-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

T^rr

/ï^Z- tamp;s \'yr /gt; ? /\' lt;£«?v V-J sf amp; ,

Squot; \' /

^sl\'. - Sl-? £■ i lt; tsgt;

\' a lt;//

i

kJÏJf ft-ts y wV\'-s2^Of a gt; y y\'^f\' f.

y

DEHARBE\'S VERKLARING

KATHOLIEKE GELOOFS- ex ZEDELEER.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

DEHARBE\'S

VERKLARING

DER

KATHOLIEKE

GELOOFS- en ZEDELEER

BEWERKT EN VERMEERDERD

B. DANKELMAN,

Pastoor.

--------- •

/ / Q-f

Nieuwe Uitgave. MET AARTSBISSCHOPPELIJKE GOEDKEURINQ.

EERSTE DEEL.

UTRECHT,

Wed. J. R. VAN ROSSUM. 1888.

-ocr page 8-

GOEDKEURING.

Het eerste deel der derde uitgave van sDeharbe\'s Verklaring der Katholieke Geloofs- en Zedeleerquot;

wordt bij deze door ous goedgekeurd en bizouder aanbevolen.

Uteecht den 20 Juni 1SS0.

De. Aartsbisschop van Utrecht,

t A. I. SCHAEPMAN.

-ocr page 9-

VOORWOORD.

Vooral in onzen tijd is het noodzakelijk, dat de Katholiek eene degelijke kennis van de waarheden des geloofs bezitte, opdat hij niet door de menigvuldige drogredenen, in boeken, maandschriften en dagbladen als de ware wetenschap voorgesteld, misleid worde, en ook opdat hij in staat zij, waar het noodig of dienstig mocht zijn, de dwaal-leeringen te wederleggen.

Moge deze opnieuw verbeterde en vermeerderde verklaring van de Katholieke Geloofs- en Zedeleer

nuttig zijn voor velen tot verlevendiging eu versterking des geloofs, tot aankweeking en bevordering van een waarlijk godsdienstig leven !

B. DANKELMAN,

Pr.

Juni J880.

-ocr page 10-
-ocr page 11-

I N 11 0 U D.

--

Inleiding.

Over cle lestemming van den mensch.

Waarom begint het godsdienstig onderricht met de leer over de bestemming en het einde van den mensch? Tot welk einde zijn wij op aarde? (Wat is de hemel?) Is do mensch niet hoofdzakelijk op aarde, om door het bezit en genot van aardsche goederen gelukkig te worden? (Waarom kunnen de aardsche goederen den mensch niet waarlijk gelukkig maken?) Waartoe zijn ons de aardsche goederen verleend? Waarom vordert God van ons dat wij Hem kennen , beminnen en dienen ? (Zijn wij ook verplicht God te beminnen en te dienen?) Wat zal het lot zijn dergenen, die God niet kennen, niet beminnen en niet dienen willen? (Wat is dus het noodzakelijkste hier op aarde?) Wat moeten wij doen, om God te kennen, Hem te dienen en zalig te worden? Waarom moeten wij om zalig te worden gelooven, de geboden onderhouden en de genademiddelen gebruiken ? (Wat is de godsdienst?) Waar vinden wij de leer over het geloof, over de geboden en genademiddelen? Waarover handelt alzoo het godsdienstig onderricht? Bladz. 1—34.

er het geloof

§ 1. Begrip, voorwerp, bronnen {benevens regelen) des geloofs.

Wat is het geloof van een katholiek Christen? (Wat beteekent gelooven ?) Waarom wordt het christelijk geloof eene deugd genoemd ? Waarom zeggen wij, dat het geloof door God is ingestort ? (Waarom moet de genade niet alleen ons verstand verlichten, maar ook onzen

-ocr page 12-

wil bewegen? Wat is liet licht des geloofs? Vanwaar het ongeloof?) Waarom moeten wij alles gelooven wat God geopenbaard heeft? Welke is de verhouding tusschen geloof en rede? Is het geloof aan geheimen in strijd met de rede ? Waarom moeten wij ook gelooven, wat de H. Kerk voorstelt te gelooven \'? Bladz. 24—39.

Voorwerp des geloofs. Openbaring.

Wat verstaat men eigenlijk onder de uitdrukking: alles gelooven, wat God geopenbaard heeft? (Welk onderscheid is er tusschen de natuurlijke en de bovennatuurlijke openbaring?) (In hoeverre was het noodzakelijk ter verkrijging der noodige kennis van de geloofswaarheden, dat God ze ons openbaarde? Heeft God ons de Openbaring gegeven, en waar is die te vinden ?) Bladz. 39—45.

Geloofsbronnen: Heilige Schrift en Overlevering.

Op welke wijze is de Openbaring, welke God voor eeuwen aan de Profeten en Apostelen gedaan heeft, tot ons gekomen ? Bladz. 4o—47.

1. Over de Heilige Schrift.

Wat is de II. Schrift? Hoe wordt de H. Schrift verdeeld? Welke openbaring bevat het Oude Testament? Uit welke boeken bestaat het Oude Testament? Welke openbaring bevat het Nieuwe Testament? Uit welke boeken bestaat het Nieuwe Testament ? (Wat is de //Vulgataquot;?) Wat moeten wij aangaande de H. Schrift gelooven? Waarom mosten wij gelooven, dat de H. Schrift waarachtig Gods woord is ? Hoe kunnen wij weten, dat de H. Schrift, ook afgezien van de onfeilbare uitspraak der H. Kerk voor hare goddelijkheid, geloofwaardig en onvervalscht is, derhalve slechts waarheid bevat? (Waarom verdienen de boeken van het Nieuwe Testament alle geloof? Zijn de op-worpingen der ongeloovigen ongegrond? Waarom moet men de boeken van het Oude Testament gelooven ? Waaruit weten wij, dat de H. Schrift in de katholieke Kerk steeds onvervalscht is gebleven ? Hoe toonen wij, dat er geene geschiedenis van vroegere tijden bestaat, wier waarheid zoo goed gewaarborgd is, als de bijbelsche?) Bladz. 47—71.

2. Be Overlevering.

Is het genoeg te gelooven, wat in de II. Schrift staal ? Hebben daii de Apostelen niet alles opgeschreven, wat Jesus geleerd heeft ? Waarom niet? (Heeft Christus niet bevolen, dat ieder, om de waarheid te vinden, in den Bijbel moet zoeken?) Is het niet genoeg, als wij ons aan den Bijbel alleen houden? (Waarom niet?) Waarom moeten wij aan de Overlevering evenzeer geloof schenken als aan de H. Schrift? (Is de Traditie de leer van menschen ?) Hoe is de Overlevering altijd zuiver en onvervalscht in de Kerk bewaard? Bladz. 71—is7.

Geloofsregel.

Wat moet de Christen, volgens het gezegde, iu het algemeen gelooven? Moeten wij ook gelooven, wat in de werken der HH.Vaders of Kerkleeraars vervat is? (.Wie zijn Kerkvaders en Kerkleeraars?)

-ocr page 13-

Hoe weten wij, wat de Kerk te gelooven voorstelt? Waarom is het noodzakelijk, dat de katholieke Kerk ons de geopenbaarde waarheden voorstelt? Waarom kannen wij enkel door de katholieke Kerk onfeilbaar weten, wat God geopen baard heeft ? (Waarom zeggen wij, dat wij alleen door de katholieke Kerk Schrift en Traditie hebben en door haar alleen den waren zin van beide onfeilbaar kennen ?) Is de Heilige Schrift niet duidelijk, niet voor ieder gemakkelijk te verstaan? Mag alzoo niemand aan de 11. Schrift en Traditie een anderen zin hechten, dan de katholieke Kerk er aan hecht? (Hoe moet men de teksten verstaan: //onderzoekt ailes en: //gij hebt niet noodig, dat iemand /,u leert?quot;) Wat heeft ie Kerk over het lezen van den Bijbel in de moedertaal bepaald ? (Bijbelgenootschappen — Tractaatjes). Toepassing.

Bladz. 87—116.

•; 3. ^ioodKakciykhcid des j^elools.

Is het geloof noodzakelijk ter zaligheid ? (Hoe is het den Heiden mogelijk, zalig te worden?) Maakt elk geloof zalig? (Waarommaakt alleen het geloof, dat Christus geleerd heeft, zalig? Wat moet men denken van de bewering, dat liet er niet op aankomt, wat men ge; looft, dat elke godsdienst goed is?) Welke godsdienst heeft hef\' ware, door Christus geleerde geloof? (Waarom heeft enkel de katholieke Kerk het ware geloof? Hebben de andere godsdienstige genootschappen dan ook hunne geloofsleer niet van Christus zeiven ontvangen en onvervalscht bewaard ? Wie mag en moet van godsdienst veranderen ?) Toepassing. (Is het niet eene groote genade, katholiek Christen te zijn?) \' Bladz. 115—130.

§ 3. iEiitensohapiteii van het geloof\'.

Hoedanig moet ons geloof zijn? Wanneer is ons geloof algemeen? (Is het genoeg een of ander punt van de leer van Christus aan te nemen en te gelooven ? Wat moet men denken van het onderscheid tusschen fundamenteele en niet fundamenteele waai-heden? Welke punten moet een ieder weten ?) Wanneer is ons geloof vast ? Wanneer levend ? (Maakt het doode geloof ook zalig?) Wanneer is ons geloof standvastig ? Wat brengt den mensch tot afval van zijn geloof? Bladz. 137—159.

Belijdenis des geloofs. Teehen des kruises.

Waardoor moeten wij vooral toonen, dat ons geloof vast en standvastig is? (Is het genoeg, dat men het ware geloof in zijn hart bewaart? Zijn wij verplicht, ons geloof te belijden voor een ieder, die er ons naar vraagt?) Bestaat er ook eeu bizonder teeken, waardoor de katholieke Christen zijn geloof belijdt? Waarom gebruiken wij ter belijdenis van ons geloof het heilig kruisteeken ? Vanwaar komt het gebruik van het maken des H. kruises ? Wanneer moeten wij het kruisteeken maken ? Waarom is liet heilzaam , dikwerf het kruisteeken te maken? — Toepassing. Bladz. 159—175.

-ocr page 14-

OVER DE GELOOFSBELIJDENIS DER APOSTELEN.

Waar vinden wij het kort begrip van hetgeen wij Christenen vooral moeten weten en gelooven ? Waarom wordt deze geloofsbelijdenis ,/de geloofsbelijdenis der Apostelenquot; genoemd. Bladz. 176—178.

EERSTE GELOOFSARTIKEL.

Over lt;-lt;mI en xiine eigensehappen. § 1- ils\'onnen onxer kennis van Ood.

Gods bestaan.

Kunnen wij God ook zien ? Hoe zijn wij dan tot de kennis van God en zijne volmaaktheden gekomen, als wij God nietkunrenzien? Waardoor heeft God zich aan de menschen op eene natuurlijke wijze geopenbaard? En waardoor op eene bovennatuurlijke wijze? Wat is God? Als God\'geen lichaam heeft, waarom spreekt de H. Schrift dan van Gods oogen, ooren, handen, enz.? Bladz. 179—197.

1\'olniaa kt heden 4*ods.

Welke eigenschappen of volmaaktheden van God moeten wij vooral beschouwen? Wat beteekent: God is eeuwig? onveranderlijk? Wat moeten wij doen, wijl God eeuwig en onveranderlijk is? Wat wil zeggen: God is alomtegenwoordig? alwetend? (Wordt door de goddelijke voorkennis \'smenschen vrijheid niet vernietigd?) Waartoe is het dienstig, dikwijls aan Gods alomtegenwoordigheid en alwetendheid te denken? Wat wil zeggen: God is alwijs? (Wat moet de mensch denken, als hij bekoord wordt, om Gods werken te gispen?) Wat beteekent: God is almachtig ? Waartoe moet het geloof aan Gods almacht en oneindige wijsheid ons aansporen ?

Wat wil zeggen: God is heilig? rechtvaardig? (Hoe is Gods goedheid met zijne rechtvaardigheid te vereenigen?) Waar vindt de volkomen vergelding plaats? Waartoe moet de gedachte aan Gods heiligheid en reclitvaardigheid ons opwekken? Wat wil zeggen: God^ is goed? (Wat is het grootste bewijs van Gods liefde en goedheid?) Wat beteekent: God is barmhartig? lankmoedig? Wat moeten wij doen, omdat God zoo goed, barmhartig en lankmoedig is? (Mag de goddelijke barmhartigheid voor den zondaar eene reden zijn, om zijne boetvaardigheid uit te stellen?) Wat wil zeggen: God is waarachtig? getrouw? Waartoe verplicht ons de waarachtigheid en getrouwheid van God ? Bladz. 198.—lt;!5Ü.

S^enlienl van C^od-

Is er meer dan één God? (Pantheïsmus). Waarom zeggen wij in de geloofsbelijdenis der Apostelen: «Ik ge.oof in Godquot; en niet enkel: //ik geloof Godquot;? Toepassing. („Geef Mij, mijn zoon, uw hartquot;). Beweegredenen om vroegtijdig God te beminnen en te dienen.

Bladz. 350 — 255.

-ocr page 15-

^ \'i. Over de drie isoddelUke Personen.

De goddelijke Drieêenheid in haar wezen.

Waarom zeggen wij: „ik geloof in God den Vaderquot;? Hoeveel personen zijn er dan in God ? (iloe noemen wij het geheim van één God in drie personen?) Is ieder van deze drie personen God? Is er nochtans maar één God? (Waarom zijn de drie personen maar één God?) Is de eene persoon ouder of machtiger dan de andere? Is er dan volstrekt geen onderscheid tusschen den Vader, den Zoon enden heiligen Geest? Waardoor zijn de drie goddelijke personen onderscheiden? Als de Zoon door den Vader wordt voortgebracht en de heilige Geest van Beiden uitgaat, hoe is het dan mogelijk, dat geen der goddelijke personen ouder is dan de andere? (Waarom wordt de Vader de eerste, de Zoon de tweede, ae heilige Geest de derde persoon genoemd?) Bladz. 255—260.

Ue goddelijke Drievuldigheid in hare werken naar huilen.

Welke werken worden aan ieder der drie goddelijke personen voornamelijk toegeschreven? liunnen wij dit geheim begrijpen? (Is er eene tegenstrijdigheid in de leer der H. Drieêenheid ?) Is het leerstuk van de allerheiligste Drievuldigheid voor ons ook van belang ? Toepassing. Bladz. 207—275.

§ 3- Over «Ie seltepi»iiii£ eai het hestmir «Ier wereld-

Schepping der wereld.

Waarom wordt God genoemd öchepper van hemel en aarde? (Wat wil zeggen; scheppen?) Waardoor heeft God de wereld geschapen? Wat deed God, vooraleer Hij de wereld schiep? In hoeveel dagen heeft God de wereld geschapen? (Waarom in zes dagen?) Waarom schrijven wij de schepping voornamelijk aan den Vader toe, daar de H. Schrift dit werk eveneens aan den Zoon en den H. Geest toeschrijft? Heeft God de wereld geschapen, omdat .Hij er behoefte aan had? (Waarom heeft Hij haar geschapen?) Waartoe heeft God de wereld geschapen? (Bereikt God immer het doel der schepping?)

Bladz. 275—2S8.

Bestuur der wereld.

Wat doet God nog voortdurend, opdat de wereld., welke Hij heeft geschapen, niet weder tot het niet terugkeere? (Hoe behoudt lt;iod de wereld? Hoe regeert Hij haar ?) Waaruit zien wij dat God de wereld bestuurt? (Waaruit komen de schijnbare gebreken of wanordelijkheden voort?) Indien God alles regelt en bestuurt in de wereld, waarom geschiedt er dan nog kwaad? Wil Hij dat ook? Als God voor alles zorgt, waarom bestaat er dan zooveel leed? Waarom laat God de boozen in voorspoed leven, terwijl vele braven zwaar gedrukt worden? Hoe moeten wij de rampen, welke ons treffen, aannemen? (Waarom wil God ons door vernedering verheffen?) Toepassing

Bladz. 288-391.

-ocr page 16-

S t. Over de 1811. B\'iittelen.

Natuur en toestand der Engelen.

Heeft God niets anders dan de zicktbare wereld geschapen ? Hoe waren de Engelen toen God hen geschapen had? Zijn er ook onderscheiden koren van Engelen? Hoe zijn zij onderscheiden? Zijn alle Engelen goed en gelukkig gebleven ? (Waarin bestaat de zonae der afgevallen Engelen?) Hoe heeft God de Engelen, die getrouw zijn gebleven, beloond? Bladz. olt)—324.

Verhouding van de Engelen tot de memchen.

Hoe zijn de goede Engelen jegens ons gezind? Hoe noemen wij de Engelen\', die den menschen tot hunne bescherming gegeven zijn? Wat zijn wij aan onze HH. Engelbewaarders verschuldigd? Hoe zijn de gevallen Engelen of booze geesten jegens ons gezind.- Waarora laat God toe, dat de booze geesten ons bekoren? Wat moeten wi.i doen, opdat de bekoringen des boozen vijands ons niet schaden, maar daarentegen tot voordeel strekken? Voorbeelden. Toepassing,

Bladz. 324— enz.

-ocr page 17-

INLEIDING.

«ver de ïiesJemmiiBtt van den mensefi.

Waarom begint Jict godsdienstig onderricht met de leer over de bestemming van den mensch?

Omdat de mensch hier op aarde een reiziger is, en als zoodanig vooral moet weten, wat het doel is van zijne reis, waar hij zal aanlanden.

De mensch komt ia de wereld en gaat er weder uit; niemand blijft eeuwig op aarde. Zijn leven is eene reize, een pelgrimstocht, welke geen stilstaan gedoogt; elk oogen-blik is eene schrede naar het graf; onophoudelijk komt de mensch er al nader en nader bij, tot het zich eindelijk opent en hem in zijnen schoot opneemt. Het graf is echter \'s menschen laatste doel of bestemming niet; het lichaam alleen zinkt neêr in het graf, en de ziel overleeft de scheiding van haar lichaam. Hoogst belangrijk en gewichtig blijlt derhalve voor ieder het antwoord op de vraag: waarheen voert mi] mijn levensweg? Waar zal ik na dit leven aanlanden ? Hoe zal het mij aan de andere zijde des grafs, in de eeuwigheid gaan ? Waar zal ik rust vinden ; of: wat is wel mijn laatste doel, mijne eindbestemming ? — Men zou het zeker dwaasheid noemen, als een reiziger maar

DEHABBE, GELOOPSLEER. I. 3de DRUK. 1

-ocr page 18-

2

altijd voortwandelde, zonder te weten waarheen, zonder zich zeiven af te vragen waar hij het einde van zijne reis zal bereiken; even dwaas echter, —ja nog dwazer is de mensch, die zóó onbegrijpelijk lichtzinnig voortleeft, dat bij, onbekommerd over zijn einde, nooit naar de bestemming vraagt, waartoe hij, na dit kortstondig leven op aarde, zal komen. Met bittere smart heeft een bourgondisch hoveling, die nooit ernstig aan het heil zijner ziel gedacht had, deze dwaasheid ingezien. In zijn laatste uur verlangde hij, dat men, anderen ter waarschuwing, op zijn graf zou schrijven; -„Hier rust de dwaas, die uit de wereld is gegaan, zonder „te weten waarom hij in de wereld gekomen is.quot; — Op de eerste plaats moeten wij alzoo weten, waartoe G-od ons geschapen en in de wereld geplaatst, of, welk doel Hij aan onze aardsche pelgrimsreize gehecht heeft, en wat wij doen moeten, om dat doel te bereiken.

Het godsdienstig onderwijs leert ons, het doel kennen, waartoe wij op de wereld geplaatst zijn, en tevens wat wij doen moeten om onze bestemming te bereiken, namelijk om gelukkig en eeuwig gelukkig te worden.

Hoogst gewichtig en noodzakelijk is deze leer., vooral in onzen tijd, nu heiaas! zoo velen haar niet kennen, of er geen acht op slaar.; nu zoo menigeen, zonder aan God of zijne plichten te denken, voortleeft, en zijn eeuwig ongeluk te gemoet gaat. — Hoe zuilen wij echter die zoo belangrijke leer over het doel en het einde, of, wat hetzelfde is, over de bestemming des menschen goed begrijpen ? Als wij de vraag: waartoe God ons geschapen heeft^ of met andere woorden: waartoe wij op aarde zijn, weten te beantwoorden. Derhalve:

Waartoe zijn wij op aarde ?

Wij zijn op aarde, om God te kennen. Hem te beminnen. Hem te dienen, en daardoor in den hemel te komen, — de plaats van eeuwige, volmaakte gelukzaligheid.

Wij willen allen gelukkig zijn, en het is ons volstrekt onmogelijk, dit niet, of het tegendeel loei te willen; eer zal mea ons het leven ontnemen, dan het verlangen en den dorst naar geluk. Dat verlangen is ons aangeboren, ligt diep ia de natuur van het measchelijk hart; hieruit besluiten wij met recht, dat het voortkomt van God, die ons hart gemaakt heeft, en dat wij bijgevolg door Hem geschapen zijn om eeuwig gelukkig te worden: eene waarheid, welke de rede ons leert en zelfs door heidensche geleerden ingezien en erkend is geworden, — Hier komt

-ocr page 19-

O

O

vervolgens de hoogst gewichtige vraag, welke de Heidenen nooit konden beantwoorden, en waarop ook wij geen voldoend antwoord zouden geven, als wij niet door het licht der Goddelijke Openbaring geholpen werden, de vraag namelijk : tot welk geluk wij geschapen zijn. Zal God ons geen ander dan een natuurlijk geluk geven, een geluk, dat met de krachten en behoeften van onze natuur in overeenstemming is? Zal 11 ij ons wellicht na dit leven in een aardsch paradijs verplaatsen , waar geen gevaar, geene smart, geene droefheid is, waar niets dan vreugde, vol-komene verzadiging en eeuwig genot van al wat goed is, wordt gevonden — in een hoogst gelukkigen toestand, zoo als de mensch zich dien somwijlen wenscht of voorstelt ? Eene dergelijke zaligheid had God ons voorzeker kunnen geven, ea dit zou inderdaad reeds eene overgroote weldaad zijn. Maar uit oneindige goedheid en barmhartigheid heeft Hij ons iets onvergelijkelijk beters voorbereid, zooals de Openbaring ons leert Hij wil ons opnemen in zijn hemelsch rijk, waar wij gelukzalig zullen wezen gelijk iïij, de almachtige God, gelukzalig is, wel is waar niet in dezelfde mate, want tusschen Hem en den mensch blijft altijd een oneindigen afstand, maar toch op gelijke wijze. De gelukzaligheid van God bestaat namelijk daarin , dat Hij Zich zeiven kent en bemint; en juist daarin, dat wij God eeuwig en op eene volmaakte wijze kennen en beminnen, bestaat ook de gelukzaligheid des hemels voor ons. Hier beneden kennen wij God wel, maar slechts zeer beperkt en onvolkomen, zoo als men bijvoorbeeld het talent van een kunstenaar uit de voortreffelijkheid zijner werken kent; doch in den hemel zullen wij, door een goddelijk licht bestraald, God in zijn eigen wezen kennen; wij zullen Hem aanschouwen van aanschijn tot aanschijn (I. Cor. XIII, 9—12), Hem zien, gelijk Hij is, in zijne eeuwigdurende schoonheid, in den glans zijner godheid. Die kennis zal in ons hart eene zoo vurige en tegelijk zoo zoete en teedere liefde ontsteken, dat wij er ons thans niet het minste denkbeeld van kunnen vormen; want alles, wat wij ooit ons van die gelukzaligheid kunnen voorstellen, al zouden wij er ook duizend jaren over peinzen, het heeft minder waarde dan het stof der aarde, vergeleken met het zuiverste goud of met het helle zonnelicht. De heilige Catharina van Siéna was eens onder het bidden, gelijk zij zelve ons verhaalt, in den geest binnen gevoerd in de glorie des hemels waar zij Gods geheimenissen mocht aanschouwen. Toen nu eensklaps hare geestvervoering eindigde, beproefde zij te spreken, doch zij vermocht het niet, zij kon slechts zuchten. Drie dagen

-ocr page 20-

4

en drie nachten weende zij onophoudelijk. Toen iemand zich daarover verwonderde, zeide zij : „veeleer moest het „u bevreemden, dat mijn hart niet telken dage breekt, als „ik, denkende aan de heerlijkheid, welke ik genoten heb, „mij nu weder op aarde, in dit tranendal zie.quot; Wanneer zij zich in het vervolg aan dat geluk herinnerde, kon zy hare zuchten en hare tranen nimmer weêrhouden. Zóó gloeiend was haar verlangen naar den hemel, dat zij zeker van droefheid en verlangen zou gestorven zijn, indien hare deugd niet groot genoeg was geweest, om zich in alles aan den goddelijken wil over te geven \'j.

De hemel, waarvoor God ons geschapen heeft, is derhalve de plaats zoowel van eene eeuwigdurende, als van eene volmaakte gelukzaligheid. Volmaakt is die zaligheid , omdat zij de hemelingen volkomen verzadigt, en hun niets meer te wenschen overlaat; maar nog onvergelijkelijk meer, wijl zij naar haren aard met de gelukzaligheid van God overeenkomt. Deswegens zegt ook de heilige Joannes (I. Joan. Ill, 2), dat wij in de heerlijkheid des hemels „aan God „gelijk zullen zijn; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij „is.quot; Ja, die gelukzaligheid is zóó verheven, en komt der goddelijke zóó nabij, dat de mensch, indien zijne natuurlijke zielskrachten niet wonderbaar door God verhoogd werden, en hij niet in staat werd gesteld, dat hemelsch genot te smaken, het evenmin zou kunnen genieten, als da steen bij machte is, de zoetheid van den honig te proeven. Dit is de reden, waarom zij door de Godgeleerden eene hoven-natuurlijke gelukzaligheid, en ons laatste doel een hoven-natuurlijk doel genoemd wordt.

Daar wij nu weten , dat God den mensch geschapen en verlost heeft, om hem aan die hemelsche gelukzaligheid deelachtig te maken, mogen wij er geenszins aan twijfelen, of Hij heeft ook den wil, dat geluk aan alle menschen te geven. Dewijl God echter niet alleen goed, maar tevens rechtvaardig is, en een ieder vergeldt naar zijne werken, ziet men terstond in, dat Hij den wil niet kan hebben, ook den kwaden , die Hem haten en lasteren, als tot loon hunner boosheid, de vreugde des hemels te schenken. Zeer billijk is het, dat Hij in zijn heerlijk rijk slechts diegenen opneemt, die hier op aarde als goede kinderen Hem van harte en boven alles liefhebben. De eerste voorwaarde alzoo, welke wij te vervullen hebben , om in den hemel

\') Geschiedenis van de li. Catharina van Siéna, door Chavin van Malan. Hoofdst. 11.

-ocr page 21-

te komen, is deze, dat wij God Onmogeliik kunnen

wij echter teminnea wat wij niet kennen; bijgevolg moeten wij, om God te beminnen en daardoor in den hemel te komen, Hem eerst hennen. Kennen en beminnen wij God, dan voorzeker zullen wij ons ook aangespoord voelen, om Hem te dienen, d. i. zijn heiligen wil te volbrengen; want wie oprecht lief heeft, doet gaarne alles, wat den beminde aangenaam is. Indien wij derhalve eenmaal bij God in den hemel willen komen, dan moeten wij ook nu Hem kennen, Hem beminnen en Hem dienen. Dit is de wil des Aller-hoogsten ; daartoe heeft Hij ons geschapen; daartoe ons in deze wereld geplaatst. Dit is bijgevolg hier beneden onze gewichtigste taak, ja eigenlijk onze eenige bezigheid; want al onze gedachten, woorden en werken moeten minstens op eene of andere wijze strekken, om God te kennen. Hem lief te hebben en Hem te dienen. Wie God niet bemint en zijn heiligen wil niet vervult, kan onmogelijk de vreugde des hemels binnengaan.

//Zie eens,quot; sprak Jesus tot de heilige Catharina van Siéna, toen Hij haar den schooncn hemel toonde, „zie eens, van welke heerlijkheid ,zich degenen berooven, die mijne geboden niet willen nakomen! //Keer alzoo in de wereld terug en zeg hun, hoezeer zij zich bedriegen, //en welke straf hen wacht, wanneer zij geene boete doen.quot; — En gij, waarde lezer, onderhoudt gij wel altijd do geboden Gods?... Wanneer gij de geboden van God overtreedt, bemint gij God niet; en als gij God niet bemint, hoe wilt gij dan bij Hem in den hemel komen? Denkt gij wellicht, dat God u zal beloonen voor uwe boosheid ? — Zeker niet! — Gij moet derhalve doen, wat Hem aangenaam is; vooral met aandacht bidden, uwen ouders gehoorzaam zijn, enz. Stel u toch dikwijls voor, hoe schoon en heerlijk do hemel is!

Er zijn echter vele menschen, die, wanneer men hun de leer over hunne bestemming en hun einde voorhoudt, zich er over verwonderen en terstond de vraag stellen;

h dan de mensch niet hoofdzakelijk op aarde, om door het lezil en genot van aardsche goederen gelukkig te worden ?

Dat onwetende Heidenen zoo denken en vragen, is wel niet te verwonderen; maar hoe het mogelijk is, dat ook Christenen zulk een verkeerd denkbeeld hebben, is bijna onbegrijpelijk. Wij Christenen weten immers, dat dc Zoon Gods uit den hemel is nedergedaald, en den smartelijksten kruisdood geleden heeft, om ons menschen, overeenkomstig den wil Gods, zalig te maken. Wat dwaasheid zou het zijn, te denken, dat Christus zooveel heeft willen lijden, om ons alleen volgens het begrip der wereld gelukkig te maken, namelijk

-ocr page 22-

6

door overvloed aan aardsche vreugde en goederen? Heeft Hij dan jj

aan zijne leerlingen de rijkdommen, de eer en de genoegens dezer , wereld beloofd, of integendeel hen uitgenoodigd, met Hem versma-

ding te lijden en liet kruis te dragen? Ja, heeft Hij niet voortdurend, z

tot zijn laatsten levensstond, door woord en voorbeeld geleerd, dat z wij de aardsche goederen en genoegens noch achten, noch beminnen

móeten, wijl zij niet in staat zijn, ons gelukkig te maken? Zeide z

Hij daarom nietquot;: //Wee u, gij rijken, want gij hebt (nu reeds) uwen □

//troost. Wee u, die verzadigd zijt, want gij zult honger hebben. ^ /,Wree u, die thans lacht, want gij zult treuren en weenen!quot; (Lucas

VI, 24, 25). En: //zalig zijn de armen van geest, zalig zijnde treu- 8

//renden\'. Zalig, die honger en doi\'st naar de gerechtigheid hebben;.... d

,/Verheugt u en verblijdt u !quot; Waarom? „Want uw loon is groot in ^

,/den hemelquot; (Matth. V, 3 — 12). Kiet hier op aarde alzoo, maar daar .

boven in ons vaderland, in den hemel zullen wij gelukkig zijn. Zóó 1

leerde Christus de Heer; dit is Gods wil en onze eigenlijke bestem- 8

ming. Uochtans zijn er ook onder de Christenen zoovele, die op ] niets denken, dan om goed te eten en te drinken, die op niets uit

zijn, dan om rijkdommen te verzamelen, die niets anders wenschen, s

dan deze wereld in een aardsch paradijs te veranderen, als bestond 1

er noch hemel noch eeuwigheid. Zijn zulke menschen niet veelmeer ^ heidensch dan christelijk gezind?

Neen, bedenken wij het wel! niet voor aardsch geluk is de mensch geschapen. Aardsche goederen en tijdelijk genot kunnen ons wel eenigen tijd verblinc\'.en, medeslepen, maar nooit eene ware voldoening schenken.

Waarom niet ?

I. Wijl al het aardsche ijdel en vergankelijk is.

Waarlijk gelukkig kan niemand genoemd worden, die door onrust en zorgen, door angst en kommer gekweld wordt, maar slechts degene, wien niets ontbreekt, niets te wenschen overblijft. Hoe nu zou de mensch dit geluk kunnen verwerven door aardsche goederen ? Slechts met groote moeite en zwaren arbeid kan men deze verkrijgen, slechts met kommer en angst ze bezitten, en eindelijk moet men ze weder met bittere smart verlaten. Dit leert ons eene dagelijksche ondervinding. Wat moeite, arbeid en zorg kost het niet, zich tijdelijke goederen te verwerven! Aan hoevele moeielijkheden en ontberingen moet de soldaat zich niet onderwerpen, hoe dikwijls moet hij zelfs bloed en leven wagen, om eéne loffelijke vermelding van zijne dapperheid, een eereteeken, eene officiersplaats te erlangen ! Moet niet menig koopman have en goed, kinderen en echtgenoote, ja zijn eigen leven prijs geven aan de woede der golven, om in een ander werelddeel, onder duizend moeielijkheden en gevaren, schatten te verzamelen ? En hoe dikwijls moet de landman zich niet den bezwaarlijksten arbeid getroosten , hoe vaak het zweet van zyn brandend voorhoofd wisschen, hoe menigmalen vermoeid en afgemat van het veld terugkeeren, om in den

-ocr page 23-

7

herfst zijne schuren te kunnen vullen! Daarbij gebeurt ma. het niet zelden, dat men zich, na zeer veel moeite, in 3nd, zijne hoop bedrogen ziet. Maar al gelukt het ook, aan-clat zienlijke goederen te verwerven , hoeveel angst, onrust en eide zorgen kost het met, om ze te bewaren ! Hoeveel onafwend-■ven bare rampen zijn er niet te duchten: oorlog, hagel, ^g- brand, aardbeving, besmettelijke ziekten, enz,! Hoeveel reu- gevaren dreigen er niet van boosaardige vijanden, van

.... dieven, roovers, bedriegers....., ook van trouwelooze

la-ir vr^enc*en i niet zelden van eigen kinderen, die in losbandig-2,3(5 heid verkwisten , wat de ouders met groote moeite en veel em- arbeid hebben vergaderd ! In geen geval kunnen de tijde-°.P lijke goederen eene waarachtige bevrediging schenken ; want en, geniet men ze matig, dan moet men zich veel ontzeggen , ond waarvan men gaarne gebruik zou maken, en niet zelden met leer tegenzin van sommige zich onthouden; geniet men ze echtef onmatig, naar hartelust, dan volgen walging, berouw, vernieling van gezondheid of huiselijk geluk, somtijds armoede en schande, nu en dan zelfs waanzinnigheid, vertwijfeling ijk en een vroegtijdige dood. Stel u, bij voorbeeld, een dronk-aard voor, die, zijnen hartstocht bot vierende, zijne gezondheid verwoest, zich zeiven en zijn gezin onteert en tot den bedelstaf brengt, die wellicht in een toestand van bedwelming op eene ellendige wijze omkomt; is deze wel gelukje kig te noemen ? En al had de mensch hier op aarde niets anders te duchten, dan den dood en zijne voorboden, ziekten 3ts en smarten, den dood, welken niemand ontkomt, hij zij uk koning of bedelaar, den dood , waarvoor hij geen oogenblik iet zeker is, die plotseling al zijne schatten ontrooft en al n gt; zijne plannen vernietigt, die zonder mededoogen hem al \'et zijne geliefde panden ontrukt, en zijn lichaam in het duistere ns graf stort, ten prooi der wormen , —- zou dit alleen niet en reeds voldoende zijn, om te erkennen, dat de aardsche Q \' goederen den mensch niet gelukkig kunnen maken ? Want bemint hij die goederen niet, dan heeft hij er ook geen genoegen in; bemint hij ze wèl, des te grooter is dan de vrees, ze 111 te verliezen , en zijne smart, waaneer de dood hem inder-daad van alles berooft \').

n-

m --

er

a- Treilend is liet beeld van do ijdellieid der aardsche welvaart,

hetwelk de Kardinaal Joannes van Geissel, Aartsbisscliop van Keulen, in zijnen vastebrlef van het jaar 1859 ons voorstelt: //voor den goddein //looze,quot; zoo schrijft de doorluchtige kerkvorst, „wordt het lichaam j.. //zijne godheid, het vieren zijner vleeschelijke lusten eenig levens-//doel, en, vreemd aan alle hoogere gevoelens, spreekt zijn mond; \'n //laten wij genieten , zoolang wij jong zijn; laat ons eten en drinken,

-ocr page 24-

8

Indien er eene aardsche gelukzaligheid bestond, zou dan Salomon die niet genoten hebben ? Veertig jaren lang heerschte hij in vrede, pracht en overvloed, en genoot van alles naar hartelust. „Ik bouwde paleizen — zoo verhaalt hij van zich zeiven, — „en plantte wijnbergen; ik „leide hoven en lustwaranden aan, verzamelde de schatten „van koningen en landen ; ik bezorgde mi] zangers en zange-„ressen, en alles wat mijne oogen verlangden, ontzegde ik „hun niet, en ik weigerde mijn hart niet, alle vermaken „te genieten en zich te verheugen.quot; „Wie zal zoo feest „houden,quot; roept hij verder uit, „en van genot overstroomen „als ik ?quot; Niettemin vond Salomon in alles , wat hij bezat en genoot, geen waar geluk. „En ik zag in alles gaat hij voort, — „ijdelheid en kwelling des geestes, en „dat niets van duur is onder de zon. Daarom verdroot „mij mijn leven \')quot;. (Pred. II.)

//Wïint morgen zijn wij dood (Wijsh. II, G; I. Cor. XV, 32). Hij waant //zich een paradijs te vormen, quot;de aarde in een hemel te veranderen „vol bloemen en bloesem, vol genot en lust (Wijsh. II, 8). Alle //resultaten van wetenschaji, kunst en handel moeten daartoe mede-/,werken. Maar hoe droevig is die verblindheid, hoe kaal dat paradijs //en hoe arm die ingebeelde hemel. In dat paradijs sluipt de slang //nog rond, die den dood aanbrengt, en in die bloemen leeft de «worm des bederfs. Hoeveel overvloed de menscli, die zijne vleesche-//lijke lusten volgt, ook om zich heen kan spreiden, is hij bij machte „de armoede en het gebrek, waaraan duizenden zijn blootgesteld, de nziekte, zwakte en de toenemende gebrekkelijkheid van den ouden „dag, waaraan een leder onderworpen is, te gebieden, van hem (.verwijderd te blijven en, wanneer zij dreigen te naderen, te ver-//bannen ? Ja, indien het hem gelukte zijn leven door rijkdom en //alle genietingen der wereld te veraangenamen, en de genietingen „met alles, wat wetenschap, kunst en handel voortbrengen, nog te „verhoogen: zou hij dan zich inderdaad gelukkig kunnen prijzen ? „Voorzeker nietl Want dat ééne, zonder hetwelk alle geluk rook //en schaduw is, de macht om zijn geluk duurzaam te maken, blijft //voor hem eeuwig onbereikbaar. Zijn geluk is ijdelheid der ijdel-ïheden, zijne genietingen zijn droeienissen en plagen des geestes //(Pred. II, 11). Hoe ijverig ook de mensch de genoegens najaagt, //bij elk genot staat de dood achter hom en ziet inden vreugdebeker, //in welken hij iederen druppel telt. Zijn ingebeeld paradijs is een //dal van gejammer en tranen, het is het land der vergankelijkheid „en des bederfs. In het midden van dien vermeenden aardschen „hemel, heeft de dood over de genoegens en vermakelijkheden zijnen //troon opgeslagen en roept telken dage den een of den ander uit „dat vreugdgewoel op, totdat allen de zijnen zijn. — Inderdaad, wel //treurig zou het lot wezen van den mensch, indien hij niet tot een //hooger geluk dan tot het zingenot geroepen was.quot;

!) Bekend is het levens-einde van den kalif Hescham, die in het jaar 742 te Ri spha stierf. Hij liet 700 kisten na met goudstukken gevuld, en eei ïoo grooten voorraad van kleedingstukken en prachtige zijden gew \'en, dat er meer dan 600 kamelen noodig waren om ze te vervoeren. Nauwelijks had hij echter stervend zijn oog

-ocr page 25-

9

Al waren ook de aardsche goederen minder ijdel en vergankelijk, dan zij werkelijk zijn, en al was de menseh verzekerd, dat hij eene geheele eeuw naar believen gebruik er van kon maken : het bleef nochtans volkomen waar, dat zij niet in staat zijn , hem waarlijk gelukkig te maken , en wel:

2) Omdat de menseh voor God en voor een eeuwigdurend geluk geschapen is.

gesloten, of zijn paleis werd uitgeplunderd, en er bleef niet eens een bekken over, om het lichaam te wasschen, nocli lijnwaad, om het in te wikkelen. — Eveneens weten wij, hoe de H. Franciscus van Borgia, hertog van Gandia, hij het zien van het lichaam der keizerin Isabella, de ijdelheid der wereld erkende. „Zoo is dan dit,quot; riep hij terstond uit, //die Isabella, die voorheen door hare schoon-,/heid boven anderen uitstak! Waar is nu die hoogheid, welke uit z/hare oogen straalde en een ieder, wien het vergund was, haar te //naderen, betooverde ? Door één woord uit haren mond zouden kort //te voren duizenden zich gelukkig geacht hebben; door allen verslaten , blijft zij nu ten prooi der wormen. O hoe ijdel en vergankelijk z/is alles in dit leven, \'tis alles begoocheling en bedrog!quot;

Kiet minder opmerkenswaardig is de volgende geschiedenis. Kalif Abderrahman UI genoot in den grootsten overvloed alles, waarin de kinderen dezer wereld gewoonlijk hun geluk zoeken. Zijn rijk strekte zich uit over vele landen en volkeren, en zijne veldheeren wisten door talrijke overwinningen de grenzen steeds verder uit te breiden. In het geheele land heerschte rust en welvaart. Abderrahman zelf bezat onmetelijke rijkdommen, welke hij besteedde, om alles rondom zich prachtig in te richten. Behalve vele andere heerlijke gebouwen bracht hij in de nabijheid van zijne residentiestad Cordova, een paleis tot stand, dat al liet overige in grootte en verblindende schoonheid nog verre overtrof. liet voornaamste vertrek van dit reusachtig paleis had eene lengte van bijkans 3000 ellen, en eene breedte van 1500 ellen. Het getal der zuilen, welke tor versiering van het huis waren aangebracht, en met groote kosten en meest alle na veel moeite uit verre landen gehaald waren, bedroeg 4313. Binnen in het paleis schitterde alles van goud en kostbare steenen, waarmede de wenden op \'t allerrijkst waren versierd. Ja zelfs de knoppen der verblindend witte marmeren zuüen waren van het zuiverste goud. Ongestoord genoot Abderrahman heel zijn leven lang al die heerlijkheid; maar zij was niet in staat zijn hart te bevredigen en hem ware rust en blijvend geluk te schenken. Onverpoosd was zijne ziel door eene groote zwaarmoedigheid ter neergedrukt, en in de laatste jaren zijns levens kon niets ter wereld hem eene oogenblikkelijke verstrooiing geven. Bij zijnen dood liet hij een handschrift na van den ^ volgenden inhoud: //meer dan vijftig jaren //heb ik geheerscht; ik had rijkdom, macht, eer, genoegen in over-//vloed, geen aardsch goed ontbrak mij. Indien ik evenwel de dagen //Optel, welke ik in ongestoord geluk heb doorgebracht, dan vind ik //er nauwelijks veertien in mijn geheele leven!quot; — Onder moer-dan 18000 dagen waren er derhalve ter nauwernood 14, welke hij gelukkig en vrij van droefenis kon noemen. Zoo weinig is alles, wat de wereld haren kinderen kan aanbieden, in staat, zelfs voor een korten tijd eene vermeende zaligheid te schenken (Damberger\'s Synchr. Geschichte, deel IV, bladz. 923).

-ocr page 26-

10

d) De mensch is voor God geschapen, want liij is voor de zaligheid geschapen, en wel voor de gelukzaligheid in God. Wie zou daaraan in ernst durven twijfelen ? God. zou Zich zeiven moeten verloochenen, wanneer Hij den mensch voor eene andere zaligheid bestemd had ; Hij zou dan aan het schepsel moeten zeggen: „zoek niet in Mij , „het hoogste goed , uw geluk, maar zoek het buiten Mij , „in een wezen, dat beter is dan Ik: daar zult gij het „vinden.quot; Den Allerhoogste eene dergelijke taal in den mond te leggen, zou zeker de grootste ongerijmdheid en tevens eene ontzettende godslastering zijn.

Indien nu ons hart voor God, derhalve voor een oneindig goed, geschapen is, wordt het voor ieder duidelijk, dat de vergankelijke goederen dezer wereld, veel te gering zijn, om ons te bevredigen Al bezaten wij ook al de goederen der aarcle , ons verstand zou niet tevreden zijn , maar nog altijd behoefte gevoelen , om de oneindige Waarheid te kennen, en in ons hart zou het brandende verlangen blijven, om het oneindig goed, waarvoor wij geschapen zijn , te beminnen. Beschouw den visch , hoe lustig en vroolijk hij in het water rondzwemt. Neem hem er uit, leg hem op het frissche gras en geef hem spijs in overvloed. Bevindt hij zich wèl daarbij ? Hoe spartelt, slingert en kromt hij zich, tot hij het water weder bereikt heeft! Waarom ? Wijl het water zijn element , en de visch geschapen is om in het water, gelijk de vogel om in de lucht, televen. Uw element, o mensch! het eenige, waarin gij tevreden kunt leven, is God; voor Hem zijt gij geschapen. Hoe kunt gij dan hopen, dat het nietige goed dezer aarde uw hart zal verzadigen ? Nooit zal het dit vermogen ; te groot, te edel is uwe ziel. Zij is het evenbeeld Gods, ja een afdruk der Godheid. Daarom kan zij door niets voldaan, door niets bevredigd worden , wat niet even groot, even oneindig als God is. „Yoor U, o God, „hebt gij ons geschapen , en ons hart is onrustig, totdat „het rust vindt in ü !quot; Zoo spreekt de heilige Kerkleeraar Augustinus, en zoo spreekt ieder mensch, die op de geheime neigingen van zijn hart acht slaat.

Vanwaar komt het, dat zoovele menschen ontevreden leven, en. schoon alle pracht en praal hen in overvloed omgeeft, toch niet genoeg hebben . maar door heb- en eerzucht als door een brandenden dorst voordurend geplaagd worden? De eenige reden is, wijl zij hunne bevrediging niet in God zoeken, maar in dingen, welke niet bij machte zijn, het hart te verzadigen, üe beroemde wereldveroveraar Alexander de Groote was zegevierend ./tot aan het einde der ,wereld voortgedrongen, had landen , volkeren en koningen aan zich onderworpenquot; (1. Mach. I, 3, 5). Toen hij eindelijk aan den oever

-ocr page 27-

11

der wereldzee was aangekomen en niet verder door kon gaan, weende hij en klaagde, dat de wereld al te klein was, en hem niets meer te veroveren bleef. Zóó waar is het, dat de menscli in aardsclie goederen, al bezit hij ook de gansclie wereld, nimmer rust en bevrediging vindt. Hoe zou een steen kunnen rusten, terwijl hij in de lucht zweeft, ver van zijn aantrekkingspunt? Ons doel en middelpunt is God. Alleen bij God is er derhalve rust, ware troost en hartevreugd; daar alleen is zalig genot te vinden. Wanneer de kinderen dezer wereld somwijlen van hunne gelukkige uren of dagen spreken, bedriegen zij zich zeiven en anderen; zij weten niet eens wat reine ziele-blijdscha;} is, wijl zij den goddelijken troost, het zoet genot der kinderen Gods nooit gesmaakt hebben; zij vonden een schijn genoegen in hunne bedwelmende vermaken, omdat zij het geluk der deugd niet hadden ondervonden. Zoo vermaakt de wilde zich met den doffen, eentoonigen klank van zijne trommel, omdat hij niet het minste begrip heeft van de verrukkende harmonie eener liefelijke muziek \').

è) De mensch is verder voor eene eeuwigdurende zaligheid geschapen. Dat is eene onomstooteliike waarheid--des geloofs. „Uw laatste doel is het eeuv/ige levenquot; (Rom. VI, 22). Maar ook het gezond verstand is in staat, deze waarheid te leeren. De mensch, Gods evenbeeld, is toch zeker onvergelijkelijk beter dan de nietige aardworm, die door den voet des voorbijgangers wordt vertreden. Voor hem is met den dood niet alles voorbij ; zijn lichaam rust in het graf, maar zijne ziel leeft en zal eeuwig leven. Daar zij nu bestemd is, om gelukkig te leven, zoo volgt, dat zij ook geschapen is voor een eeuwig geluk, immers indien aan haar geluk eenmaal een einde moest komen, zou zij , na verloop van dien tijd , voortleven zonder gelukkig te zijn , en aldus door God geschapen zijn om te lijden, wat niet te denken is, want onder een algoeden God is geen mecsch zonder zijn eigen schuld ongelukkig. Ja, als het geluk van den mensch niet eeuwig was, zou het slechts bedrog en geen waar geluk wezen, wijl er geene ongestoorde rust en bevrediging kan bestaan , waaide vrees voor eene aanstaande vernietiging van alle vreugde

\') Hoe meer de mensch zich aan zijne zinnelijke lusten overgeeft, des te ongevoeliger wordt hij voor het genot van reine, onschuldige vreugde. Honderd duizenden moesten zich leenen, om den keizers van het heidensche Kome eenige genoegelijke uren te verschaffen. En waarin bestond hun grootste vermaak ? In schandelijke eet- en drinkpartijen, waarbij men, meer dan eenig redeloos dieralle maten te buiten ging, of in bloedige schouwspelen, waarbij het oog zich verlustigde in de ontvleeschte lichamen der verslagenen of in de nog stuiptrekkende ledematen der stervenden. Om dien onmenschen genoegen te geven, werden er duizenden door wilde dieren verscheurd ol door het zwaard der gladiatoren verslagen.

-ocr page 28-

12

den geest voortdurend moet kwellen. — Is derhalve de mensch voor een eeuwigdurend geluk bestemd, dan zien wij andermaal duidelijk, dat hij niet voor de goederen en rijkdommen dezer wereld is geschapen. Wat toch baten hem na den dood alle schatten, welke hij vergaderd heeft ? «Als eene grasbloem zal de rijke vergaan. Zie! „de zon gaat op en schiet stralen; het gras verdort, de „bloem valt af, en de schoonheid barer gestalte is voorbij. „Zoo zal ook de rijke op zijne wegen verouderenquot; (Jac. I, 10, 11).

Dewijl de aardsche goederen aan den menscli liet geluk, hetwelk hij verlangt, niet geven kunnen , hebben zij, op zich zelve beschouwd, ook geene wezenlijke waarde. Velen meenen wel, dat do ware levenswijsheid bestaat in de kunst om zich zulke goederen te verwerven, en zoo goed mogelijk er van te genieten. Hoezeer bedriegen /.ij zich! Waarlijk wijs zijn diegenen die de ijdelheid der wereld versmaden, om zich het bezit van het hemelrijk te verzekeren. Zulke wijzen vereert de Kerk in de roemrijke scharen der Heiligen Gods, in de heilige kluizenaars Paulus, Antonius, Pachomius en vele duizenden, die voorheen de woestenijen van Egj\'pte en Syrië bevolkten. Om die wijsheid loven wij ook de heilige kloosterlingen Benedictus, Bruno, Roraualdus, Bernardus, Franciscus van Assisi en vele andere, die ontelbare kloosters hebben gesticht, om voor honderd duizenden het verwerven der hemelsehe goederen te verlichten of te verzekeren.

Zeer opmerkenswaardig is de trek, welken ons de geschiedenis van den heiligen Bernardus en zijn jongsten broeder Kivardus mededeelt. Bernardus was in den bloei zijner jaren, een schoon, talentvol jongeling van voorname familie. De wereld bood hem rijkdom, roem en de schitterendste cereposten aan. ;/Maar hoe langquot;, vroeg hij zich zeiven af, //hoe lang zal dat alles duren? Het leven is kort, //de wereld vergaat. Het grootste goed is voorzeker datgene, hetwelk //men u niet kan ontrooven. En welk goed is dat wel ? Een goed, «waarbij alle heerlijkheid der wereld eene nietigheid is. Geen oog //heeft het gezien, geen oor heeft het gehoord, en het is in geen //menschelijk hart opgekomen, wat God bereid heeft voor die Hem //liefhebbenquot;. — Een hemelsch verlangen grijpt hem aan, en hij neemt het grootmoedig besluit, zich geheel aan den dienst des Heeren toe te wijden. Hij deelt zijn voornemen aan zijne broeders en vrienden mede, ontvlamt hen door de liefde voor het hemelsehe, en dertig edellieden, jonge ridders, oude krijgslieden, geleerden en ongeleerden doen afstand van de genoegens der wereld, van hun beroemden naam, van alle goederen der aarde, om in eene bijna ongenaakbare woestijn, Citeaux genaamd, hun leven in vasten, waken, in het gebed en de overweging der eeuwige waarheden door te brengen. Op een vooraf bepaalden dag van het jaar 1113 begaven zij zich op weg; Bernardus aan de spits. Vier zijner broeders hadden zich bij hem aangesloten. Bij het verlaten van het vaderlijk slot bemerkten zij hun jongsten broeder, die alleen bij den grijzen vader achter bleef, eii met andere kinderen van zijnen leefüjd speelde. Toen sprak Guido, de oudste, terwijl hij hem omarmde: //Lieve broeder //Nivard, vaarwel; ziet gij dat schoone kasteel en die landerijen? //Dat alles zal eens u alleen toebehoorenquot;. — //Wat!quot; antwoordde het kind met een gevoel, dat niets kinderlijks meer verried, — «wat, gij neemt voor u den hemel, en laat mij de aarde ? Dat is //geen gelijke deeling!quot; — Sinds dat oogenblik kon de jonge Nivard

-ocr page 29-

13

noch door zijn vader, noch door zijne bloedverwanten, nocli door iemand anders terug gehouden worden. Hij trok met zijne broeders naar de eenzaamheid. Barnardus werd later een groot sieraad der Kerk. De faam zijner heiligheid verspreidde zich door heel de wereld; duizenden, en zelfs zijn vader, kwamen, om onder zijne geestelijke leiding aan de homelsche goederen deelachtig te worden en zalig\' te sterven.

Indien de aardsche goederen ons niet gelukkig kunnen maken, loaarloe zijn zij om dan gegeven ?

Zij zijn ons geschonken, opdat wij ze ter verheerlijking van God en ter bereiking van ons laatste doel zouden gebruiken. Daar wij voor God geschapen zijn, en al onze handelingen op Hem , als ons laatste doel, gericht moeten wezen, wordt het van zelf duidelijk, dat wij ook geen ander gebruik van de ons verleende goederen mogen maken, dan ter bereiking van het genoemde doel. Een dienaar mag het geld, hem door zijnen heer gegeven, om volgens diens bevel eene reis te ondernemen , niet onnut verspillen, maar moet het gebruiken tot het doel, waartoe het hem geschonken is. Zoo ook is alles, wat God ons hier beneden verleend heeft, zoo zijn alle natuurlijke en bovennatuurlijke gaven, een reisgeld ons toevertrouwd voor onzen pelgrimstocht naar het hemelsche vaderland. Wij maken er echter slechts dan een goed gebruik van, als wij er partij van trekken, om God te kennen , Hem te beminnen en te dienen; want alleen op die wijze kunnen wij eenmaal het rijk der hemelen binnengaan.

„Dwaas zijn alle menschen, zegt de heilige Schrift (Wijsh. „XIII, 1), die geene kennis van God hebben, die uit de „voortreffelijkheid der zichtbare dingen niet geraken tot de „kennis van Hem, die alleen is, noch den kunstenaar erkennen, door zijne werken gade te slaan.quot; De zichtbare goederen, welke God zoo mild over de aarde heeft uitgestort, moeten derhalve vooral dienen, om ons zijne wonderbare almacht, wijsheid, schoonheid en goedheid te openbaren, en door die kennis ons tot liefde te nopen. De geheole wereld moet voor ons een open boek zijn, waaruit wij God en zijne volmaaktheden steeds meer en beter leeren kennen. Al het geschapene moet ons luide toespreken en ons opwekken, God te prijzen en te beminnen. Op die wijze pleegden de Heiligen Gods de wereld en hare pracht zich ten nutte te maken. Wat zich aan hun oog vertoonde, het licht der zon, de nachtelijke hemel, het ruischen dei-beken , de bloeiende velden , de tenhemelstijgende bergen, alles verkondigde hun de grootheid van den onzichtbaren

-ocr page 30-

14

Schepper, overal ontwaarden zij eene nieuwe reden, om Hem hunne liefde en dankbaarheid te bewijzen.

„Ziequot;, spreekt de H. Augustinus (Belijdenissen, Boek I. Hoofdst. 8) tot G-od, „al het geschapene maant mij dringend „aan, II te beminnen, en houdt niet op, hot mij toe te roepen\'\'. Van een vromen dienaar Gods wordt verhaald, dat hij, eenzaam langs velden en weiden wandelende, met zijnen stok op de bloemen en kruiden sloeg, welke aan den weg stonden, en vroolijk lachende uitriep: „Zwijgt, „zwijgt, lieve bloempjes! ik weet al wat gij zeggen wilt; „niet waar, ik moet God lief hebben , die u geschapen en „zoo schoon gekleed heeft ?quot;

Wel zijn er vele dingen bestemd, om op de eerste plaats onze tijdelijke welvaart te bevorderen, namelijk onze gezondheid te bewaren, ons leven te veraangenamen, ons de noodige uitspanning te geven, een behoorlijk vermaak te verschaffen. Te dien einde mogen en moeten wij ze dan ook gebruiken, maar toch niet daarin ons laatste doel stellen, als bleef ons niets beters te verkrijgen. Ons laatste doel moet altijd de dienst en de verheerlijking Gods en de zaligheid onzer zielen zijn. Tot dat doel moeten wij leven, gezondheid, krachten, uitspanning en alle goede gaven besteden, wijl wij tot dit en geen ander doel geschapen zijn Daarom vermaant de H. Apostel Paulus (I. Cor. X, 31); „\'t Zij gij eet of drinkt, of iets anders doet, doet alles ter „eere Gods.\'\' Een dapper veldheer stelt zich niet tevreden, met eene vesting, welke hij wil innemen, te beschieten en te bestormen; hij neemt nog vele andere maatregelen, die, hoewel uit de verte, toch niet weinig er toe bijdragen^ om het eene doel, dat hij voor oogen heeft, de inneming der vesting, te bereiken. Zoo zal ook degene, die boven alles verlangt den hemel, de stad Gods, te veroveren, niet slechts die middelen aanwenden, welke uit hunnen aard en hoofdzakelijk daartoe dienen, maar ook die, welke hem ter bereiking van dat ééne hoogste doel, op meer verwijderde wijze van dienst kunnen zijn; ja, hij zal geheel zijn leven , al zijne handelingen aan dit ééne noodzakelijke toewijden l).

\') De H. Apostel Joannes, door zwarsn arbeid vermoeid , gunde zich eens het onschuldig vermaak, zich met een vogeltje bezig te houden en het te streelen. Een jager, die voorbij gaande dit zag, ergerde zich daaraan wijl hij meende, dat zulks geene bezigheid was voor een man als Joannes. De Heilige vroeg hem nu, waarom de boog, welken hij in zijne hand hield, niet gespannen was. liet antwoord des jagers luidde: //om hem niet slap en ongeschikt tot

-ocr page 31-

15

Ora nu de aardsche goederen dienstbaar te maken aan den dienst van God en de bewerking onzer eeuwige zaligheid, mogen wij ze nooit anders dan met eene goede bedoeling en overeenkomstig den goddeliiken wil, nooit onmatig of ter bevrediging van lage driften gebruiken, wijl zij dan niet tot ons heil, maar veel meer tot ons eeuwig ongeluk verstrekken zouden. De beste artsenij werkt schadelijk, als zij niet naar behooren gebruikt wordt. Het mes, waarmeê de verstandige huisvrouw voor zich en anderen brood snijdt, wordt voor krankzinnigen een werktuig des doods. Het mes in zich is goed; het komt er alleen op aan, of men ook een goed gebruik er van maakt. Had de rijke vrek de hongerigen gespijzigd, de naakten gekleed, dan zou de rijkdom, die hem tot zwelgen verleidde en in den eeuwigen afgrond stortte, hem de schitterende kroon des hemels verworven hebben. Door een slecht gebruik, worden de gaven der goddelijke goedheid oorzaken van eeuwig ongeluk.

Dewijl het echter moeielijk is, groote rijkdommen te bezitten, en evenwei het hart er niet onbehoorlijk aan te hechten, gelijk ook Christus getuigt met de woorden „dat gemakkelijker een kameel door //het oog cener naald gaat, dan een rijke in het hemelrijkquot; (Matth. XIX, 24). daarom hebben, sinds de vroegste tijden, ontelbare dienaren Gods, overeenkomstig den raad van Christus, alles wat zij bezaten onder de armen verdeeld, om alleen voor het hemelscho te leven. Dit deden zij om het gevaar te ontkomen van den hemel te verliezen door hunne tijdelijke goederen. En in dien zin zeiden wij vroeger, dat het hooge wijsheid is, met versmading der wereld, het rijk Gods te zoeken.

Ter verdere verklaring der eerste vraag van den Ka-techismus behoort ook nog het volgende:

Waarom vordert God van ons, dat wij Hem kennen, bentinnen en dienen ?

God vordert van ons, dat wij 1) Hem kennen, wijl Hij de eeuwige Waarheid, 2) Hem liefhebben, wijl Hij de oneindige Schoonheid en het beste, beminnenswaardigste Goed, 3) Hem dienen, wijl Hij onze Schepper en dus ons aller Opperheer is.

//Schieten te maken.quot; „Welnu,quot; hernam Joannes, „gun ook rnij dan „dit vermaak, opdat mijn geest door voortdurende inspanning niet „eindelijk slap en onbekwaam worde, om het werk te verrichten, „dat de dienst des lleeren van mij vordert.quot; Zoo maakte de Heilige zelfs van het vermaak, dat het vogeltje hem verschafte, een nuttig gebruik ter bereiking van zijn laatste doel.

-ocr page 32-

16

God, als de hoogste Waarheid, heeft recht te eischen, dat wij Hem kennen. Om de waarheid te kennen, is de mensch met verstand begaal\'d; geene waarheid verdient echter meer gekend te worden, dan de eerste, hoogste, en eeuwige Waarheid, tot welke elke andere waarheid in dezelfde verhouding staat als een druppel water tot de onmetelijke wereldzee, en die eerste, hoogste, eeuwige Waarheid is God.

Als het hoogste, volmaakste Goed heeft God het recht, dat wij Hem beminnen. liet booze toch verdient gehaat te worden, het goede is liefde waardig; daaruit volgt noodzakelijk, dat God, die het hoogste Goed, ja, de bron en inhoud van alle goed is , zoowel door ons, als door alle harten, die in staat zijn Hem te beminnen, boven alles verdient bemind te worden. Eveneens komt aan God, als den hoogsten, onbeperkten Heer, die alles geschapen heeft, behoudt en regeert, onbetwistbaar het recht toe, trouwen en gewilligen dienst te eischen; alle schepselen moeten zich aan Hem onderwerpen, Ilem gehoorzamen en zijn heiligen wil in alles volbrengen. Daar nu dit alles onloochenbaar aan den allerhoogsten God toekomt, moet Hij ook om zijne volkomene heiligheid en rechtvaardigheid, het noodzakelijk van ons vorderen. Immers daarin juist, dat aan ieder gegeven wordt, wat hem toekomt, bestaat de rechtvaardigheid. God zou alzoo niet rechtvaardig jegens Zich zeiven zijn, wanneer Hij niet van ons allen de kennis, dequot;liefde en den dienst vorderde, welke Hem, als de eeuwige Waarheid het volmaakste Goed en den Opperheer van allen toekomt. Was God niet rechtvaardig, Hij zou ook niet heilig zijn; want de heiligheid Gods bestaat daarin, dat Hij bemint en wil, wat met zijnequot; volmaaktheden overeenkomt. — Even dwaas als ongelukkig is derhalve de mensch, die in zijn zondig leven zich tracht gerust te stellen met de gedachte, dat God hem niet bestraffen zal voor de inwilliging zijner lusten en het gestadig verzuim van den dienst des Heerenquot; omdat de Allerhoogste onzen dienst niet noodig heeft, en het Hem derhalve geheel onverschillig is, of men Hem dient of niet. \'tGaat God, wel is waar, niet gelijk een heer dezer wereld, die, om gelukkig te zijn, den dienst zijner knechten niet ontberen kan. Hij is in Zich zeiven oneindig zalig, en heeft de kennis, do liefde of den dienst zijner schepselen volstrekt niet noodig. Doch niet wijl Hij ons noodig heeft, maar omdat Hij rechtvaardig en heilig is, eischt Hij van ons , dat wij Hem erkennen, Hem beminnen , Hem dienen , en bestraft Hij ons, wanneer wij weigeren dit te doen. God kan er onmogelijk onverschillig voor zijn, of wij Hem dienen of niet, want dan moest Hij Zich zeiven verloochenen, onverschillig omtrent goed en kwaad zi\'jn, derhalve ophouden, rechtvaardig en heilig te zijn. Zoo onbetwijfelbaar waar het is, dat God oneindig heilig is en rechtvaardig\', even zeker hebben wij ook de straffen te wachten, waarmede Hij ons hedreigt, als wij Hem de liefde en den dienst weigeren, welke Hij van ons eischt.

Hoe zal het dan gaan met degenen, die God niet willen hennen, niet leminnen, en niet dienen?

God zal hen voor eeuwig van Zich afstooten in den duisteren afgrond der verdoemenis, in de hel. „Werpt den „onnutten knecht in de uiterste duisternis, waar geween „en geknars der tanden zijn zal,quot; zoo zal eens de goddelijke Rechter spreken, gelijk Christus zelf, de onbedriegelijke Waarheid, getuigt.

-ocr page 33-

17

Ja, eeuwig zullen de ongelukldgen in de hel weenen en weeklagen, wijl zij door eigen schuld het heerlijke rijk des hemels, waartoe zij geroepen waren, verloren en zich in het onuitbluschbaar vuur gestort hebben. Alleen aan zich zeiven hebben zij dan hunne verdoemenis toe te schrijven; want het lag enkel en geheel aan hen, overeenkomstig de roepstem van God te handelen, met zijne genade het kwaad te vermijden en het goede te beoetenen. Wat moest God meer doen, dan Hij gedaan heeft? Voor den hemel heeft Hij den mensch geschapen en, teneinde hem op te wekken , onophoudelijk naar dat geluk te streven, heeft Hij hem een nooit te stillen dorst naar de zaligheid in het hart gelegd.

Om den mensch gelukkig te maken, heeft Hij zijn eenigen Zoon in de wereld gezonden, die ons van den eeuwigen dood verlost,voor ons de zaligmakende Kerk gesticht, en zijne leer, zijn voorbeeld en tallooze genademiddelen heeft nagelaten. En opdat de mensch niet lichtzinnig dat hemelsch geluk zou verspelen, bedreigt Hij hem met de eindelooze straffen der hel, en laat hem geen uitweg tusschen eeuwige pijn en eeuwige vreugde. Waar de liefde niet voldoende is, moet voor het minst de vrees voor dat vreeselijke lijden ons aansporen, het hemelrijk te veroveren. Denken wij niet, zegt de heilige Kerkleeraar Chrysostomus (llom. 15 over I Timoth.), dat God te streng is, als Hij ons met het vuur der hel bedreigt; dit is integendeel een bewijs zijner goedheid en barmhartigheid, zijner zorg en liefde voor ons. Indien er geene hel bestond , zou bijkans niemand zijne krachten inspannen, om den hemel te winnen. En is liet niet billijk, dat er eene hel bestaat voor dengene, die tegen üed durft opstaan en Hem de verschuldigde gehoorzaamheid weigert? Daardoor scheidt hij zich immers noodzakelijk van God, het hoogste Goed; en juist in die scheiding ligt de kiem der eindelooze vertwijfeling en ontroostbaarheid, welke het lijden der verdoemden tot eene eigenlijke hel maakt.

Dewijl bij het einde van de aardsche loopbaan der men-scben slechts twee deuren geopend zijn, de eene tot de eeuwige zaligheid, de andere tot de eeuwige pijnen, en daar het alleen mogelijk is door kennis, liefde en dienst van God de eerste binnen te gaan , zal wel niemand het wagen, nog te vragen, wat hem te doen staat. Is het niet duidelijk, dat hier beaeden niets zoo noodzakelijk is, als God te kennen, Hem te beminnen, Hem te dienen, en daardoor de eeuwige zaligheid te erlangen? In vergelijking met deze aangelegenheid is elke andere een ijdel kinderspel. „Eed uwe ziel,quot; spraken de Engelen tot Loth (I. Mos. XIX). Datzelfde moge ook ons gezegd zijn, „want wat baat het „den mensch, zoo hij al de geheele wereld wint, en schade „lijdt aan zijne ziel?quot; (ITatth. XVI, 1G). Is de wereld met al hare schatten in staat, den mensch gelukkig te maken ? Evenmin als goud en edelsteenen in staat zijn den hongerige te spijzigen of den dorstige te laven. Al konden echter de rijkdommen dezer wereld ons eene ware bevrediging schenken, wat zoude het nog baten ? Hoe lang zou het duren? „Wat is ons leven? Een damp, die een „oogenblik zichtbaar is, en daarna verdwijnt\'\'(Jac. IV, 15).

DEHAKBE, GELOOifSLEEK. I. Sde DllUK. 2

-ocr page 34-

18

Wat baten thans den rampzaligen Judas zijne dertig zilverlingen ? Wat baat het thans den rijken vrek, dat hij eens in quot;het purper gekleed ging, en aan kostbare spijzen zich te goed deed ? Wat baat het den verdoemden in de hel, dat zij vroeger kwaad deden , om schatten op te hoopen en hunne lusten bot te vieren? „Ach, wij dwazen!quot; roepen zij nu, volgens het getuigenis der H. Schrift, in vertwijfeling uit: „hoezeer hebben wij ons vergist! Wij dwaalden „af op de paden der ongerechtigheid en des verderfs, en quot;doorwandelden ongebaande wildernissen, maar den weg \'\'des Heeren kenden wij niet. Wat heeft onze vermetele Jioovaardij ons gebaat? Wat nut de rijkdom ons.gedaan, quot;waarop wij zoo trotsch ons verhieven 7 Dat alles is verdwenen ais eene schaduw of als een vogel, die door de quot;lucht vliegt en geen spoor achter zich laatquot; (Wijsh. V,

g_I]), Wilt ook gij niet eenmaal in dien duisteren kerker,

:r

waar eeuwig geween en geknars der tanden gehoord wordt, uwe dwaasheid beweenen, „zoek dan voor alles het rijk ,.Gods en zijne gerechtigheidgelijk Jesus Christus ons leert. Bemin God, vlucht de zonde en allen, die u tot het kwaad willen verleiden. Geef uw hart niet over aan de ij delheid.. . Benijd den rijke niet.. Bid niet, dat God u vele rijkdommen, maar dat Hij u zijne genade, zijne liefde, zijnen hemel schenke. Vergeet nimmer, dat slechts één ding noodzakelijk is; — „Red uwe ziel.quot; — „Wat baat het den mensch de geheele wereld te winnen, als quot;hij schade lijdt aan zijne ziel?quot; Denk alle dagen^, als gij opstaat en u ter ruste \'begeeft, aan deze waarheid \').

li

n Thomas Morus, geboren te Londen in het jaar 1480, schitterde als Krootkanselier van Engeland op den hoogsten trap van aanzien en eer, toen hii plotseling in de diepste ongenafl.e van Hendrik N iU viel, en eindelijk ten dood veroordeeld werd, wijl hy weigerde zijne eoedkeuring te schenken aan \'s konings onchristelijke echtscheiding-In afval vin de Kerk. Bedreigingen noch beloften waren m staat, ziine standvastigheid aan het wankelen te brengen. Ten laatste trad zilne ffemalin met hare schreiende kinderen den kerker in, wierp zich aan ziine voeten, biddend en smeekend, dat hij toch den koning eenoequot;-en zon geven en zijn leven zou redden, „/mo menig jaar, sprakquot;zii, „zouden wij nog gelukkig mot elkaar kunnen leven; «aarom //wilt eii dan in den bloei uws levens u, ja, nwe geheele lamme in „het uiterste ongeluk storten ? — „Koevele jaren,quot; vroeg 1 homas, „zou ik nog kunnen leven?quot; — „Wel twintig jaren, was het antwoord. „O dwaze ruil!quot; riep nu de christelijke kanselier uit, „voor „twintig onzekere levensjaren op de aarde zou ik hot eeuwige leven „in den hemel opgever.quot;en mij tot de eeuwige pijnen veroordeelen . „Liever wil ik alles verliezen dan mijne zaligheid; want wat baat het //den mensch, als hij de geheele wereld wint, doch schade lijdt aan „ziine ziel\'quot; Na dertien maanden in de gevangenis veel verduurd te hebben\', besteeg Thomas Morus het schavot en legde zijn hoofd onder

-ocr page 35-

19

Wat moeten wij doen, om God te hennen, Hem. te dienen en zalig te worden ?

Wij moeten 1) alles gelooven, wat God geopenbaard,

2) alle geboden onderhouden, welke God ons gegeven,

3) de genademiddelen gebruiken, welke God tot ons heil ingesteld heeft. — De reden hiervan is gemakkelijk te begriipen. Wij moeten 1° gelooven; eerst dan toch krijgen wij een juist denkbeeld van God, wanneer wij gelooven, wat Hi] ons van Zich zeiven geopenbaard heeft. Wat het natuurlijk verstand ons van God zegt, is al te weinig en niet voldoende, om God zóó te kennen, als tot ons eeuwig geluk noodzakelijk is. 2,, Wij moeten ook Gods geboden onderhouden, wijl juist daarin de dienst bestaat, welken wij aan God, als onzen Opperheer, verschuldigd zijn. Alle-

de bijl van den boni, om de kroon der onsterfelijkheid te verwerven. Wat zou liet hem thans baten, indien hij, met gevaar van den hemel te derven, zijn leven op aarde eenige jaren verlengd had?

Uit een oud adelijk geslacht geboren en met gelukkige geestesgaven toegerust, was de jonge Korbertus er uitsluitend op bedacht, in allerlei wereldsche genoegens en vermakelijkheden, van het leven te genieten. Op zekeren dag reed hij , door een bediende vergezeld, naar een dorp in Westphalen , om aan een partijtje deel te nemen. Plotseling ontstond er een zwaar onweer; hevig verschrikt gaf Korbert zijn paard de sporen, om een onderkomen te zoeken. In hetzelfde oogenbiik verdubbelden echter de donderslagen, en met een vreese-lijk gekraak sloeg een bliksemstraal juist voor het paard in den grond. Het paard steigerde, wierp zijn ruiter af, en Slorbertus lag bijna een geheel uur als levenloos ter aarde. Toen hij eindelijk weder tot zich zelven kwam, riep hij met den Apostel Paulns uit : „Heer, „wat wilt gij, dat ik doen zal?\' „Vermijd het kwade eu doe het „goede,quot; antwoordde eene stem in zijn binnenste. Norbertus verzuimde niet te gehoorzamen. Hij had ingezien, hoe bedriegelijk de vermaken der wereld zijn. „Wat zou er van u geworden zijn,quot; sprak hij bij zich zelven, „als de bliksem u getroffen had ? Er ont-.,brak maar weinig aan en gij waart eene prooi der hel geweest.quot; Nadat hij zijn kostbaar kleed had afgelegd, hulde hij zich in een schaapsvel eu omgordde zijne lenden met een koord. Aldus gekleed predikte hij, na de H. Priesterwijding ontvangen te hebben, boetvaardigheid, en schilderde met de levendigste kleuren de nietigheid der aardsche goederen en genoegens. Later stichtte hij de orde der Premonstratensers en stierf als Aartsbisschop van Maagdeburg in het jaar 1134. Welk een geluk voor Norbertus, dat hij der stemme Gods gehoor gaf en verzaakte uan de ijdelheid der wereld. Indien hij was voortgegaan met de wereld, in plaats van God, te dienen, hij zou thans cn eeuwig weeklagen; „Ach wij dwaaen! „hoe deerlijk hebben wij gedwaald!quot; enz. Nu verheugt hij zich echter en eeuwig zal hij zich verblijden in de heerlijkheid des hemels. Wij mogen hieraan geenszins twijfelen, daar de Kerk hem alom als een Heilige vereert, en zijne heiligheid door ontelbare wonderen is kenbaar gemaakt.

-ocr page 36-

20

schepselen, ook de rede- en levenlooze, dienen God, door in alles en altijd Gods wil te volbrengen. Op zijn gebod verlicht de zon, schitteren de sterren, brengt de aarde kruiden en boomen voort. Hetgeen de redelooze en levenlooze schepselen onbewust en noodzakelijk verrichten, dat moet de mensch met vrijen wil doen. Hoe kan de mensch echter beweren , dat hij Gods wil doet, als hij diens geboden niet onderhoudt 7 God geeft ons voorzeker zijne geboden, wijl Hij wil, dat wij die zullen naleven. Eindelijk moeten wij 3° ook de genademiddelen gebruiken , welke God tot ons heil heeft ingesteld. Zonder de goddelijke genade toch, zijn wij niet in staat te gelooven en de geboden te onderhouden, zooals God dit van ons vordert. God wil ons zijne genade immer schenken, maar onder voorwaarde, dat wij de middelen niet versmaden, welke Hij tot het verkrijgen dier genade heeft ingesteld. Deze middelen zijn voornamelijk de heilige Sacramenten en het gebed. Daarmede is echter niet gezegd, dat wij volstrekt geei;e genade erlangen zonder van die genademiddelen gebruik te. maken; want ongetwijfeld is het reeds noodzakelijk , dat de genade ons voorkome of ons opwekke, om die middelen tot ons heil te willen gebruiken. Maar ofschoon de mensch, zonder de genademiddelen te gebruiken, eenige genade erlangt, toch verkrijgt hij zonder deze niet alle genade, welke hem ter zaligheid dienstig is. Terecht zegt de heilige Augastinus, dat God, die ons geschapen heeft zonder ons, ons niet wil zalig maken zonder ons, d. i. zonder onze medewerking.

Uit het gezegde blijkt nu ook de noodzakelijkheid van den godsdienst (religie); want godsdienst is de band, die ons menschen met God verbindt. Niet elke vereeniging met God is echter godsdienst. De redelooze schepselen immers staan ook in een noodzakelijk verband met God, in zooverre zij namelijk door Hem geschapen zijnde, ook noodzakelijk van Hem afhangen, en van Hem gescheiden onmogelijk kunnen bestaan; niettemin is de godsdienst alleen onder redelijke wezens denkbaar. Godsdienst is alzoo : die levendige vereeniging van den mensch met God, welke uit het geloof, de liefde en de genade voortkomt, en in de getrouwe naleving der goddelijke geboden voortbestaat, d. i. godsdienst, wolken wij moeten hebben, is eene werkdadige, uit vrije keuze voortkomende en door de liefde bezielde vereeniging met God. Want de liefde is het eigenlijk, die den mensch met God vereenigt; daarom zegt de H. Schrift (1. Joan. IV, 16); «wie in de liefde blijft, blijft in God en God in hom.quot; Uie liefde moet echter in het geloof zich wortelen, uit de genade ontspruiten en wasdom ontvangen; zij moet zich door de nauwkeurige vervulling der goddelijke geboden oprecht, getrouw en standvastig toonen. Tot godsdienst behooren derhalve geloof, liefde, onderhouding der geboden, verder de genade, en ook het gebruik dei-genademiddelen. De Katechismus leerende, dat wij om zalig te worden aan God gelooven. Hem beminnen, zijne geboden onder-

-ocr page 37-

21

\'

)!• houden en de door Hem ingestelde genademiddelen gebruiken moeten, ^ geeft daardoor te kermen, dat wij, om de eeuwige zaligheid te erlangen , godsdienst moeten hebben. Hoe dwaas is dus niet de mensch, •3 die hoopt zonder godsdienst In den hemel te komen! Uegrijpi zoo i- iemand wel wat godsdienst is ? Zeker niet.

,t

Waarover handelt alzoo het godsdienstig onderricht ?

e

ij Het handelt in drie hoofdstukken :

e 1) Over het geloof,

e 2) Over de geloden,

. 3) Over de genademiddelen, namelijk over de heilige Sa-

; cramenten en het gebed.

r

3 TOEPASSING.

t

t Gii zult nu inzien, lezer, dat de zorg voor het heil uwer

ziel de eerste en de gewichtigste van alle zorgen is. Heeft iemand door het spel zijn geld verloren, hij kan het bij ; eene volgende gelegenheid terugwinnen. Hebt gij een oog ! verloren, er rest u nog een ander om te zien. En al zoudt j gij ook dit verliezen, toch is niet alles verloren, uw leven 3 blij ft u nog over. Maar is uwe ziel verloren , dan is alles ; en onherstelbaar verloren; want gij hebt geene tweede ziel, ; om u over het verlies der eerste te troosten, noch een anderen quot;Verlosser, die u van de eeuwige verdoemenis zal bevrijden. Niets moet u derhalve meer ter harte gaan, dan met juistheid te weten, wat gij gelooven en doen moet, om uwe ziel te redden. Vele kundigheden zijn er, welke t den mensch weinig of niets baten; doch de kennis der door God geopenbaarde waarheden brengt niet slechts tijdelijke, maar eeuwigdurende vruchten voort. Zij is de beste en ! nuttigste, ja, de alleen noodzakelijke kennis. Zij is het, welke den mensch waarlijk verlicht, hem adelt, hem in alle moeielijkheden troost, in de verschillende omstandigheden des levens wijze voorschriften, vaste grondstellingen en heilzamen raad schenkt. — En deze zoo nuttige en noodzakelijke kennis geeft u dit boek. Lees het derhalve vlijtig, en wees ook altijd aandachtig bij het christelijk onderricht, om aldus in uwe jeugdige jaren eene grondige kennis van de goddelijke geloofswaarheden, geboden en genademiddelen te verkrijgen. Dit zal tot heil uwer ziel verstrekken. De herinnering aan uwe vlijt zal u geheel uw leven en vooral in uw laatsten stond, troost en vreugde schenken. — Verzuim derhalve niet, dikwijls in den Ka-

-ocr page 38-

22

techismus te lezen en het christelijk onderricht des zondags |(

of op andere feestdagen bij te wonen , om niet alleen het «

geleerde nooit te vergeten, maar ook in staat te zijn, li

andereu, voor wie gij wellicht eens zorg zult moeten dragen, quot;

in de waarheden des geloofs te onderrichten. Christelijk v

onderwijs te bekomen en te geven is zoo heilzaam en ver- k

diensteüjk, dat de heilige Paus Pius V het een,, hoogheilig ^

werkquot; noemt, en verschillende Pausen er vele rijke gunsten n

aan quot;verbonden hebben 1). d

1( d

Kiemand beelde zich in, dat hij te ver in jaren gevorderd is, om ^ nog den Katechismus te leeren. „Om te leeren, wat men noodzakelijk weten moet,quot; antwoordt de H. Kerkleeraar Augastmus; //is men „nooit te oud. Wel voegt het eenen grijsaard beter te leeren, dan „geleerd te worden; maar nog beter past het hem te leeren, dan „onwetend te blijven.quot; üe Katechismus is niet alleen voor kinderen gemaakt, ook volwassenen kunnen er veel uit leeren. Toen de H. Xeresia eens door de nonnen, wier overste zij was, gevraagd werd, in welk boek zij moesten lezen, gaf zij hen een Katechismus met de woorden: „dit is het boek, waarin gij, mijne dochters, dag en „nacht moet lezen, want het bevat de wet des Heeren.2\' Nochtans waren die geestelijke zusters onvergelijkelijk beter in de christelijke leer onderricht, dan de meeste Christenen van onze dagen.

Vanwaar komt het, dat zoo menig Christen in de liel\'de tot God geheel verkoeld, is, en zich niet het minst over het onderhouden der geboden üods bekreunt? Veelal van het verzuim der christelijke leering. Al hunnen tijd en moeite aan de bezigheden en zorgen van dit leven wijdende, meenen zij, dat hun geen tijd overblijft om datgene te leeren, wat toch zeker van veel grooter belang en in werkelijkheid alleen noodzakelijk is. Zoo gebeurt het, dat de kennis van God hun meer en meer ontgaat, en met die kennis de liefde tot God. Hoe toch zou de liefde kunnen blijven, waar de kennis verdwenen is? Kan men oprecht liefhebben, wat men niet eens genoegzaam kent? — Hoe beschaamd worden deze aardsgezinde Christenen dooiden ijver in goddelijke dingen, welken wij bij diegenen aantreffen, die eerst door de geloofsverkondigers iets van God gehoord hebben. Toen de H. Franciscus Xaverius in Japan als prediker des Evangelies optrad. ontstond er onder de bewoners van dat land een zoo groot verlangen om het woord Gods te hooren, dat zijne krachten niet toereikend waren ter bevrediging van aller wenschen. Het volk had

1

Paulus V heeft een aflaat verleend van honderd dagen niet slechts 1) aan alle leeraars, vaders en moeders, zoo vaak zij hunne leerlingen, kinderen of dienstboden in de christelijke leer onderwijzen, maar 2) aan alle geloovigen, zoo dikwijls zij ongeveer een half uur over de christelijke leer nadenken, om die zelf beter te leeren kennen of om ze anderen voor te dragon. Dezen aflaat kan

2

heilige Sacramenten ontvangen.

-ocr page 39-

23

geen geduld , den tijd der christelijke leering af te wachtei;, maar zocht Pater Xaverius telkens op, om in de geloofswaarheden onderwezen te worden. De Heilige had nauwelijks zooveel rust, dat hij het noodige voedsel en eenige uitspanning kon nemen; ja, dikwerf was hij genoodzaakt, zich in een eenzamen hoek te verbergen, om het verplichtend breviergebed te verrichten. Ook in China stelden velen zich bloot aan het gevaar van gevangen genomen en in den kerker geworpen te worden, om in het geheim eenigen tijd het christelijk onderwijs te kunnen bijwonen. Indien Heidenen, die de genade des geloofs nog niet ontvangen hebben, aldus handelen, moeten wij Christenen, die dit groote goed reeds lang bezitten , hen dan niet in ijver overtreffen ? Blijf derhalve standvastig in het aan-leeren der waarheden van onzen heiligen godsdienst en prent ze diep in uw hart; gij zult daardoor troost in uw leven, en op uw sterfbed rust en vrede vinden. Want alleen de kennis en liefde üods maakt den mensch waarachtig gelukkig voor tijd en eeuwigheid.

-ocr page 40-

EERSTE HOOFDSTUK.

---—

Over liet «eloof.

§ 1. Begrip, voorwerp en bronnen des geloofs.

Het -/begripquot; toont aan, wat hot. geloof is; het //voorwerpquot; wat wij gelooven moeten; de //geloofsbronnenquot; wijzen aan, waarin de gezamenlijke waarheden des gelool\'s vervat zijn en waaruit de Kerk die put. — 1) God gelooven wil zeggen; alles, wat God gesproken heeft, op zijn woord en om zijn gezag, als onbetwijfelbaar voor waar houden. 2) Voorwerp des geloofs is alles, wat God geopenbaard heeft en de H. Kerk ons te gelooven voorstelt. 3) Geloofsbronnen zijn de H. Schrift en de Overlevering, beide door de H. Kerk onfeilbaar verklaard.

Begrip des geloofs.

Het geloof is eene deugd door God ingestort, waardoor de mensch wordt verlicht, en vastelijk aanneemt alles wat God geopenbaard heeft en de heilige Kerk voorhoudt te gelooven \').

Iemand gelooven beteekent in het algemeen iets voor waar houden, wat een ander zegt, en wel om die reden het voor waar houden, omdat hij het zegt. Wanneer iemand u iets verhaalt en gij denkt: ja, wat hij zegt, is waar, is zeker, want hij weet het en hij wil mij niet bedriegen, dan gelooft gij hem. Wij gelooven derhalve ook God, als wij voor waar houden, wat Hij ons geopenbaard heeft, en

\') Geloof wordt hier, als gewoonlijk, in suhjectieven zin genomen. In objectieven zin beteekent geloof zooveel als geloofsleer, voorwerp des geloofs, kort begrip der gezamenlijke geloofswaarheden. In dezen laatsten zin wordt ook de apostolische geloofsbelijdenis //het «geloofquot; genoemd.

-ocr page 41-

25

het juist dadrom voor waar houden, wijl Hij, die de onfeilbare Waarheid is, hel geopenbaard heeft, al zouden wii het niet zien, noch begrijpen kunnen. Want, indien wij voor waar houden, bijvoorbeeld, dat er eens zon en sterren bestaan, wijl wij ze zien, of dat op eene en dezelfde plaats niet gelijktijdig dag en nacht kan zijn, omdat men dit van zelf begrijpt, dan is dat niet geloor,en, maar weten, inzien, of bey rijpen. Het christelijk geloof rust alzoo niet op het zien eener zaak, of op de uitspraak van het verstand, hetwelk zegt, dat iets noodzakelijk zóó moet wezen en niet anders; maar het geloof steunt uitsluitend op het woord en het gezag van God, die niet liegen noch bedriegen kan. — Gelooven moet hier ook niet met bloot meenen of gissen verwisseld worden, want het christelijk geloof is, gelijk de H. Paulus zegt (Hebr. XI, 1), eene „zekere, „vaste overtuiging van datgene, wat men niet ziet,quot; eene overtuiging, welke allen, zelfs den minsten twijfel uitsluit. Wanneer gij dan hoort, dat dit of dat van God geopenbaard, en door de H. Kerk te gelooven is voorgesteld, dan moogt gij niet denken; wellicht is het waar, maar misschien ook niet, of: het is mogelijk, dat het waar is, maar nog niet geheel zeker; neen, gij moet het terstond, vast en zonder twijfel voor waar houden, overtuigd van de onmogelijkheid, dat een of ander, hetwelk God geopenbaard heeft en ons door de H. K erk te gelooven voorstelt, valsch zou kunnen zijn.

Waarom wordt het christelijk geloof eene „deugd*\'\' genoemd?

Omdat het geloof, hetwelk de Christen moet bezitten, niet enkel daarin bestaat, dat men eene voorbijgaande akte van geloof verwekt met deze of dergelijke woorden: „O mijn „God! ik geloof vastelijk alles, wat Gij-ons geopenbaard „hebt en door uwe heilige, katholieke Kerk te gelooven „voorstelt,quot; enz. neen! het geloof moet ook in zijne ziel verblijven als eene voortdurende genegenheid om te gelooven , als eene standvastige onderwerping van het verstand aan de waarheden, door God geopenbaard en door de H. Kerk te gelooven voorgesteld.

Waarom zeggen wij, dat het geloof „door God is ingestort?

Wijl het geloof eene gave Gods is en eene werking der goddelijke genade, welke ons verstand verlicht en onzen wil beweegt, alles vastelijk voor waar te houden, wat God geopenbaard heeft. — Dit blijkt reeds uit de woorden des Apostels: „Uit genade zijt gij zalig geworden door het „geloof,quot; en dat niet uit u, d. i. niet uit eigen kracht en

-ocr page 42-

26

inspanning, niet om uwe verdiensten, „want het is gave Gods.\'\' Ditzelfde leert ook de H. Kerk uitdrukkelijk met de volgende woorden \') : „indien iemand zegt, dat de wasdom, „of zelfs ook het eerste begin des geloofs eu die eerste „opwekking des harten, door welke wij gelooven aan Hem, „die den zondaar rechtvaardigt, niet eeue werking der godde-„lijke genade is, maar dat de kracht daartoe natuurlijkerwijze in ons hart ontstaat, hij spreekt in strijd met de „apostolische geloofsleer.\'\' Het christelijk geloof is alzoo, volgens de leer der H. Schrift en der Kerk, eene onverdiende gave en genade Gods. Hoe dit verstaan moet worden, gaan wij nu verklaren quot;).

Het christelijk geloof is eene dubbele gave en genade Gods: ten eerste eene uitwendige, ten tweede eene inwendige. De uiiwendige is het christelijk onderricht, hetwelk wij in de katholieke Kerk ontvangen; onmogelijk toch kan men gelooven, wat God geopenbaard heeft, zoo men niet eerst hoort, dat God ons de geloofswaarheden werkelijk geopenbaard heeft, en welke die waarheden zijn. Hoe nu hooren wij dit? Door het onderricht, hetwelk de katholieke Kerk ons geeft. Daarom zegt de Apostel Paulus (Kom. X, 17), dat het geloof door het aanhooren van het woord van Christus komt. Dat onderricht is derhalve reeds eene zeer groote weldaad Gods, ja, het veronderstelt eene lange rij van andere onschatbare weldaden. Tengevolge der zonde lag de wereld immers in de diepe duisternis van het heidendom begraven ; de Zoon Gods daalde toeu uit den hemel neder , leerde de menschen, wat zij gelooven en doen moeten, om zalig te worden, en stichtte de H. katholieke Kerk, opdat zijne goddelijke leer onvervalscht bewaard en gepredikt zou worden tot aan het einde der wereld. Dat wij onder christelijke volkeren geboren zijn, en het geluk hebben, die heilaanbrengende leer te hooren, is derhalve eene genade, waarvoor wij God den grootsten dank verschuldigd zijn.

Maar behalve die weldaad van het christelijk onderwijs, welke wij eene uitwendige genade noemen, wijl zij ons als van buiten, namelijk door de verkondiging van het Evangelie gewordt, schenkt God ons nog veelvuldige inwendige genade en hulp om te gelooven; immers het woord des

\') In liet Concilie van Orange, liotwelk in het jaar 529 de dwaalleer der Scmipelugianea verwierp eu door don Paus eu de geheels Kerk is goedgekeurd.

-) Dat wij de genade des geloof niet verdienen kunnen, behoort tot de leer van de rechtvaardigmaking; hier moet vooral getoond worden, dat wij niet door eigen kracht in staat zijn te gelooven, maar de genade Gods behoeven.

-ocr page 43-

27

predikers, hoe krachtig en invloedrijk het ook zij, ja al werd het door wonderen bekrachtigd, is alleen niet voldoende , om den mensch het christelijk geloof aan de goddelijke waarheden te geven. Wie heeft ooit het goddelijk woord met zooveel kracht en zalving voorgedragen, als Jesus Christus ? En hoevele en onloochenbare wonderen heeft Hij niet voor de oogen zijner toehoorders gewrocht, ter bekrachtiging van hetgeen Hij sprak en leerde ? aSTiettemin waren er velen onder hen, zelfs onder de geleerdsten, die niet geloofden. Waarom geloofden zij niet? Omdat zij niet wilden. „Niemand kan gelooven,quot; zegt de H. Kerkvader Augustinus (Verh. over Joan. XXY1), „behalve wie wil.quot; Want niet met het verstand alleen, maar „met het gelooft men ter „rechtvaardigingquot; (Kom. X, 10). Indien het geloof eeue zaak van het verstand alleen was, dan zou de wil er geen deel aan hebben, dan zou God het geloof niet beloonen en het ongeloof niet bestraffen ; er zou niet geschreven staan: „ Wie „gelooft en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; doch wie „niet gelooft, zal verdoemd wordenquot; (Marc. XVI, 16). Loon of straf verdient de mensch immers slechts, in zooverre zijn wil goed of kwaad is. Derhalve is er om christelijk te gelooven ook goede wil, namelijk lereidwiliiyf/eid om te gelooven, noodig. Waar die goede wil ontbreekt, zal de mensch zich immer tegen zijne overtuiging verzetten, al zijn de bewijzen voor het geloof nog zoo helder en onomstootelijk. Die bereidwilligheid is echter geen enkel natuurlijk vermogen, zooals zekere dwaalleeraars meenden; maar zij is, gelijk de Kerk (Concilie v. Orange, Can. V) uitdrukkelijk verklaard heeft, „een onverdiend geschenk der goddelijke genade.quot; Daarom spreekt Jesus Christus (Joan.VI, 4-1 en 6G]: „Niemand „kan tot Mij komen, zoo het hem niet door mijnen Vader „gegeven is...., indien de Vader hem niet trekt.quot; Wel moet de mensch ook van zijn kant aan de roepstem der goddelijke genade beantwoorden, doch de genade voorkomt hem en geeft hem de kracht, om te kunnen volgen.

V\\ij zien alzoo, dat de wil, gelijk wij zeiden, een zekeren invloed op de toestemming van het verstand heeft, want niet zelden gelooft de mensch iets, wijl hij het gelooven wil, of geloolt het niet, omdat hij het niet gelooven wil. Dat ook bij het christelijk geloof zulks het geval is, dat namelijk het verstand door de kracht van den wil er toe gebracht wordt, zich te onderwerpen, mag niet betwijfeld worden \'). Het

\') Ipsum credere est actus intellectus assentientis veritati divinae ex imperio voluntatis a Deo motae per gratiam. IS. ïhom. Summa 2. 2. q. 2 a 9).

-ocr page 44-

28

verstard hangt evenwel niet alleen van den wil af, het is geerszins een blind werktuig. Wanneer iemand een lichaam tot bederf ziet overgaan, zal de wil vergeefs het verstand gebieden te gelooven, dat het vol kracht en leven is. Het verstand kan slechts dan zijne toestemming f?even, als het iets inderdaad voor waar houdt. De goddelijke geheimen, welke wij gelooven moeten, zijn echter duister en onbegrijpelijk ; het zwakke verstand kan ze niet verklaren, niet begrijpen, het is geneigd, ze voor onmogelijk te houden. Dat bijv. twee en twee vier is, of, dat het geheel grooter moet zijn dan een deel er van, betwijfelt niemand, ja de twijfel is zelfs onmogelijk, daar het natuurlijk verstand der menschen deze waarheden duidelijk inziet; maar dat God éen in wezen en drievoudig in personen, of dat in het allerheiligste Sacrament des altaars Jesus Christus met vleesch en bloed tegenwoordig is, dat kan ons verstand geenszins begrijpen. Wel is ons meer dan genoegzaam bewezen, dat God die geheimen geopenbaard heeft, zoodat het hoogst onverstandig zou wezen, aan de waarheid er van te twijfelen; doch hoe overtuigend die bewijzen ook wezen mogen, zij zijn evenwel riet van dien aard. dat zij ons het geloof onwederstaanbaar opdringen. De mogelijkheid van als dwazen te twijfelen, is den mensch niet benomen ). Opdat het verstand nu de in zich duistere en onbegrijpelijke geloofsleer, als eene door God geopenbaarde waarheid, vast en onwankelbaar, zonder aarzelen, aanneme, komt God het te hulp, en verliclit het door het bovennatuurlijke licht des geloofs. Dat licht is derhalve wederom een geschenk der goddelijke genade, hetwelk wij, niet minder dan de bereidwilligheid om te gelooven, noodig hebben om zóó te kunnen gelooven, als l ot ons eeuwig heil vereischt wordt. Daarom heeft de H. Kerk uitdrukkelijk verklaard (Concilie van Orange Can. 7), dat men ,. zonder verlichting en inblazing van den „heiligen Geest,quot; de verkondiging van het Evangelie, gelijk dit ter onzer zaligheid wordt gevorderd, niet kan aannemen. Niet minder krachtig is de taal der heilige Vaders quot;), en

!) Zeer gepast is hier de bemerking van den geleerden Hugo van St. Victor; „Wijl den geloovige nooit de mogelijkheid va.i te tvvij-//felen, den ongeloovige daarentegen nooit beweegredenen om te ge-//looven ontbreken, juist daarom is het billijk, dat het gelooi van „den eenen beloond en het ongeioot van den anderen best ra i I wordt.

-) Op verscheidene plaatsen zijner werken leert de II. Augustinus, dat het onderwijs, hetwelk van buiten komt, niet voldoende is; dat er daarenboven een geheim inwendig licht gevorderd wordt, waarmede de II. Geest ons verstand te hulp komt, en leert de waarheid aan te nemen. (Ut doctrinae accommodet assensum. Epist. ïf0. 17. ac. 10/). Zonder die inwendige verlichting zou, volgens het gevoelen van den H. Iverk-1 eeraar, zelfs een Engel te vergeefs onderrichten. //De mensch hoort

-ocr page 45-

29

Christus zelf bevestigt deze leer met de woorden van Joan. VI, 45: „Een ieder, die het van den Vader gehoord en „geleerd heeft, die komt tot Mij.quot; In dien geest sprak Hij ook tot den II. Petrus (Matth. XVI, 17): „Zalig zijt gij „Simon, want niet vleesch en bloed heeft u dit geopenbaard, maar mijn Vader, die in den hemel isquot; \').

,wel het woord van een menscli of van eon Engel; maar om duidelijk „in te zien en te erkennen, dat liet gezegde waar is, wordt de geest //beschenen door dat licht, hetwelk in eeuwigheid blijft en zells in de «duisternis verlichtquot; (De peccator. meritis et remissione. L. 1. c. 25). Eveneens leeren andere HH. Aradcrs. Het gezegde van den H. Paus Gregorius ; — „als de li. Geest niet tot het hart spreekt, is de rede »van den leeraar vergeefsch,quot; vindt men bij hen dikwerf herhaald.

\') Het is evenwel eene verkeerde opvatting, als men meent, dac door het licht des geloofs de geloofswaarheden begrijpelijker voor onzen geest moeten gemaakt worden, want juist daarin bestaat het eigenaardige en de waarde van liet geloof, dat wij, alleen op het gezag van God steunende, gelooven hetgeen wij noch zien, noch begrijpen kunnen. //Het geloof is eene zekere overtuiging van datgene, «wat men niet zietquot; (Hebr. XI, 1). //Wat anders is gelooven, dan //voor waar houden, wat men niet ziet?quot; vraagt de H. Augnstinus (Verli. 40 over Joan.). Op eene andere plaats (de utilitate credendi. c. XI.) zegt dezelfde Kerkleeraar: „Quod intelligimus, rationi debe-»mus; quod autem credimus, auctoritati. Hetgeen de H. Thomas (2. //2. q. 1. a. 4) zegt: Lumen fidei facit videre ea, quae creduntur, //beteekent niet, zooals men beweerd heeft, facit videre in seipsis, „maar in motivo, gelijk de bekende kantteekening van deze plaats «aanmerkt en uit den grondtekst zeiven duidelijk blijkt: Non enim //crederet quispiam, zegt de engelachtige Leeraar, nisi videret, qa „esse credenda, vel propter evidentiam signorum, vel propter aliquid //ejusmodi.quot; //Het is mogelijk,quot; zegt Bellarminus, ,/dat een geleerde «in liet geheim der allerheiligste Drieëenheid zeer scherpzichtig na-//tuur en persoon of wezen, betrekkingen, enz. onderscheidt en niet-//temin niet gelooft; dat daarentegen een onwetende gelooft, hoewel //hij zeer onbepaalde of onduidelijke denkbeelden van natuur en //personen heeftquot; (Controv. over de rechtvaard. boek I Hooldst. 7). //Hoewel dit goddelijk licht ,quot; aldus zegt de Catechismus Komanus, (deel I, art. 1, n0. 3), -/niet bewerkt, dat wij de voorwerpen helder ven duidelijk inzien, laat liet ons evenwel aan de waarheid er van «niet twijfelen; want God, die beval, dat uit de duisternis licht zou //voortkomen, heeft onze harten verlicht, opdat het Evangelie voor «ons niet bedekt zij (niet onwaar schijne), als voor hen, die verloren «gaanquot; 2. Cor. IV, 3.

Gebeurt het, dat in de Kerk onwetende lieden de waarheden van het geloof beter begrijpen en dieper in haren geheimen zin doordringen, dan menig Godgeleerde, dan geschiedt dit door eene bizon-dere gave van den H. Geest, welke //gaaf des verstandsquot; genoemd wordt. Zij is ook wel een bovennatuurlijk genadelicht, doch geheel onderscheiden van dat licht, hetwelk tot het wezen des geloofs behoort. l)e gave des verstands is werking en vrucht van het geloof, en wordt niet aan alle geloovigen zonder onderscheid gegeven, maar enkel aan hen, die zich in staat van genade bevinden. (/Au S. Thomae summam; 2. 2. q. 8). Deze onderscheiding moet men wel in aclit nemen , als men zekere plaatsen van de H.H. Vaders goed begrijpen wil. In dien zin zegt de H. Augnstinus (Verh. 2!) over Joan.) : «de i/kennis is het loon van het geloof. Wilt derhalve niet trachten te

-ocr page 46-

30

Die genade van het licht des geloofs wordt ons met de genade van bereidwilligheid om te gelooven reeds in het H. Sacrament des Doopsels medegedeeld; door het Doopsel toch wordt onze ziel niet slechts van alle zonden gezuiverd, maar ook tot een levenden tempel des ïï, Geestes ingewijd

//kennen, om te gelooven, maar gelooft om te kennen; want zoolang //gij niet gelooft, zult gij ook niet kennen,quot; en een weinig verder zegt de II. Leeraar: //het geloof, dat door de liefde werkt, zij in u, «en gij zult doorzicht in de goddelijke leer verkrijgen.quot;

Verder moet men immer voor oogen houden, dat het licht des geloofs wel een getuigenis van God is, hetwelk in het binnenste van ons hart de waarheid des geloofs bekrachtigt, maar toch, gelijk Bellarminus (Predik, over het licht des geloofs) opmerkt, van de uitwendige getuigenissen, d. i. van de gronden der geloofwaardigheid, welke wij door het godsdienstig onderricht leeren kennen en door het verstand inzien, niet gescheiden mag worden. Indien men de waarheid des geloofs enkel naar die inwendige stem of verlichting wilde beoordeelen, dan zou men weldra de vreemdsoortigste invallen voor goddelijke ingevingen houden en op een dwaalspoor geraken. Steeds moet men wel in aanmerking nemen, dat de natuur zonderde genade ter zaligheid niet voldoende is, dat de natuur door de genade echter niet vernietigd, maar verheven en veredeld wordt.

Ter opheldering van alles, wat tot dusverre over de natuur van het licht des geloofs gezegd is, zal het volgende geschiedkundig verhaal van dienst kunnen zijn. Wij ontleenen het aan een brief van den eerwaarden Pater LeTurdu, apostolisch-missionaris in China (Hongkong 13 Nov. 1856). In de Lieu Khieu, een eiland van Japan, bevinden zich tegenwoordig katholieke missionarissen, die voortdurend streng bewaakt en van alle verkeer met de inlanders worden afgehouden. Is iemand moedig genoog, aan hunne leering gehoor te schenken, terstond straft het zwaard die misdaad en treft zelfs de bloedverwanten van den nieuwbekeerde in den eersten graad. In weerwil dier maatregelen was het verblijf der missionarissen aldaar niet zonder nut. Het heeft een Christen en in hem waarschijnlijk een martelaar voortgebracht, en wel onder diegenen, die waren aangesteld om wacht te .houden over de zendelingen. De bekeerde is een jongeiing met een vlug verstand en edel hart. Hij begreep, dat de beide vreemden geen slechte en gevaarlijke menschen waren, gelijk men het wilde doen voorkomen , en zocht nu de beweegredenen te vernemen, waarom zij hun vaderland verlaten hadden en op dit eiland, waar zij een zoo droevig leven leidden, waren gekomen. Toen men hem hierover onderhield , kon hij zijne bewondering niet meer bemeesteren, en wilde den christelijken godsdienst leeren kennen. Ik weet zeer goed, zeide hij, aan welk gevaar ik mij blootstel, doch ik hoor in mijn binnenste eene stem, die mij zegt, dat uw godsdienst de ware is. Nadat hij twee maanden was onderwezen , verleenden de verheugde missionarissen hem. op zijn aanhoudend bidden en smeeken, de genade van het H. Doopsel. Sinds dien tijd, schrijft Pater Le-Turdu, zweeft het zwaard der vervolging onophoudelijk boven zijn hoofd : waarschijnlijk is hij reeds gevallen. — Welke onbevooroordeelde lezer ziet niet in die inwendige stem, die den edelen jongeling aandreef, den christelijken godsdienst voor den waren te houden, het licht des geloofs? Volgens Bellarminus toch is het licht des geloofs niets anders, dan eene dusdanige inwendige stem, een goddelijk getuigenis, dat ons de verzekering geeft: het is werkelijk zoo, (gelijk God door den mond der Kerk en harer dienaars leert). Hoc igitur est lumen fidei, testimonium quoddam Dei, quo

-ocr page 47-

31

en diens vol gens met alle Goeie welgevallige deugden versierd. Onze liewering, dat wij in den H. Doop zei ven de genade des geloofs ontvangen j wordt gestaafd door de vraag, welke de priester doet, wanneer hij een kind doopt: „wat „begeert gij van de Kerk Gods ?quot; waarop de doopborg in naam van liet sprakelooze kind ten antwoord geeft: „Het „geloof.quot; — Maar behalve deze genade door het H. Doopsel medegedeeld, welke de Katechismus met de woorden „gave „Gods,quot; aanduidt, verleent God ons tot elke geloofsakte op zich nog eene bijzondere genadehulp, zoowel voor het verstand alsook voor den wil. Daarom zegt men ; het christelijk geloof is eene gave Gods en (bovendien) eene werking der goddelijke genade, die ons verstand verlicht en onzen wil beweegt, alles onbetwijfeld voor waar te houden, wat God geopenbaard heeft-

Tevens merke men wel op, dat de mensch de zoo kostbare gave des geloofs , welke hij in het li. Doopsel ontvangt, door elke zware zonde tegen het geloof verliest. Hoezeer moet men zich derhalve niet wachten, aan eene vrijwillige twijfeling omtrent het geloof toe te geven ! Hoe behoedzaam elk gevaar van het geloof te verliezen ontvluchten; vooral is men verplicht den omgang met ongeloovige men-schen en het lezen van slechte boeken te vermijden. Boven alles echter moet men de genade des geloofs hoogschatten, God vurig bidden, dat wij die weldaad tot het einde onzes levens mogen bewaren, en vast besluiten, immer naar de voorschriften des geloofs te handelen. De rede, waarom er in onze dagen zoovelen zijn , die niet gelooven, is eenvoudig, wijl zij niet willen gelooven. Waarom dan willen zij niet gelooven? Veelal, omdat zij geen lust hebben, hunnen levenswandel zóó in te richten, als het geloof hun dit voorschrijft. Zij spotten met het geloof, wijl het hun te rein, te verheven is. Zij drijven den spot met de vrome geloovigen, dewijl zij den moed niet hebben, hen na te volgen. De Phariseën hoorden alle heerlijke lessen van Jesus Christus over de geringschatting der aardsche goederen, over het zoeken naar het hemelrijk; evenwel geloofden zij

intus in domicilio cordis dicitur nobis: ita est, nihil haesites (Conc. de lam. üdei). Dio inwendige stem of verlichting zal voorzeker , over-eenliomstig de behoelte of de verleende genade, ook meer of minder duidelijk, meer of minder verneembaar zijn. In zooverre zij het godsdienstig onderricht voorafgaat of het vergezelt, is zij, volgens het gevoelen der Godgeleerden, het licht des geloofs in ruimeren zin; in zoover zij er toe helpt, om de geloofsakte ts verwekken en daarmede samensmelt, is zij het geloofslicht in meer beperkten zin.

-ocr page 48-

32

Hem niet, maar hoonden Hem, zegt het heilig Evangelie (Luc. XVI, 14—15). Waarom? „Wijl zij woekeraars waren.quot; Wel zochten zij in de oogen der wereld zich als rechtvaardige lieden voor te doen; maar Christus sprak tot hen: „Gij rechtvaardigt u voor de menschen, doch Grod kent uwe harten.quot;

Velen weigeren de wonderen te gelooven, welke in het Evangelie zijn opgeteekend; zij willen met eigen oogen wonderen zien. „Hadden //wij,quot; dus spreken zij, //de wonderen gezien, welke de Joden zagen, „wij zouden geen oogenblik geaarzeld hebben, aan Christus te ge-„looven.quot; IJdele uitvlucht! Ook de hoogepriesters riepen, toen Jesus aan het kruis hing: „zoo Hij de koning Israels is, dat Hij nu afkome „van het kruis, eu wij zullen in Hem geloovenquot; (llatth. XXVII, 42). Toen de soldaten echter kwamen en bevend meldden, dat Christus van den dood was opgestaan, diende dit wonder, ofschoon het duizendmaal grooter was, dan datgene, hetwelk zij begeerd hadden, slechts om hunne harten nog meer te versteenen. Indien de zoogenaamde vrijdenkers of vrienden van het licht zich eens ernstig wilden onderzoeken en hunne betreurenswaardige zwakheid inzien, hoe vaak zouden zij erkennen, dat het ongeloof en de vrijdenkerij, waarop zij zich beroemen, uit een lagen hartstocht of eene ongeregelde neiging des harten voortkomt! Te vergeefs vermoeit men zich om dusdanigen, die eenmaal het besluit genomen hebben, aan hunne schandelijke driften niets te weigeren, de waarheid van het Christendom te bewijzen. De verdorvenheid van hun hart verduistert het licht hunner i\'ede geheel, en al stond ook iemand van de dooden op, zij zouden evenwel niet gelooven (Lac. XVI, 31); want „gelooven kan niemand, behalve wie icil.quot; Daarom is ook genade en vrede slechts aan diegenen toegezegd, die van goeden wille zijn (Luc. II, 14) \').

Waarom moeien wij alles gelooven, wat God geopenbaard heeft?

Omdat God de eeuwige, onfeilbare Waarheid is. Niet het begrip onzer rede of een of ander menschelijk getuigenis, maar God is de beweeggrond van ons geloof. Gelijk het menschelijk geloof steunt op menschelijk getuigenis, op gezag des menschen, zoo steunt het bovennatuurlijk geloof op goddelijk getuigenis, op het gezag van God zeiven. Dat motief des ge-

\') De beroemde grootmogol Akbar, een vorst, uitgerust met de voortretfelijkste hoodanigheden naar verstand en hart, liet in het jaar 1850 Pater Rudolf Aqnaviva met eenige andere missionarissen der Jesuiten-orde uit Goa bij zich komen, om door hen in de leer des Christendoms, waarvoor hij reeds eene groote achting gevoelde, onderwezen to worden. Hij ontving de geloofsboden met alle bewijzen van oprechte gezindheid, legde do H. Schrilt ten teekon van zijnon eerbied op zijn hoofd, kuste liet beeld van den Heiland en de Moeder Gods, welke men hem ton geschenke aanbood, en liet deze door zijne kinderen en de grooten van zijn rijk op gelijke wijze vereeren. Met gespannen aandacht woonde do grootmogol de lessen over de geloofsleer bij; hij liet ook deu liefston zijner zonen,

-ocr page 49-

33

loofs behoort zóózeer tot het wezen des geloofs, dat, zonder die beweegreden geen goddelijk geloof bestaan kan. Niet om het licht der rede, .. .. ook niet om het gezag dei-Kerk, maar enkel en alleen om het gezag van God, die tot de menschheid gesproken heeft, gelooven wij. Daarom geldt het geloof bij ons als de hoogste zekerheid; daarom gelooven wij zonder de minste vrees voor dwaling, met volkomen onderwerping van onzen wil en ons verstand. Wij gelooven de duisterste en onbegrijpelijks te geheimenissen; wi] gelooven vast en standvastig, als konden wij de waarheid met onze oogen zien of met onze handen grijpen, want de zintuigen kunnen ons bedriegen, maar God kan niet bedriegen, noch bedrogen worden. Hemel en aarde zullen vergaan , doch zijne woorden zullen niet vergaan (Matth. XXIV, 35).

Iets anders is de overtuiging, dat God zekere waarheden geopenbaard lieeft, iets anders liet geloof aan die waarheden. Door de overweging der bewijzen voor het bestaan der openbaring erken ik, dat God gesproken heeft. Heb ik nu zooveel mogelijk zekerheid gekregen, dat God gesproken en deze of gene waarheden geopenbaard heeft, dat zij alzoo geloofwaardig zijn, dan gdoof ik die waarheden wijl God, die ze geopenbaard heeft, waarachtig is, d. i. noch dwalen, noch in dwaling brengen kan. Dc overtuiging van de geloofwaardigheid dier waarheden, inzoovcrre deze door oefening onzer geestvermogens verkregen wordt, is de vrucht van kennis, derhalve niet het geloof zelf, maar slechts een voorloopig vereischte tot het geloof. Zoo blijkt het, dat de geloofsakte, (wijl zij namelijk de onfeilbaarheid en waarachtigheid van God zeiven tot beweeggrond heeft) een hoogeren graad van zekerheid in zich sluit, dan de overtuiging van het bestaan der Openbaring, welke door het nagaan der bewijzen voor de goddelijke Openbaring verkregen wordt. Vergelijk de iOde grondstelling, veroordeeld door Innocentius XI in het jaar 1679.

Welke is de verhomlhig tusschen geloof en rede ?

Aangaande de verhouding tusschen geloof en rede bestaan drie hoofddwalingen.

De eerste loochent de rede om haar te doen opgaan in het geloof; eene dwaling, welke door de Kerk is veroordeeld , omdat zij den grondslag wegneemt, waarop de bovennatuurlijke kennis rust.

Eene juist tegenovergestelde dwaling ontkent het geloof, om dit te doen opgaan in de rede. Dit Nationalisme is eveneens

wien hij den troon wilde nalaten, door de Paters in-de leer van het Christendom onderwijzen en in de wetenschappen onderrichten , en stond gaarne toe , dat zijne onderdanen zich aan den dienst van den waren God toewijdden. Hij zelf toonde een bizonderen eerbied voor den H. Naam van Jesus; ja, hij vond er geen bezwaar in, de kapel binnen te gaan, waar de 1L Jlis voor de vergaderde Portugeezen werd opgedragen, en aldaar geknield en blootshoofds te bidden. Zeer dikwerf sprak hij er van , ook eenmaal het H. Doopsel te ontvangen.

DEUARBE, GELOOFSLEER. I. S\'^ UK UK. 3

-ocr page 50-

34

door de Kerk verworpen, omdat het geheel het bovennatuurlijke wegneemt en aldus aan het men schelijk leven het goddelijk toppunt, waarnaar gestreefd moet worden, ontneemt.

Ér bestaat eindelijk eene derde dwaling, die, het midden houdend tusschen de twee voorgaande, en geloof èn rede erkennend, de onderlinge scheiding van beide vraagt, eene dwaling door de Kerk veroordeeld, omdat zij den band verbreekt, welke het natuurlijke met het bovennatuurlijke, het menschelijke met het goddelijke vereenigt.

Maar lioe goed ook in den christelijken godsdienst onderwezen, nooit bracht liij het zoover, dat hij zich vast van de goddelijkheid der geloofswaarheden overtuigd hield en tot het Christendom overging, lui wat was wel de reden daarvan? Enkel het gebrek aan goeden wil. Hij wilde zijnen hoogmoed en zijne zinnelijkheid niet beteugelen. //Uwe leer is te rein,quot; zeide hij zelf dikwerf tot de Paters, //maar mijne zonden zijn te onrein, en mijn leven is te slecht.quot; Dit was de oorzaak, dat g\'rootmogol Akbar tot het einde zijns levens in het ongeloof bleef volharden (Miillbauer, Geschichte der katholischen Missionen in Ostindien).

Menigeen hoort men zeggen : «ik zou wel gaarne gelooven, maar / ik kan niet.quot; Het geloof is een geschenk van God, maar Hij wil het allen geven. Om het echter te bekomen, moet men bidden en zich ontrukken aan de heerschappij des hoogmoeds, der zinnelijkheid en aan alle andere hartstochten, welke den geest benevelen. Dan zal men erkennen, dat niets redelijker is, dan te gelooven, wat de christelijke godsdienst leert; dat niets zoo veel troost schenkt, als in de belijdenis van dat geloof te leven en te sterven. — Dit ondervond een fransche vrijgeest, Isnard genaamd, die omstreeks het jaar 1830 gelukkig stierf, nadat hij zijne drie-en-dertig laatste levensjaren in boetedoening had doorgebracht. Gedurende de rampzalige fransche revolutie van de achttiende eeuw had hij zich door zijne verwoedheid tegen den godsdienst en de priesters berucht gemaakt. In eene openbare zitting der wetgevende vergadering verstoutte hij zich uit te roepen: ,/De wet is mijn God, ik ken geen anderen!quot; Het ging met hem als met de meeste revolutie-mannen van dien tijd: hij verloor al zijne goederen en werd vogelvrij verklaard. Om het moordend staal te ontkomen, moest hij zich te Parijs in eene onderaardsche krocht verschuilen. Steeds in het gevaar verkeerende van vermoord of zonder verhoor gevonnisd te worden, opende hij de oogen voor het licht der waarheid. Zestien maanden lang besteedde hij dagelijks vijftien uren aan de studie der christelijke godsdienstleer, en kwam eindelijk tot volkomen overtuiging, „ik erkende weldra,quot; schrijft hij zelf (Isnard, de I\'lmmortalite de l\'üme. 1803), //dat, bij het onder-//zoeken van de christelijke waarheden, het meer op de gezindheid //des harten, dan op de inspanning des geestes aankomt, dat de rede //Op een dwaalspoor geraakt, als de deugd haar niet de hand biedt, /,en de liefde niet den blindoek wegneemt, waarmede dwaling en //zonde het oog omhullen. Ik zag in, dat de waarheid gelijk is aan //eene vlam, welke door het ootmoedig gebed aangeblazen en door //den eigenwaan gebluscht wordt. Ik begon derhalve te bidden, en „in den omgang met God werd ik tevreden, kalmer, en beter in //Staat de waarheid in te zien.quot; — O ! hoe menigeen strekte, na vele in ongeloof, zonde en misdaad doorgebrachte jaren, eindelijk zijne handen ten hemel, riep uit den diepsten afgrond zijner ellende: «O God, erbarm u mijner!quot; en werd verhoord en vond de waarheid, welke alle wijzen dor wereld hem niet geven konden.

-ocr page 51-

35

Wij laten thans de katholieke leer over dit gewichtig vraagstuk zoo kort mogelijk volgen.

Wat verstaan wij door de rede ?

Het aangeboren vermogen der menschelijke ziel, waardoor de mensch de waarheid — inzoover deze binnen de grenzen der natuur vervat is — kent en daarover oordeelt.

Daar wij hier handelen over de verhouding tusschen rede en geloof, wordt hier het geloof als subjectief, als eene vrije daad van \'s menschen ziel beschouwd en aldus bepaald :

Het geloof is de vriie toestemming, welke het verstand, door de goddelijke genade verlicht en geholpen, aan de bovennatuurlijke waarheden schenkt, ter wille van het onfeilbaar gezag van God, die ze ons openbaarde.

Hieruit blijkt, dat de rede en het geloof verschillen onder een drievoudig oogpunt, namelijk ten opzichte 1° van hun voorwerp, 2° van de beweegreden, welke hen leidt, en 3° van de zekerheid, welke zij geven.

De voorwerpen, welke de rede kennen en waarover zij oordeelen kan, zijn uitsluitend waarheden der natimrlijke orde. Het geloof heeft daarenboven tot voorwerp waarheden, welke ons verstand, uit eigen kracht, niet kennen kan, bovennatuurlijke waarheden.

De motieven, de beweegredenen, waardoor de rede in haren eigenaardigen werkkring geleid wordt, behooren uitsluitend tot de natuurlijke orde; het motief des geloofs daarentegen is bovennatuurlijk, namelijk het gezag van Gods onfeilbaarheid. Ook is het geloof voorafgegaan en vergezeld van de hulp der genade.

De zekerheid, welke de uitspraak der rede geeft, is niet volmaakt en slechts zoo sterk als de waarde harer beweegredenen en bewijzen; omdat deze beweegredenen valsch kunnen zijn, is de rede niet vrij van dwaling en hare uitspraak uiet onveranderlijk. De zekerheid, welke het geloof schenkt, is veel verhevener dan die der rede, omdat ze op verhevener, op onwankelbare motieven steunt Het geloof is noch aan verandering, noch aan dwaling onderhevig.

Het geloof is dus boven de rede verheven, en wel 10 omdat het steunt op het gezag van Gods onfeilbaarheid en aldus de zekerste en hechtste beweegreden tot grondslag heeft en van alle dwaling vrij is; 2° omdat het geloof ons waarheden leert, welke verre boven het begrip der menschelijke rede verheven zijn, en het ons tot eene bovennatuurlijke bestemming voert. In de kennis der waarheden, welke tot het gebied des geloofs behooren, staat derhalve de rede tot het geloof in een toestand van afhankelijkheid en onderwerping. Zeer juist schrijft Pascal: „er zijn drie werelden: de

3*

-ocr page 52-

S6

„wereld der lichamen, de wereld der geesten , de wereld van „God, van het oneindige, het bovennatuurlijke. De weten-„schap is van de tweede wereld; zij moet heerschen over de „eerste, maar zij moet zich onderwerpen aan de derde, niet om „zich te vernietigen, maar om hooger te stijgen.\'\' Met andere woorden: het bovennatuurlijke geloof en de natuurlijk rede, hoe verschillend van aard, kunnen en moeten leven in onderlinge harmonie, om den menschelijken geest het reine genot der hoogste wetenschap te geven.

Ja, ontegensprekelijk ligt de ware verhevenheid van \'s menschen geest in de vereeniging van geloof en rede.

Is het geloof aan geheimen in strijd met de rede ?

Het strijdt geenszins te^en onze rede, de geheimen te gelooven, welke God heeft geopenbaard , maar het is onverstandig, ze niet te gelooven; niets toch is dwazer, dan slechts te willen gelooven wat men begrijpt. Onverklaarbare waarheden zijn er zoowel in de natuur als in den godsdienst. Zien we niet dagelijks de spin haar net uitspannen, de bij hare cel, en den vogel zijn nest bouwen? Hoe is het mogelijk, dat een redeloos schepsel een zoo kunstig werk vervaardigt ? Wie zal ons dit verklaren ? Veel is er overigens voor eenen ongeleerde onbegrijpelijk , wat een geleerde zeer goed begrijpt. Is het nu onverstandig, zoo gene zich op de uitspraak van den geleerde verlaat en gelooft ? Een sterrekundige verzekert aan een ongeletterd mensch, dat de zon meer dan twintig millioen mijlen van de aarde verwijderd is. Deze spreekt stoutmoedig die bewering tegen en vraagt, hoe men er in geslaagd is, haren afstand te nieten, daar toch niemand van de aarde naaide zon is gereisd. De sterrekijker lacht of wordt boos over dit antwoord, en zegt: „\'t Is een dwaas, die niets „gelooft, dan wat zijn beperkt verstand begrijpt!\'\' Wanneer God nu spreekt, en van zijne oneindige volmaaktheden ons dingen openbaart, die wij niet begrijpen, zou het dan niet onvergelijkelijk dwazer zijn, Hem geen geloof te willen schenken? Zou God wellicht niet meer weten, dan wij kortzichtige menschen? Wat Hij echter meer weet, dan wij, is voor ons een geheim. Zoo leert ook het Vatikaansch Concilie; „Hoewel het geloof boven de rede is, kan „er toch nimmer een ware strijd ontstaan tusschen het „geloof en de rede: daar dezelfde God, die de geheimen „openbaart en het geloof instort, aan \'s menschen ziel het „iicht der rede geschonken heeft; en God Zich zei ven niet ,,,kan verloochenen, noch de waarheid tegenspreken. Maar de „ijdele schijn van deze tegenspraak komt hieruit hoofdzakelijk

-ocr page 53-

37

„voort, dat de geloofsdogmen niet begrepen of verklaard „worden volgens de opvatting der Kerk, of dat verkeerde „meeningen gehouden worden voor uitspraken der rede......quot;

„Niet alleen kunnen geloof en rede nimmer met elkander „in tweespalt zijn, maar zij helpen zelfs elkander onderling; „want de rechte rede toont den grondslag des geloofs en „beoefent, door zijn licht geholpen, de wetenschap der „goddelijke dingen; en het geloof bevrijdt de rede van „dwalingen en behoedt haar daarvoor, en rust haar toe „met velerhande kennis. Het is er derhalve zoo ver af, dat „de Kerk zich zou aankanten tegen de beoefening der „menschelijke kunsten en wetenschappen, dat zij die veeleer „op allerlei wijze helpt en bevordert.quot; Hoofdst. IV.

In het zelfde Concilie lezen wij :

1°. „Indien iemand zegt, dat er in de goddelijke Open-„haring geene ware en eigenlijk gezegde geheimenissen „vervat zijn, maar alle geloofspunten door de goed ont-„wikkelde rede uit natuurlijke beginselen begrepen en belwezen worden j hij zij veroordeeld.quot;

2°. „Indien iemand zegt, dat de menschelijke weten-„schappen met zulk eene vrijheid moeten behandeld worden , „dat hare uitkomsten, al strijden zij ook met de geopen-„baarde leer, voor waar gehouden en niet door de Kerk „veroordeeld kunnen worden, hij zij veroordeeld.quot;

3°. „Indien iemand zegt, dat het kan geschieden, dat „aan de leerstukken door de Kerk voorgesteld, eenmaal, „volgens den vooruitgang der wetenschap, een andere zin „moet gegeven worden, dan die, waarin de Kerk ze verstaan heeft en verstaat; hij zij veroordeeld.quot; In den Syllabus, gevoegd achter de verheven Encycliek van Paus Pius JX van den 8stei1 Dec. 1864, is de veroordeeling reeds in 1846 en 1862 uitgesproken , hernieuwd over deze stelling : „Het geloof van Christus druischt tegen\'de rede aan, en „de goddelijke Openbaring is, wel verre van aan \'s menschen „volmaking bevorderlijk te zijn, haar zelfs schadelijkquot;

Leg een blindgeborene eene geschilderde tafel voor; laat hij zich. vervolgens handtastelijk overtuigen, dat deze vlak en glad is, en zeg

\') Een missionaris in Indië vertelde aan een heidenschen vorst van de toestanden en natuurverschijnselen in Europa. De vorst luisterde met gespannen aandacht naar het verhaal. ïoen de missionaris hem nu verzekerde, dat in den winter het water hier zoo hard wordt, dat zells olii\'anten zonder gevaar over de rivieren kunnen gaan, gaf de vorst ten antwoord: //Tot dusverre heb ik naar u gehoord, wijl //ik u voor een verstandig mensch hield, maar nu gebied ik u te //zwijgen ! Kooit zult gij mij overreden, zulke fabelen te gelooven!quot; Voor dezen vorst, die nooit ijs had gezien, was het alzoo eene onverklaarbare zaak, dat het water in ijs kan overgaan.

