* .
H \' \'f gt; lt;
\' \'*amp; ■\'* - Vquot;t J**Q i
. r i I ± * i 1
% -f üwI
w 1
\\t
:gt;
M ^*JC\'
t\', . , / \'
*j* _: \'/ ■»\'
•« 7 \'
gt;r. \' ?
* .■ ^ ƒ f *- ■ ,/ V * \'-WÊiiÊk
i ^ • • v gt; % \'44 quot;\'
t. / , • m -lt;• \'i ^ •■
r^ ^ ■ \'Jfxk * «» ï
■quot; ^ y 4\' / A Vj
■ Af \' ^ mlt; \' a
*:* *1* * ^ r, ^ 1
#^;r v . I; quot;■ *•- ^\', ^,11
. ^\'
V /
f v
\\
^ ■
* i,. A
f ^ quot; V ; .
gt;» «
■5 , y -
.■^ ---f 1 ) ^ ^
* . • - 1 *
5^^
^ %_■
\\ ■ gt;i *quot; ■M. »v
/
Aar-\'
L r *
I
I
V j
? V
»
;#¥ :^y
\':■[ \' f\' \' * \' \'
• -i ,/ . ; , k V 1
•• ■ 4 ■■ TV!
•squot; ï
|
7?Hgt; \\quot;- A •i- lJR lt; \' , ■ 1 *lt;* ^ - i .; quot;fk v S u |
. gt; . ^ w f: A\\ \' - / ^ \'.VW\' T JÉÈ. y 1 Lsr:lt;: /Wuu - , ^ ^ ^ , |
jf- lt;, v, •
Vvf\' ?
y 4 -gt; -.....lt;•
DEHARBE\'S
m. K
w I ■-
-
5|r
ml VERKLARING
*amp;.- \'
z-ipj
DER
KATHOLIEKE
| GELOOFS-..ZEDELEER
J|i BEWERKT EN VERMEERDERD
f
li
%. i 11
DOOR
B. D A N K E L M A N,
Pastoor.
M.
Nieuwe uitgave.
MET AARTSBISSOHOPP ELIJKE GOEDKEUEIHfi,,
.....................................................................................?**■\'
VIERDE DEEL. / 1 /
% ^ \' /OS
UTRECHT,
Wed. J. R. VAN ROSSUM.
1888. X£j? 11
V
GOEDKEURING.
Het Vierde deel der Derde uitgave van Deliarbe\'S Verklaring der Katholieke Geloofs- en Zedeleerquot;
wordt bij deze door Ons goedgekeurd en bijzonder aanbevolen.
Uikecht den 11 Januari 18S2.
De Aartsbisschop van Utrecht,
t A. I. SCHAEPMAN.
INHOUD.
DERDE HOOFDSTUK.
Over «Ie ensUMHen, waardiioi* wij «Sc goddellikc genade verkrifgen-
Over de genade in het algemeen. Kan men uit eigen krachten Gods geboden onderhouden en zalig worden? Wat verstaan wij door goddelijke genade? Hoe velerlei is die goddelijke genade?
Bladz. 1—8.
§ 1. €Eveisa de dadelijke genade-
Waarin bestaat de dadelijke genade of de genade van bijstand ?
Bladz. S—11.
Moodxakelflklicid der genade.
Is de hulp der genade voor ons noodzakelijk? Waarom is de genade tot alles, wat ter zaligheid voert, zoo volstrekt noodzakelijk?
Bladz. 11—19.
Uitdeeling der genade-
Verleent God aan alle menschen zijne genade? Bladz. 19—31.
Uedewerkins van den vrüen wil met de genade.
Wat moet de mensch van zijn kant doen, opdat hem de genade tot heil verstrekke? Kan de mensch ook weerstand bieden aan de genade? Toepassing. Bladz. 31—43.
§ 9. Over de genudo der heiligmaking of reehtvaai\'diging.
Wat is de heiligmakende genade? Wat sluit alzoo de rechtvaar-digmaking des zondaars in zich? Bladz. 43—51.
IV
l/oorbereidiiig; tot de rechtvaardiguiakins-
Vanwaar neemt de rechtvaardigmaking des zondaars haren aanvang? Wat moet de zondaar van zijnen kant doen, om tot de rechtvaardigmaking te geraken? Bladz. 51_60
Staat dei* rechtvaardiguiaking.
Kan de mensch zekerheid hebben, dat hij werkelijk gerechtvaardigd is? Kan de heiligmakende genade vermeerderd, verminderd of weder verloren worden? Kan de mensch in staat van genade niet alleen alle zware, maar ook alle dagelijksche zonden vermijden? Kan iedere rechtvaardige in den staat van genade volharden? Bladz. 60_72.
Vruchten der rechtvaardlgtuaking.
Welke vrnchten brengt de gerechtvaardigde mensch met de genade voort? Kan de mensch in staat van doodzonde ook goed doen? Wat verdienen wij door de goede werken, welke wij in staat van genade verrichten? Vanwaar krijgen zulke goede werken inwendige waarde of verdienstelijkheid? Moet ieder Christen goede werkendoen? Welke goede werken moeten wij vooral beoefenen? Waarop ziet God vooral bij onze goede werken? Welke middelen moeten wij ter verkrijgino-der genade vooral bezigen? Toepassing. Bladz. 72_98.
Over de nil. Saeramenten;
Wat is een Sacrament? Beteekenen deze teekenen alleen de genade? Welke genade werken de HH. Sacramenten uit? Hoe moeten wij de HH. Sacramenten ontvangen, opdat zij deze genade in ons voortbrengen? Hangt de werking der HH. Sacramenten ook niet van de waardigheid of onwaardigheid der bedienaars af? Hoeveel Sacramenten heeft Christus ingesteld? Hoe onderscheidt men de heilige Sacramenten? Van waar komen de ceremoniën, welke bij de uitdeeling der Sacramenten gebruikelijk zijn? Toepassing. Bladz. 98—124.
Over het Doopsel.
Welk is het eerste en noodzakelijkste Sacrament? Wat is het Doopsel? Wanneer heeft Christus het Doopsel ingesteld en het gebod gegeven om te doopen? Wie kan geldig doopen? Welke zijn de gebruikelijke ceremoniën van het Doopsel, en wat beteekenen zij? Wat beloven wij aan God in het H. Doopsel? Wat is er aangaande de doopborgen voornamelijk op te merken? Kan het Doopsel des waters nimmer vervangen worden? Toepassing. Bladz. L2i—172.
Over het Vormsel.
Wat is het Vormsel? Wie leert ons, dat Christus het Sacrament des Vormsels heeft ingesteld? Wat werkt het Vormsel uit? Wie heeft de macht om te vormen? Met welke ceremoniën dient de Bisschop het Vormsel toe, en wat beteekenen deze? Is het Vormsel ter zaligheid noodzakelijk? Wat heeft de Christen vóór, onder eu na het Vormsel in acht te nemen? Toepassing. Bladz, 172—201.
V
Over het allerheiligste Sacrament des Altaars.
§ t. Over de te^enwoordimheld van Christus In het II. Sacrament.
Wat is het allerheiligste Sacrament des Altaars? Wannesr en hoe heeft Christus dit il. Sacrament ingesteld? Hoe weten wij, dat Christus met de woorden „dit is mijn lichaam, dit is mijn bloedquot; aan de Apostelen zijn waarachtig licnaam en zijn waarachtig bloed gegeven heeft? Heeft Christus ook aan anderen de macht gegeven, om brood en wijn in Zijn allerheiligst vleesch en bloed te veranderen? Wanneer oefenen de Bisschoppen en Priesters die macht uit? Hoelang blijft Christus met zijn H. lichaam en bloed tegenwoordig? Is onder de gedaante van brood alleen het lichaam van Christus, en onder de gedaante van wijn alleen zijn bloed tegenwoordig? Wanneer de Priester de H. Hostie breekt of deelt, verdeelt hij dan ook het lichaam van Christus? Wat vordert van ons de tegenwoordigheid van Jesus Christus in het allerheiligste Sacrament? Heeft Christus het allerheiligste Sacrament des Altaars ingesteld, om met ons te zijn alleen volgens de menschheid? Toepassing.
Bladz. 201-—257.
§ 3. Over het ISIsuller.
Wat is een offer? Heeft er altijd een offer bestaan? Waarom zijn de offers van het Oude Verbond afgeschaft? Welk is het offer van het Nieuwe Verbond? Hoest er na den dood van Jesus geen offer meer zijn? Welk is dat onbloedig, door Malachias voorspeld offer? Wie heelt het H. Misoffer ingesteld? Welk onderscheid bestaat er tusschen het H. Misoffer en het Kruisoffer? Waardoor bewijzen wij, dat het H. Misoffer reeds door de Apostelen en sedert dien tijd altijd is opgedragen? Aan wien wordt het H. Misoffer opgedragen? Waarom dragen wij aan God het H. Misoffer op? Wie ontvangt de vruchten der H. Mis? Welke zijn de voornaamste doelen der H. Mis? Wat moet men houden van de ceremoniën der H. Mis? Waarom wordt de H. Mis in de latijnsche taal gelezen? Waarom heeft de Kerk voor den offerenden Priester eene bizondere kleeding voorgeschreven? Toepassing. Bladz. 257—326.
§ 3. Over de II. Communie.
Wat is de H. Communie? Wordt ons de H. Communie door God of slechts door de Kerk voor geschreven? Moeten wij, om het heilig bloed van Christus te nuttigen, ook den kelk drinken? Waarom wil de Heer zich aan alle geloovigen als spijze mededeelen? Welke genaden deelt de H. Communie ons mede? Ontvangen allen, die communi-ceeren, ook genade? Welke zonde doet hij, die zich verstout, onwaardig te communiceeren? Welke zijn veelal do gevolgen der onwaardige Communie roods in dit leven? Wat moet men doen, als men eene doodzonde heeft bedreven en wil communiceeren? Hoe moet men vorder zich naar de ziel tot de H. Communie voorbereiden? Wolke voorbereiding des lichaams wordt er vereischt? Hoe moet men tot de tafel dos Hoeren naderen en hoe moet men zich bij het ontvangen der H. Hostie gedragen? Wat moet men doen na het ontvangen dor H. Communie? Hoe moet men den dag der H. Communie doorbrengen? Toepassing. Bladz. 326—383.
VI
49 ver rïe IS^etvaardigiaeicI\'
Wat verstaat men door boetvaardigheid? Wat is liet Sacrament van Boetvaardigheid? Vergeeft de Friester inderdaad de zonden in het Sacrament van Boetvaardigheid, of verklaart hij slechts, dat ze vergeven zijn? Wanneer heeft Christus de macht verleend, om de zonden te vergeven ? Kunnen alle zonden door het Sacrament van Boetvaardigheid worden vergeven ? Waarom moeten wij onze zonden biechten, als wij verlangen vergiffenis daarvan te verkrijgen? Is dus het Sacrament der Biecht voor allen, die gezondigd hebben, ter zaligheid noodzakelijk? Wat vergeeft God ons door het H. Sacrament der Biecht? Wat wordt er vereischt om het H. Sacrament van Boetvaardigheid waardig te ontvangen? Bladz. 382—417,
§ 1. tSamp;vef lael omlerzioeiU. «leg gewetens.
Wat wil zeggen: zijn geweten onderzoeken, en op welke wijze kan dat geschieden ? Voor welke fouten moet men zich bij het onderzoek des gewetens wachten? Bladz. 417—424.
§ S. ilver laet berouw.
Wat is het berouw? Hoedanig moet het berouw wezen, teneinde vergiffenis van de zonden te verkrijgen? Hoe velerlei is het bovennatuurlijk berouwd Wanneer is het berouw volmaakt? Wanneer is het berouw onvolmaakt? Moet het berouw noodzakelijk volmaakt wezen? Bladz. 424—451.
§ 3- tfèver hei voornemen.
Wat moet noodzakelijk met het berouw gepaard gaan? Hoedanig moet het voornemen zijn? Waartoe moet degene, die ernstig een goed voornemen heeft, besloten zijn? Bladz. 451—4G0.
§ 4- 4dvei* de beSlitlenis.
Hoe moet de belijdenis wezen? Wat is Bene generale Biecht, en wat valt er bij op te merkenP Hoe moet men zich bij de Biecht zelve gedragen? Bladz. 460—476.
§ 5. Over de Woltloening.
Vergeeft God mèt de zonden niet tevens alle straifen? Van wien heeft de Priester de macht om boetwerken op te leggen? Is de Biecht ongeldig, als men de opgelegde boete niet volbrengt? Behoeven wij slechts de boete te volbrengen, die de biechtvader ons oplegt? Behoeft men na de biecht niets anders te doen, dan aan de goddelijke rechtvaardigheid voldoening te schenken? Toepassing.
Bladz. 476-492.
Over den A Haal.
Waardoor komt de Kerk ons te hulp bij de afboeting van de tijdelijke straffen der zonde? Wat is een aflaat? Hoe scheldt de Kerk ons de verschuldigde straffen der zonde kwijt? Wat wordt in het algemeen gevorderd, om een aflaat te verdienen? Wat moeten wii aangaande den aflaat gelooyenf Hoe velerlei aflaten zijn er? Kunnen de aflaten ook aan de zielen in het vagevuur vooirdeelig ziju? Toepassing, Bladz. 492—513.
VII
Over Itet II. Oliebel.
Wat is het H. Oliesel? Vanwaar weten wij, dat Christus het H. Oliesel heeft ingesteld? Hoe wordt het H. Oliesel toegediend? Wat bewerkt het H. Oliesel tot heil der ziel? Wat werkt het H. Oliesel uit tot heil van ons lichaam? Toepassing. Bladz. 513—531.
Over liet heilis Priestersieliap-
Wat is het H. Sacrament des Priesterschaps? Waarin bestaat voornamelijk de priesterlijks macht? Zijn er ook bij het H. Priesterschap zichtbare teekenen, welke de mededeeling der onzichtbare macht en genade aanduiden? Zijn dan niet alle Christenen door het H. Doopsel Priester geworden? Wie kan het H. Sacrament des Priesterschaps geldig toedienen? Kan men het Priesterschap ook verliezen? Zijn er behalve de Priester- en Bisschopwijdingen nog andere geestelijke wijdingen? Wie mag en moet Priester worden? Toepassing.
Bladz. 531—552.
Over liet HuweSOl*.-
Wat is het H. Sacrament des Huwelijks? Wanneer is het huwelijk ingesteld? Vanwaar weten wij, dat het huwelijk een Sacrament is? Hoe ontvangt men dit Sacrament? Welke zijn de plichten der gehuwden? Kan het huwelijk van christelijke echtgenooten ooit ontbonden worden? Waarop moeten degenen, die verlangen in het huwelijk te treden, vooral bedacht zijn? Is men verplicht de trouwbelofte te houden? Hoeveel soorten van huwelijksbeletselen zijn er? Kunnen de huwelijksbeletselen nooit worden opgeheven? Over het gemengde huwelijk. Kan het alzoo nooit geoorloofd zijn, een gemengd huwelijk aan te gaan, als niet eerst voor de katholieke opvoeding der kinderen gezorgd is? Het huwelijk tusschen bloedverwanten. Toepassing. Bladz. 552—594.
€gt;ver de Sacramentaliën-
Wat verstaat men gewoonlijk onder Sacramentaliën? Waardoor zijn de Sacramentaliën onderscheiden van de Sacramenten? Waarom wijdt de Kerk de zaken, welke tot den godsdienst behooren? Waarom wijdt of zegent de Kerk ook brood, wijn, vruchten, enz.? Wat moet ons vooral aansporen, een godvruchtig gebruik van de Sacramentaliën te maken? Om welke gunsten bidt de Kerk gewoonlijk, als zij wijdt of zegent? Welk gebruik moeten wij maken van het wijwater? Toepassing. Bladz. 594—611.
Over het gebed
Wat is het gebed? Is het gebed voor allen noodzakelijk? Waarom is het gebed voor allen noodzakelijk ter zaligheid? Maar weet God dan niet, wat wij noodig hebben, zonder dat wij er om bidden? Welke zijn de voornaamste vruchten van het gebed? Hoe moeten wij bidden, om aan deze vruchten deelachtig te worden? Moet men zich bij het gebed altijd van bepaalde woorden bedienen ? Wanneer moeten wij bidden? Wanneer moeten wij vooral bidden? Voor wie moeten wij bidden? Toepassing.
Bladz. 611—653.
VIII
§ f. Over liet ^ebed des II reron
Welk is het voortreffelijkste gebed? Waaruit bestaat het Onze Vader? Wat vragen wij in de zeven beden van het Onze Vader? Toepassing. Bladz. 653—682.
§ 3. Over dc groctcnis des Engels.
Waarom voegen wij gewoonlijk bij het Onze Vader, de groetenis des Engels? Wat bevat de groetenis des Engels? Waarom bidden wij tot Maria: //Gij zijt vol van genade, de Heer is met UI Gij „zijt gezegendquot; enz.? Waarom heeft de Kerk bij dit lofgebed nog het smeekgebed gevoegd: //Heilige Maria. Moeder Godsl bid voor //Ons zondaren, nu en in het uur van onzen dood. Amen?quot; Waarom bidden wij, als des morgens, des middags en des avonds de ^Engel «des Heerenquot; geluid wordt? Wat is de rozenkrans? Toepassing.
Bladz. 682—705.
Aanhan^sftl.
Over de kerkelijke gebruiken en ceremoniën in het algemeen en over eenige in het bizonder. Toepassing. Bladz. 705—715.
DERDE HOOFDSTUK.
Over de nmldelen ^ waavdoor wil de goddelijke genade verkriigen.
Uit het eerste deel der geloofsverldaring:, welke wij gaven, leert de Christen , wat het doel is van zijn aardschen pelgrimstocht, namelijk de hemel met zijn geluk en zijne zaligheid. In het tweede deel vindt hij den weg afgebakend en beschreven, welken hij bewandelen moet, om eenmaal in zijn vaderland te komen en in den schoot van God te rusten. Het derde hoofdstuk maakt ons bekend met de middelen, die wij moeten gebruiken ter verkrijging van de goddelijke hulp en kracht, welke wij noodig hebben om tot ons laatste doel, tot de eeuwige zaligheid, te komen. Daarom werd dan ook in het begin van dit werk gezegd, dat er drie zaken noodig zijn om zalig te worden, namelgk, hef, geloof, het onderhouden der geboden, en het gebruik der genade-middelen, zonder welke wij niet in staat zijn goed te gelooven, noch de geboden getrouw te volbrengen. Dit hoofdstuk bevat alzoo de leer over de verschillende middelen, die den Christen worden aangeboden, teneinde de genade te verkrijgen, welke hij noodig heeft om christelijk te leven, en, als inleiding, de leer over de genade zelve.
Over de genade in het algemeen.
De mensch heeft, volgens de leer van ons heilig geloof, ook na den zondeval , de vrijheid behouden om goed en
\' DEHA.KBE, GELOOrSLEEK. IV. 3de DEUK. ]
2
kwaad te doen, en tevens eenig natuurlijk vermogen om de goddelijke wet te vervullen, en daarom moeten wij vooreerst vragen:
Kan men. uit eigen hrachten Gods geboden onderhouden en zalig worden ?
•
Neen, daartoe hebben wij noodig de genade van God. Het is eene dwaling, eene groote en gevaarlijke dwaling, te zeggen, dat de mensch, om de goddelijke geboden goed te onderhouden, ze slechts behoeft te kennen en geene bizondere kracht, geene hulp van boven noodig heeft, omdat hij begaafd is met verstand ter onderscheiding van goed en kwaad en met een vrijen wil om tusschen beiden te kiezen, alsof dit volkomen voldoende ware om de wet te onderhouden en daardoor zalig te worden. Wie deze dwaling aanneemt, is in tegenspraak met de dagelijksche ondervinding, die ons maar al te veel bewijzen levert, dat wij, gelijk reeds een heiden van zich zeiven erkende, dikwijls het goede zien en erkennen en toch het kwaad bedrijven; maar ook is hij in tegenspraak met de leer van Jesus Christus, die zegt; „zonder Mij hunt gij niets doen\'1 (Joan. XV, 5)-, dat wil zeggen: zonder mijne hulp, zonder de genade die Ik, uw Verlosser en Zaligmaker, voor u verdiend heb en bereid ben u te geven, kunt gij niets doen, wat voor uwe eeuwige zaligheid waarde heeft. Op deze woorden van den Heiland bemerkt de H. Augustinus het volgende: „Men kan zonder de genade, die ons moet „aansporen, en zonder de hulp van boven niets nuttigs ,5doen: niets, noch klein, noch groot, noch gemakkelijk, „noch moeielijk, bijgevolg ook niet de geboden onder-„houden gelijk God het verlangt, noch veel minder tot „de zaligheid komen.\'\' Daarom wil Christus ook, dat wij aanhoudend zijne genade zullen vragen, daar Hij ons leert bidden: „ons toekome uio rijk; uw vnl geschiede op aarde als „in den hemeV (Matth. VI, 10). Of wat anders oeteekenen deze woorden, dan: breng ons tot de eeuwige zaligheid in het rijk der hemelen, en opdat wij ons dat groot geschenk van uwe genade niet onwaardig maken, sta ons bij, help ons, opdat wij, gebrekkige menschen, uwen heiligen wil op aarde zoo goed volbrengen, als de Heiligen in den hemel dat doen ? Konden wij met natuurlijke krachten den wil en de geboden des Heeren behoorlijk volbrengen, waarom zou God ons dan leeren en bevelen, door het gebed de genade te vragen? Waren verstand en vrije wil, die natuurlijke vermogens van den mensch.
ons voldoende ter onderhouding van de goddelijke geboden , waarom zou God dan aan de Israëlieten door den profeet Ezechiël (XXXVI, 27) die troostvolle belofte gedaan hebben: „ Ik zal u mijnen geest geven, en maken „dat gij in mijne geloden wandelt, mijne hevelen in acht „neemt, en daarnaar leeftV\' Is dat niet hetzelfde, als: zonder Mij kunt gij de geboden niet onderhouden, maar Ik zal u daartoe in staat stellen door u mijnen Geest mede te deelen; mijn Geest zal aan uwen geest, die van nature al te zwak is, die hoogere kracht schenken , welke gg noodig hebt ter getrouwe vervulling van mijnen wil.— De diepere grond ea het breedvoerig betoog van de leer, dat de mensch uit zich zeiven onvermogend is om de geboden goed te onderhouden, ja zelfs, om het geringste te doen, wat ter zaligheid leiden moet , wordt later gegeven; hier stellen wij de vraag:
Wat verstaan wij door goddelijke genade?
Door goddelijke genade verstaan wij hier die inwendige, bovennatuurlijke hulp of gave Gods, welke Hij ons om niet, alleen om de verdiensten van Jesus Christus, tot ons eeuwig heil verleent.
Het woord genade heeft eene veelvoudige beteekenis. Vooreerst beteekent het de genegenheid of bizondere welwillendheid van een voornaam persoon voor een minder voornaam mensch. Zoo zegt men: bij staat in genade (gratie) bij den koning. Zoo sprak de Engel tot Maria; „Gij hebt genade gevonden bij Godquot; (Luc. I, 30). Verder beteekent genade het bewijs van die welwillendheid of goede gezindheid van een voornaam persoon voor een minderen, eene weldaad, die de eerste aan den laatsten bewijst, uit zuivere goedheid, zonder eenige verplichting. In dien zin moeten alle weldaden, welke God ons bewezen heeft en nog dagelijks bewijst, van welken aard zij ook zijn, genaden genoemd worden; want God is oneindig verheven boven ons, arme schepselen , en ons niets schuldig. Al het goede, dat Hij ons bewijst, is de vrucht van zuivere goedheid. — Naar den verschillenden aard dier goddelijke weldaden onderscheidt men ze in natuurlijke en in bovennatuurlijke genaden of gaven. Natuurlijke gaven kunnen genoemd worden alle weldaden, die God aan ons als menschen, dat is als zinnelijke en verstandelijke wezens schenkt , zooals het leven, de vermogens der ziel, de zintuigen, de krachten des lichaams, verder alles, wat Hij ons verleend heeft en verleent , opdat wij in staat zijn ons
1*
4
als menschen overeenkomstig onze natuur te onderhouden, lichamelijk en geestelijk te vormen. Dergelijke weldaden (H zijn; gezondheid, wasdom, voeding, kleeding en ontelbare anderen. Bovennatuurlijke gaven zijn die, welke meer rechtstreeks op ons eeuwig heil betrekking hebben, die den mensch noodzakelijk zijn of hem helpen, om zijne \' hoogere, zijne bovennatuurliike bestemming te bereiken, gel opdat hij eens, gelijk een Engel des hemels in het licht Ma der heerlijkheid, God van aanschijn tot aanschijn aan- ge] schouwe. (Verg. deel II.) De bovennatuurlijke gaven va worden weder onderscheiden in uitwendige, d. z. die buiten sie den mensch liggen, zooals b. v. die menschwording van Christus, zijn lijden, zijne leer, zijn voorbeeld, de instel- eil ling der HH. Sacramenten, de voorspraak der Heiligen , enz. en in inwendige genade, die door den H. Geest onmiddellijk aan de ziel wordt medegedeeld, als Hij de ziel verlicht, heiligt, sterkt, gelijk dit reeds verklaard werd in de leer over de gaven van den H. Geest. Vervolgens l0l wordt de bovennatuurlijke genade nog verdeeld in die, de welke den mensch ter eigen heiliging gegeven wordt, en ^ in die, welke hem geschonken wor.dt ter heiligmaking van k, anderen. Van deze laatste soort zijn de gaven der talen, 4C der wonderen, der voorzegging, enz., welke soms aan ^ apostolische mannen ter verbreiding van het geloof of ter ei bekeering van zondaren géschonken werden. d*
In dit derde hoofdstuk verstaan wij door genade die ■ ® inwendige en bovennatuurlijke gave, dat licht, die kracht, j, welke aan ieder verleend wordt, opdat hij de eeuwige zaligheid erlange. Dit is ook de zin, dien men gewoonlijk aan het woord goddelijke genade geeft, waarin het in de ; H. Schrift, vooral in de brieven der Apostelen voorkomt; in dien zin hebben ook de Kerkvaders, vooral de H. ! Augustinus, tegen de dvvaalleeraars van zijnen tijd het woord genade opgevat, gebruikt en verklaard.
De hier beschreven genade, welke, zooals in het vervolg zal aangetoond worden, door God alleen wordt gegeven, en voor ons noodzakelijk is, die genade wordt ons verleend om de verdiensten van Jesus Christus. Christus namelijk heeft door zijn verzoeningsdood niet alleen onze zonden uitgewischt, maar ons ook teruggeschonken het recht op . den hemel en op de noodige genade om den hemel te kunnen verdienen, welk recht wij door de erfzonde verloren hadden. Aan Hem hebben wij dus alle genaden te danken, die wij van God verkrijgen. Daarom zegt de H. Petrus van den Verlosser; „/» niemand anders is de zalig-yjieid; want er is onder den hemel geen andere naam, den
menschen gegeven, door welken wij moeten zalig wordenquot; (Hand. der Apost. IV, 12).
Hoevelerlei is die goddelijke genade ?
Tweeërlei: 1) de genade van hulp, die ook dadeliike genade genoemd wordt: 2) de genade der rechtvaardig-making of heiligmaking, die de heibgmakende genade wordt geheeten. Dadelijke genade wordt genoemd die werking van den H. Geest op de ziel, welke voorbijgaande is en slechts dient tot verrichting van eene enkele daad, terwijl de heiligmakende genade een blijvend geschenk is van God en een blijvenden toestand der ziel veroorzaakt. !) De
\') Alvorens wij ons- nader met de kerkelijke leer over de genade bezig houden, zal liet niet ondoelmatig wezen, in \'t kort een geschiedkundig overzicht te geven- van de hoofddwalingen, die in den loop der christelijke eeuwen aangaande de genade ontstaan zijn. Van den eenen kant zal men daaruit zien, hoe gewichtig in \'t algemeen de leer over de genade is, terwijl men van tien anderen kant de tegenovergestelde leer des te gemakkelijker en des te beter zal kunnen begrijpen. — De dwaalleer der Pelagianen ging in het jaar 405 uit van een Brit, Pelagius genaamd, eene dwaalleer, welke van die onzer hedendaagsche rationalisten in werkelijkheid niet verschilt. Pelagius loochende de erfzonde en de noodzakelijkheid der genade, en beweerde, dat de mensch in staat is, alleen door de krachten der natuur al de geboden te onderhouden, al de bekoringen te overwinnen, te leven zonder eene enkele dagelijksche zonde te bedrijven, en eindelijk de eeuwige zaligheid te verwerven. Deze leer werd vooral verspreid in Afrika, waar Pelagius zich eenigen tijd ophield, doch weldra door verschillende Synoden in en buiten Afrika, door Paus Innocentius I en door zijne opvolgers, en in het jaar 431 ook door de algemeene Kerkvergadering van Ephese veroordeeld. Uit de leer van Pelagius ontstond, in dezelfde eeuw, die der Semi- of Half pelagianen, aldus genaamd, wijl zij eenige leerstellingen van Pelagius verwierpen, en andere daarentegen er bijvoegden. Deze dwaalleeraars namen wel de erfzonde aan en de noodzakelijkheid der genade om te volharden ten einde toe, maar loochenden dat het begin des heils, namelijk des geloofs, vrucht der genade is. Volgens hen is het niet God, die het eerst den gevallen mensch de hand reikt, om hem op te richten en tot zich te trekken; maar is het veelmeer de mensch, die het eerst de hand naar God uitstrekt, vermits hij, uit eigen natuurlijke krachten, begint te gelooven, naar het heil te verlangen en God daarom te bidden; dan eerst komt hem de genade, ais belooning van zijn goeden wil, te hulp. Deze leer, welke, in het begin, zelfs aan eenige geleerde en vrome mannen onberispelijk toescheen, plantte zich, waarschijnlijk van Afrika uitgaande, in het zuiden van Frankrijk over. Daar, vooral in Marseille, vond zij vele aanhangers, waarom dan ook de Half pelagianen somtijds Marsilianen genoemd worden. Deze dwaalleer werd in het jaar 5è9 op het tweede Concilie van Orange veroordeeld. De 25 besluiten, die daarop betrekking hebben, ontvingen in het volgende jaar van Paus Bonifacius II hare bekrachtiging, en ten gevolge daarvan een dogmatisch gezag, dat is: de waarde eener onfeilbare beslissing, die voor iederen geloovige van verbindende kracht is.
6
dadelijke genade is eene hulp, welke God den mensch verleent ter vermijding van de zonde en ter volbrenging
De Pelagianen en de Halfpelagianen hadden aan de natuurlijke krachten van den mensch te veel toegeschreven, en daarmede de noodzakelijkheid der genade geheel of ten deele geloochend. De nieuwe ketters der zestiende eeuw deden het tegendeel. Zij ontkenden in den gevallen mensch de vrijheid van den wil, en leerden onder andere dwalingen, dat de genade den mensch tot het goede noodzaakt. Volgens hen is de vrije wil van den mensch door de erfzonde geheel vernietigd, niet eens bekwaam, om iets zedelijk goeds te willen, ook niet meer in staat om de genade te weder-staan of tnsschen goed en kwaad te kunnen kiezen. Daarom stellen zij als beginsel, dat de wil van den mensch niet met de genade medewerkt, maar dat de genade alles alleen doet. Die leer der nieuwe ketters werd in de Kerkvergadering van Trente met eenparige stemmen veroordeeld. Met deze dwaalleer van Luther en Calvijn is die van Michaël Bajus of de Bag, destijds professor aan de universiteit te Leuven, zeer nauw verwant; zonder den bijstand van God, zoo leerde hij, kan de vrije wil van den gevallen mensch niets dan zondigen; alle handelingen der ongeloovigen zijn zonden, en de deugden der (heidensche) philosophen zijn ondeugden; de mensch zondigt, ja, maakt zich zelfs aan de eeuwige verdoemenis schuldig ook in datgene, wat hij niet laten, kan; slechts de uiterlijke dwang neemt de natuurlijke vrijheid weg. Deze en vele andere dwaalleeringen over de genade, welke Bajus aannam, vonden haren grond, in de valsche opvatting van de oorspronkelijke heiligheid en rechtvaardigheid. Volgens zijne zienswijze, behoorde deze tot het wezen der menschelijke natuur, zoodat üod den mensch zorder haar niet had kunnen scheppen. Dewijl nu door de erfzonde de oorspronkelijke rechtvaardigheid en heiligheid verloren ging, ontbrak den gevallen mensch, zegt Bajus, een wezenlijk bestanddeel, en dien ten gevolge konden voortaan al zijne handelingen niet anders dan gebrekkig en boos zijn, wijl het hem ontbrak aan de heiligheid en rechtvaardigheid, die tot het wezen van den mensch behooren. Deze dwalingen, welke Bajus, omtrent het midden der zestiende eeuw, durfde leeren, werden in het jaar 1507 door Paus Pius V en later door Gregorius XIII en Urbanus VIII verworpen. Benige jaren vóór zijn dood, (hij stierf in het jaar 15S9), onderwierp Bajus zich aan het oordeel van den pauselijken Stoel en herriep alles.
Cornelius Jansen, eerst professor te Leuven, later Bisschop van Yperen (niet te verwarren met den Bisschop van Gent van denzelfden naam, wiens uitleggingen van de Evangeliën in echt katholieken zin geschreven zijn) vernieuwde spoedig daarop de dwalingen van Bajus en breidde ze nog verder uit. Onder anderen leerde hij; eenige geboden Gods zijn voor den mensch, ja zelfs voor den rechtvaardige, volgens zijne tegenwoordige krachten, onmogelijk; ook ontbreekt hem de genade, waardoor hem de vervulling er van mogelijk wordt; men wederstaat aan de inwendige genade nimmer; Christus is niet voor alle mensc\'hen zonder uitzondering (doch slechts voor de uitverkorenen) gestorven.
De genoemde dwalingen leerde Jansenius in zijn boek //Augus-j.tinusquot; genoemd. Eerst twee jaren na zijn dood (1640;. verscheen het genoemde boek in druk en baarde groot opzien. Paus Inno-centius X veroordeelde vijf stellingen daaruit als kettersch. Hoewel Alexander VII deze veroordeeling bevestigde en op nieuw inscherpte, was daarmede evenwel het langzaam voortsluipende kwaad niet vernietigd. Clemens XI, Innocentius XIII, Benedictus XIII en XIV zagen zich genoodzaakt, tegen de aanhangers van Jansenius, en
van het goede, eene hulp, welke God aan eenieder naar zijne behoefte schenkt voor elke goede daad, en die daarom ook genade van lijstand genoemd wordt. Door de heiligmalcende genade daarentegen komen wij, zooals het woord aanduidt, uit den staat van zonde in den staat van heiligheid en gerechtigheid, zij maakt ons rechtvaardig en blijft in ons, zoolang wij in dien goeden staat volharden. De dadelijke genade beweegt de ziel, verlicht haar, vermaant haar, sterkt haar als in het voorbijgaan; de heiligmakende genade daarentegen blijft in de ziel, doordringt haar, gelijk het vuur het gloeiend ijzer, gelijk het zonlicht het kristal; zij scheukt aan de ziel eene blijvende schoonheid, een adel, een sieraad, zonder hetwelk niemand aan God kan behagen. — Overigens zal de aard der dadelijke en der heiligmakende genade , alsook het onderscheid tusschen beiden, in de volgende punten nog beter en vollediger verklaard worden, i)
vooral tegen Quesnel, die in zijn boek: »het Nieuwe Testament „overwogenquot; nog vele andere dwalingen bij die van Jansenius en Bajus voegde, hunne stem te verheffen, en in het jaar 1794 veroordeelde Pius VI 85 stellingen van de Jansenistische Sijnode van Pistoja. — Van deze door dubbelzinnigheid, huichelarij en ongerijmde stijfhoofdigheid beruchte scheurmakers, hebben zich nog eenige overblijfsels tot op den huldigen dag, vooral in Frankrijk, Italië en Nederland staande gehouden. In ons rijk gaan zij heiligschennend voort, bisschoppelijke zetels te bezetten, en laten niet na bij den H. Stoel de bevestiging hunner keuze van een bisschop te verzoeken, hoewel zij zeer goed weten, dat de Paus hen als van de Kerk gescheiden beschouwt, en hunne keuze nimmer zal goedkeuren. Zij doen dit om door de erkenning van het pauselijk primaat den schijn van rechtzinnigheid te redden. Om dezelfde reden en om zich voor het volk het aanzien van buitengewonen ijver te geven, prediken zij eene zeer strenge zedeleer, die veelmeer geschikt is om de zondaars van den terugkeer tot God, en zelfs de rechtvaardigen van het gebruik der HH. Sacramenten af tc schrikken, dan hen er toe aan te sporen.
!) De inwendige genade, die den wil tot het goede beweegt, wordt door den H. Augustinus meermalen lust, liefde voor-, vreugde en behagen (delectatio) in het goede genoemd. Het zou echter eene groote dwaling zijn, die de Jansenistische opvatting zeer nabij kwam. als iemand meende door de genade verlaten te zijn, wanneer hij bij de beoefening van goede werken, in plaats van lust en behagen, afkeer en tegenzin ondervond. God laat deze walging en lusteloosheid van den wil nu en dan zelfs bij zeer volmaakte zielen toe, opdat zij uit ondervinding leeren, hoe weinig zij uit zich zelve vermogen, en ten allen tijde het goede aan Hem toeschrijven. Doch Hij trekt zijne liefdevolle vaderhand niet van haar af, maar houdt ze staande en sterkt ze, om het goede dat haar moeielijk voorkomt, te ondernemen en ten uitvoer te brengen. De H. Teresia schrijft daarover In een tijd, dat zij reeds een hoogen trap van volmaaktheid bereikt had, van zich zelve het volgende: //Somtijds
8
§ !• Over de dadelUke genade.
Waarin bestaat de dadelijke genade of de genade van lijstand ?
De dadelijke genade bestaat hierin, dat God ons verstand verlicht en onzen wil beweegt, om de zonde te vermijden en het goede te willen en te volbrengen.
De genade van den H. Geest oefent haren heilzamen invloed uit op de vermogens van \'s menschen ziel; op zijn verstand en op zijn vrijen wil. Zij verlicht ons verstand, opdat wij inzien, wat wij gelooven, doen en laten moeten om aan God te behagen en de eeuwige zaligheid te verwerven. Onze ziel kan ook door natuurlijke middelen, door overweging, lezing, door het aanhooren eener predikatie, enz. over menige waarheid licht verkrijgen, maar deze verlichting moet niet verward worden met die hoogere, inwendige verlichting, welke van den H. Geest zei ven uitgaat. Tot de eerste komen wij langs een natuurlijken weg door het vermogen van onze ziel, térwijl de laatste alleen voortkomt door de genade. Evenwel staan c.e eerste en de laatste middelen niet zelden met elkander in een nauw verband, daar God bij gelegenheid van eene geestelijke lezing of overweging, bij een godsdienstig gesprek of het aanhooren eener predikatie dikwijls ons verstand door een hooger, bovennatuurlijk licht verlicht. — De werking der goddelijke genade blijft niet staan bij de verlichting van ons verstand, maar werkt ook op onzen wil, geeft daaraan eene bovennatuurlijke aansporing, om de waarheid, door de genade gekend, vast te gelooven, om het erkende goed bepaald te willen en met kracht te volbrengen en het erkende kwaad te vermijden. De mensch,
dgevoel ik mij zoo vol moed, dat het mij voorkomt, alsoi\' ik voor //niets ter wereld zal terugschrikken, indien het er op aankomt om ,mijn God een dienst te bewijzen, en hij menige gelegenheid zie vik ook werkelijk, dat het zoo is. Maar den volgenden dig ben ik ,weer zoo lafhartig, dat ik den moed niet heb om een vlieg te „dooden, al zou het mij ook nog zoo weinig kosten. Er zijn oogen-»blikken, waarin ik ongevoelig ben voor allerlei lasteringen en «bespottingen, en de vreugde, welke ik meer dan eens bij dergelijke //gelegenheden ondervind, heeft mij het bewijs geleverd, dat mijne »ziel werkelijk zoo gestemd is. Maar ach! ook weder op andere //tijden is een enkel woord genoeg, om mij zoodanig te bedroeven, j/dat ik de wereld zou willen uitloopen. Zoo onuitstaanbaar komt //mij alles voor, wat ik zie. Ik ben de eenige niet, die dergelijke «treurige, wisselingen ondervind; ik heb ze ook waargenomen bij «andere personen, die beter zijn dan ik.quot; — (Weg ter volmaaktheid, hoofdst. 39.)
9
door de goddelijke genade verlicht, gevoelt dan ook in zich eene zekere neiging, een lust en ijver om het goede te doen; hij voelt rust en bevrediging, wanneer hij besluit om die aansporing te volgen, dat is, om de deugd te beoefenen en de zonde te vluchten, eene rust, die niet alleen voortkomt uit het getuigenis van zijn geweten, maar haren grond heeft in de werking van den ïï. Geest. )
\') Uit de bedorvenheid der menschelijke natuur door de erfzonde volgt, dat de mensch, nu in den gevallen toestand, zoo al niet voor elk voorkomend geval, dan toch in het algemeen de goddelijke genade noodig heeft om het zedelijk goede te volbrengen, waartoe hij voor den zondeval met zijne nog onverzwakte krachten zou in staat geweest zijn, Deze bedorvenheid is evenwel niet voldoende om de onvoorwaardelijke, volstrekte noodzakelijkheid te bewijzen der genade, niet slechts ter voleinding, maar ook voor het begin van alle en elk christelijk goed werk, dat namelijk voordeelig is ter zaligheid. Bovendien moet nog, zooals uit de gegeven verklaring blijkt, gewezen worden op het heerlijk doel, dat door eiken mensch, die tot het kindschap Gods verheven is, moet bereikt worden, op de bovennatuurlijke vereeniging met God, waartoe de bloot natuurlijke krachten van den mensch, zoowel voor als na den val, volstrekt onbekwaam en ontoereikend zijn. Stelt men er zich mede tevreden, wat helaas! maar al te dikwijls geschiedt, de noodzakelijkheid der genade af te leiden uit de zwakheid en de ontaarding der menschelijke natuur, door de erfzonde veroorzaakt, dan vervalt men onwillekeurig of in het Bajanismus of in het Semipelagianismus. Want neemt men eenmaal aan, dat de menschelijke natuur door de zonde der eerste ouders zoozeer bedorven is, dat zij uit zich zelve, zonder de genade, volstrekt niets zedelijk goeds meer kan verrichten, dan huldigt men de leer van Bajus, die in verschillende stellingen (28. 30. 3ö. 37...) veroordeeld is, dan moet men gevolgelijk met Quesnel leeren, dat de wil, die door de genade niet voorkomen wordt, bekwaam is voor al wat kwaad, en onbekwaam voor al wat goed is, 1) en met de Synode van Pistoja, dat tusschen de goddelijke liefde, die ons ten hemel voert, en de zondige liefde, die ons schuldig maakt aan het helsche vuur, geene wilsbewegingen liggen, welke in de natuur zelve gegrond en goed in zich zelve, en als de schaduw van het beeld Gods in den
fevallen mensch overgebleven zijn. evallen mensch overgebleven zijn. 2) — Geeft men daarentegen toe, at niettegenstaande de verwonding of den achteruitgang der menschelijke natuur, door de erfzonde veroorzaakt, het verstand evenwel de natuurlijke bekwaamheid heeft behouden om de genoegzaam bewezen waarheden des geloofs tenminste eenigermate te gelooven, en dat de wil nog vrijheid en kracht genoeg bezit om het opgezegde wijze erkende goed ook te willen en na te streven, dan bevindt men zich, als men, gelijk wij veronderstellen, de volstrekte noodzakelijkheid der genade niet grondt op het onmiskenbaar bovennatuurlijk karakter, dat elke handeling hebben moet, zal zij ter zaligheid verdienstelijk wezen, op het standpunt der Semipelagianen. De genade zou dan, gelijk ook zij beweerden, slechts in zooverre voor den mensch noodzakelijk wezen, als hij enkel door de uitwendige openbaring tot de kennis der gedachte heilswaarheden zou kunnen komen, en door de hulp der genade slechts bekwaam gemaakt zou
1
Stelling veroordeeld in de Bul u Unigenilus.quot;
2
Stelling veroordeeld in de Bul „Auctoren jidei.quot;
10
De dadelijke genade bestaat dus niet alleen in de boven-natuurliike verlichting van het verstand, maar ook in de bovennatuurlijke beweging of aansporing van den wil. Dit werd als geloofsleer duidelijk uitgesproken in het tweede Concilie van Milaan: ,,Indien iemand zegt,quot; zoo luidt de vierde Canon van genoemde Kerkvergadering, „dat de „goddelijke genade ons slechts in zoover dient, om de „zonden te vermijden, als zij ons den zin der geboden „openbaart en verklaart, opdat wij weten wat wij begeeren „en vermijden moeten, maar er niets toe bijdraagt, om te „maken, dat wij datgene, wat wij als onzen plicht erkennen, „ook gaarne doen of kunnen doen, die zij veroordeeld. „Beide zijn een geschenk van God: het weten, wat wij „moeten doen, en het beminnen, opdat wij het doen.\'\' Evenals genoemde Kerkvergadering leeren ook de HH. Vaders, en vooral de H. Augustinus, wien God inzonderheid uitkoos om de leer over de genade te verdedigen tegen de aanvallen en scheve voorstellingen der ketters. „Dat ons,quot; zegt hij, „het vroeger niet gekende duidelijk „wordt, en aangenaam wat ons eerst mishaagde, is een „werk der goddelijke genade, die den wil der menschen „te hulp komt.quot;
Overigens moet ook ons eigen verstand, wanneer het door het geloof wordt voorgelicht, deze dubbele werking van den D. Geest aannemen. Volgens de wijze en liefderijke plannen der goddelijke Voorzienigheid moest de genade van den Verlosser de wouden heelen, welke de erfzonde in ons geslagen heeft. Volgens de leer van den H. Thomas nu, 2^ is \'s menschen wil, als het voornaamste werktuig der zonde, door dat kwaad nog dieper gewond dan zijn verstand; het heilmiddel der genade zou dus voldoende zijn, wanneer God alleen daardoor de duisternis van het verstand
worden, om het gewilde goed te volbrengen; het begin van het geloof, dat verdienstelijk is ter zaligheid, en van de goede werken of tenminste van den goeden wil, zon in dit geval klaarblijkelijk van den mensch zeiven uitgaan. Want waarom zou, volgens dit beginsel, de zuiver natuurlijke handeling van het verstand, waardoor het den inhoud der Openbaring als waar aanneemt, en evenzoo die handeling van den wil, waardoor men op natuurlijke wijze tot het erkende goed overhelt, niet als de eerste schrede tot het geloof kunnen. ja moeten beschouwd worden ? Ook zijn. volgens dit beginsel, de woorden van den Apostel onbegrijpelijk, dat wij onbekwaam zijn , om uit ons zelve ook maar het geringste te denken als uit ons zelve; dat God in ons het willen zoowel als het volbrengen werkt, en niemand zeggen kan: //Heer Jesus,quot; dan in den H. Geest.
\') i)e peccat. merit, et remiss. 1. 2. c. 17.
\'4 Sum. 1. 2. Q. 109. a. 2. ad. 3.
11
i- verminderde of wegnam, zonder de zwakte en verlamming
,e van den wil door krachtige hulp te steunen. Daarom zegt
it Christus: ^niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die
.e „Mij gezonden heeft, hem trekke\'\' (Joan. VI, 44), en doelt
e daarmede duidelijk op de kracht der goddelijke genade,
e die niet alleen het verstand verlicht, maar ook den wil
e aanspoort.
n Laat ons dan gedurig om die genade bidden, vragen
n wij met den koninklijken Profeet (Ps. 118, 34, 36);
;e „Geef mij verstand, en ik zal uwe geboden overdenken en
, „overwegen in mijn hart,quot; maar ook, „neig mijn hart naar
1. „uwe voorschriften,\'\' d. i. geef mij uwe genade, o Heer,
ij opdat ik uwe geboden kenne en overwege, en tot liefde
\'\' en onderhouding daarvan aangespoord worde.
1.
^ooclzakelyklieid der genade.
k Is de hulp der genade voor ons noodzakelijk ?
n
n Zij is ons zóó noodzakelijk, dat wij zonder de genade
niet het minste ter zaligheid kunnen beginnen, voortzetten ;t of voltooien.
g Men moet het woord ter zaligheid niet gelijk stellen met
i- het woord verdienstelijk, alsof de zin van het antwoord e slechts was : men kan zonder de genade niets verdienste-n lijks voor den hemel beginnen, voortzetten of voltooien. ls Er zijn namelijk werken, die, zonder verdienstelijk te g zijn, tenminste in de toekomst ter zaligheid kunnen leiden, n zooals b. v. de oefening van geloof, van hoop, van berouw i, over de zonden, in hem die nog niet gerechtvaardigd is; d en daarom heeft de uitdrukking ter zaligheid een grooteren omvang dan het woord verdienstelijk. Het beteekent: de mensch kan zonder de genade niets verdienstelijks voor et den hemel doen, en zelfs ook niets nuttigs, wat tot zijn heil zou leiden, nietig wat tot christelijke deugd en it rechtvaardigheid behoort, in één woord, hij kan niets r- willen of doen, wat tot zijne eeuwige zaligheid voert. 3° Hetzelfde zegt de H. Agustinus (de gratia Chrisi lib. Df I. c. 6); „Die rechtgeloovig wil zijn, moet aannemen, it „dat zonder de genade niet het minste goed, hetwelk tot „de ware gerechtigheid behoort, kan verricht worden,quot; i- En de H. Prosper van Aquitanië drukt zich hierover op m de volgende wijze uit tegen de opwerping der Semipela-gianen: „Wij zeggen met de 214 Priesters, die op het „derde Concilie van Carthago vergaderd waren, en wier
%
12
„geloofsbepaling door de gansche christelijke wereld werd quot;,aangenomen, wij zeggen: de genade, die ons door Jesus „Christus is verdiend, steunt ons bij elke daad van christelijke rechtvaardigheid, zoodat wij zonder haar niets ^waarlijk heiligs of godgevalligs hebben, denken , spreken
„of doen kunnen.quot; ,
Onder de ■ vele Kerkvergaderingen, die de noodzakenik-heid der genade tot onderwerp hadden van hare overwegingen en besluiten, verdient het tweede Concilie vaii Orange (jaar 529) bizondere vermelding. In den 7de,1 Canon lezen wij: „Indien iemand zeggen zou, dat hij door de „kracht der natuur iets goeds, wat tot het eeuwig leven „voert, kan denken, zooals het behoort, of het verkiezen, „zonder de verlichting en de ingeving van den H. Geest, „die is in dwaling, omdat hij het woord niet verstaat, quot;,dat God in het Evangelie heeft uitgesproken: „„zonder „„Mij kunt gij niets doen\'\' (Joan. XV, 5), en dat andere woord van den Apostel (2. Cor. III, 5): „„niet alsof wy „„vermogen uit ons zelve iets goeds te denken als uit ons „„zelve, maar onze kracht is uit God.\' Niet minder bepaald is de negende Canon van dezelfde vergadering: „\'tls Gods geschenk, zoowel dat wij goed denken, alsook „dat wij onze schreden van den weg der dwaling en onge-„rechtigheid afhouden. Want zoo dikwijls wij iets goed „doen, werkt God in ons en met ons, opdat wij het doen. Deze besluiten verkregen door de bevestiging van Paus Bonifacius II algemeen gezag. Deze Paus namelijk verklaarde, dat zij in overeenstemming waren met het algemeen aangenomen geloof der HH. Vaders, en vooral betuigde hij hierover zijne vreugde, dat de Priesters te Orange éénparig hadden verklaard, dat niemand ooit, zonder de goddelijke genade, iets goeds, wat ook bij God als zoodanig geldt, kan willen, beginnen, doen of voltooien. „Want,quot; zoo gaat deze Paus voort, „het is „katholieke geloofsleer, dat de barmhartigheid ons voor „elk goed werk vóórkomt, als wij het nog niet willen, „opdat wij het willen; dat zijne genade bij ons is, op het „oogenblik, als wij het willen, en dat zij ons bijblijft, „opdat wij bestendig willen , naar het woord van den Profeet: „Mijn God, uwe barmhartigheid komt mij voor (Ps. LTIII, 11), en wederom: „mijiie barmhartigheid zal bij u „zijnquot; (Ps. LXKXVIII. 25), en op eene andere plaats: „vwe barmhartigheid volgt mijquot; (Ps. XXII ,6).
Uit de aangehaalde plaatsen van de H. Schrift en de Kerkvaders, alsmede uit de besluiten der Kerkvergaderingen , blijkt dus duidelijk, dat tot elke ter zaligheid heilzame
13
^ daad gevorderd wordt, niet alleen die medewerking van us God, welke ook voor alle bloot natuurlijke handelingen, te* | voor iedere stap en tred, voor iedere beweging onzer \'ts ledematen noodig is, maar eene hoogere, eene boven-en natuurlijke werking der genade, die onze handelingen vóórkomt, begeleidt, en bijblijft, — zoodat het, naar het k- woord van den Apostel, God is, die het willen en het ir- volbrengen in ons werkt (Phil. II, 13). — Die bovenin natuurlijke werking van God, waardoor \'s menscben wil on tot een heilzaam werk wordt aangespoord, noemt men de voorkomende genade; die, waardoor de aangespoorde wil en in het werk zelf ondersteund wordt, heet leidende (ver-u, gezellende) genade, en eindelijk die, waardoor de wil ft, de noodige kracht ter voltooiing erlangt, kan men de ■t, genade der volharding (volgende genade) noemen in er engeren zin.\'
ire
Waarom.is de genade tot alles, wat ter zaligheid voert,
• zoo volstrekt noodzakelijk?
ig: De genade is noodzakelijk; 1) omdat de eeuwige zalig-
\'ok heid een goed van de bovennatuurlijke orde is, en bijge-
;e- volg slechts door bovennatuurlijke kracht en hulp, d. i.
)ed door de genade, bereikt kan worden. — De oneindig wijze
a.quot; en algoede Schepper heeft zoovele en uitstekende krachten
lus in de natuur des menscben gelegd, dat hij met recht de
er- kroon en de koning der zichtbare schepping wordt genoemd,
ge- Doch die natuurlijke en aangeboren krachten, verstand,
be- vrije wil, enz. zijn, al waren zij ook geheel ongekrenkt
te gelijk voor den zondeval, evenmin toereikend, om ook
iit, maar het geringste ter zaligheid nuttige werk aan te
bij vangen of te voltooien, als de kracht of het vermogen tot of ■ gaan genoeg is, om zich in de lucht op te heffen en te
; is vliegen. De reden hiervan is allereerst, dat alles, wat
oor wij doen, elke daad van ons verstand of van onzen wil,
en, die ons tot verkrijging der zaligheid behulpzaam zijn moet,
het noodzakelijk ook lovennatuurlijk moet wezen. Wijl toch
jft, ons laatste doel, de eeuwige zaligheid, bestaat in het
iet: geluk, dat wij God in den hemel eeuwig bezitten en
Ps. genieten, dit geluk geheel buiten het bereik der natuur
ij u ligt en veel hooger staat dan zij, zoo kan datgene, wat
i,ts: ■ wij uit ons zelve, uit bloot natuurlijke kracht verrichten, geen geschikt middel zijn, om het aangegeven bovenna-
de tuurlijk doel te bereiken. Alleen die daden of werken
:en, brengen ons daartoe, welke, tegelijk met ons doel, van
ime bovennatuurlijken aard zijn. Dien bovennatuurlijken aard
14
krijgt ons werk echter eerst door deu invloed der genade, ^ welke er eene hoogere wijding aan geeft, er een zeker Z( goddelijk merkteeken op drukt. — Het is alzoo den mensch \'D even onmogelijk uit eigen natuurlijke kracht op den weg e der eeuwige zaligheid eene haarbreedte voorwaarts te gaan , als een volslagen lamme in staat is recht te staan en te ^ wandelen. De goddelijke genade is dus volstrekt nood- » zakelijk, opdat de mensch, die van nature tot de behoor- ( lijke kennis van zijne bovennatuurlijke bestemming en \' tot een heilzaam streven naar dat doel geheel onbekwaam is, bij elke daad op zich zelve daartoe in staat gesteld worde. Slechts eenmaal kwam de Godmensch bij den ( lamme van het Evangelie, en gaf hem voor geheel zijn nt leven de kracht om te gaan ; de pelgrim naar het hemelsch P vaderland heeft de genade des H. Geestes bij elke schrede ■ — noodig, zal het hem mogelijk zijn, zijnen pelgrimstocht . gelukkig voort te zetten en te voltooien. Om die reden s had, volgens de leer van den H. Augustinus, ook Adam \' pn zelfs toen hij zich in den toestand van oorspronkelijke heiligheid en rechtvaardigheid bevond, voor elk heilzaam werk de goddelijke genade volstrekt noodig. Te minder en mag het ons derhalve bevreemden, dat dezelfde H. Leeraar ^ zoo dikwerf en zoo nadrukkelijk op de noodzakelijkheid vee der goddelijke genadehulp drukt en bepaald verklaart; hei „zonder de goddelijke genade doen de mensciien volstrekt „niets goeds, noch denkend, noch willend, noch beminnend, (jg, „noch handelend.\'\' Deze waarheid steunt ook op de reeds tro aangehaalde woorden des Apostels, die leert, dat wij niet pf.e; in staat zijn uit ons zelve (met onze natuurlijke krachten) 2jn iets (dat tot ons eeuwig heil strekt) te denken als uit ons vol zelve, maar dat al onze kracht uit God is (2. Cor, quot; III, 5), en op eene andere plaats (1. Cor. XII, 3), dat niemand kan zeggen: „Heer Jesus,quot; dan in den H. Geest, ètai d. i. dat niemand bij machte is, Jesus aan te roepen of het geloof aan Jesus te belijden verdienstelijk ter zaligheid , -ijr dan alleen door de in- en medewerking van den H. Geest, ted door den bijstand der goddelijke genade. ^
Wij zeiden boven, dat de goddelijke genade volstrekt por noodzakelijk is tot elk ter zaligheid verdienstelijk werk, stoi zelfs in de veronderstelling, dat de mensohelijke natuur geheel ongekrenkt ware gebleven. Dan helaas! de natuur- gro lijke krachten van den mensch zijn door de erfzonde gep verlamd, zijn verstand is verduisterd, zijn wil verzwakt en steeds ten kwade geneigd. De mensch, zooais hjj 0p thans is, vermag derhalve niet eens zooveel als hij bij dur gezonde krachten zou hebben kunnen doen ; hij is, zooals alt;
15
e) de H. Thomas \') zich uitdrukt, gelijk aan een zieke, die cer zonder eens anders hulp wel nog eenige bewegingen kan ^ maken, maar geenszins alle bewegingen van een gezonde , rgg tenzij hij door geneeskundige hulp weder herstelt. De in ^ noodzakelijkheid der genade is nu des te grooter, daar, tengevolge der erfzonde, „de gedachten van het rnensche-„j, „lijk hart ten kwade geneigd zijn van zijne jeugd afquot; jx- (1- Mos. VIII, 21). Inderdaad heeft de mensch, gelijk en hij tegenwoordig gesteld is, niet alleen behoefte aan de im genade, om zijne hoogere , bovennatuurlijke bestemming te bereiken, maar ook om alle kwaad te mijden en in weerwil [en der tegen hem strijdende begeerlijkheid onder alle omstandig-.jjn heden zijne zedelijke, door de rede hem voorgehouden sck plichten getrouw en standvastig te vervullen. 2) De Apostel ede ■ _
P.Vif*
^ 1) 1. 3. Q. 109. art. 3.
2j Een even aanschouwelijk als leerzaam voorbeeld van de zege-am \'praal, die de vrije wil, opgewekt en ondersteund door de genade, like behaalt over de natuurlijke neiging ten kwade, of van de kracht der genade, levert ons de bekeering van den H. Kerkleeraar Augustinus. \'^ra Augustinus was in zijne jeugd helaas! op den dwaalweg geraakt, der en, niettegenstaande het deugdzame voorbeeld en de dringende ver-\'aar maningen zijner brave moeder Monica, in de schandelijke zeden en • j dwalingen der Manicheën vervallen. Zijn dorst naar wetenschap en veelmeer nog zijn onbeteugeld verlangen naar roem en eer deden irt: hem van zijne vaderstad Tagaste naar Carthago, vandaar naar Rome. :ekt en van Rome naar Milaan reizen, in welke laatste stad hij als open-, baar Leeraar der welsprekendheid optrad. Hier leerde Augustinus \' ^611 Aartsbisschop Ambrosius kennen, wiens predikatiën hij ge-ieds trouw bijwoonde. Hoewel hij dit in den beginne slechts uit nieuws-Iliet gierigheid deed, vond toch de waarheid langzamerhand ingang in \\ zijn hart. Zijn helder verstand zag weldra het onhoudbare en on-) zinnige van de leer der Manicheën in. Daarmede was echter de ons volkomen zegepraal over de jaren lang gevoede en sterk geworden Dor. üriften zijns harten nog geenszins behaald. God vermaande hem, j j. geiijk hij zelf getuigt (Belijdenissen, 83\'= boek), aanhoudend, om zijne betere overtuiging te volgen, uit den slaap der zonden op te est, Btaan en bij Christus heil te zoeken; maar hij gat\'altijd ten antwoord: i of quot;Spoedig, spoedig; wacht nog een weinig,quot; en dit; //spoedig, spoe-• j »dig; wacht nog een weinigquot; nam schier geen einde. Te vergeefs vond i \'.ijn beter ;,ikquot; behagen in de wet Gods; de wet derzonde, diein zijne est, ledematen heerschte, de macht der kwade gewoonten verzette zich daartegen. Doch God liet hem niet los, maar bood hem steeds rekt r™6 Senaden ter bekeering aan. Hij bediende zich daartoe van L Pontinianus, een edelen Afrikaan, die aan het hof in groot aanzien ;rk, stond. Op zekeren dag namelijk bezocht deze zijn landgenoot Au-;uur gustinus, en verhaalde hem en zijn vriend Alypius de levensge-schiedenis van den H. Oudvader Antonius, alsmede een trek van groote zelfverloochening en verachting der wereld van twee hoog-)nde geplaatste beambten, waarvan hij zelf in de keizerlijke residentie te ?akt Tquot;61, gs\'nige was geweest. Deze verhalen brachten in de ziel van i-j; Augustinus een hevigen strijd teweeg. Diep beschaamd en vertoornd J op zich zeiven, deed hij zich de bitterste verwijten over zijn voort-01] durend uitstellen van het voornemen eenor ware boetvaardigheid oals ®adat Pontinianus zich verwijderd had, en Augustinus, in zijne ziel
16
leert dit in het zevende hoofdstuk van zijn brief aan\' de Eomeinen , waar hij uitroept: „ Ik, ellendig mensch! wie
getroffen, een oogenljlik had nagedacht, riep hij eensklaps Alypius op hartstochtelijken toon toe; ,/Waarin nemen wij toch al niet ge-„noegen? Wat\'is dat? Wat hebt gij gehoord? Ongeleerden staan »op en veroveren het hemelrijk, en wij, met onze koude geleerdheid, „baden ons in vleesch en bloed. Schamen wij ons misschien hen te „volgen, wijl zij ons voorgegaan zijn? Maar hoe moeten wij ons dan „niet schamen, dat wij hen niet eens navolgen?quot;
Na dezen hevigen uitval verwijderde Augustinus zich van zijn vriend en begaf zich naar den aangrenzenden tuin, waar zijn inwendige strijd nog langen tijd voortduurde. Hooren wij de toedracht daarvan uit den mond van den Heilige zelvefn; „Eene hevige ver-„ontwaardiging greep mij aan, zoo schrijft hij zelf in zijne Belijde-,/nissen boek, 8\'te hoofdst, wijl ik nog draalde om uwen wil te /rdoen, en den bond met U aan te gaan, mijn God, waartoe al mijne „beenderen mij krachtig aanspoorden, en welken zij hemelhoog ver-
„hieven...... Doch niet slechts het streven naar dit doel, maar
„ook het bereiken, is niets anders dan willen gj-an, maar met een „krachtigen en vastbesloten, en niet met een wankelbaren wil; Ik „wilde en wilde niet; ik was; om het zoo uit te drukken, in mij „zeiven verdeeld. Ik keerde en wendde mij in de ketenen, die mij\' „nog altijd, hoewel niet meer zoo eng, omsloten hielden. Doch ik „had de kracht nog niet om ze geheel en al te verbreken. Intusschen ,hield uwe barmhartigheid niet op, mijn God, mij door heilzame „vrees en schaamte te geeselen, ja, zij verdubbelde zelfs hare slagen, „opdat ik niet traag zou worden in den strijd, en mijne ketenen „niet weder kracht zouden erlangen om mij nog vaster te omvatten „dan te voren. Ik zeide tot mij zeiven: nu, op ditzelfde oogenblik „wil ik ze verbreken. Werkelijk was ik op het punt om het te doen, „en deed het toch niet, wijl ik nog aarzelde af te sterven aan dat-„gene, wat den dood, en te leven voor datgene, wat het leven aan-
„brengt......Beuzelarijen, ijdelheden, waaraan ik sinds lang gehecht
„was hielden mij terug, trokken mij bij het kleed mijns vleesches „en riepen mij klagende toe: zult gij ons dan verlaten? Van dit „oogenblik af zal u dan dit en dan dat niet meer geoorloofd zijn!.... „Meent gij zonder deze genoegens te kunnen leven? — Van den „anderen kant, waarheen ik den moed nog niet had mij te wenden, „zag ik de onthouding vol waardigheid en met zedige vreugde op „het gelaat mij naderen en uitnoodigen, om zonder bedenking tot „haar te komen; zij strekte hare armen uit om mij tot zich te trek-»ken, mij te omarmen en mij op te nemen onder de zuivere zielen, „die haar omringden. Met een opwekkenden toon sprak zij mij toe; „waarom zoudt gij niet kunnen wat deze wel konden? Hebben zij „het uit zich zelve kunnen doen en niet veeleer in God, hunnen „Heer? God, de Heer, heeft ze mij allen gegeven. Werp u in zijne „armen; Hij zal zich niet terugtrekken en u laten vallen; werp u „met volle gerustheid in zijne armen, Hij zal u ontvangen en gene-„zenquot; (11e hoofdst). Thans neigde de wil van Augustinus beslissend ten goede. Maar het diepbeschamend gevoel van zijne geneigdheid tot zondigen en van de volkomen onmacht, om uit eigen kracht het smadelijke juk af te schudden, lag nog altijd zwaar op zijn hart. Onder een vloed van tranen, riep de berouwvolle zondaar tot God ; „Heer, hoelang nog, hoelang nog. Heer, zult gij vertoornd zijn, „Heer gedenk toch niet mijne vroegere misdaden! Hoelang nog, „hoelang nog? Morgen? En nog eens morgen? Waarom niet heien? „O waarom niet op dit oogenblik een einde aan mijn smaad gemaakt?quot; Terwijl Augustinus aldus weende en bad, hoorde hij eensklaps eene stem, als uit den hemel, hem herhaalde malen toeroepen: „Neem
17
„zal mij verlossen van het lichaam dezes doods?quot; Wie zal mij kracht geven om de begeerlijkheid, die in mijn sterfelijk lichaam woont en ook mijne ziel met dood en eeuwig ongeluk bedreigt, te breken en mij redden uit de boeien der zonden, waarin deze vijandin mij zoekt te verstrikken?. En aanstonds voegt hij er het antwoord bij: wat mij bevrijden zal, dat is „de genade Gods door „Jesus Christus, onzsn Heerquot; (Rom. VII, 24, 25). — De genade des Verlossers is alzoo niet alleen volstrekt noodzakelijk ter bereiking van het ons gestelde bovennatuurlijk doel, maar ook om het verval van onze natuur, welke niet meer in staat is, uit eigen kracht de geheele zedewet te onderhouden, namelijk bij hevige en aanhoudende bekoringen, wanneer, volgens de uitdrukking van den H. Paulus aan de Galaten (V, 17), „het vleesch tegen „den geest opstaat,quot; en de mensch „niet het goede, dat „hij wil, doet, maar het kwaad, hetgeen hij niet wil\'\' (Rom. VII, 19).
2) Omdat wij alleen door de genade in vereeniging met Christus komen, en aan zijne oneindige verdiensten, welke de bron van alle heil zyn, deelachtig worden. — Eene andere reden, waarom de goddelijke genade tot elk heilzaam werk volstrekt noodzakelijk is, wordt met recht daarin gezocht, dat naar Gods wijze beschikking den mensch niets ten heil strekt, wat niet door de verdiensten van Jesus Christus eene bovennatuurlijke waarde bekomt, en dat wederom slechts die werken door de verdiensten van Christus eene bovennatuurlijke waarde verkrijgen, welke door in- en medewerking der genade begonnen, voortgezet en voltooid worden. God wilde namelijk den gevallen mensch niet anders, dan door zijn eengeboren Zoon in den staat van heiligheid en gerechtigheid herstellen. Hij had, zooals de Apostel schrijft, bij zich zeiven besloten, in de volheid des trjds „alles, wat in den hemel en op
,en lees!quot; (12« hoofiist) ïn aller ijl spoedde hij zich nu naar de plaats, waar hij het boekje van de brieven des H. Paulus had neergelegd, nam het, opende het en las den tekst, die hem het eerst in het oog viel. Het waren de volgende woorden: //Niet in bras-z/Serijen en dronkenschap, niet in slaapkamers en ontuchtigheden, //niet in haat en nijd; maar trekt aan den Heer Jesus Christus en /■gebruikt het lichaam niet tot voldoening der lustenquot; (Rom. XIII, 13, 14). Meer was er niet noodig om de duisternis zijns geestes te verdrijven en hem een onoverwinnelijken moed in te storten. Vast en onveranderlijk was nu zijn besluit, om zich uitsluitend aan den dienst van God te wijden. Weldra ontving hij het H Doopsel uit de handen van den H. Ambrosius, werd later Priester, eindelijk Bisschop van Hippo, een groot Heilige en Kerkleeraar.
DEHAUBE, GELOOFSLEER. IV. SJe DRUIC. 2
18
„aarde is, te vernieuwen in Hem, in Christus;quot; het behaagde den oneindig barmhartigen God „in Christus ons „te zegenen met alle geestelijke zegeningen, met hemelsche „gavenquot; (Eph. I, 3—10). Niet aan een Engel droeg God het werk der verlossing op, gelijk de H. Anselmus schrijft, i) maar aan den Godmensch-, opdat wij aan Hem alleen onze zaligheid zouden te danken hebben, opdat Hem alleen, als den oorsprong onzer geestelijke hernieuwing en herleving, eer, lof en heerlijkheid zou toekomen. Als God nu zelfs niet aan een der verheven geesten, die voor zijnen troon staan, de eer wilde overlaten, de oorzaak van \'smenschen heil te zijn, hoeveel minder zal Hij aan ons, de gevallenen, aan ons, die noodig hebben weder opgericht en geheel hernieuwd te worden, die eer ook maar in iets afstaaö. Dit zou echter werkelijk het geval zijn, als wij door onze natuurlijke krachten de eerste schrede ter zaligheid konden doen, als wij door het verlangen daarnaar en het besluit om ons heil te bewerken, in staat waren uit ons zelve iets tot onze zaligheid te verrichten. Daarom verdedigt zich de Apostel tegen den waan, als wilde hij , door de wet van Mozes te doen gelden, de waarde dei-genade verkleinen, iets van haar gewicht en noodzakelijkheid afdingen, zeggende: „ik verwerp de genade Gods „niet; want als door de wet de gerechtigheid komt, dan „is Christus te vergeefs gestorvenquot; (Gal. II, 21), dat wil zeggen: als de naleving der wet alleen, zonder de vereeniging met Christus door de genade, voor God rechtvaardig maakte of ter eeuwige zaligheid voerde, dan zou de dood van Christus, om ons de zaligheid te verwerven, niet noodzakelijk geweest zijn. Op deze leer van den H. Paulus beroept zich ook het tweede Concilie van Orange, waar wij lezen: „Gelijk de Apostel dengenen, die in de „wet (enkel in het onderhouden van de wet) de rechtvaardiging zochten en (daarom) de genade verbeurden, „met alle waarheid zeide: „„als de gerechtigheid uit de „„wet voortkomt, dan is Christus te vergeefs gestorven,quot;quot; eveneens wordt ook tot hen, die meenen, dat de genade niets anders is dan de natuur, met volle recht gezegd: „„als de gerechtigheid uit de natuur ontspruit, dan is „„Christus te vergeefs gestorven.quot;quot;
De mensch kan derhalve slechts in zooverre ter zaligheid verdienstelijke werken verrichten, als deze door de verdiensten van Jesus Christus tot bovennatuurlijke werken verheven worden. Deze verheffing nu heeft slechts dan
\') Lib. cur Deus homo.
19
plaats, als elk werk op zich zelf uit en onder medewerking van de genade begonnen, voortgezet en voltooid wordt. Want enkel bij dusdanige werken treedt de zondige men ach , ofschoon nog niet volmaakt, toch eenigermate in vereeni-ging met Christus, den oorsprong van alle heil, dewijl Christus door de voorkomende genade als het ware de hand reikt aan den mensch; die ze door medewerking aangrijpt en aldus in de vereeniging met zijn Verlosser het werk begint, voortzet en voltooit. Op zulke, maar ook alleen op zulke werken, ziet God met liefde en erbarming neer, wijl Hij bij deze zijn veelgeliefden Zoon als oorsprong en voltooier werkzaam ziet; ten aanzien van zulke werken pleegt God dengene, die ze verricht, ter wille van de oneindige verdiensten van Jesus Christus, de verdere genade der rechtvaardiging te verleenen, welke hem met Christus allerinnigst vereenigt en aanspraak geeft op het hemelsch erfgoed, de eeuwige zaligheid. — Niemand roeme alzoo op de gerechtigheid, als ware zij de vrucht van zijn natuurlijk streven. „Want uit genade zijt gij verlost geworden door „het geloof, en dat niet uit u, want het is Gods gave; „niet uit de werken, opdat niemand zich beroemequot; (Eph. II, 8, 9). Wil iemand roemen, hij roeme in den Heer, d. i. in de genade van Jesus Christus; hij roeme, gelijk de H, Augustinus schrijft, \') „van het beginne der bekee-„ring tot het einde in den Heer. Want gelijk niemand „iets goeds voleinden kan zonder den Heer, zoo kan ook „zonder den Heer niemand eenig goed beginnen.quot;
llitclecliitg; der genade.
Verleent God aan alle w.enschen zijne genade?
Ja, God verleent aan alle menschen genoegzame genade om de geboden te onderhouden en zalig te worden.
Het is Gods ernstige wil, dat alle menschen hunne bovennatuurlijke bestemming bereiken, eeuwig zalig worden. Dien heiligen wil van onzen alwijzen Schepper en Heer kennen wij uit het verheven middel, hetwelk Hij, naar de leer van ons geloof, aanwendde, om het door de erfzonde verloren menschdom op den weg des heils terug te brengen — uit de verlossing door zijn eengeboren Zoon Christus, die, volgens de woorden der geloofsbelijdenis van Nicea, „voor „ons menschen en om onze zaligheid van den hemel neêr-
\') Contra 2. Epistel. Felagianorum. lib. 2. c. 10.
2*
20
„gedaald.... en menscli geworden is.\'\' „De Zoon des „menschengetuigt Jesus van zich zeiven, „is gekomen „om te redden, wat verloren was.quot; Er waren echter niet slechts eenige leden van het menschelijk geslacht, maar alle nakomelingen van den zondigen stamvader, alle menschen, verloren: „wij allen gingen op een dwaalspoor als „schapen, een ieder week af naar zijnen weg.\'\' (Isaias LUI, 6). Daar nu de goddeliike Verlosser, volgens zijn eigen woord, kwam om te redden, te zoeken, wat verloren was, strekte zich ook de weldaad zijner verlossing uit tot allen, wilde de hemelsche zielenherder ons allen opzoeken, redden en zalig maken. Deze waarheid drukt ook de Apostel met duidelijke woorden uit; „God wil,quot; zegt hij, „dat alle menschen zalig worden en tot de kennis der „waarheid komen,quot; d. i. God wil van zijnen kant ernstig,— want als God wil, dan kan Hij niet dan ernstig willen — God wil, dat alle menschen zonder uitzondering zalig worden, en juist daarom wil Hij ook, dat allen tot de kennis van Jesus Christus komen, die is de Waarheid des Vaders en de eeaige weg ter eeuwige zaligheid. De Apostel voegt er dan terstond den grond zijner bewering bij, zeggende; „Want één God is er en één Middelaar tusschen „God en de menschen, de mensch Christus Jesus, die „zich zeiven als verlossing voor allen gegeven heeftquot; (1 Tim. II, 4—6). De bewijsvoering, welke in deze woorden des Apostels ligt, is duidelijk deze: God wij\', dat alle menschen tot de eeuwige zaligheid geraken; want als de ééne God, Schepper en Vader van allen, bemint Hij allen en wil allen goed. Daarom heeft Hij ook allen één en denzelfden Middelaar gegeven, die de belangen van ons aller heil bij Hem voorstaat. Deze ééne Middelaar , de Godmensch Jesus Christus, bemint eveneens allen en wenscht van zijnen kant oprecht, dat de weldaad der verlossing, de prijs van zijn bloed, hetwelk Hij voor allen, voor de gansche wereld gestort heeft, allen menschen ten heil verstrekke. — Daaruit nu, dat God op alle menschen de vrucht der verlossing toepassen, alzoo hen tot de eeuwige zaligheid voeren wil, blijkt duidelijk, dat Hij uit den schat der oneindige verdiensten van Jesus Christus aan allen zoovele genaden mededeelen zal als hun noodig zijn, om de zaligheid te kunnen eriangen.
God zal aan niemand de genade des gebeds weigeren, welke de sleutel is tot al die genaden, welke tot esn goed geloof, tot de overwinning in hevige bekoringen, tot de oprechte bekeering des harten en tot de getrouwe en standvastige onderhouding der goddelijke geboden-noodzakelijk vereischt worden. Talrijke getuigenissen der H. Schrift
21
zoowel als der Overlevering zijn aanwezig, om deze leer te bevestigen. Het zal voldoende zijn, er hier slechts eenigen aan te halen.
Wat 1) de ongeloovigen betreft, is reeds in het eerste deel duidelijk aangetoond, dat het zelfs aan diegenen onder hen, wien het Evangelie des heils nimmer gepredikt werd, geenszins aan de noodige genade, om tot het ware geloof te geraken, ontbreken zal, mits zij daaraan geen beletsel stellen.
2) Dat den mensch ten tijde van zware bekoringen voldoende genade verleend wordt om te kunnen zegevieren, waarborgt ons de Apostel, als hij zegt: „God is getrouw; „Hi] zal niet toelaten. dat gij boven uwe krachten beproefd „wordt, maar Hij zal met de bekoring uitkomst geven, „opdat gij ze kunt doorstaan,quot; dat is, als overwinnaars uit den strijd kunt te voorschiin treden (1 Cor. X, 13). De H. Ephraïm heeft deze waarheid met eene schoone vergelijking opgehelderd. „De pottebakker,1\' zegt hij, „laat „het aarden vat zoolang in de oven, tot het de noodige „vastheid gekregen heeft; dan neemt hij het er uit, opdat „het niet verbrande en schade lijde; eveneens pleegt God „den mensch, naar zyn beeld geschapen , zoolang in het vuur „der beproeving te laten , totdat hij sterk geworden is in de „deugd; doch Hij laat de hitte niet zoo hoog klimmen, „noch zoo lang duren , dat de beproefde daardoor schade zou „lijden aan zijne ziel.quot; Ofschoon nu de gedachte, dat God ons niet boven onze krachten zal laten beproeven, bij uitstek ge-geschikt is. om ons in de bekoringen te troosten en op te beuren , mogen wij evenwel daaruit geene aanleiding nemen , om onbezorgd voort te leven, en ons aan het gevaar der bekoringen moedwillig bloot te stellen. Daarentegen moeten wij, volgens de vermaning des Heeren, waken en bidden, opdat wij niet in de bekoring vallen (Matth. XXY11, 41), en tevens vast overtuigd zijn, dat diegenen zich het allerminst op den goddelijken bijstand in de bekoringen mogen verlaten, die door hunne vermetelheid zelve schuld zijn, dat zij bekoord worden,
3) Gelijk God aan iedereen de genade verleent, om in zware bekoringen niet te bezwijken, zoo biedt Hij ook aan ieder, die gevallen is , voldoende genade aan tot eene oprechte bekeering. Was dit zoo niet, hoe had dan de Heiland van zich zeiven kunnen zeggen, dat Hij gekomen is, om te zoeken en te redden wat verloren was 7 (Matth. IX, 12).
Werd den zondaar geene voldoende genade ter bekeering geschonken, welke beteekenis zouden dan de gelijkenissen hebben van den goeden herder, van het verloren drachme,
22
enz.? En hoe zou dit overeen te brengen zijn met het gedrag van Jesus jegens de zondaars? Gebruikte Hij niet menigmaal den maaltijd met hen, om den eersten stoot tot hunne bekeering te geven, niettegenstaande de schijnheilige Phariseën er Hem een bitter verwijt van maakten? Riep Hij niet den nieuwsgierigen tollenaar uit den vijgeboom, om zijn intrek bij hem te nemen, en hem tot een zoon van Abraham te maken ? Op grond biervan verklaarde het vierde Concilie van Laterane, cap. rFirmilery „Als iemand „na het Doopsel weder in zonde gevallen is, kan hij altijd „door ware boetvaardigheid weder gered worden.quot;
Er is dus voor den zondaar nog redding mogelijk.
Gaf God den zondaar niet altijd de noodige genaden,, dan zou daaruit volgen, dat deze in zekere gevallen reddeloos verloren ging.
4) Aangaande de onderhouding der ons verplichtende goddelijke geboden hebben wij de uitdrukkelijke leer van het algemeen Concilie van Trente (Ge zitt. He hoofdst.) : „Godquot; zoo staat daar, „gebiedt het onmogelijke niet; maar „als Hij beveelt, vermaant Hij ons om te doen wat wij „kunnen, te bidden om hetgeen wij niet kunnen, en helpt „ons, opdat wij kunnen: zijne geboden zijn niet zwaar, „zijn juk is zoet en zijn last is licht.quot; — Ook heeft de Kerk herhaalde malen de stelling van Jansenius: „Eenige „geboden Gods kunnen door de rechtvaardigen mat de „krachten, die zij thans hebben, zelfs met den besten wil „der wereld, onmogelijk vervuld worden; ook ontbreekt „hun de genade, waardoor deze vervulling mogelijk wordt,quot; als ketterij veroordeeld. In de aangehaalde stelling van Jansenius is sprake van de rechtvaardigen. Zeer zeker kan de zondaar het gebod, van God boven alles lief te hebben, niet vervullen en tevens volharden in de zonde; want beminde hij God boven alles, dan zou hij geen zondaar meer zijn, maar een rechtvaardige. Doch deze onmacht ligt niet in het gebrek aan genade, maar in den boozen wil des zondaars, die de aangeboden genade der bekeering van zich afwijst.
Wilde de zondaar ernstig zijn hart van elke ongeregelde liefde zuiveren, dan zou het geschikt worden, om de liefde Gods in zich op te nemen.
Hoewel God nu aan allen, en aan ieder in het bizonder, onmiddellijk of door middel des gebeds, voldoende genaden verleent, teneinde hunne plichten te kunnen vervullen, om tot de eeuwige zaligheid te geraken; hoewel geen mensch zonder eigen schuld in den afgrond van eeuwig wee wordt neêrgestort, is het toch eene uitgemaakte waarheid, dat
23
niet allen menschen dezelfde maat van genaden ten deel valt, wijl God, die in de uiideeling zijner genaden volkomen vrij en onafhankelijk isr den eenen slechts éen, den anderen twee en wederom anderen vijf talënten schenkt. Christus zelf wijst op de ongelijke verdeeling der genaden, als hij bij Matth. XI, 21. uitroept: ,.Wee u, Corozain! „Wee u, Bethsaïda! want waren in Tyrus en Sidon de „wonderen geschied, die hij u hehhen plaats gehad, dan „zouden zij reeds lang in zak en asch boetvaardigheid ge-„daan hebben.quot; Wat beteekent dit anders dan: hadden de inwoners van Tyrus en Sidon dezelfde maat van genade ontvacgen , als die van Corozain en Bethsaïda, dan zouden zij zich reeds lang bekeerd hebben ?
Het gaat bij de uitdeeling der genaden bijna evenals bij de verdeeling der natuurlijke gaven. Zooals bij deze, zoo\' doet zich ook bij gene, wat het getal en de grootte er van betreft, eene beduidende verscheidenheid voor. En gelijk degene, die minder met geestesgaven uitgerust en met lichamelijke voorrechten bedeeld is, zich niet dan ten onrechte over den Schepper der natuur zou kunnen beklagen, wijl deze hem toch nog altijd boven zijne verdiensten heeft begiftigd en derhalve geene rekenschap van zijne handelingen verschuldigd is; evenmin heeft hij, die een geringer maat van genaden van God ontvangt, recht om tegen Hem, den toch altijd oneindig milden Uitdeeler der genaden, op te staan en Hem te vragen: waarom hebt Gij aldus gedaan? Op deze vraag kunnen wij met den Apostel slechts aanbiddend uitroepen: „O diepte der schatten „van wijsheid en kennis Gods! Hoe onbegrijpelijk zijn „zijne oordeelen en hoe onnaspeurlijk zijne wegen! Wie „heeft ooit het plan des Heeren gekend, of wie heeft Hem „eerst iets gegeven, dat hem weder vergolden werd?quot; (Rom. XI; 33—^35). — Laat ons uit dit ondoorgrondelijk geheim, hetwelk eerst op den dag des oordeels voor ons ontsluierd zal worden., nu het nut trekken, dat wij niet vermetel in de zonde blijven voortgaan, als wij zien, dat anderen het geluk hebben, om, na een lang leven van zonden, zich nog op hun sterfbed te bekeeren. Want de hoop, om dan nog zulk eene groote genade te ontvangen, zou ons vreeselijk kunnen bedriegen. Leggen wij er ons immer op toe, aan de ons aangeboden genaden te beantwoorden, ze geen beletsel te stellen, en door gebed, goede werken en het gebruik der HH. Sacramenten, ons steeds nieuwe schatten van genaden te verwerven. Deze weg voert onfeilbaar tot hoogere genadegaven en tot het eeuwige leven.
24
Uit het verklaarde blijkt, dat God, om de verdiensten van Jesus Christus, aan alle menschen zijne genade verleent, wel niet in dezelfde mate, maar toch zooveel, dat allen, hoe groot hunne aangeboren zwakheid ook zij, hunne zaligheid kunnen bewerken. Nu echter blijft nog de vraag , of God ooit den zondaar, uit straf voor het misbruik of het verstooten der genade, alle verdere genaden onttrekt, en hem reddeloos aan de verstoktheid in het booze prijs geeft. Hierop antwoorden wij met de volste overtuiging, dat God aan geenen zondaar, hoe boos hij ook zijn moge, gedurende dit leven zijne genade geheel ontneemt. De meening van sommige Godgeleerden, dat God den verstokten zondaar ten laatste alle hulp der genade wèigert, heeft zeer gewichtige gronden tegen zich. Vooreerst zou daaruit Volgen, dat de zondaar, reeds bij zijn leven, in een toestand moet geraken, die in zekeren zin veel beklagenswaardiger en ellendiger zou zijn, dan de toestand van een verdoemde in de hel. Want gesteld, dat de zondaar door vrijwillige verstoktheid zoover gekomen is, dat hem elke genade om zich te bekeeren onttrokken wordt, dan volhardt hij, evenals de verdoemde, in den toestand van zonde, maar is er als \'t ware nog ellendiger aan toe, dan de verdoemde zelf, wijl deze het getal der zonden en dus ook de straffen der hel niet meer kan vergrooten, hij daarentegen voortdurend nieuwe zonden begaan en aldus zijne stellige verdoemenis steeds verzwaren kan. Ja, zulk een mensch zou niet slechts kunnen , maar zelfs, dag- voor dag, zonden op zonden moeten stapelen, als zijnde geheel en al door de goddelijke genade verlaten. Want van den eenen kant wordt hem door God bevolen, om het kwaad te vluchten en zijne geboden te onderhouden, en van den anderen kant zou hij, uit volslagen gebrek aan genade, geene kracht genoeg hebben, om de bekoring tot zonde te overwinnen en de geboden te onderhouden. Wat bleef dan den ongelukkige anders over dan de treurige noodzakelijkheid, van zyne zondeschuld meer en meer te moeten verzwaren, en door de voortaan noodzakelijk geworden onboetvaardigheid Gods toorn in steeds ruimere mate op zich te laden, totdat eindelijk (men veroorlove ons de harde, maar ware uitdrukking) de dood hem den grooten dienst bewijst, van hem der eeuwige verdoemenis over te geven, waar hij niet meer zondigen, zijne hellestraf niet meer verzwaren kan?
Gesteld van den anderen kant, dat de verstokte zondaar zich door overtreding der goddelijke geboden aan geene nieuwe zonden zou schuldig maken, wijl het hem onmo-
25
gelijk is Gods geboden te onderhouden, \') dan volgt daaruit noodzakelijk, dat hij door zijne verstoktheid in den toestand geraakt van niet meer te kunnen zondigen, en dat voortaan al zijne handelingen, tot zelfs de afschuwelijkste misdaden, onverschillige handelingen zijn, die hem niet kunnen worden toegerekend. Een nog gewichtiger grond tegen de bovengenoemde meening, is zonder twijfel deze, dat zij meer dan iets anders er toe leidt om dep terugkeer van den zondaar tot God te verhinderen, of tenminste veel moeielijker te maken. Geen zondaar toch kan tot gerechtigheid komen zonder het vaste vertrouwen, dat God hem, om de verdiensten van Jesus Christus, zijne zonden wil vergeven en hem de genade verleene der heiligmaking. Zal nu iemand, die jaren achtereen dikwijls en zwaar zondigde, en, gelijk hij zich zeiven bekennen moet, de aange-. boden genade der bekeering , ontelbare malen van de hand wees, dat vertrouwen, voor de rechtvaardigmaking ver-eischt, kunnen hebben, als hij het beginsel aanneemt, dat God voor iederen mensch eene bepaalde. Hem alleen bekende maat van genaden heeft vastgesteld, eene maat, die voor den eenen mensch grooter is, dan voor den anderen, en eenmaal uitgeput, den zondaar, hoelang hij nog moge leven; alle hoop ontzegt, om van Gods barmhartigheid nog eenige genade te erlangen? Zal hij dan bij de gedachte aan de vele en groote genaden, die hij versmaad en misbruikt heeft, niet beginnen te vreezen, dat ook zijne maat vol, en ook voor hem de tijd van genade voorbij is ? Is het tenminste niet waarschijnlijk, dat de booze, vijand hem met deze bekoring ten zeerste zal kwellen , en zal trachten hem tot wanhoop te brengen, om zoodoende alle poging tot bekeering te vermijden, elke neiging daartoe in de kiem te dooden? De dagelyksche ondervinding leert ons genoeg, hoe noodig het is, om een zondaar, die in zondige gewoonten grijs geworden is, moed en vertrouwen in te spreken, alsook, hoe moeielijk het is, een dusdanige te overreden, om aan de genade en de oneindige barmhartigheid Gods niet te wanhopen. Zeer velen, die op hun sterfbed de hulp en de vertroostingen van den godsdienst van de hand wijzen, doen het, wijl zij in de verderfelijke meening verkeeren, dat voor hen geene genade meer mogelijk is, dat er voor hen geene
\') En werkelijk kan men niemand tot zonde aanrekenen, wat hij noodzakelijk doen moet. Do QTquot; stelling van Bajus; //De mensch ,berokkent zich ook door de zonde, die hij uit noodzakelijklieid //doet, de eeuwige verdoemenisquot; is verworpen.
26
hulp meer bestaat. Wij hebben dus reden genoeg om aan te nemen , ja, vast overtuigd te wezen , dat God zelfs den verstokt sten zondaar, zoolang hij leeft, nooit zoozeer verlaat, dat Hij hem de genade niet wil verleenen, om door gebed tot oprechte boetvaardigheid en bekeering te kunnen komen. Met volle recht kunnen wij dan met den H. Gregorius (Mor. Lib. XVIII, cap. 4) zeggen: „wie steeds voort-„zondigt en blijft leven, wordt door de goddelijke Voor-„zienigheid met lankmoedigheid verdragen, om hem van „zijne ongerechtigheid af te trekken;quot; of met den H. Angustinus: „Niemand wanhope aan zijne bekeering. Wie „gij ook geweest moogt zijn, welke zonden gfij ook begaan „moogt hebben, gij leeft toch nog, en wilde God u niet „genezen, dan zou Hij u zonder twijfel uit het leven „roepenquot; (Orat. 351). „Geene verblinding des harten is „bij den mensch zoo groot, dat hem, tijdens zijn leven, „het licht der genade geheel en al onttrokken wordtquot; (Expos, in Ps. 6). „Slechts voor den duivel en zijn „aanhang, die, volgens het getuigenis der H. Schrift, ten „eeuwige vure .verdoemd zijn, is geene verbetering meer „mogelijkquot; (Exp. in Ps. 54). Zelfs den verstokten Pharao ontbrak de genade nog niet geheel en al. „God liet niets „onbeproefd,quot; zegt de H. Chrysostomus (Hom. XVI in epist. ad Eom.), „wat strekken kon tot bekeering van
„Pharao..... hadde Hij hem niet tot andere gedachten
„willen brengen, dan zou Hij zoolang geen geduld met „hem gehad hebbenquot;. \') En inderdaad, wat geeft ons recht om onder dit opzicht Gods barmhartigheid grenzen te stellen, te meer daar God zelf in de H. Schrift zoo plechtig en met de roerendste teederheid betuigt, dat Hij den mensch nooit zal vergeten. „Kan wel eene moeder „haar kind zoozeer vergeten, dat zij zich niet ontfermen „zou over de vrucht van harén schoot? Doch zou zij het „ook vergeten, Ik zal u niet vergetenquot; flsai. XLIX, 15). Waarom zouden wij in dit punt zelfs voor den verstoktsten en roekeloosten \'zondaar eene uitzondering maken,, daar God zelf in de volheid zijner barmhartigheid er geene maakt, maar bij Zich zeiven zweert: „zoo waar Ik leef, „Ik wil den dood des zondaars niet, maar, dat hij zich
„bekeere en leve..... De goddeloosheid zal den godde-
„looze niet schaden op den dag, dat hij zich van zijne
\') Het ontbreekt niet aai) voorbeelden van verstokte zondaars, die met behulp der goddelijke genade zich oprecht bekeerd hebben. Zie deel III.
27
„goddeloosheid bekeertquot; (Ezech. XXXIIT, 11, 12). Zegt ook de H. Petrus niet (II, 3,9), „dat God den dag des „oordeels uitstelt, wijl Hij geduld heeft {met den zondaar) „en niet wil dat iemand verloren ga, maar allen tot boetvaardigheid komen?quot; \') Mocht nog iemand zich aan de wanhopige gedachte overgeYen, dat het hem niet mogelijk is, zijn leven te beteren, dan zouden wij hem met den H. Augustinus toeroepen (Exp. in Ps. 53) : „Wat belet „u dat? Ontbreekt het u aan den tijd? Kunt gij het „niet heden, niet op dit oogenblik? Zie, verander slechts „uw hart op dit oogenblik, dat ik tot u spreek, en datgene „is reeds geschied, wat u anders, zoo het niet geschiedde, „eeuwige straffen op den hals zou halenof met den H. Chrysostomus: 2) „Hebt gij gezondigd? welaan doe boete, „maar terstond, zonder uitstel. Zoudt gij ook reeds nabij ,,uw einde zijn, op uw sterfbed liggen, reeds worstelen „met den dood, doe nog boetvaardigheid. Zeg niet: hoe „zal ik het kunnen; ik ben immers vol wonden en afzichte-„lijke zweren? Kan ik dan in het laatste oogenblik nog
„boete doen ? Ja zeker kunt gij het..... De geneesheer
„uwer ziel staat bij u met heilmiddelen in overvloed.....
„Gods barmhartigheid is zoo groot, dat geene tong ze kan „uitspreken, geene gedachte in staat is ze te bevatten. „Uwe zonden zijn groot en ontelbaar. Maar wat zou dat „hinderen? Gij zijt immers nog niet in de hel; gij staat „nog op de strijdplaats, en kunt door den laatsten kamp „alle geleden nederlagen weder goed maken.quot; s)
Niemand zij echter zoo vermetel, dat hij, om de aangehaalde redenen, zijne bekeering tot het laatste oogenblik uitstelle. Want, Christen, bedenk het wel: als gij thans, nu uwe ziekte riog in haar begin en licht te genezen is, de hemelsche geneesmiddelen der genade versmaadt, hoe kunt gij u dan beloven, dat gij ze later gebruiken zult, als met het kwaad ook de tegenzin voor het geneesmiddel toeneemt, dat is, als uw hart, door het versmaden en het misbruiken der genade, er steeds minder toegankelijk voor wordt, en als uw goddelijke Geneesheer, tot billijke straf
28
■voor uwe ongetrouwheid, u minder zorg zal wijden dan thans ? — Moet gij niet veeleer vreezen , in staat van zonden door den iichamelijken dood verrast en aldus van den tijd en de genade tot boetvaardigheid beroofd te zullen worden? „Gelijk hij, die wanhoopt,quot; zegt de H. Augus-tinus, „zijne zonden vermeerdert, zoo vergroot ook hij „ziine zonden, die dermate vergiffenis hoopt, dat hij bij „zich zei ven zegt: ik doe wat ik wil, God is goed; op „welken tijd ik mij ook hekeeren wil, Hy is steeds bereid „mij te vergeven. Spreek zoo, als u de dag van morgen „verzekerd is.quot; En vermaant niet de H. Schrift: „Verzuim „niet, u tot den Heer te bekeereu, en stel niet uit van „dag tot dag, want spoedig ontgloeit zijn toorn, die u ten „tijde der wraak verdelgen zal?quot; Zie eens, hoe de goddelijke Voorzienigheid over ons gewaakt heeft. Opdat wij door de wanhoop onze zonden niet zouden verzwaren, heeft zij de veilige haven der boetvaardigheid geopend, en opdat wij van den anderen kant, onze zonden door geen vermetel vertrouwen zouden vermeerderen, heeft zij ons omtrent den dag van onzen dood in onzekerheid gelaten.
Ook kan uit het lot der kleine kinderen, die zonder Doopsel gestorven zijn, tegen de genoemde leer der Kerk, volgens welke aan alle menschen voldoende genade ter zaligheid verleend wordt, niets met grond worden opgeworpen ;1) hier toch is slechts spraak van de inwendige genade van verlichting des geestes en opwekking van den wil, waardoor de mensch in staat wordt gesteld, om de bekoringen te overwinnen en de geboden te onderhouden, en zeker is het, dat kinderen, welke het gebruik hunner rede nog niet hebben, die genaden niet behoeven en er zelfs niet vatbaar voor zijn. Daarmede wordt nu volstrekt niet ontkend, dat God het in zijne macht heeft, om de nog niet ontwikkelde zielskrachten dier kleinen tot het ontvangen der inwendige genade te bekwamen, en ze door middel van het Doopsel der begeerte te rechtvaardigen. Doch dit zou, zegt de H. Augustinus (Epist. 187), een wonder der goddelijke almacht zijn, en wonderen zijn niets anders dan uitzonderingen op den algemeenen regel. Mocht soms iemand tot de meening overhellen, dat nu en dan zulk eene uitzondering plaats vindt op het vrome gebed van christelijke ouders, dan kan men dit toch nog volstrekt
\') Deze moeielijlslieid wordt hier besproken, niet opdat de Kathe-cheet ze voorstelle, waar ze niet gemaakt wordt of geen gevaar bestaat, dat ze gemaakt worde, maar opdat hij, zoo noodig, er op wete te antwoorden, zonder de leer der lierk te kwetsen.
29
niet aannemen voor alle kinderen van christelijke, en nog veel minder voor die van heidensche en ongeloovige ouders. De H. Kerk, wier oordeel ook in dit punt, voor iedereen beslissend zijn moet, heeft ten allen tiide geloofd, en bij onderscheidene gelegenheden en als hare meening uitgesproken , dat de kinderen, die zonder Doopsel sterven, de zaligheid des hemels niet erlangen. Daarom vermaant zij de ouders dringend, het Doopsel hunner kinderen niet uit te stellen, beveelt zij, als het kind niet naar de kerk kan gedragen worden, en uitstel gevaarlijk is, den nooddoop, en weigert hun, die zonder Doopsel gestorven zijn, de kerkelijke begrafenis op gewijde aarde. De stelling, dat aan alle menschen toereikende inwendige genade van verlichting des verstands en opwekking van den wil wordt verleend, moet dus tot diegenen beperkt worden, die krachtens het reeds ontvangen gebruik der rede de natuurlijke bekwaamheid hebben, om die genade in zich op te nemen. Zou men nu verder nog de vraag stellen, hoe de leer, dat God alle menschen zalig wil maken , overeen te brengen is met het feit, dat vele kinderen de ter zaligheid noodzakelijke uitwendige genade van het H. Doopsel niet verwerven, dan kan men het volgende, naar ons inzien niet ongegronde, antwoord geven: krachtens z:jne oneindige goedheid en barmhartigheid, alsook met het oog op de oneindige verdiensten van Jesus Christus, wil God de eeuwige zaligheid van alle menschen en heeft daarom voor allen een op zich zeiven zoo gemakkelijk en genadevol middel, het H. Doopsel, ingesteld en bevolen. Doch Gods oneindige goedheid en barmhartigheid vordert geenszins, dat Hij het zielenheil van alle menschen\' onbepaald wil; zij kan het slechts in zooverre eischen als het niet strijdt tegen zijne andere volmaaktheden, en in het bizonder tegen zijne wijsheid en rechtvaardigheid. Daarom wil God, ofschoon Hij, als de oneindig Goede en Barmhartige, het heil van allen wenscht, het evenwel niet aan diegenen schenken, die voortdurend, tot zelfs op het laatste oogen-blik van hun leven, zijne genade kwaadwillig verwerpen; want dit zou in strijd zijn met zijne oneindige rechtvaardigheid. Zoo ook kan Hij, hoewel zijne oneindige goedheid en barmhartigheid van Hem vordert te willen, dat allen het H. Doopsel ontvangen, het evenwel niet zoo willen, dat Hij daarom de eenmaal vastgestelde orde der natuur en der genade zou willen omverstooten; want dit zou met zijne oneindige wijsheid niet overeenstemmen. Zeker nu is het boven alle twijfel verheven, dat God, wilde Hij verhoeden, dat iemand de genade des Doopsels zou derven, de ge-
|
m |
1 |
|
n- | |
|
en | |
|
3n | |
|
s- | |
|
■ij | |
|
ij | |
|
\'P | |
|
d | |
|
n | |
|
a | |
|
a | |
|
i |
30
heele bestaande orde der natuur en der genade door eene onafgebroken reeks van wonderen zou moeten opheffen. In dit geval, namelijk, zou God moeten verhinderen, dat ooit eene moeder, vóór de geboorte van haar kind , of een kind, voor het ontvangen van het H. Doopsel, door plotseling ontstane natuurverschijnselen, als aardbevingen, overstroomingen, storm, brand, enz. gedood, of door zwakte, ziekte, enz. uit het leven werd weggerukt. Zoo ook zou Hij moeten beletten, dat ooit- eene moeder door onvoorzichtigheid, nalatigheid of boosheid met haar kind den dood vond, of tenminste j dat het nog ongedoopte kind omkwam. En daar verder niet slechts velerlei onheilen, nalatigheid en buitensporigheden der ouders, maar in het bizonder het gebrek aan geloof en godsdienst, oorzaak zijn, dat vele kinderen het Doopsel niet ontvangen, zoo zou G-od bovendien nog moeten beletten, dat ooit een volk van het ware geloof afviel, en dat ooit een kind uit ongeloovige, ongodsdienstige, of in zake van godsdienst onverschillige ouders geboren werd. De Algoede zou dus, minstens dermate, het geheele menschelijk geslacht voor zonde en dood onvatbaar moeten gemaakt hebben, en bijgevolg een toestand hebben moeten scheppen, die verweg den toestand overtrof van oorspronkelijke heiligheid en rechtvaardigheid, waarin zich onze voorouders in het paradijs bevonden, die zonde en dood geenszins onmogelijk maakte. Dan zou ook de Verlosser niet de hersteller van den vroegeren toestand, mad,r de stichter van een nieuwen, van een oorspronkelijken toestand geweest zijn. Maar wat zou er, bij zulk eene omverwerping van de orde der natuur en der genade, van de goddelijke Wijsheid, wier plannen éven heilig als onveranderlijk zijn , overblijven ? — Het zou dus vermetel zijn te beweren, dat God, krachtens zijne goedheid, verplicht was te willen, dat alle menschen, zonder uitzondering , het H. Doopsel ontvangen, wijl dit, zonder zijner wijsheid te kort te doen, niet kan geschieden. Overigens zal het toelaten van God, dat vele menschen zonder het H. Doopsel sterven, niet zonder groot geestelijk voordeel zijn voor diegenen, die de genade des Doopsels hebben ontvangfin. De overweging dier waarheid doet iedereen zien, dat de verlossing der wereld en de deelname daaraan door het H. Doopsel een vrij geschenk der goddelij ke genade is, en ons dus den plicht van eeuwige dankbaarheid oplegt; zij eischt van ieder in het bizonder, deze genade hoog te schatten en daaraan door getrouwe medewerking te beantwoorden, opdat zijn toekomstig lot niet onvergelijkelijk treuriger zij , dan van hen, die zonder eigen schuld de genade des
31
Doopsels niet hebben ontvangen. Dit zal echter ongetwijfeld het geval zijn , als hij , niettegenstaande de ontvangen genade des Doopsels, voor eeuwig verloren gaat. Want dezen wacht de eeuwige verdoemenis met al hare smarten: genen daarentegen blijven slechts van de eeuwige zaligheid verstoken, zonder de pijnen der hel te ondervinden.
lledcwcrking van den vriien wil met de genade.
JFat moet de mensch van zijn leant doen , opdat hem de genade tot heil verstrekke ?
Hij mag der genade niet wederstaan, maar moet getrouw met haar medewerken. De goddelijke genade is een hemelsch licht, bestemd om het verstand van den mensch te verlichten; zij is eene geheimvolle stem, die de kracht bezit om den wil tot de beoefening van het goede te bewegen en van het kwade af te houden. Evenals het licht der zon den mensch niet verlichten kan, als hij de oogen des lichaams sluit of gesloten houdt, hoewel het vermogen daartoe bestaat; gelijk de stem eens vaders te vergeefs de geschiktheid heeft zijn kind aan te sporen om iets te doen of te laten, als het zijne ooren stopt, teneinde die stem niet te hooren: zoo blijft ook de genade werkeloos, als de mensch het oog van zijnen géést voor hare lichtstralen sluit, als hij aan hare luidklinkende stem geen gehoor geeft. De goddelijke genade strekt dus den mensch niet tot heil, als hij de duisternis meer bemint dan het licht, dat God hem door middel der genade aanbiedt, en als zijn hart, niettegenstaande de sterke opwekking der genade ten goede, tot het kwaad geneigd blijft, als hij, om alles met één woord te zeggen, de genade wederstaat, evenals die kwaadaardige leden van den joodschen hoogen raad, tot wie de H. Stephanus sprak: „gij halsstarrigen, gij wederstaat altijd den H. Geestquot; (Hand. VII, 51),—of gelijk de Joden in het algemeen, waarvan de goddelijke Heiland zeide: „Het hart van dat volk is verstokt; zij zijn hardhoorend en „sluiten hunne oogen\', opdat zij met de ooren niet hooren, „en met de oogen niet zien, en met het hart niet be-„grijpen, om zich niet te bekeeren en door mij niet ge-„nezen te wordenquot; (Matth. XIII, 15). Voor dezen zal de genade veeleer de verantwoording aan God zwaarder, en de eeuwige straffen veel gestrenger maken. — Opdat de
32
genade dengene, die ze ontvangt, ten heil verstrekke is het echter niet genoeg, dat hij ze niet rechtstreeks uit overlegde hoosheid wederstaat, maar hij mag ook niet uit traagheid, nalatigheid , of straf bare verstrooiing verzuimen met haar mede te werken; hij moet het oog van zijnen geest voor haar licht werkelijk openen; hij moet het ooi-van zijn hart aan hare opwekkende, waarschuwende dreigende , gebiedende, of verbiedende stem leenen; hij moet van zijn kant met de hulp der leidende, vergezellende genade datgene willen en volbrengen, waartoe hem de voorkomende genade aanspoort, Een zondaar bijv. voelt de zwaarte van zijn zondenlast, hij zucht er onder, wenscht dien ook af te leggen, maar kan er niet ernstig toe besluiten , wijl hij eene genade verwacht, die, om zoo te zeggen, alles alleen zou moeten doen, die hem over alle moeielijkheden heen zou beuren en hem elke overwinning op zich zeiven sparen. Bij dezen zondaar, wien de voorkomende genade tot boetvaardigheid aanspoort, ontbreekt het klaarblijkelijk aan de verplichte medewerking van zijnen kant, en hij is ten opzichte zijner verwachting in het gevaarlijkste bedrog verstrikt. „Het rijk der hemelen „lijdt geweld, en zij slechts, die geweld gebruiken, zullen „het innemen,\'\' zegt Jesus, de eeuwige Wijsheid zelve (Matth. XT, 12j. Als gij van uw kant niets wilt doen, maar wachten, totdat de genade u verandert, dan blijft gij in uwe zonden, en maakt gij elke inwerking der genade vruchteloos. Want te vergeefs schrijft de geneesheer een zieke de krachtigste en heilzaamste geneesmiddelen voor, als deze, onder voorwendsel dat zij te bitter zijn, ze weigert in te nemen; te vergeefs biedt men iemand, die in een diepen kuil gevallen is, de hand of laat men een touw tot hem af, als hij zich niet eens de moeite geeft, om ook van zijn kant de hand uit te strekken en het aangeboden redmiddel aan te grijpen: eveneens kan de genade den zondaar niet helpen, als deze het aan de noodige medewerking laat ontbreken. De bekeering is zeer zeker het werk van God, zonder de genade is ze ons volstrekt onmogelijk, zoowel het willen als het volbrengen er van (Philip. II, 13) ; intusschen moet dit niet zoo verstaan worden, alsof wij daarbij . zelve niet werkzaam moeten wezen, alsof het niet noodig zou zijn de genade te willen en de hand aan het werk te slaan. „Het geheel.quot; zegt de H. Augustinus (Orat. 169), „is uit God; doch „niet zoo, dat wij daarbij kunnen inslapen, werkeloos „blijven, als behoefden wij daarbij niet te willen: zonder „uw wil zal de rechtvaardigheid Gods niet in u wonen.quot; —
33
,. Saulus dankte zijne bekeering aan de genade. „Door de 3 genade Gods,quot; zegt hij, „ben ik die ik benquot; (1. Cor. .s uuKry^ 10); „maar,quot; voegt hij er terstond bij: „zijne genade u „is in mij niet vruchteloos geweest.quot; — Saulus is van een ü1611\'vervolger der Christenen een Apostel geworden, die, gelijk ij nen zeif getuigt, meer dan anderen gewerkt heeft; doch , t oor|Q0(j eere gevende, voegt hij er bij: „niet ik, maar de ge-®\' „nade Gods met mij.quot; Zoo moet ook eenieder spreken, 1 Idie zich tot God bekeerd of eenig goed werk verricht enae jjeeft; dit heb ik gedaan, doch niet ik, maar de genade 1 e .Gods , waaraan ik beantwoord heb.
voelt Over de noodzakelijkheid van onze medewerking met de ISf .ëeria(ie spreekt de H. Augustinus zeer schoon; „God quot;ö\' „heeft u zonder u geschapen; want gij hebt daartoe geenerlei 0 J\'e „toestemming gegeven, en gij kondt het ook niet, wijl gij . e „nog niet bestondt. Maar God, die u zonder u schiep, :llnn „rechtvaardigt u niet zonder u. Hij heeft u geschapen 0°rquot; („zonder uw voorweten; Hij rechtvaardigt u slechts, als „gij gerechtvaardigd wilt worden.quot; — Even duidelijk spreekt van Chrysostomus hierover in de volgende woorden:
^ in „God wil u barmhartigheid verleenen, maar zegt tegelijk; i!en 00^ gij Een overzware zondenlast drukt u ter
\' en .„neder, uv.e misdaden ziju veelvuldig, Ik wil ze u afnemen; ^ve „maar strek ook gij uwe hand naar Mij uit; niet dat Ik „u noodig heb, maar wijl Ik wil, dat gij zelf tot uwe „zaligheid ook iets bijdraagt.quot; — God wil dus, dat wij aan zijne voorkomende genade beantwoorden; dat wij van onzen kant de bekeering, waartoe Hij ons aanspoort, . oprecht willen; het kwade, waarvan Hij ons aftrekt, be-treuren en vermijden; de goede werken, waartoe Hij ons ici\' |aanmaant, beginnen eu volbrengen. Hij wil dit, opdat de ien hemel, de eeuwige zaligheid, welke Hij voor ons bestemt, 1^e niet slechts een geschenk, maar ook eene belooning voor onze medewerking zijn zou. Zeg nu niet; ik kan de banden mijner zondige gewoonte niet verbreken. God . verlangt niet, dat gij medewerkt zonder Hem, zonder 18 zijn bijstand. Uit eigen kracht vermoogt gij dit zeker 118 niet. Maar met zijne hulp, die uwe pogingen zal ver-3n gezellen, met die hulp, welke Hij aan niemand weigert, 50 die Hem daarom bidt, zult gij sterk genoeg zijn, omalies j11 te ondernemen en met kracht uit te voeren, wat Hij van u door de inwendige stem zijner voorkomende genade eischt; daardoor zult gij u bemoedigd gevoelen om met den ^ Apostel uit te roepen; „ik vermag alles in Hem, die mij ,s „versterktquot; (Philip IV, 13). Laten wij, gesterkt door Jr , het vaste vertrouwen op de goddelij ke hulp , met de genade,
~ si BEHABBE, GELOOFSLICEE. IV Sis ÜEUK. 3
lijft ge- ? eer 1
34
waarmede God onzen wil voorkomt en tot heilzame gedachten, woorden en werken aanspoort, immer getrouw medewerken. Daartoe vermaant ons de Apostel, als hij aan de geloovigen van Corinthe (2e Brief VI, 1) schrijft: „Wij vermanen u, dat gij de genade Gods niet tevergeefs „ontvangt. Want Hij (de Heer) zegt: in den tijd van „genade verhoor ik u, en op den dag des heils help Ik „u! Zie, nu is het de tijd der genade, zie, nu is het „de dag des heils!quot; Laten wij thans, nu wij nog leven, nu de genade ons nog overvloedig stroomt, nu het nog dag is, werken des lichts, werken des heils verrichten. Immers wij weten niet, wanneer voor ons de nacht zal aanbreken, waarin wij niet meer kunnen werken en aan de genade beantwoorden, wijl er ons geene meer zal toevloeien; die nacht, voor de zondaars, verachters en ver-smaders der hemelsche genadeschatten zoo vreeselijk, waarin geen straal van hoop hen meer zal beschijnen, waarin zij, na het onverbiddelijk oordeel, voor eeuwig in de uiterste duisternissen zullen geworpen worden, waar geween en geknars der tanden zijn zal.
In de hier verklaarde vraag gingen wij reeds vs-n de veronderstelling uit, dat de mensch aan de goddelijks genade weerstand kan bieden, of met andere woorden, dat het van zijn vrijen wil afhangt, om met de genade mede te werken of niet. Hoe duidelijk en onomstootelijk dit voorop gestelde grondbeginsel ook zij , waren er toch dwaalleeraars, en zijn er tegenwoordig nog, die het tegendeel beweren. De genade is, volgens hunne meening, niets anders dan de almachtige wil van God, die door niets wederstaan, door niets verijdeld of bestreden kan worden. Daaruit besluiten zij, dat de mensch aan de werking dei-genade nooit wederstaan kan, dat het niet in zijne macht staat, met de genade mede te werken of niet, maar dat hij genoodzaakt is, aan den goddel ij ken wil gehoor te geven. Daarom volgt nu de gewichtige vraag:
Kan de mensch ook weerstand lieden aan de genade?
Ja, hij kan der genade wederstaan; want de goddelijke genade dwingt den menschelijken wil niet, maar laat dien volkomen vrij. Dit alles is de leer van ons geloof. De tegenovergestelde leerstellingen, namelijk dat de menschelijke wil nimmer der genade wederstaat noch wederstaan kan; dat de genade niets anders is dan de wil Gods, welken niemand verhinderen, niemand bestrijden kan ; dat bijgevolg de genade altijd onfeilbaar werkzaam is en den mensche-
35
lijken wil noodzaakt om daaraan te beantwoorden, — al deze stellingen zijn herhaalde malen door den H. Stoel veroordeeld. \') Gelijk wij weten, heeft de Kerkvergadering van Trente de vrijheid van \'s menschen wil tegen de ketters van den lateren tijd in bescherming genomen en als geloofspunt vastgesteld met deze woorden: „zoo iemand be-„weert, dat de vrije wil van den mensch, door God „bewogen en opgewekt, niets medewerkt met aan God,
„die hem aldus beweegt en. roept, te gehoorzamen,.....
„en dat hij zijne toestemming niet weigeren kan als hij „wil,.....die zij in den banquot; — (VIe Zitt. Can. 4).
Als verdere bewijzen voor deze waarheid zouden, behalve de in het vorige antwoord reeds opgenoemde Schriftuurplaatsen, nog vele andere kunnen aangehaald worden. Zoo beklaagt God zich over degenen, die aan zijne ingevingen geen gehoor geven, met de volgende woorden; „Ik riep, „en gij wildet niet; Ik strekte mijne hand uit, en niemand „sloeg er acht opquot; (Spreuk. 1, 24). — „Den geheelen „dag strekte Ik mijne handen uit naar het ongeloovige „volk.... Ik riep, en gij antwoorddet niet. Ik sprak, „en gij gaaft geen gehoorquot; Is. LXV , 2, 12). — Zoo ook vermaant God door den profeet zijn volk met allen nadruk: „Als gij heden zijne stem hoort, versteent dan uwe harten „nietquot; (Ps XCIV, 8), en Jesus, de mensch geworden Zoon van God , klaagt schreiend en onder bedreiging der vreeselijkste straf over de verstoktheid der inwoners van Jerusalem : „Jerusalem , Jerusalem, hoe dikwijls heb Ik „uwe kinderen willen vergaderen, gelijk eene hen hare „kiekens onder hare vleugelen vergadert, maar gij hebt „niet gewildquot; (Matth. XXIII, 37). — Hoe nu zou God kunnen klagen , als diegenen , over wie Hij klaagt, geene toereikende genaden ontvangen hadden ? Hoe zou Hij kunnen vermanen, niet doof te zijn voor zijne stem\'? Hoe had Hij dengenen, die zijn roepen, zijne dringende uitnoodigingen verachtten en zijne bedreigingen in den wind sloegen , ï;ulke zware straffen voor oogen kunnen stellen, als het hun volstrekt onmogelijk geweest ware te doen, wat Hij van hen verlangde ? Zouden in dat geval zijne klachten niet volkomen ongegrond, zijne vermaningen niet doelloos, zijne bedreigingen niet onrechtvaardig geweest zijn? En zou het geene doemwaardige godslastering wezen, dit aan te nemen ? Het ontbrak alzoo den menschen, die
■
IIP
IrSf
Uil
\') Zie de 2e stelling van Jansenius, en de stellingen 10—25 van Quesnel, die als kettersch verworpen zijn, alsook de 21e stelling van de synode van Pistoja.
3*
36
tot deze klachten aanleiding gaven, volstrekt niet aan de noodige genade; maar zij lieten het aan de noodige medewerking ontbreken : zij wilden uit vrije keuze aan de genade geen gehoor geven, ofschoon God van zijnen kant alles gedaan had, om hun deze toestemming mogelijk te maken; zij hoden dus weerstand aan de goddelijke genade, met welke zij even goed hadden kunnen medewerken.
Uit het gezegde blijkt insgelijks de onwaarheid dei-bewering , dat de genade niets anders is dan de almachtige wil van God, waaraan niemand wederstaat of wederstaan kan. Neen, de genade is niet de almachtige wil Gods; zij is een bovennatuurlijk licht, om den goddelijken wil te leeren kennen; zij is eene bovennatuurlijke kracht, welke de ziel geschikt maakt om het door God gewilde, zonder de minste schennis der vrijheid van den wil, eveneens te willen en te volbrengen.
God wil zeker, dat de mensch de hem aangebodene genade aacneme en zich ten nutte make, met haar mede-werke, maar Hij wil dit toch niet zoo volstrekt, niet zod, dat zijn goddelijken wil den menschelijken wil geweld zou aandoen, zou noodzaken, om de aangeboden genade werkelijk aan te nemen en volgens het doel van den Gever te gebruiken. God dringt niemand zijn genade op., maar behoudt zich voor in zijne rechtvaardigheid, om naar be-hooren de dwaasheid en boosheid te straffen van eenieder, die de genade zijner goedheid uit eigen vrije keuze afwijst. Hetzij dat de mensch met de hem verleende genade mede-werke of niet, altijd toch zal Gods wil vervuld worden. Om dit beter te kunnen verstaan diene de volgende opheldering. Volgens zijne goedheid wil God oprecht en ernstig dat alle menschen zalig worden; volgens zijne wijsheid en rechtvaardigheid wil Hij dit echter slechts onder voorwaarde, dat de mensch ook zelf zalig worden wil, dat hij uit eigen vrije beweging de ter zaligheid noodzakeligke genade, die hem door de goddelijke goedheid wordt aangeboden , door medewerking zich ten nutte make. Doet hij dit niet, dan is het Gods wil, dat hij de zaligheid ver-lieze en eeuwig gestraft worde. Vervult nu de mer sch de genoemde voorwaarde, dan verleent de oneindige goedheid Gods hem de eeuwige zaligheid als overgroot loon zijner getrouwe medewerking. Vervult hij ze echter niet, dan treedt de goddelijke rechtvaardigheid op en treft den ondankbaren en boosaardigen versmader der genade met de eeuwige straffen. Zoo is het duidelijk, dat, zoowel in het
37
1 ^6 eerste als in het laatste geval, Gods wil volkomen vervuld 3^equot; wordt.
öequot; Zotder twijfel moet men toegeven, dat God zich ook van :ant genade kan bedienen, om datgene te bewerken, wat Hij ijik , niet voorwaardelijk, maar absoluut en onherroepelijk be-ijke sloten heeft. Maar zelfs in dat geval laat de genade de dequot; menschelijke vrijheid onaangerand; zelfs in dat geval zou de mensch aan de genade kunnen weerstaan, hoewel hij inderdaad geen weerstand biedt, maar vrijwillig datgene ^61\' doet, waartoe de genade hem aanspoort. De H. Schrift LJ?e levert ons menigvuldige bewijzen van deze leiding der aa menschelijke harten ter vrije volvoering van een onvoor-\'s ; , waardelijk goddelijk raadsbesluit. Een der merkwaardigsten ril bevat het boek Esther. God had onveranderlijk bij zich zeiven besloten, om het volk Israël door de vrome koningin e) Esther te redden van den zekeren ondergang, die het Qquot; dreigde. De hinderpalen, welke deze redding in den weg stonden, waren zeer groot, naar menschelijke berekening equot; zelfs onoverkomelijk. Koning Assuerus alleen kon het sluw fm beraamde, moorddadige wraakplan van den al vermogenden \'i Aman verijdelen. Doch hoe zou Esther bij den Koning u komen? Immers het was aan alle onderdanen van het Assyrische rijk op doodstraf verboden, ongeroepen voor den r koning te verschijnen. De vrome koningin stak zich in r rouwgewaad, vastte en en bad den Bestuurder en Redder van allen. Daarop ondernam zij vol moed het waagstuk, i ging alle koninklijke vertrekken door en stond eensklaps in de troonzaal voor koning Assuerus. Als deze nu zijne oogen ophief en door zijn vonkelenden blik den toorn zijns harten te kennen gaf, viel de koningin in onmacht. „Toen „veranderde God het hart des konings,\'\'zegt de H. Schrift, (Esth. XV, Jl), „en stemde hem tot zachtmoedigheid.quot; Assuerus verliet zijn troon, nam Esther in zijne armen, totdat zij haar bewustzijn had herkregen, en stond hare bede toe. Wie nu zou in deze plotselinge verandering des harten de inwerking Gods kunnen ontkennen, te meer daar de H. Geest er ons uitdrukkelijk op wijst? En wie zou den geringsten grond kunnen vinden om te beweren, dat koning Assuerus in dit geval niet vrij gehandeld heeft, en slechts het onvrije werktuig van den wil Gods is geweest ? Als het aan menschen gelukt, door vriendelijke voorstellingen , door indrukwekkende reden en door geschenken de harten hunner medemenscben te veranderen, zonder aan hunne vrijheid ook slechts de geringste afbreuk te doen, waarom zou dan God, die alle harten gemaakt heeft en doorgrondt, dit niet eveneens kunnen? „Het hart des
a
38
„menschen is in de hand des Heeren als eene waterleiding „Hij wendt het, waarheen Hij wil.quot; (Spr. XXI, 1).
TOEPASSING.
Uit de gegeven verklaring heht gij, lezer, het wezei en de noodzakelijkheid der werkende genade leeren kennen Gij hebt gezien, dat de mensch zonder die genade nocbtquot;^ ter zaligheid gelooven, noch leven, noch het geringste| p goede werk kan beginnen , voortzetten en voleindigen, noclii, ook de geringste bekoring tot zonde op eene wijze, diJ-T^. voor de zaligheid verdienstelijk is, kan overwinnen. OokV,] hebt gij gezien, dat God, krachtens zijne oneindige gcied--, , beid en barmhartigheid, aan niemand, die er Hem om bidt, eeii zijne genade weigert, en dat Hij aan allen de genade des i, gebeds verleent. |.
Daaruit volgt, dat alle pogingen van een Christen, die belang stelt in zijne zaligheid, moeten strekken, om van oii( deze genade des gebeds, die zelfs den verstoktsten zondaar we tot op het laatste oogenblik van zijn leven wordt aangeboden , een veelvuldig en goed gebruik te maken. Zoo dikwijls wij den mond openen om de noodige .levenslucht in te ademen, zoo dikwijls zouden wij, ware het mogelijk, de stem van ons hart moeten verheffen, om van God de genade af te smeeken, die ons voor het hoogere, bovennatuurlijke leven onzer ziel onvergelijkelijk meer noodig en heilzaam is, dan de lucht, welke wij inademen voor het leven des lichaams, vermits deze slechts het lichamelijk leven onderhouden, doch het verlorene niet herstellen kan: gene daarentegen het hemelsche leven der ziel weder teruggeeft , en het teruggegevene onderhoudt. Gelijk de koninklijke Profeet den mond opent om inzicht in de goddelijke dingen af te smeeken, zoo moeten ook wij voor elk oogenblik en voor ieder godvruchtig werk de genade des H. Geestes vragen. En als God nu onze smeekingen verhoort, of als Hij zelfs met zijne genaden voorkomt, laten wij dan zgne hemelsche gaven niet versmaden, zorgen wij , dat Hij niet te vergeefs ons verstand verlichte om te gelooven, en ons hart opwekke om zich te bekeeren, opdat wij zelve Hem geene aanleiding geven, voortaan zijne genadegaven ons zeldzamer en in geringere mate te doen toekomen.
Herinneren wij ons dikwerf de woorden des Heeren in de Openbaring (lil, 20): „Zie, Ik sta voor de deur en „klop. Zoo iemand mijne stem hoort, en Mij de deur „opent, dan zal ik bij hem binnengaan en met hem den „maaltijd nemen, en hij met Mij.quot; — God bedient zich
oni en vri ge ke be ve aa
ri
g
I i
39
• j. ïan verschillende middelen, om aan de deur van ons hart kloppen; Bij verbindt zijne inwendige genade niet slechts aan de uitwendige teekeuen der HH. Sacramenten, waarover later zal gehandeld worden, maar ook aan vele uitwendige ebeurtenissen, zoowel aan verblijdende als aan droevige voor-wezei\'a^eD\' ^11 eens zu\'^; niilt;ilt;ie^ het hooren van Gods woord innen in Pre^ikatie in den katechismus; dan weder de noch?62quot;1^ van een a\'s toeval opengeslagen boek;
n^stefan welt;^erom vermanende, waarschuwende, opwekkende noc}ïoesPraak vai1 een vrienci) van een biechtvader. Nu is dies\'\' eei1 Terru^enlt;i schrikwekkend natuurverschijnsel, \'Oo].«iat ons Gods macht en grootheid of zijn toekomstig oor-roed ^ee^\' voor 00gen stelt: het gezicht van den sterrenhemel, bidt ^16\'\' ro^en van ^011 donder, het flikkeren van den bliksem, \' desleen s^orm\' eeiie aardbeving, enz.; dan weder is het een gelukkig voorval, dat ons tot bizondere dankbaarheid dig ieSens aanspoort: het wederzien van een vriend, die
\'vanl^anSei) tijd afwezig was, het welslagen eener gewichtige daar on(^erriem^iS gt; ontsnappen aan een dreigend gevaar; dan wederom, en dit wel het meest , een plotseling treffend 2oo verlies van aardsche goederen , eene langdurige
icht en smartelijke ziekte, de geheel onverwachte dood van een vriend of aanverwant; soms zijn het verscheidene dergelijke de g®!36111\'1611!88611 tegelijk, waardoor God zijne genade gemak-ren keiijker ingang in het hart doet vinden en haar een ren beslissender invloed verschaft, door er eene inwendige het vei^lc^I1g over ^6 nietigheid en vergankelijkheid van het liik aar(isc\'ie) eeiie innerlijke opwekking tot boete en verbete-^. ring des levens of tot een steeds krachtiger streven naar av\'. godvruchtigheid mede te verbinden.\') — Christenen, laten
ak-l —■-
\') Zoo bediende God zich van eene stei\', om de drie Wijzen 3lk (Matth. 11) aan te sporen, den pasgeboren Heiland hunne hulde te Jes gaan bieden. Door een schijnbaar toevallig gesprek bracht Jesus de samaritaansche vrouw tot het geloof in Hem (Joan. XI). Door een ®r* vriendschappelijk bezoek veranderde Hij Zacheus den tollenaar in en een zoon van Abraham (Luc. XIX). De kamerdienaar der Koningin n van Ethiopië werd, door de lezing en de verklaring eener plaats uit M den Profeet Isaias, tot het Christendom bekeerd (.Hand. VIII). En agt; : nog heden ten dage wendt God soortgelijke middelen aan, om de ve harten der meuschen te winnen. — Een voorbeeld van dien aard yj ontleenen wij aan een brief, welken eene zuster van de orde van den H. Franciscus, in het jaar 1860, uit Cincinnati aan hare ouders schreef. Tevens leert dit ons, hoe God niet zelden de wonden, welke in Hij een verdwaald kind toebrengt om het tot inkeer te brengen, zelf iU weder op wonderbare wijze heelt, als het zich zijne genaderijke \'j| straffen ten nutte maakt en zich oprecht bekeert.
\' //Voor eenige maanden — zoo verhaalt de vrome zuster — namen n \'/wij, op verzoek eener aanzienlijke amerikaansche vrouw, eene zieke h «in ons hospitaal op, die fransch sprak. Het was eene arme zeer
40
wij toch dergelijke hemelsche aansporingen, vermaningen, waarschuwingen, bedreigingen, in één woord, dergelijke
»ongehikkige vrouw, die, geboren uit eene gegoede en vrome familie, //hier eerst man en kinderen verloren had, in allerlei gevaren en on-z/gelukken was geraakt en ten laatste in een onrechtvaardig proces //gewikkeld, tot eene gevangenisstraf van driejaren veroordeeld werd. //Daar, in de gevangenis, was zij tot inkeer gekomen, beweende ge-//durende de drie jaren, hare lauwheid en ongetrouwheid jegens //God met bittere tranen, en begon in te zien, dat juist dit laatste //Ongeluk, het verlies van haren goeden naam en van hare vrijheid, pilaar grootste geluk was geweest, wijl juist dit onheil haar tot inkeer en «■verzoening met God had gebracht. Zij heeft zich gedurende die drie //jaren tot algemeene tevre.ienheid harer oversten gedragen, en werd //daarom met veel onderschefcling behandeld. In het eerste jaar van „haren straftijd heeft zij zich bij de verpleging van eene andere ge-//vangene, die aan waterzucht ieed, vertild; daaruit ontstond eene //ontwrichting in den ruggegraat, welke door eene beroerte gevolgd »werd., waardoor zij aan de eene zijde geheel verlamd was, zoodat zij //gedurende twee jaren voortdurend liet bed moest houden en niet de //geringste beweging met den rechter arm of het rechter been kon maken. „Later kon zij den arm weer gebruiken, maar het been bleef nog „altijd lam. De spieren waren erg saèmgetrokken. Zij had zelfs geen „gevoel meer in het been, en kon het slechts, op twee krukken „gaande, als een dood lid meêslepen. In dien toestand bevond zij zich, „toen wij haar in ons huis opnamen. Vele geneeskundigen, die haar „onderzochten, verklaarden eenparig, dat zij volstrekt ongeneeslijk „was; en daar zij, hier te lande, geene nadere bloedverwanten had /,en van iedereen verlaten was, besloten wij, haar als invalide bij ons „te houden. Als zoodanig was zij bijna twee maanden bij ons geweest. „Haar gedrag was in alle opzichten stichtend. De ongelukkige weende „bitter, als zij zich haar vroeger leven herinnerde, en de gedachte, van „zoo jong nog (zij was nauwelijks 40 jaar) voor haar geheele leven „gebrekkig te zijn, en dat wel, gelijk zij meende, tot straf voor hare „misdaden, kwelde haar voortdurend. lederen morgen kroop zij, zoo „vroeg mogelijk, op handen en voeten de trappen af naar de kapel, „en daar vonden wij haar in gebed en tranen ter aarde liggen voor „het altaar der Moeder Gods. Zij had namelijk een boek gelezen „over de goedheid van Maria, en dit had haar een groot vertrouwen „op deze Moeder van barmhartigheid ingeboezemd, üp het feest van jPortiuncula, dat wij in ons kapelletje vierden, nam zij het besluit, „om, als het haar vergund werd, zich in den derden Kegel van den „H. Franciscus te laten opnemen. Üe Zuster Overste stond het haar „gaarne toe, en nu bereidde zij zich twee maanden, tot aan het feest „van den H. Franciscus, daartoe voor. Op dat feest hadden wij een „oud beeld van den H. Franciscus, dat van hooge waarde en uit Kome „afkomstig was, met licht en bloemen zeer schoon versierd. Des „avonds nu, toen het feest geëindigd was, en alle zusters met de vele „stedelingen, die de godsdienstoefening hadden bijgewoond, zich ver-„wijderd hadden, bleef de invalide, als naar gewoonte, het laatst op „haren stoel zitten; want zij moest altijd wachten, totdat de uitgang „en de trap weêr vrij waren, wijl zij anders voortdurend gevaar liep, „met hare krukken uit te glijden en te vallen. Als kosteres was ik „in de kapel bezig gebleven, en achter lag nog eene zuster biddend „neérgeknield. Ik bevond mij in de onmiddellijke nabijheid der „lijderes; daar zie ik, hoe zij eene poging doet om op te staan, en „hare krukken reeds wil aanvatten. Doch plotseling valt zij weêr in „haren stoel, strekt mij de armen toe en roept: „Zuster wat is dat? „ik kan niet zien!quot; Ik nam haar in mijne armen, maar zag tegelijk, „dat zij bewusteloos was. De oogen stonden wijd open, de appel
41
genadevolle bezoekingen niet ongebruikt en vruchteloos voorbijgaan; want niets is dwazer en gevaarlijker dan zulk een gedrag. Wee dengene, die God den Heer aan de deur zijns harten door de voorkomende genade te vergeefs iaat aankloppen! Wee dengene, die de stem van den Heer, die- hem heil wil aanbrengen, hoort, maar er geen acht op slaat; zijn oordeel zal daardoor des te gestrenger zijn. Ook over hem zullen, wellicht onverwacht, straffen losbreken , evenals over het voor alle vermaningen en waarschuwingen des Heilands: verstokt geblevene Jerusalem, waarvan Hij weenende sprak: „Erkendet gij nog, en wel „op dezen uwen dag; wat u tot heil verstrekt! Want zie, „er zullen dagen over u komen, waarin uwe vijanden u „met een muur zullen omgeven, u rondom zullen insluiten „en van alle kanten zullen beangstigen, ü en uwe kinderen zullen zij vertrappen, en de eene steen van u zal „niet op den anderen blijven, omdat gij den tiid uwer „bezoeking niet hebt waargenomenquot; (Luc. XIX, 7j. \') Als
«was geheel naar boven getroklten; haar geheele lichaam werd onder //mijne handen opgehevén; de bovenste hellt van haar voorhoold was „vuurrood. Dat alles duurde misschien 1 a 2 seconden; daar staat „zij geheel alleen recht op, schuift mij met de hand op zijde en „gaat zonder hulp door de kapel naar het beeld van den H. Fran-„ciscus, nog altijd bewusteloos, de oogen strak in de hoogte. „Het geheele lichaam sidderde. Ik stond als verpletterd en begon „hard te roepen en te weenen; „O Maria, wij danken u! O Jesus, „o Maria, ontfermt u mijner!quot; Daar ziet de zuster, die achter in „de kapel geknield lag, op, komt naar mij toe, ziet hoe de arme „invalide gaat, werpt zich met mij op de knieën, en op hetzelfde „oogenblik, dat ik uitroep; „O Maria, wij danken u,quot; is de invalide „het beeld van den H. Franciscus genaderd, knielt neer en roept met „eene stem, die door merg en been drong: „Vader Franciscus, ik „dank u!quot; — Die geheele gebeurtenis was het werk van nog geen „minuut. Wij knielden naast haar neder; alle drie waren wij geheel „overmeesterd en verplet en weenden luide. Zij was nu weêr geheel „tot zich zelve gekomen, en op onze vraag: „wat was dat? wat is „dat?quot; (hetwelk wij slechts onwillekeurig zeiden; vyant wij gevoelden „wei, dat er een wonder geschied was, dat er iets bovennatuurlijks „om ons had plaats gehad) antwoordde zij: „O H. Vader Franciscus, „hoe goed zijt gij, ik verdien het nietl O zusters, helpt mij! Wat „zal ik doen? O ik ben genezen! O God, wat zal ik doen; hoe zal „ik u danken? O God, Gij hebt mij gestraft. Gij hebt mij geslagen „om mijne zonden, maar thans wilt Gij mij vergeven!quot; -— Bij een „nader, ook geneeskundig onderzoek, vond men been en ruggegraat „volkomen hersteld. De spieren waren nu geheel gespannen, en de
„genezene voelde er weêr leven en kracht in, zonder eenige zwakte____
„Thans is zij een derde grooter dan vroeger, en draagt zelfs niet het „geringste teeken der vroegere gebrekkelijkheid. Acht dagen na „deze wonderbare genezing vierden wij, met toestemming van onzen „hoogwaardigen Aartsbisschop, een feest van dankzegging, en hingen „de omkranste krukken naast het altaar op.quot;
\') Juist uit dezen tekst neemt men soms aanleiding, om te beweren, dat als de zondaar den tijd der goddelijke bezoeking, den tijd der goddelijke genade, ongebruikt laat voorbijgaan, hem het verschrikke-
42
de dood hem in dien toestand verrast, zal de hand der goddelijke rechtvaardigheid den zondaar, die doof bleef voor Gods stem, eeuwig treffen, en de vlammen der hel zullen hem des te verschrikkelijker pijnigen, naarmate God hem meermalen en dringender door zijne genade aanspoorde tot hekeering, \') Gelukkig daarentegen, driewerf gelukkig
lijk lot zal treffen, dat God hem zijn bijstand geheel en al onttrekt. Het is echter duidelijk, dat hier slechts spraak is van de tijdelijke straf der algeheele verwoesting van Jerusalem, maar volstrekt niet van liet onttrekken der inwendige genade. Hetzelfde geldt van vele andere teksten, waaruit men de verschrikkelijkste aller straffen wil afleiden, bijv. waar God van de Amorrheërs zegt: «Nog hebben zij »de maat hunner misdaden niet gevuldquot; (Hos. XIII, 16), of van de Assyrieërs; //Nog slechts korten tijd, en de maat mijner gramschap #over hunne misdaden zal vol zijn\'\' (Is. X, 25), of van Üamascus: *Om hare drie en vier misdaden wil Ik die stad niet genadig zijnquot; (Amos. 1, 3). Al deze teksten moeten in dien zin verstaan worden, waarin Hieronymus vooral den laatsten verklaart, als hij den vertoornden God de volgende woorden in den mond legt: „Ik heb lang ,gewacht, teneinde den inwoners van Damascus tijd te geven, om «boete te doen over hunne misdaden, en Ik wilde de misdadigers niet «straffen, opdat zij zich zouden bekeeren; maar wijl zij tot drie en «viermaal dezelfde misdaad hebben begaan, zie Ik mij gedrongen «mijn voornemen te veranderen en de misdadigeis te tuchtigen.quot; — Zeer zeker gaat soms met de tijdelijke straf, die over een volk gezonden wordt, de onttrekking gepaard der uitwendige genademiddelen, die nutteloos geworden zijn, wijl men ze niet meer gebruikt. Zoo leert ons de geschiedenis der eeuwen, dat God soms het licht des waren gelools aan een volk onttrekt, om het aan een ander te geven, bij hetwelk het rijker en voortreffelijker vruchten des levens voortbrengt. Daaruit volgt evenwel in het geheel niet, dat God ook aan bizondere personen, bij hun leven, de inwendige genade weigert, welke tot huune bekeering noodzakelijk is.
!) Radboud, de Koning der Friezen, was door den H. Bisschop Wulfrannus in de leer des Uhristendoms onderricht, en toonde zich geneigd, het H. Doopsel te ontvangen. De vele wonderen van Wulfrannus, onder anderen de opwekking van twee kinderen, die ter eere der goden verdronken waren, hadden in het hart van dezen afgodischen Koning dit heilig verlangen opgewekt. De doopdag was bepaald en de Koning op het punt van in de doopvont af te stijgen, toen hij den H. Bisschop nog de vraag deed: waar wel de meeste Friesche koningen waren, in het paradijs, dat hij hem beloofde, of in de hel, waarmede hij hem dreigde. Wulfrannus antwoordde hem met eene vrijmoedigheid, den Apostel der waarheid waardig. Toen trok zich Kadboud van de doopvont terug en zeide, dat hij niet kon besluiten om het doorluchtig gezelschap der vorsten en koningen, zijne voorvaders, te verlaten, om met een hoopje arme lieden in het hemelrijk te wonen. Wulfrannus mocht nu zeggen en doen, wat hij wilde, de Koning bleef verstokt.
Later deed Kadboud den H. Willebrordus ontbieden om met hem te raadplegen. Doch Willebrord gaf den koninklijken gezanten ten antwoord: «Heeft uw gebieder de raadgevingen versmaad van onzen «H. medebioeder Wullrannus, hoe zou hij dan de mijne willen aan-«nemen? Reeds heb ik in den vorigen nacht uwen koning gezien, «vastgesmeed aan een gloeienden ketting; ik geloof daarom, dat hij «tot de eeuwige verdoemenis verwezen is.quot; Niettemin ging de H. Willebrordus met hen om den vorst te bezoeken, doch onderweg
43
degene, die de stem van den aan de deur zijns harten staan den en kloppenden God hoort en der genade toegang verleent! Bij hem zal de Allerhoogste door zijne genade binnenkomen en den maaltijd met hem nemen, dat is, in de innigste vereeniging met hem leven.
§ Over de genmttle der heiligmaking of rechtvaardiging.
IFai is de heiligitiakende genade ?
Zij is eene onverdiende, bovennatuurlijke gave, welke de H. Geest aan onze ziel mededeelt, waardoor wij van zondaars rechtvaardigen, kinderen Gods en erfgenamen des hemels worden. De Profeet Ezechiël verhaalt in zijn zeven-en-dertigste hoofdstuk het volgende gezicht: „De „hand des Heeren kwam over mij, en voerde mij op in den „geest des Heeren, en liet mij neder in het midden van „een veld, dat vol doodsbeenderen was. En hij voerde mij „er rondom heen, en er waren er zeer vele over de vlakte „des velds verspreid, en zij waren geheel dor. En hij „sprak tot mij: zoon des menschen, gelooft gij dat deze „beenderen levend zullen worden ? En ik antwoordde: „Heer, God, Gij weet het. En Hij sprak tot mij; profe-„teer over deze beenderen en zeg: verdorde beenderen, „verneemt het woord des Heeren! Dit zegt God, de Heer, „tot deze beenderen: ziet Ik zal geest in u storten en gij „zult leven. Ik zal u met spieren overtrekken, u met „vleesch omgeven met vel u overspannen en u geest geven,
vernam hij , dat deze zonder het H. Doopsel was gestorven (Boll. 20 Maart. Bldz. 147).
Onder dagteekening van 30 Nov. iS58, deelt pater Klüber, missionaris uit het gezelschap van Jesus in Brazilië, het volgende mede. De missie, welke genoemde pater voor de duitsche kolonisten van ïheewald, Walachin en Jammerthal hield, werd met buitengewonen ijver bijgewoond. ,Het was treffend om te hooren,quot; zoo schrijft hij, ;/hoe deze goede kolonisten, van de hoogte door het woud in het //dal afstijgende, of daaruit opklimmende, berg en dal van duitsche „liederen deden weêrklinken ... Ieder voor zich was zooveel te ge-//lukkiger, wijl hij zijn geluk door allen gedeeld zag; want allen, ,één enkele slechts uitgezonderd, naderden herhaalde malen met »eene voorbeeldige godsvrucht tot de Tafel des Heereu. Degenen, die //wegbleef, was een ongelukkig jongeling, die, zoodra hij over de ,algemeene biecht hoorde preken, zich van de plaats verwijderde „onder voorwendsel, dat een vriend hem wachtte, om een woud met //hem te dunnen aan den oever van de Hio Taquary. Daar nu moest «hij voor een anderen rechterstoel dan dien der boetvaardiglieid //verschijnen: een tak van een juist door hem omgehouwen boom »sloeg tegen zijn hoofd en deed hem dood ter nedervallen.quot;
44
„opdat gij leven en erkennen moogt, dat Ik de Heer ten. En „ik profeteerde, gelijk Hij mij gebood. Terwijl ik nu sprak, „ontstond er een gedruisch, en ik zag beweging, en de „beenderen voegden zich bij elkander, elk op zijne eigen „plaats. En ik zag, en zie spieren en vleesch omgaven „ze en vel overtrok hen; maar geest hadden zij nog niet. En „Hij sprak tot mij: spreek tot den geest; profeteer, zoon „des menschen, en zeg zoo spreekt God, de Heer: van de vier „winden kome de geest en ademe over deze dooden, opdat „zij weêr levend worden. Toen profeteerde ik, gelijk Hij „mij bevolen had, en zij leefden en stonden op hunne „voeten, een heirschaar verbazend groot.quot;
Dit profetisch gezicht bevat, trek voor trek, een getrouw beeld van de herleving des zondaars door de goddelijke genade.1) De zonde, namelijk, heeft den mensch, die in den staat van onschuld, in de frissche jongelingskracht van het Gode gelijkend leven bloeide, van dat hoogere, bovennatuurlijke leven beroofd en hem als in een afzichtelijk geraamte veranderd, dat levenloos op het veld blijft liggen, verdort en uiteenvalt, totdat de geest des Heeren er op nederdaalt, de verstrooide beenderen weder tezamen voegt, en met vleesch en vel bekleedt. Dit nu doet de goddelijke Geest door de voorkomende genade, welke den zondaar tot boetvaardigheid en bekeering opwekt, en zijne herleving in Christus voorbereidt. En evenals bij de schepping het uit het leem der aarde gemaakte lichaam van den mensch nog zonder leven was en de scheppende adem aan dat beeld van aarde het leven nog moest geven, zoo is ook de zondaar, door de werkende genade tot het nieuwe leven voorbereid, nog niet levend: de geest Gods moet nog komen, om hem het bovennatuurlijke leven te schenken. Deze levendmakende adem Gods is dat geschenk des H. Geestes, hetwelk wij de heiligmakende genade noemen. Want door deze genade wordt de mensch uit den staat van zonde in den staat van heiligheid en rechtvaardigheid verplaatst, waarom zij dan ook „rechtvaardigmakende,quot; „heiligmakende „genadequot; of „rechtvaardigmakingquot; genoemd wordt, endaar de staat van zonde een staat van geestelijken dood is, kan de instorting der heiligmakende genade waardoor die dood opgeheven en verdrongen, en de tegenovergestelde staat van het Gode bebagelijk leven, als blijvende eigenschap der ziel, medegedeeld wordt, niet zonder grond met de opwekking uit den lichamelijken dood vergeleken worden. Zoo ook wordt deze overgang tot een nieuw geestelijk
\') Zie ove;- deze plaats Cornelius a Lapide.
45
leven eene „geestelijke wedergeboorte,quot; en hii, wien het ten deel gevallen is, een „wedergeborene,quot; genoemd. Men moet zich echter wel wachten, om den staat van heiligheid en rechtvaardigheid, waarin wij door de genoemde genade gesteld worden, met de christelijke volmaaktheid, welke men gewoonlijk heiligheid noemt, te verwarren. Onder de uitdrukking: „heiligheid,\'\' kan hier slechts die toestand verstaan worden, waarin men zich noodzakelijk bevinden moet, om Gode welgevallig te zijn en bekwaam om eenig werk te verrichten, dat verdienstelijk voor den hemel is. Zulk een toestand is met de vriendschap, het kindschap Gods en met het erfrecht op den hemel onafscheidelijk verbonden. Gelijk die genade dus ons van zondaar heilig en rechtvaardig maakt, zoo werkt zij ook uit, dat wij van vijanden Gods zijne vrienden, van ongelukkige slaven des satans, veelgeliefde kinderen Gods, en, naar de vaste hoop, welke wij hebben, erfgenamen worden van het vaderlijk rijk in den hemel, de eeuwige zaligheid. Daarom zegt de H. Joannes (1. Br. Ill, 1): „Ziet! „welke liefde de Vader ons bewezen heeft, dat wij kinderen „Gods heeten en zijn;quot; en de H. Paulus: „Als wij nu „kinderen zijn, dan zijn wij ook erfgenamen, namelijkerf-„genamen Gods en medeërfgenamen van Jesus Christusquot; (Eom. VIII, 17). Uit het gezegde blijkt vooreerst, dat de heiligmakende genade geenszins een goed is, hetwelk der natuur toekomt of door natuurlijke krachten kan verkregen worden, maar eene bovennatuurlijke gave, wijl zoowel de heiligheid en rechtvaardigheid, waarmede zij ons uitrust, als het kindschap Gods en het erfrecht op den hemel, dat zij voor ons verwerft, goederen zijn, die tot de bovennatuurlijke heilsorde behooren. Even duidelijk is het ten tweede, dat deze genade eene onverdiende gave is, wijl de zondaar, geestelijker wijze dood zijnde, eerst door de heiligmakende genade het bovennatuurlijke leven erlangt en daarmede de bekwaamheid om werken te verrichten, die op goddelijke vergelding aanspraak geven. De genade der heiligmaking is dus een geheel vrij geschenk der barmhartige liefde Gods. „Want,quot; zoo schrijft de Apostel (Kom. V, 10), „wij zijn met God verzoend door den „dood van zijnen Zoon, toen wij nog zijne vijanden waren.quot; Zijn wij als vijanden met God verzoend, „dan worden wij „allen gerechtvaardigd zonder (onze) verdiensten, door „zijne genade, door de verlossing, die in Jesus Christus „is,quot; dat is, door de genade, die ons alleen om de verdiensten van Jesus Christus, onzen Verlosser, wordt medegedeeld (Rom. III, 24).
—---------- ------- --
40
Wai sluit alzoo de rechtvaardig making des zondaars in zich ?
1) De wegneming of de ware zuivering van alle, minstens van alle zware zonden, benevens de vergiffenis der eeuwige straf; 2) de heiliging en de vernieuwing van den inwendigen mensch. De zoogenaamde kerkhervormers, die in de zestiende eeuw optraden, stelden de rechtvaardigmakmg voor als iets bloot uiterlijks, als eene rechterlijke uitspraak Gods, waardoor den geloovigen zondaar de straffen der zonden, om de rechtvaardigheid van Christus kwijtgescholden, en de zonden zelve wel niet uitgedelgd, maar toch bedekt en niet meer tot schuld aangerekend worden. Volgens deze leer, heeft er bi] de rechtvaardigmaking geene innerlijke reiniging van zonde, veel minder een innerlijke ommekeer tot een Gode behagelijk leven, eene innerlijke heiliging plaats. Zelfs hij, die het meest gerechtvaardigd is, blijft toch inwendig met zonden beladen, evenals vdór zijne rechtvaardiging; l) slechts wordt hij voortaan door God beschouwd als bekleed en bedekt met de rechtvaardigheid van Christus, als een rechtvaardige, zoolang namelijk als hij het geloof, waarom hem de rechtvaardigheid van Jesus Christus wordt toegerekend, niet verliest. ï) Tegenover deze ketterijen, die,
\') Het zij hier voldoende, de stelling van Luther, in de Bulla rExsurge Dominequot; door Leo X verworpen, aan te halen: „Loochenen, /,dat na den doop, het kind nog met zonden bevlekt blijft, is Pau-jlus en Christus tezamen met voeten treden.quot;
2) Hoe ongerijmd eene dusdanige leer der rechtvaardigmaking ook moge wezen, getuigen toch talrijke, zeer ondubbelzinnige plaatsen in Luthers werken, dat zij door de Hervormers openlijk geleerd en gepredikt werd. «Het geloof,quot; schrijft Luther (Walch. uitgave XII: 18,28), „is zulk een ding, dat, waar het is, geene zonde in staat is, „nadeel aan te brengenquot; enz. (VIII, 878). „God kan in ons geene „zonde zien, al zijn wij vol zonden, ja enkel zonden inwendig en //uitwendig, aan lichaam en ziel, van het hoofd tot den voet, maar „Hij ziet alleen het dierbare en kostbare bloed van zijn beminden „Zoon, onzen Heer Jesus Christus, waarmede wij besproeid zijn. „Want dat bloed is de gulden rok van genade, waarmede wij gekleed „zijn, en waarin wij voor God verschijnen, zoodat Hij ons niet anders „kan en wil aanzien, dan als waren wij de beminde Zoon zelf, vol „gerechtigheid, heiligheid, onschuld.quot; — //Dat is de leer van Luther,quot; bemerkt op deze plaats Swenkfeld, die eerst Luthers\' vurige aanhanger, later zelf de stichter eener sekte was. „Dat is de leer van „Lutheriquot; „Daarop zegt het onboetwardige vleesch: Deo gratias.quot; — Elders (1. c. V, 725) schrijft Luther: „De moordenaar aan het kruis „ter rechter zijde is evenzeer in Christus heilig, als de H. Petrus, en „het doet er niets toe, dat de H. Petrus en de H. Paulus grootere „werken dan de moordenaar, dan ik en gij, hebben.quot; — „Door het „bloed van Christus zijn wij allen tegelijk van de zonden gezuiverd „en in de hemelsche goederen geplaatst. Is dit zoo, gelijk zeker is, „dan zijn wij even heilig als iUaria en andere Heiligen, hoe groot „zij ook zijn, als wij maar in Christus geloovenquot; (1. c. XI, 3144).
■47
zooals van zelf blijkt, geschikt zijn om voor hem, die het rechtvaardigmakende geloof bezit, zelfs het wezenlijke onderscheid tusschen goed en kwaad op te heffen , \') leert
,/Wij zijn allen Heiligen, en vervloekt is hij, die zich niet heilig ^noerat en prijst. Want zoo gij de woorden van Christus; ,Ik ga ////tot mijnen Vader,quot; gelooft, dan zijt gij even goed een Heilige als //de H. Petrus en alle andere Heiligenquot; (1. c XII, 1893). Up eene andere plaats verstout zich het hoofd der Hervormers met huiveringwekkende woorden te zeggen: „De ware Heiligen moeten goede, groote zondaars zijn .... «Zij heeten Heiligen niet omdat zij zonder „zonde zijn of door de werken heilig worden, maar integendeel, //Omdat zij voor zich en met al hunne werken niets dan zondaars en //verdoemd zijn, doch door de heiligheid van anderen heilig worden, /.namelijk door den Heer Jesus Christus, die hun door het geloof //geschonken en eigen wordtquot; (Uitgave van Jena VI, 199)\' —Bij wien komt bij dergelijke leerstellingen de gedachte niet op, welke de reeds aangehaalde Swenkfeld op vrij vinnige wijze uitsprak: //Zie, zou het //niet een fijn geloof voor onzen ouden Adam zijn, als wij bij onze //vleeschelijke lusten, pracht, hoovaardij, gierigheid, woeker, nijd, //haat en ongehoorzaamheid jegens God altijd mochten blijven, ja van ffden eenen maaltijd tot den anderen overgaan, en toch in den hemel //konden komen? Alsof God bij onzen dood of ten jongste dage zoude //zeggen: //Komt, gij deugnieten in den hemel ter wille van Christus, //mijnen Zoon.quot; 1)
\') Luther zelf leert op verscheidene plaatsen, dat het ongeloof de eenige zonde in de wereld is, en geene andere zonde den mensch kan verdoemen, dan het ongeloof alleen. Duidelijk wordt het objectieve onderscheid tusschen goed en kwaad weggenomen in het achtste deel zijner werken (bladz. 2730. Walch. uitg.); //Het is eene schande-//lijke dwaling,quot; staat daar ter plaatse, //als de sophisten de zonde ^.onderscheiden volgens de werken, zooals die in zich zelve zijn, en /.niet naarmate de persoon geloovig of ongeloovig is. Heeft een ge-z/loovige eene even groote zonde als een ongeloovige gedaan, dan «wordt zij den geloovige vergeven en niet toegerekend, maar blijft //voor den ongeloovige behouden en wordt hem wel toegerekend, zij //is dus voor den geloovige eene vérgeefbare zonde, welke voor den //ongeloovige eene doodzonde is : niet omdat er in de zonden in zich //zeiven een onderscheid is, maar omdat er coiderscheid is tusschen //de personen. Want de geloovige houdt door het geloof voor zeker, //dat hem zijne zonde vergeven is ter wille vau Christus, sinds Christus //zich zeiven ten offer heeft gegeven. Daarom blijft hij, ofschoon hij //zonde heeft, evenwel een godvruchtig mensch, de ongeloovige daar-//entegen blijft goddeloos. Uit is de ware wijsheid en troost der god-//vruchtigen, dat zij weten, dat zij zonden hebben en die bedrijven, «maar dat het kwaad ter wille van het geloof in Christus hun niet „wordt toegerekend.quot; Moet men niet zeggen, dat met zulk eene leer aan alle zonden en misdaden den vrijen loop gegeven wordt? Ook zijn er bewijzen en klachten, zelfs van protestantsche schrijvers dier eeuw, in menigte voorhanden, 2) welke op onweerlegbare wijze aan-toonen, dat het volk dat nieuwe Evangelie tot „een schandelijken dek-„mantel van alle kwaad, van allen moedwil en vleeschelijke onge-,/bondenheid gebruikte; dat het zonder eenige godsvrucht, zonder //boetvaardigheid voortleefde en de zonde niets telde, dat juist die-
1
Epistolar 1546. D. II, B. II, bl. 255 en Epistolar 1550. D. 1, bl. 812. Bij Uijllinger D I. bl. 274.
2
De Hervorming en hare gevolgen door Uöllinger.
48
de katholieke Kerk, dat de rechtvaardigmaking niet alleen eene uitwendige, maar ook eene inwendige bevrijding van zonden, en tevens eene ware heiliging en vernieuwing van den inwendigen mensch is, krachtens welke de mensch van zondaar rechtvaardige wordt.
1) Over de ware innerlijke reiniging van zonden leert de H. Kerkvergadering van Trente: „Wie loochent, dat „door de genade van Jesus Christus, welke in den Doop „wordt medegedeeld, de erfzonde vergeven wordt, of „beweert dat al datgene, wat het wezen der zonde uit-„maakt, niet uitgedelgd, maar slechts bedekt (radi) of „niet toegerekend wordt, hij zij in den banquot; {5e Zitt. 5e Can.). Wat hier van de erfzonde gezegd is, geldt eveneens van alle andere zonden, die vóór het Doopsel bedreven zijn. En evenals deze eerste rechtvaardigmaking door het Sacrament des Doopsels de ware zuivering of uitdelging der zonden ten gevolge heeft, zoo ook elke volgende, hetzij die door het Sacrament van Boetvaardigheid , of wel buiten dit Sacrament door een volmaakt berouw verkregen worde. Want nooit wordt de mensch, volgens de leer der katholieke Kerk , gerechtvaardigd, zonder dat hem tenminste alle zware zonden vergeven worden en hij van de vlekken der zonde volkomen gezuiverd wordt. Zoo worden ook telkens, tegelijk met de zonden, de eeuwige straffen vergeven, die daardoor verdiend zijn. Niet altijd echter wordt, naar de leer van het Concilie van Trente, de tijdelijke straf, evenals bij de eerste rechtvaardigmaking door het H. Doopsel, aan diegenen, die na het Doopsel in zonden, gevallen zijn, geheel en al kwijtgescholden. Daarom ook worden in het Sacrament van Boetvaardigheid vasten, aalmoezen, gebeden en andere godvruchtige oefeningen, behalve als een behoedmiddel tegen herval, ook als voldoening voor de overgebleven tijdelijke straffen opgelegd, wat bij het H. Doopsel niet geschiedt. — De leer der Kerk aangaande de ware innerlijke zuivering of delging der zonden door de genade der rechtvaardigmaking is ook in de H. Schrift zoo duidelijk
//genen \'t luidste het geloof en het Evangelie prezen, die in hunnen „levenswandel de gruwelijkste ergernissen gaven.quot; Zoo moest het natuurlijk gaan: het op \'C dwaalspoor gebrachte volk was er echter de grootste schuld niet van, maar wel de uitvinder en prediker dier zedeloosheid bevorderende leer. — Werd bij zulke beklagenswaardige afdwalingen van den menschelijken geest de gezonde en zuivere leer van de christelijke rechtvaardiging tot op den huldigen dag nog behouden; het menschdom heeft dit alleen aan de waakzaamheid en het onfeilbaar leergezag van de roomsch-katholieke Kerk te danken.
49
mogelijk uitgesproken. Daar is geen spraak van een bloot bedekken of niet toerekenen der zonden; neen, daar heet het: de zonden worden uitgeroeid (Is. XLIII, 25), weggenomen, in de diepte der zee verzwolgen (Mich. VII, 19). God „doet ze verdwijnen als een wolk, als een nevelquot; (Is. XLIV, 22). De zondaar wordt afgewasscheu (1 Cor. VI, 11), gereinigd (1. Joan. I, 7), wiUey dan sneeuw (Ps. L, 9), zoodat niets veroordeelenswaardigs meer in hem te vinden is (Rom. VIII, 1).
En gesteld ook, dat de leer van de werkelijke delging der zonden op deze en honderd soortgelijke plaatsen der H. Schrift minder duidelijk en bepaald uitgesproken was, dan nog zou niet alleen het gezag der Oudvaders en der katholieke Schriftuurverklaarders, maar ook het gezond verstand ons dwingen, om zelfs die plaatsen, waar gesproken wordt van eene bedekking der zonden, zooals in Ps XXXI, 1; Rom. IV, 7, e. a. in den zin van werkelijke delging te verklaren. Inderdaad wat zou de gerechtvaardigde zijn, als zijne rechtvaardigheid alleen uitwendig was? Zou hij dan niet veel gelijken op een dier praalgraven , die van buiten wel schoon, doch van binnen vol onreinheid zijn? (Matth. XXIII, 27). En welk denkbeeld zou men zich dan van God, den Alwetende en Allerheiligste moeten vormen, die in zulke schijnheiligheid zijn welbehagen zou nemen ? Welk een onteerend begip zou men zich dan moeten vormen van de genade, ons door het bloed van Jesus Christus verdiend, die de kracht niet hebben zou, om het gift der zonde uit onze harten te verdrijven, en de wonden, welke de satan ons geslagen heeft, werkelijk te heelen ?
2) Aangaande de innerlijke verandering of heiliging leert de JE. Kerk dat \'bij de rechtvaardigmaking ons de rechtvaardigheid van Christus niet slechts toegerekend (als een kleed ons geschonken en omgehangen) wordt, maar, dat zij ons werkelijk rechtvaardig maakt, „zoodat wij in den „geest van ons gemoed (dat is: in het binnenste onzer ziel) „vernieuwd worden, in volle waarheid rechtvaardig heeten „en zijn, vermits wij de rechtvaardigheid in ons opnemen, „ieder de zijne, naar de mate, waarin de H. Geest een-„ieder bedeeltquot;. — (Cone, van Trente, 6e Zitt. 7e hoofdst.) Daarom verklaart de Kerkvergadering van Trente (Ge Zitt. can. 11) uitdrukkelijk: „indien iemand beweert, dat de „menschen gerechtvaardigd worden alleen daardoor, dat „hun de rechtvaardigheid van Christus wordt toegerekend, „of de zonden hun vergeven worden, zonder dat hun de „genade en liefde wordt medegedeeld, welke door den H.
DEHARBE, GELOOFSLEER. IV. 3 ie DEUK. A
50
„Geest in hucr.e harten is uitgegoten en in hen woont. . . . „die zij in den ban.quot; — Volgens de katholieke opvatting wordt dus door de rechtvaardigmaking het onkruid dei-zonde in de aarde van ons hart niet slechts afgesneden, maar uitgeroeid, en in deszelfs plaats de plant van het heilig en Gode gevallig leven gesteld, of met andere woorden, door de rechtvaardigmakende genade wordt de mensch niet alleen gezuiverd van zonden, maar overeenkomstig de belofte van Christus, ook „in waarheid geheiligdquot; (Joan. XVII, 17, 19). Het bovennatuurlijk evenbeeld Gods, dat door de zonde wasuitgewischt, wordt in de ziel van den gerechtvaardigde hersteld, die door het goddelijk vuur der heiligmakende genade weêr een nieuw, een hemelsch leven ingaat. Door haar wordt de ziel met hoogere krachten voorzien om werken te verrichten, die Gode aangenaam zijn, met goddelijke deugden uitgerust, alsmede met de kostbaarste gaven des H. Geestes verrijkt, ja in zekeren zin der goddelijke natuur deelachtig. Daarom zegt de Apostel van de gerechtvaardigden, dat zij niet slechts afgewasschen, maar ook „geheiligd zijn in den H. „Geest van onzen Godquot; (1. Cor. VI, 11); dat „de H. Geest „overvloeidig over hen uitgestort isquot; (Tit. Ill, 5); dat zij „de volheid der gaven en der rechtvaardigheid ontvangen „hebbenquot; (Rom. V, 17); en de H. Petrus (2. Br. 1,4), dat „zij in gemeenschap met de goddelijke natuur komen.quot; De heiligheid en rechtvaardigheid van den gerechtvaardigde is alzoo niet slechts eene afkeering van het kwaad, een vrijzijn van zonden, maar ook eene toeneiging tot God, eene heilige gezindheid, eene goddelijke liefde, eene beslissende en krachtdadige geneigdheid en richting van den wil ten goede, tot datgene, wat God aangenaam is, tot het laatste doel, tot de eeuwige zaligheid. De rechtvaardigheid, door de rechtvaardigmakende genade verkregen, is een heilige, een genaderijke toestand, waarin God bizonder behagen schept. Als de H. Schrift getuigt, dat het Gode aangenaam is met de kinderen der menschen te zijn (Spr. VIII, 31), dan geldt dit vooral van die zielen, waarin zijn goddeliik evenbeeld prijkt, vernieuwd en versierd met hemelsche deugden. Bij zulke zielen neemt God zijn intrek en vestigt zich in haar, volgens de woorden des lieilands: „zoo iemand Mij lief heeft, zal mijn Vader hem beminnen, „en Wij zullen tot hem komen en ons verblijf bij hem „nemenquot; (Joan. XIV, ^3). gt;)
\') Wij hebben tot hiertoe, de leer dei- Kerkvergadering van Trente
51
Voorbereiding tot de reehtvaardigmaking.
Vanwaar neemt de rechtvaardigmahinrj der zondaars haren aanvang?
Van de voorkomende genade, welke den zondaar verlicht en aanspoort, om zich tot God te wenden.
volgende, de lieiligmakende genade meer naar hare gevolgen, dan volgens haar innerlijk wezen beschreven. Over dit laatste heeft de Kerkvergadering van Trente alleen in zooverre uitspraak gedaan, dat zij haar als eene genade aanduidde, welke den rechtvaardige aankleeft, in hem woont (inhaeret), Zitt. VI. Can. 11), in overeenstemming met de woorden van den H. Joannes: ,/Ieder, die uit God geboren /,is, doet geene zonde, omdat zijn (Godsi zaad in hem verblijftquot; (1 Br. 111, i)). De roomsche Katechismus (Deel 1 over het Doopeel) noemt haar eene goddelijke, in de ziel ingedrukte hoedanigheid (divina qualitas), een glans en een licht, hetwelk al de smetten onzer ziel te niet doet en de ziel zelve schooner en luisterrijker maakt. Maar ook deze beschrijving is meer figuurlijk dan juist bepalend. Eenige oude Godgeleeiden zijn van gevoelen, dat de lieiligmakende genade niets anders is, dan de H. Geest zelf, die in het hart van den rechtvaardige woont. Deze meening werd echter voldoende door den H. Thomas wederlegd en komt op het eerste gezicht reeds onwaarschijnlijk voor, als men in aanmerking neemt, dat de lieiligmakende genade in de ziel des rechtvaardigen toeneemt, hetgeen voorzeker van den H. Geest niet kan gezegd worden. Andore Godgeleerden meenen, dat de lieiligmakende genade van den staat dei-inwonende (habitueele) liefde alleen in naam verschilt, maar in werkelijkheid een en hetzelfde is. Ter bevestiging van dit gevoelen beroepen zich de bedoelde Godgeleerden op de H. Schrift, waar datgene wat zij aangaande de genade te gelooven voorstelt, ook van de liefde wordt gezegd. Het grootste deel van hen maakt echter een wezenlijk onderscheid tusschen de liefde en de lieiligmakende genade, ofschoon zij toegeven, dat de liefde met de genade, hoewel volgens het wezen van elkander onderscheiden, toch in zulk een nauw en noodzakelijk verband staat, dat zij met deze in het hart ingaat, met haar vermeerdert, met haar verdwijnt en in elk opzicht van haar onafscheidelijk is, gelijk de glans van het licht. Op het wezenlijk onderscheid der lietde en genade afgaande, zoggen deze Godgeleerden, dat de liefde eenvoudig eene deugd is, welke den wil bekwaam maakt, bovennatuurlijke akten van liefde Gods, als het in zich oneindig beminnenswaardige goed, d. i. van volmaakte liefde, te verwekken, terwijl de heiligmakende genade de natuur, het ge-heele wezen der ziel vervolmaakt en haar, volgens de woorden van den H. Petrus, (2 Br. I, 4}, «aan de goddelijke natuur deelachtig //maakt,quot; op dezelfde wijze als een gloeiend ijzer aan de natuur van het vuur deelachtig wordt, zonder dat zijn wezen in dat van het vuur overgaat.1) — Voor deze geheimvolle gemeenschap van wezen met God houden de genoemde Godgeleerden de geestelijke rcederge-hoorte in den strengsten zin des woords (Joan. Ill, 5, Tit. Ill, 5), de nieuwe, door den H. Geest bewerkte scheppiny (Gal VI, 15), krachtens welke de mensch een nieuw schepsel woidt in Christus (2 Cor. V, 17). Zeker kan deze inwendige verandering , deze veredeling en als ;t ware
4«=
1
1 Thorn. II, q. 62. a. 1 ad. 1.
52
Wil de mensch, die in zware zonden is gevallen, de genade der rechtvaardigmaking erlangen , dan moet hij zich noodzakelijk daartoe voorbereiden. Het Evangelie stelt op vele plaatsen de boetvaardigheid als onontbeerlijke voorbereiding en noodzakelijke voorwaarde, zonder welke de zonde niet vergeven, de zondaar niet met God verzoend kan worden. En God zelf spreekt door den mond van den
nieuwe schepping der ziel, deze deelneming aan de goddelijke natuur ook in een bloot ethischen zin verstaan en verklaard worden, in zooverre nnmelijk de mensch door de ingestorte genaden en deugden aan God gelijkvormiger, een schooner en volmaakter evenbeeld zijner heiligheid en rechtvaardigheid wordt, en in zijn leven in zekere mate het leven van God uitdrukt, volgens de woorden van den H. Joannes (I Br. III, 7): //Wie rechtvaardigheid doet, is rechtvaardig gelijk ook //Hij (God) rechtvaardig is.quot; üeze Godgeleerden oordeelen echter, dat eene dergelijke, bloot ethische herschepping niet voldoende is, om de bizonder sterke uitdrukking der H. Schrift en der Kerkvaders duidelijk te verklaren. //Wij moeten dus besluiten,quot; zegt Kleutgen (Theologie der Vorzeit Bd. 2 Abth. 7 Hpst 4. IV), dat de door «de genade voortgebrachte vereeniging met God volgens haren aard „zoo innig en volkomen mogelijk is, dat dus niet alleen de krachten, /,moar ook de natuur en het wezen der ziel zelve van God geheel „doorgedrongen, in Hem opgenomen en door het licht van zijnen „Geest vervuld en verlicht worden.quot; •)
Hoewel de besproken meening niet als eene geloofsleer kan worden voorgesteld, is zij toch zeker geschikt, om ons een verheven denkbeeld van de heiligmakende genade te geven , en mag voor \'t minst niet als eene bedriegelijke, tegen de gezonde christelijke leer strijdende, aan dweeperij en overdrijving grenzende leer aangezien en verworpen worden; vooral daar het uit de door de Kerk veroordeelde stellingen (17, 21, 42) van Bajus duidelijk blijkt, dat wij den staat der heiligmakende genade met recht als een (in den bovengezegden zin) vergoddelijkenden staat (statum deificum, als eene verheffing tot de gemeenschap met de goddelijke natuur beschrijven. In elk geval is het niet in strijd met de H. Schrift, de heiligende genade te onderscheiden van de liefde, daar ook in de gewijde Boeken een dergelijk onderscheid voorkomt, gelijk bijv. in den tweeden brief aan de Corinthiërs (XIII, 13), waar geschreven staat; //De genade van onzen /,Heer Jesus Christus en de liefde Gods en de gemeenschap des H. //Geestes zij met u allen!quot; (Verg. 1 Tim. I, 14; Eph. VI, 23, 24). Daartoe rechtigt ons overigens niet alleen het gezag van den H Thomas en zijne school, maar ook de roomsche Kathechismus, welke, na de heiligmakende genade als //eenen glans en een lichtquot; te hebben beschreven, er terstond bijvoegt, dat met haar het overheerlijke gevolg van alle deugden (bijgevolg ook de liefde) in de ziel wordt ingestort; en ook de synode van Mainz (in het jaar 1549) maakt (hfdst. VII) dit onderscheid, als zij leert; „De mensch ontvangt met de „vergeving der zonde de genade Gods en de door den H. Geest tegelijk i/met het geloof in het hart ingestorte liefde.quot;
*) Zie D. II. den tekst van den H. Cyrillus van Alexandrië uit de dialoge over de H. Drievuldigheid. In hetzelfde boek zegt Cyrillus verder: //qaod Spiritus sanctus nos deificat, decs efficit, nobis „deitatem indit.quot; Kn zulke uitdrukkingen vinden wij ook bij andere grieksche en latijnsche Kerkvaders, bij Basilius, Gregorius van Nazianze, Augustinus, Petrus Chrysologus, enz.
53
Profeet Zacharias, (I, 3): „Keert u tot Mij, en Ik zal „Mij tot u keerenen door den Profeet Samuël (1 Kon. VII, 3): „Bereidt uwe harten voor den Heer.quot; Wil dus de mensch van zijn kant zich niet tot God keeren, dan mag hij niet hopen , dat God zich tot hem keeren, hem heiligen en als zijn geliefd kind in genade aannemen zal. — De dwaalleeraars der zestiende eeuw loochenden de noodzakelijkheid van zulk eene voorbereiding, en beweerden, dat het werk der rechtvaardigmaking van het begin tot het einde enkel goddelijke daad is, en de mensch daarbij volstrekt lijdelijk blijft.\') Daarentegen spreekt de Kerkvergadering van Trente den ban uit over diegenen, die durven leeren, dat bet „in geen opzicht noodig is, dat de „zondaar ter verkrijging van de genade der rechtvaardig-„making, door beweging zijns wils voorbereid eu geschikt „gemaakt worde,quot; (6e Zitt. 9e Can.). — Deze volstrekt noodzakelijke voorbereiding is dus bij iederen zondaar, die tot de jaren van onderscheid gekomen is, het begin des heils. Daar nu, gelijk vroeger uitvoerig bewezen werd, de mensch niet in staat is, uit eigen krachten de eerste schrede tot zijn heil te doen en in het algemeen een ter zaligheid verdienstelijk werk te verrichten, spreekt het van zelf, dat de eerste beweging ter rechtvaardigmaking van God moet uitgaan, en dat deze in niets anders bestaat dan in de voorkomende genade, welke den zondaar roept, verlicht en aanspoort, om zich weder tot God te bekeeren. Daarom zegt de Heiland zelf bij Joannes (VI, 6G): „Nie-„mand kan tot Mij komen, zoo het hem niet door mijn „Vader gegeven zij.quot; — Daarom moeten wij allen op de woorden, waarmede God ons tot bekeering roept, met den Profeet Jeremias XXXI, 8) antwoorden : „Bekeer mij , dan „zal ik bekeerd worden.quot; En daarom verklaart ook het
\') Reeds ter gelegenheid der beroemde disputatie te Leipzig verdedigde Luther tegen van Eek de leer, dat bij de rechtvaardiging van den mensch God alleen weriizaam is. Hij vergeleek den mensch met eene zaag, welke in de hand van den werkman zich bedaard moet laten heen en weêr trekken. Later kwam hij voor den dag met de vergelijking van den gevallen mensch met eene zoutzuil, een blok, een aardklomp, welke niet in staat is met God te werken (Luther in Gen. XVll). Wel is waar kwam reeds ten tijde van Luther het gezond verstand der Christenen, zelfs onder zijne aanhangers, tot nadenken en verhiel\' zich luide tegen deze, de menschelijke vrijheid, en medewerking wegnemende leerstelling. Ka diens dood hadden zelfs verscheidencn den moed, het tegendeel te leeren. Maar Luthers leer zegevierde toch zoo volkomen, dat niet alleen zijn gevoelen, maar zelfs zijne uitdrukkingen in de verklaring van het pi\'otestantsche geloofsformulier werden opgenomen. (Zie meer hierover in Möhlers Symboliek § 1).
52
Wil de mensch, die in zware zonden is gevallen, de genade der rechtvaardigmaking erlangen , dan moet hij zicli noodzakelijk daartoe voorbereiden. Het Evangelie stelt op vele plaatsen de boetvaardigheid als onontbeerlijke voorbereiding en noodzakelijke voorwaarde, zonder welke de zonde niet vergeven, de zondaar niet met God verzoend kan worden. En God zelf spreekt door den mond van den
nieuwe schepping der ziel, deze deelneming aan de goddelijke natuur ook in een bloot ethischen zin verstaan en verklaard worden, in zooverre namelijk de mensch door de ingestorte genaden en deugden aan God gelijkvormiger, een schooner en volmaakter evenbeeld zijner heiligheid en rechtvaardigheid wordt, en in zijn leven in zekere mate het leven van God uitdrukt, volgens dc woorden van den H. Joannes (I Br. Ill, 7): „Wie rechtvaardigheid doet, is rechtvaardig gelijk ook /-Hij (God) rechtvaardig is.quot; Deze Godgeleerden oordeelen echter, dat eeue dergelijke, bloot ethische herschepping niet voldoende is, om de bizonder sterke uitdrukking der H. Schrift en der Kerkvaders duidelijk te verklaren, „Wij moeten dus besluiten,quot; zegt Kleutgen (Theologie der Vorzeit Bd. 2 Abth. 7 Hpst 4. IV), dat de door /•de genade voortgebrachte vereeniging met God volgens haren aard izoo innig en volkomen mogelijk is, dat dus niet alleen de krachten, „maar ook de natuur en het wezen der ziel zelve van God geheel „doorgedrongen, in Hem opgenomen en door het licht van zijnen „Geest vervuld en verlicht worden/\' 1)
Hoewel de besproken meening niet als eene geloofsleer kan worden voorgesteld, is zij toch zeker geschikt, om ons een verheven denkbeeld van de heiligmakende genade te geven , en mag voor \'t minst niet als eene bedriegelijke, tegen de gezonde christelijke leer strijdende, aan dweeperij en overdrijving grenzende leer aangezien en verworpen worden; vooral daar het uit de door de Kerk veroordeelde stellingen (17, 21, 42) van Bajus duidelijk blijkt, dat wij den staat der heiligmakende genade met recht als een (in den bovengezegden zin) vergoddelijkenden staat (statum deificum, als eene verheffing tot de gemeenschap met de goddelijke natuur beschrijven. In elk geval is het niet in strijd met de H. Schrift, de heiligende genade te onderscheiden van de liefde, daar ook in de gewijde Boeken een dergelijk onderscheid voorkomt, gelijk bijv. in den tweeden brief aan de Corinthiers (XIII, 13), waar geschreven staat; „De genade van onzen „Heer Jesus Christus en de liefde Gods en de gemeenschap des H. „Geestes zij met u allen!quot; (Verg. 1 Tim. 1, 14; Eph. VI, 23, 24). Daartoe rechtigt ons overigens niet alleen het gezag van den H Thomas en zijne school, maar ook de roomsche Kathechismus, welke, na de heiligmakende genade als „eenen glans en een lichtquot; te hebben beschreven, er terstond bijvoegt, dat met haar het overheerlijke gevolg van alle deugden (bijgevolg ook de liefde) in de ziel wordt ingestort; en ook de synode van Mainz (in het jaar 1549) maakt (hfdst. VII) dit onderscheid, als zij leert; „De mensch ontvangt met de „vergeving der zonde de genade Gods en de door den H. Geest tegelijk j,mot het geloof in het hart ingestorte liefde.quot;
1
Zie D. II. den tekst van den H. Cyrillns van Alexandrië uit de dialoge over de H. Drievuldigheid. In hetzelfde boek zegt Cyrillus verder; „quod Spiritus sanctus nos deificat, deos efficit, nobis „deitatem indit.quot; £n zulke uitdrukkingen vinden wij ook bij andere grieksche en latijnsche Kerkvaders, bij Basilius, Gregorius van Nazianze, Augustinus, Petrus Chiysologus, enz.
53
Profeet Zacharias, (I, 3): „Keert u tot Mij, en Ik zal „Mij tot u keerenen door den Profeet Samuël (1 Kon. YII, 3): „Bereidt uwe harten voor den Heer.quot; Wil dus de mensch van zijn kant zich niet tot God keeren, dan mag hij niet hopen , dat God zich tot hem keeren, hem heiligen en als zijn geliefd kind in genade aannemen zal.— De dwaalleeraars der zestiende eeuw loochenden de noodzakelijkheid van zulk eere voorbereiding, en beweerden, dat het werk der rechtvaardigmaking van het begin tot het einde enkel goddelijke daad is, en de mensch daarbij volstrekt lijdelijk blijft.]) Daarentegen spreekt de Kerkvergadering van Trente den ban uit over diegenen, die durven leeren, dat het „in geen opzicht noodig is, dat de „zondaar ter verkrijging van de genade der rechtvaardig-„making, door beweging zijns wils voorbereid en geschikt „gemaakt worde,quot; (6e Zitt. 9e Can.). — Deze volstrekt noodzakelijke voorbereiding is dus bij iederen zondaar, die tot de jaren van onderscheid gekomen is, het begin des heils. Daar nu, gelijk vroeger uitvoerig bewezen werd, de mensch niet in staat is, uit eigen krachten de eerste schrede tot zijn heil te doen en in het algemeen een ter zaligheid verdienstelijk werk te verrichten, spreekt het van zelf, dat de eerste beweging ter rechtvaardigmaking van God moet uitgaan, en dat deze in niets anders bestaat dan in de voorkomende genade, welke den zondaar roept, verlicht en aanspoort, om zich weder tot God te bekeeren. Daarom zegt de Heiland zelf bij Joannes (VI, 66); „Me-„mand kan tot Mij komen, zoo het hem niet door mijn „Vader gegeven zij.quot; — Daarom moeten wij allen op de woorden, waarmede God ons tot bekeering roept, met den Profeet Jeremias XXXI, 8) antwoorden: „Bekeer mij , dan „zal ik bekeerd worden.quot; En daarom verklaart ook het
\') Keeds ter gelegenheid der beroemde disputatie te Leipzig verdedigde Luther tegen van Eek de leer, dat bij de rechtvaardiging van den mensch God alleen werkzaam is. Hij vergeleek den mensch met eene zaag, welke in de hand van den werkman zich bedaard moet laten heen en weêr trekken. Later kwam hij voor den dag met de vergelijking van den gevallen mensch met eene zoutzuil, een blok, een aardklomp, welke niet in staat is met God te werken (Luther in Gen. XVII). Wel is waar kwam reeds ten tijde van Luther het gezond verstand der Christenen, zelfs onder zijne aanhangers, tot nadenken en verhief zich luide tegen deze, de menschelijke vrijheid en medewerking wegnemende leerstelling. Ka diens dood hadden zelfs verscheidenen den moed, het tegendeel te leeren. iNIaar Luthers leer zegevierde toch zoo volkomen, dat niet alleen zijn gevoelen, maar zelfs zijne uitdrukkingen in de verklaring van het protestantsche geloofsformulier werden opgenomen. (Zie meer hierover in Möhlers Symboliek § 1).
54
Concilie van Trente (6e Zitt. 5è hoofdst ), „dat het begin „der rechtvaardigmaking bij hen, die tot de jaren van „onderscheid zijn gekomen, moet gezocht worden in de „voorkomende genade Gods door Jesus Christus, dat is, „door roeping Gods, krachtens welke de mensch zonder ,,eenige verdiensten van zijnen kant, geroepen wordt.\'\'
Deze voorafgaande roeping Gods ter bekeering en recht-vaardigmaking kan de mensch dus, volgens de uitspraak der Kerk, op geene wijze verdienen.
De zedelijk goede behandelintren, die wellicht der genade voorafgaan, de vruchten van zijn natuurlijk goeden wil of van zijn goeden aard, kunnen den zondaar slechts in zooverre voorbereiden tot het aannemen der voorkomende genade en de daarop volgende rechtvaardigmaking, als zij niet, gelijk dit bij de zondige handelingen het geval is, de hinderpalen, welke der opwekkende genade en innerlijke heiligheid in den weg staan, nog vermeerderen en vergrooten.
Wat moet de zondaar van zijnen leant doen, om tot de rechtvaardupnaliing te geraken?
De zondaar moet, gelijk vroeger reeds aangetoond is, door de medewerkende genade ondersteund, en vrijwillig gehoor gevende aan de verlichtende en opwekkende genade, zich tot God keeren (Conc. van Trente 6e Zitt. 5e hoofdst.), niet als moest of konde hij door deze toeneiging tot God, hoewel uitgaande van en voltrokken door de genade, de rechtvaardigmaking eigenlijk verdienen, daar, volgens de woorden der Kerkvergadering van Trente (8e hoofdst.), „door niets van dat alles, wat der rechtvaardigmaking voor-„afgaat, hetzij geloof of andere goede werken, de genade „der rechtvaardigmaking verdiend wordt,quot; 1 ) maar om daardoor den grond des harten tot opname van den hemelschen zaadkorrel, de heiligmakende genade, voor te bereiden. — Die vrijwillige toeneiging tot God, die onontbeerlijke voorbereiding , welke van den kant des zondaars gevorderd wordt, bestaat, volgens de leer van het meermalen genoemde Concilie van Trente daarin, dat;
1) Hij, die gerechtvaardigd moet worden, alles geloove,
\') De zoogenaamde hervormers leerden zelfs, dat zulke goede werken zondig zijn. Daarom zag zich de Kerkvergadering van Trente genoodzaakt, de volgende uitspraak te doen: j/Zoo iemand zegt, dat «al de goede werken, welke der rechtvaardigmaking voorafgaan, op iiwat wijze zij ook geschieden, werkelijk zonden zijn en den haat ^üods verdienen, of dat iemand des te meer zondigt, naarmate hij /,zich ijveriger tot de genade zoekt voor te bereiden, hij zij in den than.quot;
55
wat God geopenbaard heeft, en, in het hizonder, dat wij door Jesus Christus gerechtvaardigd worden. — „De zondaars,quot; zoo leert het genoemde Concilie (6quot; Zitt. 6e hoofdst.), „worden tot het ontvangen der rechtvaardigmakende genade „voorbereid, als zij, door Gods genade aangedreven en „ondersteund.... zich met vrijen wil tot God wenden en „gelooven, dat alles waar is, wat God geopenbaard enbe-„loofd heeft, en in het bizonder dat de zondaar door Gods „genade gerechtvaardigd wordt door de verlossing, die in „Christus Jesus is.quot;
Het geloof is dus voor allen, die nog niet gelooven, de eerste, volstrekt onontbeerlijke schrede tot de rechtvaardig-making. Door het geloof wordt de gemeenschap van den zondaar met God hernieuwd, treedt de zondaar weder tot God toe, hoewel hij zonder de liefde volstrekt niet tot eene volkomen vereeniging met 6-od kan geraken. „Zonder het ..geloof is het onmogelijk Gode te behagenquot; (Hebr. XI, 6), dus ook onmogelijk, door de rechtvaardigmaking Gode welgevallig, een kind Gods te worden. Daarom noemt de Kerkvergadering van Trente het geloof, „het begin van „\'s menschen heil, de grondslag en wortel der rechtvaardig-„making1\' (6e Zitt. S6 hoofdst.). In dien zin zegt ook de H. Paulus (Rom. III, 28) , „dat wij gerechtvaardigd worden „door het geloof,\'\' vermits wij, namelijk, daardoor toegang hebben tot de genade der rechtvaardigmaking (Rom. V, 2), en in dienzelfden zin sprak de diaken Philippus tot den kamerdienaar der koningin Caodace, die hem om de genade des Doopsels bad: „als gij uit geheel uw hart gelooft, dan „kan het geschiedenquot; (Hand. VIII, 37j. Dat geloof bestaat evenwel niet, gelijk de hervormers leerden, alleen in het vertrouwen op de goddelijke barmhartigheid, welke om Christus wille de zonden vergeeft (6e Zitt. 12e Can.), maar daarin, dat wij datgene, wat God tot ons heil geopenbaard en door Jesus Christus, zijn goddelijken Zoon; ons beloofd heeft, vast en ongetwijfeld voor waar houden, dus ook daarin, dat wij even vast en onwrikbaar voor waar houden, wat de katholieke Kerk te gelooven voorstelt, wijl zij, en geene andere Kerk, de goddelijke volmacht en zending heeft ontvangen, om de menschen van de openbaringen en beloften Gods een zeker en onbedriege-lijk getuigenis te geven. Het geloof alleen echter maakt den mensch voor God nog niet rechtvaardig; het is slechts de wortel, waaruit de verdere handelingen, welke de rechtvaardigmaking voorafgaan en voorbereiden, achtereenvolgens voortspruiten. Want de voorbereiding tot de rechtvaardigmaking bestaat nog:
56
2) Daarin, dat de zondaar, door de vrees voor de goddelijke rechtvaardigheid heilzaam getroffen. van de goddelijke barmhartigheid vergifFenis hoopt.
Dit leert wederom het Concilie van Trente, als het zegt (6e Zitt. 6e hoofdst.): „zoodra de zondaars, als zoodanig „zich erkennende, door de vrees voor de goddelijke recht-„vaardigheid heilzaam verschrikt worden, worden zij opgebeurd door de beschouwing der goddelijke barmhartigheid „en vatten vol vertrouwen de hoop op, dat God ook hen „om Christus wille genadig zijn zal.quot; — De hoogere,door het geloof verkregen kennis der oneindige majesteit, heiligheid en rechtvaardigheid van God en zijne wet, het volmaakte begrip van de boosheid en afschuwelijkheid der zonde, verbonden met het helder bewustzijn van zich aan zulke misdaden te hebben schuldig gemaakt, vervult den zor.daar met angst en schrik voor Gods oordeel en drijft hem sterk aan, naar middelen om te zien, teneinde het dreigend verderf te ontgaan. Het geloof, dat hem uit zijn zonden-slaap opwekte en dezen storm in zijne ziel te weeg bracht, helpt hem nu ook om dien tot bedaren te brengen. Het stelt den heilzaam verschrikte de ontfermende goedheid van God, den besten en liefderijksten Vader, voor oogen; verzekert hem, dat de oneindig barmhartige God de zondige wereld zoozeer bemind heeft, dat Hij zijn eenigen Zoon voor haar ten offer bracht, en dat Hij ter wille van dezen Zoon ook hem genade en vergeving aanbiedt. Deze waarheden geven den zondaar weêr moed, boezemen hem vertrouwen in op God en schenken hem gegronde hoop op de vergiffenis zijner zonden. — Hoewel nu in den regel vrees en hoop in het hart des zondaars, die zich tot de recht-vaardigmakmg voorbereidt , na elkander ontstaan, kan men toch niet aannemen, dat de vrees even noodzakelijk is om tot de rechtvaardigmaking te geraken als de hoop. Zoo dus het Concilie van Trente de vrees onder die handelingen opnoemt, welke de rechtvaardigmaking voorbereiden, dau zegt het ons wat gewoonlijk geschiedt, maar heeit daarom, gelijk de Godgeleerden op goeden grond aannemen, niet de bedoeling, ons te leeren, dat de rechtvaardigmaking nooit plaats kan hebben, zonder dat de vrees op eene of andere wij ze daartoe aanspore. De inwoners van Ninive werden, door eene heilzame vrees voor de dreigende straffen aangegrepen, tot boete gebracht; JSaulus, de woedende vervolger der leerlingen van Christus, roept, nadat de hand Gods hem ter aarde geslingerd heeft, nog bevende en sidderende uit; „Heer, wat wilt gij, dat ik „doei1quot; (Hand. IX, 6j. Petrus daarentegen beweent zijne
57
zonde op het zien van den liefdevollen blik zijns godde-lijken Meesters; de goede moordenaar bekeert zich bij de gedachte aan het toekomstige rijk van den gekruisigden Heiliind, en wij zien Maria Magdalena, vol berouw aan de voeten van Jesus neêrgeknield, genade verwerven, niet wijl zij veel heeft gevreesd, maar omdat zii „veel heeft „liefgehad.\'\'
De verdere voorbereidir.g tot de rechtvaardigmaking bestaat:
3) Daarin dat de zondaar God begint te beminnen, vervolgens berouw heeft over zijne zonden, en het voornemen maakt om een nieuw leven te leiden, dat weljre-vallig is aan Grod, en het Sacrament des Doopsels, of, zoo hij gedoopt is, het Sacrament van Boetvaardigheid te ontvangen. „De zondaars,\'\' zegt verder de genoemde Kerkvergadering van Trente, „beginnen God te beminnen als „de bron van alle rechtvaardigheid, en daarom worden zij „opgewekt tot haat en afschuw van de zonden, dat is, „tot boetvaardigheid, die vóór het Doopsel gepleegd moet „worden, en nemen eindeliik het besluit om het Doopsel „te ontvangen, een nieuw leven te beginnen en de geboden „van God te onderhouden.quot; — Vrees en hoop openen het hart voor de liefde. „De vreeze Gods,\'\' zegt de wijze Sirach (XXV, „is het beginsel zijner liefde.quot; — De H. Augustinus schrijft (In Joan. IX) over deze heilzame vrees het volgende: „De vrees bereidt, als het ware, de plaats „voor de liefde; waar geene vrees heerscht, daar vindt de „liefde geen ingang;quot; en over de hoop zegt hij (Verkl.
van Ps. 114); „De hoop pleegt de liefde te ontsteken____
„Omdat gij geloofd hebt, hebt gij gehoopt, en omdat gij „gehoopt hebt, hebt gij bemind.quot; — De vrees voor Gods gestrenge oordeelen keert het hart van de zonde af en wekt in den zondaar het verlangen op, om de verdiende straffen, het grootste kwaad, dat hem treffen kan, te ontgaan; de hoop op den Verlosser schenkt hem het vertrouwen, dit werkelijk te kunnen, en stelt hem niet slechts de vergiffenis der zonden en de bevrijding van de straffen, maar ook de toekomstige gelukzaligheid des hemels zeker voor oogen. Nu begint het hart zich met liefde te neigen tot Hem, die den mensch in overgroote liefde en ontferming deze onschatbare goederen beloofd en door zijn zoendood verdiend heelt; de zondaar begint dus God als de bron van alle rechtvaardigheid, Jesus Christus als de oorzaak van zijne rechtvaardigmaking en alle daarmede verbonden goederen te beminnen. Want liefde tot eenig gehoopt goed spoort den mensch aan, om ook den uitdeeler
58
daarvan te beminnen, en dit des te meer, naarmate hij beter zijne eigen onwaardigheid en de welwillende gezindheid en erbarmende goedheid van den gever erkent. \') — Uit de vrees, verbonden met de hoop, van den eenen kant, en uit de liefde van den anderen kant, ontstaat het berouw, dat is, de smart over en de afschuw van de bedreven zonden. En inderdaad, hoe zou de mensch geen berouw hebben over de zouden, hoe zou hij ze niet haten en verfoeien , de zonden, waardoor hij zich der eeuwige verdoemenis schuldig gemaakt en God, den oneindig goeden, liefderijken en barmhartigen God, beleedigd heeft? Het berouw zou echter nog niet oprecht en heilzaam zijn, als het niet vergezeld ging van het ernstigste voornemen, om door het H. Doopsel, of, als men reeds gedoopt is, door het Sacrament van Boetvaardigheid zich wederom met God te verzoenen, in het vervolg alle, minstens alle zware zonden te vermijden en een nieuw leven te leiden, dat Gode welgevallig en een kind van God waardig is. Dat berouw, verbonden met het goede voornemen, maakt de boetvaardigheid uit, welke van de volwassenen gevorderd wordt vóór het ontvangen van het H. Doopsel, en waarvan geschreven staat: „Doet boetvaardigheid, en een ieder van „u late zich doopen\'quot; (Hand. II, 38). De boetvaardigheid, welke het H. Doopsel voorafgaat, is dus daardoor onderscheiden van die, welke ter rechtvaardigmaking door het Sacrament van Boetvaardigheid gevorderd wordt, dat met het laatste nog gepaard moet gaan de bereidvaardigheid om voldoening te brengen.
Op de beschreven wijze, door geloof, hoop, liefde en berouw, tot de rechtvaardigmaking voorbereid, ontvangt nu de zondaar het Sacrament des Doopsels of der Boetvaardigheid. En als het water der wedergeboorte over hem uitgegoten, of de absolutie des Priesters over hem uitgesproken wordt, dan stort ook de H. Geest de heilig-makende genade in zijne ziel uit. Met deze genade ontvangt de mensch tegelijk de vergiffenis der zonden en de innerlijke heiliging, waardoor hij rechtvaardig, Gode wel-
\') Wij geven deze verklaring der woorden van het Concilie : «dat „zij (de zondaars) God als de bron van alle gerechtigheid beginnen ,/te beminnen,quot; zonder daarmede te willen zeggen, dat zij zoo en niet anders kunnen verklaard worden. Godgeleerden, die in persoon de Kerkvergadering bijwoonden, berichten ons, dat zij de nadere bepaling der op die plaats bedoelde liel\'de met opzet zijn voorbijgegaan, daar het niet tot de haar opgedragen taak behoorde, de leer der Hervormers te bestrijden. Vandaar dat tot den huldigen dag \'de voornaamste Godgeleerden het over den zin der aangehaalde woorden onder elkander niet eens zijn.
59
gevallig, een kind Gods en een erfgenaam des hemels is. Het is dus de heiligmakende genade, welke den zondaar, mits hij zich tot het ontvangen er van behoorlijk hehbe voorbereid, eigenlijk (formeel) rechtvaardigt; het is die in de ziel ingestorte genade, krachtens welke de mensch, tot kind van God aangenomen, naar zijn innerlijk wezen vernieuwd, voortaan goed (d. i. zooals het een in Christus geheiligde betaamt) leven en de geboden Gods onderhouden kan. 1)
Het zou dus eene geheel verkeerde opvatting van de katholieke leer der rechtvaardigmaking wezen, als men het er voor hield, dat eerst de zonden vergeven worden door het berouw, en da, ar na de ziel geheiligd wordt door het instorten der genade. Zou dat niet hetzelfde zijn, als wanneer men zeide, dat om het licht of het leven ingang te doen vinden, eerst de duisternis en de verstijving des doods moeten wijken? Eene meening, die zeker ieder verstandig mensch zal beschouwen als eene handtastelijke ongerijmdheid. Zoolang de zondaar de heiligmakende genade mist, blijft hij in de duisternis en in de schaduw des doods, in volkomen onmogelijkheid om iets voor den hemel te verdienen; komt echter de heiligmakende genade in de ziel, dan verdrijf zij tegelijk den geestelijken nacht en de verdooving , gelijk het zonnelicht de nachtelijke duisternis, gelijk het leven den dood. Eveneens zou men de leer der rechtvaardigmaking geheel verkeerd begrijpen, als men meende, dat zij niets anders was dan eene onder den invloed der werkende genade langzamerhand ontstane zinsverandering; als men dacht, dat de rechtvaardige zich van den zondaar alleen daardoor onderscheidt, dat de wil van den laatsten aan het kwaad gehecht is, terwijl de eerste daarentegen door oefening, dat is, door op elkander volgende akten van geloof, hoop, liefde en berouw, langzamerhand zijn wil aan het goede hecht en daardoor de vergiffenis der zonden en de gunst Gods verwerft. Want hoe zou men volgens deze opvatting de rechtvaardigmaking in het H. Doopsel van kinderen, die het gebruik hunner rede uog niet hebben, kunnen verklaren, daar deze toch onbekwaam zijn, om eene enkele akte van deugd te verrichten ? En evenwel worden die kleine doopelingen, volgens de leer der Kerkvergadering van Trente, wedergeboren in Christus, van alle vlekken der zonde gezuiverd, heilig, rechtvaardig, Gode aangenaam, zoodat niets veroordeelens-
\') De tegenovergestelde leerstelling (42) van Bajus werd verworpen. Verg. Conc. van ïrente, 6e Zitt. 7e Hool\'dst. en 10 Can.
60
waardig in hen is. De rechtvaardigheid, welke door de rechtvaardigmaking verkregen wordt, moet dus niet alleen beschouwd worden als eene met de hulp der werkende genade verkregene vaardigheid of richting van den wil ten goede, maar als eene, om de verdiensten van Christus door God verleende, in de ziel rustende gave, eene gave, waarmede van den kant des menschen, die ze ontvangt, zonder twijfel afkeer van het kwaad en geneigdheid tot het goed, bizonder tot God, als zijn bovennatuurlijk einddoel, verbonden is. Uit kracht van deze in den gerechtvaardigde blijvende gave of bovennatuurlijke gesteldheid, bezit hij de hoogere, Gode aangename rechtvaardigheid, de vriendschap en het kindschap Gods. Deze heiligmakende genade te bewaren en door beoefening van goede werken in zich te vermeerderen, moet het ijverigste, door niets gestoorde streven zijn van hem, die in Christus is wedergeboren en geheiligd: de maat zijner glorie in den hemel zal in evenredigheid staan met de maat dezer genade.
Staat der i\'ecSitvaai\'iIi^iualvin^\'.
\') Kan de mensch zekerheid heliben , dat hij werkelijk gerechtvaardigd is ?
Hieromtrent moet men zich aan de drie volgende beginselen houden:
1) Niemand kan eene onbedriegelijke, op goddelijk geloof steunende zekerheid hebben , dat hij werkelijk gerechtvaardigd is, gelijk de dwaalleeraars beweerden. — De zoogenaamde hervormers der 16Je eeuw leerden, a) dat niemand vergiffenis zijner zonden kan bekomen, dan door vast en zonder den minsten twijfel te gelooven, dat zijne zonden vergeven zijn; en h) dat niemand waarlijk gerechtvaardigd is, dan alleen daardoor, dat hij gelooft (dat is, eene op goddelijk geloof gegronde zekerheid heeft), dat hij gerechtvaardigd is. Zulk een hoogst vermetel, ongegrond en zich zelve tegensprekend geloof heeft het Concilie van Trente verworpen, toen het de genoemde stellingen
\') Verg. S. Thomas, 1. 2, q. 113 a 8. Ter voltooiing der zoo gewichtige leer over de rechtvaurdigmaking, welke dikwijls niet grondig genoeg behandeld wordt, stellen wij in dit handboek eenige vragen, die in de Katechismussen of leerboeken voor kinderen gewoonlijk worden voorbijgegaan.
61
der hervormers (6« Zitt. Can. 13,14) veroordeelde. Daarbij moet men echter niet over het hoofd zien, dat de genoemde Kerkvergadering klaarbliikelijk slechts wilde verklaren, dat de boven allen twijfel verheven zekerheid van de werkelijke, persoonlijke rechtvaardigmaking niet kan worden afgeleid uit de openbaring, welke allen menschen ten deel is gevallen, uit het christelijk geloof, dat allen gemeen is, zonder van den anderen kant te willen ontkennen, dat deze of gene, door hizon.de,-ey hem van God genadig ver leende openbaring, eene op goddelijk geloof gegronde zekerheid van de werkelijk verkregen rechtvaardigheid erlangen kan.
2) In het algemeen kan demensch, zonder eene bizondere openbaring, geene volle, eiken twijfel uitsluitende zekerheid hebben, dat hij gerechtvaardigd is. — „Want gelijk „niemand, die vroom leeft, aan Gods barmhartigheid, aan „de verdiensten van Jesus Christus, en aan de kracht en „werking der HH Sacramenten mag twijfelen, zoo kan „toch eenieder, als hij het oog slaat op zich zei ven en op „zijne zwakke en gebrekkige voorbereiding, ten opzichte „zijner rechtvaardigheid bevreesd en bezorgd zijn, wijl „niemand met die onbedriegelijke zekerheid, welke het „geloof schenkt, kan weten, of hij de genade Gods werke-„lijk ontvangen heeftquot; (Conc. v. Tr. 6e Zitt. 9e Hoofdst.).
Het kan voorzeker niet geloochend worden, dat de genoemde Kerkvergadering, met het oog op de boven besproken dwaalleer, alleen de onbedriegelijke zekerheid des geloofs schijnt uit te sluiten; niettemin zien de Godgeleerden over het algemeen er geene moeielijkheid in, om deze uitspraak tot elke andere allen twijfel uitsluitende zekerheid uit te strekken, vermits de gronden, welke voor deze bewering worden aangevoerd, in het algemeen op elke soort van onbedriegelijke zekerheid van toepassing zijn. De onzekerheid, waarin de geloovige aangaande zijne eigen rechtvaardigheid leeft, komt bij hem volstrekt niet voort uit gebrek aan geloof of vertrouwen, maar uit het bewustzijn zijner aangeboren zwakheid en onwetendheid, uit het zien zijner vele fouten en gebreken, die aanleiding geven tot twijfel aangaande de noodige voorbereiding bij het onvangen der HH. Sacramenten. En geeft ons hart ook al getuigenis, dat wij de zonde boven alles haten en betreuren, dat wij God boven alles liefhebben, dan hebben wij toch nog geen ontegensprekelijk bewijs, dat dit berouw en deze liefde uit bovennatuurlijke genade voortkomen, i). Aan hoevele groote begoochelingen der eigenliefde is de
\') S. Thom. 1, 2, q. 112 a 5.
62
mensch in dit opzicht niet Hootgesteld ? Wie heeft geene reden om met den koninklijken Profeet tot God te verzuchten: „Wie kent al zijne zonden? Heer, zuiver mij „van mijne verborgene zonden!quot; (Ps. XVIII, 13). De Phariseër was in zijne eigen oogen zoo rechtvaardig, dat hij zich vermeette op zich zeiven by God te roemen, en toch ging niet bij, maar de tollenaar, boven wien hij zich met zooveel zelfbehagen verheven had, gerechtvaardigd uit den tempel (Luc. XYIII). Geheel anders sprak de H. Paulus. „Ik oordeel mij zeiven niet,quot; schreef hij aan de geloovigen van Corinthe (le Br. IV, 3, 4); „want „hoewel ik mij niets bewust ben, ben ik daarom toch „niet gerechtvaardigd, die mij oordeelt, is de Heer.quot; Zelfs kan iemand de goede werken, die hij verricht, niet als onbedriegelijke kenteekenen aanzien, dat hij zich in staat van genade bevindt. In dien zin spreekt de H. Geest bij den Prediker (IX, 1, 2): „Er zijn rechtvaardigen en „wijzen, en hunne werken zijn in Gods hand, en toch „weet de mensch niet of hij haat, dan wel liefde waardig „is; maar alles is voor de toekomst bewaard als onzeker.quot; De H. Hieronymus verklaart dezen tekst aldus; „Ik wilde „weten, wie door God bemind en wie daarentegen door „Hem gehaat werd. En ik bevond, dat de werken der „rechtvaardigen in Gods hand waren; dat evenwel zelfs „de rechtvaardigen in dit leven niet kunnen weten, of zij „door God bemind worden of niet. .. In de toekomst (na hunnen dood) „zullen zij het weten; want daar is het „oordeel, hier is nog de strijd.quot; — Deze onzekerheid laat God toe, opdat wij steeds in ootmoed voor zijn aanschijn zouden wandelen, ons nimmer boven anderen zouden verheffen , ons vertrouwen niet op onze goede werken, maar op Hem stellen; opdat wij nooit nalatig en traag zouden worden in de beoefening van het goede, maar er steeds naar streven, in heilige vreeze Gods, van deugd tot deugd te klimmen en de begane fouten door oprechte boetvaardigheid uit te wisschen. j)
\') God laat toe, dat zelfs uitverkorene zielen , die Hij tot groote volmaaktheid verheven en met buitengewone genadegaven heelt verrijkt, nooit vnlkomen zeker zijn, dat zij zich in staat van heiligmB-kende genade bevinden. //Meent niet,\'\' zegt de H. Teresia (Seelenburg, 7 Wolm. Kap. 4), ,dat het aan die zielen, welke in den regel den «vasten wil üebben, om voor niets ter wereld eene onvolmaaktheid «te begaan, niet nn en dan overkomt, dat zij dergelijke fouten, ja „zelfs clagelijksche zonden bedrijven. Ik bedoel onvoorbedachtelijke; »want ter vermijding van voorbedachtelijke zal de Heiland haar zeker ,eene geheel bijzondere genade schenken. Van bewuste doodzonden j.zijn zoodanige zielen vrij; maar zij hebben geene volmaakte zeker-
63
3) Niettegenstaande deze onzekerheid kan de mensch toch eene genoegzame zekerheid aangaande zijne recht-
z/heid, er nooit ééne bedreven te hebben, welke zij zich niet meer „herinneren. Dit is voor haar een voorwerp van groote zielskwelling .... //Daarom, mijne zusters, moge diegene onder u, die gegronde reden „meent te hebben om zich gerust te stellen, in de levendigste vreeze //wandelen volgens de woorden van David: „gelukkig de mensch, die „den Heer vreest.quot; — De onzekerheid ten opzichte van den staat van genade wordt bij groote dienaars van God niet zelden vermeerderd door buitengewone geestelijke verlatenheid en troosteloosheid , of ook omdat zelfs de ijverigste en deugdzaamste zielen door de hevigste bekoringen bestormd worden en dientengevolge niet zeker kunnen onderscheiden, of zij soms in de hitte vau den strijd niet eene doo-delijke wonde bekomen d. i. in eene zware zonde ingewilligd hebben. Beide wordt ons duidelijk door het voorbeeld van de H. Maria Magdalena de Pazzi. Deze Heilige was van hare teederste jeugd zeer door God begunstigd en leidde in den familiekring, zoowel als in het klooster der Karmelitessen te Florence, een hoogst godsdienstig, ja, engelachtig leven. De geest Gods leidde haar op buitengewone wegen en overlaadde haar langen tijd met de rijkste genaden en verbazende gunstbetooningen. In haar twintigste levensjaar begon echter voor Maria Alagdalena eene zware beproeving, welke vijfjaren duurde. Het gevoel der genade werd haar geheel ontnomen, en zij verviel in zulk een toestand van dorheid, dat zij meende door God verlaten te wezen. Zij was volgens hare eigen bekentenis nauwelijks meer in staat hare gedachten tot God te verheffen en zich aan Hem op te offeren. Het gebed en de gemeenschappelijke oefeningen van het kloosterleven werden voor haar, in plaats van eene bron van troost, een ondragelijk drukkende last. Daarbij kwamen nog de hevigste bekoringen tot ongeloof, tot wanhoop, tot hoogmoed, tot onmatigheid in eten, en, wat het pijnlijkste was, tot onzuiverheid. De geest der duisternis en der leugen zocht haar bovendien door allerlei valsche beweegredenen te overtuigen, dat de genade, welke zij van God meende ontvangen te hebben, niets dan bedrog en ijdele begoocheling was, dat zij de genade Gods had verbeurd, en dat daarom al hare Communiën en goede werken haar niets konden baten, maar veeleer Gods rechtvaardigheid uitdaagden, om haar te straffen. In dien pijnlijken toestand zuchtte de Heilige en weende bitter, als had sij zich aan de grootste misdaad schuldig gemaakt. Dikwijls zeide zij tot hare medezusters op den toon der innigste overtuiging: „Ik »üen niets dan een afgrond van boosheid; ik ben schuldig aan al „het kwaad en aan alle zonden, welke tegen God worden bedreven, „zoodat ik menigmaal niet kan begrijpen, hoe Jesus en de menschen „mij nog op aarde dulden.quot; Toen de harde beproevingstijd ten einde liep, beval God zijne dienares vijf dagen te vasten op water en brood voor de gebreken, waaraan zij zich had schuldig gemaakt, iïu welde ook de bron van hemelsche vertroosting weder overvloedig; geestvervoeringen en wonderbare verhooring liarer gebeden stelden de moedige strijderes schadeloos voor de moeielijkheden van den veeljarigen strijd. In hare laatste levensjaren werd zij echter opnieuw door duisternissen van den geest en voortdurende troosteloosheid gekweld. In de ziekte, welke haren dood vooraf ging, vroeg de Heilige eens in allen ernst aan haren Biechtvader; „mijn Vader, „gelooft gij wel, dat ik zalig zal worden?\' „Jaantwoordde deze, „dat geloof ik en dat hoop ik; maar waarom vreest en spreekt gij „zoo?quot; „Ach mijn Vader,quot; gaf zij ten antwoord, „voor een schepsel, „als ik, hetwelk\'nooit iets goeds gedaan heeft, is het eene vreeselijke „zaak voor Gods rechterstoel te verschijnen.quot; En toch had zij, gelijk
64
vaardigheid erlangen, om God met vreugde te dienen, met vertrouwen de HH. Sacramenten te ontvangen en zijn stervensuur getroost te gemoet te zien. Immers, vreugde en vrede zijn, volgens den H. Paulus (Gal. V, 22), vruchten des H. Geestes, die bij de rechtvaardigmaking zijn intrek neemt in ons hart. Een blik op onze verhevene toonbeelden, de Heiligen van eiken ouderdom en stand, op Heiligen, waaronder er zijn, die vroeger groote zondaars waren, biedt ons het meest doorslaande bewijs van de in dit antwoord uitgesproken waarheid. Hadden zij ook al dagen van zware beproeving, oogenblikken van geestelijke dorheid en troosteloosheid; hoe vroolijk dienden zij evenwel God, hunnen Heer; met welk een groot vertrouwen naderden zij Hem in hun gebed! Wat verlangden zij vurig raar den hemelschen maaltijd, hun in het H. Sacrament des Altaars bereid; met welke gevoelens van heilige vreugde werd hun hart overstroomd op het oogenblik dezer geheimvolle vereeniging met Hem, den Allerheiligste! Hoe smachtten zij naar het oogenblik van hunnen dood, om eeuwig met Jesus vereenigd te kunnen worden; hoe verheugd waren zij, als dat uur eindelijk sloeg, en hunne stervende oogen de poorten der eeuwigheid zagen opengaan ! In dat zalig oogenblik drong de overmaat van liefde en verlangen alle vrees terug; hunne ziel gevoelde de rabijheid van den Bruidegom en rukte zich los van de banden des lichaams, om in zijne armen te snellen. Ook de Apostel, ofschoon het onbedriegelijk oordeel over zijne rechtvaardigheid aan God overlatende, beriep zich niettemin met vertrouwen op het getuigenis van zijn geweten, en schreef; „Dit is onze roem, het getuigenis van ons ge-„ weten, dat wij in eenvoud des harten en oprechtheid voor „God, in Gods genade gewandeld hebben\'\' (2. Cor. 1,12). En als hij gevoelde, dat het oogenblik zijner ontbinding naderde, schreef hij aan Timotheus (2e Br. IV, 7, 8): „Ik heb den goeden strijd gestreden; voor het overige is „de kroon der gerechtigheid voor mij weggelegd, die mij „de Heer, de rechtvaardige Rechter, zal geven.quot; Hebben wij dus, na zorgvuldige voorbereiding, de belijdenis onzer
Zuster Maria Innocentia Dati getuigde, weinige dagen te voren zich aldus uitgelaten; „Voor zoover ik weet, heb ik bij mijne handelingen //nooit eene andere bedoeling gehad, dan om daardoor God te eeren //en te verheerlijkenAls eindelijk het oogenblik van ontbinding naderde, verdwenen alle sporen van angstvalligheid; de Heilige glimlachte nog eens vriendelijk en zeide: ,/God zij gedankt!\'1 Terstond daarop, den 25sten Mei 1607, gaf zij vol kalmte en tevredenheid den geest. (Uit het leven der Heiligen door Cepari).
65
zonden afgelegd en de H. Absolutie ontvangen, dan mogen en moeten wij vol vertrouwen hopen, dat onze zonden vergeven zijn. De Apostel, die (1. Cor. 14, 28) zegt: „De „mensch beproeve zich zeiven,\'\' voegt er ook aanstonds bij : „En zoo ete hij van dit brood en drinke hij van dezen „kelk,quot; en geeft daardoor duidelijk genoeg te kennen, dat de zelfbeproeving , welke der H. Communie moet voorafgaan, wel zorgvuldig, maar niet zonder einde moet wezen, hetgeen zij zonder twijfel zou moeten zijn, als wij ze zoolang moesten voortzetten, totdat wij volle zekerheid hadden, van niet ongerechtvaardigd tot de tafel des lieeren te naderen. — God, die een God van liefde en vrede is, wil voorzeker niet, dat wij Hem met hartbeklemmenden angst en vrees dienen. Is de Christen, na een zorgvuldig onderzoek van zijn geweten, zich geene zware zonden bewust; erkent hij veeleer, dat hij ze als het grootste kwaad haat en verfoeit; heeft hij een oprecht verlangen om God te behagen en zijn heiligen wil te volbrengen; streeft hij er naar, om ook de kleine of dagelij ksche zonden te vermijden; geeft zijn geweten hem het getuigenis, dat hij al het aardsche in vergelijking van het eeuwige gering acht en bereid is liever alles dan God en den hemel te verliezen; bevindt hij, dat hij niemand benijdt, niemand kwaad wil, maar integendeel liever kwaad met goed vergeldt ; dat hij den naaste naar zijn vermogen helpt en bijstaat uit liefde tot Jesus Christus, die zegt: „wat gij „den minste mijner broeders doet, dat hebt gij aan Mij „gedaan— gevoelt zicb de Christen aldus gestemd, dan mag hij getroost zijn en met vertrouwen de hoop koesteren , tot het getal diergenen te behooren, die God beminnen en door God bemind worden. En volhardt hij tot het einde toe in deze stemming, dan kan hij ook met recht hopen, dat hij als uitverkorene den hemel zal binnengaan.
Kan de heillgrnakende genade vermeerderd, verminderd of weder verloren worden ?
Het is eene geloofsleer, welke het Concilie van Trente (6e Zitt. hoofdst. 10 en Can. 24) tegenover de dwaling bepaald heeft uitgesproken, dat de heiligmakende genade vermeerderd kan worden. Dat zij, niet alleen door middel der HU. Sacramenten, maar ook door de beoefening van goede en verdienstelijke werken werkelijk vermeerderd wordt, daarover zal aanstonds bij de leer over de verdiensten, en later bij de leer over de HH. Sacramenten meer in het breede gehandeld worden.
DEHABBE, GF.LOOKI/EEIl. IV S\'e DUÜK. 5
66
Over de vermindering der heiligmakende genade bestaat er geene beslissing der Kerk; evenwel leeren de meeste Godgeleerden met den H. Thomas van Aquine, dat zij door de dagelijksche zonden wel niet in haar wezen verminderd, maar toch in hare werkingen verzwakt, in haren wasdom verhinderd, en aldus haar volkomen verlies langzamerhand vooi bereid wordt. Het gaat met de vermindering der heiligmakende genade, evenals met die der goddeliike liefde, waarvan in dl. Ill spraak was. Gelijk namelijk bij de liefde de ijver vermindert, zoo verminderen ook bij de heiligmakende genade de werkingen, hoewel het wezen én der liefde én der genade ongedeerd blijft.
Dat de heiligmakende genade weder verloren kan worden, daarover kan redelijkerwijze wel geen twijfel bestaan. Immers dan zou men er aan twijfelen, of de mensch zondigen , of hij door de zoude de liefde Gods en de aanspraak op den hemel verliezen kan. Als dus de H. Joannes (le Br. 111: 9.) zegt: „die uit God geboren is, zondigt „niet, wijl zijn zaad in hem blijft; en hij kan niet zon-„digen wijl hij uit God geboren is,quot; dan hebben deze woorden klaarblijkelijk geen anderen zin dan; de rechtvaardigen of de kinderen Gods zondigen niet, (dat is, niet zwaar) zoo en zoolang zij in de rechtvaardigheid volhai\'den en Gode getrouw blijven; want zij kunnen niet tegelijk rechtvaardigen en zondaars, kinderen Gods en vijanden Gods zijn. Hoe duidelijk en onomstootelijk deze waarheid ook zij, was Calvijn toch vermetel genoeg, om, alle zedelijkheid ondermijnende, te durven beweren, dat de genade der rechtvaardigmakiug niet meer kan verloren worden, als men ze eenmaal ontvangen heeft, en Luther beweerde, dat zij alleen door het ongeloof verloten gaat. Over deze hoofden der hervorming en over anderen, „die met liefelijke „woorden eenvoudige harten verleidenquot; door hetzelfde te leeren, sprak de Kerkvergadering van ïrente (6° Zitt. Can. 23, 27.) den banvloek uit en verklaarde (Hoofdst. 15), „dat het ontegensprekelijk vast staat, dat de ontvangene „genade der rechtvaardigmaking niet alleen door ongeloof, „maar ook door elke andere doodzonde verloren wordt.1\' — Hiervoor beroept zich het Concilie op de uitspraak des Apostels (1. Cor. VI, 9, 10), en trekt daaruit het besluit, dat de geloovigen door elke zware zonde „van de „genade van Christus gescheiden en van het rijk Gods „uitgesloten worden.quot;
Volgens de leer van het gemelde Concilie gaat dus de heiligmakende genade door elke doodzonde, maar ook alleen door de doodzonde, verloren; de gerechtvaardigde blijft dus
67
zoo lang in staat van genade, dat is, in het bezit der heiligmakende genade, ais hij geene doodzonde bedrijft.
Kan de mensch in staat van genade niet alleen alle zware, maar ook alle dagelij/uscfie zonden vermijden ?
Hierover leert het Concilie van Trente (6e Zitt. 23e Can.) het volgende; „Zoo iemand zegt, dat de gerechtvaardigde, „zijn geheele leven door, alle, ook de dagelijksche zonden, „zonder eene bizondere genade van God, vermijden kan, „gelijk de Kerk dit aanneemt van de allerheiligste Maagd, „hij zij in den ban.quot; En in het llde hoofdstuk: „Ofschoon „in dit sterfelijk leven ook zelfs de heiligsten en recht-„vaardigsten somtiids, tenminste in lichte en dageliiksclie „gebreken of zonden vallen, houden zij daarom evenwel „niet op rechtvaardig te zijn. Want ook de rechtvaardigen „zeggen, niet alleen uit ootmoed, maar met waarheid: „Vergeef ons onze schulden!quot; (Matth. VI, 12). Ongeveer in denzelfden zin sprak duizend jaar vroeger de Synode van Milaan (Can. G—8), terwijl zij dengene met den ban bedreigde, die zou beweren, dat de woorden van den H. Joannes (l8te Br. I, 8): „als wij zeggen, dat wij geene „zonden hebben, dan bedriegen wij ons zelve, en de waarheid is niet in ons,quot; alleen eene uitdrukking van ootmoed, en niet eene bekentenis der waarheid zijn. „De Apostel „Jacobusquot;, zoo spreekt de genoemde Synode verder, „was „zeker een heilige en rechtvaardige, en toch sprak hij: „ra vele dingen misdoen wij allenquot; (Jac. III, 2). ïer bevestiging dezer leer, die als de leer der Kerk tea:en de Pelagianen werd uitgesproken, beriep zij zich ook op de woorden van den Psalmist: „Treed niet in het oordeel .,,met uwen dienaar; want voor uw oog is geen sterveling „rechtvaardigquot; (Ps. CXLII, 2), en op die van den wijzen Salomon: „Er is geen mensch, die niet zondigtquot; (Paralip. VI, 36). Ofschoon nu het Concilie van Trente alleen over diegenen den ban uitspreekt, die beweren, dat de gerechtvaardigde zijn geheele leven door zonder bizondere genade alle dagelijksche zonden vermijden kan , besluiten toch de Godgeleerden uit de woorden van vroegere Conciliën, uit de H. Schrift en de eenparige leer der Vaders, vooral van den H. Augustinus, dat niemand langen tijd zonder bizondere genade alle, ook onopzettelijke, dat is, uit zwakheid of overijling bedreven dagelijksche zonden kan vermijden, i)
\') Het zou dus hoogst vermetel zijn, zich door eene gelofte te verbinden, om geene dagelijksche zonden te doen. Toen deH.. Teresia
68
Hoewel nu die buitengewone genade, krachtens welke hii alle dagelijksche zonden, gedurende langen tijd, vermijden kan, den rechtvaardige doorgaans niet verleend wórdt, begaat hij toch nimmer eene dagelijksche zonde, hoe ook genaamd, welke hi] met de hem verleende goddelijke genade niet had kunnen vermijden, indien hij met de genade uit al zijne krachten had willen medewerken. De rechtvaardige, die zondigt, is dus altijd schuldig, vermits zijne zonde, telkens als zij bedreven wordt, niet voortkomt uit gebrek aan genade, maar uit gebrek aan toereikenden goeden wil om met de genade mede te werken. Uit de stelling, dat het zelfs den rechtvaardige onmogelijk is, gedurende langen tijd de dagelijksche zonden gezamenlijk genomen te vermijden, volgt dus geenszins , dat het hem onmogelijk is , elke dagelijksche zonde in het bizonder te vermijden, of dat er eene soort van zonden is, die ook met den besten wil, dat is, met de nauwgezetste medewerking volstrekt onvermijdelijk zijn; maar er volgt alleen uit, dat de vermijding van alle dagelijksche zonden tezamen, met het oog op de menschelijke zwakheid, zulk eene moeielijke taak is, dat de vervulling er van (moreel) onmogelijk is. De mensch zou namelijk zijn geheele leven door of gedurende een langen tijd nimmer, ook niet in het minste, zijne medewerking: met de genade mogen onthouden ; hij zou onafgebroken op al zijne gedachten, woorden en hande
van haren broeder vernam, dat hij eene dergelijke gelofte gedaan had, schreef zij liem terstond, zich daarvan te laten dispenseeren. Als wij van eenige Heiligen lezen, dat zij gelofte deden van geene dagelijksche zonden te willen bedrijven, dan moet dit alleen van voorbe-dachtelijke verstaan word^l, en ook deze gelofte deden zij eerst, nadat zij door eene langdnrige ondervinding wisten, dat zij met behulp (Ier hun door God verleende genade in staat waren, deze te houden. Van de voorbedachtelijke dagelijksche zonden schrijft de H. ïeresia (Weg der volmaaktheid iifdst. ii): «-Moge de Heer ons van /,elke, ook van de geringste voorbedachtelijke zonde bewaren.\' Hoe „zeer moet onze afschuw voor deze toenemen als wij bedenken, dat ,/geene zonde, tegen een zoo greoten God bedreven, iets gerings is, ,/vooral als men zijne tegenwoordigheid gedachtig , ze als het ware ,onder zijne oogen bedrijft. Volgens mijne zienswijze is dit zondigen „met voorbedaclitzaamheid, het is; alsof men tot God zegt: Heer, „ofschoon U dit mishaagt, zal ik het toch doen. Ik zie, dat Gij het „ziet, ik weet en erken, dat Gij het niet wilt; maar ik wil liever „mijne luimen en mijne lusten volgen, dan uwen wil. En eene „zonde van dien aard zou eene kleinigheid wezen? ik voor mij kan „onmogelijk van dit gevoelen zijn; hoe gering ook de font in zich „zelve moge wezen, vind ik toch, dut zij van groot, zeer groot belang „is.quot; — Hen wachte zich dus wei, met opzet dagelijksche zonden te doen, denkende, dat men toch alle niet kan vermijden. Wij moe\'en veeleer het vaste voornemen maken, tenminste geene voorbedachtelijke dagelijksche zonden te willen begaan, en ons ook beijveren, de onvoorbedachtelijke naar vermogen te vermijden.
69
Hngen, op alle neigingen en begeerten zijns bar ten moeten acbt geven , en zoodra bij bemerkte, dat iets ongeoorloofds, eenige ongeregelde neiging tot ijdelheid, nijd, trotscbbeid of nieuwsgierigheid, tot wraak, zinnelijkheid, enz. in het hart wilde binnensluipen, onverwijld met allen ernst en alle vastberadenheid moeten wederstaan. Dit is echter bij de natuurlijke zwakheid en onbestendigheid van den mensche-lijken wil, bij de talrijke zorgen des levens, die zijn geest verstrooien en, als het ware, naar alle kanten heen slingeren, bij de menigvuldige hevige bekoringen, waaraan ieder is blootgesteld, zelfs van den rechtvaardige doorgaans niet te verwachten, tenzij God door eene geheel bizondere genade zijn geest verlichte, zijn wil versterke, of hem van de aangeboren begeerlijkheid en neiging tot het kwaad bevrijde. Dat -de Allerhoogste de gezegende moeder zijns eeniggeboren Zoons deze geheel bizondere genade verleend heeft, geeft aan niemand het recht om te besluiten, dat Hij ze daarom aan alle rechtvaardigen zal of moet geven. God laat met een oneindig wijs oogmerk toe, dat ook de rechtvaardige somtijds in dagelijksche zonde valt. Het bewustzijn van zulke zwakheden zal strekken, om hem voor hoogmoed en vermetelheid te bewaren, hem aansporen om steeds in ootmoed en heilige vrees voor God te leven en aldus altijd rijker in genaden en deugden te worden.
Kan iedere rechtvaardige in den staat van genade volharden?
„De rechtvaardige kan, zonder eene bizondere hulp van „God, in de ontvangen rechtvaardigheid (dat is, in staat van genade) „niet volharden\'\' (Conc. v. Trente, 6de Zitt. 22e Can.); daarom moeten wij die hulp en die volharding tot den dood ootmoedig en zonder ophouden van God afsmeeken.
Twee dingen moeten hier vooral onderscheiden en verklaard worden: 1) de genade om in de rechtvaardigheid te kunnen volharden, en 2) de genade om daarin werkelijk te volharden.
1) Opdat de gerechtvaardigde in den staat der vriendschap Gods kunne volharden, is niet die genade voldoende, waardoor hij van een zondaar een rechtvaardige, een vriend Gods geworden is; hij behoeft bovendien nog eene bizondere goddelijke hulp, of met andere woorden: hij heeft daartoe, behalve de heiiigmakende genade, nog de helpende genade noodig. „Niemand,1\' schrijft Paus Celestinus aan de Bisschoppen van Gallië, „niemand, zelfs de gedoopte niet, is „in staat om de aanvechtingen van den satan te overwinnen en over de bekoringen des vleesches te zege-
70
„vieren , tenzij hij door de dagelijksche hulp Gods de „volharding in het goede erlange.quot; — Om deze hulp van boven moeten wij, volgens de leer van het tweede Concilie van Orange, ootmoedig bidden, wijl God haar nimmer weigert aan degenen, die ze vragen. „Ook de wederge-„borenen en heiligen,quot; zoo spreekt het Concilie in den lO611 Canon, „moeten om den goddelijken bijstand smeeken, „opdat zij tot een goed einde komen, of in de beoefening „van een goed werk kunnen volharden.\'\'
2) De genade om te kunnen volharden is echter nog niet de genade der volharding zelve. Met de eerste kan wel de rechtvaardige, als hij wil, medewerken, maar met de laatste werkt hij ook, hoewel ongedwongen , toch onfeilbaar mede. Dat hem nu zulke genaden ten deel vallen, waarmede hij zeker medewerkt en bijgevolg ook in de ontvangen rechtvaardigheid volhardt, heeft hij aan Gods bizondsre liefde jegens hem en aan zijn krachtigen bijstand te danken. Tot opheldering van het gezegde kan de gelijkenis dienen (Matth. XXII en Luc. XIV) van het koninklijk gastmaal. Een koning legde een groot gastmaal aan en noodigde velen daartoe uit. Die het eerst uitgenoodigd waren, begonnen , in plaats van gebruik te maken van de goedheid van hunnen heer, zich allen te verontschuldigen en wilden aan den maaltijd geen deel nemen. Toen sprak de koning tot zijne dienaars: „Gaat „naar de straten en de wijken der stad en geleidt de „armen, de zwakken, de blinden en lammen in de eetzaal.quot; Toen dit geschied en er no r altijd plaats over was, gebood hij zijnen dienaars, om nu nog de wegen en paden langs te gaan en al de armen, die zij daar vinden zouden, uit te noodigen, dat is, zóó dringend te verzoeken, dat zij ongetwijfeld aan de uitnoodiging gehoor zouden geven. Zoo nu gaat het ook met de uitnoodiging tot het hemelsche feestmaal. Velen, ja alle menschen zijn daartoe geroepen, doch niet allen zullen er deel aan krijgen. Velen blijven er van verstoken , om de eenige reden dat zij of in het geheel niet of niet met volharding aan de uitnoodiging Gods gehoor geven. Kunnen dezen zich wel over God beklagen ? Zeker evenmin als degenen, die, door den Koning ter maaltijd uitgenoodigd, onder nietsbeduidende voorwendsels wegbleven. Immers het ligt alleen aan hen zelve, de ontvangen uitnoodiging te volgen, niet slechts halverwege, maar tot op den drempel van de eetzaal, ja tot in de eetzaal zelve. En kunnen diegenen, die aan de uitnoodiging Gods beantwoorden en ze tot aan hunnen dood volgen, die daarom ook in de hemelsche bruiloftszaal
71
binnengaan , zich daarop wel beroemen ? Moeten zij niet veeleer bekennen, dat zij dit alles aan eene geheel bizon-dere liefde, aan eene geheel bizondere genade van God te danken hebben? Men begrijpt alzoo gemakkelijk, waarom de bovengenoemde Kerkvergadering (6e Zitt. 16e Can.) de genade der volharding met zooveel nadruk noemt de groote genade der volharding tot het einde toe, zooals zij reeds vroeger door den H. Kerkleeraar Augustinus genoemd werd. De genade der volharding t?n einde toe is in meer dan één opzicht een bizonder goddelijk gunstbewijs, hetwelk de mensch niet, tenminste niet in den strengaten zin des woords, verdienen kan. God, als de eenige oorzaak der genade, heeft bet volle, onbeperkte recht, om de maat en de soort der gecade, welke Hij den mensch wil mede-deelen, evenals het einde van zijn leven te bepalen. Als Hij nu den eenen mensch bij voorkeur boven den anderen zulk eene genade of ook eene reeks van zulke genaden verleent, waarmede deze, gelijk Hij vooruitziet, niet slechts medewerken kan, maar ook werkelijk meewerken zal; als Hij den eenen, terwijl hij zich in staat van genade bevindt, uit het leven roept, en den anderen, terwijl hij in zonde is; zoo Hij den eenen een vroegtijdigen dood geeft, „opdat „de boosheid zijn hart niet bedervequot; (Wijsh. IV, 11), en daarentegen toelaat, dat de andere tot in hoogen ouderdom zonden op zonden stapelt en in onboetvaardigheid sterft; dan erkennen wij zeker in deze handelwijze eene bizondere goedgunstigheid jegens den eersten, doch wij moeten tevens toestemmen, dat God noch den een noch den ander zulk eene gunst schuldig is. Kunnen wij nu de volharding ten einde toe, streng genomen, niet verdienen, wij kunnen ze toch door een volhardend gebed verwerven. Daarom zegt de H. Augustinus (Boek over de gave der volharding), dat de gave der volharding „door het gebed „kan verdiend worden,\'\' en vermaant hij degeloovigen „om „van God, den Vader des lichts, de volharding in de ge-„hoorzaamheid aan de goddelijke wet door een dagelijksch „gebed af te smeeken, en, indien zij dit doen, in het vaste „vertrouwen te leven, dat zij niet buiten de rij der uit-„verkorenen zullen gesloten worden,\'1 De uitnoodiging tot het gebed om de volharding ten einde toe ligt reeds, ge-lijk dezelfde H. Kerkvader met den H. Bisschop van Carthago, Cypriaan, opmerkt, in het Onze Vader, dat Jesus Christus ons geleerd en bevolen heeft te bidden. Want als wij bidden; „geheiligd zij uw naam,quot; dan bidden en smeeken wij allereerst, dat het ons, die door het Doopsel de heiliging hebben ontvangen, gegeven worde daarin te
72
volharden. Dit eene begeeren wij dag en nacht, dat wij de heiligheid en het nieuwe leven, hetwelk van de genade Gods uitgaat, onder \'s Heeren bescherming en bijstand bewaren. En als wij zeggen: „ons toekome uw quot;rijk,quot; waarom bidden wij dan anders, dan dat wij in de ons verleende heiligheid mogen volharden ? Want zoo alleen zal bet rijk Gods, hetwelk slechts hun ten deel valt, die tot het einde volharden, zeker tot ons komen. Als eindelijk de gerecht vaardigden bidden: „leid ons niet in bekoring, „maar verlos ons van den kwadewat vragen zij dan anders, dan de volharding in het heilige leven ?
Wruclitcn «Ier rechtvaardigmaking.
Welke vruchten Irengt de gerechtvaardigde mensc/i met de genade voort?
Goede, dat wil zeggen, verdienstelijke werken; „want „elke goede boom brengt goede vruchten voortquot; (ilatth. VII, 17). — De heiligmakende genade is, zooals vroeger reeds gezegd werd, gelijk een zaad, dat in het hart, hetwelk behoorlijk voorbereid is om ze te ontvangen, evenals in eene welbereide aarde, edele en talrijke spruiten schiet en goede vruchten van het Gode behagelijke leven voortbrengt. Daarom vergelijkt de Heiland zelf den rechtvaardige met een goeden boom, die goede vruchten voortbrengt. Vruchten nu van het Gode behagelijke leven zijn goede werken; want daar de liefde, die in de genade wortelt en er onafscheidelij k van is, van nature tot handelen ea werken aandrijft, gelijk het sap, hetwelk de wortel ontvangt, den boom tot bloeien en vruchtdragen, kan het ook niet missen, of de rechtvaardige, die van de goddelijke liefde bezield en doordrongen is, brengt goede werken voort. Bij lederen rechtvaardige wordt dus de spreuk bewaarheid van een H. Kerkvader: „Waar de liefde is, „daar werkt zij, en waar zij niet werkt, daar is geene ware „liefde.quot; Gelijk dus de genade de wortel der liefde is, zoo is ook de liefde de wortel der goede werken, overeenkomstig de woorden van den H. Augustinus (Verkl. Ps. LI) : „onze wortel is de liefde, onze vruchten zijn de „goede werken, welke wij verrichten.quot;
De goede werken der rechtvaardigen zijn echter niet alleen goed te noemen, omdat zij tot hel eeuwige leven helpen, dat is, niet slechts in zooverre als zij heilzaam
73
zijn en tot ons heil verstrekken, maar ook in dien zin zijn zij goed, dat zij ons de zaligheid verwerven, het eeuwig leven werkelijk verdienen en er ons eene rechtvaardige en zekere aanspraak op geven. Om deze reden heeten zij niet slechts heilzame, maar ook verdienstelijke werken, daar immers slechts die handelingen verdienstelijk genoemd worden, waaraan loon of vergelding toekomt.
Dat de goede werken der rechtvaardigen werkelijk eene helooning van den kant vau God waardig zijn, en juist daarom met recht verdienstelijk genoemd worden, hebben reeds het tweede Concilie van Orange (Can. 18) en dat van Trente (6e Zitt. 16e hoofdst. Can. 26, 32) tegen de ontkennende dwaalleer verklaard.
Dit volgt eveneens uit talrijke plaatsen der H. Schrift, waar van „eene kroon der gerechtigheid, die de recht-„vaardige Rechter geven zal\'\' (2. Tim. IV, 8), of van „het loon, dat ieder volgens zijn arbeid ontvangt\'\'quot; (l.Cor. III, 8) sprake is. Verder uit Sir. XVIII, 22; ,.Zie er „niet tegen op, u te rechtvaardigen tot aan den dood „toe; want het loon, dat God u daarvoor geven zal, zal „blijven in eeuwigheid,\'\' en elders, waar dengene, die barmhartigheid oefent, „naar de verdiensten zijner werken1\' belooning wordt toegezegd (Sirach. XVI, 15). Doch hoe voortreffelijk en talrijk ook onze goede werken zijn mogen zouden wij toch nimmer met grond op een eeuw\'uj loon bij God aanspraak kunnen maken, als Hij zelf het ons niet beloofd had; want niettegenstaande alle mogelijke goede werken blijven wij tcch altijd slechts „nuttelooze knechtenquot; (Luc. XVII, 10), daar wij buitendien reeds verplicht zijn, altijd in alle dingen den wil te doen van God, onzen Schepper en Heer. Wij hebben het dus der goedheid en milddadigheid Gods te danken, dat aan onze goede werken een eeuwig loon verzekerd is. Niet minder hebben wij aan zijne goedheid en barmhartigheid de genade te danken, waardoor het ons mogelijk wordt goede, verdienstelijke werken te verrichten; bijgevolg moeten wij alles tegelijk als een geschenk van God, de bron van alle verdiensten en genaden, beschouwen en erkennen. Daarom leert de Kerkvergadering van Trente (6e Zitt. IG6 hoofdst): „Het „eeuwige leven is eene genade, welke Jesus Christus aan „de kinderen Gods in zijne liefde belooft, en tegelijk een „loun,, dat God hun, krachtens deze zijne belofte, voor „hunne goede werken en verdiensten toestaat. Want Gods „goedheid jegens alle menschen is zoo groot, dat Hij zijne „gave als verdienste toerekent. . . . Verre zij het dus „van iederen Christen op zich zeiven (op zijne eigen ver-
74
diensten) „eenig vertrouwen te stellen en te roemen in „zich zei ven en niet in den Heer.quot;
Het Concilie leert dus duidelijk, dat de gerechtvaardigde mensch goede, voor God verdienstelijke werken kan verrichten, zonder evenwel zich op zijn verdienste te kunnen beroemen. Nu volgt derhalve de vraag, wat hier onder de uitdrukking „werkenquot; verstaan moet worden, en hoe deze zijn moeten om goed, dat is verdienstelijk te zijn. Onder de uitdrukking „werken,quot;\' worden hier niet alleen de uiterlijke, door de zinnen waar te nemen handelingen of daden verstaan, maar ook alle woorden, gedachten, wenschen, begeerten, elke oefening van welke deugd ook, b. v. van geloof, hoop, liefde, geduld in het lijden, enz., die in den p;eest of in het hart plaats vindt, in één woord alles, wat de mensch doet of laat met vrijen wil, wijl het dan alleen goed of kwaad kan zijn en loon of straf waardig. Het spreekt van zelf, dat hier slechts werken bedoeld zijn, die de rechtvaardigen op aarde verrichten, vermits het buiten allen twijfel is, dat noch de Heiligen in den hemel, noch de zielen in het vagevuur iets verdienen kunnen, daar Christus zelf getuigt, dat met dit leven de tijd van werken, dus ook van verdienen eindigt (Joan. IX, 4). Opdat nu evenwel de werken der gerechtvaardigden in den eigenlijken zin verdienstelijk zijn, moeten zij 1° verricht worden in staat van genade, 2quot; zedelijk goed, en 3° bovennatuurlijk zijn.
1) Om verdienstelijke werken te verrichten moet men in staat van genade zijn. Dit blijkt duidelijk uit de woorden van den Heiland (Joan. XV, 4): „Gelijk de wijnrank „geene vruchten kan voortbrengen, als zij niet aan den „wijnstok vast blijft, zoo ook gij niet, als gij met Mij „niet vereenigd blijft.quot; — Klaarblijkelijk wilde Christus daarmede zeggen: wanneer gij, die thans door den band der genade en der heilige liefde met Mij vereenigd zijt, uiet in die vereeniging met Mij blijft, dan kunt gij evenmin vruchten des eeuwigen levens voortbrengen, dat wil zeggen, verdienstelijke werken voor den hemel verrichten als eene wijnrank, die van den wijnstok gescheiden is, de zoete vrucht der druiven kan voortbrengen. Daarom zegt ook de Apostel (1. Cor. XIII, i)): „zoo ik de liefde niet „heb, dan ben ik niets,quot; dat is, volstrekt onbekwaam om iets te verrichten , wat Gode aangenaam en verdienstelijk is.
2) Opdat het werk van een gerechtvaardigde verdienstelijk zij, moet het ook zedelijk goed zijn; want datgene, wat zedelijk kwaad is, verdient geene belooning, maar siraf van den kant van God, die een rechtvaardig en heilig
75
Vergelder is. Eene handeling nu is zedelijk goed , als zij in den ruimsten zin (Verg. Dl. III) in overeenstemming is met de goddelijke wet, en verricht wordt met een goed doel, en in zulke omstandigheden, die haar niet ongeoorloofd maken. Ontbreekt er slechts eene dezer voorwaarden, dan ontbreekt het der handeling aan de kracht om er mede te kunnen verdienen. Zoo is, om een voorbeeld te stellen, het uitdeelen van eene aalmoes eene in zich zelve goede handeling, geheel overeenkomstig het gebod der naastenliefde; mocht evenwel iemand eene aalmoes geven uit trotsc-hheid en huichelarij , of in omstandigheden, die het hem niet veroorloven, bijv. van een anders goederen, of, gelijk bij huisvrouwen en kinderen het geval zijn kan. zonder de noodige bevoegdheid, dan zou zijne handeling, die in zich zelve goed was, door het slechte doel of door de omstandigheden, die ze ongeoorloofd maken, zedelijk slecht zijn. Hetzelfde geldt ook van bedevaarten, gebeden, geloften, enz., die, hoewel in zich zelve goed, evenwel door verkeerde bedoelingen, of omdat zij door zekere omstandigheden de vervulling van dringende plichten in den weg staan, ongeoorloofd kunnen worden. Daarmede echter wordt niet bedoeld, dat elk ongeregeld nevendotl, hetwelk slechts kleine zonde is, of elke nalatigheid, die de üar.deling vergezelt en niet grootelijks zondig is, der handeling, welke in zich zelve goed is , en met een goed hoofddoel verricht wordt, van al hare verdienstelijkheid berooft. De aalmoes, die met eene kleine ijdelheid gepaard gaat, of het hooren eener H. Mis met eene korte verstrooiing, zal niet zonder belooning blijven, ofschoon hij, die aldus de aalmoes geeft of de H. Mis hoort, hier of hiernamaals in het vagevuur voor de begane fout moet boeten. Deze werken gelijken min of meer op aangestoken vruchten, die men wei door afsnijding der bedorven deelen zuivert, maar niet wegwerpt.
3) Een laatste vereischte voor de verdienstelijkheid van de beschreven goede werken is , dat zij bovennaiuurlijk moeten zijn. Zij bezitten deze eigenschap, als zij met den bovennatuurlijken bijstand der genade en uit eene bovennatuurlijke beweegreden verricht worden. Wat over de noodzakelijkheid der werkende genade voor alle heilzame werken in het algemeen, en vooral voor die, welke de rechtvaardigmaking voorbereiden, reeds gezegd is, geldt nog meer van de verdienstelijke werken, wijl wij door deze niet slechts voorbereid worden tot het ontvangen van ons eeuwig geluk, maar de eeuwige zaligheid, de beloofde kroon der onsterfelijkheid ook werkelijk verkrijgen, (relijk dus geen werk heilzaam zijn kan, zoo kan er ook geen
76
werk verdienstelijk zijn, als God niet bi) elk dezer werken ons met zijne genade voorkomt, ze vergezelt en ondersteunt, en ons sterkt, om ze ten einde te kunnen brengen. — Behalve den lovennat uur lijken bijstand der genade, is er nog eene bovennatuurlijke beweegreden noodig, dat is, eene beweegreden, niet door het verstand, maar door het geloof ons gegeven en voor oogen gesteld. Want slechts eene handeling, die van eene bovennatuurlijke beweegreden uitgaat, kan in verhouding staan met eene bovennatuurlijke belooning. De noodzakelijkheid van zulk eene beweegreden tot elk verdienstelijk werk, volgt overigens ook reeds uit de vroeger uiteengezette leer over de christelijke deugd. Gelijk, volgens deze leer, eene zuiver natuurlijke deugd niets baat ter zaligheid, zoo kunnen ook de bizondere werken of oefeningen van zulke geheel natuurlijke deugden daartoe niets bijdragen, veel minder nog haar verdienen. ])e eeuwige Wijsheid, Jesus Christus zelf, wijst op het onverdienstelijke van zulke werken, wier beweegredenen of drijfveeren slechts van natuurlijken aard zijn. „Als „gij diegenen bemint, die u beminnen,quot; zegt Hij tot zijne leerlingen (Matth. V, 46, 47), „waarom zoudt gij dan „loon ontvangen ? Doen de tollenaars dit ook niet \'f1 lm „als gij slechts uwe broeders groet, wat doet gij dan meer „dan anderen? Doen de heidenen dit ook niet?quot; Deze woorden van den Heiland, die ben kort te voren tot de liefde voor hunne vijanden had opgewekt, hebben klaarblijkelijk dezen zin: als gij slechts diegenen bemint, die van hunnen kant zich welwillend en liefderijk jegens u betoonen., dan komt uwe naastenliefde uit zuiver mensche-lijke beweegredenen voort; bemint gij daarentegen den naaste, om als kinderen van den hemelschen Vader zijn wil te doen, om Hem na te volgen; bemint gij den naaste om hoogere, bovennatuurlijke beweegredenen, dan zal uwe liefde, zich ook over uwe vijanden uitstrekken; dan zult gij er naar streven om vrienden en vijanden wel te doen, gelijk ook uw Vader in den hemel rechtvaardigen en zondaars met zijne weldaden overlaadt. En gelooft nu niet, dat de geheel natuurlijke liefde jegens uwe vrienden iets groots of verdienstelijks is; want dit hebt gij met de openbare zondaars eu de heidenen gemeen, daarom ook zal u daarvoor geen hemelsch loon worden gegeven. — Uverigens vermaant Christus dikwijls, niet slechts om goed te doen, maai- het „in zijnen naam, om zijnent wil, om „zijns naams wille\'\' te doen, en belooft niet aan eenieder, zonder onderscheid, die ziju broeder een dronk water geeft, eene belooning, maar slechts aan hem, die het „in zijnen
77
„naamquot; doet, die het doet, omdat de dorstende aan Christus toebehoort (Marc. IX, 40). In dezen zin leert ook de Apostel Jacobus (11, 21, 22), dat Abraham gerechtvaardigd werd, dat is hier, eene vermeerdering van rechtvaardigheid verdiende, dewijl bij zijne bereidwilligheid, om op Gods bevel zijn zoon te offeren, het geloof zich aan zijne werken paarde. Het geloof moet dus een werkenden invloed hebben op de goede werken, zullen zij verdienstelijk zijn. Zulk een invloed kan het echter slechts daardoor hebben, dat het den geloovige eene beweegreden voorhoudt, die tot het goede werk aanspoort, of het doel, hetwelk men daardoor bereiken wil. Daarom dan ook zegt de H. Augustinus (25e verh. over Joan.) : „Er „zijn werken, die ook zonder het geloof in Christus goed „schijnen; maar daarom zijn zij nog niet (bovennatuurlijk) „goed, omdat zij niet naar het einddoel gericht worden, „waardoor zij goed zouden zijn, naar Christus.quot; \') Even-
\') De leer, dat tot de verdienstelijkheid van een goed werk niet alleen de staat van genade, maar ook eene bovennatuurlijke beweegreden ol\' een bovennatuurlijk doel wordt gevorderd en voldoende is, wordt bij de meeste Godgeleerden gevonden en door her. staande gehouden. Deze raeening is het midden tusschen het gevoelen van hen, die leeren, dat elke bovennatuurlijke beweegreden daartoe niet voldoende is, dat de beweegreden eener volmaakte liefde gevorderd wordt, en tusschen het gevoelen van anderen, die houden, dat ook de zedelijk goede, uit een bloot natuurlijk inzicht verrichte werken der rechtvaardigen verdienstelijk zijn, omdat zij onder den invloed der heiligmakende genade worden volbracht Ten opzichte van de eerste dezer beide zoo uiteenloopende meeningen schrijft Suarez, (Tom. 8 de merito. c. 8 n. 9.) «dat zij hem in geenen deele te recht-z/vaardigen nocli te dulden voorkomt, omdat zij met de H. Schrift, /^met de gewone zienswijze der Kerk en de HH. Vaders niet goed is «overeen te brengen en de verdiensten der Heiligen al te zeer beperkt.quot; De gronden, welke voor deze meening worden aangevoerd, vinden daar ter plaatse hunne wederlegging. Zeker is het. dat de Kerkvergadering van ïrente noch in het 10« hfdst., noch in den Can. van de B1*- Zitt., waar over de verdiensten, de vruchten der rechtvaardiging, gehandeld wordt, als voorwaarde der verdienstelijkheid vaststelt, dat de goede werken der gereehtvaardigden uit de beweegreden eener volmaakte liefde moeten verricht worden. Het verlangt alleen, dat de goede werken met behulp der genade Gods en in God verricht worden. Wilde iemand beweren, dat God alleen de charitas of volmaakte liefde beloont, dan zou hij zelfs eene dooi\' de Kerk verworpen leerstelling opzetten. *) — Ter wederlegging van de tweede meening, dat namelijk ook de bloot natuurlijk goede werken der gerechtvaardigden verdienstelijk zijn, voert .Suarez die gronden hoofdzakelijk aan, welke ook wij voor de noodzakelijkheid eener boven-
78
wel is het niet volstrekt noodzakelijk, dat de beweegreden, die het naast en onmiddellijk tot handelen aanspoort, eene bovennatuurlijke zij ; het is voldoende, dat de verwijderde beweegreden eene bovennatuurlijke zij, in zooverre namelijk de verwijderde of middellijke beweegreden aan de naaste of onmiddellijke eene hoogere richting, eene hoogere kracht mededeelt. Zoo kan bijv. bij hot uitdeelen van eene liefdegift het natuurlijk medelijden de naaste, en de liefde tot Jesus Christus, uit het geloof geput, of de bereidwilligheid om zijne geboden te volbrengen, de verwijderde beweegreden zijn, die het natuurlijk medelijden als het ware doet ontwaken, het onderhoudt, en daardoor tot uit-deeiing van gezegde liefdegift aanspoort. In dit geval zou de gegeven aalmoes klaarblijkelijk een bovennatuurlijk goed werk wezen. Evenzoo brengt niet zelden eene bovennatuurlijke beweegreden, bijv. de gedachte aan de rekenschap, welke men eens voor Gods rechterstoel zal moeten afleggen , of het verlangen om de zijnen eeuwig gelukkig te zien, de natuurlijke liefde eens vaders in beweging, om zijnen kinderen goed te doen en ze tot het goede aan te sporen. Zulk een liefdebetoon, ofschoon het allernaast van de natuurlijke vaderliefde uitgaat, is dan toch van boven-natuurlijken aard, wijl de verwijderde bovennatuurlijke
natuurlijke beweegreden hebben aangehaald. Een nieuw bewijs vinden wij in de leer van het Concilie van ïrente (Zitt. ö hfdst. 10), dat de gerechtvaardiyden in de door de genade van Christus verkregen rechtvaardigheid toenemen , /,als het geloof bij hunne goede handelingen //werkt.quot; — Opdat echter de zuiver zedelijke deugd, welke geen bovennatuurlijk motief tot grondslag heeft, niet in een geheel verkeerd licht worde gesteld, merken de Godgeleerden aan, dat in elk geval door eene zoodanige akte van deugd de zonde en de daaraan beantwoordende eeuwige straffen worden vermeden; dat zij verder hem, die ze vlijtig beoefent, meer gemak geeft, om ook uit bovennatuurlijke beweegredenen zedelijk deugdzaam te handelen. Wie bijv. uit zuiver zedelijke beweegredenen gewoon is zijne gramscha]i te beheerschen, hem zal het des te gemakkelijker zijn, uit hoogere, bovennatuurlijke beweegredenen de zachtmoedigheid te beoefenen. — Eindelijk schrijven ook verscheidene voorname Godgeleerden, onder anderen Domiuicus Bannes en Martinus Esparza, aan de in staat van genade gedane handelingen van zuiver zedelijke deugden eene wekere eeuwige belooning toe. De Godgeleerden onderscheiden namelijk in den hemel (Verg. Deel II.) een tweevoudig loon, het wezenlijke, hetwelk in de aanschouwing Gods en de daaruit voortkomende vreugde bestaat, en een bijkomend, hetwelk gelegen is in de heinelsche vreugde over al \'t goede, hetgeen wel in (jod zijn oorsprong heeft, maar toch wezenlijk van God, het hoogste goed, onderscheiden is. De eeuwige belooning nu, welke de genoemde Godgeleerden aan de bloot zedelijk goede werken der rechtvaardigen toekennen, behoort tot de laatste wijze. De zalige verheugt zich namelijk over alle zedelijk goede werken van alle redelijke schepselen, het meest echter over de zedelijk goede handelingen, welke hij zelf heeft verricht.
79
beweegreden den eersten stoot daartoe gegeven heeft. In het algemeen moet men aannemen dat de ijverige Christen, wien er vóór alles aan gelegen is God te dienen en zalig te worden, de Christen , wiens willen en streven gewoonlijk op de beoefening der goddelijke wet gericht is, menigmaal, zelfs zonder zich hiervan duidelijk bewust te worden , uit eene of andere bovennatuurlijke beweegreden handelt en bijgevolg bovennatuurlijke, verdienstelijke werken verricht. Geheel anders echter is het net dien Christen gesteld, die zich in staat van doodzonde bevindt, wien de H. Geest door zijne goddelijke liefde niet bezielt, wiens wil tot het aardsche geneigd is, die zich om het heil zijner ziel niet bekommert: zulk een zal bij zijne handelingen slechts zelden God of het hemelsch loon op het oog hebben. — Willen wij bij God rijk aan verdiensten worden, dan moet het derhalve onze eerste en dierbaarste zorg wezen, in zijne genade te leven, en hebben wij het ongeluk deze door eene zware zonde te verliezen, dan moeten wij door eene spoedige en oprechte boetvaardigheid tot den staat van genade weder terugkeeren.
Ran de menseh in staal van doodzonde ook goed doen?
Hij kan wel goed doen, maar zonder verdienste voor den hemel. De zondaar kan ongetwijfeld goed doen; hij kan zedelijk goede, ja met den bijstand der genade en uit beweegredenen des geloofs zelfs bovennatuurlijke werken verrichten: hij kan bidden, vasten, aalmoezen geven, enz.; doch deze werken, in staat van ongenade verricht, zijn zonder verdiensten voor den hemel, geven geene aanspraak op eeuwige belooning. Die het tegendeel beweren, vervallen in de dwalingen van Bajus,1) welke door de H. Kerk veroordeeld zijn. En inderdaad, hoe zou hij, die door de zonde een vijand van God geworden is, en kwaadwillig in deze vijandschap volhardt, recht behouden op het erfdeel van een kind Gods? Zou God dit wel kunnen toelaten, zonder met Zich zeiven in de grootste tegenspraak te komen ? Zou Hij in deze veronderstelling, als oneindig rechtvaardig Rechter en Vergelder, niet verplicht zijn, den mensch tegelijk te verdoemen en zalig te maken; hem om zijne zonden van zijn aanschijn te verwijderen en eeuwig te straffen, en daarentegen om zijne goede werken hem aau zijn vaderhart te drukken eu eeuwig te heloouen ? — Hoewel het nu van den eeuen kant valsch en in strijd is
0 Zie: Stelliugen —IS, door Pius V en andere Pausen veroordeeld
80
met de christelijke geloofsleer, dat de raensch in staat van doodzonde verdienstelijke werken kan verrichten, zoo is het van den anderen kant even onwaar en in strijd met het geloof, dat alles, wat de zondaar doet, ook die werken, welke uit zich zelve goed zijn, als vasten, bidden, aalmoezen geven, enz., nuiteloo* en zonder waarde, ja slecht en veroordeelenswaardig zijn. Neen, het goede, dat men in staat van zonde doet, is niet nutteloos; „het is veeleer „zeer nuttig, om van de goddelijke barmhartigheid de „genade der bekeering en soms ook afwending van tijde-„lijke straffen te verwerven.quot; Over het nut en dé nood-zakelijkheid der oefeningen van geloof, hoop , berouw, enz., die voor den zondaar de naaste voorbereiding tot de rechtvaardigmaking uitmaken en met recht goede werken genoemd kunnen worden, is reeds boven breedvoerig gesproken. Maar ook afgezien van deze voorbereidende akten, zijn er nog ontelbare andere goede werken, welke de zondaar kan verrichten en die in het algemeen zeer nuttig en raadzaam zijn.
Want 1) God, wien het eigen is, zijne almacht in erbarming te toonen, zal dikwijls den zondaar niet terstond straffen en in den afgrond der hel storten, maar met het oog op diens goede werken hem nog tijd tot boetvaardigheid en bizondere genade tot een oprechte bekeering schenken. In dien zin sprak de Engel Raphael tot Tobias (XII, 9): „De aalmoes zuivert van zonde en maakt, dat men barm-,,hartigheid en het eeuwig leven vindt.quot; Om deze reden gaf de Profeet Daniël (IV, 24) aan koning Nabuchodonosor de vermaning: „maak u vrij van uwe zonden door aal-„moezen, van uwe misdaden door barmhartigheid jegens de „armen, dan zal Hij misschien u uwe zonden vergevenen de zondige koning Manasses trok door zijn ijverig gebed en zijne boetvaardigheid den genadigen blik der goddelijke barmhartigheid tot zich en verwierf dientengevolge de genade, om van zyne slechte wegen terug te keeren. God bevrijdde hem, die gebeden en werken van boetvaardigheid verrichtte, van de boeien der zonde, en voerde hem uit de babylonische gevangenschap, de afbeelding der slavernij van den duivel (2. Kron. XXXIII). — Zoo mag dan de zondaar hopen, dat God, die als een oneindig heilig Vergelder uit overgroote goedheid en milddadigheid niet het minste goed onbeloond laat, zijne goede pogingen genadig aanzien en daarom rijker genade schenken zal. \') Evenwel
\') Antonim van Ripolis (het tegenwoordige Rivoli in Piëmont) was door den H. Autonius, den toenmaligen Prior van het klooster San
81
mag hij de bizondere genade ter bekeering niet met zekerheid verwachten, daar God ze hem geenszins schuldig is.
Marco te Florence, later Aartsbisschop van deze stad, in de orde van den H. Dorainicus opgenomen. Geruimen tijd na zijne komst in het klooster werd Antor.ius op eene zeereis van Sicilië naar Napels door zeeroovers gevangen genomen en naar Tunis gevoerd. Ofschoon zijne gevangenschap hem door tusschenkomst van den consul van Genua aanmerkelijk verlicht, ja zelfs zijne bevrijding waarschijnlijk gemaakt werd, nam hij toch ui; ongeduld en verdriet na verloop van acht maanden het rampzalig besluit om renegaat te worden. God, wiens oordeelen onnaspeurlijk zijn, liet toe, dat hij in tegenwoordigheid des kor.ings zijn heilig geloof werkelijk afzwoer, openlijk de leer van Mahomed beleed, en zelfs eene vrouw nam. Vier maanden volhardde de rampzalige in de zonde van afval, verhief den godsdienst van Mahomed met lofspraken hemelhoog en hield zich onledig met eene overzetting van den Alkoran. Toen echter na verloop van dien tijd kooplieden, uit Florence naar Tunis gekomen, hem het stichtelijke afsterven van den H. Antonius en de schitterende wonderen, aan diens graf geschied, verhaalden, viel de afvallige plotseling door een diep berouw getroffen op zijne knieën, hief oogen en handen ten hemel en riep uit: //Heer, handel niet met //mij volgens mijne zonden en straf mij niet volgens mijne misdaden! //Kom mij ter hulp met uwe barmhartigheid; want ik lig in de diepste //ellende verzonken. Sta mij bij, o God, mijn Verlosser, en bevrijd //mij, o Heer, ter wille van den roem uws naams.quot; Om de openbaar gegeven ergernis zoo volkomen en plechtig mogelijk te herstellen, besloot hij, de terugkomst van den koning, die zich \'toen in het leger bevond, af te wachten, om voor hem het heilig geloof, hetwelk hij kort te voren in diens tegenwoordigheid lafhartig en vermetel hai verloochend, nu oprecht eu grootmoedig te belijden. Onverwijld ontdeed hij zich van zijne vrouw, verdeelde alles, wat hij bezat, onder de armen, bad van dat uur af de daggetijden der Kerk, waartoe hij als kloosterling was verplicht, en hield niet op. God om genade en barmhartigheid te smeeken. — Als eindelijk na verloop van zes maanden de koning naar Tunis terugkeerde, ontving Antonius, om zich tegen den op handen zijnden zwaren strijd te\'^versterken, op Palmzondag de HH. Sacramenten, trok vervolgens zijn ordeskleed weder aan, bad de in de kerk aanwezige, geloovigen op roerende wijze om vergeving, en begaf zich toen met een verblijd gemoed naar het slot van den heerscher. Daar toegelaten, *trad hij met groote vastberadenheid en onverschrokkenheid nader eii beleed voor de vergaderde grooten met luide en heldere stem; //Ik ben Christen //en bereid voor het christelijk geloof te sterven.quot; Allen waren verbaasd over deze onverwachte en onversaagde belijdenis. De koning zelf trachtte door beloften en bedreigingen Antonius tot herroeping over te halen en gaf den standvastigen belijder aan den muphti of opperpriester over, opdat deze hej vonnis over hem zou uitspreken. In den kerker geleid en wreed mishandeld, wees hij zelfs de spijzen van de hand, welke zijne geloolsgenooten hem wisten te verschaffen, of verdeelde ze onder de arme medegevangenen. Den volgenden dag werd hij voor den muphti gebracht, die, na vele vruchtelooze pogingen om hem opnieuw afvallig te doen worden, hem drie dagen gaf om zich te bedenken, met de kennisgeving, dat, als hij binnen deze tijdruimte zijne belijdenis niet herriep, hij den smartélijksten dood zou sterven. Up den bepaalden dag verscheen de edelmoedige Belijder van Christus weder voor zijne rechters, verwierp opnieuw den godsdienst van Mahomed en werd veroordeeld om gesteenigd te worden. Het was Witte Donderdag van het jaar 14Ö0, toen men Antonius heiiakbe, geloofsleer, iv Sde detk. g
82
Hierop steunt de leer der Godgeleerden, dat de zondaar de genade van bekeering wel niet in den strengen zin (de condigno), naaar toch eenigermate (de congruo) kan verdienen. De met den bijstand der genade verrichte werken van den zondaar zijn namelijk volgens het ezegde nooit eene bovennatnurlijke belooning waardig, geven nooit aarop eenige aanspraak; maar de handelingen des zondaars kunnen wel van dien aard zijn, dat God krachtens zijne oneindige goedheid, barmhartigheid en liefdevolle voorzienigheid ze niet onbeloond wil laten, ofschoon Hij zich door geene belofte verbonden heeft, ze te beloonen. Het onderscheid tusschen verdiensten in engeren en ruimeren zin kan eene aan den huiselijken kring ontleende gelijkenis nog duidelijker maken. Als een vader zijn kind eene belooning belooft, mits het vlijtig leert, doch in het tegenovergestelde geval met straffen dreigt, dan heeft het kind, als het werkelijk vlijtig is, eene billijke aanspraak op het beloofde voorwerp, de vader is het volgens de gedane belofte de bepaalde belooning schuldig. Doet het kind echter het tegendeel, dan heeft het alleen berisping en straf te wachten. Zelfs in geval het misdoende kind om vergeving smeekt en beterschap belooft, heeft de vader toch het recht, om het voor de bedreven font te straffen. Niettemin achten wij het billijk en gepast, dat de vader zich door die teekenen van droefheid en die belofte van beterschap late bewegen, om de bedreigde straf uit te stellen en aan het kind eenige bewijzen van welwillendheid te geven: zulk een kind verdient in zekeren of ruimeren zin de vaderlijke toegevendheid en vergeving.
2) Wij mogen bovendien aannemen, dat God de goede werken van den zondaar dikwijls ook met goederen van natuurlijken aard beloont, bijv. wanneer Hij de welverdiende tijdelijke straffen van hem afweert, of als Bestuurder der zedelijke wereldorde de met de zedewet overeenkomende handelingen met aardsche goederen en tijdelijke welvaart vergeldt. Zoo stelde God om de boetvaardigheid van Achab de straf uit, welke diens huis bedreigde, en de bewoneru van Ninive werden vffor den tijdelijken ondergang bewaard, omdat zij tot boete hunner misdaden vastten en in zak en asch boetvaardigheid pleegden.
naar de gerechtplaats leidde. Op de plaats der marteling aangekomen, wierp de bloedgetuige zich op de knieën, vervloekte nog eens zijnen afval en bezegelde met zijn bloed de oprechtheid van zijn terugkeer tot Christus, terwijl een hagelbui van steenen den biddende dood ter aarde deed vallen. — Toen men nu het gestorven lichaam van den Martelaar wilde verbranden, bleef het te midden der vlammen van den vuurstapel zoo volkomen ongedeerd, dat niet één haar van het hoofd verzengd was. Later werd het lichaam van dien Martelaar naar Rivoli overgebracht, waar liet door de Christenen vereerd, en de voorspraak van den Heilige ingeroepen werd. Wie zoude niet met den beschrijver van den dood des Martelaars, Pater Constantius van de orde van Hieronimus, die een vriend van den Martelaar en een ooggetuige van zijn glorievollen dood voor Christus was, uitroepen: ,/0 bewonderenswaardige goedheid Gods, o onuit-„sprekelijke gnnst des Allerhoogsten, die zijnen dienaar nooit de /,noodige hulp weigert en voor hen, die bij Hem aankloppen, altijd //de deur opent, om hun het bezit van het rijk der hemelen te schenken 1quot; (Zie het volledige bericht bij de Bollandisten den 29steu Augustas.)
83
Wal verdienen wij door de goede werken, welke wij in staat van genade verrichten ?
%
Wij verdienen 1) de vermeerdering der heiligmakende genade, 2) de eeuwige zaligheid. — Dit is de leer der H. Kerkvergadering van Trente (Zitt. VI; hfdst. 10 en 16), die in den 33en Canon dier zitting den ban uitspreekt over hen, die het tegendeel leeren. „Als iemand zegt,\'\' zoo luiden de woorden van het Concilie, „dat de gerecht-,,vaardigde door de goede werken, welke door hem met de „genade Gods en de verdiensten van Jesus Christus, wiens „levend lid hij is, verricht worden, niet in waarheid de „vermeerdering der genade, het eeuwig leven, en, als hij „in de genade sterft, het bezit van het eeuwig leven en „ook de vermeerdering van glorie verdient, hij zij in den „ban.quot; Ue grond dezer leer is gemakkelijk te vinden. Wat op de eerste plaats de eeuwige glorie en hare vermeerdering aangaat, is het uitgemaakt, en in Deel II. reeds genoegzaam bewezen, dat in den hemel niet alle uitverkorenen een even verheven graad van zaligheid zullen genieten. Daar wordt een ieder vergolden „volgens zijne werkenquot; (Rom. II, 6), „daar zal een ieder loon ontvangen volgens zijnen „arbeidquot; (I Cor, III, 8). „Wie spaarzaam zaait, zal „ook spaarzaam oogsten, en wie rijkelijk zaait, zal ook „rijkelijk oogstenquot; (2 Cor. IX, 6). De maat van het hemelsch loon, van de eeuwige zaligheid, zal alzoo des te grooter zijn, hoe grooter het getal en de voortreffelijkheid is der goede, in staat van genade verrichte werken. Het is dus uit de woorden der Schriftuur duidelijk, dat wij door de gezegde werken in het algemeen de eeuwige zaligheid en door elk werk in het bizonder eene vermeerdering daarvan verdienen. — Niet minder gegrond is ook de kerkelijke leer, dat door elk afzonderlek goed werk de vermeerdering der heiligmakende genade als loon verkregen wordt. Gelijk het namelijk van den eenen kant waar is, dat het loon in den hemel des te grooter zijn zal, naarmate de goede werken van den rechtvaardige talrijker en voortreffelijker zijn geweest, zoo is het van den anderen kant niet minder zeker, dat de eeuwige zaligheid, welke dit loon uitmaakt, overeenkomt met den graad der inwendige heiligheid, waarin de mensch uit dit leven scheidt; want hoe grooter de heiligheid is, des te grooter is ook dc vereeniging met God en dus ook de deelneming aan zijne gelukzaligheid. De heiligheid van den mensch kan echter niet toenemen, zonder dat in denzelfden graad de
6*
84
genade, welke heilig maakt, vermeerdert. Daaruit nu blijkt duidelijk en ontwijfelbaar , dat de rechtvaardige door elk bovennatuurlijk goed werk, niet enkel eene vermeerdering vaa zaligheid, maar ook de vermeerdering der heiligmakende genade verdient, daar anders de maat dei-zaligheid niet evenzeer met de maat der goede werken en den graad der inwendige heiligheid nauwkeurig zou kunnen overeenkomen. \') — Laten wij er ons dus ernstig op toeleggen, door het beoefenen van goede werken eiken dag en elk uur, ja, als het mogelijk is, elk oogenblik van ons leven een nieuwen wasdom van heiligmakende genade te verdienen, waardoor wij steeds zuiverder, heiliger, Gode gelijkvormiger en welgevalliger worden en billijke aanspraak
\') De rechtvaardige verdient door de beoefening van goede werken de eeuwige zaligheid de oondigno; want zij is volgens den H Paulus (3. Tim. IV, 8) //eene kroon der gerechligheid, welke de Heer, de „recMvaardige Rechter,quot; als de beloofde zegepalm zal schenken aan hen., die den goeden strijd gestreden, den christelijken levensloop goed voleind hebben.quot; Gelijk dus degene, die bij een wedren het eerst aan den grenspaal is, een recht op de bepaalde belooning verkrijgt, zoo heeft\'ook de rechtvaardige door Gode behagelijke werken, tengevolge der goddelijke belofte, eene billijke aanspraak op de eeu-vsige zaligheid. Op gelijke wijze verdient de gerechtvaardigde ook, en wel door elk bovennatuurlijk werk, de condigno de vermeerdering der heiligmakende genade\'en der van liaar onafscheidelijke ingestorte liefde. Of hij bovendien ook eene vermeerdering van geloof, van hoop en van de ingestorte zedelijke deugden verdient, is eene door de Kerk nog niet besliste vraag; zij kan echter met groote waarschijnlijkheid bevestigend worden beantwoord. Wie namelijk verdient, dat de liefde, de koningin der deugden, in heerlijker glans zich in zijn hart vertoont, verdient voorzeker ook, dat haar gevolg in een schooner gewaad zich tooit. — Desgelijks is het waarschijnlijk, dat de rechtvaardige door elk Gode beha\'gelijk werk eene vermeerdering van werkelijke genade ter bewaring van den verkregen hoogeren graad van heiligheid de condigno verdient (Vide Suarez de grat. just. Tom. 9. c. 4 etc. Tom. 12 q. 16). Daarentegen staat het vast, dat de rechtvaardige buitengewone of ook zoodanige genaden, met welke hij niet alleen kan medewerken, maar zeker medewerken zal, niet de condigno kan verdienen; want konde hij dit, dan zou het in zijne macht zijn, de volharding in het goede tot het einde toe de condigno te verdienen, hetgeen duidelijk met de kerkelijke leer in strijd is. Zulke krachtdadige genade kan de rechtvaardige alleen de congruo verdienen. Hetzelfde geldt ook van de volharding ten einde toe. Deze buitengewone genadegaven zal de Christen, ofschoon hij ze niet in den eigenlijken en strengen zin kan verdienen, toch zeker verkrijgen, wanneer hij, gelijk Suarez (1. c. Tom. 12. c. 36) te recht opmerkt, niet alleen den eenen of anderen keer, maar voortdurend er om bidt. Daarbij mag echter niet over het hoofd worden gezien, dat de bedoelde zekerheid niet is toe te schrijven aan de verdiensten, maar aan het volhardend gebed, hetwelk de belofte van Christus: //ïiidt //en gij zult verkrijgenquot; voor zich heeft. Deze leer, welke ook door den H. Ligorio (verhandeling over het gebed) herhaaldelijk en met allen nadruk wordt ingescherpt, is zeer geschikt om angstige zielen gerust te stellen, en haar een voortreffelijk middel aan de hand te geven, in het goede tot het einde toe te volharden.
