-
*
-
—
_
_
_
\'^y-~ ( /
tulleek
EN
Poëtica
DOOR
p.. ji. yVl. j-vUYTEN,
...
L. C. G. MALMBERG, Nijmegen, TTitg-e-ver.
* *
Den leerling bij \'t niiiken van opstellen een richtsnoer en voorbeelden; bij het lezen een begrip der verschillende kunstvormen in proza en poëzie, benevens een denkbeeld van den versbouw te geven : — ziedaar het doel van dit werkje.
Op volledigheid maakt het geen aanspraak. Veel wordt den onderwijzer overgelaten. De woorden van den Heer H. W. van der Meij in zijn brief over Gymnasiaal onderwijs aan Dr. .1. W. Beck (Nederl. Spectator, 1887, No. 53) beaam ik ten volle: „Naar mijne ondervinding heeft bij het onderwijs de viva vox meer invloed dan alle leerboeken, zelfs de beste. Volmaakte wetten, onverstandig en slap uitgevoerd, stichten kwaad; gebrekkige wetten, verstandig en Hink uitgevoerd , werken goed. Zoo is liet, naar mijne ervaring, ook met de schoolboeken.quot;
Moge het werkje den leeraar van dienst, den leerling van nut wezen ! Dat is de wensch van
DEN SCHRIJVER.
Rolduc, Maart 1888.
7
i.
STIJLLEER.
Schrijf niet al te los daarheen,
Die u wilt doen lezen, Ongemaakt, ni{iar ongemeen Moet uw proza wezen.
N. BEETS.
I
r
DE STIJL IN HET ALGEMEEN.
De stijl (het latijnsche stylus is eigenlijk de schrijfstift der Ouden) is de wijze, waarop men, door spraak of schrift, zijne gedachten aan anderen mededeelt, de vorm, waarin men zijne gedachten uitdrukt.
Elk mensch denkt op ^ijn manier; 1) daarom heelt elk mensch stijl: Je style eest rhoinnic.
Doch ook elke taal heeft hare eigenaardigheden , »le génie de Ia langitequot;, als men het noemt; en daarom kan de leer van den stijl slechts in verband met een bepaalde taal behandeld worden.
Oischoon de Stijlleer, in engen en eigenlijken zin, slechts de wij^e van uitdrukking (elocutio) omvat, worden er nochtans, bij uitbreiding en naar het voorbeeld der Ouden , onder begrepen : de vinding (inventio) en de schikking (dispositio), voor welke beide evenwel geen bepaalde regels zijn aan te geven , aangezien vinding en schikking afhankelijk zijn van de vindingrijkheid en vruchtbaarheid van elks denkvermogen.
1
De van buiten komende indrukken werken bij verschillende menschen verschillend, naar mate van de innerlijke gesteldheid van ieder individu.
Haagsche Stemmen, bl. 35.
— 8 —
De drie noodzakelijke vereischten van den stijl in engen zin zijn:
1°. juistheid in de keuze der woorden;
2«. duidelijkheid in hunne samenvoeging;
3°. sierlijkheid in hunne rangschikking, met inachtneming van de regelen der spraakkunst; volgens het voorschrift van Quintilianus : Oratio sit emendata, dilucida et or nat a; de stijl moet zijn zuiver, duidelijk en sierlijk.
I. JUISTE WOORDENKEUS.
Eene gedachte wordt uitgedrukt door woorden.
Elk naamwoord en werkwoord op zich genomen vertegenwoordigt een begrip ; b.v. school, leer aar, goed, schrijven. Een zin vertegenwoordigt eene gedachte, b.v. de leeraar ouderwijst.
Nu is het zaak, het geschikte woord te vinden voor een opgevat begrip, de gepaste uitdrukking te vinden, die de gëdachte in allen deele weergeeft; met één woord: datgene te zeggen wat men zeggen wil.
Wil ik bijv. iemand het begrip van een soort Ujdeu mededeelen, dan heb ik keuze onder de volgende woorden : smart, verdriet, pijn, droefheid, droefenis, kommer, hartzeer, zieleleed , weemoed, weedom, en meer andere.
Men wikke en wege de beteekenis en draagkracht der woorden, en wachte zich voor een achtelooze verwisseling van synoniemen.
Derhalve omsluit dit eerste gedeelte de stijlleer.
i0. De keuze van het juiste Nederlandsche woord dat nl. het begrip in allen deele weergeeft; en hiermede staat in verband de kennis van synoniemen; en
20. de keuze van de juiste uitdrukking als klare weer-
spiegeling der heldere gedachte; en hiertoe behoort de kennis van de regelen der spraakkunst.
Bijgevolg dient in zuiveren stijl vermeden te worden het gebruik van :
1°. Bastaardu\'oorden, d. \\v. z. woorden die aan vreemde talen ontleend en in vorm en uitspraak nog niet Neder-landsch geworden zijn. Te veel purisme kan evenwel óf tot onduidelijkheid of tot noodeloozen omhaal van woorden aanleiding geven. Zoo zijn wij b.v. evenmin bij machte, met één woord het begrip van »ingenieurquot; (of het moest het onzinnige vernitfteling zijn!) of »naïfquot; weer te geven, als de vreemdeling ons woordje »deftigquot;.
Zoo zouden wij het woord »purismequot; dienen te omschrijven door: zucht tot overdreven taalzuivering.
2°. Verouderde woorden (archaïsmen); d. i. woorden, die in de hedendaagsche taal niet meer gebruikelijk en voor het levend geslacht niet meer verstaanbaar zouden wezen; als bijv. libry voor boekerij; konvent voor klooster; souter voor psalm; halle voor ridderzaal; onnoo^el voor onschuldig; Ridden en weelen voor moerassen en poelen.
In sommige gevallen echter kan het sober gebruik vali zulk een woord aan den stijl een eigenaardigen stempel, aan de uitdrukking een nieuwe, gepaste levendigheid geven. Zoo houdt men Hofdijk in zijne balladen van Kennemerland het bezigen van archaïsmen gaarne ten -goede.
3°. Nieuwe- woorden (neologismen), die in hun vorming tegen ons taaleigen aandruischen, zooals: betooging, dat wel in dé beteekenis van bewijsvoering, niet in die van optocht (demonstratie) Nederlandsch is; leedvermaak (Hgd. Schadenfreude), dat zou beteekenen vermaak van yijn leed en moet beteekenen: vermaak in andermans fed; draad bericht e. a.
— 10 —
Sommige nieuwgevormde woorden zijn reeds èn door hun vorming èn door het gebruik (»de spraakmakende gemeentequot;) gewettigd, als : wielrijder, luchtreiniger, slacbt-Iniis (abattoir) , verwereldlijken, enz. Andere vinden uit de gesproken (studenten- ot volks-) taal geleidelijk ingang, b.v. juij voor partijtje; een nkraanquot; van een kerel, of een nkranigequot; kerel, voor: een bolleboos; misschien weldra: spoorwagen voor: tram, stoomwagen voor; waggon , rijwiel voor: velocipcde.
4^. Gewestelijke woorden (provincialismen), die nl., welke voor de bewoners van een enkele streek of provincie , niet voor alle Nederlanders verstaanbaar zijn.
Hn eindelijk :
50. Woorden en uitdrukkingen, aan vreemde talen ontleend, doch wier vorming met de wetten onzer taal in strijd is (barbarismen). Deze noemt men latinismen , indien ze uit de latijnsche, gallicismen, zoo ze uit de fransche, germanismen, als ze uit de hoogduitsche, anglicismen , wanneer ze uit de engelsche taal zijn overgenomen.
Ziehier van elke soort eenige voorbeelden:
a) Als germanismen vermijde men o. a. de volgende woorden:
daarstellen («is ten onzent nog Duitsch en zal het wel blijven.quot; Schaepman.) voor: maken, bouwen, scheppen, aanleggen.
a a n d a c h t voor : godsdienstoefening, betrachten voor: beschouwen.
bemerking voor: aanmerking.
b i 11 ij k voor : goedkoop.
inschrift voor: opschrift.
aanerkennen voor; erkennen.
varen voor: rijden.
— 11 —
o v e r r a s s e n voor: verrassen.
v r o e g j a a r voor: lente.
b ij s t e m m e n voor : toestemmen.
opbe waren voor: bewaren.
ophooren voor: ophouden.
En uitdrukkingen als:
zich ontmoeten voor: elkander —
zich voor iets eigenen voor: geschikt zijn tot iets.
iemand iets strijdig maken voor; betwisten, zich inburgeren voor: burgerrecht verkrijgen, zich in iets inleven voor: zich vertrouwd
maken met iets.
op iets aangewezen zijn voor: voor iets staan, iemand tegenover zitten voor: tegenover iemand.
h) Als gallicismen, de woorden:
ontbreken voor: in gebreke blijven (niaiiqner). zending voor: roeping (mission).
b a 1 voor : kogel.
dragen voor: brengen (b.v. een brief ter post dragen.) zich m i s g r ij p e n voor: zich vergissen, vloeken voor: strijdig zijn, schreeuwen (jnrer)
(b.v. die kleuren vloeken), uitmiddelpuntig voor: zonderling, vreemd (excentriek).
en uitdrukkingen:
onder het opzicht van voor : ten opzichte van. den spoortrein nemen voor: per spoor reizen, den brand in iets steken voor: iets in brand steken.
duur kosten voor: duur zijn, veel kosten.
— 12 —
een gevoelen deelen voor : in een gevoelen — invloeien voor: invloed uitoefenen (ofschoon
zelfs Bilderdijk het gebruikt), het handelt zich voor: het geldt.
om de v ij ftien dagen voor: om de veertien —
c) Als lat mis wen :
h ij wordt gezegd voor; van hem —
deze is de man voor; dit is — her oudere kind voor; het oudste (wanneer er meer dan twee zijn) ; in \'t algemeen : het gebruik van den comparatief in plaats van den superlatief.
zoudt gij meenen, dit een heldendaad te z ij n voor : zoudt gij meenen, dat dit een heldendaad is; het gebruik van den accus. cum infinitivo.
Van de latijnsche casus absohti zijn bij ons slechts eenige uitdrukkingen overgebleven, die evenwel, als voegwoord of voorzetsel gebruikt, burgerrecht verkregen hebben. Zoodanige zijn : uitgenomen, aangezien , gedurende, hangende, enz.
tl. DUIDELIJKHEID VAN DEN STIJL.
Wat duidelijk is, is licht verstaanbaar.
De stijl is duidelijk, wanneer de spreker of schrijver zijn eigene gedachten en voorstellingen bij zijne hoorders of lezers opwekt; m. a. w. wanneer de hoorder of lezer de uitgedrukte gedachte begrijpt en den samenhang dier gedachten vat.
Duistere stijl is nimmer goed te keuren; hij verraadt
- 13 -
óf verwarring in den geest óf zucht om diepdenkend te schijnen. In het duidelijk verklaren eener diepe gedachte of het blootleggen eener ingewikkelde zaak ligt de grootste kunst. «Zonder duidelijkheid (zegt Hugo Blair) zijn de rijkste sieraden van den stijl slechts eene schemering in den donker.quot;
De duidelijkheid van den stijl moet dus gezocht worden in :
1°. de woorden en hunne samenstelling;
2°. de gepastheid der uitdrukkingen; en
3°. den bouw van den zin.
Dubbelzinnigheid is hier vooral te vermijden. Indien een woord verschillende beteekenissen heeft, zooals in onze taal zeer vele woorden, dan moet uit den samenhang der rede duidelijk blijken, in welke beteekenis men dat woord verstaan wil hebben. Ligt het nochtans in de bedoeling van den spreker of schrijver, het tweevoudige begrip door één woord weêr te geven, dan is, als van zelf spreekt, die luoordspeling geoorloofd. Bij Vondel vindt men hiervan (vooral in zijn gelegenheidsgedichten) voorbeelden bij de vleet.
De samengestelde ivoorden zijn een uitvloeisel van de scheppende kracht der levende taal, een teeken van hare oorspronkelijkheid en haren rijkdom. Bij gebrek aan deze eigenschappen bezit de fransche taal geen samengestelde woorden, doch enkel koppelingen.
Men wachte zich evenwel voor het vormen van
a) al te langgerekte samenvoegingen, ook indien ze tegen ons taaleigen niet aandruischen, b. v. opperscheeps-timmermansdochter. In dergelijke gevallen bezige men liever de omschrijving;
b) van taalkundig onjuiste samenstellingen, als bijv. het boven aangehaalde leedvermaak.
— 14 —
Aanmerking. Jammer, dat samenstellingen, als: bloedge-vlckt , wolkomsluierd, hoonionikraiist en dglk. ten onzent nog immer gewraakt worden; te meer daar alle indo-germaansche talen ze hebben. Aan kracht en schilderachtigheid zou ook onze taal door het gebruik van zoodanige samenstellingen ontegenzeggelijk winnen. Kunstversierd en landverwe^en komen zelfs bij Bilderdijk voor.
Men sluite onverbiddelijk uit: alle overbodige woorden en uitdrukkingen, zoogenaamde slopwoorden, pleonasmen en tatitologieën. Daartoe behoort het overmatig gebruik van toen in den verbalenden stijl, alsook het misbruik van de zegswijze )gt;als hel warequot;, b.v. hij scheen als het ware verjongd na zijne ziekte; en uitdrukkingen als: een houten plank, een steeneu rots, het ^oiite ^eewaler, een onstoffelijke geest, een dood lijk, enz., voor eenigen tijd geleden, het zou misschien wel mogelijk kunnen zijn, hem vloeiden de tranen over ^ijn wangen, hij pleegt gewoonlijk het tegenovergestelde te doen; ik wilde u doen ^ien en loon en, dat ge onrecht en ongelijk hebt, e. d. m.
De bouw van den volzin, d. w. z. het rangschikken der verschillende deelen, is tot het verkrijgen en bevorderen der duidelijkheid van zeer groot belang.
Wat in de spreektaal het accent of de nadruk doet, moet in de schrijftaal door de plaatsing der woorden of der zinnen onderling, alsmede door een verstandig gebruik der leesteekens, worden teweeggebracht.
Men houde zich daarom aan de volgende regels: i. Bepalingen staan onmiddelijk of althans zoo dicht mogelijk bij het woord, dat zij bepalen, b.v. de regeering van Willem III, Koning der Nederlanden, was een tijdperk van vrede voor ons Vaderland. Een enkel vertrekje, koud en vunzig, diende hem tot woon- en slaapplaats. Hij zelf heeft het mij gezegd ; hij heeft het mij zelf ge-
— 15 —
zegd. Hij alleen is gekomen; hij is alleen gekomen.
2. Evenals in enkelvoudige zinnen het geaccentueerde woord, plaatst men niet zelden in samengestelde zinnen den zin, waarop men den nadruk wil leggen, voorop, b.v.: Zijn eigen rijtuig stelde hij ter beschikking. Omdat hij er niet op voorbereid was, greep die tijding hem zoo geweldig aan.
3. De plaats van het betrekkelijk voornw. is zoo dicht mogelijk bij het woord, waarop het terug moet slaan, bv. ; Het titelblad van het boek, dal verloren was, is weergevonden. Van het boek is het titelblad, dat verloren was, teruggevonden.
4. Opeenhooping van betrekkelijke voornw. in denzelfden zin veroorzaakt, zoo al geen onduidelijkheid, dikwijls verwarring, en schier altijd gerektheid, bv. hij, die den man, ivelke den paal, die aan de brug, welke over den weg, die naar het dorp leidt, ligt, staat, omgeworpen heeft, aanwijst, krijgt eene belooning.
5. Als het begrip door één enkel woord kan worden weergegeven, bezige men nooit lange omschrijvingen. Gemaaktheid en zucht naar zwierigheid of om kunstig te zijn, doen aan de duidelijkheid dikwijls groot nadeel.
Bovendien vermijde men zinnen, die voor dubbele opvatting vatbaar zijn, b.v.: ik zag de kippen eten (= dat de kippen aten, dat de kippen gegeten werden); hij schreef zijnen zoon, dat hij hem zou komen bezoeken (= dat deze hem zou komen bezoeken, dat deze zijn bezoek kon verwachten.)
III. SIERLIJKHEID VAN DEN STIJL
Het behoeft geen betoog, dat de stijl altoos zich schikken moet naar het bevattingsvermogen van hen, voor
- 1(5 —
wie de rede berekend is. Bij het stellen dient men zich dus op het standpunt van den lezer of hoorder te plaatsen. 1)
De stijl zij eenvoudig, zwierig of verheven, doch steeds duidelijk, naar de mate van ontwikkeling, die men bij de hoorders of lezers kan veronderstellen.
Doch, hoe eenvoudig ook, sierlijk kan hij altijd wezen.
Deze sierlijkheid trachte men te bereiken door het besteden van bijzondere zorg aan den bouw van eiken zin afzonderlijk en aan de samenvoeging der zinnen onderling.
Éénvormige rhythm us of kadans, welke in verzen noodzakelijk is, hindert in het proza; het rijm doet hier nadeel aan de welluidendheid; opeenvolging van te veel éénlettergrepige woorden stoot; ophooping van woorden met aanvangsklinkers stuit; herhaling van dezelfde medeklinkers brengt hardheid voort; afwisseling in de lengte der zinnen en verscheidenheid in de plaatsing der zin-deelen, is vereischte.
Af te keuren zijn zinnen als de volgende :
Dagelijks trok hij naar de stad met volgeladen zvagens; hij kwam er ^po dikwijls vol blijdschap van weer, en rekende reeds op den volgenden morgen.
Als hij \'s avonds het moede hoofd ter ruste legde, vergat hij al ^ijne yOrgen tot den morgen.
Laat in den nacht ging hij op roof uit, en kwant eerst, als het eerste licht der ^on den top van den berg kleurde, stil en schuiu naar huis.
Alfred oordeelde on^en aanvoerder onder meer dan een opdicht onberispelijk.
Duidend dergelijke doordachte diefstallen kwamen nu aan het licht.
1
Het is verre van mij, te beweren, dat om deze reden een zekere plompheid, trivialiteit, of te ver gedreven realisme te vergoelijken zij. De stijl kan eenvoudig en bevattelijk zijn, zonder in een dezer drie uitersten te vallen. In plaats van al te diep tot zijn hoorders of lezers af te dalen, trachte men die hoorders of lezers tot zich zelf omhoog te trekken.
— 17 —
Aanmerking. Alliteratie ot stafrijm is hiermede niet veroordeeld, b.v. met man en muis, zonder blikken of blozen, bont en blauw, kort en klein, met hart en hand, in lief en leed, met huid en haar, kant en klaar, zonder slag ot stoot.
Navolging verdienen zinnen, als :
Enkele schilderijen, ponder uitsondering de hand des meesters verradend, sieren de wanden. Aan de eene ^ijde van Gallait\'s ,Johanna de Krankzinnigequot; valt de avond in eene kerk van Bosboom, aan de andere speelt de middagzon op een strand van Jo^ef Israels. Een marmeren buste van Keizerin Engénie siert eene tusschen de ramen bevestigde console, en de ~iuare overgordijnen welven ^/r/; om dit beeld als eene nis.
(Busken Huet.)
Om de boot bewegen z\'ch tal van kleine schuitjes, waarin ^ich flinke, vlugge knapen bevinden, die met het hoofd voorover in het water springen, rondom het schip zwcquot;1-inen, onderduiken, en proestend en blakend zueer boven komen en dan, niet de guitige donkere oogen u aanstarend, met \'cnderlingen tongval om »money I money tquot; vragen.
(J. Margadant.)
Hene zekere geoefendheid van het oor is onmisbaar bij het samenstellen van vloeiende, afgeronde zinnen.
Over de welluidendheid onzer taal blijtt elk oordeel subjectief. Veel hangt hier af van eene beschaafde uitspraak. Nochtans valt het niet te betwijfelen, dat ons heden-daagsch Nederlandsch in zoetvloeiendheid voor ons mid-delnederlandsch moet onderdoen. (*) De moderne taal-
(!,!) Veel schuld daaraan is het verdwijnen van den i- en M-klank, die in ij- en «/-klank is overgegaan, alsmede het verlies der stomme uitgangen, b.v. sute voor zoete, s-pieze voor spijs, tale, sprake voor taal, spraak.
2
— 18 —
geest, die de schrijftaal zooveel mogelijk aan de beschaafde spreektaal tracht gelijk te maken, verdient bevordering.
„Geef ons natuur en waarheid weer!quot;
zong reeds de Génestet, die terecht den stijven, afgemeten , godzaligen preektoon veroordeelde.
Middelen tot bevordering der welluidendheid zijn :
a) Het weglaten derbuigingsuitgangen bij het onbepalend een en de bezittelijke vnw. inijn, lt;jjn, uw, bun, baar; het schrijven van beur voor baar bij opeenhooping van a\'s; het afkappen der buigings-e en -en achter bij vnw. en als zoodanig gebezigde deelwoorden, die op en uitgaan e. d. m., b.v.: Hij noemde dat een(en) ongunstigen toestand. Hij gaf dat werk onder zijn(en) eigen naam uit. Een gevallen(e) grootheid.
b) Het inlasschen der zoogenaamde welluidendheids-*\', b.v. lief(e)lijk, huis(e)lijk, nioed(e)loos, plots(e)ling.
c) Het behouden der uitgangs-e, b.v. daar is geen sprake van.
d) Het samentrekken van lettergrepen, b.v. leêr, teer, weêr, broer enz.
e) Het plaatsen van het verleden deelw.
Men oordeele over de volgende zinnen :
Middelerwijl bad bij acbter eene ovaalronde, met een groen kleed gedekte tafel, op (dejiuelke eenige boeken en papieren in schijnbare wanorde verspreid lagen, plaats genomen.
Middelerwijl bad bij plaats genomen acbter een ovaalronde tajel, met een groen kleed gedekt, waarop eenige-boeken en papieren in schijnbare wanorde verspreid lagen.
Hij had middelerwijl achter eene ovaalronde tafel plaats genomen, die met een groen kleed ivas gedekt en waarop in schijnbare, wanorde eenige boeken en papieren verspreid lagen.
— 19 —
Hij had middelerwijl plaats genomen achter een ovaalronde tafel, met groen kleed, waarop in schijnbare wanorde eenige hoeken en papieren.
Is het tot het verkrijgen van sierlijkheid noodig, aan het bouwen van eiken volzin bijzondere zorg te besteden, voor afwisseling in den bouw der verschillende volzinnen dient eveneens gezorgd. Eenereeks van eenvoudige zinnen is zoowel te vermijden als eene opeenvolging van perioden.
Eene periode is een samengestelde zin, welks afhankelijke finnen op kunstige iuij~e om de hoofdgedachte gegroepeerd, daarmede één enkel fraai geheel vormen.
Uit de gecursiveerde woorden blijkt, aan welke ver-eischten een zin voldoen moet, om periode te heeten.
Wij meenen hier te moeten waarschuwen tegen het veelvuldig inlasschen van parentheses in de zinnen. Het moge somtijds «aangemerkt worden als gevolg eener zekere levendigheid van denken ; — in de meeste gevallen hebben zij eene slechte uitwerking.quot; (H. Blair.)
Men onderscheidt de perioden gemeenlijk in twee soorten : de dalende en de klimmende periode.
De dalende is die, waarin de hoofdzin door de afhankelijke of bij-zinnen gevolgd wordt, b.v.: De dame werd binnengeleid door een oudachtig edelman met een bijna kaal hoofd, maar dat aan de slapen nog versierd ■werd door eenige dunne spierwitte krullen, die aan ^ijn kleurig gelaat een -eer belangrijk voorkomen bijzetten.
(Camera Obscura.)
De klimmende is die, waarin het omgekeerde plaats heeft, en de belangstelling van den lezer, door het opschuiven van den hoofdzin derhalve, in spanning gehouden wordt, b.v. Om eenigs^ins den indruk, dien ^ijne woorden inaakten te begrijpen, had men hem moeten l.woren en zien. Toen hij sprak van ^tjn kind was er in ^ijn
— 18 —
geest, die de schrijftaal zooveel mogelijk aan de beschaafde spreektaal traciit gelijk te maken, verdient bevordering.
„Geef ons natuur en waarheid weêr!quot;
zong reeds de Génestet, die terecht den stijven, afgemeten , godzaligen preektoon veroordeelde.
Middelen tot bevordering der welluidendheid zijn :
a) Het weglaten derbuigingsuitgangen bij het onbepalend een en de bezittelijke vnw. mijn, ^ijn, uw, hun, baar; het schrijven van beur voor baar bij opeenhooping van a\'s; het afkappen der buigings-e en -en achter bijvnw. en als zoodanig gebezigde deelwoorden, die op en uitgaan e. d. m., b.v.: Hij noemde dat een(en) ongunstigen toestand. Hij gat dat werk onder zijn(en) eigen naam uit. Een gevallen(e) grootheid.
h) Het inlasschen der zoogenaamde welluidendheids-t\', b.v. liet(e)lijk , huis(e)lijk, moed(e)loos, plots(e)ling.
c) Het behouden der uitgangs-e, b.v. daar is geen sprake van.
d) Het samentrekken van lettergrepen, b.v. leer, teèr, weêr, broer enz.
e) Het plaatsen van het verleden deelw.
Men oordeele over de volgende zinnen :
Middelerwijl bad bij acbter eene ovaalronde, met een groen Meed gedekte tafel, op (de)welke eenige hoeken en papieren in schijnbare ivanorde verspreid lagen, plaats genomen.
Middelerwijl had bij plaats genomen achter een ovaalronde tajel, niet een groen kleed gedekt, waarop eenige boeken en papieren in schijnbare wanorde verspreid lagen.
Hij bad middelerwijl achter eene ovaalronde tafel plaats genonien, die met een groen kleed was gedekt en waarop in schijnbare wanorde eenige boeken en papieren verspreid lagen.
— 1!» —
Hij had middelerwijl plants genomen achter een waal-ronde tafel, met groen kleed, waarop in schijnbare wanorde eenige boeken en papieren.
Is het tot het verkrijgen van sierlijkheid noodig, aan het bouwen van eiken volzin bijzondere zorg te besteden, voor afwisseling in den bouw der verschillende volzinnen dient eveneens gezorgd. Eene reeks van eenvoudige zinnen is zoowel te vermijden als eene opeenvolging van perioden.
Eene periode is een samengestelde zin, welks afhankelijke finnen op kunstige zuij^e om de hoofdgedachte gegroepeerd, daarmede één enkel fraai geheel vormen.
Uit de gecursiveerde woorden blijkt, aan welke ver-eischten een zin voldoen moet, om periode te heet en.
Wij meenen hier te moeten waarschuwen tegen het veelvuldig inlasschen van parentheses in de zinnen. Het moge somtijds oaangemerkt worden als gevolg eener zekere levendigheid van denken ; — in de meeste gevallen hebben zij eene slechte uitwerking.quot; (H. Blair.)
Men onderscheidt de perioden gemeenlijk in twee soorten : de dalende en de klintniende periode.
De dalende is die, waarin de hoofdzin door de afhankelijke of bij-zinnen gevolgd wordt, b.v.: De dame werd binnengeleid door een ondachtig edelman met een bijna kaal hoofd, maar dat aan de slapen nog versierd iverd door eenige dunne spierwitte krullen, die aan ^ijn kleurig gelaat een ^eer belangrijk voorkomen bijzetten.
(Camera Obscura.)
De klimmende is die, waarin het omgekeerde plaats heeft, en de belangstelling van den lezer, door het opschuiven van den hoofdzin derhalve, in spanning gehouden wordt. b.v. Om eenigs^ins den indruk, dien ^ijne zvoorden jnaakten te begrijpen, had men hem moeten hooren en zien. Toen hij sprak van zjjn kind was er in ^ijn
— 20 —
stem iets yachts, iets onbeschrijfelijk roerends, dat uitlokte tot de vraag : »Waar is de kleine ?quot;
(Max Havelaar.)
Dienaar eener niet meer bestaande orde van galeen, slaaf uit heersch^ucht, genoodzaakt jaarlijks zjjn patent van heer van de grootere mogendheden te koopen, verdient de vorst van Steinfnrt niets dan spot, of hetgeen erger is, medelijden. (J. Kxeppelhout.)
Bedenkt men, zvat er in dat hachelijk oogenblik moest omgegaan ^ijn in het hart van den arme, die beroofd zuerd van wat hem tot onderhoud des levens onontbeerlijk was, dan valt zijne misdaad ^oo niet te verontschuldigen, dan toch alleszins te verklaren.
Naast de drie genoemde eigenschappen van een goeden stijl, is er nog eene vierde hoedanigheid, die, schoon niet voor eiken zin in het bijzonder, toch in het geheel dei-rede onmisbaar is, nl. de levendigheid. In wetenschappelijke opstellen, waarin de schrijver tot het verstand alleen spreekt, wordt voornamelijk op duidelijkheid gewerkt; in verhalen, beschrijvingen, redevoeringen, richt zich de spreker of schrijver mede tot het voorstellingsvermogen, de verbeeldingskracht van den hoorder ot lezer, en tracht langs dien weg te werken op het gevoel. Door zinwendingen , omzettingen, vergelijkingen, enz. tracht hij indruk te maken. Daartoe dienen hem de zoogenaamde Jigurcn. Zij geven niet alleen levendigheid, maar ook sierlijkheid en kracht aan den stijl.
Zij worden verdeeld in twee soorten:
1°. De tropen = wendingen in de woorden en uitdrukkingen.
— 21 -
2°. De eigenlijke figuren = wendingen in de gedachten. Aan elk van beide soorten moeten we een hoofdstuk wijden.
De tropen zijn niets anders dan oneigenlijke woorden ot uitdrukkingen.
De voornaamste zijn :
i0. de metaphora (overdracht);
2°. de metonymia (naamverwisseling) ;
3°. de synecdoche (samenvatting);
4°. de ironie (spotternij);
50. de hyperbool (overdrijving);
6°. de allegorie (beeldspraak).
DE METAPHORA.
Zij bestaat hierin, dat de naam van een begrip wordt overgebracht op een ander begrip, dat daarmede eenig kenmerk gemeen heeft, hetwelk aanleiding geelt om het met het eerste te vergelijken. De metaphora ligt dus in één woord en verschilt daarin van de allegorie.
De meeste metaphoren gebruiken wij zonder het te weten. Immers al de woorden, welke oorspronkelijk slechts eene stoffelijke beteekenis hadden , en thans ook, en dus overdrachtelijk, in geestelijken zin gebezigd worden, zijn daarvan voorbeelden : Hij reikhalsde naar het einde. Schoorvoetend kwam hij nader. Een juiste opheldering (verklaring) van die omstandigheid kon hij niet geven. Hij was een slaaf van zijn hartstocht. Onedel was de drijfveer, die hem aanzette. Op de vleugelen der faam. De XVIIe eeuw is de bloeitijd onzer letterkunde. Het roer van den staat; de tengels van het bewind. Wij zijn kinderen onzer eeuw. — Men leze tot voorbeeld
»De Menschquot; van Bildhrdijk : «Wie bestijgt die blauwe bergenquot;1 enz.
