De fransche overcte Brancion viel 17 Juni 1855) voor Sebastopol, juist toen hij het vaandel op den groenen heuvel plaatste. Daags voor zijn dood sprak hij zijne biecht, en zeide toen lot zijne vrienden: „Ik weet, dat ik elk oogenblik den „dood te verwachten heb , daarom heb ik mij voorbereid , om voor „mijnen Schepper te verschijnen; ik ben bereid.quot; Na zijn dood schreef de veldgeesteiijke aangaande hem: „Hij is gestorven als een held; „geen wonder, want hij leefde als een Heiligequot; (De dood van den H. Phocas en van de H. Catharina van Genua is vroeger reeds door ons beschreven).

-ocr page 552-

538

kennis niet te zeer bedroeve en ontmoedige, ook niet tot vermetel zondigen aanspore. In waarheid de gedachte aan de smarten en den schrik der op handen zijnde ontbinding zou bij elke schrede den mensch vergezellen; zij zou hem den lust tot den arbeid, alle vreugde des

nog tijd en gelegenheid zal wezen , om u tot God te bekeeren, dat een Priester u in uwe laatste oogenblikken bijstaan en van al uwe zonden ontbinden zal. Vertrouw niet, als misschien de verleider, van wien Christus zegt, dat hij «een leugenaar is ea de vader der leugen-//tnalquot; (Joan.Vlll, 44), u inikiistert. dat gij nog eenmaal slechts uwe lusten bevredigen moogt, dal gij het later wel biechten en beweenen kunt. Duizenden lieten zich door zulke voorspiegelingen van den boozen vijand en der zondige eigenliefde misleiden. — Ken rijk En-gelschman, wien het geweten dikwijls vermaande om zijne buiten-sporiglieden te verzaken, en het heil zijner ziel te verzekeren, troostte zich altijd met de hoop, dat hij in het doodsuur de priesterlijke ontbinding zou ontvangen. Opdat hem hiertoe de gelegenheid niet ontbreken zou, waren er voortdurend twee katholieke Priesters bij hem, de eene in zijne woning te Londen, de andere op zijne buitenplaats. ,/God laat zich echter niet bespotten zegt de Apostel (Gal. VI, 7). Op zekeren dag, dat de rijke heer uit de stad naar zijne buitenplaats ging, werd hij eensklaps door eene ziekte overvallen, en in het naastbijzijnde gasthuis gebracht. Men beijverde zich een Priester te roepen; maar alvorens deze kwam, was de zieke overleden (JUalïeus, geest, oelen.). — In een katholiek dorp van Zwitserland, waar voor eenige eeuwen eene missie gegeven werd, was eene vrouw, die zich telkens aan dronkenschap overgaf, bij de predikatiën tegenwoordig. iJoor de goddelijke genade getroffen, nam zij het besluit, zich te verbeteren en deed derhalve aan den Priester de belijdenis van hare zonden. Toen zij naar huis terug gekeerd, de kast opende, om een kleed te krijgen . zag zij de llesch. De bekoring kwam. liet de woorden: //Slechts nog eens, maar dit zal zeker de laatste maal //Zijn,quot; grijpt zij naar den brandewijn, drinkt — en valt dood ter neder. — In een dorp, nabij Genève, waar in het jaar 1839 eene missie gegeven werd, leefde een dronkaard, die sinds jaren niet meer gebiecht had. Door eene godvruchtige dame aangespoord, beloofde h;:j den volgenden vrijdag te biechten. Hij stelde dit echter uit, ging zateida{;S morgens naar de markt van Genève, en keerde des avonds beschonken terug. In zijnen roes viel hij van de trappen, en bleef dood liggen.

Al zijt gij in jeugdige jaren, gezond en sterk, vertrouw er niet op. De onverbiddelijke dood maakt geene uitzondering, hij stoot jongelingen en grijsaards ongevraagd in het graf. Deze gedachte werkte weleer zeer gunstig op een jongeling, van wien het volgende verhaald wordt. Uit een adellijk geslacht gesproten, had hij zich in den bloei zijner jaren in een klooster begeven, om verwijderd van de gevaren der wereld zich tot een zaligen dood voor te bereiden. Toen zijn vader, een rijk landheer, dit vernam, was hij zeer verbolgen, dat sijn zoon, een adellijk jongeling, voor wien de schitterendste loopbaan open stond , zich in een Monnikenklooster verborg. Met gewapende manschappen trok hij naar het klooster en dreigde het te bestormen en te laten slechten, als men hem zijn zoon niet uitleverde, loen werd de poort geopend en met eene eerbiedige buiging stond de zoon voor den vader. ,/Vader,quot; sprak hij, „ik ben bereid u te volgen, als //gij mij slechts ééne gunst schenkt, namelijk, als het ongelukkige //gebruik wordt afgeschaft, dat in uw gebied heerscht en de oorzaak /.-is, waarom ik mij in eeu klooster afzonderde.quot; //Welk is dat gebruik,quot; hernam de vader getroffen, «spreek! het zal zonder uitstel afgeschaft ,/worden.quot; //Uit gebruik,quot; antwoordde de jongeling, //is niets anders, „dan dit, dat niet alleen de oude, maar ook de jonge menschen sterven.

-ocr page 553-

539

harten benemen, en zelfs zijn vooruitgang in de deugd niet weinig belemmeren. De zekere kennis van een laten dood daarentegen zou den zondaar in zorgeloosheid doen insluimeren, en tot een zondig levensgenot sterk aanzetten. Met de woorden ,/ik heb nog een langen //tijd te leven, op het einde zal ik inij wel bekeeren,quot; met deze zondige woorden zou hij de stem van zijn geweten smoren, alle goede gedachten des harten verstikken en meer en meer de taal der dwazen voeren: //Laat ons het goed genieten, dat nog is, en gretig ons van //het geschapene bedienen , daar wij nog jong zijn. Wij willen ons //met rozen kroonen, eer zij verwelkenquot; (Wijsh. II, 6, 8).

WerrljxcHiÊs.

Hoe lang Hij ft Jut lichaam in de aarde?

Het lichaam blijft in de aarde tot den jongsten dag. Dan zal God het weder opwekken en voor altijd vereenigen met de ziel, van welke de dood het geseheiden heeft. — Dooide woorden „verrijzenis van het vleeschquot; belijden wij, dat alle menschen in hetzelfde lichaam, dat zij thans hebben, eens zullen verrijzen. Zoo leert de katholieke Kerk uitdrukkelijk in de geloofsbelijdenis van Athanasius, waarin wij lezen, dat bij de komst van Jesus Christus, den Eechter der wereld, „alle menschen in hunne eigen lichamen zullen „opstaan.quot; Hetzelfde leert de vierde al^emeene Kerkvergadering van Laterane (in het jaar 1215), en de elfde Kerkvergadering van Toledo (in het jaar 675) had reeds vroeger tegen de dwaalleeraars van dien tijd verklaard: «Wij gelooven niet, dat wg in een etherisch of eenig ander „lichaam zullen verrijzen, maar juist in hetzelfde, waarin „wij (thans) leven, zijn, en ons bewegen.quot;

Het geloof aan de verrijzenis des lichaams in bovenge-noemden zin was, volgens het getuigenis der H. Schrift, lang vóór Christus niet alleen bij de Joden, maar ook bij andere volken bekend. „Ik weetsprak Job, die in Arabië woonde, „ik weet dat mijn Verlosser leeft, en ik ten jongsten „dage uit de aarde zal opstaan. Ik zal weder omgeven „worden met mijn lichaam en in mijn vleesch mijnen God „aanschouwen. Ik zelf zal Hem zien, en mijne oogen zullen „Hem aanschouwen en geen andere. Deze -hoop rust in

//Teneinde niet onvoorbereid te sterven, ging ik in het klooster, om „altijd tot den dood, die elk oogenblik komen kan, bereid te zijn.quot; Bij deze woorden gevoelde de vader zich diep getroffen; terstond trok hij met zijne krijgsknechten naar huis en liet zijn zoon in het kloostei\'.

-ocr page 554-

540

„mijn hart.quot; Diezelfde hoop bezielde de zeven Machabeesche broeders en sterkte hen in de vreeselijke martelingen, die zii voor de wet van God moesten ondergaan (2 Mach., VII). „Gij roekelooste der menschenzoo sprak stervende de tweede van hen tot Antioehus , „gij beneemt ons wel het „tegenwoordige leven, maar de Koning der wereld zal ons, „die voor zijne wet sterven, bij de verrijzenis opwekken tot „het eeuwig leven.quot; De derde bood zijne tong en handen den wreeden scherprechter aan met de woorden: „Van den „hemel heb ik dit (lichaam) ontvangen , en voor Gods wet „veracht, ik het thans; van Hem hoop ik het weder te ontvangen.quot; Ook aan den edelmoedigen Judas, den Machabeër, kent de H. Schrift , bij het verhaal van de boven besproken zoenoffers voor de gesneuvelden, den schoenen lof toe, „dat „hij ten opzichte van de verrijzenis goed en godvruchtig „gestemd was.\'\' „Immers,quot; voegt zij er bij, „als hij niet „gehoopt had, dat zij, die gevallen waren, zouden vergrijzen , zou het overbodig en vruchteloos geweest zijn voor „de overledenen te bidden\'\' (2. Mach. XII, 43, 44). — Deze heilige leer der toekomstige verrijzenis stelde Jesus zelf herhaalde malen en in de duidelijkste bewoordingen voor: „De ure komt,quot; zegt Hij bij Joannes (V, 28, 29), „dat allen, die in de graven zijn, de stem van den Zoon „Gods zullen hooren. En zij, die het goede gedaan hebben, „zullen uitgaan tot de opstanding van leven; maar die het „kwade gedaan hebben, tot de opstanding van oordeel,quot; d.i. om het vonnis van verdoeming te vernemen. — Dezelfde leer verkondigden ook de Apostelen des Heeren, vooral de H. Paulus, zoowel in zijne openbare rede voor den hoogen raad (Hand. XIII} en voor den landvoogd Felix (Hand. XXIV), als in zijne brieven aan de Romeinen, Corinthiërs, Philippers en ïhessaionicensers Dikwijls stelt hij den ge-loovigen deze waarheid voor oogen, om hen in het lijden en de vervolgingen van dit leven te sterken en te troosten. Hij wijst hen op de opstanding van Christus, als op de oorzaak en het afbeeldsel onzer toekomstige opstanding: „Wanneer de dooden niet verrijzen, dan is ook Christus „niet verrezenquot; (1. Cor. XV, 16). Christus is echter van den dood opgestaan, en wel in zijn eigen lichaam opgestaan ; dus ook gij zult, even als Hij, verrijzen. Want „Hij, die „Jesus Christus uit de dooden heeft opgewekt, zal ook uwe „sterfelijke lichamen levend makenquot; (Hom. VIII, 11). „Plotseling, op één oogenblik, op het geschal der laatste „bazuin (zal het geschieden): want de bazuin zal klinken, ,,en de dooden zullen onverderfelijk opstaan. Want dit ver-„derfelijke (lichaam) moet de onverderfelijkheid, en dit

-ocr page 555-

541

,,sterfelijke de onsterfeliikheid aantrekkenquot; (1. Cor. XV, 52, 53) \')•

Ofschoon deze geloofsleer vol geheimen voor ons is, bevat zij toch niets, wat met de menschelijke natuur of de gezonde rede in strijd is; integendeel staat zij met beiden in het schoonste verband. Daar namelijk, gelijk de romeinsche Kateehismus aanmerkt, ,,de zielen ontsterfelijk zijn, en als „bestanddeel van den mensch eene natuurlijke neiging tot ,,de menschelijke lichamen hebben ; zoo moeten wij aannemen, ,,dat het tegen de natuur zou zijn, als zij voor eeuwig van „de lichamen gescheiden bleven. Dewijl datgene, wat tegen „de natuur is, niet lang bestaan kan, is het geheel in over-„eenstemming met de gezonde rede, dat zij met het lichaam (waarvan de dood haar gescheiden heeft) „weder vereenigd „worden.quot; — „Van deze redenering,quot; zegt verder de Kateehismus, ,,schijnt zich ook onze Verlosser bediend te „hebben, als Hij , tegen de Sadduceën handelende, uit de „onsterfelijkheid der zielen tot de verrijzenis der lichamen „besloot.quot; Toen namelijk de Sadduceën met betrekking tot de verrijzenis der dooden Hem eene sluwe vraag voorstelden, om Hem van ongerijmdheid in zijne leer te kunnen beschuldigen, zeide Hij tot hen: „Hebt gij niet gelezen, het-„geen door God gezegd is, tot u sprekende: Ik ben de God ,,van Abraham, en de God van Isaak, en de God van Jacob ? „God is niet een God der dooden, maar der levenden\'\' (Matth. XXII, 31, 32). Deze woorden des Heeren kunnen aldus verklaard worden: Gij, Sadduceën, loochent de verrijzenis der dooden, omdat gij de onsterfelijkheid der ziel niet gelooft. De ziel echter is onsterfelijk; want stierf zij met het lichaam, dan was de God van Abraham, Isaak en Jacob, die naar het lichaam gestorven zijn, een God der dooden, en niet, gelijk Hij zegt, der levenden. Dus leeft de ziel na den lichamelijken dood nog voort, bijgevolg zal zij eens weder met het lichaam, hetwelk zij bezielde, vereenigd worden, d. i. de dooden zullen verrijzen.