85
op een hcogeren graad var. zaligheid verkrijgen. De kostbare tijd des levens is ons immers geschonken, opdat wij ons eeuwigdurende schatten vergaderen. Mochten wij toch hierbij den ijver en de bedrijvigheid van de kinderen dezer wereld tot voorbeeld nemen, die geene gelegenheid laten voorbiigaan en geene moeite sparen, om eene ijdele, vergankelijke winst te verwerven. Hoe heerlijk zoude onze kroon eens zijn, als wij dag aan dag nieuwe edelgesteenten ter barer versiering en voltooiing weglegden! \')
Vanwaar hriyjen zMe goede werlcen hiwencluje waarde \' of verdienstelijkheid?
Van de oneindige verdiensten van Jesus Christus, wiens levende ledematen wij door de heiligmakende genade zijn.
Bovenstaand antwoord mag geenszins zoo uitgelegd worden, alsof eigenlijk niet wij het zijn, die verdienen, maar dat het Christus is, die in ons verdient; of alsof onze verdiensten inderdaad niets anders zijn, dan de verdiensten van Jesus Christus, welke God uit oneindige genade en barmhartigheid als de onze aanziet en aanneemt. Zulk een denkbeeld zou in strijd zijn met de aangehaalde leer der H. Kerk, welke in het Concilie van Trente uitdrukkelijk heeft verklaard, dat de gerechtvaardigden in waarheid de vermeerdering dei-genade en het eeuwige leven verdienen. De zin daarvan is, dat de ware innerlijke verdienstelijkheid onzer goede werken ontleend wordt aan de verdiensten van Jesus Christus, d-at onze verdienste in de zijne wortelt, en dat dus, afgezien van de oneindige verdiensten van den Verlosser , geen mensch den hemel door het onderhouden der goddelijke geboden kan verdienen. 2)
De katholieke Godgeleerden voeren ter opheldering dezer leer vooral de twee volgende redenen aan: — 1) De rechtvaardigen hebben, gelijk reeds boven is bewezen, wegens hunne goede werken alleen daarom en in zooverre rechtmatige aanspraak op hemelsch loon, omdat en in zooverre God het hun belooft heeft. God nu heeft alleen den rechtvaardige met het oog op de verdiensten van Jesus Christus ,
\') De II. Rosa van Lima weende, toen zij haar einde voelde naderen. Men. vroeg naar de oorzaak van hare tranen. I)e dienares des Heeren antwoordde; «ik ween, niet omdat ik de aarde moet verlaten, ook //riet om de smarten, welke ik uitsta; ik ween dewijl ik niet genoeg\' //heb geleden, om den hemel te verdienen.quot; En toch was het leven dezer ïleüige volgens het eenparige getuigenis harer levensbeschrijvers een onafgebroken keten van lijden en zelfverloochening geweest.
2) Het tegenovergestelde gevoelen van Bajus (Hoofdst. li en 62) is door den Roomschen Stoel veroordeeld.
86
zijn eeniggeboren Zoon, den hemel beloofd; bijgevolg worden de werken der rechtvaardigen alleen om de verdiensten van den Verlosser verdienstelijk voor den hemel. Zoo is eenmaal de door den Allerhoogste ter verheerlijking van zijn eeniggeborenen Zoon vastgestelde orde van zaligheid, dat alle genaden, alle verdiensten, alle heil en zegen van Christus en diens oneindige verdiensten ons toekomen. Derhalve zijn wij gerechtigd met den Apostel (Eph. 1,3) uit te roepen: „Geloofd zij God en de Vader van onzen „Heer Jesus Christus, die ons heeft gezegend met allen „geestelijken zegen, met heinelsche gaven in Christus.quot;
2) Opdat onze goede werken verdienstelijk zijn, moeten zij met de hulp der werkelijke en in den staat der heilig-makende genade worden verricht. Elke genade wordt ons alleen om wille der verdiensten van Christus beloofd en medegedeeld; dus is niets onbetwistbaarder dan de stelling: zonder de verdiensten van Christus geene verdiensten voor den mensch. Gelijk namelijk de twijg noch groeit, noch bloeit, noch vruchten draagt, als het sap uit den wortel en den stam haar niet doordringt, zoo is ook de ziel van den mensch onvruchtbaar aan verdienstehj ke werken, als zij niet door den band der heiligmakende genade en heilige liefde als eene levende rank met Christus, den waren wijnstok, is verbonden. Daarom zegt de Zaligmaker zelf (Joan. XV, 5): „Ik ben de wijnstok, gij zyt de ranken. „Die in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht; „want zonder Mij kunt gij nietsdoen.quot; Ten gevolge dezer door middel van de heiligmakende genade bewerkte levens-vereeniging met den Verlosser, krijgen onze werken in en op zich zelve eene bizondere bovennatuurlijke waarde, welke zij zonder haar niet zouden, niet konden hebben. Zij zijn daarom in Gods oog als werken van een in Christus, zijnen Zoon, vernieuwd schepsel, als werken van levende ledematen van dat geheimvol lichaam, welks hoofd Jesus Christus, de hemelsche Adam is. Vandaar schrijft ook de Kerkvergadering van Trente (Zitt. XI; Hoofdst. 16) de verdiensten van den rechtvaardige vooral daaraan toe, dat „Jesus Christus, gelijk het hoofd aan de ledematen „en gelijk de wijnstok aan de ranken, aan de gerecht-„vaardigden voortdurend kracht mededeelt, die kracht, „welke hunne goede werken altijd voorafgaat, vergezelt „en volgt, en zonder welke zij in geenen deele Gode aan-„genaam en verdienstelijk zijn kunnen.quot; — Volgens de meening van vele Godgeleerden hebben de goede werken der rechtvaardigen thans, na de volbrachte verlossing, eene nog hoogere innerlijke waarde, dan zij gehad zouden hebben,
87
als de mensch in den oorspronkelijken staat van onschuld ware gebleven en de verlossing door Christus niet had plaats gehad. Door die levensvereeniging met Christus, den heraelschen Adam, geschiedt het namelijk, dat onze goede werken door God in zekeren zin als het gemeenschappelijk gevolg van het God-menschelijk werken van Christus, als ons hoofd, en van ons zelve, als zijne ledematen , worden aangezien, ea alzoo ook om de goddelijke waardigheid des Heilands, om zijne oneindige verdiensten en de aan Hem gedane beloftsn rijkelijker worden beloond. In dien zin zegt de genoemde Kerkvergadering (Zitt. XXV, hoofdst, 8): „In Hem (den Godmensch) leven wij, verdienen wij, van Hem hebben de vruchten der boetvaardigheid (onze goede werken) hare kracht, door Hem worden „zij van Hem aangenomen.\'\' (Verg. Deel II, en Suarez, de grat. sanct. XII; c. 19.)
Moet ieder Christen goede werken doen?
Ja; want elke boom, welke geene goede vruchten draagt, zal uitgehouwen en in het vuur geworpen worden (llatth. III, 10).
Met deze strenge woorden bestraft de H. Joannes de Dooper het vermetele vertrouwen der Phariseën en Saddu-ceën, die hun heil verzekerd waanden, omdat zij volgens lichamelijke afstamming kinderen van Abraham waren, zonder er zich over te bekommeren, het ook volgens hunne werken te zijn. Draagt er geen roem op, sprak hij tot hen, en zegt niet: „wij hebben Abraham tot vader. Meent „niet, dat gij daarom het toekomstig oordeel ontgaan zult; „want ik zeg u, de bijl is alreeds aan den wortel der „boomen gelegd. Elke boom alzoo, welke geene goede „vruchten draagt, zal uitgehouwen en in het vuur ge-,worpen worden.quot; De voorlooper van den Leermeester aller wijsheid zegt niet: elke boom, welke slechte vruchten draagt, wordt geveld en aan het vuur overgeleverd, maar: elke boom, die geene goede vruchten draagt. Het verzuim van goede werken is dus reeds genoeg om tot de verdoemenis te komen; want het is kwaad, geen goed te doen; daar er geschreven staat: „wijk af van het kwaad „en doe het goedequot; (Ps. XXXVI, 27). — Jesus Christus zelf bevestigt de leer van zijnen voorlooper door de gelijkenis van den onvruchtbaren vijgeboom, als Hij den heer van den boomgaard, waarin die boom is geplant, de woorden in den mond legt: „Zie, het is het derde jaar, „dat Ik kome en vrucht aan dezen vijgeboom zoeke, en ik
88
„vind er geene. Houw hem dan uit! Waartoe ook beslaat „hij de aarde?quot; (Luc. XIII, 7). Dezelfde beteekenis heeft de parabel van de pijf wijze en de vijf dwaze maagden (Matth. XXV, 1—14). De gebeele en eenige misdaad der laatsten was, dat zij bij de komst van den bruidegom geen olie in hare lampen hadden, d. i. dat zij ontbloot van goede werken waren; want eene lamp zonder olie is, volgens de verklaring der Vaders, een geloof zonder goede werken. l) Hetzelfde leert ons de parabel van Christus over den tragen knecht (1. c. v. 14—30), die het ontvangen talent noch verkwistte, noch verloor, maar het begroef en nutteloos liet liggen, en om deze strafwaardige nalatigheid uit den mond van zijn vergramden heer het vonnis moest vernemen: „werpt den onnutten dienstknecht „in de duisternissen, aldaar zal zijn geween en knarsing „der tanden.quot; Zeer duidelijk ook blijkt de noodzakelijkheid der goede werken uit de beschrijving van het laatste oordeel, welke Jesus ons in het reeds aangehaalde 25ate hoofdstuk van Mattheus geeft. De eeuwige Hechter zal bij dat plechtig oordeel hun, die ter linkerzijde staan, niet verwijten, dat zij niet geloofd, maar wel, dat zij geene werken van barmhartigheid beoefend hebben. Gelijk Jesus Christus, zoo wijzen ook de HH. Apostelen met grooten nadruk op de noodzakelijkheid der goede werken ter zaligheid. Krachtig spreekt vooral de H. Jacobus in het tweede hoofdstuk van zijnen apostolischen brief. „Wat baat het, „mijne broeders,quot; vraagt hij, „wanneer iemand zegt, dat „hij het geloof heeft, maar de werken niet heeft ? Kan „het geloof hem zaligmaken?quot; Gewis wil de genoemde Apostel, gelijk uit zijne verdere woorden blijkt, hiermede zeggen, dat het geloof zonder werken niets baat, niet in staat is den mensch zalig te maken. Bij al deze bewijzen komt nog, dat de H. Schrift, zoowel van het Oude als van het Nieuwe Verbond, ons onophoudelijk tot de beoefening van goede werken aanspoort, en ons overal den hemel als het loon voor goede werken of voor het geloof in vereeniging met de goede werken beschrijft en voorstelt. — Uit het gezegde blijkt, hoezeer de hervormers uit de zestiende eeuw zich niet alleen tegen de eenparige kerkelijke leer aller eeuwen, maar ook tegen de ondubbelzinnige en duidelijkste woorden der H. Schrift hebben misgrepen, als zij leerden, dat de goede werken ter zaligheid niet noodzakelijk zijn, dat het geloof alleen zalig
\') Zie Cornel, a Lap. 1. c.
89
maakt. \') Vruchteloos beriepen zij zich op den H. Paulus, wiens woorden zij vervalschten, om hem tot beschermer eener verderfelijke dwaling te maken. Paulus leert integendeel, dat wij in Christus tot nieuwe schepselen herboren zijn, opdat wij goede werken oefenen. „Wij zijn,quot; schrijft tij aan de Ephesiërs (II, 10), „zijn maaksel, geschapen „in Christus Jesus tot goede werken, welke God heeft „voorbereid, opdat wij daarin zouden wandelen.quot;
Welke goede werken moeten wij vooral beoefenen ?
Die, 1) welke door de geboden Gods en der Kerk aan alle Christenen voorgeschreven en 2) ter vervulling der plichten van onzen staat noodzakelijk of dienstig zijn.
Ten opzichte der verplichting onderscheidt men de goede werken gewoonlijk in gehodeti en alleen aanbevolen werken, of in werken van verplichting en van vrije keuze. — Tot de werken van verplichting behooren 1) die, welke door ieder van ons als mensch en Christen krachtens de geboden Gods of der Kerk, zijne plaatsbekleedster, verricht moeten worden. Over deze is in het derde deel breedvoerig ge-
\') Luther wilde van de noodzakelijklieid der goede werken ter verkrijging der zaligheid ia het geheel niet weten. //Hen moetquot;, dus luiden zijne woorden, /.dit voorstel: goede werken zijn ter zaligheid //noodzakelijk, volstrekt niet aannemen, maar geheel verwerpen. yWant het is valsch en onwaar, dat goede werken tot de rechtvaar-//digheid of zaligheid noodig zijn, en omdat het papisten goed schijnt, vwillen wij het geenszins aannemen, noch goedkeureu, maar geheel //en al uit de theologie, bizonder uit het artikel der rechtvaardig-//making wegwerpen, en noch er van zien noch er van hooren.quot; *) Nog sterker drukt hij zich op andere plaatsen uit, zooals in zijne postille: (Walch. D. II. Bladz. 2G) //Gave God, dat ik eenestemhadde «als een donderslag, dat ik haar over de geheele wereld konde doen //weergalmen, en net woord goede werken bij alle menschen uit hart, ,/mond, ooren en borsten kon wegnemen en toch een juist denkbeeld «daarvan geven.quot; Dat juiste denkbeeld bepaalt en verklaart Luther niet zelden daarmede, dat, wanneer het geloof het ware is, het van zelf goede werken voortbrengt, dewijl de goede werken teekenen en vruchten van het ware geloot\' zijn. iloest hij echter later de vraag beantwoorden, of alleen zulk een waar, d. i. een aan goede werken vruchtbaar geloof zalig maakt, dan geraakte hij telkenmale in de pijnlijkste verlegenheid. Antwoordde hij bevestigend, dan weersprak hij zich zelven en leerde, gelijk ook de katholieke Kerk, dat het geloof zonder goede werken dood is en niet tot de zaligheid leidt; antwoordde hij daarentegen ontkennend, dan gaf hij, het gezonde verstand van den mensch in het gezicht slaande, toe, dat het valsche geloof even goed als het ware zalig maakt, dat het dus geheel en al overbodig is, het ware geloof van het valsche te onderscheiden.
\') Aangehaald door Waldner in de Reformation van Dollinger, Bd. 3 bladz. 104.
90
handeld. 2) Die, tot wier beoefening de bizondere levensstaat of het beroep van eiken Christen verplicht. Tot andere goede werken verplicht namelijk de staat van den Priester of kloosterling, tot andere die van den leek, tot andere de ongehuwde staat, weder tot andere de huwelijke staat. De staat van overheden en onderdanen, van ouders en kinderen, van dienstboden en heeren, de staat van beambten, soldaten, geleerden en kunstenaars, om kort te gaan, elke christelijke levensstaat vordert de vervulling van bepaalde plichten, de beoefening van onderscheiden goede werken.
Deze beide soorten van goede werken moet ieder Christen vóór alle andere beoefenen; want wie ze nalaat, hem zal het weinig baten, andere goede werken, waartoe hij niet is verplicht, volgens eigen keuze te verrichten. Het kan aan God nooit welgevallig wezen, dat wij aan onzen wil de voorkeur geven boven zijn wil.
Goede werken, welke van ome vrije keuze afhangen, zijn zulke, wier beoefening, schoon niet streng geboden, ter zaligheid strekt, tot de volmaaktheid zeer veel bijdraagt, en daarom in de H. Schrift bizonder wordt aanbevolen. „Het gebed,\'\' sprak Raphaël tot Tobias (Tob. XII, 8), „met vasten en aalmoezen gepaard, is beter dan schatten „van goud op te hoopen.quot; Overeenkomstig deze uitspraak van dien hemelschen leermeester verstaat men onder goede werken, gewoonlij k lidden, vasten, aalmoezen geven; waaronder in het algemeen de werken van godsvrucht, van versterving en van naastenliefde verstaan worden. Door het gebed brengen wij aan God onze ziel, door het vasten ons lichaam en door de aalmoes de tijdelijke goederen ten offer. En daar elke zonde uit de begeerlijkheid des vleesches, uit de begeerlijkheid der oogen en de hoovaardij des levens wordt geboren (1 Joan. II, 16), zoo wordt door deze goede werken de drievoudige bron der zonde afgesloten en verstopt. Door het gebed en de overweging, waaronder ook de geestelijke lezing en het aanhooren van Gods woord te rekenen zijn, wordt de ziel aan God, haren Schepper en Heer, in ootmoed onderworpen, wordt dus de hoogmoed of de hoovaardij des levens onderdrukt; door het vasten, hetwelk ook alle boetewerken, strengheden en zelfkastijdingen in zich besluit, wordt de begeerlijkheid des vleesches verzwakt; door de aalmoes eindelijk, waaronder alle werken van milddadigheid en barmhartigheid zijn begrepen , wordt het hart van de ongeregelde gehechtheid aan de aardsche goederen van lieverlede bevrijd en zoo de begeerlijkheid der oogen krachtdadig bestreden.
91
De zooeven genoemde werken kunnen wel in vele gevallen ook werken van verplichting zijn, gelijk dit reeds uit de behandeling van het vasten en van de aalmoes blijkt, en uit de later volgende § over het gebed blijken zal. Zij worden echter met recht gerangschikt onder de werken, welke niet verplichtend zijn, zoo dikwyls de Christen, door geloof, liefde en ijver aangedreven, in dit drievoudig opzicht meer doet, dan hij streng verplicht is. — En wie zou zich ook niet aangespoord gevoelen, zoo te handelen, als hij van den eenen kant de meerdere verheerlijking van God, van den anderen kant zijne eigen volmaking en het heerlijke loon des hemels in het oog houdt? De H. Paulus vermaant ons herhaald en dringend, om goed te doen, ijverig er ons op toe te leggen, rijk te worden aan goede werken (1. Tim. VI, 18), in alle goede werken vruchtbaar te zijn. „Laat ons in het goede te doen niet moede „worden,quot; schrijft hij aan de Galaten (VI, 9); „want te „zijner tijd zullen wij maaien, indien wij niet moede wor-„den.quot; Als het om een handvol goud of zilver te doen is, dan vragen wij niet eerst of wij verplicht zijn, ons eenige moeite te getroosten om het in \'t verschiet geziene goed te verwerven; in dat geval deinzen wij voor geene moeite noch arbeid terug. Zou het niet onvergeeflijk zijn, als wij elke inspanning schuwden, waar het de verkrijging geldt van eeuwige goederen, daar wij toch weten, „dat „onze arbeid niet ijdel is in den Heerquot; (1. Cor.XV, 58)? — Wie nooit meer doen wil, dan wat hij meent te moeten doen, om de straf der eeuwige verdoemenis niet te be-loopen , heeft alle reden om te vreezen, dat hij ook eindelijk dit zal verzuimen; wie zich daarentegen altijd beijvert, nog meer te doen, dan hij verplicht is, zal moeielijk ooit een verwaarloozer van zijn plicht en zijne zaligheid worden. Vandaar schrijft de H. Petrus (2. Petr. 1,10): „Broeders, „beijvert u uwe roeping en uwe uitverkiezing door goede „werken te verzekeren; want als gij dit doet, zult gij nooit „zondigen.\'\' — En niemand geve voor, dat hij niet bij machte is, dergelijke goede werken te verrichten. Wie niet kan vasten of aalmoezen geven, is toch voor het minst in staat, God door bidden te verheerlijken, zijn hart ootmoedig en vol vertrouwen tot Hem te verheffen.
Waarop ziet God vooral hij ome goede ioerken?
Op de goede meening, door welke wij ook bij geringe werken een groot loon van God kunnen verkrijgen.
Goede meening noemen wij de bedoeling, om door ons
92
handelen God te dienen, Hem te eeren. Deze bedoeling bestaat in den goeden, tot den dienst en de verheerlijking van God gerichten wil, in de godvruchtige stemming des harten. Op deze stemming en goede bedoeling is bij onze handelingen het oog van God bizonder gevestigd: de bloote schijn heeft voor Jriem geene waarde. Duidelijk wordt dit aangegeven in de woorden van Christus bij Mattheus (VI, 22, 23): „uw oog is het licht uws lichaams; zoo „uw oog zuiver is, zal geheel uw lichaam helder zijn. „Maar indien uw oog slecht is, zal geheel uw lichaam „duister zijn.quot; Uit den samenhang met het voorgaande blijkt namelijk duidelijk, dat de Zaligmaker hier onze goede bedoeling vergelijkt met het oog des lichaams, gelijk ook de HH. Vaders, als bijv. de H. Paus Gregorius, ons leeren. De goddelijke Leermeester wil dus zeggen: wanneer gij goede werken verricht, als gij bidt, vast, aalmoezen uitdeelt, doet het met eene goede, zuivere bedoeling; want de goede meening is voor uwen inwendigen toestand, wat het lichamelijk oog voor uwen uitvvendigen wandel is. Is uw lichamelijk oog zuiver en helderziende, dan strekt het voor alle ledematen des lichaams tot een licht, zoodat deze zonder stooten hunne verrichtingen volbrengen; is het daarentegen blind, dan is het geheele lichaam als in duisternis. De hand weet\' dan niet, of zij naar nuttige of schadelijke dingen tast; de voet weet niet, of hij zich op een vasten of glibberigen grond zet. Eveneens is het ook met het oog van uwen geest, met uwe bedoeling: is zij zuiver en op het goede gericht, dan zal uw gebed, uw vasten en uwe aalmoes waarlijk goed zijn; is zij echter met een boozen hartstocht doortrokken, dan zullen ook uwe werken geene werken des lichts, maar der duisternis, geene goede, maar slechte werken zijn. — Zoo kunnen dus handelingen, die op zich zelve goed zijn, verdienste-loos, ja, zelfs zondig worden, als de bedoeling ijdel of geheel verkeerd is. \') — Door de goede bedoeling daaren-
\') Deze voor liet cliristelijke leven zoo gewichtige waarheid zal door de volgende gelijkenis gemakkelijker begrepen worden. Een vroom kluizenaar had eens een zeer merkwaardigen droom. Hij zag zich verplaatst in het oogenblik van het bizonder oordeel, waarin ieder mensch terstond na zijn verscheiden volgens zijne werken geoordeeld wordt. Jesus Christus zat op zijnen troon; aan zijne voeten stond een Kngel met eene weegschaal. Iedere afgestorvene verscheen voor dit beslissend oordeel beladen met twee pakken, waarvan het eene zijne goede werken, het andere zijne zonden bevatte. De Engel woog terstond de beide bundels tegen elkander, en naardat het goed of het kwaad het overwicht had, sprak Jesus genade of verwerping uit. Allen, die op de rij af verschenen, brachten twee zeer ongelijke
93
tegen worden ook de in zich zelve onbeduidende goede handelingen hoogst aangenaam aan God en bereiden ons een groot loon in den hemel. Jesus Christus zelf waarborgt ons dit met woorden: „Al wie slechts een beker koud „water aan een van deze geringsten in den naam eens „discipels zal gegeven hebben, voorwaar, Ik zeg u, hij „zal zijn loon niet verliezen,quot; d. i. een eeuwig, onverlies-baar loon ontvangen (Matth. X, 42). Daarom vermaant de Apostel (Col. III, 17) : „Al wat gij doet in woord of „werk, doet het alles in den naam van den Heere Jesus „Christus.\'\' — Doch niet alleen de in zich zelve onbeduidende goede werken, maar ook de onverschillige handelingen , welke namelijk uit haren aard noch goed, noch kwaad zijn, als eten, drinken, wandelen en derg. worden Gode aangenaam en voor den hemel verdienstelijk, als
bundels mede; die der zonde was doorgaans veel grooter, dan van de goede werken, en de weegschaal des Engels helde onophoudelijk naar dien kant over, namelijk naar de linkerzijde. De goede kluizenaar was nu zeer bedrukt, omdat hij tot dusverre alleen vonnissen van gramschap uit den mond van Jesus Christus gehoord eu alleen rampzaligen gezien had, die terstond na hunne veroordeeling door den afgrond werden verzwolgen. Eindelijk bemerkte hij eene vrouw, wier verschijning hem eenigen troost schonk, want van hare beide bundels was die met het opschrift; //goede werken,quot; veel grooter dan de andere. Maar hoe groot was zijne teleurstelling, toen hij op het oogenblik, dat de beide bundels op de weegschaal werden gelegd, het grootste door het tegenwicht van het kleinere eensklaps in de hoogte zag gaan, en bijgevolg het vonnis der verdoemenis dier rampzalige uit den mond van den goddelijlten Rechter vernam. De Engel, de verbazing des kluizenaars bemerkende, wenkte hem te naderen, en opende voor zijne oogen den bundel der goede werken van de vrouw. Deze bevatte eene menigte van kleine pakjes, wier opschrift was; irgebeden, biechten, communiën, aalmoezen, bezoek //van zieken, geschenken aan kerken, bedevaartenquot; en dergelijke meer. Nu eerst steeg zijne verbazing ten top. Hij kon niet begrijpen, hoe zoo vele en zoo goede werken zulk een klein gewicht konden hebben. Toen beval de Engel hem deze kleine pakjes te openen, en zie zij waren allen geheel ledig. Bij dit schouwspel wist de kluizenaar niet meer wat hij denken moest en zag den Engel vragend aan. //Ik lees in uwe ziel,quot; sprak nu de Engel, //dat gij niet weet, «wat gij hiervan moet denken. Hoor dan; de goede werken, wier //afzonderlijke opschriften gij hebt gelezen, waren maar schijnwerken; //want de hoofddrijfveer van allen was niets dan hoogmoed. mensche-//lijk opzicht, eigenbelang, huichelarij, en andere dergelijke. Alles, ,wat niet voor God en den hemel wordt gedaan, is zonder in wendige //waarde, is nietig in de oogen van den hoogsten Hechter. Deze „vrouw verbeeldde zich rijk te zijn aan goede werken. De doodsslaap overviel haar in dien waan, en bij haar ontwaken aan deze .•/zijde des grafs bevond zij zich zonder eenig verdienstelijk werk,quot; Op dit oogenblik ontwaakte de kluizenaar. Die droom kwam hem later dikwijls voor den geest, en was steeds eene waarschuwing, welke God hem geschonken had, om in al zijne handelingen elke bedoeling te verwijderen, welke hem van verdiensten kon berooven. (Gelijkenissen van Honaventura).
94
men ze met eene bovennatuurlijke goede meening volbrengt. Vandaar schriift ook de H. Paulus aan de Corinthiërs (1. Cor. X, 31): „Hetzij gij eet, hetzij gij drinkt, hetzij „gij iets anders doet, doet alles tot eer van God.quot; In vroegere eeuwen hield men zich veel onledig met het zoeken naar den steen der wijzen, d. i. de kunst om metaal zonder waarde in goud te veranderen. Deze kunst is voor den Christen gemakkelijk te leeren en te beoefenen. Zij bestaat, volgens het gezegde, in alle handelingen voor God te doen, alle wederwaardigheden voor God te lijden, alleen het heil zijner ziel en Gods verheerlijking en liefde te beoogen. De goede meening is dan de steen der wijzen voor den Christen; want wat de Christen ooit met zulke meenicg doet of lijdt, dat bereidt hem een loon in den hemel, hetwelk oneindig meer waard is, dan al het zilver en goud der wereld. Zou het niet onvergeeflijk zijn, zich dezen „steen der wijzen\'\'.niet toe te eigenen\':\'
Verder zy nog aangemerkt, dat eene goede handeling des te verdienstelijker is, naarmate de bedoeling, waarmede zij wordt verricht, verdienstelijker is. De voortreffelijkste bedoeling of meening, welke uit de volmaakte liefde tot God voortkomt, als namelijk de handelende persoon niet zoozeer op het loon of niet alleen op het loon, maar veeleer op de eer en verheerlijking van God, als het laatste doel zijner handelingen ziet. (Verg. Deel III, blz. 11.) — Ook ontvangt een onbeduidend werk en een gering offer dikwijls een naar evenredigheid zeer groot loon, omdat het geschiedt met de bedoeling, als het mogelijk ware, een nog veel gewichtiger werk te doen, een veel grooter offer te brengen. Van dien aard was het offer van den penning, welken de arme weduwe in de offerkist te Jerusalem wierp; want daar zij , volgens het getuigenis van den Heiland zei ven, „alles gaf, wat zij „hadquot; (Marc. XII, 44j , mogen wij met recht besluiten, dat zij de meening had, meer te geven , als zij meer had bezeten.
Opdat al onze goede werken met eene goede, Gode behagelijke meening gedaan worden, is het juist niet noodig, elk afzonderlijk, voordat men het begint, door eene uitdrukkelijke akte van den wil aan God op te dragen, of in het verloop daaraan altijd te denken of te zeggen; „mijn God, ik doe dit werk te uwer eere, uit liefde tot //U.\' Heeft men des morgens al zijne handelingen door eene goede meening aan God opgedragen en verricht men ze dan krachtens deze eerste goede bedoeling zóó, dat zij niet door eenige verkeerde meening herroepen worden, maar op alle goede of onverschillige handelingen van den dag een heilzamen invloed uitoefenen, dan zijn deze Gode aangenaam en verdienstelijk voor het rijk der hemelen. Zoo behoeft ook een wandelaar, die op het punt is naar zijn vaderland terug te
95
keeren, geenszins bij elke schrede te denken aan het vaderland en zijne bedoeling om terug te keeren; het is voldoende, dat hij zich des morgens op den goeden weg begeeft en in den loop van den dag onverdroten daarop voortgaat. — Intusschen kan toch niet ontkend worden, dat een reiziger, die dikwijls aan zijn vaderland denkt en de meening om er heen te gaan vernieuwt, het voorgenomen doel spoediger, onmiddellijker en zekerder zal bereiken, vooral als de weg of zeer moeielijk is en groote bezwaren oplevert, of langs verrukkelijke streken en schoone steden leidt, waar alles den terng-keerende uitnoodigt, om halt le houden en herhaaldelijk de reis vertragende uitstapjes te doen. Eveneens nu is het gelegen met den Christen, den wandelaar naar het hemelsche vaderland. Hoe meermalen de Christen op zijne aarische pelgrimsreize, waar aardsche goederen, zingenot en de ongeregelde neiging van het hart hem bijna bij elke schrede tot verderfelijke rust of tot afwijking van den goeden weg dringend aanzetten, — hoe meer de Christen denkt aan God en het eeuwige verblijf bij God, hoe meer hij de bedoeling, om daar te komen, vernieuwt, des te zekerder, grooter en rasscher zullen zijne schreden op den weg van het eeuwig geluk wezen, d. i. des te meer goede werken zal hij beoefenen, des te zeldzamer zal hij den schadelijken invloed der ingevingen van ijdelheid, roemzucht en andere ongeregelde neigingen op zijne goede handelingen gewaar worden. Daarom is het zeer heilzaam, niet alleen des morgens, maar ook dikwijls op den dag eene goede \'meening te maken. Men be-vlijtige zich dus, deze zoo loffelijke oefening tot eene gewoonte te maken. — Men zegge iederen dag terstond bij het ontwaken: vO «.mijn God! Ik draag al mijne gedachten, woorden en werken te „uwer eere en verheerlijking op.quot; Of
«.Lieve Jesus, kom tot mij,
»Ik schenk ü dezen dag!quot;
In den loop van den dag herhale men dikwijls, vooral bij het begin van gewichtige bezigheden: «Mijn God en Heer! Alles te uwer eerlquot; ,Alles voor Jesus!quot; en derg. meer. — Ook is het zeer nuttig, om elk goed werk met verscheidene goede bedoelingen te doen, daar aan elk dezer bedoelingen een bizonder loon beantwoordt.
Welke middelen moeten wij ter verkrijging der genade vooral bezigen?
De HH. Sacramenten en het gebed.
Uit onze verhandeling over de genade hebben wij geleerd, dat de genade Gods voor alle menschen noodzakelijk is, om zalig te worden; alsook, dat God in zijne oneindige goedheid en milddadigheid bereid is, eenieder de noodige genade te verleenen. Daar God nu de eenige bron der genade is, staat het Hem vrij, ze ons mede te deelen op die wijze en onder die voorwaarden, welke Hem behagen. En werkelijk zien wij ook, dat God ons vele genaden geeft, zonder dat wij van onzen kant daartoe iets bijbrengen, zooals bij de voorkomende genade tot het gebed, tot het geloof, ter bekeering, enz. het geval is. Andere genaden wil Hij ons alleen schenken onder voorwaarde, dat wij er Hem om bidden; weder andere heeft Hij aan
96
het goede getruik der HH. Sacramenten verbonden. Daaruit blijkt dus duidelijk, dat zoowel de Sacramenten als het gebed, waaronder vooral het smeekgebed wordt verstaan, zeer geschikte middelen zijn, om genaden van God te verkrijgen.
Deze beide genademiddelen dragen tot het verkrijgen der genade bij op verschillende wijze. De HH. Sacramenten werken in ons de genade uit; het gebed daarentegen smeekt die voor ons af. De Sacramenten brengen, gelijk later zal worden bewezen, indien zij waardig ontvangen worden, als werkende oorzaken, de aan het doel hunner instelling beantwoordende genaden in ons onfeilbaar voort, gelijk het water van het bad van Bethsaïda, hetwelk, als het door den Engel des Heeren in beweging was gebracht, aan den ziieke, die het eerste daarin afsteeg, de gezondheid zeker terug gaf. Het gebed daarentegen dient alleen, om den oorsprong der genade te bewegen, den biddende deze of gene genade welwillend te schenken. Zoo strekte de b3de van den blindgeborene, om Jesus te bewegen, zijne blindheid werkelijk te genezen. — Daar de HH, Sacramenten de genade niet alleen afsmeeken, maar uitwerken, blijkt het, dat zij bij voorkeur en in den strengsten zin genademiddelen zijn, terwijl dit van het gebed slechts geldt in een ruimeren zin, — Een verder onderscheid tusschen de genoemde genademiddelen, de HH. Sacramenten namelijk en het gebed, ligt daarin, dat de Christen door de eerste alleen genaden van dien bizonderen aard erlangt, tot welker mededeeling zij door God zeiven zijn ingesteld, terwijl hij door het gebed genaden van allerlei aard kan verkrijgen, alleen die uitgezonderd, welke God ons uitsluitend door de HH. Sacramenten wil schenken. Zoo kan bijv. de Christen door het gebed nooit de macht om zonden te vergeven verkrijgen; deze wordt alleen door het H. Sacrament des Priesterschaps medegedeeld.
TOEPASSING.
De schoonste en beste vrucht, welke wij uit de leer over de genade moeten trekken, is voorzeker eene onbeperkte hoogschatting van de heiligmakende genade, van die bron van hemelsche verdiensten, van hemelsche glorie, welke uit het liefdevolle vaderhart van God ontspringt en zich in ons hart uitstort. Deze hoogschatting der heiligmakende genade moet ons altijd en vooral vergezellen, moet ons in alle aangelegenheden en omstandigheden van dit aardsche pelgrimsleven eene sterke drijfveer zqn, om
97
ze te bewaren, en door goede werken, vooral door het dikwijls waardig ontvangen der HH. Sacramenten, te vermeerderen. Ongelukkig kennen zeer vele Christenen de onvergelijkelijk verheven waarde dezer heerlijke gave van den drieëenigen God niet, of denken er niet aan, omdat de ijdelheid der wereld hunnen geest verstrooit, en zingenot hun hart verblindt. En toch is er geene kostbaarder gave dan deze. Wanneer God een millioen werelden, de eene schooner dan de andere, had geschapen en ze ons schonk, hoe dankbaar zouden wij Hem daarvoor niet zijn? En toch heeft Hij door de gave der heiligmakende genade iets onvergelijkelijk grooters voor ons gedaan. Bedenken we het wel: reeds op den scheppingsdag gaf de Allerhoogste aan ziin lievelingsschepsel, aan den mensch , dit onderpand van toekomstig, eeuwigdurend geluk, verhief hem daardoor ver boven de geheele zichtbare natuur, en rangschikte hem in zekeren zin onder de koren der zalige geesten. En als de eerste mensch dwaas en boos genoeg was, om door zijne ongehoorzaamheid dit goddelijk geschenk te verwerpen , daalde de eeniggeboren Zoon des eeuwigen Vaders van den troon des hemels in dit tranendal neder, om ons opnieuw het bezit dier onwaardeerbare parel te bezorgen. Tot losprijs gaf Hij daarvoor alles, zelfs zijn bloed en leven, ten oifer. Hiermede nog niet tevreden, zond de menschgeworden Zoon Gods, Jesus Christus, na zijnen terugkeer tot den Vader, den H. Geest over zijne Kerk, om bij haar te verblijven en door zijne tusschenkomst de genade van heiligmaking en de goddelijke liefde in de harten der Christenen tot het einde der eeuwen uitte-storten. Dit alles heeft God de Heer gedaan, om voor ons de verloren genade te verdienen en ons die te kunnen schenken. En zouden wij ons dan geene moeite geven, de herkregen genade te bewaren en volgens Gods wil en beschikking te vermeerderen ? Zouden wij zoo lichtzinnig en slecht zijn, de door het kostbare bloed van don Godmensch herkregen parel der heiligmakende genade voor een schandelijk gewin, voor eene ijdele eer, voor eene nietige vreugde van eenen dag te verkwisten of weg te werpen ? Is dit niet volgens de woorden van den Apostel (Hebr. X, 28, 29), „den Zoon Gods met voeten treden, het bloed van het „Verbond (het bloed van Jesus Christus), waardoor wij „worden geheiligd, voor onzuiver (voor onheilig, ter „heiliging onnuttig bloed) houden en den Geest der genade „(den H. Geest) smaad aandoen?quot; \') En verdient een
\') Ofschoon deze tekst onmiddellijk op den afval van het geloof DEHARBE, GELOOFSLEER. IV. 3^ DRUK. 7
98
zoodanig Christen niet de strengste straffen ? Als degene, die de wet van Mozes had overtreden, in vele gevallen zonder barmhartigheid moest sterven, hoeveel strenger straffen, zal hij dan niet moeten ondergaan, die den Zoon Gods, zijn H. bloed en zijn verlossingswerk, en den H. Geest, de bron en den uitdeeler aller genaden, zoo stoutmoedig onteert?
Over de Uil. Saertmienten.
IVai is een Sacrament?
Een uitwendig teeken, door Christus ingesteld, betee-kenende eene bizondere genade, welke ons door hetzelve gegeven wordt.
De zeven Sacramenten zijn even zoovele geheimvolle bronnen, waaruit ons de genaden, welke Jesus Christus door ziin bitter lijden en sterven lot onze zaligheid heeft verdiend, ruimschoots toevloeien. Deze genadebronnen waren in bet Oude Verbond nog niet geopend; zij waren echter aan het door Christus te verlossen menschdom toen reeds door de Profeten plechtig beloofd. „Gij zult,quot; zegt Isaias (XII, 13) , „water putten met vreugde uit de „bronnen des Zaligmakers en (met een dankbaar hart) op „dien dag zeggen: prijst den Heer en roept zijnen naam „aan.... Zingt den Heer liederen; want Hij heeft iets „groots gedaan.quot; Het is de liefderijke bedoeling Gods, dat wij allen tot die genadevolle bronnen naderen en naar onze behoeften daaruit putten. Doch hoe zou het ons mogelijk zijn, aan die bedoeling van God te beantwoorden en tot de heilbronnen te naderen, als zij niet zichtbaar, nietwaar te nemen, maar onzichtbaar waren als de genade zelve? Om deze zevenvoudige genadebron tot ons hart te leiden, beeft Jesus Christus zichtbare teekenen ingesteld, opdat wij daardoor onzichtbare genade en inwendige heiliging zouden verkrijgen. — Drie zaken behooren dus tot een Sacrament: 1) een zichtbaar, d. i. een door eenig uiterlijk zintuig, als gezicht, gehoor, gevoel, waar is nemen teeken. i)
betrekking heeft, kan hij toch met gegronde reden op elke zware zonde van den Christen worden toegepast. Zelfs de H. Thomas (Comment, op den brief der Hebreën) geeft deze uitlegging op de tweede plaats.
■) Ook noemt de Katechismus van het Concilie van Trente het Sacrament //een zichthaar teeken eener onzichtbare genade.quot; Op de
99
Zulk een teeken is bijv. bij het H. Sacrament des Doopsels de afwassching met water, door middel van het zintuig des gezichts of ook des gevoels waartenemen, en de woorden, door het zintuig des gehoors te vernemen: „Ik „doop u in den naam des Vaders en des Zoons en des „H. Geestes.quot; — Gelijk bij het H. Doopsel, zoo bestaat ook bij de overige HH. Sacramenten het uitwendige zichtbare teeken uit twee zaken: uit de üof, d. i. uit de zaak of handeling, welke onder de zintuigen valt, en uit den vorm, d. i. uit dat deel van het Sacrament, wat de stof nader bepaalt om Sacrament te zijn, en welke vorm meestal uit woorden bestaat, door welke de in en op zich zelve onverschillige handeling eerst een Sacrament wordt. Wat de H. Augustinus van de stof en den vorm des Doopsels zegt (Verh. 7 over Joan.), dat geldt dus ook van de stof en den vorm van alle andere Sacramenten. „Laat het „woord weg, wat is het water meer dan water? Het „woord komt bij het element, en het wordt Sacrament.quot; En inderdaad zonder het ware doopformulier zou de uitstorting des waters niets anders zijn dan eene gewone afwassching of afkoeling, i) 2) Eene onzichtbare genade, welke door het met de zintuigen waarneembare teeken figuurlijk wordt te kennen gegeven en daarmede zoo is
tegenwerping, dat het sacramenteele teeken niet slechts uit zichtbare dingen, (uit de stof) maar ook uit hoorbare woorden (uit den vorm) bestaat, en dus veeleer een zich/haar en hoorhaar teeken moest genoemd worden, antwoordde de H. Thomas (4. 8ent. D. i. q. 1. a. 1. s. 3), dat hier zichtbaar zooveel als waarwemhaar beteekent, en den grond voor deze verwisseling van uitdrukking ziet de H. Leeraar hierin, dat het zintuig van het gezicht onder alle zintuigen het edelste is, en, gelijk ook de H. Augustinus opmerkt, de uitdrukking zien tot de waarnemingen door middel van andere zintuigen wordt uitgestrekt. Daarom noemt de H. Augustinus op eene andere plaats (contra Faust.) de Sacramenten ,/eene soort van zichtbare woorden.quot; Het woord «.zichtbaar teekenquot; geeft overigens de juiste tegenstelling aan van de uitdrukking //onzichtbare genade,quot; en wijst er ons op, dat de hemelsche gaven, die voor onze lichamelijke oogen geheel verborgen zijn, door middel van het uitwendig teeken als \'t ware onthuld en zichtbaar worden.
\') Keeds liad zich het Concilie van Florence van de uitdrukking «stof en vormquot; bediend, om de wezenlijke bestanddeelen van een Sacrament aan te duiden, en het Concilie van Trente (14= Zitt. 2e hoofdst.) leert eveneens, dat «stof en vorm het wezen van een ^Sacrament uitmaken.quot; Men noemt de woorden, welke bij de toediening van een Sacrament volgens goddelijk voorschrift de stof of de sacramenteele handeling moeten vergezellen, vorm, wijl de stof eerst door het gelijktijdig uitspreken dier woorden het door Christus ingestelde Sacrament wordt. Lvenzoo wordt ook een ruw stuk marmer eerst door den bepaalden vorm of de gedaante, die er door den beitel des beeldhouwers aan gegeven wordt, het standbeeld, dat hij wil maken.
100
verbonden, dat op hetzelfde oogenblik, waarop men het zichtbare teeken , de afwassching met water bij het Doopsel, de zalving met het H. Chrisma bij het Vormsel, enz., volgens voorschrift in toepassing brengt, de ziel ook inwendig geheiligd en met genadegaven verrijkt wordt. Het uitwendige is dus, om zoo te spieken, het bekleedsel, het omhulsel; de genade daarentegen de geheimvolle vrucht, de kern, het eigenlijke, innerlijke wezen van elk Sacrament. — Daaruit blijkt ook, hoe juist aan een dusdanig uitwendig teeken de naam „Sacramentquot; gegeven wordt. Want het latijnsche woord Sacramentum, waarvan het nederlandsehe slechts een verkorte vorm is, beteekent iets heiligs, geheimvols. Wat nu is heiliger dan een teeken, bij welks toepassing de ziel geheiligd, en tot de gemeenschap met de goddelijke natuur verheven wordt, en wat geheimvoller dan juist deze door middel van het uitwendige teeken volbrachte heiliging, waarbij volgens de opmerking van den H. Paus Gregorius (Verkl. 1. Boek der Kon. XVI), „de goddelijke kracht onder het hulsel van lichamelijke „dingen de zaligheid in het verborgen bewerkt?quot; i) — 3) De instelling van Jems Christus. Voorzeker bezit geen uitwendig teeken of element van nature de kracht, om iets zoo groot en wonderbaar in de ziel te weeg te brengen, haar van zonden te zuiveren en met deugden en genaden te verrijken, daar tusschen een natuurlijk teeken en eene bovennatuurlijke werking op de ziel volstrekt geen verband bestaat. Om dezelfde reden is het ook niet in des menschen macht, aan een uitwendig teeken inwendige genade te verbinden; dit vermag alleen God, de bron van alle genade. Opdat dus een uitwendig teeken werkelijk een Sacrament zij, moet de menschgeworden God, Jesus Christus zelf, het daartoe bestemd en ingesteld hebben. — Zelfs de plaatsbekleedster van Christus op aarde, de H. Kerk, heeft de macht niet, om Sacramenten in te stellen. De door de Kerk tot een godvruchtig gebruik der Christenen ingestelde gewijde zaken, welke om hare gelijkvormigheid met de HH. Sacramenten sacramentaliën worden genoemd, zijn wezenlijk van deze onderscheiden, zooals later zal worden verklaard.
Het antwoord op de vraag, waarom Christus tot mede-
\') S. Bonaven/ura ■. (Breviloq. P. 6. c. 1) Sacramenta licet sint corpo-ralia et sensibilia, sunt tarnen veneranda tamquam sancta, quia sacra significant mysteria, ad sacra praeparant charismata, a sacratissimo Deo data, sacra institutione et benediclione divinitus consecrata, ad cultum sacratissimum Dei in sacra ecclesia constituta, ut merite dici debeant Sacramenta.
101
deeling zijner genade zichtbare of door de zintuigen waar te nemen teekenen heeft ingesteld, is reeds vroeger gegeven. Het geschiedde:
1) Opdat wij een zichtbaar onderpand der inwendige, onzichtbare genade zouden hebben. Jesus Christus narae-lijk, die als Godmensch al onze behoeften volmaakt kende en gekomen was om ons te helpen, wilde ons niet alleen zijne onzichtbare genade mededeelen , maar ook een zekeren waarborg van die mededeeling geven. Daarom hechtte Hij de genadegaven aan zichtbare, onder de zintuigen vallende teekenen der HH. Sacramenten. Want daar wij door middel van het getuigenis der uitwendige zintuigen tot de zekerheid kunnen komen, eenig Sacrament ontvangen te hebben , zoo kunnen wij evenzeer met zekerheid aannemen, daardoor de aangeduide inwendige genade verkregen te hebben, als wij van onzen kant aan deszelfs werking geen beletsel hebben in den weg gesteld. Zoo is dus bij het ontvangen van een Sacrament het uitwendige teeken, de door de zintuigen waar te nemen stof en vorm, een troostvol onderpand der werkelijk verkregen onzichtbare prenade. — Op gelijke wijze heeft Christus zich bij de mededeeling van den H. Geest, ter gelegenheid zijner verschijning na de verrijzenis (Joan. XX, 22), van een uitwendig teeken, van inblazing bediend, om zijnen Apostelen te doen zien en een waarborg te geven, dat Hij hun zijnen H. Geest en met Hem de macht om de zonden te vergeven en te houden, mededeelde. Ook bij het schenken van lichamelijke weldaden, zooals bij de genezing van den blindgeborene (Joan. IX, 6) en van den doofstomme (Marc. VII, 33, 34) , gebruikte de goddelijke Verlosser zichtbare teekenen, wel niet, om de genezing te toonen, daar zij in en op zich zelve duidelijk genoeg was, maar om degenen, aan wie Hij dergelijke weldaden bewees of die getuigen daarvan mochten zijn, te overtuigen, dat werkelijk zijne almacht de genezing had bewerkt.
2) Opdat wij door de deelneming aan dezelfde zichtbare genademiddelen onze gemeenschap met de eene Kerk van Christus zouden openbaren. Het lag toch in de bedoeling van den Zaligmaker der wereld, alle verlosten in ééne zichtbare, door zijnen H. Geest bezielde en bestuurde gemeenschap, in de ééne heilige katholieke Kerk te vergaderen en in haar, als de schaapjes eéner kudde in ééne schaapskooi, bij elkander te houden. Daartoe nu waren zekere uitwendige teekenen noodig, aan welke de herders der Kerk hunne schaapjes, zoo ook de schaapjes elkander, als de schapen van Christus, als leden der ééne Kerk
102
kunnen kennen. Immers, gelijk de H. Augustinus (Lib. 19 cont. Faustum c. 11) schrijft, „de menschen kunnen „geen godsdienstig genootschap uitmakea, als zij zich niet „door gemeenschappelijke kenteekenen of zichtbare Sacra-„menten onder elkander vereenigen.\'\' De zichtbare teekenen der Sacramenten moeten dus ook daartoe dienen, dat iedere geloovige op zich zei ven door het gebruik daarvan, bij de overheden der Kerk en bij de overige Christenen zich als een waar lid der ééne Kerk doe kennen.
Bet eekenen deze teekenen alleen de genade ?
Zooals wij reeds zeiden beteekenea deze teekenea niet alleen de genade, maar werken zij die ook uit, als wij van onzen kant geen beletsel stellen; daarom worden zij ook krachtdadige of inerkdadlge teekenen genoemd.
Dat de HH. Sacramenten, als zichtbare teekens, de aan elk Sacrament beantwoordende genade beteekenen, deze, gelijk in het algemeen in de natuur van het teeken ligt, figuurlijk verbeelden of aanschouwelijk maken, is reeds opgemerkt. Zoo verbeeldt het uitwendige afwasschen des doopelings de inwendige afwassching der erfzonde en der dadelijke zonden; zoo de zalving met het Chrisma de inwendige zalving der genade, waardoor de vormeling naar de ziel wordt versterkt, gelijk het lichaam door de bestrijking met olie gewoonlijk sterker wordt. Hetzelfde is ook bij de andere HH. Sacramenten zonder moeielijkheid aan te toonen. De HH. Sacramenten beteekenen echter niet alleen de genade, maar zij werken ook de genade uiti welke zij beteekenen, gelijk de opgaande zon, welke den dag niet alleen beteekent, maar ook ten gevolge heeft. Als dus (om ons, bij wijze van voorbeeld, tot één Sacrament te bepalen) de mensch bij het H. Doopsel uitwendig wordt afgewasschen, dan werkt deze afwassching met de daarbij uitgesproken woorden uit, dat de ziel van de doopeling door de kracht des H. Geestes van elke zondesmet gezuiverd en geheiligd, als opnieuw geschapen wordt. Dit bewijzen de woorden van Jesus Christus (Joan. III, 5), dat de mensch „moet herboren worden uit bet water en „den H. Geest;quot; en die van den H. Paulus (Tit. Ill, 6), waar hij het H. Doopsel „een bad van wedergeboortequot; noemt. In dienzelfden zin spreekt ook de H. Paus Leo (preek 5 over de geboorte van Christus): „De kracht des „Allerhoogsten, welke uitwerkte, dat Maria den Zalig-„maker baarde, werkt eveneens uit, dat het water de „Christenen doet herboren worden.quot;
103
Ook in het Oude Verbond waren er zekere heilige en geheimvolle teekenen of zoogenaamde Sacramenten, zooals de veelvuldige reinigingen en offers, zooals, ten tijde van den overgang van het Oude tot het Nieuwe Verbond, het Doopsel van den H. Joannes. Maar terwijl de Sacramenten van het Nieuwe Verbond, waaraan alleen de naam van Sacrament in den vollen en eigenliiken zin toekomt, krachtdadig en werkdadig zijn, ontbrak aan gene de van de zoude reinigende en heiligende kracht. Derhalve leert het decreet, hetwelk Paus Eugenius IV met goedkeuring der algemeene Kerkvergadering van Florence voor de Armeniërs gaf: „In „het Nieuwe Verbond zijn er zeven Sacramenten, welke „van de Sacramenten van het Oude Verbond zeer onder-„scheiden zijn. Want deze werkten de genade niet uit, „maar gaven alleen te kennen, dat zij door het lijdfen van „Christus zou worden gegeven; onze Sacramenten daarentegen bevatten de genade en schenken haar aan hen, die „ze waardig ontvangen quot; — De Hervormers der zestiende eeuw zien zich door de valsche leerstelling, dat het geloof alleen rechtvaardigt, tot eene geheel onjuiste opvatting der Sacramenten genoodzaakt. Volgens hen zijn de Sacramenten , welke zij nog goedvonden te behouden, geene werkdadige teekenen der genade, maar alleen onderpanden of teekenen der door het alleen rechtvaardigmakend geloof verkregen vergeving der zonden, ook wel uitwendige teekenen of plechtigheden, waardoor de mensch toont, aanhanger van Christus en lid der Kerk te wezen. De bij het ontvangen der Sacramenten plaats hebbende uitwerking der genade is dus, volgens protestantsche opvatting, niet aan de Sacramenten, maar alleen aan het geloof van hem, die ze ontvangt, toe te schrijven. Ofschoon nu de katholieke Kerk tot het waardig ontvangen der Sacramenten van hen, die tot de jaren van onderscheid zijn gekomen, ook inwendige oefeningen voorschrijft als eene onvermijdelijke voorwaarde of noodzakelijke voorbereiding\', schrijft zij toch de rechtvaardigmaking niet aan die voorbereidende oefeningen toe, maar aan de Sacramenten zelve, als even zoovele werkdadige teekenen der genade. Tegen de aangehaalde dwalingen der Hervormers verklaart zich de Kerk in het Concilie van Trente (Zitt. VIL Can. 6) zeer bepaald: „Als iemand beweert, dat de Sacramenten van „het Nieuwe Verbond de genade, welke zij beteekenen, „niet bevatten of haar niet schenken aan hen , die geen „beletsel stellen, als waren zij maar uiterlijke teekenen „der door het geloof ontvangen genade of rechtvaardigheid „of zekere ken teekenen van het christelijk geloof, door
104
„welke voor de menschen de geloovigen van de onge-„loovigen worden onderscheiden, hij zij in den banquot; (Verg. Can. 8). \') — Niemand voorzeker zal ontkennen, dat de HH. Sacramenten voor hen, die ze ontvangen, menigmaal zonder heilzame uitwerking zijn. Doch in deze gevallen is de krachteloosheid niet te wijten aan de Sacramenten, maar, gelijk het Concilie te kennen geeft, alleen daaraan, dat degene, die ze ontvangt, hetzij door eene gebrekkige voorbereiding, hetzij op eenige andere wijze, de genadevolle uitwerking van het H. Sacrament verhindert. Gelijk het hout niet brandt, als het niet eerst gedroogd wordt, en gelijk een geneesmiddel niet werken kan, als de zieke iets gebruikt, wat de werking daarvan verhindert, zoo blijven ook de HH. Sacramenten zonder werking, als zij in dengene, die ze ontvangt, een hinderpaal vinden. Daarentegen heeft de Kerk met het oog op de leer van Calvijn, dat de Sacramenten alleen voor de voorbeschikten van kracht zijn, den banvloek uitgesproken over hen, die beweren, „dat de genade door de HH. Sacramenten van „den kant Gods niet altijd en niet aan allen wordt ge-„geven, zelfs dan niet, als zij ze naar behooren ontvangen, „maar slechts somwijlen en aan eenigenquot; (Can. 7).
Welie genade werken de Till. Sacramenten uit?
1) Geven of vermeerderen zij de heiligmakende genade. —
Het eerste en hoofdzakelijkste uitwerksel, hetwelk de H. Geest door middel der HH. Sacrrmenten voortbrengt in de ziel van hem, die ze waardig ontvangt, is de instorting
i) De uitdrukking van de Conciliën van Florence en Trente, dat z/de Sacramenten de genade bevatten,quot; werd reeds lang tevoren gebezigd, om de Sacramenten des Nieuwen Verbonds te onderscheiden van die des Ouden, welke men als //gebrekkig en van genade ontblootquot; aanduidde. Dit moet echter, gelijk de H. Thomas (Summ. 3. q 02. a. 3. 4.; Sent d. i q. 1. a. 4) opmerkt, niet zóó worden verstaan, alsof de Sacramenten de genade bevatten, gelijk een inhoudsmaat een zekere afmeting of gelijk een vat eene vloeistof bevat, maar men moet dit zoo verstaan, dat zij werktuigen van heiliging zijn, wijl God door middel dier Sacramenten de heiligmakende genade uitdeelt of vermeerdert. 1)
1
S. Bonav.: (Breviloq. 0. 1). Quohiam per signa sensibilia, divi-nitus instituta, gratia Spiritus Sancti suscipitur, et in eis ab acce-dentibus invenitur; hinc est, quod hujusmodi sacramenta dicuntur gratiae vasa et causa; non quia in eis sabstantialiter contineatur vel causaliter efficiatur, cum in sola anima ha beat collocari, et a solo Deo habeat infundi; sed quia in illis et per illa gratiam curationls a summo medio Christo ex divino decreto oportet hauriri. Do causa principaliter efficiens onzer heiliging is God alleen; liet Sacrament is slechts de causa instrumentalis. (Trid. sess. VI. cap. 7).
105
der heiligmakende genade, als degene, die ze ontvangt, die genade 6f nooit gehad of verloren heeft, daarentegen de vermeerdering der heiligmakende genade, als degene, die een Sacrament ontvangt, op dat oogenblik in het bezit dier genade is. Ligt eene ziel vóór het waardig ontvangen van een H. Sacrament in de duisternis en de schaduwe des doods, dan gaat voor haar door middel van het Sacrament de zon der gerechtigherd op: is de?;e daarentegen in de ziel reeds opgegaan, dan stijgt zij al hooger en hooger, en verspreidt steeds meer licht en warmte, kennis en heilige liefde. Dat tevens met de heiligmakende genade ook de goddelijke deugden en gtiven des H. Geestes aan de ziel geschonken of in haar vermeerderd worden, is op eene andere plaats reeds aangetoond. De H. Kerkvergadering van Trente vat de besproken leer kort en bondig te zamen, als zij leert, dat door de HH. Sacramenten alle-gerechtigheid óf begint, of de begonnene vermeerderd, of de verlorene teruggegeven wordt.
2) Geeft elk Sacrament, volgens het doel zijner instelling, nog bizondere werkelijke genade. — De Sacramenten zijn, zooals gezegd is, rijke bronnen, uit welke ons de goddelijke genaden, naarmate wij die tot ons heil behoeven, toevloeien. Daar wij echter, om ons heil te bewerken, niet alleen de heiligmakende genade, maar menige andere hulp der genade noodig hebben, verkrijgen wij door elk Sacrament met de heiligmakende genade of de vermeerdering daarvan, nog andere werkelijke genaden, welke telkenmale aan het bizonder doel, waartoe het Sacrament door Christus is ingesteld, beantwoorden. Zoo ontvangen wij bijv. door den Doop niet alleen de genade der rechtvaardiging, waardoor wij van alle smetten der zonden gereinigd, geheiligd en kinderen Gods worden, maar ook eene bizondere hulp ter bewaring der verkregen heiligheid en tot het leiden van eenen \'t kind van God passenden levenswandel. Zoo ook verkrijgen wij door het laatste Oliesel niet alleen vermeerdering der heiligmakende genade, maar tevens troost en sterkte voor den laatsten beslissenden strijd tegen de vijanden onzer zaligheid. En dit aan elk Sacrament eigen uitwerksel, hetwelk wij ook gewoon zijn de sacramentede genade te noemen, strekt zich niet enkel uit tot het oogenblik, waarop men het Sacrament ontvangt, maar ook tot den lateren tijd, wanneer men ze vooral noodig heeft, om de in het. Sacrament op zich genomen verplichtingen te vervullen. Vandaar ontvangen de Priesters door het Sacrament des Priesterschaps, en de gehuwden door het Sacrament des Huwelijks, bizondere hulp en
106
genade tot eene getrouwe vervulling der moeielijke verplichtingen van hunnen staat. — Aangaande het derde uitwerksel, hetwelk door eenige Sacramenten, namelijk bet Doopsel, het Vormsel en het H. Priesterschap, in de ziel van den mensch wordt voortgebracht, namelijk het onuiiwiamp;laar karakter, hetwelk zij haar indrukken, zullen later de noodige ophelderingen worden gegeven.
Hoe moeten wij de HH. Sacramenten ontvangen, opdat zij deze genaden in ons voortbrengen?
Wij moeten van onzen kant geen beletsel stellen aan de werking der HH. Sacramenten, ze waardig, na eene behoorlijke voorbereiding ontvangen.
Opdat de HH. Sacramenten eenig uitwerksel voortbrengen, moeten zij werkelijk Sacramenten zijn, d. i. zij moéten noch van den kant van dengene, die ze ontvangt, noch van den kant des uitdeelers, noch door de stof of den vorm ongeldig zijn. Van den kant van hem, die een Sacrament ontvangt, is het ongeldig, als hij niet te voren het H. Sacrament des Doopsels ontvangen heeft, of als het hem aan den ernstigen wil ontbreekt, om het Sacrament, hetwelk men hem toedient, werkelijk te ontvangen. Zoo ook is het Sacrament des Huwelijks van den kant dergenen , die het willen ontvangen, ongeldig, als er tusschen hen een ontbindend beletsel bestaat. Van den kant des uitdeelers der Sacramenten zijn zij ongeldig, als deze niet de noodzakelijke meening heeft, om het Sacrament toe te dienen, of \'als hem de ter uitdeeling van zekere Sacramenten noodzakelijke macbt niet verleend of wel ontnomen is. Door de stof èn den vorm zijn de Sacramenten van geene waarde, als eene onjuiste stof, bijv. bij het Doopsel wijn in plaats van natuurlijk water, gebruikt, of als de voorgeschreven vorm weggelaten of in zijn wezen veranderd wordt. In deze en dergelijke gevallen moeten de Sacramenten als nietig beschouwd en herhaald worden, wil men aan de vruchten daarvan deelachtig worden. — Maar ook dan, wanneer er niets aan de geldigheid van een Sacrament in den weg staat, kunnen toch, gelijk reeds uit den tekst van het Concilie van Trente (Zitt. 7. Can. 6. over de Sacram. in het algemeen) duidelijk blijkt, van den kant van hem, die het ontvangt, aan de uitwerkselen zulke beletselen in den weg worden gelegd, dat het in de zielen noch de heiligmakende, noch eenige werkelijke genade voortbrengt. Dit geschiedt, zoo dikwijls men een H. Sacrament onwaardig ontvangt. Onwaardig ontvangt
107
men het H. Sacrament der Biecht, alsook de volwassenen het Sacrament des Doopsels, door gebrek aan de noodzakelijke voorbereiding, gelijk uit het boven gezegde büikt. De overige HH. Sacramenten worden onwaardig ontvangen als men ze in staat van doodzonde ontvangt. Ofschoon nu degene, die een H. Sacrament wel geldig, maar onwaardig ontvangt, aan geene der bovengenoemde genaden deelachtig wordt, \'blijven toch verscheidene Sacramenten niet zonder eenig uitwerksel voor hem, die ze ontvangt. Drie daarvan, het Doopsel, het Vormsel en het H. Priesterschap, drukken in de ziel, ook ingeval ze onwaardig ontvangen worden, een ouuitwischbaar merhteeken, en het Sacrament des Huwelijks verbindt ook hen, die het onwaardig ontvangen, tot aan den dood van één der gehuwden met een on verbreekbaren band. Wie dus het H. Doopsel wel geldig, maar onwaardig heeft ontvangen, is een Christen, een dood lid der Kerk;- desgelijks wie geldig, maar onwaardig het Priesterschap heeft ontvangen, is Priester, en Christenen, die het Sacrament des Huwelijks geldig, maar onwaardig hebben ontvangen, zijn en blijven door het huwelijk verbonden, totdat de dood hen scheidt.
Aangaande de drie Sacramenten, welke een merkteeken indrukken, leeren de Godgeleerden, dat deze, als zij geldig, maar onwaardig worden ontvangen, herleven, d. i. hunne volle werking der genade voortbrengen, zoodra het beletsel is weggenomen, hetwelk op het oogenblik; dat zij ontvangen werden, oorzaak der onwaardigheid en bijgevolg ook der krachteloosheid was. Want daar het den mensch niet geoorloofd is, de genoemde Sacramenten andermaal te ontvangen, zou hij anders zijn geheele leven lang de genade, tot welker mededeeling zij door Christus zijn ingesteld , moeten missen. Zoo zou bijv. degene, die het Sacrament des Doopsels onwaardig heeft ontvangen, later nooit van de erfzonde kunnen bevrijd worden, daar het Sacrament der Biecht niet is ingesteld, om de erfzonde weg te nemen. Om dergelijke redenen mogen wij aannemen , dat ook de onwaardig ontvangen Sacramenten van het Huwelijk en het laatste Oliesel op gezegde wijze weder herleven, daar anders de gehuwden, zoolang de onwaardig aangegane huwelijksvereeniging, en de zieke, zoolang eene en dezelfde zware ziekte voortduurde, aan de genade dier HH. Sacramenten niet konden deelachtig worden.
Wie wetens en willens een heilig Sacrament ongeldig of onwaardig of aan onwaardigen toedient, desgelijks wie een Sacrament met voorkennis ongeldig of onwaardig ontvangt, doet eene zeer groote zonde, eene heiligschennis.
108
daar hij een heilig, door Christus ter onzer heiliging ingesteld teeken onteert en zeer schandelijk misbruikt. Volgens de opmerkicg van den H. Augustinus (de Bapt. Lib. III. C. \'10) strekkeu dus de HH. Sacramenten voor degenen, die er een goed gebruik van maken, ter zaligheid, voor anderen echter, die ze misbruiken, ten verderve.
Hangt de werking der HH. Sacramenten ook niet van de waardigheid of onwaardigheid der bedienaars af?
Neen; want de HH. Sacramenten hebben hunne kracht niet van hem, die ze bedient, maar van de verdiensten van Jesus Christus, die ze heeft ingesteld.
Al zou dus iemand, die bevoegd is, een H. Sacrament toe te dienen, schuldig wezen, al zou diens levenswandel ergerlijk zijn, dan is toch het door hem volgens het voorschrift van Christus toegediende Sacrament geldig en brengt, mits van den kant van hem, die het ontvangt, niets in den weg staat, zijne volle en volkomen uitwerking voort. Dit gaf den H. Augustinus (contra Parmenian. Lib. II. C. 40) aanleiding, te schrijven: „Alle Sacramenten, ofschoon „zij hun, die ze onwaardig toedienen, tot nadeel strekken, „dienen dengenen, die ze van hen ontvangen, tot geestelijk „voordeel.quot; Dit nu is niet slechts een bizonder gevoelen van éénen H. Kerkvader, maar de algemeene, door de geheele Kerk aangenomen en uitgesproken leer. Zoo veroordeelde bijv. het Concilie van Constans de bewering van Wicleff (Stel. 4) dat „het door een Bisschop of Priester, „die zich in staat van doodzonde bevindt, toegediende „Sacrament nietig is;quot; en de Kerkvergadering van Trente (Zitt. 7. Can. 12) verklaarde: „Als iemand zegt, dat de „in eene doodzonde zich bevindende bedienaar der Sacramenten, ofschoon hij al het wezenlijke, hetwelk tot de „voltrekking en de toediening van een Sacrament behoort, „in acht neemt, het Sacrament toch niet yoltrekt of toe-„dient, hij zij in den ban.\'\' — De reden hiervan is duidelijk deze, dat de HH. Sacramenten hunne kracht niet ontleenen van hem, die ze toedient, maar van Hem, in wiens naam en als wiens plaatsbekleeder ze worden uitgedeeld, van Jesus Christus, die alle HH. Sacramenten ingesteld, en met deze de vrucht zijner verdiensten, de genade, onafscheidelijk verbonden heeft. Gelijk een heer zijnen geringsten bediende kan gebruiken, om aan een behoeftige eene rijke aalmoes te doen toekomen, zoo staat het ook Jesus Christus vrij, zich van een plaatsbekleeder, arm aan genade, te bedienen, om anderen met zijne ge-
109
nadeschatten te verrijken. En gelijk een sleutel in de hand van eenen melaalsche even goed de schatkamer des konings opent, als in die van een gezonde, zoo openen ons ook de HH. Sacramenten de schatten der hemelsche genaden, onverschillig of zij door een onwaardigen dan wel door een godvruchtigen priester worden toegediend, i) De HH. Vaders vergelijken somtijds den bedienaar der Sacramenten met een kanaal, desgelijks met een zegel, hetwelk het beeld van den Koning der koningen draagt. De genadebron van het Sacrament, zesgen zij, stroomt ons helder toe, onverschillig of het kanaal van goud, van hout of van steen is, en het zegel, zij het uit koper of edeler metaal vervaardigd, drukt altijd het beeld in van den Vorst, het evenbeeld van God. Zoo ook komt de genade tot onze ziel, onverschillig door wiens bemiddeling.
Hoevele Sacramenten heeft Christus ingesteld?
Deze zeven: 1) het Doopsel, 2) het Vormsel, 3) het allerheiligste Sacrament des Altaars, 4) de Biecht, 5) het laatste Oliesel, 6) het Priesterschap, 7) het Huwelijk.
Dat er niet meer of minder dan het genoemde zevental HH. Sacramenten zijn, is eene bepaalde geloofsleer. „Als „iemand beweert, dat de Sacramenten van liet Nieuwe „Verbond niet allen door Jesus Christus, onzen Heer, zijn „ingesteld, of dat er meer of minder zijn dan zeven, „namelijk het Doopsel, het Vormsel, enz., of ook, dat „een van deze zeven niet waarlijk en eigenlijk een Sacra-„ment is, hij zij in den ban.quot; Zoo luidt de beslissing
\') Wij lezen in het leven der Oudvaders de volgende leerrijke gebeurtenis. Een godvruchtig kluizenaar maakte bedenking om van een Priester, die hem van tijd tot tijd in zijne woestijn bezocht, de HH. Sacramenten te ontvangen, wijl hij hem Op het zeggen van anderen voor een onwaardigen bedienaar der HH. Geheimen hield, en daarom vreesde, aan de vruchten er van niet deelachtig te zullen worden. Nu zag de dienaar (iods in een visioen, dat hij spoedig daarop ontving, eene diepe gouden waterbeek, waarnaast een gouden vat, hetwelk aan een gouden keten bevestigd was, en in die diepe beek het zuiverste bronwater. Tegelijk bemerkte hij, dat een me-laatsche met dat gouden vat water uit de beek schepte. Gaarne zou hij uit dit vat hebben gedronken, maar bij kon daartoe niet besluiten, omdat de melaatsche het water geschept had. Toen hoorde hij eene stem uit den hemel, die hem toeriep: //Waarom drinkt gij //niet van dat water? Hoe kan hij het water schaden, die niets „anders doet dan scheppen, dan het vat vullen?quot; i)e kluizenaar kwam nu van zijne vervoering tot zich zeiven, erkende den zin van het visioen, en liet zich voortaan door dien Priester de HH. Sacramenten toedienen (Rosweyde, leven van de Vaders der woestijn Deel 5).
110
van het Concilie van Trente (Zitt. 7. Can. 1). Bij de behandeling van elk dezer Sacramenten zal het blijken, dat de aangehaalde leerstelling rust op bewijzen der H. Schrift en op de eenparige leer der Vaders. Hier ter plaatse zij het voldoende, in het algemeen te toonen, dat „de Kerk, welke de zuil en grondslag der waarheid isquot; (1. Tim. III, 15) altijd zoo heeft geleerd. — Toen in de zestiende eeuw Luther en Calvijn optraden en de Sacramenten tot op twee of drie na -verwierpen, bestond onbetwistbaar in de geheele Kerk het geloof aan het zevental der door Christus ingestelde HH. Sacramenten. Zelfs de schismatieke Grieken, die door de Protestanten tot de erkenning hunner nieuwe leer waren uitgenoodigd, antwoordden door-den Patriarch van Constantinopel, Jeremias, dat „er in de Kerk Gods zeven Sacramenten zijn, niet „meer en niet minder.quot; Cyrillus Lucaris, een voorstander en begunstiger der calviniaansche leer, die kort daarna door kuiperijen en omkoopingen den patnarchalen stoel van Constantinopel wist te verkrijgen, drukte zich in zijne geloofsbelijdenis in den zin der nieuwe leeraars uit, en werd wegens die kettersche strekking afgezet. Eene na diens dood te Constantinopel gehouden Synode, waaraan drie Patriarchen en twintig Bisschoppen deel namen, verwierp zijne valsche leerstellingen, in het bizonder die, dat er maar twee Sacramenten zijn, en sprak daarom, alsmede omdat hij, door zijne dwalingen voor te stellen als de leer der goedgeloovige oostersche Kerk, deze in een kwaad daglicht gesteld had, den banvloek over hem uit. In eene tweede Synode te Constantinopel, welke ook de russische Patriarch Moghilas bijwoonde, en in eene derde te Bethlehem, werd het vonnis van verwerping over de leer van den ketterschen Patriarch bevestigd. l)e leer der zeven Sacramenten vindt men overigens ook in de rituelen en euchologieen van alle oostersche Kerken, zelfs bij de Nestorianen, Eutychianen, bij de Kophten, Syriërs en andere ketters, die lang vóór Luther en Calvijn waren opgestaan.
Dit oud en algemeen geloof aan het zevental der HH. Sacramenten, hetwelk ook heden nog in de oostersche en westersche Kerk te vinden is, wordt met recht beschouwd als een onomstootelijk bewijs, dat de Kerk altijd zoo geleerd, dat zij deze leer van de Apostelen en Christus zeiven overgenomen heeft. — Als de onfeilbare leerares kan zij over dit geloofspunt niet heden zoo en morgen anders leeren, noch in verloop der eeuwen met zich zelve in tegenspraak komen. Wat zij dus met betrekking tot de HH. Sacramenten heden gelooft en leert, wat zij voor
Ill
drie eeuwen geloofd en geleerd heeft, dat was van den beginne haar geloof, hare leer. Indien iemand wilde beweren, dat er in den loop der tijden vier tot vijf Sacramenten, bij de Apostelen niet bekend, zijn ingevoerd, dan zou op hem zonder twijfel de verplichting rusten, aan te toonen, wonneer, door wien en hoe deze nieuwe leer in de Kerk is gekomen. Welke Paus, welke Bisschop of leeraar was zoo koen, aan de geheele Christenheid het geloof aan nieuwe Sacramenten met de verplichting om ze te ontvangen, in naam van de Apostelen en van Christus zeiven op te leggen ? In welk oord der wereld nam het geloof aan de vroeger niet bestaande Sacramenten een begin, op welke wijze verbrfeidde het zich over den geheele aardbodem? Door welke middelen of langs welke omwegen slaagde men er in het van de schismatieke Grieken en de kettersche sekten van het Oosten naar de westersche Katholieken, of omgekeerd van de westersche Katholieken naar de schis-matieken en ketters van het Oosten over te brengen, zonder dat deze ongehoorde leer ook maar de minste tegenkanting ondervond ? Zoo gelukkig en bekwaam waren de Hervormers der zestiende eeuw niet, want zoodra zij met hunne nieuwe leer van slechts twee of drie Sacramenten te voorschijn kwamen, verhieven zich van alle kanten ontelbare stemmen daartegen, totdat eindelijk dealgemeene Kerkvergadering van Trente die nieuwe leer veroordeelde. Zoo gelukkig waren de Ketters in het algemeen nooit. De kerkelijke geschiedenis leert ons op onwederlegbare wijze, dat er in de Kerk nimmer eene nieuwe geloofsleer opkwam, zonder dat de Pausen, de Bisschoppen, de Priesters en Godgeleerden, ja zelfs het eenvoudig geloovige volk daartegen zijn opgestaan; dat er nooit eene dwaling is geweest, welke niet, zoodra zij onder haar masker te voorschijn durfde komen, met haren uitvinder gebrandmerkt werd. Die algemeene overeenstemming van alle oostersche en westersche Kerken ten aanzien der leer van de zeven HH. Sacramenten, deze eenparigheid van geloof onder de Christenvolken, welke door wederzijdschen af keer en ijverzucht evenzeer als door den verren afstand en de verscheidenheid van talen van elkander verwijderd blijven, hoe zou die mogelijk, ja denkbaar zijn , als men niet aanneemt, dat al deze Christenvolken uit eene en dezelfde bron der apostolische Overlevering hebben geput? Duidelijk is op deze, gelijk op elke andere algemeen verspreide geloofsleer, de leerstelling van den H, Augustinus (de Bapt. Lib. IV, C. 24) van toepassing: „Wat de geheele „Kerk houdt, wat, niettegenstaande het door geen besluit
112
eener Kerkvergadering is vastgesteld, toch altijd gehouden werd , daarvan gelooft men met het volste recht, dat het op eene apostolische Overlevering berust.
Jesus Christus is in de wereld gekomen, /,opdat de menschen het „leven zouden hebben en overvloediger hebbenquot; (Joan. X, 10). Op dit honger, bovennatuurlijk leven der menschen was dus al zijn werk op aarde gericht, daarop doelde eveneens de instelling der HH. Sacramenten. Werkelijk hebben ook allen ten doel de mededeeling, bewaring en vermeerdering van het bovennatuurlijk leven der genade; zoo echter, dat tot dit doel elk Sacrament op verschülende wijze bijdraagt en aan eene bizondere behoefte van dat bovennatuurlijk leven beantwoordt. — De mensch, in een natuurlijk leven geboren, mist het bovennatuurlijke; hij behoeft dus voor alles eene tweede geboorte, om te geraken tot\'dat hooger, Gode gelijkvormig leven, zonder hetwelk hij \'t rijk der hemelen niet ingaan, liét eeuwig leven van glorie niet deelachtig worden kan. In deze eerste behoefte heeft Jesus Christus voorzien door de instelling van het bad der wedergeboorte, het U. Sacrament des Doopsels. — Dit medegedeelde hoogere leven, de heiligmakende genade, blijft tot het gebruik der rede ongeschonden en onbevochten in het heiligdom van het kinderhart. De behouding van dat bovennatuurlijk leven wordt evenwel zeer moeie-lijk i i den leeftijd, waarin de jeugdige hartstochten opwellen, en de lielsche vijand in vereeniging met de booze, het geloof hatende wereld op de ziel, die in den geestelijken strijd nog weinig geoefend is, sluw en krachtig tegelijk aanvalt. Het H. Sacrament des Vormsels moet, volgens het wijze inzicht van den Verlosser, den Christen in dezen tijd van heeten strijd kracht en vaardigheid schenken, om het geloof vast en standvastig met woord en daad te belijden, en, in weerwil van alle aanvallen der vijanden van onze zaligheid, het leven der genade te bewaren. — Hehalve deze bizondere kracht, waardoor de Christen bekwaam wordt met het ondoordringbare schild des geloofs de doodelijke pijlen van den vijand af te weren en zijne woedende aanvallen krachtig af te stooten, heeft hij een hemelsch voedsel noodig, hetwelk, even als het dagelijksch brood het lichamelijk leven, zoo het bovennatuurlijk leven der ziel onderhoudt. Dat voedsel heeft Jesus hem aangeboden In het H. Sacrament des Altaars, waarin Hij met overgroote liefde zijn lichaam tot spijs en zijn bloed tot drank geeft. — Bij de groote zwakte cn aangeboren neiging tot de zonde gebeurt het evenwel helaas! maar al te dikwijls, dat de Christen in den strijd des hells bezwijkt en door groote zonden het hoogere leven der ziel verliest. Dit verlies ware onherstelbaar, als Christus zijnen strijders niet een middel had aan de hand gegeven, om het verloren leven der genade terug te krijgen. Het H. Sacrament der Biecht is het middel, waardoor niet alleen de wonden der ziel geheeld, maar ook het reeds ontvloden leven teruggeroepen wordt.— Komt vervolgens de Christen, vroeg of laat, aan den rand des grafs, nemen in eene zware ziekte zijne lichaams- en zielskrachten af, de aanvechtingen van den helschen vijand daarentegen toe, vervult hem angst en vrees voor het naderend oogenblik, hetwelk over het lot der eeuwigheid beslist, dan leidt Jesus Christus hem naar een nieuwen stroom van genade en sterkte in het H. Sacrament van het laatste Oliesel. — Om nu de opgenoemde genadebronnen allen Christenen aller eeuwen ongestoord te doen toestroomen, heeft Jesus in zijne oneindige wijsheid het H. Sacrament des Priesterschap^ ingesteld, door hetwelk de verkregen macht, om alle genademiddelen, tot het bovenr-atuurlijk leven noodzakelijk, uit te deelen, voortgeplant en in zijne H. Kerk in zekeren zin vereeuwigd wordt. — Eindelijk wilde de Verlosser van het menschdom de huwelijksvereeniging tnsschen man en vrouw, het Huwelijk, tot de waardigheid van een H. Sacra-
113
ment verheffen, opdat zij, die het aangaan, niet alleen aan de burgerlijke, maar ook aan de christelijke maatschappij nieuwe leden zouden schenken; opdat man en vrouw door de genade van dit Sacrament in staat gesteld zouden wordnn, niet alleen elkander te heiligen, maar ook hunne kinderen in deugd en godsvrucht tot het eeuwig leven op te voeden. — Op deze wijze omvatte dus Jesus Christus door de genadevolle instelling der zeven HH. Sacramenten niet slechts eiken Christen op zich zeiven, mnar ook de geheels H. Kerk, het geheele menschdora in zijne overgroote liefde, daar Hij zorg droeg, dat de bronnen van het bovennatuurlijke leven nooit kunnen uitdroogen, als ook, dat het nooit aan hen ontbreekt, die daaruit putten. Deze schoone samenhang der zeven HH. Sacramenten is geene onvoldragen vrucht eener verhitte verbeelding; hunne treffende overeenkomst met de behoeften van \'s menschen geestelijk leven is geene uit de lucht gegrepen of gezochte verklaring, maar eene goddelijke waarheid, die het teeken harer afkomst in zich ronddraagt, die daarom begrepen en gevoeld wordt door allen, die niet met vooringenomenheid verstard en hart. moedwillig sluiten voor alles, wat zij niet als waarheid begeeren. Hier is geene menschelijke vinding denkbaar: natuur en bovennatuur reiken door de HH. Sacramenten elkaar de zusterhand en gaan saam den kring der tijden af. Dan doet de aardbewoner zich als een hooger wezen voor; want alles in hem is heilig en met het teeken des heils gewijd, en in zijn lichaam draagt hij de kenmerken van hetgeen zijner ziel geschonken wordt. De Sacramenten zijn als de zeven tonen van het lied der eeuwige Liefde, die harmonisch samensmelten tot één akkoord; de sterveling vangt die tonen op, voelt zich geest en hart verheffen en stemt het groote lied der schepping in, dat aarde en hemel zingt, Jehova ter eere! Dan, o! dan eerst is het leven der mcnschen met waarachtige poëzie overgoten; dan behoort hij niet enkel toe aan de zichtbare, maar vooral en in de eerste plaats aan de geestenwereld; dan is alles wat met hem in aanraking komt en door hem tot eene bovenzinnelijke orde wordt opgevoerd, groot en verheven, boven-aardsch en heilig, ja, goddelijk!
Ook vele onkatholieken hebben dat gevoeld en hunne vaderen aangeklaagd, als den schoonen band van eenheid, waarmede de HH. Sacramenten zijn aaneengestrengeld, verbroken en versnipperd te hebben. Om niet van Leibnitz en anderen te gewagen, zullen wc alleen de merkwaardige woorden aanhalen van Duitschlands grooten dichter Göthe, die wel door niemand van bizondere genegenheid voor de katholieke Kerk zal beschuldigd worden.
Hier reikt een jeugdig paar — schrijft Göthe \') — elkaar de hand, niet ten voorbijgaanden groet of dans, maar de priester spreekt er zijnen zegen over, en de band is onverbreekbaar. Gèen lange wijle, eii de echtelingen brengen hun evenbeeld aan den voet des altaars: het wordt met heilig water gereinigd en dus der Kerk ingelijfd, en in de dingen des hemels onderwezen. Blijkt, bij onderzoek, dat het onderricht volbracht is, dan wordt het kind als werkelijk burger, als waarachtig en vrijwillige belijder in den schoot der Kerk opgenomen; doch weder niet zonder uiterlijk teeken van het gewicht dezer handeling, namelijk: het Vormsel. Nu is hij bepaald een Christen, nu kent hij zijn heil en tevens zijne plichten. Intusschen heeft hij de droeve ondervinding der menschelijke zwakheid opgedaan, en misschien door menigen val ontdekt, wat in zijn binnenste schuilt. Ook hier is hem weder een zeker hulpmiddel gegeven, hij zal zijn geweten openbaren, de kennis zijner goede en kwade werken, zijner gebreken en twijfelingen aan eenen man vertrouwen, die de zending heeft van hem te troosten en te vermanen, hem te verlichten
1) Aus meinem Leben, Th. If. 179.
DEHAKBE, GELOOFSLEER. IV 31e DRUK.
8
114
en te versterken, hem te zaligen door eene volledige ontbinding, en een zuiver en schuldeloos geweten hem weer te geven. Door deze sacramenteele handelingen voorbereid en verzoend, knielt de zoon der Kerk neder om de H. Hostie te ontvangen, en — wat het geheim dezer plechtigheid nog verhoogt — ziet den kelk slechts van verre, \'t Is geen gewone spijs of drank, die hem verzadigt, maar eene hemelsche spijze, die dorst verwekt naar hemelschen drank.
De jongeling of de reeds volwassen man meent echter niet, dat thans alles volbracht is, — want in de dingen des hemels zijn wij nooit volleerd. Nog immer hebben wij raad, troost, hulp noodig; en ziedaar ons dat alles verzekerd voor het gansche leven; want een wijs en vroom man\' zit altijd wachtend, om dwalenden terecht te ■wijzen en ongelukkigen te helpen. En wat gedurende het geheele leven zoo heiligend genoten werd, zal aan de poorten des duods zijne heiikracht vertiendubbelcn; dan wordt den kranke, wjen alle aardsche zekerheid ontvalt, een hemelsch, een eeuwig en zalig-uitzicht geopend; en ten slotte, opdat de geheele rnensch geheiligd zij, worden hem de voeten gezalfd en gezegend. Mag hij herstellen, ol dan zullen.die gezalfde voeten .noode den harden aardbodem weêr betrecen en eene wonderlijke vlugheid bezitten, om de klevende aarde, die hem vroeger bleef aanhangen, onder zich weg te stooten. En zóó zijn wieg en graf — zij mogen toevallig en zoo wijd mogelijk van elkaar verwijderd liggen — door een glansrijken cirkel van eerbiedwaardige en heilige handelingen omsloten en aaneengesnoerd.
De geestelijke wonderen ontspruiten niet op den bodem der natuur, maar moeten van een ander gewest afdalen, en hier ontmoeten wij het vurhevenste, wat kan worden uitgedacht; wij vernemen, dat een mensch ten heil van anderen kan begiftigd, gezegend en geheiligd worden. Deze verheven en aan zware plichten verbonden gunst. die geene gave der natuur is, wordt van den eenen bezitter op den anderen overgedragen, en deze grootste der weldaden, die hetmensch-dom verkrijgen kan, wordt door eene geestelijke erfopvolging op aarde behouden en vereenigd. En zoo treedt de Priester door de wijding in de rij zijner voorzaten en nakomelingen, en stelt, in deA kring zijner medegezalfden, den grooten Alzegenaar voor. Jal hij stelt Hem voor op heerlijke wijze, wanneer wij niet zijn persoon, maar zijne waardigheid vereeren, niet voor zijnen wil, maar voor den zegen, dien hij uitdeelt, de knie buigen; hij stelt Hem heilig en onmiddellijk voor; want boosheid noch zondig leven kunnen de kracht en de deugd rooven van de handelingen, welke hij als Gods plaatsbekleeder verricht.
Hoezeer is niet deze waarachtig geestelijke samenhang in het Protestantisme versnipperd, toen eenige Öacramenten als onechtelingen verworpen werden! En hoe wil men ons door het loochenen van deze tot een hoog vereeren der overige Sacramenten voorbereiden?
Tot hiertoe Uöthe. En — voegen wij er bij — hoe rampzalig is niet de mensch, die dezen cirkel van genademiddelen verbroken, die geeindigd heeft met ze allen.van zich af te stooten en te verwerpen! Hij wil geene verlossing op zicli zien toegepast; hij treedt de wereld in, met den vloek van het paradijs geteekend, en blijft aan de zonde gekluisterd, ten prooi aan de begeerlijkheid zijns eigen harten, en beheerscht door den vorst der hel. Onmachtig om dat slavenjuk van zich af te werpen, blijft hij daaronder gekromd, — en de zonde kleeft als eene door geen natuurlijk middel geneesbare wonde zijn wezen aan. Helaas! hij wordt geboren voor ellende en\'verdriet, voor teleurstelling en rusteloozeh strijd. Dan doolt hij in droeve eenzaamheid in dit tranendal om, overgelaten aan eigen zwakheid en ongenoegzaamheid, en is niet in staat om zijn hart te bevredigen, dat rusteloos naar voldoening tracht. Ons hart toch is voor de oneindigheid geschapen, en rust niet voor het ruste in God gevonden heeft; — Was het vroeger leven van dien mensch misschien een schakel van
115
zonde en overtreding, hoort, hij nu de stem des gewetens en wordt hij wellicht door bittere wroeging gefolterd, achl hij ontmoet niemand op den weg, die in staat is, olie en wijn in zijne diepe wonden te gieten, niemand, die genezing of verlichting, die troost en opbeuring tan aanbrengen. En heeft hij dit rampzalig bestaan ten einde gesleept, wat wacht hem in het andere leven? Zijn God is niet tot hem afgedaald, Jesus heeft niet in hem geleefd; zal de ongelukkige nu tot God kunnen opklimmen? Wat is het punt van samenkomst? Wat
het middel van vereeniging? — Hij bezit er geen!..... want hij
bezit\'geen Sacrament.
Hoe gelukkig daarentegen de geloovige, die deze genademiddelen, zoo vol van leering en kracht, heel zijn leven door behouden mocht. Wat geven hem die zeven Sficramenten een groot onderricht van heiligheid, van eerbied voor zich zeiven, en bijgevolg ook voor anderen; een verheven onderwijs, dat met \'s levens begin reeds aanvangt, om eerst aan het graf te eindigen. Zij leeren, wat hij te doen heeft, om zijne verheven waarde in alle levensomstandigheden te behouden en te vermeerderen; zij vergezellen hem op al zijne wegen, wijzen hem bij iedere schrede naar het einddoel des aardsc\'hen levens, en doen hem onophoudelijk tot zich zeiven keeren en de neigingen zijns harten bewaken. Dat onderricht geven zij aan iederen mensch in het bizonder, en door den mensch aan de gezinnen en de maatschappij.
En dat onderricht\' is niét onvruchtbaar; de Sacramenten geven tevens kracht en noodige bekwaamheid, om te volbrengen wat zij leeren en bevelen. Zij geven heiligheid aan de ziel des menschen, dat is: orde, rust welvaart, bioei, tevredenheid en geluk aan den burger, en door den burger weder aan de maatschappij.
01 aanschouw den jeugdigen Christen, gezuiverd en gesterkt door de HH. Sacramenten. Hij heerscht als overwinnaar over die maciitige hartstochten, welke vaak de grootste helden der wereld geboeid houden, en gekroonde hoofden doen buigen voor schandelijke afgodsbeelden. Alexander, Caesar, Plato, wat beteekenen zij bij den Christenheld? Zij vermochten wellicht geheele volken te overwinnen en. voor hen den fleren nek te doen krommen; zij verbaasden misschien eene halve wereld door de wijsheid hunner woorden: maar de Christenheld — hij overwint zich zeiven, hij zegeviert over de algemeene vijanden der menschen, den duivel, de wereld en het eigen vleesch; hij verbaast den hemel en verblijdt het hart zijns Scheppers door de wijsheid zijner werken! Is hij tot mannelijken leeftijd gekomen, dan kent hij te beter den adeldom zijner ziel en de grootheid van zijn hart De aarde heeft hij gemeten en te klein bevonden; de grootheid, de vermaken der wereld, al de afgoden der menschen
heeft hij gezien en daarna gezegd: ,/Tk ben grooter dan dat alles!quot;____
Hij is de levende woonstede van .God! Dan ziet gij hem nimmer afdalen tot lage kuiperij, nimmer de bloedige stukkeu der verscheurde koningsmantels begeeren of betwisten, noch de maatschappij ontrusten door verderfelijke redevoeringen of geschrijf; dan hoort gij hem nooit het eigenbelang onder voorwendsel van algemeen welzijn prediken, nooit tot die boven hem staan\' dat groote wachtwoord onzer eeuw spreken; ,/gaat van daar, opdat ik mij op dien zetel «nederzette Iquot;\' En bij het klimmen zijner jaren ontvouwt zijne groote ziel zich geheel; want de eeuwigheid is in \'tgezicht. Hij zelf troost de gezellen zijner pelgrimsreize, en ziet met verlangen uit naar het uur, waarin hij zijn vaderland zal binnengaan. Noch de grootheid der wereld, noch de genoegens der ijdelheid, noch de verschrikkingen des doods kunnen hem dit leven doen beminnen; want zijn God woont in zijn hart door genade en üefde, ja! persoonlijk door het H. Sacrament, en met dien God hoopt hij vereenigd te blijven in het hem beloofde rijk, waar zijn leven en zijn geluk niet eindigen, maar eeuwig zullen voortduren.
8*
116
Ziedaar de mensch, onderwezen, gevoed, gesterkt en veredeld door de HH. Sacramenten; ziedaar de burger, die de gezinnen en de maatschappij zal heiligen en gelukkig maken. Ziedaar het zevental der HH. Sacramenten in de Kerk van Jesus Christus op aarde.
De bovenstaande voorstelling der HH. Sacramenten, ontleend aan het Decreet van Paus Eugenius IV voorde Armeniërs, den roomschen Katechismus, de leer van den H. Thomas en andere voorname Godgeleerden, geeft ons eene gegronde reden aan, waarom Christus juist deze zeven en niet meer of minder Sacramenten heeft ingesteld. — Ook de van oudsher gebruikelijke op-elkander-volging der genoemde zeven HH. Sacramenten is, volgens de leer van den H. Thomas \'), volstrekt niet willekeurig. De eerste plaats nemen met recht die Sacramenten in, welke het geestelijk welzijn van eiken Christen afzonderlijk betreffen, als het Doopsel, het Vormsel, het H. Sacrament des Altaars, de Biecht, het laatste Oliesel; de tweede daarentegen die. welke de bevordering van het geestelijk welzijn van velen, d. 1. der christelijke maatschappij, ten doel hebben, zooals het Priesterschap en het Huwelijk; want de mensch moet eerst als een voor zich bestaand persoon, vervolgens als lid der christelijke maatschappij beschouwd worden. Onder de Sacramenten, welke volgens den wil van den Zaligmaker het bovennatuurlijk geluk van elk persoon afzonderlijk moeten bevorderen, verdienen zij den voorrang, welke dit doel in en op zich zelve bereiken, daar zij het bovennatuurlijk leven schenken (het Doopsel), of door eene toemaat van hemelsche kracht vermeerderen (het Vormsel), of het voeden en onderhouden (het H. Sacrament des Altaars). Dan volgen die Sacramenten, .welke bestemd zijn, om de na de eerste mededeeling van het bovennatuurlijk leven soms gestelde beletselen, de doodzonden en dagelijksche zonden, weder weg te nemen, namelijk het Sacrament der Biecht en het laatste Oliesel, welk laatste de in het Sacrament der Biecht begonnen genezing der ziel, door kwijtschelding van de overblijfselen der zonde, volmaakt. Van de beide Sacramenten, welke hoofdzakelijk de heiliging der Christenen ten doel hebben, staat het Sacrament des Huwelijks na het Priesterschap, omdat het minder en op meer verwijderde wijze tot het bovennatuurlijk welzijn bijdraagt dan het andere.
Roe onderscheidt men de heilige Sacramenten?
Men onderscheidt 1) Sacramenten der levenden en Sacramenten der dooden. — Wat hier onder de uitdrukking „levendenquot; en „doodenquot; moet verstaan worden, kan na de verhandeling over de heiligmakende genade voor niemand duister zijn. Levend is hij, die het leven der genade bezit, die\'in staat van heiligmakende genade is; dood daarentegen hij, die of nog niet in het bezit is geweest van het leven der genade, zooals de ongedoopte, of na den Doop het door eene zware zonde heeft verloren. Sacramenten der levenden zijn dus die, welke de Christen alleen mag ontvangen onder voorwaarde, dat hij het bovennatuurlijk leven, de heiligmakende genade bezit.. Zij zijn de volgende: a) het Vormsel, b) het H. Sacrament des Altaars, c) het
\') Sure. 3. q. 65. art. 2.
117
Priesterschap, d) het H. Oliesel, e) het Huweliik. Wil iemand, die zich van eene zware zonde, welke hij na het Doopssl bedreven heeft, hewust is, een van deze Sacramenten waardig ontvangen, dan moet hij derhalve eerst, zooals later zal worden aangetoond , door waar berouw en boetvaardigheid het leven der genade weder terug bekomen.
Sacramenten der dooden noemt men die Sacramenten, welke in degenen, die ze ontvangen, het leven der genade niet vorderen, daar het eerste, het Doopsel namelijk, ingesteld is tot verkrijging van het nog nimmer bezeten leven der genade, en het andere, namelijk de Biecht, tot terug-krijging van het verloren leven. Niettemin wordt het Sacrament van Boetvaardigheid door ijverige Christenen ook in staat van genade niet zonder groot geestelijk voordeel ontvangen, wijl daardoor de dagelijksche zonden en de tijdelijke straffen voor de zonden meer en meer uitge-wischt worden, en de ziel telkens vermeerdering van heilig-makende genade ontvangt.
2) Sacramenten, welke men maar eens in zijn leven, en Sacramenten, die men meermalen ontvangen kan. De Sacramenten, welke men maar eens in zijn leven mag ontvangen, zijn: het Doopsel, het Vormsel en het Priesterschap. De reden, waarom zij niet, evenals de overige Sacramenten, meermalen mogen ontvangen worden, ligt hierin, dat zij der ziel een onuitwischbaar merkteeken indrukkeu, haar namelijk eene wijding en waardigheid schenken, die eeuwig blijft, of ter verdoemenis of ter verheerlijking. Deze leer spreekt het Concilie van Trente aldus uit: „Zoo iemand beweert, dat in drie Sacramenten, „namelijk in het Doopsel, het Vormsel en het Priester-„schap, der ziel geen karakter, dat is, geen geestelijk „en onuitwischbaar merkteeken wordt ingedrukt, waarom „zij dan ook niet mogen herhaald worden, die zij in den „banquot; (7e Zitt. 6e Can.). Het woord karakter is aan het Grieksch ontleend en beteekent in het algemeen een blijvend teeken of een bizonder kenmerk, waardoor men een voorwerp van een ander onderscheidt. Het karakter van het Doopsel, van het ormsel en het Priesterschap is dus een blijvend teeken, waardoor de gedoopte van den ongedoopte, de gevormde van den nog niet gevormde, de Priester van hem, die geen Priester is, onderscheiden wordt. Dat merkteeken is echter geen onderscheidingsteeken, dat door de stoffelijke oogen of in het algemeen door de zinnen kan worden waargenomen; neen, het is een geestelijk, der ziel zelve ingedrukt en daarom moeielijk te beschrijven merkteeken ; het is, volgens de zinnebeeldige uitdrukking der
118
Vaders,-een bizonder zegel, dat door de genoemde Sacramenten in de ziel wordt gedrukt, dat aan de oogen Gods eveninin als aan die der Engelen en Heiligen ontgaat, en dat ook eenmaal op den dag der opstanding ons niet ontgaan zal. Dat merkteeken is echter geen onvruchtbaar onderscheidingsteeken. Integendeel, het verleent dengene, wien het is ingedrukt, eene verheven wijding en waardigheid, die verschillend is naar de Sacramenten, welke men ontvangt. Zoo wordt de mensch door het karakter van het H. Doopsel tot burger van het rijk van Christus op aarde verheven en bekwaam gemaakt tot het ontvangen der andere Sacramenten.\' Door het karakter van het H. Vormsel wordt de gedoopte in het leger der strijders van Christus ingelijfd en tot verdediging van de eer zijns H. Naams op bizondere wijze geschikt gemaakt en opgewekt. Eindelijk verkrijgt de Priester, door het karakter van het H, Priesterschap, de waardigheid van bewaarder der goddelijke geheimen en tevens de macht, om de HH. Sacramenten uit te deelen en het allerheiligste Offer op te dragen. Verder is het besproken karakter, volgens de leer der Kerk, evenals de wijding, welke het schenkt , als de stand, waarin het den mensch plaatst, een blijvend en bijgevolg een onuitwischbaar merkteeken. Mocht de Christen dan ook de genade verliezen, welke hij in het H. Doopsel heeft ontvangen, mocht hij zelfs het geloof verloochenen, een afvallige of apostaat worden; het karakter des Doopsels blijft in hem in eeuwigheid, niet ter verheerlijking, maar ter veroordeeling, „niet tot verhooging van loon, maar tot „vermeerdering van straf.\'\' Hetzelfde geldt ook van hét karakter van het H. Vormsel en het H. Priesterschap. Laten wij het toch wel bedenken, hoe pijnlijk en onteerend het op den dag des oordeels en gedurende de geheele eeuwigheid zijn zal, naast het verheven en onuitwischbaar teeken van den hemelschen Koning en Heiland, het teeken der eeuwige verdoemenis, het brandmerk van den vorst der duisternis in de ziel te dragen. 1) Die onuitwischbaarheid
\') De leer van het Concilie van Trente, volgens welke drie Sacramenten een onuitwischbaar teeken in de ziel drukken, geeft ons geen recht tot de gevolgtrekking, dat het eene stelling des geloofs is, dat dit karakter in de ziel blijft, zoolang zij voortbestaat, dus gedurende de geheele eeuwigheid. Want volgens de opmerking van Suarez, (de Sacr. disp. 11. s. 4. a. 5) schijnt het Concilie slechts die onuitwischbaarheid als geloofsstuk te hebben willen vaststellen, welke voldoende is, om te besluiten, dat de Sacramenten, welke dat karakter indrukken, niet mogen herhaald worden. Daartoe is het echter genoeg, dat de onuitwischbaarheid dure, zoolang de mensch op aarde leeft: dit alleen schijnt dus, streng genomen, geloofsleer te zijn.
119
aes karakters is, volgens de boven aangehaalde uitspraak van de Kerkvergadering van Trente en volgens de leer der HH. Vaders, ook de reden, waarom de genoemde HH. Sacramenten nooit herhaald mogen worden. Want daar zij in hun karakter steeds voortduren, en de genade, welke zij mededeelen, als deze door de zonde verloren is, krachtens dat karakter weer herleeft, zoodra de zonde door opretht berouw en boetvaardigheid uit het hart van den gedoopte, gevormde en den tot Priester gewiide verbannen wordt, zou het een misbruik en eene onteering van genoemde Sacramenten zijn, als men ze opnieuw wilde uitdeden of ontvangen, wijl dit niet dan nutteloos en onvruchtbaar zijn kan.
Gelijk bekend is, verwerpen de Protestanten de leer van het karakter der HH. Sacramenten; de katholieke Kerk daarentegen houdt er aan vast, wijl het bij haar als een heilige regel geldt steeds zóó te leeren, als in alle eeuwen, van de apostolische tijden af, eenstemmig geleerd is. En inderdaad gelijk de H. Kerk ten opzichte van dit geloofspunt heden ten dage leert, zoo leerde in de zestiende eeuw de algemeene Kerkvergadering van Trente, zoo honderd jaren vroeger de algemeene Kerkvergadering van Florence, waar een aantal Bisschoppen en Godgeleerden, niet slechts uit het Westen, maar ook uit het Oosten, tegenwoordig waren. Niet anders ook leerden zoowel de grieksche als de latijnsche Vaders der eerste christelijke eeuwen, de H. Cyrillus, Bisschop van Jerusalem, de H. Epiphanius, Chrysostomüs, Hieronymus, Augustinus en anderen. De H. Cyrillus (Inleiding tot zijne Kathechesen, Nquot;. 16) onderscheidt het karakter uitdrukkelijk van de genade des Doopsels, waardoor wij vergiffenis der zonden verkrijgen, en noemt het „een heilig, onuitwischbaar zegel.quot; Anderen noemen het „een geestelijk zegel,quot; een „zegel Gods.quot; Wederom anderen, in het bizonder de H. Augustinus,
Niettemin zijn de Godgeleerden eenparig van gevoelen, dathetSacra-menteele karakter eeuwig onuitwischbaar is. De H. Thomas onder anderen leert uitdrakkeïijk (Sum. 3. q. 63. a. 5. ad 3): //Het karakter //duurt na dit leven voort, in. de goeden ter verheerlijking, in de „kwaden tot schande.quot; — Dat wij niet bapaald kunnen aangeven, van welken aard en hoedanigheid het onstoffelijk merkteeken is, hetwelk de ziel des gedoopten van die van den ongedoopte, die van den leek van die des Priesters onderscheidt, doet niets af aan de zaak zelve. Het kan evenmin betwijfeld worden, dat de zalige geesten, de Engelen en Heiligen, in den hemel elkander erkennen .en van elkander onderscheiden zijn, hoewel ook dit moeielijk te verklaren is, wijl zij niet, gelijk hier op aarde, door waarneembare teekenen, als gedaante, spraak, leeftijd, enz. onderscheiden en kenbaar zijn.
120
noemen het „karakter des Heeren,quot; „koninklijk karakter,quot; „zegel des Verlossersquot; (185e Br. Nquot;. 23). Zij vergelijken het sacramenteele karakter met het kenteeken van een soldaat, met een muntstempel, met de besnijdenis. „Onze „ziel wordt door het Doopsel geteekend, zegt de H. Chrysosto-mus (2e Iloml. Eph ), en EpipÖanius voegt er bij (Haer 8): „gelijk het lichaam der Joden door de besnijdenis geteekend „weid.quot; Hoewel niet alle HH. Vaders over het karakter der drie bovengenoemde Sacramenten spreken, is er toch geen onder hen, die de bovengestelde leer bestrijdt. Ook is er in de brieven der Apostelen niet alleen geene tegenspraak met die leer te vinden, maar veeleer komen er plaatsen in voor, die wij, naar het voorbeeld van groote Godgeleerden, met recht als de uitdrukking dezer leer mogea beschouwen. Zoo schrijft onder anderen de H. Paulus aan de Corinthiërs (2. ï, 21, 22): „Het is God, „die ons gezalfd, ons ook bezegeld en het onderpand des „Geestes in onze harten gelegd heeft.quot; Wien kan hier de in het oogvallende gelijkheid der apostolische wijze van uitdrukking met die d.er Vaders ontgaan, en wie zou daaruit niet durven besluiten tot denzelfden zin der woorden, en derhalve tot de leer over het karakter der HH. Sacramenten? Wij kunnen dus ook hierin zien, hoe de onfeilbare uitspraak der H. Kerk op de Overlevering en de H. Schrift gegrond is.
Vanwaar komen de ceremoniën, welke lij de nildeeling der Sacramenten gebruikelijk zijn?
Van de Kerk, die ze onder den bijstand des H. Geestes ingesteld heeft, om de Sacramenten met meer eerbied te bedienen en hunne kracht aan te toonen.
Er is hier geen spraak van de toepassing der voorgeschreven stof en vorm, maar van de ceremoniën, die de sacramenteele handeling voorafgaan, begeleiden en volgen, die, buiten noodzakelijkheid, wel niet zonder zonde kunnen worden achtergelaten, doch, wijl zij niet tot het wezen der Sacramenten behooren, aan de geldigheid er van geen afbreuk doen, zoo zij achterwege worden gelaten. Het gebruik om de Sacramenten met zekere plechtige ceremoniën te bedienen bestaat reeds zeer lang, zoowel in de westersche als in de oostersche Kerk. Niet weinige dezer ceremoniën zijn van apostolischen oorsprong; anderen daarentegen, en wel het grootste gedeelte, zijn door de Kerk ingesteld.
Aangaande deze ceremoniën zag het Concilie van ïrente zich genoodzaakt, tegenover de dwaalleeraars te verklaren,
121
dat de Kerk werkelijk de macht heeft, om ceremoniëa in te stellen, en dat het niemand geoorloofd is, de door haar goedgekeurde ceremoniën te verachten, naar willekeur te veranderen of na te laten. In het tweede hoofdstuk der een-en-twintigste zitting spreekt het Concilie aldus: „De „hoogheilige, algemeene Kerkvergadering van Trente, „wettig in den H. Geest vergaderd, verklaart, dat de „Kerk altijd de macht heeft bezeten, om bij de uitdeeling „der Sacramenten, behoudens derzelver wezen, datgene „vast te stellen wat haar, bij verandering van toestanden, „tijden en plaatsen, meer geschikt voorkwam, om het heil „van degenen, die ze ontvangen, en den eerbied voor de „Sacramenten zelve te bevorderen,quot; en (in den 13en Can. 7® Zitt. over de Sacramenten in het algemeen) : „Zoo „iemand zegt, dat de aangenomen en onderhouden ge-„bruiken der katholieke Kerk, die bij de plechtige toe-„diening der HH. Sacramenten gewoonlijk worden in acht „genomen, versmaad of zonder zonde willekeurig kunnen „nagelaten worden, of door iederen herder der kerken in „nieuwe kunnen verand-rd worden, die zij in den ban.quot; Ofschoon nu deze ceremoniën, gelijk gezegd is, voor de geldigheid der Sacramenten volstrekt niet noodzakelijk zijn , en zij, die de Sacramenten ontvangen, hoewel de ceremoniën worden weggelaten, toch de genade ontvangen, welke aan elk Sacrament in het bizonder eigen is, volgt daaruit evenwel niet, dat zij nutteloos of overtollig zijn. Immers het lijdt geen twijfel, dat wij des te overvloediger vruchten van heil en genade van de HH. Sacramenten zullen plukken, hoe beter wij voorbereid zijn om ze te ontvangen, hoe grooter onze aandacht en eerbied bij het ontvangen zelf is, hoe vaster eindelijk onze wil is, om de plichten te vervullen, die wij door het ontvangen der HH. Sacramenten op ons genomen hebben. Hiertoe nu dragen de ceremoniën zeer veel bij; het kan derhalve niet worden betwist, dat zij nuttig en voordeelig zijn. Zooals in het vervolg bij de behandeling van de Sacramenten in\' het bizonder blijken zal, zijn de ceremoniën, die de sacra-menteele handeling voorafgaan, werkelijk zeer geschikt om het geloof en de aandacht, die tot eene behoorlijke voorbereiding vereischt worden, in ons op te wekken. Die, welke ze vergezellen, duiden zinnebeeldig de geheimvolle kracht, de wijding en de heiligheid van het Sacrament aan, doordringen den geest van hen, die het ontvangen, met gevoelens van heiligen eerbied, verheffen hunnen geest tot hemelsche gedachten en stemmen hun hart tot hemelsche gezindheid. Die ceremoniën eindelijk, welke de sacramen-
. 122
teele handeling volgen, geven den geloovige op de meest aanschouwelijke en indrukwekkende wijze de verheven plichten te kennen, die hij voortaan vervullen moet. Wel zal het maar al te dikwijls geschieden, dat de geloovigen door strafbare onwetendheid en onachtzaamheid weinig of zelfs geen geestelijk Voordeel trekken uit de genoemde ceremoniën ; maar wie zou daarom mogen beweren, dat de ceremoniën op zich zelve genomen van geen of van gering nut zijn? Altijd toch strekken zij, in het oog van Christus\' bruid, den Sacramenten tot een heilig sieraad, en aan Jesus Christus, den insteller der Sacramenten, tot eer en verheerlijking. Zoo bidt ook menigeen in eene oude, prachtige Domkerk zonder aandacht, gedraagt zich daar oneerbiedig, ja lichtzinnig, als in een schouwburg, en toch zal het bij iemand, die een weinig nadenkt, nooit opkomen te loochenen, dat zulk een huis van God opwekt tot bidden en tot verheerlijking van den Allerhoogste. Al hadden wij overigens geen ander bewijs van het nut der ceremoniën dan het feit, dat zij door de H. Kerk verordend zijn, die in al hare voorschriften en instellingen door den H. Geest geleid wordt, dan zou dit reeds voldoende zijn om er ons ten volle van te overtuigen. Want, gelijk zij, volgens de belofte van Jesus Christus, door den H. Geest geleid wordt, als zij ons de waarheden van ons geloof voorstelt; zoo ook zal haar zijn goddelijke bijstand niet ontbreken, als zij ceremoniën of heilige gebruiken instelt. Immers dergelijke ceremoniën zijn niet anders, dan eene levendige, zinnebeeldige voorstelling van hetgeen de H. Kerk over het geheimvolle wezen en de werking der Sacramenten leert en wat zij door deze hoopt te verwerven, alsmede van datgeen , wat de Sacramenten tot voorwerp van de liefde en het verlangen der geloovigen maakt.
TOEPASSING.
Als het joodsche volk, onder aanvoering Van Mozes, door de woestijn van Egypte naar het beloofde land toog, kreeg het gebrek aan water om zijn brandenden dorst te lesschen. Toen trok God zich zijn volk aan en sprak tot
Mozes; „Neem den staf in de hand en ga..... Sla op
„de rots, en zij zal het volk water geven om te drinken\'\' (2. Mos. XVII, 5, 6). Mozes deed wat God hem bevolen had, en er stroomde water in overvloed uit de rots, en het versmachte volk leschte zijn dorst aan de wonderbron. Groot was voorzeker de weldaad, die God bij deze gelegenheid aan zijn volk bewees; doch nog veel grooter is
• ■ 123
de weldaad, welke Hij ons heeft bewezen, ons, die door de woestijn van dit aardsche tranendal naar het hemelsch vaderland trekken T wijl Hij ons uit de levende rots, die Christus is (1. Cor. X, 4), in de wonde van de zijde des Verlossers eene zevenvoudige genadebron heeft geopend. Dat hemelsch water van genade stilt niet alleen den dorst, welken wij in den heeten strijd tegen de vijanden onzer zaligheid gevoelen, maar het heelt ook de doodelijke wonden, die wij uit de gevangenschap van den belschen Pharao op den weg des levens hebben medegenomen; het wischt het schandelijk brandmerk der zonde uit, dat de vorst der hel op ons voorhoofd gedrukt heeft; het versterkt ons in den strijd tegen de vijanden , die ons den ingang in het land van belofte, in het hemelrijk, bemoeielijken, het is bizonder geschikt, om ons het bovennatuurlijk leven terug te geven, als wij het onder hunne arglistig of gewelddadig geleverde slagen verloren hebben; het onderhoudt en vermeerdert dat leven op wonderbare wij ze, en deelt ons, als ouderdom en ziekte onze lichamelijke en geestelijke krachten verzwakken, hemelsche kracht mede, en geneest ook de lichtere wonden, om rustig en behouden de grenzen van het aardsche leven over te trekken, en het land van eeuwige rust, van eeuwig genot en eeuwige-n vrede in bezit te nemen, Hoe hoog moeten wij deze bronnen, welke de Heiland ons geopend heeft, schatten! Welken innigen dank zijn wij den Allerhoogste niet verschuldigd, wijl Hij ze zonder ophouden in zijne Kerk voor ons doet vloeien! Wel is het billijk, dat wij den Heer voor die onschatbare weldaad prijzen, dat wij aan alle volken de wonderen zijner genade en onmetelijke liefde verkondigen. Wel is het betamelijk, dat wij met den Psalmist uitroepen: „Wat zal ik den Heer wedergeven „voor al hetgeen Hij mij gegeven heeft?quot; (Ps. CXV , 3), dat wij met een hart vol dankbaarheid en vreugde zeggen: „De Heer regeert mij ; Hij heeft mij naar eene vruchtbare „weide en naar het water der verkwikking gevoerd; Hij „heeft mijne ziel bekeerd en mij op den weg der gerechtig-„heid geleid; Hij heeft mij aan zijne tafel doen aanzitten, „mijn hoofd met olie gezalfd, en hoe heerlijk is zijn beker!quot; (Ps. XXII).
Het minste, dat Hij van ons verwacht, en waartoe wij ons aangespoord moeten gevoelen, is zonder twijfel, dat wij deze heilige teekenen van zaligheid met woord en daad vereeren; dat wij deze genadestroomen ons niet laten voorbijgaan, zonder daaruit met vreugde en heilig verlangen te scheppen. Als Jesus, onze God en Heiland, wilde
124
lijden en sterven, om ons die hemelsche bronnen van genade en barmhartigheid te verdienen; als Hij zijn hart liet doorboren, om ze te openen; \') als Hij ons voortdurend in den persoon van zijn Stedehouder uitnoodigt daarvan gebruik te maken: hoe dwaas en ondankbaar zouden wij dan niet moeten genoemd, worden, als wij verzuimden, dikwijls en met een dorstend hart uit die bron van genade te drinken ? Zouden wij ons dan niet gelijk maken aan de ondankbare Israëlieten, die, nadat zij hunnen dorst gelescht hadden met. het water, dat hun uit de rots toevloeide, tegen God en tegen Mozes, zijn plaatsbekleeder, gingen morren? Zetten wij ons bij die hemelsche beken neder, en houden wij steeds ons hart bereid, om er ons aan te laven. Want, wee dengene,
i • i o »
die het waagt er met een onrein vat uit te scheppen, de Sacramenten met een zondig hart te ontvangen! Wie dit doet, maakt zich schuldig aan eene zware beleediging der goddelijke Majesteit, aan eene versmading der goddelijke liefde en barmhartigheid, aan eene vreeselijke schennis van zijn H. Bloed en van de oneindige schatten van genade, welke Hij ons daardoor verdiend heeft. De rampzalige verandert waarlijk de bronnen van zegen in even zoovele stroooen van vervloeking en van eeuwige verdoemenis. Moge het veelvuldig en waardig ontvangen der HH. Sacramenten onze harten met genade en heilige liefde vervullen en ze dus tot het volle genot der eeuwige zaligheid voorbereiden!
Over bet Doopsel.
Welk is het eerste en noodzakelijkste Sacrament?
Het eerste en noodzakelijkste Sacrament is het Doopsel. 1) Het Doopsel is het eerste Sacrament, wyl men vóór het Doopsel geen ander Sacrament geldig ontvangen kan. „Het eerste van alle Sacramenten is het Doopsel,quot; leert
\') Volgens de uitdrukking der HH. quot;Vaders, vloeit ons de zevenvoudige genadebron der H. Sacramenten toe uit de wonde der zijde van den voor ons aan liet kruis gestorven Verlosser. Uit geheim zien zij aangeduid in het bloed en water, dat uit de doorboorde zijde gevloeid is. Want door het water wordt het H. Doopsel, en door het bloed het allerheiligste Sacrament des Altaars zinnebeeldig voorgesteld. In deze twee Sacramenten nu zijn, als het ware, alle anderen vervat, wijl het Doopsel het eerste is en het recht geeft om de anderen te ontvangen, en het Sacrament des Altaars het voornaamste, de kroon en het laatste doei van allen is.
125
het Concilie van Florence (in het decreet voor de Armeniërs) ; „het is de deur van het geestelijk leven.....
„door het Doopsel worden wij in de Kerk ingelijfd.quot; Alle andere Sacramenten zijn ingesteld om het geestelijke, bovennatuurlijke leven in ons te vermeerderen , of het verloren leven weder te geven. Deze nu kunnen het bovennatuurlijk leven noch vermeerderen, noch wedergeven, en dus ook het doel hunner instelling niet bereiken, als dat leven door het Sacrament des Doopsels aan de ziel nog niet gegeven is. Het ontvangen der andere Sacramenten veronderstelt dus noodzakelijk het Doopsel, waardoor de mensch in den regel voor het eerst dat hoogere leven verkrijgt. Ja, zelfs ingeval iemand, vóór het ontvangen van het Doopsel des waters , door het Doopsel van begeerte, waarover later zal gesproken worden , gerechtvaardigd mocht zijn, zou toch het Doopsel des waters nog volstrekt noodzakelijk blijven, om de andere Sacramenten geldig te ontvangen. Want ofschoon door het Doopsel van begeerte zoowel de erfzonde als de persoonlijke zware zonden vergeven worden, en bijgevolg het leven der genade wordt medegedeeld, prent het evenwel der ziel het zooeven besproken karakter des Doopsels niet in. En juist dat karakter maakt den mensch bekwaam, om de overige Sacramenten te ontvangen. Vervolgens is het duidelijk, dat slechts diegenen deel kunnen hebben aan de genadeschatten der H. Kerk en vooral aan de HH. Sacramenten, die leden dier Kerk zijn geworden, wijl voorzeker niemand recht heeft om deel te nemen aan de goederen en rechten van eene vereeniging, welke ook, waarvan hij geen lid is. Deze inlijving in de Kerk geschiedt bij het ontvangen van het Doopsel des waters, daar het eene plechtige, openbare belijdenis des christelijken geloofs is, eene belijdenis, waardoor de mensch in het oog der Kerk een lid van haar lichaam en als zoodanig van den eenen kant aan hare rechtspraak onderworpen, maar van den anderen kant ook aan hare goederen deelachtig wordt. Door het Doopsel van begeerte heeft zulk eene inlijving niet plaats. Daarom zegt ook het Concilie van Trente (14e Zitt. 2e Hoofdst.) , uitsluitend van het Doopsel des waters sprekende, dat Christus, de Heer, de geloovigen door „het bad des Doopsels „tot leden van zijn lichaam (de Kerk) maakt;\'\' en even tevoren, „dat de Kerk over niemand eenige rechtsmacht „uitoefent, die niet eerst door de deur des Doopsels in „haar is ingegaan.quot;
2) Het Doopsel is het noodzakelijkste Sacrament, wijl niemand zonder Doopsel kan zalig worden.
126
Onder alle Sacramenten des Nieuwen Verbonds is het Doopsel alleen voor alle menschen zonder uitzondering volstrekt noodzakelijk tot verwerving der eeuwige zaligheid Jesus Christus zelf geeft dit zoo bepaald mogelijk als eene onontbeerlijke voorwaarde aan, om het hemelrijk te kunnen binnengaan. Toen namelijk Nicodemus, de schriftgeleerde, tot Jesus kwam, om uit zijn mond te vernemen, hoe men het rijk Gods kon verwerven, sprak de goddelijke Leer-meerster tot hem aldus: „Voorwaar Ik zeg u, zoo iemand „niet o.p nieuw geboren wordt, kan hij het rijk Gods niet „ingaan;quot; en als nu Mcodemus, zijne verwondering daarover te kennen gevende, de vraag stelde, hoe dan toch een mensch, die reeds in jaren gevorderd was, weer kon geboren worden, antwoordde de Heiland: „Voorwaar, voor-„waar Ik zeg u, zoo iemand niet herboren wordt uit het „wa:er en den H. Geest, kan hij het rijk Gods niet „ingaanquot; (Joan. Ill, 3, 5). Duidelijker en bepaalder kon de Heiland de noodzakelijkheid des Doopsels niet uitspreken ; want dat op deze plaats van het Doopsel gesproken wordt, was van oudsher de overtuiging en is ook heden door niemand in twijfel getrokken. Üm dezelfde reden vergelijkt de H. Petrus in zijn eersten brief (III, 20, 21) het Doopsel met de ark vaa Noë. Gelijk namelijk de ark ten tijde van den zondvloed het eenige middel was om • het tijdelijk leven te redden, zoo redt ook het Doopsel alleen van den eeuwigen ondergang. En reeds in zijne eerste predikatie na de komst van den H. Geest, gaf de genoemde Apostel den Joden, die hem de vraag stelden, wat zij doen moeten om het heil te verkrijgen, dit veelbeteekenend antwoord: „Doet boetvaardigheid en „eenieder van u late zich doopen in den naam (dat is: „naar het voorschrift) van Jesus Christusquot; (Hand. II, 38). Het is een onloochenbaar feit, dat de H Kerk, steunende op het zooeven genoemde getuigenis der H. Schrift, alsook op de eenstemmige, onafgebroken Overlevering, de vol-strekste noodzakelijkheid des Doopsels ter zaligheid overal en altijd beleden heelt. Eu gelijk Christus, toen Hij de noodzakelijkheid des Doopsels als grondbeginsel en grondwet zgner Kerk stelde, geen onderscheid maakte tusschen volwassenen en onvolwassenen, zoo ook maakte de katholieke Kerk nimmer zulk een onderscheid. „Christus,quot; merkt de H. Kerkvader Ambrosius, Joan. Ill verklarende, op, „Christus zondert niemand uit, noch het kind, noch hem, „dien de dood verrast... Niemand komt het rijk der „hemelen binnen, dan door middel van het H. Sacrament „des Doopsels.quot; Niet minder bepaald en krachtig laat zich
127
de H. Augustinus (Boek III over de ziel en haren oorsprong, Nquot;. 12) hierover uit; „Wacht u van te ge-„looven, of te beweren, of te leeren, dat de kinderen, die „vóór het Doopsel sterven, de vergiffenis der erfzonde „kunnen verwerven; wacht u daarvoor, zoo gij nog Katho-„liek wilt wezen.quot; Andere getuigenissen der HH. Vaders gaan wij voorbij, om nog even te wijzen op de leer van . het algemeen Concilie van Trente. Dat Concilie beroept zich uitdrukkelijk op de woorden van Christus bij Joan. Ill en verklaart (6e Zitt. 4e Hoofdst.), dat de overgang uit den staat van ongenade, waarin de mensch geboren wordt, tot den staat van genade, „na de verkondiging van het „Evangelie, zonder het bad der wedergeboorte of het ver-„langen daarnaar niet kan geschieden;quot; en in zijne 7e Zitt. 5® Can. over het Doopsel, spreekt het den ban uit over dengene, die zegt: „dat de doop vrij, dat is niet nood-„zakelijk ter zaligheid is.\'\' i)
\') De geleerde Dominikaan Kardinaal Cajetamis, die onder Leo X als puuselijk legaat tegeu de reformatie in Lhiitschland optrad, was voorzeker de eerste en tot dien tijd \'de eenige der katholieke God-geleerden, die van gevoelen was, dat de kinderen.van christelijke ouders, die voor hunnen dood onmogelijk het Doopsel kunnenj ontvangen , op eene andere wijze gerechtvaardigd worden. Volgens hem namelijk werd het geloof der ouders, of het verlangen, hetwelk zij hebben, dat hunne kinderen tot het H. Doopsel mogen komen, door het H. Kruisteeken, door een godvruchtig gebed, hetwelk de ouders verrichten\', ot door iets dergelijks op die kinderen toegepast en hun toegerekend. Dominicus Scoto verklaarde dat gevoelen van Cajetanus voor kettersch, en Pius V liet het uit de overigens hooggewaardeerde werken van Cajetanus in de romeinsche uitgave wegnemen. Suarez (de Saeram. disp. 27. S. 3) zegt van dit gevoelen, dat //het tenminste ^vermetel is en de dwaling zeer nabij komt.quot; De redenen, welke reeds vroeger en ook in Jateren tijd ten voordeele dier meeijing zijn aangevoerd, hebben bij Suarez (t. a. p.) eene behoorlijke waardeering en voldoende wederlegging gevonden. Wij bepalen ons hier alleen bij de opmerking, dat ingeval men ook met Ur. Klee (Dogmat. D. 2. bludz J50. üitg. 3.) voor «-zeer zeker houdenquot; wil, dat Dinocrates, de zevenjarige .broeder van de H. Perpetua, vóór zijn verscheiden het H. Doopsel niet heeft ontvangen, toch uit dat gevoelen geenszins volgt, dat hij zonder het Doopsel, door het gebed zijner zuster het rijk der hemelen is ingegaan; want het is in het geheel niet bewezen — zegt de meergenoemde Godgeleerde (S. 3.) — dat de jeugdige katechumeen niet door het Doopsel van begeerte gerechtvaardigd werd. Dewijl nu daarmede niet altijd de delging van alle tijdelijke strafl\'en gepaard gaat, zoo mag het ons niet bevreemden, dat do afgestorvene Dinocrates nog eenigen tijd in het vagevuur bleef.
Reeds vóór Cajetanus hadden eenige Godgeleerden, onder anderen Gerson (preek op Maria\'s geboorte) het gevoelen uitgesproken, dat God. uit barmhartigheid en bizondere bevoorrechtiging, luisterende naar het gebed van godvruchtige ouders, op de algemeene wet somtijds eene uitzondering maakt, en aan kleine kinderen, die het Doopsel niet kunnen ontvangen, zonder dat H.\'Sacrament toch de heiligmakende genade instort. Derhalve spoorde die Godgeleerde de
128
Oratrent het lot aan lt;ie andere zijde des grafs van kinderen, die zonder Doopsel gestorven zi.jn, staat, naar de leer van het Evangelie en de verldaring, welke de Kerk bij onderscheiden gelegenheden, in het bizonder in het tweede algemeene Concilie van Lyon en in dat van Florence, daarvan gegeven heeft, slechts zooveel vast, dat zij niet in den hemel komen, niet tot het aanschouwen Gods geraken, maar ook dat zij niet zoo gestraft worden als degenen, die persoonlijk gezondigd hebben. Dat zoodanige kinderen in het andere leven, behalve het gemis van den hemel en het derven van Gods aanschijn, nog iets anders te lijden hebben, heeft de Kerk nimmer geleerd.
Paus Innocentius III stelt in het decreet, dat hij als opperhoofd en hoogste leeraar der Kerk tegen de ketters van zijn tijd heeft uit-gevafirdigd, het onderscheid tusschen de straf der erfzonde en die der persoonlijke zonde eenvoudig daarin, dat deze bestaat in de pijn van het eeuwige vuur, geene daarentegen alleen in de berooving van Gods aanschijn. En toen in de vorige eeuw de jansenistische Synode van Pistoja de vermetelheid had, zich te verzetten tegen die Godgeleerden, die van gevoelen zijn, dat de ongedoopte kinderen in zulk eene plaats der onderwereld zich bevinden, waar zij slechts de straf van schade lijden, gt;) zonder de straf van het vuur te ondergaan, en zelfs durfden beweren, dat zulk eene plaats eene fabel der Pelagianen was, een middentoestand tusschen het rijk Gods en de eeuwige verdoemenis, waarvan slechts die oude ketters beuzelden, verwierp Pius VI (25lt;! stelling) hunno verklaring, en brandmerkte ze als valsch, vermetel, in strijd met de leer der katholieke scholen. Wij mogen zelfs, op gezag van den H. .Thomas en andere uitstekende Godgeleerden, aannemen, dat dit gemis van het aanschouwen van God, hetwelk in zooverre eene straf genoemd wordt, als het een gevolg der erfzonde is, den kinderen, die zonder Doopsel sterven, niet eens eene innerlijke droefheid of hartzeer veroorzaken zal. /,Want,quot; zegt de H. Thomas, „gelijk zich niemand redelijker wijze kan bedroeven, //dat hij geen koning of keizer is, als hij, in den burgerstand geboren //en opgevoed, niet de minste aanspraak op den troon heeft, zoo ook //gevoelen degenen, die nog beroofd van het gebruik hunner rede
ouders aan, voor hunne kinderen te bidden, opdat Christus, ingeval zij vóór het Doopsel mochten sterven, de genade des Doopsels in hen mocht vervangen. //Want,quot; zoo voegt Gereon er bij, «ofschoon men //zonder goddelijke openbaring geene zekerheid daarvan kan hebben, //zoo is toch alle hoop niet afgesneden, dat het werkelijk geschiedt.quot; Dit gevoelen is merkelijk verschillend van dat van Cajetanus. Deze nam aan, dat de rechtvaardiging der kleine kinderen, voor wie de toediening van het Doopsel des waters onmogelijk is, in den regel geschiedt door het geloof der ouders of door het in de plaats tredende verlangen van dezen naar de. genade des Doopsels, als had Christus deze laatste wijze van rechtvaardiging bij gemis der eerste vastgesteld; de andere Godgeleerden daarentegen bepalen de namen en de wijze der rechtvaardiging van de zonder het Doopsel gestorvenen niet nader, maar zien ze slechts aan als eene zeldzame uitzondering op den algemeenen regel, als een voorrecht, als een wonder, waarvan men niet anders dan door goddelijke openbaring tot zekerheid kan komen. — Al het gezegde leidt dus tot de aanneming der stelling van Suarez (t. a. p.): //Men kan zonder vermetelheid van geen vóór „het Doopsel overleden kind zeggen , dat het is gerechtvaardigd ,geworden, tenzij men dit door middel der goddelijke openbaring //vernomen heeft.quot;
\') Ook fiellarminus leert hetzelfde bij de verklaring van het Se artikel des geloofs.
129
//zonder Doopsel stierven, in het andere leven geene droefheid over ^het gemis dier hoogere zaligheid, welke zij zich niet door eenige //vrijwillige zonde onwaardig gemaakt hebben, dier zaligheid, waarop //zij geen recht, waartoe zij ook geene natuurlijke bekwaamheid be-vzitten, waarvan zij zeer waarschijnlijk zelfs geene kennis dragen. //Inderdaad is het moeielijk te begrijpen, hoe zij tot de kennis eener //zaligheid zouden kunnen geraken, die slechts door het bovenna-//tuurlijk geloof, hetwelk zij nimmer hadden, kan worden verkregen.quot; De engelachtige leeraar voegt er nog bij: ,/Die kleinen zullen er //niet alleen geene smart over gevoelen, dat zij van het aanschouwen „van God verstoken zijn; zij zullen zich zelfs verheugen in hunne //rijke deelname aan de goedheid Gods en in hunne natuurlijke voordrechten. Want zijn zij al niet met God in do eeuwige heerlijkheid //vereenigd, zij zijn toch met Hem verbonden door het bezit van //natuurlijke goederen, en kunnen dus, krachtens hunne natuurlijke ,/kennis en liefde, zich in Hem verheugen.quot; ])
Deze meening van den H. Thomas, waartegen de H. Kefk zich nimmer verzette, werd later door vele en aanzienlijke Godgeleerden aangenomen en verdedigd. Tot. dezen behoort ook de H, Ligorio, die in zijne verhandeling over het gebed (2e Dl. Cap. 1. quot;No. 2) de genoemde meening voorstaat en er de opmerking aan toevoegt, dat de H. Thomas in dit punt wel het best gezien heeft. Ook ontbreekt het niet aan beroemde Godgeleerden, die het voor waarschijnlijk houden, dat die kinderen, na het algemeen oordeel, in hunne weer opgewekte lichamen op eene vernieuwde aarde rustig en vergenoegd zullen leven, en met hunne natuurlijke eigenschappen God in zijne zichtbare werken zullen erkennen, loven, aanbidden, bewonderen en beminnen. \'1) Hoewel de Kerk hierover geene bepaalde uitspraak gegeven heeft, is het evenwel zeker, dat het lot der ongedoopte kinderen aan de andere zijde des grafs, in zooverre men het met dat der gedoopten vergelijkt, een beklagenswaardig, een door de erfzonde aangebrachte toestand van straf is, zonder dat hun bestaan daarom ophoudt eene goddelijke weldaad te wezen. Daarom verzet zich zelfs de H. Augustinus, die in dit punt naar den strengen kant overhelt, tegen het gevolg, hetwelk Julianus de Pelagiaan uit zijne leer getrokken had, dat het namelijk voor zulke kleinen beter ware, niet geboren te zijn; hij verzet zich daartegen met deze woorden: „dat //waag ik niet te zeggen,quot; //dat zeg ik nietquot; (5e B. tegen Juliaan).
Waf is het Doopsel?
Het Doopsel is een Sacrament, waarin de mensch door het water en de doopwoorden van de etfzonde en alle andere zonden gezuiverd en in Christus ten eeuwigen leven wedergeboren en geheiligd wordt.
Als wij in de gegeven definitie van het H. Doopsel zeggen, dat het geschiedt door water en woorden, dan
1
) Zoo onder anderen Salineron et Cornelius a Lapide over 2. Petr. 111: 13.; Lessius de perf. div. 1. 13 c. 23; Suarez de pecc. orig. s. 6. Met recht evenwel maakt Cornelius a Lapide de opmerking, dat de kinderen, die zonder Doopsel sterven, eerder damnati (filii irae) quam head dicendi sunt, quia damnandi sunt poena damni, scil. carentia visionis beatificae.
DEHABBE, GELOOFSLEEB. IV. 3lle DBUK. 0
180
geven wij het uitwendig teeken naar zijne wezenlijke be-standdeelen; als wij daarbij voegen, dat de mensch door het Doopsel van de erfzonde en alle andere zonden gezuiverd en in Christus ten eeuwigen leven wedergeboren en geheiligd wordt, dan duiden wij de inwendige genade aan, die met de behoorlijke toepassing van het uitwendig teeken verbonden is; of, wat hetzelfde is, wij geven dan de heilzame werkingen aan, welke het uitwendig teeken in de ziel van diegenen, die het ontvangen, voortbrengt. Daaruit volgt dan van zelf, dat aan het H. Doopsel, als een werkdadig teeken van inwendige genade, hetwelk, gelijk later bewezen zal worden, door Christus ingesteld is, met alle recht de naam van Sacrament kan worden gegeven. Wij moeten dus hier spreken: 1° over het uitwendig teeken; 2° over de inwendige genade of de uitwerkselen des Doopsels , en 3° over de instelling door Christus.
I. Het uitwendige teeken van het Sacrament des Doopsels is tweevoudig, namelijk het water als stof, en het woord als vorm. Want het Doopsel wordt toegediend, als men het water over het hoofd of over het lichaam van den doopeling uitgiet, en op hetzelfde oogenblik de woorden spreekt: Ik doop u in den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes.
Tot de geldigheid van het Doopsel wordt vereischt (zooals blijkt uit hetgeen reeds over de verbinding van stof en vorm tot eene sacramenteele handeling gezegd is), dat de afwassching met water en het uitspreken der woorden te gelijker tijd geschieden. Dit is eene zaak, die iedereen wel ter harte mag nemen, wijl het geval zich kan voordoen, dat men den nooddoop moet toedienen.
1) Ten opzichte van het water is aan te merken, dat men, om geldig te doopen, waar, natuurlijk water moet gebruiken. Zoo leert het Concilie van Trente (7e Zitt. 2e Can. over het Doopsel) uitdrukkelijk, en het spreekt den ban uit over degenen, die de woorden van Christus; „tenzij iemand herboren zij uit het water,quot; enz. in een figuurlij ken zin uitleggen. Dereden, waarom Jesus Christus vóór alle andere elementen bij voorkeur natuurlijk water bestemd heeft tot stof voor het H. Doopsel, wordt, behalve de eigenschap, die het bezit, van te zuiveren en te verkoelen, waardoor de in het Doopsel bewerkte zuivering der ziel en verzwakking van de begeerlijkheid des vleesches wordt aangeduid, nog deze genoemd, dat het water het meest geschikt is, om dit Sacrament, voor allen zonder uitzondering noodzakelijk, toe te dienen, wijl water overal gemakkelijk te bekomen is. Onder natuurlijk water wordt
131
echter niet slechts bronwater, maar ook zee-, rivier-, welen regenwater verstaan, zoo ook water uit gesmolten sneeuw of ijs, doch geen ongesmolten sneeuw of vast ijs, geen sap uit planten of boomen, water uit rozen of andere bloemen en kruiden geperst of gedisteleerd , alsmede geen wijn, bier, enz. Dergelijke vloeibare stoffen zijn geen natuurlijk water, en kunnen daarom tot de bediening van het H. Sacrament des Doopsels niet gebezigd worden. Twijfelt men of eene of andere vloeistof de natuur van water heeft, dan mag en moet men ze bij gebrek aan natuurlijk water in dringende noodzakelijkheid gebruiken. Wie echter op zulke wijze met twijfelachtige stof gedoopt is, moet, als hij in het leven blgft, later onder voorwaarde herdoopt worden.
Ofschoon nu, gelijk uit het verklaarde blijkt, tot de geldigheid van het Doopsel elk natuurlijk water voldoende is, moet toch de Priester, als het geschieden kan, doopwater daartoe gebruiken. Dit vordert niet slechts het voorschrift der Kerk, maar ook de eerbied en de vereering, welke wij den HH. Sacramenten moeten bewijzen. In den regel mag men zich dus- bij het H. Doopsel alleen van het met H. olie gemengde water bedienen, dat op Paasch-~ of Pinkster-Zaterdag gewijd is en het geheele jaar door in de doopvont bewaard wordt. Bij den nooddoop, wanneer het doopwater niet voorhanden is, behoort hij, die doopt, aan het gewijde boven het ongewijde water de voorkeur te geven, zoo dit zonder vertraging geschieden kan.
Opdat het Doopsel geldig zij, moet de noodige stof, het water, zóó worden gebruikt, dat er eene afwassching van den doopeling plaats hebbe. Dit nu kan op drieërlei wijze geschieden, namelijk: door uitstorting, als men water giet op het hoofd van den persoon, welken men doopt; door indompeling, als men het hoofd in het water indompelt; eindelijk door besproeiing, als men het hoofd van den doopeling met water besproeit. Voor de geldigheid is het volstrekt hetzelfde, op welke dezer drie wijzen men het Doopsel toedient, als het maar eene werkelijke afwassching kan genoemd worden. Zou echter degene, die doopt, slechts eenige weinige droppels water op het hoofd van den doopeling laten vallen, of zich tevreden stellen, met den vinger in het water te steken en daarmede zijn hoofd aan te raken, zoodat er geene behoorlijke afwassching, maar slechts eene bevochtiging van het hoofd plaats had; of zou hij, in plaats van het hoofd, de hand, den voet, of een ander nog geringer deel van het lichaam met water begieten of besproeien, dan zou in al deze gevallen het
9*
132
Doopsel onder voorwaarde herhaald moeten worden. Hetzelfde zou tot grootere zekerheid, waarnaar bij dit ter eeuwige zaligheid zoo noodzakeliike Sacrament altijd moet getracht worden, zelfs dan moeten geschieden, als de uitstorting of hesproeiing op de borst of op de schouders geschied was, ofschoon het bijna zeker is, dat de Doop in dat geval geldig is toegediend. \') Zoo het doopwater daarentegen slechts de kleederen of de haren van den doopeling bevochtigde, dan zou in het eerste geval de Doop klaarblijkelijk ongeldig zijn en zonder voorwaarde herhaald moeten worden, en in het laatste geval zou het Sacrament tenminste twijfelachtig zijn en onder voorwaarde moeten hernieuwd worden. Overigens moet ieder zich voor de wijze van toediening des H. Doopsels naar het bestaande gebruik voegen. Het gebruik nu schrijft in de westersche Kerk het Doopsel door begieting (per infusionem) voor, terwijl vroeger tot in de twaalfde eeuw de doop bij indompeling 2) gebruikelijk was. In sommige gevallen evenwel, zooals bij zieken en gevangenen, en in het algemeen als de indompeling onmogelijk was, werd ook toen reeds het Doopsel door begieting toegediend. De begieting, tegenwoordig in gebruik, moet bij het H. Doopsel in de kerk, volgens .kerkelijk voorschrift, ter eere der drie goddelijke Personen driemaal gebeuren, hoewel eene enkele begieting voor de geldigheid van het Sacrament voldoende is, en in dringenden nood veelal ook alleen maar plaats kan hebben.
2) De woorden, welke het tweede wezenlijke bestanddeel van het sacramenteele teeken des Doopsels uitmaken, ontleent de door den H Geest geleerde Kerk aan het bevel, door Christus den Apostelen gegeven: „Gaat en leert alle „volken en doopt hen in den naam des Vaders, en des „Zoons, en des H. Geestesquot; (Matth. XXVIII, 19). Zij luiden daarom: „Ik doop u in den naam des Vaders, en „des Zoons, en des H. Geestes.quot; Omtrent dezen vorm, waardoor de handeling der afwassching tot Sacrament wordt, dient nog het volgende opgemerkt te worden:
a] Hij, die doopt, mag dezen vorm noch door bijvoeging, noch door weglating van welk woord ook, noch op eenige andere wijze, in zijn wezen veranderen. Ja, zeer licht zou het Doopsel in zulk geval ongeldig worden. Wie dus bij de uitgieting van het doopwater de woorden „Ik „doop u,quot; weglaten en alleen zeggen zou: „In den naam „des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes,quot; of het
\') Bened. XIV., de Synode dioeces. L. 7. C. 5. 2) Vandaar de naam van: doopen.
133
voornaamwoord „uquot; niet uitspreken, of wel niet alle drie de goddelijke personen uitdrukkelijk noemen, maar eenvoudig zeggen zou: „Ik doop u in den naam des Vaders, „en des Zoons,1\' of „ik doop u in den naam van den „drieëenigen God,quot; of „in den naam der H. Drievuldig-„heid,quot; of „in den naam van Jesus Christus,quot; die zou in al deze gevallen ongeldig doopen.
b) De voorgeschreven vorm moet worden uitgesproken door denzelfden persoon, die het water uitgiet; want slechts op deze wijze wordt de sacramenteele handeling of afwas-sching eene genadewerkende handeling, door den vorm bepaald.
II. De uitwerkselen van den H. Doop (de inwendige genade van het Sacrament) zijn, hehaive de indrukking van het karakter, waarover boven reeds breedvoerig gesproken is: 1) de vergiffenis van alle zonden en hare straffen; 2) de geestelijke vernieuwing en heiliging; 3) de vereeniging met Christus en zijne Kerk.
1) De vergiffenis van a) alle zonden en 5) al hare straffen.
a) Het H. Doopsel verleent niet slechts de vergiffenis der erfzonde, maar ook van alle zonden, welke de mensch vóór het H. Doopsel bedreven heeft. Ofschoon het H. Sacrament des Doopsels eerst en vooral daarom door Jesus Christus is ingesteld, om eenieder, die het waardig en geldig ontvangt, van alle vlekken der erfzonde te zuiveren, verdwijnen toch alle persoonlijke zonden, die vóór het ontvangen des Doopsels begaan zijn, door deszelfs zuiverende kracht, gelijk de nachtelijke duisternis voor het licht der opgaande zon, of worden volgens de uitdrukking van een Kerkvader, uitgedoofd als een klomp vuur in de wateren des Oceaans. Zulk een Sacrament tot volkomen uitdelging van zonden voorspelde God reeds door den mond van den Profeet Ezechiël (XXXVI, 25), toen Hij sprak: „Ik zal „een zuiver water over u uitgieten; en gij zult gezuiverd „worden van al uwe misdaden.quot; — Dat deze voorzegging, welke de H. Kerk altijd, van het Doopsel verstaan heeft, in het Nieuwe Verbond vervuld is , blijkt duidelijk uit de woorden van den H. Petrus (Hand. li, 38): „Doet boet-„vaardigheid, en eenieder uwer late zich doopen ter vergiffenis uwer zonden.quot; — De vorst der Apostelen zondert geene enkele zonde uit, zelfs den Godsmoord niet, waarop deze woorden hoofdzakelijk doelen. Ook de H. Paulus zegt, dat het Doopsel alle zonden in het algemeen en elke zonde in het bizonder vergeeft. In zijn brief aan de Romeinen (VI, 2—10; VIII, 1) leert hij, dat het Doopsel
134
het graf der zonde is, en dat in degenen, die door het Doopsel in Christus zijn ingelijfd, niets veroordeelens-waardigs meer gevonden wordt; in zijn brief aan de ge-loovigen van Ephese (V, 23, 27) schrijft hij, dat Christus de Kerk (de menschen, welke de Kerk vormen) geheiligd en gezuiverd heeft in het Doopsel des waters door het woord des levens, opdat zij zonder vlek, heilig en ongeschonden zij. Gelijk dus het water van den Jordaau Naaman den Syriër zoo volkomen van zijne melaatschheid zuiverde, dat zijn vleesch als dat van een teeder kind was, zoo zuivert het water des Doopsels de ziel dermate, dat zij in zuiverheid met de zalige geesten wedijvert, en evenals deze elk oogenblik voor den oneindig Heilige, die niet het minste onreine toelaat, met vertrouwen mag verschijnen.
i5) Doch niet slechts de zonden worden door het Doopsel gedelgd, maar ook de tijdelijke zoowel als de eeuwige straffen worden er door weggenomen. „Door het Doopsel,quot; schrijft de Apostel aan de Romeinen (VI, 4, 5) , „zijn „wij met Christus medebegraven in den dood .... in Hem „medegeplant in gelijkheid aan zijn dood.quot; Door het H. Sacra.ment des Doopsels namelijk wordt de mensch gelijkvormig aan den stervenden Heiland, wgl hij, door vrijwillig dit Sacrament te ontvangen, de zonde in zich doodt, gelijk Christus Jesus door zijn lijden en sterven de zonden der wereld gedood, gedelgd heeft. Krachtens deze gelijkvormigheid wordt op den doopeling de voldoening van den lijdenden en stervenden Verlosser toegepast, en ten gevolge dezer toepassing zoowel de tijdelijke als de eeuwige straffen kwijtgescholden, die hij zich van den kant der goddelijke Rechtvaardigheid op den hals gehaald had. Dat de mensch door het ontvangen van het H. Doopsel de straffen niet ontgaan kan, die hij van den kant der mensche-lijke gerechtigheid op zich getrokken heeft, spreekt van zelf, daar Christus door de verdiensten van zijn lijden en dood, welke worden toegepast op dengene, die den Doop ontvangt, alleen der goddelijke Rechtvaardigheid heeft willen voldoen. Zoowel na als vóór het Doopsel is dus de mensch verplicht, zich te onderwerpen aan de straffende gerechtigheid der menschelijke overheid, en in het algemeen aan de rechtvaardige eischen des naasten, van welken aard zij ook zijn mogen, voldoening te geven. De hier vermelde leer over de kwijtschelding van alle zonden en straffen door het H. Sacrament des Doopsels, heeft de H. Kerk herhaaldelijk en duidelijk uitgesproken. Het Concilie van Florence drukt zich hierover in het decreet voor de Arme-
135
niërs, door den mond van Eugenius IV, op de volgende wijze uit; „Het uitwerksel van het H. Sacrament des ,Doopsels is de kwijtschelding van elke zonde, zoowel quot;van de persoonlijke als van de erfzonde, alsmede de „kwijtschelding van alle straffen, die om de zonden moesten „ondergaan worden. Daarom moet den gedoopten geene „voldoening (geene poenitentie) voor de vroegere zonden „worden opgelegd, en worden zij, als zij sterven alvorens „eene persoonlijke zonde hegaan te hebben, aanstonds in „den hemel tot het aanschouwen van God toegelaten. \' En het Concilie van Trente verklaart in _ de vijfde zitting, vijfden canon; «Als iemand loochent, dat door de genade „van onzen Heer Jesus Christus, welke in het Doopsel „wordt medegedeeld, de schuld der erfzonde wordt ver-„geven, of ook beweert, dat niet dat alles gedelgd wordt, „wat werkelijk en eigenlijk zonde is, maar zegt, dat dit „slechts geschaafd en niet toegerekend wordt, die zij in „den ban.quot; — „God haat niets,quot; zoo spreekt het Concilie op dezelfde plaats, „in degenen, die door den Doop her-„boren zijn, wijl er niets veroordeelenswaardigs is in hen, „die door den Doop met Christus in den dood begraven „zijn.... Zij zijn onschuldig, zuiver en onbevlekt en „lievelingen Gods.... zoodat volstrekt niets hen belet om „den hemel binnen te gaan.quot; — Overigens dacht en leerde de Kerk hierover ook in de vroegste eeuwen niet anders dan ten tijde, dat de genoemde Conciliën gehouden werden. De Vaders, die te Nicea vergaderd waren, beleden reeds in het korte geloofsformulier, dat zij opstelden, bepaald en plechtig „één Doopsel ter vergeving der zonden;quot; en doorgaans wordt in de schriften der Kerkvaders aan dit heilig Sacrament de kracht toegekend, niet alleen de zonden, maar ook alle tijdelijke zoowel als eeuwige straffen te delgen. „Weest verzekerdspreekt onder anderen de H. Augustinus tot degenen, die hij tot het ontvangen van het H. Doopsel voorbereidde, „weest verzekerd , dat u alles, „volstrekt alles wordt kwijtgescholden, zoowel de erfzonde, „die gij met de geboorte hebt ontvangen, als de zonden, „die gij in uw leven door woorden, werken en gedachten „aan de erfzonde hebt toegevoegd.quot; \') „Indien iemand „aanstonds (na het Doopsel) uit dit leven scheidde, dan „zou hij niets meer te boeten hebben, wijl alle schulden, „die hem drukten, gedelgd zijn.quot; 1) Bij de kinderen, die nog niet tot de jaren van verstand zijn gekomen, is dit
1
) De peccat. merit, et remiss. 1. 2. c. 28.
136
uitwerksel van het H. Doopsel, de vergiffenis der zonden en van alle straffen daardoor verdiend, volkomen, wijl zij aan de genade van het Doopsel geen beletsel kunnen stellen. Daarom ook viert de H, Kerk de begrafenis van zulke kinderen niet in rouwgewaad, houdt voor hen geene uitvaart, en bidt niet voor de rust hunner zielen, wijl zij door haar geloof de overtuiging heeft, dat zij onmiddellijk tot het aanschouwen van God zijn toegelaten en plaats hebben genomen onder de zalige scharen der Engelen en Heiligen. Doch met de volwassenen, die het H. Sacrament des Doopsels ontvangen, is het anders gesteld. Van hen wordt namelijk, gelijk boven reeds bij de leer over de reehtvaardigmakiiig is aangetoond, eene gepaste voorbereiding gevorderd, wil het H. Doopsel zijne volle kracht hebben. Tot deze voorbereiding van volwassen doopelingen behoort in het bizonder, dat zij het beletsel moeten wegnemen, hetwelk de werking van het Doopsel meer of min belemmert of tegenhoudt. Dat beletsel bestaat in de vrijwillige gehechtheid aan de zonde. Is de zonde, waarvoor de volwassene nog genegenheid koestert, eene zware zonde, en heeft hij dus geen berouw over alle bedreven doodzonden , dan kan hij door het Doopsel noch van de erfzonde, noch van de persoonlijke zonden en derzei ver straffen bevrijd worden. Immers daar de erfzonde slechts door het instorten der heiligmakende genade wordt weggenomen, is het duidelijk, dat in het veronderstelde geval de uitroeiing der persoonlijke zonden, zoowel als der erfzonde, onmogelijk is, wijl de heiligmakende genade dien mensch niet kan worden ingestort, die nog aan eene zware zonde verkleefd is of er geen berouw over heeft. Als daarentegen een volwassen doopeling wel berouw gevoelt over alle bedreven doodzonden, maar voor zekere dagelijksche zonden nog eene vrijwillige genegenheid houdt, en niet kan besluiten, ze te vermijden, dan zal hij vergiffenis krijgen van de erfzonde en van de persoonlijke zonden, waarover hij berouw heeft, alsmede van de straffen daardoor verdiend; maar aan die dagelij ksche zonden, waarvoor hij nog genegenheid koestert, en aan de straffen, die daaraan beantwoorden, zou hij nog schuldig blijven; een dusdanige zou dus, als hij terstond na het ontvangen van de genade des Doopsels uit dit leven scheidde, geenszins mogen hopen onverwijld den hemel binnen te gaan, maar zeker die dagelijksche zonden eerst in het vagevuur moeten afboeten. De maat der werking van de genade des Doopsels hangt dus bij de volwassenen af van hunne voorbereiding. Daarom ook droeg de Kerk altijd de grootste zorg voor de be-
137
hoorlijke voorbereiding der katechumenen tot het waardig ontvangen van dit H. Sacrament. Te dien einde trachtte zij hun niet slechts ijver in te boezemen voor het christelijk onderwijs, maar schreef hun ook het gebed, een menig-vuldiger vasten, vlijtig onderzoek van het geweten, werken van versterving en naastenliefde voor. \') Nooit evenwel lag het in de bedoeling der Kerk, den katechumenen of den gedoopten dergelijken voor te schriiven als noodzakelijke voldoening voor de bedreven zonden, zooals bij het H. Sacrament van Boetvaardigheid geschiedt.
Dooi- de heilzame kracht van het H. Doopsel wordt, gelijk verklaard is, alles wat zonde en in eigenlijken zin straf der zonde is, uitgeroeid en vergeven; daarentegen blijft ook den gedoopren nog veel over wat gevolg der erfzonde verdient genoemd te worden, namelijk: de lichamelijke dood, de begeerlijkheid, het lijden en de wederwaardigheden des levens. Want ofschoon de begeerlijkheid des vleesches, de ontbinding des lichaams en de haar voorafgaande, voorbereidende of begeleidende kwalen, rampen en smarten, in de natuur van \'s menschea lichaam haren grond hebben, en bijgevolg op zich zelf het noodzakelijk gévolg zijn van een gebrek aan volmaaktheid, dat der menschelijke natuur aankleeft, maar geenszins eene straf is in den eigenlijken ziri — zoo kan men toch van den anderen kant met recht beweren, dat de genoemde gebreken, welke nit de natuur van den mensch voortkomen, eene straf der erfzonde zijn. die alle kinderen van Adam gemeen hebben. Want alleen krachtens eene geheel bizondere genade Gods zouden zij voor al deze natuurlijke gebreken bevrijd zijn ge-hieven als hun stamvader, die, zoolang hij zich in den staat der oorspronkelijke onschuld bevond , zich in dit voorrecht verheugde, niet gezondigd en het voor zicli en zijne geheele nakomelingschap niet verloren had.
Vraagt men nu. waarom Jesus Christus, wiens voldoening toch overvloedig was, ook den lichamelijken dood, de begeerlijkheid, het lijden en de moeielijkheden des levens, die treurige gevolgen der erfzonde, niet heeft weggenomen; dan kan men op goeden grond antwoorden: o) omdat dit minder gepast, en h) voor ons minder nuttig zou geweest zijn.
a) Onze Heer en Verlosser Jesus Christus wilde, om der goddelijke Rechtvaardigheid eene volkomen voldoening te geven voor onze zonden, in onze natuur lijden en sterven; eerst nadat Hij den bitteren kelk des lijdens gedronken en zelfs den dood had ondergaan, wilde Hij glorievol en onsterfelijk verrijzen. Zou het nu gepast, zou het billijk geweest zijn, dat, terwijl Jesus, ons schuldeloos Hoofd, leed en stierf om te boeten voor de buitensporigheden van ons hart en onze zinnen, wij. zijne ledematen, wij, de schuldigen en dus de bewerkers van zijn lijden en dood, door een wonder der goddelijke almacht van alle bekommeringen en lijdén en van de smarten des doods bevrijd werden, dat wij, niet eerst na de verrijzenis des vleesches wanneer het redelijke schepsel van de dienstbaarheid des bederfs bevrijd zal worden (Kom. VIII, 21), maar nu reeds, tegen den loop der natuur in, een onlijdelijk en onsterfelijk lichaam hadden! Wat zou dat anders zijn dan den leerling boven den Leermeester, den zondaar boven den Kechtvaardige, boven den Heiligste der heiligen stellen?
Het betaamt dus, dat wij den strijd en het lijden, die onafscheidelijk met onze natuur verbonden zijn, met geduld dragen, wijl
\') Zie Martene, de ant. Eccl. rit. L. 1. c. 1. a. 10.
1
138
Jesus voor ons geleden heeft; dat wij de bitterheid des doods smaken, wijl Jesus, ons Hoofd, onze Verlosser en Koning, ze gesmaakt heeft. Zoo dachten de Heiligen van alle tijden, en daarom dorstten zij naar lijden en wederwaardigheden, daarom scheen hun zelfs de verschrikkelijkste dood wenschelijk toe. \')
h) Ook zou het voor ons minder nuttig geweest zijn, als God door het H. Doopsel de bovengenoemde gevolgen der erfzonde had weggenomen. Want gelijk de Katechismus leert, dienen deze treurige overblijfselen of gevolgen der erfzonde hiertoe; a) dat wij aan ons zelve ondervindende hoe strafbaar en verderfelijk de zonde is, ze des te meer zouden haten. Wie het onstuimig woelen en drijven der hartstochten in eigen boezem gadeslaat; wie de verwoestingen aanschouwt daardoor in zoo vele familiën en Staten aangericht; wie het oog slaat op al de jammeren, de ellende en den bitteren nood, welke het grootste deel der kinderen van Adam drukken; wie zijn blik laat gaan over het onafzienbaar heir van ziekten, dat thans zijne legerplaats op aarde heeft opgeslagen en het eene geslacht na het andere aan den algemeenen, onrerbiddelijken vijand, den dood, overlevert en onderwerpt: wie dit alles ziet en bedenkt, dat al die onheilen het gevolg zijn van eene enkele zonde, moet zich gedrongen gevoelen om de zonde te haten en ze als eene hoogst strafwaardige en verderf aanbrengende misdaad te verfoeien. Het zijn gedenkteekenen der goddelijke rechtvaardigheid, die overal, over den geheelen aardbodem zichtbaar, onvergelijkelijk meer geschikt zijn om den mensch van de zonde af te schrikken, dijn vroeger de rookende overblijfselen van de steden Sodoma en Gomorrha.
b) Een ander nut van die gevolgen der erfzonde, welke bij de gedoopten nog overblijven, is, dat ons daardoor de gelegenheid wordt gegeven, door strijd en lijden onze verdiensten voor den hemel te vermeerderen. Want, als wij de zorgen en de moeielijk-heden, de veelvuldige kwellingen en het lijden van dit aardsche leven met geduld verdragen, en zelfs de grootste aller smarten, den dood, met kalmte en overgeving aan den goddelijken wil te gemoet zien; als wij ons voortdurend beijveren, om de booze neigingen van ons hart met den bijstand der goddelijke genade onder
\') De Heiligen baden om niets vuriger en verheugden zich over niets inniger, dan om naar het voorbeeld van hunnen goddelijken Verlosser te lijden en ter bezegeling van het verbond van liefde en geloof, hetwelk zij met Hem hadden gesloten, hun bloed te kunnen vergieten. Gelijk jesus er naar haakte, voor het heil der wereld het Doopsel van lijden te ontvangen (Luc. XII, 50i, zoo verlangen ook zijne getrouwe en grootmoedige navolgers, ter verheerlijking van zijnen H. Haam, martelingen en den dood te ondergaan. — Als de H. Apostel Andreas ter plaatse kwam, waar liet kruis, waaraan hij sterven zou, stond opgericht, verbleekte hij niet, sidderde en beefde hij niet voor den schrik des doods; hij brandde veeleer van een heilig verlangen, om zijnen gekruisigden Meester door den kruisdood gelijkvormig te worden, en riep in blijde geestvervoering uit: „O goed //kruis, hetwelk door de heilige \'ledematen van mijnen Heer een //sieraad is geworden; o lang gewenscht, met naijver beweend, onop-u houd el ijk gezocht en eindelijk na een vurig verlangen mij bereid //kruis! neem mij weg van de menschen, en geef mij aan mijn god-z/delijken Meester terug, opdat Hij door u mij weder ontvange, die «door u mij heeft verlost.quot; — Aan het kruis gehecht, ging de H. Apostel nog twee dagen voort met de verkondiging van Jesus den Gekruisigde. Eindelijk gaf hij den geest, om in de andere wereld in de verheerlijking gelijkvormig te worden aan zijn goddelijken Leermeester, wien hij hier beneden in de smarten en den smaad des kruises gelijkvormig was geweest (Volgens de rom. Brev. en den H. Bernardus, lofrede op den H. Andreas).
139
de heerschappij des verstands en onder het zoete juk des geloofs te buigen, dan mogen wij de vaste hcop koesteren, dat, als wij den goeden strijd gestreden, onze loopbaan voleind en het geloof bewaard hebben, de Heer, de rechtvaardige Rechter, ons de weggelegde kroon der gerechtigheid schenken zal (2. Tim. IV, 7, 8). Laten wij er dus nooit over klagen, dat God ons door het H.Doopsel niet van elk lijden en van eiken strijd bevrijd heeft: verheugen wij er ons veeleer over, dat ons daardoor de gelegenheid wordt aangeboden den lijdenden en tegen de hartstochten der wereld strijdenden Heiland gelijkvormig te worden en schitterende deugden te oefenen, wat zonder lijden en strijd niet mogelijk zou geweest zijn; lauweren ec zegepalmen te behalen, die slechts bestemd zijn voor hem, die zijn lijden voortdurend met geduld draagt en onverpoosd strijdt; verdiensten voor den hemel te verwerven, welke zonder lijden en strijd nimmer ons deel hadden kunnen worden. Zelfs het geloof zou eene of slechts geringe verdienste voor ons gehad hebben, zoo wij oor het Doopsel van lijden en strijd waren bevrijd geworden. Hoe-velen zouden dan het christelijk geloof omhelzen en zich laten doopen, niet om het andere leven in den hemel te verkrijgen, maar om dit aardsche leven niet te verliezen; niet om deelachtig te worden aan de hemelsche vreugde en het genot der zaligen, maar om de aardsche genoegens niet te missen? Deze gedachte spreekt de H. Augustinus duidelijk uit \') en voegt er nog de opmerking aan toe, dat zulk een geloof nauwelijks den naam van geloof verdienen zou. «.Wat groots «zou er in gelegen zijn,quot; zegt hij, //aan de beloofde onsterfelijkheid //te gelooven, als men met eigen oogen zag, dat degenen, die ge-//looven , werkelijk niet sterven? Daarentegen is het iets zeer groots jgt;en prijzenswaardigs, om, in weerwil van het zekere vooruitzicht //van den dood, toch te gelooven en te hopen, dat men eens eeuwig «zal leven.quot;
2) Het tweede uitwerksel des Doopsels is de geestelijke ver-nieuwing en heiliging van den rnensch; want door dit Sacrament wordt hij niet alleen van alle zonden gezuiverd, maar ook geestelijkerwijze vernieuwd, geheiligd , een kind Gods en erfgenaam des hemels. Naar de leer van den H. Paulus is het Doopsel niet alleen de dood der zonde, de vernietiging van den ouden mensch , maar tevens het begin van een nieuw leven , de opstanding van den nieuwen mensch, die gelijkvormig is aan den hemelschen Adam. De mensch daalt dus door het Doopsel met Christus in het graf, niet slechts, opdat hij niet meer leve voor de zonde, gelijk een begraven lichaam niet meer leeft, maar ook om met Christus weder op te staan en voortaan een nieuw leven, overeenkomstig den geest van Christus, te leiden. Gelijk namelijk Christus den schoot der aarde verliet en het nieuwe leven der verheerlijking aannam, zoo treedt de mensch uit het H. Doopsel een nieuw leven in, om niet meer, gelijk vroeger, naar de begeerte des vleesches te wandelen, maar volgens de leiding en in de kracht des H. Geestes. Deze verrijzenis tot een nieuw geestelijk leven
\') De pecc. merit, et remiss. L. 2. c. 31.
140
wordt in de taal der H. Schrift eens geestelijke vernieuwing of wedergeboorte genoemd, en daarom juist wordt het Doopsel het Sacrament of het bad der wedergeboorte tot een nieuw leven geheeten. In dezen zin sprak Jesus tot Nicodemus: „Tenzij iemand herboren worde uit water en „den H. Geest, kan hij het rijk Gods niet ingaan;quot; — „wat uit het vleesch geboren is, is vleesch, en wat uit „den geest geboren is, is geestquot; (Joan. III). „Gelijk „namelijk,quot; zoo schrijft de H. Basilius (le boek over het Doopsel), „datgene, wat uit het vleesch geboren is, ge-„lijkvormig is (dus vleeschelijk) aan hetgeen, waaruit het „geboren is, zoo worden wij ook, als wij uit den Geest „Gods geboren zijn, geestelijk; zoodat wij, gelijk de „Apostel aan de Galaten (V, 25) schrijft, in den geest „leven en ook in den geest wandelen.\'\' \') Doch niet alleen worden wij door den Doop tot een nieuw, geestelijk leven, maar ook tot het eeuwig leven herboren. Want wij verrijzen tot dat hoogere leven, evenals Jesus van den dood tot het leven opstond, om niet meer te sterven (Kom. VI). Gelijk dus het leven van den verrezen God-mensch een eeuwigdurend leven is, zoo moeten ook wij in dit uieuwe, geestelijke leven volharden, dat is, niet weder tot den dood der zonde terugkeeren, en aldus komen tot het bezit van het toekomstige eeuwige leven. 2) Aan-
\') De H. Clirysostomus (katechetisch onderricht 1. D. 2) heldert deze inwendige verandering door de volgende gelijkenis op. «Gelijk «een kunstenaar,quot; zegt hij, «een uit goud vervaardigd beeld, hetwelk «geheel door rook zwart geworden en met stof en vuil bedekt is, z/in het vuur vernieuwt en zuivert, zoo doet ook God. Hij neemt «onze door den roest der zonde bevlekte, door de misdaad onzer «stamouders misvormde, van de oorspronkelijk ontvangen schoonheid „geheel beroofde natuur, en dompelt ze in de zuiverende doopvont. «Wat bij het goud de vlam doet, dat werkt hier de genade van den //H. Geest uit. De doopeling, hoezeer ook door zonden verontreinigd, „treedt helderder dan het zonnelicht het doopwater uit; de oude „mensch sterft, de nieuwe komt heerlijk te voorschijn.quot;
Vandaar wordt ook met recht het Doopsel de deur des hemels genoemd. — In het jaar 49(5 vroeg Clodwig, de heidensche Koning der Franken, aan den H. Remigius, Aartsbisschop van Rheims, om het H. Doopsel. Remigius, zeer verheugd over het verlangen des konings, besloot, het tot stichting van de Franken met de grootste plechtigheid hem toe te dienen. Hij gaf daarom last, den weg van het koninklijk paleis tot aan de kerk, waarin de doopvont geplaatst was, en de kerk zelve op het prachtigst te versieren. Als nu Clodwig aan de hand van den godvruchtigen Bisschop onder heilige gezangen in de met geborduurde tapijten rijk versierde, door het licht van talrijke waskaarsen schitterende, van balsem en andere reukwerken welriekende kerk, tot aan de doopvont voortging, zeide hij, door zooveel pracht en de verheven plechtigheid bewogen, tot Remigius; „Vader is dit het rijk Gods, hetwelk gij mij beloofd hebt?quot; „Keen,quot;
141
gaande dit punt heeft zich de H. Augustinus zeer duidelijk en bondig uitgedrukt (a. a. D. Boek 1. hoofdst. 6): „De menschen worden geboren, onderworpen aan de zonde „en aan den dood van den eersten Adam; doch in het „Doopsel worden zij herloren, en daardoor deelachtig aan „de rechtvaardigheid en het eeuwig leven van den tweeden „Adam.quot; — Terwijl dus het Doopsel den nakomeling van den zondigen stamvader herschept in een nieuwen mensch, „die naar God geschapen is ia rechtvaardigheid en ware „heiligheidquot; (Eph. IV, 24), maakt het hem tevens van een kind van gramschap tot een kind Gods en tot een erfgenaam van het rijk der hemelen, dat Jesus Christus door zijn bitter lijden en door zijn kruisdood weder geopend heeft, i)
Deze geestelijke vernieuwing en heiliging geschiedt door de heiligmakende genade, welke de H. Geest met de goddelijke deugden in de ziel stort, dat is, allergenadigst mededeelt, opdat zij in haar verblijve, gelijk een kostbare balsem in het vat, waarin hij gegoten is, en het met de zoetsten geur vervult. Dit leert ons de Apostel, als hij zegt: „God heeft ons in zijne barmhartigheid gered „door het bad der wedergeboorte en der vernieuwing des „H. Geestes, dien Hij overvloedig over ons heeft uitgestort „door Jesus Christus, onzen Heiland; opdat wij, gerecht-„vaardigd door zijne genade (naar de hoop) erfgenamen „zijn van het eeuwig leven\'\' (Tit. Ill, 5—7). Dat wil zeggen: God heeft ons ia zijne oneindige barmhartigheid en met het oog op de verdiensten van Jesus Christus, onzen Heiland, van het eeuwig verderf gered, toen Hij, in het H. Doopsel door zijn H. Geest ons de genade van het nieuwe leven en van de heiliging in ruime mate verleenende, ons tot een nieuwen mensch heeft herschapen, opdat wij voortaan niet meer slaven der zonde en aan de eeuwige verdoemenis onderworpen zouden zijn, maar, door deze genade, aangenomen kinderen Gods en in hoop mede-erfgenamen van Jesus Christus en erfgenamen van het rijk van onzen Vader in den hemel.
hernam de H. Bisschop, //dit is dat rijk niet; het is slechts de deur, //door welke men het binnengaatquot; (Hinkmar bij de Boland. 1 October).
!) Wat bij het Doopsel van Christus in den Jordaan voorviel, dal herhaalt zich, in zekeren zin, bij den Doop van eiken mensch. De hemel opent zich boven het hoofd van den doopeling; de H. Geest daalt in zijn hart neder, wijdt het tot zijnen tempel en blijvende woonplaats, en de eeuwige Vader, in de ziel van den pasgedoopte het evenbeeld van zijnen eengeboren Zoon ziende, laat van den troon zijner heerlijkheid als \'t ware de stem hooren: //Dit is mijn veelgeliefd kind, in hetwelk Ik mijn welbehagen heb.\'-\'
142
Dat met de heiligmakende genade ook de drie goddelijke deugden van geloof, hoop en liefde in de ziel worden gestort, volgt reeds uit de woorden van den Apostel: „De liefde „is in onze harten gestort door den H. Geest, die ons (in „het Doopsel) gegeven isquot; (Rom. quot;V, 5). Want de heilige liefde, de voornaamste der goddelijke deugden, kan slechts in vereeniging met het geloof en de hoop in de ziel binnentreden en daarin verblij ven; liefde zonder geloof en hoop is, zoolang wij hier op aarde zijn, volstrekt niet denkbaar. De liefde als voltooiing der rechtvaardigmaking kan namelijk zonder het geloof, dat de wortel of het begin, en zonder de hoop, die eene noodzakelijke voorwaarde der rechtvaardigmaking is, niet bestaan. Het Concilie van Trente spreekt deze leerstelling allerduidelijkst uit, als het (6\'! Zitt. 7e hoofdst.) verklaart: dat de rechtvaardigmaking (door het Doopsel) „niet alleen vergiffenis der zonde is, „maar ook de heiliging en vernieuwing van den innerlijken „mensch door de vrijwillige aanname der genade en gaven (van den H. Geest) „in zich sluit,quot; en voegt er verder in hetzelfde hoofdstuk hij: ,, De mensch ontvangt in de recht-„vaardigmaking door Jesus Christus , tegelijk met de ver-„giflenis der zonden, het geloof, de hoop en de liefde.quot; \')
\') Tengevolge van de uitdrukkelijke verklaring der Kerkvergadering van Trente is het eene geloofsleer, dat in het H. Doopsel allen, den kinderen zoowel als den volwassenen, de goddelijke deugden van geloof, hoop en liefde worden ingestort. Zoo dachten ook de HH. Vaders, die derhalve nooit een onderscheid maakten tusschen de uitwerkselen, welke het Doopsel bij de volwassenen, en die, welke het bij de kinderen voortbrengt. De H. Cyprianus onder anderen schrijft; «De eerste en dezelfde gave wordt (in het Doopsel) aan de //kinderen en aan hen, die tot jaren zijn gekomen, geschonken; dege-„nade des Doopsels is naar de jaren van den ontvanger niet grooter „of minder groot, daar de H. Geest aan allen op gelijke wijze wordt »medegedeeld.quot; De H. Chrysostomus telt behalve de vergeving der zonden tien genadegaven op, welke zoowel de kleine kinderen als de volwassenen in het H. Doopsel ontvangen. //Wij doopenquot;, zoo leert hij, »reeds de kinderen, die nog geene (eigen) zonden bedreven ,hebben, opdat ook zij aan de heiligheid, de gerechtigheid, de aan-,/neming tot kind, het hemelsche erfdeel, het broederschap van ^Christus deelachtig en zijne ledematen worden,quot; In denzelfden zin spreekt ook de H. Thomas van Aquine (Sam. 3. q. C9. a. 6); //De ^kinderen, zoowel als de volwassenen, worden in het Doopsel lede-jmaten van Christus, en daaruit volgt noodzakelijk, dat zij den «invloed der genade en der deugd, welke van Christus, hun Hoofd «uitgaat, in zich opnemen.quot; — Zeer onjuist is daarom het gevoelen van hen, die meenen, dat de kleine kinderen alleen in zooverre aan het geloof en de overige goddelijke deugden deelachtig worden, als zij hun van buiten, onverschillig op welke wijze, worden toegerekend. i)e Kerkvergadering van Trente verzet zich (Zitt, 6. Can. 11) duidelijk daartegen, als zij verklaart: //wanneer iemand zegt, dat de menschen ^gerechtvaardigd worden, of alleen door de aanrekening der ver-
143
Breedvoeriger verklaringen over dit punt schijnen te minder noodig, daar het reeds bij de leer over de ingestorte
«diensten van Christus, öf alleen door de vergeving der zonden, „maar niet door de genade en de liefde, welke in hunne harten door «den H. Geest wordt uitgestort en in hen blijft, hij zij in den ban.quot; Had deze canon alleen betrekking op de volwassenen, niet op de kinderen, dan zou de zeer algemeene uitdrukking „den menschenquot; slechts strekken, om de geloovigen in dwaling te brengen. In den dertienden canon over het Doopsel wordt wel gezegd, dat de kinderen, die geene acte van geloof kunnen verwekken, in het geloof der Kerk worden gedoopt. Maar daar is geen spraak van het geloof, hetwelk in het Doopsel geschonken, maar van dat, hetwelk tot het ontvangen des Doopsels gevorderd wordt. In dien zin zegt ook de H. Bonaven-tura (Brevil. P. 6. c. 7): „Bij de volwassenen wordt het persoonlijk «geloof gevorderd; bij de kleine kinderen is het geloof van anderen „voldoende.quot; — Niet minder onjuist is het, aan te nemen, dat aan de kinderen in het Doopsel de genade en de goddelijke deugden niet werkelijk geschonken worden, maar dat alleen het merkteeken van Christus ingedrukt wordt, krachtens hetwelk die doopelingen, als zij de jaren van verstand bereiken, de genade en de genoemde deugden verkrijgen. Dit gevoelen heeft reeds de H. Thomas (t. a. p.) voldoende wederlegd.
Hoe is bet echter mogelijk, kan soms iemand vragen, dat een kind, hetwelk het gebruik der rede nog niet heeft, de deugden van geloof, hoop en liefde verkrijgt? Zulk een kind is toch onbekwaam, deze deugdeu te oefenen. Dit is zeker waar, maar daaruit volgt geenszins, dat het onbekwaam is, ze door instorting van boven te verkrijgen. De ingestorte deugden zijn namelijk (gelijk D. 3. is verklaard) geene door oefening verworven vermogens, maar blijvende genadegaven van den in Christus tot een bovennatuurlijk leven herboren mensch; zij zijn aan dit hooger leven beantwoordende eigenschappen, welke de ziel Gode welgevallig, bekwaamheden of krachten, welke haar geschikt en genegen maken, om die deugden ook te oefenen, zoodra de natuurlijke hinderpaal ter beoefening, het gemis van het gebruik der rede, is weggenomen. Dergelijke bovennatuurlijke vermogens kan de ziel bezitten, ofschoon zij tijdelijk verhinderd is, daarvan gebruik te maken. Het is hiermede gelegen als met de natuurlijke vermogens der ziel, welke, ofschoon zij soms niet in werking gebracht worden, daarom toch niet ophouden, haar eigen te zijn. Een slapende bijv. is niet in staat om te zien; deswege heeft hij echter niet, zooals iemand, die blind is geworden, de kracht om te zien verloren, hij bezit dit vermogen in den slaap. Desgelijks kan ook een slapende van zijne kunst of wetenschap geen gebruik maken; niettemin bezit hij ze, en men kan, alhoewel\'hij slaapt, van hem zeggen, dat hij een kunstenaar, een geleerde is. Het verstand zelf is eene eigenschap van dien aard. Het is, als vermogen der menschelijke ziel, ook reeds in de kleine kinderen, die daardoor de natuurlijke evenbeelden Gods zijn, en anders voor alle zedelijke kennis altijd ongeschikt zouden blijven; het ligt in hen, volgens de uitdrukking van den H. Augustinus (peccat. merit, et remis. 1. 1. c. 3S), als het ware te sluimeren, gelijk het zaad in den schoot der aarde, totdat de behoorlijke lichamelijke ontwikkeling de oefening der vermogens van hunnen geest mogelijk maakt. Als dit nu ten opzichte der natuurlijke eigenschappen het geval is, waarom zoude dan God aan de ziel der kleine kinderen ook niet nu reeds door de heiligmakende genade die bovennatuurlijke gesteldheid, krachtens welke zij op eene volkomen wijze zijne evenbeelden worden, en met haar ook aan hun ken- en wilvermogen die eigenschappen
144
deugden en over de reohtvaardigmaking uitvoerig genoeg is besproken. Behalve de heiligmakende genade en de
kunnen schenken, door welke zij met de heiligheid, die aan dezen nieuwen toestand beantwoordt, uitgerust zijn? (Zie Kleutgen. Theol. d. Vorzeit Bd. 2. S. 323).
Verwondert gij u misschien, hoe een kind door de genadewerking des H. Geestes de liefde tot God hebben kan, terwijl het nog niet bekwaam Is, God, zijnen Schepper en Weldoener, te kennen, beschouw dan een klein kind op den schoot zijner moeder. Het is nog zonder verstand, het kan nog niet inzien, wat het der moeder schuldig is, hoe groot hare moeite en zorg, hoe talrijk de bezwaren zijn, welke zij om zijnentwil verdraagt. En toch bemint dat kind zijne moeder, het omhelst en kust haar, weent, als het van haar is verwijderd. Waarom? Omdat de Schepper die liefde tot zijne moeder in zijn hart geprent heeft. Deze liefde openbaart zich, zoodra het kind zijne moeder ziet en kent. Maar voordat het haar heeft leeren kennen, en zijne liefde zich uiterlijk had geopenbaard, was de liefde tot de moeder reeds in het hart, omdat het die met de menschelijke natuur van den Schepper had ontvangen; daarom noemt men zulk eene liefde eene natuurlijke. In het H. Doopsel na, waarin de ziel van God een hooger, bovennatuurlijk leven ontvangt, wordt zij ook met de bovennatuurlijke liefde tot Hem begiftigd, tot Hem, haren God en Vader, wien zij eens In den hemel aanschouwen, beminnen en bezitten zal. Deze bovennatuurlijke lieide openbaart zich wel niet gelijk de natuurlijke, omdat het kind God, zijn hemelschen Vader, met de lichamelijke oogen niet zien kan. Zoodra echter het licht der rede opgaat, en het door middel van het onderricht. God leert kennen, is zijn hart ook bekwaam, met den bijstand der goddelijke genade. Hem te beminnen, en wel op eene wijze, welke Gode hoogst welgevallig en tot de eeuwige zaligheid dienstig is. Ja, het hart van het kind wordt door God als aangetrokken, het heeft eene zekere neiging en gemakkelijkheid, om den Vader in den hemel te beminnen, welke het niet zou hebben, als hem in het Doopsel de liefde niet was ingestort geworden. Deze goede eigenschap van het kind komt wel niet altijd even duidelijk te voorschijn, deels omdat men dikwijls daarop niet let en de teedere kiem niet ondersteunt, deels omdat ten gevolge der erfzonde ook de neiging tot de zonde in hef kind ligt, en de mensch zeer dikwijls eerder den prikkel des kwaads dan dien van het goede volgt. Maar als kinderen godvruchtig zijn, gaarne bidden en den omgang met slechte kinderen vluchten, dan neemt de liefde in hunne harten wonderbaar toe. — Vele voorbeelden daarvan heeft de geschiedenis ons bewaard. Van den jeugdigen Origenes, die tijdens eene bloedige vervolging der Christenen leefde, wordt verhaald, dat men zijne kleederen verbergen moest, opdat hij het ouderlijk huis niet verlaten en ten marteldood snellen zou; want hij beminde Jesus Christus zoo zeer, dat hij niets vuriger verlangde, dan voor Hem zijn bloed te vergieten, üok de H. ïeresia was pas zeven jaren oud, toen zij een zoo brandend verlangen had, voor Jesus Christus te sterven en tot Hem te komen, dat zij in hare kinderlijke eenvoudigheid met haren nog jongeren bioeder het besluit nam, naar de ongeloovige Mooren te gaan, om door hunne handen den marteldood te sterven. Zij hadden zich met dit inzicht werkelijk reeds op den weg begeven en gingen haastig voorwaarts, toen een hunner ooms hen aantrof en bij hunne moeder terugbracht. Ku begonnen zij in hunnen tuin hutten te bouwen, om het leven der kluizenaars na te volgen en zeer veel te kunnen bidden; maar de steenen, zoo verhaalt de H. Teresiazelve, welke zij tot dit doel op elkander legden, vielen steeds uiteen, en
145
gaven, die er mede verbonden zijn, ontvangt de menscli nog, gelijk de Godgeleerden zeggen, een bizonder recht op dadelijke genaden, welke hem ten bekwamen tijde verleend worden, om niet naar het vleesch, maar volgens den geest te wandelen (Rom. VILI, 4), de zonde te ver-miiden en de verplichting om een christelijk leven te leiden, welke hij door het ontvangen des Doopsels op zich genomen heeft, na te komen. De H. Kerkleeraar Augus-tinus maakt in zijn boek over de natuur en de genade (hoofdst. 26) eene opm3rldng, die ook hier zeer gepast is. De eenige zorg van den aardschen geneesheer is, zoo schrijft hij, de zieken weder gezond te maken; maar God, de heraelsche Geneesheer, handelt anders. Als deze namelijk den zieke naar de ziel door Jesus, den Middelaar tusschen God en de menschen, genezen heeft, of den doode tot het leven heeft opgewekt, dat wil zeggen, als Hij den zondaar gerechtvaardigd en tot volkomen gezondheid, dat is, tot een volkomen heiligen levenswandel heeft teruggebracht, dan verlaat Hij hem niet, gelijk de aardsche geneesheer, maar ondersteunt hem met de hulp zijner genade, opdat hij blijve volharden in zijn heilig leven. Want evenmin als zelfs het bekwaamste oog zonder de tusschen-komst van het licht zien kan, kan ook de meest geheiligde mensch, als hij niet voortdurend van boven door de Zon der gerechtigheid verlicht wordt, heilig blijven. God geneest ons dus niet alleen door onze zonden te delgen, maar ook door ons genade te verleenen om niet meer in de zonde te hervallen.
3) Het derde uitwerksel des Doopsels is; de vereeniging met Christus en ziine Kerk. Dit uitwerksel wordt in de boven gegeven verklaring van het Doopsel: „Het Doopsel is
„een Sacrament...., waardoor de mensch____in Christus____
„herboren wordt,quot; aangeduid met de woorden: in Christus herhoren. Daardoor geven wij namelijk te kennen , dat de mensch in het Doopsel tot een kind Gods herboren wordt krachtens de gemeenschap, waarin hij met Christus en zijne Kerk treedt, of, gelijk de Katechismus zegt: „wijl
zoo moesten zij van hun voornemen afzien. Schoon is het ook, wat van de eerbiedwaardige Margaretha van het H. Sacrament (eene Karmelites) verhaald wordt. Keeds in de prilste jaren had zij eene groote godsvrucht tot het kindje Jesus. bit liefde tot Hem gaf zij alles, waarover zij kon beschikken, aan de armen, en als zij niets beters had, dan sprokkelde zij tenminste hout voor hen Op haar vijfde jaar zeide zij tot hare moeder, die haar wilde optooien: „Ach „het kindje Jesus was zeer arm in de kribbe en enkel in slechte „doeken gewikkeld.quot; Ziet, deze liefde komt uit de genade voort, welke ons in het H. Doopsel is geschonken.
DEHAKBE, GELOOFSLEER. IV. S\'le DRUK. j Q
146
„hij met Christus vereenigd en lid zijner Kerk wordt.quot; Dat in het Doopsel zulk eene vereeniging en inlijving ook werkelijk plaats vindt, leert de Kerk zelve. Het Concilie van riorence verklaart in het decreet voor de Armeniërs uitdrukkelijk; „Door het Doopsel worden wij ledematen „van Christus en in zijne Kerk ingelijfd.quot;
a) Gelijk namelijk reeds bij de leer over de gemeenschap der Heiligen (2e deel, hladz. 519) gezegd is, bestaat er tusschen Jesus, de bron van alle rechtvaanligmaking, en de werkelijk gerechtvaardisden zulk eeu innig verband, dat Hij het hoofd, gene de ledematen, allen één geheimzinnig lichaam zijn. ïsu wordt men, naar de leer van het genoemde Concilie, door het H. Sacrament des Doopsels lid \\an het lichaam. De Apostel leert hetzelfde, als hij aan de Galaten schrijft (III, 27): „gij allen, die ih Christus „gedoopt zijt, zijt één in Christus Jesus.quot; Dat wil zeggen: gij zijt allen één door uwe vereeniging met Christus; de geest van Christus, welken gij in het Doopsel ontvangen heht, en die in uwe harten woont, bewerkt, dat gij allen tot één lichaam in Christus vereenigd zijt; want gij leeft allen, als het ware, van zijn leven, gelijk levende wijnranken van het sap van den éénen wijnstok. In deae vereeniging en levensgemeenschap van Christus door het Doopsel ziet de Apostel den grond van het kindschap Gods en van alle daarmede verbonden genaden en bovennatuurlijke rechten. „Want,quot; zoo schrijft hij tezelfder plaatse, „gij zijt allen kinderen Gods, wijl gij — in het Doopsel — „Christus hebt aangetrokken,quot; dat is: in het Doopsel heeft Christus zich zoo innig met u vereenigd, dat gij, van kinderen van den ouden Adam, spruiten van den nieuwen Adam, dus kinderen Gods geworden zijt. „Hij is de ziel onzer ziel „geworden,quot; zegt de H. Chrysostomus bij deze plaats, „zoodat „wij door Hem, die de Zoon Gods van natuur is, zonen „Gods zijn geworden uit genade.quot;
b) Gelijk nu door het Doopsel eene inwendige vereeniging, eene onzichtbare levensgemeenschap met Christus, het Hoofd van alle rechtvaardigen, tot stand komt, zoo wordt ook door datzelfde Sacrament eene uitwendige, door de zinnen\' waar te nemen vereeniging met het lichaam zijner Kerk bewerkt. De Kerk bestaat namelijk, gelijk vroeger (2e Dl. bladz. 425) gezegd is, uit lichaam en ziel. Het lichaam der Kerk bestaat in de zichtbare gemeenschap van alle ge-loovigen op aarde onder het zichtbaar opperhoofd, den Paus; de ziel daarentegen, in het inwendige genadeleven, waarvan tot dusverre sprake was. Het H. Doopsel nu bewerkt de volkomen en algebeele vereeniging met de Kerk van Christus;
147
mits van zijn kant aan de volle werking van het Sacrament niets in den weg staat, behoort de gedoopte zoowel tot het lichaam als tot de ziel der Kerk. Daarom wordt in Hand. II, 41 van diegenen, die het woord van den vorst der Apostelen gploovig aannamen, gezegd: „dat zij gedoopt „en (der christelijke gemeente, der Kerk) toegevoegd werden.quot; Boven is reeds aangetoond, dat wij door het Doopsel des waters de Kerk binnengaan. Als reden daarvoor werd toen aangegeven, dat het Doopsel eene openbare en plechtige belijdenis is van het christelijk geloof, door de katholieke Kerk bewaard en overgeleverd. Hiervoor is nog een andere dieper liggende grond, deze namelijk, dat het de Kerk is, welke door middel van het Sacrament van wedergeboorte, dat haar uitsluitend door Jesus Christus in eigendom gegeven is, ons tot het nieuwe leven baart. Zoo zegt de H. Augustinus (11° Verh. over Joan.) over deze geboorte uit onze moeder, de Kerk: „Er zijn twee geboorten: de „eene is aardsch, de andere hemelsch; de eene vleeschelijk, „de andere geestelijk; de eene uit een lichamelijken vader „en eene lichamelijke moeder, de andere uit God en uit „de Kerk.1\' En werkelijk noemen wij de Kerk ook onze moeder, en zij beschouwt ons als hare kinderen, neemt ons met teedere, zorgvuldige liefde in haren schoot, voedt en verzorgt ons, ja, zij houdt niet op, met vrijgevige moederhand ons hare weldaden mede te deelen. Maar daarom ook zijn wij verplicht hare moederlijke rechten op ons te erkennen, haar als moeder te eeren, te beminnen en als kinderen aan hare geboden en voorschriften te gehoorzamen. Daarom bedreigt zij met hare zwaarste straffen, met den ban of de uitwerping uit haren schoot, degenen. die durven beweren, „dat de gedoopten van alle kerkelijke „geboden vrij zijn, zoodat zij ze niet behoeven te onder-,,houden, tenzij zij er zich uit eigen beweging aan willen „onderwerpenquot; (Cone, van Trent. 7quot; Zitt. 8e Can. over het Doopsel). Zoowel de moederlijke rechten van den kant der Kerk als de plichten van den kant harer kinderen blijven zelfs dan nog bestaan, als deze laatsten, door ketterij, scheuring of afval van het geloof, haren schoot hebben verlaten , of om hunnen ergerlijken levenswandel daaruit verbannen zijn.
Wanneer heeft Christus het Doopsel ingesteld en het \'jebod gegeven om ie doopeti ?
Om deze vraag wel te beantwoorden, moet de tijd der instelling van dit Sacrament onderscheiden worden van den
10*
148
tiid, waarop het gebod om het te ontvangen gegeven werd. TJit onderscheiden plaatsen van het Evangelie blijkt, dat het Doopsel reeds vóór \'s Heeren lijden werd ingesteld. Zoo lezen wij bij den H. Joan. (Ill, 22 en IV, 1,2), dat de leerlingen van Jesus aan velen het H. Doopsel toedienden, en wel in zijn naam en op zijn bevel en op de wijze door Hem bepaald. Daarom schrijft de Evangelist het doopsel der leerlingen aan hunnen meester toe, vermits hij zegt: „Jesus kwam met zijne leerlingen in het land „van Judea ... en dooptequot; (Joan. Ill, 22), „hoewel (IV, 2) „niet Jesus zelf doopte, maar zijne leerlingen.quot; Het juiste tijdstip der instelling kan niet met zekerheid worden aangegeven; naar de meening der Vaders en der Godgeleerden, waarbij zich ook de romeinsche Katechismus aansluit, vond zij plaats, toen Christus zelf in den Jordaan het Doopsel ontving.
Over het tijdstip daarentegen, waarop het bevel gegeven werd om het Doopsel te ontvangen, kan wel geen twijfel bestaan; dit dagteekent namelijk, volgens het eenparige getuigenis der Evangelisten, van het oogenblik, waarop Christus bij zijne hemelvaart den Apostelen het bevel gaf: „Gaat en leert alle volken en doopt hen in den naam des „Vaders en des Zoons en des H. Geestesquot; (Matth. XXVIII, 19). Toen ontstond voor alle menschen de wettelijke verplichting om zich te laten doopen. Deze leer komt ook overeen met die van het Concilie van Trente, „dat niemand „na de verkondiging van het Evangelie uit den staat der „erfzonde kan overgaan tot den staat van genade zonder „het bad der wedergeboorte of het verlangen daarnaar, „gelijk geschreven staat; Tenzij iemand herboren zij,quot; enz.
Het Doopsel is dus voor allen noodzakelijk als een onmisbaar middel ter zaligheid, en ook krachtens het gebod van Christus, hetwelk ons tot het ontvangen van dit H. Sacrament verplicht. Dit was de overtuiging der Kerk ten allen tijde. Vandaar bestond bij haar steeds het gebruik om de kinderen, vooral als zij in levensgevaar verkeerden, terstond na hunne geboorte te doopen, en niet te wachten, tot deze, tot de jaren van verstand gekomen, het Doopsel begeerden. ,/Dat,quot; zegt de H. Augustinus (76e leerrede), //lag der Kerk steeds ,/aan het hart; dat hield zij immer vast; dat heeft zij door de ge-,loofsoverlevering ontvangen; dat bewaart zij voordurend.quot; Zelfs de Pelagianen, die met de erfzonde tegelijk de noodzakelijkheid des Doopsels ter vergiffenis dier zonde loochenden, waagden het niet, iets tegen den kerkelijken oorsprong van dit gebruik in te brengen, wijl zij zich, volgens het zeggen van den genoemden H. Leeraar, \') ./niet durfden verzetten tegen het gebruik der algemeene Kerk, dat //zonder twijfel door den Heer zelf is ingevoerd.quot; — De H. Augustinus
\') De pecc. merit, et remiss. L 1. c. 26.
149
haalde die gewoonte, om de pasgeboren kinderen te doopen, herhaaldelijk tegenover de Pelagianen aan als een bewijs voor het wezenlijk bestaan der erfzonde. //Want wie de erfzonde niet aanneemt,quot; zoo schrijft hij (166e Br.), „moet de geheele Kerk veroordeelen. ^Waarom toch spoedt men zich zoozeer om de pasgeboren kinderen ,te doopen, als het niet is, wijl men vast gelooft, dat zij zonder het //Doopsel niet tot het nieuwe leven in Christus kunnen geraken?quot; Daarom trad ook de Kerk in de 16e eeuw, toen de sekte der Weder-doopers den kinderdoop verwierp, daarvoor in de bres en sloeg in het Concilie van Trente diegenen in de ban, die durfden beweren, //dat de kinderen, als zij tot de jaren van verstand gekomen waren, «herdoopt moesten worden; of dat het beter was hun Doopsel uit te //stellenquot; (7e ZUt. 18e Can. over het Doopsel). Bij de volwassenen echter stelde de Kerk somtijds het Doopsel langeren tijd uit, om de doopelingen des te beter te onderrichten, hunne goede gesteldheid des te strenger te beproeven, en in het bizonder om ze krachtiger aan te sporen tot aflegging van onchristelijke gewoonten en tot aanneming van zuivere zeden, een in Christus wedergeborene waardig. Diegenen evenwel, die uit gemakzucht of bandeloosheid, uit lafhartigheid en menschenvrees, het Doopsel steeds langer zochten uit te stellen, werden altijd zeer scherp door haar berispt, zooals uit de kernachtige en diepdoordringende leerredenen der HH. Vaders, in het bizonder van de 11H. Basilius, Chrysostomus, Gregorius van Nazianze en anderen blijkt. Deze Leeraars spaarden noch woorden noch tranen om hen, aan wie zij het geloof verkondigden, aan te sporen, toch. door spoedig het H. Doopsel te ontvangen, het elk oogenblik dreigende gevaar des eeuwigen ondergangs te ontvluchten.
fFie kan geldig doopen?
Ieder mensch; doch buiten den tijd van nood mag alleen de Priester het H. Doopsel toedienen. Het H. Doopsel draagt zijne vruchten ten heil, door wien het ook worde toegediend, als het slechts op de hehoorliike wijze geschiedt. Volgens deze aigemeene, zoo duidelijke verklaring van het vierde Concilie van Laterane,. kan dus iedereen, hij moge geestelijke of leek wezen, katholiek of ketter, geloovige of ongeloovige, man of vrouw, zelfs een geëxcommuniceerde, het H. Sacrament des Doopsels geldig toedienen. Zoo leerde de Kerk van oudsher, zoo leert zij nog heden. Daarom heeft de Kerk nooit iemand, door wien ook gedoopt, herdoopt, als slechts onderhouden was al datgene, wat tot het wezen van het Sacrament behoort, en zij doet het ook nimmer. Dit alleen wil zij , namelijk dat een kind, hetwelk in tijd van nood zonder de kerkelijke plechtigheden is gedoopt, als het gevaar geweken is, naar de kerk worde gebracht, opdat aldaar de Priester of, in buitengewone omstandigheden, de diaken de ceremoniën, die bij den plechtigen Doop zijn voorgeschreven en door geen leek verricht mogen worden, aan het Doopsel toevoege en aldus — niet het wezen, maar — de plechtigheden des Doopsels aanvulle. Wie erkent en bewondert nu niet in deze goddelijke beschikking, krachtens welke aan ieder mensch de
150
macht om te doopen verleend is, de hoogste wijsheid en goedheid des Heeren ? Wordt daardoor het gebruik van het allernoodzakelijkste middel om de eeuwige zaligheid te verkrijgen, het ontvangen van het H. Sacrament des Doopsels, niet voor iedereen buitengewoon gemakkelijk gemaakt ? Gelijk het als eene groote genade moet worden beschouwd, dat Jesus, onze Heiland, het natuurlijk water tot stof van dit Sacrament bestemde, wijl dit overal gemakkelijk te bekomen is, zoo is het ook een niet minder uitstekend bewijs zijner zorgvuldige liefde, dat Hij aan ieder mensch de macht gaf, om het genoemde H. Sacrament aan zijn evenmensch toe te dienen, wijl deze bepaling er zeer veel toe bijdraagt, dat, zoo mogelijk, allen het H. Doopsel ontvangen.
Ofschoon nu het Doopsel, door wien ook toegediend, zelfs buiten noodzakelijkheid, geldig is, is het daarom nog niet altijd geoorloofd. Het is integendeel slechts dan aan een ieder toegestaan te doopen, en derhalve ook dan slechts geoorloofd van wien ook het Doopsel te ontvangen, als er gevaar bestaat, dat iemand zonder Doopsel zou sterven. Want niet tot allen, maar alleen tot de Apostelen en hunne opvolgers in het priesterschap heeft Christus gezegd: „Gaat, leert alle volken en doopt hen.quot; — Daarom ook noemt Paus Eugenius IV in zijn decreet voor de Armeniërs, den Priester, „den bedienaar van dit Sacrament, wien het „ambtshalve toekomt om te doopen.quot;
Volgens de tegenwoordige verordening der Kerk is het echter niet aan eiken Priester zonder onderscheid toegestaan den plechtigen Doop te verrichten, maar slechts aan den Pastoor of een anderen Priester, door den Pastoor of den Bisschop van het diocees daartoe aangewezen. Daarom ook mag men buiten noodzakelijkheid aan niemand de toediening van het H. Doopsel vragen dan aan zijn Pastoor. De reden hiervan is duidelijk. Daar immers de mensch door het H. Doopsel niet slechts in de algemeene, over de geheele aarde verspreide, maar ook in de bizondere Kerk zijner verblijfplaats treedt, is het voorzeker passend, dat de Pastoor als hoofd dezer bizondere Kerk hem daarin inlijve, dat deze, als herder van dit bizondere deel der kudde van Christus, hem den ingang in zijnen schaapstal opene. — Bij de toediening van den nooddoop, als noch de Pastoor noch een ander Pïiester aanwezig is, moet aan den gewijde boven den leek, den Katholiek boven den niet-katholiek, den man boven de vrouw de voorrang worden gegeven, tenzij de laatste den vorm van het Sacrament beter kenne, en in de wijze om het Doopsel toe te dienen
151
quot;beter onderricht zij, of de omstandigheden het vorderen, dat niet de man, maar de vrouw den nooddoop toedient. Vader en moeder mogen hunne eigen kinderen slechts dan doopen, als er niemand anders aanwezig is, die het doen kan. Evenwel zou ook buiten dat geval, het Doopsel dooiden vader of de moeder toegediend, geldig zijn. Niemand echter kan zich zeiven geldig doopen, gelijk uit den aard van het Doopsel, als zijnde eene nieuwe geboorte, genoegzaam duidelijk is; deze immers veronderstelt noodzakelijk een onderscheid tusschen den doopende en den gedoopte.
Uit hetgeen tot dusverre gezegd is, zal eenieder begrijpen, dat ook het Doopsel, door niet-katholieken toegediend, geldig is, als deze daarbij alles nauwkeurig onderhouden, wat er toe noodig is. Het Concilie van Trente spreekt (7e Zitt. 4e Can. over het Doopsel) den banvloek uit over degenen, die het tegendeel beweren: „Als iemand „zegt, dat de Doop, die door de ketters wordt toegediend „in den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes, „met de meening om te doen wat de Kerk doet, geen waar „Doopsel is, dan zij hij in den ban.quot; Onder deze meening nu om te doen wat de Kerk doet, moet niets anders verstaan worden, dan dat de niet-katholiek, bij de behoorlijke toepassing der voorgeschreven stof en vorm, het plan hebbe om het Doopsel werkelijk toe te dienen. Want indien iemand, al ware hij ook Katholiek, het Doopsel toediende zonder die meening, alleen uit scherts of om het te onteeren, dan zou het ongeldig zijn, of liever het zou slechts eene schandelijke nabootsing van het Doopsel wezen. Het is evenwel niet volstrekt noodig, dat degene, die het H. Doopsel toedient, wie het ook zijn moge, aan de werking van dit H. Sacrament geloove, of dat hij de meening hebbe om de erfzonde te vergeven en de genade mede te deelen ; het is genoeg, dat hij doen wil, wat de Kerk doet, of, wat hetzelfde is, hetgeen Christus heeft ingesteld. Immers, gelijk vroeger reeds is opgemerkt, ontleenen de Sacramenten hunne kracht niet aan het geloof of aan de deugd van den bedienaar maar aan de kracht Cods en aan de verdiensten van Jesus Christus. „Moge doopen wie wil,quot; zegt de H. Augustinus, „als hij het Doopsel van Christus toedient, „dan doopt Christus. De leerlingen van Christus doopten, „en onder hen ook Judas. Welnu, al degenen die door „Judas gedoopt zijn, heeft Christus gedooptquot; (58 Verhand, over Joan. VII). \')
!) Aangaande het gezegde dient nog opgemerkt te worden: a) dat het alleszins wenschelijk, maar niet noodzakelijk is, op het oogenblik
152
Welke zijn de gelruikelyke ceremoniën van het Doopsel, en wat beteek enen zij?
Aan de behandeling van datgene, wat tot het wezen des Doopsels hehoort, sluit zich in natuurlijke volgorde de optelling en de verklaring der ceremoniën aan, waarmede dit H. Sacrament plechtig wordt toegediend. \') Onder deze ceremoniën dienen die, welke het Doopsel voorafgaan, vooral om den doopeling op de hooge beteekenis en de verheven uitwerking van dit Sacrament opmerkzaam te maken en hem tot het ontvangen van dit Sacrament onmiddellijk voor te bereiden; die, welke het Doopsel volgen, strekken om den gedoopte de door dat Sacrament ontvangen genaden en de op zich genomen verplichtingen aanschouwe-Irk voor te stellen, en de herinneringen daaraan diep en duurzaam in zijn geest te prenten.
De eerste der voorbereidende ceremoniën wijst op den treurigen toestand, waarin zich de mensch in staat van erfzonde bevindt. De doopeling wordt naar de kerk ge-
zelf, als iemand het Doopsel toedient, de meening, om het toe te dienen, te hernieuwen; voldoende is het, dat deze meening in eene harer werkingen voortduurt, gelijk werkelijk het geval is, zoo dikwijls de bedienaar van het H. Öacrament des Doopsels uit eigen beweging en onder den nog voortdurenden invloed van de vroeger gevormde bepaalde meening om te doopen, zich ter kerke begeel\'t, de voorafgaande ceremoniën en de handeling zelve verricht. Dit blijkt ook uit de algemeen aangenomen, op alle overige Sacramenten toepasselijke leerstelling der Godgeleerden: ter geldige toediening des Doopsels is niet de aclueele, maar alleen de virtueele meening, te doen, wat de Kerk doet, om het Sacrament des Doopsels werkelijk toe te dienen, noodzakelijk. —- h) Daar ten huidigen dage het buiten de katholieke Kerk rondgrijpend ongeloof vele ledematen van de zoogenaamde christelijke godsdienstgenootschappen verleidt, om het Doopsel gering te achten en te beschouwen als eene eenvoudige ceremonie, welke men naar believen zóó of anders kan verrichten, is men door de zeer gegronde bezorgdheid, dat bij het Doopsel der onkatholieken zelfs het wezenlijk daartoe behoorende mocht zijn achtergelaten, dikwijls gerechtigd, ja zeer streng verplicht, bij bekeeringen het door hen toegediende Doopsel onder voorwaarde te herhalen. Daaruit is ook af te leiden, hoe zwaar katholieke mannen en vrouwen zich bezondigen, die, ofschoon zij het voornemen hebben, om hunne kinderen katholiek op te voeden, ze toch met eene strafbare toegevendheid jegens hunnen andersdenkenden echtgenoot door een zoogenaamden dominé laten doopen; zulke ouders stellen hunne kinderen, zooals uit het pas gezegde duidelijk is, in vele gevallen bloot aan het gevaar van ongeldig gedoopt te worden, en zelfs wanneer het Doopsel geldig toegediend wordt, plegen zij verraad jegens de katholieke Kerk, daar zij hunne kinderen niet door de hand van een wettigen herder in haar laten inlijven, en de inge-lijfden aan den invloed der vijanden van de Kerk onderwerpen.
\') De ceremoniën worden hier aangegeven, gelijk men ze vindt in het Romeinsche Kitueel voor het Doopsel der kinderen.
153
dragen. Aan den ingang staat de Priester, uit droefheid over den geestelijken dood, in wiens boeien de aangekomene nog gekluisterd ligt, met paarsen stool gekleed, en houdt hem terug. Het kind van gramschap, de slaaf van satan heeft het recht niet, het huis der kinderen Gods binnen te treden. De intrede daarin is eene genade, die het zonder behoorlijke voorbereiding niet kan ontvangen. Nu wordt den doopeling de naam van een Heilige gegeven, opdat hij in dezen vriend van God en burger van het hemelrijk een voorspreker bij God en een voorbeeld ter navolging hebbe. \') De Priester noemt deu doopeling bij dezen heiligen naam, die der strijdende Kerk zoo dierbaar is, en vraagt hem: „Wat verlangt gij van de Kerk Gods ? Hij, of zoo het een pasgeboren kind is, zijn peter of zijne meter, antwoordt: ,,Het geloof,quot; dat is, het christelijk geloof, hetwelk de Kerk van Christus leert en belijdt. 2) Daar zich de Kerk van de zuivere
\') Talrijke geschiedkundige gedenkteekenen bewijzen, dat zij, die zicli van het Heidendom tot het Christendom bekeerden, de heiden-sche namen allegden, en in plaats daarvan een nieuwen naam, meestal dien van een H. Apostel of Martelaar aannamen, om door deze naamsverwisseling openlijk en plechtig te kennen te geven, dat zij voortaan het heidensch ongeloof zouden verfoeien en als nieuwe Christenen in de voetstappen der Heiligen treden. Daaruit blijkt, hoever de ouders van het christelijk gebruik en den waren geest zijn afgeweken, als zij aan hunne kinderen uit hoogmoed of om andere nietige redenen, met versmading der namen van Heiligen, namen geven aan de heidenen ontleend. De geleerde Martene (de ant. ritib. 1 I. c. 1. a. 10) getuigt, dat in verscheiden oude Conciliën bepaald werd, dat men aan de kinderen alleen namen van Heiligen geven mag. Zoo verbiedt een canon van het Concilie van Nicea aan de geloovigen uitdrukkelijk, hunnen kinderen namen van heidenen te geven. „Het geheele christenvolk, staat daar geschreven, //heeft zijn eigen naam, zooals de heidenen den hunnen //hebben.quot; En de H. Chrysostomus (Hom. 21, op s. Jlos.) vermaant zijne toehoorders, aan hunne kinderen noch de namen van beroemde mannen, noch van grootouders of overgrootouders, maar van heilige, door deugd schitterende mannen te geven, opdat zij door hun voorbeeld tot beoefening der deugd aangespoord worden. (Verg. het romeinsche Ritutel en de voorloopige onderwijzing over het toedienen des Doopsels.)
Alle plechtigheden, welke het H. Doopsel voorafgaan, hebben haren oorsprong in de van oudsher in de Kerk ingevoerde oefeningen en algemeen onderhouden gebruiken, waardoor de katechumenen tot het heilzaam ontvangen van dit H. Sacrament werden voorbereid. Dit is ook de reden, waarom op de eerste vraag des Priesters: „.Wat verlangt «gij van de Kerk?quot; het antwoord van den doopeling luidt; „Het //geloof,quot; en niet zoo als te verwachten was: »Het Doopsel.quot; Als namelijk in de eerste tijden der Kerk een jood of heiden zich aanmeldde, om Christen te worden, dan begon hij niet met het verlangen, dat men hem het Doopsel zou toedienen, maar alleen, dat men hem onder diegenen, die zich tot het ontvangen van dit H. Sacrament voorbereidden, onder de katechumenen, wilde opnemen.
154
meening van den doopeling wil verzekeren, stelt de Priester hem in haren naam de vraag; „Wat geeft u het geloof?quot; en hij antwoordt: „Het eeuwige leven.quot; Dan gaat de Priester voort en zegt: „Wilt gij dan ingaan tot het leven, „onderhoud de geboden: gij zult den Heer uwen God liefhebben uit geheel uw hart, en-geheel uwe ziel, en uit „al uw verstand, en uwen naaste als u zelven.quot;
Na deze korte onderrichting, waarbij de noodzakeliikheid wordt uitgesproken van de vereeniging der werkdadige liefde met het christelijk geloof, blaast de Priester den doopeling driemaal zacht in het aangezicht en zegt: „Wijk van hem, „onzuivere geest, en maak plaats voor den H. Geest, den „Vertrooster.\'\' \') Dit drievoudig blazen beteekent, dat de
Voordat men hem dit -vergunde, moest hij ten eerste het ernstig voornemen openbaren, om het geloof, hetwelk de christelijke Kerk belrjdt, aan te nemen, en zich tot dit einde daarin laten onderwijzen. Ten tweede moest hij verklaren, dat geene menschelijke inzichten of tijdelijke voordeden, maar het verlangen naar het eeuwig leven hem tot dien stap aanspoorden. Ten derde eindelijk moest hij zich ook bereid en geneigd toonen, niet alleen te gelooven, wat de Kerk van Christus geloolt, maar ook volgens dat geloof te loven, d. i. de geboden te houden. *) Wanneer zoodanig iemand op de gestelde vragen een bevredigend antwoord gaf, dan werd hij, zooals de H. Augustinus (de Catech. rudib. c. 26) bericht, door het H. kruisteeken plechtig onder het getal der katechumenen opgenomen. Vandaar wordt in de oude, door Mariene (t. a. p) aangevoerde Sacramentaliën de wijze om katechumenen aan te nemen aldus aangegeven: „Neemt gij een „heiden op, onderwijs hem dan in het woord Gods en leer hem, hoe „hij volgens de erkende waarheid leven moet. Neem hem vervolgens „als katechumcen aan, blaas hem in het aangezicht, maak hem het z,kruisteeken op het voorhoofd en zeg, terwijl gij hem de hand oplegt: „Ontvang het teeken des kruises zoowel op het voorhoofd als in het „hart; ontvang het geloof aan de goddelijke geboden, enz.quot; De vragen, welke vóór de inblazing en de teekening met het H. kruis tot hen, die het Doopsel begeeren, gericht worden, stemmen, volgens het getuigenis der daar ter plaatse aangehaalde Pontificaliën, geheel overeen met die, welke het romeinsche Ritueel bij den Doop der kinderen aangeeft: „N., wat begeert gij van de Kerk Gods?quot;— „Het „geloof,quot; enz. Het H. Doopsel mochten zij, die Christen wilden worden, eerst na een voldoend onderricht en eene langdurige beproeving vragen. De katechumenen van deze soort werden merfedin^ers genoemd, d. i. zulken, die rijp ter wedergeboorte, eene wettige aanspraak op het H. Doopsel konden maken. (Zie Augustinus redev. 288). Daaruit is gemakkelijk af te leiden, waarom op de eerste vraag des Priesters: „Wat verlangt gij?quot; de peter in naam van het kind antwoordt: „Het geloof,quot; en eerst onmiddellijk voor de eigenlijke handeling des Doopsels op de vraag: „wilt gij gedoopt worden?quot; het antwoord wordt gegeven: „Ik wil,quot; of bij volwassen doopelingen: (volgens het romeinsche Ritueel) „wat begeert gij ?quot; „Het Doopsel.quot; — „Wilt gij gedoopt worden?quot; „Ik wil.quot;
*) Verg. 1. 8 constitution, apostol. c. 32.
Het kerkelijk gebruik, om bij de toediening van het H. Doopsel de exorcismen of bezweringen des duivels door het kruisteeken, het gebed en de drievoudige inblazing te voltrekken, is zeer oud. Reeds lertullianus, Cyprianus, Cyrillus van Jerusalem en vele andere
155
geest der duisternis door den H. Geest, die als de adem Gods is, verdreven, en den doopeling in het bad der wederge-
Kerkvaders der eerste eeuwen maken daarvan melding. Gennadius , een tijdgenoot van den H. Augustinus, getuigt (de eccles. dogmat, c. 31), dat de gezegde exorcismen „door de H. Kerk in denzelfden „vorm over de geheele wereld toegepast worden, daar men noch ^kinderen noch volwassenen in het ievenaanbrengend Doopbad laat „nederdalen, zonder tevoren door bezwering en inblazing den duivel „uit hen te verdrijven;quot; en de H. Augustinus zelf beroept er zich meermalen op, om den Pelagianen, die het niet durfden loochenen noch veroordeelen, het dogma der erfzonde te bewijzen. „Op het „feit,quot; schrijft hij (Br. 194), „dat de kinderen bezworen worden en „over hen geblazen wordt, weten zij (de Pelagianen) niets te ant-„woorden. Immers dit zou gewis bedrog zijn, als de duivel geene „macht op hen (de kleine kinderen) had. Als hij echter werkelijk „macht op hen heeft, (en dat is juist de reden, waarom zij niet met „bedriegerij bezworen en ingeblazen worden) waardoor anders heeft „hij die macht op hen, dan door de zonde?quot; — Deze weinige plaatsen zijn voldoende, om, overeenkomstig het doel van dit handboek, aan te\' toonen, hoe eerwaardig deze door de Kerk vastgestelde exorcismen zijn. Paus Martin us V had dus alle reden, om hen, die meenden, dat men, zonder zich aan eene zware zonde schuldig te maken, het gebruik en de ceremoniën van het exorcisme der Kerk voorbedachte-lijk kan nalaten, als verdacht van de dwaling van Wikleff en Huss té verklaren, 1) — Desgelijks is uit bovenstaande plaatsen ook gemakkelijk af te leiden, dat het eigenlijke doel van de bij het Doopsel gebruikelijke exorcismen niet bestond in de bevrijding van eene missschien lichamelijke bezetenheid; anders toch waren zij niet in alle gevallen, vooral niet na de toediening van den nooddoop toegepast geworden. Het doel dezer bezweringen was en is tweevoudig. Ten eerste legt de Kerk door de toepassing daarvan een sterk getuigenis af van haar geloof, dat de mensch door het Doopsel uit de slavernij des duivels in de vrijheid der kinderen Gods hersteld wordt (Verg. Deel II). Ten tweede beoogt de Kerk. door de exorcismen voor de kateclmmenen van God de genade te verkrijgen, dat de macht, welke de duivel ten gevolge der erfzonde op hen verkregen heeft, verbroken worde, en het dien aartsvijand der menschelijke zaligheid niet moge gelukken, de katechumenen in zijn rijk terug te houden. De menigvuldige herhaling dier bezweringen is bizonder voor de volwassenen een groot geestelijk voordeel; deels omdat de beteekenis daarvan geschikt is, het vertrouwen op eene spoedige bevrijding van het juk des satans in hen op te wekken; deels ook, omdat het menigvuldig herhaald gebed der Kerk aan de, gedurende den beproevingstijd bizondei talrijke en hevige aanvechtingen van den duivel blootgestelde katechumenen kracht schenkt tot een zegevierenden tegenstand. Doch ook bij het Doopsel der kleine kinderen zijn deze bezweringen geenszins nutteloos. Want behalve dat in de aanwezendeu het geloof aan de erfzonde en hare bittere gevolgen verlevendigd, als ook de gelijkvormigheid en de plechtige toediening van het Doopsel bewaard wordt, kan niet ontkend worden, dat de gezegde exorcismen, gelijk zij voor de volwassenen genade van God verwerven, om, in weerwil der aanvechtingen van den duivel, het
1
Zie in Dr. Denzingers Enchiridion het 15\'le van de 39 artikelen, waarover volgens de Bul van Martinus V inter cunctos degenen, die van de dwaling van Wikleff en Huss verdacht waren, moesten ondervraagd worden.
156
boorte een nieuw leven medegedeeld wordt, evenals God bij de schepping door ademing den eersten mensch den adem des levens inblies. Vervolgens teekent de priester voorhoofd en borst van den doopeling en zegt: „Ontvang het teeken „des kruises, zoowel op het voorhoofd als op de borst: „neem aan het geloof aan de hemelsche geboden en wees „zoodanig van zeden, dat gi] nu een tempel Gods zijn kunt.quot; Deze ceremonie beteekent, dat de doopeling voortaan den Gekruiste, wiens afbeeldsel hij draagt, toebehooren, dat hij de leer van het kruis in ziin hart bewaren en ze door woord en daad vrijmoedig belijden moet. Na het uitspreken van dit kort gebed legt de Priester de hand op het hoofd van het kind, om aan te toonen, dat hij het aan de zachte, vaderlijke heerschappij van Jesus Christus onderwerpt; intusschen smeekt hij God vurig om genade voor den doopeling. opdat deze, van de verblindheid des harten en van de boeien des satans bevrijd, Kem in zijne Kerk in den aangenamen geur zijner geboden diene, en dagelijks met een blij gemoed in dezen dienst moge vorderene.
Het gewijde zout, dat vervolgens den doopling met de woorden: „Ontvang het zout der wijsheid; het zij u ter „verzoening ten eeuwigen leven,quot; in den mond wordt gelegd, beteekent, dat hij door het hemelsche zout der sacra-menteele genade van alle besmetting der zonde zal gezuiverd worden, en voortaan smaak moet vinden in de wijsheid des kruises, die den aardschgezinden mensch bitter smaakt, als het zout den zuigeling. Dan bezweert de Priester den satan ten tweeden male met klimmenden nadruk en gebiedt hem, den doopeling onverwijld te verlaten; ook teekent hij ten tweeden male diens voorhoofd met het teeken des kruises en spreekt: „En gij, vervloekte satan, waag het niet.
H. Doopsel zich waardig- te maken, 200 ook voor de kleine kinderen den goddelijken bijstand afsmeeken, opdat zij in latere tijden, tot de jaren van verstand gekomen, het verbond des Doopsels heilig houden. En dit is zeker ook eene der redenen, waarom de bij den nooddoop achtergelaten bezweringen later worden herhaald. 1)
Met betrekking tot de overige ceremoniën des Doopsels kan hier de opmerking niet overbodig wezen, dat ook deze van de eerste eenwen dagteekenen. Van het zout bijv. maken reeds Origenes, de Kerkvergadering van Carthago in het jaar 397, Augustinus en anderen gewag; van de aanraking van den neus en de ooren met het »Eph-»pheta,quot; hetwelk de Heer bij de genezing van den doofstomme sprak, de H. Ambrosins; van de zalving met olie de H. Cyrillus van Jeru-solem en Chrysostomns. Op dezellde wijze getuigen ook vele plaatsen der HH. Vaders en liturgische boeken voor de zalving met Chrisma, de drievoudige afzwering, de geloofsbelijdenis, enz.
1
S. Thorn. Sum. 3. Q-. 71. a. 3. ad. 3.
157
„dit teeken des H. kruises, dat wij op zijn voorhoofd „drukken, ooit te sclienden.\'\' Nu wordt onder de vurigste smeekingen de handoplegging, het zinnebeeld der bescherming en der heerschappij Gods voor den doopeling, herhaald. Dan legt de Priester het uiterste gedeelte der stool op het kind en leidt het de kerk binnen met de woorden: „N., „treed binnen in den tempel Gods, opdat gij deel moogt „hebben met Christus ten eeuwisjen leven.quot; De stool, onder welker oplegging de doopeling in de kerk wordt binnengeleid, is een teeken der kerkelijke macht, krachtens welke de Priester hem den ingang in het huis Gods toestaat. Als men de kerk is binnengetreden, bidt de Priester met de doopborgen de apostolische geloofsbelijdenis en het Onze Vader, gebeden, welke met het ontvangen van het Sacrament des geloofs in de schoonste en treffendste betrekking staan. Op eenigen afstand van de doopvont spreekt de Priester in den naam van den driewerf heiligen God de derde bezwering uit. Hierna bestrijkt hij, gelijk weleer Christus de tong van den doofstomme bestreek om ze te ontbinden, de ooren van den doopeling met speeksel en zegt: „Ephpheta,quot; dat is: „open u,\'\' om aan te duiden, dat de ooren zijns geestes zich door de genade van het Doopsel voor de waarheden van het II. Evangelie ontsluiten, en daarvoor altijd geopend moeten blijven. Eveneens bestrijkt hij den neus van het kind, zeggende; „tot zoeten geur! „En gij, satan, vlucht; want het oordeel Gods nadert.\'\' Dit doet de Priester ten teeken, dat de Doop den doopeling de heilige gezindheid mededeelt, om door zijne goede werken Jesus Christus na te volgen. Nu nadert het oogenblik, dat de doopeling uit het leger van den vorst der duisternis tot het leger van Jesus Christus, den Koning der heerlijkheid , zal overgaan, de bond van eeuwige trouw en liefde tusschen den Verlosser en den verloste zal gesloten worden. Daarom richt de Priester tot den doopeling de drievoudige vraag: „Verzaakt gij den duivel ? — en al zijne werken ? — „en al zijne ijdelheden?\'1 En de doopeling antwoordt zelf of door den mond van peter of meter op elke vraag: „Ik „verzaak.quot; Niemand toch kan Christus toebehooren, niemand dienaar en onderdaan wezen van den Koning des hemels, tenzij hij niet slechts den satan verzake, maar ook zijne werken, dat wil zeggen: de zonden, den geest en de ijdelheden der wereld, waardoor de satan de menschen verblindt en tot zonde voert; tenzij hij wedersta aan de verleidende bekoorlijkheid der aardsche goederen, aan eer en vreugde, waarmede de vijand Gods en der menschen den zin en het hart van ieder mensch zoekt te boeien en
158
onder zijn slavenjuk te buigen. — Vervolgens zalft de Priester den doopeling met de olie der katechumenen op de borst en tusschen de schouders en zegt; „Ik zalf u „met de olie des heils ia Christus Jesus, onzen Heer, opdat „gij het eeuwige leven moogt hehhen.quot; Deze zalving be-teekent, dat God in het Doopsel hemelsche kracht mededeelt voor den herhaalden en zwaren strijd tegen de wereld, het vleesch en den satan. De borst wordt gezalfd, opdat hij den inwendigen strijd gelukkig strijde; de schouders, opdat hij voldoende kracht hebbe, om de uitwendige bekoringen, vervolgingen en moeielijkheden te dragen.
Nu verwisselt de Priester de paarse stool, die hij tot hiertoe droeg, met eene witte, ten teeken van zijne vreugde, dat de doopeling op het punt staat, uit den staat van zonde en den eeuwigen dood over te gaan tot den staat van genade en het eeuwige leven. Doch, alvorens deze gelukkige overgang plaats hebbe, moet de doopeling nog eene openbare en plechtige belijdenis van de grondwaarheden des christelijken geloofs afleggen. De Priester vraagt dan den doopeling: „gelooft gij in God, den almachtigen Vader, „Schepper van hemel en van aarde?quot; De peter of meter antwoordt: „Ik geloof.quot; De Priester: „gelooft gij in Jesus „Christus, zijn eengeboren Zoon, onzen Heer, die geboren „is en geleden heeft rquot; De peter: ,.lkgeloof.quot; DePriester: „gelooft gij in den H. Geest, in ééne, heilige, katholieke „Kerk, gemeenschap der Heiligen, vergiffenis der zonden, „verrijzenis des vleesches en het eeuwig leven ?quot; De peter: „Ik geloof.quot; Na deze geloofsbelijdenis stelt de Priester de vraag: „N., wilt gij gedoopt worden?quot; en zoodra geantwoord is; „Ik wil,quot; wordt, op de vroeger beschreven wijze, het H. Doopsel toegediend.
In de ceremoniën, die het H. Doopsel volgen, wordt aangeduid de toestand van het nieuwe leven , hetwelk de doopeling door het ontvangen van het genoemde Sacrament is ingetreden. De zalving met het H. Chrisma, die terstond na het Doopsel op de kruin van het hoofd van den gedoopte verricht wordt, is het zinnebeeld der innerlijke zalving van de genade des Doopsels, waardoor de gedoopte aan Christus, den Gezalfde des Heeren, zijn Hoofd, gelijkvormig geworden, als een levend lid in zijn lichaam ingelijfd, en in zekeren zin, evenals Hij, Koning en Priester geworden is (1. Petr. II, 9). Het witte kleed, waarmede de volwassen gedoopte gekleed wordt, of de witte doek, dien men op het hooid der kinderen legt, geeft ons de verwerven reinheid en vlekkeloosheid der ziel te kennen en herinnert den gedoopte, dat hij de onschuld des Doopsels zijn geheele leven zuiver en onbesmet moet be-
159
waren. Dit drukt de Priester uit, als hij het hem overreikt, met de woorden: „Ontvang het witte kleed, en breng het „ongeschonden voor den rechterstoel van onzen Heer Jesus „Christus, opdat gij het eeuwig leven mongt verkrijgen.quot; ») De brandende kaars eindelijk, die men den gedoopte of zijnen peter in de hand geeft, is het zinnebeeld van het licht des geloofs en van de vlam der goddelijke liefde, door het Doopsel in de ziel onstoken. \'Tegelijk herinnert zij aan den heiligen plicht, om voortaan door een deugdzamen levenswandel de geheele wereld voor te lichten, volgens de woorden des Heilands: „Laat uw licht schijnen voor „de menschen, opdat zij uwe werken zien en uwen Vader „prijzen, die in den hemel isquot; (Matth. V, 16). Van een kind der duisternis een kind des lichts geworden, moet de gedoopte de bij het Doopsel ontstoken fakkel des geloofs en der heilige liefde brandend houden, en, gelijk de H. Gregorius van Nazianze zegt, evenals de wijze maagden, Jesus Christus, den Bruidegom zijner ziel, er mede tegemoet treden. Dit beveelt de Priester hem uitdrukkelijk aan, als hij zegt; „Ontvang de brandende kaars en bewaar „uw Doopsel vlekkeloos ; onderhoud de geboden Gods, „opdat gij, wanneer de Heer ter bruiloft komt, hem tege-„moet kunt gaan met alle Heiligen des hemels en het „eeuwige leven moogt verkrijgen.quot; Wee, duizendmaal wee dengenen, die ze laten uitdooven; zij zullen bij de onverwachte komst van den Bruidegom, evenals de dwaze maagden, voor eeuwig van de heineische bruiloft worden uitgesloten.
De Priester zegt ten slotte: „N., ga in vrede en de Heer „zij met u.quot;
\') Het is een schoon en in de chineesche Provincie Kiang- ïïan eigenaardig gebruik, zooals de apostolische Missionaris Le Turdu bericht (jaar 1859), dat de bekeerden den witten doek, welke bij het H Doopsel over hun hoofd wordt uitgespreid , met het heilige zorgvuldigheid bewaren, om daarmede na hunnen sterïdag begraven te worden. Deze ijvervolle geloovigen willen daardoor te kennen geven , hoezeer het hun ter harte gaat, in het kleed der onschuld, waarvan deze doek het zinnebeeld is, voor Gods rechterstoel te verschijnen. — Mocht ook gij, lezer, dit schoone voorbeeld navolgende, de onschuld des Doopsels, de heiligmakende genade, welke gij in het H. Doopsel hebt ontvangen, tot aan het einde uvvs levens in nooit verduisterden glans bewaren! Zij is kostbaar en maakt onze ziel zoo schoon in de oogen van God, dat wij er ons geen denkbeeld van kunnen vormen. Toen de H. Maria Magdalena de Pazzi eens in eene vervoering eene bizondere verlichting hierover van God ontving, getuigde zij, »dat, als eene ziel. welke in het bezit der genade is, „de liefde en hoogachting kende, welke zij bij God genoot, zij van //overgroote vreugde zoude sterven, terwijl zij daarentegen tot het //Stol\' zou terugkeeren, als zij hare hatelijkheid inzag, zoodra zij „van Gods genade beroofd isquot; (Levens d. H., hfdst. 22).
160
Wat heioven wij aan God in het II. Doopsel ?
Wij beloven: 1) de katholieke leer vast en standvastig te zullen gelooven, 2) de zonden en de naaste gelegenheden tot de zonde te vermijden en een christelijk leven te zullen leiden. Gelijk er vodr de komst van Christus een bond bestond tusschen God en zijn uitverkoren volk, de Joden, zoo bestaat er ook na Christus\' komst een bond tusschen Jesus Christus en zijn uitverkoren volk, de Christenen; en gelijk vroeger de Joden door de besnijdenis in dezen bond traden, zoo gaan thans de verlosten door het H. Doopsel in den bond met Christus, vermits zij daarbij heilige beloften aan Christus doen, en Hij van zijn kant hun schitterende uitkomsten opent.
1) De verloste belooft zijn goddelijken Verlosser bij het H. Doopsel: a) de katholieke leer vast en standvastig te gelooven. De katholieke leer toch is de leer van Christus; aan deze leer gelooven is aan Christus, den Leeraar er van, gelooven, en dat geloof is de eerste voorwaarde , waaronder Christus den bond der genade met zijne verlosten wil aangaan. Deze belofte doet de doopeling, vooreerst, als hij van de Kerk het geloof vraagt; vervolgens, als hij openlijk de apostolische geloofsbelijdenis opzegt; verder, als hij op de vraag van den Priester: „Gelooft gij „in God, den almachtigen Vader,quot; enz. antwoordt: „Ik „geloof.quot; Zonder dit vast en onwrikbaar geloof zou het Doopsel vruchteloos zijn; want er staat gesehreven: „wie „gelooft zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, „doch wie niet gelooft, zal verdoemd wordenquot; (Mare. XVI, 16), hij moge gedoopt zijn of niet. De doopeling belooft: h) de zonden te zullen vermijden. Wat anders is die uitdrukkelijke afzwering van den satan en diens werken, dan eene plechtige belofte om voortaan niet meer den satan te dienen, niet meer zijne verderfelijke ingevingen te volgen, niet meer diens werken te doen, met één woord, niet meer te zondigen ? Want werken van satan zijn de zonden. „Wie zonde doet,quot; zegt de H. Joannes (1. Ill, 6), „is „uit den duivel,quot; — werken van satan zijn alle werken des vleesches, waarvan de Apostel zegt, dat die zulke werken doen, het rijk der hemelen niet kunnen verwerven (Gal. V, 19—21). Werken van satan zijn niet slechte de ongeoorloofde handelingen, maar ook de ongeoorloofde gedachten, begeerten en gesprekken, wijl ook deze van het rijk Gods uitsluiten. De belofte, dat men de zonden zal vermijden, sluit tevens in zich, dat men de gelegenheden tot zondigen wil vluchten. Want vergeefs neemt iemand
161
zich voor, zuiver van zonde te blijven, als hij zich lichtzinnig blootstelt aan het gevaar van zondigen, als hij de gelegenheid tot zonde niet zorgvuldig vermijdt; ijdel is het voornemen om het ongeoorloofde te verfoeien , als men het bemint en zoekt, of niet met alle zorg datgene vermijdt, wat tot het ongeoorloofde leidt. Daarom verzaakt de doopeling niet slechts de werken, maar ook de ijdelheden van den satan, namelijk die luidruchtige genoegens en vermakelijkheden , waarvan de helsche zielemoordenaar zich bedient om de menschen in zijne strikken te lokken; die ijdele goederen dezer wereld, door wier verblindenden glans hij de zinnen en het hart van zoo velen tot zich trekt en ze van God, het hoogste, het onvergankeliik goed, afwendt; die goederen, waardoor de satan den menschge-worden Zoon van God zeiven tot de verschrikkelijke zonde van afgoderij trachtte te verleiden. Inderdaad, God haat niets meer dan die dwaze liefde voor de wereld, welke van duizenden gevaarlijke gelegenheden tot zondigen vergezeld gaat. „In hem, die de wereld lief heeft, is de liefde des „Vaders niet.quot; — Om deze reden beloven wij bij het H. Doopsel, als nieuwgeboren kinderen van den hemelschen Vader, de wereld en hare genoegens niet aan te hangen en hare beginselen nooit te zullen volgen. De eed van eeuwige vijandschap geldt niet slechts den satan en de zonde, maar ook de Gode vijandige wereld, die in soldij van den duivel staat, om door hare bedriegelijke verheerlijking van het vergankelijke en het zondige de zoozeer bedrogen menschen van de eeuwige goederen des hemels te berooven. Zoo en niet anders hebben de HH. Vaders, Ephrem, Chrysostomus, Cyrillus, Ambrosius, Augustinus en anderen de woorden der plechtige verzaking verstaan en uitgelegd, c) Eindelijk belooft de doopeling in het H. Doopsel, eeu Gode behagelyJc leven te leiden. Daartoe wekt hem de aanmaning op, die bij het begin der ceremoniën, na de bede om het geloof, gedaan wordt: „Zoo gij tot „het leven wilt ingaan, onderhoud dan\'de geboden,quot; dat is: leid een leven, gelijk het geloof, dat gij begeert, van u verlangt. Ja, wat is het Doopsel zelf anders dan een afsterven van den ouden en een herleven van den nieuwen, in Christus wedergeboren mensch, om voortaan in een nieuw leven te wandelen, „zoo te wandelen als Hij. ge-„wandeld heeft?quot; (1. Joan. II, 6). Wat anders dan de innigste aansluiting aan zijn geheimzinnig lichaam, opdat wij één met Hem zijn, en door zijn geest geleid en bezield met waarheid kunnen zeggen: „wij leven, doch niet wij, „maar Christus leeft in ons.quot;
11
DEHAEBE, GELOOFSLEER. IV Hde DRUK.
162
2) Zijn de beloften van den doopeling groot en veelomvattend, de beloften van God, door Jesus Christus, zijn ééngeboren Zoon, gedaan, zijn nog veel grooter. God, die zich nooit door zijn schepsel in grootmoedigheid laat overtreffen, belooft van zijnen kant den doopeling, gelijk reeds gezegd is, kwijtschelding van alle zonden en straffen, de volheid zijner genade, de aanneming tot kind, het mede-erfgenaamschap met zijn Eéngeborene, het eeuwig leven in de glorie des hemels. Dit is de bond, Christenen, welken gij bij het H. Doopsel plechtig en onder getuigen, in tegenwoordigheid van de HH. Engelen en van geheel het hemelsch hof, met God, uwen Verlosser, gesloten hebt. Hebt gij dien heiligen bond ook heilig en getrouw gehouden? Hebt gij u dien herinnerd, als de satan u door verdoemelijke inblazingen onder de vanen des oproers tegen God en zijn gezalfde riep? Hebt gij aan dien bond gedacht, toen de begeerlijkheid der oogen, de begeerlijkheid des vleesches, de hoovaardij des levens u tot ontrouw jegens Jesus aanspoorden ? Hebt gij u dien bond voor den geest gebracht, als de leugenachtige wereld u den dienst van Jesus Christus als onuitstaanbaar en vernederend, haren eigen dienst daarentegen , die de dienst des satans is, als wenschelijk en roemrijk voor oogen stelde? Heil u, als gij aldus gedaan hebt! Zoudt gij echter, zulk eene heilige en plechtige belofte ongedachtig, een onheilig en ergerlijk leven geleid hebben ; zoudt gij uwen heiligen Koning trouweloos en meineedig zijn geworden, dan gewis is uw gedrag strafbaar en veroordeelenswaardig. Indien meineed en trouweloosheid in de oogen der menschen reeds als afschuwelijke misdaden, die de zwaarste straffen verdienen, beschouwd worden, zou dan de goddelijke Rechtvaardigheid het ongestraft laten, dat men zich jegens den Koning der koningen aan zulk eene plichtvergetenheid en trouweloosheid schuldig maakt? — Zeg niet, dat de doopbeloften geene verbindende kracht voor u hebben, wijl niet gij, maar uwe meter of uw peter ze zonder uwe voorkennis hebben afgelegd. Deze tegenwerping heeft bij den goddelijken Rechter geene waarde. Wat uwe doopborgen in uwen naam beloofden, dat waart gij toch verplicht om te beloven en heilig te houden, als gij aan de beloften van Christus, het eeuwig leven, wilt deelachtig worden. Want het staat dengenen, die het rijk der hemelen willen binnengaan, volstrekt niet vrij, de leer van Christus te gelooven of te verwerpen , een heilig of een heidensch leven te leiden, Christus toe te behooren of den satan. Nadat de Godmensch zijn bloed voor u vergoten heeft, behoort
163
gij Hem toe; „want gij zijt door Hem gekocht voor een „duren priisquot; (1. Cor. VI, 20). De plechtige beloften uwer doopborgen hadden dus geene nieuwe verplichtingen ten gevolge; zij waren niets anders dan de verzekering aan de Kerk gegeven, dat gij, tot de jaren van onderscheiding gekomen, de plichten jegens uwen goddelijken Bruidegom, uwen Verlosser, die reeds op u rustten, nauwgezet zoudt vervullen. Daarom ook spreekt de Kerk den ban uit over degenen, die zeggen: „De gedoopte kinderen „moeten, als zij tot de jaren van verstand zijn gekomen, „ondervraagd worden, of zij willen goedkeuren, hetgeen hunne „doopborgen in hunnen naam beloofd hebben , en als zij antwoorden , dat zij dit niet willen, dan moet men ze aan hunnen „vrijen wil overlaten, zonder ze door straf tot een christelijk „leven te dwingenquot; (Cone, van Trente 7e Zitt. Can 14. over het Doopsel). 1) — Christen! vergeet dus uwe doopbelofte niet! Eoep ze u meermalen in het geheugen terug; vernieuw ze niet slechts op den schoonen dag uwer eerste H. Communie, maar ook bij andere plechtige gelegenheden. Vernieuw ze op de zon- en feestdagen en op den verjaardag van uw Doopsel, alsook op den feestdag van den Heilige, wiens naam u toen gegeven werd; vernieuw ze ten tijde der bekoring, om niet te bezwijken, en den eed van trouw, dien gij uwen hemelschen Vader gezworen hebt, niet te breken. Zoo zult gij voortdurend de liverei van uwen goddelijken Verlosser, in het bad der wedergeboorte verworven, het witte kleed der onschuld, blijven dragen, en, daarmede bekleed, eenmaal met vertrouwen den rechterstoel naderen van Hem, wien gij zoo trouw en volhardend gediend, voor wiens eer gij zoo ridderlijk gestreden hebt; van Jesus, die u den heerlijken prijs der overwinning, de kroon des eeuwigen levens, omzet met eindelooze liefde, schenken zal. ^
\') Al wil men de doopbelofte niet beschouwen als eene gelofte in den strengen zin des woords, om niet te moeten toegeven, dat elke doodzonde van den Christen eene heiligschennis zij: toch kan het geenszins geloochend worden, dat de Christen streng verplicht is ze te houden, en dat dus zijne zonde in hare soort zwaarder is dan die van een ongeloovige (S. ïhom. Sent. 4. d. 38 q. 1. a. 2. ad 1).
2) Zoo groot als het vertrouwen is, hetwelk het vlekkeloos bewaarde kleed des Doopsels den Christen later voor Gods rechterstoel zal schenken, zal ook de zieleangst zijn van hem, die het door zware zonden bevlekt en misvormd heelt. Deze gedachte was het, waardoor de godvruchtige Diaken Muritta, in de vandaalsche vervolging dei-Christenen onder Hunnerich, den afvalligen Elpidophorus, die in het te Carthago tegen de Christenen ingestelde halsgerecht het voorzitterschap bekleedde, ontstelde en deed verstommen. Muritta had weleer dien rampzalige, later in de valstrikken der ariaansche dwaalleeringen
11*
164
iVat is er aangaande de doopborgen voornamelijk op te merken?
De doopborgen worden als \'t ware de geestelijke ouders van den gedoopte, en leggen in zijn naam de geloofsbelijdenis en de doopbeloften af.
Onder doopborgen verstaat men die personen, die bij den plechtigen Doop het pasgeboren kind den doopenden Priester voorstellen, het geloof en het Sacrament van wedergeboorte voor het kind vragen, in naam van het kind de geloofsbelijdenis en de doopbeloften afleggen en het ten doop houden. Het nederlandsche woord „peterquot; en „meterquot; is klaarblijkelijk ontleend aan het latijnsche pater (vader) en mater (moeder), en duiden aan, dat de genoemde personen, dewijl zij op de gezegde wijze tot de geestelijke wedergeboorte van het kind medewerken, aan het geestelijk ouderschap deelnemen, en zich dus ook verplichten, de lichamelijke ouders in de geestelijke opvoeding van hun kind bij te staan, en in zekere gevallen daarin hunne plaats te vervullen. Het gebruik, om bij den plechtigen Doop doopborgen te bezigen, is overoud in de Kerk, Tertulliaan maakt er reeds melding van, en van oudsher werd er sterk op aangedrongen, dat zij hunnen plicht van het geestelijk ouderschap nauwkeurig zouden vervullen.
Uit het gezegde blijkt duidelijk; 1) dat de doopborgen zelve ijverige Katholieken moeten wezen; want slecht dezen willen en kunnen in den regel de geestelijke zorg, die zij misschien zullen moeten dragen voor hen, die zij ten doop hielden, naar vereischte waarnemen. Immers, hoe zou hij
evallen, ten Doop gehouden en volgens de toenmalige gewoonte zijn oopkleed bewaard. Als hij nu voor den rechterstoel van dien afvallige geroepen werd, nam hij het medé, ontvouwde het voor het aanschijn van het geheele gerechtshof en sprak den voorzitter aldus aan; „Ziedaar, trouwelooze Elpidophorus, zie, dit kleed zal u aan.-,/klagen, als de goddelijke Rechter vol majesteit verschijnen zal; ik „heb het zorgvuldig bewaard, opdat het van uwen afval en uwe ver-//werping getuige. i)it kleed omgaf u, toen gij zuiver en onbevlekt „uit het doopwater traadt; het zal eens uwe hellepijnen verdubbelen, „omdat gij door uwen afval den vloek hebt aangetrokken als een „kleed; omdat gij het Sacx-ament van den waren Doop, het Sacrament des geloofs, geschandvlekt en verloren hebt. Wat zult gij aanvangen, «ongelukkige, als de dienaren van den hemelschen Huisvader u tot „het koninklijke gastmaal zullen noodigen, als de Koning, u zonder „bruiloftskleed ziende, vreeselijk vertoornd vragen zal; hoe zijt gij „hier gekomen zonder bruiloftskleed? Als Hij dan zijnen knechten „gebiedt: bindt hem handen en voeten en werpt hem in de uiterste „duisternissen, waar geween en geknars der tanden zijn zal?quot; (Victor van Vita, de persecutione vandal.)
165
die onbezorgd leeft omtrent het geestelijk welzijn zijner eigen ziel, zich veel bekommeren om het heil van zijn pleegkind ? En hoe zou iemand tot volmaking van het geestelijk leven slechts het geringste met vrucht kunnen bijdragen , die door zijn lauwen of zelfs zondigen levenswandel zijnen geestelijken pleegkinderen een steen des aanstoots wordt ? Dan slechts zal het woord van de doop-borgen in het algemeen een heilzamen indruk op het pleegkind maken, als het uit een geloovig hart komt, en door het deugdzame voorbeeld bekrachtigd en ondersteund wordt.
Goede doopborgen te kiezen wordt van dubbel belang als slechts één van de ouders katholiek is. Immers voor het geloof en de deugd, voor de opvoeding van kinderen uit gemengde huwelijken zijn in den regel eigenaardige, zeer groote gevaren te vreezen.
Maar al zouden zij zelve geene ijverige Katholieken zijn, toch mogen zij niet nalaten de kinderen, die zij ten doop gehouden hebben, tot het goede aan te sporen en van het kwade af te houden, vooral als de ouders hunnen plicht verzuimen. Hierop dringen- de HH. Vaders herhaaldelijk en met kracht aan. „De peters moeten er wel aan denken,quot; zoo spreken zij, „dat zij voor degenen, die zij ten doop „gehouden hebben, bij God borg zijn geworden, en dat „zij derhalve voor hunnen geestelijken vooriiitgang met „ware liefde moeten zorgen. Zij moeten ze vermanen, de „kuischheid te bewaren en tot aan het huwelijk als maagd „te leven, zich van vloeken en zweren te onthouden, geene „onkuische liederen te zingen, aan nijd, gramschap en „haat in hun hart geene plaats in te ruimen; verder om „vast te houden aan het katholiek geloof, vlijtig de kerk „te bezoeken en de godsdienstoefeningen bij te wonen, den „Priester en hunnen ouders eerbied en liefde te bewijzen.quot; — Het moet bijgevolg als een beklagenswaardig misbruik worden aangezien , dat katholieke ouders in de keuze der docpborgen, helaas! maar al te dikwijls zich door eigenbaat of andere tijdelijke oogmerken laten leiden, en zelfs, wat zeker ongeoorloofd is, onwetende, zedelooze naamkatholieken zonder geloof, geëxcommuniceerden of andersdenkenden als doopborgen durven voorstellen, welke zeker door den Pastoor geweigerd moeten worden. Zulk eene keuze is des te meer te verwerpen, wijl 2) de doopborgen, indien de ouders het verzuimen, zorg moeten dragen, dat het kind in den katholieken godsdienst onderwezen en opgevoed worde. Niemand immers kan redelijkerwijze veronderstellen, dat zulke doopborgen, ingeval de ouders sterven of nalatig zijn in de godsdienstige en zedelijke opvoeding der
166
kinderen, ernstige maatregelen zullen nemen om de kinderen , -waarvoor zij borg zijn geworden, in den katholieken godsdienst goed te laten onderrichten en hun eene echt katholieke opvoeding te geven. Veeleer is het te vreezen, dat dezulke hunne bevoegdheid zullen misbruiken om degenen, wier geesteliike ouders zii moeten wezen, te verleiden en in de netten der dwaling te verstrikken. 3) Eindelijk moet nog opgemerkt worden, dat de doopborgen noch met degenen, die zii ten doop gehouden hebben, noch met de ouders van dezen mogen of kunnen huwen. Dit verklaart het Concilie van Trente uitdrukkelijk (24e Zitt. 2e hfdst. over het huwelijk). De grond van dit kerkelijk verbod is gelegen in de boven beschreven deelname aan de geestelijke wedergeboorte van het kind. Deze staat van geestelijk vaderschap bij den peter en geestelijk moederschap bij de meter is in de oogen der Kerk zoo eerwaardig en heilig, dat zij eene echtelijke verbindtenis van den peter of van de meter met hun geestelijk kind of met de natuurlijke ouders van dat kind zonder voorafgegane dispensatie als onbestaanbaar beschouwt. Opdat echter door deze geestelijke verwantschap niet onder al te veel personen van beider geslacht een huwelijksbeletsel ontstaan zou, laat de Kerk in den regel slechts één doopborg, hoogstens één peter en ééne meter, toe; andere personen, die soms nog tegenwoordig zijn , zijn slechts doopgetuigen , die dan ook geenszins eene geestelijke verwantschap aangaan.
Kan het Doopsel des waters nimmer vervangen war den ?
Als het onmogelijk is, (dat wil zeggen, als het werkelijk ontvangen van het Doopsel des waters niet afhangt van den wil van hem, die verplicht is zich te laten doopen) dan kan het door het Doopsel van begeerte of het Doopsel des bloeds vervangen worden. Er is slechts één Sacrament des Doopsels, namelijk het Doopsel des waters, gelijk er slechts één Heer en één geloof is (Eph. IV, 87). Het Doopsel van begeerte en het Doopsel des bloeds worden slechts in een oneigenlijken zin Doopsel genoemd, in zooverre namelijk daardoor, evenals door het Doopsel des waters, de erfzonde vergeven en de hemel verworven kan worden. Daar echter op allen de plicht rust om het Sacrament des Doopsel te ontvangen, kunnen het Doopsel van begeerte en het Doopsels des bloeds slechts dan het Doopsel des waters vervangen, als men dit onmogelijk ontvangen kan. Gelijk de noodzakelijkheid van het Doopsel des waters gegrond is op de meermalen aangehaalde woorden
f
167
van Jesus bij Joan. Ill, 5, zoo steunt ook de leer, dat de mensch door het Doopsel van begeerte en het Doopsel des bloeds gerechtvaardigd en zalig kan worden, op de duidelijke woorden van Jesus Christus. 1] Bij Joan. XIV, 23 zegt de Heiland: „Als iemand Mij lief heeft, zal hij „mijne woorden onderhouden, en mijn Vader zal hem be-„minnen , en Wij zullen tot hem komen en ons verblijf „bij hem nemen.quot; — In overeenstemming met zijn godde-lijken Meester schrijft ook de Apostel der liefde (1. Joan. IV, 7): „Ieder, die bemint, is uit God geboren.quot; Wie God waarlijk bemint en bereid is zijn wil te doen, die wordt ook door God bemind, die is de woonplaats Gods, die is uit God geboren; maar zoo iemand kan onmogelijk tegelijkertijd een kind van gramschap, een slaaf van satan zijn. Het Doopsel van begeerte nu is niets anders dan eene volmaakte liefde tot God, of het daaruit voortkomende volmaakte berouw over zijne zonden, gepaard met het verlangen en den ernstigen wil om het Doopsel te ontvangen. Derhalve wie het Doopsel van begeerte heeft, die bemint God volmaakt, die is bereid alles te doen, wat door God ter verkrijging der zaligheid bepaald is, die heeft bijgevolg ook het verlangen en den ernstigen wil, om zich, zoodra mogelijk, te laten doopen. Hem worden de zonden vergeven, de heiligmakende genade en het recht op het erfdeel des hemels geschonken. In dien zin leert het Concilie van Trente, dat het den mensch onder het Nieuwe Verbond onmogelijk is, om zalig te worden, zonder het bad van wedergeboorte of het verlangen daarnaar. — Hieruit volgt echter niet noodzakelijk, dat men, om aan het Doopsel van begeerte deelachtig te worden, een uii-drukkelvjk verlangen naar het Doopsel des waters hebben moet. Volgens de algemeene leer der Godgeleerden is het voldoende, den ernstigen wil te hebben alles te doen wat God bepaald heeft, daar deze wil, die zich tot de naleving van alle geboden en verordeningen Gods uitstrekt, duidelijk ook het verlangen om het door Christus voorgeschreven Doopsel des waters te ontvangen in zich sluit. Zou dus iemand niets van het H. Sacrament des Doopsels weten, of bij een plotseling opkomend doodsgevaar er niet aan denken, maar toch den oprechten wil, het van zelf ingesloten verlangen daarnaar hebben, dan zou hij de genade der rechtvaardiging verkrijgen. — Uit de gegeven verklaring blijkt duidelijk, dat het Doopsel van begeerte somtijds ook buiten nood zijne rechtvaardigmakende werking hebben kan. Een katechumeen bijv., die eerst na eenigen tijd van voorbereiding het H. Doopsel mag ontvangen, en in dien
168
tusschentijd, ook zonder zich in levensgevaar te bevinden, eene acte van volmaakte liefde of berouw verwekt met het uitdrukkelijke of inclusieve voornemen, om het Doopsel op den door de Kerk bepaalden tijd te ontvangen, zulk een katecliumeen wordt zonder twijfel reeds vóór het ontvangen van het Doopsel des waters gerechtvaardigd, gelijk een boeteling, die zich in staat van ongenade bevindt, reeds vóór het ontvangen van het Sacrament der Biecht, door het volmaakt berouw kan gerechtvaardigd worden. — In de Handelingen der Apostelen (X) lezen wij, dat, terwijl de H. Apostel Petrus den romeinschen hoofdman Cornelius het Evangelie verkondigde, „de H. Geest eensklaps over „allen kwam, die het woord hoorden.quot; Daarop sprak de Prins der Apostelen: „Kan iemand water onthouden, dat „dezen niet gedoopt zouden worden, die den H. Geest hebben „ontvangen, gelijk ook wij?quot; Wij zijn dus gerechtigd, uit dit voorval en de woorden van den H. Petrus de gevolgtrekking te maken, dat Cornelius en zijne huisgenooten reeds vóór het ontvangen van het Doopsel des waters door het Doopsel van begeerte zijn gerechtvaardigd; vooral daar Petrus zelf zich daarover duidelijk genoeg uitlaat, dat zij met den H. Geest zijn gedoopt geworden, voordat zij het Doopsel des waters hadden ontvangen (Hand. XI, 16).— Op de vraag, of de volmaakte liefde, opdat zij strekke ter rechtvaardiging, altijd het berouw over de zonden moet insluiten, kan men antwoorden, dat dit noodzakelijk het geval moet zijn, als de mensch persoonlijk zware zonden heeft bedreven.
2) Bij Matth. X, 39 zegt Christus de Heer: „wie zijn „leven om Mij verloren heeft, zal het vinden.quot; Deze woorden van den goddelijken Verlosser bevatten de duidelijkste belofte, dat voor het offer van het tijdelijk leven door Hem het eeuwig leven als belooning zal geschonken worden. Christus maakt bij deze belofte geen onderscheid tusschen gedoopten en ongedoopten; derhalve wie op aarde voor Christus sterft, zal aan de andere zijde des grafs eeuwig leven. Als dus een ongedoopte den marteldood ter wille van Christus ondergaat, of, wat hetzeflde is, het Doopsel des bloeds ontvangt, dan is hij van de rechtvaardiging en van den hemel zeker. Op deze belofte van haren goddelyken Stichter steunende, heeft de H. Kerk altijd geleerd, dat het Doopsel des waters, als er geene mogelijkheid is om het te ontvangen, door het Doopsel des bloeds kan vervangen worden. De HH. Vaders en de kerkelijke Schrijvers der eerste christeneeuwen, als Origenes, Tertullianus, Cyprianus, Cyrillus, de Constitutiën der
169
Apostelen,. enz. drukken zich eenparig in dien zin uit. Om aan de genoemde belofte des Zaligmakers deelachtig te worden, is het volgens hunne gevoelens niet eens noodzakelijk, dat de dood om Christus volgt; het is voldoende, dat men zulke pijnen verdraagt, welke uit zich zelve den dood kunnen veroorzaken, d. i. van dien. aard zijn, dat zij zonder goddelijke tusschenkomst den dood zeker zouden ten gevolge hebben. Zoo wordt onder anderen de EL Apostel Joannes door de Kerk als Martelaar vereerd, ofschoon hij uit den ketel ziedende olie, in welke hij op bevel van den dwingeland Domitianus gedompeld werd, kalmer te voorschijn trad, dan hij tevoren was, en eerst veel later in vrede ontsliep. — Eene noodzakelijke voorwaarde van het martelaarschap en bijgevolg ook van het Doopsel des.bloeds is, dat men den dood of eene doodeliike smart „ter wille van „Christus,quot; d. i. voor het christelijk geloof of eene christelijke deugd, onderga. Dit is het geval, als iemand door een vijand of vervolger van het christelijk geloof of van eene christelijke deugd gedood of doodelijk gefolterd wordt, omdat hij dat geloof belijdt of die deugd beoefent of bewaren wil. Derhalve vereert de Kerk niet alleen hen als Martelaren, die ter wille van het geloof hun bloed vergoten hebben, maar ook een groot getal van Maagden, die ter bewaring van de zuiverheid, den H. Thomas van Kantelberg, die om de standvastigheid in de verdediging der kerkelijke rechten, den H. Joannes Nepomucenus, die om het bewaren van het geheim der Biecht, den dood ondergaan hebben. Zij echter, die slechts een verlangen hebben om voor Christus te sterven, hoe groot het ook zij; degenen, die in den strijd tegen de ongeloovigen of bij de verpleging van pestzieken hun leven ten offer brachten, worden niet onder de Martelaren gerekend, omdat zy niet door de hand van een vervolger, niet uit haat tegen het christelijk geloof en de christelijke deugd den dood ondergingen. Noemt men dezen somtijds Martelaren, dan geschiedt dit om de gelijkvormigheid, welke hun heldhaftige dood met den marteldood heeft, bijgevolg in een oneigenlijken zin.
Ten opzichte van het Doopsel des bioeds is nog op te merken, dat het, als eene voortreffelijke navolging van het lijden en den dood van Jesus Christus, op het Doopsel van begeerte veel vooruit heeft. Want ten eerste kunnen daardoor ook de kleine kinderen, ofschoon zij nog niet tot eene acte van liefde of van verlangen bekwaam zijn, toch de eeuwige zaligheid verwerven. En werkelijk brengt ook de H. Kerk sinds de • eerste tijden van haar bestaan tot op den huidigen dag aan de onschuldige kinderen van
170
Bethlehem, die het geluk hadden, ter wille van Christus gedood te worden, als „de bloemen der Martelarenquot; den cijns eener openbare en plechtige vereering. Desgelijks viert zij ook (op den 24sten Maart) het feest van den heiligen Simeon, een kind van nauwelijks achttien maanden , dat in het jaar 1475 te Trente door de Joden uit haat tegen het christelijk geloof gemarteld werd, en wiens graf God, volgens het getuigenis van het romeinsche Martyrologium , door vele wonderen heeft verheerlijkt. — Ten tweede worden door het Doopsel des bloeds ook alle tijde-UjJce straffen vergeven, wat bij het Doopsel van begeerte niet altijd het geval is. Daarom stelt de H. Cyprianus het Doopsel des bloeds met het Doopsel des waters gelijk, als hij zegt: „Kan wel de kracht van het Doopsel des „waters grooter en voortreffelijker zijn, dan het getuigenis „des bloeds, dan het martelaarschap, waardoor men Christus „voor de menschen belijdt en met zijn eigen bloed gedoopt „wordt?quot; Deswege; hield ook de Kerk zich altijd aan de door den H. Augustinus uitgedrukte leerstelling vast, dat hij, die voor den Martelaar bidt, hem een onrecht aandoet, en daarom heeft zij ook nooit voor de zielerust der Bloedgetuigen gebeden gestort of het Misoffer opgedragen, terwijl zij dit toch voor hen doet, van wie zij gerechtigd is aan te nemen, dat zij door het Doopsel van begeerte zalig zijn geworden.
TOEPASSING.
Onder de goederen, waarop de kinderen dezer wereld het meeste roemen, waarop zij vooral groot gaan, neemt de adeldom van geboorte wel de eerste plaats in. Onvergeeflijk zou het dus zijn, als de kinderen Gods dien onvergelijkelijk hoogeren adeldom hunner geestelijke wedergeboorte vergaten en door een, der goddelijke afkomst onwaardig zondig leven zich zelve vernederden. \') —
\') Gaufried van Beaulieu, die twintig jaren lang Biechtvader was van Lodewijk IX, koning van Frankrijk, verhaalt in de levensbeschrijving van dien heiligen vorst het volgende merkwaardige voorval. — Toen de Koning zich op zekeren dag te Poissy, een klein, zes uren van Parijs gelegen stadje, bevond, verhaalde hij aan eenige vertrouwelingen met groote blijdschap, dat te Poissy hem het grootste geluk, de allerhoogste eer door den Heer was geschonken. Toen de aanwezigen zich daarover verwonderden en hem te kennen gaven, dat hij zich zeker versproken en Poissy met Rheims, waar hij tot koning gezalfd en gekroond was, verwisselde, antwoordde Lodewijk lachende, dat hij te Poissy de genade van het H. Doopsel had ontvangen, die alle eer en waardigheden dezer wereld verre overtreft.—
171
Welaan dan Christenen, kinderen Gods door het H. Doopsel, gedenkt uwe verheven waardigheid, gedenkt uwe heerlijke voorrechten, gedenkt het hemelsch erfdeel, waarop gij rechtmatige aanspraak verkregen hebt, toen gij , door het bloed van Jesus Christus afgewasschen en inwendig veranderd, als kinderen van den Vader des hemels, in den helderen glans der onschuld uit de doopvont te voorschijn traadt, om voortaan in het licht des geloofs te wandelen en door werken des lichts zelve licht in den Heer te zijn (Eph. V, 8) voor hen, die nog in de duisternissen der zonde ronddolen. Gedenkt al deze voorrechten, als de satan met zijne aanvallen, als het vleesch met zijne lusten, als de wereld met hare verderfelijke voorbeelden, als alle vijanden der zaligheid vereenigd op u losstormen, om u ontaarde zonen van den verhevensten en besten Vader te maken. Vergenoegt er u niet mede, Christenen te heeten. Deze naam, hoe heilig en beteekenisvol ook, zal u niets baten, als uw leven daaraan niet beantwoordt; hij zal tot beschuldiging, tot verwerping strekken, als gij niet de werken van Christus, den Zoon Gods, doet, als gij alleen de erfgenamen van zijnen naam , maar niet van zijne heerlijkheid zijt. — De geschiedenis verhaalt van den poolschen koning Wenceslaus, dat hij altijd het portret van zijnen vader op de borst droeg en het, zoo dikwijls hij een gewichtig werk ondernam, minnend aanschouwde, zeggende; „verre zij het van mij, dat ik iets doe , wat uwer onwaardig „is.quot; Mochten wij toch jegens onzen Vader in den hemel dezelfde gevoelens koesteren, mochten ook wij zijn eengeboren Zoon Jesus Christus, den volmaakten glans van zijn goddelijk wezen, altijd voor oogen hebben; mochten wij, zoo dikwijls het er op aankomt, standvastig en onverschrokken de bekoring te wederstaan en eene den christe-üjken naam waardige deugd te oefenen, het oog van onzen geest op dat heerlijk evenbeeld van onzen hetnelschen Vader werpen en ons zeiven ter herinnering toeroepen: verre zij het van ons, iets te doen, wat niet overeenstemt met den goddelijken adeldom en de heiligheid van Jesus Christus, wiens naam wij dragen, en van den Vader in den hemel.
Dezelfde H. Koning was gewoon de brieven aan zijne vertrouwde vrienden te onderteekenen: ,/Lodewijk van Poiss}\', en gaf zoo aan dit stadje boven alle vermaarde steden van zijn rijk den voorrang en een bewijs van bizondere voorliefde. — Zijn kleinzoon, koning Philips, bijgenaamd de Schoone, stichtte in het jaar 1304 te zijner eer te Poissy een klooster en gaf in de oorkonde als oorzaak dier stichting aan, de buitengewone liefde en genegenheid, welke zijn grootvader voor de Mariakerk te Poissy had, omdat hij daar gedoopt was (Bolland. 25 Aug.).
172
wiens kinderen en erfgenamen wij door Hem zijn geworden! Als wij zoo door een heiligen wandel onzen naam van Christen eeren, zal het uur des doods voor ons niet alleen zonder vreeze, maar vol van de schoonste verwachtingen zijn: .wij zullen sterven, gelijk wij geleefd hebben, als ijverige Christenen, als kinderen Gods; onze sterfdag zal de geboortedag voor de gelukzalige eeuwigheid, de dag van onze intrede in het rijk des Vaders worden.
Over liet Wormscl.
ïfat is het Vormsel?
Het Vormsel is een Sacrament, dat door den Bisschop aan de gedoopten wordt toegediend, in hetwelk door handoplegging, zalving en heilige woorden genade en sterkte worden gegeven , om het geloof standvastig te belijden.
Zonder eenigen twijfel hadden de Apostelen reeds vdcr het laatste avondmaal, waar zij met het allerheiligste Lichaam en Bloed des Heeren gespijsd en tot Priesters gewijd werden, het Sacrament des Doopsels en door middel daarvan den H. Geest ontvangen. Toch beloofde Christus hun na het avondmaal en kort voor zijne hemelvaart nog in \'t bizonder den H. Geest. En werkelijk ontvingen zij Hem in ruime mate, toen zij op het Pinksterfeest der Joden te Jerusalem vergaderd waren (Deel III). Gelijk nu Christus aan de Apostelen zijn H. Geest niet alleen in het Doopsel, maar, zooals de geschiedenis ons leert, ook daarna en wel in bizonder rijke volheid wilde mede-deelen, zoo heeft Hij gezorgd, dat in de door Hem gestichte zaligmakende Kerk de H. Geest met zijne gaven voortdurend , tot aan het einde der eeuwen, aan de geloovigen op deze bizondere wijze zal worden medegedeeld. Reeds in het Oude Verbond was Hij beloofd als eene gave , diamp; aan de gansche menschheid, aan zonen en dochters, aan grijsaards en jongelingen, aan knechten en dienstmaagden zou geschonken worden (Joël II, 28, 29). Op deze belofte wees de Prins der Apostelen , als hij op Pinksterdag tot de menigte zeide: „Gij zult de gaven des H. Geestes „ontvangen. Want u komt de belofte toe, en uwen kin-„deren en allen, die verre zijn, zoovelen als de Heer onze „God daartoe roepen zalquot; (Hand. I, 38, 39). De goddelijke Zaligmaker had echter de bedoeling niet, door de mededeeling van den H. Geest aan allen de gave van
173
wonderen te schenken, gelijk Hij die aan de Apostelen tot vestiging der Kerk schonk; zijne bedoeling was, om de in het Doopsel geheiligden, de in zijne strijdende Kerk ingelijfden, door die hizondere vermeerdering van genade en hoogere kracht in staat te stellen, den heeten strijd des geloofs moedig en met volharding te strijden. Zijn doel was, om hen, die als pasgeboren kinderen uit het Doopsel kwamen, door het H. Vormsel tot strijdbare mannen te maken. — Het H. Vormsel is dus een Sacrament, in hetwelk de gedoopte door handoplegging, zalving en het gebed des Bisschops door den H. Geest gesterkt wordt, opdat hij zijn geloof standvastig belijde en het getrouw naïeve. Hiermede is zoowel het uitwendige teeken alsook de inwendige genade of de aan dit Sacrament eigen werking duidelijk aangegeven; over een en ander zal echter later breedvoeriger gehandeld worden. — Ten aanzien van de verschillende namen, welke aan dit Sacrament worden gegeven, dient opgemerkt te worden, dat het met betrekking tot de onzichtbare werking der genade (sterken) „Vormsel,\'\' \') d. i. sterking (van het latijnsche werkwoord iirmare) wordt genoemd. En daar het onder oplegging der handen en zalving met Chrisma wordt voltrokken, zoo heet het in de Schrift (Hebr. VI, 2) zoowel als bij de Vaders „handoplegging;quot; bij de laatsten ook „Sacrament „van het Chrisma,quot; of eenvoudig „Chrisma,quot; desgelijks „Chrisma der zaligheid,quot; „zalving.quot;- Somtijds bedienen zich de HH. Vaders ter aanduiding van dit Sacrament ook van de uitdrukking „bezegelingquot; of „geheim van den „H. Geest,quot; enz.
Wie leert ons, dat Christus het Sacrament des Vormsels heeft ingesteld?
De onfeilbare katholieke Kerk in overeenstemming met de H. Schrift en de leer der Vaders. — Het Concilie van Trente spreekt (Zitt. VIL Can. 1 over het Vormsel) den ban uit over dengene, die zegt. dat het Vormsel der ge-doopten eene ijdele plechtigheid is en geen wezenlijk en afzonderlijk Sacrament. Dezelfde straf spreekt het ook uit (Can. 1. over de Sacramenten in het algemeen) over eenieder, die loochent, dat de Sacramenten van het Nieuwe Verbond, (onder welke, volgens de opsomming van de Kerkvergadering,
■) Vroeger zeide men: nvroomselquot; van vroom, hetgeen gelijk staat met gezet, dik; de gedoopte wordt door dit H. Sacrament versterkt en in het geestelijk leven als volwassen.
174
het Vormsel het tweede is) niet allen door Christus zijn ingesteld. Het is dus eene duidelijk uitgesproken leer der geheele Kerk, dat het Vormsel een wezenlijk, afzonderlijk door Christus ingesteld Sacrament is. En deze uitspraak der onfeilbare Kerk, welke alleen voldoende is, om bij elk oprecht geloovige allen redelijken twijfel weg te nemen, heeft zoowel in de H. Schrift alsook in de Overlevering of erfleer, de zekerste bevestiging. Wel lezen wij nergens in de Evangeliën, dat Christus dit Sacrament ingesteld en aan de Apostelen bevolen heeft, het toe te dienen; maar wij vinden reeds ten tijde der Apostelen en later door alle eeuwen tot op onze tijden een feit, hetwelk ons volkomen recht geeft om aan te nemen, dat het Vormsel werkelijk een door Christus ingesteld en aan de Apostelen en hunne opvolgers ter toediening opgedragen Sacrament is.
Het feit, hetwelk ons recht geeft tot dit besluit, is het overeenstemmend getuigenis der H. Schrift, der Vaders en Kerkvergaderingen, der oudste liturgische boeken en talrijke geschiedkundige documenten, waaruit onbetwistbaar, blijkt, dat de Apostelen en hunne opvolgers, de Bisschoppen, aan de gedoopten door handoplegging en zalving met Chrisma den H. Geest hebben medegedeeld. — Voorloopig merken wij op dat in de bewijsplaatsen, welke wij zullen aanhalen, geen sprake is van de zalving, welke onmiddellijk na de plechtige toediening van het Doopsel plaats heeft. \') Deze werd gewoonlijk, zelfs als de Bisschop doopte, door een gewonen Priester of ook door een Diaken verricht; gene echter, waarvan hier spraak is, werd uitsluitend door den Bisschop gedaan. De eerste geschiedde op den schedel en zonder handoplegging; de tweede daarentegen aan het voorhoofd onder oplegging der handen. De eerste had, gelijk wij boven verklaard hebben, eene bij uitstek zinnebeeldige beteekenis, de andere echter beteekent en bewerkt tevens de mededeeling van den Geest van sterkte; zij is voor eiken gedoopte datgene, wat Pinksteren voor de Apostelen en de jeugdige Kerk was. — Gaan wij nu over tot de getuigenissen der H. Schrift. In de Handelingen der Apostelen (VIII, 14—17) staat; „Als de Apostelen, „die te Jerusalem waren, hoorden, dat Samaria het woord „Gods had aangenomen, zonden zij hun Petrus en Joannes. „Zij, aldaar gekomen zijnde, baden voor hen, dat zij den „H. Geest mochten ontvangen, want Hij was nog over
\') Zij werd in de latijnsche Kerk eerst in de vierde eeuw door Paus Öylvester I ingevoerd, en in de grieksche was zij nooit in gebruik.
175
„niemand hunner gekomen, maar zij waren allen gedoopt „in den naam van den Heere Jesus. Toen legden zij hun „de handen op, en zij ontvingen den H. Geest.\'* Van de leerlingen te Ephese wordt daar (XIX, 5, 6) bericht, „dat zij gedoopt werden in den naam van den Heer Jesus, „en als Paulus hun de handen oplegde, kwam de H. Geest „op hen.quot; — Wat de Apostelen gedaan hebben, dat deden na hen de Bisschoppen aller christeneeuwen. Zij lieten, zooals de H. Cyprianus, zich op het voorbeeld der Apostelen beroepende, schrijft (Br. 73), de gedoopten voor zich brengen, opdat dezen door hun gebed en door de oplegging dei-handen den H. Geest zouden ontvangen en door het kenmerkend teeken des Heeren bezegeld worden. — In een anderen (70) brief stelt dezelfde H. Leeraar de zalving met het Chrisma als noodzakelijk voor, schrijvende: „Die „gedoopt is, moet ook gezalfd worden, opdat hij door het „Chrisma, d. i. van de zalving, een gezalfde Gods kan „wezen en de genade van Christus in zich hebben.quot; Even duidelijke en ondubbelzinnige getuigenissen vindt men bij Dionysius, Tertulliaan , Cyrillus van Jerusalem, Ambrosius, Hieronymus, Pacianus, Augustinus, bij de Pausen Cornelius, Innocentius I, Leo en anderen. Dezelfde overeenstemming van getuigenis dienaangaande heerscht in de uitspraken der Kerkvergaderingen, alsook in de oudste liturgische boeken van de oostersche en westersche Kerk en in talrijke geschiedkundige werken. Zoo verklaart onder anderen het Concilie van Elvira, omstreeks het jaar 305 gehouden, „dat de gedoopte tot den Bisschop moet gebracht worden, „opdat hi] door de handoplegging volmaakt wordeen dat van Laodicea schrijft voor: „De gedoopten moeten na „het Doopsel het Chrisma der Kerk ontvangen en zoo aan „het rijk van Christus deelachtig worden.quot; Volgens het gevoelen van den H. Hieronymus (Dialog, tegen de Luci-ferianen) was het toen reeds eene algemeene, door de Ketters gekende gewoonte, dat de Bisschoppen, gelijk het ook ten huldigen dage geschiedt, „naar verwijderde steden reisden, „om daar den door de Priesters en Diakenen gedoopten „onder aanroeping van den H. Geest de handen op te „leggen.quot; — Het staat dus onomstootelijk vast, dat het gebruik om het Vormsel toe te dienen, en het geloof aan de genadewerking daarvan, zoo oud is als de Kerk zelve.