Voornamelijk dient de metaphora tot het verzinnelijken van afgetrokken denkbeelden, b.v. door blinden hartstocht voort gedweept, in een oogenblik van ziedende razernij, beging hij de misdaad ; de worm van liet ontwaakt geweten knaagde voortaan aan zijn levensgeluk , en donker zag hij de toekomst in, waar geen straal van hoop hem tegenlachte.
dk metonymia
bestaat in de verwisseling van twee denkbeelden, die door eene standvastige betrekking verbonden zijn. Bij wijze van metonymia neemt men : 1°. de oorzaak voor het gevolg, ot omgekeerd; 2quot;. het bevattende voor het bevatte ; 30. het abstracte voor het concrete ; b.v. : Hij las Vondel eiken dag. Hij leefde van zijne pen. Kr groeide wijn in overvloed. Westminster spreekt van vergankelijkheid. De Oudheid kende geen persoonlijke vrijheid. Frankrijk hijgt naar rast. Hij maaide van zijn ^iveet. Napoleon werd geslagen bij Waterloo; St. Helena was getuige van zijne vernedering. Het kruis werd geplant in tot dusverre onbekende streken. Vuur en -zuaard baanden hem den weg. De lichtzinnige jeugd kent geen gevaren. Standvastigheid verwint in \'t eind.
dk synecdoche
is de verwisseling van twee begrippen voor ongelijken omvang. Zij bestaat in het noemen :
1° van een gedeelte voor het geheel, of omgekeerd;
2quot;. van het enkelvoud voor het meervoud, ot omgekeerd;
30. van de soort voor het geslacht, of omgekeerd ;
40. van den eigennaam voor den gemeennaam, of omgekeerd.
Voorbeelden zijn :
De bevolking bedraagt twintigduizend pielen.
Hij droeg een krans om de slapen. -
Het schip was bemand met driehonderd koppen.
Elke kiel kon zee bouwen.
Een De Rnyter ontbrak.
Er stak geen Cicero in hem.
Honderd kleine zaken zijn er noodig in het huishouden. DK IROXIE.
Zij bestaat hierin, dat men, uit ernst of kortswijl, het tegendeel ^egt van wat men bedoelt. Uit den samenhang der rede moet evenwel die toeleg duidelijk worden, b.v.: O Helden, gij, die weerloozen aan durft randen ! —
Op , Watersuood-poëteu!
(Ko heeft zijn vers al klaiir,
En „Water.... soepquot; zal \'t heeten !)
Op, eedle, vrome schaar !
Fluks aan het verzen lijmen Vol geestdrift en gevoel,
Want nu zijn alle rijmen Geheiligd door het doel !
(De Génestet.quot;
DE HYPERBOOL
is eene te sterke, te veel zeggende uitdrukking, die echter door den hoorder of lezer tot haar gewone waarde wordt teruggebracht, b.v. hij ^zuoni in tranen. De heele wereld gewaagde van hem ; zij verhief hem lot in de wolken. En toch had hij een zondvloed van rampen over die wereld uitgestort.
Doorluc/i/e rijmers, valt vol wanhoop aan het dichten, Om tot de starreu toe een eerzuil op te richten;
Hakt tcondeti van kaneel, klooft hergen van robijn-,
ScJireU Oceanen vol , kleedt de aarde in zwart satijn, — enz.
— 24 —
dk allegorie
is eene uitgewerkte metaphora, een oneigenlijke, figuurlijke zin derhalvè in plaats van den eigenlijken, h.v. Vondel in «Joseph in Dothanquot;:
o Pluim , waarin het duifken stak,
Dat wreede haviken vervoerden ,
van Jozefs rok. Hn dezelfde in quot;Maria Stuartquot;
Ontfaug ous klachte en lijkgebeden,
o Hoomsche Roos, nog versch gesneden Vau uwen steel; hoe knap Verliest gij geur en sap;
Hoe ras verwelken en verflensen Uw bladers ! Sterfelijke menscheu ,
Het schoonste , dat gij ziet,
Wat is het schoonste ? Niet.
Een oogenblik, een blik gaat strijken Met de eere en \'t licht der Koninkrijken.
Een bui ontkleedt die bloem Van al haar pracht en roem.
Een nevel, och ! voor ons te duister,
Berooft die zon van al haar luister ,
Benijdt ons droef gezicht Dat hartverkwikkend licht.
Die flonkrende oogen zijn geloken,
\'t Aanminnige gezicht gebroken.
Die scherpe stralen stomp ,
Het lichaam — slechts een romp !
Men leze de heerlijke allegorie: »Haad en Nijdquot; in Vondel\'s «Jozef in Dothanquot;, IIe Bedrijf vs. 434—450.
Wij stippen terloops, als zijnde van minder gewicht, nog aan :
a) De antonovmsia, d. i. het gebruik van een andere benaming voor hetzelfde begrip, b.v. Het was een too-
— 25 —
neel, om aan de woorden van Fins VII te denken, toen lichtzinnige jeugd de handenoplegging weigerde van den naar Parijs gevoerden vorst der kerke, toen smaad en spot hem ballingschap en kerker verzwaarde. ))Jonkman!quot; zeide de paus, dat oogenblik grooter dan zijne voorgangers het mij schijnen, toen keizers hunne muilen kusten, »Jonkman, de zegen eens gr^saards heeft nog niemand geschaad!quot; (Potgieter.)
b.) De emphasis, waardoor aan een woord, door den nadruk alleen, een uitgebreider gedachtegehechtwordt,b.v.:
«Die Javanen waren menschen! Die lijken, die daar liggen en dreigen met pest, zijn de lijken van menschen! Zij wilden, hoopten, vreesden als wij, hadden aanspraak op levensgeluk als wij.... lezer, het waren menschen , die Javanen ! (Multatuli.)
»Op zekeren dag, dat de opstandelingen opnieuw waren geslagen, doolde hij rond in een dorp, dat pas veroverd was door het nederlandsche leger, en dus in brand stond.quot; (Id.)
c.) De periphrasis (omschrijving), waardooreenuitdruk-king of een zin door een andere omschreven wordt, b.v.r
«Zoolang er tranen zullen zijn op aarde, (= altijd, voortdurend, immer), zoolang zullen er ook tranen worden gestort over die koninklijke doode (= ^al er geweejid worden over Maria Stnart), en de vereering der levenden zal nooit ophouden, met volle hand leliën en rozen te strooien op haar graf (= en het nageslacht -«/ hare gedachtenis steeds in eere houden.quot; (de Rijk )
d.) De litotes, wanneer men eene zwakke uitdrukking bezigt om de sterkere te vermijden, b.v.: «De stoomboot is weg, en wij staan niet weinig verbluft {— erg verbluft) op den eenzamen oever der Brienzer See. (Tony.)
- 26 —
«Gij zijt tegelijkertijd eene slaande engel en een onpraktisch mensch.quot;
»U\\ve Majesteit bedoelt geen praktisch inenscbquot;, luidde het vaardige antwoord, «zoo zeggen althans de heeren van Aurora. (Busken Huet.)
DE nO-XTISEIiT.
Door Figuren verstaat men zekere vormen, waarin men zijne gedachten uitdrukt, om ze beter en krachtiger te doen doeltreffen.
Zij worden onderscheiden in figuren van woorden en figuren van gedachten.
De eerste soort is van weinig belang, omdat zij slechts herhaling, uitlating of omzetting van woorden bevat, b.v.:
«Het was de aankondiging van het faillissement van een hunner grootste debiteuren. Een huis, dat langer dan een halve eeuw bestond, — een huis, dat tot op den dag dat het zijne betalingen schorste, algemeen vertrouwen genoot, — een huis, dat, reeds 10 jaren zijn krediet in den vreemde allerhandigst exploiteerde. Wie begrijpt niet, waarom Becker, die aankondiging ziende, verbleekte?quot;
(Potgieter.)
„Vondel ! — zie de polsen zwellen Van het warmer kloppend bloed ;
In de handen beeft de reder,
Die den naam hergeven moet;
Vondel.\' — duizend, duizend stemmen Geven antwoord, zingen \'t lied.
Dat den dichter roemt en huldigt Als monarch op \'t kunstgebied.
„Vondel, dichter boven allen , Biehter met uw gansche ziel,
— 27 -
Echo yau het eeuwig loflied,
Dat der englen harp ontviel,
Dichter, die in aardsche vormen ,
\'t Hemelsch ideaal hergeeft,
Waar de menseh, de wereldkoning,
In verrukking henenstreeft.quot;
(schaepmax.)
Eu kroon, én roem schoon verschiet,
\'t Is al daarheen — slechts de eere niet.
(smiets.)
«Wie zou er niet gedeeld hebben in de vreugde van den goeden Jacob; (ic/V ^on er niet gedeeld hebben) in de blijdschap van dat knaapje en zijn zusje, die zoo hoogst zelden iets ontvangen wat ze ontberen kunnen; (luie ^on enz.) in de vreugde ook der moeder, die niet meer stroef kan kijken, dewijl ze heerlijk verrast werd ?quot;
(Cremer.)
«Het is een schoon slag van menschen, dat in zijn voorkomen en geest als uit een stuk gegoten is met de rotsen, waartusschen ze wonen : {het -i/ii) mannen en vrouwen van een krachtvollen lichaamsbouw , met den blik eens adelaars, met den moed des leeuws, met het hart van een lam, en {er is of gij vindt) in de borst van deze ridderlijke herders diep geworteld en nooit ontwijd, eene onverbrekelijke gehechtheid en trouw jegens vaderland en kerk. Als loon dezer deugden {woont er) in het hart eene vroolijkheid, die in onze dagen meer en meer zeldzaam wordt.quot; (Hasebroek.)
»In het gewoel van dan slag kon hij (Blücher), evenals de dapperste huzaar, de sabel gebruiken ; maar het hoofd gebruiken om den slag te besturen, kon hij niet (= maar hij kon niet enz.)quot; (Knoop.)
- 28 —
De jiguren van gedachten zijn van meer gewicht, omdat zij de gedachte zelve, hetzij door haar eigen vorm, hetzij door nevengeplaatste gedachten, nader bepalen en sterker doen uitkomen.
Zij zijn zeer menigvuldig. De voornaamste zijn :
1°. de anlilhese (tegenstelling);
20. de practermissio (voorbijgang) ;
3°. de comparatio (vergelijking) ;
4°. de climax (klimming) ;
5°. de personijicatio (verpersoonlijking) ;
6n. de snspensio (verzwijging).
DE ANTITHESE
bevordert zeer de kracht en levendigheid van den stijl. Zij bestaat in de plaatsing van twee tegengestelde gedachten naast elkander.
„Ploert! Ploert!quot;
......Geen schooner mam trilde ooit op dichtersuureu......
(ScHAEPMAN.)
.........Daar jubelt, bloedig rood,
Hassan de reus op uw gebroken wallen, Een stortvloed springt hem onweerstaanbaar na,
De juichkreet schalt: „la Allah, ülah la!quot;
„Christe eleisonquot; galmt het langs uw wanden ,
Aya Solia, als een sterveuszticht;
„Christe Eleisonquot; smeekend gaan de handen , En grijpen, als van zinkeuden, de lucht.quot;
(Id.)
„Da Costa ! strijdgenoot! mijn vriend eu vijand tevens!quot;
(J. A. Alh. ïhijm.)
- 29 —
„Hoor toe ! ik geef vflt;n nu af aan,
Opdat gij rijklijk moogt bestaan,
(Daar is mijn trouwe vriendenpoot !)
U dagelijks — een hazelnootquot;
(Bilderdijk.)
«Die blijde verrassing ! Te grootere telenrstelhng!quot;
(Cremer.)
«Daar liggen ze in bonte mengeling samen, ontslapenen uit de dertiende en ontslapenen uit de negentiende eeuw onzer jaartelling, vorsten en vorstinnen; helden ter zee en helden te land; staatsmannen en edellieden; dichters en wijsgeeren; redenaars en tooneelspelers; kinderen en grijsaards; vergoden en vergetenen; Whigs en Tory\'s; geesels van hun land en sieraden van hun kring; — allen vergaan in het stof, en allen vereeuwigd in marmer !quot; (van Oosterzek.)
«Hij onthield den werkman zijn loon, en voedde zich met het voedsel van den arme. Hij is rijk geworden van de armoede der anderen. Hij had veel goud en zilver, en edele steenen in menigte, doch de landbouwer, die in de nabuurschap woont, wist den honger niet te stillen van zijn kind. Hij glimlachte als een gelukkig mensch, maar er was gekners tusschen de tanden van den klager, die recht zocht.quot; (Multatuli )
Tot deze soort van figuren behoort de paradoxe (wonderspreuk) , een gezegde, dat een schijnbare strijdigheid insluit.
»Ik ontwaarde dat uwe bevolking arm is, en hierover was ik blijde in het binnenste mijner ziel.
Want ik weet, dat Allah den arme liefheeft, en dat hij rijkdom geeft aan die hij beproeven wil. Maar tot de
- 30 —
armen zendt hij wie zijn woord spreekt, opdat zij zich oprichten in hunne ellende.quot; (Multatuli.)
)gt;Siddrend voor Je vlucht, zijt siddrend gij gebleven.quot;
(SCHAEPMAN.)
„Scheuk cms, oumacLtigen , o God vau Alvenuogeu ! De krachten des geloofs, Uw geest van uit den hoogen. Bij \'t daavren van, de stem, terwijl uw rijk genaakt: „Ontwaakt, gij slapeudeu ! eu, reeds ontwaakten, waakt!quot;
(da Costa.)
de praetermissie
heeft plaats, wanneer men in den gang der rede als ter loops iets aanroert, waarover men niet wil uitweiden.
»//i zal u nut \\_eggen, boe het weder gister tegen den avond eensklaps omsloeg: gij zelf hebt het ten overvloede kunnen ondervinden. (Sleeckx.)
»De Hollandsche jongen; — maar voorat moet ik u zeggen, mevrouw 1 dat ik niet spreek van uw bleekneu-zig, eenig zoontje, met blauwe kringen onder de oogen, enz.quot; (Beets.)
Tot deze soort van figuren kan men de concessie terugbrengen, die bestaat in het toegeven van een opwerping, welke de schrijver of spreker zich maakt of laat maken :
nik weet wel, dat het tot de verstandigheden onzer dagen behoort, dit alles bekrompen, belachelijk en on-noodig te vinden. Ik weet wel, dat het een sterken geest bewijst, wanneer men den heldenmoed heeft van te zeggen ; »het is mij om het even, wat er na mijn dood met mijn lichaam gebeurt.quot; Ik weet, dat men den
— 31
Engelschman bewondert, die wilde, dat er, ten algemee-nen nutte, knoopen van zijn gebeente en snaren van zijne ingewanden zouden gedraaid worden — maar ik gruw er vanquot;. Beets.
de comparatie
is , matig gebruikt, een der schoonste sieraden van den stijl. Zij stelt twee begrippen naast elkander, waarvan het eene in beeldspraak tot verduidelijking en soms tot verheffing dient van het andere.
Men verwissele deze figuur niet met de metaphora of met de allegorie.
De gewone comparatie gebruiken we dagelijks, zonder er aan te denken. Zoo zeggen wij b.v. hij stond daar stijf als een stok; hij rookt als een schoorsteen; bijwerkt als een slaaf; hij boog als een knipmes; hij stelt zich aan als een gek, e. d. m.
In verheven stijl is het uitwerken eener comparatie natuurlijk met meer moeielijkheden gepaard. Want al is het »0)nnis comparatio clandicatquot; (elke vergelijking gaat mank) waar, de twee begrippen moeten, ook in hunne onderdeden, te vergelijken zijn.
„Gelijk de paarlen in hafir schulp,
Der piiiirlen moeder, zulleu biingen L)e lauwe tranen, zilï van smaak, Van wederzijden op de kaak,
Op \'t paarlemoer der lieve wangen.quot;
(Voxdkl.)
«Gelijk een vernielende orkaan, die, met ijselijk gebrul, in een dicht palmbosch dringende, in zijn doortocht, de gladde stammen in rijen na eikanderen ternedervelt, en verre achter zich, de woeste sporen zijns vreeselijken wegs laat — dus maken ook zij (de olifanten), onafgebroken
— 32 —
voortrennende, eene lange scheuring in het woud, eene verwilderde baan, met omgestorte hoornen en vertrapt kreupelhout bedekt.quot; (Haafner.)
...........Als iirgelooze knapen,
Pgt;ij \'t blaakren in de zon , van onmacht ingeslapen ,
Of, spelende op het veld, daar de een met schor geluid
Den krekel napiept, die vast omhupt door het kruid.
En de ander kooitjens vlecht om \'t schuchtre dier te vangen ,
Maar oor noch aandacht heeft voor filomeelenzangen,
Zoo sluimreu we, of een schijn, een beuzling, doet ons aan.
En waarheid spreekt vergeefs voor die baar niet verstaan.quot;
(Bilderdijk.)
»Loom hing het zwerk: zelfs op deze hoogte repte zich geen zuchtje. Venezia, parelblank nog onder dezen somberen hemel, lag aan hunne voeten, als een droom zoo stil, hare schoonheid te spiegelen in den rimpelloo-zen plas; en de smalle spoorwegdam, welke haar eenig-lijk aan den vasten wal verbindt, geleek een kabel, die zij straks, wanneer de nachtwind van de bergen kwam gestreken, zou laten glippen, om, machtige zeilen doende zwellen van hare honderd torenmasten, gelijk eene hoofdstad van de geesten der wateren statig heen te vlotten in het nevelgrauwe verschiet.quot;
(van Nievelt.)
„ . . . Kalm en fier voert hij zijn weingen aan Om, strijdend steeds, hun vorstlijk voor te gaan.
Zoo staat de leeuw, geprest door jagerbenden. Met d\'ijzren klauw geworteld in den grond, Ue schichten schudt hij brullend van zijn leuden,
De breede borst toont nog geen enkle wond.
Zijn reuzenkop werpt bij \'t onstuimig wenden
En hier en ginds den jammerenden hond,
Maar iedre worp bezorgt hem nieuwe wonden.
De leeuw verdwijnt in \'t wriemelen der honden.
(ScilAEPMAN.)
de climax
is eene opeenvolging van twee of meer gedachten, die geleidelijk in sterkte toenemen, b.v. de wind werd storm, de storm orkaan.
„Daar biggelt een spat,
Daar vallen, daar hupplen,
Daar stuiven de drupplen.
Daar vliegen de stralen van \'quot;t levendig nat! Zij ruischen, zij plassen,
Tot stroomen gewassen, —
Al \'s Hemels fonteinen ontzeeglen lieur schat! O Regen!quot;
(J. J. L. ten Kate.)
«Willem de Derde, Koning, Groothertog, Prins----
meer dan Prins, Groothertog en Koning.... Keizer van het prachtig rijk van Insulinde dat zich daar slingert om den evenaar, als een gordel van smaragd ....quot;
(Mcltatuli.)
„Zie ze groeien, zie ze bloeien.
Zie ze rijpen. God ter eer,
Voor den dienst van Neêrlands koning —
Voor den dienst van Hooger Heer !quot;
(da Costa.)
»Het is een misdaad, een Romeinschen burger te binden, een schelmstuk hem te geeselen, schier vadermoord hem te dooden ; wat zal ik zeggen, wanneer men -hem kruisigt ?quot;
(Cicero.)
de personificatie
stelt iets, wat niet leeft, als levend persoon voor.
«Waarom vraagt de boom: «waar is de man, dien ik als kind spelen zag aan mijn voet ?quot; —
«Daar kwam een man met houweel, en met puntigen
3
— 34: —
bijtel, en met zwaren hamer, die steenen uithieuw uit de rots. En de rots zeide : ;nvat is dit, dat die man macht heeft boven mij, en steenen houwt uit mijn schoot ?quot;
(Multatuu.)
Bij dichters (vooral in fabelen) is deze figuur zeer gebruikelijk. Men leze in de Ayn Sofia den Zang der Zuilen.
de Suspensie
is het geheel of gedeeltelijk verzwijgen der uitdrukking; waarbij de gedachte niettemin duidelijk is of althans doorschemert. In de gesproken rede kan deze figuur dikwijls van groot nut zijn en een verrassend effekt voortbrengen.
Men kan onder deze soort van figuren rangschikken de ellips (uitlating), en de correctie (verbetering). Voorbeelden dezer twee kaatsten zijn : Zoo gelegd, ^oo gedaan. »Op zijn wenk ontstaat een nieuw heir van strijders, als door den slag eener tooverroede... . neen! door verachting van wet en recht, met schending van beloften en eeden , als slachtvee samengedreven !quot;
(v. d. Palm.)
Als voorbeeld van eigenlijke suspensie (= plotselinge staking van den zin) is het Quos ego!... van Vergilius overbekend. Vondel vertaalt het :
...........Gij winden, wat is dit?
Durft gij dc zee en lucht ook zonder dat wij \'t weten ,
Dus brouwen ondereen ? bedrijven dit geweld ?
Tk zweer men zal u dit......Manr beter het ontsteld
En bijster onweer eerst beslecht in zijne palen.quot; (1)
1
Dellllk in zijne vertaling dor Aeneis vertaalt:
«Je devrais.....raais des flots il fant calmer l\'orage.quot;
Racine verdient geen lof voor het toepassen dezer figuur in zijne Athalie: rJe devrais sur l\'autel oü ta main sacrifie Te.....Mais du prix qu\'on m\'ottro il faut me contenter.quot;
Het nietige Jéquot; is zeker niet geschikt om den behoorlijken nadruk te ontvangen.
- 35 —
«Indien die wateren spreken konden, indien zij ons konden vertellen van de geschiedenissen zooveler vloten, die van hier braveerend zijn uitgegaan en triomfeerend zijn teruggekeerd .... Maar het is beter dat zij het niet kunnen. Het blauwe water zou er een rooden weerschijn van krijgen en, evenals de Nijl in het bijbelsch verhaal, worden als bloed.quot; (Hasebroek.)
„.........Wat strooit het moedig paard
De lucht met spattend schuim en schudt de bonzende aard
Met hiel- en hoefslag ? — \'t Is om lijftocht......
...........Zijn wenschen zijn verhoord.
..........Bevredigd ligt hij neder ,
En vraagt geen andren staat, geen vin, geen vogelveder, Waarmee hij \'t grondloos diep of \'t luchtgewelf doorstreeft. Geen goed beseft zijn hart, dan wat natuur hem geeft.
Geen honger, of \'t heelal is machtig tot verzaden,
En de inspraak der natuur heeft schepselen nooit verraden! Maar wij....! is dan voor ons die teedre moeder wreed.quot;
(Bilderdijk.)
Aanmerking. I. Men make nooit jacht op figuren; die, welke niet als van zelf zich voordoen, maken den stijl gewoonlijk gewrongen en onnatuurlijk.
II. Men vermijde de zoogenaamde gemeenplaatsen , d. w. z. figuren, die, omdat ze te alledaagsch geworden zijn, den stijl ontsieren in plaats van verfraaien : een lachende heuvel, een murmelend of kabbelend beekje, een heldere vliet; een sneeuwkleed lag over de aarde gespreid e. a.
III. De figuur zij immer bevattelijk voor wie ze hooren of lezen, m, a. w. geëigend voor den stijl, waarin de rede gesteld is.
IV. Men zij matig in liet gebruik der figuren. Zucht naar bloemrijkheid ontzenuwt den stijl, en verraadt niet zelden armoede aan gedachten.
Tot hiertoe spraken we slechts van den Stijl in het algemeen, en beschouwden we zijne drie noodzakelijke hoedanigheden : juistheid , duidelijkheid en sierlijkheid.
Beschouwen we nu den Stijl in het hij^onder, in verband namelijk met de voornaamste in proza voorkomende kunstvormen; de beschrijving, het verhaal, de verhandeling, de redevoering.
---
I. DE BESCHRIJVING.
De verbeeldingskracht is een der schitterendste vatbaarheden van den menschelijken geest. Aan haar danken we de meeste voortbrengselen der kunst.
De beschrijving heeft tot doel, ons het beeld van een of meer door de zinnen waarneembare voorwerpen, ot toestanden, zeden, gebruiken, karakters, weersgesteldheid enz., aanschouwelijk voor oogen te stellen.
Hoe grooter iemands opmerkingsgave is, des te juister zal het beeld zijn, dat zijne fantazie van een voorwerp behoudt. Om evenwel juist op te merken ol waar te nemen, moet men het geiieel in zijne onderdeelen ontleden , en degelijk onderscheid maken tusschen datgene ^ wat tot het iue~en der ~aak behoort en dat, wat slechts bijkomende omstandigheden zijn. In de wedersamenvoeging der deelen evenwel steekt de groote kunst; de hoorder of lezer moet het beeld, als één gegoten geheel voor oogen krijgen. Zoo b. v. bij de beschrijving van een krijgsman; liet wezenlijke teekent men in zijne gestalte, zijne houding, zijn gelaat; het accidenteele in zijne uitrusting: zwaard, harnas, helm.
Nochtans hangt de wij^e van beschrijving grootendeels at van het doel, hetwelk men bereiken wil. Dat doel kan tweeërlei zijn : óf men wil enkel het beeld weergeven, óf men wil bij het weergeven den indruk opwekken, dien men zelf bij de aanschouwing (zinnelijke ol geestelijke) ontvangen heeft. In het eerste geval beschrijft men eenvoudig ; in het tweede schildert men. In het eerste spreekt men hoofdzakelijk tot het versland, in het tweede mede tot de verbeelding en liet gevoel. In het eerste moet de stijl eenvoudig en duidelijk, in het tweede krachtig en levendig wezen.
V oorbeelden.
I. De Leeuw (beschrijving.) De leeuw is een viervoetig roofdier en behoort tot de familie der katten. De bouw van zijn lichaam reeds teekent waardigheid en kracht. Zijne pooten zijn voorzien van scherpe klauwen, en lange roodgele manen bedekken hals en borst; de staart eindigt in een kwast. Bij de leeuwin ontbreken de golvende manen ; tengevolge van dit gemis schijnt haar lichaam slanker, dat van den leeuw meer gedrongen en krachtiger. Is de tijger een toonbeeld van sluwheid en wreedheid, de leeuw verzinnebeeldt majesteit en moed. Men zegt, dat hij dan slechts den weerlooze aanvalt, wanneer hij gedreven wordt door honger. Ook van zijne schranderheid en zijne dankbaarheid voor ontvangen weldaden verhaalt men voorbeelden. Zijn vaderland is Azic en Afrika.
Men ziet het, bij de beschrijving van een dier valt dus te letten op de volgende punten: i. het uiterlijke, 2. het inwendige (kracht, instinkt, moed), 3. verblijf, levenswijze enz., 4. wat voor- of nadeel het den mensch aanbrengt.
(Schildering.) «Het is nacht, het is het kwade saizoen.
— 38 —
De lucht is donker; de wolken zijn dik, en drijven onstuimig en snel heen en weder; de maan scheurt ze nu en dan met een waterachtigen straal. De wind huilt door \'t gebergte; de regen ruischt; van verre gromt de donder. Ziet gij dat gevaarte, met dichte struiken bewassen, zich afteekenen tegen de lucht; — ziet gij daarin die donkere rotskloof, beneden gapende, boven zich verliezende in heesters en distelen ? Het bliksemt; ziet gij ze? Houdt uw oog derwaarts gericht. Het is alles duisternis. Let op. Wat is dat? \'t Is het glinsteren van twee oogen: gloeiende kolen. Hoor toe! dat was de donder niet: het was een schor gehuil: het diepe geluid van een leeuw die ontwaakt. Hij tilt zich uit zijn hol naar boven. Hij rekt zich uit. Een oogenblik staat hij met opgeheven hootd
brullende stil. Hij schudt de zwarte manen. Eén sprong!____
achter uw wachtvuur, onvoorzichtige! Hongerig gaat hij om met woeste bewegingen, met ongeregelde sprongen, met schrikkelijke geluiden.quot; (Beets.)
Men vergelijke de beschrijving van het paard door Buffon, en de onovertroffen schildering ervan in het Boek Job. XXXIX.
II. Regenweder.
Regen. Geen plassende, hartstochtelijke stortbui, die in een oogenblik alles met zijn watervloed overstelpt, maar straks wijkt voor den stralenden zonneschijn: neen, een flegmatieke, doordringende, aanhoudende regen, die nu en dan tot een stortbui dreigt over te gaan, en dan weer luwt, doch altijd, altijd voortduurt, zonder einde. Alles is nat, hopeloos, reddeloos nat. De kippen in den tuin hebben al lang a\'le hoop laten varen en schikken zich met hangenden staart in haar lot, slechts nu en dan het water schuddende uit haar druipende veeren. De boomen langs
de gracht laten huiverend van hun gelend gebladerte, dat glimt van het nat, een zwaren regen van druppels neder-vallen in het vieze, groezelige water. Van de daken zijpelt het water op de glibberige trottoirs, op de druipende parapluies der voorbijgangers, die zich vergeefs trachten te beschermen tegen den alomtegenwoordigen regen. Tusschen de keien vormen zich vijvertjes, waarin voortdurend kleine blaasjes borrelen; langs de straten vlieten beekjes, die zich met murmelend gegorgel in de roosters storten der riolen. Overal water, maar water in zijn on-dichterlijkste, onbehagelijkste gestalte. Alles glimt, druipt, sijpelt; vochtigheid en nevel en nat overal, onder en boven; alles is grijs en vaal, kil en koud en lusteloos. Aan de zon te gelooven eischt moed; een bleeke, waterachtige schemerschijn, een karikatuur van den dag, sleept zich zeurig van den tragen morgen tot den vroegen avond. Het heet nog dag, maar in de nauwe winkelstraten flikkert reeds de geelachtige gasvlam door den wazigen nevel heen, worstelend met het halfdonker daar buiten. Laag en loodzwaar hangt de grauwe lucht, eentonig vaalgrauw met vuile donkere strepen en vegen; loom en traag schuiven de aschkleurige wolken voort, en laten onophoudelijk, onophoudelijk, het water neersijpelen als ware geheel het uitspansel een onmetelijke zeel.
(J. Margadakt.)
III. Vondel (persoonsbeschrijving.)
Vondel was van middelbare lengte, welgezet en welgemaakt van leden. In \'t wezen vertoonde zich een kenbare schranderheid en opgetrokkenheid (= verhevenheid) van gedachte. Zijn aangezicht was in de kracht zijner jaren blankbleek en magerachtig, maar in zijnen ouderdom breedachtig, vol in \'t vleesch, gezond van kleur en blozend op de kaken ; het voorhoofd niet te hoog. Onder hooge
— 40 -
winbrauwen, aan de rechte zijde een weinig hooger opgetrokken dan aan de slinke (doch zonder misstand) had hij bruine, levende, doordringende, scherpziende, of, gelijk\' men spreekt, arends-oogen, vol viers, alsof hij hekeldichten in \'t hoofd had. Zijn neus was wat verheven, wel in \'t vleesch, de mond niet te groot, zijne lippen dunachtig; zijn haar zoo kort, dat het de ooren pas half bedekte ; zijn baard klein en, gelijk als \'t haar, zwartbruin, totdat het in zijne hooge jaren wit van grijsheid wierd. Dusdanig was zijne uitwendige gedaante, gelijk hem ook verscheiden afbeeldingen, door de vermaardste en kunstigste schilders gemaakt, vertoonen ; inzonderheid de schilderijen van Go-vaart Flink en Filips de Koning, ook de print van Jan Lievens, met een rol in de hand, daar de heer Joan Six dit aardig dicht op schreef:
Dit \'s Vondel met zijn rol:
Apelles trof Apol.