De moeielijkheid, om deze vereeniging der ziel met haar lichaam tot stand te brongen, heeft Gods almacht meermalen voor het aanschijn der wereld overwonnen. Verscheiden dooden stonden alleen op het woord van Jesus Christus op, zooals de dochter van Jaïrus,

\') Eutychius, Patriarch van Constantinopel, had in een zijner werken beweerd, dat wij niet in hetzeltde lichaam, hetwelk wij thans hebben, maar in een ander zullen verrijzen. De H, Gregorius de Groote, die zich als pauselijk gezant juist ie Constantinopel bevond, bewees hem uit verschillende plaatsen der II, Schrift onwederlegbaar, dat zijne bewering valsch was. Toen de Patriarch spoedig daarop ziek werd, greep hij herhaalde malen ten aanschouwe van alle omstanders het vel zijner hand met de woorden: //Ik geloof en beken, dat wij alle j/in dit vleesch weder zullen verrijzenquot; (Zie Wi;mers, D, I b\'z, 94S).

-ocr page 556-

111

542

de zoon der weduwe van Naïm, de reeds tot bederf overgaande Lazarus van Bethanië. Zelfs op het gebed van zijne dienaren, de Apostelen en andere Heiligen, keerden de zielen tot de verstijfde lichamen terug, om deze opnieuw te bezielen. Waarom zou het God onmogelijk zijn, op den jongsten dag de zielen van allen, die van het begin der wereld geleefd hebben en gestorven zijn, wederom met hare lichamen te vereenigen ? Hoe zou het Hem aan macht ontbreken, onze tot stof en asch overgegane lichamen weder op te wekken , die ze eens uit het niet te voorschijn geroepen heeft? Voorwaar, wij begrijpen niet, hoe de vereeniging der verstrooide deelen van zoovele lichamen in één oogenblik plaats grijpt; wij begrijpen het nog minder, daar vele door de vlammen verteerd . door wilde dieren verscheurd en verslonden werden. Dit begrijpen wij echter, dat geen deeltje van een lichaam zoo verborgen is, dat Gods alziend oog het niet ontdekt, en geen zoo bevestigd, dat God het niet verbreken en tot herstelling van het menschelijk lichaam aanwenden kan1). Of is het geheim der opstanding het eenige van dien aard, dat voor onze oogen voltrokken wordt? Ziet! De zaadkorrel valt in de aarde, en gaat tot bederf over. En wat geschiedt er? Eene levende plant komt uit het verteerde zaad te voorschijn , en draagt de schoonste vruchten. De H. Paulus bedient zich van deze vergelijking, om aan te toonen, hoe dwaas zij zijn, die uit ongeloof vragen: hoe kan het lichaam, dat in verrotting overgegaan , in millioenen deeltjes ontbonden is . weder opstaan ? „O gij /,dwaaszegt hij, 1 wat gij zaait, groeit niet op, als het niet eerst ■quot;sterftquot; (1. Cor XX, 36). De Apostel wil zoggen, deze ontbinding of overgang van het lichaam tot bederf is juist de noodzakelijke voorwaarde der verrijzenis, gelijk de verrotting van den zaadkorrel tot de kiem der plant. — Sterft ook voor onze oogen de natuur niet in den herfst, brengt zij de ruwe wintermaanden niet als in een doodslaap door, om later bij het eerste gezang van den leeuwerik, bij het liefelijk opkomen der lentezon weder te ontwaken, opnieuw te leven, sterker en schooner te groeien en te bloeien ? En wie kent niet het sprekende beeld der eeuwige verrijzenis, de wonderlijke gedaanteverwisseling der rups? Als afzichtelijke en walgelijke worm, spint zij, het kruipen moede, haar eigen graf, rust daarin bewegingloos maanden lang, breekt vervolgens de stille rustplaats door en beweegt zich als een prachtige vlinder vroolijk in de heldere zou. Zou God. de alwijzs Schepper der natuur, deze beelden der verrijzenis zonder doel ons voor oogen gesteld hebben? Neen, wij zullen verrijzen! Het geloof waarborgt het ons, de rede stemt juichend toe, de zichtbare natuur herinnert er ons aan. Wij zullen opstaan! Die onbedriegelijke hoop rust in onze harten !

\') //Hoe zou den Alwetende iets verborgen kunnen zijn, of den «.Alomtegenwoordige iets zoodanig ontvluchten, dat Hij het niet terug-«roepen kan?quot; vraagt de H. Augustinus in het 22ate boek, hoofdst. XX, van de //Stad Gods,quot; waar hij in betrekking tot de opstanding der dooden op verscheiden vragen en opwerpingen antwoordt. Wij ontleenen nog het volgende uit hoofdst. XX: //Wat wangedrochtelijk //wordt geboren, zal zoo tot het leven terug keeren, dat het wezen

//volkomen aangevuld, alle wanschapenheid echter verbannen zal zijn____

«De afzichtelijkheid, welke uit de onevenredigheid voortkomt, zal dus //iiiet bestaan; wat slecht is, wordt verbeterd, wat er minder is, dan //behoort, wordt op eene den Heer üekende wijze aangevuld; wat //er te veel is, wordt zoodanig weggenomen, dat toch het geheele //lichaam in zijne volmaaktheid bestaat.quot; - Uit hoofdst. XIV: //Wat «.anders zullen wij van de kinderen zeggen, dan dit, dat zij niet met //een zoo klein lichaam zullen verrijzen, als datgene, wat zij hadden, //toen zij stierven, maar dat zij dat lichaam, zoo als het met den tijd //opgroeien zou, door eene wonderbare en plotselinge werking van «den goddelijken wil zullen ontvangen.quot;

-ocr page 557-

543

Waarom zullen ome lichamen verrijzen ?

1) Opdat ook het lichaam deele in het loon of de straffen, gelijk het deel heeft aan de goede of kwade werken. — Gelijk God den dienst vraagt van den geheelen mensch, eerst den dienst der ziel, en door de ziel die van het lichaam, zoo zal Hij ook het verdiende loon schenken aan den geheelen mensch, eerst aan de ziel en door de ziel aan het lichaam. Daarom leert de Apostel: „Wij allen moeten ver-„schijnen voor den rechterstoel van Christus, opdat een „ieder ontvange, volgens het goed of kwaad, dat hij in zijn „lichaam gedaan heeftquot; (2. Cor. V, 10). De H. Paulus wil volgens den II. Ghrysostomus (Homelie X over den tweeden brief aan de Corinthiërs) met deze woorden zeggen; „Wat „een werktuig van deugd of zonde geweest is, dat zal van „het loon of de straf niet vrij blijven ; maar met de ziel „zal- ook het lichaam M straf bf belooning ontvangen.\'\' Volgens de verklaring van denzelfden H. Leeraar vloeit-\' hieruit een nieuw bewijs voort, dat eenieder in hetzelfde lichaam verrijzen zal, waarvan hij zich bij het leven als een werktuig tot het goed en het kwaad bediend heeft. „Er zijn dwaalleeraars,quot; zegt hij daar ter plaatse, „die „beweren, dat een geheel ander lichaam verrijzen zal. Hoe „kan dit bewezen worden ? Heeft het eene gezondigd, en „zal een ander gestraft worden ? Of heeft het eene goed „gedaan en zal een ander daarvoor beloond worden ? Onze „lichamen zullen verrijzen.quot; — 2) Opdat de overwinning van Christus over den dood volledig zij. Christus heeft door zijn lijden en sterven voor ons den eeuwigen, en door zijne opstanding voor zich zeiven den tijdelijken dood overwonnen; er blijft dus nog over, dat Hij ook voor ons den tijdelijken dood ■ niet slechts volgens de verdiensten, maar ook inderdaad overwinne, d. i. dat Hij door de wezenlijke verrijzenis onzer lichamen, die door den Apostel „ledematen „van Christusquot; (1. Cor. VI, 15) genoemd worden, aan den tijdelijken dood de laatste prooi ontrukke. Zoo leert de Apostel, als hij zegt: „Wanneer dit sterfelijke (ons sterfelijk vleesch, ons lichaam) „de onsterfelijkheid heelt aangedaan, „dan zal het woord vervuld worden, dat geschreven staat: „verslonden is de dood in de overwinning\'.\' Dood, waar is „uw zegepraal\'.\'quot; (1. Cor. XV, 54, 55). Op hetzelfde oogenbiik, dat de rechtvaardigen tot het eeuwig leven zullen verrezen zijn, is de dood door everwinning verslonden, d. i. volgens de uitlegging van den H. Chrysostomus : „hij „houdt geheel op te bestaan; er blijft geen spoor van hem

-ocr page 558-

544

„over; er blijft hem geene hoop meer, om ooit terug te „keeren, daar het onverderfelijke het verderfelijke verslonden „heeft.quot; Terecht roept daarom de Apostel in heilige vervoering uit: „O dood waar is uw zegepraal?quot; Weg, verloren, voor altijd vernietigd is uw prikkel. Vruchteloos is alles, wat gij gedaan hebt. Alles, alles is aan uwe boeien oiitrukt! Alle vijaiiden liggen onder de voeten van den grooten overwinnaar: „De laatste vijand echter, die „vernietigd zal worden, is de doodquot; (1. Cor. XV, 26).

Zullen alle menschen verrijzen ?

Ja, alle menschen, zoowel de goede als de slechte. Dat zoowel de goede als ook de slechte menschen op den jongsten dag zullen verrijzen, getuigt Jesus Christus zelf in de boven aangevoerde woorden (Joan. V, 28, 29). Reeds de Profeet Daniël zag in den geest deze algemeene verrijzenis. „De menigte van hen,quot; zegt hij, (XII, 2), „die in het „stof der aarde slapen, zullen ontwaken, eenigen tot het „eeuwig leven en anderen tot schande, om haar eeuwig te „zien.quot; Dit vordert de rechtvaardige vergelding, welke, volgens het boven aangehaalde getuigenis van den Apostel, daarin bestaat, dat eenieder ontvangt volgens het goed of „kwaad, dat bij in zijn lichaam gedaan heeft.quot; En daar deze vergelding , gelijk in het volgende artikel zal bewezen worden, eeuwig is, zullen dezen zoowel als de anderen verrijzen, om niet meer te sterven. Daarom staat er inde H. Schrift van de rechtvaardigen: „De dood zal (voor her) „niet meer zijn; noch rouw, noch geklaag, noch smartquot; (Openb. XXI, 4). Van de kwaden staat geschreven: „De „Heer, de Almachtige, zal hun vleesch prijs geven aan „het vuur en de wormen, opdat zij branden en het voelen „in eeuwigheidquot; (Judith XVI, 20, 21). De goddeloozen zullen in groote vertwijfeling „den dood zoeken, maar niet „vinden, zij zullen verlangen te sterven, en de dood zal „voor hen vluchtenquot; (Openb. IX, 6).

Zullen alle lichamen der verrezenen gelijk zijn!\'

Neen, de lichamen der boozen zullen ellendig, maar de lichamen der goeden verheerlijkt, en aan het verheerlijkte lichaam van Jesus Christus gelijkvormig zijn.

„Wij zullen wel allen verrijzen, maar niet allen veranderd (verheerlijkt) wordenquot; zegt de H. Paulus (1 Cor. XV, 15), en stelt hiermede zoowel de ongelijkheid als het verschillende kenteekeu der verrezen lichamen, de verheer-

-ocr page 559-

545

üjkinsr en nietverheerliiking, als geloofsleer vast. De gedaante toestand der lichamen zal in overeenstemming ziin met het lot en de gesteldheid der zielen, waarmede zij opnieuw vereenicd worden. De lichamen der verdoemden, door de goddeliike rechtvaardigheid veroordeeld, om de maat der verdoemenis aan te vullen, welke de ziel in het lichaam en gedeelteliik door middel van het lichaam verdiend heeft, nullen wel, gelijk alle lichamen der verrezenen, niet meer sterven en vergaan, maar zoo gesteld zijn, dat zij voor de verworpen ziel tot eenwip-e schande en tot eeuwige smart verstrekken. Zij zullen den stempel dragen der zonde, van welke zij de bereidvaardige werktuigen zijn geweest; zij -/iullen het brandmerk dragen van den vloek van God en van de eeuwige verdoeming: hemel en hel zullen, donr hen te zien, erkennen, hoe hatelijic en verfoeielijk do ziel is, in het tijdelijke leven misbruikt, en hoe vreeselijk de straffen zijn , welke zij daarvoor moeten ondergaan. — Geheel anders echter is de gedaante en gesteldheid der verrezen lichamen van de rechtvaardigen Door hen zal, volgens de raadsbesluiten der loonende rechtvaardigheid en goedheid Gods, de maat dier onbeschrijfelijke zaligheid aangevuld worden, welke zich de uitverkorenen door het Gode wel-b eh a gel ijk gebruik hunner ledematen en de vele verstervingen hunner zinnen verworven hebben. Eer, heerlijkheid, vreugde zal uit de verheerlijkte lichamen stralen, en de schoonheid, de deugd en het overstelpend geluk der heilige ziel verkondigen. Om ons een denkbeeld van de schoonheid van het verheerlijkte lichaam te geven, vergelijkt de Apostel haar met de schoonheid van het verheerlijkte lichaam van Christus. ,.Jesus Christus,quot; zegt hij, „zal ons vernederd „lichaam hervormen om het gelijkvormig te maken aan „zijn heerlijk lichaamquot; (Phil. Ill, 21), welks glans de Apostelen bij de gedaanteverandering nauwelijks konden verdragen (Marc. IX, 1—5). — Voor de moeite en het lijden, dat de rechtvaardigen uit liefde tot God verdragen, voor den dood, welken zij van zijne hand aangenomen of ter wille van het geloof en de deugd ondergaan hebben, verheugt zich hun lichaam, tengevolge der hereeniging met de heilige ziel, in het voorrecht der heerlijke mibederfeLijkheid, d. i. der onsterfelijkheid en eeuwige onlijdelijkheid Daarom zegt de Apostel (1 Cor. XV, 42—44): „Gezaaid (in de aarde begraven) „wordt (het lichaam) in bederfelijkheid, „verrijzen zal het in onbederfelijkheid.\'\' En in de geheime Openbaring (XXi, 4) staat: „Elke traan zal God van hunne „oogen afdroogen, de dood zal niet meer zijn, noch rouw, „noch geklaag, noch smart.quot; — Voor de verachting waarin