Daaruit nu volgt ongetwiifeld, dat het Vormsel een door Christus zeiven ingesteld Sacrament, en derhalve, gelijk de H. Augustinus zich uitdrukt (tegen Petiliaan. B. 2. hfdst. 104), „niet minder heilig dan het Doopsel is.quot; De waar-
176
heid dezer gevolgtrekking laat zich door eene aan het staatkundig leven ontleende vergelijking zonder moeite bewijzen en zichtbaar voorstellen. Stel het geval, dat er in eene stad van het vroegere duitsche rijk een oud en eerwaardig gehruik bestaan heeft, waaraan eenig groot voorrecht was verbonden, hetwelk door den Keizer alleen kon gegeven worden; veronderstel, dat men door talrijke en geloofwaardige oorkonden bewezen heeft, dat het bedoelde gebruik met het daarmede verbonden voorrecht zonder onderbreking tot Karei den Groote opklimt, veronderstel eindelijk, dat men in geheel het uitgebreide rijk de invoering van dit gebruik aan Karei den Groote zeiven toegeschreven heeft: wat zoude men in dat geval moeten denken van een vreemdeling, die, op nietige schijnredenen steunende., zich verstoutte te loochenen, dat Karei de Groote werkelijk de insteller van dat gebruik en het daarmede verbonden voorrecht is, die vermetel het bedoelde overoude gebruik als ijdel en krachteloos durfde voorstellen? Zeker zou men over zijne bescheidenheid en schranderheid een allerongunstigst vonnis vellen. En wel met recht. Maar onvergelijkelijk vermeteler en onverstandiger is het, te loochenen, dat de in de gansche Kerk gebruikelijke handoplegging en zalving tot verkrijging van den H. Geest een door Christus ingesteld Sacrament is, daar, gelijk uit het pas gezegde blijkt, dit gebruik van de Apostelen af iu het rijk van Christus op aarde, in de H. Kerk, bestond; daar het in haar ten allen tijde als genade werkend is beschouwd; daar niemand behalve Christus eene zoodanige kracht daaraan kon mededeelen, en de oprecht geloovigen, zoowel van de oostersche als westersche Kerk, Christus altijd als den insteller daarvan erkend hebben. \')
!) De dwaalleeraars der zestiende eeuw kwamen het eerst op de rampzalige gedachte, om het Vormsel uit de rij der door Christus ingebtelde Sacramenten weg te nemen. Onze pen weigertj de ergerlijke versmadingen, de godslasterende spotredenen aan te halen, die zij bij gebrek aan bewijsgronden tegen dit H. Sacrament uitspraken. •) Die bespotting der Kerk en harer Sacramenten valt echter op hen zeiven terug. Op de steeds herhaalde opwerping, dat de kerkelijke leer over het H. Sacrament des Vormsels niet steunt op de Schrift, kunnen wij met recht het antwoord geven, wat reeds de H. Hieronymus aan de Luciferianen gat\' niet betrekking tot de zalving, welke door den Bisschop, niet door den gewonen Priester moet verricht worden: //Gij verlangt te weten, waar dat geschreven staat. In de Handelingen //der Apostelen staat het geschreven. En al was er geen getuigenis ,/der Schrift voorhanden, dan toah had in dit opzicht de overeen-//Stemming der geheele wereld kracht van wet.quot; Overigens komen er
*) Zie Buchmanns Symboliek, D. § 40,
177
Wat werkt hei Vormsel uit?
1) Het Vormsel vermeerdert in ons de heiligmakende genade. — Deze uitwerking heeft het H. Vormsel met alle Sacramenten der levenden gemeen, daar het, gelijk vroeger verklaard is, aan elk dezer Sacramenten eigen is, de heiligmakende genade, in wier bezit degene, die deze EH. Sacramenten wil ontvangen, reeds moet zijn , te vermeerderen. De heiligmakende genade is namelijk een hemelsch licht, hetwelk den levenden tempel van den drieëenigen God, de ziel, verlicht; een licht, hetwelk van de oneindige , onuitputtelijke bron van alle licht uitgaat, welks glans dus altijd kan toenemen en bij het waardig ontvangen der bedoelde HH. Sacramenten telkenmale werkelijk toeneemt. Door deze uitwerkselen is het Vormsel wezenlijk onderscheiden van het Doopsel, daar dit niet, gelijk het eerste, de aanwezige heiligmakende genade vermeerdert, maar de nog niet verkregen genade schenkt, en alzoo niet den glans van dat goddelijk licht verheft, maar het ontsteekt.
2) Het Vormsel schenkt ons den H. Geest, teneinde te strijden tegen het kwaad, toe te nemen in het goede, en het geloof standvastig te belijden. — Deze mededeeling van den H. Geest is de bizondere, aan dit H. Sacrament eigen werking der genade, welke ook in de aangehaalde getuigenissen der li. Schrift (Hand. VIII, 14—17 en XIX, 5, 6), der HH. Vaders en Kerkvergaderingen als soodanig wordt aangegeven. Wel ontvangt de mensch ook
in de H. Schrift verscheiden plaatsen voor, welke gelijk later blijken zal met gegronde reden en zonder de letter geweld aan te doen,\' op het H. Sacrament des Vormsels kunnen toegepast worden. De vijanden van dit H. Sacrament zullen dus altijd het bewijs schuldig blijven, dat in de H. Schrift van het Vormsel geen sprake is. Wij bepalen ons hier tot de bemerking, dat de H. Schrift (Hebr. V.I, 1, 2) zoowel de leer over het Vormsel als over het Doopsel en de Biecht onder de voornaamste leerstellingen van het Christendom optelt. Döliinger schrijft in zijn werk „Christendom en Kerkquot; zeer juist; //De brief z/der Hebreen rekent de leer over deze handoplegging (het Vormsel) //tot de eerste leeringen, tot de hoofdartikelen van den christelijken //godsdienst, waaruit het christelijk leven begint, en welke de ge-z/loovige reeds op den drempel der Kerk bij zijne intrede in haar «vindt. Als zoodanige telt hij namelijk op: Boete van doode werken, «geloof aan God, Doopsel, handoplegging, verrijzenis der dooden //en het eeuwige oordeel. Het is dezelfde handoplegging, waarvan //hij de werking aangeeft, als hij zegt, dat de mensch deelachtig is «geworden aan den H. Geest. Kr is dus hier spraak van eene alge-//meene, voor de gemeenschap der geloovigen bestemde instelling, //welke de goddelijke belofte heeft en altijd voortduren moet; want „alleen eene zoodanige kan tot de eerste en fundamenteele beginselen //van de christelijke leer en het christelijk leven behooren,quot;
OEHAKBE, GELOOPSLEER. IV. 3tie DRUK. J 2
178
in het Doopsel den H. Geest, wordt hij daardoor een zuivere, heilige tempel van Hem; maar de volheid van dien Geest van waarheid en sterkte daalt eerst bij het ontvangen van het Sacrament des Vormsel, gelijk eens hij het Pinksterfeest op de Apostelen , in de ziel van den gedoopte neder en deelt hem die verheven mannelijke kracht mede, waardoor de belijder van het christelijk geloof, de strijder van Christus, zich moet onderscheiden. Zeer schoon drukt de geleerde Eabanus Maurus \') deze gedachte uit, als hij de beteekenis der bij het Doopsel gebruikelijke zalving vergelijkt bij de beteekenis van die, welke bij de toediening van het Sacrameut des Vormsels plaats heeft. „De gedoopte,quot; zegt hij, „wordt door den Priester op den „schedel, door den Bisschop op het voorhoofd gezalfd. De „eerste dezer zalvingen duidt aan, dat de H. Geest op den „doopeling is nedergedaald, om hem tot woonplaats Gods „te wijden; de laatste echter beteekent, dat de zeven-„voudige gaven van den goddelijken Geest met alle volheid „van heiligheid, wetenschap en sterkte over den vormeling „komen.quot; Vandaar zegt ook de H. Ambrosius (over de geheimen, hfdst. 7, Nquot;. 42), zich tot een gevormde wendende : „Gedenk, dat gij het geestelijk zegel ontvangen „hebt, den Geest van wijsheid en verstand, den Geest van „raad en sterkte, den Geest van wetenschap en liefde, den „Geest der vreeze; gedenk dat en bewaar hetgeen gij ont-„vangen hebt. God de Vader heeft u gezegeld, Christus „de Heer heeft u gevormd en u het onderpand des Geestes „in uw hart gegevenquot; (2. Cor. I, 22).
De boven beschreven volheid des H. Geestes wordt ons in het H. Vormse.1 by voorkeur geschonken: a) tut den strijd tegen het kwaad. „Want,quot;\' zoo spreekt de roomsche Katechismus (over de werkingen van dit Sacrament) „zij, „die door den Doop Christenen zijn geworden, zijn als „pasgeboren kinderen nog teer en zwak; door het Chrisma „des Vormsels nu worden zij tegen alle aanvechtingen van „het vleesch, de wereld en den duivel gesterkt; hun hart „wordt in het geloof bevestigd, om den naam van onzen „Heer Jesus Christus te belijden en te verheerlijken,quot; Hem namelijk te belijden, zonder zich door de vrees voor vervolging, marteling en dood te laten afschrikken. Ook de Kerkvergadering van Florence leert door den mond van Paus Eugenius IV in het decreet voor de Armeniërs: „ De
\') Dc institut. cleric. 1. 1. c. 39. Het gevoelen van Rabanus heeft des te meer waarde, daar het ook in de verzameling van kanonleke stellingen werd opgenomen. De consecr. d. 5. c. 5.
179
„werking van het Vormsel bestaat daarin, dat de H. Geest „tot versterking wordt gegeven, gelijk Hij aan de Apostelen „op Pinksterdag is gegeven, opdat de Christen man-„haftig den naam van Christus belijde.quot; Dezen Geest van sterkte had de Zaligmaker aan zijne Apostelen , en in hun persoon aan ons allen uitdrukkelijk beloofd, als Hij tot hen sprak: „Ik zende u den beloofde mijns Vaders; „gij nu blijft in de stad, totdat gij bekleed zult worden „met kracht uit den hoogequot; (Luc. XXIV, 49). En (Hand. UI, 8): „Gij zult de kracht ontvangen des H, „Geestes, die over u komen zal.quot; — h) Tot versterking in het goede. De kracht, welke de H. Geest mededeelt aan ieder, op wien Hij in het Sacrament des Vormsels in zijne volheid nederdaalt, dient niet alleen om de vijandelijke aanvallen met kracht en standvastigheid af te weren, en zoo de zonde, waartoe deze aanzetten en verlokken, te vermijden, maar zij strekt bovendien tot volmaking der christelijke deugd; zij rust den Christen met heldhaftigen moed uit, om ter wille der gerechtigheid ook de grootste offers te brengen; zij maakt hem geneigd, zich uit liefde tot God zelfs geoorloofde vreugden en genoegens te ontzeggen , zich zei ven steedg te verloochenen, het vleesch met zijne begeerlijkheden te kruisigen, zich zei ven te versterven, en zoo, van deugd tot deugd, van genade tot genade, tot de volkomen navolging van Jesus Christus op te klimmen. In dezen zin schrijft de H. Bisschop Euche-rius \') (preek op het Pinksterfeest): „Door den H. Geest, „die ons in het H. Vormsel wordt geschonken, leeren wij „het goed onderscheiden van het kwaad, de gerechtigheid „beminnen, naar het eeuwige lev.en en de hemelsche glorie „met vurigen ijver verlangen, ons hart van het aardsche „losscheuren en het altijd op het hemelsche en goddelijke „richten.quot; — Een duidelijk voorbeeld van deze door den H. Geest medegedeelde inwendige kracht in den strijd tegen het kwaad en de versterking in het goed geven ons vooral de HH. Apostelen, die, nadat zij op Pinksterdag met de kracht van boven waren vervuld geworden, het hun vertrouwde Evangelie niet alleen in Judea, maar over de geheele wereld onverschrokken en vrijmoedig verkondigden en het zich tot eene groote gunst rekenden, voor den naam van Christus boeien te dragen, smaad, folteringen en den dood te ondergaan. „De Apostelen,quot; zegt de bovengenoemde Kerkvader, „waren vóór de nederdaling van den
\') Eucherius, Bisschop van Lyon, stierf omstreeks het midden der vijfde eeuw.
12*
180
,.H. Geest zód laf, dat zij hunnen goddelijken Meester ver-„loochenden; maar daarna zóó manhaftig, dat zij den dood ,.niet telden , gaarne hun bloed voor Hem gavenquot; (Verg. Deel II, Bladz. 362).
3) Het Vormsel drukt in de ziel der strijders van Christus, een onuitwischbaar geestelijk merkteeken. — Door het H. Doopsel gaat de mensch het rijk van Christus binnen, en neemt daardoor alle plichten op zich van een goed burger van dit\' hemelsch rijk, van een getrouw onderdaan van Christus, den onsterfelijken Koning der eeuwen. Daar nu het rijk van Christus op aarde, wegens de menigvuldige en onophoudelijke aanvechtingen van den vorst der duisternis en zijne bondgenooten, van de wereld en de booze hartstochten, een rijk van strijd is, zoo behoort het tevens tot de eerste plichten van den Christen, aan dien geestelijken strijd deel te nemen. De openbare en plechtige inlijving in het strijdende leger van Christus geschiedt bij het ontvangen van het H. Sacrament des Vormsels. Daar wordt den nieuwen strijder van Christus het zegel van den grooten Koning en Aanvoerder op het voorhoofd gedrukt en op geheimvolle wijze in de ziel geprent; het kruis, waarmede de Bisschop in Christus\' naam het voorhoofd des vormelings teekent, en het daardoor geschonken geestelijke kenteeken doen hem voortaan voor hemel en hel als een uitverkoren strijdgenoot van Jesus Christus optreden. — Aan die geheimvolle bezegeling is, behalve de verplichting om de wapenen van dea geestelijken strijd voortdurend en onvermoeid te voeren, ook een zeker recht verbonden op de voortdurend daartoe gevorderde inwendige kracht, op de hulp van den Geest van sterkte, welke vooral bij hevige aanvallen der vijanden zoo noodzakelijk is. Want gelijk de goddelijke Voorzienigheid een ieder, wien zij eenige betrekking toevertrouwt, ook de noodige genade schenkt, om die behoorlijk waar te nemen, zoo zal Jesus Christus degenen, die Hij door de inprenting van zijn koninklijk karakter tot een voortdurenden strijd te zijner eere roept en wijdt, ook met de noodzakelijke kracht uitrusten, opdat zij dien gelukkig voeren, en, de voetstappen van hunnen zegevierenden Aanvoerder volgende, eenmaal den palm der overwinning mogen behalen. \') — Met betrekking tot het
!) De bewondoringswaardige kracht, welke Christus aan zijne strijders schenkt, komt ons in het voorbeeld van bijna ontelbare Bloedgetuigen levendig voor oogen. Als een bewijs dieue het volgende voorval. — Ten tijde der vervolging van de Christenen omtrent het jaar 262, leefde te Cesarea in Palestina Marinus, een krijgsman, die zich zoowel door adel en rijkdom als door christelijke deugd onderscheidde. Hij
181
beschreven karakter van het H. Vormsel en de daarmede verbonden genade\'en aanspraak op den noodzakelijken bijstand
was juist op het punt, tot hoofdman bevorderd te worden, toen een mededinger optrad, die hem zocht te verstooten, en daarom voor den landvoogd bij wijze van aanklacht getuigde, dat Marinus de bedoelde plaats niet kon verkrijgen, omdat hij Christen was en als zoodanig weigerde, aan den keizer door het brengen van offergaven goddelijke eer te bewijzen. Spoedig liet Acfceus, zoo heette de landvoogd, Marinus in het verhoor roepen, en deze, gedachtig, dat hij door het H. Vormsel tot krijgsman van Christus was gezalfd, beleed openlijk en vrijmoedig Christen te zijn. De landvoogd gaf hem nu drie uren tijd tot bedenking, of hij zijn geloof verloochenen of de hoofdmansplaats laten varen en liet leven verliezen wilde. Nauwelijks had Marinus het gerechtshof verlaten, toen Theotecnus, de Bisschop van Cesarea, die middelerwijl van dit voorval verwittigd was, tot hem kwam, en zich langen tijd met hem onderhield. Daarna nam de Bisschop den grootmoedigen belijder bij de hand en leidde hem naar de kerk tot aan de trappen van het altaar. Hier trok hij diens krijgsrot ter zijde en wijzende op het zwaard, waarmede Jiarinus omgord was, noemde hij hem alle onderscheidingen en eereposten, welke hij in den dienst des keizers kon verwerven ; vervolgens hield hij hem het Evangelieboek voor en zeide: «Kies tusschen deze beiden. mijn zoon!quot; Zonder zich lang te bedenken, strekte Marinus zijne hand naar het Evangelieboek uit, en verklaarde bereid te zijn, voor den Inhoud daarvan zijn leven op te offeren. Nu sprak de godvruchtige Bisschop tot hem: /,Dien dan, edelmoedige strijder, den Heer, uwen God, dien «Hem trouw en standvastig en verkrijg, door zijne genade gesterkt, „wat gij verkozen hebt. Ga in vrede!quot; — De tijd van bedenking was verstreken, en de christenheld verscheen andermaal voor den rechterstoel van den landvoogd. Toen Marinus nu even standvastig en bepaald als te voren zijn geloof aan Jesus Christus beleed, werd hij veroordeeld door het zwaard te sterven en terstond daarop onthoofd. Dit feit verhaalt Eusebius, toenmalig Bisschop van Cesarea, in wiens tijd Theotecnus leefde.
Niet minder leerrijk is ook het voorbeeld van den H. Hormisdas, die met dezelfde edelmoedigheid liever alle tijdelijke goederen wilde verliezen en de uiterste ellende uitstaan, dan ontrouw te worden aan Jesus, zijn hemelschen Koning. Hormisdas was uit eene der aanzienlijkste familiën van Persië gesproten. Als de bloeddorstige Koning Sapor verwittigd werd, dat hij Christen was, riep hij hem voor zijnen rechterstoel en beval hem. God, zijnen Zaligmaker, af te zweren. Hormisdas antwoordde vrijmoedig: „Het is noch billijk, //noch raadzaam, zulke bevelen te geven.quot; „Want,quot; voegde hij er bij, „wie geleerd heeft, den allerhoogsten Heer en God te verdachten en te verloochenen, zal des te eer den Koning verachten, „die maar een sterfelijk mensch is. Als hij, die de macht van den „aardschen Koning niet erkent, den dood schuldig is. hoeveel „zwaarder straffen heeft dan de ongelukkige niet te wachten, die „God, den Schepper van het heelal, verloochent?quot; De Koning, in plaats van de verheven wijsheid dier woorden, gelijk billijk was, te bewonderen, liet den onverschrokken strijder van Christus van alle tijdelijke goederen en eereposten berooven, en veroordeelde hem, zonder eenig ander kleed dan een stuk lijnwaad om de lendenen, de kameelen van het leger te leiden. Geruimen tijd later zag de Koning uit een venster van zijn palcis en bemerkte Hormisdas, die geheel met stof bedekt en door de zon verbrand was. Toen ontstond er eenig menschelijk gevoel in het hart van den dwingeland: de gedachte aan hetgeen Hormisdas vroeger geweest was
182
van den H. Geest, sclirijft de H. Paulus aan de Christenen van Ephese (I, 13 en IV, 30): „Gij zijt bezegeld met den „H. Geest der belofte;quot; en aan de Corinthiërs (2. Ep. I, 21, 22): „Hij nu, die ons met u bevestigd in Christus en ons „gezalfd heeft, is God, die ons bezegeld en het onderpand ,.des Geestes in onze harten gegeven heeft.quot; \')
Wie heeft de macht om te vormen?
De macht om te vormen hebben de Bisschoppen als opvolgers der Apostelen; de Paus kan echter in dringende gevallen deze macht ook geven aan een Priester, die geen Bisschop is.
1) De toediening van het H. Sacrament des Vormsels komt volgens de gewone orde alleen toe aan den Bisschop , daar deze alleen, en niet ieder gewoon Priester, in den eigenlijken en vollen zin opvolger der Apostelen, en bijgevolg hij ook alleen bezitter dier rechten en volmachten is, wier uitoefening, volgens het getuigenis van de Handelingen der Apostelen (VIII), uitsluitend aan .de Apostelen was voorbehouden. Het Concilie van Trente (Zitt, 6. Can. 3. over het Vormsel) stelt deze leer als geloofsregel vast, verklarende: „Als iemand zegt, dat de gewone bedienaar van „het H. Vormsel niet de Bisschop alleen, maar ieder ge-„woon Priester is, hij zij in den ban.quot; Overigens heefr, reeds Paus Eugenius IV in het genoemde Decreet voor de Armeniërs de uitspraak gedaan, dat „de Bisschop de ge-„wone bedienaarquot; is van dit Sacrament, en luider dan
en het zien van den beklagenswaardigen toestand, waarin hij zich thans bevond, sfheen den Koning te treffen. Hij liet den heiligen Belijder roepen, bood hem een linnen kleed aan en sprak tot hem: «Zie toch van uwe hardnekkigheid af en verzaak den Zoon des //timmermans 1quot; Toen ontstak Hormisdas in heilige drift en verontwaardiging; hij nam het hem aangeboden kleed, scheurde het in stukken en wierp het den Koning voor de voeten met de woorden; //Behoud uw geschenk, als ik het met den afval van mijn geloof //moet betalen!quot; Ha dit voorval werd de kloekmoedige strijder van Christus halfnaakt, zooals hij was, door den in toorn ontstoken Koning weggezonden. Hij eindigde zijn heilig leyen in ballingschap (Uit de kerkelijke geschiedenis van ïheodoretus B. 5. hfdst. 39). — Mochten toch alle Christenen, jong en oud, den moed hebben, om hun, die op eene sluw berekende wijze zich beijveren, door geschenken hun geloof, hunne trouw, onschuld en deugd te roovea, koen en bepaald ten antwoord te geven: //Behoud uw geschenk, als //ik het met den afval van mijn heilig geloof, met verraad aan mijne //Kerk, aan mijne burgerlijke en christelijke plichten, als ik het ten „koste mijner onschuld en deugd verkrijgen moet.quot; Het getal der ongeloovigen, der verraders en der zedelijk bedorven menschen zdu in dit geval onvergelijkelijk minder zijn.
\') Zie Menochius en Cornelius a Lapide op deze plaats.
183
alles spreekt het algemeen, tot de Apostelen toe opklimmende gebruik der H. Kerk, waarop reeds Paus Innocen-tius I in zijn schrijven aan Decentius zich beriep, als hij zeide: „De Bisschoppen alleen hebben de macht om te „vormen, den H. Geest mede te deelen; dit is bewezen „niet alleen door het gebruik der Kerk, maar ook door „de Handelingen der Apostelen waar gezegd wordt, dat „Petrus en Joannes zijn afgezonden, om den H. Geest te „schenken aan hen, die (in Samarië) waren gedoopt.quot; \') — Uit de beslissing der Kerkvergadering van Trente, volgens welke de Bisschop alleen de gewone bedienaar van het H.
\') Er is voorwaar niets, waarover de Christen zich meer moet schamen, dan over die ten huidigen dage, helaas! al te dikwijls voorkomende ongelukkige flauwheid, welke hem weerhoudt, het katholiek geloof vrij en opelijk te belijden en volgens de leerstellingen des geloofs zijn leven in te richten. Eene grootere karakterloosheid, dan die, welke zulke Christenen toonen, is nauwelijks denkbaar. In het gezelschap van vrijdenkers, belletristen, godsdienstspotters en wellustelingen lachen zij om hetgeen zij in hun hart voor heilig houden, spotten zij met alles, wat eerbiedwaardig is, verwerpen door woorden en gebaren, wat zij inwendig moeten billijken. Zoo spelen zij met een valsch geweten de aangeleerde rol van vrijgeesten, om den bijval van dezen te winnen, en roemen er op, leerlingen van godloochenaars, deïsten en pantheïsten te wezen, terwijl zij blozen van schaamte, als men hen aanziet voor geloovige leerlingen van Jesus den Gekruisigde, voor getrouwe kinderen der katholieke Kerk. Schandelijke schaamte! Zulke Christenen mogen bij een Heiden ter school gaan en daar leeren, dat zij verdienen zelfs door hen veracht te worden, en dikwijls ook zeer veracht worden door degenen, naar wier gunst zij haken, van wie zij door laf verraad hunner eigen heilige overtuiging een goedkeurend lachje verkrijgen. — Conslantius Chlorus, de vader van Constantijn den Groote, had, ofschoon hij zelf Heiden was, onder zijne hovelingen een aanzienlijk getal Christenen. Op zekeren dag kwam het hem in de gedachte, hun geloof op de proef te stellen. ïot dat einde vergaderde hij allen bij zich, richtte woorden tot hen, welke zeer geschikt waren, om hen op het dwaalspoor en in de verzoeking tot afval des geloofs te brengen; eindelijk vorderde hij van elk afzonderlijk, zich over zijn gevoelen te verklaren. Eenigen van hen, door menschenvrees en andere tijdelijke inzichten beheerscht, waren beducht voor hun geluk en brachten, om het te verzekeren, hunnen godsdienst schandelijk ten offer; het grootste deel verklaarde zich echter luide voor Christus. Nu eerst gaf Constantius zijne wezenlijke bedoeling te kennen, schonk den getrouwen wegens hunne edelmoedige standvastigheid den schoonsten lof en hekelde met levendige verwijten de lalfe en strafbare zwakheid der anderen. /,Hoe kunnen «dezenzeide hij, vaan den Keizer onverbreekbare trouw bewijzen, //daar zij meineedig en trouweloos jegens hun God zijn?quot; Hij joeg ze nu, als zijn dienst onwaardig, uit zijn paleis, terwijl degenen, die hij bereid had bevonden, om liever alles dan hun geloof te verzaken, als zijne getrouwste dienaren werden aangezien, in hunne betrekking bleven en zich later altijd met zijne gunst en zijn vertrouwen vereerd zagen. //Het zijn menschen van karakter,quot; zeide hij; //getrouw aan „hunnen God, zullen zij het ook hunnen vorst wezen.quot; Dit treffend voorval verhaalt ons de bovengenoemde Eusebius in zijne kerkelijke geschiedenis.
184
Sacrament des Vormsels is, volgt geenszins, dat een gewoon Priester geen huiiengemon bedienaar kan zijn, want zij veronderstelt, dat er ook een bedienaar van het Vormsel zijn kan, die geen Bisschop is. Paus Eugenius IV (t. a. p.) leert duidelijk hetzelfde. Nadat hij gezegd heeft, dat de Bisschop de gewone bedienaar des Vormsels is, voegt hij er terstond bij: „men leest echter, dat somtijds met be-„williging van den apostolischen Stoel om gegronde en zeer „dringende redenen een eenvoudig Priester met het door den „Bisschop bereide Chrisma dit Sacrament des Vormeis heeft „toegediend.quot; Een gewoon Priester kan dus, — bijv. in ver verwijderde Missiën, waar de Bisschop slechts hoogst zelden of slechts met de grootste gevaren en moeielijkheden zou kunnen komen, en waar voor de geloovigen, om eene uitgebroken vervolging van de Christenen of om andere dergelijke oorzaken, de hemelsche versterking van dit H. Sacrament bizonder noodzakelijk geacht wordt, — met pauselijke machtiging het Sacrament des Vormsels toedienen , maar moet zich van het door een Bisschop bereide Chrisma bedienen. Een doorslaand bewijs voor deze leer levert eveneens het gebruik der grieksche Kerk, waar ook de Priesters vormen. Want ofschoon dit gebruik in het Concilie te Plorence, als met dat der latijnsche Kerk niet overeenstemmend, ter sprake kwam, werden de Grieken deshalve toch niet tot eene andere handelwijze aangezet, maar als rechtgeloovig in de latijnsche Kerk aangenomen. Zij bleven ook later bij dat gebruik met stilzwijgende goedkeuring van den H. Stoel.
Hst welke ceremoniën dient de Bisschop het Vormsel toe, en wat heteelceuen deze?
Eerst strekt hij de handen over alle vormelingen uit en roept den H, Geest over hen af; dan legt hij elk afzonderlijk de hand op en zalft hen met het H. Chrisma; aan het einde geeft hij allen tezamen den heiligen zegen.
Al deze ceremoniën worden gewoonlijk met groote plechtigheid verricht. De Bisschop komt in witte kleederen, het zinnebeeld van heilige vreugde, aan het altaar, vouwt eerbiedig de handen, en zich wendende naar de vormelingen, die godvruchtig voor hem op de knieën liggen, smeekt hij den H. Geest over hen af, biddende: „De H. Geest kome „over u, en de kracht des Allerhoogsten beware u voor „zonden, Amen.quot; Na dit gebed en eenige korte aanroepingen , welke de Bisschop met de Priesters beurtelings verricht, strekt hij zijne handen over alle vormelingen uit
185
en zegt: „Almachtig, eeuwig God! die u gewaardigd hebt „deze uwe dienaren uit het water en den H. Geest te doen „herboren worden, en hun de vergeving van alle zonden „te geven, stort over hen uwen Geest uit met zijne zeven „gaven, uwen H. Vertrooster van den hemel. Amen. Den „geest van wijsheid en verstand. Amen. Den Geest van „raad en sterkte. Amen. Den Geest van wetenschap en „godsvrucht. Amen. Vervul hen met den Geest uwer „vreeze en teeken hen met het teeken van het kruis van „Christus en wees hun genadig ten eeuwigen leven. Door „denzelfden Jesus Christus onzen Heer,quot; enz. Hierop gaat de Bisschop tot eiken vormeling afzonderlijk (of laat elk afzonderlijk voor zich komen) steekt den duim in het Chrisma, en zalft, de voorhand op het hoofd van den vormeling leggende, in den vorm van een kruis het voorhoofd met de woorden: „N. Ik teeken u met het teeken des „kruises en bevestig u met het Chrisma der zaligheid in „den naam des Vaders,quot; enz. Eindelijk geeft de Bisschop den vormeling een zachten kaakslag en zegt: „Vrede zij „met u.quot; Nadat alle aabwezige vormelingen gevormd zijn , bidt de Bisschop, naar het altaar gekeerd, met gevouwen handen: „o God, die aan uwe Apostelen uwen H. Geest „gegeven en gewild hebt, dat Hij door hen en hunne op-„volgers aan de andere geloovigen worde medegedeeld! Zie, „genadig op den dienst onzer nederigheid en geef, dat de „harten van hen, wier voorhoofd wij met het H. Chrisma „gezalfd en met het teeken des H. kruises geteekend hebben, „doordat de H. Geest over hen nederdale en zich gewaar-„dige in hen te verblijven, een volmaakte tempel uwer „heiligheid zijn. Gij, die met den Vader en denzelfdea „H. üeest, gelijk God, leeft en regeert van eeuwigheid „tot eeuwigheid. Amen.\'* Daarop zegt de Bisschop: „Zie, „zoo wordt ieder mensch gezegend, die den Heer vreest;quot; en tot de vormelingen zich wendende en het kruisteekeu over hen makende, bidt hij ten slotte: „De Heer uit Sioa „zegene u, opdat gij de schatten van Jerusalem moogt zien alle dagen uws levens en het eeuwig leven hebben. Amen.quot;
Wat het zichtbare teeken is, waardoor, volgens de instelling van Christus, de onzichtbare genade wordt medegedeeld, is bij het Sacrament des Vormsels niet mot dezelfde zekerheid als bij het Doopsel aan te geven, daar namelijk noch de H. Schrift, noch de apostolische Overlevering het bedoelde teeken uitdrukkelijk en nauwkeurig bepaalt. — In de H. Schrift lezen wij wel, dat de Apostelen den H. Geest door handoplegging mededeelden; dit geeft ons echter geenszins recht om te besluiten, dat zij niet te zelfder tijde de zalving deden. De HH. Vaders van hunnen kant gewagen, wanneer er van het Vormsel spraak is, nu eens van de oplegging der handen, dan weer alleen van de zalving mot Chrisma: eene omstandigheid, welke
186
ons voldoende reden geeft om aan te\' nemen, dat de zalving steeds met de handoplegging en deze met gene is gepaard gegaan, en beide tevens als liet eenige zichtbare teeken van het Vormsel zijn beschouwd. Dat echter niet de algemeene oplegging der handen, welke bij het begin des Vormsels plaats heeft, waarbij namelijk de Bisschop over alle vormelingen, onder aanroeping van den H. Geest, de handen uitstrekt, een wezenlijk bestanddeel van het zichtbare teeken en bijgevolg van het Sacrament des Vormsels is, blijkt reeds daaruit, dat de vormeling, die bij de bedoelde handoplegging niet tegenwoordig, maar toch gezalfd is, later niet, zelfs niet onder voorwaarde, gevormd wordt; terwijl degene, die daarbij tegenwoordig, maar niet gezalfd was, als niet gevormd beschouwd en bijgevolg onder voorwaarde gevormd moet worden. Zoo is het kerkelijk gebruik, \') en de Kerk, welke bij de toediening der HH. Sacramenten door den H. Geest geleid wordt, zou zeker anders handelen, als zij het wezenlijke van het sacramenteele teeken des Vormsels in iets anders dan in de zalving met het H. Chrisma en de daarmede verbonden handoplegging beschouwde. -) Volgens het romeinsch gebruik rust, bij de bediening van het Vormsel, gelijk reeds boven bij de ceremoniën is opgemerkt, de voorhand van den Bisschop op het hoofd des vormelings, terwijl zijn duim het voorhoofd van dezen in den vorm van een kruis zalft. Toch wordt deze handoplegging op het hoofd niet als eene noodzakelijke voorwaarde tot de geldige bediening van dit Sacrament beschouwd, omdat de beschreven zalving van het voorhoofd, als een voornaam deel des hoofds, reeds eene soort van handoplegging insluit en genoegzaam de mededeeling van den H. Geest afbeeldt. — Daar er echter ten\' aanzien van hetgeen tot het wezen des H. Vormsels behoort onder de Godgeleerden nog groot verschil van gevoelen heerscht, en bovendien alle plechtigheden van het Vormsel zeer geschikt zijn, om den vormeling op de hoogere beteekenis en heilzame kracht van dit H. Sacrament opmerkzaam te maken en hem tot het waardig ontvangen er van voor te bereiden, mag niemand verzuimen, terstond in het begin, als de Bisschop over allen de handen uitstrekt, en ook aan het einde, als hij den zegen geeft, tegenwoordig te wezen. En hieraan moet eenieder des te meer waarde hechten, daar de gebeden, welke de Bisschop in den naam der H. Kerk verricht, en de zegen, welken hij als plaatsbekleeder van Christus uitdeelt, reeds in zich eene bizondere kracht bezitten, om de volheid der genaden en de gaven des H. Geestes over ons af te smeeken.
Er blijft nog over, de beteekenis der voornaamste van de boven beschreven ceremoniën te verklaren
1) De handoplegging ging reeds in het Oude Verbond gepaard met het plechtige gebed, hetwelk men voor anderen verrichtte, en met den zegen, welken men hun schonk. Zij beteekent in het algemeen, dat de biddende of zegenende den wensch en wil heeft, om aan hen, voor wie hij tot God om genade en zegen smeekt, deze goederen, voor zoover het in zijne macht is, ook werkelijk mede te deelen.
lt;) Benedictus XIV de synod. Dioec. L. XIII: c. 19. n. 16.
2) In dien zin noemt Hugo van St. Victor, een der eerwaardigste Godgeleerden (gestorven 1141), het Vormsel een Sacrament, quo Christianus unctione Chrismatis per impositionem manus in fronte signatur. L. II: de Sacrament, p. 7. c. 2.
187
Met deze bedoeling legde de stervende Patriarch Jacob zijne handen op de zonen van Joseph (1 Moz, XLVIII), en ook de Patriarchen van het Nieuwe Verbond, de HH. Apostelen, bedienden zich (volgens het getuigenis van de Handelingen der Apostelen) van de handoplegging ter mededeeling van den H. Geest. — Vandaar dan ook de herhaalde handoplegging bij de toediening van het Vormsel. l)ie, welke in het begin plaats heeft, is de plechtige uitdrukking van den wensch des Bisschops , dat de H. Geest op zgn gebed en door zijne tusschenkomst op den vormeling moge nederdalen, terwijl die, welke met de zalving gepaard gaat, aanduidt, dat Hij werkelijk op de vormelingen nederdaalt en op hen rust.
2) De zalving, welke bij de toediening van dit H. Sacrament plaats heeft, is in alle deelen van groote beteekenis. Het uit olijfolie en balsem bereide en door den Bisschop op Witten Donderdag gewijde Chrisma (van het grieksche chrisma, d. i. zalf,quot; waarmede de bedoelde zalving voltrokken wordt) verbeeldt de bij het Vormsel plaats hebbende mededeeling des H. Geestes, wiens verschillende werkingen door de eigenschappen van de olie en den balsem worden aangeduid. — a) De vetheid van de olie verbeeldt volgens het bijbelsch spraakgebruik de volheid, in welke de H. Geest verleend wordt. — Deze eigenschap van de olie, krachtens welke zij zacht en aangenaam vloeit, losse stoffen, over welke zij uitgestort wordt, doordringt en daarin onuit-wischbare sporen achterlaat, beteekent de geheimvolle uitstorting van den H. Geest in het hart van den gevormde, het doordrongen worden zijner ziel van de goddelijke genade , het onuitwischbaar kenteeken, hetwelk het Vormsel daarin drukt. De verdere eigenschappen van de olie, om het vuur te voeden, ons te verlichten en te verwarmen, de smart te lenigen en de wonden te genezen, duiden op goddelijke liefde meer en meer ontvlammende, alsmede op de troostende en genezende genadewerking van den H. Geest. De eigenschap eindelijk, welke de olie heeft, om de ledematen van het lichaam te versterken, buigzaam en vlug te maken, beteekent de hoofdwerking van den H. Geest in het H. Sacrament des Vormsels, namelijk de inwendige versterking, welke verleend wordt teneinde tegen de vijanden der zaligheid te strijden. Immers het is aan dit H. Sacrament eigen, aan hen, die het ontvangen, hoogere kracht en sterkte mede te deelen, opdat zij, als geheiligde strijders van Jesus Christus, bij alle bekoringen manhaftig en met volharding strijden, en de vijanden hunner eeuwige zaligheid dooreen vlug hanteeren der wapenen, d. i. door eene bereidwillige
188
en nauwgezette vervulling van alle bevelen van hunnen Aanvoerder, zegevierend wederstaan. — h) Met de olijfolie wordt balsem, d. i. welriekend, witachtig en doorschiinend sap van hars van don arabischen balsemstruik of dergelijke geurige vochten vermengd, „om aan te toonen, dat den „vormeling de genade verleend wordt, zich rein te bewaren „van bet bederf der wereld en door een godvruchtigen „levenswandel den geur van deugd te verspreiden.\'\' Gelijk nameliik de natuurlijke balsem tegen bederf en vernietiging bewaart en een aangenamen reuk verspreidt, zoo zal ook de hemelsche balsem der genade den gevormde voor bet geestelijk bedprf en den dood, voor de zonde bewaren, en door de heilige gevoelens en werken, waartoe de genade hem aanzet, bekwaam maken, om, volgens de vermaning van den Apostel der wereld, „een goeden geur van Christus „te wordenquot; (2. Cor. II, 15). Deze dubbele beteekenis van den balsem wordt in de kerkelijke wijding van het Chrisma aangegeven, daar de Bisschop bidt; „G-od moge „aan het Chrisma de kracht des H. Geestes schenken, „opdat door de daarmede ondernomen zalving het bederf „der eerste geboorte verdwijne, en de ziel van eiken ge-,,,zalfde, als een heilige tempel, den aangenamen geur van „een onschuldig leven verspreide.quot;
3) Het TcruuteeTcen, hetwelk de Bisschop met het H. Chrisma op het voorhoofd des vormelings maakt, duidt aan, dat de Christen zich nooit voor het kruis mag schamen, maar zijn geloof aan Jesus den Gekruisigde zonder vrees belijden moet, met de grootmoedige genegenheid van den Apostel, die zegt: „Ik schaam mij niet het Evangelie „(de leer van Jesus, den Gekruisigde), want het is eene „kracht Gods tot zaligheid voor eenieder, die gelooftquot; (Kom. I, 16), Het kruis stelt ons den inhoud van geheel het christelijk geloof, het kort begrip van alle leeringen van Jesus Christus, het verhevenste voorbeeld zijner goddelijke deugden voor oogen; het is de roemvolle banier van onzen aanbiddenswaardigen Verlosser. V/ie zich over het kruis schaamt, die schaamt zich dus over Jesus Christus, zijnen Verlosser en God zeiven. Beteekenisvol alzoo is het merkteeken, waardoor Christus zijne uitverkoren strijders onderscheidt, en van niet minder beteekenis is het, dat dit eerbiedwekkend, zegen-belovend teeken op hunne voorhoofden gedrukt wordt. Want daar het voorhoofd het vooruitstekendste, voor aller oogen zichtbare deel van \'s menschen gelaat is, zoo is het dragen van het kruis op het voorhoofd niets anders, dan openlijk en voor geheel de wereld het geloof aan Jesus, den Gekruisigde, zonder
189
eenige vrees en schaamte belijden, i) In dien zin spreekt Paus Eugenius IV: „Omdat het voorhoofd de natuurlijke , zetel der schaamte is, wordt de Christen daarop gezalfd, „opdat hij zich den naam van Christus en zijn kruis, „hetwelk voor de Joden eene ergernis is, niet schame.quot; En reeds lang tevoren bad de H. Augustinus (Verkl. 4. over den 30 Psalm) dezelfde gedachten uitgesproken meï de woorden: „Niet zónder reden wilde Christus zijn zegel „op ons voorhoofd, den zetel der schaamte , gedrukt hebben; „Hii wilde dit, opdat wij, Christenen, ons niet over zijne „versmading zouden schamen.quot;
4) Ook de lichte kaakslag, welken de Bisschop na de volbrachte zalving den vormeling geeft, is niet zonder diepen zin. Deze is als \'t ware de christelijke ridderslag en zegt den jeugdigen strijder van den hemelschen Koning, dat hij nu gesterkt is en verplicht, ter wille van den naam van Jesus alle onrecht geduldig te verctragen. Zoo leert ook de II. Carolus Borromeus, als hij zegt: De gevormde 5, Christen moet weten, dat hij nu een soldaat is geworden „van Christus, wiens strijd en zege niet in het toevoegen, ..maar in het geduldig verdragen van onrechtvaardigheden „bestaat; hij moet weten, dat hij, in den christelijken
\') De Christen begaat zeker eene zware zonde, als hij het H. Vormsel niet ontvangt, omdat hij dit H. Sacrament niet telt of veracht; desgelijks als hij door zijn verzuim voldoende reden geeft tot liet vermoeden, dat hij dit H. Sacrament veracht; want daardoor geeft hij eene niet geringe ergernis. — Bezondigt men zich ook zwaar, als men het H. Vormsel uit nalatigheid of onverschilligheid niet ontvangt, ofschoon men eene gunstige gelegenheid en den gevorderden ouderdom heeft? Verscheidene Godgeleerden beantwoorden deze vraag bevestigend, daar zij beweren, dat Christus het verlangt, de Kerk bet gebiedt, en de zorg voor zijne eigen zaligheid daartoe dringend vermaant. Anderen daarentegen geven een ontkennend antwoord, door te zeggen, dat geen eigenlijk streng gebod van Christus of de Kerk kan aangetoond worden, en het den Christen in den regel niet aan andere krachtige middelen ontbreekt, om de bekoring te overwinnen en zalig te worden. De H. Ligorio voert in zijne moraaltheologie (Deel VI. n. 181, 182) de redenen voor beide gevoelens aan en zegt ten slotte, dat het ontkennende antwoord thans niet aannemelijk genoeg voorkomt, na de uitspraak van Benedictus X[V in de bulle; Ëtsi pastoralis § 3. Deze geleerde Paus verklaart aldaar het Vormsel, hetwelk door grieksche Priesters in Italië en aangrenzende eilanden werd toegediend, voor ongeldig, en voegt er terstond bij, dat zij, die op gezegde wijze ongeldig gevormd zijn, ;/niet door //dwangmiddelen verplicht mogen worden, om liet Sacrament des ^Vormsels van een Bisschop te ontvangen, in zoover door de toe-//passing van dergelijke maatregelen ergernis zou kunnen worden /,gegeven, vooral daar het H. Sacrament des Vormsels ter zaligheid /«•niet volstrekt noodzakelijk is. Dergelijke ongeldig gevormden moeten //echter door hunne respectieve Bisschoppen geleerd worden, dat zij //zich aan eene zware zonde schuldig maken, als zij bij voorkomende //gelegenheid weigeren, het H. Vormsel te ontvangen.quot;
190
„wapendienst ingelijfd, niet de aangenaamheden en ge-„makken dezes levens, maar veeleer ongemak moet zoeken , „en het hem overkomend lijden geduldig verdragen ; dat „verder de plicht op hem rust, in de gelederen te staan „en, de vijandelijke wapenen in het oog houdende, die „zoo af te weren, dat, ofschoon zij lichaam, eer en tijdelijk „goed schenden , toch de ziel in geenen deele kunnen „schaden.quot; — Als de Bisschop den vormeling den lichten, vaderlijken kaakslag geeft, wenscht hij hem den vrede met de woorden: „Vrede zij met u!quot; Daardoor geeft hij den gevormde te verstaan, dat hij de volheid der hemelsche genade, „den vrede Gods, welke alle begrip „te bovengaatquot; (Phil. 11, 9) , de zoetste vrucht des H. Geestes, ontvangen heeft, en vermaant hem tevens dit kostbaarste aller geestelijke goederen met de , grootste zorgvuldigheid te bewaren. — Vol beteekenis is ook de vereeniging van den vredewensch met den kaakslag, welke als eene voorzegging van den toekomstigen strijd en het lijden is. De ware vrede met God, met zich zeiven, met de evennaasten is dus geenszins onvereenigbaar met den veelvoudigen strijd en de moeielijkheden dezes levens; integendeel zijn het juist deze strijd en dat lijden, welke het meeste bijdragen tot de bewaring en vermeerdering van dien vrede, welken de wereld met al hare goederen en vermaken niet geven kan, maar aan de bezitters tracht te ontrooven.
Is het Vormsel ter zaligheid noodzakelijk ?
Het Vormsel is ter zaligheid niet onvoorwaardelijk noodzakelijk; toch is het zonde, als men het uit nalatigheid of onverschilligheid niet ontvangt.
Het Vormsel is niet, gelijk het Doopsel, noodzakelijk uit noodzakelijkheid des middels. Dit blijkt reeds uit het vroeger gezegde, dat een kind, hetwelk terstond na het Doopsel, zonder het H. Vormsel ontvangen te hebben, sterft, onverwijld het rijk der hemelen binnengaat; ofschoon van den anderen kant de voornaamste Godgeleerden \') niet ten onrechte van gevoelen zijn, dat zulk een kind in den hemel eene minder groote glorie zal genieten dan een, dat gevormd is, omdat het eerste de vermeerdering van genade mist, welke aan het laatste door het ontvangen van het H. Sacrament des Vormeis is ten deel geworden. — Opdat
\') Onder anderen Hugo van St. Victor en met hem de H, Thomas. Sum. 3. q. 72. a. 8. ad. 4.
191
aan niemand zijner onderhoorigen deze grootere genade en de daaraan beantwoordende hemelsche glorie zou ontbreken, stelde de H. Carolus Borromeus zich ten tijde der te Milaan woedende pest dikwijls aan het oogenscbijnlijke gevaar des doods bloot, terwijl hij de door deze ziekte aangetaste kinderen het H. Vormsel toediende. Deze reden alleen zou inderdaad voldoende moeten zijn, om eenieder tot het ontvangen van dit H. Sacrament te stemmen en christelijk gezinde ouders aan te zetten, zorg te dragen, dat hunne kinderen op gepasten tijd worden gevormd. Er zijn overigens nog andere, niet minder gewichtige beweegreden, om zoo te handelen.
1) Vóèr alles is het Christus\' wil, dat wij dit door Hem ingestelde en aan zijne Kerk ter bediening opdragen Sacrament des Vormeis tot onze zaligheid en onze volmaking ontvangen. Daardoor toch wil de goddelijke Verlosser, gelijk weleer aan zijne Apostelen, ook aan ons den Vertrooster, zijnen H. Geest, de bron en uitdeeler van alle genaden zenden, opdat Hij ons evenzeer verlichte, heilige, sterke en met de volheid zijner zeven onwaardeerbare gaven verrijke. \') Zou het nu niet eene onverantwoordelijke lichtzinnigheid zijn, als wij, in plaats van naar dit oneindig kostbaar genadegeschenk vurig te verlangen en het met de grootste dankbaarheid aan te nemen, het niet in aanmerking namen of zelfs snood afwezen ? Bood ons iemand schatten aan, welke door roest en mot verteren en dikwijls genoeg door dieven geroofd worden, wij zouden zeker niet onverschillig zijn voor zulk een aanbod. En naar deze gave van den allerhoogsten God, welke oneindig kostbaarder is, dan alle rijkdommen en schatten der wereld, naar dit genadegeschenk, hetwelk niets minder is, dan de goddelijke Geest zelf, zouden wij uit traagheid, onverschilligheid of nalatigheid niet eens onze hand uitstrekken\'?
2) Eene verdere beweegreden om het H- Vormsel te ontvangen en anderen daartoe op te wekken, is de duidelijk geopenbaarde wensch, de dringende uitnoodiging der 11. Kerk.
Als de beste, voor het geestelijk welzijn harer kinderen bezorgde moeder, is de Bruid van Christus, de H. Kerk, niet tevreden, met ons door het toedienen van het H. Doopsel tot een bovennatuurlijk leven herboren te hebben; zij wil ook dat wij in levenskracht toenemen en tot de volheid
\') De Katecheet mag niet in gebreke blijven, in het voorbereidings-onderricht tot het H. Vormsel op de verschillende genaden, namelijk de zeven gaven en de twaalf vruchten van den H. Geest, terug te komen en op de groote waaide daarvan opmerkzaam te maken. Zie Deel II. Bladz. 373.
192
van den mannelijken leeftijd van Christus opgroeien. Daarom was het ten allen tijde en is het ook heden nog haar vurigste wensch, dat alle geloovigen aan de genade van dit H. Sacrament deelachtig en daardoor tot den zegepralenden strijd tegen de vijanden der zaligheid gesterkt worden, en daarom was het ook altijd haar ernstig streven, te verhoeden, dat in dit opzicht traagheid en verzuim bij de Christenen ingang vonden. „Opdat wij,quot; zegt Petrus Damianus (preek op Kerkwijding), „door onzen lastigen vijand, die onophoudelijk er op uit is ons te schaden, niet ongewapend „en krachteloos worden bevonden, bepalen de kerkelijke „leerstellingen en verordeningen der HH. Vaders, dat men „het ontvangen van het Sacrament des Vormsels niet mag „uitstellen.quot; Niet zelden hebben de Synoden strenge kerkelijke straffen bepaald voor ouders, die verzuimen hunne kinderen bij voorkomende gelegenheid te laten vormen. Zoo werd bijv. zulken ouders tot boete opgelegd, eiken vrijdag op water en brood te vasten, totdat de kinderen gevormd waren, of de ingang tot de kerk werd hun zoolang ontzegd. \') Desgelijks staat er in de oude boetewetten, waarop zich de H. Carolus Borromeus beroept, als hij den ouders hunne verplichting om de kinderen te laten vormen, aantoont: „Wanneer een kind zonder het H. Vormsel „sterft, moeten diens ouders, voor zoover dit door hun „verzuim geschied is, drie jaren lang boete doen,quot;
3) Eindelijk moet de ijver voor zijne zaligheid ieder Christen tot het ontvangen van het H. Vormsel aanzetten. Het woord van den Apostel (2. Tim. III, 12): „Allen, die ..godvruchtig willen leven in Christus Jesus, zullen vervolging lijden,quot; heeft zich altijd bewaarheid, en zal zonder twijfel tot het einde der eeuwen overal en bij eiken Christen in het bizonder bevestigd worden; nooit zullen de duivel en de booze, aan den vorst der duisternis verkochte wereld de dienaren Gods met rust laten. De christelijkte sterkte, die uitstekende gave van den H. Geest, is dus niet alleen voor de Martelaars, maar voor iederen rechtvaardige eene behoefte. De H. Kerk heeft ook in vredestrijd hare Martelaars; want het gansche leven van een Christen, die volgens de voorschriften van het Evangelie leeft, is volgens de uitdrukking van een Kerkvader, „een kruis en een martelaarschap.quot; Al trekt men in onze dagen en in onze landen niet meer, gelijk ten tijde van Nero en Diocletiaan, met vuur en zwaard tegen de belijders des geloofs en de navolgers van het voorbeeld van Christus te velde, toch kan
\') Mariene de antiq. ritib. 1. 1. c. 2 a. 1.
193
men ook hier gelijk elders om het geloof te lijden hebben, en zeker maken vervolgingen van anderen aard ook in onze dagen de openbare en vrijmoedige belijdenis van het christelijk geloof, de voortdurende beoefening der christelijke deugden dikwerf zeer moeielijk. Leugen en bedrog en allerlei verleiding worden ten huidigen dage aangewend, om het ware geloof in \'thart, vooral der onervaren jeugd, te ondermijnen, en alle sporen van christelijke deugd te verbannen. Zoo ooit, dan voorzeker is in onze eeuw van ongeloof en zedenbederf de christelijke sterkte noodig, om het dubbele kleinood van geloof en onschuld uit de vlammen van Sodoma en Gomorrha te redden. Wie zal dan nog aarzelen, door het ontvangen van het H. Vormsel de volheid dier gave van den H. Geest zich eigen te maken? Moet degene, die dit verzuimt, het niet a£in zich zei ven, niet aan zijne eigen schuldige nalatigheid toeschrijven, als hij in het geloof schipbreuk lijdt, als zijne deugd vergaat op de klippen van het slechte voorbeeld en de verleiding? De hier aangevoerde redenen zijn zeker zeer geschikt om eiken Christen aan te moedigen, de voorkomende gelegenheid om dit H. Sacrament te ontvangen niet vruchteloos te laten voorbijgaan. Zij zullen alle godvreezende ouders sterk aansporen , hunne kinderen bij tijds tot het waardig ontvangen van het Vormsel voor te bereiden. Zou hij, die anders handelde, zich in zijn geweten wel vau zonde kunnen vrijspreken? Zou hij niet moeten vreezen, dat hij zich door zulke onverschilligheid jegens de genade, welke God hem ter zaligheid aanbiedt, aan eene zware zonde schuldig maakt? En als men ten tijde, dat er gevormd wordt, zich zeiven niet liet vormen of zijne kinderen niet tot het Vormsel leidde, zou er in dit geval niet alle reden zijn, te duchten, dat men door deze handelwijze geringachting jegens dit H. Sacrament toont en groote ergenis zou geven? l)
!) Ofsclioon het Vormsel een Sacrament der levenden is, evenals het H. Sacrament des Altaars, bestaat toch bij deze beide Sacramenten niet dezelfde verplichting, om te voren te biechten. Met betrekking tot het H. Sacrament des Altaars bepaalt het Concilie van Trente (Zitt. 13 hfdst. 7): „Niemand, die zich eene doodzonde be-//\\vust is, zal, hoezeer ook overtuigd dat liij een volmaakt berouw //daarover heeft, tot de H. Communie naderen, zonder te vorenvhet ,/Sacrament der Biecht ontvangen te hebben.quot; Aangaande het H. Vormsel bestaat geen dergelijk kerkelijk voorschrift. Het romein-sche Pontificaal zegt alleen: //De volwassenen moeten eerst hunne „zonden biechten en daarna het H. Vormsel ontvangen; tenminste //moeten zij over de twijfelachtig groote zonden een volmaakt be-//rouw verwekken;quot; en de kanonieke wet {de confirmations cl. 5. c. 7) verlangt alleen, ,/dat men de vormelingen vermane, voor het Vorm-//sel te biechten, opdat zij zuiver van zonden de gaven des H.
DEIIARBE, GELOOrSLEEK. I\\f 339 DRUK. Jg
194
Eenieder, die gedoopt is, kan liet H. Vormsel geldig en met geestelijk voordeel ontvangen, onverschillig of hij tot de jaren van verstand gekomen is of niet. Zelfs onnoozelen, die noch tot de H. Biecht noch tot de H. Communie mogen worden toegelaten, zijn van het ontvangen van dit II. Sacrament niet vrij, daar ook in hen, gelijk in het algemeen in de onmondigen, het door het H. Doopsel verkregen leven der genade kan vermeerderd worden en werkelijk vermeerderd wordt. — Wat echter de kinderen aangaat, is het ton hnidigen dage in de latijnsche Kerk geen gebruik meer, ze te vormen, alvorens zij de jaren des verstands bereikt hebben, tenzij soms in doodsgevaar of wanneer er eenige andere gewichtige roden bestaat, om in dit opzicht eene uitzondering te maken, bijv. als het te voorzien is, dat de Bisschop in geruimen tijd niet meer zal komen. Want daar die kinderen, die het gebruik der rede missen, tot den geestelijken strijd nog onbekwaam zijn en bijgevolg ook de buitengewone sterkte daartoe niet aanstonds behoeven; terwijl daarenboven de persoonlijke voorbereiding tot het H. Vormsel ter verkrijging van rijkere genade en grootere verdienste zeer veel bijdraagt, is het volgens de opmerking van den roomschen Katechismus //minder nuttig, aan de kinderen, voordat zij «tot het gebruik der rede zijn gekomen, dus vóór hun zevende jaar, //dit H. Sacrament toe te dienen.quot; De tot het ontvangen des H. Vormsels voorgescliroven ouderdom is evénwel in de verschillende diocesen zeer verschillend; de geloovigen hebben zich dus in dit opzicht aan de hun door hunne zielzorgers bekend gemaakte bisschoppelijke verordeningen te houden.
Wat heeft de Chrlüen vóór, onder en na het Vormsel in acht te nemen?
1) Vóór het H, Vormsel moet men: a) zijn geweten tenminste van alle groote zonden zuiveren.
Het H. Vormsel is, gelijk reeds werd verklaard, een
,Geestes mogen ontvangen.quot; De beslissing der vraag, of iemand, die eene zware zonde op zijn geweten heeft, ingeval hij geene gelegenheid had om te biechten, zich van het ontvangen des Vormsels onthouden, of, na het zoo zorgvuldig mogelijk verwekken van een volmaakt berouw, dat H. Sacrament toch werkelijk ontvangen moet, — die beslissing laten wij aan de Godgeleerden over; wij merken echter met Kardinaal Gousset op, (Theol. D. II. n0. 153) »dat //het gevaarlijk en onjuist is, te zeggen, dat men in het laatste ge-//val het H. Vormsel niet ontvangen kan zonder zich aan heiligschennis vschuldig te maken. Ja, al ontving iemand dit H. Sacrament met de /-oprechte meening, van een volmaakt berouw te hebben, ofschoon hij //het werkelijk niet had, zou hij toch, mits hij een onvolmaakt be-,rouw over zijne zonden had, niet alleen geene heiligschennis begaan, jmaar, zooals de H. Thomas, 1) de H. Antonius, de H. Alphonsus //Ligorio en de meeste Godgeleerden leeren, zelfs de genade van »het Sacrament ontvangen.quot; 2) — Des te meer reden heeft dus een Pastoor, om de Vormelingen gerust te stellen, als hun na de Biecht nog eenige zonde inviel, en zij voor het Vormsel niet meer tot den Biechtvader kondon terugkeoren.
1
Sum. 3. q. 73. art. 7.
2
Dit gevoelen steunt op de leer der Godgeleerden, welke de H. Ligorio (ïheol. L. VI. nquot;. 6) kort en duidelijk aangeeft: Sacramenta vivorum aliquando primarn gratiam conferre possunt, scilicet, cum aliquis putans, non esse in statu peccati mortalis, vel existimans se contritum, accedit cum attritions, ad Sacramentum.
195
Sacrament der levenden, en mas? dus alleen in staat van genade worden ontvangen. Dew^l door dit H. Sacrament de Geest van reinheid zelf aan de ziel wordt medegedeeld, moeten wij ons te dringender aangespoord gevoelen, voordat wij dezen hemelschen Gast opnemen, ons hart in een zuiveren, vlekkeloozen tempel te veranderen, en de Christen mag met groot vertrouwen eene des te rijker volheid van genade en gaven verwachten, met hoe meer zorg en vlijt hij zich beijvert, zijne geheele ziel aan Hem gelijkvormig te maken. Vandaar bestaat liet loffelijk gebruik, dat allen die het H. Vormsel ontvangen willen, te voren door het godvruchtig ontvangen van het Sacrament van Boetvaardigheid hun hart van elke zondesmet zuiveren. En deze voorafgaande zuivering des harten door de Biecht moet des te eer geschieden , wanneer de vormeling zich eene zware zonde bewust is. Immers het zou altijd eene zeer gevaarlijke zaak zijn, het op een volmaakt berouw te laten aankomen, ofschoon dit in en op zich zelf tot zuivering van de doodzonde voldoende is. gt;) — h) Moet men in de hoofdwaarheden
\') In het logement eener niet onaanzienlijke stad (zoo verhaalt het augsburgsohe dagblad, 1S51) werd open tafel gehouden. De tafel was met gasten, die tot verschillende standen behoorden, talrijk bezet, doch de officieren van het garnizoen maakten het meerendeel van het gezelschap uit. Het onderhoud was levendig en vroolijk. Eenige oogenblikken later kwam een zeer fatsoenlijk gekleed man de eetzaal binnen, om ook het middagmaal te nemen. Voordat hij aan tafel plaats nam, bleef hij op zijne plaats staan, maakte het kruisteeken en deed een kort gebed. Natuurlijk waren terstond aller oogen op hem gericht. Eenigen zagen geheel bedeesd naar den vreemdeling heen; anderen deelden elkander hunne opmerkingen mede: de meesten trokken den mond tot een spotlach samen, hetgeen spoedig in een luid geschater overging. De jeugdige mensch, wien de oorzaak van deze in het oog vallende handelwijze niet ontgaan was, zag bedaard om zich heen. /Mijne Heeren,^ zeide hij vervolgens met eene deftige houding, ,/Mijne Heeren, waarom lacht gij zoo //algemeen? Heb ik u aanleiding tot dezevroolijkheidgegeven? //Moet /,men niet lachen,quot; antwoordde een jeugdig officier, /,als gij zulke //grimmassen maakt?quot; //Zoo, is dat de reden, die u doet lachen?quot; hernam de vreemdeling ernstig; //Weet, Mijnheer, dat het in het //geheel niet heldhaftig is met veertig personen over iets te lachen; //maar in weerwil der bespotting van een geheel gezelschap te doen »wat plicht en geweten gebieden, dat is een man waardig. Ik ben ,/Katholiek, ik schaam mij mijn geloof niet en dank God gaarne «voor de gaven, welke zijne goedheid mij schenkt.quot; — Thans heerschte er eene poos een diep stilzwijgen in het gezelschap; de jeugdige officier zag verlegen zijne kameraden aan, totdat de vreemdeling het eerst een ander gesprek op het tapijt bracht, en toonde een zeer welopgevoed en kundig man te wezen. Toen hij een weinig vroeger dan de anderen van tafel opstond, het kruis maakte en tot dankzegging bad. lachte niemand; de meesten zwegen en hielden zelfs een oogenblik op met eten. Groetende naar alle kanten en vriendelijk terug begroet verliet de edele man de eetzaal. — Ga heen en doe ook zoo.
13*
196
des geloofs, voornamelijk in hetgeen het Vormsel aangaat, zich goed laten onderrichten. Daar het H. Vormsel vooral ten doel heeft, hoogere kracht en sterkte ter belijdenis des geloofs te schenken, is het noodzakelijk, dat de vormeling goed wete, welke hoofdwaarheden hij voortaan, zelfs met opoffering zijns levens, moet belijden. Wat de christelijke leer des geloofs, welke op het Vormsel zelf betrekking heeft, in het bizonder aangaat, deze zal er gewis veel toe bijdragen, om in het hart van den vormeling een grooten eerbied en eene ware hoogachting voor dit H. Sacrament * op te wekken, en hem tot het waardig ontvangen daarvan voor te bereiden. De vormeling moet er zich dus ernstig op toeleggen, het onderricht over het H. Vormsel met groote oplettendheid bij te wonen, en de medegedeelde leer diep in zijn geest en hart te prenten. — c) Moet men naar de genade van den H. Geest een hartelijk verlangen koesteren, en derhalve gebeden en goede werken verrichten. Dit hartelijk verlangen naar de genaden en gaven des H. Geestes is als de voorwaarde en de maatstaf van de mededeeling dier gaven; het opent het hart voor den hemelschen genadestroom, maakt het, door de zucht naar het aardsche en vergankelijke te onderdrukken, voor eene grootere maat van goddelijke liefde vatbaar; het wekt eindelijk den vormeling op, door gebed, vasten, aalmoezen en andere werken van godsvrucht reeds lang te voren zich tot de genadevolle komst van den Geest van vertroosting voor te bereiden, gelijk de Apostelen deden, die negen dagen lang met Maria, de Moeder des Heeren, zich afzonderden en volhardden in het gebed (Hand. I, 14), totdat de beloofde H. Geest op hen nederdaalde.
2) Terwijl men in de Kerk is Om het H. Vormsel te ontvangen , moet men: «) vurig bidden om de gaven des H. Geestes; h) Gode beloven, als een goed Christen te zullen leven en sterven. Is de gelukkige dag aangebroken, waarop de hemel zich opent, en de Geest van zuiverheid en sterkte in het H. Sacrament des Vormsels over den Christen nederdaalt, dan moet hij niet alleen inwendig, maar ook uitwendig rein zijn, uit eerbied voor dat H. Sacrament net, maar niet met opschik gekleed, het gelaat zorgvuldig gereinigd, het voorhoofd vrij van haren, in de kerk verschijnen en daar met den Bisschop zijn vurig gebed ter verkrijging van den H. Geest en zgne zeven gaven vereenigen. Tot de beurt aan hem komt, behoort de vormeling onophoudelijk te smeeken om den H. Geest met de woorden der H. Kerk: „Kom H. Geest, zend van uit „den hemel een straal van uw licht; kom Vader der armen,
197
„kom Uitdeeler der gaven, kom Licht der hartenen derg. meer. Nadert hij vervolgens den Bisschop om gezalfd te worden, dan zorge hij den ijver van zijn gebed te verdubbelen en de H. zalving met allen mogeiijken eerbied en aandacht te ontvangen. Na de gedane zalving wachte hij zich, alvorens het voorhoofd is afgeveegd, dit, als hy soms het kruisteeken maakt, aan te raken; ook denke hij vooral aan de verplichting, welke hij op zich heeft genomen, als een uitverkoren strijder van Christus, geteekend voor hemel, aarde en hel met het zegel des Heeren, te leven en te sterven. Hij herhale deze heilige belofte, totdat allen gevormd zijn, dikwijls en vurig, opdat de gedachte daaraan des te dieper en levendiger in zijn geest worde geprent; ook verzuime hij niet, Gods genade te smeeken, om den eed van trouw, aan Christus, zijn hemelschen Koning en Aanvoerder, gedaan, nimmer te breken.
3) Na hei 11. Vormsel ontvangen te hebben moet men in de kerk blij ven totdat de Bisschop den laatsten zegen heeft gegeven, en a) God ootmoedig danken; h) den dag verder godvruchtig doorbrengenc) de genade des H. Geestes door een voortdurenden strijd tegen de vijanden der zaligheid en door ijver in het goede bewaren en vermeerderen. — Is de weldaad groot, welke de Christen in het H. Vormsel heeft ontvangen, groot en innig moet ook het gevoel van dankbaarheid zijn, hetwelk na het ontvangen van dit H. Sacrament zijn hart doordringt. In waarheid, als de vormeling ernstig bedenkt, dat hem de H. Geest met de volheid zijner genaden en gaven is medegedeeld, moet hij dan niet vol ootmoedige erkentelijkheid uitroepen: „Wat zal „ik den Heer wedergeven voor zijnen H. Geest, dien Hij „mij zoo genadevol heeft geschonken ?quot; Moet hij niet op den dag van het H. Vormsel die verheven uitdrukking van de innigste dankbaarheid dikwijls herhalen? Moet hij den dag des H. Vormsels niet voor een der schoonste zijns levens houden en dien zeer godvruchtig doorbrengen ? Als iemand een kostbaren balsem in eene brooze vaas moet overdragen, dan doet hij dit met de grootste voorzichtigheid en behoedzaamheid, eu zet daarna de vaas zorgvuldig achter slot en grendel weg, opdat alle gevaar van breken ver verwijderd zij. Hoeveel meer reden heeft de gevormde, die de genade van den H. Geest, dien goddelijken balsem der ziel, in het brooze vat zijns harten heeft ontvangen, op den dag van het H. Vormsel, met angstige voorzichtigheid te wandelen en alles zorgvuldig te vermijden, wat hem het verlies daarvan zou kunnen berokkenen? Daarbij
198
moet echter de ijver van den gevormde zich niet bepalen. De met het kenteeken van den Koning der koningen ge-teekende Christen moet er immer op bedacht zijn, door voortdurenden tegenstand in den vcelvuldigen strijd tegen de vijanden der zaligheid, zijn hart tot eene blijvende ■woning voor zijn hemelschen Gast te maken, en Hem eene steeds volmaakter heerschappij over al zijne neigingen en gevoelens te geven. Wie zoo handelt, zal niet alleen de genaden en gaven des H. Geestes bewaren, maar ook aan diens liefelijke vruchten, „van liefde en vreugde, vrede, „geduid, milddadigheid, goedheid, lankmoedigheid, zacht-,,moedigheid, trouw, matigheid, onthouding en zuiverheidquot; (Gal. I, 22, 23), in hooge mate deelachtig worden.
Volgens een zeer oud kerkelijk gebruik is men gewoon ook bij het Vormsel peter of meter te nemen, die de vormelingen tot het Vormsel opleiden, en hen later in den geestelijken strijd, waartoe zij door dit Sacrament worden ingelijfd, met raad en daad moeten bijstaan. Want als jeugdige krijgslieden, die bestemd zijn, tegen de vijanden van hun aardschen Koning te strijden, een leermeester behoeven, die lien door raad en daad onderricht, om in een hevig gevecht de slagen hunner vijanden te ontwijken en op hunne beurt aan dezen doode-lijke wonden toe te brengen: ;,hoe veel te meer,quot; merkt de roomsche Katechismus op, ^zullen de geloovigen, die door het H. Sacrament „des Vormsels tot den geestelijken strijd bestemd en uitgerust worden, //een helper en leidsman behoeven? Met recht worden dus ook bij //het toedienen van dit Sacrament peter of meter toegevoegd.quot; Ook het romeinsche Pontificale gaat van de veronderstelling uit, dat bij het Vormsel aan den vormeling, gelijk bij het Doopsel aan den doopeling, een peter wordt gegeven. ïen aanzien van de plichten en eigenschappen van de peters des Vormsels geldt naar evenredigheid hetzelfde, wat aangaande de peters des Doopsels is gezegd. „De //peters van het Vormsel moeten dus katholiek, van een onberispe-//lijken levenswandel en van dien ouderdom zijn, dat zij de op hen «als peters rustende verplichtingen kunnen vervullen.quot; Gelijk bij het Doopsel, zoo ontstaat ook hier tusschen den peter en den ge-vormden persoon en diens ouders eene geestelijke maagschap, en bijgevolg ook, om de boven verklaarde\' redenen, een huwelijksbeletsel. Wegens die geestelijke maagschap mogen de ouders geen peters hunner kinderen, desgelijks de man geen peter zijner vrouw en omgekeerd de vrouw niet de meter van haren man wezen. — Om de huwelijksbeletselen niet te vermenigvuldigen, wordt er slechts één peter toegelaten, die welstaanshalve van dezelfde kunne moet zijn als de vormeling. Ook mag dezelfde persoon geen peter bij het Vormsel en het Doopsel van hetzelfde kind wezen, of met andere woorden: de peter van het Vormsel moet een ander zijn, dan de peter van het Doopsel. Wie zelf nog niet gevormd is, kan geen peter bij het Vormsel wezen; de reden dezer bepaling geeft de H. Thomas *) in de volgende woorden aan: /.Ofschoon de gedoopte een lid van //Christus is geworden, is hij toch nog niet in het strijdende leger «van Christus ingelijfd, en derhalve wordt hij aan den Bisschop, als //den christelijken aanvoerder, door een der reeds ingelijfden voor-//gesteld.quot; De peter van het Vormsel is gewoon, volgens het tegen-
!) Sum. 3. q. 72 è 10 ad. 2.
199
woordig gebruik, de rechterhand op den rechterschouder des vormelings te leggen, ten teeken, dat hij voor hem instaat, dat hij hem zal bewaken en tot den strijd aanvoeren. \')
\') Zoo verheugden zich de Martelaars der eerste christeneeuwen, zoo ook in de zeventiende eeuw de talrijke Bloedgetuigen der Kerk van Japan; dezen, zoowel als genen, verblijdden zich, dat het hun vergund was, ter wille van het geloof folteringen en den dood te ondergaan. — Een enkel voorbeeld. Op den 7™ October 1613 werden in de stad Arima drie edellieden met hunne echtgenooten en zonen uit de gevangenis naar de gerechtplaats geleid, waar zij om de standvastige belijdenis van Christus den vuurdood sterven moesten. Toen zij op het punt waren, den weg ;ot den dood in te gaan, omhelsden zij nogmaals elkander onder vele tranen, dankten God vurig voor de genade van het martelaarschap, en gingen vervolgens, vergezeld door bijna twintigduizend Christenen, waarvan de eene helft voor, en de andere achter de edelmoedige Belijders ging, onder het zingen der litanie, van Lorette naar de plaats, waar de voor hen bestemde brandstapel was opgericht. De Christenen, die de Bloedgetuigen vergezelden, droegen brandende kaarsen in de hand en een bloemkrans op het hoofd. Onder dit achttal, dat in zegepraal tot den dood geleid werd en dien als een feestmaal te gemoet ging, bevond zich Jacob, de zoon van één der drie edellieden, een zeer schoone knaap van elt jaren. Daar de weg ver was, wilden eenige Christenen hem op de schouders nemen, maar hij weigerde dit en zeide: //wij willen onzen Heer navolgen, die te voet den Calvarieberg opgingen daarbij „nog met een zwaar kruis beladen was. Hier moet men moeielijk-z/heden verdragen, de eeuwigheid is lang genoeg om uit te rusten.quot; Als de jeugdige Bloedgetuige den brandstapel zag, en zij, die hem vergezelden, hunne tranen niet konden weerhouden, zeide hij verheugd en zegevierend: //Waarom weent gij? Benijdt gij soms mijn z/geluk? Verheugt u veeleer, gelijk ik mij verheug.quot; -— Eindelijk kwamen de Martelaars op de gereclitplaats aan, en ieder snelde naaiden paal, waaraan hij moest vastgebonden worden, en kuste dien met blijdschap en liefde. Een van hen richtte nogmaals van den brandstapel af het woord tot het aanwezige volk: i-wij zien het vuur, //hetwelk ons verbranden moet, maar wij vreezen het niet; want wij „weten, dat wij door het vuur tot het eeuwig leven komen. Broeders, „in den christelijken godsdienst alleen kan men zalig worden. Volhardt //in het geloof en vreest het lijden niet. De straf is licht en duurt //slechts een oogenblik; de belooning is groot en duurt eeuwig. //Broeders, gij zijt getuigen , dat wij voor het geloof van Jesus //Christus sterven.quot; — Nadat allen vastgebonden waren, ontrolde de overste van de Christenen een vaandel, waarop zich de afbeelding bevond van onzen Verlosser, gelijk Hij ter dood veroordeeld werd. „Ziet hier. Broeders, uwen Verlosser,quot; sprak hij tot de Belijders, „voor wien gij thans uit liefde stertt; reeds heeft Hij in den hemel //de kroon gereed.quot; Intusschen was de brandstapel ontstoken; de rondom staande Christenen knielden neder, en baden met luider stemme tot God en de allerheiligste Maagd Maria om bijstand voor de strijders van Christus. Deze bevalen zich met ten hemel geslagen oogen, stil biddend, in de handen van God aan. De kleine Jacob liep, toen liet vuur \'t koord, waarmede hij was gebonden, verteerd had, door de vlammen tot zijne moeder en omhelsde haar. Maar de moeder zeide: „mijn kind, zie hemelwaarts. Jesus en Maria wenken //U.quot; Vervolgens sprak de teedere knaap driemaal de namen van Jesus en Maria uit en viel dood ter neder; terstond daarop bedekte het lijk der moeder dat van haar kind. — De jonge Magdalena, eene zuster van Jacob, boog zich te midden der vlammen neder, nam eenige gloeiende kolen en legde die, ten teeken hoe dierbaar zij haar waren,
200
TOEPASSING.
Door het H. Vormsel zijt gij, Christen, een uitverkoren krijgsman van Jesus Christus geworden. „Arbeid dus ook,quot; roept u de Apostel der wereld toe, „arbeid als een goed „krijgsman van Jesus Christus (2 Tim. II, 3), strijd den „goeden strijd des geloofs, grijp het eeuwig leven aan. . . „waarvoor gij de goede belijdenis hebt afgelegd voor vele „getuigenquot; (1 Tim. VI, 12). Ja, gij hebt de belijdenis van het christelijk geloof afgelegd, toen gij door het H. Doopsel een kind van God en de Kerk, een burger van het rijk van Christus op aarde zijt geworden; gij hebt ze op nieuw afgelegd, toen gij later door het H. Vormsel in de uitgelezen legerschaar van Jesus Christus werd ingelijfd, gij hebt haar afgelegd voor vele getuigen. Getuige van uwe belijdenis was de Bisschop, die u door de zalving met het H. Chrisma tot strijder des Heeren wijdde; getuige was uw peter, en de menigte uwer medevormelingen; getuige was de geheele zegepralende Kerk, de hofstoet des Konings en der Koningin van hemel en aarde. Schaam u dus nooit, voor de geheele wereld te belijden, wat gij toen voor het aanschijn vaa zoovele en doorluchte getuigen beleden hebt. Geef immer grootmoedig getuigenis van uw geloof, niet alleen door woorden, maar ook door een god-vruchtigen levenswandel. Vervul zonder vrees alle plichten van een katholiek Christen. En moest gij ook ter wille van uw geloof smaad en vervolging lijden, verzaak daarom uwe belijdenis niet, integendeel, reken u dit tot eer en verheug u daarover naar het voorbeeld van de Apostelen. „Zalig zijt gij, als gij ter wille van den naam van Christus „versmaad wordt, want de eer, de heerlijkheid, de kracht „Gods en zijn geest rusten op u. Niemand onder u lij de „als een moordenaar, of dief, of lasteraar, of begeerder „van vreemd goed. Lijdt hij daarentegen als Christen, „dan schaamt hij zich niet, veeleer prijst hij Godquot; (1. Petr. IV, 14—16) en rekent op de schoone vergelding van Hem, die zegt: „die Mij belijden zal voor de menschen, dien „zal ook ik belijden voor mijnen Vader, die in de hemelen
op het hoofd, waarop ook zij naast moeder en broeder dood neder-stortte. Zoodra aile Martelaren den geest hadden gegeven en de brandstapel was uitgedoofd, namen de Christenen hunne kostbare overblijfselen zorgvuldig op en bestelden ze ter aarde in eene kerk te Nagasaki (Zie Ligorio D. 6. geschiedenis der japansche Martelaren). — Zulk eene zegepraal viert Christus in de strijders, die Hij in het H. Sacrament des Vormsels met de kracht van zijn H. Geest tot eene moedige belijdenis zijner goddelijke leer heeft uitgerust.
201
„isquot; (Matth. X, 32). (Zie meer hierover Deel I, Bladz. 159 en volg.)
Over het allcrSicSlisste Saeramcut des Altaars.
Het H. Sacrament des Altaars, hetwelk wij nu gaan bespreken, is in verschillende opzichten veel voortreffelijker dan de overige HO. Sacramenten^ Het overtreft alle Sacramenten in heiligheid, omdat alle anderen alleen heiligende kracht bezitten, maar dit de wezenlijke heiligheid zelve bevat, Jesus Christus, de bron van alle heiligende kracht. Verder overtreft het allen in verhevenheid, omdat de goddelijke Almacht, Wijsheid en C4oedheid zoowel bij de voltrekking, als bij de voortduring daarvan de verbazendste wonderen opeenstapelt. — Dit allerheiligste Sacrament is in zekeren zin de bron van alle overige liH. Sacramenten. Dewijl het niet alleen het lichaam en bloed van Jesus Christus beteekent, maar in waarheid het levende lichaam en het levende bloed is van Jesus Christus, den mensch-geworden God zeiven, wordt het door de Godgeleerden de bron aller Sacramenten genoemd, in zooverre namelijk door den Godmensch alle genaden en hemelsche zegeningen en tevens de aan de Sacramenten beantwoordende genadegaven ons toevloeien. \') Het H. Altaarsacrament wordt ook met grond het doel der overige Sacramenten en hunne kroon genoemd: het doel, omdat de andere Sacramenten en elk afzonderlijk door hunne eigenaardige werking den Christen nader of meer verwijderd tot de vereeniging met Christus in het H. Sacrament voeren en voorbereiden; -) de kroon, omdat door dit H. Sacrament, gelijk blijken zal, het allen gemeenschappelijke doel, de innige levensvereeniging met Jesus, ons Hoofd, en met de evenmenschen, onze broeders in Christus, op de volmaaktste wijze en in de hoogste mate bereikt wordt. Een andere voorrang van dit Sacrament bestaat, volgens de leer der Kerkvergadering van ïrente (Zitt. 13. hfdst. 3), nog daarin, dat, terwijl de overige Sacramenten eerst dan heiligende kracht verkrijgen, als men ze ontvangt, dit reeds vóór het ontvangen de bron dei-heiligheid in zich sluit, die, gelijk de zon in de zichtbare natuur leven en licht, in de harten\'der geloovigen hemelsche verlichting en eene steeds levendiger neiging tot de deugd
\') Rooms. Katech. Eucharistie n0. 4S. 2) 1. Thom. 3. q. 65. a. 3.
202
en volmaaktheid verspreidt. — In dit allerheiligste, wondervolste en ter zaligheid krachtigste Sacrament is dus Jesus Christus -waarlijk de Emmanuel, d. i. God met ons: daar is Hij de oorzaak onzer vreugde en onzer heilige vervoering, daar de bron van zoeten troost en wonderbare sterkte, daar de boom des levens te midden van het aardscfae paradijs, de H. Kerk.
Dit H, Sacrament heet Sacrament des Altaars, omdat het op het altaar voltrokken en bewaard wordt. Om de tegenwoordigheid van Jesus Christus, den Allerheiligste, in het Sacrament des Altaars wordt het ook eenvoudig het Allerheiligste genoemd. De benaming Eucharistie beteekent eene „goede genadevolle gave,quot; of veeleer bij uitnemendheid, de beste en genadergkste gave, welke niets minder dan de Gever van alle goede gaven zelf is. Het beteekent ook „dankzegging,quot; omdat wij door Christus in het H. Sacrament God den Heer voor alle ontvangen genaden en weldaden den behoorliiken dank brengen. — Bij de behandeling van het H. Altaarsacrament moeten wij vooral drie hoofdwaarheden trachten te verklaren: ten eerste, dat Jesus Christus in dit H. Sacrament waarlijk en wezenlijk tegenwoordig is; ten tweede, dat Hij zich daarin voor ons aan den hemelschen Vader opoffert; ten derde, dat Hij zich daarin aan ons ten spijze geeft. Derhalve wordt ook de geheele verhandeling in drie afdeelingen verdeeld en bevat de leer; 1. over de wezenlijke tegenwoordigheid van Christus; 2. over het H. Misoffer; 3. over de H. Communie.
§ 1. Over de icscnwoortlishcid va st Christus in het II. Sacrmuent.
Om de leer der tegenwoordigheid van Christus in het allerheiligste Sacrament des Altaars duidelijk en juist te vatten, moet men vooreerst nauwkeurig weten, waarin het wezen van dit H. Sacrament bestaat. Vandaar de vraag:
Wat is het allerheiligste Sacrament des Altaars?
Het is het ware Lichaam en het ware Bloed van onzen Heer Jesus Christus , di.e onder de gedaante van brood en wijn werkelijk en wezenlijk tegenwoordig is. — Terwijl elk ander Sacrament op een en hetzelfde oogenblik voltrokken wordt en voorbijgaat, of, wat hetzelfde is, terstond na zijne voltrekking ophoudt te bestaan, heeft bij het H. Altaar-
203
sacrament het tegendeel plaats. Dit H, Sacrament wordt, d. i. treedt in het aanzijn-, in de werkelijkheid, krachtens de woorden der Consecratie, door den Priester uitgesproken, gelijk later zal worden verklaard; maar ook na de plaats gehad hebbende verandering bestaat het voort, en wel zoolang als de gedaanten van brood en wijn bestaan. Want ook in dien toestand van voortduring of van voortbestaan is het een wezenlijk en eigen!iik Sacrament, omdat het alles in zich bevat, wat tot het wezen van een H. Sacrament behoort, namelijk: 1. het zichtbare teeken; 2. de onzichtbare genade; 3. de instelling door Christus; in dien toestand van voortduring wordt het ook gewoonlijk beschouwd en daarop heeft de in het antwoord gegeven benaming betrekking.
1) Om het bewijs, dat in het H. A.ltaarsacrament alle wezenlijke bestanddeelen van een Sacra:neat vervat zijn, des te duidelijker te leveren, beginnen wij met de beschrijving der cnzichlbare genade. Deze is Jesus Christus zelf, de Bron en Uitdeeler aller genaden: Jesus Christus, die in dat allerheiligste geheim met ziel en lichaam, met godheid en menschheid waarlijk en wezenlijk tegenwoordig is. Deze werkelijke en wezenlijke tegenwoordigheid van Jesus Christus in het allerheiligste Sacrament leert het Concilie van Trente (Zitt, 13. hfdst. Can. 1) in de be-paaldste en duidelijkste bewoordingen; het dreigt hen, die zich vermeten het tegendeel te beweren, met de straf van den kerkdijken ban. „Als iemand loochent,quot; zoo staat er in den aangehaalden Canon, „dat in het Sacrament der „Eucharistie het lichaam en het bloed met de ziel en de „godheid van onzen Heer Jesus Christus, en bijgevolg de „geheele Christus, waarlijk, werkelijk en zelfstandig is ver-„vat, en beweert, dat Hij daarin alleen als in een teeken „of eene figuur of alleen volgens de kracht is, hij zij in den „ban.quot; Volgens de onfeilbare leer der Kerk is dus Christus in het allerheiligste Sacrament des Altaars waarlijk tegenwoordig. Het paaschlam was een beeld, eene figuur van Jesus Christus, het ware Lam Gods, zelf; het manna in de woestijn was eveneens een afbeelsel van Jesus Christus, de ware hemelspij ze; in het Sacrament der Eucharistie daarentegen is Jesus Christus het ware paaschlam, het hemelbrood, waarlijk tegenwoordig. In het H. Sacrament is de geheele Christus „werkelijkquot;\' tegenwoordig, d.~ i. niet bij wijze van voorstelling, niet zooals wij ons soms Jesus aan het kruis in het gebed voorstellen of door het geloof vertegenwoordigen. Christus eindelijk is, in dit allerheiligste Sacrament „zelfstandig,quot; d. i. volgens zijn geheel goddelijk en menschelijk wezen tegenwoordig, niet.
204
gelijk bij de overige HH. Sacramenten, alleen krachtens eene van Hem uitgaande heiligende kracht.
2) Het zichtbare ieelen zijn de gedaanten van brood en wijn. Geef acht, dat niet brood en wijn, maar slechts de (jedaanien van het brood en den wijn het zichtbare teeken van dit Sacrament uitmaken. Het woord „gedaantenquot; be-teekent in een meer uitgebreiden zin datgene, waardoor eene zaak voor de zintuigen waarneembaar wordt, als: haar vorm, kleur, smaak, reuk en derg.; want miste zij alle soortgelijke eigenschappen, dan bleef zij niet alleen aan onze oogen, maar in het algemeen aan elk zintuig onttrokken. Van de gedaante eener zaak moet men wel onderscheiden de natuur er van, d. i. dat, wat elke zaak in en op zich zelve is, het voorwerp , waaraan de gedaante zich hecht, hetwelk zij aan de zintuigen onderwerpt; bijgevolg moet ook hier tusschen de gedaanten van het brood en den wijn en tusschen brood en wijn, d. i. tusschen de natuur, de zelfstandigheid van het brood en den wijn, onderscheid gemaakt worden. Onder de gedaante van brood en wijn verstaat men, volgens het boven gezegde, alles, wat van brood en wijn onder de zintuigen valt, als: vorm, kleur, smaak, reuk, enz. Met deze gedaante is het H. Sacrament des Altaars niet, gelijk anders in het gewone leven, de zelfstandigheid van brood en wijn vereenigd, evenmin als met de gedaante der duif, onder welke de H. Geest by het Doopsel in den Jordaan op Christus nederdaalde, de zelfstandigheid of natuur eener werkelijke duif verbonden was; zij zijn veeleer een geheimvolle sluier, onder welke Jesus Christus zelf met lichaam en ziel, met godheid en menschheid, als het ware hemelbrood en als de ware hemeldrank verborgen is. Niets anders toch beteekent de gedaante van het brood, hetwelk het natuurlijk voedsel des lichaams is, dan het bovennatuurlijk voedsel der ziel, en niets anders de gedaante van den wijn, welke tot lichamelijken drank en lafenis dient, dan een bovennatuurlijke drank der ziel.\') — Over de instelling van het allerheiligste Sacrament des Altaars door Ckrisius handelt de volgende vraag:
\') Het schijnt gepast, hier duidelijkheidshalve op te merken, dat, als wij zeggen: \'„Christus is in het H. Öacrament tegenwoordig,quot; of „wordt „in hetzelve aangebeden,quot; het woord „Sacramentquot; in de eerste plaats het zichtbare teeken of de gedaanten, onder welke Christus, tegenwoordig is, „aangebeden wordt,quot; beteekent; „want de gedaanten „van het brood en den wijn worden ook in den waren en eigenlijken „zin Sacrament genoemdquot; (Rooms. Katech. over de Eucharistie n0. 8). Ook Suarez bemerkt: nomen SacramentiEucharistiaeinterdum accipi pro speciebus ipsis et saepius pro corpora Christi (Disputat. 42. S. 4;.
205
Wanneer en hoe heeft Jesus Christus dit II. Sacrament ingesteld?
Hij heeft het ingesteld bi] het laatste avondmaal, op den vooravond van zijn bitter lijden.
Ontelbaar waren de bewijzen der innigste, teederste en grootmoedigste liefde, welke de goddelijke Heiland aan zijne leerlingen gedurende den tijd van zijn driejarig openbaar leerambt had gegeven ; maar het grootste bewijs schonk Hij hun en ons op den vooravond van zijn bitter lijden. Jesus wilde van de zijnen afscheid nemen en tot heil der wereld den dood ingaan, maar. niet, voordat Hij hun door het verbazendste wonder zijner goedheid, wijsheid en almacht een eeuwig gedenkteeken en onderpand zijner liefde gegeven , als zijn bij uitstek wel bepaalde erfenis achtergelaten had. Op het punt zijnde, door den kruisdood aan de zijnen zijne zichtbare tegenwoordigheid te onttrekken, stelde Hij het allerheiligste Sacrament des Altaars in, opdat Hij daarin tot aan het einde der wereld bij hen, die Hem toebehooren, wel op eene onzichtbare wijze, maar niettemin waarlijk, werkelijk en zelfstandig, met ziel en lichaam, als God en mensch, zoude tegenwoordig zijn. Met betrekking tot deze oneindige genade en liefde van den stervenden Heiland schrijft de H. Joannes (XIII, 1): „Dewijl Jesus wist, dat zijne „ure gekomen was, dat Hij uit de wereld zoude overgaan „tot den Vader, en daar Hij de zijnen, die in de wereld „waren, had liefgehad, zoo heeft Hij hen ten einde toe „lief gehad,\'\' d. i. zoo gaf Hij hun bij het afscheid door de instelling van het allerheiligste Sacrament het grootste bewijs zijner tot aan het einde der eeuwen voortdurende liefde. —- Eene andere reden, waarom Jesus de H. Eucharistie op den vooravond zijns lijdens wilde instellen, lag in de tijdsomstandigheden. Daar namelijk de Joden volgens de Mozaïsche wet op den vooravond voor Paschen het paasch-lara offeren en eten moesten (5. Mos. XVI), zoo was het voor zijne goddelijke wijsheid passend, juist dezen dag te kiezen, om zich zeiven als het ware Paaschlam te offeren, aan de zijnen ter nuttiging aan te bieden, en dat offer en deze nuttiging tot aan het einde der eeuwen mogelijk te maken en vast te stellen.
De instelling van dit IL. Sacrament geschiedde op de volgende wijze. Als Jesus, volgens het voorschrift der wet, met zijne Leerlingen het paaschlam gegeten had, nam Hij het brood in zijne heilige en eerbiedwaardige handen, sloeg zijne oogen ten hemel tot God zijn almachtigen Vader,
206
dankte Hem, zegende, brak het en gaf het zijnen leerlingen met de woorden: „Neemt en eet: dit is mijn lichaam „hetwelk voor u gegeven wordt.quot; Vervolgens nam Hij op dezelfde wjize den kelk met wijn, dankte weder, zegende en reikte dien zijnen Leerlingen over, terwijl Hij zeide: „Drinkt daaruit allen; dit is mijn bloed, des Nieuwen en „eeuwigen Verbonds, hetwelk voor u en voor velen zal „vergoten worden tot vergiffenis der zonden. Zoo dikwijls „gij dit doen zult, doet dit tot mijne gedachtenis.quot; Nu was het Sacrament van het Lichaam en Bloed van Jesus Christus voor de eerste maal voltrokken, voltrokken door Jesus Christus zeiven; nu hadden de Leerlingen de macht en den last gekregen, om van hunnen kant tot aan het einde der eeuwen hetzelfde te doen. Gelijk in den beginne der wereld op het woord des Scheppers: „het worde licht,quot; het licht werd, d. i. uit het niet in het aanzijn kwam, zoo trad ook hier, op het evenzeer almachtige woord des Verlossers: „Dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed,quot; zonder de minste vertraging zijn allerheiligst lichaam en bloed door eene geheimvolle verandering in de plaats van brood en wijn. Deze verandering van natuur is voorzeker een wonder der goddelijke almacht; maar wie zal het betwijfelen, dat Jesus Christus, de eeniggeboren Zoon Gods, die „alles wat de Vader doet, desgelijks zelf doetquot; (Joan. V, 19), zulks zoude kunnen bewerken? „Van de schepping „der wereld hebt gij gelezen,quot; schrijft de H. Ambrosius (over de geheimen, hfdst. 9), „Hij heeft gesproken en „zij (de dingen) zijn geworden; Hij heeft bevolen, en zij „werden geschapen. Hoe dan zou het woord van Christus, „hetwelk uit het niet in \'t aanzijn kon roepen wat niet „was, onvermogend zijn, om dat, wat is, te veranderen „in iets anders, wat het te voren niet was? Er wordt „toch geene geringere macht gevorderd, om aan de dingen „het aanzijn te geven, dan om het wezen van het reeds „bestaande in iets anders te veranderen.quot; In dienzelfden zin spreekt ook de H. Gaudentius, Bisschop van Brescia, een tijdgenoot van den H. Chrysostomns (preek 2. aan de pasbekeerden): „De Schepper en Heer der natuur, die het „brood uit de aarde voortbrengt, verandert weder, omdat „Hij zulks vermag en beloofd heeft, het brood in zijn eigen „lichaam; en degene, die water in wqn heeft veranderd, „verandert ook den wijn in zijn allerheiligst bloed.quot; Na de volbrachte verandering van natuur bleef van het brood en den wijn niets meer over dan de gedaanten, d. i. datgene , wat Jesus aan de Apostelen ter nuttiging overreikte, zag er uit als brood en wijn, had den smaak, den geur.
207
de kleur, enz. van brood en wijn; het was echter van natuur of wezen geen brood, geen wijn meer, maar het wezenlijke en werkeliike lichaam, en het wezenlijke en werkelijke bloed van Jesus Christus. \')
\') De transsubstantiatie of verandering van natuur is in waarheid een verheven, goddelijk geheim. Daarom moeten, gelijk de room-sche Katechismus uitdrukkelijk opmerkt, de geloovigen aan de dooide HH. Vaders zoo dikwijls herhaalde vermaning herinnerd worden, dat zij niet met nieuwsgierigheid mogen onderzoeken en willen doorgronden op welke wijze de gezegde verandering plaats heeft. Wij kunnen dit niet begrijpen, noch er eene voldoende gelijkenis voor vinden. Wij moeten geloovig aannemen, dat het geschiedt; uit nieuwsgierigheid navorschen, hoe het geschiedt, is ons niet geoorloofd. Intusschen is het toch den katecheet niet verboden, ter opheldering dezer geloofsleer voor de kinderen, zich van eenige uit de natuur en vooral uit de H. Schrift ontleende gelijkenissen te bedienen. Men moet zich echter daarbij wel wachten, zulke gelijkenissen als volledig, d. i. in elk opzicht op de sacramenteele verandering van natuur passend, voor te stellen en zoo tot valsche begrippen daarvan aanleiding te geven. Ook de HH. Vaders spreken van de verandering van het water in wijn, of van den Nijlstroom. in bloed, als zeer geschikt om te toonen, dat het in de macht van God is, een wezen in een ander te veranderen. Maar daar bij deze woorden behalve de natuur van het water ook de gedaante daarvan in de gedaante van den wijn in het eerste, en in de gedaante van bloed in het laatste geval wérden veranderd, terwijl na de verandering der zelfstandigheid van het brood en den wijn in het lichaam en bloed van Jesus Christus de gedaanten van brood en wijn onveranderd blijven, bestaat er tusschen gene veranderingen en tusschen deze, welke in de Eucharistie plaats heeft, een aanmerkelijk onderscheid. — Desgelijks zal ook de in den Katechismus van Bellarminus bij wijze van vergelijking aangehaalde verandering van de vrouw van Loth in een zoutpilaar niet ondoelmatig zijn, om den kinderen te doen begrijpen, hoe bij eene veranderde zelfstandigheid de gedaante toch dezelfde kan blijven. Want wie dezen zoutpilaar, dat beeld van zout zag, nam daaraan het uiterlijke en de gedaante der vrouw van Loth waar, en toch was het de vrouw van Loth niet meer, maar de zelfstandigheid van zout onder de gedaante van eene vrouw. Maar ook deze verandering is zeer verschillend van die, welke bij het H. Sacrament des Altaars geschiedt. Bij gene namelijk werd de vroegere gedaante der vrouw de eigen vorm van de tegenwoordige zelfstandigheid van het aout; bij deze daarentegen worden de gedaanten van brood en wijn geenszins de eigen gedaanten van het lichnam en bloed van Jesus Christus. Vandaar zou het even onbetamelijk als onjuist zijn, aan Christus, die na de volbrachte verandering in de H. Hostie tegenwoordig is, de eigenschappen der Hostie, welke wij met onze zintuigen waarnemen, toe te schrijven en te zeggen; Christus is rond, wit, enz. Do gedaanten van brood en wijn, welke na de Consecratie overblijven, zijn dus aan de zelfstandigheid des lichaams en des bloeds van Christus vreemd; en daarin ligt de reden, waarom het lichaam en het bloed van Christus vreemd blijven aan alle veranderingen, welke aan en met deze gedaanten plaats hebben. Wordt bijv. de Hostie gebroken, Christus blijft onverdeeld; wordt zij geschonden of bezoedeld, Christus blijft zuiver en ongeschonden. Wel zou hij, die eene geconsacreerde Hostie in het stof wierp, voor zooveel in hem is, volgens zijne bedoeling en meening het lichaam des Heeren verontreinigen, maar het lichaam van Christus wordt daardoor niet in het minste veront-
208
Deze geheimvolle verandering mag dus niet zóó opgevat worden, als had daarbij eene vereeniging van de natuur of zelfstandigheid van het lichaam en bloed van Christus
reinigd, de verontreiniging treft alleen de gedaanten en deze zijn niet de gedaanten des lichaams van Christus, maar die des broods.
Een nog duidelijker onderscheid vinden wij, als men eene vergelijking maakt tusschen de sacramenteele verandering der zelfstandigheid van brood en wijn in de zelfstandigheid van het lichaam en bloed van Jesus Christus en de natuurlijke verandering der brood-en wijnsubstantie, welke wij nuttigen, in de substantie van ons vleesch en bloed. Deze laatste verandering geschiedt van lieverlede, de eerste in een oogenblik; de laatste geeft aan de zelfstandigheid van ons vleesch en bloed eene vermeerdering; de eerste heeft voorzeker ten gevolge, dat. de zelfstandigheid van het lichaam en bloed van Christus daar tegenwoordig is, waar zij te voren niet was, maar deelt daaraan niet de minste vermeerdering mede: want de transsubstantiatie geschiedt, volgens de bemerking van den roomschen Katechismus, zonder de minste verandering van den kant onzes Heeren. Christus wordt door deze verandering van natuur niet voortgebracht, niet veranderd, neemt niet toe, maar bestaat in zijne natuur geheel en onveranderd voort. Wel zegt men, dat van het brood het lichaam of van den wijn het bloed van Jesus Christus wordt. Dit wil echter geenszins zeggen, dat de bestanddeelen van brood en wijn de bestanddeelen van het lichaam en bloed van Christus worden; men wil daardoor te kennen geven, dat krachtens de H. Consecratie een overgang van het eene tot het andere plaats heeft, dat namelijk uit kracht der consecratiewoorden brood en wijn ophouden onder de gedaanten tegenwoordig te zijn, en weder-keerig krachtens dezelfde woorden het lichaam en bloed van Jesus Christus beginnen tegenwoordig te zijn. Het verdwijnen der brood-en wijnsubstantie en het verschijnen van het lichaam en bloed van Jesus Christus moeten dus niet als twee afzonderlijke, met elkaar in geene betrekking staande handelingen beschouwd worden; zij staan veeleer door middel van de consecratiewoorden in het nauwste verband tot elkander, zij zijn de ééne gezamenlijke werking daarvan.— Hoewel de H. Kerk over de wijze der transsubstantiatie niets naders bepaald en verklaard heeft, moet men toch vastelijk gelooven, dat het lichaam en het bloed van Jesus Christus in het allerheiligste Sacrament des Altaars wezenlijk hetzelfde lichaam is, hetwelk uit de Maagd Maria geboren, hetwelk gekruisigd, in \'t graf gelegd en uit het graf weder verrezen is. Dit blijkt uit de woorden van Christus; zoo leert het Concilie van Trente; zoo heeft reeds de H. Bisschop en Martelaar Ignatius, zoo hebben de HH. Vaders eenparig geleerd. Jesus Christus noemt bij Joan, VI, waar Hij de H. Eucharistie belooft, zijn eucharistisch lichaam ;/het vleesch dat geofferd wordt voor het bleven der wereld;quot; Hij noemt bij Matth. XXVI, waar Hij het H. Sacrament instelt, zijn bloed, ,vhet bloed, hetwelk vergoten zal worden /,ter vergeving der zonden.quot; De Kerkvergadering van Trente (Zitt. XIII, hfdst. 1) leert: //Dezelfde Heer Jesus Christus, die, volgens //■zijne natuurlijke wijze van zijn. in den hemel altijd aan de rechter-//hand des Vaders zit, is in de H. Eucharistie voor ons op sacramen-//teele wijze tegenwoordig.quot; De H. Ignatius (br. aan de geloov. van Smyrna) noemt het lichaam van Christus in het H. Sacrament //het //vleesch van onzen Zaligmaker Jesus Christus, hetwelk voor onze //zonden geleden, hetwelk de Vader opgewekt heeft;quot; en de H. Am-brosius (over de geheimen, hfdst. 9) //noemt het, het uit de H. Maagd //geboren lichaam, het ware vleesch van Christus, hetwelk gekruisigd
209
met de natuur of zelfstandigheid van het brood en den wijn plaats gevonden, gelijk bijv. bij de menschwording de vereeniging der goddelijke natuur met de menschelijke plaats vond. Eveneens is de opvatting onjuist, als ware bij deze verandering de zelfstandigheid van het brood en den wijn door die van het lichaam en het bloed van Jesus Christus doordrongen geworden, gelijk het ijzer van het vuur doordrongen en dus in zekeren zin vuur wordt. Beide opvattingen zijn niet anders dan eene waardelooze uitvinding der ketters. De woorden der instelling van Christus laten eene dergelijke wijze van verklaring niet toe. Christus zeide niet: „In dit brood, (\'juist hetzelfde geldt ook van den wijn en het bloed van Christus) „met dit brood of „onder dit brood, hetwelk ik u geef, is mijn lichaamquot;, maar eenvoudig: „dit is mijn lichaam.quot; Deze wijze van uitdrukking zou gewis zeer onjuist geweest zijn, als Hij hun werkelijk brood had gegeven en zijn lichaam alleen in het brood vervat, er mede vereenigd of vermengd ware geweest. Of wie ter wereld zou aan een ander, wien hij een brood geeft, waarin een goudstuk verborgen is, zeggen: dit is goud ? Daarom leert ook de Kerkvergadering van Trente (Zitt. 13, hfdst. 4): „Daar Christus, onze Verlosser, gezegd „heeft, dat dit waarlijk zijn lichaam is, wat Hij onder de „gedaante van brood overreikte, zoo is het in de Kerk „Gods er altijd voor gehouden, dat door de consecratie van „het brood en den wijn eene verandering der geheele zelf-„standigheid van het brood in de zelfstandigheid van het
z/en begraven is geworden.quot; Ook de H. Kerkleeraar Augustinus (op Ps. XCV11I) noemt het eucharistiscli lichaam des Heeren ,,het vleesch, //hetwelk Hij van Maria\'s vleesch ontvangen heeft, toen Hij hier //op aarde wandelde.quot; 1) — Daaruit blijkt duidelijk, hoezeer zij van liet ware geloof afwijken, die aannemen, dat de zelfstandigheid van brood de zelfstandigheid van het lichaam van Christus wordt, gelijk de zelfstandigheid van het brood, dat wij eten, de zelfstandigheid van ons lichaam wordt. Zeker zou zulk een lichaam verschillen van hetgeen Christus uit Maria heeft aangenomen, enz. Bovendien zou hieruit de handtastelijke ongerijmdheid volgen, dat Christus evenveel ■verschillende lichamen moet hebben, als er geconsacreerde Hostiën zijn.
1
Als de Kerkleeraar op dezelfde plaats den Zaligmaker de woorden in den mond legt: //niet dit lichaam, hetwelk gij ziet, zult gij eten; //niet dit bloed drinken, hetwelk Ik aan het kruis vergieten zal,quot; dan is het uit den samenhang duidelijk, dat, volgens den H. Augustinus , de Zaligmaker daarmede alleen zeggen wil, dat Hij hun zijn lichaam niet in de natuurlijke gedaante, geene ,/gedeclten daarvan afsnijden //en die te eten geven zal;quot; desgelijks dat Hij hun zijn bloed niet te drinken zal geven in de gedaante van bloed, gelijk het aan het kruis uit zijne wonden stroomde; dat Hij dit doen zou in een Sacrament, onder de gedaanten van brood en wijn.
DEIIAKBE, GEL001SLEER. IV. 3de DEUK. 14
210
„lichaam onzes Heeren Jesus Christus en de geheele zelfstandigheid van den wijn in de zelfstandigheid van het „bloed plaats heeft, welke verandering door de H. Katho-„lieke Kerk allerjuist en eigenlijk transsu/jstandalie (ver-dering van zelfstandigheid) „is genoemdquot; (Verg. Can. 2). — Als de H. Eucharistie nu en dan Brood genoemd wordt, dan geschiedt dit alleen, omdat voor de verandering brood aanwezig was, en daarna de gedaanten daarvan nog over zijn, gelijk de Engelen, die bij de hemelvaart des Heeren verschenen, mannen genoemd worden, wijl zij de gedaante van mannen hadden; of ook, omdat dit H. Sacrament het voedsel der ziel is, gelijk het natuurlijke brood het gewone voedsel des lichaams. Daarom noemde de schrijver van de Handelingen der Apostelen (11, 42) het gemeenschappelijk ontvangen der H. Communie, gelijk dit bij de eerste Christenen plaats had, met de woorden: „gemeenschap van het breken des broods.quot; In denzelfden zin spreekt ook de H. Paulus (1. Cor. X, 16): „Het brood, „hetwelk wij breken, is het niet de deelneming aan het „lichaam des Heeren?\'\' En Jesus Christus zelf zegt (Joan. VI, 52): „Het brood, hetwelk Ik u geven zal, „is mijn vleesc/i voor het leven der wereld.quot; Ja, het is een gebruik en eene algemeene gewoonte, bij de verricbting van dergelijke veranderingen de namen der veranderde zaken, ook nadat de verandering heeft plaats gehad, nog te behouden. Zoo staat er in het verhaal van het wonder op de bruiloft te Cana: „Als de hofmeester het loafer gegroefd had, hetwelk wijn geworden was.quot; Duidelijk behoudt hier de door verandering ontstane wijn den naam van „water,quot; omdat deze door de gezegde verandering uit water ontstaan was. Op dezelfde wijze wordt ook in het negende hoofdstuk van den H. Joannes de reeds van zijne blindheid genezene (v. 17) „de blindequot; genoemd, omdat hij van blind ziende was geworden.
Het gezegde is voldoende, om de geloovigen te overtuigen, dat Christus bij liet laatste avondmaal aan de Apostelen onder de gedaanten van brood en wijn zijn waarachtig lichaam te eten en zijn waarachtig bloed te drinken heeft gegeven. Deze waarheid ligt zoo bepaald en onloochenbaar in de aangevoerde woorden van Christus; »Dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed,quot; dat Luther zelf er geen anderen zin wist uit te wringen. /.De tekst,quot; zoo schrijft hij aan de Straatsburgers, «is te sterk, en door geene woorden uit den zin te „scheuren.quot; Vandaar nam hij aan, dat Jesus Christus in het Avondmaal tenminste bij het nuttigen tegenwoordig is, maar tegelijk met de substantie van het brood en den wijn. Zijn leerling Carlstadt, desgelijks Zwingel eu Calvijn, gingen echter verder en verwierpen geheel en al de leer der werkelijke tegenwoordigheid in het Avondmaal, daar zij beweerden dat Jesus Christus aan zijne Leerlingen niets meer dan brood en wijn als een belangrijk zinnebeeld van zijn
211
lichaam en bloed ter nuttiging heeft gegeven. Volgens hen hebben dus de Apostelen het lichaam en bloed van hun goddelijken Meester niet werkelijk, maar alleen door het geloof genuttigd. JJeze leer belijden ook nog ten huidigen dage de moeste Protestanten, ofschoon zij bij de nadere bepaling daarvan, gelijk hunne voorgangers, zeer van elkander afwijken. Daar de leer der katholieke Kerk door de onkatholieken veelvuldig bestreden en bespot en nog ten huidigen dage bevochten en gehoond wordt, achten wij het nuttig, er eene breedvoerige verklaring van te geven. Vandaar volgt de vraag:
\'Hoe weten wij, dat Chrutus met de woorden: „dü is mijn lichaam, „dit is mijn Hoedquot; aan de Apostelen zijn waarachtig lichaam en zijn waarachtig bloed gegeven heeft?
1) Wij weten dit uit de -woorden van Christus zei ven. a) De Heer had immers aan zijne Leerlingen beloofd, dat Hij hun zijn waarachtig vleesch te eten en zijn bloed te drinken geven zou; 5) Hij had vervolgens bij het avondmaal uitdrukkelijk verklaard, dat hetgeen Hij nu als spijze en drank overgaf, werkelijk zijn lichaam en zijn bloed was.
a) De helofie van Christus volgens het Evangelie van den H. Joannes, hfdst. VI. — De goddelijke Heiland had eens op wonderbare wijze vijfduizend menschen met vijf brooden gespijzigd; den volgenden dag kwamen de scharen des volks tot Hem, niet zoozeer uit verlangen om zijne leer te vernemen, als wel om voor de tweede maal lichamelijk brood uit zijne handen te ontvangen. Van deze omstandigheid maakte Christus nu gebruik, om tot hen, die er bijgekomen waren, van een veel voortreffelijker brood te spreken, naar hetwelk zij verlangen moesten. Maakt geen werk, sprak Hij tot hen, van de spijze, welke vergaat, maar van die, welke altijd blijft tot het eeuwige leven , welke de Zoon des menschen u geven zal; welke Ik, die van mijnen Vader als een gezant door wonderen bevestigd, bezegeld ben geworden, u geven zal; wanneer gij aan Mij als aan een Godsgezant gelooft. Toen nu de Joden hierop antwoordden, dat Hij zijne goddelijke zending moest bewijzen, door (gelijk Mozes in de woestijn hunnen vaderen het manna) zoo ook hun brood van den hemel te geven, antwoordde J esus, dat niet Mozes aan „de vaderen het brood uit den hemel „gegeven had, maar (God) de Vader,quot; en dat dezelfde ook thans geen lichamelijk brood, zooals het manna was, maar wezenlijk brood uit den hemel zou geven, en dat brood is Hij (de Zoon des menschen) zelf; want Hij is „het levende „brood, hetwelk uit den hemel is neêrgedaald en der wereld „het leven geeft.quot; Niemand zou echter aan dit hemelsche brood deelachtig worden, tenzij door aan Hem, den Godsgezant, te gelooven, en, den loop der genade volgende,
14*
212
een gewillig oor aan zijne leer te schenken. Onder de zinnebeeldige uitdrukking „broodquot; verstaat dus Christus in het eerste deel dier redevoering de van Hem uitgaande en op Hem betrekking hebbende leer, welke, geloovig aangenomen en gehouden , tot het eeuwige leven leidt. Dat geloof is de eerste schrede, om tot Christus te komen; het is ook eene noodzakelijke voorwaarde ter nuttiging der H. Eucharistie, van welke de Heiland vervolgens spreekt. Daarom sprak Jesus op de eerste plaats (v. 29—49) van de nood- * zakelijkheid des geloofs aan zijne zending en leer.
Nu echter gaat Hij over tot eene nadere beschrijving dier hemelspijze, welke Hij hun (v. 27) beloofd, van welke Hij duidelijk gezegd had, dat Hij ze hun geven zoude. Want het brood des goddelijken woords gaf Hij hun werkelijk, toen Hij tot hen sprak en hen onderwees; dit was dus niet de beloofde spijze. Welke is nu de spijze, welke Hij hun geven zal? Jesus zegt het duidelijk (v. 52): „Het brood, „dat Ik za.1 geven, is mijn vleesch voor het leven der wereld.\'\' De Heiland noemt deze spijze eveneens brood, want Hy geeft ze onder de gedaante van brood; het is echter geen werkelijk brood, maar waarlijk zijn vleesch. Als Hij te voren van het brood des goddelijken woords sprak, drong Hij er op aan, dat men zoude gelooven; maar nu, sprekende van het\'brood, dat zijn vleesch is, beveelt Hij dit eten. De joden verstonden zijne woorden niet anders; daarom streden zij onder elkander en zeiden: „Hoe kan deze ons „zijn vleesch te eten geven?quot; Christus, die wel zag, dat de toehoorders zijne woorden in den eigenlijken en letterlijken zin opnamen , dat zij ze van zijn, waarachtig vleesch en van een werkelijk eten daarvan begrepen, berispte hen geenszins over deze opvatting, maar bevestigde die met de klaarste en bepaaldste bewoordingen, als Hij zeide: „Voor-„waar, voorwaar Ik zeg u, tenzij gij het vleesch van den „Zoon des menschen eet en zijn bloed drinkt, zult gij het „leven in u niet hebben. Die mijn vleesch eet en mijn „bloed drinkt, heeft het eeuwige leven, en Ik zal hem ten „jongsten dage opwekken. Want mijn vleesch is waarlijk „spijs en mijn bloed is waarlijk drank. Die mijn vleesch „eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. „Gelijkerwijs mij de levende Vader gezonden heeft, en Ik „door den Vader leef, zal ook hij, die Mij eet, door Mij „leven. Dit is het brood, hetwelk uit den hemel is neer-„gedaald: niet gelijk uwe vaderen manna gegeten hebben „en gestorven zijn. Wie dit brood eet, zal leven in eeuwig-,.heid.quot; — Als nu velen der leerlingen van Jesus dit hoorden, spraken zij tot elkander: „Deze rede is hard; wie kan
213
„haar aanhooren ?quot; De woorden des Heeren kwamen hun hard, onbegrypelijk, ja zelfs aanstootelijk voor, deels omdat het hun geheel onmogelijk scheen, dat eea mensch (waarvoor zij Christus altijd nog aanzagen) anderen ziin vieesch te eten en zijn hloed te drinken kon geven; deels omdat zij het voor zeer onbetamelijk hielden , menschenvleesch te eten en menschenbloed te drinken. „Daar nu Jesus bij zich „zeiven wist, dat zijne leerlingen daarover morden, zeide „Hij tot hen; Ergert • u dit?quot; Vindt gij mijne rede aanstootelijk en gelooft gij niet, dat Ik u mijn vieesch te eten en mijn bloed te drinken geven kan? Gij hadtreden ongeloovig te zijn, als Ik een bloot mensch ware. „Indien „gij echter den Zoon des menschen zult zien opvaren, waar „Hij te voren was,quot; indien Ik u door mijne hemelvaart bewijzen zal, dat Ik God ben, „zult gij ook dan nog „twijfelen, dat Ik u mijn lichaam tot spijze en mijn bloed „tot drank geven kan?quot; Yoorzeker zal Ik mijn lichaam niet verdeelen, en gelijk ander gedood vieesch u ter nuttiging voorleggen, zal Ik u mijn bloed niet, gelijk het thans is, in zijne natuurlijke gedaante te drinken geven: verre zij van u eene zoo wreede, al te zinnelijke voorstelling van dezen maaltijd, welken Ik u bereiden zal. Ik zal u mijn levend en levendmakend vieesch als voedsel der ziel ten eeuwigen leven, maar niet als gewoon voedsel des lichaams schenken. *) ■— Deze verklaring des Heilands bevredigde
I) Het gezegde des Heeren: //De geest is liet, welke levend maakt yhet vieesch is tot niets nut. De woorden, welke Ik tot u heb ge-esproken, zijn geest en levenquot; (v. öi,), wordt verschillend uitgelegd. De ketters verstaan het van het werkelijk vieesch van Jesus Christus, hetwelk met de ziel en de godheid vereenigd is. Volgens hen is het vieesch en bloed van Christus tot niets nut, is alleen het geloof zaligmakend; daarom beweren zij ook, dat het ongeoorlool\'d is aan te nemen, dat de Zaligmaker in de Eucharistie zijn vieesch tot spijze geeft. Deze verklaring is echter valsch, ja zelfs godslasterlijk. //Als //zijn (Jesus Christus\') vieesch tot niets nut was,quot; merkt de H. Augustinus aan (verhand. 27. n. 5, over Joan.), //dan zou het Woord geen vieesch //geworden zijn, om onder ons te wonen, dan zou ons ook zijn lijden //en sterven niets baten.quot; Wil men dus de aangehaalde woorden van het werkelijk vieesch van Christus verstaan, dan is de zin de volgende : mijn vieesch zal u tot het eeuwig leven niet van nut zijn, wanneer Ik het u geef zoodanig, als waarvoor gij het houdt, namelijk voor gewoon vieesch en geheel buiten den levendmakenden geest, de in Mij wonende godheid, of als gij het eet zonder den geest des geloofs en der liefde. In dezen laatsten zin spreekt de H. Augustinus (1. c.): //Het vieesch alleen is tot niets nut; de geest (de door den H. Geest ingestorte liefde) „moet er bijkomen, dan is het vieesch tot //groot nut.quot; — Door verscheiden Vaders en Schrijvers worden echter de woorden //liet vieesch is tot niets nut,quot; verstaan, niet van het vieesch van Christus, maar van de zinnelijke, vleeschelijke opvatting der Joden; daarom staat er niet //mijn vieesch,quot; maar //het
214
vele zijner leerlingen niet, omdat Hij daarbij zijn woord, dat men zijn vleesch eten en zijn bloed drinken moet, met allen nadruk streng vasthield. Vandaar gingen van toen af velen zijner leerlingen terug en wandelden niet meer met Hem. Jesus liet hen gaan en richtte tot de twaalf Apostelen de merkwaardige vraag; „Wilt gij ook weggaan\'/\'\' Als wilde Hij zeggen: Ik blijf bij mijn woord, al zouden ook allen Mij verlaten.
Uit het gezegde is duidelijk, dat de woorden van Jesus Christus aangaande het nuttigen van zijn vleesch en bloed niet figuurlijk, maar letterlijk te verstaan zijn. Zoo verstonden zij ze, tot wie de Heiland zeide, dat zij ze redelijkerwijze niet anders konden verstaan. Want de spreekwijze //iemands vleesch eten,quot; overdrachtelijk genomen, heeft in de H. Schrift en zelfs in de syro-chaldeeuwsche taal, waarvan de Zaligmaker zich bediende, geene andere beteekenis dan: door gedachten of werken, maar vooral door valsche, lasterlijke beschuldigingen een persoon groot onrecht aandoen. \') Deze beteekenis nu kon de uitdrukking //vleesch etenquot; in den mond van Christus zeker niet hebben, daar geen weldenkend mensch zal aannemen, dat Christus hier aan zijne Leerlingen bevel heeft gegeven, Hem door lasterlijke gesprekken onrecht aan te doen en hun daarvoor het eeuwige leven beloofde. Wilde nu de Heiland op de gezegde plaats deze uitdrukking in een geheel anderen zin verstaan hebben, dan waarin zijne toehoorders die, volgens het gewone taalgebruik, verstonden en zelfs verstaan moesten, dan was het volstrekt noodig, en Christus was het als Leermeester verplicht, dat Hij zich daarover nader en duidelijker verklaarde, anders toch had Hij\'zelf tot een verkeerd begrip zijner woorden en den daaruit volgenden afval van Hem aanleiding gegeven. — Als de Leerlingen bij eene andere gelegenheid da vermaning van hun goddelijken Leeraar, om zich voor den zuur-deesem der Phariseén te wachten, niet in een overdrachtelijken zin van de leer, maar letterlijk van het brood der Phariseën verstonden
//vleesch,quot; is tot niets nut. Christus wilde dus zijnen hoorderen zeggen: gij beschouwt alles met de oogen des vleesches en neemt daarom mijne woorden geheel vleeschelijk op; deze wijze van opvatting is valsch; want mijne woorden zijn te verstaan, van het nuttigen niet van eene gewone, maar van eene goddelijke, geheimvolle spijze, welke ten eeuwigen leven blijft; wie dus den zin daarvan wil vatten, moet ze met de oogen des geloofs beschouwen en met een geloovig hart aannemen, — Het onderscheid tusschen die verschillende denkwijze en opvatting, hetwelk Christus hier vooral doet uitkomen, wordt ook in vele andere Schriftuurplaatsen aangetoond. Zoo schrijft Paulus aan de Corinthiërs (1 Ep. II, 14): //De //zinnelijke (animalis) mensch verstaat niet, wat van den Geest Gods ^is .... en hij kan het niet begrijpen, omdat het geestelijk beoor-,/deeld moet worden;quot; en aan de Romeinen (VIII, 8); //Het be-z/trachten van het vleesch is de dood; maar het betrachten van der. //Geest, leven en vrede.quot; — Het staat eenieder vrij, de besproken woorden van Christus in dezen of genen door de Godgeleerden aange-
teven zin, of ook in beiden tegelijk te verstaan; want de woorden es Heeren hebben niet zelden een verschillenden letterlijken zin.even zin, of ook in beiden tegelijk te verstaan; want de woorden es Heeren hebben niet zelden een verschillenden letterlijken zin.
gt;) Zie Job XIX, 21. Pred. IV, S. Een breedvoerig bewijs geeft Kardinaal Wiseman, «de voornaamste leerstukken en gebruiken der //katholieke Kerk.quot; XIV, over de transsubstantiatie.
215
■wees Jesus hen op de valsche opvatting van zijn gezegde ract de ■woorden: ,/Waarom begrijpt gij niet, dat Ik niet van brood tot u „sprak, toen Ik zeide: wacht u voor den zuurdeesem der Phariseën „en Sadduceën.quot; En hier, waar het er op aankwam, een veel gevaarlijker misverstand weg te nemen, zou Jesus niet hetzelfde gedaan hebben? Hier zou Hij niet verklaard hebben, dat zijne woorden niet in den letterlijken, maar in den overdrachtelijken zin verstaan moesten worden, dat Hij hun niet waarlijk zijn vleesch en bloed, maar alleen brood en wijn, als zinnebeelden van zijn vleesch en bloed, ter gedachtenis van zijn Verlossingsdood geven zou? Hoe zou de wijste Leeraar en liefdevolle Verlosser op het gevaar af, dat velen Hem zouden verlaten en eeuwig verloren gaan, eene even noodzakelijke, als gemakkelijk te geven verklaring hebben achtergelaten? Eenieder wordt dus ten slotte gedwongen om aan te nemen, dat Jesus geene verklaring zijner woorden gegequot;en heeft, wijl de letterlijke zin daarvan duidelijk genoeg was, en Hij ze in dien zin wilde verstaan hebben.
h) De woorden der instelling volgens Matth. XXVI, 26 — 28; Marc. XIV, 22—24; Luc. XXIT, 19, 20. Wat Christus aan zijne leerlingen plechtig had beloofd, gaf Hij hun, alvorens deze wereld te verlaten, bij het laatste avondmaal met de woorden: „Neemt en eet, dit is mijn lichaam.quot; En: „drinkt hieruit allen, want dit is mijn bloed des Nieuwen „Verbonds, hetwelk voor velen zal vergoten worden tot „vergiffenis der zonden.quot; Christus, de eeuwige, onfeilbare Waarheid, verzekert in de duideliikste en bepaaldste bewoordingen , dat datgene, wat Hij aan zijne leerlingen te eten en te drinken geeft, zijn lichaam en zijn bloed is; dus moeten wij ook vast en onverzettelijk gelooven, dat het waarlijk en werkelijk zijn lichaam en zijn bloed was. Er zou slechts dan een redelijke twijfel kunnen ontstaan, als er eenige gegronde reden bestond, om van den letterlijken zin der woorden van de instelling af te wijken. Dit is echter volstrekt bet geval niet, en zal door onze andersdenkende broeders nimmer kunnen bewezen worden. Veeleer zijn er zeer gewichtige redenen voorbanden, welke iedereen, die niet vooringenomen is, moeten bewegen, zich aan den letterlijken zin te houden. Jesus Christus wilde in dat plechtig uur eene laatste beschikking, een testament maken, een verbond aangaan, eene wet verkondigen, een Sacrament instellen, eene geloofsleer vaststellen; is het nu niet met zijne goddelijke wijsheid en heiligheid den spot drijven, als men beweert, dat Hij bij de genoemde gelegenheid zich van eene dubbelzinnige, zijne gedachten meer verbergende dan onthullende spreekwijze bediend, en zoo zijne leerlingen en met ben de geheele wereld bedrogen heeft? Het is namelijk, gelijk later nog beter zal blijken, een onloochenbaar feit, dat de geheele christelijke Kerk de woorden van Jesus Christus van den beginne af in den letterlijken zin
216
verstaan, en aan het daarin uitgesproken geheim met een vast vertrouwen op zijne almacht met kinderlijk geloof vastgehouden heeft. Dit alles kon Jesus, den Alwetende, niet ontgaan, toen Hij de woorden der instelling uitsprak; Hij voorzag met volle zekerheid, dat ten gevolge dier woorden millioenen en millioenen godvruchtige geloovigen, aan het allerheiligste Sacrament, als den onder de gedaanten van brood en wijn verborgen leverjden God, den cijns van aanbidding zouden brengen. Had nu Christus gewild, dat zijne woorden niet in den letterlijken, maar alleen in een figuurlijken zin opgenomen zouden worden, dan had Hij zonder twijfel ook anders gesproken, of aan zijne woorden eene verklaring toegevoegd, om niet in eene zoo uiterst gewichtige zaak tot onvermijdelijk misverstand en dwaling, ja tot afgoderij eene volkomen gegronde aanleiding te geven. De tegenovergestelde handelwijze des Zaligmakers zou des te onbegrijpelijker geweest zijn, dewijl het zoo gemakkelijk was, het misverstand weg te nemen, de dwaling en de daaruit noodzakelijk voortkomende afgoderij te voorkomen. Christus toch behoefde alleen in plaats van „dit is mijn „lichaam,quot; te zeggen „dit beteekent mijn lichaam.quot;
Door de bewering, dat de woorden van Christus: „dit is mijn lichaam\'\' geen anderen zin hebben, dan „dit stelt mijn lichaam voor, dit be-„teekent mijn lichaam,quot; zou men den Zaligmaker het grootste onrecht aandoen. Hem niet alleen beschuldigen, in omstandigheden, welke het eenieder ten plicht stellen om zich op de duidelijkste en be-paaldste wijze uit te drukken, geheel onverstaanbaar gesproken te hebben, maar Hem, de eeuwige Waarheid, rechtstreeks onwaarheid in den mond leggen. Want niemand kan, zonder tegen de waarheid te zondigen, het eene woord voor het andere gebrniken, tenzij dal het taalgebruik, de samenhang der rede, de omstandigheden, onder welke het wordt voorgedragen, of eene bijgevoegde verklaring van den spreker elk misverstand verwijderd houden. Wij zeggen dus, op het portret des Konings of op eene kaart van Nederland wijzendej zonder ons aan eene leugen schuldig te maken», „dit is de lïoning; „dit is Nederland,quot; ofschoon het portret den koning en de kaart ons land slechts voorstelt. Deze wijze van uitdrukking is algemeen in gebruik en voor eenieder verstaanbaar. Desgelijks kon Joseph van Egypte, zonder vrees van verkeerd verstaan te worden, zeggen: „De „zeven vette koeien zijn de zeven vruchtbare jarenquot; (1. Mos. XLI, 20), en Jesus Christus; „Ik ben de deurquot; (Joan. X, 7), „Ik ben dewijn-„stokquot; (Joan. XV, 1) „de akker is de wereldquot; (Matth. XIII 20); want uit den samenhang der rede blijkt voor eenieder, dat Joseph de be-teekenis van den droom wilde verklaren, en Christus de Heer eene gelijkenis voorstelde. Ook Paulus kon zeggen (1. Cor. X4): „De rota „was Christus,quot; in plaats van: was een afbeeldsel van Christus; wan: de Apostel had kort te voren (v. 6.) aangegeven, dat hij de voorafbeeldingen van het Oude Verbond zou verklaren.
Maar zeker zou men hem van eene leugen beschuldigen, die een ander een valsch in plaats van een echt geldstuk overreikte met de woorden.- „Neemt dit, het is een geldstuk,quot; en ten bewijze der echtheid er nog bijvoegde; „het is zooeven in de koninklijke munt
217
,uitgegeven/\' Evenmin kon Jes us, zonder tegen de waarheid te zondigen , zijnen Leerlingen een stuk brood, een kelk met wijn overgeven, zeggende: //Dit is mijn lichaam, hetwelk voor u zal gegeven «worden; dit is mijn bloed, hetwelk ter vergeving der zonden zal //vergoten worden.quot;
Ter bestrijding der. katholieke leer aangaande dit H. Sacrament, werd door eenige Protestanten verzekerd, dat iiet woordje is in de H. Schrift meermalen den zin heeft van heteekent. Zoo bijv. Gen. XLI, 2(); Daniël VII, 24; Matth. XIII, 38; Gal. IV, 24, enz. !) Derhalve achten zij zich gerechtigd, om ook bij de woorden der instelling aan het woordje is denzelfden zin te hechten, zoodat Christus inderdaad-zou gezegd hebben; ndit beteekent mijn lichaam.quot;
Veronderstellen we voor een oogeablik, dat het woord is somwijlen .in den Bijbel gebruikt wordt in den zin van heteekent, wat nog door allen volstrekt niet wordt toegegeven; -) daar tegenover kunnen wij duizenden voorbeelden aanhalen, waar het woordje is den zin van heteekent niet heeft. De verklaring, die de Kerk aan dat woord geeft, is de natuurlijke en gebruikelijke, en alzoo vast te houden, totdat men het tegenovergestelde bewijst. Het is niet genoeg, eenige plaatsen der H. öchrift aan te halen, waar het woordje misschien eene geheel ongewone beteekenis heeft, maar het moet bewezen worden, dat dit woord op deze plaats den zin heeft van heteekent. Indien derhalve de Protestanten door de aangehaalde voorbeelden iets willen bewijzen, dan moeten zij aantoonen, dat die plaatsen parallel zijn met onze plaats. Dit nu is niet het geval, wanneer op verschillende plaatsen hetzelfde woord gebruikt wordt, maar wanneer er onder een of ander opzicht over dezelfde zaak wordt gesproken. 1i Op al die plaatsen echter, waar het woordje is den zin van heteekent schijnt te hebben, is het voor iedereen terstond duidelijk, en zeggen het daarenboven de gewijde schrijvers dikwerf zelve, dat daar de verklaring wordt gegeven van een\'droom, een visioen, eene allegorie of gelijkenis; hier daarentegen is er van niets minder spraak dan van de instelling van een Sacrament; niets derhalve wettigt de Protestanten om de woorden eener zoodanige instelling op dezelfde wijze te verklaren.
Eene andere opwerping tegen de katholieke uitlegging, doch van lateren tijd, is ontleend aan de taal, waarin Christus tot zijne Apostelen gesproken heeft. De syro-chaldeeuwsche taal, zeggen zij, heeft geen enkel woord om het begrip van beteekent uit te drukken; daarentegen is het in die taal zeer gebruikelijk, om dat denkbeeld aan te duiden door höt woordje is. Zij besluiten, diensvolgens, dat de Zaligmaker, indien Hij ons slechts eene figuur wilde geven van zijn
1
) Perrone zegt: Jam vero, quid est paralellisraus? En quid res-pondeant ipsimet Protestantes: Ernesti, //proximum erit, inquit, con-siderare, an vera similitudo sit, satisque similia sint loca, hoc est, an sit in utroque eadem res, non modo idem verhum, cui Amnon veliementiorem hanc notam subjecit: //Tenendum itaque, similitu-//dinem rei non ver bi parere parallellismum.quot;
218
lichaam en bloed, geene andere woorden kon gebruiken, dan die Hij werkelijk gesproken heeft, dit is mijn lichaam, dit is mijn hloe.d. Wij antwoorden ten eerste: uit die opwerping mag men alleen dit gevolg trekken, dat het woordje is in den zin van beieekenl kan genomen worden; doch er volgt volstrekt niet uit, dat het werkelijk in dien zin genomen is. Want ook wij kunnen zeggen; indien de Zaligmaker niet eene figuur van zijn lichaam en bloed, maar zijn reëel vleesch en bloed aan de Apostelen wilde geven, had Hij geene andere woorden kunnen gebruiken, dan die Hij werkelijk gesproken heeft.
Ten tweede. Dat onze verklaring de ware is, blijkt uit de Evangelisten Marcus en Lucas, die beiden oorspronkelijk in het grieksch hebben geschreven en het woord iuzt (is) gebruiken. Wie zal durven beweren, dat de Evangelisten den zin der woorden door den Verlosser gesproken, niet begrepen hebben? Hadden zij de woorden van Christus volgens den zin dor Protestanten verstaan, zij zouden zeker het woord isrt vermeden hebben, want de grieksche taal heeft woorden genoeg om het begrip van heteekent uit te drukken. Ook de H. Paulus, die, waar hij over de instelling van dit H. Sacrament spreekt, het getuigenis aflegt, dat hij zijne leer van den Heer heeft ontvangen, gebruikt het woord ig-zi (1. Cor. XI, 25.), hetgeen onverklaarbaar is, als hij daardoor alleen het begrip van heteekent wil aanduiden.
Ten derde. De opwerping zelve is geheel valsch. De geleerde Kardinaal Wiseman heeft dit punt zeer nauwkeurig onderzocht, en deelt het resultaat zijner studiën mede in zijn beroemd werk: Horae syriacae. Hij bewijst daarin, dat de syrische taal niet één of twee, maar méér dan veertig woorden heeft, om het begrip van he\'eekent weer te geven; hij toont zelfs door verscheiden voorbeelden aan, dat in de syrische taal het woordje is, veel minder dan in elke andere taal, zijne gewone en natuurlijke beteekenis verliest. Hiermede alzoo vervalt de opwerping der Protestanten geheel en al. Zoo is het gegaan met alle bedenkingen, welke ooit tegen de katholieke opvatting gemaakt zijn. Noch uit de woorden door Christus gesproken, noch uit het verband hebben zij eenig redelijk bewijs kunnen halen, waardoor de katholieke leer van hare kracht werd beroofd; daarentegen alles, wat zij hebben aangevoerd en nog voortdurend aanvoeren, diende slechts, om den zin, dien wij aan de woorden van Christus hechten, in een helderder daglicht te \'doen uitkomen.
Cf. ,/de Katholiek,quot; deel 39.
Vrij mogen de loochenaars van de tegenwoordigheid van Christus in het allerheiligste Sacrament alle mogelijke valsche redenen en spitsvondigheden verzinnen, om uit de woorden van Jesus hun eigen opgevat gevoelen te staven, ten laatste moeten zij toch, als zij oprecht willen zijn, met Luther bekennen: «de tekst is te sterk en men kan „den zin niet veranderen.quot; Er blijft hun dus niets over, dan de onmogelijkheid, de ongerijmdheid voor te geven; het is — meenen zij — volstrekt onmogelijk, dat de Godmensch, Jesus Christus, onder de gedaante van brood en wijn zijn lichaam en bloed ter nuttiging gaf, dat Hij zijnen leerlingen eene spijze aanbood, welke als brood en wijn er uitzag, kleur, vorm, smaak en geur daarvan had, en toch geen brood en wijn, maar zijn allerheiligst vleesch en zijn kostbaar bloed was. Zoo dachten ook de .loden. Toen de Zaligmaker hun dit //levende broodquot; beloofde, vonden zij zijne rede hard en verlieten Hem. — Neen, de leer der katholieke Kerk over de H. Eucharistie is geene ongerijmdheid. Het is een geheim, een groot mysterie, dat we met onze rede nooit kunnen achterhalen; doch juist omdat het een mysterie is, kan men onmogelijk bewijzen, dat het in strijd is met de rede. Het is ongerijmd te beweren, dat ja en neen hetzelfde zijn; dat een cirkel vierkant is; dat eene en dezelfde zaak te gelijkertijd bestaat en niet bestaat; ziedaar punten, waarover
219
we kunnen oordeelen; doch, wanneer het de verborgenheden der goddelijke openbaring geldt, van ongerijmdheid te spreken, dit verraadt slechts kleingeestigheid en onverstand. Wie kan doordringen tot de substantie der dingen? Wie zal verklaren de sacramenteele wijzé waarop het lichaam en bloed van Christus onder de gedaante van brood en wijn tegenwoordig zijn? Wie zal zeggen, wat mogelijk en wat onmogelijk is aan den almachtigen God? Dat alles is voor ons verborgen; doch juist daarom is het onmogelijk, eenigé tegenspraak in het geheim der Eucharistie aan te toonen.
Welke zijn dan de ongerijmdheden, die de Protestanten in dat mysterie meenen te vinden? Vooreerst houden ze het voor onmogelijk, dat we met onze zinnen brood en wijn waarnemen, en dat er nochtans geen brood en wijn aanwezig zijn; vervolgens dat de eene zelfstandigheid in de andere overgaat; ten derde, dat het c/eheele lichaam van Christus onder de H. Hostie tegenwoordig is; ten vierde, dat het lichaam van Christus te gelijker tijd op verschillende plaatsen, in den hemel en op aarde, en dat wel onder iedere H. Hostie aanwezig is.
Gemakkelijk kunnen wij aantoonen, dat zij in dat alles te vergeefs eene ongerijmdheid zoeken.
Hunne eerste ontwerping is deze; met onze zinnen nemen we brood en wijn waar; derhalve is het ongerijmd te beweren, dat daar geen brood en wijn aanwezig zijn.
Wat is de katholieke leer hieromtrent? Dat na de consecratie de substantie of zelfstandigheid van brood en wijn niet meer aanwezig is, maar dat alleen de accidentia of toevalligheden van brood en wijn blijven bestaan. Hierin licht niets ongerijmds. De grootste geleerden nemen aan, dat de substantie onderscheiden is van de accidenten; dat de substantie iets is, wat niet onder het bereik der zintuigen valt, terwijl datgene, wat we met onze zinnen waarnemen, slechts de accidenten zijn. Wij kunnen derhalve met den H. Thomas zeggen, dat in dit allerheiligste geheim onze zinnen ons eigenlijk niet bedriegen ; want met onze zinnen nemen we alleen de accidenten waar van brood en wijn, en die accidenten zijn daar werkelijk aanwezig. Door een wonder echter van Gods almacht bestaan hier de accidenten van brood en wijn zonder de substantie van brood en wijn. Dit is iets geheel en al buiten de gewone orde der natuur; want in den gewonen regel kunnen we bij het waarnemen der accidenten met grond besluiten, dat daar dié substantie en geene andere aanwezig is: hier echter leeren we door de goddelijke openbaring, dat na de consecratie onder de accidenten van brood en wijn niet meer de substantie van brood en wijn, maar het lichaam en bloed van Christus aanwezig zijn. Dit is hoven de rede, maar niet tegen de rede; want niemand kan aan God de almacht betwisten, om twee onderscheiden zaken, gelijk substantie en accidenten zijn, iverkelijk van elkander te scheiden.
De tweede ongerijmdheid, die de Protestanten in dit geheim willen aanwijzen, is, dat de eene zelfstandigheid in de andere overgaat.
Volgens de katholieke leer wordt de zelfstandigheid van het brood in het lichaam, en de zelfstandigheid van den wijn in het bloed van Christus veranderd; die verandering wordt door de Kerk transsuh-stantiatie genoemd. De overgang van de eene zelfstandigheid in de andere is niets buitengewoons; want ook het voedsel dat wij gebruiken, gaat in eene andere substantie over. Zeer schoon zegt de Roomsche Katechismus (Past. 2. cap. 4. n. 19); „daar wij ontwaren, „dat het brood en de wijn krachtens de natuur dagelijks in mensche-„lijk vleesch en bloed worden veranderd, zoo kunnen wij door die //gelijkenis gemakkelijker er toe gebracht worden, om te gelooven //dat de substantie van het brood en den wijn, door de hemelsche //zegening, in het waarachtig vleeesch van Christus, en in zijn waar-jachtig bloed overgaat.\'\'
220
En voorzeker, gelijk de H. Ambrosius \') en de H. Augustinus 2) liebben opgemerkt, (iod, die door zijne almacht de verschillende wezens uit liet niet heeft voortgebracht, is ook bij machte om de reeds bestaande natuur in eene andere te doen overgaan. Werkelijk lezen wij, dat Christus op de bruiloft te Cana water in wijn heeft veranderd.
De derde ongerijmdheid, welke de Protestanten in de H. Eucharistie meenen te zien, is, dat het geheele lichaam van Christus onder de H. Hostie tegenwoordig is. Dit — zeggen zij — is onmogelijk en strijdig met de rede.
Laten we hier wederom de katholieke leer vooropzetten, en hetgeen zeker is onderscheiden van hetgeen voor ons verborgen blijft.. Gelijk we zoo aanstonds gezegd hebben, wordt door de consecratie de substantie van het brood — in het lichaam van. Christus, en de substantie van den wijn — in zijn heilig bloed veranderd. Wijl echter het lichaam van Christus niet afzonderlijk bestaat, evenmin als zijn H. bloed, zoo is onder de gedaante van brood niet slechts het lichaam van Christus, maar ook zijn bloed aanwezig, en evenzoo is onder de gedaante van wijn niet slechts het heilig bloed, maar ook het lichaam van Christus tegenwoordig, en daar na de verrijzenis van den Zaligmaker zijn lichaam niet meer gescheiden is van de ziel, omdat Christus eenmaal gestorven zijnde niet\' meer sterft, en daar al verder de menschelijke natuur van Christus alleen subsisteert in den goddelijken Persoon des Woords, en onafscheidelijk met de goddelijke natuur vereenigd blijft, zoo is onder elke gedaante de geheele Christus met ziel en lichaam, met godheid en menschheid tegenwoordig (Cone. Trid. sess. XIII, cap. 3 en can. 3). Wat echter de sacramenteele tvijze betreft, waarop Christus onder elke gedaante tegenwoordig is, deze kunnen we niet verklaren. Alleen weten we, dat het lichaam van Christus onder de gedaante.van brood en wijn niet op de gewone wijze tegenwoordig is; want het is daar niét zichtbaar, niet tastbaar, niet meetbaar; :!) het is daar op eene voor ons geheel onhegiypelijke wijze; doch ook juist daarom vervallen al do opwerpingen der Protestanten. Zij zijn gewoon, aan het lichaam van Christus al die eigenschappen toe te schrijven, welke een gewoon menschelijk lichaam gedurende zijn verblijf op deze wereld heeft, en die alleen als essentieel te beschouwen, en daaruit besluiten ze dan, dat het geheim der H. Eucharistie onmogelijk is. Wij echter beweren, dat het lichaam van Christus daar niet op de gewone wijze tegenwoordig is. Men zal toch aan God de macht niet betwisten, om aan een lichaam huitengewone eigenschappen te geven, die wij met ons eindig verstand niet kunnen begrijpen. Lezen we niet in de H. Schrift, dat de Zaligmaker over de zee wandelde, dat Hij met gesloten deuren tot zijne Apostelen kwam, dat Hij eensklaps uit
\') //Sermo ergo Christi, qui potuit ex nihilo facere, quod non est, non potest ea, quae sunt, in id mutare quod non erant?quot; (Lib. de initiandis C. XI).
-) „Sicut non fuit impossibile Deo, quas voluit naturas instituere, ita ei non impossibile, in quidquid voluerit, quas instituit, mutare naturasquot; (De civt. Dei cap. Vll).
3) De H. Thomas zegt: het lichaam van Christus is in dit H. Sacrament per modum suhstantiae (Summa P. 3. q 76, art. 3, et passim). Hieruit volgt echter niet, dat alleen de suTistantie van het lichaam van Christus daar aanwezig is. Want, gelijk de H. Schrijver (1. c. art. 4) uitdrukkelijk leert: „ex vi realis concomitantiae est in hoc Sacramento tota quantitas dimensiva corporis Christi et omnia accidentia ejus.quot; Doch die quantitas dimensiva is in dit Sacrament „non
secundum proprium modum..... sed per modum substantiae.quot; Dit
is iets, wat onze eindige rede te boven gaat.
221
hunne oogen verdween? Het ia dus volstrekt niet ongerijmd aan te nemen, dat God aan een liclmam verschillende voor ons onbegrijpelijke -eigenschappen kan geven, zonder dat het daarom ophoudt een lichaam te zijn. Geen wijsgeer kon het uitmaken, welke eigenschappen aan een lichaam essentiëel en welke niet essentieel zijn; want wij kennen de natuur der dingen slechts onvolmaakt, en beoordeelen die grooten-deels naar hetgeen we met onze zinnen waarnemen.
Hiermede hebben we reeds het antwoord gegeven op het vierde bezwaar, door de Protestanten opgeworpen. Zij vinden het ongerijmd, dat het lichaam van Christus te gelijkertijd in den hemel en op aarde, en hier onder iedere H. Hostie tegenwoordig is.
Er is volstrekt niets omgerrjmds in, dat iets te gelijkertijd op verschillende plaatsen aanwezig is. Belijden wij niet, dat God alle plaatsen met zijne tegenwoordigheid vervult? kernen we allen niet aan, dat de ziel van den mensch het gansche lichaam doordringt, en dat die ziel, omdat zij niet in deelen kan gesplitst worden, overal geheel aanwezig is ? Dit alles kunnen we niet volkomen verklaren; maar het is er verre van af, dat het ongerijmdheden zijn; want zelfs met onze rede kunnen we bewijzen, dat God overal tegenwoordig is. De objectie, dat deze voorbeelden genomen zijn uit de geestelijke natuur doet hier niets ter zake. Want al wederom antwoorden we, dat we onmogelijk de sacramenteele wijze kunnen verklaren, waarop het lichaam van Christus in de H.. Eucharistie onder de gedaante van brood tegenwoordig is, en dat wij volstrekt niet weten, welke eigenschappen God door zijne almacht aan een lichaam geven kan. Het is genoeg te hebben aangetoond, dat iets te gelijkertijd op verschillende plaatsen kan aanwezig zijn.
Zoo blijkt derhalve duidelijk: het leerstuk der H. Eucharistie is hoven de rede, maar het is onmogelijk te bewijzen, dat het tegen de rede is. •
Bij het onderzoek naar de waarheden van ons heilig geloof is er niets meer ongepast, dan telkens weêr uit te roepen: dat is ongerijmd, dat is onmogelijk! Voorzeker God kan niets doen, wat onmogelijk is. Maar we herhalen het: wie zal zeggen, wat Hem mogelijk of onmogelijk is? Wie zijn wij dan, om aan den God van hemel en aarde de wet voor te schrijven, en de grenzen te bepalen, die de Almachtige niet zou kunnen overschrijden? — Staat het den kort-zichtigen mensch vrij, de oneindige, de goddelijke almacht grenzen te stellen, en omdat zijn beperkt verstand niet inziet, hoe God dit of dat doet of doen kan. tegen de duidelijke en bepaalde uitdrukking der eeuwige Waarheid koen te beweren, dat dit of dat de grenzen der goddelijk^ macht te boven gaat? Verstout men zich, het mensche-lijke verstand dit recht toe te kennen, dan is de geheele christelijke godsdienst vernietigd. Want om niet te spreken van de overige geheimen der christelijke geloofsleer, tegen welke dezelfde opwerping zou gelden, zij het hier voldoende te gewagen van het geheim der allerheiligste Drieeenheid. Dit maakt, gelijk wij weten, de-grondslag van geheel den door Christus gestichten godsdienst uit; met liet geloof aan dat geheim staat en valt het Christendom. Niets is echter voor ons zwak verstand onbegrijpelijker, onnavorschbaarder en volgens den schijn meer in strijd met de rede, dan juist dit. De leer der wezenlijke tegenwoordigheid van Jesus Christus onder de gedaanten van brood en wijn strijdt tegen het getuigenis onzer zintuigen, de bekende wetten der zichbare natuur; maar dat drie van elkander onderscheiden personen slechts één enkel, geheel onverdeelbaar God zijn, dit strijdt oogenschijnlijk tegen de wetten van het menschelijk verstand zelf, in het eerste geval zouden wij gaarne zien, en wij zien niet, in het laatste begrijpen, en wij begrijpen niet. Wil dus. iemand het geheim der wezenlijke tegenwoordigheid onder het voorwendsel, dat het iets onmogelijks bevat, verwerpen, en juist daarom van den letterlijken zin der woorden van de belofte en instelling
222
afwijken, dan is er geone reden aan te geven, waarom hij ook niet het nog onbegrijpelijker geheim der Drieëenheid zou loochenen; vooral daar de leer van het laatste niet duidelijker, noch bepaalder, ja misschien zelfs minder duidelijk is uitgedrukt. Zou men echter door zulk eene handelwijze niet deur en huis openen voor het ongeloof, en do geopenbaarde waarheden roekeloos ondermijnen? Kan het nog iemand verwonderen, dat degenen, die met de ontkenning der tegenwoordigheid van Christus in het H. Sacrament beginnen, onweder-staanbaar dieper en altijd dieper in het grofste ongeloof vervallen ?
Hoe beklagenswaardig zijn niet onze protestantsche broeders, die het onwaardeerbaar erfdeel van den scheidenden Zaligmaker verwerpen. Wat groots heeft Jesus Christus volgens hunne uitlegging den ziinen tot onderpand zijner onuitsprekelijke liefde achtergelaten? Niets anders dan brood en wijn, om zijnen verlossingsdood af te beelden. Zouden de Christenen, als men dit moest aannemen, wel beter bedeeld zijn, dan weleer de Joden? Geenszins. Dezen hadden in het paaschlam een afbeeldsel van den Verlosser der wereld, en wij Christenen zouden in brood en wijn een afbeeldsel hebben, hetwelk in zich zelve minder geschikt schijnt, om den offerdood van Jesus Christus af te beelden, dan de slachting van het paaschlam. — En wat zouden, zonder de wezenlijke tegenwoordigheid van Jesus Christus in het allerheiligste Sacrament, al onze christe-lij ke tempels zij n ? Hos nietig, hoe ledig, als van alle eerbiedwekkende heiliging ontbloot; hoever in dit opzicht beneden den tempel van Salomon ? Zij zouden in waarheid niets anders zijn dan naakte synagogen, waarin men vergadert, om gezamenlijk te bidden, eene stichtende voordracht Te hooren en van tijd tot tijd brood en wijn ter gedachtenis aan den Verlosser te nuttigen, welk laatste even goed te huis zou kunnen geschieden. Was Christus, de levende God, in de H. Eucharistie niet tegenwoordig, dan hadden wij Christenen alle reden, de voormalige Israëlieten te benijden om hunnen heerlijken tempel, om dat eerwaardig heiligdom, waarin de verheven ark des Verbonds stond en God boven de Cherubs troonde. Nooit zouden in zoodanige omstandigheden onze tempels ons zoo dierbaar, zoo eerwaardig en zoo heilig kunnen zijn, als den Joden de hunne was; nooit zouden wij ons met hen kunnen verheugen, omdat de Heer Sion verkoren en zich ter woning gekozen heeft (Ps. CXXXL, la).
2) Wij weten, dat Christus met de woorden „dit is mijn „lichaam, dit is mijn bloedquot; zijn wezenlijk lichaam en zijn wezenlijk bloed gegeven heeft, omdat de Apostelenen de\' Katholieke Kerk van den beginne af zoo geloofd en geleerd hebben.
223
a) Be apostolische leer over de wezenlijke tegenwoordigheid van Jesus Christus in de 11. Eucharistie zien wij uit den eersten brief van den H. Paulus aan de geloovigen van Corinthe. Nadat namelijk de Apostel der wereld (XI, 24 — 26) de instelling van het H. Altaarsacrament, gelijk die door onmiddellijke openbaring hem was medegedeeld, verhaald had, gaat hij (vs. 27—29) voort: „Al wie onwaardig „dit brood zal gegeten of den kelk des Heeren zal gedronken „hebben, die zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed „des Heeren. De mensch beproeve dan zich zei ven, en „zoo ete hij van dat brood eu drinke van den kelk. Want „wie onwaardig eet en drinkt, hij eet en drinkt zich „het oordeel, omdat hij het lichaam des Heeren niet onder-, scheidt,quot; d. i. gelijk elke-andere spijze, zonder inwendige voorbereiding, nuttigt. Op deze wijze zou de Apostel zich zeker niet uitgedrukt; hebben, als in de Eucharistie niet het ware lichaam en bloed, maar alleen brood en wijn, als zinnebeelden van het lichaam en bloed van Christus aanwezig waren. Immers ook het manna in de woestijn en het paaschlam waren zinnebeelden van den Verlosser der wereld: toch zal niemand beweren, dat wie deze zinnebeelden in staat van zonde nuttigde, zich aan het lichaam en bloed van Christus, d. i, aan eene misdaad tegen de goddelijke Majesteit schuldig maakte. — De Apostel had overigens in het voorgaande hoofdstuk (v. 16) reeds gezegd: „Is „niet de kelk van zegening, welken wij zegenen, de gemeenschap van het bloed van Christus ? En het brood „dat wij breken, niet de gemeenschap van het lichaam des „Heeren?quot; dal is: komen wij niet door de deelneming aan het lichaam en aan het bloed onzes Heeren in de innigste vereeniging met Hem; worden wij door die deelneming als het ware niet één lichaam en één bloed met Jesus, den Godmensch ? Duidelijk is hier niet spraak van eene deelneming door het geloof, maar van het werkelijk nuttigen van eene ware en wezenlijke spijze, hetgeen ook hieruit blijkt, dat het nuttigen der Eucharistie in den loop van het aangehaalde hoofdstuk tegenover het werkelijk nuttigen der joodsche en heidensche offerspijzen gesteld wordt, als
Mi zegt: „wij hebben een altaar.....Gij kunt niet tegelijk
„deelnemen aan de tafel des Heeren en de tafel der duivelenquot; (ad. Hebr.).
b) Wat de Katholieke Kerk met betrekking tot de wezenlijke tegenwoordigheid van Christus in de H. Eucharistie van den beginne geloofd en geleerd heeft, weten wij uit het getuigenis der HH. Vaders en kerkelijke schrijvers, uit de uitspraken der Kerkvergaderingen, en uit de bij den gods-
224
dienst gebruikelijke gebeden en plechtigheden. — De getuigenissen der Kerkvaders zijn zoo talrijk, dat wij kortheidshalve er van moeten afzien, slechts het honderdste gedeelte daarvan aan te halen. Eeeds bij de Vaders en kerkelijke schrijvers der drie eerste eeuwen ontmoeten wij niet zelden deze leer. De H. Ignatius martelaar en leerling der Apostelen, (f omstreeks 107) maakt opwerpingen tegen hen, die niet belijden dat de Eucharistie het vleesch van onzen Verlosser Jesus Christus is , hetwelk voor onze zonden heeft geleden (Brief aan de Geloov. van Smyrna, N0. 7). Nauwelijks vijftig jaren later schreef de uit de heidensche wijsbegeerte tot heit Christendom bekeerde H. Bloedgetuige ■Justinus in zijn aan den keizer Antoninus ten gunste der Christenen gericht verdedigingsschrift (N0. 66), dat de ge-loovigen aan eene spijze (aan een geheiligd brood en wijn) deelnamen, welke zij Eucharistie noemden. „Wij ontvangen „deze,quot; gaat hij voort, „niet als een gewoon brood en als „een gewone drank; maar, gelijk wij geleerd hebben, dat „de door het woord Gods menschgeworden Christus, onze „Verlosser, vleesch en bloed ter onzer verlossing heeft „aangenomen, hebben wij eveneens ook geleerd, dat die „door de woorden van zijn gebed (door de woorden der consecratie) „gezegende spijze het vleesch en Moed van den „menschgeworden Christus is.quot; Niet minder duidelijk drukken zich over dit onderwerp ook de H. Ireneus, Tertullianus, ürigenes, Cyprianus, Clemens en Dionysius van Alexandrië uit. \') — Daar de genoemde Vaders deze leer, wanneer de gelegenheid zich daartoe voordeed, als \'t ware slechts in het voorbijgaan verklaarden, zal het dienstiger zijn, eenige getuigenissen uit de schriften zoowel der grieksche als latijnsche Vaders aan te halen, die in de eerstvolgende eeuwen bloeiden en zich bizonder ten taak stelden, met verwijzing naar de woorden der instelling, de leer der Kerk over dit geheim aan de ge-loovigen op de nauwkeurigste wijze voor te stellen.
Van den H. Cyrillus, Aartsbisschop van Jerusalem, bezitten wij eene geheele redevoering (Katec. 22), waarin hij aan de pasgedoopten met groote juistheid, verklaart, wat zij met betrekking tot de H. Eucharistie moeten ge-looven. De H. Leeraar begint met de \'aanhaling der woorden van de instelling en gaat dan voort: „Daar dus „de Heer zelf de uitspraak gedaan en van het brood gezegd „heeft: dit is mijn lichaam, wie zal zich dan nog vermetel, er aan te twijfelen? En daar Hij ons de verzekering
\') Zie Döllinger, de Eucharistie in de drie eerste eeuwen.
225
„gegeven en gezegd heeft: dit is mijn bloed, wie zal dan „nog aarzelen en meenen, dat het zijn bloed niet is ? Hij „heeft weleer te Cana in Galilea water in wijn veranderd, „en wij zouden weifelen te gelooven, dat Hij wijn in bloed „veranderd heeft?... Nemen wij dan, hetgeen ons gegeven „wordt, met volle overtuiging aan als het lichaam en „bloed van Christus: want onder de gedaante van brood „wordt u het lichaam van Christus en onder de gedaante „van wijn het bloed van Christus gegeven, opdat gij door „de nuttiging van het lichaam en bloed van Christus, één „lichaam, (concorporeus) één bloed (consanguineus) met „Hem zoudt worden. Zoo worden wij dragers van Christus, „daar zijn lichaam en zijn bloed in onze ledematen worden „opgenomen... Ziet daarom het (geconsacreerde) brood „en den (geconsacreerden) wijn niet meer als brood en „wijn aan; want zij zijn volgens het zekere getuigenis des „Heeren het lichaam en het bloed van Christus. Mogen „ook de zintuigen u het eerste voorstellen, dan moet toch „het geloof u van het laatste overtuigen. Oordeelt niet „naar den smaak, maar houdt u door het geloof geheel-„verzekerd, dat gij het lichaam en het bloed van Christus „ontvangen hebt... Weest dus vast overtuigd, dat hetgeen „brood schijnt te zijn, geen brood, maar het lichaam van „Christus, en hetgeen wijn schijnt te zijn, geen wiin, maar „het bloed van Christus is, ofschoon de smaak als brood „en wijn voorkomt.quot;
Even duidelijk drukt zich ook de H. Ambrosius (over de geheimen, hfdst. 8 en 9) over dit onderwerp uit. Zich richtende tot hen, die na het Doopsel het H. Sacrament des Altaars zouden ontvangen, prijst de H. Kerkleeraar de voortreffelijkheid dier geheimvolle spijae en toont hun, dat zij daarom meer te benijden zijn, dan de. Israëlieten, aan wie God in de woestijn te eten en te drinken gaf. „Dezen,quot; zegt hij, „kregen in het manna zeker een kostelijk, maar „altijd toch eenvoudig brood; gij daarentegen ontvangt het „vleesch van Christus, het lichaam van Hem, die het „leven is... Voor dezen stroomde natuurlijk water uit „de rots, voor u vliet het bloed van Jesus Christus zei ven... „Ook was die spijze en die drank van het Oude Verbond „slechts afbeeldsel en schaduw; deze spijze daarentegen „en deze drank, waarvan wij spreken, is waarheid... „Gij zult misschien zeggen, hoe kunt gij ons verzekeren, „dat wij het lichaam van Christus ontvangen, daar wij toch „iets geheel anders zien? Welaan, ik wil u bewijzen, dat „hetgeen gij ontvangt, niet meer is, wat het van natuur „was, maar hetgeen het door de zegening veel machtiger
DEHAUBE, GELOOFSLEER. IV TOOJK 15
226
„dan de natuur is, daar zij de natuur zelve verandert.quot; Vervolgens toont de H. Leeraar, hoe Mozes door zijn voox-zeggingswoord de roede in eene slang , het water in bloed*, en wederom de slang in eene roede en het bloed in water veranderde, en gaat dan voort: „Als dus de zegening „van een mensch machtig genoeg was, om de natuur „te veranderen; wat zullen wij dan van de goddelijke „consecratie zeggen, hij welke de woorden des Zalig-„makers zeiven alles uitwerken? Vermochten de woorden „van Elias, het vuur van den hemel af te roepen, zouden „dan de woorden van Christus niet bij machte zijn, om „de natuur der geschapen dingen te veranderen?quot; — Dat Christus, de Zoon Gods, deze macht heeft, bewijst Am-brosius hieruit, dat Hij de wereld uit niets heeft geschapen , (verg. de boven aangehaalde woorden) en tegen de gewone orde der natuur uit de Maagd Maria is geboren. „Waarom,quot; vraagt hij vervolgeus, het altaargeheim door het geheim der menschwording bevestigende, „waarom „gaat gij bij de sacramenteele tegenwoordigheid van het „lichaam van Christus bij de orde der natuur te rade, „daar dat lichaam tegen den gewonen loop der natuur uit „eene Maagd is geboren ? Zeker is het vleesch, het-„welk aan het kruis gehecht en in het graf gelegd is, „het wezenlijke vleesch van Christus; zoo is het ook ziijn „wezenlijk vleesch, hetwelk in het H. Sacrament is. De „Heer Jesus zelf zegt het met luider stem; Dit is mijn „lichaam. Voor de verandering, welke door middel der „hemelsche woorden geschiedt, heeft het een anderen naam; „na de verandering wordt het lichaam van Christus genoemd. „Christus zegt verder: Dit is mijn bloed. Voor de verandering wordt het anders genoemd; na de verandering „heet het bloed, en gij zegt: Amen, d. i. het is waar. „Gelooft dus waarlijk in het hart, hetgeen gij met den „mond belijdt, en draagt zorg, dat uw inwendig geloof „met uwe woorden overeenstemme.quot;
Van den H. Chrysostomus hebben wij reeds (Deel III) getuigenissen aangehaald en vele andere zouden hier nog bij te voegen zijn, al wilde men zich slechts tof de voornaamste bepalen. Zijn zoo duidelijk en krachtig spreken over het H.\' Altaarsacrament verwierf hem den schoonen bijnaam van „Leeraar der Eucharistie.quot; Wij vergenoegen ons echter met één getuigenis uit de 82e homilie op Matth. XXVI aan te halen. Na de verklaring van de woorden der instelling voegt hij er bij: „Laten wij dus „aan God gelooven en weerspreken wij hem niet, zelfs als „hetgeen Hij zegt aan onze zintuigen en ons verstand on-
227
„gerijmd voorkomt; zijn woord is voor ons meer, dan onze „zintuigen en ons verstand. Laten wij niet alleen letten „op hetgeen voor onze oogen ligt, maar ons aan zijne woorden „houden; deze zijn onfeilbaar, en de zintuigen bedriegen „ons zeer dikwijls. Daar Hij nu zegt: dit is mijn lichaam, „moet iedere twijfel verre van ons zijn; gelooven en zien „wij dan dit geheim met de oogen des geestes. . . Hoe „velen zijn er niet, die zeggen: ik zou gaarne zijne gedaante, zijne kleeding, zijn schoeisel zien! Gij ziet, raakt „aan, ja nuttigt Hem zeiven. Gij verlangt zijn gewaad „te zien ; Hij geeft zich zeiven aan u, niet alleen opdat gij „Hem zien, maar opdat gij Hem aanraken, nuttigen en in „u hebben zoudt. . . Het was Hem niet genoeg mensch te „worden, de geeseling en den kruisdood te ondergaan; Hij „wilde één met ons worden, en niet alleen door het geloof, „maar wezenlijk ons tot zijn lichaam maken. .. Yele moeders „geven hare kinderen aan anderen over ter voeding; Hij „daarentegen voedt ons met zijn eigen bloed en vereenigt „zich geheel met ons op de innigste wijze.quot;
Van niet minder beteekenis zijn ook de woorden van den H. Kerldeeraar Avgmtinus, als hij (verklar. van Ps. XXXIII) uitdrukkelijk zegt: „Christus droeg zich zei ven in zijne „handen, toen Hij, zijn lichaam overreikende, sprak: „Dit „is mijn lichaam,quot; en (over Ps. XUVIII): „Christus heeft „ons zijn eigen vleeach ter onzer zaligheid tot spijze ge-„geven. Niemand eet dat vleesch, zonder het eerst te hebben „aangebeden, en men bezondigt zicli niet, als men het „aanbidt , maar men zondigt, als men het niet aanbidt.quot; — Wij sluiten met het getuigenis van den 11. Cynllus, Patriarch van Alexandrië, die (in zijn comment, op Joannes X) schrijft: „De Verlosser zelf zegt: „wie mijn vleesch eet „en mijn bloed drinkt, blijft in Mij, en Ik in hem.quot;quot; Hier moet men wel opmerken, dat Christus niet zegt, dat „Hij in ons zal zijn op eene geestelijke wijze,door de liefde, „maar uit kracht eener natuurlijke deelneming. Want ge-„lijk twee stukken was, op het vuur te gelijk gesmolten, „tot eene massa was te samen vloeien, zoo wordt, door „de deelneming aan het lichaam en het bloed van Jesus „Christus, Christus met ons, en wij wedsrkeerig met Christus „op de innigste wijze vereenigd.quot; — En gelijk de Vaders, uit wier schriften wij tot hiertoe getuigenissen hebben aangehaald, leerden ook de overige, de H. Ephraïtn, Hilarius, Optatus, Basilius, Hieronymus, Epiphanius, Gregorius van Nizza, Leo, Petrus Chrysologus, Gaudentius, enz. in alle volgende eeuwen. Al wie met eene goede bedoeling de schriften der Vaders leest, zal daarin zonder twijfel de leer
15*
228
der H. Kerk over de wezenlijke tegenwoordigheid van Jesus Christus vinden.
Alhoewel enkele uitdrukkingen, waarvan zij zich bedienen, hier eu daar minder duidelijk en van minder beteekenis zijn, ziet men toch met den geleerden Protestant Leibnitz (System d. Theolog. S. 216) zich genoodzaakt, te bekennen, dat zij in dit Sacrament altijd een groot, boven het begrip van den menschelijken geest verheven geheim erkenden, hetgeen toch zeker het geval niet zou wezen, als in dit Sacrament alleen een teeken (afbeeldsel) werd gegeven, als dit H. Sacrament alleen een uit brood en wijn, als zinnebeelden van het lichaam en bloed van Christus, bestaande maaltijd was, welken men ter gedachtenis aan het laatste avondmaal houdt. — Eveneens mag hier niet over het hoofd gezien worden, dat de HH. Vaders herhaaldelijk en dringend op de geheimhouding van het Sacrament der H. Eucharistie aandrongen, omdat de Heidenen, die de leer van de nuttiging van het lichaam en bloed van Jesus Christus niet konden begrijpen, ze verkeerd uitlegden en daarin aanleiding vonden, de Christenen te beschuldigen, dat zij bij hunne godsdienstige bijeenkomsten een kind slachtten, om het vleesch te eten en het bloed er van te drinken.
In deuzelfden zin als de Kerkvaders, spreken ook de Concilie a over de wezenlijke tegenwoordigheid van Christus in de H. Eucharistie. Onder anderen verdienen vooral de eerste en tweede algemeene Kerkvergadering van Nicea genoemd te worden. Verwonderen wij ons echter niet, dat in de eerste eeuwen in geen Concilie het anathema over de tegenovergestelde leer werd uitgesproken; de reden ligt alleen daarin, dat die dwaling in die tijden nog geheel ongehoord was. Toen echter in het midden der elfde eeuw Berengarius van Tours met de bewering te voorschijn kwam, dat in de Eucharistie het brood en de wijn niet in het ware lichaam en het ware bloed van Christus veranderd worden, vergaderden weldra te Rome, Verceili, Parijs, Florence, Tours, Rouaan, Poitiers, Bordeaux en elders kerkelijke Synoden, en veroordeelden eenparig de nieuwe leer, die zoo duidelijk in tegenspraak was met het geloof der geheele christelijke Kerk; Berengarius kwam acht jaren voor zijnen dood tot inzicht zijner dwaling en herriep haar oprecht. Hij stierf in het jaar 4088 als een rouwmoedige boeteling. J) — In de zestiende eeuw kwam de dwaling van Berengarius weder op en kreeg eene groots uitbreiding. Maar ook toen verhief de Kerk daartegen hare stem en verwierp haar in het Concilie van Trente (Zitt. 13. Can. 1) met de woorden: „Als iemand loochent, dat in het Sa-„crament der Eucharistie het lichaam en het bloed met „de ziel en de godheid van onzen Heer Jesus Christus,
1) Zie over Berengarius de prachtige artikelen van den Hooggeleerden, Zeereerwaarden Heer Bottemanne in «de Katholiekquot; van 1858 en volg.
229
„en bijgevolg de geheele Christus, waarlijk, wezenlijk en „zelfstandig tegenwoordig is, en beweert dat Hij daarin „alleen als in een teeken of eene figuur, of alleen volgens „de kracht is, hij zij in den ban.quot;
Behalve uit de schriften dei- Vaders en de uitspraken der Conciliën, zien wij ook het voortdurend geloof der Kerk aan dit allerheiligste geheim uit de gebeden en plechtigheden, welke van den beginne af bij de viering daarvan in gebruik waren. Maar wijl wij op deze plaats hoofdzakelijk het avondmaal, hetwelk Christus met zijne leerlingen hield, op het oog hebben, zullen wij de bewijsgronden, uit laatstgenoemde bron voortkomende, later (bemerk. 5) aanhalen, wanneer er van de kerkelijke liturgiën spraak zal zijn. l)e reeds aangehaalde getuigenissen zijn overigens meer dan voldoende, om ons de gevolgtrekking te doen maken, tot welke Luther zelf, ofschoon hij zeker geen blind vereerder van hot kerkelijk gezag was, zich gedrongen gevoelde, dat namelijk „dit artikel geene leer door menschen uitge-»dacht, maar duidelijk in het Evangelie met klare, ontwijfelbare //woorden gegrond en gevestigd is, en van het begin der christelijke
//Kerk tot op dit oogenblik eenstemmig geloofd e,a gehouden isquot;----
Wie daaraan twijfelt, doet (dus) evenveel als geloofde hij aan geene christelijke Kerk, en veroordeelt daarmede niet slechts de geheele heilige Kerk, als leerende eene vreeselijke ketterij, maar ook Christus zeiven met alle Apostelen en Profeten, enz. —• Mets is inderdaad ongerijmder dan de bewering, dat de Kerk met betrekking, tot de Eucharistie in den beginne anders heeft geloofd, maar dat zij in tijden van geestelijke verduisiering en onwetendheid als het ware ongemerkt van het ware apostolische geloof is afgeweken. Niet alleen kunnen zij, die zoo spreken, hun gevoelen niet bewijzen, maar zij worden ook door de HH. Vaders, die als zoovele lichten der Kerk en onomstootelijke getuigen hunner leer de voetstappen der geloovigen van alle eeuwen drukten, van de schandelijkste leugentaal overtuigd. En is het niet eene handtastelijke dwaasheid aan te nemen, dat zoovele christenvolken hun verstand aan het geloof van een zoo onna-vorschbaar, met de zintuigen rechtstreeks strijdend geheim, waarvan zij vroeger niets wisten, zonder eenige tegenspraak hebben onderworpen; ja, dat zij allen zoo diep in de duisternis eu onwetendheid verzonken lagen, dat zij, zonder het te bemerken, tot de verwerpe-lijkste aller afdwalingen, tot de aanbidding van brood en wijn, tot eene „vervloekte afgoderijquot; •) zich hebben laten verleiden? Moge men ook in de laatst verloopen eeuwen met moeite gekomen zijn tot een hoogeren trap van wetenschappelijke vorming, dan die van de zoo zeer gehoonde middeleeuwen; al heeft men in de natuur geheimen ontdekt, welke men toen in de verte niet vermoedde: ten aanzien van de leerstellingen en geheimen des geloofs was men evenwel in die tijden niet zoo onwetend, noch zoo weinig oplettend, dat eene vervalsehing daarvan zonder de levendigste tegenspraak kon hebben plaats gehad.1)
1
) Protestansche schrijvers hebben dikwijls getracht het bewijs te geven, dat in de eeuw, welke het optreden van Berengarius onmiddellijk voorafging, dus in de tiende en in het begin der elfde eeuw, de van de Apostelen overgeleverde leer van het Avondmaal is vervalscht geworden. De vreeselijke onwetendheid en zedelijke bedorvenheid dier tijden — zeggen zij — heeft eene dergelijke vervalsehing mogelijk, ja zelfs gemakkelijk gemaakt. Zelfs katholieke geschiedschrijvers schilderen ook de in dat tijdvak heerschende, voornamelijk door de herhaalde invallen der Hongaren, Noormannen en Saracenen toegenomen misdaden met zulke scherpe kleuren, dat voorzeker menig onvoorzichtig, minder grondig onderwezen lezer in de bekoring zou
230
v
Een doorslaand bewijs daarvoor geeft ons het algemeene verzet, toen Berengarius zicli verstoutte het geheim van het lichaam en bloed van
kunnen komen, op hun eenzijdig bericht aan de gezegde mogelijkheid te gelooven. Het kan dus niet overbodig zijn, te bewijzen, dat het zelfs in die zoogenaamde „duisterequot; eeuwen der katholieke Kerk geenszins aan geleerde en heilige Bisschoppen, aan oprecht geloovige vorsten en vorstinnen en andere door God verlichte mannen ontbroken heeft, die met een vurigen, onvermoeiden ijver het ware geloof verbreidden en bewaarden, heilige tucht en wetenschap bevorderden. — Duitschland kon groot gaan op verscheiden door geleerdheid en heiligheid uitstekende Kerkvoogden, onder anderen Bruno met den bijnaam „de Grootequot; en Herihertus, „waard eeuwig „herdacht te worden om den adel van zijn geslacht, zijne heerlijke z/daden en zijne voor en na den dood gewrochte wonderen,quot; beide Aartsbisschoppen van Keulen; Bernward en Gotthard, Bisschoppen van Hildesheim; Adelhertus van Maagdenburg; Huger en Unno van Hamburg; Koenraad van Constantz; de zalige Anno te Worms; Adalhero en ULricus te Augsburg; Wolfgangus te liegensburg; I/art-wich van Saltsburg. Op den troon schitterde als een voorbeeld van deugd de H. Koningin Mathilde, de gemalin van Hendrik I, en de H. Adelheide, de gemalin van Keizer Otto I. Van de laatste verhaalt de H. üdilo, haar levensbeschrijver, dat „zij, na de toediening i-van het H. Oliesel, het Sacrament van het lichaam onzes Heeren.in „wien zij altijd geloofd, op wien zij altijd gehoopt had, ootmoedig „en met de innigste godvrucht aanbiddend heett ontvangen.quot; Keizer Otto I wedijverde met zijne H. gemalin in kinderlijke liefde voor het christelijk geloof en voor de H. Kerk, en Keizer Hendrik II werd om zijne bewonderenswaardige godsvrucht en deugd waardig gekeurd onder de Heiligen gerangschikt en met zijne maagdelijke gemalin, de H. Kunegunda, op het altaar vereerd te worden. In dezelfde eeuw regeerde in Hongarije de door heiligheid en vurigen ijver voor de uitbreiding van het christelijk geloof zeer uitstekende Koning Stephanus. Op den aartsbisschoppelijken stoel van Praag zat de Apostel
der Pruisen, en op den bisschoppetijken zetel van Esanad de H. Gerardus, de Apostel van Hongarije: beiden hebben als Martelaars met hun bloed de kiem des geloofs, welke zij gelegd hadden in de harten der volken, wier heilsboden zij waren, vruchtbaar gemaakt.— In Bohemen regeerde de H. hertog ÏVenceslnus, in Noorwegen de H. Koning Olaf, die beiden onder de glorievolle scharen der Martelaren geteld zijn; in Kusland de doorluchte Vorstin Olga, die teConstanti-nopel het H. Doopsel ontving en in de grieksche Kerk als heilig vereerd wordt. Haar kleinzoon IVladimir werd van een verdrukker een beschermer en verbreider van het Christendom, en diens zonen, de heilige Romanus en David, 1) behaalden omstreeks het jaar 1010 den palm van het martelaarschap. Zwedens duisternis verdreven de de HH. Bisschoppen Sigefried en Wolfred door den glans van verheven, apostolische deugden, en de laatste verheerlijkte de noordsche Kerk door zijnen marteldood. — Vooral rijk aan Heiligen was in dit te kwader naam staande tijdvak de Kerk van Engeland. Daar bloeiden de HH. Bisschoppen Brijnslan, Odo, Dunstan, Ethewold, Oswald, Elpheg, Bisschop van Winchester, (f 951) en Elpheg Martelaar, Aartsbisschop van Kantelberg (f 1012); daar de H. Koning Edgar en diens zoon en opvolger Eduard, de Bloedgetuige. De schoonzuster des laatsten, de H. Maagd Editha, sloeg grootmoedig de koningskroon van de hand, welke men haar na den dood van haren H. broeder aanbood, omdat zij liever Jesus, haren goddelijken Koning en Bruidegom, in de eenzaamheid van \'t klooster ongestoord wilde dienen. — Ook
1
Zie de Boll. 5 Sept. en Butler 24 Juli.
231
Jesus Christus te loochenen. De Bisschoppen, als bewaarders des geloofs, kwamen zonder verwijl te zamen en verwierpen de nieuwe, tot dat tijdstip ongehoorde leer. Aan hun hoofd stonden, naar volgorde, de Pausen Leo IX, Victor 11, Nicolaas 11 en Gregorius Yll, die allen de dwalingen van Berengarius veroordeelden; en toen later, ten tijde der Albigenzen, die ketterij door Petrus van Bruns weder werd opge-liaald, verwierp Innocentius lil haar opnieuw in het eerste Concilie van Laterane.
En in de veronderstelling van het overigens onmogelijk geval, dat liet in de westersche Kerk iemand gelukt ware, de van de Apostelen overgeleverde leer te vervalschen, had dan wel de Kerk van het oosten die boosaardige daad rustig aangezien? Zouden dan de Patriarchen en Bisschoppen, wien het ontbrak noch aan scherpzinnigheid , noch aan het verlangen om eenige zwakheid o£ een gebrek der Kerk van het westen te bespreken en te ontdekken, bij eene zoo verderfelijke en zoo zeer in het oog vallende nieuwe leer stilgezwegen hebben? Zouden zij zich dan verlaagd hebben, dezelfde nieuwe leer ook in hunne Kerk in te voeren? En toch moet men
in Frankrijk waren verscheidene Bisschoppen helderschitterende lichten van geloof en deugd voor hunne kudden en voor de frankische volkeren in den verren omtrek, zooals de H. Girard/is, Bisschop van Toul, de H. Fulkram, Bisschop van Lodève, de H. Bisschop
van Utrecht, enz. De beroemdste zetel van christelijke wetenschap en deugd was toen de Abdij der Benedictijnen te Cluny. De Abten Bern», üdo, Aimard, Majolus, Odilo, staan allen op het register der Heiligen; van dit moederklooster ging de geest van wetenschap en godsvrucht ook op de ondergeschikte kloosters over en droeg daar de heerlijkste vruchten.
Wij zouden op deze wijze alle landen van Europa kunnen door-loopen; overal zouden wij de heerlijkste lichten van geloof en deugd ontmoeten. In het aloude Benedictijnergesticht te Einsiedeln in Zwitserland leefde in die eeuw als eerste Abt de zalige Ehe.rhard, uit eene adellijke familie van Zwaben; in Italië de Abt Ndus de jongere, de H. Abt Romualdus-, stichter der Kamaldulensenorde. en Spanje kon toen niet alleen heilige Bisschoppen, maar ook godvruchtige vorsten aanwijzen, die moedig en zegevierend strijd voerden tegen de Saracenen, dè aartsvijanden van het christelijk geloof. — Maar als nu in alle landen ziilke geleerde en heilige opperherders de geloovigen leidden, als de deugd ook op den troon zoo heerlijk schitterde, als zulke voor het geloof zoo ijverige en godvruchtige overheden in talrijke kloosters zoo streng tucht en orde handhaafden en in zich zeiven en in hunne onderdanen het voorbeeld van christelijke volmaaktheid toonden, wie durft dan nog beweren, dat deze lichten van geloof en heilig leven vruchteloos op den kandelaar stonden, dat niet-vele stralen in de geestelijke duisternissen der eeuw vielen, en zelfs de laagste klasse des volks, de hutten der armen heilzaam verlichtten? En wie kan het waarschijnlijk achten, dat die helden van geloof en deugd, die door God reeds in hun leven en nog meer na hun zalig verscheiden door wonderen verheerlijkt werden, niet Lebben geweten» wat zij geloofden, dat zij namelijk niet hebben geweten, wat het Olïer beteekende, hetwelk zij den Heer dagelijks brachten, of hetwelk zij dagelijks bijwoonden, uit hetwelk zij den zoetsten troost en een onoverwinnelijken moed schepten? Wie eindelijk kan zoovelen van onverschilligheid in geloofszaken beschuldigen, die als het ware alleen ter verbreiding des geloofs leefden en ter bevestiging en bezegeling daarvan hun bloed vergoten? Onze verlichte, door godsdienstige onverschilligheid gebrandmerkte eeuw heeft waarlijk reden genoeg zich te schamen, als zij aan de voorgewende duisternissen dier eeuwen denkt.
232
beweren, dat zij dit werkelijk gedaan hebben, en dat het hun even goed als anderen geloofsvervalschers gelukt is, alle Christenen van het oosten tot afgodendienst te verleiden; want het is een onloochenbaar feit, dat de Kerk van het oosten ten aanzien der leer van de wezenlijke tegenwoordigheid van Christus in de H. Eucharistie met de Kerk van het westen altijd overeenstemde en nog overeenstemt. Dit feit is door de geloofwaardigste documenten zoo onbetwistbaar bewezen, dat Leibnitz (t. a. p.) zelf zegt, //men moet toegeven, dat //zij duidelijk is bewezen, of men moet alle hoop laten varen, dat «het ooit mogelijk is, aangaande het geloof van verafgelegen volken /;iets te bewijzen.quot; Wij willen kortheidshalve van de vele documenten alleen de woorden aanhalen, welke een Godgeleerde der griek-sche Kerk, Marcus JJonus, in het jaar 1672 den -21 Mei schreef aan Claudius, het toenmalig hoofd der gereformeerde gemeente te Parijs, om diens vraag,- wat de oostersche Kerk aangaande de verandering der natuur van het brood en den wijn in het Sacrament der Eucharistie gelooft, te beantwoorden. Wij bepalen ons bij zijn gezegde, wijl daaruit duidelijk blijkt, dat de oostersche Kerk haar geloof aan de wezenlijke tegenwoordigheid, even als de westersche, tot de Kerkvaders der eerste eeuwen, tot de Apostelen en Jesus zeiven terugbrengt. Zijne woorden zijn; fWeet, dat het geheele oosten in over-«eenstemming met het westen sinds den oorsprong der Kerk altijd «geloofd heeft en gelooft, dat het brood en dp wijn waarlijk én //werkelijk (physice) in het lichaam en het bloed van Jesus Christus „worden veranderd, zoodat de vroegere zelfstandigheid wordt weg-//genomen. En deze verandering van natuur telt de grieksche Kerk /,onder de noodzakelijke artikelen des geloofs dermate, dat niemand »ze niet weten, in twijfel trekken, herroepen of verwerpen mag. „Dat geloof nu heeft zij ontvangen van Christus en van de Apostelen, «diens opvolgers, alsook van de Vaders der oorspronkelijke Kerk, „die de zuilen en hoofdpilaren der grieksche ware Kerk zijn, enz.quot; (Bij Mac-Hale bewijsgronden en leerstellingen der kath. Kerli, bladz. i\'J\'J. Het geheele schrijven staat D. UI B. 8. hfdst. 12. //Perpétuité „de la foiquot;).
Is het nu een bewezen, onloochenbaar feit, dat de gansche Kerk van Christus door alle eeuwen zoo geloofd en geleerd heeft, dat zij, de door God aangestelde Leermeesteres, uit de woorden der belofte en der instelling van de H. Eucharistie altijd erkende, dat Christus aan zijne leerlingen bij het laatste avondmaal zijn waarachtig vleesch en zijn waarachtig bloed, en niet eenvoudig een afbeeldsel van het een en het ander heeft gegeven, met welken naam moet men dan de handelwijze dier zoogenaamde geloofsverbeteraars bestempelen, die trots den eerbiedwaardigen ouderdom, de uitspraak van de geheele Kerk aller eeuwen, alleen op hun eigen gezag steunende, zich verstoutten het tegendeel te beweren? Volgens hen was dus van Christus\' tijd tot de zestiende eeuw de Geest Gods van zijne, door de schitterendste wonderen en genadegaven zich onderscheidende Kerk zoover geweken, dat zij in de schandelijkste afgoderij verviel, en keerde eerst ten tijde der Hervorming het hoogere licht in haar terug en verdreef den nacht van het afgodendom! Niet Ambrosius, Chrysosto-mus, Augustinus, neen, de dwaalleeraars der zestiende eeuw waren de lichten der Kerk; eerst hun ontsloot de geest desüeeren de oogen, dat zij den zin der Schrift begrepen. \') Tot die dwaasheid moeten zij
\') Afgezien van vele andere redenen zijn de bekentenissen der Hervormers zelve reeds voldoende, om iedereen te overtuigen, dat zij zich, zooals in \'t algemeen in zaken des geloofs, vooral bij de bewijsvoering der leer over het Avondmaal geenszins door. den geest Gods lieten leiden. Luther zelf schreef aan de Straatsburgers: ;/Dit „beken ik, dat, als Dr. Carlstadt of iemand anders voor vijf jaren
233
hunne toevlucht nemen, die ^een geloof genoeg bezitten, om het geheim der wezenlijke tegenwoordigheid van Christus aan te nemen.
Heeft Christus ook aan anderen de macht gegeven, om brood en wijn in zijn allerheiligst vleesch en bloed te veranderen ?
Ja, deze macht heeft Hij aan zijne Apostelen gegeven met de woorden: „Doet dit ter mijner gedachtenis,quot; en van hen is zij op de Bisschoppen en Priesters overgegaan.
De woorden des Zaligmakers aan de Apostelen: „Doet „dit ter mijner gedachtenis,\'\' bevatten den bepaalden last, het uitdrukkelijk bevel, om na zijnen dood hetzelfde te doen, hetgeen Hij voor hunne oogen gedaan heeft, namelijk brood en wijn te nemen, het te zegenen, in zijn lichaam en bloed te veranderen, deze hemelsche spijze te nuttigen en aan anderen ter nuttigicg te geven. Zoo is de duidelijke zin der woorden van Christus zei ven, en zoo heeft de Kerk van den beginne af door alle eeuwen geleerd. Een onwederlegbaar bewijs daarvoor geeft ons onder anderen het getuigenis van den H. Martelaar Jicslinus. Nadat hij in zijn meer genoemd verdedigingsschrift de viering dei-christelijke geheimen beschreven en in het bizonder vermeld heeft, dat alsdan door de woorden van Christus, den menschgeworden God, brood en wijn in diens allerheiligst
//mij had kunnen melden, dat in het Sacrament niets anders is, dan //brood en wijn, hij mij een grooten dienst had bewezen. . . . omdat //ik wel inzag, dat ik daarmede het Pausdom den grootsten slag had «kunnen toebrengen.quot; Zwingel van zijn kant verhaalt, //ter eere «Gods,quot; zooals hij zich uitdrukt (opp. Zwingel. 3. par. subsid. sea coronis de Eucharist.) dat, nadat hij langen tijd vergeefs gezocht had naar een tekst, welke hem tot bewijs kon dienen, dat de woorden van Jesus: //dit is mijn lichaam,quot; in een figuurlijken zin moeten, worden opgenomen, //hem gelukkig een hulp in den droom verscheen , //die hem herinnerde aan de woorden; „„Gij zult het (H. Paaschlam) spoedig eten; want het is de overgang (het Pascha) des Heerenquot;quot; (2. Mos. XII, ll). De Hervormer voegt er echter zeer naïf bij: «Of ,/hij (die helper) wit of zwart was, weet ik niet.quot; — In elk geval was het niet de geest van waarheid, die hem op gezegde wijze uit de klem hielp. Want deze moest volgens het gevoelen van Zwingel bewijzen, dat de woorden: ,,dit is mijn lichaam,quot; niets anders willen zeggen, dan «dit beteakent mijn lichaam,quot; omdat ook de woorden: „het is de overgangquot; geen anderen zin hebben, dan: //hetbe-vteekent de overgang.quot; Een in de hebreeuwsche taal zeer ervaren protestant van lateren tijd (Rosenmiüler) bewijst echter onwederlegbaar, dat in den bovenstaanden, uit het tweede boek van Mozes aangehaalden Schriftuurtekst het woord //isquot; niet den zin van ,/be-teekenenquot; of //voorstellenquot; heeft. Deze tekst luidt volgens het hebreeuwsch onbetwistbaar: //het is de dag van den overgang.quot; Treurig genoeg had echter deze door den leugengeest gegeven verklaring volgens het bericht van Zwingel ten gevolge, dat velen het gevoelen van den Hervormer huldigden.
234
vleesch en bloed veranderd worden, voegt hij er big : „want „de Apostelen hebben in hunne gedenkwaardige geschriften, „welke wij Evangeliën noemen, ons overgeleverd, datjesus „Christus hun bevolen heeft zoo te doen, als Hij gedaan „heeft, namelijk toen Hij brood nam, dankte en zeide: „doet dit ter mijner gedachtenis, dit is mijn lichaam, enz.quot; En aan dit getuigenis van Justinus moet des te meer gewicht gehecht worden, daar het buiten allen twijfel is, dat hij in het verdedigingsschrift, in naam der geheele christelijke Kerk opgesteld, niet zijn privaat gevoelen, maar het algemeen geloof\' der Kerk uitdrukte. Dat Christus, toen Hij aan zijne Apostelen het bevel gaf, om te doen, wat Hij gedaan heeft, hun ook het gezag en de macht daartoe heeft gegeven, blijkt van zelf, daar Hij hun anders het ongeoorloofde en onmogelijke had bevolen. — En niet alleen aan de Apostelen heeft Christus door de gezegde woorden dat gebod en die macht gegeven, maar, gelijk het Concilie van Trente (Zitt. 22. hfdst. 1) leert, ook aan allen, die hen in het Priesterschap zouden opvolgen, namelijk aan de Bisschoppen en aan alle door hen geldig gewijde Priesters. Dit volgt reeds uit de algemeen erkende leerstelling, dat Christus zijne heilmiddelen voor den geheelen duur der door Hem gestichte maatschappij, de H. Kerk, dus voor alle toekomstige tijden heeft ingesteld. Bovendien blijkt het duidelijk uit de leer van den H. Paulus (1. Cor. XI, 26). De Apostel der wereld voegt namelijk hg het woord van Christus: „doet dit ter mijner gedachte-„nis,quot; er terstond de reden bij: „want zoo dikwijls gij dit „brood zult eten en den kelk drinken, zult gij den dood „des Heeren verkondigen, (in herinnering brengen) totdat „Hij (de Heer Jesus) komt,quot; totdat Hij weder op aarde verschijnt, om te oordeelen de levenden en dooden. Daar nu deze tweede komst van Jesus Christus eerst aan het einde der wereld zal plaats hebben, is het volgens den Apostel de duidelijk uitgesproken wil des Zaligmakers, dat, als een voortdurend aandenken aan zijnen verlossingsdood, tot aan het einde der wereld brood en wijn in zijn allerheiligst vleesch en bloed zullen veranderd worden. Jesus wilde derhalve, dat deze verandering niet alleen door de Apostelen, die niet tot het einde der wereld zouden leven, maar ook door hunne opvolgers voltrokken zou worden. Dat Christus echter niet aan alle geloovigen, maar alleen aan de Apostelen en hunne opvolgers in het Priesterschap dien last opdroeg en die macht gegeven heeft, zal bij het H. Sacrament des Priesterschaps nader worden verklaard.
235
Wanneer oefenen de Bisschoppen en Priesters die macht uit?
In de H. Mis, als zij over het brood en den wijn de woorden der consecratie uitspreken: „Dit is mijn lichaam, „dit is mijn bloed,quot; (of) „de kelk mijns bloeds.quot; Want na die woorden is op het altaar geen brood en wijn meer, maar het ware lichaam en bloed van Jesus Christus onder de gedaanten van brood en wijn.
Dit is en was altijd het geloof der H. Katholieke Kerk. De offerende Priester zegt niet: „dit is het lichaam van „Christus,\'\' maar: „dit is mijn lichaamquot;; daardoor geeft hij te kennen, dat Christus onze Heer zelf, door tusschen-komst des Priesters, die over de op het altaar liggende zelfstandigheden de heilige woorden uitspreekt, de verandering volbrengt. Zoo schrijft in de zevende eeuw Maro, \') Patriarch van Antiochië, en voegt er bij: „zoodra dus de „Priester in naam van onzen Verlosser de woorden: „„dit „is mijn lichaam,\'quot;\' enz., uitspreekt, wordt het brood in „het lichaam onzes Heeren en de met water vermengde „wijn in diens kostbaar bloed veranderd, ofschoon de ge-„daanten (van brood en wijn) blijven.quot; 2) „Het door
\') Expositie ministérii oblationius D. Jacobi Apostoli apud Aloys. Asseman. Liturg. P. 2. p. 351.
2) Üe oude Liturgiën bevatten niet alleen gebeden tot God, dat Hij het brood en den wijn in het lichaam en het bloed zijns Zoons moge veranderen, maar ook opwekkingen tot den diepsten eerbied en aanbidding van den na de voltrokken consecratie tegenwoordigen God-mensch, en tot eene plechtige belijdenis des geloofs aan de goddelijke tegenwoordigheid van de zijde van al het volk, dat het H. Offer bijwoonde. — In de nyrische Liturgie 1) richt de Diaken de volgende woorden tot het volk; //Laten wij gelijk behoort tegenwoordig zijn //en bidden; laat ons hier zijn met vrees en siddering; laat ons tegen-z/woordig zijn met een zuiver hart; want zie, het Offer wordt opge-z/dragen, en de Majesteit van God openbaart zich. De poorten des ,hemels Openen zich, de H. Geest daalt neder en rust op deze heilige, //geheimvolle gaven.... Bedienaars der Kerk vreest, levend vuur //vervult u. De macht, welke u is gegeven, overtreft die der Sera-z/phijnen.quot; Daarop bidt de Priester; //Vader der waarheid! Ziedaar „uwen Zoon, een U welgevallig slachtoffer. Neem Hem aan, Hem, //die voor mij is gestorven; door Hem werd mij de vergeving der //zonden ten deel. Ziedaar deze offergave, neem ze aan uit mijne //handen en wees mij genadig, gedenk niet meer de zonden, aan //welke ik mij voor uwe Majesteit heb schuldig gemaakt. Ziedaar *dat bloed, hetwelk ter wille mijner zaligheid op Golgotha gestroomd //heeft, het roept om genade voor mij,quot; enz — Volgens de armenische Liturgie wendt zich de Diaken tot ben, die willen communiceeren. met de woorden: „Nadert met eerbied en gelooft, en neemt deel aan «den Heilige.... Wij gelooven en belijden, dat dit het ware lichaam
1
Bij Aloys. Assemani. Liturg. Eucharist.
236
„het woord Gods geheiligde brood, hetwelk gij op het „altaar ziet,quot; zegt daarom de H. Augustinus tot de pas-gedoopten (preek 227) , „is het lichaam van Christus , en „hetgeen deze door het woord Gods geheiligde kelk bevat, „is het bloed van Christus.quot; — «Als gij het allerheiligst „lichaam op het altaar ziet liggenleert de H. Chnjsosloinus (hom. 24. op 1. Cor.), „zeg dan: door dit lichaam hoop „ik den hemel te verkrijgen en al deszelfs goederen, het
„eeuwige leven..... Voor dit lichaam hulde de zon zich
„in het duister, toen zij het aan \'t kruis zag hangen. Om „zijnentwille scheurde toen het voorhangsel van den tempel, „en de rotsen spleten vaneen en de aarde beefde. Dit is „het lichaam, hetwelk met bloed bedekt, met de lans door-
;/en het ware bloed van Jesus Christus is.quot; De Priester legt dan eene geconsacreerde Hostie op de tong van den communicant en zegt in diens naam; „Ik geloot\', dat dit het lichaam en het bloed van den //Zoon Gods is, dat de zonden der wereld wegneemt, en niet alleen //Ons heil, maar ook het heil der gansche raenschheid isquot; (BijMigne, handboek der kathol. Liturgie, bladz. 5Ö9). [n de constantinopoli-taansche Liturgie, ook de Liturgie van den 11. Chrysostomus genoemd, spreekt de Priester op het oogenblik der Communie: fnader Diaken!quot; Deze maakt eene diepe buiging en ontvangt een partikel der geconsacreerde Hostie in cle hand, terwijl de celebrant zegt: //Ik geef u yhet kostbarg, heilige en allerzuiverste lichaam van onzen Heer en //God, van onzen Verlosser Jesus Christus, ter vergeving der zonden «en ten eeuwigen leven.quot; Later reikt de Priester den Diaken den kelk met het H. bloed over, en deze zegt bij het ontvangen: ylk »kom tot U, onsterfelijke Koning; ik geloof en belijd, o Heer, dat //Gij Christus de Zoon van den levenden God zijtquot; (Bij Migne 1. c. bladz. 588). 1) — Nog plechtiger is de geloofsbelijdenis der werkelijke tegenwoordigheid in de alexandrijnsche Liturgie, welke aan den H. Gregorius van Nazianze wordt toegeschreven. Volgens deze roept de Diaken onmiddellijk voor de H. Communie: //Laat ons acht geven «op God met siddering!quot;\' Vervolgens heft de Priester het Allerheiligste in de hoogte en zegt: ,Het Heilige der Heiligen!quot; en het volk antwoordt: //Heer! ontferm u onzerquot;.... Daarop zegt dePriester „Dit is het ware heilige lichaam en het ware kostbare bloed van „Jesus Christus, quot;van den Zoon Gods, Amen.quot; Nadat hij dit gezegde voor de tweede en derde maal bijna met dezelfde woorden heeft herhaald, antwoordt het volk: //Amen. — Ik geloof, ik geloof, ik geloof //en belijd tot aan mijn laatsten ademtocht, dat dit hetzelfde levend-smakende vleesch is, hetwelk Gij, Christus, onze God, uit onze H. //Lieve Vrouw, de Moeder Gods en eeuwige Maagd Maria, aangenomen //en met uwe godheid vereenigd hebt.... dat vleesch, hetwelk Gij //voor ons allen vrijwillig hebt gegeven aan den balk des H. kruises. vlk geloof waarlijk, dat uwe godheid nooit, zelfs niet een oogenblik, //van uwe menschheid gescheiden was; dat Gij juist dit uw lichaam ster verzoening, ter .vergeving der zonden en ten eeuwigen leven //voor allen, die het ontvangen, gegeven hebt. Ik geloof, dat het «dit waarlijk is. Amen.quot; (Bij Aloys. Assemani 1. c. en bij Kenaudot, Liturg, orient. T. L. p. llgj.
1
Verg. de Liturg, van den H. Chrysost. bij Montfaucon D. 12. bl. 796.
237
„stokén, twee heilbronnen voor de geheele wereld opende, „waaruit bloed en water stroomden.... Dit lichaam aan-„baden de wijzen in de kribbe, daarvoor wierpen zij zich
„neder met vrees en an^st..... Door het geheim van
„dit lichaam wordt u de aarde een hemel. Open dus de „deur des hemels en blik in den hoogsten hemel, en gij „zult zien, wat ik gezegd heb. Want het heerlijkste, wat „daar is, kan ik u op aarde toonen. Gelijk in een koninklijk „paleis niet de muren en het gouden dak het voornaamste „zijn, maar de Koning zelf, zittende op zijn troon, zoo „is ook in den hemel het lichaam des Heeren het voor-„naamste, en dat kunt gij thans op aarde zien. Want ik „toon u niet Engelen en Aartsengelen, niet den hoogsten „hemel, maar den Heer des hemels zeiven. Dus ziet gij „het heerlijkst op aarde, gij ziet het niet alleen, maar „raakt het aan, ja nuttigt het.quot;
Van het geloof aan de tegenwoordigheid van het lichaam en bloed van Jesus Christus onder de eucharistische gedaanten getuigt ook de diepe eerbied, welken men daaraan in de Katholieke Kerk altijd bewezen heeft en nog voortdurend bewijst. De H. Cyrillus, Bisschop van Jerusalem, vermaande de nieuwgedoopten (Katech. 23) zeer voorzichtig te zijn, opdat niet het minste daarvan op den grond zou vallen, en te bedenken, dat het geringste gedeelte, hetwelk verloren ging, voor hen een even groot verlies zou wezen, alsof zij een hunner ledematen verloren. „Als „men u,\'\' gaat de H. Leeraar voort, „goudstof gaf, met „welk eene zorgvuldigheid zoudt gij het bewaren, om niets „daarvan te verliezen ? Hoeveel behoedzamer en oplettender „moet gij zijn, dat ook niet het minste verloren ga van „hetgeen in waarde goud en edelgesteenten verre overtreft.\'\' üe H. Bisschop Optatus, die met Cyrillus in de vierde eeuw leefde, verwijt aan de Donatisten (L. VI. n. 1, 2) in de sterkste bewoordingen de onteering der altaren, omdat daarop het lichaam en het bloed van Jesus Christus bewaard worden. „Kan er,quot; roept hij vol heilige verontwaardiging „uit, kan er roekeloozer heiligschennis zijn, dan de H. „altaren omver te werpen en te verbrijzelen, op welke gij „zelf weleer het H. Offer opgedragen hebt, op welke de „offergaven des volks en de ledematen van Jesus Christus „nedergelegd werden. Of wat is het altaar anders, dan „de troon van het lichaam en het bloed van Jesus Christus ? „Wat kwaad heeft Christus u dan gedaan, Christus, wiens „lichaam en bloed in der tijd op die altaren verwijlden ?... „Gij zijt navolgers der Joden geworden; dezen sloegen eene „gewelddadige hand aan Christus aan het kruis, gij aan
238
„Christus op het altaar. .. En bij deze misdaad voegt „gij nog een nieuwe; gij verbrijzelt den kelk, den drager „van het bloed van (Jhristus... O roekelooze misdaad, „ongehoorde gruwel!quot;
Het geloof aan de voortdurende wezenlijke tegenwoordigheid van Christus in het H. Sacrament des Altaars openbaart zich eindelijk in alle tot de verste christelijke eeuwen opklimmende Liturgien oi\' voorschriften aangaande het- H. Misoffer, daar niet slechts in de romeinsche , ambrosiaansche, gallicaansche, mozarabische, maar ook, gelijk zelfs de geleerde Protestant Hugo Grotius aanmerkt, in alle grieksche, arabische, syrische en andere Liturgien van oude herkomst gebedsformulieren gevonden worden, waardoor God nu eens door den Priester, dan eens door het volk wordt aangeroepen, dat 11 ij de geofferde gaven heiligen en ze in het lichaam en bloed zijns Zoons veranderen moge.
Bij de tot hiertoe aangevoerde bewijzen voor de tegenwoordigheid van Christus in het H. Sacrament is nog dit te voegen, dat God zelf in den loop der christeneeuwen die waarheid meermalen door in \'t oog loopende wonderen heeft bewezen. Nu eens waren het buitengewone gunsten, waarmede Hij de godvruchtige vereerders van dit H. Sacrament beloondedan weêr wonderbare straffen, welke Hij over de verachters en onteerders daarvan afzond; nu eens ontrukte Hij door zijne almacht de heilige gedaanten aan het alles verwoestend geweld der elementen, aan het vuur, aan het water, enz.; dan bevestigde Hij op menige andere wijze door een wonder het geloof aan dit allerheiligste geheim.
Wij zeiden boven, dat het lieliaam cn bloed van Jesus Christus in het H. Sacrament des Altaars tegenwoordig komt, als de Priester op het voorbeeld van Christus over het brood en den Wijn de woorden: .//dit is mijn lichaam;quot; //dit is mijn bloed,quot; of «de kelk\'mijns bloeds,\'-uitspreekt. Daaruit blijkt dus ook, welke stof en vorm ter voltrekking van dit Sacrament gevorderd worden. De bedoelde stof is namelijk, gelijk het Concilie van Florence in het dekreet voor de Armeniërs verklaart, tarwehrood en wijn van den wijnstok. Werkelijk bediende zich ook de H. Kerk altijd van brood en wijn als noodzakelijke stof van dit H. Sacrament: de HH. Vaders, de Pausen en Conciliën stemmen in dit opzicht altijd overeen. Het brood, hetwelk de H. Kerk volgens het voorbeeld van Jesus Christus daartoe gebruikt, is hetgeen in den eigenlijken zin brood genoemd wordt, het brood uit tarwemeel. Erood van haver-, gersten-, boekweiten-, roggemeel en derg. mag ter bereiding van dit H. Sacrament in geen geval genomen worden. — Het tarwebrood, gezuurd of ongezuurd, is en blijft altijd tarwebrood, en bijgevolg is de Consecratie, ofschoon Christus zelf in het laatste avondmaal zich hoogstwaarschijnlijk van ongezuurd brood bediend heeft, ook in gezuurd brood geldig, gelijk liet Concilie van Florence (t. a. p.) uitdrukkelijk bepaald heeft. Daar echter de latijnsche Kerk altijd slechts ongezuurd brood (ongezuurde hostiën)
239
gebruikt, en het bovengenoemde Concilie verordend heeft, dat hare Priesters altijd in ongezuurd brood consacreeren moeten, zou een Priester der latijnsche Kerk zich grootelijks bezondigen, als hij ter bereiding van het H. Altaarsacrament gezuurd brood nam. — De wijn van den wijnstok, d. i. de eigenlijke wijn, is het andere deel van de noodzakelijke stof van dit Sacrament. Appelwijn en andere kunstmatige of vervalschte wijnen, in welke of geene eigenlijke zelfstandigheid van wijn, oi\' in verhouding tot de overige daarmee vermengde deelen in geringe mate aanwezig is, mogen noch geoorloofd, noch geldig als stof voor dit Sacrament gebruikt worden. — Met den wijn, welke als stof voor dit Sacrament dienen zal, moet volgens de bepaling der Kerkvergadering van Florence in het aan-
gehaald decreet voor de Armeniërs, als ook volgens die van hetehaald decreet voor de Armeniërs, als ook volgens die van het
oncilie van Trente (Zitt. XXII hfdst. 7. en Can. 9) „een weinig //water\'5 vermengd worden. Keeds de Vaders der eerste eeuwen en de oudste Liuirgien spreken van deze bijmenging. „Zij geschiedtquot;, gelijk het Concilie van Trente bemerkt, ,/Omdat men gelooft, dat «ook Christus zulks heeft gedaan, en omdat met het bloed water uit z/de wonde der zijde des Heeren gestroomd heeft.quot; Tevens beteekent zij zoowel de vereeniging der meuschelijke met de goddelijke natuur, als ook de vereeniging van het geloovige volk met Jesus- Christus, zijn Hoofd. De eerste dezer beteekenissen wordt In het gebed uitgedrukt, hetwelk de Priester verricht bij het ingieten van liet water in den kelk; de tweede geven de genoemde Conciliën van Florence en Trente aan, als zij ons er opmerkzaam op maken, dat de volkeren in de geheime openbaring van Joannes j-wateiquot; genoemd worden. Uit deze laatste beteekenis is ook te verklaren, waarom de Priesters in de Mis voor de levenden het water zegent, alvorens hij het in den wijn giet. Hij doet dit in naam der Kerk, die overtuigd is, dat het geloovige volk om zijne dagelijksche gebreken den zegen behoeft, teneinde de vereeniging met Christus, zijn Hoofd, des te waardiger te worden. In de Mis voor de overledenen blijlt deze zegen achter, als ook die over het aanwezige volk aan het einde der H. Mis, omdat het H. Offer onmiddellijk voor de zielen in het vagevuur wordt opgedragen. — Deze inmenging van water, ofschoon den Priester onder zware zonde geboden, is toch niet zoo noodzakelijk, dat zonder haar de verandering van den wijn in het H. Bloed niet zou kunnen geschieden.
De vorm, zonder welke de verandering van het brood en den wijn in het lichaam en het bloed van Christus niet plaats heeft, bestaat volgens de eenparige leer der Godgeleerden in de woorden: „Uit is //mijn lichaam,quot; //dit is mijn bloed,quot; of //dit is de kelk mijns bloeds,quot; of //dit is de kelk, welke mijn bloed bevalquot;, of ,/drt, wat deze kelk „bevat, is mijn bloed.quot; Ofschoon nu, volgens de gewone leer der Godgeleerden, geene andere dan de boven aangegeven woorden tot eene geldige consecratie noodzakelijk zijn,\'is toch ieder Priester, die volgens den latijnschen ritus de H. Mis leest, streng verplicht, de overige woorden van het formulier der consecratie van den kelk, welke deels aan de H. Schrift olitleend, deels van de apostolische overlevering afkomstig zijn, uit te spreken. Zij luiden: „Uit is de „kelk mijns bloeds, van het nieuw en eeuwig Verbond, het geheim „des geloofs, hetwelk voor u en voor velen zal vergoten worden ter ,vergeving der zonden.quot; Er staat: dit is de kelk mijns bloeds, van het nieuw en eeuwig Verhond, omdat door dit bloed het door Christus gestichte Verbond, krachtens hetwelk ons het eeuwige erfdeel beloofd is, bezegeld en bevestigd wordt. Er staat verder: een geheim des geloofs, omdat het H. Sacrament van het lichaam en bloed onzes \'Heeren één der diepste geheimen van het Christendom is. \')
\') Bij verscheidene Heiligen, onder anderen bij den zaligen Nlcolaus van der Fluë en bij de H. Catharina van Siena verving de H. Eucha-
240
Hoe lang blijft Christus met zijn TI. lichaam en Hoed tegenwoordig?
Zoolang als de gedaanten aanwezig zijn.
Het is eene door de Kerk uitgesproken geloofsleer, dat na
ristie langen tijd het lichamelijk voedsel. Anderen, zooals de H. Rosa van Lima en de H. Ludwina, kregen door de H. Communie wonderbare sterkte in hare lichamelijke zwakte en leniging in hare smarten. Zeer vele vereerders en vereerderessen van het H. Sacrament verwierven de verheven genade, van Jesus in de H. Hostie, meestal onder de gedaante van een zeer aanvallig kind, te zien en zijne stem te hooren; aan anderen, zooals aan de H. Juliana van Falconieri, gaf de Zaligmaker zich in de H. Hostie op eene wonderdadige wijze. Het is zeer moeielijk eene genade te bedenken, welke niet aan den eenen of anderen vurigen aanbidder van het H. Sacrament, als belooning voor zijne godsvrucht en zijn vertrouwen, is geschonken. Görres haalt in zijn mystiek een groot aantal heerlijke voorbeelden aan. Wij vergenoegen ons, slechts enkele, uit andere bronnen geput, als bewijs voor het boven gezegde aan te halen. — De als vijand der Kerk beruchte Keizer Frederik II verwoestte de omstreken\' van Spoleto, welke tot den Kerkdijken Staat behoorden, te vuur en te zwaard. Huurlingen der Sarracenen waren hem daarbij zeer ten dienste en woedden in hunnen christenhaat vooral tegen kerken en kloosters. Als die bloeddorstige horden de stad Assisië belegerden, kozen zij het aan de muren der stad gelegen klooster van St. Damianus uit, waarin de H Clara overste was, om er binnen te dringen en binnen zijne gewijde muren hun goddeloos werk te drijven. De ongeloovigen stonden reeds op het punt de muren te beklimmen, toen de H. overste, van het dreigend gevaar verwittigd, ziek als zij was, zich naar de poorten des kloosters begaf en voor haar uit het Allerheiligste in de remonstrans liet dragen. Daar wierp zij zich ten aanschouwe der bestormers op de knieën neder en bad onder heete tranen tot den Zaligmaker in het H. Sacrament: //zoude het U //werkelijk behagen, o Heer, deze uwe weerlooze dienaressen, welke //ik in uwe liefde heb opgevoed, in de handen dier barbaren over //te leveren? Bescherm, Heer, bid ik U, deze uwe maagden, welke „ik thans niet meer kan beschermen!quot; Toen hoorde zij, die bad, en alle aanwezige zusters uit het H.- Sacrament de stem; //\'ik zal u altijd «•beschermen.quot; Nu stond Clara getroost op en zeide; //Ik sta er\'u //borg voor, mijne dochters, er zal u geen leed wedervaren; ver-„tronwt maar op Christus.quot; En zie, een plotselinge angst overviel de binnendringende vijanden; in snelle vlucht sprongen zij weder de beklauterde muren af en gingen in groote verwarring uit elkander (Bolland. 12 Aug.). — In het leven van den H. Bernardus vinden wij een voorval opgeteekend, hetwelk, behalve het geloof van dien H. Kerkleeraar aan de wezenlijke tegenwoordigheid, ons ook de waarheid van dit geheim voor oogen stelt. Terwijl de H. Bernardus zich te Milaan bevond, bracht men op zekeren dag eene door den duivel bezetene bij hem, met de bede dat hij haar toch van die vreeselijke plaag van verscheidene jaren zou bevrijden. De dienaar Gods droeg in tegenwoordigheid der bezetene het H. Misoffer op. Na de //Pater nosterquot; nam hij de pateen met de H. Hostie, legde ze op het hoofd der ongelukkige en zeide: //verworpen geest, uw //Rechter is hier; de Almachtige is hier; Hij is tegenwoordig, die, «.op het punt staande voor ons te lijden, sprak; //i/Nu wordt de vorst ////dezer wereld uitgeworpen.quot;quot; Dit is liet lichaam, hetwelk, uit de //Maagd Maria aangenomen, aan het hout des kruises uitgerekt is, //hetwelk van den dood verrezen en voor de oogen zijner leerlingen
241
de verandering van het brood en den wijn in het lichaam en het bloed van Jesus Christus, zoowel het lichaam als ook het
//in den hemel is opgenomen. In den naam dier allerhoogste Majesteit „beveel ik u, booze geest, uit deze dienares van God te gaan en het „niet te wagen, haar voortaan in het minste te bemoeielijken.quot; Voor de onweerstaanbare macht des Zaligmakers wijkende, verliet de duivel voor altijd de bezetene. — Ben dusdanig openbaar wonder, hetwelk niet het eenige in zijne soort is, bewijst even onbetwistbaar de tegenwoordigheid van Jesus Christus in het H. Sacrament, als die teekenen, welke in de eerste tijoen van het Christendom in den naam van Jesus plaats hadden, om do goedheid van Christus te bewijzen (Uit het leven des II. Bernardus, geschreven door den Abt Wilhelmus van liheims).
De H. Anlonius van Padua, had eens in de omstreken van Toulon , waar- hij predikte, met een geslepen Albigenzer 1) een openbaar onderhoud over de tegenwoordigheid van Christus in het heilig Sacrament, en bracht daarbij zijnen vijand zoo in liet nauw, dat deze niets meer wist te antwoorden. Óm zich echter uit de verlegenheid, te helpen, zeide de ketter tot Antonius: „Welaan! gaan „wij van het woord tot de daad. Als gij mij in het bijzijn van alle ./aanwezigen door een wonder toont, dat het lichaam van Christus „in liet H. Sacrament tegenwoordig is, dan zal ik de dwaling af\'zwe-„ren en mij aan het juk des gelools onderwerpen.quot; Toen de Heilige met het grootste vertrouwen antwoordde, dit te willen doen, ging gene voort: „Ik zal mijn muildier drie dagen lang opsluiten en „het niets te eten geven. Na drie dagen zal ik het in \'t bijzijn „van allen, die hier thans tegenwoordig zijn, naar buiten leiden en „voeder voorzetten; gij zult van uwen kant met het voorgewende (/lichaam van Christus tegenwoordig zijn. A!s dan het uitgehon-„gerde dier, zonder het voeder aan te raken, tot uwen God, wien, „zooals gij beweert, alle schepselen moeten aanbidden, heensnelt, „zal ik waarlijk gelooven, wat de Kerk van dit geheim gelooft.quot; De Heilige verklaarde zonder vrees met dit voorstel tevreden te zijn. Op den bepaalden dag liep al het volk op een groot open plein te samen. De ketter verscheen, omgeven van eene groote schaar boosaardige menschen, aan de eene hand het door honger gekwelde muildier leidende, in de andere het toebereide voeder houdende. De H. Antonius droeg daar in eene kapel het H. Misoffer op. Als de Mis geëindigd was, begaf ook hij zich naar de bepaalde plaats, terwijl hij de H. Hostie, het lichaam des Heeren, in de handen droeg. Nu gebood hij stilte, trad nader tot het muildier en zeide op statigen toon: »In de macht en in den naam van „uwen Schepper, wien ik onwaardige werkelijk in mijne handen heb, „beveel ik u, dat gij terstond ootmoedig nadert, én Hem de ver-„schuldigde eer betoont, opdat de kettersche boosheid erkenue, dat „elk schepsel zijnen Schepper , wien de Priester dagelijks op het „altaar olïert, onderworpen is.quot; Het hongerige dier, hetwelk men middelerwijl voeder toereikte, liet het op \'t woord van Gods dienaar onaangeroerd liggen, wierp zich voor het Allerheiligste op de knieën neder, en boog zijn kop diep ter aarde. Bij dit wondervol schouwspel verheugden zich do Katholieken; de ketters trokken zich beschaamd terug, en hij, die door zijne versteendheid en geslepenheid de eerste aanleiding daartoe had gegeven, hield zijne belofte en werd een gehoorzame zoon der katholieke Kerk (Bolland, 13 Juni).
1
Eenige noemen dezen ketter Bovillus, anderen Guialdus; de door de Bollandisten aangehaalde vroegere levensbeschrijvers van den H. Antonius geven geen naam op.
DB1IAK.BE, GELOOFSLEER. IV. Sile DR\'JK. IQ
242
bloed des Heerea.tegenwoordig blijven, zoolang als de gedaanten van het veranderde brood en den wijn voortduren. Hetzij dus de H. Hostiën of geconsacreerde Particulen zich onder de H. Mis of daarna op het altaar bevinden, hetzij er na de H. Communie overblijven en in het tabernakel bewaard, of wel tot de zieken of ia plechtige processie gedragen worden, in elk geval is Christus daaronder tegenwoordig (Kerkverg. v. Trent. Zitt. 13. Can. 4, 6,7). — Ten aanzien der luther-sche leer dat Christus in de Eucharistie alleen onder het nuttigen daarvan tegenwoordig is, getuigt de meergenoemde Leibnitz (t. a. p.), dat deze in vroegeren tijd geheel ongehoord was, en dat zij, die dit gevoelen verdedigen, iu geene geringe verlegenheid verkeeren, als zij de vraag moeten beantwoorden, „of deze verandering op de lippen, in den mond, in de keel „of eerst in de maag geschiedt, dan wel of zij misschien niet „eens plaats heeft, wanneer door eenig toeval de gedaanten „niet verdwijnen.quot; — Zoolang dus de geconsacreerde gedaanten van brood en wijn blijven, blijft ook Christus er onder tegenwoordig; zoodra zij echter verdwijnen, houdt ook Christus op sacramenteel tegenwoordig te zijn. Zoo zou bijv. Christus ophouden tegenwoordig te zijn, als iemand zooveel water in den geconsacreerden kelk goot, dat het mengsel den smaak, den geur en de kleur van den wijn verloor; in dit geval zou in den kelk niets anders zijn, dan water met wijn vermengd, i) — Daaruit blijkt ook,
Xe Favernay, eene stad in liet voormalige graafschap Bourgondiii, had in het jaar 1008 op den 25» Mei \'t volgende altijd merkwaardig voorval plaats. In de Abdijkerk van „onze Lieve Vrouw\'\' bleef gedurende den nacht van Pinksterzondag en Pinkstermaandag het Allerheiligste op een rijk versierd altaar ter aanbidding uitgesteld. Ongelukkig viel eene vonk vuur van eene waskaars, en stak de kunstige versierselen, de zijden kleeden en tapijten, waarmede het altaar was behangen, in brand. Spoedig geraakte ook het toestel, waarop het Allerheiligste stond, in lichtelaaie vlam. De H. Hostie met de remonstrans bleef echter niet alleen te midden der vlammen ongeschonden, maar zweefde, nadat alle steunsel verbrand was, drie en dertig volle uren voor de oogen eener verbaasde volksmenigte, die op het hooren van dat wonder was toegestroomd, als door de hand eens Engels gedragen, in do vrije lucht. Eerst op den derden. Pinksterdag tegen tien uur, toen de het H. Offer opdragende Priester na de Consecratie de H. Hostie ter aanbidding had opgeheven, daalde ook de wonderbare remonstrans langzaam op het altaarkleed neder. Onuitsprekelijke gevoelens vervulden nu de harten van alle aanwezigen. — l)e Aartsbisschop van Eesanfon, Ferdinand van Longuy, won nauwkeurige berichten in aangaande de toedracht van dit geval, gaf het verhaal in druk en zond het ook naar Rome, waar het eene groote vreugde verwekte. Paulus V bevestigde de waarheid van dit wonder, waarvan meer dan tien duizend ooggetuigen waren.
\') Siet elke verandering, welke aan de gedaanten geschiedt, heeft ten gevolge dat Christus onder deze niet meer tegenwoordig blijft, maar alleen die, waardoor de gedaanten niet meer met waarheid brood en wijn kunnen genoemd worden.
243
dat bij hen, die de H. Communie ontvangen, de zelfstandigheid zelve van het lichaam van Christus nooit in de lichameliike zelfstandigheid van den communiceerende over-, gaat. Zoodra de genuttigde gedaante van brood volgens de natuur is opgelost, is ook het lichaam van Christus in dengene, die Hem daaronder heeft ontvangen, niet meer tegenwoordig.
Is onder de gedaante van brood alleen het lichaam van Christus, en onder de gedaante van wijn alleen zijn Hoed tegenwoordig ?
Neen, onder elke gedaante is Christus geheel en onverdeeld tegenwoordig, gelijk Hij geheel en onverdeeld in den hemel is.
Toen Jesus Christus bij het laatste avondmaal aan zijne Apostelen zijn lichaam te eten en zijn bloed te drinken gaf, was het niet een gestorven lichaam, een lichaam zonder bloed, niet een ontzield, maar een levend, bezield lichaam, hetwelk Hij hun tot spijze aanbood; evenzoo was het bloed, dat Hij hun tot drank gaf, niet van \'t bezielde lichaam afgezonderd, geen gestorven bloed, gelijk dat, wat den voet des kruises bevochtigde; het was met het dooide ziel levende lichaam vereenigd, levend bloed. Want op dat oogenblik, toen Hij de woorden sprak: „dit.is mijn „lichaam, dit is mijn bloed,quot; was de Zaligmaker levende, met vleesch en bloed, met lichaam en ziel in de tegenwoordigheid zijner leerlingen. Hij gaf hun dus zijn levend lichaam en zijn levend bloed ter nuttiging, zijn lichaam in vereeniging met zijne ziel, en lichaam en ziel wederkeerig in vereeniging met zijne godheid, welke ten gevolge der menschwording met zijn lichaam en zijne ziel onafscheidelijk verbonden is. Onder de gedaante van brood ontvingen dus de Apostelen met het lichaam ook het bloed van Christus, en onder de gedaante van wijn met het bloed ook het lichaam van Christus, en. onder iedere gedaante ook de ziel en de godheid van Christus met zijn lichaam en bloed vereenigd. Juist dezelfde toestand is er nog ten huidigen dage ook in het allerheiligste Sacrament des Altaars. Jesus Christus is daar zoo geheel en waarachtig tegenwoordig, als Hij in den hemel aan de rechterhand zijns Vaders zetelt. In den hemel nu is Hij niet in den toestand des doods, maar des levens; vleesch en bloed, lichaam en ziel, menschheid en godheid zijn daar niet van elkander gescheiden, maar op het innigste met elkander vereenigd. Er heeft alzoo ook in het H. Altaarsacrament geene dergelijke scheiding plaats; dus is onder elke gedaanten het lichaam en het
16*
244
bloed van Jesus Christus met zijne ziel en godheid tegenwoordig. Derhalve leert de Kerkvergadering van Trente (Zitt. 10. hfdst. 3): „Het is zeker waar, dat onder ééne „dezer beide gedaanten even zooveel vervat is, als onder „beiden; want de geheele en onverdeelde Christus is onder „de gedaante van brood en onder elk deel van dezelfde gedaante, en ook geheel onder de gedaante van wijn en onder „deszelfs deelen tegenwoordig.quot; Ofschoon nu Christus, volgens bet gezegde, onder elke der beide gedaanten geheel en onverdeeld, dus met lichaam en bloed, met menschheid en godheid tegenwoordig is, maken wij toch een zeer juist onderscheid tusschen betgeen de Zaligmaker ons volgens de woorden van zijn geheimvol testament onmiddelliik onder de eene, en tusschen hetgeen Hij ons onmiddellijk onder de andere gedaante heeft achtergelaten. Wij zeggen dus, op zijne woorden: „dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed,quot; ons beroepende, met recht, dat Hij ons onder de gedaante van brood zijn lichaam, en onder de gedaante van wijn zijn bloed geeft. Want uit kracht der woorden van de consecratie, welke de Priester over het brood en den wijn uitspreekt, komt onder de gedaante van brood onmiddellijk het lichaam, en onder die van den wijn onmiddellijk het bloed van Christus tegenwoordig. Maar dat onder de gedaante van brood met het lichaam ook het bloed en onder de gedaante van wijn met het bloed ook het lichaam, en onder elke der beide gedaanten ook de ziel van Christus tegenwoordig is, geschiedt eigenlijk en onmiddellijk niet krachtens die woorden, maar krachtens het natuurlijk bij elkander behooren en de onafscheidelijke vereeniging van lichaam, bloed en ziel in een levenden mensch. Desgelijks heeft de verdere omstandigheid, dat ook de godheid van Christus onder elke gedaante in vereeniging met het lichaam, het bloed en de ziel tegenwoordig is, niet onmiddellijk haren grond in de woorden der consecratie, maar in de onafscheidelijke vereeniging der menschelijke met de goddelijke natuur, waarvan boven sprake was (Kerkverg. v. Trente 1. c.).
De vraag, waarom Jesus Christus het allerheiligste Altaarsacrament onder twee verschillende gedaanten heeft willen instellen, daar onder beide toch de geheele Christus tegenwoordig is, zal later worden opgehelderd. Hier zij het voldoende,de aangehaalde woorden des Heeren te herinneren: „doet dit ter mijner gedachtenis.quot; Het allerheiligste Sacrament moet volgens het inzicht van onzen Heiland eene voortdurende gedachtenis aan Hem, en, gelijk uit de woorden van den H. Paulas blijkt, voornamelijk eene gedachtenis
245
aan zijn verlossingsdood zijn. Zulks is het echter voor ons vooral daardoor, dat het onder twee verschillende gedaanten werd ingesteld. Want had Christus aan zijne Apostelen zich zeiven alleen onder de ééne gedaante van brood gegeven, met de woorden: „dit hen Ik,quot; dan zou daarin geene voorstelling van zijcen dood, hijgevolg ook geene levendige herinnering aan dien dood zijn. Daar echter zijn lichaam uit kracht der woorden: „dit is mijn lichaam,quot; onder de gedaante van brood, en zijn bloed uit kracht der woorden: „dit is mijn bloed, hetwelk voor velen zal verboten worden ter vergeving der zonden,\'\' onder de gedaante van wijn tegenwoordig is, wordt ons, ofschoon in het Sacrament om andere redenen het vleesch van het bloed niet werkelijk is gescheiden, toch door deze vertegenwoordiging onder beide van elkander afgezonderde gedaanten en door de daarbij gebruikelijke woorden der instelling, de dood van Christus, bij welken het bloed van het lichaam gescheiden werd, op de treffendste en levendigste wijze afgebeeld. En zoo wordt het H. Altaarsacrament, wat het volgens de beschikking van zijn goddelijken Insteller zijn moet, eene zeer juiste en levende gedachtenis aan zijn heilaanbrengenden verlossingsdood.
Wanneer de Priester de II. Hostie breekt of deelt, verdeelt hij dan ook het lichaam van Christus?
Neen, hij breekt of deelt alleen de gedaanten; het lichaam van Christus zelf is onder elk gedeelte der gedaante geheel, levend en zelfstandig, ofschoon op geheimvolle wijze, tegenwoordig.
Juist hetzelfde, wat hier van de H. Hostie gezegd wordt, geldt ook van den kelk. Als dus de Priester aan ver-scheidenen uit den geconsacreerden kelk te drinken geeft, dan wordt daardoor het bloed van Christus niet verdeeld; eenieder ontvangt al het bloed van Jesus Christus, daar de Godmensch, gelijk onder elk partikel der H. Hostie, onder eiken druppel van den geconsacreerden kelk geheel en onverdeeld tegenwoordig is. Derhalve hebben ook de Apostelen, toen Jesus hun uit den geconsacreerden kelk op de beurt te drinken gaf, niét slechts een deel zijns bloeds, maar al zijn bloed met lichaam en ziel en godheid ontvangen. Daarom verklaart de Kerkvergadering van Trente (Zitt. 13. Can. 3): „Wie loochent, dat in het „aanbiddenswaardig Sacrament der Eucharistie onder elke „gedaante en na de verdeeling onder de afzonderlijke „deelen van elke gedaante de geheele Christus vervat is,
246
„die zij in den ban.quot; — Deze waarheid van ons geloof vindt hare verklaring in hetgeen reeds is bewezen, dat namelijk de gedaanten van brood en wijn, welke na de consecratie overblijven, niet aan het vleesch en bloed van Jesus Christus zei ven zich hechten, niet de eigen gedaanten van het godmenschelijke vleesch en bloed, maar een buitengewoon hulsel zijn, onder hetwelk de Godmensch zich zeiven geheel en onverdeeld op eene geheimvolle wijze verbergt. Dit hulsel moge gebroken, in deelen ontleed worden, de daaronder verborgen Christus blijft geheel en onverdeeld.
Ter verklaring dezer leer zij echter nog verder opgemerkt: 1) dat het lichaam van Jesus Christus in het allerheiligste Sacrament, gelijk reeds dikwijls is gezegd, wezenlijk hetzelfde is, hetwelk in den hemel aan de rechterhand des Vaders zetelt. Het lichaam van Christus nu is in den hemel verheerlijkt, dus onsterfelijk, voor elk lijden, elke verwonding onvatbaar; om dezelfde reden kan dus het lichaam van Christus in het H. Sacrament niet gewond, gebroken of verminkt worden. Verdwijnen of vergaan de gedaanten, dan houdt wel het allerheiligste lichaam des Heeren op daar tegenwoordig te zijn, maar Hij vergaat niet, lost zich niet van lieverlede op; Hij is of geheel en onverdeeld, of in het geheel niet meer daar tegenwoordig. — Ook mag niet over het hoofd worden gezien, 2) dat het lichaam van Jesus Christus in het allerheiligste Sacrament zonder twijfel werkelijk en waarachtig tegenwoordig is, doch niet op eene aan het lichaam, zelfs niet aan het verheerlijkte, natuurlijk geëigende, maar op eene geheel wonderdadige, geheimvolle wijze, volgens de natuur van een geest. Een geest nu heeft, gelijk bekend is, niet de minste uitgestrektheid, kan dus onmogelijk in deelen ontbonden of ontleed worden; van den geest kan kan men derhalve noch, zeggen noch denken, dat hij groot of klein of dun of het tegendeel is. Evenzoo is het ook met Christus in het allerheiligste Sacrament des Altaars. De geheele natuur en zelfstandigheid van zijn H. lichaam is er werkelijk in tegenwoordig, maar, uit kracht vaneen wonder der goddelijke almacht en wijsheid, zonder de uitgestrektheid aan het lichaam ook in den verheerlijkten toestand volgens de natuur eigen. Aan een breken en verdeelen kan hier dus evenmin gedacht worden, als aan het breken en verdeelen van een geestelijk wezen; ook kan hier geen spraak zijn van maat, gewicht, van grootte, van stand en houding van het lichaam van Christus. Gelijk dus Jesus Christus in de geheele H. Hostie geheel en
247
onverdeeld tegenwoordig is, is Hij ook, als zij gebroken wordt, in de afzonderlijke deelen eu deeltjes tegenwoordig, zoolang zij nog ware gedaanten van brood zijn. Eene, ofschoon onvolmaakte gelijkenis dezer tegenwoordigheid geeft ons de dagelijksche ondervinding. Ziet gij bijv. in een spiegel, dan ziet gij u daarin vólkomen afgebeeld; slaat gii vervolgens den spiegel in stukken, dan ziet gij u in elk dier stukken geheel en volkomen, gelijk gij u tevoren in den geheelen spiegel gezien hebt. Daaruit nu, datJesus Christus geheel en onverdeeld in elk deel der gedaante van brood is, blijkt onbetwistbaar, dat in eene groote Hostie niet meer dan in eene kleine, en in een gedeelte daarvan evenveel als in de geheele, altijd de éene onverdeelde en ondeelbare menschelijke en goddelijke natuur van Jesus Christus is. Gelijk het manna in de woestijn, het afbeeldsel van het H. Altaarsacrament, de eigenaardige eigenschap had, dat hij, die daarvan meer verzamelde dan een ander, daarom niet meer had, en dat hij, die fninder verzamelde, daarom niet minder had (2. Mos. XVI, 18), zoo heeft ook, volgens het gevoelen der HH. Vaders , het H. Sacrament des Altaars de eigenaardigheid, dat allen evenveel bekomen, \' onverschillig of zij het onder eene groote of kleinere Hostie ontvangen.
Met de bovengenoemde omstandigheid, dat het lichaam van Christus in het H. Sacrament volgens de natuur van een geest, dus zonder de aan het lichaam eigen uitgestrektheid van ruimte tegenwoordig is, volgt bovendien, dat het, gelijk het aan een geest eigen is, ook geene ruimte inneemt, en juist daarom in en op zich zeiven aan geene ruimte gebonden is. Alzoo kan, zooals we reeds hebben gezegd, hetzelfde verheerlijkte lichaam van Christus, hetwelk in den hemel zijne natuurlijke uitgestrektheid bezit, op aarde en wel op vele plaatsen te gelijker tijd geheel en onverdeeld tegenwoordig zijn, en zoo is het ook werkelijk op alle plaatsen der wereld, waar de heilige gedaanten zich bevinden. In dien zin leert het Concilie van Trente (Zitt. 13. hfdst. 1): „Het bevat in zich geene tegenspraak, dat „onze Zaligmaker op de Hem natuurlijke wijze van be-„staan altijd aan de rechterhand des Vaders in den hemel „gezeten, en dat Hij niettemin in het H. Sacrament op „vele andere plaatsen wezenlijk tegenwoordig is, op eene „wijze van bestaan, welke wij, ofschoon wij ze met „woorden nauwelijks kunnen noemen, toch met ons „door het geloof verlicht verstand als de macht van „God niet te buitengaande aannemen en standvastig ge-„looven moeten.quot;
243
Het veelomvattende woord van den hemelschen verkondiger der \' menschwording: //bij God is geen ding onmogelijkquot; (Luc. I, 37), geldt hier eveneens; want is het ook onmogelijk, dat een lichaam, hetwelk natuurlijkerwijze uitgestrektheid heeft, en hetwelk krachtens die eigenschap eene bepaalde ruimte inneemt, volgens de gewone wetten der natuur te gelyker tijd op verschillende plaatsen tegenwoordig is, zoo volgt daaruit toch geenszins, dat het //bij God onmogelijkquot; is, de gelijktijdige tegenwoordigheid van hetzelfde lichaam op verschillende plaatsen te bewerkstelligen. Staat God, de Almachtige, niet boven de natuur en boven al hare wetten? Hangt het niet van zijn vrijen wil en van zijn welgevallen af, uitzonderingen te maken? Wat kan Christus, die God is, beletten, te bewerken, dat zijn verheerlijkt lichaam onder de sacramenteele gedaante volgens de natuur van een geest, d. i. zonder werkelijke uitgestrektheid, tegenwoordig komt? En indien Hij dit inderdaad zoo beschikt heeft, wat kan dan nog aan de tegenwoordigheid van een en hetzelfde lichaam van Christus op verschillende plaatsen in den weg staan? Zoude het misschien evenzeer onmogelijk zijn, dat een geest, een boven alle ruimte verheven wezen, te geiijker tijd op verscheiden plaatsen tegenwoordig is? Het tegendeel blijkt uit de alomtegenwoordigheid van God zeiven. Wij kunnen niet ontkennen, dat Hij, niet alleen volgens zijne macht, maar ook volgens zijne natuur overal is, in den hemel, op aarde en in alle plaatsen, overal te gelijker tijd, en overal geheel en volkomen. Wat kan ons dan recht geven om te beweren, dat een lichaam, hetwelk door een wonder der goddelijke almacht als het ware de wijze van bestaan van een geest verkregen heeft, niet, evenals deze, boven de ruimte verheven, gelijktijdig op verscheidene plaatsen tegenwoordig zou kunnen zijn? Maar, zegt gij, deze in zeker opzicht geestelijke wijze van bestaan eens lichaams is geheel onbegrijpelijk. — Zonder twijfel is zij dat; maar wij hebben alle reden, „toe te geven, dat God iets vermag, waarvan wij moeten //bekennen, dat wij het niet kunnen begrijpenquot; (Augustin. Br. 137). Wat ons ten aanzien van het geloof aan dit\'geheim de meeste moeie-lijkheden bereidt, is dit, dat wij ons een lichaam volstrekt niet anders dan uitgestrekt in ruimte kunnen voorstellen. Ja, wij zijn van natuur zoo geschapen, dat wij zelfs een geest alleen onder het hulsel van een lichaam ons weten voor te stellen. Daaruit volgt echter niet, dat er geen lichaam zijn kan, hetwelk eene wijze van bestaan heeft gelijk de geest, d. i. hetwelk zonder werkelijke uitgestrektheid is en geene ruimte inneemt. Ook de doofstomme kan niet begrijpen, dat er eene andere manier is, om zijne gedachten mede te deelen, dan door teekenen en gebaren, en toch zoude hij zeer ten onrechte de gevoltrekking maken,dat er geene andere zijn kan. En wie onzer begrijpt, hoe het lichaam van Jesus Christus door de gesloten deuren ging (Joan. XX. Luc. XXIV)? Ook de Apostelen begrepen het niet; „zij verschrikten en meenden eenen //geest te zien.quot; Maar Jesus zeide hun : „ziet mijne handen en mijne //voeten. Ik ben het zelf, voelt en ziet; want een geest heeft geen //vleesch en gebeente, gelijk gij ziet, dat Ik heb.quot; Ofschoon dus het verheerlijkte lichaam van Christus volgens de natuur van eeuwgeest door de gesloten deuren ging, was het niettemin zijn waarachtig, werkelijk lichaam. — Laten wij dus, op het onfeilbaar woord Gods en der H. Kerk steunende, met eenvoud des harten gelooven, wat wij niet in staat zijn te bevatten, te begrijpen; laten wij dat geloof vrijmoedig en standvastig belijden, en, mocht het noodig wezen, met ons bloed bezegelen. Het loon van ons geloof zal groot zijn in den hemel; wij zullen den onder de nietige gedaanten verborgen God in het licht der glorie van aanschijn tot aanschijn aanschouwen \').
\') Zulk een groot geloof bezielde onze glorierijke Martelaars van
249
Wat vordert van ons de tegenwoordigheid van Jesus Christus in het allerheiligste- Sacrament?
1) Dat wy Hem dikwijls bezoeken en 2) met den diepsten eerbied, met de innigste liefde en dankbaarheid aanbidden,,
Dit antwoord behoeft geene verdere bevestiging; genoeg dat wij weten, dat Jesus op onze altaren tegenwoordig is, Jesus, onze Heiland, onze God. — Als Heiland, was Hij eeuwen lang het verlangen van alle rechtvaardigen; de Patriarchen van het Oude Verbond verzuchtten naar Hem; de Profeten haakten naar Hem met een vurig verlangen. En thans, nu Hij in ons midden verwijlt, thans, nu wij het onuitsprekelijke geluk hebben , zijn troon in onze tempels te zien opgeslagen, zou het nu geene strafwaardige onverschilligheid, geen zwarte ondank zijn, als wij Hem niet bezochten. Hem als een vreemdeling alleen lieten? Als Heiland is Jesus in de innigste verwantschap met ons getreden, door het aannemen der menschelijke natuur niet alleen onze getrouwste vriend en gezel, maar onze broeder, vleesch van ons vleesch geworden; hoe zouden wij Hem, den hemelschen vriend en broeder, kunnen weigeren, wat wij aan aardsche vrienden en broeders meenen schuldig te zijn, de eer namelijk van een herhaald bezoek? En moet deze plicht van achting dankbaarheid ons niet alleraangenaamst wezen, als wij bedenken, met welk eene treffende liefde Jesus, de eeuwige Wijsheid, verzekert, dat „het „zijn welbehagen is bij de kinderen der menschen te zijnquot; (Spreuk. VIII, 21—29)? Het behoort tot de regelen der maatschappelijke beleefdheid, dat men dengene, dien men
Gorcum, die om de standvastige belijdenis van hun geloof aan de waarachtige tegenwoordigheid van Jesus Christus in het H, Sacrament des Altaars en aan het primaat van den Paus de wreedste beleedigingen en mishandelingen van de Calvinisten geleden hebben. Een uit die roemwaardige schaar, die men in een afschuwelijken kerker geworpen en gedurende veertien dagen en nachten aan de woede der soldaten had prijsgegeven, namelijk Nicolaas van Peppel, werd met het pistool voor den mond door een der beulen toegeroepen: //Gij hebt zoo dikwijls op den kansel verzekerd, dat gij //bereid zijt voor uw geloof te sterven. Welaan, bewijs liet nu door ^de daad; zeg, is het u ook nu nog ernst?quot; — //Ja,quot; antwoordde de dienaar Gods terstond, «.ja, met vreugde wil ik sterven voor ,/het katholiek geloof, voor het geloof aan de tegenwoordigheid van //het lichaam en bloed van Jesus Christus onder de gedaanten van //brood en wijn in het allerheiligste Sacrament des Altaars.quot; De ruwe soldaat waagde het niet zijne bedreiging te volvoeren, en eerst toen het uur der zegepraal vöor zijne medgezellen was aangebroken, mocht Kicolaas zijn geloof met het oiïer van zijn leven bevestigen. Den O-iea Juli 1575! stierven zij te Brielle den marteldood en werden den 293\'en Juni 1807 door Paus Pius IX z. g. heilig verklaard.
250
bezoekt, alle hem toekomende eer betoont. Daar nu Jesus in het allerheiligste Sacrament God is, en aan God de allerhoogste eer toekomt, is het noodig, dat wij Hem ook in den diepsten ootmoed en eerbied aanhidden. Daarom zegt de Kerkvergadering van Trente (Zitt. 13. hfdst. 5): „Het is buiten twijfel, dat alle Christenen, overeenkomstig „de in de katholieke Kerk altijd gebruikelijke gewoonte, „aan dit allerheiligste Sacrament de hulde van aanbidding, „welke den waren God toekomt, uit eerbied moeten „brengen... Want wij gelooven, dat daarin juist dezelfde „God tegenwoordig is, van wien de eeuwige Vader als Hy „Hem ingang in de wereld verleende, zeide: „„alle Engelen „„Gods zullen Hem aanbidden\'quot;^ (Hebr. I, 6), dezelfde, „voor wien de wijzen aanbiddend nedervielen (Matth. II, 11), „van wien de Schrift getuigt, dat Hij in Galilea door „de Apostelen werd aangebedenquot; (Matth. XXVIII, 17). Én Zitt. 13. Can. 6 spreekt de genoemde Kerkvergadering den ban uit over hen, die loochenen, „dat den eenigge-„borenen Zoon Gods in het Sacrament der Eucharistie ook „de uitwendige vereering der aanbidding gebracht moet „worden.\'\' — Uit de aangehaalde woorden van het Concilie blijkt duidelijk, dat de aan dit Sacrament toekomende aanbidding niet aan de gedaanten van brood en wijn, maar aan het allerheiligste vleesch en bloed van Jesus Christus, d. i. aan den geheelen, met raenschheid en godheid onder die gedaanten verborgen Christus gebracht wordt. Want gelijk reeds in D. II is bewezen, mogen en moeten wij niet alleen de godheid van Jesus Christus, maar ook zijne menschheid aanbidden, omdat de menschelijke natuur in Christus met de goddelijke in één persoon onafscheidelijk vereenigd is. \') Daarom heft de Priester bij de consecratie de geconsacreerde Hostie en den gecon-sacreerden kelk in de hoogte, opdat het geloovige volk het allerheiligste lichaam en het kostbare bloed van Jesus Christus met gebogen knieën aanbidde.
Ten allen tijde heeft de katholieke Kerk zich beijverd, haren goddelijken Heiland en Bruidegom in het allerheiligste Sacrament des Altaars den Hem toekomenden cijns van hulde en aanbidding openlijk en plechtig te
\') De door de valsche Synode te Pistoya gegeven verklaring, als zoude door de aapbidding van de heilige menschheid of van een deel daarvan, bijv. van het hart, aan een geschapen wezen goddelijke eer ten deel vallen (Steil. 61, 63), werd door den roomschen Stoel verworpen, omdat wij de menschheid of het vleesch van Christus niet als afgezonderd van de godheid gedacht, maar, gelijk het werkelijk is, met deze vereenigd aanbidden.
251
brengen. Die heilige ijver ontgloeide vooral, nadat Beren-garius, gelijk boven vermeld is, zich verstout had, het geloof der Kerk aan de wezenlijke tegenwoordigheid van Jesus Christus in de Eucharistie aan te randen. Het vurigste verlangen, om eene waardige herstelling te brengen, voor het onrecht hunnen Bruidegom in het geheim van liefde aangedaan, was hoofdzakelijk de drijfveer van dien vernieuwden ijver der geloovigen in het vereeren van den in het Sacrament des Altaars verborgen Godmensch. Men stelde zich niet tevreden, de gedachtenis der instelling van dit H. Sacrament van liefde alleen op Witten Donderdag plechtig te vieren; het gevoel van diepe droefheid over het lijden en den nabij zijn den dood van den Bruidegom der Kerk moest op dien dag de vreugde over het goddelijke erfdeel al te zeer verminderen; de vreugde des harten werd verdrongen en gesmoord door de smart van het innigste medelijden. De Kerk stelde dus een afzonderlijk feest, het feest van II. Sacramentsdag, in, om daardoor van hare dankbaarheid voor dit onuitsprekelijk, geheel goddelijk genadegeschenk de blymoedigste en schitterendste blijken te geven. ^ Om deze reden verordent de van dankbaarheid verheugde Bruid, de H. Kerk, op gezegd feest voor haren koninklijken Bruidegom en goddelijken Verlosser een plech-tigen triumftogt, eene processie met het H. Sacrament. Niet alleen in rijk versierde tempels èn niet alleen in de tegenwoordigheid der geloovigen moet Jesus Christus ia het H. Sacrament als Koning en God verschijnen en aangebeden worden. De hand van den Priester draagt Hem, als het zijn kan, onder jubelzangen en wierookgeur door de met bloemen bestrooide, feestelijk versierde straten der katholieke steden en door de bloeiende beemden, welke de dorpen en vlekken omgeven; en terwijl al het geloovige volk, niet zelden ten aanschouwe van afgedwaalden en ongeloovigen, aanbiddend neder valt, zegent de onder den geheimvollen sluier der gedaante van brood verborgen Gever filler goede gaven zijne vereerders, zegent hunne woningen en wegen, hunne velden en dreven, hunne veld- en boomvruchten,\'en wendt Hij, het algemeen smeeken des geloovigen volks verhoerend, door de kracht van zijn goddelijken zegen, bliksem, hagelslag en onweder, besmettelijke ziekten, nood van water
!) Nadat dit feest in het jaör 1246 voor het Bisdom Luik was ingesteld, werd het in 1264 door Paus Urbanus IV voor de geheele christenwereld verplichtend gemaakt. Paus Clemens V beval het in het jaar 1311 opnieuw aan en bepaalde, dat het op Donderdag na het leest der H. Drievuldigheid zou gevierd worden (Zie verder Le Brun, Explication des prières et des cérémonies de la Messe, tom. III).
252
en vuur zeer dik vrij Is gunstig af. Buitendien is de H. Kerk gewoon het H. Sacrament bij zekere gelegenheden op het altaar ter openbare vereering uit te stellen, en hare kinderen dringend uit te noodigen, den daarin tegenwoor-digen Heiland de schatting der verschuldigde aanbidding te brengen. \') Ook als het Allerheiligste in het tabernakel gesloten is; maakt de minnende Bruid hare kinderen aandachtig op de nabijheid van den goddelijken Bruidegom en op de verplichting van Hein te huldigen , daar zij voor het altaar, waar Het bewaard wordt, het e.evwlge licht, dat schoone, aanschouwelijke beeld van aanbidding en liefde, ontsteekt, en dag en nacht onderhoudt. Gelijk namelijk de olie in de godslamp door het vuur verteerd wordt, zoo moeten ook onze harten ter eere des Zaligmakers brandoffers van zijn dienst en van zijne liefde worden. — Desgelijks heeft de H. Kerk ter meerdere verheerlijking van dit allerheiligste Sacrament verscheiden daarop betrekkelijke oefeningen, in het bizonder bij het Christenvolk zoo geliefd gebruik om den zegen le geven, veroorloofd en vastgesteld; verder godvruchtige vereenigingen, of broederschappen, welke de bevordering der godsvrucht tot Jesus in het H. Sacrament ten doel hebben, goedgekeurd, verbreid en met aflaten verrijkt. — Daartoe behoort ook, en wel bij voorkeur de schoone, zoo heilzame godsvrucht tot het hart van Jesus, waarvan het hoofddoel is, onder het zinnebeeld van het van liefde vlammende, verwonde en met doornen omvlochten hart de oneindige liefde, welke de goddelijke Verlosser jegens de menschen koestert, innig te vereeren, en juist daardoor de ontelbare beleedigingen en in het bizonder de veelvuldige onteeringen en krenkingen , welke Jesus in dit Sacrament van liefde van den kant van ondankbare menschen worden aangedaan, te vergoeden en te herstellen. 2)
\') Dusdanige gelegenheid is vooral het veertig-uur gebed. Om den vollen aflaat te verdienen, welken Clemens XIII er aan verleend heeft, moeten de geloovigen biechten, communiceeren en het Allerheiligste in de kerk, waar het ter aanbidding is uitgesteld, bezoeken.
2) Het goddelijk hart van Jesus is van de wieg des Christendoms af, als bestanddeel zijner H. menschheid en van haar onafscheidelijk, tegelijk met deze, steeds aangebeden.
Eerst in de zeventiende eeuw moest, volgens de wijze raadsbesluiten van den Allerheiligste, dat goddelijk hart het voorwerp van een geheel bizondere en over den ganschen aardbodem zich uitbreidende vereering worden, opdat alzoo, in deze tijden van onge-loovigheid, onverschilligheid en lauwheid jegens al het goddelijke, in de harten der menschen het heilig vuur der liefde tot Jesus opnieuw zou ontstoken worden. Ter uitvoering van dit heerlijk werk
253
Onze plicht nu is liet. Christenen, aan het verlangen onzer heilige moeder, de Kerk, te beantwoorden, aan de genoemde plechtigheden en godsdienstige oefeningen met een godvruchtig gevoel en heiligen ijver deel te nemen, en, als de gelegenheid zich aanbiedt, met den diepsten ootmoed en eerbied, met het gevoel van de innigste liefde en dankbaarheid Jesus in het H. Sacrament te vereeren en te aanbidden. Zonder die inwendige aandacht eu godsvrucht zou elke uitwendige eerbetooning en hulde zonder waarde zijn in de oogen van den Godtuensch, die, gelijk ziju hemelsche Vader, niet alleen uitwendig, maar ook inwendig, in geest en in waarheid wil aangebeden worden. Zijn wij inwendig doordrongen van heiligen eerbied jegens de Majesteit van den menschgeworden, onder de gedaanten van brood verborgen God, voor wien de krachten en machten des hemels sidderen; zijn wij doordrongen van het gevoel onzer geringheid, onwaardigheid en zondigheid; zijn wij doordrongen van dankbare liefde jegens onzen besten en liefderijksten Verlosser, dan zullen wij het ook aan uitwendige bewijzen van vereering en aanbidding niet laten ontbreken. Dan zullen wij ons niet schamen, in de kerk voor het Allerheiligste de knieën op behoorlijke wijze te buigen, \') het H. Sacrament bij plechtige processiën, of, als het naar zieken gedragen wordt, met eene godsdienstige houding te vergezellen; wij zullen er veeleer eene eer in stellen, waar, wanneer en hoe zich ooit de gelegenheid voordoe, voor de geheele wereld te belijden, dat wij aan Jesus in het allerheiligste Sacrament gelooven, dat wij Hem daarin als onze Heer en God vereeren en aanbidden, Hem als onzen Heiland beminnen, en dat wij vurig wenschen, dat Hij door alle menschen moge aangebeden en bemind worden. 2) Die
bediende God zich van eene in de oogen der wereld weinig aanzienlijke, doch allerdeugdzaamste kloosterlinge, \' Margarotha Maria Alacoque genaamd, uit de orde van Haria-visitatie.
Meer bizonderheden hierover kan ieder gemakkelijk vinden in de boekjes van het broederschap van het H. Hart.
\') Hoezeer moeten vele Katholieken zich niet schamen, als zij de levensbeschrijvingen der Heiligen lezen, die er hun grootste genoegen in vonden, uren lang bij her. Allerheiligste, door te brengen, terwijl zij zoo weinig eerbied en liefde toonen.
\'*) Rudolf. Graaf van Habsburg, ontmoette eens een Priester, die het Allerheiligste naar een zieke bracht. Terstond steeg de graaf van het paard, noodigde den vermoeiden Priester uit, zich er op te zetten, en voerde het nu bij den teugel naar de woning van den zieke. Na afloop dier verheven plechtigheid bedankte de Priester voor den bewezen dienst. Rudolf schonk hem toen het paard, wijl hij zich onwaardig achtte er verder gebruik van te maken, nu Jesus Christus, zijn Heer, er op gerust had.
254
eerbied en liefde en dat vurig verlangen, om de meerdere verheerlijking van Jesus Christus in het allerheiligste Sacrament te bevorderen, zullen ons zonder twijfel ook aanzetten om naar ons vermogen bij te dragen tot versiering van het huis des Heeren, opdat daar de geheimen plechtig kunnen gevierd worden en de goddelijke Verlosser er eene zooveel mogelijk waaidige woonplaats vinden.
Reeft Christus het allerheiligste Sacrament des Altaars ingesteld, om met ons te zijn alleen volgens de menschheid?
Hij heeft het ook ingesteld, om zich voor ons in de ET. Mis als offer en in de H. Communie als zielespijs te geven.
De bedoeling, waarmede de H. Eucharistie werd ingesteld, was veelvuldig, overeenkomstig de verschillende behoeften der verlosten. Zeer schoon drukt zich de Kerkvergadering van Trente uit, als zij (Zitt. 13. hfdst. 2) om de zeer groote milddadigheid aan te toonen, waarmede de liefdevolle Zaligmaker ons in de Eucharistie zijne kostbare schatten van genade schenkt, leert: „onze Verlosser heeft in het H. „Sacrament de schatten zijner goddelijke liefde tot de menschen „als uitgestort.quot; Voorwaar het was eene groote, eene goddeliike liefde, dat Jesus, als God en mensch, onophoudelijk bij ons wilde verblijven en tot aan het einde der wereld onder ons wonen; maar toch was dit voor de liefde van onzen goddelijken Verlosser niet genoeg; Hij wilde zich ook tot het einde der eeuwen op onze altaren onbloedig opofferen, gelijk Hij zich weleer bloedig aan het kruis had opgeofferd; Hij wilde onze zielen met zijn eigen vleesch spijzigen, met zijn eigen bloed laven en zoo op eene onbegrijpelijke, innige wijze zich met ons vereenigen. Wij zijn zelfs gerechtigd aan te nemen, dat Christus dit H. Sacrament voornamelijk met het doel heeft ingesteld, om daardoor ons voortdurend Offer, en het op onze aardsche pelgrimsreize inderdaad onontbeerlijk voedsel onzer zielen te worden. Want is het zijn genoegen, en wenscht Hij ook vurig, dat wij dikwijls en gaarne bij Hem verblijven, dan verlangt Hij toch nog vuriger, dat wij in Hem blijven en Hij in ons. — Het is overigens hiermede gesteld als met de mensch-wording, waarmede het geheim der Eucharistie in het algemeen eene opvallende gelijkenis heeft. De Zoon Gods werd mensch, hoofdzaJeelijk met het doel om de menschen te verlossen, en de verlosten krachtens eene geheimvolle vereeniging met Hem aan het eeuwig leven deelachtig te maken. Dit hoofddoel der menschwording had Jesus kunnen bereiken zonder drie-en-dertig jaren onder de menschen te
255
wonen, maar zijne liefde zette Hetn aan, den verlosten ook deze genade te bewijzen. Eveneens kon Christus het hoofddoel der H. Eucharistie bereiken, d. i. ons ten offer en zielespijs zijn, zonder voortdurend daar tegenwoordig te blijven; maar het kwam met zijne vurige liefde tot onsen zijn verlangen om onder ons te wonen veel meer overeen, de H. Eucharistie als een voortbestaand Sacrament in te stellen en zoo dag en nacht in het tabernakel bij ons te verwijlen.
TOEPASSING.
„Is het wel geloofbaar, dat God woont bij de menschen „op aarde? Als de hemel en de hemel der hemelen U „niet kunnen bevatten, hoe veel minder dit huis, hetwelk „ik gebouwd heb (2. Kron. VI, 18). Zoo sprak Salomon van den tempel, waarin de arke des verbonds bewaard werd, waar het den Allerhoogste behaagde, de gebeden van zijn uitverkoren volk te verhooren. De wijze Koning had in waarheid reden, zich te verwonderen, dat de Oneindige van den hoogen troon der godheid nederdaalde en op eene zoo genadevolle wijze bij zijn volk blijven wilde; hij had reden, om, gelijk weleer Mozes, vol verbazing uit te roepen: „Er is gêen ander volk zoo groot, dat zijne goden zoo nabij „heeft, als onze God nabij is bij al onze gebeden\'\' (5. Mos. IV, 7). En toch, Christenen, wat is de ark des verbonds en de daaraan verbonden komst van God tot het israëlitische volk in vergelijking met het H. Altaarsacrament en de wezenlijke tegenwoordigheid van Jesus Christus als God en mensch onder de heilige gedaanten? Overtreft niet de voortdurende tegenwoordigheid van den Godmensch de komst van God in het Oude Verbond, welke van tijd tot tijd plaats had, gelijk de waarheid de schaduw, gelijk de heldere middagzon de eerste stralen van den dageraad ? Wat is wonderbaarder dan deze genaderijke tegenwoordigheid van den menschgeworden God? De allerhoogste Majesteit, wiens troon de hemel, wiens voetbank de aarde is, God, wien de Seraphijnen dienen, wien alle koren der zalige geesten aanbiddend huldigen, Jesus, de Heer en Koning aller schepselen, Jesus verwijlt in dit tranendal, is onze Begeleider door de onvruchtbare woestijn van dit aardsche leven;. Jesus neemt deel aan ons lijden en onze smarten, telt en droogt onze tranen, verplaatst, om zoo te spreken, den hemel op de aarde, daar Hij het ons mogelijk maakt, met Hem op \'t innigste te verkeereh, Hem vol vertrouwen te bidden, Hem al onze aangelegenheden voor te dragen,
256
ons hart geheel aan Hem bloot te leggen, in Hem ons heil te zoeken en te vinden. O onschatbare, geheel onbegrijpelijke gunst en genade! Wat zoude ons terughouden, tot dien troon van genade te naderen, vooral daar Jesus zelf ons zoo dringend uitnoodigt? „Komt tot Mij,quot; zegt Hij, „komt tot Mij allen, die belast en beladen zijt en Ik zal „u verkwikkenquot; (Matth. XE, 28). Waarom zouden wij aarzelen, aan die uitnoodiging gehoor te geven ? Geen bliksem en donder openbaren hier, gelijk eens op Siaaï, de nabijheid van onzen God. üe gedaanten van brood en wijn, welke ons de tegenwoordigheid van onzen Zaligmaker en God verkondigen, hebben toch niets schrikwekkends in zich. De Heiligen aller christeneeuwen zochten en vonden hun zoetsten troost en hunne zaligste vreugde in het herhaald en innig verkeer met Jesus in het allerheiligste Sacrament. \') „Geloof mij,quot; zegt onder anderen de H. Ligorio (inleiding tot de bezoeken van het H. Sacrament), „geloof mij, alles „is dwaasheid: feesten, schouwburgen, bijeenkomsten, alle „genoegens der wereld zijn vol bitterheid en doornen. Ik „weet het uit eigen, al te smartelijke ondervinding. Daarentegen kan ik u verzekeren, dat Christus aan eene ziel, „welke met eenige aandacht voor het allerheiligste Sacrament „verwijlt, meer troost schenkt, dan de geheele wereld met „al hare feesten en vermakelijkheden ooit kan aanbieden.quot; — Laten wij dus de stem der genade, de uitnoodiging van Christus, het voorbeeld der Heiligen volgen; laten wij uit eigen ondervinding leeren, hoe troostvol het verwijlen in de tegenwoordigheid van den Zaligmaker, hoe gelukkig het vertrouwelijk spreken met Hem, onzen goddelijken Vriend en Broeder, is; ook aan ons zullen die zalige oogen-
!) De vrome Gravin van Feria, die na den vroegtijdigen dood van haren gemaal in liet klooster trad, liet eene cel voor zich bouwen, waarvan het venster op het altaar uitzag, waar het Allerheiligste werd bewaard. Uaar bracht zij haar leven door in de voortdurende tegenwoordigheid van haren geliefden Heer. Toen haar eens door eene voorname dame gevraagd werd, wat zij daar deed en dacht, en hoe zij zoo lang voor het H. Sacrament bezig kon blijven, gaf zij ten antwoord: yü ik, zou er de geheele eeuwigheid wel gaarne blijven! //Is hier niet onze goede God? De verheven en goede God! En gij ,/vraagt mij, wat ik bij Hem doe? Ik bemin Hem, de oneindig »Beminnelijke; ik loof Hem, wien alle eer en aanbidding toekomt; „ik dank Hem, die mij met ontelbare weldaden overladen heeft; ik „offer mij op aan Hem, die zich voor mij ten offer gegeven heeft; ik «bid Hem, den Gever van alle genade. Zeg mij toch, wat doet een «arme bij een rijke, een zieke bij den geneesheer, een dorstende bij »de brOn, de hongerige aan eene rijk bezette tafel? Nu dat doe ik ,ook voor het Allerheiligste.quot; — Trachten wij dit heerlijk voorbeeld na te volgen!
257
blikken rijke vergoeding geven voor de nietige genoegens van de kinderen der wereld.
§ 8- Over het llteofTer.
IFai is een offer?
Een offer in het algemeen is eene zichtbare gave, die aan God wordt opgedragen, om Hem als den oppersten Heer te vereeren en te aanbidden, met vernietiging of verandering van het geofferde.
Wat wij ter eere Gods verrichten, hetzij in- of uitwendige oefeningen van godsvrucht, dat alles kan in een zekeren ruimeren zin offer worden genoemd, en wordt ook in de H. Schriftuur niet zelden aldus geheeten. „Een offer voor „God,quot; zoo lezen wij in Ps. L, 19, „is een vermorzeld „hart,quot;- en de Apostel schrijft den Hebreën (XIII, 15, 16): „Laat ons Gode steeds een offer van lof aanbieden, „dat is de vrucht der lippen, die zijnen naam belijden. „Vergeet niet wel te doen en mededeelzaam te zijn, want „zulke offers behagen aan God.quot; Dezelfde Apostel noemt in zijn brief aan de Romeinen (XII, ]) de lichamelijke versterving een offer, wanneer hij zegt; „ik bid u, mijne „broeders, uwe lichamen als een levend, heilig en Gode „welgevallig offer op te dragen.quot; Doch in den eigenlijken en meer bepaalden zin, zooals hier bedoeld wordt, verstaat men onder offer eene zichtbare gave, welke Gode wordt opgedragen, om Hem als den oppersten Heer te vereeren en te aanbidden. — Het offer, in den strengen zin, is dus eene gave, aan God zeiven vrijwillig aangeboden, en daardoor wordt het onderscheiden bijv. van de aalmoes, waardoor wij eene gave verstaan, die uit liefde tot God aan den naaste wordt geschonken; het is eene zichtbare gave, dat is een met de zinnen waar te nemen voorwerp, als brood, wijn, vruchten, een lam, en dergelijken, en zoo is het offer onderscheiden van de inwendige dtiden van overgeving aan God of van inwendige opoffering; het is eindelijk eene zichtbare gave, die God wordt aangeboden met het doel om Hem als den oppersten, onafhankelijken Heer te erkennen en als zoodanig te vereeren en te aanbidden. Van oudsher toch werd het offer beschouwd als de meest geschikte wijze van godsvereering en aanbidding. Daarom ook is het duidelijk, dat men alleen den ware God offers mag opdragen, dewijl Hij alleen de Heer en Oorsprong is van alles wat de wereld als offer kan aanbieden; even duidelijk is het, dat de boosheid
■DEHAEBE, GELOOFSLEER. IV. 3tle DRUK. 17
258
der afgoderij voorDamelijk daarin bestond, dat men offers opdroeg aan valsche goden. Opdat echter het offer worde, wat het overeenkomstig zijne natuurlijke bestemming moet wezen, nl. eene erkenning van de onbeperkte heerschappij van God over alles, wat de mensch bezit, het hoogste der aardsche goederen, het leven niet uitgezonderd, moet ook de opdracht daarvan zoodanig zijn, dat zij die heerschappij van God en de algeheele onderwerping van den mensch aan Hem zinnebeeldig voorstelt of veraanschouwelijkt, evenals het woord de gedachten en het doel des sprekers wedergeeft en aanschouweliik maakt. Daarom was het sinds overoude tijden het gebruik, de dieren, die voor het offer bestemd waren, te slachten, den offerwijn uit te gieten, de offerspijzen gedeeltelijk te verbranden, gedeeltelijk te verteren, opdat door deze vernietiging of der vernietiging gelijkende verandering der offergaven de heerschappij van God over de verschillende ten offer gebrachte goederen beleden en in de diepste onderwerping erkend zou worden.
Heeft er altijd een offer leüaan?
■ Van den beginne der wereld af heeft er een offer bestaan, en onder het Oude Verbond waren de offers door God zeiven streng geboden.
Hiervoor geeft de H. Schrift ons voldoende bewijzen. Keeds bij het leven van Adam droegen zijne zonen Caïn en Abel den Heer offers op; de eerste van de vruchten der aarde, de andere van de eerstelingen zijner kudden (1. Mos. IV, 3, 4). Eveneens richtte Noë, toen de wateren van den zondvloed waren verdwenen, den Heer een altaar op en offerde nu brandoffers uit alle reine dieren en vogelen (1. Mos. VIII, 20). Ook Abraham bracht op den berg Moria aan den Heer een brandoffer (1. Mos. XXII, 13); en Isaak, zijn zoon, en Jacob, zijn kleinzoon, bouwden met hetzelfde doel altaren voor den Heer (1. Mos. XXVI, 25 en XXXIII, 20). De HH. Boeken verhalen ons zelfs, dat ook bij volkeren, die niet \'tot Abrahams afstammelingen behoorden, den Allerhoogste offers werden opgedragen. Zoo deed Mel-chisedech, de Koning van Salem (1. Mos. XIV, 18), en de godvreezende Job in het land van Hus. Van dezen leest men (Job I, 5): „Wanneer de dagen van het gast-„maal (dat zijne zonen gewoon waren aan te richten) voorbij „waren, offerde hij voor elk hunner een brandoffer; want,quot; zoo sprak hij, „misschien mochten mijne zonei; gezondigd „hebben.quot; — Verder is het duidelijk uit de H. Schriftuur, dat deze offers, die reeds onder de natuurwet den Aller-
259
hoogste met een vroom doel werden opgedragen, Hem bizonder aangenaam en welgevallig waren. Men mag dus met veel waarschijnliikheid aannemen, dat God zelf in den beginne over deze wijze van Hem te vereeren de menschen onderwezen en ook in verloop van tijd tot het brengen van dergelijke offers aangespoord heeft, dewijl Hij hun zijn welbehagen daarin, zooals bij het offer van Abel den rechtvaardige geschiedde, klaarblijkelijk te kennen gaf. Later, toen namelijk Mozes het uitverkoren volk door de woestijn naar het beloofde land voerde, gebood de Heer zelf op de uitdrukkelijkste wijze de opdracht van verschillende offers, stelde die tot het middenpunt der joodsche Godsvereering en schreef tot in de kleinste bizonderheden de ceremoniën voor, die bij de opdracht daarvan moesten onderhouden worden.
Deze door God, den hoogsten Wetgever, ingestelde offers waren deels bloedig, deels onbloedig. Bij de bloedige offers werd het bloed van verschillende dieren door slachting vergoten. Voor offerdieren werden meestal runderen, schapen, geiten, soms ook wel duiven uitgekozen; doch deze moesten allen zonder vlek en zonder gebreken wezen. De onbloedige offeranden, die veelal slechts eene toegift bij de bloedige waren, bestonden uit meel of ongezuurde brooden, uit olie, wijn, wierook en dergelijken. Met betrekking tot hunne bizondere godsdienstige bestemming onderscheidde men in het Oude Verbond brand-, vrede- en zoenoffers.
1) Brandoffer heete dat offer, bij hetwelk het offerdier, met uitzondering der huid, geheel verbrand en zijn bloed rondom het altaar gesproeid werd. Het brandoffer, dat de volkomen overgave aan God, de onvoorwaardelijke onderwerping aan zijne heerschappij ten duidelijkste voorstelde, gold als het voornaamste offer en werd om de aangegeven redenen ook lof- of huideoffer genoemd. Het werd van alle offers het menigvuldigst opgedragen. Zoo moest bijv. de Hoogepriester dagelyks \'s morgens bij den opgang der zon en \'s avonds na den ondergang der zon een lam als brandoffer opdragen.
2) Bij de vredeoffers, die ook dank- of bedeoffers genoemd worden, al naardat men ze Gode opdroeg, teneinde Hem voor ontvangen weldaden te bedanken of nieuwe weldaden te verkrijgen, werd eveneens het bloed rondom het altaar gesprenkeld; maar niet het geheele offerdier, slechts eenige stukken er van werden verbrand. Het overige werd deels door den Priester, deels door de offeraars en hunne familie gegeten. Dat eten van het vleesch der offerdieren moest de innige gemeenschap van den offeraar met
17*
260
God, wiens dischgenoot hij was geworden, beteekenen en aanduiden.
3) De zoen-, zonde- of schuldoffers werden opgedragen om van God barmhartigheid, vergiffenis der zonden, uit-delging ook van schuldelooze verontreiniging of te smeeken. Bij de opdracht van zulk een offer legde de offeraar zijne hand op het hoofd van het offerdier, als wilde hij zijne zonden op het dier overdragen, opdat daaraan de straf mocht worden voltrokken, die de offeraar had verdiend. In eenige gevallen werd het offerdier buiten het kamp of buiten de stad verbrand, of anders, zooals ook bij het vredeoffer, verteerd; alleen degene, die het had opgedragen, mocht daarvan niets eten. Bij zoenoffers voor het geheele volk legden hunne bestuurders de hand op den kop van het offerdier, dat dan geslacht en verbrand werd. Op den grooten Verzoendag bracht de Hoogepriester het bloed van het geslachte zoenoffer in het allerheiligste en besproeide daarmede zeven malen de arke des verbonds, terwijl bij andere zoenoffers het bloed van het offerdier gedeeltelijk gebruikt werd om het altaar te bestrijken, gedeeltelijk aan den voet des altaars werd uitgegoten.
Waarom zijn de offers van het Oude Verhond afgeschaft?
Omdat zij slechts voorafbeeldingen waren van het onbevlekte Offer van het Nieuwe Verbond, en dus niet langer dan het Oude Verbond mochten voortbestaan.\'
Dat de offers des .Ouden Verbonds, door God voorgeschreven, met den dood van den goddelijken Verlosser, d. i. met de bezegeling van het Nieuwe Verbond, een einde zouden nemen, had reeds de profeet Daniël (IX, 26, 27) zoo bepaald mogelijk voorspeld met de woorden: „Na die
twee-en-zestig jaarweken zal de Christus gedood worden.....
„slacht- en spijsoffers zullen ophouden; in den tempel zal de gruwel der verwoesting tot aan \'t laatste einde voort-duren.quot; Tot. aan het einde der tijden namelijk zal de tempel verwoest blijven, tot een eeuwig gedenkteeken dat God van hen, die weleer zijn uitverkoren, doch, ter oorzake van den moord aan den Messias gepleegd, thans het verworpen volk der J oden uitmaakten, geene offers meer wil aannemen. De reden, waarom, overeenkomstig de raadsbesluiten Gods, de offers des Ouden Verbonds na de stichting van het Nieuw Verbond zouden ophouden, was onbetwistbaar deze, dat die offers slechts schaduwen, voorafbeeldingen, in zekere mate voorloopers en voorspellingen waren van het ééne onbevlekte Offer des Nieuwen Testaments, en zij
261
dus door de invoering van dit eenig Offer van alle hoogere beteekenis en bestemming werden beroofd en als de schaduw voor het licht moesten wijken. Geheel in dien zin verklaart • zich ook de H. Augustinus (tegen Faust. B. VI. cap. 5), als hij schrijft: „De offers van het Oude Verbond waren „enkel voorafbeeldingen: zij allen verkondigden op veelvul-„dige wijze het ééne Offer, waarvan wij heden de gedachtenis vieren.quot; Bijgevolg toen het ééne Offer was aangekondigd en te zijnen tijde opgedragen, verdwenen de anderen. Met de offers van het Oude Verbond ging het in zekeren zin als met de Profeten. die in last hadden Christus aan te kondigen en zoo de menschen op diens komst voor te bereiden. Gelijk zij namelijk, na het optreden van den Heiland, geene bestemming meer hadden, zoo verloren ook de offers van het Oude Verbond, die de menschen met het eenig, de wereld verlossend Offer moesten troosten en daartoe voorbereiden, hunne beteekenis en werden geheel overbodig, nadat de opdracht van dat Offer had plaats gehad.