-ocr page 54-

38

hem nu, dat gij op die gladde tafel huizen, hoornen, hergen, dieren en menschen ziet voorgesteld ; zal de blinde, die zich van kleuren en verven volstrekt geen denkbeeld vormen kan, dit niet onmogelijk achten ? Alzoo een geheim voor den blindgeborene ! Wat ontbreekt hem, om zich te kunnen overtuigen f Hij mist het daartoe noodige zintuig, het gezicht. Eveneens zijn ook wij blindgeborenen ten opzichte van vele goddelijke dingen, //Want wij kennen slechts ten z/deelequot; hier op aarde, en slechts //als door een spiegel, in een raadsel //zien wij thans onzen Goddaarom is niets zoo redelijk, dan te gelooven, tot de dag komt, «dat wij Hem zullen aanschouwen van //aanschijn tot aanschijnquot; (I. Oor. XIII, 9—12). — De geheimen van het geloof zijn wel hoven ons verstand d. i. zij zijn te verheven, dan dat ons bekrompen verstand in staat zou zijn, het wezen of den grond er van in te zien; geenszins zijn zij echter tegen de rede, wijl zij niets onmogelijks of ongerijmds bevatten. Het is zelfs onverstandig in de geheimen van den godsdienst iets onmogelijks te willen zien; want daartoe zou men het onzichtbare wezen Gods, den gansclien omvang zijner almacht, zijner wijsheid en oneindige volmaaktheid moeten kennen. — Het geloof verlaagt de rede niet, maar verhoogt ze, en scherpt hare zienskracht. Wat een verrekijker voor het oog is, dat, en nog veel meer. is het geloof voor het verstand. Met den verrekijker ziet het zwakke oog, wat het zonder dezen niet zou kunnen zien. Door het geloof neemt ons verstand als \'t ware deel aan het goddelijk verstand, en zoo komt het tot de kennis van waarheden, welke anders verborgen zouden blijven, en die God alleen volkomen begrijpt. — Een godsdienst zonder geheimenissen is een godsdienst zonder God, derhalve geene: want er bestaat geen onbegrijpelijker geheim dan God zelf, namelijk een eeuwig, oneindig, almachtig, alwetend wezen, dat, hoewel hoogst één, toch onmetelijk en overal tegenwoordig is.

Waarom moeten wij ook gelooven, wat de II. Keric voorstelt te gelooven ?

Omdat Christus zijne openbaring aan de Kerk overgegeven en haar bevolen heeft, ons te leeren. •— Wanneer een vorst bevelen geeft en zijnen beambte gelast, die aan al zijne onderdanen bekend te maken, dan moeten deze natuurlijk van den aangestelden beambte vernemen, welke de bevelen zijn van hunnen vorst. Ditzelfde geldt ook hier. Christus bracht van den hemel de leer, welke alle menschen gelooven moeten, om zalig te worden ; die leer gaf Hij zij ne Kerk over en gelastte haar, ze onvervalscht te bewaren en alom te verkondigen. „De katholieke Kerk en de Open-„baring Gods, welke in en door Christus voor de mensch-„heid hare voltooiing heeft, zijn twee onafscheidelijke zaken. „Neemt men aan, dat God aan de menschheid eene boven-„natuurlijke openbaring gaf, dan moet men noodzakelijk „erkennen, dat zijne Voorzienigheid ook een gezag, en wel „een souverein en onfeilbaar gezag zal hebben ingesteld, „om die openbaring in haar geheel en zuiver te bewaren „en te verspreiden. Het is eene onredelijke dwaasheid, te „veronderstellen, dat God, die de waarheid als Zich zeiven „bemint, zijne openbaringen zorgeloos aan de toekomst zou

-ocr page 55-

39

„hebben priis gegeven, met het onvermijdeliik gevolg, — „de geschiedenis leert het ons, daar, waar het gezag der „Kerk niet werd gekend of geloochend — dat de intellec-„tuële bekrompenheid en de moreele bedorvenheid der men-„schen de waarheid zou verjagen van de aarde. Het is, „zegt zelfs een ongeloovige, de grootste inconsequentie, in ,.de godsdienst een bovennatuurlijk beginsel aan te nemen, „en te meenen, dat God aan willekeurig oordeel der men-„schen zijne openbaring zou willen prijsgeven. Dat heeft „God ook niet gedaan. Lichtend als de zon, die aan den „hemel glanst, is het feit, dat God de katholieke Kerk „stichtte, haar een onfeilbaar gezag gaf, om het heilig „onderpand zijner waarheid te bewaren, en het levend „orgaan zijner openbaringen te wezenquot; (Be Katholiek. \'sGravenh. 1865, deel 1). Tot de Kerk moeten wij ons derhalve wenden, haar vragen, welke de door God geopenbaarde waarheden zijn, die wij verplicht zijn te gelooven. De Kerk, getrouw aan hare roeping, stelt ons die leer voor, daar zij namelijk door het geestelijke leeraarsambt (d. i. door den Paus en de Bisschoppen) ons in de geloofswaarheden onderricht, en beveelt, die te gelooven. Zij onderwijst ons dus in den naam en op last van Jesus Christus. Met recht zegt zelfs Luther: „de mond der Kerk „is Gods woordquot;. „Het gezag der Kerk brengt de waar-„heid niet voort; de Kerk getuigt de waarheid, door God „haar toevertrouwd ; zij is de aardsche tong van het eeuwig „Woordj van de Waarheid zelve; zij bewaart de waarheid ; „zij is de stad, gebouwd op den berg, binnen wier muren „de eeuwige Zon haar ontzettend licht uitgiet, en buiten „wier omgeving eene tastbare duisternis heerscht; zij is de „maatschappij, waarin de bovennatuurlijke mensch, de mensch „des geloofs, geboren wordt en groeit tot de volkomenheid „van den Christus Gods\'\' (Zie „de Katholiekquot; 1. c.) Het moet ons echter niet genoeg zijn, dit te erkennen, wij moeten ons ook ootmoedig aan de Kerk onderwerpen en haar vol eerbied aanhooren.

Voorwerp des geloofs- Opeuhariug.

JFal verstaal men eigenlijk onder de uitdrukking: „alles, lO\'iI God geopenbaard heeft\'\'\'\' ?

Men verstaat daaronder alles, wat God tot ons heil door

-ocr page 56-

40

de Aartsvaders en profeten, en ten laatste door zijnen Zoon Jesus Christus en de Apostelen geopenbaard heeft. God stelde er Zich niet mede tevreden, ons alleen het licht der rede te geven, om tot de kennis der waarheid te komen, uit overmaat van liefde wilde Hij in persoon onze leeraar zijn. Daarom liet Hii zich tot de menschen af, en sprak op eene hoorbare wijze eerst met de Oud vaders of Patriarchen, Adam, Noë, Abraham, Isaak, Jacob, later met Mozes, David, Salomon, Elias en de overige Profeten, Nu eens onderwees Hij hen onmiddellijk door woorden en inwendige verlichting, dan weder door zijne heilige Engelen. Telkens beval Hy hun ook, hunne medemenschen en nakomelingschap te onderwijzen. Eindelijk zond Hy zijn eeniggeboren Zoon van den hemel, die in zichtbare gedaante onder de menschen verkeeren en allen zijnen wil en zijne ondoorgrondelijke geheimenissen openbaren moest. „Meer-„malen en op velerlei wijze,quot; zegt de H. Paulus, „heeft „God voortijds tot de vaderen gesproken; ten laatste heeft „Hij in deze dagen tot ons gesproken door den Zoon\'\' (Hebr. I, 1, 2). Hetgeen God door de Patriarchen en Profeten, en eindelijk door zijn Zoon en diens Apostelen, ons ten heil, bekend heeft gemaakt, dat noemen wij de goddelijke Openbaring, wijl iets onbekends bekend maken openharen heet.

Ofschoon de leer der Apostelen in werkelijkheid geene andere is dan de leer van Jesus Christus, vermelden wij nüchthans hier behalve de openbaringen , welke wij door Jesus Christus, ook die, welke wij door de Apostelen ontvangen hebben, wijl in de H. Schrift, vooral in de Handelingen der Apostelen en in de Apocalyps, veel staat opgeteekend, wat de Apostelen niet uit den mond van J esus Christus vernomen hebben, daar het eerst na de hemelvaart van Christus gebeurd of door God geopenbaard is.

De Openbaring, van welke wij liier spreken, wordt de hovenna-tuurlijke genoemd, om ze te onderscheiden van de natuurlijke, welke daarin bestaat, dat God zich aan ons doet kennen door de schepping en het bestuur der wereld, of door de stem van ons geweten, gelijk later zal verklaard worden. I)e bloot natuurlijke openbaring kan in den strengen zin des woords niet aldus genoemd worden, wijl baai-laatste grond niet steunt op het woord, dat God, de onfeilbare en waarachtige, tot ons gesproken heeft, maar op het inzien van ons verstand. Daaruit blijkt, dat de bovennatuurlijke Openbaring het voorwerp is van het christelijk geloof, hetwelk steunt op de onfeilbaarheid en waarachtigheid van God. Wie enkel aan de natuurlijke openbaring Gods geloof schenkt, heeft slechts eene overtuiging van zijn verstand, en gelooft niet meer dan hetgeen ook de heiden kangelooven. Hoogstens kan hij nog den naam van Christen voeren , doch in zijn hart heeft hij Christus verloochend.

-ocr page 57-

41

In hoeverre was het noodzakelijk, ier verkrijging der noodige

kennis van de geloofswaarheden, dat God ze ons openbaarde?

Zonder de goddelijke Openbaring zouden wij verscheidene geloofswaarheden slechts moeielijk en onvoldoende, en d.e meeste in het geheel niet gekend hehhen. Wat zouden wij, zonder de goddelijke Openbaring, weten van de geheimen der allerheiligste Drieiienheid, der menschwording van Gods Zoon en der verlossing- van de wereld, of van de bestemming der menschen tot de zaligheid des hemels, d. i. tot de eeuwige aanschouwing Gods, en van de middelen, om die te bereiken ? Met het minste; want om deze waarheden uit ons zeiven te kennen, zou onze eindige geest het oneindige wezen Gods moeten aanschouwen en zijne eeuwige raadsbesluiten doorgronden. „God bewoont echter „een ontoegankelijk licht, Hij, Wien geen mensch gezien „heeft of zien kan\'\' (I. Tim. VI, 16). En „nauwelijks ..kunnen wij raden naar de dingen, die op aarde zijn, en „wat voor onze oogen is, vinden wij met moeite; maar \'t geen „in den hemel is, wie zal dat ixitvorschen ? Uwen raad „dan, (o God) wie kent dien, tenzij Gij wijsheid schenkt, en „uwen heiligen Geest zendt uit den hoogen (Wijsh. IX, 16, 17). \'t Is derhalve duidelijk, dat wij , zonder de goddelijke Openbaring, de meeste waarheden van ons geloof, namelijk al diegene, welke onze bovennatuurlijke bestemming betreffen, volstrekt niet gekend zouden hebben.

Daarom leert het Vatikaansche Concilie: „indien iemand „zegt, dat het niet kan geschieden of niet nuttig is, dat „de mensch door de goddelijke Openbaring aangaande God „en den eeredienst, Hem te bewijzen, worde onderwezen; „hij zij veroordeeldquot; (Can. 2 de revelatione). En; „Indien „iemand zegt, dat de mensch niet door God kan verheven „worden tot kennis en volmaaktheid, die boven de natuur-„lijke gaat; maar uit zich zeiven, door gedurigen voort-„gang, ten laatste tot het bezit van al het ware en goede „kan en moet komen, hij zij veroordeeldquot; ((Jan. 3). \')

\') Veroordeeld zijn ook de volgende stellingen.

//Alle leerstukken van den cbristelijken godsdienst zijn zonder onder-//Scheid liet onderwerp van de natuurlijke wetenschap of de wijsbe-//geerte; en de bloot historisch pevonnde menschelijke rede kan uit //bare eigen natuurlijke krachten en beginselen tot de ware wetenschap «over allo, ook de meer verborgen leerstukken geraken, zoo slechts «die leerstukken aan de rede als onderwerp zijn voorgesteldquot; (Syllabus § 1. IX).

//Alle godsdienstwaarheden vloeien uit de aangeboren kracht der //menschelijke rede voort; vandaar Is de rede de allervoornaamste //regel, waardoor de mensch de kennis aller waarheden van welken ,/aard ook, kan en moet verkrijgenquot; (Syllabus § 1. IV).

-ocr page 58-

42

Doch ook die waarheden van onzen heiligen godsdienst, welke voor het gezond verstand toegankelijk zijn, hijvoor-heeld dat er een opperst, eeuwig wezen bestaat, een God, maker van alle goed, schepper en bestuurder der wereld, die de deugd beloont en de zonde bestraft; dat onze ziel onsterfelijk is en verplicht, God te vereeren en Hem bovenal te beminnen, enz , zouden zonder de goddelijke Openbaring niet door allen , of niet zeker en grondig genoeg, meestal ook te laat en te moeielijk, en slechts met vele dwalingen vermengd, gekend worden, dewijl het natuurlijk licht der rede door de erfzonde zeer verzwakt is, en bovendien door de onbeteugelde driften des harten maar al te vaak verduisterd wordt. Niets leert ons duidelijker de ongenoegzaamheid der menschelijke rede, dan de afdwaling, waarin de volkeren vóór Christus geraakt zijn, zoodra zij zich van de reine bron der oorspronkelijke openbaring verwijderden. Hunne denkbeelden over God waren zoo wonderlijk, dat zij niet alleen zon en maan, water en vuur, beelden van hout en steen aanbaden, maar ook stieren, katten, slangen, zelfs moeskruid, zooals ajuin en look. Dit herdenkende, riep zeker dichter spottend uit; „O heilige volkeren, wier „goden in den tuin groeien !\'\' Zelfs de Egyptenaren , die om hunne bekwaamheden alom bewonderd werden, waren zoo verre afgedwaald. Niet beter stond het inderdaad met de Grieken en Komeinen, hoewel deze door beschaving, door kundigheden, omvang en diepte des geestes, boven andere volken zoozeer verheven waren, dat alle overige, met hen vergeleken, slechts „barbaren\'\' genoemd werden. De zonde zelfs werd als eene godheid vereerd. Hun Jupiter, de machtigste der goden, was een overspeler en vadermoorder. De godin Juno had het toppunt van ijverzucht en van alle vrouwelijke boosheid bereikt. Hun krijgsgod Mars hunkerde naar moord en bloed. De god. Mercurius was een bedrieger en dief, Bacchus een dronkaard; de hulp der godin Venus meende men zich door de schandelijkste losbandigheden te moeten verwerven \'). Wel waren er eenige wijzen, die de

\') Om de schandelijkheden der heidensche goden te verontschuldigen, heeft men in Jateren tijd in deze slechts zinnebeelden der natuurkrachten willen zien. Ook de heidenen zochten de aanvallen der christelijke geloofsverdedigers door eene dergelijke rechtvaardiging te beantwoorden. Doch reeds Arnobius, tevoren zelf een heiden, bewees (Disputationes contra gentes I. 5), dat hetgeen zij opwierpen om zich te rechtvaardigen, eene niets beteekenende verontschuldiging was, w-elke, eerst later uitgevonden, op geen bewijs steunde en volstrekt niet aanneembaar was, daar het meeste in de godenleer niet zinnebeeldig verklaard kan worden. Ook zocht men zich te redden,

-ocr page 59-

43

valschheid der godenleer erkenden; maar zelfs de meest verlichten onder hen waren laf genoeg, uit menschelijk opzicht den goden te offeren. Bovendien bevonden zij zich gestaag in twijfel over de gewichtigste waarheden, en vervielen, in weerwil hunner wetenschappelijke navorschingen, in duizend tegenstrijdigheden, zoodra zij zich over Grod en goddelijke dingen uitlieten. Eindelijk hekenden zij zeiven, dat men „niet eens kon weten, hoe men zich jegens God „en menschen gedragen moest, wanneer er niet iemand „kwam, om die dikke duisternis weg te drijvenquot; \'). Zelfs de eerste grondregels der zedeleer werden niet zelden door hen miskend of gehavend 1). Diezelfde onwetendheid heerscht nog in onzen tijd bij de heidensche volkeren. In Indië, om een enkel voorbeeld aan te halen, worden de koeien nog altijd als bizonder geheiligde en godgewijde dieren beschouwd, en nog heden leeren de Brahmanen of afgodenpriesters, dat een ieder zalig wordt, die met den staart eener koe in de hand den laatsten adem uitblaast. De hoogste gelukzaligheid kennen zij echter toe aan hen, die zich in diepe afgronden of in de vlammen van een brandstapel werpen, of door de wielen van een met afgodsbeelden beladen wagen zich laten verbrijzelen. Bijkans in alle eilanden van den stillen Oceaan (Zuidzee) beslaat nog te

1

) Bij do Lacedemoniërs bestond, zooals Plutarchus in de levensbeschrijving van Lycurgus verhaalt, de wet, dat alle pasgeboren kinderen voor de plaatselijke overheid moesten gebracht worden. Bevond deze, dat zij zwak of misvormd waren, dan werden zij zonder mededoogen in een kuil geworpen en aan den hongerdood prijs gegeven. Dit gebruik bestond eeuwen lang, en vond van den kant der wijzen van Griekenland bijval, zelfs aanmoediging. Zelfs de gevierde Plato schreef in zijn boeli over den Vrijstaat, dat men do kinderen, die zwak of misvormd geboren werden, niet moest opvoeden. De dwalingen der heidensche wijsbegeerte, ook in de gewichtigste leerstukken , hebben de heidenen zeiven aangewezen.

-ocr page 60-

44

dezer dagen de gewoonte, mensclienoffers aan de goden of aan de afgestorvenen te brengen.

Hoe heerlijk en heilzaam is het licht der goddelijke Openbaring in vergelijking met den bedriegelijken schemer der menschelijke wijsheid! Evenwel hebben de waanwijzen van onze dagen, die hunne trotsche, door de hartstochten verblinde rede vergoden, en „de verlichtenquot; genoemd worden, gezworen, ons van die zoo kostbare gave Gods te berooven. Zij haten het hemelsche licht en zouden het gaarne alom uitblusschen. En wat willen zij ter vergoeding geven ? Eene akelige, koude, zoogenaamde verstandsleer, welke ons in de pijnlijkste onzekerheid over God en onze eeuwige bestemming laat, of zelfs, lijnrecht in strijd met de rede, het wezenlijk onderscheid tusschen deugd en zonde opheft, en, gevolgelijk doorgevoerd, ons noodzakelijk moet terug-stooten in de barbaarschheid, waaruit het Christendom ons heeft gered ■). De gruwelijke tooneelen der groote fransohe omwenteling op het einde der vorige eeuw, en al de rampen, welke deze over Europa gebracht heeft, zijn niets anders, dan de vergiftige vruchten der heidensche waanwijsheid , welke het ongeloof in de plaats der goddelijke Openbaring wilde stellen

\') //De menschelijke rede quot;beslist alleen, met algelieele terzijdestelling «van God, over waar en valsch, over goed en kwaad, zij is zich //zelve tot wet en uit hare eigen natuurlijke krachten genoegzaam //Om voor het welzijn der menschen eu volkeren te zorgen.quot; Deze stelling is veroordeeld door Z. II. Pius IX in den Syllabus § I III.

Wanneer men de uitwerkselen van die zoogenaamde verlichting meer van nabij beziet, geraakt men in de bekoring uit te roepen ; //Beter de dikste duisternis, dan uw doodend licht!quot; (Triumph der Philosophic, d II. bladz. 451). //Om de wijsgeeren aa.n het bestuur «van Frankrijk te krijgen, hebben de verlichten het geheele rijk //omvergestort, en zij hebben niets anders geleverd, dan moordenaren «van godsdienst en deugd.quot; Aldus spreekt La Harpe, een ooggetuige en vroeger zelf een der vurigste vrijgeesten. //Hen kan de geheele //philosophie van den lateren tijd beschouwen als een zondigen alval «van de waarheid, als eene immer toenemende verduistering van liet //eenig licht voor alle geesten. Het was de gigantomaclüe (reuzenstrijd) //Overgebracht op het gebied der menschelijke wetenschap, een opstand «van de geschapen geesten tegen den Schepper, van de gevallen //geesten tegen den eenigen Geest. Dp. ongerijmdheid ging zoo ver, //dat ieder van die philosophen. zich verbeeldde, dat God en het heelal «en alle waarheid gevangen lag en verbannen was in een inktkoker!quot; (Zoo Wolfgang Menzel, Litteraturblatt IS56. n3. 59 over Schelling\'s werken.) Van liet Pantheïsmus, de lievelings-theorie onzer zoogenaamde philosophische verlichten, zegt zelfs de goddelooze Bayle (Diction, liistor. et crit. art. Spinoza): «Een man met een gezond //verstand zou eer kunnen besluiten, met eigen tanden en nagels de «.aarde om te wroeten, dan zich te bemoeien met eene zoo walgelijke „en dolzinnige leer. Zij bevat den schandelijksten en meest dwiizen «onzin, dien men kan uitdenken. Zij stelt God nog oneindig afschu-//weiijker voor, dan alles, wat ooit de heidensche dichters aangaande

-ocr page 61-

45

Zien wij nu dat de raensch behalve het licht der rede ook het licht lt;ler Openbaring noodig heeft, om het doel, waartoe zijn Schepper hem op de wereld gepiaatst heeft, onfeilbaar te kennen en zeker te bereiken, dan mogen wij er niet aan twijfelen, of God, die steeds vol liefde zorg draagt voor het edelste schepsel, dat de zon verlicht, heeft in zijne goedheid hem ook dat licht der Openbaring gegeven. God, die den mensch voor het tijdelijk welzijn zoo overvloedig zijne gaven schenkt, wilde voorzeker de waarheid, naar welke\'s menschen geest dorst, en zonder welke alle aardsche goederen niets baten, hem niet onthouden. Al leerde het geloof niet, dat God ons de waarheid geopenbaard heeft, toch zou de mensch mogen hopen, de onvervalschte waarheid door Gods genade op eene of andere wijze te vinden. Ja, ea\'gens moet de waarheid, de door God geopenbaarde waarheid te vinden zijn. Waar nu moet de raensch haar zoeken? Waar zal hij haar vinden? Zeker niet bij de wijsgeeren van de heidensche oudheid; klaarblijkelijk toch is het, boe schandelijk zij en de volkeren, onder welke zij hunne vroeger hooggeprezen wijsheid geleerd hebben, zijn afgedwaald. Nog minder bij de Brahmanen van Indië \') of de aanhangers van Mahomed, wiens leer de belachelijkste dwaasheden goedkeurde en het laagste zingenot billijkte. Ook niet bij de vrijdenkers van onzen tijd, daar de waarheid onmogelijk losscheuring van God en bron van het zedelijk verval der volkeren zijn kan. Vrucht der waarheid is eendracht, liefde, deugd, geenszins tweespalt, opstand, boosaardigheid, welke de gevolgen zijn van de leer der moderne philosophie. De goddelijke waarheid is derhalve, gelijk blijkt, nergens anders te vinden, dan in het Christendom. Daar vinden wij eene reine, eene God waardige leer, de leer van het Evangelie, welke hebzucht, hoogmoed, eigenliefde verfoeit, en ons allen liefde, zachtheid, vrede, ootmoed, gehoorzaamheid verkondigt. Zij heeft de wereld met het licht der goddelijke kennis verlicht, een einde gemaakt aan de door godendienst en wet geheiligde wreedheden, de boeien der slavernij verbroken, den volkeren vrede en ware vrijheid gebracht. En wie is in staat, al die stichtingen te tellen, welke zij ter verzorging van zieken en noodlijdenden in \'tleven geroepen heeft? Die leer is door de belijdenis van ontelbare Bloedgetuigen bezegeld, door de wijsheid der grootste geesten, die haar verdedigden, verheerlijkt, en door de schitterendste wonderen, gelijk God alleen die kan bewerken. bekrachtigd. Moe groot is niet het aantal der ware helden, die zij voor de deugd gevormd heeft, hoe zoet de troost en vrede, welke zij in het hart stort! Wie moet niet hare zegeningen en heilzame vruchten als den stempel der goddelijkheid erkennen? Wat dergelijks heeft ooit de wereldwijsheid opgeleverd? Met volle zekerheid mogen wij alzoo de leer des Evangelies als de door God geopenbaarde. waarheid aannemen. Evenmin als God ons kan bedriegen, wijl Hij deze leer zoo wonderbaar verheerlijkte, mogen we vreezen , dat wij ons op eene of andere wijze bedriegen, als wij deze leer gelooven en belijden -).

//de goden verzonnen hebben; want deze schreven toch aan hunne //goden niet alle schanddaden en misslagen toe, welke door geheel //het menschelijk geslacht bedreven zijn. Maar in het stelsel der //Pantheïsten is alles God; God is derhalve het eenig werkende en //lijdende wezen, dat bestaat; Hij alleen is bijgevolg oorzaak en doel //van al het kwade in de wereld, dat reeds gedaan is, thans geschiedt «of in de toekomst gebeuren zal.quot;

\') Over den godsdienst der Brahmanen leze men het schoone werk van Pater Heynen: „Blikken op Indie.quot;\'

^ Hier geldt het woord van Richard van St. Victor (de Trinit. 11): «Heer, zijn wij in dwaling, dan hebt Gij zelf ons bedrogen: want //onze geloofsleej- wei\'d bekrachtigd door wonderen zóó groot, dat ze //alleen door U konden gewrocht worden,quot;

-ocr page 62-

46

Geloofsbronncn: Heilige Schrift en Overlevering.

Op welke vnjze is de Openhanng, welke God voor eeuwen aan de Profeten en Apostelen gedaan heeft, tot ons gekomen?

De goddelijke Openbaring is deels schrifteliik, deels mondeling tot ons gekomen, schriftelijk door de H. Schrift of den Bijhei, mondeling door de Traditie of Overlevering.

Er zijn slechts twee wegen denkbaar, langs welke de vroeger gedane openharing tot ons komen kon, namelijk: de schriftelijke of de mondelinge mededeeling. De door God geopenbaarde waarheden moesten, of wel in een boek verzameld, ons schriftelijk overgegeven quot;worden, of diegenen, die ze het eerst vernomen hadden , moesten ze wederom aan anderen mondeling bekend maken, en deze aan hunne nakomelingen, en zoo door alle eeuwen tot op ons. God den Heer stond het vrij , den eenen of den anderen weg te kiezen, of ook beide met elkander te verbinden. Zijne eeuwige wijsheid verkoos nu het laatste; Hij wilde ons zijne Openbaring zoowel schriftelijk als mondeling mede-deelen. Diensvolgens zijn er twee bronnen, in welke de goddelijke openbaringen vervat zijn en uit welke de H. Kerk put; de H. Schrift of Bijbel en de Overlevering. In den Bijbel hebben wij als \'t ware een door God aan ons geschreven brief, en in de Traditie een bode, dien Hij ons toezendt om den brief mondeling aan te vullen en te verklaren, Echter moet men zich niet voorstellen, dat de Traditie niets meer is dan eene aanvulling of een bijvoegsel van den Bijbel. Alle heilswaarheden, welke in den Bijbel opgeteekend zijn, leert ook de Traditie; doch niet alles, wat de Overlevering leert, is tevens Bijbelleer.

Overigens dient hier nog opgemerkt te worden, dat Bijbel van de Grieksche taal afkomt en zooveel als hoek of hoeken heteekent Men geeft aan de H. Schrift dien naam, wijl zij het voortreffelijkste boek, het boek der boeken is. Traditie is een latijnsch woord, dat zoo veel als overlevering beteekent. „Erfleerquot; of „Overlevering\'\' heet de goddelijke leer, welke, zonder geheel in den Bijbel beschreven te zijn, tot ons gekomen is, omdat zij sinds den tijd der Apostelen in de katholieke Kerk overgeërfd of van den een aan den ander overgeleverd is. Hoe deze overlevering geschiedt, zien wij duidelijk uit de woorden van den H. Paulus aan den Bis-

-ocr page 63-

47

schop Timotheus: „wat gij van mij voor vele getuigen „gehoord hebt, doe dat wederom over aan vertrouwde „mannen, die bekwaam zullen zijn, om anderen te leeren.quot; De HH. Apostelen onderwezen alzoo diegenen, die zij tot leeraars of Bisschoppen over de kerkelijke gemeenten aanstelden , en droegen hun op, weder anderen, die tot het leeraarsambt geroepen waren, naar behooren te onderrichten. Zoo onderwees altijd de een den ander zorgvuldig in de apostolische leer, en zoo kwam deze van hand tot hand, of liever van mond tot mond alle eeuwen door tot ons. Daarmede is echter niet gezegd, dat de overgeleverde leer in den loop der eeuwen niet is opgeschreven, doch alleen, dat zij door de Apostelen of Evangelisten op ingeving des H. Geestes niet is opgeteekend, maar mondeling door hen werd overgegeven.

Wves* de Siealas\'c Schrift-

IVat is de heilige Schrift?

De Heilige Schrift is eene verzameling van boeken, welke, onder ingeving en bizonderen bijstand des Heiligen Geestes geschreven, door de Kerk als het woord van God erkend zijn.

Twee dingen zijn derhalve noodzakelijk, opdat een of ander boek als bestanddeel der H. Schrift beschouwd kan worden.

1°) Moet het onder ingeving en bizonderen hijstand des R. Geestes geschreven zijn, d. i. de goddelijke Geest moet den schrijver er van niet enkel tot schrijven opgewekt en inde keuze der stof geleid hebben, maar hem ook voortdurend hebben bijgestaan en zóó voorgelicht, geleid en bekwaam gemaakt, dat het geschrevene met volle recht als het onbedrie-gelijk woord van God kan aangenomen worden. 2°) Moet het boek niet slechts door den H. Geest ingegeven, maar ook door de Kerk moei erkend en verklaard zijn, dat het door den H. Geest ingegeven en dus Gods woord is. De Kerk toch alleen kan ons, gelijk later zal bewezen worden, eene volkomene zekerheid geven van de goddelijkheid der H. Schrift. Wij bezitten nog een brief, die door den H. Barnabas, en een anderen, die door Christus zeiven aan den Koning Abgar van Edessa, naar men zegt, geschreven is; eveneens zijn er verscheidene voorzeggingen en open baringen in de werken

-ocr page 64-

48

van de HEL Gertrudis, Brigitta, Hildegardis en anderen opgeteekend. Evenwel vereeren wij die niet, gelijk wij de H. Schrift vereeren, als Gods woord, wijl de Kerk ze nergens als zoodanig erkend heeft en alzoo van hare goddelijkheid ons geene zekerheid schenkt.

Hoe wordt de 11. Schrift verdeeld?

De H. Schrift wordt verdeeld in boeken van het Oude en Nieuwe Testament of van het Oude en Nieuwe Verbond.

De heilige boeken, welke vóór de komst des goddelijken Verlossers vervaardigd zijn, heeten : „het Oude Testament of „boeken des Ouden Testaments,quot; of ook „des Ouden Verbonds,quot; wijl zij betrekking hebben op het verbond, dat God voor Christus\' komst met de menschen gesloten heeft. Die boekeu, welke reeds na Christus geschreven zijn, heeten: „het Nieuwe Testament,quot; of „boeken van het Nieuwe Testament,quot; of ook „van het Nieuwe Verbond,quot; omdat zij betrekking hebben op den nieuwen bond, welken Christus tot heil der wereld gesticht heeft. — Nadat namelijk de mensch door de zonde zich van God had afgescheurd, wilde God zich over hem erbarmen, beloofde hem een Verlosser, en schonk allen, die aaa den beloofden Verlosser gelooven en vroom leven zouden, eene zekere hoop op zijn eeuwig rijk. Toen echter in het vervolg van tijd de menschen het geloof aan den waren God verloren, verkoos de Heer Abraham uit, en sloot met hem een verbond, waarbij Hij hem tijdelijke zegeningen, vooral eene talrijke nakomelingschap en het bezit van het land Kanaan beloofde, en bovendien de stellige verzekering gaf, dat uit zijn geslacht de Verlosser zou geboren worden. Dit verbond werd later op Sinaï door God plechtig bekrachtigd en tot het geheele volk uitgestrekt. Toen in lateren tijd de beloofde Verlosser werkelijk verschenen was, sloot God met de menschheid een nieuwen, eetmujdu-renden hond, waarbij Hij de volheid van alle geestelijke genaden en de eeuwige zaligheid beloofde.

Testament beteekeut een verbond of legaat, dat eerst met den dood van dengene, die het maakt, kracht verkrijgt, „want een testament wordt door den dood geldendquot; (Hebr. IX, 17). Dewijl nu het Nieuwe Verbond door den dood van Jesus Christus is bezegeld, heet het terecht Testament. Ook aan het oude Verbond wordt die naam gegeven, omdat net met het bloed der geslachte offerdieren, welke eene voorafbeelding waren van den bloedigen offerdood van Jesus Christus, bezegeld was. Want zoodra Mozes alle geboden

-ocr page 65-

49

der wet aan heel het volk had voorgelezen, nam hij het bloed van stieren en bokken en besprenkelde het boek voor al het volk en sprak: „dit is het bloed des verbonds, „hetwelk God met u gesloten heeftquot; (Hebr. IX, 19, 20. Zie 2. Mos. XXIV).

Welke openharinj her,at het Oude Testament ?

Het Oude Testament bevat de goddelijke openbaringen, welke vóór de komst van Christus aan de menschheid gedaan zijn, namelijk die, welke door God in de vóórchristelijke tijden gegeven en door heilige mannen, onder ingeving des H. Geestes, tot leering der menschen zijn opgeschreven. Het is voorzeker mogelijk, ja waarschijnlijk, dat God ook aan den een of ander, door innerlijke verlichting, door droomen, verschiiningen of op andere wijze, openbaringen heeft gedaan, die in den Bijbel niet zijn opgeteekend, dewijl zij niet voor de menschen in het algemeen, maar slechts voor eenigen in het bizonder bestemd waren ; daarom werden hier enkel die openbaringen opgeteekend, welke voor alle menschen gegeven zijn. Want de in den Bijbel verzamelde schriften, (ofschoon eenige vooral op de joodsche natie betrekking hebben), zijn alle voor de nakomelingschap, tot heil der menschen geschreven, wijl alle, gelijk de H. Paulus betuigt (2 Tim. III, 15—17), geschikt zijn „tot „onderwijzing ter zaligheid, en elk op zich nuttig is ter „leering, ter verbetering, tot terechtwijzing, ter onderwijzing „in de gerechtigheid, opdat de man Gods volmaakt zij, tot „alle goed werk toegerust.quot;

Uit welke hoeken bestaat het Oude Testament?

Uit 21 geschiedkundige, 7 leer- en zedekundige en 17 profetische boeken.

De geschiedkundige hoeken zijn: 5 boeken van Mozes, het boek Josuë, der Kechters, Ruth, 4 boeken der Koningen, 2 der Kronieken of Paralipomenon (d. i. overgeslagen feiten), het boek Esdras, Nehemias, Tobias, Judith, Esther, 2 boeken der Machabëen.

De vijf hoeken van Mozes bevatten de geschiedenis der schepping van de wereld en van den mensch , het verhaal van den zondeval en zondvloed, van de Patriarchen en het joodsche volk tot aan den dood van Mozes, benevens de joodsche godsdienst- en staatsregeling. De boeken Josuë, der Redders, der Koningen, der Kronieken, van Esdras en

DEHAKBE, GELOOPSLEER. I. Sde DRUK, A

-ocr page 66-

50

Nehemias zetten de joodsche geschiedenis voort tot de herstelling van den joodschen staat en den mozaïschen godsdienst na de babylonische gevangenschap in de vijfde eeuw voor Christus. De boeken der Machabêen verhalen de rampen der joodsche natie en hare roemvolle oorlogen onder aanvoering van den priester Mathathias en zijne zonen, üe boeken Ruth, Tobias, Judith, Esther behelzen bizondere gebeurtenissen of het verhaal van enkele huiselijke voorvallen, welke in de geschiedenis der Joden plaats vonden.

De leer- of zedehmdige loelcen zijn: Job, de Psalmen, de Spreuken, de Prediker of Ecclesiastes, het Hooglied, het boek der Wijsheid, Sirach of Ecclesiasticus. — Het boek Job toont ons in dien vromen lijder een wonderbaar voorbeeld van volmaakte overgeving aan den goddelijken wil bij de zwaarste beproevingen; het is rijk aan verhevene gedachten en heerlijke zedelessen. Het boek der Psalmen is eene verzameling van godvruchtige liederen, deels door David, deels door andere vrome mannen vervaardigd. Het Hooglied scliildert in zinnebeeldige taal het geestelijk huwelijk van den Zoon Gods met zijne bruid, de H. Kerk, en met alle rechtvaardige zielen. De overige leerboeken zijn verzamelingen van wijze gedenkspreuken, zedelessen en levensregels, welke de H. Geest aan vrome mannen ingaf.

De profetische boeken zijn: Isaias, Jeremias, Baruch, Ezechiël, Daniël, Oseas, Joël, Amos, Abdias, Jonas, Micheas, Nahum, Habakuk, Sophonias, Aggeus, Zacharias, Malachias. Zij behelzen, behalve de voorzeggingen, ook bedreigingen, vermaningen tot boete, woorden van troost aan de bedrukten, en hier en daar iets geschiedkundigs. Niet alle Profeten hebben geschriften nagelaten , maar alleen de vier groote: Isaias, Jeremias, Ezechiël, Daniël, en de twaalf andere, die men de kleine noemt, wijl hunne geschriften van geringeren omvang zijn, dan die der vier eerste. De geschriften van Baruch zijn gevoegd bij die van Jeremias, wiens leerling hij was.

Welke openbaring bevat het Nieuwe Testament?

Het Nieuwe Testament bevat de goddelijke openbaringen, welke wij door Christus en de Apostelen ontvangen hebben,

Het behaagde God, Zich aan de menschen langzamerhand, trapsgewijze te openbaren. Eerst verscheen het matte schemerlicht der patriarchale openbaring ; vervolgens de dageraad der mozaïschej en eindelijk de schitterende zon der christelijke openbaring. Door Jesus Christus verkreeg de goddelijke

-ocr page 67-

51

openbaring hare laatste en volkomene ontwikkeling. Jesus Christus, de eeniggeboren Zoon Gods, is namelijk „bet „ware licht, hetwelk verlicht alle menschen, die in de „wereld komen. En van zijne volheid hebben wij allen „ontvangen genade op genade. Want de wet werd door Aiozes gegeven; genade en (volle) waarheid echter is ons „door Jesus Christus geworden. Niemand heeft God ooit „gezien ; de eeniggeboren Zoon die in den schoot des Vaders „is, heeft het ons gemeidquot; (Joan. I, 9, 16—18).

Vit welJce ioehen bestaat fiet Niemoe Testament ?

1) Uit de 4 Evangeliën door Mattheüs, Marcus, Lucas en Joannes; 2) uit de handelingen der Apostelen van den H. Lucas; 3) uit 14 brieven van den H. Paulus en 7 van andere Apostelen ; 4) uit de geheime Openbaring (Apoca-lypsis) van den H. Joannes.

De vier Eoangeliën, aldus genoemd, wijl zij de goede of blijde boodschap van het rijk Gods verkondigen, behelzen de levensgeschiedenis van onzen Heer Jesus Christus. In deze worden Christus\' daden, de leeringen, welke Hij voordroeg, en de wonderen, waarmede Hij zijne leer bekrachtigde, meer of minder volledig beschreven \'). De Handelingen der Apostelen, door den H. Lucas geboekstaafd, bevatten de geschiedenis der Kerk gedurende een tijdsverloop van dertig jaren; van hoofdstuk 13 af vindt men echter alleen de geschiedenis van den H. Paulus, en het einde verhaalt zijne

^ De H. Apostel Mattheüs, ook Levi genoemd, schreef op de eerste plaats liet Evangelie, om de Joden te overtuigen, dp-t Jesus de Messias was, door de Profeten voorspeld. Hij bindt zich niet aan eene strenge volgorde van tijd of plaats, maar is er bizonder op bedacht, de vervulling der voorzeggingen van het Oude Testament aan te toonen. Na hem schreven de H. Marcus, een leerling en gezel van den II. Petrus, en Lucas, de reisgenoot van den H. Paulus. De H. Joannes schreef zijn Evangelie eerst op hooge jaren , om de ketters van dien tijd te overtuigen, dat Jesus Christus de Zoon Gods is, en dat allen , die in Hem gelooven, het eeuwig leven hebben; daarom begint hij zijn Evangelie met den eeuwigen oorsprong van den goddelijken Zoon. Tengevolge van hetgeen de Profeet Ezechiël (1,10) beschrijft, wordt de H. Mattheüs onder het zinnebeeld van een mensch, de H. Marcus onder het beeld van een leeuw, de H. Lucas met een stier en de H. Joannes onder het zinnebeeld van een adelaar voorgesteld. Deze verdeeling , merkt Allioli aan, steunt volgens den H. Hieronymus hierop, dat de H. Mattheüs zijn Evangelie begint met het geslachtsregister van Jesus Christus als mensch, de H. Marcus met de prediking van den II. Joannes den Dooper: //doet boete!quot; als het gebrul van den koninklijken leeuw, Lucas met het priesterschap van Zacharias,

Joannes met de eeuwige godheid van onzen Heer Jesus Christus.

4*

-ocr page 68-

gevangenschap te Rome. De Irieven der Apostelen zijn: 14 van den H. Paulus, namelijk 1 aan de Eomeinen, 2 aan de Corinthers, 1 aan de Galatiërs, 1 aan de Ephesers, 1 aan de Philippensers, 1 aan de Colossers, 2 aan de Thessalonieken, 2 aan Timotheüs, 1 aan Titus, 1 aan Philemon, 1 aan de Hebreërs. De andere brieven zijn : 1 van den H. Jacobus, 2 van den H. Petrus, 3 van den H. Joannes, en 1 van den H. Judas Thaddeüs. De genoemde brieven zijn geenszins bestemd om een volledig begrip der christelijke leer te geven; zij zijn meestal ontstaan door toevallige omstandigheden, en hebben ten doel de opgelichte gemeenten te onderwijzen of te vermanen ; somwijlen zijn zij ook aan bizocdere personen gericht, om hen te sterken in het geloof, in beproevingen, enz. De Apocalypds of geheime Openharing , door den H. Evangelist Joannes geschreven, is, zoowel naar inhoud als uitdrukking , een profetisch boek, en bestaat hoofdzakelijk uit de voorzegging van den strijd en de zegepraal der christelijke Kerk.

Reeds in de eerste tijden des Christendoms werd deze lijst van de H. boeken (canon) door de II. Kerk vastgesteld, en sinds in verscheidene Conciliën en vooral door de Kerkvergadering van Trente bevestigd, met bedreiging van den ban tegen de dwaalleeraars, die „deze boeken niet in hun „geheel, met alle hunne deelen, gelijk zij van oudsher „altijd in de Kerk gelezen werden en in de oude latijnsche „vulgaat-uitgave vervat zijn , als heilige en goddelijke boeken aannemen.\'\' (Zitting 4).

Ook de Vatikaansclic Kerkvergadering leert: //Indien iemand de ,/boeken der heilige Schrift in hun geheel en met al hunne deelen, //zooals het heilig Concilie van Trente ze heeft opgegeven, niet „houdt voor heilig en kanoniek, of loochent, dat zij door God zijn //ingegeven, hij zij veroordeeldquot; (Can. 4. de revelatione).

\'Vulgaat-uitgave of kortweg vulgata heet de algemeen verspreide uitgave. Zij is de oude, latijnschc, door den H. Hieronymus (j 420) gedeeltelijk verbeterde, gedeeltelijk bewerkte bijbelvertaling, welke door een meer dan duizendjarig gebruik in de Kerk bewaard, en daarom door het Concilie van Trente als authentiek verklaard is. Toen namelijk ten tijde der zoogenaamde Hervorming eenieder, die eenige kennis van de hebreeuwsche en grieksche taal had, zich aanmatigde, eene nieuwe bijbelvertaling te leveren, en daardoor zoo groote verwarring en onzekerheid ontstond, dat men weldra niet meer wist, aan welke vertaling men zich te houden had: verklaarde het Concilie van Trente, dat men zich aan de vulgata moest houden, dewijl deze door het gebruik van zoovele eeuwen bewaard was gebleven en derhalve bij haar niet, gelijk bij andere nieuwe vertalingen, te vreezen was, dat zij ergens eene verkeerde geloofs- en zedeleer kon bevatten; want de katholieke Kerk waakte steeds met de grootste zorgvuldigheid, dat zelfs geene enkele letter aan de haar door Christus toevertrouwde leer veranderd zou worden.

-ocr page 69-

IF at moeten wij van de H. Schrift gelooven ?

Dat zij niet slechts een geloofwaardig en onvervalscht boek, maar dat zij waarlijk Gods woord is.

Het is geenszins genoeg, de H. Schrift enkel als eene oude, eerwaardige oorkonde, welke onvervalscht tot ons gekomen is en geene onwaarheid bevat, te beschouwen. Ook een ongeloovige is in staat door wetenschappelijk onderzoek tot die overtuiging te komen; en het zou mogelijk zijn, dat bij niettemin in zijn ongeloof bleef volharden. Een Christen moet vast en zonder eenigen twijfel niet alleen de waarheid der H, Schrift, maar ook hare goddelijkheid gelooven , d. i. gelooven, dat de geheele H. Schrift onder bizondere leiding en voortdurende ingeving des H. Geestes geschreven, derhalve de ware uitspraak van den goddelijken Geest, het onbedriegelijk woord Gods is. De H, Paulus (2 Tim. III, 16) noemt de H. Schrift „eene door God „ingegeveneen de H. Petrus (2de brief I: 21) zegt uitdrukkelijk, terwijl hij op de voorzeggingen der H. Schrift wijst, „dat nog nooit eene voorzegging door den wil eens „rnenschen is uitgebracht, maar dat heilige mannen Gods, „door den H Geest gedreven (onder ingeving des H. Geestes), „ze hebben gesproken.quot; Wij moeten derhalve de H. Schrift meer dan eenig ander boek in eere houden, en al hare woorden, welke wij hooren of lezen, opnemen en in ons hart prenten, alsof zij inderdaad uit den mond Gods ons ter oore kwamen. „Wanneer het Evangelie of een apostolisch „geschrift gelezen quot;wordt,quot; zegt de H. Gregorius van Neocesarea (2de preek op Maria boodschap) , „geef dan „geen acht op het boek of den lezer, maar alleen op God, die uit den hemel tot u spreekt.quot; De eerste Christenen hielden de H. Schrift zoozeer in eere, dat vele liever den smartelijksten dood ondergaan wilden, dan het woord Gods aan de heidensche tirannen over te geven.

De heilige Vaders zijn onuitputtelijk in het aanprijzen van dit Goddelijk boek. „Uoevele tranen,quot; roept de H. Augustinus tot God, „persten de gezangen en psalmen, „welke in uwe Kerk weerklonken, uit mijne oogen!quot; „Niets „treft mij op aarde meer,quot; zegt hij bij eene andere gelegenheid, „dan uwe stem, o God! iti de goddelijke boeken „uwer H. Schrift te vernemen. Het is voor mij een genoegen, „dat alle vreugde overtreft.quot; Vele Heiligen, onder andere, de H. Aartsbisschop Carolus Borromeus, lazen de H. Schrift altijd knielende. En hoezeer vereert de Kerk het Evangelieboek bij de H. Mis! Alvorens de priester het leest, smeekt hij diepgebogen, dat God zijn hart en zijne lippen zuivere,

-ocr page 70-

54

gelijk Hij vroeger de lippen vac den Profeet Isaias met eene vurige kool gereinigd heeft. Het wordt ter rechter zijde des altaars gelezen of gezongen. Bij eene plechtige H. Mis draagt de subdiaken het op de horst, de mishedie-naars staan er om heen met geurigen wierook en brandende kaarsen, de diaken wijdt het met den wierook, en laat het den priester vereeren. Alle Christenen staan eerbiedig op bij het Evangelie, en teekenen voorhoofd, mond en hart met een kruis. Welke straffen verdienen zij niet, die de woorden der H. Schrift tot scherts en spotternij misbruiken, of ze naar eigen goeddunken verminken, hekelen of verwerpen!

IF aai om moeten wij gclooven, dat de 11. Schrift waarachtig Gods woord is?

Wijl de Kerk ons leert, dat de geheele H. Schrift, welke zij als Gods woord erkent, onder ingeving des H. Geestes gebchreven en door haar ten allen tyde onvervalscht bewaard is. — Sinds de vroegste tijden beriep de Kerk zich op de uitspraak der H. Schrift als op de uitspraak van God, en niet zelden uitdrukkelijk met de woorden: „zoo leert of „spreekt de H. Geest in de H. Schrift.quot; Reeds de H. Paus Clemens, een leerling van de HH. Apostelen Petrus en Paulus, noemt de H. Schrift „de ware uitspraak (het orakel) van den H. Geest;quot; de H. Ireneus zegt, dat zij „door den godde-„lijken Geest is ingegeven,quot; en de H. Martelaar Justinus, dat de schrijvers er van „schreven, wat God hun had ingegeven, en dat zij niets van het hunne er bij deden, dan „den schrijftrant d. i. de wijze van gedachten uit te drukken.quot; Vandaar zien wij ook, dat, ofschoon dezelfde H. Geest de oorsprong is van alle bijbelsche boeken, de schrijftrant nochtans verscheiden is. Doch al misten wij ook deze en honderd andere getuigenissen der HH. Vaders, welke aangehaald konden worden: de besluiten der Kerkvergaderingen, vooral van Florence en van Trente, zouden reeds voldoende zijn, om te bewijzen, dat volgens de katholieke leer de geheele H. Schrift door den H. Geest ingegeven, derhalve waarachtig Gods woord is. Slechts ten gevolge dier kerkelijke leer gelooven wij alzoo de goddelijkheid dezer eerwaardige oorkonden; want ofschoon de Apostelen Petrus en Paulus, gelijk we boven zeiden, betuigen, dat de H. Schrift door God is ingegeven, zouden wij toch niet weten, welke boeken tot de H. Schrift behooren, zoo de Kerk het ons niet leerde.

Intusschen blijft het altijd waar, dat, terwijl wij, op het getuigenis der Kerk afgaande, de goddelijkheid der H.Schrift

-ocr page 71-

55

gelooven, de eigenlijke beweegreden van ons geloof niet zoozeer de Kerk, als God zelf is, namelijk zijne oneindige waarachtigheid, die niet dwalen, noch in dwaling voeren kan. Maar de leer der Kerk is de noodzakelijke voorwaarde van ons geloof, omdat wij slechts door middel van de Kerk weten, welke de van God ingegeven (geïnspireerde) boeken zijn. Daarom hebben ook de ketters, die de katholieke Kerk niet erkennen, gelijk wij later zullen zien, volstrekt geen voldoend bewijs voor de goddelijkheid des Bijbels, op welks getuigenis zij zich toch voortdurend beroepen. Wanneer een bediende des konings, door dezen gezonden, en als een vertrouwd persoon bekend, op last van zijn heer, eenen brief overhandigde met de verzekering: de brief komt van den koning, en alles, wat daarin wordt medegedeeld, is door hem zeiven woordelijk opgegeven, dan zouden wij in dat geval den inhoud van het koninklijk schrijven niet als het woord, van den bediende, die het ons brengt, maar als het woord des konings gelooven en vereeren; zonder den bediende zouden wij echter niet in het bezit zijn van den brief, noch weten, dat de koning zelf de woorden heeft opgegeven aan zijn geheimschrijver. De H. Kerk is de gezant van God, onzen hemelschen Koning; zij overhandigt ons de H. Schrift met de stelligste verzekering, dat de inhoud Gods woord is, dat God zelf door zijnen H. Geest den schrijvers heeft ingeven, wat zij schrijven moesten. Wij moeten diensvolgens den inhoud der H. Schrift niet als het woord der Kerk, maar als Gods woord beschouwen en gelooven. Door de Kerk weten wij evenwel eerst met zekerheid, dat de H. Schrift niet het woord van menschen; maar waarachtig het woord van God is.

Indien iemand de vraag .stelde, of men op liet gezegde van den bediende, die ons liet koninklijk schrijven overhandigde, of, met andere woorden, van de Kerk, welke ons de H. Schrift als Gods woord ter hand stelt, zich verlaten mag: het antwoord zou niet moeielijk te geven zijn. Zouden wij wel, dus kon het antwoord luiden, ons volle vertrouwer weigeren aan een bediende, die algemeen bekend is als een rechtschapen mensch, die sinds jaren in dienst des konings gestaan en steeds met onomkoopbare trouw en nauwgezetheid zijn ambt heeft waargenomen; die niet alleen de liverei van een koninklijken hofbediende draagt, maar ook de beste geloofsbrieven kan tooiien, waaruit voor eenieder moet blijken, dat de koning hem met zijn onbeperkt vertrouwen vereert en uitdrukkelijk verlangt, dat allen zonder bedenken aan zijne woorden geloof zullen hechten? iïooit werd uit \'sdienaars mond eene onwaarheid vernomen, en waarom zou men thans, nu hij plechtig verklaart, dat zijn brief van den koning komt, dat de vorst persóonlijk de woorden opgegeven heeft en bevolen, dat men aan den inhoud als zijn koninklijk woord geloof moet schenken, waarom zou men nu den bediende zonder eenigen grond verdenken, of zelfs hem voor een lagen bedrieger houden, en het koninklijk schrijven als onecht verwerpen? Zou de

-ocr page 72-

56

koning zelf zicli daardoor niet hoogst beleedigd gevoelen? Passen wij nu het gezegde toe op de Kerk. Üo Kerk is voor ons geenszins een onbekend of verdacht verschijnsel. Haar ontstaan, haar leven en vlerken, hare uitbreiding en haar voortbestaan, de zegeningen,welke zij over alle volkeren verspreidt, kortom geheel hare geschiedenis is zichtbaar voor de gansche wereld. Hiemand kan ontkennen, dat zij van Christus en de Apostelen afstamt, sedert achttien eeuwen in zijn dienst staat, ter zijner eere werkt, lijdt, strijdt met de volkomenste toewijding en onkreukbaarste trouw. .Noch het zwaard der tirannen, noch de arglist der ketters, noch de verlokkende gunst van de vorsten dezer aarde, niets was in staat, haar ontrouw aan hare plichten te maken. A\'ragen we naar hare liverei, zij wijst op den smaad, den hoon, de vervolgingen van allerlei aard, welke zij om den naam van Jesus ondergaat. Dit is haar eerekleed; daardoor vooral is zij haren goddelijken Stichter gelijk, dat zij, der wereld slechts goed doende, niettemin door haar gehaat, gelasterd, vervolgd wordt. Ook hare geloofsbrieven, met het voor ieder erkenbare goddelijke zegel voorzien, kan zij ons allen toonen. Hare goddelijke stichting, haar onafgebroken voortbestaan, terwijl de machtigste rijken ondergingen, de onvergelijkelijke voortrelïelijkheid harer leer, de heiligheid van zoovele millioenen harer belijders, de buitengewone genadegaven en de schitterende wonderkracht, waarmede God haar verheerlijkte, dit alles bewijst toch aan ieder, die oogen heeft om te zien, dat de Kerk onmogelijk het werk van een bedrieger, maar het werk Gods is. L)och afgezien van al deze onloochenbare kenteckenen, alleen dit, dat zij //uit de wreedste vervolgingen altijd nieuwe kracht scheppend, den «geheelen aardbodem, van den opgang der zon tot haren ondergang, «te water en te land, eenig en alleen met de vaan van het kruis //doortrok, het bedrog van den afgodendienst ontmaskerde, de duis-,/ternis der dwalingen verdreef, over allerlei vijanden zegevierde, en „alle volkeren, stammen en nation, hoe ontmenscht ook in hunne „levenswijze, hoe verschillend van karakter, zeden, weiten, inrich-„tingen, met het licht der goddelijke kennis verlichtte en aan het „zoete juk van Christus onderwierp,quot; \') —■ die zoo schitterende overwinning en zegepraal over alle machten der duisternis verkondigt voorwaar allerduidelijkst, dat God de Kerk verlicht en regeert, mee haar strijdt en overwint. Waar was de arm des Aimachtigen ooit heerlijker zichtbaar, dan juist in de H. katholieke Kerk? \\Vrie ziet niet terstond in, dat de opstand tegen haar gezag een opstand is tegen God? Waarom zou men haar niet vertrouwen, aan hare uitspraken geen geloof hechten? Heeft men wel recht, haar van ééne leugen te beschuldigen? Gelijk Christus en de Apostelen voor bijna twee duizend jaren geleerd hebben, zóó en niet anders leert zij nog heden. Verdienen zij, die haar honen, lasteren en de geloovigen bespotten, wijl. deze zich aan haar onderwerpen, meer vertrouwen, dan de katholieke Kerk? Men onderzoeke eens van welken geest die spotters de kinderen zijn; men onderzoeke hunne grondstellingen, hunne daden; men besluite uit de vruchten, hoedanig de boom is. Waar is hun goddelijke geloofsbrief? Juist die onverzoenlijke haat, waarmede zij de Kerk honen en vervolgen, is een doorslaand bewijs tegen hen, een bewijs, dat zij al de kracht van het goddelijk gezag der Kerk voelen. Even diep als waar gedacht was het woord, dat in het jaar 1817 een beroemd staatsman (de heer dc Bonald) in de fransche Kamers der afgevaardigden uitsprak; „Ik zeg dank aan mijne eeuw, daar zij mij door „haren haat tegen de Kerk van Christus een nieuw bewijs voor de „waarheid dier Kerk geleverd heeft; want zoo razend kan de mensch „niets dan de waarheid haten!quot; Elk valsch geloof gevoelt namelijk . dat het waar geloof als van zelf zijn onverzoenlijke vijand is, en

\') Zendbrief van onzen H. Vader Pius IX van het jaar 1S1G.

-ocr page 73-

57

ziedaar de reden van dien woedenden haai. Het is de haat van Satan die God van zijnen troon wil storten, en van woede siddert, wijl hij het niet vermag.

De vijanden onzer H. Kerk verwijten ons gewoonlijk, dat wij bij de zooeven opgestelde bewijsvoering eene groote fout tegen de redeneerkunde begaan, als zouden wij op de vraag: hoe weet gij, dat de H. Schrift de waarheid zegt? antwoorden: omdat de Kerk het ons leert; en vervolgens op de tweede vraag: maar hoe weet gij, dat de Kerk waarheid spreekt? opnieuw ten antwoord geven: wijl de H. Schrift het ons leert. Dit verwijt rust echter op eene dubbele onwaarheid. Ten eerste is het valsch, dat wij, om de waarheid der H. Schrift te bewijzen, ons enkel op het getuigenis der Kerk beroepen. Voorzeker kan men alleen door de leer der Kerk bewijzen , dat de H. Schrift een goddelijk d. i. een door den H. Geest ingegeven boek is, en zelfs onze tegenstanders pogen te vergeefs, een ander grondig bewijs er voor in de plaats te stellen. Dat echter de H. Schrift gelooficaardig en onvervalschl is, derhalve slechts waarheid bevat, daarvoor hebben wij, behalve het getuigenis der Kerk voor hare goddelijkheid, nog vele andere ontegensprekelijke bewijzen, gelijk wij in de volgende vragen zullen aantoonen. Ten tweede is het eene niet minder valsche bewering, dat wij, enkel op het getuigenis der H. Schrift afgaande, onze Kerk gelooven. Ook buiten het getuigenis der H. Schrift weten wij zeer goed, dat de H. Kerk ons niet misleiden of bedriegen wil. Daarvoor waarborgt ons reeds, zooals wij boven gezien hebben, hare in strijd en lijden beproefde trouw en liefde, haar voortbestaan, de heiligheid harer leer, de rijke zegeningen van hare werking. Dat zij ook zelve niet bedrogen kan worden en voor hare getrouwe volgelingen geen onheilvol dwaallicht is, daarvoor waarborgt ons God zelf, die haar, volgens de ontegensprekelijke, doorontelbare gedenkteekenen bekrachtigde getuigenissen der geschiedenis, gesticht heeft: God zelf, die haar in alle eeuwen als eene goddelijke, onbe-driegelijke instelling door schitterende wonderen, door onophoudelijke zegepralen en verwinningen op de macht harer vijanden verheerlijkte. AVie dezen, haar door God verleenden en bezegelden geloofsbrief zonder vooroordeel onderzoekt, zal gemakkelijk inzien, dat het eene misdaad tegen God zeiven is, aan de waarachtigheid der Kerk te durven twijfelen. Als wij nu bij onze bewijsvoering ook op de in het Evangelie opgeteekende feiten en beloften wijzen, dan vragen wij niet terstond, of de schrijvers er van onder ingeving des H. Geestes dit alles geboekstaafd hebben, maar het is ter onzer bewijsvoering voldoende, te weten, dat zij de waarheid spreken, hetgeen wij, gelijk gezegd is, ook afgezien van de onfeilbaarheid der Kerk, zeer goed inzien en met de beste gronden staande houden.

Hoe hunnen wij weten, dat de H. Schrift, ook afgezien van de onfeilbare uitspraak der Kerk voor hare goddelijkheid, geloofwaardig en onvervalscht is,

derhalve slechts ivctarheïd heoal?

Dit kunnen wij op dezelfde wijze weten, als wij het van vele andere boeken of schriftelijke oorkonden weten. Wie van goeder hand een brief ontvangt en overtuigd is, dat degene, die hem geschreven heeft, de waarheid zeggen kon en wilde, en ook zeggen moest, hij twijfelt er niet aan, of de brief hem wel waarheid meldt. Ditzelfde geldt ook voor de H. Schrift. Daar echter de bewijzen, welke door

-ocr page 74-

58

de geleerden voor elk bijbelsch boek geleverd worden, bier ter plaatse niet aangevoerd kunnen worden, wijl wij ons zooveel mogelijk moeten beperken, merken wij voorloopig op, dat het eigenliik reeds voldoende is, om de geloofwaardigheid en onvervalscbtheid der H. Schrift te bewijzen , de waarheid aan te toonen van de wonderen, welke Christus volgens het bericht der Evangeliën gewrocht heeft, teneinde te doen zien, dat Hij waarlijk Gods Zoon is en zijne leer van God komt. Wanneer dit bewezen is, staat bet tevens vast, dat onze godsdienst goddelijk is, dat is: God tot stichter beeft; en daaruit trekken wij vervolgens het besluit, dat de geheele H. Schrift niets dan waarheid leert, derhalve inderdaad geloofwaardig en onvervalscht is. En wel terecht besluiten wij aldus. In de H. Schrift toch is de leer van den goddelijken godsdienst grootendeels vervat, daar Christus\' Kerk uit haar en uit de Traditie zoowel hare geloofs- als zedeleer put. Zou God nu kunnen toelaten, dat de godsdienst, welken Hij tot heil der menschen gesticht heeft, reeds in hare bronnen vergiftigd, ons leugen voor waarheid aanbiedt? Zou Hij, die de eeuwige waarheid zelve is en alle leugen oneindig haat, ons, op straf van eeuwige verdoemenis, kunnen bevelen, een godsdienst aan te nemen, welke zich veroorlooft ons vervalschte, leugenachtige oorkonden aan de band te doen, met de verzekering, dat zij de zuivere waarheid bevatten ? En hoe zou Hij , de oneindig heilige God, een godsdienst, die ons zoo schandelijk misleidt, oogenschijnlijk in bescherming kunnen nemen, door onloochenbare wonderen bekrachtigen en door de schitterendste overwinningen en zegepralen verheerlijken ? Neen, dat is niet mogelijk. Wie derhalve de waarheid der wonderen aanneemt, welke in H. Evangeliën zijn opgeteekend, moet de waarheid der geheele H. Schrift erkennen.

Redelijkerwijze kan er voorzeker niet aan getwijfeld worden , of de wonderen, welke de Evangeliën en de Handelingen der Apostelen ons berichten, wel waarlijk gebeurd zijn. De schrijvers van deze boeken zijn hoogst geloofwaardirj; zij konden, wilden en moesten waarheid zeggen. Zij konden het, want alles, wat zy ons berichten , hadden zij gezien of van geloofwaardige ooggetuigen gehoord. De schrijvers zijn namelijk, zooals ieder weet, gelijk de oudste en eerwaardigste oorkonden bewijzen, wat zelfs de ketters en de bitterste vijanden van het Christendom, Joden en Heidenen, nooit konden loochenen: Mattheüs, Marcus, Lucas en Joannes \'). De drie eerste vervaardigden hunne Evangeliën

\') Om, bij wijze van voorbeeld, een enkele oorkonde aan te halen

-ocr page 75-

59

niet voor de verwoesting van Jerusalem, zooals uit den inhoud blijkt; na hen , nog voor het einde der eerste eeuw-van onze tijdrekening, schreef de H. Joannes, de geliefde leerling en getrouwe gezel van Jesus, die, zoodra de Messias openlijk optrad, zich bij Hem aangesloten en zijn Heer nooit verlaten had. Zij beschreven de wonderen, welke Jesus in het openbaar, voor aller oogen, op klaar lichten dag volbracht had, alzoo geen feiten, welke in het verborgen of in de eenzaamheid geschied waren. Hoe ongerijmd zou het derhalve niet zijn, te loochenen, dat zij de waarheid konden weten ! — Niet minder ontwijfelbaar is het ook, dat zij de waarheid, de zuivere waarheid zeggen wilden. De wijze, waarop zij de feiten verhalen, getuigt reeds van hunne waarheidsliefde. Hen noeme een geschiedschrijver, die eenvoudiger, openhartiger verhaalt, dan zij. Bij wien kan het opkomen in den onnavolgbaren eenvoud van het H. Evangelie de taal eens bedriegers of grootsprekers te zien ? En hoe kan men met de geringste menschen-ke nnis wanen, dat de Apostelen niets anders in zin hadden dan, door schrijven en prediken, der wereld een verdicht verhaaltje op den mouw te spelden ? Een bedrieger zoekt altijd in het bedrog zijn eigen voordeel. Wat hadden echter de Apostelen daarbij te winnen, welk loon in dit of het ander leven daarvoor te hopen ? Kan men wel iets ongerijmders denken, dan dat zij, eenvoudige mannen, alleen om het vermaak van de wereld bedrogen te hebben, den grimmigsten haat

verwijzen wij op den zeer ouden Kerkvader, den H. Bisschop en Martelaar Ireneus In zijn derde boek tegen de ketterijen behandelt hij uitvoerig dit onderwerp. Hij noemt de schrijvers der Evangeliën: Mattheus, Marcus, Lucas en Joannes; Mattheus en Joannes Apostelen, Marcus, en Lucas leerlingen en gezellen der Apostelen; hij citeert van ieder Evangelie het begin en verscheidene plaatsen, geelt herhaaldelijk zijn leedwezen te kennen //dr.t er niet meer dan die vier Evangeliën «zijn; deze alleen,quot; zegt hij, «zijn door de Apostelen aan de Kerk ,/Overgegeven; enkel deze zijn waar en zeker; zóó gegrond is hun //aanzien, dat zelfs de ketters er getuigenis voor afleggen.quot; Niemand is gewis in staat, met grooter zekerheid te melden, wie de schrijvers der Evangeliën zijn, dan juist de H. Ireneus. Hij was een der beroemdste leeraars van zijnen tijd, een deugdrijke Bisschop, die boven alles zich ten plicht stelde, de goddelijke leer onvervalscht over te leveren. Hij bracht zijne jeugd door bij den H. Polycarpus, Bisschop van Smyrna. Ongetwijfeld heeft hij bij dien leerling van den H. Evangelist Joannes of bij een anderen leerling der Apostelen zorgvuldig navraag en onderzoek gedaan omtrent de echtheid der Evangeliën, daar hij er geen bezwaar ia vond, deze in zijn bovengenoemd werk //zuilen en grondslagen der Kerkquot; te noemen. — Bij zulke onom-stootelijke getuigenissen uit de allereerste tijden des Christendoms komen de invallen van een Strausz of Renan en van onze Groninger-school en andere verlichten zeker wat te laat! Met begoocheling en bedrog vernietigt men zoo gemakkelijk geschiedkundige oorkonden niet!

-ocr page 76-

60

van hunne landslieden, van de hoogepriesters, rechters en keizers op zich laden en aanhoudende vervolging, geesel-slagen , ketens en boeien, zell\'s den dood ondergaan wilden ? Wie verdient wel eer geloof dan getuigen, die om de waarheid hunner woorden te bekrachtigen, zich lieten pijnigen en vermoorden? — Doch al waren zij ook zoo onbegrijpelijk dwaas geweest, van zulk een plan te vormen : hoe zou het hun mogelijk geweest zijn, het uit te voeren? Vanwaar zouden onwetende lieden, en in de veronderstelling, dat zij bedriegers waren, deze slechte rnenschen, eene zoo reine en verhevene zedeleer hebben, gelijk die van het Evangelie, eene zedeleer, welke alles overtreft, wat de grootste wijzen der wereld na de langdurigste inspanning van hunnen geest hebben uitgedacht ? tloe zouden zij het zoo heilig en bewonderenswaardig karakter van Jesus hebben uitgevonden, dat geheel in tegenstrijdigheid is met de zeden, de voor-oordeelen, de opvoeding en zienswijze der toenmalige Joden ? ) Indien de Evangeliën verdicht waren, dan toch moesten de schrijvers er van ook de levensgeschiedenis van Jesus verzonnen hebben -). Doch gesteld dat zulk eene verdichting gelukkig geslaagd was: welk middel zouden zij verder gehad hebben om een boek, zoo opgevuld met de handtastelijkste leugens,

\') Zelfs J. J. Rousseau, de beruchte fransche vrijdenker, erkent, dat //joodsche schrijvers nimmer dat karakter, die zedeleer zouden //Uitgevonden hebben, en dat het Evangelie zoo groote, zoo opval-4lende, zoo geheel onnavolgbare kenteekenen der waarheid heeft, „dat de uitvinders er van nog uitstekender bogaaldheden moesten //gehad hebben, dan de held zelfquot; (Emil. deel V). Vergelijk Wiseman: Zasammenhang der Ergebnisse wissenschaftlicher Forschung mit der geolïenbarten Religion, met aanmerkingen van Dr. Haneberg.

-) Men zou hier ook de vraag kunnen stellen: als de Evangeliën enkel verdichting zijn, gelijk het ongeloof van onzen tijd onbeschaamd durft beweren, hoe is het dan mogelijk, dat Justinus en ïertullianus in hunne verdedigingsgeschriften de Heidenen naar de ambtelijke oorkonden.van don landvoogd Pontius Pilatus, die in het romeinsche archief bewaard werden, durfden verwijzen? Hoe kon liet zijn, dat de romeinsche keizer Alexander Severus, gelijk Lampridius, een hei-densche schrijver, bericht, Christus onder zijne huisgoden vereerde, en liet besluit nam, openbare tempels (hetgeen ook aan keizer Hadrianus wordt toegeschreven) ter zijner eere te bouwen? Niet de dood der misdadigers, welken Christus ondergaan had, kon hen daartoe overhalen, evenmin de leer des Heilands, welke den heidenschen godsdienst veroordeelde: alzoo slechts de wonderen, die Christus ten aanzien van heel de wereld gewrocht had. En al had men ook geweigerd do wonderen van Christus en de Apostelen aan te nemen, voor \'t minst moest men nog verklaren, vanwaar dan de wonderkracht komt, welke zoovele heilige mannen tot in onzen tijd door het aanroepen van den aanbiddolijken Naam van Jesus hebben getoond. Men herinnere zich bijvoorb. de wonderen, welke door den H. Franciscus Xavorius bewerkt en ook door protestantsche schrijvers medegedeeld zijn.

-ocr page 77-

61

het gezag van een goddeliik boek te geven, en dat gezag achttien eeuwen lang bij alle verlichte volkeren, ja bij de grootste denkers staande te houden? Ik zeg: de „hand-tastelijkste leugens,quot; want de Evangelisten verhalen, gelijk ik reeds opmerkte, geene gebeurtenissen die eenige eeuwen vroeger, in een of anderen onbekenden hoek des aardbodems hebben plaats gehad, maar datgene, wat in hunnen tijd, in het joodsohe land, voor aller oogen geschied is. Hunne boeken werden geschreven en verspreid in dien tijd en in die plaatsen, waar honderdduizenden, ja millioenen de waarheid hunner woorden konden weten en onderzoeken. Omtrent dit punt komen allen overeen, en ontelbare getuigenissen van den tijd der Apostelen tot op onze dagen bevestigen het dat de Evangelieboeken met het Christendom, en het Christendom met deze boeken in het licht traden; verder, dat het Christendom juist in hetzelfde land zijn oorsprong nam, waar de gebeurtenissen, welke in de Evangeliën verhaald worden, hebben plaats gehad. Veronderstel eens, dat het tegenwoordig bij iemand opkwam, ons te doen ge-looven, dat er in deze dagen iemand van den hemel is neergedaald, die de verbazendste wonderen verricht heeft, die in onze gemeente, in onze nabijheid dooden ten leven heeft opgewekt, blinden het gezicht, dooven het gehoor heeft weergegeven, enz.: wie zal zulk een waanzinnige geloof schenken ? En wat zouden wij denken van een boek, waarin die onzin was opgeteekend ? Zouden wij het niet met verontwaardiging ol wel met een medelijdenden lach over die dwaze bewering wegwerpen? Wat zou alzoo het lot van de Apostelen en hunne Evangeliën geweest zijn, indien de wonderen, welke zij ons verhalen, verdicht waren ? Zou niet ieder hun hebben toegevoegd: wat vermeet gij u, ons dergelijke leugens voor te houden? Waar is de blindgeborene , die het gezicht heeft teruggekregen ? Waar de van den dood opgestane dochter van Jaïrus ? Waar de weduwe van Nairn en haar zoon\'? Waar is Lazarus, die vier dagen in het graf heeft gelegen? Waar zijn de lammen, de dooven, de zieken, die genezen zijn? Bij geen sterveling zijn zij bekend. En wat droomt gij van die duisternis, welke drie uren lang den geheelen aardbodem zou bedekt hebben; van rotsen, die gespleten zijn \'); van graven, die opengin-

\') Nog heden ziet men op den Kalvariënberg die gespleten rotsen, en geleerde natuurvorschers, als Millat, Maundvell en Schaw (zie igt;iiliet, Réponses critifjues, d. III. bladz. 325), hebben, na een nauwkeurig onderzoek op de plaats zelve, bewezen, dat de scheuren van dien aard zijn, dat zij niet het gevolg van eene natuurlijke aardbe-

-ocr page 78-

62

gen; van lichamen der Heiligen, die zich vertoonden ; van het voorhangsel des tempels, dat in stukken scheurdeV Ook wij hebben oogen en ooren. Waarlijk gij zijt waan-zinning, of gij houdt ons allen voor waanzinnig. Zou nu de geheele wereld die zoo tastbare, die onbeschaamde leugens, op het woord van een armen, onwetenden visscher zonder tegenspraak aangenomen en achttien eeuwen als onloochenbare feiten geloofd en vereerd hebben? Zouden millioenen voor dat geloof allerlei vervolging, ja zelfs den smartelijksten dood ondergaan hebben? Kan men van die ongerijmdheid zich wel eenig denkbeeld vormen ? \')

Helder als de dag is het zeker, dat de HH. Evangelisten de waarheid niet slechts konden en wilden schrijven, maar ook moesten, wijl zij nederschreven, Vat honderdduizenden, die toemaals nog leefden, wat Jeruzalem en geheel Judea met eigen oogen gezien of van ooggetuigen, die door haat en nijd werden aangedreven alles haarfijn en zoo nauwkeurig mogelijk te onderzoeken, gehoord hadden. \')

Hetzelfde, wat wij van de Evangeliën zeiden, kan ook van de Handelingen der Apostelen gezegd worden. Hier is de bewijsvoering voor de waarheid der verhaalde feiten nog meer doorslaande, wijl het tooneel der handelingen van de Apostelen niet meer Judea alleen is, maar het grootste deel der toenmaals beschaafde wereld, Azië, Cyprus, Macedonië, ja de roem- en volkrijkste steden, Home, Athene, Corinthe, Antiochië, enz. ;.De handelingen der Apostelen zyn eene algemeene geschiedenis van den toenmaligen tijd, welke ten aanzien der gansche wereld werd geschreven en

ving kunnen wezen, maar gewis door eene bovennatuurlijke kracht veroorzaakt zijn. Want de spleten hebben niet, gelijk bij natuurlijke schuddingen, den loop der aderen, zij doorsnijden deze in verschillende hoeken.

•) //Denkt gij,quot; vraagt Arnobius, die ten tijde der Diocletiaansche. vervolging leefde, aan de Heidenen, //denkt gij, dat de menschen //destijds in die mate dom en waanzinnig geweest zijn, dat zij zich //verbeeldden, iets, wat zij nooit gezien hadden, toch werkelijk gezien //te hebben? Neen, door\' de kracht der waarheid zelve overwonnen, //onderwierpen zij zich aan God den Heer, en achtten het geen verblies, ook hunne ledematen vaneen te laten rukken en hunne lichamen //aan de verscheurende tanden der wilde dieren prijs te gevenquot; (Disput, adv. gentes. L. 1. n0. 54. 55).

2) Veroordeeld is de volgende stelling:

//Do profetiën en de wonderen, in de H. Schrift medegedeeld en yverhaald, zijn verzinselen van dichters, en de geheimen des christe-,lijken geloois zijn de slotsom van wijsgeerige navorschingen; en de «boeken van het\' Oude en Nieuwe Testament behelzen mythische //vonden, en Jesns Christus zelf is een mythisch verdichtselquot; (Syllabus § i VIL Encykl. (lui plunhus van 9 Nov. 1846 en Alloc. Maxima quidem van 9 Juni 1862).

-ocr page 79-

63

overal getuigen moest vinden, die in staat waren over de waarheid of valscheid der medegedeelde feiten te oordeelen.\'\'1

Men verge te vooral niet, bij de bewijsvoering voor de waarheid der gedenkwaardige feiten of wonderen, welke in de Evangeliën en in de Handelingen der Apostelen zijn opgeteekend, in het oog te houden, dat het Christendom op deze hoofdzakelijk steunt. Zijn zij gelogen , dan is ook het Christendom slechts bedrog. Hoe kan het echter in een gezond menscbenhoofd opkomen (\'t geen reeds meermalen is opgemerkt, doch nooit genoeg kan ingescherpt worden), dat een godsdienst, waarvan de leer zoo heilig is, de zegening\'en zoo onmiskenbaar zijn, welks rijk zich tot de grenzen der aarde uitstrekt, die, terwijl tronen ineenstortten, altijd bestormd, immer zegevierde; dat juist die godsdienst, welke door den glans van zoo vele deugden schittert, die ter verlichting der wereld, ter beschaving der volkeren en tot verzachting van hun lijden zooveel gedaan heeft en nog voortdurend doet — dat die godsdienst niet meer dar., een ellendig werk van bedrog en schaamtelooze leugen zou wezen? En toch moet ieder, die de geloofwaardigheid der H. Schrift loochent, dien tastbaren onzin aannemen. Wel terecht zeide de geleerde Bossuet tot de ongeloovigen van zijnen tijd: //Gij dwazen! om geene onbegrijpelijke waarheden «te moeten gelooven, gelooft gij den alleronbegrijpelijksten onzin.quot;

Ter verontschuldiging van zijn schandelijk ongeloof geeft de vrijdenker voor, dat de Evangelisten elkander in hunne geschriften tegenspreken, en daarom geen geloof verdienen. Dit verwijt is echter geheel ongegrond ; want duizendmaal heeft men aan die trotsche geesten, die in de II. Schrift slechts ongerijmdheden willen zien, bondig bewezen , dat alles daar in de schoonste harmonie is, en dat de schijnbare tegenspraak, welke zich nu en dan voordoet, wijl bijv. de eene Evangelist uitvoeriger of meer volgens de tijdrekening verhaalt dan de andere, wel verre van hare geloofwaardigheid afbreuk te doen integendeel hare waarheid bekrachtigt, \'t Is juist een duidelijk bewijs. dat de HH. Schrijvers geenszins wilden misleiden, maar in den eenvoud des harten en overtuigd van de waarheid van hetgeen zij schreven, voortwerkten; anders hadden zij zeker (\'t geen hun zeer gemakkelijk zou geweest zijn) eerst onder elkander afgesproken, hoe zij alles haarfijn zouden verhalen, om niet den geringsten schijn van\'tegen-strijdigheid op zich te Iaden.

Anderen weigeren aan de Evangeliën geloof te hechten, wijl deze wonderbare leiten en gebeurtenissen verhalen. Verdienen zij evenwel niet juist daarom des te eer geloof, wijl zij in weerwil der dingen, die ongeloof baar schijnen, nochtans zoo vast en algemeen geloofd zijn? Indien de Evangelisten slechts feiten hadden medegedeeld, welke geene aandacht wekken en licht geloofd worden, men zou misschien hun verhaal zonder een nauwkeurig onderzoek voor waar gehouden hebben. Dewijl zij echter dingen berichten, die bij den eersten oogopslag ongeloofbaar schijnen, gelijk men er vroeger nooit gezien of gehoord had, begrijpt ieder terstond, dat men naar de waarheid dier wonderen een nauwkeurig onderzoek ingesteld en ze slechts geloofd heelt, omdat zij na een streng onderzoek niet redelijkerwijze betwijfeld konden worden. Ja, aanvankelijk moesten de wonderen van Jesus zeker ongeloofbaar schijnen, en dit te meer, daar men ze aan een mensch toeschreef, die, op aanklacht van den joodschen hoogen raad, door den romeinschen landvoogd tot den schandelijksten dood der misdadigers was veroordeeld geworden. Hoe gemakkelijk zou het niet geweest zijn, bijaldien die wonderen valsch geweest waren, het bedrog te ontdekken, wijl er hier spraak was van openbare leiten en gebeurtenissen, waarbij nijd, haat en ijverzucht telkens er op bedacht waren, bedrog, list ot eénig ander kwaad te ontdekken?

\') Zie Nicolas, Etudes philos. sur le Christ deel IV. hoofdst. 3.

-ocr page 80-

64

Tot dusverre hielden wij ons voornamelijk bezig met de boeken van het Nieuwe Testament: het reeds aangevoerde bewijs geldt echter, gelijk wij reeds in den beginne zeiden, voor de geheele H. Schrift, derhalve ook voor de boeken van het Oude Testament. De godsdienst van het Oude en van het Nieuwe Verbond is in den grond een en dezelfde; het geheele onderscheid is daarin gelegen, dat het Oude eene voorafbeelding, eene schaduw, het Nieuwe daarentegen de noodzakelijke volmaking of voltooiing, de waarheid is. Hoe nu zou het einde waarheid kunnen zijn, als het begin bedrog is? Het Oude en het Nieuwe Testament hooren onafscheidelijk bijeen; beide moeten goddelijk, of beide het weefsel van leugen en bedrog zijn. Maar hoe zou een schandelijk weefsel van leugens, in weerwil van alle aanvechtingen , eeuwen lang kunnen bestaan en den stempel der goddelijkheid onmiskenbaar in zich dragen ? Leert niet de rede en de ondervinding tevens, dat alleen de waarheid onsterfelijk is, terwijl wat op leugen en bedrog is gebouwd, terstond zich oplost en in het niet terugzinkt? Is alzoo de godsdienst zoowel van het Oude als van het Nieuwe Testament goddelijk, dan kan deze ons niet bedriegen, of in de heilige schriften, gelijk reeds gezegd is, de leugen voor waarheid aanbieden. Indien de schriften van he.L, Oude Verbond onwaarheid behelsden, hoe zou Jesus Zich op hare getuigenis hebben beroepen (Joan. V, 39) ? Hoe zou Hij er toe gekomen zijn, te zeggen, dat, zoo men deze niet gelooft, „men ook dan niet gelooven zou, als iemand van den dood opstondquot; (Luc. XVI, 31)? En wat zou het den Apostelen gebaat hebben, de vervulling der voorzeggingen van het Oude Testament aan te wijzen, als de Profeten niet bestaan hadden ? Kan men dit wel in ernst denken, zonder de Apostelen te lasteren ? Derhalve is de geloofwaardigheid en de onvervalschtheid van het Oude Testament zonder verder betoog voldoende bewezen.

Wilde men nog meer, het zou gemakkelijk zijn, ook van al de schrijvers der boeken van het Oude Testament aan te toonen, dat zij de waarheid schrijven konden , wilden en moesten. Om met een enkel woord van den Pentateu-chus of de vijf boeken van Mozes, de oudste en inhoudrijkste van alle, te gewagen: het staat vast, dat degene, wiens naam zij dragen, ook de schrijver daarvan is. Die overtuiging bestond sinds de vroegste tijden bij geheel de joodsche natie. Dit betuigen ook de Profeten , die na Mozes optraden. Datzelfde betuigen eenparig de Samaritanen, hoewel zij steeds de verklaarde vijanden der Joden waren, en eveneens de heidensche schryvers, die met de joodsche

-ocr page 81-

65

natie bekend waren. Boven alles geldt echter het boven aangehaalde getuigenis van Jesus Christus. Eerst in de 18dt eeuw heeft het ongeloof twijfel dienaangaande geopperd. Dat Mozes onmogelijk de wonderbare feiten, welke hij verhaalt, verdichten kon is even duidelijk, als wij dit ten opzichte van de Evangeliën hebben aangetoond; want het volk Israels, onder wiens oogen hij zijne boeken schreef, moest toch weten, of het droogvoets door de roode zee was gewandeld, of het een onder wonderbare omstandigheden uit den hemel gevallen brood gegeten had, enz., of niet. Zijn die wonderen, welke hem toegekend worden , inderdaad gewrocht, dan is hij waarlijk degene, voor wien hij zich uitgaf, namelijk een gezant Gods, die onder ingeving van den H. Geest geschreven heeft; bijgevolg is ook alles, wat hij van de verleden eeuwen tot aan de schepping der wereld verhaalt, zuivere waarheid. Hij verdient ook aangaande die overoude gebeurtenissen, welke tot het begin der menschelijke geschiedenis opklimmen, te eer geloof, daar hij niet enkel door de goddelijke verlichting, maar tevens door mondelinge overlevering veel kon weten, wijl de levenstijd der menschen in die dagen van zeer langen duur was. Adam immers leefde nog met Methusalem, en deze eenige eeuwen met Noë; Noë leefde drie-en-zestig jaren met Thare, den vader van Abraham. Tusschen Abraham en Mozes telt men slechts drie geslachtsrijen. Zoo reikte derhalve Mozes aan Abraham, Abraham aan Noë, Noë aan Adam. Het getuigenis van Mozes is dus ook in dit opzicht van het grootste gewicht.

Mozes daarenboven vertoont zich altijd als een man van een onafhankelijk en waarheidlievend karakter, dienimmer de gunst des volks door vleitaal zocht te winnen, maar integendeel harde wetten voorschreef en de Joden over hunne ondeugden streng berispte. Hij zocht nooit zich zeiven of de zijnen te verheffen, want, met achterstelling zijner eigen kinderen, benoemde hij Aiiron tot hoogepriester en Josuë tot bestuurder des volks.

De eenvoudigheid van zijn verhaal, de oprechtheid, waarmede hij zijne eigen fouten en de misslagen van zijn volk opteekende, alsmede zyn deugdrijk leven zijn evenzoovele waarborgen voor de geloofwaardigheid van den Pentateicchus.

Dat in de katholieke Kerk de H. Schrift steeds onver-vahcht is gebleven, d. i. dat zij in den loop der tijden noch met opzet, noch onvrijwillig veranderd, maar geheel zóó tot ons gekomen is, als zij uit de pen der schrijvers is gevloeid, blijkt 1) reeds uit het boven aangehaaldequot;bewijs. De H. Schrift toch is, gelijk wij zagen, eene der bronnen,

quot;DEHARBE, GELOOPSLEER. I. 336 DEUK. 5

-ocr page 82-

66

welke de door God geopenbaarde leer bevatten; uit die bron moeten derhalve de menschen te alle tijden het levendmakend water putten, dat ten eeuwigen leven vloeit; dit was de wil van onzen Heiland. Moest Hij dan niet zorg dragen , dat die bron steeds zuiver en gezond water zou bevatten ? Onmogelijk kan derhalve de geloofs- en zedeleer, welke de H. Schrift ons voorhoudt, vervalscht zijn, en, in plaats van de zaligmakende waarheid, ons het doodelijk vergift dei-leugen aanbieden. — Dat in de katholieke Kerk de H. Schrift steeds onvervalscht gebleven is , zien wij 2) daaruit, dat de Kerk de H. Schrift immer als Gods woord vereerde, en derhalve niet de geringste verandering er aan kon toelaten. De HH. boeken waren voor de Christenen het kostbaarste, wat zij bezaten, waren hun zelfs dierbaarder, dan het leven. De geschiedenis meldt ons uitdrukkelijk van de eerste Christenen, dat vele liever den pijnlijksten dood wilden ondergaan, dan de HH. boeken aan heidensche tirannen over te geven \'). Daaruit blijkt wel duidelijk, dat zij een zoo kostbaren schat, welken zij zelfs met opoffering van hun leven zochten te beveiligen, ook in zijn geheel en ongedeerd wilden bewaren. Hetgeen van de Christenen ten opzichte van de gansche H. Schrift gezegd moet worden, geldt eveneens van de Joden betrekkelijk het Oude Testament. De joodsche natie toch hield immer en houdt nog heden ten dage de boeken van Mozes evenzeer in eere, als wij Christenen de HH. Evangeliën. Zij vereeren deze als het woord van God, als de grondslagen van hunnen godsdienst, hunne staatsregeling en rechten Philo van Alexandrië, zelf een Jood, die ten tijde van Christus leefde, schrijft, dat al zijne geloofsgenooten veel liever sterven zouden, dan toe te stemmen, dat in die heilige oorkonden eenige verandering gemaakt werd, dat derhalve tot in zijnen tijd geene enkele letter er in veranderd was. Met zooveel zorg bewaakten de Joden dit heilig kleinood van hunnen godsdienst, dat zij alle verzen, alle woorden, ja zelfs alle letters geteld hadden, om de geringste verandering terstond op te merken. — 3) Buitendien was deH. Schrift sinds de vroegste

•) /,Het is beter mij te verbranden, dan de goddelijke Schriften,quot; antwoordde de H. Felix, Bisschop van Tibiura, toen men hem met; den dood bedreigde, als hij de H. boeken niet uitleverde. — Toen de H. diaken Euplus door den heidenschen rechter gevraagd werd. waarom hij niet aan den Keizer gehoorzaamd en de H. Schrift overgegeven had, gaf hij onverschrokken ten antwoord: «wijl ik Christen //ben, is mij dit niet geoorloofd. In die boeken is het eeuwige leven. //Wie ze uitlevert, verliest het eeuwige levenquot; {Zie den marteldood van beiden bij yravin Hahn Hahn: „\\)\\a Martyrerquot;).

-ocr page 83-

67

tijden zoo algemeen bekend, dat zii onmogelijk vervalscbt kon worden, zonder dat men het aanstonds ontdekt had. De boeken van Mozes werden in het Heilige der Heiligen naast de arke des verbonds bewaard. De H. Schrijver had ze m persoon aan de gewijde handen der priesters, die de arke droegen, overgegeven, en geboden, er telken jare bij het groote loofhutten-leest voor het gansche volk een gedeelte van voor te lezen. Ook de boeken van het Nieuwe Testament werden door de Apostelen aan eerbiedwaardige Bisschoppen, hunne medehelpers en opvolgers, toevertrouwd. Slechts onder hun toezicht maakte men afschriften, welke in de verschillende kerken gedurende de godsdienstoefeningen werden voorgelezen. Op die wijze was er tevens zoo goed mogelijk voor de echtheid van den tekst gezorgd. Een zekere Macedonius verloor zijn bisdom, omdat hij eene enkele letter in den eersten brief van den H. Paulus aan Timotheus veranderd had. Een ander wekte groote ergernis, wijl hij voor een wroord in het Evangelie, dat hjj niet edel genoeg vond, een sierlijker, doch van gelijke beteekenis, in de plaats wilde stellen. Tegen een voorlezer verhief zich, gelijk de H. Augustinus ons bericht, eene geheele kerkelijke gemeente, wijl hij in de voorzegging van Jonas een woord, anders dan gewoonlijk vertaald, durfde lezen \'). De boeken zoowel van het Oude als van het Nieuwe Testament waren daarenboven in vele talen overgezet, overal verspreid en vlijtig lezen. In de H. Schrift zocht de ge-

i) St. August. Epist. 71. al. 10. — De plant, welke God ter besclxut-ting van den Profeet Jonas liet groeien, is in Azië alleen bekend, en men lieeft derhalve in andere landen er geen bizonderen naam voor. De grieksche vertaling der H. Schrift bediende zich, om het he-breenwsche woord weêr te geven, van de uitdrukking //pompoenquot; en deze heeft ook de latijnsche vertaling, volgens welke men de H. Schrift bij den godsdienst pleegt voor te lezen, opgenomen. De H. Hieronymus, die eene nieuwe vertaling leverde, meende echter, dat het woord //klimopquot; meer geëigend was, en zette dit in de plaats van het oude woord: „pompoen,quot; hetgeen gewis in zich eene zeor onbe-teekenende zaak was. Toen de Bisschop nu naar die nieuwe vertaling de H. Schrift in de Kerk liet voorlezen, bemerkte het volk alras deze verandering van een enkel woord. Wel verre van er weinig waarde aan te hechten, geraakte het integendeel terstond in groote opgewondenheid; men noodzaakte den Bisschop zelfs do Joden te raadplegen over de beteekenis van het hebreeuwsche woord, en toen deze, hetzij uit boosheid of uit onwetendheid verklaarden, dat de uitdrukking //pompoenquot; meer met liet hebreenwsch overeenkwam dan //klimopwas de Bisschop gedwongen terstond het oude woord weder te lezen. Indien hij aan het verlangen des volks niet voldaan en de verandering niet als eene fout van, den afschrijver had zoeken te verontschuldigen, zou hij inderdaad in gevaar geraakt zijn, door geheel zijne gemeente verlaten te worden (Zie Bullet, d. 11 bl. 277),

5*

-ocr page 84-

68

loovige lessen van levenswijslioid, sterkte en troost; dag en nacht, te huis en op reis moest de Israëliet, volgens Mozes\' voorschrift, zich een of ander daaruit ter overweging voorstellen. Priesters en Schriftgeleerden waren verplicht het volk met den inhoud bekend te maken en dien te verklaren. De vader des huisgezins moest er gebruik van maken ter onderwijzing zijner kinderen , en de koning in Israël was door de wet verplicht „alle de dagen zijns levensquot; er in te lezen. Hoe kan men nu denken, dat boeken, welke in het geheugen van duizenden waren geprent, welke geheel of gedeeltelik in handen van millioenen en tevens in zoo vele boekverzamelingen zich bevonden, welke in alle bekende talen waren overgezet, en wier woorden in zoovele andere geschriften stonden aangehaald, — dat zulke boeken opzettelijk vervalscht konden worden, zonder dat het scherpste en waakzaamste oog er iets van bespeurde ? Indien echter de vervalsching opgemerkt was, zou mea dan zulk een vergrijp stilzwijgend geduld hebben ? Gesteld evenwel, dat de Joden gezamenlijk waren overeengekomen, hunne HH. boeken te vervalschen: zouden in dac geval de Samaritanen, hunne onverzoenbare vijanden, die de vijf boeken van Mozes niet minder vereerden dan de Joden, hen niet openlijk van dit schandelijk bedrog beschuldigd hebben ? Even zeker zouden de ketters van de eerste eeuwen en later de afvallige Grieken de katholieke Kerk voor heel de wereld aangeklaagd hebben, bijaldien zij ook maar de geringste vervalsching zich veroorloofd had. — Wel was het bijkans onvermijdelijk, toen de afschriften vermeerderden en niet meer alle onder de oogen der kerkelijke overheid vervaardigd werden, dat er nu en dan schrijffouten inslopen, gelijk er ook nu nog drukfouten in voorkomen ; doch deze waren gemakkelijk te zien, en konden voor het minst, door verschillende handschriften te vergelijken, gemakkelijk erkend worden. De li. Kerk spaarde nimmer kosten noch moeite, om de uitgave van nauwkeurige, van schrijf- en drukfouten gezuiverde Bijbels te bevorderen \').

\') Terstond na den eersten druk van den. Bijbel in dc vijftiende eeuw begon men de oude handschrift;n er van, welke in vele boekverzamelingen ruimschoots voorhanden waren, te onderzoeken en met elkander te vergelijken, om de schrijffouten te ontdekken, die inden loop des tijds er wellicht waren ingeslopen. Sedert de helft der laatste eeuw hielden de geleerden in verscheiden landen zich echter meer dan ooit en met groote zorg daarmede bezig. Alle bronnen, welke men bereiken kon, werden uitgeput: men doorsnuffelde niet alleen alle bibliotheken van Europa, maar ook die van de verwij-derdste wereldstreken, van Egypte en Syrië; men vergeleek delezingen

-ocr page 85-

69

Behalve de bewijzen, welke wij hier voor de geloofwaardigheid en onvervalschtheid der H. Schrift aangehaald hebben, leveren de geleerden er nog vele andere, die wij stilzwijgend moeten voorbijgaan. Uit het gezegde kan men echter reeds genoegzaam zien, dat ook de ongelcovige, die het gezag der Kerk verwerpt, moet toegeven, dat er geene geschiedenis bestaat, waarvan de waarheid zoo goed gewaarborgd is, als die welke in de H. Schrift is opge-teekend, en in het bizonder als de geschiedenis van onzen Heer en Heiland Jesus Christus. Men zou zich belachelijk maken, wilde men hardnekkig loochenen, dat er voor Christus bijv. een groot veroveraar, Alexander genaamd, bestaan heeft, die den koning van Persië overwon; of een wereldberoemde veldheer met name Cesar, die, na groote krijgsdaden verricht te hebben, midden in den senaat vermoord werd; of wel een grieksche geleerde, Socrates geheeten, die veroordeeld werd om den giftbeker te drinken; dwaas en belachelijk is het voorzeker, eene geschiedkundige daadzaak, wier waarheid algemeen wordt aangenomen, zonder reden te ontkennen. Wij durven echter zonder vreeze te vragen, of die boeken en geschiedkundige oorkonden, welke ons deze en gene feiten berichten, wel evenzeer geloof verdienen, als de H. Schrift ? Waar werd ooit een beek gevonden, voor welks waarheid de schrijver bereid was zijn leven te geven en duizenden hun bloed vergoten; een boek, dat zoozeer vereerd, door eene zoo groote menigte van afschriften en afdrukken verveelvoudigd

der Kerkvaders van aile eeuwen, de vertalingen van alle natiën, de grieksche, arabische, syrisclie, koptisclie, armenische, etlüopische; iioclitans werd er volstrekt niets van belang ontdekt. l)c afwijkende lezingen laten bijkans zonder uitzondering de wezenlijke deelen van eiken zin onaangeroerd, en bepalen zicli meestal slechts tot de weglating van een ot\' ander geslachts-of koppelwoord en dergelijke minder gewichtige dingen. J uist in de laatste jaren hadden wij, zegt Dr. Wiseman Voorl. J 10. 11) eene nieuwe en opvallende quot;bevestiging

van deze uitkomst. D. Buchanan bracht een hebreeuwsch handschrift naar Europa,hetwelk gebruikt was door de zwarte Joden, die sinds onheugelijke lijden in Indië wonen, waar zij eeuwen lang van alle gemeenschap met hunne broeders in de andere werelddeelen waren afgesneden. Het is een brokstuk eener bizonder groote rol van rood geverfde huiden en bevat een aanzienlijk deel der vijf boeken van Mozes. Met de meeste nauwgezetheid vergeleek men dit gedeelte met onze uitgave van den hebreeuwschen Bijbel, maar men vond geene enkele lezing, welke aanmerkelijk verschilde. — De vijanden van onzen heiligen godsdienst hadden gehoopt, door deze wetenschappelijke navorschingen iets ten hunnen voordeele te ontdekken; zij waanden, dat er voorhet-minst zoo vele tegenstrijdige lezingen voor den dag zouden komen, dat aller geloof wankelend en het gezag der H. Schrift, als geleidster der waarheid, geheel vernietigd zou worden. Zij vonden zich echter in hunne verwachting deerlijk bedrogen.

-ocr page 86-

70

is, dat zoo onmogelijk, zonder dat men het bemerkte, ver-valscht kon worden ? Wil men antwoorden dat de geschiedenis van Cesar en Alexander allerduidelijkst en dooide overeenstemming met andere historische berichten en gedenkteekenen bevestigd is; ook onder dit opzicht is geen boek met de H. Schrift te vergelijken. De geschiedenis van den godsdienst, welke in de HH. boeken is opgeteekend, vormt als het ware een on verbreekbaren ketting van openbare , wereldberoemde feiten en gebeurtenissen, welke op \'t nauwst met elkander en met alle gedenkteekenen van den voortijd, ook met de jaarboeken der volkeren, de ondekkingen der natuurkundigen overeenstemmen, en zoo veelvuldig en onomstootelijk door getuigen bevestigd zijn , dat, wie er geen geloof aan wil hechten, zeker alle geschiedkundige waarheid loochenen moet. Hoe meer men in de oude oorkonden en bandschriften nazoekt, hoe meer ontdekkingen men in de diepste aardlagen en in het algemeen in het gansche gebied der natuur- of taal- en oudheidkunde doet, hoe meer men de aarde doorgraaft, om de oude ruïne van Ninive en Babyion terug te vinden, des te schitterender komt het uit, dat de HH. boeken waarheid vermelden, des te meer worden de verhalen van de schepping der wereld, den zondvloed, de spraakverwarring, kortom van de geheele geschiedenis der oude volkeren en staten bevestigd Menig geleerde, die vroeger de H. Schrift als een fabel beschouwde, was na een rijp onderzoek genoodzaakt hare waarheid te erkennen en toe te geven, dat geen boek meer geloof verdient, dan zij. Alle wetenschappen leveren bewijzen, quot;) elk land kan onverwerpelijke getuigenissen of gedenkteekenen ter bekrachtiging van het bijbelverhaal, aantoonen. — Om ons daarvan met eigen oogen te overtuigen, is het niet noodig, naar Azië of Palestina te reizen, en daar de grot van Bethlehem, de ge-

\') Zie Wiseman: Zusammcnhnng der Ergebnisse wissenschaftliclier Forschung mit dor geolïeubarteu Religion; en Reuscli: Bijbel en wetenschap, door H. Banning. Amsterdam 1870.

-) //Het wetenschappelijk onderzoek van den lateren tijdzegt professor Scliolz, (Harmonie der göttlichen Offenbarung) //heeft ten «gunste der bijbelsche geschiedenis getuigenissen verkregen, die als //reuzen tegen liet ongeloof optreden.quot;

,Mozes,quot; schrijft Cuvier «heeft ons eene cosmogonie (leer over de „vorming der aarde) nagelaten , waarvan de nauwkeurigheid iederen //dag op eene bewonderenswaardige wijze bewaarheid wordt. De laatste //geologische waarnemingen komen wat de orde betreft waarin «alle bewerktuigde wezens achtereenvolgens geschapen zijn , volkomen #overcen.quot; En Ampire schrijft Theorie de la terre: //Mozes was óf «even diep doorgedrongen in de wetenschap als de mannen van onze //eeuw, of geinspireerd.quot;

-ocr page 87-

71

boorteplaats van Christus, of den Thabor, den Olijf- en Calvariënberg te bezoeken. Het is genoeg de oogen te openen. Getuigt de joodsche natie, die onder ons leeft, niet voor de waarheid der oorkonden, welke haar en ons heilig zijn? Vanwaar die hun geheel eigenaardige zeden en gebnüken, hunne besnijdenis, hun sabbath, hunne onthouding van die spijzen, welke zij voor onrein houden 7 Vanwaar dat verlangen naar den Mesias, die droevenis over den verwoesten tempel, die verstrooiing over den geheelen aarbodem, die haat jegens den christelijken godsdienst, dat hardnekkig volharden in den waan hunner vaderen ■ Over dit alles geeft ons enkel de Bijbel voldoende opheldering. Elk lidmaat der talrijke natie betuigt derhalve, dat de bijbelsehe geschiedenis geene verdichting, geen fabelachtig verhaal is, gelijk de zoogenaamde verlichten voorgeven. Het heerlijkste bewijs is echter ontegensprekelijk de katholieke Kerk zelve. Zij is de levensboom, welke zijne takken tot de grenzen der aarde uitstrekt. Terwijl alle planten, die de hemelsche Vader niet geplant heeft, de sekten namelijk, die hun bestaan aan de leugen danken, ellendig verkwijnen en wegsterven, zien wij dien wonderbaren boom des hemels krachtig wassen en liefelijk bloeien, aan alle natiën verkwikkende schaduwen, allen de genezende vrucht des hemelschen levens aanbiedende. Onmiskenbaar is die boom door geene andere hand, dan door die van God geplant; van Hem komt wasdom, bloei en vrucht. Hij wortelt derhalve in de waarheid; reine waarheid moet alzoo de oorkonde zijn, welke ons van zijn goddelijken oorsprong waarborg schenkt.

3. Dc Overlevering.

Is het genoeg is gelooven, wat in de li. Schrift staal ?

Neen, wij moeten ook de erfleer of Overleveringen gelooven , d. i. die geopenbaarde waarheden, welke de Apostelen wel gepredikt, maar niet opgeschreven hebben.

Onder „Erfleerquot; of „Overleveringquot; (Traditie) verstaat men in ruimeren zin de geheele goddelijke leer, welke door de Apostelen gepredikt en ook na hunnen dood tot in onze dagen voortdurend in de katholieke Kerk verkondigd en geloofd is geworden, \'tzij deze in de 11. Schrift opgeteekend staat of niet. In engeren zin echter, wanneer men namelijk

-ocr page 88-

72

Traditie en Bijbel tegenover elkander stelt of van elkander onderscheidt, zooals hier geschiedt, verstaat men er onder die goddelijke leer, welke de Apostelen enkel gepredikt en niet geschreven hehhen, of, wat hetzelfde is, welke van de Apostelen tot ons gekomen is, zonder in den Biibel opgeteekend te zijn. De Protestanten verwerpen algemeen de Traditie, en leeren, dat men niets anders ge-looven moet, dan hetgeen in den Bijhei staat. De ongerijmdheid dezer meenirg blijkt reeds daaruit, dat menig geloofsartikel eerst aan het einde van de eerste eeuw der christelijke tijdrekening, toen de H. Joannes zijn Evangelie schreef, in den Bijbel is opgenomen, en toch zoowel vóór als na dien tijd geloofd moest ■worden. Het best kan men echter de ongerijmdheid van die bewering aantoonen uit de H. Schrift zelve en uit de getuigenissen der oudste Kerkvaders en kerkelijke schrijvers, die ongeveer anderhalve eeuw nader bij den tijd der Apostelen leefden, dan de nieuwere, derhalve onvergelijkelijk beter dan zij konden weten, wat de Apostelen wilden en leerden. Het getuigenis der H. Schrift is duidelijk en ontwijfelbaar. De H. Apostel Paul us vermaant de geloovigen, zich, even strikt aan zijne ongeschreven als aau zijne geschreven leer te houden; „zoo dan, broeders, staat vast, en houdt u aan de over-„leveringen, waarin gij zoo bij woorden als door onzen ..brief, onderwezen zijtquot; (2 Thess. II, 14). Hij prijst hen, die zich nauwgezet daaraan houden: „ik loof u, broeders, „dat gij mijne voorschriften onderhoudt, gelijk ik u die heb „overgeleverdquot; (1. Cor. XI, 2). De kerkelijke overheden vermaant hij gestreng, de hun overgeleverde leer trouw te bewaren en weder aan anderen over te leveren: „Behoud „het voorschrift der gezonde woorden, die gij van mij ge-„hoord hebt,quot; schrijft hij aan den Bisschop Timotheus, „bewaar het u aanvertrouwde kostbare pand,quot; en op eene andere plaats: „Hetgeen gij van mij onder vele getuigen „gehoord hebt, doe dat wederom over aan vertrouwde man-„nen, die bekwaam zullen zijn, om anderen te leerenquot; (2. Tim. I, 13, 14 en II. 2). — Niet minder duidelijk zijn de getuigenissen der Kerkvaders. De ruimte van ons boek laat niet toe, eenige der voortreffelijkste plaatsen aan te halen. Ireneus \') en vooral Tertullianus 1), Vincentius van Lerin 2) hebben geheele verhandelingen geschreven, om aan te toonen, dat het niet dienstig is, zich met de ketters

1

) üe praescriptione conti\', haeret.

2

) Commonitorium.

-ocr page 89-

73

in strijdvragen over bijbelsche teksten in te laten, wijl zij die verdraaien of stoutweg loocheiien; maar dat men hen verwijzen moet naar de apostolisclie Overlevering, welke in de kerken, door de Apostelen gesticht, bewaard wordt. Wie deze overlevering niet aanneemt, heeft zich, zoo spreken, de HH. Vaders eenparig, van de Kerk van Christus losgescheurd, de leer van Christus en van de Apostelen verworpen , is bijgevolg een afvallige, een ketter. — Werpen wij een blik in de geschiedenis, het allereerst ontmoeten wij den H. Ignatius, Theophorus (Goddrager) bügenaamd, een leerling van den EL Evangelist Joannes en door dezen tot Bisschop der stad Antiochië gewijd. Toen de romein-sche Keizer Trajanus, voornemens tegen de Armeniërs en Parthen ten strijde te trekken, omstreeks het jaar 106naar Antiochië kwam, liet hij den H. Bisschop voor zich brengen en veroordeelde hem om geboeid naar Eome gevoerd en aldaar in het amphitheater den wilden dieren voorgeworpen Te worden. Ignatius nam met vreugde de boeien aan en begaf zich op weg tot den marteldood. In de steden, welke hij doortrok, ontving hij de afgezanten der christelijke gemeenten en sprak hun woorden toe van troost en leering. Eusebius, de oudste kerkelijke geschiedschrijver, bericht ons, dat de vrome Bisschop hen bij die gelegenheid bovenal vermaande, vast te houden aan de overleveringen der Apostelen , d. i. aan de door deze gepredikte leer. Verder zien wij, dat in alle Kerkvergaderingen, sinds de eerste te Nicea tot die van Rome, de Overlevering zoowel als de Bijbel als onbedriegelijke geloofsregel werd erkend. Het tweede Concilie van Nicea sprak zelfs het anathema (den ban) uit over degenen die de overleveringen der Kerk verwerpen, en deze uitspraak beeft de Kerkvergadering van Trente in hare vierde zitting vernieuwd.

Helben dan de Apostelen niet alles opgeschreven, wat Jes/is geleerd heeft?

Neen, de Apostelen hebben noch alle daden , noch alle leeringen van Jesus opgeschreven. — Dit bevestigt de H. Joannes zelf, daar hij aan het slot van zijn Evangelie zegt: Jesus heeft nog vele andere teekenen voor de oogen „zijner leerlingen gedaan, welke niet in dit boek zijn opge-„schreven.\'\' En wederom: „er zijn nog vele andere dingen , „die Jesus gedaan heelt, welke indien ze ieder afzonderlijk „beschreven wierden, ik achte, dat de wereld de geschreven ..boeken niet zou kunnen bevatten.quot; De Protestanten, die beweren , dat alles , wat Christus cns ten heil geopenbaard

-ocr page 90-

74

heeft, in de H. Schrift is opgeteekend, doen dit zonder eenigen grond, en zullen altijd het bewijs voor hunne lesr schuldig blijven. Zoowel de H. Schrift als de Vaders hebben zij tegen zich. „Het is duidelijk, zoo luiden de woorden van den H. Chrysostomus, ^dat de Apostelen „niet alles schriftelijk, maar ook veel, wat niet beschreven „is, ons overgegeven hebben en dat dit evenzeer geloofd moet wordenquot; \'). Zoo spreken ook de Kerkvaders Epipha-nius -), Basilius 1), Augustinus \'), enz.

Waarom hebben de Apostelen niet alle leeringen van Jems opgeschreven?

Omdat Jesus wilde, dat zijn godsdienst door de prediking verbreid en voortgeplant zou worden : daarom sprak Hij tot zijne Apostelen: „predikt het Evangelie aan alle schepselenquot; (Marc. XVI, 15), en „wie u hoort, hoort mij\'\' (Luc. X, 16). Daarom zegt ook deH. Paulus; „Het „geloof komt door het hooren, het hooren door de predi-j.king van het woord van Christusquot; (Rom. X, 17). — Derhalve leest men ook nergens in de H. Schrift: „en de Apostelen gingen heen en schreven alles op, wat Christus geleerd heeft,quot; maar: „zij gingen nu heen en prediUen „overal, en de Heer was met hen en bekrachtigde het „woord door teekenen, die het vergezeldenquot; (Marc. XVI, 20). Blijkt het niet duidelijk uit deze en andere Schriftuurplaatsen, dat Christus, ter verbreiding van zijn rijk inderdaad de mondelinge, niet de schriftelijke mededeeling verkozen heeft; dat alzoo niet het lezen van den Bijbel, gelijk onze tegenpartij beweert, de gewone weg is ter verkrijging van eene zekere kennis der heilswaarheden , maar het aanhooren van het christelijk onderricht? Met iets anders te veronderstellen , stoot men op eene menigte tegenstrijdigheden en ongerijmdheden. Want 1°) gesteld, dat onze Heiland wilde, dat wij door het bijbellezen de noodige kennis van den godsdienst zouden opdoen, waarom beperkte Hij Zich dan gedurende zijn leven op aarde tot het mondelinge onderricht\'? Of waarom sprak Hij niet tot zijne leerlingen: verzuimt niet, alles op te schrijven, wat gij van Mij gehoord hebt, en verspreidt het vervolgens onder alle volkeren, opdat de geheele wereld het leze en zalig worde? Waarom schreven

1

) Lib. de Spiritu Sto c. 27. \'\') Lib. de bapt. c. 23.

-ocr page 91-

75

dan de Apostelen eerst geruimen tijd na de hemelvaart van Christus? Waarom niet alle? Niet eens de meeste? Waarom, schreven zij slechts naar hizondere aanleiding, als \'t ware uit noodzakelijkheid ? Waarom vervaardigden zij niet op de eerste plaats een duidelijk en verstaanbaar leerboek voor alle natiën? Verder, indien ieder, om zijn heil te vinden, in den Bijbel moest zoe.ven, zou het dan niet even noodzakelijk zijn ter zaligheid te kunnen lezen, als het H. Doopsel te ontvangen ? Moesten in dat geval de wilde volkeren niet eerst leeren lezen, vooraleer zij Christen werden ? Hoe zou dit mogelijk zijn? Eu waarom riep dan de goddelijke Voorzienigheid niet vroeger de boekdrukkunst in ^ t leven ? VV aarom moesten er veertien eeuwen verstrijken, alvorens het den behoeftigen man mogelijk was, zicli een Bijbel aan te schalïen ? Voor de uitvinding der boekdrukkunst kostte een Bijbel een groote som gelds. Js het wel waarschijnlijk, dat Christus, om zijne zaligmakende leer aan de menschen mede te deelen, een middel uitkoos, waarvan Hij wel wist, dat de meerderheid veertien eeuwen lang volstrekt geen gebruik zou kunnen maken? Wat zullen onze ^tegenstanders op deze en duizend andere vragen antwoorden ? — 2°) Het is bovendien een onloochenbaar reit, dat de christelijke godsdienst eene reeks van jaren bestond, toenam en bloeide alvorens een Evangelie of eenig ander boek var. het Nieuwe Testament was geschreven; en ook na dien tijd waren er verscheidene christelijke gemeenten, waar geen enkele Bijbei te vinden was, wijl zij niet lezen konden. Zou men wellicht kunnen zeggen, dat deze geen goed geloof hadden ? Geenszins. Wat was voor die volkeren dan de geloofsbron ? De Traditie, welke zij in de leer der Kerk bezaten. Hooren wij hierover een eer-waardigen getuige, den H. Bisschop en Martelaar Ireneus. Welke woorden richt hij tot de dwalenden van zijnen tijd, die toenmaals^, gelijk thans, de Traditie versmaadden en enkel de H. Schrift erkenden, wijl zij deze gemakkelijker dan gene hoopten te vervalschen ? „Indien de Apostelen „geene geschriften hadden achtei\'gelaten, zou men alsdan ^met noodzakelijk de Traditie , welke de Apostelen aan de „heiders der Kerk hebben toevertrouwd, als richtsnoer van „het geloof moeten nemen? Aan diezelfde Overlevering „houden zich ook vele volkeren onder de barbaren, die aan „Christus gelooven, en de leer des heils zonder papier en „inkt door den H. Geest in hunne harten geschreven heb-„ben, omdat zij zorgvuldig de oude Traditie bewaren?quot; \')

\') Adv. Haeres. 1. 3.

-ocr page 92-

76

Was er nog- een ander bewijs iioodig, om te toonen, flat het rijk Gods zich niet op den eenzijdigen weg der bijbelvorsching heeft uitgebreid: wij zouden op de vele vergeefsche pogingen der protes-tantsche bijbelgenootschappen wijzen, die toch wanen, dat de wereld, zelfs de onwetende heidenen, zich door niets anders, dan door het lezen van den Bijbel, moeten bokeeren. Exemplaren van den Bijbel worden bij nüllioenen naar alle werelddeelen gezonden; jaarlijks wordt te dien einde eene hoogst belangrijke som besteed. En waar zijn de vruchten? \') De H. Franciscus Xaverius alleen bekeerde door zijne prediking van de goddelijke leer millioonen; \'tis echter te betwijfelen, of de Protestanten met millioenen bijbels wel een enkelen heide-n ot jood waarlijk bekeerd hebben. Hoe zou hot ook mogelijk zijn, dat een heiden dooi\' het lezen van den Bijbel Christen werd? De een of andere agent van een bijbelgenootschap spreekt tot een heiden: //Daar, neem dit boek, lees er vlijtig in en leer er uit, wat //gij gelooven en wat gij doen moet; want het is Gods woord.quot; Welken waarborg heeft nu de heiden, dat het werkelijk Godswoord is? Doch al neemt hij het ook als Gods woord aan, wie zal hem den zin er van verklaren? Moet hij niet met den kamerling van de koningin van Ethiopië zeggen: //Hoe lian ik verstaan, wat ik lees, zoo niemand mij //Onderwijst?quot; (Hand. VIII. 31). Als de protestantsche Godgeleerden met al hunne geleerdheid het niet onder elkaar eens kunnen worden omtrent den waren zin der H. Schrift: hoe zal dan de onkundige heiden het maken? De Protestanten zeiven kunnen niet verhelen,dat zii nutteloos zich zooveel moeite geven en zooveel geld besteden 2). Gelukt het hun ook nu en dan, een proseliet te maken; telkens heeft men in dat geval tot geheel andere middelen dan tot bijbellezen zijne toevlucht genomen

\') Volgens de berekening van een protestansch blad werden er tot het begin dezer eeuw in het geheel slechts vier millioen Bijbels in vijftig verschillende talen gedrukt. Sinds dien tijd verschenen er twee-en-dertig millioen in twee honderd verschillende talen, en werden door de bijbelgenootschappen in alle werelddeelen verspreid. Is wel het godsdienstig en zedelijk leven, naar evenredigheid van die massa\'s uitgedeelde Bijbels, gestegen? Bewijst niet, om van andere misdaden te zwijgen, de ontzettende toeneming van zelfmoorden, hoe waar onlangs een protestantsch predikant (Dr. Meinhold) getuigde, «het /,arme volk gaat, in weerwil dat men het met Bijbels niet alleen //Overlaadt, maar waarlijk overstroomt, vol vertwijfeling door de ,/Stormen des levens en vol twijfeling in den dood!quot;

quot;} Een protestantsche missionaris (Malcolm) bericht, na een langdurig verblijf in de engelsche bezittingen van Azic. dat er zeven verschillende vertalingen van den Bijbel in de maleische taal gedrukt waren, maar dat hij op het geheele vasteland nog van geene enkele bekeering had hooren spreken. ,/Do onvruchtbaarheid der protes-//tantsch Missiën,quot; voegt hij er bij, „heeft iets onverklaarbaars;want //de katholieke missionarissen hebben met zeer zwakke hulpmiddelen «veel meer uitgewerkt; zij hebben een groot aantal proselieten gesmaakt.quot; — Een ander CDr. Bickersath), die secretaris van het protestantsche zendinggenootschap was, bekende in eene redevoering, welke hij in 182o hield , dat hij binnen de eerste tien jaren nooit iets vernam van do bekeering van een afgodendienaar. Zie in „de Katholiekquot; van 1802, deel II, het artikel over de: onvruchtbaarheid van het protestantsche zeudingwerk. Bladz. 331—373.

3) //Vooral door den tooverklank van klinkende munt maakt men in Jeruzalem proselieten. Wen verhaalde mij, dat den doopeling 700 guldens als premie worden aangeboden, en zeker is het, dat jaarlijks 00,000 guldens door de Anglikanen voor bekeeringen besteed worden.quot; Zoo spreekt Dr. Tobler, een Protestant, die verscheidene malen Palestina bezocht in 1835 en 1845.

-ocr page 93-

77

Uit het gezegde volgt eoiiter niet, dat do H. Schrift overbodig of onnut is, wijl wij de Traditie aannemen. Ook zonder de H Schrift zouden wij voorzeker de christelijke leer, gelijk zij in hot leven der Kerk is overgegaan, volledig kennen; maar toch zouden wij uit het leven vau den Heiland en van de Apostelen, ook van hunne woorden en handelingen veel missen, hetgeen voor eenc levendige kennis des Christendoms van groot gewicht is. Zonder de H. Schrift zouden wij wel in staat zijn, de goddelijkheid van onzen godsdienst uit andere verschijnselen onwederlegbaar te bewijzen; evenwel deelt zij vele zaken uitvoerig en in bizonderheden mede, om dit bewijs meer omvattend te leveren. Ook leeren wij door den Bijbel afzonderlijke feiten en waarheden met alle deelen en omstandigheden nauwkeuriger kennen, dan de Traditie ons die waarschijnlijk zou hebben medegedeeld. Zoo lezen wij er bijvoorbeeld veel, wat bij het lijden en sterven des Heilands is voorgevallen; eveneens verscheidene wonderen met nadere omstandigheden en voorvallen. Dat alles draagt gewis veel bij tot onze leering en stichting; en toch zouden die bizonderheden waarschijnlijk door de Traditie niet tot ons gekomen zijn. Op gelijke wijze gaat het met de christelijke leeringen. Wij zouden door de Traditie bijv. ook de leer van dequot; II. Drieëenheid zeker kennen; doch de vele woorden en uitspraken van Christus, waardoor die leer zoo overtuigend mogelijk wordt voorgesteld, zoaden ons zonder het Nieuwe Testament niet toereikend bekend zijn. Kortom, Bijbel en Traditie behooren bijeen, en met goddelijke wijsheid werden zij ons ook onafscheidbaar gegeven.

Is het dan niet genoeg, als wij ons aan den Bijhei alleen honden ?

Neen; wij moeten ook (gelijk reeds uit de H. Schrift en uit de getuigenissen der Kerkvaders is bewezen) de Overlevering aannemen, welke de katholieke Kerk van Christus en de Apostelen ontvangen heeft. — Allerduidelijkst toch is het, dat de Bijbel alleen niet genoeg is, dat zijn inhoud door de Traditie noodzakelijk volledigd en opgehelderd moet worden. Zelfs onze tegenstanders zijn genoodzaakt dit te erkennen, indien zij oprecht willen spreken, en de verstandigs^en van hen hebben het ook reeds sinds lang toegegeven \').

1) In den Bijbel staat nergens gesclireveu, hoe vele goddelijke d, i. door God ingegeven boeken er zijn, en hoe zij heeten. Wisten wij dit door de Traditie niet, wij zouden niet eens een Bijbel, zelfs geen Evangelie hebben; want zeker is het, dat er reeds in de eerste tijden des Christendoms

\') Zelfs Calvijn zegt in zijne leer over den 2den brief aan Timo-theus: „wie de hulp van het ongeschreven woord verwerpt en zich „enkel met de doode letter vergenoegt, zal weldra gevoelen, wat „groot kwaad het is, het door God en Jesus Christus aangegeven. „middel tot onderricht te verachten.quot; De reden, waarom in Engeland zoo verbazend velen in den schoot der katholieke Kerk terugkeeren, is deze: wijl zij de leer der Traditie weêr beginnen te onderzoeken.

-ocr page 94-

78

eenige onechte Evangeliën waren, bijv. van Nicodemus, van Cerinthus, enz. Vanwaar weten wij nu, dat deze onecht en daarentegen de Evangeliën van Mattheus, Marcus, Lucas en Joannes echt zijn ? Marcus en Lucas waren geen Apostelen, maar slechts leerlingen der Apostelen. Waarom gelooven wij niettemin, dat hunne Evangeliën onder ingeving des H. Geestes geschreven zijn ? Clemens van Eome, Ignatius van Antiochië, Hermas en Papias waren toch ook leerlingen van de Apostelen; niettegenstaande worden hunne geschriften niet op.der de goddelijke boeken geteld, zelfs de brief niet, welken de hoogste oudheid aan den Apostel Barnabas toekent. Waarom maken Marcus en Lucas alleen eene uitzondering ? Daarvoor kan men geene reden in den Bijbel vinden ; het feit, dat in de Kerk van oudsher zoo geleerd en geloofd is, alzoo de kerkelijke Traditie, is de eenige grond van ons geloof 1). Verwerpt

\') Hoe namvgezet de Kerk in liet bepalen der schriften, welke zij als Gods woord wil laten vereeren, zich aan de Traditie of apostolische Overlevering houdt, zien wij uit den bovengenoemden brief van Jesus Christus aan den koning Abgar van Edessa in Groot-Armenië. ïen tijde namelijk, dat de Heer in het joodsche land Gods woord verkondigde en door wonderen bekrachtigde, drong de faam zijner buitengewone daden weldra ook in andere landen, tot in de verste streken door, en trok eene groote menigte menschen naar Judea, die bij Christus in hunne ziekte en lijden hulp zochten. Ook koning Abgar hoorde van den Christus, en zond een bode met een brief naar den Heer, waarin hij Hem verzocht, over te komen en hem van zijne zware ziekte te genezen; tevens bood hij Christus zijne bescherming aan tegen de vervolgingen der Joden, en noodigde Hem uit,in eene stad van Armenië zijne woonplaats te vestigen. De Heiland voldeed wel niet aan de uitnuodiging van Abgar, maar schreef hem den volgenden brief terug; „Jesus van Nazareth aan den koning //Abgar, heil en zegen! Zalig zijt gij Abgar, omdat gij aan Mij geloofd //hebt, ofschoon gij Mij niet hebt gezien. Want van Mij staat ge-,/Schreven, dat degenen, die Mij zien. Mij niet zullen gelooven,opdat „zij, die niet zien, gelooven en het eeuwig leven ontvangen. Wat //echter de uitnoodiging betreft om bij u te komen. Ik moet hier alles //volbrengen, weshalve Ik gezonden ben, en, na mijn werk volbracht „te hebben, terugkeeren tot Hem, die Mij gezonden heeft. Evenwel „wil ik, terstond na mijnen terugkeer tot Hem, een mijner leerlingen „bij u zenden, die uwe ziekte genezen en u en den uwen heil aan-//brengen zal.quot; Eenige jaren na den dood van Jesus kwam, gelijk de Heiland beloofd had, Thaddeüs bij koning Abgar, maakte hem benevens vele anderen gezond en verkondigde hem het geloof van Jesus Christus. Alle omstandigheden van deze gebeurtenis en in het bizonder den woordelijken inhoud der beide aangehaalde brieven, vond men in de openbare oorkonden te Edessa, zooals Eusebius, de eerste geschiedschrijver der Kerk, bericht, die ze zelf uit het Syrisch vertaalde. Ook de geleerde en heilige C3rprianus, die in Edessa diaken was, roemt ze; eveneens de H. Martelaar Hippolytus. De brief van Christus heeft noch wat den inhoud, noch wat de schrijfwijze betreft, iets, waaruit men met eenige rede twijfel over de echtheid zou kannen opvatten. Niettegenstaande dit alles werd hij door de Kerk

-ocr page 95-

79

men de overlevering, clan staat niets meer vast. Ziedaar de oorzaak, dat de Protestanten reeds zoover gekomen zijn, dat zij nu dit, dan dat boek en eindelijk de geheele H. Schrift, als door God ingegeven, weigeren te erkennen. Zoo moest het gaan , want de bewerinsr, welke men vroeger staande hield, als zou de goddelijkheid der H. Schrift uit eene zekere geestelijke zalving te kennen zijn, klinkt tegenwoordig en is inderdaad ook al te ongerijmd. Indien de Protestanten echter het getuigenis der Traditie aannemen, om te bepalen, welke boeken echt en welke onecht zijn, waarom beweren zij dan te gelijker tijd, dat de Traditie der katholieke Kerk niet te vertrouwen is, dat het geloof aan die Traditie gelijk staat met het geloof aan het be-driegelijk woord der menschen, dat men enkel Gods woord, hetwelk in den Bijbel alleen te vinden is, gelooven mag?

2) De Bijbel is bovendien eene doode letter, welke slechts inzooverre waarde heeft, als zij juist verklaard wordt. Van het begin des Christendoms tot in onze dagen werd dikwijls over den zin der woorden een hevige strijd gevoerd. Alleen van de woorden: „dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed,quot; die toch zeer duidelijk zijn, bestonden onder de Protestanten reeds kort na hun optreden, meer dan twee honderd verschillende verklaringen. Over een enkel vers van den brief aan de Galaten (III: 20) telt een protestantsche Godgeleerde (Dr. Thierz) eveneens meer dan löO verschillende gevoelens. Welken maatstaf hebben wij nu. om zoo verschillende verklaringen behoorlijk te onderzoeken en onfeilbaar de ware te kiezen? üe rede is niet voldoende, gelijk de ondervinding leert, en de H. Schrift zelve geeft ons geene oplossing; want de Schrift is stom; derhalve verklaart zij niet, maar moet verklaard worden. Om nu het doode woord juist te verklaren, wendt de Kerk zich het eerst tot het levende woord der Traditie, d. i. tot dé in het leven overgegane leer der Apostelen. Aan de hand der Overlevering tot de bron terugkeerende, verneemt zij, wat in den beginne geleerd en geloofd is, en bepaalt zij , dat men thans hetzelfde leeren en gelooven, dus de Schrift in overeenstemming met die oorspronkelijke leer, welke van Christus en

niet op de lijst der goddelijke geschriften gesteld, wijl hij aan de Kerk niet door een Apostel was overgegeven. en niet door eene onafgebroken kerkelijke overlevering tot den lateren tijd gekomen was. De echtheid van dezen brief was enkel gewaarborgd door de oorkonden, welke in het archief te Edessa gevonden werden; er bestond mogelijkheid, dat de brief ondergeschoven was; hoe ook, de echtheid bleek niet uit een goddelijk gezag, gelijk de Kerk van oudsher vorderde, als zij een of ander geschrift op de lijst der heilige boeken plaatste.