Maar de print van zijn geest, verstand en vlijt, met geen verven te verbeelden, heeft hij zelf in onnavolgbare werken klaar en kunstig uitgedrukt. Daar kan men hem in zijn ware wezen best aanschouwen. Dat tafereel liet hij den nakomelingen na, voornamelijk zulke, die zich in de dichtkunste pogen te oefenen en op die print van zijn beste deel, den geest, staroogende, opgewekt worden en aanleiding bekomen, om, al hunne krachten inspannende, zijn voorbeeld te volgen en hem zoo gelijk te worden, als hun eenigszins doenlijk is.
(Gek. Brandt.)
IV. Gilde-gehrnikeu. (Zedebeschrijving.)
Het Gilde is (bij de oude, heidensche Germanen) een verbond van vrije mannen tot onderlinge hulp en trouwe, tot gezamenlijke offerande en gemeenschappelijke offer-
— 41 —
maaltijden, en de leden van \'t gilde zijn genooten. Ieder gild kiest zich een god, aan wien het offert, en wiens altaar het onderhoudt, en viert op gezette tijd zijn offer-maal, waartoe elk genoot zijn aandeel bijdraagt.
Ziet ge daar in dat heilig woud van eeuwenoude eiken en beuken, die kleine, opene ruimte? Dat is de offerplaats, de gewijde tempel. Te midden vai^ een aarden wal, met eene gracht omgeven — zoodat de overblijfselen in later eeuwen dikwijls voor eene schans zullen worden gehouden, — staat een altaar, \'t Is een groote, ruwe, maar van boven platte en eenigszins uitgeholde steen op vier kleinere steenen rustende; de mannen in lange witte kleeding, achter het altaar geschaard, zijn de priesters. Zij houden elk een deel van het offergereedschap in de hand, steenen hamers, steenen messen en wiggen, — terwijl de koperen offer- ot bloedketels nevens hen gereed staan.
De genooten van het gilde, dat zijn offer brengen zal, naderen reeds. Zij zijn allen in \'t wit gekleed, en dit bewijst ons, dat zij aan eene hemelsche godheid offeren zullen. Brachten zij \'t aan eene godheid der onderwereld, zij zouden zich in quot;t zwart gehuld hebben, — even als ook wij, hunne nazaten, nog, zoo vaak wij een offer aan \'t doodenrijk brengen. In plechtstatigen optocht, door priesters voorgegaan, en met den greve. ot grove van \'t gilde aan \'t hootd, zijn zij, onder gewijde feestgezangen, den heem in \'t rond getrokken; het dier, dat ten offer is bestemd, een paard of een stier of een kalf, met kransen omhangen en met bloemen versierd, met zich voerende.
Nu zijn ze ter offerplaatse genaderd, en treden de gewijde omwalling binnen. Het gilde schaart zich ter rechter-en ter linkerzijde van \'t altaar, terwijl twee priesters met langzamen, statigen tred, het offerdier driemaal rondom het heiligdom leiden. En na de drie omgangen wordt.
— 42 —
onder allerlei geheimzinnige ceremoniën, het offer geslacht en in stukken gedeeld. (J. ter Gouw.)
Voor de beschrijving van een burger slaap- en woonvertrek leze men J. A. Alberdingk Thijm : De Organist van den Dom: »£» ^i/n tehuis? Die hem in pijnkamer gezien had en^.quot; en van een rijkemanssalon, Hildebrand : De Familie Kegge: «De hamer, waarin ik mij bevond, leverde een schouwspel op en^.quot;
Voor het teekenen van een persoon zie men Hilde-braxdt\'s Camera: Een Tentoonstelling van schilderijen: »/:gt;« teekenmeester ^ijn eigen werk beschouwendequot; •, en van een groep van personen, t. a. p.: »Een Familietafereelquot;.
Voor de schildering van het Noorderlicht leze men Tollens: Nova Zembla; van een Oosterschen dageraad, Multatuli : Max Havelaar (4° druk blz. 572) ; van een Zonsopgang, Schaepman : 0gt;i~e wachter 18/j ; van den Wind: Hildebrand\'s Camera ad vocem; van den Nacht: H. K. Poot; van een storm op zee, L. W. van Winter, Germaniciis; enz.
Voor de teekening van plaatsen en landschappen zie men: J. J. van Oosterzee : Op Reis (Bladen uit de Portefeuille) ; Constantijn Huygens : Hofwijck (\'t Haag-sche Bosch); J. J. L. ten Kate : de Alpen (in de Schepping); J. Margadant: Capri (Haagsche stemmen No. 9); en verder elke reisbeschrijving.
Voor het schetsen van karakters leze men: Simon Stijl : «Opkomst en bloei der Vereenigde Nederlandenquot; (Karei V); van der Palm\'s Gedenkschrift (Napoleon); Nuvens\' Ned er l. Beroerten (Filips II); enz.
Voor \'t beschrijven van toestanden sla men Nuvens\' «Nederlandsche Beroertenquot; na, bl. 13 vlgd., Bilderdijks »Gesch. des Vaderlandsquot; VII, bl. 83 ; en voorts elk geschiedboek.
Aanmerking. I. Wanneer men de aangewezen voorbeelden nauwkeurig nagaat, zal men zien dat, bij de beschrijving, voor de ontwikkeling der stof zoo al geen vaste, dan toch eenige bepaalde regels kunnen gevolgd worden. (Men herinnere zich, wat er in den beginne over vinding en schikking gezegd is.)
II. Is het thema, waarover men schrijven wil, vastgesteld, dan omlijste men het alleen met die bijkomende omstandigheden, welke het hoofddenkbeeld beter doen uitkomen (het onweer in de beschrijving van den Leeuw, bij Beets\'); de omstandigheden, moeten dus óf wel uit zich zelf óf wel wegens de hoofdgedachte belangrijk wezen.
III. Oefening is steeds de beste leermeesteres.
Thema\'s ter uitwerking:
I. Hel Paard (beschrijving).
Het Paard (schildering) :
1°. Dartelen in de weide; weldra dient het tot
2°. de jacht of de wedrennen. Zijn trots; zijn ontgoocheling.
3°. Ten oorlog. Lange dagmarschen, vermoeidheid. Eerste veldslag. Vuur. Gewond.
4°. Voor de vrachtkar. Geen leven meer; hangende kop, langzame tred. Herinnering aan weide en slagveld.
Eveneens: het Rund, de Hond, de Vogel, de Bij, de Mier.
II. Het IVoonverirek, de Huiskamer (beschrijving):
1°. de meubels.
2°. de wanden met hunne versieringen (schilderijen, schoorsteen, enz.)
3°. vensters (uitzicht).
- 44 —
(S c li i I d e r i n g) :
1°. De familie in de kamer.
2°. Ouders, kinderen. Leunstoelen voor de ouderen.
3°. Gezelligheid, winter, knappend vuur.
II. De Touwslager (beschrijving):
iü. Zijn beweging bij het werk. Gaat steeds achteruit; langer wordt de koord, de voorraad hennep in zijn opgeslagen voorschoot mindert.
2°. Werktuigelijke handenarbeid.
3°. Nut van zijn ambacht.
De Touwslager (schildering):
1°. De lange baan, het snorrend rad.
2°. Hij zingt bij zijn arbeid: «Wie weet, waartoe mijn koord eens dienen moet!quot;
3°. Opsomming van het nut der koorden : a) Schip-perskoord, h) klokketouw, c) geeselkoord, d) boe-venkoord, e) reddingskoord, enz.
N.B. Het spreekt van zelf, dat de beschrijving en de schildering in één opstel kunnen worden samengevoegd.
III. Een Hollandsch Landschap (beschrijving en schil
dering) :
1°. Uitgestrekte vlakte : vruchtbare weide met prachtig vee. Water.
2U. In den achtergrond windmolens.
3°. Op den voorgrond eene heldere, vriendelijke boerderij, waaromheen alles in kalme beweging. Melkers en melksters.
4°. Avondschemering.
IV. De Brievenbesteller, De Wachtkamer van een Geneesheer, Het Station, Een badplaats. De Wielrijder,
-45 —
Het Strand, Het Papier, Mijn Geboorteplaats, In den Spoorwegcoupé, Het Slagveld, Om den Haard, De Sneeuw, Een Familiefeest.
Het aangeven van de punten der ontwikkeling laten we den leeraar over.
II. HET VERHAAL. (1»
Dat we in het voorgaand hoofdstuk niet van de beschrijving eener gebeurtenis gesproken hebben, vindt zijne verklaring hierin : dat het beschrijven eener gebeurtenis o. i. eigenlijk een middenkunstvorm is, tusschen de schildering en het verhaal inliggend, doch het dichtst dit laatste nabijkomend.
Een feit wordt genoemd, wordt aangegeven. De beschrijving eener gebeurtenis vordert vermelding van oorzaak en gevolg. De gebeurtenis moge een toestand tot oorzaak, en een nieuwen toestand tot gevolg hebben, het opstel moge dus de schildering van twee toestanden bevatten, die de uiteenzetting van het feit uitsluiten, er heeft in elk geval eene opvolging van tijd plaats, hetgeen het geheel meer het aanzien geeft van een verhaal dan dat eener bloote beschrijving.
Het verhaal sluit overigens de beschrijving niet uit; deze laatste vindt in het eerste gewoonlijk een goede plaats.
Goed te verhalen is eene groote kunst De beginneling trachte een gelezen stuk zoo trouw mogelijk weêr te
1
Als middel voor het ontwikkelen eener stof kan dienen het beantwoorden der vragen : Ifte ? wat ? waar ? met welke hulp ? hoe dik wijl# ? waarotn ? hoe ? wanneer ? — vervat, in het volgend latijnsche vers:
Quis ? quid ? ubi ? qua vi ? qnoties ? cur \'i qnomodo \'i quando ?
— 46 —
geven, hetzij mondelings hetzij schriftelijk; de meer gevorderde zette een berijmd verhaal, eene ballade bijv., in proza over; waarbij natuurlijk én versmaat én rijmklank weg moeten vallen. (1)
Personen in een verhaal te laten optreden en spreken, is voor eerstbeginnenden zeer moeielijk; zij zijn steeds geneigd tot omschrijving. Het is evenwel raadzaam zich daaraan te gewennen, omdat de direkte rede aan het verhaal afwisseling en derhalve leven geeft.
Het verhaal kan tot onderwerp hebben :
1°. een persoon of zaak ;
2°. een gebeurtenis.
Is het doel des verbaals alleen de bekendmaking van de lotgevallen eens menschenlevens of van een gedeelte daarvan (biografie, karakterstudie), de lotgevallen van een voorwerp, of de uiteenzetting eener gebeurtenis (geschiedenis), dan moet de stijl vooral duidelijk zijn. Het gebruik der figuren komt dan niet te pas. Men spreekt dan, evenals bij de beschrijving, alleen tot het verstand van den lezer. Wil men evenwel indruk maken, tot de verbeelding spreken, een romantisch verhaal leveren, dan moet de stijl aan dat doel geëvenredigd en dus levendig en boeiend zijn.
Bijzonderheden, treffend aangebracht, wekken belangstelling. Men vermijde echter ook daarin al te groote uitvoerigheid en late alles achterwege, wat op den persoon, de zaak of de gebeurtenis geen of weinig invloed heeft, en blijve de spreuk indachtig: F art d\'ennnyer est celui de tont dire.
Over het dorre geschiedverhaal, als buiten ons bestek liggend, spreken we hier niet verder.
1
Balladen van Hofdijk b.v., aanvankelijk den leerling ter omzetting voorgelegd, later slechts voorgelezen, zijn daartoe zeer geschikt. Het aanstippen van den gedachtengang is daarbij zeer nuttig.
Bij een verhaal betreffende personen, kunnen de volgende punten dienen ter overweging:
iu. Herkomst, woonplaats, levenswijze, stand;
2°. verschijning in het openbaar; talenten; werkkring;
omgeving;
3°. voortbrengselen des arbeids; invloed ; 4°. gebeurtenissen des levens.
Bij het verhaal betreffende eene zaak :
ibeschrijving des voorwerps ;
2°. waartoe geschikt ? waartoe bestemd ? voor welke
personen ?
3°. lotgevallen.
Bij het verhaal eener gebeurtenis :
iü. aanleiding en oorzaak ;
2°. plaats en tijd ;
3°. omstandigheden (verwikkeling);
4°. ontknooping (eindresultaat);
Elke roman, elke novelle, elke sage, elk sprookje is een verhaal, in hetwelk de verschillende kunstvormen vermengd of neven elkander staan.
Tot het verhaal behoort de dialoog of samenspraak. De stijl van den dialoog zij:
1°. levendig , natuurlijk, kort;
2°. eigen aan den persoon, die spreekt. Men denke aan het »/e style c\'est rboimncquot;. Elke persoon, in het verhaal voorkomend, heeft zijn karakter, en daarmede moet zijne manier van spreken in overeenstemming wezen.
Voorbeelden van verbalenden stijl vindt men in elk boek, in elke bloemlezing bij de vleet; reden waarom wij ons hier van aanhaling of overschrijving onthouden.
- 48 —
De twee behandelde proza-vormen, beschrijving en verhaal, komen hoofdzakelijk voor in den Roman, en, doch minder uitvoerig, in de Novelle.
De Roman is een epos in ongebonden stijl. Zie wat hierachter in de Poëtica over deze dichtsoort gezegd wordt.
De Roman is het verhaal van eene reeks van gebeurtenissen, welke evenwel moeten dienen om een hoofdfeit of een hoofdpersoon (het onderwerp van den roman) te verklaren, toe te lichten of in een helder licht te plaatsen.
Naar gelang ze een historisch feit of eene historische persoonlijkheid, of volksgebruiken en zeden tot onderwerp hebben, onderscheidt men de romans in twee hoofdsoorten, nl. geschiedkundige en zedekund\'ge.
De Novelle verschilt hierin van den Roman , dat ze, wat inhoud betreft, kleiner van omvang is. Geen reeks van feiten, maar één enkel lotgeval, één gebeurtenis uit het leven van een persoon kan het onderwerp uitmaken eener novelle.
In beide, roman en novelle, schikt zich de stijl naar de belangrijkheid en den ernst des onderwerps. Overigens geldt daarvan wat in \'t algemeen van de hoofdkunstvormen in. het proza gezegd is.
DE VERHANDELING.
De Verhandeling is een uitgewerkt opstel, waarin liet wezen eener zaak wordt onderzocht met het doel om te onderrichten. De uiteenzetting der zaak geschiedt derhalve, om tot een bepaalde slotsom, een vast resultaat te geraken.
De Verhandeling onderzoekt, doorgrondt, verdeelt, legt bloot en besluit.
Klaarheid en bevattelijkheid van stijl zijn dientengevolge
— 49 -
noodwendige vereischten. Alle zwier, elke woordspeling moet vermeden, en van de figuren (de vergelijking bijv.) mag slechts een hoogst zuinig gebruik gemaakt worden.
De verhandeling leert, en wendt zich bijgevolg enkel tot het verstand van den lezer.
Wie nu onderrichten wil, dient allereerst zelf een juiste opvatting, een klaar begrip te hebben van de zaak, die hij wil behandelen ; volgens het woord van Boileau :
Ce que i\'on coujoit bien, s\'éuouoe clairemcnt,
Et les mots pour le dire arrivent aisément.
De schrijver moet zich gevolgelijk de te behandelen stof eigen maken, d. w. z. door zorgvuldige meditatie (alzijdige beschouwing en onderzoek) in haar wezen doordringen, haar deelen ontleden, elk deel afzonderlijk beschouwen en blootleggen, de deelen weder vereenigen, en uit het saamgevoegde geheel zijne conclusie trekken.
Tot onderwerpen der verhandeling kunnen genomen worden :
1°. eenvoudige begrippen: de ineiisch, de vogels;
2°. onderwerpen \'der persoonlijke waarneming of ondervinding : vriendschap, zonsverduistering , heldenmoed, ontrouw, dankbaarheid;
30. beweringen, oordeelen : eigen baard is goud waard, scheiding van Kerk en Staat, Vondel als tooneeldichter, Eendracht maakt macht.
Is het onderwerp (het thema), dat men behandelen wil, vastgesteld, dan moet naar de stof worden gezocht. Deze vindt men door de beschouwing, ontleding en overdenking van het thema zelf, en van de omstandigheden, waaronder het zich aan onze waarneming, onze ervaring, ons verstand voordoet.
4
- 50 —
Is men de stof voldoende meester en heeft men ze zich eigen gemaakt, dan schift men den opgedanen voorraad en verdeelt hem in dier voege, dat men, na vooropzetting des thema\'s, verkrijgt:
iü. eene gepaste, korte, duidelijke, de belangstelling wekkende, inleiding ;
2°. een heldere verklaring en uiteenzetting van \'t thema met bevattelijke bewijsvoering ;
3°. een klemmend slot, even kort als de inleiding.
Men houde in het oog, dat noch in N0. i, noch in No. 3 iets van de verklaring of bewijsvoering mag voorkomen. De stof, in zooverre althans men ze zich ter behandeling heeft voorgesteld, moet in N0. 2 worden uitgeput.
Voor de ontwikkeling der stof houdt men zich gemeenlijk aan den analytischcn of aan den synlhetischen gedachtengang, hoewel beide in een zelfde verhandeling kunnen worden aangewend.
Analytisch gaat men te werk, wanneer men van het bijzondere opklimt tot het algemeene; synlbelisch, wanneer men van het algemeene tot het bijzondere afdaalt.
Bij het analytische betoog ontleedt men derhalve het geheele voorwerp in zijne deelen; men geeft b.v. de onderscheidene kenmerken aan eener zekere bloem of plant, haar grootte, vorm, geur, bloesem, bloeitijd, en vergelijkt ze vervolgens met de onderscheidende kentee-kenen van andere bloemen, om ze ten slotte bij eene veralgemeende soort, een geslacht, te rangschikken.
Bezigt men de omgekeerde volgorde, stelt men derhalve de algemeene eigenschappen van een geslacht van voorwerpen voorop, om daarna het enkele voorwerp te beschouwen, dan is het betoog synthetisch. Wil ik bijv. bewijzen, dat koralen dieren en geen planten zijn, dan
stel ik de algemeene eigenschappen van het dier voorop; beschouw dan de bijzondere van de koraal, en trek uit de vergelijking de conclusie.
Om duidelijk te verklaren is een duidelijke omschrijving of definitie van het grondbegrip (het thema) onontbeerlijk. Daarom moet in elk begrip degelijk onderscheid gemaakt worden tusschen zijn inhoud en zijn omvang.
Door inhoud verstaat men alle kenteekenen, die tot het wezen van het begrip behooren; door omvang alle soorten en onderafdeelingen, welke tot het begrip kunnen worden teruggebracht. Hoe grooter derhalve de omvang is van een begrip, des te kleiner is zijn inhoud; hoe meer onderscheidene kenmerken een begrip heeft, des te kleiner is zijn omvang. Zoo omvat het begrip dier alle georganiseerde wezens, het begrip vogel slechts die, welke gevederd zijn, eieren leggen en broeien. Zoo omvat het begrip plant alle gewassen: boomen, heesters, bloemen, gras, het begrip den echter slechts ééne soort van boomen. Daarom is het laatste begrip grooter van inhoud dan het eerste, dat daarentegen uitgebreider van omvang is.
Hen uitgesproken oordeel is veelal het thema der verhandeling. Men onderscheidt de oordeelen
1«. naar de mate van den omvang des begrips in enkelvoudige, bijzondere en algemeene;
2°. naar de betrekking, waarin de deelen eens oordeels te zamen staan in Categorische, hypothetische, disjiinctieve ; en
3°. naar den graad van zekerheid, waarmede liet oordeel geveld wordt in assertorische, prohleviatische en apodictische.
I. Een oordeel is enkelvoudig, wanneer van een enkel persoon, voorwerp of begrip iets beweerd wordt, b.v. Thorbecke was staatsman; de boomen bloeien; het papier is geduldig.
Neemt men enkele voorwerpen, die tot den omvang des begrips behooren, en spreekt men daarover een oordeel uit, dan heet het oordeel bijzonder, b.v. sommige dieren leven slechts van planten; eenige planten bloeien nooit.
Het oordeel is algemeen, wanneer het zich over den geheelen omvang van het begrip uitstrekt, b.v. misdaad is zonde; alle menschen zijn sterfelijk.
II. Een oordeel is kategorisch, wanneer het onderwerp een kenteeken aan zijn wezen ontleend bij zich heeft, b.v. de koning is gebieder; God is rechtvaardig; de hond is trouw.
Is het oordeel van eene omstandigheid afhankelijk, dan noemt men het hypothetisch, (onderstellend), b.v. als de hemel invalt (veronderstelling), zijn alle musschen dood (stelling) ; alles is verloren (thesis), als gij u terugtrekt, (hypothesis).
Wordt het oordeel over twee onderwerpen verdeeld, zonder nochtans bepaaldelijk aan een van beide te worden toegewezen, dan heet het disjunctie^, b.v.: hij is of een schurk of een diepbeklagenswaardig mensch ; er was verraad of geluk in het spel; de man of de vrouw is schuld aan de ellende des huisgezins.
III. Een assertorisch oordeel is dat, waarin het gezegde als wezenlijk bestaande aan het onderwerp wordt toegevoegd, b.v., de mensch is een redelijk, het dier een redeloos wezen; de aarde beweegt zich om de zon.
Bevat het oordeel eene mogelijkheid of waarschijnlijkheid, dan heet het problematisch, bv. het kan op regen uitloopen; er kan een groot man uit hem groeien.
Is er tusschen onderwerp en gezegde een noodzakelijk verband, dan noemt men het oordeel apodictisch, b.v., de dood blijft niet uit; de ziel is onsterfelijk; Gods voorzienigheid bestuurt het al.
Wanneer men uit een algemeen oordeel een ander oordeel afleidt of vormt, dan trekt men de conclusie, of besluit men. Tot een besluit behooren drie deelen, op zich eveneens oordeelen, waarvan men de twee eersten, uit welke het besluit getrokken wordt, de praemissen noemt. Het algemeen oordeel heet hoofdtenn of hoofdstelling (major), het tweede meer bijzondere heet viiddelterm of stelling (minor). De heele redeneering heet syllogismus.
Voorbeelden.
Alle ondeugden zijn verfoeilijk ;
Gierigheid is een ondeugd;
Gierigheid is verfoeilijk.
De mensch is door God geschapen ;
Ik ben een mensch;
Ik ben door God geschapen.
Wie niet hooren wil, moet voelen ;
Karei wil niet hooren;
Karei moet voelen.
Waar geen licht is, is duisternis;
Hij leeft buiten het licht;
Hij leeft in de duisternis.
Als God volmaakt is, moet Hij rechtvaardig zijn;
God is volmaakt;
God is rechtvaardig.
De aarde is een planeet of een komeet;
De aarde is geen komeet;
De aarde is een planeet;
Uit de aangehaalde voorbeelden blijkt:
1°. dat van het algemeene altijd tot het bijzondere kan worden besloten; is dus de hoofdterm valsch, dan
- 54 —
moet de gevolgtrekking in de conclusie noodzakelijk ook valsch wezen;
20. dat de conclusie naar de hoedanigheid der hoofdstelling kategorisch, hypotetisch of disjiinktief is ;
3quot;. dat van de twee termen altoos ten minste één bevestigend wezen moet; wanneer een hetzij de hoofd-hetzij de middelterm ontkennend is, is de conclusie ook ontkennend.
41». dat het onderwerp der conclusie het onderwerp is van den middelterm, het gezegde evenwel dat van den hoofdterm.
50. dat het begrip van den middelterm in den omvang des begrips van den hoofdterm moet bevat zijn.
Het spreekt van zelf, dat niet altijd de drie deelen der redeneering behoeven te worden opgesteld. Wanneer de conclusie uit zich zelf klaar is, laat men de hoofd- en middeltermen weg. Indien ik bijv. zeg: ook gij kunt u vergissen, trek ik eenvoudig de conclusie uit een weggelaten problematischen hoofdterm, die zou luiden :
Elk mensch kan zich vergissen;
Gij zijt een mensch ;
Dus kunt ook gij u vergissen.
Naar de aangegeven regels onderzoeke men de volgende gevolgtrekkingen:
Alle dieren zijn viervoeters;
De vogel is een dier;
Dus is de vogel een viervoeter.
Vele geleerden zijn schrijvers ;
A is geleerd;
Dus is A schrijver;
Wie niet gaan kan, rijdt;
A rijdt;
Dus kan A niet gaan.
De leugenaar moet bestraft worden ; Hij is bestraft geworden;
Dus is hij een leugenaar.
Als de kachel brandt, is het warm;
Het is warm ;
Dus brandt de kachel.
Arme menschen verdienen medelijden; A is niet arm;
Dus verdient A geen medelijden.
Vrijheid is geen bandeloosheid;
Hier is vrijheid;
Dus is hier geen bandeloosheid.
Elke koopman tracht geld te verdienen ; A tracht geld te verdienen ;
Dus is A een koopman.
Aan de werken kent men den schrijver; Ik ken den schrijver;
Dus ken ik zijn werken.
Als het regent, zijn de straten vuil; De straten zijn vuil ;
Dus regent het.
Vele viervoetige dieren zijn herkauwende Het paard is geen herkauwend dier; . Dus is het paard geen viervoetig dier.
Woestijnen zijn uitgestrekte zandvlakten; Dit is een uitgestrekte zandvlakte;
Dus is dit eene woestijn.
Onrechtvaardig goed gedijt niet;
Zijn goed gedijt niet;
Dus heeft hij onrechtvaardig goed.
— se
in aansluiting met hetgeen op bl. 49 en 50 is aangestipt omtrent het zoeken naar de stof der verhandeling, d. w. z. naar de geleidelijke uitbreiding van het vooropgestelde thema, dient hier een enkel woord te worden gezegd over de schikking of verdeeling der stof.
Die verdeeling kan tweevoudig zijn:
it». De inhoud van het begrip kan worden ontleed, en dan heet de verdeeling: partitie; of
2U Men kan den omvang van het begrip ontleden, en dan heet de verdeeling : divisie.
De beide verdeelingen kunnen in een zelfde verhandeling van nut wezen.
Zoekt men naar stof over het thema Gebouwen, dan doet zich de divisie aanstonds voor; kerkgebouwen, openbare gebouwen, woongebouwen ; wil men het thema Woongebouwen ontwikkelen, dan komt de partitie van pas : woon- en slaapkamer, kelder, keuken, zolder enz.
Daaruit volgt, dat de partitie altijd berust op de definitie, die men van het thema opstelt; dat een eenvoudig begrip naar zijn inhoud wordt ontleed en de onderscheidene kenteekenen de punten der verdeeling (partitie) vormen ; dat een oordeel de punten van verdeeling bevat in onderwerp en gezegde; dat een samengesteld oordeel in enkelvoudige oordeelen moet ontleed worden, waarna met elk oordeel afzonderlijk gehandeld wordt.
De divisie is de grondslag der verhandeling, welke een algemeen begrip tot onderwerp heeft. Bij een bijzonder begrip treedt de partitie op den voorgrond.
Beschouw ik het Reiden als een algemeen begrip, dan krijg ik de divisie :
I. Reizen voor zaken :
a. handelszaken, !gt;. familiezaken, c. studie.
II. Reizen tot ontspanning :
a. tot rust, b. in ziekte, c. vacantie.
— 57 —
Neem ik het Reiden als bijzonder begrip, dan vind ik de partitie:
I. Aangename zijde van het reizen :
a. genot, b. leering, c. ontspanning.
II. Onaangename zijde :
a. vermoeienis, b. teleurstelling, c. verveling.
Thema\'s ter ontleding of verdeeling zijn : naijver, samenwerking, de oorlog, het water, de vogels, de herfst, genotzucht, de kennis, en elke historische gebeurtenis ot persoon, b.v.: de slag van Waterloo, de Ruyter\'s dood, Willem de Zwijger, Holland\'s grootheid. Karei de Groote, • de Val van \'t West-Romeinsche Rijk.
Voor »Karel de Grootequot;, b.v. als divisie:
I. Veroveraar : zijne oorlogen;
II. Staatsman : zijne wetten, verordeningen enz.
III. Beschaver : zijne verstandhouding met de Kerk.
Voor nde Val van \'t W.-R. Rijkquot; :
I. Inwendige toestand van \'t Rijk.
Ij II. Aanval der barbaren.
J III. Gevolgen.
En zoo voor elke verhandeling, die een persoon of eene gebeurtenis tot onderwerp heeft.
Is een oordeel het thema, dan zijn onderwerp en gezegde de verdeeling, b.v. : Arbeid adelt.
f,
I. Wat is arbeid ?
a. Het gebruik maken van zijne natuurlijke vatbaarheden : geestesarbeid;
b. zijne natuurlijke geneigdheid tot nietsdoen overwinnen ; meester zijn van zich zelf.
- 58 -
II. Wat is adel?
Eene eigenschap van geest en karakter, die onze mede-menschen eerbied en ontzag afdwingt
a. voor onze ontwikkeling en kennis;
/gt;. voor onze geestkracht.
III. Conclusie:
Wat den mensch verheft en tot eer strekt, is des menschen adel.
Arbeid verheft den mensch en strekt hem tot eer ;
Dus adelt arbeid den mensch.
Item: De liefde tot ^ijn land is ieder aangeboren, IVei eldgeschiedenis is wereldgericht, De ondervinding is de beste leermeesteres, Lijden is een oefenschool des levens, De wereld is een schonwtooneel.
Wat de bewijsvoering aangaat, deze moet altoos duidelijk van stijl wezen. Rechtstreeksche bewijzen hebben, als van zelf spreekt, de voorkeur, wijl ze het krachtigst zijn ; kan men geen rechtstreeksch bewijs vinden, dan bewijst men door analogie of door inductie.
Men bewijst door analogie, wanneer men de gelijkheid van twee begrippen, voorwerpen, toestanden ot gebeurtenissen aantoont, en vervolgens uit het écne de conclusie trekt voor \'t andere, naar den regel: dezelfde oorzaken hebben dezelfde gevolgen. Deze vergelijking behoeft niet in alle deelen te worden doorgezet; indien eenige onderscheidende kenteekenen van een begrip bij onderzoek bekend zijn, besluit men tot het bestaan der andere. Heeft men bijv. bij een wezen, dat tot het plantenrijk gerekend werd, duidelijke sporen ontdekt van vrije voortbeweging, dan besluit men daaruit tot het bestaan eener zekere bewerktuiging, van een georganiseerd leven in dat wezen, en rangschikt het derhalve in liet dierenrijk.