TJit de waarheid, dat de offers van het Oude Verbond slechts schaduwen en voorafbeeldingen van het Offer des Nieuwen Verbonds waren, trekt de 13. Paulus de gevolgtrekking (Hebr. X, 1—9), dat zij dan krachteloos, d. i. uit zich zelve onvermogend waren om den mensch door wegneming der zonde inderdaad rechtvaardiging te verschaffen. Het Oude Verbond, zoo zegt hij, droeg slechts de schaduw der toekomstige goederen en kon door de offers welke onophoudelijk opgedragen werden, nimmer de offeraars tot volmaaktheid (tot rechtvaardiging) brengen; want het is onmogelijk, dat door het bloed van bokken en stieren de zonden uitgedelgd zouden worden. Deze woorden van den Apostel komen geheel en al overeen met de woorden van den Profeet Jeremias (XI, 15), die eveneens op de ongenoegzaamheid der joodsche offers onze aandacht vestigt als hij vraagt: „Zal wel het geheiligd offervleesch de boosheid (de zonden) „van u wegnemen?\'\' Indien evenwel de offers van het Oude Verbond den offeraars tot heil verstrekten, dan geschiedde dit door het geloof aan den beloofden Verlosser, van wiens zoendood zij voorafbeeldingen waren, en om wien zij Gode welgevallig waren. Maar dewijl zij , zooals wij zeiden, onvermogend waren om de zonden uit te delgen, daarom moesten zij door een genezend en zondenvergevend offer worden vervangen. Op dat offer heenwijzend, vervolgt de Apostel: „Dewijl het onmogelijk is, dat door het bloed „der offerdieren de zonden zouden uitgedelgd worden, daarom „spreekt Hij (Christus) bij zijne intrede in de wereld (bij het eerste oogenblik zijner menschwording): „slachtoffers en
262
„gaven hebt Gij (o God) niet gewild, doch Gij hebt Mij „een lichaam gegeven. Toen sprak Ik: zie Ik kom, mijn „God, om uwen wil te volbrengen, (dat is, een lichaam hebt Gij Mij gegeven, opdat Ik daarin een offer van gehoorzaamheid brenge)..... „Hii (Christus) heft dus het
„eerste (de offers van het Oude Verbond) op, om het andere (het Offer van het Nieuwe Verbond) „in te stellen.quot;
IFelk is het Offer van het Nieuwe Verhond?
De Zoon van God zelf, Jesus Christus, die zich door zijn dood aan het kruis zijnen hemelschen Vader voor ons heeft opgeofferd.
De schuld, die op het gevallen menschdom drukte, was te groot, dan dat een schepsel ze vermocht af te doen, en door eene vereischte voldoening tusschen God en den mensch eene verzoening tot stand kon brengen. Toen ontfermde zich de Zoon Gods, door oneindige liefde en barmhartigheid gedreven, over het arme, meer en meer ten ondergang neigende menschdom. Hij daalde uit den hemel neder, nam de menschelijke natuur aan en bracht zich zeiven den hemelschen Vader ten offer tot uitdelging onzer zondenschuld. „Christus heeft ons bemind en zich zei ven voor „ons als gave en offer weggeschonken tot een lieflijken „geur voor Godquot; (Eph. V, 2). Christus, de menscheeworden Zoon van God, is dus door zijne bi] de menschwording begonnen en aan het kruis door zijne gehoorzaamheid tot in den dood voor ons voltooide opoffering aan zijn hemelschen Vader, onze Offeraar en tevens onze Offerande geworden. Daarom zegt de H. Ambrosius, de leer der Kerk in twee woorden samenvattend: „Dezelfde (Christus) „is Priester, dezelfde is ook het Offerquot; (Over het geloof, B. Ill cap. 11). Hij is onze Priester, dewijl Hij, om te voldoen voor onze zonden, vrijwillig zijn leven aan God ten offer bracht. Wat Hem dus Priester maakt, is, ten eerste, het offer des levens, dat Hem toebehoorde, en dat Hem niemand kon ontnemen, zooals wij bij de Martelaren zien gebeuren, indien Hij zelf het niet gewild had (Joan. X, 17, 18); vervolgens het met dat offer verbonden doel om God, zijn hemelschen Vader, daardoor op eene waardige wijze te eeren en te aanbidden, en alzoo eene oneindige voldoening te geven voor hetgene de mensch Hem aan eer en aanbidding had ontnomen. — Christus is echter ook ons offer, dewijl, zooals uit het gezegde blijkt, Hij zelf de offergave is , die Hij zijn hemelschen Vader op het altaar des kruises voor ons heil opdroeg. Hij is inderdaad een
263
slachtoffer, wiens bloed tot afwassching onzer zonden werd vergoten, een heilig, onbevlekt offer, waarom de H. Petrus Hem noemt het onbevlekte, ongerepte Lam (1. Petr. I, 19), dat voor ons is geslacht geworden, een offer, dat alle offers des Ouden Verbonds tezamen in waarde op oneindige wijze overtreft; een offer, welks lieflijke geur door alle hemelen tot voor den troon des Allerhoogsten opklom, en den blik der liefde, der genade en der ontferming van zijn belee-digden Vader weder op de schuldige wereld deed rusten; een offer, dat in zich alleen al de verschillende offers des Ouden Testaments vereenigt, vervangt, ja overbodig maakt. — Het kruisoffer is inderdaad, zooals uit het bovengezegde blijkt, niet slechts het uitstekendste, eenig krachtdadige zoenoffer, maar ook het volmaaktste lof- en dankoffer, omdat God daardoor als de hoogste en onbeperkte Heer, wien alle eer en aanbidding, alle dienst en gehoorzaamheid toekomt, als de Uitdeeler en Bron aller goederen, vooral des levens, het kostbaarste aller goederen, wordt erkend en op de beteekenisvolste wyze van .het kruis af, aan hemel en aarde wordt getoond; evenzeer is het een volmaakt smeekoffer, dat meer dan alle andere offers geschikt is om ons rijkelijk hulp en ontferming en allesovertreffende genaden van God te verwerven. Of welke beden zou God kunnen verstoeten, als de stem van het bloed zijns eenig-geboren en menschgeworden Zoons tot Hem doordringt, die stem van het allerheiligste bloed, „dat beter spreekt „dan het bloed van Abelquot; (Hebr. XII, 24), wijl het niet, zooals dit, om wrake, maar om ontferming en vergeving smeekt?
Moest er na den dood van Jesus geen ofler meer zijn?
Ja, ook in het Nieuwe Verbond der genade zou er een blijvend offer zijn, om het kruisoffer immer te vertegenwoordigen en de vruchten daarvan op ons toe te passen. Ook het door Christus gestichte Nieuwe Verbond moest evenals het Oude een blijvend offer bezitten, een offer namelijk, dat niet slechts eenmaal zou worden opgedragen, maar dat herhaald zou worden en voortduren, zoolang het Verbond of de Kerk op aarde zal bestaan. Zulks ver-eischte 1) de volmaaktheid van den christelijken godsdienst in \'t algemeen; 2) zijn doel, namelijk de vervulling en voltooiing van al de schaduwen van het Oude Verbond, en bizonder 3) de door God gedane belofte en voorspelling.
1) De alle andere godsdiensten overtreffende volmaaktheid van den christelijken godsdienst komt zoowel voort uit de god-
264
delijkheid zijns Stichters als uit de verhevenheid van zijn doel. Dewijl echter het wezen van den godsdienst in het algemeen bestaat in de Godsvereering, die zij voorschrijft, en het offer, als de uitdrukking der innerlijke, onvoorwaardelijke overgave aan God en de volmaakte onderwerping aan zijne onbeperkte heerschappij , de voornaamste handeling der Godsvereering is, volgt daaruit, dat zoo in het algemeen geen godsdienst, dan zeker niet de christelijke in het bizonder, als de volmaaktste van allen, het offer kan ontberen. Inderdaad de geschiedenis leert ons, dat zelfs de heidenen het offer als een wezenlijk en, zooals een hunner geleerden (Aristoteles) opmerkt, „als het voor-„naamste bestanddeelquot; beschouwden van elke Godsvereering, die voor eene welgeordende maatschappij onmisbaar is. Vandaar dan ook bij de heidensche volken, zoowel in de oude als nieuwe wereld, het gebruik om aan hunne godheden offers op te dragen. En mag men het er ook voor houden, dat de afgodendienaars ten allen tijde door de geesten der duisternis werden aangespoord om den afgoden te offeren, tocht ligt juist daarin een nieuw bewijs, dat het offer de voortreffelijkste wyze is der ware Godsvereering; „want,quot; zoo zegt de H. Augustinus (Boek 103, n. 19), „de valsche goden of duivels zouden van hunne „vereerders nimmer offers verlangd hebben, indien zij niet „geweten hadden, dat die den waren God alleen behoorden „gebracht te worden.quot;
2) Nog minder mag het offer ontbreken in den christe-lijken godsdienst, omdat deze bizonder ten doel heeft datgene in werkelijkheid te wezen, wat de joodsche godsdienst slechts was in schaduwen of voorafbeeldingen. De godsdienstige gebruiken, die in het Oude Verbond waren voorgeschreven, moesten namelijk in het Nieuwe Verbond niet eenvoudig afgeschaft, maar aangevuld en meer volmaakt worden: eene Gode onvergelijkelijk welgevalliger en voor ons heilzamer vereering zou de plaats van die des Ouden Verbonds innemen, zooals de werkelijkheid de plaats van de beeldtenis, de vervulling die der voorzegging inneemt. Wanneer wij zien, dat in het Oude Verbond niet slechts een eenig offer, maar dagelijksche, niet slechts bloedige, maar ook onbloedige offers werden opgedragen; wanneer wij verder bespeuren, dat bij vele offers van het Oude Verbond eene deelname plaats had door het genieten van het offer, dan volgt het van zelf, dat dit alles ook in het Nieuwe Verbond moet worden gevonden. Want, zooals wij reeds meermalen opmerkten, dat alles was voorafbeelding en voorbeduiding; bijgevolg moest het in het Nieuwe Verbond
265
waarheid worden, in vervulling treden. Zou dus de waarheid niet minder dan de schaduw, het voorafgebeelde niet minder dan het voorbeeld zelve wezen, dan moest God ook in het Nieuwe Verbond door dagelijksche offers vereerd en aangebeden worden; dan moest ook het Gode oneindig behagelijker offer van zijn Zoon, dat eenmaal aan het kruis was opgedragen, tot aan het einde der tijden op de altaren van het Nieuwe Verbond worden vertegenwoordigd, dan moest ook het Nieuwe Verbond een onbloedig offer bezitten, waaraan de leden van dat verbond van genade, de Christenen, deel nemen, en das op veel uitstekender wijze dan de Joden dischgenooten van God zouden worden.
3) Dat zulk een nieuw-testamentelijk of christelijk offer bestaat, wordt, afgezien ook van de reeds aangegeven redenen, nog bevestigd door de belofte en uitdrukkelijke voorspelling van God. a) In Psalm CIX, 4 wordt den Messias, den Stichter van het Nieuwe Verbond, de belofte van een eeuwig priesterschap gedaan. „ De Heer heeft „gezworen,quot; zoo lezen wij daar, „en nimmer zal het Hem „berouwen: Gij (mijn zoon, van eeuwigheid van Mij voortkomende en tot heil der volken in de-wereld gezonden) „Gij zijt priester tot in eeuwigheid volgens de orde van „Melchisedech.quot; Het priesterschap van Melchisedech dus is de door God zeiven bedoelde voorafbeelding van het eeuwig priesterschap van Jesus Christus, den Stichter van het nieuw genadeverbond, zooals Paulus in zijn brief aan de Hebreeuwen bewijst, en het Concilie van Trente (22e Zitt, hfdst. 1) eenstemming met de HH. Vaders uitdrukkelijk leert (Zie deel II). Dewijl nu Melchisedech als Priester des Allerhoogsten brood en wijn offerde (1. Mos. XIV, 18, 19), moest ook Christus, opdat zijn priesterschap met het voorafbeeldende priesterschap van Melchisedech zou overeenkomen, zich van brood en wijn bedienen oin een offer op te dragen, en dat niet slechts eenmaal, maar herhaaldelijk, tot aan het einde der tijden, en dit is het offer, waarin Christus zelf zich onder de gedaanten van brood en wijn opdraagt. Want daar eensdeels het priesterschap van Christus niet een tijdelijk, maar een eeuwig is, de eeuwen zou overleven, en daar het ten andere tot den bizonderen plicht der Priesters behoort offers op te dragen, dewijl „elke hoogepriester aangesteld wordt om gaven en „offers op te dragen quot; (Hebr. VIH, 3), is het duidelijk, dat er nimmer een tijd mag wezen, waarin Christus niet onder de gedaanten van brood en wijn een offer aan zijn hemelschen Vader zoude opdragen, i) Zoo plechtig als de belofte is van het spijsoffer des Nieuwen Verbonds, even
266
duidelijk en bepaald is ook de voorspelling daarvan. De Profeet Malachias (I, 10, 11) richt zich in den naam van God tot de priesters van het joodsche volk met de woorden: „Ik heb geen behagen meer in u, zegt de Heer der heer-„scharen, en Ik neem geene offers meer van u aan. Want „van de opkomst tot den ondergang der zon zal mijn naam „verheerlijkt worden onder de volkeren, en op alle plaatsen „zal mijnen naam geofferd en een zuiver (spijs ) offer „worden opgedragen.quot; De Profeet spreekt hier duidelijk van een nieuw-testamentelijk offer, in tegenstelling met het offer van het Gude Verbond. Er is namelijk spraak van een offer, dat na verwerping van het laatste zijne plaats zal innemen; van een offer, welks eigenschappen nieuwheid, zuiverheid en algemeenheid zullen wezen; eigenschappen , die men ten onrechte aan de offers van het Oude Verbond zou toeschrijven. Want die offers waren noch nieuw, noch altijd en volmaakt zuiver, daar zij dikwerf door de zondige gemoedsstemming der offeraars werden verontreinigd; evenzeer werden zij niet door alle volkeren en op alle plaatsen geofferd, en hadden zij zelfs de bestemming niet om overal en door alle natiën opgedragen te worden. Zoowel ter oorzake dier algemeenheid als om de beteekenis van spijsoffer (in het hebreeuwsch Mine ha) verschilt ook het bovengenoemd offer des Nieuwen Verbonds van het offer des kruises, dat wel een nieuw, rein en Gode bovenal aangenaam offer is, doch slechts op ééne plaats en slechts eenmaal opgedragen, daarenboven niet een onbloedig,, maar bloedig offer was. Daarom erkende en beleed de gezamenlijke overlevering der Kerkvaders en de Kerk zelve uitdrukkelijk en plechtig (Concil. van Trente, t. a. p.) , dat deze voorzegging vervuld is geworden door de instelling van het onbloedig offer des Nieuwen Eonds, hetwelk ten doel heeft de vruchten van het eenmaal opgedragen bloedig kruisoffer op de geloovigen blijvend toe te passen.
Welk is dat onbloedig, door Malachias voorspeld offer?
Het is het offer der H. Mis.
De algemeene Kerkvergadering van Trente leert (Zitt. 12. hfdst. 1) uitdrukkelijk: „Het H. Misoffer is dat zuiver „offer, dat niet door de onwaardigheid of boosheid van den „offeraar kan bezoedeld worden; (dat offer) waarvan de „Heer door Malachias voorspelde, dat het zijnen naam, die „onder alle volkeren groot zoude worden, op alle plaatsen „als een zuiver offer zou worden opgedragen.quot; En inderdaad zien wij over de geheele wereld, waar de blijde boodschap
267
van het christelijk geloof is doorgedrongen, altaren gebouwd den Allerhoogste ter eere, en het hoogheilig Offer van het lichaam en bloed van Jesus Christus naar de wijze van Melchisedech, dat is, onder de gedaanten van brood en wijn, door Priesters opgedragen. Het H. Misoffer is niet slechts, zooals bijv. het gebed, een offer in meer uitgestrekte of oneigenlijke beteekenis, of alleen, omdat Christus zich in dat offer als spijze mededeelt, maar „een waar, eigenlijk „offer, dat aan God wordt opgedragen.quot; De tegenovergestelde leerling werd door het Concilie van Trente (Zitt. 12; hfdst. 1) veroordeeld.
De naam „Missa\' waaraan onze benaming „Misquot; haren oorsprong ontleent, werd door de HH. Vaders en door de kerkelijke schrijvers zeker reeds in de vierde eeuw, en zeer waarschijnlijk veel vroeger gebruikt, ora het heilig Offer van het Nieuw Verbond aan te duiden. Onder anderen zegt de H. Ambrosius: „ik begon de Mis te doen en onder de „offerande God te bidden, opdat\'1 enz. (Lib. s. Ep. 33). Én de H. Augustinus zegt: „in de lesse, welke wij bij de „HH. Missen moeten lezen, zult gyquot; enz. (Serm. 91. de temp.) Die naam schijnt genomen van de toen gebruikelijke wegzending der Catechumenen, die bij het eigenlijk offer niet tegenwoordig mochten wezen. Overeenkomstig deze wegzending (Missio) werd.namelijk dat gedeelte des offers, dat als inleiding dient, „Mis der Catechumenenquot; genoemd, en in het vervolgd ook aan het eigenlijk offer de naam van „Mis der geloovigenquot; of eenvoudig van „Misse\'\' gegeven. Voor deze opvatting pleit ook nog de reden, dat in die tijden, toen men het goddelijk Offer uit voorzichtigheid moest geheim houden, eene zoodanige benaming, waardoor den oningewijden niets van hetgeen verborgen moest blijven, bekend werd gemaakt, alleszins aanbevelenswaardig was. Daarenboven was deze aan de wegzending der Catechumenen ontleende benaming zeer geschikt om te herinneren aan de heiligheid van het geheimvol Offer, dat geen onheilige tot getuige toeliet, en om te wijzen op het onuitsprekelijk verhevene, wat bij het offer plaats had. \')
•) De uitdrukking //Missaquot; //Mis,quot; om het heilig Offer aan te duiden, is zeker zeer oud. Men kan, wel is waar, niet bewijzen, dat zij reeds door Paus Pius I en door Cornelius werd gebruikt, dewijl de echtheid der hun toegeschreven brieven, waaruit men zulks meende te kunnen opmaken , niet zonder gewichtige gronden in twijfel wordt getrokken. Doch zeker is het, dat niet slechts Ambrosius, Augustinus en Caesar van Arles, maar ook het Concilie van Carthago (in het jaar 390), hetwelk uit Bisschoppen van verscheiden provinciën van Afrika bestond, zich van die uitdrukking, als toen reeds algemeen gebruikelijk, bediende. Nog waarschijnlijker is het bovendien, dat
268
Wie heeft het E. Misoffer ingesteld ?
Jesus Christus heeft het H. Misoffer ingesteld, toen Hij bij het laatste avondmaal zich zeiven onder de gedaanten van brood en wijn aan zijn hemelschen Vader opofferde, en ook aan zijne Apostelen gebood, voortaan hetzelfde te doen.
De verklaring van het Concilie van Trente (Zitt. 22, hfdst. 1) stelt het gezegde boven allen twijfel; „Ofschoon „(Jesus Christus) onze Heer en God zich zeiven eenmaal „op het altaar des kruises door den dood aan God den Vader „wilde opofferen, om de eeuwige verlossing te bewerken, „toch heeft Hij, opdat zijn priesterschap door den dood niet „zou ophouden, bij het laatste avondmaal, in den nacht „toen Hij verraden werd, om aan de Kerk, zijne geliefde „Bruid, een zichtbaar offer achter te laten, zooals de natuur
„van den mensch dat verlangde......zich als den eeuwigen
„Priester naar de orde van Melchisedech verklarend, zijn „lichaam en bloed onder de gedaanten van brood en wijn
„God den Vader opgeofferd.....en den Apostelen, die
„Hij toen tot Priesters van het Nieuwe Verbond aanstelde, „en hunnen opvolgers in het priesterschap te offeren ge-„boden met de woorden ; „„Doet dit ter mijner gedachtenis,quot;quot; „zooals de katholieke Kerk dit altijd verstaan en geleerd „heeftquot; (Conc. v. Trente, Zitt. 22. Can. 2). Het is diensvolgens eene door de katholieke Kerk bewaarde en op de ondubbelzinnigste wijze uitgesproken geloofsleer, datJesus Christus bij het laatste avondmaal niet slechts een Sacrament, maar ook een offer voor alle toekomende tijden heeft ingesteld, dewijl Hij bij die plechtige gelegenheid aan zijn
de geloovige Christenen der eerste eeuwen ter aanduiding- van liet H. Offer met opzet het onbepaalde, weinig zeggende woord Missa gebruikten, om den oningewijden en vijanden der Christenen dat verheven geheim te verbergen, gelijk zij het H. Sacrament des Altaars, dat naar het toenmalig gebruik door de Bisschoppen aan de titulair-priesters werd gezonden, met de alledaagsche, doch den heidenen in deze beteekenis geheel onbekende uitdrukking //Tarwequot; (fermentum) aanduidden. Dewijl men de omstandigheden en de toestanden; die oorzaak waren, dat men het H. Uffer onder zulk eene benaming trachtte te verbergen, niet behoorlijk in aanmerking nam, en velen het voor ongepast hielden om het allerheiligste en verhevenste Offer enkel naar een wezenlijk deel daarvan eene benaming te geven, kwam men tot verscheidene andere afleidingen van het woord Missa. Deze echter zijn reeds allen als niet genoegzaam bewezen, opgegeven, daar het door vele getuigenissen, bizonder door die van den H. Avitus, Aartsbisschop van V\'ienne, die op het einde der vijl\'de eeuw leefde, bewezen is, dat Missa oorspronkelijk verwijdering of heenzending beteekende (Zie Bona d. ]. rerum liturg, cap. 1. en Oufresne Glossar, med. et inf. latinit).
269
hemelschen Vader zelf een offer opdroeg en zijnen Apostelen, zoowel als hunnen opvolgers in het priesterschap, de macht en het gebod gaf, dat door Hem opgedragen offer te hernieuwen en steeds tot aan het einde der tijden op te dragen. — Het offer des laatsten avondmaals bezat inderdaad alle vereischten van een wezenlijk offer; de zichtbare gave was het lichaam des Heeren onder de gedaante van brood, en het bloed des Heeren onder de gedaante van wijn; de opdracht van beiden bestond daarin, dat Christus zijn lichaam, dat voor ons aan het kruis zou worden gegeven, en zijn bloed, dat voor ons en voor allen zou vergoten worden, vooraf aan zijn hemelschen Vader met dezelfde volmaakt gehoorzame overgeving tot in dea dood, als later aan den kruisboom, opofferde. Dit offer was echter niet, gelijk het latere kruisoffer, een bloedig, maar, zooals dat van Melchisedech, een onbloedig offer; het lam Gods, het ware Paaschlam, dat op het altaar des kruises zijn bloed zou vergieten, werd bij het avondmaal op geheimvolle, onbloedige wijze geslacht, dewijl door de scheiding der gedaanten zijn gewelddadige dood, werkelijke scheiding des bloeds van het lichaam, afgebeeld en als tegenwoordig werd gesteld. \') Uit het gezegde is het duidelijk, dat er tusschen het offer op Golgotha en het offer in de zaal des laatsten avondmaals geen wezenlijk onderscheid bestond; hier zoowel als ginds offerde dezelfde Godmensch en Hoogepriester; hier zooals ginds bracht Jesus Christus zijn lichaam en bloed den hemelschen Vader ten offer; hier zooals ginds lag de zelfopoffering van Christus als doel ten grondslag van hetzelfde allerheiligste Offer; hier dus zooals ginds werd wezenlijk een en hetzelfde offer van oneindige waarde opgedragen.
Het priesterschap van Jesus Christus naar de orde van Melchisedech kon echter niet met deze eenige, onbloedige
\') Wij vinden daarvoor zelfs grond in do instellingswoorden van Christus. Want volgens den grieksehen tekst slaan die woorden zoowel op het tegenwoordige als op de toekomst, zoodat de zin is: »Het lichaam dat voor u wordt overgeleverd,quot; en ook /dat voor u //zal overgeleverd worden.quot; (Hetzelfde otoóu-rjov wordt in do Vulgata bij Lucas XXII, 19 door quod datur en 1. Cor. XI, 24 door quod iradetur vertaald.) Eveneens heet het ook; //Het bloed, dat nu voor „u vergoten,quot; als geheimvolle offerdrank uitgegoten, geofferd wordt (mystice libatur), en //dat voor U zal vergoten worden.quot; Zoowel de instellingswoorden bij Mattheus, Marcus en Lucas, als de aangehaalde plaats uit den eersten brief aan de Corinthiërs, kunnen in dezen tweevoudigen zin verstaan worden, opdat wij, zegt Bossuet (overweg. 00 over het avondmaal), inzien, dat Jesus Christus, toen Hij zeide: //Dit is mijn lichaamquot; niet slechts zeggen wilde, dit is hetzelfde lichaam, hetwelk weldra (aan het krui?) voor ons zou worden overgeleverd, maar dat dit weldra over to leveren lichaam nu reeds bij voorbaat door de geheimvolle verandering voor ons werd overgeleverd.
270
offerdaad geëindigd en voltooid zijn; overeenkomstig de voorspelling der Profeten moest de Heiland integendeel dat priesterschap immer tot aan het einde der tijden uitoefenen ; Hij moest immer niet slechts in den hemel zijn gebed, maar ook in zijne Kerk op aarde onder de gedaanten van brood en wijn het genoemde onbloedig offer aan zijn goddelijken Vader opdragen. Dewijl echter Christus voornemens was de zijnen, die in de wereld waren, te verlaten en tot den Vader weder te keeren, daarom stelde Hij na de eerste viering van dit heilig offer zijne Apostelen tot Priesters aan, met het uitdrukkelijk bevel die geheimvolle offerdaad na zijn vertrek als de zichtbare plaatsbekleeders van zijn onzichtbaar priesterschap te verrichten. En opdat er geen tijd komen zou, waarin dit zijn onbloedig offer van het Nieuwe Verbond . zoude ophouden te bestaan, wilde onze Heiland die macht en dat gebod geven aan de Apostelen alsook aan al hunne opvolgers in het priesterschap. — Het H. Misoffer, dat heden nog op onze altaren wordt opgedragen, is dus niet anders dan het voortdurend offer van het Nieuwe Verbond, waarin Jesus Christus onze Heer onder de gedaanten van brood en wijn zich door de handen des Priesters op onbloedige wijze offert aan zijn hemelschen Vader, zooals Hij zich eenmaal aan het kruis op bloedige wijze heeft opgeofferd.
Welk onderscheid bestaat er tusschen het H. Misoffer en het kruisoffer ?
Het H. Misoffer is inderdaad hetzelfde offer als dat des kruises, dewijl in beiden dezelfde persoon offeraar en offerande is — Jesus Christus, onze Heer. Slechts de wijze van offeren en het doel is verschillend; aan het kruis offerde Christus zich op eene Moedige wijze; in de Mis offert Hij zich op onbloedige wijze, terwijl Hij het kruisoffer vernieuwt zonder andermaal te lijden of te sterven.
Dit is de leer van de Kerkvergadering van Trente, als zij (Zitt. 22; hfdst. 2) over het H. Misoffer sprekend, zegt: „Het - is eene en dezelfde offergave, een en dezelfde zich „thans door den Priester offerende, die zich eenmaal aan „het kruis opofferde, slechts de wijze des offers is ver-
„schillendquot;..... In het Misoffer wordt namelijk „dezelfde
„Christus op onbloedige wijze geofferd, die zich zeiven „eenmaal op het altaar des kruises op bloedige wijze heeft „geofferd.quot; Deze leer behoeft geene verdere staving noch bevestiging; want daar het uit het bovengezegde blijkt, dat de H. Mis hetzelfde onbloedig offer is, dat Christus
271
bij het laatste avondmaal opgedragen en ingesteld heeft, en dit, zooals eveneens is aangetoond, van het bloedig kruisoffer niet wezenlijk onderscheiden was, zoo is het duidelijk, dat er ook tusschen het H. Misoffer en het bloedig kruisoffer volstrekt geen wezenlijk verschil bestaat. Dat Christus zich by het avondmaal en bij het kruisoffer, om zoo te zeggen, eigenhandig opofferde, terwijl Hij zich in het H. Misoffer door de handen des Priesters opdraagt, dit brengt volstrekt geen wezenlijk verschil tusschen dit en die beide offers, omdat de Heiland altijd de eigenlijke offeraar blijft, gelijk degene die door de hand van een ander eene aalmoes geeft, niettemin de eigenlijke aalmoesgever is. Daar nu het H. Misoffer en het kruisoffer, volgens het gezegde, hetzelfde offer zijn, volgt noodzakelijk, dat het een zoowei als het ander van dezelfde oneindige beteekenis, van dezelfde waarde, dat het eerste zoowel als het laatste den Allerhoogste oneindig aangenaam en welgevallig is, en dat er dus niets heiligers, niets Gode meer verheerlijkend is dan het H. Misoffer.
Yerder mogen wij niet over het hoofd zien, dat het doel van het Misoffer een ander is als dat des kruisoffers. Het offer aan het kruis werd opgedragen om de verlossing van het gevallen menschelijk geslacht te bewerken en om voldoening te schenken voor de zonden der wereld, en dat doel heeft het eens en voor altijd volkomen bereikt; door dat bloedige kruisoffer is de wereld voor immer verlost en voor alle zonden der geheele menschheid overvloedig voldoening geschonken. Daarom schrijft de H. Paulus aan de Hebreeuwen (IX, 26—28), handelend over het kruisoffer van Chris.tus: „Hij is eenmaal verschenen om door zyn „offer de zonden weg te nemen. En zooals het voor den „mensch bepaald is om eenmaal te sterven . . . zoo werd „ook Christus eenmaal geofferd, om de zonden van vele „menschen weg te nemén.quot; Toen dus Christus vóór zijn lijden het H. Misoffer instelde en gebood het immer op te dragen, deed Hij dit volstrekt niet, opdat daardoor de mensch opnieuw verlost, noch opdat zou voltooid worden, wat aan de voldoening voor , de zonden na het volbrachte kruisoffer nog mocht ontbreken, maar
1°. Opdat door dat offer, zooals de Kerkvergadering van Trente (Zitt. 12. hfdst. 1) zich uitdrukt, het bloedig offer des kruises vertegenwoordigd zou worden, en de gedachtenis daaraan zou voortduren tot het einde der tijden. Christus onze Heer wilde namelijk, dat de door Hem verlosten zich dikwerf en levendig zouden herinneren aan zijn bloedigen verlossingsdood, en daardoor tot da#kbaarheid en vurige
272
wederliefde zouden worden aangespoord. Het geschiktste middel daartoe zou volgens zijne wijze raadsbesluiten de dagelijksche vertegenwoordiging van zijnen offerdood aan het kruis, de H. Mis wezen. En inderdaad niets meer kon geschikt zijn om den bloedigen kruisdood in de herinnering der geloovigen te verlevendigen, dien niet slechts voor hunnen geest, maar ook voor hunne lichamelijke oogen als op te voeren, dan de geheimvolle opoffering van het goddelijk Lam, die in de H. Mis plaats heeft, dat is, zooals wij reeds dikwijls zeiden, die tegenwoordigstelling van Christus\' lichaam en bloed onder de van elkander gescheiden gedaanten van brood en wijn, waardoor de gewelddadige dood des Verlossers zinnebeeldig wordt voorgesteld, en ofschoon Christus niet meer lijdt noch sterft, evenwel in zekere mate hernieuwd wordt. Doch het H. Misoffer, zooals uit het gezegde blijkt, is niet slechts enkel en alleen eene zinnebeeldige voorstelling van den verlossingsdood van Jesus Christus, gelijk bijvoorbeeld de beeldtenis van den Gekruiste of eene schilderij van de kruisiging des Heeren; het is de geheimvolle, onbloedige verwezenlijking of vernieuwing daarvan, wijl onder de zinnebeelden, waardoor de kruisdood wordt voorgesteld, het ware lichaam en het ware bloed van Jesus Christus werkelijk en wezenlijk tegenwoordig is en voor ons wordt opgeofferd. Het is dus een waar, werkelijk offer, waarin Jesus Christus zich zeiven door de handen des Priesters den hemelschen Vader tot verheerlijking van zijne goddelijke Majesteit opdraagt, zooals Hij zich eens aan het kruis heeft opgedragen. \') Daaruit
\') Met welke aandacht zou men de H. Mis bijwonen, indien men van deze waarheid diep doordrongen was, als men \'reeds op weg naar de kerk zich levendig voor den geest stelde en in het hart overwoog, dat men den berg van Calvarië gaat beklimmen, om daar met Maria, de moeder van Jesus, met Joannes, zijn geliefden leerling, en met de H. Maria Magdalena getuige te wezen van het heilig Offer des kruises. Zoo deden vele Heiligen, en hunne harten vloeiden over van verteedering en medelijden, van dankbaarheid en liefde, van berouw en vermorzeling. — Wij lezen van den H. AVilhelmus, Aartsbisschop van Bourges, dat hij bij de opdracht van het H. Misoffer steeds eene wonderlijke liefdesmart gevoelde. Rijkelijk vloeiden de tranen, als uit eene niet te stelpen bron, uit zijne oogen, tranen van onbeschrijfelijke zoetheid en vurige godsvrucht. Hij was gewoon te zeggen: //Als ik bij het H. Misoffer bedenk, dat Jesus Christus op //het altaar zich zeiven den hemelschen Vader als een slachtoffer //Opdraagt, dap ondervind ik niet minder smart, dan wanneer ik //Hem, op den Calvarieberg aan het kruis zou zien sterven.quot; •— Hoe komt het, dat in onze dagen zoo vele Christenen zonder eeniggevoel de H. Mis. de geheimvolle hernieuwing van het kruisoffer, bijwonen? Het ontbreekt hun aan levendig geloof, aan tranen van medelijden met Jesus. Onze gevoelige tijd heeft tranen in overvloed voor theater-en romanhelden, maar voor Jesus. den gekruisten Verlosser, geene!
273
blijkt ook duidelijk, met hoeveel onrecht de bestrijders van ons geloof voorgeven, dat het Misoffer de geloovigen van het kruisoffer verwijdert en aan deszelfs waarde te kort doét. Kan men dan een kunstenaar, die het offer van Abraham in eene afbeelding voorstelt, met grond ten laste leggen, dat hij het heldhaftig offer van den Patriarch aan de vergetelheid prijs geeft, of wel de waarde er van verkleint ? Als het dwaasheid moet genoemd worden, zoo te spreken van eene zuiver nagebootste voorstelling op doek of in marmer, met hoeveel meer recht mag men het dan dwaasheid noemen dergelijke meening uit te spreken omtrent de H. Mis, die toch het opgedragen kruisoffer van Golgotha wezenlijk voorstelt en op geheirnvolle wijze verwerkelijkt!
2D. Jesus Christus stelde zich bij de instelling van het H. Misoffer niet enkel ten doel, de herinnering aan zijn bloedigen verlossingsdood te vereeuwigen, maar Hij wilde ook, volgens de leer van de Kerkvergadering van Trente (Zitt. 22. hfdst. 1,2), daardoor „op ons de vruchten van „zijn bloedig kruisoffer in rijke mate toepassen.quot; Aan het kruis namelijk heeft Christus het losgeld voor ons allen betaald en onuitputtelijke schatten van genade bij zijn hemelschen Vader verworven. Zullen echter die verdiensten van den Godmensch ons tot geestelijk voordeel, tot eeuwig heil verstrekken, dan moet ons de toegang tot die hemelsche schatten openstaan, dan moeten ons die genaden medegedeeld worden. Dit nu geschiedt bij de H. Mis. Dan treedt Jesus Christus als Middelaar voor den troon zijns eeuwigen Vaders, schept uit dien oceaan van genaden, welke Hij aan het kruis voor ons verdiend heeft, en stort die over al de door zijn zoendood verlosten op aarde en in het vagevuur uit. De H. Mis is diensvolgens eene onuitputtelijke, immer rijkelijk stroomende bron van hemelsche genaden en zegeningen voor het heil der geheele wereld.
Waardoor bewijzen wij, dat het II. Misoffer reeds door de Apostelen en sedert dien tijd altijd is opjedragen ?
1) Door de woorden van den H. Paulus. — Hij schrijft namelijk aan de Hebreeuwen (XIII, 10); „Wij (Christenen) „hebben een altaar, waarvan zij niei mogen eten, die het „tabernakel bedienen.quot; De Christenen hadden dus, volgens het getuigenis des Apostels, reeds bij zijn leven een altaar en gevolgelijk ook een offer; want waar een altaar is moet men ook in de eerste plaats aan een offer denken, dat op het altaar wordt opgedragen. En het offer der Christenen, waarvan Paulus hier spreekt, was niet slechts een offer
DEHABBE, GELOOFSLEER. IV. S\'le DBUK. 18
274
in ruimeren of minder eigenlijken zin; het was inderdaad een eigenlijk, zichtbaar offer, en wel een spijsoffer, waarvan de Joden niet mochten etgn. Waarin bestond dan dat spijsoffer der eerste Christenen ? Daarover geeft ons dezelfde Apostel eene nadere verklaring in zijn eersten brief aan de Corin-thiërs (X, 20, 21), als bij schrijft: „Gij kunt den kelk „des Heeren niet drinken en tevens dien der duivels (der afgoden); „gij kunt geen deelgenoot wezen én van de tafel „des Heeren én van de tafel der duivelen.quot; Uit den inhoud en den samenhang van het aangehaalde hoofdstuk wordt het onbetwijfelbaar duidelijk, dat de H. Paulus in deze tekstwoorden de offerspijzen der heidenen stelt tegenover die der Cbjistenen, en dat tevens deze woorden beteekenen: het is voor u, Christenen, niet geoorloofd den kelk te drinken, die op uwe altaren den Heer wordt opgedragen, en tevens dien, welke op de altaren der heidenen aan de afgoden of duivels ten offer wordt gebracht; evenmin is het u geoorloofd te eten van de heilige spijzen, die den Heer geofferd zijn, en tevens deel te nemen aan de spijzen, die den duivelen worden gewijd. Maar wat is deze den Heer geofierde kelk anders dan de kelk van Christus\' bloed, en wat is die Gode gewijde offerspijs anders dan het lichaam des Heeren ? De Apostel toch zelï\' had even tevoren gezegd
(v. 10): „De kelk der zegening.....is hij niet de
„gemeenschap met Christus\' bloed? En het brood, dat wij „breken, is het niet de gemeenschap met bet lichaam des „Heeren?quot; Het spijsoffer der eerste Christenen was bijgevolg het H. Misoffer. Dat H. Offer wordt ook bedoeld door den H. Lucas, als hij in de Handelingen der Apostelen verhaalt, dat de oversten der Kerk van Antiochië „den „Heer den heiligen dienst verrichten.quot; Want het grieksche woord, dat hij daar gebruikt, beteekent volgens het eenstemmige getuigenis der Vaders en Schriftverklaarders de opdracht van het goddelijk Offer, het H. Misoffer.
2) Door de onloochenbare getuigenissen der 11H. Vaders, door de besluiten der Kerkvergaderingen, zeer oude Mis-gebeden en door vele andere kerkelijke gedenkstukken in het oosten en het westen. — a) Getuigenissen der Vaders zelfs der drie eerste eeuwen, zijn in groot aantal voorhanden. Eeeds Clemens van Eome, Ignatius, Justinus, Ireneus, Tertuliaan , Origines, Hyppolitus en Cyprianus \') spreken van een christelijk altaar en van een offer, dat in de Kerk der Christenen gevonden werd. Hyppolitus 2) bijv., die
\') Bollinger-, die Eucharistie in den drei ersten Jahrhunderten. 3) Opp. ed. Fabr. ï. 282.
275
in het begin der derde eeuw leefde, wijst dit offer zeer nauwkeurig aan, als hij spreekt: „Dagelijks wordt het „kostbaar en onbevlekte lichaam en bloed van onzen Heer „Jesus Christus op de geheimvolle en goddelijke tafel ge-„wijd en geofferd tot eene herinnering aan dien eeuwig ge-„denkwaardigen eersten disch van het geheimvol goddelijk „avondmaal.quot; Even duidelijk drukt zich de H. Cyprianus hierover uit (Br. 63). Nadat die H. Leeraar heeft gezegd, dat Christus bij het laatste avondmaal, naar de orde van Melchisedech zijn lichaam en bloed onder de gedaante van brood en wijn, heeft geofferd, gaat hij aldus voort: „Daar „nu Jesus Christus, onze Heer en God, zelf de Hooge-„priester is van God, zijn Vader, en zich zeiven eerst den „Yader ten offer opgedragen en dan bevolen heeft, te zijner „herinnering hetzelfde te doen, zoo vervult de Priester, die „nadoet, wat Christus heeft gedaan, waarlijk de plaats van „Christus, en brengt aan God den Vader in de Kerk een „waar en volkomen offer, wanneer hij offert, zooals hij weet „dat Christus heeft geofferd.quot; — Deze getuigenissen zijn zoo duidelijk en onverwerpelijk, dat het nutteloos, tenminste te wijdloopig zou wezen, bijaldien wij uit de Vaders der latere eeuwen, die dit punt nog meer in het bizonder behandelen, getuigenissen wilden aanhalen; eenige er van zullen in het vervolg hunne plaats vicden. \') 1) i) Het immer bestaand
!) Ten bewijze, dat dit de eenstemmige leer der HH. Vaders is, zouden wi.) ons zelfs op het getuigenis van geleerde en weldenkende Protestanten kunnen beroepen. — Dr. Grabe, een wakker voorvechter der anglikaansche Kerk, heeft in het begin der vorige eeuw de werken van den H. Ireneus uitgegeven. De genoemde geleerde, voor onze geloofsbestrijders zeker een onverdacht getuige van de leer der Vaders, w;is niet in staat de oogen des geestes voor liet helder licht der waarheid te sluiten, en hij erkende uit volle overtuiging: //Het ,is boven allen twijfel verheven, dat Ireneus en alle Vaders, wier //Schriften wij nog bezitten, zoowel de tijdgenooten der Apostelen „als de onmiddellijke opvolgers der Apostelen, de H. Eucharistie //hebben gehouden voor het offer des Nieuwen Verbonds.quot; //En «inderdaad,quot; zoo gaat hij voort, «ten bewijze dat deze leer en dit „gebruik niet slechts enkele kerken of leeraren, maar de geheele //Kerk, als van de Apostelen en van Christus overgeleverd, eigen „was, strekken de duidelijke woorden van den H. Ireneus, alsook van -/den H. Martelaar Justinus, die nog voor hem leefde, van den H. „Ignatius, ïertulianus, Cyprianus en anderen.quot; Aan het slot van zijn getuigenis voor de betwiste eenstemmigheid der Vaders beroept zich Ur. Grabe tot nadere bevestiging op andere geleerden der anglikaansche Kerk en besluit met den wensch: //Mogen die hei-//lige liturgische vormen of ceremoniën, waarmede het Offer Gode „werd opgedragen, bij hen (bij de Anglikanen) wederom worden //aangenomen, opdat aldus aan de goddelijke Majesteit de hoogste
18*
1
Eene ruime keuze van dusdanige plaatsen vinden wij bij Klee, Dogmatiek 2. B. over het Sacrament der Eucharistie.
276
gebruik om het H. Misoffer op te dragen blijkt eveneens uit de besluiten van vele Kerkvergaderingen. Zoo bijv. berispt de eerste algemeene Kerkvergadering van Nicea (in het jaar 325) het misbruik, waardoor op eenige plaatsen de Diakenen aan de Priesters de H. Eucharistie uitreikten, leerende: „Het is met den Canon (d. i. voorgeschreven orde bij het offer) „en met de vroegere gewoonte in strijd, „dat zij, die de macht om het offer op te dragen niet „bezitten, het lichaam des Heeren uitreiken aan hen, die „deze macht wel bezitten.quot; Nog andere Kerkvergaderingen uit diezelfde eeuw, zooals die van Ancyra, Neocaesarea, Laodicea, enz. stellen in hare verordeningen duidelijk op den voorgrond, dat de Priesters en Bisschoppen het H.. Misoffer opdroegen, i) c) Een ander onomstootelijk bewijs daarvoor leveren ons de oude reeds meer besproken Litur-giën 2) of verzamelingen van. kerkelijke gebeden en cere-
„haar verschuldigde eer worde bewezenquot; (Zie Gousset, Dogmat. I deel n0. 818, of de Mauriner uitgave van den H. Ireneus, 2e deel bladz. 312).
Luther zelfs ontveinsde het niet, dat hij door de verwerping van het H. Misoffer met de leer der HH. Vaders en der geheele Kerk in openlijke tegenspraak verviel. In zijn geschrift over de afschaffing der privaat-mis, bekent hij, dat het inderdaad een stout bestaan is, zich tegen de gewoonte van zoovele eeuwen, tegen zoovele getuigen, tegen de zoo algemeene meening te verzetten. Hij maakt zich zei ven de opwerping: „Bezit gij dan de wijsheid alleen? Zijn dan „zoovele eenstemmige getuigen in dwaling? Verkeerden dan zoo-„vele eeuwen in onwetendheid?quot; En de hervornner van Wittenberg antwoordt met zijne gewone onbescheidenheid; „Wanneer het iemand ,toeschijnt, dat ik iets tegen het gebruik der Kerk, in strijd met „de uitspraken der Vaders geleerd heb, die wete, dat ik mij om „dat alles niets bekommer.quot; Desgelijks zegt hij op eene andere plaats; „Het scheelt ons niet, of de papisten al schreeuwen; de „Kerk, de Kerk! de Vaders, de Vaders! want in dergelijke zaken «bekommeren wij ons niet over dat, wat menschen zeiden en deden; „de Profeten en de Apostelen hebben gedwaald; door het woord „van Christus spreken wij recht en oordeel uit over de Kerk, over „de Apostelen, ja zelfs over de Engelen.quot; Zóó sprak dezelfde Luther, die in het jaar 1532 tegen de Sacramentariërs en de onruststichters schreef; „Gevaarlijk en schrikkelijk is het, iets aan te hooren of te „gelooven, wat in strijd is met het eenstemmige getuigenis, het geloof „en de leer der geheele heilige christelijke Kerk.quot; En terwijl Luther, zoo zonder verdere bekommering over het gezag der geheele Kerk heenstappend, hetzelfde deed, wat hij in de Sacramentariërs berispte en „als gevaarlijk en schrikkelijk,quot; brandmerkte, onthield hij zich niet, te verhalen, hoe de duivel hem eenmaal bij eene nachtelijke verschijning met zijne bewijsgronden in het nauw bracht en hem aanraadde de Mis af te schaffen, zooals hij ook gedaan heeft. Dat merkwaardig nachtelijk onderhoud is opgeteekend in Luthers schriften (Von der Winkelmesse und Pfaffenweihe. Wittenb. 7 deel. bladz. 443).
\') Zie den tekst dier Kerkvergaderingen bij Pouget. Instit. cathol. de Missa § 7.
-) Over den hoogen ouderdom der liturgische boeken, zie den Abt Gueranger, Institutions liturg. Tom. III. chap. 2, Paris 1851.
277
--
moniën, die, zoowel in de westersche als oostersche Kerk bij de viering van het heilig Offer van oudsher voorgeschreven en gebruikelijk waren. Daarin is nameliik niet slechts zeer bepaald het geloof uitgesproken, dat Jesus Christus in de H. Mis zich zei ven, ziin vleesch en bloed, den hemelschen Vader ten offer brengt, maar de H. Mis wordt daar ook als de heiligste, verhevenste en eerbiedwaardigste handeling, als de bron des heils, als de voornaamste oorzaak van den roem en van de vreugde der Kerk aangewezen. „Verheug u,quot; zoo bidt naar de ar-menische Liturgie \') de Priester, terwijl de offergaven in gereedheid worden gebracht, „verheug u, dochter des lichts, „heilige, gemeenzame moeder, verheug u met uwe kinderen! „Sion, gij uitverkoren bruid, altaar, dat schittert als het „licht des hemels, toon uwen glans; want Christus, de „Gezalfde, werd eenmaal te Jerusalem als offer opgedragen, „om ons met den Vader te verzoenen, en voortdurend „wordt Hij nog hier opgeofferd, zonder zijn bestaan te „verliezen.\'\' d) Behalve de oude Liturgiën of Misboeken zijn er nóg andere gedenkteekenen, die van het opdragen van het H. Offer in de Katakomben een overwegend getuigenis afleggen. Het zijn vooral de altaren, inschriften en schilderingen, daar nu nog voorhanden, die op het H. Misoffer wijzen, Spemer Norlhkole \') schrijft, dat onder de monumenten, die men bij \' latere opgravingen heeft ontdekt, een aanzienlijk gedeelte wordt gevonden van het altaar, dat waarschijnlijk in de vierde of vijfde eeuw boven het graf van den H. Alexander is opgericht. Dat altaar droeg in het rond een opschrift, waaruit blijkt, dat de Bisschop ürsus het heeft geconsacreerd, en het dus bestemd is geweest tot opdracht van het H. Offer. Dezelfde geleerde oudheidvorscher merkt op eene andere plaats van genoemd werk op, dat men uit de grafschriften der Katakomben geheel het gebouw *der kerkelijke hierarchic zou kunnen opmaken. „Bisschoppen, Priesters, Diakenen, Subdiakenen, „Acolythen.. ., alle diagen tot een onvergankelijk aan-„denken hunne namen op hunne grafzerken.quot; Daaruit volgt tevens, dat toen reeds het H. Misoffer werd opgedragen, dewijl de Diaken en Subdiaken in geheel bisoudere betrekking staan tot de feestelijke opdracht van het H. Offer. Een ander gedenkteeken der oudheid is een houten altaar, waarop de prins der Apostelen, de H. Petrus, in de woning van den senator Pudens het H. Offer opdroeg. Het wordt
\') Migne, Encyclopedisch handboek der fiath. Liturg, bladz. 59\'1. De Katakomben van Kome.
278
in de Kerk van de H. Pudentiana bewaard, en ligt onder een steenen altaar, waarop het beeld van den H. Petrus is uitgehouwen en geschreven staat, dat hi] op dit altaar heeft geoöerd. 1) Een ander altaar, eveneens van hout, waarop volgens de overlevering de H. Petrus en de overige Pausen tot aan Silvester het H. Offer hebben opgedragen, bevindt zich nog in de Kerk van Laterane. Op dit altaar mag naar het kerkelijk voorschrift alleen de Paus de heilige Mis lezen. 2) *)
\') Bovengenoemd opschrift luidt: In hoe altari S. Petrus pro vivis et defunctis, ad augendam fidelium multitudinem corpus et sanguinem Domini offerebat. Zie Binterim\'s Denkwiirdigkeiten (Hd 4. bladz. 102).
2) Het moet ons niet bevreemden, dat er in de eerste twee eeuwen van liet Christendom vele altaren waren, die als de zooeven genoemde, uit hout bestonden. De toestand van bijna aanhoudende vervolging, waarin de Kerk zich bevond, de ontelbare bespieders en verklikkers, die door de heidensche tirannen werden uitgezonden om de Christenen na te gaan, maakten het wenschelijk, dat al de altaren of offertafels gemakkelijk van de eene plaats naar de andere konden overgebracht worden. Jiien droeg toen het H. Offer op, nu in holen en grotten, dan in de woningen der geloovigen, niet zelden zelfs in de gevangenissen, al naardat de omstandigheden zulks veroorloofden. Daartoe, zooals men gemakkelijk begrijpt, waren de houten altaren beter geschikt dan de steenen, die niet danmetgroote moeite opgericht en van de eene plek naar de andere verplaatst konden worden. — Overigens behielpen zich de ijvervolle, van de eindelooze waarde en het heilzame van het H. Offer diep doordrongen Priesters dier tijden met betrekking tot het altaar op allerhande wijzen. Een duidelijk bewijs daarvoor levert ons de beschrijving der marteling van Lucianus, Priester en Martelaar te Antiochië. Dewijl er namelijk in de gevangenis, waar deze H. Bloedgetuige met andere geloofsbelijders zuchtte, geene tafel was, waarop hij het H. Offer konde opdragen, en het onmogelijk was zich daarvan te voorzien, legde hij zich ruggelings neder, liet brood en wijn op zijne borst plaatsen, sprak daarover de woorden der Consecratie, nuttigde zelf het lichaam en bloed des Heeren en reikte aan de omstanders de H. Communie uit (Zie de Bolland. 7 Januari, en Martene de an tin. eccles. rit. Lib. i cap. Ill art. 5).
Toen, na verloop van tijd, de Kerk onder de roomsche Keizers vrede en bescherming genoot, beijverde mên zich, uit eerbied voor liet H. Offer, prachtige altaren uit het fijnste marmer, zilver, goud en elpenbeen met versieringen en kostbare gesteenten te vervaardigen. — Palcheria. de zuster van Keizer Theodosius den Jongere, schonk aan de kerk van Constantinopel eene altaartafel, die, naar het getuigenis van de geschiedschrijvers Sozomenus en Nicephorus, uit zuiver goud vervaardigd en rijkelijk met paarlen en edelgesteenten versierd was. — In de Sophia-kerk van Constantinopel, door Keizer Justinianus gebouwd, was het geheele altaar van massief goud. De tafel rustte op zes pilaren van hetzelfde edele metaal en was met een groot aantal kostbare gesteenten ingelegd. Voor den altaar-disch scheen het goud nog niet kostbaar genoeg; deze werd uit alle soorten van kostbare stoffen, uit goud, zilver, fijn gebroken ooster-sche paarlen en uit de grootste en kostbaarste edele steenen samen-
*) Zie Bona Rerum liturg. Lib. I. c. 20. Num. 3. en Brev. Rom. 9 November.
279
Aan wieii wordt het H. Misoffer opgedragen?
Wij dragen het op aan God alleen, doch vieren daarbij de gedachtenis der Heiligen.
Gelijk de dwaalleeraars der zestiende eeuw, zoo deden reeds in de vijfde eeuw de Manicheën aan de katholieke Kerk het verwijt, dat zij aan de Martelaren of in \'t algemeen aan de Heiligen offers opdraagt. De H. Kerkleeraar Augustinus wederlegde in zijn tweede boek tegen Faustus (hoofdst. 21) en in zijn achttiende boek van de stad Gods (hoofdst. 27) deze opwerping en ontwikkelde tevens op de bepaaldste en duidelijkste wijze de katholieke leer aangaande dit punt. „Wij vieren,quot; zoo schrijft hij op de eerst aangehaalde plaats, „met godsdienstige plechtigheid „de gedachtenis der Martelaren en richten op hunne begraafplaatsen altaren op. Doch de vereering der aanbidding, die latria genoemd wordt en eene alleen aan „God toekomende vereering is, bewijzen wij hun niet; „evenmin leeren wij, dat men die aan een ander dan God „alleen moet bewijzen. Daar nu het offer wezenlijk tot „dien eeredienst behoort, brengen wij noch aan een Martelaar, noch aan een Heilige of Engel eenig offer, welk „dan ook, en die deze dwaling aankleeft, wordt door de „ware leer terecht gewezen.quot; En het bewijs voor het gezegde levert ons de H. Leeraar op beide bovengenoemde plaatsen met de woorden; „Wie heeft ooit gehoord, dat „een rechtgeloovig Priester aan het altaar, zelfs aan een „altaar, dat boven het heilig lichaam eens Martelaars ter „eere en verheerlijking van God is opgericht, zou gezegd „nebben: „ik draag aan u. Petrus, of aan u, Paulus, „„Cyprianus, dit offer op?quot;quot; „Wij brengen,quot; zoo gaat hij voort, „aan God offers bij de begraafplaatsen der Marte-„laren, om Hem door deze plechtigheid te bedanken voor
gesmolten, vervaardigd, en het blad daarenboven met de rijkste juweelen ingelegd. Boven do altaartafel verhief zich torenvormig het tabernakel, dat met een rijk versierd gouden koepeldak prijkte. Om den koepel bevonden zich twaalf gouden leliën, en tussclien deze verhief zich een gouden kruis dat vijf en zeventig pond zwaarte had en eveneens met de zeldzaamste steenen versierd was (Stolberg Kelig. B. XIX Abth. 2). — Ook in de kerk van den H. Ambrosius te Milaan bevond zich, zooals Bona op eene andere plaats verhaalt, eene gouden altaartafel, en Keizer Hendrik 11 schonk, naar het getuigenis van Dietmar, eene dergelijke tafel aan de kerk van Merse-burg. — Galenius beschrijft in zijn boek; de admiranda sacr. et civil, magnitudine Coloniae, drie draagbare altaren, die te Keulen in de St. Andreas-kerk bewaard werden; zij hadden den vorm eener kist, waarvan het eene uit goud, het tweede uit ivoor, het derde uit koper was vervaardigd (Zie Binterims Denkwürd. Bd. IV. Th. 1. § 8).
280
„de overwinning, die Hij aan de glorierijke Bloedgetuigen „heeft geschonken, opdat wij door de vernieuwing hunner „gedachtenis ons zelve aansporen, naar eene zelfde kroon „en zegepalm te streven,... opdat ook wij deel mogen „hehhen aan hunne verdiensten en door hunne voorspraak „geholpen worden.quot; — Dat hier van geen ander offer dan van het H. Misoffer sprake is, wordt uit de volgende plaatsen van dienzelfden H. Kerkvader duidelijk: „ik heb „gezegd, dat het zonde is den Martelaren offers op te „dragen, maar niet: het is ongeoorloofd, op de graven der „Martelaren aan God offers op te dragen. Dit laatste doen „wij zelfs zeer dikwijls, doch slechts op die wijze, zooals „Hij zelf ons in het Nieuwe Verbond geopenbaard en voorge-„schreven heeft te offeren. Het vleescb en bloed van dit offer „werd vóór de komst van Jesus Christus door de slachtoffers „van het Oude Verbond afgebeeld en beloofd, werd in het „lijden van Christus werkelijk gegeven, en na den terugkeer „van Christus tot zijn Vader door de geheimvolle gedachtenis-„viering der H. Mis wederom opgedragen.quot; Uit de leer van den H. Augustinus blijkt dus zeer duidelijk, dat, wel is waar, het H. Misoffer Gode alleen wordt en moet worden opgedragen, maar dat daarbij tevens de gedachtenis der Heiligen wordt gevierd. Het zou zeer gemakkelijk wezen, door talrijke plaatsen, zoowel uit andere Kerkvaders als uit de oude liturgiën, onwederlegbaar aan te toonen, dat gezegd gebruik in de geheele Kerk heerschend was.
Met het volste recht dus houden ook wij, steunend op het oud en vroom gebruik der H. Kerk, bij de H. Mis de gedachtenis der Heiligen, terwijl wij 1) God bedauken voor de hun verleende genade, en zaligheid, 2) hunne voorspraak inroepen. Wij mogen er volstrekt niet aan twijfelen, dat de bedoelde gedachtenisviering der Heiligen voor ons zeer heilzaam is en ook in hoogen graad bijdraagt tot verheerlijking dier getrouwe dienaren en vrienden van God. De herinnering aan hunne deugden wekt ons ter navolging op; de herinnering aan hunne overwinning en aan hunne groote zaligheid, die zij hebben verworven, spoort ons aan tot een moedigen strijd; de vertrouwvolle aanroeping dier roemrijke overwinnaren, die thans den troon van hunnen goddelijken Koning en Aanvoerder omgeven, schenkt ons hoogere kracht en volharding; de dankbaarheid eindelyk, die wij den Allerhoogste betuigen voor de genade, welke Hij zijnen verheerlijkten dienaren schonk, is tevens een lofzang ter eere der Heiligen, die met Gods genade zoo getrouw en zoo grootmoedig hebben medegewerkt. Terecht mogen wij dus zeggen, dat wij het H. Misoffer
281
aan God alleen, maar tevens ter eere der Heiligen opdragen. Dat leert ook de Kerkvergadering van Trente (Zitt 22; hfdst. 3) bijna in dezelfde woorden als de H. Augustinus sprak. „Ofschoon de Keik,quot; zoo lezen wij daar, „de ge-„woonte heeft om ter eere en gedachtenis der Heiligen „eenige malen de H. Mis op te dragen, toch leert zij niet, „dat aan hen, maar wel dat Gode alleen, die hen gekroond „heeft, het offer wordt opgedragen. Daarom zegt ook de „Priester niet: „Ik draag aan u, Petrus of Paulus, dit „„offer op,quot;quot; maar God dankend voor hunne overwinning „smeekt hij om hunne bescherming, opdat zij, wier ge-„dachtenis wij op aarde vieren, in den hemel goedgunstig • „voor ons mogen bidden.quot; En in den vijfden Canon dier-zelfde zitting spreekt de genoemde Kerkvergadering den banvloek uit over hen, die zeggen, dat het bedrog is ter eere der Heiligen en ter verkrijging hunner voorbede aan God de H. Mis op te dragen, zooals de wil en meening der Kerk luidt.
Waarom dragen wij aan God het II. Misoffer op?
Wij dragen aan God het H. Misoffer op om Hem te loven, voor zijne weldaden te danken, om van Hem vergiffenis der zonden en nieuwe weldaden te verwerven, of met andere woorden: wij dragen het aan Hem op als lof-, dank-, zoen- en smeekoffer. .
Jesus Christus heeft, zooals reeds boven werd verklaard , aan het kruis zich zelven voor ons den Vader als een oneindig kostbaar en Hem welgevallig lof-, dank-, zoenen smeekoffer opgedragen, en alzoo de verschillende offers, die in het Oude Verbond tot ééne of meer van deze vier verschillende doeleinden waren voorgeschreven, en die als zoovele schaduwen van dat eenige oneindige voldoening schenkend offer waren, vervangen en afgeschaft. Daar nu het onbloedig offer, dat op onze altaren wordt opgedragen, in aard en wezen hetzelfde is als het kruisoffer, hetgeen wij evenzeer hebben bewezen , kan men het niet loochenen , dat ook het H. Misoffer een oneindig volkomen lof-, dank-, zoen- en smeekoffer is, dat het dus ook, evenals het kruisoffer, door de verschillende offers, die onder de natuurwet en onder de wet van Mozes bestonden, werd voor-afgebeeld en de voleinding en volmaking in zich sluit van alle goederen, die door diezelfde offers werden aangeduid (Kerkverg. van Trente. Zitt. 22. hoofdst. 1).
Hoewel nu het Misoffer, wat het wezen en de innerlijke waarde betreft, niet verschilt van het kruisoffer, is er toch,
282
wat de opdracht betreft, tusschen beiden een verschil, dat men niet over het hoofd ma» zien. Het kruisoffer werd slechts voor ons — het H. Misoffer daarentegen wordt ook door ons opgedragen; derhalve de vraag: „waarom dragen „wij aan God het Misoffer op?quot; Hoewel Jesus Christus namelijk hier op het altaar, zooals ginds aan het kruis, het Offer en de eigenlijke Hoogepriester of Offeraar is, zeggen wij toch in waarheid van het H. Misoffer dat ook wij het opdragen, iets wat van het kruisoffer niet kan gezegd worden. Het bewijs daarvoor is duidelijk. Het H. Misoffer is namelijk een offer, dat Christus aan zijne beminde Bruid, de Kerk, heeft achtergelaten, een offer, dat tevens haar eigendom, hare onuitputtelijke bron van genaden is geworden; een offer, waaidoor zij in staat wordt gesteld, over de geheele aarde, tot aan het einde der tijden. God door zijn beminden Zoon Jesus Christus op passende wijze te loven, te danken, vergiffenis der zonden te verwerven en alle genaden te vragen. De Priester aan het altaar is dus niet enkel de plaatsbekleeder van Jesus Christus, den eeuwigen Hoogepriester, daar hij als het ware het levend werktuig wordt, waarvan zich de menschgeworden Zoon van God bedient, om zich zeiven den Vader op te offeren, een werktuig zonder hetwelk het offer niet wordt voltrokken; maar hij is tevens de plaatsbekleeder der li. Kerk, in wier naam en last hij dat heilig en geheimvol offer in vereeniging met hare meening den Allerhoogste opdraagt. Om die reden bidt ook de Priester bij de opdracht der H. Mis niet alleen in het enkelvoud: „Neem aan, heilige „Vader, deze onbevlekte hostie, welke ik U ten offer „breng,quot; maar ook in het meervoud, „Wij offeren U, „o Heer! den kelk des heils,\'\' en vóór de consecratie: „Neem dit offer van onze onderwerping, en ook van geheel „uw gezin, o Heer, wij smeeken ü zulks, genadig aan.quot; Eveneens spreekt hij bij de herinnering aan de levenden: „Gedenk, o Heer, allen, voor wie wij ü, of die zelve „U dit prijsoffer opdragen.quot; Ook vermaant hij de aanwezigen om te bidden, dat zijn en hun offer „welgevallig „zij aan God, den almachtigen Vader.\'\' Duidelijk blijkt daaruit, dat de Priester ook als plaatsbekleeder der Kerk offert en dat de aanwezigen in zekeren zin mede offeren, terwijl zij hunne bedoeling met die des offerenden Priesters vereenigen. — Wij dragen aan God het H. Misoffer op:
1) Als prijsoffer tot zijne eer en verheerlijking. Het is de heiligste plicht van den mensch en van den Christen, om de opperheerschappij van God te erkennen, zijne oneindige volmaaktheden te loven en aan zijne verheven
283
Majesteit verschuldigde hulde en eere te hetoonen. Daarom zegt de koninklijke Profeet (Ps. XXVII, 2); „Brengt „den Heer lof en eere, prijst zijnen naam, aanbidt Hem in „zijn voorhof.quot; Doch hoe kan het schepsel den Schepper, de eindige, stof en asch, den Oneindige op gepaste wijze prijzen en loven? Hoe kan de worm der aarde zich diep genoeg vernederen om den Allerhoogste, voor wien de hemelen zich nederbuigen, op eene waardige wijze te aanbidden? — Wat voor ons volstrekt onmogelijk is, dat heeft Jesus Christus door de instelling van het H. Misoffer ons mogelijk gemaakt. Want door dat H, Offer bewijzen wij aan de goddelijke Majesteit eene eer, die alle Engelen en Heiligen, die alle schepselen in den hemel en op aarde te zamen niet kunnen bieden, eene eer, die den Allerhoogste waardig is, dewijl wij Jesus Christus zeiven, het onbevlekte Lam Gods, dat aan het kruis op bloedige wijze werd geslachtofferd, opnieuw als geheimvol slachtoffer voor den troon der goddelijke Majesteit nederleggen, en zoo onze schatting van eindeloozen lof, van oneindige hulde en aanbidding aanbieden. \') Daarom bidt ook de Priester na de consecratie: „Door Hem, (nl. Christus) en „niet Hem en in Hem is aan U, o God, den almachtigen „Vader, in eenheid des H. Geestes, alle eer en heerlijkheid „van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen.quot;
2) Als dankojjer quot;voor alle ontvangen genaden en weldaden. Niet lof en aanbidding alleen zijn wij Gode schuldig, maar ook dankbaarheid, groote dankbaarheid voor de tallooze genaden en weldaden, die wij van zijne vaderhand ontvingen en nog dagelijks ontvangen. Moet dan niet ieder onzer in het besef van zijn onvermogen met den Profeet uitroepen: „Wat zal ik den Heer wedergeven voor
\') Een heilig; Leeraar verhaalt van eene vrome maagd, die het vurig verlangen koesterde, den drieëenigen üod zooveel mogelijk te loven en te verheerlijken. Dikwerf zond zij de-verzuchting hemelwaarts; „Hadde ik toch duizend tongen om daarmede mijnen God //te loven! Konde ik toch alle menschen er toe brengen om U, o //mijn God, te loven! Konde ik nienwe hemelen sche|)pen en Sera-//phijnen daarin plaatsen! Hadde ik zoovele krachten, dat ik U meer //konde verheerlijken dan alle koren der hemelsche geesten, wat //zoude ik dan gelukkig wezen!quot; Toen zij op zekeren dag weder zulke hartewenschen hemelwaarts zond en brandde van het vuur dier heilige begeerte, meende zij eene hemelsche stem te hooren, die haar toeriep: //Beminde dochter, weet dat een enkel H. Misoffer mij meer „en onvergelijkelijk grooter lof kan schenken, dan gij door uwe be-//geerten mij wenscht te bereiden. Woon dus vlijtig het H. Misoffer //bij en offer Mij den lof op, die Mij daardoor wordt gebracht; dan //kunt gij Mij naar uw verlangen verheerlijken en de wenschen uws //harten volkomen in vervulling brengenquot; (Die Schule der Relig. J. Chr, en Heimbach Praxis catechetica).
284
„alles, wat Hij mij heeft gegeven?\'\' (Ps. CXV, 3). Van Hem, onzen Schepper en Onderhouder, onzen Eedder en Verlosser,\' onzen Heilig- en Zaligmaker hebben wij genaden en weldaden ontvangen, die in waarde oneindig zijn. Maar in welke verhouding staan onze eindige dankbetuigingen tot den plicht om oneindige dankbaarheid weer te geven ? En wat zouden wij den Allerhoogste uit erkentelijkheid nog kunnen offeren, dat niet reeds zijn eigendom is, waarop Hij niet reeds een strikt en onvervreemdbaar recht heelt? Mogen wij ook rijkdom en eer, lichaam en ziel, gezondheid en leven, ja alles, wat wij zijn en hebben uit dankbaarheid Hem aanbieden, toch moeten wij immer ons de vraag stellen: „wat kan naar waarde zijne „daden vergelden?quot; (Tob. XII, 2). Welke reden van vreugde hebben wij niet, nu in het H. Misoffer ons een middel is geschonken, waardoor wij aan de goddelijke Majesteit op eene geheel waardige en passende wijze onze dankbaarheid kunrien betoonen, dewijl wij het vleesch en bloed van Jesus Christus, die gave van oneindige waarde, als tegengeschenk voor alle gaven der natuur en der genade, ja zelfs voor de beloofde goederen des hemels, op het altaar van God nederleggen en in vereeniging met de oneindige en volmaakte dankzegging van onzen eeuwigen H oogepriester offeren!
De H. Mis is dus waarlijk een dankoffer, dat beantwoordt aan onze verplichting, aan de waardigheid der goddelijke Majesteit en Hem op oneindige wijze welgevallig is. Het karakter der H. Mis als dankoffer is bizonder duidelijk uitgesproken in de prefatie, die de consecratie voorafgaat, als de Priester bidt of zingt: „Laat ons dank zeggen den „Heer, onzen God! ... Waarlijk, waardig en rechtvaardig „is het, billijk en heilzaam, dat wij U altijd en overal „dank betuigen, heilige Heer, almachtige Vader, eeuwige „God, door Christus onzen Heer,quot; enz. Ja de geheele prefatie is niet anders dan eene doorgezette dankbetuiging, eene naar de verschillende leesten gewijzigde uitbreiding der woorden: „laat ons dank zeggen den Heer, onzen God!quot;
3) Als zoenoffer voor de vele Hem aangedane beleedigingen. Gelijk het waardig en rechtvaaidig is, Gode dank te betuigen voor de vele weldaden, die Hij ons heeft geschonken en dagelijks overvloedig blijft schenken, zoo ook is het billijk en heilzaam, dat wij Hem, dien wij van onzen kant dagelijks door onze fouten beleedigen, trachten Ie bewegen zijn recht-matigen toorn te bedwingen en den uitgestrekten arm zijner gestrenge rechtvaardigheid terug te trekken. Ook tot dat doel heeft onze Heiland ons het heilig Misoffer achtergelaten
285
En wie kan of ma^ den minsten twijfel voeden, dat het heilige, onbevlekte offer van zijn eeniggeboren Zoon den vertoornden God zou bewegen, weder goedgunstig en met barmhartigheid op ons neer te zien, dewijl het den vrij-willigen dood, dien Hij voor ons zondaren onderging, of liever, daar het Hem den onder de zinnebeelden van den zoendood tegenwoordigen Zoon zei ven voor oogen stelt? Toen de portugeesche veldheer en veroveraar van Indië, Alphonsus van Albuquerque, zich tijdens een groeten storm met geheel zijn zeeleger in dreigend gevaar bevond, nam hg zijn onschuldig kind op de armen, hief\' het ten hemel en sprak; „Wij zijn, wel is waar, zondaren, doch\'dit „teeder schepsel is voorzeker zonder zonden. Ach, Heer, „scheld ons schuldigen de doodstraf kwijt uit liefde tot „dezen onschuldige.quot; En zie, dat ootmoedig gebed en het gezicht van dat onschuldig kind behaag\'de aan God, den Heer der zeeën. De storm bedaarde, en de vreugde over de wonderbare redding verjoeg de vreeze van den naderenden dood. — Welnu Christenen, als bij deze gelegenheid het gezicht van het onschuldig kind eens schuldigen vaders zooveel op het hart van een vertoornden God vermocht, wat zal dan het gezicht van zijn eigen schuldeloozen Zoon niet op het hart des eeuwigen Vaders vermogen, zoo dikwijls wij Hem in de H. Mis rnet rouwmoedige offervaardigheid door de handen des Priesters opheffen? Wat zou er van de wereld worden, als zij het onbloedig zoenoffer der H. Mis moest missen? „Wat mij betreft,quot; zegt de godvreezende Leonardus da Porto Mauritio, „ik geloof, dat, indien het „H. Misoffer niet bestond, de wereld reeds voorlang te gronde „zou zijn gegaan, als niet in staat het gewicht der vele „zonden langer te dragen.quot;
Geheel zonder grond is de opwerping der vijanden van ons geloof, dat wij geen zoenoffer meer noodig hebben, omdat het offer, dat onze Heiland aan het kruis heeft opgedragen, overvloedige verzoening en voldoening in zich besluit, dat dus het H. Misoffer hoogstens een lof- en dankoffer, doch geen zoenoffer kan wezen. Het is waar, Christus heeft door zijn bloedig offer aan het kruis de zonden der geheele wereld geboet en het vonnis der eeuwige verdoemenis, dat over het geheele menschelijk geslacht was geveld, opgeheven. Krachtens dit eens en voor immer opgedragen zoenoffer, is ons allen de belofte gegeven en het uitzicht geopend op vergeving der zonden en kwijtschelding der zondestraffen, eene overvloeiende bron van genade en barmhartigheid ontsloten. Doch maar al te dikwijls verijdelt de menigte en grootheid onzer misdrijven de liefdevolle
286
bedoelingen der goddelijke goedheid en barraliartiglieid, stuit, om zoo te zeggen, met geweld den toevloed der genaden uit de bron des Verlossers en daagt zelfs den Allerhoogste uit, om onverwijld de welverdiende straf aan ons onboetvaardige zondaren te voltrekken. Hoe wenscheliik moet het bijgevolg voor ons niet wezen , door de H. Mis den vertoornden Vader in den hemel te kunnen verzoenen en Hem te smeeken, dat Hij, ter wille van het onbloedig offer zijns Zoons, ons barmhartigheid schenke; dat Hij ons onwaardigen de door Hem aan het kruis verdiende genaden doe toevloeien, de voor ons eenmaal gegeven voldoening genadig op ons toepasse. En wie zal dan met eenigen grond kunnen beweren, dat op die wijze ooit te kort zou worden gedaan aan de waarde van het bloedig zoenoffer des kruises ? — De Kerkvergadering van Trente heeft inderdaad tegenover de^e door de dwaalleeraars opgezette bewering uitdrukkelijk geleerd, dat het H. Misoffer in waarheid een zoenoffer is en ons barmhartigheid en genade doet vinden, wanneer wij hulp noodig hebben; zij spreekt het doemvonnis uit over hem, die zegt, dat het offer der H. Mis slechts een lof- en dankoffer, maar geen zoenoffer
is.....dat het niet voor levenden en overledenen,
voor zonden, straffen, völdoenino\'en en andere behoeften mag worden opgedragen (Zitt. 22. hfdst. 2. en Can. 3). Deze beslissing der H. Kerk, die op zich zelve reeds eene onbetwistbare waarde heeft, vindt hare bevestiging rog daarin, dat, zooals reeds boven gezegd is, het H. Misoffer werd voorafgebeeld door de zoenoffers van het Oude Verbond en dus, als waarheid en werkelijkheid, niet kan achterstaan bij de schaduw of het voorbeeld. — Overigens is deze leer van de Kerkvergadering van Trente geene andere dan die der eerste tijden van de Kerk. Wij vinden haar op zeer vele plaatsen in de schriften der Vaders en in de oudste Liturgiën terug. Zoo bijv. noemt de H. Cyrillus van Jerusalem in de 23\' onderrichting, waar hij de gebeden en ceremoniën der H. Mis verklaart, haar uitdrukkelijk „een verzoeningsoffer,quot; en zegt onder anderen, „dat wij in de H. Mis God bidden voor de overledenen; „Christus als slachtoffer voor onze zonden aan Hem opdra-„gen, om daardoor zoowel voor de overledenen alsook „voor ons zelve hulp en genade van God te verkrijgen.quot; Hoe oud het gebruik is om voor de overledenen het H. Misoffer op te dragen, en hoe algemeen die gewoonte reeds in de eerste christentijden was, leert ons wederom de H. Augustinus, als hij (in zijne 172® preek) zegt, dat zij door de Vaders is overgeleverd en in de geheele
287
Kerk gevolgd werd. Dit alleen zou een afdoend bewijs zijn, dat de H. Mis door de katholieke Kerk van oudsher niet slechts als lof- en dankoffer, maar ook als een waar zoenoöer, hetwelk de straffen der overledenen uitdelgt, werd erkend en opgedragen; want dan alleen kan het den gestorvenen tot nut verstrekken.
Als zoenoffer heeft de H. Mis eene dubbele uitwerking; namelijk vergiffenis der zonden en kwijtschelding van tijdelijke straffen. Door het H. Misoffer verkrijgen wij dus: a) vergeving der zonden, zoowel van groote als van dagelijksche zonden. Dit moet echter niet zoo verstaan worden, als werd er ter vergeving der zonden niets anders gevorderd dan het bijwonen of het doen lezen der H. Mis tot dat einde. Immers wie eene doodzonde bedreven heeft, blijft immer verplicht, deze rouwmoedig te biechten, indien hij vergiffenis daarvan wil ontvangen, üe Sacramenten, die ter vergeving der zonden zijn ingesteld, kunnen niet overbodig worden gemaakt door de H. Mis; maar als wij geen beletsel stellen aan de genade, ontvangen wij door middel van het H. Misoffer hooger licht om onze zonden te erkennen, kracht en wilssterkte om ons daarvan los te maken en tot God terug te keeren, oprecht berouw, heilige vermorzeling des harten en boetvaardigheid, om namelijk het H. Sacrament der Biecht waardig te ontvangen. In dien zin zegt de Kerkvergadering van Trente (Zitt. 22. hfdst. 2), dat de Heer door dit offer verzoend wordt, de genade en gave der boetvaardigheid wordt medegedeeld, de overtredingen en zonden, hoe groot ook, worden vergeven. Welke dankbaarheid zijn wij dan niet aan onzen goddelijken Verlosser verschuldigd, dat Hij ons zulk een gemakkelijk en krachtig middel heeft geschonken, om de genade eener ware bekeering en de vergiffenis van alle, ook der grootste zonden, te verwerven, en welke verontschuldiging zullen wij eens voor zijnen rechterstoel kunnen inbrengen, indien wij uit lauwheid, onverschilligheid en gemakzucht de heilige Mis verzuimen, en aldus het zoo krachtig middel om den toorn van God te bevredigen en van zijne eindelooze barmhartigheid de noodige genade te verwerven met strafwaardige minachting hebben afgewezen ! — Ook de dagelijksche zonden worden ons, zooals reeds vroeger (Dl. Ill) werd aangetoond, zonder een oprecht berouw daarover en eene zekere boetvaardige stemming, niet vergeven. Het H. Misoffer alleen is dus ook ter verkrijging van de vergiffenis onzer dagelijksche zonden niet voldoende, maar bemiddelt ons de genade van berouw en boetvaardigheid, waardoor zij worden uitgedelgd, of met
288
andere woorden: het H. Misoffer vervangt niet de boetvaardigheid , zonder welke ook de dagelijksche zonden nimmer werden vergeven, maar bewerkt die boetvaardigheid in ons. Daarhii mochten wi] zeker aannemen, dat de celoovige krachtens dit H. Offer in ruimere mate vergiffenis der dagelij ksche zonden verkrijgt, dan hij door de boetvaardigheid alléén zou verkrijgen. Want volgens de leer der Kerkvergadering van Trente (Zitt. 22. hfdst. 1) is het H. Misoffer ingesteld, om op ons (door zijne bemiddeling) de heilzame kracht van het bloedig kruisoffer tot vergeving der zonden, waaraan wij ons dagelijks schuldig maken, toe te passen.
b) Door het H. Misoffer verkrij eren wij ook vergiffenis van de tiidelijke straffen der zonde, omdat ons door dat Offer een deel dier overvloedige voldoening wordt toegevoegd, welke Jesus Christus door zijn bloedigen kruisdood voor de zonden der wereld heeft gegeven. Daarom zegt de meergenoemde Kerkvergadering (t. a. p. hfdst 2): „Dit „offer wordt niet slechts voor de zonden, maar ook voor „de straffen en voldoening der geloovigen opgedragen d. i. het wordt opgedragen niet alleen om vergiffenis der datrelijksche zonden te verkrijgen, maar ook om met de voldoening, welke Christus voor ons aan den hemelschen Vader gebracht heeft, de door ons verdiende straffen te betalen. Overigens merkten wij boven reeds op, dat de H. Mis ook den overledenen voordeelig is, omdat zij hunne schulden uitdelgt; maar waarom zou zij dan niet dezelfde kracht hebben ten gunste der levenden? Het blijft intusschen steeds waarheid, dat de tijdelijke straffen eerst worden kwijtgescholden nadat de vergiffenis der zonden verkregen is. Daarom moeten wij vooral zorg dragen, bij de H. Mis God op de eerste plaats de genade van een waar berouw en van eene oprechte bekeering te vragen, en wij mogen niet verwachten, dat God om de H. Mis, die wij bijwonen of die wij laten lezen, ons verlossen zal van de verdrukking, waarmede Hij gewoon is de zondige wereld te tuchtigen, dat Hij oorlog, pest, hongersnood, aardbevingen en dergelijken van ons zal keeren, zoolang wij iu de zonde en onboetvaardigheid volharden.
4) Als smeekoffer om van God hulp te vragen in den nood des lichaams en der ziel. Door de H. Mis verkrijgen wij dus niet alleen vergiffenis der zonden en kwijtschelding der straffen, maar in \'t algemeen alle goddelijke genaden en gaven. Aan dit eindeloos kostbaar en alvermogend smeekoffer van het Nieuwe Verbond danken wij in de eerste plaats de genade om de zonden te vermijden, de
289
deugd te beoefenen, meer en meer toe te nemen in de goddelijke liefde, in het goede ten einde toe te volharden; verder ook tijdelijke goederen en gaven, voor zooverre die tot verheerlijking van God en tot heil onzer ziel dienstig zijn. „Daarom,quot; zoo zegt de H. Cyrillus (Catech. 23), „dragen „wij dit Offer op voor den algemeenen vrede der Kerk, „voor de vorsten, voor hunne legers, voor de bondgenooten, „voor de zieken, bedrukten en bedroefden, in één woord, „voor allen, die hulpe nooiig hebben.quot; De Kerk doet zulks, omdat zij de overtuiging koestert, dat geen gebed meer invloed heeft bij God, dan de opdracht van dat oneindig aangenaam, levend smeekoffer van zijn eeniggeboren Zoon. En inderdaad, hoe zou de hemelsche Vader onze met dit heilig Offer vereenigde en daardoor ondersteunde smeeking kunnen versmaden? Het is toch Jesus Christus, de Zoon van God zelf, die in dit offer niet slechts als Priester, maar ook als geheimvol geslacht Lam Gods verschijnt voor zijn eeuwigen Vader, Hem onze ootmoedige smeeking voordraagt, en, zijne gebeden met de onze vereenigend, Hem bidt, zijn smartvollen verlossingsdood en de daardoor verworven verdiensten te willen gedenken en ons genadiglijk te hooren. Of kunnen wij met eenigen grond betwijfelen, dat Jesus in het H. Misoffer voor ons bij God bidt? Als quot;Hij naar de woorden van den H. Paulus het hemelrijk is ingegaan en daar in den glans der verheerlijking altijd leeft om voor ons te smeeken (Hebr. VII, 25; IX, 24), zal Hij dan hier beneden op het altaar, waar Hij onder de zinnebeelden des doods leeft om voortdurend onze Hoogepriester en tevens ons offer te wezen en ons de verdiensten van zijn lijden en dood rijkelijk toe te voegen, zal Hij daar dan ophouden voor ons bij zijn hemelschen Vader te smeeken? \')
i) Ten allen tijde en bij alle volkeren, waar de leer der kathplieMe Kerk is doorgedrongen, vinden wij het vroom gebruik om bij gewichtige ondernemingen en vooral in nood en gevaar door het U. Misoffer den bijstand, de hulp van God en redding af te smeeken. En God bevorderde die gewoonte dikwijls door spoedige en genadige verhooring dier door het H. Olfer ondersteunde gebeden. Een voorbeeld uit vroegeren en een uit lateren tijd moge voldoende wezen, om deze waarheid in het gewenschte licht te stellen, en aldus die zoo loffelijke gewoonte meer en meer aan te bevelen. Toen in het jaar 871 de deensche legerscharen in het oostelijk gedeelte van Engeland gruwelijke verwoestingen hadden aangericht en op het punt stonden, ook in het westelijk deel van het ongelukkige land een inval te doen, trokken de vrome Koning Ethelred en zijn broeder Alfred hen met een klein, maar moedig leger te gemoet. Dewijl de avond reeds was gevallen, toen de beide legers elkander ontmoetten, moest de beslissende slag tot den volgenden dag worden verschoven. Nauwelijks lichtte de dag in het oosten, of Alfred stond strijdvaardig DEHARBE, GELOOFSLEER. IV 3lle DEUK. ^0
290
Nadat wij uit de gegeven verklaring gezien hebben, hoe de streden de Kerk op aarde door Jesus Christus, zijn heilig
aan de spits van zijn leger en verwachtte met ongeduld het teeken om op te breken. Ethelred woonde intusschen in zijne tent het H. Misoffer bij en beval den Beschikker der veldslagen den uitslag van den gewichtigen dag aan. Nu zond Alfred renbode op renbode naar de koninklijke tent met het bericht, dat de vijanden zicli reeds ten aanval uitrustten. De vrome Koning liet zich in zijne godsvrucht niet storen en gaf ten antwoord: vlk zal niet eer optrekken, dan ,wanneer het H. Offer geëindigd is.quot; Daarop meende de vurige Alfred alleen te moeten optrekken. Met groote onstuimigheid wierp hij zich op den vijand, die eene zeer gunstige stelling had gekozen; doch Alfred werd zoo hevig aangevallen en in zulk een harden strijd gewikkeld, dat zijne scharen na een kort gevecht het reeds op een vluchten zetten. Nu, op het oogenblik der beslissing, verscheen Ethelred met de rest des legers op het slagveld. Zijn koninklijk voorhoofd teekenend met het teeken des kruises, drong hij steeds dichter op den reeds zegevierenden vijand in. üeschaanid en aangespoord door den heldenmoed van hun vorst, begonnen de vluchtelingen opnieuw den strijd en rustten niet, vóórdat de Denen geheel verslagen waren. Een hunner koningen en vijf graven bleven op het slagveld en geheel het overblijvend leger werd verstrooid en sloeg ordeloos op de vlucht. Deze even schitterende als onverwachte zegepraal werd met recht aangezien als de vrucht van het gebed door dien heiligen Koning in vereeniging met het H. Misoffer opgedragen (Kohrbacher Gesch. B. Xll. boek 58 en Lingard D. 1. hoofdst. 3).
In October van het vorige jaar — zoo meldt een katholieke missionaris uit Hindostan — kwamen op zekeren avond zes schippers bij mij; de tranen stonden hun in de oogen. Zij groetten mij volgens de zeden van hun land, door voor mij neder te knielen. Nu ontstond tusschen hen en mij het volgende gesprek. — //Wat, goede vrienden, z/is uw verlangen?quot; — \'/Wij zijn zeer treurig.quot; — „Waarom dat?quot; — ,/Wij hadden aan de monding der rivier een vaartuig liggen, half met vgruiszand geladen; tien onzer gezellen waren aan boord. Doch ,/plotseling heeft zich de wind zeewaarts gekeerd; hij komt uit het ,/zuidwesten, en het is hun onmogelijk de rivier binnen te loopen „of naar Ceilon te varen. Zij drijven nu op de volle zee; maar de „wind is zoo hevig, dat hun scheepje het geen twee uren kan uit-«houden. Zij zullen allen vergaan.quot; — ,Voorwaar dat is treurig; vmaar wat zal ik er aan doen? — \'/Wij wilden ü. Vader, verzoeken, ,den wind te keeren.quot; — //Den winden te gebieden staat niet in mijne »macht.quot; — rO, als gij üod slechts bidden wilt, Vader, dan zal de ,wind zich zeker wenden.quot; — //Goed zoo; dewijl gij echter zooveel „vertrouwen op God stelt, zal Hij ook u verhooren; bidt zelve en ik ,/zal met u bidden, dat beloof ik u.quot; — Daarna gingen die brave lieden heen. Den volgenden morgen ten zes ure, kwamen zij weder, nog troosteloozer dan den vorigen dag, maar toch niet geheel zonder moed. — «Wij hebben de boot nog niet wedergezienquot; — zeiden zij mij — //de wind is zeer hevig en de zee staat schrikkelijk hoog. Wij ./hebben de belofte gedaan, voor onze ongelukkige gezellen eene li. „Mis te laten lezen, en als zij gered worden, morgen hetzelfde te «doen, daarbij zullen wij dan allen tegenwoordig wezen, om God «door het dankoffer zijns Zoons voor de verleende hulp te bedanken.quot; — «Zeer wel, mijne vrienden, ik zal heden de H. Mis opdragen voor ^uwe broeders, die in gevaar verkeeren, vereenigt uwe gebeden met ,/de mijnequot; — Die goede, eenvoudige lieden woonden nu het smeek-cffer der H. Mis bij en begaven zich toen naar het strand, om naar het jammerlijk verloren vaartuig uit te zien. Hoe groot waren echter hunne verbazing en vreugde, toen zij, daar aangekomen, de ver.
291
vleesch en bloed den eeuwigen Vader dagelijks ten offer brengt, hebben wij, om deze verhandeling volledig te maken, nog te overwegen en op te helderen, hoe de H. Kerk bij de II. Mis met, door en in Jesus Christus zich zelve aan dsn hemelschen Vader opdraagt; hoe dus het H. Misoffer niet slechts in ééne, maar in tweevoudige betrekking het offer der Kerk en ook tevens ons offer genoemd wordt. De H. Augustinus stelt deze leer herhaaldeliik voor in het tiende boek van de stad Gods (hfdst. 6 en 20), en grondt haar op de zoo nadrukkslijk aangegeven grondstelling van den Apostel, dat wij allen „één lichaam in Christus zijn,quot; dat Christus ons Hoofd is en wij , als medeleden der H. Kerk, ledematen van zijn geheimvol lichaam zijn. \') — Christus, als Hoofd der Kerk, is tevens ook haar verhevenst voorbeeld, naar wiens gelijkenis zij onophoudelijk streeft, wien zij door onverdroten en edelmoedige navolging steeds meer en meer gelijkvormig tracht te worden. Dewijl nu de Kerk dagelijks Jesus Christus als offerlam op hare altaren ziet, en met de oogen des geloofs aanschouwt, hoe dit Lam Gods zich aan den Allerhoogste opdraagt, leert zij ook van Hem, zich zelve met Hem aan den hemelschen Vader ten ofier te brengen. Zooals Jesus, haar Bruidegom, toen Hij nog in een sterfelijk lichaam rondwandelde, naamloos lijden verduurde, zich aan vervolging, ja zelfs aan den bitteren kruisdood overgaf, zoo ook geeft zij , de beminnende, maar nog ver van haren gestorven Heiland toevende bruid, zich bij de dagelijks herhaalde herinnering van dat offer aan de goddelijke Majesteit over, om lijden, vervolging en tegenspoed, welke ook, te verduren, en verklaart zich bereid den kelk der bitterheid te drinken, dien haar Bruidegom en Hoofd heeft gedronken. — Jesus Christus is verder als Hoofd der Kerk, ook haar Middelaar en Pleitbezorger
leren gewaanden onder een zachten tegenoverges telden wind den oever zagen naderen en weldra aan land stappen! De vurige godsvrucht, waarmede de geredden, zoowel als zij, die door hunne beloften en gebeden tot hunne redding hadden bijgedragen, den anderen dag de H. Mis, het dankoffer des Kieuwen Bonds, bijwoonden, is niet te beschrijven. Uadat zij in de hartelijkste bewoordingen den Allerhoogste hunnen dank hadden betuigd voor de wonderbare redding, kwamen zij ook tot mij en verhaalden mij onder vele tranen van vreugde, hoe die redding zich had toegedragen, opdat ook ik met hen God zou loven en danken.
\') Cap. 6. Hoc est sacrificium Christianorum: „Multi unum corpus ,sumus in Christo.quot; Quod etiam sacramento altaris 1\'requentat Ecclesia, ubi ei demonstratur, quod in ea re, quam offert, ipsa offeratur. — Cap. 20. Christus Jesus sacerdos est, ipse offerens, ipse Gt oblatio. Cujus rei sacramentum quotidianum esse voluit Ecclesiae sacrificium; quae cum ipsius capitis corpus sit, se ipsam per ipsum discit offerre.
19*
292
bij God; door Hem kan zij den troon des Allerhoogsten naderen, door Hem alleen hoopt zij genade te vinden. Daarom ook waagt zij het niet anders dan door Hem, door zijne handen, het offer van zich zelve den eeuwigen Vader aan te bieden. Slechts het geloovig bewustzijn, dat Jesus Christus haar offer voor den troon van God zal nederleggen, schenkt haar het gegrond vertrouwen, dat het den Allerhoogste tot een lieflijken geur zal verstrekken. — Eindelijk Christus, als het Hoofd van zijn geheimzinnig lichaam met de Kerk onafscheidelijk verbonden, is tevens één met haar. „Wij zijn,quot; zegt de Apostel (Eph. V, 30), „ledematen van zijn lichaam, van zijn vleesch en „van zijn gebeente.quot; Daarom offert de Kerk in de H. Mis zich zelve op, niet slechts met en door Christus, maar ook in Christus, d. i. in de innigste vereeniging met Hem, juist als ware zij eene uit het natuurlijke, van Maria aangenomen, en uit het geheimzinnige lichaam van Christus bestaande gave.
Overeenkomstig het gezegde behoort de brave Christen, om in den geest der Kerk te treden en aan het doel van het H. Misoffer in alle opzichten te beantwoorden, dagelijks bij de H. Mis zich met, door en in Christus aan den hemelschen Vader op te offeren. Hij zal dat doen met de diepe overtuiging zijner onwaardigheid, met een rouwmoedig hart en met het vurig verlangen, dat God deze zijne offergave genadig moge aanvaarden, en, zijne smeeking met die des Priesters ver-eenigend, zal hij diep neêrgebogen tot God bidden: „In „den geest van ootmoed en met een berouwvol gemoed „mogen wij door U, o Heer, worden aangenomen en moge „ons offer heden voor uw aanschijn zóó worden volbracht, „dat het TJ, Heer en God, welgevallig zij!quot;. En als deze zelfopoffering en geheele overgave van den Christen aan God niet slechts in woorden bestaat, maar ook tot daden komt; als alle gedachten en begeerten, alle woorden en handelingen door den dag den dienst van God ten doel hebben; als geheel zijn leven eene verwezenlijking is van het in de H, Mis opgedragen offer, dan wordt hij naar de uitdrukking des Apostels; „eene levende, heilige, Gode „aangename offergavequot; (Rom. XII, 1), een waar navolger van Jesus Christus, den eeuwigen Hoogepriester, die zich zeiven steeds tot aan het eind der tijden op onze altaren offert (H. Thomas van Kempen, B. 4. hoofdst. 7—9).
Wie ontvangt de vruchten der li. Mis?
Vruchten der H. Mis noemt men alle geestelijke voordeden, genaden en zegeningen, ook tijdelijke gaven en weldaden, die God ons om dat H. Offer geeft.
293
Men onderscheidt algemeene en bizondere vruchten van het H. Misoffer.
De algemeene vruchten worden het eigendom der geheele Kerk, d. i. zoowel harer levende als overleden ledematen. De bizondere vruchten daarentegen ontvangen : 1) de Priester, die het offer opdraagt; 2) de persoon, voor wien hij het offer opdraagt; 3) allen, die er aandachtig hij tegenwoordig zijn. De voordeden of vruchten van het H. Misoffer alzoo worden het eigendom:
1) Der geheele katholieke Kerk als een gemeenzaam goed, en hare ledematen, zoowel de levende als de gestorvene, nemen als zoodanig daarin deel. Die vruchten worden algemeene vruchten genoemd, omdat zij allen, zoowel den op aarde strijdenden als den in het vagevuur lijdenden ledematen der Kerk, ten goede komen. Het H. Misoffer brengt inderdaad die algemeene vruchten voort. Men kan niet in twijfel trekken, dat de H. Mis, die door den Priester in naam en op bevel der geheele Kerk wordt opgedragen, een algemeen offer is, waarin alle leden deelen, waaraan dus ook eene allen ten deel vallende vrucht beantwoordt, en dit nog te meer, omdat het uitdrukkelijk tot stichting der geheele Kerk eu tot heil al harer leden wordt opgedragen. Dit doel der H. Kerk, om het H. Offer op te dragen voor het welzijn van hare kinderen in het algemeen, blijkt ten duidelijkste, niet slechts uit de gebeden van den offerenden Priester, maar ook uit de gebeden van het volk, dat bij het IL Offer tegenwoordig is. Wat den Priester betreft, hij bidt bij het begin van den Canon: „U, goedgunstige Vader, bidden wij nederig,... dat Gij „wilt aanvaarden en zegenen deze gaven, dit heilige, on-„bevlekte offer, dat wij ü opdragen, voornamelijk voor uwe „heilige, katholieke Kerk, opdat Gij haar over geheel de „aarde in vrede en eensgezindheid moogt behouden, beschermen en regeeren,quot; enz. En onmiddellijk na de offerande, als de Priester, naar het aanwezig volk gekeerd tot het gebed aanspoort, antwoordt het door den mond van den misdienaar: „De Heer neme het offer aan uit „uwe handen tot lof en verheerlijking van zijnen naam, „alsook ten voordeele van ons en van geheel zijne H. „Kerk.quot; — Op gelijke wijze vinden wij het doel der Kerk, nam. om het heilig offer voor alle levende en gestorven medeleden op te dragen, vermeld op onderscheiden plaatsen der H. Mis, bizonder bij de opoffering der hostie, als de Priester bidt; „Heilige Vader, neem dit onbevlekte offer „aan, dat ik, uw onwaardige dienaar, ü opdraag, U, mijn „levenden en waren God, voor mijne ontelbare zonden.
294
„beleedigingen en nalatigheden, maar ook voor al de „tegenwoordigen en voor alle geloovige Christenen, levenden „en overledenen, opdat het mij en hun ten heil verstrekke „voor het eeuwig leven.quot; — ^En de Kerk, die op deze wijze voor al hare op aarde en in het vagevuur verblijvende kinderen offert, bezit het geloof en het vaste vertrouwen, dat de Allerhoogste, neerziende op dat door haar opgedragen, verhevenste, heiligste. Hem aangenaamste lof-, dank-, zoen- en smeekoffer, hare moederlijke smeekingen zal verhooren, en aan ons, behalve de vergiffenis der zonden en de kwijtschelding der straffen, ook rijkelijk allerhande genaden en zegeningen, aan de zielen in het vagevuur de kwijtschelding der nog te boeten straffen en de eeuwige rust verleenen zal.
Dat de Kerk werkelijk de vaste overtuiging in zich draagt, dat het H. Misoffer ook den overledenen ten goede komt, ook voor hen heilzaam en voordeelig is, leeren wij uit het zeer oud gebruik om zielemissen te lezen en uit het gezegde over de leer van de gemeenschap der Heiligen en den ouderlingen band tusschen de strijdende en lijdende Kerk. De tegenovergestelde leer werd reeds door den H. Kerkvader Epiphanius (f 403) als ketterij gebrandmerkt, en de algemeene Kerkvergaderingen van Lyon, van Florence en van Trente leeren uitdrukkelijk, dat het H. Misoffer de zielen in het vagevuur voordeelig is (Zie Dl. II). De uitspraak van den H. Chrysostomus (Hom. 70 aan het volk van Antiochië) verdient te dezen aanzien vooral onze aandacht; „De Apostelen hebben niet zonder grond „vastgesteld en verordend, dat men bij de viering der „heilige geheimen de overledenen zou gedenken. Zij wisten „namelijk, dat\'hieruit voor dezen een groot gewin en een „veelbeteekenend nut voortspruit.quot; En evenzeer de uitspraak van den H. Augustinus (Leerrede 172): „Het lijdt „geen twijfel, dat de overledenen door het H. Offer ge-„holpen worden. Het is oorzaak, dat God met hen barmhartiger handelt, dan zij om hunne zonden verdiend hebben. „Dit geldt echter slechts van diegenen, die zoo geleefd „hebben, dat het H. Offer hun van nut kan wezen; want „voor hen, die zonder het werkdadig geloof zijn gestorven, „zal elk godvruchtig liefdewerk nutteloos zijn.quot;
Uit hetgeen wij tot hiertoe gezegd hebben volgt, dat overeenkomstig de beschikking van Jesus Christus, het H. Misoffer vooral voor de katholieke Kerk wordt opgedragen; want voor haar, voor de bevordering van haar welzijn, heeft de Heiland niet alleen de HH. Sacramenten, maar ook dit H. Offer ingesteld, en de Kerk was bij de
295
dageliiksche opdracht van het OfFer steeds dat voorname döel indachtig. Daarmede wordt echter volstrekt niet de veronderstelling uitgesproken, dat zij, die niet tot de katholieke Kerk behooren, geheel en al uitgesloten zijn van den rijken zegen, die uit deze genadebron over geheel den aardbodem wordt uitgestort. De offerende Kerk weet, dat Jesus Christus voor alle menschen zijn kostbaar bloed heeft vergoten om allen zalig- te maken; zij weet dat het hare bestemming is, volgens de vermaning des Apostels (1. Tim. II, 1—4), voor alle menschen gebeden, smeekingen, voorspraak en dankzegging den Allerhoogste aan te bieden, opdat allen tot de erkenning der waarheid mogen komen en zalig worden. Daarom is de Priester der Kerk, zooals de H. Chrysostomus bij de verklaring van de aangehaalde tekstwoorden (Homil. 6) opmerkt, een algemeene vader der geheele wereld. Hij moet dus voor het heil van allen zorg dragen, zooals God, wiens Priester hij is..... „De ingewijden weten,\'\' zoo gaat die H. Kerkleeraar voort, „hoe dit telken dage bij de godsdienstoefe-„ning zoowel des avonds als des morgens gebeurt; hoe „wij dan voor de geheele wereld, voor koningen en over-„heden ons gebed spreken.quot; En wat ten tijde van den H. Chrysostomus gebeurde, dat geschiedt ook nog heden. Dagelijks verschijnt de Friester aan het altaar des Heeren als zaakwaarnemer van alle menschen, die op de aarde leven, dewijl hij bij de opoffering van den kelk in naam der Kerk bidt: „Wij offeren U, o Heer, den kelk des „heils en smeeken uwe goedheid, dat dit offer voor het „aanschijn uwer goddelijke Majesteit voor het heil der „geheele wereld met geur van zoetheid opstijge,\'\'
2) Behalve de besproken algemeene vruchten ^ die den geloovigen gezamenlijk toevloeien, en waaraan eenieder, mits hij geen hinderpaal stelt aan de genade, reeds in zijne hoedanigheid van lidmaat der Kerk deelneemt, zijn er nog andere, die niet allen en ieder in \'t bizonder maar slechts eenige bepaalde geloovigen verkrijgen en daarom ook bizondere vruchten genoemd worden. Dergelijke vruchten worden het eigendom: «) van den Priester, die het offer opdraagt. Dewijl namelijk de opdracht van het H. Offer den Priester, als plaatsvervanger van Christus, alleen geoorloofd is, en ten andere als de voortreffelijkste aller godsdienstige handelingen bovenal heilzaam en verdienstelijk moet zijn, spreekt het van zelf, dat de Priester eene bizondere vrucht verkrijgt. Dit kan des te minder betwijfeld worden , omdat hij , naar de woorden van den Apostel, zoowel voor het volk, alsook voor zich zeiven het offer moet opdragen
296
(Hebr, V, 3), en dit inderdaad doet, als hij bij de opoffering der H. Hostie spreekt: „Heilige Vader, neem dit „onbevlekt offer aan, dat ik U aanbied voor mijne ontel-
„bare zonden, beleedigingen en nalatigheden.....\'\'è) Zulke
bizondere vruchten worden ook het eigendom van hem, voor wien de Priester het offer bizonder opdraagt, d, i. op wien hij als Christus\' plaatsbekleeder de vruchten des offers voornamelijk en in het bizonder wil toepassen. — Dat eene dusdanige bizondere toepassing der offervruchten van den kant des Priesters mogelijk is, mag- men niet in twijfel trekken. Want ofschoon elk H. Offer in het algemeen ten doel heeft God te loven, te danken, te verzoenen en Hem om nieuwe genaden te smeeken, eveneens om het heil der Kerk in \'t algemeen te bevorderen, kan het evenwel ook voor eenige geloovigen en voor een bizondere doel worden opdragen, bijv. tot voldoening voor eene beleediging, Gode door een der geloovigen aangedaan, tot dankbetuiging voor eene goddelijke weldaad aan een enkel bepaald persoon bewezen of om die te verkrijgen, naargelang der bedoeling van den offerenden Priester. Zoo lezen wij ook van het offer van Melchisedech, dat uit dankbaarheid voor Abrahams overwinning, en van den godvreezenden Job, dat tot boeting voor de zonden zijner zonen werd opgedragen; ook in het derde boek van Mozes (Hoofdst. 4—5) vinden wij eene lange beschrijving van de offers, die volgens goddelijk bevel tot bizondere en nauwkeurig bepaalde doeleinden moesten worden opgedragen. Evenzeer was het vanoudsher het gebruik in geheel de katholieke Kerk om voor bizondere behoeften of belangen HH. Missen te lezen of te laten lezen. Ja, de Kerk liet het niet bij de goedkeuriog van dat oud gebruik om voor bepaalde personen en doeleinden het H. Misoffer op te dragen, maar legde zulks den Priester in zekere gevallen zelfs als plicht op. Vandaar het streng verplichtend gebod, dat de Pastoor op eenige dagen voor de hem toevertrouwde geloovigen het H. Offer opdrage. Daarom ook heeft de heilige Stoel verworpen en als valsch, vermetel, verderfelijk en beleedigend voor de Kerk gebrandmerkt , de bewering, dat uit zoodanige bizondere toepassing der vruchten van het H. Offer op bepaalde personen of klassen van personen niet een grooter voordeel voortspruit, alsof de bedoelde toepassing des offers, die door den Priester wordt gedaan, voor degenen, ten wier gunste zij plaats heeft, niet meer nut aanbrengt dan voor- elk ander. \') c)
!) Bulla actorem fidei. Prop. 30.
297
Ook allen, die de H. Mis aandachtig bijwonen, ontvangen bizondere vruchten. Want, zooals wij reeds zeiden, de geloovigen, die op eene waardige wijze Mis hooren, nemen in zekere mate met den offerenden Priester deel aan de opdracht van het heilig Ofïer. Daarenboven offert en bidt de Priester voor hen in het bizonder als hij bij de opoffering van het brood „den almachtigen, eeuwigen God „smeekt, het onbevlekte Offer ook voor alle aanwezigen „te aanvaarden,quot; en in den Canon „genadiglijk te willen „gedenken alle aanwezigen, wier geloof en godsvrucht Hem (den Heer) „bekend zijn.quot; Terecht dus mogen ook zij, die op eene goede wyze Mis hooren, eene bizondere toepassing van Christus\' verdiensten, eene bizondere vrucht des offers verwachten.
Wij voegen hierbij nog eenige bemerkingen, om de leer over de vruchten van het H. Misoffer te verklaren en volledig te maken.
1) Het onbloedig offer der H. Mis, voor zooverre dit het offer van Jesus Christus is, kan, zooals vroeger het bloedig kruisoffer, den Allerhoogste niet dan oneindig be-hagelijk en aangenaam wezen; voor zooverre het echter 07is offer is, d. i. voor zooverre wij het en ons zelve in vereeniging daarmede opdragen, is het Gode, naarmate de vurigheid onzer godsvrucht en de volmaaktheid der bedoeling, waarmede wij offeren, meer of minder welgevallig en dus ook meer of minder vruchtdragend voor ons. Op de H. Mis, als ons offer, hebben de woorden des Priesters betrekking, als hij na de Consecratie bidt, dat God de Heer op dit offer van het lichaam en bloed van Jesus Christus met genadige en gunstige oogen moge nederzien en het welgevallig aannemen, zooals Hij eenmaal met welgevallen aannam het offer van Abel, van Abraham en van Melchisedech. Want het is duidelijk, dat er hier geene vergelijking wordt gemaakt tusschen quot; de gaven , die vóór Christus werden opgedragen, en de gaven, die in dit offer van het isieuwe Verbond worden opgedragen; ook niet tusschen de Patriarchen, de offeraars van die tijden, en Jesus Christus, die zich zeiven hier opoffert, maar tusschen ons, die het H. Misoffer in vereeniging met den Priester opdragen, en die vrome Oudvadeis. Het nederig gebed des Priesters bedoelt dus niet anders , dan dat de Allerhoogste, onaangezien onze algeheele onwaardigheid, deze huldebewijzen even welgevallig moge aannemen en even rijkelijk beloonen, als het offer dier Heiligen van den voortijd. In dien zelfden zin moeten wij het gebed verstaan , waarmede de offerende Priester God nederig
298
smeekt, dat het Offer door de handen des Engels moge gedragen worden op het verheven altaar voor het aanschijn van God, opdat door het nuttigen der allerheiligste offer-spijze de volheid der hemelsche zegening en genade ons toevloeie.
2) Het H. Misoffer, op zich zei ven beschouwd, is zoowel als het kruisoffer van oneindige waarde; want terwijl dit, eenmaal opgedragen, algeheele en oneindige voldoening voor alle zonden der wereld geschonken en ontelbare genaden voor ons en voor allen verdiend heeft, worden door het H. Misoffer de voldoening en verdiensten van den Heiland in eindige en bepaalde mate op ons toegepast. Daarom wordt ook de H. llis meermalen opgedragen, omdat wij dagelijks opnieuw verzoening en nieuwe genaden behoeven. De mate, waarin de genaden, die Christus door zijn kruisoffer voor ons verdiend heeft, bij eiken Mis op ons worden toegepast, kan men onmogelijk bepalen. Dit toch hangt eensdeels af van den wil Gods, die ons overeenkomstig zijne wijze en ondoorgrondelijke raadsbesluiten zijne genade , nu in ruimere, dan in mindere mate schenkt; ten andere hangt dit af, zooals uit het boven gezegde blijkt, van ons geloof en onze godsvrucht en in \'t algemeen van onze ontvankelijkheid voor de gunstbewijzen der goddelijke goedheid en barmhartigheid. Daarom leert de Kerkvergadering van Trente (Zitt. 22. hoofdst. 2): „Het H. Mis-„offer verkrijgt ons barmhartigheid en genade ten tijde, „waarin wij hulp noodig hebben, bijaldien wij met een „oprecht hart, met een rechtzinnig geloof, met vreeze en „eerbied, rouwmoedig en boetvaardig tot God naderen.quot; Wat de zielen in het vageyuur betreft, het is zeker, dat zij in den toestand, waarin zij verkeeren, geen beletsel kunnen stellen aan de werking der goddelijke barmhartigheid, doch wij moeten evenwel opmerken, dat degeloovige Christenen zich tijdêns hun leven meer of minder waardig kunnen maken, om na hun sterven in de verzoenende vruchten van het H. Misoffer te deelen. Alhoewel wij dus uit het loffelijk gebruik der Kerk, om voor een overledene meermalen de H. Mis te lezen, het besluit moeten trekken, dat dit voor hem niet zonder nut geschiedt, mogen wij evenwel niet beweren, dat de arme, voor wiens ziele-rust slechts ééne H. Mis wordt opgedragen, langer in het vagevuur zal moeten blijven dan de rijke, voor wien vele HH. Missen worden opgeofferd. Wat ons betreft, wij moeten naar ons vermogen zorg dragen, dat het H. Offer voor de overledenen worde opgedragen, doch de toepassing der vruchten moeten wij vol vertrouwen aan de goddelijke
299
barmhartigheid overlaten. \') Om eene dwaling, die bij velen onder het volk bestaat, terecht te wijzen, voegen wij hier nog bij , dat de Priester de H. Mis voor de overledenen kan opdragen of op hen toepassen ook op die dagen, waarop de kerkelijke feestviering hem verbiedt in een zwart gewaad te lezen.
3) De kracht van het H Misoffer is vooreerst en vooral gelegen in de verdiensten van den hloedigen kruisdood en in de gebeden, die Jesus Christus, als eeuwige Hooge-priester, voortdurend voor ons tot zijn hemelschen Vader richt. Hetgeen vroeger van de Htl. Sacramenten is gezegd, dat namelijk hunne kracht niet van de waardigheid of onwaardigheid des uitdeelers afhankeliik is, dat zelfde geldt ook van de H. Mis; de eigenlijke en voornaamste vrucht van dit hoogheilig Offer blijft dezelfde, onverschillig of de Priester, die het opdraagt, een rechtvaardige of een zondaar is. Daaruit volgt echter volstrekt niet, dat het met betrekking tot de vruchten van het H. Misoffer in \'t algemeen onverschillig is, welke Priester het opdraagt. Want moge ook al de onwaardigheid van den offeraar de kracht aan Christus\' offer niet ontrooven, dan toch wordt zij, voor zooverre de H. Mis ook het offer des Priesters is, verhoogd door zijne vroomheid, reinheid des harten en de godsvrucht, waarmede hij het opdraagt, dewijl in dit geval bij de verdiensten en de voorbede van Jesus Christus ook nog de kracht van het gebed des Priesters zich doet gelden.
Welite zijn de voornaamntii (helen der II. Mis!\'
Deze zijn: 1) de offerande, 2) de consecratie, 3) de nuttiging.
Deze drie deelen vormen de eigenlijke offerdaad. De gebeden en lessen uit de H. Schrift, die, het offer voorafgaan , worden gewoonlijk als voorbereiding tot de eigenlijke offerdaad aangeduid en beschouwd. Zooals boven is gezegd, werd dit voorbereidend deel in vroegeren tijd „Mis „der katechumenenquot; genoemd, dewijl ook de katechumenen daarbij tegenwoordig mochten wezen. Als het .Evangelie gelezen en de uitlegging daarvan gegeven was, gebood de Diaken den ongedoopten en den openbaren boetelingen zich te verwijderen. Aan dezen was het slechts geoorloofd
\') Zie daarover meer bii den H. Thomas, Supplem. Q, 71. Art. 12-14.
300
buiten de kerk voor de gesloten deur de H. geheimen bij te wonen. \')
1) De offerande of het eerste der drie voorname deelen van het H. Misoffer bestaat in de voorloopige opdracht der gaven, die voor het H. Offer bestemd zijn, namelijk brood en wijn, die later in het lichaam en bloed des Heeren zullen veranderd worden. De Priester houdt het brood, de zoogenaamde Hostie, op de pateen liggend, in de hoogte en spreekt tevens het zooeven aangehaalde gebed : „ontvang , „H, Vader;quot; insgelijks heft hij den kelk met wijn, dien hij met eenige druppelen water heeft gemengd, tot God op, terwijl hij het eveneens reeds boven aangehaalde offergebed „wij offeren U den kelk des heils,quot; uitspreekt. De uitdrukkingen „vlekkelooze hostiequot; en „kelk des heils,quot; die de Priester bij de opdracht van gezegde offergave bezigt, toonen duidelijk, dat zij niet slechts op het brood en den wijn, maar ook op het lichaam en bloed van Jesus Christus doelen, waarin dat brood en die wijn weldra zullen veranderd worden. Ofschoon nu deze opoffering, waardoor het brood en de wijn aan God en zijn dienst gewijd en tot de verhevenste bestemming, tot het goddelijk offer uitgekozen en afgezonderd worden, een zoo gewichtig deel van het H. Offer uitmaakt, dat allen, op wie volgens het gebod der Kerk de verplichting rust de H. Mis te hooren, haar niet zonder zware zonde vrijwillig kunnen verzuimen; toch behoort zij niet zoo wezenlijk en onmisbaar noodzakelijk tot de offerdaad, dat deze zonder haar niet zou kunnen plaats hebben. Men mag de opoffering niet verwarren met het offer zelf; want dit bestaat niet in de opdracht van brood en wijn, maar in de opdracht van het lichaam en bloed van Jesus Christus, die eerst door de consecratie op het altaar tegenwoordig komt. 1)
1
) Zeker is met het offer der H. Mis ook noodzakelijk eene offering, dat is, eene opdracht des olïers verbonden. Doch er worden daarvoor niet noodzakelijk eigenaardige, van de consecratie en de communie onderscheiden gebeden gevorderd. Gelijk het namelijk bij vele offers in het Oude Verbond voldoende was, het offerdier met de bedoeling om het God op te dragen, te slachten, is ook hier de onbloedige, geheimvolle slachting genoeg, die in de consecratie en door haar voltrokken wordt. In den romeinschen Mis-ritus, waren gedurende geruimen tijd bepaalde gebeden niet in gebruik, die thans zijn voorgeschreven. Daarom en om andere gewichtige gronden besluiten de Godgeleerden met recht, dat die gebeden niet tot de integriteit of de voltooiing van het H. Misoffer behooren, en dat in het algemeen geene van de consecratie onderscheiden opoffering door
301
2) Het tweede voornaamste deel der H. Mis is de consecratie of verandering van zelfstandigheid. Bij dit gedeelte des Offers heeft de geheimvolle verandering van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus plaats, die verandering, welke, zooals boven verklaard is, volgens de leer der Godgeleerden, de eigenlijke offerdaad, de geheimvolle slachting is van het onbevlekte goddelijk Lam, dewijl daarbij en daardoor Jesus Christus onder de zinnebeelden van den
Christus geboden of ingesteld is. Men kan, wel is waar, in de tegenwoordig voorgeschreven offeiplechtigheden eene zinspeling zien op de dankzegging en den zegen, die Christus bij het laatste avondmaal aan de verandering van het brood en den wijn in zijn lichaam en bloed deed voorafgaan, *) doch eene zoodanige zinspeling is nog geen afdoend bewijs, dat die dankzegging en zegening van den Heiland de verordening en instelling is van de tegenwoordige offerande. Inderdaad men vindt deze veronderstelling noch door de HH.. Vaders, noch door de voornaamste Godgeleerden gemaakt, en het is volstrekt niet te bewijzen, dat Christus bij de besproken gelegenheid offeringswoorden heeft gesproken. Daarbij komt nog, dat, hoewel de Priesters in den persoon van Christus onmiddellijk voor de consecratie die dankzegging en dien zegen uitspreken, toch de gewone meening der Godgeleerden is, en wij houden die het meest gegrond, dat alleen de consecratie tot het wezen van het offer, en de communie slechts tot de integriteit of voltooiing van het offer behoort: krachtens de woorden der Consecratie worden namelijk het lichaam en het bloed van Christus als van elkander afzonderlijk tegenwoordig gesteld, en zoo de geheimvolle slachting voltrokken; door de nuttiging echter bereikt het Misoffer zijne bestemming als spijsoffer, en wordt in zooverre door haar volmaakt, voltooid. — Opdat intusschen de een of ander kate-cheet door de gegeven verklaring niet bewogen worde, de meening der Godgeleerden met do geloofsleer der Kerk te verwisselen, voegen wij hierbij nog de opmerking, dat de Kerk over de gestelde vragen geene uitspraak heeft gedaan. De Kerk leert slechts, dat in de H. Mis een waar, eigenlijk en verzoenend offer voor de levenden en overledenen wordt opgedragen. Welke deelen tot het wezen of tot de integriteit des offers behooren heeft zij niet verklaard, maar wel heeft zij de meening veroordeeld der leeraars die beweren, „dat „offeren niets anders zou wezen, dan Christus ter nuttiging uitreiken.quot;
Eveneens leert de Kerk, dat het Misoffer de onbloedige hernieuwing is van het offer, dat eenmaal op bloedige wijze aan het kruis werd voltrokken; waarin echter het wezen dier yernieuwing bestaat, daarover heeft zij de meeningen der Godgeleerden vrij gelaten. Wat ons betreft, wij hebben bij de verklaring van de besproken vragen ons aan de gewone meening der Godgeleerden gehouden. De bewijsgronden daarvoor zijn te vinden bij Suarez (de Sacrament, disp. 75) en bij Billuart, (dissert. VIII. a. 2) enz. Vele Godgeleerden, ook van gezag, meenen, wel is waar, dat ook de nuttiging door den Priester tot het wezen des offers behoort; want, zoo zeggen zij; tot het wezen des offers wordt ook do destructie geëischt, dat is, eene der vernietiging gelijkende verandering van de offergave, en deze heeft eerst bij de nuttiging plaats. Daarop wordt echter te recht geantwoord, dat deze destructie of verandering op het altaar, gevolgelijk vóór de nuttiging, zou plaats moeten vinden.
*) Zie Allioli over Lucas XXII: 19; als ook in het zoogenoemde Lehrbegriffe,quot; bladz. IGi. vraag 129.
302
bloedigen verlossingsdood tegenwoordig komt. De consecratie is daarom het gewichtigste deel der H. Mis, ja zonder de consecratie is er geen Misoffer. Op Goeden Vrijdag wordt dus geen Misoffer opgedragen, wijl er geene consecratie plaats heeft en de H. Hostie genuttigd wordt, welke daags te voren mede geconsacreerd was. De Kerk laat op dien dag het onbloedig Offer achter, wijl zij enkel en alleen op het bloedige hare blikken gevestigd houdt.
3) Het derde der voornaamste gedeelten van de H. Mis is de communie, die, ofschoon zij niet gelijk de consecratie, tot het wezen, toch (tenminste de communie des Priesters) tot voltooiing en voltrekking van het heilig Offer behoort. Evenals het menschelijk lichaam inderdaad een lichaam blijft, öok dan als het een zijner hoofdledematen, bijv. eene hand verliest, zoo kan ook de H. Mis, wat haar wezen betreft, een waar offer zijn zonder de communie, maar gelijk i.H het aangehaalde voorbeeld zulk een lichaam een gebrekkig en verminkt lichaam zou wezen, zou ook de H. Mis zonder de nuttiging des Priesters, die ter voltooiing noodig is, om zoo te zeggen een verminkt offer zijn. 1) Is het passend en daarenboven een plicht, dien men niet onvervuld raag laten, om alle deelen der H. Mis met aandacht, eerbied en godsvrucht bij te wonen, dan geldt dit.bizonder van de drie voornaamste deelen, die om hun uitstekend gewicht meer dan alle anderen ons tot innerlijke godsvrucht aansporen.
H\'at moet men houden van de ceremoniën der R. Mis ?
De ceremoniën der H. Mis zijn door de Kerk ingesteld en dagteekenen van de oudste, ja vele van apostolische tijden, en hare verheven en geheimvolle beteekenis moet ons hart met godsvrucht en eerbied vervullen.
Om hier niet te herhalen, wat wij reeds vroeger over de ceremoniën der Sacramenten hebben gezegd, willen wij ons bepalen tot de leer der Kerkvergadering van Trente (Zitt. 22. hoofdst. 4, 5). De verkondigers der dwaling hadden niet alleen het H. Misoffer in \'t algemeen, maar vooral de daarbij gebruikelijke ceremoniën aangerand en gehoond. Zij hadden namelijk het stil gebed, dat voor en na de consecratie verricht en Canon genoemd wordt, uitgekreten als voedsel voor
\') Van de noodzakelijkheid eener sacramenteele of geestelijke communie der geloovigen vooi\' de geldigheid of volkomenheid van het offer, kan onder de katholieke öodgeleerden geen sprake zijn. Zie de Bulla Auctorem fidei, prop. 28.
303
bijgeloof, dewijl daarin de voorspraak der Heiligen ingeroepen en voor de overledenen gebeden wordt. Daardoor zag zich de genoemde Kerkvergadering gedrongen dè volgende ver-Maring af te leggen: „Dewijl het passend is, dat het „Heilige heilig behandeld worde en de H. Mis het allerheiligste Offer is, daarom heeft de katholieke Kerk, opdat „het waardiglijk en met eerbied opgedragen en ontvangen „worde, voor vele eeuwen den heiligen Canon ingesteld, „die zoo vrij is van alle dwaling, dat er niets in voorkomt, „wat niet in alle opzichten heiligheid en godsvrucht ademt „en de harten der offerenden tot God verheft: want hij be-„staat deels uit de woorden des Heeren zeiven, deels uit „overleveringen der Apostelen en uit vrome instellingen „van heilige Pausen.quot; En van den Canon overgaande tot de ceremoniën en plechtigheden, bij de H. Mis gebruikelijk, gaat dezelfde Kerkvergadering aldus voort: „Dewijl de „menschelijke natuur zoodanig is, dat zij zich zonder uiter-„lijke hulpmiddelen niet gemakkelijk tot de beschouwing „van het goddelijke weet te verheffen, daarom heeft de „vrome moeder, de Kerk, eenige gebruiken ingevoerd , zoodat „in de H. Mis eenige gebeden met zachte, andere met luider „stem worden uitgesproken. Insgelijks verordende zij cere-„moniën, als geheimzinnige zegeningen, licht, reukwerk, „kleeding en vele andere dergelijke zaken, overeenkomstig „de leer en de overlevering der Apostelen, opdat zoowel „de groote majesteit van dit verheven Offer meer aan het „licht kome, alsook de gemoederen der geloovigen door „deze zichtbare teekenen van godsdienst en heiligheid tot „overweging van de verhevenste geheimen, die in dit Offer „liggen opgesloten, aangespoord mogen worden.quot; Alhoewel nu menig Katholiek de H. Mis bijwoont, zonder den ge-heimvolleu zin van alle kerkelijke plechtigheden te kennen, zijn deze toch uit zich zelve reeds geschikt om de aandacht van. den geest op het H. O fier te vestigen en een hoogen eerbied \' voor de heilige offerdaad in te boezemen. Het is bekend, wat Frederik de Groote eens zeide, hij gelegenheid dat hij een hoogdienst bijwoonde, die door den kardinaal van Zinzendorf werd opgedragen: „De Calvinisten en „Gereformeerden,quot; zoo sprak hij , „behandelen God als hun „dienstknecht, de Lutheranen als een van huns gelijken, „doch de Katholieke behandelen Hem als hunnen God.quot; Zoo oordeelde deze niet-katholieke vorst, die-toch voorzeker niet diep in den zin der kerkelijke plechtigheden was doorgedrongen. Hoeveel meer zou hij in zijn voorzeker gegrond oordeel zich gesterkt hebben gevoeld, als hij met den indruk der zinnen ook tevens den zin en het begrip
304
dier ceremoniën had ontvangen ! Want het kan niet betwist worden, dat het juiste begrip der geheimvolle beteekenis dier plechtigheden er veel toe bijdraagt om de geloovigen tot de innigste godsvrucht, tot den diepsten eerbied en tot de aanbidding van den zich op het altaar offerenden Heiland te stemmen. Daarom beveelt de Kerkvergadering van Trente ook aan (Zitt. 22, hoofdst. 8), dat dikwerf, vooral op zonen feestdagen, het een of ander van hetgeen in de H. Mis gelezen wordt, uitgelegd en nu en dan eenig geheim van dit allerheiligst Offer verklaard worde. Met hetzelfde doel laten wij ook hier eene korte verklaring volgen van de voornaamste gebeden en ceremoniën der Ef. Mis.
De Priester, die voornemens is de H. Mis op te dragen, begeeft zich naar het altaar en bidt aan deszelfs voet, na eene hoofd- of kniebuiging en het kruisteeken gemaakt te hebben, beurtelings met den misdienaar, die de plaats van het volk inneemt en in zijn naam antwoordt, den twee-en-veertigsten psalm. In deze schoone uitstorting des harten van den koninklijken zanger zijn alle gevoelens uitgedrukt, die op dat oogenblik zoowel den Priester als het volk moeten doordringen; het gevoel van vurig verlangen om aan God een waasdig offer van lof op te dragen; het gevoel van vertrouwen, dat God het offer van een ootmoedig hart niet zal versmaden. Daarna bidt de Priester, en de misdienaar na hem, het Confiteor of de openlijke schuldbelijdenis, en beiden slaan met den rouwmoedigen tollenaar op hunne borst, om de innerlijke boetvaardigheid uiterlijk te toonen. Als het gebed aan den voet des altaars geëindigd is, beklimt de Priester de trappen des altaars en kust het ten teeken van eerbied jegens den Heilige der heiligen, die daarop als offergave zal nederdalen, en ter eere dier zalige dienaren en vrienden van God, wier overblijfselen in de altaartombe bewaard worden. Dan wendt hij zich ter linkerzijde van het altaar, \') waar het misboek openligt, en bidt het ingangsgebed of den introïtus. De introïtus bestaat gewoonlijk uit een der spreuken aan de H. Schriftuur ontleend en uit een vers van een der psalmen, waarbij „Glorie zij den Vader,\'\' enz. gevoegd is. Wat den inhoud betreft, deze komt veelal overeen met de bizondere tijden van het kerkelijk jaar of de bizondere feesten, stemt nu tot vreugde, dan tot droefheid, nu tot verlangen, dan wederom tot andere gevoelens, die naar de verschillende feesten en tijden den offeraar en de medeofferenden moeten bezielen. Wederom in het midden des
\') Wij spreken hier zoo, omdat wij ons het altaar denken als tegen het volk gekeerd.
305
altaars teruggekeerd, richt de Priester drie malen de smeeking „Kyrie ekisonquot; tot God den Vader, driemaal „Christe eleisonquot; tot God den Zoon, en wederom driemaal „Kyrie eleisonquot; tot God den H. Geest. De woorden „Kyrie eleisonquot; zijn grieksch en beteeken en: „Heer, ontferm ü onzer.quot; Deze grieksche, zoowel als de overige aan het Hebreeuwsch ontleende woorden, zooals: „Amen,quot; „Alleluja,quot; „Hosanna,quot; werden in de latijnsche Liturgie waarschijnlijk behouden om aan te duiden, dat de ééne roomsche Kerk de volken van alle talen, de bekeerde Joden zoowel als de Grieken of de heidenen (Rom. X, 12 en Gal. Ill, 28), om het ééne offer verzamelt.
Op de „Kyriequot; volgt gewoonlijk de „Gloriaquot; of de lofzang der Engelen. De Priester strekt daarbij de handen uit, verheft en vouwt ze wederom tot het gebed, om door deze vrome gebaren de uitdrukking der innerlijke vervoering van lof en dank, die reeds in de woorden van dezen lofzang ligt opgesloten, te versterken. De herhaalde buiging met bet hoofd onder het bidden van sommige woorden geeft de innerlijke daden van vereering, aanbidding, dankzegging en verootmoediging te kennen. Dewijl de „Gloriaquot; een vreugdezang is, wordt die in de Missen voor de overledenen, alsook in het algemeen op dagen aan rouw en boetvaardigheid gewijd, achterwege gelaten. Na de „Gloriaquot; of, wanneer die wordt weggelaten, terstond na de „Kyriequot; keert zich de dienstdoende Priester tot het aanwezige volk en zegt: „De Heer zij met u!quot; d. i. de Heer sta u bij met zijne genade, opdat gij in zijnen naam biddend en medeofferehd verhoord moogt worden. En wat de Priester aan het volk heeft toegewenscht, dat wenscht het volk op zijne beurt wederom aan den Priester, als het door den mond van den misdienaar antwoordt: „En met uwen „geest!\'\' d. i. zooals de Heer met ons moge wezen, zij Hij ook met u, Hij sta ook u bij in het gebed en bij het H. Offer. Deze wijze van te groeten en den bijstand des Heeren toe te wenschen, was reeds in het Oude Verbond -gebruikelijk (Zie Ruth II. en 2. Chron. XV). Dezelfde wensch wordt in de H. Mis meermalen herhaald ten tee-ken van de onderlinge vereeniging tusschen den Priester en het volk en als eene wederzijdsche aansporing tot volhardenden ijver in het gebed.
Daarop begeeft zich de Priester wederom naar de linkerzijde van het altaar, zegt daar, terwijl hij allen tot het gebed uitnoodigt: „Laat ons biddenquot;, en verricht een of meer kerkelijke gebeden, waarvan het eerste altijd een verzoek bevat, dat met de bizondere feestelijkheid van den dag in betrekking staat, en daarom dan ook naar de
DEUAIRBE, GELOOFSLEER. IV 3lt;lo DRÜK. 20
306
feesten, tijden en gelegenheden verschillend is. Gedurende die gebeden der Kerk houdt de Priester zijne handen ten hemel uitgestrekt ter herinnering aan den gekruisigden en aan het kruis voor geheel het menschelijk geslacht bid-denden Heiland. Gezegde gebeden, „leulleklenquot; genoemd, besluit hij met de woorden: „door Christus onzen Heer,quot; enz. De Kerk namelijk, van wie de offeraar de dienaar is, heeft de gewoonte zich in hare gebeden te wenden tot God den Yader, den Gever van alle goed, niet anders dan door Jesus Christus zijn eengeboren Zoon, omdat zij de belofte beeft, dat de Vader alles zal geven, wat zij in den naam van zijnen Zoon vraagt. Bij het einde der koliekten zegt het volk „Amen,quot; d. i. „hetzij of geschiede „zoo.quot; — Nu volgen de lessen uit de H. Schriftuur en wel het eerste de Epistel. Die lessen noemt men „Epistelquot; (naar het latijnsche epistola brief) deels omdat zij in de eerste tijden der Kerk bestonden uit eene voorlezing der brieven, die de Apostelen aan verschillende Christen-gemeenten zonden, deels omdat zij ook thans, slechts weinige uitgezonderd, aan de brieven der Apostelen worden ontleend. Het doel van de epistel, evenals van het Evangelie, is, te leeren en te stichten. De epistel gaat vooraf, gelijk de prediking van Joannes den Dooper de prediking van Jesus Christus voorafging. Als de epistel is gelezen, dan betuigt de misdienaar in naam des volks met de woorden „Deo gr alias, God zij gedanktquot; zijne dankbaarheid voor de ontvangen leering. — De nu volgende verzen, die de Priester bidt, zijn een overblijfsel van vroegere tijden toen er een psalm na den epistel werd gezongen. Zij bevatten gevoelens en ontboezemingen des harten, beantwoordende aan den epistel of aan de bizondere feestviering. In de HH. Missen op het Paaschfeest, op bet Pinksterfeest en gedurende beider octaven, eveneens in de H. Mis op H, Sacramentsdag vindt men langere gezangen vol verheffing en vervoering, die „Sequenliaquot; worden geheeten en het hoog geheim, dat gevierd wordt, op de levendigste wijze voorstellen. Op den feestdag van de 7 weeën der H. Maagd Maria wordt de „Slabat Malerquot; en bij lijkdiensten de „Dies irae1\' gebeden. — De tweede der lessen, waartoe de Priester zich met een bizonder gebed voorbereidt, en de diaken bij plechtige hoogdiensten om den zegen van den celebrant vraagt, is het Evangelie, d. i. een gedeelte uit een der vier Evangelisten. Bij de viering van hooge feesten bevat het Evangelie de gebeurtenissen of het geheim, dat oorzaak dier feestviering is; in den loop dei-kerkelijke feestdagen bieden de dagelij ksche lessen immer
307
nieuwe beweegredenen aan om het H. Offer in den geest van den kerkelijken tijd op te dragen. Wil men door de zoogenaamde votieve Missen God voor de eene of andere uitstekende weldaad bedafaken of Hem daarom smeeken, dan beantwoordt elk gedeelte van het Evangelie eveneens aan dat doel. — Het Evangelie wordt ter rechterzijde van het altaar gelezen, om aan te duiden, dat de leer des Evangelies, door de Joden verworpen, aan de heidenen is verkondigd geworden. Bij den plechtigen hoogdienst keert zich de diaken, die alsdan het Evangelie zingt, naar het noorden, ten teeken dat het licht van Jesus\' leer en voorbeeld bestemd is, om de duisternissen en schaduwen des doods van heidendom en afgoderij te verdrijven. Want gelijk het oosten, waar de zon opgaat, Jesus Christus, de opkomende Zon der gerechtigheid, verzinnebeeldt, (waarom ook in vroegere tijden de kerken zooveel mogelijk naar het oosten werden gebouwd) zoo is, volgens de opmerking van den H. Gregorius den Groote, „het noorden het zinne-„beeld der heidensche wereld, die gedurende langen tijd in „de ijzige koude van hare afgoderij verkleumd lag.quot; 1) \')
20*
1
Ezechiel. Hora. 18.
\') Deze opvatting wordt door vele Kerkvaders verdedigd en met teksten uit de H. Schrift (Isaias XIV, 13) bewezen (Vergelijk Kreuser, der Cbristliche Kirchenbau, bladz. 53, 2e uitg.). Reeds Renaigins van Auxerre, een schrijver uit de negende eeuw, ziet daarin de reden, waarom, de Diaken het Evangelie voorleest met het gelaat naar het noorden gekeerd (Zie de aangehaalde plaats bij Le Brun, Explicat. de la Messe, Tom 1. p. 2. a. 7). Wel beroept men zich niet zelden op het Micrologon van Ivo van Chartres, ora te bewijzen dat het gebruik om het Evangelie, naar het noorden gekeerd, te lezen, zonder hoogere beteekenis en slechts een misbruik wezen zou. Insgelijks zou het gebruik om het Evangelie ter rechterzijde van het altaar\' te lezen niets hoogers tot grondslag hebben en slechts daaraan toe te schrijven zijn, dat vroeger de linkerzijde des altaars vrij raoest blijven, om de offergaven te ontvangen, en men thans dat gebruik nog heeft bijgehouden. Wij zijn echter van meening, dat men, zoowel in de besproken als in \'t algemeen in alle door de Kerk goedgekeurde en tot gestrenge verplichting gemaakte ceremoniën der H. Mis, eene hoogere geheimvolle beteekenis zoeken en erkennen moet, zooals onder anderen ook uit de boven aangehaalde plaats van het Concilie van Trente, dat hierover nadere verklaring geeft, duidelijk blijkt. De reeds aangehaalde Maro van Antiochië zegt: „Er is geen stipje of //letter in de Liturgie der H. Mis, wat niet eene geheimvolle betee-vkenis heeft, hoewel die ons niet immer duidelijk in de oogen //springt.quot; Voorzeker vele ceremoniën der H. Mis worden niet in den zin en den geest der H. Kerk opgevat, als men bij redenen ,van noodzakelijkheid of gepastheid, waaraan zij haar ontstaan danken, blijft stilstaan. Want al kan men niet ontkennen, dat vele ceremoniën aan redenen van noodzakelijkheid of gepastheid haar oorsprong ontleenen, toch is het niet minder waarheid, dat aan die ceremoniën in \'t vervolg eene zinnebeeldige beteekenis geschonken, op deze wijze haar bestaan als kerkelijke plechtigheid verzekerd en haar behoud vastgesteld werd. Zoo was bijvoorbeeld de manipel
308
Het aanwezige volk luistert naar het Evangelie in staande houding ten teeken van onderwerping, van eerbiedige oplettendheid en standvastige bereidwilligheid om de goddelijke leer, die verkondigd wordt, onverwijld op te volgen. Als het Evangelie is geëindigd, dankt de misdienaar in naam des volks voor de weldaad der hemelsche onderrichting met de woorden: „Lof zij U, Christus!quot; (Over de andere plechtigheden bij de lezing des Evangelies gebruikelijk, zie deel I).
Op alle zondagen van het kerkelijk jaar, op de feestdagen van onzen Heer en de allerzaligste Maagd, alsmede op de feesten der Apostelen, der Kerkleeraars en op eenige andere dagen, insgeliiks onder het octaaf van de genoemde feesten, wanneer zij een octaaf hebben, volgt na het Evangelie de geloofsbelijdenis van Nicea. Daardoor wil de christeliike gemeente te kennen geven, dat zij de leer van Jesus Christus, die in het Evangelie vervat is, vaste-lijk gelooft en openlijk belijdt. In vroegere eeuwen werden de Katechumenen, die den heiligen dienst bijwoonden, voor het einde dier geloofsbelijdenis weggezonden, omdat zij nog niet door de plechtige aflegging der geloofsbelijdenis, die eerst onmiddellijk voor het Doopsel plaats had, in de gemeenschap der geloovigen waren opgenomen.
Nu begint de eigenlijke offerande. De Priester draagt op de boven beschreven wijze het brood en den wijn den Allerhoogste op en bidt dan in eigen naam en in dien der aanwezigen, dat God deze offergaven in vereeniging met het offer van hen zeiven genadig moge aannemen, en zegent onder smeekende aanroeping des H. Geestes de opgedragen gaven, niet slechts om het offer Gode nog welgevalliger te doen zijn, maar ook en vooral om het vruchtbaar en tot eene bron van heil en genaden te maken voor ons. — De opdracht of bereiding der offergaven wordt met de wassching der handen besloten. Dit gebruik, voortkomende uit eerbied voor het heiligste Sacrament, dat slechts met reine handen mag worden aangeraakt, is als een zinnebeeld te beschouwen van de zuiverheid der ziel zelfs van de kleinste zonde, en als eene vermaning om het heilig offer met een onbezoedeld hart bij te wonen. In die hoogere be-teekenis wordt deze plechtigheid der H. Mis door den H.
oorspronkelijk een zweetdoek, waarvan de Priesters zich aan het altaar bedienden. Doch sinds zes of zeven eeuwen heeft zij dat doel verloren, en toch heeft de Kerk haar om de hoogere beteekenis behouden, zooals blijkt, zoowel uit de woorden, die de Priester bij het kleeden spreekt\', als uit de woorden die de Bisschop zegt, wanneer hij haar aan den Subdiaken bij zijne wijding geeft.
309
Cyrillus ■van Jerusalem verklaard (Katech. 23) en de verzen 6—12 van den 25n psalm, die de Priester bij de wassching der handen bidt, laten ons, wat hun inhoud betreft, over de beteekenis daarvan niet in twijfel. Wederom in het midden des altaars teruggekeerd, bidt de Priester ootmoedig neergebogen en de handen vouwend, tot de allerheiligste Drievuldigheid en herhaalt de reeds gedane bede om genadige aanneming en vruchtbaarmaking van dat offer, dat Haar wordt opgedragen, „ter herinnering aan het lijden, de „opstanding en hemelvaart van Jesus Christus en ter eere „der allerzaligste Maagd Maria en van alle Heiligen.quot; Daarna zich tot het volk keerend, roept hij alle aanwezigen op met de woorden: „Bidt, broeders,quot; om diezelfde genade te vragen en smeekt dan zelf daarom in naam van allen in het nu volgende stil gebed (secreta).
Nu begint de inleiding tot het tweede hoofddeel der H. Mis, de Canon genoemd, waarvan de consecratie het middelpunt uitmaakt. Plechtig en met waardigheid heft de Priester zijne handen omhoog, om de verheffing zijner ziel tot God voor het volk aanschouwelijk te maken en roept het dan toe: „Uwe harten naar boven!quot; De christelijke gemeente antwoordt: „Wij hebben die tot den „Heer verheven!quot; Over deze woorden, die in de oudste Liturgiën voorkomen en hunnen oorsprong zeer waarschijnlijk aan de Apostelen danken, schrijft de H. Cyrillus (t. a. p.) zeer schoon en vol beteekenis: „WeL is het noodig dat „wij in dat ontzagwekkend oogenblik ons hart tot God „verheffen en het niet tot de aarde, tot aardsche bezigheden „keeren. Het is waar, wij moeten altijd aan God denken; „maar dewijl dit, de menschelijke zwakheid in aanmerking „genomen, onmogelijk is, moeten wij tenminste ia dat oogen-„blik de zorgen des levens en de huiselijke bekommeringen „laten varen en ons hart bij God in den hemel hebben, bij „den beminnaar van het menschelijk geslacht.quot; Vervolgens wekt de Priester de aanwezigen op, om in vereeniging met hem den almachtigen Vader eeuwigen dank te zeggen en Hem te verheerlijken door Christus, den Heer, „door wien „de Engelen zijne goddelijke majesteit loven, de heerschap-,,pijen haar aanbidden, de machten vol eerbied voor haar „sidderen, de hemelen en de krachten der hemelen, en de „heiligen Serafijnen met eenstemmige jubelzangen haar „prijzen.quot; En dewijl de dankzegging en de lof van de lippen der stervelingen hem al te zwak, al te gebrekkig schijnt, daarom vereenigt hij beide met de eeuwige triumf-zangen van de zalige koren der Engelen en roept met hen in heilige vervoering: „Heilig, heilig, heilig is de Heer,
310
„de God der legermachten! Hemel en aarde zijn vol van „uwe heerlijkheid. Hosanna in den booge!quot; En gelijk hij zich met de hemelsche geesten vereenigde om den eeuwigen Vader te verheerlijken, vereenigt hij zich nu ook met de godvruchtige schare der geloovigen, om den mensch geworden Zoon van God, die op het punt staat, op het altaar neder te dalen, jubelend te begroeten, zooals eens de bewoners van Jerusalem den zegepralenden Heiland verwelkomden, en roept in hoog gevoel van zalige en zekere verwachting; „gezegend zij Hij, die komt in den naam des „Heeren. Hosanna in den hooge!quot;
Van nu af tot aan den „Pater nosterquot; doet de Priester alle gebeden in stilte, d. i. met zachte stem, wijl dat zachte spreken iets verborgens en geheimvols aanduidt. Het zacht uitspreken van den Canon en de woorden van de consecratie geeft het tegenwoordig zijnde volk te verstaan, dat er een onuitsprekelijk diep, voor zinnelijke waarneming geheel onbereikbaar geheim wordt voltrokken, en is juist daarom zeer geschikt dien eerbied en heiligen schroom, waarmede de geloovigen het allerheiligste Offer moeten bijwonen, in te boezemen en te verhoogen. Zooals in de gebeden bij de offerande, ontmoeten wij in de gebeden voor de consecratie ook de dubbele bede, dat de goddelijke Vader de Hem toegewijde gaven met welgevallen moge aannemen en ons zijne gunst schenken. Aan deze alge-meene bede sluit zich de bizondere, dat God de vruchten van dit onbevlekt offer schenke aan de geheele H. Kerk, namelijk aan den Paus, aan den Bisschop en aan alle rechtzinnige belijders van het katholiek en apostoliek geloof; dat Hij in zijne barmhartigheid zijne dienaars en dienaressen N. N. en allen, die bij het H. Offer tegenwoordig zijn, die het laten opdragen, of voor wie het wordt opgedragen, zoowel als al de hunnen indachtig zij. En nadat de Priester aldus voor de strijdende Kerk en hare leden heeft gebeden, houdt hij ook, steunend op de gemeenschap der Heiligen, de gedachtenis der zegepralende Kerk, der zaligen in den hemel, opdat God om hunne verdiensten en voorspraak genadiglijk moge verleenen, dat wij allen door zijne alvermogende bescherming bewaard blijven.
Bij de zoenoffers van het Oude Verbond legde de offeraar, voordat het offerdier geslacht werd, het zijne handen op, en smeekte den Allerhoogste om kwijtschelding der zonde en der straf, alsook om genadig hem te willen verleenen, al wat voor zijn lichamelijk en geestelijk welzijn noodig of wenschelijk was. Dit gebruik van het Oude Veibond navolgend, strekt de Priester van het Nieuwe
311
quot;Verbond, vóór de geheimvolle slachting van het verzoenend goddelijk Lam, in naam van zich zei ven en van het volk zijne handen over de offergaven uit, over het brood en over den wijn, die daarna in het lichaam en bloed van Jesus Christus zullen veranderd worden, en smeekt God, dat Hij „verzoend met hem en met geheel het volk, allen „in dit leven den vrede schenken, allen voor de eeuwige „verdoemenis behoeden wil en in de rei zijner uitverkorenen „opnemen.quot; Nu verplaatst zich de Priester in de eetzaal te Jerusalem, waar Jesus voor het eerst dit heilig geheim voltrok, en doet hetzelfde, wat Jesus daar gedaan heeft. Na de consecratie van het brood heft hij het heilig lichaam, en na de consecratie van den wijn heft hij het heilig bloed van Jesus Christus ter aanbidding omhoog, nadat hij het eerst zelf door eene diepe kniebuiging heeft aangebeden. Bij deze opheffing van de H. Hostie en den H. Kelk geeft de misdienaar een teeken met de schel \') ; het volk knielt aanbiddend neder en slaat met ootmoed en berouw driemaal op de borst.
Nu bevindt Jesus zich in den toestand van onbloedig oifer op het altaar. Dit is voor den Priester eene reden om opnieuw met den diepsten ootmoed en met hooger vurigheid tot God (volgens de vroeger aangeduide wijze) te bidden, dat Hij dit allerheiligste Offer goedgunstig gelieve aan te nemen en ter wille daarvan niet slechts den levenden, die er deel aan hebben, zegen en genaden, maar ook allen, die in Christus zijn ontslapen, de plaats van verkwikking, van licht en vrede verleene. Daarna onderbreekt hij die plechtige stilte, terwijl hij rouwmoedig op zijne borst klopt, met de woorden: „Ook aan ons zondaren,quot; en bidt dan wederom zacht: „uwe dienaren, die „op de volheid uwer barmhartigheid vertrouwen, wil de „deelname en gemeenschap uwer Apostelen en Martelaren „verleenen.... Neem ons op in hunne zalige gemeenschap, „niet om onze verdiensten, maar om uwe overvloedige „barmhartigheid, door Christus onzen Heer.quot; Hierbij sluiten zich de laatste, gedeeltelijk reeds boven aangehaalde woorden van den Canon aan, die woorden van zegen en goddelijke verheerlijking: „Door wien fnamelijk Christus onzen Heer) „Gij, o Heer, al dit goede voortbrengt; heiligt, levend „maakt, zegent en aan ons uitdeelt; door Hem, met Hem
\') Het teeken met de schel heeft hier, zooals over het algemeen in de H. Mis, gecne hoogere beteekenis. Het dient slechts om de aanwezigen opmerkzaam te maken op hetgeen aan het altaar geschiedt, om hen namelijk bij de hoofddeelen tot aandacht en eerbied op te wekken.
312
„en in Hem is U, o God, almachtige Vader, in eenheid „des H. Geestes, alle eere en heerlijkheid, van eeuwigheid „tot eeuwigheid Amen.quot; \') De geringe opheffing der H.
\') De Priester maakt alsdan, zooals bij vele andere gedeelten van de H. Mis, het kruieteeken over het H. Offer; dan neemt hij de H. Hostie en maakt daarmede drie kruisen boven, en twee voor den kelk. Die plechtigheid biedt ons de gelegenheid, de verschillende beteekenissen van het kruisteeken, in de H. Mis gebruikelijk, op te geven. — Het kruisteeken dient: 1) tot herinnering aan den kruisdood van Jesus Christus. De Kerk wil namelijk, dat de Priester en de geloovigen bij de H. Mis immer het bloedig Offer indachtig zijn, waarvan zij (de H. Mis) de onbloedige vertegenwoordiging en hernieuwing is. Dat aandenken nu moeten de herhaalde kruisteekenen in ons levend houden; deze toch herinneren ons immer, dat het offer op het altaar hetzelfde is, als hetgeen aan den boom deskruises werd voltrokken, en dat het Missoffer daaruit alle krachten verdiensten ontleent. In dien zin worden niet slechts vóór, maar ook na de consecratie, kruisen gemaakt over het offer, zooals bijvoorbeeld bij de woorden.- «een rein, heilig, onbevlekt offer.quot; Om dezelfde reden gebeurt dit ook bij de woorden: „door Hem, met Hem en in Hem,quot; zoodat de Priester, zoo dikwerf hij het voornaamwoord //Hem,quot; dat op Christus duidt, uitspreekt, tevens ook met de H. Hostie een kruis over den kelk maakt; hij doet dat namelijk om aan te duiden, dat Christus hier met hetzelfde lichaam, dat aan het kruis hing, en met hetzellde bloed, dat aan het kruis werd vergoten, wordt opgeofferd. Bij het spreken der woorden „aan den Vader en den H. üeest,quot; maakt de dienstdoende Priester het kruisteeken niet boven den kelk, maar buiten voor den kelk, omdat het H. Bloed, dat zich in den kelk bevindt, slechts Christus den Zoon van God, niet den Vader en den H. Geest toebehoort; die kruisen echter buiten den kelk beduiden, dat door het geheim des kruises, hetwelk door Gods Zoon alleen volbracht werd, zooals ook door de onbloedige hernieuwing daarvan, tevens aan den Vader en den H. Geest alle eer en verheerlijking door ons wordt gebracht. 2) Het kruisteeken dient verder om aan de voorwerpen, die daarmede geteekend worden, eene zekere wijding of heiliging te verleenen en ze daardoor tot een godsdienstig doel of vroom gebruik te bestemmen. Daarom ook wordt bij alle in de Kerk gebruikelijke wijdingen, zooals bijvoorbeeld bij de wijding van het water, zout, enz. het kruisteeken gebezigd. — Ook in dien zin wordt in de H. Mis het kruisteeken over de offergaven gemaakt. Dit geschiedt echter slechts vóór hunne verandering in het lichaam en bloed onzes Heeren; want het zou ongepast wezen ook slechts te denken, dat de Priester den Heilige der Heiligen, die na de consecratie tegenwoordig is. door het kruisteeken zou zegenen of wijden. 3) Het kruisteeken Oient eindelijk nog om de bescherming, den zegen en de genade des Allerhoogsten over ons af te smeeken. Zoo maken wij over vele zaken het heilig kruisteeken, opdat ons het gebruik of de nuttiging daarvan tot lichamelijk of geestelijk heil moge verstrekken. Deze beteekenis kan het kruisteeken, dat over de offergaven, zelfs na de consecratie, gemaakt wordt, in zekeren zin ook hebben; wel te verstaan niet in zooverre het Olïer van Jesus Christus en als zoodanig uit en op zich zeiven altijd en onfeilbaar hoogst heilzaam en zegenrijk is, maar wel in zooverre het een door ons gebracht offer is, en, zooals reeds vroeger werd aangetoond, naar onze waardigheid en ontvankelijkheid, voor ons meer of minder heilzaam en vruchtdragend kan wezen. Het H. kruisteeken beteekent in dat geval zooveel als de bede, dat God ons armen zondaren ter wille van de verdiensten des Gekruisten door middel van het H. Offer, dat wij opdragen.
313
Hostie met den kelk, op deze plaats van den Canon gebruikelijk, is eene ceremonie, die met de mondelinge lofprijzing de schoonste overeenkomst heeft en ook de innerlijke gevoelens van lof en verheerlijking uitdrukt.
Nu volgt het derde voornaamste deel der H. Mis, waarvan de communie het middelpunt is. De inleiding daarvan is de luide bede of het gezang van den „Pater noster.quot; Het gebed des Heeren of het „Onze Vaderquot; bevat namelijk de bede om het dagelijksch brood, waaronder in hooger be-teekenis het hemelsch brood der Eucharistie wordt verstaan ; insgelijks de bede, dat God ons onze schuld vergeve, zooals ook wij aan onze schuldenaren kwytschelding verleenen, waardoor wij vermaand worden, vóór het genot dezer hemelsche spijze allen haat en alle vijandige gezindheid af te leggen, om zoo aan de vruchten van dit goddelijk liefdemaal deelachtig te worden. Zeer gepast wordt daarom het gemeenschappelijk gebed tot den éénen Vader in den hemel gebeden vóór den goddelijken maaltijd; daarom gaven ook de ge-
rijkelijk zegen en overvloedige genaden late toevloeien, en goedgunstig verleene, dat ons de nuttiging van het H. Offer niet tot veroordeeling, maar tot heil moge verstrekken.
Wij mogen insgelijks aannemen, dat krachtens het driemaal herhaalde kruisteeken bij de woorden: //Waardoor Gij, o Heer, al dit ^goede immer voortbrengt, heiligt, levend maakt, zegent en ons //uitdeelt,\'\' ook de zegen verleend wordt over de vruchten der aarde, die zelfs na de consecratie door de zichtbare gedaanten van brood en wijn zijn vertegenwoordigd. Want in elk geval moet hier onder //al »dat goede, dat God immer voortbrengt,\'\' brood en wijn worden verstaan, die, wat de gedaante betreft, op het altaar aanwezig zijn. En worden ook al brood en wijn ten laatste als geestelijke spijze beschouwd, als een voedsel, dat in het H. Misoffer tot voeding onzer zielen geheiligd, levend gemaakt en gezegend wordt, dat is, krachtens de woorden der consecratie in het lichaam en bloed van Jesus Christus veranderd, dan toch is er niets tegen om brood en wijn ook als vertegenwoordigers van alle voortbrengselen der aarde tot voeding des lichaams geschikt, te beschouwen en, gelijk wij ook in deze tweevoudige beteekenis om het dagelijksch brood, dat is, niet slechts om het eucharistisch brood, het geestelijk voedsel, maar ook om het lichamelijk voedsel bidden, op gelijke wijze den zegen van God in dubbele beteekenis daarover af te smeeken. — Het is overigens eene schoone en verheven gedachte, dat in den canon der H. Mis, die onuitputbare bron van alle goederen, niet slechts over de levenden en overledenen, maar ook over het levenlooze, over de tot onze lichamelijke welvaart en ons onderhoud geschapen natuur, de zegen des Aüerhoogsten wordt afgebeden. Wij vinden ook werkelijk in de oudste Liturgiën der H. Alis doorg-aans eigen, daarop betrekking hebbende gebeden, en het is eene bewezen daadzaak, dat in vroegere tijden op bestemde dagen terstond na de woorden: ./waardoor Gij, «o Heer, al dit goede immer voortbrengt, enz.quot; verscheiden vruchten der aarde werden gezegend, zooals thans nog in de H.Mis van VVitten-Donderdag de olie voor de zieken wordt gezegend. Daaruit blijkt het zeer duidelijk, dat toen ten tijde de aangehaalde woorden der zegening met de ter zegening aangeboden vruchten in het nauwste verband stonden.
314
loovigen in de eerste tijden, toen de scheiding van beide geslachten in de kerk gestreng werd in acht genomen, elkander den kus des vredes, zooals nu nog de geestelijken bij plechtige HH. Missen doen. — Vervolgens smeekt de Priester, wederom zacht biddend, dat God de Heer hem en allen van alle verleden, tegenwoordige en toekomstige kwalen (d. i. van alle zonden, bekoringen en straffen der zonden) bevrijde en op de voorspraak der zalige, glorierijke
en altijd onbevlekte Maagd Maria.....en alle Heiligen
genadiglijk den vrede schenke. Bij deze woorden maakt de Priester met de pateen, die bestemd is de hostie der verzoening, het lichaam van Jesus Christus, op te nemen, het teeken \'des kruises over zich, en nadat hij de pateen met eerbied gekust heeft, neemt hij daarmede het lichaam des Heeren van de corporaal op, aanbidt nederknielend, breekt de H. Hostie, zooals Jesus Christus bij het laatste avondmaal het geconsacreerde brood heeft gebroken, en laat een gedeelte daarvan in den kelk vallen, om daardoor de hereeniging van het lichaam en de ziel van Jesus Christus bij zijne opstanding te verzinnebeelden. — Geheel verdiept in de beschouwing van den goddelijken Verlosser, die als zoenoffer voor hem op de pateen rust, zegt nu de Priester driemaal de woorden: „O Lam Gods, dat wegneemt de „zonden der wereld,quot; en voegt dan daarbij, terwijl hij telkens rouwmoedig op zijne borst klopt, de beide eerste malen; „ontferm u onzer F\' de laatste maal: „geef ons den vrede.quot; Dan, diep neêrgebogen en de oogen gevestigd op het H. Sacrament, verricht hij het zoo krachtig voorbereidend gebed, neemt de H. Hostie in de linkerhand en zegt vol nederigheid en vertrouwen, zooals eens de hoofdman van Capharnaum, driemaal op de borst kloppend: „Heer, ik ben niet waardig, „dat Gij komt onder mijn dak, maar spreek slechts één „woord, en mijne ziel zal gezond worden!quot; Na die woorden nuttigt de Priester en geeft ook aan de aanwezigen, die zulks verlangen, de H. Communie.
Na het ontvangen der H. Communie reinigt de Priester den kelk, en wascht de vingers, waarmede hij de H. Hostie heeft aangeraakt, met wijn en water af, terwijl hij de gebeden bidt, die op het nuttigen van het H. Sacrament betrekking hebben. Intusgchen wordt het misboek wederom naar de linkerzijde van het altaar gedragen, om, zooals velen meenen, de tegen het einde der tijden voorspelde bekeering der Joden aan te duiden. Daar leest dan de Priester een of ander vers uit de H. Schriftuur, hetwelk meestendeels uit de gezangen, die men vroeger gedurende de communie van het volk placht te zingen, zijn genomen;
315
en nadat hij in het midden van het altaar den zegemvensch; „De Heer zij met TT!1\' heeft vernieuwd, verricht hij weder aan den epistelkant het sluitgehed, hetwelk veelal de bede bevat, dat God de zegenrijke werkingen van het H. Sacrament in de zielen van hen, die het ontvingen, gelieve te vermeerderen en te bewaren. — Daarop zegt hij: „Ite missa „est, gaat, de H. Mis is geëindigdof op vasten- en boetedagen, zooals ook op zondagen van den Advent en van den vastetijd.: „Benedicamns Domino, laat ons den Heer „prijzen,quot; zegent dan de geloovige gemeente en leest, tot besluit van alle plechtigheden, aan de Evangeliezijde het begin van het Evangelie van den H. Joannes. Bij de woorden: „en ,,het Woord is vleesch gewordenknielt de Priester met diepen eerbied en aanbidding neder, evenals hij deed in
de geloofsbelijdenis van Nicea bij de woorden: „Die......
„mensch geworden is,quot; uit eerbied voor het geheim der menschwording. De oorzaak, waarom dit Evangelie wordt gelezen, is, volgens Benedictus XIV, omdat het tevens een kort .begrip, eene openlijke belijdenis is der verhevenste geheimen van ons geloof, de heiligste Drievuldigheid, de schepping der wereld en de menschwording van Jesus Christus.
Waarom wordt de II. Mis in de latïjnsche taal gelezen?
1 j Wijl het de taal is van Rome, de hoofdstad van het Christendom. Het christelijk geloof werd door de Apostelen Petrus en Paulus naar Rome overgebracht. Daar, in de woonplaats der toenmalige beheerschers der wereld, vestigde de prins der Apostelen den zetel der nieuwe, onvergankelijke wereldheerschappij van den godsdienst van Jesus Christus den Gekruiste. — Door dien eersten stedehouder van Christus en door zijne opvolgers op dien zetel werden vervolgens geloofsboden naar alle streken gezonden, om de volken van het westen in de Kerk van Christus, in de moederkerk van Rome op te nemen. Zoo gebeurde het ook, dat de latijnsche taal, die toen in geheel het romeinsche rijk de heerschende was, bij de christelijke godsdienstoefening niet slechts te Rome, maar ook in alle kerken van het westen, die door de gezanten van Rome gesticht waren, werd gebezigd en als de algemeene, eerwaardige moedertaal ook zelfs dan nog werd behouden, als zij reeds door menigvuldige volksverhuizingen en vermengingen met andere stammen uit het burgerlijk leven was verdrongen en had opgehouden eene levende taal te zijn. Hetzelfde vinden wij bij de kerkelijke taal in het oosten: het oud-grieksch
316
wordt thans nog bij de H. Mis gebruikt, ofschoon het daarvan zeer veel afwijkende nieuw-grieksch sinds eeuwen de land- of volkstaal is geworden. Zoo werd ook in het Oude Verbond de hebreeuwsche taal behouden bij de viering der godsdienstplechtigheden, alhoewel het joodsche volk na zijn terugkeer uit de babylonische gevaE gen schap het syro-chaldeeuwsch sprak. Over het algemeen zou men zeer gemakkelijk kunnen aantoonen, dat bij schier alle volkeren eene zoogenaamde heilige taal ontstond, die slechts bij den godsdienst in gebruik was.
Dat de latijnsche taal voor het volk onverstaanbaar is geworden, kan volstrekt geene voldoende reden wezen om de H. Mis in de landtaal te lezen. Wel wendt men voor, dat de onderrichting van het volk en de bevordering der aandacht zulks vereischen, doch zoowel het een als het ander is slechts een loos en ongegrond voorwendsel. De toespraken, die ten doel hebben de christelijke gemeente te onderrichten, moeten voorzeker in eene voor haar verstaanbare taal worden gehouden; en dat gebeurt ook overal in de katholieke Kerk. De H. Mis echter is geene onderrichting, maar eene daad van godsvereering, haar doel en wezen is niet, zooals de protestantsche godsdienst, om te onderwijzen. Daarenboven is het H. Misoffer geen gesloten boek voor de Katholieken, al verstaan zij ook de gebeden niet, die daarbij geschieden. De geheele offer-viering, waarvan zij in den christelijken Katechismus en door de predikatie voldoende kennis hebben verkregen, geeft het wezen en het doel van dit goddelijk Offer duidelijk genoeg te kennen en draagt er natuurlijker wijze veel toe bij om hen, die de H. Mis hooren, aan te sporen, hunne gebeden en hunne meening met die des Priesters te vereenigen. Zelfs de zin der gebeden en de beteekenis der verschillende ceremoniën blijft den Katholiek niet verborgen, dewijl er gebedenboeken in menigte worden gevonden, die hem het begrip daarvan ontsluiten. Daarom dan ook is de tekst van den Apostel (1. Cor. XIV, 6), die door onze bestrijders meermalen wordt aangehaald, hier geheel ten onpas: „Mijne broeders, wat nut zou het „voor u hebben, bijaldien ik tot u kwam en in eene „vreemde taal tot u sprak;quot; want deze woorden zien op de onderwijzing. Ja, zelfs de lezing van den Epistel en van het Evangelie in de moedertaal door den Priester aan het altaar verricht, zal dikwijls weinig nut stichten, omdat zij in grootere kerken door de meerderheid der aanwezigen niet eens gehoord, laat staan begrepen zou worden zonder bijgaande verklaring. Ook de bevordering der aandacht
317
of meerdere stichting is geene genoegzame reden om bij de H. Mis de latijnsche taal met de landtaal te verwisselen. De ondervinding heeft daarvoor het bewiis sinds lang geleverd. Tijdens de hervorming beproefde men op verscheiden plaatsen, de godsdienstige plechtigheden met eene woordelijke vertaling der gebeden in de moedertaal te vieren. Doch wel verre dat die verandering voor de ware godsvrucht bevorderlijk was, schijnt deze des te meor verminderd te wezen. Dit getuigt een tijdgenoot, de uitstekende Stanislaus Horstius, die zelf een werk schreef om aan te toonen, dat het ondoelmatig is, de H. Mis in de moedertaal te lezen. Bij het H. Misoffer komt het meer op de levendigheid des geloofs en de volmaaktheid der ofïervolle bedoeling aan, dan wel op het verstaan der woorden. Daarenboven is de latijnsche, door het overoud gebruik geheiligde taal der Kerk veel meer dan de gewone moedertaal geschikt, om het heilige en geheimvolle der offerdaad en ook den eerbied daarvoor -te vermeerderen. Overigrens zou het eene betreurenswaardige kortzichtigheid of zucht naar nieuwigheden verraden, bijaldien men om eenige en nog zeer twijfelachtige voor-deelen, nieuwigheden invoerde, waardoor wezenlijke voordeden van het hoogste belang in gevaar gebracht of wellicht geheel verloren zouden gaan. De Kerk heeft inderdaad talrijke beweegredenen om de latijnsche taal bij voorkeur boven de moedertaal te kiezen. Immers zij behoudt de latijnsche taal:
2) Dewijl deze niet, zooals elke volkstaal, met den tijd verandert. De latijnsche taal blijft onveranderlijk dezelfde, juist omdat zij in den mond des volks niet meer voortleeft; de moedertaal daarentegen is om de tegenovergestelde reden aan blijvende ontwikkeling en verandering onderhevig. Zekere uitdrukkingen verouderen en worden na verloop van tijd door meer gepaste vervangen, verwisselen soms zelfs hare oorspronkelijke heteekenis met eene andere, geheel en al verschillend van die uit vroegere dagen; zegswijzen, die voorheen gebruikelijk en fatsoenlijk waren, geraken in onbruik of worden ongepast; wendingen en woordvoegingen, die vroeger algemeen gebruikelijk waren, kan men thans niet meer bezigen, tenzij met gevaar van niet te worden begrepen. Zoo bijvoorbeeld is het een onloochenbaar feit, dat de oud hollandsche taal nog slechts door de taalkundigen wordt verstaan, en dat deze of gene vertaling, die eene eeuw geleden vervaardigd werd, thans niet alleen bij de beschaafden, maar ook bij de lagere volksklasse niet meer in den smaak valt. Wanneer dus de Kerk zich niet van
318
de latijnsche taal, maar van de moedertaal van elk volk wilde bedienen, dan moest zij telkens hare godsdienstige gebeden veranderen en verbeteren en daarbij den zwaren plicht, van het eenieder naar den zin te maken, niet uit het oog verliezen. Doch wie kan er voor instaan, dat bij die aanhoudende veranderingen in de uitdrukking niet hier of daar eene wezenlijke verandering, niet iets onjuist of eene dwaling insluipe? De ondervinding toch leert ons reeds, dat het moeielijk is imnaer den zin, en nog onvergelijkelijk moeie-lijker om de kracht, den adel en de volheid van gedachten der latijnsche kerktaal in andere talen weer te geven, i) Daarom dan ook geeft de Kerk aan de latijnsche taal de voorkeur boven de moedertaal.
3) Dewijl daardoor ook in den godsdienst de eenigheid der Kerk over geheel de aarde voorgesteld en hare eenheid bevorderd wordt. — De eenheid der Kerk eischt eenheid of gelijkvormigheid van godsdienstoefening, en deze wederom de eenheid van taal. Hoe verre de roomsch-katholieke Kerk zich ook uitbreidt, waar ter wereld zij kinderen om haar geheiligde altaren vergadert, overal spreekt zij bij de godsdienstviering eene en dezelfde taal. De Katholiek moge de meest verwijderde landen en streken bezoeken, in Azië zoowel als in Afrika, in Amerika en op de eilanden van Australië vindt hij bijna overal dezelfde godsdienstoefening terug, waaraan hij in zijn vaderland deel nam, hoort hij dezelfde taal .zijner verheven moeder, de H. Kerk. Ook den Priester komt de eenheid der kerktaal bizonder te stade, wijl hij daardoor in staat gesteld wordt in alle werelddeelen het H. Misoffer op te dragen. Wanneer de kerktaal verschilde naar de verschillende landen, hoe vele Priesters zouden dan, om de onbekendheid met vreemde
1) Zooals wij goed en geheel juist zeggen; 7de ééne, heilige, katliolieke «en apostolische Kerk,quot; zouden wij ook de woorden der geloofsbelijdenis van Nicea; „Credo unam, sancAam, catholicam et apostolicam Mcclesiamquot; moeten vertalen door: „ik geloof een ééne, heilige, enz.quot; Maar dewijl het spraakgebruik zulks niet veroorlooft, daarom, vertaalt men of: //ik geloof eene eenige, enz.quot; en drukt daardoor wel de alleenheid der Kerk, maar niet, zooals het behoorde, hare eenheid uit; of wel men vertaalt: ,/Ik geloof eene, heilige.... Kerkquot; waarbij het echter, ondanks den klemtoon en ondanks het gebruik van eene hoofdletter of het cursief, tenminste bij het luide opzeggen der geloofsbelijdenis meer of minder onbepaald blijft, of de uitdrukking eene het getal en de eigenschap, of enkel het lidwoord aanduidt en gevolgelijk of er das in het latijn staat; credo sanetam Ecclesiam of
credo unam, sanctam..... Dat men ook niet goed, zooals het soms
geschiedt, zeggen kan: „Ik geloof aan de eene, heilige.....is reeds
duidelijk uit het gezegde in deel I. Uit dit eene voorbeeld ziet men, hoe moeielijk het dikwerf is bij de vertaling de gedachte zelve juist en duidelijk weder te geven, en hoe gemakkelijk soms aan de oorspronkelijke beteekenis kan worden te kort gedaan.
319
talen, zich buiten hun vaderland de opdracht van het H. Misoffer moeten ontzeggen ? — Het behouden der latijnsche taal wordt echter niet slechts door de eenheid van godsdienst, maar ook door de eenigheid der Kerk gevorderd. Zij verbindt de over geheel de aarde verstrooide kerken onderling en met de hoofd- en moederkerk van Kome; zij verbindt het tegenwoordige \'der Kerk met het verledene, levert ons de oudste en eerwaardigste oorkonden zoowel over de kerkelijke leer, als over het kerkelijk leven, ontsluit ons de verklaringen en besluiten der Kerkvergaderingen, maakt ons vertrouwd met de werken der HH. Vaders en der uit-stekendste Godgeleerden van alle eeuwen. Bijaldien de latijnsche taal ophield de taal der katholieke Kerk te wezen en gevolgelljk, wat men nauwelijks zou kunnen verhoeden, in minachting verviel en verwaarloosd werd, welk een groot en onherstelbaar nadeel zou daaruit niet voortspruiten ? Hoe zouden in dat geval de onderlinge beraadslagingen der ^Bisschoppen op de Kerkvergaderingen, hoe de wéderzijdsche mededeeling van gedachten en bedoelingen der Godgeleerden van verschillende landen mogelijk zijn? — Zou verder de afschaffing der latijnsche taal bij den godsdienst niet langzamerhand eene hoogst verderfelijke toenadering bewerken tusschen Katholieken en niet-katholieken ? Rusland levert ons daarvoor een sprekend bewijs. Toen onder Catharina II en Nicolaas I millioenen Katholieken van de grieksch-ver-eenigde Kerk door staatsgeweld tot de grieksch-schismatieke werden overgehaald, was voor een gedeelte de oorzaak daarvan de groote overeenkomst der grieksch-schismatieke godsdienstoefening met die der grieksch-vereenigde Kerk. En is het niet een in het oogvallend verschijnsel, dat bijna alle volkeren van het Oosten, die zich van eene andere liturgische taal bedienden dan de westersche Kerk, meeren-deels tot ketterij of tot de scheuring overgingen ? Na dit alles kan het ons niet bevreemden, dat de vijanden der kerkelijke eenheid zoozeer op de afschaffing der latijnsche taal aandringen; en evenmin kan het ons bevreemden, dat de H. Kerk (Kerkv. v. Trente, Zitt. 22. Can. 9) niet slecht den banvloek uitsprak over hen, die durfden beweren, dat de H. Mis slechts in de volkstaal mocht gelezen worden, maar ook meerdere stellingen der Jansenisten ») verwierp en brandmerkte, dewijl daarin op bedekte wijze het gebruik der Kerk , om de H. Mis in eene andere taal dan de volkstaal te lezen, gelaakt werd.
\') Conf. Bulla „Auctorem fideiquot; Prop. 33. G6. et Bulla rl7nigenitiis\' Propt. S6.
320
yVaarom. heeft de Kerh voor den offerenden Priester eene hizondere Meeding voorgeschreven ?
Opdat wij ons zouden herinneren, dat de Priester aan het altaar niet in zijn eigen persoon handelt, maar de plaatshekleeder is van Jesus Christus, eh een heilig, goddelijk Offer opdraagt.
Het is een gebruik hij alle volkeren, dat de koningen, hovelingen, officieren en .\'staatsambtenaren, bij zekere feestelijke gelegenheden en daar, waar zij in hunne ambtelijke bediening optreden, verschijnen in eene kleeding, van de gewone onderscheiden. Zelfs de beambten van lageren rang hebben eene hizondere kleeding, wanneer zij hun ambt uitoefenen, teneinde in de uitoefening van hun ambt als ondergeschikte plaatsbeldeeders erkend en geacht te worden. Waarom zou dan ook de Priester niet eene eif^en priesterlijke kleeding hebben, als hij de heiligste aller handelingen verricht en het ambt der bemiddeling tusschen God en de menschen vervult? De Priester toch verschijnt aan het altaar niet als dienaar, als afgezant of plaatsvervanger van een aardschen koning, maar als plaatshekleeder van Jesus Christus. Als zoodanig moet hij bij de opdracht van het heilig Offer erkend, geëerd en onderscheiden worden. Diensvolgens is het in de hoogste mate passend, dat hij bij deze gelegenheid ook optrede in eene verheven, door gebed en zegening gewijde, heilige kleeding, in eene kleeding, die zonder misdadige schennis niet gebruikt mag worden bij de volvoering van gewone en niet heilige handelingen. Zoo was het ook tijdens het Oude Verbond, toen God zelf de kleeding der Priesters nauwkeurig voorschreef, en beval, dat „Aaron en zijne zonen daarmede „gekleed zouden wezen, wanneer zij het altaar naderden „om den dienst iu het heiligdom te verrichten, opdat zij „niet, aan zonde schuldig, mochten stervenquot; (2. Mos. XXVIII, 43). !) Het lijdt dus geen twijfel, dat de Kerk dit voorschrift van de Apostelen zelve heeft overgenomen , ofschoon door verloop van tijd er eenige veranderingen zijn gemaakt betreffende het getal en den vorm. Zoo veel is zeker uit geschiedkundige gedenkteekenen, dat de H. Apostel Joannes, alsook de H. Apostel Jacobus, Bisschop
|
!) De heidenen zelfs hielden de opdracht der offers een eigen vinden wij bij Robert Sala in liturgie (L. 1. cap. V. ? 2). |
het voor gepast, dat de priesters bij gewaad droegen. Bewijzen daarvoor zijne aanmerkingen op Bona rerum |
321
van Jerusalem, bii de opdracht van het H. Offer eene soort van mitra hebben gedragen, i)
De H. Kerk hecht niet alleen aan elke plechtigheid, maar ook aan elk kleedingstuk des Priesters, verschillende zinnebeeldige beteekenissen. Dit wordt duidelijk uit de woorden, die de Bisschop spreekt, als hij hii de wijding de priesterlijke gewaden overgeeft; eveneens uit de gebeden, die de Priester verricht, als hij er zich mede bekleedt, en uit die, welke bij de zegening der priesterlijke kleeding-stukken worden uitgesproken. Kortheidshalve zullen wij hier slechts op de beteekenis der voornaamste kleeding-stukken wijzen.
1) Eerst bekleedt de Priester zich met het JIumerale of den schouderdoek (veelal ook amict genoemd). Dit is een linnen doek, die in vroegeren tijd tot hoofdbedeksel diende, doch tegenwoordig, nadat men bij het aankleeden eerst daarmede het hoofd bedekt heeft, om den hals en om de schouderen wordt geslagen. Het beteekent den helm des heils, waarvan de Apostel spreekt (Eph. VI, 17 en Thess. V, 8). Deze helm des heils is het volstandig vertrouwen op Jesus Christus, waardoor wij ons tegen de aanvallen van den boozen vijand zullen beschermen.
De amict dient ook ter herinnering aan den blinddoek, waarmede \'s Heeren heilig hoofd, in den smartvollen lijdensnacht, omwonden werd, alzoo ter herinnering aan den smaad, de slagen en verdere mishandelingen, welke Hij toen voor ons geleden heeft.
2) De Alh, een lang, wit linnen kleed, dat tot aan de voeten reikt, beteekent de noodige zuiverheid van het hart des Priesters. De albe herinnert ons aan het witte kleed, waarmede Herodus den Verlosser kleedde, om Hem te bespotten, dus aan den hoon, de bespotting en het lijden, om onzentwille zoo geduldig verdragen.
De gordel, waarmede de Priester de lendenen omgordt, cm de alb te bevestigen, vermaant hem, de zinnelijke begeerten te versterven en voortdurend in kuischheid en onthouding te leven.
3) De Manipel aan den linker arm, die, zooals reeds vroeger opgemerkt is, de plaats van den zweetdoek heeft ingenomen, herinnert den Priester aan den plicht om het zweet en de vermoeienis van den arbeid niet te vluchten, opdat hij eens in vreugde oogste, wat hij onder tranen heeft gezaaid.
4) De Stola, een lange, smalle strook van verschillende,
\') Zie hierover meer op andere pi. cap. XXV. 5 1.
DEHAllBE, GELOOFSLEER. IV. 3Ac DRtTK. 21
322
doch meestal van zijden stof, die, om den hals geslagen, voor afhangt en bij het H. offer in den vorm van een kruis over de borst wordt geslagen, heeft vele beteekenissen, onzer aandacht waardig. Vooreerst is de stola het teeken van geestelijke macht en waardigheid; daarom wordt zij altijd gedragen, als de Priester preekt of de HH. Sacramenten toedient. Vroeger was zij een breeder wit kleed en be-teekent daarom nu nog het kleed der onsterfelijkheid , dat wij door de zonde verloren en door Christus hebben terug gekregen. De stola, in den vorm van een kruis over de borst geslagen, beteekent ook het juk des Heeren. Daarom zegt de consacreerende Bisschop tot hem, die de H, Priesterwijding ontvangt, terwijl hij hem de stola omdoet en de beide afhangende deelen op zijne borst in den vorm van een kruis over elkander legt, de zinvolle woorden: „Neem „het juk des Heeren aan, want het is zoet en zijn last is licht.quot;
De gordel, de manipel en de stool stellen ons de koorden en ketenen voor, waarmede Christus zich heeft laten boeien en welke Hij gedragen heeft, om ons van de ketenen der zonde te verlossen.
5) Het misgewaad of kasuifel {Casula) verzinnebeeldt de liefde, welke ons het dragen des kruises, het juk des Heeren nog verzoeten en verlichten zal. Daarop duidend zegt de Bisschop tot den wijdeling, als hij hem met het kasuifel bekleedt; „Aanvaard het priesterlijk kleed, waar-„onder de liefde wordt verstaan.quot; In vroeger tijden had het miskleed een vorm, die van den tegenwoordigen zeer veel verschilt. Het was een gesloten, van alle zijden gelijkelijk neerhangend kleed, dat slechts in het midden eene opening had, waardoor het op de schouders werd neergelaten. Om dezen vorm moest het bij de kniebuigingen van achter worden opgeheven; eene gewoonte, die thans ook nog bij de consecratie in gebruik is gebleven, ofschoon door de verandering van den vorm de gesegde opheffing overbodig is geworden. Het miskleed herinnert ons den spotmantel, dien men Christus na de geeseling heeft omgeslagen, om Hem in dien toestand opnieuw te bespotten en nog meer te pijnigen. Ds kolom, op de voorzijde van het kasuivel, door goud galon of andere ornamenten afgebeeld, dient ter herinnering aan de kolom, waaraan de goddelijke Verlosser was vastgebonden, toen Hij de geeseling onderging. En het kruis op het kasuifel stelt ons het dragen van het kruis voor, bij den gang des Heeren naar Golgotha. — Het misgewaad wordt niet anders dan bij de opdracht van het H. Offer gebruikt; bij andere feestelijkheden, bij vespers, processiën, wijdingen, enz. bedient zich de Priester van
323
het Pluviale (koorkap). De vorm daarvan komt overeen met den ouderen vorm van het kasuifel, behalve dat dit van voren geene opening had.
Het miskleed en de koorkap, als ook de stola en de manipel, ziin naar de verscheidenheid der tijden en feesten van verschillende kleur. Ook deze verscheidenheid der kleuren is niet zonder hoogere zinnebeeldige beteekenis en staat telkens met de stemming, waarmede de Kerk wil, dat het H. Offer worde opgedragen, in het nauwste verband.
In de witte kleur, Let zinnebeeld van vreugde en onschuld, draagt de Kerk het H. Offer op, op de feesten van Christus, behalve op die van zijn lijden, op de feesten van de Moeder Gods, van de HH. Engelen, Belijders en Slaagden; in het rood, het zinnebeeld der liefde en der Bloedgetuigen, op het Pinksterfeest en op de feestdagen der HH. Apostelen en Martelaren. De groene kleur is het zinnebeeld der door Jesus Christus ons weder verworven hoop op helt eeuwig leven. Die kleur ligt in \'t midden tusschen de lichte en donkere, en daarom wordt zij gebruikt op de dagen, welke noch feest- noch boetedagen zijn. Het paars is de uitdrukking van heiligen boetezin, en in de zwarte kleur treurt de Kerk over den dood van haren Bruidegom en over hare gestorven kinderen.
Wat de bisschoppelijke kleeding betreft, bepalen wij ons slechts tot de symbolische beteekenis van den ring, den staf, den myter en het kruis, omdat deze voorwerpen den geloovigen vooral in het oog vallen. De ring is het zinnebeeld der vereeniging van den Bisschop met de H. Kerk en van de onverbreekbare trouw jegens haar. De beduidt het herdersambt en de herderlijke macht des Bisschops als opperherder van zijne geloovige kudde. De myter of Infula is, gelijk de Tiara van den hoogepriester Aaron, een teeken zijner waardigheid en tevens eene herinnering, dat hij , uitgerust met de wetenschap der beide Testamenten, tegen de vijanden der waarheid met onverzettelijken moed moet optreden (Zie het romeinsche Pontificale). Het kruis, dat hij op zijne borst draagt, duidt hem niet slechts aan als Bisschop, maar strekt hem ook tot blijvende herinnering aan den verhevensten Bisschop onzer zielen, aan Jesus den Gekruiste, en zegt hem, wat deze voor zyne kudde gedaan en geleden heeft.
TOEPASSING.
De Bolandisten (4 Maart) verhalen ons, dat de H. Casimir de zoon van Casimir III, Koning van Polen, zijn leven
21*
324
raeer in de kerk dan aan het hof doorbracht. Zijne godsvrucht voor den Heiland, die op het altaar tegenwoordig is en zich daar voor ons opoffert, was groot en wekte alom bewondering. In het stille uur van middernacht was de godvreezende vorst gewoon geheel alleen en barrevoets naar de kerk te gaan, om voor de gesloten deuren het allerheiligste Sacrament te vereeren en te aanbidden. Zijn eerbied voor Jesus in het heilig altaargeheim was zoo groot, dat hij bij het heengaan den drempel en de stijlen der deuren kuste, die hem beletten, het heiligdom binnen te treden. Des morgens vroeg bezocht hij andermaal de kerk, woonde alle HH. Missen bij, die werden opgedragen, en verliet de kerk niet eer, dan wanneer men weder hare deuren sloot. Gedurende het H. Offer was Gasimir zoo vol aandacht en godsvrucht, zoo boven het aardsche verheven en verdiept in God, dat hij dikwerf zich zeiven en zelfs den tijd vergat om het noodige voedsel te nemen. Kan het ons bevreemden, dat door eene zoo dikwerf herhaalde en ijverige deelname aan het H. Offer, ia het hart van dien vromen vorst eene offervaardigheid werd opgewekt, die hem krachtig aanspoorde, in maagdeliike zuiverheid zich geheel aan God toe te wijden; dat hii met den bijstand der goddelijke genade, die hem iiit dezelfde bron toevloeide, reeds in den ouderdom van drie-en-twintig jaren tot groote heiligheid was gekomen? Maar hoe komt het dan, dat zoo vele Christenen, ofschoon zij dikwijls het H. Misoffer bijwonen, toch zoo weinig vruchten des heils daaruit plukken ? Geene andere reden is er dan deze, dat zij zulks doen zonder aandacht en levendig geloof. — Het zou overbodig zijn hier te herhalen, wat in het tweede gebod der H. Kerk gezegd is over de aandacht en den eerbied, waarmede wij dagelijks het H. Misoffer moeten bijwonen, 1) maar toch
1
) De godsdienstleeraar zal deze gelegenheid benutten, om andermaal te wijzen op de strenge verplichting van op zondag Mis te hooren. Tot bereiking van dat doel diene hem de volgende geschiedenis, die ons de eerw. Leonardus de Porto Maurizio in zijne onderrichting over de voortreffelijkheid der H. Mis verhaalt, van drie kooplieden uit Gubbio (in den Kerkelijken Staat gelegen). Deze kooplieden begaven zich naar eene jaarmarkt, die in een vlek, met name Cisterno, werd gehouden. Nadat zij hunne waren verkocht hadden, spraken zij onder elkander over de terugreis en besloten, den volgenden morgen zeer vroeg\' te vertrekken, teneinde nog des avonds in hunne woning te zijn. De derde keurde dat reisplan af en verzekerde, dat hij den volgenden dag, die een zondag was, zich niet op weg wilde begeven, vóóraleer hij eene H. Mis had bijgewoond. Hij deed zijn best, zijne gezellen te overreden hetzelfde te doen, doch te vergeefs. Zij gaven hem bepaald ten antwoord, dat hun vroeg vertrek vast stond, en d^t God het hun niet ten kwade zou
325
zal het nuttig wezen in het kort aan te geven, hoe de aanwezige geloovigen zich bij de opdracht van het H. Offer met den Priester aan het altaar moeten vereenigen.
Bij het begin der Mis moet ieder der aanwezigen met den Priester zijne zonden met groote droefheid des harten voor God belijden, en, ook wanneer hij slechts dagelijksche zonden heeft bedreven, een oprecht berouw in zich opwekken. De H. Coleta, van de orde der H. Clara, had, nog kind zijnde, reeds een engelachtig zuiver en zeer deugdzaam leven geleid en was door God met buitengewone genaden begiftigd geworden. En toch gevoelde die Heilige bij het begin der H. Mis, die zij dagelijks bijwoonde, zulk eene smart over hare zonden, dat zij gewoonlijk in luide zuchten en vele tranen losbarstte. Zeer dikwijls bereidde zich de Heilige door het H. Sacrament der Biecht voor om de H. Mis te hooren. — Bij de offerande moeten wij bij de offergaven des Priesters ook de onze op bet altaar leggen, terwijl wij ons lichaam en onze ziel, onze gezondheid en ons leven, alles wat wij zijn en hebben, met Jesus Christus den Vader in den hemel tot een ge-., schenk opdragen, om Hem te loven en te aanbidden, om ons met Hem te verzoenen, Hem te bedanken voor de geschonken weldaden, genaden en zegeningen, en Hem te bidden, dat Hij ons ook in het vervolg aan de gaven zijner genade en barmhartigheid deelachtig make. Daalt in het midden der Mis de Zoon Gods op het altaar neder, dan vermaant de schel de aanwezigen, den onder de gedaanten van brood en wijn verborgen Heiland met den diepsten eerbied te aanbidden en Hem, die om ons en voor ons heil zich geofferd heeft, genade en vergeving te
duiden, wanneer zij dezen keer de H. Mis verzuimden. Den volgenden dag bestegen zij inderdaad zeer vroeg hunne paarden en reden huiswaarts. Weldra kwamen zij aan de rivier Corfuone, die door een regenbui van den vorigen nacht zeer gezwollen was, en de houten brug, die er over voerde, iets had verlegd. Zonder daarop te letten, draafden de twee reizigers over de wankelende brug. L)ocli nauwelijks in het midden gekomen, rukte een hevige golfslag de balken wegen de twee ongelukkigen stortten met hunne paarden in den vloed. Op het hulpgeroep der drenkelingen waren eenige boeren toegeschoten, doch konden niets meer doen dan de lijken aan den oever brengen, waar men ze liet liggen tot ze herkend waren. Intusschen was ook de derde koopman, die, om aan het gebod der Kerk te voldoen, in Cisterno was achter gebleven. den oever der genoemde rivier genaderd en zag daar de twee lijken liggen. Op het eerste gezicht herkende hij zijne ongelukkige reisgezellen. Als hij nu van de omstanders de geheele toedracht van het jammerlijk ongeluk vernam, hief hij zijne handen ten hemel, dankte den Allerhoogste, dat Hij hem zoo genadig voor dat ongeluk had bewaard en zegende duizendmaal het uur, waarop hij het H. Offer had bijgewoond, waaraan hij zijne redding dankte.
326
smeeken. — By de communie des Priesters moeten ook de aanwezigen het lichaam des Heeren ontvangen, als zij daartoe zijn voorbereid, of tenminste op geestelijke wijze communiceeren, dat is, een vurig verlangen in zich opwekken om met Jesus Christus in het H. Sacrament der liefde vereenigd te worden. Van deze geestelijke Communie zegt de Kerkvergadering van Trente (Zitt. 13, hoofdst. 8), dat degenen, „die het hun voorgezette hemelbrood onder „levendig geloof, dat werkdadig wordt door de liefde, „met hun verlangen eten, vrucht en nut daarvan onder-„vinden.quot; Christus zelf gaf op zekeren dag aan zuster Paulina Mareska, stichteresse van het klooster der H, Catharina van Siena in Napels, te kennen, hoe aangenaam Hem de geestelijke Communie is en welke genaden Hij daardoor schenkt. Hij toonde haar namelijk, zooals in hare levensgeschiedenis wordt verhaald, twee heerlijke vazen, de eene van goud de andere van zilver, en zeide haar dat Hij in de gouden vaas de wezenlijke, in de zilveren de geestelijke Communiën bewaarde. — Mochten toch de geloovigen in \'t algemeen en in het bizonder zij, die, om hunne bezigheden en huiselijke zaken, niet zoo dikwijls, als zij wel wenschen, de H. Communie wezenlijk kunnen ontvangen, van dit uitstekend middel gebruik maken, om zich aldus in zekere mate schadeloos te stellen en met hemelsche schatten van genade te verrijken.
§ 3. Over de U. Communie.
Wat is de H. Communie?
De H. Communie is de nuttiging van het waarachtig lichaam en bloed van Jesus Christus tot voedsel der ziel.
Jesus Christus, de menschgeworden Zoon van God, is in het allerheiligste Sacrament des Altaars tegenwoordig, niet slechts om tot aan het einde der tijden met ons te wonen en zich voor ons te offeren, maar ook om te dienen tot voedsel voor onze zielen. Daarom heeft de Heiland bij het laatste avondmaal ook de nutliging van zijn allerheiligst lichaam en bloed voor alle toekomstige tijden ingesteld. Het bewijs daarvoor is in de twee voorgaande hoofdstukken reeds op voldoende wijze geleverd. Onloochenbaar vinden wij het in de woorden, waarmede de Heiland zijnen leerlingen belooft hun eene hemelsche spijze der ziel te geven; alsook in die andere woorden, waardoor Hij zijnen Apostelen den last en het bevel gaf om „te doen
327
„wat Hij had gedaan,quot; dat is, niet slechts brood en wijn te veranderen in zijn lichaam en bloed, maar ook de ge-loovigen deel te doen nemen aan dit heilig spijsoffer, zooals Hij hen bij het laatste avondmaal daaraan liet deel nemen, toen Hij hun zich zeiven ter nuttiging gaf.
Deze deelname aan het offer van Jesus\' lichaam en bloed heet communie of gemeenschap. Eeeds de HH. Vaders Cyprianus, Cyrillus, Hieronymus, Chrysostomus, Augustinus en anderen schonken haar dien naam, dewijl door haar eene geheel bizondere, innige vereeuiging met Christus en verder met de deelnemers onderling voltrokken wordt. Om de Communie aan te duiden bedienen zich de Vaders ook van het woord „avondmaal.quot; Dit geschiedt echter betrekkelijk maar zelden, dewijl Christus niet gedurende het avondmaal, niet bij de nuttiging van het paasch-lam, maar daarna, het goddelijk spijsoffer instelde en de deelname daaraan voorschreef (Luc. XXII, 20; 1. Cor. XI, 25). De Protestanten gebruiken bijna uitsluitend het woord „avondmaal,quot; dewijl zij in de avondmaalsvieriug van den scheidenden Heiland niets anders zien dan een afscheidsmaal. Wij, Katholieken, die in gezegde plechtigheid ook een spijsoffer zien, wij onderscheiden met volle recht de nuttiging van het goddelijk spijsoffer van de offerdaad zelve door het woord „Communie.quot; De H. Communie wordt ook dikwijls „deelname aan de tafel des Heeren,quot; „goddelijke maaltijd,quot; „ontvangen der H. Eucharistie,quot; „nuttiging van het allerheiligste Sacrament,quot; en somtijds, wanneer zij in gevaar van sterven tot sterking in den laatsten strijd, voor de reis naar de andere wereld wordt ontvangen, heilige Teerspijze genoemd.
Wordt ows de H. Communie door God of slechts door de Kerk voorgeschreven ?
Zij is ons eerst door God geboden, wiant Christus, onze Heer, leert uitdrukkelijk: „Voorwaar, Ik zeg het u, bij\' „aldien gij het vleesch van den Zoon des menschen niet „eet, en zijn bloed niet drinkt, dan zult gij het leven in „u niet hebbenquot; (Joan. VI, 54).
quot;Wij zijn dus, niet slechts krachtens het gebod der Kerk, maar vooral volgens het boven aangehaald gebod van Christus, op straffe van eeuwige verwerping verplicht het H. Sacrament van Jesus\' lichaam en bloed te ontvangen. Want, wie het bovennatuurlijk leven, het leven der genade, dat hier bedoeld wordt, niet bewaart, hij kan, \'tis duidelijk, ook op het eeuwig leven geene aanspraak maken, hij kan het
328
hemelrijk niet ingaan, maar gaat den eeuwigen dood, de eeuwige verdoemenis te gemoet. — Intusschen moet men de aangehaalde woorden van den Heiland niet zoo verstaan, gelijk eenige dwaalleeraren dat willen, als zou namelijk de H. Communie voor ons eeuwig heil even noodzakelijk zijn als het Doopsel, en dat diensvolgens ook de kinderen, alvorens zij tot de jaren van verstand zijn gekomen, de H. Communie zouden moeten ontvangen om het hemelrijk te kunnen binnengaan. Er bestaat namelijk tusschen de noodzakelijkheid van het Doopsel en die van het ontvangen der H. Communie, ook zelfs volgens de woorden des lleeren, een groot verschil; anders spreekt de Heiland over het Doopsel, anders over de Communie. Waar Hy de leer des Doopsels verkondigt, zegt Hij niet slechts: „Wanneer gij u niet „laat doopen,quot; maar, indien iemand, wie ook, niet herboren is uit het water en den H. Geest, en stelde daardoor het Doopsel voor allen als noodzakelijke voorwaarde tot het verkrijgen der eeuwige zaligheid; hier echter geeft Hij zijnen leerlingen eenvoudig het gebod, zijn vleesch te eten en zijn bloed te drinken om het leven der genade en vervolgens het eeuwig leven der glorie niet te verliezen. Een gebod kan, dit spreekt van zelf, niet gegeven worden aan hen, die het gebruik van hun verstand niet hebben, die niet in staat zijn het te kennen, noch te vervullen. En inderdaad, onze Heiland richtte de woorden; „Indien gij „het vleesch van den Zoon des menschen niet eet,quot; enz. tot volwassenen, tot hen, die Hem volgden om zijne leering te hooren. De plicht om de H. Eucharistie te ontvangen rust alzoo slechts op hen, die tot de jaren van onderscheid zijn gekomen, zooals ook blijkt uit de bepaling van de vierde Kerkvergadering van Laterane.
De ketters en scheurmakers wilden met de opzetting hunner vijandige leering voornamelijk hunne afkeuring doen blijken van de bestaande gewoonte der H. Kerk om de H. Communie niet uit te reiken aan hen, die nog niet tot de jaren van onderscheid zijn gekomen, ofschoon zulks vroeger in sommige kerken geschiedde. Om het tegenwoordig gebruik der Kerk te handhaven en de opwerping, alsof daardoor den kleinen een noodzakelijk middel ter zaligheid wordt onttrokken, met allen ernst terug te wijzen, verklaard^ de Kerkvergadering van Trente (Zitt. 21, Can. 4) : „Indien „iemand zegt, dat de Communie den kinderen, voordat zij „de jaren van onderscheiding hebben bereikt, noodzakelijk „is, hij zij veroordeeld.quot; De vergadering geeft ook in haar vierde hoofdstuk van dezelfde zitting de reden aan, waarom dergelijke kinderen door geene noodzakelijkheid tot
329
de deelname aan de H. Communie verplicht zijn, als zij zegt: „De onmondige kinderen zijn door het bad des Doopsels „herboren en ingelijfd in Christus en kunnen de reeds ont-„vangen genade van het kindschap Gods in dien ouderdom „niet verliezen.quot; Opdat men echter niet meenen zou, dat de algemeene Kerk daardoor de handelwijze van enkele kerken, waar weleer het tegenovergestelde gebruik bestond, wilde afkeuren, voegt de Kerkvergadering er terstond bij: „Men moet daarom de vroegere tijden niet veroordeelen; „want zooals de Vaders dier tijden, uitstekend door hunne „heiligheid, ter oorzake van de toenmalige omstandigheden „goede redenen hadden om aldus te handelen, evenzeer is „het onbetwistbaar aan te nemen, dat zij aldus niet han-„delden, omdat zij het (voor de onmondige kinderen) „noodzakelijk achtten.quot; Geheel anders is het met de volwassenen. In hen wordt dikwerf het leven der genade door lauwheid in \'t godsdienstige, door talrijke dagelijksche zonden verzwakt of tenminste verhinderd toe te nemen, en zoo wordt allengs het verlies van dat leven voorbereid. Niet zelden ook gebeurt het, dat de mensch, door hevige bekoringen overvallen, in groote zonden valt en het leven dei-genade verliest. De volwassenen hebben dus een bizonder middel noodig om het hoogere leven der ziel te behouden en te vermeerderen. Gelijk nu het Doopsel door Christus werd ingesteld, opdat de mensch daardoor herboren zou worden tot het leven der genade, zoo heeft de Heiland ook de H. Eucharistie ingesteld, om te dienen tot een hemelsch voedsel, tot blijvende onderhouding en versterking van dat in het Doopsel ontvangen genadeleven, zooals de lichamelijke spijze tot behoud en sterking van het lichamelijk leven. En zijn er ook, behalve dit hemelsch Brood, nog andere middelen om het leven der ziel te bewaren, dan is toch dit onbetwistbaar het allerkrachtigst, het eigenlijk voedsel der ziel, en de mensch zou weinig zorg voor zijn eeuwig heil hebben en eene groote verantwoording op zich laden, als hij daarvan geen of slechts een zeldzaam gebruik maakte.
Hoe dikwijls de geloovige volgens het goddelijk gebod gedurende zijn leven verplicht is, die hemelsche spijze te nuttigen, is niet gemakkelijk te bepalen. Teneinde het niet aan eenieder over te laten, naar willekeur van de tafel des Heeren verwijderd te blijven, heeft de Kerk, als gebiedster in Christus\' plaats optredend, voorgeschreven, dat elk geloovige, die tot de jaren van onderscheid is gekomen, tenminste eenmaal in het jaar en wel omstreeks Paschen het H. Sacrament des Altaars moet ontvangen. Indien hij echter in den loop des jaars in waarschijnlijk
330
of tijna zeker gevaar van sterven mocht komen, dan ishy ook in dat geval gehouden, de H. Communie te ontvangen, om zich tot den laatsten strijd en tot de intrede in de eeuwigheid voor te bereiden. Indien iemand in eene doodelijke ziekte weigerde of verzuimde de H. Teerspijze te ontvangen, dan zou hij zich niet slechts aan groote ergernis, maar ook aan eene groote nalatigheid in de zorg voor zijn eeuwig heil schuldig maken. Daarom was de 13. Kerk immer uiterst bezorgd , dat geen harer kinderen dezen dringenden plicht verzuimde, en heeft zij alles in het werk gesteld om hun het ontvangen der laatste Teerspijze mogelijk en gemakkelijk te maken. Wij vinden dit bevestigd zoowel in de oudste algemeene Kerkvergaderingen, onder anderen m de eerste van Nicea (Can. 13), alsook in de besluiten van verschillende provinciale Synoden. Ja zelfs het vroeger gebruik om, tijdens de vervolging, den Christenen te veroorloven het lichaam des Heeren mede naar hunne huiden te nemen, is een luide getuigenis van hare voorzichtige, moederlijke zorg.
Moeten wij, om het heilig/bloed van Christus te nuttigen, ook den kelk drinken?
Neen,\' want onder de gedaante van brood ontvangen wij ook zijn H. Bloed, dewijl wij Hem onder ééne gedaante geheel, met zijne menschheid en godheid ontvangen.
Dit antwoord is reeds vroeger voldoende verklaard en bewezen. Men kan dus uit de woorden van Christus: „Indien gij het vleesch van den Zoon des menschen niet „eet en zijn bloed niet drinkt, dan zult gij het leven niet „in u hebben,quot; volstrekt niet, zooals de bestrijders van ons geloof doen, de gevolgtrekking maken, dat alle geloo-vigen, om het leven te bezitten, de H. Communie onder beide gedaanten moeten nuttigen, dewijl onder ééne gedaante evenveel wordt genuttigd als onder beide, namelijk de geheele Christus, met vleesch en bloed, met lichaam en ziel, met godheid en menschheid. En zeker wilde Jesus Christus de bewaring van het genadeleven hier op aarde en de verkrijging van het eeuwig leven hierna niet afhankelijk maken van de gedaanten, maar van datgene, wat onder de gedaanten is verborgen, van zijn heilig lichaam en zijn kostbaar bloed, van zijn goddelijk en menschelijk wezen, zoowel onder elke gedaante in het bizonder als onder beide gedaanten verborgen, hetwelk ons in de H. Communie als geheimvolle spijze der ziel wordt gegeven. Daarom ook belooft de Heiland met dezelfde zekerheid het eeuwig leven
331
zoowel aan hen, d;e Hem onder éene, als aan hen, die Hem onder beide gedaanten ontvangen. „Want,quot; zoo leert de Kerkvergadering van Trente (Zitt. 21. hfdst. 1), „Hij, die zeide; „indien gij het vleesch van den Zoon des „ „menschen niet eet en zijn bloed niet drinkt, dan zult gij het „„leven niet in u hebben,quot; zeide ook: „wanneer iemand „„van dit brood eet, zal hij eeuwig leven.quot; En dezelfde, „die sprak: „die mijn vleesch eet en miin bloed drinkt, hij „„heeft het eeuwig leven,quot; — sprak insgelijks: ,)Het brood, „„dat Ik zal geven, is mijn vleesch voor het leven der „„wereld.quot; En Hij, eindelijk, die zeide: „die mijn vleesch „„eet en mijn bloed drinkt, hij blijft in Mij en Ik in hem,quot; „beeft evenzeer gezegd: „die dit brood eet, zal eeuwig leven,quot; „en „die Mij eet zal door Mij leven.quot;quot;
Wanneer nu Christus, onze Heer, ook aan ben het eeuwig leven belooft, die Hem slechts onder de gedaante van brood nuttigen, dan blijkt het van zelf, dat Hij bij het laatste avondmaal met de woorden: „drinkt allen daaruit,quot; geen algemeen gebod wilde vaststellen , hetwelk alle geloovigen zonder onderscheid zou verplichten, de H. Communie onder beide gedaanten te ontvangen, De menschgeworden wijsheid Jesus Christus, kon zich zeiven niet tegenspreken, en toch dat zou werkelijk het geval geweest zijn , wanneer de Verlosser van den eenen kant het ontvangen van zijn lichaam en bloed onder beide gedaanten op straffe van den eeuwigen dood had geboden, doch van den anderen kant aan allen, die Hem onder de eene gedaante van brood zouden ontvangen, het eeuwig leven beloofd had. De bedoelde woorden: „Drinkt allen daaruit,quot; zijn slechts tot de Apostelen gericht en tot degenen, die hen in het priesterschap tot het einde der tijden zouden opvolgen, namelijk als zij zelve het H. Misoffer opdragen. Tot de opdracht van dit onbloedig Offer worden de beide gedaanten vereischt, dewijl anders het bloedig offer des kruises, de verlossingsdood des Heeren niet, zooals Christus het bij de instelling bedoelde, zinnebeeldig zou worden voorgesteld. In dezen zin heeft de heilige katholieke Kerk de besproken woorden van Jesus Christus steeds verstaan, en terwijl zij volhield dat de goddelijke Heiland bij het laatste avondmaal een offer he^ft ingesteld, waartoe beide gedaanten noodzakelijke vereischten zouden wezen, heeft zij nooit geleerd, noch geloofd, dat Hij bij het laatste avondmaal allen geloovigen de Communie onder de beide gedaanten heeft voorgeschreven. Ünloochenbare daadzaken bewijzen veeleer het tegendeel. Zoo, bij voorbeeld, kan men niet loochenen, dat reeds in de oudste tijden der Kerk, de H. Communie, vooral
332
buiten de H. Mis, dikwijls slechts onder één gedaante werd uitgereikt en ontvaDgen. Oude geschiedkundige geschriften, alsook de getuigenissen der HH. Vaders en kerkelijke Schrijvers bevestigen daaromtrent onze overtuiging. \') En
\') Gelijk boven reeds gezegd werd, gaf men de H. Eucharistie in vroegere eeuwen den geloovigen mede naar huis. Dit geschiedde niet slechts tijdens de vervolging, maar ook later toen de Kerk in vrede bloeide. Bizonder gaf men het H. Sacrament, zooals de H. Basilius verhaalt, den kluizenaren mede, die, verre van de kerk verwijderd, in de woestijn woonden en geen Priester bij zich hadden. Er zijn echter vele bewijzen voorhanden, waaruit wij weten, dat de H. Eucharistie in den regel slechts onder de gedaante van brood mede naar huis mocht worden genomen. Oolc zoude het, vooral in warme landen, zooals Egypte en Syrië, onmogelijk zijn geweest om den geconsacreerden wijn langen tijd te bewaren zOnder dat deze in azijn overging. Vele kluizenaars konden slechts op de hoofdleesten ter kerke komen, en daarom gaf men hun het H. Sacrament, om het van het eene hooge feest tot het andere in hunne cel te bewaren. Op gelijke wijze en om dezelfde reden werd ook voor de zieken, het Allerheiligste gewoonlijk slechts onder de gedaante van brood in het tabernakel bewaard, be H. Aartsbisschop Ambrosius zelf ontving de H. Teerspijze slechts onder de gedaante van brood, zooals wij in zijn leven, door zijnen diaken beschreven, lezen. Ook de kinderen, die nog niet tot de jaren van onderscheid waren gekomen, gaf men, volgens het getuigenis van den H. Cyprianus. de H. Communie meestal slechts onder éóne gedaante en wel onder die van wijn. Aan de grootere kinderen werd de H. Communie dikwijls ook onder de gedaante van brood gegeven, dewijl men hun de overblijfselen van het geconsacreerde brood uitreikte. — Oorspronkelijk werd in de kerk gedurende de H. Alis den geloovigen de H. Communie wel is waar onder beide gedaanten gegeven, doch er bestond geene verplichting, om beide gedaanten te nuttigen. Dit zien wij onder anderen uit de voorschriften van den H. Leo en van zijn opvolger Gelasius, die alle geloovigen tot het nuttigen der beide gedaanten aansporen. Tijdens het leven dier Pausen hadden zich namelijk vele Manicheën onder de rechtzinnig geloovigen der roomsche Kerk gemengd en het
Ëewaagd, om met hen zelfs aan de tafel des Heeren deel te nemen, laarbij verachtten zij immer het nuttigen van den geconsacreerden kelk, omdat, volgens hunne leering, de wijn een voortbrengsel des duivels is. Ondanks deze weigering bleven zijewaagd, om met hen zelfs aan de tafel des Heeren deel te nemen, laarbij verachtten zij immer het nuttigen van den geconsacreerden kelk, omdat, volgens hunne leering, de wijn een voortbrengsel des duivels is. Ondanks deze weigering bleven zij toch onbekend, zoolang de rechtzinnig geloovigen zich naar believen van den kelk onthielden. Het voorschrift om de H. Communie onder beide gedaanten te ontvangen had dus tot doel de geheime Manicheën van de rechtge-loovigen te onderscheiden en perk aan hunne heiligschennende. handelingen te slellen. Met het verdwijnen van het Manicheïsmus geraakte ook dat kerkelijk gebod, als nu doelloos, langzamerhand in verval.
Buiten de H. Mis was het gebruik, ook in de kerk slechts onder de gedaante van brood te communiceeren. Zoo nuttigde men b. v. op goeden Vrijdag het H. Brood, dat daags te voren in de H. Mis geconsacreerd was, en bij de Grieken deed men dit dikwijls ook gedurende den vastetijd, omdat zij toen slechts op den zaterdag en. op den zondag, die geene vastendagen waren, de H. Mis lazen. — Toen nu in de twaalfde en dertiende eeuw het gebruik om onder beide gedaanten te communiceeren ophield, wekte dit bij het christenvolk niet het minste opzien noch eenige klacht. Van oudsher overtuigd, dat het nuttigen der beide gedaanten niet gevorderd werd, onthielden zij zich vrijwillig van den kelk, te meer omdat zij bemerkten, welke moeieiijkheid er bij de uitreiking daarvan dikwijls
333
al wil men enkel het getuigenis der H. Schrift laten gelden, ook dan zou het ons geenszins aan bewijzen ontbreken. Inde Handelingen der Apostelen (II, 42 en XX, 7) en bij Lucas (XXIV, 30) bijvoorbeeld is slechts van breken des broods sprake, en toch wordt het algemeen aangenomen, dar in de beide eerste teksten de H. Communie bedoeld wordt; er zijn gewichtige redenen, onder anderen het eenstemmig getuigenis van vele Vaders en Kerkleeraren, dat ook de laatst aangehaalde tekst op de H. Communie moet toegepast worden. En wanneer Paulus schrijft aan de Corin-thiërs (1. Cor. XI, 27): „Die onwaardig dit brood eet of „den kelk des Heeren drinkt, is schuldig aan het lichaam „en bloed des Heeren,quot; dan geeft hij duidelijk genoeg te kennen, dat men de H. Communie onder de eene of andere gedaante kan ontvangen en dat de zonde in beide gevallen dezelfde, eene booze ontheiliging is van het lichaam en bloed van Jesus Christus. — Wat nu de H. Kerk sinds de tijden der Apostelen gedaan heeft, dat heeft zij ook op de Kerkvergadering van Trente geleerd en plechtig verklaard: „De „heilige Kerkvergadering, (zoo lezen wij Ziet. 21; hoofdst. 1), „onderwezen door den H. Geest, die de Geest van wijsheid „en verstand, van raad en godvruchtigheid is, en volgens „het oordeel en het gebruik der Kerk, verklaart en leert, „dat de leeken en de Priesters, indien zij zelve het H. Offer „niet opdragen, door geen goddelijk gebed zijn verplicht „om het H. Sacrament der Eucharistie onder beide ge-„daanten te nuttigen, en dat men zonder het geloof te „kort te doen op geene wijze mag twijfelen, dat hun de „H. Communie onder eene gedaante ter zaligheid voldoende „is. Want schoon Christus bij het laatste avondmaal dit „hoogwaardig Sacrament onder de gedaanten van brood en „wijn ingesteld en den Apostelen geschonken heeft, heeft
ontstond, en dat het heilig bloed soms onteerd of gestort werd. Eerst in het begin der vijftiende eeuw trad Jacobell van Wies. predikant te Praag, een Hussiet, met de meening op, dat men aan de leeken den kelk niet mocht weigeren. Dat vermetel ondernemen werd door de algemeene Kerkvergadering van Constanz met de plechtige verklaring beantwoord: //Het gebruik van slechts onder ééne gedaante //de H. Communie uit te deelen, om gewichtige redenen door de //Kerk en door de Vaders ingevoerd en sinds geruimen tijd ge-//handhaafd, moet als een gebod worden beschouwd, dat door nie-//mand veroordeeld, door niemand naar willekeur en met voorbijgaan, //der kerkelijke overheid veranderd mag wordenquot; enz (De bewijzen uit de schriften der Vaders en uit de kerkelijke geschiedenis voor de aangehaalde daadzaken vindt men bij (jodgeleerden, die dit punt breedvoeriger bespreken, namelijk bij jBussuei; Traité de la Communion sous les deux espèces, en: La tradition défendue sur la matière de la Communion sous une espèce).
334
„evenwel die instelling en die schenking nog niet ten doel, „alle geloovige Christenen krachtens het voorschrift des „Heeren tot het ontvangen van beide gedaanten te ver-oplichten.quot; En om aan deze leering nog meer gezag te verleenen, spreekt de Kerkvergadering (Zitt. 21. Can. 1) den banvloek uit over eenieder, die zegt, dat elk Christen krachtens een goddelijk gebod, uit noodzakelijkheid des middels, verplicht is beide gedaanten der Eucharistie te ontvangen! — Aan deze beslissing der Kerk hebben wij ons te houden; want haar onfeilbaar leerambt komt het toe over de instelling van dit en van elk ander H. Sacrament eene zekere uitspraak te doen en ons te onderrichten omtrent datgene, wat tot het wezen, en wat niet tot het wezen bij het ontvangen daarvan behoort. Wil men te dezen opzichte nog plaats laten aan twijfeling, dan zou men op dezelfde gronden zelfs aan de geldigheid van ons Doopsel kunnen twijfelen. Want vanwaar hebben wij de zekerheid, dat het Doopsel door uitgieting van eenige druppels water op het hoofd geldig is — terwijl toch de Apostelen het H, Doopsel door indompeling toedienden, en de indompeling, volgens de leer van den H. Paulus (Rom. VI, 4) eene diep mystieke beteekenis heeft? En vanwaar krijgen wij de zekerheid, dat het Doopsel der kleine kinderen geldig is, terwijl toch Christus uitdrukkelijk gebiedt, eerst te onderwijzen en dan te doopen, en de eeuwige zaligheid slechts hun belooft, die gelooven en gedoopt zijn; vanwaar anders dan van het onbediiegelijk leerambt der H. Kerk? Terecht zegt daarom de vrome en geleerde Bossuet in zijne overwegingen over de H. Eucharistie (55® dag): „Wanneer „wij niet overtuigd waren, dat het bestendig geloof der „Kerk, de uitlegging der Kerk, het onaantastelijk gebruik „der Kerk zoowel Gods woord is als de H. Schrift zelve, „welken waarborg hadden wij dan voor de geldigheid van „het ontvangen Doopsel? Ja, mijn God! wat uwe Kerk „ten allen tijde heeft verkondigd, dat is de waarheid. In „dat geloof leef ik; met geest en hart sluit ik mij bij „uwe Kerk en hare leering aan en verklaar plechtig voor „uw aanschijn, dat ik tevreden ben uwe Sacramenten zoo „te ontvangen, als de Kerk, de door U aangestelde be-„stuurderesse, die aan mij schenkt.quot;
Uit het verklaarde zal het voor ieder duidelijk zijn, dat de Kerk, hoewel zij in vroeger tijden de Communie onder beide gedaanten veroorloofde en goedkeurde, tegenwoordig echter den kelk den leeken ontzegt, daarom nog niet hare geloofsleer, maar slechts hare tucht in de uitdeeling van dit H. Sacrament op zulk eene wijze veranderde, dat daar-
335
door niet aan het wezen van de H. Communie werd te kort gedaan. De Kerk heeft daartoe onbetwistbaar het recht en ook de volmacht. Zij zelve verklaart zich daarover met de grootste bepaaldheid in het Concilie van Trente (Zitt. 21. hfdst. 2). Wij lezen daar: „De heilige Kerk-„vergadering verklaart, dat in de Kerk immer de macht „levend is om in de uitdeeling der Sacramenten, met inacht-„neming der wezenlijke vereischten dier Sacramenten, dat-„gene te verordenen en te veranderen, wat zij ten beste „der ontvangenden of voor de vereering der Sacramenten „zelve, naar verschil van zaken, tijden en plaatsen voor „wenschelijk houdt.quot; Daarom heeft onze Moeder, de H. Kerk, ofschoon hij den aanvang van den christelijken godsdienst het gebruik der beide gedaanten niet zeldzaam was, evenwel in verloop van tijd, nadat dit gebruik reeds op zeer vele plaatsen was gewijzigd, om gewichtige en gezonde redenen van hare macht gebruik gemaakt en vastgesteld, dat de leeken voortaan onder ééne gedaante zouden communiceeren, en deze bepaling moet gelden als eene wet, die men niet mag verwerpen of zonder hare toestemming naar willekeur veranderen. Welke de redenen waren waarom de Kerk deze bepaling maakte, heeft zij ons niet meegedeeld; ook is zij daarover aan ons geene rekenschap schuldig. Wij leeren echter uit de geschiedenis der Kerkvergadering van Trente dat, toen er beraadslaagd werd of men naar het verlangen des Keizers, om de ontevredenen tevreden te stellen, in het gebruik van den kelk zou bewilligen, daartegen onder anderen ook de volgende redenen werden aangevoerd. De vergaderde Vaders achtten het raadzaam, het verzoek des Keizers afwijzend te beantwoorden , en het gebruik om de H. Communie slechts onder ééne gedaante uit te deelen, streng vast te houden; 1) Teneinde het H, Bloed voor onteering te bewaren, omdat het onder de gedaante van wijn lichtelijk gestort en niet goed bewaard kan worden; 2) om het ontvangen van het allerheiligst Sacrament allen gemakkelijk te maken, dewijl velen (vooral bij grooten toeloop van menschen) bevreesd konden wezen, uit een gemeenscbappelijken kelk te drinken; 3) teneinde tegenover de dwaalleeraren te verklaren , dat Christus onder elke gedaante geheel tegenwoordig is. Men koesterde inderdaad de vreeze, dat de leeraars der dwaling, als men ter wille der hereeniging met de Kerk op dit punt wilde toegeven, zouden bevestigd worden in den waan, dat de Communie onder beide gedaanten noodzakelijk is, en dat zij daarenboven bemoedigd zouden worden, met andere, nog meer onbescheiden en
336
der katholieke leer vijandige eischen op te treden. Verder hechtte men in gezegde beraadslaging vooral gewicht aan het gebrek van wijn, namelijk in de noordsche streken, quot;waarhij men de moeielijkheid der verzending en de gemakkelijkheid der vervalscbing niet uit het oog mocht verliezen. Al deze redenen hebben geene verdere verklaring noodig;- het groot gewicht daarvan valt ieder in het oog. En zou zulks het geval niet wezen , dan mogen wij toch niet twijfelen, dat de Kerk hierin meer doorzicht heeft dan iemand onzer, en dat slechts gewichtige redenen haar konden bewegen, betrekkelijk de Communie onder ééne gedaante van de vroegere gewoonte af te wijken, ja zelfs deze geheel te verbieden. Daarom ook spreekt de Kerkvergadering van Trente (Zitt. 16; Can. 2) den banvloek uit over eenieder, die zegt, dat de katholieke Kerk niet door billijke redenen bewogen is, den leeken en ook den Priesters, als zij het H. Misoffer niet opdragen, de EL Communie slechts onder ééne gedaante uit te deelen, of\' dat zij daarin gedwaald heeft, i)
\') Het moet ons niet verwonderen, dat de redenen der katholieke Kerk om den leeken het nuttigen van den kelk te ontzeggen aan andersdenkenden niet zoo duidelijk voorkomen als aan ons Katholieken. Het komt er hier hoofdziikelyk op aan, welk begrip men zich vormt van de viering des avondmaals, dat Jesus met zijne Apostelen gehouden en voor alle tijden voorgeschreven heeft. Wat dit betreft, bestaat er tusschen de Katholieken en andersgezinden een groot onderscheid. Voor ons Katholieken is dat avondmaal niet slechts een maaltijd, maar ook en wel in de eerste plaats en hoofdzakelijk een offer. Volgens de leer der Katholieken behooren de beide gedaanten wezenlijk tot het offer, maar niet tot den maaltijd; dewijl deze laatste bestaat in de nuttiging van het vleesch en bloed, hetwelk onder elke gedaante op gelijke wijze tegenwoordig is. Doch geheel iets anders is het, wanneer men, zooals andersgezinden, in de viering van het avondmaal niets anders ziet dan een maaltijd bestaande uit brood en wijn, door Christus gehouden, om die in het vervolg als eene blijvende gedachtenis aan dit zijn afscheidsmaal op dezelfde wijze te houden. In dat geval is de wijn een volstrekt noodzakelijk bestanddeel van den eucharistischen maaltijd. De Protestant kan daarom niet dulden, dat deze hem onthouden wordt, en als hij zijne valsche opvatting toepast op het tegenwoordig gebruik der katholieke Kerk, dan moet het hem zekerlijk onbillijk toeschijnen, dat de Communie niet onder beide gedaanten wordt uitgedeeld. Het gevaar dat er soms een druppel uit den kelk gestort worde, schijnt hem eene onbeduidende reden tot weigering, want hij ziet in den kelk niet zooals wij het heilig bloed van Jesus Christus, maar slechts wijn, waarover de woorden des Heeren worden uitgesproken. Wat de communiceerende daarbij denkt of gelooft, is hem geheel onverschillig; het gebeurde immers niet zelden, dat Lutheranen en Calvinisten uit denzelfden kelk des avondmaals dronken, terwijl de eersten het bloed van Christus, de anderen slechts het zinnebeeld daarvan meenden te nuttigen. —■ Ook kan voor andersgezinden de moeielijkheid om in een of ander land zuiveren wijn te bekomen van niet veel gewicht zijn, dewijl zij in het
337
Waarom wil de Heer zich aan alle geloovigen als spijze medecleelen ?
1) Om ons een bewijs te geven van zijne teedere, over-groote liefde, en om zich met ons op de innigste wijze te vereenigen (Joan. VI, 57). God bewees den menschen eens groote liefde, toen Hij hen door zijn almachtig woord uit het niet in het leven riep en eene ziel schonk, die onsterfelijk en naar zijn evenbeeld geschapen is. Nog grooter en barm-
gevaar van oncchten wijn te cotisacreeren niet, zooals wij Katholieken, eene schrikkelijke heiligschennis zien, en ook omdat in het algemeen in hunnen godsdienst van eene menigvuldige of dagelijk-sche Communie, zooals bij ons, geen sprake kan wezen. Wij willen de vergelijldng niet verder voortzetten; het gezegde zal voldoende wezen om. het ook voor redelijk denkende Protestanten begrijpelijk te maken, dat de katholieke Kerk bij het voorschrift omtrent de H. Communie onder eene gedaante, namelijk van brood, noch lichtzinnig noch hartstochtelijk is te werk gegaan; dat zij aan haar geloof veeleer goede gronden ontleende, om zoo te handelen. Het is echter zeer te beklagen, dat met betrekking tot dit twistpunt door de bestrijders van ons geloof niet dezelfde gematigdheid en kalmte werd in het oog gehouden.
Het is den beoefenaar der geschiedenis niet onbekend, hoe driest men de leering hiermede verbonden verminkt, met welke hatelijkheid men de hoogstwijze en voorzichtige voorschriften gegispt heeft om onwetenden in dwaling te brengen, tegen de H. Kerk op te zetten en tot afval te verleiden. Het is hier de plaats niet om het blind fanatismus, waarmede de Hussieten op het behouden van den kelk aandrongen, en de geweldenarijen, waaraan zij zich daarbij jegens de Katholieken schuldig maakten, in het geheugen terug té roepen. Hoezeer schittert daarbij dc kalme en hartstochtelooze handelwijze van de Kerkvergadering van Trentel Ofschoon zij het namelijk niet oorbaar achtte, in het algemeen het gebruik van den kelk toe te staan, liet zij het toch aan de beslissing van den Paus over, om wanneer aan een volk de Communie onder beide gedaanten kon veroorloofd worden, overeenkomstig zijne eigen inzichten datgene te bepalen, wat volgens zijn oordeel het meest heilzaam voor de christenheid zou wezen (Zitt. XXII: over het verbeterd besluit omtrent het verzoek om den kelk). Pius \\S veroorloofde inderdaad op de herhaalde bede van keizer Ferdinand I onder zekere voorwaarden het gebruik van den kelk, hopende alzoo de door den hoogen verzoeker uitgesproken vreeze, dat langere onthouding daarvan den terugkeer van vele dwalenden zoude verhinderen of een geheelen afval veroorzaken, te verijdelen. Doch deze toegevendheid droeg niet de gewenschte vruchten. Veelmeer ontleenden de andersge-zinden daaraan eene reden om den Katiiolieken zegevierend voor te werpen: nu ziet gij dat wij gelijk hadden, de Paus zelf getuigt dit. Die hoonende zegekreet klonk zoo luide en algemeen, dat Pius V nauwelijks een jaar later zich verplicht zag, het geschonken verlof van zijnen voorganger te herroepen. Overigens werd het spoedig duidelijk, dat het den verkondigers der nieuwe leering niet zoozeer te doen was om het gebruik van den kelk en het gebod van Christus, als wel om een voorwendsel, dat bij het volk ingang zou vinden, en waardoor men de deels volbrachte, deels ondernomen scheiding van de moederkerk zocht te rechtvaardigen en te verschoonen.
I)EHA.TIBE, GBLOOPSLEER. IV 3\'\'« T)RÜK. • 22
338
hartiger toonde zich zijne liefde voor ons, toen Hij in den loop der tijden, om ons het verloren leven der genade weder te geven, van den troon der godheid nederdaalde, de gedaante van een dienstknecht aannam en tot voldoening onzer zonden leed en stierf. Schijnt de liefde van Jesus Christus aan het kruis niet het hoogste toppunt, de uiterste grens bereikt te hebhen? Zeide Hg zelf niet: „grooter liefde „heeft iemand niet, dan wanneer hij zijn leven geeft voor „zijne vrienden?quot; (Joan. XV, 13). En kon de stervende Heiland ons niet met het volste recht toeroepen : „wat konde „Ik, o mensch, voor u doen, wat Ik niet gedaan heb?quot; Doch wie kan de liefde van den Godmensch begrijpen? In de ondoorgrondelijke diepte zijner oneindige wiisheid vindt Hij middelen en wegen, om ons op eene nieuwe, ongehoorde wijze zijne teederste, alles overtreffende liefde te toonen. Teneinde ons het leven weder te geven is het eeuwig Woord voor ons mensch geworden; om het teruggegeven leven in ons te onderhouden en te vermeerderen, wil de menschgeworden God onze spijze worden. Aan het kruis offerde de Heiland voor ons zijn leven; in het allerheiligste Sacrament schenkt Hij ons zijn vleesch en zijn bloed, zijn lichaam en zijne ziel, zijne menschheid en zijne godheid, alles wat Hij is en heeft, tot voedsel onzer zielen. Moeten wij daarbij niet, vol verbazing en bewondering over eene zoo onbeschrijfelijke gunst en genade, uitroepen : „o „Heer, wat is de mensch, dat Gij hem indachtig zijt? of „wat is het kind des menschen, dat Gij zelf hem opzoekt?quot; (Ps. VIII, 75), dat Gij hem bezoekt om ü met hem, zooals de spijze met dengene, die ze nuttigt, te vereenigen? Wie zou zich verstout hebben zulk eene afdaling van den Allerhoogste tot een onbeduidenden worm der aarde te verlangen of te verwachten ? In wiens geest zou zelfs de gedachte daaraan zijn opgekomen? Wel ziet men herders, die zich voeden met het vleesch hunner schapen; maar slechts één goede Herder, Jesus Christus, voedt zijne schapen met zijn eigen vleesch en drenkt ze met zijn eigen bloed ten eeuwigen leven. Van den pelikaan verhaalt men, dat hij zich de borst verwondt om met zijn eigen bloed den dorst zijner jongen te stillen. Wat van den pelikaan fabelachtig verhaald wordt, wordt volle waarheid in Christus, die met zijn vleesch en bloed degenen voedt, die Hij door zijn smartvollen dood het leven der genade heeft wederge-schonken. Wel moest het vooruitzicht van zoovele God onteerende snoodheden, die in \'t vervolg van tijd door het onwaardig nuttigen van dezen hemelschen maaltijd zouden bedreven-worden, onzen Heiland doen terugschrikken voor
339
dit bewijs van ongehoorde liefde; doch zijne liefde tot ons was zoo teeder en brandend, dat Hij de voorkeur schonk aan het gevaar van de gruwelijke heleedigingen van heilig-schennende Communiën, liever dan ons te herooven van het groot geluk om door het waardig ontvangen van zijn allerheiligst vleesch en bloed met Hem op \'t innigste ver-eenigd te worden.
En inderdaad de vereeniging, die door de Communie tusschen Jesus Christus en de ziel des communiceerenden plaats grijpt, is onuitsprekelijk innig. Bij de menschwording had zich het eeuwig Woord met de menschelijke natuur ver-eenigd; bij de H. Communie vereenigt zich de menschge-worden Zoon van God op geheimvolle, sacramenteele wijze met ieder, die Hem ontvangt, opdat allen één met Hem, één met den Vader zouden wezen. Met dit doel bereidde Christus voor hen, die aan Hem gelooven, in zijne H. Kerk dat goddelijk maal. Hij zelf verklaart dit, zooals de H. Hilarius getuigt (Boek VIII over de H. Drievuldigheid, N0. 12—17), in het plechtig gebed, hetwelk Hij na de., instelling van het H. Altaargeheim tot zijn hemelschen Vader richtte, met de woorden: „En Ik heb de heer-„lijkheid, die Gij mij hebt gegeven, ook aan hen geschonken, „opdat zij één zijn mogen, zooals Wij één zijn; Ik in „hen en Gij in Mij, opdat zij volkomen één mogen wezenquot; (Joan. XVII, 22, 23). Die heerlijkheid is geene andere dan de godheid zelve, welke Christus naar de menpchelijke natuur van den Vader heeft ontvangen; en juist deze met zijn allerheiligst vleesch en bloed vereenigde godheid geeft ons Christus in de H, Communie, waardoor zijn vleesch onze spijze wordt. En dewijl aldus de Zoon, wat betreft zijn goddelijk vleesch in ons, en de Vader wat betreft de goddelijke natuur in den Zoon is, zoo zijn wij allen door den Zoon in den Vader volkomen vereenigd. Om dit sacramenteele één-zijn in den Vaderen den Zoon smeekte Christus in datzelfde gebed voor alle zijne leerlingen, voor alle geloovigen, zeggende: „Ik „bid niet voor hen (voor de Apostelen) alleen, maar ook „voor degenen, die door hun woord aan Mij zullen gelooven; „opdat allen één mogen wezen, zooals. Gij, Vader, in „Mij zijt, en Ik in ü ben, opdat ook zij in Ons één zijnquot; (Joan. XYII, 20, 21). „Wantquot;, zooals de genoemde Kerkleeraar treffend opmerkt, „Christus bad niet slechts; „Vader, Ik bid U, dat zooals wij een en hetzelfde willen, „zoo ook zij een en hetzelfde begeeren, en dat wij allen „naar den wil één mogen wezen ; maar Ik bid, dat zij, „zooals Gij, Vader, in Mij zijt en Ik in U ben, zoo ook
22*
340
„zij, naar deze oorspronkelijke beeldtenis van eenheid, in „ons één-worden/\' Deze innigste vereeniging met Hem belooft de Heiland zelf door de woorden: „die mijn vleesch „eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem;quot; en ter wille van dat sacramenteele één-worden met den Vader en met Hem belooft Hij ons het eeuwige leven, dewijl Hij zegt: „Zooals Mij de levende Vader heeft gebonden, en Ik door den Vader leef, zoo zal ook die
„Mij eet door Mij leven.....eeuwig levenquot; (Joan.
VI, 57—59). gt;)
2) Om ons ook onder elkander door een band van liefde en eendracht op het nauwst te verbinden (1. Cor. X, 17). Daarom noemt de Kerkvergadering van Trente (Zitt. 13. hfdst. 8) dit heilig Sacrament, ,.het teeken der eenheid, „de band der liefde, het zinnebeeld der eendracht.quot; Het teeken der eenheid zijn de gedaanten, onder welke deze goddelijke spiize verborgen is; de band der liefde is die goddelijke spijze zelve; het zinnebeeld der eendracht is de gemeenschappelijke maaltijd, waarbij wij die spijze genieten. In hoeverre nu zijn de gedaanten van het allerheiligste Sacrament een teeken van eenheid\'! „Zij zijn dit,quot; zoo antwoorden ons de HH. Vaders, „in zooverre zij uit vele „deelen één geheel geworden zijn; want uit vele tarwe-„korreltjes ontstaat het brood en uit vele druiven ontstaat „de wijn.\'\' Hierin licht de geheimzinnige beteekenis, dat ook wij , die aan de H. Eucharistie deel nemen, met elkander één hart en ééne ziel worden. Daarom zegt de H. Augustinus (Leerrede 273): „Christus, de Heer, heeft „bij zijn afscheidsmaal (brood en wijn) het zinvolste teeken „van vrede en eenheid gekozen. Doch die het geheim der „vereeniging ontvangt en den vrede niet bewaart, voor „hem blijft het ontvangen van het geheim zonder vruchten „en wordt veeleer een getuige tegen hem.\'\' — En hoe is
\') Jesus sprak eens tot de zalige Margaretha van Yperen na de H. Communie de volgende leerrijke en liefdevolle woorden: «.Zie //mijne geliefde dochter, welke eene schoone vereeniging er nu tusschen „u en Mij plaats grijpt! Laten wij elkander zoo beminnen, en blijven wij (/door de liefde immer met elkander verbonden en dat wij ons nimmer ,/weder scheidenquot; (H. Ligorio. Bezoeken). — Om aan de groote genade dier onuitsprekelijk innige vereeniging, van dit geheimvo\'. huwelijk met Jesus, den Bruidegom der reine zielen, deelachtig te worden, verlangden de Heiligen zoo vurig naar de H. Communie. Geene moeilijkheden, geen offer, hoe groot ook, achtten zij te zwaar, wanneer het hun slechts vergund werd, den Heiland in het allerheiligst Sacrament te ontvangen. Zoo was onder anderen de H. Mechtildis gewoon te zeggen: .Indien het noodig ware door vuur /,en vlammen te gaan om de H. Communie te ontvangen, dan zou ik //geen oogenblik aarzelen het te doen.quot;
341
de goddelijke spijze zelve een hand der liefde? Daardoor dat wij, volgens het bovengezegde, krachtens die spiize allen door Christus één worden in God; want, zijn wij één in God, dan zullen wij ook onderlinar één zijn, eensgezind door eenzelfden band van liefde, die ons met God ver-eenigt, dewijl de liefde tot God niet kan bestaan zonder de liefde tot den naaste, \'t Is waar, door het H. Doopsel zijn wij reeds ledematen van één lichaam geworden, doch de H. Communie onderhoudt die vereeniging, haalt die banden nauwer en nauwer toe, terwijl zij ze versterkt en veredelt. Dat leert de Apostel met de woorden: „Eén „brood, één lichaam zijn wij velen, wij allen, die aanéén „brood deel nemenquot; (J. Cor. X, 17). Dat wil zeggen; als wij het waarachtig lichaam des Heeren in de Eucharistie nuttigen, worden wij allen in zijn geheimvol lichaam steeds volkomener opgenomen. Gelijk het namelijk de lichamelijke spijze eigen is over te gaan in \'t lichamelijk wezen van hem, die ze eet, zoo ook is het deze spijze der zielen eigen , hen, die ze nuttigen , als \'t ware tot één wezenlijk lichaam te maken. „Want,quot; zoo bemerkt de H. Chrysostomus (Homil. 24. over 1. Cor.) , „gij wordt niet „gevoed door dit, en een ander door een ander lichaam, „maar allen nuttigen een en hetzelfde onverdeelde lichaam.quot; Diensvolgens zijn zij allen één lichaam, dewijl een en hetzelfde wezen allen voedt. Dat de H. Eucharistie ook een zinnebeeld der eendracht is, behoeft geene nadere verklaring. Allen toch komen samen om aan denzelfden disch den goddelijken maaltijd te nuttigen; daarom wordt ook de H. Communie door de grieksche Vaders dikwijls Synaxis (verzameling) genoemd. Wij moeten dus allen als dischgenooten, als leden eener zelfde familie in vrede en eensgezindheid te zamen leven. Niemand mag een ander verachten, versmaden of haten, dewijl allen deel nemen aan éénen maaltijd der liefde. Dat is de ware broederschap, die de wereld te vergeefs aanprijst en zoekt, maar slechts in de door Christus gestichte Kerk kan gevonden worden.
Welke genaden deelt de II. Communie ons mede?
Zij deelt ons ontelbare genaden mede, omdat zij ons op de innigste wijze vereenigt met Christus , de goddelijke bron van alle genaden. De voornaamste werking der H. Communie is volgens het bovengezegde eene geheel bizondere en zoodanig innige vereeniging met Christus, als geen ander Sacrament die vermag in \'t leven te roepen. Want door dit allerheiligst
342
Sacrament alleen komt Christus in het binnenste van dengene, die het ontvangt, lichamelijk tegenwoordig, zoodat er tusschen hem, die communiceert, en den Heiland meer dan eene lichamelijke omhelzing — in zekere mate een lichamelijk overgaan van den een in den ander plaats grijpt. Daarom dan ook noemt de Kerkvergadering van Florence, in haar besluit voor de Armeniërs, „de vereeniging van den mensch „met Christus\'\' de voornaamste werking van dit Sacrament en . de bron van alle overigen. Wij moeten hier echter niet slechts letten op de liehamelyke vereeniging, die met de verdwijnende gedaanten ophoudt, maar ook op üqgeestelijke, de blijvende, waarvan Christus spreekt als Hij zegt; „die mijn vleesch eet, blijft in Mij en Ik in hem.quot; Deze door den band der genade bemiddelde geestelijke vereeniging, die uit de lichamelijke voortspruit, duurt ook na het verdwijnen der gedaante voort, verblijft in hen, die communiceeren, ten eeuwigen leven. Christus is namelijk in dit H. Sacrament, zooals wij reeds aantoonden , de spijze der zielen en als zoodanig „werkt Hij met betrekking tot „het hooger zieleleven,quot; leert het genoemde Concilie, „alles, „wat de lichamelijke spijs en drank met betrekking tot „het lichaam doet.quot; Gelijk nu de lichamelijke spijze, niet slechts op het oogenblik der nuttiging — maar ook in het vervolg, door gedurige mededeeling van kracht ons op velerlei wijzen tot nut verstrekt, zoo is ook de verhouding van het geestelijk nut, dat wij uit het ontvangen van het H. Sacrament des Altaars trekken. En wie zou er aan twijfelen, dat deze onbeschrijfelijk innige, lichamelijke en geestelijke vereeniging met Christus, de overvloeiende bron van alle genaden, voor ons een kanaal wordt van ontelbare genaden en zegeningen, als wij haar aangaan na ons waardig te hebben voorbereid. Wie zou hieraan kunnen twijfelen, als Christus de Heer zich zoo innig met onze zielen vereenigt, om haar met kostbare schatten van genaden, die Hij aan \'t kruis verdiend heeft, te verrijken? Onmogelijk zou het wezen, zooals de roomsche Katechismus opmerkt (N0. 47), al de onmetelijke voordeelen en ontelbare krachten der eucharistische vereeniging te beschrijven en op te sommen. De uitdrukkelijke vermaning van dien Katechismus indachtig, om namelijk voor de geloovigen de overrijke volheid aller goederen, die ons door de H. Communie toevloeien, eenigszins te ontwikkelen en voor oogen te stellen, zullen wij tenminste eenige punten bespreken en beknopt ontvouwen.
1) De H. Communie onderhoudt en vermeerdert in ons de heiligmakende genade. — Datzelfde doen ook de overige
343
Sacramenten der levenden, indien zij waardig worden ontvangen; door het nuttigen echter van dit hemelsch Brood geschiedt zulks op eene geheel bizondere wijze, dewijl dit H. Sacrament door den goddelijken Heiland allereerst en eigenlijk daartoe ingesteld en verordend wordt. Dit doel der H. Eucharistie wordt reeds door het uitwendig teeken, zooals ook bij de overige Sacramenten gebeurt, aangeduid en aanschouwelijk gemaakt. Gelijk namelijk de uitwendige afwassching des lichaams in het H. Doopsel de zuivering der ziel van elke zondenvlek beteekent, zoo beteekenen ook hier de gedaanten van brood en wijn , die voortreffelijke bestanddeelen van lichamelijk voedsel en sterkte, de door het H. Sacrament bewerkte onderhouding en versterking van het bovennatuurlijk leven der ziele. Daarom leert de Kerkvergadering van Trente (Zitt. 13. hoofdst. 2): „Het „was het verlangen van onzen Heiland, dat het genoemde „H. Sacrament genuttigd werd als eene geestelijke spijze „der ziel, waardoor zij gevoed en versterkt zouden worden, „die leven van het leven van Hem, die zegt: „wie Mij „„eet zal ook door Mij leven.quot;quot; Doch het hoogere, bovennatuurlijke leven der ziel wordt op geene andere wijze versterkt en vermeerderd, dan juist door de vermeerdering der heiligmakende genade, die als een hemelsch leven gevende adem van den levenden God is. Bracht de H. Communie geene andere vruchten voort dan slechts die vermeerdering van het genadeleven onzer zielen, dan reeds zouden wij ons sterk aangespoord moeten gevoelen, zeer dikwijls tot de tafel des Heeren te naderen, omdat aan eiken hoogeren trap van dat Gode gelijkend leven ook gedurende alle eeuwigheid een hoogere graad van het glorieleven in den hemel zal beantwoorden.
2) De H. Communie verzwakt onze booze neigingen en geeft ons lust en kracht tot beoefening van het goede.
a) Zij verzwakt onze kwade neigingen, en wel om eene tweevoudige reden. Yooreerst wordt door de vermeerdering der heiligmakende genade ook de liefde vermeerderd; waar de heilige liefde toeneemt, daar neemt, zooals de H. Augustinus treffend zegt, de onheilige liefde, daar nemen de ingewortelde en door de gewoonte versterkte kwade neigingen af. Ten tweede, de H. Eucharistie is naar de leer der HH. Vaders niet slechts eene spijze, maar ook een geneesmiddel der ziel, eene artsenij voor hare diep ingekankerde ziekten, de ongeregelde neigingen en hartstochten van het menschelijk hart. In dezen zin zegt de H. Cyrillus van Alexandrië (Boek 4. hoofdst. 2. over Joann.) : „De „H. Communie bezit de kracht om de ziekten onzer ziel
344
„te verdrijven, dewijl Christus door zijne tegenwoordigheid in „ons de onstuimige wet onzer ledematen beteugelt en het „verwekte oproer stilt.quot; In diezelfde gedachte tredend zegt ook de H, Bernardus (Preek op Witten Donderdag) : „Indien „iemand niet meer zoo hevige opwellingen van toorn, nijd „en onzuiverheid en van andere dergelijke hartstochten in „zich ontwaart als weleer, hij danke het aan het lichaam „en bloed des Heeren. Want het is de kracht van dit H. „Sacrament, die deze verbetering bewerkt en de boosaardigste „kwalen heelt.quot; En hoe ook zou dit in het minste onze bevreemdinlt;ï kunnen wekken ? Als eene vrouw, volgens het Evangelie, van eene langdurige ziekte des lichaams werd genezen, omdat zij vol vertrouwen den zoom van Jesus\' kleed aanraakte, hoeveel te meer zal de innigste vereeniging van de ziel met haren Heiland, die door de H. Communie plaats grijpt, ook hare gebreken en ziekten doen verdwijnen! Doch de H. Communie oefent op onze ziel niet slechts een genezenden, maar ook een levengevenden invloed uit, dewijl zij ons:
b) Lust en kracht ten goede geeft. Moge dit in de eerste plaats geschieden doordat zij de heilige liefde, die overeenkomstig hare natuur tot Gode behagelijke daden aanspoort, in ons meer en meer ontsteekt, toch ligt in die hemelsche spijs zelve nog eene geheel bizondere kracht opgesloten, om onzen geest in zekere mate in den geest van Jesus Christus te veranderen. „Want,\'\' zoo merkt de roomsche Kate-chismus op (N0. 48), „dit H. Sacrament wordt niet gelijk „het brood en de wijn, in ons wezen veranderd, maar „wij worden veeleer zelve eenigerwijze iu zijne natuur „veranderd, zoodat wij met recht de woorden van den „H. Augustinus (Belijdenis, Boek 7; hfdst. 18) op Jesus „in het allerheiligste Sacrament kunnen toepassen: „Ik „„ben de spijze der volwassenen, groei en gij zult mij „„eten; en gij zult Mij niet, als spijzen uws lichaams, in „„u veranderen, maar gij zult in Mij veranderd worden.quot;quot; Deze geheimvolle verandering van onzen geest in den geest van Jesus Christus levert de lieflijkste vruchten; vruchten van verlangen naar volmaakte heiligheid, van innerlijken vrede, van heilige vreugde, van zachtmoedigheid, ootmoed, kracht, geduld, getrouwheid, zuiverheid en van alle andere christelijke deugden. Vandaar zegt een heilig schrijver: \') „De armen van geest, tevreden met
\') De abt ArnoUf, een tijdgenoot van den H. Bernardus. Senu. de Coena in opp.
345
„deze hemelsclie spijze, versmaden alle lekkernijen der „wereld; Christus vergoedt hun elk aardsch genoegen.quot; Is door dezen hemelschen maaltijd hun honger en dorst naar rechtvaardigheid gestild, dan verspreiden zij een geur van heiligheid. Stichtende gesprekken, deugdzame zeden, zuiyere begeerten, vreedzame bewegingen; ziedaar de vruchten der H. Communie, \'j
3) De H. Communie zuivert ons van de dagelijksche zonden en bewaart ons voor de doodzonde. De Kerkvergadering van Trente leert dit uitdrukkelijk (Zitt. 13; hfdst. 2), de H. Communie aanduidende als een tegenmiddel, waardoor wij van de dagelijksche zonden gereinigd en voor doodzonden behoed worden.
a) Wij hebben dus, zooals de roomsche Katechismus zegt, niet de minste reden om te betwijfelen, dat door de H, Eucharistie de kleinere zonden, die men dagelijksche noemt, worden vergeven. De H. Thomas 2) haalt, ten bewijze, twee redenen aan. De eene is ontleend aan de on-
!) De II. Rosa van Lima was reeds als kind tot zulk eene deugd en heiligheid opgeklommen, dat haar biechtvader om hare onschuld des harten, om haren mannelijken ijver in de godsvrucht en haar brandend verlangen naar de H. Communie, niet de minste bedenking maakte, haar deze meermalen in de week te veroorloven. Later eischte hij, dat zij rekenschap zou geven van de werkingen, die het H. Sacrament in hare ziel voortbracht. liosa toonde zich daartoe terstond bereid, doch verklaarde openhartig, dat zij geene woorden kon vinden om deze te beschrijven en overeenkomètig de wsrkelijk-heid voor te stellen. Zij zeide: «Het maagdelijk vieesch van den „Heiland stort de wondervolle zachtmoedigheid van het goddelijk „Lam in mijne ziel over. Tevens wordt mij daardoor op teer bizon-„dere wijze een nieuw leven geschonken, word ik door eene geheel //eigenaardige omkeering van mijnen geest in die goddelijke, zoete, «sappige, bovenalles krachtige spijze der ziel gesterk\' en verkwikt. «Daarenboven ontstaat in mijn hart eene vreugde en rust van hemelschen „oorsprong, een vrede en samenstemming van alle -leigingen en ge-«voelens, die ik niet weet uit te spreken.quot; Over d-: matelooze zaligheid, welke uit de innigste vereeniging met haren geliefden Bruidegom voortstroomde, over de geestelijke geneugten, dfe zij op dat oogen-. blik ondervond, als zij de ware zoetheid uit de frissche en heldere bron dronk, over den smaak, de volheid en vpedzaamheid der vruchten, die zij van dezen boom des levens plukte, kon zij slechts stamelen. Ééne zaak kon zij slechts daarvan zeggen- „Geen genot, geene „vreugde, geen gejubel der wereld kan in de verte vergeleken worden „bij het zalig genot, dat de ziel ondervindt als zij, bij dien hemelschen „maaltijd, die goddelijke, alleen waarlijk verzadigende spijze geniet.quot; Aan een anderen biechtvader verklaarde ^ich de Heilige over hetzelfde onderwerp op deze wijze: „Het kont mij voor, als neem ik „bij de H. Communie de zon in mijn hajt op. Want wat de zicht-„bare zon in het wereldruim uitwerkt, terwijl zij alles verlicht en „verwarmt, de aarde met bloemen en vruchten tooit, planten en „dieren doet leven, dat bewerkt ook de wezenlijke tegenwoordigheid „van Christus\' lichaam in de zielquot; (Boliand. 26 August.).
2) Summa 3. q. 79. artic. 4.
346
/
uitsprekelijk innige vereeniging, die Jesus sluit met dengene, die Hem in het H. Sacrament des Altaars ontvangt. Ten gevolge dier vereeniging wordt namelijk de ziel van hem, die gecommuniceerd heeft, ontvlamd door godsvrucht en aangespoord tot eene vurige liefde, tot berouw over de bedreven zonden en tot al datgene, wat ons met God verzoenen kan. Eene andere reden vindt de engelachtige leeraar daarin, dat deze goddelijke spijze, wat hare natuur betreft, geschikt is om de bovennatuurlijke levenskracht, die dagelijks door fouten verzwakt wordt, te herstellen, zooals het der lichamelijke spijze eigen is om datgene, wat van de natuurlijke levenskracht verdwijnt en verloren gaat, langzamerhand weder aan te vullen. Zeer treffend zegt daarom de IT. Ambrosius (over de geheimen, Boek 4. hoofdst. 6) van het H. Sacrament: „Dit dagelijksch brood wordt genuttigd „als een geneesmiddel voor onze dagelijksche zwakheid,quot; dat is tot uitdelging der dagelijksche gebreken, waaraan wij ons uit zwakheid schuldig maken; en de H. Chrysos-tomus (Homil. 45 over Joan.) zegt in dienzelfden zin: Het „H. bloed, dat in het H. Sacrament wordt genuttigd, „reinigt de ziel van de vlekken der zonde, wascht haar af, „versiert en loutert haar, opdat zij meer glans verspreide „dan het goud.quot;
b) Dat de H. Communie ook voor zware zonden behoedt, getuigt ons de Heiland zelf, als Hij van het eucharistisch brood zegt, dat degene, die daarvan eet, niet zal sterven, (Joan. XI, 5). De dood kan ons lichaam bedreigen door eene langzame tering of wel door een geweldigen aanval van buiten; in het eerste geval zijn spijs en drank de middelen sm hem af te weren; in \'t laatste geval dienen ons de wapenen ter beschutting. Op gelijke wijze is het met den bovtnnatuurlijken dood der ziel gesteld. Hij treft ons, of wel ten gevolge der zwakheid en boosheid van onzen wil, die wij van onzen stamvader hebben overgeërfd, of ook door de nu eens sluw verborgen, dan weer openlijke en geweldige aanvallen van Satan en van de booze wereld. Wij hebben dus voor het eerste geval voedsel en geneesmiddelen, en voor het laatste geschikte wapenen noodig, willen wij ons voer den dood der ziel bewaren. Welnu beide geeft ons de H. Eucharistie. Zij is, zooals reeds werd verklaard, eene versterkende spijze en een heilaanbrengend geneesmiddel, en, terwijl zij ons tevens dadelijke genade mededeelt, de wipenkamer der goddelijke macht en barmhartigheid ontsluit, geeft zij ons wapenen in handen, waarmede wij de hevigste en langdurigste aanvallen van de hel en hare bondgenoote, de wereld, afslaan, de zwaarste
347
bekoringen overwinnen kunnen. „Dit geheimvol bloed,\'\' zoo zegt de H. Chrysostomus op eene andere plaats, „verdrijft de duivelen; op het enkel gezicht daarvan nemen „zij de vluchten kort tevoren had hij zijne toehoorders opgewekt, van de tafel des Heeren op te staan als vurige leeuwen, als een voorwerp van schrik zelfs voor de duivelen. — De Christenen der eerste eeuwen kenden de wonderlijk versterkende kracht van dit H. Sacrament en wisten hoe noodzakelijk hun de nuttiging van deze hemelsche spijze, van dit brood der sterken was, om in den bloedigen strijd voor het geloof zegevierend te volharden.
De H. Cyprian us schrijft in naam eener Synode van 40 Bisschoppen (Br. 54) aan Paus Cornelius: „Uii is voor het „martelaarschap ongeschikt, die niet door de Kerk wordt uitgerust ten strijde; want het hart is afgemat, als het niet „door het ontvangen van het H, Avondmaal verkwikt en „ontvlamd wordtquot; \').
\') Nicephorus Calixtus, de H. Gregorius -van Tours en andere zeer degelijke geschiedschrijvers 1) verhalen ons het volgende wonderlijke voorval. — Te Constantinopel bestond het oud gebruik om de overblijfselen der geconsacreerde Hostiën aan de onschuldige kinderen te geven. Het gebeurde eens, toen de H. Mennas patriarch van genoemde stad was, dat onder de kinderen ook het zoontje van een Jood, die glasblazer was, ter kerke kwam en met hen het heilig lichaam des Heeren ontving. Toen de knaap nu later dan gewoonlijk huiswaarts keerde, werd hem door zijne ouders naar de oorzaak van zijn langer uitblijven gevraagd. De onschuldige knaap bekende rondborstig, dat hij met de christenkinderen in de kerk brood had gegeten. Daarover geraakte de vader in zulk eene woede, dat hij den knaap, zoodra de moeder zich verwijderd had, aangreep en in een gloeienden smeltoven wierp. Het duurde niet lang, of de moeder bemerkte de afwezigheid van haar kind en liep nu met klimmenden angst weenend en klagend geheel de stad rond, om den kleine te zoeken. Na drie dagen van vergeefsch zoeken, gaf zjj zich te huis aan al haar moederlijke smart over en riep haar kind herhaaldelijk bij zijn naam. Dit deed zij ook op het oogenblik, dat zij den oven der glasblazerij voorbijging, en hoor, daar antwoordde haar het kind: ,/liIoeder, hier ben ik.quot; Met schrik en\'vreugde tevens rukt zij de deur open, ziet haar zoon frisch en behouden te midden der\'vlam-men staan en terstond daarna in hare armen snellen. Toen de gelukkige moeder den knaap vroeg, wie hem toch in dien gloed ongedeerd had gehouden, antwoordde het kind. dat eene wonder-schoone vrouwe, in een purperen mantel gekleed, tot hem was gekomen, het vuur in zijne nabijheid uitgedoofd en hem, als hij honger had, ook te eten gebracht had. Keizer J ustinianus, die deze gebeurtenis vernam, liet den roekeloozen vader, die in zijn haat jegens het christelijk geloof volhardde, als kindermoorder vonnissen; demoeder daarentegen en de wonderbaar geredde knaap begeerden vurig en ontvingen het H. Doopsel. — Bijaldien God dit joodsche kind klaar-
1
Zie de Bolland, op 25 Aug. Leven van den H. Mennas, Patriarch van Constantinopel.
348
4) De H. Communie is voor ons het onderpand der toekomstige opstanding en der eeuwige zaligheid. Onze Heiland wilde, dat de H. Eucharistie een onderpand onzer toekomstige glorie en eeuwige zaligheid zou wezen. Dit leert de Kerkvergadering van Trente op verschillende plaatsen, en Jesus Christus zelf geeft ons met zeer veel nadruk de verzekering: „Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, „die heeft het eeuwig leven, en Ik zal hem opwekken ten „jongsten dagequot; (Joan. YI, 55).
a) Door het ontvangen van het lichaam en hloed van Jesus Christus wordt diensvolgens in het sterfelijk vleesch van den Christen eene kiem van onsterfelijkheid gelegd, die ten jongsten dage op het machtwoord van den God-mensch heerlijk zal opschieten en ook voor het lichaam de kostbaarste vrucht van eindelooze zaligheid zal dragen. Datzelfde getuigt de H. Cyrillus van Alexandrië, als hij schrijft (Boek 4. hfdst. 2 over Joan.): „Ofschoon de „dood, die door de zonde ons lot is geworden, ook het „lichaam des menschen aan de wetten der ontbinding onder-„werpt, zullen wij toch, juist omdat Christus door zijn „vleesch in ons woont, wederom opstaan. Want het is „ongeloolelijk, ja onmogelijk, dat Hij, die het leven zelf „is, niet wederom ten leven zou wekken degenen, in wie „Hij is. \') Christus de Heer heeft door zijn H. vleesch, dat „Hij ons te eten geeft, tevens het zaad der onsterfelijkheid „in ons uitgestrooid, hetwelk de in ons wonende verganke-„lijkheid vernietigt.quot; Met die woorden wil de heilige Leeraar niet, en wij evenmin, de veronderstelling maken, dat slechts zij glorierijk zullen verrijzen, die gedurende hun leven de H. Communie hebben ontvangen, dewijl het onbetwistbaar zeker is, dat de kinderen, die vóór hunne eerste H. Communie, maar in de onschuld des Doopsels sterven, ook aan eene gelukzalige verijzenis zullen deelachtig worden. Doch dit staat vast, dat de onbeschrijflijk
blijkelijk ter wille van Christus\' lichaam, dat het, zonder recht te weten wat het deed, had ontvangen, in de vlammen van een smeltoven het lichamelijk leven deed behouden, met hoeveel meer reden kan dan de Christen niet met vertrouwen verwachten, dat de Allerhoogste door het lichaam en bloed van Jesus Christus, dat hij met levendig geloof en waardige voorbereiding ontvangt, ook het leven der ziel in hem zal bewaren in het vuur der zware bekoringen, te meer omdat dit H. Sacrament tot behoud van het bovennatuurlijk leven der ziel is ingesteld.
\') Ofschoon niet meer werkelijk, is Christus toch in zekere mate wonend in hen krachtens de heiliging, die zijn goddelijk levendmakend vleesch aan hun vleesch heeft medegedeeld en daaraan aanspraak heeft geschonken op de toekomstige verrijzenis.
349
innige vereeniging met het vleesch en bloed van den God-mensch, hem, die communiceert, een nieuw recht op dusdanige glorievolle opstanding verleent, en gevolgelijk een zeker en zichtbaar onderpand daarvan is. Geliik namelijk Jesus Christus, de eeniggeboren Zoon van God, wien als Godmensch de glorierijke opstanding buitendien toekwam, evenwel door zijn lijden en sterven nog een nieuw recht daarop heeft verworven, zoo ook verwerft de Christen, die door middel van het H. Doopsel tot het kindschap Gods is gekomen en daarom reeds het recht op eene heerlijke verrijzenis bezit, door de H. Communie daarop nog nieuwe, van de eerste geheel onderscheiden aanspraken. Christus is in zekere mate aan zich zeiven verschuldigd, dat lichaam weder uit het stof der vergankelijkheid tot het leven terug te roepen, hetwelk weleer drager en levende tempel van zvjn heilig lichaam is geweest.
b) Is de H. Communie, volgens het boven gezegde, een onderpand der toekomstige glorievolle opstanding, dan is zij dien ten gevolge ook van zelve een zekere waarborg der eeuwige zaligheid, dewijl allen, die glorievol verrijzen, zonder twijfel ook het eeuwig leven binnentreden, dus aan de eeuwige zaligheid deelachtig worden. De opstanding der lichamen toch heeft naar Gods wijze raadsbesluiten hoofdzakelijk plaats, om de zaligheid der in genade gestorven Christenen geheel en al te voltooien. Het gezegde moet men echter niet in dien zin opvatten, alsof het ontvangen der H. Communie voldoende ware, om ons eene volkomen zekerheid omtrent onze zaligheid te schenken. Dergelijke zekerheid hebben wij slechts in de volharding in het goede; slechts hij, die ten einde toe volhardt, zal zalig worden (Matth. XXIV, 13); slechts hem, die getrouw is tot in den dood, zal de kroon des levens worden ^geschonken (Boek der Openb. II, 10). Men kan er evenwel niet aan twijfelen, dat het ontvangen van dit H. Sacrament een der voortreffelijkste middelen ter volharding is. Toen de profeet Elias voor de moordzuchtige aanslagen der goddelooze Jesabel naar de woestijn vluchtte en door hitte en afmatting zich den dood nabij zag, bracht een Engel hem een brood van den hemel. De Profeet at daarvan en wandelde nu door de kracht van dat brood veertig dagen en veertig nachten voort, zonder moede te worden, tot aan den berg Gods, Horeb (3. Kon. XIX). Zoo wordt ook de Christen op zijne moeitevolle en gevaarlijke pel-grimsreize door de woestijn van dit aardsche leven, door het nuttigen der H. Eucharistie, dat ware brood des hemels , verkwikt en gesterkt, opdat hij, ondanks alle moeilijk-
350
heden en vijandelijke aanslagen, ondanks alle verleidingen en bekoriügen van den duivel en de verlokkende wereld, behouden den berg van God, de hemelsche woning be-reike, waar het hem vergund zal worden, uit te rusten aan het hart van God en met volle teugen te drinken uit de bron van eeuwige zaligheid. \')
Ontvangen allen, die communiceeren, ooh genade\'!
Neen, die de H. Communie onwaardig, dat is, in staat van doodzonde ontvangt, berokkent zich de verdoemenis.
Gelijk het natuurlijk voedsél aan een zielloos lichaam geen nut doet, zoo kan ook het H. Sacrament des Altaars, dat bovennatuurlijk voedsel, voor eene ziel, die het leven der genade niet bezit, die geestelijkerwijze dood is, tot geen voordeel verstrekken; die nuttiging zal integendeel voor zulk eene ziel tot groot nadeel wezen en haar oordeel nog schrikkelijker maken. Zoo leert de H. Paulus (1. Cor. XI, 27—29), als hij zegt: „die onwaardig dit brood
„eet of den kelk des Heeren drinkt,.....hij eet en drinkt
„zich het oordeel, 2) wijl hij niet onderscheidt het lichaam „des Heeren,quot; maar het als eene gewone spijze zonder voorafgaande zuivering en voorbereiding des harten nuttigt en aldus bij de overige zonden, die zijn geweten bezwaren, nog eene nieuwe, zeer zware .zonde voegt. — De woorden
!) Gelijk de lichamelijke spijze, die wij genieten, slechts ons zei ven tot voeding kan verstrekken, zoo ook voedt het genot dezer geestelijke spijze, der H. Eucharistie, eigenlijk slechts ons zelcen, brengt slechts in óns de besproken uitwerkselen voort. Wij kunnen dus de vruchten der H. Communie niet, zooals die der H. Mis, aan anderen, hetzij levenden of overledenen, schenken of op hen toepassen. Al zouden wij ook voor anderen de K. Communie opofferen, hare werkingen blijven immer onverminderd ons eigendom. Desniettemin kan onze Communie ook voor anderen, levenden of gestorvenen, tot geestelijk nut verstrekken, voor zooverre namelijk hij, die communiceert, daarbij tevens voor anderen bidt of de meening maakt, dat de Heer ter wille van dat heilig werk ook aan anderen zijne genade en barmhartigheid moge schenken. Het gaat dus met de H. Communie als met andere werken van godsvrucht, het geven van aalmoezen, vasten en dergelijke werken van boetvaardigheid, welke hij wijze van voorspraak ook anderen voordeclig zijn en gevolgelijk ook voor levenden en dooden kunnen worden opgeofferd, zooals ons reeds uit de Jeer over de gemeenschap der Heiligen duidelijk werd. — Wat nu het gebed bij de H Communie betreft, mag men het er voor houden, dat dit grooter kracht heeft dan een ander gebed, terwijl het in den regel met meer aandacht en vurigheid wordt verricht, en ook omdat Jesus tot onze ziel komt en daarin verwijlt, om met goddelijke liefde en barmhartigheid hare gebeden te verhooren.
2) Oordeel staat hier, zooals bij Joan. VI, 24, 29 en op andere pl. voor verdoemenis, voor vonnis der verwerping.
351
des Apostels verdienen wel onze aandacht. Hij zegt niet slechts, wie onwaardig communiceert maakt zich schuldig aan veroordeeling, maar, hij eet en drinkt een oordeel; hij neemt het in zich op, zooals men de spijs en den drank in zich opneemt; hij wordt één lichaam met den onverbiddelijken Eechter, en dwingt Hem door die nieuwe snoodheid, om het vonnis der verdoemenis nog te verzwaren. De komst van Christus in het hart des zondaars is dus voor dezen niet, zooals voor den rechtvaardige, eene bron van zegen en genade, maar van vloek en verwerping. De geheel tegenovergestelde werking der H. Communie in het hart des zondaars en des rechtvaardigen duidt de Kerk treffend aan in de volgende strophe:
Zie, goeden komen, boozeti komen,
En beiden hebben ze ééne spijs genomen;
Docli hoe verschillend werkt dat brood!
Den boozen wordt het hel en pijn.
Den goeden wordt \'teen heil-iontein,
\'t Geeft dezen leven, genen dood.
Volgens hetgeen wij zeiden gaat het dus met de H. Communie als met de arke des Verbonds in het Oude Testament, die een voorafbeeldsel was van de H. Eucharistie. Zij bracht namelyk den godvreezenden Israëlieten geluk en zegen, maar den goddeloozen Philistijnen ongeluk en vloek. De laatsten bekenden luide, dat de bondsark des Heeren, waarvoor de muren van Jericho waren ineengestort , de machtigste beschutting der Israëlieten was, als zij, toen deze in het leger der Israëlieten gebracht werd, vol schrik uitriepen; „Wee ons, wie zal ons redden uit „de hand dier goden ? Dat zijn de goden, die de Egypte-„naren in de woestijn met allerlei plagen kastijddenquot; (1. Kou. V, 8). Hoe ónheilbarend de komst der bondsark in hun eigen leger was, ondervonden de Philistijnen, toen de afgod Dagon, waarop zij al hun vertrouwen stelden, in puin neerstortte, en er eene even smartelijke als walgelijke ziekte uitbrak, die zoolang woedde en den schrik des doods verspreidde, tot de arke werd teruggezonden.
Welke zonde doet hij, die zich verstout, onwaardig te commuuiceeren ?
2) Hij begaat eene ontzettende heiligschennis, dewijl tij zich bezondigt aan het lichaam en bloed des Heeren. Heiligschennis is de onteering van heilige of Gode toege-
352
■wijde zaken, personen of plaatsen. Die zonde is te grooter naarmate het voorwerp, waaraan die oneer wordt gepleegd, heiliger en vereeringswaardiger is. Welnu, is er iets heiliger en meer onze vereering waardig dan het allerheiligst Sacrament des Altaars ? Voorzeker niet. Derhalve , wie dit aanbiddenswaardig Sacrament door eene onwaardige Communie onteert, pleegt eene verschrikkelijke heiligschennis; zijne zonde is op zich zelve grooter dan de ontheiliging van een tempel, grooter dan die der beeld-stormers, grooter dan die van den goddelooze, die het wagen durft het teeken der verlossing, het kruis, met voeten te treden. Want de ontheiliging betreft hier niet slechts eene plaats, die Gode is toegewijd; niet slechts een beeld, dat een Beilige voorstelt ; niet slechts het kleed of eenig ander voorwerp, dat weleer een Heilige toebehoorde of met hem in aanraking was; niet slechts het kruis, dat de Heiland door zijn bloed heeft geheiligd en de hoogste vereering heeft waardig gemaakt — zij betreft den persoon van Jesus Christus zei ven, zijn heilig lichaam, zijn goddelijk bloed. Daarom zegt de Apostel (1. Cor. XI, 27): „wie onwaardig dit brood eet of den kelk „des Heeren drinkt, is schuldig aan het lichaam en bloed „des Heeren,quot; dat is: hij vergrijpt zich metterdaad aan het lichaam en bloed des Heeren; hij slaat, om zoo te zeggen, met geweld de hand aan den persoon van Christus zei ven. s)
Daaruit ontstaat ook die geheel eigenaardige boosheid, waardoor deze ontzettende heiligschennis niet slechts van andere Godonteerende misdaden, maar in \'t algemeen van alle andere zonden onderscheiden is. Want ofschoon elke zonde een beleedigend verzet tegen de goddelijke Majesteit in zich sluit, is toch geen kwaad, zooals de onwaardige Communie, eene beleediging, den persoon des Allerhoogsten zeiven onmiddelijk aangedaan. „Iets anders is het,quot; zegt de H. Petrus Damianus, „een gebod des konings te verachten, en „iets anders den persoon des konings zeiven geweldig aan „te vallen.quot;\' De HH. Vaders aarzelen daarom geen oogenblik, dezen gruwel te stellen naast dien van Judas en van de Joden, die een Godsmoord bedreven. Gelijk namelijk Judas zich bezondigde aan den persoon zijns goddelijken Meesters, dewijl hij Hem in de handen en aan de booze willekeur zijner vijanden overleverde, zoo bezondigt zich ook de Christen, die de H. Communie onwaardig ontvangt, aan
\') S. Cyprian, de Lapsis, Nquot;. 15.
S. Petr. üamian. Opsuc. XXVI. c. 2. contra, inscit. clericoruin.
353
den persoon van Jesus Christus tegenwoordig in het H. Sacrament, dewijl hij Hem, voor zooverre het in zijne macht staat, dwingt, zich te vereenigen met eene ziel, die zijne vijandin en het eigendom van den vorst der duisternis is, en alzoo zijn goddelijken Heiland in zekere mate prijs geeft aan de bespotting der hel, wier vorstin de met zonden bezoedelde ziel zijn troon heeft opgeslagen. In dien zin durfde de H. Bernardinus zeggen (Serm. 55): „De „heiligschennende Christen is nog erger dan Judas, dewijl „deze den Heiland slechts aan de Joden, gene daarentegen „aan den helschen vijand overlevert.quot; Op even goede gronden wordt de zonde van den onwaardig communiceerende vergeleken met den gruwel der Joden, die Jesus kruisigden. Want waarin anders bestond die gruwel, dan dat zij, zooals Bossuet opmerkt (Overw. over de Evang. 44sten dag), het wezenlijk en werkelijk lichaam des Heeren mishandelden en aan het kruis nagelden? Waarin anders, dan dat zij zijn wezenlijk en werkelijk bloed, als dat van een misdadiger, aan het smadelijke kruishout vergoten? En zij die onwaardig dit H. vleesch eten en dit kostbaar bloed drinken, maken zich juist aan een zelfden Godsmoord schuldig. Zeer treffend zegt daarom de H. Chrysostomus (Homil. 83 over Matth.): „Bedenk, hoe vertoornd gij zijt over denverrader „en over de kruisigers van Jesus, en wacht u, dat gij „zelf niet schuldig wordt aan het lichaam en bloed van „Christus.quot;
2) Hij maakt zich schuldig aan de zwartste ondankbaarheid, daar hij den goddelijken Heiland den schrikkelijks ten smaad aandoet op hetzelfde oogenblik, dat hij van Hem het grootste bewijs zijner liefde ontvangt. Wat aan het verraad van Judas nog een geheel bizonder kenmerk van boosheid en afschuwelijkheid gaf, was de zwarte ondankbaarheid en vloekwaardige huichelarij , die het vergezelden. Judas had besloten, zijn goddelijken Meester te verraden, zelfs bij \'t laatste avondmaal, toen Christus hem het grootste bewijs zijner liefde gaf, terwijl Hij met hem aan tafel nederzat. Zich zeiven aan hem tot spijze schonk, enkel bedacht om den ongelukkigen leeriing te bekeeren en te redden, hem met teedere verontschuldiging er opmerkzaam op maakte, dat Hij het roekeloos plan, hetwelk bij hem tot rijpheid was gekomen, kende. Al deze liefdebewijzen weerhielden dien onzalige niet, van tafel op te staan en de helsche daad te volvoeren. Welk eene ondankbaarheid! Weldra keert de trouwelooze leerling weder en zoekt den Heiland in den hof van Gethsemane; gehuurde beulen wachten op het teeken des verraders. En welk is dat teeken? Het is het
23
DEHARBE,. GELOOFSLEER. IV. 31e DRUK.