DEHAR11E, GELOOFSLEER. II. 3\'Je DRUK. 35

-ocr page 560-

546

zij leefden, voor den smaad van het kruis, dat zij beminden en ijverig zochten, is den rechtvaardigen onbeschrijfelijke ilaarheid ten deel geworden; want „gezaaid wordt het „lichaam in oneer, opstaan zal het in heerlijkheid.quot; „De „rechtvaardigen zullen schitteren als de zon in het rijk van „hunnen vaderquot; (Matth. XIII, 43). En deze glans der verheerlijking zal des te schitterender zijn, naarmate de smaad grooter was, welke zij op aarde om Jesus verdragen, en vooral naarmate de heiligheid, waarin zij geleefd hebben, meer heeft uitgeschitterd. „De zon,quot; zegt de Apostel, „heeft eene andere helderheid, eene andere de maan, eene „andere de sterren; want de ééne ster verschilt zelfs van „de andere in helderheid, en zoo is het ook met de verrij-„zenis der dooden\'\' (1. Cor. XV, 41). — Ter belooning voor de Gode zoo welgevallige, door voortdurend strijden tegen de begeeilijkheid van het vleesch verkregen heerschappij over hun lichaam , is dat lichaam nu verrijkt met eene vlugheid en fijnheid als die van den geest, volgens de woorden van den Apostel: „Gezaaid wordt (het lichaam) in zwakheid, „opstaan zal het in kracht (vol leven en beweging, zonder ooit te vermoeien); „gezaaid wordt een vleeschelijklichaam, „opstaan zal een geestelijk (een fijner, door geen lichame-lijken tegenstand wederhouden) „lichaam.quot; Dat verheerlijkte lichaam gehoorzaamt aan den minsten wenk der ziel; want gelijk de ziel allervolmaaktst aan den Schepper gehoorzaamt, zoo zal ook het lichaam gehoorzamen aan de ziel. „Waar „de geest heen wil,quot; zegt de H. Augustinus (de stad Gods, XXII, 12, 30), „daar zal tegelijk ook het lichaam zijn.quot; Dit voorrecht, waardoor het verheerlijkte lichaam sneller dan het licht, snel als de gedachte, alle oorden van het heelal doorvliegt, en tot den troon van den Allerhoogste zich verheft, dit wonderbaar voorrecht van vlugheid of beweegbaarheid komt tot volmaaktheid door het voorrecht van fijnheid, een voorrecht, dat, hoewel het aan \'t lichaam zijne gedaante en grootte laat, het toch bekwaam maakt, om niet alleen door plaatsen, maar zelfs door de vaste, uit hunnen aard ondoordringbare lichamen heen te dringen, gelijk het lichaam van den verrezen Zoon Gods door de steenklompen drong, welke zijn gestorven lichaam omsloten, en gelijk Hij door de toegegrendelde deur de eetzaal binnentrad, waarin de Apostelen vergaderd waren.

Deze vier eigenschappen; onbederfelijkheid, klaarheid, vlugheid en fijnheid, waardoor de verheerlijkte lichamen waardige woonplaatsen voor uitverkoren zielen, nieuwe, schoonere tempels van den H Geest, sprekende gelijkenissen, van het verheerlijkte lichaam van Christus worden, maken

-ocr page 561-

547

lien zeer eerwaardig. De Kerk, bezield door de hoop, dat de lichamen van hare gestorven kinderen eens aan de groote eer dier verheerlijking zullen deelachtig worden, behandelt hen nu reeds met grooten eerbied. Zij wijst hun ia den tempel Gods, aan den voet van het altaar of in hare nabijheid (kerkhof) eene gewijde rustplaats aan, siert hunne lijkbaar, omgeeft hen met brandende kaarsen, brandt geurigen wierook, vergezelt hen onder gebeden, heilige gezangenen het gelui der klokken naar den Godsakker, waar de lichamen der rechtvaardigen gelijk de zaadkorrel zullen vergaan, om eens onbederfelijk weder op te schieten, in het eeuwige leven te bloeien en het paradijs van God te versieren. De Kerk zegent het graf van hen, die in haren schoot ontslapen zijn , omdat zij daarin de gewijde en geheiligde overblijfselen ziet van den door den dood verwoesten tempel van den H. Geest, die echter door de almacht Gods schooner en heerlijker hersteld zal worden. — Moge het diep gevoel van eerbied jegens de afgestorvenen en hunne rustplaatsen , gelijk wij dat in onze moeder de H. Kerk waarnemen, ook ons, hare kinderen, aanzetten om de dooden en de graven altijd naar behooren te eeren.

TOEPASSING.

Het onwrikbaar geloof aan de toekomstige verrijzenis en de daarop steunende vaste hoop, behooren zonder twijfel tot de uitstekende genaden, welke wij aan de katholieke Kerk te danken hebben. Dat geloof en die hoop vergezellen den Katholiek op geheel zijn levensweg, verzoeten elk lijden en elke moeiclijkheid, die hem treffen, entreden ernstig waarschuwend en dreigend hem te gemoet, wanneer hij den engen en steilen doornenweg der deugd verlaten wil, om het breede en aanlokkelijke rozenpad der zonde te bewandelen. — 1) Het geloof en de hoop aan de glorievolle verrijzenis zijn eene onuitputtelijke bron ya.n troost en sterkte in het lijden van dit aardsche leven. — Moge armoede, nood en vernedering, moge verachting, spot en hoon, moge tegenspoed, vervolging en smart uw lot zijn; moge het verlies van tijdelijke goederen, verlies van gezondheid, verlies van vrienden en bloedverwanten u hard vallen, moge zelfs de dood naderen: de troost van den geduldigen Job zal ook uw troost zijn: „ik weet, dat mijn Verlosser leeft, en dat „ik op den jongsten dag weder verrijzen zal.quot; Mijne armoede, mijne geringheid houdt mij niet in het graf terug; ik zal verrijzen; mijne vijanden, benijders en vervolgers

35*

-ocr page 562-

548

zullen mijne verrijzenis geen oogenblik vertragen, „ik weet, „dat mijn Verlosser leeft;quot; mijne tegenwoordige gebreken, mijn lijden en mijne smarten zullen ophouden, en ik zal met mijne oogen Hem zien, die mij tot een beter leven opwekken en al mijne tranen droogen zal. — Ook mijne vrienden zullen opstaan; mijne bloedverwanten, mijne broeders en zusters, mijne lieve ouders zullen opstaan ; want ik weet, dat ook hun Verlosser leeft, en dat Hij ook hen met zich uit het graf zal opvoeren, ik weet, dat ik hen zal wederzien en (ik hoop op God) in de heerlijkheid en in den glans der verheerlijking. In het licht des geloofs aan de verrijzenis achten wij de afgestorvenen niet als verloren, maar gered en ter verheerlijking bewaard. Dit was de troost, welken de H. Paulüs aan de Thessalonicensers gat, opdat zij als Christenen hunne droefheid over de gestorvenen zouden matigen. „Wij willen u, broeders,quot; schrijft hij (1. Thes. IV, 12, 13), „niet in onwetendheid laten aangaande de ontslapenen, opdat gij niet bedroefd zijt gelijk „de overigen, die geen hoop (op de toekomstige glorievolle verrijzenis) „hebben. Want daar wij gelooven, dat Jesus „gestorven en verrezen is, zoo zal ook God hen, die in Jesr.s „ontslapen zijn, met Hem uit het graf voeren.quot; — Dat de hoop op de verrijzenis eene bron is, waaruit de mensch moed en bovennatuurlijke sterkte kan putten, leert dezelfde Apostel in den brief aan de Hebreen (XI, 35—38), waar hij schrijft, dat de Heiligen „om eene betere verrijzenis te „bekomen/1 verbanning, kerker, veelvuldige martelingen en den wreedsten dood ondergaan hebben. Ook de geschiedenis der christelijke Kerk geeft hiervoor voldoende bewijzen. Wat bevolkte de woestijnen van Egypte en de duistere grotten van Palestina, wat de woestijnen en diepe bosschen van het Westen met kluizenaars? Wat riep de ontelbare kloosters in het leven, waar zwakke menschen een engelachtig, hemelsch leven leidden? Wat vervulde de gevangenissen en gerechtshoven , de gerechtsplaatsen en amphiteaters der heidensche dwingelanden met de onversaagde Bloedgetuigen van Christus ? \') Wat gaf aan zoovele millioenen

\') Toen de II. Bloedgetuige wien de wreede beulen gewricht

voor gewricht beide handen en voeten hadden afgezet, die gruwelijke marteling overlevende en zich ten volle bewust, de bloedige ledematen om zich heen zag liggen, beechouwde hij ze met blij gelaat en onbeschrijfelijke teederheid en zeide: »0 gelukkige ledematen, die waardig //zijt bevonden, uwen God te dienen; nooit heb ik u zoo zeer bemind ».als thans, nu gij van mij gescheiden zijt. Voor eene korte poos slechts „zijn wij gescheiden, om onzen Koning in de glorie tegemoet te gaan; „daar wordt gij mij als onsterfelijke leden terug gegeven. Gij zijt /,thans leden van Christus, en ook ik gevoel, dat ik ben ingelijfd in

-ocr page 563-

549

Christenen, van eiken stand, ouderdom en geslacht, de kracht, om voor Christus dag op dag zich zeiven af te sterven? Het was de zekere hoop der zalige verrijzenis.— 2) Wie aan de toekomstige opstanding denkt, zal gewis niet alleen troost en sterkte in tegenspoed vinden, maar ook in den staat van voorspoed en geluk, te midden van de eer en vreugde dezer aarde, zijne ziel van zonden bewaren. Inderdaad, hoe zou hij de vergankelijke goederen en vreugde ongeregeld beminnen, die aan de andere zijde des grafs eeuwige blijdschap wacht ? Hoe kan hem wereldsche luister behagen, die op de toekomstige verheerlijking hoopt? Hoe kan hij zijne oogen, zijne ooren, zijne tong, zijne handen, zijne overige zintuigen en ledematen door zonde or.teeren, die vast gelooft en zeker hoopt, dat zijne oogen den Heer van glorie, de ontelbare scharen van zaligen in den glans der verheerlijking aanschouwen, zijne ooren den eeuwigen lofzang der uitverkorenen hooren zullen, dat zijne tong met het verrukkende „heilig, heilig, heiligquot; zal instemmen, dat al zijne ledematen doorstroomd van onuitsprekelijk geluk, aan de onsterfelijkheid zullen deel hebben ? — Laat ons dan. Christenen, in het geloof en in de hoop der toekomstige verrijzenis al onze ledematen „aan den dienst der gerechtig-„heid ter heiliging (d. i. ter beoefening van heilige en rechtvaardige handelingen) „toewijden;quot; laat ons in het sterfelijk vleesch het leven van Jesus Christus leiden, opdat wij op den grooten dag der verrijzenis en door de geheele eeuwigheid aan de heerlijkheid van zijn verheerlijkt lichaam mogen deelachtig worden.

,Christus.quot; Vervolgens wendde zich de Martelaar tot de aanwezige Heidenen, die, bij het zien van zijne pijnen , tranen van medelijden schreiden. //Mannen,quot; sprak hij, «mannen,\' die dit schouwtooneel bij-/,woont, gelooi\'t mij: het lijden is licht te dragen , als men aan de //toekomstige onsterfelijkheid denkt. Verlaat uwe valsche goden, die //U niet kunnen helpenquot; Met deze woorden gaf hij den geest. Hoe heerlijk zal eens zijne verrijzenis wezen — Hetzelfde wordt verhaald van den H. Jacohus, bijgenaamd de verminkte, üp bevel van den per-zischen koning Isdegerües werd ook hem het eene lid na het andere afgesneden. ïe midden van deze foltering, die negen volle uren duurde, toonde de H Bloedgetuige het heldhaftigste geduld en zeide: «Ga mijn voet, weg mijne hand, weg mijn oog! Ten dage der ver-//rijzenis zal de Schepper u allen terugvinden en tot een schoon geheel «weten te vereenigen. Ik ben een rank van den wijngaard, die Christus z/is. Men besnoeit thans in den strengen winter dien wijngaardrank; //maar de liefelijke lente der verrijzenis zal komen en mijn vleesch tot veen nieuw leven opwekken!quot; (volgens Lohner en ïexier). Hier past ook het treffend voorbeeld van de machabeesche broeders en hunne bewonderenswaardige moeder. (3 Machab. Vil).

-ocr page 564-

550

Twaalfde artikel des geloofs:

„-EVi hel eeuwige levend Wat leert ons het twaalfde artikel der geloofsbelijdenis ?

Het leert ons, 1) dat er na dit leven een ander, eeuwigdurend leven is ; 2) dat de rechtvaardigen daarin eene eeuwige zaligheid zullen smaken.