— 59 -
Door inductie bewijst men, wanneer men uit verschillende bijzondere begrippen tot een algemeen begrip besluit. Zoo bijv. de wetten in de natuurkunde.
De uitwerking of behandeling eener kernspreuk, van een spreekwoord, of van een gezegde met diepgaande be-teekenis heet men chric, naar het Grieksche woord chrcia, dat eigenlijk gebruik, toepassing, beteekent. Bijv. Een sterke burcht is on~e God; Geen huis ponder kruis; Oost IVest, thuis best; De morgenstond heeft goud inden mond; Alle haten helpen; Alles begrijpen is alles vergeven; Ken u ~elf; De ouders telen \'t kind en brengen\'t groot met smart; de kleinen treden op \'t kleed, de groot en treèn op \'t hart.
Deze soort van verhandeling, alleen van de gewone onderscheiden door opgewektheid en pathos in stijl en uitvoering, was bij de Ouden, als voorbereiding tot de leer der Rhetorica, zeer in gebruike. Zij gaven aan de chrië de volgende verdeeling :
1°. Inleiding bestaande uit den lof des schrijvers, bekend of onbekend, wien het gezegde wordt toegeschreven. Is het onderwerp een spreekwoord, dan handelt de inleiding over het volk, den tijd , de streek, waarbij of waarin het in gebruik was of is.
2quot;. uiteenzetting van het thema;
o.
bewijsvoering;
4U. uiteenzetting van het tegenovergestelde;
5°. vergelijking met andere ;
6°. voorbeelden;
7°. getuigenis (autoriteit) van andere schrijvers;
8U. besluit, met aanprijzing of atrading.
Dat het niet noodig is, al deze acht punten in elke chrië achtereenvolgens te behandelen, behoeft wel geen betoog. No. 3 tot en met N0. 7 bevat de eigenlijke be-
— 60 -
wijsvoering in hare verschillende onderdeden. Een ot zelfs meer dezer onderdeden kan, en zal somtijds wel moeten wegvallen.
Voorbeeld: Onderwerp: de bekende woorden van Napoleon\'s keurbende: »de garde sterft, maar geeft zich niet over.quot;
i0. Fierdere woorden, en die getuigenis afleggen van een onbegrensde verknochtheid en toewijding aan een leidend legerhoofd, zijn wel nimmer gesproken.
2°. Zij waren de laatste zegekreet dier edele keurbende, die schande meer vreesde dan dood; en, onverschillig of ze gesproken zijn ot niet, zij teekenen het beleid en den onverschrokken heldenmoed dier edele krijgers , die gewoon waren aan het zegepralen.
3°. Want zij waren het, die al de overwinningen van den machtigen Cesar hadden bevochten; die ook op het slagveld de laatste hoop van Napoleon waren, en in den dood eene overwinning nog zagen op lafheid en vernedering.
4°. Hoe geheel anders die benden van huurlingen , die strijden om buit, en hun diensten den meestbiedenden verkoopen !
5°. Doch bij dezen — een doodsverachting als eens de Janitsaren van Mohammed bij de bestorming van Con-stantinopel; als de soldaten van het Thebaansche legioen in hun martelaarsdood ; als de kruisvaarders onder Godfried van Bouillon in hun strijd tegen een overmachtigen vijand.
6°. Geeft de geschiedenis voorbeelden genoeg van persoonlijke opoffering voor \'t vaderland, in dezen kreet der garde klinkt iets van die buitengewone toewijding, welke eens de fiere Hongaren bezielde, toen zij Maria
— 61 —
Theresia, met haar zoon op den arm hunne hulp inroepende, toejuichten: Moriemur pro rege nostro Maria Theresia!
70. Vriend en vijand roemen dan ook om strijd, de houding dier dapperen. Legt onze generaal Knoop niet het schoonst getuigenis at van hun onverschrokkenheid en heldenmoed?
8°. Zoo geeft de garde van Waterloo — want dien eerenaam heeft zij zich verworven — een schitterend voorbeeld van vaderlandsliefde, offervaardigheid en doodsverachting. En waarheid bevat het woord van den dichter:
Doch beter nog fe sterven,
Al is het voor een droom,
Dan \'t leven door te zwerven,
In laffe luiheid loom.
Als thema\'s voor deze soort van verhandeling kunnen dienen: »Het kan verkeercuquot;; »Redeloos, radeloos, reddeloosquot; ; »11: kwam, ^ag, zucnquot;; »Be~int eer gij begintquot;; »In den nood leert inen %ijn vrienden kennenquot;; «Geen profeet-wordt gekend in ^ijn eigen landquot;.
»Wat al jammers broedt een wrok!quot;
»Vrees steeds die minder ^ijquot;; al kunt gij hen verachtenquot;, De vrees maakt vreeslijk ook die minder ^ijn in krachtenquot;.
nulles verloren behalve de eerquot;-, »Haat maakt blindquot;-, »Hoc een dubbeltje rollen kan.quot;
»Ervaren beid en tijd den mensch veel dingen kerenquot;.
nPoësie schuilt overal.quot;
— 62
IV. DE REDE.
Nu wij van de rede of redevoering in eigenlijken zin gaah spreken, moet het groote verschil dat er bestaat tusschen ivclhespraakthcid en welsprekendheid vooropgesteld worden.
Welbespraakt ^ijn staat gelijk met wel ter tale ^ijn, woorden in overvloed hebben; en welbespraaktheid heeft veel van de zoogenoemde arjatische welsprekendheid der Ouden, welke redekunst, meer bloemrijk dan vruchtbaar, met een bladerrijken doch vruchtloozen boom werd vergeleken ; in tegenstelling met de altische welsprekendheid, waarin Demosthenes en Cicero uitblonken, die zich meer op de zaak, de kern toelegden, dan op de taal waarin ze haar kleedden.
Welsprekend ^ijn is: zoo spreken, dat men, door den invloed van het woord, van zijn hoorders datgene verkrijgt wat men van hen hebben wil. Daarom kan men spreken van één welsprekend woord, dat woord nl., hetwelk den gewenschten indruk heeft teweeggebracht, welsprekende cijfers, een welsprekend gebaar enz.
De welsprekendheid heeft tot doel te overtuigen en te overreden. Zij is derhalve : de kunst om, door middel van het woord, de hoorders te bewegen tot erkenning der waarheid van de vooropgestelde bewering ; of: de hoorders te bewegen tot handelen of hen daarvan terug te houden. De eerste heet overtuigen (noodzaken te gelooven), de tweede overreden (overhalen te doen.)
De oude Rhetoren onderscheidden drie soorten van welsprekendheid, nl. :
1°. de beraadslaging (genus deliberativum);
2°. de pleitrede (genus judiciale);
3°. de lof-, lijk- en spotrede (genus demonstrativum.)
Nadat het Christendom een nieuw veld voor de welsprekendheid geopend had verdeelde men ze in
a. gewijde, en
b. ongewijde welsprekendheid.
Tot de ongewijde welsprekendheid, behooren de vier volgende soorten van redevoeringen:
io. de politieke ot staatkundige;
2U. de rechterlijke;
3°. de academische ;
4°. de militaire.
Het gebied der welsprekendheid kan niet met grenzen worden afgebakend, dewijl er niets bestaat, waarover de redenaar niet het woord kan voeren. Nochtans heeft hij, naar den stelregel van Cicero, wel te bedenken, wat iiij zegt, op welke plaats hij \'t zegt, hoe hij het zegt (quid, quo quidquid loco, et quomodo.) Desvolgens behelst de leer der welsprekendheid (rhetorica) de volgende punten:
a. de vinding, nl. van datgene, wat dienen moet tot ontwikkeling van het thema (inventio);
h. de schikking der gevonden stof (dispositio);
c. de stijl der rede in hare onderdeelen (clocutio);
d. de voordracht (pronunciatio ot actio).
ode:
Do vinding (inventio) leert die middelen zoeken, welke tot bereiking van het doel der rede noodzakelijk zijn.
De drie middelen om te overtuigen en te overreden zijn: onderrichten, behagen (doen genieten), bewegen (roeren).
De redenaar onderricht, wanneer hij de waarheid zijner stelling bewijst-, hij geeft te genieten door de hoedanigheden
— 64 —
van zijn persoon, door zijn stijl en zijne voordracht; hij beweegt door, volgens de natuur van zijn onderwerp, het gevoel zijner hoorders op te wekken.
Door bewijsvoering verstaat men de uiteenzetting der gronden, op welke het vooropgestelde thema berust.
De grondslag van de bewijsvoering is het gezond verstand.
De bewijzen kunnen tweederlei zijn, nl.: wezenlijke en hijkoinende.
Bewijzen der eerste soort worden gevonden in den aard, het we^en der ^aak ^ehe.
Bewijzen der tweede soort liggen buiten de zaak, en worden genomen uit feiten, gebruiken, wetten, voorheelden en uit het ge^ag van anderen.
Teneinde moeielijkheden te vermijden, of moeielijkhe-den te overwinnen, houde men zich aan de volgende regels:
1°. Men kieze geen onderwerp voor zijne redevoering , waartegen men zich niet opgewassen voelt; — »men beproeve wat de schouders dragen kunnenquot;, zegt Horatius.
2°. Men leze de beste schrijvers, en wikke en wege de bewijzen^ die zij aanhalen.
3°. Men ontlede de werken dier schrijvers in hunne deelen, en trachte de naakte oorspronkelijke gedachten daaruit bloot te leggen.
4°. Men beschouwe de gekozen stot van alle zijden en in al hare omstandigheden.
Dat is van \'t allergrootste belang bij het behandelen eener historische persoonlijkheid of van een historisch
— 65 —
feit, welke beide men steeds beschouwen moet in den tijd en onder de omstandigheden, waarin zij leefden en plaats grepen.
Over tien Stijl der Rede, zie bl. 75.
mst o-e-voexj.
Aandoeningen zijn de gevoelens der ziel (hoofdzakelijk l vreugde en smart), die het verstand en den wil bewegen,
om iets als waar aan te nemen, iets te doen of iets na te laten.
Daarop berust, zoo niet geheel, dan toch grootelijks, dc kunst der welsprekendheid. Daarvan , dat haar de naam gegeven is van «beheerscheres der zielenquot;, Regina animarum.
Om evenwel bij zijn hoorders aandoeningen te verwekken , moet de redenaar zelf eene levendige verbeelding, een gevoelig hart, een gezond oordeel bezitten.
Om de verbeelding te verrijken dient: opmerkzame beschouwing der natuur, lezing der groote dichtwerken, eigen studie en arbeid.
Tot opwekking van het gevoel: beschouwing der schoonheid van het ware en het goede, bespiegeling over de grootsche verscheidenheid en innige harmonie tusschen alle deelen van \'t heelal, overweging van de lotgevallen (voorrechten en rampen) van den mensch en de mensch-heid.
In het gezonde oordeel ligt de grootste kracht van den redenaar. Zonder dat, blijft de schoonste redevoering klatergoud, en kan de spreker zijn doel niet bereiken. Want ook in het verwekken van aandoeningen , speelt het oordeel de eerste rol. De redenaar immers moet oordeelen over de natuur der aandoeningen, den stijl, die haar past, hare geschiktheid in betrekking tot tijd, plaats, personen enz.
..
5
— 60 -
Om het oordeel te scherpen, dient: overweging, ontleding, studie der wijsbegeerte.
Voor het opwekken van gemoedsaandoeningen houde men zich aan de volgende regels:
I. Allereerst stelle men zich de vraag : Is de behandelde stof geschikt tot het verwekken van aandoeningen? naar het woord van Cicero : ik pleeg allereerst te onderzoeken , of dc zaak het vordert, ja dan neen.
II. Men grijpe het hart niet plotseling aan, doch bereide het geleidelijk voor. Ook de aandoening zelve moet gaandeweg heviger worden.
III. Men rekke dc aandoening niet te lang; door gerektheid verliest ze aan kracht. Men breke ze niet te kort d. w. z. voordat ze haar toppunt bereikt heeft, at.
IV. Men wachte zich wel, door inmenging van omstandigheden , die met de zaak niets of zeer weinig te maken hebben, den indruk te verzwakken.
V. Men neme zich in acht, door overmaat van gevoel, door gemaaktheid of ontijdigheid, in het belachelijke te vallen. Want het woord van Quintilianus blijlt waar: »in dit opzicht bestaat geen middenweg ; het gevoel wekt tranen of gelach.quot; — En eindelijk :
VI. Men trachte den gemoedstoestand der hoorders te doorvorschen, teneinde te weten, of ze in het gegeven oogenblik voor gevoelsaandoeningen ontvankelijk zijn.
Daar vreugde en smart de voornaamste bronnen der aandoeningen zijn, zijn er verschillende wegen, langs welke ze door den redenaar worden opgewekt; door beloften, bedreigingen, vreesaanjaging, hoop.
— 67 -
IDE scmmrrbTO.
Door schikking verstaat men : het ordenen, het in zekere volgorde stellen van de gevondene stof.
Zonder de schikking heeft de rede geen waarde, en mist ze ongetwijfeld haar doel. Elk deel, elk onderdeel der stof moet ^ijne plaats hebben.
Ten gevolge eener juiste schikking zal de redenaar in zijne onderrichting duidelijker wezen, zullen de hoorders hem gemakkelijker volgen, hem beter begrijpen, zal het gehoorde dieper indringen, en de gemaakte indruk blijvender zijn.
Daarom deelt men de verzamelde stof gemeenlijk in vier deelen, waarvan het ééne geleidelijk uit het andere volgen moet. Deze zijn :
1°. de inleiding (exordium);
2°. het voorstel of thema (propositio);
3°. de uitvoering van het voorstel (confirmatio);
40. het slot (peroratio).
In rechterlijke en historische redevoeringen — in het algemeen, wanneer een feit de grondslag ervan is — voegt men er het verhaal (narratio) aan toe, hetwelk zijne plaats vindt achter de propositie.
De Inleiding.
De Inleiding (exordium) is dat gedeelte der rede, waarin de spreker zijne hoorders voorbereidt tot het wel aan-hooren en begrijpen van wat hij hun zeggen gaat.
Zij dient derhalve om belangstelling voor de zaak en (zoo noodig) welwillendheid voor den spreker op te wekken.
De inleiding kan vierderlei zijn:
1°. eenvoudig,
— 08 —
2°. bedekt, insinueerend;
30. verheven,
40. pathetisch (ex abrupto).
De Inleiding is eenvoudig, wanneer ze in onversierden stijl en in geleidelijk zich ontwikkelenden gedachtengang den hoorder op de rede voorbereidt.
Zij is bedekt, ot, zooals men het noemt: insinueerend (per insinuationem), wanneer ze op bijzondere wijze en als langs een omweg, welwillendheid vraagt voor den redenaar of belangstelling voor het te behandelen onderwerp.
Zij is verheven (subliem), wanneer ze, wat gedachten zoowel als wat stijl betreft, zich boven het gewoonlijke verheft; en wordt slechts bij indrukwekkende gelegenheden gebezigd.
Zij is pathetisch, wanneer ze als de plotselinge uiting is van een buitengewone aandoening, waarin óf het gehoor óf de spreker óf beiden zich bevinden, en in dat gevoel van zelf hare verklaring vindt. Geestdrift, droefheid of verontwaardiging liggen haar ten grondslag.
De inleiding moet zijn:
i0. Doeltreffend, gepast, d. i. uit het onderwerp en de stof zelf genomen, niet ver gezocht, niet in algemeenheden, welke op elk onderwerp kunnen worden toegepast, zich verliezend;
20. een voorbereidend deel, niet een overzicht, een résumé der rede; zij moet geven een voorsmaak van wat komen moet, en moet zijn als de dageraad vóór den dag;
30. in verhouding tot de geheele rede, zoowel wat lengte als wat inhoud betreft;
40. ongedwongen, op zich zelf zoowel als in haar overgang tot het thema. Hoe natuurlijker trouwens en eenvoudiger de inleiding is, des te gemakkelijker zal die overgang wezen.
— 69 —
Waaruit kan dan de inleiding genomen worden ?
1°. Vooreerst uit het onderwerp zelf, b.v. uit zijn belangrijkheid, zijne opportuniteit enz. Cicero (I. c. c. 79) geeft zelfs den raad, de geheele inleiding achterwege te laten, indien het onderwerp minder belangwekkend of het gehoor te min ontwikkeld is.
2°. Dan, uit de omstandigheden van tijd, plaats, personen enz., inzonderheid wanneer die van invloed kunnen zijn. Deze soort van inleiding, met takt aangewend, is wel de belangrijkste.
30. Uit een kernspreuk, een voorbeeld, eene gelijkenis, een verhaal (ex illustratione, zooals men het noemt).
40. Uit verwante begrippen, van gelijke soort, bijv., uit tegenstellingen enz. Men hoede zich hierbij evenwel voor wijdloopigheid.
Thema en Verdeeling:.
Het thema is : een korte, eenvoudige en duidelijke samenvatting van het onderwerp. Zijne plaats is onmiddelijk achter de inleiding.
De eigenschappen van het thema zijn derhalve ; kortheid, eenvoudigheid en duidelijkheid.
De samenvatting evenwel omvat twee zaken, nl. eene vooropstelling van het doel, dat de redenaar beoogt, en waarop hij gevolgelijk de aandacht van den hoorder wil vestigen; en de aanwijzing van den weg, dien hij om dat doel te bereiken, volgen wil. Het eerste ligt in het thema, het tweede in de verdeeling.
Het spreekt vanzelt dat bij korte redevoeringen, als aan- of toespraken, tafelreden of toasten, zoowel de propositie als de verdeeling kan wegblijven.
In redevoeringen echter van langeren adem is het aangeven der punten van verdeeling noodzakelijk, omdat daardoor het geheel der rede dieper indringt in het ver-
— 70 —
stand en zich scherper prent in het geheugen der hoorders. De Ouden legden daarop groot gewicht.
Door de verdeding (divisie) verstaat men het splitsen des thema\'s in twee, hoogstens drie punten, welke afzonderlijk uit de gevonden stof behandeld worden.
Elk punt kan weder in verschillende punten worden onderverdeeld.
Te veel ot te spitsvondige onderverdeelingen brengen niet zelden verwarring te weeg, of benadeelen den indruk der hoofdgedachte door het gevaar, dat ze mede brengen,
van den spreker in uitweidingen te doen vervallen. Men vermijde ze daarom, en houde den gulden regel vast : »wel verdeelen, maar niet verbrokkelenquot;. o
De volgende regels kunnen gelden voor de verdeeling :
I. Zij mag niet verder reiken dan het hoofdthema gaat, derhalve niets aanraken wat daarin niet ligt opgesloten.
II. De punten moeten onderling zoo verscheiden zijn,
dat niet het eene met het andere samensmelte.
III. Het eerste punt moet als van zelf leiden tot het tweede, en dit het eerste bevestigen, opdat de rede voortdurend in kracht stijge.
IV. De verdeeling moet niet gezocht zijn, maar uit het thema van zelf voortvloeien.
De TJitvoering-, r.
Is de te behandelen stof nu in verschillende deelen geordend of tot verschillende hoofdstukken teruggebracht,
dan gaat men tot de behandeling zelve over.
De uitvoering bestaat in het behandelen ot uitwerken der punten van het plan.
Die behandeling bestaat in :
10. Verklaring des thema\'s;
2°. Bewijsvoering, verdeeld in :
(7. rechtstreeksche, of bevestiging door bewijzen; h. onrechtstreeksche, of weerlegging van opwerpingen ;
5°. Aanhaling van beweeggronden.
I. De. Verklaring. Wat de redenaar kan aan te voeren hebben tot verduidelijking van de woorden of van den zin zijns thema\'s, tot uiteenzetting van bepaalde omstandigheden of anderszins, vindt zijne plaats in den aanvang der uitvoering.
In vele gevallen is die verklaring noodzakelijk, zoo zelfs dat ze een gedeelte der rede uitmaakt. Dat is bijv. het geval, wanneer uit de bepaalde opvatting van een stelregel een zekere verplichting of een zeker recht volgen moet.
In andere gevallen kan de verklaring geheel achterwege blijven, als zijnde het thema volkomen klaar en duidelijk uitgedrukt, zoodat er geen gevaar bestaat om misverstaan te worden.
Wanneer het thema geschiedkundig is, kan de verklaring bestaan uit het verhaal (narratie) der gebeurtenis; maar in dat geval moet het verhaal alleen die punten doen uitkomen, welke tot bereiking van het doel der rede van gewicht zijn , bovendien duidelijk, sierlijk, levendig gedramatiseerd, en zoo mogelijk overtuigend.
11. De Bewijsvoering. — a. Rechtstreeksche b e w ij z e n. — Over de rangschikking der bewijzen in de confirmatie of bevestiging sprekende, haalt Quixtilia-nus. Homerus aan, waar de dichter den wijzen Nestor de opstelling der Grieksche legermacht aldus laat uiteenzetten : voorop de ruiterij en de strijdwagens, die de voornaamste kracht uitmaakten; in de achterste slaglinie
- 72 —
het talrijke en dappere voetvolk; tusschenbeiden die troepen, welke hem het minst strijdvaardig en zwak toeschenen. 1)
Ook voor de bewijsvoering in de rede stelt Quinti-lianus denzeltden regel, terwijl evenwel anderen ook in de rangschikking der bewijzen een opklimming verlangen. De laatsten willen derhalve het zwakste bewijs vooropgesteld hebben, om trapsgewijze] tot het sterkste op te klimmen; Quintilianus daarentegen wil de zwakkere bewijzen, als in massa, tusschen het sterke en het sterkste bewijs ingelascht zien. En hierin heeft hij een medestander in Cicero, f) die eischt, dat aan het rechtmatig verlangen der hoorders, om de bevestiging te hooren, tegemoet gekomen en aan hunne verwachting zoo spoedig mogelijk voldaan worde.
Wat er van zij, men drage steeds zorg, dat men door het sterke of sterkste bewijs voorop te stellen de volgende zwakkere argumenten niet waardeloos make.
Men geve de sterke bewijzen elk afzonderlijk, en vatte de zwakke tezamen, opdat de anderen vereenigd kunnen teweeg brengen, wat elk der eersten, op zich zelf staande, doet.
b. De wederlegging (refutatie.) — Opwerpingen zijn als pijlen , die soms diep treffen. De redenaar dient daarom hare kracht te rechter tijd te ontzenuwen. Komt de wederlegging te laat, of blijft ze geheel vergeten , dan verliest zelfs de rechtstreeksche bewijsvoering gedeeltelijk of geheel hare kracht. In het geval, dat de spreker in zijn hoorders persoonlijke vijanden of tegenstanders van zijn thema meent te zien, moet die hindernis allereerst uit den weg geruimd worden.
1
Quint. Inst. or. 1. 5. c. 12, (t) De Orat. 1. 2. n. 313.
— 73 -
r
Men ga bij de wederlegging met voorzichtigheid te werk. Dat is de voornaamste en eenige regel. Raadzaam is het niet, den tegenstander altijd in de orde zijner opwerpingen te volgen ; somtijds is de tegengestelde orde \\ aan te bevelen, daar ook die tegenstander in zijne bewijs-
V voering crescendo te werk is gegaan, en derhalve zijn
sterkste argument (wellicht uit de voorgaande afgeleid) voor het laatste bewaard heeft. Is dat derhalve te niet gedaan ot weerlegd, dan valt zijne geheele redeneering.
III. De beweeggronden. Werken de bewijzen op het verstand van den hoorder, de beweeggronden moeten op zijn wil invloed uitoefenen.
•j Is de stof der rede bloot theoretisch, d. w. z. onder
richtend, dan blijven de beweeggronden, als geen doel hebbende, weg; doch is die stof praktisch, d. w. z. is het doel van den redenaar, zijn hoorders over te halen of op te wekken tot handelen of ondernemen, dan vormen ze niet zelden het zwaartepunt der gansche rede. Zoo bijv. in een redevoering, waarin wordt aangetoond, dat iets moet geschieden ; en daarna de wijze, zuaarop het moet geschieden, besproken wordt.
In de gewone orde evenwel gaan de bewijzen de beweeggronden vooraf. Maakt bijv. het nakomen eener verplichting de stof der rede uit, dan wordt eerst de aard der verplichting verklaard, dan de rechtmatigheid, billijkheid, noodzakelijkheid bewegen, en eindelijk de nalatige tot handelen aangespoord (bewogen). ,, Wat de opeenvolging der beweeggronden aangaat, zij
het voldoende te verwijzen naar wat in \'t algemeen over het gevoel gezegd is, en te herhalen, dat ook hier voortdurend opklimming moet plaats hebben, opdat de indruk niet worde verzwakt.
— 74 —
Het Slot.
Het Slot, ook peroratie of epiloog genoemd, is het laatste deel der rede, in hetwelk de redenaar, om zoo te spreken, alle zeilen bijzet om zijn doel te bereiken. En inderdaad, niet zelden hangt van het slot de overwinning des redenaars af.
Het slot bestaat gemeenlijk uit twee deelen :
1°. eene korte opsomming, herhaling, der voornaamste bewijsgronden;
2°. eene heftige uitstorting des gemoeds; of beide tegelijk, naar gelang den aard der rede.
De herhaling isbijzonder bij onderrichtingen op haar plaats Zij moet kort en levendig wezen, en geennieuweredevocring zijn, »»0;; redintegretur oratioquot;, alsdelatijnsche wetgever zegt.
Het verwekken van hevige aandoeningen ligt in het doel van het slot, nl. een diepen indruk na te laten. Indien echter bij het aanhalen der beweeggronden op het einde der uitvoering het gevoel zijn hoogste punt reeds bereikt heeft, of de geheele rede op het gevoel rustte, dan zorge men slechts, dat ook het slot den toon der rede behoude en niet verflauwe, opdat de uitwerking niet geheel te loor ga.
De samenvoeging van beide: herhaling der voornaamste bewijzen in \'t kort, met hevige gemoedsbeweging gepaard, is de gewone manier, en kan op de meeste onderwerpen worden toegepast. Hierbij neemt de herhaling de eerste, het gevoel de tweede of laatste plaats in. Het geheel onderscheide zich dcor bondigheid, natuurlijkheid en warmte.
Een woord over de transitie moge hier eene plaats vinden. Door transitie of overgang verstaat men de wijze
waarop de verschillende deelen der rede aan elkander verbonden worden. Die overgang nu moet natuurlijk en geleidelijk wezen, d. w. z. de redenaar mag den ge-dachtengang der hoorders geen geweld aandoen; hij moet niet overspringen, maar overgaan. Somtijds kan een kort verhaal tot overgang dienen, voornamelijk wanneer dat verhaal als bewijs voor het reeds gezegde en als bevestiging van hetgeen nog gezegd zal worden geschikt is. Zulk eene transitie pleegt de hoorders te behagen, op te frisschen, en opnieuw de oplettendheid gaande te maken.
X2E! STITXj KOSIDE.
De algemcene eigenschappen van een goeden stijl (zie bl. i) zijn voornamelijk bij het opstellen eener redevoering onontbeerlijk. Het plan immers der rede is een geraamte; de taal, waarin men het ontwikkelt, moet er den uiterlijken schitter, de aantrekkelijkheid, aan geven.
De stijl der rede moet derhalve zijn ;
1°. duidelijk en bevattelijk ;
2°. levendig en mededeelend ;
3°. gepast voor het onderwerp;
4°. krachtig en tevens sierlijk.
De redenaar dient bij het opstellen der rede voortdurend zijne hoorders voor ocgen te hebben en hen (somwijlen) toe te spreken. Zoodoende zal de taal, die hij schrijft, de in i0. en 2°. opgenoemde hoedanigheden van zelf krijgen, en veel verschillen van de gewone boekentaal. Zijn stijl moet een stroom gelijken tusschen hem en zijne hoorders.
«De redequot;, zegt Quintilianus , »moet zelts door den minst oplettenden hoorder kunnen begrepen worden; zij
— 76 —
moet, even gelijk de zon in de oogen, in het verstand indringen, zonder dat liet daarheen gericht is. Het is dus niet genoeg, dat de zin daarvan verstaan worde, men moet ook zorgen, dat het onmogelijk is, hem niet te verstaan.quot; (Inst. Orat. Lib. vin.)
En Blair , in zijn Lessen over de Redekunst, voegt er aan toe : «Rijkdom en juistheid te vereenigen, vloeiend en bevallig, en tevens juist en nauwkeurig te zijn in de keuze der enkele woorden, is buiten twijfel de hoogste en om te bereiken de moeielijkste trap van volmaaktheid in den stijl.quot;
Door de duidelijkheid in alle deelen der rede, moet de spreker op het verstand werken, door de levendigheid houdt hij de oplettendheid gaande.
Het behoeft niet gezegd, da: in leerredenen en redeneeringen de duidelijkheid op den voorgrond moet staan, wijl onderrichting dan het doel der rede is. Lange, kunstig ingewikkelde perioden zijn derhalve in het lee-rend of bewijzend gedeelte van elke rede (in de propositie en confirmatie) te vermijden.
Vooral moet de redenaar spreken; wat er omgaat in den geest en het hart zijner hoorders moet hij verstaan in zijn binnenste, en zijn rede moet daarop een antwoord, een onderrichting, een weerklank wezen. Zonder dien meèdeelenden toon verliest de redevoering haar uitwerking. Daarom heeft de natuurlijke welsprekendheid zinwendingen gevonden, die als figuren dienst kunnen doen, zooals de vraag, de suspensie enz. In plaats van bijv. te zeggen : »Het gevolg van dat alles is enz.quot;, keert hij den zin vragend om en zegt: »Wilt gij weten wat het gevolg van dat alles is ? enz.quot;
Wanneer de toon der mededeeling ontbreekt, is de rede een gewone alleenspraak zonder eenig effekt.
Hene andere eigenschap van den waren redenaars-stijl
is gepastheid, d. w. z. overeenstemming tusschen het onderwerp dat wordt behandeld (de gedachten), en de taal, waarin het ontwikkeld wordt.
Is dat onderwerp grootsch en verheven, eenvoudig en alledaagsch, of rijk en schitterend, dan moet de stijl diezelfde hoedanigheden bezitten.
Daarom onderscheidt men drie soorten van stijl :
1°. den eenvoudigen ;
2°. den middelsoortigen;
3°. den verheven stijl.
De gewone, maar beschaafde spreektaal is het wezen van den eenvoudigen stijl.
De middelsoortige staat tusschen den eenvoudigen en den verheven stijl in, en neemt den zoogenaamden bloemrijken stijl in zich op.
Do verheven stijl is die, waarin grootsche gedachten in grootsche bewoordingen, verheffende denkbeelden door schitterende woorden worden weergegeven.
Er bestaat evenwel groot onderscheid tusschen; verheven stijl en het verhevene. Eene verhevene gedachte kan in den eenvoudigsten stijl worden uitgedrukt, en niettemin verheven blijven, ja, nog meer effekt maken. Het «Dien seul est grandquot; van Bossuet is verheven cn door zijn eenvoud én door de omstandigheden, waarin het werd uitgesproken.