-ocr page 96-

80

de Apostelen afkomstig is, verstaan en uitleggen moet. „Want dat is goddelijk en waar\'\' schreef reeds degeleerde ïertulliaan ongeveer honderd jaren na den dood der Apostelen, „wat van den aanvang af is overgeleverd. De ket-„ters daarentegen beweren, dat men in geloofspunten op „geen anderen grond zijne bewijzen moet bouwen dan op „de geschreven geloofs-oorkonden. Doch zulke twisten over ,,de H. Schrift hebben in den regel geen ander gevolg, dan „hoofd en borst te vermoeien.quot; Daardoor komt Tertullianus tot het besluit, dat liet een verkeerde leerwijze is, zich enkel op de H. Schrift te beroepen, wijl de dwaalleeraars haren zin altijd in hun voordeel weten te duiden en te verdraaien. Welk nut hebben dan wel de Protestanten van den Bijbel, daar zij de kerkelijke Traditie verwerpen , welke den zin er van leert verstaan\'? Wat baat den hongerige het brood, dat in zijne kast is weggesloten, als hij den sleutel mist, om deze te openen? \')

3) Zeker is het ook, dat niet alle geloofsartikelen en gehoden in de H. Schrift vervat zijn. Zonder het te weten, erkennen dit ook onze tegenstanders; want in weerwil van hun protesteeren tegen de Traditie, zijn zij genoodzaakt, in zekere gevallen de letter der H. Schrift te verlaten en tot richtsnoer van hunne denk- en levenswijze de katholieke Overlevering te nemen. Waar staat bijv, in den Bijbel geschreven , dat de Christen in plaats van den Zaterdag den Zondag moet vieren ? Gebiedt de H. Schrift niet overal de heiliging van den zevenden dag der week\'? Welk gebod is er plechtiger afgekondigd en dringender aanbevolen, dan: „gedenk, dat gij den Sabbath heiligt?quot; Christus is r.iet gekomen, om de wet op te heffen, maar te vervullen. Hij zelf vierde

\') Om zich te overtuigen, hoe weinig men er in slaagde, zonder Traditie een volstandig, overeenstemmend leerstelsel \\iit den Bijbel te lialen, ga men slechts na, welke afwijkende en tegenstrijdige raee-ningen de protestantsche Godgeleerden, zelfs over de voornaamste leerstukken, onder elkander hebben. //De verdeeldheid onder ons,quot; zoo luidt de bekentenis van een protestantschen Theologant van onzen tijd (Meinhold, Weissagung des Abtes Hermann von Lehnin), //grenst //aan het ongeloofelijke. Niemand leert gelijk een ander, en toch //beroepen allen zich op de H. Schrift.quot; //lloet ons dit niet,quot; gaat hij voort, //tot de overtuiging brengen, lioe waar de Katholieken reeds «bij het begin der Reformatie beweerden, dat de H. Schrift slechts

//aan de hand der Traditie juist verstaan kan worden.......Indien

„alle uurwerkmakers van den pnilsischen Staat, van geslacht tot //geslacht, onophoudelijk en onvermoeid sinds drie honderd jaren er //Op uit waren geweest, goud te maken, maar nooit er in konden //slagen; zou het dan niet wijs van die lieden zijn, eindelijk daarvan «af te zien? Zoo hebben onze Godgeleerden sedert drie honderd jaar «voortdurend en onvermoeid te vergeefs het goud der zuivere leer «gezocht en niet gevonden, hoewel zij het in den Bijbel zochten.quot;

-ocr page 97-

81

den sabbath, en zijne leerlingen deden insgelijks. Niettemin is de sabbath voor de Protestanten niet meer dan een werkdag, en, gelijk wij, vieren zij den eersten dag der week, den Zondag. Waarom? wijl de Traditie ons bericht, dat de Apostelen den Zondag in de plaats van den sabbath gesteld hebben.

Wij lezen in den Bijbel (Hand. XV, 29), dat de Apostelen aan de Christenen geboden hebben, zich van bloed en van het verstikte te onthouden. Welke Protestant rekent zich echter nog verplicht, dat gebod te onderhouden ? Waarom spreekt hij er zich vrij van? Wijl de Traditie leert, dat het^ opgeheven is. Verder, zegt niet Chrig*as (Matth. XXVIII, 19): „leert alle volkeren en doopt henquot;, en (Marc. XVI, 1G): wie gelooft en gedoopt wordt, zal zalig zijn?quot; En leert niet de Apostel (1 Cor. VII, 14), dat de kinderen van een christen vader of van eene christen moeder niet onrein, maar geheiligd zijn? Zou men uit dien tekst niet kunnen besluiten, dat de doop der kleine kinderen ongeldig is, öf omdat zij onbekwaam zijn vóór den doop geleerd te worden en geloof te verwekken, öf wel, wijl zij buitendien reeds om de christelijke ouders geheiligd zijn? Nochtans worden ook bij de Protestanten de kleine kinderen gedoopt, en later, wanneer zij tot de jaren van verstand gekomen zijn, onderwezen; waarom? Wijl zij uit de Traditie weten, dat die verordening des Heeren, van eerst te leeren en te gelooven, alleen op de volwassenen en niet op de kleinen betrekking heeft, en dat de uitdrukking „geheiligdquot; hier niet hetzelfde is, als: „van de erfzonde gezuiverdquot; \'). — Na de voetwassching sprak Jesus tot zijne leerlingen: „indien ik dan, de Heer en de Meester, „uwe voeten gewasschen heb: moet ook gij elkanders voeten „wasschen\'\' (Joan. XIII, 14). Dit gebod is even duidelijk als dat ander: „doet dit ter mijner gedachtenisquot; (Luc. XXII 19), of: „doopt hen in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestesquot; (Matth. XXVIII, 19); evenwel zijn ook de Protestanten van meening, dat de voetwassching geen wezenlijk, voor alle tijden geldend gebod is, en dat het Avondmaal niet noodzakelijk door de voetwassching behoeft voorafgegaan te worden. Waarom ? Enkel omdat de Traditie het hun zegt. Onze in het geloof verdeelde broeders verwerpen de Traditie, als deze hun leert, dat zij vasten, hunne zonden biechten , de zielen

\') Lutlier cn Melanchton wisten de Woderdoopers, die beweerden, dat de doop der kleine kinderen ongeldig is, niet anders te wederleggen dan door de Traditie.

DEHAKBE, GELOOrSIEEK. I. S\'Ie DRUK. g

-ocr page 98-

sa

der afgestorvenen door gebed en aalmoezen helpen moeten, en beroepen zich dan op de letter des Bijbels; maar wanneer diezelfde letter hnu beveelt, elkander de voeten te wasschen, van zekere spijzen zich te onthouden, of volgens de gebruiken der Joden en Wederdoopers te handelen , be-roeoen zij zich van den Bijbel op de Traditie. Zoo is alles willekeurig en onhoudbaar, zoo worden zij immer heen en weêr geslingerd.

Waarom mosten wij aan de Overlevering evenzeer geloof schenlcen als aan de H. Schrift ?

Omdat de katholieke Overlevering zoowel de zuivere en onvervalschte Openbaring Gods is, als alles, wat in de H. Schrift staat.

Vooreerst moet men wel acht geven, dat hier geen spraak is van die Overleveringen, welke enkel op de kerkelijke tucht en kerkelijke gebruiken betrekking hebben, zooals van de bedekking der hoofden bij de vrouwen (I. Cor. XI) , of van den tijd der Paaschviering, van het kruisteeken , enz., maar van die, welke tot het wezen des Christendoms, tot de christelijke geloofs- en zedeleer behooren, en door de Apostelen als leer van Christus of als goddelijke Openbaring aan de Kerk zi]n overgeleverd. Dat wij deze, even als de H. Schrift, ais het zuiver en onvervalscht woord van God geloovig aannemen en vereeren moeten, is een geloofspunt, hetwelk de H. Kerkvergadering van Trente bepaald uitgesproken heeft, daar zii in de vierde zitting verklaart, „dat de christelijke Kerkleer vervat is in de „geschreven boeken en, zonder geschreven te zijn, in de „Overleveringen, \') welke uit Christus\' mond door de Apos-„telen\' opgevangen, of van de Apostelen, onder ingeving „des H. Geestes medegedeeld, als van hand tot hand over-„geleverd, tot ons gekomen zijn; dat zij (de Kerkvergade-„ring) derhalve, op het voorbeeld der rechtgeloovige Vaders, „aanneemt en vereert met gelijke liefde en eerbied alle „boeken van het Oude en Nieuwe Testament en verder de „Overleveringen, zoowel die het geloof als de zeden betreöen „als zijnde mondeling door Christus of door den H. Geest „ingegeven, en onverpoosd in de katholieke Kerk bewaard „geworden.quot; Wie de Traditie verwerpt, zondigt derhalve evenzeer als degene, die de M. Schrift niet wil erkennen;

\') Dit Inert ook het Vatikaansche Concilie. Zie hoofdstak II De Revelatione.

-ocr page 99-

83

want de eene bevat zoowel het zuivere woord van God als de andere. Schoon ook de bronnen verschillend zijn, het is toch altijd hetzelfde frissche en zuivere water, dat ons door beide toestroomt.

Daaruit blijkt, hoe verkeerd onze afgedwaalde broeders handelen, als zij onze goddelijke overiaveringen A.menschenleerquot; en /,mcnsclien-z/gebodenquot; noemen , en ze met de door Christus verworpen stellingen der Phariseën vergelijken (JIarc. VII, 6! S). Dit verwijt treft veeleer hen zeiven, daar zij, hoewel voorgevende alleen de zuivere leer des Bijbels te volgen, naast of\', om beter te spreken, hoven den Bijbel een menschelijk gezag stellen, waaraan zij zich blindelings onderwerpen. Waarom toch is de een Lutheraan, de ander Calvinist, wederom een ander Zwingliaan, enz.? Hebben zij met den Bijbel in de hanüeerst de leer van Luther, Calvijn of Zwingel rijpelijk onderzocht, om zich vervolgens, naar hunne overtuiging en hun geweten, tot deze of gene godsdienstige partij te bepalen? Was het eigen, door vrij onderzoek verkregen overtuiging, was hot zuivere liefde voor de goddelijke waarheid, was het bezorgdheid voor hun eeuwig heil, die hen er toe bracht, de leer der oude Moederkerk te verwerpen, en de nieuwe belijdenis af te leggen? Maar hoa zal men het dan verklaren, dat zoovele rechtschapen Protestanten in het uur des doods, wanneer vooroordeelen en menschelijk opzicht op den achtergrond treden, om hun eeuwig heil te verzekeren, in den schoot der Moederkerk terug-keeren; en van den anderen kant, dat in dien zelfden ernstigen en beslissenden stond nimmer een rechtgeaard Katholiek zijn geloof afgezworen heeft en tot eene sekte is overgegaan? Moet niet ieder, die onbevooroordeeld is, erkennen, dat meestal geboorte, vriendschap, bloedverwantschap, menschelijk opzicht of eigenbelang de oorzaken zijn, waarom men het met deze of gene godsdienstige p:irtij houdt, liever de vaan van Luther dan van Calvijn of Zwingel volgt? Zag men niet gansche landen, op het gezag en machtwoord van hunne vorsten, herhaalde malen van geloof veranderen?1) Mag men alzoo niet met meer recht op onze afgedwaalde broeders zeiven de woorden van Jesus toepassen: ,/Gij verlaat (de leer) het gebod Gods en houdt «de stellingen der menschen?quot; Wat toch waarborgt hen, dat zij, Luther, Calvijn of andere sektestichters volgende, het zuivere woord van God bezitten? Zoowel de geschiedenis als hunne eigen geschriften bewijzen handtastelijk, dat alle zoogenaamde reformatoren niet slechts zich zeiven honderdmaal hebben tegengesproken, maar dat ook de eene de leer van den andere verworpen en verdoemd heeft. Waar nu is de waarheid? Wie van hen heeft gelijk? Geheel anders staat het echter met de katholieke Traditie. Deze Is het zuivere,onvervalschto woord van God; derhalve verandert zij niet, gelijk de leer der Protestanten; zij is altijd en overal dezelfde. Zooals zij in Rome, de hoofdstad der Christenheid, gepredikt wordt, zoo en niet anders wordt zij ook in Nederland en in de geheele katholieke wereld gepredikt, ja, eveneens werd zij voor meer dan duizend jaren door den H. Wil-librordus en te voren door alle HH. Vaders en Kerkleeraren, door

\') Gelijk bekend is, geschiedde dit ten tijde van de Reformatie in den Keurpalz, welk land binnen do vijftig jaren van het Katholicis-mus tot het Lutheranismus (onder Keurvorst Frederik II. 1555—1550), van het Lutheranismus tot het Calvinismus (onder Frederik II!. 1559 1572), vervolgens op nieuw van het Calvinismus tot het Lutheranismus (onder Lodewijk V. 157ö—1583) en eindelijk (onder Frederik IV. 1592) wederom van het Lutheranismus tot het Calvinismus overging.

6*

-ocr page 100-

84

de Apostelen en Christus onzen lieer gepredikt. Dit alles is duidelijk en onluochenbaar bewezen. Daarom erkent Sozin, een beruchte ketter, //wanneer men benevens dc H. Schrift ook het gezag dor Kerkvaders //moet aannemen, zijn wij allen, — Lutheranen zoowel als Calvinisten //enz. — verloren.quot; Verwonderen wij er ons overigens niet over, dat de Overlevering altijd rein en onvervalscht in de katholieke Kerk bewaard is; gemakkelijk is zulks te verklaren, gelijk wij terstond zullen zien.

Hoe is de Overlevering altijd zuiver en onvervalscht in de Kerk bewaard?

1) Door den bizonderen hijstand van den heiligen Geest, welken de Heer aan zijne Kerk ten allen tijde verleend, en welke haar voor elke dwaling bewaard heeft.

De Kerk bestaat wel uit menschen, maar zij is toch niet bloot menscbelijk; een goddelijk element leeft in haar: de H. Geest. Want toen Christus de Kerk stichtte, gaf Hij haar zijne goddelijke, zaligmakende leer over, opdat zij die zou bewaren, niet slechts als doode letters, maar als het levend, in de harten der geloovigen wortelend, bloeiend en vruchtdragend woord. Hiertoe was echter eene aanhoudende medewerking van den H. Geest noodig. Met zijne verlichtende en bevruchtende genade moest die goddelijke Geest de Kerk doordringen en bezielen, in haar voortdurend leven en werken. Daarom heeft Christus zijne Kerk den 11. Geest voor alle tijden beloofd, toen Hij, in het plechtig uur voor zijn bitter lijden, tot de Apostelen, als de hoofden dier Kerk, sprak: „Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een „anderen Vertrooster geven, den Geest der waarheid, dien „de wereld niet ontvangen kanquot; (Joan. XIV, 16, 17). De H. Geest is alzoo het onzichtbaar, goddelijk element, in hetwelk de Kerk, die vereeniging van uit zich zei ven zwakke, aan velerlei gebreken onderhevige menschen, leeft, werkt en is, en vandaar komt het, dat haar overgeërfd geloof, dat het woord, hetwelk Christus haar overgegeven en in het hart geplant heeft, altijd frisch en onverwelkt in haar voortleeft en vruchten draagt. Gods woord toch kan nooit van de Kerk, en de Kerk nooit van Gods woord gescheiden worden. — Onmogelijk kan het anders wezen. Immers als het zuivere woord Gods maar eenige dagen uit de Kerk, d. i. uit den mond der leeraars en uit het hart der geloovigen, geweken, en alleen het geschreven woord te vinden ware geweest, dan zou gedurende dien tijd de ware Kerk van Christus van de aarde verdwenen en vergaan zijn, daar de Kerk van Christus onmogelijk uit eene vereeniging van valsche leeraars en dwalenden bestaan kan; ook

-ocr page 101-

85

zou de Kerk, die op de rots gebouwd is, in weerwil van de goddeliike belofte, door de macht der hel overweldigd zijn, \'t geen men zonder godslastering niet kan aannemen. Het is derhalve van zelf duidelijk, dat, gelijk het goddelijk woord rein en onvervalscht uit den mond der Apostelen vloeide, het ook rein en onvervalscht opgenomen, en door hunne leerlingen en opvolgers in het leerambt weder in andere plaatsen gepredikt, en door allen geloofd werd. Zoo ging het onafgebroken vcort van het eene geslacht op het andere tot op ons. Opnieuw wordt dus bevestigd dat wij noodzakelijk de Overlevering moeten gelooven, als wij, volgens het bevel van Christus, zijne goddelijke leer volledig en onverdeeld, gelijk de Apostelen ze gepredikt hebben, willen aannemen.

2) Maar ook afgezien van die bovennatuurlijke genadewerking van den H. Geest, valt het juist niet moeielijk aan te toonen, hoe de Traditie onvervalscht van het eene geslacht op het andere is voortgeplant. — In de katholieke Kerk gold immer en geldt nog als hoofdregel: „geene nieuwe „leer mag men dulden, maar men moet gelooven, -wamp;i overal, „wat altijd, wat door alle ware geloovigen steeds geloofd is „geworden; want dat is werkelijk en eigenlijk katholiek of „algemeen.quot; \') De Kerk heeft namelijk de vaste, op Gods woord gegrondveste overtuiging, dat wel eenige ledematen, ook leeraars, zich van het lichaam scheiden en op dwaalwegen geraken kunnen, maar dat het gansche lichaam nimmer in dwaling kan vervallen, wijl dit het geheimzinnig lichaam van Jesus Christus is, en door den H. Geest geregeerd en gedragen wordt. Wanneer er derhalve uitspraak gedaan moet worden in een of ander geloofsgeschil, dan laat de Kerk zich niet met spitsvondigheden in, maar vraagt, wat tot dusverre het oude, het algemeene, het eenparige geloof geweest is, en besluit, dat ook voortaan niet anders geleerd en geloofd moet worden. De liefde en eerbied voor de oudheid is een eigenaardige karaktertrek der katholieke Kerk, die zelfs diep in het volk wortelt; al het nieuwe is bij haar verdacht, verwekt kwaaddenkendheid en mistrouwen. Hoe kan men nu veronderstellen, dat bij die gezindheid dwaling en bedrog ongemerkt konden insluipen en wortel schieten ? 2) Men wijze met een enkel voor-

■) Quod ubique, quod semper, quod ab omnibus creditum est, hoe est vere proprieque catliolicum. Communit. Vine. Lerin. c. 3.

-) In de vijfde eeuw trad Nestorius, Patriarch van Constantinopel, met eene leer op, welke men tot dusverre in dc Kerk niet gehoord had. Hij beweerde namelijk, dat er in Christus twee personen be-

-ocr page 102-

86

beeld aan, dat een katholiek land van zijn geloof is afgevallen, zonder dat er een veelvoudige strijd en beweging ontstond. Hoe zou het alzoo mogelijk wezen, dat alle in taal en zeden zoozeer van elkander afwijkende christelijke landen zonder tegenspraak overeenstemden, om de goddelijke, door de Vaders overgeleverde waarheid prijs te geven ? \') Men bedenke tevens, dat de leer, door de Apostelen overgeleverd, gedurende achttien eeuwen niet enkel door het mondeling onderwijs is voortgeplant; neen reeds in het

staan, een goddelijke en een menschelijke. Reeds als priester in Antiochië had Nestorius den naam van liooge geleerdheid en schitterende welsprekendheid, en aan die hoedanigheden had hij ook zijne verheffing op den bisschoppelijken zetel van Constantinopel te danken. Nauwelijks kwam hij echter met zijne bewering voor den dag, of men bemerkte aanstonds, dat deze lijnrecht streed met hetgeen vanoudsher in de Kerk geleerd en tot dien tijd door allen als Gods woord was aangenomen. Er ontstond over deze nieuwe leer van den Patriarch eene groote ontevredenheid; een voornaam leek nam in de kerk publiek het woerd tegen hem op, en het grootste deel der gemeente en der geestelijken scheidde zich terstond van hem en brak de kerkelijke gemeenschap met hem af Korten tijd daarna werd te Ephesus eene stad in Azië, door 200 Bisschoppen, uit alle streken bijeengekomen, eene Kerkvergadering, ter bepaling van de kerkelijke leer, gehouden Van Rome kwamen drie gezanten, die een brief van den Paus aan het Concilie overbrachten, waarin de Bisschoppen vermaand werden, „met alle zorgvuldigheid op de leer der Apostelen te zien, en „bij datgene, wat deze qepred\'kt hadden, niets nieuws te voegen.quot; De Bisschoppen lieten zich derhalve niet met spitsvondige en geleerde verhandelingen in, hoewel vele als uitstekende geleerden bekend stonden, maar men onderzocht de nieuwe leer en vergeleek ze met die, welke de voorvaders in het leeraarsambt, als getrouwe bewaarders der apostolische leer, hadden overgeleverd. //Want deze,quot; zoo sprak men, „zijn de leeraars, raadgevers, getuigen, rechters; aan ,/hunne leer moet men zich houden, hunne raadgevingen volgen, „hunne getuigenissen gelooven, aan hunne uitspraken zich onderwer-,pen; dat is de regel voor hetgeen men moet gelooven.quot; Toen de brief van den Bisschop van Carthago, die verhinderd was persoonlijk te verschijnen, werd voorgelezen, waarin hij verklaarde zich altijd te zullen houden aan de oude leer en al het nieuwe te verwerpen, toen stonden alle aanwezig zijnde Bisschoppen op en riepen eenparig uit: „Dat is do stem van allen, dat zeggen wij allen, dat is ons aller „gevoelen!quot; Niets nieuws wilden zij voordragen, maar slechts maatregelen nemen, om de nakomelingschap niets over te leveren, wat zij zei ven niet van hunne voorvaderen ontvangen hadden, en overeenkomstig dit beginsel veroordeelden zij eenparig de nieuwe leer van Kestorius. — En zoo zijn alle Conciliën zonder uitzondering te werk gegaan. Ook de Kerkvergadering van Trente besloot hare bepalingen over de geloofsleer met den eenparigen uitroep: „Dit is het geloof „van den H. Petrus en van de Apostelen, dit is het geloof der vaders, „dit is het geloof der waargeloovigen. Zoo gelooven wij, zoo denken wij, zoo onderteekenen wij \'

\') „Is het waarschijnlijk,quot; vraagt Tertulianus (de praescript c. 27), ,dat zoo vele en zoo groote christelijke gemeenten dwaalden en „niettemin één geloof behielden? Voor het minst zou de dwaling zich „in verschillende gedaanten geopenbaard hebben.quot;

-ocr page 103-

87

begin des Christendoms vervaardigden de Kerkvaders eene groote menigte geschriften, waarin zij de apostolische overleveringen opteekenden , en tegen de aanvallen der ketters grondig en breedvoerig verdedigden; en in den loop der tiiden werd er bijkans geen enkel algemeen of bizonder Concilie gehouden, zonder dat men er eenig artikel van verklaarde of vaststelde. Bovendien heeft de Overlevering door alle tijden heen zich uitgesproken in de kerkelijke ceremoniën en gebruiken, verordeningen en wetten, in de gebeden en geloofsbelijdenissen, zelfs in gedenkteekenen, inschriften en kunstwerken. Om de overgeleverde leer te vervalschen, had men derhalve te gelijk de schriften der HH. Vaders en kerkelijke schrijvers, de besluiten der Conciliën , de geloofsbeliidenissen , gedenkteekenen , enz. moeten vervalschen. Anders toch zouden deze terstond als onwaderlegbare getuigen tegen de vervalsching der katholieke leer zijn opgetreden, en het zou heden even duidelijk bewezen zijn, dat de katholieke Kerk van geloof veranderd was, als men dit van de Protestanten uit hunne schriften en gedenkteekenen kan aantoonen.

Christen lezer, vergeet derhalve nimmer den gulden, echt katholieken stelregel: ,/in geloofszaken mag niets nieuws opkomen.quot; Hetgeen de H, Kerk in alle tijden en op alle plaatsen gelooft en leert, dat is katholiek, dat is waar; daarvan moogt gij geen haarbreed afwijken. Laat u niet verleiden door ijdele woorden. Een nieuw kleed is beter dan een oud, doch met den godsdienst is dit anders. Godsdienst is goddelijke waarheid, derhalve eeuwig- en onveranderlijk als God. De Zoon Gods, Jesus Christus, die van eeuwigheid in den schoot des Vaders is, heeft haar van den hemel gebracht. Christus verscheen echter niet eerst lieden of gisteren. Reeds voor achttien eeuwen wandelde Hij op aarde en verkondigde Zijne heiligmakende leer. Eene nieuwe leer kan alzoo niet de leer van Jesus, niet de waarheid zijn. Wie liet oude geloof verlaat, om iets nieuws aan te hangen, verlaat Christus, verloochent Christus, is een kind van satan. den vader der leugentaal.

Oeloofsi*oi;et dei* Mssilioüekcu. Dusmc verliomSiEiè* Schritl en Traditie.

Wat moet nu de hatholiéke Christen, volgens het gezegde, gelooven ?

Hij moet alles gelooven wat God geopenbaard heeft, en door de katholieke Kerk te gelooven voorstelt, hetzij het geschreven is of niet.

-ocr page 104-

Dit is de zekere en algemeene geloofsregel der Katholieken , \'waaruit blijkt, dat er tot een geloofsartikel in den zin der katholieke Kerk twee dingen gevorderd worden: 1) Gi-od moet het geopenbaard, 2) de Kerk te gelooven voorgesteld hebben. — Diensvolgens zijn openbaringen, welke de Kerk niet te gelooven voorstelt, gelijk men die in de legenden of schriften der Heiligen aantreft, al zouden zij ook nog zoo eerwaardig en echt schijnen, geene geloofsartikelen. Om dezelfde reden behooren ook niet tot de katholieke geloofsleer zekere vrome overleveringen, die wel uit eene oude bron voortkomen, doch nooit door de Kerk als goddelijke waarheden voorgesteld zijn; men denke hier bijv. aan de overlevering, welke zegt, dat de Heiland driemalen onder het kruis is gevallen, dat het afbeeldsel van zijn gelaat op den zweetdoek is afgedrukt. — Of de Kerk datgene, wat zij ons te gelooven voorstelt, uit de H. Schrift of de Traditie, of uit beiden tegelijk put, dat is hetzelfde, en ook voor ons geheel onverschillig; want nooit zal de Kerk ons gebieden een leerstuk geloovig aan te nemen, zonder uit eene der genoemde bronnen, uit welke de goddelijke waarheid vloeit, geput te hebben.

Bijbel en Traditie zijn de beide bronnen, in welke, gelijk reeds gezegd is, de geheele goddelijke Openbaring, die wij verplicht zijn te gelooven, vervat is; docli de Kerk is liet middel, waardoor de in beide bronnen vervatte geloofsleer zeker tot ons komt; derhalve zijn voor ons Bijbel en Traditie eigenlijk slechts in zooverre geloofsbronnen, als zij ons door de katholieke Kerk onfeilbaar verklaard zijn. — Ter volkomene opheldering van het gezegde blijven er nog eenige vragen te beantwoorden, namelijk:

Moeten wij ook gelooven, wat in de werken der I1H. Vaders of Kerkleeraars vervat is?

De HH. Vaders en Kerkleeraars hebben steeds een groot aanzien genoten in de Kerk, niet alleen om hunne heiligheid en geleerdheid, welke aan hunne leer zeker eene groote waarde geeft, maar ook wijl zij niet langen tijd na de Apostelen geleefd, en derhalve de goddelijke leer uit de hand der Apostelen of van dezer onmiddellijke opvolgers ontvangen hebben. Nochtans stelt de Kerk hunne boeken met die der II. Schrift niet op gelijke lijn. De H. Schrift is onder bizondere ingeving van den H. Geest geschreven; ditzelfde kan men van de werken der Kerkvaders niet beweren. Deze zijn slechts onfeilbaar, inzooverre zij ons de geloofs- en zedeleer der onfeilbare Kerk betuigen en overleveren. Om nu te onderscheiden, of zij de leer der Kerk, of wel onkel persoonlijke gevoelens voordragen, moeten wij niet op de afwijkende meening of zienswijze van den een of anderen Vader, maar op hunne overeenstemmende, eenparige leer acht geven; want wat zij eenparig leeren, moet noodzakelijk de leer der Kerk zijn, daar deze zich steeds tot wet stelde, zóó te leeren, ais ten allen tijde, als overal, als door allen geleerd is. De eenparige leer der heilige Vaders moeten wij derhalve ook gelooven, daar zij onloochenbaar de leer der onfeilbare Kerk, eene goddelijke, van de

-ocr page 105-

89

Apostelen af overgeleverde leer is. In dien zin zegt Vincentius van Lerin; //alle Katholieken, die echte zonen hunner moeder de Kerk , willen zijn, moeten aan het geloof der Vaders getrouw blijven, aan dat geloof zich vastklemmen, in dat geloof sterven; daarentegen moeten zij alle onheilige nieuwigheden der dwaalleeraars haten, verfoeien, verwerpen.quot; •) Om te weten, wat de HH. Vaders eenparig leeren, is het juist niet noodzakelijk, dat alle hun gevoelen over deze of gene leer uitspreken; het is veelal genoeg, dat slechts eenige van hen dit doen, wanneer zij namelijk een leerpunt als apostolische Overlevering of algemeene leer der Kerk bepaald voordragen of verdedigen, van den anderen kant de tegenovergestelde loer als iets nieuws of als ketterij verwerpen, en alsdan door de andere HH. Vaders hierin niet worden tegengesproken. Het stilzwijgen toch der overige is in dit geval een waarborg, dat zij instemmen met de bewering dei-eerste, welke zij zeker tegengesproken zouden hebben, bijaldien zij met het geloof der Kerk niet. in overeenstemming ware geweest. Indien in een of ander geval het gevoelen der Vaders verdeeld ot twijfelachtig zou wezen, dan komt het der Kerk toe, te onderzoeken en uitspraak te doen, als zij namelijk eene uitspraak noodzakelijk ol nuttig oordeelt.

Aangaande de Kerkvaders merken wij hier nog het volgende op; alle geestelijke leeraars, vooral de Bisschoppen, worden tot diep in de Middeleeuwen in de christelijke Kerk „Vaderquot; genoemd, welke titel thans uitsluitend aan don oppersten Bisschop in Rome, aan den Paus gegeven wordt. Doch insmeer beperkte beteekenis en in den gewonen zin voeren dezen naam die leeraars der christelijke Kerk, die in den eersten tijd (tot ongeveer de 10\'e of IS\'ic eeuw) geleefd, zich door een heiligen levenswandel gekenschetst, en in hunne nagelaten schriften het geloof der Kerk betuigt en overgeleverd hebben. Vandaar worden tot het wezen van een Kerkvader in den strengsten zin gevorderd: 1) buitengewone geleerdheid, 2) heiligheid van leven, 3) ouderdom en 4) dat zij als zoodanig door de Kerk erkend zijn. Diegenen, die eene of andere dezer eigenschappen missen, worden enkel kerkelijke schrijvers genoemd, bijv. Origenes, Tertullianus, Eusebius van Cesarea. Anderen daarentegen, die eene hoogere mate van geleerdheid in de verdediging en bevestiging van het Christelijk geloof door woord en schrift ontwikkeld, en daardoor voor het rijk amp;ods bij de vroegere en latere tijden zich verdiensten verworven hebben, worden nog bizonderlijk met den naam van Kerkleeraars aangewezen. De vier voornaamste Kerkleeraars zijn in de oosterscho Kerk: Athanasius, Basilius de Groote, Gregorius van IJazianze en Chrysostomus; in de westersche; Ambrosius, Hieronymus, Augustinus en Gregorius de Groote. Ook aan den H. Thomas van Aquine, den H. Bonaventura en den H. Alphonsus de Ligorio werd, om hunne buitengewone verdiensten voor de kerkelijke wetenschap, de titel van Kerkleeraar verleend, hoewel zij om den tijd, waarin zij leefden, niet meer onder de Kerkvaders geteld konden worden.

Hoe leeren wy hennen, wat de Kerk te gelooven voorstelt?

1) Uit de onveranderlijke leer, \'welke zij den geloovigen overal en eensluidend voordraagt zoowel in preken en christe-liïke leering , als ook in de brieven der Pausen en Bis -schoppen, in de door haar goedgekeurde katechismussen en andere godsdienstige, vooral liturgische boeken. 2) Uit

Commonit. in lino.

-ocr page 106-

90

de uitdrukkelijke bepalingen, welke het leergezag der Kerk bij voorkomende oneenigheden over de geloofsleer geeft. Zulke uitspraken vinden wij a) in algemeene Conciliën, d. z. vergaderingen der Ijisschoppen van de katholieke wereld in vereeniging met den Paus; 6) in bizondere Conciliën , d. z. vergaderingen der Bisschoppen van eén land, wier bepalingen terstond als uitspraken van de Kerk moeten gehouden worden, zoodra de Paus als hoofd van het Episcopaat ze als zoodanig erkent; c) in de uitspraak van den Paus zeiven, wanneer hij spreekt als leeraar en opperhoofd der geheele Kerk.

Waarom is het noodzahelijh, dat de katholieke Kerk ons de geopenbaarde rvaarheden voorstelt ?

Omdat wi] slechts door de katholieke Kerk onfeilbaar kunnen weten, wat God geopenbaard heeft.

Om onwrikbaar en standvastig de door God geopenbaarde waarheden te kunnen gelooven, moeten wij er ook eene zekere kennis van hebben; want zoo lang wij nog redelijker wijze twijfelen, of God iets werkelijk geopenbaard heeft, kunnen wij het niet zoo onvoorwaardelijk vast en zeker gelooven, als het goddelijk geloof zulks vordert. De Openbaring gaat echter niet uit den mond Gods tot iederen mensch in het bizonder. Van wien alzoo zullen wi] die geheel zeker, zóó dat niet de minste twijfel overblijft, vernemen ? Wien hebben wij hierover te vragen ? De katholieke Kerk, namelijk hare wettig aangestelde en geloofwaardige leeraars. Zij v/erd door Christus den Heer gesticht, om allen menschen zijne leer tot den jongsten dag te verkondigen. Te dien einde heeft Hij haar zijn woord toevertrouwd \'met bevel, het altijd rein en onver-valscht te bewaren, onfeilbaar te verklaren en getrouw te prediken. En dewijl de Kerk hiertoe den goddelijken bijstand noodig heeft, heeft Hij haar den H. Geest beloofd, die bij haar blijven, haar besturen en in alle waarheid onderwijzen zal. Dit was van oudsher eene der gewichtigste en eerste leeringen van onzen godsdienst \').

Eeeds de H. Bisschop en Bloedgetuige Ireneiis, die van den H. Bisschop Polycarpus, den beroemden leerling van den H. Evangelist Joannes, christelijk onderwijs ontvangen had, leert uitdrukkelijk, „dat men nergens anders, dan in

\') Een en ander wordt verder ontwikkeld bij het 9116 artikel des geloofs.

-ocr page 107-

91

„de Kerk de waarheid moet zoeken, daar de Apostelen in „haar, als in eene rijke .schatkamer, de gezamenlijke waar-„heden in alle volheid nedergelegd hebben, zoodat ieder, „die slechts wil, den drank des levens uit haar scheppen

„kan..... Haar is Gods licht toevertrouwd, en zij is de

„zeveuarmige kandelaar, die het licht van Christus draagt\'\'\').

En in het begin der derde eeuw verklaarden de Bisschoppen van Afrika, die te Carthago onder het voorzitterschap van den H. Cyprianus vergaderd waren, eenparig: „Onze moeder, de katholieke Kerk, bewaart, en zal immer „de waarheid zuiver bewaren ; want zij wordt door God „bestuurd en onderricht; zij is alleen en altijd de leer-,,meesteres des heils.quot; Zelfs Luther, die de Kerk steeds zoo vijandig bestreed, vond zich gedrongen, de volgende merkwaardige woorden neêr te schrijven : „Wie iets van „Christus weten wil, moet zich zeiven niet vertrouwen, „noch eene brug ten hemel bouwen door zijn eigen ver-„stand, maar tot de Kerk gaan en haar vragen.quot; Diegenen echter, die de Kerk niet vragen of niet liooren, weten niet, wat zij gelooven moeten , maar zijn voortdurend in twijfel, „en worden rondgevoerd door allerlei wind van „leering, als een speelbal der arglistigheid van menschen, „wier toeleg is te verleiden\' Eph. IV, 14. — Toen Askle-piades, de wreede vervolger der Christenen, den H. Komanus liet martelen, riep, gelijk verhaald wordt, een kind, dat door zijne moeder op de armen werd gedragen, luide uit: „Jesus Christus is de ware God.quot; Sidderend van woede vroeg de tiran, wie hem dat gezegd had ? „Mijne moeder,quot; antwoordde het kind. — „En wie heeft het uwe moeder gezegd ?quot; — „Godquot; was het antwoord van het kind. — „Aan mij de „Kerk en God aan de Kerkdit is het eenig antwoord, dat wij den verleider geven moeten, die door arglistige vragen over den grond van ons geloof ons in dwaling wil brengen; want het is onmogelijk, dat de Kerk dwaalt, wanneer zij ons iets als Gods woord voorstelt.

Waarom kannen wij enkel door de Icallolieke Kerk onfeilbaar

welen, wat God (jeoptnbiard heeft? Kunnen wij zonder de Kerk dit niet zien uit de Schrift of Overlevering,

daar deze de goddelijke Openbaring bevatten?

Neen, dit kunnen wij niet, wijl wij zonder de Kerk 1)

\') Adv. haeres, III. 4. § 1 et V, 20. § 1.

-ocr page 108-

92

evenmin eene goddelijke Schrift en Traditie zouden besitten, als 2) den waren zin van beiden onfeilbaar kennen.

Het is voorzeker waar, gelijk ook het Concilie van Trente leert (Zitt. 4), dat de H. Schrift en de Overlevering de eenige bronnen zijn, welke de tot ons heil gegeven Openbaring bevatten, en dat de H. Kerk van Christus zelve uit haar de heilswaarheden schept, welke zij ons te gelooven voorstelt. De Kerk toch maakt geene nieuwe geloofsleer, maar bewaart en geeft ons slechts die, welke haar door Christus en zijne Apostelen tot heil der menscheid is toevertrouwd. Geliik Christus eens sprak: „Mijne leer is niet „de mijne, maar van Hem, die Mij gezonden heeft,quot; zoo zegt ook de Kerk terecht; „mijne leer is niet de mijne, „maar van Jesus Christus, die mij gelast heeft u te leeren.quot; Niettemin is de Kerk ons onontbeerlijk om de goddelijke Openbaring naar behooren te kennen. Zij is het eigenlijke richtsnoer van ons geloof, de scheidsrechter, die de waarheden des gel dofs nader bepaalt. Tot haar moeten wij ons derhalve wenden, haar moeten wij ondervragen, wanneer wij met zekerheid willen weten, welke de door God geopenbaarde waarheden zijn, die wij verplicht zijn te gelooven. Want zij alleen is sinds den beginne in het wettig bezit der echte, zuivere geloofsbronnen geweest, en zij alleen kan Schriftuur en Overlevering behoorlijk verklaren. Zuiver, onvermengd bronwater bekomt derhalve slechts degene, wien zij het toedient, en die het uit hare hand ontvangt. Dit zal door de uiteenzetting der volgende punten zonder moeite voor ieder duidelijk worden.

1) Slechts door de katholieke Kerk heblcm wij de U. Schrift en Overlevering, welke de goddelijke Openbaring bevatten ; want:

a) De katholieke Kerk alleen heeft Schrift en Overlevering van de Apostelen ontvangen. — Aan wie anders toch hadden de Apostelen haar kunnen of willen overgeven, zoo niet aan hunne opvolgers en door hen aan de Kerk? Immers er bestond toenmaals behalve de katholieke Kerk geene andere godsdienstige partij , dan de joodsche en heidensche. De sekten, welke nog heden in Azië of waar ter wereld ook bestaan, zijn eerst verscheidene eeuwen na de Apostelen opgekomen. Indien deze alzoo den Bijbel en de christelijke leer niet in de katholieke Kerk aanwezig gevonden hadden , zouden zij noch Bijbel noch Christendom hebben. Luther beroemde er zich op (nota bene), dat hij den Bijbel te Erfurt onder eene bank gevonden en uit het stof getrokken had. Al had hij ook reden gehad om aldus te spreken, hetgeen volstrekt het geval niet was,

-ocr page 109-

93

het bleef toch immer waar, zegt zelfs een protestansche schrijver, \') „dat de katholieke Kerk den Bijbel daar weg-„gelegd had, wijl Luther hem anders nooit had kunnen „vinden en voor den dag brengen. Wie de geschiedenis „beter weet, wie een anderen weg kent, langs welken de „Protestanten aan den Bijbel — die alleen, naar Imnne „meening, Gods woord waarachtig bevac — en met den „Bijbel aan de kennis van het zaligmakende geloof gekomen „zijn, hij trede op en spreke\'\' quot;). Luther zelf zag zich genoodzaakt, wat smartgevoel het hem ook kostte, herhaalde malen te bekennen, „dat in het pausdom de ware Schrift „is,\'\' en wederom: „wij moeten toegeven hetgeen waar is, „in het pausdom is Gods woord, en wij hebben de H.

Schrift van hen gekregen; wat zouden wij er anders van „weten V\' 1) De katholieke Kerk alleen klimt op tot de Apostelen, derhalve was zij ook alleen in staat. Schrift en Overlevering onmiddellijk uit de hand der Apostelen te ontvangen. Enkel aan de Bisschoppen , die door de Apostelen waren aangesteld en met hen de Kerk bestuurden , werden de Evangeliën en brieven toegezonden, om deze onder hun toezicht den geloovigen bij de godsdienstige bijeenkomsten te doen voorlezen. De Apostelen gaven ook aan de katholieke Bisschoppen de noodige onderwijzing over de boeken van het Oude Testament, opdat de leeraars met alle zekerheid zouden weten, welke boeken als goddelijke gehouden, en als zoodanig aanbevolen en voorgelezen moesten worden. Vooral uit den brief van den H. Paulus aan Timotheus zien wij duidelijk, dat zij den katholieken Bisschoppen bevel gaven, ook de mondelinge leer als een kostbaar onderpand te bewaren en aan anderen over te leveren.

i) Slechts de katholieke Kerk heeft, onder den bizonderen bijstand van den H. Geest, Schrift en Traditie altijd onvervalscht bewaard. Toen wij spraken over de „geloofsbronnen\' is het genoegzaam bewezen, dat de katholieke Kerk de H. Schrift zoowel als de apostolische Overlevering altijd onvervalscht bewaard heeft; wij moeten hier derhalve nog slechts aantoonen, dat dit voorrecht haar alleen , en geene

1

) Wittenb. Uitgave. IV, bladz. 277, of van Jena VII. 469.

-ocr page 110-

94

andere sekte of godsdienstige partij toekomt. Zonder moeite is dit te bewijzen. Immers wat de Overlevering betreft, begrijpt ieder terstond, dat de onder ons levende sekten haar geenszins bewaard hebben, daar zij ze hardnekkig verwerpen, en wel mogen wij er bijvoegen, dat zij de Overlevering om geene andere reden verwerpen, dan wijl zij inzien, dat het getuigenis dier Overlevering hen van dwaling en onrecht overtuigt; want natuurlijker wijze verwerpt slechts die der strijdende partijen den getuige, tegen wie deze getuigenis aflegt. Maar ook den Bijbel hebben zij niet ongedeerd gelaten, wijl zij gaarne de woorden ten gunste hunner verkeerde meeningen wilden keeren. Keeds de zoogenaamde reformatoren, Luther, Zwingel, Beza, Oecolampadius deden elkander het verwijt, dat zij de Schrift vervalscht hadden, en geen hunner was ooit in staat, zich op dat punt te rechtvaardigen Hoe schandelijk Luther den brief van den H. Paulus aan de Romeinen vervalscht, en hoe verachtelijk hij dien van den H. Jacobus verworpen heeft; is algemeen bekend 1}. Nog erger is het in later

1

) Om zijne verderfelijke leer, „dat het geloof ook zonder goede „werken zalig maakt,quot; met het gezag van den H. Paulus te steunen, heeft Luther den tekst: //Wij houden het daarvoor, dat de mensch //door het geloof gerechtvaardigd wordtquot; (Rom. III. 28) klaarblijkelijk vervalscht, daar hij schreef: //door het geloof alleen.quot; Toen hij was uitgedaagd om zich hierover te verantwoorden, sprak hij: „ik weet „wel, dat het woord alleen niet in den tekst van Paulus staat, maar „als een papist over dit woord veel praats wil maken, dan zeg ik „hem lluks: Doctor Martijn Luther wil \'talzoo hebben, en ik spreek: „papist en ezel zijn één.quot; (Zie Scheffmacher. Controvers-Katechismus: vom Glaube und Glaubensregel.) Daar de 11. Jacobus in zijn brief te

-ocr page 111-

95

tijd geworden. De vele vervalschingen , waaraan de Protestanten bij de vertalingen van den Bijbel, die over land eu zee verzonden worden, zich schuldig maken, „wekken de verontwaardiging van elk rechtschapen mensch.quot; Aldus spreekt een predikant in zijn geschrift over dit onderwerp\'). Hetzelfde geldt van de vertalingen in onze taal. De hoogleeraar van der Palm schreef, „dat de Staten-Bijbel gebrek „heeft aan taalkundige juistheid: en wat nog meer zegt, „dat hij niet zorgvuldig is bewerkt, maar op verscheidene „plaatsen faalt\'\' (Derde tiental leerred. bl. \'275). De Vaderlondsche letteroefeningen beweerden in het jaar 1826, dat geen gereformeerd Leeraar ontkent, dat de invloed der twisten, welke, ten tijde van de geboorte dier overzetting, de gereformeerden in ons land verdeelden, eene voorname

O f 7 ^

oorzaak is van verkeerde vertaling en onjuiste aanhalingen op vele plaatsen.

Die zelfde Letteroefeningen leverden een paar jaren later (April 1828) eene ongunstige kritiek van den Bijbel, vertaald door van der Palm; zij achtten de behoefte eener nieuwe vertaling door de zijne niet vervuld, en beschouwden van der Palm\'s vertaling in het oordeelkundig gedeelte te weifelend, te onzeker.

De Heer Da Gosta viel veel heviger tegen die zelfde Bijbelvertaling uit. Hij zegt: „waarom ziet gij het aan , „zonder van ijver te branden, dat huurlingen en valsche „profeten, het gezegend Bijbelwoord vervalschen door nieuwe „vertalingen?quot; (Geesteliike wapenkreet.)

En wat de vertaling des Bijbels door J. Konijenberg , hoogleeraar aan de protest, kweekschool te Amsterdam betreft, over deze gaf het Letterkundig magazijn (1826, Nquot;. 5) zijne vrees te kennen, dat de bestrijders van het Protestantisme zouden zeggen: „Zie, zóó springen zij met dien bij hen zoo hoog geroemden Bijbel omquot;. En Da Costa laat zich met verontwaardiging over die vertaling aldus uit: „dat men „daarin Christus van al zijne goddelijke hoedanigheden

bepaald en te uitdrukkelijk de noodzakclijklieid der goede werken leert, dan dat men den tekst zou kunnen vervalschen, noemde Luther dien brief zonder omwegen een strooien brief en wilde er niets van weten. Toen men hem hierover onderhield, gaf hij ten antwoord: //Jacobus is gek, als hij zegt: de vruchten maken rechtvaardigquot; (Luther\'s werken Wittemberg deel VI bladz. 2S2). Eenige andere voorbeelden van erge vervalschingen, welke Lutlier zich veroorloofde, levert Perronne en vooral Döllinger in ziin werk : „Die Reformation,quot; deel 111.

\') Dr. Arthur Parceval, hofprediker van den overleden koning van Engeland, in zijn werk: //Redenen waarom ik geen medelid van een bijbelgenootschap ben.quot;

-ocr page 112-

96

„en waardigheden ontkleedt en ontbloot, en — zijne „eeuwige Godheid en zijn Middelaarsambt, door verfoeielijke „verdraaiingen weg vertaalt?quot; Zoo spreken Protestanten over protestantsche Bijbelvertalingen. De grieksohe Kerk, welke zich reeds voor eenige eeuwen van de roomsche scheidde, heeft echter niet zoo lichtzinnig de christelijke oudheid verworpen. Zij vereert niet enkel de H. Schrift, maar houdt ook de kerkelijke Overlevering; daarom vinden wij bij haar nog, gelijk bij ons, de leer over de zeven HÉL Sacramenten, het H. Misoffer, het vasten, het gebed voor de overledenen, de vereering der Heiligen, enz. In eenige punten is evenwel ook zij, zooals hare Bisschoppen op de Kerkvergadering van Florence erkenden, van de oude Traditie afgeweken, namelijk in de leer van den H. Geest en den voorrang van den roomschen Stoel. Dien ten gevolge kan men alleen van de roomsch-katholieke Kerk terecht zeggen, dat zij beide geloofsbronnen, Schrift en Traditie, ongedeerd bewaard heeft.

c) Slechts door de katholieke Kerk hebben wij een zelzeren waarborg voor de godildijkheïd der II. Schrift en der Overlevering. — Weinig zouden ons Schrift en Traditie baten, indien wij niet verzekerd waren, dat beiden Gods woord zijn; want wij kunnen alles, wat Schrift en Traditie leeren, slechts dan als goddelijke waarheid gelooven, wanneer het ons voldoende bewezen is, dat beiden geheel de goddelijke Openbaring bevatten. Memand kan ons daaromtrent zekerheid geven, dan alleen de katholieke Kerk. Want, gelijk wij reeds gezien hebben, al spoedig na den dood van Christus werden verscheidene Evangeliën, ook eenige onder den naam van Apostelen of leerlingen van Christus, aan geloovigen en Joden gegeven. Daar namelijk alles, wat op den persoon van Jesus Christus betrekking had, de aandacht der geloovigen terstond tot zich trok, en voor hen van het grootste belang was , namen velen het besluit, ook zonder door den geest Gods daartoe gedreven of verlicht te zijn, alles, wat zij van Christus wisten, op te schrijven. Op die wijze ontstond het Evangelie van Nicodemus, van Jacobus, van de Egyptenaren, enz. Van den anderen kant waren ook de dwaalleeraars er op uit, door leugenachtige voorstelling van \'s Heeren leer en daden, hunne dwalingen voort te planten; derhalve gaven ook zij eigen of ver-valschte Evangeliën uit. Zoo ontstond er eene menigte onechte Evangeliën. Om nu zekerheid te hebben, dat een boek onder ingeving des H. Geestes geschreven is, is het nog geenszins genoeg, dat het den naam van „Evangeliequot; draagt. Ook is het niet voldoende, door een wetenschappelijk

-ocr page 113-

97

onderzoek tot het besluit te komen, dat een of ander boek door een H. Apostel is geschreven. Eerstens toch is het wetenschappelijk onderzoek slechts een menscheljik middel, waaraan God nimmer, als aan de Kerk, de onfeilbaarheid beloofd heeft; en ten tweede zou men altijd nop bewijzen moeten, dat, wijl de Apostelen onder den bijstand des H. Geestes de leer van Jesus predikten, zij nooit iets schreven, zonder dat de H. Geest het hun ingaf. Of een boek inderdaad onder bizondere verlichting en ingeving des H. Geestes geschreven is, zoodat het met recht „Gods woordquot; heet, dit kunnen wij dan alleen zeker en zonder eenigen twijfel weten, als de H. Geest, die daarbij werkzaam was, het ons openbaart, derhalve enkel door goddelijke Openbaring. Wij hebben echter gezien, dat de goddelijke Openbaring slechts op twee wijzen tot ons gekomen is, namelijk door de H. Schrift en door de Overlevering. De H. Schrift nu vermeldt niet, hoe de boeken allen heeten, welke onder ingeving van den H Geest geschreven zijn. Bij gevolg kunnen wij , zooals reeds vroeger getoond is, dit enkel door de Traditie weten. En wat anders is inderdaad de Traditie, zoo niet de bestendige, van oudsher tot heden voortgezette leer der katholieke Kerk? Ja, juist daardoor is in twijfelachtige gevallen de echte of goddelijke Traditie van de valsche te onderscheiden, dat de eerste met de leer der Kerk, gelijk zij nog in onze dagen wordt voorgedragen, overeenstemt, de laatste daarentegen daarvan afwijkt. — Een klaarblijkelijk voorbeeld hebben wij in de uitspraak over de onbevlekte Ontvangenis der allerheiligste Maagd. Toen de Kerk verklaarde, dat Maria van alle vlek der erfzonde geheel bevrijd is gebleven, erkende zij tevens, dat de Traditie, welke ons deze leer heeft overgeleverd, echt en op Gods woord gegrond is. Ena! hadden ook de navorschingen in de oude oorkonden en in de werken der Vaders dit niet aan den dag gebracht, toch zou dan de uitspraak der Kerk reeds genoegzame zekerheid daarover hebben gegeven; want onmogelijk kan de Kerk, door den H. Geest verlicht en bestuurd, thans oene andere leer voordragen, als in vroegeren tijd, of als die, welke zij van Christus en de Apostelen ontvangen heeft. Derhalve is het bewezen , dat men buiten de katholieke Kerk geen zekeren, overal geldigen waarborg voor de goddelijkheid van Schrift en Traditie vinden kan. Daarom bekende reeds de groote Kerkleeraar Augustinus \') , „dat hij zelfs het Evangelie

\') Contra Epist. Manioh. quam vocant Fundamenti e. 5. n. 0. DEHARBE, GELOOFSLEEK. I. DKTJK. 7

-ocr page 114-

98

„(als G-ods woord) niet gelooven zou, indien het gezag „der katholieke Kerk hem niet daartoe bewoog.quot; Wanneer wij nu de drie punten, welke wij verklaard en bewezen hebben, bij elkander nemen, dat namelijk alleen de katholieke Kerk Schrift en Traditie van de Apostelen ontvangen, dat zij alleen haar onvervalscht bewaard heeft, en alleen ons een voldoenden waarborg voor hare goddelijkheid schenkt, dan volgt er van zelf uit, dat wij ook slechts van de katholieke Kerk Schrift en Traditie hebben.

2) Slechts door de katholieke Kerk kunnen wij den waren zin der II. Schrift en der (Jverlevering onfeilbaar kennen. Want: a\\ De II. Schrift is niet zoo duidelijk, niet voor ieder zoo gemakkelijk te vern\'taan, dat er geen leer aar en scheidsrechter noodig is, om met betrekking tot geloofs- en zedeleer haren waren zin te kennen en vast te stellen. Ook de Ooerlevering is niet altijd zoo duidelijk, dat er geene oneenigheid over ontstaan kan. Niet voor elk geval wordt er eene uitdrukkelijke bepaling van de Kerk gevorderd, om den zin der HH. boeken vast te stellen. De meeste feiten der H. geschiedenis , ook vele spreuken en leerstellingen \') behoeven om verstaan te worden, geene nadere verklaring. Niettemin blijft het altijd waar, dat de H. Schrift een boek vol geheimenissen is, „waarinquot; zooals de H. Apostel Petrus uitdrukkelijk van de brieven van den H. Paulus zegt, „vele „(plaatsen) moeielijk te verstaan zijn, die de ongeleerde „en lichtzinnige menschen misbruiken tot hun verderfquot; 2 Petr. Ill, 16 2). De Protestanten beweren wel, dat de H. Schrift voor \'t minst in alle grondwaarheden (veritates fundamentals) geheel duidelijk en gemakkelijk te begrijpen is; doch die bewering is blijkbaar valsch, en slechts eene uitvlucht van hunnen hoovaardigen geest, die hartstochtelijk weigert, de noodzakelijkheid te erkennen van een levend, door God aangesteld gezag. Immers 1) de H. Petrus zegt, dat ongeleerden vele (plaatsen), die moeielijk te verstaan zijn, tot hun eigen verderf misbruiken; derhalve is er voorzeker spraak van hoofdwaarheden, anders toch zou het misbruik geen eeuwig verderf ten gevolge hebben. — 2) De waarheden, welke de H. Schrift ons leert, zijn goddelijk en bovennatuurlijk; het bovennatuurlijke wordt

\') Bij voorb. //Ik ben God en buiten Mij is er geen God. — Het is onmogelijk, dat God liegt. — Bemint uwe vijanden. — Vergeldt niemand kwaad met kwaad. — Ziet toe, dat gij nooit een ander doet, wat gij niet wilt, dat u geschiede. — Gij zult niet doodslaan; gij zult niet stelen.quot;

-) Vergelijk den brief van den H. Ilieronymus aan Paulinus, die in de latijnsche Vulgaat als voorrede te lezen is.

-ocr page 115-

99

echter door de menschen licht verkeerd begrepen, vooral wanneer het niet door het gesproken woord, maar door doode letters wordt medegedeeld. Zelfs vele plaatsen , die over de deugden en ondeugden, geboden en raden handelen, hebben dikwijls groote moeielijkheden in en derhalve verklaring noodig. Christus zegt bijv. bij Mattheus V, 34—37 ; „gij zult in het geheel niet zweren. Uwe rede zij: ja,ja; „neen, neen! want wat meer is dan dit, dat is uit den „kwade.quot; Is alzoo elke eed, ook die voor het gerecht, misdadig? Waarlijk niet. Verder spreekt Hij (39—41): „zoo iemand u op de rechterwang slaat, keer\'hem ook de „andere toe. En zoo iemand met u in bet gerecht wil „strijden, en uw ouderkleed ontnemen, zoo laat hem ook „den mantel. En wie u dwingen wil ééne mijl met hem „af te leggen, ga met hem nog twee mijlen.quot;\' Moet dat alles letterlijk worden opgenomen ? Zijn het geboden of evangelische raden ? Zeker wordt hier eene nadere verklaring gevorderd. — 3) De II. Schrift is naar de wijze van het Oosten geschreven; men vindt er vele zinspelingen op zaken, die vroeger gebeurd en ons onbekend zijn, op gewoonten, zeden, die toen ter tijde in zwang waren en nu zijn vergeten, vele beeldriike, figuurlijke uitdrukkingen, die meestal betrekking hebben op inrichtingen , denk- en levenswijzen, welke ons geheel vreemd zijn; derhalve is voor dengene, die met die oude talen en gebruiken niet bekend is, zeer veel duister en onverklaarbaar. Wien bevreemdt het bijv. niet, dat Christus aan zijne leerlingen, die Hij uitzond om te prediken, verbood „iemand op weg „te groeten ?quot; Luc. X, 4. Wanneer men echter weet, met hoeveel tijdroovende omstandigheden het groeten bij de Joden gepaard ging, zal men zich geenszins over dit verbod verwonderen \'). — 4) De Bijbel is blijkbaar niet geschreven of gemaakt als een leerboek of katechismus, waarin de christelijke waarheden voor alle tijden en volkeren duidelijk en gemakkelijk, volledig, kort, bondig en regelmatig zijn voorgesteld. Nergens zal men bespeuren , dat de Apostelen of hunne leerlingen het plan hebben gehad , om aangaande Jesus en zijne leer, een volledig stelsel te leveren ; het tegendeel blijkt. Slechts de behoeften van bizondere personen of gemeenten hebben hen tot schrijven aangezet. De goddelijke waarheid licht derhalve in vele boeken verstrooid. Wil men elk punt van geloofs- en zedeleer op zich zelf nauwkeurig kennen , en een volledig leerstelsel

\') Zie Jahn\'s Archaol. 1 d. 2de stuk, bladz. 316.

-ocr page 116-

100

uit den Biibel zoeken, dan moet men de verspreide aanwijzingen samenvoegen, met elkander vergelijken, en de eene door de andere ophelderen. Daartoe is niet alleen een groot verstand en veel voorzichtigheid, maar ook ernstige studie roodig; en zelfs met het scherpzinnigste verstand en met den besten wil komt men er zoo gemakkelijk toe, eene plaats van den Bijbel eenzijdig en dus onjuist op te vatten , of gelijk Luther zelf zegt, zijne „eigene domheid in de Schrift te brengenen de Schrift moet zich dan naar ons hoofd en verstand laten richten. buigen en keeren.

Het gezegde wordt bevestigd door de geschiedenis van alle ketters. „Van waar komen zoovele ketterijen vraagt de H. Kerkleeraar Augustinus, „zoo niet, wijl men de Schrift, „die in zich goed is, verkeerd begrijpt, en hetgeen men „verkeerd begrepen heeft, driest en hardnekkig durft vol-„houden?quot; \') En de H. Hilarius zegt: „er is geen ketter, „die niet beweert, dat zijne godslasterlijke leer volgens de „Schrift isquot; quot;). Eveneens getuigen Ireneus, Tertullianus, Origenes, liieronymus en vele anderen. Ook beriepen zich de oude sekten : de Sabellianen, Arianen, Macedonianen, Nestorianen, Pelagianen, Monotheliten, Albigensers, Wal-densers en alle andere op den Bijbel, hoewel hunne leeringen met elkander in strijd waren, en ieder hield staande, dat hij den waren zin gevonden had. Eveneens deden Luther, Zwingel, Calvijn en allen, die hen gevolgd zijn, al verschilden hunne gevoelens ook hemelsbreed van elkaar. Voor de schandelijkste en meest goddelooze leeringen meende men bewijzen in de H. Schrift gevonden te hebben. Op den Bijbel zich beroepende, beweerden de Waldensers, dat zij, om het bevel van God te volvoeren, alle zondaars moesten dooden, hunne goederen tot zich trekken, en eene nieuwe orde van zaken stichten. Met den Bijbel in de hand predikten de Familisten 3),^„dat het goed is, in de zonde „te volharden, opdat de genade des te rijkelijker zou uit-„komen,quot; en de Antinomisten„dat echtbreuk en doodslag „den mensch heiliger op aarde en zaliger in den hemel „makenquot; quot;Niets is voorzeker belachelijker, dan, bij die

\') Tract. 18. in Joan. n0. J.

2) Ad Constant lib. 2, nquot;. 9.

*) De Familisten vormden eene protestantsche sekte, in Engeland en Holland, door Henricus Nioolai uit Munster omstreeks 1575 gesticlit.

*) De Antinoiuisten zijn eene sekte van iletkodisten, die in Engeland uitgebreid is.

■gt;) Niet ten onrechte schreef een Protestant op zijn Bijbel:

„Dit is het boek, waarin elk zijn geloofsleer zoekt,

//En elk, zoo hij meent, zijn geloofsleer vindt geboekt.quot;

-ocr page 117-

101

menigte van verkeerde verklaringen der H. Schrift, te verzekeren, dat deze in zich duidelijk is, en door iedereen verstaan kan worden. Derhalve, om alle oneenigheid en strijd in de Kerk van Christus te voorkomen, is er voorzeker een leeraar en scheidsrechter noodig, die bevoegd is, den waren zin der H. Schrift te bepalen, in geloofsgeschillen uitspraak te doen, en aan wiens oordeel allen zich moeten onderwerpen. Waar deze ontbreekt, daar kan onmotrelijk eenheid heerschen, en waar geene eenheid is, daar is ook de gemeente der waargeloovigen, de Kerk van Christus niet; want niet te vergeefs heeft de goddelijke Heiland zijnen hemelschen Vader gevraagd: „Ik bid, dat allen, „die in Mij gelooven zullen, in eenheid volkomen zijn\'\'\' (Joan. XVII, 20—23).

Zelfs de Traditie, gelijk wij die in de HH. Vaders en de schrijvers der christelijke oudheid vinden, is niet geschikt om dit leeraars- en scheidsrechtersambt te vervangen. Hoe zullen ongeletterde menschen haar uit die boeken leeren, daar veelal zelfs geleerde, slechts met groote moeite en aanhoudende nasporingen in de oude oorkonden, het zoover brengen ? En hoe licht kunnen niet over de Traditie zelve twijfel en verschillen ontstaan? Ook de sekte der Jansenisten , welke in de zeventiende eeuw opkwam, beriep zich op de oude Traditie, op de geschriften van den H. Augus-tinus. Zij hadden echter de leer van dien grooten Kerkvader geheel verkeerd begrepen. Er is derhalve een levende leeraar en scheidsrechter noodig, wien allen ondervragen, allen hooren kunnen, en die in staat is, den zin zoowel van de Traditie als van de H. Schrift te bepalen. Waar nu is deze?

I) Hel hoogde leeraars- en scheidsi echlersambl, om in ge-loofs- en zedeleer den waren zin der H Schrift en Traditie te verklaren en vast te stellea, healaai alleen in de kcLtholieke Kerk, welke „de zuil en grondslag der waarheid is,quot; en daarom in het verklaren van Gods woord niet dwalen kan. Dit volgt van zelf uit het feit, dat de katholieke Kerk alleen Schrift en Overlevering van de Apostelen ontvangen heeft. Indien gij, bijvoorbeeld, den zin wilt weten eener wet, welke onze koning voor ons land gegeven heeft, dan wendt gij u niet tot China of Turkije, maar gij doet daarover navraag in uw eigen land, wijl gij zeker hier de beste opheldering kunt bekomen. Heeft nu de vorst eenige leden van zijn rijk aangesteld, om den zin der wetten te verklaren en met volmacht uitspraak te doen, dan komt dit recht ontegenzeggelijk hun en niemand anders toe, en gij zijt verplicht u geheel aan hunne uitspraak te houden. Onze Heer Jesus Christus heeft ditzelide teu opzichte der

-ocr page 118-

102

Schrift en Traditie gedaan. Om den zin er van te verklaren en onherroepelijk vast te stellen, heeft Hij een leeraars- en scheidsrechtersambt voor alle volgende tijden ingesteld, waaraan Hij den H. Geest, den Geest der waarheid, heeft toegezegd.

Dit is een feit, hetwelk de geschiedenis onwederleghaar bewijst. Wij zien duidelijk, dat het niet de bedoeling der goddelijke en alwijze Voorzienigheid is geweest, ons in den Bijbel een kort en voor ieder bevattelijk leerboek na te laten, hetwelk onmogelijk verkeerd begrepen zou kunnen worden; de ondervinding van alle tijden en het getuigenis der H. Schrift zelve zeggen ons integendeel, „dat vele „(plaatsen) moeielijk te verstaan zijn, die ongeleerde en licht-„zinnige menschen tot hun verderf misbruiken.\'\' Derhalve moest God noodzakelijk, zoo Hij ons niet voortdurend in twijfel omtrent de waarheid wilde laten, een zichlhaar leeraarsambt instellen en het volmacht geven, den zin der H. Schrift in alles, wat tot de geloofs-en zedeleer behoort, te verklaren en twijfelachtige vragen op te lossen. Waar een wetboek is, daar moet ook eene wettige rechtbank zijn, om in twijfelachtige gevallen te beslissen; want het boek zelf kan immers niet spreken, en het zou eene onver-dragelijke dwaasheid zijn, te zeggen: „wij hebben geene „rechtbank, geene rechters noodig, wij hebben het wetboek „in handen; bij alle mogelijke verschillen behoeven wij het „maar te openen, om te weten wie recht en wie onrecht heeft.quot; Een door God aangesteld leeraars- en scheidsrechtersambt moet derhalve ergens aanwezig zijn, wijl het noodzakelijk is; anders toch zou de H. Schrift slechts strekken om de oneenigheclen te vermeerderen, in plaats van die uit den weg te ruimen. — Ja, niet slechts een zichtbaar, levend leeraars- en scheidsrechtersambt moet er zijn, maar ook een onbedriegelijk en onfeilbaar-, want indien het zich bedriegen, en de geloovigen in dwaling brengen kon, zou het noch de macht, noch het recht hebben in geloofspunten te beslissen. Neen, God, de hoogste Waarheid, die alle onwaarheid haat en bestraft, kan de menschen niet tot dwaling verplichten. Hij moet derhalve den door Hem aangestelden leeraar en rechter, aan wien wij in geloofszaken ons moeten onderwerpen, voor alle dwaling bewaren.

Waar nu die opperste, onfeilbare leeraar en rechter te vinden is, behoeven wij niet lang te zoeken; wij hebben slechts de oogen te openen, en hij staat voor ons midden in de wereld. Eenig op aarde kent de katholieke Kerk zich dit recht toe, en zij heeft het voortdurend uitgeoefend. De

-ocr page 119-

103

afdwalingen van alle sekten en de herhaalde veranderingen van hare leeringen zijn zoo duidelijk zichtbaar, dat geene dit recht zich zou durven aanmatigen; de katholieke Kerk alleen mag optreden en zeggen: „ik ben die onfeilbare leermeesteres , ziehier mijn geloofsbrief, door Christus „opgesteld, door de Apostelen onderteekend. Ik alleen „heb van Christus\' en der Apostelen tijden af bestaan; „ik en ik alleen ben degene, die waarheid uit het hart „der eeuwige Waarheid gedronken, en van Christus het „bevel ontvangen heb de waarheid te leeren.quot; De H. Schrift, de Conciliën, de Yaders en de geschiedenis, alles vereenigt zich, om voor dit hoogste gezag getuigenis af te leggen. De Kerkvergadering van Trente heeft geene nieuwe leer gegeven, maar slechts de goddelijke, van oudsher bestaande, opnieuw verkondigd, toen zij in de vierde zitting bepaalde, „dat niemand, op zijn eigen doorzicht steunende, „zich vermeten mag, in zaken van geloof en zeden de „H. Schrift naar zijne zienswijze te verwringen , en haar „uit te leggen tegen den zin van onze H. Moeder de Kerk, „welke het toekomt, over den waren zin en de verklaring der H. Schriften te oordeelen.quot; Van de katholieke Kerk, maar van geene andere, staat geschreven, dat zij „de zuil en grondslag der waarheid is\'\' (1. ïim. III, 15), want toen de Apostel deze woorden schreef was er buiten haar geene Kerk. Al moge iemand nog zoo diep en geleerd de Schrift onderzoeken, als hij zich van de katholieke leer verwijdert, verwijdert hij zich van de waarheid en begeeft zich op een dwaalspoor. Schoon en treffend zegt derhalve een christelijk schrijver: „Het kind brengt de noot, welke „men hem geschonken heeft, naar zijne moeder, opdat zij „die ontbolstere, en de Christen begeeft zich tot de katho-„lieke Kerk, om door haar den zin der H. Schrift te leeren „kennen.quot;

Mag al zoo niemand aan de H. Schrift en de Traditie een anderen zin hechten, dan die, welken de Tcatholieke Kerk ons aangeeft?

Neen, want daardoor zou men te kennen geven, dat men de H. Schrift of Traditie beter wil verstaan dan de H. Geest, die de Kerk den waren zin er van ingeeft. — De Geest Gods, die de H. Schrift ingaf, kan ook alleen haren zin onfeilbaar verklaren. Dien Geest heeft echter niet ieder, die den Bijbel leest, maar enkel de Kerk, in wier handen de Apostelen de H. Schrift nederlegden, en die met het eigendomsrecht tevens de macht ontving , haar te verklaren

-ocr page 120-

104

in den oorspronkelijken zin, waarin zij geschreven is. De Kerk is door Christus aangesteld om de waarheid te leeren, opdat „wij niet als van de golven geslingerd en rondge-„voerd worden door allerlei wind van leering; een speelhal „der arglistigheid van menschen, wier toeleg is te vernieldenquot; (Eph. IV). Zij is daarom op de onwankelbare rots gebouwd (Matth. XVI), en de Geest der waarheid is haar gegeven, opdat Hij bij haar blijve in eeuwigheid (Joan. XIV). Haar heeft Christus zijn voortdurenden bijstand beloofd, toen Hij tot zijne Apostelen en hunne opvolgers

sprak: „Gaat en leert alle volkeren..... en ziet, Ik

„ben met u al de dagen tot aan het einde der wereldquot; (Matth. XXVIII, 19, 20). Wat moet men denken van een mensch, die in zijne verwaandheid durft bewerken, dat niet de Kerk, maar hij den H. Geest bezit, dat hem het waar begrip gegeven is der goddelijke boeken, dat hem het recht toekomt, den zin er van vast te stellen ? Al zou de Kerk de goddelijke belofte niet ontvangen hebben, al stond er niet geschreven, dat „zij de zuil en grondslag der waarheid is,quot; toch zou het den onverdragelijksten hoogmoed verraden, als iemand zijn eigen gevoelen tegenover de leer der geheele katholieke Kerk durfde stellen. Hoe? Hebben dan alle Bisschoppen, alle Heiligen, alle Godgeleerden, al die millioenen katholieke geloovigen, ja, de geheele christelijke oudheid in de duisternis der dwaling rondgedoold; is eerst nu het licht der waarheid opgegaan? En waar is dan het bewijs, dat hij zich niet bedriegt? Is niet juist die matelooze verwaandheid het zekerste kenmerk van dwaalleeraars en waanzinnigen ?

Hoe is het toch voor een denkenden Protestant, die zich rekenschap van zijn geloof wil geven en weet, dat hij met zijn zwak verstand, als laatste scheidsrechter, lijnrecht staat tegenover een zoo aanzienlijk gezag, als de katholieke Kerk is, — hoe is het hem, zeg ik, mogelijk, vast en zonder twijfel te gelooven ? Hoe onbescheiden de bekende doctor van Wittenberg (Luther) ook was, vaak moest hij toch bekennen, dat hij zelf niet gelooven kon, wat hij anderen leerde. Toen eens een protestantsch predikant bij Luther klaagde, dat hij niet kon gelooven hetgeen hij predikte, antwoordde deze: //God zij dank, dat ,/het anderen eveneens gaat als mij, ik dacht dat het met mij alleen //zoo wasquot; \')•

\') Voegen wij bij deze bekentenis eene andere uit den brief van een protestantsch predikant van den lateren tijd (Lawal, vroeger predikant te Condc-sur-Xoireau): //Nee.i, voor den Protestant bestaat »er geen geluof! Altijd moet hij vreezen, bedrogen te worden. //Nimmer kan hij met volle zekerheid het eerste woord van eenen //geloovige; //ik geloofquot; spreken, want immer gaat zijne geloofsbe-//lijdeuis met eenige twijfeling gepaard. Ach! ik heb het maar al te

-ocr page 121-

105

De Reformatoren van de zestiende eeuw erkenden wel, dat de rede niet bevoegd is, in zake des geloofs uitspraak te doen, daar zij echter aan de Kerk evenmin als aan de rede het recht en het vermogen wilden toekennen, den zin der H. Schrift onvervalscht te verklaren, zagen zij zich gedwongen eene uitvlucht te zoeken in de bewering, dat de H. Geest ieder, die den Bijbel met een oprecht hart leest, den waren zin ingeeft. Herhaaldelijk heeft men hun echter reeds hierop geantwoord : indien God aan iederen mensch, die met een geloovig hart onderzoekt, den waren zin ingeeft, vanwaar komt het dan, da1; de HH. Vaders en overige leeraars der katholieke Kerk den Bijbel geheel anders verstaan, dan gij? Kan de H. Geest den eene dit, den andere dat ingeven? Of verbeeldt\' gij u, dat gij alleen geloovig in den Bijbel leest? En gesteld dat zuks het geval is, hoe komt het dan, dat gij onder elkander steeds in oneenigheid waart en nog zijt? Honderd jaren hadt gij nog niet beleefd, en reeds waart gij in 270 sekten verdeeld; en ach! hoezeer zijn uwe sekten zonder tal en naam gedurende de laatste twee eeuwen vermeerderd 1 Elk uur komt duidelijker de waarheid uit van hetgeen een der uwen reeds in het begin der reformatie schreef: «Ons volk wordt door eiken wind vo.n leering voort-„gedreven. Al weet gij wat heden zijn godsdienst is, gij kunt toch „niet zeggen, wat deze morgen zijn zal. In welk punt zijn de kerken, ,/die den oorlog aan den Paus verklaard hebben, onder elkander één? „Er is geen enkel punt, dat niet door eenige als een geloofsartikel „en door andere als eene goddeloosheid wordt aangezien ?quot; -) Ook heeft men dikwijls den hervormers gevraagd, welk onmiskenbaar teeken zij toch hebben, om goddelijke verlichtingen en ingevingen van ijdele droomen en inbeeldingen inet zekerheid te onderscheiden. Indien zij dit niet hebben, moeten zij zeiven erkennen, dat hunne leer van de goddelijke ingeving den weg baant tot de avontuurlijkste dweeperij en het gruwelijkste fanatismus, wijl de mensch daardoor in de bekoring komt, om alle invallen zijner luimen en geestvervoeringen als goddelijke Openbaringen, en alle verdorven neigingen zijns harten als den goddelijken wil te vereeren en ook anderen op te dringen. Zelfs protestantsche Godgeleerden beklagen zich hierover bitterlijk. „Onder ons,quot; schrijft een hunner, :i) — „Is ieder een doctor „en vol goddelijke ingeving. Er is geen dweeper of kwakzalver uit „de laagste volksklasse, die zijne droomen niet als het woord Gods „uitgeeft,quot; Ontelbare voorbeelden hiervan levert de geschiedenis der Wederdoopers in Duitschland en der Puriteinen in Engeland, 2)

1

„zeer ondervonden, toen ik ter belooning mijner lango navorschin-„gen en raoeielijke studiën slechts meer en meer tot het bewustzijn „kwam, dat ik niet in staat was tot een vast geloof te geraken. Elk /,nieuw onderzoek bracht mij tot nieuwe onzekerheid. Wat ik heden „geloofde, wijl ik mij voorstelde, dat het duidelijk in de Schrift te „vinden was, betwijfelde ik morgen, omdat ik het zoo duidelijk niet „meer zag. Somwijlen kwam het zoover, dafik in die zelfde plaats „der Schrift eene geheele andere geloofsleer ontwaarde. Nu eu dan „werd ik door de behoefte aan een vast geloof gedrongen, ontwierp „dan eene geloofsbelijdenis en verklaarde die voor onherroepelijk. „Maar die eeuwige geloofsbelijdenis duurde ter nauwernood eenige „dagen. Van het eene dwaalde mijne rede tot het andere, niets be-„stendigs in zich zelve vindende, dan alleen hare eigen onbestendigheid.quot;

\') Zie Millner: Ziel und Eude religiöser Controverse, Brief 15.

2

) Een enkel staaltje, bij wijze van voorbeeld: Thomas Munzer had zich bij Luther aangesloten, en diens leer aangenomen, en werd nu te Zwickau als verkondiger van het nieuwe geloof aangesteld. Mede-

-ocr page 122-

106

Om hunne leer van het vrije onderzoek in den Bijbel en van de ingeving des H. Geestes te verdedigen, beroepen de Protestanten zich op de woorden van den H. Paulus: //Onderzoekt alles en behoudt //het goedequot; (1 Thess. V, 21), en op die van den H. Joannes (1 Brief II, 20—27): //gij hebt de zalving van den Heilige ontvangen, «en weet alle dingen; gij hebt niet noodig, dat iemand u onderwijze.quot; Hoe is het echter mogelijk, uit die teksten te besluiten, dat wij geen leeraars noodig hebben, dat de zalving of verlichting van den H. Geest genoeg is, dat door deze een ieder alles weet, en derhalve bevoegd is, de leer, welke de Kerk voorstelt, eerst te onderzoeken, om ze naar eigen goeddunken aan te nemen of te verwerpen; is dit niet alle orde in de Kerk van Christus omverwerpen, het christelijk onderricht verbieden, alle droomen van een verbijsterd hoold heiligen, of zelfs in de plaats van den christelijken godsdienst een hollen redegodsdienst stellen, waar ieder gelooft wat en gelijk het hem goeddunkt, waar voor alle dwalingen van het heidendom deur en poort geopend staan? Zoover zijn reeds de zoogenaamde verlichten, de modernen, gekomen, dat zij, aan den Bijbel nauwelijks meer waarde toekennende dan aan den koran van Mahomed, dien zoolang verminkt, verwrongen

gesleept door de leer, dat de Geest Gods onmiddellijk tot eiken mensch spreekt en hem den waren zin der H. Schrift ingectt, verbeeldde hij zich door God geroepen te zijn , om een nieuw rijk van enkel rechtvaardigen en heiligen te stichten, dat zich over de geheele aarde zou uitbreiden; derhalve meende hij ook eene volmacht te hebben, gelijk vroeger aan de Israëlieten ter uitdelging van de afgodische Kanaaniten verleend was, namelijk om olie weêrspnnningen te dooden. Eene overheid zou in dat heilig rijk niet bestaan , want God heeft, zoo las hij, de machtigen van hunne zetels gestooten (Luc. I, 52); allo goederen zouden gemeenschappelijk zijn, want ook de eerste Christenen leefden in gemeenschap van goederen (Hand. der Apost. II, 44); en lederen vorst, graaf of heer, die zich tegen die gemeenschap zou verzetten, moest men onthoofden of ophangen; want God noodigt alle vogelen dea hemels uit te eten het vleesch der koningen , zooals in de Openbaring van Joannes in het ISdü en 19Je hoofdstuk beschreven staat. Weldra stond Munzer aan de spitse van een talrijk leger heethoofden (Wederdoopers), die hij tot een bloedigen strijd opwekte door hun Gods hulp te belooven; hij beval, dat zij zich over de goddeloozen , hoe zij ook mochten bidden en smeeken. niet moesten erbarmen, gelijk God door Mozes bevolen en hem zeiven geopenbaard had. Met die dweepers trok hij nu uit, plunderde en verbrandde de kerken, kloosters en kasleelen, vermoordde monniken, nonnen en edellieden, en verwoestte het geheele land. Eindelijk raakte hij in het jaar 1525 bij Frankenhausen handgemeen; het leger van //den hemelschen Profeetquot; werd vernietigd, en Munzer zelfgevan-gen genomen. Ter dood veroordeeld kwam hij nog voor zijn laatsten stonde tot bezinning, herriep met groot berouw zijne dwaling, biechtte en communiceerde op katholieke wijze. — Nog hemeltergender zijn de gruweldaden, welke tien jaren later te Munster door den kleermaker Jan Boekhold, andermaal onder het voorwendsel van goddelijkeinge-ving. gepleegd werden. Uitspattingen, welke wij hier niet mogen beschrijven, om niemand te kwetsen, vinden nog altijd plaats, onder het dekkleed van goddelijke openbaringen, bij de zoogenaamde Muckers en alle pseudomystische sekten in Engeland en Koord-Amerika, en ook wel in Uuitschland en Zwitserland. Heb derhalve een afschuw, lezer, van eiken sektegeest, en laat u niet verleiden door den bedriegelijken schijn van vrome praatjes of zoete woorden en gehuichelde broederliefde; maar weet, dat Satan niet zeldzaam de gestalte van een engel des lichts aanneemt (2 Cor. XI, 14).

-ocr page 123-

107

en vervalscht hebben, tot het hun gelukt is, in plaats van het Christendom, een nieuw heidendom er uit te halen. Mag men zich wel verstouten, eene zoo onchristelijke, ja godslasterlijke taal in den mond der Apostelen te leggen? Indien de inwendige zalving voldoende en geen leeraar noodijf is, waartoe dienen dan de luthersche en calvinistische predikanten? Waarom matigen zij zich aan, te onderwijzen? — En welke is nu de ware zin der aangehaalde teksten? Er waren reeds ten tijde der Apostelen dwaalleeraars en valsche profeten, die beweerden, dat zij alleen door den goddelijken geest verlicht waren, dat men hen en niemand anders moest gelooven. Daarom waarschuwt de H. Paulus, dat men niet iedere leer blindelings gelooven, maar eerst zien moet, of zij ook overeenstemt met den katholieken geloofs-regel, namelijk met de geloofs- en zedeleer der katholieke Kerk, welke hij hun heeft voorgesteld. Herhaaldelijk vermaant de Apostel, dat men zich door nieuwheden niet moet laten misle:don, maar bij de leer blijven, welke men ontvangen heeft. „Al ware het dat wij. of //een Engel uit den hemel u een ander Evangelie verkondigden, dan //\'t welk wij u verkondigd hebben, hij zij vervloektquot; (Gal. I, 9). Eveneens vermaant ook de H. Joannes, zich te hoeden voor de valsche leeraars, de antichristen. Gij zijt Christenen, d. i. gezalfden, die de genade en het noodige onderricht ontvangen hebt; gij weet, wat gij gelooven moet, het is niet noodig, dat gij de leugenaars aanhoort, die den Vader en den Zoon verloochenen, //blijft in de leer, welke „gij van den beginne af gehoord hebt,quot; dan zal ook de zalving, d.i. de genade van den H. Geest, namelijk de gave der wijsheid, dei-wetenschap en des verstands, welke gij in het H. Doopsel en Vormsel ontvangen hebt, in u blijven, daardoor zult gij meer en meer toenemen in de kennis van God, en vervuld worden met de kennis van zijn wil in alle wijsheid en geestelijk verstand (Col. I, 9, 10). — Overigens zijn deze teksten, welke de modernen steeds in den mond hebben, wederom een bewijs, hoe gemakkelijk het is , plaatsen der H. Schrift uit haar verband te rukken, te verdraaien, en er een verkeerden zin aan te hechten. Laat u toch nooit in dwalingen brengen, als men u uw katholiek geloof door een paar machtspreuken wil ontnemen. Teksten bewijzen niets, als zij niet in den waren zin worden opgevat; want, dus bemerkt de H. Hieronymus terecht, ook de duivel wist bij den Heiland eenige bijbelteksten aan te halen (Matth. IV, 6). Van oudsher zijn de ketters gewoon eene menigte teksten der H. Schrift bijeen te brengen. Hunne leeringen, zegt de H. Vincentius van Lerin \'), zouden een al te kwaden reuk verspreiden, indien zij ze niet met spreuken uit den Bijbel vermengden, en minder gretig zou men het gilt hunner leer inslurpen, als de rand des kelks, waarin men ze aanbiedt, niet met den honig van het goddelijk woord bestreken was.

TFat heefl de Kerk over het lezen van den Bijbel in eene levende taal bepaald?

1) Dat men de kennis en vroomheid, welke daartoe noodig is, moet bezitten; 2) dat de vertaling moet voorzien zijn van kerkelijke goedkeuring en aanteekeningen uit de geschriften der HH. Yaders of van katholieke geleerden.

Door deze wijze verordening wil de H. Kerk den ge-loovigen het brood des goddelijken woords niet stiefmoederlijk

\') Commonitor n0. c9.

-ocr page 124-

108

onthouden. Zij wenscht niets vuriger, dan dat allen in staat zijn, het te genieten, en er troost, leering en sterkte uit te putten. Het verwijt, dat zij aan allen, die niet tot den geestelijken stand behooren, onvoorwaardelijk verbiedt den Bijbel te lezen, dat zelfs vóór Luthers tijd geene duitsche vertaling er van bestond, verraadt de erbarmelijkste onwetendheid. Vóóraleer Luther het daglicht oezien had, was reeds de Bijbel geheel niet slechts in het duitsch, maar ook in de fransche, engelsche, spaansche, vlaamsche, pool-sche en italiaansche talen vertolkt en meermalen in druk verschenen \'). Nog in dezelfde eeuw, dat de boekdrukkunst werd uitgevonden, is de italiaansche vertaling (en wel met goedkeuring der Inquisitie) zeventienmaal, en de duitsche achttienmaal opnieuw gedrukt. Uit deze op elkander volgende uitg;aven van de li. Schrift in de volkstaal, en uit de ontelbare handschriften, in welke zij bovendien reeds voo?:hauden was, blijkt reeds genoegzaam, hoe veelvuldig zij gelezen werd, en hoe weinig gegrond het verwijt is, dat vóór Luther niec eens de geestelijken, laat staan de leeken, in den Bijbel gelezen hebben Toen echter in de zestiende eeuw ketters bij menigte opstonden, en ieder van hen zich aanmatigde de H. ychrift te vertalen, te ver-valschen, haren zin misdadig te verdraaien, haar zelfs te gebruiken om het lichtgeloovig volk te fanatiseeren, toen daarop de volksmenigte samenschoolde, zich dekkende door een verkeerd begrepen bijbeltekst, en tegen Kerk en Staat opstond, plunderde, moordde en landen verwoestte — ja, toen was het plicht voor de Kerk, dien verwoestenden stroom door een krachtigen dam tegen te gaan. Hoe nu kon zulks geschieden ? Drie dingen waren daartoe noodig; ten eerste, eene getrouwe vertaling van den Bijbel; ten tweede, bijgevoegde verklaringen van de HH. Vaders of andere vertrouwde schrij vers, om den zin te bepalen der

\') Ook cene hollandsche vertaling werd reeds in 1475 te Keulen, in 1477 te Delft en in 1470 te (jouda gedrukt.

2) Uit zijn do woorden van een protestantsch Doctor in de Theologie en predikant te Hamburg, Joan Geffken, in zijn „Bilder-katliechismus des 15. Jalirhunderts.quot;

Evenwel wordt ook nu nog dikwerf die valsclie beschuldiging herhaald. Het is slechts eenige jaren geleden, dat een Predikant thans Hoogleeraar te Utrecht, op een der kansels van Rotteidam durfde spreken over „de Bijbel duor Luiker uit het kluosterstof te voorschijn ugebracht quot; Opmerkelijk is het, dat de geschiedenis in de eerste twaalf eeuwen der Kerk van geen enkel verbod aangaande het bijbellezen melding maakt. Jlen leze hier Schrant; ^verhandelingen over den Bijbel, \' en vooral de uitmuntende verklaring van den Z. eerw. Heer P. A. de Bruyn in „Da goede zaaijerquot; 2e jaarg.

-ocr page 125-

109

teksten, welke de ketters misbruikt hadden en welke het gemakkelijkst slecht begrepen konden worden; ten derde, zooveel gezond verstand, opleiding en vroomheid, als noodzakelijk is, om de H. Schrift met nut te kunnen lezen en te voorkomen, dat het boek des levens een boek des doods worde. Aan niemand, die zich aan deze voorwaarden onderwierp , was het lezen van den Bijbel in eene der nieuwe talen ooit verboden. De herders der Kerk of de zielzorgers moeten echter in den regel beslissen, of aan de gestelde voorwaarden voldaan is i)- Voor hen, die in staat zijn den Bijbel in de latijnsche of grieksche taal te lezen, heeft de Kerk nooit dergelijke verordeningen gemaakt, wijl zij veronderstelt, dat deze de noodige kennis bezitten, of zich die gemakkelijk kunnen verschaffen.

Hoewel de Kerk onder de boven genoemde voorwaarden het lezen der ÏÏ. Schrift, voornamelijk van het Nieuwe Testament, niet alleen toelaat, maar ook gaarne ziet, verlaagt zij zich nimmer, op de wijze der zoogenaamde bijbelgenootschappen , de menschen daartoe te dwingen. Zij wil niet, dat een zoo heilig, zoo verheven en geheimvol boek

\') Zie Wiseman: „liet lezen der H. Schrift in de moedertaal.quot; De bepaling, dat het lezen der li. Schrift in eene volkstaal slechts aan diegenen veroorloofd is, wie de Bisschop op goedkeuring van den Pastoor of den biechtvader hiertoe bekwaam acht, werd door Pius IV, op verzoek van de Kerkvergadering van Trente, gemaakt. Sinds Bene-dictus XIV zien wij de kerkelijke tucht hierin verzacht, doch des te nadrukkelijker geeft zij bij elke voorkomende gelegenheid te kennen, dat de vertaling noodzakelijk door den apostoüschen Stoel goedgekeurd en met verklaringen uit de HH. Vaders of katholieke Godgeleerden voorzien moet zijn. Maar ofschoon de verordening van Fius IV met meer op dezelfde wijze als in vroegeren tijd verplicht, toch bewijst de ondervinding ruimschoots, gelijk de verordening zelve bemerkt, „dat, zoo het lezen der 11. Schrift in de volkstaal overal «zonder onderscheid toegelaten wordt, er altijd veel meer nadeel dan //voordeel uit voortkomt.quot; Vandaar dat het ook nu nog de bedoeling en de wil der H. Kerk is, dat de Bijbel enkel gelezen worde door hen, die de daartoe noodige kennis en vroomheid bezitten, of gelijk Plus IV zich uitdrukt, ,/Voor wie dat lezen niet tot nadeel kan strekken, //maar slechts tot vermeerdering van hun geloof en hunne vrome ge-»voelens.\'\' Anders kan de Kerk het lezen van den Bijbel niet aanbevelen noch goedkeuren. Wie toch zou willen beweren, dat ieder verstand genoeg bezit om met nut de geheele II. Schrift, zelfs het Hooglied, het boek Job, de Profeten of de brieven van den H. Paulus aan de Romeinen, aan de Galaten, aan die van ïhessalonica, enz. te lezen? Of men de gevorderde kennis en deugd werkelijk bezit, daarover zal de Biechtvader voorzeker beter dan de biechteling kunnen oordeelen. liet is derhalve altijd een loffelijk en aanbevelenswaardig gebruik der geloovigen, om, hoewel zij niet strikt daartoe verplicht zijn, den biechtvader of zielzorger over het lezen van een goedge-keurden Bijbel raad te vragen, vooral in geval de Bisschop bizondere reden heeft te verlangen, dat dit gebruik bewaard blijft.

-ocr page 126-

110

als het goddelijk onderpand, hetwelk haar is toebetrouwd, in handen der goddeloozen kome, dat het in stegen en straten aan ruwe, onwetende menschen, schoolknapen, dronkaards, woelgeesten worde weggeschonken, om er naar believen gebruik of misbruik van te maken. — Zij leert ook niet, dat bet lezen van den Bijbel voor allen en ieder noodzakelijk is ter zaligheid, want zij weet, dat het geloof, zooals de Apostel zegt, niet van het lezen, maar van het hooren van Gods woord komt, en dat Christus buiten den Bijbel ons nog vele andere, krachtige genademiddelen heeft nagelaten. Ingeval iemand niet bekwaam is om de H. Schrift te lezen, wordt hem evenwel het goddelijk woord geenszins onttrokken. Hij hoort het in de predikatie en het godsdienstig onderwijs, vindt het aangehaald en verklaard in zijnen kate-chismus en andere geesteliike boeken, aanschouwelijk voorgesteld in de levens der Heiligen. „Want wat zijn levens-„geschiedenissen der Heiligen anders,\'\' vraagt de H. Franciscus van Sales, ,.dan een door hunnen wandel aanschouwelijk „gemaakt Evangelie? Het geschreven Evangelie is eene „goed gecomponeerde muziek, het leven van eenen Heilige „een werkelijk uitgevoerd en heerliik geslaagd concert.quot;

Wat Mr. Lipman zegt van zijne vertaling van het Nieuwe Testament, geldt van de geheele Schriftuur. „De Neder-„landsche Katholijken vinden hier niets dan hetgeen zij, „zoodra hunne kindsheid voor leering ontvankelijk was, „hebben ontvangen; hetgeen zij vóór hunne eerste H. „Communie hebben beleden; hetgeen op rijperen leeftijd „elk navolgend Sacrament, waarmede zij bevoorrecht wer-„den, bevestigde en bezegelde; hetgeen hun overal in onze „tempels niet alleen mondeling van den kansel is verklaard, „maar ook op het heilig altaar, en tot van de gewijde „wanden aanschouwelijk is voorgesteld; hetgeen elk hunner „kerkelijke feesten met nieuwe kracht in hunne gemoederen „verlevendigde; hetgeen met hun leven in de Kerk is vereenzelvigd ; hetgeen in de tafelen hunner harten onuit-„wischbaar is gegrift.

„Waar is de Katholijk die, zonder eigen verzuim en „eigene schuld, onwetend zijn kan van de glorievolle en „ontzagwekkende handelingen, welke de waarheid van het „Christendom staven: van de verhevene en heilrijke ver-„borgenheden, welke het Evangelie openbaart; van de wet „van Genade en Liefde, welke de Godmensch en zijne ,,Apostelen hebben verkondigd .. .\')

\') Mr. S. P. Lipman. Het iïieiiwe Test. Inleiding, bladz. VII,

-ocr page 127-

Ill

Ook zal de katholieke Kerk nooit goedkeuren , dat men de H. Schrift misbruike, om er door eigen onderzoek eene geloofsleer uit te putten. Zij heeft het heldere bewustzijn en de vaste overtuiging, dat zij alleen voor het goddelijk geloof moet waken, als de onfeilbare leermeesteres van alle heilswaarheden door God aangesteld, en dat zij verplicht is de schapen op de weiden der gezonde leer te voeren en voor de kinderen het brood des levens te breken. De leer der Kerk te versmaden, om in den Bijbel een godsdienst naar eigen goeddunken te vinden, is on verdragelij ke hoogmoed, een vergrijp aan de door God gestichte orde, eindelijk de onvermijdelijke weg tot eindelooze scheuringen, waanzinnige ketterijen en het gruwelijkste fanatismus, gelijk de geschiedenis ontegensprekelijk bewijst. Zelfs protestansche schrijvers noemen als oorzaak van den burgerkrijg in Engeland en den moord van koning Karei I het ongeregeld lezen en verkeerd uitleggen van den Bijbel, i) Daaruit

\') Hooren wij, hoe een anglicaanscli geestelijke (O\'Callaghan) dit tijdperk beschrijft: yDestijds verhief zich eene ontelbarequot; menigte //dweepers; vroomheid, kalmte en gezond verstand schenen uit de //wereld verbannen, om voor eene godsdienstige waanzinnigheid, een „dwazen, onbegrensden ijver plaats te maken. Allen beriepen zich „op de H. Schrift, allen verzekerden verschijningen, ingevingen, geest-//vervoeringen gehad te hebben. Men beweerde met vollen ernst, dat «het priesterschap en de koninklijke waardigheid moesten afgeschaft //worden, wijl de priesters dienaars van den Satan en de koningen ,nog erger waren, en het bestaan van beiden evenzeer met het rijk „des Verlossers onvereenigbaar was. De Bisschop was niet meur door //de heiligheid van zijn ambt, de Koning niet meer door de majesteit „des troons beveiligd; beiden werden als voorwerpen van verachting „en van haat zonder mededoogen door de dweepers, wier eenig boek //de Bijbel zonder aanteekeningen of ophelderingen was, onthoofd. „Destijds was het lezen van de H. Schrift ten toppunt\'gestegen; de //heele wereld las en niemand hoorde. Gecne wreedheid kon men uit-//denken , die men niet door liet gezag der H. Schrift zocht te recht-z/vaardigen. Met de H. Schrift in de hand knoopte men samenzweringen „aan, volbracht men allerlei verraderlijkheden, en alles werd niet alleen ,/gerechtvaardigd, maar zelfs geheiligd door plaatsen uit de II. Schrift.quot;

Wij voegen hier nog een enkel voorbeeld bij uit den lateren tijd. In het jaar 1S43 had zich in de provincie boven-Hessen eene sekte gevormd van bijbellezers, die vast geloofden, dat in het jaar 1847, 1S48 en 1S49 alle goddeloozen, namelijk al degenen, die niet tot hunne sekte behoorden, zouden omkomen. Die verklaring vonden zij in de vijf gladde steenen, welke David nam, toen hij op den reus Goliath afging. Elke steen , zeiden zij , beteekende 10ÜU jaren. Uc wereld had toen reeds 4996,/a jaar bestaan en moest derhalve na vierdehalf jaar, met uitzondering van hunne sekte, vergaan. Zelfs in de hardste wintermaanden deelden zij bij nacht en ontijde hunnen nieuwelingen in de beken den wederdoop toe. De vrouw van H. in W., moeder van vier onmondige kinderen, die zich door burger 11. had laten verleiden, hieuw op liet feest van den H. Joannes, in het jaar 1848, hare rechterhand met opzet af, uit een misverstand van den

-ocr page 128-

112

blijkt reeds genoegzaam, hoe heilzaam de voorschriften zijn der katholieke Kerk , die het onverstandig bijbellezen der protestansche sekten niet duldt, maar wijselijk dienaangaande eenige beperkingen gemaakt heeft.

Uit het gezegde blijkt tevens, dat het ons Katholieken niet geoorloofd is. Bijbels te koopen of aan te nemen, die door Protestanten vertaald zijn en door hen verspreid worden; nog minder staat het ons vrij, deel te nemen aan bijbelgenootsi\'hapjien of die op cene of andere wijze te ondersteunen. De Pausen Pius VII, Leo XII, Pius VIII en Gre-gorius XVI hebben dikwerf de geloovigen vermaand, de pogingen der ketters te verijdelen, op hunne hoede te zijn voor de strikken, welke men hun legt, en alle verkeer met de genootschappen te vermijden \'). Niemand late zich bedriegen door den ijver, welken zij ter bekeering van de Heidenen huichelen. Reeds Tertullianus zegt van de dwaalleeraars van zijnen tijd, //dat zij er meer op uit //zijn, de geloovigen te verleiden, dan de Heidenen te bekeeren; omver //te werpen dan op te bouwen ; dat men zich daarover niet moet //verwonderen, wijl zij zich niet anders dan ten koste der waarheid //kunnen verheffen; ten einde hunne Kerk op te bouwen, spannen zij //alle krachtten in, om de onze omver te rukken.quot; Hoe ijdel hunne pogingen zijn ter bekeering van de Heidenen, kunnen zij voor zich zeiven niet meer verheden2), maar toch roemen zij er op, eene onte. bare massa Bijbels onder de heidenen verspreid en onvoorzichtige Katholieken tot afval van hunne Kerk verleid te hebben. Daarom zijn zij in plaatsen, waar zij op eenig goed gevolg rekenen, druk bezig met vervalschte Bijbels aan Katholieken uit te doelen en hen te overreden, die te lezen, met de bemerking dat zij hier het zuivere woord van God zullen vinden en zich verder niet om hunne Kerk behoeven te bekreunen. Behalve die Bijbels spelen zij tevens schoolkinderen of eenvoudigen lieden boekjes (zoogenaamde Tractaatjes) in de hand, die, veelal onder een valschen titel, wemelen van liefdelooze smaadredenen op de katholieke Kerk of verkeerde voorstellingen onzer leer. Voor zulke geschenken moeten wij Katholieken op onze hoede zijn, al worden er, om velen te bedriegen, nu en dan ook geschriften aangeboden, die niets kwaads bevatten. De vrucht, welke Eva lot zonde bracht, was ook ,,goed om te eten en aangenaam voor het gezicht.quot; Is het ware ijver, die de Protestanten bezielt, welnu, dat zij dien eerst aanwenden bij hunne geloofsgenooten , daar staat hun een uitgestrekt veld open. De katholieke Kerk behandelt hare kinderen niet zoo stiefmoederlijk, dat vreemden hun het brood des levens moeten toereiken. Gepast herinneren wij hier aan de woorden van de H. Schrift (Spr. V): //inijn zoon, drink water uit uwe eigen

//bron.... gezegend is uwe bronwel.....Waarom zoudt gij u door

•«eene vreemde laten verleiden!.... Op het pad des levens wandelt //zij niet.... liicht uwen weg ver van hier, en nader den drempel ,/van haar huis niet.quot;

tekst: „zoo uwe rechterhand u ergert, houw haar afquot; Marc. IX, 42. Toen verscheidene inwoners dier plaats genoemden M. hierover bittere verwijten deden, en hem als de oorzaak van deze schrikkelijke gebeurtenis aanwezen , riep hij op straat uit; «Dat zijn wonderen van ,den Heiland, weldra zult gij nog meer dergelijke zien!quot;

(Kathol. Stemmen. 1846).

\') De geleerde Protestant Dr. Leo, zegt: //Gregorius XVI heeft de //Bijbelgenootschappen eene pest genoemd; ware ik Paus, ik deed //hetzelfde.quot;

-) Zie in //de Katholiekquot; deel 43, bladz. 334 het artikel: Onvruchtbaarheid van het Protestansche zendingwerk.

-ocr page 129-

113

Toepassing.

Welke nuttige lessen kunt gii nu trekken, waarde lezer! uit alles, wat u in deze bladzijden over het geloof, deszelfs bronnen en richtsnoer is voorgehouden? — Leer er vooral uit, in geloofszaken nooit op uw zwak verstand of uw eigen doorzicht te vertrouwen, maar altijd, ja, geheel uw leven door, u aan de leer der katholieke Kerk te houden en aan hare uitspraken u immer ootmoedig te onderwerpen, in de vaste overtuiging, dat gij geloovendehetgeen de Kerk u leert, niet het ijdele woord van menschen, maar het onvervalschte, onbedriegelijke woord van God gelooft: want de mond der Kerk is de mond Gods. \'t Is waar, dat de Kerk uit menschen bestaat: Paus, Bisschoppen, Priesters, allen zijn menschen. Maar de Apostelen en leerlingen, die Jesus uitzond om het Evangelie te prediken, waren ook menschen. Onder hen bevond zich zelfs de rampzalige Judas; evenwel sprak Hij tot hen: „Wie u hoort, hoort „Mij, en wie u veracht, veracht Mij; wie Mij echter „veracht, veracht ook Hem, die Mij gezonden heeftquot; (Liuc. X, 16). Paus, Bisschoppen en Priesters zijn voorzeker menschen, maar menschen met goddelijke volmacht uitgerust. Zij hebben het bevel van Ghristus ontvangen, aan geheel de wereld de leer te verkondigen, welke Hij uit den hemel op an.rde bracht; in naam van Hem, die hen gezonden heeft, leeren zij; wie hunne leer verwerpt, verwerpt niet de leer van menschen , maar van God. Indien iemand weigert hun te gehoorzamen , voorgevende, dat hij wel aan God, maar niet aan menschen wil gehoorzamen, hij handelt als een soldaat, die zegt, dat hij wel den koning gaarne wil gehoorzamen, maar niet den hoofdman, niet den overste, niet den generaal, wijl deze niet de koning zijn. Zou de Koning met die gehoorzaamheid tevreden wezen? — Overdenk toch wel, hoe gelukkig wij zijn, dat God ons de Kerk als eene onfeilbare leermeesteres en zekere geleidster op den weg des heils heeft gegeven. Om de goddelijke waarheden en het zekere pad ten hemel te kennen, behoeven wij, Katholieken, niet als zij, die buiten de Kerk staan, eerst met groote moeite in den Bijbel te zoeken en onder eindelooze twijfelingen nu dit, dan weder dat aan te nemeu, zonder ooit zekerheid te verkrijgen, dat de waarheid eindelijk gevonden is. Het is voor ons genoeg de Kerk te hooren, zij kan niet dwalen, want zij is „de ,.zuil en grondslag der waarheid.quot; Hare leer is gemakkelijk te kennen, zij is namelijk die van den Paus, den

dehaebe, gelool\'sleer. i. ijje druk. 8

-ocr page 130-

114

stedehouder van Christus, den opvolger van Petrus, op wien de Heer zijne Kerk gebouwd heeft, en tevens die van alle Bisschoppen, die met den Paus in gemeenschap staan. Deze leer wordt voor ieder, voor geleerden en ongeleerden, kleinen en grooten, armen en rijken, voor elk naar zijne verstandelijke vermogens gepredikt en verklaard door de geestelijken, die door de wettige Bisschoppen aangesteld en gemachtigd zijn om anderen te leeren. Zoo weet het kleinste kind heter en zekerder de waarheid, dan de grootste geleerde, die, geen anderen scheidsrechter erkennende dan zijn aan dwaling onderhevig verstand, geheel zijn leven in den Bijbel zoekt. — Wat kunt gij derhalve gepast ten antwoord geven aan eiken Protestant, die u vraagt: waarom ook gij niet, gelijk hij, in den Bijbel leest? Eenvoudig dit: „Wat gij in den Bijbel nog zoekt, dat hebben wij reeds sinds lang gevonden; daarom zoeken wij niet meer.quot; Wat is dat ? De goddelijke waarheid. Ja, juist daardoor, merkt Tertullianus aan, i) „dat de „dwaalleeraars de waarheid altijd nog zoeken, bewijzen zij , „dat zij deze niet bezitten, derhalve ook niet gelooven. „Degene nu, die niet gelooft, is niet eens eea Christen. „Zijn zij geen Christenen, welk recht hebben zij dan op „de H. Schrift ?quot; Hebben zij geen recht er op, is het dan niet belachelijk, dat zij er op roemen? Wie is zoo dwaas, zich op iets te beroemen, dat hem niet toebehoort ?

Laat u niet van den goeden weg afbrengen, als gij zekere lieden, die nimmer de kerkelijke godsdienstoefeningen bijwonen, hoort zeggen: het staat iedereen vrij, op zijne wijze God te dienen; ik heb na eenmaal de mijne, ik erken God in de natuur, ik eer Hem, als het Opperwezen, meer is er niet noorlig. — Neen, meer is er zeker niet noodig, om zich in de hel te storten //Werpt den onnutten knecht,quot; spreekt Jesns Christus, „in de uiterste duisternis, waar geween en „geknars der tanden zijn zalquot; (JIatth XXV, 30). Hij, die slechts op zijne wijze d. i. alleen wanneer en zooals het hem goeddunkt, den Heer wil dienen; die zaait, wanneer zijn Heer hem gebiedt te ploegen, en ploegt, als hij moet zaaien, is zeker een onnutte knecht. Zal de Heer zulk een kneciit in zijn dienst houden? Betaamt het niet, dat de knecht zijnen Hoer gehoorzaamt, altijd en in alles diens wil volbrengt? Hoe God wil, dat wij Hem dienen zullen, daarover kan bij ons Christenen geen redelijke twijfel bestaan. God heeft ons zijn heiligen wil allerduidelijkst kenbaar gemaakt.

Wij weten dat de Eengeboren Zoon, dien God ons ten heil in de wereld heeft gezonden, voordat Hij tot zijnen Vader terugkeerde, zijne leer en zijne macht overgaf aan de Kerk, met het uitdrukkelijk bevel dat allen haar zouden gehoorzamen. Degene nu , die weigert te gehoorzamen, is, gelijk Christus zelf zegt, niet beter dan een heiden en openbare zondaar, heeft derhalve ook de straffen der Heidenen

\') De praescript. N0. 14, 15.

-ocr page 131-

115

en der openbare zondaars te wachten (Matth. XVIII, 17). Wij moeten diensvolgens God dienen op die wijze , als de Kerk het ons loert en beveelt. Zonder gehoorzaamheid aan de Kerk is aan God geen dienst, geen offer welgevallig, evenmin als een heer genoegen vindt in de dienstbetooning van een knecht, die weigert datgene te doen, wat zijn meester van hem vordert. Een merkwaardig voorbeeld levert ons de H. Schrift. God had den koning Saul bevolen, oorlog te voeren tegen de Amalekiten en tot straf voor de zonden van dit volk al hun goed te verdelgen. Maar Sant spaarde de beste kudden en bracht van de eerstelingen een brandofer aau den Heer. God vertoornde zich nu op Saul en liet hem doo:- den Profeet Samuël zeggen : /,wil «dan de Heer brand- en slachtoffers, en niet veeleer, dat men ge-//hoorzame aan het woord des Heeren ? Beter is gehoorzaamheid dan „offerande, want wederstreven is even groote zonde als waarzeggerij, yen halsstarrigheid staat gelijk met de misdaad van afgoderij. Wijl „gij des Heeren woord versmaad hebt, zoo heeft ook de Heer u ver-//smaad, om geen koning meer te zijnquot; (I. Sam. XV, 22, 23). Het is dus eene groote zonde, God den Heer niet te willen gehoorzamen. Wie de Kerk niet gehoorzaamt, die gehoorzaamt ook God niet; wie de Kerk versmaadt, die versmaadt ook God. Geen gebed, geen offer, geene vereering van God kan iemand ten hemel brengen, zoo hij hardnekkig weigert, aan zijnen plicht van gehoorzaamheid jegens de Kerk te voldoen. „Al zou ook iemand voor de belijdenis van zijn „geloof den dood ondergaan, toch zou al zijn bloed niet in staat zijn, „die vlek uit te wisschen. Zóó groot is de misdaad zich van de Kerk „af te scheiden,quot; zegt de H. Cyprianus (over de eenheid der Kerk). Wie alzoo, om zalig te worden, God den dienst wil leenen , welken Hem toekomt, hij wachte zich wel, zich tevreden te stellen met een godsdienst op zijn eigen hand, naar zijn eigen goeddunken, maar hij volge de katholieke Kerk. hij geloove, wat zij leert, hij verrichte, wat zij gebiedt, hij gebruike de genademiddelen, welke zij op bevel van Jesus den geloovigen mededeelt. Dat is de rechte wijze van God te dienen, de wijze, welke God gebiedt en aan welke lïij de belofte van het eeuwige leven verbonden heeft.

§ 2. Nooflxakclii^Jiciil des gclool\'s.

Is het geloof noodzakelijk ter zaligheid ?

Het geloof is volstrekt noodzakelijk ter zaligheid; want „zonder geloof,quot; zegt de H. Schrift, „is het onmogelijk , God te hehagen\'\' (Hebr. XI, 6), derhalve onmogelijk erfgenaam te worden van het rijk, dat enkel aan ben beloofd is, op wie Gods welgevallen rust. „Wie niet gelooft,quot; spreekt Jesus Christus, „is reeds geoordeeldquot; (Joan. Ill, 18). „Wie niet „zal gelooven, zal verdoemd wordenquot; (Marc. XVI, 16).

Even noodzakelijk als het licht der oogen is om te zien, even noodig is het geloof ter zaligheid. Zonder het geloof

8*

-ocr page 132-

116

is er nooit iemand zalig geworden, kan ook geen mensch ooit de zaligheid erlangen ; want liet geloof is, volgens de Kerkvergadering van Trente (quot;zesde zitting, hoofdst. 8), ..het begin van het menscheliik heil, grondslag en wortel „van alle rechtvaardigmaking.\'\' Wie niet gelooft, kan nooit tot de gerechtigheid komen, welke alleen de poort van het hemelrijk opent. En voorzeker is hier spraak van een geloof in den eigenlijken zin des woords, d. i. niet van eene overtuiging des verstands of van eene kennis der goddelijke waarheden, welke door eene oplettende beschouwing van de wereldorde verkregen wordt; maar van een geloof, dat steunt op de bovennatuurlijke openbaring (Zie bladz. 32). Van dit bovennatuurlijk geloof spreekt zoowel de Apostel, als hij zegt, dat het onmogelijk is zonder geloof aan God te behagen, als het Concilie van Trente, wanneer het leert, „dat zonder het geloof nooit iemand gerechtvaardigd is „gewordenquot; (zesde zitting, hoofdst. 7).\') Wie dit geloof verwerpt, maakt zich aan eene zware zonde jegens God schuldig; hoe zou hij dan aanspraak kunnen hebben op de zaligheid des hemels? Bedenk het wel. hoe zwaar en strafwaardig die zonde is. Toen de mensch in de duisternis omdoolde, en evenmin het doel kende, waartoe hij komen moest, als den weg, om dat doel te bereiken, toen erbarmde God zich en openbaarde hem zijne geheime raadsbesluiten, leerde hem zijne geboden, gaf hem zijne beloften; niet de geesten, die den Heer dienen, de Engelen, maar zijn eigen Zoon, „de afstraling zijner heerlijkheidquot; (Hebr. I, 3), zond Hij in de wereld en verheerlijkte Hem door vele teekenen en wonderen, opdat alle menschen aan zijn woord zouden ge-looven. Wanneer nu de mensch in plaats van te gelooven, het goddelijk woord verwerpt, en weigert zijn verstand aan de uitspraken des Allerhoogsten te onderwerpen, doet hij dan de goddelijke Majesteit geene zware beleediging aan ? Indien hij weigert aan de goddelijke Openbaring te gelooven, geeft hij dan niet te kennen, dat hij loochent, dat Gods woord waarachtig is en geloof verdient, dat God onzo Opperheer is en Hem het recht toekomt, de onderwerping van ons verstand te vorderen ? En zou God zulk eene verachting van zijn woord, zulk een verzet tegen zijne Oppermajesteit niet straffen? Neen, ongestraft zal God de zonde

:) De leer van eenige Godgeleerden, //dat het geloof in ruimeren «zin , steunende namelijk op de getuigenissen der schepselen o(\' een «anderen beweeggrond, ter zaligheid voldoende is,quot; is door Innocen-tius XI veroordeeld.

-ocr page 133-

117

van ongeloof niet laten. Al had ook een mensch zich aan geene andere zonde plichtig gemaakt, al zou hij enkel weigeren te gelooven, toch zou God hem daarvoor eeuwig van zich alstooten. Want, „wie niet gelooft, is reeds ge-ooideeldquot; en zal derhalve zeker aan het gericht niet ontkomen, maar „hij zal verdoemd worden.quot; — Ja, zwaarder dan vele andere zonden zal de zonde van ongeloof hiernamaals worden gestraft. Dit zien wij uit de woorden van Jesus Christus. Toen flij namelijk zijce Apostelen uitzond om zijne leer te prediken, sprak Hij tot hen : „al wie u quot;niet ontvangt, noch uwe woorden hoort, vertrekt en ver-„laat zulk een huis of zulk eene stad, en schudt af het „stof van u«e voeten. Voorwaar zeg Ik u: verdragelijker „zal het zijn den lande van Sodoma en Gomorrha in den „dag des oordeels, dan aan die stadquot; (Matth. X, 14, 15). De inwoners van Scdoma en Gomorrha waren groote boosdoeners; hunne misdaden schreiden ten hemel; evenwel zal huift.e straf in de eeuwigheid geringer zijn dan de straf van degenen, die weigeren, de leer van Jesus aan te hooren en te gelooven. Welke straf zal dan niet de Christenen treffen, die, na in het Doopsel de genade des geloofs ontvangen, de belofte van te gelooven afgelegd, ook de goddelijke leer gekend en een tijd lang geloofd te hebben, eindelijk van het geloof afvallig en goddelooze vrijgeesten geworden zijn ? En dergelijke menschen durven niettemin er nog op roemen, dat zij rechtschapen lieden zijn, en zich niets te veiwijten hebben, \'tls mogelijk, dat zij rechtschapen zijn in de oogen der menschen, inzoover zij namelijk geen roovers ol moordenaars zijn; maar rechtschapen of schuldeloos voor God zijn zij niet; want „wie de geheele wet onder-„houdt en één gebod overtreedt, is schuldig in alles,quot; zegt de 11. Schrift (Jac. II, 10). Is het geloof niet door God geboden en zeer streng geboden ? Waarom zou God ons de heilswaarheden geopenbaard hebben, indien het zijn wil niet was, dat wij gelooven ? Wie alzoo dit eene gebod niet houdt, is een overtreder van de wet, en vervalt in de straf der eeuwige verdoemenis. — God beware u steeds, waarde lezer, voor een zoo verschrikkelijk ongeluk ! Geef derhalve nooit gehoor aan de taal der goddeloozen, die ons geloof bespotten en honen, maar „zie toe, dat niemand uwer de „geLade van God verlieze; draag zorg, dat gij niet (den „Heerj, die tot u spreekt, afwijst. Want zijn zij hunne „stiaf niet ontkomen, die Mozes, sprekende op aarde, „aiwezen, hoeveel minder wij, als we ons van den Zoon „Gods alwenden, die van den hemel tot ons spreekt!quot; (Hebr .XII, 25).

-ocr page 134-

118

Is het geloof aan de goddelijke Openbaring zoo volstrekt noodzakelijk, wat zal dan het lot der Heidenen worden, die nooit van de Openbaring gehoord hebben ? Hoe zullen zij tot de eeuwige zaligheid kunnen komen ? — Hierop diene ten antwoord : het is zeker, en de oneindige liefde, welke God bewoog, voor alle menschen den kruisdood te ondergaan, strekt ons ten waarborg, dat Hij allen zalig maken en derhalve tot de kennis der waarheid brengen wil (1. Timoth. II, 4). Welke wegen en middelen de goddelijke Voorzienigheid zich te dien einde heeft voorbehouden , daarover is de Heer ons geen rekenschap schuldig. Evenwel weten wij , dat God, gelijk de H. Schrift zegt, //nooit heeft nagelaten {ook den heiden) getuigenis van zich zeiven „te geven, weldoende van den hemel, gevende regen en vruchtbare «tijden , vervullende met spijze en met vroolijkheid onze hartenquot; (Hand. XIV, J 6). Verder heeft Hij de natuurwet in hunne harten geschreven, opdat zij zouden weten het goede van het kwade te onderscheiden; Hij heeft hun de stem des gewetens gegeven, welke hen vermaant, het goede te doen en het kwade te vermijden (Kom. II, 14, 15). Bovendien spreekt God door de stem zijner inwendige genade tot het hart van iederen mensch, ook van den heiden, die in de wildernissen en wouden omdwaalt, opdat hij datgene, wat zijn verstand hem als kwaad voorstelt, met den bijstand der genade naar vermogen ver-mijde \'); want de Heer //verlicht iederen mensch, die in de wereld //komtquot; (Joan. I, 9). Hij is, volgens de uitdrukking van den H. Chrysostomus, de genadezon , welke allen verlicht, die niet boosaardig hun hart sluiten. Indien nu de mensch aan al die opwekkingen ten goede weêrstaat, om het kwade te doen, dan is het zijn eigen schuld, als hij het geloofslicht niet ziet, dat, bij zijne vordering op den weg der deugd , gewis voor hem zon zijn opgegaan. Hij eene zoo verkeerde stemming zou zelfs de genade des geloofs hem niet baten, maar slechts zijne veroordeeling verzwaren. Tracht hij echter naar vermogen het kwaad te mijden en het goed te doen , dan zal Gods liefdevolle Voorzienigheid hem een heilsbode toezenden, die hem in de noodzakelijke waarheden des geloofs onderricht, of wel op eene andere wijze hem die waarheden openbaren 2). Men begrijpt terstond, en ook de H. Schrift getuigt het ons, dat God op velerlei wijzen tot de menschen kan spreken en zijn heiligen wil te kennen geven. ïot den koning Abimelech sprak Hij des nachts in een droom (1. Mos. XX , 3); tot den Profeet Samnël met duidelijke woorden (1. Kon. Hl); tot Petrus door eene verschijning (Hand. X); tot de herders in Bethlehem\'s velden door een Engel (Luc. II); tot de drie Koningen van het Dosten waarschijnlijk door eene ingeving, welke hen aandreef, de ster te volgen. Vele merkwaardige voorbeelden levert ons de geschiedenis, waaruit wij zien, hoe wonderbaar God alles bestiert en zorg draagt, dat de Heidenen, die naar de waarheid reikhalzen, het nooit zakelijke onderwijs in de geloofsleer niet ontberen. Vooral zien wij dit in de bekeering van den romeinschen hoofdman Cornelius (Hand. X), en van den kamerling der koningin van Ethiopië (Hand. VIII), in de aanwijzing, welke de H. fauius door eene verschijning bekwam, om naar Macedonië te trekken en daar het Evangelie te verkondigen (Hand. XVI, 9, 10). Daarentegen ontbreekt het ook niet aan voor-

\') Orosius , een tijdgenoot van den H. Augustinus, schrijft daarover de merkwaardige woorden: //Mea semper est haec fidelis atque indu-//bitata sententia, Deum adjutorium suum non solum in corpore suo, /,quod est ecclesia, verura etiara universis in hoe mundo gentibus //subministrare, et non solum generaliter, sed speciatim quotidie per «tempora, per dies, per momenta, per atomos et eunctis et singulis //•üinistrare.

2) Aldus de H. Thomas: de veritate. Q. 14. a. 11. ad 1.

-ocr page 135-

119

beelden, welke toonen, hoe God de volkeren , die geen acht geven op zijne genadestem, aan do lusten van hun hart overlaat, „opdat zij wandelen naar hunne wegenquot; (Ps. LXXX, 13).

Eénige voorheelden zullen zoowel het eene als liet andere duidelijk maken.

Om den Jlahomedanen het H. Evangelie te verkondigen , zag de H. Franciscus van Assisi er niet tegen op, het leger der Kruisvaarders, dat hij naar Egypte vergezeld had, te verlaten en zich tot den sultan te hegeven, ofschoon deze op het hoofd van iederen Christen een hoogen prijs gesteld had. Met wonderbare kracht droeg hij hem de leer van Jesus Christus voor, en maande hem aan, zich met zijn volk te beboeren. „Indien gij soms twijfelt,quot; voegde hij er bij, „of gij de „wet van. Mahomed moet verlaten om de wet van Christus na te leven, „beveel dan, dat men een groot vuur aanlegge en ik zal met uwe „priesters er in gaan, opdat gij daardoor moogt inzien, welk geloof „men volgen moet.quot; Maar de sultan antwoordde; //Ik gelool niet, „dat één onzer priesters lust zal hebben, ter wille van zijn geloof in „het vuur te loopen.quot; — „Welnu, dan zal ik alleen in het vuurbaan,quot; hernam de Heilige, „mits gij mij beloolt, den christelijken godsdienst „aan te nemen. Als ik verbrand, wijt het dan aan mijne zonden; „maar zoo ik ongedeerd uit de vlammen terugkeer, dan moet gij „Christus als den waren God en Heer erkennen.quot; Hierop bekende de sultan, dat hij zich met dit voorstel niet durfde inlaten, wijl hij een volksopstand duchtte. Hij schonk den armen Franciscus kostbare geschenken, waaraan deze echter volstrekt geen waarde hechtte, en liet hem met eer naar het leger der Kruisvaarders terugbrengen (Levensgeschiedenis van den H. Franciscus van Assisi door Chavin de Malan). Ongetwijield wist de Heilige door eene hemelsche verlichting, dat God bereid was, tot heil der ongeloovigen een opvallend wonder te doen, anders had hij zonder vermetelheid zoo iets niet mogen aanbieden. De Mahomedanen versmaadden echter de goddelijke genade en sloten vrijwillig hun oog voor het licht der waarheid ; daarom heeft God hen ook aan de blindheid van hun hart overgelaten.

Abkar, keizer van het groote mongoolsche rijk in Azië, had, zoo als wij reeds verhaalden, in het jaar I5S0 katholieke missionarissen uit Goa geroepen. Er kwamen uitstekende priesters van de Societeit van Jesus, onder anderen Rudolf Aquaviva , die later te Salsette den marteldood stierf, en eenigen tijd na hem Hieronymus Xaverius, die de voetstappen van zijn oom, den grooten Apostel van Indië, drukte. Zij hadden van Abkar verlof gekregen, in hot geheele rijk hot christelijk geloof te verkondigen , en allo inwoners waren vrij het aan te nemen. Nochtans hadden hunne pogingen en die van hunne opvolgers in het apostolisch ambt betrekkelijk weinig gevolg. De lichtzinnigheid en het zondig leven van het volk verhinderde den bloei des Christen-doms. Omstreeks het midden der achttiende eeuw bestonden er vijf christelijke kerken in geheel het mongoolsche rijk, en eene er\' van was \' bijkans zonder Christenen. De genade des geloofs was alzoo wel aangeboden, maar de goede wil om er gebruik van te maken ontbrak (Mühlbauer\'s Goschichte der katholischen Missionen in Ost-Indien).

Een jongeling, uit heidensche ouders te Coroa geboren, had zich in de eenzaamheid begeven , om zich ongestoord met het gebed en de overweging te kunnen bezig houden, en zoo don weg tot het ware geluk te vindon. Zekeren nacht ziet hij in don droom eene eerbiedwaardige gestalte, die hom do verzekering geeft, dat hij niet to vergeefs zoekt. Na verscheidene merkwaardige voorvallen, welke wij

-ocr page 136-

120

kortheidshalve voorbijgaan, komt hij in Japan en wordt eindelijk met missionarissen bekend, die aldaar het geloot\' verkondigen. Zij toonen hem eene afbeelding van den goddelijken Heiland, en terstond roept hij vol vreugde uit; „deze is het, di\'e mij in den droom verscheen.quot; Spoedig daarna ontving hij het II. Doopsel en werkte met grooten ijver aan de bekeoring der Heidenen. In het jaar 1625 werd hij te Nagasaki in de gevangenis geworpen en veroordeeld tol den vuurdood. Midden in de vlammen knielde hij neder en dankte God met luider stemme, dat Hij hem vergunde, voor zijn H. Naam te sterven.

Pater Salvaterra, missionaris in Amerika, bevond zich te midden van eene heidensche bevolking, toen op een avond twee onbekende, doch aanzienlijke jongelingen bij hem kwamen en hem verzochten, hen te volgen. De missionaris gehoorzaamde als door eene hoogere macht gedreven, en kwam nu aan eene hut, welke d or den matten schijn eener lamp verlicht was. Hij trad binnen en zag eene oude vrouw, die zwaar ziek lag. Uit hare woorden bemerkte hij al ras , dat zij steeds naar de voorschriften van haar geweten en verstand geleefd had. Hij onderwees haar in het kort in de hoofdwaarheden van den christelijken godsdienst, doopte haar vervolgens, en terstond af :nu de zieke, God dankend en verheugd , den geest (Menologium oc. Jesu).

Pater Joseph Anchieta, missionaris uit de Societeit van Jesus, genaamd de wonderdadige Apostel der Brazilianen, die in het jaar 1597 in geur van heiligheid stierf, trok blootsvoets de provincie Brazilië door en zocht overal met vurigen ijver de verloren schapen op, om ze in den schaapstal van den goeden Herder Christus bijeen te brengen Het gebeurde eens, dat de geest des Heeren hem van zijnen gezel afrukte en als bij de hand naar een boom voerde, waaronder een hoogbejaarde Braziliaan met zilveren haren zich uit zwakte had neergeworpen. Zoodra deze den priester gewaar werd, riep hij hem met luider stemme toe: vkom toch spoedig hier, want ik heb sinds lang gewacht!quot; Pater Anchieta knielde nu naast hem neder en vroeg, wie hij was en van waar hij was gekomen. Dc Heiden antwoordde, dat hij van eene zeer ver afgelegen zeekust op eene hem onbegrijpelijk wonderbare wijze naar deze plaats gebracht was. De vrome missionaris vroeg nu, wat hij wel begeerde. „Ik zoek,quot; sprak de goede grijsaard, „naar den rechten weg,quot; hetgeen bij de Brazilianen zooveel beteekent als : „ik zoek God te behagen en na mijn dood tot „de eeuwige zaligheid te geraken.quot; Toen de Priester Gods vervolgens eenige viagen gedaan had, bemerkte hij, dat deze goede oude man gedurende geheel zijn leven de wet der natuurgetrouw vervuld, tegen de heidensche gebruiken in, slechts met ééne vrouw geleefd had, nooit dan in billijke gevallen en om zich te redden of zijn leven te beschermen, ten strijde was getrokken en ook nimmer de goden aangebeden, kortom, de geboden Gods nooit zwaar overtreden had. Bovendien verried de grijsaard eene niet geringe kennis van de wet der natuur en haren Maker. Als de Priester hem nu eenige geheimen van het christelijk geloof voorstelde, gaf de grijsaard ten antwoord, dat dit alles reeds duister voor zijnen geest had gezweeld, maar dat hij nooii woorden had kunnen vinden , om ziju gevoelen uit te drukken. Ji\'adat de missionaris in eenige uren hem zonder buitengewone moeite genoegzaam onderwezen had, schepte hij, wijl er geen ander water te vinder was, regendruppels van de bladeren der boomen, doopte den gelukkigen oude er mede en noemde hem Adam. De grijsaard schreide tranen van vreugde, hief zijne oogen en handen ten hemel, dankte met een blij hart eerst zijnen goeden Schepper en Verlosser, en daarna ook den Priester, voor de wondervolle genade. Na weinige uren gaf hij zijne in het yvater der wedergeboorte gereinigde ziel in de handen van haren Schepper terug en snelde den hemel binnen (Historia Eccles. Brasil. P. 2. c. 10 in Silbert\'s Legenden).