354
teeken der teederste liefde en der innigste vrien schap — een kus. Judas nadert Jesus, omhelst en kust Hem, opdat de huurlingen van \'s Heeren vijanden zouden weten, wien zij moeten vatten. Welke verfoeieliike huichelarij ! Daarna opent zich de mond des goddelijken Verlossers tot eene liefdevolle klacht: „Judas! verraadt gij den Zoon des menschen met een „kus ?quot; Is het niet alsof Jesus wil zeggen: Heb Ik dat aan u verdiend, Judas? Beloont gij zoo de weldaden, die Ik u heh bewezen? „Ja, indien mijn vijand Mij gevloekt hadde, „Ik zou het verdragen hebbenquot; (Psalm LIV, 13), maar gij, mijn leerling, gij mijn dischgenoot, gij verraadt Mij, en gij verraadt Mij, terwijl gij vriendschap en liefde huichelt. Is dat te verdragen? — Welnu, even ondankbaar en huichelachtig handelt de Christen, die het wagen durft, met eene zware zonde op het geweten tot de tafel des Heeren te naderen. Hij weet wel, dat het H. Sacrament des Altaars het gevolg en bewijs der teederste liefde van Jesus Christus is jegens hem; doch in plaats van die liefde des Heilands met wederliefde te vergelden, ontheiligt hij zijn heilig vleesch en bloed. Hij weet, dat Jesus niets vuriger wenscht, dan zich met zijne ziel op het innigste te vereenigen en door deze vereeniging haar te heiligen en gelukkig te maken; doch hij acht het der moeite niet waardig, de hindernissen, die deze vereeniging beletten, uit den weg te ruimen, zijn hart van de vlekken der zonde te zuiveren; hij neemt den schijn aan, alsof het verlangen naar die hemelsche spijze, de begeerte naar dien liefdekus van den Heiland hem aanspoort, tot den goddelijken maaltijd te naderen; hij mengt zich onder de scharen der rechtvaardige en brave Christenen, treedt misschien met in \'t oogloopenden uiterlijken eerbied, met neergeslagen oogen, met gevouwen handen, of kloppend op zijne borst tot den goddelijken disch —: maar dat alles is schandelijke huichelarij ; in zijn hart is hij een tweede Judas, een vloekwaardig verrader van Jesus in het allerheiligste Sacrament.
Welke zijn veelal de gevolgen der onwaardige Communie-reeds in dit leven?
Verblinding en verstoktheid des harten, somtijds ook een plotselinge dood en andere tijdelijke straffen.
Dat God de oneer zijn eengeboren Zoon aangedaan, dat Hij het onwaardig nuttigen van het lichaam en bloed van Christus niet slechts, zooals boven reeds verklaard werd, met den eeuwigen dood, maar ook reeds op deze aarde met vele tijdelijke straffen tuchtigt; dat Hij om dien verschrik-
» 355
kelijken gruwel niet slechts over enkele Christenen, maar over geheele gemeenten, zware beproevingen zendt, met ziekten, sterfgevallen en dergelijke rampen bezoekt, getuigt de H. Paulus zelf in den zoo even aangehaalden brief aan de Corinthiërs (XI, 30), bij wie betreurenswaardige\' misbruiken omtrent het nuttigen van het H. Sacrament waren ingeslopen. Want dat is volgens do meeste Schriftuurverklaarders de zin der woorden: „Daarom zijn eronder „u vele zwakken en zieken en sterven er velen.quot; En wie kan zich daarover verwonderen? Hebben wij niet veel meer reden, verbaasd te staan, dat de aarde zich niet opent onder de voeten van den heiligschenner om hem te verslinden ; dat de bliksem den gruweldader niet verplettert, op hét oogenblik dat hij den disch des Heeren nadert? — De zonen van Aaron namen hunne wierookvaten en gebruikten niet, zooals hun geboden was, vuur van het altaar der brandoffers, maar kwamen met onheilig vuur voor het aanschijn des Heeren. En ziet „er ging vuur uit van den „Heer, en dit verteerde hen en zij stierven voor den Heerquot;quot; (3. Mos. X, 1, 2). Oza, de zoon van Abinadab „stak „ongeroepen zijne hand uit naar de ark Gods. En Gods „toorn ontvlamde tegen Oza; Hij trof hem om eijne ver-„metelheid, en hii stierf tèzelfder plaatse bij de ark van .„Godquot; (2. Kon. VI, 6—7), Toen de arke des Verbonds uit het leger der Philistijnen werd teruggebracht in dat der Israëlieten, liepen eenige Bethsamieten naderbij en beschouwden haar met nieuwsgierige en oneerbiedige blikken. Om die misdaad doodde de Heer hen en nog vijftigduizend man van hun volk. „En de mannen van Bethsames spraken: „wie kan er bestaan voor den Heer, dien heiligen God?quot; (1. Kon. VI, 13—20). Zoo gestreng strafte God het gebrek aan eerbied voor de bondsark des Heeren; hoeveel zwaardere straffen heeft dan hij niet te wachten, die vrijwillig zich vergrijpt aan den Heer der bondsark zeiven?quot; In de oude wet staat geschreven: „Eene onreine ziel, die van het „vleesch eet der vredeoffers, welke den Heer geofferd zijn, „zal uit het volk uitgeroeid wordenquot; (3. Mos. VII, 20). En zou hij dan niet een plotselingen dood moeten verwachten, die met een onrein hart het oneindig zuiger en heilig vredeoffer van het Nieuwe Verbond, het lichaam en bloed des Heeren nuttigt? \') „Gij zult wellicht zeggen,quot;
•) De H. Cyprianus verhaalt (in zijn boek over de gevallenen) onderscheiden voorbeelden van plotselinge straffen van hen, die op heiligschennende wijze de H. Communie ontvingen. — Eene vrouw, die uit vreeze voor de dreigende foltering had gegeten van de spijzen,
23*
356
zoo schrijft de H. Kerkvader Pacianus (vermaning tot boete), „zulke straffen werden vroeger wel gegeven, doch thans
die den goden, geofferd waren, naderde met deze zonde op het geweten tot de tafel des Heeren en ontving het H. Sacrament. Dit echter was, volgens de uitdrukking des Heiligen, voor haar geen voedsel der\'ziel, maar een vergif; zij kon de H. Hostie niet nuttigen, maar stikte er in, terwijl zij sidderend en onder ontzettende stuiptrekkingen nederstortte en den geest gaf. Eene andere vrouw had de H. Eucna-ristie mede naar huis genomen en daar in een kastje bewaard; toen zij later aan de afgoden offerde en evenwel het kastje opende om het H. Sacrament te ontvangen, sloeg het vuur er uit, zoodat zij het niet wagen durfde het Allerheiligste aan te raken.
Zeer bekend ook is in de jaarboeken der kerkelijke geschiedenis de straffe Gods, die Lotharius, Koning van Lotharingen, en zijn gevolg door den gruwel eener heiligschennende Communie op zich deden afdalen. — Deze wellustige vorst vatte afkeer op tegen zijne gemalin Thietberga, omdat eene jeugdige hofdame, Waldrada genaamd, in zijn hart de plaats der koningin had ingenomen. De zaak werd voor Paus Nicolaus gebracht, die terstond Lotharius ter oorzake der gegeven ergernis van de gemeenschap der geloovigen uitsloot en hem gebood, Waldrada weg te zenden, Intusschen stierf Paus Nicolaus en Adrianus II was zijn opvolger. Lotharius, hopende dat de nieuwe Paus hem gunstiger gezind zou wezen dE.n zijn voorganger, deed hem allerlei bedriegelijke beloften en vroeg verlof naar Kome te komen, om aldaar van den kerkelijken ban ontheven te worden; bovendien wenschte hij zeer, dat de H. Vader ten teeken van verzoening in zijne tegenwoordigheid het H. Misoffer opdragen en hem de H. Communie zou toedienen. Wat hij begeerde werd hem beloofd, doch onder voorwaarde, dat hij getuigen zou sinds het verbod van den vorigen Paus geen omgang meer te hebben gehad met Waldrada, ja, dat hij haar niet meer had toegesproken. Lotharius kwam dan in het jaar 8()9 naar Rome, en Paus Adrianus II droeg op den bepaalden dag in zijne tegenwoordigheid het H. Misoffer op. Bij de H. Communie nam de Paus de H. Hostie in de hand, wendde zich tot den Koning en sprak met luide en plechtige stem: „Vorst, indien zgij sinds het verbod van Paus Nicolaus de zonde niet meer hebt bedreven en vastelijk besloten zijt, nimmer meer met Waldrada omgang te hebben, treed dan met vertrouwen nader en ontvang ;,het Sacrament des eeuwigen levens; bijaldien echter uwe boetvaar-„digheid niet oprecht gemeend is, waag het dan niet, het lichaam en „bloed des Heeren te ontvangen en door de schennis van dit H. Geheim „de eeuwige verdoemenis te eten.quot; De Koning sidderde op dit woord; doch het gruwelijk plan was eenmaal gemaakt en hij voltooide het, terwijl hij bij de heiligschennis nog een meineed voegde. Daarop wendde zich de Paus tot de grooten, die met den Koning de H. Communie wilden ontvangen, en zeide tot hen: „Ind:.en gij in de „zonde van uwen heer niet geholpen en daarmede nijt ingestemd „hebt, dan zij u het lichaam des Heeren een onderpand ten eeuwig „heil.quot; Uit vrees voor eene heiligschennis traden er eenigen terug, de meesten echter communiceerden met den Koning. De straf volgde spoedig op de misdaad; want nauwelijks was Lotharius op zijne terugreis te Lucca aangekomen, of hij en een groot gedeelte van zijn gevolg werden door eene boosaardige koorts overvallen, die de in \'t oog loopendste en schrikkelijkste gevolgen had. Zij verloren het haar, de nagels, ja zelfs de huid, terwijl een hevig vuur hen inwendig verteerde. De meesten stierven onder de oogen des Konings. Deze zette niettemin zijne reis voort, zonder tot inkeer te komen. Te Piacenza aangekomen, verloor de ongelukkige heiligschenner het ver-
357
„niet meer. Hoe dan? Heeft God opgehouden uit den hemel „op ons neer te zien? Straft Hij wellicht niet meer, omdat „Hij niets van onze gruwelen weet? Verre zij van ons „die gedachte. Wel ziet God (ook thans nog) wat wij „doen, maar Hij wacht en heeft geduld en geeft ons tijd „tot boete, opdat zijne verlosten niet allen tegelijk te gronde „zouden gaan.quot; Wanneer God degenen, die onwaardig communiceeren, niet altijd, zooals zij wel verdienden, met een plotselingen dood straft, maar ziekten en andere beproevingen over hen zendt, dan geschiedt dit slechts uit genade en barmhartigheid, om den misdadiger tijd tot berouw en bekeering te geven. „Wij worden door God ge-„tuchtigd,quot; zegt de Apostel (v. 32), „opdat wij niet met „deze wereld verloren zouden gaan.quot; „Leert dan bevroeden ,quot; zoo gaat de bovengenoemde Kerkvader voort, „aan welke „groote boosheid hij zich schuldig maakt, die onwaardig „nadert tot de tafel des Heeren, dewijl ziekten en een „langzame dood voor hem heilmiddelen zijn.quot; Gelijk de zieke van de artsenij, zoo kan ook de heiligschenner van ■ deze bittere geneesmiddelen gebruik maken of niet. En \'t geschiedt maar al te dikwijls, dat die middelen niet volgens het verlangen van den hemelschen Geneesheer worden aangewend. Maar dan treft den heiligschenner eene straf, die veel schrikkelijker is dan de lichamelijke dood; ver-ilindheid bevangt zijn geest, en versloilhcid maakt zich meester van zijn hart: hij stapelt zonder schroom heiligschennis op heiligschennis , en als later dien ongelukkige de oogen open gaan, dan vervalt hij in vertwijfeling. Een verschrikkelijk voorbeeld en een bewijs, dat de heiligschennis tot vertwijfeling voert, levert ons het onzalig einde van den verrader Judas. Die trouwelooze leerling, de eerste, die zich door eene onwaardige Communie schuldig maakte aan het lichaam en bloed van Jesus Christus, bleef na deze gruweldaad blind voor alle liefdebewijzen van zijn goddelijken Meester, doof voor al zijne waarschuwingen. Als door Satan aangevuurd (Joann. XIII, 27), rustte hij niet, voordat hij zijn Meester in de handen der bloeddorstige Joden had overgeleverd, en toen spoedig daarna dat schandelijk verraad, aan den Zoon van God gepleegd, hem zwaar op de ziel drukte, nam hij in vertwijfeling een strop en verhing zich (Matth. XXVII, 7). Toen erkende men, wat Christus van hem
stand en de spraak en stierf, zonder het minste teeken van berouw te hebben gegeven. Van geheel zijne begeleiding bleven slechts zij van den dood verschoond, die niet tot de tafel des Heeren genaderd waren, zoodat men de rechtvaardige wraak van God niet kon ontkennen.
358 ■ •
é
voorspeld had: „Beter ware het hem geweest nimmer ge-„boren te zijnlquot; (Matth. XXVI, 24). — Mocht toch dat jammerlijk lot van dien eersten heiligschenner alle Christenen afschrikken, in zijne voetstappen te treden; mochten toch degenen, die het ongeluk hebben gehad, zooals hij, het lichaam en bloed des Heeren door eene onwaardige Communie te ontheiligen, met eene heilzame vreeze worden doordrongen en aangespoord tot berouw en boetvaardigheid, nu het nog tijd is, opdat niet ook voor hen de verschrikkelijke uitspraak des Heeren geldend worde: beter zou het zijn, als zij niet geboren waren! \')
Wat moet men doen, als men eene doodzonde heeft bedreven en wil communiceeren ?
Men moet dan vóór de H. Communie\' eene goede biecht spreken.
„Het heilige der heiligen!\'1 zoo riep in vroeger tijd de Diaken, vóór dat den geloovigen de H. Communie werd uitgereikt. Dit geschiedde om degenen, die bij het H. Offer tegenwoordig waren, plechtig te vermanen, dat slechts zij door de nuttiging van het lichaam en bloed van Christus daaraan deel mochten nemen, die zich geene groote zonden bewust waren. De H. Eucharistie is namelijk het koninklijk gastmaal, dat Christus zyaen verlosten in zijne Kerk heeft bereid, maar waarvan Hij hen uitsluit, die niet bekleed zijn met het vlekkeloos kleed der heiligmakende genade. Hoe onmisbaar dit feestgewaad zij om ter goddelijke tafel te naderen, wordt ons voorgesteld in het lot, dat dien ongelukkige trof, die bij het bruiloftsmaal van den zoon des konings in het Evangelie (Matth. XXIE) zonder bruiloftskleed werd aangetroffen, en daarom van den vertoornden koning de gestrenge woorden moest hooren: „Bindt hem handen en voeten en werpt hem in de uiterste „duisternis, waar geween en geknars der tanden zijn zal;quot; en eveneens in het voorbeeld van den verloren zoon, die eerst dan bij den vaderlijken feestdisch mocht verschijnen, als hij het arme kleed, hetwelk hij uit den vreemde had
\') Iemand, die gedurende geheel zijn leven eene weinig christelijke gezindheid had getoond, verviel in eene zware ziekte. Zijne naastbe-staanden lieten eon Priester roepen. De zieke sprak zijne biecht en een weinig later ontving hij de H. Teerspijze. Op het oogenblik, dat de Priester de H. Hostie op de tong van den stervenden wilde leggen, maakte deze eene terugstootende beweging en riep: «Ga heen —, //ga heen; ik heb in mijn leven maar eenmaal de H. Communie óntvan-//gen en dat was eene onwaardige, ik ben verloren!quot; Na deze woorden stierf de ongelukkige in vertwijfeling. (Guillois.)
359
T
medegebracht, tegen het heerlijk gewaad, dat hem als zoon paste, had omgeruild. Niemand wage het dus tot het hemelsch gastmaal te naderen, tenzij hij gesierd zij met het kleed der onschuld en rechtvaardigheid, hetwelk hij in het H. Doopsel ontving, of — bijaldien hij dit heeft verloren — door voldoende boetvaardigheid herkregen hebbe. Hoe die boetvaardigheid, welke tot eene waardige ontvangst van het H. Sacrament des Altaars wordt vereischt, wezen moet, leert ons het Concilie van Trente (Zitt. 13). „Men „moet,quot; zoo lezen wij in het zevende hoofdstuk, „den-„gene, die de H. Communie wil ontvangen, herinneren „aan het gebod van den Apostel: „De mensch beproeve „zich zeivenquot; (1. Cor. XI, 25). Het kerkelijk gebruik verklaart die noodzakelijke beproeving in dezen zin, dat niemand, die zich eener doodzonde bewust is, hoezeer hij ook berouw daarover gevoelt, mag naderen tot de H. Eucharistie, zonder eerst het H. Sacrament der Biecht ontvangen te hebben. En opdat een zoo groot Sacrament niet onwaardig en dus tot dood en verdoemenis worde ontvangen, herhaalt de elfde Canon dit voorschrift, deze verklaring, er bijvoegende;. „Indien iemand zich zou verstouten het tegendeel te leeren, te prediken en hardnekkig „te meenen, of ook in openlijke redevoeringen te verdedigen, „hij zij van zelf geëxcommuniceerd.quot;
Hieruit leeren wij ten eerste, dat, zoo dikwerf iemand bij het onderzoek van zijn geweten zich schuldig bevindt aan eene doodzonde, het niet genoeg is, daarover een berouw te verwekken, maar dat men integendeel verplicht is vóór het ontvangen der heilige Communie aan een machthebbenden Priester oprecht en rouwmoedig zijne biecht te spreken. — Ten tweede zien wij zeer duidelijk, dat de verplichting, om in dit geval vóór de H. Communie te biechten, reeds dagteek ent van het gebod der zelfbeproeving, dat de Apostel heeft voorgeschreven. Want onder de woorden: „De mensch beproeve zich zeiven,quot; moet blijkbaar niet slechts een onderzoek omtrent onzen geestelijken toestand, maar ook de zuivering onzer ziel verstaan worden, en wel eene zoodanige als Jesus Christus in zijne H. Kerk heeft voorgeschreven, namelijk de zuivering door het H. Sacrament van Boetvaardigheid. En inderdaad, dewijl Christus, zooals wij in het vervolg zullen aantoonen, het H. Sacrament van Boetvaardigheid heeft ingesteld met het doel, dat wij daarin door bemiddeling des Priesters de verloren rechtvaardigheid zouden herkrijgen, was het voorzeker de bedoeling van God, dat wij ons van dit middel ter rechtvaardiging vooral dan zouden bedienen, wanneer
360
wij naderen om dit allerheiligst en verheven Sacrament te ontvangen; te meer omdat, als wij het niet in een rein hart ontvangen, het ons niet het leven, maar den dood aanbrengt. — Ten derde blijkt uit het gezegde, dat de verklaring en verordening der Kerkvergadering van Trente niets nieuws bevat, dewijl naar het getuigenis der HH. Vaders het gebod des Apostels altijd verstaan en opgevolgd werd in den zin, dien de Kerkvergadering van Trente daaraan hecht. — Om kort te zijn willen wij hier slechts wijzen op het bovengenoemde boek van den H. Cyprianus over de gevallenen. De H. Bisschop geeft daar dengenen, die tijdens de vervolging aan de goden geofferd of offervleesch gegeten hadden, eene strenge berisping, omdat zij, „zonder eerst hunne misdaad gebiecht en daar-„door den vertoornden God bevredigd te hebben, tot de „tafel des Heeren naderden en op deze wijze nog zwaarder „zondigden tegen den Heer, dan toen zij Hem verloochenden.quot; Daarna roept hij hun het voorbeeld voor oogen van degenen, die, zonder zich werkelijk bezoedeld te hebben met de offers der goden of door de deelname aan de heidensche offerspijzen, toch, dewijl zij daaraan gedacht hadden, hunne overtreding met oprecht berouw aan den Priester Gods bekenden en biechtten. Ten slotte vermaant hij allen , die, hetzij door daad, hetzij door gedachten, gezondigd hadden, onverwijld boetvaardigheid te doen; „Ik bid u, „lieve broeders, dat eenieder uwer zijne zonden belijde, „zoolang hij op aarde is, zoolang hij nog biechten kan, „zoolang nog de Heer de voldoening en de vrijspreking des „Priesters als geldend aanneemt; slechts onder die voor-„waarde kan men de nadering tot de H. Geheimen ver-„oorloven.quot; Dit voorbeeld bewijst genoegzaam, hoezeer de Kerk er immer op heeft aangedrongen, dat niemand de H. Communie ontvange, indien hij zich eener groote zonde bewust is, al zou die slechts door gedachten zijn bedreven; hij moet eerst met een berouwhebbend hart zijne zonden aan den Priester des Heeren biechten en de vrijspreking daarvan ontvangen.
Ter geruststelling van angstige zielen willen wij bij de verhandeling over de onwaardige Communie nog eene opmerking voegen. Indien de onwaardige Communie een zoo ontzettende gruwel, eene zoo vloekwaardige onteering van God is, wie zal dan nog tot de tafel des Heeren durven naderen, te meer daar wij, volgens de gegeven verklaring, ook na ernstige beproeving van ons zelve en eene naar
361
onze meening goede Biecht toch nimmer eene volstrekte zekerheid hebhen, dat wij voor God inderdaad gerechtvaardigd en met het bruiloftskleed der heiligmakende genade versierd zijn ? Moet ons dan niet telkens de vreeze vergezellen, dat vrij schuldig zullen worden aan het lichaam en bloed des Heeren ? — Hierop moeten wij het algemeene antwoord geven, dat niemand zich ooit aan eene zonde, welke ook, schuldig maakt, zoolang hij die inderdaad verfoeit en voor alles ter wereld niet wil bedrijven. Heeft dus iemand zijn geweten op redelijke wijze en zorgvuldig onderzocht en zich aan geene groote zonde schuldig bevonden , of heeft hij de erkende zonden, voor zoover hij weet, aan den Priester beleden en de absolutie ontvangen; is hij verder zoo gestemd, dat hij voor geen enkelen prijs eene heiligschennende Communie zou willen doen, maar, ook bij het vooruitzicht op de gevoeligste beschaming, van de tafel des Heeren verwijderd zou willen blijven als hij zijne onwaardigheid kende, dan heeft hij in dit geval geene reden om te vreezen, dat hij zich door het ontvangen der H. Communie aan heiligschennis zal schuldig maken. Want indien zoo iemand voor Hem, die harten en nieren doorgrondt, misschien niet gerechtvaardigd ware, omdat hij wellicht de groote zonden niet als zoodanig erkent heeft en daarom zonder biecht ter H. Communie is genaderd, of wijl hij uit onschuldige onwetendheid niet geldig gebiecht heeft, dan toch zou hem de onwaardige nuttiging van het H. Sacrament des Altaars niet als misdaad worden toegerekend, niet tot verdoemenis verstrekken. De algemeene leering: „wie de H, Communie in staat van doodzonde „ontvangt, pleegt een Godsmoord en haalt zich de eeuwige „verdoemenis op den hals,quot; moet men dus verstaan in denzelfden zin als deze leering: „ Die weei, dat hij in staat „van doodzonde is en toch communiceert, maakt zich aan „heiligschennis en aan de eeuwige verdoemenis schuldig.quot; Doch indien iemand niet weet, dat hij in staat van doodzonde is, hoewel hij dat weten konde en moest, dat is, komt zijne onwetendheid uit lichtzinnigheid, strafbare onachtzaamheid en lichtvaardig zelfbedrog voort, en zou hij in deze schuldige onwetendheid van zijn toestand de H. Communie ontvangen dan kan men hem in waarheid van de zonde en straf der heiligschennis niet vrijspreken.
Hoe moet men verder zich naar de ziel tot de 11. Communie voorbereiden ?
1) Meu moet trachten zijn hart ook van de dagelijksche zonden te zuiveren. Dat vraagt van ons de verhevenheid,
362
reinheid en heiligheid van Hem, die ons zoo genadiglijk in dit goddeliik Sacrament komt bezoeken, in ons hart zijn intrek wil nemen, om ons met genaden te overladen. Wanneer een aardsch koning voornemens is eene stad met zijne tegenwoordigheid te vereeren, dan geven zich de inwoners alle denkbare moeite om alles, ook het geringste, te verwijderen, wat op zijne Majesteit bij den intocht en gedurende zijn verblijf een pijnlijken of ook maar een on-aangenamen indruk zou kunnen maken. Zouden wij niet hetzelfde doen, wanneer wij voornemens zijn den Koning des hemels, den Heer der heerscharen in ons hart te ontvangen ? En dewijl wij , door zijn eigen goddelijk woord onderwezen, weten, dat Hem, den Allerzuiverste en Allerheiligste, niets zoo zeer mishaagt als de zonde, zouden wij dan nog dralen, met de grootste zorg elk spoor daarvan uit onze ziel te verwijderen? Zeer schoon zegt de Kerkvergadering van Trente (Zitt. 13; hfdst. 7): „Indien het passend is in het algemeen, tot eene heilige „verrichting niet anders dan in heilige gesteltenissen over „te gaan, dan moet ook de Christen, naarmate hij een „hooger begrip van de heiligheid en goddelijkheid van dit „hemelsch Sacrament heeft, des te zorgvuldiger zich wachten, „het zonder grooten eerbied en heiligheid te ontvangen.quot; — Toen Mozes op den berg Horeb het brandende braambosch naderde, riep de Heer hem toe: „Ontdoe u van uw schoeisel, „want de plaats, waar gij staat, is heiligquot; (2. Mos. III, 5). God wilde niet, dat zijn dienaar die heilige plaats, waar Hij bizonder tegenwoordig was, met schoenen, waaraan iets onheiligs kleefde, zou naderen; blootvoets moest hij daar staan. Hoeveel meer zal Hij van ons verlangen, dat ons hart, hetwelk Hij door zijn geheimvol bezoek tot een tempel wijdt, van alle onheilige neigingen gezuiverd zij ? Christus zelf gaf ons te kennen, hoezeer wij ons best moeten doen, ons hart geheel te zuiveren om voor het ontvangen der H. Communie des te waardiger te wezen. Vóórdat Hij namelijk bij het laatste avondmaal de H. Communie aan zijne leerlingen uitreikte, waschte Hij l}unne voeten, opdat zij door die afwassching van het aardsche stof zouden vermaand worden, hunne harten van alle, ook van de geringste zonde vlekken te zuiveren, om zijn goddelijk vleesch en bloed des te waardiger te nuttigen. Daarom sprak Jesus by die gelegenheid (Joan. XIII, 10): „Die gewasschen „is heeft niet meer noodig dan zijne voeten te wasschen, „om geheel zuiver te wezen;quot; dat is, naar de uitlegging der Vaders, die van groote zonden zuiver is, heeft slechts te zorgen, dat hij zich ook van de dagelijksche zonden
363
reinige, opdat hij ulzoo Mij in een geheel zuiver hart ont-vange. En zelfs de door het geloof geleerde waarheid, dat Jesus Christus wilde, dat zijne H. Moeder van elke vlek der erfzonde en van alle dadelijke zonde vrij zou wezen, toont ons duidelijk aan, hoe rein het hart moet zijn, waarin Hij wil wonen.
Doch niet slechts de heiligheid des Sacraments, maar ook ons eigen geestelijk nut eischt van ons, vóór de H. Communie ons hart van de kleinste vlek der zonde te zuiveren. Want al maken de dagelijksche zonden de H. Communie niet onwaardig of tot eene heiligschennis, zij verminderen toch de werking der genade. Moest de Christen, om waardig te communiceeren, van elke, zelfs dagelijksche zonde zuiver wezen, dan zou het voorzeker eene groote dwaling zijn te leeren, dat de H. Communie ons daarvan zuivert. Evenwel zijn de dagelijksche zonden oorzaak, dat de H. Communie in de ziel van hem, die haar ontvangt, niet al die heerlijke vruchten voortbrengt, welke zij voortbrengen zou, bijaldien deze daarvan gezuiverd ware. Immers dewijl van den eenen kant de mate der genade, die met het nuttigen van het H. Sacrament des Altaars is verbonden , hoofdzakelyk afhangt van de meer of minder innige on volkomene vereeniging der ziel met Jesus Christus, de eerste bron van alle genade, en omdat van den anderen kant die vereeniging inniger en volmaakter is, naarmate de ziel door grootere zuiverheid zich onderscheidt en het welbehagen van haren goddelijken Bruidegom tot zich trekt, daarom is het duidelijk, dat eene ziel, die er ernstig naar streeft, door oprecht berouw en door werken van liefde en boetvaardigheid hare dagelijksche zonden vlekken uit te delgen, rijker en milder begiftigd van dit goddelijk liefdemaal zal opstaan. — De dagelijksche zonden overigens verminderen niet slechts de vruchten der H. Communie, omdat zij de volmaakte vereeniging der ziel met Christus in den weg staan, maar ook omdat zij de werking der medegedeelde genaden verhinderen. De Heiland namelijk nadert de ziel als een goddelijk vuur, om haar te ontsteken, te doorgloeien en in zekere mate in zich zeiven te veranderen. Die ontvlamming, ontsteking en verandering vinden een beletsel in de dagelijksche zonden, zooals het vocht, dat in het hout is doorgedrongen, het belet vuur te vatten en in lichten gloed te ontbranden. Vandaar dan ook dat zij , die met dagelijksche zonden bevlekt communiceeren, niet dien inwendigen troost, dien. lust voor\'het hemelsche en het goddelijke, niet die kracht en vastberadenheid in de beoefening van het goede, zelfs van heldhaftige deugd ver-
364
krijgen, die toch de vruchten van dit goddelijk Sacrament zijn; vandaar dat men, zooals een geestelijk schrijver (Tauler) opmerkt, er dagelijks velen ziet, die ofschoon zij dikwerf de Communie ontvangen, toch immer zonder deugden en\' vol zwakheden blijven. Is dat niet inderdaad te beklagen ? Jesus Christus komt tot ons met de kostbaarste schatten zijner goddelijke genaden, met schatten, toereikend genoeg om hemel en aarde rijk te maken, en wij houden niet op arm aan genade te zijn. Waarlijk niet aan Jesus, maar aan ons alleen ligt de schuld van onze geestelijke ellende, van onze beklagenswaardige armoede aan genade en werken van deugd.
Teneinde ons in het vervolg voor dien ongelukkigen toestand te vrijwaren, moeten wij, ten eerste, zorg dragen, dat wij, voornemens om tot de tafel des Heeren te naderen, ons niet schuldig maken aan dageliiksche zonden van verstrooiing, van ijdelheid, afgekeerdheid of liefdeloosheid jegens den naaste. Mochten wij op dat punt die teeder-heid van geweten bezitten, die de H. Chrysostomus had, van wien zijn levensbeschrijver Palladius verhaalt, dat hij bij gelegenheid eener kerkelijke Synode den Bisschop van Pisidië verzocht, om in zijne plaats het Offer op te dragen, dewijl hij in de vergadering der Bisschoppen te veel geijverd had en het ongepast achtte, met een opgewonden gemoed aan het altaar te treden. — Ten tweede moeten wij vóór de H. Communie met behulp der goddelijke genade ons hart zorgvuldig van alle vrijwillige gehechtheid aan elke dagelijksche zonde zuiveren. En zoodanige gehechtheid heeft hij, die geen berouw gevoelt over eene bedreven dagelijksche zonde, welke dan ook, of zich niet ontziet die te plegen, noch in \'t algemeen den wil heeft om die te vermijden. — Ten derde moet de Christen, die de H. Communie wil ontvangen, ook over de dagelijksche zonden, welke hij enkel uit zwakheid en onoplettendheid heeft bedreven, een oprecht berouw verwekken en God bidden, dat hij door de H. Communie de genade moge deelachtig worden, om die in \'t vervolg niet weder te bedreven. Het beste en zekerste, ofschoon niet het eenigste en noodzakel^bste middel om voor de H. Communie zijne ziel ook van de dagelijksche zonden te reinigen, is de H. Biecht. Wij lezen van vele Heiligen, dat zij door de dagelijksche Biecht zich tot de dagelijksche Communie voorbereidden. Zoo lezen wij , om er een te noemen, in de akten der heiligverklaring van den H. Carolus Borromeus, dat hij , volgens de verklaring van vele getuigen, gewoon was dagelijks de H. Mis te lezen en
365
telken male zijne kleinste gebreken te biechten. Kan dit voorbeeld niet door alle geloovigen nagevolgd worden, dan toch is aan allen, die meermalen in de week commu-niceeren, de vrome gewoonte aan te raden alle weken eens te biechten, al zijn zij zich niet van groote zonden bewust. Die echter zeldzamer ter Communie gaat, mag nooit nalaten, door de H. Biecht zich daartoe voor te bereiden.
2) Wij moeten ons beijveren, in ons hart godsvrucht en ijver op te wekken. — Op de reeds vroeger aangehaalde woorden: „het Heilige voor de Heiligenquot; zinspelend, zegt de H. Chrystostomus (Homil. 17 over den brief aan de Hebr.) met zeer veel nadruk; „Die niet heilig is, „trede niet nader tot de tafel des Heeren; heilig echter is „men niet door enkel vrij te. zijn vaa zonden, maar door „de rijke versiering van deugden.quot; l) Getrouwe en toegenegen onderdanen van een aarschen koning stellen zich niet tevreden met slechts de straten te reinigen, langs welke hij in de stad zijne intrede zal doen; ook niet met hem eene zindelijke woning in gereedheid te brengen. Zij zullen veeleer, als de booge bezoeker nadert, met onverdroten ijver en groote zorg de straten, waardoor hij zijn intocht zal houden, met triumfbogen, guirlandes en kostbare tapijten, met schilderwerk, beelden en heerlijk omkranste opschriften tooien, de straten zelve met bloemen bestrooien en het paleis, dat den hoogen gast zal ontvangen, met waarlijk koninklijke pracht versieren en opluisteren. Zoo ook mogen wij, wanneer Jesus Christus, de hemelsche Koning, ons in het allerheiligst Sacrament wil komen bezoeken, ons niet tevreden stellen met de zuivering onzes harten van elke zonde. Het betaamt ook, dat wij met grooten ijver en innige godsvrucht ons best doen om den Heiland in ons hart eene aangename, zijner goddelijke Majesteit waardige woning te bereiden. Die hulde, die teedere oplettendheid en liefde bewezen de Heiligen hun goddelijken Koning immer met bewonde-ringwekkenden ijver. Was ook geheel hun leven, hun deugdzaam gedrag eene voorbereiding voor de H. Communie, toch, als de dag en het uur naderde, waarop het hun vergund zou worden die werkelijk te ontvangen, dan verdubbelden zij hun gver in de beoefening van goede werken en ontvlamden hunne harten meer en meer met die vurige liefde en godsvrucht voor Jesus Christus. Den vooravond
\') De Jansenisten gingen echter te ver, toen zij eischten, dat eenieder zich van de H. Communie zou onthouden, ;,die nog niet in /t bezit is der zuiverste liefde tot God.quot; Bulla Unigenitus prop. 23.
366
en den morgen van dien gelukkigen dag, die hen in de armen van den beminden Bruidegom der zielen zou voeren , wijdden zij aan het gebed, de overweging en de godvruchtige lezing, om die gevoelens en verlangens in zich op te wekken, welke aan een zoo verheven gunstbetoon des goddelijken Verlossers beantwoorden. Van den H. Aloysius, dien engel in menschengedaante, verhalen zijne levensbeschrijvers, dat hij de drie laatste dagen der week gebruikte om zich tot het ontvangen der H. Communie voor te bereiden, en de drie eerste dagen der week om God voor de ontvangen genade te bedanken. Zoo werd voor dien heiligen jongeling de H. Communie, de ver-eeniging met Jesus in het allerheiligst Sacrament, het middelpunt van zijn aardsche leven, als \'t ware de zon, waarom zich alle neigingen, wenschen en begeerten wentelden, waaraan zij in zekere mate goddelijke wijding en veredeling ontleenden. \') Hoe beschamend is dit voorbeeld niet voor zoovele Christenen, die zonder eenige voorbe-
gt;) Wij hebben gesproken over de wonderbare werkingen, die de H. Communie in de H. Rosa van Lina voortbracht; het zal daarom niet zonder nut zijn in het kort te beschrijven, hoe de genoemde dienaresse des Heeren zich daartoe voorbereidde. Wij zullen daaruit leeren, hoe ook wij ons tot het ontvangen der H. Eucharistie moeten voorbereiden, óm aan dergelijke vruchten deelachtig te worden; want dit staat vast, dat de vruchten der H. Communie in \'t algemeen rijker zijn, naarmate wij ons ijveriger voorbereiden. Gelijk namelijk, indien vele personen aan één licht hunne kaarsen aansteken, allen wel licht en warmte krijgen, maar hij het meest, die eene grootere kaars heeft, zoo ontvangen ook allen, die tot de H. Communie naderen, de genade des Heeren, die licht en warmte tevens is; maar hij, die grootere godsvrucht en liefde medebrengt, ontvangt die ook in grootere mate. — De H. Rosa begon hare voorbereiding tot de H. Communie met de Biecht, die zij na zorgvuldig onderzoek des gewetens gewoon was onder vele tranen van berouw te spreken. Op den dag vóór de H. Communie hield zij eene gestrenge vaste en verrichtte nog andere werken van boetvaardigheid. Zij bereidde dan den Heiland in haar hart de bruidegomskamer ioor akten van eerbied, nederigheid en liefde; vol verlangen verlichte ze (zooals haar levensbeschrijver zich uitdrukt) die met het licht van godvruchtige overweging en geestelijke lezing, namelijk uitLodewijk van Granada, (Boek over het gebed) 1) vervulde die met de kostelijke geuren van vurige smeekingen en verzamelde al hare krachten en de vermogens harer ziel ten dienste van den beminden Gast, wiens genadig bezoek haar den volgenden dag toelachte. En deze godvruchtige oefeningen herhaalde zij telkens zoo ijverig en zorgvuldig, als ware het haar slecht eens in haar leven vergund de H. Communie te ontvangen (Bolland, t. a. p.).
1
Voor de geestelijke lezing op den vooravond der H. Communie is ook vooral aan te raden het vierde boek van de navolging van Christus, door Thomas van Kempen.
367
reiding en godsvrucht, met een ijskoud hart en verstrooide gedachten tot het goddelijk maal der liefde naderen, wien één kwartier uurs van voorbereiding voor de H. Communie reeds te lang en te vermoeiend toeschijnt! Beminde Christenen, hebben wij soms den tijd niet, om, zooals Aloysius, geheele dagen aan de voorbereiding tot de nuttiging dezer hemelsche spijze te wij den, laten wij dan toch ons best doen om den morgen, waarop wij willen communiceeren, in godsvrucht en heilige ingetogenheid door te brengen, en beijveren wij ons, onmiddellijk vóór die heilige handeling, door heilige overwegingen en vrome akten van geloof, van aanbidding, ootmoed en berouw, van hoop, liefde en vurig verlangen ons hart tot ijver en godsvrucht te stemmen. Waarlijk, Christenen, indien wij ernstig behartigen, wie degene is, die in de H. Communie tot ons komt, hoe en waarom Hg ons deze genade bewijst, ons, die om onze nietigheid, om onze gebreken en zonden die hooge gunst zoo onwaardig zijn; als wij bedenken, dat het Jesus is, die als God eeuwig in den hemel troont en als Godmensch zetelt aan de rechterhand zijns Vaders; Jesus, wien Maria, de Koningin des hemels, onder haar hart en op \'hare armen heeft gedragen, Jesus, onze Heiland, onze Vriend, onze Broeder, onze Koning, de Bruidegom onzer zielen; als wij bedenken, dat Hij tot ons komt, niet slechts zooals eens tot Zachaeus, om bij ons te herbergen, niet als tot Martha en Maria, om bij ons te eten, maar, zooals bij het laatste avondmaal tot zijne leerlingen, om onder de gedaante van brood onze spy ze te worden; als wij verder wel bedenken, dat Jesus tot ons komt om ons te zegenen, zooals Hij eens de kleine kinderen zegende, die men tot Hem bracht; om ons met het brood des levens te voeden, zooals Hij eens vijf duizend menschen voedde, die Hem in de woestijn gevolgd waren; om ons te genezen, zooals Hij weleer de blinden, lammen en doofstommen genas; om ons te redden, gelijk Hij zijne leerlingen redde op de zee van Tiberias, om ons te troosten, zooals Hij na zijne opstanding de zijnen heeft getroost; om ons gelukkig te maken, evenals Hij, in zijn verheerlijkt lichaam verschijnend, zijne leerlingen gelukkig heeft gemaakt; als wij dat alles bevroeden en ernstig overwegen — dan zal onze voorbereiding tot de H. Communie ongetwijfeld Gode welgevallig en ons hoogst voordeelig wezen; dan zullen in ons hart die gevoelens ontwaken, welke den communiceerende ten heil verstrekken, en de oefeningen of akten van geloof, hoop, liefde, aanbidding, verlangen, enz. zullen van zelf uit die heilige gevoelens en gewaarwordingen geboren worden,
388
gelijk bij een koesterende straal der lentezon de bloesems uit de knoppen breken, *) i)
*) De bedoelde akten vóór de H. Communie vindt men in elk kerkboek aangegeven.
Wij geven hier de akten op, zooals die in de meeste gebedenboeken worden gevonden. Het is zeer raadzaam, dat zij, die voor \'teerst ter H. Communie naderen, deze van buiten leeren. Geloof: O. mijn Jesus! ik geloof vastelijk alles, wat Gij geopenbaard liebt; vooral geloof ik, dat Gij wezenlijk tegenwoordig zljt in het H. Sacrament des Altaars, dewijl Gij, de eeuwige en onfeilbare Waarheid, zulks gezegd hebt. — Aanbidding: O mijn Jesus! in vereeniging met alle Engelen en Heiligen, aanbid ik U in het heiligste Sacrament, waarin Gij uit liefde voor mij zijt verborgen; ik aanbid TJ als mijn Heer en mijn God, als mijn Schepper en Zaligmaker. — Berouw: O mijn Jesus! ik betreur uit geheel mijn hart al mijne zonden, omdat ik daardoor U, mijn goeden God, wien ik boven alles bemin, vertoornd en beleedigd heb. —- Nederigheid: Mijn Heer en Heiland! hoe durf ik na zoovele beleedigingen nog tot U naderen? Waarlijk, ik ben niet waardig, U in mijn hart te ontvangen, maar spreek slechts één woord en mijne ziel zal gezond worden. — Hoop: Ja, liefdevolste Jesus! uwe barmhartigheid is zonder grenzen; Gij komt tot mij en wilt in mijn hart wonen. Dan zult Gij ook, ik vertrouw het vast, mij heiligen en met uwe genade vervullen. — Liefde: O, mijn Jesus! Gij hebt mij bemind tot den kruisdood toe en uit liefde voor mij wilt Gij nu ook het voedsel mijner ziel worden. O, hoe zal ik uwe liefde vergelden? Uit liefde voor U wil ik leven en sterven. — Verlangen: Kom, o Jesus. kom en neem bezit van mijn hart, het zal geheel aan U toebehooren; kom mij bezoeken en vesterk mij, o Jesus, met uwe genade.
\') Hoewel het hoogst passend en prijzenswaardig is, zich altijd tot het ontvangen van onzen Heiland in hét allerheiligste Sacrament met groote zorg voor te bereiden, geldt dit toch bizonder van de eerste H. Communie, dewijl de ondervinding leert, hoe onuitsprekelijk veel er van afhangt, dat deze waardig en met grooten ijver worde ontvangen. Maar al te licht opent eene lauwe of onwaardige eerste H. Communie eene lange rij van lauwe en onwaardige H. Communiën, die, wat zeer is te duchten, met een heiligschennend ontvargen der H. Teerspijze wordt gesloten; terwijl daarentegen eene waardige, vurige eerste H. Communie aan de ziel een machtigen stoot geeft om op den weg der christelijke deugd voort te wandelen, en tevens een begin en tot navolging aansporend voorbeeld van alle volgende Communiën wordt. Mochten toch alle kinderen, wien het vergund wordt, zich voor de eerste maal met Jesus in het H. Sacrament te vereenigen, het gezegde indachtig, met dat brandend verlangen en met dien ijver zich tot die eerste, op geheel ons leven zooveel invloed hebbende vereeniging voorbereiden, als de H. Maria Mag-dalena de Pazzis dit gedaan heeft. Zij had een zoo groot verlangen naar het H. Sacrament des Altaars, dat haar, naar het bericht van haren levensbeschrijver P. Cepari, de tijd vóór de eerste H. Communie als duizend jaren toescheen. Op haar tiende jaar werd het haar eindelijk toegestaan tot de tafel des Heeren te naderen. De vreugde, die het godvruchtige kind daarover gevoelde, was even onbeschrijflijk als hare dankbaarheid jegens God voor deze onschatbare weldaad. Zij beschouwde zich als het gelukkigste schepsel der wereld en toen de dag der eerste H. Communie naderde, dacht en sprak zij van niets anders dan van Jesus in het allerheiligste Sacrament. Die zalige dag, waartoe zij zich met vele gebeden en verstervirgen voorbereidde, was het feest van Maria-Boodschap (in het jaar 1576). Toen zij haren hemelscher. Gast met den diepsten eerbied, met engel-
369
Welke voorbereiding des lichaams wordt er vereischt ?
1) Men moet nuchter wezen, dat is, men ma» sinds middernacht niets gegeten of gedronken hebben. Wanneer
achtige aanbidding en innige godsvrucht in haar hart had ontvangen, gevoelde zij zich door de komst van het menschgeworden Woord zoo met troost en vreugde vervuld, dat zij later gewoon was te zeggen, nooit zoo iets beleefd te hebben, en zij werd zoo ontvlamd van liefde tot dit levend brood des hemels , dat zij in het vervolg immer een vurig verlangen gevoelde, het meermalen te ontvangen. Uit het aangehaalde voorbeeld, dat wij nog met vele andere uit de levensbeschrijvingen der Heiligen zouden kunnen vermeerderen, kan men zeer gemakkelijk zien, dat Jesus Christus bij zijn eerste bezoek in hunne jeugdige, wel voorbereide harten iets buitengewoons werkte, en hen zoo gelukkig maakte, dat zij den dag hunner eerste H. Communie als den gelukkigsten huns levens oeschnuwden.
Het is overigens niet noodig ons hier uitsluitend op het voorbeeld der Heiligen te beroepen. Ieder Christen, wien door zijn geweten niet het verwijt wordt toegevoegd, dat hij zijne eerste H. Communie zonder behoorlijke voorbereiding of zelfs heiligschennend heeft gedaan, ieder Christen wordt meer of minder getroffen, wanneer hij den blijden dag der eerste H. Communie herdenkt, en menigeen zal het luide bekennen, dat het inderdaad de schoonste en gelukkigste dag zijns levens was. — Zoo deed keizer Napoleon I bij de volgende gelegenheid. Op zekeren dag zaten na een gewonnen veldslag vele hoogere officieren in de tent van Napoleon aan tafel en bevonden zich in de vroolijkste stemming. Toen kreeg een der aanwezigen den inval, in rondvraag te brengen, welke dag wel voor ieder der diseh-genooten de schoonste en gelukkigste zijns levens was geweest. Dat voorstel wekte de aandacht. Eenieder bezon zich en gaf dan naar zijne meening het antwoord: de een noemde den dag, waarop hij een ordeteeken ontving, de ander den dag, waarop hij tot generaal was verheven, enz. als den gelukkigsten en schoonsten dag van zijn leven. Toen de beurt aan Napoleon was gekomen, scheen deze in gedachten verzonken en liet eene wijl op het antwoord wachten. //Gij moetquot;, zoo sprak een der officieren, //wel in verlegenheid geraken, ,0m den schoonsten en gelukkigsten uwer levensdagen te kunnen ,/noemen, dewijl gij er zoo vele schoone en gelukkige in uw leven //telt.quot; //Volstrekt niet,quot; antwoordde Napoleon,//ik ken den schoonsten ,en gelukkigsten dag mijns levens zeer wel; het was de dag mijner //eerste H. Communie.quot; De jonge officieren lachten bij dit antwoord , dat zij in hunne lichtzinniglieid voor eene scherts aanzagen. Generaal Drounot lachte niet mede, maar wischte, diep getroffen, zich een traan uit de oogen. Napoleon, die het bemerkte, ging tot hem, klopte hem vertrouwelijk op den schouder en sprak: //Beste Drounot! dat //verblijdt mij; gij alleen hebt mij begrepenquot; (Deze trek verhaalt onder anderen ook de Univers, 29 April ISéO).
Degene, die ons gezegde wel begrijpt, zal voorzeker de bemoeiingen van ijverige zielzorgers goedkeuren, die zich alles getroosten niet slechts om de kinderen, die voor \'t eerst zullen communiceeren, omtrent de heiligheid en liet gewicht dier handeling wel te onderrichten, maar ook om de plechtigheid der eerste H. Communie met grooten luister te vieren, zooals reeds in de eerste tijden der Kerk gebruikelijk was. 1) Het zinvolle der kerkelijke plechtigheden, vooral
1
Zie de werken van den H. Ambrosius (Noot bij het boek over de geheimen No. 43).
DEHiRBE, GELOOFSLEER. 34e DRUK. IV. 24
388
gelijk bij een koesterende straal der lentezon de bloesems uit de knoppen breken. *) i)
*) De bedoelde akten vóór de H. Communie vindt men in elk kerkboek aangegeven.
Wij geven hier de akten op, zooals die in de meeste gebedenboeken worden gevonden. Het is zeer raadzaam, dat zij, die voor \'teerst ter H. Communie naderen, deze van buiten leeren. Geloof: O. mijn Jesus! ik geloof vastelijk alles, wat Gij geopenbaard hebt; vooral geloof ik, dat Gij wezenlijk tegenwoordig zijt in het H. Sacrament des Altaars, dewijl Gij, de eeuwige en onfeilbare Waarheid, zulks gezegd hebt. — Aanbidding: O mijn Jesus I in vereeniging met alle Engelen en Heiligen, aanbid ik U in het heiligste Sacrament, waarin Gij uit liefde voor mij zijt verborgen; ik aanbid U als mijn Heer en mijn God, als mijn Schepper en Zaligmaker. — Berouw: O mijn Jesus! ik betreur uit geheel mijn hart al mijne zonden, omdat ik daardoor U, mijn goeden God, wien ik boven alles bemin, vertoornd en beleedigrt heb. — Nederigheid; Mijn Heer en Heiland! hoe durf ik na zoovele beleedigingen nog tot U naderen? Waarlijk, ik ben niet waardig, ü in mijn hart te ontvangen, maar spreek slechts één woord en mijne ziel zal gezond worden. — Hoop; Ja, liefdevolste Jesus! uwe barmhartigheid is zonder grenzen; Gij komt tot mij en wilt in mijn hart wonen. Dan zult Gij ook, ik vertrouw het vast, mij heiligen en met uwe genade vervullen. — Liefde: O, mijn Jesus! Gij hebt mij bemind tot den kruisdood toe en uit liefde voor mij wilt Gij nu ook het voedsel mijner ziel worden. O, hoe zal ik uwe liefde vergelden? Uit liefde voor ü wil ik leven en sterven. — Verlangen: Kom, o Jesus, kom en neem bezit van mijn hart, het zal geheel aan U toebehooren; kom mij bezoeken en vesterk mij, o Jesus, met uwe genade.
\') Hoewel het hoogst passend en prijzenswaardig is, zich altijd tot het ontvangen van onzen Heiland in het allerheiligste Sacrament met groote zorg voor te bereiden, geldt dit toch bizonder van de eerste H. Communie, dewijl de ondervinding leert, hoe onuitsprekelijk veel er van afhangt, dat deze waardig en met grooten ijver worde ontvangen. Maar al te licht opent eene lauwe of onwaardige eerste H. Communie eene lange rij van lauwe en onwaardige H. Communiën, die, wat zeer is te duchten, met een heiligschennend ontvangen der H. Teerspijze wordt gesloten; terwijl daarentegen eene waardige, vurige eerste H. Communie aan de ziel een machtigen stoot geeft om op den weg der christelijke deugd voort te wandelen, en tevens een begin en tot navolging aansporend voorbeeld van alle volgende Communiën wordt. Mochten toch alle kinderen, wien het vergund wordt, zich voor de eerste maal met Jesus in het H. Sacrament te vereenigen, het gezegde indachtig, met dat brandend verlangen en met dien ijver zich tot die eerste, op geheel ons leven zooveel invloed hebbende vereeniging voorbereiden, als de H. Maria Mag-dalena de Pazzis dit gedaan heeft. Zij had een zoo groot verlangen naar het H. Sacrament des Altaars, dat haar, naar het berich; van haren levensbeschrijver P. Cepari, de tijd vóór de eerste H. Communie als duizend jaren toescheen. Op haar tiende jaar werd het haar eindelijk toegestaan tot de tafel des Heeren te naderen. De vreugde, die het godvruchtige kind daarover gevoelde, was even onbeschrijflijk als hare dankbaarheid jegens God voor deze onschatbare weldaad. Zij beschouwde zich als het gelukkigste schepsel der wereld en toen de dag der eerste H. Communie naderde, dacht en sprak zij van niets anders dan van Jesus in het allerheiligste Sacrament. Die zalige dag, waartoe zij zich met vele gebeden en verstervingen voorbereidde, was het feest van Maria-Boodschap (in het jaar 1576). Toen zij haren hemelschen Gast met den diepsten eerbied, met engel-
369
Welite voorbereiding des lichaams wordt er vereischt ?
1) Men moet nuchter wezen, dat is, men ma£t sinds middernacht niets gegeten of gedronken hebben. Wanneer
achtige aanbidding en innige godsvracht in haar hart had ontvangen , gevoelde zij zich door de komst van liet menschgeworden Woord zoo met troost en vreugde vervuld, dat zij later gewoon was te zeggen, nooit zoo iets beleefd te hebben, en zij werd zoo ontvlamd van liefde tot dit levend brood des hemels , dat zij in het vervolg immer een vurig verlangen gevoelde, het meermalen te ontvangen. Uit het aangehaalde voorbeeld, dat wij nog met vele andere uit de levensbeschrijvingen der Heiligen zouden kunnen vermeerderen, kan men zeer gemakkelijk zien, dat Jesus Christus bij zijn eerste bezoek in hunne jeugdige, wel voorbereide harten iets buitengewoons werkte, en hen zoo gelukkig maakte, dat zij den dag hunner eerste H. Communie als den gelukki^sten huns levens beschouwden.
Het is overigens niet noodig ons hier uitsluitend op het voorbeeld der Heiligen te beroepen. Ieder Christen, wien door zijn geweten niet het verwijt wordt toegevoegd, dat hij zijne eerste H. Communie zonder behoorlijke voorbereiding of zelfs heiligschennend heeft gedaan, ieder Christen wordt meer of minder getroffen, wanneer hij den blijden dag der eerste H. Communie herdenkt, en menigeen zal het luide bekennen, dat het inderdaad de schoonste en gelukkigste dag zijns levens was. — Zoo deed keizer Napoleon I bij de volgende gelegenheid. Op zekeren dag zaten na een gewonnen veldslag vele hoogere officieren in de tent van Napoleon aan tafel en bevonden zich in de vroolijkste stemming. Toen kreeg een der aanwezigen den inval, in rondvraag te brengen, welke dag wel voor ieder der disch-genooten de schoonste en gelukkigste zijns levens was geweest. Dat voorstel wekte de aandacht. Eenieder bezon zich en gaf dan naar zijne meening het antwoord: de een noemde den dag, waarop hij een ordeteeken ontving, de ander den dag, waarop hij tot generaal was verheven, enz. als den gelukkigsten en schoonsten dag van zijn leven. Toen de beurt aan Napoleon was gekomen, scheen deze in gedachten verzonken en liet eone wijl op het antwoord wachten. z/Grij moetquot;, zoo sprak een der officieren, vwel in verlegenheid geraken, „om den schoonsten en gelukkigsten uwer levensdagen te kunnen //noemen, dewijl gij er zoo vele schoone en gelukkige in uw leven //telt.quot; ,/Volstrekt niet,quot; antwoordde Napoleon,//ik ken den schoonsten „en gelukkigsten dag mijns levens zeer wel; het was de dag mijner „eerste H. Communie.quot; De jonge officieren lachten bij dit antwoord , dat zij in hunne lichtzinnigheid voor eene scherts aanzagen. Generaal Drounot lachte niet mede, maar wischte, diep getroffen, zich een traan uit de oogen. Napoleon, die het bemerkte, ging tot hem, klopte hem vertrouwelijk op den schouder en sprak: „Beste Drounot! dat „verblijdt mij; gij alleen hebt mij begrepenquot; (Deze trek verhaalt onder anderen ook de Univers, 29 April ISiO).
Degene, die ons gezegde wel begrijpt, zal voorzeker de bemoeiingen van ijverige zielzorgers goedkeureu, die zich alles getroosten niet slechts om de kinderen, die voor \'t eerst zullen corarauniceeren, omtrent de heiligheid en het gewicht dier handeling wel te onderrichten, maar ook om de plechtigheid der eerste H. Communie met grooten luister te vieren, zooals reeds in de eerste tijden der Kerk gebruikelijk was. ■\'\') Het zinvolle der kerkelijke plechtigheden, vooral
*) Zie de werken van den H. Ambrosias (Noot bij het boek over de geheimen No. 43).
DEHiEBE, GELOOrSLEER. 3Je DRUK. IV. 24
370
dus iemand sinds middernacht niet nuchter is, al zou hij slechts water of eenige andere spijze of drank, zelfs een geneesmiddel, in hoe geringe hoeveelheid ook, gebruikt hebben, dan mag hij niet communiceeren. Zoo luidt het voorschrift, dat daaromtrent door de Kerk gegeven is. «) Als iemand er redelijkerwijze aan twijfelt, of hij iets genuttigd heeft of niet, dan mag hij strikt genomen ter H. Communie gaan; want in dat geval is hij niet verplicht om het twijfelachtig beletsel als zeker bestaande aan te nemen, hoewel het beter is de H. Communie uittestellen,
de zoo treffende vernieuwing der doopbeloften, de versiering der altaren, de godvruchtige stemming van liet aanwezige volk, de bezielde redevoering des zielzorgers tot de kinderen en Imnne ouders, de plechtige en eerbiedige nadering tot de communiebank, dat alles maakt een diepen indruk, niet slechts op de zinnen maar ook op het hart der kinderen en pront daarin de herinnering aan de eerste H. Communie met onuitwischbare trekken. En deze herinnering zal niet vruchteloos zijn voor het volgend leven; dikwerf zal het den Christen tot beoefening der deugd aansporen, dikwijls zijne schreden op den weg der zonde stuiten, hem terughouden van beleedigingen jegens zijn hemelschen Vader. — Toen Generaal Radet van Keizer Napoleon het bevel had ontvangen om Pius VII gevangen te nemen en uit Rome weg te voeren, maakte hij de noodige beschikkingen, die tot het volvoeren van die euveldaad vereischt werden, liep eenige deuren van het pauselijk paleis open en drong woest voort tot in de kamer des H. Vaders. T«en hij daar den grijzen plaatsbskleeder van Christus in zijne pauselijke kleeding weerloos voor zich zag, trad hij verslagen terug. Eerbied en vrees namen de plaats in van de woestheid des krijgsmans en sidderend deelde hij den H. Vader het ontvangen bevel mede. Eenige jaren later vroeg men den genoemden generaal, wat toch de oorzaak was geweest van de plotselinge verandering in zijne handelwijze jegens Pius VII. ,/Het was,quot; zeidehij, jde herinnering aan mijne eerste H. Communie, die zich bij mij „opdrong, den levendigsten indruk op mij maakte en mij met afschuw „vervulde voor het gehate bevel mij opgedragenquot; (Bij Guillois uit het leven van Pius VII door Artaud).
Gelijk de kerkelijke en godsdienstige plechtigheid van den eersten H. Communiedag, indien de kinderen eerst van de hooge beteekenis dier plechtigheid behoorlijk onderricht zijn, bovenal geschikt is om de heilzame uitwerkselen der H. Communie zelve te bevorderen en te bewaren, is liet eveneens zeker, dat de wereldsche pronk, ijdele opschik, overdreven pracht in kleeding en huiselijke feestpartijen de gemoederen der kinderen van het Allerheiligste aftrekken, hunne godsvrucht verstoren of geheel onderdrukken en de uitwerkingen der eerste H. Communie zoo al niet geheel beletten, dan toch verminderen. Als de huiselijke feestelijkheden, die men bij zulke plechtigheid aanricht, niet met de kerkelijke overeenstemmen; indien zij veeleer om hun wereldschen toon den indruk daarvan uitwisschen, dan zijn zij beklagenswaardige misbruiken, en de zielzorgers vervullen gewis een hunner heiligste plichten, wanneer zij met allen ernst daartegen ijveren en die voorkomen. Ouders, die christelijk gezind zijn, zullen daartoe gaarne de hand leeneu, dewijl het hun niet kan ontgaan, hoezeer daardoor de geestelijke welvaart hunner kinderen wordt bevorderd.
!) Missale Roman, de defectib. circa Missam occurrentibus.
371
als het gevoegelijk kan geschieden, i) Indien iemand eenig overblijfsel van spijs, of bij het zuiveren van den mond een druppel water onvrijwillig doorslikt, dan mag hij evenwel tot de H. Communie naderen, omdat het eerste niet als spijs, het laatste niet als drank genuttigd, maar als speeksel doorgeslikt wordt. — Van het gebod om nuchter te comm\'uniceeren zijn alleen uitgezonderd de gevaarlijke zieken, die de H. Communie als Teerspijze ontvangen, en ook dan, wanneer hun in dezelfde ziekte, bij langen duur van het doodsgevaar, of bij het ontstaan van nieuw gevaar, herhaaldelijk de H. Teerspijze wordt gegeven. Deze uitzondering werd ten allen tijde gemaakt en ook gebillijkt; anders toch zouden juist zij, die deze geestelijke versterking het meest noodig hebben, haar meermalen moeten ontberen. En hierbij is nog op te merken, dat voor deze uitzondering niet alleen de zekerheid, maar ook de waarschijnlijkheid van doodsgevaar voldoende is, vooral wanneer de vreeze bestaat, dat de zieke plotseling kan sterven. 2)
Overeenkomstig de eenparige leering der Godgeleerden gebiedt de Kerk buiten dit geval het H. Sacrament des Altaars nuchter te ontvangen en wel onder doodzonde, vooral om het groote misbruik dat het veronachtzamen van dit voorschrift in \'t leven zou roepen. 1) Reeds de H. Paulus vond zich ge-
24*
1
) Indien een zieke, ter oorzake van het gebod der Kerk, dat ons gebiedt nuchter te wezen, niet zoo dikwijls de 11. Communie kan ontvangen als hij wel wenscht, dan bedenke hij, dat gehoorzaamheid
•beter is dan offer, en dat de Heer ook met de geestelijke Communie die genade kan verbinden en in dat geval ongetwijfeld dikwerf verbindt, welke Hij aan de ziel in de wezenlijke Communie mededeelt. De Kerk moet bij het voorschrijven harer geboden een vasten en bepaalden regel vaststellen, opdat hare onderdanen weten, aan wie daardoor verplichtingen worden opgelegd en aan wie niet; eveneens moet zij bij de handhaving van gegeven bevelen er op letten, dat deze niet door veelvuldige overtreding opgeheven worden. Wanneer nu de H. Kerk, behalve de zieken, die in gevaar verkeeren, van het gebod om nuchter te wezen ook hen zoude uitzonderen, die niet gevaarlijk ziek zijn, hoe zou men dan de mate van ziekte of zwakte moeten bepalen om ons van het nuchter zijn vrij te spreken! En indien zij in het algemeen alle zieken en zwakken van de genoemde wet wilde vrijspreken, zou men dan nog het gebod als geldend kunnen achten? Zoaden dan niet de meesten, onder voorwendsel van dooide opvolging van dat gebod aan hunne zwakke gezondheid te kort te doen of gevaar te berokkenen, zich daarvan ontheven wanen? Daarom spreekt de roomsche Stoel enkel en alleen do zieken, die in gevaar van sterven zijn vrij van de gehoorzaamheid aan dit gebod verschuldigd, en verleent, zooals bekend is, aan anderen in den regel geen dispensatie. — Van vele Heiligen weten wij, dat zij zich soms uit een geest van gehoorzaamheid de H. Communie ontzegden, maar dat zij, hoewel soms met de grootste moeite, nuchter bleven. De H. Magdalena
372
drongen het misbruik van te eten of te drinken voor de H. Communie te veroordeelen, en hij deed dit met gestrengheid, toen hij aan de gemeente van Corinthe, waar misbruik ontstaan was, op verwiitenden toon schreef: „Bij uwe ver-„eenigingen heet het niet meer avondmaal des Heeren vieren. „Want eenieder neemt eerst zijn avondmaal om te eten, „en de een lijdt honger en de ander drinkt te veelquot; (1 Cor. XI, 20, 21). En toen hg later te Corinthe kwam, gebood hij, om het gezegde misbruik geheel uit te roeien, dat men de H. Communie nuchter zou ontvangen en eerst daarna het liefdemaal houden. Daarop duiden de woorden, die wij in den reeds aangehaalden brief lezen (vers. 34) : „Het overige zal ik regelen, als ik bij u zal zijn gekomen quot; Zoo verklaart onder anderen de H. Kerkleeraar Augustinus deze plaats (br. 54) en voegt er bij: „Het was eene zaak „van al te groot belang om in een brief het geheele (op het ontvangen der H. Communie betrekking hebbende) „voorschrift aan te geven, hetwelk tegenwoordig door de „geheele Kerk overal wordt gehandhaafd.quot; — Wij hebben dus redenen genoeg om aan te nemen, dat dit gebod van den tijd der Apostelen dagteekent. In allen gevalle is het een algemeen, tot de vroegste tijden opklimmend voorschrift. Tertulliaan \') reeds vestigt de aandacht op de in zijnen tijd heerschende gewoonte om de H. Eucharistie vóór alle andere spijzen te ontvangen; eveneens getuigt de H. Augustinus (t. a. p.) van het gebruik der geheele Kerk sprekend, uitdrukkelijk: „De H. Communie wordt altijd slechts door hen „ontvangen, die nog nuchter zijn.1\' Met grond dus beroept zich het algemeen Concilie van Constans, bij de hernieuwing van dat gebod, op de heilige voorschriften 2)
de Pazzis was sinds hare intrede in het klooster gewend eiken dag te commuiiiceeren. Na eenigen tijd had de koorts hare lichamelijke krachten zoozeer verzwakt, dat zij het niet langer dan drie uren zonder voedsel kon uithouden. Bleef zij ook slechts een weinig langer zonder spijze, dan overviel haar een buitengewoon hevige hoest, die haar niet verliet vooraleer zij iets had gegeten. Om echter het Brood der sterken niet te ontberen j verdroeg zij deze bezwaren eiken nacht, totdat de biechtvader haar des morgens de H. Communie bracht. Gaf haar soms iemand den raad, tot vermindering harer smarten toch liever iets te nuttigen, dan antwoordde zij: „Lieve zuster, ik /,heb die geestelijke versterking te zeer noodig. Ik wenschte veel „meer voor Jesus te doen dan dit; ik offer Hem dit kleine lijden op „als voorbereiding, en zoolang als ik kan, wil ik dit weinige gaarne „lijden om Hem te kunnen ontvangen. De H. Communie toch is mijn „eenige troost in deze ziektequot; (Cepari op eene and. pl. hoofdst. 48).
\') Ad uxor. I 2—5.
■2) Fouget (Instit. cathol.) haalt meerdere Canons van de Synoden der zevende eeuw aan en voegt er dan bij: „Overbodig zou het „zijn nog meer getuigenissen aan te halen, dewijl bijna alle andere „Synoden hetzelfde voorschrijven.quot;
373
en het gevestigd gebruik der Kerk. — Zelfs in geval dat dit kerkelijk gebruik minder oud ware, dan toch zouden ■wij verplicht zijn met den H. Kerkleeraar Augustinus (t. a. p.) te denken en te spreken; „Het heeft den H. Geest goedgedacht „voor te schrijven, dat, uit eerbied voor dit zoo verheven „Sacrament, het lichaam des Heeren vóór elke andere spijze „den mond des Christens inga. Want om die reden wordt „dit gebruik over geheel den aardbodem gehandhaafd.quot; De zinspeling van den H. Kerkvader op het gebod van het eerste Concilie van Jerusalem, in de eerste woorden van dezen tekst opgesloten, is vol heteekenis. Gelijk namelijk de H. Geest daar, door den mond der Kerk, het nuttigen van „offerspijzen, van bloed en gestikt vleeschquot; (Hand. der Apost. XV, 29) verbood, zoo verbiedt dezelfde H. Geest ook hier door de Kerk het nuttigen van welk voedsel ook vdor het ontvangen der H. Communie.
2) Men moet eerbaar gekleed aan de heilige tafel verschijnen. — Een kleed is eerbaar, als het tot eer verstrekt van hem, die het draagt en ook voor wien men het draagt. Wie bij voorbeeld een vuil, versleten kleed aantrekt, ofschoon hij een rein en beter te zijner beschikking heeft, of wie in een wellustigen, ergernisgevenden opschik voor den dag komt, die onteert zich zei ven en ook dengene, voor wien hij aldus verschijnt, omdat hij minachting jegens hem toont. Indien iemand daarentegen eene armelijke, verstelde, maar toch heldere en zedige kleeding draagt, dan strekt het hem en ook dengene, tot wien hij nadert, tot eere. Geldt dit in den omgang met de menschen , en zou niemand zich durven verstouten anders dan naar vermogen fatsoenlijk gekleed een voornaam heer te bezoeken of zich aan diens disch neder te zetten, met hoeveel meer recht moet dan niet hij zich eerbaar kleeden, die voornemens is in het huis van God, in de tegenwoordigheid van Jesus Christus, aan de tafel van, den Koning der koningen te verschijnen. Wel is het waar, onze Heiland ziet niet zoozeer op het. vergankelijk kleed, dat het lichaam bedekt, als wel op het onvergankelijke, dat de ziel versiert, maar niettemin eischt toch zijne goddelijke Majesteit, dat wij Hem die eer bewijzen, welke de onbeschaafde en bedorvenste mensch niet aan een aardschen vorst zou weigeren, de eer namelijk van in een helder en zedig kleed aan zijn goddelijken maaltijd deel te nemen. Toen God aan Mozes zeide, dat Hg op den top van den berg Sinaï zou nederdalen en met hem wilde spreken, opdat het volk het hooren en voortaan zijn dienaar gelooven zou, voegde Hij er bij; „ga tot het volk en heilig hen heden en morgen, en laat
t
374
„hen hunne kleederen reinigenquot; (2. Mos. XIX, 10). Als de Israëlieten hunne kleederen moesten wasschen, om behoorlijk aan den voet van Sinaï te verwijlen, terwijl God op den top des bergs met hunnen aanvoerder sprak, hoeveel te meer moet dan de Christen zorg dragen, zuiver gekleed te wezen op het oogenblik, dat Jesus, de Koning der glorie, in zijn hart nederdaalt! Die welvoegelijkheid in kleeding is overigens niet slechts passend, maar ook stichtend, dewijl zij ons en anderen herinnert aan de verplichting, om met een zuiver hart tot de tafel des Heeren te naderen. — Veel noodzakelijker nog is de verplichting om in eene welvoegelijke en zedige kleeding de H. Communie te ontvangen, dewijl anders het hart verontreinigd wordt. Want indien het zonde is in onbeschaamde, wellustige kleeding op plaatsen van uitspanning, in de schouwburg en op het bal te verschijnen, dan is het zonder twijfel veel veroordeelenswaardiger om in de kerk en zelfs aan de communiebank door opschik en weelde ergernis te geven, en, terwijl men tot de heilige Geheimen van ootmoed en zuiverheid nadert, aan ijdelheid en boozen lust den vrijen teugel te vieren.
Hoe moet men tot de tafel des Heeren naderen en hoe moet men zich lij het ontvangen der H. Hostie gedragen?
Men moet naderen met den grootsten eerbied, met opgeheven en saamgevouwen handen en met neergeslagen oogen; bij het ontvangen der H. Hostie moet men het communiekleed voor zich houden, het hoofd opheffen, de tong op de onderste lip leggen en dan de H. Hostie met den meest mogelijken eerbied nuttigen.
Wanneer het gelukkige oogenblik is gekomen, dat de Christen zijn goddelijken Verlosser, het brood der Engelen, zal ontvangen, dan trede hij zonder vreeze tot de heilige tafel nader, gelijk een onderdaan tot zijn koning, als het schepsel tot zijn Schepper, met diepe godsvrucht des harten en met den grootsten eerbied. Gelaat, houding, gang, geheel het uiterlijk moet als eene levende afspiegeling zijn van de gevoelens en de gesteltenis zijns harten: van geloof, aanbidding, nederigheid en vurig verlangen. Hij nadere largzaam, ingetogen en met heiligen ernst tot de heilige tafel, zijn hoofd neige hij iets voorover, terwijl de oogen bescheiden neder-geslagen niet nieuwsgierig in \'t rond zien naar hen, die met hem communiceeren. Hij vouwe de handen voor de borst vol godsvrucht, en als hij, zonder voort te dringen, tot de communiebank is genaderd, dan make hij eerst aanbiddend eene buiging en kniele dan eerbiedig neder.
\'
375
Is Als de Priester zich tot de communicanten wendt en de B- H. Hostie boven den kelk houdt opgeheven, zeggende; id „Ziet het Lam Gods,quot; enz, dan moet de communiceerende el in grooten ootmoed en in diep besef van zijne onwaardig-sd heid driemaal op zijne borst slaan en den Priester driemaal ïr nazeggen: „O Heer, ik ben niet waardig, dat Gij komt .n „onder mijn dak, maar spreek slechts één woord en mijne i- „ziel zal gezond worden.quot; — Vervolgens houde hij het bi- communiekleed uitgespreid voor zich, opdat niet een ge-te deelte van de H. Hostie op den grond valle en zoo onteerd m worde. Mocht het gebeuren, dat eene H. Hostie of een ie mérkbaar gedeelte er van op het voorgehouden communie-t. kleed viel, dan verschrikke men niet, maar geve den je • Priester een teeken, opdat hij het gevallen deel wederom 3n opneme; want de gezalfde handen des Priesters alleen el mogen de H. Hostie aanraken. Als de Priester tot de ie communiceerenden nadert, dan moeten zij met bescheiden n, neergeslagen of op het H. Sacrament gevestigde oogen het sn hoofd opheffen, den mond openen, de tong iets vooruiten steken, zód dat deze de onderste lip bedekt, en het den Priester mogelijk maken de H. Hostie er op te leggen, ^ zonder gevaar van die aan de tanden of aan de lippen te stooten. Op het oogenblik zelf als de Priester, den communiceerende met de H. Hostie zegenend, zegt: „Het p- „lichaam onzes Heeren Jesus Christus beware uwe ziel m „ten eeuwigen leven!quot; dan aanbidde hij vol ootmoed den et Heiland en zegge in zijn hart: „O Jesus, kom tot mij, ie „ik schenk mijne ziel aan Uof hij verwekke andere iet dergelijke gevoelens, zooals hem de godsvrucht en liefde tot den Heiland zullen ingeven. Bij het ontvangen der de H. Hostie wachte men zich de wel de tong te spoedig n, terug te trekken, opdat niet een gedeelte er van afge-fel broken worde en op den grond valle; vervolgens zorge sel men den mond te sluiten, godvruchtig het hoofd te buigen, iet het communiekleed los te laten en op te staan om met iet dezelfde godsvrucht en ingetogenheid, waarmede men na-;e- derde, naar zijne plaats terug te keeren. Bovendien is ig, nog op te merken, dat men vooral gedurende een kwartier ?e- uurs niet mag spuwen; ook dat men de H. Hostie niet ofd zoo lang in den mond houde, dat zij verteerd is. Mocht er- zij aan \'t verhemelte blijven kleven, dan make men ze die niet met den vinger maar met de tong los.
de
3n, ^ moet men doen na het ontvangen der ƒ/. Communie ?
irst Men moet. met de grootste zedigheid op zijne plaats in Ier. de kerk nederknielen. en daar gedurende eenigen tijd in
376
aandachtig gebed volharden, zich voor den Heer verootmoedigen , Hem danken, zich aan Hem opofferen, Hem liefde toonen en om genaden vragen.
Gelukkig, bovenmate gelukkig is de ziel, met wie Jesus in de H. Communie eene geheimvolle verloving aangaat, met wie Hij zich in dit Sacrament der liefde vereenigt om haar in zekere mate zijn eigen goddelijk leven, geheel de volheid zijner genaden mede te deelen. Zulk eene ziel heeft alle reden om in zalige verrukking met de bruid van het Hooglied (III, 4) uit te roepen: ,,Ik heb Hem „gevonden, wien mijne ziel bemint; ik zal Hem vast „houden en nimmer laten heengaan/\' Doch hoe zal de zoo gelukkig gemaakte ziel in staat zijn haren goddeliiken Bruidegom bij zich te houden en aan zich te verbinden ? Zij zal daartoe in staat zijn door vurige gebeden, door aanhoudende verzuchtingen, door eene innige godsvrucht. Daarom zijn de Christenen, die ernstig op hun heil bedacht zijn, gewoon om na de H. Communie in de kerk ergens een rustig plaatsje te zoeken en daar ongestoord zich met Jesus, hun hemelschen gast, te onderhouden. In die zalige en heilige oogenblikken vergeten zij hemel en aarde, dewijl zij den Heer van hemel en aarde in hun hart bezitten; vergeten zij alle schepselen, wijl de Schepper van allen hen met zijne verrukkende tegenwoordigheid vereert. Zoo brengen zij een tijd lang door, in nederige aanbidding en bewondering, vurige liefde en heilige vervoering geheel verslonden. Daar stort zich hun overstroomend hart uit in blijde dankzeggingen voor de overgroote liefde en genade, die hun de Heiland door de H. Communie heeft bewezen , en in verklaringen en betuigingen van de vurigste wederliefde. Zij offeren Hem hun lichaam en hunne ziel, alles wat zij zijn en hebben; zij beloven Hem liefde, getrouwheid , gehoorzaamheid, geheele onderwerping; zij beloven Hem, deze of gene deugd bizonderlijk te beoefenen, deze of gene ongeregelde neiging te bestrijden. En hunne eigen zwakheid en gebrekkigheid gedachtig, smeeken zij Jesus, dat Hij hen toch wil ondersteunen met zijne genade en hen in staat stellen, om de goede voornemens en heilige plannen, welke zij gemaakt hebben, ook te onderhouden en ten uitvoer te brengen; zij bidden om hulp en bijstand in alle behoeften, niet slechts voor zich zeiven ftiaar voor allen, wier lichamelijk en geestelijk heil hun toevertrouwd en aanbevolen is of buitendien na aan het harte gaat; en zij bidden zoo dringend en zoo volhardend, dat zij waarlijk den patriarch Jacob gelijken, die den Engel, met wien hij had gestreden, vasthield en sprak:
377
„Ik laat u niet gaan, vooraleer gij mij uwen zegen hebt ,,geschonkenquot; (1. Mos. XXXII, 26). \')
7
Jesus Christus zal van zijnen kant zulk dringend bidden en smeeken zeker niet onverhoord laten, want Hij is, volgens het gezegde van de H. Teresia, na de H. Communie in de ziel tegenwoordig als op een troon van genade, vanwaar Hij haar toeroept: „Wat wilt gij dat Ik doen zal? „Zie, beminde ziel, om geene andere redenen ben Ik van „den hemel gedaald, dan om u genaden uit te deelen; „vraag Mij dan, wat gij wilt en zooveel als gij wilt; „alles zal u gegeven worden.quot; Daarom noemt ook de genoemde Heilige den tijd na de H. Communie „een boven-„alles kostbaren tijd,quot; en zij beklaagt de blindheid van hen, die er zoo weinig nut van weten te trekken, dat zij veelmeer door hunne onverschillige, koude en ongepaste handelwijze jegens dien hemelschen Gast, Hem noodzaken, weldra hunne harten te verlaten. „Hun geest,quot; zoo zegt zij van dusdanige lauwe Christenen, „is zoo door wereldsche „zaken en bezigheden meegesleept en verstrooid, dat hetquot; „den schijn heeft, alsof de goddelijke Heiland, wien zij „in hunne harten hebben opgenomen, hun ten believe, „hen niet spoedig genoeg verlaten kan\'\' (Weg der volmaaktheid hoofdst. 35). Hoe ondankbaar zijn zulke Christenen en hoe weinig zijn zij op hun eigen voordeel bedacht. Als een vorst dezer aarde tijdens eene groote duurte of een grooten nood, zich genadig afliet om de nederigste hutten zijner onderdanen te bezoeken en aan de bewoners in overvloed geld en levensmiddelen uit te deelen, maar deze behoeftigen weigerden, de hand naar de gaven dier koninklijke gunst en liefde uit te strekken, om ze te ontvangen; wanneer zij door geheel hun gedrag den hoogen , liefderijken weldoener te verstaan gaven, dat hij zonder zich te bekommeren over hun lot weder naar zijn paleis kon terug keeren, zouden zulke onderdanen, behalve de
\') Akten, welke men na de H. Communie behoort te bidden: Nederigheid. O mijn Jesus, van waar komt mij het geluk, dat Gij, mijn God, U gewaardigd hebt mij, armen zondaar, te bezoeken? — Dankzegging en opoffering. Liefdevolste Jesus, hoe kan ik (J vergelden, wat Gij aan mij gedaan hebt. Ik offer U op mijn lichaam en mijne ziel en alles wat ik heb. Al mijne gedachten, mijne begeerten, mijne woorden en al mijne daden, ze zullen de uwe zijn, voor U geschieden. — Liefde. O Jesus, ontvlam mijn koud hart met het vuur uwer liefde, opdat ik 0 meer beminne dan alles, wat bestaat, meer dan mij zeiven. — Bede. O mijn Heer en mijn God! verleen aan mij, arme, al die genaden, die ik noodig heb; want Gij zijt immers eindeloos rijk en eindeloos goed. O goedige Jesus, blijf bij mij met uwe genade, versterk en zegen mij door de kracht van dit H. Sacrament, nu en in de ure van mijnen dood. Amen.
i
378
beschuldiging van de grootste dwaasheid, niet die van de afschuwelijkste ondankbaarheid jegens hun goedgunstigen en milden vorst verdienen ? Zouden zij niet de grootste vijanden van zich zelve zijn? Welnu, juist zoo handelen die Christenen, waarvan de H. Teresia spreekt. Jesus, de Zoon van God, daalt van den hemel in hun arm, hulpbehoevend hart neder om het met schatten van genade te verrijken, en zij stellen Hem een beletsel, dewyl zij niet het minste doen om zich deze hemelsche goederen toe te eigenen, ja zij noodzaken Hem in zekere mate om onverrichter zake weder hun hart te verlaten.
Hoe moet men den dag der li. Communie doorbrengen?
Men behoort dien zooveel mogelijk door te brengen met godvruchtige oefeningen, en alle wereldsche vreugden en verlustigingen te vermijden.
Ook de kostbaarste balsem verliest spoedig zijn geur, indien de flesch,\'waarin hij bewaard wordt, niet goed gesloten is, en zelfs het best onderhouden vuur zal niet lang eene kamer warm houden, wanneer daar een koude winterlucht door deuren en vensters binnendringt. Zoo gaat het ook met den hemelschen balsem der genade, die bij het waardig ontvangen der H. Communie in ons hart wordt uitgegoten; zoo ook met het vuur der heilige liefde en godsvrucht, dat de Heiland bij zijne vereeniging met onze zielen in ons ontsteekt. Indien het hart zich aanstonds overgeeft aan ijdele zorgen, wenschen en begeerten, dan vervliegt spoedig de lieflijke geur der genade, en het vuur der godsvrucht en des ij vers verliest zijne heilzame, verwarmende kracht. Daarom is het passend, dat men den dag der H. Communie, zooveel als de omstandigheden of 0112e betrekking ons zulks veroorloven, stil en ingetogen doorbrenge in vrome gebeden, in overweging, geestelijke lezing en andere godvruchtige oefeningen en op die wijze den welriekenden geur van den hemelschen balsem der ge-. nade niet slechts beware, maar nog verhooge en het vuur der liefde, door de H. Communie ontstoken, meer en meer doe ontvlammen. Op dien dag, waarop aan de ziel een zoo groot geluk te beurt viel, vermijde men met bizondere zorg alle ijdele, hoovaardige, behaagzieke, zinnelijke en onzuivere gedachten, alle nuttelooze, liefdelooze en onwel-voegelijke gesprekken, alle ongeoorloofde vrijheid der zinnen, alle overdaad in genot van spijs en drank, in één woord, alles wat ons lichaam of onze ziel kan bevlekken en den verheven Gast, die bij ons wijlt, mishagen. Die strengere
379
waakzaamheid over ons zelve zal ons te lichter zijn, als wij bedenken, dat ons hart op zulke dagen op geheel bizondere wijze de woning, de tempel, ja als het ware de kribbe van onzen Heiland is geworden. Ongetwijfeld zouden wij het ons toch tot groote eere rekenen om de kribbe, waarin Jesus eens heeft gerust, tegen alle zondige ont-eering te beschermen. Welaan dan, laten wij op commu-niedagen ons zelve in eere houden, en wi] zullen bij God den roem en de verdienste verwerven van beschermers zijner H. kribbe te zijn.
Vooral moeten ijverige Christenen zich wachten om op den dag, waarop zij tot de tafel des Heeren zijn genaderd, deel te nemen aan wereldsche vermaken en verlustigingen. Het moge dan waar wezen, dat daarbij niets geschiedt, wat ongepast of zondig is, zij verstrooien toch immer den geest en doen in het hart gevoelens en begeerten ontwaken, die met de verheven, heilige stemming van eenen communiedag volstrekt niet overeenstemmen. Godvruchtige ouders en opvoeders, die den vooruitgang in deugd hunner kinderen en kweekelingen ter harte nemen, zullen daarom ernstig zorg dragen, dat zij op gezegde dagen verwijderd blijven zelfs van geoorloofde vermakelijkheden en luidruchtige uitspanningen, opdat met de verstrooiing en zinsbedwelming ook niet de vijand des heils het kinderlijk hart binnen-sluipe en den Heiland er uit verdrijve. — Wat moet men wel denken van Christenen, die des morgens aan de communiebank, des avonds in den schouwburg, op het bal of andere soortgelijke plaatsen van vermaak worden gezien; die van de tafel huns goddelijken Verlossers gaan naar gezelschappen, waar de geest der onzuiverheid zijn beker mengt en laat rondgaan ? Moet men hun niet toeroepen: blijft liever weg van de tafel des Heeren, bijaldien gij geene kracht, geen goeden wil genoeg bezit om u zulke vreugden en gezelschappen te ontzeggen? „Gij kunt niet „drinken den kelk des Heeren en tevens dien des duivels; „gij kunt geen deel hebben aan de tafel des Heeren en „aan den disch der duivelenquot; (1. Cor. X, 20—2.1).
TOEPASSING.
Onder de menigvuldige wonderen, die God de Heer, ten gunste der Israëlieten, zijn uitverkoren volk, deed, was een der schitterendste, dat Hij in de woestijn met brood des hemels hunnen honger stilde. De koninklijke zanger herdenkt die gebeurtenis in uitdrukkelijke woorden: „God,quot; zoo spreekt hij, „deed voor hen manna van den hemel
380
„regenen tot spijs en gaf hun hemelbrood. Het brood der „engelen at de menschquot; (Psalm LXXV1I, 24—25). Hoeveel schitterender echter is het wonder, dat de mensch-geworden God gedaan heeft tot heil zijner verlosten, toen Hij het allerheiligste Sacrament des Altaars instelde; hoeveel grooter de weldaad, welke Hij hun bewees, toen Hij hun voor alle toekomende tijden dat oneindig kostbaarder manna, zijn waarachtig lichaam en zijn waarachtig bloed, tot spijs hunner zielen aanbood en bereidde? Als wij dit overwegen, moeten wij dan niet met verbazing en bewondering uitroepen: de mensch eet het vleesch van den Zoon van God! En zouden wij, door de grootte van dit wonder en van deze weldaad getroffen, ons niet aangespoord voelen om dit nieuw, levend en levendmakend hemelbrood te nuttigen, vooral als wij bedenken, hoe liefdevol en dringend de Heiland ons daartoe uitnoodigt met de woorden: „Komt, „eet mijn brood, dat Ik u heb toebereidquot; (Spreuk. IX, 5). En toch ondanks dat alles zijn er, helaas! nog vele Christenen, die slechts weinig verlangen naar deze goddelijke spijze toonen en haar slechts zelden nuttigen. Terwijl de Israëlieten zich beijverden om dag op dag het aardsche manna te verzamelen, laten deze lauwe Christenen maanden verloopen zonder het hemelsch manna te ontvangen, dat de Priester des Heeren hun dagelijks bereidt en aanbiedt. De nietigste voorwendsels zijn voldoende om hen van de tafel des Heeren verwijderd te houden, en de nietigste redenen schijnen gewichtig genoeg om hunne nalatigheid te verontschuldigen. — Ik ga weinig tot de H. Commmie — zoo zegt menigeen — omdat ik den naam niet wil hebben van fijn te zijn. Christen! gij geeft dus aan de uitnoodi-ging des Heilands niet zoo dikwerf gehoor, als gij zelf het overigens voor goed en prijzenswaardig houdt, omdat lieden zonder christelijken zin en vreeze Gods wellicht om u lachen; gij doet afstand van onmetelijke schatten van genaden, die bij dezen goddelijken maaltijd uw deel worden, om den spot en het honend gefluister eeniger vrienden zonder geloof en zeden te ontkomen! Zie dan toch eens, hoe laf en hoe dwaas uwe handelwijze is. Hebt gij ooit gehoord, dat een hoveling weigerde de uitnoodiging aan de koninklijke tafel aan te nemen, uit vreeze van door lieden van de laagste soort bespot te worden; of hebt gij ooit gehoord van een koopman, die verzuimde eene beduidende winst te doen, vreezende dat onverstandigen hem zouden uitlachen ?
Anderen geven voor, dat hunne bezigheden en tijdelijke zorgen hun niet veroorloven zoo dikwerf de H. Communie
381
te ontvangen. Nietige uitvlucht! De eerste Christenen hadden ook huiselijke zorgen, en toch vonden zij tijds genoeg om dagelijks tot de tafel des Heeren te naderen. Maar heht gij wel ééne bezigheid van meer gewicht, dan het belang voor uw eeuwig heil, hebt gij ééne zorg die dringender is dan de zorg voor uwe onsterfelijke ziel? — Maar — zoo wenden anderen wederom voor — wij achten ons onwaardig om dikwerf het brood der Engelen te nuttigen. Er zijn, het is waar, godvruchtige zielen, zoozeer dooiden geest van ootmoed en geloof doordrongen, dat zij werkelijk uit vreeze van niet waardig genoeg voorbereid te zijn, de H. Communie nalaten; doch zeer dikwijls is dit voorwendsel slechts een dekmantel der lauwheid en onverschilligheid jegens Christus in het allerheiligst Sacrament. Niet de heilige eerbied jegens den verborgen God houdt in den regel hen, die zoo spreken, van het dikwerf ontvangen der H. Communie terug; neen, vrees voor de noodzakelijke voorbereiding is de oorzaak, waarom zij verre blijven van het goddelijke liefdemaal. De biecht is hun te lastig, enquot; nog lastiger het bewustzijn van een zuiver, meer geregeld leven te moeten leiden, om de dikwijls herhaalde ver-eeniging met Christus waardig te worden. Dergelijk Christenen weten wel, dat de goddelijke Heiland van hen, die communiceeren, niet de reinheid der Engelen verlangt, maar zij hebben noch den moed noch den goeden wil, om de noodzakelijk vereischte zuiverheid van zware zonden te verwerven. Zij stellen de H. Communie van maand tot maand uit, omdat zij de zonden en de gelegenheid tot zonde niet vermijden, de verouderde booze gewoonten niet afleggen, zich in niets ernstig willen beteren. Mogen zij ook voorgeven , dat zij den langen tijd van de eene Communie tot de andere benuttigen om zich des te beter voor te bereiden, de ondervinding maakt hen tot leugenaars. Hunne zondige gehechtheid aan de wereld en hun booze zucht naar genot neemt telkens meer toe, dooft in hunne zielen het verlangen naar het hoogere en geestelijke langzamerhand uit en ontrooft hun den smaak voor de hemelsche spijze, die in het H. Sacrament wordt aangeboden.
Mijne broeders, dat wij ons toch niet laten verleiden door de woorden en het verderfelijk voorbeeld van zulke lauwe Christenen; zijt niet ondankbaar en zonder liefde voor Jesus, die niets vuriger verlangt, dan dat wij Hem dikwerf in onze harten opnemen; zijt steeds hongerig naar dit goddelijk manna. Uw eenigste smart, de eenigste oorzaak uwer droefheid zij, naar de uitdrukking van den H. Chry-sostomus (Hom. 83 over Matth.), deze geestelijke spijze
382
te ontberen. Leeft echter zoo, dat gij waardig moogt wezen volgens het oordeel van uwen biechtvader en zielbestierder dikwijls de H. Communie te ontvangen. Laat het niet aan voorbereiding daartoe ontbreken; beschouwt hetgeen David tot zijn zoon Salomon zeide, toen hij hem beval voor den Heer een tempel te bouwen, als ware het tot u gezegd: „Het werk (dat gij wilt ondernemen) is grootsch, want „niet slechts voor een mensch , maar voor God wordt eene „woning in gereedheid gebrachtquot; (1. Kron. XXIX, 1). Bereidt u telkens zoo tot het ontvangen der H. Geheimen voor, als ware het uwe laatste teerspijze. Dan zal de herinnering aan uwe H. Communiën in uw stervensuur u niet tot angst en vertwijfeling, maar tot zoeten troost en tot vertrouwen op eene heerlijke opstanding verstrekken.
Over de Itoctvaardigbeicl.
Wat verstaal men duor loetvaardigheid!\'
Door boetvaardigheid kan men verstaan: 1) de deugd of de stemming des harten, waardoor de zondaar berouw gevoelt over zijne zonden en zich tot God bekeert; 2j de straf, waardoor hij voldoet voor zijne bedreven zonden; 3) het Sacrament der Biecht.
Dewijl de uitdrukking „boetvaardigheidquot; verschillende beteekenissen heeft, zal het noodig zijn deze voorloopig aan te geven, opdat, terwijl wij onze verklaring voortzetten , niemand door den veelvuldigen zin van de gezegde uitdrukking tot valsohe begrippen worde verleid. Zonder acht te slaan op de reeds elders als dwaling aangeduide leering der hervormers, volgens welke de boetvaardigheid volstrekt geen invloed op het verleden uitoefent en niets anders dan een nieuw leven of eene verbetering des levens is, willen wij slechts op de verschillende beteekeuis wijzen, die aan dat woord door katholieke leeraren en schrijvers in \'t algemeen en met grond wordt gegeven.
Onder „boetvaardigheidquot; verstaat men diens volgers bij ons Katholieken: 1) eene omkeering van ons hart naar God, terwijl wij onze bedreven zonden betreuren met het voornemen in het vervolg niet meer te zondigen, maar de geboden des Heeren getrouw op te volgen. In dien zin spreekt God door den mond van den Profeet Ezechiël (XVIII, 30): „Bekeert
383
„u en doet boetvaardigheid over al uwe zondenen door den mond zijns eeniggehoren Zoons: „Bijaldien gij geene boet-„vaardigheid pleegt, dan zult gij allen gelijkelijk vergaanquot; (Luc. XIII, 3). Over deze boetvaardigheid leert ook de Kerkvergadering van Trente (Zitt. 14. hoofdst. 1), dat zij voor alle menschen, die zich met eene doodzonde bezoedelden, ten allen tijde noodzakelijk is geweest om de verloren genade en rechtvaardiging wederom te verkrijgen. De boetvaardigheid in dien zin kan onder tweevoudig opzicht beschouwd worden , namelijk als daad en als deugd. De boetvaardigheid als daad moet bij hen, d:\'.e de jaren van onderscheiding hebben bereikt, noodzakelijk de rechtvaardiging voorafgaan, is, zooals reeds vroeger werd bewezen, de onmisbare voorbereiding daartoe; als deugd daarentegen wordt zij bij de rechtvaardiging zelve met de overige zedelijke deugden ingestort en moet in den gerechtvaardigde verblijven tot aan het einde zijns levens. Want de mensch moet zóó gestemd zijn, dat hem de bedreven zonden steeds mishagen, en dit mishagen maakt dan, dat hij over het bedrijven er\' van smart gevoelt. En indien ook de mensch volkomen zekerheid zou kunnen hebben, dat hem zijne vorige misdrijven en alle straffen daarvoor verdiend vergeven zijn, dan heeft hij toch nog dagelijks te boeten voor kleinere* zónden, waarvan ook de rechtvaardige niet zuiver blijft, en zich door oefeningen van boetvaardigheid voor den herval in zware zonden te behoeden; want de ware boete delgt niet slechts de bedreven zonden uit, zij beschermt ook in de toekomst voor het kwaad. \') Daarom hielden de Heiligen nimmer op, met tranen van berouw en vermorzeling te weenen over hunne bedreven zonden. De H. Paulus, zijne verkiezing tot het Apostel-ambt en bovenal zijne werkzame bediening vergetende, slechts denkende aan zijne zonden, weleer als vervolger der Kerk bedreven, noemde zich den geringste onder de Apostelen, onwaardig om Apostel te heeten (1. Cor. XV, 9); en de H. Augus-tinus was, zooals Possidius, zijn leerling en levensbeschrijver, verhaalt, gewoon te zeggen: „Niemand , die het „H. Doopsel heeft ontvangen, moet zonder behoorlijke „boetedoening uit dit leven scheiden.\'\' Hij zelf gaf daarvan het schoonste voorbeeld; want in zijne laatste ziekte bad hij herhaaldelijk de zeven boetpsalmen en stortte daarbij vele tranen. Wij lezen van meer andere Heiligen, dat zij voor hunnen dood eene zeer boetvaardige gezindheid aan den dag legden. Zoo liet zich de H. Isidorus, Aarts-
\') S. Thomas (III q. 84. art. VIII. ad. 1).
384
bisschop van Se villa, alvorens de H. Teerspijze te ontvangen , eerst door een Bisschop het boetekleed aantrekken en door een ander het hoofd met asch bestrooien; en de H. Thomas van Aquine wilde, zijne uiterste zwakheid niet achtende, tot teeken van boetvaardigheid op asch worden neergelegd vóórdat hij de H. Teerspijze ontving. Men verstaat onder boetvaardigheid: 2) zoowel in het algemeen de straf, die over den misdadiger wordt uitgesproken, als ook in het bizonder de boete of voldoening, die de zondaar zich zeiven of welke de biechtvader hem oplegt. In dien zin zegt men: hij heeft eene zware boete verdiend; hij heeft de boete volbracht, enz. Daartoe behooren ook de straffen of canonieke boetplegingen, die in vroegere tijden voor zekere misdaden door de Kerk waren bepaald. — Eindelijk verstaat men onder de uitdrukking boetvaardigheid: 3) het Sacrament der Biecht, waarover wij nu gaan spreken.
fFat is het Sacrament van Boetvaardigheid?
Het is dat Sacrament, waarin de Priester in de plaats van God door de heilige absolutie de zonden vergeeft, indien de zondaar er hartelijk berouw over gevoelt, ze oprecht belijdt en den wil heeft om de voldoening te volbrengen.
Wij hebben in de eerste plaats hier aan te toonen, dat de Biecht, door Christus in zijne H. Kerk voorgeschreven, werkelijk een Sacrament is, inderdaad alles in zich bevat, wat tot een Sacrament van het Nieuwe Verbond beboort, namelijk: een uitwendig teeken, eene inwendige genade en de instelling van Christus. Dewijl over de onzichtbare genade en de goddelijke instelling der Biecht in het vervolg sprake zal wezen, daarom komt het uitwendige teeken hier meer in aanmerking. Dit bestaat, bij de boetvaardigheid, van den kant des zondaars in de rouwmoedige belijdenis der zonden, van den kant des Priesters in de vrijspreking. Deze rouwmoedige belijdenis met de voldoening vormt, volgens de Kerkvergadering van Trente (Zitt. 14. hfdst. 3. Can. 4), als het ware de materie van het Sacrament van Boetvaardigheid, terwijl de woorden der priesterlijke vrijspreking den vorm daarvan uitmaken. Gelijk de roomsche Katechismus treffend opmerkt, „worden „de handelingen des boetvaardigen, het berouw, de belijdenis en voldoening niet daarom „als het ware de „„materiequot; van dit Sacrament genoemd, als zouden zij „de eigenschappen eener wezenlijke materie niet bezitten.
385
„maar omdat zij geene materie van dien aard zijn, dat „zij uiterlijk wordt aangewend als het water bij het Doopsel „en het chrisma bij het Vormsel.quot; — Het verschil der stof bij dit en bi] de overige Sacramenten komt voort uit de natuur der zaak zelve. Christus heeft namelijk, zooals wij later zullen verklaren, het Sacrament van Boetvaardigheid bij wijze van rechtbanlc ingesteld. Voor de rechtbank nu biedt de aanklacht datgene, waarover het vonnis zal worden geveld, zooveel dus als de materie of stof der rechterlijke uitspraak; daarom maakt ze in zekere mate het begin der rechtspraak uit; het vonnis daarentegen is eene voleinding daarvan. Evenwel is, zooals reeds werd aangetoond, niet elke zondenbelijdenis toereikend, om geldige materie van het H. Sacrament der Biecht te wezen; er wordt daarenboven nog vereischt, dat zij met berouw en met den wil om de noodige voldoening te geven gepaard ga. En ofschoon dat berouw en die wil als handelingen der ziel, op zich zelve beschouwd, niet zichtbaar zijn, worden zij toch, zoowel door de woorden en daden van den biechteling als door de natuurlijke uitdrukking der rouwmoedige stemming, op voldoende wijze kenbaar gemaakt, om den rechter in de plaats van God, den Priester, in staat te stellen met vereischte kennis van zaken de vrijspraak te doen. — Diensvolgens is in het door Christus ingestelde Sacrament der Biecht, behalve de inwendige genade, ook het uitwendige teeken aanwezig, en gevolgelijk is zij in waarheid een Sacrament van het Nieuwe Verbond. Dit verklaart de Kerkvergadering van Trente uitdrukkelijk met de woorden: „Indien iemand zegt, dat de Biecht in „de katholieke Kerk niet wezenlijk en eigenlijk een Sacra-„ment is, door Christus onzen Heer ingesteld, om de ge-„loovigen, zoo dikwerf zij na het Doopsel in zondevallen, „weder met God te verzoenen, hij zij uit de gemeenschap „der Kerk gebannenquot; (Zitt. 14. Can. 1).
Vergeeft de Priester inderdaad de \'zonden, in het Sacrament van Boetvaardigheid, of verklaart fiij slechts,
dat ze vergenen zijn?
De Priester vergeeft inderdaad en werkelijk de zonden, krachtens de hem door Christus verleende macht.
Dit is eene leer des geloofs, door de Kerk zoo bepaald mogelijk uitgesproken. „De ontbinding,quot; zegt het Concilie van Trente (Zitt. 14; hoofdst. 6), „is als eene rechtsple-„ging, volgens welke door den Priester als rechter een „vonnis wordt geveld.quot; Nu is het, en men kan het niet
W.TTARBE GELOOFSLEER. IV. 3\'l8 DEUK. OR
386
loochenen, geheel iets anders een beschuldigde de blijde boodschap te brengen of vólgens de opdracht van een hooger persoon te verklaren, dat hij door den koning is vrijgesproken, en iets anders, als wettig aangesteld rechter, krachtens de door den koning medegedeelde rechterlijke volmacht, zelf den beschuldigde vrij te spreken. Dit laatste doet alzoo de absolveerende Priester, en niet slechts het eerste; ja, genoemde Kerkvergadering spreekt in den negenden Canon derzelfde zitting den banvloek uit tegen eenieder, die beweert, „dat de sacramenteele vrijspraak „des Priesters niet eene rechterlijke handeling is, maar „slechts eene ambtelijke verklaring en aankondiging, dat „den biechteling de zonden zijn vergeven.quot; Zeer ten onrechte alzoo maken de bestrijders van ons geloof den Priester er een verwijt van, als matigde hij zich de macht aan om de zonden te vergeven, welke macht alleen Gode toekomt; want, zooals boven reeds aangetoond werd, spreekt de Priester den rouwmoedigen biechteling vrij van zijne zonden, niet uit eigen macht, maar krachtens de macht, hem door Christus daartoe medegedeeld. Daarom bedient hij zich, volgens het voorschrift der H. Kerk, bij het geven der absolutie, van de woorden: „Onze Heer „Jesus spreke u vrij, en krachtens zijne volmacht ontbind „ik u van alle banden des hans en des interdicts, voor „zooverre ik zulks kan en gij het noodig hebt. Hierna „spreek ik u vrij van uwe zonden in den naam des Yaders , „en des Zoons, en des H. Geestes. Amen.quot; Uit deze woorden (zoowel uit die, welke de absolutie onmiddellijk voorafgaan, als uit die der absolutie zelve) is het duidelijk, dat de Priester van den eenen kant zich wel de macht der wezenlijke en werkelijke vergeving der zonden toekent, dewijl hij niet slechts den Heiland bidt, dat deze den biechteling moge vrijspreken, maar ook zelf vrijspreekt; maar van den anderen kant, dat hij de volmacht om de zonden te vergeven, niet beschouwt als had hij deze uit zich zeiven, maar van Christus, en haar uitoefent als gevolmachtigde van den Verlosser in den naam van den drieëenigen God. Het vrijspreken des Priesters heeft dus, indien de biechteling overigens niet onwaardig is, inderdaad en in wezenlijkheid eene zonden vergevende kracht; want God bevestigt het onfeilbaar op hetzelfde oogenblik, als zijn plaatsbekleeder het uitspreekt. De H. Chrysostomus, deze verheven macht prijzend, zegt (Boek 3, over het Priesterschap): „ De Priesters bezitten eene „macht, die God noch aan de Engelen, noch aan de Aartsengelen heeft geschonken. Want slechts tot de
387
„Priesters heeft Hij gezegd: „Al wat gij op aarde zult „„binden, dat zal ook in den hemel gebonden zijn, en „„alles, wat gij op aarde zult ontbinden, dat zal ook in „„den hemel ontbonden wezenquot; (Matth. XVIII, 18). | „Wat zij eenmaal besluiten op aarde, dat bevestigt God „in den hemel; Hij erkent de rechtspraak van zijn dienaar. „Is er eene grootere macht dan deze mogelijk? De Vader „heeft alle oordeel overgegeven aan den Zoon, en de Zoon „heeft het overgelaten aan zijne Priesters,quot;
Wanneer heeft Christus de macht verleend, om de zonden te vergeven?
Toen Hij na zijne opstanding aan zijne Apostelen verscheen, over hen blies, en sprak: „Ontvangtden H. Geest. „Wier zonden gij zult vergeven hebben, dien worden zij „vergeven, en wier zonden gij zult gehouden hebben, „dien worden zij gehoudenquot; (Joan. XX, 22, 23).
Keeds tijdens zijn openbaar leeraarsambt had Jesus Christus aan Petrus, het hoofd der Apostelen, in het bizonder de sleutels van het hemelrijk, de macht om te binden en te ontbinden, beloofd (Matth. XVI, 19). En bij eene andere gelegenheid, had Hij niet slechts tot Petrus, maar ook tot \' alle Apostelen te zamen gezegd: „Waarlijk Ik zeg het u, „al wat gij op aarde zult ontbonden hebben, dat zal ook in „den hemel ontbonden zijnquot; (Matth. XVIII, 18). Onder die sleutelmacht, onder die volmacht om te binden en te ontbinden is voorzeker ook de macht begrepen om de banden der zonde te ontbinden of gebonden te laten. Want deze ^ volmacht is vooral eene geestelijke macht, zij betreft het heil der ziel, is eene macht om banden los te maken, die niet, het lichaam, maar de ziel verstrikken, die een ont-binder „in den hemelquot; behoeven. Dusdanige banden nu zijn voorzeker de banden der zonde. Vervolgens is deze volmacht een geheel algemeene, zich uitstrekkende tot alle banden der ziel. Christus toch maakt geene uitzondering. Hij zegt zonder eenige beperking: alles, wat gij ontbinden -zult, zal ook in den hemel ontbonden zijn. Wat zou ons dan recht kunnen geven, op die banden der zonden eene uitzondering te maken ? Welke beteekenis zouden de woorden hebben: alles, wat gij ontbindt, zal ontbonden zijn, bjjaldien de Apostelen dien band niet konden ontbinden, die, zoo hij niet ontbonden wordt, alleen genoeg is om de ziel in den afgrond van verderf te storten ? En wat _nu zouden de sleutels des hemelrijks aanbrengen, wanneer zij niet met de volmacht waren verbonden om de zonden
Ml 25*
388
te vergeven, die alleen de poorten des hemelrijks gesloten houden ? \')
Nog duidelijker echter en meer bepaald had de mede-deeling der macht om de zonden te vergeven plaats na de opstanding, bij gelegenheid der verschijning, die de H. Joannes ons verhaalt (XX). Jesus, de Zoon van God, die in de wereld was gekomen om vrede te stichten en door uitdelging der zonden eene verzoening tusschen God, zijn hemelschen Vader en de menschen, zijne broeders, tot stand te brengen, wilde, alvorens Hij de aarde verliet, het ambt der verzoening op zijne Apostelen overdragen, opdat deze in zijnen naam het verder uitoefenen en onder den bijstand, des H. Geestes het vredebrengend werk der verzoening zouden voortzetten. Daarom sprak Hij hen bij de genoemde verschijning aldus toe: „De vrede zij met u!quot; en daarna vervolgde Hij: „Zooals de Vader Mij gezonden heeft, „zoo zend Ik u.quot; Dat is: met een gezag en raachtsvol-komenheid, gelijkend aan die, waarmede de Vader Mij in de wereld heeft gezonden om haar wederom met Hem te verzoenen, bekleed Ik ook u en zend u tot ontzondiging en heiliging der menschen. Daarna blies Hij over hen en sprak: „Ontvangt den H. Geest;quot; niet zooals gij dien reeds tot eigen heiliging bij het Doopsel hebt ontvangen, niet zooals gij Hem na mijn terugkeer tot mijnen Vader in de rijkste volheid zult ontvangen, om het Evangelie aan geheel de aarde te verkondigen en getuigenis te geven van uw geloof aan Mij; ontvangt Hem, den Geest van wijsheid, van liefde en kracht, om als mijne plaatsbekleeders het rechtersambt der verzoening uit te oefenen. „Wier zonden „gij zult vergeven hebben, dien zijn zij vergeven, en wier „zonden gij zult gehouden hebben, dien zijn zij gehoudèn.quot; Deze woorden des Heeren zijn zoo duidelijk en ondubbelzinnig, dat alleen een onredelijke geest van tegenspraak en zucht naar nieuwigheden daarin een zin kan leggen, welke van dien der katholieke Kerk verschilt. Het is duidelijk de woorden van Jesus verdraaien , wanneer men beweert, dat zij niets anders beteekenen dan de overdracht Ier volmacht om de vergiffenis der zonden te prediken of den geloovigen te verklaren, dat hun de zonden zijn vergaven. Even
\') In den kleinen katechismus van Dr. M. Luther, zesde hoofdstuk, wordt op de vraag: //Wat zijn de sleutels des hemelrijks?quot; geantwoord: „De sleutels des hemelrijks zijn de macht, die onze Heer „Jesus Christus in het Evangelie heeft ingesteld, om den boetvaar-,digen zondaar de zonden te vergeven, den onboetvaardigen de zonden „te behouden, zooals de woorden van Christus luidenquot; (Darmstadt 1852. Evang. Biicherdep.).
389
ongepast is ook de uitlegging van hen, die voorgeven, dat de Heiland bij deze gelegenheid aan zijne Apostelen niets anders dan de volmacht om te doopen zou verleend hebben. Want daargelaten dat de Apostelen deze volmacht reeds lang te voren hadden ontvangen en uitoefenden (Joan. IV, 2) , moet hier van eene geheel andere ontbindingsmacht sprake wezen, die veel ruimer is en zich ook tot de zonden uitstrekt van hen, die reeds gedoopt zijn. Christus toch zegt in \'t algemeen: „Wien gij de zonden vergeeft, dien „zijn ze vergeven.quot; Hij sluit de geloovigen, die na het Doopsel gezondigd hebben, volstrekt niet uit. Overigens zal het bij een verstandig mensch niet opkomen, met ernst de onderstelling vol te houden, dat een Jood of heiden, die, zooals bekend is, in tijd van nood evenzeer kan doopen, de zonden kwijtschelt krachtens de volmacht, die Jesus Christus aan zijne Apostelen bij genoemde verschijning na zijne verrijzenis heeft gegeven. Daarom aarzelt de Kerkvergadering van Trente (Zitt. 14. Can. 3) niet, te verklaren: „Indien iemand zegt, dat de woorden van onzen „Heer en Heiland: „Ontvangt den H. Geest. Wien gij „„de zonden vergeeft, dien, enz.,quot; niet te verstaan zijn „van de macht om in het Sacrament van Boetvaardigheid „de zonden te vergeven of te houden, zooals de katholieke „Kerk van den beginne ze altijd verstond . . . die zij „in den ban.quot;
„Deze macht om de zonden te vergeven, heeft Christus „niet slechts medegedeeld aan de Apostelen, maar ook aan „allen 3ie~hen in het priesterlijk ambt quot;zullen opvolgen, „zooals de Kerk het altijd geloofd en geleerd heeft.quot; — Al zou men ook het voortdurend geloof der Kerk en de eenstemmige leering der HH. Vaders ter zijde laten, dan nog zou de waarheid, in dat antwoord uitgesproken, reeds duidelijk worden uit deze andere onbetwistbare stelling, dat „Christus zijne genademiddelen niet slechts heeft inge-„steld voor den tijd der Apostelen, maar voor alle tijden „en alle menschen, die er behoefte aan hebben.quot; Want bij wien zoude ook maar in de verste verte de gedachte kunnen opkomen, dat God, die rijk is aan barmhartigheid jegens allen, dat Christus, wieu het heil der menschen zoo na aan \'t harte lag, dat Hij voor hen in den dood ging, met betrekking tot de vergiffenis der zonden op de geslachten, die na de Apostelen zouden leven, weinig aandacht hadde geslagen en aan deze in vergelijking met die, welke ten tijde der Apostelen leefden, het verkrijgen der eeuwige zaligheid zooveel moeielijker zou hebben gemaakt? Zou zoodanige gedachte niet eene lastering zijn
I
390
tegen het liefdevolste en barmhartigste hart van onzen Heer? Of hebben wellicht de Christenen, die na de Apostelen zouden leven, minder behoefte aan de vergiffenis der zonden dan de tijdgenooten der Apostelen? Leert de bedroevendste aller ondervindingen niet veeleer juist het tegendeel ? Daarom dan ook zouden niet alleen de barmhartigheid des Verlossers en de behoeften der verlosten, maar ook het heilmiddel der H. Biecht, die kostbare vrucht der verlossing, gedurende alle tijden blijven voortbestaan en gevolgelij k de macht der Apostelen om de zonden te vergeven op hunne opvolgers overgaan. —• Ook uit de omstandigheden, dat Christus bij de bovenvermelde gebeurtenissen (Matth. XVIII en Joan. XX) slechts tot de Apostelen sprak, kan men niet besluiten, dat bij hun ver? scheiden de macht om de zonden te vergeven in de Kerk zoude ophouden te bestaan. Hetzelfde toch gebeurde ook, toen Hij hun de macht schonk om te leeren, te doopen, het H. Sacrament des Altaars toe te dienen en te nuttigen; want alleen tot de Apostelen sprak de Heer: „Leert alle „volken en doopt hen\'\' (Matth. XXVIII, 19), en „Doet „dit te mijner gedachtenisquot; (Luc. XX, 19). Evenwel ging, zooals ook de bestrijders van ons geloof aannemen, dat gezag en dat bevel over op hunne opvolgers; hetzelfde dus geldt van de macht om te binden en te ontbinden, de zonden te vergeven of te houden. Deze bewijsvoering is niet nieuw; reeds in de vierde eeuw werd zij gebezigd door den H. Bisschop Pacianus (Br. 1. aan Sympron.) om de Novatianen te weerleggen, die, even als de ketters der zestiende eeuw, aan de Kerk, aan de Bisschoppen en Priesters de macht der zondenvergeving ontzeiden. — Men brenge daar niet \'tegen in, dat den Apostelen ook de gave der talen en wonderen verleend werd zonder de bedoeling, die op de opvolgers te doen overgaan. Deze buitengewone gave toch was niet, zooals de macht der zondenvergeving, een middel ten heil, dat der Kerk immer onontbeerlijk zou wezen, maar enkel een tijdelijk middel tot grondvesting en eerste uitbreiding dier Kerk, dus tot vervulling van den plicht, die den Apostelen alleen was opgelegd.
Wanneer men voor \'t overige bij de leer der Vaders en bij het geloof der geheele Kerk te rade gaat, dan kan men onmogelijk ontkennen dat van oudsher geleerd en geloofd werd, dat Christus aan de Apostelen de macht om de zonden te vergeven zóó heeft medegedeeld, dat deze op hunne opvolgers zoude overgaan. Een bewijs daarvoor vinden wij in de aangehaalde woorden van den H. Chrysos-tomus en in de bewijsvoering van den H. Pacianus tegen
391
zen de Novatianen. Nog duidelijker en meer bepaald laat zich
de de H. Kerkleeraar Ambrosius over dit punt tegen dezelfde
nis ketters uit. „Het scheen wel onmogelijk,quot; zoo zegt hij,
de „dat de na het Doopsel bedreven zonden door de Biecht
liet „zouden worden vergeven, doch Christus verleende die \'m- ; „macht aan de Apostelen en van hen is zij op het priester-
)n, „ambt overgegaan..... De Novatianen zeggen, dat zij van
iht „hunnen kant aan God de eere geven, dewijl zij Hem an „alleen de macht voorbehouden om de zonden te verbeven, te „Hoe! Zij beleedigen God op de grofste wijze, omdat zij de «zijne instellingen opheffen en het overgedragen midde-fe- „laarsambt verwerpen. Want dewijl de Heer Jesus in het de „Evangelie zelf gezegd heeft; „Ontvangt den H. Geest, err „„Wien gij de zonden vergeeft, enz.,quot; zoo vraag ik: wie rk „vereert Hem nu meer, hij die zijne instelling naleeft, of k, „hij die zich daartegen verzet? De Kerk is den Heiland n, „gehoorzaam zoowel door de losspreking als door het houden n; „der zonden\'\' (Over de boetv. B. I. N0. 6. en B. II. N0. He 12). Met de leering der herders kwam ook overeen het )et geloof van hunne kudden, van het christenvolk, dat, zooals rel wij later zullen aantoonen, van oudsher tot de Priesters n, ging om de ontbinding der zonden te verwerven en zich de zelfs aan de strengste boetplegingen onderwierp. Op treffende n, wijze openbaarde zich dat geloof tijdens de vervolging der Qg Christenen door de Wandalen in Afrika, toen de Priesters gd uit Carthago en andere steden op bevel van Hunneric in »m ballingschap werden gezonden. Volgens de berichten van er Victor van Vita, een tijdgenoot, verdrongen zich de geen loovigen rondom de bannelingen en riepen: „In welke en „handen laat gij ons, beklagenswaardigen, achter, gij die ve „de kroon der Martelaren te gemoet snelt ? Wie zal voortaan g» „ons de weldaad der H. Biecht verleenen? Wie zal de banden ne „onzer zonden ontbinden en ons met God verzoenen? Tot g, „u toch was het woord des Heeren gericht: „Wat gij [jk „„ooit op aarde zult ontbinden, dat zal ook in den hemel ng . „„ontbonden wezen.quot;quot; — De bewezen leer zien wij in an haar geheelen omvang bevestigd door de uitspraak van het Concilie van Trente (Zitt. 14, hoofdst. 1), waar men leest: en „Alle HH. Vaders hebben ten allen tijde eenstemmig aan-en „genomen, dat de Heiland door de zoo duidelijke woorden \'fd (bij Joan. XX, 22—23) „aan de Apostelen en aan hunne de „wettige opvolgers de macht heeft medegedeeld om de zonden op „te vergeven en te houden, de geloovigen, die na het \'or „Doopsel gevallen zijn, wederom met God te verzoenen. os- ■ „Ook heeft de katholieke Kerk de Novatianen, die de cn „macht der zondenvergeving voor het grootste gedeelte hard-
392
„nekkig loochenden, met reden als ketters uit hare ge-omeenschap gestooten en gedoemd.quot;
De meening van eenige dwaalleeraren, die in plaats van de woorden des Heeren tot de Apostelen en hunne opvolgers in het priesterambt te beperken, deze uitstrekken tot alle geloovigen zonder onderscheid, mist allen grond, zoowel in de Schrift als in de Overlevering, en werd door de Kerkvergadering van Trente (Zitt. 14. hfdst. 6 en Can. 10) uitdrukkelijk verworpen. De valschheid en het verkeerde dier opvatting wordt overigens reeds duidelijk uit hetgeen wij in het negende artikel des geloofs § 1. over de samenstelling der door Christus gestichte Kerk hebben gezegd. Want volgens die leering gaat het priesterambt , waartoe behoort de menschen met God te verzoenen, evenmin als het leeraars- en herdersambt, op alle geloovigen zonder onderscheid over.
Kunnen alle zonden door het Sacrament van Boetvaardigheid worden vergeven?
Ja alle zonden, die men na het Doopsel heeft begaan, kunnen door de Biecht worden vergeven, indien men ze met het vereischte berouw biecht.
Geen zondaar is zoo verworpen, dat God hem niet tot boetvaardigheid uitnoodigt, geen met zulke zware misdaden beladen, dat Hij hem niet vergeving wil schenken, bijaldien hij, aan zijne goedgunstige uitnoodiging gehoor gevende , inderdaad oprecht en van harte boetvaardigheid pleegt. „God wil den dood des zondaars niet, maar dat „hij zich bekeere en levequot; (Ezech. XXXIII, 11). Daarom schonk Hi] reeds in het Oude Verbond aan den oprecht boetvaardige de belofte van onbeperkte vergiffenis der zonden met deze woorden; „Indien de goddelooze boet-
„vaardigheid pleegt over al zijne zonden,.....dan zal hij
„leven, ja leven en niet stervenquot; (Ezech. XVIII, 21). Dewijl nu, zooals later zal worden aangetoond, het ontvangen van het H. Sacrament der Biecht de tot verkrijging der zondenvergeving vereischte boetvaardigheid is, zoo volgt noodzakelijk, dat elk Christen, die het gezegde H. Sacrament waardig ontvangt, dat is: met een oprecht berouw biecht, de vergiffenis van alle, ook van de grootste zonden met vertrouwen kan verwachten. Want Jesus Christus, die gekomen is om te zoeken en zalig te maken, wat verloren was, Jesus Christus, de waarlijk barmhartige Samaritaan, wil den dood zijner verlosten niet, maar dat zij de door Hem gevraagde boetvaardigheid doen, dat zij hunne zon-
393
den, hoe menigvuldig, hoe zwaar ook, rouwmoedig belijden en leven, leven ja ea niet sterven. — Een bewijs hiervoor ligt ook opgesloten in de woorden, waarmede hij den Apostelen en hunnen opvolgers in het Priesterschap de macht om de zonden te vergeven beloofde en schonk. „Al wat „gij zult ontbinden op aarde,quot; zegt de Heiland, „dat zal „ook in den hemel ontbonden wezen,quot; en „wier zonden „gij zult vergeven, dien zijn ze vergeven.quot; De belofte, zoowel als de mededeeliog dier volmacht, om de zonden te vergeven, is dus geheel onbeperkt; de mededeelende behoudt zich niets voor, ook niet een enkel geval. Zooals Hij zelf was gezonden om alle zonden der wereld weg te nemen, en ook de grootste zondaren: een Zachaeus en een moordenaar aan het kruis, met zijn hemelschen Vader te verzoenen, zoo ook zullen zijne plaatsbekleeders, de Priesters, toegerust met zijne volmacht, alle, ook de grootste zondaren, weder met God verzoenen, bijaldien zij van hunnen kant door eene oprechte en rouwmoedige belijdenis van hunne overtredingen zich der ontbinding en der verzoening met de goddelijke Majesteit waardig maken. Daarom zegt ook de H. Joannes (1. Br. I, 9): „Als wij onze zonden „belijden, dan is God getrouw en rechtvaardig, dat Hij „onze zonden vergeeft en ons reinigt van alle ongerechtig-„heden.quot;
Ofschoon de Kerk de macht heeft alle na het Doopsel begane zonden in het Sacrament van Boetvaardigheid te vergeven, kunnen toch niet alle zonden door alle Priesters worden kwijtgescholden, dewijl behalve de door God in de Priesterwijding medegedeelde volmacht om de. zonden te vergeven, ook nog tot geldige toediening van het Sacrament der Biecht van den kant der wettige geestelijke overheid het verlof wordt vereischt, om van die volmacht gebruik te maken. De laatste grond hiervan ligt in de natuur der bindings- en ontbindingsmacht zelve opgesloten. Christus namelijk, wien zijn hemelsche Vader alle rechtspraak heeft overgegeven, verleent door het Sacrament des Priesterchaps de volmacht om in de Biecht, naar voorafgegaan oordeel over de waardigheid of onwaardigheid van den boetvaardige, de zonden te vergeven of te houden; de priesterlijke macht om te binden of te ontbinden is dus eene rechterlijke macht. Zonder die volmacht is de Priester niet in staat in den rechterstoel der H. Biecht een oordeel van vrijspraak of van veroordeeling te vellen, dat in de oogen van den goddelijken Rechter geldig is. Doch ook uitgerust met die macht, kan hij slechts aan dien geloovi-gen Christen krachtens eene sacramenteele rechtspraak de
394
zonden vergeven of behouden, die Christus onmiddellijk of middellijk door de kerkelijke overheid aan zijne rechtspraak Cjurisdictie) heeft onderworpen,\' en ook aan deze slechts in die gevallen, welke aan zijne rechtspraak niet onttrokken zijn. Eveneens kan een wereldlik rechter slechts over hen rechtzitten en een geldig vonnis vellen, die hem door de wet zijn aangewezen, en slechts in die gevallen, die niet aan een hooger geplaatsten rechter zijn voorbehouden. Aan de sleutelmacht van den Paus, als opvolger van Petrus en zijn stedehouder op aarde, heeft Christus onmiddellijk en als het ware in eigen persoon alle ledematen zijner Kerk, en wel met betrekking tot alle zonden zonder uitzondering, onderworpen. Dat wil zeggen: de Paus, aan wien als aan elk ander Priester krachtens de H. wijding de macht der zondenvergeving is gegeven, heeft volgens de verordening van Christus als opperste Priester en verzoenende rechter der geheele Christenheid, de in alle opzichten onbeperkte uitoefening dier rechtsmacht ontvangen en zóó ontvangen, dat niemand haar geldig kan uitoefenen tenzij onder zijn bestier en afhankelijk van hem. De Bisschoppen zelfs zijn in de uitoefening hunner rechterlijke volmacht van den Paus afhankelijk, dewijl deze hun een rechtsgebied aanwijst , en alzoo de aldaar wonenden aan hunne geesteliike rechtspraak onderwerpt (Verg. Dl. II). Eveneens staat het den Paus als hoogsten rechter vrig, de vrijspreking van zekere zware misdaden zich alleen voor te behouden. Elk Priester in het bizonder hangt verder, met betrekking tot de uitoefening der ontbindingsmacht, die hij krachtens de H. Priesterwijding heeft ontvangen, af van den Bisschop, die over hem gesteld is. Opdat hij dus geldig de zonden vergeve, wordt behalve de zooeven bedoelde macht nog vereischt, dat hem zijn Bisschop zelf machtige om haar uit te oefenen, het H. Sacrament van Boetvaardigheid in zijn rechtsgebied toe te dienen. En evenals de Paus voor geheel de Kerk, kan ook elk Bisschop zich in zijn rechtsgebied de vergeving van bepaalde zware zonden voorbehouden, zoodat de Priesters van zijn diocees slechts krachtens eene bizondere machtiging daarvan kunnen ontslaan. Die voorbehouding van zekere zonden aan den Paus en de Bisschoppen is niet meer dan billy It, dewijl zij gegrond is op de ondergeschiktheid, weJke Christus in de uitoefening van het geestelijk rechtsambt gewild heeft en in de katholieke Kerk van oudsher bestaat en heilzaam is; want, afgeschrikt door het bezwaar om de zonden te biechten en daarvan vergeving te verkrijgen, zullen de geloovigen zich met meer zorg voor die zware zonden wachten. Opdat echter
395
niemand ter oorzake dier voorbehouding verloren zou gaan, heeft de Kerk steeds geleerd: in doodsgevaar houdt alle voorbehoud op. Indien zich dat geval voordoet en er geen Priester te vinden is, die van den Paus of van den Bisschop de volmacht heeft ontvangen om van de voorbehouden zonden te ontbinden, dan kan elk ander geldig gewijd Priester den stervende van alle zonden ontslaan (Verg. de Kerkv. van Trente, Zitt. 14. hoofdst. 7 en Can. 11; verder de Bulla „Auctorem fidei,quot; stelling 44 en\' 45).
Waarom moeten wij ome zonden Hechten, als wij verlangen vergiffenis daarvan te verkrijgen?
Dewijl Christus bij de instelling van het Sacrament van Boetvaardigheid het aldus heeft voorgeschreven.
Bij de beantwoording van deze vraag komen hoofdzakelijk twee punten in aanmerking: ten eerste, dat Christus de belijdenis der zonden heeft voorgeschreven, en ten tweede, dat Hij die heeft voorgeschreven bij de instelling van het H. Sacrament van Boetvaardigheid.
1) Christus, niet de Kerk, heeft voorgeschreven, dat eenieder, die van de doodzonden, na het Doopsel begaan, vergiffenis wil verkrijgen, deze moet biechten. Zoo leert de Kerkvergadering van Trente (Zitt. 14. Can. 6) met de woorden: „Indien iemand loochent, dat de sacramenteels
„belijdenis volgens goddelijke verordening is ingesteld.....
„of zegt, dat de aard en wijze om den Priester alleen in „\'t geheim de zonden te belijden, welke (wijze) de katho-„lieke Kerk van den beginne altijd heeft gehandhaafd en „nog volgt, niet rust, op de instelling en het voorschrift „van Christus, maar slechts menschelijke vinding is, die „zij in den ban.quot;
2) Even duidelijk en bepaald leert de genoemde Kerkvergadering (hoofdst. 5), dat Christus de belijdenis heeft geboden, toen Hij het H. Sacrament van Boetvaardigheid instelde. Die instelling had, volgens de verklaring van de HH. Vaders der Kerkvergadering van Trente, plaats, toen Christus, verrezen van den dood, over zijne leerlingen blies en sprak: „Ontvangt den H. Geest. Wier zonden „gij zult vergeven hebben, hun zijn zij vergeven,quot; enz. \') (Joan. XX).
1
!) Als wij met de katholieke Kerk leeren, dat Christus de belijdenis der zonden bij het instellen van het H. Sacrament van Boetvaardigheid heeft voorgeschreven, dan willen wij daardoor volstrekt niet ontkennen, dat reeds in het Oude Verbond eene soort van zondenbe-lijdenis door God was geboden. Dit toch is een feit, hetwelk uit de
396
De noodzakelijkheid der belijdenis van de zonden kan bewezen worden 1) uit \'s Heeren woorden: „Wien gij de „zonden zult vergeven hebben,quot; enz.; want bijaldien wij den Priester onze zonden en geheel den toestand onzer ziel niet openbaren, dan kan deze niet weten, of hij , krachtens het rechterlijk ambt door God hem opgedragen, ons de zonden moet vergeven of niet. \') Uit deze woorden van
heilige boeken en uit de eensluidende overleveringen der Rabbijnen, door Morin us aangehaald, (de disciplina poenit. L. II cap. 20—22) onomstootelijk kan worden bewezen. Zoo lezen wij (Mos. V, 6, 7): //Als een man of eene vrouw eene der zonden bedrijft, die de menschen «gewoon zijn te plegen, en uit onachtzaamheid het gebod des Heeren ,/Overtreedt en zich schuldig maakt, dan moeten zij hunne zonden ^belijden;quot; en (3. Mos. I, 2—6); „Eene ziel, die zondigt en met //verachting des Heeren den naaste weigert het hem onder eede toe-
„ vertrouwde terug te geven.....daarenboven valschelijk zweert en wat
„anders doet uit het vele, waardoor de menschen gewoonlijk zondi-
//gen.....dan zal hij voor zijne zonden een vlekkeloozen stier van
//zijne kudde offeren en hem den priester geven naar de schatting en «de grootte van zijn misdrijf.quot; Bij dergelijke zoenoffers werden de volgende plechtigheden onderhouden. De Jood, die gezondigd had en zich weder wilde verzoenen, kwam in den tempel tot den priester en beleed voor hem zijne begane zonde; deze verklaarde dan aan dengene, die zich zeiven beschuldigde, na overweging en waardeering van het misdrijf, welk offer hij den Heer moest opdragen. 1) Vele uitstekende Godgeleerden, onder anderen Bellarminus, zien in deze zondenbelijdenis van het Oude Testament eene aanduiding, eene voorafbeelding van die des Meuwen Bonds, door Christus, den voltooier der wet, geboden en met de genade der zondenvergeving verbonden. — Overigens ligt het in den aard der zaak, dat de misdadiger, die vergeving verlangt, ook zijne schuld bekenne. Een vader toch vergeeft de misslagen zijner kinderen eerst dan, als zij ze erkennen en belijden. Het is eene algemeen geldende uitspraak der goddelijke Wijsheid: //Die zijne misdaden verbergt, hem zal het //niet wel gaan; doch die ze belijdt, zal barmhartigheid verwervenquot; (Spreuk. XXIII, 13).
\') Hoewel er bij de goddelijke instelling der Biecht niet van een onbegrijpelijk geheim, maar eenvoudig van een feit sprake is, meenden wij toch het bewijs daarvoor breedvoeriger te moeten leveren, dan men in een handboek voor het katechetisch onderricht zou verwachten.
Wij hoopten daarmede een dienst te doen aan velen, wier plicht het is den Katechismus te verklaren in streken als de onze, waar zelfs de kinderen door den dagelijkschen omgang mef; andersdenkenden de opwerpingen tegen de Biecht leeren kennen. Daarenboven beoogden wij ook stof te leveren voor de onderrichtingen op den kansel, en daar dit boek, zooals wij vernamen, ook gebruikt wordt om bekeerlingen te onderwijzen, meenden wij reden genoeg te hebben, om de gegeven behandeling van dit onderwerp te recht-
1
De Rabbijn Mozes van Cordova, die bij de Joden in hoog aanzien staat, bemerkt hierbij (Verhandel, over de boetv. hoofdst. i) dat men zijne zonden niet slechts in \'t algemeen, maar in het bizonder moest belijden met de woorden: „Ik heb gezondigd, onrechtvaardig
„gehandeld, uwe wet, o Heer, overtreden, dat en dat.....gedaan;quot;
bij Morinus, II. hoofdst. 20.
397
Christus, alsook uit die, welke wij lezen bij Mattheus XVI en XVIII blijkt ten duidelijkste, dat Hij, zooals vroeger reeds herhaaldelijk werd aangetoond, zijne Apostelen en hunne opvolgers in het priesterschap als rechters ter verzoening in zijne Kerk aangesteld en hun de macht medegedeeld heeft om degenen, die zij rechten, door hunne rechterlijke uitspraak alle, ook de zwaarste zonden te vergeven. Kan men nu redelijkerwijze aannemen, dat Christus deze onbeperkte macht aan de rechters in zijne plaats zou hebben o oergegeven, om daarmede te doen en te handelen naar believen, naar luim en willekeur aan den een te zeggen: „ik ontbind u van uwe zonden,quot; en tot den ander: „ik houd uwe zonden.quot; Zou dat geen misdadig misbruik zijn van die rechtsvolmacht, een misbruik, dat de wijsheid, heiligheid en rechtvaardigheid van God nooit ongestraft kan dulden, veel minder gebieden ? Toen dus Jesus Christus zijne Apostelen en hunne opvolgers in het priesterschap tot rechters aanstelde, legde Hij hun tevens den plicht op, om de hun opgedragen rechterlijke \' macht op eene gepaste en voor de leden zyner Kerk nuttige wijze uit te oefenen. Doch dit zal slechts dan geschieden, wanneer zij in het H. Sacrament der Biecht niet eer een vonnis vellen, dan na het geval, dat ter beslissing wordt gesteld, onderzocht, de schuld van den terechtstaande en zijn berouw behoorlijk erkend en hem der verzoening met God waardig bevonden te hebben of niet. — Aan deze strenge verplichting van den rechter beantwoordt ontegenzeggelijk in den boetvaardige de even strenge verplichting, om den rechter door eene rouwmoedige bekentenis van al zijne zonden den toestand van zijn geweten en zijn berouw te openbaren en hem alzoo in staat te stellen, met voldoende kennis van zaken het vonnis der vergeving of der nietvergeving uit te spreken. Hoe toch kan de Priester het noodige inzicht verkrijgen, bijaldien de boetvaardige hem niet door eene oprechte en rouwmoedige zelfbeschuldiging daartoe de
vaardigen. Overigens kan de katecheet uit de geleverde stof gemakkelijk eene keuze doen naar het begrip en de behoefte zijner hoorders. Niet te dikwijls kunnen wij het herhalen, dat eene opeenstapeling van breed uitgemeten bewijzen voor eene waarheid, die den kinderen bij den eersten oogopslag onverwerpelijk toeschijnt, alsmede dat do wederlegging van sommige opwerpingen niet alleen tijd rooft, maar voor kinderen dikwerf gevaarlijk is. Inderdaad niet zelden gebeurt het, dat kinderen de moeielijkheden beter onthouden dan de breedvoerige wederlegging daarvan, en dat er bij hen twijfel ontstaat aan de waarheid, welke zij met zooveel woorden hooren bewijzen, wijl zij niet genoeg ontwikkeld zijn om de bewijsvoering te begrijpen.
398
behulpzame hand verleent, te meer daar hij dikwerf over inwendige zonden moet vonnissen, die alleen aan God en den mensch, die ze heeft bedreven, bekend zijn? Zou hij dan niet alwetend moeten zijn, gelijk Christus zelf? De Priester als rechter moet dus noodzakelijk door hem, die in den biechtstoel de vergiffenis zijner zonden komt zoeken, worden ingelicht omtrent alles, wat vereischt wordt om een wijs en rechtvaardig vonnis te vellen. De beschuldiging van ons zei ven of de belijdenis der zonden is diens volgens evenzeer van goddelijke instelling als de sacramenteele vrijspraak, dewijl deze niet zonder de eerste kan plaats hebben op de wijze, welke door Christus is gewild en voorgeschreven. Daarom merkt de H. Hieronymus (over Matth. XVI, 19) zeer treffend op: „Wanneer de Bisschop of de Priester „krachtens zijn ambt (als rechter) de verschillende zonden „heeft aangehoord, dan weet bij, wier zonden hij moet „ontbinden of houden.quot; En niemand bedriege zich zeiven met de verderfelijke meening, dat de algemeene belijdenis: „ik heb gezondigd door gedachten, woorden en werken/\' of eene andere dergelijke, voldoende zou wezen om op geldige wijze de ontbinding te verkrijgen. Want, en dit is duidelijk, door zoodanige belijdenis wordt de Priester, die in Gods plaats als rechter is gezeten, evenmin in staat gesteld om het sacramenteele vonnis uit te spreken, en, gelijk het Concilie van Trente (Zitt. 14; hoofdst. 5) zich uitdrukt, „in de oplegging der boetpleging de rechtvaar-„digheid in \'t oog te houden,quot; als eeu wereldlijk rechter om een aangeklaagde te veroordeelen en te straffen, tegen wien slechts in \'t algemeen eene aanklacht van overtreding der landswetten wordt ingediend. Evenals in dat geval de wereldlijke rechter den aanklager verplichten moet, bepaald en nauwkeurig op te geven, welke wet, hoe dikwijls en in welke mate zij door den beschuldigde is overtreden, opdat het hem mogelijk worde daarover een rechtvaardig vonnis uit te spreken en billijke straffen te bepalen, moet ook de Priester in den rechterstoel der H. Biecht van den geloovige, die volgens het goddelijk voorschrift zich zei ven beschuldigt, eischen, „dat hij alle doodzonden, waaraan „hij zich na een vlijtig onderzoek schuldig kent, in de „Biecht noeme, ook de geheel geheime zonden en die slechts „tegenj de twee laatste der tien geboden zijn bedreven; te-„meer omdat deze somtijds de ziel nog zwaardere wonden „toebrengen en nog gevaarlijker zijn dan die, welke openlijk „worden gepleegd.quot; Aldus besluit de bovengenoemde Kerkvergadering (t. a. p.) uit den zooeven aangehaalden tekst van Joan. XX.
399
2) Door het eenstemmig getuigenis der Kerkvaders. De HH. Vaders leeren eenparig, dat zij, die na het Doopsel zich aan groote zonden hebben schuldig gemaakt, slechts langs den weg der boetvaardigheid tot de vergeving daarvan kunnen geraken. Onder loetvaarcligheid verstaan zij die, welke door Christus in zijne Kerk ingesteld en voorgeschreven is; die boetvaardigheid namelijk, welke behalve het berouw over de bedreven zonden en behalve den oprechten wil om voldoening daarvoor te geven en ze in de toekomst te vermiiden, ook nog in zich sluit de belijdenis der zonden aan den Priester. Daarom dringen de heilige Leeraren met den meesten ernst er op aan, dat de ge-loovigen, om de vergeving hunner zonden te verwerven, deze aan den Priester openbaren, dat is biechten. Vroeger, toen wij spraken over de H. Communie, hebben wij reeds de woorden van den H. Bisschop en Martelaar Cyprianus aangehaald, waar hij de gevallenen streng berispt, omdat zij , alvorens met God door de biecht verzoend te wezen, tot de tafel des Heeren naderden, en op die wijze nog zwaarder tégen den Heer misdeden, dan toen zij Hem verloochenden. Niet minder afdoende is het getuigenis van den grooten Kerkleeraar Ambrosius, die als roemrijk verdediger van het geloof der Kerk twee boeken schreef tegen de Nova-tianen over de boetvaardigheid, welke door Christus geboden en eiken Christen, die van zware zonden na het Doopsel bedreven vergiffenis wil verkrijgen, onontbeerlijk is. Hij drukt zich (Boek II. hoofdst. 3. en 7) op deze wijze uit: „Krachtens „de plechtige uitspraak des Heeren, is het onweerlegbaar „een voorschrift, om allen, ook de grootste zondaren, bij-„aldien zij van harte boete plegen en hunne zonden oprecht „belijden, wederom aan de genade van het hemelsch Sacrament „deelachtig te maken.quot; „De Heer,quot; zoo gaat hij voort, „wacht slechts op uwe stem, (uwe bekentenis) niet om u te „straffen maar om u te vergeven. Indien gij u zeiven aanklaagt, „dan hebt gij geen aanklager meer te duchten; wanneer gij u „zeiven aanmeldt, dan zult gij wederom leven, ofschoon gij
„reeds gestorven waart..... Openbaar dan uwen misstap,
„opdat gij gerechtvaardigd moogt worden; want met den „mond geschiedt de belijdenis, die ten heil verstrekt.quot; En aan wien moet men zijne zonden belijden, aan wien moet men biechten? Aan wien anders dan aan hem, wien Jesus Christus de macht gegeven en het ambt opgedragen heeft om van de zonden te ontbinden. „De macht,quot; zoo leert verder de H, Ambrosius, (Boek. 1; hoofdst. 2) „heeft God slechts
„aan zijne Priesters zonder eenige beperking geschonken......
„Hun alleen is dit geoorloofd; want tot hen alleen werd
400
„door den Heer gezegd; „Ontvangt den heiligen Geest,quot;quot; enz. Evenals Cyprianus en Ambrosius leeren ook zoowel de grieksche als de latijnsche Vaders van alle eeuwen. „Wilt gij „waardige vruchten van boetvaardigheid voortbrengen,quot; zoo zegt onder anderen de groote Kerkleeraar Basilius (Éegul. brev. 288), „dan moet gij uwe zonden belijden aan hen, aan „wie de uitdeeling der geheimen is toevertrouwd, dat is aan de „Priesters.quot; Algemeen leeren de Vaders, dat de zondaar, die uit schaamte zijne zonden verzwijgt, evenmin daarvan vergeving verkrijgt, als een zieke kan genezen van de wonde, die hij voor den geneesheer verborgen houdt. Van hen zegt Tertullianus (over de boete hoofdst. 10): „zij denken meer aan hunne
„beschaming dan aan hun heil..... Als wij aan de kennis
„der menschen iets onthouden, verbergen wij het dan daar-„door ook voor God? Is het beter in \'t geheim verdoemd, „dan openlijk vrijgesproken te worden ?quot; Eveneens spreekt Origenes in zijne tweede homilie over Psalm XXXVII, en in de zeventiende homilie over Lucas zegt hij: „Als wij „onze zonden openbaren (belgden) en dat niet slechts aan „God, maar ook aan hen, die onze wonden en feilen „kunnen genezen, dan zullen zij worden vergeven door „Hem, die zegt: „Ik heb uwe misdaden uiteengedreven „„als een wolk en uw3 zonden als een nevelquot;quot; (Is. XLIV, 22). Ook de H. Hieronymus spreekt dezelfde gedachte uit met de woorden, die het Concilie van Trente tot de zijne heeft gemaakt (Zitt. 14. hoofdst. 5). „Als een zieke „zich schaamt, den geneesheer eene geheime woede te open-„baren, dan helpt het geneesmiddel niet.quot; In denzelfden zin spreken Pacianus, (Vermaning tot boetv.) Augustinus (Ps. LXVI), Gregorius de Groote (Hotnil. 44. over Lucas) en anderen. Bizonder treffend gaat de H. Asterius, die in de vierde eeuw Bisschop van Amasea was (Homil. 13. over de boetv., vroeger aan den H. Gregorius van Nyssa toegeschreven) met de meergenoemde vergelijking door. „Waarom zoo schrijft de gezegde leeraar, „waarom snelt gij, wier „ziele ziek is, niet naar den geneesheer der zielen? Waarom „bekent en openbaart gij uwe ziekte niet door de Biecht? „Waarom laat gij de kwaal toenemen, waarom de ontsteking zich verder uitbreiden ? Keer eindelijk eens in u „zeiven ! Belijd den Priester openhartig uwen nood. Toon „hem zonder vrees het verborgene; openbaar hem de ge-„heimen uwer ziel, alsof gij den geneesheer eene geheime „kwaal ontdekt, hij zal voor uwe eer en voor uwe genezing zorgdragen.quot; Vraagt men nu, waarom de Kerkvaders ons zoo dringend aanmanen de zonden niet te bewimpelen , maar ze aan den Priester oprecht te belijden,
•
dan geeft ons een van hen \') daarop een bondig antwoord: i de „Dewijl het uit de overlevering der Apostelen en uit de gij „voorschriften, die zij op ingeving des H. Geestes aan de zoo „katholieke Kerk hebben gegeven, duidelijk blijkt, dat wij ful. „krachtens goddelijk bevel verplicht zijn, onze zonden te ian „biechten. Hunne voorschriften en bevelen opvolgend , bede „lijden wij aan de Priesters van God onze zonden, en maken uit „ons daardoor de ontbinding en vergeving waardig.quot; En ing inderdaad het zou minstens onverklaarbaar wezen, hoe de oor Leeraren der Kerk, die lichten der heilige wetenschap, die ms door geloofstrouw en heiligheid uitstekende mannen, in zoo me verschillende tijden en plaatsen levend en leerend, eennis stemmig konden zeggen, dat de zondaar zonder eene rouw-ar- moedige belijdenis zijner zonden geene vergeving daarvan id, kan hopen, indien Christus die belijdenis niet geboden en 3kt zonder haar de vergiffenis had toegezegd.
en 3) Door het van oudsher bestaande en algemeene gebruik
wij om de zonden te biechten, hetwelk niet door de menschen
tan ingevoerd kan zijn.
len Onmogelijk is het een tijdpunt aan te geven, dat het ge-3or bruik om zijne zonden te belijden, in de katholieke Kerk ren niet bestond en eerst door kerkelijk voorschrift zou zijn V, ingevoerd. De H. Lucas reeds verhaalt ons in de Hande-ite lingen der Apostelen (XIX, 18), dat „vele geloovigen de (tot Paulus) „kwamen en beleden en zeiden wat zij ge-ike „daan hadden.quot; Eveneens verhaalt de leerling der Apostelen, in- de H. Ireneus 2), dat eenige vrouwen, die door een zekeren en scheurmaker, met name Marcus, waren verleid geworden, ;us niet slechts hare schanddaden, maar ook de onzuivere beis) geerten harer harten beleden. Voor het bestaan van het in bedoelde gebruik gedurende de volgende eeuwen getuigen, rer zooals uit de zooeven aangehaalde plaatsen blijkt, Tertul-je- lianus, Cyprianus, Origenes, Ambrosius, Basilius en vele • anderen, wier uitspraken betreffende de Biecht wij hier kort-ier heidshalve moeten achterwege laten. Bovendien getuigen daar-)m voor verscheiden daadzaken, die ons door de oudste schrijvers t? der kerkelijke geschiedenis zijn overgeleverd. Zoo verhaalt it- Paulinus in zijne levensbeschrijving van den H. Ambrosius, u dat deze Kerkvader, telkens als iemand hem zijne zonden on beleed, zoo schreide, dat hij ook den biechteling tot tranen ;e- toe bewoog. In het leven van den H. Hilarius van Arles, ne
fe-
k- \') De H. Joannes uit de zesde eeuw, Abt van het klooster Raythu,
,0. een vertrouwd vriend van den H. .loannes Climacus, in zijne verklaring hoofdst. IV van het werk des laatsten: den ^Hemelschen leidsman.quot;
11\' H 2) Ad vers, haeres. Lib. I. c. XIII. n0. 5.
DEIIARBE, GELGOPSLEER. IV 3de DRFK. 26
:
402
door een zijner tijdgenooten beschreven, wordt opgemerkt, dat de geloovigen dikwerf op de zondagen in groot aantal tot hem kwamen, om hem hunne zonden te biectiten. Daarenboven zijn wij thans nog in het bezit van verscheiden boeken (poenitentialen of biechtboeken), die op de toediening van het Sacrament van Boetvaardigheid betrekking hebben en tot een hoogen ouderdom opklimmen, waarin nauwkeurig wordt opgegeven, hoe de biechtvader over het getal, de soort en de grootte der zonden zorgvuldig moet ondervragen, en de biechtelingen van hunnen kant zich over alles, ook over de geheimste zonden, moeten aanklagen. \') Het staat dus vast, dat het gebruik, om de zonden te belijden, zoo oud is als de Kerk zelve, en niet, gelijk de leeraren der hervorming beweerden, eerst door Innocentius III in het vierde Concilie van Laterane (gehouden in \'tjaar 1215) is ingevoerd. Indien ergens in een land het bevel werd gegeven, dat voortaan niemand meer de betaling der belasting langer dan dezen of genen bepaalden termijn zou mogen verschuiven, zou men dan daaruit met recht het besluit trekken, dat vroeger in dat land in \'t geheel geene belasting betaald werd? Evenmin kan men uit het feit, dat de Kerkvergadering van Laterane onder Innocentius III een bepaalden tijd voor de Biecht vaststelde, tot het besluit komen, dat men vroeger in de Kerk volstrekt niet heeft gebiecht. Evenzeer staat het vast, dat reeds in de eerste christeneeuwen niet alleen de openlijke belijdenis, die tot herstel der gegeven ergernis voorgeschreven of aangeraden werd, maar ook de geheime, de zoogenaamde oorbiecht of bizondere biecht, zooals zij thans in de katholieke Kerk bestaat, algemeen gebruikelijk was, dat zelfs de geheime belijdenis gewoonlijk de openbare voorafging en als voldoende beschouwd werd om van God vergiffenis der zonden te verwerven. Wij zien dit reeds uit de werken van Origenes, die de boetpleging van zijnen tijd zeer wel kende, üelijk hij ons verhaalt, stond het aan den Priester als geneesheer der zielen, na de aanhooring der geheime zondenbelijdenis, om te bepalen, of de biechteling ook de openlijke belijdenis zoude doen of niet. „Beschouwt de Priester/\' zoo spreekt
\') Het Poenitentiale van Joannes den Vaster, Patriiirch van Con-stantinopel (f 50(3); een ander, dat aan den H. Egbertus, Aartsbisschop van York, wordt toegeschreven (f 7G7) en ■meer andere bij ilorinus (de discipl. poenitent. in append.). Binteriiu (Denkwürdigk. B. V, deel 3) haalt het poenitentiale van den. H. Bonifacius, den Apostel der Uuitschers, en (Dl. II bladz. 32ögt; een volmaakten biechtspiegel in de oud-duitsche taal aan, die waarschijnlijk van denzelfden Heilige afkomstig is.
403
hij tot de geloovigen, die hij tot de Biecht aanspoort (Hom. 2. over Ps. 37), „beschouwt hij uwe zonde als van dien aard, „dat zij aan de gemeente openlijk moet worden hekend ge-„maakt, opdat anderen gesticht en gij zelf des te eer gebeterd wordt, dan moet zulks met veel overleg en met „den wijzen raad des zielzorgers geschieden, i) En in het schrijven (Br. 168) van den heiligen Paus Leo aan de Bisschoppen van Campanië, lezen wij: „Niet alle soorten „van zonden zullen opgeschreven en openlijk voorgelezen „worden; want het is voldoende, dat de schuld den Priester
„alleen door eene geheime belijdenis is bekend geworden.....
„Die Biecht is voldoende, die in de eerste plaats voor God „en dan voor den Priester gedaan wordt.quot; 1) Al hadden
28*
1
) Wij willen hier nog eenige feiten aanhalen, waaruit blijkt, dat het gebruik om zijne zonden aan den Priester in de plaats van God te belijden in de katholieke Kerk, zooals thans, reeds eeuwen voor Innocentius III bestond. Het eerste duitsche Concilie, waar de H. Bonifacius, de Apostel der Duitschers, persoonlijk het voorzitterschap bekleedde, schreef de verordening uit, dat //elk veldheer een //Priester bij zich moest hebben, die de Biecht der soldaten kou „kunnen hooren en hun boete opleggen.quot; Willem van Sommerset, bibliothecaris van de abdij van Malmesbury, een bekwaam geschiedschrijver uit de twaalfde eeuw, prijst in zijne geschiedenis van Engeland (Dl. III) de normandische soldaten, omdat zij vóór den veldslag tegen de Engelschen gedurende den geheelen nacht hunne Biecht spraken en des morgens de H. Communie ontvingen. Als toen reeds (onder Willem den Veroveraar f 1087* zelfs de soldaten zulk een ijver toonden om hunne Biecht te spreken, dan mogen wij voorzeker wel aannemen, dat het gebruik van te biechten algemeen bestond. — Evenals thans hield men het ook toen voor eene gestrenge verplichting, dat de zieken, die in gevaar van sterven ver-keeren, zich door het H. Sacrament van Boetvaardigheid met God verzoenden. De Kerkvergadering van Calchut (in 787 in Engeland gehouden) verbiedt (Can. 20) zelfs, te bidden voor hen, die zonder boetvaardigheid of Biecht iiit het leven zijn gescheiden. De eerwaardige Beda (t 735) verhaalt in zijne kerkelijke geschiedenis van Engeland (Dl V, hfdst. 14) de volgende gebeurtenis. Een hoveling van den koning der Merciërs werd gevaarlijk ziek. De koning, bij wien hij hoog in aanzien stond, bezocht hem en moedigde hem aan, zijn geweten door eene goede Biecht in orde te brengen. De zieke gaf ten antwoord, dat hij wel wilde biechten, evenwel niet tijdens zijne ziekte, maar als hij wederom hersteld zou zijn, opdat men hem niet zou verwijten, dat hij uit vrees voor den dood had gebiecht. Bij een tweede bezoek herhaalde de koning, wien het zedeloos leven van den hoveling niet onbekend was, met aandrang zijne vermaning om te biechten. Nu verklaarde de zieke hem, dat het te laat was; hij had in eene verschrikkelijke verschijning het vonnis zijner verwerping reeds vernomen. Spoedig daarna overleed de rampzalige in wanhoop. Een troostvoller voorbeeld lezen wij in het leven van den H. Philibert, die in de zevende eeuw abt van Jumiège was. Een monnik van zijn klooster worstelde met den dood en had reeds het gebruik van de spraak verloren.
404
wij geen ander bewijs voor de goddelijke instelling der Biecht, dan de zooeven aangetoonde algemeene gewoonte, die tot de wieg des Christendoms opklimt, dan zouden wij nog gerechtigd zijn hare instelling aan Jesus Christus, den Stichter der H. Kerk, toe te schrijven; deels omdat er geen tijd na Christus kan worden aangegeven, waarop zij werd ingevoerd, deels omdat slechts een door Christus ge-
De godvreezende abt naderde den stervende, nam hem bij de hand en zeide hem met groote liefde en teederheid, dat, mocht hij soms de eene of andere zonde niet beleden hebben, hij hem slechts door een handdruk een teeken moest geven. Dit gebeurde inderdaad. Toen begaf zich Philibert naar de kerk om den Allerhoogste te bidden en te bezweren, dat Hij toch de tong des stervenden wilde ontbinden, opdat zijne ziel bij het verlaten des lichaams niet om die nog niet beleden zonde door Satan overmeesterd en in de hel geworpen zou worden. God verhoorde de bede van zijn dienaar. Men riep den heiligen abt weldra terujj: de zieke kon weer spreken; hij biechtte vol berouw en ontsliep in den vrede des Heeren. — Evenals nu drong men reeds lang voor Innocentius III op de volstandigheid der belijdenis aan. Zoo lezen wij onder anderen in den 328ten Can. van het tweede Concilie van Chalons (in het jaar 813): ,Sommigen, die den Priester hunne biecht spreken, doen dit maar //Oppervlakkig en ten halve; dezen moet men daarom zorgvuldig ,ondervragen, opdat hunne Biecht volkomen zij.quot; — Vroeger, zoowel als tegenwoordig, hield men het altijd voor eene zware misdaad, na eene doodzonde bedreven te hebben, tot de tafel des Heeren te naderen, zonder eerst den Priester zijne Biecht gesproken te hebben. Joannes de Vaster noemt dit zelfs in zijn poenitentiale „de zwaarste „aller zonden,quot; en vermaant de Priesters, den boetelingen te vragen, of zij zich daaraan niet hebben schuldig gemaakt. Volgens de oude biechtformulieren (biechtspiegels) van Fulgentius en Alcuinus, moet de boeteling zich daarover bizonder aanklagen met de woorden: „Ik heb het lichaam en bloed des Heeren onwaardig, zonder Biecht „en boetvaardigheid, ontvangen.quot;
Ten allen tijde vermaande men de geloovigen, hun hart vóór het ontvangen der H. Communie door. eene rouwmoedige belijdenis van hunne zonden te zuiveren. „Belijdt aan God. in den persoon des „Priesters uwe zonden.quot; zoo zegt Anastasius de Sinaïter, Patriarch van Antiochië, omstreeks het jaar 500 (Oratio de Synaxe), „opdat gij „met een zuiver geweten moogt deel nemen aan het lichaam en „bloed van Jesus Christus, opdat de H. Geheimen u tot ontzondiging ,en verzoening, en niet ter veroordeeling verstrekken.quot; Hoort hoe de Apostel zegt; „De mensch beproeve zich zeiverenz. Gelijk het tegenwoordig gebruik is, dat koningen en vorsten hunne biechtvaders hebben, zoo was het ook voorheen. Zoo W3ten wij, dat in de zevende eeuw de H. Albertus de biechtvader was van Uiederik, den koning der Franken; eveneens weten wij dat tezelfder tijd de H. Viro biechtvader was van Pepijn van Herstal, die koning was zonder den naam te dragen, en de geschiedenis (Bolland. 8 Mei) verhaalt ons, dat Pepijn barrevoets tot hem ging om zijne zonden te belijden. In de achtste eeuw zien wij Karei Martel, den grootvader van Karei den Groote, bij den H. Martinus, oen monnik van Corvey, en den hertog van Beijeren, Grimoald, bij den H. Corbinianus, Bisschop van Freising, hunne biecht spreken (Bolland. 8 Sept.). Over de volgende eeuwen zie Scheffmacher, Lettre IV ü un Protestant, of Nicole, Perpétuité de la foi. Deel IV.
405
!r geven gebod, ondanks de hevigste bestrijding, zoolang van 3, kracht had kunnen blijven. Alle driften der bedorven harten rij en geheel de hel moesten noodzakelijk het voortbestaan en bestrijden eener instelling, die uit haren aard meer dan er elke andere geschikt is om den hartstochten een teugel aan
zij te leggen en de werken der duisternis te verwoesten.....
fe-
Wij durven echter nog eene schrede verder gaan, en, afgezien van het meer dan achttienhonderdjarig bestaan n(j der Biecht, ons beroepen op het eenige, voor aller oogen ms duidelijke feit, dat tegenwoordig in geheel de katholieke 5or Kerk het gebruik bestaat om te biechten, waaruit wij ctê met de grootste zekerheid besluiten, dat Christus zelf de 1de Biecht ingesteld en geboden heeft; want nooit kan zij door de menschen zijn ingevoerd. Of wie zal het mogelijk iar achten, dat de Paus, dat alle Bisschoppen en Priesters , en; dat Koningen en Keizers, rijken en armen, voornamen en ~ geringen, dat allen, die den katholieken godsdienst be-Jjgjj lijden, op een bloot menschelijk voorschrift, zonder tegen-13): stand zich onderworpen hebben aan de Biecht, die folter-bank \' der zielen, dat ondragelijk juk, zooals de vijanden ^ van ons geloof zeggen ? De Protestanten zelve toch hebben ,ad, bij de verschillende pogingen, dio zij beproefden om de oorbiecht wederom in te voeren, de treurige ondervinding rste opgedaan, dat menschelijke besluiten en voorschriften niet ren, by machte zijn, de eens afgeschafte instelling wederom in \'ude het leven te roepen. De mensch heeft zoo vele redenen \'Jg®. om zekere zonden, die bij gaarne voor zich zeiven verbergt echt en wier enkele herinnering hem schaamrood doet worden, voor andere menschen geheim te houden, dat slechts het v®11 gezag en uitdrukkelijk bevel van God hem kan bewegen, des die zonden aan een zijner medemenschen te belijden. Nooit arch zouden de Priesters er in geslaagd zijn, geheel de Kerk, i enl hetzij dan plotseling, hetzij langzamerhand, in den waan iging te brengen, dat Christus de Biecht geboden en als voor-c hoe waarde tot vergeving der zonden gesteld heeft, bijaldien ieclit- ^ inderdaad niet zoo het geval geweest ware. De on-at in mogelijkheid om eensklaps dien waan ingang te doen vinden erik, blijkt genoegzaam uit den aard der Kerk en uit hare uit-f was breiding over geheel den aardbodem. Doch ook het langzaam \'Mei) veld winnen dezer dwaling zou op onoverkomelijke hinder-mden, palen hebben gestooten. Of zou er tegen den eersten iTvaii Prediker dier nieuwe leering en verplichting niet één enkele anus, zijn opgestaan? Zouden alle Priesters en Bisschoppen der Over geheele Kerk, de door God aangestelde rechters en be-I!t\' 0 wakers van het geloof, zich den dubbelen last van biecht
406
hooren en zelve te biechten op de schouders hebben laten leggen, zonder met alle kracht en ernst te verklaren, dat men tot dusverre van zulk een voorschrift, van zulk een bevel van Christus niets had gehoord; in één woord, zouden Bisschoppen, Priesters en leeken daartegen niet als tegen eene vermetele, hoogst lastige nieuwe leering protest hebben aangeteekend ? Doch in de katholieke Kerk heeft men hen, die van de Biecht als van eene goddelijke door Christus zeiven ingestelde boetepleging tot vergeving der zonden spraken, nooit dwaalleeraren en vervalschers der goddelijke wet genoemd, maar wel hen, die zoo driest waren, het tegendeel te beweren. A\'ls dus het kerkelijk leeraarsambt bij de inprenting van den plicht om te biechten zich beroept op het voorschrift van Christus, dan beroept het zich op eene wezenlijke, onloochenbare daadzaak, en zoo was het slechts mogelijk om de Biecht, zoowel in het oosten als in het westen, waar zij evenzeer in gebruik is, in te voeren. \')
Indien nu Christus, onze Heer, zooals de H. Schrift, de Overlevering en de blijvende gewoonte der Kerk ontegensprekelijk getuigen, het gebod heeft gegeven, dat de ge-loovigen hunne zonden aan den Priester moeten belijden om daarvan vergiffenis te verkrijgen, dan is het zonneklaar, dat zij allen grootelijks dwalen, die meenen of voorgeven, dat het ter vergeving der zonden genoeg is, ze in het heiligdom des harten aan God alleen te biechten. Aan hen geeft reeds de H. Augustinus (Redv. 392) een antwoord in de beslissende woorden: „Niemand zegge bij zich zeiven: „in het verborgen, voor God, doe ik boetvaardigheid; God, „die weet, dat ik in mijn hart boetvaardigheid pleeg, zal „mij vergeven. Zou het dan te vergeefs gezegd zijn: „Wat „„gij op aarde ontbindt, dat zal ook in den hemel ontbonden „„wezen?quot; Zijn dan de sleutels van het hemelrijk te „vergeefs aan de Kerk geschonken ? Wie zoo spreekt „ontneemt aan de woorden van Christus elke beteekenis, „en belooft zich zeiven, wat Christus hem ontzegt. hij be-„driegt\' zich zeiven. En inderdaad, konde men door de „enkele belijdenis voor God vergiffenis zijner zonden ver-
i) De grieksch-schismatieke Synode van Jerusalem (geh. in het jaar 1672) verklaarde evenals de Kerkvergadering van Trente, dat het Sacrament van Boetvaardigheid, hetwelk de geheime Biecht in zich sluit, door Christus is ingesteld, toen Hij sprak: „Wier zonden ,gij vergeeft,quot; enz. Overigens is het duidelijk uit de grieksche en latijnsche poenitentialen van den ouden en van den nieuweren tijd, dat beide Kerken met betrekking tot de geloofsleer der Biecht steeds volkomen overeenstemden.
407
„krijgen, waartoe zouden dan de Priesters de macht hebben „ontvangen om te binden en te ontbinden? Wie zou hun „dan nog de gelegenheid verschaffen, de sleutelmacht uit „te oefenen, wie zou nog biechten? En verondersteld dat „iemand daartoe nog genegen werd gevoüden, zou dan, „indien de Priester zich verplicht achtte, zijne macht om „te binden op hem toe te passen, de biechteling niet kunnen „zeggen: indien gij mij niet wilt vrijspreken, dan belijd „ik mijne zonden aan God, Hij zal mij ontbinden; indien „gij mij de hemeldeur niet wilt ontsluiten, dan staat mij „een andere weg open; ik ga dan tot God zei ven, Hij zal „mij den ingang in zijn rijk wel veroorloven.quot; \')
i) Als de HH. Vaders den geloovigen dikwerf dringend aanbevelen, vóór God hunne zonden te belijden, zijn zij er verre af daardoor te verklaren, dat men niet aan den Priester, maar aan God alleen de belijdenis zijner zonden moet doen. Integendeel stellen die HH. Leeraars, met liet oog op de instelling van het H. Sacrament der Biecht (Joan. XX) en de woorden van den H. Jacobus (V, 16): //Belijdt //elkander uwe zonden, opdat gij zalig wordet,quot; in de eerste plaats vast, dat de leeken aan de Priesters en de Priesters aan elkander hunne Biecht moeten spreken, en alzoo de boetvaardigheid, die in de katholieke Kerk gewoonte en door Christus gewild en voorgeschreven is, ook verplichtend worde. De eisch der HH. Vaders, om zijne zonden voor God te belijden, heeft blijkbaar eene geheel andere beteekenis. Vooreerst willen zij daardoor de geloovigen aansporen, om, na de menigte en grootheid hunner zonden overwogen te hebben, in heilzame vermorzeling des harten der goddelijke Barmhartigheid ontferming af te smeeken, overeenkomstig het voorbeeld van den tollenaar in het Evangelie, die rouwmoedig op zijne borst klopte en zuchtte: /,Heer, wees mij zondaar genadig.quot; -1\') Ten andere willen de HH. Vaders daarmede zeggen, dat men in den biechtstoel den Priester zijne zonden zoo moet belijden, als beleed men ze aan God zei ven, aan God, voor wien wij ons wel moeten schamen te zondigen, maar niet om de bedreven zonden te openbaren; aan God wien wij niets kunnen verbergen en die, ofschoon Hij al de looien van ons hart doorziet, evenwel verlangt, dat wij ons voor en Priester beschuldigen, opdat Hij ons door bemiddeling van hem, die als geneesheer der zielen Gods plaats bekleedt, de ver-eischte middelen voorschrijve en ons tot algeheele, genezing brenge. 1)
1
Ald«s de H. Chrysostomus in cap. IV. Genes, hom. 26. n. 3. _
De Lazaro concio IV no. 4. Het moet ons volstrekt niet verwonderen, dat die H. Kerkleeraar de Biecht aan den Priester zeer dikwijls voorstelt als eene zondenbelijdenis, die wij voor God doen. Evenals bij de Biecht, wil hij ook bij de uitdeeling der overige Sacramenten niet den Priester als mensch, maar God zeiven. wiensplaatsbekleeder deze is, in het oog houden. Zoo zegt hij (Homil I over Matth.): «Als gij den Priester u de H. Comrauniê ziet geven, denkt dan «.niet, dat de Priester zulks doet, maar dat het de hand van Christus »is, die zich tot u uitstrekt. En als de Priester doopt, dan doopt //hij zelf niet, maar God, die door zijne onzichtbare kracht uw hoofd (ter indompeling) //bestuurt.quot;
408
Is dus het Sacrament der Biecht voor allen, die gezondigd hebben , ter zaligheid noodzakelijk ?
Het is noodzakelijk ter zaligheid voor allen, die na het Doopsel eene zware zonde hebben bedreven.
Dit antwoord is het duidelijk en redelijk gevolg uit de leer, die wij tot dusverre hebben verkondigd en bewezen, namelijk, dat Jesus Christus het H. Sacrament van Boetvaardigheid heeft ingesteld en voor allen, die na het Doopsel zich aan eene groote zonde hebben schuldig gemaakt, als een noodzakelijk middel heeft aangewezen en voorgeschreven om vergiffenis en genade te ontvangen. Zoo leert ook de Kerkvergadering van Trente (Zitt. 14. hoofdst. 2), waar uitdrukkelijk wordt gezegd: „Het Sacrament der Biecht „is voor den gevallene na het Doopsel noodzakelijk ter „zaligheid , zooals voor den nog niet herborene het Doopsel „noodzakelijk is;quot; en in den zesden Canon derzelfde zitting spreekt zij den ban uit over eenieder die loochent, „dat de „sacramenteele Biecht krachtens goddelijke instelling ter „zaligheid noodzakelijk is.quot; Eveneens treft de gezegde Kerkvergadering (Zitt. 6. Canon 29) hem met den banvloek, die beweert: „De na het Doopsel gevallenen kunnen „zonder het Sacrament van Boetvaardigheid de verloren „rechtvaardigheid weder herwinnen.quot; Die noodzakelijkheid der Biecht ter zaligheid beschouwend en zinnebeeldig voorstellend, noemen de Trentsche Vaders herhaaldelijk haar (Zitt. 6. hoofdst. 14. Zitt. \'14. Can. 2) met de gewone uitdrukking der HH, Vaders: „de tweede reddingsplank „na de schipbreuk.quot; Gelijk namelijk een schipbreukeling als hem de eerste plank, waaraan hij zich vastklampte, wordt ontrukt, onfeilbaar te gronde gaat, indien er geen tweede plank ter redding te vinden is, eveneens zou ook
In het algemeen wordt bij de Kerkvaders de bizondere Biecht zeer dikwijls ook in die plaatsen, waar ongetwijfeld van de mondelinge belijdenis der zonden aan den Priester sprake is, voorgesteld als eene zelfbeschuldiging, welke geschiedt voor God, dat is voor zijn plaatsbekleeder, om de vergeving der zonden te verkrijgen, «in tegenoverstelling van de zondenbelijdenis, welke bij openljjlse boete voor geheel de gemeente plaats had en strekte om de gegeven ergernis te herstellen. Daarom was de biechtvader bij de eerste gewoon, naar het voorschrift der oude poenitentialen, den biechteling te zeggen: //Schaam u niet; want niet aan mij, maar aan üod, in //wiens tegenwoordigheid gij u bevindt, belijdt gij uwe zonden.quot; Of: //Niet ik hoor eigenlijk de belijdenis uwer zonden aan, maar „God door mij. Openbaar dus en belijd uwe zonden voor de HH. //Engelen en verberg mij niets van al datgene, wat gij heimelijk hebt //misdreven; biecht zóó als gij voor God, wien de geheimen uws ,/harten bekend zijn, biechten zoudt.quot;
409
de zondige Christen, die de genade des Doopsels, dat is de eerste reddingsplank na de algemeene, door den stamvader Adam veroorzaakte schipbreuk loslaat, reddeloos verloren zijn, indien hem niet door het Sacrament der Biecht eene tweede reddingsplank werd aangeboden, dat is, de tweede rechtvaardiging werd mogelijk gemaakt.
Het Sacrament der Biecht is echter niet zóó onmisbaar noodzakelijk ter zaligheid, dat een zondaar, die niet in staat is om het werkelijk te ontvangen, eeuwig verloren zou moeten gaan. Daarom leert de Katechismus: „Indien „iemand het Sacrament der Biecht niet kan ontvangen, „dan kan het vervangen worden door een volmaakt berouw „met het ernstig voornemen om de zonden zoo spoedig te „belijden, als men daartoe de gelegenheid zal hebben/\' of gelijk het Concilie van Trente (Zitt. 6. hoofdst. 14) zich uitdrukt, als men het voornemen heeft „op zijnen tijd „te biechten.quot; Na evenredigheid geldt hier namelijk hetzelfde wat van de vervanging van het Doopsel met water door het Doopsel der begeerte is gezegd. Wie een volmaakt berouw heeft over zijne zonden, bezit ook de volmaakte liefde jegens God, dewijl uit deze liefde het volmaakt berouw voortkomt; doch met de volmaakte liefde kan de zonde, de vijandschap Gods, niet tegelijk bestaan; het volmaakte berouw kan dus, niet alleen het Sacrament des Doopsels, maar ook het Sacrament der Biecht vervangen. Doch het vervangt het dan slechts inderdaad, wanneer het gepaard gaat met het oprecht verlangen en den wil om het H. Sacrament der Biecht te zijnen tijde werkelijk te ontvangen. Ja, het berouw kan zonder dezen oprechten wil niet volmaakt wezen, omdat juist de liefde, die er de bron van is, niet kan bestaan zonder de ongeveinsde bereidwilligheid om alles te doen, wat God op verbeurte der eeuwige zaligheid heeft geboden en derhalve ook de zware zonden, die na het Doopsel begaan zijn, door de Biecht aan de sleutelmacht der Kerk te onderwerpen. Het volmaakte berouw, dat verbonden is met het ernstig voornemen om te biechten, rechtvaardigt den zondaar niet slechts, wanneer het hem onmogelijk zou wezen, het Sacrament der Biecht werkelijk te ontvangen, maar in \'t algemeen altijd en aanstonds, als het aanwezig is. 1) De Christen echter, die oprecht verlangt zich met God te verzoenen, zal het geenszins bij het werkeloos verlangen
\') De tegenovergestelde leering van Bajns is door den H. Stoel verworpen in de stellingen 31 en 32, en nog uitdrukkelijker in de 71e stelling.
410
om het Sacrament der Biecht te ontvangen laten, maar wanneer de gelegenheid zich daartoe aanbiedt, ook inderdaad zijne zonden belijden, en dit te meer, naarmate men minder tot zekerheid kan komen, dat men inderdaad een volmaakt berouw over zijne zonden heeft.
Wat vergeeft God ons door het 11. Sacrament der Biecht?
1) God vergeeft ons de zonden, die na het Doopsel zijn bedreven, hoe talrijk en groot zij ook mogea wezen. Heeft de gedoopte het ongeluk gehad in zware zonden te vallen, dan heeft hij een bizonder middel noodig om van zijn diepen val weder op te staan. Dit bizonder, door Christus voorgeschreven middel is, zooals uit het bovengezegde blijkt, het H. Sacrament der Biecht. Door dat Sacrament namelijk worden de banden der zonden, die den gevallen Christen, zooals eenmaal het lijkkleed den gestorven Lazarus in de groeve, omwikkeld houden, door de heilwerkende woorden des Priesters: „Ik ontbind u van uwe zonden,quot; losgemaakt en verwijderd.
2) Niet slechts worden wij door het H. Sacrament der Biecht bevrijd van de banden der zonden; God vergeeft ons ook de eeuwige en tenminste een gedeelte de.? tijdelijke straffen. Dewijl namelijk de eeuwige straffen hoofdzakelijk bestaan in de eeuwige scheiding van God, en deze met de vriendschap Gods, die wij door de ontvangen vergiffenis herwinnen, volstrekt onbestaanbaar is, daarom volgt het noodzakelijk, dat met de ontbinding der zonden ook de vergeving der eeuwige straffen gepaard gaat. Het is alèoo eene leer des geloofs, dat met de vergeving der zonden ook telkens de vrijspraak der eeuwige straffen is verbonden. — Anders is het met de tijdelijke straffen der zonde, die zeer goed met de vriendschap Gods kunnen bestaan. Deze neemt God uit wijze en aanbiddelijke inzichten niet altijd geheel weg, zooals Hij ook de straffen der erfzonde door het H. Doopsel niet alle heeft opgeheven. De Godgeleerden leeren echter algemeen, dat in de H. Biecht altijd tenminste een deel der tijdelijke straffen wordt kwijt gescholden. En hoewel men omtrent de mate der vergeven straffen niets bepaalds kan aangeven, staat het toch vast, dat die te grooter is, naarmate de rouwmoedige gezindheid des biechtelings grooter en inniger is.
3) God geeft ons de verloren heiligtnakende genade weder, of vermeerdert haar, bijaldien zij niet is verloren. Nadat de verloren zoon zich vol leedwezen over zijne misdaden aan de voeten van zijn edelen vader neêrgeworpen
411
en gezegd had: „Vader, ik heb gezondigd tegen den „hemel en tegen uquot; (Luc. XVI), liet deze het beste kleed brengen en den bekeerling een ring aan den vinger geven, ten teeken dat hij weder als zoon des huizes werd opgenomen. Desgelijks gaat het met den zondaar, die zich door de H. Biecht met zijn goddelijken Vader heeft verzoend. Het heerlijke kleed der heiligmakende genade wordt hem onder het gejubel aller hemelingen teruggeschonken; door de heilige liefde wordt hij met zijn hemelschen Vader wederom hereenigd en opnieuw zijn zeer geliefd kind; hij treedt weder in de verloren rechten op het medeërfgenaam-schap van Jesus Christus, verkrijgt alle door de zonde verspilde verdiensten terug en daarmede de zekere hoop op eene evenredige beloonicg in de gelukzalige eeuwigheid.
4) Zelfs daarbij laat God het niet. Hij verleent hun, die het H. Sacrament der Biecht ontvangen, nog andere bizondere genaden tot een godvruchtig leven. De verloren zoon ontving, na de verzoening met zijn besten vader, niet slechts het kleed en het tooisel van het beminde kind, maar de vader gaf hem ook schoenen aan de voeten, opdat hij voortaan niet als een slaaf barrevoets, maar als het kind van een edelen en rijken vader zou wandelen. Zoo doet ook God, wiens ware, ofschoon zwakke beeldtenis die liefdevolle vader uit het Evangelie is. Hij schenkt namelijk aan den aldus gerechtvaardigde door middel van het Sacrament menigvuldige werkelijke genaden, vooral moed en kracht om de gepleegde zonden af te boeten, ze in de toekomst te vermijden en tevens eene troostende aansporing om te leven, gelijk het een kind van God betaamt, en op den weg der vaderlijke geboden van deugd tot deugd voort te gaan. Christenen, hoe dankbaar moeten wij onzen Verlosser zijn voor de instelling van dit zoo heilzaam Sacrament! Wanneer ergens een vorst, door overgroote goedheid gedreven, een gerechtshof instelde, om alle staats-misdadigers, die zich rouwmoedig zouden komen aanklagen, niet te veroordeelen maar hun genade te schenken, hun, als zij in ketenen waren geklonken, de vrijheid weer te geven, ja zelfs in de vroegere ambten en bedieningen te herstellen, zouden zij allen zich niet jegens dezen goedigen vorst grootelijks verplicht moeten gevoelen, zij allen, die zich aan zijne majesteit en zijne rechten vergrepen hadden en volgens den gewonen loop van het gerecht den dood als straf voor \'t hoogverraad verdienden? Welke moet dan onze dankbaarheid niet zijn jegens Jesus Christus, den Koning der koningen, die in zijn rijk op aarde, in de H. Kerk, niet slechts één zoodanig gerechtshof instelde.
412
maar aan eiken Priester de macht mededeelde om den rouwmoedigen biechteling vergeving der zonden, vrijspraak van de eeuwige en gedeeltelijk ook van de tijdelijke straffen te verleenen, het leven der genade, den schat der verloren verdiensten weder te geven en ook voor de toekomst met kracht van boven uit te rusten? En wie zou dan niet gaarne, wie niet met een vurig verlangen naar zijn heil, aan die rechters in de plaats van Christus zijne zonden belijden, om aan de opgenoemde vruchten van het H. Sacrament van Boetvaardigheid deelachtig te worden ?
Afgezien ook van de vruchten, welke de Biecht als Sacrament krachtens goddelijke instelling en beschikking oplevert, is zij op zich zelve reeds eene zeer wijze en heilzame instelling, eene onschatbare weldaad der goddelijke Voorzienigheid. De Biecht namelijk is: 1) eene oefening om zich zei ven te kennen, eene daad van ootmoed en berouw , die bij uitstek geschikt is, om de alles overtreffende gunst, genade en barmhartigheid van God op ons te doen afdalen. Dit zal niet alleen geen Katholiek ontkennen, maar ook geen Protestant kunnen loochenen, tenminste als hij bedenkt wat Luther, de stichter en het hoofd van het Protestantismus, in het jaar 1521, over de Biecht heeft geleerd. \') „Dat wij gewillig en gaarne biechten,quot; zoo zegt hij, „daartoe moet ons aansporen het H. Kruis, namelijk „de schande en schaamte, als de mensch zich vrijwillig „ontbloot voor een ander mensch, en zich zeiven aanklaagt „en hoont, dat is een kostbaar gedeelte van het H. Kruis. „O, indien wij wisten, welke straf wij door die vrij willige „beschaming afkeeren en hoe het God gunstig jegens ons „stemt, als de mensch, Hem ter eere, zich zei ven zoo vernedert en verootmoedigt j dan zouden wij de Biecht opdraven uit de aarde en meer dan duizend mijlen ver gaan „zoeken. Geheel de Schrift getuigt, hoe God den oottnoedigen „genadig en gunstig is. — — Er is geen vasten, geen
„gebed.....geen lijden zoo goed als die vrijwillige
„schande en schaamte, waardoor de mensch zich zoo tot het „niet vernedert, dat is, ontvankelijk wordt voor de genade. „Gave God, dat\' de gewoonte over geheel de aarde heerschte „om alle heimelijke zonden te belijden, zooals Augustinus „dat gedaan heeft. O God, hoe spoedig zouden wij dan „rijk worden aan genaden. En wat beteekent het, dat wij „ons voor éénen mensch zoo zeer zouden schamen, terwijl „wij toch na een stervensuur, dat niet verre meer is, die
\') In zijn werkje over de Biecht, of de Paus macht heeft die te gebieden, gedruktquot; door Thon. King te Wittenburg in het jaar 1562.
413
in „beschaming moeten verduren voor God, voor alle Engelen
ik „en duivelen, iets wat duizendmaal zwaarder voor ons zal
3n „wezen, en dat wij allen door deze geringe beschaming
ïn „voor een mensch gemakkelijk kunnen voorkomen . . , . .
et „Summa summarum, die een oprecht Christen is, hij danke
et „God, dat hij kan biechten, en hij doe het met vreugde
l, „en ijver.quot; De aangehaalde plaats ontheft ons van de moeite,
m er tot verklaring van dit punt nog verder iets bij te voegen;
I. een Katholiek zou daarover niet beter kunnen spreken dan
Luther het op deze plaats gedaan heeft, i- 2) De Biecht is een zeer voortreffelijk middel tot ver-
)- betering des levens en tot vooruitgang in het goede. Ook
m daarvoor treden Protestanten als onverdachte getuigen op.
:e De geleerde Leibnitz verklaart dit punt in zijn systeem der
g godgeleerdheid op de volgende wijze; „Voorzeker, wanneer
i- „er iets schoons en lofwaardigs is in den christelijken gods-
Ie „dienst, dan is het de Biecht, die zelfs door de Chinezen
n „en de Japanezen werd bewonderd. Want de noodzakelijk-^
i, „beid der Biecht schrikt velen, bizonderlijk hen, die nog
;e „niet verhard zijn, van de zonde af en schenkt den ge-
n „vallenen grooten troost, zoodat ik geloof dat een vroom,
ft „bezadigd en verstandig biechtvader in Gods handen een
0 ngroot werktuig is voor het heil der zielen; want zijn raad k „is nuttig om onze neigingen te regelen, onze feilen op te g „merken, de gelegenheden der zonden te vermijden, het ;t „gestolene terug te geven, de schade te vergoeden, angstige 3. „weifeling te verjagen, den neêrgebogen geest op te beuren, e „eindelijk alle kwalen der ziel weg te nemen of te ver-s „minderen. En als men op aarde nauwelijks iets voor-\'- „treffelijkers kan vinden dan een getrouwen vriend, van )- „hoeveel meer gewicht zal zoo iemand eerst dan voor ons n «zijn, wanneer hij door de onkrenkbare heiligheid van een a „goddelijk Sacrament tot volhardende getrouwheid en tot hulp Q „verplicht is?\'\' — Voegen wij bij dit inhoudrijke getuigenis e nog dat van een ander Protestant, den schrijver van: t „Opheldering der vooroordeelen tegen de katholieke Kerk.quot;
„Wie kan het loochenenquot; —zoo lezen wij in genoemd werk,
e „dat millioenen Christenen de aansporing tot innerlijke ver-
s „andering, hun troost en hunne zielerust uit deze instel-
u «ling putten, dat millioenen aan de hand van een mensch-
ij „lievenden geleider op den weg des heils, welken zij, door
1 „lichtzinnigheid of hartstocht meegesleept, hadden verlaten, e „wederkeeren ? Wat de krachtigste openbare redevoeringen
„niet uitwerkten, dat werd dikwijls door vertrouwelijke ;e ■ „terechtwijzing verkregen.quot; — Zelfs de woordvoerders des
i. ongeloofs, die al wat heilig is hoonden, Voltaire en Rousseau,
414
konden niet nalaten voor het aanbevelenswaardige der Biecht getuigenis af te leggen. De eerste zegt in zijn werk Annales de l\'etnpire: „De vijanden der roomsche Kerk, „die zich tegen de heilzame instelling der Biecht verzetten, „schiinen den menschen den sterksten teugel hunner geheime „zonden ontrukt te hebben.quot; En de laatste roept in zijne Emile (3® deel) uit: „Tot hoeveel herstelling, tot hoe-„veel schadevergoeding worden niet de Katholieken gebracht „door de Biecht. gt;) Hoe zeer zijn bij het naderen van den „communietijd allen bereid, zich te verzoenen! Hoevele „aalmoezen worden bij die gelegenheid niet gegeven!quot;
3) De Biecht strekt niet slechts tot welzijn van ieder Christen in het bizonder, maar bevordert ook de welvaart van geheel de burgerlijke maatschappij, van familie en Staat. Hoeveel kan een verstandig en ervaren biechtvader met zijne vermaningen, toespraken en raadgevingen bijdragen om het gezin waarlijk christelijk te maken door de trouw en liefde des huwelijks, door de goede verstandhouding - en vrede tusschen vader en moeder, door den eerbied, de liefde en gehoorzaamheid der kinderen jegens hunne ouders, door waakzaamheid en ijver in de opvoeding en ontwikkeling der kinderen te bevorderen. Wat het welzijn van den Staat betreft, dit wordt door middel der Biecht in zoo verre bevorderd, dat zij het zedelijk gedrag der burgers, dien onontbeerlijken grondslag voor het geluk
\') Een lauw Katholiek, wien de plicht om \'s jaarlijks te biechten zwaar -viel, zat op zekeren dag, toen de paaschtijd reeds ten einde spoedde, in den kring zijner familie en liet zich zeer onbehoorlijk over de Biecht uit. Onverwacht trad een Priester zijne woning binnen, klopte aan en naderde dien vijand der biecht met een vriendelijken groet. ,Hier ontvangt gij,quot; zoo sprak de geestelijke, //driehonderd „gulden, welke mij in den biechtstoel werden toevertrouwd, om ze //aan u te geven.quot; Daarop wilde de Priester zich verwijderen, doch de huisheer, zoowel verblijd als getroffen door die gebeurtenis, hield hem tegen en zeide: //Hoe! driehonderd gulden? U Eerwaarde «moet zeker In dwaling verkeeren quot; — //Volstrekt niet,quot; antwoordde de Priester, ^het is uw eigendom,quot; en ging heen. De bestrijder van het Sacrament der Biecht zag nu in, dat het biechten toch tot iets goed is. Hij erkende uit die gebeurtenis, hoe nuttig de Biecht is voor de burgerlijke maatschappij en werd nu een oprecht vriend en verdediger van de Biecht der Katholieken (volgens Mehler). Vele zielzorgers zouden voorzeker uit den schat hunner ondervinding dergelijke bewijzen voor het maatschappelijk nut der Biecht kunnen leveren. — Wij willen slechts opmerken, dat dikwerf op die wijze zeer groote geldsommen den wettigen eigenaar worden teruggegeven. Het tijdschrift L\'Ami de la Keligion (Deel 33) verhailt eene restitutie van een half millioen franken, waartoe een woekeraar besloot, nadat hij op zijn sterfbed had gebiecht, en die volgens zijne laatste wilsbeschikking, onder verschillende benadeelde personen verdeeld moesten worden.
415
van den Staat, beter regelt en bevestigt dan alle andere middelen, die den Staat ten dienste staan. De Staat moge geboden geven op geboden; hij moge een groot getal beambten aanstellen, teneinde voor de naleving dier geboden te waken en de overtredingen te straffen; hij moge een leger van policie-agenten en gerechtsdienaars uitzenden, om de schenders der wetten gevangen te nemen: dat alles helpt weinig, als het kwaad niet in den wortel wordt aangetast, als de kwade hartstochten, de hoovaardij, de geldzucht en de onverzadelijke zucht naar genot in de harten der burgers en in den schoot der familiën teugelloos voortwoekeren en zich doen gelden, Dit te beletten kan de Staat niet, maar de Biecht vermag het; want dooide nederige beschuldiging van alle, ook van de geheimste overtredingen wordt de menschelijke hoogmoed geknakt, en verliezen de hartstochten hunne aanlokkelijkheid; door het berouw en het goede voornemen, dat men moet hebben om de vergeving te verkrijgen, wordt de verkleefdheid aan de zonde afgeworpen, door de voldoening wordt zelfs de heimelijk toegebrachte schade weder hersteld en de lust benomen om nieuwe schade te veroorzaken. Ook wat dit punt betreft ontbreekt het niet aan met ons instemmende getuigenissen der bestrijders van ons geloof. Wij zouden ons hier eenvoudig kunnen beroepen op den Protestant ÏPitz William, die in zijne „brieven van Attikusquot; zich vooral ten doel stelde, de door ons aangevoerde stelling van het nut, dat de Biecht den Staat aanbrengt, te bewijzen. Wij willen echter liever herinneren aan het feit, dat vele achtenswaardige mannen, die het Protestantismus beleden, in Engeland, Frankrijk en Duitschland het diep betreurden, dat zij dit krachtig middel ter bestrijding der overal rondwoekerende onzedelijkheid bij hen niet meer vonden, en dat zij daarom herhaaldelijk en ook in den jongsten tijd verschillende pogingen in het werk stelden, ja zelfs de regeeringen des lands verzochten, door hunne medehulp de oorbiecht weder in te voeren. — Dominicus de Soto, de biechtvader van Keizer Karei V, verhaalt, !) dat gedurende zijn verblijf in Duitschland uit de stad ^Neurenberg een gezantschap tot den Keizer kwam met het verzoek, bij hen de geheime Biecht weder in te voeren. Als reden voor hun verzoek haalden zij aan, door de ondervinding geleerd te hebben, dat sinds de afschaffing-der geheime Biecht in hunne stad zulke groote misdrijven waren gepleegd, als men vroeger nooit gezien noch gehoord
\') IV. Sen tent. d. 28. Q. I. artic. I.
416
had. Om gelijke redenen dienden in het jaar 1670 de protestantsche predikanten van Straatsburg een breedvoerig smeekschrift in bij den magistraat dier stad, om hem over te halen tot medewerking in het weder invoeren der oorbiecht. i) Overigens behoeven wij niet zoo ver terug te gaan, om bewijzen voor onze stelling bijeen te brengen. Toen zich in het jaar 1856 in de niet-katholieke godsdienstige vereenigingen een meer godsdienstig streven openbaarde, erkende men in \'t bizonder, „dat met de oorbiecht „een groot gedeelte van de zorg voor de zielen was ver-„dwe\'nen.quot; Zonde en geen berouw, zoo zeide men, is het ontzettende teeken des tijds, en het afschafïen der Biecht is hoofdzakelijk daarvan de oorzaak; men erkende den terugkeer tot de Biecht als heilzaam en noodzakelijk. Daarom werd dan ook in Saksen en Beieren het plan gemaakt om haar weder in te voeren: de oorbiecht zou het doel zijn, waarnaar de Kerk moest streven. Wel deed men zijn best om het vermoeden te voorkomen, alsof men van plan was, de gehate oorbiecht der Katholieken wederom in het leven te roepen, maar ten laatste kwam dan toch de voorgestelde hervorming van de Biecht op hetzelfde neer. Volgens de nieuwe voorschriften der Protestanten omtrent de Biecht, moet namelijk de predikant den inwendigen toestand van eenieder, voor zooverre hij het noodig oordeelt, onderzoeken en raadplegen, de ontbinding weigeren, bijaldien hij erkent, dat de biechteling de vereischte gesteltenis mist, maar den waardig bevondene ontbinden mét de woorden: „De al-„machtige God heeft zich uwer ontfermd, en op het bevel „des Heeren Jesus Christus, spreek ik, als zijn dienaar, „u vrij, ontbonden en ontdaan van al uwe zonden,quot; enz.1) Als er nog onderscheid bestaat tusschen de oorbiecht der Protestanten en die der Katholieken, en er bestaat inderdaad een onderscheid, dan is het niet in de Biecht zelve, maar alleen daarin dat de oorbiecht der Katholieken door Christus is ingesteld en genade mededeelt, terwi\'l de belijdenis der Protestanten, die men tot heden toe te vergeefs algemeen trachtte in te voeren, daarentegen eene menschelijke instelling is en bijgevolg alle bovennatuurlijke uitwerking mist.
Hetzij men alzoo de Biecht als een Sacrament beschouwe en de aandacht vestige op de uitwerkselen, daaraan door Christus zei ven verbonden, of haar slechts voor eene gewone (niet sacramenteele) boetepleging aanzie, die volgens
1
Zie Jörg, Geschiclite des Protestantismus. D. I.
417
het getuigenis der bestrijders van ons geloof, de zegên-rijkste gevolgen voor ieder in het bizonder, voor het gezin ; en dén Staat met zich voert, in beide gevallen zijn wij ; gerechtigd haar zeer aanbevelenswaardig en heilzaam te noemen. Doch indien wij overeenkomstig de ware, katholieke opvatting dit tweevoudig nut onder één gezichtspunt vereenigen, dan zullen wij gemakkelijk begrijpen, waarom de roomsche Katechismus zegt; „Bijna alle weidenkenden „zijn overtuigd, dat aile?, wat er in dezen tijd aan heilig-„heid, godsvrucht en ware vroomheid in de Kerk nog is „behouden, voor het grootste gedeelte aan de Biecht moet „worden toegeschreven. Het is daarom niet te verwonderen „dat de vijand van het menschelijk geslacht, die het katholiek geloof tracht uit te roeien, met de helpers zijner „goddeloosheid deze toevlucht der christelijke deugd met „alle kracht bestormd heeft.quot;
Wat wordt er vereischt om het II. Sacrament oan Boetvaardigheid waardig te ontvangen?
1. Het gewetens-onderzoek; 2. het berouw; 3. het voornemen; 4. de biecht of de belijdenis der zonden; 5. de voldoening.
Volgens de leer der Kerkvergadering van Trente (Zitt. 14. hoofdst. 2 en Can. 4 over de boetv.) zijn er slechts drie vereischten om het Sacrament van Boetvaardigheid waardig te ontvangen; het berouw, de belijdenis en de voldoening. De genoemde Kerkvergadering stelt namelijk het onderzoek des gewetens voorop als de naaste voorbereiding tot de Biecht, dewijl niemand zijne zonden kan belijden, bijaldien hi] zich daarvan niet bewust is, niet weet, welk kwaad hij bedreven heeft. Zij verbindt ook het voornemen met het berouw, waarvan het, zooals wij later zullen aantoonen, inderdaad niet te scheiden is, omdat zonder het voornemen het berouw niet goed kan ziju. De vijf aangegeven punten kunnen derhalve gemakkelijk tot drie teruggebracht en uit deze drie gemakkelijk de twee andere afgeleid worden. Wij zullen nu over elk der vijf vereischten afzonderlijk spreken.
§ 1- Over liet ondei\'xuek «les gewetens-
Wat wil zeggen: zijn geweten onderzoeken, en op welke wijze kan dal geschieden ?
Zijn geweten onderzoeken is; ernstig nadenken aan welke zonden men zich heeft plichtig gemaakt.
DEHAEBE, GELOOFSLEER. IV Sde DKOK. 27
418
De Christen komt in den biechtstoel als aanklager van zich zei ven. Als zoodanig is hij verplicht, den rechter in de plaats van God elke groote zonde, zelfs de geheimste, te openbaren. Die nauwkeurige, in bizonderheden tredende aanklacht van zich zeiven is echter slechts dan mogelijk, als de zondaar eerst den toestand van zijn geweten vlijtig doorzoekt en ernstig nadenkt, wat kwaads hij sinds zijne laatste goede Biecht heeft bedreven, welk goed hij heeft verzuimd; want hoe zal hij den Priester zijne zonden belijden, als hij die niet kent, als hij niet weet, hoevele en welke zonden hij beeft bedreven? Zonder een ernstig nadenken en nauwkeurig onderzoek van al de schuilhoeken des harten zal de mensch, die, zooals de ondervinding leert, zijne zonden spoedig vergeet en ze voor zich zeiven al te dikwerf verbergt, nimmer tot eene behoorlijke kennis zijner zonden geraken. Daarom rekent ook de Kerkvergadering van Trente dat nadenken of onderzoek onder de noodzakelijke vereischten bij de voorbereiding tot de Biecht, terwijl zij (Zitt. 14. Can, 7) de uitspraak doet, dat het noodzakelijk is alle doodzonden te biechten, die men „zich na een vereischt „en vlijtig nadenkenquot; of, zooals in hoofdstuk 5 wordt gezegd, „na een vlijtig onderzoek van zich zeiven,quot; herinnert.
Wat nu de wijze van dat gewetensonderzoek betreft moet men, hiermede willende aanvangen, wel ter harte nemen, dat het eene handeling is van het grootste gewicht, eene handeling, waarvan de geldigheid der Biecht, en dewijl elke Biecht de laatste van ons leven kan wezen, misschien ons geluk of ongeluk in de geheele eeuwigheid afhangt. Deze overweging zal de verstrooiingen verre van ons houden en ons in de ware gemoedsstemming brengen, om in ootmoed des harten voor de goddelijke Majesteit, die wij door onze zonden hebben beleedigd, ons neder te werpen en den Allerhoogste dringend te smeeken, dat Hij ons de genade des H. Geestes verleeue, onze zonden wel te kennen, en de erkende zonden zoo te betreuren en te belijden, als van ons gevorderd wordt. Hebben wij namelijk behoefte aan het licht en aan de kracht van Gods Geest in alle daden van een christelijk, voor den hemel verdienstelijk leven, dan is dit vooral noodig, wanneer het er op aankomt, eene geldige biecht te spreken. De kracht des H. Geestes wordt vereischt om ons oog van de buitenwereld, die het gevangen houdt, af te rukken en het op ons binnenste te vestigen , op den spiegel onzes harten, die ons helaas! maar al te dikwijls geen vermakelijk beeld ter bezichtiging aanbiedt. Dat licht des H. Geestes is noodig om de afzonderlijke trekken van dit weinig verkwikkend beeld wel te onder-
419
scheiden, of de duisternissen der zelfverblinding te verjagen, die ons de hatelijkheid er van verbergt. Licht en kracht moet ons gegeven worden door den H. Geest, opdat wij door eene ootmoedige belijdenis de genade verkrijgen, dat de trekken, door de zonden in het evenbeeld Gods uitgewischt, weder in ons hersteld worden. Het kost den zondaar dikwerf veel, zeer veel om aan zich zeiven te bekennen en den Priester in de plaats van God te openbaren, hoe afschuwelijk het in zijn binnenste er uitziet, en slechts de Geest van sterkte is in staat, hem zoo krachtig te maken, dat hij het besluit neemt, in weerwil van die beschaming en vernedering voor den Priester, den gruwel der verwoesting uit zijn hart te verbannen.
Heeft men den H. Geest, hetzij door een mondeling gebed, hetzij door eene godvruchtige verheffing des harten aangeroepen, dan moet men: 1) bedenken, wanneer men het laatst goed gebiecht en of men de opgelegde boete volbracht heeft. Het komt er namelijk bij elke beschuldiging niet zoozeer op aan, wanneer men het laatst, maar wanneer men het laatst goed gebiecht heeft. Want indien de laatste Biecht of meer dan eene van de laatste biechten bij gebrek aan oprechtheid , berouw of voornemen ongeldig zijn geweest, dan zou men, zooals later zal worden aangetoond, zich van alle in die biechten beleden zonden
Iopnieuw moeten beschuldigen, omdat deze nog niet vergeven zijn. En het is vooral raadzaam, dat de biechteling j terstond openbare of en hoe dikwerf hij slecht heeft ge-opnieuw moeten beschuldigen, omdat deze nog niet vergeven zijn. En het is vooral raadzaam, dat de biechteling j terstond openbare of en hoe dikwerf hij slecht heeft ge-
Ibiecht, opdat de biechtvader hem er opmerkzaam op make , dat bij zich ook van die zonden beschuldige, waaraan hij zich sinds zijne laatstebiecht, opdat de biechtvader hem er opmerkzaam op make , dat bij zich ook van die zonden beschuldige, waaraan hij zich sinds zijne laatste geldige Biecht heeft schuldig gemaakt; anders zou de biechtvader, indien hij onder de beli]deais de ongeldigheid der vorige biechten mocht ont-|dekken, den biechteling moeten verplichten, de beschuldi-\' ging opnieuw en wel van de laatste geldige Biecht te ibeginnen, wat zeer zeker voor den biechtvader en voor den biechteling in gelijke mate hinderlijk en lastig zou wezen. — Het is verder zeer doelmatig, dat de biechteling, alvorens zijne belijdenis te beginnen, den Priester zegge, of hij de opgelegde boete heeft volbracht of niet, opdat deze in het laatste geval de redenen dier nalatigheid onderzoeke, en, indien hij het noodig oordeelt, de boete |verandere of de verplichting om de voorgeschreven boet-jpleging te volbrengen hem andermaal op het hart drukke. lEvenzeer is het aan te raden, terstond te bekennen of.men de in de laatste Biecht opgelegde verplichting, om de
27*
420
onrechtvaardig toegebrachte schade weder te vergoeden, is nagekomen, of waarom men daaraan nog niet heeft voldaan. De redenen hiervoor zijn ons uit het gezegde over de opgelegde boete genoegzaam duidelijk.
Teneinde nu eene goede Biecht te kunnen spreken, moet men bij het voorafgaande ondérzoek des gewetens allereerst over de genoemde punten nadenken. Vervolgens 2) de geboden van God en van de H. Kerk, ook de plichten van zijn staat en de verschillende soorten van zonden door-loopen en zich daarbij afvragen, hoe men met gedachten, woorden, werken en verzuim daartegen gezondigd heeft. De beste handleiding voor het onderzoek des gewetens vindt de goed onderrichte Christen in de tien geboden Gods en de vijf geboden der H. Kerk. — Deze beknopte samenvatting der goddelijke wet doorloope men bij het onderzoek des gewetens; in dien levensspiegel beschouwe men zich, om te ontdekken of de beeldtenis van ons leven trek voor trek overeenstemt met die, welke daarin ons voor oogen wordt gesteld. Men vrage zich bij elk der geboden af, of men door gedachten, woorden, werken en verzuim daartegen heeft gezondigd. Om de zonden van verzuim indachtig te worden is het vooral dienstig, dat ieder Christen de bizondere plichten van zijn staat naga en bedenke, hoe hij die vervuld heeft. Zoo moeten vaders en moeders zich afvragen, hoe zij hunne kinderen hebbea bewaakt en opgevoed; de kinderen, hoe zij hunne ouders geëerd en bemind hebben, onderdanig en quot; gehoorzaam geweest zijn; de oversten, hoe zij hunne onderhoorigen behandeld, en de dienstboden, hoe zij zich jegens hunne overheden hebben gedragen, enz. Vervolgens zal het om gemakke lijk de kennis van alle zonden, die men moet biechten te verkrijgen, van groot nut wezen, de verschillende soorten van zonden, vooral de zeven hoofdzonden en de negen vreemde zonden op dezelfde wijze als de geboden Gods te doorloopen en zich nauwkeurig rekenschap af te vragen of en welke van die zonden men door gedachten, woorden of werken heeft bedreven. — Ook móet men tenminste bij de doodzonden onderzoeken naar het getal en de omstandig heden, dewijl ook deze, zooals in § 4 zal worden aange toond, in de- biecht verklaard moeten worden. — Deze wijze van onderzoek volgens de geboden Gods en der Kerk, de plichten van staat en de verschillende soorten van zonden is vooral aan te bevelen, indien men sinds geruimen tijd niet meer heeft gebiecht, of indien men eene algemeene biecht wil spreken. Voor hen, die dikwijls biechten, zal het voldoende wezen, dat zij vlijtig onder-
421
if
zoeken, aan welke zonden zij zich jegens den naaste en jegens zich zeiven in gedachten, woorden en werken en door verzuim hebhen schuldig gemaakt. — Kinderen zullen zich lichtelijk hunne zonden herinneren, als zij in het geheugen terugroepen , hoe zij zich gedragen hebben in de kerk, in de school, in huis, jegens hunne ouders, jegens hunne broeders en zusters, op straat, op het veld, alleen of met anderen. Intusschen moeten zij zich vroegtijdig er aan gewennen om het geweten te onderzoeken volgens de wijze, die wij boven aangaven, namelijk volgens de tien geboden Gods, enz. \')
Voor welke fouten moet men zich hyj het onderzoek des pte | gexoetens wachten ? \'
1) Dat men zich niet vluchtig en oppervlakkig onder-i; zoeke. Door een enkelen vluchtigen en oppervlakkigen , blik is zijn binnenste bereikt men het doel niet van het . onderzoek, dat elke geldige Biecht moet voorafgaan. Daartoe wordt naar de uitspraak van het Concilie van Trente (Zitt. • 14 hoofdst. 5) „een vlijtig onderzoeken en doorschouwen 1 „van alle plooien en schuilhoeken des gewetensquot; vereischt;
slechts op die wijze komt men tot de behoorlijke kennis l zijner zonden. Teneinde dan bij het gewetensonderzoek de dubbele fout van lichtzinnigheid en oppervlakkigheid t; te vermijden, moet eenieder, wien zijn heil en zijne grootere-| geruststelling ter harts gaan , een hehoorlijken tijd en een v behoorlijken gver daartoe besteden. En kan men ook met i betrekking . tot beiden geen bepaalden regel-voorschrijven, g dan toch is het zeker, dat men te meer tijd en grooter j ijver moet bezigen , naarmate men lichtzinniger geleefd en sinds langeren tijd niet gebiecht heeft. Zoo zal ook een bestuurder van de goederen zijns meesters meer tijd gebruiken, meer ijver in \'t werk stellen om zich op zijne afrekening- en verantwoording voor te bereiden, naarmate hij in het boekhouden en in het bestuur nalatiger is geweest en die gewichtige taak langer heeft uitgesteld. Voorzeker
!) Men kan hun met dit doel een biechtspiegel aanwijzen, die met veel beleid en voorzichtigheid is opgesteld; aan ieder den eersten den besten in handen te geven, achtten wij niet zonder gevaar. De kinderen en in het algemeen alle geloovigen moeten uit den biechtspiegel niet leeren hoe zij kunnen zondigen, maar inzien, dat zij gezondigd hebben. Voor velen zal het gebruik van biechtspiegels schadelijk zijn, derhalve dient men steeds met de meeste voorzichtigheid het gebruik er van aan te bevelen.
De beste, ons bekend, is die, welke voor eenige jaren te Haarlem in het St. Jacobs-gesticht is uitgegeven.
422
zou hij zich zonder de onvergeeflijkste verwaarloozing van zgn eigenbelang met eene voorbereiding van drie of vier minuten of van een kwartier uurs niet kunnen tevreden stellen, vooral indien hij weet, dat zgn heer zelf een uitstekend rekenmeester is en zijn bestuur met gestrengheid gadeslaat. En hoe zal dan een Christen, die maanden en jaren in zonden heeft voortgeleefd zonder te biechten, zich in weinige minuten voldoende kunnen voorbereiden om in den rechterstoel der Biecht zijne rekening met God, den Alwetende, op te maken? Het is echter niet genoeg, dat men eene voldoende tijdruimte tot het gewetensonderzoek bestede, men moet het ook doen met geëvenredigden ijver, dat is, men moet dien tijd niet gedachteloos of vrijwillig verstrooid doorbrengen. De daad van gewetensonderzoek, die tot de Biecht wordt vereischt, is zoo ge-■wichtig en met betrekking tot het heil onzer ziel van zooveel gevolgen, dat zij al onze oplettendheid verdient. „Maar,\'\' zoo hoort men hier en daar klagen, „het valt mij „zoo zwaar, om over al mijne zonden na te denken.quot; Welnu, Christen, biecht dan dikwerf en beijver u om van de eene Biecht tot de andere de zuiverheid des harten te bewaren, dan hebt gij niet noodig u lang te onderzoeken. Doe verder gelijk brave, hun geluk zoekende Christenen gewoon zijn te doen: onderzoek dagelijks uw geweten, alvorens gij u ter ruste begeeft, daardoor zult gij het onderzoek des gewetens bij uwe Biecht merkelijk verkorten en gemakkelijker maken. Bovendien neem dit ééne wel ter harte; als het hier voor u reeds zoo lastig is, gedurende een korten tijd over uwe zonden na te denken, hoe zult gij dan te moede zijn in het andere leven, als gij om uwe nalatigheid in het onderzoek van uw geweten verloren gaat, en de herinnering aan uwe zonden in alle eeuwigheid u zal vervolgen ? Als iemand, die aan een heer vele schulden moet betalen, van dezen de verzekering ontving, dat ze hem alle kwijt gescholden zullen worden, indien hij ze aan zijn meester weet op te geven, zou het dan dien gelukkigen schuldenaar zwaar vallen over de verschillende verschuldigde posten na te denken, om ze alle behoorlijk op te kunnen noemen ? Zou hij niet veeleer met groote vreugde zich ter bepeinzing nederzetten, zich het hoofd bijna breken, om toch maar geene enkele te vergeten? Waarom zouden wij niet hetzelfde doen, dewijl toch God aan de oprechte belijdenis onzer zonden de vergeving daarvan verbindt? — By het gewetensonderzoek heelt men zich verder te wachten : 2) Dat men voor zich zei ven zijne lievelingszonde niet verhele. De eigenliefde, die den mensch is aangeboren,
423
het verlangen om beter te zijn dan anderen, of tenminste in zijne eigen oogen beter te schijnen, is de bron van menigvuldig zeil bedrog. Die ongeregelde eigenliefde is oorzaak, dat wij zoo gaarne voor den rechterstoel van ons verstand onze zonden verschoonen, verontschuldigen, rechtvaardigen, ja niet zelden met den naam van deugd bestempelen. Dit is vooral het geval met onze lievelingszonden, namelijk met die zonden, welke uit onze kwade hoofdneiging voortkomen. Die hoofdneiging maakt zich niet slechts alle andere neigingen des harten dienstbaar, zoodat alle voor haar optreden, haar verdedigen en voor het vorschend oog des geestes verbergen, maar zij verblindt ook het verstand zoozeer, dat dit spoedig voor haar partij trekt en goedkeurt wat kwaad is, of voor niet zoo kwaad beschouwt, wat inderdaad zeer kwaad en zondig is. Vandaar, dat men bij het onderzoek des gewetens de zonden niet als zoodanig erkent, of ze voor onbeduidender aanziet dan zij werkelijk zyn; men beschouwt als geoorloofd, wat men bemint, en ontwijkt voorbedachtelijk het licht des verstands en des geloofs, om ongehinderd zijne lievelingsneiging te volgen. Deze spoort den zondaar aan, zijn geweten niet overeenkomstig de leerstellingen van Jesus Christus, maar volgens de grondstellingen der wereld te onderzoeken, de zwaarte der zonde niet te wegen op de schaal der heiligheid, maar op die van den geest der wereld, welke maar al te dikwerf doodzonden als dagelijksehe zonden, ja somtijds als deugden voorstelt, of ze voor kleine overtredingen, voor onvermijdelijke, vergeeflijke zwakheden, hoogstens voor jeugdige lichtzinnigheid en onbezonnenheid uitgeeft. Het is zoo helder als de zon, dat een zoodanig gewetensonderzoek in de hoogste mate gebrekkig moet wezen, dat het, in plaats van tot de noodige kennis zijner zonden te voeren, tot een beklagenswaardig zelfbedrog leidt en zoowel de oprechtigheid en volstandigheid der biecht, als de ware verbetering des levens geheel onmogelijk maakt. Eindelijk moet men zich bij het onderzoek des gewetens wachten:
3) Om te angstig te wezen. — Wie de klippen van lichtzinnigheid, van oppervlakkigheid en zelfbedrog gelukkig heeft vermeden, wordt door den vijand onzer zaligheid dikwijls op eene andere bijna even gevaarlijke klip gedreven, namelijk tot hartbeklemmende angstvalligheid gebracht. Vele Christenen gelooven zich nooit genoeg onderzocht te hebben. Zij kwellen zich uren en dagen lang met de doorzoeking van alle plooien huns gewetens en zijn dan, den biechtstoel binnentredend, met hunnen toestand evenmin
424
bekend als zij het in den beginne waren; ja, niet zelden gebeurt het, dat angstvalligen, hoe langer zij zich afmatten om hunne zonden te erkennen, des te meer in verwarring geraken en des te slechter en droeviger inzage van hun hart verkrijgen. Op deze wijze wordt hun de H. Biecht, die eene bron van troost en gerustheid moest wezen, de pijnlijkste foltering. En dat is het juist wat satan beoogt; hij wil hen van het biechten afhouden en hun de rijke vruchten van dit H. Sacrament ontróoven. Zulke tot angstvalligheid overhellende Christenen moeten zich daarom vooral overtuigen, dat God geen tiran is, maar een liefdevolle Vader, die van hen niets verlangt, dan dat zij zich in de biecht van die zonden beschuldigen, waaraan zij zich na een vlijtig onderzoek inderdaad schuldig kennen. Tot een vlijtig onderzoek voor degenen, die dikwijls, bijv. alle acht dagen, biechten en zich de moeite geven om niet slechts de doodzonden als het grootste kwaad te verfoeien, maar ook de dagelijksche zonden met zorg te vermijden, is een klein kwartier uurs voldoende en wel zoo voldoende, dat hun daarenboven nog altijd tijd genoeg overblijft om berouw en voornemen te verwekken. Opdat men echter nauwgezetheid , die bovenal pryzenswaardig is, niet met angstvalligheid verwarre, is de zekerste weg daarin zich te onderwerpen aan het oordeel van een verstandig biechtvader, die uit de biecht zelve het best kan beoordeelen of er gevaar bestaat, dat die zorg bij het gewetensonderzoek in nadeelige angstvalligheid ontaarde of niet.
§ 8. Over het berouw.
TFai is het berouw?
Het\' berouw . is eene droefheid der ziel en een afschuw van de bedreven zonden.
Het berouw wordt in de eerste plaats eene droefheid der ziel genoemd, en zoo elke gedachte aan lichamelijke smart uitgesloten. Gelijk namelijk het bezit van iets. dat ons welgevallig is, aangename gewaarwordingen, tevredenheid , vreugde en blijdschap in de ziel voortbrengt, zoo veroorzaakt het tegenovergestelde, dat is, het gemis van eenig goed of het aanwezig zijn van eenig kwaad, onaangename gewaarwordingen, ontevredenheid, leed, droefheid, inwendig ongenoegen. Dit heet smart der ziel, en als deze vergezeld gaat van het bewustzijn, dat men zelf oorzaak van het kwaad is, en van den wensch dat het niet mocht
425
gebeurd zijn, dan heet zulk eene smart berouw. Het berouw dus over de bedreven zonden is een spyt, eene droef-beid der ziel wegens het kwaad, dat men door de zonde heeft gedaan. Het berouw is tevens ook een afschuw van de begane zonde. Uit afschuw of haat der zonde, als het • grootste kwaad, ontstaat de smart der ziel en de inwendige droefheid, dat men ze bedreven heeft. Zoowel die droefheid als die afschuw van de zonde behooren dus noodzakelijk tot een waar berouw, en zijn daarom in het hart van een waarlijk rouwmoedige onafscheidelijk met elkander verbonden. Als namelijk de Christen met het verstand de bedreven zonde als het grootste kwaad erkent en met den wil ze haat en verfoeit, dan zal zij hem ook noodzakelijk leed doen, hij zal er een oprecht leedwezen des harten over gevoelen, dat hij die begaan heeft, en zich tevens ernstig voornemen, het vaste plan maken om ze niet weder te bedrijven. Daarom noemt de Kerkvergadering van Trente (Zitt. 14; hoofdst. 4) het berouw „eene droefheid der ziel „en een afschuw van de bedreven zonden, vereenigd met „het voornemen om niet weder te zondigen.quot; Ofschoon nu overeenkomstig het gezegde het voornemen met het waar berouw steeds gepaard en daarin vervat moet wezen, zal evenwel duidelijkheidshalve eerst in het volgende gedeelte over het voornemen worden gehandeld. Wat de noodzakelijkheid van het berouw tot verkrijging van de vergeving der zonden betreft, kunnen wij hier volstaan met de opmerking, dat zelfs het gezond verstand den zondaar den onvoorwaardelijken eisch stelt, berouw over zijne zouden te gevoelen, bijaldien hij daarvan vergiffenis wenscht te bekomen. Zelfs wanneer wij ons met een mensch, dien wij beleedigd hebben, willen verzoenen, geven wij hem te kennen, dat het ons leed doet, hem.beleedigd te hebben. En deden wij dit niet, toonden wij veeleer, dat wij er nog immer genoegen in vinden, hem, met wien wij ons willen verzoenen, gekrenkt te hebben, en dat wij volstrekt het besluit niet gemaakt hebben, hem in de\'toekomst beter te behandelen, zouden wij dan van den kant der beleedigde partij vergeving mogen hopen ? Zouden wij door een zoodanig gedrag hem niet opnieuw tegen ons innemen en zijn toorn ten toppunt voeren? \') Als wij nu, om van een
\') De overgroote goedheid en de vergevensgezindheid van onzen H. Vader Pius IX z. g. zijn wereldberoemd. Toen hij bij gelegenheid zijner rondreize door de verschillende provinciën van den Kerkelijken Staat te Rimini aankwam, gebeurde het volgende, waaruit wij schoone lessen kunnen trekken. Zijne Heiligheid wandelde op zekeren dag in genoemde stad door de dringende volksmenigte, toen eene vrouw
426
nietig sterveling vergiffenis te verwerven, noodzakelijk berouw moeten gevoelen over de beleedigingen hem aangedaan, hoeveel noodzakelijker is het dan niet, dat dit geschiede tegenover de beleedigde majesteit van den aller-hoogsten en eeuwigen God?
Hoedanig moet het berouw wezen, teneinde vergiffenis van de zonden te verkrijgen?
Het moet zijn: 1) innerlijk, 2) boven alles groot, 3) algemeen, 4) bovennatuurlijk.
1) Opdat het berouw innerliik zij , moet men zijne zonden niet slechts met den mond verfoeien, maar ook in het hart als het grootste kwaad betreuren, en oprecht wecschen, ze niet bedreven te hebben. — De Christen betreurt zijne zonden van harte, inwendig, innerlgk, wanneer hij ze inderdaad als een waarachtig kwaad verfoeit, en wenscht, dat hij ze niet bedreven had. Dit innerlijk berouw is onderscheiden van het uiterlijke, van mondelinge boetge-
met kracht uitriep: ^heilige Vader, heilige Vader!quot; terwijl zij trachtte door de garde heen te dringen en een smeekschrift omhoog hield. De garden stieten haar terug; maar zij riep met nog klagender stem. Onder het gelui der klokken en het gejubel van het volk hoorde Pi us IX den noodkreet en zich omkeerende gaf hij goedig een wenk om de arme vrouw toe te laten. Deie wierp zich voor de voeten van den H. Vader neder en overhandigde hem een smeekschrift. Zijne Heiligheid verzekerde de vrouw, dat hij het verzoekschrift spoedig lezen en zoo mogelijk het inwilligen zou, en onder deze gunstige woorden reikte de Paus het papier aan een zijner kamerheeren over. De vrouw weerhield nu met hare hand den arm des H. Vaders en verzocht dringend, dat zijne Heiligheid het smeekschrift toch terstond zou lezen; het verzoek kon geene vertraging lijden. De edele Pius las nu het geschrift en wel zoo luide, dat de vrouw woord voor woord hoorde en gerust kon wezen, dat er geen regel was overgeslagen. In dit geschrift verzocht haar echtgenoot om gratie en terugkeer uit zijne verbanning. „Waarom is uw echtgenoot verbannen?quot; vraagde de Paus. De vrouw antwoordde verlegen; //Hij heeft het //ongeluk gehad zich in de laatste staatkundige onlusten te wik-//kelen.quot; Nu sloeg Pius IX een vorschenden blik op de vrouw en sprak met nadruk; //Heeft uw gemaal dit smeekschrift zelf geschreven?quot; De vrouw verschrikte en stamelde: //Neen, wij hebben het geschreven.quot; Daarop hernam de Paus op ernstigen en goedigen toon: „Als uw ,echtgenoot genade wenscht, dan moet hij tenminste zijn verzoek zelf //indienen en bewijzen geven van ongeveinsd berouw en verbeteringquot; (Het blad / Deutschlandquot; 1857 n. 171;. — Kon de H. Vader, ongeacht zijne goedigheid en zachtmoedigheid, wel anders handelen? Zou hij door dezen oproerling terstond gratie te schenken zich zeiven niet in gevaar hebben gesteld, den niet verbeterde opnieuw de wapenen des opstands in de hand te geven?
*) Het was de opstand van 1848 waardoor de H. Vader genoodzaakt werd Rome te verlaten en naar Gaëta te vluchten.
427
beden, zuchten, tranen , enz., zooals de ziel onderscheiden is van het lichaam. Gelijk namelijk het lichaam zonder de ziel dood en tot niets in staat is, zoo is ook het uiterlijke berouw zonder het inwendige nutteloos en zonder eenige heilzame werking. Het verdient niet eens den naam van berouw, omdat het berouw wezenlijk bestaat in eene smart der ziel, in een oprechten afkeer van de zonde, in eene uit den wil ontspruitende verfoeiing van het bedreven kwaad. TJiterliike teekenen van boetvaardigheid kunnen der goddelijke Majesteit slechts in zooverre hehagelijk wezen, als zij , met het inwendige verbonden, de ware, levendige uitdrukking van het innerlijk berouw zijn. Wanneer God ons vergiffenis der zonden wil schenken, dan eischt Hij van ons in de eerste plaats, dat onze wil, die door de zonde van Hem afkeerig is geworden, zich door verfoeiing van het kwaad weder tot Hem keere; met het lezen of bidden van eene akte van berouw , waaraan bet hart geen deel neemt, is Hij evenmin tevreden als een vader met zijn kind, dat, zooals hij bespeurt, slechts met den mond, maar niet met het hart zegt, dat het hem leed doet dezen of genen misslag begaan te hebben. Om die reden beveelt God de Heer door den mond zijner Profeten zoo dikwerf en zoo nadrukkelijk het inwendige berouw des harten aan: „Bekeert u tot Mij,quot; zegt Hij (Joël II, 12, 13), „met „geheel uw hart... Scheurt uwe harten en niet uwe „kleederen.quot; En bij Ezechiël (XV11I, 31): „Maakt in „u een nieuw hart en een nieuwen geest.quot; Eveneens (Ps. L, 19): „Een bedroefde geest is een offer voor God, „een rouwmoedig en vernederd hart zult Gij, o God, niet „versmaden.quot;
2) Het is echter niet genoeg voor den Christen, de zonden als een wezenlijk kwaad te betreuren, hij moet ze ook als het grootste kwaad verfoeien. Want gelijk wij God, als het hoogste goed, boven alles moeten beminnen, zoo ; moeten wij ook de zonde, die ons van God verwijdert, als het grootste kwaad haten en verfoeien; wij moeten ze haten en $ verfoeien meer dan alle ander kwaad, dat ons van wie ook kan worden aangedaan. Op die wijze staat ons berouw in de ware verhouding tot onze zonden, die inderdaad het grootste kwaad zijn. Dan eerst is het een waar, dan eerst een heilzaam berouw. Al zou ook iemand zich door eene zonde een groot tijdelijk voordeel of winst verworven hebben al zou hij daardoor in het bezit van onmetelijken rijkdom, tot groote eer en waardigheid zijn gekomen, dan nog moet hij de gepleegde zonde van harte verfoeien, haar afkeuren en verwerpen, dan nog moet hij oprecht betreuren ze be-
428
dreven te hebben, dan nog moet hij voornemens zijn, ook in het zekere vooruitzicht dat hij eene zelfde winst zal doen, ze in de toekomst niet meer te bedrijven. Slechts hij, die zoo gestemd is, wien de zonde boven alles mishaagt, zoodat hij bereid is, liever alle goederen te ontberen en alle rampen der. wereld te ondergaan , dan ze nog eenmaal te bedrijven, slechts hij heeft het berouw, dat tot een geldig ontvangen van het Sacrament der Biecht wordt vereischt. En in dien zin wordt gezegd, dat het berouw boven alles groot moet wezen.
Dat berouw, hetwelk in het hooger begeervermogen, in den wil, zijn zetel heeft, deelt zich dikwerf ook aan het gevoel mede, en wordt zoo een gevoelig berouw, dat zich somtijds in tranen van boetvaardigheid, in luide zuchten en snikken openbaart. Zoo beweende de H. Petrus de verloochening van zijn goddelijken Meester; -zoo ook betreurde de H. Maria Magdalena aan de voeten van Jesus hare zonden, en de levensgeschiedenissen van vele Heiligen getuigen ons, dat zij, zooals weleer de boetvaardige koning David, niet ophielden te zuchten en eiken nacht hunne legerstede met hunne tranen bevochtigden (Ps. VI, 7). Hoewel het zeer wenschelijk is, dat het berouw, van den wil ook op het gevoel werkend, eene gevoelige droefheid, tranen van boetvaardigheid voortbrenge, is dit echter niet noodzakelijk, om een berouw te bezitten, hetwelk boven alles groot is. Dat gevoelig berouw is meer eene genade van boven dan wel eene vrucht van onze eigen inspanning. — Nog minder noodzakelijk is het, zooals uit het gezegde van zelf blijkt, dat het gevoel van berouw den hoogsten graad van hevigheid bereike. Ja het kan zelfs gebeuren, dat een Christen, die bereid is, met den bijstand der genade liever alles te lijden dan te zondigen, toch van zijn berouw, dat ongetwijfeld een waar berouw is, slechts een zeer geringen graad van gevoel heeft. In het algemeen is het gevoel \'een zeer onvolmaakte maatstaf voor een waar berouw. Want dewijl een verlies, dat onder onze zintuigen valt, het vermogen des gevoels ^er aandoet dan het onzichtbare, dat men slechts met de oogen des verstands of des geloofs waarneemt, zoo maakt het eerste natuurlijkerwijze ook gewoonlijk een veel levendiger indruk op het gevoel, dan het laatste. .Eene moeder bijv. zal vele tranen storten, als zij haar kind door den dood verliest, en zij zal wellicht geen enkelen traan kunnen schreien, als zij door eene doodzonde God heeft verloren; zou men nu gerechtigd zijn, daaruit het besluit te trekken, dat zij
429
het verlies van haar kind meer betreurt dan het verlies van God, dat zij dus geen waar berouw heeft? Voorzeker niet. Zulk eene moeder zou, ondanks hare hevige smart over het verlies van haar kind, zoo gezind kunnen wezen, dat zij liever zelve zou willen sterven, dan door eene doodzonde haar gestorven kind weder in \'t leven te roepen. En zou deze gemoedsstemming, die afschuw van de doodzonde niet een waar, boven alles groot berouw zijn ?
3) Opdat het berouw algemeen zij, moet men al zijne zonden of tenminste alle doodzonden betreuren. — Dewijl God, zooals herhaaldelijk reeds werd aangetoond, in het algemeen de zonde niet vergeeft, indien de mensch daarover geen berouw gevoelt, zoo spreekt het van zelf, dat ook zijn plaatsbekleeder in de recbtbank van boetvaardigheid ze niet kan vergeven, indien de biechteling geen berouw daarover heeft. Dit geldt zoowel van de dagelij ksche zonden als van de doodzonden. Intusschen bestaat er toch een hemelsbreed verschil tusschen hét vergeven der doodzonden en het vergeven der dagelijksche zonden. Terwijl namelijk bij de laatste de eene dagelijksche zonde zonder de andere kan worden vergeven en dikwijls vergeven wordt, zoo kunnen de doodzonden slechts alle gezamenlijk worden vergeven. De reden van dit verschil is eenvoudig daarin gelegen, dat hij, die slechts dagelijksche zonden heeft bedreven, nog altijd een vriend van God is, en er niets in den weg staat om door de verkregen vergiffenis, zij het ook van eenige daarvan, nog inniger vriend van God te worden; terwijl daarentegen degene, die eene doodzonde op zijn geweten heeft, een vijand is van God en onmogelijk tegelijk vriend van God kan wezen. Dit zoude evenwel, zooals blijkt, het geval moeten zijn, wanneer hem de doodzonden gedeeltelijk vergeven en gedeeltelijk niet vergeven werden, omdat van den eenen kant de vergeving der doodzonden, niet anders dan door de instorting der heilig- en vriendmakende genade van God kan geschieden, terwijl van den anderen kant nimmer eene doodzonde in het hart des menschen kan blijven, zonder dat hij voortgaat een vijand van God te wezen. Wie in de Biecht van groote zonden vrijspraak wil verwerven, moet dus over alle zonder eenige uitzondering berouw hebben; want heeft hij geen berouw, zij het ook maar over ééne doodzonde, dan zou deze en gevolgelijk ook de overige doodzonden hem niet vergeven worden. Derhalve, om door het H. Sacrament van Boetvaardigheid gerechtvaardigd te worden, moet de biechteling elke vrijwillige gehechtheid
-Iquot;
i
430
aan elke zware zonde, welke ook, uit zijn hart verbannen, dewiil zoodanige gehechtheid, bijv. aan eene lievelingszonde, met het noodzakelijk berouw daarover onmogelijk kan samengaan. — Tot de geldigheid der biecht is het echter niet noodig, dat men over elke doodzonde in \'t bizonder eene akte van berouw verwekt; het is gewis voldoende, dat men over alle doodzonden gezamenlijk, over de bekende en onbewuste zonden een berouw verwekke; doch de beweegreden van dit berouw moet zoodanig zijn, dat het zich niet slechts tot deze of gene, maar tot alle bedreven doodzonden uitstrekt, zooals bijv. wanneer men zijne zonden betreurt, omdat men daardoor God, het hoogste goed, beleedigd, den hemel verloren heeft, of om andere dergelijke beweegredenen, waarover in\'t vervolg zal worden gesproken.
Indien iemand behalve zware zonden ook dagelijksche zonden heeft gebiecht, dan moet hij, om van deze vergeving te verwerven, ook daarover een waar berouw hebben. Voorzeker heeft de Christen beweegredenen genoeg om ook over de dagelijksche zonden een oprecht berouw te verwekken.
De dagelijksche zonde toch is na de doodzonde het grootste kwaad der wereld, eeue beleediging en ondankbaarheid jegens God, eene verachting van zijn heilig gebod; zij vermindert bij dengene, die ze bedrijft, niet slechts den invloed der hemelsche genade, maar haalt hem ook vele tijdelijke straffen op den hals, die hier op aarde of in het vagevuur moeten worden afgeboet, ja zij brengt hem in gevaar om in groote zonden te vallen, de goddelijke genade en den hemel te verliezen. Overigens zou het minstens onbehoorlijk wezen, in den stoel van boetvaardigheid voor den plaatsbekleeder van God zich van zonden te beschuldigen , waarover men volstrekt geen berouw heeft. Ingeval evenwel dat men over de dagelijksche zonden volstrekt geen berouw zou gevoelen, zou daarom toch de Biecht niet ongeldig of heiligschennend wezen; de biechteling kan dan vergiffenis der doodzonden verkrijgen, doch volstrekt niet van de dagelijksche zonden, die hij wel gebiecht heeft, doch waarover hij geen berouw gevoelt. Iets anders zou het wezen, indien iemand slechts dagelijksche zonden te biechten en over geene van deze berouw had; want in dat geval zou de Biecht ongeldig wezen, omdat er een wezenlijk bestanddeel, namelijk het berouw, aan onbreekt; zij zou zelfs heiligschennend zijn, indien men met volle kennis of uit zeer strafbare nalatigheid en onverschilligheid het H. Sacrament der Biecht op die wijze zou misbruiken.
Daarom is het zeer raadzaam voor dengene, die zich sinds
t f
bhbuhhbhhhbhmbhb
II
431
zijne laatste biecht slechts van dagelijksche zonden bewust is, vooral als het twijfelachtig zou wezen of hij daarover wel een voldoend berouw heeft, over eene zware zonde, die men vroeger bedreven en reeds gebiecht heeft, opnieuw een berouw te verwekken en deze bij die biecht in te sluiten. Dit kan geschieden als men aan het einde der belijdenis zegt: deze en al mijne zonden, bizonderlijk... \') uit mijn vorig leven, waarvan ik mij opnieuw beschuldig, zijn mij van harte leed, enz. — Dat die handelwijze raadzaam is, wordt ons duidelijk, als wij bedenken, dat het, wat betreft de beweegredenen, die ons van de zonden moeten afschrikken, gemakkelijker is eene groote zonde te betreuren en niet meer te willen bedrijven, dan eene dagelijksche zonde, vooral eene zoodanige, welke hem, die ze heeft bedreven, slechts als zeer onbeduidend toeschijnt. Dusdanige herhaling eener vroeger bedreven en reeds beleden zonde moet ook geschieden , als men de absolutie wil ontvangen en men zich sedert de laatste biecht van geene zonde met zekerheid bewust is, omdat de absolutie des Priesters niet voor onvolmaaktheden , die geene absolutie noodig hebben, maar alleen voor eigenlijke zonden gegeven mag worden.
Die herhaling en insluiting van de reeds vroeger beleden zonden is eene loffelijke, door de Kerk veroorloofde gewoonte van vrome zielen, die dikwijls het H. Sacrament der Biecht ontvangen; en wie zal niet gaarne gelooven, dat zoo vele Heiligen, die gewoon waren dagelijks hunne biecht te spreken, dikwerf geene andere dan vroeger gepleegde zonden hadden te belijden ? Overigens is eene zoodanige herhaling op zich zelve beschouwd volstrekt niet nutteloos. Gelijk men namelijk over eene zonde, waarvan men reeds de ontbinding heeft ontvangen, wederom een berouw verwekken en haar opnieuw in ootmoed en smart belijden kan, zoo kan men ook herhaaldelijk daarvan ontbonden worden, gelijk de Godgeleerden leeren, en dit te meer omdat wij nimmer de volle zekerheid hebben, dat zij ons reeds den eersten ; keer is vergeven. De zuivering van de zonden is overigens, - zooals wij reeds hebben gezien, niet de eenige uitwerking, die aan het Sacrament van Boetvaardigheid eigen is; ook J, de uitdelging der tijdelijke straffen, de vermeerdering der heiligmakende genade en het verleeneu van bizondere genaden tot een godvruchtig leven zijn er de vruchten van. En alzoo kan het H. Sacrament immer zijne werking hebben.
\') Hier noemt men die zonde, welke men herhaalt; eene aanklacht met getal en omstandigheden is niet noodzakelijk; voldoende is het de soort slechts op te noemen.
432
zelfs indien de absolutie over reeds vergeven zonden wordt uitgesproken ; want de absolveerende Priester beeft de meening den biechteling al die geestelijke voordeelen en genaden mede te deelen, welke met het ontvangen van het H. Sacrament der Biecht zijn verbonden, en de boeteling noodig heeft en waardig is.
4) Opdat bet berouw hovennatuurlijlc zij, moeten wij onze zonden betreuren, niet (of tenminste niet alleen) om hare natuurlijke nadeelige gevolgen, maar om bovennatuurlijke beweegredenen: omdat wij God beleedigd, zijne genaden verloren, de hel verdiend hebben, enz. — Voorzeker moeten wij als eene onbetwijfelbare waarheid, als de leer der H. Kerk, aannemen, dat het berouw, hetwelk tot een waardig ontvangen van het H Sacrament der Biecht vereischt wordt, noodzakelijk bovennatuurlijk moet wezen; dat dus een zedelijk goed berouw, hetwelk slechts uit natuurlijke, zij het dan ook aan het gezond verstand ontleende, beweegredenen voortspruit, niet voldoende is. \') Het berouw is wanneer het verwekt wordt uit natuurlijke, slechts door het licht des verstands gekende beweegredenen. Dusdanig berouw komt natuurlijker wijze, zonder behulp der genade, alleen uit den menschelijken wil voort. De mensch namelijk bemint uit een aangeboren zucht naar geluk de tijdelijke goederen, bemint gezondheid, vermogen, eer en aanzien van zijne medemenschen; hij vreest daarentegen en ontvlucht ziekte, ontbering, beschaming, straffen, enz. Ziet hij nu dat de zonde het verlies na zich sleept van een of van alle der genoemde goederen, of dat hij daardoor beschimping, schanden en kastijding heeft te verwachten, dan ontstaat er in zijn hart natuurlijker wijze een afkeer van die zonde en de wensch ze niet bedreven te hebben. Dat natuurlijk berouw, waarmede men zijne zonden slechts betreurt, omdat zij ons tijdelijke schade of schande, enz. hebben berokkend, is ter verkrijging der vergeving van de zonden onvoldoende; het is een afschuw niet van de zonde zelve, maar veel meer van hare kwade natuurlijke gevolgen en kan dus dan zondaar niet krachtig genoeg aansporen, om de zonde geheel en voor immer, maar slechts in die mate en voor zoo lang vaarwel te zeggen, als hij van haar tijdelijk nadeel beeft te duchten. De H. Schriftuur levert ons vele voorbeelden van zulk een zuiver natuurlijk en
\') Eene stelling (57), door Innocentlus XI den 2 Maart 1679 veroordeeld luidt: //Probabile est sufficere attritionem naturalem, mode „honestara,quot;
433
juist daarom vruchteloos berouw. Saul betreurde ziine ongehoorzaamheid jegens God, toen Samuel hem aankondigde, dat de Allerhoogste hem verworpen en hij zijn koningschap verloren had. „Ik heb gezondigd,quot; zoo sprak hij, „omdat ik „het gebod des Heeren heb overtredenquot; (1 Kon. XV, 23—34). Maar noch zijn berouw, noch de belijdenis van zijne misdaad konden hem baten, dewijl hij niet over de beleediging Gode aangedaan smart gevoelde, maar slechts bedroefd was, omdat hij geen koning meer kon wezen. Zoo ook had de goddelooze koning Antiochus, toen Gods wrekende hand hem met ziekte sloeg, berouw over de schennis en de berooving van Jerusalems tempel. „Nu,quot; zoo zeide hij, „nu herdenk ik het kwaad, dat ik te Jeruzalem heb bedreven ... Ik erken het wel, dat mji daarom „deze ramp overkomtquot; (1 Macchab. VI, 12, 13). De booswicht bad tot den Heer, van wien hij geene barmhartigheid kon verwerven (2 Macchab. IX, 13), dewijl hij zijne misdaad alleen betreurde om de afschuwelijke ziekte, die hem had getroffen, en niet om de beleediging, welke hij God daardoor had aangedaan. — Bovennatuurlijk daarentegen is het berouw, dat voortkomt uit de goddelijke genade en uit beweegredenen aan het geloof ontleend, dat namelijk door de genade opgewekt, onder haren blijven-den invloed tot stand komt, en tot welks opwekking beweegredenen aansporen, welke het geloof ons voor oogen stelt. \') Dergelijke beweegredenen zijn, dat wij God, het hoogste goed, beleedigd, zijne genade en vriendschap verloren, den hemel verspild, de straffen der hel of des vagevuurs verdiend hebben, en meer andere, waarover bij eene volgende vraag zal worden gesproken. — Dat slechts een dusdanig berouw kan strekken tot verkrijging der zondenvergeving, is reeds duidelijk uit hetgeen wij vroeger
\') Zoo wordt de eigenschap van de bovennatuurlijkheid des be-rouws door de Godgeleerden in \'t algemeen verklaard. De uitdrukking dus, waarvan men zich bedient om de genoemde eigenschap nader te bepalen, dat namelijk het berouw bovennatuurlijk is, als het om God ontstaat, is minder gelukkig gekozen en kan soms tot gevaarlijk misverstand aanleiding geven. Ook een deïst, die het geloof aan de goddelijke Openbaring geheel verwerpt, kan uit de zichtbare schepping door het licht der rede alleen God erkennen als een hoog verheven en volmaakt wezen, dat de zonde haat en bestraft, en daarom de zonde betreuren en verfoeien. En toch zou dat berouw om God onbetwistbaar slechts een natuurlijk berouw wezen. Van den anderen kant wordt door deze wijze van spreken aan het berouw, dat slechts uit vrees voor de helsche straffen ontstaat, de eigenschap van bovennatuurlijk te zijn ontkend, iets wat niet overeenkomt met de leer van het Concilie van Irente, volgens welke het berouw des Christens, dat uit vrees voor de hel voortkomt, ter rechtvaardiging voorbereidt en dus bovennatuurlijk is.
DEIIARBE, GELOOi\'SLEER. IV. DRUK. 28
434
over de noodzakelijkheid des geloofs en der genade ter zaligheid hebben gezegd. - Daar het ontegensprekelijk bewezen is, dat de mensch in het algemeen niets vermag zonder de genade, zelfs niet het geringste kan denken, willen of doen, hetgeen ter zaligheid verdienstelijk is, zoo volgt daaruit even onbetwistbaar, dat eene akte van berouw, waarop de goddelijke genade geen invloed uitoefent, ook op geene wijze tot vergeving der zonden kan brengen, of, wat hetzelfde is, heilzaam kan wezen. Daarom noemt de Kerkvergadering van Trente elk berouw, dat ons in die gesteltenis brengt, welke tot het ontvangen van het H. Sacrament der Biecht vereischt wordt, „eene gave Gods „en eene aansporing des H. Geestesquot; (Zitt. 14, hoofdst. 4). Zulk een berouw is, volgens het gezegde, op zich zelve beschouwd weder eene genade, om welke men God vurig moet smeeken en welke God niemand onthoudt, die daarom vraagt. — Tot een bovennatuurlijk berouw wordt echter niet slechts de genade, maar ook het geloof vereischt. Want dewijl, volgens de uitdrukking van het Concilie van Trente, het geloof in het algemeen de grondslag en de wortel aller rechtvaardigheid is, zoo is ook het geloof de grondslag en de wortel bizonder van die rechtvaardiging, welke door het H. Sacrament der Biecht wordt verkregen. Zonder het geloof namelijk aan de waarheden door God geopenbaard, zou eene akte van bovennatuurlijk berouw ten eenenmale onmogelijk zijn. Teneinde dan op eene heilzame wijze een berouw te verwekken , moeten wij ernstig overwegen, wat de goddelijke Openbarintj ons van de boosheid der zonde en van hare schrikkelijke gevolgen, van Gods goedheid, rechtvaardigheid, enz, leert (Hierover is breedvoerig genoeg gehandeld in het derde deel).
Hoe velerlei is het lovennaluurlijk ieronw ?
Tweederlei; volmaakt en onvolmaakt.
Evenals de liefde tot God volmaakt of onvolmaakt kan zijn, zoo ook het berouw, dat uit die liefde voortkomt. Beminnen wij God zoozeer, dat wij uit hartelijke genegenheid Hem alle goed wenschen, omdat Hij in zich. zeiven het hoogste, beminnenswaardigste goed is, dan is, zooals vroeger in het derde deel werd verklaard, onze liefde volmaakt; beminnen wij Hem echter slechts omdat Hij voor ons het hoogste goed en de bron is der zaligheid, die wij verlangen en waarop wij hopen, dan is onze\'liefde onvolmaakt, dewijl in dit geval onze welwillendheid als laatste doel niet God, maar ons zeiven zoekt. Hetzelfde geldt van
het berouw over de zonde. Doet ons namelijk de zonde leed, omdat zi] God beleedigt, omdat zLj het grootste, ja het eenigste kwaad is jegens God, onzen beminden Vader, eene onteering of beleediging van zijne oneindige, aanbiddens-waardige Majesteit, dan is ons berouw volmaakt, omdat het uit eene welwillende liefde tot God voortkomt; doet ons de zonde daarentegen leed alleen daarom, dat zij ons de grootste bovennatuurlijke nadeelen, het verlies des hemels, eeuwige straffen berokkent, dus het grootste kwaad voor ons zeiven is, dan ontspruit voorzeker ons berouw uit de welwillende liefde jegens ons zeiven en is dus onvolmaakt. Eene vergelijking uit het dagelijksch leven genomen zal het gezegde nog duidelijker maken. Twee kindereu hebben door ongehoorzaamheid hunnen vader grootelijks beleedigd en daarom eene gevoelige tuchtiging verdiend; beide betreuren nu het gepleegde misdrijf doch om zeer verschillende beweegredenen. De een verfoeit het vergrijp vooral omdat hij zijn besten vader zoo diep heeft gekrenkt; de kastijding, aldus denkt hij, heb ik te recht verdiend; doch mijn vader is zoo goed, hij heeft mij altijd zoo innig lief gehad, en nu heb ik mij jegens hem zoo onbehoorlijk en wederspannig gedragen, als had hij over mij niets te gebieden, of als had hij mij nooit eenig goed bewezen, dat smart mij. Kooit wil ik dien misslag weder begaan, al zoude ik het ook ongestraft kunnen doen. Het andere kind betreurt wel zijne fout van harte en wil die niet meer begaan, doch het is niet de goedheid des beleedigden vaders, die hem daartoe aanspoort, maar diens rechtvaardige gestrengheid en do verdiende straf. Wie ziet nu niet in , dat het eerste kind den beganen misslag als een kwaad zijnen vader aangedaan, het laatste daarentegen dien als een kwaad voor zich zeiven haat en verfoeit? Wie ziet niet in, dat het eerste zijne fout betreurt uit welwillende liefde jegens zijn vader, het laatste uit welwillende liefde voor zich zei ven, dat dus ook het berouw van het eerste veel edeler en volmaakter en den vader welgevalliger moet wezen dan dat van het laatste ? Ja, indien het laatste kind slechts de verdiende straf verfoeide zonder de misdaad ook op zich zelve van harte te betreuren ; was het zoo gestemd, dat het, bijaldien het de oogen des vaders kon ontvluchten en ongestraft blijven, het kwaad opnieuw zou willen plegen, dan zou dat kind volstrekt geen berouw , maar enkel eene slaafsche vreeze voor de straf hebben, en volstrekt geene vergeving verdienen. — Na deze voorafgaande algemeene verklaring van het onderscheid tusschen een volmaakt en een onvolmaakt berouw, zal het geruakkelijk zijn de volgende vragen te begrijpen.
J
28*
4:36
ft
Wanneer is het heronw volmankt?
Als het voortkomt uit eerie volmaakte liefde tot God, dat is, als wi] een oprecht leedwezen hebben over de zonde, alleen daarom, dat zij God, het hoogste goed, beleedigt.
Wanneer wii iemand oprecht lief hebben, dan wenschen wij hem ook alle goed en verlangen van harte, dat hem niets kwaads overkome ; en mocht evenwel dit laatste gebeuren, dan worden wi] daarover bedroefd; en hebben wij zelve dengene, dien wii lief hebben, leed berokkend, dan verfoeien wi] onze daad en wenschen uit den grond des harten die niet gedaan te hebben, dat is, wii hebben er berouw over, en ■wel te meer, naarmate onze liefde jegens den beleedigde grooter, en de beleediging hem aangedaan erger is. Juist hetzelfde geldt ook met betrekking tot God en de zonde. Eeminnen wii God op volmaakte wiize, omdat Hii namelijk het hoogste, allerberainnenswaardigste goed is, dan willen wii aan God ook het goede, dan wenschen en verlangen wij, dat Hii door ons en door alle menschen gekend, be-mind en verheerlijkt worde, en het smart ons, wanneer wii daarentegen zien, dat Hii miskend, veracht en beleedigd wordt. Hebben wii aan ons zelve zulke misdaden te ver-wiiten, dan betreuren en verfoeien wij die uit geheel ons hart. Ja, dewijl wii van den eenen kant God boven alles, meer dan ons zelve beminnen en van den anderen kant elke door ons begane zonde ten aanzien der beleedigde god-deliike Majesteit eene oneindige misdaad is, betreuren en verfoeien wii zonde meer dan eenig ander kwaad,
meer dan alle tegenspoed, die ons zou kunnen treffen. Voor eiken priis zouden wii wenschen ze niet begaan te hebben, en voor niets ter wereld zouden wij ze in de toekomst nog willen bedrijven, en dit enkel en alleen daarom, wiil zii eene beleediging is jegens God, dien wij om zijne einde-looze goedheid boven alles beminnen.
quot;De uitdrukking „alleen daaromquot; wil echter niet zegden, dat het volmaakte berouw noodzakeliik andere, minder volmaakte beweegredenen uitsluit, maar duidt slechts aan, dat het berouw, ons hoogste goed, God , beleedigd te hebben, op zich zelve beschouwd, krachtig genoeg moet wezen om de zonde meer dan alle andere kwaad te haten en te verfoeien. Want indien tot het maken van dat vast besluit, om voor geen priis de zonde meer te plegen, de vrees voor de straffen nog noodig ware, dan zou in dat geval ons berouw niet volmaakt wezen, omdat het uit enkel onvolmaakte liefde zou voortkomen. — Een volmaakt berouw
437
had Maria Magdalena; het was blijkbaar niet de vrees, maar de liefde, welke haar aanspoorde zich aan de voeten van Jesus te werpen, die te omhelzen, met tranen van berouw te bevochtigen en met de haren van haar hoofd af te drogen. Daarom had zij ook het geluk, de woorden van Jesus te hooren: „Vele zonden worden haar vergeven, „omdat zij veel heeft bemindquot; (Luc. VII, 47). Ook de H. Petrus had een volmaakt berouw. Geene bedreiging, geene straf was er noodig om hem tot droefheid over de lafhartige verloochening van zijn goddelijken Meester op te wekken. Een enkele oogslag van Christus was voldoende om in het hart van den verteederden leerling de levendigste gevoelens van het diepst berouw te doen ontwaken. „De Heer keerde
„zich om en zag Petrus aan.....en Petrus ging naar buiten
„en stortte bittere tranenquot; (Luc. XXII, 61 , 62). De herinnering aan de liefde van Jesus en aan ziine eigen ondankbaarheid waren zonder twijfel de beweegredenen van zijn berouw, een boetvaardigen Apostel waardig.
Om een volmaakt berouw te verwekken is het dienstig, volgens de verklaring in. het derde deel, de boosheid der zonde na te gaan, wel te overwegen, hoe zij een opstand is van een nietigen aardworm tegen den hoogsten Heer, eene schandelijke ondankbaarheid jegens den besten Vader, eene vloekwaardige trouweloosheid jegens Jesus, onzen liefdevollen Verlosser; dat de zonde het is, die den God-mensch aan het kruis genageld en aan den dood overgeleverd heeft. Doch indien bij zoodanige overweging slechts de loosheid en hatelijkheid van dien opstand, van die ondankbaarheid en trouweloosheid ons tot een afschuw van onze zonden zouden aansporen, dan zou het berouw nog niet volmaakt wezen. Opdat het berouw volmaakt zij, moet de aansporing daartoe van de welwillende liefde tot God uitgaan; God zelf moet de beweegreden zijn, en wel in die mate, als wij Hem om zijne oneindige goedheid, of, wat hetzelfde is, om Hem zeiven boven alles beminnen. Daarom is tot het opwekken van een volmaakt berouw vóór alles aan te raden, dat men de beweegredenen van volmaakte liefde jegens God wel beschouwe, en behartige; hoezeer God wegens zijne oneindige volmaaktheid verdient door ons bemind te worden, hoe Hij de beste en liefdevolste Vader is, die ons met ontelbare weldaden heeft overladen en nog dagelijks overlaadt, die ons tot dusverre zoo over-groote barmhartigheid heeft bewezen en zelfs zijn eenigge-boren Zoon voor ons aan onbeschrijfelijke smarten, aan den bittersten en smartvolsten dood heeft overgeleverd;
438
hoe billiik en plichtmatig het dus is, liefde met wederliefde te vergelden en door die wederliefde gedreven, elke be-leediging zijner goddelijke Majesteit aangedaan boven alles te haten en te verfoeien. Uit het gezegde bliikt eveneens, dat het bij de opwekking van een volmaakt berouw, zoo al niet noodzakelijk, toch zeer goed en raadzaam is, eerst eene akte van volmaakte liefde te verwekken; want een hart, dat God volmaakt bemint, wordt dan bij de overweging van de boosheid der zonde gemakkelijk tot berouw daarover opgewekt. En zulk een uit welwillende liefde voortkomend berouw zal, wanneer daarenboven de zonde bovenal verfoeid wordt, volmaakt wezen.
Wanneer is het lerouto onvolmaalcl?
Als onze liefde niet volmaakt is, en daarom de vrees voor de hel en voor het verlies van den hemel of wel de afschuwelijkheid der zonde ons moet bewegen om haar boven alles te verfoeien en God niet meer te beleedigen.
Zooals blijkt uit de vergelijking, waarvan wij boven spraken, kan een kind zijn misslag niet alleen uit liefde voor zijn vader, -maar ook uit andere minder goede beweegredenen betreuren; het kan hem leed doen b;jv. omdat hij daardoor eene kastijding verdiend, eene beloofde belooning verbeurd heeft, of ook omdat hij zich voor zijn vader over den beganen misslag als over eene hatelijke onwelvoegelijkheid moet schamen. Op gelijke wijze kan bij den Christen, die gezondigd heeft, de bovennatuurlijke droefheid ook uit andere bovennatuurlijke beweegredenen en niet uit de volmaakte liefde tot God voortkomen. Zulke beweegredenen zijn, volgens de leer van het Concilie van Trente (Zitt. 14, hoofdst. 4), gewoonlijk de hatelijkheid der zonde, de vrees voor de hel en voor straffen. Het spreekt van zelf, dat onder de hatelijkheid der zonde niet de natuurlijke, de slechts door het verstand gekende, maar de bovennatuurlijke, door het geloof gekende hatelijkheid der zonde verstaan wordt, die onze ziel tot een voorwerp van afschuw maakt voor God. Onder de straiïen, wier vreeze tot berouw over de zonde aanzet, kunnen wij al de (in het derde deel beschreven) noodlottige gevolgen der zonde begrijpen, doch bij de doodzonden zijn het meestal de pijnen der hel en het verlies van den hemel, waarop men zijne aandacht vestigt. Zulk een berouw echter, dat niet uit de beweegreden van volmaakte liefde tot God, maar uit andere hoewel ook bovennatuurlijke beweegredenen voortkomt, is, zooals de Godgeleerden algemeen leeren en
439
ook het Concilie van Trente bevestigt, (t. a. p.)een onvolmaakt -berouw, omdat het, gelijk reeds werd aangetoond, zijn grondslag niet heeft in de liefde jegens God, maar in de liefde jegens ons zeiven, dewijl deze laatste ons aanspoort om alles te verfoeien, wat ons nadeel toebrengt of ons hatelijk maakt. Wanneer dus de welwillende liefde tot God ons niet aanspoort om de zonde fowe» te verfoeien, maar de vrees of andere beweegredenen er bij moeten komen om ons de zonde meer dan alle andere kwaad te doen baten, dan hebben wij slechts een onvolmaakt berouw.\') Wij vinden dat berouw afgebeeld in de gelijkenis van den verloren zoon. Niet de liefde tot zijn vader dreef den verloren zoon aan tot droefheid over zijne misstappen en uitspattingen en tot
!) Dikwijls wordt het onderscheid tusschen volmaakt en onvolmaakt berouw daarin gesteld, dat het eerste uit liefde tot God het laatste uit vrees voor üod ontstaat. Dit moet men echter in dien zin verstaan, dat het eerste altijd uit liefde en wel uit volmaakte liefde, het laatste echter gewoonlijk uit vrees voor God, den straffer der zonde, voorkomt, hoewel het ook uit onvolmaakte liefde tot God kan voortspruiten. Onder onvolmaakte liefde moet men echter, zooals in het derde deel is verklaard, niet de dankbare, maar de hegeerende liefde verstaan. De dankbare liefde is veel volmaakter; want zij is de welwillende wederliefde, die liefde, welke ons de Apostel der liefde vooral aanbeveelt, als hij zegt: //Laat ons God //beminnen, dewijl Hij ons het eerst heeft liefgehadquot; (1. Joan IV, 19). De overweging dezer overgroote Jiefde, waarmede God ons het eerst bemind heeft, zal meer dan elke anrlere overweging geschikt zijn, om iri het hart van den zondaar die welwillende wederliefde op te wekken en hem zoo een volmaakt berouw over zijne zonden te doen gevoelen. Is deze overdenking niet in staat, in het zondig hart een vonk van volmaakte liefde te ontsteken, dan zal de overweging der overige goddelijke volmaaktheden, wier beminnenswaardigheid voor het menschelijk hart nog minder bereikbaar is, het evenmin vermogen. De zondaar zal de oneindige macht, heiligheid en rechtvaardigheid van God vreezen; hij zal de eindelooze wijsheid van den Allerhoogste bewonderen, verbaasd staan over zijne eeuwighei\'i; maar dat alles zal hem niet of slechts in geringe mate tot liefde bewegen. God, als de beste, goedgunstigste en liefderijkste Vader; Jesus Christus, de Zoon van God, voor ons bloedend en stervend aan liet kruis, ziedaar ongetwijfeld de machtigste drijfveeren tot volmaakte liefde en berouw, omüat zij ons op de meest vermogende wijze tot dankbare wederliefde aansporen. — Van geheel anderen aard is de heg-erende liefde: deze is uit haren aard onvolmaakt, wijl zij niet wederliefde, niet een vergelden van Heide met liefde, niet wel willende liefdejegens God is. maar veel meer een, hoewel uit eene goed geregelde genegenheid jegens ons zelve voortkomend, verlangen naar God als ons hoogste {ioed, als de eenige bron van onze wezenlijke zaligheid. Uit zulke onvolmaakte liefde komt liet onvolmaakt berouw voort, zoo dikwerf de zonde ons bedroeft, omdat wij daardoor den hemel, dus het bezit van God, de bron onzer zaligheid hebben verloren. Zou echter het verlies van den hemel ons voornamelijk leed doen, omdat wij, door dat verlies van God gescheiden, niet meer in staat zijn. Hem, het hoogste, beminnenswaardigste goed, te beminnen, dan zou zulk een berouw, zooals van zelf blijkt, volmaakt wezen.
440
het besluit om naar het huis zijns vaders weder te keeren, maar de gedachte aan de zware, drukkende gevolgen van de zonde. Hij roept niet rouwmoedig uit: „Ach, hoe heb „ik het goede, mij zoo innig beminnende hart mijns vaders „bedroefd!quot; maar: „hoevele daglooners hebben in mijns „vaders huis brood in overvloed, terwijl ik hier van honger „sterf.quot; Nu eerst maakt hij het plan om op te staan, tot zi]n vader terug te keeren en hem over vergeving te bidden (Luc. XV).
Qm een onvolmaakt berouw in zich op te wekken , over-wege men vooral de strafwaardigheid der zonde. Men dale met zijne gedachte en verbeelding af in den kerker van Gods rechtvaardigheid, in de sidderingwekkende woonplaaU der verdoemden; men wijle daar bij het gezicht hunner smarten, hunner ellende en vertwijfeling en zegge dan tot zich zeiven: „ziedaar, dit verschrikkelijk lot hebt ook gij „voor uwe zonden verdiend; ook gij hebt verdiend hier, „te midden dier verdoemden en eeuwig van God verworpenen, „te huilen en te klagen!quot;.,. Na zulk eene overweging zal het ons gemakkelijk vallen over te gaan tot de volmaakte liefde Gods. Want wij moeten, zooals in de volgende vragen zal worden aangetoond, ons niet met een onvolmaakt berouw tevreden stellen, maar beproeven, met de hulp der goddelijke genade ook een volmaakt berouw te verwekken. En wat kan er geschikter zijn om liefde, genegenheid en dankbaarheid in ons op te wekken dan de gedachte: ik heb de hel verdiend, misschien tien-, twintig-, honderdmalen, en toch was God zoo goed, zoo vol barmhartigheid jegens mij, dat Hij mij niet als de gevallen engelen terstond verdoemde, maar mij nog tijd tot boetvaardigheid wilde schenken. — Bij het berouw, dat uit vrees voor de straffen voortkomt, heeft de zondaar vooral te letten, dat het niet slechts om de pijnen der hel alleen, maar ook om de zonde zelve wordt verwekt. Want indien wij slechts de helsche pijnen haten zonder de oorzaak daarvan, de zonde, te verfoeien, dan gelijken wij, volgens de opmerking van den H. Augustinus (Sermo 178), op een roover, die, hoewel hij, uit vrees voor het gerecht, niet rooft, evenwel een roover blijft, wijl hij steeds den wil heeft om te rooven, steeds den diefstal bemint, of .op een wolf, die uit vrees voor de honden en voor den herder het lam niet verscheurt, ofschoon hij er toch op belust is. „Tandenknarsend komt de wolf aangevlogen, sidderend „neemt hij de vlucht, maar blijft, schoon ook sidderend, „al tandenknarsende een wolf,quot; Intusschen zal het den
441
Christen niet moeielijk vallen, een oprechten haat tegen de zonde te verwekken, als hij door de overweging der helsche straffen erkent, welk groot kwaad de zonde is, die de rechtvaardige God gedurende geheel eene eeuwigheid zoo streng straft, en wanneer hij van den anderen kant overweegt, dat hij die eeuwige ellenden niet kan ontvluchten dan door eene oprechte verfoeiing der zonden en door den ernstigen wil om ze niet weder te bedrijven. — Uit de pijnen der hel, die hij heeft verdiend, moet dan de zondige Christen zich met den geest verplaatsen in den hemel, dien hij verbeurd heeft. De ontelbare, alles overtreffende vreugde van den hemel overwegend, zal hij tot zich zeiven zeggen: „Ach, voor de zondige voldoening van één oogen-„blik, heb ik al die vreugde verloren, welke in hare „zoetheid onuitsprekelijk, in hare duurzaamheid eeuwig is. „O het smart mij van harte, dien heilloozen ruil gedaan „te hebben; nimmer, nimmer zal het meer gebeuren!quot; En tot akten van liefde overgaande, zal hij tot God zeggen; „het smart mij diep, ü, mijn God, de bron aller zaligheid, U, die de eeuwige schoonheid en eindelooze liefde „waardig zijt, U mijn oneindig goeden Schepper en besten „Vader, U mijn Verlosser en Zaligmaker, die alleen al „mijne liefde op oneindige wijze verdient, door mijne zonden „beleedigd te hebben; o kon ik het ongedaan maken, hoe „gaarne zou ik daarvoor alles, zelfs den dood, willen „ondergaan! Doch het zal niet meer gebeuren: liever „sterven dan U nogmaals te beleedigen.quot; — Wil men door de overweging van de afschuweliikheid der zonde zich tot een volmaakt berouw opwekken, dan overwege mende verwoesting, die zij in de ziel heeft veroorzaakt, hoe zi] haar van alle hoogere schoonheid beroofd, het evenbeeld van God in haar mismaakt, den H. Geest uit haar verjaagd ■ en haar zelve tot eene slavin des duivels gemaakt heeft.
Tot hetzelfde doel dient ook de overweging van de onbe-| schrijflijke boosheid der zonde, zooals boven bij het volmaakt berouw verklaard werd. — Bizonder de overweging, r dat het de zonde is, de zonde, die wij zoo gering achten en zoo lichtvaardig bedrijven, welke Jesus Christus, den menschgeworden Zoon van God , aan het kruis bracht en aan de bitterste smarten van den dood overleverde, is uitstekend geschikt om een onvolmaakt en zelfs een volmaakt berouw in ons op te wekken. Wien zou eene heilzame vrees niet doen sidderen, als hij in gedachten zich naar den berg van Calvarië begeeft, en daar ziet, in welke harde slagen de rechtvaardige toorn van God losbreekt over het hoofd van dien Onschuldige, zijn Zoon, die in
442
onze plaats boete doet? En wie zou niet ontvlammen door dankbaar liefdevuur, als hij bedenkt, dat het onbevlekte Lam Gods het vreeselijkste lijden en den smarte-lijksten dood heeft verduurd uit de zuiverste liefde tot ons, opdat ons de eindelooze pijnen der hel en de eeuwige dood niet zouden treffen. \\Vie zou niet de diepste smart ondervinden, als hij den met bloed besproeiden Heiland aanschouwt en lot zich zeiven zegt: „Ziedaar uw werk! „Ook gij zijt oorzaak van de smarten, die Jesus aan het „kruis heeft geleden; ook uwe zonden hebben Hem deze „wonden toegebracht, Hem aan den smartelijken kruisdood „overgeleverd. O Jesus, hoe konde Ik ü zoo behandelen, „terwijl Gij mij toch op zulk eene alles overtreffende wijze „hebt liefgehad ?quot;
Hoewel het tot hiertoe gezegde in de eerste plaats en eigenlijk van de doodzonde geldt, is het toch in zekere mate ook op de dagelijksche zonde van toepassing. Deze immers is ook eene beleediging, der goddelijke Majesteit aangedaan; zij ook is eene verfoeielijke ondankbaarheid jegens den besten en beminnelijksten Vader; ook zij was mede de schuld van het lijden en sterven van onzen Verlosser ; ook zij haalt ons het mishagen van God voor dit of het andere leven en zijne straffen op den hals. En\' al doet zij de ziel niet sterven, toch brengt zij langzaam den dood aan en berooft de ziel niet slechts van vele genaden en verdiensten, maar bedekt haar, volgens de uitdrukking van den H. Caesarius van Arles (Homilie VIII), als met zweren, met een afschuwelijken uitslag, zoodac zij niet zonder groote beschaming voor God kan verschijnen en, zoo lang zij daarmede bevlekt is, niet tot de omhelzing van haren goddelijken Bruidegom kan worden toegelaten.
Moei hei her oma noodzakelijk volmaakt wezen ?
Tot eene geldige Biecht is het niet noodig, dat het berouw volmaakt zij; maar toch behoort men zijn best te doen om een volmaakt berouw te verwekken, omdat onze boetvaardigheid des te verdienstelijker en Gode welgevallige! is, en wij des te zekerder vergiffenis van onze zonden ontvangen, naarmate ons berouw volmaakter is.
Het is geen noodzakelijk vereischte een volmf.akt berouw te hebben, opdat de zondaar in het Sacrament der Biecht .vergiffenis van zijne zonden verkrijge; een onvolmaakt berouw is daartoe voldoende. Hit is eene door de Godgeleerden algemeen aangenomen, aan het Concilie van Trente (op een and. pl.) ontleende leering, die ook hierdoor be-
443
vestigd wordt, dat de zondaar door middel van een volmaakt berouw reeds vóór de absolutie des Priesters gerechtvaardigd wordt en dus het Sacrament der Biecht nimmer de vergeving der zonde, het allereerste en eigenlijke doel van dit Sacrament, zou uitwerken. Immers in dit geval zou de priesterlijke ontbinding alleen eene eenvoudige verklaring zijn, dat de zonden reeds vergeven zijn. Niettemin is het hoogst raadzaam, zich met een onvolmaakt berouw niet tevreden te stellen, maar, ondersteund door de goddelijke genade, tenminste zich moeite te geven, overeenkomstig onze krachten ook een volmaakt berouw te verwekken. „Hebt gij gezondigd,quot; zegt de H. Chrysostomus (Hom. IV. over 2. Cor.), „treur daarover, omdat gij den „Heer uwen God hebt beleedigd, die zoo goed is, u zoo „lief heeft, die zoo voor uw heil bezorgd is, dat Hij zijn „Zoon om uwentwille ten beste gaf,quot; Twee beweegredenen moeten ons daartoe vooral aansporen: de grootere behagelijkheid aan God met de verdiensteliikheid van het volmaakte berouw, en het grooter vertrouwen van op deze wijze vergiffenis van de zonden te verkriigen. — 1) Dat het volmaakte berouw Gode welbehagelijker is dan het onvolmaakte, ligt in den aard der zaak. Het volmaakte berouw is de droefheid van een kind, dat zijn vader üef heeft en hem oprecht genegen is, het onvolmaakte daarentegen\'is de smart van een dienstknecht, die zijn heer slechts uit vrees voor kastijding of voor loon wil dienen. Evenals een vader veel grooter behagen heeft in de welwillende gezindheid van een kind, dan in de belangzuchtige stemming van een dienstknecht, zoo ook is hel. volmaakte berouw aan God onvergelijkelijk welgevalliger dan het onvolaiaakte. En juist dit grooter welbehagen, dat God in het volmaakte berouw heeft, is de oorzaak, welke het verdienstelijker maakt dan het onvolmaakte; het wordt daardoor geschikt om de genade in hoogere mate te vermeerderen en gemakkelijker kwijtschelding der tijdelijke straffen te verwerven, dan zulks door het onvolmaakte berouw geschiedt. Ja, het kan zelfs gebeuren, dat ter oorzake der volmaaktheid en vurigheid van dat berouw alle, zoowel de tijdelijke als de eeuwige straffen, evenals bij het H. Doopsel, geheel worden vergeven. \')
\') Thomas van Cantimpré (Cantipratanus) verhaalt (Bon. Univers. Lib. II c. 5) het volgende hoogst merkwaardige geval, hetwelk in zijn tijd plaats had. — üp zekeren dag kwam bij den grooten dienaar Gods, Petrus van Corbeü, Aartsbisschop van Bens, een zondaar te biechten, die vele groote en afschuwelijke zonden had begaan, en hij beleed die ouder vele tranen. Toen hij zijne beschuldiging ge-
444
2) Het zeker vertrouwen van op die wijze vergiffenis te verkrijgen is eene reden om ons aan te sporen, tenminste te beproeven, de zonden ook uit volmaakte liefde tot God te betreuren. Wij willen daarmede volstrekt niet zeggen, dat wij reden hebben om te vreezen, dat het onvolmaakte berouw tot de vergiffenis der zonden niet voldoende zou zijn, maar slechts dat wij op die wijze zekerder zijn van onze rechtvaardiging, dan wanneer wij ons met het verwekken van een onvolmaakt berouw tevreden stellen , dewijl het zoo gemakkelijk niet kan bepaald worden, hoedanig het onvolmaakte berouw noodzakelijk moet wezen, opdat het inderdaad tot rechtvaardiging door het H. Sacrament der Biecht voldoende zij. De Godgeleerden namelijk zijn het niet eens of iemand in het Sacrament der Biecht vergiffenis zijner zonden kan verkrijgen, indien hij de zonden verfoeit en niet meer wil bedrijven enkel en alleen uit vrees voor de hel, ofschoon deze meening genoegzaam zeker is.
Dat eene zoodanige vrees op zich zelve beschouwd goed en heilzaam en ook eene goddelijke gave is, mag men niet betwijfelen, omdat de Kerk herhaaldelijk het tegenoverge-
ëindigd had, wendde de boeteling zich tot den Prelaat en vraagde hem sidderend en bevend: yVarter, kan ik wel voor zoo groots «zonden van God vergiffenis verkrijgen?quot; ,/En waarom zoudt gij dat \'/,niet kunnen,quot; antwoordde de Aartsbisschop, //als gij maa,r een //Oprecht en hartelijk berouw daarover gevoelt en de boele volbrengt, »die ik u zal opleggen.quot; «O vader,quot; hernam de zondaar, „leg mij //eene boetpleging op zoo groot als gij wilt. Gaarne wil ik uit liefde „tot mijn zoozeer beleedigden God duizendmaal den dood ondergaan , „wanneer ik daardoor slechts voor mijne zonden kan voldoen.quot; Toen legde de vrome Bisschop hem eene boete van zeven jaren op. „Hoe,quot; zoo sprak nu de rouwmoedige zondaar, „zal ik slechts zeven jaren „voor zoo vele en groote misdaden moeten boeten, terwijl ik ze niet „zou kunnen af boeten, al leefde ik tot het einde dezer wereld en al //zou ik dagelijks alle boetplogingen, die ooit gedaan werden, te „gelijk verrichten.quot; De Bisschop, uit deze woorden de kracht van zijn berouw bespeurend, verminderde nu de boete van zeven jaren tot een vasten van drie dagen op water en brood. Toen begon de boeteling opnieuw bittere tranen te weenen en den biechtvader te bezweren, dat hij toch medelijden zou hebben met zijne ziel en hem eene meer strenge boete opleggen, in evenredigheid met de beleden zonden\'. „Bid dan,quot; zoo ging de Bisschop voort, „hier in mijne tegenwoordig-„heid aandachtig en met een vermorzend hart eenmaal het gebed des „Heeren.quot; Bij deze woorden bleef de boeteling eene wijle 8.1s besluiteloos, verzamelde toen al zijne krachten en begon het boetgebed, doch hij had nog niet geëindigd, toen hij, overstelpt van smart en berouw, levenloos ter aarde viel. De H. Bisschop had daarna eene openbaring van God, welke hij later in zijne predikatie aan het volk verhaalde, waardoor hij te weten kwam, dat deze boeteling, door zijn oprecht en bovennatuurlijk berouw gerechtvaardigd, den kostbaren dood der Heiligen gestorven en dus tot de aanschouwing Gods gekomen was, zonder een oogenblik in het vagevuur verwijld te hebben.