De drie genoemde stijlsoorten kunnen natuurlijk in dezelfde redevoering afwisselend, ja zelfs gemengd voorkomen. In sommige toespraken wisselt den eenvoudigen met den middelsoortigen (tafelreden, toasten,) in andere de middelsoortige met den verheven stijl af (grafreden, toespraken aan hooge personen).
Steeds moet het onderwerp den toon aangeven, dus
- 78 —
den stijl bepalen. Een alledaa^sche stof in verheven stijl ontwikkelen is bespottelijk, is bombast.
Men wachte zich evenwel, ook in het kiezen van den stijl, voor overdrijving. »In alles moet men wel toezien, hoeverquot;, zegt Cicero. De eenvoudige stijl mag niet in een drogen, de middelsoortige niet in een waterigeu (of al te bloemrijken), de verheven niet in een gezwollen stijl ontaarden.
Deze waarschuwing zij voldoende. Regels daarvoor aan te geven, is onmogelijk. Goede, geoefende smaak, welke door zelf-arbeid benevens door lezing der klassieke meesterstukken verfijnd wordt, moet hier oordeelen.
In welken stijl men schrijve, steeds zij hij vol waarde en edelen eenvoud, nooit gemeen, alledaagsch, grof ot onfatsoenlijk.
De laatst opgenoemde, niet de minst noodzakelijke hoedanigheid van den redenaarsstijl is kracht en sierlijkheid.
Fraaie stijl trekt aan, krachtige stijl dringt door en maakt indruk: het doel des sprekers.
De kracht ligt in kernachtige woorden en uitdrukkingen, snelle overgangen, levendige figuren. Men schrijve korte zinnen, flink en rond; maar wachte zich voor stroefheid, overdrijving en aanmatiging in den toon. Kernspreuken, matig gebruikt, geven glans aan de rede en kracht; een te veelvuldig gebruik ervan, is ot leidt lichtelijk tot affectatie.
De kracht van den stijl moet, als van zelf spreekt, zijn oorsprong vinden in de kracht en den overvloed der gedachten.
Om sierlijk te wezen, moet de stijl natuurlijk, vloeiend, » afwisselend, welluidend zijn. Evenals het stroeve, stoo-terige, afgebrokene vermoeit, zoo trekt het natuurlijke en vloeiende aan. Wie de gave van spreken ook slechts in geringe mate bezit, kan, door eigen oefening en lezing
van goede voorbeelden, veel aanvullen. Onze taal heeft een woordenrijkdom, een gesmijdigheid in de woordschikking, eene gemakkelijkheid in de zinsverbinding, die voor geen enkele taal behoeven onder te doen.
Niet alleen vloeiend moet de stijl zijn, maar ook afwisselend, Alle eentonigheid verveelt. Daarom vermijde men het dikwijls herhalen van dezelfde uitdrukking, hetzelfde woord, denzelfden zinbouw. Geen reeks van enkelvoudige zinnen, geen reeks evenmin van perioden. Geen alledaagschheid, geen gemeenplaatsen. Men trachte nieuw te zijn, d. w. z. men wijke af, maar op ongedwongen, natuurlijke wijze, van het gewone, hetzij in de gedachten hetzij in de uitdrukkingen. Overdreven zucht naar het nieuwe leidt overigens alweder tot gemaaktheid.
Afwijking van liet eigenlijke onderwerp, uitweiding over een met het onderwerp samenhangend begrip, is somtijds geoorloofd en kan in zekere gevallen zeer goed werken, nl. i0. wanneer de zaak, waarover men uitweidt op zich zelve van belang is, en de toehoorders aantrekt; 2°. als ze niet geheel buiten het onderwerp ligt, doch daarmede in eenig verband staat; 30. indien ze den alge-meenen indruk der rede niet verzwakt; en 40. wanneer men er slechts zelden gebruik van maakt.
IDE
Toen men Demosthenes eens vroeg — verhaalt Quin-tiliakus — wat hij voor het voornaamste hield in de kunst der welsprekendheid, antwoordde hij: de voordracht; op nieuw gevraagd een tweede en derde maal, wat daarna liet voornaamste was, gaf hij telkens tot antwoord: de voordracht.
»De ongemeene ijver (zegt Blair) welken hij aanwendde
— 80 —
om in de welsprekendheid uit te munten; het kwalijk gelukken van zijne eerste proeven; zijne onvermoeide standvastigheid in het overwinnen van al de moeilijkheden,
welke zijn lichaamsgestalte en spraak opleverden; dat hij zich in een onderaardsch hol opsloot, om des te ongestoorder zijne oefeningen door te zetten ; dat hij rede- \' voeringen hield aan het strand, om zich aan het gedruisch der volksvergaderingen te gewennen, en wel met steentjes in den mond, om zijne gebrekkige uitspraak te verbeteren ; zijne oefeningen te huis met een bloot zwaard aan den schouder, om zich zekere onwelvoegelijke be- i wegingen te ontwennen; al deze omstandigheden, welke Plutarchus ons bewaard heeft, zijn bij uitstek bemoe- \' digend voor elkeen, die zich op de welsprekendheid wil toeleggen.quot;
De voordracht is tweeledig : 1
1°. declamatie ot mondelinge voordracht;
2°. actie ot voordracht met gebaren. \\
Door declamatie verstaat men het helder, welluidend, t
nadrukkelijk mededeelen van gedachten en gewaarwordingen door middel van de gesproken taal. I
Uit de definitie volgt van zelf, dat de mondelinge voordracht moet wezen a. verstaanbaar, d. w. z. accuraat, wat de zuivere uitspraak der woorden aangaat, en duidelijk, wat betreft de articulatie, welke iedere lettergreep tot gelding doet komen ;
b. natuurlij]:, niet gemaakt; welke eigenschap de rede slechts dan hebben zal, wanneer de spreker zelf innig van zijn onderwerp doordrongen is.
„Verlos ons van den preektoon, Heer!
Geef ons natuur en waarheid weer !quot;
heeft de Génestet niet ten onrechte gezongen.
— 81 —
c. levendig en afwisselend. Een redevoering, die den hoorder koud laat, mist hare uitwerking geheel. Het gevoel, dat den spreker bezielt, moet als \'t ware trillen in zijn stem, en zijne eigene gewaarwordingen moet hij mededeelen aan zijn gehoor. Maar niet voortdurend mag hij in denzelfden toon spreken ; de toon van het gevoel is geheel anders dan die van het bewijs. Nu spreekt hij met nadruk en klem, dus langzaam en zacht, dan met warmte en geestdrift, dus vlug en luider. Doch steeds blijve hij zijn stem meester en doe haar geen geweld aan.
Dezelfde eigenschappen moeten zijn gebaren hebben. Voeg daar bij: bescheidenheid en welvoegelijkheid. De houding des lichaams zij edel, natuurlijk; de bewegingen van handen en armen eveneens. Bij gevoelvolle ontboezemingen en gemoedsuitstortingen hangt van de houding des lichaams en de gebaren van oogen, armen en handen veel af.
In de voordracht overigens is alles betrekkelijk. Zij regelt zich naar de stof, die behandeld wordt, naar plaatselijke zeden en gebruiken, en voornamelijk naar de persoonlijkheid des redenaars.
OVER HET PLAN DER REDE.
Het maken van een plan voor de te schrijven redevoering is van te groot gewicht, dan dat we niet met een enkel woord het over de rede hier uiteengezette daarmede zouden aanvullen.
Het plan ot ontwerp is de kern der rede. Uit die kern moet de boom groeien, die vruchten voortbrengen moet.
Het plan bestaat uit een kort overzicht van de geheele
6
- 82 —
stof, zooals de redenaar ze heeft opgevat, beschouwd , geschift, verdeeld, gerangschikt en opgehelderd.
Van de bewerking des plans hangt de schoonheid en de kracht der rede grootendeels af, wijl daardoor hare eenheid, de samenhang en de verscheidenheid harer deelen, en hare juistheid duidelijker in het oogspringen.
Het plan moet zijn:
1°. rijk en breed, d. w. z. er moet een overvloed van gedachten en gewaarwordingen in zijn aangestipt;
2°. omvattend, d. i. alle deelen en onderdeden moeten er in zijn aangegeven met de wijze tot hunne ontwikkeling;
3°. duidelijk, zoodat alle deelen en onderdeelen, alsmede hun onderling verband , met één oogslag kunnen overschouwd worden; dan krijgt de redevoering haar noodzakelijkste hoedanigheid , namelijk de
4°. eenheid, welke haar het voorgestelde doel doet bereiken. Tot dat doel, aangegeven in het thema of de propositie, moet elk deel, ja elk woord dat gesproken wordt, heenvoeren; en om die eenheid aanstonds te vatten, dient het plan te zijn.
5°. zoo eenvoudig mogelijk, d. i. zonder omhaal van woorden, kort en bondig, maar niettemin zoo, dat het vatten van den samenhang geen bijzondere inspanning vordert.
Ter uitwerking: Over het verval der Staten , over de voordeden der stoomvaart, over de mode, over het geld, over Fond el als treurspeldichter, over de gevolgen der kruistochten, over de vrijheid, over vaderlandsliefde, over de macht van het kleine, over geestigheid.
Welkomstrede. aan een kunstgenootschap, na een gelukkige reis, aan teruggekeerde troepen na den oorlog,
aan ballingen bij hun terugkeer in het Vaderland, aan den Prins van Oranje na den val der Fransche heerschappij.
Afscheidsrede aan een missionaris, aan volksverhuizers, aan vrijwilligers, tot eigen land- en stadgenooten, tot den vriendenkring.
De leerling beginne met het zoeken naar een propositie, vooral bij de in de eerste categorie opgegeven onderwerpen. Daarna make hij de verdeeling.
Men zal zien, dat de aangegeven onderwerpen voor verschillende opvattingen vatbaar zijn. Daarin late men den leerling, vooral den meer gevorderden, de grootst mogelijke vrijheid.
II.
POËTICA.
VERDEELING.
De Poëtica, als zijnde een van het proza onderscheiden stijlvorm, omvat:
i0. de Prosodie, of leer van den versbouw (versificatie); 2°. de verschillende meest voorkomende dichtvonnen. Daar de Poëtica, aldus opgevat, van de poëzie in eigenlijken zin zeer verschilt, ja slechts een vorm is, waarin de poëzie gegoten wordt; daar de benaming van proza in tegenstelling van poëzie tot menig misverstand aanleiding geeft, dewijl men meent echte poëzie niet te moeten zoeken in prozawerken, ofschoon menig schrift in ongebonden stijl meer poëzie bevat dan vele in versmaat gewrongen opstellen, laten we hier een korte beschouwing vooratgaan over de
Wat is Poëzie ? Wat behandelt zij ? En wat valt onder haar bereik ?
Poëzie is de uitdrukking van het schoone door middel van de taal. De dichter beschouwt de dingen anders dan de wijsgeer, natuuronderzoeker ot taal-vorscher dat doen. Terwijl zij de voorwerpen beschouwen in hun wezen, hun onderling verband, hun samenstelling enz., teneinde te geraken tot de kennis der naakte waarheid, ontdekt de dichter in die voorwerpen tevens
het schoone, liet verhevene, het grootsche, cn tracht hij in de voorwerpen die hoedanigheden voornamelijk te doen uitschijnen. Daarom ligt elk voorwerp onder het bereik der poëzie. Het is derhalve den dichter niet zoozeer te doen om de bloote waarheid, dan wel om den luister, welken de waarheid noodzakelijk van zich doet uitschitteren. Mocht Socrates verklaren, wel te weten wat schoon is, doch geen bepaalde omschrijving vmhet te kunnen
geven, de christelijke wijsgeeren noemen het schoone: den glans van het ware (la splendeur du vrai.)
Een zekere mate van schoonheidsgevoel is het eigendom van eiken mensch ; maar die maat is natuurlijkerwijze zeer verscheiden, en staat in verhouding met den aanleg en de ontwikkeling van elk individu.
üpmerkings- en verbeeldingsgave om het schoone te ontdekken en voor den geest te doen herleven, gevoel om aan dat schoone zich te hechten, en oordeel om die beide aan te wakkeren of in te toomen ; ziedaar de noodwendige hoedanigheden van den dichter. De volkomen overeenstemming tusschen die drie eigenschappen is beginsel en volmaking van wat men den smaak noemt.
Doch de dichter stelt zich niet tevreden met het bewonderen van het schoone in één voorwerp, hij ontleedt de verschillende dingen, en stelt zich uit derzelver eigenschappen een voorwerp samen, dat hij de ideale schoonheid, zijn ideaal noemt. Dat ideaal tracht hij in het voortbrengsel van zijn geest te verwezenlijken, en naar de male dat hij hierin vermag te slagen, meet men zijn dichtergeest, zijn talent en zijn genie af. Hoe juister de verhouding tusschen het ideale en het werkelijke beeld opgemerkt en beide in vorm en gedachte vereenigd worden , des te volmaakter is derhalve de kunstgave van den dichter.
Uit het voorafgaande blijkt, dat in algemeenen zin elke kunstenaar dichter kan worden genoemd; de ideale
schoonheid immers kan door klanken, kleuren en teekens worden weergegeven. Zoo komt het, dat men spreekt van een dichtwerk in steenen, een gedicht in marmer, een dichtstuk in kleuren, een dichtwerk in klanken, (een toondicht). Op dit gebied reiken schilder en beeldhouwer, bouwmeester en toonkunstenaar elkander de hand, en kan derhalve de proza-schrijver dichter wezen.
Doch in engeren zin, en dan alleen op de fraaie letteren toegepast, is poëzie de uitdrukking van het schoone door middel van de taal, welke tot dat doel aan een zekeren vorm gebonden is.
Spreekt de wijsgeer tot het verstand, de redenaar tot den wil, de geschiedschrijver tot het oordeel, de dichter wendt zich tot het gevoel. Daarvandaan dat men de poczie ook wel genoemd heeft de taal van verbeelding en gevoel; en in die opvatting komt zij den redenaar vooral, die door liet gevoel niet zelden op den wil moet invloed uitoefenen, zeer van pas.
Het doel der poëzie kan derhalve geen ander zijn, dan: door de uitdrukking van het schoone, in den mensch het begrip en het gevoel van schoonheid op te wekken en te verlevendigen, en hem zoodoende te brengen tot de beschouwing van en de liefde voor de schoonheid in haar hoogste volmaking, het ideaal bij uitnemendheid, het schoone en het ware.
Wegens dat doel moet de taal van den dichter, als van zelf spreekt, behagelijker, sierlijker, treffender, meer verheffend dan die van den gewonen proza-mensch zijn.
Hij moet indruk maken door zijn stijl, maar ook behagen door den vorm, dien hij aan zijn stijl geeft. Hij moet behagen niet alleen aan het oog (hier het oog dei-verbeelding) door zijne manier van voorstellen, en aan het gevoel door zijn wijze van uitdrukking en schildering, maar ook aan het oor door de muziek zijner taal in de
— 90 —
rangschikking der woorden. Dient er in eiken anderen stijlvorm, tot welk doel dan ook gebezigd, acht gegeven te worden op welluidendheid en sierlijkheid, hoeveel tc meer dan in den vorm van het dicht, hetwelk op de eerste plaats zoekt te behagen. Zoo dachten er de Ouden over, en de groote meesters na hen. En zij dwongen de taal zich te leenen tot het voortbrengen van een zekeren kadans, eene zangerigheid, een vastgezette melodie, die voor het proza noodeloos en overbodig, zelfs schadelijk, voor de taal der poëzie evenwel onontbeerlijk en noodzakelijk geacht werden. Zij schreven hunne onsterfelijke werken in verzen, naar vastgestelde toon en maat gelijkelijk ingedeeld en afgerond; en de dichters, die de thans levende talen tot voertuig hunner gedachten namen, voegden bij toon en maat het rijm, als derde vereischte voor de zangerigheid der poëzie. Zij huwden aan de poëzie der gedachten de techniek der taal. (1)
Die techniek, dat kunstmatige der poëzie, staat ons nu te behandelen.
Wij zullen ons eerst bezighouden met dc Prosodie, de leer der versificatie, van den versbouw. Doch ook deze dienen we alweder te beschouwen in hare twee onder-
1
Wij bekennen gaarne, niet hoog op te hebben met tie moderne richting,
die verzen wil doen lezen als proza, het gedurig overspringen der dichtregelen (enjambement) schoonheid, en liet achterwege laten van rijmklanken aanbevelenswaardig noemt.
Ook in dit opzicht kan de zoo hoog geroemde dichterlijke vrijheid tot bandeloosheid overslaan. En wanneer was bandeloosheid ooit schoon?
Wij kunnen niet nalaten hier het .fragment eener idyllequot; aan te halen,
waarin Fortünio die moderne dichtmanier in rijmlooze jamben belachelijk maakt. |
Het was in \'t dorpje Sloterdijk, don zeventienden Augustus van \'t jaar achttien honderd zeven eh zestig , \'s avonds zeven uur , dat een oude heer voor zijn woning zat te dutten. Op zijne knie lag \'t uitgedoofde pijpje; terwijl de hand, waaraan het Dagblad zooeven pas ontglipt was , langs zijne zijde beweegloos neerhing. Aan zijne voeten lag een grijsbonte kat, die quot;s meesters voorbeeld had gevolgd en, ills hij zoo rustig sliep. Enz.
deelen : de leer van toon en maat (rhytmus) in de enkele woorden, en de leer der versmaat (metrum) in de samenvoeging der woorden tot een vers.
PROSODIE.
TOOlrT ElfcT
Door toon (klemtoon, accent) verstaat men eene zekere drukking of verheffing der stem, waardoor één woord in eene reeks van woorden of één lettergreep in een woord boven de andere moet uitkomen.
Door maat verstaat men de langere of kortere during eener lettergreep, de grootere of kleinere tijdruimte, welke de stem tot het uitspreken eener lettergreep gebruikt.
Bilderdijk verstaat door toon en vuml de hoogte en laagte van klank, en langere of kortere during der sylben.
De toon heeft gevolgelijk betrekking op de woorden, de maat op hunne onderdeelen, de lettergrepen. In een tweelettergrepig woord heeft derhalve ééne lettergreep den toon, elk der twee lettergrepen haar maat.
Over deze laatste kunnen we kort zijn, daar in onze taal voor den versbouw minder op de maat der lettergrepen dan wel op haar klemtoon gelet wordt. Eenzelfde woord kan, naar de plaats, die het tusschen andere woorden inneemt, den klemtoon krijgen of dien verliezen; ofwel, als men het oneigenlijk pleegt uit te drukken, lang of kort zijn. Elke lettergreep, die den klemtoon heeft, moet als lang beschouwd worden; die ongeaccentueerd blijven, zijn kort. Graden in de lengte of kortheid der lettergrepen kennen wij niet, ofschoon de lezer er wel acht op dient te slaan, wil hij niet in dreun vervallen en dus eentonig worden.
Het vasthouden aan den zoogenaamden halven toon doet niets ter zake; in het vers doet de halve toon de lettergreep den toon geheel verliezen.
Op de maat afgaande zou woord in antwoord ontegenzeggelijk lang moeten wezen. De klemtoon nochtans, die op het voorvoegsel valt, maakt woord kort, of doet het ten minste met een toonlooze lettergreep gelijk staan.
Voor het vers heeft de tweede sylbe van antwoord in . »Gij antwoordt niet ?quot; evenmin toon (en heet dus even kort) als de tweede van vragen in : »Zij vragen nietquot;.
Wat de maat betreft, kan als algemeene regel vooropgesteld worden : lang is altijd het zakelijk deel van een naam- ot werkwoord, om de eenvoudige reden, dat het zakelijk deel steeds den klemtoon krijgt.
Alle eenlettergrepige woorden zijn uit hun aard lang, doch kunnen hetzij in verband hetzij in samenstelling met andere woorden kort worden. Zoo zijn bloed en dorst op zich lang. Het samengestelde bloeddorst heeft den klem op de eerste sylbe, waarvan het kort of liever toonloos worden der tweede het gevolg is. Dat kan zelfs met zamengetrokken woorden het geval zijn, b.v. schaduw (schaduw) en boomschaauw.
«Toon en Maat vloeien wederzijds op elkander in, en in \'t Hollandsch zoodanig, dat de toon de maat over-heerscht, even zoowel als hij van deze afhangt.quot;
«De maat is meer innig aan het woord verknocht, de toon wordt meer als toevoeglijk beschouwd.quot;
En toch wordt bij het samenstellen van verzen alleen op den kletntoon gelet.
Die klemtoon valt bij ons, als in alle germaansche talen, op het zakelijk deel des woords.. Verschillende achtervoegsels evenwel oefenen eene enclytische kracht uit en trekken het accent naar hen toe. Zoodanig zijn :
in. de achtervoegsels—ig, —acbtig (haftig) en —^alig
- 93 —
(eig. —sel, oudtijds—sal), bijv. hoogmoed: hoogmóedig, voorbeeld: voorbéeldig; voordeel: voordéelig ; woon : woonachtig; geluk : gelukzalig.
2°. —haar en —-aam, bijv.: afmeten : afméetbaar; arbeiden: arbéidzaam. Het behoeft niet gezegd, dat sommige lettergrepen ook in deze gevallen onmogelijk betoond kunnen worden, b.v. el in handelbaar.
3°. — lijk en —loos, b.v. voorbedacht: voorbedachtelijk; vriéndschap: vriendschappelijk; aanzien: aanzienlijk; voorbeeld : voorbéeldeloos. Somtijds krijgt loos zelf den klemtoon als in goddeloos, en altijd indien het door —heid gevolgd en van eene toonlooze sylbe voorafgegaan is, als in goddeloosheid, gewetenlocSsheid, geldelóos-heid, achteloosheid : maar: gódloosheid, achtloosheid enz.
Wanneer het begrip van een woord gewijzigd wordt, is een accentverandering daarvan gemeenlijk het gevolg. Zoo bijv. oogenblik in de beteekenis van tijdruimte (de oorspronkelijke = blik der oogen, is verloren gegaan) ; stadhuis en stadhuis; hoogeschóol en hooge school enz.
Algemeene Regel voor den klemtoon in verzen :
Elke lettergreep, tenzij onmlddelijk op een betoonde lettergreep volge of aan eene betoonde onmlddelijk voorafga, kan den klemtoon krijgen.
Daarvan zijn zelfs de anders als immer kort beschouwde toonlooze achtervoegsels —de, —den, —ig, —end, —lijk, —loos alsook hel lidwoord niet uitgesloten.
Voorbeelden:
De twee volgende verzen van Bilderdijk eindigen op drie toonlooze lettergrepen, omdat het achtervoegsel —lijk er onbetoond blijft:
Dc driften van tien menscb, wat zijn zij tocli in \'t, zedelijke, Dun roersels van \'t bestaan, en grondstof zelfs van \'t redelijke ?
- 94 —
terwijl hetzelfde achtervoegsel den klemtoon krijgt in het volgende vers van denzeltde :
„Bedriege ik mij — of voel ik \'t blaken Eens onuitspreke/y\'Aen gloeds?quot;
En in :
„Het lichamn werd gevormd in \'t heevetijhf verbaud.quot;
In :
„De menscli, dan, was gevormd, nu juichten de Englenreienquot;
glijdt de stem over dan heen, om was te betonen, terwijl het omgekeerde plaats heeft, als men schrijft: »De mensch was dan gevormd enz.quot;
„Onmeetbre tijden, iu \'t Profetisch vizioeu Tezaamgekrompen tot gevleugelde sekonden.
„Ue Hikkriuge» verglimmen Allengs, en eindlijk sterft het flauwend licht.quot;
In de volgende strofe van te\\ Kate hebben door de verskadans de cursieve woorden, schoon als uit zich steeds kort gemerkt, toch den klemtoon :
„Wat viisszling van groepen en tafreelcn,
Van eeuwen en van levens en van lot,
Bespiedt gij hier in tallooce tooneelen!quot;
Alsmede in:
„In d\' aanvang schiep de Heer de Heme/e« en de aarde !\'quot;
„Getaande kroouglans, soms op \'t aanschijn nagebleven „Der uitgelezens/^ van ons geslacht!quot;
„Hij \'s opgetreden,
Die \'i; zegel breekt Der sluimrenA? verborgenheden.quot;
— 95 —
En Bilderdijk :
„De liougcr hol van kaken En prikkelende dorst, die de ingewanden blaken, Wat zijn zij dan uw stem?quot;
Alleen door de plaatsing in het vers wordt hetzelfde woord lang of kort:
„Beef, teedre Jongling, heef, beininuelijke Maagd,
Voor \'t, monster, dat heur naam op \'t schaamtloos voorhoofd draagt.quot;
„Vuur, vuur uw zangen aan, want schilderkunst te zingen, Is n te zingen, u, die \'t mehschlijk hart leert dwingen, O schoonheid!quot;
De Genestet :
„Gelukkig hij en vrij en vroed,
Die neen durft zeggen, neen,
Neen, tot zijn kind, zijn vriend, zijn vorst
En tot de schare — neen 1 Uit hooge niet, maar vrome borst ,
Neen , — schoon alléén !quot;
De uitgang -ig is lang in het eerste, kort in het tweede vers :
En duister was de lucht en hobbchy de weg.
En duister was de lucht, en hobbl/y was de weg.
Oplettendheid bij het lezen van verzen baat meer dan het zoeken naar regels, en elke dichter levert voorbeelden in overvloed op iedere bladzij.
Gaan wij thans over tot het meer bepaald beschouwen van
Zooals wij reeds zagen, bestaat het Nederlandsch vers uit een regelmatige opvolging van betoonde en onbe-
toonde (oneigenlijk: lange en korte) lettergrepen, en niet, gelijk bijv. het fransche, uit een zeker aantal lettergrepen alleen, waarbij de regelmatige kadans mag ontbreken.
Een versregel bestaat uit één of meer voeten, een voet uit twee of drie lettergrepen. (*)
Van al de voetsoorten, waarvan de Ouden kennis droegen, hebben wij er slechts zeven overgehouden; en van die zeven kunnen de spondeus en de pirrhichius, als meer op de lengte dan op den klemtoon der lettergreep berustend, zeer gevoegelijk achterwege blijven.
We zullen gemakshalve de betoonde lettergreep cursief, de onbetoonde of toonlooze (hetgeen op \'t zelfde neerkomt) in romeinsche letter aanduiden.
Een spondeus is een voet, bestaande uit twee lange lettergrepen, bv. aut-woord, borst-beeld, tiiig-hnis, vuiir-stoof, krijgs-held.
Een pyrrhichius is een voet van drie lettergrepen, waarvan de eerste den toon, de tweede geen toon en de derde den zoogenaamden halven toon heeft; of omgekeerd, bijv. uw/delénd, dé geim;;gene, /wmrrést, karne-melh.
Die twee voetsoorten komen alleen voor in dichtstukken (bv. vertalingen der Ouden), waarin de oorspronkelijke rhytmus der klassieken wordt bijgehouden.
Daarover met een woord later.
De meeste verzen zijn geschreven in gewone maal, waartoe de jambus en de trocheus behooren, of in trippelmaat, waartoe de dactylus en de anapaestus, ook de amphibrachys gerekend worden.
De jambe is een voet van twee lettergrepen, de eerste
(♦) Verzen in lossen trant, waarbij op de maat hoegenaamd niet gelet, maar alleen het rijm in acht genomen wordt, boertige rijmlarijen derhalve , heet men „knittelverzenquot;. Men vergelijke de Gedichten van den Schoolmeester.
— 97 —
toonloos, de tweede betoond , b.v. vooruit, geslacht, \'t gelach, te huis, o inensch, het ros.
De trocheus bestaat eveneens uit twee lettergrepen, waarvan de eerste betoond, de tweede toonloos is, b.v.
t Ojïer, ~eecn, hergen, de^ocver.
De dactylus, trippelvoet, telt een betoonde lettergreep, door twee toonlooze gevolgd, b.v. femelen, (/«/zenden, awidelden, rond door de zaal.
Hiertoe behoort de anapaest us, in weiken de twee onbetoonde lettergrepen vooropgaan , b.v. in de /women, op de daken, vergewist, begeleid , ik ben bier; en de amphibrachys, waarin de betoonde een toonlooze heeft aan weerszijden, ot twee betoonde een toonlooze insluiten , bv. de At\'/den, zij gingen, en keerden.
De anapaest is derhalve een omgekeerde dactyl, de amphibrachys een dactyl met een korten voorslag.
Het aantal voeten nu, waaruit een versregel moet bestaan, kan zeer verschillend wezen. In de jambische maat is het kortste vers bij ons van één, het langste van zes voeten (alexandrijnen) ; waar ze van zeven voeten voorkomen, heeft eenvoudig een samenvoeging van een vier- met een drievoetig vers plaats gegrepen, evenals ze in die afwisseling meermaals, maar dan onder elkander geschreven, worden gebruikt.
-Janibische Verzen.
Fan één voet:
Nog sticht Zijn dieht-Geschrijf. Maar \'t lijf? Hier bleef \'t. God lieeft De ziel.
Hier rust Wiens lust En vreugd Was deugd En \'t wiiü r Hoe zwaar \'t Ook viel.
H. L. Spteghel.
7
— 98 -
Deze versmaat is zeldzaam; afwisselend met meervoe-tige verzen komt ze dikwijler voor.
\'t Gedicht Uit plicht Gelukt niet licht,
Maur Linkt aan ijzreu boeieu:
\'t Heeft vier Noch zwier,
Koch bloei noch tier,
En kruipt in plaats van vloeien.
Bilderduk.
Van twee voeten :
Be//oe«de from Noch rouwgelirom Ga rommleude om Voor mijn gebeente;
Geen klokgeboni Uit hollen dom Roep \'t wellekom In \'t grafgesteente.
Id.
Men leze in deze versmaat de schoone beschrijving van den oorlog door ten Kate »de Planeetenquot; bl. 87.
Fan drie voelen :
Elk heeft een yj/e^je op uaramp;c (1)
Hem dierbaar bovenal,
Een landstreek of een gaarde,
Een dorpjen of eeu dal.
Een plekjen, waar hij blijven
En vrede zoeken wou,
Waarheen zijn droomen drijven Met stille liefde en trouw.
de GjLvesxet.
1
Zie, wat deze overschietende lettergreep aangaat, het hoofdstuk van
hft liijlH.
Van vier voeten :
Het omroer /iee/l zich door de co/ken
A!s een verslindend vuur verspreid!
Een woeste kreet heeft tot de wolken
Zijn daverenden galm verbreid!
Een leus van waanverstand en logen Verrijst Godlasterend ten hoogen ;
En \'t zinneloos Euroop juicht toe!
\'t Juicht toe, en ziet met gretige oogen Naar \'t uur uit, dat een gruwzaam pogen Het in den afgrond zinken doe !
da Costa.
Fan vijf voeten:
Hij ^e/le aan \'t youd zijn oljf paar ei/igers Hauw, Bereken\' rente en hoofdsom juist en nauw ;
Hem wordt de kruin vroegtijdig grijs en grauw.