Ook getuigt de geschiedenis, hoe wonderbaar God dikwerf te werk

-ocr page 137-

121

gaat, om niet een of anderen persoon, maar geheele bevolkingen tot de kennis van den christelijken godsdienst te brengen. Aan zulk eene wonderbare beschikking Gods hadden onder anderen ook de Iberiërs, die tusschen de Zwarte en Kaspische zee en den Kaukasus woonden, hunne bekeering tot liet Christendom te danken. Onder lien (zoo verhaalt Stolberg in zijne //Geschichte der Religion,quot; deel X, § 60) leefde in de vierde eeuw eene christen slavin, die door hare zedigheid en geheel hare rechtschapen handelwijze de oogen van haren meester en diens bekenden tot zich trok. Zij vastte dikwerf en bracht menigen nacht in het gebed door. Ondervraagd waarom zij dit deed, antwoordde zij : „uit liefde tot Christus, mijnen God!quot; Het was aldaar het gebruik, dat moeders, die een ziek kind hadden, liet ronddroegen, om raad in te winnen, hoe het kon geholpen worden. Eene moeder nu, die lang te vergeefs haar lijdend kind van huis tot huis gedragen had, kwam ook bij het arme meisje en vroeg haar om raad. „Ik weet geen natuurlijk geneesmiddel voor uw kind,quot; gaf zij ten antwoord, //maar Jesus Christus, wien ik aanbid, kan „ook aan zieken, wier genezing is opgegeven, de gezondheid terug-„schenken, en ik geloof, dat Hij inderdaad uw kind gezond zal maken.quot; Daarop nam zij het zieke kind, legde het op de deken , welke haar tot rustplaats diende, bad met ijver en gaf het gezond aan demoeder terug. Het gerucht van deze genezing verspreidde zich ras en kwam ter oore van de koningin , die door zeer hevige pijnen gekweld werd. Zij verlangde, dat men de vreemde slavin bij haar zou brengen. Daar deze evenwel er voor schroomde, om het koninklijk paleis binnen te aan, begaf de lijdende vorstin zich tot haar, liet zich op de haren eken leggen en voor haar bidden. Terstond werd zij gezond. Verheugd over haar herstel, bood zij de slavin goud en prachtige kleederen aan, kortom alles, wat zij slechts zou begeeren. Jlaar het meisje wees alle geschenken van de hand en smeekte de koningin, Hem alleen te danken, die Heer is over leven en dood, en haar gebruikt had als een zwak werktuig, om anderen de gezondheid terug te schenken. Als gunst verzocht zij echter, de koningin in de leer des Christendoms te mogen onderwijzen. De vorstin, wier hart door dankbaarheid geroerd was, liet zich gaarne vertellen van Jesus Christus, wiens kracht zij in haar lichaam ondervonden, wiens genade zij in de arme slavin erkend had. Zij werd geloovig. De koning stond verbaasd, toen hij zijne gemalin zoo eensklaps genezen zag , en beval, dat men de slavin rijke geschenken zou brengen. Maar de koningin zeide hem, dat de Christin geen giften wilde aannemen en niets anders wenschte, dan dat hij en zij in het vervolg Jesus Christus zouden aanbidden, die haar de gezondheid had teruggeschonken. Hoezeer de koning zich ook over Let herstel zijner gemalin verheugde, weigerde hij evenwel haar hierin genoegen te geven, ofschoon de koningin hare beden dikwerf herhaalde. Op zekeren dag, dat hij met zijn gevolg zich op de jacht bevond, betrok plotseling de lucht, en de duisternis weid zoo groot, dat de een den ander niet meer kon zien en de koning zich weldra alleen , \\an allen verlaten, in het woud bevond. Nu viel hem de gedachte in, zich tot den God te wenden, van wien de slavin aan de koningin verhaald en voor haar de gezondheid verkregen had. Hij beloofde den dienst der afgoden te zullen verlaten en den cénen God te aanbidden, als deze hem uit de verlegenheid redde. Uit de volheid van zijn hart deed hij die belofte, en nauwelijks had hij gesproken, of op eens werd de hemel weder helder. Hij keeide naar het hof terug en verhaalde de koningin, wat er gebeurd was; men liet de christen maagd roepen, aan wie hij verklaarde, dat hij voortaan Jesus Christus wilde aanbidden, en vroeg op wat wijze men dien Heer moest dienen. Ongetwijfeld gaf de geest Gods haar in den mond wat zij zeide; zij sprak woorden des heils. De koning maakte zelfs de wonderen bekend, welke God aan hem en aan de koningin gedaan had; de koningin en de slavin

-ocr page 138-

122

onderwezen de vrouwen in de heilige leer. Dadelijk werd de hand gelegd aan het bouwen eener kerk; op raad van de christen maagd zond de koning gezanten naar Constantijn , niet het verzoek om priesters. De keizer ontving hen verheugd en vriendelijk, en zij keerden terug vergezeld door oen vromen en wijzen Bisschop en eenige priesters. Het rijk Gods breidde zich al spoedig uit, geheel Iberië huldigde den Zoon Gods. — Kiet minder merkwaardig is de bekeering van Ethiophië, welke ongeveer te zelfder tijd plaats vond, en later zal verhaald worden.

MaaM elk geloof zalig ?

Neen, alleen het ware geloof, hetwelk Christus de Heer ons geleerd heeft, maakt zalig; want enkel door dit en door geen ander geloof hebben wij deel aan Christus, buiten wien geen heil te hopen is.

Wanneer men wil beweren, dat elk geloof zalig maakt, moet men ook zeggen, dat elke, zelfs de verkeerdste weg tot het gewenschte einde voert, dat zonde en misdaad even goed den mensch ten hemel brengen als deugd en heiligheid. Immers het geloof is de eerste schrede en de weg ten hemel; gelijk de juiste weg alleen ter bestemming voert, zoo brengt ook enkel het ware geloof den mensch naar den hemel. Het geloof is verder het richtsnoer en de grondslag van \'s menschen levenswandel; wie gelooft als een Turk of Heiden, zal ook niet beter dan een Turk of Heiden leven, en zonder terughouding zich aan allerlei uitspattingen overgeven. Indien elk geloof zalig maakt, dan moeten ook de afschuwe-lijkste wanbedrijven ter zaligheid voeren. God is de eenige, de eeuwige Waarheid, derhalve kan Hij slechts in de waarheid zijn welbehagen vinden. Even onmogelijk als het is, zonder geloof aan God te behagen, kan men Hem welgevallig zijn zonder het ware geloof. Wat nu is het ware geloof ? Geen ander dan dat, hetwelk Christus de Heer ons geleerd heeft. Want „genade en waarheid is ons door ,.Jesus Christus gewordenquot; (Joan. I, 17). „Ik ben geboren,quot; sprak Jesus zelf tot Pilatus, „en in de wereld gekomen, „om getuigenis te geven van de waarheid. En al wie uit „de waarheid is (de waarheid lief heeft), hoort mijne stemquot; (Joan. XVIII, 37).

Wij kennen, \'tis waar, eenige ■waarheden door de rede; ons verstand toch kan inzien, dat er een God is, die alles geschapen heeft, behoudt en regeert. Maar iets voor waar houden, wijl ons verstand het leert, is, gelijk we reeds boven zeiden, geen goddelijk geloof, maar een menschelijk weten of kennen. Wij moeten, om de eeuwige zaligheid te erlangen, noodzakelijk aan Christus onzen Heer gelooven,

-ocr page 139-

123

alles gelooven, wat Hij ons leert. Want sinds de mensch door de zonde het recht op het hemelrijk verloren heeft, kan niemand er binnen gaan, dan door Jesus Christus, die het zoenoffer voor onze zonden is geworden. „Ik ben „de weg, de waarheid en het leven,quot; spreekt de Heer, „niemand komt tot den Vader, dan door Mijquot; (Joan. XVI, 16). Neen, „er is (buiten Christus) in geen ander „heil,quot; getuigt de H. Apostel Petrus op ingeving des H. Geestes (Hand. IV, 12); „want er is geen andere naam „onder den hemel den menschen gegeven, waardoor wij „zalig kunnen worden.quot; Christus verstrekt ons echter niet ten heil, wanneer wij niet vrijwillig deel aan Hem nemen. De hemel is namelijk een loon; om dat loon te verdienen, is niet enkel de genade van Christus, maar ook onze vrije medewerking noodig. Willen wij door Jesus Christus gered worden, dan moeten wij ons derhalve aan Hem aansluiten en zijne leerlingen worden, wij moeten zijne leer volgen en de genademiddelen, welke Hij ons aanbiedt, gebruiken. Hoe nu zal dit geschieden, als men zelfs weigert aan Hem te gelooven? Wie zijne leer niet gelooft, kan ze niet opvolgen, wie de kracht zijner genademiddelen niet erkent, zal ze niet gebruiken, en bijgevolg ook nooit het eeuwige leven ingaan. Daarom leert de goddelijke Heiland ons de noodzakelijkheid van het christelijk geloof met de krachtigste uitdrukkingen : „Wie aan (Mij) den Zoon ge-klooft, heeft het eeuwige leven ; maar wie den Zoon niet „gelooft, zal het eeuwige leven niet zien, want de toorn Gods blijft over hemquot; (Joan. Ill, 3ö). Alleen de koperen slang, door Mozes opgericht, had de kracht de vergiftige beten te genezen (4. Mos. XXI), en alleen in het geloof aan Christus kan de zondaar vergeving verkrijgen en de gezondheid der ziel terugvinden. Derhalve spreekt Jesus Christus (Joan. Ill, 14, 15): „Gelijk Mozes de slang in „de woestijn verhoogd heeft, alzoo moet de Zoon des men-„schen verhoogd worden ; opdat een ieder, die in Hem „gelooft, niet verloren ga, maar het eeuwige leven hebbe.quot; Zoo waar het dus is, dat niemand van den beet der vergiftige slangen genezen kon worden zonder de koperen slang aan te zien, welke door Mozes was opgericht, even waar is het ook, dat niemand zonder het geloof aan Christus het leven der genade en ziju heil erlangen kan.

Uit hot gezegde blijkt, lice onredelijk en onwaar zij spreken, die gewoonlijk beweren, dat het geloof weinig afdoet, dat het inderdaad hetzelfde is, wat men gelooft, dat godsdienst wel noodzakelijk is, wijl de wereld zonder godsdienst niet zou kunnen bestaan, maar dat

-ocr page 140-

124

elke go(L=dienst goed is — Is die taal niet godslasterlijk ? Zou God dan voor niet gesproken en zijne openbaring gegeven hebben? Zou Hij te vergeefs zijn éungeboren Zoon in do wereld gezonden er. ter bevestiging zijner zending zoovele verbazingwekkende wonderen gedaan hebben? Zou Jesus dan voor niet gepredikt, voor niet zijnen leerlingen bevolen hebben, heel de wereld het Evangelie te verkondigen , voor niet tot hen hebben gesproken: »wie gelooft, zal «zalig zijn; maar wie niet gelooft, zal verdoemd worden?quot; Zou het niettemin aan ieder vrij staan te gelooven, wat hij wil, leugen of waarheid? Indien het onverschillig is wat men gelooft, als elke godsdienst goed is, dan waren millioenen christelijke Martelaren, die liever hun bloed wilden vergieten dan hun geloof te verloochenen, erbarmelijke dwazen; dan hadden de heidensche tirannen reden, hen om hunne hardnekkigheid ter dood te veroordeeien; ja, dan is het ook onverschillig, of men den waren God , den Schepper van hemel en aarde aanbidt, of wel, gelijk de Heidenen, hout en steen, een krokodil of stier, een vadermoordenaar Jupiter en eene ontuchtige Venus of den duivel in persoon! Is elke godsdienst goed, dan was ook de godsdienst der Phoeniciërs goed, welke hun gebood, hunne onschuldige kinderen in de gloeiende armen van het algodsbeeld Moloch te leggen ook die der Mexicanen was goed, welke hen aanspoorde, jaarlijks omstreeks 20,000 menschen aan hunne goden te oileren. Is het onverschillig, welken godsdienst men heeft, dan moesten ook onze voorouders Heidenen of Joden gebleven zijn ; dan deed de groote 11. Apostel Bonifacius dwaas, met opoffering van zijn leven, de aanbidding van den eenig waren God te leeren. Wij , hunne nakomelingen , zouden niet minder verlicht en gelukkig zijn, als wij, in piaats van onzen Vader in den hemel, een reusachtigen eik aanbaden en den bloeddorstigen krijgsgod door menschen-offers vereerden. Ziet, tot zulken onzin komt men met het beginsel: ;/elke godsdienst is goed.quot; — Nochtiais beeldt menigeen zich in , daarmede iets zeer vernuftigs gezegd te hebben. Wat bedoelen zij met die uitdrukking? Wellicht, dat iedere godsdienst even waar is? Hoe is dit mogelijk? Het kan toch niet te gelijk waar zijn, dat Christus de Messias en niet de Messias, God en niet God, dat Mahomed een profeet Gods en tevens een schandelijk bedrieger is. Is het eene waar, dan is het andere noodzakelijk valsch. Of willen zij misschien zeggen, dat elke godsdienst even valsch is ? Dan evenwel zijn niet alle godsdiensten goed, maar alle slecht. Zou het niet belachelijk wezen, van valsclie geldstukken te beweren, dat zij allen goed zijn? Of is welliciit de zin liuuner woorden deze: men moet voorzeker een goilsdienst hebben, deze is eene behoefte voor de menschen; daar men echter den waren van de vele valsche niet kan onderscheiden, moet iedereen bij den zijne blijven, wijl alle in den grond toch goed zijn? Zij, die zoo spreken, zien alzoo tenminste in. dat de godsdienst een noodzakelijk vereischte is voor den mensch om gelukkig te zijn, en hierin hebben zij volkomen gelijk. Ook de Heidenen zagen dit m ; zij erkenden, dat de godsdienst voor den mensch eene bron van troost, van kracht, van zede-lijkeu vooruitgang is, dat op den godsdienst als op een grondpilaar, de zekerheid zoowel van den Staat als van den burger rust -), dat

\') Door Z. 11. Pius IX zijn de volgende stellingen veroordeeld: //Het staat ieder mensch vrij, dien godsdienst te omhelzen en te be-«lijden welken iemand, door het licht dor rede geleid, voor waar houdt.quot;

//De menschen kunnen in eiken godsdienst den weg des eeuwigen „heils vinden en het eeuwig heil verkrijgenquot; Syllabus § lil, XV enXVl. Zie : De schut des geloo/s door Pater van Gestel, bladz. 56 en volg. 2) üok Voltaire erkende deze waarheid, hoewel hij al zijn talent

februikte, om den godsdienst met hoon eu smaad te overladen. Toen e fransche helden dor goddeloosheid, D\'Alembert en Diderot, eensebruikte, om den godsdienst met hoon eu smaad te overladen. Toen e fransche helden dor goddeloosheid, D\'Alembert en Diderot, eens

-ocr page 141-

125

eerc stad gemakkelijker in de lucht bestaan kan, dan tucht en orde zonder godsdienst. Derhalve zeide ook de wijste (Plato, over de wetten 1. 20) onder hen , dat men , met den godsdienst tegen te werken , den steunpilaar der menschelijke maatschappij omverrukt •). Is de godsdienst zoo noodzakelijk, dat zonder godsdienst de wereld niet bestaan en de mensch niet gelukkig zijn kar, dan volgt van zelf, dat God den mensch. wien Hij geschapen heeft om gelukkig te zijn, ook een godsdienst heeft gegeven; anders toch zou Hij hem de nood\'ige middelen om zijne bestemming te bereiken onthouden hebben. Van God moet gewis de godsdienst komen; de rede is niet in staat dien te vinden, nog minder om hem aanzien en duurzaamheid te verschaften. Daarom hebben ook allen , die een godsdienst poogden te stichten, als Minos, Numa, Mahomed, voorgewerd, dat zij die door goddelijke openbaring ontvangen hadden, en hoewel ten tijde der transche omwenteling goddelooze tirannen alle krachten inspanden, om een door mpuschen uitgevonden godsdienst der Rede in te voeren, zagen zij zich beschaamd en genoodzaakt hunne poging op te geven. Weten wij nu, dat God zelf een godsdienst heeft gegeven, dan is deze ongetwijfeld de alleen ware dan is deze alleen goed , en moet door allen als zoodanig erkend en aangenomen worden. Zijn wij verplicht een godsdienst aan te nemen, dan heeft God er gewis ook voor gezorgd, da^. deze door allen, die met goeden wil naar de waarheid zoeken, kan gevonden worden; waartoe toch zou Hij een godsdienst gegeven hebben, indien deze niet kenbaar was? //Ik heb //geloofd,\'quot; sprak na zijne bekeering een berucht vrijgeest 2), //zoodra A-ik oprecht gezocht heb ; onderzoekt ook, en gij zult eveneens gelooven.quot; Ja gelijk het schitterende zonnelicht ieder verlicht, die er zijn oog voor opent, zoo verlicht ook de waarheid van den christelijken godsdienst een ieder, die er met ernst naar zoekt, en bereid is, de plichten, welke deze oplegt, te vervullen //Voor de braven is een ylicht opgegaan in de duisternisquot; (Ps. CXI, 4). //Dit nu is het oor-//deel.quot; zegt Christus onze Heer, //dat het licht in de wereld ge-//komen is, en de menschen de duisternis meer dan het licht hebben //liel gehad.quot; Waarom beminnen zij de duisternis meer dan het licht? //Wijl hunne werken boos zijn; want ieder, die kwaad doet, haat //het licht en komt niet tot het licht, opdat zijne werken niet be-//Straft wordenquot; (Joan. Ill, 19, 20).

\'s Menschen handel en wandel is zoozeer op het aardsche gericht, dat velen zich om hoogere goederen volstrekt niet bekommeren. 1 evreden met het schaduwbeeld van een godsdienst, welken zij zeiven gemaakt hebben en waardoor zij in hunne zondige genietingen niet verontrust woiden, leven zij in eene onbegrijpelijke onverschilligheid voor al het hoogere voort. De zoo gewichtige waarheden, welke het geloof leert; van oordeel, hemel, hel, eeuwigheid, achten zij evenmin als droomen. Zij vermeten zich zelfs te spotten met den brave, die zich beijvert, naar de beginselen van zijn geloof te leven en in de hoop op het hemelsch loon zijn zieleheil te bewerken. O gij dwaas, roepen zij hem honend toe, waar zwoegt gij voor, als de hemel, waarvan gij droomt, enkel in uwe verbeelding bestaat! — Terecht zou men hierop ten antwoord kunnen geven ; maar wat zal uw lot zijn, als de hel, waarmede gij immer den spot drijft, waarheid is.

bij hem het middagmaal gebruikten, kwamen zij weldra met hunne ongodsdienstige grondstellingen voor den dag. Voltaire, die overigens even goddeloos was als zij, onderbrak hen echter plotseling met de woorden: //wacht, totdat mijne bedienden zich verwijderd hebben; z/Want ik zou van nacht niet gaarne door hen gewurgd worden.quot;

\') Zie Wilmers Lehrbuch der Religion. II. Bladz. 37. enz.

\'-) La Harpe, in zijn boek : Du fanatisme.

-ocr page 142-

12G

Heeft men u dan zoo onomstootelijk bewezen, dat de godsdienst, welken gij hoont, niets dan goochelspel is ? Hebt gij de bewijzen reeds rijpelijk onderzoclit? Hebt gij die tegen de gronden, welke gij voor uw ongeloof aanvoert, onpartijdig gewogen? Hebt gij reeds géhoord, wat de Godgeleerden op de opwerpingen, waarmede gij zoo praalt, antwoorden? Hebt gij inderdaad geen twijfel meer? Is het u zonneklaar, dat dc christelijke Martelaars enkel uit dweepzucht stierven; dat alle uitstekende geesten, die het Christendom kan aanwijzen, dwazen waren? Is het onmogelijk, te denken, dat Christus van den dood opgestaan en ten hemel geklommen is; dat Hij en zijne leerlingen ontelbare wonderen werkten, die getuigenis geven van zijne goddelijke macht ? Is het eene uitgemaakte waarheid , dat de herschepping der wereld , de vernietiging van den godendienst, de beschaving der volkeren, de duur, de overwinning en alle zegeningen van het Christendom enkel in de verbeelding bestaan of bedrog zijn? Is het niet eene onvergeeflijke lichtzinnigheid, zich zoo gedachteloos over de hoogste belangen van den mensch heen te zetten? Gij weet toch, dat gij de ijzeren hand des doods niet ontvluchten kunt? Moet er u niet alles aan gelegen zijn, grondig te onderzoeken, of met dit leven wel alles een einde neemt? Gij loochent het bestaan van de hel; hebt gij ze wellicht vernietigd ? Gij acht Gods gerechtigheid niet■. hebt gij ze daarom niet te duchten? Denkt gij dan, dat God niet strafl\'en zal, als stervelingen hun oor voor zijne stem, hun oog voor zijne openbaringen sluiten ? Zijn eigen, eeuwigen Zoon heeft Hij ter onzer bekeering in de wereld gezonden, en zoudt gij ongestraft Hem lasteren, zijne leer verwerpen, met zijne beloften en bedreigingen den spot mogen drijven? Bedrieg u niet. God laat niet met zich spotten (Gal. VI, 7). Er zal een tijd komen. dat de aarde u gaat begeven, dat de doodsangsten zich om uw ziekbed zullen legeren. Vergeefs zult gij dan de grondstellingen, welke gij verblind hebt aangenomen, ter hulp roepen. Hoe menig vrijgeest, die er trotsch op ging, dat hij getrouw aan zijne beginselen den laatsten adem wilde uitblazen , verloor plotseling aan den rand des grafs allen moed. Do beruchte Mirabeau, die ten tijde der fransche revolutie zooveel onheil stichtte, streefde naar den roem van te sterven als ongeloovig wijsgeer, gelijk hij geleefd had. Op den ochtend van zijn laatsten levensdag liet hij de vensters openen en sprak tot Cabanis, zijnen geneesheer: «van daag, mijn vriend, zal ik sterven. Als men eenmaal zoo ver «is, blijft er slechts ééne zaak over, namelijk: zich met welriekend «■water te wasschen, om des te gemakkelijker en aangenamer den lt;/slaap in te gaan, waaruit men nimmer ontwaakt.quot; Doch te vergeefs zocht hij dien zachten sluimer Koch welriekend water, noch bloemenkransen, noch muziek waren in staat, de pijnen zijner ziekte dragelijker te maken, zijne inwendige angsten en zijn zielelijden te verminderen. Den christelljken troost ontberende, brak hij in de hevigste en bitterste klachten uit, en verlangde een middel, dat zijn lijden verkorten en snel een einde aan zijn leven zou maken. De weigering van den arts bracht hem in woede; met eene akelige stem riep hij uit: //mijne smarten ,/zijn ondragelijk. Ik heb nog kracht voor eeuwen, maar voor geen „enkel oogenblik moed.quot; Zijne oogen begonnen nu woest rond te dwalen. Innerlijke onrust en wanhoop waren duidelijk op zijn gelaat te lezen. Plotseling kreeg hij hevige stuiptrekkingen; hij stiet een vreeselijken gil uit en overleed in huiveringwekkende vertwijfeling.

(Girtanner\'s hist. Kachr. üb. die französische Kevolution.)

Nadat wij gezien hebben, dat ter eeuwige zaligheid het ware, door Christus geleerde geloof noodzakelijk is, blijft nog de vraag: welke van de bestaande godsdienstige genootschappen dat ware geloof bezit. Blijkt uit het antwoord,

-ocr page 143-

127

dat alleen de katholieke Kerk zich in het bezit van het ware christelijk geloof mag verheugen, dan volgt van zelf, dat het niet genoeg is, het geloof te hebben van eene zich chrideliji: noemende sekte, maar dat men het geloof der katholieke Kerk moet volgen. Daaruit kan men dan terecht besluiten, hoe dwaas de tafd is dier schiincbristenen, die beweren, dat het onverschillig is. of men tot de Lutheranen, Calvinisten, Zwinglianen, Wederdoopers of Katholieken behoort, daar allen Christenen zijn en er niet meer noodig is.

Welke godsdienst heefl het ware, door Christus geleerde geloof ?

Het ware, door Christus geleerde geloof heeft alleen de katholieke Kerk; want zij alleen heeft het, als een haar toevertrouwd heraelsch goed, van Christus zeiven ontvangen en steeds onvervalsolit bewaard. Alle andere godsdienstige genootschappen hebben hunne geloofsleer niet van Christus zei ven ontvangen, daar zii eerst lang na Christus ontstaan zijn; evenmin hebben zij datgene, wat zij van de leer van Christus uit de katholieke Kerk hebben medegenomen, onvervalscht bewaard, daar zij van daag dit, morgen weêr iets anders leeren, terwijl Christus en de Apostelen altijd hetzelfde leeren.

Wij moeten bier het antwoord (reven op twee vragen:

1°) Welk godsdienstig genootschap heeft het geloof van Christus ontvangen ? 2°) Welk genootschap heeft dat geloof onvervalscht bewaard ? Want ontegensprekelijk bezitten zij de ware geloofsleer van Jesus Christus, die haar van Hem zeiven ontvangen en steeds onvervalscht bewaard hebben \').

1°) Ieder ziet terstond in, dat alleen dat christelijk genootschap het geloof van Christus heeft ontvangen, welks bestaan tot Christus opklimt, of, wat hetzelfde is, dat van Christus en de HH. Apostelen afstamt; immers door

\') De geloofsleer van Jesus Christus is in de Schrift en de Traditie vervat. Dat de H. Schrift uitsluitend aan de katholieke Kerk dooide Apostelen toevertrouwd en bij haar alleen steeds onvervalscht bewaard gebleven is, hebben wij reeds vroeger voldoende aangetoond. Strikt genomen zou hot derhalve genoeg zijn, hier naar het daar gezegde te verwijzen. Evenwel zal het niet zonder nut zijn, deze zoo belangrijke waarheid nog uit een ander gezichtspunt aanschouwelijk te maken. Wij ontleenen ze hoofdzakelijk aan //Barthe\'s godsdienstige //Waarheid voor den rechterstoel der rede,quot; hoofdst. XI , en verwijzen verder den katecheet naar onze verhandeling over de Kerk in het 9Ile geloofsartikel.

-ocr page 144-

128

cle Apostelen heeft de goddelijke Verlosser het Christendom gevestigd, en sinds dien tijd kon het niet verloren gaan. Jndiea men dit laatste niet toegeeft, moet men Jesus Christus lasteren en zeggen, dat Hij op zand gebouwd heeft, dat de plechtig-e -woorden : „Ik zal mijne Kerk op eene rots „bouwen , en de kracht der hel zal haar niet overweldigen,quot; in zijn aanbiddelijken mond leugentaal waren. Er moet alzoo nog in onze dagen een godsdienst zijn , die van de Apostelen afstamt, en sedert hunnen leeftijd voortdurend bestaan heeft. Maar welk van de godsdienstige genootschappen die zich christelijk noemen, heeft het voorrecht rechtstreeks van de Apostelen af te stammen ?... Wanneer twee familiën met elkander strijden om de eer, wie harer van een zekeren vorst uit vroegere eeuwen afstamt, dan wordt de strijdvraag opgelost door den stamboom. Die familie, welke bewijst, dat zij alleen in de rechte, opgaande lijn van het vorstelijk huis afstamt, zal daardoor voor elk gerechtshof weldra het proces winnen. Zoo ook moet een godsdienstig genootschap, hetwelk beweert door de Apostelen gegrondvest te zijn, aantoonen, dat het in eene ware, steeds voortdurende afstamming van de Apostelen tot op onze dagen voortbestaat. Eene twijfelachtige of eene vele eeuwen onderbroken geslachtsopvolging kan niet worden aangenomen. Slaan wij nu de geschiedenis eens open, want de vraag is geheel historisch. Beginnen wij met Paus Leo Xill en gaan we terug tot den dag, waarop de goddelijke Stichter van het Christendom tot Sitnon, den zoon van Jonas , zeide „gij zijt Petrus, en op deze rots zal Ik mijne Kerk bouwen.quot; De Pausen zijn elkander achtereen opgevolgd: de naam, liet begin en het einde der regeering van ieder der opvolgers van Petrus, den eersten Stedehouder van Jesus Christus, wien hij zijne lammeren en schapen te weiden gaf, alles is nauwkeurig opgeteekend. Dat godsdienstig genootschap alzoo, hetwelk van het tegenwoordig opperhoofd der Kerk tot den vorst der Apostelen, Petrus, dien onafgebroken ketting van twee-honderd-negen en-vijftig Pausen kan aanwijzen, stamt ontegenzeggelijk van de Apostelen af. En welk genootschap is dat? Zeker geen ander dan de roomsch-kalholieke Kerk, want alle andere protesteeren uitdrukkelijk tegen den Paus en blijven hardnekkig volhouden, dat zij tot de papistische Kerk (gelijk zij de katholieke noemen) niet willen behooren. — Daar alle niet-katholieke godsdienstige genootschappen openlijk verklaren, dat zij geen deel uitmaken van de veroude stamkerk, die den Paus erkent, leveren zij ook tevens het bewijs, dat zij niet van Christus en de Apostelen afstammen. Ofschoon dit bewijs reeds

-ocr page 145-

129

voldoende zou zijn, willen wij echter die vraag nog meer van nabij beschouwen. Openen wij eveneens de geschiedenis van die sekten, welke zich christelijk noemen, en zoeken wij daar eene geslachtsopvolging, welke met die der katholieke Kerk overeenkomt. Overal vinden wij eene leemte, eene verbazende leemte; overal is het begin van haar ontstaan zorgvuldig aangegeven, namelijk lang na de tijden der Apostelen. Waar waart gij dan, luthersche godsdienst? Waar waart gij, godsdienst van Calvijn ? Waar waart gij alle niet-katholieke genootschappen, voordat uwe bekende stichters de banier van opstand tegen de katholieke Kerk hebben opgeheven? Gij hadt het leven nog niet ontvangen, gij komt derhalve niet van de Apostelen voort, gij zijt alzoo niet het ware, door Christus gestichte Christendom. Onmogelijk hebt gij van Hem of uit de hand der Apostelen uw geloof ontvangen; want gij zijt eerst vijftien-honderd jaren na hen gekomen.

„Gij bedriegt u,quot; antwoorden zij, „wij waren er reeds „vroeger, maar verborgen, wij waren onzichtbaar onder de

„kinderen der roomsche Kerk\'\'.....Maar hoe! gij waart

verborgen, onzichtbaar gedurende veertien of vijftien eeuwen ! en waar toch, als ik vragen mag? En waarom zijt gij dan in al dien tijd nimmer, zelfs geene enkele maal te voorschijn getreden?..... Wat vermeet gij u, te beweren,

dat gij van Christus en de Apostelen afstamt, als gij tea bewijze op onzichtbare getuigen u beroept, als uw stamboom verscheiden eeuwen volstrekt niet te zien is? Is uw bewijs niet geheel onaannemelijk? Eu hoe zoudt gij de ware Kerk kunnen zijn, als zij zoo vele eeuwen onzichtbaar was? Heeft Christus dan niet verzekerd, dat zijne Kerk niet verborgen zijn kan, maar zichtbaar zal wezen „als eene stad,

„die op den top van een berg gebouwd is?\'\' (Matth. IX, 14)____

Kortom, gij waart, gelijk ge zegt, verborgen en onzichtbaar; eerst in de zestiende eeuw hebt ge het gewaagd, te voorschijn te komen en openlijk uw geloof te belijden! . . . Maar waren dan alle hoofden van uwe reformatie, alvorens zij tegen de katholieke Kerk optraden, zelve geen Katholieken ? Hadden zij niet, gelijk alle anderen, te voren geloofd en gedaan, wat de katholieke Kerk gelooft en doet? Waren niet velen van hen zelfs katholieke priesters, monniken en geleerden? Of zult gij voorgeven, dat zij datgene, wat zij leerden, zelve niet geloofden, dat zij met de Sacramenten, welke zij als anderen ontvingen, inwendig den spot dreven ? Maar dan zouden zij afschuwelijke huichelaars geweest zijn. — Bekent het derhalve onverholen: vóór Luther was uw godsdienst noch zichtbaar, noch onzichtbaar; uw godsdienst

ÜEHABBE, GELOOPSLEER. I. 3de DRUK. 9

-ocr page 146-

130

bestond volstrekt niet, en de da^teekening van zijne geboorte is tevens zijn doodvonnis Zeer juist zegt een bekend schrijver1): „Hoe ver de Protestanten ook in de geschiedenis „nazoeken, altijd en overal zullen zij met onuitwischbare „letters hunne veroordeeling geschreven vinden: het Protes-„tantismus is vijftien honderd jaren later dan het Christendom ontstaan.\'\' Plet is alzoo het ware Christendom niet, bet beeft dus ook het ware geloof niet.

Daar het nu duidelijk is, dat alleen de katholieke Kerk van Christus en van de Apostelen de ware geloofsleer heeft ontvangen, gaan wij over tot eene tweede vraag: of namelijk de katholieke Kerk die leer voortdurend onvervalscbt bewaard heeft. Het antwoord is niet moeielijk. — Slaan wij het H. Evangelie open. Wat beeft de Godmenscb gedaan, toen Hij het Christendom stichtte ? Hij beeft eene zaligmakende leer verkondigd en aan zijne Kerk overgegeven, opdat zij die, als een hemelsch goed aan bare zorg toevertrouwd, onvervalscbt tot aan \'s werelds einde zou bewaren. Want evenmin als God de zon enkel voor onze stamouders Adam en Eva schiep, beeft Hij enkel voor de eerste Christenen zijne leer uit den bemel op aarde gebracht. Zij moest zuiver en onvervalscbt aan alle volkeren der aarde verkondigd worden. Hoe bad Hij anders kunnen zeggen: „Wie gelooft, zal zalig zijn, maar wie niet gelooft, zal „verdoemd worden.\'\' Hij, die bet schitterende zonnelicbt behouden heeft, had voorzeker ook de macht, bet licht des geloofs onverduisterd door alle tijden te bewaren. — Waar nu is die zuivere, onvervalschte leer, welke wij gelooven moeten, om zalig te worden? Bij ons is ze, roepen de Lutheranen; bij ons, antwoorden de Calvinisten; gij hebt bet beiden mis, zeggen de Zwinglianen, wij alleen bezitten de echte leer van Christus. Zoo treden er ontelbare sekten op, en ieder beweert hardnekkig, dat bij baar de ware leer van Christus te vinden is. De katholieke Kerk spreekt ook: ,.ik alleen ben de Kerk, welke de Heer op de rots , gebouwd en aan wie Hij beloofd beeft, dat de poorten der „hel baar niet zullen overweldigen; ik ben degene, van „wie geschreven staat, dat: „zij de zuil en grondslag der „„waarheid is;quot; want eene Kerk buiten mij bestond er toen „niet. Ik alleen heb van de Apostelen de ware leer van „Jesus ontvangen, en ik alleen heb die leer met den bijstand „des H. Geestes zuiver en ongedeerd bewaard.quot; — Kan er nu nog twijfel bestaan, waar de ware leer van Jesus Christus is, dan vragen wij: wat is het onbedriegelijk kenteeken

t) Mgr. de Ségur: Réponses. XVI.

-ocr page 147-

131

der goddelijke leer ? . Ongetwijfeld de eenheid en onveranderlijkheid, want Jesus Christus heeft maar ééne en altiid dezelfde leer verkondigd; Hij heeft niet over een en hetzelfde punt van daag ja, morgen neen gezegd, integendeel blijft Hij zich immer en in alles gelijk. „Ons woord tot u,quot; schrijft de H. Apostel Paulus (2. Cor. I, 18, 19), „is niet „nu eens ja, dan weder neen geweest; want de Zoon Gods, „Jesus Christus, dien wij u gepredikt hebben, was niet „ja en neen, maar ja was in Hemquot; (= Hij is altijd dezelfde geweest). De ware geloofsleer moet dus eene en dezelfde, overeenstemmend en onveranderlijk zijn. Indien gij de pro-testantsche godsdienstpartijen naar hare onveranderlijke geloofsleer vraagt, weten zij u niets te antwoorden. Is Jesus Christus waarlijk God ? Is Hij in het H. Avondmaal tegenwoordig met zijn vleesch en bloed? Is het H. Doopsel noodzakelijk ter zaligheid? Zijn de goede werken ook noodzakelijk ? Wat moet men gelooven van de leer over de erfzonde ? Wat van het verlossingswerk van Jesus Christus\'/ Yan de eeuwigheid der straffen? Over al deze en vele andere even belangrijke vragen zijn niet alleen de verschillende genootschappen , maar zelfs de predikanten van eene en dezelfde partij het meestal oneens. Niet zelden hoort men van denzelfden leerstoel den een loochenen, wat de andere bevestigt \'). Slechts in één punt stemmen zij allen overeen, namelijk dat zij niet Katholiek zijnquot;). Zij waren niet in staat, de weinige geloofswaarheden, welke de stichters der rampzalige Reformatie bij hun scheiden uit de katholieke Kerk medegenomen hebben, onvervalscht te bewaren. Daarom zeide reeds langgeleden een beroemd Protestant: „als Luther „en Calvijn weêr op de wereld kwamen, zouden zij er niet „weinig verbaasd over staan, niet meer te behooren tot „den godsdienst, welke hunnen naam draagt.quot; Alie pogingen, die de Protestanten hebben aangewend, om het met elkander over de geloofsleer eens te worden, zijn deerlijk mislukt.

1) Dit is geenszins overdreven. Verstandige Protestanten klagen ex-zelve luid over «dat men werkelijk de allervreemdste , zonderlingste «en tegenstrijdigste leerstukken niet enkel in boeken en aan de hooge-//scliolen, maar ook niet zelden bij het onderricht der jeugd en op «den kansel hoort uitspreken.quot; Zoo schreef in het jaar 1S12 de in Breslau uitkomende //Prophetquot; van Suckow (een protestantscli blad): „het gebeurt nu en dan, dat in dezelfde evangelische Kerk een of //ander leerstuk tegelijk gepredikt en geloochend, of op oneindig ver-//Schillende wijze opgevat en voorgedragen wordt; zooals de zaken «thans staan, is het geheel onmogelijk de hoogste levensvragen der //Kerk te beslissen.quot;

2) Een vurig Protestant kon geene betere definitie van het Protes-tantismus vinden, dan deze: het is eene afzwering van liet Pausdom. Zie Nicolas: Etudes sur le Christianisme. III. Chap. 13.

9*

-ocr page 148-

132

De kwaal ligt in het wezen van hunnen godsdienst, in den geloofsregel, welken zij aangenomen hebben , dat ieder naar eigen onderzoek gelooven moet. Derhalve moeten zij èf ophouden Protestanten te zijn, of wel voortdurend oneenig blijven, Ora die zelfde reden waren zij ook terstond bij hunne scheiding van de Kerk met zich zeiven en onder elkander in tegenspraak. Het is van het grootste belang,\'\' schreef Calvijn aan Melanchton , „dat de nakomelingschap „niets van onze twisten verneme, want het is allerbe-„lachelijkst, dat wij, die tegen de geheele wereld opstaan, „al aanstonds bii het begin der Eeformatie het onder „ons zeiven niet eens zijn.\'\' Even vernederend is de bekentenis van Melanchton ; „De geheele Elbe kan mij „geen water genoeg geven, om het ongeluk te beweenen, „dat de hervormers onder elkander oneenig zijn quot; Ook de hedendaagsche Protestanten kunnen zelve hunne verdeeldheid en hunne aanhoudende verwisseling van leer niet meer ontveinzen. Moede van het zoeken naar de waarheid , welke zij niet vinden, trachten velen zich gerust te stellen met de gedachte, dat het geloof niets afdoet, dat elke godsdienst goed is. Zoo is de onverschilligheid in geloofszaken (het godsdienstig indifferentismus) ontstaan. Maar hoe kan eene leer, die telkens veranderd, aangenomen en weder verworpen wordt, eene leer, die tegen andere waarheden strijdt, de evangelische of de eene, onverande-lijke leer van den Godmensch zijn ? Kunnen de niet-Katho-lieken beweren, dat zij de waarheid bezitten, terwijl zij die nog altijd zoeken? Hoe zullen zij anderen het ware geloof leeren , daar zij zeiven het niet eens zijn, wat men gelooveu moet? Niettemin noemen zij zich alsof

zij den godsdienst hervormd, d. i. verbeterd hadden! — Bij hen is dus het ware, door Christus geleerde geloof niet.

Hoe is nu de toestand van de katholieke Kerk? Wat onmiskenbaar onderscheid tusschen haar en de sekten! Is hare geloofsleer niet overal een en dezelfde? Of leert zij iets anders in Spanje als in Nederland, in Erankrijk als in Rome? Vrij mag ieder, die aan hare eenheid van leer twijfelt, in alle landen gaan onderzoeken. Heeft de katholieke Kerk hare geloofsleer ooit veranderd? Waar? Wanneer ? Door wien ? .. . Leert zij heden niet hetzelfde, wat drie honderd jaren geleden het Concilie van Trente leerde, en leerde dit niet hetzelfde als de vroegere Kerkvergaderingen? Kan men bewijzen, dat zij in eenig punt van hare vroegere leerstukken is afgeweken ? Heeft zij niet te alle tijden den banvloek uitgesproken over ieder, die iets nieuws wilde leeren ? Heeft zij hem niet telkens toegeroepen; „Neen,

-ocr page 149-

133

„geene veranderingen, nooit, nooit Het geloof is een heilig „pand, dat niemand mag schenden; de waarheid is onveranderlijk, want zij is één.quot; Zoo heeft zij steeds met de onwankelbaarste trouw volbracht, wat de H. Pauhis aan den Bisschop Timotheus, en in zijnen persoon aan de geheele Kerk, geboden heeft: „bewaar (de zuivere leer), welke u „is toevertrouwd, wacht u voor veranderingen.\'\' Die eenheid, die onveranderliikheid in de katholieke Kerk, is een historisch feit, dat door niemand met recht kan geloochend worden. Zelfs hare tegenstanders huldigen deze waarheid, als zij tegen de Kerk optreden, haar beschimpen en vervolgen. Waarom toch haten zij eene Kerk, die niets dan zegeningen en weldaden verspreidt? Alleen omdat die Kerk geene veranderingen duldt, allen, die nieuwigheden willen invoeren , huiten hare gemeenschap sluit en niet weder opneemt , dan onder voorwaarde, dat zij hunne nieuwigheden afzweren. Dat is de ware rede van hunnen haat; daarom verwijten zij de Kerk, dat zij onverdraagzaam is, den vrijen geest aan boeien legt, geen gelijken tred houdt met de verlichting van den vooruitgang des tijds; daarom beweren zij, dat de Kerk verouderd en haar einde nabij is. — (De woorden van Christus bij Matth. XI, 16 en 17, kunnen hier te recht worden toegepast: „Waarbij zal ik dit geslacht vergelijken? Het is gelijk aan kinderen, die op de markt „zitten, en die, roepende tot hunne gezellen, zeggen: wij „hebben voor u op de fluit gespeeld, en gij hebt gedanst.quot; De katholieke Kerk houdt zich standvastig aan de leer van haren goddelijken Meester. Zij hoort niet naar het lied, dat de kinderen dezer wereld haar voorzingen, zij huldigt hunne beginselen niet, richt zich niet naar hunnen geest. Di.t bevalt niet, daarom wordt zij door hen veracht, maar die verachting is haar roem). — De leer der katholieke Kerk alleen, is alzoo, gelijk wij hebben aangetoond, altijd dezelfde, altijd onveranderlijk gebleven, derhalve is zij alleen de ware, onvervalschte leer van Jesus Christus. Wanneer men nu zegt, dat het geloof noodzakelijk is ter zaligheid, dan moet men zulks gewis van het katholiek geloof verstaan, daar dit alleen het ware, door Christus geleerde geloof is. Niemand kan bijgevolg een Christen zijn, dan de Katholiek, wijl hij alleen de ware leer van Jesus Christus bezit. \')

\') Veroordeeld is de volgende stelling:

//Het Protestantisme is niets anders dan een verschillende vorm van *denzelfden waren cliristelijkeu godsdienst, waarin het, zoowel als in de jkath. Kerk, gegeven is, aan God te behagen.quot; Syll. § HI. XVIII.

-ocr page 150-

134

Tevens merken wij in het voorbijgaan op, dat alleen de katholieke Kerk met recht haren kinderen kan toeroepen; „Verandert niet van „geloof want ook ik heb het nimmer veranderd.quot; Geheel anders is dit echter het geval met elke andere godsdienstige partij. Met welk recht zouden deze hare genooten kunnen aanmanen, standvastig bij hun geloof te blijven? Zij hebben immers zelve het voorbeeld van verandering gegeven. Zeer juist was het antwoord, hetwelk een beroemd schrijver, die tot de katholieke Kerk was overgegaan, aan een protestantsch vorst gaf. Ak heb een afkeer,quot; sprak deze, ;/van allen, »die van geloof veranderen.quot; //Ook ik,quot; was het antwoord, „want als //Onze voorouders voor drie eeuwen hun geloof niet veranderd hadden, //dan zou het voor mij niet noodig geweest zijn, tot het oude terug „te keeren.quot; En eene bekende protestantsche schrijfster (mevrouw van Staei) kreeg, toen zij eens beweerde, dat zij wilde leven en sterven in den godsdienst harer vaderen, ten antwoord van een bekeerling: „en ik in den godsdienst van mijne grootvaderen,quot;

TOEPASSING.

Wanneer het u gegeven was, met een gezond lichaam en uit koninklijke ouders geboren, in een heerlijk paleis te wonen, waar alles, wat u naar lichaam en geest voor-deelig kon zijn , u in overvloed geschonken werd, en gij vandaar zoudt nederzien op zoo menig arm, verlaten kind, dat ziek naar het lichaam, door honger en koude gekweld, in eene donkere, vochtige hut zijn kommervol leven voortsleept : tot welken dank zoudt gij u dan niet verplicht gevoelen jegens God, die u zonder uw toedoen, zonder uwe verdienste zoozeer bevoorrecht en met zoo vele goederen bedeeld had! — En wat zijn evenwel al die aardsche voorrechten, welke als een droom voorbijgaan, in vergelijking met de genade, dat wij in den schoot der katholieke Kerk geboren zijn ? „Geen rijkdom,quot; antwoordt de H. Augus-tinus, „geene schatten, geene eereposten, geen kleinood „ter wereld is zoo kostbaar als het katholiek geloof, wijl „dit alleen aan blinden het gezicht schenkt, aan zieken „de gezondheid geeft, de rechtvaardigen bewaart en ter „eeuwige zaligheid voert.quot; En die onschatbare gave des hemels is u, lezer, ten deel geworden. Nauwelijks waart gij als een sprakeloos kind ter wereld gekomen, en reeds werdt gy door het H. Doopsel opgenomen in de gemeenschap der katholieke Kerk; toen reeds hebt gij het licht des geloofs, de vriendschap van uwen God en het recht op den hemel verkregen. Spoedig hebt gij uwen Heer en Meester, uwen Heiland en Verlosser leeren kennen; gij werdt onderricht over uwe hooge bestemming, gij mocht deel nemen aan de rijke genademiddelen der ware Kerk, zoodat gij , met licht en kracht toegerust, in staat waart, vol blijde hoop uw eeuwig geluk te bewerken. Wat geluk,

-ocr page 151-

135

welke genade en weldaad van uwen God!.... Zie nu, uit de hoogte van uw geluk, eens neder op die millioenen, die deze genade niet ontvangen hebben, die in de duisternis des Heidendoms geboren, hunnen God, hunnen Verlosser, hunne bestemming niet kennen, die voor de schandehikste goden hunne knieën buiger., door allerlei zonden zich beneden het redelooze dier verlagen, die zonder liefde, zonder hoop, zonder troost voortieven en eindelijk als vijanden van God ellendig sterven. Had dit niet ook uw lot, uw ongelukkig lot kunnen wezen ? Ach! hoe zou het met u gegaan zijn, als gij onder een heidensch volk het daglicht hadt aanschouwd r Nauwelijks geboren , waart gij wellicht, als duizend andere kinderen van Heidenen, op de straat geworpen en door wilde dieren vertreden of verslonden. — Hebt gij het wellicht aan uwe werken, aan uwe verdiensten te danken, dat u een gelukkiger lot is beschoren 1.... O neen, want gij waart nog niet in staat, het te verdienen. „Uit genade,quot; schrijft de H. Paulus aan de Ephesers (II, 8, 9), „zijt gij verlost door het geloof, en dat niet „uit u, het is Gods gave, niet uit de werken, opdat nie-„mand roemen zoude.\'\' Zie, hoe de Apostel er op drukt, dat wij het geloof als eene onverdiende gave van Gods goedheid ontvangen hebben , en hoe hij ons vermaant op dit geschenk ons niet te beroemen. — Wacht u dus wel, op uw geloof u te verheffen en anderen, die in den schoot der dwaling geboien zijn, te verachten. Zie integendeel vol medelijden op hen neder, gelijk iemand, die goed kan zien, op den blinde, en bid God, dat Hij den blinddoek van hunne oogen wegneme en de zon der waarheid voor hen doe schijnen! — Of liever, roem vrij op uw geloof, maar slechts in God, geef Hem alleen de eer, en laat geen dag voorbij gaan, zonder met steeds verhoogde dankbaarheid de apostolische geloofsbelijdenis te bidden. Volg hierin de trouwe Israëlieten na, die steeds met lof en dank den dag beginnen, welke hun de verlossing uit de slavernij van Egypte en den intocht in het land, dat van melk en honig overvloeide, herinnert \'j- — Vergeet ook niet, dat gij uwe

i) Hoe beschamend voor vele Christenen is niet de dankbaarheid en vreugde, welke arme Keger-Kinderen beloonen, nadat zij door het losgeld der christelijke liel\'de bevrijd uit de harde slavernij, waarin zij versmachtten, de genade des Uoupsels ontvangen hebben? Van de Kegerinnen bij de nonnen in het klooster te Modena lezen wij in een brief; //Onbeschrijfelijk was hare vreugde, toen zij na den Doop in «het klooster terugkeerden. Kauwelijks was de kloosterpoort geopend, «nauwelijks hadden zij ons, die haar met verlangen te gemoet zagen, „begroet, of zij riepen in de overmaat barer vreugde uit: ,VVij zijn

-ocr page 152-

136

dankbaarheid vooral moet toonen, door een goed gebruik te maken van bet u toevertrouwde talent des geloofs. Als gij er niet mede woekert, stelt gij u in gevaar van het te verliezen, volgens het woord van den goddelijken Heiland: „het rijk Gods zal u ontnomen en gegeven worden aan een „volk, dat er vrucht mede doetquot; (Matth. XXI, 43); dan wacht u wellicht een nog grooter ongeluk, een nog ge-strenger vonnis: „Wee u, Corozaïn! wee u, Bethsaïda! „want, zoo in Tyrus eu Sidon de teekenen geschied waren, „die in u geschied zijn, voorlang zouden zij in zak en „assche boete gedaan hebben. Maar, Ik zeg u: aan Tyrus „en Sidon zal het verdragelijker zijn in den dag des oor-„deels, dan u!quot; (Matth. Xl, 21, 22). Zóó strafwaardig, zóó gevaarlijk is het, met groote genaden en vooral met de gave des geloofs niet getrouw mede te werken. Wat hebben\' zij niet te duchten , die uit hoop op tijdelijk voordeel, of uit vrees voor aardsche rampen , hun geloof ten offer brengen en de dwaling aanhangen ? — Indien soms eenige plichten van het katholiek geloof u zwaar vallen, als gij om uw geloof u ontberingen getroosten en offers brengen moet, en daardoor in de bekoring mocht geraken, een juk af te werpen, dat u moeielijk wordt, ten einde vrijer en lustiger te kunnen leven, denk dan aan den goeden raad, welken Melanchton aan zijne stervende moeder gaf. Ofschoon Luther\'s boezemvriend en diens rechterhand in de verbreiding der nieuwe leer, gaf hij toch aan zijne moeder, die op haar ziekbed hem smeekte, haar te zeggen, of zij bij het oude geloof moest blijven, dan wel het nieuwe aannemen, ten antwoord: „Moeder, blijf bij uw oud katholiek „geloof; want in den nieuwen godsdienst is het wel ge-„makkelijker te leven, maar in den ouden is het beter te „sterven.quot; Bedenk, lezer, dat uw leven snel ten einde gaat, dat weldra het uur van uwen dood aanbreekt, en dat alsdan niet de rijkdom, niet eer en roem, maar wel de rots van het katholiek geloof uw stervend hoofd een zacht rustbed zaJ aanbieden; blijf derhalve u steeds vastklemmen aan die grondzuil der waarheid, aan de katholieke Kerk, en dank God dagelijks voor de groote gave des geloofs, welke zijne goedheid u verleende.

,Christinnen 1quot; KTu vielen zij in onze urmen en konden aan haar ^inwendig geluk slechts door tranen lucht geven, en ook wij ween-„den allen van blijdschap.quot; Uit een nonnenklooster te Metz schrijft men: //bezwaarlijk kan ik. u het geluk en de vreugde beschrijven, vwelke de door het H. Doopsel herboren Negerinnen ondervonden. „De blijdschap was algemeen. ^Ku,quot; riepen zij uit, „nu zijn wij , „Christinnen, dochters van den guoden God.quot;quot; Eveneens luiden vele andere berichten.

-ocr page 153-

137

§■ 3. Gi^enschappeu van het geloof.

Hoedanig moet ons geloof zijn ?

Ons geloof moet 1) algemeen, 2) vast, 3) levend, 4) standvastig ziin. Al deze eigenschappen des geloofs zijn noodzakelijk ter zaligheid; ontbreekt er maar eene, dan is ons geloof gebrekkig en niet voldoende ter zaligheid.

Wanneer is ons geloof algemeen ?

Ons geloof is algemeen, als wij niet eenige punten, maar. alles gelooven wat God geopenbaard heeft en de katholieke Kerk ons te gelooven voorstelt. Dewijl de Kerk ons echter niets te gelooven voorstelt, dan hetgeen God geopenbaard heeft, kan men ook korter antwoorden; ons geloof is algemeen als wij alles gelooven, wat de katholieke Kerk ons te gelooven voorstelt, d. i. ons gelast of leert te gelooven.

Dat het niet genoeg is, slechts een of ander punt te gelooven, maar dat wij zonder uitzondering alles gelooven moeten, wat de katholieke Kerk ons te gelooven voorstelt, is gemakkelijk te begrijpen. Immers 1°. zoodra de Kerk iets te gelooven voorstelt, hebben wij de volle zekerheid, dat God het geopenbaard heeft. Hetgeen God geopenbaard heeft, moeten wij gewis onvoorwaardelijk, zonder iets uit te zondereu, gelooven; want Hij heeft het ons juist geopenbaard , opdat wij het gelooven zouden. Waarom zouden wij eene uitzondering willen maken ? Zouden wij daardoor niet toonen, dat wy God mistrouwen , als koude Hij ons iets onwaars openbaren, ons eene leugen voor waarheid geven? Derhalve zegt de H. Joannes (1. Brief V, 10): „wie den Zoon (Jesus Christus) niet gelooft, maakt Hem „tot een leugenaar,\'1 d. i. verklaart Hem een leugenaar. Is dat geene ontzettende boosheid\'? — 2°. Wie tusscheu de door God geopenbaarde waarheden een onderscheid maakt, derhalve niet alles, maar alleen datgene gelooven wil, wat hem belieft of wat hij begrijpt, d. i. met zijn versland inziet, die heeft inderdaad geen geloof, want hij gelooft niet God, maar zijn eigen doorzicht, zijn zwak verstand. Geloofde hij God, de onbedriegelijke, eeuwige Waarheid, dan zou hij zoowel het eene als het andere gelooven, daar God in al zijne woordeu oneindig waarachtig is, en niet

-ocr page 154-

138

dwalen nocli liegen kan. Wie alzoo niet alles gelooft, wat God geopenbaaid heefc, maar enkel datgene, wat hij inziet en begrijpt, en daarentegen de ondoorgrondeli]ke waarheden verwerpt, die kan eigenlijk geen aanspraak op den eervollen naam van Christen maken; want hij is geen geloovige, maar een ongeloovige.

Wij hebben boven gezien, dat er onder de godsdienstige partijen, welke zich van ons hebben afgescheiden, geene eenheid van geloof te vinden is. Om zich tegen dit verwijt te verdedigen, hebben zij, al spoedig na hare opkomst, onderscheid gemaakt tusschen geloofswaarheden , welke tot het wezen van het Christendom behooren, (veritates fundamentales, fundamenteele waarheden) en andere, welke van minder belang zijn (veritates non-l\'undamentales, niet-fundamen-teele waarheden). Üp deze laatste, beweren zij, komt het niet aan; het is genoeg, dat allen in hoofd- of fundamenteele waarheden overeenstemmen. Wanneer men echter den Protestanten vraagt, die hoofdwaarheden op te noemen, dan ontwaart men terstond het grootste verschil van gevoelens, en alzoo brengl deze onderscheiding, wel verre van hunne eenheid te bevorderen, integendeel slechts nieuwe en grootere verdeeldheid voort. Hoe zou. het ook anders kunnen? Door deze onderscheiding te maken, komen de protestanten met zich zeiven in tegenspraak, dewijl in den ganschen Jiijbel, hunnen eenigen en hoogsten geloofsregei, van eene dergelijke onderscheiding volstrekt niets te vinden is. Leert Christus niet juist het tegendeel, als Hij tot de Apostelen zegt: //gaat in de geheele wereld en verkondigt het //Evangelie aan alle schepselen; wie niet gelcoit, zal verdoemd wordenquot; (Jlarc. XVI, 15. 16). Hij zegt niet; wie de hoofdwaarheden, de hoofdzaak niet gelooft, zul verdoemd worden; maar kort af: „wie niet gelooft, zal verdoemd worden.quot; Eveneens zegt Hij • //leert hun alles //onderhouden, wat Ik u gezegd heb,quot; zonder eenigzins onderscheid te maken tusschen fundamenteele en niet noodzakelijke waarheden; er is slechts spraak van de verplichting, alles te leeren en ate te houden. Wie kan ook veronderstellen, dat God aan de menschen zekere waarheden zou hebben voorgesteld, hen vrijlatende er niet aan te gelooven; dat Hij hun zou geboden hebben zekeie dingen te doen, doch niettemin alle vrijheid gelaten zou hebben, die niet na te leven? //leder,quot; zegt de H. Joannes, //ieder die afwijkt en niet in de leer van Christus blijft, heeft God nietquot; (\'ide brief. IX). Wie alzoo, zonder de geheele leer van Christus te verwerpen, in een punt van Hem afwijkt, kan geen deel aan God hebben. .Maakt de Bijbel nu van eene dergelijke onderscheiding volstrekt geen gewag, vanwaar heeft men dan het recht, de leer van Jesus Christus in twee deelen te splitsen? Hoe zal iemand aan anderen zijn gevoelen durven opdringen en zeggen: „gelooft op mijn woord, op straffe der eeuwige verdoemenis, dat er tien //hoofdwaarheden zijn,quot; als een ander hem den mond kan sluiten met het antwoord: „op mijn woord, er zijn er maar vijf?quot; Waartoe zijn de Protestanten met deze onderscheiding in fundamenteele en niet-fundainenteele waarheden niet gekomen! Wat is er op die wijze van het Christendom geworden? //Alle leerstukken,quot; zoo erkent een van hen1), „die door de Protestanten nog algemeen geloofd worden, kan men bij elkander op den nagel van een vinger schrijven.quot;

\') Harms Klaus, aartsdiaken: Leitfaden in der Vorbereitung meiner Confirmenten.

-ocr page 155-

139

Wij zijn alzoo streng verplicht, alle door God geopenbaarde waarheden, welke de Kerk ons leert, te gelooven, zonder er eene enkele van uit te sluiten. Nochtans is niet ieder verplicht, alle waarheden ook in \'t bizonder te weten. ^ el moet elk Christen , vooral in onzen tijd van ongeloof, er zich zooveel hij kan op toeleggen, eene omvattende en grondige kennis van den godsdienst te verkrijgen, en velen gaan uit gebrek aan die kennis eeuwig verloren; evenwel kan van allen niet dezelfde maat gevorderd worden. Met allen hebben evenveel bekwaamheid, en niet allen zijn even goed in de gelegenheid, om zich te laten onderwijzen; ook vorderen de verschillende staats- of beroepsplichten eeu verschillenden graad van godsdienstkennis. Vraagt men nu, wat ieder Christen krachtens het goddelijk gebod, welks overtreding echter door eene onschuldige onwetendheid onzondig kan zijn, op het allerminst moet weten, dan antwoorden wij met de Godgeleerden: ieder Christen moet, zooverre het hem mogelijk is, minstens kennen den hoofdinhoud der apostolische geloofsbelijdenis, het gebed des Heeren, de tien geboden Gods en de vijf geboden der H. Kerk, alsmede de leer van de HH. Sacramenten des Doopsels, des Altaars, der Biecht en der overige, als hij die ontvangen zal. üok is men verplicht, de geopenbaarde waarheden, welke men niet in \'quot;t bizonder kent, minstens in te gelooven, inzooverre men namelijk alles onbetwijfeld gelooft, wat God geopenbaard heeft en de Kerk ons te gelooven voorstelt.

Het gezegde betreft alle Christenen, die in staat zijn, het christelijk onderricht te hooren. Moeielijker is het echter, nauwkeurig te bepalen, wat bijv. een Heiden, of iemand, die wel gedoopt, maar zonder zijne schuld geheel van christelijk onderwijs verstoken, en geheel onder Heidenen opgevoed is, weten en gelooven moet, om tot de eeuwige zaligheid te kunnen geraken. Zeker is het, dat zoo iemand minstens de twee volgende waarheden bepaald weten en gelooven moet: dat er één God is, en dat die Gcd een iomi-natuurlijk vergelder van het goed en van het kwaad is , d. i. dat Hij ook aan de andere zijde des grafs, namelijk in het toekomende eeuwige leven, het goed beloont en het kwaad bestraft. Deze verplichting wordt bewezen uit de woorden van den H. Paulus (Hebr. XI, 6): „Zonder ge-„loof is het onmogelijk, Code te behagen; want wie tot „God wil komen moet gelooven, dat Hij is, en dat Hij „allen, die hem zoeken, beloont.quot;1) Onzeker is het echter,

\') Dat de H. Paulus het gelool\' aan een hovennatuurlijken Vergelder

-ocr page 156-

140

of bovendien ook nog het uitdruMelyk geloof aan het geheim der allerheiligste Drieëenheid en der Verlossing noodzakelijk is, dewijl de H. Kerk hierover niets bepaald heeft, en de Godgeleerden van gevoelen verschillen. \') \'t Is ons genoeg, te weten, dat God middelen genoeg heeft, om den mensch deze kennis mede te deelen, als zij hem ter eeuwige zaligheid onvoorwaardelijk noodzakelijk, en hij van zijnen kant bereid is, met de genade, welke God hem geeft, mede te werken (Zie het gezegde § 2). Daar het evenwel geenszins uitgemaakt is, dat de kennis van de genoemde geheimenissen onnoodig is ter zaligheid, en derhalve ook ter rechtvaardiging, en dewijl de meening, dat zij inderdaad noodzakelijk is, op goede gronden en op het gezag van beroemde Godgeleerden steunt: zoo volgt hieruit, dat een Christen , die deze geheimen niet iveet, het Sacrament der Biecht, buiten den uitersten nood, niet mag ontvangen, zonder eerst behoorlijk onderricht te zijn 2). Kinderen, die nog niet tot de jaren des onderscheids zijn gekomen, en ook volwassenen, die het gebruik hunner rede missen, worden gerechtvaardigd door de enkele deugd des geloofs, hun in den B. Doop ingestort. De kennis der geloofswaarheden is voor hen onmogelijk en daarom ook niet noodzakelijk.

Wanneer is ons geloof vast?

Ons geloof is vasi, als wij geiooven zonder in het minste te twijfelen. Het geloof toch is even teeder van aard als de deugd van zuiverheid, en gaat door eiken vrijwilligen twijfel verloren. Zoodra gij vrijwillig twijfelt, beleedigt gij God, en loochent gij zijne oneindige volmaaktheid. Immers

vordert, blijkt reeds daaruit, dat in dit leven niet immer de vergelding plaats heeft, maar nog meer uit liet geheele elfde hoofdstak aan de Hebr., waar dc H. Apostel van een geloof spreekt, dat „een vaste //grond is voor datgene, wat men hoopt, eene zekere overtuiging van «datgene, wat men niet zietquot; (Hebr. XI, i); derhalve ook (v. 6) van een geloof aan eene toekomende, d. i. bovennatuurlijke vergelding. Ditzelfde volgt ook van zelf uit den samenhang, welke ons in Abel, Henoch, Abraham, enz. op een geloof aan eene bovennatuurlijke belooning, op het hemelsch vaderland (v. lü, 2li) wijst.

\') In vele Katechismussen wordt onder do artikelen, welke men noodzakelijk ter zaligheid weten moet, ook nog de onsterfelijkheid der ziel en de noodzakelijkheid der goddelijke genade geteld. Het geloof aan de onsterfelijkheid der ziel is echter reeds in het geloof aan de eeuwige belooning en bestraffing, en het geloof aan de noodzakelijkheid der genade in het geloof aan de noodwendigheid der verlossing begrepen.

-) Zie de door Innocentius verworpen 6ic stelling.

-ocr page 157-

141

als gij eene waarheid, welke God geopenbaard heeft, in twijfel trekt, moet gij noodzakelijk bij u zei ven denken : wie weet of God niet gelogen, of Hij zich niet vergist heeft. En zou dit geene zware beleedigin^ tegen God zijn ? Of twijfelt men er wellicht aan, of datgene, wat de Kerk ons te gelooven voorstelt, werkelijk door God gezegd is? Maar dan twijfelt of loochent men de onfeilbaarheid der Kerk, alzoo ook Gods getrouwheid in het vervullen zijner beloften. God heeft uitdrukkelijk beloofd, gelijk bat Evangelie ons getuigt, dat Hij met zijne Kerk zijn zal tot aan net einde der wereld, en dat geene macht der hel (derhalve ook geene dwaalleer) haar zal overweldigen. Wij moeten bijgevolg gelooven gelijk Abraham, die tegen hoop in geloofd heeft (Rom. IV, 18). Hij geloofde namelijk de belofte Gods, dat zijne nakomelingschap talrijk zou zgn als de sterren aan den hemel (1. Mos. XV, 5), ofschoon hij toen ten tijde nog geen nakomeling had (vers 2, 3); hij geloofde, dat Sara hem een zoon zou baren, ofschoon zij beiden reeds hoog bejaard waren (1. Mo;?. XVII, 17); ja, hij geloofde nog aan de belofte van eene talrijke nakomelingschap, toen God hem beval, zijn eenigen zoon te offeren (1. Mos. XXII). Welke redenen er ook bestonden, om hem in zijn geloof te doen wankelen, „hij twijfelde echter niet aan de belofte „Gods uit mistrouwen, maar hij was sterk (vast) in het „geloof, gevende eer aan God, ten volle verzekerd zijnde, „dat Hij machtig is te doen al hetgeen Hij beloofd heeft. „ Daarom ook is het hem toegerekend tot rechtvaardigheidquot; (Rom. IV, 20, 22). De onvrijwillige twijfel, welke namelijk tegen onzen wil ontstaat of bestaat, bijgevolg ons lastig valt en mishaagt, waaraan wij op geenerlei wijze gehoor of bijval geven, is geene zonde, maar vermeerdert onze verdiensten, wanneer en zoolang wij naar vermogen er weêr-stand aan bieden Zulke twijfelingen zijn veelal bekoringen van den kwaden geest, die ons tot zonde tegen het geloof wil verleiden, gelijk hij eens onze stamouders, door twijfel in hen op te wekken, ten val heeft gebracht. Hij is er immer op uit, ons te verontrusten en te plagen, om ons van den dienst des Heeren af te trekken \'). Daarom moeten

\') Dat twijfelingen omtrent liet geloof veelal bekoringen van den boezen vijand zijn, en dat men, door den strijd tegen die bekoringen, zich vele verdiensten kan vergaderen, toont ons eene leerrijke gebeurtenis uit het leven van den grooten H. Vincentius van 1\'aulo. Abelly verhaalt in het leven van dezen Heilige (3lt;ie boek, hoofdst XI), dat te dien tijde een beroemd leeraar der Godgeleerdheid zalke hevige bekoringen kreeg tegen het gelooi\', hetwelk hij vroeger met veel vrucht tegen de dwaalleeraars verdedigd had, dat hij bijkans in ver-

-ocr page 158-

142

wij ons hoeden , dergelijke bekoringen door het aanhooren van ongodsdienstige gesprekken of het lezen van kettersche en ongeloovige geschriften, in ons op te wekken. Zijn zij

twijfeling geraakte. In dezen treurigen toestand wendde liij zich tot den H. Vincentius van Paulo, die hem op alle mogelijke wijzen met goeden raad zocht te helpen, maar te vergeefs. Eindelijk werd de genoemde leeraar ziek en meer nog dan tevoren door de bekoringen gekweld. De H. Vincentius, hierover innig bedroefd, bad herhaaldelijk God voor dien ongelukkige en ging in zijn heiligen ijver zoo ver, dat hij zich zeiven God den Heer ten offer aanbood, bereid alle lijden met, blijdschap aan te nemen als de zieke maar van zijne gevaarlijke beproeving verlost werd. Het gebed van den heiligen man werd verhoord en zijn offer aangenomen. Van stonde af waren bij den zieke alle twijfelingen verdwenen; doch de heilige Vincentius had nu zelf verschrikkelijke bekoringen tegen het geloof te doorstaan. Om geen enkel oogenblik voor die beproeving te bezwijken, nam hij veelvuldig tot het gebed en strenge boete werken, en daarenboven tot eenige bizondere middelen zijne toevlucht. Hij schreef zijne geloofsbelijdenis op een blad papier en legde die op zijne borst met de uitdrukkelijke verklaring voor God, dat hij telkens wanneer hij zijne hand op de borst en liet papier zou leggen, alle twijfelingen wilde verfoeien; en dit deed hij herhaalde malen. Het andere middel, hetwelk hij aanwendde, bestond daarin, dat hij die bekoring immer rechtstreeks zocht tegen te werken door zich te beijveren, steeds in den geest des geloofs te handelen, Christus in de behoeftigen te eeren en Hem vooral in de verpleging en oppassing der armen te dienen. Tot hetzelfde einde nam hij eindelijk het vaste besluit, uit liefde tot Jesus Christus zijn geheele leven aan den dienst der armen te wijden. Nauwelijks had hij dit grootmoedig besluit genomen, of de booze vijand week met zijne lastige bekoring, en na bijna vier jaren dien geduchten strijd eervol gevoerd te hebben, gevoelde de Heilige eene rust en een vrede in zijn binnenste, gelijk hij nooit te voren gekend had. Zoo was deze bekoring de aanleidende oorzaak van al die groote liefdewerken . waarmede de H. Vincentius de geheele wereld vervuld heeft, welke hem niet alleen de heerlijkste belooning in den hemel, maar zelfs de achting der hevigste vijanden van den godsdienst verworven iiebben.

Niet minder troostvol en opbeurend voor allen, die tegen het geloof sterk bekoord worden, is de volgende trek uit het leven van den H. Lodewijk, Koning van Frankrijk, welken Joinville op de hem eigenaardige wijze verhaalt. De H. Koning zeide mij, zoo schrijft Joinville, dat de Uisschop Willem van Parijs hem verhaald had van een hoogleeraar in de Godgeleerdheid, die bij hem gekomen was, verzoekende hem te mogen spreken. En de Bisschop vroeg nu: wel //professor wat verlangt gij?quot; Toen de hoogleeraar met den Bisschop zou gaan spreken, begon hij eensklaps luid te weenen. De Bisschop zeide: //professor, spreek vrij, dat niets u verontruste; want niemand „kan zoozeer gezondigd hebben, of er is nog altijd vergeving bij God i/te erlangen.quot; //En ik zeg u,quot; sprak de professor, //dat ik het niet «helpen kan, als ik tranen stort; want mij dunkt, dat ik ongeloovig //ben, wijl ik mijn hart niet kan overreden, het H. geheim des Altaars //te gelooven, gelijk de H. Kerk het voorstelt; en ik weet zeer goed, //dat dit bekoringen van den boozen vijand zijn.quot; — //Professor,quot; zeide de Bisschop, „zeg mij eens, of gij genoegen neemt in die bekoringen „van den boozen vijand?quot; En de leeraar antwoordde: //Heer, zij vallen //mij integendeel zoo lastig, dat het niet erger kan.quot; — //Zoudt gij,quot; «dus vroeg de Bisschop verder, //zoudt gij goud of zilver aannemen „onder voorwaarde, dat gij iets moest zeggen tegen liet geheim des

-ocr page 159-

143

echter zonder onze schuld ontstaan, dan moeten wij niet angstig of kleinmoedig worden, maar waken, dat zelfs niet de geringste twijfel ons hart binnen sluipe, en ons vertrouwen op Gods woord op geenerlei wijze verzwakt worde. Aan die zonde maakten Mozes en Aaron zich schuldig. Ofschoon zij steeds bizonder door God begunstigd waren, en slechts zoo weinig aan de bekoring hadden toegegeven, dat, volgens het algemeen gevoelen der Godgeleerden, niet meer dan eene dagelijksche zonde door hen bedreven was, werd hun evenwel om die twijfeling de toegang tot het beloofde land ontzegd, en meermalen moesten zij uit Gods mond ernstige verwijten over hun klein geloof hooren (4. Mos, XX, 8—12, 24. XXVII, 14. 5. Mos. XXX 11,51).

Wanneer is ons geloof levend?

Ons geloof is levend, als het zich in daden, in goede werken toont en door de liefde Gods bezield wordt.

Gelijk een boom zonder levenssap, een lichaam zonder ziel dood is, zoo is ook het geloof dood, als het niet door de liefde bezield wordt. „Het geloof zonder de liefde,quot; zegt de H. Augustinus (168st0 rede), „is het geloof des duivels „want ook de duivelen gelooven en sidderen (Jac. II, 19). „Ook de duivels spraken tot Christus: Gij zijt de Zoon Gods

//Altaars of tegen de andere geheimenissen der H. Kerk?quot; —- //Dat //nooit!quot; antwoordde de leeraar, //wees verzekerd, dat ik niets ter ,/wereld onder die voorwaarde zon aannemen; liever zou ik allo ledo-//maten van mijn lichaam laten rukken, dan zoo iets to zetrgen.quot; //Ik //zal u iets anders vragen,quot; hernam de Bisschop, //gij weet. dat de //Koning van Frankrijk met den Koning van Engeland oorlog voert, //en gij weet ook. dat het slot, hetwelk het dichtst aan beider gren-//zen is gelegen. La Rochcllo, in Poitou, is. Indien nu de Koning u //gelastte La Rochollo, dat op de grenzen licht, te bewaken, en mij //beval, zorg te dragen voor het slot Monleon, dat in het hart van //Frankrijk en ver van het oorlogstooneel ligt; wien van ons beiden //zou de koning bij het einde van den strijd meer dank verschuldigd //zijn: u, die La Rochelle bewaakt hebt, zonder het te verliezen, of //mij, den bewaker van het slot Monleon?quot; — //Wel, hoogwaardig //heer,quot; zeide de leeraar, ,/zeker aan mij, daar ik Rochelle bewaakt //heb, zonder het te verliezen.quot; — //Meester,quot; sprak nu de Bisschop, //ik zeg u, mijn hart is gelijk aan het slot Jlonleon, want ik heb vol-„strekt geene bekoring of eenigen twijfel aangaande het 11. Altaarge-vheim; daarom zeg ik u, in plaats van eene kleine belooning, welke //God alin mij zal geven, omdat ik vast en in vrede geloofd heb, zal //God n viervoudig loonen, omdat gij voor Hem uw hart bewaakt in //den strijd des duivels, en Hem zoo getrouw wilt dienen, dat gij om //geene aardsche schatten, noch om alle moeielijkheden. welke men u //kan aandoen. Hem verlaat. Derhalve zeg ik u, gij moogt voortaan //gerust zijn. want uw toestand is den Heer welgevalliger. dan de //mijne.quot; Toen de professor dit hoorde, knielde hij voordon Bisschop neder en hield zich aan diens raad.

-ocr page 160-

144

„(Mare, III, 12). Zullen zij derhalve met den Zoon Gods „heerschen? Geenszins, wijl zij de liefde niet hebben.quot; En elders (Verhand. V over 1 Joan. Ill) zegt dezelfde H. Kerkleeraar: „Slechts de liefde onderscheidt de kinderen „Gods van de kinderen des duivels, de zonen van het rijk „van de zonen des verderfs.quot; Deze liefde bestaat echter niet in eene voorbijgaande gewaarwording, in een enkele akte, maar in eene blijvende, volhardende gezindheid en bereidwilligheid des harten. Zij is die liefde, welke de H. Geest met de heiligmakende genade in onze harten stort, welke ons heilig en rechtvaardig maakt voor God, en zoo lang in ons blijft, als wij geene zware zonde begaan. — Waaraan weet men, of een boom gestorven, en of de ziel uit het lichaam gescheiden is ? Zoodra de boom ophoudt vruchten voort te brengen, geene bladeren of bloemen meer draagt; als het lichaam niet meer in staat is adem te scheppen of eenige beweging te maken , besluiten wij te recht dat zij dood zijn. Ditzelfde geldt voor het geloof. Brengt het geen vruchten voort, spoort het ons niet krachtig aan, het kwaad te vlieden en de deugd te beoefenen, dan hebben wij een zeker teeken, dat ons geloof zonder liefde, derhalve ook zonder leven , of dood is. Daarom zegt de Apostel Jacobus (II, 26): „gelijk het lichaam zonder geest dood is, zoo is ook het geloof zonder werken dood.quot; En de Apostel Paulus schrijft aan de Galaten (V, 6): „In Chris-„tus Jesus geldt (alleen) het geloof, dat door liefde werkzaam is,\'\' en in een anderen brief (1. Cor. XIII, 2): „al was „mijn geloof zoo krachtig, dat ik bergen kon verzetten: „had ik de liefde niet, ik zou niets zijn.quot; Sterker kon de H. Apostel zich gewis niet uitdrukken. Wel verre echter van zijn gezegde eenigszins te verzachten, bevestigt hij het integendeel, terwijl hij de uitwerkselen der liefde optelt (v. 4—-7): „de liefde,quot; zegt hij, „is geduldig, is „verdraagzaam; de liefde benijdt niet, zij handelt niet „onbescheiden, zij is niet opgeblazen, zij is niet eergierig, „zij is niet zelfzuchtig, zij laat zich niet verbitteren, zij „denkt geen kwaad, zij verheugt zich niet over de ongerechtigheid, maar verblijdt zich over de waarheid; zij „verdraagt alles, zij gelooft alles, zij hoopt alles, zij duldt „allesquot; Uit deze zoo duidelijke getuigenissen der H. Schrift zien wij , dat ter verkrijging der eeuwige zaligheid slechts dat geloof voldoende is, hetwelk door werkdadige liefde, d. i. door het verrichten van goede werken, zich levend toont, of, wat hetzelfde is, hetgeen bewerkt, dat wij onzen levenswandel naar de voorschriften van het II. Evangelie inrichten. Dat het geloof ook zonder de wer-

-ocr page 161-

145

ken zalig1 maakt, is eene ketterij, door de hervormers van de XVIde eeuw uitgedacht, en door de katholieke Kerk verworpen \'),

Ach, lioevele Christenen, die wel gelooven, gaan toch verloren, wijl hun geloof dood is! Men gelooft de leer van Jesus Christus, maar men leeft, als geloofde nwn ze niet. Men gelooft de evangelische zaligheden, en men leeft, als had men er volstrekt geene kennis van. Men gelooft, dat zalig zijn de armen van geest en allen, die om de deugd veracht en vervolgd worden: niettemin streeft men met alle krachten voortdurend naar rijkdom en eer bij de menschen. Men gelooft, dat zalig zijn de zachtmoedigen, de vreedzamen, de barm-hartigen, en toch leeft men, als of toorn, nijd, haat, wraakzucht, vijandelijkheid, onbarmhartigheid en allerlei soort van liefdeloosheid ons ware zaligheid verschaffen. Men gelooft, dat hot niets baat, de geheele wereld te winnen, als de ziel verloren gaat; en hoe gering is evenwel de prijs, voor welken men zich in het eeuwig verderf stort! Een oogenblikkelijke lust, eene ijdele vleierij, eene klucht is dikwijls genoeg! Jlen gelooft, dat er een hemel en eene hel is; maar men leeft in zonde en boosheid voort, als had men noch den eene te hopen, noch de andere te duchten!... //Onderzoekt u zeiven,quot; dus vermaant de H. Apostel Paulus (2. Cor. XIII, 5) de Christenen, «of gij in het //geloof zijt,quot; d. i. ot gij als ware Christenen het geloof hebt, dat door werken levend is. //Erkent gij niet in u zeiven, dat Christus Jesus in „u is?quot; — Ook gij, waarde lezer! onderzoek u.... Is uw geloof levend, woont Jesus Christus in uw hart, dan zult gij de zonde meer dan eenig onheil dezer wereld haten en vluchten.... Voor niets ter wereld zult gij ooit eene zonde begaan, liever alles dulden, dan ooit in eene doodzonde te bewilligen. Zóó waren alle Heiligen gezind; „ik wil //liever op een brandstapel springen,quot; pleegde de H. Edmund te zeggen, „dan toe te stemmen in eene zonde.quot; De godvruchtige jongeling Ferdinand van Veroux werd eens door een zijner vrienden tot eene onedele daad aangezocht met de woorden: „wat baat mij al uwe vriend-//Schap, als gij niet een enkele maal wilt doen, wat ik u verzoekrquot; Toen antwoordde hij: «integendeel, wat baat mij de uwe, als ik om //U kwaad zou doen en Gods genade verliezen?quot; Dat was een levend geloof, gelijk ook het onze moet zijn.

Wanneer is ons geloof standvastig ?

Ons geloof is standoastig, als wij bereid zijn, liever alles, zelfs het leven, op te ofieren, dan ons geloof te verzaken. Geene vrees, geen smaad, geeneiiei bedreiging, druk of vervolging mag ooit in staat zijn ons geloof aan het wankelen , veel minder ons tot afval te brengen. Het geloof is immers onze kostbaarste schat. Goed en bloed, lichaam en leven moeten ons niet zoo dierbaar zijn als het geloof.

10

•) Vergelijk het Concilie van Trente, zitting VI. can. 19—21 en lioofdst. VIL — Van den anderen kant is het eene valsche en door de Kerk verworpen leer, dat het geloof, hetwelk niet levend is, geen waar geloof is, of dat degene, die het geloof zonder de liefde heeft, geen Christen meer is, en dus niet meer tot de Kerk van Christus behoort. Can. 28.

DEIIARBE, GELOOFSLEER. I. DKÜK.

-ocr page 162-

146

Want wat zal alles ons baten, als wij onze ziel door de tijdeliike goederen verliezen ? Is het niet veel heter , in dit leven allerlei moeieliikheden te-verdragen, dan in het andere leven de eeuwige pijnen der hel ? Daarom sprak Christus tot zijne leerlingen, toen Hij hun het lijden voorzegde, dat zij om het geloof zouden verduren: „Vreest niet voor degenen , die het lichaam dooden, doch de ziel niet kunnen dooden ; maar vreest veel meer Hem, die lichaam en ziel in den afgrond der hel kan stortenquot; (Matth. X, 28). Aan deze moorden dachten de glorierijke scharen van heilige Martelaren, die voor het geloof hun bloed hebben gestort. Niets is zoozeer geschikt, om ons te toonen, hoe standvastig het geloof eens Christen zijn moet, als hun bewonderenswaardig voorbeeld; daarom zal het niet ondoelmatig zijn, hier een en ander te vermelden van de kwellingen, welke zij te dulden hadden \').

Zoodra iemand ten tijde der vervolgingen verdacht werd van Christea te zijn. bracht men hem naar den heidenschen rechter, die veelal de keizer zelf was. Bekende hij vrijmoedig zijn geloof, dan zocht men hem tot afval te bewegen , eerst door overreding en beloften , vervolgens door bedreigingen, eindelijk door kwellingen. De martelingen bestonden gewoonlijk daarin, dat men de christelijke belijders, met strikken aan handen en voeten gebonden, op de pijnbanken uitstrekte, en hunne ledematen uit het gelid trok, hen met zware gewichten aan banden en voeten ophing, met roeden geeselde, met dikke stokken sloeg of met zweepen, aan wier einden scherpe haken hingen, welke men scorpioenen noemde, of met riemen van ruw leer, waaraan ballen van lood bevestigd waren. Velen bezweken onder die folteringen. Anderen werden, terwijl zij uitgestrekt lagen of hingen, met fakkels gebrand of met ijzeren vorken en kammen ontvleescht, tot men hunne ribben en ingewanden zag, en menigmaal werden hunne wonden met zout en azijn bestreken. — Bleef de martelaar na zulke kwellingen nog leven , dan werd hij terstond ter dood, of ook wel nog een of tweemaal in den kerker gebracht, om zijne standvastigheid door vernieuwde pijnigingen te overwinnen. De gevangenissen waren reeds op zich zelve eene marteling, donker, vochtig, vol kwade dampen. Men bond den martelaars zware ketenen aan handen en voeten, dikke houtblokken om den hals en aan de handen, ot meu wierp hen ontkleed en met open-

•) Uit; «.Die Martyrerquot; van gravin Hahn-Halm.

-ocr page 163-

147

gereten wonden op dsn grond, welke met glasscherven bestrooid was. Somwijlen liet men hen omkomen van hor;-ger en dorst; op andere tijden verpleegde men hen met zorg, om ze voor nieuwe martelingen te behouden. .. . Ook liet men wel, als de familie ongeloovig was, een vader, eene moeder, echtgencote, kinderen en vrienden bii hen, om door de tranen en beden dier geliefden het hart te buigen, dat door geene lichameliike smarten te overwinnen was. — Allen, die men niet ter dood veroordeelde, werden in ballingschap gezonden of tot dwangarbeid verwezen. Zij verloren hun vermogen, werden als slaven van den Staat behandeld, in de bergwerken gebruikt, slecht gevoed en gekleed, voortdurend in ketenen gekneld, dikwerf mishandeld, vaak met een gloeiend ijzer op het voorhoofd gebrand om voor altijd onteerd en kenbaar te zijn.... Degenen, die veroordeeld waren het leven te verliezen, trof de dood onder de uitgezochtste kwellingen. In Eome wierp men de Christenen het liefst den wilden dieren voor. Numidische leeuwen, beeren uit de Germaansche wouden, olifanten en tijgers, panters en wilde stieren werden met groote kosten uit alle werelddeelen naar Eome gezonden en aldaar goed onderhouden en verzorgd. Was er een overwinningsfeest of werd de géboortedag des keizers of eenig feest ter eere der goden gevierd, dan vond het volk zijn grootste vermaak, als het de ter dood veroordeelde Christenen uit hunne kerkers, en van den anderen kant de verscheurende dieren, die door honger langen tijd getergd waren, uit hunne hokken in het amphitheater (de schouwplaats voor worstelingen met wilde dieren en voor tweegevechten) gevoerd en tegen over elkander geplaatst zag .... Door de olifanten vertrapt, door leeuwen en tijgers ontvleescht en vernield, door de geweldige hoorns van den romeinschen stier geslingerd en ter aarde gepletterd, kwam de veroordeelde

allerellendigst om het leven..... En daar zaten dan de

toeschouwers in het rond: allen, keizer, consuls, senatoren, ridders, gering volk, trotsche vrouwen, jeugdige maagden; daar zaten zij van den ochtend tot den avond en vermaakten

zich bovenmate in dat afgrijsselijk schouwspel.....Welke

vreugde, welk gejubel, nu de gehate Christenen, die vijanden van de goden, zelve de feesten der goden door hunnen dood opluisteren! . ... En al wie Christen was , moest er zich op voorbereiden in zulk een zondvloed van smaad en pijn, van haat en kwelling , onder het hoongeschreeuw en de luide goedkeuring van het geheele volk, van groot en klein, den dood te vinden. Het getal dier glorierijke Bloedgetuigen bedroeg reeds in de eerste drie eeuwen, vol-

10*

-ocr page 164-

148

gens de nauwkeurigste berekeningen, elf millioen, van welke twee-en-een half millioen te Rome gemarteld waren. „O God!quot; roept de H. Augustinus uit, „welk eene heir-quot; schaar van christenhelden hebt Gr ij om ons verzameld, teneinde allen tot den strijd aan te vurenquot; \').

i) Ook onder iongelieden zag men zulke geloofshelden, die noch dood noch smarten vreesden, en zich door geene bedreigingen en mishandelingen van heidensclie ouders lieten overwinnen. Een dier bewonderenswaardige helden was Cyrillus. een knaap van nauwelijks twaalf laren. Te Cesarea in Cappadocie leefden zijne ouders, rijk en in aanzien bij de heidenen. C3\'rillus beleed reeds in zijne prilste ieuo-d het ware geloof. Wie hem daarin onderricht had, wist niemand; maar hij had den zoeten naam van Jesus in den mond en sprak van niets liever, dan van zijn verlangen, om Christus te verheerlijken. Daarbij lede hij zich met vlijt op de beoefening der deugd toe, stichtte zóózeer door zijne gehoorzaamheid, milddadigheid, zachtmoedigheid dat vele kinderen van zijnen leeftijd hem zochten na te volgen, en hij aller harten gewon — maar niet het hart van zijn eigen vader! Ongevoelig voor de üeveiijke deugden van den knaap, deed hij hem telkens verwijten en bedreigingen, ja gaf hem stokslagen, zonder de minste reden Het geloof schonk echter den knaap eene verwonderlijke standvastigheid. Hoe meer zijn vader hem met hoon en straf overlaadde, met des te meer vreugde noemde C3rrillus zich Christen, verdroeo- hij gaarne alle mishandelingen , rekende op nog veel grooter lijden en beminde zijn vader met innige teederheid. Doch de harde man bleef ongevoelig en nam evenzeer toe in boosheid en in haat, als zijn zoon in deugd en liefde. Op zekeren dag liet hij Cyrillus zoodanig ffêeselen, dat diens tenger lichaam geheel met wonden overdekt was. Daarop vroeg lüj hem, of hij het Christendom wilde verzaken, en toen Cyrillus weigerde, liet de ontaarde vader hem het huis uitjagen en onterfde hem. Cyrillus was nu op eens wees en bedelaar geworden, verwond, verstoeten en doodarm. Maar de brave knaap was door deze behandeling zijns vaders niet verslagen. Zijne buitengewone standvastigheid bracht de gansche stad in beweging: de Christenen, om God te loven, die de kleinen en zwakken ter zijner verheerlijking verkiest; de afgodendienaars, om in toorn te ontbranden, wijl een kleine \'knaap met ongehoorde wilskracht hunne goden verachtte. Als kinderen zoo gezind waren, wat hadden zij dan niet van mannen te wachten? De rechter van Cesarea liet Cyrillus door soldaten opzoeken en bij zich brengen, dreigde hem met een streng vonnis, indien hij zijn geloof niet verzaakte. Moedig stond de knaap voor den rechter cn kende geene vrees. „Kindquot;, sprak ten laatste de rechter, om te beproeven of hij door goedheid iets op hem zou vermogen, ,,ik „zal u uwe fouten vergeven, en uw vader wil eveneens handelen, ja, „hij zal u weder opnemen in zijn huis en onder zijne erfgena-men „stellen als gij verstandig wordt en uwe dwaasheid leert inzien.quot; Cyrillus\' antwoordde: „ik verheug mij, dat ik uit het huis mijns vaders verdreven ben, want ik zal er een te schooner om krijgen. „Ik verblijd mij in de armoede, om eeuwige rijkdommen te bezitten, „en voor een goeden dood gevoel ik niet de geringste vrees, wijl ik een beter leven wacht.quot; Toen hij dit met eene bovennatuurlijke kracht gezeo-d had, beval de rechter op luiden toon, dat men hem zou geeselen als iemand, die ter dood gebracht wordt, maar in stilte zeide hij dat men den knaap enkel door bedreigingen moest verschrikken en hem folterbank en brandstapel laten zien, zonder eenig leed te veroorzaken. Dit geschiedde. Men stak het hout in brand, men greep

-ocr page 165-

149

Hoe beschamend zijn zulke voorbeelden voor vele Christenen! Alleen de vrees voor een of ander tijdelijk nadeel, voor een ontevreden gelaat, een hard woord oi\' bijtende scherts is genoeg, om hun geloot\' aan het wankelen te brengen of de belijdenis hunner overtuiging te weêi houden. Men wil om het geloof geene vriendschap opgeven, zich geene genoegens ontzeggen, zich aan den spot van anderen niet blootstellen; men vreest de bespotting der menschen, maar de grootste aller rampen, het verlies van het geloof ducht men niet. Mochten zulke

Cyrillus, als om hem er op te werpen, men bond zijne schouders met koorden, kortom alle toebereidselen tot de voltrekking van een vonnis werden gemaakt, maar Cyrillus bleef kalm en onverschrokken. De beulen zonden een bode raar den rechter met de boodschap dat Cyrillus niet weende, niet bevreesd was. maar bereidwillig den dood te gemoet ging; zij lieten hem vragen, hoe zij verder moesten handelen. De rechter liet den knaap andermaaibij zich brengen en sprak: //gij hebt vuur en zwaard gezien, mijn kind, zij kunnen u dooden; »bezin u derhalve, dan zal uw vader u weêr zijn huis openen en uw ^erfdeel geven.quot; „O heer,quot; was liet antwoord, „hoe spijt het mij, dat j/gij mij liet terugroepen, d: t liet vuur te vergeefs ontstoken en het „zwaard te vergeefs gescherpt is. liet huis, dat ik binnen ga, is igrooter dan het huis mijns vaders, en het erfdeel van mijnen God is //rijker dan mijn vaderlijk erfdeel! Dood mij ras, opdat ik het „spoedig ontvange.quot; ï»u meende de rechter die heilige standvastigheid van den knaap als boosaardige ongehoorzaamheid te moeten straffen, en veroordeelde het heilig kind ter dood! Alle omstanders waren bedroefd, Cyrillus alleen was vroolijk. Allen waren tot weenens toe bewogen, maar hij verzocht hen, geene tranen te storten. ,/Verheugt ,u toch,quot; sprak hij, „daar ik het eeuwig leven inga! Weet gij dan „niet, welk een groot vertrouwen ik heb; welk eene heerlijke stad ik ,bewonen zal? Ö gun mij, mijn leven te offeren.quot; Met deze woorden ging hij blijmoedig in den dood, en geheel Cesarea verheugde zich over zijn gelukzalig einde (Die Martyrer van gravin Hahn-Hahn). Is Cyrillus ongelukkig, wijl hij om quot;de hemelsche kroon het aardsch gèiuk versmaadde? Heeft hij het beste deel niet verkozen? Verdient zijn voorbeeld niet nagevolgd te worden?

Ook de kerkelijke geschiedenis van Jaran levert vele bewonderenswaardige voorbeelden van dergelijke heldhaftige kinderen. — üp bevel van den wreeden Bucondono werd een dertienjarig meisje eerst met een puntigen stok geslagen en vervolgens op eén kolenvuur gelegd, ïe Omnia werd een knaap acht dagen lang gemarteld; de woedende beulen scheurden eindelijk met ijzeren haken zijne schonderen open en goten er kokende olie in Onder al dat lijden riep de jonge held voortdurend; „Jesus en Maria! ik verlang den hemel binnen te gaan „en God te aanschouwen.\' Toen de rechters nu zagen, dat zij iiem door niets konden overwinnen, veroordeelden zij hem tot den vuurdood. — In het koninkrijk Fingo werden drie broeders uit eene voorname familie, waarvan de oudste zijn negende jaar pas bereikt had, eveneens ter dood veroordeeld. De jongste was juist aan het spelen, toen men hem riep en zeide, dat hij voor Christus moest sterven. Zonder zich te bedroeven (zoo machtig is Gods genade) nam hij den rozenkrans en knielde neêr om te bidden. Daarna namen alle drie van hunne moeder afscheid en volgden welgemoed de soldaten. De moeder wilde hare kinderen nog een eind wegs vergezellen en vei sterkte hen in hun besluit, om voor God te sterven. Op de gerechtsplaats knielden zij neder, ontblootten hunnen hals en ontvingen verheugd den doodslag, terwijl de hand van den scherprechter sidderde (Zie andere voorbeelden bij den H. Alphonsus de Liguori. „De zegepraal der Martelarenquot;),

-ocr page 166-

150

lafaards de vermaning van den profeet Isaïas LI, 7 enz. ter harte nemen: «Vreest niet voor den smaad der mensclien, en schrikt niet voor hunne „vervloekingen; want gelijk een kleed door de mot worden zij ver-„teerd, en als wol door den schietworm doorknaagd; maar mijne gerechtigheid zal blijven tot in eeuwigheid, en mijn heil van geslacht

„tot geslachte..... Wie zijt gij, dat gij vreest voor een mensch, die

/.sterven moet, en voor een menschenzoon, die als gras vergaat? En //gij vergeet den Heer uwen Schepper, die de hemelen uitspant en de „aarde grondvest!quot;

Al hebben wij om ons geloof geene vervolging te lij den, wij mogen toch geenszins onbekommerd zijn, maar met zorg moeten we ons geloof bewaren. „Ziet toe, mijne broeders,quot; schrijft de H. Apostel Paulus aan de bekeerde Joden (Hebr. III, ]2) , „dat er soms niet in iemand van ,.11 een boos hart van ongeloof zij, om afvallig te worden „van den levenden God.quot; Die woorden zijn ook op ons van toepassing. Menigeen, die in den H. Doop de genade van het christelijk geloof ontvangen heeft, is lichtzinnig afgevallen , en als een heiden ongeloovig gestorven. Een verschrikkelijke ramp is de afval van het geloof! Zoolang de zondaar nog geloof heeft, is zijn terugkeer tot God altijd mogelijk, wijl de grondslag, de wortel, eenige ver-eeniging met God nog bestaat. Maar zeer moeielijk is het, als het geloof ontbreekt; want dan is er geen grondslag meer, waarop verder gebouwd, geen wortel, waaraan levenskracht toegevoegd kan worden. Daarom is ook degene, die niet gelooft, reeds geoordeeld, al had hij geene andere zonde op zijn geweten, dan de zonde van ongeloof, van afval. Het is derhalve van groot belang te weten, waaruit de afval van het geloof gewoonlijk voorkomt. Wij stellen dan de vraag : 1)

\') Hier verdient vooral gelezen te worden hoofdst. XI van „De schat des geloofsquot; door A. van Gestel S. J. (\'s Ilertogenbosch iSGü).

//Het ongeloof,quot; zegt de eerw. schrijver «zoekt vooral ingang te //vinden bij de geletterde en beschaafde klassen; bij hen, die den //cursus eener hoogeschool hebben gevolgd of die in eene hooge be-//trekkmg geplaatst zijn: en zie hier op welke wijze.

//Meestal wordt het zaad er van uitgeworpen aan de universiteiten. „Daar vaart men doorgaans met heftigheid tegen den katholieken gods-/,dienst niet uit: dit gebeurt slechts bij uitzondering. Maar men maakt //hoogen ophef van de wetenschap, als ware zij het licht, dat alleen //het verstand moet bestralen, en als of alles dwaling ware, dat in //haar licht niet kan gezien worden. Men drukt er op, dat de mensch //Cnathankelijk moet wezen in zijn denken: dat hij niet moet beducht „zijn om alles aan zijn oordeel en onderzoek te onderwerpen. Zóó /Sluipt de ongeloovige vrijdenkerij ongemerkt binnen. l)an raakt //men een of ander leerpunt aan, waarover het geloof eene stellige ; uitspraak gedaan heeft: b. v. de afstamming van het menschelijk ge-//slaclit van één menschenpaar: van de onstoffelijkheid der ziel: van

-ocr page 167-

151

Wat Irengi den mensch tot afval van zijn geloof?

1) Hoogmoed en venoaand/ieid. Het geloof, dat onvoorwaardelijke onderwerping des verstands aan het gezag van God vordert, vindt zijn grootsten vijand in den hoogmoed, die den mensch aanzet, enkel op eigen doorzicht te vertrouwen, alles naar eigen goeddunken te regelen, alles, wat niet duidelijk is, te verwerpen. Die hoogmoed was de oorzaak, waarom de joodsche Schriftgeleerden en Phariseën , in weerwil van hun geloof en hunne kennis van de H. Schrift, verstokt bleven (Joan. V, 43). Die hoogmoed is een beletsel voor de werking der genade, welke noodzakelijk is, om te gelooven; God immers wederstaat den hoovaardige en geeft den ootmoedige zijne genade (1. Petr. X, 5). Daarom sprak Christus: „Ik loof U, Vader, dat Gij deze „dingen (geheimenissen des geloofs) voor de wijzen en ver-„standigen verborgen, maar den kleinen geopenbaard hebt\'\' (Matth. XI, 25). God wekt namelijk de onwetenden en ootmoedigen op, de geloofswaarheden aan te nemen, en laat toe, dat zij, die wanen wijs en schrander te zijn, van het licht beroofd blijven. Alle ketterijen ontspruiten uit hoogmoed en eigenliefde; want de trots alleen kan den mensch zóózeer verblinden , dat hij zijn eigen gevoelen tegenover de leer der geheele Kerk durft stellen. — Met dien hoogmoed en die eigenliefde is op het nauwst verwant de zucht om over geheimenissen van den godsdienst spitsvondig te redeneeren, en die zoo mogelijk te doorgronden. De vele teekenen en wonderen, welke bij uitstek geschikt zijn, om ons van de waarheid van den godsdienst te overtuigen, zijn voor sommigen niet genoeg. Zij verlangen, als de onge-loovige Apostel Thomas, alles met eigen handen te betasten.

«het godsdienstig karakter van liet huwelijk. Zonder nu juist daar-^omtrent de katholieke leering openlijk te bestrijden, of te toonen, /idat men het katholieke geloof van onwaarheid wil betichten, geeft »men echter aan die vraagstukken eene oplossing in lijnrechten strijd „met de leer der Kerk: en men laat het aan den student over om bij z/zichzelven te beslissen, dat de Kerk in hare leer kan dwalen.

//Underling gaan de studenten in hunne bijeenkomsten met minder //voorbehoud te werk dan de hoogleeraar in zijne school. Zij be-»roemen er zich op, dat zij aan de universiteiten wijzer worden dan «het gros der menschen, dat zich alles lamp;at welgevallen wat de Pastoor //in de christelijke leering ot\' een Broeder in de lagere scholen heeft «gelieven te zeggen. \'Zoo doende wordt de ongeloovigheid onder de //hoogeschool gangers de mode; en wordt er bijgeval ergens een studenten-,congres gehouden, dan zullen zij op het spreekgestoelte met schaterende „stem verkondigen, wat de professor hun in de ooren had gefluisterd.quot;

-ocr page 168-

152

Is dat niet dwaas? Waartoe zouden wij niet komen, als wij in het gewone leven enkel datgene wilden gelooven, wat wij met onze oogen zien, met onze hand betasten, met ons zwak verstand begrijpen kunnen ? . .. (Durft gij ontkennen, dat er vuurspuwende bergen zijn, wijl gij er nooit een gezien hebt? Acht gij het onmogelijk, dat een stoomwerktuig in staat is, twintig, ja dertig zwaar beladen wagens met ongeloofelijke snelheid voort te trekken, omdat gij er niets van begrijpt?...) Wie de goddelijke geheimen wil onderzoeken en begrijpen, hem gaat het als iemand, die met een ongewapend oog in het helle zonnelicht staart. De zon, welke anderen licht brengt in de duisternis, verblindt hem zoodanig, dat hij zelfs datgene niet meer ziet, wat hij tevoren zag. Derhalve zegt de H. Schrift: „Wie „de Majesteit (Gods) wil doorgronden, wordt door hare „heerlijkheid verblindquot; (Spreuk XXV, 27). — Wanneer echter iemand in oprechten ootmoed zich moeite geeft, om de waarheden des geloofs al beter en beter te leeren kennen, dan misdoet hij geenszins, maar bewijst juist, dat hij zijn H. Geloof op prijs stelt en bemint. Immers hechtte hij er geen waarde aan, hij zou er niet naar streven, door het hooren van het goddelijk woord, door het lezen van goede boeken, door den veelvuldigen omgang met personen, die eene grondige kennis van den godsdienst bezitten, en door eigen overdenking zijne kennis van de geloofswaarheden uit te breiden. De vrucht van dit redelijk onderzoek kan niet dan zegenrijk zijn. Met de kennis van den godsdienst zal tevens de liefde tot dezen en tot God zeiven toenemen, want hoe beter men God kent, des te meer bemint men Hem. De liefde Gods nu is de kroon van alle goed, de bron van alle zegeningen voor tijd en eeuwigheid.

2) Verder voert tot afval van het geloof — a) het ver-zuim van het gebed en van de overige godsdiens!plichten. Wie het gebed, den openbaren godsdienst, het aanhooren van Gods woord, het ontvangen der HH. Sacramenten verzuimt, wordt eindelijk ook geheel onverschillig omtrent zijn geloof en zijn godsdienst. De godsdienstoefeningen toch zijn als de olie, waardoor het licht des geloofs gevoed en behouden moet worden. Xeemt die olie af, dan verdwijnt langzamerhand alle liefde tot God, en niet zelden ook het geloof aan Hem. Zouden wij ons wel verwonderen, als een kind, dat in den vreemde niet meer aan zijn vader en zijne geboortestad denkt, dat niet meer aan hem schrijft, in het geheel met naar hem vraagt, eindelijk alle kinderlijke genegenheid verloor, en zoo onverschillig jegens hem werd, als had het geen vader meer? Het ongeloof is eveneens

-ocr page 169-

153

een catuurlijk gevolg der godvergetenheid, welke haar laatsten grond heeft in het verzuim van het gebed en van de overige godsdienstplichten. — Het is ook tegelijk eene welverdiende straf, welke God niet alleen op enkele personen, maar zelfs op gansche volkeren en landen toepast; want wat is wel billijker, dan dat God het ware geloof en daarmede de heilzame genademiddelen onttrekt aan allen, die ze niet op prijs stellen, noch bewaren willen? De Biecht is in uwe oogen eene onverdragelijke pijniging en foltering, welnu, zij zal van u weggenomen worden, zij zal uit uw midden verdwijnen. Het H, Avondmaal wilt gij niet tot uw heil genieten; het zal u niet meer aangeboden worden. Het woord Gods versmaadt gij, gij wilt het niet aanhooren ; het zal u niet meer gepredikt worden. De Priesters zijn bij u gehaat: gij zult er geene meer hebben. Kortom, gij schat het genadevol licht des geloofs niet meer, hetwelk u tot dusverre op uw levenspad verlicht heeft; daarom laat de goddelijke Gerechtigheid toe, dat het van u wijke, en dat diepe duisternis u omhulle, dat gij in duisternis leeft, in duisternis sterft, en eindelijk uit die inwendige duisternis in de uitwendige duisternis der hel gestort wordt. Het geloof, hetwelk gij niet meer waardig zijt, gaat dan met al zijne zegeningen over naar ver afgelegen volkeren, die het als den aanbrekenden dageraad met vreugde begroeten. Ziedaar de vervulling van de bedreiging, welke Christus het joodsche volk deed: „het rijk Gods zal van u weggenomen, en aan een volk gegeven worden, dat er vruchten „mede voortbrengtquot; (Matth. XXf, 43). — Indien iemand dan ontwaart, dat hij lauw eu traag wordt in zijn dagelijksch gebed, in het bijwonen der godsdienstoefeningen, in het ontvangen der HH. Sacramenten, dat hij toch zorge, zijnen ijver weder op te wekken, opdat hij niet onverschillig omtrent God en godsdienst worde, en ten laatste het geloof geheel verlieze.

h) Wereldsgezindheid en een zondig leven. Üm te gelooven is op de eerste plaats noodig, dat men van goeden wil zij, want gelooven kan niemand, dan degene, die wil. Dit hebben wij boven reeds genoegzaam verklaard en bewezen. Vanwaar komt het echter, dat eenigen dien goeden wil hebben, terwijl anderen dien geheel missen? In den regel wijl voor genen het geloof eene bron van troost, van vreugde en genot; voor dezen daarentegen eene bron van angst en onrust, van bittere verwijten en gewetensangstenis. „Wat men wenscht, gelooft men gaarne,\'\'zegt een bekend spreekwoord. De deugdzame heeft geen vuriger wensch, dan dat alle beloften mogen vervuld worden, welke het geloof hem voorhoudt; want zijn hart hangt niet aan de ij dele goederen

-ocr page 170-

154

dezer aarde. Gaarne gelooft hij alzoo de waarheden, welke hem op eene toekomstige vergelding, op de kroon des hemels wijzen; die hoop, welke hij uit het geloof put, verzoet alle moeielijkheden zijns levens, geeft hem eene voorsmaak dei-eeuwige zaligheid. Geheel anders is het met de wereldsgezinde en schuldige menschen gesteld. Het geloof houdt hun de gestrengheid van Gods oordeel en de eeuwigheid der helsche straffen voor, en verbittert alzoo hunne zondige levensvreugde. Het is voor hen een heldere spiegel, waarin zij hunne eigen dwaasheid en de on verdragelij ke afschuwelijkheid hunner ziel aanschouwen; zij lezen er het vonnis in van hunne eeuwige veroordeeling : mogen wij ons nog verwonderen , dat zij hun geloof gaarne zouden vernietigen ? Niets wenschen zij meer, dan dat er geen alwetend God , geen oordeel, geene hel, geene eeuwigheid moge Lestaan , en juist daarom spotten zij er zoo gaarne mede. Omdat zij den moed niet hebben, hunne hartstochten te beteugelen achten zij alles, wat de driften streelt, geoorloofd, alver-heft het geloof zich met alle kracht tegen die meening. De gierigaard houdt den woeker voor een billijke winst; de wraakzuchtige acht het nemen van wraak eene zaak van eer; de wellusteling noemt de ontucht een onschuldig vermaak; vasten , biechten, bidden, een kuisch en matig leven leiden , beschouwen zij als dwaasheid... Aldus dwaalt men eindelijk zoo ver af, dat men boosaardig alle waarheden en plichten, welke het geloof leert, loochent, en een goddeloos mensch wordt, wien niets meer heilig is. Allen, die ooit van hun geloof zijn afgevallen, waren reeds te voren in hun hart bedorven. Ik heb — zeide La Bruyere — „wel eens gewenscht, een matig, bezadigd, kuisch en eer-„lijk man te hooren verzekeren, dat er geen God is: zoo „iemand sprak ten minste belangloos, maar dusdanigen worden „uiet gevonden. En ik (zoo voegt Mgr. Laforet er bij \') , ik „wenschte een jongeling te zien, die kuisch, zedig, nederig en „in de christelijke leer wel en ernstig t\' huis is, en evenwel „verklaren kon, dat het geloof, hetwelk hij van zijne „Moeder de H. Kerk ontving, een geloof zonder fundament „is; tot op dezen dag heb ik zulk een jongeling nog niet „aangetroffen.quot; „Niemand denke,quot; zegt de H. Cyprianus, „dat de goeden de Kerk zullen verlaten I De stormwinden „waaien kaf en stroo weg, niet de korenaren,quot; „Zij heb-„ben ons verlatenzegt de H. Joannes, sprekende van de afgevallen Christenen (1 Br. II 19) , „maar zij waren

\'j In zijn uitmuntend werkje; Waarom gelooji men niet\'; vertaald door Pastoor J. A. ten Hagen (Zwolle 1860).

-ocr page 171-

155

niet van onsd. i. zij waren geen rechte Christenen, „anders zouden zij bij ons gebleven zijn.quot;

Ontelbare voorbeelden kunnen ter bevestiging dezer waarheid aangehaald worden; volkeren en natiën kunnen baar betuigen. Hoe kwam het, dat spoedig na den zondvloed bijna de geheele wereld den dienst van den eenig waren God verliet, om niet alleen levenlooze schepselen, als zon en maan, maar zelfs menschen, aan wie men allerlei misdaden en gruwelen toeschreef, te aanbidden ? . De wereld had zich aan hare booze lusten overgegeven , en wilde nu in de vereering van goden, die nog boosaardiger waren dan zij , eene rechtvaardiging harer eigen misdaden zoeken. En wat was wel de oorzaak, dat zelfs de Israëlieten zich zoo gemakkelijk tot den dwazen godendienst lieten verleiden ? De bedorvenheid van hun hart, gelijk de H. Schrift op vele plaatsen getuigt. Hetzelfde leert de geschiedenis der christen volken. Wat in de dagen der vervolging de gruwelijkste folteringen niet vermochten, dat vermochten wereldsgezindheid en zedelijk verval. ,. Vele Christenen te Carthago ,quot; schrijft de H. Bisschop Cyprianus , „waren enkel op de ver-„meerdering hunner tijdelijke goederen bedacht; de vrouwen „waren ijdel en behaagziek. Men schroomde niet, valsche „eeden af te leggen, men verachtte de geestelijke overheid. De „een belasterde den ander. Men leefde in tweedracht en „haatquot; .... Vandaar dat de katholieke Kerk bij hare vreugde over de standvastigheid van ontelbare Martelaren, ook den afval van velen te beweenen had. Nog meer doorslaande is dit bewijs , als wij in volgende eeuwen den afval der grieksche Kerk beschouweri, of zien, hoe lichtzinnig de volkeren in de zevende eeuw tot de partij van Mahomed overgingen, en in de zestiende eeuw de verwerpelijke leer der hervormers aannamen. Al deze zoo bedroevende feiten zouden niet hebben plaats gevonden, als de Christenen, vóór hunnen afval van de Kerk, niet reeds van den weg der deugd en godsvrucht waren afgeweken \').

Leef derhalve zoo, dat gij altijd reden hebt te wenschen, dat alles waar mag zijn (gelijk het waarachtig is), wat het geloof leert, dan zult gij niet in de bekoring geraken, aan de waarheid van uw geloof te twijfelen. Daarom vermaant u ook de H. Apostel Panlus : „Bewaar een goed „geweten, welks verwaarloozing sommigen aan het geloof „schipbreuk heeft doen lijdenquot; (1. Tim. I, 19).

!) Calvijn zelf bekende (Comment, in ep. Petr. II 2), dat er onder tien gereformeerden nauwelijks één te vinden was, die om eene andere reden zijn geloof verlaten had, dan om des te vrijer zijne booze lusten en \'begeerten te kunnen opvolgen.

-ocr page 172-

156

3) Tot afval van het geloof voert nog bizonder:

a) het lezen van deelde dagbladen, tijdschriften en hoeken. „Men is onvoorzichtig genoeg,quot; dus schreef Prof. P. W. van Oorte, in ziine schoone leerrede, getiteld: Strijd der Kerk en verlevendiging des geloofs, (gehouden te Leiden in 1861) „aan ijdele nieuwsgierigheid, aan hegeerlijke twijfel-„zucht toe te geven, de verboden vrucht, ze moge ons „worden getoond, of als bij toeval onder het oog komen , „met aandacht gade te slaan, om ze weldra schoon en goed „te vinden!... Helaas ja! de waarheid van hetgeen er „omgaat, de bedoelingen der strijders, de rechten, de plich-„ten, het welbegrepen belang, het ware wezen der katholieke „Kerk wordt door menigeen voor het grootste gedeelte of „zelfs uitsluitend gezocht in bladen, in tijdschiften en „boeken, die als zoovele bezoldigde wachters op de voor-„pleinen van het schandelijk gerechtshof, bij voorraad de „schuld van het aangegrepen offer in hartstochtelijken laster „uitroepen, en de nog wankelende rechters door hunne „kreten: Kruisigt, kruisigt Hem, tot de voltrekking der „misdaad voortdrijven!quot; is het wel mogelijk, doodelijk vergift in te nemen, zonder zijn leven in gevaar te brengen? Door het lezen van slechte, ongodsdienstige boeken, tijdschriften en dagbladen drinkt de ziel het gift der dwaalleer en der goddeloosheid met volle teugen. Wat groot gevaar moet daaruit niet voor het geloof ontstaan? i) Het natuurlijk vergift kan men nog weder uitwerpen, of door tegengift onschadelijk maken; maar dit is het geval niet met gift, hetwelk de ziel in zich opneemt door het lezen van slechte bladen en boeken. De verkeerde leerstellingen en grondbeginselen kunnen niet zoo gemakkelijk weder uit het geheugen verbannen worden. Zij komen telkens voor deu geest terug, vinden ook ingang in het hart, wijl zij meestal de booze neigingen vleien. Met wat list en kunst weet men het doodelijk gift in zulke schriften te verbergen! Alle moeite wordt aangewend, om het verstand te verblinden, door bekoorlijken schrijftrant te betooveren 1 Waan niet, dat gij verstandig genoeg zijt, om dergelijke boeken zonder gevaar te kunnen lezen. Zeg niet: geef mij van die vergiftigde spijzen; ik ben gezond, mijne maag zal ze licht

:) Wij beweren evenwel niet, dat de lezing van zoodanige boeken noodzakelijk lot afval voert. En daarom kon de Kerk, gelijk zij ook dikwerf doet, aan sommige personen verlof geven, die boeken te lezen, aan hen namelijk, voor wie, om hunne grondige kennis en persoonlijke bekwaamheid, de lezing van dusdanige boeken geen of slechts een zeer verwijderd gevaar aanbiedt.

-ocr page 173-

157

verteren ! Ach, hoe vele duizenden, die beter waren dan gil, zijn er van gestorven ! Onbeschrijfelijk groot is het onheil, door het lezen van slechte bladen en boeken ten alle tijden gesticht. Het voornaamste middel, waardoor de ketterij der hervormers van de zestiende eeuw zoo snel en zoo ver verspreid is, waren slechte boeken en vlugschriften, in welke men den Paus en de Kerk gruwelijk gehoond en het goddelijk woord vervalscht had. Nog vreeselijker was het onheil, toen in de vorige eeuw goddelooze vrijdenkers het helsche plan ontwierpen, den godsdienst geheel af te schaffen, en het geloof aan Christus van heel de oppervlakte der aarde te verdelgen. De openbare godsdienst had overal in Frankrijk reeds opgehouden. Er was geen offer, geene predikatie, geen doop, geen huwelijk meer. Zelfs aan de stervenden werden de genademiddelen der Kerk niet anders dan bij gesloten deuren, met vrees en angst toegediend. Op de kerkhoven stond als opschrift: „eeuwige slaap,\'1 wijl men leerde, dat er geene opstanding zou zijn. In den tempel van den H. Eochus (te Parijs) daagde een tooneelspeier op den kansel God uit, zelf een bewijs te geven van zijn bestaan. Niemand kan ontkennen, dat die afval van het geloof der vaderen, die rampzalige bespotting van al wat heilig is, de vrucht was van goddelooze geschriften, waarmede men jaren lang het land had overstroomd. Onbegrijpelijk is het, hoe men, na zulk een voorbeeld, in onze dagen nog de verspreiding van goddelooze dagbladen, tijdschriften en boeken onder den naam van vrijheid van drukpers en vrijheid van denken dulden, ja zelfs verdedigen durft. Zou men wel ter wille van de vrijheid moordenaars-holen laten bestaan? Ware moordholen, wier uitgang in de hel voert, zijn alle goddelooze geschriften. Wie zijne ziel lief heeft, neme nooit dergelijke boeken ter hand. — Wat is wel billijker, dan dat onze Kerk het lezen, bewaren en verspreiden van alle boeken en geschriften, die den godsdienst bestrijden, ten strengste verbiedt? Daardoor bewijst zij hare moederlijke zorg voor ons heil, en haren ijver voor de eer van Cjrod. ïen alle tijden werden de slechte boeken door de Kerk verboden, en zooveel mogelijk uitgeroeid. Eeeds in de dagen der Apostelen werd te Ephese eene groote menigte slechte boeken openlijk verbrand, wier waarde ongeveer 50,000 denaren bedroeg (Hand XiX, 19). Hetzelfde geschiedde in het jaar 325 op de Kerkvergadering te Nicea met de geschriften van den ketter Arius, en later met de werken van Nestorius, Eutyches, Wickleif, Hus, enz.

h) Omgang met memcheu, die den godsdienst hespotteri, en met hen, die voor het geloof gevaarlijk hunnen zijn. Om in

-ocr page 174-

158

te zien, hoe gevaarlijk voor het geloof de omgang met ongodsdienstige menschen is, behoeft men slechts even na te gaan, welken invloed de omgang in het algemeen uitoefent. Een zeer oud spreekwoord luidt: „zeg mij met wien „gij omgaat, en ik zal u zeggen, wie gij zijt.quot; Door een innig en voortdurend verkeer met andere menschen nemen wij langzamerhand hunne denk- en zienswijze over; hunne ziel vereenigt zich als het ware met de onze, en drukt er haar eigen karakter in. Vandaar dat men in godvreezende gezinnen ook meestal vrome kinderen vindt; dat een deugdzaam vriend als een kostbare schat beschouwd wordt, wijl het bijkans onmogelijk is, in zijne omgeving niet deugdzaam te worden. Hetzelfde geldt echter ook in omgekeerden zin van de vriendschap met goddelooze en ongeloovige menschen. Mogen wij al in den beginne niet in hunne verderfeliike gevoelens deelen, allengskens gewennen we er ons aan; dan schijnen zij ons minder afschuwelijk, dringen door in onze ziel, bannen er allen eerbied voor den godsdienst uit, zoodat wij ten laatste met dat soort van menschen als ééne ziel worden en ons schamen, minder goddeloos te zijn, dan zij: Hoevelen hebben deze treurige ondervinding reeds opgedaan! Hoevelen zijn er niet in de hel, die enkel door den omgang met vrijdenkers, geloof, zeden en hun eeuwig heil verloren hebben! Heeft niet vaak een enkel goddeloos mensch vele anderen met zich in het verderf gestort? „Een „weinig zuurdeeg is voldoende om het geheele deeg te ver-„zurenquot; (Gal. V, 9). — Dit gevaar nu wordt des te grooter, hoe sterker de band is, welke ons aan de vijanden van onzen heiligen godsdienst verbindt. Hieruit kunnen wij gemakkelijk besluiten, vooreerst wat wij van gemengde huwelijken moeten denken, en tevens inzien, dat de H. Kerk deze met het grootste recht tegengaat; maar ook moeten wij er uit leeren, dat het noodzakelijk is, zorgvuldig alle geheime vereenigingen en genootschappen te mijden, welke zich ten doel gesteld hebben, onzen H. Godsdienst te verdelgen.

Niemand wane, dat hij sterk genoeg is, en niets te vreezen heeft. De wijste aller koningen, Salomon, viel door den omgang met heidensche vrouwen zoo diep, dat hij voor de afgoden zijne knieën boog; en wie onzer zou zich dan nog vermeten op eigen kracht te steunen.. . ? God had Eot te uiidden van den vuurregen, welke Sodoma verwoestte, voor den ondergang, en de Israëlieten onder de heidenen voor den afval van Hem, den Allerhoogste, kunnen bewaren; zulke wonderen werkte de Heer echter niet, maar Hij gebood Lot, uit de vloekwaardige] stad te vluchten en den

-ocr page 175-

159

Israëlieten, alle gemeenschap met de afgodendienaars te mijden. En zoo kunnen ook wij op geene wonderen rekenen , als wij ons vrijwillig aan het gevaar blootstellen, den schat des geloofs te verliezen. „Wie met pek omgaat,\'\' spreekt de H. Geest, „wordt er meê besmeurdquot; (Sir. XIII, 9). De trouwe onderdaan denkt zich zeiven te onteeren, als hij in gemeenschap treedt met menschen, die zijnen koning smaden; zouden wij ons dan zoo diep verlagen, met personen te verkeeren, die ons heiligst en eerwaardigst goed, ons geloof en onzen godsdienst, onder spot- en hoongelach met voeten treden ?

Laten wij immer liefderijk, beleefd en voorkomend zijn, ook jegens andersdenkenden en ongeloovigen, maar vluchten wij zorgvuldig het gemeenzaam verkeer en de vriendschap der goddeloozen, der Protestanten en ongodsdienstige Katholieken en volgen we het bevel des Heeren: „Gaat uit van „haar (van Babyion, de goddelooze stad), mijn volk, opdat „gij geene gemeenschap hebt aan hare zondenstraf en niet „deelt in hare plagenquot; (Openb. XVIII, 4).

Belijdenis des geloofs- Teeken «les kruises-

Waardoor moeten wij vooral toonen, dat ons geloof vast en standva-tlig is?

Wij moeten dit toonen, door ons geloof nooit, zelfs niet in schijn, te verloochenen, maar vooral door het met woord en daad vrijmoedig te belijden.

Drie punten moet men hier opmerken: 1) nimmer en voor niets ter wereld mogen wij ons christelijk of Jcatholiek geloof verloochenen , d. i. ontkennen, dat wij aan Christus gelooven, Hem als onzen God en Heer erkennen en aanbidden, of dat wij kinderen zijn der katholieke Kerk, welke Hij tot heil der wereld gesticht heeft. Onverschillig is het, of zulk eene verloochening uitdrukkelijk door woorden of alleen door gebaren of eenig ander uitwendig teeken geschiedt. Have en goed, bloed en leven, het kostbaarste, wat wij bezitten, moeten wij liever prijs geven, dan ons tot de verloochening van ons geloof te laten verleiden. Door die zonde toch wordt God de grootste oneer aangedaan.

-ocr page 176-

160

Wanneer een Christen zijn geloof verloochent, geeft hij daardoor te kennen , dat hij öf wel een anderen, een val-schen godsdienst boven den christelijken stelt, bf dat hij zich volstrekt niet om den godsdienst bekreunt, derhalve den Schepper van hemel en aarde op geenerlei wijze wil achten en vereeren Ja, hij bewijst daardoor, dat hij zich over zijn goddelijken Meester schaamt, en diens leerling niet wil zijn Tegen hem is het dreigend woord van Jesus Christus gericht: „Wie Mij voor de menschen verloochent, „zal ook Ik verloochenen voor mijnen Vader, die in den „hemel isquot; (Matth, X, 33). En: „wie zich over Mij en mijne „woorden schaamt, over dien zal ook de Zoon des men-„schen zich schamen, wanneer Hij komen zal in zijne en „des Vaders heerlijkheid, en die der heilige Engelenquot; (Luc. IX, 26). Hoe kan derhalve zoo iemand nog hopen, op den dag des oordeels de troostvolle woorden te hoeren: „Kom, „geregende mijns Vaders, bezit het rijk, hetwelk voor u „bereid is van de grondlegging der wereld?\'\' (Matth. XXV, 34). Wordt hij buiten het rijk der hemelen gesloten, dan opent zich terstond de afgrond der hel voor zijne voeten; want hemel of hel.... een van beiden heeft ieder mensch te wachten. — Petrus verloochent zijnen Meester niet uit boosheid maar uit zwakheid ; zijn geheele leven houdt hij echter niet op, bitter die zonde te beweenen , tot hij haar

in zijn bloed heeft uitgewischt..... Zoo vele duizenden

Martelaren liet men de keuze tusschen de verloochening van het geloof en den dood. Eén woord, één wenk zou hen voor onmenschelijke pijnigingen behoed, rijkdom en eereposten bezorgd, en het leven gered hebben. Doch meer dan alle schatten der wereld , meer dan leven en bloed gold hun de eer van Jesus Christus. Hoe schoon is niet het antwoord, hetwelk de H. Polycarpus, in boeien geklonken, zijnen rechter gaf, toen deze tot hem zeide: „Verloochen „Christus, en gij zijt vrij!quot; — „Zes-en-tachtig jaren heb ik „Hein reeds gediendquot; sprak de heilige grijsaard, „en nooit „heeft Hij mij eenig leed godaan. Hoe zou ik nu mijn „geliefden Heer en Koning en Zaligmaker kunnen ver-,,loochenen— Moeten wij allen niet gaarne, als zulks gevorderd wordt, Hem het offer van ons leven brengen, die zich zeiven voor ons onder de gruwelijkste smarten heeft opgeofferd ? Hoe velen geven op het slagveld hun leven voor een sterfelijken koning! En een onsterfelijken Koning, van wien wij het leven hebben, zouden wij dat offer weigeren? Een koning is niet bij machte een soldaat, die in den oorlog voor hem sterft, voor die heldendaad te beloonen; maar Christus geeft ten loon voor die getrouwheid

-ocr page 177-

161

een eeuwig geluk. Vele Christenen hebben evenwel niet eens den moed, ter wille van hun geloof eene kleine vernedering te dragen! Laten wij ons niet aan die lafheid schuldig maken !