Met de woorden „het eeuwige levenquot; belijden wij, — 1) in het algemeen (wat reeds bij de leer over de onsterfelijkheid der ziel en de verrijzenis des vleesches bewezen is) het voortleven van de ziel en het lichaam, d. i. van den ge-heelen mensch, na het laatste oordeel. Door deze belijdenis verheffen wij dus, steunende op het geza? van God, plechtig onze stem tegen het onzinnige en goddelooze: „me\'t den „dood is alles uit,quot; verwerpen en veroordeelen wij de schandelijke grondstelling der zinnelijke menschen uit alle eeuwen. Wij belijden door de genoemde woorden — 2) in het bizonder, dat dit voortdurende leven aan de andere zijde des grafs voor de rechtvaardigen een leven is van zalige vreugde in den hemel. En de beliidenis van dit, laatste punt maakt hoofdzakelijk den inhoud uit van het twaalfde geloofsartikel, fnderdaad is „het eeuwige leven,quot; volgens de uitdrukking der H. Schrift, hetzelfde als de eeuwige zaligheid des hemels, welke de rechtvaardigen tot loon hunner goede werken zullen ontvangen. De vraag: wat moet ik doen om zalig te worden, of in den hemel te komen, luidt bij Luc. XVIII, 18: „Wat moet ik „doen om het eeuwige leven te beërven?quot; En; wie ter wille van Jesus alles verlaat, zal zalig, worden, is volgens Matth. XIX , 29 : „hij zal het eeuwige leven bezitten.quot; Aan de rechtvaardigen is de eeuwige zaligheid beloofd, drukt de H. Joannes (1. Br. II, 25) op de volgende wijze uit: „dit is de belofte, welke Hij (Christus) ons gegeven „heeft, het eeuwige leven;quot; en Christus zelf zegt (JlattL XXV, 46) : „De rechtvaardigen zullen gaan in het eeuwige „leven,quot; d. i, in de eeuwige gelukzaligheid. Juist in dien zin schrijft ook de H. Paulus aan de Romeinen (VI, 22): „Vrijgemaakt van de zonde, en Gode dienstbaar gemaakt, „hebt gij uwe vrucht tot heiligmaking, en het einde er va.n „is het eeuwige leven,quot; d. i de eeuwige zaligheid. Ons aller bestemming, het doel, waarop al onze pogingen gericht moeten zijn, en waarop alle werken Gods, zoowel het werk der schepping en der besturing van het heelal

-ocr page 565-

551

alsook en vooral het werk der verlossing en heiligmaking doelen, is niets anders dan onze eeuwige zaligheid in den hemel. „Wat anders toch is ons doel en einde,quot; zegt de H. Augustinus (De civitate Dei), „dan in het rijk te komen, „dat geen einde hebben zal ?quot; Zeer gepast dus is dit artikel het slot van het apostolische Symbolum; het is de sluitsteen van het goddelijk gebouw des geloofs, waarvan de hoeksteen Christus is, waarvan het fundament de Apostelen , waarvan de pilaren de Bisschoppen, waarvan de levende bouwsteenen de geloovigen zijn, waarvan de tinne tot den hemel reikt, en dat in het oneindige zijne voltooiing vindt.

Waarin beslaat de eeuwige zaligheid der recJdvaardigen ?

1) Zij zien God, gelijk Hij is, en zijn met Hem in de innigste liefde vereenigd. 2) Met deze aanschouwing en liefde is het bezit van alle goed, eeuwige vreugde en heerlijkheid en de gemeenschap aller Engelen en Heiligen vet-honden.

De hemelsche zaligheid is onmetelijk; geene menschelijke tong vermag het uit te spreken, geen sterfelijke geest te begriipen, hoe groot, hoe buitengewoon zij is. De Apostel zelf, die tot in den derden hemel werd opgenomen, vond in de taal der menschen geene uitdrukkingen, om de vreugde, welke daar heerscht, te schetsen. Zeer schoon merkt de H. Augustinus aan: \') „Het is gemakkelijker te zeggen, „wat in den hemel niet is, dan wat er is. Daar is geen „dood, geen rouw, geene vermoeienis, geene zwakheid, „geen honger, geen dorst, geene hitte, geene ziekte, geen „gebrek, geene droefheid, geene treurigheid. Ziet dat alles „is daar niet. Wilt gij weten, wat daar is? „„Geen oog

heeft bet gezien, geen oor het gehoord, en in geen hart „„der menschen is het opgekomen ,■ wat God bereid heeft „„voor hen, die Hem beminnen.quot;quot; (1. Cor. 11,19). Neem de zoo geprezen genoegens der wereld tezamen, het geluk van alle aardsche schatten te bezitten, het geluk van waardigheden en eereposten, alle vreugde en genoegens van een wereldsch leven; vermeerder die genoegens honderd-, duizend-, mil-lioenmaal, vermeerder ze zoo dikwijls, als gij wilt en kunt; dat alles komt niet in vergelijking met de oneindige zaligheid des hemels. Vergelijk, gelijk de H. Schrift, de hemelsche vreugde bij een zeer luisterrijk feest, bij een

\') S. III. de Symb. ad Catechum.

-ocr page 566-

552

schitterend, eeuwig feestmaal; gij blijft toch hemelsbreed van de waaiheid af. Noem haar het vrij zijn van alle rampen, de volheid aller goederen: gij hebt nog weinig gezegd. „Niet het bezit van alle goederen tezamen,quot; zegt de H. Augustinus, „maar veel meer, de bron en de oor-„sprong van alle goederen, het bezit van God zeiven, zal „het erfdeel der Heiligen zijn.quot; !)

Zooals uit het gezegde blijkt, bestaat de grootste zaligheid der rechtvaardigen 1) in het bezit van God, d. i. in de klare, duidelijke aanschouwing van God en in de brandende, blijde liefde, welke daaruit voortkomt (Verg. den rom. Katech.). Deze zaligheid alleen is meer dan genoeg, om de heilige zielen geheel te bevredigen, haren dorst naar het hoogste goed volkomen te lesschen, haar in eene onbegrensde zee van hemelsche vreugde te doen baden, en met eeuwigen vrede te kroonen Welk goed toch kan iemand nog verlangen, die God, het hoogste, volmaaktste goed, bezit? — W at de aanschouwing van God aangaat, deze verschilt geheel van de kennis, welke wij hier beneden van God, van zgne oneindige volmaaktheid en schoonheid hebben. „Thans „zien wij (God) door een spiegel in een raadsel, maar dan „van aanschijn tot aanschijn; thans ken ik ten deele,maar „dan zal ik kennen, gelijk ik gekend wordquot; (1 Cor. XII, 13). Dat wil zeggen, thans kennen wij God uit zijne werken, waarin zijne volmaaktheden zich afspiegelen, maar dan zullen wij Hem in zijn wezen zien; thans kennen wij de werken van God alsook God zeiven slechts bij gedeelten.

\') De H. Teresia verhaalt in hare levensbesclirijving (verend. 38), dat het haar eens gegund was, gedurende den tijd van een Ave een blik in het liemelsch Paradijs te werpen. De indruk van dit gezicht vervulde hare ziel met eene groote verachting van alle aardsche vreugde en grootheid. Onmogelijk, schrijft de Heilige, kan een mensch zich een denkbeeld van die hemelsche glorie maken, het licht der zon is duisternis in vergelijking met den glans, die de zaligen omstraalt 7 Als ik op zekeren dagquot; gaat zij voort, ,, door mijne gewone hartkwaal //aangevallen en zeer lijdende was, wilde mij eene dame van hoogen //Stand eenigszins opbeuren. Zij toonde mij tot dat einde hare kleinodiën ,en vooral een bizonder kostbaren diamant. Ik kon echter niet na-//laten, in mij zei ven daarover te lachen, en gevoelde tevens een i/groot medelijden, daar ik zag, wat de wereldiingen al hoogschatten, vdingen waaraan ik onmogelijk zelfs de minste waarde hechten kan «als ik aan de goederen denk, die de Heer ons bewaard heeft.quot; — De inwendige vreugde, waaraan God hier op aarde reeds godvruchtige zielen somtijds deelachtig maakt, is, volgens de woorden van dezelfde Heilige, //slechts een druppel van den groolen, sterken stroom, die ,/Ons in den hemel zal toevloeien.quot; En toch is er op aarde geene zoetere vreugde, dan die van eene ziel. welke door God met hemelsche vertroosting bezocht wordt. Den H. Franciscus Xaverius hoorde men dikwijls uitroepen : //Dit is te veel vreugde. Heer, te veel zalig-„heid in dit leven.quot;

-ocr page 567-

553

maar dan zullen wij met één oogslag zijne geheele oneindige natuur zien op gelijke wijze als God, aan wiens oog niets ontgaat, ons ziet (Vergel. Dl. I. bladz. 4—6). Daar die onmiddellijke aanschouwing van de goddelijke natuur, van Grod, de natuurlijke krachten van alle redelijke schepselen, zelfs van de Cherubijnen en Seraphijnen ver overtreft, wil God in zijne oneindige goedheid ons met het bizondere licht der glorie te hulp komen, opdat wij in zijn glorielicht het eeuwige licht, de goddelijke natuur zouden aanschouwen (Ps. XXXV, 10). Bij het schemerlicht eener lamp kan ons lichamelijk oog slechts weinige, dichtbijzijnde voorwerpen zien: de zon gaat op, en hetzelfde oog ziet den hemel en de aarde wijd en zijd, ziet zelfs de zon in volle pracht. Zoo kan ook het oog der ziel, in de enge grenzen van het lichaam als opgesloten, bij het zwakke licht van het verstand slechts weinig van de werken Gods en van God zei ven kennen; het licht der glorie zal opgaan, en terstond kan de ziel alle werken Gods en God zeiven zien.\') — Uit deze aanschouwende keunis en brandende liefde, uit dit vereenigend bezit van God ontstaat alsdan die wondervolle gelijkvormigheid der ziel met God, waarvan de H. Apostel Joannes spreekt, en welke hij van de aanschouwing Gods afleidt. „Wij weten,quot; zegt hij, „dat wij, „als Hij (God) verschijnen zal. Hem gelijkvormig zullen zijn; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij isquot; (1 Joan, lil, 2). Op dezelfde wijze wordt de dauwdruppel een beeld van de zon, welke hem beschijnt, en het ijzer gelijk aan het vuur, waarvan het doorgloeid is. In dezen zin zegt ook de romeinsche katechismus, „dat wij als het ware gelijk „goden zullen zijn ; daar zij , die de aanschouwing van God „genieten, schoon zij hun eigen wezen behouden, met een „wonderlijke en bijna goddelijke gestalte worden bekleed, „zoodat men hen eer voor goden dan voor menschen zou „houden.quot; Alles, wat tot hiertoe over de zaligheid is gezegd en ooit gezegd kan worden, ligt in dit ééne veelomvattend woord: de uitverkorenen zullen gelukkig zijn, gelijk God zelf, wel niet in dezelfde (oneindige) mate, maar op dezelfde wijze, namelijk door de aanschouwing en liefde

\') De leer, dat de zaligen in den hemel door eene bizondere genaderijke goddelijke werking op hun verstand, welke men het licht der glorie noemt, tot de aanschouwing van de natuur van üod geraken , is geenszins eene ongegronde opvatting. Van de stellingen toch, welke door de algemeenc Kerkvergadering van Vienne verworpen zijn (der Beguaiden en Beguinen), luidt de vijlde als volgt: „De ziel ^behoeft het licht der glorie niet, om tot de aanschouwing en het //zalig genot van God te geraken.quot;

-ocr page 568-

554

der eene wezenliike schoonheid, door welke eeuwige aanschouwing en liefde God zelf gelukzalig is.

Met de aanschouwing en liefde Gods en de daaruit voortkomende zaligheid zijn nog 2) andere heerlijke voorrechten, eeuwige vreugde en heerlijkheid in de gemeenschap van alle Engelen en Heiligen verbonden. Die voorrechten, die vreugde en heerlijkheid zijn als eene toegift van den oneindig milddadigen God, die aan zijne uitverkoren dienaren en vrienden met volle mate vergeldt, wat zij op aarde voor Hem gedaan en geleden hebben. De zaligheid, welke uit het bezit daarvan voortkomt, wordt de bijkomende zaligheid genoemd. Ook deze is zoo veelvuldig en verheven, dat wij bij hare beschouwing ons gedrongen gevoelen, met verwondering en in aanbidding uit te roepen: „Moe veelvuldig is uwe barm-„hartigheid, o God! (Ps. XXXV, 8). Hoe groot en hoe „veel is uwe zoetheid. Heer, die Gij bewaard hebt voor „hen, die U vreezen!quot; (Ps. XXX, 20). „Zij zullen onder „lofgezang naar Sion komen, eeuwige vreugde op hunne „hoofdenquot; (Is. LI, 11), en „zij zullen dronken worden „van den overvloed van uw huis, en met den stroom uwer „vreugde zult Gij hen drenkenquot; (Ps. XXXV, 9), „zij „zullen schijnen als de glans van het firmamentquot; (Dan. XII, 3), en „een heerlijk rijk en eene sierlijke kroon uit „uwe hand ontvangenquot; (Wijsh. V, 17). — Gelijk bier op aarde lijden en tegenspoed, zoo zal ginds den uitverkorenen blijdschap en vreugde toevloeien van alle kanten; blijdschap en vreugde van hun verheerlijkt lichaam; blijdschap en vreugde van de schoonheid en pracht van het hemelscb Jerusalem, dat zij bewonen; blijdschap en vreugde van Jesus, hunnen Heiland en Koning, wiens goddelijk aanschijn zij minnend aanschouwen; blijdschap en vreugde van Maria, hunne Moeder en Koningin, wier onuitsprekelijke schoonheid hen verrukt; blijdschap en vreugde wegens den verheven troon, waarop zij gezeten zijn, van de schitterende kroon, die op hunne hoofden prijkt; blijdschap en vreugde van het lofgezang der hemelsche heirscharen; blijdschap en vreugde van het zien der heerlijkheid hunner zegepralende broeders. Blijdschap en vreugde zal den ouders toestroomen van den luister hunner verheerlijkte kinderen, blijdschap en vreugde den kinderen van de heerlijkheid hunner zalige ouders .... En deze veelvoudige blijdschap en-vreugde zal nog verdubbeld worden door de innigste liefde, welke alle Engelen en Heiligen omvat en de zaligheid van anderen tot de hare maakt. Met recht zegt derhalve de H.Augus-tinus : „Eenieder zal den hemel zoo dikwijls bezitten, als „hij deelgenooten en broeders der zaligheid heeft.quot; — O

-ocr page 569-

555

stad Gods, o hemelsch paradijs, hoe schoon zijt gij, hoe onuitsprekeliik zalig zijn uwe bewoners! Christen, wie gij ook zijn moogt, richt uwen blik ten hemel! Verlangt gij schoonheid? Daar zult gij schitteren als de zon. Verlangt gij eer en rijkdom? „Eer en rijkdom zijn in het huis des „Heerenquot; (Ps. CL, 3). Verlangt gij vrijheid en sterkte? Daar zult gij in vlugheid en kracht den Engelen gelijk zijn. Verlangt gij een jeugdig leven? Daar bloeit eene eeuwige jeugd, Verlangt gij voedsel? Daar zult gij de onzichtbare spijze der Engelen genieten, en uwen dorst lesschen met den beker van onverstoorbare vreugde. Verlangt gij liefelijke muziek? Daar zingen de Engelen en de koren der zaligen het blijde Alleluja. Verlangt gij gezelschap en vriendschap? Daar is de gemeenschap der Heiligen. Alles, alles, wat gij verlangen kunt, en meer, dan gij hier beneden in staat zyt te verlangen, zult gij daar vinden.