H. Meijer Jk.
Van ^es voeten :
Hoog heft zich die ge«/a/te in \'t kleed uit IcemzWiaar Geweven, groen geverfd, met koninklijk gebaar Een wereld toonend aan een drom van tochtgenooten Steeds zwellende in getal, een wereld huu ontsloten Door \'t woord van Allah, die der wijsheid wegen weet. Der wereld wetten brengt in \'t woord viin zijn profeet.
,ScHAEPMAN.
Van ^even voeten:
De Lente komt, de Lente komt, al sluimren nog de velden. Ons kwam een bloempjen uil de sneeuw de zoete maar vermeldeu.
Men leze »Het Haantje van den Torenquot; van du Gk-nestet , als voorbeeld voor deze versmaat.
In de trocheïsche maat komen verzen voor van één, twee, drie, vier, vijf en acht voeten. Van deze laatsten geldt evenwel wat van de zevenvoetige jamben gezegd is.
— 100 -
Troclaeïsclie Verzen.
Fan één voet zijn zeer zeldzaam :
| ||||||||||||||||||||||||
|
J. Lu 1\'quot;rancq van Bekkiiey. |
Fan tiucc voeten :
Kousinwtijiti]m ,
\'t Znlig kijntjeu ,
Cherubijntjen
Van omhoog De ijdelheden Hier beneden Uitlacht met een lodderoog.
Vondel.
Fan drie voeten:
Jco-de , :e« en //émel,
Gij, die juicht van vreugde,
Als het licht verschijnt;
Aarde, zee en hemel Weet gij dan wat licht is?
J. van Beers.
Fan vier voeten:
Zie, hoe lau/js de .^\'«ger/iaac/jes Keeds de schaduw van de blaadjes Wemelt met een breeder zwart;
Zie , hoe duizend wondre plantjes \'t Hoofdje worstlen uit de zandjes En het stoeten aan uw voet.
Tollens.
- 101 —
Fait vijf voelen :
Lente kust, niet gloeiend ininneloukeu,
De narde, nog in winterslaap gezegen.
Wakker sidderende, en wellustdronken..
Glimlacht de aard haar bruigom smachtend tegen.
Liefde straalt en stroomt in vlammeuvonken ;
Leven spat en sprankelt allerwegen.
J. van Bkkks.
Van acht voeten:
ü! zoo is de trek naar hooger, die in dichters boezem brandt, Waarborg van een beter leven in een beter Vaderland ! Ballingen zijn wij op \'t aardrijk, en de dichter doet geen stap. Die hem niet de straf herinnert van die bittre ballingschap !
J. da costa.
Men leze in deze versmaat het heerlijke «Tweeling is de mensch geborenquot; in het 6(,c tafereel van ten Kate\'s Schepping; en Bilderdijk : »De vloek van \'t Burchtslot Moy.quot; L 317.
Dactylen.
Verzen van één voet komen nooit voor, en ook de andere zijn meestal gemengd van maat:
Zie/ toch , daar scA«mei t;
iV«ó\'klaps het lic/f:
\'t Onweer rukt nader — het wandelt en wemert
Boven de kerk ,
Lokpunt der wolken van \'t zwavelig zwerk ?
.1. J. L. ten Kate.
Fan twee voeten :
Ifuar is de /.rac/itige ,
U, 0 Almachtige,
Wanorde keerende,
Hoog triomfeerende Zalig regeerende Koning, gelijk ?
J. J. L. ten Kate.
- 102 —
Alles is over thans :
Klept van den torentrans De uitvaart des grooten mans,
Droef klinkt die toon.
J. VAN LENNEP.
Van vier voeten:
i?!lt;«sohende wa/iien, en .stf/»7treude :a\\e.\\\\,
Bruisende bekers en ramlende schalen,
Blinkende toortsen in flonkrend kristal.
Klinkende kelken en jubelgeschal!
Schaatrende buien van lachen en zingen Klaatrende stroomen eu kurken aan \'t springen ;
Spreien van dons voor het uitgerekt lijf.
Reien van vrinden in \'t zalig verblijf!
P. A. de Génestet.
A.iiapaesteii.
Verzen van twee voeten met drievoetige afgewisseld :
O, hoe /ieeHijk, hoe schoon.
Als geen enkele toon Meer galmt, nog het ,s/;«ertuig te dicingeu , En, Gods licht in het hart,
Hoe de nacht zich verzwart\',
In den donker het vroolijkst te zingen.
J. J. L. ten Kate.
Men leze verder het «Lied der PLmeetenquot; van denzelfde.
Van vier voeten:
Neen! de meHsch mag zijn amp;»te geen tweedemaal ,sw«ken;
Op zijn winter volgt nooit meer herleving en groei ! — Dan alleen als dit stof eens zijn dooden zal slaken Voor een eeuwige zon , voor een eindloozen bloei!
.1. da Cost a .
A mphibradiysclie.
Fcr^en van écu voel:
üeeu zorgen ,
Voor \'t morgen!
Beveel het aan God Wees heden Tevreden,
En dankt voor uw lot !
Bilperdijk.
En zijn «Voorzangquot; voor het derde deel zijner krekelzangen :
Geen bondel
Van Vondel . . . enz.
Die zijn plicht Wei verricht,
Vindt vermaak In zijn taak.
Bilderdijk.
Van twee. voelen:
Geioofflten , Boschtógen
Van wisslend plantsoen,
Gekranst met pluimagen
Van \'t zuiverste groen.
Met parken en lanen ,
Van lemmer verkwikt.
Door duizend lianen Te zamen gestrikt.
J. J. L. ten Kate.
Van drie voeten :
Een cogeltje cz-oey in den mo/\'gen, Zong vroolijk en zonder veel zorgen , Als vogeltjes zijn , een lied.
0 vogeltje, hou toch uw snater!
O deuk aau deu loereuden kater —
Gij zingt, ge ontsnapt hem niet.
P. A. du Génestbt.
Vtin vier voeten :
Mijn (/«gen, mijn lt;/egen, miju lans en mijn zivaard \\ Men breug mij een harnas, men zadele eeu paard!
Trek uit dat ruw linneu, die pelgrimsrok sluit!
Ik stik in die plooien, ik kan niet vooruit!
Mijn beuklaar ! mijn beuklaar ! zij valleu mij aau : Ik kan met dien palster geeu Heidnen verslaan
k. büets.
Enkele onzer dichters, niet de grootsten van \'t gilde, hebben de versmaat der oude Klassieken ook in onze taal trachten te gebruiken, en, hetzij met of zonder rijmklank, alcaische en sapphische verzen geschreven; — een poging, die geen navolging heeft gevonden, en waarschijnlijk nimmer vinden zal. En niet zonder reden. De versmaat der ouden berustte enkel op de kwantiteit, d. i. lang- of\' kortheid der lettergrepen; de onze op het be-toonen en toonloos laten der sylben. Hoe grillig de klemtoon is, hebben we vroeger gezien. Inderdaad het alcaïsche vers
\'k \\ttlaat dit aard-rijk-, leent mij uw y/eageleu
kan evengoed in jamben gelezen worden:
k ^ixlaat dit «««/rijk ; leent mij uw »to;geleu.
Ook in onze middelnederlandsche poëzie telde men niet de lettergrepen der versregels, maar alleen het getal toonheffingen (gemeenlijk vier), zonder nochtans, als tegenwoordig, het getal dalingen te bepalen. Het zuiverst
— 105 —
van versbouw en fraaist is buiten kijt de «Waleweinquot;. Daaruit één voorbeeld:
lu ghevc om u rtVegben niet twee /)«ren ,
EnèiC. omdat gbi mi moocht ghe^/creu ;
Diuckvi \'s u goet, ghi «ï^lets ont4«reii Al.?o te A/o«wene die »/«yhet.
Wat //«vet soe ^\'«ghen u mesrlaen ?
Me,/we so/\'.de ghene vrouwe daen ;
Van ero«\\veii komt ons «/ie eere.
(Jnt/yerets enie ne doets nietneie —
JS\'e /atijs niet, ghi snit des /oreu Hebhew, ic seit jou wel te i\'oreu ;
Het. doet r/cef met ge///«ke /pveii. (quot;1)
Het bezigen van verschillende versmaat in de zelfde strofe of hetzelfde koepiet, zelfs in denzelfden versregel, komt meer voor.
Van Lennep bijv.;
//«/•kules co/yde, slecht te vrecn,
Hem met /oome schreén,
— Steunde toch op \'s konings woord —
Tot voor Trojes poort.
Bitter bedrog ! — de toegiing werd
Voor zijn neus versperd;
Wederom schond de vorst den eed
Dien hij plechtig deed:
Wederom zong hij d\'oudeu zang Eu gaf stank voor dank ;
Maar hij zou toeer — en voor ee«wig nu — /efreu, Hoe men hen straft, die bedriegelijk zweren.
En ten Kate , doch alleen in vertalingen :
KindiGrhart! gij zijf de vliet,
Die uw goltjeus, vroolijk wielend ,
1
Een navolging van den middeleeuwschen versbouw heeft Julius de Geyter met min of meer geluk beproefd in zijn gedicht „Keizei* Karei en het Rijk der Nederlandenquot; b\\j Roklants in druk verschenen.
— 106 —
Uit gesmolten zilver giet,
Den iWa«wenden hemt\\ weers/jjeyleud!
(Naar Fr. Willijs. Wulpï.)
Eens reed ik drie ziye«uers xooil/ij
R/istenie in een /oeiAe ,
Toen mijn ////\'gende rosinant mij Droer/ door de r»»dige heide.
(Naar Nic. Lenau.)
Stil is \'t op het /joot]amp;n,
Dat over \'t meiryVak schiet,
Wmit de ;-«(.?ge®ooten jPe«nen eU;««der niet,
(Naar L. Uitland.) En S. J. van den Bergh insgelijks:
Aan \'t «/«rmleude iee/tjen bloeit er
Zoo wenig voxyeet-mxymei,
\'ïtrwijl het den fe/deren //emel Zoo craolijkjens tegen ziet.
(Naar Einr. Haullp.)
Die uitzonderingen zijn evenwel van te weinig belang om er lang bij stil te staan. De vraag is, of het vers door die wisseling wint aan welluidendheid van kadans.
HET
Wat van de welluidendheid van den proza-stijl gezegd is, geldt a fortiori van den dichtstijl, welke zijn natuurlijken zwier en de hem eigene bevalligheid nooit verliezen mag.
Het gaat kwalijk aan, in het nederlandsch vers eene
— 107 —
vaste caesiiur, als bij de Klassieken of eene bepaalde stem-rust voor te schrijven. Niemand betwijfelt de noodzakelijkheid eener zekere rust van stem in den alexandrijn, in het zevenvoetige jambische en in het achtvoetige trocheïsche vers. In de beide laatste trouwens, dewijl ze als samenkoppeling van twee verzen gelden, ligt die rust voor de hand. En in het eerste komt bij denzelfden dichter (men sla er Vondel, Bildkrdijk, da Costa op na) zooveel verscheidenheid voor in de plaatsing der stemrust, dat het vaststellen van regels daarvoor eene wanhopige poging mag heeten.
Voor de welluidendheid van liet vers vermijde men :
1°. de opeenvolging van te veel eenlettergrepige ot veellettergrepige woorden:
2°. het plaatsen van de stemrust zonder afwisseling achter denzelfden voet, waardoor de verzen een dreun krijgen als \'t Catsiaansche »en ik en weet niet watquot;.
3°. het gelijkelijk eindigen van den zin op den rijmklank. Het matig gebruik van het enjambement (= het overspringen van het eene vers op het volgende, het doorloopen van den zin) is daarom aanbevelenswaardig; doch het streven daarnaar even verwerpelijk.
„Mijn broeders ! zijt gegroet van mijn heer vaders wegen, Die hartelijk begaan, mij, onder zijnen zegen,
Naar Sichem henenstunrde , opdat hij weten mocht,
Hoe \'t u en \'t vee al ging. Wat hoek bleef onbezocht? Wat herder ongevraagd, om Sichem eu zijn weide En landstreek\'? \'k Hou gewis, mijns vaders Engel leidde Mij herwaarts aan; want toen ik, moede en afgezucht ,
Ging dwalen, hopeloos en jammerlijk beducht. Wat raadzaamst was van beide: óf langer daar te toeven Op eenig klaar bescheid, öf vader te bedroeven
- 108 —
Met even wijs naar huis, naar Hebron en ons dal,
Van waar ik kwam , te spoên ; ontmoette bij geval (Of liever zoo \'t God gaf) mij iemand, die juist vraagde: „Wien zoekt gij dus met smart?quot;
Men ziet: wat een afwissseling in de plaatsing der stemrust, wat een zoetvloeiendheid, en toch wat een karig gebruik van enjambement in die dichtregelen van Vondel !
Dat Bilderdijk zells, een enkele maal, met eene woordhelft enjambeert
(Dat nu de krijgsklaroen een moord —
— kreet aanheft\'\' die de ziel doorboort!)
kan geen reden wezen tot navolging.
De dichter mag zich het aanbrengen van veranderingen in sommige woorden veroorloven, mits hij daarbij het taaleigen niet te kort doe en de welluidendheid niet be-nadeele; m. a. w. hij heek zekere vrijheden.
Zulke veranderingen bestaan in het verlengen of verkorten der woorden, ten einde ze in de versmaat te kunnen gebruiken.
1°. De toonlooze slot-r van sommige woorden mag worden weggelaten, b.v. aard(c), gehergt(e), gediert(c), leiit(e), geboort(e).
2°. Evenzoo de buigings-c van de aanvoegende wi-s der werkwoorden.
Wie zijt Gij, Eeuwig-onvolprezen\'? Dat onze moud U noemen moog\'!
- 109 —
En wat mensch ooit eenmaal Door de wildernis dwaal\',
O, hem zullen \'t de muschkens doen weten :
Onze Vader is goed, enz.
Het afkappingsteeken zelfs wordt door vele dichters als overbodig weggelaten.
3°. Alleen wanneer de versmaat het vordert mag de eind-;/ van \'t lidwoord, voorn.w. of bijv. nw. wegvallen , doch wordt dan altoos door een afkappingsteeken vervangen.
Droefgeestige Cvpresse!
Schud d\'avonddiiuw als tranen af.
En als ze uw komst reeds millioenen keer Gevierd heeft, toch elke\' avond zult gij \'t hoeren: „Nog eens, o zon! nog ééns, — en altijd weer !quot;
Uw zee.......
. . . spant de waterbrug.
Die volkren tot elkander leidt,
En aardsche\' en geestlijke\' overvloed Met woeker ruilen doet.
N.B. De toonlooze eind-c van een woord valt altijd met den onmiddelijk volgenden klinker te zamen, zoodat in de twee laatst aangehaalde voorbeelden ^(e ii)w elk(e\' a)vond, aardsch(e\' é)n, geestlijk(e o)vervIoed de twee tusschen ( ) geplaatste lettergrepen tot ééne versmelten. Het schrappen dier e. en vervangen derzelve door een teeken is onnoodig.
4°. De toonlooze klinkers e, i, a in het midden der woorden mogen worden uitgelaten, b.v. volk(e)ren, wic-g(ijlend, fladd(e)rend, getiiig(e)nis, vaadreit, lommrig, eind(e)loos, dni^(e)Iing, schein(ie)ring, moord(e)nctar, woekeraar, bcelt(e)nis, verheevncr; geiir(i)ge, cciiiu{i)ge ; dier-h(a)re, kosth{a)re, onaf^ienb{a)re, en wel zonder inlas-sching van \'t afkappingsteeken. De verdubbeling van
- llO-
dcn voorafgaanden langen klinker is in dat geval (vaadren, -verheevnc) aan te raden wegens de uitspraak.
Zij duiken de kopjens
Met dartiend geplous,
Eu schuddeu de paarleu Van \'t Ligylende dons;
Hervinden daarboven Hun lommrige tent.
Of, voelen zich burgers In \'t vloeihre eJement.
Ten Kate.
5°. Twee lettergrepen mogen somtijds worden samengetrokken tot ééne. Vele dergelijke samentrekkingen zijn evenwel ook reeds in het proza overgegaan, als; teer (teeder), neer (neder), iceer (weder), meé (mede), beé (bede), vree (vrede), inoê (moede), saam (samen), boóni (bodem), aar (ader), enz. Andere zijn alleen in verzen geoorloofd, als: vliên (vlieden), spoên, vermoên (spoeden, vermoeden), geschièn (geschieden), gehoon (geboden), bhidti (bladen), geladn (geladen), schaadtu (schaduw), de meervoudsvorm der woorden op —heid: verhorgenheen, vrijheêu, krankheén enz., en de meer cn meer verdwijnende vormen: ons (onz\') en dees (deez\') voor: onze, deze.
Hiertoe mag ook gerekend worden de afkapping der /.\' van hem na een klinker, b.v.:
hij rolde \'em met kracht langs de baan; en der ee van een na %oo = zoo\'n.
6°. Verschillende verouderde woorden kunnen ook nu nog gebruikt worden, b.v. dier (dierbaar), vier (vuur). verschelen (verschillen), gehrocht (gebracht). Men zie wat daarover in de stijlleer gezegd is.
7°. Somtijds staat het bijv. n.w. achter het zelfstandig n.wT., b.v. :
Te Limineu op den Dampengeest Daar staat een linde groen;
- Ill —
of liet werkwoord op het eind van den zin :
Wijl het kwinkeleerde en zong \'t Wonder vogeltje ■cersprong,
Wipte taksken op en neder,
Vloog wat verder, keerde weder.
8°. De verlenging der woorden door inlassching eener toonlooze lettergreep, komt tegenwoordig niet dikwijls meer voor. Bij oude Dichters, o. a. Vondel, vindt men ze vaak, bijv.:
Het lieraelsche gerecht heeft ziek ten langen leste Ontferremt over mij en mijn benauwde veste.
in den «Gijsbrechtquot;, en ;
Het slorrept menschenbloed en plast er in tot de enkelen ,
in «Jozef in Dothanquot;.
Kan een vaste regel worden aangegeven voor het kiezen eener versmaat voor een bepaalde dichtsoort ?
De jamben worden het meest gebruikt. Voor dichtstukken van langeren adem, als zijn het heldendicht, het leerdicht, het tooneeldicht, pleegt men de zesvoetige (alexandrijnen), somtijds de vijfvoetige jamben te bezigen.
Algemeene regel vindt men in den verheven poëzie-stijl geen trippelmaat.
Voor het overige is de dichter vrij in de keuze der versmaat, met dien verstande nochtans dat, evenals elk vers in het bijzonder, ook de tot strofen of koepletten samengevoegde verzen ee:i welluidend geheel moeten vormen.
In kleinere gedichten, als liederen, balladen, romancen enz., zijn alle strofen of koepletten aan elkander gelijk. De voor het eerste koepiet vastgestelde maat dient derhalve ook in de volgende koepletten gevolgd te worden.
Hen gelijk aantal voeten in al de verzen eener zelfde
— 112 -
strofe wordt niet gevorderd. Veelal wisselt de viervoetige jambe met de drievoetige af.
Van alle schakeeringen der versmaat een voorbeeld te geven, zou ondoenlijk zijn. We bepalen ons tot de Balladen van Hoi-dijk, en geven van hare verschillende voet- en versmaat en van de afwisseling der verzen hier eenige voorbeelden :
Jnmbcu:
De blanke sneeuw dekt hoog en dicht De velden hier en ginter.
Het blauwe meir, het grauwe moer,
Het stroom vlak — alles marmervloer,
Op d\'adem van den winter.
Men zal opmerken, dat het eindvers van elke strofe gemeenlijk op een betoonde lettergreep sluit. Ook is de aangehaalde- vijfregelige strote niet eene van de meest voorkomende. Ziehier eene andere, meer in gebruik :
De wolken streefden langs het zwerk In ongestuime jacht;
Bij wijlen toonde \'t bleek gezicht
Der kalme maan beur kwijnend licht;
Dan was \'t weêr dubbel nacht.
Daar heffen aan de duinen
Hoog boven kruin en top,
Twee ranke gele torens De blauwe spitsen op.
De taxis groende om poort en boog.
Met linten overstrikt.
De standert woei den gevel uit,
Met franjen, rijk omstikt.
De meeuw sliep op de duinen , gedoken in zijn dons.
De sluimerende branding verried slechts dof gegons.
Van uit de verre dalen weerklonk des steenuils klacht
Door \'t tastbre neveldnister — \'twas \'tuur van middernacht.
— 113 -
De nacht wiis vaal en donker Die op de velden lag ;
Maar hij de gasten op den Spijk Daar was van nacht noch donker hlijk ; Daar was \'t als helle dag.
Trocheen :
In \'t ontbladerde olmeuloover School de kleene Landkapel.
Door de ronde vensterbogen
Lichtte de uchtend blank en hel.
Eenzaam , zat zij aan de bare —
Gade- en kinderloos !
Eenzaam , als in \'t gele najaar
De uitgebleekte roos ;
Maar — een uitgebleekte roze
Wie in \'t avondrood Nog een gloed van \'t hemelpurper Om de blaadren vlood.
Tusscheu gele wingertblaren
Rijpt de zachtgebloosde druif. Zwaluwen en eidebareu Zijn naar \'t Zuiden heengevaren,
Met de blauwe ringelduif.
Trippelnuuü:
De abeelen omhuifden de statige poort,
En de olmen de rijke kapel.
De wingertrank klom tot het kloosterdak voort , En groende er om boograam en cel.
a
Aan liet vlammende west dook de zon naar de zee ,
ümtinteld van purper en groen.
Een rozegloed stroomde langs \'t ett\'en azuur. Weerspiegelde in \'t meir en weerkaatste op den muur , En weêrblonk op vallei en plantsoen.
- 114 —
Tot Egmond iu \'t krijt was \'t een lustig toruier:
Daar schitterden wimpel, pennoen en banier,
Daar wapperden pluimen en wijlen.
Daar sliugerden krans en festoenen met zwier Om schuttings en koorden en spijlen.
Luid toonden de pijp en de vedel bij \'t leest.
Luid joelden de gasten met vroolijken geest.
Luid schalden de liedren bij beurten en rij ;
Luid klonken de kannen en bekers er bij.
Voor verscheidenheid van maatschakeeringen bij in tafereelen gedeelde langere gedichten zie men Tek Kate\'s «Scheppingquot;. Daarin komen voor: de statige alexandrijnen, soms met drievoetige jamben afgewisseld; twee-, drie- en, met deze wisselende, viervoetige jamben ; vijf-voetige jamben in terzinen (drie-regelige strofen) of in gewone volgorde; tweevoetige trocheën, en viervoetige met tweevoetige wisselend; twee- en viervoetige amphi-brachen ; tweevoetige dactylen en anapaesten.
HET RIJM.
«Men mag om het rijm de taal niet vervalschenquot; is een gulden regel, reeds door vader Vondel neergeschreven.
Het rijmlooze vers heeft, na door Bellamy in zijn afgedreund «Onwederquot; te zijn ingevoerd, ten onzent weinig opgang gemaakt, tenzij bij uit den vreemde in onze taal overgebrachte gedichten Het staat daarmede als met de navolging van de versmaat der Ouden.
Kijmlooze verzen in het metrum van den Griek,
Zijn lekker als — tabak. Die maakt gezonden ziek.
Ma ar \'t went wel en begint van lieverlecn te smaken
zegt Beets.
Wanneer het rijm achterwege blijft, moet onberispelijkhei-d van den vorm dat gemis vergoeden.
Door Rijm verstaat men : gelijkheid van klank in de betoonde eindlettergreep der woorden.
Wij zeggen: gelijkheid van klank; want het is niet voldoende, dat de klinker van twee lettergrepen dezelfde zij, och dezelfde medeldinker moet dien klinker volgen.
Wij zeggen: dezelfde medeklinker, en niet medeklinkers, omdat het geheele rijm berust op den klank, en deze kan hetzelfde zijn bij twee lettergrepen, ook wanneer na den de sylbe sluitenden konsonant, andere medeklinkers volgen.
Derhalve rijmen niet op elkaar: gaan en jaar, teeken en sleepen, bieden en pielen, boden en drogen, wuiven en rttischen, tijd en pijl, ^eil en pleit.
Doch wel rijmen: jaar en ^zuaar, teeken en snieeken pielen en vielen, boden en dooden, rnischen en bruisen, tijd en vlijt, ^eil en steil.
Men onderscheidt het rijm in staand en slepend rijm.
De verzen hebben staand rijm, wanneer hunne eindlettergrepen den klemtoon hebben, b. v. tak, dak; hout, icoud; staf, graf.
Zij hebben slepend rijm, wanneer de lettergreep, die den rijmklank inhoudt, door één of meer toonlooze sylhen gevolgd is, b. v, ^egen, regen; kleuren, geuren; omarmen, verwarmen; heerlijk, deerlijk; viering, vliering; baldadig, genadig; balie, tralie; hoorbaar, onverstoorbaar; hemelen, wemelen; dapperen, wapperen; kuieren, omsluieren ; donderen, bewonderen; Redelijke, redelijke.
Uit liet gezegde kan men opmaken :
iquot;. dat de lange klinkers altijd kunnen rijmen, onverschillig of ze zoogenoemd scherp- of zachtlang zijn, b. v. steel, homueel; teeder, neder; mogen, oogen ;
— HÖ —
2°. dnt de s-klank na den klinker eene groote vrijheid geeft, doordat men ros op bosch en rots en Gods kan laten rijmen ;
3°. dat de d en t, de g(t) en r/;(/), somtijds zelfs de ngQ) en nk^t), het rijm niet hinderen, b.v.: bad, vat; dag, ach; ligt, licht; ^ingt, klinkt; ^ang, klank.
4°. dat de rijm-lettergreep door een woord of halfbe-toonde sylbe mag gevolgd zijn, mits de klank daarvan dezelfde zij, b.v.: boosheid, loosheid, broosheid; Redelijk, redelijk; waardigheid, zachtaardigheid; schoonheid, ten toon spreidt; jonkheid, te pronk leit.
5°. dat on, ainu en oirw kunnen rijmen, nademaal het verschil in uitspraak verloren is gegaan, b.v. hou en trouw en\' klauw.
In de Voorrede voor zijne Mengelpoëzie zegt Bildkrdijk:
«Met opzicht tot het rijm ben ik nog altijd in het oude begrip: dat naamlijk het beste rijm is \'t geen \'t minste gehoord wordt. En ik doormeng uit dien hoofde mijne verzen gaarne en bij voorkeur met die onvolkomen rijmen, die bij ons, uit goede taalgronden gewettigd zijn, doch niet volmaakt op elkander slaan. Zoo is b.v. heir op eer, arm op scherm, rots op los; en in de slepende klanken het dubbel rijm, mits het waarlijk slepe, als voorbeeld op geoordeeld, ketent op rekent.quot;
Dit laatste heeft nog altijd geen gang (*); wel is ge-oorlooid het rijmen van erin en arm, art op ert, b.v. ontfermen, erbarmen; hart, werd.
Men merke echter op ;
1°. dat het rijmen van \'t achtervoegsel lijk op den eigen-
(*) Naar oen zekeren Mes of Mesz, die zulke klanken, welke slechts schijnbaar rijmen, als bijy. koestaart en plozrjzivaarl, ee re wijn en kreupel rijm , loopbaan en ifoortfaan placht to laten rijmen, heet men zulke verssoort wol lie Mrs.siaa n-srlie.
— 117 —
lijken /y-klank bijv. liefelijk op koninkrijk, zoo men het al toelate, als een misbruik moet worden beschouwd, daar de volkomen ij-uitspraak dat achtervoegsel niet toekomtquot;, men geeft er meer den klank van Uk aan, als sommigen ook schrijven;
2°. dat het rijmen van ei op ij op etymologische gronden nog niet geduld wordt, schoon het verschil in de uitspraak tegenwoordig schier niet wordt gehoord. Zelfs Bildkrdijk, die het anders met het rijm zoo nauw niet schijnt te nemen, wraakt die twee rijmklanken. Als smart mag rijmen op concert, waarom dan geen ontfermen voor de arme ei en ;ƒ?
3°. dat de eind-y (ie-klank) bij vreemde woorden als ij klinken, en dus op ij rijmen mag, b.v.: profecy, schilderij-, poe^v, melody, litany, nabij, blij, vrij.
N.B. De rime riche van de Franschen kennen wij niet. Bij hen rijmt belle op rebelle, victoire op histoire, caressc op pares se; bij ons niet liefderijk op koninkrijk, wandeling op jongeling, ivassen op wasschen enz., zelfs nier, hoewel voorkomend: viktorie op historie.
Kunstvormen in Poëzie.
De hoofdinhoud van een dichtstuk bepaalt de soort van poëzie, tot welke het moet gerekend worden.
Nu kan in een dichtstuk de dichter zelf spreken, of andere personen sprekende voorstellen ; daarvandaan de hoofdverdeeling in :
I. subjectieve poëzie, wanneer de dichter zijn hart uitstort, of wanneer hij verhaalt, schildert, leert;
1
en II. objectieve poëzie, wanneer de dichter verdwijnt, om door hem in \'t leven geroepen personen te laten spreken en handelen. Deze laatste soort is de tooneel-
poëzie.
Naar de verschillende wijzen waarop de dichter zich met zijn lezers of hoorders onderhoudt, wordt de poëzie verdeeld in 1°. lyrische,
2°. verhalende,
3°. beschrijvende of schilderende,
4°. didaktische of leerende poëzie.
De drie laatste kunstvormen zijn den gebonden (dicht) als den ongebonden stijl (proza) gemeen; de eerste schoon ook in het proza (hoofdzakelijk in de redevoering) voorkomende, behoort meer bepaaldelijk tot het gebied der poëzie. Wat de verhandeling is als kunstvorm in het proza, is het leerdicht in de poëzie.
Elke soort vereischt eene bijzondere beschouwing.
X. Xj-^X^XSCZEXE X\'OËZXE.
De lier was een bij Grieken en Egyptenaren in zwang zijnd speeltuig. De eersten spanden er zeven, later elf snaren op, de laatsten slechts drie. Het instrument gaf zijn naam aan de soort van poëzie, die lyrische genoemd wordt, en derhalve oorspronkelijk bestemd was om, door de Ivra begeleid, gezongen te worden.
Lyrische poëzie is: de dichterlijke uitstorting van een. bepaald gevoel.
Het Gevoel, het hart, is derhalve de bron dezer dichtsoort. De zang is eigen aan een gemoed, dat diep geschokt , van vreugde of van smart vol is. De muziek ,
— 119 —
zooals de groote toonkunstenaar Richard Wagner het verklaart, moet dienen als vertolking niet alleen , maar ook als aanvulling van de gesproken taal; als het hart geen woorden meer vindt om de overmaat van zijn geluk of zijn droefheid uit te drukken, dan tracht het zijn gevoel te uiten in klanken.
Het teedere, zachte, ruischende, geestdriftige, majestueuze, hartstochtelijke, woeste somtijds, der lyrische poëzie vindt daarin zijne verklaring.
Die verschillende eigenschappen van het gevoel geven ons de drievoudige onderverdeeling aan de hand ; zij is verheven, middelsoortig, van de lyrische poëzie eenvoudig.