2). Ook in schijn mogen wij nooit ons geloof verloochenen, d. i. wij mogen niet den schijn aannemen of ons gedragen, als verloochenden wij ons geloof, al zouden wij ons ook wachten, inwendig of inderdaad het te verloochenen. Zulk eene schijnbare verloochening zou voorzeker eene groote erger.is zijn en een zware beleediging Gods. Zou een vorst zich niet beleedigd achten, zoo een zijner onderdanen bij anderen den schijn aannam, als of hij zijnen heer vervloekte, hoewel hij geene eigenlijke vloekwoorden uitbracht? — Bekend is het voorbeeld, dat de heldhaftige Eleazar gaf, toen zijne vrienden hem uit medelijden wilden overreden, om, ter redding van zijn leven, voor \'t minst zich te houden, als gebruikte hij van de verboden spijzen (Het gebruik van die spijzen, welke door de goddelijke wet verboden waren, werd aangezien als eer.e verloochening van het joodsche geloof). Vol moed antwoordde de eerbiedwaardige grijsaard: „Het betaamt op onze jaren „niet, te veinzen, opdat niet vele jongelingen door mijne „huichelarij en uit liefde voor dit kort en vluchtig leven „ook verleid wordenquot; (2. Macch. VI, 2-1). Onder gruwelijke slagen gaf hij verheugd den geest. — Ten tijde der christenvervolging gebeurde het, dat de belijders onbewegelijk hunne hand, waarin de beul kolen en wierook gelegd had, lieten afbranden, opdat het niet den schijn zou krijgen, alsof zij wierook strooiden, wanneer hunne hand sidderde. Zulk een meer dan menschelijken heldenmoed weet ook de kerkelijke geschiedenis van Japan zelfs bij kinderen aan te toonen. Op zekeren dag liet de tiran Bucondono een groot aantal kinderen bijeen brengen, en toen zij weigerden Christus te verloochenen, hunne handen met ijzeren werktuigen ontvleeschen. Daarna legde men gloeiende kolen op de wonden, en zeide, dat het als een afval van hun geloof zou beschouwd worden, indien zij deze lieten vallen. Verscheidene lieten wel, door de pijn overmeesterd, de kolen vallen, maar verzekerden echter terstond, dat zij niettemin Christen wilden blijven en als Christen sterven, doch ook velen verdroegen de hevigste pijn, zonder eenigzuis hunne hand te bewegen.

3). Het is echter niet genoeg, het geloof niet te verloochenen ; w/j woelen er ook met woord en daad vrijmoedig voor uitkomen. — Met woorden beleden de Martelaren hun geloof, als zij, door den keizer of reenter naar huu geloof gevraagd,

DEHAME, GELOOFSLEER. I. SlleoilUK. ] ]

-ocr page 178-

162

rondweg verklaarden, dat zij Christenen waren \'). Met de daad beleden het Jesus\' allerheiligste moeder en zijn trouwe leerling Joannes benevens de heilige vrouwen, toen zij in diepe droef-

!) Niets is treffender, niets bewijst meer de kraclit der goddelijke genade, dan zwakke kinderen en teedere maagden, met den dood voor oogen, de belijdenis van hun geloof onverschrokken te hooren afleggen. Bij de reeds aangehaalde voorbeelden zullen wij er nog een paar voegen uit den ouden, en een uit den lateren tijd.

Tijdens do vervolging van de Christenen gaf Asklopiades, keizerlijk stadhouder te Antiochië, bevel, den jongen Romanus, die,door geene pijnigingen afgeschrikt, vrijmoedig het christelijk geloof beleed, de tong uit den mond te snijden. Komanus hoorde gelaten dit onmen-sclielijk gebod, en sprak: i/dwingt gij mij te zwijgen, dan zullen in „mijne plaats sprakelooze kinderen de waarheid verkondigen/\' Askle-piades lachte en spotte met die taai, liet een klein, nauwelijks drie-Jarig knaapje halen, bij Romanus brengen, en gebood hem, de wijsheid van dat kind aan den dag te brengen. Romanus vroeg nu; „lief „kind. zeg eens, wat is verstandiger, Christus of duizend goden te „aanbidden?quot; Het kind gaf lachend en zonder zich te bezinnen ten. antwoord: „er kan maar één God zijn. Christus is God, alzoo is Hij „de ware God. Aan vele goden gelooven de kinderen niet meer.quot; Asklepiades beefde van toorn en schaamte, te meer daar een kind van die jaren volgens de wet niet gestraft kon worden. „Van wien hebt „ge die woorden geleerd?quot; vroeg hij driftig. „Van mijne moeder, en „mijne moeder van God,quot; zeide het kind. „Laat de moeder komen, en ,izij zal door de doodsmart van haar geleerd kind gestraft worden,\' beval de wreedaard. De moeder kwam; zij dacht aan de moeder der Macchabeën, die hare zeven zonen voor (iod had zien s erven. Het zwakke kind werd mot roeden zoo hard geslagen, dat zijn bloed den grond besproeide. Al het volk, zelfs do beulsknechten weenden onwillekeurig over het bittere lijden van dit kind, en vele vrouwen braken in luide weeklachten uit. Asklepiades gebood door het zwaard een einde aan zijn leven te maken. De moeder hief nu haren bijkans stervenden lieveling van den grond op, nam hem in hare armen, drukte hem aan haar hart, en droeg hem naar de rechtsplaats. En toen de beul den knaap van haar eischte, aarzelde zij niet; zij kuste hem nogmaals, en zeide: „leef wel, liet\' kind! denk aan mij in het rijk van „Jesus Christus! Daar kunt gij mijn beschermer worden.quot; Vervolgens bad zij: „O Heer, U schenk ik mijn kind, den zoon uwer dienares,quot; spreidde haren mantel uit, en viiig daar het kleine bloedende hoofd in op, hetwelk, als een bloempje onder de zeissen, door het zwaard was afgesneden.

Niet minder merkwaardig is de belijdenis van zekeren Quiricus, eveneens een driejarig knaapje. Julitta, zijne moeder, eene jonge weduwe uit een voornaam geslacht, werd in de Diocletiaansche vervolging te Tarsus door eene woeste bende aangegrepen, en bij den stadhouder gebracht. Deze vroeg haar naar haar vaderland, vermogen en naam. Julitta zeide eenvoudig: „ik ben eene Christin!quot; Die onverschrokkenheid mishaagde den wreedaard hoogstens. Julitta had Quiricus op den arm, die er schoon en aanvallig uitzag. Alexander ontnam haar eerst het kind en liet haar vervolgens onmenschelijk met koorden slaan, lot zij met vreeselijke wonden bedekt was. Middelerwijl hadden de beulen den kleinen Quiricus aan den stadhouder overgegeven, die hem op zijne knie zette,lief koosde, vleiend met hem sprak, en hem zocht te verstrooien, opdat hij niet zou weenen. Maar de oogen van het kind schoten vol tranen, en waren aanhoudend op zijne moeder gericht. Toen de stadhouder den kleine wilde kussen, verweerde hij

-ocr page 179-

163

heid onder het kruis van den stervenden Heiland stonden. Met de daad beleden het Joseph van Arimathea en Nicodemus, toen de eerste aan Pilatus het lichaam van Jesus vroeg, en zij vervolgens het gezamenlijk van het kruis afnamen, balsemden en in het graf legden. En ook wij belijden ons geloof door daden, als wij den kerkelijken godsdienst aandachtig bijwonen, de heilige Sacramenten ontvangen, aan de processies of aan andere openbare plechtigheden van onzen H. godsdienst eerbiedig deel nemen. — Duidelijk blijkt uit de woorden van den H. Paulus, dat wij verplicht zijn, ons geloof te belijden; hij zegt: „met het hart gelooft men ter „rechtvaardigheid, en met den mond geschiedt de belijdenis „ter zaligheidquot; (Kom. X, 10). En Christus zelf legt ons dien plicht nadrukkelijk op met de woorden: „wie Mij voor „de menschen belijden zal, dien zal ook Ik erkennen voor „mijnen Vader, die in den hemel isquot; (Matth. X, 32). Derhalve mag men niet zeggen; God kent de gesteltenis van mijn hart; Hij weet, dat ik aan Hem geloof, in het ver-

zich met alle krachten, stiet hem met zijn voetje in de zijde, en als door eene hoogere macht bezield, riep hij: //ik ben een Christen! ik «ben een Christen!quot; Hierdoor geraakte de stadhouder in eene zoo hevige woede, dat hij den driejarigen Qniricus bij den voet greep, en van zijn hoogen rechterstoel af met alle geweld op den grond wierp. Het hoofd van den jeugdigen martelaar was op de steenen trappen verbrijzeld, en de plaats rondom met zijn onschuldig bloed besprenkeld. Julitta dankte God, dat het Hem behaagde, haren zoon de onverwelkbare overwinningskroon te geven. Ook zij werd gruwelijk gemarteld en eindelijk onthoofd.

In deze beide kinderen zien wij vervuld de woorden van den koninklijken Profeet (Ps. VIII, 3): //Gij, o Heer, hebt U lof bereid uit den „mond der kinderen en der zuigelingen.quot; (Uitvoeriger zijn beide verhalen te lezen in het werk van Gravin Hahn-Hahn; „die Martyrer.quot;)

In de dagen der rampzalige fransche revolutie, toen het als eene misdaad^ word aangerekend, christelijk geloof te toonon gebeurde het (14 Juni 1794), dat het doodvonnis over een geheel nonnenklooster (van Montmartre) in Parijs werd uitgesproken. Op de openbare gerechtsplaats zouden alle kloostermaagden onder de bijl hun leven laten. De wagens kwamen aan de poort des kloosters, om de offers te vervoeren. De vrome zusters stegen er moedig op, en hun geloof aan Christus en zijne allerheiligste Moeder luid belijdende, hieven zij bij dien laatsten tocht het ./Salve Reginaquot; aan; zij zongen het door de straten rijdende, zij zongen het op de gerechtsplaats, zij zongen het, terwijl de eene na de andere haar hoofd onder de mo\'ordbijl legde, en eerst toen de laatste, de abdisse, het hoofd had gebogen, hoorde men het Salve Regina niet meer, dat nu in den hemel werd voortgezet. Het woedende volk had onthutst die plechtige gelootsbelijdenis aangehoord. lien was in die dagen gewoon met wild gebrul en hoonlachend gehuil rond het moordblok te dansen, als er velen te gelijk werden omgebracht. Maar thans lachte niemand .schreeuwde en danste niemand; als uit eene diepe bedwelming ontwaakt, hoorde het volk zwijgend het gezang der stervenden aan, ja sinds dien stonde had het gejubel bij de voltrekking van het doodvonnis nimmer meer plaats.

11*

-ocr page 180-

164

borgen Hem aanbid, ziine Kerk inwendig hoogschat en vereer; miin jreloof blijft echter in mijn hart, de wereld behoeft het niet te kennen. Neen.. . . willen wij, dat Christus ons op den laatsten dag erkenne als zijne leerlingen, die aanspraak maken kunnen op het hemelrijk, dan mogen wij thans ons niet schamen of vreezen, als zijne leerlingen op te treden, zijne eer openlijk te verkondigen en voor burgers gehouden te worden van het rijk, dat iiij hier op aarde gegrondvest heeft. — \'t Is een laf soldaat, die bevreesd is, den uniform van zijn stand of de wapenen zijns konings te dragen. Wat zouden wij denken van een kind, dat zegt, in zijn hart de oprechtste liefde en achting voor zijne ouders te koesteren, maar uitwendig zich trotsch en onverschillig jegens hen gedraagt? De inwendige vereering van God is wel de hoofdzaak, want de Heer ziet vooral op het hart (1. Kon. XVI, 7); maar ook de uitwendige is noodzakelijk. Door deze moet de inwendige bevorderd, en de godsdienst onder de menschen bewaard en aangekweekt worden. De Zoon Gods kwam zichtbaar ter wereld, Hij stichtte een zichtbaren godsdienst of Kerk, want de Kerk is het licht, bestemd door hare leer de wereld te verlichten. Derhalve moet zij , volgens de uitdrukking van het Evangelie, niet verborgen worden onder de korenmaat, maar op den kandelaar staan (Matth. V, 15). Indien er echter geene verplichting bestond, om het geloof uiterlijk te belijden, dan zou eene zichtbare Kerk riet mogelijk zijn. Want de Kerk bestaat uit de waargeloovigen; deze nu zijn slechts te kennen, wanneer zij hun geloof uitwendig belijden. Evenmin als het inwendig geloof zonder de uiterlijke belijdenis zichtbaar is, kan zonder deze de Kerk zichtbaar wezen. Indien de Christenen ten tijde der vervolging den Heer niet openlijk erkend hadden, zou de zichtbare d. i. de katholieke Kerk, noodzakelijk ten gronde gegaan zijn. l) Daaruit blijkt, dat de belijdenis des geloofs wezenlijk een plicht van den Christen is.

Hoewel het nimmer, in geen enkel geval, geoorloofd is, het geloof ook maar in schijn te verloochenen, wordt echter ter zaligheid niet vereischt, dat geloof ten alle tijden en op alle plaatsen uitdrukkelijk te belijden, maar alleen dan, wanneer, door het achterlaten van die belijdenis, God de verschuldigde eer of den naaste de verschuldigde stichting onttrokken zou worden. ■) Men is alzoo niet verplicht, ieder, die ons voorbarig of zonder daartoe bevoegd te zijn

\') Möhler: die hohe Bedeutung des Miirtyrthums.quot; Summa ïliomae, 3. 2. C[. 3. a. 2.

-ocr page 181-

165

naar ons geloof vraagt, te antwoorden, maar men is verplicht, dit te doen, wanneer men door het wettig gezag ondervraagd wordt \') en zoo vaak het stilzwijgen voor een teeken wordt gehouden, dat men zich over zijn geloof schaamt, of oorzaak zou wezen, dat anderen in het ware geloof wankelend of weifelend worden. Ook zou het geen kwaad zijn, in een land, waar de geloovigen vervolgd worden, door de vlucht zich aan de vervolging te onttrekken (Matth. X, 28), of we-, teneinde spotternij met den godsdienst, godslasteringen of andere zware zonden te voorkomen, eeue of andere christelijke oefening na te laten, mits door dat nalaten geene ergernis ontsta of geen hoogere plicht verzuimd worde. Het gezegde van den Kathechismus, dat men zijn geloof „overalquot; vrijmoedig belijden moet, beteekeht dus; overal, waar de eer aan God verschuldigd of het ziele-heil van den naaste dit vordert. 2)

gt;) De tegenovergestelde leer is veroordeeld door Paus Innocentius XI, 18dc stelling.

\') ïen tijde, dat de katholieke Kerk in Engeland eene zware vervolging te doorstaan had, wijl de koningin Elisabeth onder de grootste straffen gebood, niet den Paus maar haar zelve als opperhoofd der Kerk te erkennen, — nam een katholiek priester. Person genaamd, de edele taak op zich, de Katholieken in hun geloof te sterken en hun onder aanhoudend levensgevaar priesterlijke hulp te leenen. Eens zat hij aan tafel, midden onder personen van hoogen rang, die tot het hof van de koningin behoorden; want ook bij de grooten wist hij zich als een fijn opgevoed mensch bemind te maken. Stipt moest hij echter voor hen verborgen houden, dat hij katholiek priester was, wilde hij zijn leven en het heil der zijnen niet op het spel zetten. Toen zij nu eenigen tijd aan tafel geweest waren, ging er een volle beker rond met den toast: „Leve Elisabeth, het opperhoofd der Kerk!quot; Wat zou Person beginnen? Wanneer hij niet mede instemde en den beker voorbij liet gaan, kon hij zeker zijn zich te zullen verraden en den weg naar het schavot te bewandelen; als hij echier mede instemde, moest hij een alvallige worden en de Kerk Gods verloochenen. Al nader en nader kwam de beker, en grooter en altijd grooter werd Person\'s verlegenheid. Eensklaps liet zich beneden op de straat een omroeper hooren; het was een schoenmaker, die zijne oude en nieuwe schoenen te koop bood. Ijlings stond Person op, deed een venster open, en beval den wandelenden kramer boven te komen. Hetgeheele gezelschap, dat eene ot andere klucht van Person verwachtte, keek gespannen, wat er toch gebeuren zou. De schoenmaker trad met zijne waren de eetzaal binnen, en Person vroeg hem: «Hoeveel paar schoenen, «als deze hier, maakt gij diigelijks klaar?quot; De man antwoordde: „Met ,groote moeite hoogstens drie paar.quot; Wie wed met mij,quot; riep Person, fdat ik in een half uur twaali paar schoenen vervaardig?quot; ilen ging de weddingschap aan. Person riep nu tot zijn bediende: „breng haastig „mijn leer en gereedschap!quot; en fluisterde hem nog eenige woorden toe. De knecht kwam weldra terug, en bracht twaalf paar laarzen benevens een mes; daarmede sneed Person vlug het bovenleer weg, en na eenige minuten waren de twaalf paar schoenen gereed, liet geheele gezelschap begon luide te lachen en aan den gevaarlijken toast werd niet meer gedacht. Wat was echter bij die klucht de hoofdzaak?

-ocr page 182-

166

Bestaat er ook een JA zonder teeken, waardoor de katholieke Christen zijn geloof belijdt ?

Ja, het teeken des heiligen kruises. — Ten alle tijden is de teekening met het H. kruis als eene openbare en plechtige belijdenis van het christelijk geloof beschouwd, zoowel door Christenen als niet-christenen. Eeeds in de dagen der bloedige vervolgingen hebben de geloovigen door dat teeken bij de heidensche tirannen zich als Christenen bekend gemaakt, en die belijdenis met hun bloed bezegeld, gelijk de akten der HH. Martelaars getuigen. Voor ons Katholieken dient verder het H. kruisteeken, om ons, als kinderen der katholieke Kerk, van andersdenkenden te onderscheiden, daar alle andere godsdiensten, welke zich sinds drie eeuwen van de katholieke Kerk hebben afgescheiden, het schoone gebruik om zich met het kruis te teekenen verwerpen.

Waarom gebruiken wij ter belijdenis van ons geloof het heilig kruisteeken ?

Wijl het de drie voornaamste geheimen van onzen godsdienst aanduidt: het geheim der allerheiligste Drievuldigheid, de menschwording van God den Zoon en de verlossing van het menschdom uit de zonde.

1°. Het geheim der li. Drievuldigheid; want gewoonlijk spreken wij bij het maken van het H. kruis de woorden: ,,In den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes „Amen.\'\' Als wij zeggen: in den naam en niet in de. namen, belijden wij, z^oals de H. Augustinus opmerkt . (Verhand, over Joan. 1. nquot;. 3 ), eénen God, en als wij daar bijvoegen: des Vaders en des Zoons en des R. Geestes, belijden wij drie verscheidene personen in de ééne Godheid. 9°. De mensch-wording van God den Zoon. Als wij de hand van het voorhoofd tot de borst nedertrekken, belijden wij, dat Gods Zoon van den hemel is neêrgedaald en mensch geworden. 3quot;. Het geheim der verlossing. Jesus, de tweede persoon der H. Drievuldigheid, heeft het werk onzer verlossing aan het kruis volbracht. Om die reden is het kruis het glorierijke teeken onzer verlossing. Wanneer men zich nu met het kruis teekent, met de hand het teeken des kruises over zich maakt, geeft men derhalve openlijk te kennen, dat men een leerling is van Hem, die ons door zijn dood aan het kruis verlost heeft, en dat wij van Hem, den gekruisten Godmensch , alle heil, alle genade en zegeningen verwachten.

-ocr page 183-

167

Den Jood is wel het kruis eene ergernis en den Heiden eene dwaasheid, maar ons verkondigt het Gods kracht en Gods wijsheid.

Nog op eene andere wijze wordt somwijlen het H. kruisteeken gemaakt; nu en dan teekenen wij namelijk met den rechter duim het voorhoofd, den mond en de borst, onder aanroeping der H. Drievuldigheid, met een klein kruis. Ook deze wijze van het kruisteeken te maken heeft eene bizondere beteekenis. Als wij op het voorhoofd het kruis teekenen en daarbij tin den naam des Vadersquot; zeggen, willen wij God den Vader onze gedachten toewijden en Hem bidden, dat Hij ons voor slechte gedachten beware. Als wij den mond met het kruis teekenen zeggende: „en des Zoons.quot; willen wij God den Zoon, het eeuwige Woord des Vaders, onze woorden aanbevelen, opdat Hij ze heilige. Ten laatste, terwijl wij bij de woorden «en des H. Geestesquot; liet kruisteeken maken over de borst of het hart, den zetel aller wenschen en begeerten , smeeken wij den H. Geest, dat al onze wen.-chen en begeerten benevens onze werken eenig en alleen te zijner eere mogen verstrekken. Dit kleine kruis maken wij vooral, als het Evangelie bij de H. Mis of voor de predikatie gelezen wordt, opdat God door de verdiensten van Jesus den Gekruiste ons de genade verleene, het Evangelie met het verstand te vatten, met den mond te belijden en met het hart te beminnen. Ook de Priester aan het altaar teekent -zich met het kleine kruis bij het begin van het Evangelie, om aan te duiden, dat de leer van Jesus Christus hare wereldveroverende kracht aan het kruis te danken heeft, en dat het gedeelte, hetwelk nu gelezen zal worden, de woorden zijn van den voor ons aan het kruis gestorven Heiland.

Ten laatste moeten wij nog iets zeggen over de woorden: //in den /,naam,quot; en het slotwoord: //Amenquot; Ue uitdrukking „in den naam //Godsquot; heeft in de H. Schrift verscheiden beteekenissen. Nu eens wil het zeggen: //in het wezen en in de heerlijkheid Gods,quot; dan weêr «in de kracht,quot; of: „met de hulp Gods,quot; somtijds: „in den zin en in „den geest Gods,quot; niet zelden: „op last of bevel Gods.quot; Zoo zegt men ook van den gezant eens vorsten, dat hij in diens naam handelt, wanneer hij op bevel of op last van zijn vorst iets verricht. Dikwijls beteekent het: „om God of om Gods wil.quot; In dien zin spreekt Christus (Marc. IX, 40): „Wie u een beker water te drinken geeft in „mijnen naam.quot; In Gods naam iets doen, is ook zooveel als: het ter eere Gods doen. Daarom zegt de H. Paulus (Col. III, 17): „doet ./alles, wat gij verricht in den naam des Héerenquot; (1. Cor. X, 31). „doet het ter eere Gods.quot; Uit deze verschillende beteekenissen ziet men, dat het H. kruisteeken verschillende doeleinden hebben kan, en dat het vooral geschikt is, om bij het begin onzer handelingen de goede meening uit te drukken, en te kennen te geven, dat wij die voor God , ter zijner eere, met zijne g:cnade en overeenkomstig zijn gebod verrichten willen. — Het slotwoordje „Amen,quot; hetwelk de H. Hieronymus (Comment, over Matth. VI), het zegel des gebeds noemt, drukt den wensch uit, dat onze bede verhooring moge vinden, en tevens is het ook eene bekrachtiging van onzen ernstigen wil en onze goede meening, als zeiden wij: „het zij zoo.quot;

Vanwaar komt het gebruik van het maken des H. kruises? Dit gebruik is zeer oud, en dagteekent van de tijden der Apostelen.

1) Dat het zeer oud is, en dat het reeds in de eerste tijden zoowel in de oostersche als westersche Kerk algemeen in zwang was, bewijzen de getuigenissen der HH. Vaders

-ocr page 184-

168

en der oudste kerkelijke schrijvers.\') Tertullianus, Basilius, Cyrillus, Gregorius van Nazianze, Chrysostomus , Ephrem , Ambrosius, Hieronyraus , Augustinus en vele andere spreken er van als van eene overal bestaande gewoonte. „Alle „Christenen,quot; zegt de H. Augustinus, quot;) „teekenen zich met „het H. kruis. Vraagt men een catechumeen (iemand, die het H. Doopsel zal ontvangen): „Gelooft gij aanChristus? „hij antwoordt: ik geloot! en teekent zich met het kruis „van Christus.quot; 1) „Zonder dit teeken wordt geene wijding, „noch van het Doopwater, noch van de H. Olie of het „Chrisma behoorliik verricht.quot; \')

„Overal,quot; schrijft de H. Chrysostomus, 2) „vindt men het „teeken des kruises, bij vorsten en onderdanen , bij vrouwen, „maagden en mannen, bij slaven en vrijen, ieder teekent „er zich mede en drukt het op het voornaamste deel des „lichaams , op het voorhoofd.quot; Bizonder merkwaardig zijn de woorden van Tertulliaan: 3) „Bij het begin en einde van „eenig werk, bij het in- en uitgaan, bij hel aantrekken van „kleederen of schoenen, bij het wasschen, aan tafel, als „men het licht ontsteekt, bij het slapen gaan, bij het zitten „en bij ailes, wat wij doen, teekenen wij Christenen ons „voorhoofd met het teeken des H, kruises.quot; Reeds in de eerste tijden des Christendoms was alzoo het H. kruisteeken niet minder in zwang dan heden. Behalve uit deze getuigenissen der Vaders blijkt de hooge ouderdom en de algemeeue verspreiding van dit christelijk gebruik ook uit de oudste sekten, de Jacobiten, Nestorianen en eveneens de Grieken en Kussen, die allen, ofschoon op eenigszins verschillende wijze, het kruis maken.

2) Uit de reeds aangehaalde feiten, trekken wij met recht het besluit, dat het christelijk gebruik van het maken des H. kinises uit de apcmtolUcAe tijden, derhalve van de Apusleten voortkomt, hetgeen daarenboven ook door de 11H. Vaders gt-leerd wordt. \') Tot dit besluit komen wij door den volgenden regel, welken de H, Augustinus s) gesteld heeft: „Hetgeen door de geheels Kerk in acht genomen „wordt en, zonder in Kerkvergaderingen bepaald te zijn,

1

j In Joan, tract. II.

2

s) In demonst. adv. Gentiles.

3

) De coi\'on. milit.

-ocr page 185-

169

„ten alle tijden gehouden is, dat nemen wij met volle recht „als apostolische overlevering aan.quot; Nergens vinden wij, dat het kruisteeken door Conciliën werd verordend en ingevoerd ; maar het is een onloochenbaar feit, dat het van oudsher in de geheele Kerk in zwang was; derhalve besluiten wij, dat wij het van de Apostelen door de kerkelijke Overlevering ontvangen hebben. Velen zijn zelfs van meening dat reeds in het Oude Verbond het kruisteeken was aangeduid, en dat Christus zelf er zich van bediende, toen Hij, ten hemel varende, zijne leerlingen zegende. En om die reden zou het gebruik van dit teeken reeds in de eerste dagen des Christendoms zoo algemeen verbreid zijn geworden. Zeker is het, dat dit gebruik van de Apostelen voortkomt, door de HH. Vaders eenparig erkend en geroemd, en bij de geheele christelijke Kerk in zwang gebleven is. Wie het als iets van geene waarde, ja als iets bijgeloovigs verwerpt, laakt en onteert derhalve de apostolische tijden, de HH. Kerkvaders, ja de geheele Kerk van Christus.

JVanneer moeten wij het kruisteeken maken.

Het is goed en heilzaam, naar het voorbeeld der eerste Christenen, het dikwerf te maken, vooral wanneer wij opstaan en gaan slapen, voor en na het gebed, voor ieder belangrijk werk en in alle bekoringen en gevaren.

Alzoo deden reeds de eerste Christenen, gelijk uit de boven aangehaalde getuigenissen der Vaders blijkt. Herhaaldelijk werden zij daartoe vermaand en opgewekt. „Wat „gij ook doet en waar gij ook moogt gaan, telkens moet „uwe hand het kruisteeken makenschrijft de Kerkleeraar Hieronymus \') aan de christenmaagd Eustochium. „Maak „dit teeken als gij eet, drinkt, zit, staat, spreekt, kortom „bij elk werk.quot; Zoo leert de H. Cyrillus, 2) Bisschop van Jerusalem. Ook bizonder bij het in- en uitgaan van de kerk, en alvorens men zich ter ruste begeeft, 1j wil hij, dat de Christenen zich met het kruis zuilen teekenen. — Het behoort, dat wij ons met het H. kruis vooral \'s morgens bij het opstaan teekenen, om terstond de eerstelingen van den dag den Heer toe te wijden, en des avonds vóór dat wij slapen gaan, om van alle kwaad bevrijd te worden, alsmede voor en na het gebed; want het is wel billijk, dat

1

) Catech. 13.

-ocr page 186-

170

wij de heiligste handeling hizonder aan God toewijden, en door het kxuisteeken ons herinneren aan onze verplichting, in den naam van Jesus den Gekruiste te bidden. Bovendien moet vdór iedere gewichtige bezigheid het kruisteeken onze meening heiligen en den zegen Gods over ons afsmee-ken ; ook in alle bekoringen en gevaren moet het dienen, om den duivel van ons af te weren en ons te versterken in den strijd, gelijk uit het volgende antwoord zal blijken.

Waarom is het heilzaam, dikwerf het kruisteeken te maken?

Wijl wij ons daardoor 1) tegen de aanvallen van den hoozen vijand wapenen. Deze reden halen vooral de HH. Vaders aan, wanneer zij de geloovigen vermanen, zich dikwijls met het H. kruis te teekenen. „Schrijf het teeken des kruises „op uw voorhoofd,quot; spreekt de H. Cyrillus,1) „opdat de „duivels, als zij het teeken des Konings zien, sidderen en „verre van u vluchten.quot; „Maak dit teeken,quot; dus schrijiu de H. Ephrem5), „op voorhoofd, mond en hart. Bij dag „en bij nacht en op alle plaatsen, dek u met dit pantser, „en geen kwaad zal u overkomen; want bij het zien van „dit teeken gaat de macht der hel sidderend op de vlucht.quot; Het kind siddert voor de roede, waarmede het getuchtigd

is, vliedt het vuur, waaraan het zich gebrand heeft.....

zoo siddert de duivel voor het kruis. Kunnen wij ons verwonderen , dat onze Heiland eene bizondere kracht aan het teeken des H. kruises verbonden heeft, daar Hij door den dood aan het kruis de wereld heeft verlost, en het derhalve een eeuwig gedenkteeken is van de overwinning, welke Hij over de macht der duisternis behaald heeft ? Vertrouwende op die onoverwinnelijke kracht, bezweert de Kerkdebooze geesten met de woorden: „ziet het kruis des Heeren, vlucht „gij machten der hel! want de Leeuw van Juda\'s stam „heeft u overwonnen!quot; Door dat vertrouwen is het vrome gebruik ontstaan, bij alle bekoringen en in alle gevaren, zich met het H. kruis te teekenen. Het H. kruisteeken is het wapen, waarmede de H. kluizenaar Antonius, gelijk de H. Athanasius 2) verhaalt, den strijd tegen de booze geesten volhield. „Door het kruisteeken,quot; schrijft Lactantius, 3) „hebben de Christenen de afgodsbeelden van de altaren „geworpen, door het kruisteeken dreven zij zelfs de booze

1

!) Catech. 4.

2

) In vita s. Antonii.

3

J Do morte persecut.

-ocr page 187-

171

„geesten uit de menschen.\'\' Met die wapenrusting voorzien hebt ook gij, lezer, de aanvallen van den boozen vijand niet te duchten. — Het is heilzaam dikwijls het kruisteeken te maken , wijl wij daardoor 2) den zegm des hemels over ons afsmeeken. Gelijk de zonde de bron is van vervloeking, zoo is het kruis de bron van zegening. Want alle zegeningen des hemels hebben wij te danken aan de oneindige verdiensten van onzen Heiland, die aan het kruis voor ons voldaan heeft. Het kruis, vroeger het schandelijk werktuig des doods, is nu het werktuig des levens en de bron des heils. Daarom geeft de Kerk nooit den zegen, zonder het kruisteeken te maken. Zelfs als de Priester met het Allerheiligste het volk zegent, maakt Lij dit heilig teeken. Ook het offer, waarbij Christus zelf voor ons om zegen bidt, teekent hij dikwijls met het H. kruis, wijl alle zegeningen ons enkel door den kruisdood geworden. — Wanneer wij derhalve, den zegen des hemels over ons afsmeekende, ons met het H. kruis teekenea, volgen wij hierin den geest der Kerk, zooals zij dien in hare heiligste handelingen openbaart. Door het kruisteeken over ons te maken, spreken wy tot God: zie niet, hemelsche Vader, op onze zonden en misdaden, die ons uwe goddelijke genade geheel onwaardig maken, maar zie op het kruis van uwen geliefden Zoon, dat op ons voorhoofd is gedrukt, dat wij met den mond belijden en eerbiedig in ons hart dragen. Wees ons om den bitteren dood, welken Hij aan het kruis voor ons ondergaan heeft, genadig, en verleen ons bij al ons doen en laten den bijstand uwer genade en uwen rijkelijken zegen. Zulk een gebed blijft niet onverhoord, gelijk wij zien uit de vele weldaden, welke door het H. kruisteeken van God verkregen, en uit de ontelbare wonderen, die ten alle tijden door dat H. teeken verricht zijn. i)

\') Finnus en Rustic as werden op bevel van de heidensclie overheid in het vuur geworpen. De HII. Martelaren teekenden zich met het H. kruis; terstond splitste zich de vlam en verbrandde diegenen, die hen er in hadden geworpen, maar verzengde geen enkel haar van het hool\'d der Christenen (Acten der Martelaars bij Ruinart).

Na den dood van keizer Julianus den afvallige ontstond er in verscheidene plaatsen eene verschrikkelijke aardbeving. De zee trad buiten hare perken en dreigde de aarde te overstroomen. Toen smeekten de inwoners van Epidaurus, eene stad in Peloponnesus, den H. kluizenaar Hilarius om hulp. Hilarius begaiquot; zich naar het strand en teekende drie kruisen in het zand. De zee bruiste nog eenmaal hoog op, doch als door een machtigen dam teruggehouden, zonken de baren plotseling neder en verhieven zich niet meer; de stad was gered. „Dit wonder,quot; zegt de H. Hieronymus, die het beschrijft, „wordt in de geheele land-«streek tot op dezen dag verhaald, en de moeders leeren haren kin-z/deren, dat zij hei aan hunne nakomelingschap moeten mededeelenquot; (uit de levensgeschiedenis van den II, Hilarius door den H. Hieronymus).

-ocr page 188-

172

Mocht gij de kracht van het H. kruisteeken no» niet ondervonden hebhen , onderzoek dan eens , of de schuld niet aan u licht. „Waarom,quot; vraagt een vroom schrijver, „ondervinden zoo weinigen de kracht van het H. kruis? „Wijl zij wel,quot; antwoordt hij , „het kruis op hun voorhoofd, „maar den Gekruiste niet in het hart dragen; want men „moet het H. kruis niet alleen met den duim op het hoofd, „maar ook met een innig geloof in het hart schrijven.quot; „Wanneer gij u met het kruis teekent,quot; zegt de H. Kerkleeraar Ghrysostomus (Hom. 54 en 55 over Matth.), „over-„weeg dan de geheele heteekenis van dat geheim; verdrijf „uit uw hart den toorn en alle hooze neigingen, en stel „een groot vertrouwen in het H. kruis. Want het betaamt „niet, dat gi] het zoo onachtzaam maakt; gij moet het met „aandacht, met een vast geloof en vertrouwen doen. Als „gij u op die wijze met het kruis teekent, dan zal geen der „onreine geesten iets op u vermogen; maar als gij het gedachteloos , zonder eenige godsvrucht doet, zal u geene „genade geworden.quot;

Bedenk derhalve, van hoevele genaden gij u door uwe onachtzaamheid berooft, dat gij zelfs ergernis geeft, als men u zoo oneerbiedig en lichtzinnig het H. kruisteeken ziet maken, gelijk helaas! vele Christenen doen.

Den H. Benediotus gaf men een beker wijn, die met gif vermengd was. Volgens zijne gewoonte maakte Benedictas het kruisteeken over den wijn, en terstond sprong de beker in stukken. Alzoo verliaaltde H. Paus Gregorius in het leven van dien Heilige. — In hetzelfde jaar, dat de H. Beuedictus stierf, werd de H. Albin op den bissclioppelijken zetel van Angers in Frankrijk verheven. Van dezen wordt bericht, dat hij door liet H. kruisteeken verscheidene blinden en ook de kromme en verdorde hand eener vrouw, Grata genaamd, genezen heeft (uit de Bollandisten, 1 Maart).

Be 11. keizerin Cunegonda liet zich eens tot diep in den nacht uit de H. Schrift voorlezen, en nu gebeurde het, dat de voorlezeres insluimerde en de kaars uit hare hand liet vallen. Weldra stond het ledikant van Cunegonda in vlam. Be Heilige maakte het H. kruisteeken, en ongenblikkelijk doofde het vuur uit, zonder de geringste schade te hebben veroorzaakt (Bollandisten. 3 Maarl). — Boor het kruisteeken bluschte de zalige Bonavita eensklaps een geweldigen brand, genas hij vele zieken, verdreef den boozen geest uit bezetenen, splitste een grooten stroom, zoodat hij er droogvoets door kon gaan. (Bonavita was een slotenmaker, die in een Italiaansch stadje leefde en in het jaar 1475 te Lugo stierf. Bollandisten, 1 Jlaart.) — Van de ontelbare wonderen, welke in alle eeuwen door het kruisteeken gewerkt zijn, hebben wij hier slechts deze weinige, zonder bizondere keuze, medegedeeld. In de levensbeschrijvingen der Heiligen door de Bollaiuli-ten vindt men voorbeelden in menigte.

Z. H. Pius IX heeft een allaat van 50 dagen verleend, zoo dikwijls men met een rouwmoedig hart, onder aanroeping dor H. Drievuldigheid, het kruisteeken maakt.

-ocr page 189-

173

TOEPASSING.

Ten slotte herdenke men nog eens de gewichtigste punten van de leer over het geloof in het algemeen, welke wij tot dusverre verklaard hebben. Men herinnere zich, dat het geloof ter zaligheid noodzakelijk is, dat het algemeen, vast, levend en standvastig moet zijn. Men overwege andermaal, dat men zich om de vriigeesten niet over zijn geloof mag schamen, maar er eene eer in moet stellen, katholiek Christen te zijn. Volgen wij het voorbeeld van Koning Alphonsus van Castilië, een der verstandigste en vroomste voisten, die ooit geregeerd hebben. Van iedere gelegenheid maakte hij gebruik, om voor de wereld te toonen, hoe hoog hij de genade van Christen te zijn wist te schatten. Niet zelden barstte hij bij de overweging van dit hemelsch geschenk in tranen uit. „Onophoudelijk dank ik mijnen God,1\' was hij gewoon te zeggen, „niet dat ik Koning, maar dat „ik Christen ben.1\'

Men bedenke eindelijk, hoe noodzakelijk het is; zich immer te wachten voor den omgang met ongodsdienstige menschen en het lezen van slechte boeken , wijl daardoor het geloof vooral in gevaar wordt gebracht. Waarom zoudt gij u over uw geloof schamen ? Schaamt men zich over zijne hooge geboorte, over zijne groote kennis, over eene rijke erfenis ? Door uw geloof zijt ge waarlijk een kind Gods, bezit gij de wetenschap aller wetenschappen, verkrijgt ge recht op het hemelsche erfgoed. Schaamt de soldaat zich over het vaandel van zijnen koning? Ziet gij niet, hoe hij integendeel op dat vaandel zweert, er voor strijdt en het tot in den dood verdedigt? En zoudt gij u schamen over het zege-teeken van uwen Koning, over het H. Kruis, dat ons alle zegeningen gebracht heeft, waar alle grooten dezer aarde zich voor hebben neêrgebogen, dat de wereld veroverd, de macht der hel verbroken en ons het rijk der hemelen ontsloten heeft! Vrees derhalve niet, als zij, die zich wijs wanen, in hun ongeloof met uw geloof den spot drijven en het „kinderachtig bijgeloof\' heeten. Denk aan de woorden van den H. Apostel: „de wijsheid dezer wereld is dwaas-„heid bij Godquot; (1. Cor. Vlli, 19). Denk eens in wat diepe duisternis zij wandelen, die niet aan God, niet aan de onsterfelijkheid gelooven, die leven als het redelooze dier. Voorwaar zulk eene wijsheid is niet te benijden en nog minder het lot, hetwelk hen in de andere wereld wacht. Immers er zal een dag aanbreken, dat Christus onze Heer, door millioeuen Engelen omgeven, met het kruis hoog in

-ocr page 190-

174

de wolken als eene zegevaan, zal komen om te oordeelen. Hoe zullen zij dan verstommen , beschaamd hunne oogen ter aarde slaan, en in vertwijfeling geraken , die nu zoo trotsche ongeloovigen, wanneer de eeuwige Eechter ook hen verloochenen en hunne vrijwillige blindheid met de eeuwige duisternis bestraffen zal! — Stel u dien dag voor den geest, zoo dikwerf gij bekoord wordt, u over uw geloof te schamen. Op dien oordeelsdag zult gij voorzeker wenschen, altijd oprecht en vrij uw geloof beleden, op uw geloof u beroemd te hebben; welaan, dat reeds nu uwe onherroepelijke belofte zij: „ik schaam mij over het Evan-„gelie niet\'\' (Rom I, 16); integendeel „het zij verre van mij „in iets anders te roemen dan in het kruis van onzen Heer „Jesus Christusquot; (Gal. VI, 4) Op dien dag zult gij gewis erkennen, hoe beleedigend voor God, boe strafbaar en gevaarlijk het geweest is, door den omgang met goddelooze menschen en het lezen van slechte boeken, het ongeloof aan te kweeken; neem het besluit, voortaan die gevaren als even zoovele vergiftige slangen te vermijden. Verkeer derhalve nimmer met personen, die weinig werk van hunnen godsdienst maken, die met dingen, welke allen Christenen heilig moesten zijn, lichtzinnig den spot drijven of om godsvrucht en vroomheid lachen. Ziet gij, dat zij de Godsdienstoefeningen in het geheel niet bijwonen , of er zich onbehoorlijk en ongepast bij gedragen, wacht u wel hen na te volgen, maar tracht door uwen grooten eerbied voor den H. godsdienst hen te verbeteren, zonder vrees, dat men u als een vrome uitlacht. Acht u integendeel gelukkig, als gij om uwen godsdienst bespotting moogt verduren (1, Petr. IV, 14). Vertrouw hen niet, die zich beroemen, omtrent den godsdienst hunne eigen inzichten te hebben, al zouden zij ook aanvankelijk met hunne slechte grondstelling niet voor den dag komen. Vertrouw hunne huichelachtige woorden niet. Of waarschuwt Christus zonder grond, dat wij op onze hoede moeten zijn voor de valsche profeten, „die in schaapskleederen tot ons komen, maar inwendig „grijpende wolven zijnquot; (Matth. VII, 15)? Ontvang nimmer uit hunne hand een boek, dat zij u ter lezing aanbevelen, tenzij uw biechtvader u verzekere, dat gij het zonder gevaar kunt lezen.....Wees overtuigd, dat van het nakomen

van dit voorschrift uw tijdelijk en eeuwig geluk afhangt. Met eene menigte voorbeelden zouden wij dit kunnen staven: een enkel moge voldoende zijn.

Eenige jaren geleden werd, volgens de nieuwsbladen, te Kamerijk in Frankrijk een jongeling gevonden , die zich onder een eik had doodgeschoten. Naast hem lag het pistool.

-ocr page 191-

175

Op een briefje, dat men in zijne kleederen vond, las men de volgende met potlood geschreven woorden; „gij die mijn „lijk vindt, verneem, dat ik vijf jaren volgens de voor-„schriften van het H. Evangelie leefde, en daarin onnoeme-„lijk veel troost en tevredenheid vond. Door een niet ge-„noeg te beweenen ongeluk, geraakte ik echter in gezelschap „van vrijdenkers, en deze hebben mij op het dwaalspoor, „op den weg des verderf gebracht. Ik smeek vergiffenis „aan de Christenheid, die ik door mijn wanhopigen stap „ergeren zal. Ik vraag vergeving aan mijn waardigen „pastoor; ach! had ik zijne vermaningen opgevolgd ! Vooral „smeek ik vergiffenis aan mijne lieve ouders , wien ik de „grootste smart veroorzaakt heb. Ik had het besluit ge-„nomen, mijne leefwijze te veranderen en de steun van „hunnen ouderdom te zijn. Maar ik vermag het niet, het „leven is mij ondragelijk.\'\'

-ocr page 192-

OVER DE GELOOPSBELIJDENIS DER APOSTELEN.

JFaar vinden wij het kort heg rip van hetgeen wij Christenen vooral moeten weten en gelooven ?

In de twaalf artikelen van de geloofsbelijdenis der Apostelen.

Het is, zooals uit het reeds verhandelde genoegzaam blijkt, \'s menschen heiligste plicht, met volkomen onderwerping des verstands alle waarheden te gelooven, welke God geopenbaard heeft, en de katholieke Kerk als door God geopenbaard voorstelt, onverschillig of zij uitdrukkelijk in de H. Schrift vervat, of uit de bron der mondelinge Overlevering geput zijn. Die waarheden kunnen tot twaalf teruggebracht worden, welke als brandpunten de overige, als even zoovele stralen van het goddelijk licht, in zich. sluiten, of die, om ons van eene andere vergelijking te bedienen, alle overige leeringen der Openbaring in de kiem bevatten, gelijk het koornzaad de aren van twintig, vijftig, honderd korens. Zij kunnen derhalve gevoegelijk als hoofd-of grondwaarheden aangegeven worden; niet dat zij alleen, of dat zij grooter en vaster geloof dan de overige verdienen, daar immers deze zoowel als gene op goddeli]k gezag berusten , maar enkel wijl zij de overige waarheden der Openbaring, zooals gezegd is, in zich sluiten, — Deze twaalf hoofd- of grondwaarheden zijn de twaalf artikelen der apostolische geloofsbelijdenis. Derhalve kan men antwoorden

-ocr page 193-

177

op de boven gestelde vraag: datgene, wat wij Christenen vooral weten en gelooven moeten, is in het kort vervat in de twaalf artikelen van de geloofsbelijdenis der Apostelen.

Die artikelen kan men wederom onder drie hoofddeelen rangschikken. Het eerste deel heeft betrekking op God den Vader, die hemel en aarde geschapen heeft; het tweede op God den Zoon, dia voor ons is mensch geworden, en ons aan het kruis van de eeuwige verdoemenis verlost heeft: het derde eindelijk op God den heiligen Geest, die de H. katholieke Kerk op onzichtbare wijze regeert, en de bron aller genaden is, welke wij ontvangen: de vergeving der zonden, de glorievolle opstanding en het eeuwig leven.

Men noemt de aangeduide geloofspunten artikelen der geloofsbelijdenis. Het woord „belijdenisquot; beteekent hier den korten inhoud, het kort begrip van al die waarheden, welke wij als katholieke Christenen niet enkel innerlijk in ons hart gelooven, maar ook uiterlijk met woord en daad belijden moeten, volgens het woord van den H. Apostel Paulus : „met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid, „maar met den mond geschiedt de belijdenis ter zaligheid.quot; — Wil men tussctien het H. kruisteeken, hetwelk eveneens eene uiterlijke belijdenis van het christelijk geloof is, en tusschen de geloofbelijdenis eene vergelijking maken, dan krijgen wij het volgende onderscheid: door het kruisteeken geven wij in het algemeen te kennen, dat wij Christenen zijn; door de geloofsbelijdenis der Apostelen verklaren wij, welke leer wij als Christenen in het algemeen gelooven en belijden.

Volgens de bewering van vele Kerkvaders hebben de Apostelen deze geloofsbelijdenis opgesteld. Zij gronden zich op eene zeer oude overlevering, welke zegt, dat de HH. Apostelen, alvorens zij uiteen gingen, om op last van Christus allen volkeren het Evangelie te prediken, het raadzaam achtten, de christelijke leer in een kort formulier (symbolum) bijeen te plaatsen, en den nieuwbekeerden als geloofsregel over te geven. Voor \'t minst is het zeker, en ook algemeen aangenomen, dat deze geloofsbelijdenis uit den tijd van de Apostelen voortkomt.

De uitdrukking; //geloofsbelijdenis der Apostelenquot; dient verder, om haar van de andere, welke in lateren tijd zijn opgesteld, te onderscheiden. •— Maar hoe, zal wellicht iemand vragen, zijn cr dan meer geloofsbelijdenissen in de ééne, katholieke Kerk? — Als men op de wezenlijke bestanddeelen let, is er maar ééne, de apostolische; want alle andere stemmen inderdaad met deze nauwkeurig overeen. Doch overeenkomstig de behoeften des tijds is de apostolische geloofsbelijdenis langzamerhand door verschillende bijvoegselen vergroot, niet

DEHAKliE, GELOOrSLEER. I. 3^ DllüK. 12

-ocr page 194-

178

om de apostolische leer te veranderen of vollediger te maken, maar om eenige punten meer te doen uittomen of bepaalder uit te drulvken. Dit hebben die ketterijen, welke wel de woorden van de apostolische geloofsbelijdenis behielden, maar er een valschen zin aan hechtten, noodzakelijk gemaakt. Zoo gaf de ketterij van Arius aanleiding, dat de {in het jaar 325) te Nicea vergaderde leeraars in hunne geloofs-beliidenis, de Niceesche genaamd, het leerstuk, dat Christus met God zijnen Vader één en hetzelfde wezen is, met duidelijke woorden uitdrukten. Eveneens gaf de ketterij van Macedonius aanleiding, dat de algemeene Kerkvergadering van Constantinopel (in het jaar 381) aanenande den H. Geest bij de Niceesche geloofsbelijdenis het volgende voegde; „den Heer levendmaker, die van den Vader uitgaat, die „met den Vader en den Zoon tegelijk aangebeden en verheerlijkt wor^t quot; — De geloofsbelijdenis van Athanasius zet, met liet oog op de ketterijen van de\'vroegere eeuwen, de leer van de H. Drievuldigheid en de menschwording des Zoons breeder en nauwkeuriger uit een In die van Trente eindelijk worden de leeringen, welke door de hervormers der IG-ie eeuw bestreden zijn, in twaalf punten meer bepaald uitgesproken. — Het is derhalve voor ieder duidelijk, dat de apostoliscliequot; leer door die ontwikkeling en uitbreiding, wat haar wezen betreft niet veranderd is, evenmin als de bloem eene andere wordt, wanneer zij hare blaadjes, welke totdusverre in den knop waren\'verborgen, langzamerhand ontvouwt.

In den hooien, eerwaardi^en ouderdom der apostolische geloofsbelijdenis, in den aüel harer afstamming van de Apostelen, de vorsten der Kerk, in de verhevenheid en goddeliikheid van haren inhoud, liggen even zoovele beweegredenen , om haar hoog te schatten, en dringende aanmaningen, om er dikwerf onze aandacht op te vestigen. Daarom, waarde lezer, roepen wij u met den H. Ambrosius en den H. Augustinus toe: \') „Herhaal de geloofsbelijdenis „der Apostelen dagelijks, om ze niet te vergeten; \'s morgens „bij het opstaan, \'s avonds voor gij u ter ruste begeeft; „prent ze diep in uw geheugen en word niet inoede^, ze „te herhalen, om u aan uw geloof te herinneren. Neem quot;,haar als een spiegel, waarin gij u onophoudelijk beziet. „Onderzoek u zeiven, of gij met volle overtuiging alles „gelooft, wat gij belijdt te gelooven. Het heilig apostolisch „geloof zij uwe dagelijksche vreugde, uw schat, uw „kleinood.quot;

\') S. Ambros. I. 3. de Virg.; s. Augustin. de Symb., ad Cateeh. c. I.

-ocr page 195-

179

Eerste gelooi\'sartikel.

IK GELOOP IN GOD DEN Y A DEE , ALMACHTIG, SCHEPPEB VAN HEMEL EN VAN AARDE.

Over Oo«l eu zfjue cigeusehappen.

§ 1. Bronnen onzer kennis van Ood.

Grods bestaan.

Kunnen vjij God ook zien ?

Neen, wij kunnen God met onze lichamelijke oogen niet zien, omdat Hij een geest is. Wat geen lichaam heeft, kan met de oogen des lichaams niet gezien worden. God nu heeft geen lichaam, want Hi] is een zuivere geest; derhalve kan Hij met de oogen des lichaams niet gezien worden. ,,Niemand heeft God ooit gezien,quot; zegt de H. Schrift (Joan. I, 18). Volgens den H. Paulus (1. Tim. VI, 16) is God degene, „die een ontoegankelijk licht bewoont, dien geen „mensch gezien heeft noch zien kan.\'\' Wanneer er op andere plaatsen van den Bijbel gezegd wordt: „alsdan zullen „wij Hem zien van aanschijn tot aanschijn\'\'(1. Cor. XIII, 12), en: „wij zullen Hem zien, gelijk Hij is,quot; beteekent dit een zien, waartoe God ons in het hemelrijk door eene bizondere genade in staat zal stellen.

Hoe zijn wij clan tot de kennis van God en zijne volmaaktheden gekomen, als wij God niet kunnen zien.

God heeft zich aan de mensehen op verschillende wijzen , namelijk op natuurlijke en ook bizonder op bovennatuurlijke wgze, geopenbaard.

Hoewel wij menschen , zoolang het sterfelijk hulsel des

12*

-ocr page 196-

180

lichaams ons omgeeft, liet goddelijk wezen met onze zintuigen niet waarnemen, noch onmiddellijk aanschouwen kunnen, weten wij echter zeer wel, dat er een God is, en erkennen, ofschoon onvolkomen, zijne volmaaktheden. Hij zelf heeft ze ons op eene tweevoudige, op natuurlijke, en nog volkomener op bovennatuurlijke wijze geopenbaard. — God houdt ons namelijk in heel de zichtbare schepping zijn beeld, den afdruk van zijn onzichtbaar wezen, voor oogen. „Het zichtbare van Hem wordt, van de schepping der wereld, uit de werken verstaan en doorzienquot; (Rom. I, 20). Wilt gij weten, of er een God, en wat God is? „Onder-,,vraag slechts het gedierte, \'t zal het u leeren, en het ge-„vogelte des hemels, \'t zal het u te kennen geven. Of „wend tot de aarde uwe rede, en zij zal u onderwijzen,en „de visschen der zee zullen het u melden. Wie erkent „niet in dit alles, dat de hand des Heeren hen gemaakt „heeft?quot; (Job. XII, 7—10). Zoo zegt ook het Vatikaansche Concilie: „de Kerk houdt en leert, dat God, het begin en „einde aller dingen door het natuurlijk licht der menscbelijke „rede, uit het geschapene met zekerheid kan gekend wordenquot; (Cap. II. de revel.), en het veroordeelt uitdrukkelijk de tegenovergestelde leer (Can. 1). Eveneens zien wij God in de orde en in den gang der dingen, in het leven en de werking van de menschelijke ziel en van geheel het men-schelijk geslacht. Deze openbaring Gods noemt men de „natuurlijkequot;: ten eerste, omdat zij van de natuur, d. i. van hetgeen ons omgeeft, uitgaat; ten tweede, omdat zij overeenkomstig de natuur van onze ziel is (overeenkomstig hare krachten). — Behalve deze natuurlijke openbaring is er ook nog eene „bovennatuurlijkewelke de natuur van den mensch te boven gaat; zij is eene genaderijke openbaring Gods door bizondere daden en gebeurtenissen, welke buiten den gewonen loop der natuur liggen. Deze openbaring is, wat de wijze betreft, altijd bovennatuurlijk, en wanneer God daardoor waarheden ontsluiert, welke buiten het bereik van het menschelijk verstand liggen, is zij ook tevens bovennatuurlijk van inhoud, gelijk bijv. de openbaring van het geheim der Drievuldigheid. Onze kennis van God is derhalve natuurlijk of bovennatuurlijk, al naardat wij ze aan de natuurlijke of bovennatuurlijke openbaring ontleenen. Erkent gij door uw verstand, dat er een God bestaat, die uw Heer, uw wetgever, uw laatste einde, enz. is, dan is uwe kennis van God eene natuurlijke; weet gij dit echter bijv. vaneen Engel, dan is uwe kennis eene bovennatuurlijke, wijl gij ze op eene bovennatuurlijke wijze verkregen hebt. Uit hetgeen volgt, zal u dit duidelijk worden.

-ocr page 197-

181

IVaardoor heeft God zich aan de memchen op eene natuurlijke wijze yeopenlaard?

1) Door de schepping en liet lestuur der wereld, of met andere woorden door de zichtbare wereld, welke Hij geschapen heeft en immer regeert; want niemand kan redelijker wijze denken, dat de wereld zich zelve gemaakt heeft, of dat de orde, welke in haar heerscht, van zelf ontstaan is.\') Slechts „de dwaas spreekt in zijn hart: er is geen Godquot; (Ps. XIII, 1).

i) De bestemming van ons boek laat niet toe, alle bewijzen, welke voor het bestaan van God gewoonlijk door de Godgeleerden worden aangehaald, te leveren. Wij moeten ons tot die bepalen, welke voor het godsdienstig onderwijs voldoende geacht worden. Een metapliysiek bewijs, dat voor kinderen en ongeleerden niet duidelijk is, kan hier geene plaats vinden. Eene zoo heilige en algemeen aangenomen waarheid, als het bestaan van God is, op half begrepen bewijzen te steunen, zou. eer dienen, om de overtuiging te verzwakken dan te versterken; daardoor zou men eerder twijfelingen opwekken, dan die uit den weg ruimen. De grondwaarheid van het bestaan van God is inderdaad zóó eerwaardig, wortelt zóó diep in het menschelijk hart, dat wij het niet eens mogen wagen, haar aan het kind als betwijfelbaar, als eene onuitgemaakte zaak voor te stellen, weshalve ook de vraag: //is er //een God?\' in den Katechismus zorgvuldig vermeden wordt. In plaats van den schijn aan te nemen, als wilden wij het bestaan van God volgens de strengste eischen der scholen bewijzen, als noodzakelijk om te gelooven, zal het derhalve veel raadzamer zijn, duidelijk voor eenieder aan te toonen, hoe dwaas het is, deze waarheid te loochenen of ook maar in twijfel te trekken, vooral daar hemel en aarde, het heelal, alle volkeren, ons eigen geweten en het gezond verstand eenparig er voor getuigen.

Vol diepe waarheid zijn de woorden, welke Balmes (Brieven aan een twijfelaar, d. 111.) uil den mond van een in menig ander opzicht twijfelzuchtigen wijsgeer over dit onderwerp mededeelt. «ïfooit heb //ik er mijn hoofd over gebroken, om bewijzen voor het bestaan van //God te zoeken. ... Ik haal het bewijs terstond uit mijn zak. Als ,/ik het ingewikkeld raderwerk van mijn uurwerk en de regelmatige //beweging er van beschouw, zal niemand in staat zijn, mij te over-//tuigen, dat dit door toeval ontstaan is, zonder het toedoen van een //kunstenaar-. De Atheïsten spreken van toeval, van combinatie der //atomen, van de natuurkracht en God weet van wat al meer dergelijks; //doch, met verlof dier heeren zij het gezegd, al die woorden zijn //Onzin.quot; — Dat het beslaan van God uit de natuur of uit de zichtbare wereld erkend en bewezen kan worden, blijkt overigens genoegzaam daaruit, dal de H. Schrift, zoowel van het Uude als van het Nieuwe Verbond, alsmede de HH. Vaders, zich op dit bewijs beroepen. De H. Paulus (Kom. I, 20) verklaart, «dat de heidenen geene veront-z/Schuldiging hebben,quot; als zij God niet verheerlijken, dien zij uit de geschapen wereld konden kennen. En het Boek der Wijsheid (XIII, 1—5) noemt hen allen dwazen, die den Meester uit zijne werken, die God uit de zichtbare dingen niet erkennen. Als die menschen voor den rechterstoel der goddelijke wijsheid het verwijt van dwaasheid en onverschoonbare zonde verdienen, wie zou dan nog durven beweren5 dat het bewijs uit de zichtbare natuur niet krachtig genoeg is? Ver.

-ocr page 198-

182

a) Door de Schepping. Wat zoudt gij denken van een mensch, die op een hoogen Berg u eene heerlijke streek toonde met schoone steden , dorpen, prachtige paleizen en lusthoven, fonteinen en kanalen, en in allen ernst tot u zeide : voor vijftig jaren was hier niets te zien dan steen en zand ; alles, wat gij daar ontwaart, is van zelf ontstaan ; die steden en kasteelen hebben zich zelve gebouwd; die paleizen en lanen hebben zich zelve daar geplaatst; dat kanaal heeft van zelf die lij nrechte richting genomen; niemand heeft aan dat alles de hand geslagen. Zoudt gij dien mensch niet als een dwaas beschouwen ? Wat zoudt gij dan wel denken van iemand, die u wilde bewijzen, dat het heelal, (waarbij de grootste stad veel minder is dan een zandkorreltje, vergeleken bij een berg), zich zelf gemaakt heeft of van zelf ontstaan is? — Wij zien wel, dat in de wereld veelal het een uit het ander voortkomt of zich geleidelijk ontwikkelt, dat bijv. uit een ei eene kip, en van de kip een ei, en uit het ei weder eene kip komt; of dat uit eene pit een boom, van den boom eene peer.,

dient men dan een verwijt of eene berisping, als men iets twijfelachtigs niet aanneemt, als men eene waarheid, zoo lang zij niet bewezen is, niet erkent? Het is hier de plaats niet, getuigenissen der 1111. Vaders aan te halen; men vindt ze overvloedig bij Kleutgon (Theol. der Vorzeit. d. II. bladz. 33, enz.).

Men maakt dikwijls tegen dit kosmologisch bewijs de volgende opwerping, dat men namelijk niet kan besluiten van het eindig schepsel tot den oneindigen Schepper. Hoe het ook zij, wij vinden er geen bezwaar in, ons te vereenigen met Suarez, een even scherpzinnig denker als degelijk Godgeleerde, die beweert !), dat, om Gods bestaan te bewijzen, het niet eens noodig is, aan te toonen, dat er een wezen is; hij zegt, dat het voldoende is aan te toonen, dat er een Opperwezen bestaat, hetwelk al het overige in volmaaktheid overtreft, van wien alle overige wezens als van hunnen Schepper afhankelijk zijn, en wien zij als den opperheer gehoorzaamheid , hulde en vereering moeten bewijzen. Want dit is het eerste en gewone begrip, dat wij ons van God vormen, als wij dien naam hooren uitspreken. — De tweede opwerping, dat namelijk de objectieve realiteit der zichtbare wereld eerst bewezen moet worden, om van deze tot het bestaan van haren Schepper te kunnen besluiten, verdient niet eens bij het godsdienstig onderwijs genoemd te worden. Zoo lang de wereld staat, kan niemand er aan twijfelen, dat de zichtbare buitenwereld werkelijk bestaat en geene ijdele hersenschim is. Die overtuiging vormde van oudsher den grondslag van alle zedelijke en godsdienstige orde, en, onbekommerd om wijsgeerige muggezifterijen, zal de geheele wereld aan die natuurlijke overtuiging zoo lang vasthouden, als het gezond verstand bij het menschdom de overhand behoudt. — Het is eindelijk volstrekt niet noodig, dat de bewijzen voor het bestaan van God van dien aard zijn, dat zij het den mensch onmogelijk maken, er nog langer aan te twijfelen; het is zeker voldoende, dat zij hem, inzooverre hij zijn verstand hooren en gebruiken wil, allen redelijken twijfel ontnemen, al blijlt de dwaas ook in zijn hart zeggen; //er is geen God.quot;

\'1 Metaphys. p. 2. disp. 29. sect. 2.

-ocr page 199-

183

van deze weder eene pit en een boom komt, en zoo voort; maar eindelijk moeten wij toch noodzakelijk tot eene eerste kip of tot een eersten boom, en ten laatste tot een wezen komen, waarvan de boom en de kip en alle overige wezens hunnen oorsprong hebben, en dat van geen ander voortkomt, maar in zich zeiven den grond van zijn bestaan heeft, derhalve\' zoowel zonder begin als zonder einde is. Dit is biigevolg het hoogste, het ee.iwige wezen — God. Iemand die beschuldigd werd, het bestaan van God te quot;\'loochenen, nam een stroohalm van den grond op en sprak terecht: „als ik aan Gods bestaan twijfelde, zou deze „stroohalm er mij van overtuigen.quot;- Immers de stroohalm zegt ons, dat er een wezen moet zijn, hetwelk nooit een begin gehad heeft, en van wien alles. wat een begin genomen heeft, alzoo ook de stroohalm , ten laatste voorkomt. Men kan onmogelijk denken, dat uit den ledigen afgrond van het niet iets zou kunnen voortkomen, zonder dat een reeds bestaand, en diensvolgens eeuwig en almachtig wezen het door zijn wil voortbrengt. Niets blijft eeuwig niets, waar Gods almacht niet schept.

6) Ook door het lesluur der wereld heeft God zich geopenbaard. / Wie zou zich van lachen kunnen onthouden, als hij hoorde zeggen^ dat er alle jaren een ledig schip te Hamburg van reê gaat, zonder stuurman eene reis om de geheele wereld maakt, en immer op een bepaalden tijd in de haven, welke het verlaten heeft, terug keert ? Niemand gewis. Zijn zij echter niet veel dwazer, die stoutmoedig verzekeren, dat de zon sinds eeuwen geregeld hare reis om de aarde, of juister: de aarde om de zon, en de maan om de aarde maakt, zonder ooit een vingerbreed af te wijken van hare baan, welke toch eene lengte heeft van meer dan honderdduizend millioen mijlen, en dat evenwel,geen redelijk wezen haar leidt, maar deze zoo geregelde bewegingen heel toevallig plaats hebben? ) Gesteld, dat iemand ergens een uurwerk vond, hetwelk niet alleen zeer nauwkeurig de uren en minuten, maar even juist de dubbele beweging der aarde, den loop van de maan, van de planeten met hare trawanten en van alle kometen alsmede alle jaargetijden, zons-en maansverduisteringen en meer van dien aard aangaf: wie zou het bestaan van zulk een meesterwerk aan het toeval toeschrijven , en niet integendeel het buitengewoon verstand van den kunstenaar, die het gemaakt heeft, bewonderen ? Maar getuigen dan die reusachtige lichamen , waarvan bedoeli uurwerk slechts een onbeteekenend afbeeldsel zou wezen, niet veel sterker van het verstand, van de wijsheid en almacht des allerhoogsten Meesters? Hoe zou

-ocr page 200-

184

het zonder de besturende hand Gods mogelijk zijn, dat in den loop der eeuwen van die ontelbare menigte sterren geene enkele ooit van hare plaats is afgeweken? Hoe zou het mogelijk wezen als de goddelijke Wijsheid niet regeerde dat zij zoo geregeld in die onmetelijke ruimte des hemels zich blijven bewegen, zoodat haar op- en ondergang, de zonsverduisteringen, de verschijning der bekende kometen, enz. reeds vele jaren te voren allernauwkeurigst te bepalen zijn ? Als de aarde slechts een enkele maal van hare baan om de zon afweek, zouden wij allen moeten verbranden of bevriezen. Gebeurde het, dat zij nu eens sneller, dan weder langzamer om zich zelve begon te draaien, de afwisseling van dag en nacht, en bijgevolg de geheele orde der ■wereld zou verstoord zijn. Dat zulks niet geschiedt, dat wij er niet eens voor te vreezen hebben, moeten wij aan niemand dan aan den goddehjken Bestuurder van geheel de wereld danken. Ja, de sterren verkondigen uwe heerlijkheid , o God! en het uitspansel des hemels, dat Gij het gemaakt hebt. -

Wat wij aangaande het gesternte gezegd hebben, geldt van de geheele schepping. De hemel, de aarde, de zee , de mensch, de elementen, dieren en planten, alles verbindt en ketent zich duidelijk aan elkander tot een groot en goed geregeld geheel, hetwelk wij het „heelalquot; noemen. Ieder verstandig mensch toch ziet duidelijk, dat de wereld geene ongevormde massa is, waar lucht, vuur, licht, damp, water, aarde, enz. zonder eenig plan onder en door elkander liggen, waar alles ongeregeld onder en over elkander stort, waar slechts wangedrochten huizen, die zich gelijk dwaallichten toevallig gevormd hebben, enz. Waar echter van elkaar gescheiden deelen regelmatig verbonden zijn, daar is orde, en die orde verdient des te meer bewonderd te worden, hoe talrijker en onderscheidener van soort die deelen zijn , en hoe langer de orde duurt. De deelen van het heelal nu zijn in getal en soort bijkans oneindig , en de orde duurt reeds vele eeuwen. Dit kan onmogelijk het werk van een blind toeval wezen, maar moet noodzakelijk het werk zijn van een hooger verstand, dat de deelen volgens een vastgesteld plan kiest, ook op zijne plaats stelt, alles tezamen voegt en het geheel bestuurt en onderhoudt. Het zou de grootste dwaasheid zijn, den geringsten twijiel aangaande deze waarheid te koesteren. Wie hier van loevai spreekt, spreekt tegen zijne overtuiging, of weet niet, wat hij zegt. Dikwerf heeft men reeds de moeielijkheid gemaakt, dat vele dingen toevalligerwijze zich in orde stellen, dat alzoo ook door het toeval de zoo schoone

-ocr page 201-

185

wereldorde wel zou kunnen ontstaan zijn. Lang geleden gaf een heidensch wijsgeer hierop het volgend antwoord: al kan een dier bij toeval eene A of andere letter in het zand schrijven, het is toch zeker^ dat hel nooit een geheel hoek teekenen zal. Het bouwen van het heelal eischt echter voorzeker meer verstand, dan het schrijven van een boek. Hoe dwaas is het derhalve, in het bestaan en in de wonderbare orde der wereld niet de goddelijke wijsheid te erkennen , die alles geschapen heeft en voortdurend bestuurt! Die orde is immers geen droom, geene ijdele hersenschim; zij moet noodzakelijk eene oorzaak hebben. Die oorzaak is , gelijk wij zeiden, niet het toeval of het noodlot, want deze hebben regel noch verstand; evenmin ons eigen verstand, want dat ontdekt nog altijd nieuwe geheimen in de wereldorde, van welke het vroeger het bestaan niet eens vermoedde.

De godloochenaar geeft in zijne verblindheid voor, dat deze wonderbare orde enkel het werk is der natuur. Welk een onzin! Wat is dan de natuur? Is zij niet de zichtbare schepping Gods? Is zij niet het onmetelijk groote boek, waarin wij de almacht en wijsheid des Scheppers met onuitwischbare letters opgeteekend vinden? Wie ontwaart niet terstond, dat de natuur niet anders dan volgens eene in haar wonende wet werkt? Twijfelt gij er aan? Zeg mij dan, waarom gij nooit bijv. een olifant uit een vogelei ziet voortkomen, of druiven uit doornstruiken ziet groeien. Voorzeker wijl dit met de wet der natuur in strijd is? De natuur heeft alzoo hare wet. Eene wet kan men echter niet denken zonder wetgever. Wie zal de wetgever der natuur zijn, zoo niet God, die haar geschapen heeft, en oneindig boven haar verheven is? Waarom kunt gij de natuur niet voorschrijven, dat het bijv. regent of sneeuwt of onweert, of dat de zon schijnt, zooals en wanneer gij verlangt? Lrij kunt dit niet, wijl gij niet boven de natuur staat, maar, als een geschapen wezen, zelf tot de natuur behoort. De natuur kan derhalve de wet niet gegeven hebben. \') Keen, niet de natuur, maar alleen de Schepper der natuur, een persoonlijk, hoogst verstandig wezen, kan haar wetgever zijn. — Wat zoudt gij zeggen, als gij op uwe vraag naar den schilder van een heerlijk portret ten antwoord kreegt, dat de schilder niemand anders was dan de natuur? Dat is onmogelijk, zoudt gij antwoorden, de natuur is zonder verstand, om zulk een meesterwerk voort te brengen, heeft men wel degelijk verstand noodig. En welk meesterstuk is niet de mensch zelf, wien dat pui tret voorstelt, de mensch, die ziet, hoort, spreekt, die geest en leven heeft! „Ik geef u honderd jaren om te berdenken, of gij de geringste fout aan het menschelijk lichaam kunt „ontdekken,quot; zoo spreekt Gulenus, een beroemd geneesheer tot een godloochenaar. Hoevele wonderen ontwaart men niet in het oog alleen, waarin een geheel landschap met duizend en duizenderlei dingen zich

\') ////Gij hebt genoeg aan de natuur; waartoe nog een God?quot;quot; vraagt gij. — //O koningen en keizers, allerhoogste en oppermachtige heoren! „Wij arme menschen hebben voor onzen oogst een weinig regen of „eenige dauwdruppelen noodig. Geeft ons tocli dauw; laat toch wat „regen van den hemel vallen. AVij vragen hef u allervriendelijkst!quot; (Caract. de la Bruyère, des esprits forts).

-ocr page 202-

186

afspiegelt. Boeken zijn er volgeschreven over de wonderbare samenstelling van het oog. En dan de ziel? Zou. de mensch niettemin niets anders, dan het werk van eene bloote natuurkracht zijn! — O verblindheid! — God schept wel is waar thans het lichaam van den mensch niet meer, zooals Hij de eerste lichamen voortbracht, zonder toedoen van de natuur; maar dat is juist het grootste wonder, dat Hij de natuur niet enkel schiep*, maar haar daarenboven in zekeren zin zijne scheppende kracht wist mede te deelen, zoodat een wezen in staat is een ander wezen van zijne soort voort te brengen, en op die wijze de schepselen van het begin der wereld tot haar einde voortdurend aankweeken en vermeerderen. Men vindt wel kunstenaars, die een goed uurwerk weten te maken; doch waar zag men ooit een kunstenaar, die een uurwerk vervaardigde, dat van zelf weder andere uurwerken voortbracht? Zou dat niet het allergrootste kunststuk zijn? Toch blijft de natuur, wat zij ook oplevere, altijd slechts een werktuig. Zij werkt en brengt voort, zonder zelve te weten, op welke wijze zulks geschiedt. l)at zij tot een goed doeleinde werkt, dat zij ook haar doel bereikt, dit komt alleenlijk van Hem, die de natuur zegende, toen Hij haar geschapen had, en sprak: //groeit en vermenigvuldigt!quot; (i. Mos. I, 28). Terecht zeidede moeder der Macchabeën; «ik weet „niet, hoe gij in mijnen schoot gevormd zijt; want ik heb u geen „geest en leven geschonken, noch heb ik de bestanddeelen van elk „uwer gerangschikt, maar de Üchepper der wereld, die het geslacht „der menschen gevormd en liet beslaan van allen bepaald heeft:\' (2. Macch. VII, 22, 23).

Al het geschapene verkondigt den mensch de almacht en grootheid Gods, hetzij hij boven zich, om zich of in zich ziet. „De geheele schepping wijst,quot; gelijk de H. Athanasius zegt, \') „door hare orde en overeenstemming als met letters „haren Heer en Schepper aan,quot; zij is een loflied, dat alom weerklinkt ter eere van den Schepper. „Dwaas zijn der-„halve alle menschen, die geene kennis van God hebben, „die uit de voortreffelijkheid der zichtbare dingen niet ge-„raken tot de kennis van Hem, die is, noch den Kunste-„naar erkennen, door zijne werken gade te slaan; want naar „evenredigheid van het groote en schoone der schepselen, „moet men zich van den Schepper een begrip makenquot; (Wijsh. XIII, 1 , 5). Daarom zegt de H. Paulus van de heidenen, dat zij geene verontschuldiging hebben als zij aan God niet gelooven; want het „onzichtbare van Hem wordt, „van de schepping der wereld af, uit de werken verstaan „en doorzienquot; (Hom. 1, 20)2). En „God heeft nooit na-

\') Contra gent. c. 34.

^) Opmerkenswaardig is de verklaring, welke de II. Kerkvader Chrysostomus geeft (Homil. 3 over den brief aan de Kom.) van deze woorden van den 11. Paulus: „God le^de bij de schepping der wereld „de kennis van zichzelven in het hart van den mensch.quot; „En hoe „weet gij dan, o Paulus! dat God hun (zelfs don heidenen) die kennis //gegeven heeft?quot; „Hetgeen van Hem kennelijk is,quot; zeyt hij, „heeft „Hij aan hen openbaar gemaakt.quot; — Dit is een antwoord, zult gij zeggen, maar geen bewijs. „Gij moet mij bewijzen en aantoonen, dat

-ocr page 203-

187

gelaten, getuigenis van zich. zeiven te geven, weldoende „van den hemel, gevende regen en vruchtbare tijden, verhullende met spijzen en met vroolijkheid onze hartenquot; (Hand. XIV, 16). Nog klaarhlijkeiijker is dit bewijs van het bestaan van God en zijne volmaaktheden , als wij ons eigen hart ondervragen ; want God heeft zich ook aan de menschen geopenbaard:

2) door de stem van het geweten, hetwelk ons vermaant, voor den onzichtbaren .Rechter van het kwaad te vreezen, en op den Vergelder van het goed onze hoop te stellen.

//Wiens oog ü. o God! niet ziet, die heeft nooit iets gezien: wie D «niet gevoelt, lieeft nooit iets gevoeld,quot; schrijlt de geloerde Hisschop Fénelon. Ja, wij zien God in de zichtbare schepping, en wij voelen Hem in ons onzichtbaar binnenste; want //iedere ziel heeft reeds //(krachtens haren natuurlijken aanleg) het zaad der kennis van God //in zich.quot; Daarom zegt ook Tertullianus, 2) //dat de ziel met het //bewustzijn van God terstond is voorzien.quot; en de H, Cyrillus van Alexandrië, 3) //dat de kennis van het bestaan van God ons van nature //(d. i. door don Schepper der natuur) is ingeplantquot;. Hetzelfde leert de H. Hieronymus \'i met de meeste HH. Vaders en kerkelijke Schrijvers, alsook vele van de heidensche wijsgeeren, Aristoteles, Plato, Cicero, Seneca, enz. Ten bewijze hunner leer, beroepen zij zich op het onloochenbare feit, dat alle\', zelfs de ruwste volkeren der aarde, van het bestaan van God overtuigd zijn. En hierin oordeelen zij zeer juist; want neemt men niet aan, dat God in alle harten der menschen die kennis gelegd heeft, dan kan men zich moeielijk voorstellen, hoe zelfs de wildste en onbeschaafdste volkeren, die vanoudsher

//de kennis van God hun geopenbaard was, en dat zij die vrijwillig //verwaarloosden. Hoe was zij hun dan geopenbaard? Sprak God tot //hen? — Geenszins, maar Hij deed iets, wat krachtiger dan allestem-//men tot hen kon spreken, daar Hij de geheele schepping hun voor //OOgen hield, zoodat de geleerden en ongeieerden, de Scyten en Bar-«baren de schoonheid van al het zichtbare met eigen oogen zien en //Zich tot God verheffen konden.quot; Derhalve zegt-hij; //,/het onzichtbare ////van Hem wordt, van de schepping der wereld, uit die werken ver-////Staan en doorzien.quot;quot; Eveneens spreekt ook de Profeet:////de hemelen ////verkondigen de heerlijkheid Gods.quot;quot; «Wat zullen de heidenen wel //Op den jongsten dag zeggen ? Wij kenden U niet? — Hebt gij dan den //hemel niet gezien, welke zoo luide van Hem spreekt? Hebt gij de //Schoone harmonie niet opgemerkt van alle hemellichamen, die scheller «dan een bazuin zijne wijsheid verkondigt? Zaagt gij niet die steeds //onveranderlijke afwisseling van dag en nacht? Uie voortdurende op-,eenvolging van winter en lente en van de overige jaargetijden? Hebt //gij niet gezien, hoe alles zijn geregelden loop ging, en zoowel door «schoonheid als door grootheid den Schepper verkondigde?quot; Dit cn nog meerquot; neemt Paulus bijeen, als hij zegt; ////Want het onzichtbare van //„Hem, namelijk zijne eeuwige kracht en Godheid, is door de schepping »//der wereld, door het zien zijner werken zoo openbaar, dat zij niet ////te verontschuldigen zijn.\'\'quot;

\'} Severianus van Gabala: de sigill. serm. I. n0. 2.

-) Adv. Marc. I; 10.

^) Contra Julian. L. 2.

■\') In epist, ad Gal. I.

-ocr page 204-

188

noch met ons, noch met andere beschaafde natiën in aanraking zijn geweest, niettemin in de overtuiging van het bestaan van God met ons overeenstemmen. Toen de Europeanen voor ettelijke jaren Amerika ontdekten, vonden zij bij de meeste inwoners van dit nieuwe werelddeel eene bijkans dierlijke levenswijze en het licht der rede bijna uitgedoofd, maar toch was hun geloof aan God niet verloren geraakt, ofschoon zij den waren God niet erkenden. De lieidensche wijsgeer Plutarchus maakte reeds de opmerking, ) dat het gemakkelijker was, steden te vinden zonder muren, koningen zonder rijkdom en wetenschap, dan eene stad zonder tempel en goden, een volk onbekend met gebeden en offeranden. Vanwaar nu dit zoo gelijkvormig verschijnsel in alle tijden en in alle plaatsen, zoo er in het binnenste van den menscli niet iets is, dat hem als van zelf tot God voert? Het is nog een overblijfsel van den ons aangeboren, maar door de zonde ontwijden zieleadel; want wij zijn immers, zooals de Apostel leert, ,/van //een goddelijk geslachtquot; (Hand. XVH, 2S). Vandaar ook, dat bij hevige benauwdheden, bij het verschrikken of bij plotselinge gevaren de heiden niet zijne goden aanroept, maar gelijk de Christenen: //Groote //God! goede God! God help mijlquot; enz. Zoo getuigen Tertulliauus, Cyprianus, Laclantius, Arnobius, die midden onder de heidenen leefden.

Niets bewijst echter krachtiger dit ingeschapen bewustzijn van het bestaan van God, dan de stem van het geweten. Er bestaat eene natuurwet, „eene algemeene, onveranderlijke „eeuwige wet,quot; -) welke zoowel koningen als bedelaars bindt, door geene andere wet opgeheven of beperkt kan worden, maar zelve de grondslag van alle overige wetten is; eene wet, welke wij niet uit boeken met moeite geleerd hebben, maar die in alle harten is ingedrukt en ingeschapen, waardoor wij het goed van het kwaad, het rechtvaardige van het onrechtvaardige, zonder dat het noodig is lang te zoeken, weten te onderscheiden. Eene wet veronderstelt echter noodzakelijk een wetgever. Wie nu is degene, die zoowel den vorst als den onderdaan, den onge-temden wilde en den lijnbeschaafden stedeling, zoowel den volkeren van den voortijd als van onze dagen dezelfde wet „in het hart geschreven heeft?\'\' (Kom. II, 15). Die wetgever openbaart zich door de onmiskenbare stem van het geweten. — Theodorik, koning der Oostgothen, bad zich met het onschuldig bloed van den edelen Symmachus bevlekt. Het gebeurde nu op zekeren dag, dat hem een buitengewoon groote kop van een viscli werd voorgezet, Met een kreet van onsteltenis sprong Theodorik van tafel op; want hij meende een spooksel voor zich te hebben. „Ik zie het hoofd van Symmachus,quot; roept hij uit; „ik zie zijne vonkelende oogen, die groote tanden, welke mij verscheuren willen, weg! weg!quot; Als waanzinnig vluchtte da

Adv. Colot. 31.

Cicero de republ, L, 3. n. 17.

-ocr page 205-

189

koning uit de eetzaal; buiten zioh. zeiven van schrik, viel hij op zijne legerstede neêr, en na verloop van drie dagen was de machtige koning der Gothen een lijk. — Keizer Constantijn liet zijn eigen broeder Theodosius, een vroom diaken, vermoorden, en wel op denzelfden dag, dat deze hem den kelk met het allerheiligste Bloed had toegereikt. Van stonde af werd hij, bi] dag en bij nacht, door schrikkelijke doodsangsten gekweld. Waar hij ging, waar hij zich wendde, overal meende hij zijn broeder te zien, die in zijne geestelijke kleeding, hem een beker vol bloed aanbood met de woorden: „drink, broeder drink !quot; Hij vluchtte van Constantinopel naar Italië en Sicilië, om rust te vinden; maar alles te vergeefs. — Vanwaar die folterende angst bij deze beide koninklijke misdadigers ? Geen wereldlijke rechter riep hen ter verantwoording op; geen beul bedreigde hen met het zwaard; de onschuldig vermoorden konden niet tegen hen getuigen, zij waren in het rijk der dooden. De misdadigers wisten echter, en iedere boosdoener weet het, dat in den hemel een Rechter leeft, voor wiens troon het onschuldig vergoten bloed om wraak roept, en aan wiens straffende hand niemand ontgaat. Daarom komt „verdrukking en angst in het hart van iederen „mensch, die het kwade verrichtquot; (Rom. II, 9); want die onzichtbare Rechter heeft zijn zetel in het binnenste van den booswicht opgeslagen; Hij laat zich niet omkoopen door geld, niet bedriegen door leugentaal, niet bevredigen door schoone beloften, en duisternis van den nacht is helder voor Hem als de dag. Die onziclitbare Rechter (wie zal het loochenen?) is God, de eeuwige Vergelder van het goed en het kwaad, die reeds hier beneden elke overtreding van de wet, welke Hij in het hart van den mensch geschreven heeft, door de veroordeelende stem des gewetens bestraft; duidelijk is het immers, dat niet de mensch zelf dien lastigen rechter geschapen heeft, die tegen hem getuigt, hem beangstigt, vervolgt, pijnigt en zijne vreugde verbittert. Het geweten zegt ons dus, dat er een God is; Hij is een heilig, rechtvaardig, alwetend, onzichtbaar Wezen; Hij heeft in ons hart de natuurwet gedrukt en ons een geweten gegeven, waarvoor zelfs de godloochenaar beeft, \'). Hoe is het mogelijk, dat een Christen nog aan

\') Men verbeelde zich niet, dat booswichten, die met eenehuiveringwekkende koelbloedigheid de grootste misdaden bedrijven, gerust van geweten zijn. Een enkel voorbeeld, hetwelk in liet jaar JS27 in liet hertogdom Cothen is voorgevallen, zal ons van het tegendeel overtuigen. Een Jood had geweigerd, aan een jong mensch krediet te ver-

-ocr page 206-

190

deze waarheid kan twijfelen, daar een heiden haar zoo duidelijk ingezien en zoo treffend uitgesproken heeft ? „Nabij „u is God,\'\' zegt Seneca, „Hij is met u, in u, ja een heilige „geest troont in ons, die al het goede en het kwade gade-„slaat en beoordeelt.quot; Indien God zich zelfs aan zijne vijanden door de stem van het geweten openbaart, dan des te meer voorzeker aan zijne vrienden, doch aan hen niet als wreker, maar als belooner; want het geweten klaagt niet enkel aan, het spreekt ook vrij (Rom. II, 15). Vandaar die ongestoorde vrede, die zoete troost, welken de brave smaakt, ofschoon zijne goede bedoelingen soms miskend en zijne verdiensten met ondank en vervolging vergolden worden. Men moge hem geld, leven, goeden naam ontnemen; God, de bron zijner ware vreugde, zal men aan zijn hart niet ontrukken. Ja, de brave vooral gevoelt God in zijn hart, gevoelt zijne nabijheid, ondervindt dagelijks Gods liefdeen onmiskenbare bescherming; vaster is hij diens volgens van Gods bestaan overtuigd, beter kent hij God, dan wanneer hij Hem met zijne oogen kon aanschouwen; want deze zien enkel de uiterlijke gestalte, maar voor het hart ontsluit zich Gods innerlijk heiligdom. De rechtvaardige wandelt voor God., wandelt „in het licht, en in het licht wandelende wordt hij „al meer en meer door het licht verlicht, en hoe zou hij nu nog „kunnen twijfelen, of er licht is,quot; \') hoe zou hij bet licht niet zien ? De heilige monnik Julianus kon den naam van God niet lezen of hooren, zonder tranen te storten; want dit enkel woord zeide hem oneindig veel. — Zelfs de zoo diep gezonken heidenen waren verstandig genoeg, om in te zien, dat vooral deugd en zuiverheid van hart tot de kennis van het goddelijk Wezen voeren. Op het eiland Creta hing boven het afgodsbeeld van Jupiter den Olympiër een bord, waarop geschreven stond: „Niemand kan mij

leenen. Op den volgenden zondag verliet deze plotseling de danszaal, ging heen, sloeg met een bijl den Jood en diens vrouw dood , en keerde naar de zaal terug, alsof er niets gebeurd was. Wie zou niet denken, dat bij zulk een snoodaard de knaging des gewetens reeds geheel was verstomd\'? En toch was het zoo niet; want getroffen door de goddelijke genade, zwoer hij in de gevangenis met de dwaling (liij was protestant) zijne vijandschap af, verzoende zich met God, en deed nog twee jaren lang in zware ketenen de strengste boete, gedurende welken tijd hij alle maanden met diepe ontroering de H. Communie ontving. Maar zelfs de oprechtste boetvaardigheid kon zijne gewetens-knaging niet geheel stillen. Hij bekende herhaalde malen, dat, sinds het noodlottig uur van den moord, die afschuwelijke daad hem steeds voor den geest zweelde en pijnigde. — O, hoe velen huichelen uit-wending de grootste rust terwijl het in hunnen boezem knaagt en stormt!

\') Sailer\'s Grundlehre.

-ocr page 207-

191

„kenneD, dan die mij gelijk wil worden.quot; En naast het beeld van de godin Pallas stond geschreven: „de goden „openbaren zich aan het hart, en verbergen zich voor hen, „die met het verstand willen begrijpen.quot;

Waardoor heeft God zich aan de menschen op eene loventiatuurlijke wijze geopenbaard?

Door de Openharing, welke Hij „meermalen en op velerlei „wiizenquot; (Hebr. I, 1, 2), aanvankelijk door de Aartsvaders en Profeten, en ten laatste door zijnen Zoon, Jesus Christus, ons gegeven heeft (Zie bladz. 32 en 33). De openbaring door Jesus Christus is de schitterende middagzon, waarmede het God behaagde, de wereld in de volheid des tijds te verlichten. Want hoewel ook de rede in staat is, zich van het bestaan van God te overtuigen, en te erkennen, dat Hij hoogst machtig, wijs en rechtvaardig en de bron van alle goed zijn moet, was evenwel in den heidenschen voortijd die natuurlijke kennis gelijk aan een schemerlicht, hetwelk in den duisteren nacht der afgoderij slechts flauw en met moeite flikkerde. Immers zelfs in Athene, de wereldberoemde zetelplaats van wetenschappen en schoone kunsten, stond een altaar met het opschrift: „aan den onbekenden God\'\' (Hand. XVII, 23). Zóó groot was de onwetendheid van de wijsten der heidensche wereld omtrent goddelijke dingen!^\'Wie was daar echter schuld van? Niet zoozeer de rede, als wel het bedorven hart der menschen en de trotschheid van hunnen geest. „Want nadat zij God,quot; schrijft de H. Paulus, „door hunne rede erkend hadden, „hebben zij Hem niet als God verheerlijkt en gedankt, „maar zijn ijdel geworden in hunne gedachten, en hun on-„verstandig hart is verduisterd; want zeggende, wijzen te „zijn, zijn zij dwazen geworden\'\' (Rom XXI, 1, 22) De hoogmoed en boosheid was alzoo de oorzaak van verblindheid van hun verstand ten opzichte van God. ) Evenwel verstiet de Al goede hen niet, maar nadat Hij hunne onwetendheid lankmoedig verdragen had (Hand, XVII, 30), openbaarde Hij zich opnieuw aan de wereld, niet meer gelijk vroeger door verlichte, heilige mannen, maar door zijn eigen Zoon, die is „het ware licht, dat de wereld verachtquot; (Joan. I, 9)./\'„Want niemand\'\', zegt de H. Joannes (I, 18), „heeft ooit God gezien; de eeniggeboren Zoon, die in den „schoot des Vaders is, heeft het ons verklaard/\' Ja, Hij heeft ons geleerd van den eenen God in drie personen, die in een ontoegankelijk licht woont (1. Tim. VI, 16); van

-ocr page 208-

192

den Vader der erbarmingen, die de wereld zoozeer bemind heeft, dat Hij zijn eeniggeboren Zoon ten beste gaf (Joan. Ill, 16); van zich zeiven, den Zoon der liefde, die inde wereld kwam, om zalig te maken, wat verloren was (Luc. XIX, 10) ; van den H. Geest, den Trooster en Heiligmaker , door den Vader en den Zoon gezonden , om bij ons te blijven in eeuwigheid (Joan. XIV, 16). Hij heeft ons het groot geheim geopenbaard, dat van eeuwigheid af in God verborgen was (Eph. III, 9); de aanbiddelijke raadsbesluiten der goddelijke liefde en barmhartigheid ter verlossing en heiligmaking van het zondig menschdom. Met eenwoord^Hij heeft ors in zijne erbarming eene genoegzame kennis van de Godheid medegedeeld. Hoe gebrekkig zou, zonder Christus, onze kennis zijn van Gods onbegrijpelijke natuur en oneindige volmaaktheden! Overgebracht uit de duisternis in het wonderbare licht des geloofs (1. Petr. II, 9), weten wij thans, ja kent reeds het kleine kind, wat vóór Christus geen enkele van de hoog geroemde wijsgeeren kon kennen; en datgene, wat zij slechts met groote inspanning en moeite konden weten, weten wij thans zonder moeite, op hel; woord van de eeuwige en onfeilbare Waarheid, zonder eenige dwaling. Danken en loven wij den Heer voor dien zoo grooten zegen k- \'

Of er, in weerwil der vele en onmiskenbare getuigenissen voor het bestaan van God, nog menschen zijn, die in ernst niet aan God ge-looven, valt zeer te betwijfelen; maar zeker zijn er ook thans nog, gelijk ten tijde van den H. Paulus, kinderen van het ongelool\', in wie de vorst der helsche duisternis werkzaam ia (Eph. II, 2); menschen, die door hunnen hoogmoed verblind of door hunne zinnelijkheid ontaard, gaarne zich zeiven en anderen zouden overtuigen, dat het geloof aan God eene hersenschim is. Ach! hoe diep zijn dusdanigen met gezonken ! Zelfs aan den wilde in de zandwoestijn van Afrika zegt het gezond verstand, dat er een God is; \') en de oude heidenen verbanden de godloochenaars uit het land, overtuigd, dat er geene verderfelijker pest op aarde kan bestaan, dan zij; 2) en onder ons, onder christelijke en beschaafde volkeren, zou men nog menschen vinden, die met he\'j geloof aan een onzichtbaren God, die de wereld bestuurt, den spot drijven? O ontzettende verblindheid ! — Zij achten het dwaasheid, te gelooven. Maar hoe! gelooven zij, die groote geesten, dan volstrekt niet? Ja, zij gelooven zelfs wat onredelijk is, wat geen geloof verdient. Zij gelooven, dat er gevolgen zonder oorzaak, d. i. schilderstukken

\') Hoe schoon is liet gebed, hetwelk de wilde op het eiland Madagaskar tot het Opperwezen richt. Verkort luidt het aldus: »0 Eeuwige! //erbarm U mijner, want ik ben vergankelijk; o Oneindige! want ik //ben maar eene nietigheid; o Sterke! want ik ben zwak; o Bron des //levens: want ik ben den dood nabij; o Alwetende! want ik ben in „dwaling; o Weldadige! want ik ben arm; o Almachtige! kom mij te //hulp, want ik vermag nietsquot; {Flaccourt, Hist, de Madagascar).

2) Plato, lib. 10. de legibus.

-ocr page 209-

193

zonder schilder, uurwerken zonder uurwerkmakers, huizen zonder bouwmeesters, orde zonder regel, wetten zonder wetgever bestaan kunnen. Zij gelooven eindelijk, dat alle menschen van de schepping af voortdurend in dwaling geleefd hebben, en dat eerst met hen het groote licht der rede is opgegaan. — Gesteld echter, dat liet hun werkelijk gelukt, het geloof aan God weg te nemen en de wereld enkel met godloochenaars te vullen; hoe zullen zij dan die wereld regeeren? Hoe zullen zij tucht en orde handhaven? Dewi]! er voor den Atheïst geen God bestaat, is ook voor hem niets heilig, noch plicht, noch wet. noch overheid, noch de stem des gewetens- hij schrikt niet terug voor eenige zonde, voor eenige misdaad, hoe o-\'roo\'t ook, hij vraagt niet naar hemel of hel. Dat er geen spraak kaï? ziiu van edelmoedigheid, liefde, weldadigheid, zelfs niet van natuurrecht blijkt van zelf. Al hun natuurrecht bestaat daarin, dat onder dé menschen de sterkere over de zwakkere heersehen, gelijk onder de visschen de groote de kleine opeten. \') Wat anders moet derhalve eene wereld van godloochenaars worden, zoo niet een roovershol en een afschuwelijke moordkuil? //Voor alles ter wereld,quot; bekent de beruchte vrijgeest Voltaire, „zou ik niet gaarne met een vorst te doen hebben, „die God loochent; want als hij er zijn voordeel in vond, mij onver-//wachts te laten ombrengen; zou hij het zeker doen. En indien ik „een vorst was, zou ik niet gaarne hovelingen om mij hebben, die „God loochenen; want zoo het hun tot nut kon strekken mij te vergiftigen „zou ik uit voorzichtigheid dagelijks tegengift moeten innemen.quot; 0 \'

Wai is God?

God is een oneindig volmaakte geest, de Heer van hemel en aarde, van wien alle goed voortkomt.

Geene vraag is moeielijker op te lossen, dan juist deze: wat is God ? Een volledig antwoord daarop kan de mensch, al ware hij wijzer dan Salomon, ja, vernuftiger dan de Seraf, die het naast bij den troon Gods staat, niet geven. Derhalve zou hij het meest nabij de waarheid komen, die op deze vraag antwoordt met het stilzwijgen der diepste aanbidding,1) of luide bekent, dat hij God moest zijn, om ze volledig op te lossen. „God is onuitsprekelijk,quot; zegt de H. Augustinus, \') „gemakkelijker kunnen wij zeggen, „wat Hij niet is, dan wat Hij is. Niet de aarde, niet de „zee is God; wat zich in de zee bevindt en in de lucht „zweeft, is God niet. Wat aan den hemel schittert, sterren, „zon en maan, is God niet.... Gij wilt weten, wat Hij is ? „Wat het oog niet gezien, wat het oor niet gehoord heeft, „wat in \'s menschen hart niet is opgekomen. Hoe zal de „tong vermelden, wat in het hart niet is opgekomen?quot;

13

1

) Zoo spreekt Paus Gregorius de Groote. Moral. 27, c. 26.

-ocr page 210-

194

Alles wat wij groots, verhevens, volmaakts kunnen denken, bliift hemelsbreed, oneindig ver achter de grootheid, verhevenheid, volmaaktheid van het goddelijk Wezen. Geen wonder, dat de heidensche wijsgeer Simonides, toen Hiëro, de heheerscher van Syracuse, hem de vraag stelde, wat God is, eerst één dag, en vervolgens twee dagen uitstel vroeg, om zich te bedenken; geen wonder, dat hij na verloop van dien tijd het getal dagen tot nadenken meermalen verdubbelde, en eindelyk den verbaasden Hiëro ten antwoord gaf: „hoe langer ik nadenk, des te moeielijker schijnt mij uwe vraag.quot; Gods grootheid en volmaaktheid gaat boven alles, wat onze zinnen en onze geest kunnen bevatten.^ Wanneer wij nu zeggen: „God is een oneindig volmaakte „geest, de Heer van hemel en van aarde, van wien alle „goed voortkomt,quot; dan komen wij wel zoo dicht bij de waarheid, als een verstand, door het licht der openbaring verlicht, er bij kan komen; maar de geheele, de volle waarheid, het oneindig begrip van God drukken wij niet volledig uit Gewis moeten wij erkennen, dat wij zelfs datgene, wat wij van God zeggen, slechts zeer onvolkomen verstaan. — Wij noemen God:

i) een geest. Zoo noemt Hem onze goddelijke Leermeester Jesus Christus zelf. „God is een geest,quot; spreekt Hij tot de samaritaansche vrouw (Joan. IV, 24). Door deze benaming verheffen wij God reeds boven alles, wat onder de zintuigen valt, boven de geheele zichtbare wereld, boven den hemel met zijne wonderen van grootheid en orde j boven zon, maan en sterren . boven de aarde met hare schatten en schoonheden, boven alles, wat in de zee leeft en in de lucht zweeft; want de natuur van den geest is veel volmaakter, dan die der levenlooze en redelooze dingen. Ook boven den mensch, het meesterstuk, de kroon, den koning der zichtbare wereld, verheffen wij God, als wij Hem een „geesiquot; noemen. Want de mensch heeft een geest, be-üt een geest, maar toch de mensch is niet enkel geest; hij bestaat uit lichaam en geest. Het lichaam houdt de vlucht des geestes tegen, trekt hem onophoudelijk naar de aarde en richt \'s menschen gedachten op de voorwerpen der zichtbare wereld. Wanneer wij derhalve God als geest aanduiden, geven wij daardoor te kennen, dat Hij enkel geest, een zuivere geest is; dat Hij derhalve verstand en wil, maar geen lichaam heeft. En inderdaad, hoe zou God de eigenschappen kunnen bezitten, welke wij, steunende op geloof en rede , Hem toekennen; hoe zou Hij onmetelijk, alomtegenwoordig, onvergankelijk kunnen zijn, als Hij een lichaam had ? Deze eigenschappen kunnen slechts een zuiveren geest toe-

-ocr page 211-

195

komen. Een lichaam is immers noodzakelijk begrensd, is van nature aan eene of andere plaats gebonden, is vergankelijk, daar bet, uit deelen samengesteld, ook in deelen opgelost kan worden.

Wij noemen God verder;

2) een oneindig voh.iaakten geest. Daardoor betuigen wij zijne verhevenheid boven de millioenen van zuivere geesten der onzichtbare wereld. Wij beweren daardoor, dat men zich God niet mag voorstellen als een geest gelijk de Engelen, van deze geschapen geesten enkel in rang of graad verschillende, maar dat men Hem zelfs boven den hoogsten en volmaaksten aller hemelsche geesten oneindig of zonder vergelijking verheven denken moet. De volmaaktheid der Engelen is wel groot, zóó groot, dat de geringste verre den volmaaksten mensch in natuurlijke volmaaktheid overtreft; maar hoe groot ook, zij blijft toch eene eindige volmaaktheid. De volmaaktheid der Engelen kan alzoo gedacht, ja er kan eene nog hoogere gedacht worden, Gods volmaaktheid daarentegen is eene oneindige, d. i. eene zoodanige die te groot is, dan dat ooit een geschapen geest er zich eene juiste voorstelling of een volledig begrip van maken kan; eene volmaaktheid, welke zelfs voor den Engel, ofschoon hij God van aanschijn tot aanschijn aanschouwt, in alle eeuwigheid een ondoorgrondelijk geheim blijft. — Indien nu zelfs de Engelen niet in staat zijn de geheele diepte en onmetelijkheid van het goddelijk wezen te doorgronden, hoeveel te minder zal dan de mensch het vermogen ? Daar de menschelijke geest van natuur beperkt is, kan hij zich ook alleen datgene voorstellen, wat beperkt, wat in maat en getal voorhanden is; Gods volmaaktheden gaan echter alle maat en elk getal te boven. Wijd en tbreed is de zee, maarzij heeft toch een einde; de druppels water zijn vele, doch streng genomen niet ontelbaar; maar de omvang der goddelijke volmaaktheden kan niet gemeten, haar getal niet bepaald worden. Wat is een dauwdruppel vergeleken bij de wereldzee? Toch zou een onuitsprekelijk groot getal van dauwdruppels ten laatste de groote ruimte , welke zij inneemt, aanvullen. Maar alle volmaaktheden van alle Engelen en Heiligen tezamen genomen, en door de geheele eeuwigheid telkens toenemende, kunnen nooit aan de volmaaktheden Gods gelijk worden. — Hoe verblind is alzoo de mensch, die de goederen dezer aarde zoozeer najaagt, en God, het toppunt aller volmaaktheden, vergeet! Wat kunnen wij zoeken in de schepselen, dat wij niet op oneindig volmaakte wijze in God vinden ? Wat in de schepselen verliezen, waarvoor ons niet in God een oneindig

ia*

-ocr page 212-

196

rijker goed ten deel zal vallen ? Het zij derhalve ons aangenaamste werk, Hem, die oneindige schoonheid, te beminnen ; Hem door liefde te bezitten, zij ons hoogste geluk en onze grootste rijkdom. „Mijn God, mijn al!quot; riep de H. Franciscus van Assisi dikwerf uit, en hij gewis kon het doen, wijl hij alles om God verlaten had, en ook ondervond, dat hij in God alles overvloedig had teruggevonden. — Wij noemen God verder:

3) den Heer van hemel en van aarde. — Aan anderen met recht bevelen te kunnen geven, duidt ontegenzeggelijk een voorrang aan. Alles, wat bestaat, te kunnen gebieden, is de allerhoogste voorrang, welken wij in God vereeren. Wij erkennen zijne onbeperkte opperheerschappij over zon, maan en sterren, over lucht, zee en aarde, over alles, wat op aarde leeft, over alle menschen, al schittert ook de diadeem der wereldheerschappij op hun hoofd, ja, over de ontelbare scharen der Engelen , de vorsten des hemels, die immer bereid zijn, den goddelijken wil te volbrengen. O, hoe klein, hoe onaanzienlijk zijn de grooten dezer aarde, de koningen en de keizers, in vergelijking met God, den Heer der heirscharen! Al zouden zij zich m purper of zijde kleeden, met goud en diamanten schitteren, al zouden duizenden hun ter zijde staan en millioenen hunnen wenk volvoeren ; voor God zijn zij als waren zij niet. „God alleen blijft de onoverwinnelijke Koning in „eeuwigheidquot; (Spr. XVIII). „De hemel is zijn troon, de „aarde zijne voetbank1\' (Isai. LXVI, 1).

Eindelijk noemen wij God;

4) den lieer, van wien alle goed voortkomt.

Door deze woorden geven wij te kennen, dat we God beschouwen als den oorsprong en de bron van al het goede en schoone, hetwelk wij gaarne zouden bezitten en begeeren.— Waarde lezer, uw lichaam met zijne vijf zintuigen komt van God; uwe ziel, het evenbeeld van den Allerhoogsta, komt van God; uw geheugen, uw goed hart komt van God; het schoone, met duizenden sterren bezaaide gewelf des hemels, de aarde met hare edelsteenen en bloemen, met hare vis-schen en vogels, met hare ontelbare landdieren; de zon en de maan, die n zoo liefelijk en weldadig beschijnen; de lucht, welke gij inademt en die u op heete zomerdagen koelte geeft; het brood, datgij eet, het water, dat gij drinkt; de kleederen, welke u dekken en sieren; de zusters en broeders, die u zoo innig liefhebhen, de leeraars en onderwijzers, die alle zorg aanwenden om u tot edele menschen te vormen; de ouders, aan wie gij naast God het leven en duizend andere weldaden, genoegen en vreugde te danken

-ocr page 213-

197

hebt, dat alles, alles komt van God. En dat alles is nog gering in vergelijking met de vele en kostbare genadeschatten, welke God u dagelijks verleent, en met de goederen, die Hij u na dit leven bereidt in den hemel, welken Jesus, zijn eengeboren Zoon aan het H. kruis voor u verdiend heeft; daar wil Hij zelf uw overgroot loon, uw erfdeel, uw eeuwig geluk zijn. O hoe beminnenswaardig is die groote, goede God! Denk derhalve zeer dikwijls en gaarne aan Hem, den hoogsten en besten Heer; spreek in een innig en kinderlijk vroom gebed dikwijls en vertrouwelijk tot Hem, bewandel met lust en liefde den weg zijner geboden. Die weg en die weg alleen voert den mensch reeds hier op aarde tot reine zielevreugd en eindelijk tot de eeuwige zaligheid des hemels.

Als God geen lichaam heeft, ivaarom spreekt de TI. Schrift dan van Gods oog en, oor en , handen , enz. ?

Zij spreekt aldus, om zich voor de menschen verstaanbaar te maken.

Een ieder, die kinderen wil onderwijzen, moet, om door hen begrepen te worden, zich naar het verstand en de zienswijze der kinderen richten. Welnu, wij menschen zijn en blijven allen kinderen in betrekking tot het goddelijke; daarom daalt de alwijze en goede God, teneinde ons de noodige kennis van zijn oneindig wezen te geven, tot ons menschelijk verstand en onze zienswijze af. De H. Schrift spreekt derhalve aldus, niet alsof God werkelijk oogen, ooren en handen heeft, maar enkel, om ons eenige volmaaktheden van zijn onzichtbaar -wezen begrijpelijker, als het ware aanschouwelijker te maken. Zoo beduiden de oogen en ooren Gods zijne alomtegenwoordigheid, krachtens welke Hij alles ziet en hoort; Gods armen en handen geven ons een denkbeeld van zijne macht; het hart van God is het zinnebeeld zijner vaderlijke liefde, voorzorg en erbarming. Wij namelijk kunnen enkel met de oogen zien, met de ooren hooren, met de handen iets maken of bewegen, enz. Daarom zijn wij niet in staat, ons het zien, hooren of werken van een geest voor te stellen, zonder te denken aan een lichamelijk wezen, dat, gelijk wij, oogen, ooren en handen heeft. Eveneens is het, wanneer wij God den Vader als een eerbiedwaardigen grijsaard met den wereldbol in de hand afbeelden. Dit alles geschiedt alleen, om ons God, den Eeuwige, den Schepper en Regeerder der wereld, zoo duidelijk mogelijk voor te stellen.

-ocr page 214-

198

Wolmaaktheden Oods.

Welke eigenschappen of volmaaktheden van God moeten wij vooral beschouwen?

De volgende: God is eeuwig en onveranderlijk — alomtegenwoordig — alwetend — alwijs — almachtig; Hij is oneindig heilig en rechtvaardig — oneindig goed, barmhartig, lankmoedig — oneindig waarachtig en getrouw.

Uit deze vraag en haar antwoord besluiten wij :

1) dat, waar van God sprake is, de woorden; eigenschappen en volmaaktheden volkomen hetzelfde beteekenen, of met andere woorden, dat in God alle eigenschappen volmaaktheden zijn. Dit kan van de eigenschappen der schepselen niet gezegd worden. Goedheid, wijsheid, macht, heiligheid zijn wel goede eigenschappen, welke ook menschen en Engelen kunnen bezitten, maar ware volmaaktheden zijn het niet i want geen mensch en geen Engel is zoo goed, zoo wijs, zoo machtig, zoo heilig, dat hij niet nog beter, wijzer, machtiger, heiliger gedacht kan worden; derhalve bestaat er geen geschapen wezen, dat in de eigenlijke en strenge beteekenis des woords volmaakt goed, volmaakt wijs, volkomen machtig, volmaakt heilig is. Dit voorrecht komt God alleen toe. — In dien zin spreekt Jesus Christus bij Lucas XVIII, \'19: „Niemand is goed, dan God alleen;\'\' in dien zin zingt en bidt ook de Kerk bij het H. Misoffer: „Gij alleen zijt heilig.quot; In vergelijking, namelijk met de goddelijke goedheid en heiligheid, is de menschelijke goedheid en heiligheid zooveel als niets.

2) Dat er verscheiden volmaaktheden Gods zijn. Geenszins moet men zich echter voorstellen, dat die volmaaktheden in God van elkander of van het wezen Gods werkelijk onderscheiden zijn; neen, wij willen enkel zeggen, dat zij door ons, als van elkander en van het goddelijk wezen onderscheiden worden opgevat. God bezit, of juister gesproker., God is maar e\'éne volmaaktheid. Het bekrompen mensche-lijk verstand is echter niet bij machte, den geheelen onein-digen omvang er van met één blik te overzien; daarom beschouwt het de ccne goddelijke volmaaktheid als uit verschillende gezichtspunten, nu als wijsheid, dan als macht of heiligheid, enz. Zoo vervaardigt een landschapschilder verscheiden afbeeldingen of omtrekken van dezelfde streek of stad, wijl hij niet in staat is, zijn voorwerp te gelijk

-ocr page 215-

199

van alle kanten of gezichtspunten op te vatten en voor te stellen. — Deze onderscheiding der goddelijke volmaaktheden wordt overigens ten volle gerechtvaardigd door de H. Schrift zelve, die op ontelbare plaatsen van de wijsheid, macht, heiligheid, gerechtigheid en andere goddelijke volmaaktheden melding maakt.

3) Dat eenige volmaaklheden vooral moeten geleend worden, namelijk die, welke wij boven hebben aangeduid. Be reden hiervan licht hoofdzakelijk daarin, dat juist die volmaaktheden ons de natuur van God en onze verhouding tot Hem het beste doen kennen, en aldus op ons leven den grootsten en gewichtigsten invloed uitoefenen.

IVat heteekent: God is eeuwig?

God is eeuwig wil zeggen: Hij is zonder begin en zonder einde.

Het lichamelijk leven van ieder onzer heeft een begin gehad en zal ook een einde hebben ; het leven onzer ziel heeft een begin gehad, maar het zal geen einde hebben; het leven van God heeft geen begin gehad, en zal ook geen einde hebben. Waan echter niet, dat in het eeuwige leven van G od oogenblikken op oogenblikken, uren op uren, dagen op dagen, jaren op jaren volgen, gelijk zulks in het leven van den mensch het geval is. Het leven van God is boven elke tijdsberekening verheven; het is de ée\'ne ondeelbare , voor den geschapen geest geheel onbegrijpeliike eeuwigheid. Om ons evenwel eenigermate een begrip van Gods eeuwigheid te maken, behelpen wij ons, met millioenen en raillioenen jaren of eeuwen achteruit te tellen, en dan tot ons zeiven te zeggen: ook vóór dien tijd was God, en op dezelfde wijze millioenen en millioen jaren vooruit te tellen en te zeggen: zelfs na dien tijd zal God nog zijn. De H. Schrift zelve leert ons, op die wijze de eeuwigheid van het goddelijk leven zooveel mogelijk aanschouwelijk te maken: „vóór dat de bergen werden, en eer de aarde en haar kring „gevormd was, zijt gij, o God! van eeuwigheid toteeuwig-„heidquot;\' (Psalm LXXXIX, 2). Aldus betuigt God zelf zijne eeuwigheid. — En al deed Hij dit niet, toch zou het onredelijk zijn, er aan te twijfelen. Want indien er ooit een tijd was geweest, dat er niets, volstrekt niets bestond, dan had er ook nimmer iets kunnen ontstaan, daar het volstrekt onmogelijk is, dat het niets iets scheppe of voortbrenge. Is God nu noodzakelijk zonder begin, dan kan Hij zijn ontstaan niet van een ander, maar enkel van zich zeiven,

-ocr page 216-

200

van zijne goddelijke natuur hebben, d. i. het moet in zijne natuur liggen, dat Hij is, gelijk de natuur van het vuur medebrengt, dat het brandt, en de natuur van het licht, dat het verlicht. Derhalve kan God evenmin ophouden te zijn, als het vuur, zonder te branden, vuur, als het licht, zonder licht te geven, licht kan zijn. Alzoo moet God noodzakelijk zonder begin en zonder einde, d. i. eeuwig zijn.

JFai heteekent: God is onveranderlijk?

God is onveranderlijk, wil zeggen: Hij blijft eeuwig dezelfde, zonder ooit zich zeiven of zijne raadsbesluiten te veranderen.

In alle opzichten blijft God eeuwig dezelfde: dezelfde in zijn wezen, in zijn willen, in zijne kennis, in zijne raadsbesluiten, dezelfde in al zijne eigenschappen en volmaaktheden. „Hemel en aarde vergaan, maar Gij (o God !) blijft. „Zij verouderen als een kleed, maar Gij zijt dezelfde, er. „uwe jaren nemen niet afquot; (Ps. Cl, 27, 28). In God is niets, dat begint, niets, dat voorbijgaat, niets , dat ontstaat, niets, dat groeit, niets, dat sterft; Hij is, Hij was immer, en zal altijd zijn, wat Hij is. In God is geen overgang van de eene gedachte tot de andere, van de eene kennis tot de andere, van de eene handeling tot de andere. „Bij „Hem is geene verandering en geene schaduw van veran-„derlijkheidquot; (Jac. I, 17). Wat Hij besloten heeft, heeft Hij van eeuwigheid besloten, en dat blijft en geschiedt onherroepelijk. „Mijn raadsbesluit bestaat,quot; zegt Hij bij Isaïas XLVI, 10, „en alles, wat Ik wil, geschiedt.quot; Die plaatsen der H. Schrift, waarin gezegd wordt, dat God berouw gevoelt, zich bedroeft, zich beijvert, enz. moet men derhalve slechts figuurlijk opnemen, even als wanneer er sprake is van de oogen of ooren van God; want de H, Schrift is voor menschen gemaakt, en bedient zich derhalve ook van menschelijke spreekwijzen.

Die onveranderlijkheid van God komt uit zijne eeuwigheid voort, er kan immers geene eigenlijke eeuwigheid bestaan zonder onveranderlijkheid. Wat verandering ondergaat, is niet meer hetzelfde, maar iets anders; wat iets anders is geworden, is niet gebleven hetgeen het was, derhalve niet eeuwig.

Uit die onveranderlijkheid van Gods raadsbesluiten volgt geenszins, dat wij te vergeefs hopen. Hem door gebed en bsetvaardigheid gunstig voor ons te stommen of zijne straffen van ons te kunnen

-ocr page 217-

201

afwenden. Neen, onze lioop is niet vergeefsch, ons gebed eigt; onze boetedoening zijn volstrekt niet nutteloos; want God Leeft van eeuwigheid vooruitgezien, of wij in de onboetvaardigheid volharden, of bidden en boete doen zouden, en ten gevolge dier kennis heeft Hij van eeuwigheid af besloten, ons als onboetvaardigen na dit leven te kastijden of ons als boetelingen te vergeven.

U\'at moeien wij doen, omdat God eeuwig en onveranderlijk is ?

Wij moeten Hem eeuwig dienen en eeuwig liefhebben.

Ja, de gedachte aan Gods eeuwigheid en onveranderlijkheid moet ons aanzetten , ons niet op de menschen te verlaten, die heden iets schijnen te zijn en morgen niet meer bestaan, maar op God te bouwen en het besluit te nemen, eeuwig Hem te dienen en eeuwig Hem te beminnen. Aldus was Joanna, de vrome dochter van koning Alphonsus V van Portugal, gezind. De aanzienlijkste vorsten van Europa dongen naar hare hand. Maar zij sprak telkens: „Wat „baten mij alle schatten der aarde, wat wereldsche pracht „en heerlijkheid, daar dit alles vergaat als eene bloem, „die heden bloeit en morgen verwelkt? De bruidegom, „die mijn hart bezitten moet, is de Koning, die eeuwig „is en wiens schatten eeuwig duren.quot; Zij trad op jeugdigen leeftijd in de orde der Dominicanessen en wijdde al hare liefde aan den goddelijken Bruidegom harer ziel. — Op dergelijke wijze antwoordde de H. Martelares Agnes, toen men haar aanzette, om haren goddelijken Bruidegom ontrouw te worden. „Verwijder u van mij,quot; sprak zij met edele verontwaardiging tot den zoon van den prefekt van Rome, die haar ten huwelijk vroeg, „ik heb mijn hart reeds aan „een Bruidegom geschonken, wien ik, de beleediging niet „mag aandoen, Hem om uwentwille te verlaten; van zijne „lippen vloeit melk en honig, zijne moeder is eene maagd, „de Engelen dienen Hem, zon en maan bewonderen zijne „schoonheid. En die schoonheid veroudert niet, en zijne „schatten nemen nooit af. Hem alleen wil ik mijne liefde „geven en mijne trouw bewaren.quot; Veroordeeld door het zwaard te sterven, sprak zij vol vreugde; „Ten gronde „moge mijn lichaam gaan, dat bemind kan worden met „oogen, waardoor ik niet bemind wil wezen, en Hij, die mij „het eerst voor zich heeft uitverkoren , ontvange mijne ziel.quot;

Kozen welken, menschen sterven,

Alles neemt weldra een eind;

Heil u, als gij God moogt erven.

Want Hij blijft in eeuwigheid.

-ocr page 218-

202

Wat leteekent: God is alomtegenwoordig ?

God is alomtegenwoordig, wil zeggen : Hij is overal, in den hemel, op de aarde en op alle plaatsen.

God is op drievoudige wijze overal, namelijk door zijne macht, door zijne tegenwoordigheid, en door zijn wezen. Om dit beter te begrijpen, moet gij u een koning op den troon voorstellen \'). Door zijne macht is hij in geheel zijn rijk, wijl deze zich over zijn gansche rijk uitstrekt, en allen zijne bevelen moeten opvolgen. Om dezelfde reden is ook God door zijne macht in den hemel, op aarde en op alle plaatsen, daar alles aan die macht onderworpen is. — Da koning kan echter niet, terwijl hij op den troon zit, in zijn geheele rijk persoonlijk tegenwoordig zijn; hij kan niet met eigen oogen zien, wat overal in zijn rijk gebeurt; hij is dus enkel in de troonzaal of in zijn paleis tegenwoordig. God daarentegen is te gelijker tijd in den hemel, op aarde en overal tegenwoordig, inzoover namelijk alles, wat is en geschiedt in den hemel, op aarde en in alle plaatsen, open voor zijne oogen ligt; want voor zijne oogen is niets verborgen, alles ziet en doorschouwt Hij. Daarom roept de Profeet tot God: „Waarheen zal ik gaan „voor uwen geest, en waarheen vluchten voor uw aange-„zicht ? «tijg ik ten hemel: Gij zijt er. Daal ik ter helle „neêr: Gij zijt er. Al nam ik de vleugelen van den dage-„raad, al woonde ik aan het uiterste einde der zee, ook „daar zou uwe hand mij vergezellen en uwe rechterhand „mij vasthouden. En ik zeide: misschien zal de duisternis „mij verbergen; maar de nacht wordt licht rondom mijquot; (Ps. CXXXVlil). Evenmin kan de koning door zijn wezen overal zijn, hij is daarmede d. i. met lichaam en ziel, maar op ééne plaats, enkel in den engen omvang, welken zijn lichaam inneemt, bij gevolg, in het gestelde geval, enkel op den troon. Maar God is ook door zijn wezen overal, in den hemel en op aarde, en Hij is overal te gelijker tijd en overal geheel en volkomen.

Daarom spreekt Hij van zich zeiven: „Kan de mensch „zich in schuilhoeken verbergen, zoodat Ik hem niet zie? „Ben Ik het niet, die hemel en aarde vervulquot; (Jer. XXIII, 24):\' Terecht zegt derhalve de H. Apostel Paulus: „God „is niet verre van ieder onzer; want in Hem leven wij, en

!) Aldus de H. Thomas I. q. 8. a. 3.

-ocr page 219-

203

„bewegen wij ons, en zijn wijquot; (Hand. XVII, 27,28).— Ja, al schiep God nog duizend en duizend veel grooter werelden dan de onze, Hij zou die niettemin niet enkel door zijne macht en tegenwoordigheid, maar ook door zijn eigen wezen vervullen; want dit wezen kan door geene ruimte omsloten worden, maar strekt zich over alle denkbare grenzen en perken uit — het is onmetelijk. Zoo lezen wij in het boek Job: „God is hooger dan de hemel, dieper dan „de hel, zijne maat is langer dan de aarde en breeder dan „de zee.\'\' — Evenwel moeten wij niet denken, dat God eene onmetelijk groote gestalte is, die van de aarde tot of boven den hemel zich uitstrekt; want daar God een geest is, bestaat Hij ook zonder eenige uitgestrektheid, en is op iedere plaats zoo geheel en volkomen en ondeelbaar, als ware Hij slechts daar en nergens anders.

Hoewel God met zijn wezen alles omvat en doordringt, meer dan het zonnelicht het helderste kristal doorstraalt, wordt Hij echter door niets ter wereld verontreinigd. Wie zou zoo dwaas kunnen zijn, te denken, dat de zonnestraal door leelijke dingen te beschijnen, verontreinigd wordt ? Nog veel minder kan God verontreinigd worden, daar Hij een geest en een oneindig rein wezen is. — En hoewel God hemel en aarde vervult, derhalve zich nooit van de eene plaats naar de andere begeeft, maar zoowel op de eene als op de andere tegenwoordig is, zegt toch de Kerk niet zonder grond (in de Kiceesche geloofsbelijdenis), dat de Zoon Gods voor ons menschen en voor ons heil „van den hemel afgedaald en mensch geworden is.quot; Zij wil daardoor te kennen geven niet eene beweging van den hemel tot de aarde, maar de liefde welke den Allerhoogste bewoog, zich zoo diep te vernederen, dat Hij onze zwakke natuur aannam. Ook doen wij volstrekt geen kwaad, als wij den hemel „Gods troon,quot; de zielen der rechtvaardigen „Godstempels\'\' en de kerk „Gods huisquot; noemen. De hemel is volgens de uitdrukking der H. Schrift Gods troon, wijl hij in pracht en schoonheid al het overige overtreft, en God zich in den hemel aan zijne uitverkorenen in onuitsprekelijke heerlijkheid openbaart. De zielen der rechtvaardigen zijn Gods tempels, wijl Hij daarin met bizonder welgevallen verblijft, haar bemint en met weldaden overlaadt. De kerk is Gods huis, wijl aldaar zijn woord ons verkondigd wordt, en Jesus Christus niet enkel als God (gelijk overal), maar ook als mensch in het heilig Sacrament des Altaars tegenwoordig is; bovendien is de Kerk Gods huis, wijl God vooral in de Kerk ons gebed verhooren en zijne genade verleenen wil. Hoewel wij op alle plaatsen God kunnen en ook moeten

-ocr page 220-

204

bidden, doen wij er echter zeer goed aan, als wij bij voorkeur in de kerk gaan, oin aldaar ons gebed te verrichten, vooral op Zon- en feestdagen, wanneer wij er uitdrukkelijk toe verplicht zijn. Een vorst, zegt een bekend schrijver,\') maakt de verordening, dat alle menschen, die iets van hem willen verzoeken, in eene daartoe bestemde zaal moeten komen, waar hij allen gaarne gehoor zal geven. Een der onderdanen acht dit echter te veel moeite. Hij heeft wel tijd en gelegenheid om naar de bestemde plaats te gaan, maar hii wil zijne belangen liever den vorst voordragen, als hij dezen toevallig op straat ontmoet. Zou die onderdaan zijn verdiend loon niet krijgen, als de vorst hem geen gehoor wilde schenken?

Wat wil zeggen\'. God is alwetend?

God is alwetend wil zeggen: Hij weet alles volkomen en van eeuwigheid af. Hij weet het verledene, het tegenwoordige en het toekomstige, ook onze geheimste gedachten.

God weet alles, alles zonder de geringste uitzondering. Wij menschen weten slechts weinig, en zelfs dat weinige weten wij maar zeer oppervlakkig en onvolkomen. Wij moeten ons veel moeite geven, om het te leeren, en wij vergeten het spoedig weder, als wij het met moeite geleerd hebben. Daarom is ons weten hier op aarde in alle opzichten gebrekkig. God daarentegen weet en kent alles volkomen, zonder eenige moeite en wel van eeuwigheid af en in alle eeuwigheid. Hij kent zich zeiven, zijne goddelijke volmaaktheden, zijne oneindige macht, goedheid en schoonheid, de diepste afgronden van zijn eeuwig wezen, en Hij kent zich op eene oneindig volkomen wijze. Als wij aan den oever der zee staan, zien wij slechs hare oppervlakte; de waterdruppels , de zandkorrels, de ontelbare schelpen en zeeplanten, die op den bodem zijn, ontgaan aan ons oog. Als wij voor een spiegel staan, zien wij eveneens enkel de oppervlakte van ons gelaat; wat daaronder verborgen ligt, ^ bijv. de kunstige samenstelling van ons oog enz. kunnen wij niet zien. Ook onze ziel kennen wij slechts gedeeltelijk en nooit volkomen. Maar God ziet zich zeiven volkomen, omvat met een enkelen oogslag ziine geheele oneindigheid. — Hij kent ook alles, wat buiten Hem bestaat; alles, wat in

\') Alban Stolz; „katecbet. Auslegung.quot;

-ocr page 221-

205

en om ons omgaat, ligt open voor Hem. Zie, geen haar kromt zich op het hoofd, geen blad groeit aan den boom, geen worm kruipt in het stof, en geene gedachte komt bij u op, o mensch, geen wensch ontstaat in uw hart, of God weet het. Want zelfs onze geheimste gedachten kent Hij. „De oogen des Heeren beschouwen niet alleen de „gansche aardequot; (2. Kron. XVI, 9), „zij doorvorschen ook „harten en nierenquot; (Ps. VII, 10), wijl de Heer werkelijk in ons is, en wij in Hem ziin. Ja, God weet beter en eer dan gij zelf, wat gij denkt en weet; want Hij weet het van eeuwigheid. ,.A1 mijne wegen ziet Gij vooruit, „o Heer!quot; „De oogen Gods zijn veel helderder dan de zon, „en doorschouwen de diepste afgronden in de harten der men-„schen; want God den Heer waren alle dingen bekend, eer „Hij ze schiep, en zoo doorgrondt Hij ook alle, nadat zij „voltooid ziinquot; (Sir. XXIII, 28, 29). Zelfs de duisternis „is niet donker voor Hem, en de nacht is voor Hem helder „als de dagquot; (Ps. CXXXVIII, 12).

Alles wat voor ons verleden, tegenwoordig en toekomstig is, omvat en begrijpt Hij met denzelfden eeuwigen blik, waarmede Hij zich zeiven als den oorsprong en het doel, het begin en het einde van alle geschapen dingen , van de kleinste zoowel als de grootste, van het levenlooze stofvlokje en van den hoogsten Engel kent. Voor Hem bestaat er geen verleden, geene toekomst. Hij ziet alles als tegenwoordig. Of gij, lezer, na verloop van 10 of 20 jaren nog leven zult, is geen geheim voor Hem, zelfs hetgeen gij alsdan, indien gij nog in leven zijt, naar believen en met vrije keuze besluiten, wat gij doen en laten zult, zelfs dat weet Hij van eeuwigheid even goed, alsof het nu reeds geschied ware. Ja, God weet alles, niet enkel wat volgens den loop der natuur noodzakelijk volgen moet, maar ook datgene, wat alleen van den vrijen wil en van de besluiten der menschen afhangt. Indien Hij dit alles niet weet, hoe hebben dan de Profeten, door Hem verlicht, kunnen voorzeggen , dat men Christus voor dertig zilverlingen verraden, Hem slaan, de haren uitrukken, in het aangezicht spuwen, met gal en edik laven, zijne handen en voeten doorboren en om zijn kleed het lot werpen zou? En hoe zou Christus zelf in staat geweest zijn, niet alleen zijn lijden en zijn dood, maar ook het verraad van Judas en den val van Petrus zoo bepaald te voorzeggen ? Wie had durven denken, dat Petrus, die kort te voren zoo plechtig verzekerde, dat hij met Jesus in den dood wilde gaan , die in den hof zoo moedig het zwaard trok, dat diezelfde Petrus nog in denzelfden nacht zijn goddelijken Meester uit laffe menschen-

-ocr page 222-

206

vrees verloochenen zou? Christus voorspelde het hem echter met duidelijke woorden, zelfs wanneer en hoe dikwijls hij Hem zou verloochenen.