445
stelde gevoelen uitdrukkeliik heeft veroordeeld, t) Moge zoodanige vrees, gelijk zooeven werd aangetoond, ook al voortkomen uit de natuurlijke liefde jegens zich zeiven, krachtens welke de mensch een afschrik heeft van alles wat zijn geluk stoort of verhindert, toch is zij, zoowel als de liefde voor zich zei ven, waaruit zij ontstaat, goed en niet ongeregeld; zij is zelfs bovennatuurlijk, omdat zij het bovennatuurlijk geloof aan de straffen in het andere leven veronderstelt, en de goddelijke genade zich van haar bedient om den zondaar afschuw voor de zonde in te boezemen en hem tot liefde jegens de deugd voor te bereiden (Verg. Dl. III). Doch de eigenlijke vraag is deze, of bij zulk een uit vrees ontstaan berouw niet tenminste een begin der goddelijke liefde moet komen, opdat het tot rechtvaardiging in het Sacrament der Biecht toereikend zij, en van welken aard en welke gesteldheid deze beginnende liefde tot God moet wezen. 1) — Veiliger is het, dat
1
) Toen men in de Kerkvergadering van Trente bij het eerste opstellen van liet decreet over de voorbereiding ter rechtvaardiging (Zitt. VI hoofdst. 6) onder de voorbereidende akten rte liefde niet had genoemd, werd daarover, zooals ons Palavicini (Geschied, van het Cone. v. Trente, Boek VIIl, hoofdst. 13) verhaalt , een nieuw onderzoek ingesteld, tengevolge waarvan de Vaders het voor goed hielden, om met het geloof en de hoop ook eene of andere akte van liefde te verbinden. „Want,quot; zoo merkten zij op, „indien de boete, „van alle liefde ontbloot, slechts uit vreeze voortkomt, en wanneer „het berouw enkel en alleen om de straf en niet om de beleediging, „Gode aangedaan, ontstaat, dan zou het vruchteloos wezen.quot; Ook in in de vorige raadsvergadering hadden de Vaders, die daaraan deel namen, zich aldus uitgelaten, dat het berouw, hetwelk ter rechtvaardiging leidt, niet zonder eenige hoop en liefde kan bestaan. Uit dit feit mogen wij met zekerheid het gevolg trekken, dat de Vaders van Trente den terugkeer tot God, die in de hoop en het voornemen ligt opgesloten, niet als voldoende beschouwden om den zondaar ter rechtvaardiging voor te bereiden, anders zouden zij,daarenboven niet eene akte van liefde noodzakelijk hebben geoordeeld. Of zon het den Vaderen van het Concilie ontgaan zijn, dat er reeds in de hoop en in het voornemen een zekere terugkeer tot God ligt opgesloten? Ongetwijfeld niet; want zij erkenden reeds in de akte des geloofs eene zekere neiging naar God (libero moventur in Deum credentes); des te meer moesten zij die aannemen in de akten van hoop en voornemen, zooals uit den aard der beide akten blijkt. Het is dus duidelijk, dat de gezegde Vaders behalve die neiging tot God, hun wel bekend, nog eene andere, tenminste eene beginnende liefde in het Sacrament van Boetvaardigheid verlangden, als noodzakelijk ver-eischte ter rechtvaardiging. — Nu komt echter de vraag hoedanig die beginnende liefde, door de Trentsche Vaders geöischt, (quo Deum, tamquam omnis justitiae fontem, diligere incipiunt) moet wezen. Is zij een begin van begeerende of van welwillende liefde? Hier moeten wij eerst met den H. Thomas (l. 2. q. IV. a. 7) onderscheid maken tusschen de liefde, die zich slechts bepaalt tot het verlangde goed, en de liefde, welke zich bepaalt tot Hem, van wien men het ver-
446
men het verlangen hebbe en zich beijvere om ook uit eene volmaakte liefde tot God de zonden te betreuren,
langde goed verwacht. De eerste liefde is noodzakelijk in de akte van hoop vervat, omdat men slechts hoopt, wat men verlangt en lief heeft; de laatste daarentegen komt uit de hoop voort, want juist daarom, dat men van iemand iets goeds hoopt te ontvangen, ontstaat in ons de neiging, hem als den bevorderaar van ons geluk te beminnen. De beginnende liefde nu, die de Vaders bij de hoop en het voornemen voegen, is duidelijk de laatste; zij is niet, zooals uit het gezegde blijkt, de begeerende liefde, welke elke akte van hoop noodzakelijk in zich sluit, maar die liefde, welke, gelijk wij zooeven opmerkten, in de hoop haren oorsprong heeft en zich bepaalt tot Hem, op wien wij onze hoop vestigen. Moge ook de eerste stoot tot deze liefde voortkomen uit de genegenheid, die de mensch voor zich zei ven heeft, tocli leidt zij ook tot de welwillende liefde jegens God, omdat zij, naar de leer van den H. Thomas, hem aanspoort, 1) God ook om zijne oneindige goedheid en volmaaktheid, dat is, om Hem zei ven, te beminnen. — Hoe kan het ook mogelijk wezen, dat de zondaar, mits hij aan de werking der genade niet wederstaat, volstrekt geene aansporing in zich zon bespeuren tot welwillende liefde jegens Hem, die uit oneindige barmhartigheid hem vergeving aanbiedt en de eeuwige zaligheid belooft? — Js nu dat begin van welwillende liefde tot de rechtvaardiging door het Sacrament der Biecht noodzakelijk, of met andere woorden; is het onvolmaakt berouw zonder eenig begin van welwillende liefde tot gezegde rechtvaardigmaking onvoldoende? Hierop antwoord de Katechismus 2) door Benedi^tus XUI voor de kinderen, die voor het eerst tot de Biecht en Communie naderen, voorgeschreven: „De roomsche Stoel heeft daarover nog irgeene beslissing gegeven.quot; Ook thans is er nog geen beslissend antwoord op die vraag gekomen. Het is bijgevolg nog altijd volstrekt niet uitgemaakt, dat tot de behoorlijke voorbereiding voor iet ontvangen van het Sacrament der Biecht ook niet een begin van welwillende liefde wordt vereischt. Ja, als men bedenkt, dat ter rechtvaardiging buiten de Biecht eene volmaakte, dat is eene welwillende liefde tot God hoven alles wordt gevraagd, dan zal men het tenminste niet onwaarschijnlijk achten, dat bij de rechtvaardiging door het Sacrament, der Biecht een begin van welwillende liefde of\' neiging tot God, het hoogste en beminnenswaardigste goed, noodig is, opdat de zondaar daardoor meer geschikt worde, de vriendschapsliefde, welke hem dotgt;r den H. Geest wordt ingestort, te ontvangen.
Men zegge niet, dat de meerderheid der Godgeleerden zulk een begin van welwillende liefde niet als noodzakelijk beschouwt, en dat ook de geloovigen de verplichting ^iet kennen, bij de voorbereiding tot de Biecht eene akte van welwillende liefde te verwekken. Wat in de eerste plaats de Godgeleerden betrel\'t, zij zijn in \'t algemeen geene andere meening toegedaan dan die der Vaderen van het Concilie, die, zooals wij boven zeiden, het berouw als vrr.chteloos beschouwen, wanneer het enkel en alleen uit vrees voor de straf en niet uit spijt over de beleediging Gode aangedaan voortkomt. Zelfs diegenen onder de Godgeleerden die, zooals bijv. Viva, hunne meening, dat het berouw uit vrees voor de straffen der hel voldoends is, roet alle kracht verdedigen, zelfs zij eischen toch nog, dat men berouw hebbe over de zonde, niet slechts als over eenig onrecht of als ons
1
De Spe, a. 3. Per hoc, qnod alir^uis sperat a Deo aliquod bonum consequi, ad hoe deducitur, ut Deum propter se amet.
2
Deze is als aanhangsel gevoegd bij de akten van het Concilie van Home in 1725 gehouden.
447
opdat daardoor zoo al niet de welwillende liefde hoven alles, dan toch tenminste een begin, een meer of minder
nadeel en ongeluk aanbrengend, maar als over eene beleediging, als over een kwaad jegens God. 1) Zulk een berouw sluit zeker een begin van welwillende liefde in; want het onheil van anderen doet ons slechts in zooverre leed, als wij hun uit liefde het goede toe-wenschen, hen welwillend liefhebben. *s) Wat nu de geloovigen aangaat, mogen wij met recht het er voor houden, dat, ofschoon zij ook meenen bij de voorbereiding tot het Sacrament van Boetvaardigheid niet verplicht te zijn uitdrukkelijk eene akte van welwillende liefde te verwekken, zij evenwel voor \'t minst een begin van de genoemde liefdo in hun \'hart hebben. Tot die veronderstelling voelen wij ons gerechtigd door het feit, dat zij in den regel berouw gevoelen God heleediqd te hebben en het voornemen maken Hem niet weder te vergrammen; dat zij dus, zooals de Godgeleerden het noodig achten , de zonde aanzien als eene beleediging van God en haar als zoodanig- verfoeien.
Daartoe worden inderdaad de geloovigen ook van jongs af door het godsdienstig onderwijs, door bepaalde t\'ormulen varn berouw, die zij van buiten leeren, en later ook door de vermaningen en onderrichtingen der biechtvaders aangespoord. Het berouw van dien aard, het moge dan onvolmaakt zijn, sluit toch gewoonlijk, gelijk wij zooeven aantoonden, een begin van welwillende liefde in zich en wordt aldus voldoende ter rechtvaardiging in het H. Sacrament der Biecht. — Nochtans geven, zooals Benedictus XIV getuigt (de Synode Lib. 7 c. 13), alle Godgeleerden, ook zij die het onvolmaakte berouw zonder de beginnende liefde als voldoende beschouwen, aan de geloovigen den raad, zooveel mogelijk naar het volmaakte berouw te streven, teneinde van hunne rechtvaardiging meer zeker te wezen. Daarom voegt de H. Ligorio, in zijne verklaring over het Concilie van Trente (over Zitt. XIV, no. 47), nadat hij de verschillende raeeningen der Godgeleerden over de beginnende liefde heeft aansehaald, bij zijne woorden nog deze opmerking; ,/Overigens is dit een twistpunt, dat «voor de praktijk weinig beteekent. Want het lijdt geen twijfel, dat //de boeteling alle mogelijke zorg moet aanwenden, om, als hij het uSacrament van Boetvaardigheid ontvangt, een volmaakt berouw te /verwekken en zich daardoor de vergeving der zonde te verzekeren; »ook de biechtvader zal van zijn kant zooveel mogelijk trachtten het //volmaakte berouw in hem op te wekkenquot; (Vergel. theol. mor. de Poenit. no. 413). Wie dezen nadrukkelijken raad opvolgt, zal ongetwijfeld er in slagen tenminste een begin der welwillende liefde te verkrijgen, en alzoo in allen gevalle aan de rechtvaardiging door het Sacrament deelachtig worden.
1
De genoemde Dom. Viva beweert in zijn hooggeschat werk: Dam-natarum thesium trutina (Prop. 15 ab Alexandro VIII damnata n.35), dat dit door alle Godgeleerden wordt aangenomen. Ook de H. Ligorio (Prax. Confess, n. 10) merkt uitdrukkelijk op: «Als iemand zegt //berouw over zijne bedreven zonden te hebben, omdat hij de hel //heeft verdiend, dan is zulks geen (waar) berouw; hij moet zeggen, «.dat hij het betreurt. God beleedigd te hebben.quot; Eu daarom wil hij dat de biechtvader den zondaar vrage: «of hij wegens de verdiende //Straffen der hel het betreurt. God beleedigd te hebben.quot;
*quot;) Zoo leert de H. Thomas (-2. 3. q XX/, art. (i ai 1); Ejusdem est rationis, odire malum alicuius et diligere b mum ejus.— Kn Viva; (t. a. p.) Nolle alicui malum, est aliqualiter illum amare. Gum enim amare idem sit, ac veile bonura, et carentia mali sit aliquale bonum, videlicet negativum; consequenter qui odit Dei offensam, atque adeo vult a Deo hujusinodi malum extrinsecuiuabesse, aliquaüter illam amat.
448
hooge graad er van haren invloed op het berouw doe gelden, en zoo elke twijfel over de voldoende gesteltenis worde opgeheven. Daarom is ook het gebruik, om bij de voorbereiding tot de Biecht eerst een onvolmaakt en dan een volmaakt berouw te verwekken, zeer aan te bevelen, en draagt dit veel bij tot onze geruststelling omtrent het al of niet voldoende zijn van ons berouw. Het is nameliik zeer aan te raden, met het onvolmaakte berouw te beginnen, omdat het den zondaar gemakkelijker is, door vrees gedreven, de zonden hoven alles te verfoeien, en niet minder raadzaam is het, tenminste te beproeven, daarbij eene akte van volmaakt berouw te voegen, dewijl het berouw uit vrees alleen ontoereikend zou kunnen wezen. \')
\') Het voorbeeld van Josephs broeders leert ons duideiyk inzien, hoe men van het berouw uit vrees tot het berouw uit liefde kan overgaan. Toen Joseph tot zijne broeders zeide; //Ik ben Joseph,quot; waren zij als door den bliksem getroffen en voorzeker betreurden zij van harte de misdaad jegens hem gepleegd. Hoedanig was echter hun berouw? Wij mogen het er voor houden, dat zij eerst door het gevoel van schrik en beschaming als verpletterd waren, en dat de vreeze van gestreng voor hun misdrijf te zullen boeten, de eerste drijfveer van hun berouw was. Maar toen Joseph hen omhelsde en daarbij weende, toen week de vrees, om voor de liefde plaats te maken, en zonder nog te denken aan hetgeen hen wachtte, waren zij voorzeker doordrongen van de diepste smart, omdat zij zich jegens een zoo goeden, liefdevollen broeder hadden bezondigd. Hoe zouden wij aan die stemming kunnen twijfelen? Reeds vroeger toch hadden zij\', zooals de Schriftuur getuigt, bitter berouw gevoeld over het leed hem aangedaan, toen zij tot elkander spraken; //wij hebben ons lijden „verdiend, want wij hebben jegens onzen broeder gezondigd; wij //zagen den angst zijner ziel, toen hij ons smeekte, en wij hoorden /,nietquot; (1. Mos XL1I, 21).
Ten slotte geven wij, bij wijze van voorbeeld, een middel aan, om den zondaar van het natuurlijke tot het bovennatuurlijke, en van het onvolmaakte tot het volmaakte berouw op te wekken. Dienstig namelijk kan hiertoe de volgende overweging zijn. //Wat wilt gij //nu doen, mijn zoon P Wilt gij eindelijk ernstig breken met dé //zonden? Waart gij dan tot dusverre zoo gelukkig? Hadt gij bij uw //Zondig leven ook niet vele bittere uren; Ach, gij kent den zaligen „vrede der kinderen Gods niet. Om uwe verfoeielijke hartstochten te
„bevredisen, hebt gij uwe rust, uwe eer, uwe gezondheid opgeofferd.....
//Hebt gij niet ondervonden, wat de H. Schrift zegt, dat het smarte-//lijk en bitter is, den Heer uwen God te hebben verlaten (Jerem. II, 19)? //Doch al kon de zonde u bevrediging schenken, hoe lang zou //dat duren? Kan dan de dood, de onverbiddelijke dood niet elk ;,oogenblik een einde aan uw leven maken? Wat zal gedurende de ,eeuwigheid uw lot wezen? Waar zoudt gij nu zijn, als Ood u in //uwen toestand van ongenade voor zijn gestrengen rechterstoel had ,/gedaagd? Bedenk het toch, mijn beminde, dat gij uw eeuwig onheil „tegemoet snelt, dat gij reddeloos verloren zijt, als gij u niet verbetert. «-Betreurt gij nu de zonde niet van harte, dan zult gij ze eens in de „hel te vergeefs vervloeken, \'t Is waar, God is barmhartig, maar Hij //is ook rechtvaardig, Hij kan niet toflaten. dat men ongestraft zijne „geboden overtreedt en al zijne genaden van zich stoot. Neen, inde ,hel is geene ontferming meer te hopen. Ziet gij dan eindelijk niet
449
Om de leer over het berouw te voltooien, volgen hier nog drie bizondere punten, die wij in het kort moeten verklaren. 1) Buiten bet Sacrament der Biecht moet een volmaakt berouw verwekt worden, a) in gevaar van sterven; i) zoo dikwijls men het ongeluk heeft gehad eene doodzonde te bedrijven en niet terstond kan biechten. Is het volgens de gegeven verklaring duidelijk, dat men door een volmaakt berouw in het algemeen zekerder vergeving van zijne zonden ontvangt dan door een onvolmaakt, dan spreekt het van zelf, dat men in doodsgevaar zulk een berouw niet mag verwaarloozen; immers de plichtmatige zorg voor onze ziel eischt, dat wij in die gewichtige ure, waarvan ons eeuwig heil afhangt, datgene niet verzuimen wat ons omtrent onze zaligheid groote zekerheid geeft. \') Door het verwekken van een volmaakt berouw in het stervensuur wordt tevens het gebod vervuld, om in dat beslissend oogenblik eene akte van volmaakte liefde te verwekken, dewijl in het volmaakte berouw de volmaakte liefde is opgesloten. De verplichting, in het stervensuur een volmaakt berouw te verwekken, is des te grooter, als men plotseling in dreigend doodsgevaar geraakt en niet meer de gelegenheid zou hebben om zijne zonden te biechten. Ja, in zulk een geval zou
X
■ ém i
1
1
lil
iilll ii
JIÜI
■ P
HlilWï
«in, dat gij geen grooter vijand hebt dan de zonde, die u de vriend-vschap Gods en het hemelrijk ontrooft en u in de eeuwige verdoemenis „nederstort? —■ Neem het toch ter harte, mijn zoon, hoe genadig en «liefdevol God zich jegens u tot op heden heeft getoond. Duizenden Engelen heeft Hij na de eerste zonde in den afgrond der hel ge-»worpen, en u heeft Hij na zoo vele zonden tot op dezen stond nog
/,gespaard, ja dagelijks met genaden en weldaden overladen..... Wat
//moest God nog meer voor u doen, dan Hij gedaan heeft? Heeft Hij //voor uw heil niet zijn eigen Zoon aan den smartelijksten dood „overgeleverd? Beschouw toch uwen Verlosser, aan het kruis gehecht,
„lijdend en stervend voor u..... Wilt gij de liefde van Hem, dien
„goeden, liefdevollen Jesus, niet met wederliefde vergelden? Wilt quot;g\'j liever voortgaan Hem te beleedigen, te verachten en Hem de „grootste smart te veroorzaken? Is dan de zonde niet het grootste, „ja het eenigste kwaad, dat God haat en verfoeit? Heeft de zonde „Hem, den Zoon van God, niet aan het kruis genageld? Heeft Hij „niet, om de zonde uit te delgen, den smartelijksten dood onder-»gaan ? Erken toch eindelijk, mijn kind, welk groot kwaad de zonde «.is, die gij zoo dikwijls en zoo lichtzinnig hebt bedreven, en stel
„niet langer uit ze te verfoeien en te vervloeken..... Ga nu tot
„uwen hemelschen Vader, die zoo liefdevol de armen naar u uitstrekt „om u wederom in genade aan te nemen. Zeg Hem met een wee-„moedig hart: „Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en tegen ,„(J; ik ben niet meer waardig uw zoon te heeten. Maar ik betreur „„het nu uit geheel mijn hart, dat ik U, mijn besten Vader, het //„hoogste en beminnelijkste goed, heb beleedigd. Ik zeg voor altijd „„vaarwel aan de zonde, en ik hoop van U de genaden te verwerven „„om aan mijn voornemen tot aan mijn dood getrouw te blijven.quot;quot; \') Suarez, de Sacram. Poenit. disp. IV. S. 4.
DEHARBE, GELOOFSLEER. IV. 3lle DRDK.
lü
450
slechts het volmaakte berouw den Christen, die eene zware zonde op het geweten heeft, aan den eeuwigen ondergang ontrukken. — Dewijl verder de mensch niet weet, wanneer hij voor Gods rechterstoel zal moeten verschijnen, en het van den anderen kant zeker is, dat hij voor den eeuwigen Rechter geen genade zal vinden, indien hij hier beneden niet de vergiffenis zijner zonden heeft verkregen, daarom moet het ook, en dat is duidelijk, het eerste en voornaamste streven van ieder zijn, om, zoodra hij eene zware zonde heeft bedreven, ook terstond een volmaakt berouw te verwekken. En ofschoon wij daarmede niet willen zeggen, dat de Christen streng verplicht is dit terstond na de bedreven zonden te doen, in dien zin, dat hij, bijaldien hij daartoe de gelegenheid heeft en ze verwaarloost, telkens eene nieuwe groote zonde begaat en zoo zonden op zonden hoopen zou, toch blijft het steeds waar, dat de zondaar, zoolang hij zulks riet doet, in het voortdurende gevaar der eeuwige verdoemenis leeft, voor het goede, in dien toestand verricht, geen loon in den hemel heeft te verwachten , en daarenboven moet vreezen, dat de gepleegde en nog niet betreurde zonde hem, zooals de H. Gregorius de Groote (Homel. 11 over Ezechiël) opmerkt, door haar eigen gewicht tot eene andere medeslepen en zoo voor eene slechte gewoonte den weg banen zal.
2) Bij het Sacrament der Biecht moet men het berouw vóór de belijdenis of tenminste vóór de absolutie des Priesters verwekken. Als iemand verzuimd of vergeten heeft vóór de Biecht een berouw te verwekken en dit eerst na de ontbinding doet, dan is die Biecht ongeldig. Het berouw moet dus verwekt zijn vóórdat de absolveerende Priester, het kruisteeken over den biechteling makende, zegt: „In „den naam des Vaders,quot; enz. Ja het is zelfs dringend aan te bevelen , dat men met het verwekken van een berouw niet wachte, totdat men gebiecht heeft, omdat het gemakkelijk gebeuren kan, dat men geen tijd genoeg heeft of wegens overhaasting daarbij verstrooid of verward is; en doet ook, volgens de algemeene leer der Godgeleerden, \') het na de belijdenis verwekte berouw, omdat het met deze eene en dezelfde akt van de biecht vormt, op de belijdenis zijn invloed gelden om deze rouwmoedig te maken, dan toch is het meer zeker en geruststellend, als het berouw de belijdenis voorafgaat.
3) Het berouw is zoo noodzakelijk, dat het door niets en in geen enkel geval kan vervangen worden. De Kerkver-
\') Billuart, de poenit. dissert. IV. art. 8.
451
gadering van Trente zegt van het berouw, dat het steeds noodzakelijk is geweest om vergiffenis van de zonden te verkrijgen. (Zitt. 14. hoofdst. 4). Deze algemeene uitspraak geldt ook, zooals uit de boven gegeven verklaringen duidelijk blijkt, van het verkrijgen der zondenvergeving in het H. Sacrament der Biecht. Het berouw is tot het waardig ontvangen van het H. Sacrament der Biecht zóó onmisbaar noodzakelijk , dat het nimmer en door niets kan worden vervangen. Een stervende, wien de kracht ontbreekt om zijne zonden te belijden en de voldoening te volbrengen, kan de ontbinding zijner zonden verkrijgen, als hij een waar berouw heeft; maar noch gebed, noch vasten, noch aalmoezen, noch bedevaarten, noch de openbare belijdenis der zonden, noch openbare boetple-gingen kunnen den zondaar, die geen berouw heeft, bekwaam of waardig maken om de ontbinding te ontvangen. Men kan alzoo geen enkel geval denken, hetzij onwetendheid, hetzij vergetelheid, of welk beletsel ook, dat dengene, die het H. Sacrament der Biecht wil ontvangen, kan ontslaan van de verplichting om een berouw te verwekken; de boetvaardigheid zonder berouw is even krachteloos en nietig als het Doopsel zonder water en het Vormsel zonder Chrisma. Dewijl dus het berouw onder alle vereischten, die tot het geldig ontvangen van het Sacrament van Boetvaardigheid gevraagd worden, het voornaamste is, volgt noodzakelijk, dat men ook den grootsten ijver moet aanwenden om een berouw te verwekken.
§ 3. Over het voornemen.
JFat moet noodzakelijk met het berouw gepaard, gaan ?
Met het berouw moet noodzakelijk gepaard gaan: 1) de hoop op vergeving, 2) het goede voornemen.
1) Wie niet vertrouwt op Gods barmhartigheid, diens berouw is vruchteloos, al zou het ook nog zoo levendig wezen. Judas, de verrader van onzen Heiland, erkende weldra de grootte van zijne heiligschennende gruweldaad; spoedig betreurde en verfoeide hij die, wierp zelfs de dertig zilverlingen, het snoode loon van zijne misdaad, neer; doch hem ontbrak de hoop op vergeving, en daarom ging hij, ondanks zijn berouw, als „zoon des verderfsquot; ten gronde (Joan. XVII, 12). Wil een zondaar gerechtvaardigd worden, dan moet hij dus in de eerste plaats vertrouwen, dat hij door oprechte boetvaardigheid om de verdiensten van Jesus Christus vergiffenis van al zijne zonden, hoe groot
29*
452
en menigvuldig ook, kan verkrijgen, gelijk wij reeds in het derde deel duidelijk hebben aangetoond. Ten tweede moet hij vertrouwen, dat het hem met den bijstand der genade, die God nimmer weigert aan dengene, die Hem daarom vraagt, mogelijk zal zijn zich te beteren, een godvruchtig leven te leiden en zoo de eeuwige zaligheid te verwerven; want als de zondaar dit vertrouwen niet heeft, dan zal hij ook niet beproeven ware boetvaardigheid te doen. Treffend vraagt daarom de H. Chrysostomus: \') „Wie ter wereld zou de zoo moeielijke verbetering van „zijn leven beproeven zonder het minste vooruitzicht te „hebben van te slagenquot;? — Dat God inderdaad aan eenieder, die er om bidt, zijne genaden verleent en ook den grootsten en meest verharden zondaar zijne hulp niet geheel onttrekt, is reeds vroeger breedvoerig besproken; wij hebben derhalve hier slechts de leer over het goede voornemen nader te verklaren.
2) Het goede voornemen is de ernstige wil om zijn leven te verbeteren en niet meer te zondigen. — Die ernstige wil om de zonde niet meer te bedrijven, is ter verkrijging der zondenvergeving even onmisbaar noodzakelijk als het berouw over de bedreven zonden. Ja, bijaldien de boeteling dat oprechte voornemen mist, dan zal ook het berouw niet zijn, wat het zijn moet, omdat hij inderdaad de bedreven zonde niet beschouwt, haat en verfoeit als het grootste kwaad. Hoewel het goede voornemen in het waar en oprecht berouw noodzakelijk ligt opgesloten, moet men toch vóór de Biecht of minstens vóór de absolutie uitdrukkelijk een zoodanig voornemen maken, deels omdat het Concilie van Trente dit als plicht schijnt op te leggen, daar het van den boeteling niet alleen droefheid en afschuw over de zonden, maar ook het voornemen om niet meer te zondigen eischt, deels omdat zoodanig uitdrukkelijk gemaakt voornemen een geschikt middel is om den wil voor de toekomst te versterken en tegen alle verleidingen en herval te harden. En wie kan er aan twijfelen, dat de herinnering aan het bij de H. Biecht gemaakte voornemen, aan die belofte den Allerhoogste gedaan om de zonde als het grootste kwaad te vermijden, er niet veel toe zou bijdragen, om den Christen tot het vluchten der zonden en gevaren en tot een moedigen en volhardenden strijd tegen alle aanvallen des vleesches, der wereld en der hel aan te sporen? 1)
1
Men kan een onvolmaakt en een volmaakt berouw mat een voor-
453
Hoedanig moet het voornemen zijn ?
Het moet evenals het terouw 1) innerlijk of ernstig gemeend, 2) algemeen, 3) bovennatuurlijk, en vooral 4) het moet een vast voornemen zijn.
::vï i: t
;fc| ■
Hl
I
1) Innerlijk. Gelijk het herouw, dat niet uit het hart voortkomt, maar slechts in woorden bestaat, geen waarachtig en geen heilzaam berouw is, zoo is ook het voornemen, dat men slechts met woorden uitspreekt, zonder den wil te hebben om het te houden, geen waarachtig heilzaam voornemen. De boetvaardige, wiens voornemen zoo gesteld is, gelijkt aan een kind, dat zijn vader op het gezicht der opgeheven roede beterschap belooft, doch in zijn hart het plan koestert de begane misdaad andermaal te plegen. Het is wel duidelijk, dat een dusdanig slechts uiterlijk voornemen voor God, die in het hart des boetvaardigen leest, geene waarde heeft, ja zelfs indien het met de hoop om God daarmee te kunnen bedriegen gepaard zou gaan, zijne schuld nog vermeerdert. Het voornemen moet 2) alcjemeen zijn, dat is, het moet zich tenminste tot alle doodzonden uitstrekken, zoowel tot die, welke men inderdaad heeft bedreven, alsook tot alle anderen, die men in \'t vervolg nog bedrijven kan. In dit opzicht moet dus het voornemen zich vérder uitstrekken dan het berouw, dat, zooals van zelf spreekt, slechts bestaat over die doodzonden, waaraan men zich in het verleden heeft schuldig gemaakt. Bij het goede voornemen moet men nog bizonder letten, dat het zich ook uitstrekke tot de lievelingszonde of zonde van gewoonte, omdat het niet zelden gebeurt, dat de Christen alle andere zonden gemakkelijk vermijdt, maar zich niet zonder de grootste moeite van deze scheidt en zijn hart daarvan afkeert. Met betrekking tot de dagelijksche zonden geldt van het voornemen. wat boven over het berouw is gezegd. Heeft men bijv. geene andere dan dagelijksche zonden te biechten, dan is het tot de geldigheid van het Sacrament der Biecht volstrekt noodzakelijk, dat men zich ernstig voornemen om tenminste de betreurde en beleden
•li.
«lili ■ 111
i|
r
•v\'-d
nemen op de volgende wijze verwekken: ^o Mijn God! al mijne //zonden zijn mij uit den grond mijns harten leed, niet alleen omdat «ik daardoor mij uwe genade onwaardig en uwe rechtvaardige straf //in dit en het andere leven heb waardig gemaakt, maar vooral doen «zij mij leed, omdat ik U, het hoogste, volmaaktste en beminnens-«waardigste goed, wien ik uu boven alles bemin, heb beleedigd. Ik »haat en verzaak al mijne zonden en maak het vaste voornemen, U »mijn beminnenswaardigsten God niet meer te beleedigen en de gedegenheden der zonden zorgvuldig te vermijden.quot;
454
dagelijksche zonden of eene bepaalde soort, bijv. kleine leugens, onverduldigheid, enz. te vermijden. Het is echter zeer goed en prijzenswaardig het voornemen te maken om volstrekt geene vrijwillige dagelijksche zonden te doen en de onvrijwillige, welke namelijk uit onopmerkzaamheid of overijling worden bedreven en niet anders dan in het algemeen kunnen vermeden worden, overeenkomstig zijne krachten te vermijden en tenminste het getal daarvan te verminderen; want daartoe verkrijgt de rechtvaardige voldoende genade. Het voornemen moet \'è) bovennaiuurlijk Deze eigenschap zal het voornemen immer bezitten, als de smart en de afschuw over de zonde, waaruit het ontstaat, uit bovennatuurlijke aan het geloof ontleende beweegredenen voortspruit. Wanneer iemand het voornemen zou maken om niet meer te zondigen, uit vrees van door de zonde zijne gezondheid geheel te vernietigen, of om de schande voor de menschen te ontgaan, dan zou zulk een voornemen als vrucht van een enkel natuurlijk berouw ook slechts natuurlijk en dus voor de geldigheid der Biecht ontoereikend zijn. Het moet 4) een vast voornemen zijn, en derhalve de vraag:
Waartoe moet degene, die ernstig een goed voornemen heeft, hesloten zijn ?
Hij moet het vast besluit gemaakt hebben 1) tenminste alle zware zonden te vermijden, zoodat hij voor niets ter wereld eene doodzonde zou willen begaan. — De ware boetvaardige moet zoo gestemd zijn, dat hij in het vervolg noch uit vrees voor tijdelijke rampen, noch uit verlangen naar eenig aardsch goed zou willen zondigen. Want indien hij niet zoo gezind is, dan kan zijn voornemen, \'tis duidelijk, niet oprecht, tenminste niet algemeen wezen; ja, het voornemen van zulk een boetvaardige zou een onbedriegelijk teeken zijn, dat hij evenmin zijne zonden bovenal betreurt en dus noch in noch buiten het H. Sacrament der Biecht vergeving er van kan verkrijgen. Het is echter niet noodig ja, niet eens raadzaam tot beproeving van zijn voornemen zich buitengewone kwellingen bijv. marteling en dood voor te stellen en dan zich af te vragen: zou ik sterk genoeg zijn om niet meer te zondigen, zelfs indien ik de gruwelijkste marteling en den pijnlijksten dood had te wachten? Dewijl toch de boeteling niet in zulk een toestand verkeert, daarom ontbreekt hem ook de bizondere genade, welke God hem ongetwijfeld zou verleenen, als hij in zulk een gevaar geraakte. Door die vraag zou de zondaar gemakkelijk
455
in den waan kunnen komen, dat het hem aan het noodige voornemen ontbreekt, wat voorzeker de grootste onrust en angst ten gevolge zou hebben. Om het voornemen voor goed en heilzaam te kunnen houden, is het in \'t algemeen voldoende, dat men den ernstigen wil hebbe, in de gewoonlijk voorkomende of te voorziene gevaren de zonden te vermijden en van God met vertrouwen te verwachten, dat Hij in buitengewone gevaren, waarin men zich niet vrijwillig begeeft, ook buitengewone genaden zal mededeelen.
2) Om het gevaar en vooral de naaste gelegenheid der zonde te vluchten. — De vrees voor den dood spoort den mensch aan, niet slechts het doodsgevaar te vermijden, maar ook, als hij onvoorziens in zulk een gevaar geraakt, het zoo spoedig mogelijk te ontvluchten. Wat nu de dood en het doodsgevaar Voor het lichaam is, dat is de groote zonde en het gevaar om groote zonden te bedrijven voor de ziel van den mensch. Wie dit beseft en zijne ziel; zooals hij veiplicht is, lief heeft, zal niet slechts de zonde, maar ook de gevaren der zonde zorgvuldig vermijden en ontvluchten; doch wie daarentegen het gevaar van te zondigen niet vermijdt, wie niet ernstig tracht de zonden te vluchten, levert daardoor van zelf het bewijs, dat zijn afschuw van de zonde niet ernstig gemeend kan zijn. Zoo iemand zal voorzeker schade lijden aan zijne ziel; want nimmer zal God met zijne genade iemand ondersteunen, die, in plaats van als Joseph van Egypte het gevaar te ontvluchten, vrijwillig en gaarne er in verwijlt of zelfs vermetel en moedwillig zich zeiven in het gevaar begeeft. Hij, die aldus handelt, bemint het gevaar; „en „wie het gevaar bemint,quot; zegt de H. Geest, „zal er in „omkomenquot; (Sirach III, 27). Wat nu is het gevaar der zonde ? Gevaar der zonde is in het algemeen elke, zoowel inwendige als uitwendige aanleiding, om het een of ander gebod van God te overtreden. Want bij elke dusdanige aanleiding of bekoring verkeert de ziel werkelijk in gevaar van te zondigen. Dewijl echter de inwendige bekoring gewoonlijk door uitwendige indrukken wordt veroorzaakt of onderhouden, en het vermijden der inwendige meestendeels slechts in zooverre van ons afhankelijk is, als het vermijden der uitwendige ons mogelijk is, daarom moeten wij te dezer plaatse vooral onze aandacht schenken aan de gevaren, die den mensch van buiten bedreigen en die men in het algemeen gelegenheid tot zonde pleegt te noemen. Onder gelegenheid tot zonde verstaat men voorwerpen, personen, omstandigheden, betrekkingen, in één woord alles, wat ons van buiten tot zonde aanspoort of verleidt en zoo ons meer of minder blootstelt aan het gevaar van te zondigen. Is
456
het gevaar door die uitwendige oorzaak of bekoring ten kwade veroorzaakt slechts gering, dan noemt men de gelegenheid, die er oorzaak van is, eene verwijderde gelegenheid\', is het integendeel groot, namelijk zoodanig dat het zeker of waarschijnlijk den val in de zonde veroorzaakt, dan noemt men de oorzaak van dat gevaar eene naaste gelegenheid. De uitdrukking „naaste gelegenheidquot; beteekent dus: een voorwerp, een persoon, een gezelschap, een spel en der-gelijken , waardoor men gewoonlijk tot zonde wordt verleid of waardoor men, bijaldien men het niet vermijdt, waarschijnlijk tot zonde zal verleid worden. Indien bijv. iemand met een ander persoon op te vertrouwelijken voet leeft, zoodat hij gewoonlijk om dien persoon te behagen iets zondigs doet, dan is die persoon voor hem eene naaste gelegenheid. Bezoekt een ander een vriendenkring, waar men in zijne tegenwoordigheid gesprekken voert, die de zeden en het geloof kwetsen, en ook hem daartoe verleiden, dan is dat gezelschap voor hem eene naaste gelegenheid. Zoo ook worden het tooneel, het bal, het koffiehuis eene naaste gelegenheid voor ieder, die op genoemde plaatsen van uitspanning in den regel grootelijks zondigt of tenminste grootelijks gevaar loopt van zwaar te zondigen. Voor velen is het spel eveneens eene naaste gelegenheid, namelijk: wanneer men daarbij zware vloeken en verwenschingen uitspreekt, God lastert, zijn geld en langzamerhand zijne have en goed verspilt. Insgelijks zijn zedelooze boeken, prenten, beelden, enz. voor duizenden en nogmaals duizenden oorzaak tot zware zonden in woord of daad of tenminste in gedachten en begeerten en dus naaste gelegenheid tot zonde.
Zal nu het voornemen vast en ernstig gemeend wezen, dan moet de boeteling het vaste besluit hebben, zoo veel slechts mogelijk is, de naaste gelegenheid te vermijden; want wie deze niet wil vermijden, heeft ook. zooals gezegd is, den oprechten wil niet om de zonde zelve te vermijden, hoopt dus te vergeefs op vergeving, al mocht het hem ook gelukken door een gehuicheld berouw en door belotte de absolutie te verkrijgen. Die absolutie toch zou hem in de gezegde omstandigheid niet baten, maar zijne schuld nog vermeerderen, omdat hij het H. Sacrament der Biecht heiligschennend ontvangt. Zoo streng namelijk is de verplichting om de naaste gelegenheid te vermijden, dat geen Priester geldig de absolutie kan geven aan hem, die zich in eene naaste gelegenheid bevindt, welke hij kan vermijden, zonder het voornemen te hebben, ze inderdaad te vermijden. De tegenovergestelde leering werd zelfs door den H. Stoel
457
uitdrukkelijk veroordeeld.\') De reden van deze gestrengheid is duidelijk daarin gelegen, dat in zulk een geval het niet verlaten der naaste gelegenheid en het niet vermijden der zonde eene en dezelfde zaak is. Want de mensch is gewoonliik in dusdanige naaste gelegenheid zoo zwak, de aansporing der hartstochten zoo hevig en de verlokking tot de zonde zoo sterk en verleidend, dat de herval meer dan waarschijnlijk is. Daarom was God bij de Israëlieten, die door afgoderij hadden gezondigd, niet tevreden met hunnen terugkeer tot Hem, den waren God, maar Hij eischte van hen ook, als onderpand hunner oprechte bekeering, dat zij door verwijdering der afgodsbeelden de naaste gelegenheid tot nieuwen afval zouden verwijderen, „Indien gij u met geheel uw hart „wederom tot den Heer bekeert,quot; zoo zeide Hij tot hen door den mond van den Profeet Samuël, „verwijdert dan de „vreemde goden uit uw middenquot; (1. Kon. Vil, 3). Al zou iemand bij de Biecht zich overtuigd houden van zijn vast besluit, in de naaste gelegenheid niet weder te hervallen, het is, zooals uit de aangehaalde beweeggronden blijkt, bedrog, groot bedrog, wanneer hij zich beterschap belooft, zoolang hij niet den ernstigen wii heeft, de naaste gelegenheid zelve te vermijden. Petrus had ook het vaste besluit gemaakt, zijn goddelijken Meester niet te verloochenen, en toch bezweek hij in de bekoring, omdat hij het booze gezelschap niet vermeed; hoeveel minder kunnen zij zich beloven standvastig te zullen blijven, die met opzet eene gelegenheid niet willen vermijden, welke, hetzij op zich zelve beschouwd, hetzij om persoonlijke zwakheid en gebreken , voor hen eene naaste gelegenheid is. Zouden zulke boetvaardigen niet gelijk zijn aan een mensch, die bij al wat heilig is belooft geen brand te zullen stichten, en in-tusschen het vuur in zijn huis steekt, of het ontstoken vuur niet verwijdert? — Overigens moet de Christen trachten, ook de verwijderde gelegenheid tot zonde te vermijden, opdat zij voor hem geen naaste gelegenheid worde. Er bestaat evenwel geene verplichting om alle, ook de meest verwijderde gelegenheden te vluchten, dewijl men anders, zooals de H. Paulus zegt, „de wereld zou moeten „verlatenquot; (1. Cor, V, 10), daar alles hier beneden eene meer of minder verwijderde gelegenheid tot zonden kan worden.
Wat echter te doen, bijaldien iemand de naaste gelegenheid, waarin hij zich bevindt, niet zonder groote moeielijkheden of niet dan met zeer aanmerkelijke schade zou kunnen verlaten?
\') Proposit. LXF, damnata ab Innocent, XI. an. 1679.
458
Dit kan bijv. gebeuren met dienstboden, die van hunne heeren gevaarlijke verleiding ondervinden en door terstond hunnen dienst te verlaten niet slechts eene aanmerkelijke tijdelijke schade lijden, maar ook een kwaad vermoeden bij anderen, misschien groote ergernis en tweedracht in de familie zouden opwekken. In deze en soortgelijke gevallen moet men zich houden aan den raad van zijn pastoor of biechtvader en dien stiptelijk opvolgen. Deze zal de geschiktste middelen uitdenken en voorschrijven om van de naaste gelegenheid eene verwijderde te maken, dat is, hij zal trachten te bewerken dat die verleiding, waaruit tot dusverre voor den biechteling een groot of naast gevaar van zwaar te zondigen ontstond, voortaan slechts gering gevaar veroorzaakt, dewijl zij door zijn raad en terechtwijzing deels verijdeld en onmogelijk gemaakt, deels met meer kracht van de hand gewezen en meer van harte verfoeid zal worden. Doch indien men ondanks de voorgeschreven maatregelen van voorzichtigheid weder hervalt, dan zal men het laatste en afdoende middel moeten aanwenden, zelfs met het grootste nadeel, met verlies van eer en goeden naam, ja zelfs met gevaar van zijn leven, die gelegenheid verlaten, gedachtig aan het woord van Jesus Christus: „Als uwe hand of voet „u ergert, hak ze af en werp ze van u; het is u beter „verminkt of kreupel het leven in te gaan, dan met twee „handen of twee voeten in het eeuwig vuur te worden ge-,(Worpen. En als uw oog u ergert, ruk het dan uit, en „werp het van u; want het is voor u beter met één oog „het leven in te gaan, dan met twee oogen te worden ge-„worpen in het helsche vuurquot; (Matth. XVIII, 8, 9). Al zou het dan den boeteling even zwaar vallen de naaste gelegenheid te vermijden als zijne hand, zijn voet of oog te verliezen, hij moet dit offer brengen als hij de hel ontvluchten en den hemel winnen wil. 1)
\') Als wij de berichten der missionarissen lezen, gevoelen wij ons niet zelden gedrongen, den waarlijk heldhaftigen moed te bewonderen, waarmede zondaren, die in eene naaste gelegenheid leefden, na hunne bekeering de moeielijkste schreden deden en de grootste offers brachten om aan de banden, waarin de satan hen zoo lang verstrikt hield, te ontkomen of er niet weder in te geraken. In den loop van het jaar 18G1 werd ons het volgende voorval verhaald, dat in de fransche strafkolonie Cayenne in Zuid-Amerika heeft plaats gehad. Er bevond zich aldaar een veroordeelde met name Charles Marie B ..., die zich na zijne oprechte bekeering door een echt christelijken levenswandel boven alle deelgenooten van zijn treurig lot onderscheidde. De missionaris, van wien vij deze gebeurtenis hoorden verhalen, ontving den last, hem een zeer voordeeügen post aan te bieden, waardoor hij van de veroordeelden verwijderd en in
459
3) De noodzakelijke middelen ter verbetering aan te wenden. — De zieke, die zijn herstel ernstig wilT zal gaarne de daartoe noodige geneesmiddelen gebruiken, al zouden zij nog zoo bitter of walgelijk zijn. Zoo ook zal de zondaar, die zich met ernst wil bekeeren, geen middel ongebruikt laten, dat hij zelf, door eigen ondervinding geleerd, tot zijn levensverbetering noodig acht, of dat hem zijn biechtvader tot vermijding der zonde aan de hand geeft of voorschrijft. Zulke middelen zijn in het algemeen een vlijtig gebed, het dagelijksch onderzoek des gewetens, het aan-hooren van het woord Gods, het dikwijls ontvangen der HH. Sacramenten en andere, waarover wij in § 5 zullen spreken. — Wij moeten hier nog twee opmerkingen maken. Eerstens, dat zondaars van gewoonte zich niet met een algemeen voornemen van verbetering mogen tevreden stellen, maar het bepaalde besluit moeten nemen om tegen deze of die zonde van gewoonte gepaste middelen ter verbetering aan te wenden, anders zou hunne levensverandering niet duurzaam wezen. Ten tweede, dat veel wat niet voor alle Christenen eene strenge verplichting is, voor den zondaar van gewoonte een noodzakelijk middel ter verbetering, een strenge plicht kan worden. Zoo bijv. de menigvuldige Biecht en Communie. Wanneer namelijk een zondaar van gewoonte bij ondervinding weet, dat hij telkens als bij de Biecht langen tijd uitstelt, weder in de vorige zonden hervalt en dan gewoonlijk uit moedeloosheid zouden op zonden stapelt, kan hij, vooral als zijn biechtvader hem tot dikwijls biechten aanspoort, niet zonder zware zonde het ontvangen van dit H. Sacrament van Paschen tot Paschen uitstellen.
4) De opgelegde voldoening te volbrengen en de toegebrachte
omstandigheden verplaatst zou worden, welke voor zijne rust en gezondheid veel beter waren dan die, waarin hij zich thans bevond. De brave man ontdekte echter, dat de aangeboden plaats voor hem gevaar zou opleveren van God. te beleedigen, namelijk eene gelegenheid gelijk aan die, waardoor hij den eersten keer was gevallen. Dat was voldoende voor hem om het aanbod af te slaan. „Neen,quot; zoo sprak hij, „nimmer kan ik dien post aannemen; want ik zou moeten yvreezen te hervallen.quot; En zoo bleef hij in het gezelschap en de ongezonde behuizing der laagste misdadigers. — Nog meer bewondering verdient het volgende voorbeeld, dat eenige jaren geleden (1858) te New-York plaats had. Pater du Ranqaet S. J. had daar een jong mensch, die ter dood was veroordeeld, voorbereid om te sterven, toen het hoogste gerechtshof den jongeling onverhoopt het leven wilde schenken. De veroordeelde wees echter de aangeboden gratie af met de opmerking; //Ik verkies de welverdiende doodstraf boven de gratie, «dewijl zij mij voor nieuwe misdaden zal bewaren.quot; Hoe beschamend zijn zulke voorbeelden voor hen, die om het gevaar der zonde te ontvluchten, zich zelfs de kleinste offers niet willen getroosten.
460
schade te herstellen. Daarover zal in § 5 breedvoerig worden gehandeld.
§ £■ Over de belijdenis.
Hoe moet de belijdenis wezen?
Zij moet 1) volkomen, 2) oprecht, 3) duidelijk zijn.— De onmisbaarheid «dezer drievoudige eigenschap van de be-lijdenie of \' zelfbeschuldiging vloeit uit den aard van het boetgericht voort; want zoo er ook maar ééne ontbrak, dan zou de Priwster als rechter in de plaats van God niet in staat zijn, zijn zwaren plicht te vervullen, en naar het voorschrift van Jesus Christus geen verstandig en rechtvaardig oordeel kunnen vellen, waardoor de zonden vergeven of behouden worden. De belijdenis nu is:
1) Volkomen, als men tenminste alle zware zonden belijdt, die men zich herinnert, met het getal en de noodige omstandigheden. — Uit dit antwoord blijkt, dat hier drie punten nader verklaard moeten worden. Ten eerste; loelke zonden men moet biechten; ten tweede, dat men daarbij het getal, en ten derde de noodige omdandigheden moet belijden.
a) Volgens het gebod van Jesus Christus is men verplicht zich voor den Priester met een rouwmoedig hart te beschuldigen van alle zware zonden, die men sinds de laatste geldige Biecht, of, indien men voor de eerstemaal biecht, in geheel zijn vroeger leven heeft bedreven, voor zooverre men zich die zonden na een vlijtig onderzoek des gewetens kan herinneren. Aldus leert de Kerkvergadering van Trente (Zitt. XIV. hoofdst. 5) met de volgende woorden: „Dewijl alle dood-„ zonden, ook die, welke slechts met de gedachten worden be-„dreven , de menschen tot kinderen van haat en tot vijanden „van God maken, daarom is het noodzakelijk, bij God „de vergiffenis van alle door eene oprechte Biecht te zoeken. „Zij echter, die anders handelen en met opzet eenige zonden „verzwijgen, kunnen door bemiddeling van den Priester „van de goddelijke goedheid geene vergeving verkrijgen.quot; — Ditzelfde geldt echter niet van de dagelijksche zonden, volgens de leer van het Concilie. Deze kunnen „zonder schuld „worden verzwegen,quot; omdat zij, zooals in het derde deel reeds is aangetoond, „door vele andere middelen uitgedelgd „kunnen worden.quot; Het is echter een godvruchtig en loffelijk gebruik, in de Biecht ook de dagelijksche zonden te be-
461
lijden, deels om des te gemakkelijker en zekerder vergeving daarvan te verkrijgen, deels ook om den biechtvader eene meer nauwkeurige en geheele kennis van den toestand onzer ziel te verschaffen en hem zoodoende in staat te stellen, ons met ernst opmerkzaam te maken op het gevaar, dat ons van den kant van zekere dikwijls herhaalde dagelijksche zonden kan bedreigen. De zooeven aangehaalde Kerkvergadering zelve zegt; „dat het goed en heilzaam is, ook de „dagelijksche zonden te biechtenquot; en de verklaring der valsche Synode van Pistoja, die de beliidenis der dagelijksche zonden niet in gebruik wenschte te zien, werd door Pius VI veroordeeld als vermetel, verderfelijk en strijdig met de gewoonte van heilige en vrome mannen, A^elke dooi het Concilie van Trente werd gebillijkt. — Als men twijfelt of eene bedreven zonde dood- of dageliiksche zonde is, dan moet men ze biechten, tenzij de biechtvader, om de angstvalligheid van den biechteling, die soms overal doodzonden ziet, waar zij niet zijn, het tegendeel beter zou oordeelen. Dit strekt niet alleen tot eene blijvende geruststelling, maar verwildert ook het gevaar van gedurende langen tijd door strafbare onwetendheid het H. Sacrament van Boetvaardigheid ongeldig en heiligschennend te ontvangen. Deze aanklacht van twyfelachtig groote zonden behoort dus nimmer verwaarloosd te worden door hen, die geene kennis genoeg bezitten om in eene zaak, waarin zelfs den geleerde de beslissing soms moeielijk valt, goed te oordeelen of iets zware zonde is of niet, en nog minder door hen, die uit lichtzinnigheid of zelfbedrog geneigd zijn, alles wat zij tegen het goddelijk gebod hebben misdreven, als gering aan te zien. — Wij moeten ook niet vergeten, dat in het antwoord gezegd is: men moet alle doodzonden biechten, die men zich na een zorgvuldig gewetensonderzoek herinnert. Werd er namelyk tot de geldigheid der Biecht vereischt, alle bedreven zonden zonder uitzondering te biechten, dan zou in vele gevallen het onderzoek des gewetens geen einde hebben, en de geldige Biecht dikwijls onmogelijk zijn; dewijl men echter, zooals het Concilie van Trente zich uitdrukt, die zonden, welke men zich na een vlijtig onderzoek \'niet meer herinnert, in de Biecht in het algemeen ingesloten acht, is het eene goddeloosheid de Biecht eene onmogelijkheid of eene folterbank van het geweten te noemen. — Er zijn zelfs gevallen, dat het niet eens noodig is alle bewuste zonden te belijden, wanneer dit namelijk onmogelijk zou zijn, bijv. by stervenden, wien de kracht ontbreekt, of bij doofstommen, die zich slechts door teekeas en zeer gebrekkig kunnen beschuldigen. In deze en eenige andere
462
gevallen \') moet toch de belijdenis zoo volkomen zijn als overeenkomstig de omstandigheden mogelijk is.
Daarenboven moeten later, als het beletsel is verdwenen, als bij v. de zieke weder hersteld is, de niet beleden zonden in de Biecht worden bekend gemaakt. Paus Alexander VII verwierp de volgende stelling: „wij zijn niet verplicht de „zonden, die om levensgevaar of omi andere voldoende redenen „zijn achtergelaten, of de vergeten zonden in de volgende „Biecht te belijden.quot;
b) Het is niet genoeg, alle doodzonden, die men zich herinnert te belijden; men moet ook het getal daarvan aangeven, dat is, men moet ook zeggen, hoe dikwijls men elke doodzonde in het bizonder heeft bedreven, omdat elke zonde, telkens als zij wordt bedreven, eene nieuwe op zich zelve staande zonde uitmaakt. Wie bijv. tienmaal God heeft gelasterd, mag zich niet tevreden stellen met te zeggen: „ik heb God gelasterd.quot; Uit deze belijdenis kan de biechtvader onmogelijk een bepaald oordeel vellen over de schuld van den biechteling, omdat onder deze algemeene uitdrukking zoowel eene als ook tien en honderd godslasteringen kunnen verstaan worden. — God verlangt intusschen, ook bij de aangifte van het getal, het onmogelijke niet. Indien, de Christen ondanks een vlijtig onderzoek niet nauwkeurig het getal weet aan te geven, dan moet hij het bepalen zoo goed hij kan en zeggen: ik heb die zonde eiken dag (elke week of elke maand) ongeveer zoo dikwijls bedreven. Om het getal nauwkeuriger te bepalen is het zeer raadzaam, dat men bij haat, vijandschap, wraakzucht en dergelijke aanduide, hoelang en of ze onafgebroken hebben voortgeduurd, wijl de vernieuwde vijandige stemming telkens eene nieuwe, op zich zelve staande zonde uitmaakt. Bij onkuische en andere verleidende gesprekken moet men ook het getal der personen aangeven, die er bij tegenwoordig waren en in het gevaar zijn gebracht van schade naar de ziel te lijden, omdat deze omstandigheid het getal der zonden vermeerdert.
c) Men moet verder in de biecht de noodige omstandigheden der zonde belijden, — 1) bizonder de omstandigheden, die de soort der zonde veranderen of eene dagelijksche zonde tot doodzonde maken. Met betrekking tot de eerste leert het Concilie van Trente (t. a. p.): „Het volgt uit „de instelling van het H. Sacrament der Biecht, krachtens „welke Jesus Christus den Priester als rechter in zijne plaats „heeft gesteld en achtergelaten, opdat alle overtredingen „der geloovigen, die doodzonden zijn, aan zijne rechtspraak
\') Zie bij Gury, het Sacrament der Bieclit, hoofdst. II. §. 2.
463
„zouden worden onderworpen, dat in de Biecht ook de „omstandigheden verklaard moeten worden, die de soort „der zonde veranderen, dewijl anders de zonden noch door „den zondaar zeiven volkomen heieden, noch door den „rechter in Gods plaats gekend zouden worden, en het „onmogelijk zou wezen, dat deze over de zwaarte der mis-„drijven rechtvaardig zou kunnen oordeelen en den boeteling „daarvoor eene gepaste straf opleggen.quot; Uit deze woorden van de genoemde Kerkvergadering blijkt dus, dat die omstandigheden, waardoor de doodzonde wordt gebracht tot eene andere soort dan waartoe zij oorspronkelijk behoort, noodzakelijk moeten beleden worden. Eenige voorbeelden zullen deze algemeene leer duidelijk en bevattelijk maken. Wie zich vreemd goed toeëigent, bedrijft eene zonde, die tot de soort van diefstal behoort; wie echter kerkelijk goed ontvreemt, pleegt eene zonde, die tot de soort van kerkroof behoort, welke soort met de zonde van diefstal ook nog die van heiligschennis vereenigt. Indien iemand zijns gelijken den dood toewenscht, bedrijft hij eene zware zonde tegen de liefde aan den naaste verschuldigd, terwijl degene, die zijnen ouders den dood toewenscht, eene zonde pleegt, welke niet slechts strijdt met de liefde jegens den naaste, maar daarenboven met de liefde aan de ouders in het bizonder verschuldigd, eene zonde, die niet alleen, zooals de eerste, tegen het vijfde gebod, maar én tegen het vijfde én tevens tegen het vierde gebod strijdt en bijgevolg tot eene andere soort behoort. Verder, als een ongehuwde den wensch voedt om met een eveneens ongehuwd persoon van het andere geslacht onkuischheid te bedrijven, dan pleegt hij eene zonde tegen de deugd van zuiverheid; maar indien hij hetzelfde kwaad wenscht te doen met een gehuwd persoon, dan doet hij eene zonde veel erger van soort, nameliik overspel in begeerte, die behalve de zonde van onkuischheid ook nog eene zonde van de schreeuwendste onrechtvaardigheid in zich sluit. In de aangehaalde gevallen zou het dus niet voldoende zijn te biechten; ik heb gestolen, anderen den dood toegewenscht, kwade begeerten gehad; men moet dan noodzakelijk ook de besproken omstandigheden , die de zonde tot een geheel andere maken, aan den biechtvader belijden. Tot de omstandigheden, die men noodzakelyk in de Biecht moet openbaren, behooren ook die, welke van eene dagelijksche zonde eene doodzonde maken. Bijv. als iemand eene onwaarheid heeft gezegd en daaruit voor anderen een groot nadeel is voortgesproten, dan mag hij zich niet tevreden stellen met de belijdenis: ik heb gelogen; hij moet ook noodzakelijk het nadeel noemen, dat hij daardoor heeft
464
veroorzaakt, omdat deze omstandiglieid maakt dat eene leugen, die, op zicli zelve beschouwd, slechts eene dage-lijksche zonde is, groote zonde wordt. Eveneens moet men verklaren of men veel of weinig, met of zonder weten schade heeft toegebracht, omdat daarvan het oordeel des biechtvaders afhangt en er door gewijzigd wordt.
2) Of men bovendien den biechtvader al de omstandigheden moet openbaren, welke de zonden derzelfde soort verzwaren, is niet gemakkelijk te beslissen. Voorzeker is het veiliger en dringend aan te hevelen dit te doen, omdat men in het algemeen alles moet openbaren, waardoor de biechtvader in staat wordt gesteld, over den gewetenstoestand van den biechteling een goed oordeel te vellen en hem voor den herval te behoeden. Gaat de biechteling in het opnoemen der omstandigheden te ver, dan moet de biechtvader hem opmerkzaam maken, dat hij zich daarvan niet behoeft te beschuldigen; maar is hij achterhoudend, dan zal de biechtvader, om de belijdenis volkomen te maken, zich dikwerf genoodzaakt zien vragen te doen, welke de biechteling streng verplicht is oprecht te beantwoorden. Zoo bijv. zal een zorgvuldig biechtvader dikwijls moeten onderzoeken of de biechteling zich in eene naaste gelegenheid van zonde bevindt; of deze of gene zonde gewoonte is geworden; of men ze reeds dikwerf heeft gebiecht zonder zich verbeterd te hebben, enz. In het algemeen kan men met betrekking tot dit punt het volgende tot regel stellen: ieder die ernstig voornemens is, eene goede en heilzame Biecht te spreken, zal zich zeiven niet afvragen: wat moet ik ten aanzien der verzwarende omstandigheden nood-zakeliik biechten en wat mag ik verzwijgen? Hij zal integendeel zich gedrongen voelen, zoo goed hij weet, alles te biechten, wat zijn geweten bezwaart en wat hij meent voor den biechtvader van belang te zijn, om hem des te beter en krachtdadiger te kunnen helpen. — Hoezeer men zich echter ook moet inspannen, om door eene nauwkeurige opgave der omstandigheden aan zijn plicht van zelfbeschuldiging te voldoen, moet men zich toch wel wachten van den naam der medeplichtigen te noemen of overbodige vertelsels op te disschen; evenzeer moet men trachten zich zoo eerbaar uit te drukken als de aard der zonde het gedoogt. — De naam der medeschuldigen heeft geen invloed noch op de soort noch op de grootte der zonde, behoort dus niet tot de beschuldiging; den naam te noemen zou eene ongeoorloofde eerrooving zijn bij den biechtvader. Tot overbodige vertelsels moet men rekenen alles, wat niet tot de volkomenheid der Biecht behoort, dus alles wat op de soort,
465
het getal en de grootte der zonde geen merkbaren invloed uitoefent. — De ruwheid eindelijk en het ongepaste der uitdrukking hij het aanduiden van zekere zonden strijdt met de waardigheid en heiligheid van het H. Sacrament.
2) Oprecht is de Biecht, wanneer men zich zoo aanklaagt als men meent voor God schuldig te wezen, zonder iets te verzwijgen, te verschoonen of door ijdele voorwendsels te verontschuldigen. — Velen zijn zich in den biechtstoel bewust van de soort, het getal en de omstandigheden hunner zonden, doch valsche schaamte, hoogmoed, eigenliefde, menschelijk opzicht, dikwijls ook influisteringen van Satan verleiden hen om, tegen beter weten in, zich aan den biechtvader minder schuldig voor te doen, dan zij zich voor God schuldig kennen en werkelijk zijn. Daarom zullen zij spoedig de eene of andere soort van zonde met opzet verzwijgen of het getal te min of de omstandigheden niet naar behooren opgeven. En laten zij het ook al niet aan de volkomenheid der beschuldiging ontbreken, dan zoeken zij toch hunne zonden te bemantelen en te verschoonen, duizend verontschuldigingen bij te brengen, de schuld op anderen te schuiven, en zoo het oordeel van den biechtvader te vervalschen. In dat geval is de Biecht niet oprecht, wat zij toch zijn moet. Het zai niet ondienstig zijn hier de beantwoording te geven van twee vragen, die met betrekking tot het Sacrament van Boetvaardigheid hoogst gewichtig zijn, namelijk ten eerste\', wat moet de biechteling doen, als hij zich schaamt, oprecht te biechten ? en ten tweede: wat moet hij doen, wanneer hij hij de belijdenis iets heeft weggelaten, wat hij verplicht was te biechten?
a) Zou men bekoord worden, uit ontijdige schaamte eene doodzonde, het getal of de vereischte omstandigheden der doodzonde voor den Priester te verbergen of te verzwijgen, dan overwege men: aa) dat eene Biecht, die niet oprecht is, eene nieuwe zware zonde, eene heiligschennis is en tot eeuwige verdoemenis strekt. En in waarheid, is het niet eene ontzettende gedachte, dat het heilig genademiddel, hetwelk Jesus Christus uit oneindige goedheid en barmhartigheid heeft ingesteld, om ook voor de grootste zondaren den hemel weder te openen, voor ons door eigen schuld tot niets anders zou dienen dan om de poorten der hel te ontsluiten? En toch is het inderdaad zoo; want eene Biecht, waarin men met opzet iets verzwijgt, hetgeen men streng verplicht is te belijden, is niet slechts zonder kracht tot vergeving der zonden, maar zelve eene nieuwe, dikwijls veel zwaardere doodzonde dan die, welke men niet durft belijden; zij is eene heiligschennis en voert tot andere
DEHAMiE, GELOOFSLEEK. IV 3\'le DRUK. 30
466
heiligschennissen. Heiligschennend namelijk zal de H. Communie wezen, die men na zulk eene Biecht ontvangt; heiligschennend niet zelden eene reeks van daaropvolgende Biechten en Communiën, dewijl later veelal de moed ontbreekt om te bekennen dat men heiligschennend heeft gebiecht en gecommuniceerd; heiligschennend zal bijv. het H. Vormsel of het Huwelijk zijn, dat men in dien bekla-genswaardigen toestand ontvangt. En ligt zulk een Christen op het sterfbed, dan bestaat er groote vrees, dat hij ook de HH. Sacramenten der stervenden heiligschennend zal ontvangen. Want als hij in gezonde dagen, toen het hem vrijstond een biechtvader te kiezen, die hem vreemd is en blijft, geen moed genoeg bezat om oprecht te biechten, zal hij dan op het ziekbed, met zijne verzwakte krachten naar lichaam en geest en bij de vermeerderde bekoringen der hel tot valsche schaamte, het van zich kunnen verkrijgen, alles oprecht te bekennen, en al de gepleegde heiligschennissen weder goed te maken , vooral als hij die laatste Biecht spreekt aan zijnen zielzorger, bij wien hij steeds achting en aanzien genoot ? Met Gods genade, \'t is waar, is niets onmogelijk, doch de toestand van zulk een stervende is voorzeker wel zorgwekkend. En als hij dan ook nog zijne laatste Biecht, zijne laatste H. Communie en het H. Sacrament des Oliesels heiligschennend ontvangt, hoe verschrikkelijk zal dan zijn lot in de eeuwigheid zijn, waar hem tot straf voor zulke zware zonden, voor zoo vele heiligschennissen, de eindelooze verdoemenis verbeidt? \')
\') De meergenoemde beroemde boetprediker P. Le Jeune verliaalt (deel VII. Preek 20 over de Biecht) het volgende voorval, waaruit wij leeren aan welk groot gevaar zij zich blootstellen, die in hunne Biechten vrijwillig zekere zonden verzwijgen. — In de kleine stad Sougnie, drie mijlen van Mons en zeven van Brussel gelegen, bevond zich eene vrouw, die naar den schijn te oordeelen zeer braaf leefde. Zij biechtte en communiceerde eiken eersten zondag der maand, doch verborg uit schaamte voor haren biechtvader eene groote zonde, die zij in hare jeugd had bedreven. In hare laatste ziekte geraakte zij op zekeren dag in een staat van buitengewone gemoedsbeweging. Zij riep hare zuster, die haar oppaste, tot zich en zeide haar; //zuster, „ik ben verdoemd!quot; Deze trad met deelneming aan de sponde der zieke en zeide: „Gij droomt, zuster, moed gevat en beveel u aan /,God!quot; — ;/Neen, ik droom niet, ik weet al te goed, wat ik zeg; „ik heb de plaats gezien, die in de hel voor mij bereid is.quot; De ziekepleegster wist nu niet beter te doen dan naar den Pastoor van het stadje te snellen en hem het gebeurde te verhalen. De eerwaarde heer Dubois, zoo heette de Pastoor, was juist afwezig, doch zijn broeder, een ijverig Priester, die hem in de zielzorg ter zijde stond, begaf zich terstond naar de zieke. De vraag naar haren toestand beantwoordde de zieke met het ontzettende: ,/Ik ben verdoemd, „omdat ik eene doodzonde niet durfde biechten.quot; Terstond daarna noemde zij de verzwegen zonde zoo luid, dat allen, die in de kamer
467
bb) Men zal vervolgens bedenken, dat het beter is zijne zonden te belijden aan den Priester, die tot een eeuwig stilzwijgen is gehouden, dan immer ongerust in zonden voort te leven, ongelukkig te sterven en op den jongsten dagvoer geheel de wereld beschaamd gemaakt te worden. — Indien God ons vergeving wilde schenken onder voorwaarde, dat wij onze zo-nden in het openbaar zouden belijden, dan nog moesten wii van harte bereid wezen, dit te doen; wij moesten liever beschaamd gemaakt worden voor geheel de wereld, dan eeuwig verloren te gaan. Menigeen wordt dan ook door de kracht van zijn berouw aangespoord, uit eigen keuze zulk eene vernederende belijdenis af te leggen. De H. Augustinus, ofschoon Bisschop en door een hoogen roep van deugd in geheel de wereld beroemd, aarzelde niet, de belijdenis zijner zonden, de zonden en uitspattingen zijner jeugd, neer te schrijven en openbaar te maken, zoodat nog heden geheel de wereld ze kan lezen. Doch Gods eischen gaan voor den zondaar, die om vergeving vraagt, niet zoo ver. De eindeloos Barmhartige verlangt slechts, dat hij zijne zonden zal openbaren aan een enkel mensch, die in de plaats van Christus gezeten is, niet om te veroordeelen, maar om van de zonden te ontbinden; niet om te verwonden, maar om de geslagen wonden wederom te heelen, niet om den gevallene tot wanhoop te vervoeren, maar hem te troosten en op te beuren. God verlangt van den zondaar, dat hij aan een mensch zijne zonden oprecht belijde; doch den Priester heeft Hi] de strengste en heiligste verplichting opgelegd, liever den marteldood te verduren, \')
waren, ze konden hooren en verstaan. //Welaan dan, zoo sprak de „Priester, belijd de genoemde zonde aan mij in de Biecht, en ik zal «er u van ontbinden.quot; — //Neen, ik ben verdoemd !quot; was het antwoord der ongelukkige zieke. //Gij leeft nog,quot; zoo ging de Priester voort, «nog is de tijd van genade niet voorbij. Biecht uwe zonden, smeek //God om barmhartigheid en gij zijt gered: ik geef u de verzekering, »met mijn bloed onderschreven, dat God zich uwer ontfermen en u //zalig maken zal, als gij Hem rouwmoedig daarom bidt!quot; //Ik weet ywel,quot; antwoordde de zieke, „dat God mij barmhartigheid zal belwijzen, als ik met een oprecht hart Hem daarom smeek, maar dat „wil ik niet! Ik heb te dikwijls zijne genade misbruikt.quot; Drie dagen en drie nachten bleef de Priester aan het ziekbed van deze ongelukkige, haar smeekend en bezwerend, dat zij aan God om vergeving zou vragen en hare zonden in de Biecht belijden. Doch alles was vergeefs. De rampzalige gaf zich aan satan over, verloochende God, verzaakte het H. Doopsel en stierf. — 1\'. Le Jeune getuigt, dat die Priester hem de geheele toedracht der zaak zelf verhaald en hem het huis getoond hfccit, waar deze gruwelijke gebeurtenis heeft plaats gehad.
Het bewustzijn dat de Priester verplicht is, eer den dood te onder gaan, dan de zonden, die in de Biecht zijn vernomen, te openbaren
30*
468
dan door een enkel woord of wenk het geheim der Biecht te schenden. \')
Mag nu deze eisch van den genadigen en barmharti^en God, zoo gemakkelijk, wanneer men dien bij de openlijke belijdenis der zonden vergelijkt, nog te zwaar geacht worden, vooral als de zondaar zich herinnert, dat degene, wien hij zijne zonde bekent, evenzeer een zwak, gebrekkig mensch is, die dagelijks tot God moet smeeken: „vergeef mij mijne „schulden!quot; die dus de menschelijke zwakheid en de hevigheid der bekoring bij eigen ondervinding kent, derhalve medelijden weet te gevoelen met hen, die er door werden overwonnen, doch nu, zich vermannend, van den val willen opstaan; als hij bedenkt, dat de biechtvader geen grooteren troost, geen zoetere vreugde kent, dan het schuldige kind wederom met God zijnen Vader te verzoenen, het dwalende schaapje wederom tot den schaapstal van den besten Herder terug te voeren, den in het slijk der zonde neergezonkene de reddende hand te reiken en hem schoon te wasschen in het bloed van het goddelijk Lam! Teneinde de door uitspattingen geschokte gezondheid des lichaams terug te krijgen , schaamt men zich niet, den geneesheer zijne geheimste misdaden te openbaren; maar als het de gezondheid en het leven der ziel geldt, de rust en den vrede des harten; als het geldt den eeuwigen dood te ontvluchten en het eeuwig
vervulde, zooals bekend is, den H. Joannes Nepomucenus met be-wonderenswaardigen moed en kracht. Deze Heilige was de biechtvadev der Keizerin Joanna, de gemalin van Keizer Wenceslaus. Ijverzucht en achterdocht verleidden dezen vorst, die een hartstochtelijken inborst bezat, van den vromen biechtvader zijner gade de mededeeling harer Biechten te eischen. Joannes schrikte terug, toen hij dit bevel vernam, en dewijl hij den Keizer door eerbiedige overtuiging niet tot andere gedachten kon brengen, antwoordde hij hem vrijmoedig: //Ik mag niet spreken, ik weet niets.\'\' De dienaar Gods werd nu door den vertoornden Keizer weggezonden. Eenige dagen later ontbood hij hem nogmaals en trachtte hem eerst door vleitaal en beloften, en, toen dit niet hielp, door eene ruwe behandeling en bedreiging met den dood tot schennis van het biechtgeheim te bewegen. Joannes bleef standvastig en gaf den tiran ten antwoord: //Gij kunt 7nij laten z/dooden, doch nimmer zult gij van mij een woord uit de Biecht /vernemen.quot; Daarop ontstak Wenceslaus in woede en beval den martelaar van het geheim der Biecht, aan handen en voeten gebonden, in den Moldau te werpen. Zijn roemrijke marteldood had plaats den ISJ1» Mei 1383.
\') Niet alleen de biechtvader, maar ook elk ander, die toevallig iets uit de biecht heeft vernomen, is tot een streng stilzwijgen verplicht. De biechteling zelf is niet verplicht het hem door den biechtvader gezegde geheim te houden; doch dikwijls kunnen de voorzichtigheid en de liefde hem dien plicht opleggen; in het algemeen is het ongepast hetgeen tusschen Gods plaatsbekleeder en het zondig kind \'Gods in den biechtstoel is verhandeld tot onderwerp van ijdele en profane gesprekken te maken.
469
leven te verwerven, dan bindt valsche, doemwaardige schaamte de tong des zondaars. Is dat geen bedrog, geen list van den helschen vijand, die bij het zondigen ons de schaamte ontrooft ? \') Het moge zwaar vallen, zich aan de vernedering eener oprechte zelfbeschuldiging voor den Priester te onderwerpen; doch wat is dat in vergelijking met de vernedering, welke op den laatsten oordeelsdag hem zal treffen, die zich daaraan onttrokken heeft? Hoort wat de H. Bonifacius, de Apostel der Duitsohers zegt (Preek over de acht zaligh.): „Als wij onze zonden verbergen, dan zal „God ze openbaren, of wij willen of niet. En beter is het „aan den mensch zijne zonden te belijden, dan bij dat verschrikkelijk oordeel voor hemel, aarde en hel openlijk „aangeklaagd en beschaamd te worden, niet tot verbetering, „maar tot eeuwige straf.quot; 2)
\') Al had men van eene oprechte belijdenis geen ander voordeel te verwachten dan den vrede en de rust des harten, dan moest dit tot overwinning der valsche schaamte meer dan voldoende wezen. — rO, „gij kinderen der wereld,quot; zoo schreef eens een jeugdig rechtsgeleerde, die ten gevolge eener oprechte algemeene Biecht in zijn voornemen om kloosterling te worden versterkt werd en het verwezenlijkte, »o »kinderen der wereld! gij hebt geen begrip van de zaligheid, die men ,na eene generale Biecht en na de .ontvangen absolutie ondervindt: jkendet gij ze, dan zouden er geene biechtstoelen genoeg worden ^gevonden om u te hooren.quot; Het volgende voorbeeld geeft ons een duidelijken blik in het hart van een zondaar, die door eene oprechte belijdenis den vrede had herkregen. In Beieren leefde in de vorige eeuw een ijverig Priester, Pater Hofreuter, die door zijne bizondere gave om de zondaren te treffen en te bekeeren wijd en zijd beroemd was. Een herberghouder, die sinds jaren een grooten zondenlast op het hort droeg, doch eindelijk door de genade werd bewogen, voor het heil zijner ziel zorg te dragen en zich niet langer aan het ontzettend gevaar van een eeuwigen dood bloot te stellen, besloot tot dezen braven Priester zijne toevlucht te nemen. Hij zadelde zijn paard en reed naar de stad, waar Pater Hofreuter woonde. Toen hij aan de pastorie was gekomen werd de arme man door zulk eene schaamte en vrees bevangen voor de belijdenis zijner zonden, dat hij den moed niet had aan te kloppen. Maar zie, daar kwam de Pater, die hem bemerkt had, naar buiten en sprak hem vriendelijk aan. ,/Vriend, «gij wilt biechten, niet waar? Kom binnen, ik ben tot uw dienst.quot; — Toen de waard na de Biecht zijn paard besteeg om weder huiswaarts te. keeren, zeide hij schertsend: //Nu, mijn paardje, draagt gij wel jhonderd pond minder naar huis.quot; — Sinds dien tijd was de man geheel veranderd. Toen hij zes jaren later op zijn sterfbed lag, en zijn pastoor hem door het ontvangen der HH. Sacramenten tot den dood had voorbereid, sprak hij tot dezen: //Ik bid u, zeg na mijn «overlijden aan Pater Hofreuter tot zijn troost en tot lof der godde-«lijke genade, dat ik sinds mijne bekeering, aan de belofte van »mij ernstig te beteren en boetvaardigheid te doen ben getrouw ge-//bleven, dat ik in de laatste zes jaren niet slechts do doodzonde, maar «zelfs elke vrijwillige dagelijksche zonde heb vermedenquot; (Stöger\'s Himmelskrone).
2) Gelijkluidend zijn de woorden van den H. Chrysostomus in zijne preek over de samaritaansche vrouw.
470
a) Als er in de Biecht iets is achtergebleven, wat men verplicht was te belijden, dan moet men op de volgende twee punten letten: aa) heeft men het vergeten, dan kan men het in de eerstvolgende Biecht insluiten. Ofschoon namelijk door de absolutie alle groote zonden, ook de schuldeloos vergeten, worden weggenomen, blijft toch met betrekking tot de laatste de strenge verplichting bestaan, ze in de eerstvolgende Biecht te belijden; of dit bij denzelfden of bij een anderen biechtvader geschiedt, doet op zich zelve beschouwd niets ter zake. De reden daarvan ligt in het gebod van Jesus Christus om alle zware misdrijven aan het oordeel van den Priester, den rechter door Hem aangesteld en aaogewezen, te onderwerpen. Zou iemand zich nog vóór de H. Communie eene doodzonde herinneren, dan moet hij, als het zonder groot bezwaar kan gebeuren, die nog biechten, alvorens tot de tafel des Heeren te naderen. Uit is tenminste een godvruchtig en loffelijk gebruik, dat door de Godgeleerden wordt aanbevolen. Doch indien men niet gevoegelijk zou kunnen biechten, dan behoeft men daarom de H. Communie niet achter te laten; want ofschoon de zonde in het geheugen terugkeert, keert zij toch niet in het hart terug. Indien iemand, die verlangt te communiceeren, eerst aan de communiebank eene doodzonde indachtig wordt, dan is hij niet verplicht met gevaar van argwaan en ergernis te verwekken terug te gaan. In dat geval moet hij gerust en zonder vrees de H. Communie ontvangen. Al zou hij den tijd niet meer hebben om een volmaakt berouw te verwekken, dan behoeft hij toch niet te vreezen, dat zijne Communie eene heiligschennis zal wezen. ■— bb) Heeft men echter eene doodzonde weggelaten, óf omdat men zich schaamde, die te belijden, óf omdat men zijn geweten niet ijverig had onderzocht, dan moet men ook zeggen in hoevele Biechten men ze op schuldige wijze heeft achtergelaten, en die Biechten herhalen. De Biecht, waarin men met opzet iets verzwijgt, wat men verplicht was te zeggen, is, zooals boven reeds gezegd, werd, ongeldig. Eveneens is de Biecht ongeldig, waarin men zijne zonden belijdt, zooals zij ons te binnen komen, zonder zich eerst eenige moeite gegeven te hebben om ze behoorlijk te kennen; want in dat geval moet de bieshteling de onvolkomenheid der beschuldiging aan zich zeiven wijten, aan zijn gebrek aan goeden wil toeschrijven. Dewijl nu door eene onwaardige Biecht volstrekt geene zonden worden vergeven, maar integendeel de schuld met eene heiligschennis wordt vermeerderd, spreekt het van zelf, dat men, zoo wel in het eene als in het andere geval, waarvan wij
471
spraken, in de volgende Biecht niet slechts de achtergelaten of verzwegen, maar ook al de doodzonden, die men toen gebiecht heeft, moet herhalen en bovendien verplicht is, den biechtvader te kennen te geven, hoe dikwijls men eene ongeldige Biecht heeft gesproken.
3) Duidelijk is de Biecht, als men zich zoo uitdrukt, dat de biechtvader alles verstaat en den toestand onzer ziel goed kan kennen. Het is niet voldoende in de Biecht alles oprecht te bekennen, wat wij verplicht zijn te belijden, wij moeten het ook doen op die wijze, dat de biechtvader alles verstaan en zonder moeite den toestand onzer ziel begrijpen en beoordeelen kan. Dit zal gebeuren, als men in den biechtstoel, a) noch te zacht noch te snel, maar zóó spreekt, dat de biechtvader alle woorden verstaan kan en niet door gedurig vragen de belijdenis moet onderbreken. Indien men te zacht of te snel spreekt in de hoop, dat de Priester eenige zonden niet zal hooren of verstaan, dan ontbreekt in die Biecht terstond de vereischte oprechtheid. — l) Als men zich bij de beschuldiging niet van algemeens en onbepaalde uitdrukkingen bedient. Algemeene uitdrukkingen, als; „ik heb God niet bemind, ik heb kwaad ge-„dacht en gesproken,quot; doen den biechtvader niet lezen in de ziel van den biechteling: deze moeten daarom vermeden worden. Duidelijk is de Biecht eerst dan, als men de zonde bij haren naam noemt, haren aard en soort aantoont. Dat zal gewis ieder doen, die in oprechtheid des harten alles wil biechten, waaraan hij zich voor God schuldig kent. Ook moet men die spreekwijzen verwerpen, waardoor men zekere zonden tracht te bewimpelen, bijv. als men zegt: „Ik heb toegegeven aan onpassende gedachten,quot; en daaronder onkuisehe begeerten of zelfs onzuivere daden verstaat, of als men zich beschuldigt van „teederheidquot;\' jegens personen van het andere geslacht, terwijl misschien het ergste is voorgevallen. Zoodanige Biechten zijn inderdaad meer onoprecht en onvolkomen dan onduidelijk te noemen. De duidelijkheid wordt ook daardoor bevorderd, c) dat men in de Biecht niet alles onordelijk dooreenhale en niet veel er bij voege, wat tot de zaak niets afdoet en de beschuldiging verward maakt. Ook dit is somtijds eene kunstgreep der onoprechtheid, dikwerf ook het gevolg van natuurlijke onbeholpenheid, praatzucht en meestal van gebrek aan een behoorlijk voorafgaand onderzoek des gewetens.
Wat is eene generale Biecht, en wat valt er lij op te merken ?
Eene generale Biecht is eene belijdenis, waarin men al
472
zijne Biechten of eenige daarvan herhaalt, de zonden belijdt van het geheele leven of van een gedeelte daarvan.
Daarbij valt op te merken, dat zij somtijds noodzakelijk, somtijds, schoon niet noodzakelijk, evenwel nuttig en raadzaam is, in enkele gevallen schadelijk kan zijn.
1) Noodzakelijk is de generale Biecht, zoo dikwijls als de vorige biechten ongeldig waren, hetzij uit gebrek aan oprechtheid, aan berouw en voornemen, of wegens strafwaardige nalatigheid in het onderzoek des gewetens.
Dat en in hoeverre de Biecht ongeldig is bij gebrek aan oprechtheid en volkomenheid der belijdenis, bij gebrek aan berouw over de bedreven zonden en aan voornemen om zijn leven te beteren, eindelijk door strafwaardige nalatigheid in het onderzoek des gewetens, is in de vorige af deeling breedvoerig aangetoond. Wat het voornemen betreft, is het goed zich te herinneren, dat het dikwijls gebrekkig is, omdat men niet den oprechten wil heeft om de naaste gelegenheid te verwijderen, het gestolene terug te geven, de toegebrachte schade te herstellen , den vijanden te vergeven en de wraakzucht af te leggen, of ook om de voldoening, die werd opgelegd, te volbrengen. Heeft men nu de zekerheid van in een der opgenoemde punten sinds eene reeks van Biechten zijn plicht, zooals tot de geldigheid van het Sacrament, van Boetvaardigheid geeischt wordt, verzuimd te hebben, dan moeten die Biechten ongetwijfeld herhaald worden; zou men echter daarover in twijfel verkeeren, dan moet men zijn biechtvader vragen of men eene generale Biecht moet spreken of niet, en zich aan diens beslissing houden.
2) Nuttig en raadzaam, is in den regel de generale Biecht: d) bij de voorbereiding tot de eerste R. Communie. Daardoor worden namelijk niet slechts de gebreken der Biechten van de kinderjaren weder goed gemaakt, maar ook de gevoelens van ootmoedigheid en berouw, waarmede men tot de tafel des Heeren moet naderen, dieper ingeprent, en de ijver om zich voor deze hoogst gewichtige daad zoo goed mogelijk voor te bereiden en het hart van elke vlek der zonde te zuiveren in hoogen graad opgewekt, h) Bij het aanvaarden van een levensstaat. Het aanvaarden van een nieuwen levensstaat, namelijk van het huwelijk, van den priesterlijken of kloosterlijken staat, moet door eiken Christen als een zeer gewichtige stap, waarvan het geluk of ongeluk voor tijd en eeuwigheid afhankelijk is, beschouwd worden, en daarom met een zuiver, voor de genaden van dien nieuwen staat of van het nieuwe beroep ontvankelijk hart geschieden. Dat doel wordt door eene goede generale Biecht bereikt. Deze geeft bovendien niet slechts rust aan het geweten met
473
betrekking tot het verledene, maar ook de beste boop voor de toekomst en frisscben moed om den nieuw betreden weg, in weerwil van de zicb voordoende moeielijkbeden, met God te bewandelen, cj hi gevaarlijke zieJele. Eene ernstige ziekte kan ons in de armen des doods voeren; deze opent de poorten der eeuwigheid en brengt ons voor den gestrengen goddelijken Eechter. Zal iets ons beter gerust kunnen stellen dan, terwijl bet nog tijd is, ons door eene rouwmoedige Biecht van geheel het leven voor den plaatsbekleeder van God zeiven te oordeelen, opdat wij aan de overzijde des grafs niet veroordeeld worden ? Hoe getroost sterven zij gewoonlijk, die zoo hunne rekening met den hemel hebben opgemaakt! d) Ten tijde van een Jubilee of eene Missie, enz. De tijd van een Jubilee of jubeljaar (waarover later nog zal worden gesproken) is een tijd, waarin de H. Kerk in den naam van God de schatkamer der genaden en barmhartigheden van Jesus Christus ontsluit en ieder barer kinderen veroorlooft, daaruit naar behoefte te nemen. Niets echter maakt het hart van den Christen geschikter om de volheid der barmhartigheden van den Heiland te ontvangen, dan de zuivering door eene goede generale Biecht. — Ook de Missie, wanneer namelijk aan het geloovig volk in eene reeks van predikatiën de groote waarheden des geloofs en der christelijke zedeleer duidelijk voorgesteld en op het hart gedrukt worden, ook deze plechtige dagen zijn een zeer geschikte tijd om eene Biecht van geheel het leven te spreken, bijaldien men zulks nog niet gedaan heeft, of van de laatste generale Biecht af zijne andere Biechten te herhalen; zij zijn een zeer geschikte tijd, niet slechts omdat aan de Missie, zooals aan het JubiLee, geheel bizondere genaden zijn verbonden, maar ook omdat door de veelvuldige predikatiën het verstand der aanhoorders verlicht, het hart geroerd en zoo het gewetensonderzoek gemakkelijk gemaakt wordt, en de ware stemming tot boetvaardigheid ontstaat. — 3) Eindelijk moeten wij wel opmerken, dat ofschoon met het volste recht kan gezegd worden, dat de algemeene Biecht in genoemde gevallen en in vele andere gewoonlijk nuttig en raadzaam is, vooral, wanneer men nimmer in zijn leven er eene heeft gesproken, het toch van den anderen kant niet te loochenen is, dat er soms personen zijn, wien men de generale Biecht niet kan aanraden. Dit geldt vooral angstvallige personen, die altijd meenen in hunne Biechten iets achterwege gelaten of niet duidelijk genoeg gezegd te hebben; die zich verbeelden, dat de biechtvader hen niet verstaan heeft of hen te gunstig beoordeelt, dat het hun aan het noodige berouw, aan goed
474
voornemen, en God weet aan wat al ontbreekt; beklagenswaardige zielen, die te ongeruster worden, naarmate zij meermalen eene algemeene Biecht spreken. Dergelijke biechtelingen moeten zich op hunnen biechtvader verlaten, als bij hun niet veroorlooft, eene generale Biecht te spreken; voor hen is de gehoorzaamheid aan hunnen biechtvader onvergelijkelijk beter en heilzamer dan eene generale Biecht, waarmede zij zich zei ven en den biechtvader, die hen aanhoort, kwellen.
Boe moet men zich lij de Biecht zelve gedragen?
Men trede in den geest van ootmoedigheid en berouw den biechtstoel binnen, zooals eens Maria Magdalena de zaal binnentrad, waarin Jesus, van wien zij de vergiffenis barer zonden hoopte, zich bevond. Vervolgens kniele men, gelijk die boetelinge voor Jesus, haren goddelijken Verlosser en geneesheer, voor den plaatsbekleeder van Jesus Christus vol geloof en vertrouwen neder, en nadat men den zegen des Priesters heeft gevraagd en zich met het H. teeken des kruises heeft geteekend, beginne men zijne zondenbelijdenis met de volgende woorden: „Ik arm, „zondig mensch beschuldig mij voor God den Almachtige „en voor u Priester in de plaats van God, van de volgende zonden, die ik bedreven heb sinds mijne laatste „Biecht, welke heeft plaats gehad\'\' .... Dan belijdt men zijne zonden en sluit de aanklacht met de volgende of dergelijke woorden: „Deze en alle zonden van geheel „mijn leven doen mij leed en ik betreur ze uit den grond „mijns harten, omdat ik God, het hoogste en beminnens-„waardigste goed, daardoor heb beleedigd. Ik verfoei al „mijne zonden en neem mij vastelijk voor, mijn leven te „verbeteren en niet meer te zondigen. Ik bid om eene „heilzame penitentie en de priesterlijke absolutie.\'\' — Dewijl eene dergelijke voor- en nabiecht niet noodzakelijk tot de belijdenis behoort, maar slechts een passend begin en slot vormt, kan men ze, wanneer het aantal biechtelingen groot is, verkorten of geheel weglaten en de belijdenis alleen met de aangifte van den tijd, dat men zijne laatste geldige Biecht heeft gesproken, beginnen, en met de bede om penitentie en absolutie eindigen.
Na de belijdenis van den biechteling volgt de toespraak des biechtvaders. Men is verplicht aan deze toespraak en de penitentie, die de biechtvader oplegt, wel zijne aandacht te schenken, en wanneer men over een en ander ondervraagd wordt, oprecht en ootmoedig te antwoorden.
475
Als de biechteling inderdaad met den geest des geloofs is doordrongen, zal het hem voorzeker niet zwaar vallen, te luisteren naar de vermanende en onderwijzende woorden van hem, wien hij als den plaatsbeldeeder van Jesus Christus erkent en eert. Het zal hem tot grooten troost verstrekken als hij herhaalt, hetgeen de godvruchtige jongeling Samuël tot God zeide: „Spreek Heer, uw dienaar hoort!quot; (1 Kon. III, 10). Spreek Vader, uw zondig kind luistert; het is bereid alles te doen, wat Gij door den mond van uwen plaatsbekleeder van hem eischt. — Gedurende die toespraak geve men niet toe aan verstrooiing door een angstvallig nadenken, of men ook eene zonde heeft vergeten. Herinnert men zich nog eene doodzonde, of wordt die ons door de toespraak zelve in het geheugen geroepen, dan vreeze men niet haar te belijden, doch wachte daar-meê tot na de toespraak, indien zulks kan geschieden zonder gevaar van ze nogmaals te vergeten. De gewoonte van godvruchtige personen, die, terwijl de biechtvader de gebeden spreekt, welke de absolutie voorafgaan, nog in stilte eene akte van berouw verwekken, is zeer loffelijk en aanbevelenswaardig.
Indien de Priester den Biechteling de absolutie weigert, moet deze zich nederig aan het oordeel des biechtvaders onderwerpen en door ware beternis zich die waardig maken. — De biechtvader mag als rechter in de plaats van Christus over de hem geschonken macht der zondenvergeving niet willekeurig beschikken, maar moet ze gebruiken volgens den wil en het voorschrift van Hem, die ze hem tot opbouw, niet tot verwoesting heeft verleend. Het hangt dus van hem niet af, aan ieder, die komt biechten, de absolutie te geven; slechts aan hen, die het waardig zijn, mag hij deze genade mededeelen. Verstoutte hij zich, een onwaardige vrij te spreken, dan zou hij hem door het misbruik zijner volmacht volstrekt niet van dienst, maar tot eene nieuwe heiligschennis behulpzaam zijn, en op die wijze zoowel den biechteling als zich zelvea de grootste schade berokkenen. Bespeurt de Priester, dat de biechteling de absolutie onwaardig is, ziet hij bijv., dat deze voortleeft in eene zonde van gewoonte en na herhaalde Biechten zich niet verbetert en ook de geschikte middelen tot verbetering niet heeft aangewend, dat hij het vreemde goed niet teruggeven, de veroorzaakte schade niet herstellen, de gegeven ergernis niet weder goed maken, den vijand niet vergeven en de naaste gelegenheid niet verlaten wil, hoewel hij dit kan en moet, dan is hij als rechter in de plaats van God verplicht hem, al zouden ook de
476
schoonste beloften gedaan worden, de absolutie te weigeren, dat is , zoo lang uit te stellen, totdat hij in de opgenoemde gevallen aan zijne verplichting heeft voldaan. Werd de biechteling toornig op den biechtvader, omdat deze hem de absolutie weigert of uitstelt, dan zou hij even dwaas als zondig handelen; dwaas, omdat voor hem, zooals boven werd opgemerkt, de vervulling van zijn wensch verderfelijk zou wezen; zondig omdat hij door zijn toorn den Priester tracht over te halen, verraad te plegen aan zijne heiligste verplichting. Niets is ongerijmder dan de bedreiging, welke de Priester soms bij zulke biechtelingen moet hooren: „Als „mij de absolutie niet wordt gegeven, dan biecht ik nimmer „meer.quot; Als gij u niet wilt verbeteren, dan doet gij inderdaad veel beter volstrekt niet te biechten; maar dan ook moogt gij zelf toezien, hoe gij de eeuwige verdoemenis zuJt ont-loopen. In allen gevalle is het beter, dat gij alleen verloren gaat, dan dat gij een biechtvader met u ten ondergang sleept.
§ amp;. ver de Voldoening.
Elke verschuldigde vergoeding voor de beleediging, die men een ander heeft aangedaan, wordt in het algemeen voldoening genoemd. Zoo gaf Jesus Christus, gelijk elders reeds verklaard werd, aan zijn hemelschen Vader eene volkomen voldoening voor al de beleedigingen Hem door de menscheu aangedaan. Doch hier wordt door het woord „voldoening\'\' bizonder de vergoeding verstaan, welke wij den beleedigden God geven, terwijl wij het boetewerk volbrengen, dat de biechtvader, na de belijdenis der zonden gehoord te hebben, ons oplegt. Die voldoening dient tot voltooiing van het door Jesus Christus ingestelde Sacrament van Boetvaardigheid, en de biechtvader is daarom verplicht den biechteling eene zoodanige boete op te leggen, en deze is verplicht, ze te volbrengen. Toen de Kerkvergadering van Trente (Zitt. 14. hfdst. 8.) voorschreef: „De biecht-„vaders zullen naargelang der misdaden en krachten van „den boeteling eene heilzame en geëvenredigde boetedoening „opleggen,quot; heeft zij niets nieuws ingevoerd, maar slechts strenger vastgesteld, wat Christus zelf geboden en de katholieke Kerk ten allen tijde standvastig opgevolgd heeft. Inderdaad alle poenitentialia zoowel der grieksche als der latijnsche Kerk, alsmede de talrijke besluiten van kerkelijke
477
Synoden sinds de eerste christeneeuwen, in ëen woord, alle kerkelijke overleveringen leggen een ontegensprekelijk getuigenis af, dat altijd de absolutie der zonde gepaard ging met de oplegging eener boetedoening, die haar óf voorafgaan óf volgen moest. — Deze boete werd steeds en wordt thans nog den biechteling opgelegd: 1) tot afboeting der tijdelijke straffen van de zonden, 2) tot verbetering zijns levens. Zoo ook schrijft het de genoemde Kerkvergadering den biechtvaders voor met de woorden: „Zij zullen voor „oogen houden, dat de boete, welke zij opleggen, niet „slechts tot behoud van het nieuwe (door het Sacrament der Biecht weder verkregen) „leven en tot genezing der „krachten van de ziel verstrekke, maar ook tot tuchtiging „en straf voor de bedreven zonden; want de sleutels der „Priesters zijn niet slechts gegeven om te ontbinden, maar „ook om te binden.\'\' Hetzelfde Concilie beveelt uitdrukkelijk, dat men ook tot straf en tuchtiging boete moet opleggen, omdat de nieuwe leeraars (de dwaalleeraren der zestiende eeuw) in dit opzicht de katholieke leer met haat bestreden en hoogstens toegaven, dat men slechts boete mag voorschrijven met het doel om het leven te verleteren. Volgens de leerstellingen der katholieke Kerk zal de biechtvader dus zoowel aan bestraffing als aan verbetering moeten denken; hij moet handelen als rechter, wiens plicht het is voldoening te eischen voor de beleedigingen der goddelijke Majesteit aangedaan; als geneesheer, wiens plicht het is, de ontdekte wonden der ziel te heelen en voor de toekomst te voorkomen.
Vergeeft God met de zonden, niet tevens alle straffen?
De eeuwige straf scheldt God kwijt met de zonde, doch riet altijd de tijdelijke, dat is, niet altijd die straf der zonde, welke wij óf op aarde óf in het vagevuur moeten afboeten.
Te dien aanzien verklaart de Kerkvergadering van Trente (t, a. p.): „Het is valsch en strijdig met het woord Gods „te beweren, dat door den Heer telkens met de schuld „ook de geheele (eeuwige en tijdelijke) straf wordt kwijtgescholden.\'\' In de H. Schrift toch vinden wij duidelijke en treffende voorbeelden, waardoor, evenals door de goddelijke leer der overlevering, deze dwaling tastbaar wordt wederlegd. Inderdaad men behoeft niet verre te zoeken, om dergelijke voorbeelden in de H. Schrift te vinden. Op de voorbede van Mozes vergeeft God aan het volk Israëls de zonde van afgoderij en belooft, dat zijn Engel wederom
478
voor hen zal uitgaan; maar niettemin zeide hij tot Mozes: „Ik wil ook deze hunne zonde wreken op den dag der „wrakequot; (2. Mos. XXXII, 34), dat is, de tijdelijke straf daarvoor zal niet uitblijven. Toen later het weerspannig volk morde tegen Mozes en Aaron en de eerste opnieuw den Heer om vergeving smeekte, sprak God tot den smee-kende; „Ik heb vergeven om uwe bede.... doch niet één „hunner, die mij gelasterd heeft, zal het land aanschouwen, „dat Ik hunnen vaderen met eede beloofd hebquot; (4. Mos. XIV, 20—23). En ofschoon God ongetwijfeld aan Mozes en Aaron hunne zonde van kleingeloovigheid en wantrouwen aan zijne macht had kwijtgescholden, mochten zij toch het beloofde land niet binnengaan, maar moesten in de woestijn sterven (4. Mos. XX). Bizonder opmerkelijk is het voorbeeld, dat wij in het tweede boek der Koningen (XII, 13, 14) vinden opgeteekend. David had grootelijks gezondigd, doch op de vermaning van den Profeet Nathan zijne zonden in de diepte zijns harten en oprecht betreurd. Daarom sprak de Profeet, door God verlicht, tot den berouwhebbenden koning; „De Heer heeft de zonde van u „weggenomen, doch uw zoon zal den dood sterven.\'\' Wij zelve dragen ook een droevig voorbeeld met ons om. Wij allen toch hebben in het H. Doopsel de volkomen vergiffenis van de erfzonde gekregen, en evenwel zuchten wij nog dagelijks onder het zware juk der tijdelyke straffen, de gevolgen van de rampzalige zonde onzer stamouders. Het zal overbodig zijn de woorden der HH. Vaders aan te halen, die eenstemmig leeren, dat er dikwijls na de vergeving der zonden nog tijdelijke straffen overblijven, daar de bestrijders des geloofs dit algemeen toegeven.
Wat is hun antwoord op dit bewijs der overlevering? „Ik bekommer mij weinig,\'\' antwoordt Calvijn, \') „over „hetgeen men dikwijls in geschriften der ouden leest van „de af boeting der zondenstraffen. Ik zeg eenvoudig, dat „bijna alle oude schrijvers, wier werken tot ons zijn ge-„komen, op dit punt gedwaald of zich al te scherp en al „te gestreng hebben uitgedrukt.quot;
Vraagt men nu, waarom God in het Sacrament der Biecht met de eeuwige straffen niet immer ook de tijdelijke straffen geheel kwijtscheldt, dan geven wij, in overeenstemming met den zin van de Kerkvergadering van Trente, het volgende ten antwoord: 1) Hij doet dit uit rechtvaardigheid, opdat wij namelijk door het lijden der straf eenige vergoeding zouden schenken voor de beleediging, Gode aan-
\') Institut. Lib. I. c. 4. § 38.
479
daan. Zoo geschiedt het ook meermalen, dat een aardsch vorst den oproerling de verdiende doodstraf uit goedheid kwijtscheldt, maar hem toch, opdat ook de rechtvaardigheid hare rechten handhave, eene meer of minder lange gevangenisstraf, verbanning of wel eene geldboete oplegt en zoo de zwaardere straf in deze lichtere verandert. En hoewel in het Sacrament des Doopsels alle, ook tijdelijke stratfen, worden vergeven, kan men daaruit nog niet besluiten , dat hetzelfde in het Sacrament van Boetvaardigheid gebeurt. Integendeel moet ieder met genoemde Kerkvergadering zeggen: „De goddelijke rechtvaardigheid schijnt „te eischen, dat degenen, die vóór het Doopsel mt onwe-„tendheid misdeden, op eene andere wijze weder in genade „worden aangenomen dan zij, die eenmaal van de slavernij „der zonde en van Satan bevrijd, na de ontvangen gave „des H. Geestes niet schroomden den tempel Gods te ontheiligen en den H. Geest te bedroeven.quot; 2) TJit goedheid jegens den zondaar, opdat wij uit vrees voor de straf ons voor den herval in de zonde met zorg zouden hoeden. Gaarne zal een vader den misslag, welken zijn kind voor \'t eerst bedrijft, ongestraft door de vingers zien, als het namelijk inziet en betreurt dat het misdeed, vergeving vraagt en beterschap belooft. Doch als het kind hervalt, dan zal ook het gedrag des vaders anders wezen. De vaderlijke liefde zelve zal hem aansporen, het hervallen kind te bestraffen, opdat de hoop van ongestraft te blijven het niet verleide voor de tweede en derde male te hervallen. Niet anders is de verhouding tusschen God en den Christen , die na het H. Doopsel weder in zonden valt. Daarom zegt ook het Concilie van Trente: „Het is geheel overeen-„komstig de goddelijke goedheid, ons de zonden niet zon-„der eenige voldoening te vergeven, opdat wij daarin geene „aansporing vinden om de zonde als iets gerings te achten, „en, den 11. Geest smadend, nog in grootere te vallen en de „wrake Gods voor den dag des oordeels op ons hoofd te „vergaderen. Want deze straffen der voldoening houden „ongetwijfeld den boetvaardige meer van de zonde terug, „zij weerhouden hem als met een teugel en maken hem „voor de toekomst voorzichtiger en waakzamer, genezen „ook de overblijfselen der zonden en delgen de booze ge-„woonten uit, gedurende het zondig leven aangenomen, „door de tegenovergestelde beoefening van deugd.quot;
Als de dwaalleeraren, van wie de Kerkvergadering van Trente (t. a. p.) zegt, dat zij den schijn van deugd bezitten, maar hare kracht verloochenen, de eindelooze voldoe-
480
ning van Christus voorwendend, tegen de katholieke leer inbrengen, dat Christus overvloedig voor onze zonden heeft voldaan en dus ons van alle verdere voldoening voor *t vervolg heeft ontslagen, dan kunnen wij hun gevoegelijk antwoorden: Christus heeft ook voor ons gebeden en geleden, en toch ons niet ontslagen van de verplichting om te bidden en te lijden. Het is inderdaad de wil van God, dat ook wij bidden en lijden om zalig te worden. „Bidt „voor elkander,quot; zoo zegt de H. Jacobus, „opdat gij zalig „moogt worden;quot; en de H. Paulus (Rom. VIII, 17): „Als „wij met Christus lijden, dan zullen wij ook met Hem ver-„ heerlij kt worden.quot; Het is er zoo verre af, dat de alles overtreffende voldoening van Christus ons van den plicht om zelve voldoening te geven zou ontslaan , dat zij integendeel ons veel dringender daartoe aanmaant. Want juist omdat Christus, de schuldelooze, ons voorging met het voorbeeld der grootmoedigste voldoening, moeten wij, schuldigen, ons dringend aangespoord voelen, de beleedigde goddelijke Majesteit te voldoen en zoo, als lidmaten van zijn geheimzinnig lichaam, Hem, ons goddelijk Hoofd en Voorbeeld, ook in de boetpleging gelijkvormig te worden. Dat bedoelt ook de bovengenoemde Kerkvergadering, als zij zegt: „Als wij tot voldoening onzer zonden lijden, „worden wi] gelijkvormig aan Jesus Christus, die voor onze „zonden voldaan heeft.quot; Ook dragen wij de voldoeningen, die wij voor onze zonden op ons nemen, niet anders aan den hemelschen Vader op dan in vereeniging met de oneindige voldoeningen van onzen Verlosser Jesus Christus, en zijn wij vast overtuigd, dat deze uit zich zelve niet in staat zijn, ons van eenige straffe, welke ook, te ontslaan; dat zij hare kracht ontleenen aan Hem, die alleen bij machte was den vertoornden Vader in den hemel eene geheele voldoening te schenken, namelijk aan Jesus Christus, die, zooals het Concilie van Trente zich uitdrukt, onze voldoening den Vader aanbiedt, en door wiens bemiddeling zij door den Vader wordt aangenomen. Willen de bestrijders van ons geloof ons om deze leer beschuldigen, dat wij Christus verdiensten verkleinen en de leer der zelfrechtvaardiging huldigen, dat zij dan allereerst den H. Paulus aanklagen, die zeide: „Ik vul aan in mijn vleesch, wat nog aan het „lijden van Christus ontbreekt quot;
Van wien heeft de PrieHer de macht om boeiwerJcen op te leggen?
Van Jesus Christus, die aan zijne Kerk de macht schonk niet slechts om te ontbinden , maar ook om te binden.
481
Met de macht om de zonden te vergeven ontvangt de Priester des Heeren tevens de macht om ze te houden, of slechts te vergeven onder voorwaarde, dat de biechteling bereid zij, die voldoening te geven, welke hij als rechter en geneesheer gepast oordeelt hem voor te schrijven. Yandaar de uitdrukkelijke verklaring van het Concilie van Trente (Zitt. XIV. Can. 15): „Indien iemand zegt, dat de sleutels „der Kerk slechts om te ontbinden en niet om te binden „zijn gegeven, en dus de Priesters, als zij den biechteling „eene boetpleging oplegger , in strijd handelen met het doel „der sleutelmacht en met de instelling van Christus, en dat „het een ijdel verdichtsel is, dat na de uitdelging der eeuwige „straf nog eene tijdelijke te boeten overblijft, die zij in den „ban.quot; Zoo dacht en leerde reeds eeuwen vroeger de H. Leo de Groote. In een zijner brieven schrijft hij in dien zin het volgende: „De Middelaar tusschen God en de „menschen heeft aan de bestuurders der Kerk de macht „verleend, om den biechtelingen boetwerken op te leggen, „en hen , nadat zij door eene heilzame voldoening gereinigd „zijn, tot de deelname aan de geheimen door de deur der „verzoening toe te laten.quot;
Is de Biecfd ongeldig, als men de opgelegde loste niet volbrengt?
Als men na de Biecht de poenitentie niet volbrengt, maar toch in de Biecht den wil had, ze te volbrengen, dan is de Biecht niet ongeldig; doch men begaat eene zonde en berooft zich van vele genaden.
Hetzelfde geldt van de boete wat aangaande het voornemen gezegd is. Als men in de Biecht geen goed voornemen, geen ernstigen wil heeft, om zijn leven te verbeteren, dan is die Biecht ongeldig — de zonden worden niet verbeven; wie daarentegen in de Biecht werkelijk een goed voornemen heeft, maar het na de Biecht niet houdt, heeft, hoewel hij zich door het verbreken van zijn voornemen aan eene nieuwe zonde schuldig maakt, evenwel geldig gebiecht, hem zijn in de Biecht de zonden vergeven en zij blijven vergeven, ondanks de ongetrouwheid aan zijn goed voornemen. Datzelfde geldt ook van de sacramenteele boete-pleging. Wie namelijk in de Biecht den oprechten wil heeft om de boete door den biechtvader opgelegd te volbrengen, diens Biecht is geldig, zelf wanneer hij later uit onverschilligheid of strafwaardige nalatigheid ze geheel of gedeeltelijk niet volbrengt. Hij maakt zich echter aan eene nieuwe zonde schuldig, omdat hij verzuimt God de
nEHARBE, GELOOrSLEEU. DRUK. IV. 31
482
verschuldigde voldoening te geven en aan de Kerk als uitdeelster van het Sacrament van Boetvaardigheid te gehoorzamen, zooals hij verplicht was. Die strafwaardige nalatigheid in het volbrengen van de geheele poenitentie of van een voornaam gedeelte der hoete is eene groote zonde, als zi] tot voldoening voor groote zonden of als behoedmiddel tegen het kwaad is opgelegd. In de overige gevallen is, volgens de leer der meeste Godgeleerden, het verzuim van de boete slechts eene dagelijksche zonde. — Wie de opgelegde boete niet volbrengt, berooft zich daarenboven van vele genaden. De boetpleging namelijk door den Priester in den rechterstoel van Boetvaardigheid voorgeschreven heeft dit eigen, dat zij niet slechts uit haren aard zooals andere geschikt is om de tijdeliike straffen uit te delgen, maar dat zij ook op geheel bizondere wijze uit kracht van het H. Sacrament tot de uitdelging daarvan medewerkt. Bovendien kan men niet ontkennen, dat de bedoelde boetplegingen meestal dienen om den zondaar voor den herval te behoeden, hem moed en kracht tot den strijd te verleenen, en dat dus degene, die verzuimt ze te volbrengen, zich zeiven een krachtig middel tot verbetering des levens ontrooft.
Ieder geloovige moet zich derhalve bevlijtigen, na de H. Biecht de opgelegde boete te volbrengen volgens den wil en het voorschrift van den biechtvader. Heeft deze den tijd bepaald, wanneer de boete moet worden volbracht, dan houde men zich gestreng aan die bepaling; schrijft daarentegen de biechtvader geen tijd voor, dan is het \'t beste de poenitentie terstond te verrichten. Wanneer men niet uitstelt, de boete te volbrengen, zal men het gevaar ontgaan van ze te vergeten of ze dan eerst te verrichten, als men weder in eene groote zonde is gevallen, en derhalve het doel der poenitentie verijdeld is geworden. Want ofschoon men door het volbrengen der boete in staat van doodzonde wel voldoet aan het voorschrift van den biechtvader , en dus niet verplicht is ze later te herhalen, is het toch zeker te vreezen, dat die boetewerken niets vermogen tot uitdelging van de tijdelijke straffen der zonde, omdat slechts hij, die in staat van genade, in de vriendschap van God is, verdienen en voldoen kan. Heeft iemand het volbrengen der boete uitgesteld tot na den tijd door den biecht\' vader bepaald, dan mag hij zich daarvan volstrekt niet ontslagen achten, maar moet de voorgeschreven boete zoo spoedig mogelijk volbrengen.
Het staat den biechteling nimmer vrij, de opgelegde boete in eene andere, zelfs niet in eene betere of zwaardere te veranderen. Die verandering kan slechts in den rechter-
483
stoel van Boetvaardigheid en door den bedienaar van het Sacrament der Biecht op wettige wijze geschieden. Mocht iemand wegens ontstane verhindering of al te groote moeie-lijkheid om de boete ts volbrengen, voldoende redenen hebben, eene verandering te vragen, dan kan dat slechts gebeuren door den biechtvader, die ze oplegde, of ook door een anderen biechtvader, mits deze eerst kennis hebbe genomen van den gewetenstoestand van hem, wien hij eene andere boete zal voorschrijven. Wie de bedoelde verandering wenscht, moet dus bereid zijn, aan den Priester, wien hij daarom verzoekt, den toestand van zijn geweten te openbaren. Ziet de biechteling vooruit, dat hij de poeni-tentie, welke de biechtvader hem wil voorschrijven, met den besten wil niet kan volbrengen, dan is \'t het raadzaamste hem terstond met eerbied op deze onmogelijkheid opmerkzaam te maken. Men boude echter niet te lichtvaardig de boete voor onmogelijk of voor al te zwaar, maar bedenke, hoe onbeduidend de tegenwoordige boetple-gingen zijn, vergeleken bij de vroegere boetplegingen der Kerk en bij de straffen na dit leven, welke men heeft verdiend. \')
\') Van de kerkelijke boetplegingen, die in vroegeren tijd werden opgelegd, hebben wij er reeds in het derde deel, namelijk bij het tweede gebod, eenige opgenoemd. Wij laten hier als roorbeeld nog eenige bepalingen volgen. Wie bij eene waarzegster te rade ging, moest vijf jaren, en wie zicli zelve met waarzeggerij had ingelaten, zeven jaren lang boete plegen. Wie op zon- of feestdagen slavelijken arbeid verrichtte, moest gedurende drie dagen vasten op water en brood. Wie zijne ouders vervloekte, moest op dezelfde wijze veertig dagen vasten; wie hen geslagen of gestooten had, moest\'gedurende zeven jaren boete doen. Voor een overigens onschadelijken slag, welken men den naaste had gegeven, was een vasten van drie dagen, voor eene verwonding eene boete van een jaar voorgeschreven. Wie zijn broeder haatte en zich niet met hem wilde verzoenen, moest zoo lang vasten op water en brood, tot hij zich verzoend had. Voor verschillende zonden tegen de kuischheid moest men, zooals reeds boven bij het zesde gebod is gezegd, gedurende drie, tien, vijftien jaren, soms gedurende geheel zijn leven boetvaardigheid doen.
Openlijke misdrijven moesten ten aanschouwe der Kerk door openlijke boetvaardigheid uitgeboet worden. Omstreeks het midden der derde eeuw begon men dergelijke boetelingen te verdeden in vier klassen en te stellen op vier trappen van boetvaardigheid, om hen tot verzoening met God en met de Kerk te brengen. De eerste trap van boetvaardigheid was die der veenenden.. 1) Zij namelijk, die zich onder hun getal bevonden, verschenen in een haren boetekleed, het hoofd met asch bestrooid, aan den ingang van het kerkportaal, wierpen zich daar ter aarde en baden smeekend, onder zuchten en tranen, om de voorbede der binnentredende Priesters en geloovigen, opdat hun de genade mocht worden gegeven, eene heilzame boete
31*
1
wij halen ze hier aan naar het klassieke werk van Morinns de discipl. poenit. 1. VI. en Binterim\'s Gedenkwürdigk. Dl. V. 1.
484
Behoeven wij slechts de loete te volbrengen, die de biechtvader ons oplegt?
Wij moeten ook trachten door andere vrijwillige boetple-gingen en door geduld in lijden aan de goddelijke Eecht-vaardigheid voldoening te schenken.
te plegen en mot God en de Kerk weder verzoend te worden. Dit gebeurde zoo dikwerf als de geloovigen zich tot den dienst des Heeren verzamelden, bij weder en wind, zelfs des winters in de felste koude. — In het tweede tijdperk der boete mochten de boetvaardigen het portaal betreden en daar, evenals de Joden, heidenen en onge-loovigen, of ook wel in het achtergedeelte der kerk, de voorlezingen uit de H. Schrift en de predikatie aanhooren; insgelijks werden zij vermaand, geregeld het onderricht der catechumenen van de laagste klassen bij te wonen. Daarom werd deze trap der boete de trap der luisterenden genoemd. — Van dien trap klommen de openbare boetelingen tot den derden op, die de trap der liggenden oïknielenden weid geheeten, en waar zij gewoonlijk eens zoo lang moesten verwijlen als op de beide eerste. Aan hen was het geoorloofd in de kerk tot bij den kansel te naderen en de Mis der catechumenen bij te wonen. Het was steeds een buitengewoon tretïend gezicht, als de boetelingen, nadat de catechumenen waren heengezonden, hunne schuld belijdend en op hunne borst kloppend, nederknielden en zich, onder bidden om vergeving, met het aangezicht nederwierpen op den grond, dien zij met hunne tranen bevochtigden. Als zij zoo in diepen ootmoed en vermorzeling nederlagen, kwam de Bisschop van het altaar af, en, begeleid door zijne geestelijkheid, als middeliar tusschen God en de menschen, wierp ook hij zich ter aarde. Wanneer de Bisschop was opgestaan, en terwijl de geestelijken en geheel de gemeente onder tranen voor de boetelingen tot God smeekten, strekte hij zijne handen uit en gaf hun den zegen. Dan riclilte hij hen als een liefdevol vader op, moedigde hen aan tot volharding in de boet-pleging en liet hen gaan. — Wijl zij zich moesten nederwerpen op liet aangezicht, gelijk wij hebben beschreven, ontvingen de boetvaardigen, die op den derden trap stonden, den naam van liggenden (prostratorum). -— De laatste boete was die der staanden (consisten-tium). De boetelingen van die klasse werden aldus genoemd, wijl zij niet met de catechumenen weggingen, maar in gezelschap van de andere geloovigen het H. Offer geheel bijwoonden en met hen lof-en dankliederen mochten zingen; van het brengen van offergaven en van de deelname aan het Offer door de H. Communie bleven zij echter tot het einde van hunnen boetetijd uitgesloten. De boetvaardigen van die vierde klasse legden hunne boetekleederen af, en in het algemeen verdwenen bij hen alle openbare teekenen van boete. Df. Kerk stelde zich met de beschreven openlijke boete evenwel niet tevreden, bovendien werd aan iederen boeteling, voornamelijk aan ctie der derde klasse, eene bizondere boete opgelegd. Gestreng vasten, voortdurende versterving des lichaams, een ijverig gebed, daarbij rawe en harde arbeid was het dagelijksche werk van zulke boetvaardigen. Ook het gebruik der baden en het deelnemen aan openbare maaltijden was hun verboden; somtijds werd hun het verzorgen der zieken, het begraven der dooden en andere dergelijke liefdewerken opgelegd. — De boetetijd was naar de zwaarte der zonden verschillend. De Kert vergadering van Nicea stelt in het algemeen twaalf jaren vast Basilius en Gregorius bepalen voor een echtbreker een boetetijd van vijftien jaren. De Bisschop echter was bevoegd om, naarmate vai den ijver, naar de zwakte en den ouderdom van de boetvaardigen
I
485
Het zou gewis de grootste dwaasheid zijn, uit de handelwijze der Kerk, die ie onze dagen veel geringere boeten oplegt dan in vroegere eeuwen, toen de boetplegingen buitengewoon streng waren, te besluiten, dat de zonden door ons bedreven niet zooveel straf verdienen als die onzer voorvaderen, of dat God tegenwoordig minder gestreng is dan vroeger. De reden waarom de Kerk hare boetplegingen heeft gematigd is eene geheel andere. De H. Kerk kent de groote zwakheid barer kinderen en zij is eene toegevende moeder; zij weet hoezeer de vroegere ijver voorde boetvaardigheid in het hart der geloovigen is verkoeld en zij verzacht de gestrengheid der boete, opdat het verlangen om zich met God te verzoenen, niet geheel verloren ga. En inderdaad, wat zou de Kerk er bij winnen, wanneer zij voortging met zulke zware boetplegingen voor te schrijven, als zij vroeger deed? Als thans, in weerwil der geringe boete, welke wordt opgelegd, zoo velen niet kunnen besluiten eenmaal in een jaar te biechten; wat zou er dan gebeuren, biialdien zij zich, zooals vroeger, aan eene gestrenge kerkelijke boete, die jaren lang zou duren, moesten onderwerpen? Hoe groot zou dan het aantal worden van hen, die het biechten geheel zouden achterlaten? Hoe gering het getal dergenen, die, al namen zij de boete op zich, ze nauwgezet zouden volbrengen? Onvergelijkelijk grooter zou dan het getal zijn van hen, die, de tweede reddingsplank na de schipbreuk niet aangrijpend, uit wanhoop zouden omkomen. Indien dus de Kerk, onze zwakheid in aanmerking nemende, ons slechts kleine boeten oplegt, dan wil zij ons daardoor volstrekt niet leeren, dat wij ons met de door haar geëischte boetvaardigheid moeten tevreden stellen. Het is veeleer haar vurige wensch, dat hare zachtheid, waardoor zij het ontvangen van het ïï. Sacrament der Biecht gemakkelijk maakt, ons aan-
lÉI
ilflf
lil m
iiilt IIP ,ifl
gt;v
m
II
iii lipi
Lp-m.
iii
I zoowel den tijd als ook de gestrengheid der boete te beperken. — Toen later het onderhouden der kerkelijke boetplegingen verzacht werd, vulde de ijver van vele geloovigen de vroeger opgelegde boeten aan door tuchtiging uit eigen keuze. Zoo ontstond het gebruik om j door geeseling en andere gestrengheden jegens zich zeiven aan de goddelijke Kechtvaardigheid voor zijne zonden te voldoen, of ook wel trachtte men ze door inoeielijke, zeer langdurige en gevaarlijke pelgrimstochten naar het heilige Land, naar de graven der Apostelen, enz. uit te wisschen. De H. Petrus Damianus, die in de elfde eeuw leefde, was een der voornaamste bevorderaars der vrijwillige zelfkastijding; ook van zeer vele andere Heiligen lezen wij in hunne levensbeschrijving, dat zij zelfs voor de geringste overtreding en voor den kleinsten misstap door buitengewone boetewerken trachtten te voldoen.
SS
486
spore, door vrijwillige werken van boetvaardigheid der beleed igde goddelijke Majesteit voldoening te geven. \') Dan
\') Uit de ontelbare voorbeelden van vrijwillige levenslange boetedoening, kiezen wij er een uit, hetwelk\'wij lezen in de geschiedenis van de beroemde abdij der Gistersiënsen, Morimond, en dat wel verdient meer bekend gemaakt te worden. Eberhard, graaf van Berg, 1) was een ridder van uitstekenden geest en van beproefde dapperheid, daarbij echter minder rechtvaardig en rein van zeden. Zoodra er ergens tusschen den Rijn en den Weichsel een oorlogskreet weergalmde, snelde hij aan de spitse zijner dapperen er heen en sloot zich uit luim en strijdlust bij de eene of andere partij aan. In een moorddadigen veldslag tusschen de hertogen vart Limburg en Braband ontving Eberhard eene breede wonde in het voorhoofd, die hem verplichtte naar zijn sterk slot de wijk te nemen. Hier wierp de genade een lichtstraal in de tot heden door de hartstochten verblinde ziel des graven. Spoedig ontstonden er in zijn binnenste hevige wroegingen des gewetens, en de herinnering aan de misstappen van zijn vervlogen leven folterde hem dag en nacht. Hij maakte daarom het voornemen, den krijgshandel vaarwel te zeggen en aan de goddelijke Rechtvaardigheid door gestrenge boete voldoening te schenken. Met dit plan verliet hij in een duisteren nacht, als bedelaar verkleed, zijn slot en begaf zich naar Rome, naar de graven der Apostelen. Van Rome deed hij een pelgrimstocht naar St. Jacob van Compostella in Spanje en van daar Saint-Gilles, eene beroemde bedevaartplaats in Frankrijk. Eberhard was nu 8.an het einde van zijn pelgrimstocht en nam den terugweg aan naar zijne geboorteplaats, doch zijn hart was nog niet voldaan. Afgemtit door honger en inspanning dwaalde hij op zekeren avond in de wouden op de grenzen van Champagne en Lotharingen treurig in de duisternis voort, te vergeefs een nachtverblijf zoekend. Eindelijk ontwaarde hij in de verte een licht, richtte daarheen zijne schreden en kwam aan eene eenzaam gelegen hoeve. Het was eene plaats nabij de abdij Morimond gelegen. De hoffelijkheid en de liefdevolle gastvrijheid, waarmede de brave ordebroeders hem opnamen en onthaalden, trof en stichtte den pelgrim zoo zeer, dat hij met den Overste der broeders wenschte te spreken en zonder te zeggen, wie hij was, de eene of andere bezigheid op de hoeve verzocht. De Overste antwoordde, dat hij hem op dat oogenblik geene bezigheid kon geven. Toen de vreemde echter al moer en meer aandrong, bood hij hem de plaats aan van varkenshoeder. Eberhard aarzelde niet, het aanbod in dank en vreugde aan te nemen. Reeds den anderen dag begaf zich de edele en machtige heer van Berg, de met roemrijke wonden bedekte krijger, de afgod der ridders, naar den stal met een langen stok in de hand en een veldzak met roggenbrood gevuld op de schouderen, en voerde zijne grommende kudde met den afval der eiken- en beukenboomen, terwijl hij in zich zeiven de woorden sprak van den verloren zoon: „Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel „en tegen U, ik ben niet waardig uw zoon te heeten; neem mij aan „als een uwer dienstknechten.quot; Eberhard wist zich in zijne nederigheid zoo goed schuil te houden, dat hij een tijd lang dien vernederenden dienst kon voortzetten. — Zijn lichaam volgde de voedsel-zoekende dieren, maar zijne groote ziel verhief zich tot God. Als hij in de doodstille eenzaamheid der wouden van Morimond de klok des kloosters hoorde, en de wind hem de laatste toonen van het koorgezang der monniken overbracht, knielde hij neder om de
1
Het voormalig\' graafschap Berg maakt tegenwoordig een deel uit van het distrikt Dusseldorp in de Rijnprovinciën.
487
eerst zullen wij dus in den geest der H. Kerk handelen , als wij, overtuigd dat ons na het ontvangen van het Sacrament nog vele en zware straffen overblijven, des te standvastiger in een ootmoedig gebed volharden, het H. Misoffer des te vlijtiger en aandachtiger bijwonen, de vasten- en onthoudingsdagen door de Kerk voorgeschreven nauwgezetter onderhouden of ook ons vri] willige verstervingen opleggen; als wij rijkelijk aalmoezen schenken en overigens zoowel geestelijke als lichamelijke werken van
psalmen van den romvmoedigen koning David te bidden en aan de goddelijke Rechtvaardigheid de gebeden en boetewerken der vrome kloosterlingen aan te bieden. Intusschen hadden twee schildknapen van graaf Eberhard, diep bedroefd over de lange afwezigheid van hun beminden heer, de gelofte van een pelgrimstocht naar Saint-Gilles-gedaan en waren reeds op weg. Aangekomen in de nabijheid J van Morimond, dat gelegen was aan den straatweg, welken de pel-I grims moesten bewandelen, maakten zij bij de eerste hoeve halt en deden hunne bedienden afstijgen, om naar den weg door het woud nadere inlichtingen te vragen. Dezen nu bespeurden op eenigen , afstand in het veld een herder, die zijne kudde weidde; zij gingen naar hem toe en vraagden hem naar den rechten weg. Stom en onbewegelijk, de armen gekruist en op zijn herdersstaf leunend, het hoofd op de borst gebogen en als in diepe overweging verzonken, stond daar de herder. Bij het hooren van de stem der reizigers hief hij het hoofd op, en werd zijne edele houding zichtbaar. De bediende, die hem nu gadesloeg, meende de trekken van den graaf van Berg te herkennen, en nadat hij nochmaals hem opmerkzaam had aangezien, was hij er van verzekerd, dat die herder niemand 1 anders was dan de graaf, zijn heer; de breede gleuf op het voorhoofd liet bij hem geen twijfel meer over. In alle haast snelde hij weder naar de schildknapen en riep uit al zijne macht: //Onze heer hoedt «de varkens der boeve.quot; Zij geloofden den bediende niet. Toen deze echter met den grootsten aandrang zijn gezegde volhield, richtten zij uit de verte in de duitsche taal de vraag tot den graaf, of hij werkelijk hun heer was. Eberhard sprak hen in het fransch aan om zich niet te verraden. Toen zij nu nader kwamen en hunne i vraag herhaalden, kon hij zijne tranen niet langer bedwingen, en gaf hun, dewijl zijne ontroering hem reeds had verraden, de waarheid te verstaan, zeggende: „ia, ik ben uw Heer.quot; Terstond sprongen de schildknapen uit den zadel., snelden naar hun wedergevonden meester en omhelsden hem schreiende. Daarop begaven zij zich naar de hoeve en verhaalden den Overste der broeders breedvoerig wat er was voorgevallen. Deze ging nu naar het klooster, om den Abt daarvan te onderrichten. Bij het aanbreken van den morgen kwam de Abt met zijn Prior op de hoeve aan, overtuigde zich van de waarheid van het verhaalde, en vol bewondering over den zoo buitengewonen boeteijver, stelde hij den edelen graaf voor, tot voltooiing zijner boete, het ordekleed aan te nemen. Toen de trouwe schildknapen dit hoorden, wierpen zij zich voor de voeten van hun heer en bezwoeren hem, dat hij toch met hen zou terugkeeren naar zijn land, hetwelk om hem treurde, naar zijn troosteloozen broeder en de vele vrienden, die zoo verlangden hem weder te zien; doch alle smeekingen waren vergeefsch. Eberhard nam het voorstel van den Abt aan, zeide zijne lieden vaarwel en begaf zich in het klooster omstreeks het jaar 1130. De edele boeteling stierf in de orde als een Heilige (Dubois, Geschied, der abdij Morimond, hoofdst. 9j.
488
barmhartigheid doen; doch vooral als wij ons beijveren, door onwankelbaar geduld in lijden en door eene geheele overgeving in den goddelijken wil, waardige vruchten van boetvaardigheid voort te brengen. Op die beoefening van geduld en die overgave aan Gods beschikkingen maakt ons het Concilie van Trente (Zitt. XIV. hfst. 9) opmerkzaam, als het leert, dat wij, dank de milde en liefdevolle beschikking van God, door de tijdelijke, ons van God toegezonden en geduldig geleden rampen door Jesus Christus bij God den Vader kunnen voldoen. En de romeinsche Katechismus (over de boetv. n0. 107) legt het den zielzorgers als plicht op, den geloovigen te leeren, dat zij, die alle lijden, door God hun toegezonden, met geduld verdragen, rijkelijk kunnen voldoen en verdiensten verzamelen; dat daarentegen zij , die zoodanige straffen onwillig en morrend ondergaan, alle vrucht der voldoening verliezen. gt;)
Zijn wij nalatig in het geven der voldoening, die God toekomt, dan zullen wij ook des te langer en gestrenger in het vagevuur moeten boeten. Stellen wij er prijs op, het vagevuur te ontkomen of de pijnen er van te verminderen, laten wij dan het voorbeeld der Heiligen navolgen en door het volbrengen van vrijwillige boetewerken ons rechtvaardigen, gedachtig aan de woorden van den H. Au-gustinus (verk. van Ps. LVIII. redv. 1.): „Als gij wilt, „dat God u niet straffe, straf dan u zei ven;quot; of aan die van Tertulianus (over de boetv. hfdst. 10): „geloof mij, „God zal in die mate u sparen, naarmate gij zonder te „sparen jegens u zeiven handelt.\'\' De H. Bernardus, abt van Clairvaux, zag eens in den oogsttijd, dat een leeke-broeder zich godvruchtig en ingetogen bij den veldarbeid boven zijne krachten inspande. Hij troostte hem met vader-
\') Op zekeren dag had men in de nabijheid van het klooster, waar de H. Maria Magdalena de Pazzis leefde, twee misdadigers ter doodstraf geleid. Terwijl de dienares des Heeren voor het allerheiligste Sacrament des Altaars was neergeknield, hoorde men haar met alle vurigheid voor hen bidden. In die geestvervoering kwam zij te weten, dat een der boosdoeners, die den dood uit boetvaardigheid en ter voldoening zijner zonden met geheele onderwerping aan den goddelijken wil aannam, daardoor aan God zoo welgevallig was, dat hij terstond den hemel zou binnengaan, en dat de ziel des anderen, die ook met oprechte, maar niet zoo volmaakte boetvaardige stemming en onderwerping stierf, slechts korten tijd in het vagevuur zou doorbrengen De goede gesteltenis, waarin beide stierven, schreef men grootendeels toe aan de gebeden der Heilige; want in die verrukking offerde zij aan God het lichaam en bloed op van zijn goddelijken Zoon en verzekerde spoedig daarna, dat zij genade bij God hadden verworven. Ooggetuigen verhaalden later, dat beiden goed tot den dood waren voorbereid, doch de een beter dan de andere (Cepari, Levensgesch. der Heilige, hoofdst. 34. Bij de Bolland. 25 Mei).
489
lijke vriendelijkheid en sprak door den H. Geest verlicht: „Heb moed, mijn broeder, doe wat gij doet; want geen „ander vagevuur zult gij na uwen dood hebben!\'\'
Behoeft men na de Biecht niets anders ie doen, dan aan de goddelijke Rechtvaardigheid voldoening te schenken ?
Men is bovendien nog verplicht, 1) de gegeven ergernis en alle schade, welke men den naaste op eene onrechtvaardige wijze heeft veroorzaakt, naar vermogen te herstellen (Hierover is reeds aan het einde van het 5ae, 7d8. en 8ste gebod breedvoerig gesproken); — 2) de geschikte middelen aan te wenden, om niet meer in de zonden te hervallen en zijn leven te verbeteren,
Diepingewortelde ziekten, verjaarde kwalen worden volgens den gewonen loop der dingen niet plotseling, niet in één uur geheel genezen. Al is het dreigend doodsgevaar verwijderd, dan blijft de zieke evenwel zwak, en wordt hij niet door gepaste middelen geholpen, dan kan er lichtelijk een herval plaats grijpen, waardoor de toestand van den zieke veel erger en gevaarlijker wordi dan tevoren. Datzelfde geldt ook van de ziekten en gebreken der ziel en van de zonde. Hetgeen Christus zeide van den zieke, dien Hij naar het lichaam had genezen: „Zie, gij zijt weder „gezond geworden, zondig voortaan niet meer, opdat u „niet iets ergers overkome,quot; dat moet gezegd worden tot eiken Christen, die in het H. Sacrament van Boetvaardigheid van zijne zonde genezen is; derhalve moet hij alle middelen gebruiken, welke geschikt zij n, hem voor den herval te behoeden. Hij moet namelijk a) de lessen en voorschriften des biechtvaders getrouw opvolgen; h) de kwade gelegenheden zorgvuldig vermijden; c) dagelijks zijn geweten onderzoeken; d) vlijtig bidden, het woord van God aanhooren en de HH. Sacramenten der Biecht en des Altaars ontvangen; e) dikwijls de uitersten van den mensch overwegen. Dit zijn algemeene middelen, die, zooals van zelf blijkt en op verschillende plaatsen van dit werk werd aangetoond, met nut worden aangewend, ja gedeeltelijk noodzakelijk zijn, om alle zonden te vermijden. — Bovendien zijn er nog bizondere middelen ter verbetering, verschillend naar den hartstocht, welken men te bestrijden heeft, op welken strijd en overwinning voor alles de aandacht moet gevestigd wezen, gelijk reeds in het derde deel werd aangeduid. Zoo is een bizonder middel tegen den hartstocht van gierigheid de beoefening van de werken der christelijke milddadigheid, het geven van aalmoezen; den hartstocht
490
van onzuiverheid daarentegen bestrijdt met het hest door vasten en versterving der zinnen; de wraakzucht wordt verzwakt en overwonnen door een herhaald gebed voor zijne vijanden, in de hitte der gramschap door het onderdrukken van de inwendige opwellingen en door het beheerschen van zijne tong, vooral door stilzwijgendheid. In het algemeen is het bizondere wapen om eiken hartstocht te overwinnen de beoefening van de tegenovergestelde deugd.
Wien rust en vrede des gemoeds, wien zijn eeuwig heil ter harte gaat, gebruike zoowel deze bizondere als alge-meene middelen met ijver en volharding, opdat na de Biecht eene ware en grondige verbetering volge. Want zij, die biechten en immer in de vorige zonde hervallen, zonder dat er eene ernstige verbetering volgt, moeten wel weten, dat hunne Biecht zeer verdacht en hun toestand zeer gevaarlijk is. Wie toch zou niet willekeurig tot het vermoeden komen, dat het zoodanigen, die jaren achtereen na elke Biecht weder in hunne vorige groote zonden hervallen , aan het vereischte berouw of het goede voornemen, aan den ernstigen wil tot verbetering ontbreekt ? Wat zoudt gij denken van een knecht, die u voor eene aangedane beleediging vergiffenis vraagt, als hij, na nauwelijks vergeving verkregen te hebben, u opnieuw even grof beleedigt, ja, op die wijze tienmaal de beleediging herhaalt? Zoudt gij wel gelooven, dat zijne beden om vergeving ernstig gemeend kan wezen, dat hij oprecht berouw daarover gevoelt en zijne verbetering wil? — Doch al zouden zulke Christenen , die ondanks hunne herhaalde Biechten, steeds in zonden van gewoonte blijven voortleven, geene reden hebben, aan de geldigheid hunner Biecht te twijfelen, dan toch zou hun toestand hoogst gevaarlijk zijn. Hoe meer en hoe langer zij de lankmoedigheid Gods en de genaden, welke zijne barmhartigheid verleent, misbruiken, des te zwaarder is de zonde, des te strenger het oordeel, dat zij zich op den hals halen; des te enger en vaster worden de banden der zonde toegehaald; des te meer verdienen zij, dat God hun zijne bizondere genaden onthoude, en de duivel daarentegen door zijne inspraken en bekoringen meer en meer macht over hen verkrijge; des te dreigender is het gevaar, door den dood te worden verrast en m cnboet-vaardigheid te sterven. Dien hoog betreurenswaardigen toestand van den mensch, die hervalt, duidt Jesus Güristus aan (Lucas XI, 26) met de woorden: „Als de onzuivere
„geest van den mensch is uitgegaan..... dan gaat hij
„heen en neemt nog zeven andere geesten met zich, die
491
„nog boozer zijn dan hij, en zij nemen bij hem intrek en „wonen daar, en het laatste van dien mensch wordt erger „dan het eerste.quot; \')
TOEPASSING.
Als de Schepper der natuur aan deze of gene plant de kracht had gegeven, om alle mogelijke lichamelijke ziekten te genezen, ja zelfs de dooden wederom ten leven op te wekken, hoeveel moeite zou men zich dan niet getroosten om die wonderplant, dat algemeene geneesmiddel in zijn bezit te krijgen\'? Doch wat de Schepper voor het lichaam niet gedaan heeft, dat heeft onze Heiland en Verlosser voor de ziel gedaan. Hii heeft een geneesmiddel voorgeschreven , waardoor elke ziekte weggenomen, waardoor zelfs het verloren leven weder teruggegeven wordt. En dat veel wonderbaarder, onvergelijkelijk kostbaarder geneesmiddel van den hemelschen Geneesheer der zielen, het H, Sacrament der Biecht, laten duizenden Christenen onbenut, stooten duizenden snood van zich af. Welke verblindheid, welke schuldige onbedachtzaamheid! Is de ziel niet meer waard dan het lichaam, de gezondheid en het leven der ziel niet meer dan de gezondheid en het leven des lichaams ? —
\') Geene enkele booze drift heeft zoo diep wortel geschoten, of de boetvaardige kan ze met den bijstand der genade uitroeien, indien hij het slechts ernstig wil. — Ken uitgediend soldaat te Ostende, die zoozeer aan het vloeker, was overgegeven, dat hij bijna bij elk woord een vloek bezigde, sprak voor de poort der stad een hem welbekend heer aan om eenige ondersteuning. Deze, die zijne afschuwelijke gewoonte kende, stiet hem kortaf terug met de woorden: «Aan een vloeker geef ik niet.quot; //Ach, mijnheer,quot; zoo sprak de soldaat, /,hoe gaarne zou ik mij van die booze gewoonte ontdoen, /,maar ik kan het niet.quot; Daarop zeido die heer; //Beproef het slechts //met ernst. Zie, dit goudstuk geef ik u, als gij van daag niet vloekt.quot; Met een vreugdevollen blik op het blinkende goüd nam de vloeker het voorstel aan. Hij moest nu den heer begeleiden, en deze bracht hem langs verscheidene kazernen, waar zijne oude makkers liem allerhande spotnamen toeriepen en, als wisten zij van zijne weddingschap, tot toorn opwekten, om zich met het hooren zijner vloeken vrolijk te maken. Doch ditmaal waren al hunne pogingen ijdel — de man bleef stom tot den avond. Toen gaf de hser hem het goudstuk met eene ernstige vermaning, en beloofde hem in het vervolg ook zijne ondersteuning, mits hij zich wilde beteren. De zondaar van gewoonte beterde zich inderdaad, in den beginne slechts om tijdelijk gewin, later echter ook om hoogere en meer zuivere beweegredenen (Schmid, Hist. Katech. Dl. III). Als het gezicht van een beloofd geldstuk in staat is, aan den wil de noodige kracht te schenken om eene zonde van gewoonte, die men meent niet te kunnen vermijden, inderdaad af te leggen, hoeveel meer moet dan daartoe in staat zijn de gedachte aan de hemelsche kroon, welke beloofd is aan degenen, die aan de verleiding der zonde wederstand bieden.
492
Niet minder dan deze verblinden zijn ook zij te beklagen, die, wel is waar, het geneesmiddel van den goddeliiken Geneesheer gebruiken, maar niet op de wijze door Hem voorgeschreven; die biechten, maar zonder hun geweten zorgvuldig te onderzoeken, die biechten zonder oprechtheid , zonder waar berouw en vast voornemen. Voor zulke Christenen is het H. Sacrament van Boetvaardigheid niet eene bron des levens, maar des doods en der eeuwige verdoemenis. Zalig echter zij , die dit goddelijke heilmiddel dikwerf en met vereischte voorbereiding ontvangen; hunne ziel zal niet sterven maar leven, leven met steeds nieuwe en verhoogde kracht, totdat de dood des lichaams hen aan de overzijde des grafs tot de bron des eeuwigen levens voert. Mochten toch alle Christenen het gezegde wel ter harte nemen , mochten zij , als zij het ongeluk gehad hebben in eene groote zonde te vallen, niet verzuimen het H. Sacrament van Boetvaardigheid te ontvangen en daardoor wederom in Christus te herleven ! Helaas! zeer velen stellen dat uit. In de ure des doods, zoo meenen zij , is het nog tijds genoeg om te biechten. Doch zullen zij dan nog altijd kracht en gelegenheid hebben om het H. Sacrament der Biecht op eene voordeelige wijze te ontvangen ? Is die hoop niet vermetel en onzeker ? „Er zijn er,quot; zoo zegt de H. Ligoiio in eene zijner preken, „die op hun sterfbed alle Sacramenten der stervenden „hebben ontvangen en alles, wat men hun zeide, schenen „te verstaan, en die mij later evenwel verzekerden, dat zij „noch wisten, wat men hun gezegd had, noch wat zij zelve „hadden gezegd, en dat, bijaldien zij in dien toestand ge-„storven waren, zij zeer te beklagen zouden geweest zijn.quot; Zouden degenen, die steeds uitstellen, niet gelijken op hen, van wie de dienaar Gods hier spreekt? En als dat ongeluk hen eens trof, hoe droevig zou dan hun lot wezen aan gene zijde van het graf! Geliefde Christenen, bedenkt het wel: uitstel der Biecht is uitstel van uw geluk, dat maar al te dikwerf het geheele verlies van de zaligheid na zich sleept.
Over den Jkflaat.
Waardoor komt de Kerk ons te hulp bij de af boeting van de tijdelijke straffen der zonde?
Door het verleenen van aflaten.
De verklaring van den aflaat volgt hier achter de uitlegging van het H. Sacrament van Boetvaardigheid, omdat eene der uitwerkselen van de voldoening bij de Biecht is:
493
de uitdelging van de strafpliclitigheid, welke na het ontvangen van het H. Sacrament der Biecht meestal nog overblijft, en ook de aflaat dit zelfde uitwerksel heeft.
Wat is een aflaat?
Een aflaat is eene door de Kerk buiten de Biecht verleende kwijtschelding van die tijdelijke straffen, welke wij, na de vergeving onzer zonden, hier of in het vagevuur moesten afboeten.
De aflaat is derhalve: 1) niet enkel kwijtschelding van die boete, welke voorheen, volgens de vroeger aangegeven kerkelijke bepalingen, den boetelingen werd opgelegd; niet alleen kwijtschelding der voormalige kerkelijke straffen. Deze meening werd reeds in de bul van Leo X tegen Luther (Steil. 9) en later in die van Pius VI tegen de valsche Synode van Pistoja (steil. 40) uitdrukkelijk verworpen. Het ligt dan ook voor de hand, dat wij met eene vrijspraak van de kerkelijke boete alleen weinig zouden gebaat zijn, daar wij in dat geval des te langer in het vagevuur zouden moeten lijden of te strenger vrijwillige boete doen. De aflaat strekt zich inderdaad niet enkel tot die straffen uit, waardoor wij aan de Kerk voldoen, maar ook tot die tijdelijke straffen, waardoor wij de beleedigde Majesteit van God voor de bedreven zonden of wel hier op aarde of in het andere leven in het vagevuur voldoening hebben te geven. „De zonde „moet gestraft worden,quot; zegt de H. Augustinus (verkl. Ps. 44) , „óf door ons zelve of wel door God.quot; Dewijl nu onze boetewerken, waardoor wij aan God voldoening geven, meestal ver beneden de zwaarte van onze talrijke misdrijven en bijgevolg ook verre beneden de straffen, die wij te ondergaan hebben, blijven, en het alzoo te vreezen is, dat ons in het andere leven nog veel te boeten overblijft, daarom komt ons de H. Kerk, als eene liefderijk bezorgde moeder, door het verleenen van aflaten te hulp.
2) De aflaat is eene kwijtschelding van tijdelijke straffen, nadat de zonde reeds vergeven is. Het is volstrekt de leer der Kerk niet, dat de aflaat de zonde, d. i. de zondeschuld, wegneemt. Niet de zonde, ook niet de eeuwige straf, maar alleen de tijdelijke straf wordt door den aflaat kwijtgescholden en wel eerst dan, als de zonde, waardoor wij ons die straffen op den hals hebben gehaald, reeds vergeven is. Zoolang de zonde blijft bestaan, blijft zij strafbaar, daar de zonde nimmer ophoudt strafwaardig te zijn. Eene kwijtschelding van straf zonder voorafgaande vergeving der zonde is alzoo geenszins denkbaar; dit zou zijn het uitwerksel.
494
de strafwaardigheid namelijk, opheffen, terwijl de oorzaak, welke deze noodzakelijk te weeg brengt, de zonde, voortduurt.
3) De aflaat wordt door de Kerk verleend. De kwijtschelding van de straffen der zonde door middel van den aflaat geschiedt eigenlijk niet ter wille van de hoetewerken , welke wij ter verdiening van den aflaat verrichten, en bijgevolg ook niet enkel in die mate, als onze hoetewerken in en op zich zelve het verdienen; zij geschiedt veeleer door eene van de Kerk uitgaande toepassing der voldoening van Christus en van de Heiligen, gelij k uit de volgende vraag blijken zal. Vandaar is het ook te verklaren, waarom met het verrichten van werken, die op zich zelve weinig beteekenen, eene kwijtschelding van alle straffen der zonde kan verbonden worden. — Daaruit volgt ook, dat alleen de oversten der Kerk door de macht, welke zij over de schatten der Kerk hebben ontvangen, aflaten kunnen geven.
4) De aflaat is eene kwijtschelding van straf luiten de Biecht gegeven. Daardoor is zij geheel onderscheiden van die, welke in de Biecht tegelijk met de ontbinding der zonden ons ten deel valt. De laatste kwijtschelding geschiedt namelijk krachtens de met de Priesterwijding verkregen volmacht om de zonden te vergeven, de eerste daarentegen niet. Daarom behoort ook het verleeuen van den aflaat niet tot de bediening van het H. Sacrament der Biecht, en bijgevolg kan de biechtvader als zoodanig geene aflaten verleenen.
Hoe scheldt de Kerk ons de verschuldigde straffen der zonde kwijt?
Zij geeft aan de goddelijke Rechtvaardigheid voor ons voldoening uit de onuitputtelijke schatten der voldoening van Christus en de Heiligen.
Het is uitgemaakt, dat de voldoening van Christus veel grooter is, dan de straffen, welke wij voor onze zonden hebben verdiend. Immers van welken kant men haar ook beschouwe, zij is oneindig; één druppel van zijn kostbaar bloed, de geringste zijner handelingen, het minste deel van zijn lijden, den hemelschen Vader aangeboden, zou toereikend geweest zijn, om duizend werelden te verlossen. Eveneens kan het niet in twijfel getrokken worden, dat een groot aantal Heiligen aan de goddelijke Gerechtigheid veel meer voldoening gebracht hebben, dan zij verplicht waren voor hunne zonden te geven. De allerheiligste Maagd heeft nooit eene zonde gedaan; zij behoefde derhalve voor zich zelve niet te voldoen, en toch was geheel
495
haar leven eene rijke bron van verdiensten. Zoovele HH. Martelaren, die een onschuldig leven met den smartelijksten dood voor Christus eindigden, zoovele Belijders, die jaren en jaren lang in vasten en gebed, in vervolging en lijden, in ongehoorde kastijdingen van hun lichaam doorbrachten, behoefden tot delging hunner geringe schulden zeker niet die mate van voldoening, welke zij God gebracht hebben. De voldoening van Christus en de Heiligen is alzoo eene overvloedige bron. En die overvloed van voldoening, die nog niet is toegepast, k£-n bij God niet in vergetelheid geraken; de Alwetende en Eechtvaardige gedenkt dien steeds, en juist deze God voortdurend voor oogen liggende overvloed maakt datgene uit, wat wij den schat der Kerk noemen. Die schat is inderdaad onuitputtelijk, daar de verdiensten en de voldoening van Christus oneindig zijn, en de maat der voldoening van de Heiligen des te overvloediger wordt, hoe talrijker degenen zijn, die door toepassing der verdiensten van den Verlosser tot heiligheid komen. Daarom ook is die schat van oneindige waarde, en de Kerk mag dien niet, zooals de trage knecht in het Evangelie zijn talent, onbenut laten. Zij opent die schatkist en verleent den geloovigen aflaten; zij biedt daaruit der goddelijke Rechtvaardigheid voldoening voor de door ons verdiende straffen, terwijl zij op ons van de voldoening van Christus en de Heiligen eene zekere mate, of zooveel wij noodig hebben, toepast. „En alzoo,quot; merkt de H. Thomas op, i) „wordt niet de minste inbreuk gemaakt op „de goddelijke Gerechtigheid, daar er niets van de straf „wordt afgedaan, maar de boetvaardigheid van den een „aan den ander te stade komt.quot; — Waarom zou de Kerk zich van die plaatsvervangende voldoening, welke in zoo grooten overvloed voorhanden is, niet bedienen, ora in de behoeften barer kinderen te gemoet te komen ? Of zouden wij er wellicht aan kunnen twijfelen, of God die wil aannemen , nadat Hij tot onze zaligheid de voldoening beeft aanvaard, welke zijn eengeboren Zoon voor ons gebracht heeft \'i Lezen wij niet in de H. Schrift, dat de Allerhoogste bereid was, ter wille van tien rechtvaardigen den inwoners van Sodoma en Gomorrha hunne straf kwijt te schelden; hoeveel te meer zal Hij dan geneigd zijn, om ons ter wille van de plaatsvervangende voldoening van Christus en de Heiligen de tijdelijke straffen kwijt te schelden? Wij mogen daaraan te minder twijfelen, wijl het geloof ons leert, dat er in de christelijke Kerk eene
\') Sent. 4. distinct. 20. q. 1. a. 3.
496
gemeenschap der Heiligen bestaat, krachtens welke alle ledematen één lichaam zijn, waarvan Christus het hoofd is, en dat ten gevolge dier wonderlijke levensgemeenschap aan de geestelijke goederen van den een ook de andere deel neemt. Overigens, als ons, gelijk vroeger werd aangetoond, krachtens die gemeenschap de gebeden der Heiligen van nut zijn, waarom zou ditzelfde niet eveneens van hunne overvloedige voldoening kunnen gezegd worden? Hiermede geheel overeenstemmende schrijft de H. Paulus aan de Corinthiërs, hen tot ondersteuning der arme bekeerde Joden in Palestina opwekkende; „In den tegenwoordigen tijd „moet uw overvloed (aan tijdelijke goederen) in hun ge-„brek voorzien, opdat ook hun overvloed (aan geestelijke goederen) „uw gebrek verhelpequot; (2. Cor. VIII, 14).
Hoewel het Concilie van Trente betrekkelijk de leer, dat de schat der Kerk, waaruit de Paus aflaten verleent, uit de verdiensten en voldoening van Christus en de Heiligen bestaat, geene bepaling heeft gegeven, raag men die toch niet alleen als eene meening der Godgeleerden beschouwen. Paus Clemens VI leert ze uitdrukkelijk; \') Leo X veroordeelde de tegenovergestelde leer van Luther, quot;) en Pius VI, zich op deze veroordeeling beroepende, verwierp de bewering der beruchte Synode van Pistoja, die in den zoogenaamden „schat der Kerkquot; slechts eene spitsvondige verdichting der scholastieke Theologanten wilde zien, als «valsch, vermetel, de verdiensten *van Christus en de Heiligen verkleinend.quot; 1) —■ Wanneer de Kerk de voldoening van de Heiligen als een bestanddeel van haren schat beschouwt en die tegelijk met de voldoening van Christus door den aflaat op hare kinderen toepast, is zij er echter verre van af, te meenen, dat de voldoening van Christus op zich zelve niet toereikend is, evenmin als zij de alvermogende voorspraak van Christus in twijfel trekt, wanneer zij de Heiligen om hunne tusscherkomst vraagt. De Kerk handelt zoo, omdat zij, door den H. Geest verlicht, den wil en de beschikking Gods kent, volgens welke in het geheimvol lichaam van Christus de geestelijke goederen van het eene lid aan de overige leden te stade komen. En het valt niet te ontkennen, dat de Kerk, bij de voldoening van Christus ook die der Heiligen voegende, er niet weinig toe bijdraagt om door het aandenken aan het nauwe verband, waarin de strijdende Kerk met de zegevierende staat, het troostrijk geloof aan de gemeenschap der Heiligen in ons te verlevendigen en te versterken. — Overigens houdt de Kerk steeds onwankelbaar vast, dat do kracht en uitwerking der aflaten noodzakelijk aan de verdiensten en voldoening van Christus moet worden toegeschreven. Le voldoening der Heiligen toch zou zonder waarde zijn, als Christus voor ons niet verdiend en voldaan had; ten andere mag men niet over \'t hoofd zien, dat de Kerk, wel is waar, aan de goddelijke Gerechtigheid uit de voldoening der Heiligen voldoet, maar dat God aan de Kerk die volmacht verleende en zich tot de aanneming en goedkeuring van die plaatsvervangende voldoening bereid toont, — dat hebben niet de Heiligen, dat heeft Christus alleen verdiend.
1
) Bulla „Auctorem fideiquot; Prop. 40.
497
Wat wordt in het alqemeen gevorderd, om een aflaat ie verdienen ?
Er wordt vereischt:
1°. dat men in staat van genade zij en door ware boetvaardigheid reeds vergeving verkregen hebbe van de zonden, welker tijdelijke straffen door den aflaat kwijtgescholden zullen worden.
Wie zich in staat van doodzonde bevindt, is om eene dubbele reden ombekwaam tot het verdienen van een aflaat. De eerste reden bestaat daarin, dat de geloovige, die eene doodzonde op zijn geweten heeft, als een dood lid der Kerk aan de geestelijke goederen , die uit de levensgemeenschap met Christus en de Heiligen voortkomen, geen deel heeft. Een dusdanige kan alzoo voor de tijdelijke straffen van vroeger gebiechte en vergeven zonden geen aflaat verdienen. De tweede reden is de reeds besprokene, dat namelijk de straf niet eer door den aflaat gedelgd wordt, dan nadat de zonde, waardoor men die straf verdiend heeft, vergeven is. — Bijgevolg wil iemand, die in doodzonde is, aan een aflaat deelachtig worden, dan moet hij eerst door de Biecht, of minstens door een volmaakt berouw met het verlangen naar de Biecht, in staat van genade terugkeeren. Heeft daarentegen een Christen slechts dagelijksche zonden bedreven, dan is hij wel, als een levend lid van de gemeenschap der Heiligen, geschikt om een aflaat te winnen, maar toch kunnen hem, gelijk reeds is verklaard, slechts de straffen kwijtgescholden worden van die zonden, waarvan hij door ware boetvaardigheid, hetzij in de Biecht of daar buiten, vergeving heeft bekomen. Uit het gezegde blgkt alzoo, dat de Kerk bij het verleenen van aflaten de ware boetvaardigheid niet opheft, maar als noodzakelijk vereischte veronderstelt. Vandaar dat de Kerk, zooals de H. Thomas opmerkt, slechts aan degenen, die waarlijk berouw hebben en door de Biecht met God verzoend zijn (vere contritis et confessis) aflaten pleegt te verleenen. \') — De vraag, of men, in staat van ongenade zijnde, evenwel voor de
\') Nu en dan wordt in de pauselijke stukken „kwijtschelding der //zondenquot; beloofd, doch deze is altijd met de ware boetvaardigheid als eene noodzakelijke voorwaarde verbonden. Zoo lezen wij in de Bul, waardoor üregorius VIII de geloovigen tot de verovering van het H. Land aanmoedigt: „Aan degenen, die met een rouwmoedig „hart en ootmoedigen geest de moeielijkheden van dien kruistocht «•op zich nemen en, boete doende over hunne zonden, in het ware «geloot sterven, beloven wij eene volkomen vergeving van al hunne //misslagen.quot; Ook de kwijtschelding van tijdelijke zondestraffen wordt
DEHABBE, GF.LOOTSLEER. IV Sde DRUK. 32
498
geloovige zielen in het vagevuur een aflaat kan verdienen, is reeds in het tweede deel van dit werk besproken.
2°. Dat men de goede werken, welke tot het verdienen van den aflaat zijn voorgeschreven , nauwkeurig verrichte. — Zulke werken zijn: het gebed: het bezoeken der kerk, het ontvangen der HH. Sacramenten, vasten, aalmoezen geven, bedevaarten doen, enz, die, gelijk de opgenoemde, tot eer van God en tot heil der Kerk verstrekken. — Het stipt onderhouden der voorgeschreven goede werken is eene voorwaarde, zonder welke de aflaat niet kan verdiend worden. Al heeft men zonder schuld vergeten die te volbrengen , cf al zou de vervulling er van door de omstandigheden
slechts onder de aangeduide voorwaarde verleend. Diensvolgens lezen wij ook ter aangehaalde plaatse: //Hetzij zij echter in het leven //blijven of omkomen, altijd zal de boete kwijtgescholden zijn, welke «voor alle geldig gebiechte zonden hun was opgelegd.quot; — Soms wordt ook in de aflaatbrieven de uitdrukking; //kwijtschelding van „de zondenquot; in den zin van //kwijtschelding der tijdelijke straffenquot; gebruikt. Gelijk in de H. Schrift de uitdrukking zonde nu en dan ook „boete voor de zondequot; (2. Cor. V, 21) en //zondestrafquot; (2. Mach. XII, 4()) beteekent, heeft dit woord ook in de kerkelijke taal verschillende beteekenissen. Een enkel bewijs zij voldoende. In den kerkeraad van Constanz wilde Martinus, dat men dengene, die verdacht werd Wickleff\'s dwaalleer aan te kleven, de vraag zou voorleggen, of hij geloofde, „dat do Paus aan alle geloovigen, als zij «rouwmoedig gebiecht hebben, om eene billijke reden tot kwijt-//Schelding der zonden aflaten kan geven?quot; Daar de kwijtschelding der zondeschuld en der eeuwige straf reeds door eene rouwvolle Biecht plaats heeft, zoo kan de uitdrukking «aflaat van zondequot; zeker niets anders beteekenen, dan juist de kwijtschelding der tijdelijke straffen. En inderdaad kan de zonde eerst dan als volkomen vergeven beschouwd worden, wanneer ook de straf, door de zonde verdiend, gedelgd is. Bijgevolg werden aan de geloovigen slechts aflaten verleend in de veronderstelling van ware boetvaardigheid en eene oprechte biecht, en nimmer hebben de Pausen iemand last gegeven, in een anderen zin aflaten aan te kondigen. Toen de II. Ber-nardus in naam van Paus Eugenius III aan de geestelijkheid en de geloovigen van Duitschland schreef om hen aan te moedigen onder belofte van den pauselijken aflaat, dat zij deel zouden nemen aan den kruistocht, zeide hij: «Neem liet teeken des kruises en gij zult «aflaat verkrijgen voor alles, wat gij met een vermorzeld hart ge-,/biecht zult hebben.quot; 1) Klets alzoo is onbillijker, niets ongegronder dan de aanklacht der. hervormers, dat de katholieke Kerk door den aflaat oen vrijbrief geeft voor alle zonden. Dat verwijt ve.dienen zij veel meer, daar zij alle werken van boetvaardigheid afschaften en leerden, dat het geloof zonder de werken zalig maakt.
1
— Epist. 3G3. al. 332. Suscipe crucis signum et omnium pariter, de quibus corde contrito confessionem feceris,indulgentiam obtinebis. Heeft Aug. ïleander, de gevierde protestantsche geschiedschrijver, zich vergist of zich aan opzettelijke vervalsching schuldig gemaakt, toen hij deze plaats aldus vertaalde: «Neem het teeken des kruises, «en gij zult de vergeving verkrijgen van alle zonden, welke gij met «een vermorzeld hart nooit gebiecht hebt?quot; (Deel V, biadz. 201. Hamburg 18il).
499
onmogelijk gemaakt zijn, toch zou men te vergeefs hopen, den aflaat te winnen. Daartoe is de goede wil om de gestelde bepalingen te vervallen niet genoeg; noodzakelijk is het, dat men al hetgeen is voorgeschreven, werkelijk en nauwkeurig nakomt. De tgd, waarop de aflaat ons ten deel valt, is, volgens de gewone meening der Godgeleerden, het oogenblik, dat de laatste voorwaarde vervuld, het laatste voorgeschreven werk verricht wordt. Zijn er onderscheidene goede werken, of is hetzelfde goede werk voor meer dan éénen keer voorgeschreven, dan moet er alzoo vooral gezorgd worden, dat men in het eerste geval het laatste goede werk in staat van genade verrichte, en in het tweede, dat men zich in staat van genade bevinde als men voor de laatste maal het voorgeschreven werk doet, wijl men anders volgens de aangegeven regels den aflaat niet kan verdienen.
Eenige Godgeleerden zijn van gevoelen, dat het ter verdiening van een aflaat niet genoeg is, de voorgeschreven werken of minstens het laatste er van in staat van genade te verrichten. Volgens hunne meening wordt daartoe nog gevorderd, dat de geloovige, die een aflaat wil winnen, alles, wat in zijn vermogen is, gedaan hebbe ter voldoening voor zijne zonden en bereid zij in het vervolg nog meer te doen. Andere schrijvers antwoorden daarop terecht, dat bij die veronderstelling bijna niemand zou mogen hopen een aflaat te winnen, daar gewis slechts weinigen kunnen getuigen, dat zij met alle krachten boete gedaan hebben en bereid zijn ook in het vervolg onophoudelijk boete te doen. Daarenboven zou de aflaat in dat geval niet voor de zwakken zijn, maar alleen voor de volmaakten, en toch wilde de Kerk, bij het geven van aflaten, gewis ons onvermogen en onze zwakheid te hulp komen, gelijk ook de H. Paulus deed, die, volgens de opmerking van den H. \'Jhrysostomus (Hom. 4, over 2. Cor.), den rouwmoedigen Corinthiër kwijtschelding der straf verleende, niet omdat hij genoegzaam boete gedaan had, maar wijl hij zwak was. Nochtans, hoewel de Kerk van den eenen kant de men-schelijke zwakheid in aanmerking neemt en de geloovigen niet door te hoog gestelde eischen wil afschrikken van het verdienen van aflaten, ligt het toch ook van den anderen kant niet in haar plan, onze lauwheid en nalatigheid in de boetedoening in de hand te werken en ons vrij te maken van de verplichting, waardige vruchten van boetvaardigheid voort te brengen. Die plicht rust op iederen belijder en navolger van Jesus den Gekruisigde, op iederen Christen tot zijn laatsten ademtocht, en werd ook door alle Heiligen
32*
500
steeds met grooten ijver vervuld. En al had iemand ook volle zekerheid, door een gewonnen aflaat alle zondestraffen gedelgd te hebben, dan nog zou hij, zoolang hij leeft, de werken van heilzame boete niet mogen verzuimen, daar deze de door de zonde geslagen wonden heelen, voor toekomstige bewaren en verdienstelijk zijn. Des te minder mag alzoo de Christen nalaten boete te doen, daar hij nooit volkomen zekerheid kan bekomen, dat hij een aflaat heeft gewonnen, waardoor al de straffen zijner zonden gedelgd zijn. Eene dusdanige zekerheid zou men slechts dan kunnen hebben, als men van den anderen kant geheel zeker was, de vergeving van alle zonden bekomen te hebben, dewijl, zooals wij meermalen aanmerkten, door den aflaat alleen de tijdelijke straffen voor reeds vergeven zonden worden kwijtgescholden. De H. Geest nu vermaant ons door den mond van den wijzen Sirach (V, 5), „over de „vergeven zonden niet zonder vreeze te zijn.quot; Verder moet men erkennen, dat zoolang maar de minste vrijwillige gehechtheid aan de eene of andere zonde in het hart blijft, ook de tijdelijke straf voor die zonde niet kan kwijtgescholden worden. Hoe moeielijk is het niet, een berouw te hebben, hetwelk elke vrijwillige neiging tot de zonde, hoe gering ook, opheft? Terecht waarschuwt alzoo de H. Catharina van Genua in hare verhandeling over het vagevuur zoo nadrukkelijk: „Niemand misleide zich zeiven; „niemand zegge: ik zal biechten, vervolgens een vollen „aflaat verdienen en zoo, van alle vlek gezuiverd, recht-„streeks den hemel binnengaan. Bedenk wel, dat het be-„rouw, hetwelk tot zulk een vollen aflaat vereischt wordt, „eene zoo moeielijke zaak is, dat men er van schrikt.quot; — Die moeielijkheid, wel verre van ons te ontmoedigen, moet voor ons eene nieuwe en krachtige aansporing zijn om niets na te laten, wat in ons zwak vermogen staat, teneinde deelachtig te worden aan de aflaten, door de H. Kerk verleend. Ijverige zorg zal nooit te vergeefs zijn. Al verdienen wij ook telkens den vollen aflaat niet, toch mogen wij hopen, dien gedeeltelijk te winnen en wel naarmate van onzen ijver in het nakomen der voorgeschreven werken , van onze godsvrucht en ons berouw. Zulk eene hoop is geenszins ongegrond. Zelfs de Pausen, namelijk Bonifacius VIII *) en Innocentius IV, i) drukken zich in dien zin uit, bij het verleenen van aflaten, terwijl zij aan de hoogere mate van ijver, godsvrucht, enz. ook de
\') Decret. Antiquorum.
2) Cap. Quod autem 4. de Poenit.
501
belofte verbinden, dat men meer van den verleenden aflaat winnen zal. Paus Adrianus VI heeft in zijn theologisch werk deze leer, welke bij vele oudere Godgeleerden (Bona-ventura, Gerson, enz.) gevonden wordt, eveneens tot de zijne gemaakt. \')
IVai moeten wij aangaande den aflaat gelooven?
Wij moeten gelooven: 1° dat de katholieke Kerk de macht heeft aflaten te verleenen; 2° dat het gebruik er van voor het geloovige voJ-c zeer heilzaam is.
Volgens het door Pius IV uitgegeven geloofsformulier is ieder Christen verplicht te belijden, dat Christus in zijne Kerk de macht om aflaten te verleenen heeft achtergelaten, en dat het gebruik er van voor het christelijke volk zeer heilzaam is. Het Concilie van Trente heeft zich in denzelfden zin uitgedrukt en den banvloek uitgesproken over degenen, die beweren, dat de aflaten van geenerlei nut zijn, of dat de Kerk de macht niet heeft, aflaten te verleenen (Zitt. 25). Ook lijdt het geen twijfel, dat de Vaders van het Concilie onder de uitdrukking „aflaatquot; niets anders verstonden noch wilden verstaan hebben, dan hetgeen Leo X in de bovenaangehaalde Bul en met hem geheel de katholieke Kerk er onder verstond.
W ij gaan thans over tot de verklaring der beide gestelde geloofspunten.
1) Be macht om aflaten te verleenen heeft de katholieke Kerk ontvangen van Jesus Christus, die geen onderscheid maakte tusschen zonde en straf der zonde, toen Hij tot Petrus zeide: „Ik zal u de sleutelen van het rijk des
„hemels geven..... alles, wat gij op de aarde ontbinden
„zult, zal ook in den hemel ontbonden zijnquot; (Matth. XVI, 19) en toen Hij tot alle Apostelen sprak: „Waarlijk „Ik zeg u, alles, wat gij op aarde zult ontbinden,quot; enz. (Matth. XVIII, 18). — Uit deze woorden bliikt, dat Christus aan zijne Kerk de uitgestrektste macht beloofd en gegeven heeft om den hemel te ontsluiten en alle banden te ontbinden, die ons den toegang tot het hemelsch rijk zouden kunnen verhinderen. Welnu, de tijdelijke straf der zonde is een band, die ons een tijd lang belet, den hemel in te gaan. Wat nu zou ons recht kunnen geven, de macht te ontkennen van de Kerk om de tijdelijke straffen der zonde niet alleen in de Biecht, maar ook buiten het H. Sacrament kwijt te schelden, vooral dewijl tot kwijt-
Palavicinus, boek 2.
502
scheiding der tijdelijke straffen niet, gelijk ter vergeving der zonde, de uitstorting der genade door het Sacrament van Boetvaardigheid noodig is ? In de woorden der H. Schrift vinden wij geene reden om de macht der Kerk tot het Sacrament der Biecht te beperken, en de H. Kerk heeft reeds in de vroegste tijden getoond, dat zij die beperking niet kende, daar zij werkelijk de straffen der zonde buiten de Biecht kwijtschold. Zoo lezen wij in den tweeden brief aan de Corinthiërs (II, 10), dat de H. Paulus den rouwmoedigen overspeler een deel der straf kwiitschold, welke over hem was uitgesproken. Die kwijtschelding werd buiten het H. Sacrament der Biecht geschonken, want Paulus deed het terwijl hij afwezig was; het was niet enkel eene vrijspraak van de kerkelijke boete, maar ook van de bij God verschuldigde straf. Dit duiden de woorden van den Apostel aan, „dat hij heeft gehandeld in Christus\' „plaats,quot; die „den Apostelen het ambt der verzoening heeft „opgelegdquot; (2 Cor. V, 18). Uit de brieven van den H. Cyprianus zien wij verder, dat voor degenen, die tijdens de vervolging afvallig waren geworden, en later, bannen misstap betreurende, openbare boete deden, op voorspraak en met het oog op de verdiensten der Martelaren, de straftijd verkort, derhalve een deel der straf kwijtgescholden werd. En die kwijtschelding was volgens de zienswijze der Kerk ook geldig bij God; want zij werd vooral aan zware zieken verleend, „opdat zij door de verdiensten der „Martelaars bij God zouden geholpen worden en in vrede „stervenquot; (Br. 12 en 13). Ook Tertullianus, de oudste van de latijnsche kerkelijke schrijvers, levert in zijn boek over de kuischheid (hoofdst. 21) het bewijs, dat het besproken gebruik, reeds voordat Cyprianus zijne brieven schreef, in de Kerk bestond. Zelfs in die eeuwen, toen de boeteregels het strengst werden nageleefd, gold het als algemeene regel, dat de voorgeschreven boete door de kerkelijke overheid naar haar wijs goeddunken verzacht of verkort kon worden, zooals blijkt uit de bepalingen der Kerkvergaderingen van Nicea, Ancyra, (314) Carthago IY (398). Toen later die ijver verflauwde, verleende men ook kwijtschelding der zondestraffen, door in plaats van openbare en strenge boetewerken, andere minder harde en beschamende , als vasten, gebeden, aalmoezen aan armen of kerken, in het algemeen werken van godsvrucht op te leggen. Ook hebben wij uit vroegere eeuwen voorbeelden, dat zelfs aan de overledenen kwijtschelding van de straffen der zonde werd verleend: voorzeker een doorslaand bewijs, dat men die aanzag als bij God waarde hebbende, daar
503
bij de afgestorvenen van geene kwiitschelding der kerkelijke boete spraak kan zijn. Het is derhalve zeker, dat de katholieke Kerk zich ten allen tijde de macht om buiten de Biecht op eene bij God geldige wijze de tijdelijke straffen der zonde kwijt te schelden, toegekend en dikwerf uitgeoefend heeft, dat zij , zooals de Kerkvergadering van Trente leert, zich van de haar door God verleende volmacht om aflaten mede te deelen van de vroegste tijden af bediend heeft. — Daarbij verloor de Kerk, als de heilige en onfeilbare plaatsbekleedster van Jesus Christus, de vergoeding, aan de goddelijke Eechtvaardigheid verschuldigd, geenszins uit het oog. Zij paste op degenen, wier tijdelijke zondestraffen zij door den aflaat kwijtschold, de voldoening van Christus en, zooals wij uit de bovenaangehaalde brieven van Cyprianus leeren, ook die van de Heiligen toe. Want met het geloof aan de gemeenschap der Heiligen heeft de Kerk ook immer de vaste overtuiging, dat zij de door God aangestelde be-stuurderes is van de geestelijke goederen dier heilige gemeenschap.
Het recht en de volmacht om aflaten te verleencn, iDezitten echter niet alle medeleden der Kerk, ook niet evenzeer alle Oversten der Kerk, maar vooral onze H. Vader de Paus, aan wien, als opvolger van Petrus, Christus de sleutelen van het hemelrijk gegeven heeft. Nochtans kunnen ook de Bisscnoppen eenige (docli geene volle) aflaten schenken. De Paus alleen heelt het recht, voor de gehe.eWKzxV aflaten te verleenen; de Bisschoppen kunnen dit slechts voor hunne bisdommen doen. De grond voor het eerste ligt in den aard der af-laatverleening zelve Het geven van den aflaat is namelijk eene daad van geestelijke rechtspraak, eene akte der geestelijke regéeringsmacht. De jurisdictie nu van den Paus strekt zich uit over geheel de katholieke Kerk; alle katholieke Christenen zijn aan zijn geestelijk opperherderschap onderworpen; bijgevolg kan hij ook aan allen aflaten verleenen. De jurisdictie of rechtspraak van een Bisschop daarentegen strekt zich slechts uit over het hem door den Paus aangewezen bisdom, en derhalve kan een Bisschop aan de onderhoorigen van een anderen Bisschop evenmin aflaten geven, als in vroegere tijden een Bisschop aan de boetelingen van een ander bisdom de kerkelijke boete kon kwijtschelden. — De grond van het tweede bestaat daarin, dat de Paus, als hoofd der Kerk, de opperste, onafhankelijke bestuurder der gemeenschappelijke geestelijke goederen is. Dewijl namelijk de verdiensten van Christus en der Heiligen, ook in zooverre zij dienen om de straffen der zonden buiten de Biecht kwijt te schelden, tot het gemeenschappelijk goed der Kerk behooren, volgt noodzakelijk, dat vooral de H. Vader dien schat onder zich heeft en ter eere Gods en tot heil der Kerk naar goedvinden er uit putten mag; de Bisschoppen echter, als aan den Paus ondergeschikte bestuurders van dien geestelijken schat, bezitten het recht daaruit slechts te putteu in de door de kerkelijke regels vastgestelde mate. Wien kan het bevreemden, dat aan den Paus, als Christus\' plaatsbekleeder, zoo uitgestrekte volmacht om aflaten te verleenen gegeven is? Zien wij niet eveneens, dat aardsche koningen, die verafgelegen gewesten door hunne stadhouders regeeren, deze met de volmacht voorzien om, waar de eer en de welvaart des rijks dit vereischen, zekere gunsten,
504
weldaden en voorrechten te verleenen? Waarom zou Jesus Christus, de hemelsche Koning, zijnen stedehouder op aarde minder rijk met volmachten bedacht hebben ?
2) Nut van den aflaat. Christus heeft, gelijk wij zagen, aan zijne Kerk de macht geschonken om aflaten te verleenen. De Kerk van haren kant heeft deze van haren goddelijken Stichter verkregen macht steeds uitgeoefend en het verdienen van aflaten op velerlei wijzen bevorderd en aanbevolen. Aan mannen , uitstekend door geleerdheid en heiligheid, werd door den H. Stoel de afkondiging van aflaten toevertrouwd, en zij volbrachten den hun opgedragen last met ijver , ja bevestigden menigmaal hun woord door talrijke wonderen, terwijl de geloovigen er zich ijverig op toelegden, de aangeboden aflaten te verdienen. Hoe nu kon Jesus Christus aan zijne bruid de besproken volmacht geven, hoe kon de door den H. Geest bestuurde Kerk het gebruik van aflaten verbreiden en aanbevelen; hoe kon God de afkondiging van aflaten met wonderen doen gepaard gaan en bevestigen; hoe konden ontelbare Christenen, waaronder ook vele en uitstekende Heiligen, zich zoo beijveren, aan aflaten deelachtig te worden; hoe kon dit alles plaats vinden, als de aflaat, volgens de bewering der ketters, nutteloos, ja zelfs verderfelijk was? Of kan men wellicht de aangehaalde feiten in twijfel trekken? Zijn zij niet reeds in deze verhandeling bewezen? Slechts bij één feit, dat er namelijk mannen geweest zijn, die hunne aflaatpreeken door wonderen hebben bevestigd, zou nog eenige twijfeling kunnen opkomen. Men leze echter de levensgeschiedenis van den grooten H. Bernardus, en alle moeielijkheid zal verdwijnen. Bernardus kondigde omstreeks het midden der twaalfde eeuw den aflaat af, welken Paus Eugenius III den kruisvaders goedgunstig had verleend. Hij predikte in Frankrijk, Italië, Duitschland en wrocht ter bevestiging van zijn woord alom talrijke en verbazingwekkende wonderen aan lammen, dooven, stommen, blindgeborenen, enz. (Zie deel IIJ. Op een enkelen dag genas hij soms meer dan twintig door verschillende ziekten gekwelde personen. En als men na den ongeluk-kigen afloop van den kruistocht de schuld daarvan niet op de gebreken en den verkeerden levenswandel der kruisvaarders, maar op den heiligen man wierp, gaf Bernardus een blinde het gezicht terug, ten bewijze dat hij op aansporing en onder den bizonderen bijstand des H. Geestes gepreekt had, \')
\') Men leze bij de Bollandisten 20 Aug., of bij Mabillon de door
505
Doch deze algemeene gronden daargelaten, waarom zouden wij den aflaat niet als hoogst nuttig en heilzaam beschouwen ? a) De aflaten delgen de tijdelijke straffen der zonde. Is dit alleen niet reeds een zeer groot gewin, eene onschatbare weldaad, eene genade, waarvoor wij God niet genoeg kunnen danken? Wie wenscht niet, terstond na zgnen dood den hemel binnen te gaan en tot de zalige aanschouwing van God te komen, of voor \'t minst niet lang in de pijnen van het vagevuur te worden teruggehouden, niet de geheele, gedurende zijn leven opeengestapelde schuld door onbeschrijflijk lijden tot den laatsten penning te moeten voldoen? Moge de zondige Christen de misslagen zijns levens diep betreurd en ijverige boete gedaan hebben, hij zal toch niet zonder vrees en huivering het oogenblik te gemoet zien, dat hij voor zijn gestrengen Eechter verschijnen moet, vooral wanneer hij denkt aan de zware straffen, die vroeger zelfs voor de geringste zonden werden opgelegd. Hoe blijde zal zoo iemand in zijn stervensuur wezen, als hij zich het getuigenis kan geven, niets verzuimd te hebben, om de aflaten, door de Kerk verleend, te winnen ? Hoezeer zal de hoop hem geruststellen en troosten, dat hem dooide aflaten, welke hij gedurende zijn leven verdiend heeft, de straffen van het vagevuur geheel of gedeeltelijk zijn kwijtgescholden! b) De aflaten sporen ons verder aan tot eene ware boetvaardigheid en verbetering des levens, daar zij zonder deze voorwaarden niet verdiend kunnen worden. De H. Kerk, die, gelijk onze hemelsche Vader, niet den dood der zondaars wil, maar wenscht, dat zij zich bekeereu en leven, bedient zich van alle haar ten dienste staande middelen, om hare zondige kinderen tot eene ware boete en levensverhetering te brengen. Een dier middelen, en voorwaar een zeer krachtig middel, is het geven van aflaten. Door den aflaat wordt namelijk, gelijk wij aantoonden , een zeer hoog goed, waarnaar eenieder , die nog geloof heeft, met alle kracht zijner ziel verlangt, den zondaar voor oogen gesteld, terwijl het werkelijk verkrijgen daarvan aan ware boetvaardigheid en oprechte bekeering, als aan eene allernoodzakelijkste voorwaarde, verbonden wordt. Daardoor gelukt het de Kerk dikwijls, ook de lauwsten en onverschilligsten wakker te schudden en hen op te wekken tot datgene, wat in den christelijken godsdienst
tijdgenooten beschreven geschiedenis van den H. Bernardus. Zelfs de vijanden der H. Kerk spreken met lof van de heiligheid en geleerdheid van den H. Bernardus. Luther stelt hem boven alle Godgeleerden; Calvijn noemt hem een vroom en heilig schrijver.
506
het grootste, moeielijkste en heldhaftigste is, tot eeneware hekeering des harten. Wie ooit den genaderijken tijd van een Jubilee heleefd heeft, zal bij ondervinding weten, hoe ijverig de geloovigen, dikwerf ook degenen, die van God en de Kerk geheel vervreemd schenen, toestroomen om het woord Gods te hooren; hoe zij; naar hunne zaligheid verlangend , de vermaningen tot boetvaardigheid aanhooren; hoe zij om den rechterstoel der H. Biecht zich scharen; met welke godsvrucht zij de kerk bezoeken en andere ■«•erken van godsvrucht verrichten; hoe zij alles doen, om den uitgeschreven aflaat van het Jubilee te winnen. Eindelijk c) bevorderen de aflaten het dikwerf naderen tot de HH. Sacramenten en het doen van goede werken. Gelijk de hoop op de vergeving der tijdelijke zondestraffen den zondaar tot bekeering aanspoort, wekt zij ook de bekeerden op tot werken van godsvrucht, liefde, en andere christelijke deugden. Wanneer de Kerk door eene oefening van godsvrucht een of ander werk van lichamelijke of geestelijke barmhartigheid wil bevorderen, verleent zij dengenen, die deze vrome oefening, dat werk van liefde ter harte nemen, vele aflaten. Vandaar bijv. de aflaten voor de veelvuldige H. Communie, voor den Kruisweg, het bezoek van het Allerheiligste, voor het veertiguur gebed, voor de Meimaand ter eere van onze lieve Moeder Maria, voor de zes zondagen ter eere van den H. Aloysius, voor de geestelijke oefeningen, voor de H. Missie, enz,; vandaar ook de aflaten ten gunste der leden van verschillende Broederschappen, onder anderen van het Broederschap van het goddelijk hart van Jesus, van het onbevlekte hart van Maria, van den zaligen dood en vooral van de Congregatie der H, Moedermaagd ; verder de aflaten voor de leden van religieuse orden en genootschappen, die zich aan de werken van liefde en zielenijver toewijden, alsmede voor de leden van het genootschap tot uitbreiding van het geloof, van de vereeniging van den H. Vincentius van Paulo, de H. Elisabeth, enz. — Wie moet hier niet de hooge wijsheid der Kerk bewonderen, die in verschillende tijden ook verschillende middelen aanwendt, om hare kinderen op de meest gepaste en krachtigste wijze tot ware boetvaardigheid, tot deugd en volmaaktheid te brengen? Zoolang de strenge kanonieke boeten de geloovigen van zonde en overtreding afschrikten, hield zij die met kracht en klem staande; toen zij echter in het vervolg ontdekte, dat door die gestrenge maatregelen velen van de Biecht, ja zelfs van het ontvangen des Doopsels werden afgehouden en tot aan hunnen dood aarzelden de Kerk in te gaan, trachtte zij door liefdevolle
507
bezorgheid en goedheid te bereiken, wat zij te voren door strengheid verkregen had. Terwijl zij echter in de uitwendige boetedoening toegevend was, gelukte het haar, zooais wij zeiden, door middel van den aflaat, den inwendigen boeteijver te ontvlammen en de beoefening van christelijke deugden te bevorderen. \')
\') De honderdmaal herhaalde en door katholieke Godgeleerden honderdmaal als schandelijke lastertaal weerlegde beschuldiging der vijanden van ons geloof, dat de Paus den aflaat voor geld aangeboden en verkocht heeft, 1) noopt ons hier een woord te spreken over den door Leo X uitgeschreven en door andersdenkende schrijvers zoo verkeerd voorgestelden aflaat. — Paus Leo X wilde ter verheerlijking van den katholieken godsdienst in de hoofdstad der christelijke wereld den door zijn voorganger Julius II begonnen prachtigen bouw der St. Pieterskerk voltooien. Om dit heerlijk werk met meer spoed te kunnen voortzetten, schreef hij in het jaar 1514 een aflaat uit voor allen, die door eene geldelijke bijdrage daaraan deel wilden nemen. Albrecht, Keurvorst en Aartsbisschop van Mainz en Maagdenburg, werd belast den aflaat af te kondigen en de aalmoezen te doen inzamelen. Deze nu koos tot aüaatsprediker een uitstekenden kanselredenaar uit de Dominicaner orde, Joannes Tetzel genaamd.2) Met de afkondiging van den aflaat moest tegelijk eene opwekking tot boetvaardigheid en oprechte bekeering gepaard gaan. Volgens de door den Aartsbisschop op grond van de pauselijke bul gegeven aanwijzing waren allen, die deelachtig wilden zijn aan den verleenden aflaat, verplicht eene rouwmoedige Biecht te spreken, daags te voren te vasten en vervolgens de H. Communie te ontvangen. De biechtvaders waren, gelijk ook thans nog ten tijde van een Jubilee, met bizondere volmachten voorzien ter ontbinding van zonden, welke anders aan den roomschen Stoel zijn voorbehouden. Verder moest men, om den aflaat te verdienen, zeven kerken, of in streken waar er zooveel niet waren, zeven altaren bezoeken en dan voor het heil der Kerk bidden. De aalmoes, welke men geven moest, was geregeld naar den stand en het vermogen der personen, en niet naar de zwaarte der zonden, welke men bedreven had. De bepaling naargelang de zwaarte der zonden had overigens zonder eene openbare schuldbelijdenis niet kunnen plaats vinden, daar het geld voor aller oogen in de offerkist gestort werd. Bovendien was het den biechtvaders aanbevolen, dat zij niemand zonder genade zouden laten weggaan, dewijl hier niet minder de zaligheid der geloovigen, dan het nut van den bouw gezocht werd. Diegenen namelijk, die geen geld hadden, moesten in plaats van hunne geldelijke bijdrage bidden en vasten. — Wat nu is er in geheel deze beschikking, dat eenigszins aanstootelijk kan genoemd worden? Waar is hier de simonistische onbillijkheid, welke men den Paus verwijt? Wie kan \'t ontkennen,
1
Zelfs in Katechismussen en andere schoolboeken stuit men ook tegenwoordig nog op die oude, afgesleten leugen; //Voor alle zonden, «ook de ergste, heeft de Paus uit den overvloed der verdiensten j-van de Heiligen en van Christus {Christus na de Heiligen) aflaat, «welke al naargelang van het misdrijf door eene grootere of kleinere //Som gelds gekocht wordt.quot;
2
Dat de zoozeer gehoonde Tetzel die keuze niet onwaardig was, toont met veel juistheid Gröne in zijn werk: //Tetzel und Luther.quot; Daar zal men ook de historische bewijzen vinden voor de overige hier gedane beweringen.
508
Hoe velerlei ajlaien zijn er ?
Tweeërlei; volle en gedeeltelijke aflaten.
1) Door den vollen aflaat worden alle straffen der zonde zoo kwijtgescholden, als hadde men algeheele voldoening daarvoor gebracht. Eene ziel, die zoo gelukkig is, een vollen aflaat geheel en onverminderd te verdienen, is alzoo
dat de geldelijke bijdragen tot opbouwing eener kerk, welke de roem en het sieraad der geheele Christenheid moest worden, een «goed „werkquot; was en bijgevolg als eene der voorwaarden tot het verdienen van den aflaat vastgesteld kon worden? Iets dergelijks had reeds eeuwen tevoren plaats. Zelfs duitsche vorsten hadden, om den bouw van eene kerk of een ziekenhuis te bevorderen, den Paus om eene dusdanige gunst verzocht. Niemand zag daarin een koop of verkoop ter vergeving der zonden, gelijk men ook in onze dagen niets dergelijks vermoedt en zich derhalve ook niet ergert, als de Paus tot het winnen van een jubilee-aflaat bij andere goede werken aalmoezen voorschrijft, of als hij de weldadigheid der geloovigen in het ondersteunen van de apostolische zendelingen of van den H. Stoel door het verleenen van een aflaat beloont, gelijk de hemelsche Vader, die voor de tijdelijke aalmoezen, welke men den armen schenkt, de eeuwige goederen van het hemelrijk geeft. Zoo was er dan volstrekt geene reden te vinden, om, uithoofde van den besproken aflaat, met den Paus en de Kerk te breken. — Doch de duitsche vorsten, die meer hun eigen belang dan het heil der Christenheid beoogden, zagen met spijt, dat het geld uit hun land naar Rome ging. Luther, die in zijn binnenste toen reeds de kerkelijke leer had vaarwel gezegd, maakte gebruik van die ontevredenheid der vorsten, gelijk ook van andere boosaardigheden, die in den toestand van dien tijd lagen, om, onder het voorwendsel van misbruiken te bestrijden, den aflaat, waarvan hij volgens zijn eigen schrijven, bitter weinig begreep, en kort daarna het gezag van den Paus en de geheele Kerk te bestrijden.
Het is, wel is waar, niet te ontkennen, dat bij het ontvangen van die geldelijke bijdragen of aalmoezen misbruiken voorkwamen, dat, ofschoon ook in dit punt veel door onze tegenstanders is overdreven en verzonnen, er nu en dan snoode winzucht bij kwam. Dit geeft evenwel geen recht om de aflaten zelve als schadelijk te verwerpen, evenmin als de Sacramenten schadelijk geacht moeten worden, omdat er velen zijn, die ze misbruiken. Ook aan de kerk kunnen die misbruiken geenszins ten laste gelegd worden; daar zij die niet alleen nooit goedkeurt, maar steeds verfoeit en zoowel in bizondere als in algemeene Conciliën, vooral in het derde van Laterane en liet eerste van Lyon, onderscheidene verordeningen gemaakt heeft, om het kwaad uit te roeien. Eindelijk werd het ambt van de zoogenaamde aalmoezenzamelaars (eleemosynarum quaestorum), op wier rekening die betreurenswaardige misbruiken geschreven moeten worden, door het Concilie van Trente (Zitt. 2i, hoofdst. 9) geheel afgeschaft, en alle hun gegeven rechten of privilegiën van vroegere tijden in het jaar 15Ö7 door Pius V in de Bul //Etsi dominiciquot; herroepen. Het lag echter niet in de bedoeling van het Concilie te verbieden, eene aalmoes tot een of ander goed doel als voorwaarde ter verdiening van den aflaat vast te stellen. Alleen was het verlangen, dat de Bisschoppen zich in het vervolg met de ontvangst van zulke geldelijke bijdragen zouden belasten, hetgeen ook tegenwoordig nog in acht wórdt genomen.
509
gelijk aan de ziel van een pas gedoopt kind, volkomen zuiver van schuld en vrij van straf; zuiver van schuld door de voorafgegane, tot het verdienen van den aflaat noodzakelijke boete; vrij van straf door den gewonnen aflaat. Wanneer iemand in zulk een toestand deze wereld verlaat, gaat hij bijgevolg, zonder de smarten van het vagevuur een oogenblik te gevoelen, terstond den hemel binnen. Blijft hij echter nog langer in leven, dan zou hij niet mogen verwachten, uithoofde van den verdienden aflaat altijd vrij van alle rampen en wederwaardigheden te zijn; want God pleegt die niet enkel ter bestraffing, maar ook ter bewaring voor den herval in de zonde, tot volmaking der deugd en ter vermeerdering der verdiensten den menschen toe te zenden. — Onder de volle aflaten, welke de Kerk gewoon is te verleenen, is bizonder merkwaardig de aflaat van het Jubilee, wijl deze tot bevordering der godsvrucht van het geloovige volk met buitengewone plechtigheid uitgeschreven en afgekondigd wordt; desgelijks omdat de EL Vader voor den tijd van het Jubilee of jubeljaar den biechtvaders zeer uitgestrekte volmachten verleent, namelijk de macht om voorbehouden zonden te ontbinden, alsook geloften te veranderen of, mits er gewichtige redenen bestaan, geheel op te heffen. — De uitdrukking „Jubileequot; beteekent een tijd van vreugde en gejubel. Bij de Hebreën heet elk vijftigste jaar „jubeljaar,quot; dewijl in den loop van dat jaar de slaven in vrijheid gesteld, de schulden kwijt gescholden en de ontvreemde erfgoederen teruggegeven werden (3 Mos. XXV). Zeer gepast wordt derhalve ook de aangeduide genadetijd Jubilee of jubeljaar genoemd, dewp gedurende dien tijd zoovele duizenden slaven der zonde van hunne boeien bevrijd worden, door oprechte boete en aflaten van hunne zonden en straffen kwijtschelding verkrijgen en het verloren recht op de hemelsche goederen terug krijgen. Paus Bönifacius VIII heeft in het jaar 1300 de viering van het Jubilee op elk honderste jaar vastgesteld; Clemens VI bepaalde elk vijftigste, en Paulus II (1470) elk vijf-en-twinstigate jaar tot een jubeljaar. Aanvankelijk werd de aflaat van het Jubilee slechts verleend aan diegenen, die in Rome de graven van de HH. Apostelen Petrus en Paulus bezochten. Ook nu nog wordt het Jubilee in het eerste jaar alleen in Home gevierd, maar vervolgens tot alle bisdommen van de geheele christenwereld uitgestrekt. Behalve het gewone, op den gestelden tijd geregeld terug-keerend Jubilee, heeft men nog buitengewone Jubileën, welke bij hoogst belangrijke gelegenheden, bijv. bij de verkiezing van een nieuwen Paus, of ter afwering van
510
zware rampen of wel om eene bizondere gunst tot heil der gansche Kerk af te smeeken, door den H, Vader uitgeschreven worden. De geestelijke voordeelen en volmachten, welke bij buitengewone Jubileën verleend worden, zijn in den regel niet verschillend van die van een gewoon Jubilee, i) 2) Gedeeltelijke aflaten noemt men die, waardoor slechts een gedeelte der tijdelijke straffen wordt kwijtgescholden.— De gedeeltelijke aflaten worden afgemeten naar de vroegere kerkelijke boete. Derhalve beteekent bijv. een aflaat van 7 jaren en 7 quadragenen of 7 maal 40 dagen de kwijtschelding van zooveel tijdelijke straf, als men zou kunnen afdoen, wanneer men 7 jaren en 7 maal 40 dagen lang volgens de oude kerkelijke regels boete gedaan had. Daar de Pausen bij het verleenen van aflaten den tijd der kerkelijke boete, welke in den regel niet boven de 20 of 30 jaren ging, van oudsher in aanmerking namen, zijn de af-
\') Om een vollen aflaat te verdienen, wordt bijna altijd gevorderd, dat men eene rouwmoedige Biecht spreke, de H. Communie ontvange en bidde volgens de meening van den Paus. De meening van den Paus is gewoonlijk drievoudig: verheffing van de H. Kerk, uitroeiing der ketterijen, vrede en eendracht onder de christenmogend-heden. Het is evenwel niet noodig, dat men zich die meer.ingen uitdrukkelijk en in \'t bizonder herinnert; genoeg is het, in \'t algemeen volgens de meening van den Paus te bidden. De gebeden zelve zijn in den regel niet nader bepaald. Het staat alzoc den geloovigen vrij, naar goedvinden gebeden te kiezen. Vijf onze. Vaders en vijf wees gegroeten zijn, volgens het gevoelen van de meeste Godgeleerden, voldoende om deze voorwaarde te vervullen. Het is onverschillig, of men die voor of na de H. Communie verricht, ja, wanneer de aflaat aan eenig feest verbonden is, kan men die, van de eerste vespers op den vooravond tot zonsondergang van het feest zelf, elk uur naar believen verrichten. Personen, die de loffelijke gewoonte hebben wekelijks te biechten, kunnen met deze eene Biecht alle in den loop der week voorkomende aflaten verdienen, verondersteld dat zij de overige voorwaarden vervullen. Eene uitzondering maken slechts die aflaten, welke in den vorm van een Jubilee worden gegeven. Dezelfde Communie is genoeg, om op een en denzelfden dag twee verschillende volle aflaten, welke te zamen komen, bijv. een voor zich zeiven en een voor de overledenen te verdienen; de voorgeschreven gebeden moeten echter voor elk der beide aflatsn in het bizonder verricht worden.
Voor eenige jaren is er opnieuw eene belangrijke gunst verleend ten behoeve van die personen, welke aan eene langdurige ziekte lijden. Daar deze zieken gewoonlijk slechts op de hooge feesten de H. Communie ontvangen, en niet in staat zijn, het voorgeschreven kerkbezoek te verrichten, zoo heeft Paus Pius IX, z. g. bij besluit van 18 September 18ü^ alle biechtvaders gemachtigd, om voor hen de H. Communie en het kerkbezoek met andere godvruchtige werken te verwisselen, zoodat die zieken den vollen aflaat kunnen verdienen, indien zij slechts met een waar berouw over hunne zonden het H. Sacrament der Biecht ontvangen en de hun opgelegde godvruchtige werken getrouw volbrengen. Deze gunst echter geldt niet voor personen, die in eene communiteit leven. Zie de Katholiek, deel XL1IÏ, bl. 53.
511
laten van duizend of zelfs honderd duizend jaar van onechtheid verdacht, en worden ook door de meeste Godgeleerden voor onecht gehouden. — Meermalen is door de kerkelijke overheid tegen de verspreiding van aflaatsbrieven, welke onechte aflaten bevatten, geijverd en opgekomen, doch niet altijd en overal met goed gevolg.
Kunnen de aflaten ook aan de zielen in het vagevuur voordeelig zijn?
Ja, alle aflaten, waarvan de Paus zelf verklaard heeft, dat zij op die zielen toegepast kunnen worden.
Gelijk wij de geloovige zielen in het vagevuur door gebed, vasten en aalmoezen, alsmede door het H. Misoffer te hulp kunnen komen, zoo kunnen wij dit ook, door aflaten op haar toe te passen. Nooit is het tegenovergestelde gevoelen in de katholieke Kerk goedgekeurd. De jaarboeken der kerkelijke geschiedenis getuigen onder anderen, dat Paus Joannes VIII in het jaar 878, en Joannes IX in het jaar 900 aflaten voor de afgestorvenen verleend heeft. \') En toen Petrus van Osma, doctor in de godgeleerdheid aan de hoogeschool van Salamanca in Spanje, in de vijftiende eeuw zich vermeette te leeren, „dat de roomsche Paus de straf „des vagevuurs niet kan kwijtschelden,quot; verwierp de Aartsbisschop van Toledo, in overeenstemming met een groot aantal Godgeleerden, die stelling als „kettersch ,quot; en Sixtus IV bevestigde die veroordeeling door eene eigenhandige Bulle in het jaar 1478. Desgelijks verwierp ook Leo X in de volgende eeuw de leer van Luther (steil. 12) , dat „de aflaten den afgestorvenen niets baten,quot; en de geheele Kerk vereenigde zich daarmede. Toen verder omstreeks het einde der vorige eeuw de valsche Synode van Pistoja haar leedwezen uitsprak, dat men ook op de overledenen aflaten toepaste, verwierp Pius VI de leer dier Synode als valsch, roekeloos, vrome ooren kwetsend, vol onbillijkheid jegens de Pausen en het gebruik en gevoelen der gansche Kerk.
Twee punten moet men echter hierbij opmerken: — 1) dat niet alle aflaten zonder onderscheid op de geloovige zielen kunnen toegepast worden, maar slechts die, welke door den Paus als zoodanige verklaard zijn. Want de Paus alleen, als onbeperkte bestuurder van den geestelijken schat-der voldoening van Christus en der Heiligen, kan bepalen, voor wie de aflaten, die hij daaruit put, moeten dienen, óf uitsluitend voor de medeleden van de strijdende Kerk,
\') Bij Jlabillon, praefat. ad saecul. VI,
512
die de gestelde voorwaarden vervullen, hetgeen in den regel het geval is, óf wel dat zij door dezen op de medeleden der lijdende Kerk toegepast kunnen worden, waartoe als eene bizondere gunst eene afzonderlijke verklaring noodig is. — 2) Dat de aflaten op de geloovige zielen door de Kerk slechts hij wijze van voorbede kunnen toegepast worden. Daar de zielen der afgestorvenen niet meer aan de rechtspraak der Kerk, maar slechts aan de rechtspraak van God onderworpen zijn, kan zij haar niet meer van de verdiende zondestraffen ontheffen, gelijk zij uit kracht van de sleutelmacht de geloovigen op aarde daarvan kan vrijspreken. Evenwel staat zij haar moederlijk recht, om haren lijdenden kinderen hulp te bieden, niet af. Niet alleen als voorbidster, maar ook als de door God aangestelde bestuurderes van den schat der voldoening van Christus en de Heiligen, treedt zij voor den eeuwigen Rechter en biedt Hem uit dien rijken schat het losgeld voor de geloovige zielen aan, met het vaste vertrouwen, dat de Heer den losprijs aannemen en hare kinderen uit de pijnen van het vagevuur verlossen zal. En inderdaad, wie kan gelooven, dat Jesus, de goddelijke Rechter, de aanbieding der Kerk, zijne geliefde bruid, van de hand zal wijzen, dat Hij hare moederlijke voorspraak onverhoord zal laten ?
TOEPASSING.
Kan er voor iemand, die in schulden is geraakt en elk oogenblik vreezen moet, dat hij tot afboeting daarvan in de gevangenis gevoerd zal worden, wel eene aangenamer tijding zijn, dan het bericht, dat er een rijk heer gevonden is, die zich bereid heeft verklaard zijne schulden te betalen? Hoe hoog zou de schuldenaar die weldaad schatten, hoe verheugd van dat aanbod gebruik maken, hoe dankbaar jegens dien goeden heer, jegens dien uitstekenden weldoener zijn! Welnu, Christenen, wij zijn allen zonder uitzondering schuldenaars van de goddelijke Gerechtigheid, wellicht zelfs zeer groots schuldenaars. Elk oogenblik kan de dood ons overvallen en in den vreeselijken kerker van het vagevuur werpen, dien wij niet verlaten voordat de laatste penning betaald is. En al zouden wij zelve geene straffen op ons getrokken, of door berouw en boetvaardigheid daarvoor voldaan hebben, toch kan het zijn, dat onze vader, onze moeder, een broeder, eene zuster, een vriend in het vagevuur onze hulp behoeft en inroept. Met welke vreugde, met welk een heiligen ijver moeten wij alzoo de leer van de aflaten hooren, die troostrijke leer, die ons kennis geeft van den oneindigen
513
schat der verdiensten van Christus en de Heiligen en van de welwillende bereidvaardigheid der Kerk, welke dien voor ons en onze dierbare afgestorvenen opent. Hoezeer moeten wij ons beijveren, toegang te verkrijgen tot dien voor ons zwakke menschen zoo kostbaren schat, en het weinige doen, wat onze moeder de H. Kerk van ons vraagt, om door middel van de voldoening van Christus en de Heiligen onzen schuldbrief of dien van de geloovige zielen in het vagevuur te vernietigen. Ons eigen welzijn, het geluk van onze beminde overledenen en zelfs de dankbaarheid , welke wij aan God en de H. Kerk voor de onschatbare weldaad van den aflaat verschuldigd zijn , moeten ons aansporen, geene gelegenheid te verzuimen om voor ons en voor de geloovige zielen in het vagevuur aflaten te verdienen. — Daar de Kerk aan vele gebeden, die de ijverige Christen dagelijks herhaalt, en aan onderscheiden vrome werken, welke hij insgelijks eiken dag verricht, rijkelijk aflaten gehecht heeft, is het gebruik om eiken morgen de meening te maken , alle gedurende den dag op gezegde wijze aangeboden aflaten te winnen, niet alleen hoogst voor-deelig, maar ook als een bewijs van hoogschatting van den aflaat en van innige dankbaarheid voor die gunsten zeer aan te bevelen.
Over liet IS. Oliesel.
Wat is het heilig Oliesel?
Het H. Oliesel is een Sacrament, in hetwelk de zieken door de heilige zalving en het gebed des Priesters in hunne ziekten en hun uitersten nood verlicht en geholpen worden.
Gelijk de H. Kerk aan de wieg van het pasgeboren kind staat, om het door het H. Sacrament des Doopsels het bovennatuurlijk leven te geven, zoo plaatst zij zich ook bij het sterfbed van den herborene, om door een ander H. Sacrament zijn scheiden uit dit sterfelijk leven te verlichten en hem tot de geboorte voor het onsterfelijk leven in den hemel voor te bereiden. Dat H. Sacrament is het laatste Oliesel. De H. Kerk zalft hare kinderen eerst bij het H. Doopsel, vervolgens bij het H. Vormsel, den Priester bij de Priesterwijding, en ten laatste bij het Sacrament des Oliesels allen zonder onderscheid , die, in vermoedelijk gevaar van sterven zijnde, dit verlangen. Om deze reden wordt het ook genoemd „zalving der zieken ,quot; „Sacrament
DEHAEBE, GELOOFSLEER. IV 3de BEUK. 33
514
„der stervenden.quot; Bovendien noemt men het „gezegende „olie,quot; „hemelsche versterking, en bij de Grieken „olie „met gebed.quot; — Dat het H. Oliesel een door Christus ingesteld Sacrament is, leert de Kerk uitdrukkelijk. Het Concilie van Trente (Zitt. 14. Can. 1. over het H. Oliesel) verklaart: „Als iemand zegt, dat het H. Oliesel nietwaar-„lijk en eigenlijk een Sacrament is, door Christus, onzen „Heer, ingesteld, maar slechts een door de Yaders aange-„nomen gebruik of eene menschelijke uitvinding, hij zij in „den ban.quot;
Vanwaar welen wij, dat Christus het H. Oliesel heeft ingestelclï
Dit weten wij 1) uit de 11. Schrift. — De H. Apostel Jacobus zegt: „Is er iemand onder u ziek, dat hij de „Priesters der Kerk bij zich roepe, en deze zullen over „hem bidden, en hem met olie zalven in den naam des „Heeren; en het gebed des geloofs zal den zieke tot heil „verstrekken, en de Heer zal Hem oprichten; en zoo hij „in zonden mocht zijn, zullen zij hem vergeven worden.quot; Óp deze plaats spreekt de H. Jacobus duidelijk van een uitwendig, zichtbaar teeken, waaraan eene inwendige, onzichtbare genade verbonden is. Het zichtbare teekeu is de zalving van den zieke met olie, vereenigd met het gebed des Priesters, die de zalving doet, en als de daarmede verbonden genade wijst de Apostel in \'t bizonder aan de vergeving der zonden. God nu alleen is in staat, gelijk wij vroeger reeds hebben aangetoond, met een zichtbaar teeken eene onzichtbare genade te verbinden; God alleen kan aan die zalving met olie de kracht verleenen, om de wonden der ziel te genezen, gelijk ook Hij alleen bij het uitgieten van het doopwater daaraan de kracht kan mededeelen, de vlekken der erfzonde en der dadelijke zonden in de ziel van den doopeling af te wasschen. Het H. Oliesel is alzoo door Jesus Christus ingesteld; de H. Jacobus heeft het, gelijk de Kerkvergadering van Trente leert, slechts verkondigd. — Zelfs de wijze, waarop de Apostel de zalving der zieken den geloovigen aanbeveelt, bewijst genoeg, dat er hier over eene niet van hem, maar van Christus voortkomende instelling, van een door Christus ingesteld en heilzaam gebruik sprake is. Hij raadt namelijk deze 2;alving niet enkel aan, maar schrijft ze voor en wel aan alle geloovigen, daar zijn brief tot allen gericht was; ook wijst hij de Priesters, de gewone bedienaars der goddelijke geheimen, als degenen aan, door wie deze zonden vergeven de zalving moet geschieden. Dit alles kan hij echter slechts in naam
515
en op last van Jesus Christus voorschrijven. — Daaruit blijkt, dat de aangeduide zalving der zieken onderscheiden is van die, waarvan Marcus (VI, 13) gewaagt, krachtens welke de leerlingen, die toen nog geen Priesters waren, wonderbare lichamelijke genezingen deden. Die zalving tot herstelling der lichamen was, volgens de uitspraak van het Concilie van Trente, eene aanduiding der latere sacra-menteele zalving tot heil der zielen; zij was eene voorafbeelding der laatste, gelijk het Doopsel van Joannes eene voorafbeelding was van het Doopsel van Christus, en geheel geschikt om de aan Christus geloovenden van het zien der zichtbare weldaden langzamerhand te brengen tot het begrip der onzichtbare genadewerking van het Sacrament, dat later ingesteld zou worden.
2) üit de bestendige leer der Kerk. — Gelijk wij reeds zagen, leert de Kerkvergadering van Trente uitdrukkelijk, dat Jesus Christus het H. Sacrament des Oliesels heeft ingesteld, en beroept zich ter bevestiging van die uitspraak op de „van hand tot hand ontvangen apostolische over-„leveringquot; (Hoofdst. 1). Wij vinden inderdaad in de schriften der Vaders, i) in de bepalingen en besluiten van vroegere Kerkvergaderingen, 2) in de oude liturgische boeken, waarin de wijze van toediening der HH. Sacramenten wordt aangegeven, 1) het gebruik vermeld, om, naar het woord en voorschrift van den H. Jacobus, de zieken met olie te zalven. Datzelfde vinden wij eveneens in de levensgeschiedenissen der Heiligen, die de getrouwste spiegel, de on-vervalschte uitdrukking zijn van het kerkelijk geloof en leven, 2) alsmede in de latijnsche zoowel als in de grieksche Kerk, ja zelfs bij de Kopten en Jacobiten. En aan deze zalving der zieken werd door de Kerk niet enkel, ja zelfs niet hoofdzakelijk de genezing des lichaams, maar vooral
33*
1
) Zie Martene, de antiq. Eccl. ritib. ï. I e. 7.
2
) Bij wijze van voorbeeld noemen wij er hier slechts drie uit de zesde eeuw, namelijk van den H. Abt Bugendus, den H. Priester Tresanus en de H. Koningin Chlotildis. Van den H. Eugendus, omstreeks het jaar 510 gestorven, bericht een levensbeschrijver, die zijn tijdgenoot was, dat hij voor zijn dood de H. Olie heeft ontvangen.— De H. Tresanus liet bij het naderen van den dood ;/den Priester bij »zich roepen en ontving met innige ontroering en ootmoed de olie ;/der verzoening.quot; In het leven van de H. Chlotildis lezen wij, dat zij op den dertigsten dag harer ziekte door den Priester met de H. Olie gezalfd werd. Zie verder Chadon, Histoire de l\'extréme-onction.
516
de genezing van de ziel door vergeving der zonden als geheimvolle werking toegeschreven. Zoo spreekt Origenes van het H. Oliesel als van een middel om vergeving der zonden te verkrijgen. Chrysostomus beroept er zich op, om te bewijzen, dat de Priesters macht hebben, de zonden te vergeven, en stelt het met de HH. Sacramenten des Doopsels en der Biecht op gelijke lijn. De oude en nieuwere Eitueelen zoowel bij de Grieken als bij de Latijnen, bevatten onderscheiden gebeden om bovennatuurlijke kracht en genade, in \'t bizonder om vergeving der zonden. Het is derhalve buiten twijfel, dat de H. Kerk het gebruik der zalving van de zieken van oudsher als een zondenvergevenden, derhalve door Christus ingestelden ritus, als een H. Sacrament erkend, aanbevolen en toegediend heeft. Zoo noemt ook Innocentius I het H. Oliesel „een Sacramentquot; en wel in denzelfden zin als de overige door Christus ingestelde Sacramenten. — Zelfs de geleerde Leibnitz, hoewel Protestant, verklaart in zijn systeem der Theologie onverholen; „Wat „aangaat het laatste Oliesel is er geene verdere uitweiding „noodig; zoowel de woorden der Schrift als de kerkelijke „verklaring, waarop de Katholieken zich met zekerkeid „verlaten, spreken er voor.quot;
Hoe wordt het II. Oliesel toegediend?
De Priester zalft de vijf zintuigen van den zieke met de H. Olie en bidt bij ellie zalving; „Door deze heilige , zalving en zijne allermildste barmhartigheid vergeve u j^God, wat gij door het gezicht, het gehoor, enz. gezon-„digd hebt.quot;
Uit dit antwoord zien wij, wie bedienaar, wat de vorm en de stof van dit Sacrament is.
1) De bedienaar is volgens de woorden van den H. Jacobus niemand anders dan de Priester. De dwaalleeraara der zestiende eeuw stelden in den bovenaangehaalden tekst in plaats van „Priesters der Kerkquot; de woorden „oudsten der „gemeenteen besloten daaruit, dat ook de leeken de door Jacobus voorgeschreven zalving der zieken kunnen verrichten. Daarentegen verklaarde echter het Concilie van Trente uitdrukkelijk; „Wanneer iemand zegt, dat de „Priesters der Kerk (presbyteri) , die volgens de vermaning ,,van den H. Jacobus moeten geroepen worden om de zieken „te zalven, niet de door den Bisschop gewijde Priesters „zijn, maar de oudsten in jaren van de gemeente, en dat „derhalve de eigenliike bedienaar van het H. Oliesel niet de „Priester alleen is, die zij in den ban.\'\'
517
2) De stof van dit Sacrament is, volgens de leer van het Concilie van Florence in het Decreet voor de Armeniërs, „olijfolie door den Bisschop gezegend.quot; Deze H. Olie verschilt van die, welke vóór het Doopsel, en ook van het Chrisma, dat na het Doopsel en bij het H. Vormsel gebruikt wordt; zij is bijna uitsluitend voor de zalving der zieken bestemd, en heet daarom ook „olie der zieken.quot; De Bisschop zegent deze, gelijk ook de andere olie, onder plechtige ceremoniën op Witten Donderdag, terwijl hij God bidt, dat zij tot heil des lichaams en der ziel voor-deelig moge zijn en degenen, die er mede gezalfd worden , van alle zwakheid, van alle smarten en ziekten bevrijde en tegen alle pogingen van den helschen vijand hescherme.
3) De voorgeschreven vorm van het H. Oliesel is vervat in de aangehaalde woorden: „door deze heilige zalving, enz.quot; Terwijl de Priester die woorden spreekt, zalft hij met den in de H. Olie gedoopten duim in den vorm van een kruis beurtelings de oogen, de ooren, den neus, den mond, de borst, de handen en voeten van den zieke, en herhaalt bij elk zintuig de aangegeven woorden. — Die uitwendige zalving beteekent de inwendige zalving van den H. Geest, de geheimvolle mededeeling der genade, die, gelijk de olie het lichaam geneest en versterkt, de ziel van den zieke van hare gebreken bevrijdt en tot den laatsten gevaarlijken strijd de noodige kracht mededeelt. — De zalving geschiedt in den vorm van een kruis, „opdat wij wel weten,quot; zegt de H. Carolus Borromeus (onderr. over het H. Oliesel) „dat deze gaven ons door de verdiensten van het kruis en „het lijden van Christus geschonken worden, en opdat wij „in den strijd welken wij tegen onzen vijand te voeren „hebben, ons van dit teeken bedienen en onze zintuigen „daarmede wapenen; verder opdat wij voor den rechterstoel „van Jesus Christus het teeken des kruises medebrengen, „om te doen zien dat wij onder de banier des kruises tot „onzen dood met moed gestreden hebben. — De vijf zin-„tuigen van den zieke worden gezalfd, wijl zij veelal aanleiding tot zonde en werktuigen tot volvoering van het „kwaad zijn. Hoe vaak komt niet de dood door de oogen „in de ziel ? Hoe dikwerf vindt de geest van onzuiverheid, „godslastering en liefdeloosheid door de ooren ingang tot het „hart ? Hoe dikwijls streelt de smaak ongeregelden eet-„en drinklust; en de tong, het orgaan der spraak, is zij „niet eene wereld van ongerechtigheid?quot; (Jacob. Ill, 6). „Hoe vaak strekken zich de handen uit, en bewegen zich „de voeten naar het voorwerp der zonde ? Hoe vaak brengen
518
„aangename geuren den geest tot den wellust?quot; (Chrys. over de Gal. hoofdst. 5).
Bij de toediening van het H. Oliesel zijn door de Kerk eenige ceremoniën en gebeden voorgesclireven, die evenwel als er groot gevaar van sterven is, achterwege kunnen gelaten worden. Bij het binnentreden van de ziekenkamer wenscht de Priester den zieke en allen huisgenooten den vrede met de woorden: //De vrede zij met //dit huis en met allen, die er in wonen.quot; Die groet herinnert aan het bevel, hetwelk Jesus zijnen leerlingen gaf, toen Hij hen ter genezing der zieken uitzond; ,/Als gij in het huis ingaat, zoo groet //het, zeggende, vrede zij dezen huizequot; (Matth. X, 12). Daarmede treedt de Priester binnen als afgezant en plaatsbekleeder van den Heiland. Vervolgens gaat hij naar den zieke, geeft hem het kruisbeeld te kussen, besprenkelt daarna de kamer en de aanwezigen in den vorm van een kruis met wijwater en spreekt met den koninklijken Profeet: „Besproei mij met hysop en ik zal gereinigd worden; //wasch mij en ik zal witter worden dan de sneeuw. Erbarm U //mijner naar uwe groote barmhartigheid. Eere zij den Vader, enz.quot; Als de zieke nog niet gebiecht heeft, dan wordt na deze voorloopige aanmaning de biecht afgenomen en het Allerheiligste toegediend met de woorden: „Ontvang broeder (zuster) de teerspijs van onzen Heer //Jesus Christus, die u beware van den kwaden vijand en u geleide „ten eeuwigen leven, Amen.quot; — Nu gaat de Priester over tot de toediening van het H. Oliesel. Hij begint met God hartelijk te bidden om den zegen voor den zieke en voor allen, die in huis zijn. „Zegen,quot; zoo bidt hij, „zegen onzen ingang, opdat in dit huis kome ongestoorde „zaligheid, goddelijke zegen, onverdeelde blijdschap, vruchtbrengende „liefde en voortdurende gezondheid. Dat zich van deze woning ver-//wijderen de booze geesten en alle onheil stichtende tweedracht; de „Engelen des vredes treden nader. Verheerlijk, o Heer! over ons „uwen H. Naam en zegen ons bezoek.quot; Na deze en dergelijke gebeden wekt de Priester de aanwezigen op, voor den zieke de zeven boetpsalmen en de litanie van alle Heiligen of andere gebeden te bidden. Hij zelf strekt dan de rechterhand over den zieke uit, maakt driemaal het H. kruisteeken over hem, zeggende; „In den „naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes worde in u ver-„nietigd alle macht van den boozen vijand door de oplegging onzer „handen en door de aanroeping van alle heilige Engelen, Aarts-„engelen , Patriarchen , Profeten , Apostelen, Martelaars, Belijders, „Maagden en alle andere Heiligen Gods. Amen.quot; — Nadat de zalving heeft plaats gehad, doet de Priester andermaal verscheiden gebeden voor den zieke. In het bizonder smeekt hij God, dat Hij hem zijne zonden vergeve, zijne ziel en zijn lichaam geneze, hem bescherme, sterke en in de gewenschte welvaart aan de H. Kerk teruggeve. — „Ten slotte,quot; zoo staat er in het Romeinsche Ritueel, kan de Priester, „al naar den toestand van den persoon, door heilzame vermaningen „hem opwekken, in den Heer te sterven en de bekoringen van den „duivel met kracht af te weren.quot; \')
\') Bij de toediening van het H. Oliesel behooren in de kamer van den zieke eene met helder lijnwaad gedekte tafel en daarop een kruisbeeld, twee brandende waskaarsen en wijwater gereed te staan. Verder moeten er watten of iets dergelijks bij de hand zijn, om de H. Olie van de gezalfde leden af te vegen; desgelijks een glas met gewoon water en een doek, opdat de Priester na de bediening zijne vingers kan zuiveren. Vooral zorge men, dat het vertrek behoorlijk gereinigd zij.
519
Wat lewerkt het H. Oliesel tot heil der ziel?
Het H. Oliesel 1) vermeerdert de heiligmakende genade. Dit heilzaam uitwerksel heeft het met alle overige Sacramenten der levenden gemeen, en zeker is het, dat zulk eene vermeerdering, waaruit ook eene tóeneming der goddelijke deugden van geloof, hoop en liefde, alsmede de glorie in den hemel voortkomt, in het laatste uur, in het oogenblik van den laatsten, beslissenden strijd, van het grootste belang is en derhalve door eiken Christen, als van de hoogste waarde, begeerd moet worden.
2) Het vergeeft de dagelijksche zonden en ook die doodzonden, welke de zieke niet meer biechten kan. Daar het H. Oliesel een Sacrament der levenden is, moet men het in staat van genade ontvangen. Indien nu de zieke zich van eene zware zonde bewust is, dan moet hij, alvorens het H. Oliesel te ontvangen, eerst biechten, of, als dit niet meer mogelijk is, tenminste een volmaakt berouw verwekken. Dit H. Sacrament is alzoo niet in de eerste plaats en eigenlijk ingesteld ter vergeving der doodzonden, maar tot vergeving der dagelijksche zonden, welke men niet verplicht is te biechten. Het kan echter gebeuren dat de zieke nog eene zware zonde op het geweten heeft, zonder zich die te herinneren, en dat hij bijgevolg, alvorens het H. Oliesel te ontvangen, niet vraagt om te biechten; eveneens kan het plaats hebben, dat hij zich wel van eene zware zonde bewust is en gaarne biechten wil, maar ten gevolge der ziekte niet in staat is, het te doen, ja zelfs zijn wil door geen enkel teeken kan te kennen geven. In zulke gevallen worden door bet Sacrament des Oliesels de doodzonden kwijtgescholden, ofschoon de zieke, in weerwil zijner poging om een volmaakt berouw te verwekken, slechts een onvolmaakt berouw heeft. In dien zin zegt de Apostel Jacobus; „En „zoo hij in zonden mocht zijn, zullen zij hem vergeven „worden,quot; en het Concilie van Trente (hoofdst. 2): „De „zalving des H. Geestes neemt de misdrijven weg, die wel-„licht nog niet zijn vergeven.quot;
3) Het neemt de overblijfselen weg van de reeds vergeven zonden. — Zoo luidt de uitdrukking van de Kerkvergadering van Trente. Zulke overblijfselen zijn eensdeels de tijdelijke straffen, welke door het H. Sacrament der Biecht niet altijd geheel worden kwijtgescholden, van den anderen kant de neiging ten kwade en de zwakheid van den wil, die als rampzalige gevolgen uit de bedreven zonden ontspruiten en niet tegelijk met deze worden weggenomen. Wat de tijdelijke straffen betreft, deze worden door het H. Oliesel niet
520
als door een vollen aflaat geheel gedelgd, maar slechts naargelang der godsvrucht en boetvaardige stemming, welke de zieke heeft, meer of min kwijtgescholden. Met de neiging tot de zonde is het gelegen als met de begeerlijkheid, welke na de vergeving der erfzonde in den gedoopte achterblijft; al zijn de doodzonden door de Biecht vergeven, toch blijft de zondaar door den ontzenuwenden invloed, welke zij op zijne ziel hebben uitgeoefend, nog altijd zwak en tot het kwaad geneigd. Hij is gelijk aan een mensch, die van eene doodelijke ziekte hersteld, maar nog niet volkomen genezen is, die derhalve nog altijd eene natuurlijke overhelling tot instorten in zich bespeurt. Het H. Oliesel nu voltooit de in de Biecht begonnen genezing der ziel, neemt door het verleenen van bizon dere genade de ongeregelde gehechtheid aan het aardsche, aan de goederen en vermaken der wereld van haar weg, keert het hart krachtig tot God en het hemelsche. Daarom wordt ook het H. Oliesel door de Vaders en de Kerkvergadering van Trente als de voltooiing der christelijke boetvaardigheid beschouwd.
4) Het sterkt in lijden en bekoringen, vooral in den doodstrijd. — De heilzame uitwerking van het H. Oliesel beschrijft de genoemde Kerkvergadering (hoofdst. 2) zeer schoon met de woorden: „Het H. Oliesel verlicht en versterkt de ziel van den zieke, daar zij in hem een groot „vertrouwen op de goddelijke Barmhartigheid opwekt, waar-„door hij, met moed vervuld, de bezwaren en ongemakken „der ziekte lichter draagt en de bekoringen van den Satan „gemakkelijker weerstaat.quot; Inderdaad heeft de Christen nooit zooveel behoefte aan bovennatuurlijke versterking en opwekking als in zijne laatste ziekte en in den doodstrijd. In de laatste ziekte heeft hij gewoonlijk te kampen met lijden van allerlei soort en zijne ziel wordt er geweldig door gedrukt. De zieke ziet, dat zijn leven ten einde spoedt; hij ziet al zijne hoop en plannen voor de toekomst veredeld; hij ziet, dat hij weldra alles verlaten moet, wat hem lief en dierbaar is. Hij ziet de tranen zijner betrekkingen en vrienden, hoort hun weeklagen; hunne droefheid doorboort hem het hart. Daarbij komt de lichamelijke smart, die als vuur in al zijne ledematen brandt en hem geen oogenblik rust laat. Hoe onontbeerlijk is hem dan de versterking van boven, om al dat lijden met geduld en overgeving aan den goddelijken wil te dragen! — Harder echter en meer gevaarlijk dan dit alles, is de strijd tegen de bekoringen, welke den zieke gewoonlijk bestormen. Het aandenken aan de bedreven zonden en aan de verbeurde genade, de gedachte aan het naderend oordeel en de onver-
521
biddelijke gestrengheid van den al wetenden Rechter, de vrees voor de hel en de eeuwigheid harer kwellingen — dat alles verzwakt en ondermijnt zijn vertrouwen, vervult hem met onrust, met vreeze en moedeloosheid; alleen de kracht der genade is bij machte hem moed in te spreken en zijn hart voor vertwijfeling te bewaren. Doch gevaarlijker nog zijn in den doodstrijd de bekoringen van den helschen belager, die, wel is waar, altijd rondsluipt als een brieschende leeuw en zoekt, wien hij kan verslinden; maar nooit, zoo zegt het Concilie van Trente (hoofdst. 1), zoozeer al zijne krachten en zgne arglistigheid aanwendt, om ons in verwarring te brengen, het vertrouwen op de goddelijke Barmhartigheid weg te nemen en ons geheel ten gronde te richten, als juist in dat allesbeslissend oogenblik van onzen dood. Sterker echter dan de gansche hel is de genade van het H. Sacrament des Oliesels; daardoor zullen wij al onze vijanden overwinnen en rustig in den Heer sterven.
Wat werkt het 11. Oliesel uit tot heil van ons lichaam ?
Het geeft dikwijls verlichting in de ziekte en zelfs de gezondheid, als die ons ter zaligheid dienstig is.
Terwijl de overige Sacramenten uitsluitend tot heil der ziel zijn ingesteld, heeft het H. Oliesel, ofschoon niet hoofdzakelijk, toch op ondergeschikte wijze ook de welvaart des lichaams, de leniging der pijnen en de herstelling ten doel. Zoo verstond en begreep men in de katholieke Kerk steeds de bovenaangehaalde woorden van den H. Apostel Jacobus. De gebeden, welke de Kerk bij de toediening van dit H. Sacrament, alsook bij de zegening van de olie der zieken verricht, en reeds in de oudste tijden in het Oosten en Westen verricht heeft, spreken dit geloof duidelijk en bepaald uit. Eveneens doet ook de H. Cesa-reus, Bisschop van Arles. Hij verwijt den Christenen, dat zij in hunne ziekte tot bijgeloovige middelen hunne toevlucht nemen, en toont hun aan, hoeveel beter en heilzamer het zou zijn, dat zij het Oliesel ontvingen en naar de uitspraak des Apostels daardoor niet alleen de gezondheid des lichaams, maar ook kwijtschelding der zonde verkregen. Werkelijk leert ook de dagelijksche ondervinding, dat er bij zieken, na het ontvangen van het H. Oliesel, niet zelden eene opmerkelijke verlichting en eene gelukkige wending der ziekte plaats heeft. — Evenwel is het weder-krijgen van de gezondheid des lichaams niet een onmisbaar uitwerksel van het H. Sacrament des Oliesels, gelijk de instorting der genade, waardoor de ziel genezen wordt.
522
Het lag niet in de plannen van Jesus Christus, ons een onfeilbaar behoedmiddel tegen den dood aan de hand te doen. Wel wilde de Heiland met het H. Oliesel de geheimvolle kracht verhinden, het lichaam gezond te maken , doch enkel voor het geval, dat het lichamelijk herstel tot de algeheele genezing der ziel of, gelijk het Concilie van Trente zich uitdrukt, „tot het heil der ziel voordeelig is.quot; In dat geval heeft het herstel de waarde en de beteekenis van eene bizondere genade, welke, volgens de leer van den H. Thomas, \') aan al degenen, die dit H. Sacrament ontvangen, gegeven wordt, mits er van hunnen kant geen beletsel aanwezig zij. Zulk een beletsel kan, behalve het onwaardig ontvangen van het Sacrament, ook het gebrek aan geloof en vertrouwen zijn, zooals de roomsche Kate-chismus zelf aanmerkt, wijzende op Matth. XIH, 58, waar geschreven staat: „Hij (Christus) heeft aldaar niet „vele wonderteekenen gedaan, om huns ongeloofs wille.quot;
Aangaande de vragen 1) wie, 2) hoe, 3) wanneer, 4)
!) Toen de H. Teresia gevoelde, dat haar laatste uur begon te naderen, verlangde zij vurig, dat men haar met de HH. Sacramenten zou voorzien. Nauwelijks hoorde zij het klokje, hetwelk de komst des Heeren in hare cel verkondigde, of zij begon met liefelijke stemme te zingen. In weerwil van hare groote zwakte richtte zij zich toch van haar. armzalig ziekbed op. en in de tegenwoordigheid van haren innig geliefden Verlosser vol godsvrucht de handen vouwende, riep zij in blijde verrukking en met onbeschrijfelijke liefde uit: //Zoo is ,/dan eindelijk het uur gekomen, waarnaar ik zoo lang verlangend //heb uitgezien! O mijn Heer en mijn Bruidegom, ik zal Udaneinde-//lijk aanschouwen en bezitten! Het is tijd, o God! dat ik uit dit ,/leven scheide, uw allerheiligste wil geschiede!quot; Nu ontving zij met de meeste godsvrucht en den diepsten eerbied, als door heme\'lsche stralen omgeven, het Allerheiligste. Hierop betuigde zij haren harte-lijken dank bizonder daarvoor, dat de Heer haar als eene dochter zijner H. Kerk had aangenomen, dat het haar vergund was, in den schoot van zulk eene moeder den laatsten adem uit te blazen. Met een diep gevoel herhaalde zij telkens de woorden: //Ja gewis, ik //sterf als eene dochter der katholieke Kerk.quot; Terstond verootmoedigde zij zich echter weêr, verwekte een berouw over hare zonden en sprak dikwijls: „O Heer! verstoot mij niet van uw aanschijn, een ver-//morzeld en ootmoedig hart zult Gij niet versmaden — ik hoop op „mijne zaligheid om de verdiensten van onzen Zaligmaker Jesus //Christus.quot; Bij de toediening van het H. Oliesel antwoordde zij op alle gebeden, sprak vervolgens andermaal hare dankzegging, dat zij eene dochter der katholieke Kerk, was en nam toen het beeld van den gekruisigden Heiland weêr ter hand, waarbij haar hart cioor liefde geheel gewond scheen en haar gelaat van het vuur van heilig verlangen naar den hemel straalde. Eindelijk was zij in eene verheven beschouwing verdiept, inwendig voortdurend met harengodde-lijken Bruidegom bezig en bleef wonderbaar kalm tot haar laatste oogenblik (Steigers Pilgerreise).
Mochten ook wij cenmsal in eene zoodanige stemming de laatste HH. Sacramenten ontvangen!
523
hoe dikwijls men het H.\' Oliesel ontvangen moet, dient het volgende opgemerkt te worden.
1) Ieder Katholiek, die, tot de jaren van verstand gekomen en gevaarlijk ziek is, kan en moet het H. Oliesel ontvangen. — Hiervan zijn dus uitgesloten de kinderen, die het gebruik van hun verstand nog niet hebben. De reden hiervan is duidelijk. Dewijl namelijk dit H. Sacrament hoofdzakelijk is ingesteld tot zuivering der ziel van de bedreven zonden en hare droevige gevolgen, en zulke kinderen bij gebrek aan genoegzame onderscheiding tusschen goed en kwaad geenszins zondigen kunnen, volgt noodzakelijk, dat bij hen het eigenlijk doel der instelling niet bereikt kan worden en de vorm: „God vergeve u, wat „gij ... misdaan hebtquot; op hen niet van toepassing is. Alle kinderen daarentegen, die in staat zijn zonde te doen, kunnen het H. Oliesel ontvangen, zelfs wanneer zij niet genoegzaam onderwezen geacht worden om te biechten en te communiceeren. Volwassenen, die hun geheele leven aanhoudend van hun verstand beroofd waren, zijn om dezelfde reden als de kleine kinderen niet bekwaam dit Sacrament te ontvangen. Degenen echter, die een verlangen naar dit H. Sacrament gehad hebben, of van wie men redelijker wijze kan veronderstellen, dat zij het zouden begeerd hebben, als zij de gevaarlijkheid van hunne ziekte eenigszins vermoed hadden; verder degenen, die teekenen van berouw gegeven hebben, mag men het toedienen, zelfs als zij de spraak en het gebruik hunner rede verloren hebben. — Geëscominuniceerden, onboetvaardigen en zij, die op het oogenblik zei ven, dat zij eene ontwijfelbaar zware zonde begingen, het gebruik van hun verstand verloren en niet teruggekregen hebben, mag men het H. Oliesel niet toedienen; want bij hen kan men de boetvaardige stemming, welke tot het ontvangen van dit Sacrament vereischt wordt, redelijkerwijze niet veronderstellen. Het H. Oliesel mag evenmin toegediend worden aan hen, die, gezond zijnde, zich aan een waarschijnlijk doodsgevaar blootstellen, wanneer zij bijv. aan het vechten gaan in den oorlog, eene gevaarlijke zeereis ondernemen, enz. of op het punt staan van gevonnisd te worden. De woorden des Apostels: „is „er iemand onder u zielquot; bewijzen duidelijk genoeg, dat dit Sacrament slechts voor de zieken is ingesteld. Hierbij dient echter opgemerkt te worden, dat niet elke ziekte zonder onderscheid recht geeft om het H. Oliesel te ontvangen. De ziekte moet bedenkelijk, met een waarschijnlijk gevaar van sterven verbonden zijn. Dit blijkt uit de verklaring van het Concilie van Florence (Decreet voor de Armeniërs): „het H. Oliesel zal alleen aan zieken, wier dood te vreezen
524
„is, worden toegediend.quot; In overeenstemming daarmede leert ook het Concilie van Trente (hoofdst. 3), dat het H. Oliesel moet worden ontvangen door zieken, bizonder door degenen die zoo gevaarlijk liggen, dat zij zich aan het einde van hun leven schijnen te bevinden. De uitdrukking „bizonder\'\' duidt aan, zooals de H. Ligorio (verklaring van het Con. van Trente) opmerkt, dat men aan hen, die gevaarlijk ziek zijn, het H. Oliesel ook dan mag toedienen, als het naaste gevaar van sterven nog niet aanwezig is. — Grijsaards, wier levenskracht zichtbaar afneemt, wier dood men derhalve dagelijks verwachten en duchten moet, kunnen, ook wanneer er geene andere ziekte bijkomt, het H. Oliesel ontvangen, daar zulk eene toenemende zwakte, door de hooge jaren veroorzaakt, zelve eene gevaarlijke ziekte is.
Uit het gezegde zien wij, wie het H. Oliesel ontvangen kan. Als men nu de bovenaangeduide en zoo heilzame uitwerkselen er van gedenkt en behartigt, zal het ongetwijfeld ieder duidelijk zijn,quot; dat degenen, die het H. Sacrament ontvangen kunnen, het ook ontvangen moeten. Zou het niet eene strafwaardige verwaarloozing zijn van zijne eigen geestelijke en lichamelijke welvaart, eene onverantwoordelijke krenking van het gebod der christelijke liefde tot zich zeiven, als men in dat laatste, allesbeslissende oogenblik, wanneer het lot der eeuwigheid op het speL-staat, verzuimde gebruik te maken van dit door Christus ingestelde genees- en versterkingsmiddel? Zou zulk een trage Christen de nederlaag in den laatsten strijd niet aan zich zeiven, aan zijne eigen nalatigheid moeten toeschrijven? Zeer terecht vermaant alzoo het Concilie van Trente, dat men geenszins gehoor mag geven aan degenen, die, tegen de zoo duidelijke uitspraak van den Apostel in, leeren, dat de H. Zalving geen gebod van God is, of dat ze door de geloovigen zonder zonde kan geminacht worden. En elk ijverig Christen zal van ganscher harte zich vereenigen met het woord dier door God verlichte vergadering: „De „verachting van een zoo verheven Sacrament kan niet zon-„der groote zonde, zonder eene zware beleediging van den „H. Geest zeiven geschieden.quot;
2) Men moet het H. Oliesel ontvangen, a) in staat van genade en derhalve, zoo het mogelijk is, te voren biechten of tenminste een volmaakt berouw verwekken. — Daar het H. Oliesel een Sacrament der levenden is, begrijpt men van zelf, dat, als iemand zich in staat van doodzonde bevindt, op hem de strenge verplichting rust, voor het ontvangen van dit Sacrament zijne Biecht te spreken, of, ingeval dit niet mogelijk zou wezen, naar vermogen te
525
trachten, door een volmaakt berouw zijne ziel te zuiveren en in staat van genade te brengen. — V) Met geloof, hoop, liefde en overgeving aan den goddelijken wil. — Gelijk in Jt algemeen alle Sacramenten, zoo brengt ook het H. Oliesel des te rijker vruchten van genade voort, hoe inniger de godsvrucht, hoe gloeiender de ijver, hoe beter met één woord de voorbereiding van den zieke is. Daarom moet hij zich beijveren, met een levend geloof de heilaanbrengende en sterkende kracht van dit E. Sacrament wel te begrijpen en bij de komst des Priesters in zijn hart herhalen; „o Heer, ik geloof; indien Gij wilt, kunt Gij mij „gezond maken!quot; Eveneens moet hij eene akte verwekken van vast vertrouwen, dat Jesus Christus, de barmhartige Samaritaan, door de H. Zalving de wonden zijner ziel genezen en ook aan het lichaam de gezondheid zal terug geven, als dit tot zijne zaligheid voordeelig en noodzakelijk is. Verder moet zijn hart van liefde voor Jesus branden, voor Jesus, die als hemelsche geneesheer zijn ziekbed nadert, om, waar menschelijke hulp niet meer voldoende is, goddelijke hulp te brengen, om door de verdiensten van zijn bitter lijden en zijnen dood, de smarten der ziekte te lenigen en de laatste oogenblikken te verzachten, of met de algeheele genezing der ziel ook die des lichaams te schenken. Vooral moet de zieke, die het H. Oliesel zal ontvangen, hartelijke oefeningen van overgeving in den wil Gods verrichten, zich gaarne bereid verklaren tot alles, wat de goddelijke Majesteit in hare oneindige wijsheid en goedheid over hem moge besloten hebben, en met het oog op den Verlosser in den hof van Olijven voortdurend bidden en zuchten: „Vader, niet mijn, maar ü w wil geschiede.quot; — Onder de zalving moet de zieke in den geest van ootmoed en met een vermorzeld hart bidden om vergeving van alle zonden, die hij door zijne vijf zintuigen bedreven heeft. Daarna danke hij God van ganscher harte voor de ontvangen genade van het H. Sacrament, en bevele hij zich bij Jesus, den Gekruisigde, en Maria, de moeder van smarte, aan, opdat zij hem bijstaan, die genade te bewaren en tot zijn eeuwig heil te gebruiken. Het is daarenboven zeer dienstig, dat de zieke gedurende den loop zijner ziekte, en vooral als zijn einde nadert, de akten der goddelijke deugden, alsmede van berouw, geduld, gelijkvormigheid van zijn wil met den goddelijken, enz. meermalen verwekke, en dat de aanwezigen hem daartoe aansporen en behulpzaam zijn.
3) Men moet het H. Oliesel, als het mogelijk is, ontvangen terwijl men goed het gebruik der rede heeft en na
526
de H. Teerspijze. — Biecht en Communie dienen, als de toestand van den zieke het toelaat, het H. Oliesel vooraf te gaan. Wel werd in vorige eenwen de H. Communie dikwijls eerst na het H, Oliesel gegeven, doch tegenwoordig is het een algemeen gebruik van de Kerk, eerst den zieke te laten communiceeren, allerwaarschijnlijkst omdat het H. Oliesel naar het gevoelen der Kerk het eigenlijke „Sacrament der stervenden\'^ is, zooals ook het Concilie van Trente uitdrukkelijk zegt. Verder zou het soms kunnen gebeuren, dat de zieke gedurende de vrij lange ceremoniën en gebeden van het Oliesel het gebruik zijner verstandelijke vermogens verloor en bijgevolg de H. Eucharistie niet meer zou kunnen ontvangen.
Het Sacrament des Oliesels mag wel in zekere, hoven-aangeduide, omstandigheden ook toegediend worden aan degenen, die bewusteloos liggen, doch het lijdt geen twijfel, dat die zieken, die met volle bewustzijn zich godvruchtig tót het ontvangen van dit Sacrament voorbereiden, een onvergelijkelijk grooter geestelijk voordeel er uit trekken, dan degenen, die hun verstand reeds verloren hebben. Ja, in vele gevallen zal bij de laatsten het H. Sacrament geheel vruchteloos zijn, wanneer namelijk de veronderstelde voorbereiding tot het ontvangen er van inderdaad niet heeft plaats gehad. Dat gebrek aan voorbereiding is vooral bij die zieken te vreezen, die het ontvangen van het H. Oliesel tot het laatste oogenblik uitstellen. Met het Sacrament zelf wordt namelijk in den regel ook de Biecht, de ware bekeering des harten, verschoven, en het gebruik der rede gaat verloren, alvorens de zieke in de noodige stemming verkeert.
Vele Christenen wachten zoo lang mogelijk met het H. Oliesel gewis niet uit kwaden wil, maar enkel uit vrees voor den dood, wijl zij meenen, dat het met hun leven gedaan is, zoodra zij dit H. Sacrament ontvangen. Die meening draagt volkomen het stempel van den helschen leugengeest, die er van oudsher op uit was, de geloovigen door de dwaaste voorspiegelingen van het tijdig gebruik van dit onschatbaar heilmiddel af te houden. Wat nu leert ons de onfeilbare Kerk, onze beste, zelfs voor ons lichamelijk welzijn bezorgde moeder, aangaande het H. Oliesel? Zegt zij ons niet integendeel, dat het H. Oliesel ook tot welvaart des lichaams is ingesteld? Zou het niet eene groote zonde zijn, meer geloof te schenken aan de ingevingen van Satan dan aan de Kerk, de plaatsbekleedster van God op aarde? En zijn wij zelve er wellicht niet getuigen van geweest, dat het ontvangen van het H. Oliesel
527
den zieke rust en verlichting bracht? Is het bewustzijn, alles gedaan, alle genademiddelen, welke de Heiland voor den tijd van zware ziekte aanbiedt, aangewend te hebben, niet reeds een zoete troost, een voorwerp van onuitsprekelijke geruststelling voor den zieke? Getuigen niet zelfs andersdenkende geneesheeren, dat de inwendige kalmte en geduldige overgeving aan den goddelijken wil, door de kracht van dit Sacrament verkregen, niet alleen de pijnen der ziekte dragelijker maken, maar ook dikwijls bewerken, dat de natuurlijke geneesmiddelen beter helpen, en soms de ziektestof verplaatsen en overmeesteren ? Ja waarlijk, als de zieke, in plaats van vroegtijdig het door God ingestelde hulpmiddel te gebruiken, daarmee wacht, tot hij zonder wonder niet meer genezen kan, dan zal waarschijnlijk de dood volgen, niet omdat hij het H. Oliesel ontvangen , maar wellicht omdat hij het zoo laat ontvangen heeft. God toch zal zeker het allerminst een wonder doen ten gunste van hem, die tot het laatste oogenblik uitstelt, zijnen wil te volbrengen. En wanneer overigens de ziekte waarlijk doodelijk is; als het in Gods onveranderlijke raadsbesluiten ligt, dat de zieke niet herstelle, wat kan hij dan beter voor zich wenschen, dan niet alleen van de zonde, maar ook van hare overblijfselen bevrijd en tot den laat-sten strijd met hemelsche kracht uitgerust, een zaligen dood te sterven? Deze nu zijn juist de genaden, welke het H. Oliesel hem verleent. — Zendt de goede God u eene zware ziekte toe, stel dan niet het H. Oliesel uit tot het laatste oogenblik, anders toch zou de dood u kunnen overvallen en het u onmogelijk maken, den Priester te laten roepen. \')
\') Een levendig geloof aan het H. Sacrament des Oliesels en een vast vertrouwen op de geheimvolle kracht er van zijn genoeg, om bij den zieke een vurig verlangen naar dat genademiddel op te wekken. Het volgende door Pater Vinceutius uit het militaire hospitaal van Oran (in Afrika) medegedeeld, stelt deze waarheid in het helderste licht. Een soldaat, wiens krachten door de tering langzamerhand waren gesloopt, toonde een heilig ongècluld om het H. Oliesel te ontvangen. Twee dagen nadat den zieke het H. Sacrament des Altaars was toegediend, zeide hij tot den Pater: „Wanneer zult »gij mij toch het H. Sacrament geven, waarover gij mij onlangs //gesproken hebt. Gij weet wel, dat Sacrament, hetwelk de zonden «vergeeft, de overblijfselen der zonden delgt . . Mijn God! ik heb irer den naam van vergeten .... Welnu, het Sacrament, dat helpt „om zalig te sterven.quot; — „Ik begrijp u, mijn vriend, gij wilt zeggen //het H. Sacrament des Oliesels.quot; — //Ja, juist dat.quot; — „Gij verlangt //alzoo het H. Oliesel te mogen ontvangen?quot; — „O ja, van ganscher //harte, opdat ik meer en meer gezuiverd worde en waardig zij, voor -/den goeden God te verschijnen. Ik wil het niet ontvangen met de //bedoeling om weer gezond te worden, maar teneinde de genade te
528
4) Aangaande de vraag, hoe dikwijls men het H. Oliesel mag ontvangen, luidt het antwoord: in elke gevaarlijke ziekte mag men het eenmaal ontvangen; ook kan het in dezelfde ziekte herhaald worden, als het doodsgevaar voorbij is gegaan, maar zich opnieuw vertoont. — Zoo leeren de Godgeleerden algemeen en beroepen zich daarbij op het Concilie van Trente (hoofdstuk 3) en op het Ritueel. Het uitwerksel van dit H. Sacrament duurt namelijk, volgens de leer van den H. Thomas, zoo lang voort, als het gevaar van sterven bestaat, wijl de zieke in dien toestand bizon-dere versterking noodig heeft; is dat gevaar werkelijk voorbij en komt het later terug, dan mag ook het H. Oliesel herhaald worden, onverschillig of de ziekte, welke het gevaar van sterven medebrengt, dezelfde of eene andere, van de vorige onderscheiden, is.
TOEPASSING.
Niet altijd draagt de zieke de grootste schuld, dat het ontvangen van de laatste HH. Sacramenten wordt uitgesteld tot het te laat is. Zeer dikwijls moet dat uitstel geschreven worden op rekening van hen, die den zieke omgeven, die, in plaats van hem op het gevaar, waarin hij verkeert, opmerkzaam te maken, hem aangaande zijn toestand bedriegen en valschelijk geruststellen. En dat gewetenloos bedrog noemt men liefde voor den zieke! Men vreest, dat de herinnering aan den dood, welke inderdaad gepaard gaat met de aanmaning om de laatste HH. Sacramenten te ontvangen, den zieke te zeer zal ontstellen, de werking der natuurlijke geneesmiddelen verijdelen en een gevaarlijken keer aan de ziekte geven zal. Waarlijk eene wreede liefde, eene liefde, waarvoor de zieke weinig dankbaar zal wezen, ja, die hij wellicht de geheele eeuwigheid door
,verkrijgen, de ziekte christelijk té dragen en zalig te sterven.quot; — „Wilt gij dan deze aarde verlaten?quot; — / Ja, ik verlang er naar; wat „toch zou ik in \'t vervolg op aarde doen? Ik zou nog in staat zijn, „onzen lieven Heer andermaal te beleedigen. Is het niet beter, dat „ik thans van de wereld scheide, nu ik het geluk heb gehad, het „werk mijner zaligheid in orde te brengen en mijn geweten te zui-„veren?quot; Ik beloofde hem het H. Oliesel toe te dienen. Daags daarna ontving hij het in eene stemming, welke zijn brandend verlangen naar dit H. Sacrament verwachten liet. Zijne vreugde was nu volkomen. Hij uitte die door de volgende woorden, welke hij na den afloop met wonderbaren nadruk uitsprak: „Dank, vader, „duizendmaal dank! o, nu kan ik getroost sterven. Ik heb mijn plicht „gedaan en hoop, dat de goede God zich over mij zal erbarmen.quot; Weinige dagen daarna ontsliep hij kalm met eene medalje der onbevlekte Ilaagd in de hand.
529
vervloeken en verwensctea zal; eene liefde als van hen , die een blinde naar een afgrijselijken afgrond zien loopen , zonder hem te waarschuwen, opdat hij er niet instorte. — Is de zieke een ijverig Christen, dan zal het hem goed doen, het gevaar te kennen, waarin hii zich bevindt; door eene akte van overgeving in Gods heiligen wil den schrik voor den dood, welke den raensch eigen is, verminderen, en de HII. Sacramenten zullen den vromen zieke, gelijk wij reeds opmerkten, geheel en al gerust stellen. Is de zieke echter een lauw, nalatig of slecht Christen, dan is het des te meer noodzakelijk, er hem te goeder ure aan te herinneren, dat hij zijne rekening met den hemel moet afsluiten en de genademiddelen der H. Kerk dient te gebruiken. Men stelle hem dan voor oogen. dat, zoo de gezondheid des lichaams tot zijne zaligheid dienstig is, er geen krachtiger middel bestaat, dan juist het door den goddelijken Heiland ingestelde H. Oliesel, vooral wanneer het bijtijds ontvangen wordt. Op die wijze wordt de onrust van den zieke weggenomen, het vertrouwen opgewekt en de zoo gevreesde kwade invloed van te groote opgewondenheid voorkomen of vernietigd. Daarenboven leert de ondervinding, dat juist degenen, die dit H. Sacrament het meest noodig hebben, door het waardig ontvangen er van in den regel het merkbaarst getroost en gerustgesteld worden. Overigens is het niet duizendmaal beter, dat het lichaam sterft, dan dat de ziel voor eeuwig verloren gaat? Alleen vooroor-deelen, welke den Christen onwaardig zijn, alleen onverschilligheid in zake van godsdienst of volslagen ongeloof kunnen de wortelen eener zoo wreede, onzinnige, moorddadige liefde zijn. God zal op den jongsten dag van zulke plichtvergeten ouders, kinderen, zusters de zielen van hunnen zoon, vader, broeder of zuster terug vorderen. \') — Verre zij alzoo van ons eene zoo verkeerde, zoo
\') Het ontbreekt niet aan voorbeelden, welke het duidelijk bewijs leveren, dat God somwijlen reeds in dit leven degenen straft, die hunne betrekkingen verhinderen, te rechten tijde dit H. Sacrament te ontvangen. Wij willen er slechts één aanhalen, dat wij in de levensgeschiedenis van den eerwaardigamp;n Pater Philippus Jeningen, Priester der Societeit van Jesus, die in het jaar 1704 te Eillwangen in geur van heiligheid stierf, aantreffen. — Eene burgervrouw was zwaar ziek, en het gevaar vermoedende, had zij gewenscht dat men Pater Philippus zou roepen, teneinde met diens hulp zich tot een goeden dood voor te bereiden. Haar echtgenoot had dit echter geweigerd, dewijl, zooals hij zeide, de ziekte niet zoo gevaarlijk was, als de vrouw het zich inbeeldde, omdat zij liever in bed quot;lag dan werkte. De zieke zweeg en bad met vele tranen den goeden God, voor haar en het heil harer ziel te zorgen. Intusschen nam de ziekte toe; de krachten verdwenen, en plotseling bevond zij zich in DEHAKBE GELOOFSLEER. IV. S\'le DEUK. 34
530
onchristelijke handelwijze. Is er iemand van de onzen gevaarlijk ziek, laten wij dan terstond den Priester des Heeren, den plaatsbekleeder van Jesus Christus, roepen, opdat deze\' den zieke opmerkzaam make op het gevaar, waarin hij verkeert, zoo wij den moed en de geschiktheid I missen, dit op eene goede wijze te doen. Volgen wij het voorbeeld der zusters van Lazarus,quot; Martha en Maria, die bij de ziekte van hunnen broeder naar Jésus zonden en Hem lieten zeggen: „Heer! zie, dien Gij lief hebt, is „ziekquot; (Joan. XI, 3). Zorgen wij er tijdig voor, dat onze zieken met de laatste HH. Sacramenten voorzien worden. Eene grootere liefde kunnen wij hun niet bewijzen. \') Die liefde zal God dikwyls reeds hier op aarde
doodstrijd. Nu gaat men in alle haast Pater Philippus roepen. Deze komt, roept volgens zijne gewoonte de H. Barbara, de Beschermheilige der stervenden aan, en tegen alle hoop opent de zieke hare oogen , en spreekt hare Biecht. Het was evenwel alsof God dat wonder bizonder wilde doen uitkomen; want onmiddellijk daarna geraakte zij weder, zonder het Allerheiligste en het H. Oliesel te kunnen ontvangen, in doodstrijd en stierf. — Nauwelijks was de vrouw overleden, of Pater Jeningen wendde zich met grooten ernst en heilige verontwaardiging tot den man. »Gij,quot; dus sprak hij, «.ontevreden //echtgenoot, ook gij zult na drie dagen een lijk zijn. Bereid u voor iftot den dood, hij is niet ver van u verwijderd.quot; Hij ging nu henen en liet de aanwezigen in de grootste verbazing achter. Den volgenden dag was de man nog gezond. Den dag daarop gevoelde hij eene lichte, naar het scheen met geen gevaar verbonden koorrs. Den derden ochtend .was de koorts echter zoo hevig geworden, dat ook de zieke alle hoop op herstel liet varen. Toen gingen hem de oogen open; hij liet den Pater roepen. Degene, die hem de straf voor zijne hardheid had aangekondigd, zou, meende hij, ook het krachtigst voor hem bidden. Hij biechtte met een rouwmoedig hart en stierf, door den dienaar Gods voorbereid, nog denzelfden dag.
!) Het volgende voorbeeld, hetwelk de H. Bernardus in de levensbeschrijving van den H. Malachlas, Aartsbisschop van Armagh in Ierland, verhaalt, pleegde de H. Carolus Borromeus aan te halen, om te bewijzen, hoe waakzaam en bezorgd men zijn moet, dat de zieke bij tijds het H. Oliesel ontvangt. Wij kunnen daaruit tevens leeren, hoe hoog de Heiligen de genade van dit H. Sacraraenr, op prijs stelden, en hoeveel leed het ons doen moet, als wij op eenigerlei wijze de schuld zouden zijn, dat een zieke die genade mist. — De gebeurtenis droeg zich toe als volgt. Eene in de buurt van het klooster Bangor wonende adellijke vrouw liet, in doodsge\\aar ver-keerend, den H. llalachias roepen. De dienaar Gods kwam, troostte haar met heilzame toespraken en maakte zich gereed, om de zieke het H. Oliesel toe te dienen. De aanwezigen stelden hem echter voor, dat het beter was, daarmede tot den volgenden dag te wachten, opdat de zieke zich met meer zorg zou kunnen voorbereiden. De Heilige volgde, hoewel ongaarne, dien raad. Hij maakte het kruis-teeken over de zieke en begaf zich met zijne omgeving in eene andere kamer. Het duurde niet lang, of het gèheele huis geraakte in verwarring; men hoorde niets dan zuchten en weeklagen; de bedienden gaven door hun luid gesnik te kennen, dat zij hunne meesteres verloren hadden. Malachias vliegt naar de kamer van de zieke en vindt haar werkelijk dood. Zijne handen ten hemel hellende geeft hij zich
531
beloonen, door de gezondheid aan onze dierbaren terug te geven; maar gewis zullen wij daarvoor in den hemel de eeuwige dankbaarheid ondervinden van onze verheerlijkte broeders, die mede aan ons hunne zaligheid toeschrijven.
Over liet heilig Priesterschap.
In het tweede deel van ons werk, sprekend over de Kerk, hebben wij reeds gezien, aan wie Christus onmiddellijk het priesterschap heeft opgedragen, en ook, dat dit priesterschap niet moest ophouden met den dood der Apostelen , maar tot het einde der tijden voortduren. Daarom bepalen wij ons aangaande deze punten slechts tot het volgende.
Jesus Christus, de middelaar tusschen God en de men-schen, is de eeuwige, door God den Vader zeiven aangestelde Hoogepriester volgens de orde van Melchisedech. Het kruis op Golgotha was het altaar, waarop Hij zich zelven den hemelschen Vader ten offer aanbood, door het storten van zijn H. Bloed de zonden der wereld wegnam en de menschen met zijnen vertoornden Vader verzoende. Met tevreden, zich eenmaal op bloedige wijze opgeofferd en de vergeving der zonden bewerkt te hebben, wilde Hij tot het einde der tijden zich op onze altaren op onbloedige wijze ten offer brengen, voortdurend de verlosten door de verzoenende kracht van zijn bloed van de zonde verlossen en heiligen. Om dit heerlijk plan van erbarmende liefde in zijn op aarde voor alle toekomstige tijden gevestigd zichtbaar rijk, in de H. Kerk, ten uitvoer te brengen, verleende Hij, voor zijn heengaan tot den Vader, aan de Apostelen de macht, het onbloedige offer des Nieuwen Verbonds op te dragen en de zonden te vergeven, maakte ben tot zijne zichtbare plaatsbekleeders
zelven de schuld, dat de zieke zonder het H. Oliesel gestorven is. //Ik, ik heb misdaan,quot; zuchtte hij, „niet zij, die gevvenscht heeft, het //H. Sacrament te ontvangen.quot;5 i)en ganschen nacht bleef hij bij het lijk, bad met diepe droefheid en maande ook de aanwezigen aan, hunne gebeden met de zijne te vereenigen. Bij het aanbreken van den dag verhoorde God het vurige smeeken van zijnen dienaar, die slechts bij ongeluk een misslag begaan had. De vrouw geeft teekenen van leven, opent de oogen, erkent en groet den H. Bisschop. De omstanders stonden verbaasd, en hunne smart was in vreugde veranderd, Malachias dankte God en deelde do zieke aanstonds het H. Oliesel toe, wel wetende, dat het H. Sacrament de zonden kwijtscheldt en het gebed des geloofs den zieke heil aanbrengt. De zieke genas, verrichtte de door den H. Bisschop haar opgelegde boete en stierf later een zaligen dood.
34*
532
in het priesterschap, dat Hij tot dusverre persoonlijk op zichtbare wijze bekleed had; door hunne priesterliike handen wilde Hij voortaan zich voor ons opofferen, door hunne bediening de boeien der zonde losmaken, genade en zegening schenken. — Dat zichtbaar op de Apostelen overgedragen priesterschap van het Nieuwe Verbond mocht echter na hunnen dood geenszins ophouden, maar moest gelijk de Kerk, de bewaarster er van, voortduren tot het einde der tijden; in de plaats van de gestorven Apostelen moesten alzoo wettige opvolgers in het priesterambt treden en dit voortdurend door alle geslachten. Daarom moest het Concilie van Trente (Zitt. 23. Can. 1) eenieder met den kerkelijken ban treffen, die be-beweert: „Er bestaat in het Nieuwe Verbond geen zicht-„baar, uitwendig priesterschap.quot;
Overigens geeft de aard der zaak zelve ons recht, met groote zekerheid te besluiten tot het bestaan van een zichtbaar priesterschap in de door Christus gestichte maatschappij, de Kerk. Hooit en nergens was er eene godsdienstige maatschappij zonder priesters, d. i. zonder zulke personen, die van ambtswege verplicht waren, voor de vereering der Godheid te zorgen en in \'t bizonder de vastgestelde, openbare offers op te dragen. De heidensche volkeren der oudheid: de Egyptenaren, Chaldeërs, Perzen, Grieken, Romeinen, Galliërs, Germanen, enz. hadden, zooals men zeker weet, hunne priesters, en ook heden nog vinden wij die bij de Chineezen, Japan-neezen, Indianen en andere heidensche volkeren. Het gezond verstand zelf gaf het den menschen in, dat de openbare eeredienst der Godheid, onder welke gestalte die zich ook mocht voordoen, in handen van bepaalde, daartoe uitgekozen en der Godheid bizonder toegewijde personen gesteld moest zijn, opdat deze op eene gepaste en waardige wijze geregeld en gehouden zou worden. Scherp ge-teekend zien wij de inrichting van een zichtbaar priesterdom vooral bij het volk van Israël. De patriarchen waren er in hunnen tijd, als de hoofden van hun gezin, de priesters van.
Toen later die patriarchale familiën een talrijk volk geworden waren, beval de Allerhoogste, die zich gewaardigde af te dalen, om het wetten te geven, dat er een eigen priesterdom moest zijn voor de viering van den voorgeschreven godsdienst. Aaron en zijne nakomelingen werden tot priesters verkozen en gewijd, eene instelling, welke tot het einde van het Oude Verbond heilig gehouden werd. — Zou het na dat alles niet hoogst ongerijmd zijn, aan te nemen of te beweren, dat Jesus Christus in zijne H. Kerk geen zichtbaar priesterdom heeft ingesteld? Zou dan in de christelijke Kerk alleen, tegen het gezond verstand in, een elk voor zich zeiven en niemand voor het geheel Priester zijn? Zou alleen de volmaaktste godsdienst het voorrecht missen, de godsdienstige handelingen door daartoe bepaalde en gewijde personen verricht te zien? Zou in den christelijken godsdienst, welke, zooals wij vroeger hebben aangetoond, het heiligste en verhevenste Offer bezit, de eerste geloovige de best\'3 de macht en het recht hebben, het God op te dragen? Zou Jesus Cliristus als Priester volgens de Orde van Melchisedech het priesterschap van Aiiron wel afgeschaft, maar geen nieuw in deszelfs plaats gesteld hebben? Hoe kan dan de Kerk van het Nieuwe Verbond de voltooiing der Kerk van het Oude Verbond zijn? En hoe wordt dan de voorspelling van den Profeet Isaïas fLXVI, 22,) vervuld, dat^de Messias aan het verloste geslacht eigen priesters en levieten geven
533
zou? — Christus heeft alzoo, moeten wij aannemen, in zijne Kerk inderdaad een eigen zichtbaar priesterschap gesticht; Hij heeft niet aan alle geloovigen zonder onderscheid dezelfde geestelijke macht geschonken, niet aan alle, maar slechts aan eenige daartoe uitverkorenen, zijn leer- en herdersambt, maar ook zijn priesterambt toevertrouwd, met het verlangen, dat het door deze aan andere, uit den leekenstand verkozenen, zou worden overgegeven en zoo in hunne opvolgers voortduren tot het einde der wereld. Dit feit zien wij niet enkel in de H. Schrift duidelijk opgeteekend, gelijk bij het negende artikel des geloofs werd aangetoond; maar het wordt ook bewezen door de oudste kerkelijke gedenkteekenen en geschiedkundige oorkonden. Ten allsn tijde, van Christus en de Apostelen af tot heden toe, zien wij in de geheele, over den ganschen aardbodem verspreide Kerk, in iet oosten zoowel als in het westen, een- eigen priesterdom, scherp onderscheiden van de overige geloovigen, van de leekeu: een priesterdom, welks leden het alleen toekomt, het H. Offer op te dragen, de zonden in Christus\' naam te vergeven; een priesterdom, tot hetwelk alle geloovigen zich moeten wenden, om de Sacramenten, de leer des heils en geestelijke leiding te ontvangen. Deze leer heeft de H. Ignatius, Bisschop van Antiochië, uit den mond der Apostelen vernomen en nadrukkelijk voorgesteld in zijne vele brieven aan de geloovigen van Magnesië, Smyrna, enz. Alle Christenen moeten hunne Bisschoppen volgen en hun onderdanig zijn als aan Jesus Christus, en den Priesters als aan de Apostelen; zonder den Bisschop en de hem ondergeschikte Priesters mag niets geschieden, wat betrekking heeft op den godsdienst, geen feest gevierd en geen liefdemaal gehouden worden; slechts uit hunne handen mogen zij de II. Eucharistie ontvangen.
Het is derhalve duideliik en uitgemaakt, dat in de Kerk van Christus de priesterliike waardigheid en macht van de Apostelen op hunne wettige opvolgers niet slechts overgaan moest maar ook werkelijk overging, en dat bijgevolg het priesterschap door alle christelijke eeuwen heen is voortgeplant en tot het einde der eeuwen zal blijven bestaan. De wijze dier voortplanting van het christeliik priesterschap of het middel, waarvan de Apostelen en hunne opvolgers in het bisschoppelijk ambt zich bedienden, om die voortplanting te bewerkstelligen, zullen wij thans aangeven.
Wai is het 11. Sacrament des Priester schap s ?
Het is een Sacrament, waarin de bedienaars der Kerk de noodige macht en genade ontvangen, om hun ambt be-hoorliik waar te nemen.
Door de H. Priesterwijding ontvangt de tot Priester uitverkorene de priesterlijke macht, welke de Heiland op de Apostelen heeft overgedragen, die macht namelijk, welke hem in staat stelt, door de woorden der Consecratie in de H. Mis brood en wijn in het lichaam en bloed des Heeren te veranderen, en den rouwmoedigen zondaar in Christus\' plaats de zionden te vergeven. Het Priesterschap is alzoo, volgens de katholieke leer, een Sacrament door Christus
534
zei ven ingesteld tot het mededeelen van de priesterlijke macht en de genade om dat verheven ambt op eene Gode welgevallige wijze te beldeeden, en zoo is het van zelf middel om het zichtbare priesterdom van het Nieuwe Verbond in zijne Kerk voort te planten. Derhalve zegt de Kerkvergadering van Trente (Zitt. 23. Can. 3): „Wanneer „iemand beweert, dat het Priesterschap of de H. Wijding „niet waarachtig en eigenlijk een Sacrament is, door Chris-„tus onzen Heer ingesteld, of dat het slechts eene men-„schelijke uitvinding is, uitgedacht door menschen, die in „de kerkelijke zaken onkundig zijn, of dat het eene bloote „ceremonie is, teneinde bedienaars van het goddelijk woord „en van de Sacramenten uit te kiezen, die zij in den ban.\'\' Het bewijs, dat het Priesterschap in de katholieke Kerk niet, zooaïs de dwaalleeraars beweren, eene bloote ceremonie en menschelijke uitvinding, maar werkelijk eendoor Christus zei ven ingesteld Sacrament is, levert ons het reeds aangehaalde en bewezen feit, dat Christus, onze Heer, voor alle toekomende tijden een zichtbaar priesterschap ingesteld en de Priesters met de macht, om het allerheiligst Offer op te dragen en de zonden te vergeven, heeft uitgerust. Immers, zal het priesterschap zichtbaar zijn, dan moet ook op dengene, die tot Priester is uitverkoren, deze op zich zelve onzichtbare macht otn te consacreeren en de zonden kwijt te schelden, op eene of andere door de zintuigen waar te nemen wijze, door het een of ander zichtbaar, de onzichtbare macht aanduidend teeken overgedragen worden, opdat de gewijde zeker zij, dat hij waarlijk die macht ontvangen heeft, en opdat ook het volk hem als Priester erkennen en van de leeken onderscheiden kan. Onmogelijk kon echter eenige menschelijke overheid aan eene of andere ceremonie of aan een zichtbaar teeken de aangegeven priesterlijke macht hechten, daar deze ongetwijfeld grooter is, dan zelfs de kracht om dooden tot het leven op te wekken; dit vermocht alleen God, de Almachtige. Vandaar dat de H. Chrysostomus (over het Priesterschap boek 3. No. 1) schrijft; „Het Priesterschap wordt „wel op aarde uitgeoefend, doch volgens zijn rang terecht „onder de hemelsche waardigheden gesteld, want noch een „mensch, noch een Engel, noch een Aartsengel, noch „eenige geschapen macht heeft dit ambt gesticht; de H. „Geest is het, die schepselen, welke nog in het vleesch „leven, daartoe bekwaam maakt.quot; — Daar het alzoo van den eenen kant vast staat, dat alleen God het geven van de priesterlijke macht aan een zichtbaar teeken verbinden kan, en dat van den anderen kant zulk een teeken voor
535
de door Christus gewilde voortplanting van het priesterschap volstrekt noodzakelijk was, mogen wij, alle andere bewijzen daargelaten, met het volste recht besluiten, dat de Godraensch werkelijk zulk een teeken heeft vastgesteld, en dat dit in de Kerk te vinden en bij het overdragen der priesterlijke waardigheid in gebruik moet zijn. Wij vinden echter in de Kerk geen ander zichtbaar teeken, waaraan die raededeeling van goddelijke macht en genade toegeschreven wordt, dan de priesterwijding, welke, gelijk later aal aangetoond worden, reeds door de Apostelen werd verricht , en zoowel in de oostersche als in de westersche Kerk van oudsher in gebruik is, om degenen,-die deze wijding ontvangen, van de leeken te onderscheiden en bij de priesterschap in te lijven.
Het Priesterschap j alzoo is een door Jesus Christus ingesteld , een waar en eigenlijk Sacrament van het Nieuwe Verbond. Inderdaad noemen ook de H. Vaders Leo en Gregorius de Groote het Priesterschap eenvoudig Sacrament; anderen, bijv. Ambrosius en Gregorius van Nyssa, schrijven er eene onzichtbare genadewerking aan toe, gelijk alleen een Sacrament- die heeft; weder anderen, namelijk Hieronymus en Augustinus leeren duidelijk, dat het zoowel een Sacrament is als het Doopsel, en de laatstgenoemde merkt uitdrukkelijk aan, dat „niemand dit betwijfeltquot; (Boek 2. tegen Parmen. hfdst. 13).
Waarin lestaat voornamelijk de priesterlyke macht?
In de macht 1) brood en wijn in het lichaam en bloed des Heeren te veranderen, en 2) de zonden te vergeven.
De macht, brood en wijn in zijn H. lichaam en in zijn H. bloed te veranderen of het heilig Offer des Nieuwen Verbonds op te dragen, verleende Christus aan zijne Apostelen bij het laatste Avondmaal met de woorden: „Doetdit „tot mijne gedachtenisde macht om de zonden te vergeven. gaf hij na zijne verrijzenis, toen Hij over hen blies en sprak; „Ontvangt den heiligen Geest, Wier zonden gij „zult vergeven hebben, dien zijn zij vergeven,quot; enz.
Door die tweevoudige macht waren de Apostelen in den vollen en eigenlijken zin des woords Priesters, en gelijk zij, zijn het allen, die het H. Sacrament des Priesterschaps ontvangen hebben, dewijl hun daardoor die dubbele macht is medegedeeld. De macht van te consacreeren is zeker niet onderscheiden van die, om het H. Misoffer op te dragen, daar, zooals vroeger is aangetoond, het wezenlijke van het Misoffer juist in de Consecratie bestaat, en de volmacht
536
der zonden vergeving, welke den Priester is geschonken, strekt zich niet alleen uit tot de vergeving der zonden door het H. Sacrament der Biecht, maar ook tot die, welke ih het Sacrament des Oliesels plaats vindt en als het ware eene vervollediging der eerste is. — In die tweevoudige macht stelt het Concilie van Trente het wezen van het Priesterschap des-Nieuwen Verbonds, als zij (Can. 1) verklaart, dat er in het Nieuwe Verbond „een zichtbaar, uit-„wendig priesterschap of de macht bestaat, het waarachtig „lichaam en het waarachtig bloed des Heeren te consacreeren „en op te offeren, alsmede de zonden te vergeven of te „houden.quot; Gewis behooren behalve de opdracht van het H. Offer en de vergeving der zonden nog vele andere geestelijke handelingen tot het ambt van den Priester. De Priester doopt, zegent, reikt de H. Communie uit, verkondigt het woord Gods, staat aan het hoofd van eene christelijke gemeente, enz. volgens den last hem door zijnen Bisschop opgedragen. Doch de volmacht tot deze en dergelijke handelingen is hem gedeeltelijk met de macht om te offeren en de zonden te vergeven reeds medegedeeld, zij zijn gevolgen van die macht, deels zijn deze van dien aard, dat zij in zekere gevallen ook door degenen, die niet Priester zijn, verricht kunnen worden. Zoo kan in geval van noodzakelijkheid ook de leek doopen.
Zijn er ook bij het 11. Priesterschap zichihare isekeuen, welke, de mededeeling der onzichtbare macht en genade aanduiden ?
Ja, onderscheiden teekenen: bijv. de oplegging der handen en de woorden van den Bisschop, het toereiken van brood en van den kelk met wijn.
Over die oplegging der handen, als een uitwendig teeken der wijding, spreekt de H. Schrift op vele plaatsen. De Handelingen der Apostelen vermelden (Hoofdst. XIII, 3) de wijding van Saulus en Barnabas met de woorden: „Zij (de hoofden der Kerk van Antiochië) „baden en legden „hun de handen op,quot; en de H. Paulus schrijft aan zijn leerling Timotheus (2 Br. I, 6): „Ik vermaan u, dat gij „de genadegave Gods weder opwekt, welke in u is door de „oplegging mijner handen,quot; l) Opmerkenswaardig is ook de plaats in den eersten brief aan Timotheus: „Leg niemand „voorbarig de handen opwant duidelijk vermaant de Apostel hier den Bisschop, slechts aan diegenen de H. Wijding toe te dienen, die vooraf bewijzen hebben gegeven, dat zij het
!) Vergelijk 1. Tim. IV: 14. met de uitlegging van Allioli.
537
waardig zijn. — De oplegging der handen had bij de priesterwijding ten allen tijde plaats. Tegenwoordig heeft er zelfs meer dan eene handen oplegging plaats. Terstond bij het begin der plechtigheden legt de Bisschop zwijgend beide handen op het hoofd van eiken wijdeling en na hem ook de aanwezige Priesters. Daarna strekt de Bisschop en eveneens de Priesters de rechterhand over allen uit, en hij alleen spreekt met luider stem een gebed, ora de volheid van hemelsche gaven over de wijdelingen af te smeeken teneinde zij de plichten van het priesterambt heilig en getrouw mogen vervullen. Aan het einde der H. Mis, welke de pasgewijden met den wijdenden Bisschop lezen, legt deze weder beide handen op het hoofd van elk afzonderlijk en spreekt: „Ontvang den H. Geest; wier zonden gij zult „vergeven hebben, dien ^;ijn zij vergeven, en wier zonden „gij zult houden, dien zullen zij gehouden zijn.quot; — Behalve deze opleggingen der handen heeft men bij de H. Wijding nog andere hoogst gewichtige ceremoniën, bijv. de zalving van den duim en wijsvinger der rechter- en linkerhand, welke het allerheiligst lichaam en bloed des Heeren zullen aanraken, alsmede van de palmen der beide handen met de H. olie. Hierbij bidt de Bisschop: „Wil, o Heer! „wijden en heiligen deze handen door deze zalving en „onze zegening. Amen.quot; Daarna maakt de Bisschop het teeken des kruises over de handen van dengene, dien hij wijdt, en gaat voort: „opdat alles, wat deze handen „zegenen zullen, gezegend zij, en wat zij wijden zullen, „gewijd en geheiligd zij in den naam van onzen Heer „Jesus Christus.quot; — Niet minder rijk aan beteekenis dan de oplegging der handen is de aanbieding der heilige vaten. De Bisschop laat eiken wijdeling een kelk met wijn en water en eene pateen met eene hostie aanraken, en zegt: „Ontvang de macht om God het offer op te dragen en missen „te lezen, zoowel voor de levenden als voor de overledenen, „in den naam des Heeren. Amen.quot; Welke van de bovenbeschreven handopleggingen met de daarmede gepaard gaande gebeden de wezenlijke materie en vorm van dit Sacrament is, alsmede of ook en in hoeverre de zalving der handen en het overgeven der heilige vaten met de daarmede gepaard gaande gebeden er toe behooren, heeft de Kerk niet bepaald; zij stelt zich tevreden met het eene zoowel als het andere uitdrukkelijk voor te schrijven. •)
De ceremoniën en gebeden, bij de Priesterwijding voorgeschreven, duiden niet alleen de mededeeling der priester-
\') Zie Beiedictus XIV, de öynodü 1. 8. c. 10.
538
lijke macht aan, maar ook de bizondere genade, om de zware verplichtingen, welke op den Priester rusten, te vervullen en een vroom en heilig leven, overeenkomstig zijnen staat, te leiden. Over die genade spreekt de H. Paulus ter aangehaalde plaatse van zijnen brief aan Timotheus, als hij hem vermaant „de genadegave niet te veronacht-„zamen,quot; en „de genadegave weêr op te wekken,quot; welke hij door de H. Wijding ontvangen heeft. Daarenboven spreekt zelfs ons verstand voor de mededeeling dier genade. Immers men kan niet anders van de goedheid en mildheid Gods verwachten, dan dat Hij dengene, wien Hij eene bizondere macht verleent, een bizonder ambt opdraagt, ook de noodige genade geven zal om de verkregen macht goed te gebruiken, het opgedragen ambt naar behooren waar te nemen. En dit moet men des te \'meer veronderstellen van het priesterambt, hetwelk, volgens de uitdrukking der HH. Vaders, zoo heilig en verheven is, dat zelfs de Engelen het met vreeze en siddering op zich zouden nemen.