Wat de zaligheid der uitverkorenen geheel volmaakt, is het bewustzijn en de onfeilbare kennis, dat de zaligheid\', in welker bezit zij zijn, in hare geheele ongeschonden volheid eeuwig duren zal. Konden de Heiligen ook slechts het minste voorgevoel of de geringste vrees koesteren, dat hun geluk eenmaal zou ophouden, dan ware de hemel voor hen geen hemel meer, daar de gedachte van een goed te verliezen, des te vreeselijker en smartelijker is, naarmate het goed, dat men bezit, grooter is. De zekerheid nu, „een onverstoorbaar erfdeel, eene onverwelkbare kroon van „heerlijkheidquot; (1 Petr. I, 4) te bezitten, is het toppunt van gelukzaligheid voor de bewoners des hemels. „O bron „des levens!quot; roept daarom de H. Augustinus tot God, „wanneer zal ik ingaan in de vreugde van mijnen Heer, „waaruit niemand verwijderd wordt? O wezenlijk zoet, „beminnenswaardig leven! o zalig leven zonder einde! Daar „is de hoogste zekerheid, de zekere rust, de rustige blijdschap, de blijde zoetheid, de zoete eeuwigheid, de eeuwige „zaligheid.quot; \')

\') De godvruchtige overweging van de vreugde des hemels, ja de herinnering daaraan , vervulde vele Heiligen met een onbeschrijfelijk geluk, met een voorsmaak van het paradijs. — Broeder Egidiu\'s, een der gezellen van den seraphijnschen Vader Franciscus, behoefde alleen liet woord ,/paradijsquot; te hooren, om aanstonds als in geestvervoering te geraken. Daarom waren de kinderen gewoon, wanneer zij hem zagen voorbijgaan, te roepen: «Paradijs, broeder Egidius, paradijs!quot; en oogenblikkolijk bleef de man onbewegelijk staan en geraakte in de grootste vervoering.

-ocr page 570-

556

Om tot die overstelpende, eeuwigdurende zaligheid te komen, moet ons geen offer te groot, geene ontbering te hard, geen strijd te heet, geen lijden te zwaar zijn. //De schoonheid en vreugde van het eeuwig //Licht,quot; zegt de H. Augustinus \'). »is zoo groot, dat wij, wanneer j.het ons slechts vergund ware een enkelen dag daarin te verwijlen , //alleen daarvoor ontelbare jaren des levens vol vreugde en in over-,/vloed van alle goederen met recht zouden verachten.quot; »0 mijne ziel 1quot; roept dezellde Leeraar op eene andere plaats uit, «al zoudt gij ook //dagelijks martelpijnen, ja zelfs de pijnen der hel langen tijd moeten //verduren, om Christus in zijne heerlijkheid te zien en onder zijne ^Heiligen geteld te worden, zou dit te veel zijn? Is het niet billijk, //dat wij alle lijden verdragen, om aan zulk een goed en aan zulk «eene glorie deelachtig te worden?\' Wat is ook inderdaad al het lijden dezer wereld in vergelijking met de eeuwige vreugde des hemels? gt;/Ik houde het daarvoor,quot; zegt de Apostel (Rom VIII, 18), //dat liet //lijden van den tegeuwoordigen tijd van geene waarde is bij de toe-//komende heerlijkheid, welke in ons zal geopenbaard worden.quot; Christen! wat doet men niet om zijn tijdelijk, veelal kommervol leven te rekken? Men vlucht en verbergt zich, wanneer het gevaar dreigt; men geeft have en goed prijs, om zich van den dood vrij te koopen ; geen geneesmiddel is te bitter, geene geneeskundige behandeling te pijnlijk, als het er op aankomt, eenige uren langer te leven. En lioe weinig laat men er zich aan gelegen liggen, om het eeuwige, onuitsprekelijk zalige leven te bekomen ? Hoe dikwijls en hoe licht klaagt men over al te groote moeielijkheden ? Het is eene waarheid, dat het rijk der hemelen geweld lijdt, en die geweld doen, nemen het in (Matth. XI, lij); maar waar is het ook, dat de vreugde des hemels de grootste tijdelijke offers en de hoogste inspanning waardig is.

Zullen allen even gelukkig zijn?

Neen, maar „ieder zal zijn loon ontvangen overeenkom-„stig xijnen arbeidquot;, d. i. volgens zijne verdiensten (1. Cor. lil, 8).

De eeuwige zaligheid is een loon; het loon nu beantwoordt aan den arbeid, aan de verdiensten; want „eenieder „zal zijn loon overeenkomstig zijnen arbeid ontvangenquot;; de eeuwige zaligheid is een kampprijs (Phil. Ill, 14); de kampprijs staat echter in de engste verhouding met den strijd, dien men gevoerd heeft; de eeuwige zaligheid is de oogst, die des te rijker uitvalt, hoe rijker de zaaiing was: „wie spaarzaam zaait, hij zal ook spaarzaam maaien, en „wie rijk zaait, hij zal ook rijk maaienquot; (2 Cor. IX, 6). Daar nu, gelijk de rede en de ondervinding leeren, niet allen evenveel voor den hemel doen, niet allen evenzeer en met hetzelfde goed gevolg strijden, niet allen in dezelfde mate zaaien, is het duidelijk, dat ook niet allen hetzelfde loon, niet allen denzelfden zegepalm krijgen, dat de oogst aan de andere zijde des grafs niet voor allen gelijk zal uitvallen, d. i. het is duidelijk, dat er in den hemel ver-

■) De lib. arb. 1. 111, c. 25.

-ocr page 571-

557

schillende trappen of graden van heerlijkheid zijn. Evenals bii de verrijzenis is dus ook in den hemel „anders de glans „der sterren , en de lt;;éne ster verschilt van de andere in „helderheidquot; (1. Cor, XV, 41, 42). Jesus zelf zeide: „in „het huis mijns Vaders zijn vele woningenquot; (Joan. XIV, 2), en Hij wilde ons daardoor, volgens de verklaring van den H. Augustinus en den H. Thomas van Aquine, op de verschillende trappen van hemelsche glorie opmerkzaam maken. — En inderdaad, wie zal het billijk achten, dat een kind, hetwelk terstond na het H. Doopsel gestorven is, denzelfden graad van glorie in den hemel zoude hebben, als de H. Paulus, die jaren lang te midden van zoo groote moeielijk-heden en zooveel strijd, zonder ophouden voor God gewerkt, en zijne pogingen tot verbreiding van den dienst des Heeren met het offer van zijn leven bekroond heeft? Gelijk er dus hier beneden eene verscheidenheid van verdiensten is, zoo is er ook ginds eene verscheidenheid van belooning, hetgeen ons des te minder bevreemden mag, daar wij met het oog des geloofs ook onder de koren der Engelen eene verscheidenheid van glorie waarnemen.

Deze waarheid van, ons geloof moet ons krachtig aanzetten, eiken dag, elk uur, elk oogenblik ten nutte te maken, om de aanschouwing en liefde Gods, alsmede de andere genoegens des hemels in hoogeren graad te verwerven, daar de geringste vermeerdering van hemelsche glorie, als een bovennatuurlijke, onverliesbare schat, van veel grootere waarde is, dan het bezit van alle kroonen en rijken der wereld. Om tijdelijk loon te verdienen , is men dag en nacht in de weer, laat men geene gelegenheid nutteloos voorbijgaan...., hoeveel te meer moeten wij er dan op uit zijn, verdiensten voor den hemel te vergaderen ? Hoeveel te ijveriger daar ons schatten opeen te stapelen , die door roest en mot niet verteerd, door de dieven met opgegraven en gestolen worden? (Matth. VI, 20). — Hieruit kan men afleiden, of de spreekwijze passend is: ;/als ik maar in den hemel kom , ben ^ik reeds tevreden met de laagste plaats.quot; Zou dit de uitdrukking van christelijke bescheidenheid zijn? Van dergelijke bescheidenheid wisten de Heiligen niets, want zij allen streefden naar een hoogeren graad van volmaaktheid en bijgevolg ook van glorie. Wat is zij dus? Zij is, in ernst gesproksn, veeleer een bewijs van lauwheid in den dienst van God, van geringe kennis en liefde Gods, van een zwak verlangen naar de hemelsche goederen en meestal van vrees voor de hel. die men met weinig moeite hoopt te ontkomen \').

Zullen, dus mag men ten slotte vragen , aangenomen de verscheidenheid van heerlijkheid, die Heiligen, die op een lageren trap van

\') Nadat de H. Teresia door goddelijke openbaring geleerd had, hoe groot quot;do verscheidenheid van de glorie en zaligheid in den hemel is, aarzelde zij niet te zeggen ; „zoude men mij do keuze laten, om of (-tot aan het einde der wereld alle bedenkelijke smarten te lijden, ten-,einde een meer verheven graad van heerlijkheid te verkrijgen,of wel „zonder eenige moeite en bezwaar een onbeduidend geringeren te be-,zitten, dan zoude ik van ganscher harte aan het eerste de voorkeur «geven.quot;

-ocr page 572-

558

glorie staan, minder volmaakt tevreden zijn, dan zij, die een lioogerer. bereikt hebben? Op deze vraag antwoordt de H. Augustinus in het 22s\'e boek van de stad Gods (30-te hoofdst.i zeer schoon en bondig; «Die heilige stad (de hemel) zal ook dit groot geluk bevatten, dat //iemand, die in mindere glorie prijkt, hem niet benijden zal, die „tot eene hoogere glorie werd verheven; evenmin als de Engelen thans ./de Aartsengelen benijden.... Ieder zal daar zijne gave, deze de /grootere, gene de geringere, zoodanig bezitten, dat hij ook de gave »zal bezitten, geene grootere te verlangenquot; !).

Hel.

JFai zal het eeuwige leven voor de goddeloozen zijn?

Het zal een leven zijn zonder genade en vreugde, een leven van smarten in de hel, welke volgens de uitspraak van Jesus Christus een onuitbluschbaar vuur is, waarin eeuwig geween en geknars der tanden wezen zal.

Ziel en lichaam van de verrezen goddeloozen, door Gods almacht hereenigd, leven eeuwig. Dat leven is echter van dien aard, dat de H. Schrift zelve het als den tweeden dood aangeeft. „Voor de laffen en ongeloovigenquot;, staat er in de Openb. XXI, 8, „voor de snooden en de moordenaars en „de ontuchtigen en de toovenaars en de afgodendienaars en „alle leugenaars — hun deel zal zijn in den brandenden „poel van vuur en zwavel, hetwelk is de tweede dood.\'\' Inderdaad is de ziel der goddeloozen ginds zonder eenige vreugde over een of ander goed, zonder eenige vrije neiging tot het goed, in het kwaad verhard, en van de heiligma-kende genade, als ook van het ware bovennatuurlijke leven , voor altijd berooid. Het lichaam daarenboven gevoelt ieder oogenblik onvergelijkelijk grootere smarten, dan de smarten van den eersten dood. — De plaats, waar de verdoemde

\') Hoe in den hemel bij de grootste verscheidenheid van glorie toch de volmaaktste tevredenheid heerscht en onverstoorbare zaligheid da uitverkoren zielen vervult, verklaart de H. Franciscus van Sales door eene schoone gelijkenis. „Een vader,quot; schrijft hij, „heeft twee zonet.; fde eene is een kleine knaap; de andere een sterke jongeling van „groote gestalte. De vader laat voor beiden tot teeken zijner liefce «.een nieuw prachtig kleed van kostbare goudstof maken. Beiden ./zullen tevreden zijn, beiden hebben hetzelfde bewijs van huns vaders //welwillendheid bekomen. Het kleed van den volwassen zoon zal „wel driemaal zooveel goudstof, driemaal zoo veel waarde hebben, „als het kleed van den anderen; wie kan het ontkennen? Vraag aan «.het knaapje, of het zijn kleed met dat van zijnen broeder verwisselen „wil; hij zal neen zeggen; het grootere kleed kan hij niet eens dragen; „het zijne is hem van pas, het is even schoon.quot;

-ocr page 573-

559

gedurende de geheele eeuwigheid duizenderlei doodspijnen verduurt, zonder te kunnen sterven, is de 4«/. Deze plaats noemt Jesus Christus zelf „eene plaats van pijnquot; (Luc. XVI, 18); „de eeuwige pijnen, d. i. eene plaats van eeu-„wige pijn (Matth. XXV, 46); „de uiterste duisternisquot;, d. i. eene plaats, waar den verdoemde, die buiten het eeuwige licht gesloten is, ondoordringbare duisternis omgeeft (Matth. ViJI, 12); „een onuitbluschbaar vuur;quot; „een vuuroven, waar geween en geknars der tanden ziji! „zal,\'\' d. i. een verblijf, waar eeuwig vuur den verdoemde pijnigt, en met voortdurende smarten en vertwijfeling vervult. (Matth. XJI, 50; Marc. IX, 44).

Ifie wordt tot de straffen der hel veroordeeld?

Eenieder, die in vijandschap met God, d. i. in doodzonde sterft.