Men zou hier de vraag kunnen stellen, hoe het mogelijk is, dat de wil van den mensch nog vrij blijft, als God alles, wat de mensch doet, voorziet, en het onmogelijk is. dat iets van hetgeen Hij voorziet, niet vervuld worde; of de mensch derhalve niet noodzakelijk zóó handelen moet, als God het voorzien heeft? — Neen, ofschoon God alles voorziet, wordt daardoor de vrije wil van den mensch noch weggenomen noch beperkt; want de mensch handelt geenszins zoo en niet anders, omdat God het voorziet. Petrus verloochende Christus niet, wijl deze het voorspelde, maar wijl Petrus zijn Heer verloochenen zou, voorzag Christus het. Om dit beter te begrijpen, moet gij u het goddelijk verstand voorstellen als een helderen spiegel, welke alle bewegingen van den mensch, die er zich in beziet, nauwkeurig weergeeft, maar die bewegingen toch geenszins maakt of veroorzaakt. ■)

Waarom is het dienstig, dikwijls aan Gods alorn-legenvjoordighe.id en alwetendheid te denken ?

1) Die herinnering zal ons overal, ook in het verborgen, van alle kwaad afhouden en tot het goed aansporen. Susanna werd door twee oude booswichten tot zonde bekoord, onder bedreiging van een ellendigen dood, als zij niet inwilligde. Haar hart was zwaar gedrukt, want zij voorzag, dat zij aan hunne wraak niet ontkomen zou. Maar de gedachte aan Gods tegenwoordigheid bewaarde haar voor den val. „Ik wil liever,quot; roept zij uit „zonder die daad in uwe „handen vallen, dan zondigen voor het aanschijn des Heerenquot; (Dan. XIII, 23). De oude booswichten, die de hoogste rechterlijke waardigheid bekleedden, zouden voorzeker zoo diep niet gevallen zijn, als zij den God, die alles weet en oordeelt, voor oogen hadden gehouden. Doch „zij hadden

\') Tot meerdere verduidelijking der gemaakte opwerping en gegeven oplossing strekke het volgende. Duns Scotus, een groot geleerde, ontmoette op eene reis in Engeland een boer, die juist bezig was met zaaien. Nadat Scotus met hem in gesprek was geraakt en hem eenige vermaningen gegeven had, antwoordde de boer: „wat „verlangt ge van mij? Als God voorzien heeft, dat ik zalig zal worgden, dan word ik het allerzekerst, \'t zij ik goed of kwaad doe; heeft „Hij echter voorzien, dat ik verloren zal gaan, dan zal ik evenmin, „onverschillig of ik goed of kwaad doe, mijn lot ontkomen.quot; Scotus gaf hierop ten antwoord: „als de voorkennis van God alles onver-„anderlijk noodzakelijk maakt, waarom zaait gij dan? Heeft God voor-„zien, dat hier koorn groeien zal, dan zal het groeien, onverschillig „of gij zaait of niet, en omgekeerd; in beide gevallen is uw arbeid „geheel nutteloosquot; (Zie: Wetzer\'s Kirchen-Lexicon. Artik. Scotus).

-ocr page 223-

207

„hunne oogen afgewend, om den hemel niet meer te zien „en het rechtvaardig oordeel (Gods) niet meer te gedenken.quot;

Zelfs onder de boosaardigste menschen zijn er maar weinige, die zich niet schamen, openlijk de zonde te bedrijven: welk eene oneer doen wi] alzoo God aan, als wij zijne tegenwoordigheid minder tellen, dan die van een mensch; als wij ons niet ontzien, voor zijne oogen kwaad te doen, daden te bedrijven, welke een gruwel in zijn oog zijn, daden, waarvoor wij ons zouden schamen, als maar een enkel mensch er kennis van droeg!, De H. Ephrem werd eens door eene vrouw tot zonde aaDgezocht. De hëiTige man verborg zijn gerechten toorn en verzocht haar, hem midden op de hoofdstraat der stad te volgen. „Maar hoe!quot; antwoordde de vrouw, „voor al die menschen! vreest gij niet?quot; Met heiligen ernst sprak nu Ephrem; „zouden we de menschen „vreezen en God niet? — Hem niet, den alomtegenwoordige, „wiens oog de geheimste schuilhoeken doorziet, en die eenmaal ieder naar zijne werken vergelden zal ?quot; Bij deze woorden wierp de vrouw, als door den bliksem getroffen, zich voor de voeten van den Heilige, beweende hare zonden, en leidde van stonde af aan een boetvaardig leven. —- Moge ook voor ons de gedachte aan Gods heilige tegenwoordigheid een krachtig schild tegen het kwaad en eene sterke aansporing zijn, om het goed te doen, zelfs daar, waar geen menschelijk oog ons ziet, ofquot; waar wij van de menschen niets dan smaad en ondank te wachten hebben! Want gelijk wij in God een onomkoopbaren getuige en rechter vinden , als wij verkeerd doen of kwaad denken, zjoo hebben wij ook in Hem een getrouw belooner van het goed, dat wij, al zou het ook in den afgelegensten hoek der aarde zijn^ verrichten. „Uwe aalmoes,quot; spreekt Jesus Christus, „zij in het verborgen, en uw Vader, die in het verborgen „ziet, zal het u vergeldenquot; (Matth. IV, 4). Is het niet genoeg, God tot getuige te hebben, daar aan zijne gunst en aan zijne goedkeuring ons veel meer moet gelegen zijn, dan aan den bijval van alle menschen op aarde ?

2). Die gedachte zal ook in allen nood ons moed en troost geven. David, door machtige en talrijke vijanden omringd, ducht niets; want ,,de Heer waakt over mij,quot; spreekt hij, „niets kan mij schaden! al wandelde ik ook „te midden van de schaduwen des doods, ik zou geen „kwaad vreezen, wijl Gij (o Heer!) bij mij zijt!quot; (Ps. XXII, 4). Toen Judas de Macchabeër het machtigste heir-leger van den overmoedigen Nicanor tegen zijne kleine schaar zag aanrukken, ontzonk de moed hem niet, want de herinnering aan Gods tegenwoordigheid sterkte hem.

-ocr page 224-

208

„Judas en de zijnen,quot; getuigt de H. Schrift, (2 Macch. XV, 26, 27), „riepen God aan en streden al biddende. „Met de hand vochten zij en in hun hart baden zij tot den „Heer, en zij versloegen er niet minder dan vijf-en-dertig „duizend, zeer verblijd door Gods tegenwoordigheid.quot;^ De vrome lijder Job werd door zijne vrienden en vijanden, zelfs door zijne eigen vrouw belasterd, door allen vervolgd en bespot; maar zijn hart is toch niet kleinmoedig of troosteloos, want Hij weet., dat God bem ziet en zijne onschuld kent. „In den hemel is mijn getuige,\'\' roept hij uit, „en die mij kent is in den hoogequot; (Job XVI, 20). Welk een zoete troost! 0 dat hij ook steeds de onze zij! Mogen al gevaarlijke stormen zich verheffen : ons vertrouwen op den Heer mag daarom niet wankelen. Terwijl God verre van ons verwijderd schijnt, is Hij nabij, en reikt ons de hand, opdat wij niet verzinken. Vreezen wij nooit, dan ook zal ons het verwijt niet treffen, hetwelk Christus aan Petrus deed; „Gij, kleingeloovige, waarom twijfelt gij?quot; (Matth. XIV, 31).

irat wil zeggen; God is alwïjs ?

God is ahovjs wil zeggen: Hij weet alles op de beste wijze in te richten, om zijn H. wil te bereiken \').

\') Do onderwijzer, die de leer over de goddelijke wijsheid behoorlijk wil voorstellen, moet noodzakelijk zelf duidelijk de vraag begrijpen, welke tegenwoordig vrij dikwijls wordt opgeworpen; of de schepping, gelijk zij thans is, aan het doel, wat God er mede beoogd heelt, namelijk zijne verheerlijking, zoo volkomen mogelijk beantwoordt ? Deze vraag kan met ;/neenquot; en ook met //jaquot; beantwoord worden, al naar den zin. welken men er aan hecht. Is de zin dier vraag: verheerlijkt de thans bestaande schepping God volkomen , d. i. zooveel mogelijk , dan moet het antwoord ontkennend luiden. Dewijl toch de verheerlijking Gods van den kant van het schepsel altijd eene eindige blijft, kan zij immer grooter en volmaakter gedacht worden. Indien echter de zin der vraag deze is: bereikt de schepping, gelijk zij thans is, volkomen die mate der verheerlijking Gods, welke haar overeenkomstig de vrije raadsbesluiten des Scheppers is toegedacht, dan moet zij voorzeker bevestigend worden te-antwoord, daar Gods wijsheid de middelen kent eu aanwendt, cm dien graad van zijne verheerlijking op de volkomenste wijze te bereiken. Derhalve zegt de Katechismus: //God weet alles ten besïe, „d. i. op de volkomenste wijze in te richten, om zijn H. wil te ver-//krijgen,quot; of «God weet alles zóó in te richten, dat het niet beter „kanInrichten moet men hier niet met maken verwisselen; inrichten wijst op een doel. Du zin der woorden is bij gevolg deze; //God weet ter bereiking van zijn II. wil of zijn doel alles zóó in te rich-„tcn , (d. i. zulke middelen aan te wenden), dat het niet beter kan ïwezen.quot; Zeer ten onrechte zou men echter zeggen, dat de alwijze God niets beters of niets volmaakters kan voortbrengen, dan Hij

-ocr page 225-

209

quot;Wie het goede wil, en daartoe ook den rechten weg inslaat of geschikte middelen aanwendt, om datgene, wat hij wil, te bereiken, die is wijs. God nu wendt ter bereiking van zijn doel niet enkel geschikte middelen aan, die slechts tot het doel kunnen geleiden, maar Hij wendt de beste middelen aan, waardoor Hij alles, wat Hij wil, zeker en volkomen en op de allerbeste wijze bereikt. Daarom heet Hij de Alwijze. De geneesheei en de veldoverste zijn wijs, als beiden de gepaste middelen aanwenden, de eene, om de gezondheid te herstellen, de andere, om de overwinning te behalen, maar zeer dikwijls geschiedt het, dat zij juist niet de allerbeste middelen gebruiken, öf wel omdat zij die niet kennen, óf omdat het niet in hunne macht staat, die aan te wenden; daarom beantwoordt ook de uitkomst niet altijd aan hunne verwachting of moeite; door hinderpalen, welke zij niet immer uit den weg kunnen ruimen, faalt deze menigmaal. Geheel anders gaat het met God; Hem ontbreekt noch de kennis der beste middelen, wijl Hij alwetend is, noch de macht om die aan te wenden, wijl Hij almachtig is , en evenmin de wil daartoe, w?jl Hij algoed is. Derhalve bereikt Hij altijd volkomen en onmisbaar zeker alles, wat Hij wil.

Het goede nu, dat God in het algemeen en op de eerste plaats door middel van de geheele schepping bereiken wil, is de openbaring zijner aanbiddelijke volmaaktheden; hoe Hij dat doel bereikt, zal later in het onderricht over de schepping der wereld getoond worden. Maar behalve deze hoogste en algemeene bestemming, heeft ook ieder schepsel op zich zijne ondergeschikte bizondere bestemming, die tot

14

werkelijk gemaakt of geschapen heeft. Met eene eenvoudige gelijkenis zullen wij dit duidelijk maken. Een uurwerkmaker kan zich niets beters voorstellen, dan te zorgen, dat alle uurwerken, welke hij vervaardigt, nauwkeurig den tijd aangeven. Nu staat het hem vrij, een uurwerk te maken, dat enkel de uren, of een ander, dat tevens de minuten en seconden, of een derde, dat bovendien nog de maanden, dagen, enz. aanwijst. Heeft hij eenmaal besloten, een uurwerk gereed te maken , dat enkel de urén aangeeft, dan zal hij alleen dat raderwerk er in brengen, hetwelk vereischt wordt en voldoende is, om de uren nauwkeurig aan te wijzen ; al het overige ligt buiten het doel, dat hij zich gesteld heeft, en moet, hoe goed het ook in zich zij , als geheel overbodig beschouwd en afgekeurd worden. Zoo stond het God eveneens vrij , eene wereld te scheppen, welke zijne volmaaktheden in een hoogeren of minderen graad, op deze of gene wijze zou openbaren. Nadat Hij echter eenmaal den graad en de wijze van die openbaring had bepaald, was het geheel overeenkomstig met zijne oneindige wijsheid, alle en enkel die middelen te kiezen en te gebruiken, welke geschikt zijn, om zijn doel zoo volmaakt mogelijk te bereiken.

DEHAEBE, GELOOFSLEER, I. 3de DliUK.

-ocr page 226-

210

bestwil van al het geschapene en vooral van den mensch dienen moet. Ook ter bereiking van dit doel weet God elk wezen zoo goed mogelijk te vormen. Deze waarheid getuigt niet alleen het met sterren bezaaide gewelf des hemels, niet enkel de mensch met zijn wonderbaren lichaamsbouw, maar ook de grashalm en het kleinste diertje. Men be-schouwe bijv. eene bij, mier of spin, hoe behendig zij arbeiden; let eens op hare pooten , haren geheelen lichaamsvorm , en zie , hoe gepast en doelmatig alles is ingericht. Zoo heeft ieder diertje, elke zaadkorrel en elk stofje juist die eigenschappen, welke het ter bereiking van het doel, waartoe het gemaakt is, noodig heeft. Kortom, beschouw hemel en aarde, zeeën en rivieren, bergen en dalen, lucht en water, — al het geschapene verkondigt de aanbiddens-waardigheid van God. „Hoe groot zijn uwe werken, o „Heer! Alles hebt Gij met wijsheid gemaakt; de aarde is „vol van uwe goedheid\'\' (Ps. CIH, 24). Geheele boeken zouden wij kunnen vol schrijven, wilden wij de sporen der goddelijke wijsheid alleen in de zichtbare schepping nagaan, hoewel datgene, wat wij er van kunnen begrijpen, he\': allerminste is.

En toch wat zijn de werken der zichtbare schepping in vergelijking met de hoogere, onzichtbare wereldorde, namelijk met alles, wat God tot ons eeuwig en tijdelijk geluk doet en gedaan heeft? Wie zal het vermeiden, hoe wonderbaar God in de lotgevallen van iederen mensch op zich zeiven en van geheele volkeren zijne wijsheid laat uitschijnen? De bijbelsche geschiedenis vooral is rijk aan voorbeelden, waaruit die goddelijke wijsheid ons meer en meer duidelijk wordt. Joseph werd door zijne wangunstige broeders verkocht en naar Egypte gevoerd, door zijne meesteres gelasterd en als een misdadiger in den kerker geworpen. Naar menschelijke berekening was dit de kortste weg tot de diepsta vernedering en tot zijn ongeluk. Maar de goddelijke wijsheid bediende zich van die reeks van vernederingen als van even zoovele hoogst geschikte middelen om Joseph te ver-heften, hem aan de rechterhand des konings te plaatsen, den redder te maken van geheel Egypte en van zijne broeders, de sprekendste voorafbeelding van den Heiland, die volgens de goddelijke raadsbesluiten door vernedering en lijden tot de heerlijkheid geraken en het menschdom van den eeuwigen dood redden zou. — God had verder beslopen, het volk van Israël uit de slavernij van Pharao te verlossen. Een der voornaamste middelen om die bevrijding te bewerken , was het vvreede gebod, alle kinderen van het mannelijk geslacht in den vloed te werpen, een gebod het-

-ocr page 227-

211

welk door de sluwe tirannen juist was uitgedacht, om het ongelukkige volk de hardheid en zwaarte van zijn juk te doen gevoelen, en langzamerhand diens ondergang voor te bereiden. De dochter van Pharao nam den kleinen Mozes uit het hiezenkorfje, waarin zijne bezorgde moeder hem gelegd had, en liet hem eene opvoeding geven, welke hem in staat stelde, om eenmaal op bevel van God aan het koninklijk hof te verschijnen, er. met nadruk de vrijlating van zijn volk te eischen. — De eerzuchtige Aman had met groote sluwheid alles in het werk gesteld, om Mardocheüs, wien hij haatte, in het verderf te storten, en zich zei ven zoo hoog mogelijk te verheffen Doch volgens de wijze raadsbesluiten Gods moesten al die maati\'egelen juist de middelen zijn, om den val van den trotschen hoveling te bespoedigen , zijne vernedering des te meer opvallend te maken, en Mardocheüs tot het toppunt van eer en gunst te brengen \').

*) Ook de kerkelijke geschiedenis levert ontelbare Toorbeelden, waaruit blijkt, lioe de goddelijke wijsheid, door schijnbaar geringe middelen, en tegen alle menschelijke berekening in, de grootste dingen tot stand weet te brengen. Kortheidshalve zullen wij er hier slechts een enkel aanhalen, waarop vroeger reeds gewezen is, namelijk de merkwaardige bekeering van Ethiopië. Meropius , een heidensch wijsgeer uit Tyms in Phoenicië, reisde in het begin der vierde eeuw naar Ethiopië, om, op het voorbeeld van alle geleerden, zich met de zeden en overleveringen van vreemde volkeren bekend te maken. Hij nam twee knapen met zich, zijne neven Edesius en Frumentius, in wier hart reeds op zeer jeugdigen leeftijd, wellicht door hunne vrome moeder, de liefde tot Jesus Christus geprent was. Op de terugreis liep het schip, waarop Meropius zich bevond, in eene haven van de Roode Zee binnen , om zich van versch water te voorzien. De wijsgeer steeg met zijne beide leerlingen en andere scheepsgenooten aan land, waar zij weldra door de inwoners overvallen en vermoord werden. Alleen de beide knapen ontkwamen op eene bijna wonderbare wijze den dood, en werden den koning als slaven overgeleverd Deze liet hen vorstelijk opvoeden en met groote zorg onderwijzen. Toen zij groot waren geworden, benoemde hij Edesius tot opperschenker; daar hij bij Frumentius eene buitengewone werkzaamheid en groote bekwaamheden ontdekte, vertrouwde hij hem al spoedig zijne oorkonden en het bestuur der koninklijke goederen toe. Voortdurend bleef de koning hun zeer genegen , en toen hij stervend , om de minderjarigheid van den kroonprins, aan zijne gemalin het rijk moest overgeven, beval hij , dat aan Edesius en Frumentius volle vrijheid zou verleend worden, in hunne ambten te blijven ot die naar verkiezing te verlaten. Do koningin stelde prijs op den laatsten wil van haren echtgenoot, doch bad de beide broeders zoo dringend bij haar te blijven, tot zij het rijk aan haren zoon zou kunnen overgeven, dat deze het haar beloofden. Frumentius, die om zijne buitengewone werkzaamheid , bekwaamheid en bescheidenheid zeer hoog in aanzien stond, vergat door zijne tijdelijke zorg zijne eeuwige belangen niet. Niets ter wereld was in staat, de indrukken zijner kindsche jaren uit te wis-schen. Hij gaf zich alle moeite om te vernemen , of er onder de romeinsche kooplieden, die het land bezochten. Christenen waren,

14*

-ocr page 228-

212

Zoo bereikt God onfeilbaar zijn doel en bewijst zijne booge wiisbeid vooral, door de binderpalen, waardoor de booze mensch zijne plannen wil verijdelen, tot de volvoering van zijn plan te gebruiken. „O diepte des ijkdoms, der wijsheid en der kennis van God!quot; (Rom. XI, 3o). quot; Hoe heerlijk Gods wijsheid zich ook openbare, er zijn nochtans menschen, die met hun kortzichtig verstand de werken van God durven laken, en in hunnen hoogmoed zich verbeelden, dat zij die beter zouden gemaakt hebben. Is dit niet even dwaas als goddeloos ? Wie kent niet de fabel van den boer en den eikel? Wat begrijpt gij, arm aardwormpje, van Gods ondoorgrondelijke werken? „Hebt gii wellicht met Hem den hemel gebouwd ? Waart g\\i quot;er bij toen Hij de grondvesten der aarde legde, toen Hij quot;de zee perken stelde en sprak : tot hiertoe zult gij komen quot;en niet verder, en hier uwe schuimende baren breken I

en toen dit hem bevestigend werd beantwoord, liet hij hen bij zich komen, maande hen aan zich te vereemgen om, volgens degewoonta der Christenen, gezamenlijk te bidden , stond hun daartoe plaatsen af voorzag hen vin alles, wat aij noodig hadden tot het boawen van bedehuizen, ging hen voor door zijnen ijver, en verzekerde, dat he. ziin vurigste wensch was, het zaad des goddehjken woords in het land hetwelk aan zijne zorg was toevertrouwd rijke vruchten te zien\'dragen. Toen de jeugdke koning zelt de teugels van het bestuur in handen nam, keerde Edesius, verlangend om zijne bloedverwanten weêr te zien. naar Tyrus terug, waar hij later priester word gewijd. FrumenUus daarentegen, die zeer veel belang stelde Z de herlevende christelijke gemeente, reisde naar Alexandrie, waar hii den H. Athanasius mededeelde, hoe het met de Christenen in Ethiopië gesteld was, en dezen grooten Bisschop vurig smeekte, een anostolisch man daarheen te zenden, om den naam van Jesus Christus te verkondigen. Athanasius, die bizonder over deze tijding verheugd was, riep terstond zijne priesters bijeen en veroorloofde den iiverigen vreemdeling zijn verhaal van den toestand van Ethiopié te herhalen. Toen nu Frumentius ten slotte met geestdrift ook zijne bede vernieuwde en verzocht, dat er een man, vol van den heiligen Geest, heen zou worden gezonden, gaf Athanasius ten antwoorc. hoe zouden wij iemand kunnen vinden, op wien de geest Gods rust, eeliik op u, en die tot de volvoering van deze groote onderneming quot;fnn rrpschikt is als gii?quot; Frumentius werd diensvolgens tot bisschop van ithiopiö gewijcf en won dit rijk voor Jesus Christus. (Zie S.of-here- Geschichte der Religion, d. X. no . 60.) ..

Wie zal in deze geschiedenis de sporen der goddelijke wijsheid durven miskennen ?ëEnkel de zucht om veel te weten en te leeren had Jleropius bewogen, met zijne neven de reis naar Ethiopië te ondernemen Zijn dood was, naar alle menschelijke berekening, niet enkel voor hem zeiven, maar ook voor zijne beide reisgenooten het grootste ongeluk, vooral omdat beide dien ten gevolge hun vader-lind en hunne vrijheid verloren. Maar volgens het plan der o0lt;ide liike wijsheid moest juist dit voorval en hetgeen er uit voortvloeide dienen, om Frumentius en zijn broeder aan het koninklijke hof te brengen en den eerste in staat te stellen, Apostel van Ethiopië te

worden.

-ocr page 229-

213

„Zijt gij nedergedaald in de diepte der zee, en hebt gij „\'saardrijks breedte gezien? Hebt gij een arm als God, ,.en dondert gij met even zware stem ?\'\' (Job XXXVII, 18; XXXVIII, 4—18 en XL, 4). Hadden echter vele dingen in de wereld, zoo vraagt men nog dikwijls, niet anders ingericht kunnen zijn ? Had de Almachtige bijv. niet kunnen zorgen, dat de watervloed, hagel of sprinkhanen nimmer in staat zouden zijn de schoone zaadvelden te verwoesten; dat de onschuldige nooit in ellende kon komen, terwijl de booswicht in alles gelukkig is 7 Voorzeker — maar zou dit voor ons beter, of in en voor zich doelmatiger zijn? Leert het geloof ons niet, dat ook de wederwaardigheden weldaden Gods zijn, dat daarentegen een ongestoord geluk dikwijls ten verderve voerl ? Of heeft God ons geschapen , alleen om op deze aarde gelukkig te zijn? Is met dit vergankelijk leven dan alles ten einde? En door wiens schuld werd de aarde, die aanvankelijk eenequot; plaats van vreugde was, in een tranendal veranderd ? Zijn de aardbevingen, pest en andere ongelukken niet vooral straffen der zonde? Neen, niet uit onze tijdelijke welvaart moeten wij Gods eeuwige wijsheid leeren kennen, maar uit het feit, dat alles, het kleine zoowel als groote, dient om zijn H. wil te volvoeren. Wachten wij ons, met den Allerhoogste te willen redetwisten. Hij zal wel weten, waarom Hij alles zóó en niet anders heeft ingericht, rekenschap daarvan heeft Hij ons niet te geven. Niets is gewis verstandiger , dan uit de tallooze voorbeelden, welke wij met oogen zien en met handen betasten, het besluit te trekken, dat de overige werken, wier geheim raderwerk wij niet begrijpen, door denzelfden God niet minder passend zijn ingericht. — Hiëro, koning van Sicilië , liet eens een schip bouwen, zóó groot en zóó zwaar, dat alle pogingen om het te bewegen en van het strand in de zee te brengen, ver-geefsch waren. Eindelijk zocht men hulp bij Archimedes, een beroemd wiskunstenaar. Deze beloofde een werktuig te vervaardigen, waarmeê een enkel man zeer gemakkelijk zou uitvoeren, wat totdusverre eene groote menigte werktuigen , paarden en menschen niet tot stand konden brengen. Ieder achtte dit onmogelijk. Archimedes maakte nu een zeker werktuig, en noodigde den koning uit, zelf het schip daarmee in beweging te brengen. Zonder moeite hief deze in het bijzijn van het volk het schip in de hoogte, en verplaatste het in de zee. Over dien gelukkigen uitslag geheel verrukt, liet hij het bevel achter, dat men alles goed en wijs moest achten, wat Archimedes beloven of ondernemen zou. Eén kunstrijk werktuig was alzoo voldoende

-ocr page 230-

214

om den vorst tot de overtuiging te brengen, dat alles, wat uit de hand des kunstenaars zou voortkomen, aan het doel moest beantwoorden; zou nu het gebouw der wereld, hetwelk zoo wondervol is, niet voldoende zijn, om ons te overtuigen, dat alles, wat uit de hand des Scheppers komt, voortreffelijk is! Wie zou zich vermeten, in de werkplaats van een beroemd kunstenaar, van wiens vak hij niets verstaat, nu dit, dan dat werktuig als onnut of ondoelmatig af te keuren, wijl hij het gebruik er niet van kent? Zou men den spot niet drijven met iemand, die, onervaren in de krijgskunde, zonder het plan van den veldheer te kennen, zich veroorloofde veel op zijne verordeningen aan te merken; als hij het afkeurde, dat deze plaats bezet en gene onbezet, dat het voetvolk zóó en niet anders geplaatst was, dat de aanval van dezen en niet van een anderen kant zou geschieden, enz.? Waar is de sterveling^ die zich durft beroemen, Gods raadsbesluiten doorgrond en het plan zijner wijsheid doorzien te hebben? „Zooveel hooger de hemel is „dan de aarde, zijn mijne wegen hooger dan uwe wegen en „mijne gedachten boven uwe gedachten, spreekt de Heerquot; (Isaias LV, 9).

Wat wil zeggen: God is almachtig?

God is almachtig wil zeggen: 1) Hij kan alles, en 2) Hij heeft slechts te willen, om iets te volbrengen. \')

1) Wie veel vermag is machtig, daarom noemt men koningen en keizers machtig, wijl zij veel vermogen, wat anderen niet tot stand kunnen brengen. Is er echter wel één op aarde, die zoo machtig is, dat hij een zandkorreltje,

\') Het zal wellicht dienstig zijn, hier op te merken, dat met de uitdrukking\': //God is almachtig, wijl Hij alles kan, wat Hij wil,quot; niet ontkend wordt, dat de Allerhoogste de macht heeft, nog iets meer en iets anders te willen, derhalve ook te scheppen, dan Hij werkelijk scheppen wilde, en overeenkomstig dien wil geschapen heeft. I)och de ware zin is geen andere dan deze: om te scheppen, behoefde God slechts te willen; had Hij nog meer of iets anders willen scheppen, dan zou het eveneens gebeurd zijn en wel zonder eenige moeite, enkel door zijn wil.

Zoo ze^t men ook gewoonlijk van een man, wien alles naar wen sch gaat: //hij heeft alles wat hij wil, d. i. hij heeft slechts te wiüen, om het te hebben; wil hij een eerambt, hij verkrijgt het; wil hij eene rijk beladen tafel, hij heeft ze voor zich, enz. In dezen zin zegt ook de H. Augustinus: (Enchirid. c. 96) //God heet in waarheid «enkel daarom de Almachtige, wijl Hij alles kan, wat Hij wil,quot; en zegt de koninklijke zanger: //alles, wat Hij wil, maakt de Heer in «■den hemel en op aarde, in de zee en in alle dieptenquot; (Ps. OXXXIV, 6)

-ocr page 231-

215

eene bloem, eene mug kan scheppen? Is er een die maken kan, dat de zon schijnt als het regent, of dat het regent wanneer de zon schijnt? Is er een, die hij machte is, aan een dood wormpje het leven terug te geven? Neen, dat vermag niemand. De machtigen dezer aarde zijn derhalve niet almachtig, wijl z;ij niet alles vermogen. God daarentegen is almachtig, oodat Hij in staat is alles te volbrengen. — GoA lean alles, want, zooals de Aartsengel Gabriel tot Maria sprak, „bij God is niets onmogelijkquot; (Luc. 1, 37). Slechts één ding kan God niet, namelijk hetgeen met zijne oneindige volmaaktheden in strijd is. Zoo kan Hij geen kwaad doen, omdat Hij oneindig heilig is ; Hij kan het kwaad niet beloonen en het goed niet bestraffen, omdat Hij oneindig rechtvaardig is. Evenmin kan Hij iets dwaas of ongerijmds doen , wijl Hij oneindig wijs is. En dat God zulks niet kan, is bij Hem geene zwakheid, maar macht en heerlijkheid, zegt de H. Ambrosius \'). — Van de grootheid zijner macht heeft God ons in de schepping van het heelal het sprekendste bewijs geleverd. Gij weet het, lezer, God heeft in den beginne alles geschapen, zoowel het zandkorreltje als den diamant, zoowel de grashalm als den majestueusen eik, den kleinsten worm en den walvisch , het dauwdruppeltje en den oceaan, het nauwelijks zichtbare stofje en de reusachtige bergen op de aarde, en de hemellichamen, die door zijne hand geleid boven ons hoofd zweven en elkaar kruisen1). De lucht, welke wij inademen, het leven, dat zich in heel de wereld vertoont, alle geesten, die in den hemel en op de aarde wonen, en alle krachten en wetten, welke den schepselen gegeven zijn, alles en alles heeft

1

) Wie is in staat de sterren aan liet gewelf des hemels te tellen; wie hare grootte te meten? Volgens de laatste ontdekkingen der sterrekundigen (Zie het schoone werk van den eerw. Pastoor B. Brinkman: ff De sterrenwereld.quot; Leiden. J. W. van Leeuwen. 1871) zijn de vaste sterren hoogst waarschijnlijk meer dan vijfmaal honderd duizend millioen in getal; en wellicht is het aantal van die, welke ons onbekend zijn, nog veel grooter , want voortdurend ontdekt men nieuwe. De meeste van die sterren zijn onvergelijkelijk grooter dan de zon , en toch is deze bijkans anderhalf millioen maal grooter dan onze aarde, wier oppervlakte zeker meer dan negen millioen vierkante mijlen bedraagt. Om dat onmetelijk gewelf des hemels te steunen, heeft God geene pilaren of zuilen noodig. Tevens bedenke men, hoe onmetelijk groot de ruimte zijn moet, welke de sterren innemen. Niets is sneller dan het licht; den weg van de zon tot ons, alzoo vijftig millioen uren, doorloopt het in een half kwartier. Evenwel heeft, volgens de berekening van deskundigen, het licht van de vaste ster, welke het dichtste bij onze aarde is, zes volle jaren noodig, om ons te bereiken. Zoo groot is haar afstand. Wie staat hier niet verbaasd; wie kan aan de alvermogende kracht des Heeren nog twijfelen ?

-ocr page 232-

216

God gemaaitt. „Heer, Jehova, zie, Gij hebt hemel en „aarde gemaakt door uwe groote kracht en uwen uitge-„strekten armquot; (Jer. XXXII, 17).

En 2) dat alles heeft God gemaakt zonder moeite en arbeid, uit niets; want God behoeft, om iets te vollrengen, het slechts te willen

„God sprak, en het is geworden ; Hij beval, en het is „geschapenquot; (Ps. XXXII, 9). Eu even gemakkelijk als God alles gemaakt heeft, kan Hij weder alles vernietigen; ook daartoe is zijn heilige wil genoeg „Verbergt Ge uw „aangezicht, zij sidderen (de levende wezens); neemt Gij „hunnen adem weg, zij sterven en keeren weder tot het „stofquot; (Ps. GIII, 29). „God schokt de aarde uit hare „plaats, dat hare zuilen trillen; Hij verzet de bergen en „keert hen \'t onderst boven in zijn toornquot; (Job IX, 5, 6). „Hij beveelt de aarde zich te openen en hare bewoners mede „te slepen (straf van Core en zijn aanhang) (4 Mos. „XVI, 31, 32). Naar believen sluit Hij den hemel, opdat het niet regene, en Hij opent zijne sluizen, om de aarde te overstroomen (zondvloed) Hij zendt over de wereld duurte en hongersnood, vernielende hagelslagen en verterende zwavelregens (Sodoma en Gomorrha). „Op het einde „der dagen zullen door den Heer de hemelen door vuur „vergaan en de elementen door de hitte van het vuur „smeltenquot; (2. Petr. III, 12). Niets wederstaat aan zijne macht. God stort de machtigen dezer aarde van den troon en verbreekt hunne schepters (Nabuchodonosor, Achab , Balthasar). Zelfs den vorsten des hemels, die tegen Hem opstonden, toonde Hij de sterkte van zijnen arm. „Hoe „zijt gij uit den hemel gevallen, gij Lucifer; hoe zijt gij „ter aarde getuimeld, gij, die zeidet in uw hart; ik zal „ten hemel stijgen , ik zal mijn troon plaatsen boven de „gestarnten van God. Boven der wolken hoogte wil ik „klimmen, gelijk worden aan den Allerhoogste. Ja, ter „helle zijt gij neergeworpen, in \'t allerdiepste des afgrondsquot; (Is. XIV, l\'ó—15). Wie moet niet uitroepen: „lieer! wie is „ü gelijk onder de machtigen! God is een God der goden „en de Heer der Heeren, een groote, machtige en geduchte „Godquot; (5. Mos. X, 17). 2)

\') Meer hiervan in § 3. over de Schepping.

s) Dwaas, zeer dwaas handelen derhalve degenen , die de waarheden van onzen heiligen godsdienst verwerpen, wijl zij niet begrijpen, hoe dit of dat mogelijk is en geschieden kan. Wie heeft die armzalige twijfelaars geleerd, de almacht Gods naar hun eigen verstand af te meten? „Bij God is geen ding onmogelijk,quot; zij het antwoord op alle opwerpingen, welke zij durven maken. — In eene stad aan den

-ocr page 233-

217

Waartoe moet het geloof aan Gods almacht en oneindige wijsheid ons aansporen ?

Het moet ons aansporen 1) om al ons vertrouwen op God te stellen, en 2) met zijne beschikkingen altijd tevreden te zijn.

1) Wij moeten al ons vertronwen op God stellen. De grootste zonde der Israëlieten in de woestijn was juist deze, darzij vergaten, hoe Gods macht hen uit de handen van Pharao bevrijd had, en de wonderen, welke zij met eigen oogen gezien hadden, niet meer gedachten. Hij had over Egypte de verschrikkelijkste plagen gezonden; Hij had de zee gesplitst en hen er droogvoets doorheen gevoerd, terwijl Pharao met zijn geheel leger in den vloed werd begraven; Hij had hen bij dag door eene wolk en bij nacht door eene vuurzuil geleid; Hij had eene rots in de woestijn gespleten en hen-, rijkelijk van water voorzien. Maar al die werken van \'s Heeren almacht waren niet genoeg, om hen vertrouwen op God te doen stellen. Dewijl zij spijzen verlangden naar hunne lusten, spraken zij in hunne boosheid: „zal God wel „in staat zijn ons eene tafel te bereiden ia de woestijn?\'\' Daarom vertoornde God zich op hen en strafte ze naar verdienste.

Hoe groot daarentegen de vruchten zijn van het vertrouwen op God, blijkt allerduidelijkst uit de overwinning, welke Gedeon op de Madianieten en Amalekieten behaald heeft (Hecht. VI en VII). Deze held, door den Heer tot redding van zijn volk verkoren, trok in vertrouwen op God, wiens hulp en bijstand hem was toegezegd, te velde tegen de volken van Madian en Amalek, die tegelijkertijd de Jordaan waren overgekomen, om Israël te beoorlogen. „Zij kwamen

Beneden-Rijn, (aldus berichten de Annalen van het Gezelschap van Jesus van het jaar 1596) traden eenige ketters op zekeren dag- een katholieken tempel binnen. Zij zagen daar eenige schoolkinderen, die aandachtig voor het Allerheiligste baden. //Zeg eens het „ünze Vaderquot; op.quot; sprak een van hen spotlachend tot den knaap, die het dichtst bij hem knielde. De knaap begon: //Onze Vader, die in de „hemelen zijt.quot; v\'t Is al genoegdus viel de vrager hem in de rede; //waarom aanbidt gij God op het altaar, daar gij toch bekent, dat /,IIij in den hemel is?quot; De knaap, niet verlegen, antwoordde: „kent //gij de geloofsbelijdenis der Apostelen?quot; — //Ja!quot; was het antwoord. //Laat eens hooren.quot; — «Ik geloof in God, den Vader Almachtig, „Schepper van hemel en aarde....quot; „Goed zoo! Als God almachtig „is, waarom loochend gij dan, dat Hij te gelijker tijd in den hemel „en op het altaar tegenwoordig kan zijn?quot; Dit geheel onverwacht antwoord ontnam den ketter allen lust, dc biddende kinderen nog verder met zijne vragen lastig te vallen; beschaamd verliet hij de kerk.

-ocr page 234-

218

„met eene ontelbare menigte menschen en kameelen, en „verwoestten alles. Bij de bron Harad sprak God tot

„Gedeon: er is te veel volk met u.....Zeg en verkondig

„het, zoodat ieder het hoore: wie vrees of angst gevoelt,

„keere terug..... 22000 man keerden nu terug.quot; Evenwel

verloor Gedeon geenszins den moed of de hoop op de overwinning. „En wederom sprak de Heer tot Gedeon; nog „is het volk te talrijk; geleid het naar het water, en „daar zal Ik het op de proef stellen.....\'\' Het getal dergenen, die de proef doorstonden en met Gedeon durfden oorlogen, bedroeg maar S00 man. Doch zelfs nu ontzonk het vertrouwen aan Gedeon niet. Nog in denzelfden nacht begaf hij zich op Gods bevel, door een enkelen wapenknecht vergezeld, in het leger der vijanden, om hen te bespieden. Teruggekeerd van de koene onderneming, gaf hij aan zijn getrouwen. in plaats van wapenen, bazuinen en ledige kruiken, waarin fakkels verborgen waren, en beval hun, aan zijne zijde het legerkamp in te trekken en alles te doen , wat zij hem zagen verrichten. En hij sprak tot hen: „wanneer ik op mijne bazuin zal blazen, zoo zult gijlieden „ook op de bazuin blazen rondom het gansche leger, en „gij zult roepen ; voor den Heer en voor Gedeon ! .... En „toen zij in het leger gekomen waren, begonnen zij aan „drie kanten de bazuin te blazen, sloegen de waterkruiken „in stukken, hielden in de rechterhand de bazuin en in de „linker de fakkels en riepen: het zwaard van den Heer en „van Gedeon.quot; Toen liep het gansche leger dooreen, hief een geschrei aan, zette het op een vluchten, en de Heer keerde het zwaard van den een tegen den ander, zoodat zij elkander ombrachten. Nu stormden de achtergebleven soldaten van Gedeon op hunne vijanden los, niet vechtend, maar doodend, den geheelen nacht door; en de volgende morgen vond slechts een overschot der Madianieten, onstuimig vluchtend naar de Jordaan. Zoo werd Gedeon voor zijn vertrouwen op God beloond. Laten ook wij in den stnjd des levens uitroepen: „voor den Heer en voor onze ziel!\'\' Ja, laten ook wij immer op Gods bijstand vertrouwen en in Hem alleen ons heil zoeken! Als God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn? )

Een bediende van keizer Karei V had dien vorst geheel zijn leven trouw gediend, als hing van dezen alleen al zijn geluk af, doch hij was in den dienst van God zeer traag en nalatig geweest. Toen hij nu doodelijk ziek lag, vereerde de keizer hem met een bezoek, en gaf hem vrijheid, naar believen eene of andere gunst te verzoeken. Yurig smeekte de zieke, dat hij toch zijn leven, al was het maar voor

-ocr page 235-

219

eenige dagen, zou verlengen. De keizer antwoordde, dat niet hij, maar alleen God bij machte was, die bede te vervullen. Nu riep de stervende al zuchtend uit: „ach, ik „dwaas! mijn geheele leven heb ik aan den dienst des „keizers gewijd, die mijn leven niet eens eenige dagen kan „verlengen; had ik toch ijverig God gediend, die niet alleen „mijn tijdelijk leven verlengen , maar mij ook het eeuwige „schenken kan.\'\' — Wat zal het u baten, lezer! als gij meer de menschen dan God dient; als gij om hunnentwil uwe godsdienstplichten verwaarloost of op eenige wijze tegen uw geweten handelt ? Zullen stervelingen u kunnen redden , als de Eeuwige u veroordeelt ? „ Vertrouw toch niet „op vorsten of aanzienlijken, bij wie geen heil is. Hun „geest gaat uit, dan keeren zij weder tot de aarde, ten „zelfden dage vergaan al hunne gedachten. Zalig is hij, „wiens hoop is op zijnen God, den Heer, die den hemel en „de aarde gemaakt heeft, de zee en alles wat daarin is\'\' (Ps. OXLV, 2—6).

2) Wij moeten met de goddelijke beschikkingen altijd tevreden zijn. God immers kent, krachtens zijne wijsheid, de middelen om u te helpen, en krachtens zijne almacht kan Hij die ook aanwenden en alles, wat Hij besloten heeft, uitvoeren. In allen nood en bij alle lijden „beveel alzooden „Heer uwe wegen, en hoop op Hem; Hij zal u reddenquot; (Ps. XXXVI, 5). Denk aan den Profeet Elias in de woestijn, aan Daniël in den leeuwenkuil; hoe de eerste door raven (3. Kon. XVII), de andere door den Profeet Habacuc,die op eene wonderbare wijze in Babyion kwam, gevoed werd (Dan, XIV). Evenwel moet gij niet, in de verwachting, dat God wonderen verrichten of u zeker helpen zal, traag en onverschillig zijn; een oud spreekwoord zegt te recht: „help „u zeiven, dan zal Gcd u helpen.quot; Hebt gij echter gedaan, wat gij redelijker wijze doen moest, stel dan alle vertrouwen op den Heer en wacht geduldig op zijne hulp. Volg den regel van den H. Ignatius: „doe, zooveel gij „slechts kunt, als hing de goede uitslag enkel af van uwe „vlijt, maar verwacht dien niettemin zoo geheel van Gods „bijstand, als deedt gij van uwen kant niets.quot;

Wat wil zeggen Gvd is heilig?

God is heilig wil zeggen : Hij bemint en wil enkel het goede en verfoeit het kwade.

God , als de volmaakste geest, heeft ook den volmaaksten wil. Hij wil en bemint derhalve al het goede en enkel

-ocr page 236-

220

het goede voor eeuwig en op de volmaakste wijze; eveneens haat Hij alles, wat kwaad is, met eeuwigen, oneindigen haat, d. i. God is heilig en wel oneindig heilig. „Er is „niemand heilig, gelijk de Heerquot; (1. Kon. II, 2). „Wie „zou ü niet vreezen , Heer. ... ? Gij alleen zijt heilig\'\' (Openb. XV, 4). „Heilig, heilig, heilig zijt Gij, Heer, „God der heirscharen\'\' (Isaias YI, 3). Zoo loven gedurende de geheele eeuwigheid alle koren der zalige geesten in den diepsten eerbied de oneindige heiligheid Gods.

üe heiligheid bestaat alzoo in de liefde voor het goed en in den haat van het kwaad; wi] moeten dus de vraag stellen: wat is goed en wat is kwaad ? Goed is op de eerste plaats het goddelijk wezen met zijne oneindige volmaaktheden, vervolgens ook alles buiten God, inzooverre dit met het goddelijk wezen, met de goddelijke volmaaktheden eenige gelijkheid heeft of overeenstemt. Kwaad daarentegen is alles, wat met dezelfde goddelijke volmaaktheden strijdt of er niet mede overeenstemt. Zoo is bijv. de zuiverheid van harte, de naastenliefde, de milddadigheid, de trouw en waarheidsliefde, enz. iets goeds, wijl deze eigenschappen met de zuiverheid, goedheid, barmhartigheid, gerechtigheid , trouw en waarachtigheid van God overeenstemmen. Daarentegen is onzuiverheid in gedachten en in werken , liefdeloosheid, onmededoogendheid jegens armen en noodlijdenden, valschheid, leugen en bedrog, enz. iets kwaads, omdat deze eigenschappen met de boven aangehaalde eigenschappen van God grootelijks in strijd zijn. — Daar nu God, als het oneindig heilig wezen, al het goede, d. i. zich zeiven en ook buiten zich alles, wat met Hem eenigszins gelijk is, noodzakelijk bemint, en het kwade, d. i. alles, wat het redelijk schepsel doet afwijken van den heiligsten Schepper, noodzakelijk haat, zoo volgt hieruit, dat Hij de zonde, waar zij zich ook voordoet, uithoofde van zijne heiligheid niet alleen haat, maar ook noodzakelijk haat, ja, dat Hij haar oneindig haat, wijl zij het goede, hetwelk Hij oneindig lief heeft, vernietigt. God kan derhalve evenmin onverschillig zijn omtrent de zonde, als het Hem mogelijk is, zich zei ven te verloochenen en op te houden, heilig te zijn. Hij heeft zijn welgevallen in het goede, waar Hij het ontwaart; daarentegen is het kwaad overal een gruwel in zijn oog. Daarom kan in eeuwigheid niets onreins het hemelrijk binnengaan, en geene zonde in zijne allerzuiverste oogen aangenaam zijn. „Gij (o Heer!) bemint de gerech-„tigheid en haat het onrechtquot; (Ps. XLIV, 8). „Gij zijt „geen God, die onrecht bemint, en de booswicht kan bij „C niet toeven. Gij haat allen die kwaad doen, Gij ver-

-ocr page 237-

221

„delgt de leugensprekers; de man des bloeds en des bedrogs „is den Heer een gruwelquot; (Ps. V, 5—7) \').

Hoe weinig wordt helaas! aan deze goddelijke waarheid gedacht! Hoe veelvuldig gaat men met de schromelijkste lichtzinnigheid tot de zonde over! //O!quot; hoort men dikwijls zeggen, //die zonde zal God «zoo zwaar niet tellen, dat kwaad beteekent in zijne oogen zooveel //niet.quot; De menschen hebben namelijk vergeten, dat God zou ophouden de oneindig Zuivere Ie zijn, als Hij omtrent eene vrijwillige gedachte tegen de heilige deugd van zuiverheid onverschillig kon wezen; zij hebben vergeten, dat Hij zou ophouden, de oneindig Rechtvaardige te zijn, als Hij maar eene zeer geringe oneerlijkheid billijkte; dat Hij zou ophouden, de oneindig Waarachtige te zijn, als Hij maar eene enkele leugen, een enkelen valschen eed ongestraft liet. Hoe onverstandig, ja onchristelijk is het derhalve niet, dergelijke gedachten van God te koesteren. Üie lichtzinnigheid is voorzeker eene der hoofdoorzaken van de beklagenswaardige zedeloosheid onzer dagen. Vandaar die zucht naar zondige vermaken, die schaamteloosheid in het bevredigen van zondige lusten, welke men nog verontschuldigen wil; vandaar die stormvloed van zonden, welke onder Christenen niet genoemd, ja niet bekend moesten zijn; vandaar die ontelbare onrechtvaardigheden, die schandelijke bedriegerijen; vandaar die bijkans algemeen geworden zedelijke onverschilligheid, botheid, verdorvenheid, ja, om niet meer te zeggen, verwildering der jeugd.... Vaders! overheden! bedenkt het wel; als uwe kinderen en onderdanen niet weten of vergeten zijn, dat God in den hemel heilig is, hoe zullen zij dan uw wil of iets anders op aarde heilig achten?

Laten wij God navolgen, die ernstig wil, dat alle menschen heilig worden, gelijk Hij heilig is. „Dit is Gods wil, „uwe heiligingquot; (1. Thess. IV, 4). „Zijt heilig,quot; zegt God, „wijl Ik heilig ben7\' (3. Mos. XL, 44). „Weest, „naar het voorbeeld van Hem, die u geroepen heeft, ook „gij heilig in uwen ganschen wandel, vermits er geschreven „is: zijt heilig, want Ik ben heiligquot; (l.Petr. I, 15,16).— Op velerlei wijzen geeft God te kennen, dat Hij waarlijk onze heiliging wil. Hij heeft in het hart van den mensch eene heilige en billijke wet geschreven eïi hem een geweten gegeven, hetwelk met eene vermanende en dreigende stem telkens de naleving dier wet blijft eischen. Deze wet der natuur bekrachtigde en verkondigde Hij plechtig op den berg Sinaï, in den glans zijner majesteit, onder donder-en bliksemslagen, en gelastte Mozes, haar aan alle volgende

\') Ieder begrijpt, dat bij God de haat geen hartstocht is. God haat het kwaad in dien zin, zegt de H. Thomas, (contra Gent. L. I c. 90), dat Hij niets bemint, dan hetgeen goed is, en derhalve wil, dat het goed gedaan en het kwaad vermeden worde, ofschoon Hij het laatste om wijze redenen toelaat. Hij onttrekt den zondaar zijne liefde d.i. zijne gunst en vriendschap; en dewijl de gerechtigheid een goed is, dat God bemint en wil als al het goede, bestraft Hij in den zondaar het kwaad, gelijk zijne oneindige gerechtigheid het vordert.

-ocr page 238-

222

geslachten over te leveren. Diezelfde heilige wet werd verkondigd , in de volheid des tijds, door zijn eeniggehoren Zoon Jesus Christus, die tegelijk ons de genade verdiend en verleend heeft, om naar hehooren die wet te vervullen. Ook in onze dagen en tot aan het einde der tijden wordt aan heel de wereld deze wet der liefde en genade van Jesus Christus verkondigd door de H. Kerk, die door Christus is aangesteld en van Hem de volmacht ontvangen heeft, om zoowel door leering, als door het uitdeelen van rijke genademiddelen, de menschen tot heiligheid te brengen, en aldus den weg ten hemel te openen. — Door niets openbaarde God echter zijne heiligheid meer, dan door zijne gerechtigheid.

IFat wil zeggen: God is rechtvaardig?

God is rechtvaardig wil zeggen: Hij beloont en bestraft naar verdiensten.

Rechtvaardig zijn wil zeggen: aan ieder geven, wat hem toekomt, zonder aanzien van persoon. Wie zichzelven geeft, wat hem toekomt, is rechtvaardig jegens zichzelven; wie anderen geeft, wat hun toekomt, is rechtvaardig jegens anderen. Beiden nu doet God\'). Hij geeft zichzelven, wat Hem toekomt, door zichzelven als het hoogste goed te erkennen en te beminnen, en dus van alle redelijke wezens eveneens liefde, aanbidding en gehoorzaamheid te eischen. Hij geeft den schepselen wat hun toekomt, daar Hij het goed beloont en het kwaad bestraft. „Hij (God) zal een „ieder vergelden naar diens werken; hun namelijk, die met „lijdzaamheid -■) des goeden werks s), heerlijkheid en eere en „onvergankelijkheid zoeken1), eeuwig leven; hun echter, „die uit twisting zijn2), en die niet der waarheid gehoor-„zamen, gramschap en verbolgenheidquot; (Rom. 11,6—8).— Men bedenke intusschen wel, dat God niet verplicht is der. mensch te beloonen, hem geen loon schuldig is voor zijne goede daden. Als schepsel is de mensch verplicht, God,

1

) Die naar Go\'ds welgevallen streven, en alzoo niet naar het aard-sche, het vergankelijke, maar naar het hemelsche, het onvergankelijke.

2

5) Eene hebreeuwsche uitdrukking, beteekenende, die weêrstrevende, twistgierig zijn. Zie Lipman: Yerkl. van den brief aan de Rom. bladz, 1G.

-ocr page 239-

223

zijn Schepper, ook zonder uitzicht op het geringste Joon, in alles te dienen. God is derhalve de schuldenaar van den mensch geworden, omdat Hi], door vrijwillig eene belooning te beloven, zich zeiven schuldenaar gemaakt heoft. „Wij hebben God tot schuldenaar,\'\' zegt de H. Augustinus „want Hij is onze schuldenaar geworden, niet als ontving „Hij iets van ons (wat wij hem niet verschuldigd zijn) , „maar wijl het Hem beliefde, door belofte schulden bij ons „te maken.\'\' God deed dit, omdat Hij, als de oneindig Heilige, wil, dat ook wij heilig zullen zijn, en omdat Hij, als een oneindig wijze wetgever en liefderijke vader, door belooning en straf ons krachtig wil aansporen op de wegen zijner geboden te wandelen en heilig te leven. Hadden wij geene belooning te hopen en geene straf te duchten, wij zouden ongetwijfeld steeds vermeteler voort zondigen, zonder in het minste naar God en zijne heilige wetten te vragen, van den eenen afgrond der zonde in den anderen storten, en aldus al sneller en verder van ons laatste doel, van God, afwijken.

God beloont en bestraft naar verdiensten, of met andere woorden: God beloont het goed nooit minder dan het verdient beloond te worden volgens de van eeuwigheid vastgestelde zedelijke orde, en Hij bestraft het kwaad niet strenger dan het naar diezelfde wijze en gerechte orde verdient bestraft te worden \'). Want, zooals Jeremias (XVII, 10)

\') Sermo 158 de verb. Apostoli.

-) God beloont en straft naar verdiensten d. i. zooals de mensch volgens de orde. welke de goddelijke wijsheid heeft vastgesteld, verdient. — Wanneer men echter de bepaling- zelve dier orde of de door God vastgestelde mate van loon of straf nader beschouwt, kan men zeggen, dat ook in beiden, namelijk in de belooning en in de bestraffing, de goddelijke goedheid en barmhartigheid zich openbaart.

Wat vooreerst het loon der deugd betreft, dit is voorzeker niet alleen een billijk, maar een overvloedig loon\', daar //eene goede en //neergedrukte en geschudde en overloopende maatquot; (Luc. VI, 38) den mensch voor iedere goede handeling, hoe dan ook , gegeven wordt. Eveneens openbaart zich de goedheid en barmhartigheid Gods in het straffen; ten eerste, wijl God gewoonlijk de straf niet terstond, gelijk Hij doen kon, op de zonde laat volgen, maar den zondaar tijd en gelegenheid ter bekeering geeft; ten tweede, omdat Hij, zooals de Godgeleerden zeggen, eene geringere straf geeft, dan Hij met alle recht zou kunnen opleggen. Want ofschoon de straf der zonde eene eeuwige is, bijgevolg wat aangaat den duur niet grooter gedacht kan worden, verdient zij evenwel volgens de gestrenge gerechtigheid nog grooter en heviger te zijn, ja in toneindige vermeerderd te worden. In dien zin beweert de H. Thomas, dat God uit barmhartigheid de verdoemden niet zoozeer bestraft, als zij zulks volgens alle strengheid der gerechtigheid verdienen. 1) Deze leer steunt insgelijks op de woorden

1

Sum. I. q. 21 ad 4. In damnatione reproborum apparet miseri-cordia, dum (Deus) punit citra condignum.

-ocr page 240-

224

zegt: „Hij geeft een ieder naar zijne werken, naar de vrucht „ziïner handelingen.quot; Terwijl de mensch enkel datgene ziet, wat uitwendig en voor ieder zichtbaar is, ziet de Heer het hart. „God doorvorscht hart en nierenquot; (Ps. VIT, 10). Derhalve beloont en bestraft Hij ook (wat de menschen nimmer beloonen en bestraffen kunnen, wijl het aan hun oog ontgaat) den wil, de bedoeling, of wat de wereldling ter nauwernood eenig loon of eenige straf waardig acht. Een beker water, welken men den dorstenden arme aanbiedt (Matth. X, 42), het penningske der weduwe, dat met een liefdevol hart in de offerkist gestort wordt (Marc. XII, 43), mist zijn loon niet, en de onnutte woorden (Matth. XII, 36), de hoogmoedige gedachten (2. Kon. XXIV) , een begeerlijke blik (1. Mos. XIX, 26) zullen niet ongestraft blijven.

God beloont en bestraft zonder aanzien van -persoon, d. i. zonder rang, macht, waardigheid, enz. in aanmerking te nemen; „want bij God is er geene aanneming des persoonsquot; (Kom. II, 11). De geschiedenis van Job, van Joseph en Maria, bewijst ons, dat God de armen, nederigen en veriatenen verheft en voor hunne getrouwheid en hun geduld beloont. Het ontbreekt echter ook niet aan voorbeelden, welke ons duidelijk toonen, hoe God, zonder aanzien van persoon, allen bestraft, die zich tegen zijn heiligen wil verzetten. Met onverbiddelijke gestrengheid bestrafte Hij misdadige koningen dezer aarde, zooais Pharao, Achab, Nabuchodonosor, enz.; zonder erbarming wierp Hij het leger

der H. Schrift: «alle wegen des Heeren zijn erbarming en waarheidquot; (Ps. XXIV, 10). //Weldadig is de Heer jegens allen, en zijne erbarming «gaat over al zijn werkenquot; (Ps. CXLIV, 9).

De gerechtigheid Gods komt ons zoo streng voor, omdat wij de boosheid der zonde niet kennen of niet goed beschouwen. Geheel anders dachten Gods lieve Heiligen er over. De H. Catharina van Genua zegt: //Het is mij onbegrijpelijk, waarom ik niet dood neer viel, toen //ik in een visioen gewaar werd, welk kwaad de geringste beleediging »Gods is. Ik sprak tot mij zelve: nu verwondert het mij nimmer //meer, dat de hel zoo verschrikkelijk is, daar zij tot straf der zonde //is gesteld. Hoe hevig ook haar pijnen zijn, het komt mij toch voor, «dat zij volstrekt niet geövenredigd zijn aan de afschuwelijkheid der //zonde; ik ben overtuigd, dat God zelfs daarin nog barhartigheid be-»toont. Ik geloof, dat ieder, die de zonde met eigen oogen zag, van „smart zou kunnen sterven. Met reden zeg ik dit; want ofschoon ik „er slechts een weinig van ontdekte, zou ik toch verpletterd geweest »zijn, als het een oogenblik langer geduurd had, ja dat gezicht zou ,/mij verpletterd hebben, al ware ik van diamant geweest. Hoe weinig „ik er ook van zag, ik was den dood nabij. Mijn bloed stolde in al j/mijne leden, en mijne onmacht was zóó groot, dat ik op het punt »stond van den geest te geven. God wilde echter in zijne goedheid ,mij het leven laten, opdat ik zou kunnen mededeelen, hetgeen ik ,gezien heb.quot;

-ocr page 241-

225

der trotsche engelen uit den hemel, en slingerde hen in den afgrond der eeuwige smarten. „Hoe onbegrijpelijk zijn „zijne oordeelen !quot; (Rom. XI, 33). „Wie kent de kracht „van uwen toorn (o God!) en al het vreeselijke van uwe „verbolgenheidquot; (Ps. LXXXIX, 11).

Niemand derhalve zegge; God is goed. Hij zal mij zoo streng niet straffen. Tertullianus wederlegt die onzinnige taal en antwoordt: „God is goed, niet in dien zin, dat „Hij het kwaad ongestraft laat, maar juist door het kwaad „te bestrijden.quot; De straffen, waarmede God de wereld vroeger getuchtigd heeft en nog dagelijks tuchtigt, moeten u overtuigen, dat de goedheid aan zijne gerechtigheid geen afbreuk doet. Heerlijk ontvouwt de H. Kerkleeraar Chrysos-tomus deze gedachte; „wilt gij niet gelooven, wijl de straffen „dikwerf eerst in de toekomst volgen, zoo gelooft ten minste „om die straffen, welke reeds zijn toegedeeld. Wie heeft „in Noë\'s tijden de geheele aarde onder het water begraven „en den ondergang van heel het menschelijk geslacht be-„werkt ? Wie heeft later het gebied van Sodoma aan de „vlammen prijsgegeven ? Wie heeft geheel Egypte in de „zee verdronken ? Wie de bende van Abiron door het vuur „vernietigd? Wie beval der aarde, zich te openen, en „Gore, Dathan met hunne bondgenooten te verdelgen? Wie „heeft de zeventigduizend man onder David\'s regeering in „één oogenblik gedood? Moet ik nog spreken van personen, „die afzonderlijk ten gronde gingen? Van Ca\'in, wien de „wraak Gods steeds op den voet volgde ? Van Charmi\'s „zoons, die met geheel zijn huis werd gesteenigd ? Van „dien mensch, die gesteenigd werd, omdat hij op sabbath „hout sprokkelde? Van de twee-en-veertig knapen, die, „ten tijde van Eliseüs, zonder dat hunne jeugdige jaren „in aanmerking kwamen, door roofdieren verscheurd werden? „Wilt gij dergelijke bestraffingen in de tijden des Christen-„doms zien, beschouwt slechts, welke rampen de Joden „troffen, hoe de vrouwen hare eigen kinderen verslonden; „hoe zij prijs gegeven waren aan den schrikkelijksten honger, „en herhaaldelijk door den oorlog in nood gebracht Welke „straf Ananias en Saphira ondergaan hebben, omdat zij „eenige goudstukken achterhielden, weet gij allen. Ziet „gij niet, welke ongelukken er dagelijks gebeuren? Ziet „a;ij niet, hoevele menschen er nu nog door honger om-„komen ? Ziet gij niet, hoevelen er aan de akeligste ziekten „lijden? Ziet gij er niet velen, die voortdurend gebrek „hebben, ontelbare, schrikkelijke pijnen verduren ? Als God, „omdat Hij goed is, niet straft, dan zouden ook zij thans „niet bestraft worden..... Zeg mij, waarom zoudt gij

DEHAKBE, GELOOrSLEER. I. Sde DHUK. 15

-ocr page 242-

226

„geece straf verdienen wanneer gij zondigt ? Heeft God u „niet alles voorspeld ? Heeft Hij niet gedreigd ? Heeft Hij „u geen schrik aangejaagd; niet oneindig veel voor uw heil „gedaan ? Heeft Hij u niet het bad der wedergeboorte „geschonken en alle vroegere zonden vergeven? Verleende „Hij u niet, ook na het H. Doopsel, de hulp der boet-„vaardigheid? Heeft Hij u later den weg ter verkriiging „van de vergeving uwer zonden niet gemakkelijk gemaakt ? \') „Wanneer gij u alzoo op de goedheid Gods beroept, bekent „gij juist, dat gij te meer straf verdient; want verdienen „wij niet vooral gestraft te worden, wijl wij een zoo goeden „God niet beminnen, maar tegen Hem zondigen?quot; -) God is voorzeker goed, oneindig goed, maar Hij is ook oneindig rechtvaardig, en „laat niet met zich spottenquot; (Gal. VI, 7). Daarom is het beter, geloovig den dreigenden God te vreezen en op zijne wegen te wandelen, dan ongeloovig zijne straffende hand te gevoelen :i).

\') Homelie 25 over den brief aan de Romeinen.

=) Homelie 9 over den eersten brief aan de Corinthiërs.

3) Voor Gods oordeel te sidderen is geen teeken van lafhartigheid. Een soldaat, die onder de vanen van Napoleon gediend, en juist niet het allerstichtendst leven geleid had, hoorde ter gelegenheid eener missie, welke in het jaar 1838 in eene stad van Frankrijk gehouden werd, eene schoone preek over de straffen der zonde. Bij het aanbreken van den nacht begaf hij zich naar den missionaris. Hij sidderde aan al zijne leden. «Eerwaarde Heer,quot; sprak hij, //ik beef van angst.quot; „Dat verwondert mij,quot; antwoordde de geestelijke, terwijl hij hem vriendelijk de hand \'gal\'; «hoe! gij, een man, die zoo vele veldslagen „dapper hebt meêgemaakt, gij zoudt bang zijn?quot; //Ja, eerwaarde,quot; gaf de veteraan nu ten antwoord, /.als ik met menschen te doen had, „zou ik zeker niet bevreesd zijn. Nooit ben ik voor den vijand bang „geweest. Maar hier heb ik met God te doen, en dat jaagt mij groote «vrees aan. .Sinds ik uwe preek hoorde, zweeft het mij telkens voor ,/00gen, hoe de Almachtige de kwade Engelen in den afgrond der hel „slingerde. Ik ben reeds zoo lang zijn vijand geweest; hoe zal Hij ,met mij handelen? Waarlijk, ik heb reden genoeg, om bevreesd te ,zijn. Hoor nu mijn besluit. Ik wil mij bekeeren, dat staat vast. vOm evenwel des te gemakkelijker vergeving te bekomen, heb ik mij „voorgenomen, een zeer groot zondaar bij u te brengen. Morgan „ochtend vroeg hoop ik u weer te zien, doch niet alleen. Ik zal er „een meebrengen, die nog slechter is dan ik, iemand, die sedert veertig „of vijftig jaren riet meer gebiecht heeft. Als God hem zijne zonden //Vergeeft, dan zal ik moed scheppen en met meer recht op vergeving „hopen.quot; Hierop ging hij heen, en de priester dankte God hartelijk voor de liefdevolle werking der genade in het hart van dezen zondaar. Den anderen dag \'s morgens, klokslag vier, stond de veteraan weder voor de deur van den missionaris. De kamer binnentredende, riep hij vroolijk uit: „Goede morgen, eerwaarde Heer! Ik heb eene goede „vangst gedaan; twee geweldige visschen breng ik u.quot; De missionaris, over deze blijde boodschap zeer verheugd, begroette nu allervriendelijkst de beide boetelingen, die sidderend voor hem stonden en uit schaamte nauwelijks de oogen durfden opslaan. De een had sinds meer dan

-ocr page 243-

227

Waar vindt de volkomen vergelding plaats?

De volkomen vergelding vindt eerst plaats na den dood, in de eeuwigheid. Dan eerst begint de oogst, als de Heer zal bevelen, het onkruid bijeen te brengen om te verbranden, en de tarwe in zijne schuur te verzamelen (Matth. XIII, 30).

Hier op aarde gaan vele goddeloozen in purper en zijde gekleed en zitten dagelijks aan rijk beladen tafels, terwijl de braven in lompen gehuld, reikhalzend uitzien naar de kruimels, welke van de tafels der rijken vallen. Doch in het toekomende leven verandert dit alles. Weeklagend roept daar in het vuur der hel de rijke brasser: „Vader „Abraham! ontferm u mijner, en zend Lazarus, dat hij „den top zijns vingers in liet water steke, om mijne tong „te verkoelen ; want ik word in deze vlammen gefolterd!quot; Maar er zal hem geantwoord worden: „zoon! bedenk, dat .,gij het goede in uw leven ontvangen hebt, en Lazarus „ins gelijks het kwade: nu echter wordt hij vertroost, en „gij gefolterdquot; (Luc. XVI, 24, 25), „ Daaromzoo spreekt de Heer, „ziet, mijne knechten zullen eten, maar gij zult „dorsten ; ziet, mijne knechten zullen zich verblijden, maar „gij zult beschaamd gemaakt worden; ziet, mijne knechten „zullen juichen van goeder harte, maar gij van weedom „des harten schreien, en van verwonding des geestes zult „gij jammerenquot; (Isaias LXV, 13, 14). En hoe lang zal die toestand duren ? — De geheele eeuwigheid. Bedenk het wel.

Doch zelfs in dit leven geniet een goddelooze geen waar of duurzaam geluk, en geen rechtvaardige is waarlijk ongelukkig. Zal wel iemand den broedermoorder Caïn, den vloekwaardigen Absalon, den goddéloozen Achab, den

veertig jaren, de ander sedert vijftig jaren niet gebiecht. Terstond begon hij hunne biecht te hooren. Toen de beurt aan den veteraan was gekomen, sprak deze diep geroerd: //Nu mag ik niet meer vreezen, ,God zal mij vergeven. Thans -vvil ik ook vol vertrouwen mijn last //afleggen.quot; De wakkere man biechtte onder vele tranen zijne zonden en ondervond daarna zoo groote vreugde, dat hij beloofde, gedurende de missie dag aan dag mannen van zijns gelijken bij den priester te brengen. En hij hield woord. In zijn vromen ijver gunde hij zich geene rust, voordat hij allen, op wie hij eenig gezag uitoefende, aan den missionaris had voorgesteld. - Hebt ook gij. Christen, de straffen Gods te duchten, volg dit schoone voorbeeld na; dan moogtgij zeker op genade hopen, want //wie den zondaar van zijne dwaling afbrengt, //wete, dat hij diens ziel van den dood redt, en de menigte van eigen «zonden bedektquot; (Jac. V, 20).

15\'5

-ocr page 244-

228

lieiligsciiennenden Antiochus, den wreeden Herodes gelukkig noemen ? Kan iemand gelukkig heeten, als hij niet tevreden is; en kan men tevreden zijn, terwijl nijd, haat, eerzucht, wraaklust en het addergebroedsel van alle kwade hartstochten in het binnenste woelen ? Kan de zondaar gelukkig en tevreden zijn, terwijl de vloek Gods hem op den voet volgt, met gewetensangsten vervult en aan het eeuwig verderf prijs geeft? Wat voordeel heeft dan de booswicht van zijne misdaden? Wat baatte het Caïn, dat hij zijn nijd, Absalon, dat hij zijne heerschzucht oogenblikkelijk bevredigde? Wat vreugde heeft Acbab van zijne zegepraal op Xaboth gehad? Wat baatte het Antiochus en Herodes, dat de koningskroon hun hoofd versierde ? Hun leven was niettemin vol onrust, angst, toorn, vertwijfeling; en hoe was hun einde ? Caïn stierf door God en menschen vervloekt ; Absalon hangende aan een boom en met drie spiesen doorboord ; het bloed van Achab was het voedsel der honden; Antiochus werd levend door de wormen verteerd. „Hoe „dikwerf wordt der goddeloozen lamp uitgebluscht, en overvalt hen het verderf, als Hij (God) in ziin toorn hun „jammeren als erfgoed toedeelt! Dan zijn ze als stroo voor „den wind, als kaf, dat de stormwind wegsteeltquot; (Job XXI, 17, 18). Herodes was op den troon gezeten, in het koninklijk gewaad gekleed. Hij hield eene rede, en het volk vergoodde hem, roepende: „de stem eens Gods en niet „van eenen mensch ! En in hetzelfde oogenblik sloeg hem „een Engel des HeereD, omdat hij God de eer niet gegeven „had, en van wormen verteerd, blies hij den adem uitquot; (Hand. XII, 21—23). — De zondaar roeme derhalve niet op het heil zijner ziel, en de ongerechtige achte zich niet gelukkig. Maar de brave wankele niet, wanneer hij den overmoed des zondaars ziet, als zou hij voor niet zijn hart onbevlekt en zijne handen zuiver bewaard hebben. Want ofschoon „voor ieder mensch groote onrust bestemd, en een „zwaar juk den kinderen van Adam opgelegd is .... den „zondaar treft het toch zevenvoudig.... Woede, ijverzucht, „ontucht, wankelmoedigheid, vrees voor den dood, gram-„storigheid en twist pijnigen hem, en ten tijde der rust „ontstelt de nachtelijke slaap zijne zinnen. Daarbij komen „nog dood en bloedstorting, twist en het zwaard, rampen, „honger, onheil en plagen. Den goddeloczen is dit alles „beschoren; zelfs is om hunnentwil de zondvloed gekomen.quot; Zoo getuigt de H. Schrift, Sirach, XL. — Geheel anders is het lot van den brave. Heeft hij ook somwijlen harde beproevingen te doorstaan, zwaar lijden te dulden, hij roept toch met den H. Apostel Paulus uit; „Ik ben vervuld

-ocr page 245-

229

„van troost en overvol van vreugde bij al mijne rampenquot; (2. Cor. VII, 4). Hij vindt troost in zijn zuiver geweten, hij wordt verblijd, zoo vaak hij opziet tot God, door de hoop op de toekomende zaligheid, door de genade, welke hem sterkt, door zijne vaste overtuiging, dat ook de wederwaardigheden zegeningen zijn van den hemelsohen Vader, om niet te spreken van dien hoogeren, overzoeten tioost, ■waarmee de Heer de zijnen vervult, van dien voorsmaak der zaligheid, van cie vervoering, van die hemelvreugde, waarvan de zondaar zich volstrekt geen denkbeeld vormen kan \'). Daarom sprak Tobias tot zijn zoon; „vrees niets,

t) Deze waarheid blijkt allerduidelijkst uit het leven der vrome Ludwina. Hare geschiedenis werd met eene nauwgezetheid, welke volgens het oordeel der Bollandisten alle geloof verdient, door tijd-genooten geschreven, eerst door hare huisvrienden, daarna door den ons welbekenden Brugman. Lud wina zag op Palmzondag van het jaar 1380 te Schiedam het levenslicht, juist op het uur, dat in de kerk de lijdensgeschiedenis des Heeren werd voorgelezen. Twaalf jaren oud zijnde koos de godvreezende maagd Jesus den Gekruiste voor haren bruidegom, en deed, onder de bescherming van Maria, gelofte van altijddurende zuiverheid. Van nu af smeekte zij dagelijks den lieer, niet alleen alle zinnelijke liefde uit haar hart te verbannen, maar ook de lichamelijke schoonheid, welke zij bezat, vau haar weg te nemen. God verhoorde weldra de bede zijner reine, edelmoedige bruid. Op haar vijftiende jaar deed zij een zwaren val op het ijs, welke het breken van eene rib tengevolge had. Nu begon voor Ludwina de acht-en-dertigjarige lijdensweg. De vrome maagd zou haar ziekbed niet meer verlaten. De eene pijn volgde op de andere; de eene ziekte was nauwelijks geweken of er ontstond weder eene nieuwe, en geen geneesmiddel kon iets baten. Daarbij was Lud wina zoo ontzettend veranderd, dat zij door alle vriendinnen harer jeugd en al hare bekenden verlaten, en zelfs door hare ouders en bloedverwanten met ongeduld en hardheid behandeld werd. Keeds in de eerste jaren van haar bitter lijden was zij. niet bij machte te staan, te gaan, of eenig lid van haar lichaam zonder de hevigste pijnen te bewegen; slechts als eeu halfverpletterd wormpje kon zij vah de eene plaats naar de andere kruipen. Vervolgens werd zij met wonden en pestbuilen als overdekt, en terwijl in hare ingewanden oen geheel leger van ziekten woedde, doorploegde de kanker hare ledematen, en de smartelijkste hoofd-, oog- en tandpijn voltooide hare marteling. Er was geene gezonde plaats aan geheel haar lichaam. Van nu af was zij aan haar ziekbed als vast geketend, zoodat zij gedurende 33 jaren zon noch maan zag. Te midden van dit allerhevigst en onbeschrijfelijk lijden, dat haar vooral in den beginne niet zelden weemoedige klachten en tranen ontlokte, wendde zij, volgens den raad van haren biechtvader, hare gedachten op het bitter lijden en sterven van Jesus Christus onzen Heer, en ontving meermalen de H. Communie. Deze overdenkingen en hot veelvuldig gebruik van het Brood des levens bewerkten een geheelen omkeer in haar gemoed. Treurigheid en kleinmoedigheid verdwenen uit haar hart, en blijdschap en dankbaarheid over hare smarten, een vurig verlangen naar nog grooter lijden vervulde hare ziel. Toen haar op zekeren dag gevraagd werd, of zij gaarne van al dat lijden zou bevrijd worden, gaf zij blijmoedig ten antwoord: «als ik alles, wat gij lijden noemt, door het bidden van

-ocr page 246-

230

„mijn zoon, wij leiden wel een arm leven , maar wij zullen „veel goeds verkrijgen, als wij God vreezen en alle zonden „mijden en goed doenquot; (Tob. IV, 23). — En hoe vaak

;,eeii enkelen //wees gegroetquot; kon wegnemen, zou ik het toch niet doen.quot; Zij was er zelfs op uit, nieuwe smarten op te wekken, daar zij zich een boetgordel liet aandoen, en de aalmoezen , welke men haar schunk, aan andere armen uitdeelde.

God liet echter niet na, de liefde en liet geduld zijner dienares met buitengewone vertroostingen en groote gunstbewijzen te beloonen. Ludwina leefde, om zoo te spreken, in een gedurigen, hoogst ver-trouwelijken omgang met de hemelsche geesten, vooral met haren H. Engelbewaarder. Deze bezocht haar dikwijls in de gestalte van een zeer schoonen jongeling, die, door een hemelsch licht omstraald, heller dan de zon schitterde, en op zijn voorhoofd een kruisteeken droeg. Alleen het zien van haren Engelbewaarder troostte Ludwina zoozeer, dat zij gewoon was te zeggen: //er is geene marteling onder //de zon, geene smart, geen harteleed, geene droefheid, welke niet, //gelijk een dauwdruppeltje door de opkomende zon, weggenomen »wordt, als God zoo liefdevol is en mij het gelaat van mijn goeden //Engel laat zienquot; — Den ISJtu November van het jaar li28 voerde de Engelbewaarder haar in den geest naar het hemelsche .Jerusalem midden onder de scharen der Heiligen. Terwijl deze de verbaasde maagd troostten en haar aanwakkerden, geduldig haar lijden te verdragen, kwam de glorierijke Moeder Gods Maria vol onuitsprekelijke goedheid bij haar. //Lieve dochter,quot; sprak de allerzaligste Maagd, z/hoe komt gij dus ongesierd hier?quot; Ludwina antwoordde: «O glorie-//rijke Meesteres en lieve Moeder! Gij weet toch wel, dat mijn Engel //mij hier gebracht heeft! Ik volgde hem onverwijld en blindelings.quot; — //Wilt gij,quot; sprak nu de Koningin des hemels, «dat ik den krans, //welken gij in mijne hand ziet, op uw hoofd leg?\' Ludwina sloeg met een vragenden blik haar oog op haren geleider en antwoordde verlegen; „ik mag hier geen wil hebben.quot; De Engel wenkte Ludwina toe, en Maria zette haar den krans op het hoofd met de woorden: //neem dezen krans voor uwen biechtvader, die er mijn beeld, //hetwelk in de kerk vereerd wordt, mede zal sieren. De krans zal /rechter maar zeven uren op aarde verblijven.quot; In hetzelfde oogen-blik kwam Ludwina weder tot zich zelve terug en vond op haar hoofd den krans, waarmede de Hemel-koningin haar versierd had, en die een hemelschen geur in de kamer verspreidde. Met onbeschrijfelijke vreugde vestigde zij er hare oogen op en was er zoo lang mede bezig, dat haar biechtvader juist nog tijd genoeg had, om te doen, wat Maria haar bevolen had. De krans verdween ook werkelijk ten bepaalden tijde van het hoofd van het Mariabeeld. Eog grooter was het gunstbewijs, dat haar ten deel viel toen (omstreeks het feest va.n den H. Thomas) Jesus zelf aan haar ziekbed verscheen en in hare handen, voeten en hart de teekenen zijner wonden drukte. De vurigste lietde en het smartelijkste medelijden vervulden in dit plechtig oogenblik geheel hare ziel. Vol innige zaligheid riep zij uit: «Dank zij U, o //Heer! dat Gij ü gewaardigt, uwe onwaardige dienstmaagd te be-//zoeken. Laat echter dit gunstbewijs een geheim blijven tusschen U //en mij; uwe genade is mij genoeg.quot; En zie! plotseling overtrok eene dunne huid de vijf teekenen der wonden, en verborg die voor de oogen der menschen. Maar de indruk, welken dit wondervolle visioen in de ziel achterliet, duurde voort tot aan haren zaligen dood, den 14den April van het jaar 1433.

Zij die geen ander geluk kennen, dan het genotvanwereldsche vermaken en de bevrediging hunner zinnelijke lusten, zullen gewis het

-ocr page 247-

231

geschiedt het niet, dat God zijn getrouwen dienaar reeds in dit leven wonderbaar verheft en hem, nadat de storm is doorgestaan, met den heerlijksten avond verkwikt? Staat er niet geschreven van den vromen lijder Job, „dat God „zijn laatste (levenslot) meer nog zegende dan het eerste?quot; (Job XLII, 12), en van den zwaar beproefden Tobias „dat hij den overigen tijd zijns levens (42 jaar) in vreugde „was,quot; en het geluk had, de kinderen zijner kleinkinderen te zien, en in vrede van hen te scheiden? (Tob. XVI). Wordt niet van Joseph in Egypte verhaald (1 Mos. XLI, 41, 42); „en Joseph werd op \'s koning bevel uit den kerker „gehaaid, en Pharao deed zijnen ring van zijne hand, en „stak dien aan Joseph\'s hand, en kleedde hem met kleederen „van fijn linnen, en hing een gouden keten om zijn hals. „En hij deed hem rijden op den tweeden wagen, dien hij „had, en zij riepen voor zijn aangezicht; knielt! Zoo stelde „hij hem over gansch Egypteland.quot; Hoe wonderbaar redde.. niet de Allerhoogste de kuische Susanna en den godvreezenden Daniël van den dood; hoe onverwacht liet Hij hunne k svaad-doeners zijne straf gevoelen. De doodstraf, welke de onschuldige Susanna was toegedacht, moesten hare beide valsche aanklagers ondergaan; en door dezelfde leeuwen, die den Profeet moesten verscheuren, werden de booswichten verslonden, die hem uit nijd den dood hadden gezworen (Dan. XIII, 14).

Waartoe moet de gedachte aan Gods heiligheid en gerechtigheid ons opwekken ?

1) Zig moet ons aansporen, om met zorg alle zonden te vermijden en steeds heiliger te worden. — Indien de vrees voor de wereldlijke gerechtigheid ons krachtig van het kwaad

lot van de vrome Ludwina hoogst beklagenswaardig vinden en haar de ongelukkigste aller mensehen-kinderen noemen. Doeh hoezeer bedriegen zij zich, en hoe opvallend leggen zij daardoor aan den dag, dat zij met de vertroostingen van het gelooi\' en met die hoogere gevoelens van het mensehelijk hart, welke God zeil\' er in stort, weinig bekend zijn! Zij zien wel het kruis, maar begrijpen niet het minste van den troost des kruises. Hadden zij den voorsmaak der hemelsche zaligheid, welke in het hart van Ludwina zoo overvloedig was uitgegoten, maar een enkel oogenblik geproefd, zij zouden, als deze heilige maagd, veelmeer naar lijden en rampen, dan naar ijdelc, vergankelijke vreugde verlangen.

Vele bizonderheden aangaande de zalige Ludwina vindt men bij Mgr: v. d. Haagen Levensbeschrijv. der Heiligen, 2e uitg, deel IV. bladz. 11\'J—124, en vooral in het aanhangsel, bladz 285—300.

-ocr page 248-

232

afhoudt, hoeveel te meer moet de vrees voor de goddelijke ons dan niet van de zonde afschrikken ? De wereldlijke rechter kan toch slechts tot eene tijdelijke of voorbijgaande, maar de goddelijke tot eene eeuwige straf veroordeelen. „Vreest alzoo vooral voor Hem,quot; spreekt Jesus Christus, „die lichaam en ziel in het verderf der hel kan stortenquot; (Matth. X, 28). O! hoe verblind is de mensch, die zich vermeet, voor het aanschijn Gods kwaad te bedrijven, daar hij toch ieder oogenblik in zijne handen kan vallen, en „het schrikkelijk is,quot; naar de uitdrukking van den Apostel Paulus, „te vallen in de handen van den levenden God,quot; die eeuwig straft (Hebr. X, 31) \'). — Gelijk Gods straffende gerechtigheid ons van het kwaad moet afhouden, zoo moet ook zijne heiligheid en zyne beloonende gerechtigheid ons tot het goed opwekken. „Ik ben de Heer, uw God, „weest heilig, omdat Ik heilig benquot; (3. Mos. Xf, 44). Al ontvangt gij niet terstond het loon uwer rechtschapenheid en uwer goede werken, ja, al zou het brood der smarten uwe spijs zijn, toch moet gij niet kleinmoedig worden, maar integendeel standvastig teneindetoe volharden. Zie eens naar den landman, hoe getroost hij den oogsttijd afwacht en niet moedeloos wordt, wijl hij niet vóór den tijd de vruchten kan inzamelen. Of is wellicht datgene, wat gij in den schoot Gods weglegt, minder goed bewaard, dan

\') Gaarne deelen wij hier liet schoone voorbeeld mede, dat een zeer eerbiedwaardige ooggetuige, de H. Joannes Olimacus, in een zijner geschriften, met de volgende woorden verhaalt: /,niet stilzwijgend //wil ik een voorval voorbijgaan, hetwelk in een klooster, waar ik ,/vroeger geweest ben, met een kluizenaar plaats vond. Deze had //langen tijd zijne plichten verwaarloosd, en geleefd zonder zich veel /,0m het heil zijner ziel te bekommeren, totdat hij eindelijk, door «eene ziekte overvallen, in gevaar van sterven kwam. Gedurende yzijne ziekte zonk hij eens in onmacht neer. Toen hij na verloop ïVan een uur weder tot zich zeiven kwam, bad hij mij en de overige //kloosterbroeders, die tegenwoordig waren, hem te verlaten, waarna „hij de deur zijner cel liet toemetselen. Zoo afgezonderd bracht hij «nog twaalf jaren door, sprak met niemand en gebruikte niets dar. //water en brood. Alleen de gedachte aan den dood en het oordeel //Gods hield hem bezig, zoodat hij, als onbewegelijk en verstijfd, «zijne oogen steeds op één punt gericht hield, terwijl een stroom vai „tranen onophoudelijk langs zijne wangen vloeide. Toen het uur van «zijnen dood eindelijk was gekomen, openden wij den ingang zijner „cel en traden binnen, om hem de noodige hulp te verleenen. Op „onze bede, dat hij eenige woorden van stichting tot ons zou spreken, „konden wij slechts het volgende uit hem krijgen: „wie eenmaal zijr.e „„gedachte op den dood gevestigd heeft, zal nooit meer zondigen.quot; „Wij stonden verbaasd bij het zien van dezen man, die, vroeger zoo „onverschillig omtrent het heil zijner ziel, op eens zoozeer veranderd „en door dien heilzamen omkeer een geheel ander mensch gewor-„den was.quot;

-ocr page 249-

233

het zaad, hetwelk den schoot der aarde is toevertrouwd ? Niet zonder reden vermaant ons de H. Apostel Paulus; „laten wij het goede doen en niet moede worden, want te „rechter tijde zullen wij oogstenquot; (Gal. VI, 1). Ja „met „blijdschap zullen eens maaien, die nu met tranen zaaien.quot; Denk aan de Heiligen in den hemel; ook „zij gingen en „weenden, terwijl z.j den zaadbuidel droegen; maar zij „keerden al juichende weder, dragende hunne garvenquot; (Ps. CXXV, 5, 6).

2) Nog eene andere vrucht moeten wij uit de overweging van Gods heiligheid en gerechtigheid trekken, namelijk nooit op onze vermeende vroomheid trotsch te zijn, maar altijd in heiligen ootmoed voor God te wandelen. Wat be-teekent toch het goede, dat wij verrichten, of wat zijn de deugden, welk wij meenen te bezitten? Zuiver en helder schijnt het water in een kristallen beker; wanneer gij het echter met een vergrootglas beschouwt, wemelt het van\'\' allerlei diertjes. Dit zelfde geldt van onze deugden. Ach! hoevele gebreken en fouten ontdekt in ons, zonder dat wij het vermoeden, het reinste oog van God, de vorschende blik van Hem, die zelfs geen onnut, geen ijdel woord ongestraft laat (Matth. XII, 86). Indien de eigenliefde u niet bedroog, gij zoudt sidderen en u -verbergen van schaamte, in plaats van u hoovaardig te gedragen. Hebt gij soms meer verdiensten en grooter heiligheid dan de Apostel Paulus, die tot den derden hemel was opgenomen ? Hoe spreekt en denkt die groote man van zich zei ven ? „Ik „ben mij wel van niets (van geene ontrouw jegens God) „bewust, maar daarom toch niet gerechtvaardigd: die mij „oordeelt is de Heerquot; (1. Cor. IV, 4). Vanwaar komt het, dat, terwijl slechte Christenen zich op hunne vermeende vroomheid verhoovaardigen, ware Heiligen zich gering achten, ja zelfs zich voor de grootste zondaars houden? De grond ligt daarin, dat de mensch, hoe rijker hij in deugden is, ook des te meer kennis van God heeft. Hoe beter nu iemand God kent, des te meer mishagen vindt hij in zich zeiven, wijl hij in den spiegel der goddelijke volmaaktheden zijne eigen onvolmaaktheden helder aanschouwt en in al hare afschuwelijkheid leert kennen. Toen de H, Ignatius van Loyola korten tijd na zijne bekeering ziek werd, kon hij slechts met groote moeite de gedachte onderdrukken, dat, indien hij mocht sterven, allen, die getuigen waren van zijnen ijver om boetvaardigheid te doen, hem als een Heilige zouden vereeren. Maar in zijne laatste levensjaren, nadat zijne deugd met de jaren rijper was geworden , bekende hij , geene bekoring minder te vreezen,

-ocr page 250-

234

dan die van ijdel zelfbehagen, en toch was toenmaals de roep zijner heiligheid reeds door de oude en nieuwe wereld verspreid.

IFai vnl zeggen : God is goed ?

God is goed wil zeggen: Hij wil uit liefde allen schepselen goed doen, en bewijst ons inderdaad ontelbare weldaden.

Goedheid is eene eigenschap van den wil, die dezen geneigd maakt, jegens anderen welwillend te zijn en hun goed te doen. Het is derhalve duidelijk, dat iemands goedheid des te grooter is, 1) hoe meer goed hij anderen toe-wenscht, 2) hoe meer goed hij doet, en 3) hoe onbaat-zuchtiger de liefde is, waarmede hij weldaden bewijst. Daaruit kan men besluiten, hoe onbeschrijfelijk goed God is. Want „Gij (o Heer!) bemint alles, wat is, en haat niets „van hetgeen Gij gemaakt hebtquot; (Wijsh. XI, 25). Gelijk het in den aard der zon ligt, te verlichten en te verwarmen, zóó en onbegrijpelijk meer ligt het in de natuur van God, aan alle dingen, welke Hij overeenkomstig zijne eeuwige raadsbesluiten in het leven geroepen heeft, goed te willen. „God is de liefde\'\'\' (1. Joan. IV, 8). De liefde, waarmede God ons bemint en goed wil, is alzoo eeuwig en ongeschapen gelijk God. Daaruit volgt, dat zij de liefde van alle schepselen in den hemel en op aarde oneindig ver overtreft. Neen, geen vader en geene moeder kunnen hunne kinderen zóó beminnen, als de hemelsche Vader ons, arme aardwormen, liefheeft. En hoe groot is niet de liefde van een vader tot zijn kind? Wie kan zonder ontroering de liefde van den aartsvader Jacob tot zijn zoon Joseph (1. Mos. XXXVII, 34, 35 en XLV, 27, 28), of van koning David jegens Absalon gedenken? Absalon vergeldt met den afschuwelijksten ondank en met hoogverraad de weldaden zijns vaders. En toch hoe smartelijk beweende deze niet den dood van zijn ontaard kind ? „Mijn zoon „Absalon, Absalon, mijn zoon!quot; riep de diepbedroefde vader, toen men hem het doodsbericht bracht; „Absalon „mijn zoon, wie geeft mij, dat ik voor u sterve ? Absalon „mijn zoon , Absalon mijn zoonquot; (2. Kon. XVIII, 32). Nog inniger dan de vaderliefde, is gewoonlijk de liefde van het moederhart. „Kan eene moeder ooit haar kind vergetenspreekt God zelf door den Profeet (Isaias XLIX, 15), „en zich niet „erbarmen over den zoon, dien zij gebaard heeft? En al „zou ook eene moeder haar kind vergeten. Ik zal u toch „niet vergeten.quot; Zoo spreekt God de Heer. Wie zou, na zulk eene plechtige verzekering, aan zijne goedheid nog

-ocr page 251-

235

twijfelen? Ach! mochten toch alle menschen aan de liefderijke inzichten der goddelijke goedheid beantwoorden ; hoe gelukkig zouden zij zijn ! Voor allen wil God een liefdevol Vader wezen; moet Hij voor eenigen een streng rechter en bestraffer zijn, zij dragen er zelve de schuld van. God wil niemand veroordeelen, maar de menschen noodzaken Hem door hunne boosheid, het oordeel der verdoemenis over hen uit te spreken \').

2) Niets bewijst evenwel beter, hoe onuitsprekelijk goed de Heer is, dan de ontelbare weldaden, welke 11 j ons en allen schepselen zonder uitzondering verleent. Van Hem komt immers al het goede, hetwelk ^vij bezitten en te hopen hebben. „Alle goede gaven en ieder volmaakt geschenk,quot; zegt de H. Apostel Jacobus (I, 17), „komt van boven, van den „Vader des lichts.quot; Ja, het is de goedheid van God, uwen hemelschen Vader, die boven uw hoofd dien prachtigen hemel spande en met millioenen sterren versierde, welke u verlichten en de almacht des Scheppers verkondigen. Het is Gods goedheid, die de aarde met\' een geurig bloemtapijt bekleedde en haar gebood, tot uw nut allerlei gewassen, kruiden en zoete vruchten voort te brengen. Het is andermaal Gods goedheid, die de lucht met duizenden millioenen vogels, de zee met visschen en de aarde met dieren van allerlei soort en vorm voorziet, en hen dagelijks rijkelijk voedsel schenkt. Welke blijde tonen klinken niet in ons oor , wanneer wij ons, op een helderen lentemorgen, in de vrije natuur begeven ! De geheele aarde schijnt met hemelvreugd vervuld! Wie zal ze tellen, die millioenen schepselen, klein en groot, welke sinds de schepping dei-wereld het leven ontvingen uit \'s Heeren hand ? En wie voelt zich niet gedrongen, de goedheid van den Almachtige te bewonderen, die zelfs den minsten worm in het stof dagelijks zijn voedsel geeft, opdat ook deze zich verheuge in Gods zegen ? — En met hoeveel groote weldaden naar lichaam en ziel heeft niet de goede God u zeiven, lezer! overladen ? Dat gy u in het bezit eener goede gezondheid moogt verblijden , dat gij naar Gods evenbeeld zijt geschapen, eene onsterfelijke ziel hebt, dat gij zijn kind zijt en lid der alleenzaligmakende Kerk, waar alle genadeschatten voor

u geopend zijn....., wien anders hebt gij dat alles te

danken, zoo niet uwen goeden Vader in den hemeli* Ja, eerder zult gij de sterren des hemels en de zandkorrels

\') Ita prior bonitas Dei secundum naturara, severitas posterior secumlum causam. Tertuliian. adversus Marcionem.

-ocr page 252-

236

aan het strand der zee tellen, dan de genaden en-weldadeii, welke gij van God ontvangen hebt. — Heeft Hij n niet oneindig meer gegeven dan alle schatten der wereld, ja zooveel, dat Hij, ofschoon God zijnde, u niets meer geven kon? Of wat kon God u grooter geven, dan zijn eenig-gehoren Zoon ? En heeft Hij Hem niet werkelijk voor u aan den smartelijken kruisdood overgeleverd? Is Hij niet hereid, Hem nog dagelijks tot spijs uwer ziel te geven ? Ja, „zoo zeer heeft God de wereld lief gehad, dat Hij zijn „eeniggehoren Zoon ten beste gafquot; (Joan. Hf, 17). „Gods „liefde voor ons heeft zich (vooral) daardoor geopenbaard,quot; getuigt de Apostel der liefde (1. Joan. IV, 8, 9), „dat „God zijn eeniggehoren Zoon in de wereld gezonden heeft, „opdat wij door Hem leven,quot; — ja, eeuwig leven, in de heerlijkheid des hemels, in het land der zaligen, waar geene droefheid, geene smart, geen leedgevoel meer is, maar niets dan vreugde, gejubel, geluk, ongestoord genot van eindelooze en onbegrijpelijke gelukzaligheid. Want vergeet het niet, hoe ontelbaar ook de goederen zijn, waarmede de goddelijke goedheid ons hier op aarde reeds overlaadt, wij zijn toch geenszins geschapen, om op deze wereld volmaakt gelukkig te zijn; integendeel moeten wij, naar hec voorbeeld van onzen goddelijken Verlosser, door lijden en wederwaardigheden de heerlijkheid van het eeuwig gelukzalig leven binnengaan.

3) En wat heeft God bewogen, zoo onbeschrijfelijk goed en mild jegens ons te zijn ? Wellicht de goederen, welke Hij van ons verwacht? „Maar wat goed bezitten wij , dat „niet zijn eigendom is?quot; Is het de hoop op onzen getrouwen dienst, op onze wederliefde, op onze dankbaarheid ? Voorzag Hij niet integendeel, dat wij Hem dikwerf en zwaar be-leedigen, zijne weldaden misbruiken en zijne goedheid met liefdeloosheid en schandelijken ondank vergelden zouden? En al hadden wij Hem ook voortdurend met onverbreek-bare trouw gediend, al zijne geboden onderhouden, liefde met liefde vergolden, al hadden wij zelfs bloed en leven voor Hem ten beste gegeven, wat zou het nog zijn ? Zouden wij niettemin moeten bekennen, dat wij onnutte dienstknechten zijn, die niets meer gedaan hebben, dan hetgeen wij streng verplicht waren ? Welk nut of voordeel kunnen wij, arme schepselen, Hem, den Allerhoogste, den oneindig rijken en zaligen God, aanbrengen? Zijn wij met den besten wil in staat, den onmetelijken oceaan van zijn geluk met een enkel druppeltje te vermeerderen ? Zeker niet; om hoogst gelukkig te zijn, heeft God onzen dienst evenmin noodig, als de zon den matten schemer eener

-ocr page 253-

237

nachtlamp, om de lichtzee te zijn, welke de geheele wereld verlicht. Wat bewoog alzoo God, ons ziine goedheid zoo overvloedig te bewijzen? Niets anders dan zijne liefde, de zuiverste, onbaatzuchtigste , allergrootste liefde. „Om zijne „overgroote liefde, waarmede Hij ons bemind heeft,quot; zegt de Apostel, „heeft Hij ons, toen wij dood waren in de zonde, „weder levend gemaakt in Christus.quot; Hetgeen de H. Paulus hier (Eph. 11, 4, 5) van de genade der verlossing en rechtvaardigmaking zegt, geldt van alle weldaden en genadegaven Gods; alles hebben wij aan de overgroote , onverdiende liefde Gods te danken.

O! laten wij toch, naar bet voorbeeld der Heiligen, dikwerf aan die onuitsprekelijke, die onverdiende liefde en goedheid van God denken! Ue H. Franciscus van Assisi ging op een heeten zomerdag over het veld, vergezeld van zijn ordebroeder Masseiis. Smachtende naar een dronk koel water, kwamen zij op eene plaats, waar frisch bronwater stroomde, en een hooge boom verkwikkende schaduw bood. Zij gingen nu zitten, haalden eenige stukjes hard brood te voorschijn, welke zij als aalmoezen ontvangen hadden, doopten die in het water, aten en dronken. Intusschen vloeiden de tranen langs de wangen van den H. Vranciscus. jVader!quot; sprak broeder Masseiis, „weentgij? //Waarom dat?quot; — //Ach broeder,quot; antwoordde Franciscus, „zonden //wij niet schreien van vreugde, daar de goddelijke Voorzienigheid ons z/hier zulk een heerlijk gastmaal bereid heeft?quot; Masseiis vond het geringe maal zoo heerlijk niet. en was nog meer verbaasd. «Zie toch „eens, broeder,quot; ging de Heilige voort, //hoe goed do Heer is! Van //eeuwigheid voorzag Hij, dat wij thans, smachtende van dorst en //hitte, hier zouden komen; van eeuwigheid besloot Hij alzoo uit „liefde tot ons, hier eene bron te laten ontspringen en een boom te z/laten groeien, opdat wij ons zouden verkwikken en uitrusten. Waar-//door hebben wij die vaderlijke voorzorg en liefde verdiend ? Moet „die goedheid van God ons geene tranen van dankbaarheid en weder-//liefde afpersen?quot; — Hoe dikwijls hebt gij reeds, Christen, tranen van liefde en dankbaarheid jegens God geschreid? En heeft Hij u niet meer geschonken dan een stukje hard brood? — Is het mogelijk dat een Christen, door den onuitputtelijken stroom der goddelijke weldaden omgeven, zich bijna nimmer gedrongen voelt, zijn blikten hemel te heffen, tot den Schepper en Gever van alle goede gaven, om Hem te danken. Hem te beminnen en te loven? «Zeg eens,quot;dus spreekt een vermaard schrijver, \') „als gij, vermoeid van eene lange „reis, door honger en dorst gekweld, afgemat aan den voet van een „toren neêrzonkt, en nu iemand voedsel en drank van den toren „afliet, zoudt gij u dan wel kunnen onthouden, van eenmaal op te «zien, om uwen dank te betuigen aan hem, die u zooveel goedheid „bewees? En wat doet God anders, dan u uit don hoogen hemel „onophoudelijk de rijkste gaven te zenden? Noem uit alles, wat „bestaat, een enkel ding, dat wij niet aan Gods goedheid verschuldigd „zijn. Nochtans richt gij zoo zeldzaam uw oog naar boven, denlct „gij er zoo weinig aan, de liefde van uwen zoo milden Weldoener „met wederliefde te vergelden!quot; Verzuim dan niet langer, God te beminnen, Hom uit al uwe krachten lief te hebben, gelijk Hij het verdient.... Toon uwe liefde door getrouw zijne geboden te onderhouden; want „wie mijne geboden onderhoudt, heeft Mij lief,quot; spreekt de Heer.

\') Ludovicus Granatensis: Manuductio peccatorum.

-ocr page 254-

238

Wai wil zeggen: God is barmhartig ?

God is harmhartig wil zeggen : 1) Hij is geneigd het kwaad af te keeren, en 2) schenkt derhalve gaarne vergiffenis aan alle waarlijk boetvaardige zondaars.

1) Daar de barmhartigheid, gelijk de H. Augustinus\') zegt, niets anders is, dan „medelijden met de ellende van „anderen, hetwelk ons aanzet, die te verhelpen zooveel „wij kunnen en dewijl alle schepselen hulpbehoeftig zijn, strekt zich ook de goddelijke barmhartigheid uit tot alle schepselen, of om hen, naar de orde, door zijne wijsheid vastgesteld, voor rampen te bewaren , of wel, om hen er van te bevrijden; want „de geheele aarde is vol van de „barmhartigheid des Heerenquot; (Ps. XXXII, 5). Uit de H. Schrift leeren wij, dat God jegens de dieren barmhartig is, daar Hij gebood, hen zacht te behandelen, bijv. op sabbath te laten rusten , enz., en de stad Ninive ook ter wille van het vee spaarde. Immers toen de Profeet Jonas spijt gevoelde, wijl God zich over de boetvaardige Ninivieten erbarmde, en de straf, waarmede zij bedreigd waren, n.et voltrok, sprak Hij: „gij wildet den wonderboom (welke „den Profeet overschaduwd had en nu verdord was) gespaard „hebben, waaraan gij niet gearbeid hebt, en dien gij niet „hebt doen groeien, dien één nacht kan doen worden, en „één nacht doen vergaan: en zou Ik dan geen medelijden „hebben met Ninive, die groote stad, waarin meer daa „honderd twintig duizend zielen zijn, die geen onderscheid „weten tusschen de rechter- en de linkerhand (kleine kinderen) „en daarbij vee in menigtequot; (Jonas IV, 10, 11). o Oneindig beminnenswaardige barmhartigheid van onzen God ! En zou Hij , die zich zelfs over het vee erbarmde, zich niet over zijne kinderen erbarmen ? Dewijl er echter op de wereld geen grooter kwaad is dan de zonde, en niets den mensch dieper in ellende stort dan de zonde, zoo openbaart de goddelijke barmhartigheid zich vooral aan de zondaars; daarom wordt zij bizonder in dien zin in de H. Schrift vermeld en geroemd.

Bij God is echter de barmhartigheid geenszins een made-lijden, waardoor Hij over de ellende van anderen treurt, daar God nimmer bedroefd kan wezen ; zij wordt slechts met het medelijden vergeleken, inzooverre de barmhartigheid God beweegt, ons van de ellende te bevrijden. Doch

\') Do Civit. Dei. L. IX. c. 5.

-ocr page 255-

239

ook hierin schittert de oneindige liefde en goedheid Gods op eene geheel wonderbare wijze uit. Want daar God, uithoofde van zijne goddelijke natuur, onmogelijk treurig kan wezen, heeft Hij , om in den vollen zin des woords barmhartig te zijn, de menschelijke natuur, welke lijden kan, aangenomen, ja aan alle menschelijke rampen, ellenden en smarten, zelfs aan de bekoringen en den dood zich onderworpen , opdat Hij zelf onze ellende gevoelen en door eigen ondervinding medelijden zou leeren. „In alles ,quot; zegt de Apostel, „moest Hij zijnen broeders gelijk worden ,

„opdat Hij een barmhartige hoogepriester zijn zoude.....

„Wij hebben alzoo geenen hoogepriester , die geen mede-„lijden kan hebben met onze zwakheden, maar die in alles,

„gelijk wij, beproefd is geweest..... Laat ons dan met

„vrijmoedigheid gaan tot den troon der genade, om barm-„hartigheid te verkrijgen en genade te vinden, als wij hulp „noodig hebbenquot; (Hebr. II, 17 en IV, 15, 1G).

2) „De goede God,quot; zegt de geestelijke schrijver Hendrik Suso, „is eene zoo onuitputtelijke bron van overgroote „erbarming en natuurlijke goedheid, dat zelfs de liefderijkste moeder haar eenigen zoon , dien zij midden in de „vlammen ziet liggen, nooit zóó bereidvaardig de hulprijke „hand zou kunnen bieden, als God bereid is, den mensch, „die leedgevoel heeft en boetvaardigheid doet, op te nemen, „al had hij ook, zoo mogelijk, de zonden der geheele wereld „dagelijks bedreven.quot; Opdat geen zondaar, hoe groot en menigvuldig zijne zonden ook zijn mogen, aan de goddelijke barmhartigheid twijfele, getuigt de Heer plechtig: „zoo „waar Ik leef! Ik heb geen behagen in den dood des „zondaars, maar verlang, dat hij zich bekeere en levequot; (Ezech. XXXIII, 11). „Al waren uwe zonden als schar-„laken , zij zullen wit worden als sneeuw, en al waren „ze rood als purper, zij zullen wit worden als wolquot; (Isaias L, 18). „Voorwaar in barmhartigheid heeft God welbehagen. „Hij zal zich onzer erbarmen, wegnemen onze misdaden, „en in de diepte der zee werpen al onze zondenquot; (Mich. VII, 18). Ga de gansche H. Schrift door, overal zult gij vinden, dat God, alhoewel Hij jegens hen, die zich met een onboetvaardig hart in de hel storten, in het andere leven onverbiddelijk is, toch hier op aarde jegens allen, die oprecht boete willen doen, „genadig en barmhartig, „lankmoedig en van groote erbarming isquot; (Ps. CXL1V, 8). Wat anders getuigt bijv. de gelijkenis van den goeden herder, die het verloren schaap verheugd op zijne schouderen neemt? Of die van de vrouw, welke niet ophoudt het verloren penningske te zoeken, tot zij het gevonden heeft.

-ocr page 256-

240

en nadat zij het gevonden heeft, alle vrienden en buren uitnoodigt, zich met haar te verblijden ? Wat anders leert ons de gelijkenis van den verloren zoon, die zoo hartelijk en liefdevol door zijn vader weder opgenomen werd ? Wel verre van hem eenige verwijten te doen, beveelt hij, alsof zijn zoon niet door eigen schuld , maar door de boosheid van anderen tot ellende was gebracht, zijnen knechten : „brengt haastig het beste kleed , en trekt het hem aan , „en geeft hem eenen ring aan de hand en schoenen aan „zijne voeten. Brengt het gemeste kalf en slacht het, en „laat ons eten en een vreugdemaal houden! Want deze „mijn zoon was dood, en is weder levend geworden; hij „was verloren, en is wedergevonden f\' (Luc. XV, 22—24). En hoe barmhartig was de Heer niet jegens de boetvaardige Magdalena, den bekeerden tollenaar, den rouwmoedigen Petrus, den goeden moordenaar aan het kruis en duizend anderen ? Heeft Hij zelfs niet een Sacrament in zijne Kerk ingesteld, waardoor allen, die willen, vergeving hunner zonden kunnen verkrijgen? Waar zag men ooit een vorst, die aan alle rechters in zijn rijk de volmacht verleende, om allen misdadigers zonder uitzondering, al zouden zij zich ook aan het schandelijkste verraad hebben schuldig gemaakt, genade te verleenen, hen zelfs met goederen te overladen, indien zij slechts hunne misdaden oprecht bekennen ?

JFat vnl zeggen: God is lankmoedig ?

God is lankmoedig beteekent: Hij wacht dikwijls lang eer Hij den zondaar straft, om hem tijd tot boetedoening te laten.

„God heeft geduld, en wil niet, dat iemand verloren ga, „maar dat allen zich bekeeren en boete doenquot; (Petr. III, 9). Ja, in zijne groote goedheid zoekt Hij zelfs den zondaar, ook den versteksten op, alsof niet Hij door den zondaar, maar deze door Hem beleedigd was geworden; Hij biedt hem vergeving aan en spreekt hem liefderijk toe, om hem van zijne boosheid af te brengen. ,.0 Heer, hoe goed en „zoet is uw geest!quot; roept de Leeraar der wijsheid in de H. Schrift uit (Wijsh. XII, 1). Hoe genadig handelde God niet met het ontaarde Ninive! Hoe goed en lankmoedig was Hij niet jegens den goddeloozen koning Manasses! Deze had den tempel Gods onteerd, zich aan de schandelijkste afgoderij overgegeven en ook zijn volk daartoe verleid ; hij had, in verbond met den duivel, tooverij bedreven,

-ocr page 257-

241

veel onschuldig bloed vergoten en verscheiden Profeten vermoord , ja zelfs den Profeet Isaïas laten doorzagen: niettemin verdroeg de Heer alles geduldig en gaf hem quot;nog de genade eener oprechte bekeering. — Wat deed Jesus al niet, om het hart van den verrader Judas te roeren en hem de oogen te openen ! Ofschoon FTij de geheele boosheid van zijn hart doorzag, stiet Hij hem toch niet aanstonds van zich af, maar behandelde hem met de grootste goedheid, gedoogde hem voortdurend in zijne nabijheid, wiesch zijne voeten , at met hem aan eéne tafel, overtuigde hem, dat Hij zijne geheimste gedachten kende, liet zich door hem kussen en noemde hem zijn vriend Jesus ffaf den ongelnkkigen Judas een bewijs zijner macht, als Hii hem tegelijk met de gewapende bende, door het enkele woord: „Ik ben het!quot; ter aarde wierp, en voor zijne oogen het afgehouwen oor van Malchus genas. Ook liet Hij hem diep gevoelen, dat hij kwaad gedaan en onschuldig bloed verkocht had Wat al wendde Hij niet aan , om quot;den trouwe-loozen verrader voor den eeuwigen dood te behoeden! — En hoe handelde Jesus met de ondankbare en verharde stad Jerusalem ? In plaats van een vuurregen over haar af te roepen, hield Hii niet op, haar de blijde boodschap des heils te prediken, maakte hare zieken gezond, wekte zelfs voor hare oogen dooden ten leven op; heete tranen schreidde Hij over hare verstoktheid, wijl zij zich daardoor verschrikkelijke straffen op den hals haalde. Hoe teeder en liefdevol waren niet de klachten, welke uit zijn medelijdend hart voortkwamen; „Jerusalem, Jerusalem, dat de „Profeten doodt en steenigt degenen, die tot u gezonden „zijn ! hoe menigmaal heb Ik uwe kinderen willen bijeen „vergaderen, gelijk eene hen hare kiekens vergadert onder „hare vleugelen, en gij hebt niet gewild!quot; (Matth. XXIV, 3lt;). Stervende aan bet kruishout bad Hij nog om genade voor de zondige stad, en nadat zij den gruwelijken Godsmoord volbracht had, wachtte ilij nog veertig jaren lang op hare boete, en liet niet na, haar door wonderen en teekenen te waarschuwen en door de aankondiging barer geduchte straf tot bekeering te vermanen. Zoo barmhartig en lankmoedig is de Heer! Hebt ook gij, lezer, door eigen ondervinding de goddelijke lankmoedigheid niet reeds leeren kennen ? Moest gij niet sinds lang als een onvruchtbare boom uitgehakt en in het vuur geworpen zijn? (Luc. XII, 6—9). Hoe zou het u gegaan zijn, in welke plaats zoudt gij u thans bevinden , als God u niet vergeven, als Hij niet zoo lang op uwe boetvaardisj-heid gewacht had ?

16

DEHARBE, GELOOFSLEER, I. .3^6 DRUK.

-ocr page 258-

242

Wat moeten vnj doen, wijl God zoo goed, barmhartig en lankmoedig is ?

1) Wij moeten God dankbaar zijn en Hem van harte beminnen.

Hoe barmhartiger en toegevender God is, des te grooter moet onze dankbaarheid, des te hartelijker onze wederliefde zijn. „Dankt den Heer, omdat Hij goed is en zijne barmhartigheid in eeuwigheid voortduurtquot; (Ps. CVI). Schoone woorden , die dikwijls in de heilige gezangen herhaald worden! Toen de Japaneezen voor het eerst hoorden, wat God voor ons menschen gedaan heeft, dat Hij voor onze zaligheid heeft willen lijden en sterven, riepen zij in vervoering uit: „O hoe groot is Hij! Hoe goed, hoe be-„miimensTvaardig is de God der Christenen!quot; En als zij later hoorden, dat er Christenen waren, die niet alleen God niet beminden, maar hem beleedigden, Hem onteerden, riepen zij verontwaardigd uit: „O ondankbare harten! „Is het mogelijk, dat Christenen tot zulke gruwelen in „staat zijn! En op welken vloekwaardigen aardbodem woont „dan dat gevoel- en redeloos volk ?quot; Zoo dachten heidenen ! Wat denkt, wat gevoelt gij, wanneer ge de ontelbare bewijzen van Gods liefde voor u overweegt ? Gloeit uw hart dan van liefde en dankbaarheid? — Ach! laat u toca niet door den heiden, ja, doorliet redelooze dier beschaamd maken! De H. Gerasimus, die in de woestijn van Palestina bij de Jordaan woonde, zag op zekeren dag een leeuw, die verwond was , en hem met een jammerlijk gehuil zijn voorsten poot toestak, welke door een scherpen doorn gekwetst was. De heilige trok den doorn er uit, verbond den poot en zond nu den leeuw heen. Het dankbare dier verliet echter zijn weldoener niet meer, maar volgde hem als een trouwe hond, sliep des nachts voor zijne cel en liet zich zelfs als een lastdier tot den dienst des kloosters gebruiken. Toen de Heilige gestorven was, huilde het dier jammerlijk, en zijne groote droefheid was in zijne oogen en in al zijne bewegingen te zien. Hij wilde geen eten meer gebruiken, maar wierp zich op den grafheuvel van zijn weldoener, stiet zijn hoofd brullend tegen de aarde en blies hier den laatsten adem uit \'). Zoo dankbaar toonde dit wilde dier zich voor eene geringe weldaad: en wat doet de mensch voor God, die hem met oneindig

!) Stolber?; «rlleligionsgesehiclite,quot; deel XVII. bladz. 169.

-ocr page 259-

243

meer weldaden overlaadt! „0 God! o liefde!\'\' hoorde men de H. Magdalena van Pazzi dikwijls uitroepen , „ik sterf „van smart, wanneer ik zie, dat Gij zoo weinig gekend .,en bemind wordt. O zielen, die uit liefde geschapen zijt, „waarom bemint gij niet?quot;

2) Wij moeten, wanneer wij misdaan hebben, God vol vertrouwen om vergeving bidden. — Als het u leed doet, misdaan te hebben, waarom wilt gij dan eene nog veel grootere fout oegaan en aan Gods barmhartigheid wanhopen ? Allerdwaast zou degene, die één oog verloren heeft, handelen, als hij ook het andere liet uitrukken. Schrikt de toorn van den rechtvaardigen God u af, „vlucht niet van Hem,quot; zegt de ii. Augustinus, ,,maar tot Hemop die wijze zult gij Hem bevredigen , en wederom in zijne gunst worden op-SÜ gevallen, sta op en doe boetvaardigheid; zijt gij duizendmaal gevallen, sta duizendmaal weder op, en doe boetvaardigheid. „Vertrouw den satan niet,quot; spreekt de H. Kerkleeraar Chrysostomus (Homil. II over Psalm L), „als hij u inblaast: gij hebt tot dusverre een slecht leven „geleid, uwe jeugd in losbandigheid doorgebracht, gij hebt „zonden op zonden gestapeld; gij zijt verloren, verloren „voor eeuwig! Geniet daarom voor het minst de genoegens „dezer aarde, daar gij in het andere leven niets te hopen „hebt. O ziel! vertrouw toch deze woorden niet; het is „de taal van den arglistigen verleider. Luister liever naar „mijne woorden: gij zijt gevallen, maar gij kunt weder „opstaan. Maak slechts een begin, onderzoek uw geweten, „verwek een berouw.quot; Volg het voorbeeld van den verloren zoon, die, tengevolge zijner zonden in nood verkeerende, niet wanhoopte, maar rouwmoedig sprak: „ik zal opstaan „en tot mijn vader gaan en hem zeggen : vader, ik heb „gezondigd tegen den hemel en tegen U; ik ben niet meer „waardig uw zoon genoemd te worden, maak mij als een „van uwe huurlingenquot; (Luc. XV, 18, 19), Gij weet, hoe goed zijn vader hem ontving, hoe deze, door medelijden bewogen, hem ijlings te gemoet ging, om den hals viel, hem kliste en een vreugdemaal hield. „Hoe,quot; spreekt een geestelijk schrijver, „in het H. Evangelie leest gij, dat het „geheele huis van vreugde weerklonk, wijl de zoon, die „men voor dood hield, nog leefde, wijl degene, die verboren scheen, was wederge vonden; alle koren der Engelen „en Heiligen noodigt de goede vader uit, te deelen in zijne „vreugde, omdat een zondaar zich bekeerd heeft: en gij zoudt nog twijfelen aan Gods liefde, u zeiven van uw „eeuwig geluk en den Heer van eene zoo groote vreugde „berooven Mogen wy denken dat Hij , die in de bekeering

16*

-ocr page 260-

244

I

„van den goddelooze zich verheugt, den zondaar, die „rouwmoedig wederkeert, van zich zal afstooten ?quot; \')

3) JFij moeten ook goed en harmhartiy jegens onze rnede-menschen zijn, — alzoo nimmer ons liefdeloos of vijandig jegens hen gedragen , maar allen naar vermogen goed doen, en gaarne vergeven , wanneer iemand ons beleedigd heeft. Zoo leert Jesus Christus, onze Heer: „Zijt barmhartig, „gelijk uw Vader (in den hemel) barmhartig isquot; fLuc. VI, 36). Zoo leert vervolgens de lieveling des Heereu, de H. Joannes: „dewijl God ons zoozeer heeft lief gehad, „moeten ook wij elkander beminnen\'\' (1. Joan. IV, 11). En reeds in de tijden vóór het Christendom vinden wij deze leer schoon uitgedrukt. Nadat in het boek der Wijsheid (XI, 12) getoond is, dat God de macht en het recht bezat, de Chanaanitische volkeren om hunne goddeloosheid te verdelgen, zonder hun tijd tot boetedoening te geven, wendt de H. schrijver zich tot den Heer en gaat aldus voort: „Maar Gij, almachtige beheerscher, Gij oordeelt „met zachtmoedigheid en regeert ons met veel verschooning, „en door al deze uwe handelingen leert Gij uw volk, dat „het den rechtvaardigen betaamt, menschlievend te zijn.quot; Gelukkig degene, die zich de goddelijke barmhartigheid ten voorbeeld kiest en deze navolgt!

\') Blasius, Trost fiir Kleinmüth. (Hst. XXXVIII. 5 4).

2) In een droom verscheen aan den H. Joannes, Patriarch van Alcxandric, toen hij nog een jongeling van zeventien jaren was, de goddelijke Barmhartigheid in de gedaante eener maagd, die heller schitterde dan de zon, op haar hoofd eene kroon van. olijven droeg en vriendelijk lachende tot hem sprak: ;,Ik ben de eerstgeborene van „den allerhoogsten Koning; indien gij Mij wilt volgen, zal Ik u een-z/maal voor zijn aanschijn brengen; want niemand heeit zoo groote „macht bij Hem als Ik; Ik was het, die Hem bewoog, op de aarde „af te dalen en de menschen te verlossen.quot; Sinds deze verschijning kende de barmhartigheid en weldadigheid van den heiligen man gecne grenzen meer. De kerk van Alexandrië, wier Bisschop hij werd, had toenmaals buitengewoon groote inkomsten. Toen hij in het bisschoppelijk paleis kwam, vond hij daar ongeveer tachtig centenaars goud, en hetgeen hem in het vervolg door de geloovigen geschonken werd, was, gelijk hij zelf in zijn testament uitdrukte, bijna meer, dan een mensch kan tellen. Evenwel behield hij voor zich zeiven niet eens eene behoorlijke beddedeken, maar deelde alles aan de behoeftigen uit. Een rijk man uit Alexandrië gaf hem nu eene kostbare deken ten geschenke, doch slechts een enkelen nacht maakte de Patriarch er gebruik van, want hij kon den geheelen nacht niet slapen, gefolterd door de gedachte, dat zoovele armen aan alles gebrek hadden, terwijl hij zoo gemakkelijk en warm rustte. Den volgenden dag liet hij de deken verkoopen en het geld aan de armen geven. Nog tweemalen bracht de rijke vriend, die de deken telkens terugkocht, den Heilige hetzelfde geschenk, en nog tweemaal verkocht deze haar, en zeide ten laatste: „Wij zullen eens zien. wie van ons beiden het eerst-moede

-ocr page 261-

245

Wat het lot zal zijn van hem, die na zelf door God allergenadigst behandeld te ziin, onbarmhartig is jegens zijne medemenschen, leert Christus bij Matth. XVIII, 32—34. „Gij, booze knecht!quot; zal de Heer tot hem zeggen, „de geheele schuld heb Ik u kwijtgescholden, omdat gij „Mij gebeden hebt: behoordet gij u dan niet te ontfermen „over uwen medeknecht, gelijk Ik Mij ook over u heb „ontfermd?quot; „En zin heer vergramd zijndegaat Christus voort, „leverde hem over aan de beulen , totdat hij de „geheele schuld zoude betalen. Aldus zal de hemelsche „Vader ook met u doen , zoo gij een ieder zijnen broeder „niet van harte vergeeft1?quot; \')

/wordt.quot; Bij zijnen dood liet de Patriarch slechts drie penningen na. — Tenzelfden dage, dat de Patriarch Joannes stierf, zag een vroom man in eene geestvervoering, dat eene schoone maagd hem bij het verlaten., van het bisschoppelijk paleis opwachtte, en aan de hand ten hemel voerde (Uit Kosweyde).

\') Xu de Heer aan ons zondaars zoovele en groote genaden en barmhartigheid bewezen heeft, zou het voorwaar zwarte ondank en zware zonde zijn, jegens onze medemenschen hardvochtig en mededoogenloos te wezen. Mogen wij toch nimmer in ons leven ons te verwijten hebben, dat wij jegens armen of noodlijdenden zonder erbarming geweest zijn! De gedachte: //ik heb in mijne weelde mijne arme medebroeders gebrek ,laten lijden,quot; is eene smartelijke herinnering, welke niet alleen in het andere leven, maar reeds hier op aarde het geweten pijnigt en

.voortdurend aan het hart knaagt. — Graaf Willem van B...... wien

niets ontbrak dan een tevreden hart, gaf op een winteravond een schitterend bal. Het was vinnig koud, een snijdende wind joeg dikke sneeuwvlokken tegen de helder verlichte vensters van het slot. Omstreeks tien uur kwamen de genoodigde gasten. Slechts ééne dame was nog afwezig. Graaf Willem zag verlangend naar haar uit, en begaf zich ten laatste naar de deur, om eens te zien, of zij nog niet kwam. Eene vrouw met een van koude verkleumd kind op den arm trad naar hem toe. De graaf riep nu tot een zijner bedienden: //verwijder die bedelares!\' — «Ach, goede Heer,quot; antwoordde de vrouw zuchtende: //ik lijd zooveel koude en heb zoo\'n honger!quot; — //Van //morgen heb ik aalmoezen laten uitdeelen!quot; — //Schenk mij uit mede-

blijden eene kleinigheid, om brood en wat liout te kunnen koopen!.....

/Mijn kind sterft van honger!quot; — Terwijl zij nog sprak, kwam het rijtuig der verwachte dame aangereden. De bedelares moest zich verwijderen. Toen graaf Willem na eenige uren eene vorstin, welke zijn bal met hare tegenwoordigheid vereerd had, naar haar rijtuig wilde geleiden, stiet zijn voet op iets, dat in de sneeuw lag, en hij beknorde hierover zijne bedienden! Deze keken nu wat er lag en vonden onder de vastgevroren sneeuw — de arme vrouw met haar kind. Het ge-nicht van den verschrikkelijken dood der bedelares stoorde op eens alle vreugde van het feest, de muziek zweeg, en de gasten gingen met een beklemd hart uiteen. Zoodra graaf Willem alleen was, spoedde hij zich naar beneden, om het lijk te zien, dat zooeven in het onderhuis was gebracht. Vrouwen wreven het met warme stoffen, maar het was te laat! Zóó groot was de kracht van den laatsten doodstrijd geweest, dat men slechts met moeite het kleine kind uit den arm der doode moeder kon rukken. — Willem bleef meer dan een uur bij het lijk staan. Daarna slingerde hij in een aanval van verwoedheid de

-ocr page 262-

246

In plaats van zich te bekeeren, misbruiken vele zondaars de goddelijke barmhartigheid, ora in hunne onboetvaardigheid te volharden, en spreken: «de barmhartigheid des Heeren is groot. Hij zal de menigte a.mijner zonden vergevenquot; (Sir. V, S). Hoezeer men zich door die gedachte bedriegt, leert de H. Schrift ter zelfder plaatse (vs. 9); »wacht //niet langer met u tot den Heer te bekeeren en stel niet uit van den ,/Benen dag tot den anderen; want eensklaps komt de wraak des //Heeren en Hij zal u verdelgen.quot; De H. Schrift spreekt aldus, wijl de onboetvaardige zondaar, hoewel God oneindig goed en barmhartig is, toch geen oogenblik voor tijdelijke en eeuwige straffen verzekerd is. Want 1) staat het üod vrij, zich te erbarmen of niet, de boosheid der schepselen geduldig te verdragen of hen terstond te tuchtigen. Als God verplicht was zich te erbarmen, dan zou zijne barmhartigheid geene barmhartigheid meer zijn. „Ik erbarm mij,quot; spreekt Hij, „over z/wien ik mij erbarmen wil, en Ik betoon barmhartigheid, aan wien /,1k barmhartigheid wil betoonenquot; (Rom. IX, 15). De eerste menschen zondigden, en Hij beloofde hun een Verlosser; ook de Engelen zondigden, en Hij stortte hen terstond in den afgrond der hel. In het eerste geval openbaarde Hij zijne barmhartigheid, in het andere zijne gerechtigheid. Wie zal u zeggen, of God aan u , wanneer gij zondigt, zijne barmhartigheid of zijne gerechtigheid zal openbaren? — 2) Hoewel de goddelijke barmhartigheid volgens hare natuur oneindig is, is zij toch in hare werkingen begrensd. Diensvoigens komt er eenmaal een einde aan Gods erbarmingen, en gelijk het getal der levensjaren van iederen mensch bepaald is, zoo is ook eenmaal de maat zijner overtredingen gevuld. Dan wordt de zondaar uit dit leven opgeroepen, en het gestrenge oordeel wacht hem. Deze leer, zegt de H. Augustiuus, wordt bevestigd in de H. Schrift. Lang wachtte de Heer met de bestraffing van de goddelooze Amorrheërs; want, sprak Hij, — „tot „dusverre is de maat hunner misdaden nog niet gevuldquot; (1. Mos XIII, 16). Zoodra zij echter vol was, kwam over hen de toom des Heeren als een onweder, en allen werden verdelgd. — Wanneer de maat uwer zonden vol zal zijn, wanneer God u voor zijn rechterstoel zal dagen, of Hij u tijd tot boete zal laten, of gij na de eerste of na de honder i-duizendste zonde sterven zult, kunt gij evenmin weten, als het u mogelijk is, hot eeuwig raadsbesluit van den Allerhoogste te doorgronden. — 3) Als God zich erbarmt, wordt Hij geenszins daartoe bewogen door een zeker gevoel van medelijden of teerhartigheid. Hij

bloemenkransen uit de zaal, vertrapte die en sloot zich in zijne kamer op. Niemand kon daar bij hem komen, en den volgenden morgen %vas de deur nog gesloten. In die uren, in de eenzaamheid doorgebracht, rijpte een grootsch besluit in zijne ziel: hij had voor het beeld zijner moeder eene belofte gedaan. Hij stichtte het gasthuis der stad. Er. toen het gebouw voltooid was en er niets meer ontbrak, werd g.\'aaf Willem een dienende broeder, en stierf na vijf jaren in geur van heiligheid, nadat hij tevoren zijn vermogen aan de armen vermaakt had.— De regels der vrome stichting, welke zijn land aan hem te danken heeft, zijn door hem zeiven ontworpen. Ónder anderen wordt dtariii gezegd: „Van het Allerheiligenieest tot den 23steu April, den feestdag „van den li. Evangelist Marcus, moeten -in het gasthuis der belolte „twee zalen goed verwarmd worden, en dag en nacht voor de armen „geopend zijn. Des middags en des avonds ten 7 ure moet hun soep „worden uitgereikt. Barmhartige zusters nemen de verzorging der „moeders en kinderen op zich. Bovendien moeten alle jai\'en omstreeks „het Kersfeest hout en wollen dekens aan de behoeftigen der stad „worden uitgedeeld.quot; — Mochten toch allen, die zich ooit aan eenige liefdeloosheid hebben schuldig gemaakt, hunne zonde op eene zoo grootmoedige wijze, ieder naar zijn vermogen, uitwisschen!