Tot de verheven lyrische poëzie behooren de Ode en de Dithyrambe.
De Ode is de dichterlijke uitdrukking van een diep gevoel.
De dichter vergeet zich zelt, en al zijn vatbaarheden gaan op in het gevoel, dat hem op het oogenblik geheel inneemt en beheerscht. Medegesleept door zijn eigen geestdrift voor het voorwerp, dat hij bezingt, stort hij zijn gemoed uit in een taal, die met zijn gevoel overeenkomt. Warm is die taal en vurig-, schijnbaar ^mmer verhand of overgang in de opeenvolgende- tirades; ordeloos in schikking schijnt de opvolging der gedachten; (*) hort en afgebroken de houw der zinnen.
Tot de Ode rekent men de hymne, die God of Godsdienst tot onderwerp heeft, wier toon plechtig en vol vuur, en waarin het overheerschend gevoel is: bewondering, aanbidding, dankbaarheid en liefde; alsmede de zoo-
(:}:) -Chez ello n n bean dósordre est mi ettet de l\'iirt.\'
IJOILFAU.
— 120 -
genaamde pindarische Ode, welke een held, heldendeugd ot heldenfeit tot onderwerp heeft.
Als voorbeelden van hymnen gelden de lofzangen der Kerk, waaronder de heerlijke Ambrosiaansche lofzang: Te Denvi Laudainus, zoo meesterlijk vertaald door Dr. Wap. (Vglk : Zeventig Lofzangen der Katholieke Kerk, door Dr. Wap.)
Als voorheelden van lyrische poczie in verheven toon, leze men de onovertroffen reizangen in Vondels treurspelen, zijn »Rijnstrooiiiquot;, »Kniishergquot; enz.; en Bilderdijks nVaderlandsche Gedichtenquot;, om iets voor het grijpen te hebben. Eén voorbeeld uit de overige gedichten van dezen laatste:
Wakeld-Ordi:.
Heilige Orde dezer wareld ,
Uie den scepter vau gezag Over nachtbeurt voert en dag,
En een kroon spant, rijk ompareld Met gevonkel Van robijnen en karbonkel En saffieren fionke rbag !
U wil ik ter eere zingen,
U, behoudster aller dingen,
Wetbesteraster van \'t Heelal !
Xiets ontglipt aan uwe omvatting:
Aan uw band is geene ontspatting.
Of wat stand houdt, kwaam teu val.
\'t Hemelsch liclit ontzonk zijn luister,
\'t Niet herstelde in eindloos duister
Zijn gevelde heerschappij.
Heel de schepping waar verloren.
De oude baaiersnaoht herboren,
Woester woest dan woestenij;
En Gods glorie — zwijgt, o lippen,
Laat hot woord u niet ontglippen! —
Ja, Zijn glorie wanr voorbij.
— 121 —
De Dithyrambe is eene ode, waarin de geestdrift, de vervoering, de hartstocht het toppunt bereiken.
Tot deze dichtsoort behooren de Zegezangen en grootere Vaderlandsche liederen.
Een »IVapen kreetquot; van Bildekdijk tot voorbeeld:
Welaan! de krijgsklaroen gestoken,
Europa, \'t Vaderland, de Hemel, daagt ons op. De Heldraak, weer opnieuw ten afgrond uitgebroken. Verheft den halfvertrapten kop.
\'t Geschubde lichaam slaat zijn wrongen Om Koningszetels, worgt en smoort,
En rukt, door geen geweld bedwongen.
Een halve wereld met zich voort.
Te wapen, Nederland! Germanjers, rukt te velde!
Grootmoedig Albion , brnisch met uw golven aan!
Eu, die uit \'s aardrijks nacht tot haar verlossing snelde.
aan
Keer weder, dappre Roxel
Keert weêr ! de Dwingland leeft, herademt, strekt de handen Opnieuw naar \'s werelds staf; hem door uw moed
[ontscheurd:
Het aardrijk davert reeds \\au \'t knettrend knarsetanden. Waarmee \'t gebliksemd hoofd zich tot de wolken beurt.
Vergadert u ten moord! Hier valt geen oorclogen , Gij, volken; slachting slechts, verdelging is hier plicht.
Spaart tijgerwelpen , spaart die tijgerborsten «ogen ;
Met d\' afgrond is geen zoen bij \'t hemelsch zonnelicht!
Koeit uit, die Satan zwoer dc mensehheid uit te roeien. Den Hemel zelf bestormt , en God in \'t aanzicht slaat.
Bij eiken ademtocht rivieren bloeds doet vloeien, Eloedzwelgcns overkropt, en uiet van bloed verzaad!
Keert weêr in \'t harnas, gij, ontwapende oorlogsbende,
Rukt uit het blikkrend zwaard, waarvoor de booswicht
fvlood !
Gaat, gaar uw heldenwerk volenden , En trappelt den tyrau in \'t slijk , waaruit iiij sproot !
— 122 —
Men ziet het: ook de afwisseling der dichtmaat in de verschillende versregels werkt mede om het opbruisend gevoel, dat den dichter bezielt, weer te geven.
In de tooneelpoëzie komt de Dithyrambe veelvuldiger voor. Elk treurspel levert daarvan voorbeelden. Om één te noemen, men leze Nero\'s alleenspraak in Vondel\'s »Peter en Pauwelsquot; Ve bedrijf.
Tot de middelsoort van lyrische poëzie telt men : den ronwiang (elegie), de beroide, het loflied, het beheldichl, de cantate, het sonnet, het bruiloftslied.
I. Den rouwzang ligt diepe droefenis en droefgeestigheid, somtijds ook een weemoedig genot ten grondslag.
Het hart alleen moet, volgens Boilhau, in de elegie spreken, en zijn diepste gevoel moet met levendige, doch natuurlijke kleuren worden weergegeven. Overdrijving is sentimentaliteit, en deze is steeds af te keuren (b.v. bij Feith).
Heerlijke voorbeelden dezer dichtsoort vindt men in de H. Schrift, o. a.: de Lamentatioues van Jeremias, de boetpsalmen Davids (Vglk. Vondels vertaling) en : \'het teedere klaaglied ; Super ftimiina Babylonis. Van de paraphrase van dat lied door da Costa geven we hier de eerste strofe:
Aiin Bjtbels wateren gezeten.
Denk ik aan Sion , en verteer.
Jerusiilem! hoe zoude ik u vergeten
Mijn rechterhand vergeet\' zieli zelf veeleer!
En in des vreemd\'lings land gevangen,
Vergt gij zijn overmoed nog zangen.
Een lied der feestvreugd van voorheen \'r Een overwiuningspsalm den Heere \'r Een tempellied mijn God ter eere\'r Ween , Sionite ! ween I . . . .
Men leze in deze soort eveneens de Rei van staaijofferen in Vondels Maria Stnart Ve bedrijf, Rubens klacht in Jo^ef in Dolban, en zoovele door zijne werken verspreide graf- en lijkdichten. De snaar der droefheid hebben alle dichters op hun lier; bij de meesten ook vindt men stukken dezer dichtsoort.
II. De heroïde is een dichtstuk van kleinen omvang, waarin de dichter een persoon, uit de geschiedenis, uit het leven, of enkel uit zijne verbeelding gegrepen, laat spreken.
Wil deze kunstvorm evenwel behagen en boeien, dan dient de sprekende persoon bekend te wezen. Den dichter staat het nochtans vrij, zijn eigen gevoel den spreker in den mond te leggen, mits het karakter van dezen laatste geen geweld worde aangedaan.
Het gedicht, dat we hier laten volgen, is ongetwijfeld van Voxdhl zelf. Het volgt in de uitgaaf der »Maria Stnartquot; het treurspel onmiddelijk, en is getiteld; \'
Triomf van Maria Stuart.
Ik roemde op geen doorluclitc tronen,
Noch grijzen stum, noch sclioone deugd,
Miiar stelde mijn gewijde kronen,
Uit liefde tot de hoogste deugd,
Godvruchtigheid , in Godes Juinden ,
Van wien ik y.e al te leen bezat, \'
En hierom, in benauwde handen.
Beoogde en koos ecu wisser schat.
Hoe schielijk vloeiden de andre henen!
Mijn koninklijke Bruidegom Gelijk een lelie is verdwenen;
Toen moest ik, tegen wind en stroom ,
In mijn verwilderd Eiland zwerven,
En zien onmeusehelijken haat (Boosaardig woedende in \'t bederven Van Christus Bijk en mijnen Staat)
- 124 —
Naar mijn godvruchtig harte steken ,
Dat al te oprecht, die valsche Nicht En hastertliroer zoo suoode streken
Min toehetrouwde dan hun plicht, En \'t vreêverbond, gesterkt met eeden :
Maar helsche staatszucht stak den brand Des oorlogs aan in alle steden,
En joeg deu zegen nit iniju laud.
In \'t barnen van die moordkrakeelen
Verdubbelde ik mijn eedlen moed Op Gods geleide, wieus bevelen
Ik waarder schatte\' als staat en bloed.
Laat de onbeschaamde lasterlogen
Uitbraken haar vergif en gal;
Het schijnrecht vrij zijn wet vertoogen,
Vervloekt gesmeed tot mijnen val;
Het is vergeefs mijn faam te smooren,
Die op der Wijzen tongen leeft,
En hare loftrompet laat hooren
Zoo ver de Zon haar loopbaan heeft.
Gelijk besnoeide loten bloeien ;
Het groen versterft eer \'t rijker wast;
De leliën in doornen groeien;
De palmen, steigren tegen last;
Zoo triomfeert de deugd na rampen ,
Die, hemelhoog door druk gevoerd,
Haar glorie ziet gevaagd van dampen Des lastéjanonds, uit spijt gesnoerd.
Heldinnezielen voegt na \'t strijden
Alleen deze uitgelezen kroon.
Hoe feller weêu \'t hart doorsnijden,
Hoe grooter, hoe volmaakter loon!
AVie zich getroost voor God te sterven.
Zal \'t eeuwig Kijk en leven erven.
III. Het lofdicht, kalmer van toon en eenvoudiger van stijl dan de ode, heeft eene deugd, eene daad, eene waarheid, of ook een persoon tot onderwerp.
- 125 —
Dk Vriendschap.
Artsenij in tegenspoed ,
Wellust van \'t verheugd gemoed!
Rozemeelster Op het docrnig levenspad !
Ware Vriendschap! rijke schat!
Kalme zielenstreelster !
Vriendschap! houvast van \'t Heelal!
Rustpunt van dit tranendal
Vol gewemels!
Vriendschap ! aamend schilderij Van de zachte harmonij
Eens genisten Hemels !
Waar, waar schuilt gij hier beneên ?
Ieder roemt uw zaligheên —
Elk heeft vrinden!
Maar mijn oug kon in den schijn ,
Hoe vermomd hij ook mocht zijn ,
!Nooit uw wezen vinden.
Eeitü.
Tot deze soort behooren de meeste gelegenheidsgedichten, die men in Vondel, Bilderdijk en da Costa overvloedig kan vinden
IV. Slechts door den toon is liet hekeldicht van het lofdicht onderscheiden. De toon namelijk van het hekeldicht is bijtend, scherp, koud, sarkastisch, ironisch, spottend. Bij Vondel alweder keur van voorbeelden. Hén uit den overvloed vinde hier nogmaals eene plaats.
Gesprek op het Graf
van wijlen den Heer Tca.na -vaK. OlcLen/toarne-velt.
Vreemdeling, Kerkgalm.
Vr. Wie luistren om de vraag eens vreemdelings te hooren?
K. Ooren.
Vk. Wie stopt \'s Liiuds voorspnuik hier deu mond met dezen steeu ?
K. Een.
Vk. Mauritius \'i Wat kou dcu landvoogd dus verstoren ?
K. Tooreu.
Vk. Zoo heeft hij om verraad hem \'t leven afgesneên?
K. Neeu.
Vk. Was \'t om de vrijheid dan met kracht op\'t hart te treden?
K. lieden.
Vk. Wat mist al \'t Vaderland hij \'t korten van dien draad?
K. Raad.
Vk. En hrak men meer dan \'t recht der vrijgekochte steden ?
K. Eeden.
Vk. Wat baart dit, nu elk voelt hoeveel zijn dood ons schaadt?
K. Haat.
Vu. W at moet men doen, die met den dwingland samenzweren ?
K. Weren.
Vk. Zou dan hun hoogmoed haast verwelken als het gras?
K. Ras.
Vk. Wat zal men Barnevelt, die \'t juk zocht af te keeren ?
K. Eeren.
Vk. Wat wordt de dwingeland, die \'t recht te machtig was?
K. Asch.
V. De Cantate is, zooals de naam aanduidt, uitter-aard bestemd om te worden gezongen.
De dichter geeft het verhaal der gebeurtenis, of de beschrijving der zaak, die hij tot onderwerp genomen heeft; maar lascht er zijne gewaarwordingen tusschen in, zócS nochtans dat die gewaarwordingen door anderen worden uitgesproken of\' gezongen. Het verhaal of Je beschrijving heet recitatief, de uitdrukking der gevoelens geschiedt in het opvolgend air of koor. Recitatief en air wisselen elkander beurtelings af.
De regel, die wil, dat de cantate uit niet meer dan drie recitatieven met opvolgende airs besta, wordt niet meer nagekomen.
Hen Cantate van langeren adem en met eene gods-
- 127 -
dienstige gebeurtenis ot een bijbelsch persoon tot onderwerp, heet men Oratorium.
Wij geven hier een fragment van Hieronymus van Alphen\'s bekende Cantate
Dh Starrenhemel.
kook.
Nu lust het ons van God te zingen ,
Den Schepper van het grootsch heelal.
Den Heer, — den vriend der stervelingen,
Die is, die was, die wezen zal.
Schoon de avond valt, zijn gunstbewijzen
Verdwijnen niet gelijk de zon.
De nacht zal ons gezang doen rijzen.
Waar nooit de dag het voeren kon.
sclo.
Sprei uit uw vlerken, stille nacht!
O wolken I drijft voorbij !
Dut \'s hemels glans in volle pracht Voor \'t mensehdom zichtbaar zij !
kook.
Sprei uit uw vlerken, stille nacht!
O wolken , drijft voorbij!
iiecitatief.
Daar rijst het tiutlend starrenheir !
En de aarde zwijgt verbaasd.
\'t Gestarute spiegelt zich in \'t meir.
Waarop geen windje blaast.
quot;t Is alles hemel wat men ziet :
Zelfs bergen vluchten heen.
\'t Verdorde blaadje schuifelt niet;
\'t Gestarute spreekt alleen.
— 128 —
Kniel, menschdoin , kniel ! bid zwijgend aan
Gij, englen , moet de citers slaan ; Knielt, mensehen !.... zwijgt!.... l)idt aan Bidt aan !. ...
O Stilte, die mijn aandacht boeit!....
O stroomen van gedachten, Die bruisend in mijn boezem vloeit!.., Hoe zniig zijn die nachten!
Waarin \'t gordijn wordt opgehaald , En mij \'t heelal in de, oogen straalt.
Dli-T.
a.
Wie kan al de starren meten ?
Wie spreekt heur getallen uit! Wie heur doel en during melden , Of den kring, die haar besluit?
B.
Hij , die al wat Hij formeerde , Met één wenk regeeren kan , Noemt de starren bij haar namen , Meet den hemel met een span.
a.
Eeuwig God! onze oogen scheemren; Wat is groot, dan Gij alleen ?
B.
Eeuwig God! uw macht en goedheid Drijft de starren voor zich heen.
a. en k.
Zonnestelsels ! kleine stofjes !
Zingt zijn liefde en imijesteit! Ja, een schepsel Gods te wezen, Dit alreê is ziiligheid.
— 129 -
aria
Lnat dan dit stipje van \'t heelal £en droppel aan den emmer wezen;
Waar ooit een schepsel wonen zal, Wordt nimmer God vergeefs geprezen. Ja, noemt deze aarde een niet, De Godheid hoort haar lied.
KOOB.
De Godheid hoort ons lied ; wij zingen ,
Het hoofd omhoog, een vroolijk lied. Al is \'t maar taal van stervelingen ,
Het koor der Englen woont hier niet. Maar hunne toon zal de onze ook wezen.
Als \'t licht rijst uit de duisternis; Wanneer de dooden zijn verrezen.
En de aarde op nieuw een Eden is.
recitatief
Is de nacht niet reeds een Eden, Schenkt de nacht geen zaligheden
Bij het licht der avondster ? Ja, door zonneglans beschenen.
Reist Saturnus vroolijk henen !
Naast hem wandelt Jupiter.
solo.
Spoort mij de dag tot danken aan ,
De nacht doet mij verstommen ; En zie ik duizend starren staan,
\'k Zie duizend heiligdommen.
Waarin mijn Schepper wordt geëerd , Als die \'t heelal regeert.
kook.
Als die \'t heelal regeert.
— 180 -
VI. Het sonnet (klinkdicht) is uit het Italiaansch door alle talen overgenomen.
Het is een klein dichtstuk van niet meer dan veertien versregels, verdeeld over vier strofen , waarvan dc eerste twee vierregelig, de twee volgende drieregelig zijn. De eerste twee strofen rollen over twee, de twee laatste over drie rijmwoorden. Een voorbeeld uit Vondel, die er een menigte vervaardigde, moge dit verduidelijken.
Klinkdicht
or
UTred-erilr Hen-d-rils.
Nog le2t\'t, tot Holliinds heil, de wachter vau deu tuin,
Gebroken, door en door, met diepe waterplassen,
Met stroomen hier omheind , en daar met zijn moerassen,
En ginder met de zee, zich wentelende in duin.
Nog tart u Freriks helm, verwaande koningskruin!
Die aan uw rijken nog meer rijken waant te lasschen.
Nu koom vrij, eer hij zelf uw steden koom verrassen,
En delf uw heerlijkheid in rook, en stof, en puin.
Gij dreigt hem, doeh vergeefs, gij dreigt deu onvervaardeu,
Die voormaals, bij de Hoer, omsingeld van uw paarden,
Den ruiter velde en \'t paard, en redde zich er door.
I
Zijn lemmers deugd versmaadt de sneê der Spaansche klingen.
Zijn harnas uw pistool; \'t is kwaad een leeuw te dwingen.
Die door \'t benauwdste streeft, en maakt er \'t ruimste spoor.
\\
Gewoonlijk is het onderwerp van het klinkdicht een grootsche gebeurtenis of een hoog personnage. De venn is kort, gedrongen en krachtig; het laatste vers moet een treffende of verhevene gedachte inhouden.
Het enjambeeren van de eene strofe op de andere is in den nieuweren tijd eerst in zwang gekomen.
— 131 —
Het Rondeel (waarvan een voorbeeld in de Nederlmd-sche Spectator Jaarg. 1888, N0. 9, door Mr. H. Cosman) is eigenlijk een fransche dichtvorm. Het bestaat gemeenlijk uit 13 vijfvoetige jambische verzen, waarvan het negende en het dertiende het eerste woord of de eerste helft van den eersten regel bij wijze van refrein herhalen. Het is derhalve een soort van klinkdicht.
VIL Het Bruiloftslied (epithalamion) is een zang op nieuw- ot langgehuwden, houdende eenerzijds den lof der vierenden, anderzijds wenschen voor hun geluk.
Vondel laat ons uit rijken voorraad alweder de keuze.
Ter bruiloft der edele Getrouwden
SyTsrant d.e Klines en. ^_g-nes 331oclc.
Wat teelt onderlinge min ?
Twee gelijken, een vau zin ,
in ai wat men geestig rekent;
Beide in kloek verstand uitstekend.
De een schept somwijl lust op \'t land,
Daar zij bloemen zaait en plant ,
Of de Bloemgodin helpt vieren,
En het loofwerk op papieren ,
Uitgesneden met de schaar,
Offert op het huisaltaar;
De ander heeft zijn wit getroffen ,
Als hij net in zijden stoffen
Loof en schoone bloemen weeft.
Schooner dan de leute ons geeft.
Wat kan zulk een huwlijk baren ,
Daar die beide in echt vergaren ,
Met een rijp en wijs beleid.
Anders dan genoegzaamheid ?
Elines! die, door stadig minnen,
\'t Onvermurwde hart kort winnen Van uwe Agues ; oud en jouk
- 132 —
Drinkt met eenen blijden dronk U geluk toe. God wil geven ,
Dat gij beide in vreugd raoogt leven !
Tot de eenvoudige soort van lyrische poëzie behooren het lied en de romance.
I. Het Lied is een klein gedicht, waarin het zachte, tcedere, vaderlandlievende gevoel of de vreugde den boventoon voert. Men onderscheidt de liederen \'mgods-dienstige gehangen, volks-, treur-, spot-, minne- en drinkliederen.
Het spreekt van zelf, dat de stijl van het lied eenvoudig, natuurlijk, duidelijk en vloeiend moet wezen.
a. Het godsdienstig lied heeft God of een heilige tot onderwerp, en dient tot opwekking van godsvrucht en liefde.
Voorbeelden van deze soort zijn te vinden in dat overgroot aantal Kerstliederen, door J. A. Alberdingk Thijm verzameld en uitgegeven, alsmede in de nNiederliindischr Volksliederquot;, uitgegeven door Hoffmann von Fallkrs-leben. Uit dit laatste een
kerstlied.
1. O nacht, o blijde iiiicht,
o nacbt vol wonderheden !
Messias , lang verwacht,
komt nu tot ons getreden,
bij omkleedt zijnen troon ,
hij komt uit \'s hemels woon bier op het aerdsche dal voor onze zonden al.
2. Maria, zuivre maegd ,
in weenen en in zuchten beeft naar iogiest gevraegd ,
ze en wiste niet waer vlugten :
— 133 —
in Betlileöni in den st.-il voor ons verlossing ;il gebaerd heeft een klein kind in groeten kouden wind.
3. Joseph heeft dfin met vlijt voor onzen grooten koning een krebbeken bereid ill in een beestenwoning.
op een weinig hooi en strooi tussehen ezel en koei liig \'t kindje Eniiminuël,
de vorst van Israël.
I. De herderkens verheugd,
van vreugde zij opsprongen ,
zij hebben daer met vreugd den Gloria gezongen.
drie koningen van ver,
gekomen door een ster,
zij hebben met ootmoed het kindeken gegroet.
ij. Onder den naam van Volksliederen verstaat men niet alleen nationale gezangen, welke tot opwekking of uiting van vaderlandsliefde dienen, als het IVilhclinnslied en nWien Neerlandsch bloedquot;-, maar ook popnlaire liederen, welke in den volksmond hieven voortleven en in allerlei levensomstandigheden hun onderwerp vonden: zviege-, dans- en oogstliederen, huiselijke en gezelschapsliederen ew/..
Onze nieuwerwetsche zoogenaamde volksdeuntjes, verraden kunst noch smaak, en vervallen, helaas! al te dikwijls in het platte en gemeene.
BOERENLIKD.
1. Wij boeren en boerinnen ,
wij werken dag en nacht,
wij ploegen en wij spinnen ,
en wij zingen uit onze macht:
Lieve heer, kost en klcor,
hemelrijk, en dan niet meer! .
— 134 —
2. Wij spitten cu wij spaeyen,
geheele dagen lang,
wij zaeven en wij maeyen in groot geneugt met dezen zang :
Lieve heer, enz.
3. Wij eten alle dagen
\'s morgens boekweitepap,
zoo vullen wij ons magen en wij zingen even rap ;
Lieve heer, enz.
4. Wij eten zoete boter,
melk is voor onzen dorst,
dan zijn wij veel devoter en wij zingen uiter borst:
Lieve heer, enz.
5. Wij deeken zelden tafel,
een stuxken uit ons hand dat smaakt ons als een wafel en wij zingen langs don kant;
Lieve heer, enz.
Minne- en drinkliederen spelen in onze middeleeuwsche letterkunde een groote rol. Jammer, dat de meeste, zoo niet alle, hoe schoon van vorm ook, min kiesch zijn van inhoud. Één drinkliedje vinde hier eene plaats:
Drinckliet.
1. Ende wil wi tavont ghenoeghlic syn ende drinken den rynseheu oouden wyn!
als dat wintjen wait —
wi willen niet scheiden ,
wi willens verbeiden,
als dat haeutjeu erait.
2. Nu willen wi hebben een vrisehen moet,
verteren een weiuigh van onsen goet.
als dat wintjen wait —
enz.
— 135 —
3. Och liadcüc vijfentwintigh beddeu,
te meie woud icker niet een pluymken van hebben! als dat wintjen wait —
enz.
Vondkl is de eerste onder de vervaardigers van spotliederen, die trouwens niets anders zijn dan gezongen hekeldichten. Van hem geven we hier de
Geuzen-Vesper of Zieke-troost
VOOR DE VIER-EN-TWINTIG (1)
Op de Wijze : li runde Parliuice.
1. Had hij Holland dan gedragen
Onder \'t hart,
Tot zijn afgeleefde dagen
Met veel smart,
Om \'t meineedig zwaard te laven
Met zijn bloed,
En te niesten kraai en raven Op zijn goed ?
2. Maar waarom den hals gekorven\'quot;
Want zijn bloed Was in d\'aders schier verstorven;
In zijn goed Vond men nooit de Pistoletten,
Van quot;t verraad Uitgestrooid om scharp te wetten \'s Volleks haat.
3. Gierigheid en wreedheid heide ,
Die het zwaard Grimmig rukten uit der sobeide,
Nu bedaard \'Zuchten : „wat kan ons vernoegen
Goed en bloed?
Och , iioe knaagt een eeuwig wroegen Ons gemoed !quot;
1
Rechters van OMenbamevelt.
— 136 —
4. Weest tevreêu, Lumlt predikanten.
West en Oost!
ü.iat, en zoekt bij Dortsehe Santen Heil en t roost!
\'t Is vergeefs, de Heer komt kloppen Met zijn woord;
Niemand kan de wellen stoppen Van dien moord.
«ESLVIT.
Spiegelt, spiegelt u dan echter.
Wie gij zijt;
Vreest den worm, die dezen rechter \'t Hart afbijt;
Schendt uw handen aan geen vaders.
Dol van haat!
Scheldt geen vromen voor verraders Van den Staat.
II. De Roviance, een door de germaansche uit Je romaansche (Spaansche) talen overgenomen dichtvorm, behoort deels tot de verhalende, deels tot de l3quot;rische poëzie. Een verhaal is haar inhoud, lyrisch is haar vorm. Bij de nieuweren bestaat tusschen de romance en de ballade geen onderscheid meer, tenzij misschien in de lengte van het gedicht. De Romance nl., als meer bestemd om te worden gezongen, is korter, en van zelf meer lyrisch.
Zoo begint Tollens, wiens romancen overbekend zijn, zijn wTurfschip van Bredaquot; aldus:
Mij lust wéér op mijn eigen trant,
Die vreemden tooi ontbeert,
Te zingen van het vaderland,
Zooals mijn hart mij \'t leert.
Dreun op dan, hef dan aan, mijn lier,
Op ongedwongen maat.
Rondborstig, stout en zonder zwier,
Zooals mij elk verstaat.
- 137 -
En na nog zes strofen van gelijke lengte als inleiding, begint het verhaal:
Wij hellen vun die wouderdaan,
Met onverbasterd hloed —
Wij van \'t Brediische turfsclili) aan En van prins Man rits moed.
te lang om hier te worden overgeschreven.
De Romance was Bilderdijks gelietkoosd genre. Men leze in het ie deel zijner Dichtwerken Assenede, Ada e. m. a.
Wij kunnen ons kwalijk weerhonden, hier de twee middelnederlandsche liederen, tot deze dichtsoort behoo-rende, over te schrijven : Het Sondaens-dochterken, uit J. A. Alberdingk Thijm\'s «Gedichten uit de verschillende tijdperken der N.- en Zuid-Nederlandsche literatuurquot; bl. 241, in zijn geheel overgenomen in : «Everts. Geschiedenis der Nederlandsche Letterenquot;, bl. 135; met den bevalligen aanhef:
„Die Sondaen iiadde ecu dochterkiju,
Sv was vroeoli opgestanden.
Al om te plucken bloemekens In hares vaders waranden.quot;
En : Fan twee Conincskinderen, t. a. p. bl. 172, met de roerende slotregels :
„Och, mondekeu, cost ghv noch spreken!
Och, herteken, waert ghv gesont!quot;
Over de Ballade in het volgende hoofdstuk.
- 138 —
11. VERHALENDE POEZIE.
Tot de verhalende poëzie behoort elk gedicht, dat eene handeling, eene gebeurtenis, tot onderwerp heeft.
In deze soort van poëzie, evenals in de dramatische, treedt de dichter zelf op den achtergrond, om de in werkelijkheid bestaan hebbende, bestaande, of slechts in zijne verbeelding levende personen te laten spreken en handelen. Het gevoel, dat er in wordt uitgedrukt, is derhalve niet dat van den dichter, maar dat van de handelende personnages.
De voornaamste tot dit algemeene genre van poëzie behoorende dichtsoorten zijn: het Heldendicht, de Ballade, de Legende, de Fabel, de Parabel.
XÏET üEiLiiDrEnsrrDicuT.
Het Heldendicht of Epos is het dichterlijk verhaal eener groote gebeurtenis.
Daaruit volgt, dat de min of meer belangrijke, in dichterlijken vorm gekleede, levensbeschrijving van een beroemd persoon, in den strengen zin, niet tot de heldendichten mag worden gerekend. Eene gebeurtenis moet de grondslag wezen; en door deze bijzonderheid verschilt het heldendicht van de Epopee of het Ridder-epos. De Henriade van Voltaire kan alzoo, evenmin als Joannes de Boetgezant van Vondel , een heldendicht genoemd worden.
Van het heldendicht, in strengen zin genomen, heeft onee Nederlandsche letterkunde geen voorbeeld.
Vondel heeft van zijn Tocht van Keiler Constantijn den Groote naar Rome niets, en Bilderdijk van zijn Ondergang der eerste Wareld nauwelijks vijf zangen na-
— 139 -
gelaten. Van Lodewijk de Koninck hebben we: Het Menschdom verlost.
De grootste epische dichters zijn Homerus (11 iade), Vergilius (Aeneis), Torquato Tasso {Jerusalem verlost), Milton {Verloren Paradijs), Klopstock {Messiade).
Ware Bilderdijk\'s Epos voltooid, het zoude onder dit kleine getal eene eervolle plaats innemen.
Wij moeten hier de drie vereischten van het ware heldendicht: de handeling, de karakters en het verhaal, nader beschouwen.
De gebeurtenis, waarover het gedicht loopt, moet zijn één, moet zijn grootsch, moet zijn belangzuekkend.
I. Zij moet zijn één, d. w. z. één enkel feit, één enkele onderneming (en niet verscheidene) moet het onderwerp van het gedicht uitmaken. Dit sluit evenwel het inlasschen van kleinere verhalen niet uit, mits deze natuurlijk zijn, belangwekkend in zich en aan de hoofdhandeling geen afbreuk doen. Het verhaal van zulke kleinere, bijkomende feiten heet men episoden.