De staat van doodzonde is een staat van vijandschap met God; want de doodzonde is eene verachting van God, eefi opstand tegen God, eene misdadige losscheuring van God, op het voorbeeld van den satan. „Wie zonde doet,quot; zegt daarom de H. Joannes (1. Br. III, 8), „hij is uit den „duivel (d. i. hij is een verachter van God, een oproermaker tegen God, een vijand van God, gelijk de duivel), „want de duivel zondigt van deu beginne;quot; hij heeft, volgens de woorden van Christus, „den duivel tot vader en „doet volgens zijne lustenquot; (Joan. VIII, 44); hij is een slaaf van den duivel, wiens wil kij volbrengt (2. Petr. 11, 19). De zondaar bekomt derhalve ook de straf van den duivel, het erfdeel en het loon van den duivel, „het eeuwige vuur, „hetwelk voor den duivel en zijne engelen is bereidquot; (Matth. XXV, 41).

Welke straffen zullen de verdoemden lijden?

1) Onuitsprekelijke troosteloosheid en vertwijfeling, omdat zij God en den hemel door eigen schuld verloren hebben; — 2) de ondragelijkste folteringen en pijnen ia het hatelijkste gezelschap der duivelen, en wel zonder leniging en einde; want „hun worm sterft niet en het vuur „dooft niet uit.quot;

Gelijk de uitverkorenen in den hemel onuitsprekelijk gelukkig zijn door het volle genot van alle goederen en door de afwezigheid van alle rampen; zoo zijn de verdoemden onbeschrijlelijk ongelukkig door het gemis van alle goed en door de overmaat van alle bedenkelijk kwaad. Verloren

-ocr page 574-

560

zlin voor hen de aardsche schatten, welke zij met zooveel inspanning verzameld, verloren de eerposten, naar welke zii zoo hartstochtelijk gestreefd, verloren de vrienden en begunstigers, om wie zij zooveel moeite zich getroost hebben ; voorbij zijn de dartele vreugde en de schitterende feesten, met welke hun leven als in bedwelming voorbijvloog (verg. Wijsh. V, 1—15). — Nog smartelijker, dan het verlies dezer aardsche goederen, gevoelen de verdoemden het verlies van de goederen der genade, wier onschatbare waarde zij thans wel, maar te laat kennen. Voor hen is er geene verlichting, geene opbeuring, voor hen heeft Christus, hebben zijne heilige wonden, heeft zijn kostbaar bloed, aan het kruis vergoten, slechts schrik en vertwijfeling. Met ontzetting denken zij aan de ontelbare genaden , die zij misbruikt, aan de middelen van heiliging, die zij snood van de hand gewezen hebben, aan de tijden van buitengewone bezoeking, die vruchteloos voor hen zijn voorbijgaan. — Veel grooter smart grijpt de verdoemden aan bij de gedachte aan de verloren vreugde van den hemel. Nooit zullen de onge-lukkigen de schoonheid en den luister van de stad Gods, van het hemelsch Jerusalem aanschouwen; nooit de eer genieten, medeburgers der Heiligen en huisgenooten van God te zijn, nooit deelnemen aan het luisterrijke bruiloftsfeest van het Lam, aan de vreugdemalen van den Koning der koningen; nooit zich verlustigen in den zonneglans hunner verheerlijkte broeders, aan de vreugdezangen der zalige scharen. Al deze smartvolle verliezen zouden evenwel den verdoemden nog dragelijk schijnen, indien zij God niet verloren hadden; God, het hoogste, onmetelijke, onbegrensde goed; God, de oneindige, onuitputtelijke bron van alle goederen, de hoogste, verrukkelijkste schoonheid; God, tot wiens aanschouwing en bezit ook zij geschapen en geroepen waren; God tot wien zij zich, als hun laatste einde, van nature met on weder stam bare kracht getrokken gevoelen; dien God verloren te hebben, eeuwig van Hem verstoeten te zijn, dat is het, wat de grootste vertwijfeling, het wezen der hel uitmaakt, — Bij al deze onherstelbare verliezen komt nog de overmaat van alle bedenkelijk lijden; lijden door den vreeselijken kerker, waarin zij opgesloten zijn; lijden door het helsche vuur. hetwelk hen doorgloe\'.t, zonder hen te verteren (Luc. XVI, 22—24); lijden door het afschuwelijk gezelschap der duivelen en verdoemden, die zonder ophouden huilen, van woede grijnzen, door vloeken en ver-wenschmgen, door bitter spot- en hoongelach de smart hunner strafgenooten verhoogen. Wie vermag te schetsen, welke smart zij uitstaan door den worm, die onophoudelijk aan

-ocr page 575-

561

hun hart knaagt, door die pijnbank van hun oproerig ge weten ? Lang genoeg hebben zij die stern gesmoordthans verheft zij zich oavermijdelijk met altijd nieuwe woede tegen de verdoemden. Het geweten zal hen herinneren aan dat onrechtvaardige goed, dat zij genomen; aan dien haat welken zij jaren lang gedragen; aan die schandelijke wraak, welke zij geoefend; aan die gevaarlijke gezelschappen , waarin zij zich begeven ; aan die lage hartstochten, welke zij gediend hebben; „was het billijk,quot; zal het hun gedurig toeroepen, „was het billijk voor zulke verachteliike dingen de schatten „des hemels op te offeren? Was het rechtvaardig, om „eenige onzuivere oogslagen zich van de aanschouwing van „God te berooven? Was het billijk, voor een oogeuschijnliik „genoegen zich in dit onuitbluschbaar vuur te storten ? Gij „dwaas! thans zijt gij verdoemd, onherroepelijk verdoemd, „met recht verdoemd, omdat gij het zelf gewild hebt. Vloek „thans uwe lichtzinnigheid; vloek uwe lauwheid, uwe ontrouw „jegens de inspraken van God; vloek uw ongeloof, uwe „goddeloosheid, uw woest leven, vloek die gezelschappen., „die u het verzet leerden, die kennissen, die u gelegenheid „daartoe gaven, die verderfelijke boeken, die het begin van „uwen ondergang waren, vervloek uwe geschandvlekte zin-„tuigen...; het is te laat, gij zijt verdoemd, gij zijt door „eigen schuld verdoemd, gij zijt verdoemd in alle eeuwig-„heid.quot; — O eeuwigheid! eeuwigheid! schrikkelijk woord voor den verworpeling. Eeuwig zal hij alle goed missen; eeuwig prijsgegeven zijn aan ontelbare, onbeschrijfelijke smarten, eeuwig zonder troost, eeuwig zonder leniging, eeuwig zonder hoop, eeuwig zonder hemel, eeuwig zonder-God, in den helschen gloed huilen en wanhopen. Eeuwen mogen voorbijgaan, zoo talrijk als bladeren aan de boomen, als stofjes in de lucht, als waterdruppelen in alle vloeden , zeeën en meeren; de eeuwigheid is voor de verworpelingen pas begonnen. Laat dit onuitsprekelijk getal van eeuwen millioenenmalen zich vermenigvuldigen, de eeuwige pijn is pas begonnen; zij is begonnen, om nooit meer te eindigen. Deze vreeselijke gedachte der eeuwigheid zal altijd den verdoemde voor den geest zweven, en elk oogenblik de geheele zwaarte der eindelooze pijnen van de hel op zijne wanhopende ziel werpen. O Christen, „vreeselijk is bette „vallen in de handen van den levenden Godquot; (Hebr. X, 31). i)

\') Ofschoon de vraag, of het vuur, waarvan de Zaligmaker op de aangevoerde plaats (Luc. XVI) spreekt, een werkelijk, stoffelijk vuur is, of wel dat men daaronder alleen een vuur in figuurlijken zin, namelijk den gewetensangst en andere inwendige of uitwendige smar-

DIHABBE, GELOOFSLEER. If. S\'le DRUK. 30

-ocr page 576-

562

Waaruit weten wij, dat de straf en der verdoemden teimig zijn.

1) Uit de duidelijke getuigenissen van Christus en de Apostelen. De eeuwigheid der helsche straffen werd reeds

ten verstaan moet, tot nu toe door de Kerk niet uitdrukkelijk is uitgemaakt, zou het toch vermetel zijn, wanneer men, tegen het gevoelen der meest ervaren Godgeleerden in, durfde lecren, dat het woord „vuurquot; alleen in den oneigenlijken of figuurlijken zin moet verstaan worden. Want het is een vaste, algemeen aangenomen regel, dat men de woorden der H. Schrift in den eigenlijken zin moet verklaren , wanneer zij, wat hier het geval is, geene tegenspraak of ongerijmdheid bevatten, en bovendien wordt het woord ,vuurquot; door Christus bij de plechtige uitspraak van het laatste oordeel tevens in zulke omstandigheden gebezigd, dat iedere oneigenlijke of figuurlijke spreekwijze als onaannemelijk en onwaarschijnlijk wordt uitgesloten; daarom heeft men alle reden om met den H. Augustinus (De civitate Dei XXI: 10) aan te nemen, dat de verdoemden, zelfs vóór de hereeniging met hun lichaam, «ofsclioon op eene wonderbare wijze, inderdaad door een „stoffelijk vuur kunnen gepijnigd worden, daar de zielen der menschen, „die toch zeker onstoffelijk zijn, ook dan in stoffelijke ledematen zijn //ingesloten en eenmaal (bij de verrijzenis) weder met het lichaam „door onverbreekbare banden vereenigd worden.quot; In ieder geval moet men aannemen, dat de verdoemden niet slechts de pijn van verlies, maar ook de pijn van gevoel lijden, en dat na de verrijzenis ook de lichamen gepijnigd worden.

De ernstige\' overweging van de straffen der hel is zeer geschikt zelfs de verstoktste zondaars te verterderen en tot oprechte boetvaardigheid en bekeering te brengen — Pater Stöger S. J. verhaalt in zijn uitmuntend werk: „Die Himmelskrone,quot; het volgende merkwaardig voorval. rEen aanzienlijk heer werd doodelijk ziek maar wilde van „eene christelijke voorbereiding tot den dood, van het spreken eener „biecht en het ontvangen der laatste Teerspijze niets weten, ja zelfs „niet toestaan, dat men een priester bij zijn ziekbed riep. Zijne edel-„moedige , christelijke echtgenoote ging de gevaarlijke toestand van „haren echtgenoot zeer ter harte. Zij overviel hem onophoudelijk met „de bede, dat hij toch zou toestaan, dat een geestelijke hem bezocht. „Om van het lastig aanhouden zijner vrouw bevrijd te zijn, willigde „de zieke eindelijk in, maar onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat „de geestelijke geen woord van de biecht zou spreken. — De priester „werd binnengeleid en plaatste zich in do nabijheid van den zieke. „Als hij langen tijd ernstig, zonder spreken staan bleef, vroeg deze „hem: „Zeg mij, wat denkt gij bij u zeiven?quot; De priester antwoordde: „wanneer het geoorloofd is zal ik het oprecht zeggen. Ik dacht daar „bij mij zeiven: o God, welke verandering zal spoedig met deze kranke „plaats grijpen! Thans in eene prachtige kamer, en, als hij zoo zon-„der teeken van het Christendom sterft, weldra in de eeuwige duis-„ternis; thans in het gezelschap van eene edelmoedige gemalin en „goede kinderen en spoedig in het gezelschap der verworpelingen; „thans op een zacht bed en misschien binnen weinige uren in het „vuur der helquot; Hier viel de zieke hem in de rede met de woorden; jhelp mij, ik wil mij met God verzoenen en als Christen sterven.quot; — Een ander voorbeeld ontleenen wij aan de levensbeschrijving van den ijverigen Priester en Kissionaris Brydayne. In de missie, welke hij te Aix gaf, gebeurde het volgende. Brydayne had juist aan tafel plaats genomen, toen een bejaard officier zichtbaar aangedaan de eetkamer binnenstormde en verlangde den missionaris te spreken. „Volg mij,quot; sprak hij op gebiedenden toon tot Brydayne, „ik heb u

-ocr page 577-

563

door de Profeten, onder anderen door Isaias (XXXII, 14), Daniël (XII, 2) en den grootsten der Profeten, door Joannes den Dooper (Matth. Ill, 12) op ondubbelzinnige wijze verkondigd. Wij beroepen ons slechts op het getuigenis van Christus en de Apostelen, wier woerden zoo duidelijk zijn, dat iedere ernstige tegenwerping wordt afgesneden. Bij Marcus (IX, 42—47) herhaalt Christus tot drie malen toe de leer van de eeuwige straffen der hel. „Het is beter,\'\' zegt Hij, „verminkt... kreupel... met „één oog tot het eeuwig leven in te gaan, dau twee han-„den . . . twee voeten ... twee oogen te hebben, en geworpen „te worden in de hel, in het onuitbluschbaar vuur, waar „de worm niet sterft.quot; Even duidelijk en bepaald is dezelfde leer vervat in de rechterlijke uitspraak, welke Jesus volgens zijn eigen getuigenis, bij het laatste oordeel doen zal. „Gaat van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur,quot; zegt de Hechter der wereld tot de boozen. —„en zij zullen „ingaan in de eeuwige pijnquot; (Matth XXV, 41,46). Aan diegenen, die uit deze plaats der Schrift (v. 46) wel een eindeloos leven van belooning, maar geen eindeloos leven van straf willen afleiden, antwoordt de H. Augustinus (Stad Gods. XXI, hoofdst. 23): „Waaruit kan men met „eenigen grond besluiten, dat de eeuwige straffen slechts „langdurend zullen zijn en het eeuwige leven eindeloos zal „wezen: daar Christus op dezelfde plaats en in een en „dezelfde uitspraak beiden tezamen vat, zeggende: „En deze „zullen ingaan in de eeuwige pijn, maar de rechtvaardigen

//in vertrouwen een paar woorden te zeggen.quot; Hierop greep hij zijne hand, drukte ze stevig en Jeidde hem mei zich mede naar eene zijkamer. Daar gekomen sloot hij de deur, wierp zijn hoed ter zijde en trok zijn degen. Bij dit gezicht werd het den missionaris vreemd om het hart; weldra was hij echter van alle bekommernis ontheven, als de officier onder heete tranen aan zijne voeten nedorviel en zeido : //Pater Brydayne, ik wil biechten , maar terstond , anders „weet ik niet, wat er van mij geworden zal Ik ben mijlen ver //gekomen; sinds ik uwe predikatie over de hel gehoord heb, kan ik jhet niet langer uithouden ; mijn geweten is een beul, die mij dag ,;en nacht geen rust laat. Ik bid u verlaat deze kamer niet, alvorens //gij mij dien last van het hart genomen hebt.quot; Ue missionaris, zeer getroffen door dit aandoenlijk schouwspel, omarmde den boetvaardige, hoorde aanstonds zijne biecht en verzoende hem met God. Bij het afscheid smeekte de officier zijnen biechtvader om vergeving voor den veroorzaakten schrik en voegde er bij; „Ik sidderde zoozeer van angst, //dat de dood mij in den toestand, waarin ik mij bevond, wegrukken „en de hel mij inzwelgen zou; geloof mij, wanneer men zulke vij-„anden op de hielen heeft en naar hen omziet, dan kan men niet „rustig blijven, al heeft men een hart, zoo hard als staal.quot; Na verloop van zes maanden, in strenge boetvaardigheid en oprechte tranen van berouw doorgebracht, stierf de bekeerde een zeer stichtenden dood (Carron, vie de Brydayne).