-ocr page 263-

247

ontfermt zich, wijl Hij met vrijen wil daartoe besloten heeft, en immer wordt hij door zijne hooge wijsheid bestuurd. Ue wijsheid van God kau echter niet gedoogen, dat zijne barmhartigheid den zondaar aanleiding geve, om in de zonde te volharden, onbezorgd en onbekoamierd omtrent zijn levenseinde. Daarom kan de zondaar niet weten, of God hem niet tot een voorbeeld zijner straffende gerechtigheid, anderen ter waarschuwing, wil stellen, gelijk Hij met Ananias en Saphira deed, die aan de voeten der Apostelen eensklaps dood nedervielen, ^zoodat er eene groote vrees kwam over de geheele Kerk en over ,allen, die dit hoordenquot; (Hand. V, 11). «Laten wij derhalve,quot;spreekt de H. Kerkleeraar en Paus Gregorias, //gebruik maken van den kosi-^baren tijd, en niet wachten totdat het leven ons dreigt te ontgaan, ,ter beoefening van deugden en goede werken; want God, die deu / boetvaardige vergeving belooft, heeft den onboetvaardige den dag «van morgen niet toegezegd.quot;

JFat he tee kent: God is waarachtig^

God is waarachtig wil zeggen: Hij openbaart altijd de waarheid, wijl Hij niet liegen noch bedriegen kan.

Wanneer menschen iets zeggen, wat niet waar is, en zij derhalve niet waarachtig zijn, geschiedt dit óf wel omdat aij de waarheid niet kennen óf wel omdat zij opzettelijk eene onwaarheid willen zeggen. In het eerste geval noemt men hunne uitspraak eeue dwaling of ook wel eene onwaarheid; in het laatste daarentegen eene leugen. God kan evenmin eene onwaarheid zeggen als liegen; Hij kan zelf niet dwalen, noch zijne schepselen in dwaling brengen, door anders te spreken, dan Hij denkt.

1) God kan niet dwalen -, want Hij is zelf de eeuwige, de oneindige Waarheid. en als de Alwetende kent Hij zich zelven en alles oneindig volkomen. Hij kent derhalve immer en in elk geval de waarheid, en kan haar bijgevolg ook zeggen of openbaren. — 2) God kan evenmin liegen en door leugentaal zijne schepselen in dwaling l^rengen. Dit zou voorzeker in strijd zijn met zijne oneindige waarheidsliefde, met zijne heiligheid en goedheid. Daarom zegt de Apostel Pauius: „Het is onmogelijk, dat God liegtquot; (Hebr. VI, 18), en Mozes (4. XXIII, 19); „God is niet gelijk demensch, „dat Hij liegt,quot; en Christus zelf (bij Joan. XVI, 17): „Uw „woord (Vader) is de waarheid.quot; — Hoe vast en onwankelbaar moeten wij dus alles voor waar houden, wat God ons openbaart! „De waarheid des Heeren blijft in eeuwigheidquot; (Ps. (JXVI, 2). Mogen vele geopenbaarde waarheden voor ons kortzichtig verstand onbegrijpelijk zijn en blijven: het is genoeg, dat God de oneindige Waarheid ze geleerd heeft. Nu weten wij zeker, dat zij de zuivere en onomstootelijke waarheid zijn. Geen twijfel, die in ons hart oprijst, kan redelijker wijze wortel schieten en ons verontrusten. En al zouden ongeloovigen of ketters nog zoo dikwijls en nog

-ocr page 264-

248

zoo hevig met bijtende scherts en laffe spotternij tegen zekere leeringen van ons geloof of tegen onzen godsdienst uitvallen: wij weten, wien wij geloof schenken. Wij gelooven aan God, de eeuwige Waarheid, en het woord der Waarheid is ons oneindig meer waard dan de ijdele taal van menschen, „die lasteren, wat zij niet kennenquot; (Jud. X).

Wai beteekent: God is getrouw ?

God is getrouw wil zeggen: Hij houdt altijd zijne beloften, en Hij vervult steeds zijne bedreigingen.

De getrouwheid bestaat op de eerste plaats in de vervulling van datgene, wat men beloofd heeft. Hier wordt ze echter vooral genomen voor de volharding in eenmaal gevatte besluiten en voor het vasthouden aan eenmaal gedane toezeggingen , derhalve voor de zekere vervulling van datgene,, wat God belooft of waarmede Hij bedreigt. In dien zin zegt de H. Schrift: (5. Mos. 7, 9): „weet, dat de Heer uw „God een sterke en getrouwe God is, die zijn verbond houdt „en zijne barmhartigheid betoont aan allen, die Hem lief-„hebben en zijne geboden onderhouden, maar ook allen, „die Hem haten evenzeer vergeldt en alzoo vernietigt, en „niet ophoudt voordat Hij hun gegeven heeft, wat zij ver-„dienen.quot; Een bewijs hiervan hebben wij in de geschiedenis van het Israëlietische volk. Zoolang het Gods gebod naleefde, was het gezegend en rijk aan tijdelijke goederen, gelukkig in den oorlog als in den vrede; zoodra het zondigde, kwamen allerlei rampen: pest, honger, bloedige nederlagen, onteerende gevangenschap, hun geluk vernietigen. — Uit het boven gezegde blijkt van zelf, dat God in zijne beloften eu bedreigingen getrouw is: anders toch zou Hij noch waarachtig in zijne beloften, noch onverandelijk in zijne raadsbesluiten zijn.

Men vindt menschen , die zich verbeelden, dat God zoo streng niet zal straffen, als men op den kansel verkondigt; zij denken, dat God met de eeuwige pijnen wel bedreigt, om ons van de zonde af te schrikken, doch ten laatste, gelijk de wereldsche vorsten soms doen, genade of kwijtschelding verleent, en het vonnis: „gaat weg van Mij, „vervloekten, in het eeuwige vuur,quot; niet voltrekken zal. Dergelijke gedachten bewijzen enkel, hoe de zondaar elk schaduwbeeld naloopt, om zich zeiven te bedriegen, en eenige geruststelling in zijn zondig leven te vinden. Hoe zou God (de eeuwige Waarheid) iets „zeggen, en niet doen, „spreken, en niet tot stand brengen ?\'\' (4 Mos. XXIII, 19). O! dat zij, die aldus denken, niet ondervinden, wat de

-ocr page 265-

249

imvoners van Sodoma ondervonden hebben, die ook meenden , dat Lot slechts uit scherts hun de straf Gods aankondigde — en reddeloos verloren gingen! Mochten zij toch begrijpen, dat het uitspansel des hemels eer zal instorten, dan\' dat een enkel woord van God onvervuld blijft! „Want hemel en aarde zullen vergaan,\'\' zegt Christus, „maar mijne woorden zullen niet -vergaan.quot; (Matth. XXIV, 35).

Waartoe verplichten ons de waarachtigheid en getrouwheid van God?

Zij verplichten ons:

1) ten allen tijde, ook te midden van de hevigste stormen des levens, aan Gods woord onwankelbaar te gelooven en op zijne belofte standvastig te vertrouwen. Al zou ook de uiterste nood u drukken , al zou het u voorkomen, dat er geene goddelijke Voorzienigheid, geen Vader in den hemel meer leeft,, die op het vurig smeeken en op de tranen zijner kinderen acht geeft; al zouden inwendige smarten en beproevingen u kwellen , zoodat een duistere nacht uwen geest omhult, en het u voorkomt, als waart gij reeds voor eeuwig verworpen; al zou de H. Kerk ook de grootste vervolgingen moeten ondergaan, zoodat het den schijn kreeg, alsof God onverschillig den overmoed der goddeloozen aanziet en te vergeefs beloofd heeft, dat alle machten der hel haar — de Kerk — niet overweldigen zullen: volhard in uw geloof en vertrouwen op den Heer, ofschoon gij niet inziet, waarom de Allerhoogste zóó en niet anders alles beschikt. Denk aan \'s Heeren woord: zalig zyn zij, die niet zien, en toch gelooven.\'\' (Joan. XX, 29). Stel u het voorbeeld van den vromen Aartsvader Abraham voor oogen. God had hem bevolen, zijn vaderland en het ouderlijk huis te verlaten , en naar het verafgelegen Chanaan te trekken; Hij had tot hem gesproken: „ zie op ten hemel en tel de sterren, als gij het vermoogt: zoo talrijk zal uwe „nakomelingschap zijn\'\' (1. Mos. XV, 5). Evenwel was Abraham reeds zijn negentigste jaar ingetreden, en Sara, zijne vrouw, onvruchtbaar gebleven. Wankelde Abraham daarom in zijn geloof ? „Neen,quot; zegt de Apostel, „hij twijfelde niet aan de belofte van Godquot; (Rom. IV, 19, 20). Ja zelfs toen hij Isajik, zijn eeniggeboren zoon, dien de Heer hem op zijn hoogen leeftijd gegeven had, op den berg Moria moest opofferen, vroeg hij niet, hoe dit met de beloften Gods overeen te brengen was, maar hij ging op weg, wel wetende, „dat God ook de doodeu „levend maaktquot; (Eom. IV, 17), en reeds greep hij het zwaard, om zijn zoon den doodslag te geven, toen eene

-ocr page 266-

250

stem uit den hemel hem gebood op te houden, en, ter belooning zijner gehoorzaamheid, de vroegere beloften vernieuwde en verzekerde, dat uit zijn geslacht de beloofde Messias zou voortkomen.

2) Verplichten ons ook de waarachtigheid en getrouwheid Gods altijd de waarheid te spreken en de gedane beloften ie houden. Dewijl God de eeuwige Waarheid is, moet alles, wat tegen de waarheid strijdt, Hem noodzakelijk mishagen ; daarom kan de leugen nooit geoorloofd zijn, al zou onze bedoeling nog zoo goed zijn, en al zou er ook een groot onheil, zelfs eene zonde door voorkomen worden; want men mag nooit eenig kwaad doen, opdat er goed uit voortkome, Ananias en Saphira logen tegen den H. Apostel Petrus, en werden terstond door God met den dood gestraft (Hand. V).

Itanheitl van f.od.

Is er meer dan één God?

„Ik ben God, en buiten mij is er geen God, en niemand „is aan mij gelijkquot; (Is. XLVI, 9). „De Heer onze God is „de eenige Godquot; (5. Mos. VI, 4). De leer van de eenheid Gods is in de H. Schrift zoo dikwijls en zoo duidelijk uitgedrukt, dat het overbodig schijnt, nog verder getuigenissen aan te halen. De rede zegt oqs hetzelfde. En inderdaad het zou even dwaas als goddeloos zijn, aan te nemen, dat er meer dan één God bestaat. Immers, als er meer dan één God was, zouden zij of wel gelijk of ongelijk moeten zijn. Waren zij gelijk, dan zou geen van hen het hoogste en volmaaktste wezen, derhalve geen van alle God zijn , wijl aan niemand het onderscheidend kenmerk der godheid, namelijk de voorrang boven alles, de macht om allen te gebieden, zou toekomen. Indien zij ongelijk waren, zou om dezelfde reden slechts diegene waarlijk God zijn, die onder allen de hoogste en volmaaktste was. Gelijk het onmogelijk is , dat twee koningen te gehjker tijd dezelfde plaats op denzelfden troon innemen, even onmogelijk is het ook, te denken, dat een ander met God den troon zijner onmetelijk-hoid zou kunnen deelen. Deze waarheid is zoo onloochenbaar, dat zelfs de heidenen, hoewel zij diep gezonken waren en

-ocr page 267-

vele goden aanbaden, haar niet geheel en al miskenden; want immer vereerden zij één onder de goden als den eersten en hoogsten van allen.

Niet minder ongerijmd en goddeloos dan de leer, dat er meer dar. één God is, is eene tweede bewering, dat alles, wat bestaat (hei nl} de ééne God is. En toch vindt men in onze verlichte eeuw velen, die deze ongerijmdheid aannemen. \') Volgens hun verkeerd begrip moet alles, wat bestaat in den hemel en op de aarde, een eenig wezen zijn, dat zij God noemen. De geheele wereld is bij hen niets anders dan God of eene ontplooiing van dien reusachtigen afgod. Degenen, die zoo spreken, noemen zich Pantheïsten, van liet Griel;-sche woord Pan (alles) en Theos (God), om zich van de Atheïsten, die in het geheel geen God aannemen, te onderscheiden; hunne leer echter is niets beter, ja nog slechter dan die der Atheïsten. Kan er wel iets dwazers gedacht worden, dan een God, gelijk de Pantheïsten dien voorstellen: een God, die alles is, derhalve ook duizenderlei veranderingen ondergaat? Een God, die denkt als een mensch,groeit als een boom, bloeit als eene bloem, vliet als water, kruipt als een worm, brnlt als een leeuw, bromt als een beer, blaft als een hond!... Een God, die kuisch is in de christelijke maagd, wellustig in dei) wellusteling, weldadig in den medelijdende en bloeddorstig in den tiran, kortom een God, die het toonbeeld is van alle deugden en ondeugden. En dit moet nu het schoonste en hoogste zijn, wat de mensclielijke geest ooit heeft uitgedacht! Op het woord van die wijzen afgaande, moet ik, in strijd met mijne innigste overtuiging, tegen de duidelijkste uitspraak van het gezond verstand in, gelooven, dat ik, zelfdenkend en zelfwillend wezen, een en dezelfde ben met God, met den Jood, den Turk, den straatroover, den hond----Dat heet ver-

ij Men vindt van tijd tot tijd onnatuurlijke moeders, in wier hart elke vonk van liefde verstikt schijnt, maar nimmer zal de moederliefde uit de wereld verbannen worden. Zoo zijn er ook (merkt Balmes aan in zijn werk: „he Protest, comp. avec le Cathol.quot; deel 1: X) godloochenaars, maar nooit zal het geloof aan God van de aarde verdwijnen. ;/Een stelsel, gelijk dat der Atheïsten of Pantheïsten, /.kan wel den trotschen geest van een of anderen geleerde ofdroomer /bemeesteren; het kan opgang maken bij de lichtzinnige jeugd, en /.wellicht in onstuimige tijden eenige heethoofden winnen; maar nooit /.zal het zoover komen, dat het ongestoord te midden eener maatschappij kan heerschen en een gewone toestand wordt.quot; — Ja, het geloof aan een persoonlijken God wortelt zoo diep in het menschelijk liart, dat het er nimmer uitgeroeid kan worden. Maar in een tijd als de onze, nu de pers dagelijks en onvermoeid er op uit is, alle grondzuilen der burgerlijke orde te ondermijnen; nu godloochenaars, die de heidenen uit hun land zouden verbannen, en de Turken niet de galg zouden gestraft hebben, den roem der vrijzinnigheid oogsten; nu het gift van Atheïsmus en Pantheïsmus op de schandelijkste wijze het volk wordt ingegeven (zie //Heimkehr vom Himmel zur Erde;quot; Ein Buch für freie Christen, von Schmidt); nu men met allen ernst er op uit is, het naaktste Pantheïsmus, zelfs onder den naam van het H. Evangelie en de christelijke leer, binnen te smokkelen en het woord van den duivel; //gij zult zijn gelijk goden,quot; als de hoogste wijsheid aanprijst (zie: ^Laien-Evangel. Jamben van Fr. von Sallet): in een zóó gevaarvollen tijd, zal het hier en daar niet ondoelmatig zijn, met \'inachtneming van de noodige voorzorg, op den gewijden leerstoel quot;het ongerijmde en verderflijke van zulke goddeloosheid aan te toonen.quot;

-ocr page 268-

252

licliting, wijsbegeerte! Waarlijk, hier of nergens geldt Jiet gezegde van den H. Augustinus: ,,0 groote dwaasheden der groote geleerden!quot;1) En die verderfelijkste aller leeringen wil men overal ingang duen vinden bij het volk! Is dat niet arbeiden aan de omverwerping van alle maatschappelijke orde? Hoe ian er nog een spoor van zedelijkheid overblijven, als de deugd slechts een ijdel woord is, en de zonde vergood wordt? Dit is echter het noodzakelijk gevolg van deze godde-looze leer, volgens welke de afschuwelijkste, de strafwaardigste misdaden niets zijn dan het werk van eenen God, eene natuurlijke ontwikkeling van den algod. Of ik mijn kleed aan de armen geef, of wel een dolk in de borst mijns vaders stoot, dat is hetzelfde; want als ik God ben, dan is noodzakelijk alles, wat ik doe, goddelijk; met andere woorden: wat de algod doet, kan slechts goddelijk zijn. Ieder die eenigszins nadenkt, moet ten laatste zeggen, dat er volgens deze leer geene vrijheid, geene deugd, geene misdaad, geene zedelijkheid, geene wet meer bestaan kan; dat geen gerecht, geene welgeordende menschelijke maatschappij meer mogelijk is. Want de rechter is God, de veroordeelde is God, de beul is God, het goede is God, het kwade is God. Keen, onmogelijk zou God de wereld strenger kunnen straffen, dan met de heerschappij der Pantheïsten.

Waarom zeggen wij in de geloofsbelijdenis der Apostelen: .jh geloof in Godquot; en niet enkel: „ik geloof God?quot;

Omdat wij niet alleen gelooven moeten, dat er een God bestaat, dat alles waar is, wat Hij gezegd heeft, maar tevens ons met liefde en vertrouwen op God moeten verlaten.

Om dit wel te begrijpen, dient men acht te geven op het onderscheid tusschen de spreekwijzen: God (den Heer) gelooven, eenen God gelooven, en in God gelooven. „God „geloovenquot; wil zeggen : gelooven, dat alles, wat God gezegd heeft, waar is; „eenen God geloovenquot; wil zeggen : gelooven, dat er een God is. „In God geloovenquot; sluit volgens den zin , welke de Kerk er aan hecht, ook nog eene richting van den wil op God in, en beteekent derhalve : God met een geloovig hart aannemen, zich aan Hem overgeven met liefde en vertrouwen Ons geloof alzoo is volmaakt, wanneer wij niet enkel ons verstand aan God, als de onfeilbare Waarheid, onderwerpen, maar tegelijk aangespoord worden, God als het hoogste goed te beminnen, en naar Hem, als ons laatste doel, te verlangen. Dit onderscheid laat de H. Augustinus dikwijls met nadruk uitkomen. Hij leert 2) , dat wij in de geloofsbelijdenis zeggen: „ik gelooi\'

1

!) ./Magna magnorum deliramenta doctorum.quot; Serm. 241. c. G. alias de temp. 143.

2

) Serm. de temp. 181. Bijna letterlijk in zijne verh. over Joan., en in zijne verklaring der Psalmen.

-ocr page 269-

253

,.in God,quot; en niet: „ik geloof eenen God\'\' of: „ik geloof ,.God,quot; ofschoon ook dit ter zaligheid gevorderd wordt. ,.Gelooven, dat alles waar is, wat God geopenbaard heeft, kunnen velen, zelfs de kwaden. Zij gelooven wel, dat „Gods woorden waar zijn, maar willen uit boosheid de „erkende waarheid niet aannemen. Gelooven, dat er een „God is, kunnen zelfs de duivelen. Maar in God gelooven. „vermogen slechts zij, die Hem beminnen, die niet enkel „in naam Christenen zijn, maar ook door hunne werken „en hunnen wandel zich Christenen belijden; want zonder „deze liefde is het geloof een ijdel, onvruchtbaar geloof.quot; Op eene andere plaats zegt dezelfde fl. Kerkleeraar: „wie „gelooft zonder vertrouwen en liefde, gelooft wel het bestaan „van Christus, doch gelooft niet in Christus.quot; TJit deze verklaring blijkt, waarom wij in de geloofsbelijdenis der Apostelen wel zeggen ; „ik geloof in God den Vader.... „den Zoon .... den heiligen Geest,quot; en niet: „ik geloof\' „in eene heilige, katholieke Kerk, in de gemeenschap der „Heiligen,quot; maar: „ik geloof de heiligequot; enz,; aan God alleen toch geven wij ons over, als het hoogste en beste goed en ons laatste doel en einde.

TOEPASSING.

Iets groots moet voorwaar het menschelijk hart zijn ! Al geeft iemand ons goud en edelsteenen, al overlaadt hij ons met allerlei uiterlijke teekeneu van vriendschap en liefde, zoo wij weten, dat zijn hart er niet bij is, dan zijn wij onbevredigd, en hechten geene waarde aan zijne geschenken. Daarom geven de menschen zich zooveel moeite, om een enkel hart te winnen ; daarom ontplooit de ij dele wereld al hare pracht, daarom verlokt de booze vijand door leugenachtige beloften; het hart van den mensch willen zij veroveren en tot eiken prijs bezitten. De rechte waarde van dat hart leeren wij echter eerst dan kennen, als wij zien en overdenken, dat God zelf, de oneindig verheven, rijke en gelukkige God, er zijn behagen in vindt en het zoekt ? En dat doet Hij inderdaad bij dag en bij nacht; zoo dikwijls de pols klopt, roept Hij, als een hartelijk liefhebbend vader, een ieder onzer toe: „mijn kind, geef „mij uw hart\'quot; (Sp. XXXIII, 26). Zult gij weigeren, het Hem te schenken ? Heeft Hij er geen recht op ? Moet de Almachtige het hart niet bezitten, hetwelk Hij gemaakt heeft, en Hem, als de Heer van alle dingen, geheel toebehoort\'/ Verdient Hij niet, dat gij het Hem toewijdt

-ocr page 270-

254

dat gij Hem bemint? Uw hart is geschapen om te beminnen, gelijk de zon om licht te geven, gelijk de adelaar om te vliegen; het is geschapen, om door liefde in het bezit van het goede en schoone te komen. Wie nu is volmaakter dan God, die alle oneindige volmaaktheden in zich bevat? Wie is schooner dan God, de bron van al wat schoon is en beminnenswaardig? Uw hart bemint macht, wijsheid, goedheid, heiligheid, schoonheid; en zoiidt gij God niet bovenal beminnen, God den Almachtige, Alwijze, Algoede, God den oneindig Heilige, God het hoogste en oneindige goed, vol eeuwige, onveranderlijke schoonheid? Al beminde God u niet, toch zoudt gij Hem moeten liefhebben, wijl Hij het hoogste, volmaaktste goed is; hoeveel te dringender wordt alzoo uw plicht, Hem uwe liefde te schenken, daar Hij u met eene eeuwige, oneindige, met de hoogste en onbaatzuchtigste liefde bemint en bemind heeft, alvorens gij in staat waart, Hem lief te hebben ? En waarom begeert Hij uw hart ? Is het niet om u gelukkig, eeuwig gelukkig te maken, om uw hart rust aau het zijne te schenken ? ....

Wij geven echter ons hart niet aan God, wanneer wi;: enkel met woorden zeggen; ,-mijn Heer en mijn God, zie „ik schenk U mijn hart!\'\' Neen, wij moeten God inderdaad beminnen; wij moeten doen, wat Hij wil, daarentegen vermijden, wat Hij verbiedt, en wij mogen niet beminnen wat met de liefde Gods niet gepaard kan gaan: de zonde. Wij moeten God dienen, zijne heilige geboden onderhouden, met een zuiver, vroom en deugdzaam hart voor zijne alziende oogen wandelen. Gelukkig het kind, dat reeds vroegtijdig naar de stem van zijnen Vader in den hemel luistert en Gods wegen blijft bewandelen ! — Er zijn helaas ! lichtzinnige menschen, die niet zoo denken , die zeggen, dat de tijd der jeugd een tijd van vermaken is, dat men op rijperen leeftijd nog genoeg kan bidden en boete doen. God beware u voor de verkeerdheid en blindheid van dergelijke verleiders ! Hoe, zoudt gij liever op den rampzaligen Caïn , dan op den onschuldigen Abel willen gelijken? Zoudt gij, niet als deze, het beste, de eerstelingen van uw leven, een rein hart, maar gelijk gene, harde, late vruchten den Heer willen opofferen! Gij wilt in uwe jeugdige jaren God niet dienen : zult gij het op meer gevorderden leeftijd willen, als uwe booze neigingen met iederen dag machtiger en ten laatste bijkans onbuigbaar geworden zijn ? Of denkt gij, dat het zoo gemakkelijk is, kwade gewoonten ai te leggen ? Getuigt de H. Schrift niet dat de grijsaard niet zal afwijken van den weg, welken hij in zijne jeugd

-ocr page 271-

bewandeld heeft (Spreuk. XXII, 6)? En wie heeft u een lang leven toegezegd? Kunt gij niet even goed in uwe jeugd sterven? Ga eens naar het kerkhof en bezie daar de graven; vindt gij er geen, waarin een van uwe jaren ligt? Hoe droevig zou het zijn, uit deze wereld te scheiden, zonder God gediend te hebben ; hoe verschrikkelijk , in staat van doodzonde door den dood overvallen en voor eeuwig van het bezit van God beroofd te worden ? — Eindelijk, jeugdige lezer, is het dan zoo hard en moeielijk, God te dienen, vroom en deugdzaam te zijn ? O neen! zoet is het juk des Heeren en licht is zijn last, vooral wanneer men zich van jongs af daaraan gewoon maakt. Eene ontelbare menigte jongelingen en maagden hebben dit ondervonden. Denk aan den H. Aloysius, Casimir en Stanislaus, aan de Z. Ludwina, de H. ïeresia en zooveel anderen. Hoe gelukkig waren zij reeds in hunne kindsche jaren, en hoeveel vreugde verschaften zij niet aan hunne ouders, leermeestersquot;\' en overheden? Zij vonden hunne vreugde in God, en God schepte er vermaak in, hunne teedere harten, welke Hem toebehoorden, met een onbeschrijfelijk zoeten hemeltroost te vervullen. Hoe tevreden scheidden zij niet uit dit leven ! Nooit had men den H. Aloysius eene aangenamere tijding gebracht, dan toen men hem zeide, dat zijn stervensuur naderde. „Met blijdschap, met blijdschap gaan wijriep hij vroolijk uit. — Schenk derhalve aan God den Heer uw hart; Hij geeft het u gewis duizendmaal schooner en gelukkiger terug, daar boven in het hemelsch vaderland, waar Hij voor u een geluk bereid heeft, zóó groot, dat geen oog het ooit gezien , geen oor iets dergelijks gehoord en geen hart van den mensch ooit iets van dien aard ondervonden heeft.

§ Over ile drie goddelijke Personen.

„Ik geloof in God den Vader.\'quot;

He goddelijke lgt;rieëeiilield in baar wexen

Waarom zeggen, wij: Ik geloof in God den Vader?

1) Omdat God onze onzichtbare Vader in den hemel is. Want a) als Schepper of maker der natuur is God de Vader

-ocr page 272-

256

van alle menschen, gelijk geschreven staat: „Hebt gij dan „niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen\'\' (Malach. II, 10)? en wederom: „Is Hi] niet uw Vader, „die u gemaakt en geschapen heeftquot; (5. Mos. XXXII, 6)? h) Als Gever der genade is God nog, bizonder de Vader aller Christenen, daar Hij hen, om de verdiensten van Jesus Christus, met oneindige liefde als aijne kinderen aangenomen en erfgenamen van zijn hemelsch rijk gemaakt heeft. Derhalve schrijft de H. Joannes: „Ziet, welke liefde ons de „Vader bewezen heeft, dat wij kinderen Gods heeten en „zijnquot; (1. Joan. Ill, 1). „Zijn wij kinderen, voegt de „H. Paulus er bij (Kom. VII, 17), wij zijn ook erfgenamen „van God en medeërfgenamen van Christus.quot;

2) In de geloofsbelijdenis der Apostelen wordt God echter vooral „Vaderquot; genoemd, omdat er in God meer personen zijn, van wie de eerste met de betrekking tot den tweeden, namelijk tot den eeuwigen, eengeborenen Zoon, Vader heet. Dit is de hoofdreden, waarom wij zeggen: „ik „geloof in God den Vader\'\' Daardoor onderscheiden wij God den Vader, die ons geschapen, van God den Zoon, die ons verlost, en van God den heiligen Geest, die ons geheiligd heeft.

Hoeveel personen zijn er dan in God?

Er zijn drie personen in God: de Vader, de Zoon en de H. Geest. — „Drie zijn er, die getuigenis geven in den „hemel: de Vader, het Woord (de Zoon) en de H. Geest, „en deze drie zijn éénquot; (1. Joan. V, 7). Er zijn drie personen in God, de Vader namelijk, die door niemand is voortgebracht, de Zoon, die van eeuwigheid door den Vader is voortgebracht, en de heilige Geest, die eveneens van eeuwigheid van den Vader en den Zoon uitgaat, -f- Dit geheim, hetwelk ons leert, dat God één is in wezen en drievoudig in personen, noemen wij, zooals de Katechismus zegt, het geheim der allerheiligste Drievuldigheid si Drieëenheid. Het woord „Drieëenheidquot; duidt hoofdzakelijk het één zijn van wezen der drie goddelijke personen aan, terwijl „Drievuldigheidquot; meer het verscheiden zijn der personen aanwijst./

1) Deze leer van de H. Drievuldigheid vinden wij reeds in de boeken van het Oude Verbond aangegeven,/zoo bijv. waar God in het meervoud spreekt: „Laten wij dén mensch „maken naar ons beeld en gelijkenisquot; (1. Mos. I, 26) of: „zie, Adam is geworden gelijk een van Onsquot;; bepaalder in Ps. CIX: „De Heer (God) zeide tot mijnen Heer (den Messias): neem plaats aan mijne rechterhand/\' op welke

-ocr page 273-

257

woorden Jesus zelf de Joden opmerkzaam maakte. Bovendien is het zeer waarschijnlijk, dat de joodsche synagoge eene heilige overleverings-leer bezat, waardoor vele duistere plaatsen van den Bijbel werden opgehelderd. Van die overlevering hebben de Joden nog veel in het boek Zohar, waar onder anderen ook over 5. Mos. VI, 4 de volgende verklaring wordt gegeven: „Twee zijn er, waarmee zich nog „een vereenigt; en drie zijn er, en die drie zijn maar één.quot; \' Dit alles was echter slechts een flauwe schemer, die eerst met Jesus Christus in een helder licht zou overgaan. Het schijnt, dat God den Joden eenige kennis van dit allerheiligst geheim wilde geven, opdat zij niet zouden kunnen voorgeven, dat de leer van Jesus quot;in strijd was met deleer van Mozes. Nochtans wilde flij dit geheim niet\' geheel onthullen, om hun, bij hunne natuurlijke ruwheid en neiging tot veelgoderij, geene aanleiding te geven tot de vereering van drie goden.

Eerst door Jesus Christus is dit allerheiligst geheim voorde menschen ontsluierd. Zoodra de goddelijke Heiland zijn openbaar leeraarsambt aanvaardde, werd het plechtig geopenbaard. Bij den doop toch van Christus opende zich de hemel boven Hem en de Geest Gods daalde in de gedaante van eene duif over Hem neer. En zie! eene stem riep van den hemel af; „Deze is mijn welbeminde Zoon, in wien „Ik mijn welbehagen heb; hoort Hemquot; (JIatth. III, 16 en Luc. III, 21, 22). Hier hooren wij den Vader, die uit den hemel spreekt, hier zien wij den Zoon, die de menschelijke natuur heeft aangenomen, en den heiligen Geest in de gedaante eener duif. Met deze openbaring begon de Heiland, doch daarbij bleef Hij niet staan. Gedurende de drie jaren van zijn leeraarsambt sprak Hij ontelbare malen nu eens van God, zijnen Vader, dan weder vanlfich zeiven, denZoon, als één met den Vader, of wel van den heiligen Geest, don Geest der waarheid, dien de Vader en Hij in de wereld zouden zenden. Bizonder merkwaardig zijn de woorden van den Heiland bij Joan; XlV, 16, 17; „Ik zal den Vader „bidden, en Hij zal u eenen anderen Vertrooster geven... „den Geest der waarheid;quot; en vs. 26: „de Vertrooster, de „heilige Geest, dien de Vader in mijnen naam zenden zal, „deze zal alles u leeren.quot; Hier is allerduidelijkst van drie onderscheiden personen spraak. Want ontegensprekelijk is. de quot;Vader, die gebeden wordt, iemand anders dan de Zoon, die bidt, en de heilige Geest, die gezonden zal worden, wederom een ander dan de biddende Zoon en de zendende Vader. Alvorens deze wereld te verlaten, besloot Christus zijn goddelijk\'lèefaarsambt met de zoo bepaalde en plechtige

OEHAKBE, GELOOl\'SLEER. I. Sde DRUC J7

-ocr page 274-

258

woorden: „Gaat en leert alle volkeren en doopt hen in den „naam (niet in de namen) des Vaders en des Zoons en des „heiligen Geestes\'\' (Matth. XXVIII, 19).

2) Deze goddelijke leer hebben ook de heilige Apostelen, volgens het bevel van Christus, over heel de wereld gepredikt, gelijk wij kunnen zien uit de brieven, welke zij aan de christelijke gemeenten schreven, waarin zij in den naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes den geloovigen hunnen apostolischen groet aanbieden, van ieder der drie personen als van God spreken, en hun de goddelijke volmaaktheden toeschrijven.

3) Deze goddelijke leer hebben de Kerkvaders van de heilige Apostelen ontvangen en eenparig zoowel schriftelijk als mondeling overgeleverd. Wij vinden ze reeds in de geschriften van de eerste opvolgers der HH. Apostelen, bij den

H. Paus Clemens, den H. Bisschop Ignatius, den H. Martelaar Justinus , enz. Wij ontmoeten diezelfde leer in de Kerkvergaderingen der eerste eeuwen, welke eenparig spreken : „zoo gelooven, belijden en leeren wij , wijl onze voorgangers, „de opvolgers der HH. Apostelen, zoo geloofd, beleden „en geleerd hebben.quot; De H. Kerkleeraar Augustinus (Boek

I. over de H. Drievuldigheid, hoofdst. IV) beweert, dal; hij geen katholiek schrijver gevonden heeft, die handelende over de H. Drieëenheid, niet hetzelfde (wat de katholieke Kerk heden nog voorstelt) geleerd en door de H. Schrift bewezen heeft. En reeds de H. Bisschop en Bloedgetuige Ireneus (adv. haeres. I, 10), die slechts eenige jaren later dan de Apostelen leefde, schrijft: „De H. Kerk, die over „den geheelen aardbol, tot aan het einde der wereld is „verbreid, heeft zoowel van de Apostelen als van hunne „leerlingen hetzelfde geloof ontvangen, namelijk in één „God, den almachtigen Vader, en in Jesus Christus, den „Zoon Gods, en in den H. Geest.quot; Wij zouden ons bestek ver te buiten gaan, wilden wij van de menigte teksten en geschriften der HH. Vaders over dit geheim slechts de voornaamste en duidelijkste aanhalen \').

4) Deze goddelijke leer hebben de heilige \'Martelaren, ofschoon de pijnlijkste dood hen te wachten stond, standvastig beleden en met hun bloed bezegeld. Wij bezitten nog de echte oorkonden van verscheiden Martelaars, bijv. van den H. Polycarpus , Epipodius, Vincentius, Euplus, Cirycus, Faustus en Januarius, van de H. Afra enz., die

i) Zie Perrone: de Trinit. cap. II. Prop. 3, en Liebermann: torn. III. « IV. bladz. 145—154.

-ocr page 275-

259

den laatsten adem uitbliezen, terwijl zij den drieëenigen God, Vader, Zoon en heiligen Geest, met luider stemme loofden , of die nog vóór hunnen dood beleden, dat zij geen anderen God wilden aanbidden, dan den Vader, den Zoon en den H. Geest, den Schepper en Bestuurder der geheele wereld

5) Deze goddelijke leer heeft de katholieke Kerk a) met het zwaard des geloofs steeds roemrijk verdedigd en (God zij eeuwig geloofd !) zuiver en onvervalscht bewaard. Reeds in de eerste eeuwen veroordeelde zij de leer der Sabellianen en Paulianen, die het onderscheid der Goddelijke personen niet erkenden; vervolgens die der Arianen, die de godheid des Zoons, en die der Macedonianen, die de godheid des 11. Geestes loochenden ; later bestreed zij de leer der Tri-theïsten , zoo genoemd , omdat zij de godheid in drie wezens of drie goden deelden; in de laatste eeuwen eindelijk die der Socinianen en Arminianen , die den weg baanden tot de moderne vergoding der rede, en ook heden kampt zij onvermoeid en onverwinbaar tegen al de machten der duisternis, die er op uit zijn, het geloof aan dit allerheiligst geheim te verdelgen.

b) Steeds heeft de katholieke Kerk zich ook beijverd, de leer van dit heilig geheim overal te verkondigen en diep in aller harten te prenten, gelijk uit hare liturgieën

\') Zelfs kleine kinderen waren door Gods genade sterk genoeg, het geloof aan de H. Drieëenheid met hnn bloed te bezegelen. Ten bewijze strekke liet volgende voorbeeld. Tijdens de vervolging der Christenen door Diocletianus en Maximianus onderscheidden zich in Castilië, eene stad in Spanje, drie knapen door hunne vrijmoedige geloofsbelijdenis en onwankelbare standvastigheid. Het waren Claudius, Lnpertius en Victorinus, drie broeders, zonen van den edelen hoofdman ilarcelhis. Toen de prefect der stad, Diogenus, hiervan kennis kreeg, liet hij hen bij zich komen en sprak: //Wat moet ik van u „hooren? Terwijl duizenden van onze landslieden gewillig aan de heuvelen des keizers gehoor geven, vermeet gij u, die te trotseei-en.quot; De jeugdige belijders antwoordden: „Gij ziet duizenden, die de bevelen des keizers nakomen, maar het bijna wonderbaar groot getal van diegenen, op wie gij niets vermoogt, ziet gij niet. Zeg eens, wat /moeten we doen, wat verlangt gij van ons, of wat hebt gij voor met ,ons?quot; — //Ik verlang niets van u,quot; antwoordde de prefect, „dan dat vgij verklaart, met wien gij het houdt, op wiens macht gij vertrouwen .stelt, wijl gij het waagt, zoo driest met het bevel des keizers den .-pot te drijven?quot; — «Wij stellen al ons vertrouwen in den Vaderen den Zoon en den heiligen Geest, en met dit vertrouwen zullen wij in het strijdperk de keizers en u, hunnen afgevaardigde, ovenvinnen. /Handel met ons naar believen.quot; Woedend over dit koene antwoord, veroordeelde de prefect hen ter dood. De jeugdige geloofshelden bestegen verheugd het schavot en bogen, den drieëenigen God lofzingende, hunne hoofden onder de bijl van den ontroerden beul. De katholieke Kerk viert het aandenken aan hunne zegepraal op den SOten Oktober.

17*

-ocr page 276-

260

blijkt. In den naam der allerhoogste Drievuldigheid begint en besluit zij al hare godsdienstige handelingen. (Het kruisteeken: „in den naam des Vaders,quot; enz., het slot der gebeden: „door Jesus Christus uwen Zoon, die met Ü „leeft en regeert in de eenheid des H. G-eestes door alle „eeuwenquot;). In dien naam deelt zij hare zegeningen uit, schenkt zij ia den Doop het leven der genade, vergeeft zij de zonden. En welk gezang weerklinkt veelvuldiger in hare gewijde tempels dan de lofspraak: „eere zij den „Vader en den Zoon en den heiligen Geest ?quot; \')

\') God van zijnen kant bekrachtigde liet geloof in de heilige Drievuldigheid niet zelden door opvallende wonderen. Het zij voldoende, een enkel uit Stolberg\'s kerkelijke geschiedenis aan te halen, hetwelk de H. Bisschop Gregorius van ïours verhaalt en ook door Baronius (deel VI) is opgenomen.

Ten tijde dat de Ariaansche koning Thrasimund, een opvolger van den wreeden Hunnerich, de goloovigen om hun geloof vervolgde, leefde te Carthago de H. Bisschop Eugenius, die algemeen in aanzien was om de vele wonderen, welke hij werkte. Dit wekte den nijd op van den Ariaanschen Patriarch Cyrilla. Om ook als een Heilige geroemd te worden, besloot hij, tenminste voor de oogen van het mindere volk, den wonderdoener te spelen. Voor 50 goudstukken werd een aldaar onbekende man omgekocht, om zich eenigen tijd blind te houden en dan, als Cyrilla over een aangewezen plein zou gaan, hem te roepee en in den naam Gods te bidden, dat hij hem de oogen weder zou openen. Toen nu, volgens afspraak, Cyrilla ten bepaalden tijde, vergezeld door eenige Ariaansche geestelijken over een der meest bezochte pleinen van Carthago wandelde, riep de omgekochte Ariaan met eene Jslagende stem: //heilige Cyrilla! erbarm u mijner, laat mij de kracht „uwer hemelsche artsenij gevoelen, en bevrijd mij van de duisternis, //welke mij omgeeft.quot; In één oogenblik was er eene menigte volks bijeen. Cyrilla stond stil en beval, dat men den man bij hem zou brengen. Hij zeide dan tot dezen; //ten bewijze, dat wij het ware ge-//loof hebben, zal u geschieden, wat gij verlangt; ik beveel u, open ,/Uwen oogen en wees ziende.quot; Doch zie! de man, die zich blind gehouden had, zag niet meer; hij was inderdaad plotseling blind geworden. Met schrik en vertwijfeling gevoelde hij zijn ongelukkigen toestand. Sven luide als hij, eenige oogenblikken te voren, geroepen had, schold hij nu op den valschen profeet, noemde hem een bedrieger en bekende openlijk voor al het volk, dat. hij voor 50 goudstukken was omgekocht, om die rol te spelen, Cyrilla en zijne priesters haastten zich, zoo gauw mogelijk uit de oogen te komen van de volksmenigte, die steeds toenam; maar de arme blinde hield niet op, luide te weenen en te weeklagen. Nog was er eene talrijke schaar om oen ongelukkige verzameld, toen — niet zonder beschikking van God — de H. Kugenius met de Bisschoppen Vindemialis en Longinus langs denzelfden weg kwam. Eenige Katholieken, die ter plaatse aanwezig waren, zeiden dit aan den blinde, hem aanmanende, zich tot den vromen Bisschop te wenden, wellicht dat deze hem het gezicht zou wedergeven. De arme man was tot alles bereid; hij verzocht, dat men hem bij de Bisschoppen zou brengen. Toen hij nu hunnen bijstand inriep, zeiden zij: «als gij aan Jesus Christus gelooft, gelijk het behoort,dan //zijn alle dingen mogelijk.quot; Het luider stemme riep nu de blir.de; „Wie niet gelooft, dat de Zoon Gods Jesus Christus en de heilige Geest „één God en één van wezen met den Vader zijn, verdient te lijden, „wat ik thans lijd.quot;

-ocr page 277-

261

Is ieder van deze drie personen God ?

Ja, de quot;Vader is waarlijk God, de Zoon is waarlijk God, en de Urn-reest is waarlijk God, zoodat iedere persoon in HcF de eéne goddelijke natuur van Tietquot;ééne goddelijke wezem met alle goddelijke volmaaktheden bezit, en Hem derhalve de naam van God in den strengst en zin toekomt\').

^Vandaar de uitspraak van het Concilie van Toledo (675), dat „iedere persoon\'in den vollen zin God (plenus Deus) „ie. .V?. dat de godheid ■dn iederen persoon afzonderlijk, „ongekrenkt, en in allen tezamen niet het minst vermeerderd iif; visurrt als wij alle drie personen „eénen Godquot; „noemen, zeggen wij daardoor niets meer, dan wanneer wij „één persoon in het bizonder „Godquot; noemen.quot;/Dit is ook de leer van de vierde aJgemeene Kerkvergadering van Laterane: „wij gelooven en belijden, dat er een opperst, „onbegrijpelijk en onuitsprekelijk wezen bestaat, datquot;in „alle waarheid Vader, Zoon en heilige Geest, alle drie „personen tezamen en ieder in het bizonder God is.quot; Het is bijgevolg duidelijk, dat twee of drie personen niet meer of grooter dan één zijn, daar ieder alles heeft, wat tot bet oneindig volmaakte goddelijke wezen behoort.

Is er nochtans maar één God?

Ja.,\' dq^drie personen zijn maar één God, wijl zij alle drie maar ééne en dezelfde ondeelbare natuur hebben. /\' De leer van de heilige katholieke Kerk, door onderscheiden plaatsen der H. Schrift ontegensprekelijk bewezen, luidt als volgt: „de Vader is God, de Zoon is God, en „de H. Geest is God; nochtans zijn er geen drie goden, „maar er is slechts één God\'\' (Zie de geloofsbelijdenis van den H. Athanasius, welke steeds een groot gezag in de Kerk gehad heeft). Van deze goddelijke waarheid moet

De beide Bisschoppen, Vindemialis en Longinus legden vervolgens den blinde de handen op, en Eugenius, de gesloten oogen met het teeken der verlossing teekenende, sprak; «in den naam des Vaders en /des Zoons en des heiligen Geestes, waarlijk God, van wien wij he-/lijden, dat Hij drievoudig in personen is en dat deze hetzelfde goddelijk /wezen en dezelfde macht hebben, zullen uwe oogen thans geopend yworden.quot; Nauwelijks had Eugenius het laatste woord uitgesproken, of de blinde zag weêr even goed als ooit.

\') De godheid des Vaders wordt door niemand, die het bestaan van God aanneemt, bestreden; die van den Zoon zal in het Sde en die van den heiligen Geest in het Sate geloofsartikel iiitvoeriger bewezen worden.

-ocr page 278-

ook gij, lezer, vaster overtuigd zijn, dan wanneer gij in staat waart, ze met eigen oogen te zien en raat eigen handen te betasten. Indien iemand uw geloof aan het wankelen wil brengen door u de vraag te stellen: „als de Vader „een God, en de Zoon een God en de heilige Geest een „God is, volgt daar dan niet uit, dat er noodzakelijk drie „Goden zijn\'.\'quot; antwoord hem:) „de katholieke Kerk leert „niet, dat de Vader een God, \'en de Zoon een Godquot;, en cü „heilige Geest een God is; want die uitdrukking zoude „beteekenen, dat de Zoon een ander wezen heeft dan de „Vader, en de heilige Geest weder een ander dan de Vader „en de Zoon. Zij leert integendeel, dat de Vader God en „de Zoon God en\' ïïeTieiTigë Geest^Gïïd is, wijl alle drie „de goddelijke natuur of hetzelfde goddelijke wezen hebben. jjDaar er echter niet drie goddelijke wezens zijn, maar „slechts één, zoo zijn er ook niet drie Goden, maar is er „slechts één God.quot;

1 /quot; Bijaldien iedere persoon een eigen en van de andere personen verschillend wezen had, gelijk zulks bij ons menscheu het geval is, dan zouden er drie Goden zijn; doch dit is zoo niet.)_Er is maar „één goddelijk wezen, ééne goddelijke „natuur, ééne godheid, één God.quot;£ Deze ééne goddelijke natuur is evenwel niet onder de drie personen verdeeld, maar in iederen goddelijken persoon geheel en ongedeeld; want het goddelijke wezen is (volstrekt niet deelbaar, maarj ondeelbaar \').

/-

! Derhalve verklaarden de Vaders van liet vierde algemeene Concilie van Laterane, //dat de Vader door de eeuwige voortbrenging van der. «Zoon Hem niet een deel van zijn wezen gegeven en een ander deel //voor zich zelven behouden heeft; want het wezen des Vaders is geheel //ondeelbaar. Ook kan men niet zeggen, dat de Vader doorliet voort-//brengen van den Zoon zijn wezen op eene zoodanige wijze overgegeveu „heeft, dat Hij het niet tevens voor zich heeft behouden; want anders //zou de Vader opgehouden hebben wezen te zijn. Het blijkt diens-//voJgens, dat de Zoon door de (eeuwige) geboorte het wezen des „Vaders zonder eenige vermindering ontvangen heeft, dat derhalve de //Vader en de Zoon hetzelfde wezen hebben, en aldus zijn de Vader

\') l)e hoofdzaak bij de leer van de allerheiligste Drievuldigheid is ontegenzeggelijk deze, dat men de personen onderscheidt,zonder evenwel het wezen in het minste te scheiden of te deelen. De katecheet gaat wel het zekerste, als hij zich streng houdt aan de uitdrukkingen, welke de Kerk gewoon is te gebruiken. Pius VI (Constit. auctorem lidei) laakt de jansenistische synode van Pistoje, omdat zij in plaats van de gewone uitdrukking: //één God in drie onderscheidene personen,quot; //te gebruiken, zich veroorloofde te zeggen; één God in drie personen //onderscheiden.quot; Zoo mag men, gelijk de Kerkvergadering van Toledo opmerkt, evenmin zeggen: //de Drievuldigheid in éénen God,quot; maar men moet zeggen: //de Drievuldigheid één God.quot;

-ocr page 279-

263

;/en de Zoon eu de van beiden uitgaande heilige G-eest slechts ééne ea „dezelfde zelfstandigheid.quot; Iets dergelijks zien wij bij het licht ■ liet licht brengt licht voort of deelt het mede, zonder dat het daardoor in het minste verzwakt of verminderd wordt. Zóó, maar op or.eindig volmaakter wijze is de eeniggeboren Zoon des Vaders, volgens de uitdrukking der geloofsbelijdenis van Nicea- //God van God, licht van //licht, ware God van waren God.quot; — Met het volste recht alzoo zeggen wij, dat de allerheiligste Drieëenheid één God of één goddelijk wezen, maar niet, dat zij één persoon is \'); want het ééne en eenige. ondeelbare en onverdeelde goddelijke wezen bestaat in drie personen. Dit ééne en ondeelbare wezen is de Vader, dit ééne en ondeelbare wezen is de Zoon, en dit ééne en ondeelbare wezen is de heilige Geest2).

Is de eene persoon ouder of machtiger dan de andere?

iSTeen, alle drie de personen zijn van eeuwigheid, alle drie zijn even machtig, goed en volmaakt, wijl zij alle drie maar één God zijn.

Daar alle drie personen maar één God zijn, en de godheid , gelijk wij zeiden, onverdeeld en ondeelbaar is, is ieder van de drie goddelijke personen waarlijk God; ieder\'\' hét hoogste, volmaaktste wezen, dat alle goddelijke volmaaktheden in zich vereenigt. Onmogelijk kan d»i4al\\« de eene persoon volmaakter zijn dan de andere. Iedere persoon is eeuwig, onveranderlijk, alomtegenwoordig, alwetend, alwijs, almachtig, oneindig heilig en rechtvaardig, oneindig goed en barmhartig, oneindig waarachtig en getrouw, met één woord oneindig volmaakt, wijl alle drie maar één eu dezelfde God zijn.

Is er dan volstrekt geen onderscheid tusschen den Vader, den Zoon en den heiligen Geest ?

Zij zijn onderscheiden wat betreft ■ den persoon , - maftè-.....in-

wezen zijn -aij-éen.

„De Vader is een andere persoon, en de Zoon een andere „persoon, en de heilige Geest weder een andere persoonquot; (geloofsbelijdenis van den H. Athanasius), zoodat de tweede persoon onze menschelijke natuur kon aannemen, zonder dat de eerste en derde die aannamen, en iedere persoou afzonderlijk door ons aangeroepen, en de Vader door den Zoon om de genade des heiligen Geestes gebeden kan wor-

\') S. Bonaventura in I. sent. dist. 3 quaest. 4.

\'-) Et ideo in Deo solummodo trinitas est, non quaternitas: quia quaelibet trium personanun est ilia res, videlicet substantia, essentia seu natura divina (Concil. Later. IV).

-ocr page 280-

264

■* ■■\'

den. Het zou dus ketterij wezen, de drie goddelijke personen (voor één persoon te houden en te beweren , dat zij) eigenlijk slechts drie verschillende benamingen van eene en dezelfcTe goclbeid zijn; zoodat in werkelijkheid slechts Inzooverre een onderscheid zou wezen , dat God zich nu eens als Schepper, dan als Verlosser, of wel als Heiligmaker openbaart. ! Eveneens zou het ketterij zijn; de Godheid of het goddelijk wezen te deelen of te onderscheiden. Want hoewel er drie van elkander onderscheiden personen zijn, er is toch maar éene macht, ééne wijsheid, ééneliefde één leven, maar één God. Opmerkelijk zijn de woorden van den H. Kerkvader Methodius \'), die in de derde eeuw leefde: „één is het rijk des Vaders, en des Zoons en des „heiligen Geestes, gelijk er ook maar één wezen en één „ Heer is, weshalve wij ook in ééne aanbidding de ééne , „driepersoonlijke, eeuwige, ongeschapene onbegrensde en „onveranderlijke godheid vereeren.quot;

Hoewel de Vader een andere persoon is dan de Zoon. en de heilige Geest weder een andere dan de Vader en de Zoon, kan men toch geenszins zeggen, dat de eene persoon een ander of iets anders dan de van Hem onderscheiden persoon is 2). En ofschoon de personen van elkander onderscheiden zijn, mogen wij Hen toch volstrekt niet als gescheiden of scheidbaar ons voorstellen. „De goddelijke Wijsheid ./(de goddelijke Zoom is de afstraling van het eeuwig Lichtquot; (Wijsh. VI,-26). «Gelijk wij zien, dat de afstraling onafscheidbaar is van het licht, zoo //belijden wij ook, dat de Zoon van den Vader niet gescheiden kar. //worden.quot; Aldus de Kerkvergadering van Toledo, gehouden in het jaar 675, in haar Symbolum.

Waardoor zijn de drie goddelijke personen onderscheiden?

Daardoor, dat de Vader niet voortgebracht of voortgekomen, de Zoon van den Vader voortgebracht (geboren) is, en de heilige Geest van den Vader en den Zoon uitgaat. / In de goddelijke natuur of in het goddelijk wezen is volstrekt geen onderscheid te vinden, wijl het, zooals de Kerkvergadering van Laterane uitdrukkelijk leert, noch voortbrengt noch voortgebracht wordt, en evenmin voortkomt. Doch anders is dit met de persoonlijkheid. De Vader brengt voort, de Zoon wordt voortgebracht, en de heilige Geest gaat van den Vader en den Zoon uit. Wie zou nu aarzelen een waar onderscheid tusschen den voortbrenger en den voortgebrachte, tusschen den persoon, die uitgaat, en de personen, van wie hij uitgaat, aan te nemen ?

\') In Ram. palm. n. 5. -) Concil. Later. IV.

-ocr page 281-

265

In - deze vyederzijdsclie betrekking ligt liet eenig onderscheid. \') De ZdonTf alles wat dë Vader is; enkel daardoor is Hij van Hem onder scheiden, dat Hij niet. gelijk de eerste persoon, Vader is; en de heilige Geest is alles, wat de Vader en de Zoon is, doch Hij onderscïïöiat zich van Hen, door dat Hij niet, gelijk zij. Vader of Zoon is. /\'Want de heilige Geest gaat wel van den Vader en den Zoon uit, maar wordt niet, gelijk de tweede Persoon, voortgebracht, maar uitgeademd (spiratur). Derhalve komt Hem niet de naam van „Zoonquot; toe. De drie personen hebben dus met elkander gemeen het goddelijk wezen en alle uit het goddelijk wezen voortvloeiende volmaaktheden; ieder persoon heeft echter voor zich datgene eigen, waardoor Hij jnist deze en geen andere persoon is, en hetwelk men derhalve de persoonlijke eigenschap noemt. De Vader heeft aan zich eigen het vaderschap, de Zoon het zoonschap, en de heilige Geest het uitgeademd worden.

Wanneer gij nu leest, dat de tweede persoon der H. Drievuldigheid door den Vader voortgebracht of uit Hem geboren is, en derhalve de ,eeniggeboren Zoon Godsquot; genoemd wordt, moet gij die voortbrenging door den Vader en die geboorte van den Zoon niet anders dan ineen hoogst geheimnisvollen zin opnemen. Deze goddelijke voortbrenging, welke, volgens de leer der HH. schrijvers, van den eeuwigen Vader door de kennis van zich zeiven uitgaat. -) is zoo onuitsprekelijk verheven, dat de Profeet Isaias (LUI, S) verbaasd uitroept: „Zijne geboorte, wie zal ze verhalen?quot; Ik wil evenwel beproeven, met d-e woorden van den geleerden Bellarminus :!) u eene gelijkenis te geven, die kan dienen, om dit heilig geheim tenminste eenigermate op te helderen. Als iemand zich in een spiegel beziet, brengt hij een gelijkend beeld voort; het gelijkt hem niet enkel in de gestalte, maar het maakt ook zijne bewegingen na, zoodat, wanneer de mensch zich beweegt, ook het beeld zich beweegt En dit zoo gelijkend beeld wordt zonder eeuige moeite, zonder tijdverlies zonder eenig hulpmiddel, plotseling, en alleen door zijn blik in den spiegel voortgebracht. Op eene dergelijke wijze kunt gij u voorstellen, dat God de Vader met het oog des verstands zich zeiven in den spiegel zijner godheid als het ware aanschouwt en erkent, en daardoor een Hem volmaakt gelijkend beeld voortbrengt. En wijl nu de Vader aan dit beekl zijn eigen wezen, doch zonder verandering van zich zeiven, mededeelt (wat wij voorzeker niet kunnen, als wij ons in een spiegel aanschouwen), is dit beeld het wezenlijke everibetld van den Vader, ïijne volkomene afstraling. de ware Zoon Gods. En gelijk God nooit was, noch zijn kon, zonder zich zeiven te kennen, zoo was Hij ook nooit en konde nooit zijn, zonder zijn Zoon, aan Hem volkomen gelijk, voort te brengen. Derhalve spreekt Hij tot Christus (Ps. II, 7): «Gij -,zijt mijn Zoon, heden heb ik U voortgebracht:quot; heden d. i. eeuwig; want slechts in de eeuwigheid is nimmer morgen, noch gisteren, maar alles enkel heden. —• Verder kunt gij nog overwegen, dat de goddelijke Zoon, het volmaakte en wezenlijke evenbeeld des Vaders, ook de volmaaktste openbaring des Vaders van zich zelvenis; en daar wij menschen onze gedachten gewoonlijk door het woord openbaren en uitspi\'eken, duidt ook de H. Schrift den goddelijken Zoon aan met den naam van vhet Woerdquot;-. „In den beginne was het Woord, en het Woord was bij

\') Omnia (in Deo) sunt unum, ubi non obviat relationis oppositio. Eugen. IV., decreto pro Jacobitis.

-) Dat de Zoon Gods door de kennis van den Vader, en de heilige Geest door den wil of door de liefde des Vaders en des Zoons voortkomt, is wel geen leerstuk, maar toch een gevoelen, dat op de H. Schrift en de Overlevering gegrond is, gelijk Kleutgen in zijne ,/Theologie /der Vorzeitquot; (deel 1. afd. III. hoofdst. 2) aantoont.

3) In zijnen Katechismus, die door den apostolischen Stoel is goedgekeurd en aanbevolen.

-ocr page 282-

266

God, en God was het Woordquot; (Joan. I, 1.). Dit Woord is echter geheel geest, gelijk liet verstand, waaruit het onmiddellijk voortkomt. Gok komt het niet, gelijk ons woord uit den mond gaat, uit God. want het is van God onalsolieidbaar, en blijft bijgevolg in en bij God. Daarom staat er van den eeniggeboren Zoon Gods geschreven, /dat //Hij in den schoot des Vaders isquot; (Joan. I, IS ). — Wellicht komt liet bij u op, de vraag te stellen;

Als de Zoon door den Vader wordt voorigebracld en de heilige Geest van heiden uitgaat, hoe is het dan mogelijk, dat geen der goddelijke personen ouder is dan de andere ?

Wijl de Zoon wordt voortgebracht van eeuwigheid af, en ook de heilige Geest van eeuwigheid voortkomt. Want in God heeft de geboorte des Zoons en het uitgaan des H. Geestes van den Vader en den Zoon nooit een begin gehad, maar beiden zijn eeuwig; biigevolg is de Zoon eeuwig als de Vader, en ook de heilige Geest eeuwig gelijk de Vader en de Zoon. Iets dergelijks heeft plaats met het vuur. Het licht komt voort van het vuur; evenwel zien wij niet, dat het vuur eer aanwezig is dan het licht. Daarom zegt de H. Augustinus: „Maak een eeuwig vuur, en ik zal voor „u eeuwig licht makenquot; (Redev. 118. nquot; 2).

Uit het gezegde volgen nog twee leerstukken, welke wii niet stilzwijgend mogen voorbijgaan. 1) Hoewel God de Zoon zijn oorsprong in den Vader, en de heilige Geest zijn oorsprong in den Vader en den Zoon heeft, zyn beiden echter ongeschapen gelijk de Vader ; want wat geen begin heeft, kan ook niet geschapen zijn; het geschapene toch heeft vroeger niet bestaan. De Zoon en de heilige Geest hebben alzoo hunnen oorsprong van den Vader, doch niet als van hunnen Schepper; want hun oorsprong is geen tijdelijke, maar een eeuwige, — 2)1)De Vader wordt de eerste, de Zoon de tweede, de heilige\' Geest de derde persoon genoemd ; doch daardoor wordt geenszins een of andere voorrang onder de\'goddelijke personen aangeduid; want in de Godheid, zegt de geloofsbelgdenis van Athanasius, „is niets vroeger „of later, niets grooter of kleiner.quot; Er wordt slechts gewezen op de orde, ia welke de eene persoon uit den anderen van eeuwigheid voortkomtf/\'De Vader heet derhalve de eerste persoon, wijl Hij uit geen anderen voortkomt of uitgaat, de Zoon de tweede, omdat Hij van den eersten, en de heilige Geest de derde, wijl Hij van den eersten en den tweeden persoon uitgaat. De heilige Geest gaat echter niet uit beide personen na elkander uit, als had Hii zijn oorsprong eerst in den Vader en daarna in den Zoon; maar Hij gaat tegelijk uit den Vader en den Zoon, als

-ocr page 283-

267

uit één oorsprong (imo principio). — Bovendien moet men nog opmerken, dat de heilige Geest niet op dezelfde Tiize als de Zoon van den Vader voortkomt; want de Zoon komt van den Vader voort door de kennis en de heilige Geest door den wil; en hierin zien de Godgeleerden een reden , waarom de tweede, en niet de derde persoon, voortgebracht en Zoon des Vaders is.

Igt;e sodklelijko Drievuldisheifi in hare werken naar buiten.

Welke vierken worden aan ieder der drie goddelijke personen voornamelijk toegeschreven ?

Aan den Vader worden toegeschreven de werken der almacht, en in het hizonder de schepping; aan den Zoon de werken der wijsheid, vooral de verlossing; aan den heiligen Geest de werken der liefde, bizonder de heiligmaking , hoewel deze werken aan alle drie de personen gemeen zijn.

Daar alle de drie personen maar één God zijn, hebben zij ook alle drie, zooals reeds voldoende is aangetoond , dezelfde macht, dezelfde wijsheid, dezelfde goedheid, den-zelfden wil, en derhalve worden de werken naar buiten , d. i. buiten het goddelijk wezen, aan alle drie toegeschreven. „Alles wat de Vader doet,quot; zegt Jesus Christus, „dit doet „de Zoon insgelijksquot; (Joan. V, 19). En de katholieke Kerk gelooft, leert en belijdt niet, dat de Vader alleen, maar „dat een ware God, Vader, Zoon en heilige Geest, „de Schepper aller zichtbare dingen is.quot; \') — Evenwel worden ook in de H. Schrift \'] aan ieder der drie personen in het bizonder volmaaktheden en werken toegeschreven, namelijk dusdanige, die met de eigenschappen der goddelijke personen eene bizondere overeenkomst hebben, d. i. die geschikt zijn, om aan te toonen, wat aan iederen persoon

\') Concil. Later. IVT. en het Decreet van Eugenius IV voor de Jaoobiten. quot;-) Zie Petr. Lombard. L. I. dist 34.

-ocr page 284-

268

eigen is. of waardoor zij van elkander onderscheiden zijn. 1) De Vader is daardoor van de andere personen onderscheiden, dat Hij de eeuwige oorsprong is, waaruit de Zoon en de heilige Geest voortkomen. Uit God, als de quot;bron van alle zijn, komen ook alle geschapen wezens voort, hoewel niet op die on vergelijke wijze als de Zoon en de H. Geest en dit voortkomen is vooral eene werking der goddelijke almacht, welke alleen in staat is, wezens uit het niet te voorschijn te roepen of te scheppen; daarom wordt aan God den Vader voornamelijk de almacht en de schepping toegeschreven. — 2) De Zoon is daardoor van den eersten persoon onderscheiden, dat de Vader Hem door de kennis van zich zeiven heeft voortgebracht. Dewijl nu de wijsheid in het algemeen de vrucht der kennis is, wordt God de Zoon bi] uitnemendheid de wijsheid genoemd, \') en worden Hem de werken, waarin de goddelijke wijsheid vooral uitblinkt, toegekend. Een zoodanig werk is bizonderlijk de verlossing der wereld, gelijk in het vervolg zal bewezen worden. Evenwel komt aan den Zoon het werk der verlossing nog om eene andere reden toe, wijl namelijk niet de Vader, maar de Zoon, ter verlossing van de wereld, de mensche-lijke natuur heeft aangenomen. Dan ofschoon alleen de tweede persoon mensch geworden is, hebben toch alle drie de menschwording gewild en daartoe medegewerkt; de Vader heeft zijnen Zoon gegeven, en van den H. Geest heeft de H. Maagd Maria Hem ontvangen. — 3) De heilige Geest is van den Vader en den Zoon daardoor onderscheiden, dat Hij van beiden als de onderlinge liefde uitgaat. 2) Daarom worden Hem voornamelijk de werken der liefde toegeschreven , en in het bizonder de heiligmaking, welke door de instorting der heilige liefde geschiedt, volgens de woorden der H. Schrift: „De liefde is in onze harten uitgestort „door den H. Geest, die ons gegeven isquot; (Rom. V, 5).

Kunnen wij dit geheim begrijpen?

Onmogelijk kan ons zwak verstand, hetwelk zelfs de geschapen dingen slechts onvolledig kent, een geheim begrijpen, dat boven alle geschapen dingen oneindig ver verheven is.

Ons verstand is zwak en beperkt, wie zal dit betwijfeien ? Duizende dingen, die wij met onze oogen zien en met onze

\') Zie Wijsh. VII: 25, 26 en vergelijk daarmede Hebr. I: 3. \'J) Catech. Rom. I: art. 1. n0. 19.

-ocr page 285-

269

handen betasten, zyn voor ons onverklaarbaar. Gij ziet het zaadkorreltje in de aarde vallen en eene schoone, krachtige plant voortbrengen, die bloeit en vruchten draagt. Is dit niet een geheim ? Gij ziet de nietige rups in het najaar in een spinrag wegduiken en bij het aanbreken van de lente als een bontgekleurde vlinder haar eigengemaakt graf verlaten. Is dat niet een geheim ? En hoevele wonderen, die aan ons oog ontgaan, bergt niet de natuur in haren schoot ? Volgens de nieuwste ontdekkingen leeft in het water eene zeer groote menigte van diertjes, die zóó klein zijn, dat op een haar van een duim lengte gemakkelijk twintig duizend plaats vinden. Die diertjes leven, eten en verteeren hun voedsel, heb beu derhalve een mond en voe-dings-organen. Bij eenige heeft men zelfs vier tot zes magen ontdekt; bij andere ziet men duidelijk schoone roode oogen. Begrijpt gij dit, lezer? Het zonderlingste is, dat die kleine schepseltjes eieren leggen, en wel in zoo groote menigte^ dat van een enkel diertje in een paar dagen vele millioenen anderen van dezelfde soort voortkomen. Wat zegt gij daarvan ? Indien gij niet eens de natuur van zulk een nietig beestje begrijpt, hoe wilt gij dan de natuur van den oneindigen Schepper, die in een ontoegankelijk licht woont, begrijpen? Als het ontstaan van zulk een wormpje u een raadsel blijft, hoe wilt gij dan de eeuwige, geheimnisvolle geboorte van God den Zoon doorgronden ? Zeer gepast zijn hier de woorden van een kerkeüjken schrijver: „Hoe wilt gij de natuur „van God kennen? Erken liever, dat gij niet bij machte „zijt, ze te kennen; want God zou geen God zijn, als Hij „niet grooter was dan uw verstandelijk vermogen. Verheugen „wij ons, dat wij een zoo grooten God hebben, en laten „wij, daar ons verstand Hem niet bevatten kan, vaststaan „in ons geloof en alle ijdele navorschingen staken.\'\' Ja „groot zijt Gij (o God) en onbereikbaar voor onze gedachtenquot; (Jerem. XXX[1^ 19). Is nu die onbegrijpelijkheid Gods juist het duidelijkst bewijs zijner grootheid, ook de mensch verheft zich het meest als hij zijn hoofd buigt en nederig erkent, dat God zijn verstand oneindig ver te boven gaat \')•

\') /eer goed gevoelde dit een der hoogmoedigste vrijgeesten, J. J. Koassean {Emil. d. III), toen hij de schoone belijdenis schreef; Hoe , meer moeite ik mij geef, om Grods oneindige wijsheid te doorgronden, rdes te minder begrip heb ik er van, des te meer aanbid ik ze. Ik „verootmoedig mij en zeg; Wezen aller wezens, ik ben wijl Gij zijt.

Het beste gebruik, dat ik van mijn verstand kan maken, is, dat ik ,, mij voor U vernietig. Ja, het is de zoetste vervoering van mijn geest, ; voor uwe grootheid mijne nietigheid te gevoelen, mijne zwakheid te /•erkennen.quot;

-ocr page 286-

270

Het geheim der allerheiligste Drievuldigheid omvat inderdaad de irmerlijkste natuur, het innerlijkste wezen Gods, en mag om die reden wel het geheim der geheimen genoemd worden. Wel is in God alles een geheim; zijne almacht is een geheim, zijne eeuwigheid is een geheim, zijne oneindige liefde voor de schepselen is een geheim. Nochtans is het voor de menschelijke rede geen geheim, dat God werkelijk almachtig, alomtegenwoordig, eeuwig is , wijl zij in staat is, dit uit zijne werken te leeren. Maar het zou dwaasheid en vermetelheid zijn, met ons zwak verstand te willen begrijpen, dat er in de ééne godheid drie van elkander onderscheiden personen zijn. Want „wij „kennen slechts ten deele (hier beneden). .. raadselachtig, .,als door een spiegel zien wij thans Godquot; (1. Oor. XIII, 9, 12), daar wij Hem niet in zijn wezen, maar slechts in den spiegel der geschapen natuur, het afbeeldsel zijner volmaaktheden, aanschouwen. In de natuur openbaart God zich alleen als de Eene en geenszins als de Brieëenige, w:jl de goddelijke volmaaktheden, die uit het geschapene kenbaar zijn, aan alle drie de goddelijke personen gemeenschappelijk toekomen, derhalve geen onderscheid van personen aanwijzen \'). Niet anders dan door de bovennatuurlijke, goddelijke openbaring zijn wij dus tot de kennis van den. Drieëenigen , voor ons verstand onbereikbaren God gekomen, „Niemand,quot; zegt Jesus Christus zelf, „kent den Zoon, „dan de Vader, noch kent iemand den Vader, dan de „Zoon , en wien het de Zoon wil openbarenquot; (Matth. XI, 27). -ilaar ook nu, nadat wij door de goddelijke mededeeling zekerheid van dit allerheiligst geheim gekregen hebben, zijn wij niet in staat, het te begrijpen, veel minder het te doorgronden. Zoolang wij op aarde ronddwalen en niet tot de aanschouwing Gods gekomen zijn, blijft het voor ons een onbeschrijfelijk geheim, hetwelk wij moeten ge-looven, maar onmogelijk kunnen begrijpen. „De goddelijke „geheimenissen immers,quot; zegt de Vatikaansche Kerkvergadering (Zitt. 3. hoofdst. 4), „gaan uit haren aard het „geschapen verstand zóó ver te boven, dat zij, zelfs door „de openbaring medegedeeld en door het geloof aangenomen, „met den sluier des geloofs bedekt en als in duisternis gehuld blijven, zoolang wij in dit sterfelijk leven verwijderd „zijn van den Heer; want wij wandelen in geloof, niet in „aanschouwing.quot; Door de rede kan men wel bewijzen, dat er één God bestaat, maar nooit, dat het ééne goddelijke

) S. Thorn. (Sum. I. Q 32. a. 1.)

-ocr page 287-

271

wezen drievuldig in personen is \'). Aldus getuigen ook alle heilige Vaders, die over dit geloofspunt geschriften hebben nagelaten. Daarom moeten wij dit allerheiligst geheim ootmoedig aanbidden, doch niet voorbarig willen begrijpen1).

Hoewel liet nu en dan aan buitengewoon begunstigde zielen vergund is, dit goddelijk geheim in eene hemelsclie vervoering te doorschouwen 2), blijft het toch algemeen waar, dat wij eerst aan de andere zijde des grafs, in de woning der gelukzaligen het ontsluierd zullen zien, om in de aanschouwing van den drieéénen God onuitsprekelijk en eeuwig gelukkig te zijn. Daarom vermaant de Katechismus van Trente 3) de geloovigen zoo uitdrukkelijk tot een voortdurend gebed, ,opdat zij zich waardig maken, in de hemelsche woningen opgenomen ,te worden en aldaar te aanschouwen, hoe groot de vruchtbaarheid ,is van God den Vader, die, zich zeiven aanschouwende en kennende, //den 5oon voortbrengt, met hem van dezelfde natuur, van hetzelfde /wezen, en hoe de wederzijdsche liefde van den Vader en van den ./Zoon, namelijk de Heilige Geest, van den Vader en den Zoon uitgaat, ./beiden met een eeuwigen, onoplosbaren band omslingerende, en hoe .aldus de goddelijke Drievuldigheid maar één wezen in drie volkomen, ./Onderscheiden personen is.quot;

Ofschoon wij hier op aarde van dit allerheiligst geheim, gelijk gezegd is, ons geen duidelijk denkbeeld kunnen maken, kan men toch uit de rede aantoonen, dat er geene tegenstrijdigheid in ligt. Immers wij beweren niet, dat God in zijne natuur tegelijk één en drievuldig is, hetgeen zeker onzin zou wezen; maar wij zeggen, steunende op de onfeilbare leer der Kerk. dat Hij, hoewel één van natuur, drievoudig in personen is. Wil mer. voorgeven, dat er onmogelijk drie in ééne natuur kunnen zijn, dat men dan het raadsel oplosse, hetwelk wij in

1

\') Trinitate posita, congruunt hujusmodi rationes; non tamen ita, quod per has rationes sufficienter probetur Trinitas personarum (S. Thom. ibid, ad 2).

2

Do H. ïeresia verklaart zelve (in hare levensgeschiedenis, hoofdstuk XXXIX), dat God haar eens. terwijl zij de geloofsbelijdenis van Athanasius bad, liet zien, op welke wijze er één God in drie personen is, of (gelijk zij zich uitdrukt) hoe de drie goddelijke personen van elkander onderscheiden maar ééne zelfstandigheid, maar één God zijn. En die aanschouwing was zoo duidelijk, alsof zij met eigen oogen zag, wat wij hier beneden slechts door het geloof weten. Ook zag zij, hoe Gods Zoon in den schoot des Vaders is.

3

4) Deel. I. art. I. n3. 14.

-ocr page 288-

272

de natuur van ons zeiven waarnemen. Onze ziel is eveneens éénvoudig, en toch onderscheiden wij in haar drie onderscheiden vermogens: g-ohmigen, verstand en wil. Wij gevoelen zeer goed, dat de wil of de wilskracht niet het verstand is, waardoor wij het ware van hel valsche onderscheiden, en dat de wil ook weder verschilt van het geheugen, waardoor wij ons het verleden herinneren. Kochtans gelooven cn weten wij. dat we maar ééne ziel hebben. De vermogens onzer ziel zijn wol \'is waar geen onderscheiden personen; doch wat zijn de personen in de Godheid? Voorzeker geene bloote zielskrachten, maar toch ook dat niet, wat wij ons gewoonlijk van een menschelijk wezen voorstellen. Om te kannen aantoonen. dat drie goddelijke personen onmogelijk in ééne en dezelfde natuur bestaan, zon men eerst zoowel van deze als van gene een volledig begrip moeten hebben. Daar onze kennis van goddelijke dingen echter hoogst beperkt en gebrekkig is. en wij niet in staat zijn, er ons een denkbeeld van te maken, dan door ze eenigermate met de menschelijke te vergelijken, zoo kan men ook nooit meer bewijzen dan dit, dat de heilige Drievuldigheid eene volstrekte onmogelijkheid zou wezen, indien de goddelijke natuur aan de onze gelijk was, en de goddelijke personen menschen waren zoo.al? wij.

Is de leer der allerheiligsle Drievuldigheid voor ons ook van helavg ?

Zij is van het hoogste belang, dewijl zij de hoofd- en grondleer is, waarmede alle overige leeringen van onzen H. godsdienst in betrekking staan. Wie dit leerstuk verwerpt, verwerpt geheel het christelijk geloof.

De korte inhoud der geopenbaarde geloofsleer is als volgt: God de Vader vordert eene voldoening, geëvenredigd aan de beleediging zijner majesteit, alvorens Hij het schuldig menschdom y-\'-cLr in genade opneemt. Die voldoening brengt God de Zoon door zijn vrijwillig zoenoffer aan het kruis, en de heiligs Geest deelt ons in de H. Kerk de vruchten mede van die voldoening, door de heiligmakende kracht zijner genade. Op de leer van één God en drie personen rust bijgevolg, als op drie grondzuilen, de geheele christelijke geloofsleer en derhalve ook de zedeleer. — Neem het geloof aan de allerheiligste Drievuldigheid weg, en er blijft, van het Christendom slechts de schaduw over; zijn levenskiem is gestorven. Wat toch is het Christendom zonder het geloof aan de geheimnis volle mensch wording van den Zoon Gods en zijne genaderijke verlossing, zonder het geloof aan eene door den H. Geest bestuurde en bezielde Kerk, zonder het aanbiddelijk offer der H. Mis, zonder het goddelijk liefdemaal, zonder de genadebronnen der Htl. Sacramenten, enz.? Onmogelijk is het derhalve Christen te zijn, als men het geloof aan de allerheiligste Drieëenheid heeft weggeworpen.

Over de noodzakelijkheid van het geloof aan de heilige Drievuldigheid drukt de Kerk in de geloofsbelijdenis van

-ocr page 289-

273

den H. Atlianasius zich op de volgende wijze uit: „ieder ,.die zalig wil worden, moet vóór alles het katholiek ge-„loof vasthouden; wie dit niet volledig en onvervalscht bewaart, gaat ongetwijfeld eeuwig verloren. Het katholiek „geloof nu leert: dat wij één God in de Drieheid en de „Drieheid in de eenheid vereeren, noch de personen „met elkander verwarrende, noch hun wezen scheidende. „Want een andere is de persoon des Vaders, een andere „die des Zoons, een andere die des H. Geestes; maar de „Vader, de Zoon en de H. Geest hebben eene godheid, eene „gelijke heerlijkheid en eene zelfde eeuwige majesteit/\'

TOEPASSING.

Bewaar derhalve getrouw, Christen ! uw geloof in de allerheiligste Drievuldigheid, in wier naam gij gedoopt zijt én aan wie gij voor immer zijt toegewijd. Weet gij , wat de priester zal bidden, als EiJ, eenihaal aan uw sterfbed staande, God voor u om genade en barmhartigheid smeeken zal ? „Erbarm IJ, o Heer!quot; aldus zal hij bidden, „erbarm U „over deze ziel, die Gij met uw bloed hebt vrijgemaakt, „en gedenk de zonden niet, welke zij in haar leven heeft „bedreven. Hoewel zij gezondigd heeft, zij heeft toch „den Vader, den Zoon en den heiligen Geest niet ver-„loochend, maar het geloof bewaard en God den Schepper „aller dingen, getrouw aangebeden.quot; Bewaar .-zoodit heilige geloof, hetwelk alleen,, aan de poort der eeuwigheid, a troosten kalmte kan schenken. Dit geloof ia als\'t ware het zegel op den geleibrief van den Christen naar het rijk dei-hemelen. Ontbreekt het zegel, dan is uw reispas ongeldig en niets kan u toegang tot de eeuwige vreugde verleenen. Bewaar het alzoo geheel en ongeschonden tot uwen laatsten ademtocht. Nooit heeft het iemand in zijn laatste uur berouwd, het katholiek geloof bewaard te hebben; maar menigeen^ heeft het verlies van dat geloof smartelijk beweend. -f- Eenige jaren geleden stierf te Parijs een beroemd professor in de wijsbegeerte , die tot volslagen ongeloof was gekomen. Kort voor zijn dood zeide hij nog met een diepen zucht tot den priester, die hem bezocht: „Ach! mijnheer „de pastoor, al die nieuwe leerstelsels dienen tot niets. „Duizend en duizendmaal beter is eene goede christelijke akte „van geloof.quot; Laat u derhalve nooit uw heilig geloof ontnemen , al tracht men het ongeloof ook onder den schoonsten schijn u op te dringen; want vele dier hooggeleerde heeren weten van alles, wat den godsdienst betreft, veel minder

DEHAKBE, GELOOFSLEER. I. 3^ DEUK. 13

-ocr page 290-

274

dan een kind. Maar, al zou ook een wonder van geleerdheid ii verleiden, hoor wat Jesus Christus zegt; „Ik dank .,U, Vader, Heer van hemel en aarde! dat Gij deze dingen „voor de wijzen en verstandigen verborgen, maar den kleinen „geopenbaard hebt. Ja, Vader! want alzoo is het uw

„welbehagen geweest...... Niemand kent den Zoon dan

„de Vader, noch kent iemand den Vader dan de Zoon, en „wien het de Zoon wil openbarenquot; (Matth. XI, 25—27). De goddelijke openbaring, welke gij door het geloof kent, moet u onvergelijkelijk meer waard zijn, dan alle woorden van de mensehen. 1

Wees immer gedachtig, dat dit heilig geloof eene goddelijke gave is, en zoo gij niet wilt, dat die gave u ontnomen worde, vergeet dan nimmer, welke onuitsprekelijke dankbaarheid gij der allerheiligste Drieëenheid schuldig zijt. „Want niets\'\' zegt de H. Bernardus, „verdroogt zoozeer den „dauw der goddelijke erbarmingen, en niets stelt een sterkeren „dam tegen den stroom der genade, dan de ondankbaarheid. \'\'^ Draagt derhalve zorg de heilige namen van den Vader, quot;ïïëF~Zoon en derTTieiligen Geest niet oneerbiedig en zonder aandacht uit te spreken. Wanneer gij God „Vaderquot; noemt,quot; bedenk dan, dat God, da Schepper van hemel en aarde, uw Vader is, die alles voor uw geluk geschapen heeft, behoudt en regeert, en die u heeft uitverkoren, om zijn geliefd kind te zijn in eeuwigheid. Als gij u richt tot God den Zoon, herinner u, dat de Allerhoogste uit den hemel op a\'afcTe nederdaalde, teneinde u van de zonde en den eeuwigen dood te verlossen; dat Hij heel zijn leven door vele groote moeielijkheden verdroeg en zich eindelijk op het altaar des kruises voor u opofferde. En wanneer gij zegt: „God heilige Geestquot;, overweeg dan, dat gij van de vlek der zonde bevrifcl, geheiligd en gerechtvaardigd zijt door de genade van den H. Geest, die bezit nam van uw hart, om het als zijn tempel te bewonen en met zijne genadegaven te verrijken. Teneinde ons aan dien plicht van dankbaarheid uitdrukkelijk te herinneren, heeft de Kerk een afzonderlijk feest ter eere van de allerheiligste Drievuldigheid ingesteld, ofschoon de geheele christelijke godsdienst niets anders is, dan de vereering van den éénen God in drie personen. Zeer prijzenswaardig is eek het gebruik iederen Zondag dit heilig geheim bizonder te vereeren, en de allerheiligste Drievuldigheid voor alle ontvangen weldaden en gunsten te danken. Nog beter is het, dagelijks de aanbiddelijke Drieëenheid te loven , en vooral in gevaren, moeielijkheden en bekoringen aandachtig aan te roepen. Hiertoe kan van dienst zijn de schoone lofspraak; „Heilig,

-ocr page 291-

£ f) ? *-\'rj quot; ^ ?*(-■ yUA/

V A. ■■\'«— lt;-f Ar/ K »-*^ *

0 (f

275

heilig, heilig zijt Gij, Heer,quot; enz.. of het volgende korte gebed:], „ De almacht des Vaders beware mij! de wijsheid des „Zoons leere mij ! de liefde des H. Geestes ontbrande mi] ! „opdat ik U, o God! één in wezen en drievoudig in personen, ..hier op aarde moge kennen, beminnen en loven, en in „den hemel eeuwig aanschouwen en genieten.Nu en dan kan men zich ook Tan een nog korter gebed bedienen, als biiv. „Groote God, Vader, Zoon en heilige Geest, erbarm. „U onzer Met deze woorden gebood de H. Pranciscus Xaverius een storm op zee, die drie dagen en drie nachten onafgebroken gewoed en allen met een onvermijdelijken dood bedreigd had, en eensklaps bedaarde de storm en werd de zee rustig.

■l hst* -S

§ 3. Over de seheppiu^; en het liestimr-iler wereld.

„Sc/iej}per van hemel en aarden

Seheppiug der wereld.

IFaarom wordt God genoemd Schepper van hemel en aarde?

Omdat Hij de geheele wereld, hemel en aarde en alles, wat daarin is, geschapen, d. i. door zijn almachtigen wil uit niets voortgebracht heeft.

Onder wereld verstaan wij hier alle zichtbare en onzichtbare dingen , alzoo hemel en aarde en alles, wat daarin is, ook alles, wat boven het uitspansel des hemels en wat onder de aarde is, kortom alles, wat buiten God bestaat

of het leven heeft...... Dat alles heeft de Almachtige

uit niets gemaakt, alleen door de kracht van zijn wil, zonder eenige moeite , zonder hulp of werktuig. Gelijk onze handen en voeten zich bewegen, alleen omdat wij het willen, zoo ontstond, maar op eene veel volmaaktere wijze, hemel en aarde door den almachtigen wil des Scheppers. Daarom loven de Heiligen in den hemel Hem eeuwig en spreken ; „waardig zijt Gij, o Heer, onze God, te ontvangen lof en „eer en kracht; want Gij hebt alle dingen geschapen, en ^door uwen wil werden zij, en zijn zij geschapenquot; (Openb. IV, 11). — Als de H. Schrift zegt: „en God sprak: „het worde licht! en het was lichtwil zij ons daardoor

/ -

18*

-ocr page 292-

276

doen zien, dat God slechts behoefde te willen, om datgene, wat Hij wilde, te volbrengen ; aan spreken in den eigenlijken zin kan hier niet gedacht worden. De woorden, die wij verder lezen: „God rustte van al zijn werk, dat Hij „gemaakt hadquot; beteekenen niet, dat God, door den arbeid vermoeid, zich aan rust overgaf, maar alleen, dat Hij ophield met scheppen of nieuwe soorten van schepselen voort te brengen ; want het was zijn wil, dat de geschapen wezens zich zeiven zouden vermenigvuldigen ; daarom heeft Hij zijn bevruchtenden zegen er over uitgesproken en gezegd ; „groeit en vermenigvuldigt u.quot; — Scheppen, d. i. iets maken of voortbrengen uit niets, kan God alleen; daartoe toch wordt niets minder vereischt dan goddelijke almacht. Wij menschen kunnen ons zelfs niet duidelijk voorstellen, hoe dit toegaat of mogelijk is, wijl wij volstrekt niet in staat zijn iets te maken, zonder dat de stof of de materialen daartoe voorhanden zijn. Het dagelijksch leven levert ons eene menigte bewijzen. De bouwmeester bijv. maakt een huis, doch niet zonder dat de steenen en andere benoodigdheden aanwezig zijn; de schilder vervaardigt een schilderstuk, maar daartoe heeft hij doek, penseel en verf noodig, hetzelfde geldt voor alle werken van \'s menschen hand.) Hoewel het ons bijkans onmogelijk schijnt, zien wij toch zelve in, dat de geheele wereld moet geschapen zyn; immers als men dit niet wil toegeven, is men genoodzaakt, ten laatste noodzakelijk aan te nemen, dat de wereld zich zelve gemaakt heeft, of zelve God is , hetgeen niet alleen onbegrijpelijk, maar ook even ongerijmd als goddeloos is. Immers de stof kan niet eeuwig zijn, en de wereld heeft zich zelve niet gevormd; want een wezen, dat uit zich zei ven en noodzakelijk bestaat, is volmaaht en onveranderlijk. Elk schepsel en ook alle schepselen samen genomen zijn onvolmaakt en veranderlijk ; zij kunnen dus niet door zich zeiven, niet van eeuwigheid bestaan, zij moeten door een ander voortgebracht zijn.

De oorspronkelijke stof, waaruit de wereld zou ontstaan zijn, kan niet iets stoffelijks zijn; want dan had zij geen geesten, gelijk de menschelijke ziel, kunnen voortbrengen. Evenmin kan zij een geest zijn; uit een geest toch, als onverdeelbaar en onstoffelijk wezen, kan geen stof ge-vboren worden.

Ook de schoone orde en harmonie, welke in de wereld bestaat, toont ons aan, dat alles niet uit zich zei ven of door het toeval aldus samengevoegd en geordend is, maar noodzakelijk een hooger, een oneindig wijzen Bestuurder veronderstelt, die alles geregeld heeft.

-ocr page 293-

277

De wereld is evenmin één met God, maar van Hem onderscheiden. God toch is noodzakelijk, onveranderlijk, oneindig volmaakt: deze eigenschappen zijn rechtstreeks strijdig met die der stoffelijke wereld.

Daarenboven als God één met de wereld was, dan zon er geen onderscheid, tnsschen goed en kwaad bestaan , wat toch door ons verstand en door ons geweten erkend wordt.

De wereld is alzoo door God geschapen, niet van eeuwigheid af, maar in den tijd; daarom staat er geschreven: .,In den beginne schiep God hemel en aardequot; (1. Mos. 1,1). In den beginne, d. i. toen de tijd een aanvang nam; want vóór de schepping was er geen tijd; er was niets, volstrekt niets, dan God, die van eeuwigheid is, en bij wien geene afwisseling van tijd plaats vindt. — Vraagt men, wat God dan deed, voordat Hij de wereld schiep, het antwoord luidt; Hij deed, wat Hij thans doet en eeuwig doen zal, Hij kende en beminde zich zeiven, en in die kennis en liefde bestaat zijne eeuwige, onmetelijke gelukzaligheid.

In hoeveel dagen heeft God de wereld geschapen?

God heeft de wereld geschapen in zes dagen.

Op den eersten dag scheidde Hij het licht van de duisternis; op den tweeden scheidde Hij de onderste wateren van de bovenste, en vormde den dampkring; op den derden scheidde Hij de onderste wateren van de aarde, welke Hij terstond allerlei planten en boomen liet voortbrengen. Op den vierden maakte Hij de zon , maan en sterren; op den vijfden schiep Hij de visschen en vogelen ; op den zesden de dieren der aarde, en ten laatste den mensch.

De gevoelens der geleerden zijn verdeeld omtrent het antwoord op de vraag, of men onder de zes scheppingsdagen, van welke Mozes spreekt, eigenlijke dagen van 24 uren of langere tijdruimten moet verstaan.

In het 44ste deel van ,/de katholiekquot; (\'s Gravenh. 1S63) vinden wij de vraag gesteld, wat men houden moet van //het beroep op het „gevoelen van den H. Augustinus over de scheppingsdagen.quot; De slotsom van het met bewijzen gestaafde antwoord geven ons de volgende woorden: //Zooveel is zeker, dat men van den eenen kant den H. Augus-/tinus ten onrechte als een verklaard voorstander der scheppingsperioden /aanhaalt, en er nog met minder grond bijvoegt, dat vele Kerkvaders /zijn gevoelen deelen; van den anderen kant echter is ook de bewering /te stout, dat er noch bij hem noch bij eenigen Vader een spoor van /onbepaalde scheppingstijden te vinden is. Nochtans, tegen de zoo /algemeene, zoo eenparige opvatting van de Schriftwoorden in den zin van gewone zonnedagen, kan zelfs het zeker gevoelen van een /enkelen Vader niet het allerminste afdoen, laat staan, wanneer eene .meening niet eens duidelijk, en daarbij zoo onwis en twijfelachtig

-ocr page 294-

578

//Wordt voorgesteld als bij den H. Augustlnus. Van die zijde is er ,/dus al zeer weinig gezag, om de scheppingsdagen niet voor onze «gewone dagen, maar voor ganscli onbeperkte tijdruimten te houden.quot;

In lietzell\'de maandschrift wordt (deel 53 en 54. \'s Gravenh. 1S6S) een breedvoerig verslag gegeven van een werk van Pater Ath.Bosizio, getiteld: ,/Das Hexaëmeron und die Geologiequot; (Mainz 1S65). — Wij lezen aan het einde daarvan: ^wat hebben we te denken over de //nieuwere verklaringen van het scheppingsverhaal?

«Wij antwoorden, dat ze niet slechts weinig strooken met de woor-//den der H. Schrift, maar ook geen grond vinden in de geologie.

//De reden, waarom ze in aanstoot komen met de H. Schrift is nu //ook duidelijk, omdat ze namelijk steunen op de geologische schep-//pingstheoriën, die niet waar zijn.

//Voor het geven van zulke verklaringen bestond eenige reden, //zoolang de geologische scheppingstheoriën konden beschouwd worden z/als waar, als steunende op geognostische en palaeontologische feiten; /zoo lang men kon denken; de geologie en de H. Schrift, de geopen-//baarde en de natuurlijke waarheid kunnen elkander niet tegenspreken-, «.zoolang men derhalve op dien grond alles mocht beproeven, om //Overeenstemming te zoeken tusschen H. Schrift en geologie. Maar «de tijden zijn veranderd, de wetenschap begint de geologische //scheppingstheoriën ten toon te stellen als ijdele hersenschimmen, en /,nu zou het eene beleediging zijn voor de H. Schrift, hare woorden ffte verklaren en te verwringen naar den zin van zulke theoriën. Ku //bestaat er geene enkele reden, om met Michelis aan te nemen, dat //de H. Geest gesproken heeft van eersten, tweeden, derden dag enz., //Zonder dat Hij eene chronologische volgorde wilde teekenen.

//Nu bestaat er geene reden, om met Buckland, Wiseman en Wagner „aan te nemen, dat God eene geheele dieren- en plantenwereld, zonder //eenig doel heeft geschapen en aanstonds weer verwoest.

//Nu bestaat er geene enkele reden, om met de Concordisten aan te „nemen, dat God bij het scheppen der wereld is te werk gegaan f.ls «een onhandig schrijver, die eerst eenige malen in het klad en eindeli k tin het net schrijft.

„Wat te denken over de opvatting der dagen als gewone dagen van //Vier-en-twintig uren?

,/Dat zij ten eerste het gemakkelijkst overeenstemt met de woorden //der H. Schrift, en de meeste Kerkvaders, de scholastieken en de ,/theologen tot den nieuweren tijd toe voor zich heeft; en dat zij ten //tweede wel in tegenspraak is met hersenschimmige scheppingstheoriën, «maar met geen enkel geognotiesch of palaeontologiesch feit.quot;

Op de vraag, waarom God de wereld in zes dagen schiep, daar flij alles toch in één oogenblik kon scheppen , geve men eenvoudig ten antwoord: „wijl Hij het zoo wilde.quot; Wij moeten ons daarover evenwel volstrekt niet verwonderen ; want overal in de natuur, in het planten- en dierenrijk, ontwaren wij eene trapsgewijze ontwikkeling; uit de eikel groeit langzamerhand de statige eik op, en uit het ei kruipt een vogeltje te voorschijn, dat wij ten laatste als een adelaar hoog in de lucht zien ronddwalen. Ditzelfde zien wij ook in het rijk der genade. En vergeleek niet de Heer zelf zijne Kerk met een mosterdzaad, dat wel het kleinste ouder .:.lle zaden is, doch, als het opgeschoten is, een boom wordt, zoodat de vogelen des hemels komen en in zijne takken wonen (Matth. XIII, 32)? Men zou ook kunnen zeggen;

-ocr page 295-

279

de wereld is meer op God gelijkend, volmaakter, wanneer zij zelve tot haar eigen volkomen schepping eenigszins medewerkt. Verwonderen wij ons derhalve niet, maar dat het onze zorg zij, steeds \'s Heeren wijsheid te loven, die alles volgens ziin eeuwig welbehagen beschikt.

fFaarom zeggen wij, dat de schepping voornamelijk aan den

Vader wordt toegesohreveu; schrijft de H. Schrift dit werk niet eveneens aan den Zoon en den 11. Gent toe?

Daar in de schepping zich bij uitstek de goddelijke almacht openbaart, welke alleen uit de bodemlooze diepte van het niet wezens kan voortbrengen, wordt deze in de H. Schrift vooral aan God den Yader toegeschreven, gelijk uit het vroeger gezegde en uit de geloofsbelijdenis der Apostelen blijkt. Evenwel wordt zij ook den Zoon toegeschreven, inzooverre zich in de schepping tevens de goddelijke wijsheid openbaart, die uitvoert en regelt; daarom wordt er in de H. Schrift gezegd, dat „de wereld door Hem (het Woord) gemaakt is\'\' (Joan. I, 10). En ook aan den H. Geest wordt het scheppingswerk toegeschreven, inzooverre daarin het leven en de goddelijke liefde, welke het werk als bezegelt, zichtbaar is; want de H. Geest wordt ook in de geloofsbelijdenis van Nicea „de levendmakerquot; genoemd. Daarom staat er geschreven ; „de aarde was woest en onge-j.vormd, eene zee met duisternis bedekt, maar de Geest ,.Gods zweefde over het water\'quot; (1. Mos. 1,2) ^ zoodat deze leven- en luchtlooze massa nu bepaalde vormen kreeg en door den adem van den levendmakenden Geest leven ontving.

Heeft God de wereld geschapen, omdat Rij er lehoe/te aan had?

O

Neen, God heeft de wereld niet geschapen, wijl Hij haar noodig had; want Hij is in zich zeiven oneindig rijk en gelukzalig , en heeft aan niets buiten zich behoefte; Hij h eeft haar geschapen, omdat Hij oneindig goed is, en ook aan andere wezens zijne goedheid wilde mededeelen. God heeft aan zich zeiven volkomen genoeg 1) en behoeft buiten zich niets, gelijk de koninklijke Profeet getuigt; „mijn God zijt Gij, „mijne goederen hebt gij niet noodigquot; (Ps, XV , 2). Hij

\') Cone. Vatc. Sess. III. c. 1.

-ocr page 296-

280

was in alle eeuwigheid, eer de wereld bestond, en niet het minste ontbrak Hem ; want Hij is een onmetelijke oceaan van wijsheid, goedheid , schoonheid en oneindige volmaaktheid. Daarom bezit Hij in zich zeiven de volheid aller goederen en geniet in het aanschouwen en in de liefde van 2ich zeiven eene eeuwige, onbeschrijfelijke vreugde, eene oneindige volmaakte zaligheid; ja, Hij is zelf de eeuwige, onuitputtelijke bron aller zaligheid, zoodat elke andere, welke men buiten Hem zich voorstelt, eene ijdele schaduw, een hersenschim is. Welk nut zou derhalve de wereld Hem opleveren, daar eene oneindig volmaakte zaligheid, gelijk de goddelijke, onmogelijk kan vermeerderd worden, en alle vereering, welke de schepselen God kunnen bewijzen niets is, in vergelijking met de verheerlijking, welke Hi] in zijn drieëenig wezen bezit? Het zou derhalve dwaasheid zijn te denken, dat God de wereld tot zijn eigen best of nut geschapen heeft. „Neen, de wereld is niet geworden,quot; zegt Athenagoras, een heidensch wijsgeer, „omdat God er „behoefte aan had; want God zelf is alles voor zich zeiven

Hetzelfde leert de Vatikaansche Kerkvergadering (Caput 1. De Deo rerum omn. creat.): „God heeft uit zijne goed-,.heid en door zijne alvermogende kracht, niet om zijne „zaligheid te vermeerderen, noch om zijne volmaaktheid te „bekomen, maar om haar, door het goede, hetwelk Hij „aan de schepselen verleent, te openbaren, door een vrij „raadsbesluit, te gelijk van het begin des tijds af, de dubbele „schepping uit niet voortgebracht, de geestelijke en de „lichamelijke, die der Engelen en die der wereld, en verbolgens de menschelijke , als gemeenschappelijke, uitgeest „en lichaam bestaande.quot;

Wanneer men echter de vraag stelt, waarom God zoo vele wezens geschapen heeft, daar Hij die toch volstrekt niet noodig had, kan men hierop kortaf antwoorden: „om „zijne goedheidquot; 1). „Wijl God zoo goed is, zijn wij \').

Wij mo\'eten hier vooreerst opmerken, dat die goedheid Gods in een tweevoudigen zin genomen wordt: ten eerste voor het toppunt van volmaaktheden, en zoo noemen w j God „het hoogste goed, het volmaaktste wezenten tweede voor de goedheid of goedigheid, waardoor Hij het geschapen goed wil en goed doet, en zoo noemen wij God „oneindig

\') Aldus Petrus de Lombard. (L. II. d. 1. q. 1), met wien de overige Godgeleerden overeenkomen.

2) S. Augustinus: de doctrina christ. c. o2. Vergelijk de rom. Katecliis. (d. 1. art. 1. n0. 20.)

-ocr page 297-

281

..goed en barmhartig.quot; In dezen dubbelen zin nu kan men zeggen , dat God de wereld om zijne goedheid geschapen heeft.

1) Wijl God het hoogste goed is, komt Hem de hoogste achting en liefde toe, bijgevolg koestert God ook beide gevoelens jegens zich zeiven; want het is onmogelijk, dat God zicb zeiven niet geve, wat Hem toekomt, anders toch zou Hii de oneindig heilige en rechtvaardige God niet zijn. Daar God alzoo in zijne oneindige goedheid het hoogste welbehagen heeft en haar, gelijk behoort, oneindig lief heeft, behaagde het Hem, ook andere wezens in het leven te roepen, waarin zijne eigen goedheid, namelijk zijne volmaaktheden, zich zouden afspiegelen inzooverre dit met den aard van het geschapene overeenkomt, en dit deed Hij door de schepping van de wereld \'). Immers geheel de

!) Dit is de leer van den H. Thomas van Aquino (II sent. q. 2). „Deus „bonitatem suam perfecte amat, et ex hoe vult, quod bonitas sua /multiplicetur per raodum, qui possibilis est, ex sui scilicet simili-z/tudine;quot; of gelijk hij ergens anders (de voluntate Dei q. 23. art. 1. ad 3) zich uitdrukt; rVt sua bonitas, quae per essentiam multiplicari „non x^otest, saltern similitudinis participatione in plures elfundatur.quot;

Wij zeggen, dat het God behaagde, de wereld te scheppen, maar niet, dat Hij moest-, want onze H. Kerk leerde steeds, 1) dat Hij haar geenszins uit dwang of noodzakelijkheid, maar met volkomen vrijheid geschapen heeft, zoodat Hij haar even goed niet of ook anders had kunnen scheppen, dan Hij inderdaad gedaan heeft. Hoewel God de eeuwige, onbegrijpelijke goedheid en liefde is, was Hij echter noch uit liefde jegens zich zeiven, noch uit liefde jegens de schepselen verplicht, de wereld te scheppen; niet uit liefde jegens zich zeiven, wijl door de schepping Gods geluk of zaligheid niet het minste vermeerderd of op eenigerlei wijze vervolmaakt kon worden. Was God aan zich zeiven niet verplicht, de wereld te scheppen, nog minder kon Hij het den schepselen verschuldigd zijn, daar de eerste en laatste grond der liefde van God jegens zijne schepselen juist de liefde voor zichzelven is. Waar alzoo de eerste verplichting niet bestaat, kan ook de tweede niet aanwezig zijn. Eveneens zou niemand verplicht zijn, den koning te gehoorzamen, als men niet verplicht was. God te gehoorzamen, om wien men den koning gehoorzaamheid bewijzen moet. — Volgens ons begrip kan het wel meer overeenkomstig de goddelijke goedheid schijnen, ..dat God schiep, dan dat Hij niet schiep, doch wij komen ligt op een dwaalspoor, wanneer wij, om te berekenen, inhoeverre God iets kon of moest doen, ons verstand of onze denkwijze tot maatstaf nemen; ja, wij dwalen zeker, zoo dikwijls wij daardoor in strijd komen met de katholieke leer, of gevolgtrekkingen maken, welke handtastelijk ongerijmdheden zijn. Tot dergelijke gevolgtrekkingen komt men echter noodzakelijk met te veronderstellen, dat God, krachtens de Hem eigen goedheid of volmaaktheid, verplicht was de wereld te scheppen. „In /dit geval,quot; merkt Fénelon aan (Lett. IV), „had God van eeuwigheid -/noodzakelijk alles moeten voortbrengen, wat Hij maar voortbrengen /kon; Hij zou dit aan zichzelven verschuldigd zijn geweest; Hij zou „geen God zijn, indien Hij het niet werkelijk gedaan had; Hij had

1

Zie Cone, Vatic. De Deo creat, can. 4.

-ocr page 298-

282

wereld is als het ware een lieerlijke spiegel, uit weikeu de volmaaktheden des Scheppers in een bepaalden vorm of maat terugstralen. In het eene schepsel erkennen en bewonderen wij voornamelijk zijne macht, in een ander zijne wiisheid, in een derde zijne goedheid, en wederom in een ander zijne grootheid, schoonheid en heerlijkheid. Daarom staat er geschreven (Ps. XVIII, 1): „de hemelen verkon-„digen de heerlijkheid Gods.\'\' Ook zijne heiligheid en gerechtigheid, zijne wonderbare lankmoedigheid, zijne waarachtigheid en trouw zien wij allerduidelijkst in de schepselen en in alles, wat God voor hen en om hen gedaan heeft. De goedheid of volmaaktheid, welke in God woont, is derhalve de eerste en voornaamste grond, de oorzaak, waarom het Hem behaagde, de wereld uit het niet te voorschijn te roepen. In dien zin zegt Origenes \'); „God had geene „andere reden om te scheppen, dan om zich zeiven, d. i. „om zijne goedheid.quot; — Terwijl het God behaagde, om zijnentwil de wereld te scheppen, wilde Hij ook 2), hoewel als iets van ondergeschikt belang, het welzijn der schap-selen\'). Diensvolgens is ook de wereld een werk zijner goedheid of goedigheid, want door haar voort te brengen toonde Hij zijne goedheid jegens zijne schepselen 3). Om dit wel te begrijpen, moet men bedenken, dat God al zijne werken, hetzij Hij schept of vernietigt, beloont of straft, voor zich zeiven doet, d. i. dat de verschuldigde liefde jegens zich zelveu, het hoogste goed, steeds de grond is van al zijn doen en laten. Op andere wijze kan men zich dit niet voorstellen, daar zelfs onze eigenwerken niet waarlijk goed zijn, en voor God geene volle waarde hebben, als zij niet uit achting en liefde tot Hem geschieden. Niettemin zeggen wij met recht, dat God, wanneer Hij straft, uit gerechtigheid straft; en dat Hij al het goede, hetwelk Hij ons bewijst, uit goedheid jegens ons doet, dat de grond daarvan zijne goedheid is. Daar God nu door de schepping ons zijne goedheid toont, ons weldoet, kan men ook terecht zeggen, dat

yiiet nimmer kunnen nalaten. Als men aanneemt, dat Hij eei-iger. »tijd vóór de schepping bestaan lieeft, zou men moeten zoggen, dat .vtiij, beginnende te scheppen, een begin heeft gemaakt met zich te

„vervolmaken en God te worden..... Het schepsel zou van üod even

//onafscheidelijk zijn, als de goddelijke Zoon en de heilige Geest,\'\' De namen waarmede Fénelon deze ongerijmdheden bestempelt, gaan wij stilzwijgend voorbij.

\') De Princip. il. 9. nquot;. G.

S. Thom. contra Gen til. I. I. c. 76 Deus se et alia, non alia et alio actu voluntatis vult, sed uno et eodem.

\'■s) Zie Kleutgen, Theol. der Vorzeit. Bladz. 437.

-ocr page 299-

283

de schepping een werk zijner goedheid, en ook de goedheid, welke Hij den schepselen wilde bewijzen, eene, hoewel ondergeschikte, reden is, waarom Hij de wereld geschapen heeft. Of zou iemand wel durven ontkennen, dat de schepping der wereld voor ons eene weldaad is van den Schepper, eene weldaad, zonder welke geene andere gunst mogelijk zóu geweest zijn ? De weldaden Gods zijn echter op de eerste plaats gevolgen zijner goedheid (d. i. zijner goedigheid) ; derhalve is de schepping der wereld een gevolg der goddelijke goedheid. En dewijl niets in of buiten God noodzakelijk vorderde, dal Hij schiep, is zij een gevolg van vrije goedheid ; daar wij die weldaad op geenerlei wijze konden verdienen, geheel en al een gevolg van goedheid , en, daar de schepping niet Hem, maar ons ten voordeel strekt, een gevolg van belangelooze goedheid.

God heeft alzoo dok u, lezer! geschapen , niet omdat Hij daartoe verplicht was, niet omdat Hij u noodig had, 6\'f wijl gij Hem op eenigerlei wijze van dienst zoudt kunnen zijn, ook niet omdat gij het verdient of verdienen kunt; maar uit vrije, onverdiende, belangelooze goedheid. „Met eeuwige liefde heb Ik u bemind,\'\' aldus spreekt Hij (Jerem. „XXXI, 3), daarom heb Ik mij over u erbarmd;\'* daarom trok Hij u uit den afgrond van het niet, gaf u het leven en alles, wat gij zijt en hebt, ofschoon Hij voorzag, hoe vaak gij hem zoudt beleedigen en zijne goddelijke gaven misbruiken. Overweeg wel het woord : „met eeuwige liefde.quot; Ja, met eeuwige, oneindige liefde bemint God u; want Hij bemint u met dezelfde liefde , waarmede Hij zich zei ven lief heeft, daar de laatste grond, waarom Hij u bemint en u uit liefde in het leven riep, eigenlijk Hij zelf is, d. i. de oneindige liefde, welke Hij jegens zich zeiven koestert Derhalve bemint Hij in zekeren zin ^ich zeiven in u; namelijk zijn werk, zijn evenbeeld, het beeld zijner hoogst beminnenswaardige volmaaktheden. En Hij bemint u des te meer, naarmate gij er u beter op toelegt, Hem door zuiverheid des harten en heiligheid van levenswandel gelijk te worden. Eu zoudt gij van uwen kant God niet liefhebben ?..... Zoudt gij Hem niet dankbaar zijn?.....

Zoudt gij niet al uw vermogen aanwenden, om Hem meer en meer gelijkvormig te worden ?

Totdusverre hebben wij ingezien, dat de grond, waarom God de wereld schiep, voornamelijk is zijne oneindige goedheid of volmaaktheid, en, inzooverre de schepping eene weldaad is, ook zijne goedheid jegens de schepselen. Nu kan men verder de vraag stellen, welk het doeleinde der schepping is, of met andere woorden:

-ocr page 300-

284

Tot welk einde heeft God de tcereld geschapen?

1) Tot zijne eigen verheerlijking; 2) ten beste der schepselen. l)

God is, gelijk uit het reeds gezegde blijkt, als het hoogste, volmaaktste Wezen, niet slechts de oorsprong, van •wien alles uitgaat, maar ook het doeleinde, tot hetwelk alles noodzakelijk terugkeert. „Ik ben,quot; spreekt God de Heer, „de eerste en de laatste, het begin en het eindequot; (Openb. XXII, 13). \'t Zou dwaasheid zijn, anders van God te denken. Immers God kan, uithoofde zijner heiligheid , geen ander laatste doel zich voorstellen, dan een, hetwelk zijner waardig is, d, i. een oneindig volmaakt doel; niets is echter oneindig volmaakt dan God, alzoo kan Hij bij zijne werken alleen zichzelven ten laatste doei hebben. Daarom is ook alles in den hemel en op aarde slechts goed, als het op God, het laatste doel, gericht is. In de veronderstelling dan, dat God de -wereld wilde scheppen, moest Hij haar voorzeker hoofdzakelijk om zich zeiven, d. i. te zijner verheerlijking, scheppen.

1) Dat God de wereld ook werkelijk tot zijne verheerlijking of met andere woorden te zijner eer geschapen heeft, leert niet alleen de rede, leeren niet enkel de Kerkvaders en in het algemeen alle mannen, die in de wetenschap der

!) In andere leerboeken luidt liet antwoord op deze vraag; //God ./heeft de wereld geschapen, om den schepselen zijne goedheid te be-//wijzen door de openbaring zijner heerlijkheid.quot; Ook dit antwoord is juist, en zeer gemakkelijk uit te leggen. Wanneer God namelijk schept, bewijst Hij altijd aan de wezens, welke Hij schept, zijnegoed-Jieid, daar Hij hun het leven en al het goede, hetwelk zij hebben, niet uit dwang of noodzakelijkheid, maar uit vrije liefde mededeelt, en door die mededeeling naar buiten openbaart Hij zijne heerlijkheid d. i. zijne volmaaktheden. De katecheet dient er evenwel op te letten, 1) dat onder de uitdrukking schepselen voornamelijk de met verstand begaafde verstaan moeten worden; aan hen openbaart God zich reeds hier op aarde, als in een spiegel, opdat zij Hem kennen, beminnen en Hem, den Allerhoogste, gehoorzamen. //Ja, de hemel, de aarde, rde zee en alle zichtbare schepselen moeten vooral dienen, om den /mensch door de beschouwing van zoovele schoonheden tot liefde en „vereering van zijnen Schepper op te wekken 1).quot; — 2) Wachte de katecheet zich wel, de verheerlijking Gods voor te stellen als ware zij door God enkel als een middel om de schepselen gelukkig te mtiken beoogd; want daardoor zou. men ten onrechte moeten besluiten, dat niet God, maar het schepsel het hoofddoel der schepping is, dat bijgevolg de Allerhoogste bij die schepselen, die nooit tot de eeuwige zaligheid komen, het voornaamste doel, waartoe Hij de wereld geschapen heeft, niet bereikt.

1

In het 2iie boek over de roeping der heidenen, hoofdst. 4, dat aan den H. Prosper wordt toegeschreven.

-ocr page 301-

285

goddelijke dingen uitmunten, \') maar God zelf leert het in de H. Schrift: „Te mijner eerquot; spreekt Hij (Isaias XLIII, 7), ,.heb ik hen (de menschen) geschapen, heb ik hen gevormd „en heb Ik hen gemaakt.quot; En in het boek der Spreuken staat geschreven: „alles heeft de Heer om zich zeiven ge-„maakt, ook den goddelooze voor den kwaden dag.quot; Dat wil zeggen: alles heeft Grod te zijner verheerlijking geschapen; te zijner eer openbaart Hij aan de braven zijne goedheid, daar Hij hun het eeuwige leven schenkt; aan de goddeloozen daarentegen zijne gerechtigheid, daar Hij hen op den laatsten dag tot de eeuwige straf veroordeelt. Daarom zullen ook de Heiligen in den hemel, volgens het getuigenis der H. Schrift (Openb. IV, 9—11), den Allerhoogste „in „alle eeuwen der eeuwen heerlijkheid en eer en dank brengen en Hem lofzingende leggen zij alle voor zijnen troon hunne kroonen neder en spreken: „waardig zijt Gij, Heer, onze „God, te ontvangen lof en eer en macht: want Gij hebt „alle dingen geschapen, en door uwen wil zijn zij geworden „en uit het niet voortgebracht.quot; De geheele schepping is derhalve geroepen, om den Allerhoogste te verheerlijken ; doch door de redelijke schepselen moet dit op eene veel hoogere wijze dan door de overige geschieden. De redelooze schepselen zijn niet bij machte, God op eene andere wijze te verheerlijken , dan gelijk bijv. het werk eere doet aan den kunstenaar, die het gemaakt heeft. Het verstand en talent des meesters blijkt er uit, en aldus strekt het hem tot eer. Op gelijke wijze is, zooals wij reeds opmerkten, het geheele scheppingswerk de heerlijkste spiegel Gods oTeeh opengeslagen boek, waarin de goedheid, de macht en heerlijkheid des Scheppers met onuitwischbare letters te zijner eere te lezen staan. In dien zin zegt de H. Paulus (Rom. 1, 20) van God, dat „zijn onzichtbaar wezen, namelijk zijne eeuwige „kracht en godheid, in de geschapen dingen kenbaar en „zichtbaar is.quot; Het met verstand begaafde schepsel echter is bestemd , niet alleen om den Schepper kenbaar te maken, maar ook om zelf Hem te kennen, te beminnen en te aanbidden , Hem door getrouwen dienst te huldigen, en in de zaligheid des hemels Hem eeuwig te verheerlijken. - En dewijl dit onze bestemming is, vermaant ons de Apostel, alles ter eere Gods te doen : „het zij gij eet of drinkt, of iets „anders doet, doet alles ter eere Godsquot; (1. Cor. X, 32). En om dezelfde redenen leert ook Jesus Christus ons, vooral God

\') Het zij voldoende hier de leer van den H. Thomas aan te halen (Summa J. q. 65. art. 2); Totum universum cum singulis suis partibus ordinatur in Deum, sicut in finem, in quantum in iis per quamdam imitationem divina bonitas repraesentatur ad gloriam Dei.

-ocr page 302-

286

te bidden, dat zijn naam geheiligd, d. i. verheerlijkt worde; want niets moet ons meer ter harte gaan dan de verheerlijking Gods, wijl wij daartoe geschapen zijn.

2) Er is echter, zegt wellicht iemand, reeds bij de verklaring der eerste vraag aangetoond, dat de mensch geschapen is om eeuwig gelukkig te worden; en nu beweert men , dat hij ter verheerlijking Gods is geschapen; hoe komt dit met elkaar overeen ? Wij antwoorden; zeer goed ; want de verheerlijking Gods is juist de grond en de bron van onze zaligheid. Waarin anders bestaat toch onze ware zaligheid, zoo niet in de kennis en liefde Gods? Gelijk God in de aanschouwing en liefde van zichzelven eene volmaakte zaligheid geniet, zoo kan ook de mensch zijn evenbeeld, enkel dan gelukkig zijn, als hij put uit de bron der kennis en liefde Gods. Zoekt hij niet in God, maar in de ijdele en vergankelijke goederen dezer aarde zijn geluk, hij zal in plaats van heil slechts onrust en plagen en eindelijk zijn eeuwig verderf vinden (Zie bladz. 6—.11). God nu verheerlijkt zich juist daardoor , dat Hij zich aan ons openbaart, dat Hij uit de schepping, als uit een heerlijken spiegel, zijne eeuwige macht, wijsheid en goedheid laat terug stralen, opdat wij Hem kennen en beminnen, en in Hem ons verblijden en gelukkig zijn. Ja niet altijd zullen wij den Heer enkel als in een spiegel of in het schaduwbeeld zijner schepselen aanschouwen; de sluier, welke zijn goddeli\'k aangezicht verbergt, zal eenmaal wegvallen, en wij zullen Hem zien van aanschijn tot aanschgn, in de volheid zijner heerlijkheid. Dan is het doel der schepping, de goddelijke verheerlijking en onze gelukzaligheid, volkomen bereikt. Dan is God „alles in allenquot; (1. Cor. XV, 28), en voor ons is er dan geen dood of droefheid, geen lijden of strijden meer, maar, in het aanschouwen van God eeuwige jubel, eindelooze vreugde en heerlijkheid (Openb. XXI, 4). Niemand zij derhalve zoo dwaas, te denken , dat wij God onzen Heer minder dr.nk verschuldigd zijn, omdat Hij de wereld allereerst te zijner verheerlijking heeft geschapen. Verdient een vorst, die er een bizonder genoegen in vindt, zijnen onderdanen weldaden te bewijzen, en er eene groote eer in stelt, hen gelukkig te maken, daarom minder door zijn volk bemind te worden? Wij zijn hier in hetzelfde geval. God stelt er zijne eer in, ons met zijne goederen te overladen: Hij verheerlijkt zich, door ons gelukkig te maken, en Hij maakt ons gelukkig, door zich zeiven te verheerlijken. Daarom zingt ook de Kerk bij het H. Offer: „Wij danken O , o „Heer! om uwe groote heerlijkheid.quot;

Vergeet toch nooit, dat God onze verheerlijking niet

-ocr page 303-

287

noodig heeft; Hij is buitendien eeuwig en oneindig gelukkig. Maar wij moeten Hem verheerlijken, willen ook wij eenmaal gelukkig zijn. Het gaat hiermede eenigermate als met de zon. Wij hebben voorzeker de zon noodig, om te zien ; maar de zon heeft ons niet noodig, om licht te geven. Haar glans wordt niet verhoogd door het licht, dat zij ons toezendt; maar wanneer zij het ons onttrok, zouden wij niet eens in staat zijn, haar te kennen, hare schoonheid te schatten en te bewonderen. Zoo is het ook ons belang, ons voordeel, dat God zich door de schepping der wereld verheerlijkt; niet voor Hem, maar voor ons is zij eene weldaad; niet Hem, maar ons strekt zij ten heil. Toen Hij de wereld schiep, beminde Hij ons, en schonk Hij ons uit vrije, eeuwige liefde onbeschrijfelijk veel goed.

Er zijn evenwel ook menschen, voor wie die ontelbare weldadeij. van den Allerhoogste door hunne boosheid niet ten heil verstrekken, menschen, voor wie het, volgens het getuigenis der H. Schrift, beter zou geweest zijn, zoo zij niet geboren waren (Matth. XXVI, 24). Moeten dusdanigen hun eeuwig verderf niet aan zich zeiven wijten? God heeft ook hen voor het geluk des hemels geschapen; Hij gaf hun, ter bereiking van dat doel, overvloedige middelen en genaden; Hij vermaande, bedreigde, waarschuwde, wachtte op hen met grcote lankmoedigheid en geduld. Evenwel heeft Hij hun vrije keuze gelaten, wijl het niet goed was, dat Hij hun, tegen hunnen wil, opdrong deelachtig te worden aan zijne gelukzaligheid. Indien zij nu niettemin alle goddelijke genaden en weldaden versmaden, het vergankelijk welzijn op aarde boven het hemelrijk stellen, is het dan niet hunne eigen schuld? Is daardoor het plan, hetwelk God bij de schepping der wereld had, verijdeld? Geenszins, want God wil de eeuwige zaligheid der schepselen slechts onder voorwaarde, dat zij zich die niet onwaardig maken. Wanneer eenigen dat geluk verliezen, bereikt de Allerhoogste toch altijd het hoofddoel der schepping, namelijk de openbaring en verheerlijking zijner volmaaktheden, in het bizonder van zijne gerechtigheid in het bestraffen der zonde. — En die verheerlijking strekt zelve weder, zoo niet ten beste der verworpelingen, tenminste ten beste van de uitverkorenen. Immers hoe weinig menschen zoud\'en zich moeite geven, om de eeuwige zaligheid te verwerven, indien zij in liet andere leven de strat der hel niet te vreezen hadden? Wat is wel meer geschikt, ons van de zonde af te schrikken, dan de gedachte dat God vele duizende engelen om eene enkele zonde in den afgrond der eeuwige smarten neerstortte? En wat is meer in staat, ons tot de liefde van Jesus Christus op te wekken, dan het geloof dat Hij door zijnen dood ons van de eeuwige verdoemenis verloste? \'t Is juist dat geloof, hetwelk in zoo vele harten die heldhaftige liefde ontsteekt, welke, om het heil van den evennaaste te bewerken, marteling en dood veracht. Hoevelen hebben hun leven gegeven, en hoevelen onderwerpen zich nog heden aan de grootste moeielijkheden en ongemakken, om de zondaars en dwalenden en on-geloovigen aan het eeuwig verderf te ontrukken? Zoo strekt derhalve elke verheerlijking Gods, zoowel die zijner goedheid als zijner gerechtigheid, immer ten beste, zoo niet van allen, voor het minst van diegenen, die er tot hun heil nut uit willen trekken. O! mocht gij, lezer, er uw voordeel mede doen! Bedenk het wel: van u zeiven-hangt het af, of gij eens Gods goedheid tot uwe eeuwige zaligheid, of zijne gerechtigheid tot uw eeuwig ongeluk zult verheerlijken. Wanneer gij thans God verheerlijkt als zijn braaf kind door gehoorzaamheid en

-ocr page 304-

288

liefde, door getrouw zijne geboden te onderhouden, dan zal ook Christus u verheerlijken, als Hij eens komen zal in de wolken des hemels, om te oordeelen de levenden en de dooden. Dan zal Hij u verheerlijken, voor de geheele wereld en voor de Engelen-scharen, en tot u spreken: Kom, gezegende mijns Vaders, bezit het rijk, dat voor u bereid is van den beginne der wereld (Matth. XXV). En dan zult gij met Jesus Christus, met de Heiligen en Engelen en alle uitverkorenen binnen gaan in het heerlijke rijk, in de eeuwige vreugde des Heeren. Ja, het is ons allen voorbereid, wij zijn allen voor dat geluk geschapen; o! dat toch niemand een zoo groot geluk lichtzinnig ver-

beure en tegen de eeuwige pijnen verr\'uile!..... Liever alles prijs

geven, dan den hemel te verliezen!

Bestuur der wereld. Toorzieuisheid.

Wat doet God nog voortdurend, opdat de wereld, vjelJce Rij heeft geschapen, niet weder tot het niet terugkeere ?

God behoudt en regeert de wereld door zijne voorzienigheid.

1) God behoudt de wereld, d. i. Hij maakt door dezelfde kracht van zijn wil ^ waardoor Hij de wereld geschapen heeft, dat zij blijft bestaan, zoo als en zoo lang het Hem behaagt. „Alles wat Hij geschapen heeft, bescheroit eu „bestuurt God met zijne voorzienigheid, met kracht reikende „van einde tot einde, en alles met zachtheid beschikkendequot; (Cone. Vatic, caput. 1). — Een huis blijft staan, al verwijdert zich de bouwmeester, maar de wereld kan geen enkel oogenblik voortbestaan ^ als God haar niet bewaart. Zoo spreekt de H. Augustinus. De reden van dit verschil is gemakkelijk te begrijpen.

De bouwmeester geeft slechts den vorm aan het gebouw, maar de stof maakt hij niet. Deze ligt reeds, door God geschapen, in eene ruime, onregelmatige massa voor hem, en laat zich naar believen gebruiken. Maar geheel anders is het geval met het wereldgebouw. God gaf dit niet enkel den vorm, maar schiep ook de bouwstoffen, en gelijk deze uit niets zijn voortgebracht, zouden zij ook van zelf weder in het niet wegzinken, als God er niet gestadig de hand aan hield, gelijk een steen naar beneden ploft, zoodra de hand, welke hem tegenhield, zich terugtrekt. „Men moet „derhalve niet denken,quot; zegt de Catech. Rom., „dat het-„geen God heeft voortgebracht, na de voleindiging en het „besluit van het scheppingswerk, zonder zijne onbegrensde „macht zou kunnen voortbestaan. Want gelijk alles door

-ocr page 305-

289

„de hoogste macht, wijsheid en goedheid des Scheppers iu „het leven is geroepen, zoo ook zou het terstond weder „in het niet wegzinken, indien zijne voorzienigheid niet „bij de geschapen dingen voortdurend tegenwoordig bleef, „en door dezelfde kracht, waardoor zij ontstaan zijn, hen „behield.quot; Dit verklaart ook de H. Schrift, zeggende (Wijsh. XI, 26): „Hoe zou iets kunnen bestaan zonder „uwen wil (o God) ? En hoe zou iets kunnen behouden „worden, hetwelk Gij niet in het leven hebt geroepen ?quot; Hetzelfde is ook duidelijk aangegeven in de woorden „dat „alles door God bestaatquot; (Col. II, 17), dat „God alles „draagt door het woord zijner kracht\'\' (Hebr 1, 31, dat „God leven, adem en alles geeftquot; (Hand. XVII, 25). Het behoud der wereld is bijgevolg als het ware eene voortzetting der schepping, en evenzeer een werk van de goddelijke macht en goedheid. Zijt gij, waarde lezer ! den goeden God grooten dank verschuldigd, dewijl Hij u in één oogenbltk schiep, des te dankbaarder moet gij Hem zijn, omdat Hij u onafgebroken zoo vele uren en dagen behoudt en beschermt.

God behoudt de wereld zoo als en zoo lang het Hem behaagt; haar voortbestaan hangt enkel af van zijn wil. Zoo lang God door het woord zijner kracht het onuie-telijk heelal draagt,, schittert de zon, schijnt de maan, fonkelen de sterren, prijkt de aarde met steeds vernieuwde schoonheid. Onttrekt Hij zijne kracht, dan verdwijnt alles spoorloos, gelijk rook in de lucht. Zoo lang de Allerhoogste zijne beschermende hand over het menschdom uitstrekt, verheugt het zich in het leven; trekt Hij haar terug, de mensch zinkt ueêr in het graf. O mensch! bedenk dit wel. Hangt gij zoodanig van God, uwen Schepper en Behouder af, hoe durft gij het dan nog wagen, Hem te beleedigen ? Zeg eens, als iemand op een hoogen toren staande een ander, die in de lucht zweeft, met zijne hand vasthield, om hem niet uit de hoogte in den diepen afgrond te doen neêrstorten; zou deze dan, aan zulk een groot gevaar blootgesteld, het wel wagen, zijnen beschermer te beleedigen en te honen? Welnu, Christen! gij verkeert in gelijk gevaar. Uw leven hangt af van Gods wil, als een dunnen draad, waaraan zijne hand u over den afgrond des doods vasthoudt. Trekt Hij die hand terug, dan breekt uw levensdraad, en gij zijt dood, ja gij valt, indien ge iu doodzonde sterft, in den afgrond der hel, waar een eeuwig gehuil en tandengeknars gehoord wordt. Hoe durft gij nu zoo vermetel zijn, Heai te honen, van wiens wil het afhangt, uw leven te behouden en u voor den eeuwigen ondergang te b awaren ? Welk eene ongehoorde verblindheid!