Zijn dan niet alle Christenen door hel II. Doopsel Triester yeworden?
Neen, want evenals in het Oude Verbond het eigenlijk priesterschap door de lichamelijke afstamming van Aaron zich voortplantte, plant het zich in het nieuwe Verbond niet anders dan door de wijding voort.
Door deze vraag en het antwoord komen wij in strijd met de bewering der dwaalleeraars, dat Christus geen bizonder priesterschap gesticht heeft, dat door het H. Doopsel alle Christenen gezamenlijk en ieder op zich zeiven Priester zijn, naar de tot alle Christenen zonder onderscheid gerichte woorden van den H. Petrus: „gij zijt een koninklijk „priesterdom.quot; — Om het verkeerde van die leer in het ware licht te plaatsen, moet men gelijk een inwendig en uitwendig offer, ook een inwendig en uitwendig priesterschap wel onderscheiden. Wat het inwendig priesterschap betreft, worden alle geloovigen zonder uitzondering door het Doopsel daaraan deelachtig en bijgevolg in zekeren zin terecht Priester genoemd, dewijl namelijk allen door het Doopsel verplicht zijn, innerlijke of geestelijke offers van geloof, hoop en liefde, van gebed en versterving den Heer te brengen. Dit, maar ook dit alleen, volgt uit de woorden van den H. Petrus: „gij zijt een koninklijk priesterdomquot; (1. II, 9). Het voorafgaande vers: „Bouwt u zeiven, als „levende steenen, op Hem (op den hoeksteen Jesus Christus) „tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om
539
„geestelijke offers te brengenlaat riet den minsten twijfel over. In denzelfden zin vermaant ook de Apostel (Hom. XII, 1) de Christenen, „hunne lichamen als een levend, „heilig, Gode welgevallig offèr aan te bieden,\'\' en sprak reeds de koninklijke Profeet: „Een offer vóór God is een „vermorzelde geestquot; (4 , 29). — Gelijk nu Christus behalve het innerlijk offer ook een uiterlijk zichtbaar offer, een offer in den eigenlijken en strengen zin ingesteld heeft, zoo heeft Hij ook een uitwendig, zichtbaar, een van de leeken onderscheiden priesterschap, ingesteld, om dat eigenlijk, zichtbaar offer van hét Nieuwe Verbond den Heer op te dragen. Derhalve kan slechts degene, die met dat priesterschap bekleed is, in den waren en eigenlijken zin „Priesterquot; genoemd worden. Door het geven van het inwendig, geestelijk offer heet alzoo de Christen Priester in denzelfden zin, als hij door het beoefenen der christelijke zelfbeheersching „koningquot; genoemd wordt, namelijk ineen oneigenlijken zin. Deswege verbindt ook de H. Petrus het koningschap met het priesterschap en schrijft beide op gelijke wijze allen Christenen toe, als hij zegt: „Gij zijt „een koninklijk priesterdom,quot; koningen en priesters tegelijk.
Van den Priester in den eigenlijken zin schrijft de H. Paulus (Hebr. V, 1) «dat hij uit de menschen wordt genomen, voor menschen „aangesteld in de zaken van God, om gaven en offers op te dragen „voor de zondend. 1. om het ambt van het uitwendig priesterschap waar te nemen. Dat onderscheid tussclien het uitwendig en inwendig, alzoo tusschen het eigenlijk en oneigenlijk priesterschap, was reeds in het Oude Verbond duidelijk zichtbaar. Ook toen was ieder door zijne inwendige offers van gehoorzaamheid, eerbied en liefde priester. Daarom sprak God op Sinaï tot het vergaderde volk van Israël: „Gij „zult mij een .priesterlijk koninkrijk en een heilig volk zijnquot; (2. Mos. XIX, 6). Niettemin stelde God tezelfder tijd mot groote plechtigheid een eigenlijk priesterschap in, als Hij door Mozes zijnen dienaar en gezant, Aiiron en diens zonen aan den dienst des altaars deed toewijden (2. Mos. XXIX). Dat priesterschap van Aiiron plantte zich voort door lichamelijke afstamming. De eerste inwijding in de woestijn gold voor den geheelen stam; elke nakomeling van Aiiron, die den bepaalden leeftijd had bereikt, trad terstond in de rijen der Priesters, terwijl elk ander buiten het priesterschap en de priesterlijke handelingen gesloten was. En God de Heer zelf hield die uitsluiting der leeken van den dienst des altaars zoo streng vast, dat Hij den koning Ozias, die zich verstoutte, den tempel des Heeren binnen te gaan, om wierook te branden op het reukaltaar, met eece afzichtelijke, ongeneesbare melaatschheid sloeg en hem aldus tot straf voor zijne vermetelheid, zelfs van het gezellig verkeer met de menschen verwijderde. „Ozias werd melaatsch tot den dag zijns doods, en woonde „in een afgezonderd huis vol van melaatschheidquot; (2. Kron. XXVI, 21). In het Nieuwe Verbond plant het priesterschap, zooals wij boven reeds zeiden, zich niet door lichamelijke, maar door geestelijke afstamming voort, wijl namelijk de Bisschop op den wijdeling het priesterschap, hetwelk door Christus ingesteld en\'t eerst den Apostelen overgegeven werd, door middel der wijding overdraagt.
540
IFie kan het II. Sacrament des Priesterschaps geldig toedienen ?
Alleen de Bisschop, die de macht daartoe door eene eigen wiiding: (de bisschopswijding) ontvangt.
Het Concilie van Trecte leert uitdrukkelijk (Zitt. XIII. Can. 7): „Indien iemand zegt, dat de Bisschoppen niet „hooger zijn dan de Priesters, of niet de macht hebben „om te vormen en te wijden, of dat de macht, welke zij „hebben, hun met de Priesters gemeen is, die zij in den „ban.quot; Deze leer der Kerkvergadering wordt bevestigd zoowel door de H. Schrift als door de Overlevering en het bestendig gebruik der katholieke Kerk, desgelijks door de belangrijke omstandigheid, dat de oudste van de Kerk afgevallen sekten het gebruik om de Priesters alleen door hunne Bisschoppen te laten wijden, behouden hebben, zooals uit hunne liturgische boeken blijkt. Naar het getuigenis van de Handelingen der Apostelen (VI, 6) werden te Jerusalem de zeven uitverkoren mannen alleen door de Apostelen tot diakens gewijd; hoeveel te meer was de wijding der Apostelen niet noodzakelijk voor degenen, die tot Priesters waren gekozen. Inderdaad leeren wij uit dezelfde geschiedenis der Apostelen, dat Paulus en Barnabas voor de christelijke gemeenten van Klein-Azië „Priesters „wijdden.quot; De brieven van den eerste berichten bovendien, dat hij Timotheus lot Priester en Bisschop gewijd en hem, alsmede Titus, last gegeven heeft, anderen te wijden, „van „stad tot stad oudsten (Priesters en Bisschoppen) aan te „stellenquot; (Br. aan Titus I, 5). Dat een eenvoudig Priester aan een leek de priesterwijding zou hebben toegediend, is op geene enkele bladzijde der H. Schrift te lezen. In de kerkelijke geschiedenis ontmoeten wij, wel is waar, zulk een geval, maar ook te gelijker tijd het feit, dat de geldigheid van die wijding door de Kerk niet erkend werd. Toen namelijk de Arianen klachten inbrachten tegen dsn H. Anastasius, als had deze den kelk van den H. Priester Ischyras gebroken, wees de Synode van Alexandrië die aanklacht af met de verklaring, dat Ischyras geen Priester kon genoemd worden, omdat hij de wijding had ontvangen van Koluthus, die geen Bisschop, maar enkel Priester was. Om dezelfde reden zijn ook alle anderen, die door dezen Priester gewijd zijn, als leeken beschouwd, gelijk algemeen bekend is en door niemand in twijfel getrokken werd. — Nog in dezelfde vierde eeuw kwam een zekere Erius, verbitterd omdat hij niet tot Bisschop was verkozen, met de bewering opdagen, dat de Bisschop geen voorrang heeft
541
boven de Priesters, dat zijne macht en waardigheid niet van die der Priesters onderscheiden zijn. Daarom werd hij, volgens het getuigenis van den H. Epiphanius en Augustinus door de geheele Kerk als een ketter beschouwd. Tegen hem schreef de H. Epiphanius (Haer. 75) de treffende woorden: „De rang der Bisschoppen heeft vooral de he-„stemtning, vaders aan te kweeken; de Priester brengt „door het bad der wedergeboorte slechts kinderen der Kerk „voort, daar hij geene vaders kan voortbrengen.quot;
De Bisschopswijding, waardoor de Priester tot den rang van Bisschop wordt verheven en als zoodanig macht verkrijgt om het Sacrament des Priesterschaps toe te dienen, is eveneens eene sacramenteele wijding, waardoor de hooge-priesterlijke macht, gelijk zij aan het bisschoppelijk ambt eigen is, en bizondere genade om dat ambt behoorlijk waar te nemen, medegedeeld worden —Aangaande de toediening der Bisschopswijding gaf het eerste algemeene Concilie van Nicea (Can. 4) de volgende bepaling: „Het betaamt, dat „de Bisschop door alle Bisschoppen van het gewest wordt „gewijd; mocht dit echter te moeielijk zijn, dan toch geschiede de wijding door minstens drie Bisschoppen.quot; Dit moet men echter niet zoo verstaan, alsof elk der drie Bisschoppen na elkander de ceremoniën der wijding dient te verrichten; zij wordt maar alleen door den wijdenden Bisschop, consecrator genaamd, in het bijzijn en met behulp of adsistentie der overige Bisschoppen toegediend. Ook thans nog bestaat het gebruik en voorschrift, drie Bisschoppen tot de wijding van een vierde bijeen te roepen, ofschoon tot de geldigheid der wijding een enkele genoeg is. Het optreden van meer Bisschoppen draagt er in de oogen van het geloovig volk zeer veel toe bij, om die plechtigheid te verhoogen.
Niet alleen de handen, maar ook het hoofd van den-gene, die tot Bisschop wordt gewijd, worden met chrisma gezalfd. De Consecrator spreekt bij die zalving: „Uw „hoofd worde gezalfd en gewijd met hemelsche zegening
„tot de bisschoppelijke waardigheid!quot;..... Het verheven
gebed, hetwelk na de volbrachte zalving verricht wordt, geeft ons de heerlijke beteekenis van deze ceremonie te kennen. „Deze heilige zalving,quot; smeekt hij, „stroome „rijkelijk op zijn hoofd, druppele af op zijne lippen en „verspreide zich over het geheele lichaam, opdat de kracht „van uwen heiligen Geest zijn binnenste vervulle en zijn „uiterlijk bescherme! Hij zij rijk aan standvastigheid des „geloofs, aan reinheid der liefde,quot; enz. — Hoewel nu de sacramenteele wijding, welke den Priester Bisschop maakt,
538
lijke macht aan, maar ook de bizondere genade, om de zware verplichtingen, welke op den Priester rusten, te vervullen en een vroom en heilig leven, overeenkomstig zijnen staat, te leiden. Over die genade spreekt de H. Paulus ter aangehaalde plaatse van zijnen brief aan Timotheus, als hij\' hem vermaant „de genadegave niet te veronacht-„zamen,quot; en „de genadegave weêr op te wekken,quot; welke hij door de H. Wijding ontvangen heeft. Daarenboven spreekt zelfs ons verstand voor de mededeeling dier genade. Immers men kan niet anders van de goedheid en mildheid Gods verwachten, dan dat Hij dengene, wien Hij eene bizondere macht verleent, een bizonder ambt opdraagt, ook de noodige genade geven zal om de verkregen macht goed te gebruiken, het opgedragen ambt naar behooren waar te nemen. En dit moet men des te \'meer veronderstellen van het priesterambt, hetwelk, volgens de uitdrukking der HH. Vaders, zoo heilig en verheven is, dat zelfs de Engelen het met vreeze en siddering op zich zouden nemen.
Zijn dan niet alle Christenen door het H. Doopsel Priester geworden?
Neen, want evenals in het Oude Verbond het eigenlijk priesterschap door de lichamelijke afstamming van Aaron zich voortplantte, plant het zich in het nieuwe Verbond niet anders dan door de wijding voort.
Door deze vraag en het antwoord komen wij in strijd met de bewering der dwaalleeraars, dat Christus geen bizonder priesterschap gesticht heeft, dat door het H. Doopsel alle Christenen gezamenlijk en ieder op zich zeiven Priester zijn, naar de tot alle Christenen zonder onderscheid gerichte woorden van den H. Petrus: „gij zijt een koninklijk „priesterdom.\'\' — Om het verkeerde van die leer in het ware licht te plaatsen, moet men gelijk een inwendig en uitwendig offer, ook een inwendig en uitwendig priesterschap wel onderscheiden. Wat het inwendig priesterschap betreft, worden alle geloovigen zonder uitzondering door het Doopsel daaraan deelachtig en bijgevolg in zekeren zin terecht Priester genoemd, dewijl namelijk allen door het Doopsel verplicht zijn, innerlijke of geestelijke offers van geloof, hoop en liefde, van gebed en versterving den Heer te brengen. Dit, maar ook dit alleen, volgt uit de woorden van den H. Petrus: „gij zijt een koninklijk priesterdomquot; (1. II, 9). Het voorafgaande vers: „Bouwt u zeiven, als „levende steenen, op Hem (op den hoeksteen Jesus Christus) „tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om
539
„geestelijke offers te brengenlaat niet den minsten twijfel over. In denzelfden zin vermaant ook de Apostel (Rom. XII, 1) de Christenen, „hunne lichamen als een levend, „heilig, Gode welgevallig offèr aan te hieden,\'\' en sprak reeds de koninklijke Profeet: „Een offer vóór God is een „vermorzelde geestquot; (4 , 29). — Gelijk nu Christus behalve het innerlijk offer ook een uiterlijk zichtbaar offer, een offer in den eigenlijken en strengen zin ingesteld heeft, zoo heeft Hij ook een uitwendig, zichtbaar, een van de leeken onderscheiden priesterschap, ingesteld, om dat eigenlijk, zichtbaar offer van hét Nieuwe Verbond den Heer op te dragen. Derhalve kan slechts degene, die met dat priesterschap bekleed is, in den waren en eigenlijken zin „Priesterquot; genoemd worden. Door het geven van het inwendig, geestelijk offer heet alzoo de Christen Priester in denzelfden zin, als hi] door het beoefenen der christelijke zelfbeheersching „koningquot; genoemd wordt, namelijk ineen oneigenlijken zin. Deswege verbindt ook de H. Petrus het koningschap met het priesterschap en schrijft beide op gelijke wijze allen Christenen toe, als hij zegt: „Gij zijt „een koninklijk priesterdom,quot; koningen en priesters tegelijk.
Van den Priester in den eigenlijken zin schrijft de H. Paulus (Hebr. V, 1) /,dat hij uit de menschen wordt genomen, voor menschen „aangesteld in de zaken van God, om gaven en offers op te dragen „voor de zonden.quot; d. i. om het ambt van het uitwendig priesterschap waar te nemen. Dat onderscheid tusschen het uitwendig en inwendig, alzoo tusschen het eigenlijk en oneigenlijk priesterschap, was reeds in het Oude Verbond duidelijk zichtbaar. Ook toen was ieder door zijne inwendige offers van gehoorzaamheid, eerbied en liefde priester. Daarom sprak God op Sinaï tot het vergaderde volk van Israël: ;/Gij „zult mij een .priesterlijk koninkrijk en een heilig volk zijnquot; (2. Mos. XIX, 6). Niettemin stelde God tezelfder tijd met groote plechtigheid een eigenlijk priesterschap in, als Hij door Mozes zijnen dienaar en gezant, Aaron en diens zonen aan den dienst des altaars deed toewijden (2. Mos. XXIX). Dat priesterschap van Aaron plantte zich voort door lichamelijke afstamming. De eerste inwijding in de woestijn gold voor den geheelen stam; elke nakomeling van Aaron, die den bepaalden leeftijd had bereikt, trad terstond in de rijen der Priesters, terwijl elk ander buiten het priesterschap en de priesterlijke handelingen gesloten was. En God de Heer zelf hield die uitsluiting der leeken van den dienst des altaars zoo streng vast, dat Hij den koning Ozias, die zich verstoutte, den tempel des Heeren binnen te gaan, om wierook te branden op het reukaltaar, met eene afzichtelijke, ongeneesbare melaatschheid sloeg en hem aldus tot straf voor zijne vermetelheid, zelfs van het gezellig verkeer met de menschen verwijderde, „Ozias werd melaatsch tot den dag zijns doods, en woonde „in een afgezonderd huis vol van melaatschheidquot; (2. Kron. XXVI, 21). In het Nieuwe Verbond plant het priesterschap, zooals wij boven reeds zeiden, zich niet door lichamelijke, maar door geestelijke afstamming voort, wijl namelijk de Bisschop op den wijdeling het priesterschap, hetwelk door Christus ingesteld en\'t eerst den Apostelen overgegeven werd, door middel der wijding overdraagt.
540
IFie kan het li. Sacrament des Prieslerschaps geldig toedienen ?
Alleen de Bisschop, die de macht daartoe door eene eigen wiiding: (de bisschopswijding) ontvangt.
Het Concilie van Trecte leert uitdrukkelijk (Zitt. XIII. Can. 7): „Indien iemand zegt, dat de Bisschoppen niet „hooger zijn dan de Priesters, of niet de macht hebben „om te vormen en te wijden, of dat de macht, welke zij „hebben, hun met de Priesters gemeen is, die zij in den „ban.quot; Deze leer der Kerkvergadering wordt bevestigd zoowel door de H. Schrift als door de Overlevering en het bestendig gebruik der katholieke Kerk, desgelijks door de belangrijke omstandigheid, dat de oudste van de Kerk afgevallen sekten het gebruik om de Priesters alleen door hunne Bisschoppen te laten wijden, behouden hebben, zooals uit hunne liturgische boeken blijkt. Naar het getuigenis van de Handelingen der Apostelen (VI, 6) werden te Jerusalem de zeven uitverkoren mannen alleen door de Apostelen tot diakens gewijd; hoeveel te meer was de wijding der Apostelen niet noodzakelijk voor degenen, die tot Priesters waren gekozen. Inderdaad leeren wij uit dezelfde geschiedenis der Apostelen, dat Paulus en Barnabas voor de christelijke gemeenten van Klein-Azië „Priesters „wijdden.quot; De brieven van den eerste berichten bovendien, dat hij Timotheus lot Priester en Bisschop gewijd en hem, alsmede Titus, last gegeven heeft, anderen te wijden, „van „stad tot stad oudsten (Priesters en Bisschoppen) aan te „stellenquot; (Br. aan Titus I, 5). Dat een eenvoudig Priester aan een leek de priesterwijding zou hebben toegediend, is op geene enkele bladzijde der H. Schrift te lezen. In de kerkelijke geschiedenis ontmoeten wij, wel is waar, zulk een geval, maar ook te gelijker tijd het feit, dat de geldigheid van die wijding door de Kerk niet erkend werd. Toen namelijk de Arianen klachten inbrachten tegen den H. Anastasius, als had deze den kelk van den H. Priester Ischyras gebroken, wees de Synode van Alexandrië die aanklacht af met de verklaring, dat Ischyras geen Priester kon genoemd worden, omdat hij de wijding had ontvangen van Koluthus, die geen Bisschop, maar enkel Priester was. Om dezelfde reden zijn ook alle anderen, die door dezen Priester gewijd zijn, als leeken beschouwd, gelijk algemeen bekend is en door niemand in twijfel getrokken werd. — Nog in dezelfde vierde eeuw kwam een zekere Erius, verbitterd omdat hij niet tot Bisschop was verkozen, met de bewering opdagen, dat de Bisschop geen voorrang heeft
541
boven de Priesters, dat zijne macht en waardigheid niet van die der Priesters onderscheiden zijn. Daarom werd hij, volgens het getuigenis van den H. Epiphanius en Augustinus door de geheele Kerk als een ketter beschouwd. Tegen hem schreef de H. Epiphanius (Haer. 75) de treffende woorden: „De rang der Bisschoppen heeft vooral de bestemming, vaders aan te kweeken; de Priester brengt „door het bad der wedergeboorte slechts kinderen der Kerk „voort, daar hij geene vaders kan voortbrengen.quot;
De Bisschopswijding, waardoor de Priester tot den rang van Bisschop wordt verheven en als zoodanig macht verkrijgt om het Sacrament des Priesterschaps toe te dienen, is eveneens eene sacramenteele wijding, waardoor dehooge-priesterlijke macht, gelijk zij aan het bisschoppelijk ambt eigen is, en bizondere genade om dat ambt behoorlijk waar te nemen, medegedeeld worden —Aangaande de toediening der Bisschopswijding gaf het eerste algemeene Concilie van Nicea (Can. 4) de volgende bepaling; „Het betaamt, dat „de Bisschop door alle Bisschoppen van het gewest wordt „gewijd; mocht dit echter te moeielijk zijn, dan toch ge-„schiede de wijding door minstens drie Bisschoppen.quot; Dit moet men echter niet zoo verstaan, alsof elk der drie Bisschoppen na elkander de ceremoniën der wijding dient te verrichten; zij wordt maar alleen door den wildenden Bisschop, consecrator genaamd, in het bijzijn en met behulp of adsistentie der overige Bisschoppen toegediend. Ook thans nog bestaat het gebruik en voorschrift, drie Bisschoppen tot de wijding van een vierde bijeen te roepen, ofschoon tot de geldigheid der wijding een enkele genoeg is. Het optreden van meer Bisschoppen draagt er in de oogen van het geloovig volk zeer veel toe bij, om die plechtigheid te verhoogen.
Niet alleen de handen, maar ook het hoofd van den-gene, die tot Bisschop wordt gewijd, worden met chrisma gezalfd. De Consecrator spreekt bij die zalving: «Uw „hoofd worde gezalfd en gewijd met hemelsche zegening
„tot de bisschoppelijke waardigheid!quot;..... Het verheven
gebed, hetwelk na de volbrachte zalving verricht wordt, geeft ons de heerlijke beteekenis van deze ceremonie te kennen. „Deze heilige zalving,quot; smeekt hij, „stroome „rijkelijk op zijn hoofd, druppele af op zijne lippen en „verspreide zich over het geheele lichaam, opdat de kracht „van uwen heiligen Geest zijn binnenste vervulle en zijn „uiterlijk bescherme! Hij zij rijk aan standvastigheid des „geloofs, aan reinheid der liefde,quot; enz. — Hoewel nu de sacramenteele wijding, welke den Priester Bisschop maakt,
542
verschilt van die, waardoor iemand Priester wordt, behoorea toch heide tot het eene Sacrament des Priesterschaps , waarvan hier spraak is. Christus heeft namelijk aan zijne Apostelen de geheele volheid van het Priesterschap medegedeeld en hun in last gegeven, het weder op anderen over te dragen, hetzij in volle, hetzij in beperkte mate, naargelang zij het ten beste der Kerk, overeenkomstig hare goddelijke stichting, goed zouden achten. Zoo deden dan ook inderdaad de Apostelen. Aan hen, die zij tot opvolgers in de bisschoppelijke waardigheid verkozen, deelden zij de volheid en onbeperkte macht des Priesterschaps mede, om hen in staat te stellen, weder anderen te wijden; aan diegenen echter, die zij alleen tot medehelpers in het priesterlijk ambt, tot gewone Priesters aanstelden , verleenden zij alleen de tot het wezen des Priesterschaps behoorende, daartoe onontbeerlijke macht, namelijk om het onbloedige OfEer op te dragen en de zonden te vergeven.
üit het gezegde kan men de volgende hoogst belangrijke gevolgtrekkingen maken. 1) Dewijl niemand, gelijk wij aantoonden, op eene andere wijze dan door de priesterwijding Priester worden kan, en deze wijding slechts geldig wordt toegediend door een Bisschop, die van zijnen kant de macht om te wijden weder van een anderen, wettig gewijden Bisschop ontvangen heeft, klimt allerduidelijksi het Priesterschap door eene onafgebroken opvolging van wettig gewijde bisschoppen op tot de Apostelen en door de Apostelen tot Jesus Christus, daar de Apostelen van Hem zoowel de priesterlijke als de bisschoppelijke macht ontvangen hebben, met het bevel die op hunne opvolgers over te dragen. — Even als de Hoogepriester Aiiror de lichamelijke stamvader van geheel het priesterdom des Ouden Ver-bonds was, zoo is de geestelijke stamvader van het priesterdom des Nieuwen Verbonds Jesus Christus »de heilige, schuldelooze, on\'je-;/vlekte Hoogepriester, die afgezonderd van de zondaars en hooger «dan de hemelen geworden is.quot; (Hebr. Vil, 26). Hoe eerbiedwaardig is alzoo in het licht des geloofs de Priester der katholieke Kerk! Hoe hoog verheven boven de Priesters van het Oude Verbond is de Priester van het Nieuwe Verbond, die met het volste recht er zich op beroemt, een geestelijke spruit te zijn van den eeuwigen Hoogepriester naar de orde van Melchisedech!
2) Uit de leerstelling, dat alleen de Bisschop de H. priesterwijding en door deze de priesterlijke macht kan toedienen, volgt, dat r.och de christelijke gemeente, noch de wereldlijke overheid in staat is eene of andere priesterlijke macht te verleenen, of door het weigeren van toestemming te beletten, dat deze door den Bisschop aan wien ook gegeven worde. Ue geldigheid namelijk van het SacrameVi^ des Priesterschaps hangt volgens de leer van het Concilie van Trente (Zitt. 23. hoofdst. 4) geenszins af van de toestemming., het beroep en de bevolmachtiging van het volk of het wereldlijk bestuur, maar uitsluitend van de meening des Bisschops. En hoewel in de eerste tijden der Kerk de gemeente aan de verkiezing der priesters deel nam, geschiedde dit evenwel volstrekt niet, omdat men de deelname des volks tot de geldigheid der wijding noodig oordeelde, maar met toestemming der kerkelijke overheden om andere redenen, welke in deel II zijn aangegeven. Het ging daamede gelijk ook nu nog met het, somwijlen ook aan leeken toegestane recht, om bepaalde
543
personen tot eenig kerkelijk ambt of beneficie voor te stellen. Dat de wereldlijke overheden of de christelijke gemeenten geenerlei geestelijke macht kunnen mededeelen, is duidelijk, wijl zij zelve die macht niet bezitten. Gelijk het rijk van Christus, zoo is de geestelijke macht, als daartoe behoorende, niet van deze wereld. Het Concilie van Trente verklaart dan ook, dat al degenen, die, enkel door het volk of door de wereldlijke macht en overheid geroepen en aangesteld, het wagen, geestelijke macht uit te oefenen, en allen, die uit vermetelheid zich die aanmatigen, niet als dienaars der Kerk moeten beschouwd worden, maar als dieven en moordenaars, die niet door de deur zijn binnengekomen. Wie namelijk geene zending of volmacht ter uitoefening der geestelijke macht van zijne wettige geestelijke overheid verkrijgt, gaat niet door de deur der schaapsstal in, maar komt er op eene andere wijze binnen en is bijgevolg naar de uitspraak van Jesus Christus zeiven //een dief en een moordenaarquot; (Joan. X, 2), wijl hij de aangematigde macht niet tot heil maar tot verderf der kudde gebruikt, in plaats van de zielen te genezen, ze vermoordt.
Kan men het Priesterschap ook verliezen ?
Men kan het Priesterschap evenmin verliezen als het Doopsel en het Vormsel, wijl het in de ziel een onuit-wischbaar merkteeken indrukt.
Ce leer van het merkteeken van het H. Sacrament des Priesterschaps spreekt het Concilie van Trente (Zitting 23 Can. 4) duidelijk uit met de woorden : „Indien iemand zegt, „dat door het Priesterschap geen merkteeken wordt ingedrukt, of dat degene, die eenmaal Priester was, weder „leek kan worden, die zij in den ban.quot; In dat onuitwisch-baar merkteeken ligt, volgens het vroeger gezegde, de reden, waarom het Priesterschap niet verloren kan gaan , en derhalve de wijding niet herhaald mag worden, gelijk zulks ook bij het Doopsel en het Vormsel het geval is. Zeer juist zegt alzoo de H. Augustinus (tegen Pannenian. boek 2, hfdst. 12): „Doopsel en Priesterschap worden den „mensch door eene zekere inwijding verleend, en daarom „mogen beiden in de katholieke Kerk niet herhaald worden.quot; Degene, die naar het kerkelijk voorschrift geldig tot Priester of Bisschop gewijd is, kan die wijding en de daarmede verbonden macht niet alleen niet verliezen, maar zji kan hem niet ontnomen worden. Niemand kan alzoo den Priester de macht om brood en wijn in het lichaam en bloed van Jesus Christus te veranderen, niemand den Bisschop de macht om te vormen, de priester- en bisschopwijding te verrichten, ontnemen. Een ander geval is het echter met de macht om in de Biecht door de absolutie de zonden te vergeven. Want ofschoon ook deze door de H. Wijding wordt medegedeeld en in den gewijde steeds blijft, kan het toch gebeuren en gebeurt het inderdaad somtijds, dat
544
de Priester niet bekwaam is, er een geldig gebruik van te maken, dewijl tot het geldig toedienen van het Sacrament van Boetvaardigheid ook de zending of bevolmachtiging van den kant der wettige geestelijke overheid gevorderd wordt, zooals wij reeds hebben opgemerkt. — Uit het boven gezegde volgt eveneens, dat ook de Priesters en Bisschoppen der afgescheiden grieksche Kerk, en allen, die van de katholieke Kerk zijn afgevallen, de macht, welke zij oorspronkelijk door eene volgens het voorschrift van Christus voltrokken wijding van de katholieke Kerk ontvangen hebben, zelfs na hunnen afval behouden; dat bijgevolg schismatieke en geëxcommuniceerde Bisschoppen de macht op anderen kunnen overdragen, verondersteld, dat zij de priester-en bisschopwijding op de vereischte wijze verrichten. Alle overige geestelijke macht, als van de apostolische zending afhankelijk en van het Opperhoofd der Kerk, gaat verloren bij de afscheiding van de Kerk door scheuring, ketterij of excommunicatie, tenzij de Kerk zelve eene uitzondering wil maken. En die maakt zij ook werkelijk, opdat niemand zou verloren gaan, vo or het geval, dat het er op aan komt een stervende te absolveeren.
Zijn er helialve de Priester- en Bisschopwijdingen nog andere geestelijke wijdingen ?
Er zijn nog andere, die als voorbereiding tot het Priesterschap dienen.
De Priesterwijding wordt door eenige andere wijdingen voorafgegaan. De toediening dier wijdingen geschiedt in den regel met inachtneming van de door de kerkelijke regels vastgestelde tusschenruimten, opdat degenen, die Priester willen worden, zich langen tijd te voren op de H. Priesterwijding voorbereiden en door die voorafgaande wijdingen, als langs zoovele trappen, daartoe opklimmen. Aangaande de beteekenis dier wijding in het algemeen zegt de H. Kerkvergadering van Trente (Zitt. 23. hoofdst. 2): „Daar het ambt van een zoo heilig Priesterschap iets goddelijks is, zoo was het, opdat dit met des te meer waar-„digheid en eerbied zou waargenomen worden, behoorlijk, „dat in de Kerk... verschillende wijdingen bestonden van „dienaars, die, het Priesterdom overeenkomstig hun ambt „dienende, zoo verdeeld worden, dat degenen, die reeds „door de eerste tonsuur in den geestelijken staat zijn ingewijd, door de lagere tot de hoogere wijding opklimmen;quot; en in dezelfde zitting (Can. 2) spreekt zij den ban uit over dengene, die beweert, dat er behalve de priesterwijding in
545
de katholieke Kerk geene andere noch hoogere, noch lagere wijdipgen bestaan, waardoor men langzamerhand tot het Priesterschap opklimt.
Er bestaan inderdaad in de katholieke Kerk vier lagere wijdingen, welke de macht mededeelen om verschillende godsdienstige verrichtingen uit te oefenen, namelijk de wijding tot deurhewaarder, tot lezer, tot bezweerder en tot bedienaar des Altaars; en behalve de priesterwijding twee hoogere wijdingen : het subdiaconaat en diaconaat, welke het recht geven , den Priester meer van nabij aan het altaar bij te staan.
Alvorens iemand de lagere wijdingen ontvangt, wordt hij van de leeken gescheiden en in den geestelijken staat opgenomen, als de Bisschop hem aan de vier hoeken des hoofds en in het midden van den schedel eenige haren afsnijdt. Die kerkelijke ceremonie wordt genoemd tonsuur, van het latij\'nsche tondere (scheren) en beteekent dat men door het aanvaarden van den geestelijken slaat de ijdelheid der wereld vaarwel zegt en op eene bizondere wijze wil worden en blijven de dienaar van dien Koning, die ter zaligheid zijner verlosten eene onteerende en pijnlijke kroon van doornen droeg. Daarom ook draagt de geestelijke eene rondgeschoren schedelkroon, die eveneens jetonsuurquot; genoemd wordt en hem van de leeken onderscheidt. — Aangaande de lagere wijdingen merken wij slechts het volgende op: 1) door de wijding van osiiarrés (portier, deurbewaarder) werd degene, die ze ontving, in vroegere tijden aangesteld, om de plaats en het uur der kerkelijke bijeenkomsten, welke vooral ten tijde der vervolging moest worden geheim gehouden, aan de geloov\'igen bekend te maken, het godshuis te openen en te sluiten, en degenen, die geen deel aan den godsdienst mochten nemen, er buiten te houden. Hoewel tegenwoordig dit ambt door leeken wordt waargenomen, is toch de wijding gebleven, en wordt ook nu nog gelijk vroeger door het overreiken der sleutels van de kerk, als teeken van dit ambt, toegediend. — 2) Door de wijding tot lector of voorlezer werd de gewijde bestemd, ambtshalve de H. Schrift, de verordeningen der Bisschoppen, de akten der Martelaars, enz. tot stichting der geloovigen voor te lezen. Daarom wordt ook nu nog aan dengene, die tot lector
fewijd wordt, het boek ter aanduiding van zijn ambt overgegeven._ewijd wordt, het boek ter aanduiding van zijn ambt overgegeven._
) De wijding tot exorcist of bezweerder geeft de volmacht om den bezetenen de hand op te leggen en de kerkelijke bezweringen over hen uit te spreken, In de eerste tijden des Christendoms waren de bezetenen veelvuldig. God liet dit toe, opdat door de uitdrijving der booze geesten uit de lichamen der bezetenen de zegenrijke kracht van den naam Jesus en van het H. kruis den Joden en\' Heidenen duidelijker zou worden, en de Christenen hunne bevrijding van het juk des Satans beter zouden begrijpen. Later toen de macht des Satans gebroken was door de verspreiding van het Christendom , nam het getal der bezetenen meer en meer af, en daar er bij de bezwering van ook nu nog voorkomende gevallen groote voorzichtigheid noodig is, is deze thans voorbehouden aan de Priesters, die de toestemming van den Bisschop daartoe noodig hebben. Niettemin bleef ook deze wijding steeds voortbestaan. Bij die wijding wordt het boek met de kerkelijke bezweringen toegereikt. — 4) Door de wijding tot acoliet of bedienaar des altaars wordt degene, die ze ontvangt, aangesteld om de lichten aan te steken, aan het altaar de kaarsen te dragen, wijn en water voor het oiïer gereed te stellen en aan te bieden. Ter aanduiding dier ambtsbezigheden reikt de Bisschop den wijdeling eerst eene kaars en vervolgens de ledige ampullen toe. — 5) De DEÏIA-RBE, GBLOOrSLKEB. IV. 3de DRUK. 35
546
wijding van het Subdiaconaat verleent de volmacht en het ambt, met den diaken den Priester aan het altaar ter zijde te staan, den Epistel te zingen, den kelk te brengen en weg te dragen, bij het H. Offer water in den kelk te gieten, na de Communie van den Priester den kelk te reinigen. De wijding geschiedt door het toereiken van een ledigen kelk met de pateen, alsmede van de met wijn en water gevulde ampullen en het epistelboek. Deze wijding is vooral van belang, omdat de wijdeling alsdan zijne vrijheid om in den wereldlijken stand terug te keeren vaarwel zegt en de verplichting op zich neemt, in altijddurende kuischheid te leven en dagelijks de kerkelijke getijden, den Brevier te lezen, ö) Door de wijding van het Diaconaal ontvangt de gewijde de volmacht en het ambt den Priester of Bisschop bij de H. Mis van dienst te zijn, het H. Evangelie te zingen, en met bizonder verlof te preeken, te doopen en de H. Communie uit te reiken. De wijdende Bisschop legt den wijdeling de rechterhand op het hoofd met de woorden; ,/Ontvang den H. Geest tot bekrachtiging, en tot ^wederstand van den duivel en zijne aanvechtingen in den naam des «Heeren.quot; Ook geeft hij hem het Evangelieboek over, zeggende: ^Ontvang de macht, het Evangelie te lezen in de Kerk Gods, zoowel jvoor de levenden als voor de afgestorvenen in den naam des Heeren.quot;
Eindelijk moeten -wij nog eenig antwoord geven op de vraagr, ot\' deze tot het Priesterschap voorbereidende wijdingen alle zonder uitzondering in den eigenlijken zin Sacramenten zijn. Dat de wijding der diakens werkelijk een Sacrament is, houden de Godgeleerden voor zeker. Reeds de Apostelen volbrachten die wijding, evenals de Priester-en Bisschopwijding door gebed en oplegging der handen, om zoo, gelijk de Kerk het nog heden doet, de genade des H. Geestes mede te deelen; want niet te vergeefs spreekt de wijdende Bisschop; „Ontvang den H. Geestquot; (Gone, van Trente, Zitt. 23. Can. 4). De invoering van het Diaconaat door de Apostelen was in de schoonste overeenstemming met de beschikking van Christus, volgens welke er in zijne Kerk eene rangorde is, die uit Bisschoppen, Priesters en dienaars bestaat (Cone, van Trente, Can. 6). En inderdaad stelden de Apostelen de zeven diakens niet alleen aan ter verzorging van de armen, maar ook „ten dienste der ge-„heimenissen van Jesus Christus.quot; Zoo getuigt reeds de H. Martelaar Ignatius in zijnen brief aan de Trallianen, en de Handelingen der Apostelen (VIII) wijzen op den diaken Philippus als predikende en doopende, derhalve als werkzaam in den dienst der geheimenissen van Jesus Christus. — Wat de overige wijdingen aangaat, is het waarschijnlijk, dat deze geene eigenlijke Sacramenten, maar slechts door de Kerk voorgeschreven ceremoniën zijn, waardoor zij den ondergeschikten bedienaars de beschreven volmachten of ambten opdraagt. Wanneer men evenwel het gevoelen zou willen deelen van die Godgeleerden, die deze zes laatstgenoemde wijdingen voor Sacramenten houden, dan nog behoeft men geenszins af te wijken van het gevoelen, dat er
547
maar één Sacrament des Priesterschaps is, hetwelk, gelijk boven is gezegd, in de door Christus den Heer bevolen mededeeling der Priesterwijding bestaat. De algeheele me-dedeeling der priesterliike macht en genade zou dan, naar die meening, de Bisschop wij ding er onder begrepen, door acht Sacramenteele wijdingen gedaan worden.
jrie mag en moet Priester worden?
Alleen degene, die door God daartoe geroepen is.
Door het H. Doopsel zijn, wel is waar, alle Christenen in de legerscharen van Christus ingedeeld en derhalve geroepen om onder de vanen van den Godmensch te strijden; doch gelijk in een goed geregeld leger, zoo vindt men ook in de strijdende Kerk van Christus onderscheidene rangen, van den eenvoudigen soldaat tot den overste; en gelijk in het leger, zoo mag ook in de Kerk niemand eigenmachtig den rang van gewoon strijder verlaten en dien van aanvoerder nemen, tenzij de roeping daartoe van het hoofd, van Jesus Christus is uitgegaan. Zulk een hoogeren rang in de legerschaar van Christus neemt elke Priester in, als hij de aan zijne geestelijke zorg toevertrouwde geloovigen in den strijd ter zaligheid beveiligt en hen ter verovering van het land der belofte, het hemelrijk, aanvoert. Derhalve mag en moet niemand Priester worden, die daartoe door God niet geroepen is. ,,Niemand,\'1 zegt de Apostel (Hebr. V, 4), „neme voor zich de (priesterlijke) waardigheid, maar „die door God geroepen is als Aaron.quot; — Aaron en zijne zonen hebben zich niet in dat ambt ingedrongen; zij volgden slechts de roepstem van God, die hen daartoe uitverkoren en bestemd had. Eveneens hebben ook de Apostelen niet op eigen gezag, maar enkel ten gevolge eener bizon-dere, door Jesus Christus zei ven hun gedane uitnoodiging of roeping het apostelambt op zich genomen. Daarom zegt de Heiland tot hen: „Niet gij hebt Mij, maar Ik heb u „uitverkoren\'\' (Joan. XV, 16). En toen er in de plaats van den verrader Judas een nieuwe Apostel komen moest, gingen de elf niet eigenmachtig te werk, maar smeekten tot Christus, die reeds naar den Vader was heengegaan, met de woorden: „Heer, Gij, die aller harten kent, duid „aan, wien Gij hebt uitverkorenquot; (Hand. I, 24). Die god-delijke roeping is bij de keuze van den priesterlijken staat vooral noodzakelijk, omdat deze zoo heilig en verheven is, talrijke en zware plichten oplegt. Immers als in het algemeen slechts diegene, wien God tot welken stand ook geroepen heeft, er op rekenen kan, dat hij bizondere genade
35quot;
548
om zijne verplichtingen wel te vervullen verkrijgen zal, geldt dit toch vooral van den priesterlijken staat, daar God van dezen meer, dan van eenigen anderen, onwaardige indringers ver verwijderd wil houden. — Alvorens iemand de eerste trappen, welke naar het altaar des Heeren voeren, beklimt, de lagere wijdingen ontvangt, moet hij derhalve met alle hartelijkheid den H. Geest om licht smeeken en oprecht raadplegen met „een man, van wien hij weet, dat hij de vreeze Gods in acht neemtquot; (Sir. XXXVII, 15), met zijnen zielzorger, en diens raadgevingen in den geest des geloofs opvolgen. Ook met zich zei ven ga hij te rade; want, zoo ooit, dan moet hij dien gewichtigen stap, bij die keuze van eenen staat in alle opzichten de vermaning worden opgevolgd van den H. Geest: „mijn zoon, doe niets zonder raad, dan zult gij na de daad u over niets te betrouwen hebbenquot; (Sir. XXXII, 24). Over dit onderwerp schrijft de H. Chrysostomus (de Sacerd. lib. 4) zeer treffend: „Wie er aan denkt, zich aan dien staat te wijden, moet, naar mijn inzien, eerst zijn aanleg beproeven en „zijne krachten nauwkeurig meten.quot; „Want alleen diege-quot;nen,quot; zoo leert de roomsche Katechismus, „mogen zulk een moeielijk ambt op zich nemen, die in staat zijn door quot;heiligheid van leven, door geleerdheid, geloof en schran-quot;derheid het behoorlijk te bekleeden.\'\'
quot; Men vergete bij die voorafgaande beproeving vau zich zeiven niet de hoogst belangrijke vraag: waarom, met welk doel wil ik Priester worden? Is het, om als Priester iets te gelden, eene goede, eene zekere toekomst te hebben ? Is het om van den dienst des altaars te leven, gelijk anderen van hun ambacht of handwerk leven ? Is het alleen om aan ouders en bloedverwanten, die uit nietige, wereld-sche redenen het zoo wenschen, genoegen te doen? Zoudt gij daarom alleen Priester willen worden, treed dan terug, want uwe roeping komt gewis niet van God; zij gaat uit van vleesch en bloed, wellicht van den Satan zeiven, die door niets meer nadeel aan de Kerk berokkenen kan, dan door onwaardige, in hunne geestelijke waardigheid slechts tijdelijk voordeel zoekende Priesters. Neem de strenge, maar ware woorden van den roomschen Katechismus wel ter harte: „Ofschoon de natuur- en goddelijke wet beveelt (1 Cor. IX), „dat degene, die het altaar bedient, ook van „het altaar leve, is het toch de grootste heiligschennis, als „men uit gewinzucht naar het altaar treedt.quot; Zijt gij echter vast besloten, met den bijstand der genade niets anders te zoeken, dan uw eigen heil en dat uwer evennaasten, de eer van God en de Kerk, doe dan met ver-
549
trouwen en ootmoed de eerste schrede naar het heiligdom en zie niet meer om; want, „wie zijne hand aan den ploeg; „slaat en omziet, is niet bruikbaar voor het rijk Gods\'\' (Luc. IX, 62). — Gewetenlooze en onverstandige ouders, die hunne zonen aanraden om tijdelijk voordeel den geestelijken staat te kiezen, moeten wel bedenken, dat zij zich zwaar bezondigen en aan God verantwoordelijk zijn voor alle daaruit voortkomende kwade gevolgen. En die verantwoording zal waarlijk niet gemakkelijk zijn; want terecht zegt de roomsche Katechismus, dat er geen ongelukkiger menschen zijn dan zulke Priesters, en geene, die de Kerk Gods meer onheil berokkenen.
TOEPASSING.
Hoe verheven, hoe eerbiedwaardig is niet de Priester in het licht des geloofs, hoe troost- en zegenrijk zijn werkkring! De Priester bekleedt de plaats van Jesus Christus aan het altaar door het opdragen van het allerheiligst onbloedig Ofifer, in den biechtstoel als een genadig en barmhartig rechter, op den kansel als verkondiger van de leer des heils, aan het ziekbed als uitdeeler van hemelsche vertroostingen , in de meest verschillende omstandigheden des levens als raadsman en vaderlijke vriend. Hij is als Christus\' plaatsbekleeder de vader der armen, de hulp van die in nood zijn, de beschermer der verdrukten, de wegwijzer der dwalenden; hij wordt naar\'s Heeren voorbeeld als goede herder alles voor allen, om allen te redden en gelukkig te maken. Welk eene groote, onwaardeerbare genade is het alzoo. Priesters naar het hart van Jesus te bezitten! Om die genade moeten derhalve de geloovigen dikwijls en ijverig God bidden. Christus zelf vermaant ons daartoe, zeggende: „Bidt den Heer van den oogst, dat hij arbei-„ders in zijnen wijngaard zendequot; (Matth. IX, 39). Bovendien moeten de geloovigen zich de hooge genade van ijverige, door deugd en kennis uitmuntende Priesters te bekomen, ook daardoor waardig maken, dat zij den pries-terstaat hoogachten, aan hunne geestelijke overheid in ootmoed onderdanig zijn en gehoorzamen. Immers wie, die genade Gods gering schat en zich die niet ten nutte maakt, zal God ze ontnemen, om haar aan anderen te geven, die ze beter weten te waarderen en te gebruiken. Wie den Priester eert, eert God, eert Jesus Christus, wiens plaatsbekleeder en getrouw evenbeeld hij is. „Maar als gij den „Priester veracht,quot; zegt de H. Chrysostomus (Hom. 2 over den 2den brief aan Tim.), „dan veracht gij niet alleen hem
550
„maar God, die hem de heilige wijding gegeven heeft.quot; \') Al zoudt gij ook menschelijke zwakheden en gebreken in
\') Zelfs heidenen, die door hunnen hoogmoed tot vergoding van zich zeiven geneigd waren, zien wij een diepen eerbied aan den Priester van den waren God betuigen, omdat zij in hem diens plaats-bekleeder erkenden. — Alexander de Groote, die machtige veroveraar, ,/V00r wien de aarde zweegquot; (1. Mach. I, 3), trok na de verovering van de stad Tyrus met zijn zegevierend leger naar Jerusalem op. Allen verwachtten niet anders, dan dat hij de stad verwoesten en den Hoogepriester op de onteerendste wijze dooden zou, wijl deze hem bij het beleg van Tyrus de gevraagde hulp aan manschappen en levensmiddelen geweigerd had. Jaddus, de Hoogepriester, besloot nu den overwinnaar in zijn hoogepriesterlijk gewaad met alle teekenen zijner waardigheid, aan het hoofd van zijne Priesters en het volk te gemoet te gaan, om hem te smeeken, dat hij de stad zou sparen. Zoodra Alexander hem in \'toog kreeg en den naam van God op den gouden band van de hoogepriesterlijke tiaar zag, steeg hij van zijn wagen af en wierp zich voor hem ter aarde neder. Hierop begroette hij hem het eerst en gaf aan al zijn beden gehoor. Het bevreemde allen, dat Alexander, die anders van ieder hulde eischte, zich zoo diep voor een mensch vernederde. Parmenion, zijn gunsteling, vroeg hem naar de reden daarvan. //Ach,quot; riep Alexander uit, «.niet Jaddus, maar den God, wiens Priester hij is. heb ik aan-z/gebeden.quot; De trotsche veroveraar meende alzoo den God der Joden in den persoon van zijnen priester te moeten eeren (Flavius Josephus, boek 11. hbofdst. S).
Een voorbeeld, hoe zelfs do ruwste heidenen den Priester als plaatsbekleeder Gods eeren, deelt ons de hoogw. heer Durieu mede in een schrijven uit het westelijk gedeelte van Noord-Amerika van den Isten Juli 1859. Deze ijverige missionaris had de pas bekeerden aldaar overgehaald, geen deel te nemen aan een oorlog van de wilden tegen de Vereenigde Staten. Daardoor haalde hij zich den doodelijken haat van die krijgszuchtige stammen op den hals. //Op //zekeren dag,quot; zoo verhaalt de missionaris, //maakten ongeveer een //vijftigtal wilden gebruik van het oogenblik, dat mijne bekeerlingen //een half uur ver op de beverjacht getrokken waren, om mij om-//streeks middernacht in mijne woning te overvallen. Eenigen dron-//gen de keuken binnen, om zoo in mijne kamer ce komen, terwijl «anderen buiten schreeuwden: //Waar is de Priester? Waar is de ////Priester?quot; Ik verwekte geknield eene akte van berouw, trok ver-//Volgens de matten weg, welke mij van de verwoeden scheidden en «riep hun met eene krachtige stem toe; ,/ziehier den Priester.quot; Ik //maak vuur en zie niets dan dreigende gezichten, met stokken en //messen gewapende lieden. Het karakter der wilden kennende, //verloor ik mijne houding niet. //Hoe,quot; sprak ik tot hen, komt gij ////in dit uur tot mij? Gij ziet er uit. als of gij iemand wildec ver-////moorden. Weg uit mijne kamer met al die stokken. Gij aijt in „//het huis van een Priester .... Weet gij, voor wien gij staat en //«.met wien gij spreekt? Het is de plaatsbekleeder van Jesus Chris-A//tus, de gezant van God onder u; het is degene, die voor uw heil ////zich opoffert; en uwe neiging is slecht genoeg en uw hart oadank-////baar genoeg, om hem kwaad te willen doen! Vreest gij dan niet, »//dat de heer des hemels u met een plotselingen dood zal straffen? ////Dorst gij naar mijn bloed, ik ben in uwe hand, doorboort dit hart, »,dat u steeds bemind heeft. Daar is het (ik ontblootte mijne borst) //«stoot op deze plaats uwe messen in, als gij het durft, er, dan is //«alles voorbij, uwe vrees en mijn offer.quot; Middelerwijl had men reeds „alle stokken en messen aan twee jongelieden ter bewaring gege-z/ven,.... een lang en akelig stilzwijgen heerschte in de kamer. Nadat
551
hem ontdekken, toch moogt gij hem daarom uwe achting niet onthouden en hem de verschuldigde gehoorzaamheid niet weigeren. Doe wat hij u zegt, en gij zult er u wel hii bevinden. In weerwil zijner zwakheden blijft hij toch de plaatsbekleeder van den heiligen en vlekkeloozen Hooge-priester, de gezalfde des Heeren, de uitdeeler der heilige geheimen, de verkondiger van Gods wil, de geneesheer uwer ziel, het kanaal, waardoor de volheid van hemelsche genaden en zegeningen u toevloeit. Wacht u te doen gelijk de vijanden van God en de Kerk, die, niet tevreden met de fouten van dezen of genen Priester te bespieden, te ver-grooten en uit te bazuinen, ze aan alle Priesters ten laste leggen en zoo hen allen belacheliik en gehaat maken. Verzwijg immer en bedek, als gij kunt, met den sluier van eerbiedige liefde de gebreken van enkele Priesters, \') en wees ten minste billijk genoeg om de zwakheden, welke gij niet kunt verbergen, slechts toe te schrijven aan dengene, die ze bedreven heeft, en niet aan hen, die er meer over treuren
z/ik de wilden op nieuw tot vrede aangemaand en hen van mijne //Onwankelbare liefde en vriendschap verzekerd had, schonken zij mij //allen bijval en de voornaamslen van hen riepen: //Ja, de zwartrok ////is toch onze beste vriend. Vergeef ons, dat ons hart boos tegen ////U was; wij zijn op bevel van onzen hoofdman gekomen. Neen, „//neen, de zwartrok mag niet sterven, hij zal altijd onze vriend ////zijn.quot; Allen drukten mij de hand en gingen terstond heenquot; (Annalen 18G0).
Als de Priester des Heeren zelfs bij ruwe heidenen in het zwakke licht hunner rede een zoo grooten eerbied opwekte, hoe eerbiedwaardig moet hij dan niet zijn voor den Christen in het licht des geloofs? Mogen wij ons wel verwonderen, dat de H. kluizenaar Antonius, zoo dikwerf hij een priester ontmoette, nederknielde, hem de hand kuste en niet eer opstond, dan nadat hij den zegen van hem ontvangen had; dat de H. Catharina van Siena in hare vereering zoo ver ging, dat zij de voetstappen des Priesters kuste? Neen, wel moeten wij er verbaasd over staan, dat, terwijl bij alle volkeren der oudheid de heidensche priesterstand hoog geëerd werd, onze onvergelijkelijk eerbiedwaardiger en verhevener priesterstand door zoo velen veracht, gehoond eu gelasterd wordt.
!) //Wie een vader heeft,quot; zegt de II. Chrysostomus (Hom. 2 over den 2den br. aan Tim.j, „dekt al diens fouten, al zou het getal «daarvan nog zoo groot zijn, gelijk geschreven staat: //Roem niet op #»de oneer uws vaders, want dat strekt u minder tot eer dan tot „//schandequot; (Cor. Ill, 12). Geldt dit van den lichamelijken vader, „het is nog meer van toepassing op de geestelijke vaders, de Pries-„ters.quot; — Constantijn de Groote verzekerde, dat, als hij een Priester op eene verkeerde daad betrapte, hij die met zijn keizerlijken mantel bedekken en voor de oogen der wereld verbergen zou (Stolberg, Gesch. bl. 10). — Onder de schoone lessen, welke de H. Franciscns van Assisi zijnen ordebroeders kort voor zijn dood gaf, bevindt zich ook de volgende: ,/Ik zal de Priesters vreezen, beminnen en eeren „als mijne gebieders. Ik wil in hen de fouten niet zien, wijl ik „in hen den Zoon Gods beschouw, en zii mijne overheid zijnquot; Boll. 4 Oct.).
552
dan gij zelf. Onder de Apostelen des Heeren was er een Judas en onder de Engelen des hemels een Lucifer; zou het nu geen wraakroepend onrecht zijn, alle overige Apostelen voor verraders en de getrouw gebleven Engelen voor oproerlingen te houden?
Over liet HuwelUk.
IFai is het II. Sacrament des Huwelijks?
Het Huwelijk is een Sacrament, waardoor man en vrouw wettig verbonden worden en genade ontvangen om de plichten van den huwelijken en ouderlijken staat wel te vervullen. Aangaande dit Sacrament leert de H. Kerkvergadering van Trente (Zitt. 24. Can. 1): „Indien iemand zegt, dat het „Huwelijk niet waarachtig en eigenlijk is een van de zeven „Sacramenten der evangelische wet, ingesteld door Christus, „maar door de menschen in de Kerk uitgevonden, eu dat „het geene genade mededeelt, hij zij in den ban.quot;
In het Huwelijk, waarvan hier sprake is, is inderdaad alles aanwezig, wat tot het wezen van een Sacrament gevorderd wordt, namelijk het uitwendig teek en, de inwendige genade en de instelling van Christus.
1.) Het uitwendig teeken is de wettige overeenkomst, waardoor twee ongehuwde, door geen hinderpaal gebonden personen zich tot eene onverdeelde, onscheidbare levensgemeenschap verplichten. Immers tot eene dusdanige overeenkomst, zal zij geldig zijn, behoort noodzakelijk eene onderlinge, door woorden of andere uiterlijke teekenen geopenbaarde toestemming, daar in het algemeen eene verbintenis onder menschen, zonder dat de toestemming van weerskanten wordt uitgedrukt, zelfs niet denkbaar is.
2.) De inwendige genade bestaat daarin, dat de christelijke echtelieden, wanneer zij dit verdrag aangaan, behalve de vermeerdering der heiligmakende genade, aan alle Sacramenten der levenden gemeen, ook nog eene bizondere bovennatuurlijke hulp verkrijgen, welke hen in staat stelt en kracht schenkt, om in eendracht en liefde samen televen, en de kinderen, waarmede God hnn huwelijk zegent, in heilige vreeze Gods op te voeden, kortom de zware plichten van den huwelijken staat tot het einde van hun leven trouw te vervullen.
3.) De instelling van Christus volgt uit het gezegde, daar de goddelijke Stichter der H. Kerk alleen de macht heeft,
553
met het uitwendig teeken der echtvereeniging de inwendige genade te verbinden.
Wanneer is het huwelijk ingesteld?
Het huwelijk werd in het paradijs door God ingesteld, en Christus heeft het tot een Sacrament verheven.
Het huwelijk kan onder een tweevoudig opzicht beschouwd worden, als Sacrament en als eene natuurlijke verbintenis, waardoor man en vrouw zich verplichten, geheel hun leven samen in liefde en onkrenkbare trouw als echtelieden door te brengen. Onder dit laatste opzicht beschouwd, werd het huwelijk niet eerst door Christus, maar reeds in het paradijs ingesteld, toen God den eersten mensch, Adam, Eva tot vrouw gaf, hen zegende en sprak: „wast en ver-„menigvuldigt u, en vervult het aardrijkquot; (1. Mos. I, 28 en 2. XVIII, 19). Volgens de oorspronkelijke instelling moet alzoo het huwelijk slechts tusschen éénen man en ééne vrouw plaats vinden en voor geheel het leven onverbreekbaar zijn. Uit erkende ook Adam, toen\'hij, gelijk het Concilie van Trente (Zitt. 24) leert, op het oogenblik, dat zijne levensgezellin hem door God werd gegeven, „op goddelijke „ingevingquot; sprak: „Dit is nu gebeente uit mijn gebeente
„en vleesch uit mijn vleesch.....daarom zal de man
„vader en moeder verlaten en zijne vrouw aanhangen, en „zij zullen de twee zijn in één vleesch.quot; En hoe gegrond die uitspraak der genoemde Kerkvergadering is, blijkt ontegenzeggelijk daaruit, dat Christus de aangehaalde woorden van onzen stamvader, welke op de eenheid en onontbindbaarheid van het huwelijk betrekking hebben, herhaalt als van God, den Schepper, zeiven uitgaande (Matth. XIX, 5).
) Volgens het getuigenis der geschiedenis bleef het huwelijk in \'t vervolg niet altijd bij de oorspronkelijke inrichting. Zoowel de wet van eenheid als van onontbindbaarheid werd dikwerf verbroken. Wij vinden vooral na den zondvloed niet alleen bij de heidenen, maar ook bij mannen, wier deugden de H. Schrift met lof vermeldt, als bij Abraham, Jacob, David, enz. de vereeniging van één man met onderscheiden vrouwen. Veilig kan men aannemen, dat die af-wijking, hetzij om het menschelijk geslacht en in \'t bizonder het uitverkoren volk spoediger te doen aangroeien, hetzij om andere redenen, door God was veroorloofd. \') — Ook de ontbinding der gesloten echtvereeniging nam, hoewel later en niet zoo algemeen als de veel-wijverij, de overhand. Bij het volk van Israël gebeurde dit waar-echijnlijk ten gevolge van hun verkeer met de heidensche Egyptenaren en werd het door de wet van Mozes onder zekere voorwaarden geoorloofd verklaard. Daarom sprak de goddelijke Heiland tot de Joden
\') Cf. Innocent. III. c. 8. Ds divortiis et S. Thomas 4. Sent. d. 33. q. 2. a. 2.
554
van zijn tijd: „Mozcs heeft, om de hardheid uwer harten, u ver-z/oorloofd, uwe vrouwen te verlaten; maar van den beginne was het //zoo nietquot; (Jlath. XIX, 8). — Christus wilde nu de oorspronkelijke heiligheid, de eenheid en onontbindbaarheid des huwelijks herstellen. Hij gebood derhalve, dat het huwelijk weder gelijk in den beginne slechts tusschen éénen man en ééne vrouw, en wel tot den dood van een van\'beiden, zou plaats hebben. Wijzende op de oorspronkelijke inrichting, waardoor //de twee in één vleeschquot; moeten zijn, voegt Hij er de beteekenisvolle woorden bij: //wat God verbonden //heelt; scheide de mensch niet.quot; En toen de leerlingen Hem eene nadere verklaring daarvan vroegen, sprak Hij tot hen: //wie zijne ,vrouw verlaat en eene andere neemt, doet overspel tegen haar. En „indien eene vrouw haren man verlaat en met een anderen huwt, „doet zij overspelquot; :Marc. X, 8— 12. Cf. Luc. XIV, 18). Het huwelijk van hot Nieuwe Verbond moet volgens het woord van Christus in de geestelijke vereeniging van Hem met de Kerk zijn verheven voorbeeld hebben (Eph. V). Gelijk Christus namelijk slechts ééne Kerk als de zijne erkent en bemint, zoo moet ook de man slechts ééne vrouw als de zijne aanzien en liefhebben, en deze moet van haren kant slechts éénen man erkennen en beminnen, gelijk de Kerk alleen Christus haren goddelijken Bruidegom erkent en bemint. Verder, gelijk Christus met dé Kerk tot aan het einde der tijden vereenigd bliji\'t, zoo moeten ook de christelijke echtelieden tot het einde van hun leven in trouw en heilige liefde met elkander verbonden blijven.-— Daartoe, gelijk ook niet minder ter vervulling der overige zware verplichtingen des huwelijks, vooral der christelijke opvoeding van de kinderen, hebben de echtelingen behoefte aan kracht en hulp van beven, aan bizondere genade. Die genade nu verbond de Heiland met het tusschen één christelijken man en ééne christelijke vrouw gesloten huwelijk en verhief het daardoor tot de waardigheid van een waar en eigenlijk Sacrament, zoodat er, volgens de verklaring van den H. Stoel, onder gedoopten geen huwelijk kan zijn, war, niet tegelijk een Sacrament is.
Tanwaar weten wij. dat hei huwelijk een Sacrament is?
1) De H. Paulus leert dit, als hij het huwelijk in de Kerk „een groot Sacramentquot; (Sacramentum) noemt. In zijn brief aan de geloovigen van Ephese spreekt de Apostel breedvoerig over het huwelijk; hij noemt daar het christelijk huwelijk het afbeeldsel van de vereeniging van Christus met zijne Kerk. „De man,quot; zegt hij, „is het hoofd van „de vrouw, gelijk Christus het hoofd is van de Kerk;quot; „mannen,quot; zoo gaat hij voort, „bemint uwe vrouwen, ge-„lijk Christus zijne Kerk heeft liefgehadquot; (Eph. V, 23, 25). Welnu de vereeniging van Christus met zijne Kerk is eene bovennatuurlijke, genadevolle vereeniging, welke tot doel heeft „de Kerk te heiligen en te reinigen, opdat zij zuiver „zij en onbevlektquot; (v. 26, 27). Zoo moet dan ook het christelijk huwelijk, opdat het een afbeeldsel van die bovennatuurlijke vereeniging wezen zal, verbonden zijn door bovennatuurlijke genade, waardoor de echtgenooten elkander beminnen tot wederzijdsche heiliging, en waardoor zij in die liefde kunnen volharden tot aan den dood.
555
Daarom besluit de Apostel met deze woorden: „Dit Sacra-„ment is groot, ik zeg in Christus en in de Kerkquot; (v. 32), dat wil zeggen, het huwelijk is een groot geheim, een zichtbaar en genadegevend teeken, omdat het ons voorstelt het onverbreekbaar liefdeverbond tusschen Christus en zijne bruid, de Kerk.
2) Evenzoo getuigt ook de Overlevering, dat men in de katholieke Kerk het huwelijk altijd als een Sacrament heeft beschouwd. Eenstemmig noemen de Kerkvaders het huwelijk een Sacrament. De H. Ambrosius (boek 1. over Abraham, hfdst. 7.) noemt het „een hemelsch Sacrament.quot; Ook de H. Augustinus spreekt op onderscheidene plaatsen van de „heiligheid van dit Sacrament.quot; Zoo zegt hij: „het huwelijk der Christenen heeft inzonderheid dat vóór „bij het huwelijk der heidenen, de heiligheid van het „Sacramentquot; (De bono conjugali c. 24). Andere Vaders, als Epiphanius (haer. 67.) en Cyrillus van Alexandrië (boek. ^ over Joan. II) leeren, dat de Heiland de bruiloft te Can a met zijne tegenwoordigheid heeft willen vereeren en verheerlijken, om het huwelijk der geloovigen in\'t algemeen te zegenen, te heiligen en er zijne goddelijke genade aan mede te deelen. — Verder blijkt uit de getuigenissen der Vaders duidelijk, dat het huwelijk in de christelijke Kerk nimmer als een bloot burgerlijk contract, maar steeds als eene heilige handeling is beschouwd geworden. Zoo spreekt Tertullianus van het huwelijk, „dat de Kerk samen-„voegt, het Offer bevestigt, de priesterlijke zegening „bezegelt, de Engelen verkondigen, en de hemelsche Vader „bekrachtigt.quot; Hetzelfde getuigen ook de oudste, nog aanwezig zijnde Eitueelen der katholieke Kerk, — Van het feit, dat de sekten, welke zich reeds in de vroegste tijden van de katholieke Kerk hebben afgescheiden, de Nestorianen, Eutychianen, Jacobiten, Monophysiten, enz., in dit leerpunt met haar overeenstemmen, kan ieder zich gemakkelijk overtuigen, als hij slechts hunne Eitueelen, welke door geleerde mannen als Kenaudot, Assemani, enz. verzameld zijn, doorbladert en onderzoekt. Ook kan het geenszins betwijfeld worden, dat de leer der grieksche Kerk met die der latijnsche ten opzichte van het huwelijk als Sacrament volkomen overeenstemt; de Eitueelen der eerste (de zoogenaamde „Euchologiën,quot; door Goar bijeengebracht) leveren er ontegensprekelijke bewijzen voor. Deze tusschen de grieksche en latijnsche Kerk bestaande overeenstemming toonde zich ook duidelijk in de algemeene Conciliën van Lyon en Florence, waar aangaande dit Sacrament geene afwijkende meeningen van den kant der Grieken
556
gehoord werden. En omstreeks het einde der zestiende eeuw verklaarde in naam van geheel de grieksche Kerk de Patriarch Jeremias , de luthersche confessie van Augsburg brandmerkende, dat „het huwelijk een goddelijk Sacrament „is en een van de zeven, welke Christus en de Apostelen „aan de Kerk hebben overgeleverd.quot;
Ree ontvangt men dit Sacrament?
Het H. Sacrament des Huwelijks wordt gewoonlijk onder verschillende kerkelijke ceremoniën, van welke wij slechts de voornaamste en meest gebruikelijke zullen aangeven, ontvangen. Dergelijke ceremoniën zijn de volgende: op den trouwdag verschijnen bruidegom en bruid met minstens twee getuigen op den bepaalden tijd in de kerk. De Pastoor (of een ander Priester, door hem daartoe gemachtigd) verschijnt in priesterlijk gewaad voor het altaar, en terwijl de verloofden op de trede des altaars naast elkander geknield zijn, spreekt hij, in tegenwoordigheid der getuigen, den bruidegom aldus aan :
N. wilt gij N., hier tegenwoordig, nemen voor uwe wettige huisvrouw, naar het heilig gebruik van onze moeder de H. Kerk?
De bruidegom antwoordt: Ja, ik wil.
Dan vraagt de Pastoor aan de bruid:
N. wilt gij N., hier tegenwoordig, nemen voor uwen wettigen man, naar het heilig gebruik van onze moeder de H. Kerk?
En de bruid antwoordt: Ja, ik wil.
De Priester zegt hun, dat zij elkander de rechterhand zullen geven, en spreekt tot hen:
Ik verbind u ten huwelijk in den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes. Amen.
Daarna besproeit hij hen met wijwater.
Vervolgens geschiedt de zegening van den ring op de volgende wijze:
Onze hulp is in den naam des Heeren,
Die hemel en aarde gemaakt heeft.
Heer! verhoor mijn gebed,
En mijn geroep kome tot U.
De Heer zij met u.
En met uwen geest.
Laat ons bidden.
Zegen, Heer! dezen ring, dien wij in uwen naam zegenen, opdat zij, die hem dragen zal, voor haren bruidegom eene onbevlekte trouw beware, opdat zij in uwen vrede en in
557
uwen wil volharde en in onderlinge liefde altijd leve. Door Christus, onzen Heer. Amen.
De Priester besproeit den ring met wijwater, geeft dien aan den bruidegom, opdat deze hem aan de linkerhand der bruid steke, en terwijl dit geschiedt, zegt de Priester;
In den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes. Amen.
Hij laat er terstond op volgen:
Bevestig, Heer, hetgeen Gij bewerkt hebt in ons.
Door uwe heilige Kerk, welke is in Jerusalem.
Heer, ontferm ü onzer! Christus, ontferm U onzer! Heer ontferm U onzer! Onze Vader, enz.
En leid ons niet in bekoring.
Maar verlos ons van den kwade.
Maak uwe dienaren zalig.
Mijn God, die op U hopen.
Zend hun uwe hulp van de heilige plaats,
En bescherm hen van uit Sion.
Wees hun, o God! een sterke toren,
Voor het aanschijn van den vijand.
Heer, verhoor mijn gebed.
En mijn geroep kome tot U,
De Heer zij met u.
En met uwen geest.
Laat ons bidden.
Heer! wij smeeken ü, zie neder op deze uwe dienaren, en help hen genadig in het goed beleven der instelling, waardoor Gij de voortplanting van het menschelijk geslacht geregeld hebt; opdat zij, die door ü vereenigd zijn, ook doc-r uwe hulp behouden worden. Door Christus, onzen Heer. Amen.
De Priester wendt zich nu tot de bruid en spreekt over haar, indien zij voor de eerste maal huwt, den volgenden zegen uit:
Laat ons bidden.
God! die door de kracht van uwe almacht alles uit niets geschapen hebt, die, na de voltooiing der schepping, aan den man, naar uw beeld gevormd, de vrouw tot onafscheidelijke gezellin gegeven hebt; Gij, die het lichaam der vrouw uit het lichaam des. mans vormdet, om ons daardoor te leeren dat, naar uwen wil, man en vrouw nooit gescheiden zullen worden, daar zij oorspronkelijk één waren; God, die de huwelijksvereeniging door een heilig geheim hebt gpwijd, dewijl Gij haar tot eene afbeelding maakt van de zegenrijke vereeniging van Christus, met zijne Kerk; God, door wien de vrouw aan den man
558
verbonden wordt, en door wien het huisgezin zoo gezegend is, dat het, noch door de straf voor de erfzonde, noch door die van den zondvloed onderging; o, zie genadig neder op deze uwe dienstmaagd, die bij het aangaan van haar huwelijk zoo vurig verlangt onder uwe bescherming te worden opgenomen. Dat zij het juk van liefde en vrede drage; dat zij kuisch en getrouw haar huwelijk beleve in Christus en eene navolgster blijve van heilige vrouwen; dat zij beminnelijk zij voor haren man, gelijk Eachel; verstandig, gelijk Eebecca; dat zij lang leve en getrouw blijve, gelijk Sara; dat de duivel, de oorsprong van alle kwaad, zich niet menge in hare handelingen; dat zij standvastig blijve in het geloof en in uwe geboden volharde ; dat zij, aan eenen man gehuwd, allen ongeoor-loofden omgang vluchte; dat zij door de kracht van uwe wet hare zwakheid versterke; dat zij ernstig zij door ingetogenheid, eerbiedwaardig door zedigheid, geleerd in hemelsche kennis; dat zij vruchtbaar zij in kinderen, beproefd en onschuldig; dat zij tot de rust der zaligen en tot het hemelsch koninkrijk kome, en dat beide mogen zien de kinderen van hunne kinderen tot in het derde en vierde geslacht en een gewenschten ouderdom bereiken mogen. Door onzen Heer, enz.
Daarop zegt de Priester tot beiden:
De God van Abraham, de God van Isaak, de God van Jacob zij met u, en Hij zelf vervulle u met zijnen zegen, opdat gij zien moogt de kinderen van uwe kinderen tot in het derde en vierde geslacht, en daarna beërven moogt het eeuwige leven door onzen Heer Jesus Christus, die met den Yader en den H. Geest leeft en regeert door alle eeuwen der eeuwen. Amen.
Eindelijk besproeit de Priester hen met wijwater, zeggende:
U zegene de Almachtige God, de Vader, de Zoon en de H. Geest. Amen.
Niet al deze ceremoniën en gebeden zijn voor de geldigheid van het huwelijk noodzakelijk. Tot de noodzakelijk gevorderde behooren alleen: 1) de vrije, door een uiterlijk teeken, zoo mogelijk door woorden uitgedrukte toeslemming van bruidegom en bruid, om werkelijk elkander te nemen als man en vrouw. De afspraak om later met elkander te huwen, is slechts eene huwelijksbelofte en tot het sluiten van eene echtverbintenis geenszins voldoende. 2) De tegenwoordigheid van den Pastoor en twee getuigen. Dit eischt de Kerkvergadering van Treate in Zitb. 24. Cap. 1, .waar wij lezen: „Degenen, die anders dan voor den Pastoor (of met verlof van den Pastoor of den Bisschop voor een
559
anderen Priester) „en voor twee of drie getuigen het huwelijk „durven sluiten, maakt de H. Synode geheel ongeschikt, „om den echt aan te gaan, en zij verklaart zulke echt-„vereenigingen voor ongeldig en nietig, gelijk zij die door „het tegenwoordig besluit ongeldig en nietig maakt.quot; De uitdrukking „Pastoorquot; beteekent hier den geestelijke, die aan het hoofd staat van de gemeente, waarin het bruidspaar of slechts een van hen, de bruidegom of de bruid, inderdaad eene bestendige woonplaats heeft of voor een geruimen tijd denkt te nemen. In het laatste geval moet echter de bruidegom of de bruid minstens gedurende eene maand in de gemeente gewoond hebben , voor dat de Pastoor het recht heeft, hen te trouwen.
Enkele opmerkingen moeten wij liier nog maken.
1) Daar het huwelijk wezenlijk eene verbintenis is, kan het bruidspaar die ook geldig aangaan, wanneer zij niet persoonlijk tegenwoordig, maar afwezig zijnde, door een ander, wien zij dien last hebben opgedragen, voor den Pastoor en twee getuigen hunne toestemming te kennen geven. Deze wijze van huwen is echter slechts in uiterst gewichtige gevallen geoorloofd.
2) Toen de Kerkvergadering van Trente om velerlei onheilen te voorkomen, het besluit gaf, dat een huwelijk, hetwelk in het geheim, d. i. niet voor den Pastoor en twee getuigen, wordt aangegaan, ongeldig en nietig is, verklaarde zij tegelijkertijd, dat haar decreet alleen in die gemeenten, waarin het afgekondigd zou worden, en eerst dertig dagen daarna, van kracht zou zijn. Uewijl nu in sommige protestantsche landen, in Engeland, Zweden, Denemarken, in sommige streken van Üuitschland en Zwitserland de afkondiging van het Concilie van Trente verhinderd werd, zijn in die landen de geheime huwelijken wel geldig, maar blijven toch streng verboden, gelijk zij het reeds vóór het Concilie waren.
3) De aangehaalde woorden van het Ritueel: /,Ik verbind u ten //huwelijk in den naam des Vaders.quot; enz. moet men niet als den vorm van het Sacrament beschouwen. Want daar van den eenen kant Paus Pius IX verklaarde, dat er onder geloovigen geen huwelijk kan zijn, dat niet tevens een Sacrament is, en van den anderen kant de Kerk toch ook die huwelijken, welke in landen, waar het bovengenoemd decreet van het Concilie van Trente niet is afgekondigd, in afwezigheid van den Pastoor en twee getuigen gesloten zijn, als geldig erkent, volgt er ontegensprekelijk uit, dat de sacra-menteele vorm niet in de woorden des Priesters, maar in het iawoord van het bruidspaar gezocht moet worden. En dit was ook van oudsher de gewone meening der Godgeleerden. Eene afdoende beslissing hieromtrent heeft de Kerk wel niet gegeven, maar de tegenovergestelde meening is niet meer te verdedigen.
Welke zijn de plichten der gehuwden ?
1) De gehuwden moeteu in liefde, eendracht en trouw met elkander leven, totdat de dood hen scheidt.
Zal het huwelijk, overeenkomstig den wil van Jesus Christus, die het tot de waardigheid van een Sacrament verhief, heilig en verdienstelijk zijn, dan moeten de echtgenooten
560
steeds het heerlijk voorbeeld .hunner vereeniging, namelijk die van Christus met zijne Kerk, voor oogen hebben en zich er ijverig op toeleggen, die in hun huwelijksleven zoo volmaakt mogelijk na te volgen. In die vereeniging van den hemelschen Bruidegom Jesus Christus met zijne onbevlekte Bruid, de Kerk, openbaart zich reine, heilige, innige liefde en wederliefde, nooit gestoorde eendracht, altijd onverbreekbare trouw. Christus, de Reinste en Heiligste, bemint de Kerk met de zuiverste en heiligste liefde; Hij mint haar innig om hare innerlijke schoonheid en hare hooge genadegaven; Christus, de Vredevorst schenkt zijne Bruid den vrede, welken de wereld niet kent en niet geven kan; Christus blijft bij zijne Kerk, trekt zijne liefde van haar niet af; schenkt die niet aan eene andere bruid. De Kerk van haren kant bemint Jesus Christus, haren godde-lijken Bruidegom, als de bron van alle heiligheid en genade; zij bemint Hem als haren Verlosser en Heiland met de innigste, reinste, standvastigste liefde; zij tracht één van geest en hart met Hem te zijn, hangt Hem aan met trouw, welke zich zelfs tijdens de hardste beproevingen, rampen en vervolgingen niet verloochent. Aldus moet ook de liefde, eendracht en trouw der gehuwden zijn. De man moet zijne vrouw, en deze haren man beminnen met reine, innige, teedere liefde, met eene liefde, die niet alleen uit eene natuurlijke neiging, maar uit beweegredenen des geloofs voortkomt; zij moeten met elkander in eendracht leven, één zijn van harte, alle ijverzucht en kwalijkge-zindheid in de kiem verstikken, of wanneer die in onbewaakte oogenblikken wortel geschoten hebben, ze weder uitroeien; zij moeten verder de huwelijkstrouw bewaren, elke neiging of begeerte, daarmede in strijd, of die deugd in gevaar brengende, onderdrukken en bekampen. Niets moet in staat zijn hen te scheiden dan de dood, welke christelijke echtgenooten hier beneden scheidt, om hen in het ander leven eeuwig met elkander te vereenigen.
2) De echtgenooten moeten elkander door een vroom en deugdzaam leven stichten. Gelijk namelijk Christus, de tweede, hemelsche Adam, alles doet, om de tweede betere Eva, zijne Kerk, te heiligen, en gelijk de Kerk van haren kant er naar streeft, door den rijkdom der meest verschillende en lieflijkste deugden haren hemelschen Bruidegom te behagen, zoo moet ook de man, zooveel hij vermag, tot heiliging zijner gade bijdragen en haar in hare oefeningen van deugd bijstaan. De vrouw moet eveneens zich alle moeite geven om haren man door woord en voorbeeld te stichten en met een zacht, maar onwederstaanbaar geweld
561
hem tot een waarlijk christelijk leven voeren. Die stichtende, eendrachtige samenleving van christelijke echtgenoo-ten schetst Tertullianus zeer schoon. „Zij bidden met el-„kander,quot; zegt hij, „vasten met elkander. Zij leeren, zij „vermanen, zij ondersteunen elkander. Zij zijn met elkan-„der aan de tafel des Heeren. In nood en vervolgingen, „zoowel als in vreugde, zijn zij te zamen. Zij bezoeken „de zieken, helpen de armen, geven aalmoezen, wonen het ,.H. Offer bij, volbrengen hunne dagelijksche goede werken, „zonder elkander in den weg te staan; zii wedijveren met „elkander in den lof van God. Dat alles ziet en hoort „Christus en Hij verheugt zich; aan hen zendt Hij zijnen „vrede.quot; — In \'t bizonder mogen christelijke echtgenooten zich niets veroorlooven, wat in strijd kan zijn met de echtelijke kuischheid. Daarom zegt de Apostel; „Eerzaam „zij het huwelijk in alles; want de ontuchtigen en over-„spelers zal God oordeelen.quot;
3) De echtgenooten moeten hunne kinderen in godsvrucht gemeenschappelijk opvoeden. Het huwelijk heeft, volgens het verheven voorbeeld der vereehigirig van Christus met zijne Kerk, rfiet alleen de onderlinge heiliging, maar ook de heiliging der kinderen,. welke er uit voortkomen, ten doel. Immers geliik Christus zich met zijne Kerk, de ware Moeder der levenden, verbindt, om een nieuw, godgevallig geslacht geestelijkerwijze voort te brengen en op te voeden; gelijk Hij haar te dien einde de verhevenste en krachtigste middelen, vooral de HH. Sacramenten, geschonken en toevertrouwd heeft, en gelijk Hij haar door den voorfduren-den invloed zijner genade helpt, om hare kinderen tot een heiiig volk, tot burgers van zijn rijk op aarde en in den hernel te vormen; en evenals de Kerk van haren kant niets verzuimt, om te beantwoorden aan dë\'bëdóëlihg vahTmren goddelijken Bruidegom, het getal harer kinderen te vermeerderen en door de opleiding tot alle christelijke deugden hen tot zijne getrouwe volgelingen en waardige erfgenamen van het hemelrijk te maken; zoo moeten ook christelijke echtgenooten de kinderen, die God hun schenkt, in de heilige vreeze des Heeren opvoeden, hen vroegtijdig bekend maken met de plichten, welke zij als waardige leden van het rijk Gods op aarde te vervullen hebben, en hen tot eene getrouwe en standvastige vervulling daarvan aansporen , opwekken en den weg wijzen. - Vooral móeten de ouders waken en zorg dragen, dat de kinderen in den schoot van het huisgezin zelve niets zien en hooren, wat de onschuld in gevaar zou kunnen brengen; anders toch zou de omgeving der kinderen de kiem van het kwaad in
DEIIAKBE, GELOOrsI.EEK. IV. 3d9 DRUK. 30
562
hun hart brengen, en lichtzinnig afbreken, wat de zorgvuldigste opvoeding met groote moeite heeft opgebouwd.
4) De man moet voorzien in het onderhoud zijner vrouw en voor haar zorgen; de vrouw moet haren man in alles, wat recht en eerbaar is, gehoorzamen. Behalve de aangeduide verplichtingen, welke op beide echtgenooten rusten, heeft de man nog bizondere plichten jegens zijne gade en deze jegens haren man te vervullen. De bizondere plicht van den man jegens zijne gade is, dat hij haar behandele als de gezellin zijns levens, door God hem gegeven en door de H. Kerk aan het altaar des Heeren hem toevertrouwd, maar niet als eene dienstmaagd; dat hij bijgevolg ook voor haar lichamelijk welzijn met opofferende liefde zorg drage. „Mannen,quot; dus spreekt de Apostel, „bemint uwe vrouwen, „gelijk ook Christus de Kerk bemind en zich voor haar „ten beste gegeven heeftquot; (Eph. V, 25). Christus als hoofd beminde de Kerk, zijn lichaam, zoozeer, dat Hij zich voor haar heil heeft opgeofferd. In dien zin schrijft de H. Chrysostomus over de aangehaalde plaats: „De man „moet zorg dragen voor zijne vrouw, gelijk Christus voor „zijne Kerk gezorgd heeft; hij weigere haar die niet, al „zou hij ook om harentwille alles, wat men maar be-„denken kan, moeten lijden.quot; „De mannen,quot; zegt verder de H. Paulus, „moeten hunne vrouwen beminnen als hun „eigen lichaam.... Niemand heeft ooit zijn eigen vleesch „gehaat; maar hij voedt het en koestert het, gelijk Christus „de Kerkquot; nog voortdurend voedt en verzorgt door zijn heilig vleesch en bloed in het Sacrament der liefde. De man is alzoo verplicht, voor de voeding en kleeding volgens haren stand, alsmede voor de andere levensbehoeften van de vrouw en het geheele huisgezin met groote zorg en ware liefde het noodige te verschaffen; vooral echter moet hij ten tijde van ziekte met geduld, zachtmoedigheid en liefde voor de lichamelijke verpleging zijner vrouw bezorgd zijn. De man moet ook de fouten en gebreken zijner vrouw weten te verschoonen, en op eene liefderijke wijze tiachten haar te verbeteren. „Gij, mannen,quot; zegt de IT. Petrus (2. III, 7), „gaat verstandig met uwe vrouwen om, als „met het zwakkere deel, en houdt baar in eere, wijl ook „zij medeerfgenamen van de genade des eeuwigen levens „zijn.quot;
De bizondere verplichting der vrouw is het, haren man, als haar hoofd, met achting en eerbied te behandelen en hem in alles, wat recht en eerbaar is, gehoorzaam en onderdanig te zijn. Daarom zegt de Apostel; „De vrouwen „moeten onderdanig zijn aan hare mannen, als aan den
563
„Heer.... Gelijk de Kerk aan Christus onderworpen is, „zoo moeten ook de vrouwen het zijn aan hare mannen „in allesquot; (Eph. V, 22, 24). De Kerk onderhoudt alle geboden van haren goddel ij ken Bruidegom, handelt in alle punten naar zijn goddelijken wil en zijne bevelen, zoo moet ook de vrouw handelen tegenover haren man en er vooral op bedacht zijn, het huishouden naar zijn wensch met omzichtigheid, vlijt en spaarzaamheid te besturen. Immers gelijk de man meer geschikt is voor openbare bezigheden, zoo is de vrouw meer tot bestiering van de huishouding in staat. In dien, door de goddelijke Voorzienigheid zelve haar aangewezen werkkring moet zij zich met ware zelfverloochening voor haren echtgenoot opofferen,
door eene liefderijke deelneming in zijn lijden en vreugde hem het eerste dragelijker, de laatste genotvoller maken, en op die wijze het huiselijk geluk, de huiselijke welvaart bevorderen. — Vrouwen, die in plaats van met zorg het huishouden te besturen, haren tijd voor den spiegel en in de kleedkamer, met onnoodige bezoeken en in ijdele, dik- \\ werf zelfs gevaarlijke gesprekken lichtzinnig verspillen, zulke vrouwen ondermijnen den huiselijken vrede en welvaart en brengen zich zelve, hare mannen en geheel haar huisgezin in het ongeluk. Niet te vergeefs alaoo vermaant de Apostel; „Ik wil dat... ook de vrouwen in betame-„lijke kleeding, met zedigheid en matigheid zich opschikken, „en niet met haarvlechten, goud of paarlen, of een kostbaar gewaad, maar gelijk het vrouwen betaamt, die „belijdenis doen van godsvrucht door goede werkenquot; i) (I. Tim. II, 9, 10).
!) De volkómen vervulling der zware plichten van den huwelijken staat zien wij allerschoonst voorgesteld in de levensbeschrijving van vele heilige echtgenooten. Om zich daarvan te overtuigen leze men het leven van de H. Elisabeth van Thuringen, 1) de H. Margaretha van Schotland, de H. Joanna Francisca van Chantal, van den H. Eliazar, Gommeriua en anderen. Wij bepalen ons hier bij eene enkele aanwijzing. Een schoon voorbeeld van zachtmoedigheid, geduld, beleid en toegevendheid in den huwelijken staat levert ons het leven van de H. Monica, de moeder van den grooten Kerkleeraar Augustinus. Hare ouders huwden haar uit aan Patricius, een aanzienlijk heiden Van Tagaste, eene stad in Numidiö. Door haren onberispelijken levenswandel en vooral door het geduld, waarmede zij zijne heidensche ondeugden verdroeg, won zij weldra de liefde en vereering van haren gemaal in hoogen graad. Patricius was over \'t algemeen goedhartig, maar zeer driftig van aard. Als Monica hem vergramd zag, wachtte zij zich wel, hem tegen te spreken; had hij eerst zijnen toorn afge-
36*
1
1 Zeer aan te bevelen is vooral de beschrijving van het leven der H. Elisabeth, gelijk zij ons door den weleerw. Heer C. Scheiberling, thans Pastoor te Kralingen, naar Alban Stolz bewerkt, geleverd is.
564-
Kan het huwelijk van cJiristelijJce echtgenooten. ooit onthouden
worden ? ■
1) Neen, het huwelijk is onverbreekbaar; want Christus zegt uitdrukkelijk: „wie zijne vrouw verlaat en eene andere
legd, dan sprak zij zachtmoedig met hem en gaf rekenschap van hare\'handelwijze. Hij zag dan zijn ongelijk in, en eerde en beminde haar meer en meer. Het gebeurde menigmaal, dat andere vrouwen zich bij haar beklaagden over de ruwe behandeling, welke zij van hare mannen ondervonden. Dan was Monica gewoon te zeggen; //De ^mishandelingen, waarover gij u beklaagt, hebt gij aan uwe kwade „tong te wijten, dewijl gij door uwe woorden uwen bovendien reeds rOpgewekten gemaal nog meer ophitst. Ik beantwoord den toorn van „mijnen echtgenoot en zijne in drift gedane verwijten met stil te jzwijgen; zoo drijft de storm spoedig voorbij, de toorn verdwijnt en \' „de blijde rust is hersteld.quot; Aldus leerde Monica degenen, die zich bij haar beklaagden, en hare lessen maakten overal een heilzamen indruk, omdat zij de goede vruchten van die handelwijze bij Monica zelve gewaar werden. Want in weerwil van de buitengewone gramstorigheid van haren echtgenoot, had zij toch nooit eene onteerende behandeling te verdragen, en eindelijk gelukte het haar, door zachtmoedigheid en gebed, haren man voor Jesus Christus te vannen. Menigeen volgde daarom Monica\'s raad en voorbeeld, bevond er zich goed bij en verheugde zich weldra in een duurzamen huiselijken. vrede, \'terwijl degenen, die hare lessen onbenut lieten, aanhoudend door hare mannen slecht behandeld werden.
Hoe welgevallig aan God de gehoorzaamheid van de echtgenoote aan haren gemaal is, fcien wij duidelijk in het volgende. Toen de H. Francisca Romana op zekeren dag. naar gewoonte, bezig was met het bidden van de getijden der H. Maagd, werd zij door een dienstbode bij haren man ontboden. Zij onderbrak terstond haar gebed, begaf zich, waarheen zij geroepen werd, en nam daarna haar gebed weêr op. Nu gebeurde het eens, dat zij bij eene en dezelfde antiphoon viermaal geroepen werd. Zij gehoorzaamde onverwijld. Toen zij nu ten laatsten male tot het gebed terugkeerde, vond zij tot hare groote verbazing die antiphoon, welke zij uit gehoorzaamheid aan haren gemaal zoo dikwijls onderbroken had, met gouden letters gedrukt, en in een hemelsch visioen vernam zij later, dat dit geschied was, om haar te toonen, hoe welgevallig aan God die stipte gehoorzaamheid was geweest (Bolland. 9 Maart).
Een trek van opofferende liefde verhaalt Lodewijk Vives, en hij verzekert, ooggetuige daarvan geweest te zijn, zoodat wij aan de waarheid van zijn verhaal niet kunnen twijfelen.
Clara Cerventa huwde, nog zeer jong zijnde, een reeds veertigjarigen man, Bernard Valdura geheeten. Deze was met verscheiden, hoogst afzichtelijke lichaamsgebreken behebt, welke hij voor zijne toekomstige echtgenoote zorgvuldig had verborgen gehouden. Kort na hun huwelijk kreeg hij daarenboven eene zware ziekte, welke hem aan den rand des grafs bracht. De edele jeugdige gade verzuimde niets, wat zijne smarten kon lenigen. Zij waakte zes volie weken aan zijn ziekbed, zonder zich een enkelen nacht rust te gunnen. Zelfs het gevaar van aansteking, dat zeer groot was, hield haar niet terug, hem alle mogelijke diensten te bewijzen. Aan hare zorg alleen had haar echtgenoot, gelijk de geneesheeren verklaarden, zijn herstel te danken. Van zijne vroegere gebreken genas Valdura nooit geheel; zij namen integendeel na eenige jaren zóó de overhand, dat zijn gelaat, ja geheel zijn lichaam slechts ééne wonde
565
„trouwt, doet overspel tegen haar. En indien eene vrouw „haren man verlaat en met eenen anderen huwt, doet zij „overspelquot; (Marc. X, 11, 12). „Dewijl nu,quot; zoo schriift de H. Augustinus (boek 1. aan Pollentius n. 10) , „het „Evangelie zegt, dat eenieder, die zijne vrouw verlaat en „eene andere trouwt, overspel doet, wie zijn wij dan, die „het wagen te zeggen, dat de een of ander, die dit doet, „geen overspel bedrijft?quot; Kon er ten aanzien der\'leer van Christus nog eenigerlei bedenking opkomen, dan zou de H. Paulus die opgeven hebben door de bekende uitspraak: „Aan hen, die door het huwelijk verbonden zijn, beveel „niet ik, maar de Heer, dat de vrouw den man niet mag „verlaten, en als zij hem verlaten heeft, moet zij ongehuwd „blijven, of zich met haren man verzoenen. Ook de man „verlate zijne vrouw niet .... de getrouwde vrouw is aan „de wet gebonden tijdens de man in leven is; maar is haar „man gestorven, dan is zij vrij, zij huwe, als zij wil, doch (het geschiede) „in den Heerquot; (1. Cor. VII, 10, 11, 30). Dat ook de man, die zijne vrouw verlaat, verplicht is, zich van eene andere vrouw te onthouden, laat de Apostel achter, om niet in herhaling te vallen. Nooit heeft de katholieke Kerk de ontbinding van een onder Christenen geldig gesloten en vollrokken huwelijk gedoogd, maar steeds ongeoorloofd verklaard. \') Het Concilie van Elvira (gehouden in het
sclieen. Daarbij was het vertrek, waarin hij zich bevond, terstond als verpest, zoodat niemand zich in zijne nabijheid kon ophouden en iedereen weigerde hem te bedienen. Clara alleen liet zich door dit alles niet afschrikken, maar ging voort, hem met de grootste zorgvuldigheid en de teederste liefde te verplegen. En aldus deed zij tien jaren lang met onverdroten ijver, met onuitputtelijk geduld, met waarlijk heldhaftige opoffering. Geene moeite was haar te groot, geen offer te zwaar. De dagelijksche, zeer aanzienlijke uitgaven, welke de ziekte van haren man noodzakelijk maakten, openden langzamerhand de deur voor huiselijk gebrek. Die omstandigheid, welke menigeen geheel ontstemd en ontmoedigd zou hebben, was voor de edele gade eene nieuwe gelegenheid om hare offervaardigheid te toonen. Zij ontdeed zich van al hare sieraden, van gouden ringen en kettingen, om de onbarmhartigste schuldeischers te bevredigen; ja, zij verkocht zelfs Jiare beste kleedingstukken, om den zieke het noodige te verschaffen. En toen eindelijk de dood aan het lijden van haren man en aan haar offer een einde maakte, betreurde zij zijn sterven diep en oprecht. — Zulke liefde en aanhoudende opoffering zijn alleen mogelijk door de in het H. Sacrament des huwelijks medegedeelde bizondere genade.
]) Het huwelijk door degenen, die niet Christen ^ijn, aangegaan, kan ontbonden worden, wanneer namelijk een der echtgenooten Christen wordt en de andere niet vreedzaam of niet zonder onteering des Scheppers, of in \'t algemeen niet zonder gevaar voor de zaligheid van den bekeerde met hém leven wil. Zoo leeren, verwijzende op 1 Cor. VII, 10—15, de HH. Vaders, vooral de H. Ambrosius (Expos, in Luc. 1:8 n0. 8.); zoo besliste Paus Innocentius III (c quanta
566
jaar 313) bepaalde, dat eene geloovige vrouw, die haren ge-loovigen man verlaten en een anderen genomen heeft, tot den dood van den eersten buiten de kerkelijke gemeenschap moet blijven. En toen sommigen zich beriepen op de burgerlijke wet, welke onder de heerschappij der romeinsche keizers der-geliike echtscheidingen in zekere gevallen toestond, gaven de Kerkvaders hun ten antwoord: „Anders luidt de wet der „Cesars, anders de wet van Christus. Iets anders schrijft „Papinianus (de rechtsgeleerde), iets anders de H. Paulus „voorquot; (Hieronymus br. 79 aan Oceanus). Chrysostomus schrijft: „Niet naar die wereldlijke wetten zal God u op „den grooten oordeelsdag oordeelen, maar naar die, welke „Hij zelf heeft gegevenquot; (Zie verder de leer der Vaders bij Perronne: de matrimonio christiano, tom. 3. s. 2. c. 3. Komae 1859). Ook de Kerkvergadering van Trente nam de leer over de onontbindbaarheid des huwelijks tegen de aanvechtingen en aantijgingen der ketters in bescherming en verklaarde in de 24ste zitting, can. 7 : „Indien iemand zou „zeggen, dat de Kerk dwaalt, terwijl zij geleerd heeft en „leert volgens de evangelische en apostolische leer, dat de „huwelijksband niet kan verbroken worden om overspel van „een der echtgenooten, en dat beiden, zelfs de onschuldige, „die geene aanleiding tot overspel gaf, geen ander huwelijk „kunnen aangaan, zoo lang de andere echtgenoot leeft; en „dat hij overspel bedrijft, die, na de overspelige vrouw te „hebben weggezonden, eene andere huwt, zooals ook zij, „die, na den overspeler verlaten te hebben, een anderen „man zou trouwen, hij zij in den ban.quot; \')
de divortiis), en zoo hield het de Kerk in de praktijk (Zie Bene-dictus XIV, de Synode. I. 6. C. é). Ook het door Christenen geldig gesloten, maar nog niet voltooide huwelijk (matrimonium ratura, sed non consnmmatum) wordt ontbonden door de plechlige gelofte van een van beiden in eene goedgekeurde geestelijke orde (Conc. van Trente, Zitt. 2é, c. 6), en eveneens door de dispensatie van den H. Stoel.
i) In den Vastentijd van het jaar 390 bood Rome een hartverheffend schouwspel; Onder de openbare boetelingen voor de Basiliek van St. Jan van Laterane, die om de gunst smeekten van weder in de gemeenschap der Kerk opgenomen te women, bevond zich Fabiola, de aanzienlijke, hooggeëerde, onmetelijk rijke Fabiola, uit het beroemd geslacht der Fabiërs. in een haren boetekleed en ongeschoeid, met losse haren en weenend gelaat, met asch op het hoold gestrooid, knielde zij op den grond neder en smeekte al schreiende om de genade, door eene heilzame boete met God verzoend te worden. Paus Siricius, de geestelijken, Fabiola\'s standgenooten, geheel het romeinsche volk, allen zagen met stichting en ontroering in deze boetelinge, hoe diep het berouw kan zijn van een goed hart, als het uit zijne verblindheid ontwaakt. Fabiola was vroeg met een man gehuwd, die zulk een misdadig leven leidde, dat het haar onmogelijk scheen aan zijne zijde te blijven. Zij was zeer jong en meende het
567
2) De geestelijke overheid kan om gewichtige redenen toestaan, dat de echtgenooten van elkander gescheiden leven; zij blijven echter gehuwd, en noch de man noch de vrouw kan tijdens het leven van een van beiden een tweede huwelijk geldig aangaan. — Ook deze leer is gegrond op het woord van Christus en den Apostel. Christus zegt (Matth. V, 32): „Eenieder, die zijne vrouw ver-„laat, anders dan uit oorzake van overspel, die maakt dat „zij overspel doet,quot; (d. i. hij stelt haar bloot aan het gevaar van overspel te bedrijven, en wordt derhalve aan overspel schuldig) „en wie de verlaten vrouw trouwt, „doet overspel/\' Daaruit blijkt, dat de man zijne vrouw om overspel kan verlaten., zonder zich daardoor aan zonde plichtig te maken. Dat echter zulk eene scheiding den huwelijksband niet ontbindt, is duidelijk zóówel uit deze
recht te hebben, zoo groote beleedigingen, als hij haar aandeed, niet te verdragen. Zich over hem te beklagen, verbood haar de vrouwelijke teergevoeligheid; zij nam liever de schuld der oneenigheid in het huwelijk op zich en verliet het huis van haren gemaal, om naar hare familie terug te keeren. Evenwel kende geheel Rome het zedeloos gedrag van dezen man. .Nadat Fabiola een tijd lang bij hare verwanten geleefd had, meende zij, volgens recht en billijkheid een tweede huwelijk te kunnen aangaan, daar zij niet uit kleinmoedigheid of lichtzinnigheid, niet door blinden hartstocht gedreven, maar door het slechte gedrag van haren man daartoe gedwongen, zich van hem gescheiden had. De burgerlijke wet veroorloofde zulks, en de wet des Evangelies, welke het tweede huwelijk tijdens het leven van beide echtgenooten verbiedt, was haar onbekend. Wellicht wilde zii die niet kennen, en voor \'t minst ging zij onvoorzichtig te werk. Genoeg, zij huwde weder en leefde verscheidene jaren zeer tevreden met een tweeden echtgenoot. Eindelijk verloor zij hem door den dood. Zulke schokken, die het hart pijnlijk treffen, zijn dikwijls zeer heilzaam, wijl zij ons van vele aardsche neigingen losscheuren en het gemakkelijker maken, eene andere, hoogere richting te nemen. Dat geschiedde ook bij Fabiola. Het verlies van haren gemaal deed haar inzien de vergankelijkheid van al het aardsche geluk, alsmede de dwaasheid om die ten koste der eeuwige goederen te willen koopen. Toen die blinddoek van Fabiola\'s oog viel, zag zij spoedig in, dat zij de goddelijke wet had geschonden, en vastberaden sloeg zij nu den weg der redding in, die haar in den kortst mogelijken tijd met God verzoenen zou. Gewillig onderwierp zij zich aan de openbare boeté, waaraan vrouwen van haren stand zich niet gaarne onderwerpen. Die verootmoediging en boete bevredigde echter de boetvaardige stemming van Fabiola niet. — Op den dag, dat zij na volbrachte openbare boete de H. Communie ontving, deed zij voor immer afstand van den troon van gemak en luister, waarop zij van hare jeugd af gezeten had, en begaf zich in de duistere hut van vrijwillige armoede. Fabiola was het, die het eerste gasthuis in Kome stichtte en in dat huis zieken, armen en allerlei behoeftigen opnam. De eerste dienares van dit gasthuis was zij zelve; zij, de dochter der oude romeinsche consuls en senatoren, maakte zich de dienstmaagd der armen van Christus en bleef die tot haren zaligen dood (Gravin Hahn-Hahn die Viiter der Wiiste).
568
plaats der H. Schrift, als uit andere, welke in het voorgaande punt zijn aangehaald. \') Niet minder duidelijk leert de H. Paulus hetzelfde in zijn brief aan die van Corinthe: „De vrouw mag haren man niet verlaten, en als zij hem „verlaten heeft, moet zij ongehuwd blijven, of zich met „haren man verzoenen.quot; Duidelijk blijkt ook hieruit, dat er gevallen kunnen voorkomen, waarin echtgenooten wel niet eigenmachtig elkander mogen verlaten, maar door de kerkelijke overheid in zooverre kunnen gescheiden worden, dat zij niet verplicht zijn te zamen te leven. En door die scheiding wordt alzoo de huwelijksband geenszins verbroken, maar blijft onontbindbaar. Derhalve mogen gescheiden echtgenooten wel van elkander verwijderd leven, maarniet tot een ander huwelijk overgaan, fn welke gevallen die scheiding kan plaats hebben, bepaalt de Apostel niet nader; Jesus Christus echter gewaagt slechts van overspel, wijl dit alleen den gehuwden recht geeft, voor altijd zich te scheiden en zelfs dan, als de schuldige zich verbeterd heeft, gescheiden te blijven. Andere oorzaken, als: levensgevaar, verleiding tot zonde, ketterij of ongeloof, enz. geven slechts zoolang reden tot scheiding, als deze inderdaad aanwezig zijn of voortduren. De Kerk heeft derhalve altijd geleerd, dat er verscheiden gevallen kunnen voorkomen, welke tusschen christelijke echtgenooten recht tot scheiding van tafel en bed voor meer of minder langen tijd, maar nooit tot ontbinding van den huwelijksband geven. Vandaar bepaalde ook het Concilie van Trente: „Indien „iemand zegt, zegt, dat de Kerk dwaalt, als zij verklaart, „dat wegens vele oorzaken tusschen de echtgenooten eene _ „scheiding van tafel en bed voor een bepaalden of onbe-„paalden tijd kan plaats hebben, die . zij in den banquot; (t. a. p. Can. 8).
Naarmate onze verlichte eeuw zoowel in schouwspelen als in romans het verbreken der huwelijkstrouw meer tracht te verschoonen, naarmate de burgerlijke wetgeving meer nalatig wordt in het bestraffen van dusdanig misdrijf, des te meer reden hebben de christelijke echtgenoóten zich voor zulke uitspattingen te wachten. Zelff foor de geringste gedachte aan die misdaad moeten zij terugdeinzen, en bij elke bekoring en bij elk gevaar ernstig overwegen:
1) Dat zij door overspel het plechtig verbond breken, in tegenwoordigheid van God en de Kerk gesloten. Het verbreken der huwelijkstrouw is eene der grootste, afschuwelijkste misdaden, waar-
\') Ook de plaats bij Matth. XIX,.9., vergeleken met Marcus X en Lucas XVI en Matth. V laat geen anderen zin toe, dan dezen, dat om overspel de\'vrouw kan verlaten worden maar de huwelijksband daardoor niet vernietigd wordt.
569
aan de Christen zich kan schuldig maken. Het is eene verkrachting van het eerbiedwaardig verbond, dat de Schepper met de wijste en heiligste bedoelingen tusschen man en. vrouw gesticht heeft, van dat verheven verbond, waaraan de Verlosser zijne genade verbonden, waaraan Hij de waardigheid en kracht van een Sacrament verleend heeft, van dat heilig verbond, hetwelk de getrouwe afb.eelding van het verbond van Jesus Christus met zijne Kerk zijn moet, van die plechtige verbintenis, welke men aan den voet des altaars, in tegenwoordigheid van God en de Kerk gesloten heeft. En dat eerbiedwaardige, verheven, heilige, plechtige verbond wordt verbroken om den laagsten, schandelijksten hartstocht, met eene schandelijke krenking van de huwelijksliefde en trouw, van die voorname deugden, welke de harten van beide echtgenooten als tot één hart maken, met hemeltergende onrechtvaardigheid jegens de onschuldige wederhelft, jegens de wettige kinderen, jegens de gansche familie en nakomelingschap. Wie is in staat al de boosheid en snoodheid van zulk eene echtbreuk te bevatten? Mogen wij ons wel verwonderen, dat de Kerk in vroegere tijden overspel, dat algemeen bekend was geworden, als moord en afval van het geloof, met eene openbare boete van vele jaren bestrafte en daarbij den schuldige het binnengaan, in de Kerk ontzegde? Mogen wij ons verwonderen, dat zij over overspelers en overspeelsters zelfs den ban uitsprak? //Beiden ^zullen stervfen, de overspeler en de overspeelster,quot; beval God in het Oude Verbond (5 Mos. XXII, 23); wien kan het dan nog bevreemden, dat de Kerk overspelers uit haren reinen schoot bant?
2) Dat zij door overspel de heiligste verbintenis verbreken, welke naar Gods beschikking de maatschappij vereenigt en verbindt. Geheel de maatschappij dankt haren oorsprong, hare uitbreiding en haar bestaan aan de gezinnen, waaruit zij door middel van het burgerlijk contract gevormd eh samengesteld is, terwijl het huisgezin aan den band der huwelijksliefde en trouw zijn oorsprong, wasdom en voortdurende samenleving te danken heeft. Zou die. heilige band ophouden man en vrouw te vereenigen en onafscheidelijk met elkander te verbinden, dan zou niet enkel het huisgezin, maar geheel de maatschappij vernietigd worden. Elk afzonderlijk lid der vervallen maatschappij zou dan slechts op zich zeiven bedacht zijn, alle overigen tot zijn voordeel gebruiken en degenen, die tegen zijne baatzuchtige plannen zich verzetten, zooveel hij vermag, bestrijden. De overspeler en overspeelster doen alzoo, zooveel in hen is, alles, om dat rampzalig verval van het huisgezin en geheel de maatschappij te bewerken, en maken zich derhalve niet alleen jegens God, den Stichter der zedelijke en maatschappelijke orde, maar ook jegens de geheele mensohheid, tot wier ondergang zij werken, aan eene zeer zware misdaad schuldig. Bovendien leert de ondervinding, helaas! maar al te veel en te duidelijk, dat genoemde zonde meineed, doodslag, vergiftiging en vele andere misdrijven ten gevolge heeft, welke de maatschappelijke welvaart en openbare veiligheid ondermijnen, somwijlen zelfs volslagen vernietigen. — Daarom was het steeds eene der voornaamste zorgen van wijze bestuurders, door de zwaarste straffen voor overspel vast te stellen, die misdaad zooveel mogelijk te voorkomen. Onder Keizer Constantijn den Groote werd overspel gelijk moord en vergiftiging met den dood door het zwaard gestraft. Zijne opvolgers gingen nog verder en stelden dat kwaad wat de straf betrof met vadermoord gelijk. Veroordeeling ter dood door het zwaard was, tenminste in zware gevallen, ook volgons het duitsche strafrecht het gevolg dier misdaad. Desgelijks stelde Paus Sixtus V in zijne staten de doodstraf op overspel en onttrok aan de gerechtshoven de macht van gratie te verleenen. Zelfs bij heidensche, geheel onbeschaafde volkeren werd dat misdrijf verfoeid. Van de oude Saksen getuigt de H. Bonifacius, dat zij overspel met den onteerendsten dood straiten. En zelfs in onze dagen
570
vindt men in de binnenlanden van Afrika wilde volksstammen, die den overspeler met den dood straffen.
Echtgenooten moeten verder wel bedenken:
3) dat zij door overspel allen, huiselijken vrede verstoren, de goede opvoeding der kinderen verhinderen en het geluk van geheel het gezin vernielen. Huwelijksvrede , goede tucht en huiselijk geluk is in het huisgezin van den overspeler of overspeelster niet te vinden. De vrede ontstaat daaruit, dat man en vrouw dezelfde gevoelens, wenschen, verlangens koesteren. Hoe nu kan er zulk eene overeenstemming zijn tusschen twee harten, welke het overspel of de gegronde verdenking van overspel van elkander vervreemdt, tusschen twee harten, waarvan het eene door de snoode weigering van wederliefde en door de gruwelijkste trouweloosheid, welke het ondervonden heeft, gebroken, het andere door misdadige wenschen, begeerten en verlangens vervuld is? Moet niet de ijverzucht, spijt en eene zekere vertwijfeling dag en nacht het .hart van de onschuldige bestormen en in klachten, bittere verwijten en hevig ongenoegen zich lucht geven? En zal daarbij de schuldige, die toch al van zijne onschuldige wederhelft vervreemd is en haar geene liefde meer toedraagt, kalm en gelaten blijven? Zal hij niet verwijten met verwijten, beschimping met beschimping of nog erger beantwoorden? Huiselijke vrede is bijgevolg in zulke omstandigheden geheel onmogelijk, en evenzeer onmogelijk eene goede kindertucht en huiselijk geluk. Zullen de kinderen eene goede, waarlijk christelijke opvoeding bekomen, dan is voor alles noodig, dat man en vrouw eensgezind, in godsvrucht wedijverende, elkander de hand bieden. De vader moet de moeder in alles, wat tucht en orde betreft, krachtig ondersteunen, en de moeder van haren kant het gezag des vaders staande houden en steeds hooger opvoeren. Noch het eene noch het andere kan echter gebeuren, als de bittere vrucht van overspel, de tweedracht, tusschen vader en moeder heerscht. Integendeel zullen beiden er op werken, om de harten der kinderen van elkander te ontvreemden, en door hen te wijzen op elkanders fouten en gebreken, elkander de verschuldigde achting ontrooven. Wat nu moet er onder zulke omstandigheden van de opvoeding der kinderen komen? Wee zulk een huisgezin! Neen, het gaat niet zijn geluk, maar snelt zijn ondergang te gemoet. Vader, moeder, kinderen zullen wedijveren, om elkander het leven te verbitteren.
Eindelijk moeten de echtgenooten bedenken:
4) dat zij zich blootstellen aan het gevaar, van in schande en ellende en in alle zonden en boosheden te vallen, ja, door God zeiven vreeselijk gestraft en eindelijk geheel verworpen te worden. /,De overspeler brengt zijn levén in het verderf,quot; zegt de H. Schrift (Spr. VI, 32, 33), »hij verzamelt oneer en schande, en die vlek wordt //nimmer uitgewischt.quot; Schande en oneer bij de menschen is het onvermijdelijk lot der overspelers, als hunne zonde openbaar wordt. Daarom zoekt ook de overspeler op allerlei wijzen zijne misdaad geheim te houden, en niet zelden stapelt hij wandaden op wandaden om die geheimhouding te bewaren. Meineed, lastertaal, valsche aantijgingen, moord van gade en kroost worden des noods gebnikt, om de krenking der huwelijkstrouw voor de oogen der menschen te verbergen. Het voorbeeld van koning David, die om zijn bedreven echtbreuk geheim te houden, de moordenaar werd van Urias, bewijst dit ontegensprekelijk. — Daarbij is de overspeler geenszins vrij van bezorgdheid en vrees, dat zijne schanddaad eindelijk toch aan \'t licht zal komen. Die angst kwelt hem bij dag en bij nacht, laat hem geen oogenblik rust en maakt zijn leven ongelukkiger dan dat van een gevangen misdadiger. „De overspeler vreest allen,quot; zegt de H. Chrysostomus (Hom. SiS. over den Isten br. aan de Cor.), ^jegens «allen koestert hij verdenking en argwaan; jegens zijne vrouw, jegens *zijne vertrouwelingen en vrienden; hij is bevreesd voor zijn eigen
571
„schaduw. En al gelukt het hem ook, zijn misdrijf voor het oog „der wereld verborgen te houden, luide en plechtig spreekt toch //zijn geweten en klaagt hem aan.quot; /s Avonds en \'s nachts,quot; dus gaat de H. Kerkleeraar voort, «in de eenzaamheid en in het gewoel „der stad, overal volgt die aanklager hem op den voet en houdt „hem de scherpte des zwaards en onuitstaanbare folteringen voor „oogen.quot; Brengt de overspeler eindelijk zijn geweten tot zwijgen, gewis zal hij zich niet aan de oordeelen Gods onttrekken. Moge hij ook in een oogenblik van hartstochtelijke verblindheid bij zich zeiven denken: „Duisternis omgeeft mij, de wanden verbergen mij, en „niemand ziet naar mijl Wien zou ik vreezen?quot; Gods oog ziet alles; want, „veel helderder dan de zon zijn Gods oogen, die alle wegen „der menschen gadeslaan, en de diepste afgronden in het hart der z/menschen, de verborgenste schuilhoeken doordringenquot; (Sir. XXIII, 26—28). David beging maar ééne zonde van overspel, en toch sprak de Heer door den profeet Nathan tot hem; „Het zwaard zal niet //wijken van uw huisquot; (Ü. Kon. XII, 10). En die bedreiging des Heeren werd letterlijk vervuld; het zwaard van oproer en broedertwist woedde onophoudelijk in den schoot der familie van David en rukte vele kinderen weg. — Gelukkig de overspeler, wien God in zijne lankmoedigheid en barmhartigheid, gelijk eertijds den zondigen koning David, door zware tijdelijke straffen tot berouw en verbetering zijns levens brengt! Gelukkig, als hij door tijdelijke boete de eeuwige straf ontkomt, welke den overspeler wacht volgens de woorden der Schrift: „overspelers zullen het rijk Gods niet bezitten.quot;
Waarop moeten degenen, die verlangen in het huwelijk te treden, vooral bedacht zijn.1\'
1) Dat zij niet lichtzinnig verkeering aangaan.
Lichtzinnig handelen zij , a) die niet beginnen met God aan te roepen en tegen zijnen wil noch den raad hunner ouders, noch hunne eigen zaligheid in aanmerking nemen. God, die voor elk zijner kinderen zorg draagt, die aan eenieder middelen aan de hand geeft om zijne bestemming te bereiken, bestemt ook voor degenen, die naar de raadsbesluiten zijner Voorzienigheid in het huwelijk hunne zaligheid moeten bewerken, eene voor hen geschikte levensgezellin. Vandaar zegt de wijze man; „Huis en rijkdom „geven de ouders, maar eene verstandige vrouw komt van „den Heerquot; (Spr. XIX , 14); en in het boek Tobias wordt ons verhaald, dat God Sara, de dochter van Eaguël, tot echtgenoote van den jongen Tobias bestemd had. „Daarom,quot; zoo sprak de Engel tot den vader, „daaróm (wijl zij door God Tobias was toegedacht) „heeft geen ander haar kunnen „hebbenquot; (Tob. VII, 12). Wie een huwelijk wenscht aan te gaan, moet alzoo in de eerste plaats zorg dragen, God aan te roepen en om verlichting te bidden, opdat de keuze van zijne toekomstige levensgezellin volgens \'s Heeren heiligen wil geschiede. Zoo deed Eliëzar, de getrouwe dienaar van Abraham, toen hij op last van zijnen meester naar Mesopotamië trok, om voor Isaak een vrouw te
572
zoeken. Hij smeekte vurig tot God, dat Hij hem zou te kennen geven, welke van de dochters des lands Hij voor Isaiik tot vrouw „bestemd hadquot; (1. Mos. XXIV, 14). God verhoorde Eliëzars bede en schikte het zoo, dat hij het eerst llebecca, de dochter van Bathuël, ontmoette, met wie Isaak later in een hoogst gelukkig en gezegend huwe-liïk leefde. — Evenwel moeten degenen, die den huwelijken staat willen aanvaarden, niet alleen bij God, maar ook bij hunne ouders raad zoeken. Ofschoon de ouders niet bevoegd zijn, te verhinderen, dat hunne kinderen een huwelijk aangaan, of met betrekking tot de keuze van een echtgenoot dwang te gebruiken, ja zelfs aan eene zware zonde zich .zouden plichtig maken, wanneer zij tegen de reddijke keuze van hunnen zoon of hunne dochter uit 1 uim, gierigheid, hoogmoed en andere dergelijke hartstochten zich hardnekkig verzetten, zouden evenwel van den anderen kant de kinderen hunne zelfstandigheid te ver drijven, niet alleen onredelijk en onbetamelijk, maar zelfs zondig handelen, als zij in eene zoo gewichtige aangelegenheid, zonder de ouders er kennis van te geven en met hen te beraadslagen, durfden voortgaan. Indien de keuze van een man of eene vrouw van dien aard zou zijn, dat redelijker wijze kan verondersteld worden, dat daardoor de eer en de vrede van de geheele familie in gevaar zal gebracht worden, dan zou de zoon of de dochter, die, hiermede bekend, nochtans die keuze deden, niet van eene zware zonde kunnen vrijgesproken worden. — Bovendien moet men bij de ^oo belangrijke keuze van eenen echtgenoot, gelijk bij elk ander gewichtig besluit, vooral het oog richten op zijne eeuwige bestemming, op de zaligheid zijner ziel. Ook hier vooral geldt het woord van den Heiland: „Zoekt eerst het rijk Gods en zijne gerechtigheid.quot; Daarom gaan ook zij lichtzinnig te werk b) die bij hunne keuze minder op godsdienst en deugd, dan wel op tijdelijk voordeel, enz. letten. Godsdienst en deugd zijn ontegensprekelijk de vaste grondslagen van het huiselijk geluk. Brengt de vrouw ook al niet veel geld of goed mede, zijn hare natuurlijke begaafdheden niet van de schitterendste; is zij echter rijk aan de deugden eener christelijke echtgencote; is zij vroom, zedig, bescheiden, vlijtig, huiselijk, zachtaardig en toegevend, dan heeft de man in haar eene zeer kostbare parel gevonden, die zijn levensgeluk vestigen en hem tot eer strekken zal. En al behoort ook de man niet tot de aanzienlijken en rijken, als hij vast is in het geloof, trouw en standvastig in het vervullen zijner plicaten, werkzaam, spaarzaam en geregeld, dan zal de vrouw in
573
hem haren steun en haar geluk vinden. Missen ever;wel de man o£ de vrouw, of, wat het ergste is, missen beide echtgenooten godsdienst en deugd, dan zal de schoot van het gezin, welke een heiligdom van vrede en zuivere vreugd zijn moest, een ware pijnbank worden, waar de ongelukkige echtgenooten elkander kwellen. Rijkdom, schoonheid en andere natuurlijke voorrechten kunnen slechts de kwelling verhoogen, wiil degenen, die dergelijke goederen bezitten, zich, een gelukkiger lot waardig achten. „Als gij „dan,quot; zegt de H. Chrysostomus (Sermo quales ducendae sunt uxores n. 8, tom. 5), „eene brüid zoekt, vraag allereerst, of zij braaf en godsdienstig is. Is zij dat, dan zal „het overige volgen; is zij het niet, dan deugt zij niet, „al bezat zij tijdelijk goed en schoonheid in overvloed.quot; — c) Lichtzinnig eindelijk gaan diegenen verkeering aan, diè niet eerst bedenken, of zij de zoo zware verplichtingen van den huwelijken staat zullen kunnen vervullen. 11 oewel het van den eenen kant zeer te misprijzen is, het huwelijk uit te stellen alleen om een meer vrij, onbeteugeld leven te kunnen leiden, terwijl het huwelijk veeleer een dam ter verhoeding van uitspattingen der jeugdige jaren zijn moet, is het echter van den anderen kant niet minder lakenswaardig, als men te overhaast, zonder de noodige kennis van de plichten des huwelijks, zonder gevestigde deugden vastheid van karakter, wellicht ook zonder in staat te zijn vrouw en kinderen te onderhouden, den huwelijken staat ingaat. Hoe zal men het huishouden, hoe zijne zaken besturen , als men zich zeiven niet weet te beheerscben ? Hoe de kinderen behoorlijk opvoeden, als men zelf nog opvoeding noodig heeft? Ontelbare huwelijken zijn ongelukkig en hebben voor tijd en eeuwigheid de treurigste gevolgen, omdat zij lichtzinnig, uit blinden hartstocht, zonder te denken aan de verplichtingen en moeielijkheden van den huwelijken staat werden gesloten.
2) Degenen, die wenschen in het huwelijk te tredeo, moeten behoorlek onderricht en vrij van huwelijksbeletsels zijn. Daar het eene der voornaamste verplichtingen van christelijke ouders is, de kinderen, welke God hun schenkt, van hunne teederste jeugd af in den godsdienst en de wet Gods te onderwijzen, is het noodig, dat zij zelve daarin wel onderricht zijn. De Kerk schrijft daarom het zoogenaamde bruidsexamen voor, niet alleen opdat de zielzorger zekerheid verwerve, dat het bruidspaar de veelvuldige en zware plichten van den huwelijken staat kenne, maar ook om zich te overtuigen, dat het in den christelijken godsdienst behoorlijk onderricht is. Hoe kan men echter ver-
574
wachten, dat bruidegom en bruid bewijzen zullen leveren van goed onderrichte Christenen te zijn, als zij na hunne eerste H. Communie weinig acht meer hebben geslagen op het godsdienstig onderwijs ?
Met betrekking tot het vrij zijn van huwelijksbeletsels (welke wij later zullen opgeven) merkt de H. Cbrysostomus aan: „Als gij wilt trouwen, neem dan niet alleen kennis „van de burgerlijke, maar ook van de kerkelijke wet: „veracht gij de eerste, dan krijgt gij meestal slechts eene „geldboete; treedt gij deze met voeten, dan zal uwe ziel „in de kwellingen van het onuitbluschbaar vuur vallen.quot;
3) Zij moeten onder de verkeering onschuldig leven en niet denken, dat hun in dien tijd meer vrijheid of de samenleving onder één dak veroorloofd is; met eene zuivere, Gode welgevallige meening in het huwelijk treden, en voor hun huwelijk waardig biechten en communiceeren.
„Wij zijn kinderen der Heiligen, en mogen niet bijeen ko-„men gelijk heidenen, die God niet kennenquot; (Tob. VIII, 5). Deze schoone, veelomvattende woorden, welke de vrome Tobias na de verloving tot Sara sprak, moet het christelijk bruidspaar des te meer ter harte nemen, daar het huwelijk in het Nieuwe Verbond onvergelijkelijk heiliger is, dan het in het Oude Verbond was. — a) Als kinderen van de Heiligen moeten zij alzoo den tijd der verkeering beschousven als hun gegeven, om zich tot het ontvangen van een „groot „Sacramentquot; waardig voor te bereiden, door gebed en goede werken den zegen des hemels over hunne aanstaande ver-eeniging af te smeeken. Christelijke jongelieden zullen zich derhalve vooral bevlijtigen , in de verkeering zuiver en godvruchtig te leven, en zich nimmer aan de verderfelijke meening overgeven, dat hun gedurende dien tijd grootere vrijheid en vertrouwelijkheid met elkander geoorloofd is, en dat hetgeen vroeger zonde tegen de kuischheid was, het thans niet meer of minstens eene kleinere zonde is. Het behoort, dat zij des te strenger en zorgvuldiger over hun hart waken, en in den omgang met elkander elke gelegenheid vluchten, waardoor de heerlijke deugd van zuiverheid in gevaar zou kunnen geraken. Daarom vermaant ook de H. Kerk hen uitdrukkelijk, „dat zij, alvorens de priesterlijke inzegening „in de kerk ontvangen te hebben, niet in hetzelfde huis „wonenquot; (Conc. van Trente. Zitt. 24; hfdst. 1. de Reform.) en dat zij bij hunne bezoeken „niet te zamen alleen blijven, „maar in het bijzijn van eenige bloedverwanten of anderenquot; (Rit. Rom. de Matrim.). — b) Als kinderen van Heiligen moeten zij ook met eene zuivere, Gode welgevallige-meening den huwelijken staat ingaan. Dit geschiedt, als men het
575
huwelijk aangaat, om te voldoen aan de bedoeling van God , welke met de woorden: „wast en vermenigvuldigt,quot; is aangegeven, of om elkander behulpzaam te zijn, want ook daartoe is het huwelijk ingesteld, hetgeen de woorden van den goddelijke Insteller: „het is niet goed voor den mensch , „dat hij alleen zij,quot; duidelijk .te kennen geven; of eindelijk om de gevaren van onzedigheid te ontgaan, waaraan de ongehuwde dikwijls blootstaat. Met het oog op die gevaren raadt ook de Apostel het huwelijk aan, ofschoon hij m \'t algemeen aan den maagdelijken staat de voorkeur geeft (1. Cor. VII, 1, 2). Diegenen, die zoo het huwelijk ingaan, dat zij, zooals de Aartsengel Eaphaël tot Tobias zeide, God buiten hun hart sluiten, en niet de vervulling der plichten van hunnen staat, maar, gelijk het redeloos dier, alleen de bevrediging van hunne schandelijke lusten op \'t oog hebben, huwen niet als kinderen Gods, „over hen „heeft de duivel machtquot; (Tob. VI, 17). Gelukkig het bruidspaar, dat, voor het altaar gekomen om de echtverbintenis te sluiten, in alle waarheid met de vrome Sara tot God kan spreken: „Gij weet. Heer, dat ik mijn hart „van alle begeerlijkheid zuiver gehouden heb. Nooit mengde „ik mij onder moedwilligen en voegde mij niet bij de licht-„zinnigen. In het huwelijk bewilligde ik in uwe vreeze, „niet uit snooden lustquot; (Tob. III, 16—18). c) Teneinde het christelijk bruidspaar, als kinderen der Heiligen, met des te zuiverder hart en in betere stemming het huwelijk aanga, vermaant het Concilie van Trente, dat zij, alvorens het H. Sacrament des Huwelijks te ontvangen, hunne zonden vlijtig biechten en godvruchtig tot het H. Sacrament des Altaars naderen. Gelijk wij reeds vroeger opmerkten, is het hoogst raadzaam, de gewoonte van ijverige Christenen na te volgen, namelijk bij die gelegenheid eene algemeene biecht te spreken. Heeft iemand vroeger een losbandig leven geleid, dan zou liet zeer dienstig zijn, die algemeene Biecht eenige weken te voren te spreken en den biechtvader er kennis van te geven, dat men voornemens is, weldra in den huwelijken staat te treden. Op die wijze wordt de biechtvader in de gelegenheid gesteld om te onderzoeken, of er geen huwelijksbeletsel bestaat, en in geval hij er een ontdekt, tijdig dispensatie te vragen. — Het spreekt van zelf, dat de Biecht, welke het huwelijk vooafgaat, geldig moet wezen; want wie het Sacrament des Huwelijks ia staat van ongenade ontvangt, maakt zich aan eene heiligschennis schuldig en zou zich bijgevolg alle goddelijke genaden en zegeningen onwaardig maken. 1)
\') Aangaande de voorbereiding tot het waardig ontvangen van het
576
In men verplicht de trouwbelofte te houden?
Ja, als men iemand ernstig beloofd heeft hem te zullen huwen, dan is men daartoe verplicht onder doodzonde, tenzij dat heiden vrijwillig terugtreden, of dat een van heiden om hizondere redefien recht zou hehhen om terug te gaan, waarover de geestelyke overheid moet heslissen.
1) Eene geldige trouwhelofte verplicht, gelijk elk ander verdrag, het gegeven woord te houden en wel onder zware zonde, wijl het hier eene zeer belangrijke zaak geldt. De verloofden ziin derhalve gehouden, het huwelijk op den bepaalden tijd met elkander aan te gaan. Is er geen tijd vastgesteld, dan moet het gesloten worden, zoodra de
H. Sacrament des HuwelijliS, verhaalt Gaume in zijne christelijke onderrichtingen de volgende stichtende gebeurtenis. — Een jong, in Parijs wonend geneesheer werd daar door zijnen vriend bij eene aanzienlijke familie ingeleid. De eenige dochter des huizes, een voorbeeld van maagdelijke \'ingetogenheid en bescheidenheid, behaagde den jongen man. Hij dong naar hare hand, en, daar hij evenzeer door reinheid van zeden als door zijne kundigheden uitmuntte, werd zijn aanzoek weldra ingewilgd. Ongeveer tien dagen voor den trouwdag, kwam de verloofde bij de moeder zijner bruid en verzocht haar, met Emilia alleen te mogen spreken. //Dat is niet mogelijk,quot; gaf de moeder vriendelijk ten antwoord, „mijne dochter is sinds twee dagen „ongesteld en heeft rust noodig.quot; — „Het spijt mij echter zeer, dat „ik \'niet een oogenblik mij met haar kan onderhouden; slechts drie „of viermaal heb ik het genoegen gehad, haar in gezelschap te /.ien „en nog nooit gelegenheid gevonden, haar ongestoord mijne gevoelens //mede te deelen en de hare te kennen.quot; — De moeder volhardde echter bij hare weigering. Toen hij nu verzekerde, dat hij zijne bruid iets zeer gewichtigs te zeggen had. antwoordde zij: „Goed, ik zal haar „roepen, als gij het verlangt, en gij kunt dan in mijn bijzijn met «haar spreken; mijne dochter heeft nog nooit met een man alleen „gesproken.quot; — „Maar ik zal toch weldra haar echtgenoot worden.quot; — ^Dan heb ik niet meer over mijne dochter te waken, doch tot zoo „lang moet ik jegens haar de plichten van eene christelijke en ver-„standige moeder vervullen.quot; — „Welaan, dan moet ik u de reden „toevertrouwen, waarom ik zoo op een bizonder onderhoud met uwe „dochter, mijne bruid, aandrong. Ik wilde weten, of zij mijne liefde „en achting voor den godsdienst deelt, en tevens haar verzoeken, „door eene generale biecht zich in staat te stellen, behalve den huwelijkszegen ook alle daarmede verbonden genadegaven te kunnen „ontvangen.quot; Bij deze woorden kon de moeder hare tranen niet weerhouden. „Ga mijn zoon,quot; sprak zij, „ga tot uwe bruid en zeg „haar, dat ik u mijnen zoon noemde; ga, uwe edele gevoelens waar-„borgen mij het geluk van mijne dochter en het uwe.quot; Het deugdzaam bruidspaar liet nu acht dagen lang het H. Misoffer opdragen, om de geheele volheid van hemelsche zegeningen over zich af te smeeken. Op den dag van hun huwelijk was het treffend om te zien, met welke godsvrucht beiden aan de H. Tafel aanzaten, hij doorzijn grijzen vader en zijne moeder, zij door hare moeder en grootmoeder vergezeld, en met welken eerbied zij te zamen de H. Communie uit de handen des Priesters ontvingen.
577
eene dat vordert en de andere geene billijke reden tot uitstel heeft.
Men honde echter hier in \'toog, dat verkeering op zich zelve geene trouwbelofte is: door de verkeering geeft men alleen, en nog niet eens uitdrukkelijk, het voornemen te kennen elkander te willen huwen. Opdat er eene huwelijksbelofte aanwezig en deze geldig zij, wordt gevorderd: a) dat zi] ernstig gemeend, door beiden duidelijk en bepaald uitgedrukt en van weêrskanten aangenomen zij ; b) dat de belofte met voldoende kennis, vrij van alle wezenlijke dwaling, onbillijke bedreiging of geweld gegeven werd; c) dat het huwelijk, hetwelk men wil sluiten, geldig en geoorloofd zij; want tot het onmogelijke of ongeoorloofde kan men zich door geene belofte verplichten. Evenwel kan men toch trouwbelofte doen onder voorwaarde, dat verlof daartoe of dispensatie van de geestelijke overheid verkregen worde. — 2) Eene geldige trouwbelofte kan weder opgeheven worden, zoowel door de vrije toestemming van beide partijen, als door andere voorkomende omstandigheden, welke aan een van beiden of aan beiden tegelijk recht geven om terug te treden. Eene omstandigheid, welke beiden niet alleen recht geeft, maar zelfs verplicht, de trouwbelofte te verbreken, is de ontdekking van een, het huwelijk ongeldig makend beletsel, waarin de Kerk niet dispenseert. Aan. een der verloofden staat het ook vrij, zijne gelofte te breken, als de andere gedurende de verkeering eene zware misdaad begaat, als hij in zijne betrekkingen eene aanmerkelijke verandering gewaar wordt, verder als hij in den geestelijken staat treedt, waartoe beide partijen steeds recht hebben. In gevallen, dat het twijfelachtig is of een der verloofden genoegzame reden heeft om de belofte te breken, moet de geestelijke overheid uitspraak doen. Desgelijks moet men zich ook tot de geestelijke overheid wenden, als de trouwbelofte in het openbaar gesloten, en de oorzaak tot het verbreken dier belofte geheim is.
Hoeveel soorten van hmcelijksbeletselen zijn er?
Twee soorten; 1) die, welke het huwelijk ongeoorloofd, en 2) die, welke het ongeldig maken.
Gelijk er reeds in de wet van Mozes onderscheiden oorzaken voorkwamen, welke verhinderden, het huwelijk aan te gaan, zoo vindt men die ook in de christelijke wet. Zulke oorzaken, welke verhinderen het huwelijk te sluiten, noemt, men h mvelijhheleUels. Maken die huwelijks-
DEHAKBE, GELOOPSLEEK. 34e DKÜK. IV. 37
578
beletselen het huwelijk enkel ongeoorloofd, d. L zijn zij van dien aard, dat degene, die in weerwil daarvan een huwelijk aangaat, het wel geldig sluit, maar zich daarbij bezondigt, dan worden zij zeer juist huwelijksverboden \') genoemd; maken zij daarentegen het huwelijk ongeldig, d. i. zijn zij van dien aard, dat men daardoor buiten staat gesteld wordt, het huwelijk geldig aan te gaan, dan heeft men de eigenlijk gezegde huwelykslelelselen.
De verschillende huwelijksbeletselen rusten deels op de natuurwet, deels op goddelijk, deels op bloot kerkelijk gezag. Zoo verhindert bijv. de dwaling in den persoon het geldig sluiten des huwelijks, dewijl volgens de natuurwet geen verdrag of contract van kracht is, waarbij eene wezenlijke dwaling heeft plaats gehad;\' de goddelijke wet belet het geldig sluiten van een tweede huwelijk tijdens het leven van den eersten christelijken echtgenoot of de eerste christelijke echtgenoote, wijl Christus, toen Hij het huwelijk tot de waardigheid van een Sacrament verhief, de eenheid en levenslange onverbreekbaarheid er van, gelijk zij in den beginne bestond, weder ingevoerd heeft; de kerkelijke wet eindelijk belet de geldigheid van geheime huwelijken, daar zij als een noodzakelijke vereischte tot de geldigheid van het huwelijk stelt, dat het voor den Pastoor en twee getuigen gesloten worde. De meeste huwelijkabe-letselen komen voort van de kerkelijke wetgeving. Gelijk namelijk de Staat het onbestreden recht bezit, met het oog op het algemeen belang der burgers, tot het geldig sluiten van contraeten zekere voorsvaarden vast te stellen, en aan zekere personen, bijv. aan onmondigen, de bevoegdheid om geldige contracten te sluiten geheel en al onttrekt; zoo heeft ook de Kerk het recht, in het algemeen belang der christe-lijke maatschappij het geldig sluiten van het huwelijk, hetwelk uit hoofde van zijne sacramenteele waardigheid en beteekenis ontegensprekelijk onder haar bereik valt, van de vervulling van zekere voorwaarden afhankelijk te maken; zij heeft ook het recht, aan zekere personen de bevoegdheid te ontnemen, zonder hare toestemming op geoorloofde of zelfs op geldige wijze een huwelijk te sluiten. Ten allen tijde, zoowel onder de heidensche als christen keizers, heeft de Kerk dat recht op velerlei wijze uitgeoefend; wie dit recht bestrijdt, ontkent hare macht, om datgene te ver-
\') Dit woord, ofschoon in onze taal weinig voorkomende, schijnt het best geschikt om het impedimentum prohihens weêr te geven. Ook werd het reeds gebruikt door den Zeereerw. Heer W. van Campen, in zijn Handboek voor christelijke echtgenooten.
579
ordenen, wat tot de waardigheid, wijding en heiligheid van dit Sacrament, wat ten beste van degenen, die het ontvangen, en van de gansche christelijke maatschappij noodzakelijk en voordeelig is. Daarom deed het Concilie van Trente (Zitt. 24. Can. 4) de volgende uitspraak: „Wie „zegt, dat de Kerk geene nietigmakende huwelijksbeletselen „heeft kunnen invoeren, of bij de invoering daarvan gedwaald heeft, die zij in den ban.quot; — Teneinde de mogelijk bestaande huwelijksbeletselen te ontdekken, is de Pastoor niet alleen verplicht, in het bruidsexamen de hiertoe geschikte vragen te doen, maar de afkondiging van het voorgenomen huwelijk moet ook driemaal in de kerk voor de vergaderde gemeente gedaan worden, en eenieder, die met een huwelijksbeletsel tusschen de verloofden bekend is, is in geweten gehouden, daarvan den Pastoor kennis te geven. Derhalve is het ook voor eiken Christen zeer nuttig, de verschillende beletselen te kennen, om in voorkomende gevallen de door de Kerk verlangde aangifte te kunnen doen. Wij laten alzoo eene korte opgave daarvan volgen.
Huioelijksverhoden d. z. beletselen, die het huwelijk ongeoorloofd maken, zijn:
1) Gemc.ngde huwelijken. Onder deze benaming verstaan wij huwelijken, die gesloten worden tusschen een Katholiek en een Protestant, van welke sekte of Kerk ook, mits hij gedoopt zij.
2) Openbare afkondiging. Katholieken mogen geen huwelijk sluiten, alvorens daarvan op drie achtereenvolgende zon- of feestdagen de openbare afkondiging in de kerk heeft plaats gehad, üm gewichtige redenen kan in de afkondiging, tenminste in ééne of in twee, hoogst zelden in drie, dispensatie verkregen worden.
3) Besloten tijd. Onder deze benaming verstaat men den tijd, welke er verloopt van den eersten zondag van den Advent tot Drie-Koningen ingesloten, alsmede van het begin der vaste tot zondag na Paschen ingesloten. De Kerk verbiedt alsdan niet elk huwelijk zonderonderscheid, maar wel het plechtig huwelijk, wijl die tijd bizonder aan boetvaardigheid is gewijd. Ook wordt zonder dispensatie de huwelijkszegen niet over de bruid uitgesproken.
4) Gelofte. Onder //geloftequot; wordt hier verstaan, a) de eenvoudige gelofte van eeuwigdurende kuischheid in tegenstelling van de plechtige, b) de gelofte van niei te trouwen, c) de gelofte van in eene geestelijke orde te gaan, d) de gelofte van de H. wijdingen te ontvangen. Om te mogen trouwen, zou iemand, die eene dezer geloften gedaan heeft, eerst door het kerkelijk gezag van zijne belofte moeten ontslagen zijn. Wie eene dusdanige gelofte gedaan heeft voor een bepaalden tijd, kan, zoodra die tijd verstreken is, huwen.
5) Huwelijksbelofte. Hebben twee persoonen aan elkander geldige huwelijksbeloften gedaan, dan is het aan ieder van hen verboden met een ander persoon een huwelijk aan te gaan, zoolang die belofte niet met wederzijdsch goedvinden opgeheven of om eene andere wettige reden vervallen is.
Huwelijksbeletselen, die het huwelijk ongeldig maken, zijn:
1) /Jivaling in den persoon. Deze heeft plaats, wanneer de persoon, met wien men een huwelijk sluit, een ander is dan die, met wien men huwen wil of meent te huwen.
37*
580
2) Timing of geweld. Wanneer de toestemming van eene der partijen door geweld of onder bedreiging van zware, niet af te wenden rampen wordt verkregen, is zulk een huwelijk niet geldig uit gebrek aan genoegzame vrijheid.
3) Gemis van den gevorderden ouderdom.
4) Verwanlschap en wel, — a) Uoedverwanischap, namelijk wanneer de een van den anderen afstamt, of wanneer zij beiden, hetzij langs vaders- of moeders zijde, in hunne geslachtsregisters opklimmen tot dezelfde ouders. Personen, die rechtstreeks door geboorte van elkander afstammen, kunnen nooit te samon een geldig huwelijk aangaan: de vader kan nooit trouwen met zijne dochter, kleindochter of achterkleindochter. Personen, die langs zijtakken afstammen van hetzelfde ouderenpaar, kunnen niet met elkander trouwen, als zij elkander bestaan in den eersten, tweeden, derden of vierden graad.
Om de telling der graden duidelijk te maken, diene het volgende: broeders en zusters, hetzij natuurlijke, hetzij wettige, bestaan elkander in den eersten graad; de kinderen van deze bestaan elkander in den tweeden graad, en tussohen hen is geen wettig huwelijk mogelijk, tenzij met kerkelijke dispensatie, welke evenwel zelden en niet dan om zeer gewichtige redenen verleend wordt. Daarom huwen die neven en \'nichten met vreemde personen, en de kinderen, uit die verschillende huwelijken geboren, bestaan elkander in fanderden graad. Dit geslacht en ook de kinderen van dit geslacht, die elkander in den vierden graad bestaan, kunnen met elkander geen wettig huwelijk sluiten, tenzij met dispensatie.
Onze nederlandschè wetgeving verbiedt eveneens een huwelijk tusschen personen, die langs zijtakken van hetzelfde ouderenpaar afstammen en elkander bestaan\'in de vier eerste graden. Bij het tellen der graden wordt echter een anderen regel gevolgd, dan die hier boven is aangegeven. Zie B. VV. Art. 87, 88 en SéS.
b) Geestelijke venoantschap, waarover reeds bij de HH. Sacramenten des Doopsels en des Vormsels is gesproken.
c) Wettelijke verwantschap, welke ontstaat uit het aannemen van een persoon tot kind, verbiedt het huwelijk tusschen dengene, die tot kind is aangenomen, zijne vrouw en zijne kinderen van den eenen kant, en de ouders, die hem hebben aangenomen, en ht.nne kinderen van den anderen kant.
d) Aanverwantschap of Zwagerschap. Zij is eene soort van verwantschap, welke tusschen\'dengene, die met een persoon van het andere geslacht als echtgenoot leeft, en de bloedverwanten van dezen ontstaat. Is die samenleving geoorloofd ten gevolge van een wettig huwelijk, dan strekt de zwagerschap zich tot en met den vierden graad uit, zoodat bijv. eene weduwe niet met een man, die bloedverwant was van den overleden echtgenoot in den eersten, tweeden, derden of vierden graad geldig kan huwen. Is daarentegen die samenleving ongeoorloofd, dan strekt de zwagerschap zich alleen uit tot den eersten en tweeden graad.
Wij merken hier nog op, dat het aan de bloedverwanten bijv. van den man niet verboden is met de bloedverwanten van diens vrouw te huwen. Derhalve is er niets tegen, dat twee broeders met twee zusters trouwen.
5) Openbare eerbaarheid. Deze is eene zekere verwantschap, welke ontstaat uit ware en geldige trouwbeloften, die twee personen aan elkander gedaan en van elkander ontvangen hebben. Deze verwantschap belet hen, een huwelijk te sluiten met elkanders blaedver-wanten in den eersten graaii, zoodat de bruidegom noch moeder, noch zuster, noch dochter van zijne verloofde, en de bruid noch vader, noch broeder, noch zoon van haren verloofde kan huwen, zelfs dan niet wanneer de trouwbelofte op eene wettige wijze is opgeheven.
Ci) De huwelijksband. Een reeds bestaand huwelijk maakt onder
581
Christenen het sluiten van een ander huwelijk ongeldig, zooals blijkt uit de leer over de eenheid en onontbindbaarheid des huwelijks.
7) De plechtige (in eene door de Kerk goedgekeurde orde) afgelegde belofte van eeuwige zuiverheid. Ieder, die in eene goedgekeurde geestelijke orde die belofte afgelegd, het verbond van lieilige liefde met God gesloten heeft, is onbekwaam om later een geldig huwelijk te sluiten.
8) De H. Wijding. Degene, die de wijding van het Subdiaconaat ontvangen heeft, is door het kerkelijk gezag onbekwaam gemaakt, om een wettig huwelijk aan te gaan, en derhalve zooveel te meer hij, die de wijding van Diaken of Priester heeft ontvangen.
9) Verschil van godsdienst. Dit beletsel bestaat alleen tusschen Christenen en ongedoopten, als Joden, Heidenen, enz., zoolang zij het H. Doopsel niet ontvangen hebben. Het onderscheid van de christelijke belijdenis, dat tusschen katholieke en onkatholieke ge-doopten bestaat, is, gelijk wij reeds hebben opgemerkt, alleen een huwelijksverbod.
10) Misdaad. Daardoor verstaat men: a) Overspel met de weder-keerige belofte van elkander te huwen na den dood der wederhelft; b) gemeenschappelijk overlegde en werkelijk uitgevoerde moord van den echtgenoot met het oog op het huwelijk tenminste van den kant van een van beiden; c) overspel en moord van den echtgenoot met de bedoeling om den overspelenden persoon te huwen, al zou deze ook van den moord niets weten en geene trouwbelofte gegeven hebben.
11) Gewelddadige ontvoering. De Kerkvergadering van Trente heeft bepaald, dat de jongeling geen geldig huwelijk kan aangaan met haar, die hij met geweld heeft ontvoerd, zoolang zij in zijne macht is.
12) Clandestiniteit. Krachtens dit beletsel kunnen twee Katholieken geen geldig huwelijk sluiten, dan alleen voor hunnen parochiepastoor en minstens twee getuigen, gelijk wij reeds boven gezegd hebben.
Kunnen de huwelijkamp;heletselen nooit worden opgeheven?
Yan eenige, doch niet van alle kan de Kerk, als er voldoende redenen zijn, dispensatie geven, waarover men zich met zijne geestelijke overheid moet verstaan.
Iedere wetgever heeft het recht en de volmacht, in zekere gevallen van de naleving der wetten, welke hij gegeven heeft, vrij te spreken of te dispenseeren. Derhalve kan ook de Kerk, als wetgeefster der Christenen, dispensatie verleenen van die wetten, welke zij zelve aangaande het tusschen Christenen te sluiten huwelijk gegeven heeft. Zij kan echter geene dispensatie geven van die beletselen, welke in de nietigheid van het natuurliik contract, in gebrek aan toestemming liggen, gelijk bijv. dwaling, geweld, enz., of die hunnen grond hebben in eene natuurlijke onwelvoegelijkheid, gelijk bloedverwantschap in de rechte lijn, of eindelijk in de door Christus gegeven wetten, als die van den nog bestaanden huwelijksband, wijl zij de volmacht niet heeft, van de naleving der natuur- of goddelijke wet iemand vrij te spreken. En de Kerk schrijft zich dan ook geenszins het recht toe, van alle huwelijksbeletsels te dispenseeren, doch treft van den anderen kant
582
diegenen met den ban, die beweren, dat zij niet bevoegd is in „eenige\' dispensatie te geven (Cone, van Trente, zitt. 24. can. 3).
De Staat is evenmin bevoegd, huwelijksbeletselen in te stellen, als in de bestaande te dispenseeren. Elke sluiting van bet huwelijk onder Christenen, elke echtvereeniging is een Sacrament, en bijgevolg ligt het geheel buiten het bereik der wereldlijke macht, wetten uit te vaardigen, welke de geldigheid of ongeldigheid er van betreffen. Wel staat de onder Christenen gesloten echtverbintenis ook in betrekking tot de maatschappelijke orde, en in zooverre heeft ook de Staat het recht, huwelijksbeletselen in te stellen, doch deze maken het huwelijk niet ongeldig, ontbinden den huwelijksband niet, maar hebben slechts burgerlijke beteekenis en burgerlijke uitwerkselen, bijv. de kinderen, geboren uit een huwelijk door den Staat verboden , van het erfrecht te berooven.
Wanneer de Kerk van haar recht, om bij huwelijksbeletselen dispensatie te verleenen, gebruik maakt, geschiedt dit slechts in gevallen, dat er gewichtige redenen aanwezig zijn. bijv. wanneer de verloofden groote moeielijkheid zouden hebben, om een ander huwelijk volgens hunnen stand aan te gaan, of wanneer door dat huwelijk eene aanmerkelijke ergernis voorkomen, oneenigheden tusschen familiën en geheele rijken uit den weg geruimd worden, enz. Die redenen moeten in de aanvrage om dispensatie naar waarheid en oprecht aangegeven worden. Eveneens mogen ook die omstandigheden niet verzwegen worden, welke het geven der dispensatie in den regel moeielijker maken, als men bijv. met het bewustzijn van een huwelijksbeletsel trouwt, of met een bloedverwant gezondigd heeft, om des te gemakkelijker dispensatie te verkrijgen. Zou men eene valsche reden aangeven, eene reden, die niet bestaat, of wel de noodzakelijke inlichtingen weg laten, dan kan het gebeuren, dat de verkregen dispensatie ongeldig, en bijgevolg het zoo gesloten huwelijk onwettig is. — In elk geval, waarbij dispensatie noodig is, moet men zich bij zijnen Pastoor, of bij beletselen wegens geheime misslagen bij den biechtvader vervoegen, opdat deze bij den Bisschop of door den Bisschop bij den Paus de gevorderde dispensatie aanvrage. Te beslissen of de aangeduide redenen voldoende zijn, komt uitsluitend aan de Kerk toe, aan wie de last is opgedragen, naar haar wijs goeddunken dispensatie te geven of te weigeren.
Over het gemengde huwelijk.
De Kerk heeft ten allen tijde de gemengde huwelijken
583
afgekeurd, en ze nooit anders dan onder zekere voorwaarden en om zeer gewichtige redenen toegestaan.
Hoewel de roomsch katholieke Kerk, om grootere onheilen te voorkomen, de gemeogde huwelijken niet ongeldig en nietig verklaart, heeft zij die in het algemeen toch steeds verboden, en wanneer zij in enkele gevallen, om dispensatie gevraagd zijnde, die onder zekere voorwaarden verleende, hield zij evenwel niet op, er tegen te ijveren en dat huwelijk te beklagen en af te keuren. „Wacht u, Christen,quot; zegt de H. Ambrosius (boek 1. over Abraham, hfdst. 9), „eene „heidin, eene jodin, of eene kettersche tot vrouw te nemen.\'\' En gelijk deze en vele andere Kerkvaders in bunue geschriften , traden ook de in algemeene of provinciale Synoden vergaderde Bisschoppen met hunne besluiten tegen de gemengde huwelijken op. De algemeene Kerkvergadering van Chalcedon (451) gaf de volgende verordening: „meteen „ketter, jood of heiden mag geen huwelijk gesloten worden, „tenzij de met het goedgeloovige deel zich verbindende „persoon belooft, tot de waargeloovige Kerk over te gaan.quot; Dergelijke verboden hadden ook reeds vroeger de Synoden van Elvira, Laodicea, Carthago, enz. gegeven, en die van Elvira trof zelfs met de straf eener vijfjarige kerkelijke boete de ouders, die hunne dochters aan ketters uithuwden.
In lateren tijd, toen met de verbreiding der dwaling van den eenen kant, eü de onverschilligheid in het godsdienstige van den anderen kant, de gemengde huwelijken meer en meer toenamen, hebben de Pausen en Bisschoppen steeds zorg gedragen, er niet alleen voor te waarschuwen, maar ook in de scherpste uitdrukkingen er tegen op te treden en te verklaren, dat de gemengde huwelijken, aangegaan tegen de beginselen der Kerk, verfoeielijke huwelijken zijn, welke de Kerk immer verboden en alleen nu en dan geduld heeft, om grootere rampen te voorkomen.
Het provinciaal Concilie van Utrecht in 1867 vermaant de zielzorgers, zooveel mogelijk op preek- en in biechtstoel de huwelijken der hun toevertrouwden met onkatholieken tegen te gaan.
De redenen, waarom de Kerk de gemengde huwelijken afkeurt en verbiedt, zijn vooral deze: 1) omdat de Katholiek aan groot gevaar is blootgesteld van of wel zijn geloof geheel te verliezen of minstens onverschillig voor zijn godsdienst te worden. — Het ware geloof is ongetwijfeld het hoogste en kostbaarste goed van den Christen, het onbe-driegelijke richtsnoer van zijn leven, de vaste grondslag van zijne hoop, de onuitputtelijke bron van hemelschen troost, de noodzakelijke voorwaarde ter eeuwige zaligheid.
584
Daarom beschouwt de Kerk het als hare eerste en gewichtigste verplichting, in al hare kinderen dat onschatbaar kleinood te bewaren en hen door de nadrukkelijkste vermaningen en strenge verboden van alles af te houden, waardoor het in gevaar zou kunnen geraken, en alzoo vooral van het gemengd huwelijk. Als de vertrouwelijke omgang met andersdenkenden reeds niet zonder beteekenend gevaar is, van schipbreuk te lijden in het geloof, en de Apostelen zich derhalve gedrongen gevoelden daarvoor te waarschuwen (Tit. Ill, 10. en 2. Joan. X), hoeveel te dreigender moet dan niet dat gevaar zijn bij eene onafgebroken samenleving, bij eene huwelyksvereeniging met hen. Werkelijk leert ook de droevige ondervinding niet zelden, dat de katholieke echtgenoot door beden en toespraken van den andersdenkende tot afval van zijn geloof verleid wordt. Meermalen is zelfs de innige liefde, welke man en vrouw elkander toedragen, eene bondgenoote der verleiding, daar zij niet enkel den dwalenden persoon, maar ook de dwaling zelve verontschuldigt. Komt het echter bij gemengde huwelijken niet altijd zoo ver, dat de katholiek zijn geloof verliest, voor \'t minst ontstaat toch uit die vereeniging lauwheid en onverschilligheid in zaken van godsdienst. Men neemt zich, deels uit vrees voor de anderdenkende omgeving, bekenden en verwanten, deels om het andersdenkende deel niet onaangenaam te stemmen, voor alles in acht, wat den Katholiek zou kunnen verraden; men ziet er tegen op, volgens het katholiek gebruik te bidden, de kerk te bezoeken, de HH. Sacramenten te ontvangen. Bij gesprekken over godsdienst is men de verdraagzaamheid zelve en heeft men ten laatste niets aan te merken op de verderfelijke grondstelling; elke godsdienst is goed. Wat nu is bij zulk eene handelwijze anders te verwachten, dan vermindering van geloofsijver, lauwheid en onverschilligheid in het katholieke leven ?
2) De Kerk laakt dergelijke huwelijken ook, omdat de katholieke opvoeding der kinderen gewoonlijk gebrekkig en niet zelden onmogelijk is. De verdere uitbreiding van het rijk Gods op aarde is de hoofdtaak der Kerk. Zonder ontrouw aan hare roeping te worden, kan zij derhalve niet anders willen, dan dat de opkomende geslachten in den alleen waren katholieken godsdienst worden opgevoed. Hoe nu zal in gemengde huwelijken de katholieke opvoeding gelukken? Gesteld ook, dat de onkatholieke echtgenoot de gegeven belofte houdt, namelijk de kinderen katholiek laat opvoeden, zal hij daarbij de katholieke gade met raad en daad krachtig de hand kunnen of willen bieden ?
585
Als hij eenige waarde hecht aan zijn godsdienst, dien kent en beoefent, zal dan zijne nietkatholieke spreek- en handelwijze niet licht tot een steen des aanstoots worden ? Zal hij niet verlangen, de kinderen in zijn godsdienst te zien opgroeien, zal hij niet voortdurend afbreken, wat de katholieke partij opbouwt, vooral wanneer daarenboven het uitzicht op grooter tijdelijk voordeel openstaat? Is daarentegen het andersdenkende deel onverschillig zoowel voor zijnen als voor eiken anderen godsdienst, wat is dan voor de katholieke opvoeding der kinderen te hopen ? Heeft men niet veel meer te vreezen, dat de godsdienstige onverschilligheid van den vader of de moeder den verderfelijksten invloed uitoefenen, ja aanstekelijk op de kinderen werken zal? En als beiden, vader en moeder, onverschillig zijn in den godsdienst, hoe gebrekkig zal dan niet de katholieke opvoeding wezen? Hoe, als de protestantsche vader de katholieke opvoeding niet eens gedoogt ? Hoe, als de protestantsche vader na den voor zijne kinderen al te vroegtijdigen dood zijner katholieke gade een tweede huwelijk met eene Protestantsche aangaat? Hoe, ais beide ouders sterven, en de nog onmondige kinderen onder protestantsche voogdijschap gesteld worden ? In deze en dergelijke gevallen wordt de katholieke opvoeding volstrekt onmogelijk.
3) De Kerk moet de gemengde huwelijken ook verfoeien, omdat de onkatholiek het huwelijk noch als Sacrament, noch als onontbindbaar erkent, en daarom naar zijne leer kan scheiden en opnieuw trouwen, hetgeen den katholieken echtgenoot niet geoorloofd is. Met recht verlangt de Kerk, dat ook het Sacrament des huwelijks met geloof, na eene behoorlijke voorbereiding en in staat van genade ontvangen worde. Hoe kan men echter verwachten, dat het protestantsche deel aan die billijke en heilige verplichting voldoen zal, hij, die de Kerk niet hoort, niet eens gelooft, dat hij een Sacrament ontvangt? Mag men het den Kerk ten kwade duiden, dat zij weigert, over zulk eene echtverbindtenis haren zegen uit te spreken, dat zij zich wacht, tot de sluiting er van meê te werken, dat zij hare kinderen zooveel mogelijk daarvan aftrekt en terughoudt? Zij handelt overigens op die wijze niet alleen als de trouwe bewaarster der Sacramenten, maar ook als de voorzichtige, voor het geestelijk welzijn harer kinderen bezorgde moeder. Het ontgaat namelijk aan haar scherpziend oog niet, dat, wijl het aan den Protestant volgens zijne geloofsleer in vele gevallen geoorloofd is te scheiden en een ander huwelijk aan te gaan, de Katholiek daaren-
586
te^en tot aan den dood van den protestantschen echtgenoot getonden blijft, dat, zeg ik, uit een zoo beklagenswaardigen toestand voor haar kind vele en groote gevaren om tot overspel te komen, voortspruiten.
4) Daar de Kerk, gesteld om over de christelijke zeden te waken, met alle zorg moet verhoeden, dat het huwelijk ontaarde, is zij ook verplicht, met alle kracht zich tegen het huwelijk van Katholieken met onkatholieken te verzetten, daar zulk een huwelijk nooit datgene is, wat toch elke christelijke echtvereeniging zijn moet: eene trouwe afbeelding van de innigste, onverbreekbare vereeniging van Christus met zijne Kerk. In zulk een huwelijk ontbreekt, volgens de meening van de Protestant, de onontbindbaarheid, altijd de onderlinge stichting en heiliging, de in het ware geloof wortelende liefde en eerdracht, de gemeenschappelijke zorg voor eene waarlijk godsdienstige en deugdzame opvoeding der kinderen, alzoo alles, wat het christelijk huwelijk tot eene getrouwe afbeelding maakt van de innige vereeniging van Christus met de Kerk.
5) Hoewel de Kerk bij hare bepalingen niet in de eerste plaats de vestiging van tijdelijke welvaart op het oog heeft, verlangt zij evenwel, dat het huwelijk harer kinderen ook het huiselijk geluk der gezinnen bevordere door vereeniging der harten in liefde en vrede; want waar wantrouwen en tweedracht woont, kan de christelijke deugd niet bloeien. De Kerk keurt derhalve de huweliiken met andersdenkenden ook om die reden af, dat het geluk des huwelijks vooral van de gemeenschap des geloofs afhangt, en hijgevolg daar niet te vinden is. Om zich te overtuigen, dat het verschil van geloof eene rijke bron is van oneenigheden en tweespalt, is het genoeg te bedenken, hoe diep het moet smarten, als de eene echtgenoot met onverschilligheid en verachting aanziet, wellicht zelfs met bijtende spotternij en hoon overlaadt, wat de andere als het heiligste en dierbaarste bemint en vereert. Dikwerf genoeg heeft verschil van godsdienst volken tegen volken gewapend en in de bloedigste oorlogen gebracht; zou het in de gezinnen dien tweedrachtwekkenden invloed missen? De dagelijksche ondervinding leert het tegendeel. Wel vindt men uitzonderingen , wie zal het ontkennen ? Maar die zeldzame uitzonderingen bevestigen den algemeenen regel, dat het aangaan van een gemengd huwelijk eene beklagenswaardige stap is. In elk geval heerscht in zulke huwelijken niet die overeenstemming, die liefelijke harmonie, waarin de echtgenooten zelve en alle leden des gezins zich vereenigen, om met elkander te bidden, God te loven en Hem door
587
gemeenschappelijke oefeningen van godsvrucht en deugd te dienen. En die zoete troost, die vaste hoop van elkander eens in een beter leven weer te vinden, en in de eeuwige zaligheid met elkander God te beminnen, hoe kunnen die in een gemengd huwelijk bestaan?
Als nu de Pausen, in weêrwil dier zoo duchtige redenen om de gemengde huwelijken af te keuren en te verbieden, evenwel in bizondere gevallen dispensatie geven, doen zi] het slechts met tegenzin en alleen, gelijk Benedictus XIV het aan de voeten van dan Gekruiste verzekert, „om grootere „rampen van onzen godsdienst af te wenden.quot; Nooit geven zij echter die dispensatie, zonder zekere voorwaarden te stellen, waardoor de opgenoemde gevaren zooveel mogelijk van den katholieken echtgenoot en de kinderen verwijderd worden. Dusdanige voorwaarden zijn: 1) dat de Katholiek ongehinderd zijn godsdienst kan waarnemen; 2) dat hij zich beijvere den onkatholiek op den weg der overtuiging tot de ware Kerk terug te brengen; 3) dat alle kinderen üj den katholieken godsdienst worden opgevoed. Deze voorwaarden moet de Kerk stellen, anders zou zij of wel onverschillig voor den ondergang der kinderen zijn, of moeten loochenen, dat zij alleen de ware zaligmakende Kerk is. En inderdaad hoe zou de katholieke Kerk van den eenen kant kunnen vasthouden, dat zij alleen het ware geloof bezit en leert, dat zij alleen de door Christus ingestelde, ter eeuwige zaligheid voorende genademiddelen uitdeelt, en van den anderen kant toelaten, dat ook maar één harer leden buiten staat gesteld worde, naar het door haar verkondigde geloof te leven, aan de haar toevertrouwde genademiddelen deel te nemen? Hoe zou zij er in kunnen toestemmen, dat een harer kinderen in dwaling, welke ten verderve leidt, worde groot gebracht? Hoe zou zij den dwalende, die door het H. Doopsel toch ook haar kind geworden is, op den weg des ongeluks laten voortgaan, zonder van de katholieke wederhelft te verlangen, dat zij haar best doe, hem door woord en voorbeeld tot de erkentenis en aanneming der waarheid te brengen? i)
!) Hoe dit geschieden kan, toont ons het voorbeeld van de H. Nonna, de moeder van den H. Gregorius van Nazianze, den H. Cesa-rius en de H. Gorgonia. Nonna werd door hare ouders aan een heidensch burger van Nazianze ten huwelijk gegeven. Gregorius, zoo was zijn naam, bezat vele heerlijke gaven naar geest en hart. Doch ook die voorrechten konden hem toch in Gods oogen niet aangenaam en welgevallig maken. Deze gedachte veroorzaakte de deugdzame Nonna groote droefheid; zij geloofde, zelve maar halt met God vereenigd te zijn, zoolang zij zag, dat haar gemaal door zijn ongeloof van Hem verwijderd was. Zij liet derhalve geen middel, dat
588
Hoe zou eene dusdanige onverschilligheid gepaard kunnen gaan met hare innige moederliefde, welke alle verlosten omvat? Hoe met den last, van den goddelijken Heiland ontvangen, allen ter zaligheid te voeren? Hoe zou zij bij zulk eene handelwijze eenmaal tot haren goddelijken Bruidegom kunnen zeggen: zie. hier zijn zij, die Gij mij hebt toevertrouwd; geen daarvan is verloren gegaan door mijne schuld.
Kun het alzoo nooit geoorloofd zijn, een gemengd hvwelijlc aan \' te gaan, als niet eerst voor de katholieke opvoeding der kinderen gezorgd is?
Neen, want zulk een huwelijk zou een zwaar misdrijf zijn, gepleegd aan de katholieke Kerk en aan het geestelijk heil dei-kinderen , waarop men hoopt; weshalve de Kerk in geen geval hare toestemming daartoe geven kan. De protestantsche echtgenoot kan zonder bedenking in de katholieke opvoeding-zijner kinderen toestemmen. Want zonder zijne godsdienstige beginselen te verloochenen, mag, ja moet hij zelfs aannemen , dat ook in de katholieke Kerk de weg tot de eeuwige zaligheid open staat. Of met welk recht zou de Protestant zijn geloof voor het alleenzaligmakende uitgeven, daar het hem zelfs vrij staat, bij een vlijtig onderzoek van de Schrift morgen iets anders te gelooven, dan hij van daag gelooft en gisteren geloofd heeft ? Met welk recht zou hij verder kunnen ba-weren, dat het den Katholiek aan de ter zaligheid noodzakelijke genademiddelen ontbreekt, daar hij toch moet erkennen, dat deze ook in zijne Kerk minstens alle genademiddelen vindt, welke den Protestant ten dienste staan ? Geheel anders is echter het geval met den katholieken
haar geloof en rede aangaven, onbeproefd, om haren man aan zijne heidensche dwalingen te ontrukken en hem voor den godsdienst van Christus te winnen. Voortdurend bewees zij hem de grootste liefde en eerbied en trok eveneens partij van de genegenheid, welke hij haar toedroeg; dag en nacht smeekte zij met vurige tranen den goeden God, dat Hij haar toch de genade zou verleenen, haren gemaal te bekeeren. Herhaaldelijk drong zij daartoe bij Gregorius aan en zocht hem nu eens door beden, dan door vermaningen cn onderwijzingen, door uitingen van droefheid en bezorgdheid voor zijn eeuwig geluk, zooals hare teedere en voorzichtige liefde haar ingaf, tot het aannemen van het christelijk geloof te bewegen. Het krachtigste middel om haar doel te bereiken, was echter de heiligheid van haar leven en haar ijver voor braafheid en deugd. Gregorius begon de christelijke waarheden, welke Nonna hem mei. zoo innige overtuiging door woord en voorbeeld leerde, te achten, ter harte te nemen en lief te krijgen. Korten tijd daarna vroeg en ontving bij het H. Doopsel en wedijverde voortaan met zijne heilige gade in de beoefening van alle christelijke deugden.
589
echtgenoot: dezen is het nimmer geoorloofd, zijne toestemming tot de protestantsche opvoeding der kinderen te geven. Zijn geloof toch leert hem, dat de katholieke Kerk de alleen ware Kerk van Christus is; dat zij alleen de leer verkondigt en de genademiddelen uitdeelt, welke ter zaligheid leiden; dat er bijgevolg buiten haar geene zaligheid is. Bewilligt hij er niettemin in, dat zijne kinderen of ook maar één van hen in een ander dan in het katholiek geloof opgevoed worden, dan bezondigt hij zich zwaar aan zijne Kerk en aan zijne kinderen: aan zijne Kerk, dewijl hij niet alleen het getal harer bestrijders vermeerdert, maar tot groote ergernis der christelijke gemeente ook feitelijk verklaart, dat hij geene waarde hecht aan hare leer, haar Misoiïer en hare Sacramenten; dat hij haar niet erkent voor hetgeen zij inderdaad is, namelijk de alleen zaligmakende Kerk; aan zijne hinderen, wijl hij schuld en oorzaak is, dat deze in jeugdigen leeftijd reeds den weg der dwaling betreden en daarop tot hun eeuwig ongeluk voortgaan. Want moge ook onwetendheid, waarin men buiten zijne schuld verkeert, de dwaling menigmaal verontschuldigen en den weg ter zaligheid niet geheel en al afsnijden, dit zal toch bijkans nooit het geval zijn bij kinderen, wier vader of moeder katholiek is, daar het hun nimmer aan de gelegenheid ontbreekt , om de waarheid te leeren kennen. — De toestemming in de nietkatholieke opvoeding der kinderen is alzoo, volgens het gezegde, in velerlei opzichten eene doodzonde, en wie daarmede het huwelijk aangaat, maakt zich aan eene heiligschennis schuldig. — Ouders, die hun kind zulk een huwe-liik aanraden, door hun gezag het als \'t ware daartoe dwingen, of ook slechts hunne toestemming geven, nemen deel aan de zonde van hun kind, zijn in vele gevallen schuldiger dan hun kind zelf. Van hen zal God op den oordeelsdag niet alleen de ziel van hun kind, maar ook de zielen van zijne kinderen en kindskinderen, van zijne geheele nakomelingschap terugeischen.
Staat het bij een Katholiek eenmaal vast, in weerwil van alle vermaningen van de H. Kerk, wellicht ook van anderen en zeker van zijn goeden Engel, een gemengd huwelijk aan te gaan, dan moet hij vooral er op bedacht zijn, door eene belofte der protestantsche partij, gegeven in den vorm door de kerkelijke overheid voorgeschreven, de katholieke opvoeding van alle kinderen te verzekeren; alleen de hoop of de veronderstelling, dat de katholieke opvoeding van de kinderen geen bezwaar zal opleveren, is niet voldoende. — Heeft de Katholiek bij het sluiten van een gemengd huwelijk de genoemde voorwaarden niet
590
in acht genomen, dan rest hem niets, dan den gedanen misstap te biechten, te betreuren, door oprechte boete uit te wisschen en, zooveel in zijn vermogen is, minstens door zijnen invloed de katholieke opvoeding van alle kinderen te verzekeren i) (Het boekje van den Weleerw. Heer A. B. Leyser over het gemengde huweliik [uitgegeven te Zwolle, 1873] verdient aanbevolen te worden).
Het huwelijk tusschen hloedverwanten.
De kerkelijke wet, welke deze verbintenissen veroordeelt en ongeldig verklaart, is niets anders dan de vervulling van hetgeen de natuurlijke rede zoo niet eischt, dan toch wenschen moet. Wij laten de vraag: daar, in hoeverre de huwelijken, welke de H. Kerk om het beletsel van bloedverwantschap verbiedt, reeds volgens de natuurwet alleen als ongeoorloofd verkeer moeten beschouwd worden; maar zeker is het, dat deze vereenigingen in den regel reeds op gronden, door de rede ons aangegeven, ten sterkste zijn af te keuren. Met den H. Thomas (Summa 2. 2. q. 154. a. 9) merken wij hier kortelijk op, dat de natuurlijke eerbied, aan onze naaste betrekkingen verschuldigd, of omdat wij ons leven aan hen te danken hebben, of omdat zij zóó nauw, bijv. als broeders of zusters met onze ouders zijn verbonden, dat zij noodzakelijk in den eerbied deelen, dien wij aan onzen vader en onze moeder bewijzen, niet wel met de innige liefde en levensgemeenschap, welke de gehuwden met elkander op eene gelijke lijn stellen, kan samengaan. Het huwelijk tusschen degenen, die elkander niet op deze wijze bestaan, maar toch van dezelfde ouders of naaste voorouders afstammen, is dikwijls reeds daarom af te raden, omdat het geluk van het huwelijksleven , hoewel het eene zekere overeenkomst van geaareheid en karakter vordert, evenwel ook een verschil in neigingen en opvoeding vereischt, dat meestal bij bloedverwanten niet wordt aangetroffen.
Ook kunnen wij vragen, welke de gevolgen voor de zedelijkheid zouden zijn, indien dergelijke huwelijken alge-
i) Onze andersdenkende broeders handelen verkeerd, wanneer zij de katholieke Kerk van onverdraagzaamheid beschuldigen, omdat deze de gemengde huwelijken afkeurt en nooit gedoogt, xenzij de katholieke opvoeding der \'kinderen eerst gewaarborgd zij. Ook pro-testantsche (Godgeleerden en Synoden laakten en verboden om dezelfde redenen als de katholieke Kerk dusdanige huwelijken en spraken de strengste straffen uit over degenen, die hunne voorschriften zouden overtreden.
591
meen als geoorloofd en goed werden toegelaten. Juist de kring des huisgezins moet het sterkste en veiligste toevluchtsoord en de eerste en invloedrijkste kweekschool der eerbaarheid wezen; maar, indien eens niet alle vooruitzichten op eene wettige verbindtenis waren weggenomen, hoe licht zou dan de liefde onder bloedverwanten, die langen tijd en meestal gedurende de gevaarlijkste tijdperken des levens in engen kring, ja, onder hetzelfde dak met elkander plegen te verkeeren, aan hevige en noodlottige aanvallen zijn blootgesteld ? Hieraan kunnen wij ook deze reden toevoegen, dat de onderlinge liefde der echtgenooten, nog door de natuurlijke liefde tusschen bloedverwanten verhoogd, dikwerf aan vreeselijke uitspattingen kan onderhevig zijn. De ondervinding toont de waarheid dezer opmerking (Vergel. Probst, Moraltheol. I. bladz. 340).
Daarenboven is het van het hoogste belang, dat de menschen, voor wie de eendracht nuttig en noodzakelijk is, door menigvuldige banden van bloedverwantschap met elkander verbonden worden. Ook moet niet één enkele alleen vele van deze betrekkingen in zich vereenigen, maar zij moeten onder velen verdeeld, en door deze verdeeling moeten de menschen des te krachtiger tot bet maatschappelijk leven bijeengebracht worden. Heeft iemand een ander tot vader en een ander tot schoonvader, de liefde wordt er door verdubbeld en uitgebreid. Opdat derhalve eene uitgestrekter bloedverwantschap velen door de banden dei-liefde omvatte, moet haar maatschappelijke band, niet tot weinigen bepaald, maar uitgebreid, eene groote menigte samenvoegen. Daarom alzoo is het wenschelijk, dat de man eene hem vreemde vrouw en de vrouw een haar vreemden man kieze, opdat de bloedverwanten van den eenen echtgenoot met den anderen en zijne betrekkingen door deze nieuwen en sterken band vereenigd worden.
En vinden wij dit alles niet bevestigd door het natuurlijk zedelijk gevoel, hetwelk den onbedorven mensch eenige dezer huwelijken doet verfoeien, maar hem van allen als van iets onbehoorlijks en onvoegzaams verwijderd houdt ? eene opmerking, welke wij met den H. Augustinus maken. Deze Kerkleeraar zegt: er ligt iets in het menschelijk schaamtegevoel, hetwelk ik niet juist weet te bepalen, maar dat overeenkomstig onze natuur en prijzenswaardig is, en de huwelijksvereeniging met hen, die wij om de banden des bloeds moeten eerbiedigen, doet vermijden. Het verschijnsel, dat deze huwelijken bij vele volken als niet ongeoorloofd werden beschouwd, geeft geen grond om dezen afschrik aan de opvoeding alleen toe te schrijven;
592
maar het moet met alle recht aan de verstomping van het zedelijk gevoel bij de laag gezonken heidenen worden geweten, en de afschuw tegen eenige verbintenissen, bijv. die tusschen ouders en kinderen, is, op weinige uitzonderingen na, aan alle volken, zelfs die overigens diep bedorven zijn, gemeen.
Meer nog zien wij de uitspraken der rede bekrachtigd door de waarschuwende leering der ondervinding, die ons over den gezondheidstoestand en den levensduur der kinderen, uit zulke huwelijken geboren, zeer belangrijke uitkomsten mededeelt. Dikwijls toch heeft men den schadelijken invloed dezer huwelijken op de daaruit ontsproten nakomelingschap waargenomen, en er zoowel in vroegeren als in lateren tijd de aandacht op gevestigd. Wij vinden hiervan een voorbeeld bij den H. Gregorius den Groote, die (in zijn (343ten brief) aan den H. Augustinus schrijft, dat eene burgerlijke wet in het romeinsche rijk de huwelijken tusschen broeders- en zusterskinderen toeliet; maar, zegt hij verder, „door de ondervinding hebben wij geleerd, dat er uit zulk „een huwelijk geene nakomelingschap pleegt voort te spruiten!quot; In den lateren tijd zijn de statistieken geraadpleegd en hare uitkomsten geven hetzelfde getuigenis. Voor eenige jaren heeft Dr. Devay te Lyon een onderzoek ingesteld, en zich daarbij tot kleine groepen van bloedverwanten beperkt, wier gezondheidstoestand en geschiedenis hem nauwkeurig bekend waren; en hij heeft uit zijn onderzoek de overtuiging verkregen, dat de huwelijken tusschen bloedverwanten reeds uit zich zelve, en zoader eenige andere bijkomende omstandigheid, een bepaald nadeeligen invloed op hunne nakomelingschap uitoefenen. Eveneens vermeldt dezelfde geleerde, dat bij kinderen, uit huwelijken tusschen bloedverwanten ontsproten, zeer dikwijls zekere organische ongeregeldheden en walstaltigheden voorkomen.
Ook de doofstomheid is een gebrek, hetwelk bij kinderen uit dusdanige huwelijken in buitengemeen veel getallen wordt aangetroffen. Dr. Chazarain deed in het doofstommen-gesticht te Bordeaux de bevinding, dat vau 39 mannelijke verpleegden elf uit huwelijken tusschen bloedverwanten ontsproten waren; van 27 vrouwelijke verpleegden kon hij hetzelfde voor 9 getuigen, en deze 9 ongelukkigen hadden buitendien nog 7 doofstomme broeders en zusters.
Van de 29,500 doofstommen, die men in Frankrijk telt, behoort verreweg het meerendeel tot die departementen, waar door de bergachtige gesteldheid van den grond de middelen van verkeer het gebrekkigst zijn, en dienten-
593
gevolge ook de meeste huwelijken tusschen bloedverwanten worden aangegaan.
Ook moet krankzinnigheid tot de betreurenswaardige gevolgen dezer huwelijken gerekend worden. Guslain, hoogleeraar te Gent, beschouwt het huwelijk onder bloedverwanten als eene der veelvuldigste oorzaken van den erfelijken aanleg tot krankzinnigheid, en leert, dat deze oorzaak aan de ontwikkeling der krankzinnigheid en vooral van die soort, welke zich door de verzwakking der verstandelijke vermogens kenmerkt, zeer bevorderlijk is (Legons orales sur les phrénopathiques, 1;om. 2. pag. 93).
We kunnen ten slotte den invloed dezer huwelijken ook op de hartstochten der kinderen niet geheel voorbijgaan. Met Descuret (La médecine des passions) is door een groot aantal waargenomen feiten te bewijzen, dat niet slechts de ziekten, maar ook de hartstochten in groote mate overerfelijk zijn. De gramschap, de vrees, de nijd, de jaloersch-heid, de losbandigheid, de gulzigheid en de dronkenschap, zijn de hartstochten, die het meest door overerving van de ouders op de kinderen overgaan, en dit is bizonder daar het geval, waar de vader en de moeder beiden er aan onderworpen zijn. Hebben de echtgenooten geheel verschillende neigingen, dan gelijken de karakters der kinderen meestal niet op die hunner ouders. Nu is het overbekend, dat juist hartstochten, als de hier opgenoemde niet zelden aan de leden eener zelfde familie bizon der eigen zijn, en dus deze noodlottige geneigdheden zeer lichtelijk, bij huwelijken onder bloedverwanten, van de ouders op hunne kinderen overgaan.
Ten duidelijkste blijkt uit deze weinige opmerkingen de wijsheid, waarmeê de H. Kerk hare wetten over deze huwelijken gaf en handhaaft. Men ziet er tevens uit, hoeveel er voor de maatschappelijke orde en voor de lichamelijke gezondheid aan gelegen is, dat hare voorschriften nauwgezet worden opgevolgd, en dat slechts overwegende redenen de dispensatie-aanvrage kunnen wettigen. Zie „de Katho-„liek,quot; deel 42 en 52.
TOEPASSING\'.
„Het huwelijk is eene heilige zaak,quot; zegt het Concilie van Trente (Sess. 24 reform. Cap. 10), „en moet heilig „worden behandeld.quot; Niet blinde hartstocht, maar eene zuivere, heilige bedoeling en rijp beraad moeten christelijke jongelieden naar het altaar des Ileeren voeren, om aldaar het eerwaardig en heilig verbond van eeuwige liefde en
DEHARBE, GELOOFSLEER. IV. 3ie DRUK. 38
594
trouw te sluiten. Zij moeten derhalve, in de verkeering vol achting en ingetogenheid jegens elkander, zich door het gebed en goede werken tot het ontvangen van het H. Sacrament des huweliiks waardig voorbereiden. De dag van het huwelijk zelf is voor hen een dag van heilige plechtigheid en heilige vreugde tevens. Na met een levend geloof aan de tafel des Heeren te hebben aangezeten, verschijnen zij dan in het bescheiden bruiloftskleed aan zyn altaar, om die verheven en heilige verbintenis aan te gaan, welke niets minder is dan de getrouwe afbeelding der geheimvolle vereeniging van Christus met de Kerk. De zegen des Priesters bezegelt het door de Kerk goedgekeurde huwelijk en besluit de godsdienstige plechtigheid. Bruidegom en bruid beseven zich nu in den kring van hunne verwanten en vrienden, om de gelukwenschen van allen te ontvangen, waarna met gepaste matigheid en zedigheid het bruiloftsfeest gevierd wordt. \')
Over de Sacramentaliën.
Wa( verstaai men gewoonlijk onder Sacramentaliën ?
Onder Sacramentaliën verstaat men gewoonlijk: 1) alles, wat de Kerk tot godsdienstig of tot eigen vroom gebruik wijdt, als: water, olie, zout, brood, wijn, palmen; 2) ook de bezweringen en zegeningen der Kerk.
Behalve de door Christus ingestelde Sacramenten zijn er nog andere uitwendige teekenen, welke de Kerk heeft ingesteld, Sacramentaliën genaamd, waardoor den geloovigen wel niet, gelijk door de HEL Sacramenten, de heiligma-kende genade of eene vermeerdering daarvan wordt medegedeeld, maar toch veelvuldige genaden tot heil der ziel en des lichaams geschonken worden. Men onderscheidt twee soorten van Sacramentaliën,, blijvende en voorbijgaande : Uijvende Sacramentaliën zijn gewijde zaken, als wijwater, gewijde olie, brood, enz.; voorbijgaande daaren-
i) Alvorens dit hoofdstuk te eindigen, vestigen wij de aandacht op liet uitmuntende Handboek voor christelijke echtgenooten, door W. 3. van Campen, z. g. R. K. Pr. en Pastoor te Buitenveldert, waar hetgeen wij hier ter neêr schreven uitvoeriger behandeld is, en zeer veel, wat door ons niet kon behandeld worden, gevonden wordt. Vooral bevelen wij de lezing aan van hetgeen de eerwaarde schrijver ons zegt aangaande de opvoeding der kinderen.
Ook het kort onderricht voor bruidegom en bruid, van denzelfden sclirijver kan met groot nut gebruikt worden.
595
tegen zijn de heilige handelingen of zegeningen, waardoor dusdanige voorwerpen voor den godsdienst of het godvruchtig privaatgebruik gewijd worden, en in het algemeen alle bezweringen en zegeningen der Kerk, zelfs wanneer zij niet geschieden met de bedoeling om aan eenig voorwerp eene blijvende wijding te geven. De bezweringen des duivels of exorcnmen zijn veelal met de wijding verbonden, en hebben in het algemeen ten doel, de voorwerpen, die bezworen worden, aan den boosaardigen invloed van den duivel te onttrekken, opdat deze ze voortaan niet tot nadeel van den mensch misbruike. — Zoowel de bezweringen als de zegeningen moeten, om de kracht en werking van Sacramentaliën te hebben , in naam der Rerk, door eén daartoe bevoegd persoon gedaan worden. Om die reden is bijv. de vaderlijke zegen, hoewel op zich zei ven goed en voordeelig voor het kind, evenwel geen Sacramentale. — De boven aangeduide gewijde voorwerpen, bezweringen en zegeningen der Kerk worden Sacramentaliën geheeten, wijl zij , ofschoon wezenlijk van de Sacramenten onderscheiden, niettemin eenige gelijkheid daarmede hebben. Gelijk namelijk de Sacramenten zichtbare teekenen zijn, welke onzichtbare genaden voortbrengen, zoo zijn de Sacramentaliën zichtbare teekenen, welke zekere geestelijke uitwerksels hebben; beiden zijn, hoewel op verschillende wijze, de leiddraden en kanalen, waardoor de Kerk ons de overstroomende genade des Verlossers toevoert.
Waardoor zijn de Sacramentaliën onderscheiden van de Sacramenten ?
1) De Sacramenten zijn door God ingesteld, de Sacramentaliën door de Kerk. De instelling van alle HH. Sacramenten door Christus hebben wij reeds bewezen ; de instelling der Sacramentaliën wordt algemeen door de Godgeleerden niet aan Christus, maar aan de Kerk toegeschreven. Als moeder van het verloste geslacht, verkreeg de Kerk van haren goddelijken Bruidegom de volmacht, om zegen en wijding uit te deelen en door het aanroepen van zijn allerheiligsten naam de macht van den helschen vijand te breken. Dit alles heeft zij ook werkelijk van oudsher voor het geestelijk welzijn harer kinderen gedaan. Want om niet te spreken van de bezweringen, zegeningen en wijdingen, welke zij bij het toedienen der Sacramenten gebruikt, en wel met het volkomen bewustzijn van alle recht daartoe te hebben (vergelijk Gone, van Trente, Zitt. 21. Cap. 2), heeft zij bovendien, zooals de liturgische boeken getuigen,
38*
596
de wijding van kerken en altaren, van water, olie, kaarsen, vruchten en andere dergelijke voorwerpen verordend en verricht. En gelijk zij ten opzichte van de ceremoniën, welke bij het toedienen der Sacramenten in gebruik zijn, veranderingen kan maken, zoo is er ook niets tegen, dat zij (hetgeen ook inderdaad gebeurt) nieuwe dusdanige wijdingen verordent, als zij dat tot heil harer kinderen goed acht. Nieuwe Sacramenten daarentegen kan de Kerk evenmin instellen, als zij de bestaande afschaffen of eenige verandering in hun wezen maken kan.
2) De Sacramenten werken door de hun van Grod verleende kracht, de Sacramentaliën krachtens de voorbede en zegening der Kerk. Wij verkrijgen door de Sacramenten, mits wij de uitwerking daarvan niet verhinderen, allerzekerst vergeving der zonde of eene vermeerdering der heiligmakende genade, zoo onfeilbaar als wij door het licht der zon verlicht worden, indien wij ons oog niet sluiten, wijl God, gelijk Hij aan de zon de eigenschap van te verlichten, zoo ook aan de Sacramenten de kracht verleend heeft, genade te geven. Wanneer God ons echter door de Sacramentaliën genade verleent, geschiedt dit niet, omdat Hij daarin, als in de Sacramenten, genadewerkende kracht gelegd heeft, maar om de verdiensten en de voorbede der Kerk. Deze smeekt namelijk, wanneer zij zegent of wijdt, dat God zijne weldaden verleene aan dengene, die het door haar gewijde voorwerp gebruikt. Daarom is ook de uitwerking der Sacramentaliën niet onfeilbaar, daar Christus nergens beloofd heeft, de Kerk in alle gevallen te verhooren , als zij voor een harer kinderen bidt. Hoe veelvermogend ook het gebed zijner beminde Bruid, de Kerk is, weigert God toch menigmaal eene genade of weldaad, waarom wij Hem door hare tusschenkomst smeeken, wijl Hij voorziet, dat wij die zouden misbruiken, of wijl Hij verlangt, dat wij met het gebed der Kerk ook het onze steeds met vertrouwen vereenigen, of eindelijk om andere redenen, die in zijne eeuwige raadsbesluiten verborgen liggen. Evenwel mogen wij aannemen, dat de werking der Sacramentaliën grooter zal zijn, naarmate de kinderen der Kerk, welke er gebruik van maken, waardiger zijn. Want gelijk de vader van het talrijk huisgezin de moeder des te liever en volkomener verhoort, hoe edeler en beter het kind is, waarvoor zij vraagt, zoo verhoort ook Christus, het Hoofd van het groote huisgezin op aarde, de vruchtbare moeder daarvan, de Kerk, des te bereidwilliger en volkomener, hoe vromer en deugdzamer het kind is, waarover zij haren moederlijken zegen uitspreekt.
597
3) De Sacramenten bewerken onmiddellijk onze innerlijke heiliging; de Sacramentaliën dragen hiertoe slechts bij door het verleenen van ondergeschikte genaden, en bewaren ook voor tijdelijke onheilen. Door het gebruik der Sacramentaliën kan de geloovige niet, als door het ontvangen van de HH. Sacramenten des Doopsels en der Biecht, uit den staat van zonde in staat van genade gesteld worden, dewijl Christus de rechtvaardiging uitsluitend aan de genoemde Sacramenten verbonden heeft. Wij kunnen evenwel door middel van deze de genade verkrijgen om waardige boete te doen en zoo, op den door Christus aangewezen weg, aan de rechtvaardiging deelachtig worden; desgelijks om in de deugd toe te nemen, het goede steeds te beoefenen en vooral die rouwmoedige stemming in ons op te wekken en te voeden, waardoor ons de dagelijksche zonden worden vergeven. — Vele Sacramentaliën zijn ook nog daardoor van de Sacramenten onderscheiden, dat zij voornamelijk ingesteld zijn om aan degenen, die ze met een geloovig vertrouwen gebruiken, de lichamelijke gezondheid weder te geven en veelvuldige tijdelijke rampen, bijv. brand, hagel, enz. af te wenden, terwijl de Sacramenten, met uitzondering van het H. Oliesel, alleen het heil der ziel beoogen.
4) De Sacramenten zijn in \'t algemeen noodzakelijk en door God geboden, de Sacramentaliën enkel door de Kerk als nuttig en heilzaam aanbevolen. Eenige Sacramenten zijn noodzakelijk ter verkrijging van de vergiffenis der zonden of om den priesterlijken of huwelijken staat in te gaan; anderen zijn door God of wel eenvoudig geboden, als het heilig Sacrament des Altaars, of toch onder zekere omstandigheden verplichtend gemaakt, als het H. Sacrament des Vormsels en het H. Oliesel. Van de Sacramentaliën geldt dit niet. Het gebruik daarvau is den geloovigen door God niet voorgeschreven; de Kerk zelve stelt het gebruik van deze niet ten plicht. Slechts hare bedienaars verplicht zij onder zonde daartoe, als zij hun bij het toedienen der Sacramenten en bij andere heilige bedieningen van hun ambt zegening en wijding of ook exorcismus voorschrijft. Wat zij echter haren kinderen in het algemeen niet voorschrijft, dat beveelt zij allen zonder onderscheid als zeer nuttig en heilzaam aan. Door den vurigsten wenscb geleid, dat hare kinderen in allen nood en in alle gevaren, in lijden en wederwaardigheden van dit leven hoogeren troost en hulp vinden, biedt zij hun alle zegeningen en wijdingen aan, onderricht hen over de kracht en beteekenis er van en vermaant hen, met godsvrucht en op gepaste wijze er gebruik van te maken. Vindt men er zelfs onder
598
de Katholieken, die, den geest der moderne verlichting huldigende, de vele zegeningen en wijdingen der Kerk gering schatten en als overblijfsels van middeleeuwsche, met de tegenwoordige beschaving strijdende gebruiken beschouwen, dan is meestal onbekendheid met het doel en nut der Sacramentaliën de oorzaak van eene zoo onchristelijke denkwijze.
Waarom wijdt de Kerk de zaken, welke tot den godsdienst behoor en ?
De Kerk wijdt die 1) om ze te heiligen en bizonder aan den godsdienst toe te wijden. Reeds in het Oude Verbond heeft God aan Mozes bevolen, den tabernakel, het altaar, de vaten, bij den godsdienst in gebruik, de kleederen van den Hoogepriester en diens zonen te wijden. „Neem de „balsemolie,quot; sprak de Heer tot Mozes, „en zalf den „tabernakel met zijn toebehooren, opdat hij geheiligd worde; „het brandofferaltaar en al deszelfs gereedschap; het wasch-„vat met het voetstuk; heilig alles met de balsemolie, „opdat het eene heiligheid der heiligheden zijquot; (2. Mos. XII, 9— 11). En aangaande de wijding der priesterlijke kleeding lezen wij ; „Mozes nam van de balsemolie en van „het bloed, dat op het altaar was, en sprenkelde het op „Aaron, op zijne kleederen en op zijne zonenquot; (3 Mos. VIII, 30). Eveneens moeten ook in het Nieuwe Verbond alle voorwerpen, welke tot den godsdienst behooren, als kerken, altaren, priesterlijke kleederen, kelken, patenen, klokken, enz. gewijd worden. Dit betaamt des te meer, daar de godsdienst van het Nieuwe Testament en vooral het middelpunt daarvan, het allerheiligst Misoffer oneindig verheven is boven den godsdienst en de offers van het Oude Verbond. Derhalve draagt de Kerk er ook alle zorg voor , dat deze voorwerpen de noodige wijding ontvangen, in \'t bizonder die, welke met het heilig Offer in de naaste betrekking staan, in onmiddellijke aanraking met het Allerheiligste komen. — Eenige hoogere of plechtigere wi\'dingen zijn den Bisschop voorbehouden, gelijk bijvoorbeeld de wijding van kerken, altaren, kelken en patenen, vooral ook de wijding van de H. olie, welke bij de HH. Sacramenten gebruikt wordt. Bij de gewone wijdingen worden in den regel gebed, kruisteeken, besproeiing met wijwater, nu en dan bezweringen, bij de plechtige wijdingen ook brandende kaarsen, wierook en volgens voorschrift zalving met de gewijde olie en oplegging der handen aangewend. — Het doel, dat de Kerk bij deze wijdingen vooral op het oog
599
heeft, is alzoo, op de gewijd wordende voorwerpen een heilig karakter te drukken, ze daardoor aan het profaan gebruik te onttrekken en aan den dienst des Allerhoogsten toe te wijden. „Alles (wat God geschapen heeft) wordt „geheiligd door het woord Gods en het gebedquot; (1 Tim. IV, 5). Als nu, volgens de uitspraak van den Apostel, de Christen zelfs de spijzen, welke hij gebruikt, door woorden van zegening en het gebed den Heer moet toewijden, hoeveel te meer is het dan niet noodig, datgene te wijden en te heiligen, wat bestemd is om op bizondere wijze tot den dienst van God gebruikt te worden? 2) De Kerk wijdt deze voorwerpen, om ze ook voor ons eerbiedwaardig en nuttig te maken. Vol van ijver voor de eer en verheerlijking van Christus, vordert de Kerk van hare kinderen, dat zij niet alleen aan haren goddelijken Bruidegom, in wiens naam alle knieën zich moeten buigen, de verschuldigde eer bewijzen; maar ook aan alle voorwerpen, die meer van nabij met Hem in betrekking staan. Dien wensch en dien wil geeft zij te kennen, door aan dergelijke voorwerpen eene eigen wijding te verleenen, ze eenigermate te heiligen en bijgevolg aan het christelijk volk als eerliedwaardig voor te stellen. En waarlijk, niets kan geschikter zijn, om eenig voorwerp eerbiedwaardig te maken , dan eene wijding of heiliging, waardoor het aan den dienst der menschen onttrokken en aan den dienst van God zei ven gewijd wordt. Daarom beval God in het Oude Verbond, door zalving niet alleen, gelyk reeds boven is opgemerkt, verschillende tot zijn dienst bestemde voorwerpen te wijden, maar ook den persoon van den Priester, Koning en Profeet, om dien aldus in de oogen des volks eerbiedwaardiger te maken.
Door de kerkelijke wijding moeten de godsdienstige voorwerpen voor de geloovigen niet alleen eerbiedwaardiger, maar ook heilzamer worden. De heilzaamheid van dusdanige gewijde voorwerpen bestaat vooral daarin, dat degenen, die er mede in aanraking komen of ze godvruchtig gebruiken, krachtens het wijgebed der Kerk bizondere genadehulp te wachten hebben. Zoo mag de geloovige, die godvruchtig eene gewijde kerk bezoekt, vast hopen, dat God hem om het gebed van den Bisschop, bij de wijding uitgesproken, bizondere genade, „de volheid zijner goedheid, vrede, zegen „en barmhartigheidquot; verleenen zal. Zoo zal ook degene, die met eene goede gezindheid de priesterlijke gewaden aandoet, verkrijgen, wat de Bisschop of de Priester bij de wijding voor den drager dier gewaden afsmeekt: „dat hij „met deze bekleed, tegen alle aanvallen en bekoringen der „booze geesten verdiene beschermd te worden .... dat hij
600
„alle heilige geheimen waardig en stichtelijk uitdeele, in „het heilig ambt volharde en God in vrede en godsvrucht „steeds genegen blijve.quot;
Het ligt geenszins in ons plan, alle wijdingen van kerkelijke zaken te beschrijven. Wij bepalen ons hier tot een enkel woord over de wijding der kerken. De inwijding der kerk begint daarmede, dat de Bisschop, die zich daags te voren in vereeniging met de geheele gemeente door vasten en gebed tot die heilige wijding heeft voorbereid, na het bidden der zeven boetpsalmen voor den hoofdingang der kerk ootmoedig nederknielt en in stilte blijft bidden, terwijl men de Litanie van alle Heiligen zingt. Bij het vers: »Van alle z/kwaad,quot; — „Verlos ons, o Heerlquot; staat hij dp, zegent water, gaat dan driemaal om de kerk heen, besproeit de muren met het gewijde water en stoot telkenmale, als hij aan de hoofddeur komt, met den herdersstaf er tegen. Na den derden omgang teekent hij met den staf een kruisteeken op den drempel van de deur, die nu geopend wordt. Deze ceremonie beteekent, dat Jesus Christus, nadat Hij door zijn heilig kruis de machten der hel overwonnen heeft, zegevierend den hemel, zijne eeuwige woonplaats, binnentrad. De kerk is namelijk als huis van God eene afbeelding des hemels, waar God zich aan zijne uitverkorenen in den glans der heerlijkheid vertoont.— Nu treedt de Bisschop met de assisteerende Priesters in de Kerk, terwijl het volk nog voor de deur blijft. Zoo voerde ook Christus, de eeuwige Hoogepriester en Koning van glorie, bij zijne eerste intrede in den hemel betrekkelijk slechts weinige uitverkorenen met 2ich. — De twaalf kaarsen, die binnen in de kerk in het rond voor even zooveel kruisen branden, beteekenen de twaalf Apostelen, die met het licht der leer van Jesus, den Gekruiste, de gansche Kerk verlicht hebben. In het midden der kerk gekomen, knielt do Bisschop neder en roept den II. Geest om zijnen bijstand aan. Alsdan schrijft hii op den met asch bestrooiden grond in den vorm van een kruis hét grieksche en latijnsche alphabet, om aan te duiden, dat de volken van alle talen, in de eenheid des geloofs aan Jesus, den Gekruiste, in den schoot der Kerk vereenigd zijn. Hierna zegent de Bisschop water als zinnebeeld der menschheid, wijn als zinnebeeld der godheid, asch als zinnebeeld der sterfelijkheid en zout als zinnebeeld der onbederfelijkheid, mengt alles onder elkander en besproeit daarmede de kerk en de altaren. Die vermenging en besproeiing heeft de geheimvolle beteekenis, dat de geloovigen slechts door den dood en de verrijzenis van Jesus Christus, den Godmensch, gezuiverd en geheiligd worden en in de strijdende Kerk hier beneden en in de zegevierende Kerk in den hemel mogen binnengaan. — Nu begint de wijding van elk altaar afzonderlijk, dat in de kerk geplaatst is, eerst van het hoogaltaar en vervolgens van de overige. Middelerwijl worden de reliquiën, welke bestemd zijn om in den steen van het altaar gelegd te worden, in plechtige processie gehaald, en, nadat de Bisschop het graf van het altaar d. i. eene opening in den altaarsteen ter plaatse, waar de H. Hostie in de H. Mis rust, aan de vier hoeken met chrisma geteekend heeft, daarin eerbiedig neergelegd. Tegen het einde van de wijding des hoogaltaars, gaat de Bisschop nog eens door de kerk en zalft met den duim zijner rechterhand de twaalf kruisen, welke in het rond aan de muren zijn aangebracht en waarvoor, gelijk reeds is opgemerkt, twaalf kaarsen branden. Bij elk kruis zegt hij: //Geheiligd en gewijd worde deze tempel in //den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes, tot eer van //God, van de glorierijke Maagd Maria en van alle Heiligen, op ./den naam en de gedachtenis van den heiligen N De vrede zij „met u!quot; De inwijding wordt besloten met de opdracht van het H. Misoffer. De jaarlijksche herdenking van de plechtige inwijding der
601
kerk wordt genoemd het Kerkwijdingsfeest. Reeds bij de Israëlieten werd de gedenkdag der tempel wijding met buitengewone plechtigheid en heilige vreugde gevierd. Wij, Christenen, hebben evenwel onvergelijkelijk meer reden hiertoe, daar wij in onze kerken aan veel talrijker en grooter genaden deelachtig worden, dan de Joden in den tempel te Jerusalem.
Van de inwijding, dedicatie of consecratie der kerk verschilt de inzegening of benedictie der Kerk. Het onderscheid ligt daarin, daf. bij de inzegening het grootste deel der ceremoniën van de wijding achterwege blijft en er geene zalving met chrisma plaats heeft. De inzegening kan, met verlof van den bisschop, ook door een gewoon Priester gedaan worden. Men zegent somtijds eene kerk alleen in, opdat het geoorloofd zij, daar tot de plechtige inwijding het H. Misoffer op te dragen.
Waarom wijdt of zegent de Kerk ook brood, wijn, vruchten, enz.?
De Kerk doet dit 1) naar het voorbeeld van Christus, die eveneens hrood en visschen zegende. — De Kerk wijdt niet alleen alles, wat tot den godsdienst behoort of daarmede in betrekking staat, ook niet alleen zulke voorwerpen, die ons voortdurend tot godsdienstig gebruik moeten dienen, als rozenkransen, medaljes, kruisbeelden, enz.; zij wijdt of zegent bovendien ook voorwerpen, die, zooals brood, wijn, eieren, veldvruchten, enz. tot lichainelijk gebruik, tot de lichamelyke voeding bestemd zijn. De gebeden, welke de Priesters bij die zegeningen doen moeten, zijn nauwkeurig door de kerkelijke overheid aangewezen. — Wat de Kerk vooral beweegt, over dergelijke voorwerpen haren moederlijken zegen uit te spreken, is het voorbeeld van Christus, haren Stichter en Bruidegom, wien zij als trouwe, minnende bruid, in alles tracht gelijk te worden. Zij ziet Jesus, haar goddelijk Toonbeeld, in de woestijn brood en visschen zegenen (Luc. IX, 16), waarmede Hi] degenen wil spijzigen, die Hem volgden; zi] ziet het en beijvert zich Hem na te volgen, als zij over de spijzen en den drank van hare kinderen den zegen uitspreekt. En\' zoo heeft de Kerk van oudsher gedaan! Het boven reeds aangehaalde gezegde van den Apostel, dat „alles (alle spijzen der Christenen) „door het woord Gods en gebed „geheiligd wordt,quot; leert het ons. Inderdaad is het ook betamelijk, dat het voedsel „der Heiligen\'\' door zegening geheiligd worde.
De Kerk zegent sommige voor het gewone gebruik bestemde voorwerpen, 2) opdat alle dingen ons ten beste mogen verstrekken. Alles, wat God geschapen heeft, is goed; want alles is geschapen tot zijne verheerlijking en tot heil van degenen, die Hem beminnen. Derhalve zegt de Apostel: „Wij weten, dat voor degenen, die God be-„minnen, alles medewerkt ten goedequot; (Rom. VIII, 28).
602
Dikwijls gebeurt het echter, dat de mensch, omdat hij God niet, gelijk het behoort, kent en bemint, de schepselen, vooral spijs en drank, misbruikt en door dat misbruik ze tot overvloedige bronnen van lichamelijk en geestelijk onheil maakt. Om dat groote ongeluk te verhoeden, zegent de Kerk de gaven der natuur en smeekt in hare zegeningen onder aanroeping van den allerheiligsten naam des Heeren om de genade, die gaven zóó te genieten, dat het gebruik er van tot heil des lichaams en der ziel moge verstrekken.
De Kerk zegent de genoemde en vele andere voorwerpen, 3) opdat, gelijk de vloek door de zonde van Adam over alle schepselen der aarde zich uitstrekte, zoo ook nu over alles Gods zegen zich moge uitstorten. In den beginne was over alle, zelfs over levenlooze dingen, welke uit de almachtige hand des Scheppers voortkwamen, de volheid van den goddelijken zegen uitgesproken, doch door de zonde van onzen stamvader werd de bron van vloek ontsloten, welke de gansche aarde overstroomde en alle schepselen mederukte. De genade des Verlossers heeft aan dien rampzaligen stroom paal en perk gesteld en de overvloedige bron van hemelschen zegen weder geopend. Aan die heilaanbrengende bron nu staat de Kerk, om, als plaatsbe-kleedster van den Verlosser en voortzetster van zijn verlossingswerk, door haar gebed en hare zegeningen hare genadeschatten niet enkel op de menschen, maar ook op de geheele hen omgevende natuur, op alle schepselen in rijke mate toe te passen. Daarom stelt zij er zich niet mede tevreden, de vruchten der aarde te zegenen; ook over velden en wouden, over akkers, tuinen, wijnbergen, enz., spreekt zij haren zegen uit, opdat regen en zonneschijn en de dauw des hemels vruchtbaarheid verleenen. Ontstaat er een zwaar onweder, dan verricht zij gebeden, om het af te drijven; dreigt eene aanstekelijke ziekte de kudden te verwoesten, dan ook tracht zij die ramp door gebed en zegeningen af te wenden; kortom in alle omstandigheden des levens zoekt zij, als eene teederminnende moeder, \'aare kinderen wel te doen en met haren zegen te vergezellen.
Wat moet ons vooral aansporen, een godvruchtig gebruik van de Sacramentaliën ie maken?
De gedachte, dat wij daardoor deelachtig worden aan het gebed en den zegen der heilige Kerk, in wier naam de Priester zegent en wijdt.
Ofschoon de Sacramentaliën niet, gelijk de Sacramenten,
603
door eigenaardige, hun medegedeelde kracht onfeilbaar werken , zou men toch zeer ten onrechte aannemen, dat het gehruik er van ons slechts in zooverre nuttig kan zijn, als wii ze om de wiiding voor iets heiligs houden, en die gedachte op zich zelve reeds geschikt is, godsvrucht en goede gevoelens in ons op te wekken; of ook, zooals bij eeuige, bijv. bij de gewijde asch, het geval is, in zooverre zij, eene of andere heilzame waarheid zinnebeeldig voorstellende, ons levendig daaraan herinneren en aldus goede gevoelens in ons hart opwekken. Daardoor zou men zeker eene al te geringe waarde aan de Sacramentaliën toeschrijven , en de kracht van het gebed, hetwelk de Kerk bij de wiiding er van verricht, geheel voorbijzien en miskennen. Bij eene dusdanige veronderstelling toch zou een ongewijd voorwerp, dat men bij vergissing voor gewijd houdt, dezelfde kracht hebben, als een, hetwelk werkelijk gewijd is. Eveneens zouden de Sacramentaliën veelal door beelden van Christus en de Heiligen, of ook door vrome gedenkspreuken met voordeel kunnen vervangen worden, daar velen door deze meer getroffen en tot godsvrucht gestemd worden, dan door gene. Hoe echter dergelijke gevoelens met de leer en het gebruik der H. Kerk van de Sacramentaliën overeen te brengen ? — De Sacramentaliën zijn alzoo voor de geloovigen niet enkel nuttig en heilzaam , omdat zij hen tot vrome en heilige gevoelens opwekken , maar ook, en wel voornamelijk, omdat daardoor de zegen en de voorbede wordt medegedeeld van de Kerk, in wier naam de Priester wijdt en zegent. Want zoo dikwijls de Christen van een of ander der Sacramentaliën een gepast gebruik maakt, is het, alsof de Kerk hem in dat bizonder geval haren zegen mededeelt, en van God voor hem genade smeekt, wijl zij bij de wijding van blijvende Sacramentaliën over al degenen, die zich en zoo vaak zij zich daarvan met godsvrucht bedienen, haren zegen uitsprak en bij voorbaat hare voorbede bij God deed. Zoo kunnen wij ons een aanvoerder van een leger voorstellen, die zijnen koning om de gunst smeekt, dat hij aan alle soldaten, die in \'t vervolg aan zijne Majesteit een bepaald, van hem, den veldheer, ontvangen eereteeken kunnen toonen, eene of andere goedgunstigheid wil verleenen.
De gedachte, dat wij door een goed gebruik van de Sacramentaliën telkens den zegen en de voorbede der Kerk ondervinden, moet ons derhalve vooral aansporen, ze hoog te schatten en met den waren geest er gebruik van te maken. En inderdaad, als de zegen der Patriarchen van het Oude Verbond zoo hoog geschat werd, dat Esau bij zijnen vader
604
Isaak er met vurige beden om bleef aanhouden (1. Mos. XXVII, 38), hoeveel te hooger moeten wij dan niet den zegen van onze Moeder, de H. Kerk, waardeeren? Als Esau zich overtuigd hield, dat er aan den vaderlijken zegen voor hem en zijne gansche nakomelingschap zeer veel gelegen was; hoeveel te meer reden hebben wij, overtuigd te zijn, dat God aan den moederzegen der Kerk geheel bizondere gaven en weldaden des hemels verbonden heeft. De zegen des aardschen vaders bevestigt naar de uitspraak van den H. Geest de huizen der kinderen (Sir. Ill, 2); zal dan niet de zegen van onze geestelijke moeder, de H. Kerk, voor ons tijdelijk en eeuwig welzijn van onvergelijkelijk grooter nut zijn? Niet te vergeefs heeft God haar tot bestuurster en uitdeelster van den oneindigen genadeschat van Jesus Christus aangesteld, en niet te vergeefs wijdt en heiligt zij, hare zegenrijke roeping indachtig, de handen barer dienaars, de Priesters, „opdat alles, wat deze „handen zegenen, gezegend zij in den naam van onzen Heer „Jesus Christus.quot; — Ook de bizondere kracht van het gebed, hetwelk de Kerk telkens met haren zegen verbindt, moet ons tot het gebruik der Sacramentaliën opwekken. Het gebed is namelijk des te krachtiger, hoe aangenamer de biddende aan God is, hoe grooter het getal is van degenen, die hunne gebeden met de zijne vereenigen, en wij mogen er bijvoegen, hoe meer de verhooring van het gebed ter verheerlijking van den goddelijken Naam strekt. Wie nu kan er aangenamer zijn aan God, dan de biddende Kerk, de zuivere, onbevlekte Bruid van Jesus Christus, de Kerk, hét geheimvolle lichaam van Christus, door zijnen Geest bezield en geleid? Wie kan zich beroemen, zoo vele mede-biddenden te hebben, als de H. Kerk ? De Kerk, zij bidt niet alleen; haar goddelijk hoofd Jesus Christus bidt met haar; Maria, de Koningin van hemel en aarde, en de ontelbare scharen der zegevierende Kerk, de Heiligen, allen ondersteunen hare voorbede bij den troon van God. Wel mag alzoo de Kerk hopen bij God verhooring te vinden, vooral daar het den Allerhoogste tot eer verstrekt, door de beden der Kerk te verhooren, haar voor de gansche wereld te verheerlijken als de moeder der uitverkorenen, als de veel vermogende bruid van zijn eengeboren Zoon, en aldus het geloof aan haar te versterken.
Na hetgeen wij gezegd hebben, zal het gemakkelijk zijn, een antwoord te geven op de vraag, of een gewijd voorwerp, bijv. eene medalje, een scapulier, enz. ook van nut kan zijn voor dengene, die het in staat van doodzonde draagt, of wien men het, zonder dat hij daarvan weet, omhangt
605
en te dragen geeft. Dat namelijk de gewijde voorwerpen hare kracht vooral aan het gebed der Kerk danken, en de Kerk niet alleen voor de rechtvaardigen, maar ook voor de zondaars tot God bidt, zelfs het gebruik van zekere Sacramentaliën, bijv. van de exorcismen, van het gewijde zout en de olie voor het Doopsel voorschrijft, om den zondaar tot de bekeering en het ontvangen der genade voor te bereiden, zoo blijft er geen twijfel over, dat die voorwerpen ook in het besproken geval eenige kracht kunnen hebben. Indien overigens, hetgeen eveneens buiten twijfel is, ons gebed voor een ander nuttig kan zijn, zonder dat deze daarvan weet en zijn gebed met het onze vereenigt, waarom zou dan niet hetzelfde gelden van het onvergelijkelijk kracht-tiger gebed der Kerk? — Niettemin blijft het in den regel waar, dat de Sacramentaliën, zooals reeds gezegd is, eene des te grootere kracht hebben, hoe beter de toestand is van de ziel dergenen, die er gebruik van maken. In elk geval alzoo moet men vooral zorg dragen, dat men de gewijde voorwerpen met ware godsvrucht en berouw over zijne zonden, met een levendig geloof aan de goddelijke almacht, met een geheel kinderlijk vertrouwen op de goedheid Gods en de kracht der kerkelijke zegeningen en voorbede gebruikt.
Om wellce gunsten h\'ult, de Kerk gewoonlïjk, als zij wijdt of zegent?
Zij bidt om afwending der goddelijke straffen, om bescherming tegen den boozen vijand, om vrede, zegen , welvaart des lichaams en der ziel, enz.
De Godgeleerden brengen in den regel de veelvuldige uitwerkselen, welke de Sacramentaliën krachtens het gebed der Kerk voortbrengen, hoofdzakelijk tot vier soorten terug. Die onderscheiden soorten van uitwerkselen zijn: 1) genaden van verlichting en opwekking ten goede; 2) kwijtschelding der dagelijkscbe zonden döor middel van die gevoelens van berouw en boetvaardigheid, welke door het godvruchtig gebruik der Sacramentaliën in het hart worden opgewekt; 3) de verdrijving van den Satan of de vernietiging van zijn verderfelijken invloed op den mensch en op de dingen, welke ter wille van den mensch geschapen zijn; 4) eenige tijdelijke voordeelen, als welvaart des lichaams, bescherming in gevaren, afwending van bliksem en onwe-der, van pest en andere dergelijke rampen, welke God nu en dan tot straf voor onze zonden ons toezendt, — Hierbij moet echter opgemerkt worden, dat niet elk Sacramentale op zich zelf al die uitwerkselen voortbrengt. De kracht
606
van elk Sacramentale is onderscheiden, al naar het doel, •waartoe de Kerk het bestemd heeft. Dat doel is het ge-makkeliikst te kennen, als men de gebeden naleest, welke de Kerk bij de wijding van elk der Sacramentaliën verricht. Bij de wijding der kaarsen op Lichtmis, biiv. bidt de Priester in naam der Kerk uitdrukkelijk om het eerste der bovengenoemde uitwerkselen, als zij zegt: „Stort uit
(o Heer!) „over deze kaarsen uwen zegen.....en verleen
„genadig dat, gelijk deze met zichtbaar vuur ontstoken „lichten de nachtelijke duisternissen verdrijven, zoo ook „onze harten, door het onzichtbaar vuur, door het licht „van den H. Geest verlicht, vrij van alle zondige blind-„heid, met gezuiverde oogen des geestes mogen erkennen, „wat ü welgevallig en tot ons heil voordeelig is.quot; — De wijding der asch bevat een zeer schoon gebed, waardoor de Kerk voor al hare kinderen, die in den geest van ootmoed en boetvaardigheid het hoofd met gewijde asch bestrooien, vraagt „om vergeving van alle zonden en om „de belooning, den boetvaardige beloofd.quot; Dikwijls is aan het godvruchtig gebruik van zekere Sacramentaliën, als gewijde rozenkransen, kruisbeelden, enz. ook kwijtschelding der tijdelijke zondenstrafFen verbonden. Dit vindt echter slechts dan en in zooverre plaats, als aan het gebruik dier gewijde voorwerpen dcor de Kerk aflaten verbonden zijn.
Het moet niemand bevreemden, dat de Kerk zich bij het mededeelen van haren zegen en de vruchten van haar gebed niet alleen van het kruisteeken of den naam Jesus, maar ook van verschillende symbolische teekenen en gewijde voorwerpen, als van wijwater, olie, palmtakken, medaljes, enz. bedient, vooral als men bedenkt, dat God zelf, zoowel in het Oude als in het Nieuwe Verbond, door middel van verschillende teekenen en dingen zijne genaden en weldaden aan de menschen wilde verleenen. Zoo was de staf in de hand van Mozes het werktuig, waarvan God zich bediende, om de verstoktheid van koning Pharao te breken. Dezelfde wonderstaf was het, die de golven van de Roode Zee verdeelde en den Israëlieten een vrijen doortocht verleende; die verder in de woestijn voor het van dorst versmachtende volk water in overvloed uit eene rots deed springen (2. Mos. Vil, 17). Desgelijks was met het zien naar de koperen slang, welke Mozes op Gods bevel oprichtte, de plotselinge genezing van de doodelijke beten der slangen verbonden (4. Mos. XXI, 9). Tobias verdreef op aanwijzing van den Aartsengel Raphael, zijn hemelschen leidsman, door middel van vischlever den boozen geest van Sara en genas door het
607
bestrijken met de gal van den visch de blindheid van zijn ouden vader (Tob. VI, 8 en 11). Naaman de Syriër werd door het water van den Jordaan van zijne melaatsch-heid gezuiverd, en door het aanraken van de beenderen van Eliseus werd aan een doode het leven weergegeven (4. Kon. V en XIII). Eveneens zien wij de leerlingen van onzen Heer op zijn bevel de zieken met olie zalven en ze genezen (Marc. VI, 13). De H. Kerk is alzoo ook in dit opzicht eene getrouwe navolgster van Jesus Christus, haren goddelijken Stichter.
Welk gehruih moeten mij maken van het wijwater?
De brave Christen neemt wijwater zoowel te huis als in de kerk, en bidt God daarbij, door het bloed van Christus meer en meer gezuiverd en in alle gevaren beschermd te worden.
De oorsprong van het vroom gebruik om zich van wijwater te bedienen, stijgt tot de hoogste christelijke oudheid op. Vele schrijvers leiden het van de apostolische overlevering af. Zeker bestond het reeds algemeen in de vierde eeuw, zoowel in de oostersche als westersche Kerk (Zie Binterim VII). Volgens het bericht van den Bisschop en geschiedschrijver Easebius, (f j. 338) , bevond zich voor den ingang van de kerk te Tyrus (gelijk bijna overal bij de kerken van dien tijd) een waterbak, om alvorens de kerk binnen te gaan, de handen en het aangezicht te wasschen. Dat water werd op zekere dagen van het jaar, namelijk op den vooravond of den dag van de verschijning des Heeren, door den Bisschop gezegend. Van dit oud gebruik leiden de katholieke oudheidvorschers het in onze kerken nog bestaande gebruik af, dat men aan den ingang wijwatervaten plaatst. Voor het overoud gebruik der geloovigen om gezegend water mede naar huis te nemen en te bewaren, legt onder anderen de H. Chrysostomus (over den doop van Christus) een schoon getuigenis af, als hij zegt; „Daar op dezen „dag het water geheiligd is geworden, scheppen allen uit „de gewijde bron, dragen het geschepte wijwater naar huis „en bewaren het gedurende het geheele jaar. Daarbij ontwaart „men, hetgeen verwonderlijk is, dat dit water op den duur „niet tot bederf overgaat, maar twee of drie jaren zoo frisch „en onbedorven blijft, ais ware het eerst heden geschept.quot; Ook Gregorius, Bisschop van Tours, die in de zesde eeuw leefde, bericht (De gloria Martyrum lib. 1), dat in zijn tijd „het geheele volk naar hunne godsvrucht uit de gewijde „bronnen schepte en vaten vol weg droeg, om door het be-„sproeien met gewijd water hunne akkers en wijnbergen
608
„onder de goddelijke bescherming te stellen.quot; Hetzelfde getuigt ook Hinkmar, Bisschop van Rheims, in de negende eeuw, en voegt er hij, dat de geloovigen van zijn tijd „ook „hunne woningen, hunne kudden en het voeder, alsmede „spijzen en drank met wijwater besproeiden.quot; — Toen het gebruik van gewijd water steeds algemeener werd, beval Leo IV, die omstreeks het midden der negende eeuw den pauselijken zetel beklom, „dat er eiken zondag vóór de „H. Mis water zou gewijd wordenquot; (zie Binterim 1. c.).
Het is alzoo een oud, een schoon en loffelijk gebruik, bij het binnengaan en het verlaten van het huis des Heeren, zich met wijwater te besproeien. De Kerk zelve maant ons daartoe aan, daar zij, waar de ruimte zulks toelaat, vóór de godsdienstoefening het volk met wijwater besproeit, opdat wij rein en heilig voor Gods aangezicht verschijnen en tot Hem bidden mogen. Niet minder loffelijk is het ook, wijwater mede naar huis te nemen, en \'s morgens bij het opstaan en \'s avonds als wij ons ter ruste begeven, er volgens christelijke gewoonte gebruik van te maken. Van den H. Wolfgang, Bisschop van Regensburg, wordt in zijne levensbeschrijving uitdrukkelijk opgemerkt, dat hij een wij watervaatje aan zijn bed had hangen en, als hij opstond of zich ter ruste begaf, zich met het wijwater besproeide. Aanbevelenswaardig is ook de gewoonte van brave Christenen, om wijwater te nemen bij hevige bekoringen (natuurlijk wanneer men door niemand gezien wordt) of als bijv. by een hevig onweder, hen gevaar bedreigt, zich met wijwater te besproeien. De H. Teresia getuigt, dat het wij water eene geheel bizondere kracht heeft, om de bekoringen des Satans te verijdelen en de macht zijner aanvechtingen te breken. Op vele plaatsen bestaat ook het lofwaardig gebruik, bij de lijken der geloovigen wijwater te plaatsenen ze daarmede te besproeien, opdat door het gebed der Kerk de zielen der afgestorvenen de plaats van verkwikking, rust en vrede mogen binnengaan. — Willen wij , dat het wijwater ons waarlijk nuttig en heilzaam zij, dan moeten wij het niet verstrooid en gedachteloos, maar in den geest des geloofs en met een vermorzeld hart gebruiken, en daarbij God bidden, dat Hij ons door het bloed van Christus meer en meer reinige en in alle gevaren des lichaams en der ziel bescherme. Zuivering der ziel door het bloed van den Heiland en bescherming tegen de gevaren, vooral van de ziel, zijn de voornaamste voordeelen, welke wij van het godvruchtig gebruik van wijwater te wachten hebben. Aan die geheimvolle zuivering herinnert ons het water, hetwelk de eigenschap bezit, alles, wat verontreinigt, door afwassching
609
te verwijderen, herinnert ons ook het teelten des Tl. Kruues, hetwelk wij bij de besproeiing met wijwater gewoonlijk maken; want aan het kruis heeft het bloed van onzen Verlosser tot zuivering onzer zielen gevloeid. Hetnelsche bescherming leert hetzelfde Kruis ons met een vast vertrouwen verwachten, als teeken van de zegepraal op dood en hel, maar vooral het gebed hetwelk de Kerk bij de wijding van het zout en het water, met zoo groote vurigheid verricht. Bij de wijding van het zout smeekt de Priester tot God; „Gewaardig LT te wijden en te heiligen dit zout, opdat het „aan allen, die het nemen, tot gezondheid des lichaams „en der ziel strakke, en alles, wat daarmede aangeraakt „wordt, van alle onzuiverheid en van alle aanvechting der „duivelsche boosheid bevrijd worde.quot; Eveneens luidt ook de bede der Kerk bij de wijding van het water: „Stort „in dit element de kracht van uwen zegen, opdat dit „geschapene, aan den dienst uwer geheimenissen gewijd, „ter verbanning der helsche geesten en tot verdrijving van „ziekten de kracht der goddelijke genade ontvange.quot; De vermenging van het zout met het water duidt ook de heilaanbrengende kracht van beiden aan, zooals blijkt uit de voorafgegane toespeling op den Profeet Eliseus, die het water der bronnen van Jericho, door er zout in te doen, voor altijd drinkbaar en gezond maakte (4. Kon. 11, 19—22). Nadat de vermenging van het gewijde zout met hefgewijde water gedaan is, volgt het gebed, dat God dit mengsel heilige, „opdat overal waar dat wijwater gesprenkeld wordt, „door de aanroeping van zijnen heiligen Naam elke aanhechting van den onzuiveren geest wijke, en de H. Geest „op onze gebeden overal tegenwoordig zij.quot;
TOEPASSING.
Bij het gebruik van gewijde zaken of Sacramentaliën heeft de geloovige twee klippen te vermijden: die van een al te groot of oi.behoorlijk , en die van een al te gering vertrouwen op de kracht der gewijde zaken. Tegen de eerste der twee klippen stoot de Christen, 1) als hij van het gebruik van een of ander Sacramentale een uitwerksel verwacht, dat door de Kerk bij de instelling er van niet bedoeld is en waarom zij bij de wg-ding riet bidt. Dit zou het geval zijn, als men eene gewijde medalje of iets dergelijks droeg, om geluk in het spel te hebben, of, in weerwil van aanhoudende en opzettelijke onboetvaardigheid, een zaligen dood te sterven. 2) Als men aan het Sacramentale wel een door de Kerk bedoeld en in hare gebeden begrepen uitwerksel toeschrijft,
DEIIAKÜE, GBLOOPSLEEB. IV 3de DRUK. 39
608
„onder de goddelijke bescherming te stellen.quot; Hetzelfde getuigt ook Hinkmar, Bisschop van Rheims, in de negende eeuw, en voegt er hij, dat de geloovigen van zijn tijd „ook „hunne woningen, hunne kudden en het voeder, alsmede „spijzen en drank met wijwater besproeiden.quot; — Toen het gebruik van gewijd water steeds algemeener werd, beval Leo IV, die omstreeks het midden der negende eeuw den pauseliiken zetel beklom, „dat er eiken zondag vóór de „H. Mis water zou gewijd wordenquot; (zie Binterim 1. c.).
Het is alzoo een oud, een schoon en loffelijk gebruik, bij het binnengaan en het verlaten van het huis des Heeren, zich met wijwater te besproeien. De Kerk zelve maant ons daartoe aan, daar zij, waar de ruimte zulks toelaat, vóór de godsdienstoefening het volk met wijwater besproeit, opdat wij rein en heilig voor Gods aangezicht verschijnen en tot Hem bidden mogen. Niet minder loffelijk is het ook, wijwater mede naar huis te nemen, en \'s morgens bi] het opstaan en \'s avonds als wij ons ter ruste begeven, er volgens christelijke gewoonte gebruik van te maken. Van den H. Wolfgang, Bisschop van Regensburg, wordt in zijne levensbeschrijving uitdrukkelijk opgemerkt, dat hij een wij watervaatje aan zijn bed had hangen en, als hij opstond of zich ter ruste begaf, zich met het wijwater besproeide. Aanbevelenswaardig is ook de gewoonte van brave Christenen, om wijwater te nemen bij hevige bekoringen (natuurlijk wanneer men door niemand gezien wordt) of als bijv. bij een hevig on weder, hen gevaar bedreigt, zich met wijwater te besproeien. De H. Teresia getuigt, dat het wijwater eene geheel bizondere kracht heeft, om de bekoringen des Satans te verijdelen en de macht zijner aanvechtingen tc breken. Op vele plaatsen bestaat ook het lofwaardig gebruik, bij de lijken der geloovigen wijwater te plaatsenen ze daarmede te besproeien, opdat door het gebed der Kerk de zielen der afgestorvenen de plaats van verkwikking, rust en vrede mogen binnengaan. — Willen wij , dat het wijwater ons waarlijk nuttig en heilzaam zij, dan moeten wij het niet verstrooid en gedachteloos, maar in den geest des geloofs en met een vermorzeld hart gebruiken, en daarbij God bidden, dat Hij ons door het bloed van Christus meer en meer reinige en in alle gevaren des lichaams en der ziel bescherme. Zuivering der ziel door het bloed van den Heiland en bescherming tegen de gevaren, vooral van de ziel, zijn de voornaamste voordeelen, welke wij van het godvruchtig gebruik van wijwater te wachten hebben. Aan die geheimvolle zuivering herinnert ons het water, hetwelk c;e eigenschap bezit, alles, wat verontreinigt, door afwassching
609
te verwijderen, herinnert ons ook het teeleen des H. Kruises, hetwelk wij bij de besproeiing met wijwater gewoonlijk maken; want aan het kruis heeft het bloed van onzen Verlosser tot zuivering onzer zielen gevloeid. Hemelsche bescherming leert hetzelfde Kruis ons met een vast vertrouwen verwachten, als teeken van de zegepraal op dood en hel, maar vooral het gebed hetwelk de Kerk bij de wijding van het zout en het water, met zoo groote vurigheid, verricht. Bij de wijding van het zout smeekt de Priester tot God: „Gewaardig IJ te wijden en te heiligen dit zout, opdat het „aan allen, die het nemen, tot gezondheid des lichaams „en der ziel strekke, en alles, wat daarmede aangeraakt „wordt, van alle onzuiverheid en van alle aanvechting der „duivelsche boosheid bevrijd worde.quot; Eveneens luidt ook de bede der Kerk bij de wijding van het water: „Stort „in dit element de kracht van uwen zegen, opdat dit „geschapene, aan den dienst uwer geheimenissen gewijd, „ter verbanning der helsche geesten en tot verdrijving van „ziekten de kracht der goddelijke genade ontvange.quot; De vermenging van het zout met het water duidt ook de heilaanbrengende kracht van beiden aan, zooals blijkt uit de voorafgegane toespeling op den Profeet Eliseus, die het water der bronnen van Jericho, door er zout in te doen, voor altijd drinkbaar en gezond maakte (4. Kon. II, 19—22). Nadat de vermenging van het gewijde zout met hefgewijde water gedaan is, volgt het gebed, dat God dit mengsel heilige, „opdat overal waar dat wijwater gesprenkeld wordt, „door de aanroeping van zijnen heiligen Naam elke aan-„vechting van den onzuiveren geest wijke, en de H. Geest „op onze gebeden overal tegenwoordig zij.quot;
TOEPASSING.
Bij het gebruik van gewijde zaken of Sacramentaliën heeft de geloovige twee klippen te vermijden : die van een al te groot of ot.behoorlijk , en die van een al te gering vertrouwen op de kracht der gewijde zaken. Tegen de eerste der twee klippen stoot de Christen , 1) als hij van het gebruik van een of ander Sacamentale een uitwerksel verwacht, dat door de Kerk bij de instelling er van niet bedoeld is en waarom zij bij de wijding riet bidt. Dit zou het geval zijn, als men eene gewijde medalje of iets dergelijks droeg, om geluk in het spel te hebben, of, in weerwil van aanhoudende en opzettelijke onboetvaardigheid, een zaligen dood te sterven. 2) Als men aan het Sacramentale wel een door de Kerk bedoeld en in hare gebeden begrepen uitwerksel toeschrijft,
DEHAME, GELOOFSLEEK. IV 3lt;ie DBUK. 39
610
maar daarbij meent, dat die werking noodzakelijk altijd uit het gebruik moet volgen. Zoo denkt en leert de Kerk niet. Zij verwacht de verhooring van haar gebed en bijgevolg de uitwerkselen der Sacramentaliën niet onfeilbaar, maar slechts in zooverre, als het strekt tot verheerlijking Gods en tot heil van degenen, die ze gebruiken. 3) Als men meent om het gebruik der Sacramentaliën bij dreigende gevaren de gewone maatregelen van voorzichtigheid te mogen verzuimen, bijv. bij eene ziekte de natuurlijke geneesmiddelen te versmaden. De Kerk denkt er volstrekt niet aan, door het instellen van Sacramentaliën de natuurlijke middelen ter bewaring of herkrijging der gezondheid des lichaains onontbeerlijk te maken, daar God zelf vermaant, den geneesheer te eeren, en zegt: „Alle artsenij is van God\'\' (Sir. XXXVIII, 1, 2); zij wil slechts door haar gebed medehelpen en, waar de natuurlijke middelen niet meer voldoende zijn, de alles-vermogende hulp des hemels ten gunste barer kinderen vragen. — Aan de tegenovergestelde klip, namelijk van al te gering vertrouwen op de kracht der Sacramentaliën, stooten zich die Christenen 1), die er volstrekt geene hoogere bovennatuurlijke kracht aan toeschrijven, en derhalve niet alleen zelve ze niet gebruiken, maar anderen, die zulks doen, bespotten en wellicht zelfs van bijgeloovigheid beschuldigen. Dusdanige Christenen zijn zeer te beklagen, niet alleen om hun gebrek aan begrip van het wezen der Sacramentaliën, maar ook, omdat zij op die wijze vaa talrijke middelen, om in alle omstandigheden des levens goddelijke genaden en weldaden te verkrijgen, door eigen schuld beroofd zijn. 2) Die aan de Sacramentaliën slechts eene zeer geringe en twijfelachtige kracht toekennen. Zulke Christenen zullen wel nu en dan er gebruik van maken, maar met groote onverschilligheid en achteloosheid. Zij gedragen zich daarbij als menschen, die uitgaan van het beginsel: baat het niet, het schaadt ook niet. Hoe weinig echter zulk eene gezindheid geschikt is om de heilzame kracht der Sacramentaliën in zich te ondervinden, blijkt van zelf.
Deze beide klippen zal de geloovige gemakkelijk en zeker ontwijken, als hij de Sacramentaliën volgens den geest der Kerk opvat en gebruikt. Dan zal bij zich niet schamen, zich van wijwater te bedienen, gezegende voorwerpen te dragen, zijn hoofd met gewijde asch te laten bestrooien, enz. Hij weet, wat de Kerk daarmede bedoelt, hij kent de kracht van het gebed, hetwelk zij met deze en dergelijke Sacramentaliën verbindt, en zijn kinderlijk vertrouwen op de voorbede van de Bruid van Christus, zijne H. moeder, zal voor hem eene bron worden van rijken hemelschen zegen.
611
Over liet sebecl-
W at is hel geled ?
Een godsdienstig spreken met God, waarin wij vooral de gevoelens en begeerten van ons hart aan God te kennen geven. Ook kan men zeggen: het gebed is eene verheffing van ons gemoed tot God, om Hem te loven, te danken of eene gunst te vragen. Vandaar de naam van lof-, danken smeekgebed.
„Het gebed,quot; zegt de H. Joannes Damascenus, „is het „opstijgen van het gemoed tot God.quot; Onder „gemoedquot; verstaat men hier alle hoogere krachten der ziel, verstand en wil, geest en hart. Bidden is alzoo zijne geheele ziel tot God opheffen. Wie aan God denkt, of over God nadenkt, stijgt wel met zijn verstand tot God op, maar bidt niet, tenminste als zijn wil en zijn hart niet tegelijk op God gericht zijn. Wie daarentegen van de gedachte aan God en goddelijke dingen tot heilige verzuchtingen overgaat, stijgt met zijn gemoed, met geest en hart, met geheel zijne ziel tot God op, hij bidt. — Daar het onze ziel eigen is, hare gedachten en gevoelens, schoon niet altijd uiterlijk, toch innerlijk in woorden te bevatten of in te kleeden, noemen ook de HH. Vaders het gebed zeer juist eene aanspraak aan God, een spreken met God. „Wanneer gij „leest,quot; zegt de H. Augustinus (verkl. van Ps. LXXXV), „dan spreekt God tot u; als gij bidt, spreekt gij tot God.quot; — Spreken wij nu tot den Allerhoogste, teneinde Hem om zijne macht, wijsheid en goedheid, om al zijne oneindige volmaaktheden met de koren der Engelen te loven, dan verrichten wij een lofgeleil\\ verheffen wij ons hart tot de goddelijke Majesteit, om Haar voor de ontelbare genaden en weldaden, waarmede Zij ons reeds overladen heeft en nog overlaadt, te danken, dan is ons gebed een danhjeled; wenden wij ons eindelijk tot God, om van Hem vergeving onzer zonden en nieuwe genaden en welvaart tot heil der ziel en des lichaams te verkrijgen, dan wordt ons gebed smeekgebed genoemd \')
\') Het gebed, genomen als eene verheffing van het gemoed tot God, bevat niet alleen het lof-, dank- en smeekgebed, maar ook het overwegende en beschouwende gebed, kortom alle soorten van gebed en alle wijzen van bidden. Het is volgens die algemeens opvatting niet enkel genademiddel, maar ook eene oefening van deugd, welke tot de vereering van God, ons in het eerste gebod bevolen, behoort. Daar het gebed hier echter hoofdzakelijk als genademiddel beschouwd wordt, zoo spreken wij vooral van het smeekgebed, gelijk dan ook bij de Godgeleerden en zelfs in de H. Schrift onder //gebedquot; gewoonlijk het smeekgebed verstaan wordt.
39*
612
Is het gehed voor allen 7ioodzaJcelijk ?
Voor allen, die genoegzaam het gebruik van hun verstand hehhen, is het gebed noodzakelijk ter zaligheid.
De H. Ligorio schrijft over dit onderwerp: „Do meeste „Godgeleerden nemen met den H. Chrysostomus, met Bacillus en Augustinus als grondregel aan, dat het gebed „van alle volwassenen (d. i. die tot de jaren van verstand zijn gekomen), „ter zaligheid volstrekt noodzakelijk is, zoo-„dat men, naar de beschikking der goddelijke Voorzienigheid, „zonder te bidden niet zalig kan worden/\' En inderdaad drukken de HH. Vaders zich aangaande dit punt nadrukkelijk en bepaald genoeg uit. De H. Chrysostomus onder anderen zegt in zijne eerste preek over het gebed: „Naar „mijn oordeel moet iedereen duidelijk inzien, dat het volstrekt onmogeliik is zonder het gebed, een deugdzaam „leven te leiden.quot; In dezelfde en ook in de tweede preek over dit onderwerp noemt hij het gebed: „de bron van alle „goederen, grondslag en wortel van een eerbaar en lofwaardig gedrag.quot; Hij vergelijkt het met de „vochtigheid,quot; zonder welke eene plant, een boom niet groeien, niet bloeien en geene vruchten dragen kan; met „stevige muren,\'\' zonder welke eene stad voor het geweld der vijanden open staat; met het „voedsel,quot; zonder hetwelk het lichaam versmacht; met de „zenuwen,quot; zonder welke het lichaam noch recht staan, noch zich bewegen kan; met een „fundament,quot; zonder hetwelk een huis noodzakelijk moet instorten Als nu het gebed voor de ziel even noodzakelijk is, als de vochtigheid voor den groei der planten, als de muren ter bescherming eener door de vijanden omsingelde stad, als het voedsel tot onderhoud des levens, als de zenuwen tot het rechthouden en bewegen des lichaams; wie kan er dan nog aan twijfelen, dat het ter zaligheid der ziel volstrekt noodzakelijk is? Wee alzoo dengene, die het bidden nalaat, die geene liefde daartoe, geen verlangen daarnaar gevoelt, die in zijn hooghartig zelfvertrouwen het gebed voor overtollig, wellicht zelfs voor zijner onwaardig houdt! Die ongelukkige is gelijk aan een boom, wiens wortels verdord en gestorven zijn; aan eene stad, die geene verdedigingsmiddelen heeft; aan een menschelijk lichaam, welks zenuwen verlamd en verslapt zijn; zijn toestand is hoogst betreurenswaard, het lot, dat hem wacht, diep rampzalig. — Dit was, volgens het getuigenis van den H. Geest, zelfs de oorzaak, waarom de menschen tijdens den zondvloed geene genade vonden. „De reuzen van den voortijd,quot; zoo lezen wij bij Sirach (XVI, 8), „baden God niet voor hunne
613
„zonden, maar vertrouwden op eigen kracht, en zij werden „verdelgd.quot; Wie daarentegen niet ophoudt met bidden, hem staat de weg ter zaligheid nog altijd open, al zou hij ook nog zoo ver van zijne ware bestemming afgeweken, nog zoo diep in zonden en misdaden gezonken zijn. Het voorbeeld van den rouwmoedigen moordenaar doet ons die waarheid duidelijk inzien. Hij had zich aan zware misdrijven plichtig gemaakt, en toch gaf de goddelijke Heiland hem de troostrijke verzekering; „Heden zult gij met Mij in „het paradijs zijn,quot; omdat hij in ootmoed tot Hem gebeden had: „Heer, gedenk mijner, als Gij in uw rijk komt.quot; \')
!) Het was op Vrijdag 21 Maart 1852, dat pater Timotheus Birmingham, missionaris in het bisdom Charleston, op eene zijner apostolische tochten getuige was, hoe het gebed, ja alleen dequot; wil om te bidden in staat is, voor den zondaar den hemel te ontsluiten. In een dal, waar de missionaris voorbij reed, was een schavot opgericht, waarop een zwarte slaaf, die zijne vrouw vermoord had. zou ter dood gebracht worden. Op dit gezicht rees bij den ijverigen Priester de gedachte op: wellicht is de ongelukkige niet gedoopt. Door die gedachte beheerscht, gaf hij zijn paard de sporen en kwam juist aan den voet van het schavot, toen de rechter met de voorlezing van het doodvonnis bezig was. Haastig springt nu pater Birmingham van zijn paard en vraagt verlof, een oogenblik alleen met den armen neger te spreken. Vriendelijk wordt zijn verzoek door den rechter toegestaan, en het volgende gesprek heeft nu tusschen den missionaris en den misdadiger plaats. — Behoort gij niet tot eenige Kerk? — Neen. — Zijt gij nooit gedoopt? — Voor zoo ver ik weet niet. — Weet dan, dat onze Heer Jesus Christus voor de zondaars gestorven is, en dat Hij zelfs den rouwmoedigen moordenaar vergeven heeft, die naast Hem aan het kruis stierf. Gij zult na een oogenblik voor Gods rechterstoel verschijnen. Wilt gij als de goede moordenaar het paradijs binnengaan? — Ik wil het. — Dan moet gij het H. Doopsel ontvangen. — Ik wil gedoopt worden. —■ Daartoe is echter noodig, dat gij uwe zonden oprecht verfoeit, anders kunt gij dat Sacrament niet ontvangen. — Ik verfoei ze van ganscher harte, sprak de arme neger, en een vloed van tranen brak uit zijn oogen los. Terstond na de daad had hij, zooals de rechter nu verhaalde, berouw getoond en zich zeiven aan het gerecht overgeleverd, ifadat de missionaris in die dorre, onbewoonde vlakte door eene bizondere beschikking Gods een weinig water had gekregen, zeide hij tot den boeteling: „Kniel nu neder en geloof, dat er één God jis in drie personen. Vader, Zoon en heilige Geest, en dat de Vader „zich over u ontfermen en u vergeven zal door zijnen Zoon, als gij „oprecht berouw over uwe zonden hebt. Zeg mij de woorden van „berouw na en hef uw hart ten hemel, terwijl uwe lippen de woor-„den uitspreken.quot; De neger bad nu met duidelijke stem eene akte van berouw; het zuiverende water vloeide over het voorhoofd van den nieuwen Christen, en eenige uren daarna ging hij de eeuwigheid in met den kreet: „o Jesus, ontferm ü mijnerlquot; Degene, aan wien men het bericht van dit roerend feit te danken heeft, voegt er nog de volgende opmerking bij. „Op weg naar het schavot had de neger //gevraagd, of er niemand was, die hem met zijn gebed wilde bijstaan. „Niemand had op dat verzoek van een veroordeelde geantwoord. //En zie I in het laatste oogenblik verschijnt de Priester van den //waren God en opent hem de poorten des hemels. O alvermogende
614
Waarom is het geheel voor allen noodzakelijk ter zaligheid?
1) Omdat God het bevolen heeft.
Al had de Allerhoogste geen uitdrukkelijk gebod gegeven, Hem te bidden, of al kenden wij dat gebod niet, dan zou het toch onze plicht zijn, het te doen, en wij zouden, daarmede in gebreke blijvende, redelijkerwijze van God de eeuwige zaligheid niet mogen verwachten. God is de Schepper van alle dingen, de Opperheer van hemel en van aarde. Hij heeft ons geschapen om Hem te kennen, te beminnen en te dienen, en zoo ons waardig te maken, eens, voor eeuwig met Hem vereenigd, zijne oneindige Majesteit met de koren der zalige geesten zonder einde te prijzen en te aanbidden. Hoe zouden wij ons dan kunnen vrijspreken van de verplichting, in den loop van onze aardsche pel-grimsreize minstens van tijd tot tijd onzen geest en ons hart tot Hem omhoog te heffen ? Zouden wij dan ons laatste doel, onze bestemming niet geheel en al uit het oog verliezen? Met welk recht zouden wij de eeuwige zaligheid van God als belooning verwachten, als wij Hem hier op aarde nooit de verlangde hulde van eerbied, liefde en aanbidding gebracht hebben? God is onze grootste, liefderijkste Weldoener. Ontelbaar zijn de gaven en weldaden, welke wij uit zijne hand ontvangen hebben en nog voortdurend dagelijks, ja, elk uur ontvangen. En wij zouden geene verplichting hebben, Hem daarvoor te danken; wij zouden zelfs ondanks onze schandelijke ondankbaarheid, die afschuwelijke misdaad, welke de bron van alle weldaden verstopt, het grootste aller gunstbewijzen, de vermetelheid hebben de eeuwige zaligheid des hemels van God te verwachten? Elk weldenkend mensch acht zich tegenover zijnen weldoener , elk kind jegens zijnen vader tot dankbaarheid verplicht, en het schepsel zou zich tegenover zijnen Schepper en Behouder van die verplichting vrij achten ? God is verder de eenige, die ons redden, die in allen nood en in alle rampen ons helpen kan. Moet die overdenking ons niet krachtig aansporen, tot Hem onze toevlucht te nemen, in nood en in gevaar zijne hulp en bescherming in te roepen? Of mogen wij hopen, dat God ons door alle stormen des levens de haven der eeuwige zaligheid zal binnenvoeren, niette-
kracht van het gebed bij Hem, die zegt: bidt en u zal gegeven ^worden, klopt en n zal worden opengedaan! Een misdadiger uit ^den wensch van te kunnen bidden, en terstond ontsluit God de //schatten zijner genade en behoedt de zondige ziel voor de vreese-«lijke straffen der eeuwigheidquot; (Annalen ter verbreid, des geloofs, 1861).
615
gen staande wij weigeren, Hem om bescherming en bijstand te bidden? De arme en nooddruftige vraagt den rijke in allen ootmoed om aalmoezen en ondersteuning en verblijdt zicb, als hij na lang smeeken verhooring vindt: hoeveel te meer moeten wij, die voor God onuitsprekelijk arm en behoeftig zijn, met een ootmoedig gebed den troon der goddelijke Majesteit naderen en onophoudelijk den eenigen Beschermer en Helper onze gebeden voordragen? De opwekking tot bidden ligt bijgevolg reeds in onze redelijke natuur; zij ligt in de verhouding van den mensch tot God, zijnen Schepper en onbeperktea Heer, zijnen Weldoener en Helper; zij ligt in het bewustzijn onzer noodzakelijke afhankelijkheid van den Allerhoogste, in het onafweerbaar gevoel van de diepste ellende en algeheele onvermogendheid. — Derhalve bidt ook de Muzelman, de afgodendienaar van Indië en China, de wilde bewoner van de wouden van Amerika, bidt zelfs de Kannibaal der Zuidzee-eilanden en heft in kommer en gevaar, zijne natuurlijke ingeving volgende, de handen smeekend tot het Opperwezen op (Cf. Dl. I. het gebed van den wilde van Madagascar).
Hetgeen ons, Christenen, van onze strenge verplichting om te bidden geheel moet overtuigen, is de duidelijk uitgesproken wil van God, het gebod, dat ons voorschrijft. Hem, den Allerhoogste, door gebeden de verschuldigde hulde te brengen. Eeeds in het Oude Verbond heeft God den Israëlieten dat gebod gegeven; want, gelijk de Heiland zelf zegt; „Er „staat geschreven: gij zult den Heer, uwen God, aanbiddenquot; (Matth. IV, 10). Ook beval de Allerhoogste, dat Hem een tempel zou gebouwd worden, waar de kinderen Israëls, als in het huis des gebeds, tot den gemeenschappelijken godsdienst moesten bijeenkomen. — Ook Jesus Christus de Stichter en Voltooier van het Nieuwe Verbond, gaf zijnen leerlingen meermalen en nadrukkelijk het gebod van te bidden. Hij deed dit door woorden, als Hij hen dringend vermaande „te waken en te biddenquot; (Luc. XXI, 36), als Hij hen opwekte „altijd te bidden en nooit op te houdenquot; (Luc. XVIII, 1), als Hij hen tot voorbeeld een gebed leerde en hun zeide: „Aldus moet gij bidden\'\' (Matth. VI, 9—13). „Doch niet alleen door woorden,quot; zegt de H. Cyprianus (over het gebed des Heeren), „maar ook door „daden leerde de Heer ons bidden, daar Hij zelf dikwerf „bad, en ons door zijn voorbeeld toonde, wat wij doen „moeten, gelijk geschreven staat: „Hij ging ter zijde in „„eene eenzame plaats en bad.quot; En andermaal: „Hg „„ging op den berg om te bidden, en overnachtte in het „„gebed tot God.quot; Als Hij nu bad, die zonder zonde was,
616
„hoeveel te meer moeten dan niet de zondaars bidden ? En „als Hij den ganschen nacht onophoudelijk waakte en voort-„durend bleef bidden; hoeveel te meer moeten wij dan waken, „om dikwerf te bidden ?quot; Teneinde aan dat goddelijk gebod te herinneren, gaven ook de Apostelen de dringendste vermaningen en opwekkingen tot het gebed. „Weest waak-„zaam in het gebed,quot; zegt de H. Petrus (1. IV, 7), en de H. Paulus schrijft aan die van Thessalonica (I. ¥,17): „Bidt zonder ophouden,quot; en aan die van Phillippi (IV, 6): „Laat in alle dingen uwe belangen in het gebed en smeeken „met dankzegging aan God bekend worden.quot; —Een gebod, dat ons zoo nadrukkelijk wordt aangewezen, dat op een zoo gewichtigen grond, op de den Allerhoogste toekomende erkenning en hulde steunt, legt ongetwijfeld ook eene zware verplichting op. Als het nu voor den Christen eene strenge verplichting is te bidden, dan is ook, gelijk van zelf blijkt, de vervulling van dien plicht, het gebed ter zaligheid noodzakelijk. Die noodzakeliikheid zullen wij echter nog duidelijker inzien, als wij bedenken, dat men ook moet bidden:
2) Omdat wij zonder gebed de noodzakelijke genaden niet verkrijgen, om in het goede ten einde toe te volharden.
De eeuwige zaligheid verkrijgen slechts zij, die in het goede, in den dienst des Heeren tot het einde van hun leven volharden. Daartoe wordt echter noodzakelijk de goddelijke genade vereischt; want zonder de genade kunnen wij niet het minste goed, verdienstelijk ter zaligheid, verrichten, veel minder tot het einde van ons leven in de beoefening van het goede volharden. Die genade nu verleent God ons slechts onder voorwaarde, dat wij Hem daarom bidden, en derhalve is het gebed voor al degenen, die genoegzaam het gebruik van hun verstand hebben om te kunnen bidden: evenals de genade zelve, ter zaligheid volstrekt noodzakelijk. Dit is de leer der HH. Vaders. God is altijd bereid, zeggen zij , ons de genade te verleenen. Hij wil ze ons niet weigeren, maar vraagt, dat wij Hem daarom zullen bidden. \') Om die reden noemen zij het gebed den sleutel tot alle schatten der goddelijke erbarming, de bron van alle goederen. Die leer der Vaders steunt op de uitspraak van den goddelijken Heiland (Luc. XI, 9, 10): „Bidt en u zal gegeven werden: „zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal worden open-
gt;) St. August. Enarrat. in Ps. CII. //Deus dare vult, sed non dat, «nisi petenti.quot; Dikwerf worden tot bewijs van deze waarheid de woorden van Gennadius aangehaald, welke ten onrechte soms aan Augustinus zijn toegeschreven: „Nullum credimus ad salu:em nisi //Deo invitante venire; nullum \'invitatum salutem suam nisi Deo lauxiliante operari; nullum nisi orantem auxilium promereri.quot;
617
„gedaan. Want eenieder, die bidt, ontvangt; wie zoekt, „vindt, en wie aanklopt, wordt opengedaan.quot; Uit dit gezegde des Verlossers besluiten de Vaders terecht, dat wie niet bidt, ook niet ontvangt; wie niet zoekt, ook niet vindt; wie niet klopt, te vergeefs wacht, dat hem zal worden opengedaan. — Men moet dit echter niet zoo verstaan, alsof God ons volstrekt geene genade geeft om goed te doen, als wij Hem niet daarom bidden; zulk eene opvatting zou geheel verkeerd zijn. Immers het is eene waarheid van ons geloof, dat het begin des heils niet van de menschen, maar van de genade uitgaat; God voorkomt den mensch met zijne genade, opdat hij zou kunnen beginnen, verdienstelijk ter zaligheid, te gelooven en te bidden. Hetgeen de mensch echter zonder daarom te bidden, van God niet verkrijgen zal, dat zijn die genaden, welke hij noodig heeft, om standvastig alle bekoringen te overwinnen, alle geboden te onderhouden en den dood van den rechtvaardige te sterven. De H. Augustinus drukt die gedachte met zijne eigenaardige duidelijkheid en beknoptheid uit, als hij zegt; „Het is zeker, „dat God eenige genaden, zooals het begin des geloofs, „ook aan dengene, die niet bidt, wil geven; dat Hij daaren-„tegen andere, gelijk de volharding ten einde toe, slechts „voor hem, die bidt, bereid heeft.quot; Uit dit alles volgt noodzakelijk, dat de mensch, hij zy zondaar of rechtvaardige , slechts dan , als hij bidt, de zaligheid kan hopen, en dat elk vertrouwen op de zaligheid, hetwelk niet door het gebed gesteund wordt, een ijdel, vermetel en door God veroordeeld vertrouwen is. De reden hiervan is eenvoudig deze, dat God zich slechts verplicht heeft, ons de noodzakelijke genade ter zaligheid te geven, onder voorwaarde, dat wij er om bidden. Vervullen wij deze voorwaarde niet, dan hebben wij geene aanspraak op die genaden.
Maar weet God dan niet, wat wij noodig heihen,
zonder dat wij er om lidden?
Voorzeker weet God, wat wij noodig hebben; maar Hij wil ook, dat wij Hem als den Gever van alle goede gaven erkennen en ons daardoor zijne genade waardig maken.
Krachtens zijne alwetendheid kent God al onze behoeften en belangen oneindig beter, dan wij die Hem kunnen voorstellen. De Heiland zegt immers zelf: „uw Vader weet reeds vooruit, „wat gij noodig hebt, eer gij Hem daarom bidtquot; (Matth VI, 8). Derhalve, als wij den Allerhoogste in het gebed onzen nood klagen, onze behoeften bloot Ipggen , geschiedt dit volstrekt niet met de bedoeling, Hem daarvan kennis te geven; maar alleen om in den diepsten ootmoed voor zijne goddelijke
618
Majesteit te erkennen, dat wij van onzen kant arm en zwak en onvermogend zijn om zelve ons te helpen, terwijl Hij do Gever van alle goede gaven, de hulp in allen nood, de machtige Eedder uit alle gevaren is. Die ootmoedige belijdenis van onze behoeftigheid en hulpeloosheid, die oprechte erkenning van onze algeheele afhankelijkheid van de genade en hulp des almachtigen en algoeden Gods is de beste voorbereiding tot het ontvangen van genaden en weldaden, waarom wij Hem bidden, de voortreffelijkste wijze om ons de verhooring onzer beden waardig te maken. — God vordert van ons, dat wij Hem onze beden voordragen, en maakt de mededeelicg zijner genade daarvan afhankelijk. £n wat kan er billijker en wijzer gedacht worden, dan die handelwijze Gods? Is Hij niet alleen de Heer van alle genadegaven? Staat het Hem niet vrij, die, onder welke voorwaarden Hij goed acht, uit te deelen ? Had Hij, zonder zelf aanleiding te geven tot het geringschatten zijner kostbare genade, eene meer gemakkelijke voorwaarde kunnen stellen, dan die, dat men er om zou vragen? Moest Hij niet voorzien, dat de mensch, die zich niet eens de moeite wil geven, Hem om zijne genade te bidden, met die genade ook niet zou medewerken, ja dat hij zich zelfs vermeten zou, de hem verleende hemelsche gaven aan zich zei ven toe te schrijven en zoo den eenigen Gever van alle goed de eer te ontrooven? Waarlijk de algoede God heeft het den mensch gemakkelijk gemaakt, zijne zaligheid te bewerken, daar Hij hem den sleutel tot den schat zijner genade in handen geeft! Gebruikt de mensch dien sleutel niet en gaat hij derhalve hij gebrek aan genade te gronde, dan moet hij gewis zijne veroordeeling enkel aan zich zeiven wijten. Zeer terecht merkt derhalve de H. Ligorio op: „wat de vertwijfeling der verdoemden in de hel het hoogst „doet stijgen, is de gedachte, dat zij door gebed om genade „in staat zijn geweest zich zoo gemakkelijk te redden, en „dat nu de tijd van bidden voor hen verstreken is.M
Welke zijn de voornaamste vruchten van het gehed?
1) Het gebed vereenigt met God. — De H. Joannes Climacus noemt het gebed zeer juist, „eene vertrouwelijke „onderhandeling en vereeniging met God.quot; De biddende heft zich inderdaad van de aarde tot den hemel op; hij dringt binnen in het heiligdom der goddelijke Majesteit, voegt zich hij de koren der zalige geesten en verkeert met den Allerhoogste als een onderdaan met zijnen koning, als een vriend met zijn vriend, als een minnend kind met zijn liefderijken vader. Alle zielskrachten van den biddende.
619
geheugen, verstand, hart en wil vereenigen zich hij dat verkeer met den Allerhoogste door lof, aanbidding, vurig verlangen en vooral door akten van geloof, hoop en liefde. Want in het gebed betoonen wij ons geloof aan de goddelijke wijsheid en almacht, aan de liefderijke voorzienigheid van onzen Vader in den hemel; wij betuigen onze hoop op de goddelijke goedheid, barmhartigheid en getrouwheid aan zijne beloften; wij geven eindeliik ook blijk van de liefde, die schoonste aller deugden, welke maakt, dat wij één van geest en wil worden met God, den geliefde van ons hart.
Wie toch kan die zee van vlammende liefde nabij komen, zonder zelf van heilig vuur te ontbranden ? — Het hart van de leerlingen, die naar Emmaus gingen, brandde van liefde en ijver, terwijl zij zich met Jesus onderhielden; zoo zal ook ons hart ontgloeien, als wij in het gebed met God verkeeren.
2) Het gebed maakt ons hemelsgezind. — Een der voortreffelijkste middelen om edele en vrome gevoelens te verkrijgen, is zeker de veelvuldige en vertrouwelijke omgang met edele en vrome menschen. Hoeveel te meer zal dan de herhaalde en innige omgang met God, de bron van alle heiligheid, geschikt zijn om de gevoelens van den mensch te veredelen, te zuiveren, te heiligen. „Indien degene, „die met wijzen vertrouwelijk omgaat, daardoor langzamer-„hand ook aan hunne levenswijsheid deelachtig wordt; wat,quot; vraagt de H. Chrysostomus, „moet men dan niet zeggen „van degenen, die in het gebed zich met God zeiven onderhouden? Met welk eene wijsheid, sterkte, beleid zal „dat gebed hen vervullen?quot; Het gelaat van Mozes schitterde na zijn onderhoud met den Heer; hoeveel te schitterender zal de ziel zijn, die in het gebed als het ware de afbeelding van den Allerhoogste, de afstraling zijner volmaaktheden in zich heeft opgenomen ? In het gebed leert de mensch God en zich zei ven kennen; hij leert de wereld kennen en hare nietigheid; hij leert de waarde van den tijd kennen en de waarde van de eeuwigheid, de bedriegelijke betoovering van al het aardsche en de zaligheid der ware, eeuwige, heilige liefde. En die veelvoudige kennis voert hem tot de verachting van zich zeiven en van al het vergankelijke, tot de liefde voor God en al het eeuwige, tot hemelsgezindheid en hemelschen levenswandel.
3) Het gebed sterkt tegen het kwaad. — „Het gebed,quot; zegt de H. Chrysostomus (Hom. 21. ad. Rom.), „is de „uitmuntendste wapenrusting tegen de bekoringen van het „kwaad tegen alle vyanden onzer zaligheid.quot; Een man des gebeds is door die innige vereeniging met den God der
620
sterken, met den Heer der heirscharen, in den strijd der zaligheid onoverwinnelijk. Op Gods beschermenden arm vertrouwende, mag hij met den Profeet uitroepen; „De „Heer is mijn heil, wien zou ik vreezen? De Heer is de „Beschermer van mijn leven, voor wièn zou ik sidderen ? „Al staat ook een heirleger tegen mij op, mijn hart zal „niet schroomen.\'\' De genade des Heeren, waaraan het dengene, die ijverig en aanhoudend bidt, nooit ontbreekt, is machtig genoeg om alle verkeerde neigingen des harten, alle aanlolcselen der wereld en alle aanvechtingen der hel te overwinnen. „Hoe heeft Mozes,quot; vraagt de bovengenoemde Kerkvader, „de vijanden van het volk van Israël „overwonnen ? Heeft hij niet de wapenen en het leger aan „Josuë overgelaten, terwijl hij van zijn kant de vijandelgke „scharen met zijn gebed bestreed? Hij deed zoo, om ons „te leeren, dat in het gebed van den rechtvaardige vtel „meer kracht ligt, dan in wapenen, ruiterij en voetvolk. „En inderdaad, zoolang Mozes bad, behaalden de Israëlieten „de overwinning, maar zoodra hij ophield met bidden, „moesten zij voor den vijand onderdoen. Ook ons zal het „gemakkelijk vallen, den Satan, te overwinnen, als wij „ons ijverig met het gebed bezig houden; zijn wij daaren-„tegen traag in het gebed, dan maken wij zelve onzen „vijand de overwinning gemakkelijk.\'5
4) Het gebed geeft kracht en lust tot bet goede. — In het gebed put de mensch niet alleen sterkte om den booze af te weren en te overwinnen, maar ook kracht, moed en lust om het goede te beoefenen. Zielen, die het gebed beminnen en er zich met ijver op toeleggen, zijn verheven boven de kleingeestigheid van hen, die alles naar de grondstellingen van bloot menschelijke voorzichtigheid en kloekheid afmeten; zij stellen hun vertrouwen op God, bij wien niets onmogelijk is, en gevoelen zich sterk genoeg om de moeielijkste ondernemingen uit te voeren en de heldhaftigste offers te brengen, welke God ter verheerlijking van zijnen naam soms vordert. Bij zulke ijverige, God biddende en op Hem vertrouwende ziëlen, worden bewaarheid de woorden van den Profeet Isaïas (V, 31): „Zij worden op nieuw „jeugdig; zij nemen vleugelen aan, gelijk die van den ade-„laar; zij loopen en matten zich niet af, zij wandelen en „worden niet moede.quot; — Door het gebed bereidde Judith zich voor, om haar vaderland te bevrijden (Jud. IX. en volg.); in het gebed schepte Esther den moed, cm, met gevaar van haar eigen leven, bij Assuerus de voorspraak van baar volk te zijn (Esth. XIV); in het gebed verkregen ook de helden en heldinnen van het Nieuwe Verbond, de
621
bloedgetuigen van Christus, die wonderbare vreugde bij marteling en dood, welke zelfs de Heidenen verbaasde. Het gebed verleende d.en apostolischen mannen uit alle christelijke eeuwen de kracht om bovenmenschelijke vermoeienissen en inspanningen te trotseeren, teneinde zielen voor God te winnen. En vindt men ook thans nog in de Kerk Gods zoovele edele harten, die, zich zelve en de wereld afgestorven, alleen voor het lichameltik en geestelijk welzijn hunner medemenschen leven en zich opofferen, dan is ook dat eene vrucht des gebeds.
5) Het gebed geeft troost ia droefenis. — Ja, het gebed is eene bron van troost voor allen, die bedroefd zijn van harte. De H. Chrysostomus zegt hierover het volgende: „Als het diepbedroefden menschen tot leniging strekt, an-„deren hunne aangelegenheden te openbaren, en hun ongeluk „te beschrijven; hoeveel te meer troost zal dan niet u ten „deel vallen, als gij het lijden uwer ziel aan God, uwen „Heer, in het gebed te kennen geeftDen mensch valt „dikwijls het klagen der treurenden lastig, daarom wijst „of stoot hij hen af; God daarentegen handelt niet zoo; „Hij luistert naar de klachten van den bedrukte en trekt „hem liefderijk tot zich. Hoe langer gij volhoudt met uwen „nood te klagen, des te meer bemint Hij u, des te liever „verhoort Hij uwe beden. Immers Jesus Christus noodigt „allen uit, bij Hem troost en verkwikking te zoeken, als „Hij zegt: „komt allen tot Mij, die vermoeid zij t en belast, „„en Ik zal u verkwikkenquot;quot; (Matth. XI, 28). Aldus de groote Kerkleeraar. — In denzelfden zin vermaande ook de H. Apostel Jacobus (V, 13) de geloovigen met de woorden: „Is er iemand onder u treurig, dat hij bidde.quot; En waarlijk, wie heeft ooit, door de menschen verlaten en vervolgd, in een vertrouwelyk gebed zijne toevlucht tot den hemelschen Vader genomen, aan Hem zijnen nood geklaagd, zonder verkwikking en troost te gevoelen, zonder opgewekt en gesterkt te zijn geworden? „De Heer is nabij „degenen, die bedrukt van harte zijn; die gebogen van „geest zijn, helpt Hijquot; (Ps. XXXIII, 19). Hoe vaak betuigt de koninklijke zanger in zijne Psalmen, dat Hij in droefheid tot den Heer geroepen, en dat de Heer zich zijner erbarmd, zijne weeklachten in vreugde veranderd heeft? — En de Godmensch Jeaus Christus zelf, nam Hij in zijne diepe droefheid, in zijn doodsangst in den hof van Olijven, niet zijne toevlucht tot het gebed? (Luc. XXII, 43). En waarom anders wilde Hij, de Zoon Gods, dit doen, en waarom anders van een Engel troost aannemen, als het niet was om ons te leeren, dat wij in alle droefheid
622
door een aanhoudend gebed bij God troost moeten zoeken en vinden zullen ?
6) Het gebed verwerft bulp in den nood en de genade der volharding tot ons stervensuur. In alle openbare zoowel als bizondere, in alle zoowel lichamelijke als geestelijke behoeften en belangen moet de Christen tot God roepen, en hem zal biistand geworden: „Roep tot miispreekt de Heer, „en Ik zal u verhoorenquot; (Jerem. XXXIII, 3). Werkelijk zien wij den Allerhoogste in het Oude, als in het Nieuwe Verbond, ontelbare malen als den bereid vaardigen Hedder dergenen, die in den nood tot Hem verzuchten. Het volk Israels zuchtte onder het ijzeren juk van den egyptischen Pharao; het geroep der bedrukten om hulp steeg op tot God, en de Heer zag op de zonen van Israël neder en voerde ze met sterke hand uit het land der slavernij. In de woestijn vertoornde God zich op dat ondankbaar en hardnekkig volk. „Laat mij begaan,quot; sprak Hij tot Mozes, hunnen aanvoerder en voorspreker, „opdat mijn toorn tegen hen ontbrande en „Ik zal ze verdelgenquot; (2. Mos. XXXII, 10). Mozes echter hield niet op, voor het zondige Israël te bidden, en de Heer trok zijnen wrekenden arm terug. Ten tijde van den Profeet Elias heerschte eene driejarige droogte in Israël, zoodat er noch dauw noch regen viel; de heilige Profeet beklom Carmels kruin en bad, diep ter aarde gebogen, en na weinig tijds werd de hemel donker van wolken en tvind, en er kwam een sterke regen (3. Kon. XVIII, 18). — In de dagen van den koning Ezechias waren er assyrische legertroepen in het rijk van Juda binnengedrongen, en maakten zich te vuur en te zwaard meester van het land. Reeds stond de vijand voor de muren van Jerusalem en bedreigde de stad met haren ondergang. De koning ging toen opwaarts naar den tempel, en met opgeheven handen bad hij voor \'s Heeren aangezicht; „Heer, God van Israël, „Gij zijt alleen God over alle koningen der aarde, Gii hebt „hemel en aarde geschapen; neig uw oor tot ons en luister,
„open uwe oogen en zie.....Help ons uit de har.d van
„Senacherib, opdat alle rijken der aarde erkennen, dat Gij „de Heer, dat Gij alleen God zijt.quot; En op dat dringend smeeken liet God door den Profeet Isaïas aan den koning zeggen: „wat gij Mij gebeden hebt, heb Ik gehoord. Ik „wil deze stad beschermen en haar redden.quot; En in dien zelfden nacht versloeg de Engel des Heeren in het leger der Assyriërs 185,000 man. \') De drie jongelingen in
\') Dusdanig is ook de overwinning, welke in het jaar 350 het gebed van den H. Jacobus, Bisschop van Nisibis in Mesopotamic, op Sapor II, koning van Perzië, behaalde. Deze trotsche, krijgs-
623
den vuuroven te Babyion riepen tot God en bleven ongedeerd ; Daniël in den leeuwenkuil smeekte tot God, en de Heer temde de woede der grimmige dieren; de kuische Susanna smeekte tot God en ontkwam den onrechtvaardig haar toegedachten dood (Dan. III, 6, 13); de Machabeën riepen tot God, en het gelukte hun, Juda en de heilige stad te redden. — In het Nieuwe Verbond verschijnt Jesus Christus, de mensch geworden God, als helper in allen nood. Tot Hem roept de blinde van Jericho met geloovig vertrouwen: „Jesus, Davids Zoon, ontferm ü mijner.quot; Jesus blijft staan, laat den blinde bij zich brengen en vraagt hem: „Wat wilt gij, dat Ik u doen zal?quot; De blinde spreekt: „Heer, dat ik zien mag.quot; En Jesus zegt tot hem: „Word ziende!quot; (Luc. XVIII). De melaatsche aanbidt Jesus en spreekt: „Heer, indien Gij wilt, dan „kunt Gij mij reinigen,quot; en de Heer strekt zijne hand uit, raakt hem aan en spreekt: „Ik wil, word gereinigd.quot; De hoofdman van Capharnaüm bidt den Heiland, zijnen knecht gezond te maken. Jesus spreekt tot hem: „Ga „henen en gelijk gij geloofd hebt, zoo geschiede u.quot; En in diezelfde ure was zijn knecht gezond (Matth. VIII). — Maar ook gezeteld in den hemel was Christus de Heer steeds de hulpvaardige Redder van allen, die in het gebed hunne toevlucht tot Hem namen. Terwijl Petrus te Jerusalem in de gevangenis was, bad de geheele christelijke gemeente tot den Heer om zijne bevrijding, en zie, God zond een Engel, de boeien van den gevangene werden ontbonden en de deuren van den kerker gingen van zelve open (Hand, XII, 5). Die machtige bescherming, die goddelijke hulp ondervond de biddende Kerk, ondervonden hare biddende kinderen door alle eeuwen heen in eiken nood en bedruktheid. *) Van millioenen zonder tal geldt het woord van
zuchtige vorst was met eene groote legermacht gekomen voor Nisibis, de sterkste stad van het romeinsche rijk in die streken, en drukte de invroners door een beleg van verscheiden maanden. Tot afwending van den steeds toenemenden nood steeg de H. Bisschop op de muren der stad, om van den Heer hulp tegen de ongeloovigen af te smeeken. De H. Jacobus bad allervurigst den Heer der heir-scharen, dat hij toch de stad bevrijden en de vijanden van zijnen H. Naam vernederen zou. Toen zond God op eens eene ongehoorde menigte van zeker soort van vliegen, die in fle snuiten der olifanten, in de ooren der paarden binnendrongen en ze zoo wild maakten, dat er eene groote wanorde in het leger ontstond; de olifanten vooral vertrapten een groot aantal Perzen. Sopor zag zich genoodzaakt, het beleg op te breken en trok, door God overwonnen, naar zijn land terug (Stolberg Gesch. XVI).
\') Uit de ontelbare voorbeelden, welke de kerkelijke geschiedenis levert, halen wij er slechts een enkel aan, dat tevens geschikt is
624
den Psalmist (CVI, 13): „zij riepen tot den Heer, als zij „gekweld werden, en Hij redde ze uit hunnen nood.quot; Dat ook de genade der volharding tot aan den dood de vrucht is van het aanhoudend gebed, werd reeds vroeger door ons aangetoond.
Hoe moeten wij hidden, om aan deze vruchten deelachtig te worden?
Wij moeten bidden 1) met aandacht, 2) met nederigheid, 3) met vertrouwen, 4) met overgeving aan den wil Gods, 5) met volharding. — Gelijk het in \'t algemeen tot verkrijging der zaligheid en de daartoe vereischte genaden noodzakelijk is, dat wij bidden, zoo is het ook noodzake-lijk, dat wij goed bidden. Want slechts dat gebed, hetwelk zoodanig is, als God het van ons verlangt, kan aan-
om ons op te wekken, ook in de tegenwoordige verdrukking- der Kerk een onwankelbaar vertrouwen op God te stellen en in het gebed voor het welzijn der Kerk standvastig te zijn. Groot was de nood der Kerk van Constantinopel, toen de ketter Arius daar zijn goddeloos spel dreef. Een Concilie, dat grootendeels uit Bisschoppen van zijn aanhang bestond en te Constantinopel vergaderd was, stelde zich voor, den te Nicea buiten de kerkelijke gemeenschap gesloten voorvechter, gelijk reeds te Jerusalem geschied was, er weder olechtig in op te nemen. Alleen de H. Alexander, Bisschop van Constantinopel, verzette zich tegen dat voornemen met alle krachten en smeekte op raad van den H. Jacobus van Nisibis, die juist aanwezig was, met zijne geheele gemeente zeven dagen lang onder vasten tot God ora hulp en bescherming. Middelerwijl slaagde Arius er in, keizer Constantijn te misleiden en voor zich te winnen, zoodat deze zelf bij den H. Alexander er op aandrong, dat hij Arius plechtig in de kerk zou binnenleiden. Alexander droeg nu zijne redenen daartegen voor, en daar de keizer die toornig afwees, verliet hij het paleis met een bedrukt hart. Onderweg ontmoetten hem de Arianen met Arius zeiven, dien zij zegepralend door de stad voerden en in hunne geestdrift reeds de kerk wilden binnenleiden. Alexander evenwel belette zulks. Toen sprak Eusebius, Bisschop van Nicodemië, het hoofd der ariaansche partij: //indien gij hem vandaag niet wilt //Opnemen,\' dan zal ik hem morgen toch in de kerk brengen, en hoe //zult gij het beletten?quot; Zij gingen voorbij. Alexander begaf zich nu in de kerk, vergezeld door twee personen, waarvan de een, Macarius, Priester was. Toen wierp de grijsaard zich met het aangezicht op den grond voor het altaar, stortte tranen en bad: «.Heer, irwilt Gij het gedoogen, dat Arius morgen in de Kerk worde opge-z/noraen, neem dan te voren uwen dienaar uit deze wereld: wilt Gij »U echter ontfermen over uwe Kerk, en ik weet dat Gij het wilt, *laat dan uw erfdeel niet onteerd worden; neem Arius. weg, opdat «het niet den schijn krijge, alsof de dwaling met hem de Kerk is «binnengetrokken.quot; De iusebianen zetten intusschen hunnen tocht door de stad voort en Arius gaf zich geheel aan de vreugde over, toen eensklaps zijn gelaat verbleekte. Ma weinige uren was hij een lijk. — God had het gebed van den H. Jacobus en zijne gemeente verhoord.