36*

-ocr page 578-

564

„in het eeuwige leven quot; — Niet minder duidelijk is deze leer ook door de Apostelen uitgesproken. De [1. Paulus schrijft aan de Thessalonicensers (2. Br. 1, 8, 9): God neemt wraak aan de goddeloozen „in vuurvlammen;quot; zij „zullen met den „eeuwigen ondergang gestraft worden.\'\' Insgelijks zegt de Apostel Judas van de verworpelingen, „dat zij de straffen „van het eeuwige vuur lijdenquot; (Jud. I, 7), en de H. Joannes (Openb. XX, 10; XIV, 21), dat zij „in een vuur-„en zwavelpoel gepijnigd worden, dag en nacht in alle „eeuwigheid,quot; en dat „de rook hunner pijniging opstijgen „zal in alle eeuwigheid.quot;

2) Uit de uitdrukkelijke leer der onfeilbare Kerk, welke de dwaling, dat aan de straffen der duivelen en der verdoemden eens een einde zal komen, plechtig veroordeeld heeft. — De leer der HH. Vaders met betrekking tot de eeuwige straffen der hel is zoo bepaald en eenparig , dat het de grootste dwaasheid zou wezen, haar in twijfel te trekken. Reeds de oudste Vaders en Schriftuitleggers drukken zich hierover zeer duidelijk uit. Zoo Paus Clemens, een leerling der Apostelen, Justinus, Ireneus, Tertullianus, Mi-nutius Felix, Cyprianus \') en anderen. Zeer belangrijk is ook het getuigenis, dat de H. Bisschop Polycarpus, een leerling der Apostelen, aangaande den eindeloozen duur van het vuur der hel aflegt. Als namelijk de heidensche rechter hem met den vuurdood dreigde, antwoordde de heilige grijsaard: „Gij dreigt mij met een vuur, hetwelk „slechts korten tijd brandt en dan uitgaat; maar gij kent „het toekomende oordeel en het eeuwige vuur niet, hetwelk „de goddelijke rechtvaardigheid voor de goddeloozen ontstoken heeft.quot; — Deze leer, welke ook in de geloofsbelijdenis van Athanasius is opgenomen, was de geheele Kerk toegedaan in de algemeene Kerkvergadering van Laterane IV, en in die van Trente (Zitt. VI, Can. 2o;Zitt. XIV, Can. 5), en de tegenovergestelde leer van Origenes werd reeds in de vijfde algemeene Kerkvergadering veroordeeld. Eenieder herhale dus zeer dikwijls, vooral ten tijde van hevige bekoringen, de woorden van den H. Maximus, die onder Keizer Decius voor het geloof geleden heeft: „wan-„neer ik tegen de geboden des Heeren handel, dan wachten „mij eindelooze pijnen.quot; 2)

\') Clem. ap. Joan. Damasc. in Eclogis; Justin. Apol. I: en II: Ireneus adv. Xiaeres. 1. II, c. 4(J; Tertul. Apol. n. 46; Minut. Üctav. n. 45 ; Cypr. ad Demetr.

-) De Kluizenaar Martiniaan had reeds vijf en twintig jaren in de grootste strengheden doorgebracht, en was om zijne heiligheid heinde en verre bekend. Zekeren keer bediende zich de vijand der

-ocr page 579-

565

Vraagt men de reden, waarom God de zonde eeuwig straft, dan is het antwoord: Hij straft haar eeuwig, omdat Hij oneindig rechtvaardig, heilig en wijs is. 1) God is oneindig rechtvaardig. Tengevolge dezer volmaaktheid straft hij de zonde, gelijk zij verdient (Verg. D. 1. bladz. 223). a.) Daar de doodzonde, inzoover zij eene grove heleediging van den Allerhoogste, eene opzettelijke verachting zijner goddelijke majesteit in zich sluit, eene oneindige misdaad is, verdient zij ook eene in zeker opzicht oneindige straf. Dewijl nu aan een eindig, heperkt wezen geene straf kan worden toegedeeld, welke onbeperkt, oneindig is volgens hare hevigheid, zoo moet zij oneindig zijn van duur, d. i. zij moet eeuwig, zonder einde zijn. Deze oneindige strafplichtigheid blijkt ook reeds hieruit, dat Jesus Christus, om voor ons volledige voldoening te geven den kruisdood ondergaan, en zoo aan zijn hemelschen Vader oneindige voldoening gebracht heeft; verdiende de zonde geene oneindige straf, dan ware er ook geene oneindige voldoening noodig geweest. ■— 6.) De rechtvaardigheid en billijkheid eener eeuwige straf blijkt verder ook hieruit, dat de zonde in den verdoemde, wel niet als vrijwillige daad, maar toch als een uit eene vrijwillige zonde voortkomende toestand eeuwig blijft; niets is alzoo billijker, dan dat de zonde, welke eeuwig duurt, ook eeuwig worde gestraft. \') Werkelijk gaat de mensch, die in staat van doodzonde uit dit leven scheidt, de eeuwigheid binnen, waar geene bekeering, geen terugkeeren tot God meer plaats heeft, waar de wil van den zondaar in de boosheid als verhard en evenzeer op het oogen-blik van zijn verscheiden als in de geheele eeuwigheid van God,\'\'zijn laatste einde, afgekeerd blijft. Gevoelt de zondaar spijt, zonde bedreven te hebben, dit geschiedt niet om God, maar alleen om de straf, die hij lijden moet. De zondaar haat veeleer God als zijnen vijand en bestraffer, en denkt er nooit aan, dien haat af te leggen. //Zoo «lang het lichaam in de vlammen blijft, zoo lang volhardt zijn wil //in de boosheid,quot; zegt de H. Bernardus. -) /,Zegt dus niet,quot; schrijft Paus Innocentius HI, (in het boek over de verachting der wereld), „God zal niet eeuwig gramstorig zijn, zijne barmhartigheid strekt //zich uit over alles; de mensch heeft in den tijd gezondigd. God zal ,dus niet eeuwig straffen. Dwaze hoop, ijdele waan! Er is geene //verlossing uit de hel; want het kwaad zal als neiging blijven, of-//Schoon het als daad niet meer kan voltrokken worden.quot; — 2) God is heilig en uit kracht van zijne oneindige heiligheid haat Hij de zonde, en gewis niet minder, dan Hij het goede bemint. Indien de liefde voor het goed God dwingt, om het eeuwig te beloonen, zal de haat jegens de zonde Hem ook dwingen, haar eeuwig te straffen, en dit te meer, dewijl het kwaad in zich meer straf verdient, dan het goed belooning, daar de mensch verplicht zou wezen het goed te doen, ook wanneer God het onbeloond wilde laten. Daarom is de mensch strafwaardig, zoo dikwijls hij de geboden\'Gods overtreedt; onderhoudt hij ze echter, dan doet hij zijnen plicht en mag slechts inzoover loon verwachten, als God hem in zijne oneindige liefde dit beloofd heeft.—•

zaligheid van eene schaamtelooze vrouw, om, ware het mogelijk, hem tot val te brengen. De bekoring greep den dienaar Gods hevig aan. Hij ontstak plotseling een vuur, en ging daarin met zijne ontbloote voeten zitten. Bij de vreeselijkste smart, welke hij ontwaarde, riep hij uit; ,/Ach! wanneer ik een zoo licht vuur niet kan uitstaan, hoe //Zal ik dan het vuur der Lel verdragen, waarin ik zal geworpen worgden, als ik onder de bekoring bezwijk?quot; Op deze wijze behaalde hij de overwinning. — Wapenen wij ons in de bekoring tenminste met de gedachte aan de hel; want //de herinnering aan de hol behoedt //voor de hel,quot; zegt de H. Chrysostomus.

1) S. Thom. C. Gent. 1. Ill: c. 144.

2) De grat. et lib. arbr. c. 9.

-ocr page 580-

566

3) God is een oneindig wijs wetgever en bestuurder der mensolien. Wat nu is der wijsheid van eenen wetgever en bestuurder meer eigen, dan de nakoming zijner geboden en voorscliriften niet slechts door belofte van belooning, maar ook door bedreiging van straf en, waar liet noodig is, zelfs van de strengste straffen te vorderen en te verzekeren? Moest dus God niet eveneens voldoende straffen vaststellen, opdat wij ons krachtig zouden voelen aangespoord, in alle gevallen, ook in het verborgene, de overtreding zijner wet te vermijden? Dit doel nu zou God niet bereikt hebben, wanneer Hij wel eene eeuwige bëfboning voor het goede, maar slechts eene tijdelijke straf voor het kwaad vastgesteld en daarmede bedreigd had. Immers de goederen der wereld zijn dikwijls zoo aantrekkelijk en het zingenot zoo aanlokkelijk , dat de altijd tot het kwaad geneigde mensch zich zeer gemakkelijk boven de vrees voor tijdelijke straffen verheft, vooral als hij slechts in de duisternis des geloofs en als uit de verte ziet. De lichtzinnigheid, waarmede men met opzet dagelijksche zonden bedrijft, welke toch zulke zware en langdurige tijdelijke straffen na zich slepen, bewijst het gezegde voldoende. //Ais er,quot; zegt de H. Chrysostomus (Hom. XV: over I Timoth.), //terwijl de vrees ons doet //Sidderen, nochtans velen gevonden worden, die zoo onbezonnen //Zondigen, alsof er geene hel bestond, welke misdaden zouden dan //niet begaan worden, wanneer ons daarvan niets geopenbaard ware ? vEn zoo toont ons dus, gelijk ik meermalen zeide,quot; voegt dezelfde Kerkleeraar er bij, //de hel evenzeer als de hemel de liefde en wijsheid //van God. De hel werkt den hemel in de hand, daar zij den mensch //door vrees er heen drijft. Verre zij dus van ons de gedachte, dat /,de hel een werk van te groote gestrengheid en wreedheid is; zij is «het werk van groote gunst en menschlievendheid, van vaderlijke «zorg en liefde van God tot ons.quot; Om ons des te zekerder den hemel binnen te leiden, heeft God aan het tegenovergestelde einde van den weg de eeuwige hel ontstoken en ons geen uitweg gelaten.

Zullen alle verdoemden evenveel lijden?

Neen; maar eenieder zal lijden volgens de maat zijner zonden en volgens het misbruik der aan hem verleende genade.

Over de verschillende maat der helsche straffen kan evenmin twijfel bestaan, als over de verschillende graden der hemelsche vreugde. De piinen der hel zijn straffen; zij moeten dus geëvenredigd zijn aan de zonden van eenieder. Hoe talrijker de zonden van den mensch, hoe zwaarder zij uit haren aard en door de boosheid van den zondigen wil zijn, des te grooter en gevoeliger zullen ook de straffen wezen. Dit vordert de goddelijke rechtvaardigheid. Daarom gelden voor iederen verdoemde de woorden der geheime Openbaring (XVIII, 7): „Geef haar (de stad van Babyion) „even groote smart en kwelling, als zij zich verheerlijkt en „in lusten geleefd heeft.quot; — De boosheid van den zondaar hangt evenwel niet alleen af van het getal en het soort dei-zonden , maar ook van de mate van genade, welke hij ontvangen heeft, om de straffen er van te kennen en ze met afschuw van zich te wijzen. Iedere onderdrukte ingeving van dien aard, iedere vruchtelooze verlichting en opwekking ,

-ocr page 581-

567

iedere versmade leering, vermaning, waarschuwing van ouders, zielzorgers .. .., elk te vergeefs aangeboden of lichtvaardig misbruikt genademiddel draagt er toe bij, om de pijnen dei-hel te vermeerderen. Want „van eenieder, wien veel is „gegeven, zal veel worden gevorderdquot; (Luc. XII, 48). Wie van God meer ontvangen en het ontvangene verkwist heeft, moet aan de goddelijke rechtvaardigheid door het lijden van straf meerdere vergoeding geven. Daarom zegt ook de H. Petrus van hen, die deu weg der zaligheid gekend en bewandeld hebben, maar daarvan afwijken, „dat „het voor hen beter ware geweest, wanneer zij den weg „van gerechtigheid niet gekend hadden, dan na dien gekend „te hebben, weder af te wijken van bet heilig gebod, dat „hun gegeven isquot; (2 Petr, II, 21). — Daar het dus zeker is, dat de pijn der verdoemden verschillend is, mag men niet gelooven, dat allen, die het ongeluk hebben met den rijken vrek in den helschen vuurpoel begraven te worden, in gelijke mate door het vuur zullen gepijnigd wordön. Volgens het gevoelen van den H. Augustinus „is het niet „te ontkennen, dat dit eeuwig vuur, naar gelang der zonden „van de boezen, den eenen meer, den anderen minder zal „pijnigen, hetzij dat zijn gloed zich naar de verdiende „straffen van eenieder richte, of wel, dat het op gelijke „wijze brande , en slechts de pijn daarvan op ongelijke wijze „gevoeld wordequot; (Stad Gods XXI, h. 16).