Opdat de éénheid bewaard blijve, dient het feit, dat de dichter wil uitwerken, in het kort te worden aangegeven in den aanvang van zijn gedicht:
Ik zing den oudergiiug van d\'eersten Wiireldgroud, En \'t meusclidom dat, niet Hel en Duivlen iu verbond, In gruwelen verliard, Gods Hoogheid durfde trotsen En \'t aardsehe Paradijs beklautren langs zijn rotsen,
Tot de Almaeht, worstlens moê met Adams zondig bloed. Des aard rijks bodem sloopte en omkeerde in den vloed, Wat adem haalde op \'t droog, van (l\'at\'grond in deed
[zwelgen.
Een huisgezin behield in \'t algemeen verdelgen ;
En, op \'t verbrijzeld pniu in lager lucht verspreid ,
Het sterflijk kroost vernieuwde, en \'t zaad der eeuwigheid.
— 140 -
Aldus Bilderdijks aanhef.
Daarom dienen de (moeielijkheden, hin
dernissen , die de uitvoering van het feit of der onderneming in den weg staan) alle naar het einde, de ontknooping, heen te wijzen en heen te streven. Uitgesloten moet derhalve worden elke episode, hoe schoon ook op zich zelve, die niet of al te los samenhangt met de hoofdgebeurtenis.
De gebeurtenis moet zijn grootsch, d. i. niet uit het dagelijksch leven gegrepen, maar op de geheele mensch-heid of een groot gedeelte daarvan betrekking of invloed hebbende. Zoo de gebeurtenissen, die de bovengenoemde heldendichten tot onderwerp strekten.
Door hare verhevenheid moet de gebeurtenis vanzelf belangwekkend wezen. Die belangwekking kan voortkomen uit de gewichtigheid van het feit zelf, uit de grootheid van den held of de helden, die het feit volvoeren, uit het bewonderenswaardige der drijfveer, welke tot de onderneming aanzette, uit de behandeling der groote hinderpalen, die de volvoering in den weg stonden.
II. De karakters, d. w. z. de personen , welke in dc handeling optreden , om de onderneming, het feit, te volvoeren of tegen te werken, moeten natuurlijk, scherp en juist zijn geteekend.
Het eenmaal aan een personage gegeven karakter moet tot het einde toe worden volgehouden; de persoon mag zijn karakter nimmer verloochenen. En is dit voor alk-personen vereischte, ze is het voornamelijk voor den hoofdheld van het verhaal, die als het middelpunt dient te wezen, om hetwelk de heele handeling draait. Hem mag de dichter, ook bij het verhalen van episoden van ondergeschikt belang, nimmer uit het oog verliezen.
Het staat natuurlijk den dichter vrij, zijnen helden
- 141 —
eigenschappen toe te schrijven , welke zij niet bezitten , m a. w. ze te idealiseeren, mits hij niet oversla tot het teekenen van onmogelijk- of onwaarschijnlijkheden.
Hiermede hebben we van zelf een punt aangeraakt, dat bij de karakters dient behandeld, nl. de inmenging van het bovennatuurlijke of wonderbare in het Heldendicht.
We laten de vraag onbesproken, of het bovennatuurlijke tot het wezenlijke dezer dichtsoort behoort; zeker is, dat door de inmenging van bovennatuurlijke krachten of wezens het heelc gedicht een waas van geheimzinnigheid verkrijgt, waardoor het aantrekt en indruk maakt; zeker ook, dat de groote epische dichters alle van dat bovennatuurlijke , wonderbare, partij hebben getrokken in niet geringe mate.
Doch het bovennatuurlijke mag niet den boventoon voeren ; de held des verbaals mag geen willoos werktuig worden, gedreven door bovenaardsche macht alleen ; tenzij de Godheid zelve het onderwerp uitmake.
III. Het verhaal moet zijn levendig, gespierd, gevoelvol, in een stijl, die aan de verhevenheid van het onderwerp past. Grootsche beelden, treffende uitdrukkingen, overweldigende schilderingen zijn er op hunne plaats; het alledaagsche, gemeene, platte heeft er geen toegang. Met dien ernst van het onderwerp houdt de techniek der taal zelfs rekenschap. De deftige alexandrijn is daarom voor het heldendicht de meest gewilde versmaat, al schreef Tasso (men vergelijke de heerlijke vertaling van J. J. L. ten Kate) zijn Jerusalem verlost in vijfvoe-tige jamben.
— 142 —
Tot deze soort van epische poëzie, doch in uitgebreider zin genomen, kunnen gerekend worden het Ridderepos en het Dieren-epos.
Van beide soorten levert onze middeleeuwsche letterkunde uitstekende voorbeelden ; van de eerste de Ferguut, de IVakwehi, de Lancelot e. m. a.
»Om .... in het kort den ontwikkelingsgang onzer Ridderpoëzie . . . nader te beperken, zeggen wij, dat er zich in de Oud-germaansche sage bijna uitsluitend wcr/cr/ec/c/.\'m-/,\'/ vertoont, welke in de Karelromans door Redelijken invloed, door beginselen gewijzigd wordt, en zich ten laatste in de Arthurromans hoofdzakelijk door -ielsaandoeningen laat leiden. Met andere woorden : eerst is het de moed van den krijgsman, die de zangers bezielt, dan wordt de ?e.r van den Ridder het hoofdelement hunner verhalen, en eindelijk worden aan de schildering der liefde van den mensch alle hunne krachten, de schitterendste verven van hun palet gewijdquot;. (1)
Hiertoe behooren o. a. ook de Elins van Bildkroijk , de Amhiorix van Nolet de Brauwere, Guy de Vlaming van Beets en in zekeren zin de de Geulen van Onno Zwier van Haren en de Hollandscbe Natie van Helmers.
Als Dieren-epos bezitten we het voortreffelijk Fan den Vos Reinaerde, Bilderdijk uit het Grieksch vertaalde Muis- en Kikvorschkrijg en het episch-didaktische De Dieren van denzelfde.
:d;B
De Ballade is, in de tegenwoordige beteekenis, een episch gedicht van korteren adem.
1
Everts. Geschiedenis der Nederlandscho Letteren, 3e Druk, bi. 41.
- 143 —
Hen avontuur, een feit uit liet leven van een persoon kan het onderwerp eener ballade wezen.
Meestal, althans in onze letterkunde, ontleent de balla-dendichter zijne stof aan de middeleeuwsche geschiedenis, daar hem de zeden, gewoonten enz. dier tijden middelen tot stotfeering in overvloed aan de hand doen.
Ue Sage heeft Inj ons haar stil verblijf\' verloren,
Zij , lieflijkst kind der Poëzy,
Bij \'t smeltend avoud-uur aan \'t purprend west geboren,
Oraflfidderd van een Geestenrij ,
En in henr bloemenwieg omreid van Elfenchoren ,
Ze is als een duive zonder dak ,
zong W. J. Hofdijk in 1850, en zijn
.... dichterlijk gemoed, 0111 \'t onrecht verontwaardigd.
En diep getroffen van hour schoon ,
Zoeht in de stulp haar op, nooit haar ter schuts
[vervaardigd, Hergaf haar, naar hij \'t mocht, heur kroon.
Sinds bezitten we in nKenminerlandquot; een schat van balladen, waarop onze letterkunde trotsch mag gaan.
Men leze bijv. : de Hoogste Troost, de Balling, O. L. Vr. van Hawlem , het Paard en rif, de Stalboef, e. a. Ze zijn alle te algemeen bekend dan dat we er hier een zouden overschrijven.
Van de Ballade is de Legende alleen door den aard van haar onderwerp verscheiden. Ook zij is een dichterlijk verhaal, doch getrokken uit de Levens der Heiligen of stichtelijke overlevering. De Legende is derhalve een stichtelijke Ballade.
Tot voorbeeld — van J. Poelhkkkh :
— 14-4 —
Dk Kleine Savoyaard.
Te Spiers op deu Rijn stond voor dezen Een heerlijk eu wonderschoon beeld :
Maria en \'t Goddelijk Kindjen,
Dat oj) haren moederschoot speelt.
Daar kwam, met haar wicht, eens een vrouwe ; Zij knielde aan haar voeten en bad
Zoo vroom en eerbiedig, eu \'t jongsken Stond stil voor de Moeder eu at.
\'t Zag op naar het Kindeken Jezus,
En brak van zijn broodjeu een beet;
En bood het zoo goedig aan \'t beeldjeu Eu stamelde : „eet, Jesuken , eet!quot;
Eu \'t beeldjeu begon tegen \'t jongsken Te spelen eu lachte zoo blij,
Eu zeide: „gij zult, na drie dageu,
„Zoet kindeken, eten met mij.quot;
De moeder rees op, vol ontroering.
En peinsde, verstomd op elk woord.
Dat zij zoo zoet uit het mondjeu Van \'t Goddelijk Kind had gehoord.
„O vrouw,quot; sprak een grijze Kanunnik ,
„Hou \'t wichtjen tot dien dag in eer ;
„Zeg daarna goênacht aan uw kindjen En geef het gewillig deu Heer.quot;
t Kind werd na drie dageu uiet wakker ,
En \'t was als de Choorheer het zei;
Want Jesus nam \'t op naar den Hemel,
Bij Bethlehems kiudereurei.
De Fabel (waartoe de allegorie en de parabel kunnen erekend worden) is het korte verhaal van een verdicht
— 145 —
feit, in hetwelk willekeurige wezens — menschen, dieren, planten, zelfs zinnebeeldige voorstellingen — als handelende personen optreden, en dat een zedelijke gevolgtrekking tot besluit heeft. Deze noemt men de moraal der fabel.
De allegorie verschilt van de fabel hierin, dat het verdichte feit de plaats inneemt van het ware, en met dit laatste gevolgelijk in allen deele klaar en duidelijk moet overeenkomen.
Het onderscheid tusschen fabel en parabel ligt hierin , dat in deze slechts redelijke wezens handelend en sprekend mogen optreden.
Noodzakelijke eigenschappen eener fabel zijn: bondigheid, klaarheid, bevalligheid en juistheid.
Op \'t gebied der fabel heeft onze letterkunde, behalve Vondel\'s Vorstelijke Warande der Diereu, en Bilderdijk\'s Proeve van Fabelen (meest in proza) weinig aan te wijzen.
Als allegorie is Bilderdijk\'s Hazelnoot voortreffelijk. Het gedicht doelt op de ontvangst, welke den dichter in Brunswijk te beurt viel. De lengte van het stuk verbiedt ons, het hier over te schrijven.
De parabel is vooral in de oostersche beeldspraak thuis; de H. Schrift is er vol van.
Tot de allegorie behooren insgelijks de spreuk en het raadsel (woord- en lettergreepraadsel of charade.\')
III. BESCHRIJVENDE POEZIE.
Wat van de beschrijving en de schildering in het proza gezegd is, geldt ten volle, doch in nog hoogere mate, van de beschrijving in de poëzie. De dichterlijke ver-
10
- 146 —
bedding is in staat meer levendigheid, meer leven te schenken aan de voorwerpen, die worden behandeld. Doch ook de dichter-schilder moet onophoudelijk het doel, dat hij bereiken wil, voor oogen hebben, en geen bijgevoegde omstandigheid, geen détail, mag van dat doel afleiden. Alle bombast, langdradigheid, alledaagsch-heid, verwarring dient zorgvuldig te worden vermeden. Do keuze van het juiste epitheton is in dc dichterlijke beschrijving van het hoogste belang.
Plaatsen, tijden, lucht- en natuurverschijnselen, levendt en levenlooze voorwerpen, feiten, gebruiken, zeden enz. kunnen onderwerpen ter beschouwing, dus ook ter beschrijving en schildering wezen.
Daarom moet o. i. ook de landpoëzie, welke nl. de genoegens van het buitenleven bezingt, tot deze dichtsoort worden teruggebracht. Het zoogenaamde Herdersdicht, dat bij ons niet inheemsch schijnt te zullen worden (Leesberg\'s : Herdersdichten) bestaat gemeenlijk uit een gedialogiseerd verhaal met lyrische ontboezemingen.
Meestal gaat de beschrijvende poëzie met eene andere soort van dichtvorm, inzonderheid den verbalenden, gepaard. Dichterlijke beschrijvingen vindt men in elk epos, in de meeste balladen.
Men leze, om één enkel voorbeeld aan te halen de beschrijvingen van het ^iuaard en het paard van Da Costa , de Val van Constantinopel (Aya Sofia) van Sen a f.pm an , van het eerste Menschenpaar in Vondel\'s Lucifer, de Stoomwagen van van Beers.
— 147 —
IV. DIOAKTISCHE POËZIE.
Didaktische of leer end e Poe\'ie is die, welke een punt van wetenschap tot onderwerp der behandeling heeft.
Het doel van het leerdicht is, te onderrichten. Dat doel rechtvaardigt evenwel een dichterlijken vorm, die door kracht en schoonheid treffen moet.
Tot de didaktische poëzie behooren: het eigenlijke leerdicht, de satire, het leekcdichtje en het grafdicht.
Den briefvorm, als zijnde in onze letterkunde weinig gebezigd, bespreken we niet.
xiet XjEEIÏX)ICH:T.
Het Leerdicht is een gedicht van langeren adem, hetwelk in dichterlijken vorm den lezer waarheden, algemeene begrippen, voorschriften ter onderrichting voorhoudt en uiteenzet.
De dichter treedt er, zonder zijn roeping als zoodanig te verwaarloozen, als man van wetenschap op. Noch te dor wetenschappelijk noch te bloemrijk poëtisch moet derhalve liet leerdicht wezen.
Het behoeft niet gezegd, dat het leerdicht zijne stof kan zoeken in elk vak van wetenschap.
Voxdel heett ons nagelaten een episch-didaktisch gedicht : Joannes de Boetgezant; een historisch-didaktisch : de Heerlijkheid der Kerke; een lyrisch-didaktisch : de Altaargeheimenissen; een filozotisch-didaktisch: Bespiegelingen van God en Godsdienst.
Onovertroffen en onovertreffelijk op het gebied der didaktische poëzie is De Ziekte der Geleerden vanBiLDERDijK.
«Hr bestaat in geene letterkunde der wereld een gedicht , waarin eene zoo afgetrokken, dorre stof met zoo
— 148 —
verbazende wetenschap niet alleen en zoo kunstige schikking, maar ook met zoo dichterlijke opvatting en schildering en zoo diep gevoel behandeld wordt, als in dit meesterstuk van Bilderdijkquot;. (1)
Wij zouden ons bestek te buiten gaan, indien we hier naar lust fragmenten aanhaalden. Nochtans één voorbeeld uit vele. De dichter beschrijft de verspilling der levensvochten in den tabakrooker (2e zang, v. 281 en vlgd.) :
.... Mij heugt een tijd, toen de onbedwiugbrc Mode (Veelvormige Astiirotb, die .Tunoos hemelbode Den gordel rukt van \'tlijf; als zij, in neevlen woont. En \'t wisselend gelnat nu links dan rechts vertoont; Behoeften , zeden vormt; vermaken teelt en kwalen;
En wie men \'t waslicht brandt in dans- en schouw-
[burgzalen!
Aan al wat manlijk was, van rechterzaal tot ploeg, Een daaglijksch offer van Tabügoos hoofdplant vroeg. Europa had voorlang Japanners en Tartaren Het kleed , de thee ontleend , de saamgebonden haren : Nu was \'t de Mexikaan , die \'t nieuwe voorbeeld gaf. En de aard een wierook eischte aan Montezumaas graf. \'t Ontbrandde. Een scherpe rook, met walgelijke togen Der godheid ten gevall\' kloekmoedig ingezogen.
Ontstak, door \'t vluchtig zout, ontwikkeld in het vier, \'t Gevoelig weefsel van de teedre speekselklier; En \'t onwaardeerbaar vocht, ter spijsloog afgezonderd , Wordt onbedacht verkwist, onzinnig uitgeplonderd !
Natuur gewende ïich die prikkling en weArstond Bij duizenden \'t gevolg, door \'t schroeien van den mond; Maar enklen vloeit het slijm tot stikkens om de tander, Wordt niet dat gift vermengd, tot plaag der ingewanden, Of uitgeworpen als een nutteloozen last.
Onnoozlen ! wist ge recht, wat schatten gij verplascht! o Jammer! \'k zie hen nog, met ingezonken kaken, Den naderenden dood in \'t geurig rookwerk smaken ,
1
\\V. Everts : G-eschiedenis der Nerterlandsohe Lottra-en.
— 149 —
De spieren uitgedroogd , met rinipelvolie huid,
Ahu \'t bloedverbrundend vuur der teringkoorts teu buit;
Des liehaams voedingschuur, vau \'s levens gloed
[verstakeu ,
Zich weigreu aan baar plicht, en gisten zonder kokeu ; Natuur in onmacht, en , bezwemen onder \'t leed ,
De kunst beschuldigen , die baat noch redding weet.
Men leze van denzelfde, onder vele leerdichten van kleineren omvang, de Geesteirwareld en het Waarachtig Goed.
De Satire is een uitgebreid hekeldicht, in hetwelk misbruiken , verkeerdheden, ondeugden , met bijtenden spot of luchtigen scherts worden op de kaak gesteld.
Vondel\'s Roimnelpot van \'t Hanekot, Huyüen\'s Cosfe-lick Mal, Poirter\'s Het Masker van de IVereldt afgetrokken zijn van deze dichtsoort drie uitstekende voorbeelden.
Uit het laatste een fragment:
Als ik de wereld wel bezie ,
Al schijnt ze vol vau wijze liê,
Vol overvliegers van verstand,
En kloeke rabbi\'s voor de hand,
Die weten ïhomam op een draad Eu wat er al in Baldo staat,
En die een bibliotheek geheel Besluiten in een bekkeneel,
Al schijnen ze nog eens zoo wijs,
Eu halen ver deu eersten prijs,
Nog zeg ik , dat ik ouder haar Ook slagen somtijds word gewaar ;
Ook ik en oordeel hen te straf:
Waar is er koren zonder kaf?
— 150 —
En wijze liCu met brillen op Die hebben grillen in den kop ;
En in de tabbaarts van satijn Bevindt men dat er kuren zijn.
Al waar liet nog zoo enge mouw.
De kwinten zitten in een vouw ,
En hoe ge \'t knoopt of hoe ge \'t sluit,
Het gekjen wil er somtijds uit.
Want iedereen heeft zijn gebrek ,
En daarin is een ieder gek.
enz.
Tot de satire (en parodie) behooren de Snikjens en Griinlacbjens van Pikt Paaltjens.
Het Puntdicht, waartoe het leekedichtje en de spreuk kunnen geteld worden, is een diepe ot scherpe gedachte, kort, geestig en puntig uitgedrukt.
In Bildf.rdijk\'s Spreuken en De Genestet\'s Leekedicbt-jes heeft men van voorbeelden in deze dichtsoort rijke keuze. Van De Genestet :
Theorie en Praktijk.
Geloof niet op gezag. Meneer !
Outhou dit wel ter degen.
Geloof alleen wat ik u leer En spreek mij nimmer tegen.
Hen Voorstander.
„\'k Ben voor de waarheid lquot; Goede man, \'k geloof het graag ;
Maar zijt ge er ac.hter ? dat \'s de vraag !
— 151 —
V hrdraagzaamheid.
Wiit meer verdrnagziiiimheid ! Voorwaar,
De strijd wordt onbehaaglijk ! Ook wij zijn wel verdraagzaam — maar De rest is onverdraaglijk.
Het Grafdicht is evenals het leekedichtje en de spreuk een klein puntig gedichtje, aan de nagedachtenis der dooden gewijd.
Grafschrift op Bredeko.
Hier rust Breêro , heengereisd ,
Daar de boot geen veergeld eischt Van den geest, die met zijn kluchten Holp aan \'t lachen al die zuchten.
Vondel.
Hier ligt Vondel zonder rouw, Hij is gestorven van de koii.
In.
(ïeen grafschrift zoo rijk Als uw naam, Bilderdijk l
De Schoolmeester.
Hier ligt Poot:
Hij is dood.
li).
— 152 —
V. T00NEELP0EZ1E.
Draiiiatiscbe otquot; tooneel-poë^ie is die, welke een handeling , eene gebeurtenis, eene onderneming, met op het einddoel betrekking hebbende omstandigheden, op het tooneel veraanschouwelijkt.
Men kan de tooneelpoëzie in twee hoofdsoorten splitsen ; die nl, welke een grootsch, verheven, ontzagwekkend, droevig feit tot onderwerp heeft, en die, waarin een lachwekkende, boertige, vermakelijke gebeurtenis wordt afgespeeld.
Tot de eerste soort behoort het Treurspel (tragedie), tot de tweede het Blijspel (comedie).
Over de middeleeuwsche mysteriespelen , abelespelen , sotternyen, boer ten en klucht en kunnen we hier niet uitweiden.
In de dramatische poëzie verdwijnt de dichter geheel en al, om zijne personages te laten voelen, spreken en handelen. Hierin ligt het onderscheid tusschen den epi-schen dichter en den tooneeldichter, dat deze zijne personen in vleesch en been, gene ze alleen voor het oog der verbeelding laat optreden.
:ezeit
Het Treurspel is de veraanschouwelijking van eene grootsche en indrukmakende gebeurtenis, die de toeschouwers moet opwekken tot vrees, afschuw of medelijden.
Elke belangwekkende handeling nu heeft vijf perioden: hare uiteenzetting (expositie,) het begin der verivikkeling (het leggen van den knoop), de verivikkeling (spanning) op haar toppunt, het begin der ontknooping, de ontknooping zelve.
— 153 —
Daarvandaan, dat liet klassieke treurspel verdeeld is in vijf bedrijven, onderverdeeld in tooneelen.
In kleinere treurspelen heeft men slechts drie bedrijven: uiteenzetting , verwikkeling , ontknooping.
Met noemt bedrijf (acte) een op zichzelf staand, doch belangrijk en met de hoofdgebeurtenis nauw samenhangend feit.
Men noemt looneel (scène) elk gedeelte van het bedrijf, waarin dezelfde personen spreken en handelen. Elke verwisseling , elke verschijning of verdwijning van personen maakt een nieuw tooneel.
De klassieken vorderen in elk treurspel éénheid van handeling, éénheid van tijd, éénheid van plaats; d. w. z. het treurspel mag slechts ééne handeling (om welke de omstandigheden en afzonderlijke voorvallen zich mogen groepeeren) tot onderwerp hebben, teneinde den indruk niet te verdeelen, gevolgelijk te verzwakken; de plaats der handeling moet dezelfde blijven; de tijd, waarin de handeling plaats heeft, mag den duur van één dag niet te buiten gaan; de twee laatste vereischten, om de waarschijnlijkheid niet te kort te doen.
De modernen (Shakespeare-school) houden aan de éénheid van handeling, doch nemen de éénheden van tijd en plaats niet meer in acht.
Algemeene opmerkingen over het Treurspel.
1°. Wat over de karakters en de handeling bij het heldendicht gezegd is, geldt eveneens voor het treurspel.
2°. De verwikkelingen of intrigen mogen slechts dienen om het gewicht der hoofdhandeling beter te doen uitkomen.
3°. De tooneelen moeten geleidelijk op elkander volgen. Geen personnage mag op het tooneel verschijnen of van het tooneel verdwijnen zonder dat de toeschouwer de
- 154 -
reden van de komst ot liet weggaan althans vermoeden kan.
4°. De ontknooping moet den toeschouwer voldoen, d. i. zij moet volledig wezen, ten gepasten tijd plaats hebben, en treffen. Eene ontknooping tegen de verwachting van den toeschouwer bederft den indruk.
Een verschil van meening over den aard, otquot; liever verwarring van meening omtrent den oorsprong van het tooneelspel heeft aanleiding gegeven tot geheel tegenstrijdige beoordeelingen van Vondel als treurspeldichter.
Men dient degelijk onderscheid te maken tusschen het treurspel der Grieken en dat der modernen.
Er is een hemelsbreed verschil tusschen de tragoedie, zooals de Grieken ze verstonden, en het uit het middel-eeuwsche mysterie-spel geboren moderne treurspel.
Om het in twee woorden, hoe gebrekkig dan ook, te zeggen : het Grieksche treurspel is ^nng, het moderne actie., handeling.
Oorspronkelijk immers was de tragedie der Grieken niets anders dan een lofzang ter eere van Bacchus, later ook van andere godheden. Een lierzang tot verheerlijking van den god (monoloog), het verbaal van een feit, waarin de macht of de grootheid des gods werd voorgesteld (aanvankelijk eveneens monoloog, naderhand, bij Aeschyles voor \'t eerst, dialoog, om eentonigheid te vermijden), de vertolking der uit beide tooneelen bij het volk opwellende aandoeningen in den rei, ziedaar de bestand-deelen van het treurspel bij de Grieken.
Ons modern treurspel integendeel voert zijn oorsprong niet hooger op dan de middeleeuwen. Het heeft zich van lieverlede ontwikkeld uit de mysterie-spelen, die in den beginne enkel bestonden uit de vertooning van een of ander Verlossingsgeheim door middel van levende beelden, eerst beweegloos, later- met passende gebaren,
— 155 —
nog later met toegevoegden tekst. Van de kerk verhuisden de mysterie-spelen, wegens ingeslopen misbruiken naar het marktplein, vandaar naar de rederijkerskamers, en eindelijk naar den schouwburg. De handeling verloor, als van zelf spreekt, haar kerkelijk, haar bijbelschkarakter; die openbare vertooningen vielen in den volkssmaak, wonnen de volksgunst; het schouwspel was ontstaan. (*)
In het Grieksche theater wilde het volk hooren; in het hedendaagsche wil het volk -ien. Bij de Ouden stond de poëzie, bij de modernen staat de vertooning op den voorgrond.
Welnu! «Vondkl kende zijn land; en alwien het karakter der Nederlanders van oudsher op gemeenzamen voet met hunne vorsten verkeerende en nu in het Noorden een Gemeenebest hadden; alwien die letterkundige toestand des volks geen geheim is, zal gereedelijk begrijpen, dat geen volk in Europa geschikt om was het Grieksche tooneel te zien en te doen herleven dan het Nederlandsche volk, en dit volk was zulks op hooge schaal.
«Vondel schreef niet voor vergriekschte Nederlanders, maar voor hen wien \'t echte Neerlands bloed in de aderen vloeide. De zoon des volks hoefde om Vondel\'s schouw-burgpoëzie te smaken, niets dan den godsdienst zijner iMoeder en de heldendaden zijner Voorvaderen te kennen, terwijl dat de Franschman, om hun schouwburg te verstaan en te genieten, eene vreemde wereld moest instappen, na alreeds ter voorbereiding, eene heidensch letterkundige opvoeding ingeslorpt en de geschiedenis, niet der eigen voorouderen, maar van Griek en Romein en Oosterling doorsnuffeld te hebben.quot; (*)
(*) Men vergelijke hetgeen Bilderdi.tk hierover zegt in do Voontfspwth van zijn naar Sofokles gevormd treurspel: Edipns, Koning mw Thehe.
(quot;■\'•■) J. W. Brouwers: „Joost van den Vondelquot;, Dichtwerk. hl. 124.
— 156 —
Wie Prof. Jonckbloet\'s Gescb. der Nederlandsche Letterkunde volgt, doet goed er het geschrift van J. van Vloten : Jonckbloet\'s zoogenoemde Gescb. der Ned. Let., ten dienste van haar legers getoetst en toegelicht, op na te lezen.
Tot voorbeelden neme men Vondel\'s Lucifer, Adam in ballingschap. Peter en Pauwels, Jo^ef in Dothan, e. a.
HET
Het blijspel stelt eene handeling uit het dagelijksche leven van haar belachelijke zijde voor, met het doel, de verkeerdheden, ondeugden, hebbelijkheden, bespottelijk te maken, en daardoor te verbeteren.
De comedie moet lachlust, mag geen verontwaardiging wekken. Daarom treedt ze niet buiten den kring van \'s menschen gewone omgeving; daarom neemt ze geen misdaden, geen grootsche ondernemingen tot onderwerp. Haar stijl is levendig, geestig , niet gezwollen, niet gemaakt.
De bij het treurspel geplaatste opmerkingen aangaande personen, intrige, ontknooping gelden ook hier.
lien Molière heeft onze letterkunde niet aan te wijzen. Brederode\'s zeer verdienstelijke blijspelen (Moortje, Jero-limo) zijn kluchten, d. w. z. tooneelstukken, waarin Joor overdreven, schoon in den grond juiste voorstelling, eene ondeugd of eene onhebbelijkheid wordt belachelijk gemaakt.
Van de opera (een lyrisch drama, waarin de dialoog geheel of gedeeltelijk gezongen wordt) behoeven we
— 157 —
voorloopig niets te neggen. Wij kennen slechts de fransche en dnitsche opera, en vertalingen van dezen.
Volgens Richard Wagner moeten in de opera alle fraaie kunsten samenwerken, om daardoor de hoogst mogelijke volmaaktheid in het schoone te bereiken. De muziek moet naast den tekst het gevoel vertolken; en waar het gevoel geen woorden meer vindt, moeten klanken dat gemis aanvullen.
IIsriHIOTJID.
I. Stijlleei*..........biz. 6
De Stijl in \'t algemeen........» 7
Juiste woordenkeus..................» 8
Duidelijkheid van den Stijl......»12
Sierlijkheid van den Stijl..............»15
De Tropen........................»21
De Figuren........................»26
De Beschrijving..........»36
Het Verhaal......................quot;45
De Verhandeling....................»48
De Rede............»62
Over het Plan der Rede..............»81
IX. Foetica..................»85
Verdeeling........................»87
Poëzie..........................»87
Prosodie. Toon en Maat.......»91
Vers en versmaat..................»95
Welluidendheid van het vers.....» 106
Dichterlijke Vrijheden................» 108
Het Rijm........................»114
Kunstvormen in Poëzie . . . ... . . »117
Lyrische Poëzie....................»118
Verhalende Poëzie..................»138
Beschrijvende Poëzie ........ » 145
Didaktische Poëzie..................» 147
Tooneelpoëzie......................»152
mNTHIOTJID.
I. JStijlleei-..........biz. 6
De Stijl in \'t algemeen........ » 7
Juiste woordenkeus..................» 8
Duidelijkheid van den Stijl......»12
Sierlijkheid van den Stijl.......quot; 15
De Tropen............»21
De Figuren............ »26
De Beschrijving..........»56
Het Verhaal......................quot;45
De Verhandeling....................»48
De Rede............»62
Over het Plan der Rede..............»81
II. Poëtica.........»85
Verdeeling........................»87
Poëzie.............»87
Prosodie. Toon en Maat.......»91
Vers en versmaat..................0 95
Welluidendheid van het vers.....» 106
Dichterlijke Vrijheden................» 108
Het Rijm........................»114
Kunstvormen in Poëzie . . . ... . . »117
Lyrische Poëzie..........»118
Verhalende Poëzie..................»158
Beschrijvende Poëzie ........ » 145
Didaktische Poëzie..................8 I47
Tooneclpoëzie......................»152