625
spraak op verhooring maken; slechts het goede gebed verrijkt ons met hemelsche genadeschatten en voert ons rechtstreeks tot het eeuwige leven. De Phariseën baden ook, baden zelfs dikwijls en veel; niet slechts in de synagoge, neen, ook op de hoeken der stralen bleven zij staan en verrichtten hun gebed (Matth. VT, 5), maar niettemin was hun hart vol boosheid, duisternis en huichelarij; niettemin strekten zij hunne handen uit tot ongerechtigheid, en bewandelden hunne voeten den weg des verderfs; het gebed was voor hen zonder nut, wijl zij slech\'. baden. Willen wij derhalve uit ons gebed de bovenvermelde heerlijke vruchten trekken, dan zij het onze voornaamste zorg goed te bidden. Om dit te bereiken, moeten wij:
1) Aandachtig bidden en alle verstrooiende gedachten naar vermogen mijden. Wanneer men de schoonste gebeden uit een boek leest of uit het geheugen opzegt, kan dit toch geen bidden, geene verheffing van het gemoed tot God genoemd worden, als de geest gelijk een vlinder rondvliegt en in plaats van met God of goddelijke dingen, zich met ijdele, wereldsche voorwerpen bezig houdt; dat is wel met de lippen, maar niet met het hart en niet van harte bidden. Voor degenen, die zoo bidden, geldt het woord, wat Christus zeide van de schijnheilige Joden: „Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is ver „van mijquot; (Matth. XV, 8). Hij, die zoo verstrooid zijn gebed verricht, hoopt te vergeefs op verhooring. „Hoe „kunt gij verlangen,\'\' vraagt de H. Cyprianus (van het gebed d. Heer. Nr. 31), „dat God u hoore, terwijl gij u „zeiven niet hoort,quot; terwijl gij niet eens weet, wat gij tot Hem zegt, of waarom gij Hem bidt. „Wanneer gij,quot; zegt de H. Cesarius van Arles (Redev, 2), „met een door „waardigheid en macht uitstekend persoon eene hoogst „gewichtige aangelegenheid te bespreken hadt, en gij, „terwijl hij u oplettend aanhoorde en ook van zijnen kant „tot u spreken wilde, plotseling hem zoudt onderbreken, „u van hem afwenden en met onbeteekenende dingen u „bezighouden, hoe diep kwetsend zou dan niet de beleedi^ing „zijn, die gij zulk eenen persoon aandeed!;? Nog veel „onbetamelijker is het echter, u door ongepaste en wereldsche „gedachten te verstrooien en te laten medeslepen, terwijl „gij tot God bidt; er bestaat immers niets van zoo groot „belang dan er aan te denken, dat gij met God spreekt. „Derhalve,quot; zoo gaat Cesarius voort, „moet ieder, alvorens „hij neerknielt om te bidden, met Gods hulp alle andere „gedachten uit zijnen geest verbannen, opdat men niet „gedurende het gebed met allerlei gedachten zich bezig
DEriARBE, GELOOTSLEEE. IV. 3\'Ie DRUK. 40
626
„houde en het misnoegen van God opwekke door het „middel, waardoor men zijne genade kon verwerven.quot;
Wie goed en met vrucht wil bidden, bereide zich derhalve ijverig voor tot het gebed. Die vermaning geeft ons ook de H. Geest, met de woorden van den wijzen Sirach (XVIII, 23): „vóór het gebed bereid uwe ziel, en wees niet als een „mensch, die God beproeft,quot; d. i. plaats u in de ware gesteltenis , opdat gij den Allerhoogste door oneerbiedigheid niet tot toorn opwekt. — De voorbereiding tot het gebed bestaat echter niet alleen daarin, dat wij ons zooveel mogelijk van alle wereldsche gedachten ontdoen, maar ook, dat wij ons God, den Alomtegenwoordige, levendig voor oogen stellen. Men overwege derhalve alvorens te bidden, wat men gaat doen, met wien men spreken wil. De gedachte aan God, den Alomtegenwoordige, die zijn oog op ons richt, die al onze gedachten kent en alle gevoelens van ons hart doorschouwt, zal er veel toe bijdragen, om de ziel van dengene, die bidt, met den diepsten eerbied en heilige vreeze te vervullen. Stellen wij ons dan, volgens de vermaning van den H. Bernardus, levendig voor den geest, dat we het hemelsch hof binnentreden, waar de Koning der koningen, omgeven door eene ontelbare schaar van zalige geesten, op zijnen troon gezeten is. Hoe eerbiedig, hoe ootmoedig en vol godsvrucht zullen wij, arme menschenkinderen, daar in de tegenwoordigheid der Engelen, in de vergadering der rechtvaardigen en Heiligen vertoeven!
Is de Christen ernstig bezorgd, vóór het gebed zijne gedachte van al het aardsche af te trekken en zich in Gods tegenwoordigheid te verplaatsen; tracht hij ook gedurende het gebed naar vermogen die goede stemming te bewaren en zijn geest, zoodra hij bemerkt, dat deze met andere gedachten bezig is, weder op God te richten, dan kan hij zich over alle onvrijwillige verstrooidheden geruststellen, al komen zij ook telkens terug. De verstrooiingen in het gebed zijn namelijk slechts dan zondig, als men er zelf schuld van is of ze vrijwillig toelaat; strijden wij er echter tegen, dan vermeerderen zij onze verdiensten. — Verstrooiingen in het gebed zijn dikwijls natuurlijke gevolgen van lichamelijke ongesteldheid, van zwakke of overspannen zenuwen, van eene levendige, licht bewegelijke verbeelding, van kommer en zware zorgen, welke op het hart drukken en bij het gebed zich met geweld op den voorgrond dringen; dikwerf ook zijn die verstrooiingen niet anders dan bekoringen van den boozen vijand, die daardoor de ziel van de vrucht des gebeds zoekt te berooven of geheel van het gebed af te houden. Al zouden wij ook den besten wil
627
hebben, toch zullen wij zonder eene bizondere genade nooit geheel vrij zijn van verstrooiingen in het gebed. Zelfs de Heiligen waren er niet altijd vrij van. De H. Cesarius beklaagt zich over zijne verstrooiicgen met den meesten nadruk: „Zeer geliefden,quot; zegt hij, „onuitstaanbare droefheid grijpt mij soms aan, ik sidder en beef, wanneer „mijn geest te midden van het gebed door verschillende „wereldsche zaken wordt medegesleept.quot; Eén troost blijft ons echter: als wij de verstrooidheden verfoeien en bekampen , als wij gaarne goed bidden en bet ons leed doet niet beter, ijveriger, aandachtiger te kunnen bidden, dan is die goede wil en dat leedwezen zelf een aan God welgevallig gebed. Want, zooals de H. Augustinus (aan Simplicianus boek 1. n. 21) opmerkt, als het ons leed doet, niet te kunnen bidden, dan is ook dat reeds een gebed. Het komt, gelijk in \'t algemeen bij alles, ook bij het gebed vooral op den goeden wil aan. Een liefderijk vader wordt niet boos op zijn kind, als het de woorden niet kan uitspreken, om hem zijn leed te klagen en zijne beden voor te stellen. Hij weet immers, wat het kind bedoelt, heeft medelijden er mede en staat met vreugde het verzoek toe, dat het kind gaarne hem beter zou voorstellen. Zoo handelt ook God, de edelste, beste en liefderijkste Vader. Laten wij derhalve het gebed nooit verzuimen onder voorwendsel, dat we niet aandachtig genoeg en niet met gevoelige godsvrucht kunnen bidden. Dit zou eene rampzalige dwaling zijn, tot groot genoegen van den vijand onzer ziel en tot ons eeuwig nadeel. Doen wij het mogelijke om de verstrooiingen af te weren en te voorkomen, dan zal God ons niet enkel verhoeren, maar ook onze moeite en ons geduld met rijke verdiensten kronen. 1) 2) Wij moeten ooimoedig, d. i, met het levendig be-
\') Al hebt gij ook gedurende geheel den tijd van uw gebed niets anders kunnen doen, dan verstrooiende gedachten en lastige bekoringen af te weren, moogt gij toch daarom den moed niet laten zinken en niet meenen, dat gij uw gebed moet herhalen, als nutteloos en zonder eenige waarde bij God. De H. Brigitta, die van dusdanige verstrooidheden en bekoringen in het gebed veel te lijden had, werd eens door de H. Maagd getroost met deze woorden: „Mijne dochter, welke bekoring u gedurende het gebed ook kwelle, z,volhard slechts zooveel gij kunt in het verlangen, in den goeden »wil, in het heilig streven om goed te bidden, uw verlangen en „uwe bezorgdheid zal u dan als een gebed worden toegerekend. vZelfs wanneer gij niet bij machte zijt de kwade en slechte gedachten, /,welke u voor den geest komen, te verdrijven, zult gij toch voor de #moeite, welke gij u geeft, om het te doen, eene hemelsche kroon ^ontvangen; ook do lastige bekoring zal u tot geestelijk voordeel «strekken, Indien gij er maar niet in toestemtquot; (Blosius monil. spirit.).
40*
628
wustziin van onze zwakheid en onwaardigheid bidden. De biddende moet diep doordrongen zijn van het gevoel zijner onmacht en behoefte aan alle hulp. Dan alleen zal hij, gelijk God zulks begeert, naar diens hulp oprecht verlangen en met den Profeet uitroepen: ,.Ik ben arm en „zwak: God help mij ! Mijn Helper en mijn Verlosser zijt „Gij! O Heer, vertoef niet!quot; (Ps. LXIX, 6). De Christen moet echter niet alleen zijne behoefte aan hulp, maareven-eens zijne geheele onwaardigheid in ootmoed erkennen. Zijne zonden en misslagen indachtig, mag hij niet op eigen verdiensten steunen, maar in het vertrouwen op de oneindige barmhartigheid van God en de verdiensten van Jesus Christus de verhooring zijner beden verwachten. De vrome Tobias had van zijne jeugd af God getrouw gediend; hij was rijk aan goede werken en nochtans begon hij zijn gebed onder tranen en sprak: „Heer, Gij zijt rechtvaardig, en al „uwe oordeel en zijn rechtvaardig, en al uwe wegen barmhar-„tigheid en waarheid en gerechtigheid. En nu. Heer, wees „mijner gedachtig, en neem geene wraak aan mijne zonden, „en gedenk mijne misdaad nietquot; (Tob. Ill, 1—3). Hebben ook wij niet alle reden om zoo te bidden, hebben wij niet des te meer reden, naarmate wij verder beneden de deugden van dien Heilige van het Oude Verbond gebleven zijn ? — Niets is overigens meer geschikt, het hart van God tot goedheid en erbarrning te stemmen, dan een ootmoedig gebed. „Het gebed van den ootmoedige,quot; zegt de H, Geest (Sir. XXXV, 21), „dringt door de wolken; het heeft geene „rust, voordat het daar is, en gaat niet weg, voordat de „Allerhoogste het aanziet,quot; totdat het verhooring gevonden heeft. Baden wij toch met zoo oprechten ootmoed en vermorzeling des harten tot God als de tollenaar van het Evangelie (Luc. XVIII), die het niet waagde, zijne oogen ten hemel op te heffen, nederig op zijne borst klopte en sprak: „O God, wees mij zondaar genadig!quot; Voorwaar, dan zouden ook wij, even als hij, genade bij God vinden; want een ootmoedig en vermorzeld hart zal de Allerhoogste nooit versmaden. Al zouden wij in het gebed uitsluitend bezig zijn met ons voor de goddelijke Majesteit te beschuldigen, onze gebreken en fouten te bekennen en om genade en barmhartigheid te smeeken, dan zou toch dat gebed zeer heilzaam zijn. De vrome en geleerde Gerson verhaalt, dat een vurig dienaar Gods zich dikwerf op de volgende wijze uitdrukte: „Er zijn thans meer dan veertig jaren „verloopen, dat ik mij met alle vlijt er op toeleg, de kunst „van bidden mij toe te eigenen; ik heb evenwel tot dusverre geen krachtiger wijze van bidden kunnen uitvinden
629
„dan die, van mii als een arm, blind, van alles ontbloot „bedelaarskind voor God te stellen en zijne barmhartigheid „in te roepen.\'* Waarom zouden ook wij ons niet van die zoo gemakkelijke wijze van bidden bedienen? Wie is niet in staat, uren lang met den rouwmoedigen tollenaar te smeeken: „Heer, wees mij zondaar genadig,quot; of met den blindgeborene te herhalen: „Jesus, Davids zoon, erbarm u „mijner.quot;
3) Wij moeten met vertrouwen bidden, d. i. bij ons gebed vast hopen, dat God het verhooren zal, zoo het tot zijne eer en tot ons heil dienstig is. — „Ontbreekt het iemand „aan wijsheid,quot; schrijft de H. Apostel Jacobus (I, 5—7), „hij vrage deze van God, die aan allen rijkelijk geeft en „het niet moede wordt, en zij zal heiOa gegeven worden. „Hij bidde echter met geloof, zonder te twijfelen; want wie „twijfelt, is gelijk aan de golven der zee, die door den „wind bewogen en rondgedreven worden: daarom denke „zulk een mensch niet, dat hij iets van den Heer ontvan-„gen zal.quot; Een gebed zonder vast vertrouwen kan onmogelijk zóó wezen, als het volgens Gods wil en verordening zijn moet, om inderdaad verhoord te worden. Bij zulk een gebed zal het aan ijver, aan hartelijkheid en vooral aan volharding ontbreken. Wie bidt zonder een vast vertrouwen op God, is gelijk aan een schip, dat het anker mist. Evenals zulk een schip de speelbal der winden en golven is, en door deze naar alle kanten wordt heen- en weer gedreven, zoo zweeft ook hij, die zonder vertrouwen bidt, tusschen vreeze en hoop. Wel verre van God door zijn gebed te eeren, beleedigt hij Hem door zijn mistrouwen, als ontbrak het Hem aan macht en goedheid, om ons te helpen. — Christus zelf verklaart de kracht van het gebed afhankelijk van het vertrouwen, hetwelk uit het geloof aan zijne macht en goedheid ontspruit, met de woorden; „Al „wat gij in het gebed begeert, gelooft slechts, dat gij het „bekomt, en Hij zal het u gevenquot; (Marc. XI, 24). Daarom vorderde Hij ook altijd dat geloovig vertrouwen, als men Hem om eene of andere weldaad vroeg, en Hij liet van den anderen kant nooit een tot Hem gericht verzoek onverhoord, als degene, die bad, aldus gestemd was. Eens volgden den Heiland twee blinden, die uitriepen en spraken: „Gij zoon van David, ontferm u onzer!..... En
„de Heer sprak tot hen: IJ geschiede naar uw geloof!\'\' En hunne oogen werden geopend (Matth. IX, 27). Eene vrouw, die twaalf jaren aan bloedvloeiing geleden had, bezat zulk een onbegrensd vertrouwen op de macht en goedheid des Verlossers, dat zij bij zich zelve sprak: „Als
If Él
li
1
ill
630
„ik slechts den boord van zijn kleed mag aanraken, zal ik „gezond zijn.quot; Jesus keerde zich nu om, zag haar en sprak: „Dochter, wees getroost! uw geloof heeft u gehol-„pen.quot; En de vrouw was gezond van dat uur af aan (1. c. 20—22). Petrus wandelde eerst veilig op het water; toen hem echter hij het zien der hooge baren het vertrouwen ontging, begon hij te zinken. Nu strekte Christus zijne hand uit, greep hem en zeide: „Kleingeloovige, „waarom hebt gij getwijfeld?quot; (Matth. XIV, 31). De Heiland maakte er zijnen leerling geen verwijt van, dat hij over het water bij Hem wilde komen, maar wel dat hij in zijn geloovig vertrouwen had gewankeld. \')
Hetgeen wij hier gezegd hebben aangaande het bidden met vertrouwen, geldt niet alleen van de rechtvaardigen, maar ook van de zondaars. Ook deze moeten met hetzelfde geloof en vertrouwen de goddelijke Barmhartigheid om de genade van eene oprechte bekeering en om de vergeving der zonden smeeken. Zoo deed Maria Magdalena. en Jesus verhoorde hare bede, als Hij sprak: „uwe zonden zijn u „vergeven... Uw geloof heeft u geholpen. Ga in vrede!quot; (Luc. VII, 48, 50). Zoo deed ook de melaatsche, en hij hoorde van den Heer de troostrijke woorden: „wees getroost, „mijn zoon, uwe zonden zijn u vergevenquot; (Matth. XI, 2). Zoo deden ook de tollenaar in den tempel en de moordenaar aan het kruis, en de eerste „ging gerechtvaardigd „naar huisquot; (Luc. XVIII, 13), en de laatste kwam van het schandhout in het paradijs. — Geen zondaar, hoe groot ook zijne schulden zijn, mag wanhopen; niemand, onder voorwendsel, dat hij niet verdient verhoord te worden, het gebed nalaten. „Dat is eene duivelsche vrees,quot; zegt de H. Chrysostomus (over de onbegrijpeliikheid Gods, preek 5), „een voorwendsel van de traagheid in de hoogst gewichtige „aangelegenheid uwer bekeering. De duivel tracht u den
•) Van den H. Joseph van Cupertino uit de orde van den den H. Franciscus, die in het jaar 1663 stierf, vermelden de oorkonden zijner heiligverklaring, dat hij een zoo levend geloof en een zoo vast vertrouwen op God had, dat niets hem onmogelijk scheer. Vandaar dat hij gewoon was te zeggen: «-Wie geloof heeft, is meester van de „wereld. Hij kan, mocht het noodig zijn, door dat vast geloof bergen „van het eene werelddeel naar het andere overdragen.quot; De waarheid van zijn woord werd dan ook in zijn wonderbaar leven bewezen. „Daar zijn gebed door zulk een geloof en vertrouwen bezield was.quot; lezen wij in de heiligverklaring, //Was het ook allerkrachtigst, zooadat hij steeds verkreeg, wat hij voor het lichamelijk en geestelijk „welzijn vroeg. Ook degenen, die zich in zijn gebed hadden aan-„bevolen, ondervonden, dat hun de verlangde weldaden juist op „dien tijd verleend werden, dat de genoemde pater voor hen ge-«beden had.quot;
631
„terugkeer tot God af te snijden tot uw eeuwig ongeluk.quot; „Zal God vergeten zich te erbarmen, en terughouden in „zijnen toorn ziine barmhartigheid?quot; vraagt de koninklijke Profeet (Ps. LXXVI, 10). O neen, want „groot is de „barmhartigheid des Heeren voor degenen, die zich bekee-„renquot; (Sir. XVII, 28); en Jesus Christus zelf verzekert gekomen te zijn „om te zoeken en zalig te maken, wat „verloren wasquot; (Luc. XIX, 10).
Volgen wij alzoo, wie wij ook zijn mogen, hetzij zondaar of rechtvaardige, den raad des Apostels, die aan de Hebreën (IV, 16) schrijft: „Laten wij met vertrouwen „naderen tot den troon der genade, opdat wij barmhartig-„heid verkrijgen ten bekwamen tijde,quot; d. i. zoo vaak wij hulp behoeven. — En wat zou ons kunnen weerhouden , dat vertrouwen te koesteren? Wij weten toch, dat God ons alle goed geven kan, en om Jesus\' wille ook werkelijk geven zal, gelijk de Heiland zelf verzekert, als Hij spreekt: „voorwaar, voorwaar Ik zeg u, als gij den Vader in mijnen „naam om iets zult bidden, zal Hij het u geven.quot; Zelfs de rede leert ons, dat God, die ons uit liefde en goedheid geschapen heeft, ook bereid is, ons genadig in onze behoeften te ondersteunen. Hetzelfde leert de Psalmist (LXXXV, 5) met de woorden, welke hij tot God richt: „Gij, Heer, zijt „goed en mild en van groote erbarming voor allen, die IJ „aanroepen.quot; Teneinde het geringste mistrouwen uit onze harten te verbannen , wilde Jesus Christus zelf ons de uitdrukkelijke verzekering geven, dat wij nooit te vergeefs in zijnen naam om iets zullen bidden. Ons vertrouwen steunt derhalve niet enkel op de almacht en goedheid, maar ook op de getrouwheid Gods, op de belofte van Hem, die zegt: „Hemel en aarde zullen vergaan, maar mijne woorden zullen „niet vergaanquot; (Luc. XXI, 33).
Vanwaar komt het dan, dat wij, niettegenstaande God bereid is om ons te helpen, en Christus ons alles heeft toegezegd, evenwel niet altijd verkrijgen, wat wij vragen? Dit geschiedt hoofdzakelijk om drie redenen, welke wij hier nader zullen verklaren. Wij verkrijgen dikwijls niet datgene , waarom wij bidden:
a) Omdat wij niet goed bidden. Die reden geeft de H. Jacobus aan, als hij (IV, 3;) zegt: „Gij bidt en verkrijgt „niet, omdat gij slecht bidt,quot; d, i. in eene slechte stemming bidt Velen bidden slechts met de lippen, zonder aandacht, zonder ootmoed des harten, zonder een vast vertrouwen op God, zonder overgeving en volharding. Anderen bidden veel en dikwijls, gaan van de eene kerk naar de andere, maar niet zoozeer om aan God te behagen, als wel
632
om lof van de menschen in te oogsten of om zich als vroom voor te doen. Zij allen bidden slecht, verdienen niet verhoord te worden, evenmin als de Phariseën, die in de synagogen en op de straten baden, „om door de menschen „gezien te worden,quot; of in den tempel zich vol eigenliefde op huune vermeende deugden beroemden. — Er zijn er ook, die, naar het hun wellicht voorkomt, zelfs met aandacht en harteliikheid bidden, dat God zijne straffende hand van hen aftrekke, maar van oprechte boetvaardigheid niets willen hooren en hun schandelijk gedrag voortzetten. Ook deze bidden in eene slechte gesteltenis: zij willen God als het ware deelgenoot van hunne zonden maken, daar zij het wagen Hem te bidden, de zonde, welke zij nog liefhebben, ongestraft toe te laten. Zoo waren eertijds de Joden gezind. Daarom sprak God door den mond van den Profeet Isaïas tot hen: „Als gij uwe handen uitstrekt, keer Ik toch „mijne oogen van u af, en als gij veel bidt, zal Ik het „toch niet verhooren, want uwe handen zijn vol bloed! „Wascht, zuivert u, doet uwe booze gedachten weg voor „mijne oogen; houdt op verkeerd te handelen. Leert goed „doen, zoekt wat billijk is, komt den onderdrukte te hulp... „En komt dan en klaagt over Mij,quot; als Ik u niet verhoor. „Als gij dit echter weigert en Mij tot toorn opwekt, zal „het zwaard u treffen, want de mond des Heeren heeft „gesprokenquot;\' (Is. I, 16—20). Als wij dan God bidden, dat Hij zijne straffende hand van ons afwende, moeten wij ook ons hart van de zonde afkeeren, en als wij om eene of andere deugd bidden, moeten wij het vaste besluit maken, met zijne genade ter verkrijging daarvan mede te werken; onder die voorwaarde alleen zullen wy verhoord worden. En is onze wil om de zonde vaarwel te zeggen en de deugd door een aanhoudenden strijd te verwerven nog zwak, dan moeten wij des te vuriger onder tranen en zuchten God smeeken, dat Hij ons kracht en moed verleene. \')
•) Men ontkent soms, dat het gebed van den zondaar eenigerlei kracht heeft, en beroept zich daarbij op de woorden van den blindgeborene: //Wij weten, dat God de zondaars niet verhoortquot; (Joan. XI, 31). Dit is slechts waar, zegt de H. Thomas (2. 2. c[. 83 a. 16), wanneer de zondaar als zondaar d. i. uit een zondig verlangen, met eene zondige bedoeling bidt, als hij namelijk van God bevrediging zijner wraakzucht, zijner zondige lusten vraagt, als hij den Allerhoogste bidt, hem zijne zonden te vergeven, de verdiende straffen van hein af te weren, terwijl hij toch van zijnen kant hardnekkig in de zonde volharden wil; eindelijk als hij uit hoogmoed bidt,
ëelijk de Phariseër in den tempel, of als Antiochus uit huichelarij.— idt daarentegen de zondaar, zonder nog inderdaad boetvaardig te zijn, om de genade van het te worden; of wendt hij zich, zonder aan zijn zondigen toestand te denken, in zwaren nood, in kommerelijk de Phariseër in den tempel, of als Antiochus uit huichelarij.— idt daarentegen de zondaar, zonder nog inderdaad boetvaardig te zijn, om de genade van het te worden; of wendt hij zich, zonder aan zijn zondigen toestand te denken, in zwaren nood, in kommer
633
b) Wij verkrijgen ook niet altijd datgene, waarom wij bidden, wijl soms dat, wat wij begeeren, ons niet dienstig is. Wij begeeren dikwerf van God slechts tijdelijke goederen, als gezondheid, welvaart, rijkdom, eer, aanzien, enz. Als God nu voorziet, dat die goederen, in plaats van tot ons geluk, tot ons ongeluk zullen strekken, dan verhoort Hij onze beden niet. „Hij geeft alsdan niet datgene, „waarom wij bidden,quot; zegt de H. Augustinus (verkl. van Ps. GXLIV), „opdat zijne gave ons niet ten nadeel strekke.quot; Hij handelt derhalve met ons gelijk een geneesheer met zijnen zieke. Een verstandig geneesheer geeft namelijk den zieke niet het geneesmiddel, hetwelk deze smakelijk vindt, maar schrijft die middelen voor, waarvan hij weet, dat zij tot zijn berstel dienstig zijn. — Daartegen kan men niet zeggen, dat Christus ons toch belooft heeft, alles te geven, waarom wij in zijnen naam zullen vragen. „Want,quot; zooals de genoemde Kerkleeraar (verh. 73. over Joan.) opmerkt, „hetgeen wij begeeren in strijd met ons geestelijk welzijn, „wordt niet in zijnen naam gevraagd.quot; Jesus Christus is om onze zaligheid uit den hemel nedergedaald en op aarde gekomen; te dien einde heeft Hij geleden, te dien einde ons hemelscbe genaden verdiend. Hetgeen nu op geenerlei wijze tot onze zaligheid bijbrengt, en nog veel meer wat daarmede in strijd is, kan niet in den naam van Jesus, d. i. met het oog op onzen Verlosser en om zijne verdiensten verlangd en verkregen worden. Derhalve schrijft de H. Joannes (1. V, 14): „Dit is het vertrouwen, dat wij op „Hem, (op Christus) hebben (of moeten hebben), dat Hij „ons in alles, wat wij naar zijnen wil begeeren zullen, „verhoort.quot; Naar zijnen wil begeeren wij echter slechts dan, als wij verlangen, hetgeen tot zijne eer en onze zaligheid strekt. — Als God datgene weigert, wat tot ons geestelijk nadeel zou strekken, toont Hij zich juist het meest bezorgd voor ons bestwil, gelijk een vader, die zijn nog onverstandig kind, hoe dringend het ook vraagt, het mes niet in handen geeft, waarmede het zich gemakkelijk zou kunnen wonden. — Heeft overigens ons gebed die eigenschappen , welke het moet hebben, dan is het nooit ver-geefsch. God zal naar zijne oneindige barmhartigheid ons veel voortreffelijker gunsten schenken, dan die, welke wij
tot God, Hem met een geloovig vertrouwen om hulp en redding aanroepende: wie zal dan tot zulk een zondaar durven zeggen: „Houd ,op, want uw gebed is vruchteloos, is een gruwel voor God?quot; Als God de aalmoes van den zondaar niet onopgemerkt laat. zal Hij dan op diens vertrouwelijke bede geen blik van erbarming willen slaan? Het zou gewis eene onbillijkheid zijn, dit te veronderstellen.
634
van Hem gevraagd hebben. Zoo had de verloren zoon van zijnen vader, het liefelijk beeld van onzen hemelschen Vader, slechts verlangd, dat hij hem als een zijner daglooners zou beschouwen, maar deze herstelde hem in al de verbeurde rechten van een zoon (Luc. XV). De moeder der beide zonen van Zebedeus vroeg voor hen bij den Heiland om aardsche grootheid en heerschappij. In plaats daarvan verleent Christus de onvergelijkelijk grootere genade van binnen te gaan in het hemelrijk en, op heerlijke troonen gezeten, eens met Hem de wereld te oordeelen (Matth. XX).\') c) Wij verkrijgen ook menigmaal niet datgene, waarom wij bidden, omdat wij niet volhouden. Het kan namelijk gebeuren, dat wij goed, met de gevorderde aandacht, ootmoedigheid en met vertrouwen bidden, en dat ook datgene, waarom wij bidden, goed en heilzaam is, en wij nochtans niet verkrijgen, wat wij verlangen, omdat wij te vroeg ophouden met bidden; want niet zelden wil God slechts dan onze bede verhooren, als wij volhouden met bidden. — Uit het gelegde volgt, dat ons gebed, om op geenerlei wijze gebrekkig te zijn, niet enkel aandachtig, ootmoedig en met vertrouwen, maar ook met overgeving aan Gods wil en met volharding moet verricht worden; met overgeving aan Gods wil, wijl de Allerhoogste alleen weet of datgene, waarom wij bidden, ons tot heil verstrekt; met , wijl juist
daarvan de verhooring van ons gebed afhangt. Die twee
\') Het volgende, aan de H. Schrift ontleend, zal ons leeren, dat God dikwijls meer geeft, dan wij verlangen, als wij bij ona gebed vooral zijné eer, ons eeuwig geluk en dat van den naasten beoogen, volgens de vermaning van Jesus Christus: «Zoekt eerst liet rijk Uods ,/en zijne gerechtigheid, dan zal u dit alles (het tijdelijk goed) toe-z/geworpen wordenquot; (Matth. VI, 33). De Heer verscheen aan Salomon in een droomgezicht en sprak: ,Vraag wat gij wilt, dat ik u geve.quot; En Salomon antwoordde: „Gij hebt groote gunsten bewezen aan „mijnen vader David en nu in zijne plaats mij koning gemaakt. //Heer, Godl vervul dan de belofte aan mijnen vader! Ik ben slechts „een zwak jongeling, ik weet nog niet hoe te handelen, en toch „hebt gij mij gesteld in \'t midden van het volk, dat Gij uitverkoren „hebt, een volk, groot en ontelbaar als het stof der aarde! Geef mij „dan een leerzaam hart; geef mij wijsheid en verstand, opdat ik in „staat zij het volk te richten en onderscheid te maken tussc\'ien goed „en kwaad.quot; Die taal was aangenaam aan God. Daarom sprak Hij nu tot Salomon: „Omdat gij dit gevraagd hebt en niet rijkdom of „eer, niet de overwinning uwer vijanden noch een lang leven, maar „wiisheid en verstand om mijn volk, over hetwelk Ik u koning „gemaakt heb, te richten. — zie, gedaan heb Ik naar uw woord; „Ik heb u een wijs en verstandig hart gegeven; maar ook wat gij „niet gevraagd hebt zal ik u geven: rijkdom en glorie, zoodat gij „alle koningen vóór u en na u overtreffen zult. En zoo gij, even-,als uw vader gedaan heeft, op mijne wegen wandelt en mijne «geboden onderhoudt, zal Ik uwe dagen lang makenquot; (3. Kon. Ill, 5—13).
635
eigenschappen van het gebed willen wij thans meer uitvoerig bespreken.
4) De vierde eigenschap van het gebed is, dat wij met overgeving aan den goddelijken wil bidden, d. i. wij moeten het aan God overlaten, wanneer en hoe Hij goedvindt ons te verhoeren. Mogen en moeten wij een oprecht en vurig verlangen hebben, verhoord te worden, daar ons gebed zonder dat vertrouwen lauw en traag zou wezen , zoo mogen wij toch van den anderen kant niet zoo ver gaan, den Allerhoogste als het ware voor te schrijven, dat Hij ons terstond, op \'t eigen oogenblik dat wij bidden, en op die wijze verhoore , als wij het wenschen. Wij moeten integendeel bidden met volkomen onderworpenheid aan zijne heilige beschikking, en het aan zijne goedheid en wijsheid overlaten, ons dan en op die wijze te verhooren als met zijne oneindig wijze en liefderijke inzichten overeenkomt. \') Christus in doodangst verkeerende, verlangde naar de menschelijke natuur wel, dat de ure van zijn bitter lijden voorbij zou gaan; „Vader,quot; smeekte Hij, „bij U is alles mogelijk; „neem dezen kelk van Mij Hij voegde er echter terstond bij: „doch niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt! Niet mijn, „maar uw wil geschiede!quot; (Marc. XIV, 36 en Luc. XXII, 42). Maria en Martha wenschten vurig, dat haar zieke broeder geholpen werd; zij stellen zich echter tevreden met den Heiland te laten boodschappen: „Heer, zie, dien Gij „liefhebt, is ziek,quot; en lieten het aan Jesus over om te helpen, wanneer en hoe Hij goedvond (Joan. XI, 3). — Die eigenschap van overgeving aan Gods wil moet ons gebed
\') De godvreezende Judith geeft ons in dit opzicht eene ernstige en heilzame les. Toen Holofernes Bethulië belegerde, was het gejammer en de nood der inwoners zeer groot. Priesters en volk namen nu hunne toevlucht tot het gebed, om hulp van boven te verkrijgen. God scheen hunne gebeden niet te willen verhooren, integendeel hun toestand werd steeds hachèlijker. Ku stond Ozias (de bevelhebber van Bethulië) op, en sprak met weenende oogen: ,Houdt nog moed, broeders! laat ons nog vijf dagen op Gods ont-
«ferming wachten.....Komt er na vijf dagen geene hulp, dau
„zullen wij doen wat gij gevraagd hebt, namelijk de stad overgeven.quot; Als Judith het voorstel van Ozias vernomen had, zond zij naar de oversten der stad en sprak tot hen: ,/Wat is de reden, dat Ozias „er in toestemt de stad aan de Assyriërs over te geven, indien gij „binnen vijf dagen geene hulp bekomt? En wie zijt gij, dat gij den „Heer beproeft? Dat is geene taal, die tot barmhartigheid beweegt, „maar integendeel den toorn opwekt en de gramschap ontsteekt. Gij „hebt der erbarming des Heeren een tijd gesteld, en Hem naar „willekeur een dag bepaald. Wijl echter de Heer gewillig is, zullen
„wij boete doen en met tranen zijne hulp afsmeeken.....Weenend
„zullen wij den Heer zeggen, dat Hij, gelijk Hij wil, ons zijne barm-vhartigheid bewijzequot; (Judith VIII, 9—17).
636
vooral dan hebben, als wij om tijdelijke goederen bidden, welke tot ons geestelijk nadeel kunnen strekken en in staat zijn ons van bet bezit der eeuwige goederen te berooven. Doch ook bij het bidden om zekere geestelijke gaven is het, gelijk de H. Bernardus (Sermo 25) opmerkt, niet alleen raadzaam, maar zelfs plicht, de verhooring daarvan aan Gods welgevallen geheel over te laten. Dusdanige gaven zijn die, zonder welke wij van den eenen kant wel tot de zaligheid kunnen komen, en waarvan wij van den anderen kant niet zeker weten, of zij ons tot geluk zullen strekken of niet, zooals bijv. buitengewone verlichtingen en vertroostingen in het gebed, vervoeringen, visioenen, de gaaf der tranen, der voorzegging, enz. Het kan namelijk gebeuren , dat eene in de nederigheid nog niet genoeg bevestigde ziel door dusdanige hemelsche gunstbewijzen er toe gebracht zou worden, zich door eigenliefde en geestelijken hoogmoed te laten medeslepen. — Wat betreft de bevrijding van lastige bekoringen, men mag God wel bidden, dat Hij die wegneme, doch in zooverre het zalig is. In zulk geval toch moeten wij steeds gedachtig zijn aan de woorden van den Apostel (Rom. VIII, ^6): „Wij weten niet, wat „wij bidden zullen, gelijk behoort.quot; De genade om dergelijke bekoringen te overwinnen kan voor ons veel beter zijn, can geheel er van bevrijd te worden. De H. Paulus smeekte herhaaldelijk om bevrijding van den prikkel des vleesches en de kwellingen des duivels; doch God sprak tot Hem: „mijne genade is u genoeg; want de kracht wordt „in de zwakheid volkomenquot; (2 Cor. XII, 9). Wat wij evenwel onvoorwaardelijk, van ganscher harte en immer moeten verlangen en vragen, is, dat wij aan zijne genade deelachtig en in zijne oogen welgevallig mogen zijn; dat wij in Hem mogen leven en sterven, en dat het ons gegeven worde, zijne heerlijkheid te aanschouwen en Hem eeuwig te bezitten. Immers het is ontwijfelbaar Gods wil, dat wij hier onze heiliging bewerken en eenmaal de eeuwige zaligheid genieten.
5) Wij moeten met volharding bidden, d. i. niet ophouden met bidden, ofschoon wij niet gewaar wTorden dat God ons verhoort, maar des te ijveriger met bidden voortgaan. — Gelijk de overwinning meestal afhangt van het volhouden in den strijd, zoo hangt ook de verhooring van ons gebed in den regel van de volharding in het bidden af. Gelijk de Aartsvader Jacob den Engel, met wien hij worstelde, niet losliet, voordat hij van hem den zegen gekregen had, zoo zegt een H. Vader, moeten ook wij door een aanhoudend bidden en smeeken met God worstelen. Hem over-
637
winnen. God ziet het gaarne, dat gij Hem in, zekeren zin geweld aandoet, Hij verlangt vurig door u overwonnen te worden. Daarom vermaant Christus ons, in het gebed niet op te houden (Luc. XVIII), en stelt ons de kracht van het volhardend gehed in eene gelijkenis duidelijk voor oogen. „Zoo iemand van u,quot; zegt Hij (Luc. XI, 5—8) tot zijne leerlingen, „eenen vriend heeft en deze te middernacht tot „hem komt en hem zegt: vriend, leen mij drie brooden, „want mijn vriend is van de reis tot mij gekomen, en ik „heb niets om hem voor te zetten, en zoo die van binnen „antwoordt en zegt: val mij niet lastig, de deur is reeds „gesloten, en mijne kinderen zijn, zoowel als ik, in de „slaapkamer; ik kan niet opstaan en u geven; en zoo de „andere blijft kloppen: ik zeg u, dat, al stond hij niet op „en gave hem, omdat hij zijn vriend is, hij evenwel om „zijne lastigheid zal opstaan en hem geven, zooveel hij „noodig heeft.quot; Zeer juist merkt hierbij de H. Augustinus op: „Degene, die om brood gevraagd was, wilde het niet „geven, maar hij deed het toch, wijl de andere niet ophield, „hem daarom te verzoeken. Hoeveel te meer zal de goede „God ons geven wat wij vragen, daar Hij ons aanmoedigt ,.te bidden en het Hem onaangenaam is, als wij niet bid-„den.quot; En de reden aangevende, waarom God onze gebeden niet terstond verhoort, zegt dezelfde H. Leeraar: „ Datgene „waarnaar men langer verlangt, schenkt des te grooter „vreugde, als men het eindelijk verkrijgt; wat daarentegen „oogenblikkelijk gegeven wordt, schijnt ons van minder „waarde.quot; Nog duidelijker leeren wij de overwinnende „racht van het aanhoudend gebed in eene andere gelijkenis van den goddelijken Heiland (Luc. XVIII, 2—5). „Er „was in eene stad een rechter, die God niet vreesde en „geen mensch ontzag. En er was in die stad eene weduwe, „en zij kwam tot hem en zeide: verschaft mij recht van „mijnen tegenstander! En langen tijd wilde hij niet. Maar „daarna zeide hij bij zich zeiven: hoewel ik God nietvreeze ken geen mensch ontzie, nochtans, omdat deze weduwe mij „lastig valt, zal ik haar recht verschaffen, opdat zij mij „niet tot het einde kome afmatten,quot; Waartoe deze vergelijking van God met een goddeloozen, onrechtvaardigen rechter? Opdat wij begrijpen, antwoordt de H. Chrysostomus, hoeveel wij van God, den oneindig Goede, te verwachten hebben, als wij zien, dat die smeekende weduwe een zoo hardvochtig mensch tot medelijden weet te steramen.
Een treffend bewijs, hoeveel het volhardend gebed vermag op het hart van God, levert ons het voorbeeld van de chananeesche vrouw (Matth, XV). Toen Jesus zich in de
638
streek van Tyrus en Sidon bevond „kwam eene chananesche „vrouw uit deze landstreek en zeide tot Hem: ontferm XJ „mijner, Heer, Zoon van David! mijne dochter wordt deer-„lijk van den duivel gekweld. Doch Hij antwoordde haar „niet een woord. En zijne leerlingen tot Hem komende, „baden Hem zeggende: verbied haar, want zij roept ons „na. Maar Hij antwoordde en sprak: Ik ben niet gezonden, „dan tot de verloren schapen van het huis van Israël. En „zij kwam en aanbad Hem en zeide: Heer, help mij ! Doch „Hij antwoordde en sprak: het is niet goed, het brood der „kinderen te nemen en het den honden voor te werpen. „En zij zeide: het is waar. Heer! maar ook de hondjes „eten van de kruimels, welke van de tafel hnnner heeren „vallen. Toen antwoordde Jesus en sprak tot haar: o vrouw! „groot is uw geloof, u geschiede gelijk gij wilt! En hare „dochter werd van die ure af gezond.quot; — Moet dit ons niet beschamen, ons, die zoo spoedig moede worden, onze beden aan God voor te dragen; die, als ons gebed niet terstond verhoord wordt, kleinmoedig er mede ophouden? Hoe menig bedelaar wacht zeer lang aan de deur van den rijke en keert, al wordt hij ook afgewezen, nogmaals en andermaal terug. En toch oogst deze voor zijn aanhouden dikwijls slechts bespotting en beschimping; wij daarentegen zijn zeker, „dat onze hoop nooit zal beschaamd wordenquot; (Hom. V, 5). Ontvangen wij soms niet wat wij verlangen, dan wordt ons veelal iets beters geschonken. „En al ontvangen wij ook volstrekt niets,quot; zegt de H. Chrysostcmus (Hom. 33 over Joan.), „dan zou toch die aanhoudende woor-„denwisseling met God tegen ontelbare goederen opwegen.quot; Want het gebed is niet alleen een goed werk, waardoor wij, gelijk door elk ander, voor de bedreven zonden voldoen, de genade en den hemel verdienen; het maakt ook hemelsgezind, het is eene voortreffelijke oefening der goddelijke en zedelijke deugden, met één woord rijk aan vruchten van allerlei soort, gelijk vroeger is aangetoond. En dat voordeel van het gebed is ook dikwijls de reden, waarom God het niet terstond verhoort: God wil, dat wij in het gebed volhouden en daardoor in alle goed toenemen.
Moet men bij het gebed zich altijd van bepaalde woorden bedienenquot;!
Dit geschiedt alleen bij het mondelinge gebed; men kan evenwel ook geheel innerlijk bidden of overwegen.
Het gebed is, zooals boven gezegd werd, een spreken met God. Wij kunnen echter ook alleen met het hart tot God spreken, zonder dat de mond tegelijk uitspreekt, wat
639
wij gevoelen of verlangen; want bij God zijn niet, als bij den mensch, woorden noodig, om Hem de gevoelens en begeerten van ons hart kenbaar te makea. Zulk een gebed wordt genoemd een innerlijk gebed. Spreken wij tot God, gelijk wij met menschen gewoon zijn te spreken, als wij onze inwendige gedachten, gevoelens en wenschen door uiterlijke woorden openbaren, dan is ons gebed een mondeling gebed. Daar er nu geen waar gebed kan zijn zonder verheffing van het gemoed tot God, moet noodzakelijk met het mondelinge gebed ook het inwendige verbonden zijn; want anders zou het slechts in schijn een gebed zijn, zonder eenige waarde. Hoewel wij derhalve tusschen het inwendig en uitwendig gebed een onderscheid maken , bestaat toch het wezen van elk gebed in de vereeniging des harten met God. Daarom is echter het mondelinge gebed geenszins als nutteloos te beschouwen: de uitwendige godsdienst der lippen is goed en heilig, als zij uit de inwendige godsvrucht des harten ontspruit. — Wel is waar is een geheel innerlijk gebed, de uitstorting van een verlangend of bedrukt hart, menigmaal inniger en meer overeenkomstig onze behoeften dan eenig ander, dat men uit de gebedenboeken leest of naar oude gewoonte opzegt; evenwel kan toch niet ontkend worden, dat ook het uiterlijke of mondelinge gebed dikwerf tot het innerlijke opwekt, dit ondersteunt of onderhoudt. Het mondelinge gebed is verder tot den gemeenschappelijken godsdienst noodzakelijk, en derhalve ook door de Kerk in vele gevallen voorgeschreven; zell\'s de heiligste en verhevenste daad der openbare Gods-vereering , het H. Misoffer , wordt onder mondelinge gebeden voltrokken. Eveneens heeft Christus bij verschillende gelegenheden ons door zijn goddelijk voorbeeld het mondelinge gebed aanbevolen. Jesus bad mondeling bij de opwekking van Lazarus (Joan. XI, 41—42), bij het laatste Avondmaal (Joan. XVII) en daarna met zijne leerlingen (Matth. XXVI, 30). Hij bad mondeling in den hof van Gethsemane (Luc. XXII, 42) en aan het kruis (Luc. XXIII, 34). Daarom heeft ook de Kerk immer haren kinderen, in het bizonder den Priesters, het mondelinge gebed niet alleen aangeraden, maar zelfs bevolen en de Psalmen van David alsmede het gebed des Heeren als de voortreffelijkste voorbeelden aangewezen.
Daarbij is het echter de wensch der Kerk, dat de ge-loovigen zich ook in het inwendige gebed oefenen, namelijk in de overweging, welke eene uitmuntende, nooit genoeg aan te bevelen wijze van inwendig bidden is. Wij gaan alzoo over dit punt u iets meer mededeelen.
640
De overweging of het overwegende gebed bestaat daarin, dat taen het leven en lijden van Jesus, de goddelijke volmaaktheden of andere geloofswaarheden bij zich zeiven overdenkt, om in zijn hart vrome gevoelens, maar vooral goede besluiten en krachtige voornemens te verwekken. Volgens de gegeven verklaring is alzoo het inwendig gebed of de overweging eene aandachtige oefening van de krachten der ziel: geheugen, verstand en wil. Het geheugen stelt ons het voorwerp der overweging, een of ander geheim, eene waarheid of leer des geloofs voor de oogen des geestes. Het verstand zoekt naar beweegredenen, die ons moeten aansporen, ons leven overeenkomstig de erkende waarheid in te richten, en een waar berouw met eene heilzame schaamte op te wekken, als wij het tot dusverre niet gedaan hebben. Bij deze en dergelijke gevoelens van berouw , van ootmoed, van verlangen naar deugd en genade, van vertrouwen, van dankbaarheid en liefde jegens God vertoeft dan de wil, maakt goede besluiten en voornemens, en draagt die aan God op met de vurige bede om kracht, teneinde ze getrouw en standvastig te volbrengen.
Het groote nut der overweging blijkt van zelf. Hoe meer de Christen leeft van het geloof, hoe dieper hij indringt in de geheimen en waarheden van den godsdienst, hoe meer hij die tot richtsnoer zijner handelingen maakt, des te heiliger en aangenamer aan God zal ook zijne levens-wiize zijn. Doordat men over de waarheden des geloofs nadenkt, de geheimen van het leven en lijden van Christus, zijne lessen en voorbeelden beschouwt, en daaruit regels voor zijn gedrag afleidt, leeft men eerst recht in het geloof: men draagt de waarheden en lessen des Heeren steeds met zich rond, zii blijven in den geest steeds tegenwoordig en levendig (Zie Dr. Konrad Martin; Lehrbuch der Moral, § 193). Zoo wordt het geloof in zekeren zin de ziel van het christelijk leven, van een leven, rijk aan goede werken, aan bloemen van deugd en vruchten van verdiensten. In zulke geloovigen worden bewaarheid de woorden van den koninklijken Profeet: „zalig de man, die de wet „des Heeren overweegt dag en nacht! Hij is als een boom, „geplant aan waterbeken, die zijne vruchten geeft te zijnen „tijde.\'\' Vanwaar komt het daarentegen, dat er zelfs onder geloovige Christenen velen gevonden worden zonder deugd, ja overgegeven aan de zonde? Het antwoord geaft ons de Profeet Jeremias; „het geheele land ligt ledig en woest, „wijl er niemand is, die het zich aantrekt,quot; niemand, die ernstig overweegt, hoe bitter en slecht het is, door de zonde God, zijnen Heer, te verlaten. — De H. Thomas
641
van Aquine placht, zooals zijn levensbeschrijver getuigt te zeggen, dat er ééne zaak was, die hij onmogelijk kon begrijpen, hoe namelijk iemand, die zich in staat van doodzonde bevindt, kan lachen en vroolijk zijn. Inderdaad is dat beklagenswaardig verschijnsel slechts te verklaren door de onbezonnenheid van dusdaiiigen, die in de beslommeringen en genietingen der wereld voortleven, zonder ooit ernstig de waarheden des geloofs te behartigen.
Ofschoon het groote nut van de meditatie niet ontkend kan worden, de HH. Vaders en alle leeraars van het geestelijk leven ons er telken.3 opmerkzaam op maken, wordt er toch betrekkelijk weinig gebruik van gemaakt. Men meent, dat de overweging alleen goed is voor kloosterlingen en geestelijken, en men geeft met andere nietige verontschuldigingen voor, dat men niet kan mediteeren. Maar hoe! Kunt gij u niet de eene of andere geloofswaarheid, een of ander geheim van het leven en lijden van Jesus Christus voor den geest stellen? Kunt gij daarover niet nadenken? Kunt gij geene gevoelens en besluiten overeenkomstig die waarheid of dat geheim in u opwekken ? Als het er op aankomt, eene of andere tijdelijke zaak tot stand te brengen, dan hebt gij niet de minste moeielijkheid om u daaraan te herinneren en er telkens aan te denken, hoe gij eindelijk het gewenschte doel bereiken kunt; het zal u leed doen, tot dusverre de juiste middelen niet aangewend te hebben en gij zult het besluit nemen , er in \'t vervolg gebruik van te maken. En waarom zoudt gij met betrekking tot de onvergelijkelijk gewichtiger zaak van uwe eeuwige zaligheid niet hetzelfde kunnen doen? Gij kunt alzoo mediteeren als gij het ernstig wilt. \') Als wij ons soms niet opgewekt gevoelen tot de meditatie, geeft de H. Tranciscus van Sales den raad, een degelijk meditatieboek ter hand te nemen, daarin een weinig te lezen, vervolgens over het gelezene na te denken, daarna andermaal te lezen en weder na te denken, enz., tot de tijd, welken wij gewoon zijn aan de meditatie te besteden, verstreken is. Eveneens kunnen wij de gewone gebeden: het „onze Vader,quot; „Wees „gegroet,quot; het „Ik geloof in (ïod den Vaderquot; zoo verrichten, dat wij na eiken zin of wel na elk woord korter
i) De H. Hagdalena van Pazzis overwoog reeds als kind van negen jaar dagelijks een uur lang het bittere lijden van onzen Heer Jesus Christus, \'/jij stond \'s morgens in de vroegte op, om zich ongestoord met die overweging bezig te kunnen houden. Die heilige oefening, welke zij steeds geknield en met de meeste aandacht verrichtte, ontvonkte weldra in haar hart een vurig verlangen om Jesus na te volgen en te lijden voor Hem, die met zoo groote liefde voor haar geleden had.
DEHARBE, GELOOFSLEER. IV Süo OKÜK. 41
642
of langer nadenken, om er geestelijke vrucht uit te trekken.
Wij zullen eens veronderstellen, bij wijze van voorbeeld, dat gij tot punt uwer overweging het eerste artikel des geloofs neemt: „Ik geloof in God den Vader, den al-„machtigen Schepper van hemel en aarde.quot; Nadat gij u in Gods tegenwoordigheid gesteld en den bijstand des H. Geestes, om aandachtig uw gebed te verrichten, hebt ingeroepen, denkt gii: 1) het is waar. God heeft alles geschapen, ook mij..... 2) Als dat waar is, dan moet ik ook dankbaar zijn, zoo dankbaar, ja nog dankbaarder,
dan een kind jegens vader en moeder zijn moet.....3) Ben
ik dat altijd geweest? 4) Hoe had ik het kunnen en moeten zijn? 5) In weerwil mijner ondankbaarheid heeft de hemelsche Yader mij toch altijd nog bemind, mij al het noodige en zooveel aangenaams in mijn leven geschonken. O welke liefde van den kant van God! Welk eene ondankbaarheid van mijne zijdel 6) Vader, vergeef mij! Ik wil niet langer ondankbaar zijn! Ik wil nu uwen wil doen! Ik wil nu alles, wat ik ben en heb, U wedergeven door het naar uwen wil te gebruiken! 7) Ik wil in mijnen staat van daag dezen..... plicht beter volbrengen; die gelegenheid....., welke mij verhinderde getrouw mijn plicht te
vervullen, vermijden; dien hartstocht.....beteugelen; ik
zal tot uitwissching mijner fouten aan de armen eene aalmoes geven, b) Maar mijn God! zonder uwe genade kan ik mijne goede voornemens niet volbrengen. Verleen mij dan uwe gebade; ik bid en bezweer ü bij uwe heilige wonden, enz. Bid ten besluite een „onze Vaderquot; en „Wees „gegroet.quot; — Op dezelfde wijze kunt gij ook stilstaan bij de gedachte, dat God u geschapen heeft naar zijn beeld, en met het doel, om Hem te kennen, te beminnen, te dienen en daardoor zalig te worden. — Doe bij de overige artikelen des geloofs gelijk bij dit eerste. Stel u vooral alles levendig voor den geest, als hadt ge het voor oogen. En wanneer gij nu de waarheid of het punt der overweging levendig voor u hebt, denk dan aan u zeiven; hoe gij u volgens die waarheid te gedragen hebt; hoe gij tot dusverre gehandeld, hoe goed of kwaad gij daaraan gedaan hebt; hoe gij in \'t vervolg moet doen en wilt en kunt doen. Verneder u daarbij telkens voor God en schaam u, dat gij nog zoo weinig goed verricht, altijd slechts vroom in uwe voornemens en zoo zelden in uwe daden geweest zijt. Bid den Heer, dat Hij u heden nog eens als zijn dienaar aanneme en u niet verstoote. Bid verder om den bijstand der genade, eindig uwe meditatie en ga terstond vol vertrouwen op God aan het werk. De meditatie kan op elk
643
uur van den dag verricht worden, maar de geschiktste tij d daartoe is de ochtecd. Van Jesus zeiven verhaalt de Evangelist Marcus (I, 35), dat „Hij zeer vroeg des „morgens opstond, naar eene eenzame plaats ging en daar „bad;quot; en van het manna verhaalt de gewijde geschiedenis , dat het vóór den opgang der zon gezameld moest worden ; want bij den eersten zonnestraal smolt het weg. Dit geschiedde, gelijk de H. Geest in het boek der wijsheid ons te kennen geeft, „opdat iedereen zou weten, dat wij, eer „de zon opgaat, God moeten loven en danken,quot; en in de vroegte, voordat de zorgen en lasten van den dag ons storen, de kostbare vruchten van het gebed inzamelen.
Wanneer moeten wij hidden?
Christus zegt, dat men altijd moet bidden en nooit ophouden (Luc. XVIII, 1). Dat bevel geeft ook de H. Paulus, als hij aan de geloovigen van Thessalonica schrijft (1. Thess. V, 17): „Bidt onophoudelijk;quot; en reeds de wijze Sirach sprak: „Laat u niet verhinderen, altijd te „biddenquot;
De vraag is nu, hoe dat gebod om altijd en onophoudelijk te bidden, verstaan en opgevolgd kan worden.— Volgens het schrijven van den H. Epiphanius, waarop de H. Augustinus zich beroept, waren er ketters, die de aangehaalde woorden letterlijk opnamen en bijgevolg niet wilden werken, maar enkel bidden. In dien zin heeft echter Christus, noch de Apostel noch de katholieke Kerk die woorden begrepen; de Apostel immers zegt uitdrukkelijk: „wie niet wil werken , moet ook niet etenquot; (2. Thess. III, 10), en zelfs de vrome kluizenaars, die om des te ongestoorder zich aan het gebed te kunnen overgeven, het gewoel der wereld verlieten en zich in de woestijn terugtrokken, waren niet voortdurend met het gebed bezig, maar onderbraken het van tijd tot tijd, om zich aan den arbeid over te geven. Het gebod om altijd en zonder ophouden te bidden , mag alzoo niet in den streng letterlijken zin opgenomen, doch kan zeer goed in een drievoudigen gepasten zin verstaan worden. Ten eerste beteekent die opwekking, dat wij aanhoudend moeten bidden, nooit uit lichtzinnigheid, kleinmoedigheid of verveling het gebed mogen achterlaten, zelfs dan niet, als het schijnt, dat God ons niet wil verhooren en ons gebed vergeefsch zij. Ten tweede hebben die woorden de beteekenis, dat wij veel of dikwijls moeten bidden; zoo zegt men ook gewoonlijk van iemand, die veel en vlijtig studeert: hij studeert altijd, zonder ophouden,
41
644
hoewel hi] niet onafgebroken door werkt. Dit nu kunnen allen doen, zegt de H. Chrysostomus, elk uur en op elke plaats, te huis en op de straat, in de werkplaats en op het veld, bi] het uit- en ingaan, want God is overal, hoort u overal. En inderdaad belet u niets, door korte gebeden uwen geest en uw hart tot den Allerhoogste te verheffen; niets kan u verhinderen in stilte met hartelijkheid te bidden: „o Jesus, mijne liefde! Jesus, ik ben de „uwe, laat mij niet verloren gaan! — Jesus, Zoon van ,,David, ontferm U mijner! — Jesus, Maria en Joseph, „ik schenk u mijn hart en mijne ziel! O mij God en „mijn al! — Alles uit liefde tot TI, alles U ter eere! — „Vader niet miin wil. maar de uwe geschiede! — Liever „sterven dan U te beleedigen!quot; — Zulke verzuchtingen noemt men schietgebeden, wijl zij als een pijl snel door de wolken in het vaderhart van God doordringen. Alle Heiligen zonder uitzondering maakten er gaarne en dikwerf gebruik van. De vrome. God innig beminnende Christen gevoelt er behoefte aan, door dusdanige gebeden zich gestaag met God bezig te houden. Zeer schoon zegt de even deugdzame als geleerde Stolberg: „De levensadem van den Christen is het gebed; in het gebed ademt „hij zijn geloof, zijne hoop, zijne nederigheid, menigmaal „zijne droefheid, altijd zijne liefde tot God uit, en hij ademt „genade van Hem in, kracht om te lijden, te verdragen, „te strijden tegen zijne vijanden, de wereld, den duivel „en zijne eigen bedorven natuur.quot; Ten derde beteekent „altijd en onophoudelijk biddenquot; ook, al zijn doen en laten, al zijne wederwaardigheden en genoegens aan God opofferen, teneinde van Hem het eeuwige leven te verkrijgen. Het eeuwige leven van God te begeeren is ongetwijfeld een gebed, en wel een zeer voortreffelijk gebed. Als wij nu uit verlangen naar het eeuwige leven, of met de bedoeling om het te verkrijgen, arbeiden, dan is onze arbeid en onze zorg een voortdurend en zeer verdienstelijk gebed. Derhalve zegt de H. Augustinus (Br. 130. n. 18); „Bidt zonder ophouden,quot; wat is dat anders dan: ver-„langt onophoudelijk het eeuwige leven van Hem, die alleen „bij machte is het te geven ? Indien wij dit voortdurend „van God den Heer verlangen, dan bidden wij zonder ophouden. Op deze wijze wordt geheel ons leven een onafgebro-„ken gebed.quot; \') — Te vergeefs zullen wij ons echter voornemen,
i) Deze les prentte ook de H. Magdalena van Pazzis hare geestelijke zusters in. Wanneer iemand zeide, dat die voortdurende ver-eeniging met God, waarop zij zoo aandrong, onmogelijk was, gaf zij
645
alles voor God en het eeuwige leven te doen en te verdragen , als wij ons niet tegelijk bevlijtigen, door hertaalde schietgebeden de goede meening te vernieuwen en God om zijn bijstand te smeeken. Opdat alzoo geheel ons leven een aanhoudend gebed zij , moeten wij beide oefeningen, namelijk de vernieuwing van de goede meening en de verheffing van ons hart tot God, steeds gepaard doen gaan. Wij bidden inderdaad altijd, als wij dikwijls hart en gedachten tot God opheffen en Hem al ons werk, onze wederwaardigheden en gevoelens opofferen. Evenwel mogen wij ons daarmede niet tevreden stellen; wij moeten ook, zooals de H. Augustinus terecht opmerkt, op zekere tijden nog bizonder bidden, d. i. met terzijdestelling van alle andere zorgen en bezigheden alleen met het gebed bezig zijn. Christus bad altijd op de aangeduide wijze; niettemin zonderde Hij zich dikwerf op een berg of eene andere eenzame plaats af, om langen tijd, somwijlen geheele nachten, in het gebed door te brengen. Hoeveel te meer moeten wij er dan den tijd tot bidden afnemen, daar wij de genade, welke Christus niet behoefde, tot onze heiliging zoozeer noodig hebben.
Wanneer moeten wij vooral lidden?
1) Bij bekoringen, gewichtige ondernemingen, geheime en openbare rampen.
Er zijn tijden, dat de Christen door de vijanden zijner zaligheid menigvuldiger en heviger dan gewoonlijk bestreden wordt, tijden van veelvuldiger en grooter bekoringen. In zulke tijden van gevaar is het een heilige plicht, van het wapen des gebeds meer dan anders en aanhoudender gebruik te maken, gelijk de krijgsman, die ook in vrede wel zijn wapen draagt en zich daarmede oefent, maar in oorlogstijden het niet uit zijne hand laat gaan en met buitengewone kracht weet te voeren.
Eveneens betaamt het, dat wij bij gewichtige ondernemingen, waarvan ons eigen geluk of het heil van onzen naaste afhangt, eerst bij God te rade gaan, Hem om verlichting, moed en volharding bidden. En wanneer de nood ons drukt, als rampen ons vaderland en de H. Kerk be
ten antwoord: „Het is zeker onmogelijk, zich in eene voortdurende „vereeniging met God te houden, zoodat men zonder ophouden aan ,Hem alleen denkt, want dat kan enkel in den hemel geschieden z/maar het is wel mogelijk, door voortdurend tot God op te zien, ,zich met Ilem te vereenigen. Want als wij onzen lichamelijken of //geestelijken arbeid verrichten met de bedoeling om God daarmeê te //behagen, Hem te eeren en te verheerlijken, mag men vrij beweren ,dat men op die wijze voortdurend met God vereenigd is.quot;
646
dreigen, waar zullen -wij dan troost, waar hulp en redding zoeken dan bij God, en hoe anders dan door een aanhoudend en vurig gebed? — Christus zelf maande zijne leerlingen aan, in het uur der bekoring te bidden, als Hij in den hof van Olijven tot hen sprak: „waakt en bidt, opdat gij niet „in de bekoring valt,quot; bidt opdat gij u niet aan SI ii ergert, Mij niet verlaat en uit elkander vlucht als eene kudde, wier herder verslagen is (Matth. XXVI, 31, 41). Zoo ook leert de Heiland , dat wij ons tot gewichtige ondernemingen door het gebed moeten voorbereiden. Alvorens namelijk zijn openbaar leerambt te beginnen, ging Hij in de woestijn, waar Hij veertig dagen vastend en biddend doorbracht. Alvorens de twaalf Apostelen tot de verkondiging der goddelijke leer uit te kiezen, bad Hij gedurende den ganschen nacht (Luc. VI, 1^); en ook zijn lijden ter verlossing der wereld begon Hij met het gebed. In nood en in moeielijkheden, welke ons persoonlijk treffen, ijverig en aanhoudend te bidden, leert ons eveneens het voorbeeld van onzen goddelijken Verlosser, die in zijne diepe droefheid, in zijn dood-angst te Gethsemane zijn gebed langen lijd voortzette (Luc, XXII, 43). — Óok in het Oude Verbond kenden godvruchtige zielen reeds het zoo krachtige midde\'., om in een aanhoudend gebed Gods hulp en bescherming te zoeken. Zoo ging Sara, de dochter van Eachel en de toekomstige gade van den jongen Tobias, met zwaren kommer op het hart, in de bovenste kamer van haar huis en at en dronk drie dagen en drie nachten niet, maar volhardde in het gebed en smeekte God met tranen, dat Hij haar verlossen zou van de schande, beschouwd te worden als moordenares van hare mannen, die door den Satan waren omgebracht (Tob. Ill, 10, 11). Dat ook bij openbare rampen steeds tot openbare gebeden de toevlucht werd genomen, blijkt genoegzaam uit de reeds aangehaalde voorbeelden. Ook laat de Xerk niet na, hare kinderen dikwerf in het heiligdom des Heeren te verzamelen, om door gemeenschappelijk gebed den geesel van oorlog, hongersnood, pest en anderen rampen af te wenden.
2) \'s Morgens en \'s avonds, voor en na het eten, als de bedeklok luidt en als wij in de kerk zijn. In vroegere eeuwen baden de Christenen niet alleen \'s morgens en \'s avonds, voor en na het eten, maar bovendien meermalen door den dag, inzonderheid op het derde, zesde en negende uur, gelijk eertijds de Profeet Daniël gewoon was te doen (Dan, VI, 10). Zelfs in den nacht stonden zij soms op, om hun gebed te verrichten, naar het voorbeeld van David, die van zich zeiven getuigt; „Ik ben des nachts uwen naam gedachtig, o Heer....
647
„Tegen middernacht sta ik op, om ü te lovenquot; (Ps. CXVTII, 55, 62). Men zou zich vergissen met te denken, dat de eerste Christenen \'s nachts bijeenkwamen alleen uithoofde van de vervolging, waaraan zij bloot stonden. Zelfs nadat de Kerk vrede verkregen had, voerde het liefdevuur en het verlangen om God te loven hare kinderen des nachts naar het heiligdom van den Heer. De HH. Vaders Basilius, Chrysostomus, Ambrosius, Hilarius en anderen wekten de geloovigen in hunne toespraken tot het nachtelijk bezoek van de kerk op, en drongen er bij degenen, die niet ter kerke konden gaan, op aan, dat zij minstens te huis zich zouden beijveren , meermalen gemeenschappelijk te bidden (Zie Binterira, Denkwürdigk. Dl. IV. I hfdst. 6). Onder de levensregelen, welke de H. Hieronymus aan de H. Eustochium, eene voorname romeiiische dame, gaf, vindt men ook die, van twee of driemaal in den nacht op te staan om te bidden. — Hebben wij den moed niet of laten de omstandigheden, waarin wij leven, ons niet toe, dien ijver in het gebed van de eerste Christenen na te volgen, dan moeten wij ons toch voor \'t minst er op toeleggen, het ochtend- en avondgebed behoorlijk te verrichten.
a) Het morgengebed. Elke nieuwe dag is eene nieuwe weldaad van den Allerhoogste, die ons den tijd geeft, om de zalige eeuwigheid te verdienen, en het betaamt, dat wij eiken morgen de eerstelingen van onze gedachten, gevoelens en begeerten bizonder toewijden aan Hem, die alleen op alle gevoelens van ons hart, op elke beweging onzer ledematen, op elke werking van onze ziel een billijk, een ontegensprekelijk recht heeft. Daarom zegt de H. Geest in het boek van Sirach (XXXIX, 6): „De wijze is gewoon „zijn hart in den vroegen morgen tot den Heer, zijnen „Schepper, op te heffen, en den Allerhoogste te bidden.quot; Danken wij derhalve bij het ontwaken voor den onder Gods zorg gelukkig overleefden nacht; offeren wij te zijner eere op alle krachten van lichaam en ziel, alle moeielijkheden en rampen, alle wederwaardigheden en genoegens, alle bekoringen, welke door den dag óns deel zullen zijn; vernieuioen viij het voornemen. Hem ijverig te dienen, de zonde te vermijden, deugdzaam, vlijtig, gehoorzaam, zedig en toegevend te zijn; lidden wij Hem om zijnen zegen en de hulp zijner genade, teneinde de gemaakte voornemecs te volbrengen, en ons werk naar zijn welbehagen en verdienstelijk voor den hemel te verrichten; levelen wij ons eindelijk ook aan de moederlijke bescherming van Maria, van onzen Engelbewaarder, van onzen Beschermheilige, opdat zij voor ons bidden en de genade verwerven, gedurende den dag hun voorbeeld te volgen. — Dat morgengebed behooren wij knielende en
648
met oprechte godsvrucht te verrichten. Wij kunnen het kort doen, als onze beroepsbezigheden ons dringen, maar mogen het nooit achterwege laten. Het morgengebed is van meer belang, dan alle andere tijdelijke bezigheden, hoe gewichtig ook; het brengt vrede, rust en vrolijkheid in het hart, verwerft ons licht, kracht en volharding, het trekt tijdelijken en eeuwigen zegen van God op ons dage-lijksch werk af.
b) Het avondgebed. Niet alleen het begin van den dag, ook het einde er. van moet den Heer worden toegewijd; want God is „het begin en het einde,\'\' de Schepper en het einddoel van alle dingen. Gelijk eertijds in den tempel te Jerusalem niet enkel een morgen- maar ook een avondoffer werd opgedragen, zoo brengt ook thans elk ijverig Christen aan het einde van den dag God een offer des gebeds. Voor het kruisbeeld, dat in geene enkele slaapkamer mag ontbreken, valt de geloovige, alvorens hij zich ter ruste begeeft, op de knieën, dankt den Allerhoogste voor alle lichamelijke en geestelijke weldaden, onderzoekt nauwkeurig zijn geweten en verwekt eene akte van berouw over alle bedreven fouten. Bovendien verwekt hij akten van geloof, hoop en liefde, bidt om den goddelijken zegen en bescherming voor den nacht en om een zalig sterfuur, ook vergeet hij niet, zich op nieuw aan de Moeder Gods, den H. Engelbewaarder en den Heilige, wiens naam hij draagt, met vertrouwen aan te bevelen. Vele brave Christenen hebben de loffelijke gewoonte, bij het slapen gaan de Engelen en Heiligen uit te noodigen, gedurende den nacht in hunne plaats God te loven; desgelijks hec verlangen uit te drukken, dat elke ademtocht, elke polsslag gedurende dien nacht moge gelden als eene hulde aan de goddelijke Majesteit, als eene akte van berouw en dankbare liefde. Heil dengenen, die met zoo heilige gedachten en gevoelens inslapen! Gods vaderoog zal over hen waken, zijne rechterhand hen beschermen. — Is men na dea ver-moeiendea arbeid van den dag te veel afgemat, om een lang avondgebed te verrichten, dat men tenminste eenige oogenblikken bidde. Daarbij verzuime men niet een onderzoekenden oogslag te werpen op den verstreken dag, en was men zoo ongelukkig eene zware zonde te bedrijven, dan geve men zich alle moeite om eerst zooveel mogelijk een volmaakt berouw daarover te verwekken. De noodzakelijke zorg voor zijne eeuwige zaligheid eischt dit van een elk. Wie toch is verzekerd, als hij zich ter ruste begeeft, dat hij den volgenden ochtend nog onder net getal der levenden zal wezen ? Hoe dikwijls gebeurde het niet,
649
dat Christenen, die opgeruimd en gezond gingen slapen, eensklaps door den dood werden weggerukt, en voor den troon van den goddelijken Rechter ontwaakten ?
Het was voorheen en het is ook nu nog een vroom gebruik van echt christelijke huisgezinnen, het morgen- en avondgebed gemeenschappelijk te verricliten. JJe vader, de moeder of een der kinderen bidt aandachtig voor, en wekt aldus de overige leden van het gezin op. God hunne dankbaarheid te betoenen. Hem als met óénen mond hunne beden voor te steilen. O hoeveel draagt die gewoonte er toe bij, om geloof, godsvruclit en deugd in het huisgezin te bewaren! En hoe krachtig, hoe aangenaam aan God is zulk een gebed! Het kan rekenen op eene belofte, welke aan het gebed van een enkelen menscli niet gedaan is. ,VVaar er twee of drie in mijnen naam ver-«eenigd zijn,quot; zegt Jesus Christus, ,/daar ben Ik in hun midden,quot; d. i. daar sluit Ik Mij als medebidder aan, en //wat zij ook vragen, »het zal hun door den Vader in den hemel gegeven wordenquot; (Matth. XVIII, lü, 20). Vele en groote genaden zullen dag aan dag op zulk een huis nederdalen, genade en bescherming tegen de zonde, genade om getrouw en standvastig de plichten van staat te vervullen, genade om geduldig de huiselijke moeielijkheden en beproevingen te verdragen; de rijkste zegen van God zul op zulke huisgezinnen rusten.
Daar wij over het gebed aan tafel reeds in het derde deel . gesproken hebben, en van den Engel des Heeren later spraak zal zijn, blijft ons hier nog slechts over, aan te toonen, dat wij ook vooral moeten bidden, als wij in kerk zijn.
3) Hoewel de geheele schepping waarlijk een tempel Gods is, en wij in alle plaatsen onze gebeden tot God kunnen opzenden, betaamt het toch, dat wij dit vooral in de kerk doen. Immers de kerk is bij voorkeur een huis Gods en een huis des gebeds, waar alles, wat wij zien en hooren, ons tot de overweging van goddelijke dingen moet opwekken.
a) Christus zelf noemt den tempel „het huis Godsquot; (Luc. VI, 4), „het huis zijns Vadersquot; (Joan. II, 16),„hethuis „des gebeds\'\' (Matth. XXI, 13). En wat kan ons beter overtuigen, hoezeer God geneigd is, de gebeden te verboeren , in de kerk verricht, dan de woorden, welke Hij sprak tot Salomon, die den heerlijken tempel te Jerusalem gebouwd had. De Heer verscheen hem (koning Salomon) des nachts en zeide: „Ik heb uw gebed gehoord en deze „plaats Mij uitverkoren tot offerbuis. Mijne oogen zullen „geopend zijn en mijne ooren opmerkzaam op het gebed „van dengene, die bidt in deze plaats. Want Ik heb deze „plaats uitverkoren en geheiligd, dat mijn naam er eeuwig „zij, en mijne oogen en mijn hait zullen daar blijven alle „dagenquot; (2. Kron. Vil, 12 en volg.). Hoeveel meer gelden die woorden van den tempel des Nieuwen Verbonds, van onze kerken, waar Jesus, de mensch geworden God, zijnen genadetroon heeft opgeslagen, waar Hij in het H. Sacrament onder ons woont, dag en nacht, als een vader onder zijne
650
geliefde kinderen, waar Hij onder ons woont, om ons te troosten, ons te verkwikken, met alle schatten zijner genade te verrijken. Met veel meer recht dan de koninklijke Zanger kan alzoo ieder onzer uitroepen: „Hoe liefelijk zijn „uw woningen, o Heer der heirscharen! Mijne ziel haakt „en versmacht naar de voorhoven des Heeren. De inusch „vindt haar huis, en de tortelduif haar nest; ik — uwe „altaren. Heer der heirscharen, mijn Koning en mijn God!quot; Hier mijne rustplaats, raijn troost, al mijne vreugde en geluk.
h) De kerk noodigt ons tot bidden uit, en wel niet alleen, omdat zij het huis Gods is en de bestemming heeft, een huis des gebeds te zijn, maar ook, wijl in de kerk alles, wat men ziet en hoort, de ziel van den geloovige tot de overweging van jroddelijke zaken verheft. Te huis valt er veel voor, wat den Christen verstrooit en hem verhindert, naar de aanwijzing van den goddelijken Heiland (Matth. VI, 6), zich in eene eenzame afgesloten kamer met God en goddelijke dingen bezig te houden. In de kerk daarentegen wekt alles tot bidden op: tijdens de godsdienstoefening de verheven ceremoniën, het hartverheffend gezang, de heerlijke toonen van het orgel en meer daa dit alles de opdracht van het onbloedig Offer, waar de Koning der glorie, door bemiddeling des Priesters, zich zeiven den Allerhoogste opdraagt; buiten dien tijd de plechtige stilte, welke de nabijheid van God te kennen geeft, het diepe stilzwijgen van alle aanwezigen, het altaar, waar Christus woont, de beelden van den Zaligmaker en van de Heiligen, die er tot stichting der geloovigen geplaatst zijn, de schilderstukken, welke de geheimen van ons geloof en de voorbeelden van deugd dergenen, die naar dat geloof geleefd hebben, voorstellen en aanschouweliik maken, de godvruchtige houding der geloovigen, die allen hun oog op den tabernakel richten, waar de God van hun hart troont. Dit alles maakt een heiligen indruk op de ziel van ieder, die met ernst en goeden wil de kerk ingaat, en trekt hem onwederstaanbaar tot het gebed.
Voor wie moeten wij hidden?
Wij moeten bidden voor alle menschen: voor levenden en afgestorvenen, vrienden en vijanden, bizonder voor ouders, broeders en zusters, weldoeners, voor geestelijke en wereldlijke overheden, ook voor afged waalden en ongel oo vigen.
Gelijk wij alle menschen, hetzij vrienden of vijanden, moeten beminnen, zoo moeten wij ook voor allen zonder uitzondering
651
bidden, voor allen, die met ons aan de eeuwige zaligheid kunnen deelachtig worden, namelijk die of wel nog in leven zijn, of in het vagevuur op verlossing wachten. Dit is een liefdedienst van groote waarde, een liefdedienst, welken zij allen, armen zoo goed als rijken, niet alleen den levenden, maar ook den overledenen bewijzen kunnen, en ook als een voortreffelijk werk van christelijke barmhartigheid bewijzen moeten. Daartoe vermaant de Apostel Jacobus ons (V, 16) met de woorden: „Bidt voor elkander, opdat gij zaligmoogt wor-„den;quot;\' en de H. Paulus als hij schrijft: „Ik vermaan u, „dat er vóór alles gehsden, voorbeden, dankzeggingen ge-„schieden voor alle menschen, voor koningen en alle over-„heden, opdat wij een stil en gerust leven mogen leiden „in alle godsvrucht en eerbaarheid. Want dit is goed en „welgevallig aan God, onzen Heiland, die wil, dat alle „menschen zalig worden.quot; De orde, welke wij bij het bidden voor anderen in acht moeten nemen, is dezelfde, welke, volgens de in het derde deel gegeven verklaring, bij het verrichten van liefdewerken moet gevolgd worden. Zoo hebben degenen, die met ons door bloedverwantschap of vriendschap, door weldaden, aan ons bewezen, door dezelfde kerkelijke en burgelijke gemeenschap verbonden zijn, ook meer aanspraak op ons gebed, dan anderen, met wie wij in geenerlei bizondere betrekking staan. Hoe nauwer en krachtiger de band is, welke ons met iemand vereenigt, des te dringender wordt ook de verplichting, hem in ons gebed te gedenken. Vandaar dat de kinderen in de eerste plaats voor hunne levende of reeds gestorven ouders moeten bidden. — Als Christenen zijn wij ook vooral verplicht, voor de geheele katholieke Kerk en voor hare opperhoofden te bidden, opdat God hunne pogingen tot verheerlijking des Allerhoogsten en tot heil hunner kudden zegene. Ook de H. Paulus zegt ons dit, als hij, aan de geloovigen van Thessalonica en van Colosse schrijvende, hen vermaant, voor hem te bidden, opdat God hem „de deuren des „Woords ontsluite.quot; Desgelijks moeten wij ook voor de wereldlijke vorsten bidden, daar van hunne regering het algemeen welzijn en de vrede der Kerk in hooge mate afhangt. Van den H, Ignatius van Loyola verhaalt zijn vertrouwde vriend en leerling. Pater Eibadineira, dat hij dagelijks voor alle koningen en keizers, voor alle vorsten en wereldlijke overheden bad en God smeekte, dat hij hunne ondernemingen tot zegen der volkeren en tot bloei zijner H. Kerk op aarde zou doen strekken. — „Het is verder,quot; zegt de roomsche Katechismus (Deel IV. over het gebed), „gelijk de H. Augustinus getuigt (Brief 217), „een van de
652
„Apostelen voortkomend gebruik, ook voor diegenen te „bidden, die van de Kerk gescheiden zijn, opdat de onge-„loovigen het geloof verkrijgen , de afgodendienaars van hunne „God onteerende dwaling bevrijd, de Joden door het licht „der waarheid verlicht, de ketters in de beginselen der „katholieke leer onderricht, de scheurmakers met hunne „Moeder de Kerk, van wier gemeenschap zij zich afge-„scheiden hebben, door den band van ware liefde weder „vereenigd worden.\'\' Eindelijk moeten wij ook voor alle zondaars bidden, maar in het bizonder voor diegenen, aan wie wij wellicht door ergernis geestelijk nadeel hebben toegebracht, opdat wij alzoo door ons gebed die fout herstellen. — En ofschoon er zeer vele zondaars zijn, die door hunne verstoktheid zelve oorzaak zijn, dat het gebed, hetwelk voor hen verricht wordt, zonder uitwerksel blijft, vordert toch de christeliike liefde van ons, dat wij ook voor hen bidden en God smeeken, dat Hij hen genadig zij.
TOEPASSING.
Nadat de koningin van Saba hare verbazing had te kennen gegeven over de grootheid, macht en wijsheid van Salomon, sprak zij tot hem: „Hoogst gelukkig zijn uwe „lieden en uwe knechten, die voortdurend bij u staan en „uwe wijsheid hooren\' (3. Kon. X, 8). Die woorden gelden ook u, Christen, u, den gelukkige, wien het gegeven is, eiken dag en elk uur van den dag voor den Koning dei-koningen en den Heer der Heirscharen te mogen verschijnen en in den eenvoud des harten met Hem te spreken. Wie is in staat die hemelsche gunst, dat hooge geluk naar waarde te schatten? „Bedenk het wel,quot; zegt een geestelijk schrijver. Pater Vincentius Maraffa uit de Sociëteit van Jesus, „bedenk het wel: een arme, nietige worm mag naderen tot den Heer van hemel en van aarde, mag zich „vertrouwelijk met de goddelijke Majesteit onderhouden, „gelijk een kind met zijne lieve moeder, met zijn bestea „vader; hij mag tot God, voor wiens heerlijkheid de Che-„rubs sidderen en hun gelaat verbergen, als een broeder „met zijnen broeder, als een vriend met zijnen vriend spre-„ken, hij mag Hem tot deelneming in zijne vreugde en in „zijn lijden opwekken, van Hem raad, troost en hulp be-„geeren en met vertrouwen verwachten.\'\' Wel te recht zegt de li. Chrysostomus: „De grootheid van die eer niet „in te zien en het gebed niet te beminnen, is het hand-„tastelijkste bewijs van onverstand en ongevoeligheid.quot; Hoe gelukkig achten zich de menschen, als het hun ook maar
653
eenmaal in het leven vergund wordt, voor een koning dezer aarde te verschijnen? En hoe trotsch zijn zij er op, als zij elk uur toegang tot hem hebben, tot zijne lievelingen en vertrouwelingen behoorea? Hoe verheugen zij zich in die uitstekende gunst, welke hun den sleutel tot het hart en de schatten van hunnen vorst in de hand geeft? En zou dan de Christen zich niet verheugen, bij God, voor wien de koningen dezer aarde zijn als waren zij niet, immer toegang te hebben? Moet hij zich niet gelukwen-schen, den Allerhoogste zijne beden te mosren voordragen, vooral als hij bedenkt, dat zijn onsterfelijke Weldoener machtig en rijk genoeg is om die te kunnen verhooren, en bereid om ze te willen verhooren? — Wel is waar zijn wij arme, zondige menschen zonder de genade des H. Geestes niet in staat behoorlijk van die hooge gunst gebruik te maken, ja, niet eens bij machte op de vereischte wijze onze beden voor te dragen. „Daarom,quot; zegt de bovengenoemde schrijver, „smeek, mijn kind, voor alles tot „God om de genade van te kunnen bidden, zooals het be-„hoort; want zonder den H. Geest vermoogt gij het niet. „Bid om geene genade dringender dan om de gave des „gebeds. Bid daarom in den naam en in de kracht van „het hart van Jesus, bidt aanhoudend, met volharding om „die gave. Houd niet op, al zoudt gij ook uw halve „leven daarom bidden, volhard. God beproeft wellicht „uwe trouw, maar eindelijk zal Hij ze u toch geven. Ja, „Hij geeft ze gaarne. Hij laat zich gaarne door ons over-„ winnen.quot;
§ 1. Over liet gebed tics Ilecren.
Welk is het voortreffelijkste, geheel?
Het voortreffelijkste gebed is het Onze Vader of het gebed des Heeren, dewijl dit door Christus, den oppersten Leermeester, gemaakt is, en alles bevat, wat wij mogen be-geeren. Toen Jesus eens op eene afgelegen plaats gebeden had, sprak een van zijne leerlingen tot Hem: „Heer, leer „ons bidden, gelijk ook Joannes (de Dooper) zijne leer-„lingen geleerd heeft.quot; En Hij zeide tot hen: „Als. gij „bidt, zegt dan: Onze Vaderquot; enz. (Luc. XI, 1—4. Matth. VI, 10—13). Christus zelf heeft alzoo geleerd, waarom en hoe wij bidden moeten. Wie kan er nu aan twijfelen, dat dit gebed, niet alleen wegens zijn godde-
654
lijken oorsprong het eerwaardigste, maar ook het voor-treffelijkste, het meest geschikte is, om die genaden af te smeeken, welke wij tot ods welzijn behoeven? Jesus, de eeuwige Wijsheid, kende nauwkeurig al onze behoeften; Hij wist eveneens, hoe ons gebed zijn moet om bij zijn hemelschen Vader verhooring te vinden, en als de oneindige Goedheid en Liefde wilde Hij ons ook in staat stellen, zóó tot het goddelijk Vaderhart te spreken, dat wij vast mogen vertrouwen, verhoord te worden. Daar de goddelijke Zoon voor ons een gebed heeft opgesteld, waarmede wij ons tot den Vader van erbarming móeten wenden, hebben wij daardoor een waarborg voor den goeden uitslag van die bede. Gelijk toch een wereldlijk vorst niet zal nalaten, een verzoekschrift goedgunstig op te nemen en te verhooren, dat door zijn eigen beminden zoon is opgesteld, zoo zal ook de hemelsche Vader ongetwijfeld genadig het gebed verhooren, hetwelk zijn eengeboren Zoon ons geleerd heeft en dat wij op zijn bevel verrichten. Zeer schoon zegt hierover de H. Cyprianus: „Hij, die ons het „leven heeft gegeven, heeft ons ook geleerd te bidden, „opdat, wanneer wij met het gebed, hetwelk de Zoon ge-„leerd heeft, tot den Vader spreken, wij des te eer ver-„hoord worden.... Immers daar Christus zegt, dat de „Vader ons alles zal geven, waarom wij in zijnen naam „vragen, zullen wij des te meer zeker zijn, dat wij verkrijgen wat wij vragen niet alleen in Christus\' naam, „maar met zijne eigen woorden.quot;
Waaruit lestaat het Onze Vader?
Uit de aanspraak: „Onze Vader , die in de hemelen zijt,quot; en uit zeven beden: „Geheiligd zij uw naam,quot; enz.
Wanneer men zich tot de grooten en machtigen dezer aarde wendt, om eene of andere gnnst van hen te verwerven, spreekt men hen gewoonlijk aan met den titel, welken zij volgens hunne waardigheid en rang dragen, bijv; uwe Majesteit, uwe Hoogheid, uwe Doorluchtigheid, enz. om daardoor hun den verschuldigden eerbied te betuigen en hnnne welwillendheid te winnen. Eveneens nu moeten wij doen bij het begin van ons gebed jegens de allerhoogste Majesteit van God. De rechtvaardigen van het Oude Verbond begonnen veelal hun gebed met te zeggen: „Heer, „almachtige Koning, Gij, die hemel en aarde geschapen „hebt,quot; of andere dergelijke woorden, welke op dealmacht en onbeperkte heerschappij van God betrekking hebben. Jesus Christus leerde ons het gebed te beginnen met de
655
aanspraak: „Onze Vader.quot; De verdere verklaring van de woorden: „Onze Vader, die in de hemelen zijt,quot; zal later worden gegeven; wij merken hier alleen op, dat deze woorden geene bede, maar alleen eene aanspraak zijn, waarmede wij naar de aanwijzing van onzen goddeliiken Leeraar den Allerhoogste moeten begroeten, als wi] biddend voor zijn genadetroon verschijnen. De zeven beden van het „Onze Vaderquot; bevatten in het kort al datgene, wat wij van God mogen hopen en verlasgen, zoodat er, volgens de leer der Kerkvaders, niets is, waarom wij behoorlijker wijze God kunnen bidden, wat niet in de zeven beden begrepen is. Overigens leert dit korte gebed ons niet alleen , om welke goederen wij moeten bidden, maar het is ook eene aanduiding, in welke orde wij die naar gelang hunner voortreffelijkheid en nadere betrekking tot onze bestemming moeten verlangen. Zoo smeeken wij in de vier eerste beden om de mededeeling van al datgene, wat tot bereiking van ons laatste doel, onze bestemming behoort; in de drie laatste daarentegen om verwijdering van al datgene, wat ons hindert in-, het bereiken dier bestemming. Eene voorloopige korte voorstelling van den hoofdinhoud der zeven beden zal de gegeven aanwijzingen duidelijker maken, en tevens eene gepaste inleiding zijn tot de verklaringen, welke nog gegeven moeten worden. Het doel, waartoe wij geschapen zijn is God: wij zijn verplicht Hem in de eerste plaats door onze kennis en liefde te verheerlijken; dat wij dit inderdaad mogen doen, vragen we in de eerste bede: „Geheiligd zij „uw naam;quot; wij moeten Hem echter ook eeuwig bezitten en daardoor zalig worden, en dit vragen wij in de tweede bede: „laat toekomen uw rijk.quot; Om nu tot het bezit van God, tot de eeuwige zaligheid te geraken, moeten wij hier op aarde den wil Gods trouw vervullen ; daarom luidt de derde bede: „uw wil geschiede op de aarde als in den „hemel.quot; En daar wij op onze aardsche pelgrimsreis naar den hemel dagelijks Gods ondersteuning en hulp voor lichaam en ziel noodig hebben, is de vierde bede: „geef ons heden „ons dagelijksch brood.\'1 In het bereiken van onze bestemming worden wij echter verhinderd door een drievoudig kwaad, namelijk een verleden, een tegenwoordig en een toekomstig. Een kwaad, dat uit het verledene voorkomt, is elke zonde, waaraan men zich schuldig heeft gemaakt, en daarom bidden wij ten vijfde: „vergeef ons onze schul-„den, gelijk wij ook vergeven onzen schuldenaren.quot; Het tegenwoordige kwaad is het gevaar van nieuwe zonde te bedrijven, een gevaar, waarin wij door de vele bekoringen, welke ons bestormen, bijna voortdurend verkeeren. Daarom
656
volgt de zesde bede: „en leid otis niet in bekoring.quot; Het toekomstige kwaad is hoofdzakelijk een kwade dood en de eeuwige verdoemenis. Van dit kwaad en van alles, wat daartoe leidt, bewaard te worden, vragen wij vooral in de zevende bede; „verlos ons van den kwade.quot;
„Onze Vader, die in de hemelen zjtquot;
1. Het woord Vader herinnert ons, dat God onze Vader is, zoo goed en eerbiedwaardig als geen Vader op de ge-heele wereld, en dat wij alzoo met kinderlijken eerbied, liefde en vertrouwen Hem moeten bidden. — Ja, God is uw Vader! Niemand komt de zoete en eerwaardige naam van vader meer toe dan Hem. Of zeg mij, „is Hij niet ,.uw Vader, die u gemaakt en geschapen heeftquot; (5. Mos. XXXII, 6), die dag aan dag u voedt en zoo liefderijk zorg draagt voor alles, wat gij noodig hebt? Is Hij niet uw Vader, die in het H. Doopsel u een nieuw, bovennatuurlijk leven gegeven, u als kind aangenomen en tot erfgenaam van zijn rijk, van zijn zoo heerlijk en onvergankelijk rijk der hemelen bestemd heeft? „Ziet,\'\' zegt daarom de H. Joannes (1. Ill, 1), „ziet welke liefde de Vader „ons bewezen heeft, dat wij Gods kinderen genoemd wor-„den en zijn;\'\' en de H. Leo aarzelt niet „de macht om „kinderen Gods te worden,quot; eene gave te noemen, „welke „alle andere gaven overtreft.quot; — „Bewondert,quot; roept de H. Chrysostomus uit, den onuitsprekelijken rijkdom der „goedheid Gods, die ons toelaat Hem Vader te noemen! „De aardsche mag den Hemelsche, de sterfelijke den Onsterfelijke, de tijdelijke den Eeuwige, hij, die gisteren „nog stof was, mag Hem Vader noemen, die van alle „eeuwigheid God is.quot; — Doch niet te vergeefs wordt ons geleerd. God onzen Vader te noemen. Wij moeten, als wij God den naam van Vader geven, volgens de vermaning van den H. Cyprianus er ook op bedacht zijn, „als kin-„deren Gods te leven, opdat, gelijk het ons aangenaam is „God tot Vader te hebben. Hij ook welgevallen in ons, „zijne kinderen, hebbe.quot; In het bizonder moeten wij, als onze tong bij het begin van het gebed dezen naam uitspreekt, ook in ons hart dien eerbied, die liefde en dat vertrouwen koesteren, welke wij aan dien naam verschuldigd zijn: eerbied, wijl God de eerbiedwaardigste Vader is en van zijne kinderen uttdrukkelijk vereering eischt, als Hij zegt: „Ben Ik uw Vader, waar is mijne eer?quot; (Malach. I, 6). Liefde en vertrouwen, omdat Hij de liefderijkste, goedigste en mildste aller vaders, „de Vader der erbarming
657
„en de God van allen troost is, die on® troost in al onze „moeielijkhedenquot; (2. Cor. I, 3, 4).
2) Het woord 07ize herinnert ons, God de ^ader van alle menschen is, en wy derhalve? a^en als broeders hartelijk moeten liefhebben en voor elkan^e.r bidden. Is God, geliik wij aantoonden, Vader, wiilhij als Schepper u het natuurlijke leven gegeven heeft e® steeds ocder-houdt, Hij is ook de Vader van al ^we medemenschen, daar Hij allen, gelijk u, geschapen hPeft ei1 onderhoudt. „Hebben wij dan niet allen,quot; vraagt dé Profeet Malachias (II, 10), „ée\'nen Vader? Heeft ons ni^ één gescha-„pen? Waarom veracht alzoo onder ons de een den ander ?quot; En is God nog veel meer uw Vadert dewijl Hij in het H. Doopsel u het veel verhevener, bov^atuurlijke leven der genade medegedeeld en daardoor tc^ z\'.iri kind en erfgenaam van zijn rijk aangenomen heeft\' ^an hebben ook alle Christenen, even als gij. God op pijzondere wijze tot Vader, daar zij bij hunne wedergeboorfc6 bet water en den H. Geest eveneens de hooge waardio^6^ en de rechten van het kindschap van Hem ontvangen hebben. Daarom wordt er van de Christenen in \'t biz^11^1quot; gezegd: „Gij „allen zijt broeders,quot; en, gij „hebt ma^1\' eenen Vader, die „in den hemel isquot; (Matth. XXIII, Ö\' 9)- 4ls nu alle menschen en vooral de Christenen kir\'^eren zijn van een en denzelfden Vader, dan volgt hier noodzakelijk uit, dat allen en bizonder de Christenen elkander als broe(iers moeten beminnen, en dat de een voor den and#re den algemeenen Vader zegen en genade moet vragen. Hoe schoon, hoe hartverheffend is de gedachte, dat all6 Christenen onder elkander broeders zijn, dat alle, onversc^% zij rijk of arm, gering of voornaam, geleerd of onwetend zijn, als kinderen Gods en broeders van Jesus\' Christus dezelfde goederen en rechten bezitten! Dit is eene gelijkheid en broederschap, welke uit God, niet uit d0\'eu?en ^rtkomt, welke tot vrede en orde, niet tot strijd equot; omwenteling leidt.
3) De woorden: „die in de hemelen z1^quot; herinneren ons: 1) dat God overal tegenwoordig is, vooral in den hemel woont, „waar wij Hem eenmaal van aanschijn tot „aanschijn zullen aanschouwenquot; (1. Cor. 1^). Ofschoon God wegens zijne onmetelijke natuur aari geece bepaalde plaats gebonden, maar op alle plaatsen t6 ge1-ijk er tijd tegenwoordig is, stelt toch de H. Schrift meermalen den hemel voor als de woning van God, waar de Allerhoogste, aangebeden door de koren der zalige geest^P gt; beven de sterren troont, waar ook Jesus na zijne verr;\'.)zen^s in den glans der verheerlijking binnen trok, om bez:^ te nemen van zijn
DEIIAKBE, GELQOPSLEER. IV 3lt;Je DKÜK. 42
658
rijk en voor ons eene woning te bereiden. De reden dier voorstelling is vooral deze, dat de hemel, die zich boven onze hoofden uitstrekt, in den gloed der zon ^ alsook in de zachte schemering van maan en sterren, het heerlijkste en schoonste deel der zichtbare schepping en bijgevolg de treffendste afbeelding is van die plaats van licht, majesteit en heerlijkheid, waar God zich aan zijne vrienden openbaart. Daarom is ook de gedachte aan den hemel als Gods woning zeer geschikt om ons een hoog denkbeeld van de macht en heerlijkheid des Allerhoogsten te geven, en ons, als wij tot Hem bidden, met heiligen eerbied en met de gevoelens van den diepsten ootmoed en onderdanigheid te vervullen. Vandaar dat reeds de rechtvaardigen van het Oude Verbond gewoon waren bij het begin van hun gebed oogen en handen ten hemel te hefien. Zoo spreekt de Psalmist (CXXII, 1) : „Tot ü hef ik mijne oogen op. Gij, die woont in den hemel,quot; en (Ps. GXL, 2): „De opheffing mijner handen zij een „avondoffer.quot; En zoo wil ook Ghristus, dat wij in het gebed God, onzen Vader, als troonend in den hemel ons voorstellen. 2) Door die woorden worden wij eveneens herinnerd, dat wij op aarde slechts pelgrims zijn en in den hemel ons vaderland hebben. Immers ons ware vaderland is daar, waar ons ware vaderhuis, onze ware vaderstad zich bevindt; dat vaderhuis, die vaderstad nu is in den hemel, de woning en stad van God, onzen Vader. Hier beneden hebben wij alzoo geene blijvende woonplaats, wij zoeken allen eene toekomstige, waaruit niets in staat zal zijn ons te verbannen. Naar dat beter en eeuwig vaderland, waar zoovelen onzer broeders ons zijn voorgegaan, moeten wij vurig verlangen, naar die hemelsche genoegens verzuchten dag en nacht. Alles wat de aarde aanbiedt, is niet in staat ons hart te bevredigen: de vreugde en het geluk van het hemelsch vaderhuis alleen kunnen onzen dorst naar eindelooze zaligheid stillen. Daarom zegt ook de H. Gregorius, de Groote (hom. 29 over de Evang.) : „Niets verkwikke ons in de diepte van dit tranendal, ons, „die onzen Vader in den hemel hebben.\'\' — 3) Worden wij er nog vooral aan herinnerd, dat wij bij het bidden ons hart van het aardsche moeten losrukken en hemelwaarts heffen. Gelijk de woorden: „de harten omhoog,quot; waarmeê de Priester bij het Misoffer de geloovigen aanmaant, het aardsche te vergeten en slechts op het hemelsche en goddelijke geheim, dat zal voltrokken worden, acht te geven, zoo bevatten ook de inleidingswoorden van het „Onze Vaderquot; eene dringende aanmaning, om ten tijde, dat wij tot God spreken, alle aardsche zorgen ter zijde te stellen, alle ge-
659
dachten aan tijdelijke aangelegenheden te verbannen, en enkel aan het hemelsche te denken, onzen geest met goddelijke dingen hezig te houden en met godsvrucht den hemelschen Vader onze heden voor te dragen. \')
Waf vragen mij in de zeven heden van hei Onze fader?
I. In de bede: „geheiligd zij uw naamquot; vragen wij dat de naam Gods nooit ontheiligd of gelasterd, maar dat God door ons en alle menschen gekend, bemind en vereerd worde.
De uitdrukking „heiligenquot; heeft hier niet de beteekenis van „heilig maken,quot; alsof de naam van God niet bovendien heilig is, of wel door ons eene vermeerdering van heiligheid zou kunnen verkrijgen. „Heiligenquot; wil hier zooveel zeggen als „heilig houden,quot; d. i. om zijne heiligheid behoorlijk in eere te houden. In die beteekenis komt de besproken uitdrukking in de H. Schrift dikwijls voor, bijv. in het derde gebod van God, waar wij lezen: „Gedenkt, „dat gij den sabbathdag heiligt.quot; Wij wenschen en vragen alzoo in de eerste bede vooral, gelijk de H. Augustinus zich uitdrukt (over de bergrede boek 2. hfdst. 5), „dat de naam van God door alle menschen heilig „gehouden „worde,quot; dat bijgevolg van de aarde verdwijnen: vloeken, meineed, godslasteringen, met één woord alles, waardoor de goddelijke naam onteerd en gelasterd wordt. — „Hei-„ligen,quot; beteekent verder naar de wijze van uitdrukking van de H. Schrift „verheerlijken.quot; In dezen zin spreekt God (5. Mos, XXXII, 51): „Gij hebt tegen Mij gezondigd
\') De HH. Vaders zijn gewoon de uitdrukking „Onze Vaderquot; bij voorkeur in dezen zin te nemen. Daarom werd ook het Onze Vader gemeenlijk met den naam van „gebed der geloovigenquot; aangeduid en daarom was het van oudsher, gelijk ook nu nog, gebruik, bij de godsdienstoefeningen het Onze Vader stil te bidden, uitgenomen in dd zoogenaamde //Mis der geloovigen,quot; welke de katechumenen niet mochten bijwonen. De H. Vader Chrysostomus (hom. 2, over den 2den brief aan de Corinthicrs) en Augustinus (sermo 181) getuigen van dit beteekenisvol kerkelijk gebruik. — Het onderscheid tusschen de verhouding, waarin wij tot God, als onzen Schepper, en die veel meer verhevene, waarin wij tot God, als onzen Vader, door de genade staan, nauwkeurig aangevende, schrijft Dr. Scheeben (,Natur „und Gnade,quot; bladz. 89.) zeer juist, dat wij van nature, in zooverre wij namelijk door God geschapen zijn, eigenlijk dienaars, onderdanen zijn van God, als van een grooten Koning, die de wereld bestuurt. „Als zoodanig mogen wij niet toetreden, om in zijne onmiddellijke „tegenwoordigheid te vertoeven, en van aanschijn tot aanschijn met „Hem te verkeeren, met Hem aan ééne tafel\'te zitten, dezelfde „zaligheid te genieten, met Hem te regeeren, alles te bezitten, wat „Hem toebehoort, en zoo het erfdeel van den koninklijken prins te „verkrijgen. Dit alles is slechts voor de door de genade van Christus „aangenomen kinderen weggelegd\'.quot;
32*
658
rijk en voor ges eene woning te bereiden. De reden dier voorstelling is vooral deze, dat de hemel, die zich boven onze hoofden uitstrekt, in den gloed der zon j alsook in de zachte schemering van maan en sterren, het heerlijkste en schoonste deel der zichtbare schepping en bijgevolg de treffendste afbeelding is van die plaats van licht, majesteit en heerlijkheid, waar God zich aan zijne vrienden openbaart. Daarom is ook de gedachte aan den hemel als Gods woning zeer geschikt om ons een hoog denkbeeld van de macht en heerlijkheid des Allerhoogsten te geven, en ons, als wij tot Hem bidden, met heiligen eerbied en met de gevoelens van den diepsten ootmoed en onderdanigheid te vervullen. Vandaar dat reeds de rechtvaardigen van het Oude Verbond gewoon waren bij het begin van hun gebed oogen en handen ten hemel te heffen. Zoo spreekt de Psalmist (CXXII, 1) : „Tot TJ hef ik mijne oogen op, Gij, die woont in den hemel,quot; en (Ps. CXL, 2): „De opheffing mijner handen zij een „avondoffer.quot; En zoo wil ook Christus, dat wij in het gebed God, onzen Vader, als troonend in den hemel ons voorstellen. 2) Door die woorden worden wij eveneens herinnerd, dat wij op aarde slechts pelgrims zijn en in den hemel ons vaderland hebben. Immers ons ware vaderland is daar, waar ons ware vaderhuis, onze ware vaderstad zich bevindt; dat vaderhuis, die vaderstad nu is in den hemel, de woning en stad van God, onzen Vader. Hier beneden hebben wij alzoo geene blijvende woonplaats, wij zoeken allen eene toekomstige, waaruit niets in staat zal zijn ons te verbannen. Naar dat beter en eeuwig vaderland, waar zoo velen onzer broeders ons zijn voorgegaan, moeten wij vurig verlangen, naar die hemelsche genoegens verzuchten dag en nacht. Alles wat de aarde aanbiedt, is niet in staat ons hart te bevredigen: de vreugde en het geluk van het hemelsch vaderhuis alleen kunnen onzen dorst naar eindelooze zaligheid stillen. Daarom zegt ook de H. Gregorius. de Groote (hom. 29 over de Evang.) : „Niets verkwikke ons in de diepte van dit tranendal, ons, „die onzen Vader in den hemel hebben/\' — 3) Worden wij er nog vooral aan herinnerd, dat wij bij het bidden ons hart van het aardsche moeten losrukken en hemelwaarts heffen. Gelijk de woorden: „de harten omhoog,quot; waarmeê de Priester bij het Misoffer de geloovigen aanmaant, het aardsche te vergeten en slechts op het hemelsche en goddelijke geheim, dat zal voltrokken worden, acht te geven, zoo bevatten ook de inleidingswoorden van het „Onze Vaderquot; eene dringende aanmaning, om ten tijde, dat wij tot God spreken, alle aardsche zorgen ter zijde te stellen, alle ge-
659
dachten aan tijdelijke aangelegenheden te verbannen, en enkel aan het hemelsche te denken, onzen geest met goddelijke dingen bezig te houden en met godsvrucht den hemelschen Vader onze heden voor te dragen. \')
IFat vragen wij in de zeven heden van het Ome Vader!\'
I. In de bede: „geheiligd zij uw naamquot; vragen wij dat de naam Gods nooit ontheiligd of gelasterd, maar dat God door ons en alle menschen gekend, bemind en vereerd worde.
De uitdrukking „heiligenquot; heeft hier niet de beteekenis van „heilig maken,quot; alsof de naam van God niet bovendien heilig is, of wel door ons eene vermeerdering van heiligheid zou kunnen verkrijgen. „Heiligen\'\' wil hier zooveel zeggen als „heilig houden,quot; d. i. om zijne heiligheid behoorlijk in eere te houden. In die beteekenis komt de besproken uitdrukking in de H. Schrift dikwijls voor, bijv. in het derde gebod van God, waar wij lezen: „Gedenkt, „dat gij den sabbathdag heiligt.quot; Wij wenschen en vragen alzoo in de eerste bede vooral, gelijk de H. Augustinus zich uitdrukt (over de bergrede boek 2. hfdst. 5), „dat de naam van God door alle menschen heilig „gehouden „worde,quot; dat bijgevolg van de aarde verdwijnen: vloeken, meineed, godslasteringen, met één woord alles, waardoor de goddelijke naam onteerd en gelasterd wordt. — „Hei-„ligen,quot; beteekent verder naar de wijze van uitdrukking van de H. Schrift „verheerlijken.quot; In dezen zin spreekt God (5. Mos. XXXII, 51): „Gij hebt tegen Mij gezondigd
\') De HH. Vaders zijn gewoon de uitdrukking „Onze Vaderquot; bij voorkeur in dezen zin te nemen. Daarom werd ook het Onze Vader gemeenlijk met den naam van //gebed der geloovigenquot; aangeduid en daarom was het van oudsher, gelijk ook nu nog, gebruik, bij de godsdienstoefeningen het Onze Vader stil te bidden, uitgenomen in de zoogenaamde „Mis der geloovigen/\' welke de katechumenen niet mochten bijwonen. De H. Vader\' Chrysostomus (hom. 2. over den 2den brief aan de Corinthiërs) en Augustinus (sermo 181) getuigen van dit beteekenisvol kerkelijk gebruik. — Het onderscheid tnssohen de verhouding, waarin wij tot God, als onzen Schepper, en die veel meer verhevene, waarin wij tot God, als onzen Vader, door de genade staan, nauwkeurig aangevende, sohrijft Dr. Scheeben (,Natur //und Gnade,quot; bladz. 89.) zeer juist, dat wij van nature, in zooverre wij namelijk door God geschapen zijn, eigenlijk dienaars, onderdanen zijn van Uod, als van een grooten Koning, die de wereld bestuurt. «■Als zoodanig mogen wij niet toetreden, om in zijne onmiddellijke „tegenwoordigheid te vertoeven, en van aanschijn tot aanschijn met ,/Hem te verkeeren, met Hem aan ééne tafel te zitten, dezelfde «zaligheid te genieten, met Hem te regeeren, alles te bezitten, wat „Hem toebehoort, en zoo het erfdeel van den koninklijken prins te „verkrijgen. Dit alles is slechts voor de door de genade van Christus „aangenomen kinderen weggelegd;quot;
32*
660
„en Mij niet geheiligdquot; (d. i. Mij niet verheerlijkt) „onder „de zonen Israëls.quot; Dat onder de uitdrukking „uw naamquot; niet de naam Gods alleen, maar God zelf verstaan moet worden, is reeds bij het tweede gebod des Heeren opgemerkt. „Geheiligd zij uw naamquot; staat derhalve gelijk met het hoofdbeginsel der christelijke leer, dat God door ons en alle menschen moet verheerlijkt worden. Wij verheerlijken echter God vooral, door Hem als het hoogste, volmaaktste goed te kennen. Hem als zoodanig van harte te beminnen, en in het licht dier kennis en aangespoord door die liefde Hem te eeren, Hem naar het voorbeeld der zaligen in den hemel te loven en te prijzen. Wij smeeken derhalve bij het uitspreken dier bede God , dat alle heidensche volkeren de duisternissen van het ongeloof mogen verlaten en, door de stralen van het goddelijk licht verlicht, Hem als den waren God kennen, eeren en aanbidden; dat ook al degenen, die in dwaling zijn, en alle zondaars van hunnen dwaalweg terugkeeren, om God den Heer door de belijdenis van het alleen zaligmakende geloof en door een heiligen levenswandel te eeren en te verheerlijken. Wij bidden eindelijk, dat wij en alle menschen in de kennis, in de liefde en in den dienst van God mogen toenemen, opdat, gelijk God heilig is, ook wij, als kinderen van een zoo heiligen Vader, heilig mogen zijn en in de hsiligheid tot het einde van ons leven volharden.
De heiliging van den goddelijken naam in den aange-duiden zin neemt, overeenkomstig de aanwijzing van Jesus Christus, onder de zeven beden de eerste plaats in, omdat de eer en verheerlijking van God ons boven alles moeten ter harte gaan. Tot zijne eer en verheerlijking toch zijn wij en alle dingen geschapen, en als wij Hem, den be-minnenswaardigsten Vader, zooals behoort bovenal en meer dan ons zeiven beminnen, als wij Hem dien ten gevolge alle mogelijke goed wenschen, dan zullen wij ons tevens aangespoord gevoelen, datgene, wat wij Hem wenschen, ook vóór alles te vragen, namelijk zijne meerdere eer en verheerlijking op den geheelen aardbodem, terwijl het verlangen en de wensch van onze eigen zaligheid in het rijk Gods eerst de tweede plaats in onze gebeden zal innemen. \') Is nu de verheerlijking Gods inderdaad de
\') Hoe gloeiend de ijver was, waarmede Heiligen boyenal de verheerlijking van God zochten, toont ons het voorbeeld. \\an den H. Ignatius van Loyola allerduidelijkst. Pater Ribadineira,, zijn leerling en later zijn levensbeschrijver, verhaalt van liem het volgende. — In de maand Juli 1541 zeide Ignatius in mijn bijzijn: „Als God mij „de keuze liet, van óf wel terstond te sterven en in het bezit der //eeuwige zaligheid te geraken, óf onzeker van mijne volharding in
661
eerste zorg van ons hart, dan zullen wij niet slechts vurig er om bidden, maar ook naar krachten medewerken, voornamelijk door het voorbeeld van een deugdzaam leven, om Gods eer te bevorderen. Derhalve zegt de Heiland (Hatth. V, !6): „Zoo schijne uw licht voor de menschen, opdat „zij uwe goede werken zien, en uwen Vader verheerlijken, „die in den hemel isen de Prins der Apostelen vermaant de eerste Christenen: „Leidt een goed leven onder „de heidenen, opdat degenen, die kwaad van u als van „boosdoeners spreken, uwe goede werken zien en God „lovenquot; (1. Br. II, 12).
II. In de bede: „laat toekomen uw \\ vragen wij 1) dat het rijk Gods, de Kerk, zich op aarde meer en meer uitbreide; 2) dat het rijk der genade en liefde nu in ons hart gevestigd zij, opdat wij 3) na dit leven allen in het rijk dei-hemelen komen. — God is de Heer en Korüng van degeheele wereld; want alles heeft Hij geschapen, ail es wordt door Hem onderhouden, en daarom is ook alles aan zijn schepter onderworpen. Derhalve kan terecht het heelal, hemel en aarde, rijk van God genoemd worden. Evenwel wordt in dien zin de uitdrukking „uw rijkquot; hier niet genomen. Tot het Godsrijk der schepping namelijk behooren wij en alle dingen noodzakelijk, omdat wij door God geschapen zijn, en wij behoeven alzoo niet te bidden, dat het tot ons kome. Er wordt hier bijgevolg een ander en wel een drievoudig rijk van God verstaan: een rijk om ons, een rijk in ons en een rijk loven ons.
1) Het rijk Gods om ons, dat heerlijk rijk, hetwelk de Heiland zich met zijn kostbaar bloed verworven heeft, dat Hij voortdurend beschermt en bestuurt, is zijne Kerk op aarde. Hij zelf geeft aan de Kerk den naam van rijk Gods, als Hij zegt, dat Hij gezonden is, om het Evangelie van het rijk Gods te verkondigen (Luc. IV, 43), en tegen het einde der wereld zijne Engelen zal uitzenden, opdat zij „uit zijn rijk alle ergernissen verzamelenquot; (Matth. XIII, 41). Door de genade van bet H. Doopsel, ons boven zoo-
,/het goede, nog- langer in het leven te quot;blijven, dan zou ik aan het „laatste de voorkeur geven, indien ik van den anderen kant met ^zekerheid wist, dat ik nog iets groots ter verheerlijking van God „kon volbrengen; ik zou alleen op Gods eer, niet op het gevaar of „de onzekerheid acht geven.quot; Dit nu was volstrekt geene onverschilligheid aangaande de zaligheid des hemels; zijn hart brandde van verlangen naar dat geluk, en heete tranen stroomden langs zijne wangen, als hij dacht aan het hemelsch vaderland. Doch de verheerlijking van God ging bij hem boven alle vreugde des eeuwigen levens. Daarbij koesterde hij de vaste hoop, liet hemelrijk niet te zullen verliezen, ofschoon hij, om de eer van God nog meer te bevorderen, het onmiddellijk bezit er van opgaf.
662
vele duizenden ten deel gevallen, zijn wij wel is waar reeds ledematen van dat nieuwe Godsrijk, wij bidden echter niettemin, dat het tot ons kome, dat wij namelijk steeds meer volmaakte onderdanen der H. Kerk worden; dat anderen, die het geluk nog niet hebben, ledematen der Kerk te zijn, hare goddelijke zending en macht erkennen en zich aan haren moederlijken schepter onderwerpen; dat in het algemeen het rijk des Satans meer en meer uit de wereld ver-dwijne, het rijk van Christus daarentegen niet alleen tot meerder eer en verheerlijking van den goddelijken naam, wat reeds het voorwerp onzer eerste bede was, maar ook tot ons heil en geluk en dat van alle menschen alom uitgebreid worde. 1)
2) Het Godsrijk in ons is het rijk der goddelijke genade en liefde in het hart der rechtvaardigen. Die verklaring gaf Jesus Christus zelf (Luc. XVII, 20, 21). Toen hem namelijk op zekeren dag door de Phariseën, die een aardsch Messiasrijk vol pracht en heerlijkheid verwachtten, gevraagd werd, „wanneer het rijk Gods komen zou,quot; antwoordde Hij : „Het rijk Gods komt niet met uiterlijken praal.... „het rijk Gods is in u,quot; d. i. het moet zich in uw binnenste vestigen, gij moet door een gewillig geloof en door gehoorzaamheid uw hart voor de goddelijke genade openen, opdat de H. Geest tot u kome, zijne liefde er in uitstorte, het beheersche en regeere; anders hebt gij van den Messias geen heil te hopen. Mocht toch elk Christen die uitspraak des Heilands ernstig ter harte nemen! Velen zijn door het Doopsel in het zichtbaar rijk van Christus, de H. Kerk, ingelijfd; wanneer zij evenwel hunne lusten botvieren en de sonde in hunne ziel laten heerschen, dan houden zij niet op, slaven des Satans te zijn. Het is alzoo niet genoeg, dat wij ons in het zichtbaar rijk van God, in de Kerk, bevinden; het rijk Gods moet ook in ons hart komen; ons
\') Niet alle Christenen zonder uitzondering zijn geroepen, den Heidenen het Evangelie te verkondigen, of de ketters door woord en geschrift in den schoot der ware, alleen zaligmakende Kerk terug te brengen. Allen zonder uitzondering kunnen echter door een godvruchtig en ijverig gebed den zegen Gods afsmeeken over het werk van degenen, aan wie die verheven roeping is ten deel gevallen. De H. Teresia heeft, zooals bekend is, op die wijze een groot aantal ketters en ongeloovigen bekeerd, en in Engeland hebben in den laatsten tijd talrijke en merkwaardige overgangen tot de katholieke Kerk plaats gehad, vooral na de oprichting van eene vereeniging, welke ten doel heeft, die genade van God af te smeeken. — Ook op andere wijzen kunnen de geloovigen tot de uitbreiding van het rijk van Christus op aarde het hunne bijdragen, wanneer zij namelijk leden worden van eene vereeniging, te dien einde ingesteld, of tot die meening hunne giften offeren.
663
hart zelf moet een rijk zijn, waarin de Allerhoogste zijn troon heeft. Wij moeten derhalve ons hart voor de zonde sluiten, of, mocht zij er binnen gedrongen zijn, haar terstond daaruit verbannen, hare heerschappij omverstorten, opdat de Geest Gods er onbeperkt heersche. üe goddelijke Geest nu is een Geest van liefde, van vrede, van zachtmoedigheid, van zuiverheid; slechts daar, waar deze deugden bloeien, slaat Hij zijnen troon op, daar alleen verblijft Hij, Teneinde wij en alle Christenen aan dat hooge geluk deelachtig worden, richten wij tot God de tweede bede. Daarbij nemen wij ons voor, aan de genade, welke dengene, die met volharding bidt, nooit geweigerd wordt, door getrouwe medewerking te beantwoorden, opdat wij niet, terwijl de mond bidt: „laat toekomen uw rijk,quot; door onze werken den H. Geest den weg tot ons hart versperren.
3) Het rijk Gods boven ons is geen ander dan het hemelrijk, waarvan geschreven staat; „Geen oog heeft het ge-„zien, geen oor gehoord, en in geen hart van den mensch „is het opgekomen, wat God bereid heeft voor degenen, „die Hem beminnenquot; (1. Cor. II, 9). Dat rijk van eeuwigen vrede en eeuwige zaligheid hebben wij bij de tweede bede vooral op \'toog. De Kerk op aarde is als het ware het voorportaal, dat ten hemel lijdt, de goddelijke genade en liefde, de sleutel, welke de hemelpoort voor ons opent, en de hemel zelf is het einde en de vervulling van al onze wenschen, van al onze beden, van al onze verlangens, de zalige woonplaats, waar niets meer te wenschen blijft. En ofschoon dat rijk boven ons is, en nooit tot in dit tranendal zal afdalen, zoodat wij moeten opstijgen, om het in bezit te nemen, bidden wij toch: „laat toekomen uw rijk,quot; wijl het ons inderdaad als het loon van een deugdzaam leven uit de hand Gods toekomt naar de woorden der H. Schrift: „zij zullen ontvangen een heerlijk rijk en eene „sierlijke kroon uit de hand des Heerenquot; (Wijsh. V, 17), en wijl de Heiland zelf eenmaal komen zal, om het als bezitting en eigendom over te geven met de woorden: „Komt „gezegenden mijns Vaders, neemt bezit van het rijk, hetwelk „bereid is van de grondlegging der wereld af\' (Jlatth. XXV, 34). O gelukkig wij allen, als we op den grooten oordeelsdag tot die gezegende kinderen behooren, aan wie de goddelijke Hechter het hemelsch erfdeel zal overgeven! Dat wij derhalve thans hartelijk en aanhoudend bidden: laat toekomen uw rijk. Vader! en verlaat ons niet, bescherm en bewaar ons, help ons nu en altijd, opdat wij in dit land van ballingschap niet ellendig omkomen, maar na eene gelukkig volbrachte pelgrimsreize bij ü, in uw hemelsch
664
rijk mogen binnengaan. Gaarne willen wij alle rampen en moeielijkheden van dit leven dragen, wij willen geene inspanning, geen striid duchten, als slechts eenmaal de eeuwige vreugde en zaligheid des hemels ons deel zal zijn. — Met dat g:ehed moeten wij ook de innerlijke bereidwilligheid verbinden, om grootmoedig elk offer, hoe zwaar ook, te brengen, ten einde het hemelrijk te winnen. Daartoe maant Jesus Christus zelf ons aan in de gelijkenis van den koopman , die eene kostbare parel gevonden heeft en nu gaat en alles verkoopt, wat hij bezit, om ze machtig te worden, wel wetende, dat ze onvergelijkelijk meer waard is dan alles, wat hij daarvoor geeft.
III. In de bede: wil geschiede op de aarde als in den „hemel,quot; vragen wij, 1) dat wij en alle menschea op aarde den wil Gods zóó getrouw en heilig mogen vervullen als de Engelen en Heiligen in den Hemel doen. Nadat Christus in de vorige bede ons verlangen naar het hemelsch rijk heeft opgewekt, leert hij ons in de derde ook datgene te vragen, wat van onzen kant gedaan moet worden om er toe te komen, namelijk getrouwe gehoorzaamheid aan Hem, ongehuichelde onderwerping aan zijnen wil. Want, zooals Jesus, de eeuwige Waarheid, zplf verzekert: „Nieteenieder „die tot Mij zegt: Heer, Heer! zal het rijk der hemelen „binnengaan, maar die den wil mijns Vaders doet, die in „den hemel is, zal het hemelrijk ingaan.quot; Wij vragen alzoo hier in de eerste plaats, dat wij en alle menschen den goddelijken wil mogen volbrengen, zooals het ncodig is, om in den hemel te komen; dat wij bijgevolg alle geboden, welke God zelf of de H. Kerk in zijnen naam ons gegeven heeft, getrouw onderhouden, desgelijks alle plichten van onzen staat standvastig vervullen, opdat wij niet verdienen buiten het hemelrijk gesloten te worden. Daarbij blijven wij echter niet staan; wij bidden verder dat wij den wil Gods ook zoo volbrengen mogen, als het gevorderd wordt, om na ons sterven des te hooger in den hemel te komen, dat wij namelijk zelfs elke dagelijksche zonde tegen de geboden van God en de Kerk zorgvuldig vermijden, en ook datgene mogen doen, wat wel is waar niet geboden is, maar, in het licht der rede en des geloofs beschouwd, als aangenaam aan God ons voorkomt. Eindelijk vragen wij, den wil Gods in alle opzichten te volbrengen geli]k de Engelen en Heiligen in den hemel dit doen, d. i. dien wil te vervullen uit de zuiverste liefde, met groote bereidvaardigheid, met een brandend verlangen om den Allerhoogste te verheerlijken, met onverbreekbare getrouwheid eu volkomen nauwgezetheid in de volvoering.
665
Wij allen, wie wij ook zijn, hebben alle reden, God te smeeken, dat wij zijnen wil inderdaad mogen volbrengen , de rechtvaardige toch zoowel als de zondaar heeft daartoe behoefte aan de genade van boven. Daarom bad David telkens: „Leer mij, Heer! uwen wil doen. Leid „mij op het pad uwer geboden. Laat mii niet afdwalen „van uwe geboden,quot; enz. (Ps. CXLII en CXV), De erfzonde namelijk heeft ons verstand verduisterd en onzen wil ten kwade geneigd. Vandaar dat wij dikwerf zelfs in de gewichtigste aangelegenheden den wil Gods niet erkennen, of, als wij dien kennen, er onzen eigen wil tegenover stellen; dat wij somwijlen met opzet ons zeiven bedriegen, om den goddelijken wil, die zich van alle kanten aan ons openbaart, te miskennen. En al hebben wij ook de ware kennis en al doen wij gaarne het goede, onze wil is toch menigmaal te zwak ora het werkelijk te doen. Derhalve leert Christus ons bidden: „uw wil geschiede op de aarde „als in den hemel,\'\' d. i. zooal Chrysostomus zich uitdrukt: „Geef ons, o Heer! de genade, dat wij het leven in den „hemel ook op aarde navolgen, en dat wij willen, wat Gij\' „wilt. Kom toch onzen zwakken wil te hulp, die wel gaarne „uwe geboden zou onderhouden, maar door de zwakheid „des vleesches er in verhinderd wordt. Reik ons uwe hand, „ons, die gaarne loopen, maar het uit ous zeiven niet „vermogen. Wel heeft onze ziel vleugelen, wel zou zij „graag ten hemel opstijgen, maar de zwaarte des vleesches „hindert haar daarin. Snel wil zij naar boven, maar het „vleesch trekt haar naar de aarde terug. Indien echter „uwe hulp, o God, ons bijstaat, dan zal zelfs het anders „onmogelijke ons gemakkelijk vallen.quot;
2) Wij belijden ook in deze bede, dat wij ous aan deu wil Gods in alles willen onderwerpen. — Vader, uw aanbiddelijke wil geschiede niet alleen door ons, maar ook aan ons en aau alle schepselen! Al uwe beschikkingen en bevelen zijn heilig en billijk; ik aanbid die met ootmoed en onderwerp er mij aan uit den grond mijns harten. Zou het U behagen, mij zware beproevingen, bitter lijden en vele smarten over te zenden. Vader, niet mijn, maar uw wil geschiede op aarde gelijk in den hemel! Al zouden er talrijke vijanden tegen mij opstaan, uit nyd en boosheid mij hekelen en lasteren, al zouden zij mijne eer en goeden naam, have en goed ontrooven, van uwe hand wil ik dien kelk des lijdens aannemen. Want ik weet, dat zonder uwe toelating geen mensen mij schaden, geene ramp mij treffen kan; wanneer Gij echter eenig kwaad toelaat, doet Gij het niet omdat Gij moet, maar wijl
666
Gij wilt, en Gij wilt het, omdat Gij zelfs het kwaad, dat anderen mij aandoen, tot mijn best kunt en wilt leiden. Uw heilige wil, hoe ondoorgrondelijk ook, moet immer door ons aangebeden en geprezen worden in alle eeuwigheid! — Die gevoelens van volmaakte overgeving in den wil van God liggen in de derde bede; die gevoelens leefden ook steeds in de harten van allen, die er naar streefden gelijkvormig te worden aan Hem, die van zich zei ven getuigde: „Ik zoek niet mijn wil, maar den wil van „Hem, die mij gezonden heeft.quot; Niet alle Heiligen hebben wonderen gedaan, niet allen hebben hemelsche verschijningen en vervoeringen gehad, niet allen hebben hun leven in buitengewone gestrengheid of in de eenzaamheid doorgebracht; maar allen hebben uit liefde tot God zijn heiligen wil vervuld en zich in alles aan dien wil volmaakt onderworpen, want juist daarin bestaat de ware heiligheid. \') Willen wij nu die zoo kostbare en verdienstelijke deugd van volkomen gelijkvormigheid van onzen wil met den goddelijken ons eigen maken, dan moeten wij dikwijls, vooral wanneer rampen en wederwaardigheden ons treffen , in de aangeduide stemming tot God bidden: „uw wil ge-„schiede op aarde als in den hemel.\'\' Deze deugd toch wordt, gelijk elke andere, slechts door eene aanhoudende oefening verkregen.
IV. In de bede: „geef ons heden ons dagelijksch Irood vragen wij, dat God ons wil geven, wat wij dagelijks voor
!) Hoe aangenaam aan God die volkomen overgeving aan zijn allerlieiligsten wil is, bewijst het volgende. — In een klooster, zoo verhaalt Cesarius (Dialog, b. 10. hfdst. 0), leefde een eenvoudig man, die tot een zoo hoogen graad van heiligheid gekomen was, dat God door hem vele wonderen wrochtte, en vooral vele zieken alleen door het aanraken zijner kleederen genas. Iedereen verwonderde er zich over, vooral daar deze kloosterling niet meer vastte, waakte noch bad, dan de andere monnikken. De abt riep hem op zekeren dag in stilte bij zich, om de reden hiervan te vernemen. Op de vraag van den abt, waarom God door hem zulke buitengewone werken deed, antwoordde hij: „Ook ik sta er verbaasd over en ^weet niet hoe het komt; want ik doe niets, wat anderen niet even-z/eens doen. Slechts in één punt zoek ik uit te munten, daarin «-namelijk, dat ik nooit iets anders wil, dan wat God wil. Komen z/er gelukkige gebeurtenissen, komen er ongelukkige, niets verontrust //mij, niets stoort mij; ik ontvang alles uit de hand van God en bid //slechts, dat de wil van God volkomen aan mij vervuld worde.quot; — //Waart gij dan,quot; vroeg nu de abt. //niet treurig op den dag, toen //die booswicht onze schuur in brand stak en alles in de asch legde?quot;— //Volstrekt niet,quot; antwoordde de monnik, „ik dankte toen den Heer, ,/Wijl ik het er voor hield, dat het tot ons grooter nut zou wezen.quot; „Ga alzoo voort, goede broeder,quot; zeide de abt, die hieruit begreep, hoe aangenaam den Heer die overgeving aan zijnen wil was, — „ga voort, gij hebt een goeden weg betreden, bid voor mijlquot;
667
lichaam en ziel noodig hebben. Zoo lang wij in ons gebrekkig lichaam, verwijderd van den Heer, ronddolen (2. Cor. V, 6), en door onze gehoorzaamheid en onderdanigheid aan God het hemelsch vaderland moeten verdienen, worden wij gekweld door talrijke behoeften naar lichaam en ziel, welke menigmaal onze schreden naar den hemel doen vertragen. Daarom moeten wij volgens de vermaning van Jesus Christus den Vader bidden, dat Hij ons goedgunstig in die behoeften te hulp kome. Dezen zin hebben de wooi-den : „geef oes heden ons dagelijksch „brood.quot; — Hoewel onder de uitdrukking „broodquot; van den eenen kant alles begrepen moet worden, wat wij tot onderhoud van het lichamelijk leven noodig hebben, als voedsel, kleeding, huisvesting, gezondheid en andere be-noodigheden, wilde toch de goddelijke Heiland van den anderen kant ons leeren, als Hij ons beval om h-ood te bidden, dat wij alleen het noodzakelijke, geen overvloed moeten vragen. „Niet om zwaar beladen eettafels moeten „wij bidden,quot; zegt de H. Chrysostomus, „niet om lekkernijen, niet om kostelijk toebereide gerechten, niet onti „geurige wijnen, en niet om al datgene, wat wel den „smaak streelt, maar den geest verduistert en het lichaam „tot opstand tegen de ziel opwekt/\' — „Als wij voedsel „en kleeding hebben ,quot; schrijft de Apostel aan zijn leerling Timotheus (1. Br. VI, 8), „laat ons dan daarmede tevreden „zijn.quot; Wij moeten, gelijk reeds gezegd is, bij al onze gebeden en wenschen steeds ons laatste doel, den dienst van God en ons eeuwig heil voor oogen hebben. Eijkdom zoowel als drukkende armoede, gebrek zoowel als overvloed kan den mensch tot het kwaad verleiden en aan groot gevaar voor zijne zaligheid blootstellen, daarom bidden wij God, dat Hij ons voor beiden beware. In dien zin leerde de goddelijke Wijsheid reeds in de voorchristelijke tijden bidden. „Geef mij niet armoede en rijkdom,quot; zoo lezen wij in het boek der Spreuken (XXXIX, 8, 9), „verleen slechts wat noodig is tot onderhoud mijns levens, „opdat ik niet, overladen, verleid worde tot verloochening (van God) „en zegge: Wie is de Heer, (dat ik mij om Hem bekreune ?) „of door armoede gekweld, stele en valsche-„lijk zwere bij den naam van mijnen God,quot; om namelijk zoo de straf van den wereldlijken rechter te ontgaan. \')
\') Toen men den hoogwaardigen kardinaal Robertus Bellarminus eens vroeg, welke klassen van menschen, die in de wereld leven, de grootste zekerheid hebben van zalig te worden, aarzelde hij niet, zich voor diegenen te verklaren, die door dagelijksch werk hun brood verdienen. Die menschen, zeide hij, beginnen in den vroegen morgen
668
Oeef, zeggen wij, Vader in den hemel! datgene, waarom wij bidden, gelijk Gij het naar de wijze beschikking uwer goddelijke Voorzienigheid gewoon zijt aan uwe kinderen te geven. Wij verwachten en vragen geenszins, dat God om onzentwille het gebod ophefFe: „In het zweet uws aan-„schijns zult gij uw brood eten;quot; wij verwachten en verlangen niet, dat Hij ons, gelijk eens den Israëlieten in de woestijn, manna uit den hemel zende en zoo ons van alle moeite om ons brood te verdienen ontsla; onze bede is alleen deze, dat Hij aan onzen arbeid zegen en wasdom, aan onze ondernemingen een gunstigen uitslag geve; dat Hij ons kracht en gezondheid verleene, om onze bezigheden met vlijt en ijver te verrichten; met één woord, onze pogingen voor ons tijdelijk bestaan ondersteune en bevordere. — Wij zeggen: „geef onsquot; en zoo bidt niet ieder voor zich alleen, maar ook voor al zijne naedemenschen, gelijk de christelijke liefde het vordert. Wij zeggen; heden, wijl wij allen eiken dag opnieuw moeten bidden. En niet alleen de arme, die aan het noodzakelijke gebrek lijdt, maar ook de rijke, die in overvloed leeft, heeft alle reden om te bidden; „geef „ons heden ons dagelijksch brood,quot; daar immers voor God de rijken zoowel als de armen behoeftig, en alle aardsche bezittingen wisselvallig ziin, de grootste schatten dikwijls in enkele uren verloren gaan. Job was des morgens een rijk, met alle goederen dezer aarde gezegend man; op den avond van denzelfden dag was al zijn rijkdom, al zijre welvaart vervlogen. Wij zeggen, ons brood, om aan te duiden, dat wij geenszins een brood verlangen, wat aan anderen toekomt, geen door ongerechtigheid, maar door arbeid en vlijt billijk verworven brood; want alleen dat is het ome, wat wij op eene eerlijke en rechtvaardige wijze
hun werk en zetten het tot den avond voort; er blijft hun derhalve niets over tot ledigheid, terwijl zij niets missen oiu zich in de deugd te oefenen; hun klein vermogen ol\' liever hunne armoede, waarmede zij zich zeiven en hunne huisgenooten voeden, is onder alle soorten van eigendom het billijkste en beste. — En gaf ook de Verlosser niet heizelfde getuigenis? Ken behoeftigen handwerksman heeft Hij tot pleegvader gekozen, aan wiens bezigheden Hij zelf in de jaren van zijn verborgen loven deel nam. Van het werk hunner handen leefden ook de Apostelen .... „Zilver en goud en kleederen,quot; verzekerde de H. Paulus aan de gemeente van Ephese, //heb ik van «niemand begeerd, gelijk gij zeiven weet; want voor alles, wat ik ymet mijne gezellen noodig had, hebben deze mijne handen die;nst //gedaanquot; (Hand XX, 33, 31). Welk een treffend voorbeeld! De Leeraar der volkeren, de weldoener van het menschelijk geslacht, van wien zeker in de volste mate de uitspraak gold, dat de arbeider zijn loon waard is, wilde geen ander voedsel nemen, met geen ander kleed zich dekken, dan hetgeen hij door liet werk zijner handen verworven had.
669
verkregen hebben. De snoodste misdaad zou het zii\'n, als een woekeraar, bsdrieger of dief van God vroeg, dat Hij hem in zijne onrechtvaardige winsten of bezittingen wilde helpen. — Christus leerde ons duideliik, slechts het dage-lijksch brood te vragen, om ons indachtig te maken, dat ■wij niet moeten streven, om schatten voor de toekomst te verzamelen, schatten, welke voor ons van geenerlei nut, maar integendeel tot ons groot nadeel zijn, als wij bij het verwerven daarvan ons eeuwig geluk verwaarloozen of in gevaar brengen. Eij had immers zelf tot zijne leerlingen gezegd: „zorgt niet angstig voor den dag van morgen: „want de dag van morgen zal voor zich zeiven zorgenquot; (Matth. VI, 34). Hiermede wil de Verlosser geenszins eene redelijke en gematigde zorg voor de toekomst laken of verbieden. Die zorg is zelfs prijzenswaardig en de plicht van heilige menschen en Christenen, vooral van degenen, die in het onderhoud van een talrijk huisgezin moeten voorzien. Christus wil alleen, dat wij die overdreven, angstige bezorgdheid voor de toekomst verbannen, welke de krachten bovenmate inspant, den vrede uit de ziel verdrins:t, het hart voor medelijden en milddadigheid sluit, de gedachten en wenschen van den mensch afleidt van de hemelsche goederen en van ons laatste doel, en uitsluitend met aardsche winst doet bezig zijn, zoodat de ziel voor haar eeuwig heil schade moet lijden.
Jesus Christus leert ons verder in deze bede, niet alleen het voedsel des lichaams, maar ook dat der ziel van God te vragen. Immers naar het laatste moeten wij vuriger, dan naar het eerste verlangen. Daarom sprak eens de Heiland tot degenen, die Hem volgden: „ Bekommert u „niet (d. i. niet zoo zeer) om vergankelijke spijze, maar „om die, welke blijft ten eeuwigen leven, welke de Zoon „des menschen u geven zalquot; (Joan. VI, 27). Voedsel der ziel nu is alles, wat tot heil der ziel bijdraagt, derhalve het woord Gods, de HH. Sacramenten, de dadelijke en heiligmakende genade, alle inwendige verlichtingen, versterkingen en vertroostingen, alle gaven des H. Geestes, maar vooral het levend Brood, dat van den hemel gekomen is, Jesus Christus in de heilige Eucharistie. Deze is de waarachtige hemelspijze, welke de Heiland beloofd heeft, ons allen ten eeuwigen leven mede te deelen. „Wij Christenen „noemen die spijs bij voorkeur ons brood,quot; merkt de H. Cyprianus aan, „wijl ze slechts genoten wordt door degenen, „aan wie de verkregen genade van het kindschap Gods een „bizonder recht verleent, om God hunnen Vader te noemen.\'\' Wij duiden dat levend hemelbrood ook aan als ons dagelijksch
670
brood, dewijl wij het naar het voorbeeld der eerste Christenen dagelijks moesten nuttigen. Daartoe vermaant de H. Ambro-sius met de woorden: „Daar de H. Eucharistie het dagelijksch ,,brood is, waarom neemt gij het eerst na een jaar ? Ontvangt „het dagelijks, opdat het u dagelijks versterke. Leeft zoo, dat „gi] verdient, het dagelijks te ontvangen.quot; — Wij bidden derhalve, dat God ons nooit om onze zonden zijn goddelijk woord, zijne heilige leer onttrekke, opdat niet aan ons vervuld worde, wat Hij aan de ondankbare Israëlieten door den Profeet Amos (VIII, 11) voorspeld heeft: „Zie, er „komen dagen, dat Ik honger zende in bet land; niet „honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te „hooren het woord des Heerendat Hij ons bijgevolg steeds beware in de H. katholieke Kerk, welke alleen het onver-valschte woord Gods verkondigt. Wij bidden verder, dat Hij ons in zijne heilige genade beware en ons vooral die zuiverheid van harte verleene, welke ons waardig voorbereidt, het hemelsche Brood meermalen, ja dagelijks te ontvangen en het zóó te ontvangen, dat het ons niet ter veroordeeling, maar ter eeuwige zaligheid verstrekt.
V. In de bede: „Vergeef ons ome schulden, gelijk ook „wij vergeven onzen schuldenaren,quot; vragen wij, dat God ons al onze zonden en de straffen door de zonden verdiend wil vergeven, gelijk wij vergeven aan degenen, die ons belee-digd hebben. Nadat wij om de ter zaligheid noodzakelijke en voordeelige middelen en genaden gebeden hebben, beveelt Christus ons te bidden cm kwijtschelding der zonde, welke ons belet onze bestemming te bereiken. De zonden worden hier met de uitdrukking „schuldenquot; aangeduid, wijl wij door elke zonde schuldenaars van de goddelijke Gerechtigheid worden, daar God van ons voor de Hem aangedane beleediging voldoening eiscbt. De bede om vergeving der zondeschuld moet elk Christen tot God richten, daar niemand zoo rechtvaardig is, dat hij zich niet als schuldenaar van God beschouwen moet. Of wie zou het durven wagen, tegenover zijnen evennaaste, gezwegen van God den Alwetende, met Christus te spreken: „wie van u zal Mij van „zonde overtuigen?quot; (Joan. VIII, 46). „Als wij zeggen, „dat wij geene zonde hebben,\'\' schrijft de H. Joannes (1 br. I, 8, 9), „dan bedriegen wij ons zei ven, en de „waarheid is niet in ons. Belijden wij echter onze zonden, „dan is God getrouw en rechtvaardig; Hij zal ons onze „zonden vergeven.quot; Al heeft de rechtvaardige kwijtschelding verkregen van de zware zonden , door hem gepleegd, hij zal toch zonder bizondere genade niet lang vrij van dage-lijksche zonden zijn. — Willen wij nu van God vergeving
671
verwerven, dan moeten ook wij onzen medemenschen de fouten, welke zij tegen ons begaan hebben, eveneens vergeven. Daarom bidden wij naar de aanwijzing van Christus: „vergeef.... gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren onzen vijanden en beleedigers. Hierop, als eene voorwaarde, waarvan de vergeving onzer zonden afhangt, heeft de goddelijke Heiland ons herhaaldelijk opmerkzaam gemaakt. „Vergeeft,quot; zegt Hij bij Lucas \'(VI, 37, 38), „en u zal „vergeven worden..... want met dezelfde maat, waarmede „gij meet, zal u wederom gemeten worden.quot; Met gelijken nadruk dringt Hij ook bij den H. Marcus hierop aan (XI, 25, 26), zeggende: „Als gij staat, om te bidden, „vergeeft, indien gij iets hebt tegen iemand; opdat ook uw „Vader, die in den hemel is, uwe zonden u vergeve. „Maar indien gij niet vergeeft, zal ook uw Vader, die in „den hemel is, uwe zonden u niet vergeven.quot; — Eu in waarheid, wat kan er billijker zijn, dan die eisch van de beleedigde goddelijke Majesteit aan ons, hare beleedigers? Zou het niet eene onuitsprekelijke vermetelheid zijn, van\' God te vorderen, dat Hij ons vergeve, terwijl wij van onzen kant aan anderen niet vergeven willen? Zou dat niet gelijk staan, met ons zeiven voor een hooger wezen, dan God is, te beschouwen, eene beleediging, öod aangedaan, vergeeflijker te achten, dan eene, welke ons is toegevoegd? God is het derhalve in zekere mate aan zich zeiven verplicht, die voorwaarde ter vergeving der zonden vast te stellen. — Daarom heeft Hij ook nimmer vergeving van hunne zonden geschonken aan degenen, die haat en vijandschap jegens hunnen naaste in hun hart dragen. Eeeds in het Oude Verbond vermaande de wijze Sirach (XXVIII, 2), „vergeef uwen naaste, als hij u beleedigd „heeft; dan worden ook u, als gij bidt, uwe zonden kwijt-„gescholden.quot;
„Wie niet vergeven wil, heeft ook geene vergeving te „hopen; hij spreekt derhalve over zich zeiven het vonnis „uit, zoo dikwijls hij het Onze Vader bidt. Wie zegt: „vergeef ons.... gelijk ook wij vergeven, maar tevens „vijandig jegens zijnen beleediger gezind is en den wensch „koestert, dat God hem straffe, handelt,quot; zegt de H. (Jhrysostomus (hom. 32), „als degene, die zijn zwaard „scherpt, niet om het tegen de vijanden te gebruiken, „maar om daarmede zijn eigen lichaam te doorstooten.quot; — „Moet ik u dan vragen,\'\' zegt de H. Augustinus (Serm. 56 n. 15), „dat gij, als gij uwe vijanden niet bemint, „liever in het geheel niet bidt? Dat waag ik niet; ik zeg „u integendeel: bidt, omdat gij ze moogt beminnen.quot; Het
672
beste middel, om bij de herinnering: aan uwe vijanden en aan bet geleden onrecht nwe innerlijke gramschap te bedwingen, is, zooals de H. Chrysostomus ons leert, de gedachte aan uwe eigen zonden en de vrees voor het toekomstig oordeel. „Herinner u slechts, hoe groot uwe eigen „schuld bi] den Heer is, en dat gij voor al uwe zonden „straf verdient, en de vrees zal dan allen toorn jegens „uwen evennaaste overwinnen. Herinner u, als gij bidt, „aan de hel, aan de eeuwige straffen en pijnen, dan zal „uw vijand u zeker niet meer in de gedachte komen.... De oorzaak van alle kwaad is juist dit, dat wij de fouten „van anderen met de meeste oplettendheid nasporen, en „onze eigen gebreken met de grootste nalatigheid over het „hoofd zien.quot;
YI. In de bede: ^leid ons niet in de bekoring ^ vragen wij, dat God alle bekoringen en gevaren der zonde van ons afwende, of ons krachtige genade geve, om ze te wederstaan.
Onder „bekoringen\'\' worden hier alle opwekkingen en aanlokselen tot de zonde verstaan. Het is voor ieder duidelijk, dat God, de heiligheid zelve, niemand tot zonde kan opwekken, verleiden of bekoren (Jac. 1, 13), maar wel kan toelaten, dat we tot het kwaad bekoord worden.
In hel\'or in g leiden beteekent alzoo, waar sprake is van God, de bekoring toelaten, die niet verhoeden of afwenden. Spreekwijzen, alsof God in bekoring leidt, komen in de H. Schrift niet zelden voor. Zoo lezen wij bijv., dat God het hart van Pharao versteende; dat Hij het hart van het volk Israels verblindde en hunne ooren verstopte; dat Hij de Heidenen overgaf aan hunne schandelijke lusten, enz. om aan te duiden, dat Hij dat alles gedoogde en niet ver-hinderde. Onze bede vraagt derhalve, dat God in zijne vaderlijke liefde en voorzienigheid geene zware bekoringen over ons laat komen, of, wanneer Hij eenigerlei bekoring toelaat, met zijne genade ons wil bijstaan, teneinde ze te overwinnen. Wij bidden alzoo, dat God ons niet ir. de bekoring laat vallen, maar geenszins dat Hij er geene toelaat. Hit laatste zou niet eens voordeelig voor ons zijn, en van den kant van God een voortdurend wonder verei-schen. De bronnen van verleiding zijn te veelvuldig en te rijk aan inhoud, dan dat iemand vrij van bekoring zou kunnen zijn. 1) Verleidt ons tot zonde onze eigen bedorven natuur of de kwade begeerlijkheid, „want het vleesch be-„geert tegen den geest,quot; zegt de Apostel (Gal. V, 17). Daarom roept hij zelf uit: „wie zal mij van het lichaam „dezes doods bevrijden?quot; (Rom. VII, 24). En de H. Jacobus (I, 14) zegt: „Eenieder wordt bekoord, door zijn
673
„eigen lust verleid en aangelokt.quot; Ue door de erfzonde ontboeide begeerlijkheid plaatst zich vleiend voor onzen geest, gelijk eertiids in het paradijs voor Adam en Eva, en zoekt ons tot de zonde te verleiden. Daarom heeft eenieder te strijden tegen vele ongeregelde neigingen, begeerten en lusten, tegen opwellingen van toorn en wraakzucht, tegen altijd en immer wederkeerende gevoelens van nijd en hnog-moed, van ijverzucht en liefdeloosheid. Doch niet alleen in ons binnenste bestormen ons de vijanden, ook van buiten dringen zij op ons aan; want 2) bekoort ons de wereld, d. i, hare ijdele pracht, hare kwade voorbeelden en grondstellingen. Zeer gemakkelijk worden de goederen dezer wereld voor ons valstrikken; zij wekken onze zinnelijke begeerten op en prikkelen onze heb- en genotzucht; zij verblinden en bekruipen ons door hunnen valschen schijn, en terwijl wij met vrije teugels er naar jigen, blijft ons oog en hart van de hemelsche goederen afgewend. — Nog meer verleidend dan de pracht der wereld is haar kwaad voorbeeld. Vele zonden en misdrijven komen ons zoo hatelijk, zoo verwerpelijk niet meer voor, wijl wij velen, zelfs lieden van stand en rang ze zonder vrees zien plegen, wellicht zelfs ze hooren prijzen. Niet te vergeefs roept Jesus Christus: „wee der wereld om de ergernissen!quot; Zij is daardoor de verleidster en moordenares van millioenen door het bloed van den G-odmensch vrijgekochte zielen. — Ook de valsche grondstellingen der wereld zijn strikken en bekoringen voor duizenden en nogmaals duizenden. De wereld roept namelijk het opgroeiend geslacht toe: „De „jeugd moet haar deel hebben; men moet de rozen plukken „eer ze verwelken; in de wereld moet men met de wereld „leven; men mag geen zonderling zijn.quot; Jonge lieden hooren deze en dergelijke beginselen, begrijpen er den zin van, nemen ze gaarne aan, wijl ze hunne jeugdige hartstochten streelen, brengen ze onverwijld in toepassing, en komen daardoor van zonde tot zonde, van misdaad tot misdaad. — 53) Bekoort ons de duivel, die rond loopt als een brieschende leeuw, zoekende wien hij zal verslinden (1. Petr. V, 8). Uit die woorden van den Prins der Apostelen blijkt, dat de geest der duisternis een eeuwigen, hoogst verbitterden krijg tegen ons voert, dat wij nooit vrede, nooit wapenstilstand met hem kunnen hebben. Geen tijd, geene plaats, geen trap van deugd en heiligheid bewaart ons voor zijne verraderlijke aanvallen. Satan viel het eerste menschenpaar in het paradijs aan, waagde eene poging op Gods vromen dienaar Job, bekoorde de Apostelen (Luc. XXII, 31), ja, ondernam het zelfs voor het aan-
DEIIAB1ÏE, GELOOÏStEER. IV. Sie DUtJK. 43
674
schiin van Christus den Heer te treden en den Heilige dei-Heiligen tot driemaal toe te bekoren. Daarom wordt hij in de H. Schrift „bekoorderquot; genoemd. Sommigen verklaren de leer over de bekoringen des Satans voor valsch, wijl zij zelve, gelijk zij zeggen, die niet ondervinden. „Het is echter,quot; zegt de loomsche Katechismus, „geen „•wonder, dat zulke menschen door den duivel niet bekoord „worden, daar zij zich uit eigen beweging aan hem hebben „overgegeven. Zulke lieden bezitten geene vroomheid, geene „liefde, geene christeliike deugd; derhalve zijn zij geheel „in de macht des duivels, die geene bekoring noodig heeft, „om hen ten gronde te richten, dewijl hij hunne zielen „buitendien reeds in zijn bezit heeft.quot; En in denzelfden zin schrijft ook de H. Laurentius Justinianus: „De ge „vaarlijkste aller bekoringen is, of wel niet bekoord te „worden, of niet te weten, dat men bekoord wordt.... „ware, edele strijders hebben nauwelijks een oogenblik rust.quot;
Vraagt men nu, waarom God toelaat, dat wij bekoord worden, dan luidt het antwoord: 1) om ons in de nederigheid te bewaren. De bekoring doet ons inzien, dikwijls allerdiepst gevoelen, hoe zwak, gebrekkelijk en hulpbehoevend wij zijn. Wij zien ons in de bekoring als aan den rand van een afgrond en ontwaren, dat alleen de hand Gods ons terughoudt. En wien moet die ontdekking niet met eene heilzame schaamte vervullen , niet tot een nederig gedrag voor den Allerhoogste opwekken? De H. Paalus bekent van zich zei ven, dat hem een prikkel in het vleesch gegeven was, opdat de verhevenheid der openbaringen hem niet tot hoogmoed zou verleiden (2 Oor. XIl, 7). De zware bekoring, waaraan die groote Apostel en uitstekende Heilige was onderworpen, moest alzoo ook tot zijne verootmoediging en beschaming dienen, zooals de H. Hiero-nymus aan Paula schrijft. 2) God laat de bekoringen toe, om onze getrouwheid te beproeven of onze ongetrouwheid te bestraffen. In den storm bewijst de stuurman zijne bekwaamheid, in den strijd de soldaat zijne dapperheid, in de bekoring toont de Christen zijne getrouwheid. Die kernspreuk van den H. Basilius (over het geduld) moet vooral tijdens de bekoring diep in ons hart gedrukt zijn. Nooit wordt er inderdaad beter bewijs geleverd, dat wij God oprecht beminnen en Hem met een vurig hart dienen, dan juist bij zware bekoringen, wanneer het er op aankomt, met alle kracht voor de eer van God te wedijveren en van zijne heilige wet geen haarbreed af te wijken. Zoo schit-teide ook de getrouwheid van den vromen Job eerst in het helderste licht, toen God den Satan veroorloofde, zijne
675
hand naar hem uit te strekken en zware rampen over hem uit te storten. Gelijk God nu eertijds aan den duivel de macht verleende, om dien onvergelijkbaren lijder te kwellen en zelfs zijne vrouw en zijne vrienden tegen hem op te ruien, zoo gebeurt het ook heden nog, dat God aan de machten der duisternis veroorlooft, vrome en godvruchtige Christenen op de proef te stellen en te vervolgen. Somwijlen laat God zelfs toe, dat de hel tegen de H. Kerk zware stormen verwekt en haar de grootste rampen berokkent. Laten wij ons evenwel daardoor niet verleidsn tot twijfel aangaande de goddelijke Voorzienigheid en de belofte van Christus, maar houden wij ons daarentegen vol geloof overtuigd, dat God zulks toelaat, opdat de liefde en getrouwheid zijner uitverkorenen zich openbaren. „ De Heer, uw God, beproeft u,quot; sprak Mozes in dergelijke omstandigheden tot het volk Israël, „opdat openbaar worde, of gij Hem bemint of niet, uit „geheel uwe zielquot; (5. Mos. Xill, 3). — God laat echter ook meermalen toe dat wij bekoord worden tot straf voor onze ongetrouwheid in de naleving zijner wet, tot straf voor onzen hoogmoed, voor onze lichtzinnigheid, voor zondige gewoonten, waarin men geleefd heeft, voor de onzedige lectuur en onbetamelijke gesprekken, waarin men behagen genomen heeft, voor de zondige oogslagen en uitgelatenheden, welke men zich heeft veroorloofd. Dikwerf komt men ook in zware bekoringen en bezwijkt men daarin, wijl men het gebed verzuimt, geringere zonden niet telt, de vele genaden, welke God verleent, onbenut laat en misbruikt. Door zulke ongetrouwheid in zijnen dienst weert men namelijk de bizondere bescherming en de volheid van genade van zich af, waarmede God zijne getrouwe dienaars gewoonlijk overlaadt en vooral ten tijde der bekoring wapent. Sparen wij derhalve geene moeite, om in de toekomst de zonde in het algemeen, maar vooral die zonden te vermijden, welke voor ons eene rijke bron van bekoringen geworden zijn. Zouden in weerwil van alle pogingen om ons te verbeteren, ja in weerwil van onze verbetering de bekoringen als gevolgen van vroegere zonden niet achterblijven , dan mogen wij daarom den moed niet verliezen. Strijden wij des te krachtiger, roepen wij met des te meer ijver tot God om hulp; want „God is getrouw; Hij zal niet „toelaten, dat gij boven uwe krachten bekoord wordt, „maar Hij zal met de bekoring ook de uitkomst (genade der overwinning) „geven, opdat gij haar verdragen kuntquot; (1 Cor. X, 13).
3) God laat bekoringen toe, om onzen ijver in de deugd te vermeerderen. „Gelijk het goud in den vuuroven van
43*
676
„alle vlekken gezuiverd wordt,quot; zegt de H. Chrysostomus (verkl. van Isaïas, hfdst. 4), „zoo worden ook de in deugd „reeds beproefden door de bekoringen nog meer beproefd, „nog meer gezuiverd en in het goede bevestigd.quot; Overigens hebben de braven de bekoringen niet alleen noodig om vordering te maken in de deugd, maar ook om niet wegens verslapping van ijver achteruit te gaan, evenals de soldaat, die in een langdurigen vredestijd week en traag om te strijden wordt.
4) De bekoringen dienen eindelijk, om ons grootere verdiensten, eene heerlijker overwinningskroon te verschaffen. Zeer schoon zegt hierover de H. Augustinus: „ons aardsche „pelgrimsleven kan de bekoring niet ontberen. Door „middel van de bekoring gaan wij voorwaarts op den weg
„der deugd.___ Niemand kan gekroond worden, tenzij hij
„overwonnen heeft; niemand kan zegevieren, tenzij hij ge-„streden heeft, en niemand kan strijden, tenzij hij vijanden „en aanvechtingen heeft\'\' (Over Ps. 60). De H. Franciscus van Sales, ons opmerkzaam willende maken op de hemel-kroon, welké met elke nieuwe overwinning heerlijker wordt, schrijft: „weest overtuigd, dat elke overwinning, welke „wij op de vijanden onzer zaligheid behalen , als een nieuwe „edelsteen in de kroon der heerlijkheid, welke God in „zijnen hemel ons heeft voorbehouden, schitteren zal.quot; „Zalig (alzoo) de man, die de beproeving doorstaat; want „als hij getrouw zal bevonden zijn, zal hij de kroon des „levens ontvangen, die God aan degenen, die Hem beminnen , „beloofd heeft.quot; \')
quot;Dit dit alles blijkt reeds duidelijk, dat de bekoring op
gt;) Daar de Heiligen het nut der bekoringen inzagen, gebeurde het nu en dan, dat zij niet eens verlangden er van bevrijd te worden. Vele voorbeelden vinden wij in de levensbeschrijvingen van de Oud-vaders in de woestijn. De H. Dorotheas verhaalt van een dier vrome kluizenaars, dat deze, een zijner leerlingen hevig bekoord ziende, door medelijden bewogen werd en hem zeide, God te zullen bidden, indien hij het wenschte, dat Hij hem van die bekoring zou verlossen. Daarop gaf deze ten antwoord: ,Ik bevind mij, wel is waar, in een ;/zeer beklagenswaardigen toestand, maar ik zie ook , dat die mijn „vooruitgang in de deugd bevordert; immers ik leg mij met meer ,vlijt toe op het gebed, de versterving en de boetvaardigheid. Om rééne zaak verzoek ik u derhalve: bid God, dat Hij mij verleene de //genade van geduld en de kracht om overwinnaar in den strijd te „blijven.quot; — //Mijn zoon,quot; sprak nu de grijsaard, //thans zie ik duide-//li.jk, dat gij waarlijk op den weg der deugd vooruitgaat; want door „een aanhoudenden strijd tegen de bekoringen wordt de ziel gezuiverd ,en komt zij eindelijk tot een hoogen graad van deugd en volmaakt-*heid.quot; Voor ons bevat dit voorbeeld eene goede les, dat wij namelijk den moed niet mogen verliezen, indien ons gebed om afwending der bekoring niet aanstonds verhoord wordt.
677
zich zelve geene zonde is; zonde is het echter, zich lichtzinnig aan de bekoring hloot te stellen of er in toe te stemmen. En hoe zou het ook zonde kunnen zijn , bekoord te\' worden, daar, volgens het woord van den Evangelist Mattheus (IV, 1 —11), Jesus Christus zelf den Satan toestond. Hem te bekoren, ongetwijfeld opdat wij niet moedeloos zouden worden in de bekoring en van Hem leeren, hoe wij de bekoring moeten overwinnen ? Christus werd echter slechts van buiten bekoord; want Hij, de Allerhoogste, kon door geene inwendige ongeregelde neiging bestreden worden. Ook de Heiligen, die wij op onze altaren vereeren, hadden zeer hevige bekoringen te doorstaan, en waren daarom aan God niet minder welgevallig, ja zij waren juist om de vele overwinningen, door hen in dien strijd behaald, in zijne oogen des te welgevalliger. ■) — Zonde is de bekoring dan alleen, als men ze buiten noodzakelijkheid, uit \'lichtzinnigheid of moedwil opwekt, als men zich onnoodig en met opzet in het gevaar van te zondigen begeeft, vooral wanneer dat gevaar groot is eh\' gemakkelijk ten val brengt. Zonde wordt ook de bekoring, als men in plaats van weerstand te bieden, er in toestemt; als men diensvolgens het kwaad, waartoe de bekoring ons verlokt, inderdaad doet, of het verlangen koestert, het voornemen heeft het te doen, of in zijne gedachte behagen in het kwaad heeft, zooals reeds in het derde deel gezegd is. Wat men te doen en te laten heeft, om in de bekoring niet toe te stemmen, is reeds op vtrschillende plaatsen van dit werk aangeduid. Wij moeten te dien einde in het algemeen dezelfde middelen aanwenden, welke
•) De H. Hieronymus schrijft over zijn strijd tegen de bekoringen: »0 hoe dikwijls kwam het mij voor, in deze woeste, door de hitte „der zon verdorde eenzame plaats, als bevond ik mij te midden der „vermakelijkheden van Rome. Ik zat daar eenzaam, het hart vol „bitterheid. Een ruw boetekleed bedekte mijne vermagerde ledematen; „ik weende en zuchtte dag en nacht, en als de slaap mij somwijlen „overmande, was de vochtige grond mijne legerplaats. En toch was „ik, die mij zeiven uit vrees voor de hel tot dien kerker vei\'oordeeld „had, die midden onder schorpioenen en wilde dieren leefde, in de „gedachten bij de rijen der dansers. Mijn gelaat was door het aanhoudend vasten bleek, en mijn binnenste ontbrandde door onbetame-„lijke begeerten: in mijn uitgeteerd en als reeds gestorven lichaam „gloeide nog de vlam der begeerlijkheid met kracht. Daar ik mij niet „wist te helpen, wierp ik mij aan de voeten van Jesus, besproeide „die met mijne tranen, droogde ze met mijne haren en zocht het „wederspannig vleesch, door weken lang te vasten, te beteugelen. „Ik riep dikwijls geheele dagen en nachten den hemel om bijstand „aan, en hield niet op met bidden en op mijne borst te kloppen, „tot de bekoring overwonnen, de opstand der begeerlijkheden op „Gods bevel gestild was.quot;
678
ter bewaring der kuischheid en ter voorkoming van den herval in de zonde zijn aangegeven. In weinig woorden kunnen wij die herhalen: wij moeten waken en bidden, gelijk Christus de Heer zegt: „waakt en bidt, opdat gij „niet in bekoring valt/\' Want „de geest,quot; voegt Christus er bij, „is wel gewillig, maar het vleesch is zwakquot; (Matth. XXVI , 41). Die vermaning des Heeren moet niet te vergeefs ook tot ons gericht zijn. Dikwijls toch gebeurt het, dat men zich op zijnen goeden wil verlaat, zonder te bedenken, hoe zwak het vleesch is, en dat men dien ten gevolge de waakzaamheid en het gebed verwaarloost en weldra diep ten val komt. Zoo ging het den Apostelen en vooral Petrus, die in het vertrouwen op zijn vasten wil zich zeiven getrouwer en krachtiger achtte dan alle anderen. Wij mogen alzoo nimmer onbezorgd sluimeren, als hadden wij niets te vreezen, want onze vijand is listig en ons vleesch is zwak. Wij moeten steeds waken, waken over alle neigingen van ons hart, over onze gedachten, voorstellingen en begeerten, waken over onze zintuigen, op onze hoede zijn voor onze inwendige en uitwendige vijanden. Tot die waakzaamheid behoort het vluchten der kwade gelegenheden , de zedigheid en ingetogenheid in het gezellig verkeer, de bescheidenheid der oogen, het dagelijksch onderzoek van ons geweten, de beoefening der versterving en zelfverloochening. Waakzaamheid is evenwel nog niet genoeg om ons voor den val te bewaren: wij moeten ook bidden. Het is eene waarheid van ons geloof, dat wij de goddelijke hulp noodig hebben, om de overwinning op de aanvechtingen van den boozen vijand en de begeerlijkheid des vleesches te behalen. „Al zijn wij,quot; zegt de H. Chrysostomus (hom. 4, deel 3), „nog zoo wijs, nog zoo sterk en nog zoo krachtig, „als de goddelijke bijstand ons ontbreekt, dan kunnen wij „zelfs in eene kleine bekoring niet staande blijven.quot; Die hulp der genade moeten wij met allen ootmoed van God vragen. Daarom leerde Christus ons bidden: „leid ons niet „in bekoring.quot; „Zoodra gij eenige bekoring gevoelt,quot; zegt de H. Franciscus van Sales, „doe dan gelijk de kleine „kinderen, die, als zij een stier of een grooten hond in het „veld zien, terstond zich gaan werpen in de armen van vader „of moeder, of minstens tot hen om bescherming en hulp „roepen. Neem uwe toevlucht tot God, en smeek om zijne „erbarming. Dat middel beveelt ook de Verlosser ons aan, „als Hij zegt: „Bidt, opdat gij niet in bekoring valt.quot;quot; \')
\') „Men vermaant,quot; zegt de H. Ligorio, „degenen, die door bekkeringen gekweld worden, goede voornemens te maken en God te
679
Met het gebed meet gepaard gaan de overweging van de vier uitersten, welke bij uitnemendheid geschikt is, om onzen goeden wil te sterken, verder het aanhooren van Gods woord, het ontvangen der HH. Sacramenten, het gebruik van wijwater en andere Sacramentaliën, en eveneens het aanroepen van de Heiligen, vooral de allerheiligste Maagd Maria en den H. Joseph. — Indien wij deze middelen vlijtig aanwenden, dan mogen wij vast vertrouwen, dat wij de heerlijkste overwinning op alle vijanden van onze zaligheid behalen en eenmaal zullen behooren tot de gelukkige schaar van degenen, tot wie de Heer zegt: „wie „overwint, hem zal Ik geven, met Mij op mijnen troon „te zitten, gelijk ook Ik overwonnen en met mijnen Vader „op zijnen troon Mij geplaatst hebquot; (Openb. III, 21).
VII. In de bede „verlos ons van den kwade\' vragen wij, dat God ons behoede voor alle rampen naar de ziel en het lichaam, bizonder voor de zonde en de eeuwige verdoemenis. — Kicaad is de tegenstelling van goed* Gelijk nu God het hoogste Goed is, zoo is alles slechts in zooverre goed, als. het ons tot God leidt, met God vereenigt, en alles slechts in zooverre een waarachtig kwaad, als het ons van God afkeert, van Hem, het hoogste Goed, scheidt. Er kan ons derhalve geen grooter kwaad overkomen, dan de dood in de zonde, de eeuwige scheiding van God, de eeuwige verdoemenis, Daarom bidden wij God, dat Hij ons voor dat allerhoogste kwaad, waarmede alle tijdelijke rampen en wederwaardigheden vergeleken, niet eens kwaad te noemen zijn, genadig behoede en beware. Want ofschoon wij in de voorgaande bede gesmeekt hebben om genade, teneinde de bekoringen te overwinnen, gebeurt het, helaas 1 maar al te vaak, dat wij door onze gebrekkige medewerking met de werkelijk ontvangen genade toch in zonden vallen. Wij hebben dus alle reden, om in deze bede opnieuw God
//beloven, dat zij Hem niet meer zullen beleedigen, maar men ver-//zuimt hun te zeggen, dat soms, als zij tot eene of andere zonde (vooral tot onzuiverheid^ //bekoord worden, alle goede voornemenb „en alle gemaakte beloften maar weinig baten, wanneer men niet «te gelijker tijd God om zijn bijstand bidt. Is de bekoring hevig, „dan moet de ziel zich terstond met grooten ijver den Heer aanbe-„velen, en houdt de bekoring niet op. dan moet ook zij niet onliouden, „God om genade te smeeken, opdat zij niet bezwijke, en aldus voort-„gaan tot de bekoring ophoudt of minstens zwakker geworden is. „Bij ondervinding weet men ook, dat de aanroeping van de aller-„heiligste namen van Jesus, Maria en Joseph in de bekoringen een //krachtig middel is, om er niet in toe te stemmen. Velen, die eerst „hunne zonden oprecht betreurd hebben, hervallen in het kwaad, „omdat zij verzuimden, in de bekoringen van den boozen vijand .terstond tot God hunne toevlucht te nemen.quot;
680
te vragen, dat Hij ons door zijne genade van alle zonden beware, en als wij het ongeluk hadden van te zondigen, niet in staat van zonde een plotselingen dood late sterven, maar ons tijd en genade verleene, om onze zonden te be-weenen en boetvaardigheid te doen. — Hoewel wij in de zevende bede hoofdzakelijk bidden, dat wij bevrijd mogen blijven van het grootste van alle kwaad, van den ongeluk-kigen dood in de zonde en de eeuwige verdoemenis, lag het toch niet in de bedoeling van Christus, dat wij ons uitsluitend daartoe zouden bepalen. Gelijk wij namelijk in de vierde bede ook om datgene bidden, wat wij voor onze tijdelijke welvaart behoeven, bidden wij ook hier om afwending van tijdelijke rampen, vooral van die, welke God als straffen voor onze zonden ons toezendt. Inderdaad leert ons niet alleen de H. Schrift, maar ook het voorbeeld der Heiligen God te bidden, dat Hij den geesel van zijn toorn en zijne straffende gerechtigheid genadig van ons afwende. De H. Kerk zelve bidt veelvuldig daarom tot God. Zij schrijft te dien einde boetedagen voor, zij roept alle Heiligen om hunne voorspraak aan en smeekt met de geheele gemeente den Allerhoogste, dat Hij zich gewaardige ons te verlossen niet alleen van alle zonden, van een haastigen en onvoorzienen dood, van het eeuwig ongeluk, maar ook van bliksem en on weder, van den geesel van aardbeving, van pest, hongersnood en oorlog.
Al zouden wij ook, alleen door natuurlijke liefde tot ons zeiven en den naaste gedreven, om afwending van tijdelijke rampen bidden, er ligt daarin niets ongeregelds, want de christelijke wet verbiedt zulke liefde niet. \') Onge-
\') Reeds dit is goed en heilzaam, dat mensclien, die leefden zonder aan God te denken, in de verdrukking er weder aan denken, dat God hun helper en Verlosser is, en zich gedrongen gevoelen, tot Hem terug te keeren, Hem otn bescherming en bijstand aan te roepen. — Eene der verschrikkelijkste aardbevingen, waarvan de geschiedenis der wereld melding maakt, had plaats onder de regeering van Theo-dosius den Jongere, in het jaar 447, te Constantinopel. Op den SJisten Januari van dat jaar, op een zondagmorgen, hoorde men aldaar eensklaps een geheel ongewoon geraas, alspl\' er ontelbare wagens voortrolden. De inwoners herkenden daarin de voorboden van eene op handen zijnde aardbeving en vloden ijlings uit de stad. Die niet konden gaan, werden gedragen, de zieken in hunne bedden, de kinderen in hunne wiegen. In minder dan een uur waren alle kerken, alle paleizen, huizen en straten van de stad geheel ledig. Nu volgde onder het gekraak der instortende gebouwen de eerste schudding. De grondvesten der aarde schenen te wankelen De oude en nieuwe muren van Constantinopel, twee-en-vijftig torens, eene menigte kerken en paleizen en het grootste deel der huizen, benevens alle openbare gedenkteekenen, zuilen en standbeelden stortten ineen. Het duurde verscheidene dagen eer de bevende aarde weder rustig werd. De Keizer, zijn hof, de senaat en al het volk
681
regeld en verwerpelijk zou het echter zijn, als wij niet bereidwillig genoeg waren om zulke rampen, zoo lang het God behaagt, met geduld te dragen, als wij wellicht zelfs, tegen de goddelijke Voorzienigheid ons verzettende, morden en klaagden, dat ons gebed onverhoord blijft. Zeer dikwijls toch zijn de tijdelijke rampen heilzame straffen, uitstekende gunstbewijzen des Heeren. Daarom vermaant de Apostel ieder onzer met de leer- en troostrijke woorden: „mijn zoon, acht de tuchtiging des Heeren niet gering en „wordt niet moedeloos, als gij van Hem bestraft wordt; „want de Heer tuchtigt, dien Hij liefheeftquot; (Hebr. XII, 5, 6). Anders moeten wij derhalve bidden om bevrijding van de zonde en de eeuwige verdoemenis, en anders om bevrijding van tijdelijke rampen. Het eerste vragen wg onvoorwaardelijk, hst laatste daarentegen slechts onder voorwaarde, dat het dragen van tijdelijke rampen niet nuttiger zij voor onze zaligheid. In dat geval sluit echter het gebed „verlos ons van den kwade\'\' de onvoorwaardelijke bede in zich, dat God ons de genade verleene, om die wederwaardigheden zóó te dragen, dat zij waarlijk tot ons eeuwig geluk verstrekken.
Wij besluiten het gebed des Heeren met het woord „Amen,quot; om daardoor ons vurig verlangen en ons vertrouwen uit te drukken, door God verhoord te worden. Het woord „Amenquot; dient in het algemeen tot bekrachtiging eener uitspraak of bede. Christus gebruikte het dikwerf om zijne rede te bevestigen, er bizonderen nadruk aan te geven. Zoo was zijne allerbeslissendste verzekering ; „Amen, „amen. Ik zeg u,quot; hetgeen zooveel beteekent als „in waar-„beidquot; of, „waarlijk, waarlijk Ik zeg u.quot; Hier, aan het slot van het Onze Vader, dient het ter bekrachtiging onzer beden en beteekent: het geschiede; gelijk wij gebeden hebben, moge het geschieden. Zoo lezen wij ook aan het slot van Psalm 105: „Hoog geprezen zij de Heer, de God van „Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid, en al het volk „antwoordde: Amen, amen!quot; Dit slotwoord is alzoo de
brachten die angstvolle dagen onder luide gebeden op het veld door. Heel de omstreek van Gonstantinopel geleek op een ongehoord grooten tempel, waar elk treurend en moedeloos hart het altaar was, waarop de smeekende zijn leven en lot, alsmede dat der zijnen, den Almachtige ten offer aanbood. Het zonderlingste was, dat allen, die het bidden reeds lang verleerd of tot dusverre daarmede gespot hadden, nu eensklaps van de kracht des gebeds overtuigd schenen, en alle spotternijen vergetende, uit de diepte van hun angstig gemoed, evenals anderen, God om erbarming smeekten. — God spaarde toen het leven der inwoners; geen enkele kwam bij die sclirikkelijke aardbeving om \'t leven (Stolberg .Religions Gesch. \'XVI. bladz. é7üj.
682
uitdrukking van ons verlangen naar verhooring en van onze vaste hoop, dat de hemelsche Vader de beden en wenschen, welke wij Hem in naam en volgens de aanwijzing van zijn eengeboren Zoon voorgedragen hebben, om diens verdiensten genadig zal verhooren.
TOEPASSING.
Wij gevoelen ons vooral tot godsvrucht gestemd, als wij de gebeden herhalen, welke door Gods groote dienaars, door een H. Augustinus, een H. Bernardus, een H. Thomas van Aquine en anderen gemaakt en veelvuldig gebeden werden. Tot welk een ijver en innige godsvrucht moeten wij ons dan niet opgewekt gevoelen, als wij het Onze Vader bidden, dat niet een dienaar, niet een vriend, maar de Zoon Gods, de mensche:eworden God zelf, gemaakt en ons aanbevolen heeft! Waar kan men eene hoogere wijding, heiligheid en overvloediger zalving van den H. Geest verwachten, dan in dit waarlijk goddelijke gebed? En toch, hoe vaak bidt men het Onze Vader gedachteloos, zonder de minste aandacht, alleen uit gewoonte! Hoe dikwijls bidt men het in den huiselijken kring of zelfs in de kerk met zoo weinig eerbied, dat men daardoor zelfs andersdenkenden tot ergernis verstrekt! quot;Vanwaar nu dat betreurenswaardig verschijnsel, die schromelijke oneerbiedigheid? De voornaamste oorzaak daarvan is gewis, dat men niet dikwijls en niet levendig genoeg zich voor den geest brengt, wie de Leeraar van dat gebed is, en dat men zich geene moeite geeft, den zin er van goed te begrijpen; men hangt aan de schaal zonder tot de kern door te dringen, die in zoetheid alles overtreft. Nemen wij ons ernstig voor, in \'t vervolg het gebed des Heeren met de verschuldigde aandacht en godsvrucht te verrichten, opdat het voor ons eene rijke bron van goddelijken zegen en hemelschen troost worde.
§ 2. Over dc «roetenis des Engels.
IVa ar om voegen wij gewoonlijk lij het Ome Vader de groetenis
des Engels ?
Om door de heilige Maagd onze gebeden aan God op te dragen.
Wij volgen op die wijze het voorbeeld na van degenen,
683
die eene of andere gunst van den koning willen afsmeeben. Deze toch zijn gewoon, nadat zij den vorst hun verzoek mondeling of schriftelijk hebben voorgesteld, de zaak verder aan een gunsteling of vertrouweling van den koning aan te bevelen, opdat deze bij zijn hoogen beschermer hunne aangelegenheid bepleite en de verhooring hunner bede be-werke. Eveneens doen wij. Nadat wij namelijk in het Onze Vader den Allerhoogste onze beden hebben voorgedragen, bevelen we die der verheven Moeder van God, de Koningin van hemel en aarde, aan, vast overtuigd, dat zij, de Moeder der barmhartigheid, die voor zich zelve genade heeft gevonden bij God, ook voor ons genade en verhooring vinden zal. Vandaar het overoude en algeraeene gebruik der Kerk om bij het gebed des Heeren ook een gebed tot onze koningin en moeder Maria te voegen. Pius IX z. g. drukt zich in een zijner brieven, \') waarin hij de geloovigea vermaant, ijverig te bidden dat de H. Kerk Gods, van alle rampen bevrijd, de vurig gewenschte rust moge genieten, aldus uit; „Opdat de goede God zijn oor „des te eerder tot ons gebed neige en onze wenschen ver-„vulle, laten wij immer de allerheiligste Moeder des „ Heeren en onbevlekte Maagd Maria als onze voorspreekster „bij Hem aanroepen. Zij is toch onze allerzoetste Moeder, „middelares en voorspreekster, onze vaste hoop en ons „grootste vertrouwen; met hare voorspraak bij God is niets „te vergelijken in kracht en voortreffelijkheid.quot;
JFai he vat de groetenis des Engels?
1) Een lofgebed, dat aldus luidt: „Wees gegroet, Maria, „vol van genade! De Heer is met u! Gezegend zijt gij „boven alle vrouwen! En gezegend is de vrucht uws „lichaams, Jesus;quot; 2) een smeekgebed, hetwelk luidt: „Heilige Maria, Moeder Gods, bid voor ons, zondaren, nu „en in het uur van onzen dood. Amen.quot; — De woorden: „wees gegroet, gij vol van genade! De Heer is met u!quot; sprak de Aartsengel Gabriël tot de allerheiligste Maagd, toen hij op bevel van den Allerhoogste haar stil woonvertrek binnentrad en haar de verheven boodschap bracht, dat zij Moeder Gods zou worden. De woorden: „Gezegend „zijt gij boven alle vrouwen,quot; zijn zoowel van denzelfden Aartsengel als van de H. Elisabeth: maar de daaropvolgende; „Gezegend is de vrucht uws lichaamsheeft alléén Elisabeth tot Maria gesproken. Toen Maria van den Engel
\') Encyclica; Qui pluribus.
684
vernomen had, dat hare nicht Elisabeth een zoon zou baren en reeds in hare zesde maand was, ging zij ijlings over het gebergte, om haar geluk te wenschen en liefdediensten aan te bieden. Zoodra Maria bij Elisabeth kwam, erkende deze door goddelijke ingeving het geheim der menschwording en riep vervuld van den H. Geest met luider stemme hare hoogbevoorrechte verwante toe: „Gezegend zijt gij boven „alle vrouwen en gezegend is de vrucht uws lichaams! „En vanwaar geschiedt mij dit, dat de Moeder mijns Heeren „tot mij komt?quot; (Luc. I, 42, 43). — Gelijk het Onze Vader boven alle gebeden eerwaardig is, omdat het uit den goddelijken mond van onzen Heer en Heiland is voortgekomen, moeten wij ook dit lofgebed tot Maria bizonder in eere houden, daar het bestaat uit woorden, die gedeeltelijk door een Engel op last van God, gedeeltelijk door de moeder van den Voorlooper van Christus op goddelijke ingeving het eerst gesproken, gedeeltelijk door de Kerk als bede er bijgevoegd zijn, zooals wij later zullen zien.
Het woord: „wees gegroet,quot; heet in de latijnsche taal Ave, weshalve de groetenis des Engels dikwerf ook het Ave genoemd wordt. Oorspronkelijk stamt Ave evenals de naam Eva uit het hebreeuwsch, waar het zooveel beteekent als „leef,quot; „gij zult leven.quot; \') Het was vroeger eene soort van eerbiedige begroeting, gelijk wij ook nu nog den koning bij zijn plechtigen intocht in eene stad huldigend toeroepen; „leve de Koning!quot; — Dat deze wijze V£-n groeten niet enkel als een teeken van vertrouwde vriendschap, maar tevens van bizondere achting en vereering beschouwd moet worden, kan men reeds daaruit besluiten, dat Judas, de verrader, zich tegenover zijn goddelijken Meester er van bediende, en de Joden voor den Heiland, als hunnen Koning, spottend de knie buigende, hetzelfde deden. Zoo was dan ook de groet van den Aartsengel Gabriël een teeken van eerbiedige hulde, welke de afgezant des Allerhoogsten aan zijne toekomstige meesteres, de hoog gezegende Maagd, Nazareth bracht. Welk eene eer voor Maria, de hulde van den hemelvorst te ontvangen, en welk eene les voor ons om Maria, de Koningin des hemels, steeds met den diepsten Qerbied te begroeten! Gelijk wij om de gezegende vrucht van haar lichaam nader aan te duiden, er den naam Jesus bijvoegen, zoo voegen wij ook bij de groetenis van den Engel dien naam Maria:
\') Zie Allioli in de aanmerkingen op Luc. I. Vossius Etymolog. linguae latinae. Hucé Diction, de Philologie sacrée. Anderen leiden Aoe af van het indo-germaansche of van het eolische dialekt.
685
Maria, na den naam van Jesus, de schoonste, eerbiedwaardigste, heiligste, verhevenste, de liefelijkste naam, voor de Engelen, de meest geduchte voor de geesten der duisternis. De hebreeuwsche naam Maria beteekent, volgens de verklaring van den H. Hieronyrnus en andere HH. Vaders, ster der zee, en de Kerk zelve begint den schoonen hymnus, welke op de feestdagen ter eere der maagdelijke Moeder Gods gezongen wordt, met de woorden: „wees ge-„groet, o sterre der zee!quot; En terecht wordt Maria met een gesternte vergeleken. rZij is voor ons,quot; zegt de H. Bernardus, „die heldere, schitterende ster, welke boven „de groote, uitgestrekte zee dezer wereld opgaat, stralen „schietende van verdiensten, lichtend door voorbeelden van „deugd.quot; Gelijk de zeevaarder na het woeden van een nachtelijken storm, welke hem van zijnen weg afgebracht en naar eene onbekende streek heen geworpen heeft, de plotselinge verschijning van een bekend gesternte met vreugde begroet, daar hij nu weer in staat is, den gang van zijn schip te regelen of door het zien der bekende\' ster zich voor gevaren kan hoeden; even vriendelijk schijnt boven ons, die de zee dezes levens bevaren en niet zelden van de juiste richting naar ons vaderland afgaan, die blijde ster en voert ons veilig de havea binnen. Met recht vermaant derhalve de H. Bernardus: „O gij, die u „bewust zijt, dat gij op den stroom dezer wereld meer „door stormen wordt rondgeslingerd, dan gij op aarde „wandelt, wendt uwe oogen van dat schitterend gesternte „niet af, als gij door de golven niet wilt verslonden worden. „Verheffen zich de stormen der bekoring, stoot gij- op „klippen van rampen, zie op naar die ster, roep tot Maria! „Als toorn of hebzucht of de lust des vleesches tegen „het scheepje van uw hart aandringen, zie op naar Maria! „Als gij door de grootte uwer misdrijven verontrust, door „de hatelijkheid van uw geweten beschaamd, door de ge-„strengheid van het oordeel verschrikt, in den afgrond „van vertwijfeling dreigt neêr te storten, denk aan Maria! „In gevaren, in angst en nood, denk aan Maria. Nooit „verdwijne die naam van uwe lippen, nimmer uit uw „hart. En wilt gij de vrucht barer voorspraak verkrijgen, „wijk dan nimmer af van de voorbeelden u door haar „gegeven,quot;
Waarom hidden wij tot Maria: -o Gij zijt vol genade, „de Heer is met u! Gij zijl gezegend!\' enz?
I. Wij bidden tot Maria: „gij zijt vol van genadequot;
686
omdat Maria 1) reeds vóór hare geboorte met genade vervuld was, 2) steeds de genade vermeerderd en 3) den oorsprong van alle genade gebaard heeft.
1) Terwijl wij allen, als kinderen van een zondigen stamvader, reeds vóór onze geboorte met de zonde behebt zijn, was Maria door het voorrecht der onbevlekte ontvangenis van alle vlek der zonde vrij: hare ziel was zuiveren met de heiligmakende genade versierd uit de hand des Scheppers voortgekomen en zonder de geringste vermindering dier reinheid en heiligheid met haar allerzuiverst lichaam, de toekomstige woonplaats van den menschge-worden God, vereenigd. Maria was echter op het oogen-blik barer ontvangenis niet alleen in de genade, maar ook vol van genade, wijl God haar tot de hoogste waardigheid, tot de waardigheid van Moeder van zijn eengeboren Zoon, bestemd en derhalve ook met de aan eene zoo verheven bestemming beantwoordende volheid van genade en gaven des H. Geestes verrijkt had. Wij mogen alzoo als eene vrome, door uitstekende Godgeleerden uitgedrukte meening aannemen, dat de maat der genade, welke de heilige Maagd toen verkregen heeft, grooter geweest is dan die, welke elke Engel en zalige thans in de glorie bezit. De 11. Lauren-tius Justinianus (over de geboorte van Maria) geeft de reden daarvan aan, zeggende: het eeuwige Woord heeft Maria in het eerste oogenblik van haar bestaan als zijne toekomstige Moeder meer bemind, dan eenige Engel of eenig mensch door Hem bemind wordt; de mate van genade nu komt nauwkeurig overeen met de maat der liefde; bijgevolg. — 2) Als Maria reeds bij hare komst in het leven vol van genade was, welken overvloed van genade moet zij dan niet aan het einde baars levens bereikt hebben? De „weg des rechtvaardigen is als een stralend licht; het komt „en wast tot den vollen dagquot; (Spreuk IV, 18). Deze woorden van den H. Geest worden bewaarheid in het leven van eiken rechtvaardige, maar vooral in het leven van degene, die door de H. Kerk „spiegel der gerechtigheidquot; genoemd wordt. De eeuwige Vader, die Maria reeds bij hare ontvangenis met genaden overladen heeft, hield in het vervolg niet op, de schatten zijner goedheid en welwillendheid over haar uit te storten , om haar tot eene waardige woonplaats van zijnen Zoon voor te bereiden. En welk een overvloed van genade verkreeg zij niet, toen de H. Geest haar overschaduwde en de goddelijke Zoon, die zelf de oneindige volheid van genade is, in haren zuiveren schoot nederdaalde? Wie is in staat te berekenen , welke rijkdom van hemelsche gaven haar toestroomde, toen zij, de Koningen der Martelaars, aan deu voet van het kruis stond
687
en haren veelgeliefden Zoon voor ons heil ten offer bracht, of op den dag, dat de H. Geest in de gedaante van vurige tongen over de jeugdige Kerk en over haar, de Moederen Koningin dier Kerk, zijne hemelsche volheid van genade uitstortte ? Bovendien kwamen hier nog bi] die vele genaden, welke zij door hare aanhoudende, ijverige, ja volmaakte medewerking verdiende en elk oogenblik vermeerderde. Daarom noemde de HH. Vaders den schat van genade, welken de Hoeder Gods bezat, een onmetelijken, onbegrijpelijken; daarom zegt de H. Bonaventura: „gelijk „in de zee alle wateren zich vergaderen, zoo vereenigen „zich in Maria alle genadendaarom roept de groote vereerder van Maria, Andreas van Creta, met geestdrift uit: „o Heilige, o boven alle Heiligen Heilige, o heiligste schat „van alle heiligheid.quot; — 3) Doch niet voor zich zelve alleen , ook voor ons is Maria vol van genade, wijl zij den oorsprong der genade, Jesus Christus, in wien alle schatten der genade verborgen zijn, voor ons gebaard en ten beste gegeven heeft. „Met welke gevoelens van godsvrucht „moeten wij haar dan niet vereeren,quot; zegt de H. Bernardus , „daar de Allerhoogste de volheid van alle goed in Maria „heeft neergelegd, en wij bijgevolg weten, dat zoo er „eenige hoop, eenige genade, eenig heil voor ons be-„staat, deze van haar ons toevloeit?quot; En op eene anaere plaats zegt dezelfde H. Kerkleeraar: „van hare volheid „ontvangen allen; de gevangenen verlossing, de
\') Ue H. Vincentius van Paulo geraakte, korten tijd nadat hij tot Priester gewijd was, op reis zijnde, in handen van zeeroovers, die hem als gevangene naar Tunis brachten. Daar werd hij op de openbare markt te koop aangeboden, als een lastdier onderzocht en verkocht. Vincentius had achtereenvolgens verscheiden meesters, tot hij eindelijk het eigendom werd van een afvallige, die diep in het land woonde. Aan vlucht of redding was hier volstrekt niet te denken. .Niettemin wendde zich de dienaar Gods, die van kindsbeen af eene groote devotie tot Maria koesterde, met een onbeperkt vertrouwen tot haar, de hulp der Christenen. Zijn gebed bleef niet onverhoord. Maria, niet tevreden met haren dienaar uit de gevangenis te bevrijden, wilde hem nog het genoegen verschaffen, zijnen heer aan de onvergelijkelijk wreedere slavernij des duivels te onttrekken. De zaak droeg zich aldus toe. Eene van de vrouwen van den renegaat, eene Turkin, ging dagelijks naar het veld. waar Vincentius moest graven, om zich uit nieuwsgierigheid met hem te onderhouden. Bij een dier gesprekken vroeg zij hem, een lollied op zijtien God te zingen. Toen kwamen hem de woorden van den H. Zanger in de gedachte: „Hoe zullen wij zingen in het vreemde land quot; en hij begon het begin van Psalm 133: „Aan den vloed van Babyion zaten „wij eu weenden, als wij aan Sion dachten: wij hadden de harpen /aan de wilgen opgehangen.quot; Bij dit gezang voegde hij met alle hartelijkheid het „Salve Hegina.quot; Daarin vond nu Vincentius aanleiding, om de Turkin over llaria, de Moeder Gods, en over de geheimen der verlossing te spreken. De vrouw hoorde hem met de
688
„zieken genezing, \') de bedroefden troost, s) de zondaars
meeste belangstelling aan, en des avonds zelde zij tot haren man, dat hij een groot kwaad gedaan had, met zijn godsdienst vaarwel te zeggen, waarvan de Frank (zoo noemde zij Yincentius) haar heerlijke dingen verteld had. Zij wist zelve niet, wat met haar gebeurd was, maar terwijl deze zijnen God had geloofd, was het haar zoo wel om het hart geworden, dat zij het moeielijk zoo in Mahomeds paradijs vinden zou. Dat gesprek ontstak een heilzamen prikkel in het hart van den afvallige. Reeds den volgenden dag zeide hij aan Vincentius, dat hij slechts naar eene gunstige gelegenheid uitzag, om naar Franrijk over te steken. Eerst na tien maanden hield hij woord; hij begaf zich met Vincentius naar het strand, waar zij beiden een klein vaartuig bestegen. Na eene hoogst gevaarlijke reize kwamen zij behouden, op de fransche kust aan. Terstond begaven zij zich naar Avignon, waar de renegaat, van harte bekeerd, tot groote stichting der ge-loovigen weder in de gemeenschap der Heiligen werd opgenomen.
!) Wie er aan twijfelt, dat zieken door Maria genezing verkrijgen, begeve zich naar een pelgrimsoord, bezoeke do kerken en heiligdommen, door de dankbaarheid der geloovigen ter eere van.Maria, „het behoud der kranken,quot; opgericht; hij bezie en telle, als hij kan, de daar ten toon gestelde of opgehangen geschenken en gedenkteekenen van genezingen, die door het gebed bij haar beeld verkregen werden. En hoe vele wonderbare genezingen werkt Maria uit op het gebed van hare kinderen, zonder dat ergens een gedenkteeken het vermeldt? — In een klein stadje, zoo verhaalt een eerbiedwaardig Priester als ooggetuige, leefde eene bejaarde moeder met hare reeds vol wassen dochter. Zij hadden een sober bestaan van haren handenarbeid, waren zeer vroom, en beminden en vereerden teeder de Moeder Gods. De oude moeder werd gevaarlijk ziek. Wijl men geloofde, dat zij sterven zoude, werd zij voorzien met de heilige Sacramenten, endaar hare zwakte toenam, en reeds de teekenen van den naderenden dood zich lieten zien, riep men den Priester en goede vrienden bij haar; ieder verwachtte den dood. De dochter was ontroostbaar over het naderend einde van hare dierbare moeder. Vol vertrouwen op de macht der allerheiligste Maagd, verliet zij het sterfbed van hare moeder en begaf zich met eene goede vriendin naar eene benedenkamer, waar zij zich nederwierp voor een Mariabeeld en met vurig smeeken de machtige Koningin om hulp vroeg. (/Ach, Moeder Gods,quot; sprak zij, «zie ik ben geheel hulpeloos, laat mij toch mijne moeder nog zes „jaren.quot; Deze bede herhaalde zij met weemoed en groot vertrouwen wel honderdmaal. — En zie, terwijl zij zoo bad , meldde haar iemand, dat de ziekte harer moeder eene betere wending had genomen. Werkelijk vond zij haar aanmerkelijk verlicht en vernam zelfs uit haren mond, dat zij de hoop koesterde, weldra weder gezond te worden, wat ook na korten tijd geschiedde. Opdat men nu zou weten, dat Maria de kranken geneest, leefde zij juist nog zes jaren; intusschen werd de dochter in een klooster opgenomen en gelukkig verzorgd (Ott, Marienblüthen).
2) De H. Franciscus van Sales had zich reeds van zijne vroegste jeugd aan den dienst der allerzaligste Maagd toegewijd. Overtuigd dat de onbesmette reinheid des lichaams en der ziel een haar hoogst welgevallig offer is, had hij te Parijs, waar hij zich op de studie toelegde, de belofte van eeuwige zuiverheid afgelegd. Om de getrouwheid van zijnen dienaar te beproeven, liet God toe, dat hem eene zware, zeer pijnlijke bekoring overkwam. Hij viel in trooste-looze geestesdorheid en bange zwaarmoedigheid; onophoudelijk vervolgde hem de verschrikkelijke gedachte, dat God, wien hij zoo van harte beminde, hem verworpen had. Deze gruwzame voorstelling bracht hem in een betreurenswaardigen toestand; hij weende dag en
689
„vergeving, j) de rechtvaardigen genade de Engelen vreugde, „de H. Drievuldigheid eere en verheerlijking.quot;
II. Wij bidden tot Maria: . „De Heer is viel u \'\' wijl God op eene geheel bizondere wijze met de heilige Maagd
nacht tranen van droefheid en zielsangst. Door die bekoring-bestormd en heen en weder gedreven, gaat hij naar de kerk, werpt zich ter aarde neder voor het beeld der Moeder (xods en bezweert haar onder tranen, dat zij voor hem de genade verwerve, van tenminste nog in dit leven God uit geheel zijn hart te beminnen. Nauwelijks had hij zijn gebed voleind, of de bekoring- week, en blijdschap, vreugde en rust keerden in zijne ziel weder (Uit de levensgeschiedenis des Heiligen).
\') In het midden van Parijs ligt de parochie van ,Onze Lieve Vrouw ,van Overwinning.quot; welke ongeveer 27,000 zielen telt. Toen aldaar alle gevoel vuor den godsdienst verdwenen scheen, het gebruik der Sacramenten bijna vergeten was, het ongeloof en de zedeloosheid geene grenzen kenden, nam de vrome en ijverige pastoor het besluit, onder de aanroeping en bescherming van het onbevlekte hart van Maria, eene broederschap tot bekeering van de zondaren op te richten. Op den derden zondag van den Advent, den Hm December 1830, kondigde hij met dit doel eene godsdienstoefening aan, te houden des avonds ten zeven ure. Het bezoek was zoo talrijk, dat het al zijne verwachtingen overtrof, Eene voordracht over\'het doel der samenkomst ging diep in het harte. Bij het einde van het bidden der Litanie van Lorette herhaalde de getroffen menigte uit eigen beweging tot drie malen toe de woorden: //Gij, toevlucht der zondaren, bid voor ons!quot; ,Ik lag,quot; zoo schrijft de waardige pastoor zelf, *bij dezen uitroep van vberouw voor het allerheiligste Sacrament op de knieën, mijn hart ïklopte van vreugde. Ik verhief mijne oogen vol tranen tot de beel-;,tenis van Maria en waagde haar te zeggen; o mijne lieve Moeder! „Gij hoort de bede van liefde en vertrouwen. Gij zult ze redden, ,deze arme zondaars, die tot u hunne toevlucht nemen. O Maria, „voldoe aan dit vaste vertrouwen, en geef mij daarvan een teeken ,door de bekeering van den lieer 11..., morgen wil ik mij in uwen ,naam tot hem begevenquot; — R... was de laatst overgebleven minister van Lodewijk XVI. Hij beroemde er zich openlijk op, een onge-loovige te zijn, en had zich van zijne jeugd af zeer weinig om godsdienst bekommerd. Sedert eenige maanden lag hij ziek ter neder. Tienmaal had zich de pastoor bij hem laten aanmelden en tienmaal was hij afgewezen. Maandag, den 12quot; December liet zich de pastoor opnieuw bij hem aandienen. Deze keer wordt hij toegelaten; de zieke vraagt den heiligen zegen en legt nog bij hetzelfde bezoek eene rouwmoedige biecht af. — Nu volgde de eene wonderbare beket-ring de andere. Op den 22i! Januari van het volgende jaar werd de vrome broederschap met de goedkeuring van den Aartsbisschop verrijkt, en weldra toonde zich eene opvallende verandering in den zedelijken toestand der parochie. De parochiekerk, die vroeger zelfs op de hoogste feestdagen als verlaten stond, werd nu op werkdagen druk bezocht, en terwijl er in het jaar 1835 nauwelijks 700 communiën werden uitgereikt, was in het jaar 1838 liet getal meer dan 12.001). De vruchten der genade waren zoo opvallend en menigvuldig, dat men zich gedrongen gevoelde, de hierop betrekking liebl)eiide annalen uit te geven. Deze gebeurtenissen bewogen den heiligen Vader (irego-rius XVI in het jaar 1838, de broederschap tot bekeering der zondaren tot eene aartsbroederschap, onder den titel van het heiligste en onbevlekte hart van Maria, te verheffen en ze met rijke aflaten te be-giltigen. Van dezen tijd af heeft zij zich in alle deelen van de katholieke wereld uitgebreid, en breidt zich nog uit op den huldigen dag met onberekenbare zegeningen.
deharbe gelool\'sleer. iv. 3je druk. 44
690
is, weshalve zij te recht de uitverkoren Dochter van den hemelschen Vader, de waarachtige Moeder van God den Zoon en de allerzuiverste Bruid van den H. Geest wordt genoemd, i)
Deze woorden bevatten niet enkel een zegewensch, zij hebben niet den zin; de hnlpe, de bescherining van God moge met u zijn; zij bevatten de bepaalde uitspraak, dat de Heer werkelijk met Maria is, en staan met de onmiddellijk voorafgaande woorden in het nauwste verband. Het is, alsof de Engel zeide: „gij zijt vol van genade, want „de Heer is met u.quot; — „Wat wonder,quot; roept derhalve de H. Bernardus uit, „wat wonder, dat Maria vol was van „genade, daar de Heer met haar was\'?quot; En inderdaad was God de Heer met Maria op eene geheel bizondere, geheel uitstekende wijze. „God de Vader was met haar,quot; zegt de H. Bonaventura (Spec. Mariae, 8), „als met zijne edelste „dochter; üod de Zoon was met haar, als met zyne waardigste Moeder; God de H. Geest was met haar, als met zijne „reinste bruid.\'\' Maria trad namelijk door de waardigheid van het moederschap van Christus, het menschgeworden Woord, in eene zoo nauwe verwantschap met den drie-ëenigen God, gelijk geen ander schepsel bereiken kon. Ia een zekeren , meer uitgestrekten zin, kan ook wel de ziel van eiken rechtvaardige dochter van den hemelschen Vader, br lid van den H. Geest, ja zelfs moeder van God den Zoon genoemd worden. Zoo spreekt de Allerhoogste door den mond van den Psalmist (Ps. XLIV, 11): „Hoor, (lodder, zie en neig uw „oor; en bij Oseas (II, 9); „Ik verloof u aan Mij voor „eeuwig.\'\' En Jesus Christus zegt: „wie den wil mijns „Vaders doet, die in den hemel is, deze is mijn broeder, „zuster en woerferquot; (Matth, XII, 50). Dat wil zeggen volgens de uitlegging van den H. Augustinus: „Elke vrome ziel, „die den wil van den hemelschen Vader volbrengt, is moeder „van Christus, daar zij door hare vruchtbare liefde bewerkt, „dat Christus ook in anderen geboren en gevormd wordt.quot; Doch Maria, aan wie voorzeker als de reinste en heiligste, .
i) Als de godvruchtige jongeling Joannes Berchraans op den avond voor zijn sterven door een medebroeder gevraagd werd, wat hij uit eigen ondervinding als het zekerste en krachtigste middel bevonden had, om tot de geestelijke volmaaktheid te geraken, gat\' hij tenantwoord: ■/üe liefde en godsvrucht tot Maria.quot; — In zijne nagelaten geschriften vond men de volgende aanroeping: «.Gij zijt mijne beschermster en «patrones, om tot heiligheid te komen; Gij zijt mijne Moeder, o «Maagd Maria.quot; — Hij was gewoon te zeggen; „als ik Maria bemin. ,dan ben ik verzekerd van mijn heil en van mijne volharding in »mijne Orde; ik zal van God verkrijgen kunnen, wat ik slechts wil, *en zoo nagenoeg almachtig zijnquot; (üit zijne levensgesch. van P. Cesari).
691
de raam van dochter, bruid en moeder Gods ook in dezea zin boven alle andere schepselen toekomt, IVIaiia verdient dien in een nog veel hoogeren en meer eigenlijken zin. Want het zooeven besproken dochter-, bruid- en moederschap Gods heeft zijnen grond enkel en alleen in de genade, waardoor God de ziel als kind aanneemt, zich door de heilige liefde met haar verlooft en haar in staat stelt , door woord en voorbeeld Christus in anderen voort te brengen. Daarom kan die verhouding tot God slechts oneigenlijk en in een meer uitgestrekten zin verwantschap met God genoemd worden; ook bestaat die verwantschap slechts zoo lang, als de ziel in de genade Gods verblijft, kan derhalve weder ontbonden en wel voor eeuwig ontbonden worden. Anders is echter het geval met die hoogere verhouding van Maria tot den drieéenigen God, met die nadere, haar geheel eigenaardige verwantschap. Deze ontsproot namelijk daaruit, dat Maria in den waren en eigenlijken zin Moeder van God den Zoon werd, toen Hij in haren maagdelijken schoot het vleescb aannam. En gelijk de band, welke de menschelijke en goddelijke natuur in Christus vereenigt, een eeuwige en onverbreekbare is, zoo is ook de band der verwantschap, welke Maria met den Zoon van God ver-eenigt, een eeuwige en onoplosbare band. Op die verwantschap met God den Zoon is ook gegrond de eigeraardige verhouding van Maria tot God den Vader, welke daarin bestaat, dat Maria Denzelfde in den tijd heeft gebaard, dien God de Vader van eeuwigheid heeft voortgebiacht. Voor die wetenschap hebben wij eigenlijk geen naam, daar zij eenig is in bare soort en met geene aardsche verwantschap eenigszins kan vergeleken worden. W ij duiden die evenwel aan als docbterschap en noemen daarom Maria de uitverkorene, veel beminde, boog begunstigde dochter van den hemelschen Vader. Maria, ten laatste, trad door haar maagdelijk moederschap in eene geheel bizondere verwantschappelijke verhouding tot God den H. Geest. Haar komt de heerlijke naam toe van bruid van den H. Geest, niet alleen, omdat zij door zijne genade geheiligd, door de liefde met Hem verloofd is, maar dewijl, naar de uitspraak des Engels, „hetgeen in haar geboren is, van den H. Geest „isquot; (Matth. I, 20).
III. Door de lofspraak: „Gezegend zijl gij loven alle vrouwen spreken wij uit, dat Maria de gelukzaligste is van alle vrouwen, die ooit geweest zijn: 1) omdat zij vóór allen tot maagdelijke Moeder van den Godmensch werd uitverkoren; 2) omdat de eerste vrouw der wereld den vloek,
maar Maria het heil aangebracht heeft. De uitdrukking
44*
692
gezegend beteekent zooveel als „hooggeprezen,quot; „door Gods „rijken zegen gelukkig.quot; „Gezegend zij Hij, die daar komt „in den naam des Heerenriepen de scharen des volks den Heiland toe, als Hij in Jerusalem zijn plechtigen intocht deed (Matth. XXI, 9). Zij wilden daarmede zeggen: hooggeprezen, met geluk en zegen vervuld zij de Messias, die op last en in de kracht van God tot ons komt. Hoewel Maria niet alleen de gelukkigste van haar geslacht, maar in het algemeen de gelukzaligste van alle zuivere schepselen in den hemel en op aarde is, noemen wij haar toch naar het voorbeeld van den Engel en van de H. Elisabeth de gezegendste boven alle vrouwen, wijl wij haar hier vooral als vrouw, in hare eigenschap van maagdelijke moeder beschouwen. Maria is waarlijk eene onuitsprekelijk gelukzalige moeder, zoowel ten aanzien der waardigheid, waartoe God haar verheven, alsook ten aanzien van het heil, dat zij ons verworven heeft. — 1) Maria: Moeder Gods! Voorwaar eene waardigheid welke in verhevenheid slechts door die van God zeiven overtroffen wordt! „Eene grootere wereld , „een grooteren hemel had God gewis kunnen scheppen, „maar nimmer eene grootere Moeder, dan de Moeder Gods „isquot; (Bonaventura 1. c. 10). Gelijk de Godheid zelve, zoo overtreft ook de waardigheid van het goddelijk moederschap alles, wat wij daarvan kunnen denken en uitspreken. — Maria: Moeder en Maagd tegelijk! Als de verhevenste en glorierijkste aller moeders is zij ook de reinste, ongeschonden Maagd, de Koningin der maagden. „O waarlijk gezegende „Maasjd,quot; roept de H. Petrus Chrysologus uit, „die het „sieraad der maagdelijkheid en tevens de waardigheid van „het moederschap bezit!quot; En wie zou Maria niet zalig prijzen, als hij bij zich zeiven overweegt, dat het haar vergund was, onder haar maagdelijk hart Hem te dragen, „die „met drie vingeren den aardbol draagtquot; (Is. XL, 12), „Hem te voeden, die alles, wat leeft en zich beweegt, „voedsel geeft ten rechten tijde,quot; met hare kuische lippen dengene te kussen, voor wien Seraphs hun gelaat bedekken? —;-2) Doch niet alleen om hare dubbele waardigheid als Moeder van God en Maagd, roemen wij Maria de gelukzaligste van haar geslacht, maar ook, omdat het haar gegeven was, door hare tüsschenkomst ons en damp;. geheele wereld het heil aan te brengen. Toen Judith na de overwinning op den geduchten Holofernes in de stad Bethulië terugkeerde , ging Ozias •, de vorst des volks, haar te gemoet en sprak: „gezegend zijt gij, dochter, door den Heer, den „hoogsten God, boven alle vrouwen der aardequot; (Jud. XIII, 23). In hoeveel hoogere mate verdient Maria dien lof.
693
Judith heeft slechts het volk van Israël gered, Maria het gansche menschdom; Judith heeft een vijand overwonnen, die slechts met tijdelijke gevangenschap en den dood bedreigde, Maria een vijand, die de menschen in onontbindbare banden gevangen hield en in den afgrond des eeuwigen verderfs medesleepte. Maria toch is de aan onze stamouders in het paradijs beloofde vrouw, die den kop van de slang verpletten zou; zij heeft haren Zoon het lichaam gegeven, waarin Hij door den dood aan het kruis het groote verlossingswerk volbracht heeft. Vandaar dat ook de HH. Vaders gewoon zijn, Maria met Eva te vergelijken, terwijl zij het groote ocderscheid tusschen deze en gene moeder doen uitkomen. In Eva, zeggen zij, had geheel het mensche-lijk geslacht eene moeder, maar ten dood; ook in Maria heeft het eene moeder, maar ten eeuwigen leven ; gelijk Eva voor allen eene bron des verderfs was, zoo is Maria voor allen de oorzaak des heils. „Eene vrouw,quot; zegt de H. Augustinus, „reikte ons het vergif toe, eene vrouw ook „bood het heilmiddel aan. De mensch viel door eene vrouw, „en door eene vrouw werd hij weder opgericht; door eene „vrouw kwam de dood, en door eene vrouw het levenquot; (Serm. 51. N0. 3 en 232. n0. 2).
IV. Wij voegen er bij: „gezegend is de vrucht v.ws lichaams, „Jesusom aan te duiden, dat de vereering van Maria onafscheidelijk is van de vereering van Jesus. en dat wij de Moeder loven ter wille van den Zoon. Nooit scheidt de Kerk de vereering der allerheiligste Maagd van de vereering van haren goddelijken Zoon Jesus Christus. Ja, terwijl zij de goddelijke Hoeder in hoogere mate dan eenigen Heilige hare eerbiedige hulde biedt, heeft zij toch tot laatste doel de verheerlijking van God, die Maria, door haar de waardigheid van Móeder Gods te verleenen, boven alle zaligen verheven heeft. Naar het voorbeeld van de H. Elisabeth zijn *wij derhalve gewoon bij de woorden: „gij zijtgezegend „boven alle vrouwenquot; te voegen: „en gezegend is de vrucht „uws lichaams, Jesus,quot; d. i. allen lof waardig is Jesus Christus, wien gij als maagdelijke Moeder aan de wereld geschonken hebt. Deze woorden bevatten den eigenlijken grond van den lof, welken wij Maria geven. Het is als zeiden wij : en waarom zouden wij u, o Maria, niet zalig prijzen, u , die het onuitsprekelijke geluk gehad hebt. Moeder te zijn van Hem, wien lof, eer, kracht en heerlijkheid toekomt in alle eeuwigheid ? Waarom zouden wij u niet zalig prijzen, daar u, als Moeder van God den Zoon, de volheid van alle genaden en de hoogste van alle waardigheden is ten deel gevallen ?
694
Het zou overbodig zijn, hier nog verder aan te toonen, dat het goddelijk moederschap de bron is van alle genaden en eerbetuigingen van Maria, daar dit in het voorgaande punt genoegzaam gedaan is. Wij willen hier nog slechts met een enkel woord er op ■wijzen, hoe onbillijk en onverstandig het verwijt is, hetwelk onze andersdenkende broeders niet moede worden te herhalen, het verwijt namelijk, dat wij door onze vereering van Maria te kort doen aan de eer van God; dat wij minstens de gepaste mate van vereering overschrijden, daar wij Maria met te groote geestdrift loven, haar te heerlijke eeretitels geven, hare feesten te plechtig vieren , tot hare gedachtenis te veel gedenkteekenen en kerken oprichten, naar hare heiligdommen met te grooten ijver gaan en die te godvruchtig bezoeken. Hoe zou echter onze vereering van Maria te kort kunnen doen aan de eer, welke wij God verschuldigd zijn, daar wij Maria immers slechts om God vereeren ? En hoe zouden wij de rechte maat kunnen te buiten gaan, daar zij als Moeder Gods onvergelijkelijk hooger eer verdient, dan wij nietige kinderen van Eva bij machte zijn haar te bewijzen?
\') De H. Andreas Corsini werd door zijne vrome ouders, nog vóór hij het daglicht aanschouwde, aan God en aan Gods heilige Moeder toegewijd. In den nacht vóór zijne geboorte droomde zijne moeder Pellegrina, dat zij een wolf ter wereld had gebracht, die naar eene kerk heenliep en daar in een lam veranderd werd. Dit opvallend droomgezicht prentte zich diep in haar hart, en als na verloop van tijd Andreas ongehoorzaam, trotsch en wederspannig werd, zweefde het altijd levendig voor haar oog. Op zekeren dag riepen de diep bedroefde ouders hunnen zoon bij zich, om hem ernstige vermaningen over zijn wild en ongepast gedrag te geven. Andreas weigerde met trotsche gebaren, de ouderlijke vermaning op te volgen, en in zijn toorn sprak hij erge schimpwoorden uit. Onder bittere tranen zeide nu Pellegrina tot hem; ;,Ja, mijn zoon, gij zijt werkelijk die wolf, «welken ik in den droom, gezien heb.quot; Andreas, door deze woorden getroffen, antwoordde haar: //Wat zegt gij, moeder, ben ik dan een „wolfrquot; Nu deelde Pellegrina hem den droom mede, welken zij eens had gehad, en verhaalde dat zij hem reeds vóór zijne geboorte der H. Maagd had toegewijd, en hij haar aldus nauw toebehoorde. Deze ontdekking trof het hart van den jongeling. Hij kon den gansclien nacht niet slapen; de gedachte, dat hij aan de Moeder Gods toebehoorde, liet hem geen oog dicht doen. //Maagdelijke «Moeder!quot; riep hij dikwijls uit, //Wijl ik de uwe ben, zoo wil ik «ook dag en nacht U grootmoedig dienen; bid toch uwen lieven //Zoon, dat Hij mij de zonden mijner jeugd genadig vergeve.quot; B:j het aanbreken van den dag begai\' Hij zich naar de kerk der Karmelieten, wierp zich terstond onder het storten van heete tranen voor het beeld van onze lieve Vrouw neder, en wijdde zich met geheel zijn hart aan den dienst van Maria toe. Hierop trad hij vn het klooster der Karmelieten, waar hij door een engelachtig en heilig leven den droom zijner modder bevestigde. Hij stierf als Bisschop van Fiesoli en werd door Paus Urbanus VIII onder het getal der Heiligen geplaatst (Bolland. 30 Jan.).
695
Waarom heeft de Kerk lij dit lofgebed nog het smeekgebed
gevoegd: „Heilige Maria, Moeder Gods! Md voor ons, „zondaren, nu en in het uur van onzen dood. Amen?quot;
1) De Kerk heeft de woorden: „Heilige Maria, Moeder „Godsquot; er biigevoegd, opdat wij daardoor voor heel de wereld zouden beliiden, dat Maria waarlijk Moeder Gods is. Hoewel namelijk die geloofswaarheid reeds in de voorgaande woorden: „gezegend is de vrucht uws lichaams, Jesus,quot; vervat is, wil toch de Kerk. dat wij telkens, wanneer wij het Wees gegroet bidden, de belijdenis daarvan vormelijk uitspreken. Hare bedoeling is daarbij, niet alleen Maria door den hoogsten, geheel onvergelijkelijken eeretitel van Moeder Gods te verheerlijken, maar ook de leer van het moederschap Gods, hetwelk door sommige ketters aller-hardnekkigst werd bestreden en heden nog door de onge-loovigen bestreden wordt, steeds opnieuw te bevestigen en te bekrachtigen (Zie verder deel II ). — Ook ligt er .in de herinnering aan de waardigheid van het goddelijk moederschap eene bizondere opwekking, om ons vertrouwen op Maria te stellen. „Immers daar Maria de Moeder Gods „is,quot; zegt de H. Bernardus, „ontbreekt het haar noch aan „de macht noch aan den wil, om ons te helpen.quot; Het ontbreekt haar niet aan macht; want als God, volgens het getuigenis der H. Schrift, den wil doet van degenen, die Hem vreezen, hoeveel te meer en te liever zal Hij den wil van zijne allerheiligste en innig beminde Moeder doen? De Heer wilde aan Maria op aarde onderdanig zijn; het lijdt derhalve geen twijfel, dat Hij ook in den hemel gaarne hare wenschen zal vervullen, opdat allen, de macht harer voorspraak ondervindende, met den Zoon ook de Moeder eeren, die waarlijk alle eer waardig is. Ook aan den zvil om ons te helpen, ontbreekt het Maria niet. Van welk een liefdegloed voor ons moet niet het hart doordrongen zijn van haar, die in haren reinen schoot den God gedragen heeft, die ons met eeuwige liefde bemind heeft ? Moet zij niet het vurigste verlangen koesteren naar het eeuwig geluk van al degenen, voor wie zij haren Zoon aan het kruis zag hangen en den wreedsten dood sterven ?
2) De woorden: „lid voor ons, zondaren, nu en in het
— Nu, Christen, ook gij behoort Maria toe, ook gij zijt haar door Christus aan het kruis toegewijd, opdat gij haar kind en zij uwe Moeder wezen zoude. Mocht toch de gedachte aan uwe verheven Moeder u steeds begeleiden en u bewegen overal en ten allen tijde zoo te handelen, als een kind van Maria betaamt!
696
„uur van onzen dood,quot; heeft de Kerk er bij gevoegd, opdat wij de allerheiligste Maagd om hulp in alle aangelegenheden en vooral om hulp in het sterfuur dikwijls zouden aanroepen, — Maria is niet alleen Moeder van God, maar ook Moeder der menschen,. niet alleen Moeder van Christus, maar ook onze Aioeder. Zij is onze Moeder, wijl zij de Moeder is van Hem, die zich gewaardigt, ons zijne broeders te noemen, en door den Apostel „de eerstgeborene onder „vele broedersquot; genoemd wordt (Rom. VIII, 29), Zij is onze Moeder, wijl zij Dengene ter wereld gebracht heeft, door Wien wij het leven der genade verkregen hebben; gelijk alzoo het kind aan zijne lichamelijke moeder het lichamelijke leven dankt, zoo danken wij aan Maria dat hoogere, bovennatuurlijke leven, in zooverre wij den oorsprong er van aan haar danken, Maria is verder onze Moeder vooral, omdat Jesus, haar goddelijke Zoon, aan het kruis haar ons tot Moeder gegeven heeft, als Hij tot Joannes zeide: „zie uwe Moeder!quot; (Joan. XIX, 27). Want, zeggen de HH. Vaders en uitleggers van de Schriftuur, door den H. Joannes worden hier alle ge-loovigen voorgesteld, en Jesus heeft in den persoon van dezen Apostel aan alle geloovigen Maria tot Moeder gegeven. Maria is eindelijk onze Moeder geworden, toen zij, aan den voet van het kruis haren eetigeboren Zoon uit liefde tot ons den Allerhoogste opofferende, tot ona heil medegewerkt en ons aldus onder naamlooze smarten voor God en den hemel gebaard heeft. „Maria,quot; zegt de H. Angustinus (de sancta virginit. n. 6), „is in alle „waarheid de Moeder der geloovigen, wijl zij door hare „liefde tot aller wedergeboorte heeft medegewerkt,quot;—„Met „groote smart heeft zij, onder het kruis staande, ons ge-„baard,quot; zegt een vrome en geleerde tijdgenoot van den H. Bernardus, de abt Eupertus (Comment, over Joan. d. 13); „daarom is zij ons aller Moeder,quot; Ieder onzer heeft alzoo het recht, met den H, Anselmus uit te roepen; „O zalig „vertrouwen, o zekere toevlucht, de Moeder Gods is ook mijne „Moeder!quot;\' \') — Ja, Maria is onze Moeder en wel eene moeder
\') Het komt, helaas! nog altijd voor, dat de Protestanten in de vereering van Maria door de katholieke Kerk eene aanbidding willen zien, hoewel ieder katholiek schoolkind in staat is hen hieromtrent beter te onderrichten. ,/Hoe het met deze ^aanbiddingquot; gelegen «is, daarvan heb ik mij eenmaal te Berlijn op eene praktische wijze »overtuigd.quot; Zoo schrijft de heer Laake, vroeger protestantsch predikant te Fehrbellin, in een kernelijk blad, waarin hij ook zijn terugkeer in den schoot der katholieke Kerk mededeelt. „Toen ik /nog Protestant was,quot; gaat hij voort, «ging ik eens in den Monbijoa-jrtuin bij de Domkerk wandelen en knoopte met eenige kinderen.
697
vol van liefde, goedheid en erbarming. Zij treedt als machtige voorspreekster voor den troon van haren goddelijken Zoon, opdat Hij ons, arme zondaars, genadig zij en de welverdiende straffen zijner strenge gerechtigheid van ons afwende. Daarom nemen wij in allen nood, in alle belangrijke zaken, ingevaren des lichaams en der ziel, vooral in hevige bekoringen, onze toevlucht tot Maria, de beste en lielderijkste aller Moeders. Bid, zoo smeeken wij, bid voor ons, zondaren, nu, terwijl zoovele vijanden onzer zaligheid ons bedreigen, zoovele rampen ons hart ter neêr slaan, maar bid inzonderheid in dat laatste uur, dat over het lot der eeuwigheid beslist, als de hel ons zal omsingelen en met verdubbelde woede aangrijpen, om onze van de aarde scheidende ziel in het verderf te storten, o dan, liefderijkste Moeder, bid dan voor ons, wees onze voorspraak bij onzen goddelijken Eechter, uwen lieven Zoon; spreid den beschermenden mantel uwer moederlijke liefde over ons uit en help ons, uwe kinderen, opdat wij overwinnen en de onverwelkbare kroon behalen ! — Ons vertrouwen op de alvermogende voorspraak van Maria zal nimmer beschaamd gemaakt worden ; want nooit is het gehoord, dat God iemand verlaten heeft, die tot Maria zijnen toevlucht nam en met ware godsvrucht hare voorbede inriep. Daarom aarzelt de H. Bernardus niet te zeggen: „fiij zwijge van uwe barmhartigheid, o „zalige Maagd, die meent, dat hij, in zijne belangen u „aanroepende, door u zonder hulp gelaten werdquot; (Over de hemelvaart van Maria). \')
ïdie daar speelden, een gesprek aan. Aan een klein acht- of negen-„jarig meisje, dat onder het heen- en wedergaan aan mijne zijde /fbleelquot;, vroeg ik waar zij ter school ging, en, toen ik bevond dat zij „katholiek was, begon ik haar te ondervragen en liet haar het ,/Ik #i\'geloor in God den Vader,quot; de tien geboden, het ,Onze Vaderquot; en rhet «Wees gegroetquot; opzeggen. Eindelijk bleef ik, nadat ons gesprek ».een weinig geduurd had, voor het kind staan, zag het ernstig «■aan en zeide om haar te beproeven: „Gij Katholieken handelt toch «slecht, daar gij zooveel tot Maria bidt, en daardoor afyoderij «■//pleegt. De goede God zal terecht op u vergramd zijn!quot; Het //kleine meisje ziet mij met groote oogen aan, begint terstond te jweencn en zegt: „Ach wat wilt gij? Wij aanbidden ilariavolstrekt ////niet, maar zij bidt bij God voor ons.quot;quot;
\') Te Kome leefde een adeiijk jongeling, die zich op zijne reis door vreemde landen eene schandelijke gewoonte had eigen gemaakt; zoo die|) was zij bij hem ingeworteld, dat het hem onmogelijk scheen haar af te leggen. Niettegenstaande zijne reeds meermalen herhaalde biechten en alle door zijn biechtvader, den beroemden pater Nic. Zucchi, voorgeschreven middelen, kwam hij toch altijd met dezelfde zonden in den biechtstoel. L)e vrome pater was hierover zeer ter neergeslagen en kwam eindelijk op de gedachte zijn biechtkind geheel aan de heilige Maagd over te geven. Hij sprak hem aldus aan: i-Mijn zoon, ik leg u geene andere penitentie op, dan dat gij de
698
Waarom lidden wij, als des morgens, des middags en des avonds de „Engel des Heer enquot; geluid wordt?
1) Om God voor de menschwording van Christus te daiiken; 2) om de allerheiligste Maagd te eeren en ons in hare bescherming aan te bevelen. — De menschwording van den Zoon Gods is de grootste weldaad, welke de Allerhoogste ons in zijne oneindige goedheid en barmhartigheid bewezen heelt, daar wi] als kinderen van een schuldigen stamvader zonder de menschwording reddeloos verloren waren. Ja, zi] is de bron van alle weldaden tot onze eeuwige zaligheid, daar al het goede, hetwelk uit het bittere lilden en sterven van Jesus Christus, uit zijne gloiierijke verrijzenis en hemelvaart, alsmede uit de door Hem ingestelde genademiddelen ons toevloeit, in het geheim der menschwording zijn oorsprong heeft. Teneinde nu die onvergelijkelijke weldaad, dat genadevol geheim der goddelijke liefde en barmhartigheid steeds indachtig te zijn, en nooit te vergeten den Allerhoogste onze verschuldigde dankbaarheid te betoonen, heeft de Kerk niet alleen verscheidene op de menschwording des Heeren betrekking hebbende feesten ingesteld, en bepaald, dat in den regel aan het einde der H. Mis het Evangelie van den H. Joannes over de eeuwiga en tijdelijke geboorte van den Zoon Gods gelezen zal worden, maar zij noodigt ook hare kinderen driemaal daags door het luiden der klokken uit, dat heilige geheim met een dankbaar hart te overwegen, terwijl zij door de gebeden, welke wij
,heilige Maagd tot uwe meesteres en moeder kiest en eiken morgen /,na liet bidden van het „Wees gegroetquot; aldus spreekt: »0 mijne jr,meesteres, O mijne moeder! ik offer mij geheel aan u op en ik wijd mijne oogen, mijne ooren, mijne tong, mijn hart en mij zeiven «geheel en al toe; wijl ik alzoo de uwe ben, o goede Moeder! be-////waar mij, bescherm mij als uw bezit en eigendom.quot;quot; Dejongeling volgde dezen raad. Toen hij na verloop van vier jaren, die hij elders had doorgebracht, weder te Kome kwam en aan pater Zucchi zijn geweten openbaarde, kon deze zich over de gelukkige verandering van zijn voormalig biechtkind niet genoeg verwonderen. Op de vraag, hoe hij tot zulk eene algeheele levensverbetering was gekomen, antwoordde de jongeling met vreugde; ;/L)e voor vier jaar ^voorgeschreven toewijding aan Gods heilige Moeder, die ik op uwen jraad getrouw heb uitgevoerd, heeft alles bewerkt. Zoo dikwijls „ik Maria, mijne Moeder, heb aangeroepen, heb ik telkenmale dui-„delijk bespeurd, dat ik tegen de bekoring gesterkt en voor den /,val behoed werd.\': P. Zucchi spoorde later in eene predikatie het geheele volk tot deze oefening aan, en velen getuigden, door haar in de bekoringen tegen de deugd van zuiverheid krachtige hulp gevonden te hebben. Pius IX heeft tot bevordering van deze zoo heilzame devotie aflaten verleend, welke bij Mourell, bl. 130 aange-teekend staan.
699
daarbij moeten verrichten, ons er aan herinnert, hoe de Engel dat geheim aan de allerheiligste Maagd boodschapte, hoe deze hare toestemming gaf, en hoe de Zoon Gods in haren maagdelijken schoot mensch werd. Het is tevens de bedoeling der Kerk, dat wij door driemaal de groetenis van den Engel te herhalen, Maria vereeren en ons in hare machtige bescherming, welke wij elk uur zoo zeer behoeven , minstens op de hoofdtijden van den dag aanbevelen.\') Ofschoon de Kerk den vurigen wensch koestert, dat al hare kinderen de „Engel des Heerenquot; dagelijks driemaal bidden, wilde zij evenwel ons daartoe niet door een bizonder gebod verplichten. Zij verwacht echter van onzen ijver, van onze liefde en dankbaarheid jegens God, van onze kinderlijke godsvrucht tot Maria, alsmede van ons verlangen naar hulp en genade, dat wij vrijwillig en gaarne haar moederlijk verlangen zullen vervullen. Om die reden stelt zij zich tevreden, met ons daartoe uit te noodigen en op te wekken, gelijk uit de besluiten van verschillende Synoden blijkt. Ook heeft Paus Benedictus XIÜ in hét jaar 1724, ter bevordering van dat vroom gebruik, voor elke maal, dat men bij het luiden der klok de voorgeschreven gebeden verricht, een aflaat van honderd dagen verleend. Om dien te verdienen, moeten de gebeden
\') Aangaande den tijd, dat dit vroom gebruik is ingevoerd, zijn de meeningen verschillend. Zeer waarschijnlijk is het, gelijk zoovele andere gebruiken, langzamerhand ontstaan. In het jaar 131S bekrachtigde Paus Joannes XXII het in de orde der Franciscanen en in eenige kerken van Frankrijk reeds aangenomen gebruik, om bij het luiden der klok op feestavonden driemaal het //Wees gegroetquot; te bidden, en aan degenen, die dit knielend zouden doen, verleende hij een aflaat van tien dagen. Weldra werd in verschillende streken, te Breslau, Alainz, Keulen, enz. door de Bisschoppen dier plaatsen geboden, om ook bij zonneopgang te luiden, en het volk vermaand, alsdan eenige malen het »Unze Vaderquot; en het //Wees gegroetquot; te bidden, waaraan zij een aüaat van 30 tot 40 dagen verbonden. Paus Calixtus 111 schreef eindelijk in het jaar 145fi ook het luiden op den middag voor en verleende een aflaat van drie jaren en drie quadra-genen aan allen, die daarbij driemaal het /.Onze Vaderquot;en het//Wees gegroetquot; zouden bidden voor de christen kamp vechters in den oorlog tegen de Turken. Zoo ontstond het gebruik van driemaal op den dag de klok te luiden en te bidden, op den morgen, den middag en den avond. In het jaar 1472 had men in Frankrijk van koning Lodewijk XI een bizondere vergunning gevraagd, om het gebruik van dit klokluiden driemaal per dag algemeen in te voeren. Het thans vooral gebruikelijk gebed schijnt eerst later algemeen te zijn geworden. De S3\'node van Straatsburg (1549) schrijft niet de gebeden voor, welke wij thans verrichten, doch stemt evenwel volkomen overeen met de meening, waarmede wij tegenwoordig dit gebed opdragen. Zij merkt namelijk op, dat de Kerk dit luiden heeft ingesteld, om bij de geloovigen het aandenken aan de menschwording , de verlossing en de machtige voorspraak der Moeder Gods te bewaren.
700
knielend gedaan worden, uitgenomen op de zondagen, op de zaterdagavonden en gedurende geheel den Paaschtijd, wanneer men in plaats van de groetenis des Engels de antiphoon; „Verheug u, o Koningin des hemelsquot; (Regina coeli) met het daarbij behoorende vers, responsorie en gebed verricht. Evenwel kunnen degenen, die deze antiphoon niet van buiten kennen, voortgaan met de groetenis van den Engel te bidden, zonder daarom den aflaat te verliezen. Wie eene maand lang minstens eenmaal daags, \'s morgens, \'s middags of \'s avonds die groetenis herhaalt, kan, na gebiecht en gecommuniceerd te hebben en na de gewone gebeden voor het heil der Kerk, een vollen aflaat verdienen, — Het is een beklagenswaardig verschijnsel, dat tegenwoordig in vele streken, vooral in de steden, de vermaning der Kerk om driemaal daags dat schoone gebed te verrichten, zoo weinig door velen haren kinderen nagekomen, ja geheel over het hoofd gezien wordt, dat sommigen zich zelfs schamen, bij die gelegenheid te doen, wat den katholieken Christen betaamt. Als de Muzelman van den toren zijner moskee de aanmaning tot het gebed verneemt, en hij boort die niet slechts drie- maar vijfmaal daags, dan legt hij zijnen arbeid ter zijde, werpt zich zelfs op de straat en openbare pleinen ter aarde neder en rekent het zich tot eer, den Allerhoogste de schatting zijner aanbidding te mogen brengen, en de Katholiek schaamt zich soms in den kring van zijne familie zijn werk, zijn gesprek een oogenblik te staken om dit verheven gebed te bidden. Welk eene beschamende tegenstelling!
IFa( is de rozenkrans?
Het is eene zeer nuttige en gemakkelijke wijze om zoowel inwendig als mondeling te bidden, welke in de dertiende eeuw door den H. Dominicus ingevoerd, door de Kerk goedgekeurd en sedert dien tijd door haar gebruikt en aanbevolen werd. De geheele rozenkrans bestaat uit vijftien tientjes (namelijk een Onze Vader, tien malen het Wees gegroet en daarna: „eere zij den Vader,quot; enz.), en bij elk tientje overdenkt men een geheim van onze verlossing. Gewoonlijk bidt men niet den geheelen rozenkrans in eens, maar slechts het derde gedeelte, vijf tientjes. Zulk een gedeelte van den geheeleu rozenkrans noemt men eveneens rozenkrans of ook rozenhoedje, en daarbij kunnen overwogen worden de blijde, de droevige of de glorierijke geheimen onzer verlossing. Bij het begin van eiken rozenkrans bidt men het „Ik geloof in God den Vaderquot; met
701
driemaal het „Wees gegroetquot; als eene inleiding. Het gebruik om het gebed des Heeren te herhalen en de herhalingen aan steentjes of koralen af te tellen, vinden wij reeds bij de Vaders in de woestijn. Zoo verhaalt Palla-dius, een schrijver uit de vierde eeuw, van den abt Paulus, dat deze dagelijks driehonderd maal het Onze Vader bad, en om zich in het getal niet te vergissen, na elk Onze Vader een van de driehonderd steentjes, welke hii in zijn schoot gelegd had, op den grond liet vallen. Later maakte men te dien einde parelen, edel-steenen, ook kogeltjes van metaal, hout of gebrande aarde aan snoeren, welke Pater-noster genoemd werden en met onze rozenkransen veel overeenkomst hadden. Toen de H Columba begraven werd, droeg zij aan haren hals zulk een snoer van zilveren koralen , aan welker einde een kruisje was (Binterim Denkwurdigk. VII. d. I. bladz. 118). — Het rozenkransgebed, zooals het thans in de ge-heele christenwereld verricht wordt, heeft de H. Dominicus in het begin der dertiende eeuw ingevoerd. Die groote dienaétr Gods en ijverige vereerder van Maria had namelijk van den H Stoel in last gekregen, de dwalingen der Albigenzers, die toen in het zuiden van Frankrijk groote verwoestingen aanrichtten, met allen nadruk te bestrijden. Overtuigd, dat zonder de hulp van boven al zijne pogingen vruchteloos zouden zijn, nam Dominicus tot Maria, de Koningin des hemels , zijne toevlucht en riep haar met grooten ijver om hulp aan. Volgens eene vrome overlevering leerde toen de heilige Maagd zelve hem het rozenkransgebed en maande hem aan, het als een uitstekend verdedigingsmiddel tegen dwaling en zonde aan het volk te verkondigen. Dominicus gehoorzaamde en zag terstond zijn ij ver met het zegenrijkste gevolg bekroond. De rozenkrans werd al spoedig door het • christen volk gaarne gebeden. — Met goedkeuring van den H. Stoel vormden zich alom broederschappen, die zich vooral aan het beoefenen en bevorderen dezer devotie toewijdden. Twee eeuwig gedenkwaardige en wonderbare overwinningen, welke in de jaren 1571 en 171(j op de vijanden van den Christel ij ken naam, de Turken, behaald en met goede redenen hoofdzakelijk aan hel gebed dier broederschappen toegeschreven werden, deden de Pausen Gregorius X1LI en Clemens XI besluiten, op den eersten zondag van October een bizonder feest ter gedachtenis aan die overwinningen onder den titèl van Maria van overwinningen of Maria-rozenkrans in te stellen. Om verder die devotie, waaruit voor de geheele Christenheid onloochenbaar groote zegen voortkwam, met des te meer kracht te bevorderen, ver-
702
leende de H. Stoel niet alleen aan de leden der broederschap van den rozenkrans, maar ook aan anderen, die dat gebed ijverig bidden, zeer vele aflaten.
Overwegen wij een en ander, dan zal de rozenkrans zeker in booge mate onzen eerbied verwerven, en wij mogen ons niet verwonderen, dat de Kerk dien niet alleen aan het ongeletterde volk, maar aan allen, ook den geleerden, dringend aanbeveelt. Inderdaad vinden wij vele door deugd en geleerdheid uitmuntende mannen, die dikwijls en met bizondere voorliefde den rozenkrans baden. De H. Paus Pius V liet, in weerwil zijner vele bezigheden, geen dag voorbijgaan, zonder het rozenkransgebed te verrichten, en de H. Franciscus van Sales verplichtte zich zelfs door eene gelofte, den rozenkrans dagelijks te bidden; Carolus Borro-meus bad dien openlijk in de kerk voor en schreef\' het goede, dat in zijn bisdom plaats vond, voor bet grootste deel aan de devotie voor den rozenkrans toe. — Doch al beschouwen wij ook slechts den inhoud, dan zal een elk overtuigd zijn, dat de rozenkrans eene zeer nullige en gemakkelijke wijze van bidden is. Hoe toch zou een gebed niet het hoogste geestelijke nut opleveren, dat bestaat en samengesteld is uit de woorden van den goddelijken Verlosser, van den Aartsengel Gabriel, van de H. Elisabeth, verder uit de door de Apostelen opgestelde geloofsbelijdenis, uit den lof des drieëenigen Gods en uit de door de Kerk geleerde aanroeping van de Moeder des Heeren? En wat zou beter geschikt kunnen zijn, onzen geest nuttig bezig te houden en het hart van liefde te ontgloeien, dan da overweging der voornaamste geheimen van het leven, het lijden en de glorie van Jesus Christus, onzen Heiland? — Met recht noemen wij dit schoone gebed rozenkrans, daar het als \'t ware uit een krans der schoonste gebeden en overwegingen bestaat, waarin zich de voornaamste geheimenissen van onzen godsdienst als geurige rozen aan elkander sluiten, en Maria worden aangeboden.
Dat dezelfde groet zoo dikwijls herhaald wordt .mag ons evenmin bevreemden, als dat in Psalm 135 zeven-en twintigmaal herhaald wordt: „zijne barmhartigheid duurt eeuwig ,quot; of dat de zalige geesten, volgens het woord der H. Schrift, dag en nacht, onophoudelijk uitroepen: „heilig, heilig, „heilig.quot; Daarenboven heeft Christus zelf in den hof meermalen hetzelfde gebed herhaald, en Eij heeft ons bevolen in het gebed te volharden. Overigens levert jaist die zoo veelvuldige herhaling van hetzelfde gebed bet groote voordeel op, dat het daarbij gemakkelijker is, zijne aandacht op de geheimen te vestigen, dan zulks bij eene
703
voortdurende afwisseling van gebeden het geval zou zijn. en maakt den rozenkrans zeer geschikt tot een gemeenschappelijk gebed, daar ook degenen, die niet kunnen lezen, in staat zijn, dien meê te bidden. —• Mochten wij toch het rozenkransgebed naar waarde schatten, het dagelijks met kinderlijken eenvoud en ware godsvrucht verrichten, talrijke en uitstekende genaden zouden de vrucht dier Maria toegebrachte hulde zijn.
Gelijk eenige gebeden der Kerk bij voorkeur tot God den Vader, andere tot God den Zoon, weêr andere tot God den H. Geest gericht zijn, zoo is ook de rozenkrans een gebed, waardoor wij ons vooral en bij voorkeur tot Maria, de Moeder Gods, wenden, om door hare tusschen-komst hulp en genade van den Allerhoogste te verkrijgen. Dat is wel de reden, waarom het Wees gegroet zoo herhaaldelijk gebeden wordt.
Een dergelijk gebed tot Maria is ook de Litanie van Lorette, aldus genoemd naar de kapel van die plaats, waar ze, naar men gelooft, het eerst gebeden werd; daarom zijn in die Litanie de meeste aanroepingen tot Maria gericht; het „bid voor ons,quot; keert dikwijler terug, dan het op God betrekking hebbende: „ontferm ü onzer,quot; De lofprijzingen : „geheimzinnige roos, toren van David, morfrenster\'\' enz. zijn beeldsprakige uitdrukkingen van de H, Schrift. Wij passen die met de H. Kerk op de allerheiligste Maagd toe, om beter te begrijpen de heerlijke voorechten, welke haar zijn ten deel gevallen. Wij noemen Maria „spiegel der „gerechtigheid,quot; wijl in haar zich de Zon der gerechtigheid, Jesus Christus, afspiegelt, en zij diens afstraling en getrouwste evenbeeld is. Wij noemen haar „zetel der „wijsheid,quot; omdat zij Jesus, de menschgeworden Wijsheid, order haar hart gedragen heeft en daarom door de HH, Vaders ook „troon van Godquot; genoemd wordt. Wij noemen ha:ir met het volste recht „een geestelijk, een eerwaardig, „een uitmuntend vat van godsvrucht,\'\' evenals de Apostel Paulus in de H. Schrift een „uitverkoren vat Godsquot; genoemd wordt. Wij begroeten Maria verder als eene „geheimzinnige roos,quot; omdat zij den liefelijksten geur van alle deugden verspreidt; als dien onoverwinnelijken „toren „van Davidquot; waarvan in het Hooglied (IV, 21) sprake is, wijl zij ons tegen de aanvallen van den vijand onzer ziel beschermt, als een „ivoren torenquot; en een „gulden huis,quot; omdat zij door hare maagdelijke zuiverheid en den heerlijken glans barer deugden gelijk is aan een toren van verblindend wit ivoor, en aan een huis van het zuiverste goud, omdat zij de zuivere, schitterende woonplaats van Gods Zoon is
704
geweest De uitdrukkingen „arke des verbonds,quot; „deur „des hemels„morgensterquot; herinneren ons, dat Jesus Christus in haren reinen schoot, als in een heiligdom gerust heeft, dat zij ons door hare machtige voorspraak den hemel opent, en bij hare komst ter wereld, evenals de schitterende morgenster, de opgaande zon, de komst van den Verlosser der wereld aankondigde.
TOEPASSING.
Vereer alzoo, christen lezer, met een kinderlijk vroom gemoed de allerheiligste Maagd, de gezegende Moeder van God en ook uwe Moeder! Eoep haar aan in nood en gevaren met een onbegrensd vertrouwen, en tracht met alle zorg en ijver hare brandende liefde tot God en den naaste, haar onwankelbaar geduld, haren diepen ootmoed, hare volkomene overgeving aan Gods wil, maar vooral hare onbevlekte zuiverheid des harten met Gods bijstand na te volgen. De H. Bonaventura maant ieder onzer daartoe aan, met de schoone en treffende woorden: ,.Zoek als een „goede en godvruchtige zoon, in alle opzichten, zooveel „gij kunt, aan de Moeder Gods gelijk te worden. Want „zoo zult gij u waarlijk als haar zoon gedragen, en zij „zal u als zoodanig ondersteunen; zij zal u alles, wat „gij behoorlijk van haar vraagt, geven, alles, wat u ter „zaligheid noodig is, verleenen en eindelijk in de heir.elschë ^glorie u in de nabijheid van haren troon eene plaats „inruimen.quot; \')
\') Een inderdaad kinderlijk vereerder en uitstekend dienaar van Maria was de zalige Hermanus Jofejih van de orde der Premontra-tensers. (f ]230). Zijne levensgescliiedonis behelst eene bijna onafgebroken reeks van buitengewone gunsten, door de glorierijke Moeder Gods verkregen, zoodat de vrome schrijver daarvan, een vriend en ordebrofder, zich genoodzaakt zag God tot getuige te nemen, dat hij slechts de waarheid schrijven wilde en niets zou verhalen, waarvan hij geene volkomen zekerheid had. Wij willen hier s.echts twee gebeurtenis-en uit de kinderjaren van Hermanus Joseph aanvoeren, gebeurtenissen, die zeer geschikt zijn, ons van den eenen kant de godsvrucht van liet vrome kind tot Maria en van den anderen kant de teedere zorg van de H. Moeder Gods voor haren dienaar levendig voor oogen te stellen. Hermanus Joseph aanschouwde te Keulen het daglicht Zijne rijke en aanzienlijke ouders geraakten spoedig na zijne geboorte door groote verliezen in drukkende armoede, en hij moest derhalve van kindsbeen af de droevige gevolgen daarvan ondervinden. Zes jaren oud werd Hermanus in de school gebracht. Hij leerde met groot gemak, stak echter bizonder door vroomheid boven al zijne medescholieren uit. Terwijl deze zich met spelen verniaakten, bezocht hij de Mariakerk in liet Kapitool, plaatste zich daar voor
705
Aanlmngscl.
Over de kerkelylce gelndken en ceremoniën in liet algemeen en over eenige in het hhonder.
Bij het gezegde over het gebed kan geschikt iets gevoegd worden over de kerkelijke ceremoniën, waaronder men „zinrijke teekens of handelingen verstaat, welke door „de Kerk tot viering van den godsdienst zijn voorgeschreven.\'\' Want zij zijn evenals het gebed zelf tot lof en tot verheerlijking van God voorgeschreven, en helpen ons tevens, om ons gemoed tot God en de overweging der goddelijke dingen te verheffen, alsmede om aandachtig te bidden. — Vraagt men, hoe de kerkelijke ceremoniën ons behulpzaam kunnen zijn, om ons hart tot God en goddelijke dingen te verheffen, dan luidt het antwoord van den Katechismus: „zij zijn ons daartoe behulpzaam, 1) dewijl zij de kracht „der geheimen, bij welker viering zij aangewend worden, „voor oogen stellen, en 2) er toe bijdragen, dat deze „met grootere eerbiedigheid voltrokken worden.quot;
Er is eene spraak of mededeeling van gedachten door woorden, en eene door zinrijke teekenen of handelingen.
het beeld der Moeder Gods met het kind Jesus, en onderhield zich vol heiligen eenvoud nu met het beeld der Hoeder, dan met dat des Zoons. En wanneer hij toevalligerwijze een stukje brood of een appel in de hand had, dan bood hij het nu eens Jlaria, dan weder Jesus aan. Op zekeren dag, dat de godvruchtige knaap weder voor genoemde beeltenis stond en Maria met vurigheid en kinderlijken eenvoud bad, den aangeboden appel niet te versmaden, strekte het beeld werkelijk de hand uit en nam het kleine geschenk vriendelijk aan. — Als Hermanus Joseph een anderen keer bij strenge winterkoude barrevoets voor het beeld van zijne hemelsche Moeder verscheen, riep deze hem toe; „Waarom gaat gij barrevoets bij zulk „eene strenge koude?quot; De knaap antwoordde: rIk heb geene\'schoe-„nen.quot; Maria kende den huiselijken nood van de ouders des lievelings en sprak hem dus toe: „Ga naar gindschen steen (zij wees eenen aan met haren wijsvinger) „neem dien op, en gij zult er vier denaren „vinden, koop u voor dat geld schoenen. Hermanus gehoorzaamde terstond, vond werkelijk het beloofde geld en keerde blijde tot zijne hemelsche weldoenster terug. Deze zeide hem nu: „Zoo dikwijls „gij in het vervolg eenige zaak noodig hebt, ga dan naar de aange-„wezen plaats, en gij zult eiken keer het noodige geld vinden.quot; „Wie //zou,quot; voegt de schrijver zijner levensgeschiedenis er bij, „zoo iets „gelooven of schrijven, wanneer niet Hermanus zelf het ons weinige „dagen voor zijnen dood verzekerd had-quot; (Bolland. 7 April). — Nog ten huidigen dage ziet men in de Mariakerk op het Kapitool aan een pilaar een eeuwenoud Moeder-Gods-beeld met het kind Jesus en op zijde den kleinen Hermanus Joseph, een appel toereikend, en dikwijls knielen vrome ouders voor deze lieftallige groep neder, om hunne kinderen in de bescherming van Maria en de voorbede van den zaligen Hermanus Joseph aan te bevelen.
DEHAKBE, GELOOFSLEER. IV. 3dquot; DKXJK. 4.5
706
Horatius, een romemscli dichter en diep beschouwer der menschelijke natuur, maakt de opmerking, dat de beelden door het orgaan des gehoors opgenomen den geest minder diep indringen, dan die, welke de geest door middel van het oog waarneemt. En inderdaad, geene mondelinge be-schrii ving van de majesteit en grootheid van God kan zulk een diepen indruk op ons maken als de aanschouwing van den nachtelijken hemel met het tooisel van millioenen sterren, of van de zon, de koningin des dags, die in haren majestueuzen loop stroomen van warmte en licht over het aardrijk uitgiet. De kerkelijke ceremoniën nu ziin eene voor het oog waarneembare spraak, die den Christen aan de waarheden van het goddeliik geloof herinnert, die hem de bovenzinnelijke geheimen door zinne-liike voorstellingen aanschouwelijk maakt, eene waarlylc krachtige en indrukwekkende spraak zoowel voor het verstand, Alsook bizonder voor het gemoed; zij zijn eene spraak, die meer dan elke andere geschikt is, om de levendigste gevoelens van godsvrucht op te wekken en de op het wereldsche en zondige afdwalende gedachten tot het heilige en goddelijke terug te roepen. Wat toch kan bijv. de geloovigen levendiger aan de leer van de erfzonde en hare rampzalige gevolgen herinneren, dan de ceremoniën van het Doopsel? Welke woorden kunnen duidelijker en met meer nadruk hem de vergankelijkheid vau al het aardsche verkondigen, dan het bestrooien van het hoofd met asch . Wat kan het geheim der verlossing beter doen inaien, dan de diep ingrijpende ceremoniën van de goede week? En wie kan zijn oog vestigen op het Allerheiligste op den troon van het plechtig versierde altaar, door een lichtgloed van brandende kaarsen omgeven, wie de vrome schaar op de knieën zien liggen, onder den zegen op de borst kloppende, zonder in het geloof aan de tegenwoordigheid van Jesus \' Christus in het H. Sacrament des altaars bevestigd of tot dat geloof opgewekt te worden?
Niets is onfferijmder dan het verwijt der Protestanten, dat wij Katholieken bij (ien godsdienst zooveel uiterlijke pracht aanwenden. Is de aanwending van uiterlijke pracht bij bepaalde gelegenheden en hooge feesten niet diep in de menschelijke natuur gegrond? D ent
nipt de schepter, de troon, de kroon, de diadeem en al de pracht, welke de koningen omgeeft, om het volk aan de majesteit van zlJn®^ vorst te herinneren? En het ambtskleed der rechters, en de lange rijen van beambten, die den toegang tot 4e Se[echtszaal ^waken, dient dit alles niet om eerbied voor de wet in te boezemen? Wanneer alzöo iedereen het behoorlijk acht, dat de wereldlijke wetgever en zijne wet met alle ceremonieele pracht orageveri zi], ^
goddelijke Wetgever en zijne wet, moet de godsdienst van deze voorrang verstoken zijn? — Tegen de aanklacht, dat de kerkelijke
707
ceremoniën slechts ijdele dingen zijn, neemt God zelf de verdediging op zich. Reeds in het Oude Verbond schreef Hij den Joden menige ceremonie onder gestrenge straffen voor, beval Hij, dat men zijn heiligdom met het fijnste gond versieren en den godsdienst met luisterrijke feesten vieren zou. Dok Christus, de Heer, bediende zich, gelijk reeds elders is aangetoond, bij verschillende gelegenheden, als bij de genezing van den doofstomme (Marc. VII) en van den blindgeborene (Joan. XI), alsook bij het laatste avondmaal van verscheiden ceremoniën, en Hij was er ver af, het volk te berispen dat Hem bij zijnen intocht in Jerusalem met het feestelijk Hosanna ontving en palmen en olijftakken op den weg strooide; integendeel Hij nam het volk tegen de afgunst en de berisping der opperpriesters en schriftgeleerden in bescherming (Matth. XXI, 16)
Maar, zoo werpt men ons dikwijls tegen, de ware aanbidders moeten God in geest en in waarheid aanbidden (Joan. IV, 23). Dat moeten zij inderdaad, en dat doet ook de katholieke Kerk op uitstekende wijze. Want wil men onder «aanbidding in geest en in „.waarheidquot; voornamelijk die aanbidding verstaan, welke in de heilige offerdaad ligt, welke Jesus in de plaats van liet offer des Ouden Testaments heeft ingesteld, dan is liet duidelijk, dat die aanbidding in de katholieke Kerk en slechts in haar te vinden is, daar, gelijk bekend is, de Protestanten het H. Misoffer afgeschaft hebben. Wil men daarentegen, dat die woorden van Christus slechts beteekenen, dat de ware aanbidding niet in uiterlijke ceremoniën, maar inquot; de gezindheid, ootmoed en hulde van het hart bestaat, osk hierin munt de katholieke Kerk uit. Want, gelijk reeds gezegd is, juist om heilige gedachten en goede gevoelens in de ziel op te wekken en te behouden, heeft zij de ceremoniën ingesteld, en niets scherpt zij den geloovigen nadrukkelijker in, dan dat het uiterlijke zonder den inwendigen geest enkel huichelarij is. en dat het van geene waarde is de ceremoniën bij te wonen, wanneer men ze niet met gebeden en vrome gevoelens volgt. — Moge ook de zin van eenige dezer plechtigheden niet in al zijne diepte begrepen worden, zij zijn evenwel niet nutteloos, daar zij allereerst eene spraak zijn tot liet gemoed , hetwelk dikwijls wordt getroffen en geroerd, ofschoon het verstand niet alles helder weet te verklaren. Keeds menige ongeloovige heeft door de plechtigheid der feesten en de -verhevenheid onzer ceremoniën zich in zijn binnenste geroerd gevoeld, zonder dat hij zich daarvan rekenschap wist te geven — Onze afgedwaalde broeders beroemen zich niet zelden, als hadden zij alleen „de aanbidding in «geest en waarheidquot; behouden. Waar is echter het bewijs daarvan? Zij kunnen het toch zelve niet loochenen, dat do katholieke godsdienst zich juist daardoor van de protestantsche in wezen onderscheidt, dat de eerste hoofdzakelijk in aanbidding, in het offer, de laatste daarentegen in de predikatie bestaat. „De kerk,quot; zoo luidde het nog onlangs onder hen, «is voor ons arm volk geene plaats van aanbidding meer, //maar eene plaats, waar eens in de week de dominé eene predikatie //houdt, die men eigenlijk te huis even goed, ja wellicht rrog beter //lezen kan.quot; \') Herhaalde pogingen, om dien ellendigen toestand te verhelpen, zijn zonder gevolg gebleven.
Geven de andersdenkenden soms toe, dat de openbare cultus bij hen al te arm en koud is, bij ons daarentegen meer het hart opwekt en verheft, zij meenen toch dat vele gebruiken en ceremoniën der katholieke Kerk verouderd zijn en eene hervorming overeenkomstig den tijd behoeven. — Zeer terecht wordt dit wederlegd door een bekeerling van hooge beschaving: 2) //Mij, den eenvoudigen geloovige, «.staat het niet vrij de Kerk te beoordeelen. Welke verwarring zou
!) Bij .lórg, Geschichte des Protestant, d. I. bid. 517.
•) Lodewijk Haller in het reeds, deel 2, aangehaalde schrijven aan. zijne toenmaals nog protestantsche familie.
703
//er niet heerschcn , wanneer ieder naar zijn goeddunken hervormingen //mocht invoeren?quot; Staat liet zelfs een beschaafden en goed onderwezen Katholiek niet vrij, gebruiken en instellingen af te keuren en voor onnuttig te verklaren, welke de door den H. Geest geleide Kerk billijkt, goedkeurt en volgt, hoe groot is dan de aanmatiging, wanneer degenen, die zich buiten de Kerk bevinden, die van den zin en den geest dier gebruiken en ceremoniön geen begrip hebben, toch beter dan de Kerk zelve willen weten, wat nuttig en heilzaam, wat doelmatig en overeenkomstig den tijd is.
Daar de zin en de beteekenis van de voornaamste ceremoniën, namelijk bij het H. Misoffer, de Sacramenten en verscheidene -wijdingen, in den loop van dit handboek reeds aangegeven zijn, blijft ons hier nog over een enkel woord te spreken van het gebruik van wierook en kaarsen , alsook van de processiën, bedevaarten, pelgrimages en broederschappen. De Kerk gebruikt bij de godsdienstoefeningen 7vierook tot een teeken van vereering en tevens van het gebed, hetwelk als een aangename geur voor God ten hemel moet opstijgen. Eeeds bij de Joden en Heidenen was het branden van wierook een teeken van aanbidding. Daarom werd voor de arke des vefbonds \'s morgens en \'s avonds op een daartoe bestemd altaar kostbaar reukwerk gebrand, en beschouwde men het steeds als afval van het geloof, wanneer een Christen voor de heidensche afgoden wierook brandde. De Kerk gebruikt echter den wierook niet uitsluitend als een teeken van de God alleen toekomende aanbidding, maar ook als een teeken van eerbied en vereering jegens het heilige in het algemeen en tevens als symbool van. het ten hemel gezonden gebed. Deze laatste beteekenis is gegrond op verschillende plaatsen van de H. Schrift, onder anderen op Psalm 140 en Openb. V, 8, waar het gebed met reukwerk vergeleken wordt. Derhalve bidt ook de Priester bij het bewierooken van het altaar: „Laat, o Heer, mijn gebed als reukwerk voor uw „aangezicht komen.quot; — Wie deze verschillende beteeke-nissen van den wierook kent, zal het niet vreemd vinden, dat in de kerk niet alleen het Allerheiligste, maar ook de, beelden en overblijfselen der Heiligen, de offergave op het altaar, het altaar zelf en het Evangelieboek bewierookt worden. Bij de plechtige godsdienstoefeningen wordt ook de dienstdoende geestelijke, die voor de gemeente bidt en offert, en op sommige plaatsen zelfs het volk bewierookt, opdat beider gebeden als een liefelijke geur ten hemel mogen opstijgen. — De bewierooking van voorwerpen, welke plechtig gewijd worden, is eene zinnebeeldige voorstelling , hoe die aardsche zaken, voortaan aan het profaan gebruik onttrokken, uitsluitend aan God en zijn dienst
709
toegewijd worden en deswege onze vereering waardig zijn. Bij begrafenissen drukt de bewierooking den vurigen wensch uit, dat ons gebed voor de overledenen de wolken des hemels moge doordringen en hun een genadig oordeel bereiden.
Het gebruik van wierook is in de katholieke Kerk zeer oud. Er wordt reeds melding van gemaakt in de apostolische constitutiën, in de oudste oostersche liturgiën, en in het westen reeds in de werken van den H. Ambrosius. Terwijl namelijk deze H. Kerkleeraar spreekt over de verschijning des Engels, welke Zacharias, de vader van den vooiiooper van Christus, gehad heeft, voegt hij er bij: „moge ook ons bij het bewierooken der altaren en bij de „opdracht van het Offer een Engel ter zijde staan.quot;
De brandende waskaarsen beteekenen het geloof, dat verlicht, de hoop, die opwaarts streeft, en de liefde, die ontvonkt, en herinneren ons tevens aan de tijden der vervolging van de Christenen, toen de godsdienst in onder-aardsche groeven gevierd werd. Tijdens die vervolging was de verlichting gedurende de godsdienstoefeningen door de omstandigheden noodzakelijk, daar ze veelal des nachts of in donkere, onderaardsche vertrekken gehouden werden. Derhalve herinnert ons het kaarslicht aan de eerste dagen des Christendoms en aan den bloedigen strijd, welken de aanbidders van Jesus Christus toen voor het geloof te doorstaan hadden. Het zou evenwel onjuist zijn en tegen de kerkelijke opvatting, in het nog bestaande gebruik om overdag de kaarsen aan te steken niets anders te zien dan een overblijfsel van die vroeger noodzakelijke verlichting. De Kerk heeft er steeds eene hoogere, mystieke beteekenis mede verbonden. Heeds in de eerste christelijke eeuwen ontstak men lampen of kaarsen, niet enkel als eeuwig licht voor het hoogwaafdigst Goed, het H. Sacrament des Altaars, maar ook voor de beelden der Heiligen en op de graven der Martelaars ten teeken van vereering. — Ook als teeken van vreugde en derhalve ter verhooging van de kerkelijke plechtigheden werden van oudsher de kaarsen en wel in een groot aantal ontstoken. De H. Paulus van Nola uit de vierde, en Eortunatus uit de zesde eeuw beschrijven ons dusdanige kerkelijke plechtigheden , waarbij „ontelbare „lichten dag en nachtquot; brandden (Binterim\'s Denkwiirdigk. IV. d. 1. bladz. 124). En van Keizer Constantijn den Groote bericht Eusebius, „dat hij de vigilie van Paschen „in den heldersten dag veranderd heeft, daar hij in de „geheele stad en op alle plaatsen fakkels en lange was-„kaarsen liet ontsteken, zoodat de nacht schitterender dan
710
„de dag gemaakt -werd.quot; — Vooral beschouwde men echter het licht als een zinnebeeld van Jestm Christus, die het ware licht is, dat de geheele wereld verlicht. Daarom ook was men gewoon, zooals Hieronymus (boek tegen Vigilantius n. 7) getuigt, bij het voorlezen van het Evangelie overdag kaarsen aan te steken. Ook als symbool van het geloof, hetwelk het verstand verlicht, worden de brandende kaarsen beschouwd. Om die reden noemt de H. Cyrillus van Jerusalem de kaarsen, welke den katechumenen in de hand werden gegeven, „lichten des geloofs.quot; Zoo worden ook de overige goddelijke deugden, de koop en de liefde, door de brandende kaarsen zinnebeeldig voorgesteld. Gelijk namelijk de vlam van de kaars voortdurend naar boven stijgt, zoo richt ook de hopende ziel hare wenschen en begeerten aanhoudend op de bovenaardsche, hemelsche goederen, en gelijk het vuur der kaars steeds brandt en langzamerhand pit en was ten dienste van God verteert, zoo brandt ook de heilige liefde tot God onophoudelijk in het hart van den vromen Christen, en besteedt hij alle krachten des lichaams en der ziel ten dienste en ter verheerlijking van God.
Wat in ■\'t bizonder de Faaschkaars beteekent, leeren wij uit het plechtig gezang van den Diaken, als hij ze op zaterdag voor Paschen wijdt en aansteekt. „Dat zich ver-„beuge,quot; zingt hij, „de schaar der Engelen in den hemel! I\' Dat zich verheuge geheel de geheimvolle schepping Gods! „en over de overwinning van een zoo grooten Koning quot;,T7eerklinke de bazuin des heils! Dat zich verblijde de „aarde, bestraald door zoo hoogen glans en verlicht door ,,den luister des eeuwigen Konings, ondervinde zij, dat de
„duisternis der gansche wereld geëindigd is..... Dit is
^de nacht (de plechtige Paaschnacht), in welken Gij het quot;eerst onze vaders, Israels zonen, na hunnen uittocht uit Egypte droogvoets de Koode Zee liet doortrekken. Dit !as de nacht, welke de duisternis der zonde door het licht der wolkzuil verdreef. Dit is de nacht, welke allen op quot;den ganschen aardbodem, die aan Christus gelooven , quot;afscheidt van de misdaden der wereld en de duisternis \',der zonde, hen weder in genade brengt en de heiligheid ^toevoegt. Dit is de nacht, in welken Christus de boeien quot;des doods verbrak en als overwinnaar uit het graf steeg. quot;Want geboren te zijn zou ons niets gebaat hebben, waren quot;,wij niet verlost geworden. O wonderbaar bewijs van „uwe vaderliefde jegens ons! O onschatbare liefde uwei quot;goedheid! Om den dienstknecht te verlossen, hebt Gij |uwen Zoon prijs gegeven,quot; enz. Daaruit zien wij duide-
711
lijk , clat de Paasclikaars een zinnebeeld is fan den verrezen Christus, die oes door zijne overwinning op dood en hel uit de slavernij des duivels verloste, en, gelijk eertijds de vurige zuil de kinderen Israels uit de slavernij van Egypte voerde, zoo ons door het schitterende licht van zijne leer en zijn godmenschelijk voorbeeld in het land der belofte leidt.
Frocessiên of godsdienstige omgangen worden gehouden: 1) om God openlijk te loven. Hem te danken, zijne bescherming en zogen over stad en land af te smeeken en zijne straffen af te wenden; 2) om de overwinning van het Christendom te vieren; weshalve ook het kruis en de vanen worden rondgedragen; 3) om ons te herinneren, dat wij op aarde slechts pelgrims zijn en steeds voor God moeten wandelen. Voorbeelden van plechtige omgangen, waaraan niet alleen Priesters en levieten , maar ook vorsten, krijgslieden en volk onder muziek en gezang deel namen, vinden wij reeds in het Oude Verbond (2, Kon. VI: 3. Kon. VIII). Ook in het Christendom zien wij die reeds in de eerste eeuwen. Zoo werd, om een enkel voorbeeld aan te halen, in het jaar 258 het gebeente van den H. Martelaar Cyprianus bij nacht met waskaarsen en fakkels, met gebed en gejubel overgedragen. Zoodra de Kerk rust en vrede en de vrije uitoefening van haren godsdienst verkregen had, alzoo in de vierde en vijfde eeuw, werden er in het oosten en westen processiën gehouden. De H. Basilius getuigt in een brief aan de geestelijkheid van Neocesarea, dat in zijne Kerk de processiën reeds lang in zwang waren. Te Anti-ochië werden de overblijfselen van den H. Meletius, te Milaan die van de HH. Gervatius en Protasius, alsmede van de HH. Nazarius en Celsus in plechtige processiën overgedragen. Bij algemeene rampen hield men openbare omgangen, teneinde Gods toorn te stillen. De H. Chrysos-tomus vermeldt in zijne rede tegen de openbare schouwspelen zulk eene processie, welke bij, door eene groote volksmenigte vergezeld, gehouden had om droogte te verkrijgen; en de kerkelijke geschiedenis verhaalt, dat de H. Mamertus, Bisschop van Vienne in Frankrijk, omstreeks het midden der vijfde eeuw de thans nog gehouden wordende omgangen voor het feest van \'s Heeren hemelvaart, op de zoogenaamde Kruisdagen, ter afwering van verschillende rampen, vooral van de aardbeving, ingevoerd heeft. Met dergelijke be. doeling werden ook later vele processiën gehouden; zoo bijv door den H. Carolus Borromeus te Milaan bij de groote pestziekte, welke vele duizenden ten grave sleepte. — Aan die plechtige omgangen namen niet alleen de geestelijkheid
712
oT, volk deel maar ook de voornaamsten, Koningen eu
VmA\'. «lans droeg men t0en kr?i3 en vanen aan liet hoofd der processie; ook beelden en kostbare
5n wèlgtaSL^geopLtoV
1 daar er sreene bedevaartsplaats is, waar
niet vele quot;gebeden „t ine\'Wonderbare wl^e werden verboord
e^rbe\'te0ÜSdV«boquot;d- was het een door God den Isrtó.
W-iÊèÊëM^Ê\'i
Ü ^0V v soms een pelgrimstocht tot boete voor zijne zonden wdl onaS Niettemin ondernamen de Christenen reeds
m de vroegste tijden uit eigen beweging zulke bedevaarten,
i noov Epthlehem, Nazareth, Jerusalem, enz.,
vooral naai , Verbliif en het lijden en sterven
plaatsen, geheiligd dooi k«t ™i U J |jeii,jcht 111I:1:
SE XrJSX graven van ^ v-.ten der
^ V^iaTn^tettn 1 de Marte-
w! alsmede verschillende andere genadeplaatsen. ^ Wij noemden de bedevaarten pryzenswaardig^ mits^^
« gnksni\'^ plichten van .Snen
S»efBS » KS^éhï 2S
en ander heboelt geene verdere^ verk aring. bl
Chïste^Ündrdtó enkel f^Xnèlf^ei-LSvé verkeerd zijn en onbillijk tevens,
713
vaarten in het algemeen te ontkennen of te bestrijden. Hooren ■wii, hoe een bekeerling, de heer Beckedorff, zich hierover uitlaat in zijn tot de Protestanten gericht werk over „de „katholieke waarheid:quot; — „Dat alleen de bijeenkomst van „zoovele geloovigen uit verschillende plaatsen, met het doel „om gefneenschappelijk te bidden, de godsvrucht van elkeen „kan opwekken, is duidelijk; hoeveel te meer zal deze „echter verhoogd moeten worden door de voorstelling van „de vele genaden, in die geheiligde plaats geschonken, „door de verheven plechtigheden, waarmede de feesten be-„gonnen worden, door de indrukwekkende woorden van den „weisprekenden Priester, door de genaderijke oefeningen, „waardoor de gemeenlijk aan zulke bedevaarten verbonden „aflaten verkregen worden, en eindelijk en voor alle dingen „door het waardig ontvangen van de HH. Sacramenten der „Biecht en des Altaars.quot; Voegt men hier nog bij, dat reeds de réis alleen, de tocht naar een heilig doel met het voornemen van godvruchtige oefeningen, de verwijdering van de gewone, alledaagsche, vaak verdrietige en yer-strooiende bezigheden en omstandigheden des levens, de gemeenschappelijke gebeden gedurende de reis, de ernstige pogingen om den aflaat inderdaad te verdienen , de geschikte gelegenheid, welke zich aanbiedt, om bij een geheel onbekenden Priester in alle oprechtheid zijne Biecht te spreken; voegt men er bij, zeg ik, dat al die omstandigheden reeds op zich zelve heilzaam moeten werken om het christelijk hart tot godsvrucht te stemmen, dan zal men zonder bedenking moeten toegeven, dat er geene redenen bestaan om dengene, die voornemens is met eene godsdienstige meening een pelgrimstocht, eene bedevaart te ondernemen, daarvan af te houden. Integendeel kunnen wij dusdanige bedevaarten, namelijk als zij met die goede meening ondernomen worden, wat toch in den regel het geval zal wezen , gerust aanbevelen.
Onder de kerkelijke gebruiken of instellingen kunnen ook de Broederschappen en Congregaties geteld worden. Even schoon als waar zegt van deze de zooeven genoemde schrijver: „Zulke godvruchtige vereenigingen, genootschappen, broeder-„schappen, en hoe zij anders genoemd worden, waarin men „zich verbonden heeft tot gemeenschappelijke gebeden , liefde-„werken of andere vrome oefeningen, behooren tot de heer-„lijkste bloemen van\' het katholieke leven. Zij vernieuwen „in zekere mate het leven en den ijver der eerste Chris-„tenen; zij zijn de uitdrukking en opwekking van echte „broederliefde, vereenigen de door wereldlijke betrekkingen , „stand en roeping in het leven afgezonderde menschen tot
714
eene geestelijke gemeenschap en christelijke gelijkheid, en quot;bewerken een heilzamen wedijver in werkdadxge vroomheid quot;en een Gode welgevallig leven.\' Om deze geestelijke voordeelen hehben de Pausen immer getrac^t ,^u^in,Se broederschappen en congregatiën, door ze De
la en te begunstigen, meer en meer uit te breiden. Ue broederschappen verplichten wei met op zonde \' 0C e zal de heilzame vruchten slechts dan plukken, als ^J* naar streeft, de voorschriften daarvan trouw na te leven,
en niet alleen in naam, maar ook door ^^ff-J^id van en door zijn uiterlijk levensgedrag er een waardig
te wezen.
toepassing.
Al kwam de katholieke Kerk geene andere eer toe, dan
deze, dat zij zoovele heilige en hartverheffende gebruiken en
ceremoniën, wier oorsprong tot de hoogste oudhei , j
de tijden der Apostelen opklimt, bewaard beeft dan hadden
wii reden genoeg om ons te verheugen en God te loven S Wii het geluk hebben, lid dier H. ^rk Z,n 41s ^ze andersdenkende broeders in die ceremomen slechts bj ge loovi^e of zelfs joodsche en heidensche gebruiken willen
zien Dwiil eenige, zooals bewierrookxngen, processien, bede-
vaarten ook bij de Joden en Heidenen in zwang waren, leggen zij daardoor eene merkwaardige kortzicht^heid aan den dag. Immers, zou men niet met recht ook hunne kerken hun gebruik om te bidden, God door lof-en dank liederen te vefeeren. bijgeloof, overblijfselen van j.den en heidendom kunnen noemen, daar toch de.Joden ook tempels, gebeden en gezangen hadden IN een nooit en nergens heeft de katholieke Kerk een of ander bijgeloovig gebruik goedgekeurd, zij heeft die integendeel steeds ten streneste verboden. — Daarmede willen wii met ontkenden, dat er onder het volk hier en ginds zonderlinge gebmiken voorkomen, welke de Kerk, wel verre van ze te billijken, zeer gaarne afgeschaft zou zien. Zij duldt die echter so wiilen omdat zij op zich zelve niet slecht ziyi en met eene eoede meening plaats vinden. „Want de Kerk Go s, g de H. Augustinus (brief 55), „duldt vele dingen; maar nooit kemt zij goed\', verzwijgt of doet zij, wat tegen het quot;geloof of de goede zeden is.quot; Wij moeten ons derhalve wel wachten, alle gebruiken, welke men hy het ^Ik ontdekt te beschouwen als door de Kerk goe ge^eui aanbevolen. Van den anderen kant moeten wij ons ecater evenzeer wachten, gebruiken en ceremomen voorbarig te laken,
715
omdat wij er wellicht den oorsprong of de doelmatigheid niet van kennen. Deze toch hebben dikwerf hunnen grond in eene vrome overlevering, welke onder het volk bewaard gebleven en volstrekt niet verwerpelijk is. Wij h,ebben bijv. in het derde deel van dit werk vermeld de genezing van een blinde, welke volgens het getuigenis van de HH. Ambrosius en Augustinus, daardoor plaats had, dat de ongelukkige met een zweetdoek de baar aanraakte, waarop zich de overblijfselen van de HE. Gervasius en Protasius bevonden, en daarmede vervolgens zijne oogen bestreek. Vandaar is het op ?ele bedevaartplaatsen bestaande gebruik, met doeken, rozenkransen en andere voorwerpen een begunstigd beeld, overblijfselen van Heiligen of andere heiligdommen aan te raken, niet zoo onverstandig, als menigeen denkt. — Vooral moeten wij ons wel wachten, gebruiken en ceremoniën, welke de Kerk voorschrijft of uitdrukkelijk bekrachtigt en aanbeveelt, te hekelen. Sluipen er soms misbruiken tusschen door, of worden zulke ceremoniën niet altijd met de behoorlijke godsvrucht verricht, dan is dit voorzeker te betreuren, maar het geeft ons geenszins recht, om die reden er onzen eerbied aan te ontzeggen. Wij moeten integendeel, zooveel wij vermogen, er toe bijdragen, die bij anderen in achting te brengen, en b\'j elke gelegenheid er voor uitkomen, dat wij ons niet schamen, maar het ons tot groote eer rekenen, als vrome, geloovige, kerkelijk gezinde Katholieken voor heel de wereld op te treden.
Einde van het vierde en laatste Deel.
P -
|\'i.^ [se:
\'\'è 11 m
I i;l
;. t\'-■; M
11
KI }-\'quot;■*
9
J
ili
;
r #§
:, (! •\'• /