Worden allen, die verloren gaan, door hunne eigen schild verdoemd?

Ja, want alle menschen kunnen zalig worden, wanneer zij slechts de overvloedige genaden, welke God hun geeft, willen gebruiken.

Alle menschen zijn geschapen, opdat zij God kennen, beminnen, Hem dienen en daardoor zalig worden De dwaling van Calvijn, in strijd met deze hoofdwaarheid dei-christelijke zedeleer, namelijk dat God eenigen tot het kwaad en bijgevolg, zonder te zien naar de schuld van hunnen kant, tot de eeuwige verdoemenis voorbestemd heeft, is niet eerst in de Kerkvergadering van Trente (Zitt. VI, can. 17), maar reeds eeuwen tevoren in de Kerkvergadering van Oranje can. 25 zeer duidelijk verworpen.

„Niet slechts gelooven wij niet,quot; zoo spraken de Vaders van de laatstgenoemde Kerkvergadering, „dat eenigen door „goddelijk geweld tot het kwaad voorbestemd zijn; maar „wij slaan ook allen, welke iets zoo rampzaligs gelooven, „in den ban.1\' „De almachtige God wilquot; zegt verder de

-ocr page 582-

568

Kerkvergadering van Chiersij (wélke in het jaar 849 onder het voorzitterschap van den Bisschop Hincmarus werd gehouden), „dat alle menschen zonder uitzondering zalig „kunnen worden, hoewel niet allen het worden. Dat nu „eenigen gered worden, is eene genadegaaf van den reddenden „(God) en dat anderen ten gronde gaan, is hun eigen „schuld,quot; De Apostel Paulus schreef aan zijn leerling Timotheus (1. Br. II, 4—6): „God wil, dat alle menschen „zalig worden; want één is de middelaar tusschen God en „de menschen, de mensch Jesus Christus.quot; Daar Christus dus, volgens de leer van den Apostel, niet alleen voor hen, die werkelijk zalig worden, gestorven is, maar voor allen zich gegeven heeft, opdat allen tot de zaligheid komen; zoo mogen wij er niet aan twijfelen, dat wij ook allen zalig zuilen worden, wanneer wij slechts de overvloedige genaden, welke God ons tot dat doeleinde mededeelt, willen gebruiken. — In waarheid de genaden, welke de Heiland door zijn bitter lijden en sterven ons verworven heeft, vloeien ons zoo overvloedig toe, en de genademiddelen, welke Hij ons in zijne H. Kerk aanbiedt, zijn zoo talrijk en krachtig, dat Hij met recht van ons vordert, tusschen Hem en ons te oordeelen; oordeelt zelf, roept Hij ons, de bewoners van het nieuwe Jerusalem, toe, „oordeelt zelf „tusschen Mij en mijnen wijnberg. Wat had Ik voor mijnen „wijnberg nog kunnen doen, dat Ik niet gedaan heb?\'\' (Is. V, 3, 4). Ik heb u mijn eeniggeboren Zoon gezonden, opdat Hij u door woord en voorbeeld leere, door zijnen dood aan het kruis verlosse, u met zijn H. Vleesch en Bloed meer en meer voede en. versterke. Wat grooters had Ik knnnen doen, wat kostbaarders u kunnen schenken? En als gij niettemin ondankbaar en vijandig jegens Mij gezind waart hoe genadig en barmhartig heb Ik Mij ook toen voor u getoond ? Gij vluchttet Mij, Ik zocht u op; gij waart doof voor mijne stem, Ik riep u luider en dringender; gij daagdet Mij door uwe zonden tot wraakneming uit; mijn toorn konde ü verdelgen, maar Ik wachtte lankmoedig uwe bekeering af, reinigde u van uwe zonden, vergaf honderdmaal uwe misdaden; Ik hield u voor oogen het overrijke loon des hemels, niets minder dan Mij zeiven in den glans der godheid; Ik dreigde met de eeuwige straffen der hel, om u daarvoor te bewaren. Welaan, zegt het Mij, wat had Ik nog voor uwe zaligheid moeten doen, dat Ik niet gedaan heb ? — Ook aan ons is dus, gelijk weleer aan de Israëlieten, leven en dood in handen gegeven; ook aan ons is door den Allerheiligste gezegd; „Tot getuigen roep ik heden hemel en aarde, dat Ik leven

-ocr page 583-

569

„en dood, zegen en vloek u heb voorgesteld. Kiest dus „het leven, opdat gij leven moogt! Bemint den Heer, „uwen God, gehoorzaamt aan zijne stem, hecht u vast aan „Hem, want Hij is uw leven en de vermeerdering uwer „dagen; en gij zult wonen in het land, hetwelk de Heer „gezworen heeft (aan u) te geven\'\' (V. Mos. XXX, 19, 20).

Waarloe is het dienstig, dikwijls te denken aan de uitersten ?

De herinnering aan de vier uitersten, namelijk aan den dood, het oordeel, de hel en den hemel, is, volgens het getuigenis van den H. Geest, nuttig, om ons voor de zonde en dus voor de eeuwige verdoemenis te bewaren.

„In al uwe werken denk aan uwe uitersten, en gij zult „in eeuwigheid niet zondigen,\'\' vermaant ons de wgze Sirach (VII, 40). Niets is inderdaad meer in staat, ons van het kwaad af te schrikken, dan de gedaclite aan den dood, welken de zonde verbittert; aan het oordeel, waardoor de zondaar grooten angst en beschaming gevoelt; a^n den hemel, buiten welken de zonde de menschen simt; aan de hel, waar onuitsprekelijke, eindelooze pijnen de verdoemden zullen kwellen. Wie kan het gezicht van zulk eene doodsvijandin uitstaan? Wie naar de goederen haken, waarvan zij zich bedient, om onze harten tot haar te trekken en ons in den afgrond van het eeuwig verderf neer te werpen? Niet zonder reden scherpt de H. Geest, de Leeraar van hemelsche levenswijsheid, bij voortduring ons deze heilzame gedachte in. Bij al uwe werken van den vroegen morgen tot den laten avond, bij alle bezigheden, bij alle genoegens .... „denk aan de uitersten; want bederf en „dood nadere krachtens zijn (Gods) bevelquot; (Sir. XXVIII, 6, 7). „Denk aan de uitersten. Vergeet het niet; want „van daar keert men niet terug.quot; (Sir. XXXVIII, 21, 22). — Dit was weleer de raad, welken door den Geest van God verlichte en bezielde mannen gewoon waren te geven aan al degenen, die zich aan hunne leiding hadden vertrouwd.

„Vóór alles/\' zoo sprak de groote Fachomius tot zijne leerlingen, „ vóór alles, laat ons den dag des oordeels voor „oogeu houden, en elk oogenblik van vrees voor de eeuwige „pijn doordrongen zijn.quot; En de H. kluizenaar Antonius zeide tot de om hem vergaderde broeders: „Als wij by „het ontwaken ons niet met zekerheid den avond, en bij „het slapen den toekomstigen morgen beloven, en altijd „leven, denkende aan het onzekere sterfuur, dan zullen „wij, door een of anderen boozen lust aangevallen, niet beswijken, noch ons beijveren om aardsche schatten te ver-

-ocr page 584-

570

„gaderen, maar veeleer al het vergankeliike met voeten „treden.quot; Dachten wij gelijk deze heilige woestynbewoners, dan zouden wij even als zij in voortdurende boetvaardigheid en verstel ving een heilig leven leiden. \')

Waarom sluiten wij de geloofsbelijdenis der Apostelen met het woord: „Amen\'\'\'?

Om te bevestigen, dat wij alles vastelijk gelooven, wat in de twaalf geloofsartikelen vervat is, en volgens dat geloof leven en in dat geloof sterven willen.

Het woord „Amen,quot; hetwelk van het Hebreeuwsch is afgeleid, heeft eene dubbele beteekenis. Eerstens is het eene bevestiging en staat gelijk met ons: „het is zoo.quot; De geloovige derhalve zegt: „dat is goddelijke waarheid, dat „is ons geloof en geen ander.\'\' In dezen zin beweerde Paulus, gelijk Hieronymus (Br. 137) opmerkt, „niemand ,.kan Amen zeggen, d. i. bevestigen wat gepredikt is ge-„worden, tenzij bij de predikatie heeft begrepen.quot; — Ten tweede beduidt „Amenquot;: „het geschiede, zoo moet het „geschieden.quot; Dat wil zeggen : alles wat in de twaalf geloofsartikelen van mij verlangd wordt, geschiede; alles, wat mij daarin beloofd of gedreigd wordt, geschiede.

Zoo was ook het Israëlietische volk gewoon het verbond, hetwelk God met hen gesloten had, met „Amen, zoomoet „het geschieden\'\' te bekrachtigen (1. Mos. XXVII, 15—26), ■— De geloofsbelijdenis bevat de voornaamste bepalingen van het nieuw verbond, hetwelk God door Christus met ons gesloten heeft. God, die ons geschapen, God, die ons door zijn eeniggeboren Zoon verlost, die tot onze heiliging zijnen Geest gezonden heeft, God de Heer van hemel en aarde, vordert van ons, dat wij ingaan in de eene, alléén zaligmakende Kerk en in haar volgens zijnen allerheiligsten wil leven en sterven. Beantwoorden wij aan dezen eisch, dan zal vergeving der zonden, de glorievolle verrijzenis van ons lichaam in het eeuwig leven ons deel zijn; beantwoorden wij echter daaraan niet, dan zullen wij in onae zonden sterven; opstaan, maar niet verheerlijkt worden, eeuwig ten gronde gaan. Hebben wij wel ooit ernstig hierover nagedacht ?

\') De H, Philippus Nerius legde eenen jongeling, die diep in den slaap der zonde was gezonken , tot boete op, eiken avond, voordat hij zich ter rust zou begeven, den grond te kussen en zich te herinneren : yr/Morger. kan ik een lijk zijn!quot; Het middel had het gelukkigste gevolg; de jongeling bekeerde zich oprecht.

-ocr page 585-

571

TOEPASSING.

Gelijk de tijd, zoo de eeuwigheid; want gelijk de mensch leeft, zoo sterft hij, gelijk hij sterft, zoo blijft hij bewoner van den hemel of van de hel in eeuwigheid. Wat baat het dan den verdoemde, een korten tijd in rijkdom en weelde zich gebaad, zijne lusten gediend te hebben? Wat baat het hem, door de menschen met loftuitingen overladen, als vergood te zijn geworden? Is hij daarom minder het armste, verachtelijk sta wezen ? Zal daarom zijne eeuwigheid van pijn ook maar een oogenblik verkort worden ? En wat schaadt het den zalige, hier beneden aan alles gebrek te hebben geleden, het voorwerp van spot en hoon geweest en zelfs het leven onwaardig geacht te zijn ? Is hij daarom minder rijk door het bezit van God, minder geëerd bij het deelen in diens eeuwige heerlijkheid, minder gelukzalig door de deelneming aan de oneindige zaligheid van den drieeenigen God zei ven ? Zal daarom zijne eeuwigheid, van geluk minder lang duren ? Wat baat het den mensch, als hij de geheele wereld wint, maar schade, eeuwige schade lijdt aan zijne ziel ? Wat schaadt het hem, indien hij in dit leven alles verliest, maar zijne ziel redt voor de geheele eeuwigheid? O vreeselijk bedrog voor den zondaar, o gelukkige ruil voor den rechtvaardige ! Beminde Christenen! Bedenkt het wel, vooral wanneer de bekoring zich in uw hart doet gevoelen, wanneer zij den flikkerenden glans van ijdele goederen en vreugde voor uwe oogen stelt, en met groot geweld den met honig gevulden beker van zondige lusten aan uwe lippen houdt. Wat baat het, dien te proeven ? Wat schaadt het, dien met overwinning van u zeiven te versmaden en in gramschap af te wijzen ? Ken oogen-blikkelijke lust brengt eeuwige smart aan; een kort lijden geeft eeuwige vreugde; dwaasheid, eene onuitsprekelijke dwaasheid en verblinding ware het, voor het zondig genoegen van één oogenblik de eeuwige vreugde des hemels te verliezen en daarvoor eeuwige pijnen in te ruilen. Wilt gij in alle omstandigheden de wezenlijke waarde van het aardsche kennen, richt dan tot u zeiven de vraag : wat is het in vergelijking met de goederen en vreugde der eeuwigheidWilt gij de schade berekenen, welke de zonde u doet, denkt dan ernstig aan het beteekenisvolle woord: „eens verloren, eeuwig verloren.\'\' Doe ik deze zonde en sterf ik daarin, wat ik vreezen moet, dan ben ik eene prooi der eeuwige vlammen. — God beware ons allen voor dit vreeselijk ongeluk, door het dierbaar bloed van Jesus

-ocr page 586-

Christus, den Gekruisigde, aandien alleen wij allen de vaste hoop van onze zaligheid te danken hebben. Jesus alIeeD, het begin en het einde van ops geloof, Hem den , eenigen steun van onze hoop, Hem het voorwerp onzer vurigste liefde, Hem de volheid onzer toekomstige zaligheid, Hem „den Koning der eeuwigheid, den onsterfelijken, den „onzichtbarenden eenigen God, zij eer en heerlijkheid in „alle eeuwigheid. Amenquot; (1. Tim. I, 17).

EINDE VAN IIET TWEEDE DEEL.

-ocr page 587-
-ocr page 588-
-ocr page 589-