DF.ri.VRBE, GELOOFS jEEK. Ip SleDfiOK. 10

-ocr page 306-

290

2) God bestmirt de wereld, d. i. Hij zorgt voor alles, beschikt en leidt alles met wijsheid en goedheid tot het doel, waartoe Hij de wereld geschapen heeft.

a) God zorgt voor alles. Geen mensch, ja zelfs het geringste schepsel niet, is van die goddeliike voorzorg uitgesloten; God heeft „zoowel de kleinen als de grooten gemaakt, en „zorgt evenzoo voor allenquot; (Wiish. VI, 8). „Aller oogen ,. wachten op U, en Gij geeft hun te zijner tijd hunne spijs, „Gij doet uwe hand open, en overlaadt al wat leeft met „zegeningquot; (Ps. CXLIV, 15, 16). Wat achten wij minder zorg waard dan eene musch, dan eene bloem, die men onachtzaam vertreedt? En toch strekt Gods zorg zich ook over deze uit. „Worden niet vijf musschen verkocht voor „twee penningen? En niet één van die is bij God vergetenquot; (Luc. XII, 6). „Aanschouwt de vogelen des hemels: want „zij zaaien niet, zij oogsten niet, zij verzamelen niet in

„de schuren; en uw hemelsche Vader voedt ze......

„Beschouwt de leliën des velds, hoe zij groeien : zij arbeiden „niet en spinnen niet; en Ik zeg u, dat Salomon zelf in „al zijne heerlijkheid niet gekleed is geweest gelijk een van „diequot; (Matth. VI, 26—29). Zelfs „de haren op uw hoofd „zijn geteldquot; (Luc. XII, 7).

b) God leschikt en leidt alles tot het doel, waartoe Hij de wereld geschapen heeft, namelijk tot zijne verheerlijking en ten beste van den mensch. Niets kan zich derhalve aan de heerschappij van God onttrekken; niets kan geschieden bij toeval of uit blinde noodzakelijkheid; niets is er, wat de Allerhoogste niet van eeuwigheid voorzien heeft: niets is er, wat Hij niet wil, of althans niet om hoogst wijze en billijke redenen toelaat. «Wie durft zeggen,quot; vraagt de Profeet Jeremias (III, 37), „dat er iets geschiedt, „zonder Gods bevel?quot; Zonder den wil van den hemelschen Vader valt er geen musch op den grond (Matth. X, 29), gaat er geen haar van uw hoofd verloren (Luc. XXI, 18). — En dat bestuur en die leiding van God, welke zich tot het kleinste uitstrekt, is vol macht, wijsheid en goedheid. Daarom lezen wij in de H. Schrift: „zij (de goddelijke wijsheid) strekt zich uit met kracht, van het ééne einde (dei-wereld) tot het andere, en bestuurt alles ten meesten nuttequot; (Wijsh. VIII, 1). Zoo liefderijk is die goddelijke leiding, dat zij eene vaderlijke, en tevens zoo krachtig en machtig, dat zij eene koninklijke verdient genoemd te worden. „Uwe „Voorziennigheid , Vader! bestuurt allesquot; (Wijsh. XIV, 3). „Heer, Heer, almachtig Koning!.... er is niemand, die „uwen wil kan wederstrevenquot; (Esth. XIII, 9). — Doch hoe krachtig de goddelijke Voorzienigheid ook alles bestuurt ,

-ocr page 307-

291

zij vernietigt echter \'s menschen vrijen wil niet, maar gedoogt, dat elk schepsel overeenkomstig zijne hein eigen verstandelijke en lichamelijke vermogens werkzaam zij. En daaraan erkennen wij juist den goeden en wijzen Bestuurder, dat Hij alle schepselen tezamen en tevens ieder in het bizonder zóó tot hunne bestemming voert, als de natuurlijke vermogens van ieder eischen. — Laten wij dan, bij de gedachte aan de geldelijke Voorzienigheid, den Heer loven, laten wij met een dankbaar en vertrouwend hart uitroepen :

„De Heer bestuurt mij , niets zal mij ontbreken...... Al

,.ga ik door een dal van schaduwen des doods, ik vrees geen ..kwaad, want Gij zijt met mijquot; (Ps. XXII).

Hoe troostrijk en onloochenbaar ook de leer van de goddelijke Voorzienigheid is, toch zijn er rampzaligen, die weigeren ze aan te nemen en Gods vaderlijke voorzorg lasteren. „God zou wel veel te doen hebben,quot; zoo hoort men hen in hun onverstand tot elkander spreken , „als Hij zich met „elk haartje, met elk wormpje of met elk zandkorreltje „op aarde wilde bemoeien.quot; — Die dwazen vergeten, dat „de geheele wereld voor God is gelijk een stofje aan de „weegschaal, en als een droppel morgendauw, die op aarde „neervaltquot; (Wijsh. XI, 23). Is het geene miskenning van den Almachtige, wanneer men zich verbeeldt, dat het Hem te veel moeite moet kosten om op alle dingen acht te geven, alsof het moeielijker zou wezen, aan hen te denken, dan hen te scheppen? Lastert men den Algoede niet, wanneer men denkt, dat Hij te voornaam of te trotsch is, om zich nog te verwaardigen op de schepselen, welke zijne grenze-looze liefde uit het niet te voorschijn riep, een oog te slaan? Strijdt het tegen Gods eer zich zijner schepselen aan te trekken, dan voegde het Hem nog minder hen te scheppen, merkt de H. Ambrosius terecht aan \'). God heeft uit oneindige goedheid de wereld geschapen; zal diezelde goedheid Hem niet aansporen, ze te besturen en te regeeren ? Hij heeft de wereld tot een hoogst wijs doeleinde geschapen ; zal Hij verder geen zorg meer dragen, dat zij hare bestemming bereikt? Wie anders over God denkt, stelt Hem, den oneindig-wijzen Schepper, gelijk met een onverstandig kind, dat er vermaak in vindt, zeepbellen te maken, om ze in de lucht heen en weêr te zien vliegen, tot zij vaneen springen. De kuiper verkoopt de vaten, met eigen hand gemaakt, en bekommert er zich verder niet om, want hij is alleen op de winst bedacht. Maar zoo

i) Lib. I. de offic. c. XIII.

19*

-ocr page 308-

292

handelt de vader niet met zijn kind. En is God niet de teederste Vader, die ons geschapen heeft ? O ! wat zegt niet de naam van Vader, die naam, welke slechts van goedheid en liefde spreekt! !) Hoe! de hemelsche Vader, „van wien alle vaderschap is in den hemel en op aardequot; (Eph. III, 15), llij, die zelfs den dieren eene wonderbare teederheid voor hunne jongen ingeeft, zoodat hijv. de hen uit groote liefde voor hare kiekens zich zelve vergeet en gebrek lijdt... . Hij zou voor den mensch, dien Hij naar zijn evenbeeld heeft geschapen, geen hart, geen gevoel van liefde hebben ? Hij zou tot hem kunnen zeggen: ga weg uit mijne oogen, gij verachtelijk wezen; wees er tevreden meê , dat Ik u uit het niet getrokken heb; hoop niets meer van luij. — Zou het niet even dwaas als goddeloos zijn, zulke woorden, zulke gevoelens den Algoede toe te schrijven ? Dit doen evenwel al degenen, die Gods zorg voor zijne schepselen loochenen.

Al leerden de H. Schrift en de rede ons zoo duidelijk niet, dat God met wijsheid en vaderlijke liefde voor al zijne schepselen zorg draagt, wij zouden slechts de oogen behoeven te openen en de wonderbare orde van het heelal. de schoone samenwerking van al zijne deelen aan te zien, om ons van die waarheid te overtuigen. Want alles wat wij vroeger van de orde, welke in de geheele wereld zichtbaar is, van den geregelden loop der sterren, van de onveranderlijke opeenvolging der jaargetijden, enz. gezegd hebben, om daaruit het bestaan van een hoogst wijzen en almachtigen God te bewijzen, dat alles bewijst evenzeer, dat God na de schepping der wereld zijn werk niet aan het toeval prijs gaf, maar voortdurend behoudt, bestuurt en geleidt. Een licht dooft immers uit, een uurwerk blijft stilstaan, een huis valt langzamerhand in , als niemand er zich om bekommert. Als nu de zon nog licht geeft, gelijk voorheen; als de sterren niet afdwalen; als de verwisseling der jaargetijden, de groei der boomen en kruiden, de voortplanting der dieren, kortom de wereld met hare werken en inrichtingen nog altijd voortduurt gelijk voor zes duizend jaren, en niets in wanorde is gekomen, dan kan zulks toch niet zoo van zelf komen, maar Gods hand moet daarbij werkzaam zijn. Wijl ons kortzichtig verstand in de wereldorde of in den loop der natuur dingen ontdekt, die wanordelijkheden sokij\'/ien, daarom mag ons geloof aan Gods wereldbestuur niet wankelen of verloren gaan.

\') De H. Leo 6^e Preek op Kersnacht.

-ocr page 309-

203

1) Vele gebreken of schijnbare wanordelijkheden komen alleen voort uit de noodzakelijke beperktheid van onze geschapen natuur. Indien God die allen uit den weg wilde ruimen, zon Hij deze wereld moeten vernietigen en eene andere scheppen, ot\' om juister te spreken. Hij zou er volstrekt geene moeten geschapen hebben. Want gelijk er in een welgeoefend leger officieren en gemeen-soldaten zijn, aan het koninklijk hof vorsten en bedienden, en in een geregelden staat overheden en onderdanen; zoo kan ook de geheele wereld niet eenerlei wezen, en de schepselen kunnen niet allen dezelfde hoedanigheden en eigenschappen bezitte:i. Wat zou eene schilderij zijn zonder schaduwzijde, zonder afwisseling van doffe en lichte kleuren? En welke waarde zouden goud en diamanten hebben, als alle metaal goud en alle steenen diamanten waren? Er moeten onder de schepselen verschillende afdeelingen en soorten, en ook onder de menschen verschillende klassen, standen, geslachten en leeftijden zijn. Wat nu de een minder bezit dan de ander, kan bij vergelijking als een gebrek voorkomen. Indien een dusdanig gebrek echter eene billijke reden tot klagen kon geven, zou nooit iets ter wereld goed kunnen zijn. Het leem zou alsdan kunnen klagen, dat het niet de vastheid van den steen, en de steen, dat hij niet den aangenamen geur van de bloem, en deze, dat zij niet het leven der dieren bezit. En ook het dier zou kunnen klagen, dat het niet het verstand van den mensch heeft; en deze^.dat hij niet zoo schoon als een Engel, en de Engel, dat hij niet zoo volmaakt als God is. En inderdaad was Lucifer, de schoonste Engel in den hemel, niet tevreden, maar hij wilde gelijk zijn aan God, en ook onze stamouders in het paradijs wilden hooger stijgen en goden zijn. Daar God zelf echter geen anderen God kan scheppen, zou Hij aan die klacht slechts een einde kunnen maken door alles te vernietigen. Wil men niet dat dit geschiede, laat ieder dan met de gaven, welke de Schepper hem verleend heeft, tevreden zijn, en alle krachten aanwenden om zijne bestemming te bereiken.

2) Somwijlen ontstaan enkele ongelukken ten gevolge der natuurwetten, welke door God ten beste van het heelal zijn vastgesteld. Zoo wordt een huis door den bliksem in brand gestoken, een schip door den storm ten gronde gericht, een reiziger op de Alpen door eene sneeuw-lawine voortgesleept en gedood. Jloet God echter daarom de natuurwetten opheffen? Zijn zij daarom slecht en verwerpelijk? Geenszins, zij blijven altijd zeer nuttig en noodzakelijk. Immers als er geene onweders en stormen waren, zou de lucht niet gezuiverd worden, en aanstekende dampen namen de overhand. Viel er in den winter minder sneeuw op de bergen, wij zouden in den zomer groot gebrek aan water hebben. Wat zou er van ons komen, als een vorst, om dusdanige ongevallen te voorkomen, de wetten van het land moest veranderen? Gesteld dat er een pan van het dak viel en een mensch op straat doodde, zouden daarom de daken voortaan slechts met stroo mogen gedekt worden? Of zou het misschien niet meer geoorloofd zijn, in den oorlog den vijand neêr te schieten, omdat de kogel eens een onschuldige heeft getroffen? Zou een vorst zich met dergelijke bevelen niet belachelijk maken? Of zal men wellicht van de goddelijke Voorzienigheid verlangen, dat zij telkens wonderen doet, om dergelijke onge-ongelukken van de menschen af te wenden? Maar een wonder is eene uitzondering op de algemeene natuurwet, en herhaalde uitzonderingen ontnemen aan de wet alle kracht. Waar geen wet meer is, daar gewis heerscht wanorde, en tengevolge van deze het grootste onheil. Het zou niet eens voordeelig zijn voor den mensch, als God ter bescherming van zijn leven telkens wonderen werkte; want niets houdt hem krachtiger van den weg der zonde af en sterkt hem meer tegen de verleidingen ten kwade, dan juist de mogelijkheid, door den dood eensklaps verrast, en in den afgrond des eeuwigen verderfs gestort te worden.

3) Vele andere onheilen zijn, zooals wij later zullen zien, natuurlijke gevolgen der erfzonde. Had deze de natuur niet in hare kiem

-ocr page 310-

294

bedorven, wij zouden niets weten van de kwade begeerlijkheid, de bron van zoo veelvuldige zonden, niets van zwaren arbeid, schadelijke dieren, drukkenden nood, van ziekten, van dood, met één woord, van alle lijden en moeielijkheden des levens hier op aarde. Is het echter wel de schuld van den allerheiligsten God, dat de mensch zondigde? Was \'t gebod, hetwelk Hij onzen stamouders gaf, niet licht? Schonk Hij hun niet de kracht en genade, om het te onderhouden? Schrikte Hij hen niet door strafbedreiging van de overtreding af? En verleent God ons niet overvloedige hulp en genade, om al de lasten van het tegenwoordige leven in bronnen van eeuwige verdiensten voor den hemel te veranderen ?

4; Om de schijnbare gebreken dezer wereld te beoordeelen, moeten wij ook de wereld in geen beperkt gedeelte, maar in haar geheel, en vooral in hare verhouding tot eonehoogeve, bovennatuurlijke wereld-orde beschouwen, en bedenken, dat God de tegenwoordige wereld als eene onvolmaakte laat bestaan, daar Hij den mensch eerst in de toekomst, in de betere wereld , eene volmaakte zaligheid heeft voorbereid Degene, die van eene schilderij alleen de schaduw, of van een standbeeld alleen eene hand of een voet ziet, kan onmogelijk een juist oordeel over het geheele werk des kunstenaars vellen. Kenden wij steeds de geheime raadsbesluiten der goddelijke Voorzienigheid, al de lichtkanten van dit wondervol tafereel, hetwelk zich in de bestiering der wereld aan ons voordoet: hoe dikwerf zouden wij moeten bekennen, dat hetgeen ons als een groot ongeluk voorkomt, alleen den schijn van een onheil heeft, maar in zich eene groote weldaad van God is \').

!) Ten bewijze diene het volgende voorval uit het leven van den reeds genoemden H. Joannes, Patriarch van Alexandrie, die, om zijne verwonderlijke milddadigheid, den bijnaam van „Aalmoezenierquot; verdiende. Op zekeren dag kwam bij dezen uitstekenden Heilige een rijk koopmanj die hem acht en een half pond goud ter hand stelde, hem dringend verzoekende, dit onder de armen te verdeelen, en voor het behoud van zijnen zoon te bidden. Deze, zijn eenig kind, was namelijk met een rijk bevracht schip uitgezeild, en de minnende vader wachtte met angst en zorg naar zijne terugkomst. De vrome Patriarch nam het geschenk aan en droeg den Heer met groote godsvrucht het H. Misoffer op, smeekte vurig dat de geliefde zoon, uit alle gevaren gered, weldra behouden in zijn vaderland mocht aanlanden, ïia verloop van eenige dagen kwam het lang verwachte schip terug, doch iedig, zeer beschadigd, en niet door den zoon van den rijken koopman, maar door diens hofmeester bestuurd. Deze bracht den ontstelden vader de verschrikkelijke tijding, dat zijn zoon gestorven, en het geheele sciiip in groot gevaar geweest was van schipbreuk te lijden. Over dit onherstelbaar en onverwacht ongeluk was de koopman ontroostbaar, en de Patriarch zelf was diep bedroefd bij het vernamen dezer tijding. Hij liet den vader smeeken, dat hij zich niet aan wanhoop overgeven, maar vertrouwen zou op God, die niets zonder de allerhoogste wijsheid doet en alles ten beste leidt. Intusschen bad hij echter hartelijk tot den Heer, dat hij den zwaar getroffen vader met zijnen troost zou vervullen. God verhoorde het gebed van zijnen dienaar. In den volgenden nacht zag de koopman in den droom iemand, die zeer veel op den Patriarch geleek en tot hem sprak; /,mijn broeder, waarom kwelt gij u zoo, waarom zijt gij zoo bedroefd z/en kleinmoedig? Hebt ge mij niet gevraagd God \'te \'bidden, dat uw //zoon uit alle gevaren gered zou worden ? Zie. hij is nu goed en zalig //in den hemel. Weet echter, dat hij bij een langer leven in de zonde //gevallen en eeuwig verloren gegaan zou zijn.quot; Hierop ontwaakte de koopman en gevoelde zich geheel opgebeurd. Hij begaf zich terstond naaiden Patriarch, vertelde hem zijn troostelijken droom, en beide loofden en dankten de goddelijke Voorzienigheid, die alles ten beste bestuurt.

-ocr page 311-

295

Behalve de boven aangevoerde bewijzen uit de rede en de zichtbare wereld-orde, zijn er nog vele anderen, om de leer der goddelijke Voorzienigheid te bevestigen. Zoowel de stem des gewetins! als de eenparige overtuiging der volkeren verkondigen ons de alles-besturende Voorzienigheid. Was de Allerhoogste een voor alles onbekommerd wezen, dat, naar de taal der goddeloozen, ,/Oiu der hemelen ronden z/kreits wandelt, zonder aan ons te denkenquot; (Job XXII, 14), vanwaar dan dat onbedekt gerecht in ons binnenste, die donderende stem des gewetens, welke ons, bij elk ongeoorloofd genot, voor een onzicht-baren wreker des kwaads beangstigd maakt? Vanwaar ontstaat dan die aandrang van \'s menschen hart, om in verdrukking of gevaar Gods hulp in te roepen? En wat heeft dan alle volkeren op de gedachte gebracht, door godsdienstoefeningen den zegen des Allerhoogsten over zich af te trekken? Alles vereenigt zich derhalve, om de goddelijke Voorzienigheid te bewijzen: het woord der H. Schrift, het licht des verstands, de orde der zichtbare wereld, de stem des gewetens, het eenparig getuigenis van alle volkeren der aarde. Koevele heerlijke bewijzen zouden wij daarenboven vinden, bijaldien wij de jaarboeken der gewijde en ongewijde geschiedenis wilden openslaan, als wij ons de oude tijden herinnerden en alle geslachten nagingen? \') //Vraag /,slechts uwen vader,quot; zegt de H. Schrift, //en hij zal u verkondigen; «uwe voorouders, zij zullen u zeggenquot; (5. Mos. XXXII, 7). En wanneer ieder zijne eigen lotgevallen ernstig wilde overwegen en Gods beschikkingen gadeslaan, hoe menigeen zou bekennen, dat de Heer hem zoowel in duistere als heldere dagen genadiglijk //geleidde en leerde en als zijnen oogappel bewaarde!quot; (Vers 10).

Indien God alles regelt en bestuurt in de wereld, vjaarom geschiedt er dan nog kwaad? Wil Hij dit ook?

Het kwaad wil God niet; maar Hij laat het toe, 1) wijl Hij den mensch een vrijen wil heeft geschonken; 2) wijl Hij ook het kwade ten goede, d. w. z. tot voltrekking zijner eeuwige raadsbesluiten weet te leiden.

God, de heiligheid zelve, wil de zonde niet. „L\'we „oogen (o Heer!) zijn te rein, om hel kwaad te zien, en „naar ongerechtigheid kunt Gij niet omzienquot; (Hah. I, 13).

\') Wie denkt hier niet aan de redding van het israëlitische volk door Esther? Aman, de gezworen vijand der Joden en alvermogend gunsteling van den koning Assiierus, had, door list, van zijn vorst een bevelschrift weten te krijgen, waarbij geboden werd, dat alle Joden op éénen dag zouden vermoord worden. Onverwijld zond hij dit naar alle stadhouders van het land, en verblijdde zich reeds over het gelukken zijner plannen tot wraak. Doch God zorgde voor zijn volk. Esther, de gemalin van Assuerus, hare joodsche afkomst gedachtig en door haren voedstervader Mardochëus aangemoedigd, begaf zich tot den koning, en vond bij hem genadé voor zich en voor haar volk, wijl de Heer machtig was, het hart van Assuerus tot zachtmoedigheid te stemmen. De snoode Aman werd op \'s konings bevel gehangen aan de 50 ellen hooge galg, welke hij voor Mardochëus in gereedheid had gebracht; het bevel ter uitroeiing van de Joden werd ingetrokken en het geheele volk kwam door de verheffing van Mardochëus hoog in aanzien.

-ocr page 312-

296

Daarom verbiedt en bestraft Hij ook het kwaad (Zie boven de leer over de heiligheid en gerechtigheid Gods). God laat echter het kwaad toe:

1) Wijl Hij den menach vrij geschapen, d. w. z. hem een vrijen wil gegeven heeft. „God heeft van den beginne den „mensch geschapen, en hem een vrijen wil geschonken.

„Daarom heeft Hij zijne geboden en voorschriften gegeven.....

„De raensch heeft vóór zich leven en dood, goed en kwaad ; „hetgeen hem behaagt zal hem gegeven worden\'\' (Sir. XV, 14—18). Doch uit deze vrijheid volgt de mogelijkheid , om zijn wil ten kwade te misbruiken. Het misbruik evenwel is enkel \'s menschen werk, en moet hem alleen toegerekend worden. —

Daarom houdt echter de vrijheid niet op, een heerlijk, den wijzen en goeden Schepper waardig geschenk te zijn; want het strekt den mensch tot eer en Gode tot verheerlijking. Had de mensch de vrije keus niet, moest hij het goede verrichten uit een onwederstaanbaren dwang, gelijk bij zich naar geluk getrokken, of zich gedrongen gevoelt, door spijs en drank zijn honger en dorst te stillen, dan zouden wij hem kunnen achten, maar niet bewonderen, niet prijzen, hem het goede niet als verdienste aanrekenen. W elke waarde zouden de schitterende daden van Gods dienaren, de zelfbeheersching der HH. Maagden, de strengheden der boetvaardigen, de moed en de in marteling en smarten onwankelbare standvastigheid der Bloedgetuigen hebben? Zonder de vrijheid zouden zij louter handelingen zijn, die niet nagelaten kunnen worden, die bijgevolggeene bewondering, geenen lof, geen loon verdienen. De hemel, hunne woonplaats voor eeuwig, zou voor de Heiligen wel eene genade, eene begunstiging, maar geene belooning, geene om verdiensten verleende onderscheiding of eer zijn. Hierin bestaat hun hooge roem, dat zij, gewis met den bijstand der goddelijke genade, doch niettemin door vrije keuze, de overwinning over wereld , vleesch en hel verworven, het hemelrijk niet zonder hun eigen toedoen verkregen, maar veroverd hebben.

Dan, hoewel de vrijheid den mensch tot eer strekt, zij verstrekt evenzeer Gode tot verheerlijking. Bestond er geene vrijheid, van zelf was dan ook het goed en slecht gebruik er van onmogelijk; hoe had God ons zekere volmaaktheden kunnen openbaren, die zoo uitmuntend geschikt zijn, om ons Hem te doen kennen, en ons hart van liefde jegens Hem te ontvlammen? Wat zouden wij wel weten van de kracht der goddelijke genade, wat in \'t bizonder van zijne rechtvaardigheid, van zijne onuitputtelijke barmhar-

-ocr page 313-

297

tigheid, wat van zijne lankmoedigheid, wat nog van zijne milddadigheid in het beloonen? Zelfs zijne wijsheid zon minder helder schitteren. Zoo een muziekdirekteur eiken bekwamen en onhekwamen muziekant vrij liet, om naar zijn eigen keus en kunde te spelen, en niettemin van al die verschillende tocnen en wanklanken een verrukkend geheel wist te maken: wie zou aan die wijsheid en ervarenheid zijne bewondering kunnen weigeren? Hetgeen den mensch volstrekt onmogelijk is, dat voert God uit. Hij laat elk zijner redelijke schepselen den vrijen wil, en geleidt niettemin alles tot één hoogste doel, tot zijne meerdere eer. Niets draagt inderdaad meer tot Gods verheerlijking bij , dan dat de mensch zich uit vrije verkiezing aan Hem onderwerpe, Hem diene, zich en al het zijne zonder voorbehoud ten offer brenge. Of strekt het eenen heer niet tot bizondere eer, wanneer zijn dienaar zonder dwang, met kinderlijk bereidvaardige liefde, ook de moeielijkste diensten op zich neemt; strekt het een koning of veldheer niet tot hoogen roem , wanneer zijne soldaten uit vrije beweging en op den eersten wenk ten strijde trekken? God, de Heer en Koning der wereld, verlangt offers van den mensch; maar alleen vrijwillig aangebrachte offers vereeren Hem en zijn Hem welgevallig; op deze ziet Hij met bizonder welbehagen neder, zooals weleer op het uitgelezen offergeschenk van den vromen Abel. — God laat het kwaad toe, 2) wijl Hij zelfs het kwaad iveet te leiden ten goede, d. w. z. tot voltrekking zijner eeuwige raadshesluiten. — Met dit gezegde bedoelen wij, zooals van zelf duidelijk is, geenszins, dat God het kwaad toelaat met het oogmerk, om er goed uit te trekken; maar alleen dat God het kwaad niet zou toelaten, indien Hij niet machtig en wijs genoeg was, ook het kwaad ten goede te leiden. Aldus leert, onder-vele anderen, de heilige Augustinus, die terecht een der-schitterendste lichten der Kerk genoemd wordt \'). „Dewijl „de almachtige God tevens hoogst goed is, zou Hij „voorzeker niets kwaads in zijne schepping dulden , zoo „Hij niet in dier mate machtig en goed was, dat Hij

„ook uit het kwaad goed vermocht te trekken..... Hij

„achtte het beter, uit het kwaad goed te winnen, dan „in \'t geheel geen kwaad toe te laten.quot; — God weet derhalve alle kwaad ten goede, d. w. z. tot voltrekking zijner-eeuwige raadsbesluiten te leiden ; ja, zelfs het grootste kwaad, namelijk de zonde, welke Hij haat en verbiedt,

\') Enchirid. c. 11. et 17.

-ocr page 314-

moet dienen, om ons zijne volmaaktheden te openbaren. Ja, God openbaart de strengheid zijner rechivaardigheul dooide zonde niet slechts met tijdelijke rampen, maar ook met de eeuwige pijnen der hel te straffen. Hij openbaart zijne Jieiliriheid, als Hij, ter voldoening voor de zonde, het bloed en den dood van ziinen eigen, eeniggeboren Zoon eischt. Hij openbaart zijne goedheid, wijl Hij niet ophoudt, den zondaar , zijn trouweloos, ondankbaar schepsel, met genaden en weldaden te overladen. Hij openbaart zijne lankmoedig-heid, daar Hij den zondaar tijd laat, zonden op zonden te stapelen, en schier met smart op diens bekeering wacht. Hij openbaart zijne barmhartigheid, als Hij den misdadiger vergeeft, en nog eens vergeeft, zoodra deze met een vermorzeld hart tot Hem terugkeert. God fnuikt verder met sterke hand den aandrang zijner vijanden, en dwingt de wederspannigen , zijne wijze plannen door dezelfde middelen te bevorderen, welke zij onvermoeid en met duivelsche arglistigheid aanwenden, om die plannen te verijdelen; welk eene schitterende openbaring zijner macht en wijsheid! Zoo moeten de bruisende golven het schip, hetwelk zij dreigen te verzwelgen , de veilige haven binnen brengen, wijl een krachtiger arm het roer vasthoudt en de woede dier golven betoomt.

Werp een blik op de H. Kerk , en gij zult die wonderbare leiding van het kwaad ten goede, de zegepraal der goddelijke macht en wijsheid over alle geweld en sluwheid der vijanden, in het helderste licht aanschouwen. De Apostelen beginnen de hun opgedragen taak tot heil der wereld. en verkondigen met onverschrokken moed den Joden Jesus den Gekruiste. Dat volk, schuldig aan den moord van den Godmensch, blijft echter verstokt, vervolgt en mishandelt die heilsboden, en dwingt hen Judea te verlaten. Ziedaar echter juist het middel, waarvan God zich bediende, om de zaligmakende Kerk over te brengen in de heidensche gewesten. Spoedig daarna verhieven vorstelijke tirannen hun zwaard tegen Christus\' Bruid; het bloed barer kinderen vloeide bij stroomen , doch God is machtig uit het bloed zijner talrijke Martelaren nieuwe Christenen te vervrekken. Die zware stormen der vervolging zijn voorbijgegaan, eu de Kerk bloeit wederom in volle kracht, gelijk een boom geplant bij waterbeken. Er ontstaan nieuwe verdrukkingen ; stormen en dwaalleeringen schokken hevig den boom der Kerk, scheuren menig blad, ja zelfs twijgen en takken af; maar door de hand des Allerhoogsten onderschraagd, blijft de stam vast en onbewegelijk staan ; hoe heviger het stormt, des te verder wordt het zaad der goddelijke leer

-ocr page 315-

299

gedragen. Na deze stormen vleien zich de volkeren rustig in de schaduwen des levensboom neder, totdat wilde stammen uit het woeste noorden opdagen, en overal schrik en verwoesting verspreiden. God steekt opnieuw zijne almachtige hand uit, en die barbaarsche horden, in lammeren herschapen, vermeerderen de vreedzaam weidende kudde. Menigmaal na dien tijd en nog in den onzen hebben velen de bijl opgevat en zich met woede en beimeiijken spijt op den wortel van dien heiligen, door God geplanten boom geworpen; al hunne slagen waren vergeefsch, zij troffen de steenrots, waarop hij gevestigd is, en sprongen terug. De snoodaards verwondden zich zei ven, en de Kerk staat pal in verjeugdigde kracht. „Gij hebt kwaad tegen mij gedacht, „maar God heeft dat ten goede gekeerd, om mij te verheffen „en vele volken te redden\'\' (1. Mos. L, 20). Aldus sprak Joseph van Egypte tot zijne broeders, die hem uit haat verkocht hadden; zoo zal ook eenmaal, op den grootenquot;\' dag van vergelding, de H. Kerk spreken tot allen, die haar hoonden, lasterden en vervolgden. Zij heeft daarvoor een zekeren waarborg in het voorbeeld van onzen Heer Jesus Christus, haren goddelijken Stichter. Ook tegen Jesus smeedden de menschen kwaad ; zij bespotten, bedilden, lasterden zijne leer, zij vervolgden Hem en zijne leerlingen; zij kluisterden Hem in boeien, sloegen Hem met geesels, kroonden zijn hoofd met doornen, hingen Hem aan het schandelijk kruishout, vermoorden Hem, den Godmensch. Doch God heeft die wandaad doen strekken, om Jesus te verheerlijken en Hem den Verlosser der gansche wereld te maken. Ziedaar de geschiedenis van den Stichter der Kerk, ziedaar ook die der Kerk zelve. Hare vijanden wanen soms hunne sluw berekende plannen voort te zetten, maar ongemerkt vervullen zij de heilige en liefderijke inzichten van God, en hunne boosaardige aanslagen strekken hun ten schande; „want er is geene wijsheid, en geene voorzichtig-„heid, en geen raad tegen den Heerquot; (Spreuk. XXI , 30;.

Indien God voor alles zorgt, waarom hestaat er dan zooveel leed op aarde ?

Ziekten , rampen en wederwaardigheden zijn de natuurlijke gevolgen en de straffen van de erfzonde en van andere zonden. Daarenboven kunnen zij den mensch dienen als middelen om zijn hoogste doel, de eeuwige zaligheid, te bereiken. God toch treft met ramp en tegenspoed, 1) opdat de zondaar zich betere en niet ten verderve ga.

-ocr page 316-

300

Een kundig arts wendt soms middelen aan, welke den zieke groote smart veroorzaken ; niet zelden snijdt en brandt hij in de wonde. Maar dit alles doet hij uit liefde, om boosaardige ziekten weg te nemen en diep wortelende gebreken te heelen. Eveneens gaat God ook met de menschen te werk. „Hij kwetst en heelt; Hij slaat en zijne handen „genezenquot; (Job V, 18). De zondige neigingen zijn doode-lijke ziekten der ziel, de slechte gewoonten verouderde gebreken; daarom wendt Hij middelen aan, die den mensch leed doen, maar hem genezen. Hij zendt hem wederwaardigheden toe, om de ongeregelde liefde tot de aardsche en vergankelijke goederen uit zijn hart te bannen. Hij laat hem soms vernederen, opdat hij de ijdelheid en den hoogmoed verloochene; Hij slaat hem met gebreken en ziekten, om de zucht naar zinnelijke vreugden te verzwakken. God strooit doornen op den weg des zondaars, opdat de verdwaalde omkeere en den weg der deugd moge inslaan: Hij bestrooit de zondige geneugten met bitteren alsem, opdat de mensch er een tegenzin in krijge; Hij grijpt als een verstandige vader naar de roede der tuchtiging, om het verwaande en genotzieke kind te beteren. Die doornen, die bitterheid, die tuchtroede zijn het lijden en de rampspoed. ^ „De onheilen, welke ons in deze wereld drukkenquot;, zegt de H. Paus Gregorius (Moraal B. 26. H. 9) , „zetten „ons aan, ons tot God te wenden.quot; Dit erkende de Psalmist, wien de tuchtende hand des Heeren getroffen had, als hij tot God riep; „Het is goed, dat Gij mij vernederd hebt, „opdat ik uwe rechtvaardigmakingen leerequot; (Ps. CXV1II, 71).

Tallooze voorbeelden toonen ons, hoe geschikt de rampen zijn, om de menschen tot erkentenis hunner schuld en tot verbetering des levens te brengen. De schijnbaar harde behandeling, welke de broeders van Joseph in Egypte ondervonden, bracht hen tot erkentenis hunner zonden. „Met „recht lijden wij dit, want wij hebben tegen onzen broeder „misdaan\'1 (1. Mos. XL1I, 21). Toen, volgens het krijgsgebruik in die dagen, de toppen van de handen en de voeten des overwonnen chananitischen konings Adonibezec werden afgesneden, sprak de verminkte vorst: „Zeventig koningen

\') In de overwegingen van het gebed des Heeren, welke gewoonlijk aan de H. Teresia worden toegeschreven, vindt men de volgende gelijkenis; «als een schaapje van de kudde afdwaalt, tracht de godde-/lijke Herder het door luid roepen en door liet liefelijk toe te spreken, /tot de schaapskooi terug te brengen. Weigert het, dan zendt Hij „het eene of andere moeielijkheid toe, dat is als liet ware een slag /met den herdersstaf, welke schrik aanjaagt zonder te verwonden.quot;

-ocr page 317-

301

„met afgehouwen toppen van handen en voeten raapten den „afval van spijzen onder mijne tafel op; gelijk ik gedaan „heb, alzoo heeft God mij vergoldenquot; (Recht. I, 7). Manasses van zijn troon beroofd en, met ketenen beladen, naar Babyion gesleept, erkende zijne zonden en deed boete (2. Kronijk. XXXIII). De geweldige storm, welke het schip, waarop Jonas zich bevond, dreigde te verzwelgen, dwong den vluchtenden Profeet zijne ongehoorzaamheid te bekennen en zich , tot boetedoening zijner weerbarstigheid, in zee te laten werpen (Jon. II). Honger en ellende brachten den verloren zoon tot inkeer, en voerden hem rouwmoedig in de armen zijns medelijdenden vaders terug \'*).

\') Treffend is het voorbeeld van den ongelukkigen keizer Mauritius, dat wij hier in het kort zullen mededeelen. Overwonnen door den Chan van Arabië had hij geweigerd, de krijgsgevangenen voor een zeer gering losgeld vrij te koopen, en was aldus de aanleidende oor-\'\' zaak, dat de overwinnaar allen liet ombrengen. Toen Phocas kort daarna door verraad de teugels van het bestuur in handen kreeg en den onttroonden Mauritius op het schavot tracht, bood laatstgenoemde, nadat hij zijne gemalin en zijne acht kinderen had zien vermoorden, door berouw en smart over zijne misdadige hardvochtigheid diep getroffen, zijn hoofd voor het zwaard met de woorden: /,Gij zijt recht-y/vaardig, o Heer! en billijk zijn al uwe oordeelen.quot; — Ten tijde van keizer Julianus, leefde in Egypte een steenhouwer Eulogius genaamd, die wel arm aan aardsche goederen, maar rijk aan christelijke deugden was. Op zekeren dag stiet deze bij het uitgraven vaji een steen op een schat. Hoogst verblijd over zijn geluk, hief hij dien op, maar waande niet, dat de kuil, waarin het geld gelegen had, het graf zijner deugden zou worden. Het gevonden geld baande Enlogius den weg tot groote eerambten, en daar hij van nature met uitstekende geestvermogens begaafd en zeer vlug was, kwam hij weldra tot den rang van hoofdman der keizerlijke wacht. Van nu af woonde Eulogius te Constantinopel in een prachtig paleis, en leefde daar, zonder om God of deugd zich in het minst te bekreunen. Daniël, een vroom kluizenaar, die hem vroeger dikwijls hezocht had, vernam met groote smart dien omkeer van zijn vriend en nam het besluit, alle pogingen aan te wenden, om hem op den goeden weg terug te brengen. Hij reisde derhalve naar de hoofdstad, begaf zich naar zijn voormaligen vertrouweling en deed hem ernstige verwijten over zijn goddeloos leven. Doch Eulogius was voor vriendschappelijke vermaningen ongevoelig geworden; hij beschimpte den vromen kluizenaar en wierp hem, onder scheldwoorden en mishandelingen, de deur van zijn paleis uit. Hierover diep bedroefd, wendde Daniël zich tot God, en smeekte allervurigst om de bekeering van zijn ongelukkigen vriend. Zijn gebed bleef niet lang onverhoord. Eulogius, die korl daarop in eetie samenzwering gewikkeld werd, was genoodzaakt, door eene overhaaste vlucht zijn leven te redden. Al zijne goederen werden verbeurd verklaard, en hij zag zich op eens verplicht, zijn vorig werk weder aan te vatten. Nu ging hij, op voorbeeld van den verloren zoon, in zich zeiven, zag het nietige en gevaarlijke der aardsche goederen in, en keerde vol ootmoed en berouw over zijne afdwalingen tot God terug. Thans was het bezoek van zijn eenigen waren vriend hem ook weder welkom. — Onder aanhoudende lofprijzingen der goddelijke Barmhartigheid, die hem door lijden weder tot zich getrokken had, bracht hij [zijne overige levensdagen door (Hist. édif. par 1\'abbé

-ocr page 318-

302

Lijden, droefheid en ongelukken van eiken aard behooren derhalve tot de krachtdadigste middelen, welke den zondaar tot God terugbrengen. Daarom bad de Profeet: „Vervul „hun aangezicht met schande, en zij zullen, o Heer luwen „naam zoeken. Gelijk een vuur, hetwelk het bosch ver-

brandt, en gelijk eene vlam, de bergen verterende, alzoo „zult Gij hen in uwe verbolgenheid vervolgen, en in uwen „toorn hen verontrustenquot; (Ps. LXXXII, 15—17).

Vele rampen, welke den mensoli treffen, zijn de natuurlijke gevolgen zijner zonden en afdwalingen. Het zijn de doornen, waarmede de zondaar zelf zijn levenspad bestrooit, de geesels, welke liij voor zich zeiven bereidt, de bekers vol bitterheid, welke hij met eigen hand mengt. En inderdaad, hoeveel minder kommer en smart zou de wereld opleveren, indien de menschen liefderijker en verdraagzamer in den omgang, bescheidener in hunne verlangens en eischen, matiger in \'t genieten van spijs en drank, meer verstorven in andere zinsgenietingen, spaarzamer in uitgaven, opmerkzamer op zich zeiven en waakzamer waren over anderen, die door God aan hun toezicht en hunne zorg zijn toevertrouwd? Zijn ellende en armoede niet meestal de gevolgen van den lediggang en het najagen van genot? Hebben niet ontelbare, ongemeen smartelijke ziekten haren oorsprong in de onmatigheid en dergelijke ondeugden? Is de beklagenswaardige toestand, waarin de jeugd zoo vaak vervalt, niet veelal een natuurlijk gevolg der ongehoorzaamheid , der eigenzinnigheid, der wederspannigheid jegens hare ouders? Doch ook, die wederwaardigheden moeten, volgens do wijze en liefdevolle oogmerken Gods, den mensch van de zonde afschrikken; zij moeten hem aansporen tot verbetering zijns levens, opdat hem niet iets ergers wedervare. De goddelijke Wijsheid laat de zonde niet ongestraft, opdat de mensch erkenne, dat //waarmede iemand zondigt, //hij daarmede ook gestraft wordtquot; (VVijsh. XI, 17), en de zondaar aangedreven worde, om zoo niet uit liefde tot God, tenminste uit vrees voor tijdelijke onheilen, het kwaad te vlieden en te verfoeien.

2) Ook bestaat er zooveel leed op aarde, opdat de rechtvaardige nog meer gezuiverd, rijker aan verdiensten worde, en des te grooter loon in den hemel ontvange.

Hoe grooter en reiner de deugd is, des te rijker zal ook de verdienste, en des te heerlijker en grooter het loon in den hemel wezen. Intusschen is niets meer geschikt, om de deugd niet alleen in het hart te planten en te bewaren, maar ook te volmaken en te louteren, dan juist het lijden en de rampspoed *). Daarom zegt de H. Jacobus (I, 2, 4):

Baudrand). — \'tis even moeielijk, in de wereld rijkdom en eer te genieten, zonder door den hoogmoed overwonnen te worden, als eene slang aan het hart te dragen en ongebeten te blijven (Thomas Morus, Gedenkspreuken).

\') Treffend is het gezegde van den H. Franciscus van Sales; //De ,/deugden, welke te midden der vertroostingen opwassen, zijn meestal //zwak en kort van duur; die deugden daarentegen, welke onder weder-,waardigheden groeien, zijn sterk en krachtig: op steenachtigen grond /wast voortreffelijke wijn.quot; — Niet minder treffend zijn de woorden van den zaligen Suso: //Gelijk de heerlijkste rozen in den liefelijken ./Meidauw bloeien, zoo verfrischt en bevrucht het lijden de ziel.quot;

-ocr page 319-

303

„Mijne broeders, acht het hoven alle vreugde, wanneer gij „in allerlei beproevingen vervalt, wetende dat de beproeving „uws geloofs lijdzaamheid werkt; doch de lijdzaamheid hebbe „een volmaakt leven.quot; Het goud wordt in het vuur van zijn schuim gezuiverd, de deugd des rechtvaardigen in het lijden. „Goud en zilver worden in \'t vuur beproefd, zoo „Gods lievelingen in den oven der vernedering\'\' (Sirach. II, 5). — Nooit kan de rechtvaardige aan God zijne liefde, de schoonste en edelste aller deugden, en zijne getrouwheid in \'s Heeren dienst beter bewijzen, dan juist ten tijde van kruisen. Wat grootheid bestaat er in, God te dienen, zoolang alles naar wensch gaat, wanneer God veeleer ons schiint te dienen, dan wij Hem? Maar ter eere Gods leed te dragen en harde beproevingen geduldig te doorstaan, zich met de Apostelen te verblijden, dat men om Jesus\' naam beleedigingen mag lijden, dat is groot, dat is edel Aan dien hoogeren graad van deugd zal dan ook een grooter loon, eene hoogere zaligheid in den hemel beantwoorden. Daarom verklaart Jesus diegenen zalig, die, naar zijn voorbeeld, den lijdenskelk drinken. „Zalig zijt gij, als men u „zal schelden en vervolgen, en u lasterende, alle kwaad „tegen u zal spreken, om Mij. Verblijdt u en juicht, want „uw loon is groot in den hemelquot; (Matth. V, 11, 12). „Laat komen, wat wil,quot; schreef de H. Teresia (Br. aan P. Gratian) , „hoe meer lijden, des te meer winst.\'quot;

Waarom laat God veelal de hoozen gelukkig leven, terwijl de braven zwaar gedrukt worden?

1) Omdat Hij ook den zondaar door weldaden tot zich wil trekken. — Zoodra de mensch zich door de zonde van God afwendt, heeft de rechtvaardige God van zijnen kant alle reden, zich ook van den mensch af te keeren,ja zelfs hem voor eeuwig van zich af te stooten. Maar gelijk een liefderijke vader, die alle mogelijke middelen, milddadigheid zoowel als strengheid, aanwendt, om den ontaarden zoon op den goeden weg terug te brengen, zoo handelt God ten

\') Daarom zegt de H. Chrysostomus in de S«e homilie over den brief aan de Ephesen; „Als\'iemand mij den hemel wilde schenken, ,/zonder dien ketting (van den gevangen Paulus), zou ik aan dezen /de voorkeur geven. Als iemand mij de keuze liet, daar boven bij de Engelen te zitten of bij den geboeiden Paulus, ik zou den kerker verkiezen. En liet men mij de keuze, een uit die liemelsche scharen, welke den troon Gods omgeven, of zulk een gevangene te zijn, ik „zou liever zulk een gevangene zijn.quot;

-ocr page 320-

3i34

opzichte van den zondaar. Soms gebruikt Hij strenge maatregelen, namelijk wanneer Hij hem tijdelijke straffen toedeelt; soms bezigt Hij daarentegen goedheid, en tracht door nieuwe weldaden het hart des wederspanaigen te winnen; Hij vergadert overeenkomstig het middel, hetwelk Christus in de H. Schrift aan de hand geeft , gloeiende kolen op het hoofd van zijn viiand, om hem in liefde te ontvlammen. „Met menschenkoorden, met liefdezelenquot; (Oseas XI, 4) trekt Hij diegenen tot zich, die de slagen van zijn rechtvaardigen arm verdienden. Op roerende wij ze schetst God zelf die genadige wendingen ten goede door den mond van den Profeet Oseas. (XI, 8). Toen namelijk Israels volk Hem, den Allerhoogste, had verlaten, om den schandelijken afgodendienst aan te kleven, sprak Hij: „Hoe zal Ik „met u handelen, o Ephraim (d. i. Israël)...? Zal ik u „geheel uitdelgen?... Mijn hart is in Mij omgekeerd, al „mijn mededoogen ontbrandt. Ik zal de woede mijner gram-„schap niet volvoeren, noch Ephraïm verdelgen; want Ik „ben God en geen mensch.quot; Even liefderijk bejegende God ook de Israëlieten in de woestijn. Hij bestrafte hen wel is waar om hunne ontevredenheid en hunne ongetroun\'heid, maar toch zond Hij hun brood van den hemel, en liet uit de steenrotsen drinkbaar water in overvloed springen.; Hij bewaarde ze voor ziekten en droeg zorg, dat hunne kleederen niet afsleten. Hij hield niet op, zelfs aan de afgodische beidenen weldaden van den hemel uit te reiken, „maar Hij gaf regen en vruchtbare tijden, vervulde met „spijzen en vreugde hunne hartenquot; (Hand. XIV, 16), zoodat zij aangespoord werden, Hem als hunnen weldoener te erkennen en te beminnen. — Doch helaas! niet zelden is de zondige mensch zelfs ongevoeliger en ondankbaarder dan het redelooze dier, dat zijnen weldoener erkent en met verknochtheid dient. Het tijdelijk welzijn maakt hem trotsch, het geluk verblindt hem en geeft hem aanleiding, zich meer van zijn goddelijken Weldoener te verwijderen en diens genade van zich af te stooten. De zondaars , aldus lezen wij in het boek Job (XXII, 17, 18), spraken tot God: „Ga van ons! .. . niettegenstaande Hij hunne huizen „met goederen vervuld had.quot; Met weemoed beklaagt de lieer zich dikwijls daarover ; „Ik was gelijk een pleegvader voor Ephraïm en droeg ze op mijne armen, en zij „erkenden het niet, dat ik hen verzorgde.\'\' Zoo spreekt God in de boven aangehaalde plaats van den Profeet Oseas. En by Isaias (V, 4): „Wat is er, dat Ik aan mijnen wij n-„berg (Israels volk) verder had moeten doen, en niet heb „gedaan... . Wellicht omdat Ik gewacht heb, totdat hij

-ocr page 321-

305

„druiven zou voortbrengen, en hij heeft wilde druiven „voortgebracht?quot; — God laat het den booze ook dikwerf goed gaan, terwijl de vrome gedrukt wordt:

2) Omdat de volledige vergelding van goed en kwaad eerst in het toekomende leven, in de eeuwigheid, plaats vindt. — De waarheid dezer stelling is boven reeds betooo-d. Het zal dus genoeg wezen, hier de woorden der H. Schrift aan te halen, die toepasselijk zijn op de heidensche volken aan wie God roem, macht en welzijn verleent. „De Heer „verbeidt lankmoedig,quot; zegt de H. Schrift, „om hen voor „al hunne zonden dan te straffen, wanneer de dag des „oordeels zal gekomen zijnquot; (2. Mach. VI, 14). Het lot van den rijken vrek en van den armen Lazarus stelt deze waarheid in \'t helderste licht. Zeer treffend zijn de woorden van den H. Gregorius den Groote (Homil. 40. B. 2. over \'tEvang.): „Zwaar was voorzeker de beproeving va,n „den armen, met wonden overdekten Lazarus, toen hij zelfs „aan het noodzakelijkste gebrek leed, terwijl voor zijne „oogen de rijke zich aan allerlei kostbare spijzen te góed „deed; toen hij door hevige pijnen gekweld werd, terwijl „hij den rijke, met purper bekleed, in wellust zag baden; „toch zond God den arme die beproeving over, om hem te „verheerlijken, en verdroeg de trotschheid van den rijke, „om hem hierna te straffen.quot; — „Wilde God reeds in dit „leven,quot; merkt de H. Augustinus terecht op (Civ. Dei I. 1. c. 8), „eiken zondaar in het oog loopend straffen en „met hem afrekenen, dan zou men bekoord worden, licht-,.vaardig te gelooven, dat er hierna geene vergelding, en „bijgevolg geen algemeen oordeel, geene eeuwige bestraffing „meer zal plaats vinden. En behaagde het God den recht• „vaardige reeds hier beneden met tijdelijke goederen te „beloonen, velen zouden in de bekoring geraken. Hem „alleen om het aardsche goed te dienen. Zulk een dienst „zoude ons echter niet deugdzaam, maar veeleer hebzuchtif „en gierig maken.quot; Hoe zou de mensch, die alleen om tijdelijk loon God dient, nog verdiensten voor den hemel kunnen verzamelen? Hoe zou \'t eindelijk God mogelijk wezen, zijn geduld en zijne lankmoedigheid te openbaren, bijaldien Hij telkens dadelijk de straf op de zonde liet volgen? „Deswege straft Gij degenen, die dwalen, lang

„zamerhand..... om hun tijd tot boete te geven.....en

„spreekt hun toe, opdat zij, hunne boosheid verlatende , in „U gelooven, o»Heer!quot; (Wijsh. XII, 2, 10). „Want God. „de Heer,quot; zegt de H. Augustinus (Serm. 18 in Ps. 49. c. 2)! „schept geen behagen in te verdoemen, maar in zalig te „maken; derhalve heefc Hij met de boozen geduld, om ook

DEHAKliE, GELOOFSLEER. I. 3lt;le DRUK. OA

-ocr page 322-

306

.,uit het kwade goed te trekken.quot; Volharden zij evenwel in hunne zonde, „dan breekt ten laatste hunne verdoemenis „over hen uitquot; (Wijsh. XII, 27). Eene andere reden, waarom God soms de boozen in voorspoed laat leven, is:

3) Omdat Hij het weinige goed , dat de boozen nu en dan doen, hier beneden wil loonen, daar Hi} het, om hunne onboetvaardigheid, hier namaals niet beloonen kan. — Tot staving dezer waarheid levert ons de H. Schrift verscheidene voorbeelden. Achab was een goddelooze koning, „zoodanig dat zijns gelijke niet bestond, die zich verkocht „had, om het kwaad voor \'s Heeren aanschijn te doen/\' Doch toen de Profeet Elias hem het vreeselijk strafgericht des Heeren, de vernietiging van zijn geheelen stam aankondigde, toen vernederde Achab zich voor God, „scheurde „zijne kleederen, bedekte zijn lichaam met een haren kleed, „vastte, sliep in een treurgewaad, en wandelde met neergebogen hoofd.quot; Maar nu sprak ook de Heer door den mond zijns Profeets: „Wijl Achab zich voor Mij veroot-„moedigd heeft, zal Ik het kwaad niet in zijne dagen „toezendenquot; (1. Kon. XXI, 25—29). Nabuchodonosor, koning van Babylon, was een verwaande, een steeds naar overwinning dorstende vorst. Daar hij nochtans, als uitvoerder der goddelijke wraak over Tyrus, deze boosaardige stad met zijn leger veroverd en verwoest had, sprak God de Heer: „Zie, Ik heb aan Nabuchodonosor het land van „Egypte gegeven ; hij zal deszelfs buit zich toeëigenen.... „dit zal zijns legers loon zijn voor den dienst, welken hij „Mij tegen Tyrus bewezen heeft\'\'(Ezech. XXIX, 20, 21).— Zeker, de ondeugende menschen doen somtijds eenig goed, b. v. hunne ouders eeren, trouw bewaren en vertrouwen, aalmoezen uitdeelen, of hunnen evennaaste den eenen of anderen liefdedienst bewijzen. Opdat dit goede, (hetgeen evenwel zeer gering is, dewijl het niet voor God en niet in staat van genade geschiedt), niet zonder belooning blijve, schenkt de Algoede hun dikwerf tijdelijke voordeelen, als rijkdom, eereposten, enz. Dat alles is als het ware het loon eens daggelders in vergelijking met het erfdeel van eenen zoon. Want even als de daggelder billijkerwijs alleen aanspraak maken kan op die belooning, welke hij zelf bedongen en voor zijn dagwerk gevraagd heeft, zoo ook hebben de zondaars van God niets meer te verwachten, dan enkel datgene, wat zij zoeken , namelijk tijdelijke goederen. Zoo God nu uit goedheid en toegevendheid hun werkelijk dat loon schenkt, zijn zij daarom dan wel te benijden ? O gewis niet! Nooit zal de zoon des buizes, de erfgenaam der vaderlijke goederen, den daglooner de

-ocr page 323-

307

weinige penningen benijden, welke deze ontvangt. Evenmin zal de rechtvaardige, de zoon en erfgenaam des hemelschen Vaders, aan de zondaars die zoo onbeduidende, zoo vergankelijke goederen misgunnen. Hij zal innig met de zondaars medelijden hebben, wanneer hij ziet, hoe rusteloos zij zich aftobben, om nietige goederen dezer aarde te verwerven, terwijl zij met dezelfde, ja met veel lichtere moeite, hemel-sche, onvergankelijke schatten zich kunnen vergaderen. Ja, de zondaar is te beklagen, al bezit hij nog zoo veel rijkdom. — Wat beteekent een leven zonder gewetensrust.... zonder hoop .... zonder God ? Het is een leven van de diepste vernedering, van de smadelijkste, onverdragelijkste slavernij. In plaats van den rijkdom te bezitten, wordt hij zelf, zooals een heidensch wijsgeer (Seneca) opmerkt, door den rijkdom bezeten. De hebzucht kwelt hem, gelijk de hitte der koorts den zieke.. .. En van hoe korten duur is het schijnbaar geluk des zondaars? „Hoe dikwijls zal 3e „lamp der goddeloozen uitgeblazen worden, en zal een „watervloed (een vloed van ellende) hen overstroomen ? Dan „zijn ze als stroo voor den wind, en als kaf, hetwelk de „storm verstrooit. Zij brengen hunne dagen in weelde door, „en dalen in een oogenblik ter helle neder\'\' (Job XXI). Ue ongelukkigen maken het zich lastig en plagen zich, om schatten op schatten te hoopen; doch alles smelt onder hunne handen weg; er blijft hun niets over dan kwellipg en vertwijfeling. Met volle recht zegt daarom de H. Augus-tinus (B. loS, n0. 14): „Er bestaat geen grooter ongeluk, „dan het geluk des zondaars.quot; — Wanneer de zondaar zijn toestand bij het licht des geloofs beschouwt, moet niets hem meer vrees en heilzamen schrik aanjagen, dan juist de schitterende welvaart, waarin hij leeft. Het akelig bewustzijn, tuchtiging verdiend te hebben en niet getuchtigd te worden, moet hem de vrees inboezemen, dat hij misschien zal behooren tot het getal diergenen, wie God hier beneden niet tuchtigt, omdat Hij hen in het andere leven met onverbiddelijke gestrengheid straffen zal. Immers het woord der H. Schrift; „wien God lief heeft, dien kastijdt Hij,quot; is een doemvonnis voor den zondaar, die volgens het begrip der wereld gelukkig leeft. Gelden voor zulke gelukkigen niet de woorden des Heilands: „wee u, gij „rijken! wijl gij uwen troost hebt?quot; Zij hebben hier beneden hun loon; hierna wacht hen alleen straf, eeuwige straf. Wel verre dus van zich te verheffen op zijnen voorspoed, heeft de zondaar veeleer reden in zich zeiven te keeren en God\' om barmhartigheid te smeeken , zoolang het nog tijd is.

20*

-ocr page 324-

308

Nog eene andere reden, waarom God de boozen in het bezit laat van aardsche goederen, rijkdom, eer en macht, verdient hier vermeld te worden. Het behaagt Hem nu en dan gelijk de H. Augustinus (over Psalm 73) zegt, hen te gebruiken als eene roede, om zijne ongehoorzame kinderen te tuchtigen. Is de tuchtiging volbracht, dan drukt de liefderijke vader hen weder aan zijn hart en werpt de roede terstond in het vuur. Zulk eene tuchtroede in Gods hand was Antiochus Epiphanes, die het zondige Jerusalem veroverde en de Joden in het algemeen zwaar verdrukte. Want »ter oorzake van de zonde werd //hem macht gegevenquot; (Dan. VIII, 12). Toen het volk zich echter door gebeden en boetedoening weder met God verzoend had, //sloeg de Heer /hem met eene ongeneeslijke en afzichtelijke kwaal; hij werd door «eene onverdragelijke pijn der ingewanden en bittere inwendige smarten

//aangegrepen..... En het gevolg was, dat de wormen uit het lijf

,/van dien onverlaat kropen; het vleesch viel met pijnen en smarten / van het levende lichaam af, zoodat geheel zijn leger het niet harden /kon van den stank der verrotting.... Eindelijk stierf de moordenaar „en godslasteraar in het vreemde land.... onder de verschrikkelijkste /.pijnen, gelijk hij zelf anderen gepijnigd had, een jammerlijken doodquot; (2. Mach. IXquot;) quot;). \'

Het lot van den rijken en machtigen zondaar is derhalve geenszins benijdenswaardig. Wanneer gij, lezer! den overmoed der zondaars gadeslaat, wanneer gij ziet, dal; zij vrij schijnen te zijn van leed en lijden, door hoogmoed opgeblazen hun hoofd hoog opsteken en in wellust hunne schatten verspillen, wacht u dan wel te zeggen: „zoo heb ik te

\') Attila, de koning der Hunnen, noemde zich zeiven, //den geesel Gods.quot; Hij was inderdaad de schrik van alle volkeren van hei- Oosten en Westen, en teekende zijne schreden met bloed en brandstapels. Maar er kwam aan zijne heerlijkheid spoedig een \'einde, zoodra hij de plannen der straffende Voorzienigheid, wier werktuig hij was, vervuld had. Hij stierf na een feestmaal, stikkende in zijn eigen bloed.

Zoo was eveneens de Vandalen-Koning Hunnerich de tuchtroede, waarmede God de verontzedelijkte volkeren van Afrika strafte. Maar ook op hem zijn van toepassing de woorden des Heeren, welke het allereerst tot den koning van Assyrië gericht werden: //Waaneer Ik ,/(de Heer) volbracht heb al mijne werken.... dan zoek Ikdetrotsche „ontwerpen van den koning, zijne wereldsche pracht en alvernederenden /,b!ikquot; (Isaias X, 5, 12). Nadat Hunnerich namelijk ongehoorde gruwelen op zijn volk, de waargeloovigen, gepleegd had, greep de straffende hand Gods hem aan met alvermogende kracht. Eene schrikkelijke, bij de geneesheeren onbekende ziekte wierp hem plotseling ter neder; lichaam, hoofd, handen en voeten zwollen onnatuurlijk op; p.jnen, door geene middelen der kunst eenigszins te lenigen, kwelden hem bij dag en bij nacht; een onverdragelijke stank verpestte de lucht, en alle deelen van zijn lichaam vielen het een na het ander af. Ofschoon nog ademend en levend, geleek hij toen reeds een afgrijselijk, tot bederf overgegaan lijk. Ten laatste verloor hij zijn verstand, vervloekte zich zeiven, ontvleesde met eigen tanden zijn arm, en stierf eindelijk in volslagen razernij. Het laatste geluid, dat van zijn stervende lippen kwam, was eene verschrikkelijke vervloeking. Met den wanhoop van eeu hardnekkigen booswicht ging hij de poorten der eeuwigheid in, om voor Gods rechtvaardig oordeel te verschijnen (Stolberg; Gesch. d. Relig. J. C. d. XV11I, bl. 200).

-ocr page 325-

309

„vergeefs mijn hart gerechtvaardigd en onder de onschul-..digen mijne handen gewasschen.quot; Ga, in plaats van lang en vruchteloos na te denken, binnen in het heiligdom (der goddelijke raadsbesluiten) en zie, wat hun einde is. God heeft de zondaars neêrgeworpen, toen zij hoog verheven waren. „Hoe worden zij vernield als in één oogenblik, „plotseling ten onder gebracht om hunne boosheid. Als „een dioom bij het wakker worden , zult gij, He^r 1 hun „beeld laten verdwijnenquot; (Ps. LXXII).

Hoe moeten wij diensvolgens de rampen, welke ons treffen, aannemen ?

Wij moeten ze aanvaarden als bewijzen van Gods goedheid, „want wien de Heer lief heeft, dien kastijdt Hijquot; (Hebr. XII, 6), „en wien Hij verheffen wil, vernedert Hijquot; (Spr, XVIII, 12).

God bezoekt ons met wederwaardigheden, of om ons te tuchtigen, of om ons te verheffen , of wel, wat het meest geschiedt, om ons eerst te kastijden en vervolgens te verheffen. In allen geval is het lijden , dat God ons overzendt, een bewijs zijner genadige goedheid, waarvoor wij Hem hartelijk moeten danken, loven en prijzen. Dit alles vat de vrome Sara, liaguël\'s dochter, in haar gebed zeer schoon tezamen. „Gezegend zij uw naam,quot; zoo spreekt zij, „Gij „God onzer vaderen, die barmhartigheid bewijst, nadat Gij „vertoornd waart, en ten tijde van droefheid de zonden van „hen, die U aanroepen, vergeeft;.... uw raad staat niet „in \'s menschen macht. Maar ieder houdt het voor zeker „dat wie U vereert, diens leven gekroond wordt, na „beproefd te zijn geweest; dat hij verlost wordt, als „hij in kommer is geweest, en tot uwe barmhartigheid mag „komen, na gekastijd te zijn; want na storm komt stilte, „en weeklachten overlaadt Gij met blijdschap. Uw naam... „zij hooggeprezen in eeuwigheidquot; (Tob. III).

1) De rampen, waarmede God ons kastijdt, zijn een bewijs zijner goedheid. — Niemand van ons is zonder zonde; want „als wij zeggen, dat wij geene zonde hebben, bedriegen „wij ons zeiven, en de waarheid is niet in onsquot;\' (I. Joan. I, 8). Daarom leerde Jesus Christus ons allen bidden: „vergeef ons onze schulden.quot; Zijn wij zondaars, dan verdienen we ook straf, welke wij in dit of wel in het andere leven ondergaan moeten, \'t Is echter veel gemakkelijker, voor de zonden te boeten in dit leven, nu de oneindige Goedheid en Barmhartigheid als middelaar tusschen den straffende en

-ocr page 326-

310

den strafschuldige optreedt, dan in het andere als de arm der goddeliike Gerechtigheid in de vlammen van de hel of het vagevuur met onverbiddelijke gestrengheid den zondaar treft. Hoe genadig en liefderijk derhalve handelt onze Vader in den hemel, als Hij ons hier op aarde tuchtigt, om niet verplicht te zijn, hiernamaals te tuchtigen, waaide kastijding veel strenger is, en deze ons niet meer verbeteren, onze verdiensten niet vermeerderen kan ! Hoe goed en liefderijk is God zelfs dan niet, wanneer Hij terstond na het plegen der zonde de tuchtroede grijpt, opdat wij niet roekeloos zouden worden door het uitblijven der straf en zonde op zonde stapelen. Zeer toepasselijk zijn hier de volgende plaatsen der H. Schrift: „dat den zondaars niet lang tijd wordt „gelaten, naar hunne lusten te doen, maar de straf hen „terstond treft, is een bewijs van groote goedheid\'\' (2. Mach. VI, 13). „Zalig is de mensch, wien God kastijdtquot; (Joan. V, 17). ,,Wien God lief heeft, tuchtigt Hi.jquot; (Hebr. XII, 6). . Mijn zoon, verwerp de kastijding des Heeren niet, en laat „den moed niet zinken, als gij door Hem gestraft wordt; „want, wien de Heer liefheeft, dien kastijdt Hij, en Hij ■ heeft welgevallen in hem, gelijk een vader in zijner, zoonquot; (Spr. III, 11). ,,0p gelijke wijze,quot; zegt de H. Augustiaus terecht (Verkl. van Ps. 93, nquot;. 17), „plegen de vaders „ook met hunne zonen te handelen. Zien zij , dat een zoon „onverbeterlijk en er niets goed van hem te verwachten is, „dan laten zij hem leven zooals hij wil; maar hem, van „wien zij goede hoop koesteren, wien zij een ruim erfdeel „denken na te laten, tuchtigen zij. Zeg derhaive nimmer: „vader bemint mijn broeder meer dan mij, hem laat hij „alles doen, wat hij maar wil, maar als ik een vinger „beweeg tegen zijn bevel, dan word ik terstond gestraft.— „Verheug u over die bestraffing, want voor u wordt het „vaderlijk erfgoed bewaard. Hij straft u in den tijd, om „u in de eeuwigheid niet te verdoemen.quot; Om dezelfds reden roept de H. Ephrem uit; „Uwe slagen, o God, zijn vol „liefde; in uwe wraak gloeit barmhartigheid ; wegens uwe „liefde zijt Gij bij uwe straffen slechts bedacht op het heil „der menschen. Uwe tuchtroeden zijn gesneden van den „boom der barmhartigheid, en waar uwe roede treft, brengen „hare slagen groot voordeel aan quot; En de moedige Judith vermaande aldus de zwaar gedrukte Bethuliërs: „ wij denken „en geiooven, dat deze straffen geringer zijn dan onze „zonden, en dat de geesels des Heeren, waarmede wij ge-„tuchtigd worden, ons tot verbetering en niet ten ondergang „verstrekkenquot; (Judith VIII). Het lijden is een bitter en pijnlijk geneesmiddel. Maar wie zal het den arts ten kwade

-ocr page 327-

311

duiden, dat hij bittere geneesmiddelen voorschrijft., of dat hij snijdt en brandt ? Ieder weet immers , dat hij daarmede niet den zieke, maar de ziekte kwaad wil doen \').

Ik klaag volstrekt niet over God, zoo spreekt menigeen, maar enkel over de mensclien, die mij kwaad doen, belasteren, mishandelen. Hierop antwoordt Bellarminus (Fred. 7 over de rampen) zeer juist: «men zal ,-/een verstandigen zieke nimmer hooren zeggen: de geneesheer bevalt .•mij wel, maar het werktuig, dat hij gebruikt te mijner genezing,

staat mij geenszins aan. Wie weet beter dan de geneesheer, welk

!) Eene oogenschijnlijk toevallige vernedering is dikwijls in de hand der goddelijke Voorzienigheid een middel ter bekeering. en gevolgelijk ter eeuwige zaligheid. Thomas Pond, een adellijk Engelschman en gunsteling van Koningin Elisabeth, stond bij geheel het hof bekend als een uitstekend danser. Ter gelegenheid van een schitterend bal aan het hof, verzocht de koningin hem, eene proef van zijne kunst te geven. Met bewonderenswaardige bevalligheid voerde hij, onder toejuichingen van de koningin en de hovelingen, een der kunstigste dansen uit, waarbij hij onder anderen op de uiterste spitse van zijn voet met de grootste vlugheid verscheidene malen ronddraaide. Elisabeth was met zijne kunst zoo tevreden, dat zij hem vriendelijk verzocht, denzelfden dans nogmaals te herhalen. Thomas voldeed gaarne aan dit verzoek. Keeds had hij den dans bijna ten einde gebracht, reeds draaide hij zich ten besluite even snel als tevoren in het rond, — maar eensklaps wordt hij duizelig, en stort doodsbleek aan de voeten der koningin neder. In de eerste ontsteltenis hoorde hij het gelach niet, dat nu in de zaal opging, hij zocht slechts den blik der vorstin, die hem, naar hij hoopte, vergeving zou toewenken. Doch Elisabeth riep hem, integendeel spottend toe; „Sta op, os!quot; en keerde zich minachtend van hem af. Vol schaamte richtte Thomas zich op, boog eene knie voor de koningin, terwijl hij halfluid zeide; /,Zoo vergaat de heerlijkheid der wereld,quot; en verliet, om de bespotting der gasten te ontgaan, ijlings de zaal. Terstond vertrok hij ook uit Londen, en begaf zich naar zijn vaderlijk slot Belmont. Aldaar in vrijwillige ballingschap levende, dacht hij met droefheid aan de groote sommen, welke hij in den dienst der koningin verspild had, aan de slaafsche onderwerping, waarmede hij hare bevelen steeds had nagekomen, vooral aan de minstens uiterlijke verloochening van het Isatholiek geloof, in hetwelk zijne brave ouders hem hadden opgevoed, en eindelijk aan het schandelijk loon, dat hem voor\'al die offers geworden was. Nu besloot hij, de\' afdwalingen zijner jeugd weder goed te maken en, even trouw als hij totdusverre eene trotsche vrouw gediend had, voortaan God en zijn geloof te dienen. Hij verzoende zich vol berouw met de katholieke Kerk, werd later in den kerker als lid der Jesuiten-orde opgenomen, en stierf na een dertigjarig martelaarschap (Bartholi Gesch. van Engeland).

Een dergelijk voorval was de aanleidende oorzaak van de oprechte bekeering eener voorname fransche dame. Deze was gewoon blanketsel te0gebruiken, om haar bleek gelaat eene aangenamere kleur te geven. Toen zij nu op zekeren dag in een talrijk gezelschap aan het pandspel deel nam, werd haar, tot loskooping van een pand, opgelegd, in tegenwoordigheid van alle aanwezigen liet gelaat te wasschen. Men stelle* zich de verlegenheid voor van de behaagzieke dame, die gedwongen werd. voor het geheele gezelschap zich ten toon te stellen. De beschaming was te groot. Zij bedekte haar gelaat met beide handen, verliet de zaal en begaf zich in een klooster, waar zij hare ijdelheid beweende en verder al de dagen haars levens aan God alleen zocht te behagen. (Hunolt, Pred. 62).

-ocr page 328-

312

,werktuig liem tot genezing van den zieke liet best van dienst kan /zijn?\' Als onze goddelijke Geneesheer ons wel bevalt, als wij de „wijze, waarop Hij ons geneest, noodzakelijk moeten goedkeuren, dan .-mogen wij ons ook over de werktuigen, van welke Hij zicli bedient, ,namelijk over de menschen, die ons geduld op de proef stellen, niet beklagen; wil men God leeren, welk soort van lijden Hij tot onze ,verbetering moet gebruiken? Vereenigen wij ons integendeel met ,David, die door Semeï gelasterd en met steenen vervolgd, hen, die ,/zicli aanboden, om den snoodaard te straffen, aldus toesprak; Laat hem vloeken! Want de Heer heeft hem bevolen. d*t hij David ver-yvloeke; wie zal dan zeggen: waarom hebt gij aldus gedaan?... Laat /hem vloeken, zoo de Heer het hem gezegd heeft. Misschien zal de /Heer zien op het ongelijk, dat mij wordt aangedaan, en de Heer zal /mij goed vergelden in plaats van de vervloeking, die ik lieden ondergaquot; (2. kon. XVI). Terwijl namelijk Semeï David vervloekte en lasterde, was hij onbewust de voltrekker van het rechtvaardig vonnis van God, die wilde, dat David ter uitwissching zijner zonden lijden zou; want zoo God dit niet gewild had, zou Hij niet hebben toegelaten, dat Semeï David zoo diep verguisde. Dit erkende de verootmoedigde koning, en daarom sprak hij de aangehaalde woorden. En aldus kunnen en moeten ook wij de beleedigingen, ons door menschen aangedaan, opnemen.

2) Evenwel zijn niet alle rampen en wederwaardigheden van dit leven bestraffingen van God; niet alle zijn straffen van persoonlijke zonden of van de erfzonde. Wie zulks beweert, lastert en onteert ontelbare braven, zwaar beproefd door velerlei rampen, vooral de Martelaren, ja zelfs de altijd onbevlekte Moeder Gods Maria. Daarom heeft ook de heilige Kerk die leer veroordeeld \'). Volgens de getuigenissen der H. Schrift verootmoedigt God somwijlen den brave door lijden, om hem daarna te verheffen. Zoo vernederde God den geduldigen Job, den godvreezenden Joseph, \'den vromen Tobias^ de kuische Susanna, de drie jongelingen in den vuuroven te Babyion, en eene menigte anderen. De heilige boeken, welke ons de vernederingen dier braven mededeelen, schetsen ons tevens de verheerlijking, welke op die vernederingen volgde en er uit voortsproot. Niets is derhalve meer bewaarheid, dan het gezegde van de H. Oatharina van Siéna: „God werkt nooit iets groots, zonder „een groot kruis.quot; Ook leveren de levensgeschiedenissen van alle Heiligen het bewijs, dat buitengewone gunsten van God gewoonlijk het gevolg zijn van voorafgegane verootmoedigingen. Moest niet Jesus zelf, de Heiligste dei-Heiligen, door lijden zijne heerlijkheid binnengaan\'r1 (Luc. XXIV, 26)

\') Zie de 72ele en 738te Stelling van Bajus, verworpen door Pius V. 2) Opmerkenswaardig zijn de woorden, welke de goddelijke Heiland sprak tot de H. Teresia, die onder het bidden dikwijls aan hevige hoofdpijn leed; //Meent gij dan,quot; zeide Hij, „dat de verdienste be-

-ocr page 329-

313

Ongetwijfeld is God evenzeer bijmachte, den mensch te verhellen, zonder hem tevoren vernederd te hebben, maar het behaagt Hem dikwerf door droefheid tot vreugde en heerlijkheid te voeren, gelijk Hij door de bittere gal van den walvisch Tobias het gezicht terugschonk, alhoewel vele andere middelen hem ten dienste stonden. Dit behaagt Hem, ten eerste, wijl zijne macht en wijsheid aldus heerlijker aan den dag komen; ten tweede, wijl den mensch op die wijze de gelegenheid wordt gegeven, aan den Allerhoogste door volmaakte zelfverloochening zijn e^gen wil ten offer te brengen, zich als het ware te vernietigen, om God alleen en in alles de hoogste eer te bewijzen; eindejijk, dewijl de mensch daardoor gelijkvormig wordt aan het door God gestelde voorbeeld van alle uitverkorenen, aan Jesus Christus, die tot zijnen Vader bad: «Vader, niet gelijk Ik wil, maar zooals gij ,wiltquot; (Marc. XVI, 36), en van wien geschreven staat: //Hij verne-/derde zich zeiven en was gehoorzaam tot in den dood des kraises; /daarom heeft God hem verheven en eenen naam gegeven, die is boven /alle namenquot; (Phil. II, 18). — Deze laatste reden was het vooral, welke in het hart der Heiligen een zoo brandend verlangen naar lijden en vernederingen opwekte, dat zij met deH. Teresiauitriepen: „Heer! /Of lijden of sterven!quot; //Is cr wel grooter vreugde voor de bruid, /dan op den bruidegom te gelijken en met hetzelfde kleed gekleed te zijn? Daar Christus, de Gekruiste, heel zijn leven niets andefs /verkoos dan kruis en lijden, acht zijne bruid zich hoogst gelukkig, /als zij zich met hetzelfde kleed gekleed ziet.quot; Zoo schreef de H. Catharina van Siéna aan eene vrome vriendin. (Bartholomeo della Seta).

TOEPASSING.

1) Wanneer God u met ziekte, drukkenden nood of innerlijk lijden, met ongelukken en sterfgevallen bezoekt; wanneer kwaadwillige menschen u belasteren, krenken, bestelen,

/Staat in het genot vaft hemelschen troost? Integendeel, zij bestaat ,juist in inspanning, in lijden en beminnen. Hebt gij niet opgemerkt, /dat mijn geheele leven eene aaneenschakeling was van lijden .... ? /En bedenkt gij niet, door hoeveel lijden en smarten de vreugde ,,mijner moeder vergald werd?.... Geloof Mij, dochter, dengenen, /die mijn Vader het innigst liefheeft, zendt Hij juist het meeste lijden ,/Over, vooral als Hij ziet, dat hunne liefde sterk genoeg is, om het /te verdragen. En hoe zou Ik zelf u duidelijker kunnen bewijzen, /hoezeer Ik u bemin, dan door u hetzelfde lot te bereiden, dat Ik /voor Mij zeiven heb xiitverkoren? Beschouw mijne wonden en zie, „of uwe pijnen ook maar eenigermate kunnen vergeleken worden met „die, welke Ik uit liefde tot u heb ondergaan? Dat is de weg der /waarheid, en als gij dien eenmaal kent, zult gij met mij het ongeluk //beweenen van diegenen, die slechts wenschen en verlangen, den /tegenovergestelden weg in te slaanquot; (Levensgeschiedenis van de H. Teresia, bijvoegsel).

De Heiligen beschouwden daarom het lijden steeds als een bewijs van Gods goedheid, en begonnen voor zich zeiven te vreezen, wanneer alles hun naar wensch ging. ^Mijne waarde broeders,quot; sprak de H. Vincentius van Paula eens tot zijne medegezellen, //sinds geruimen /tijd heeft God aan onze orde geen ramp of ongeval meer toegezonden. Onderzoeken wij derhalve ons zeiven, of wij Hem soms aanleiding gegeven hebben, vertoornd op ons te zijn en ons zijne gunst te /onttrekken?quot;

-ocr page 330-

314

vervolgen ; — houd u, christen lezer, bij alle droefenissen en wederwaardigheden aan de volgende regels: a) verdraag alles geduldig en vermeet u niet, over Gods heilige beschikkingen te klagen, of uwen vijand kwaad met kwaad te vergelden \'). b) Kwel u zeiven niet met overdreven angst en bezorgdheid, maar stel uw vertrouwen op den Heer, want Hi] zorgt voor u. (1. Petr. V, 7). Herinner u de woorden van Christus (Matth. VI): „beschouwt de „vogelen des hemels .... de leliën des veldsquot;, enz. „Weest

„derhalve niet bekommerd____want uw Vader weet, dat gij dit

„alles noodig hebt.quot; Hoe vaster uw vertrouwen , en hoe kinderlijker uw gebed tot den hemelschen Vader is, des te zekerder en eerder zal Hij u helpen. Daarom vermaant de H. Schrift (Sir. II): „draag wat God u oplegt, ver-„eenig u met God en heb geduld. . .. Vertrouw op God, „dan zal Hij zich uwer aantrekken.... en uwe belooning

„zal niet uitblijven.....Mijne kinderen, slaat alle volkeren

„gade en erkent dat niemand, die op den Heer gehoopt „heeft, is beschaamd geworden .... Wee den klemmoedigen , „die op God niet vertrouwen en daarom ook door Hem „niet beschermd worden! Wee allen, die het geduld verbliezen!quot; — c) „Onderwerp u in allen ootmoed aan den „goddelijken wil, en tracht dien niet naar uwen wil te \'buigen,quot; zegt de H. Augustinus, „maar buig den uwen „naar den goddelijken.quot; Spreek bij alle rampen met den geduldigen Job (I, ^1): „gelijk het den Heer behaagd „heeft, is het geschied: de naam des Heeren „zij gezegend!quot; „of met den Hoogepriester Heli: „Het is de Heer, die mij „dit lijden toezendt. Hij doe wat goed is in.zijne oogenquot; (1. Coi-. III, 18). Bid zooals Christus zelf door woorden voorbeeld leert: „Vader, uw wil geschiede in den hemel „en op aarde.... Mijn Vader, indien deze kelk niet kan „voorbijgaan, tenzij Ik dien drinke, uw wil geschiede\' (Matth. XXVI, 42). — d) Dank God voor de groote goedheid en barmhartigheid, waarmede Hij, als Vader, u in dit leven tuchtigt, om in het ander leven, als voltrekker zijner

i) De H. Lodewijk Bertrand, een sieraad der Dominicaner-orde, werd in de laatste twee jaren van zijn leven door pijnlijke ziekten en innerlijk lijden bezocht. Volkomen overgegeven aan de;:i goddelijken wil, was lilj gewoon bij de grootste pijnen met den li. Augustinus uit te roepen: [leer! brand, kerf iiier beneden, maar spaar mij in de „eeuwigheid.quot;\' Deze Heilige hield zich altijd voor den groötsten zondaar en verblijdde zich, wanneer iemand hem verwachtte. Toen hij eens door eenige voornamen voor een booswicht werd uitgemaakt, gaf hij ten antwoord: //Alles, wat gij, heeren, gezegd hebt, is waar; „gij kent mij beter dan ik zelf.quot;

-ocr page 331-

315

gestrenge gerechtigheid, u te kunnen sparen; dank Hem, dat Hij u door lichte, kortstondige rampen in de eeuwige en overgroote vreugde des hemels wil binnenvoeren. \') — é) Laat ook niet na, opdat uw lijden des te aangenamer zij aan God en des te verdienstelijker voor het hemelrijk, het te vereenigen met het bittere lijden en sterven van Jesus Christus, en in vereeniging met Christus\' lijden den hemelschen Vader op te offerenquot;

2) Het zal u niet moeielijk vallen, deze voorschriften na te komen, als gij de volgende waarheden diep in uw gemoed prent:

a) Er is geene ramp op aarde behalve de zonde. Zelfs de plotselinge dood is slechts een ongeluk voor hem, die, niet lettende op \'s Heeren bedreiging, in de zonde voortleeft en sterft. Derhalve kan niemand u schaden, Christen, als gij u zeiven niet in het ongeluk stort; „vrees alzoo hea „niet, die het lichaam dooden en daarna niets meer doen\' „kunnen. Vrees Hem, die, nadat Hij gedood heeft, macht „heeft, in de hel te werpenquot; (Luc. XII).

i) Al het lijden, dat u treft, gaat eerst door de hand van God, uw besten Vader. Hoe troostvol is die gedachte! God is het, die u elke ramp toezendt, God die u meer bemint, dan de teederste moeder haren eenigen zoon liefheeft. Indien gij overtuigt waart, dat een vijand van plan zijnde u. te vergiftigen, het niet zou vermogen zonder zijn voornemen aan uwe ouders te openbaren en uit hunne handen het gift te ontvangen, hoe weinig zoudt gij u over dat moordplan bekommeren, hoe gerust en onbevreesd u ter ruste begeven ? Hoe zou het ook mogelijk wezen , dat uwe ouders er in toestemden, u uit den weg te ruimen, en uwen doodsvijand daartoe de hand leenden ?

Welnu , lezer , oneindig meer dan door uwe ouders wordt gij bemind door God, die zijnen Zoon voor u ten beste gaf.

i; „Wanneer God u de macht verleent, de dooden op te wekken, , verleent Hij u veel minder, dan wanneer Hij n kruis en lijden toewendt; want door die macht te verkrijgen blijft gij üods schuldenaar, ,, maar door liet lijden wordt Hij de uwe.quot; Aid as de H. Joannes Chrysostomus. i,

2) Groot, ja verbazend groot was de gestrengheid, waarmede de kluizenaars van Egypte zich zei ven behandelden, en niettemin sprak hun heilige abt Pachomius, als zij op het ziekbed lagen, tot hen; ,0, mijne kinderen, hoe kunt gij toch wenschen, van uwe pijnen / bevrijd te worden? Ziet gij dan niet in, dat geene versterving God „zoo welgevallig is, dan het blijde of tenminste geduldig aannemen , van het kruis, dat Hij oplegt? Vasten, waken, het vleesch kruisigen ,ziju goede werken van boetvaardigheid; maar lijden in vereeniging met onzen lijdenden Heer en Heiland is onvergelijkelijk beterlquot;

-ocr page 332-

316

Wees verzekerd, dat noch de menschen, noch de geesten der duisternis iets op u vermogen, tenzij op zijn hevel, of wijl Hij het toelaat. Hij laat het somtijds toe, omdat Hij vnl, dat de wederwaardigheden u zullen treffen; wilde Hij dit niet, het zou Hem niets kosten, alles te beletten, waaruit voor u lijden of eenig tijdelijk ongeluk voortkomt. Wij lezen immers in de H. Schrift: „Wat anders kan u „overkomen, dan hetgeen den Allerhoogste welgevallig is?quot; (Sir. XLI, 6). „Geluk en ongeluk, leven en dood, armoede „en rijkdom, alles komt van God1\' (Sir. XI, 14). Hoe dikwerf stond men onzen Heer Jesus Christus naar het leven ? Koning Herodes had zijne soldaten uitgezonden, om Hem te vermoorden. De Joden hadden Hem reeds op den top van een berg gevoerd, om Hem naar beneden te werpen, zij hadden reeds steenen opgenomen, om die naar Hem te slingeren; doch de ure, door God bepaald, was nog niet gekomen; daarom ontkwam Hij telkens aan de handen zijner moordlustige vijanden. Toen Hij echter, overeenkomstig de eeuwige raadsbesluiten zijns Vaders, sterven zou, kregen zij macht over Hem en nagelden Hem aan het kruis. Jesus wees hier zelf op, toen Hij tot de Hoogepriesters en Ouderlingen, die bij zijne gevangenneming tegenwoordig waren, sprak: „Als Ik dagelijks met „u in den tempel was, hebt gij de handen niet tegen Mij „uitgestrekt: maar deze is uwe ure, en de macht dar duis-„ternisquot; (Luc. XXII, 53). — Satan zou evenmin instaat geweest zijn, den braven Job te plagen, als het Gods wil niet geweest was, door hem het geduld van zijnen dienaar op de proef te stellen. En hoe zou het Absalon gelukt zijn, een leger tegen David, zijnen vader, bijeen te brengen , indien het Gods plan niet geweest was, David door zijn eigen zoon voor zijne zonden te straffen, gelijk Hij hem tevoren had laten aankondigen: „Zie, Ik zal kwaad .,over u verwekken uit uw eigen huisquot; (2. Kon. XII, 11) \').

c) Als God het lijden wil, hetwelk door de boosheid der menschen u wordt aangedaan , dan zal dat lijden, indien gij slechts wilt, u allerzekerst ten heil verstrekken. Want God, als de oneindig wijze, heilige en goede Vader der menschen, wil slechts datgene, wat tot zijne verheerlijking en tevens tot het geluk zijner kinderen bijdraagt. In dien zin zegt de H. Schrift: „alles strekt den brave ten heilquot; (Sir. XXXIX, 32), en op eeue andere plaats: „voor hen.

\') „IJiet zelden wordt de goede wil -van God zelfs door den kwaden wil der menschen vervuld.quot; Aldus Petrus Lomb. I. I. dist. 48. No. 2.

-ocr page 333-

317

,.die God beminnen, dient alles ten bestequot; (Rom VIII, 28) l). Degene, die om de rampen, welke God hem toezendt, tegen zijn Meester opstaat, mort en klaagt, verzet zich dus tegen de liefdevolle oogmerken van den besten Vader, en is bijgevolg de grootste vijand van zich zeiven , daar hij tegen zijn eigen belang strijdt. „Wel steekt en brandt de pleister, „welke de geneesheer op uwe wonde gelegd heeft,quot; zegt de H. Augustinus (Verkl. der Psalm. 98, n°. 13) ; „gü „smeekt hem, die weg te nemen; maar hij leent u geen „gehoor, voor dat de wonde genezen is.quot; Wilt ge uwe smart lenigen of uav kruis ontvluchten, vereenig uwen wil in alles met den goddelijken wil; want een kruis in den waren zin ontstaat enkel dan, als onze wil met dien van God niet overeenkomt \'). Bedenk eindelijk wel:

\') Niet zelden leidt God onverdiende beleedigingen en bescliim\'-\' pingen ook tot het tijdelijk welzijn der gekrenkten. — Twee opvallende bewijzen vinden wij in liet leven van den H. Franciscus van Sales. Toen deze, na zijne studiën voltooid te hebben, zich te Rome bevond, en op een avond vermoeid in zijn nachtverblijf terugkeerde, hoorde hij eene hevige woordenwisseling tusschen zijn bediende en den waard, die er op aandrong, dat zij zouden vertrekken, om voor personen van hoogen stand, welke hij verwachtte, plaats te maken. De zachtmoedige graaf maakte aam dien strijd een einde, en ging met de zijnen een ander onderkomen zoeken. Het huis, hetwelk hij verlaten had, lag aan den oever van den Tiber, die in denzelfden nacht door eene schrikkelijke regenvlaag zoo opzwol, dat de golven alles wegrukten wat aan don oever stond. Ook de herberg werd door den vloed verslonden. — Franciscus van Sales wilde zich later van Ancona te water naar Venetië begeven en huurde een schip, waarop eene voorname dame met haar talrijk gevolg ook plaatsen gehuurd had. Toen de dame aan boord kwam en bemerkte, dat de Heilige met drie andere personen wilde meevaren, werd zij zeer toornig en dreigde in hare woede, zijne goederen in zee te laten werpen, als hij niet weging. Zijne omgeving werd erg boos over de grove behandeling, och Franciscus sprak met zijne gewone kalmte; //Laten wij ons . herinneren, wat er gebeurd is met de herberg te Rome, welke wij /■genoodzaakt waren te verlaten, en bedenken we tevens, dat de zee, «■die wij voor ons hebben, zeer dikwijls door stormen beroerd wordt. //Wellicht is er een ongeluk meer nabij dan wij vermoeden.quot; Hei schip voer met gunstigen wind af, doch weldra ontstond er een hevige storm. De Heilige en zijne gezellen zagen van het strand het schip ten gronde gaan, en niemand van de schepelingen werd gered (Hepp, Gesch. d. Kirche in Lebensbeschr. II. bl. 440).

2) Paulus Schutzler was een boer, die zijn vak goed verstond, en daarbij goedhartig en godvreezgnd was. Zijne buren bezochten hem graag, wijl hij in vele dingen goeden raad en bescheid wist te geven. Als hij sprak, zwegen allen en luisterden naar alles, wat hij zeide; want, dachten zij. God heeft Paulus de wijsheid in \'t hart gegeven. Op zekeren avond had hij zijnen akker bezocht, en was met een innerlijk genoegen naar huis teruggekeerd, want dicht en schoon stond zijn gewas, en het topzware zaad had zich neergebogen ter aarde.

/-God dank!quot; sprak hij, toen hij bij de zijnen was gekomen, „de tijd «van den oogst is daar; binnen twee dagen kunnen wij de maaiers /.uitzenden!quot;

-ocr page 334-

318

d) dat al de rampen dezer aarde niets zijn in vergelijking met de straffen der zonde, welke wij verdiend hebben \'), niets in vergelijking met de goederen des hemels , welke

OauitspreUelijk was de vreugde van moeder en kinderen over dit bericht, en zij gingen nu allen met een opgeruimd hart aan het avondmaal. Weldra werden zij echter verschrikt door zware donderslagen en bliksemstralen. Paalus begaf zich naar een venster en keek in de verte. — Ecne menigte zwarte wolken kwamen met geweld aandrijven. Snel verhief zich een stormwind, akelig huilend door bosschen en boomen. Op eens viel de regen bij stroomen uit den hemel. De glazen rinkelden en sprongen. ,/Ach , mijn God !quot; zuchtte de moeder, „nu is alles weg!quot; en de kinderen waren erg bang. „Wees bedaard, lieven,quot; sprak in stillen weemoed de vader, „want de „hand Gods is over ons!quot; Uen volgenden ochtend gingen mannen en vrouwen naar de velden. „Ach, mijn akker! mijn vlasland!quot; kermden velen. „Ach, mijn tuin, mijn wijnberg!quot; jammerden anderen en weenden bitter; want alles was op den grond geslagen, en overal zag men verwoesting, üe mannen van het dorp trokken nu den een na den ander naar Paulus, die juist voor een veldkruis stond, dat door den storm omvergeworpen èn in twee stukken gebroken was. De mannen wrongen zich de handen en spraken: „Ach, verloren is nu -een heel jaar van onzen zwaren arbeid! Vergeefsch is s.1 het vergoten zweet. De kindereu en huisgenooten schreeuwen om brood, „wij hebben leêge handen en zijn niet meer in staat hunnen honger t,e stillen!quot; — „Buurman Paulus!quot; sprak een van hen, „gij heit ons zoo „dikwijls opgevroolijkt in treurige dagen; weet gij een woord van .■•troost bij dit ongeval, o deel net ons armen dan mede!quot; Paulus vermande zich en antwoordde: „goede vrienden! het lot, dat ons „getroffen heeft, is waarlijk bedroevend; doch de wegen des Heeren /Zijn alle lijnrecht en vlak. Hij zendt den mensch nimmer een kruis; .diet kruis maken wij altijd zelve!quot;

De mannen verwonderden zich over deze taal en spraken : „Uwe ■/rede is duister, goede Paulus! Spreek liever met duidelijke woorden.quot; En Paulus begon nu: „ziet ge de twee balken van dit gebroken kruis ? „Wanneer ik beiden over of naast elkander leg in eene en dezelfde „richting, dan wordt het nooit weêr een kruis. Maar als ik den eenen schuins over den anderen leg, dan eerst vorm ik een kruis. —- Zoo .gaat het ook met den goddelijken en den menschelijken wil. Als „onze wil altijd één is met den goddelijken, zoowel in dagen van „lijden als in dagen van blijdschap, en als wij ons altijd met een . kinderlijk hart aan Gods heilige beschikking overgeven, zullen wij •nimmer over lijden en kruis klagen. Maar zoodra wij ontevreden „zijn over de beschikkingen der goddelijke Wijsheid, leggen wij ons terstond een zwaar kruis op de schouders; wij worden troosteloos en weten ons niet te helpen. Laten wij daarom, vrienden! ook in dezen /nood nedervallen met Job en bidden: „de Heer heeft gegeven, de „Heer heeft genomen; de Heer kan het tienvoudig wedergeven; gezegend zij de naam des Heeren!\'\' — Ja, Hij zij gezegend!quot; riepen rte mannen aangedaan uit: „want Hij leeft nog de oude God!quot; — •/Waarlijk, Hij leeft en spijst de vogelen in de lucht, en kleedt de ./bloemen des velds! Hij zal ook voor ons weten te zorge-a; want zijn „naam is — Vader!quot; Zoo sprak Paulus en de mannen gingen nu getroost uiteen. (Parabels von J. K. von Schwabl).

\') De H. Franciscus Borgias, vóór zijne intrede in de Jesuiten-orde hertog van Gandië en onderkoning van Gatalonië, maakte als geestelijke verscheidene zeer moeielijke reizen. Wie hem zag en wist, hoe prachtig hij vroeger geleefd had, verwonderde zich over de tevredenheid, welke vooral dan uit geheel zijn wezen doorstraalde, als hij

-ocr page 335-

319

zij ons bereiden i), niets in vergelijking met de smarten, welke Jesus Christus uit liefde tot ons geleden heeft quot;).

§ 4. Over de §111. Engelen.

Natuur en toestand der Engelen.

Heeft Gods niets dan de zichtbare wereld geschapen ?

God heeft ook een onzichtbare wereld geschapen, namelijk ontelbare geesten, die wij Engelen noemen.

Behalve de zichtbare wereld is er eene onzichtbare. Wij verstaan daaronder de Engelen, van wie op bijna elke bladzijde der H. Schrift melding gemaakt wordt. Ook die onzichtbare wereld , die duizendmaal duizende Engelen \' (Dan. VII, 10), heeft God door zijn machtwoord: „het wordequot; in het leven geroepen. Dit is de uitdrukkelijke leer der Kerk, welke in het vierde Concilie van Laterane, God noemt „den Schepper van alle zichtbare en onzichtbare, „geestelijke en lichamelijke schepselen , die door zijne almachtige kracht de geestelijke en lichamelijke schepselen

ergens bizonder arm gehuisvest en onthaald werd. Naar de reden hiervan gevraagd, gaf hij het schoone antwoord: ,/ik ben met alle ./huisvesting en elk onthaal zeer tevreden, wijl ik immer twee bege-./leiders vooruit zend, die eene gepaste herberg voor mij gereed maken.quot; Toen men er nu op aandrong, die geheimzinnige begeleiders te kennen, sprak hij: „het is de kennis van mij zelven en de herinnering aan de /zonden, welke ik bedreven heb.quot;

\') Een vroom kluizenaar, wien God zware en langdurige pijnen had toegezonden, werd op zekeren dag in zijne cel door verscheiden vrienden bezocht. Ten hoogste verwonderd ov.er de groote opgeruimdheid en vroolijkheid, welke op het gelaat van den vromen lijder te lezen waren, vroegen zij hem, hoe hij toch bij al zijne pijnen zoo vroolijk en vergenoegd kon wezen? Lachend wees de kluizenaar op het enge venster van zijne cel en sprak: //Dat venster maakt alle //lijden dragelijk.quot; — ,/i-ioe dat zoo?quot; vroeg een der aanwezigen met gestegen nieuwsgierigheid. — //Verwonder er u niet over, mijnheer! /Door dat venster zie ik den hemel daarboven, en die is nog grooter vlijden waard.quot; De vreemdelingen verlieten gesticht de cel van den H. kluizenaar.

2) De H. Maria Magdalena van Pazzis leed in hare ziekte onuitstaanbare pijn met verwonderlijk geduld. Ondervraagd door eene kloosterzuster, waar zij de kracht putte, om nimmer te klagen, ja zelfs nooit over haar lijden te spreken, antwoordde zij, wijzende op een kruisbeeld, dat bij haar bed stond; «Zie eens, wat de oneindige ^liefde Gods voor mijn heil gedaan heeft. Die liefde versterkt mijne «zwakheid en verleent mij moed. Degenen, die zich aan het lijden „van Jesus herinneren en God het hunne, vereenigd met dat van den ,/Verlosser, ten offer brengen, vinden in al hunne rampen troost en ^aangenaamheid.1\'

-ocr page 336-

320

..de Engelen namelijk en de (stoffelijke) wereld, en daarna „den menscli uit niets geschapen heeft.\'\' Hetzelfde leert ook de Vatikaansche Kerkvergadering. (Zie caput 1. De Deo rerum omn. Creatore.)

De Engelen zijn, wat hunne natuur betreft, zuivere geesten, die bijgevolg verstand en vrijen wil, maar geen lichaam hebben; naar hunne bediening zijn zij boden, afgezanten , gelijk de naam „engel,quot; welke van het grieksch afkomt, duidelijk genoeg uitdrukt. Zeer juist zegt de H. Augustinus: (Over Ps. CIII) ,,enr/el is de naam van hun „ambt, niet van hunne natuur. Vraagt gij naar den naam „van hunne natuur? Hij luidt geest. Vraagt gij naar den „naam van hun ambt ? Hij heet engel.\'quot; Zoowel de geestelijke natuur, als de bediening der Engelen wordt uitdrukkelijk aangegeven in de volgende woorden van den H. Paulus aan de Hebreen (I: 84); „Tot wien der Engelen heeft Hij „(God) ooit gezegd: zit aan mijne rechterhand...? Zijn „zij niet allen dienstdoende geesten, die uitgezonden worden. „ten dienste van hen, die de zaligheid beërven zullen ?quot; —

Volgens het woord der heilige Boeken verscienen de Engelen menigmaal op aarde in menschelijke gedaante, doch deze was hun geenszins eigen van natuur; zij namen slechts voor eenigen tijd een lichaam of den schijn daarvan aan, om met de menschen, tot wie God hen zond, zichtbaar te verkeeren, zooals de Aartsengel Raphaël uitdrukkelijk aan Tobias te kennen gaf; „ik scheen wel met u te eten en te „drinken, doch onzichtbare spijze gebruik ik.... nu is het „tijd, om terug te keeren tot dengene, die mij gezonden heeftquot; (Tob. XII, 19, 20). In den Bijbel vindt men de Engelen voorgesteld met vleugelen, om daardoor de bereidwilligheid en snelheid aan te duiden, waarmede die hemelboden de bevelen Gods volbrengen. Eveneens moet men in geestelijken zin opnemen, wat de H. Schrift zegt van schalen en wierooksvaten, waarin de Engelen onze gebeden voor den troon Gods brengen , of van de gezangen en liederen, waardoor zij den Allerhoogste loven en prijzen.

Voorloopig merken wij hierop, dat de leer van het bestaan van zuivere, aan geen lichaam geboeide geesten, in hoogere mate met de menschelijke rede overeenkomt. Ons verstand vindt het namelijk zeer gepast, dat er in het heelal ook schepselen zijn, die Gods zuiver geestelijke natuur in zich afspiegelen. Zoo ontstaat dan die wondervolle en onafgebroken opvolging van wezens, die hunner, goddelijken Schepper al meer en meer gelijk worden. De levenlooze dingen hebben eenige gelijkheid met God door hun zijn, de planten door hun (organisch) leven, de dieren door hun leven en hun gevoel, de menschen door hunne ziel, welke geest is, maar de Engelen staan door hun zuiver geestelijk wezen boven de overige schepselen, op den hoogsten trap der natuurlijke gelijkenis met God.

-ocr page 337-

321

Hoe vjaren de Engelen toen God hen geschapen had?

Zij waren alle goed en gelukkig, en met heerlijke gaven, in het bizouder met heiligmakende genade uitgerust.

De Engelen kwamen rijk begaafd uit de hand des Scheppers voort. Zij hadden van natuur een groot, doordringend verstand, om God in zijne werken te kennen, eenen wil, die geneigd was Hem overeenkomstig die kennis te beminnen, en eene uitstekende kracht, om dien wil te volbrengen : verheven voorrechten, uit welke een hooge graad van natuurlijke zaligheid voortkwam. Zii waren bovendien door hunnen Schepper met de heiligmakende genade bedeeld, en bestemd om, na eene korte beproeving, tot de volkomen zaligheid, welke in de onmiddellijke aanschouwing van God bestaat, te geraken. Dat de Engelen reeds in den beginne dit kostbaar geschenk der heiligmakende genade verkregen hebben, is eene algemeen aangenomen leer. De romeinschfr Katechismus leidt dit af uit de woorden van den Heiland: „de duivel is in de waarheid niet staande geblevenquot; (Joan. VIII, 44), waar de uitdrukking „waarheid,quot; gelijk algemeen wordt aangenomen, de oorspronkelijke gerechtigheid beteekent. — Van de wijsheid der Engelen getuigt de H. Schrift. In het S116 boek der Koningen (XIV, 20) namelijk vergelijkt zij eene groote wijsheid met de wijsheid van een Engel; „Gij heer, mijn koning, zijt wijs gelijk een Engel „Gods wijs is.quot; Desgelijks gewagen de HH. Boeken van de buitengewone kracht der hemelsche geesten. Zoo lezen wij in Ps. CII, 20: „Looft den Heer, gij zijne Engelen, „die met geweldige kracht zijn wil volbrengt.quot; De wonderbare kracht der Engelen blijkt eveneens uit vele voor beelden der heilige geschiedenis, onder anderen uit de nederlaag van den assyrischen koning Sennacherib, waarover geschreven staat: „De Engel des Heeren ging uit en versloeg er in het leger der Assyriërs (in éénen nacht) 185.000.quot;

Alhoewel alle heilige Engelen zonder uitzondering verheven en machtige geesten zijn, worden zij toch, volgens het getuigenis der H. Schrift, in negen verschillende kiassen verdeeld, welke men ook de negen koren der Engelen noemt, namelijk: Engelen, Aartsengelen, (Jud. IX; ïhess. IV, 15) Krachten, Machten, Overheden, Heerschappijen (Eph. I, 21), Troonen (Coll. I, IC), Cherubijnen (Ezech. X), en Sera-phijnen (Is. VI, 2j. \')

\') Deze negon koren worden door de HH. Vaders Dionysius, Gregorius den Groote, Thomas van Aquine en andere, in drie rangen, elk van drie koren, verdeeld. Nochtans komen zij in de bepaling, welke koren tot iederen rang behooren, niet alle overeen. In den Katechismus volgen de koren der Engelen in dezelfde rangschikking, als die, welke de H. Gregorius, in de \'Sla\'e homilie over de Evangeliën, aangeeft.

BEUARBE, GELOOrSLEEJL I. 3lt;le DEUK. 21

-ocr page 338-

32 _gt;

Aangaande liet onderscheid der opgenoemde koren zegt de H. Augustinus lt;) het volgende: //Ik geloof vastelijk, dat zij (de Engelen-,koren) in het een ot\' ander onderscheiden zijn; maar wat die na-„men beteekenen, en hoe zij werkelijk onderscheiden zijn weet ik //niet.quot; Het is echter, gelijk de H. Bernardus 2) opmerkt, noch onnuttig, noch ongeoorloofd, naar dit onderscheid, in de H. Schrift zelve aangeduid, te zoeken en zich daarover eenig denkbeeld te vormen. Wij laten hier het gevoelen van den H. Gregorius den Groote volgen. Voigens het oordeel van dezen H. Leeraar (Homil. 34 over de Evang.), worden de Engelen tot het aankondigen van minder belangrijke dingen, en de Aartsengelen tot de gewichtigste zendingen gebruikt3. De Krachten werken op Gods bevel wonderen en buitengewone teekencn. Aan de Machten zijn de geesten der duisternis onderworpen. Aan de Overheden is de macht gegeven, ook den goeden geesten van minderen rang te gebieden. Üe Heerschappijen hoeten aldus, wijl zelfs de overheden hun onderdanig zijn. De Troonen zijn, door hunne volheid van genade, bij het oordeel naast God gezeten. L)e Cherubijnen munten vooral uit door hunne wonderbare wijsheid, de Seraphijnen eindelijk door vlammende liefde. — Een sprekend afbeeldsel dier hemelsche hierarchie zien wij in de kerkelijke hierarchie. Gelijk God in den hemel aan de spits staat, staat de zichtbare plaatsbekleeder van God, de Paus, aan het hoofd van de Kerk. Om zijnen troon staan de Kardinalen, uitstekende door vroomheid, wetenschap en beleid. Op deze volgen de Aartsbisschoppen, Bisschoppen en priesters en eindelijk de diakens, die de priesters in het heilig ambt helpen, en daarom in de eerste tijden der Kerk //Engelenquot; genoemd werden.

Zijn alle Engelen goed en gelukkig gebleven ?

Neen, vele zondigden en werden in de hel gestort. Deze heeten nu, „duivelenquot; of „booze geesten.quot;

De engelen waren als zuivere geesten met een vrijen wil begaafd. Het lag derhalve, toen zij nog niet in de genade bevestigd waren, geheel in hunne macht, van hunne natuurlijke vermogens een goed gebruik te maken, en zoo in de genade te volharden en tot de eeuwige zaligheid, tot de onmiddellijke aanschouwing Gods, te geraken; maar eveneens waren zij in staat, door een slecht gebruik er van, de genade en dientengevolge zoowel hun natuurlijk als hun bovennatuurlijk geiuk voor eeuwig te verbeuren. Lucifer, en een groot deel der hemelscharen met hem , misbruikten hunne vrijheid en hunne groote vermogens, om tegen den Allerhoogste op te staan. Daarom werden zij door God

\') Lib. ad Oros. contra Priscil. O. XI.

■) Lib. 5. de considerat. O. IV, n0. 7.

3) Zoo was liet Gabriël, een Aartsengel, die in last had, aan de Moeder des Heeren het geheim der menschwording te boodschappen. Evenwel moet men opmerken , dat de naam „Aartsengelquot; ook in gebruik is, om in \'talgemeen geesten te beduiden van een hoogeren rang Op deze wijze worden Michaël, Gabriël en Raphael door de uitleggers der H. Schrift bij de hoogste rangorde der hemelsche geeslen gesteld.

-ocr page 339-

323

voor eeuwig verstooten, en toeten nu hunne boosheid in de hel. De heilige Petrus zegt in zijn 2aen brief, hoofdst. 11,4: „God heeft de Engelen , die zondigden, niet gespaard, „maar in den duisteren kerker des afgronds geworpen en „overgeleverd aan de pijnen.quot; Eveneens spreekt de H. Apostel Judas: „Ook de Engelen, die hunnen vorigen „stand niet bewaard,, maar hunne woonstede verlaten hebben, „heeft Hij met eeuwige boeien in de duisternis opgeslotenquot; \'). Volgens de eenparige leer der HH. Vaders heeft Lucifer en zijn aanhang door hoogmoed, welke ,.het begin van alle „zonden isquot; (Sir. X, 15), gezondigd Waarin die zonde van hoogmoed eigenlyk bestond , kan men niet met zekerheid zeggen. Niet onwaarschijnlijk is de meening, dat de afvallige Engelen, toen zij door goddelijke openbaring het geheim der toekomstige menschwording van den Zoon Gods, en de verplichting, om den Godmensch te aanbidden, leerden kennen, uit trots en wrevel over die verheffing der menschelijke natuur , den Allerhoogste de verschuldigde gehoorzaamheid geweigerd hebben: ziedaar tevens de oorzaak van hunnen grimmigen en onverzoenlijken haat jegens Jesus Christus en zijne Kerk. — De gevallen Engelen worden „booze geestenquot; of „duivelen,quot; ook „satansquot; en „leugenaarsquot; genoemd. Hun bestaan wordt in de H. Schrift en de geheele Overlevering zoo duidelijk en herhaaldelijk geleerd, dat men rechtstreeks met het christelijk geloof in strijd komt, als men dit loochent, of de booze geesten enkel als zinnebeelden der boosheid, als slechte gedachten , bekoringen , enz. wil beschouwen.

Hoe heeft God de Engelen, die getrouw zijn gebleven , beloond ?

Hij heeft hun de eeuwige zaligheid gegeven, welke bestaat in de aanschouwing en het bezit van God.

Michael en ontelbare andere hemelsche geesten volgden niet het kwade voorbeeld van den oproerigen Lucifer, maar bleven den Allerhoogste steeds trouw en gaven Hem de

• \') Men vroeg op zekeren dag aan de drie kinderen van den heer

2?_____ Hendrik, Renier en Guido; ,,Wie heeft de Engelen geschapen?quot;

Het antwoord was gereed; //God\' — «Haar wie heeft den duivel ge-y/schapen?quot; Dat was moeielijker. Kenier meende, dat God het niet gedaan had; de kleine Guido wist niet, wat hij van de zaak denken moest; nu roept Hendrik op eens uit, als had hij eene ingeving gekregen: //God heeft den Engel geschapen, en deze heeft zich zeiyen «duivel gemaaktquot; (Guillot\'s handboek van den godsdienst).

21*

-ocr page 340-

324

verschuldigde eer. Daarom werden zij ook met goddelijke mildheid beloond. God liet hen de volle heerlijkheid en schoonheid van zijn oneindig wezen onmiddellijk aanschouwen, en maakte hen daardoor onuitsprekelijk gelukkig en huiten staat om nog te zondigen. Eeuwen lang zijn de getrouwe Engelen reeds in het bezit dier volkomen zaligheid. Waar zij zich ook bevinden, altoos .,zien zij het aangezicht des Vaders, „die in den hemel isquot; (Matth. XVIII, 10). En dat aanschouwen van het goddelijk gelaat, dat volle, ongestoorde, onverliesbare bezit van het hoogste goed vervult hen met eene door ons ongekende vreugde en met eene gloeiende liefde. Daarom loven zij God onophoudelijk en roepen bij dag en bij nacht: „heilig, heilig, heilig is God de Almachtige. . .. Hem, die op den troon zit, en het Lam zij „lof en eer en heerlijkheid in alle eeuwierheidquot; (Openb. IV, 8, en V, 13) l).

¥crhoucliuK van «Ie Ensclcu tot «le menscheu.

Hoe zijn de goede Engelen jegens ons gezind ?

De goede Engelen hebben ons lief; daarom beschermen zij ons naar lichaam en ziel, bidden voor ons, en vermanen ons ten goede.

God is onze Koning, de goede Engelen zijn de vorsten van zijn rijk, zijne hovelingen, zijne vertrouwelingen en gunstelingen, zijne heirscharen, zijne afgezanten. Het is derhalve voor ons van belang, te weten, hoe zij jegens ons gezind zijn.

\') Uit liet gezegde.zien wij, hoe het verstaan moet worden, wanneer er gezegd wordt, dat de Engelen van den eersten beginne zalig zijn geweest, doch zoo, dat zij eerst na eene standvastige beproeving tot loon hunner getronwheid volkomen zalig en in \'t goede bevestigd zijn geworden. Hetzelfde leert ook de H. Augustinus (lib. de grat. et corrupt) in de volgende woorden; «.Ofschoon Lucifer en zijne engelen «vóór hunnen val zalig waren, had niettemin hunne zaligheid nog „zoolang vermeerderd kunnen worden, tot zij, ten loon hunner vrije «volharding in de waarheid, tot de volheid der zaligheid zouden «gekomen zijn, d. i. totdat zij krachtens de onuitputtelijke liefde, „door den H. Geest hun ingestort, niet meer in staat om te zondigen, „en van deze bevestiging in het goede ten stelligste verzekerd zouden ^geweest zijn.quot;

-ocr page 341-

325

De goede Engelen beminnen ons, wijl zij God beminnen, wiens evenbeeld zij in ons zien, en zij beminnen ons te meer, hoe reiner en onbevlekter wij dat evenbeeld in ons bewaren ; zij hebben ons lief, wijl God ons lief heeft, daar hunne liefde en neiging steeds met die van God overeenkomt; zij beminnen ons gelijk de kinderen van denzelfden vader elkander liefhebben; zij beminnen ons, omdat zij in de eeuwige raadsbesluiten des Allerhoogsten zien, dat wij bestemd zijn, God te verheerlijken, en eenmaal in den hemel de zetels hunner afgevallen broeders in te nemen. Onze zwakheid, onze rampen en moeielijkheden, de vele aanvechtingen en gevaren, waaraan wij bloot staan, zijn eene nieuwe en\' krachtige beweegreden voor hunne welwillende gezindheid jegens ons. Daarom vervullen zij met vreugde en bereidvaardigheid den last, welken onze hemelsche Vader hun gegeven heeft, den last, om ons „op al onze wegen te bewaren en op hunne handen tfe-„dragen, opdat onze voet niet aan eenigen steen stoote\'\' (Ps. XC, 11, 12).

Ontelbaar zijn de weldaden, welke de HH. Engelen ons verleenen; diensten van allerlei aard bewijzen zij ons, zooals de bijbelsche geschiedenis en de geloofwaardigste legenden der Heiligen getuigen. Was het niet een Engel — „Eaphaël, „een der zeven, die altijd voor Gods troon staan\'\' — die den jongen Tobias op de lange reis als leidsman diende, zelf met knechten en kameelen naar Rages trok, om van Gabelus het geld voor Tobias te halen, en na zijne terugkomst den ouden Tobias van diens blindheid genas? Was het niet een Engel, die den Profeet Elias in de woestijn spijs en drank bracht (3. Kon. XIX, 4), een Engel, die zorg droeg, dat Daniël in den leeuwenkuil het noodige voedsel bekwam (Dan. IV)? Was het niet een Engel, die den tempel van Jerusalem voor ontheiliging bewaarde, en Heliodorus belette, den schat te rooven (2. Mach. III, 25) ? Ziedaar slechts een paar voorbeelden uit de vele, welke de H. Schrift ons levert. In het bizonder :

1) heschermen de goede Engelen ons in ontelbare gevaren des lic/iaams. Engelen voerden Lot met zijn gezin uit het misdadige Sodoma, vóórdat het vuur des hemels alle inwoners dier stad verdelgde. liaphaël redde herhaalde malen het leven van den jongen Tobias (Tob. VI, 2—4; VIII, 3). Een Engel bewaarde de drie knapen in den vuuroven te Babylon. „Hij maakte het midden in den oven, alsof daar „een dauwwind ruischte, en het vuur roerde hen in geenen „deele aan, en het schaadde, ja het bekommerde hen nietquot; (Dan III, 49, 50). Een Engel behoedde Judith, toen zij

-ocr page 342-

326

in het leger der Assyriërs ging, zoolang zij daar vertoefde en eveneens toen zij met het hoofd van den opperveldheer Holofernes in den stad Bethulië terugkeerde (Jud. XIII, 20). Engelen dienden Judas en zijn leger tot geleiders: „Twee hunner namen den Machabeër in hun midden en beschermden „hem met hunne wapenen, zoodat hij ongedeerd bleef; maar

„op de vijanden wierpen zij pijlen____waardoor deze geheel

„in verwarring geraakten. 205000 man voetvolk en 600 „ruiters werden er omgebracht\'\' (2. Mach. X, 29—31). Een Engel verscheen in den kerker aan den H. Petrus, verbrak diens boeien, bedroog de waakzaamheid der wachters, en onttrok den gevangene aan de woede van Herodes. En leert de dagelijksche ondervinding ons niet ontelbare malen hetzelfde\'? In hoevele levensgevaren verkeeren niet dag aan dag kleine, onachtzame kinderen? Hoevele zouden er in het water vallen, hoevele door wagens overreden, door paarden vertrapt worden, op andere wijze omkomen of zich ongelukkig maken, als de HH. Engelen hen niet beschermend ter zijde stonden?

2) Zij beschermen ons in de gevaren der ziel. Nog veel grooter zorg dan voor ons lichaam, dragen de HH. Engelen voor onze ziel, wijl de redenen, waarom zij ons liefhebbeu vooral op deze betrekking hebben. Bovendien waken de hemelsche geesten over de menschen op bevel van God, die in al zijne beschikkingen vooral het heil der ziel beoogt. Wij mogen er derhalve geen oogenblik aan twijfelen, dat de HH. Engelen juist zijn aangesteld tot beschermgeesten der menschen , om de zielen hunner beschermelingen te redden. Tijdens de beproeving, als de helsche vijand op ons aandringt, zal „de Engel des Heeren zich om ons „legeren en ons reddenquot; (Ps. XXXII, 18). „Wantquot; aldus schrijft de H. Hilarius (over Ps. CXXXIV, n0. 17), „onze „zwakheid zou bezwaarlijk de zoo groote en veelvuldige „arglist van den Engel des kwaads wederstaan, als de goede „Engelen ons niet beschermden.quot; Zij sterken ons in den strijd, waarschuwen ons voor de inblazingen van den verleider , ontdekken ons zij ne listen , en schrikken ons af van het kwaad. Toen Balaiün, een valsche profeet, zich op weg bevond, om het volk Gods te vervloeken, trad een Engel met een vlammend zwaard hem te gemoequot;; en sprak: „Ik ben uitgegaan, om mij tegen u te stellen, wijl uw „weg verkeerd isquot; (4. Mos XXII), Vooral in het uur des doods, als de booze vijand zijne aanvallen verdubbelt, om ons voor eeuwig ongelukkig te maken, zullen de zalige geesten zich aan onze zijde voegen, gelijk zij bij Christus waren in den hof van Olijven; zij zullen in dien laatsten

-ocr page 343-

327

strijd de macht der hel breken en onze overwinnende ziel vol blijdschap in den hemel, in den vaderschoot van God. dragen, gelijk zij de ziel van den armen Lazarus in den schoot van Abraham gedragen hebben.

3) Zij Vulden voor ons, brengen onze gebeden voor den Heer, en vereenigen hunne smeekingen met de onze.

Dit leert de H. Schrift zoo duidelijk mogeliik. De Profeet Zacharias vermeldt het smeekgebed van den Engel, die over Jerusalem en de joodsche steden waakte, met de woorden: „de Engel des Heeren sprak: Heer der heirscharen ! ,.hoe lang wilt Gij ü niet erbarmen over Jerusalem en over „de steden van Juda?quot; (Zach. I). En Raphael sprak tot Tobias ; . toen gij met tranen badt, bracht ik nw gebed voor den „Heer,quot; d. i. volgens de opmerking der Schriftverklaarders, ik vereenigde voor Gods troon mijne gebeden met de uwe, ondersteunde u door mijne voorspraak. In denzelfdeo zin staat ook in het boek der Openbaring (VIII, 4) geschreven\': „ea de rook des reukwerks ging op, met de gebeden der .-Heiligen, van de hand des Engels, voor den troon van God.quot;

4) Zij vermanen ons ten goede.— Het is den goeden Engelen eigen, de ziel van den mensch te verlichten en te onderrichten, haar moed en kracht in te storten, ook door geestelijken troost, door liefderijke inspraken, door kalmte en verkwikkenden vrede alle plichtsvervulling gemakkelijker te maken, en alle hinderpalen tot vooruitgang in de deugd te verwijderen. De H. Schrift, zoowel van het Oude ais van het Nieuwe Verbond, levert hiervoor ontelbare bewijzen. , Keer terug naar uwe meesteres en verootmoedig u onder „hare hand,quot; sprak een Engel tot Agar, Abram\'s en Sara\'s dienstmaagd, en herinnerde haar zoo aan haren plicht (1. Mos. XVI, 9). Raphael onderrichtte den jongen Tobias, hoe hij in heilige godsvrucht een huwelijk kon aangaan, hoe hij en ook zijne ouders God aanbidden en loven moesten (Tob. VI en XII). Engelenscharen verkondigden den herders van Bethlehem de geboorte des Heilunds , wezen de geboorteplaats nauwkeurig aan , en wekten hen op, zich terstond naar de kribbe van het goddelijk Kind te begeven. Desgelijks was het een Engel, die den romeinschen hoofdman Cornelius vermaande, den Apostel Petrus op te zoeken, om door hem in het ware geloof onderwezen te worden (Hand. X).

Hoe noemen wij de Engelen, die den mensc/ien tot hunne bescherming gegeoen zijn ?

Heilige Engelbewaarders. Redelijkerwijze kan er niet aan getwijfeld worden, of er Engelbewaarders zijn. De

-ocr page 344-

328

H. Schrift zoowel van het Oude als van het Nieuwe Verbond getuigt het; de HH. Vaders leeren het eenparig, en de H. Kerk heeft een bizonder feest ter eere der Engelbewaarders ingesteld. Het geloof aan deze waarheid is in Christus\' Kerk van oudsher zoo algemeen vastgehouden en zoo onaangetast gebleven, dat zij nimmer eene aanleiding vond, er eene uitdrukkelijke verklaring van te geven. Men kan alzoo slechts de vraag stellen; 1° of uit alle koren der Engelen beschermgeesten voor de menschen zijn aangewezen ; 2° of elk mensch een Engelbewaarder heeft; 3° of ook aan geheele rijken, steden en kerken ter bescherming een eigen Engel is gegeven.

Zelfs de H. Gregorius de Groote achtte het bezwaarlijk, eenig antwoord op de eerste vraag te geven, dewijl de H. Schrift zich niet bepaald genoeg daarover uitlaat. Hoewel volgens de leer van den H. Paulus alle Engelen „dienstdoende „geesten zijn, uitgezonden tot heil der uitverkorenen,quot; mag men uit dat gezegde nog niet besluiten, dat de Engelen van alle koren onmiddellijk tot bewaking en bescherming der menschen gezonden worden, te minder daar uit den Profeet Zacharias (II, 3, 4) blijkt, dat de Engelen somwijlen enkel middellijk tot heil der menschen werken, wanneer zij namelijk aan andere Engelen de zorg voor het geluk der menschen opdragen.

Aangaande de tweede vraag schrijft de uitstekende Godgeleerde Suarez; „bet is eene katholieke leer, dat voor „iederen mensch terstond bij zijne geboorte een eigen Engelbewaarder bestemd is. Ofschoon die leer in de H. Schrift „niet bepaald uitgedrukt, of door de H. Kerk vastgesteld „is, is zij toch met groote eenparigheid door de gansche „Kerk aangenomen, en zoo gegrond op de H. Schrift, gelijk „die door de HH. Vaders is verstaan, dat men ze zonder „groote vermetelheid en zonder zich bijkans aan dwaling „(tegen het geloof) schuldig te maken, niet loochenen kan.quot; Werkelijk vindt men deze leer in de geschriften der HH. Oudvaders met de duidelijkste woorden uitgesproken. „Groot „is de waarde der zielen,quot; schrijft de H. Hieronymus (over Matth, XVIII, 10), „zoo groot, dat aan iedere ziel, „terstond bij haar intreden in de wereld, een Engel als „beschermer wordt toegevoegd.quot; „Een Engel staat ieder „van ons ter zijde,quot; zegt de H. Chrysostomus (Homil. XIV over den Hebr. brief). De H. Gregorius van Nyssa (over 2. Mos. IV, 24) toont aan, dat de leer, welke aan iederen mensch een bizonderen beschermgeest toekent, op de Overlevering gegrond is. „Er is,quot; schrijft hij, „eene „meer of min geheimnisvolle overlevering tot ons gekomen,

-ocr page 345-

329

„volgens welke wij gelooven, dat onze menschelijke natuur „na den zondeval door 3en algoeden God niet geheel ver-„smaad en hulpeloos gelaten is, maar dat integendeel ieder ..mersch in het bizonder van Hem een Engel of bescherm-geest als leidsman gekregen heeft.quot; En de romeinsche Katechismus (d. IV, n0. 5, 9) beweert insgelijks, „dat „aan elk mensch een geleidende Engel ter bescherming is gegeven.\'\'

De vraag, of ook geheele rijken, afzonderlijke steden en kerken eigen Engelbewaarders hebben, wordt door vele HH. Vaders en kerkelijke schrijver^ eveneens bevestigend beantwoord. Zoo spreekt Hieronymus in zijne verhandeling over Isaïas (XV) van Engelen, „die zorg dragen voor „enkele volkeren.quot; Gregorius de Groote, Basilius en Origenes deelen, bij de verklaring van den Profeet Daniël (X, 20), in hetzelfde gevoelen. Dat ook de kerken ieder een bizonderen beschermgeest hebben, leert onder anderen de heiligê Gregorius van Nazianze in zijne 32ste rede. — De H. Aartsengel Michaël wordt gemeenlijk vereerd als de beschermgeest van geheel de christelijke Kerk, en zal haar in den laatsten zwaren strijd tegen den antichrist bijstaan. De beroemde Schriftverklaarder Cornelius a Lapide drukt zich hierover, in de uitlegging van het twaalfde hoofdstuk der geheime Openbaring, volgenderwijze uit: „alsdan (op „het einde der wereld) zal Michaël met zijne Engelen „tegen Lucifer en zijne helsche legerscharen vechten, hij „zal den Christenen eene behulpzame hand bieden en hen „sterken, opdat zij openlijk en heldhaftig zich verzetten tegen „dien antichrist, met wien en voor wien Lucifer strijden zal. „Uit deze plaats (der Openbaring) besluiten de Godgeleerden, „dat Michaël de beschermer van Christus\' Kerk is.quot;

Welke hooge waarde moet onze ziel hebben in de oogen van onzen hemelschen Vader, daar Hij den vorsten van zijn eeuwig rijk, zijnen vertrouwelingen, beveelt, ons arme ellendige aardwormen te beschermen, te begeleiden, ja, op de handen te dragen ? Welk eene nieuwe beweegreden tot vertrouwen op zijne liefde en vaderlijke voorzorg! Welk eene krachtige aansporing tot dankbaarheid jegens onzen goeden Heer en God! Indien een koning dezer aarde een armen onderdaan, die ver van zijn vaderland onder vele gevaren ronddoolt een zijner voornaamste hovelingen toezond, ten einde hem te berschermen en aan het hof te brengen; zou die onderdaan wel woorden genoeg kunnen vinden, om zijn goeden vorst den hartelijksten dank te brengen? En toch is dit slechts een zwak beeld der goedheid van den hemelschen Koning jegens ons, die verzuchten in dit tranendal.—

-ocr page 346-

330

Lof, eer en eeuwige dank zij derhalve den Allerhoogste gebracht, daar Hij aan ieder onzer een Engel tot beschermer en wegwijzer naar het hemelsche rijk gegeven heeft.

II\'al zijn wij aan onze Uil. Engelbewaarders verschuldigd ?

Wij moeten hen vereeren, hen danken, en aan hunne inspraken ten allen tijde gehoor geven.

1) Wij moeten de HH. Engelbewaarders vereeren, d. i. hen met liefde en bereidwilligheid uitwendigen eerlied bewijzen. Daartoe verplicht ons hunne persoonlijke tegenwoordigheid , hunne hooge waardigheid en heiligheid. Toen de Engel zich aan den jongen Tobias en zijne ouders bekend maakte, „vielen zij neder op hun aangezichtquot; (Tob. XII, 22), Zoo groot was hun eerbied voor den H. Engel Gods. — Voor de grooten dezer aarde is men hoogst bescheiden en eerbiedig, buigt men diep het hoofd, en toch is hunne waardigheid onvergelijkelijk geringer, dan die van den minsten der Engelen. Greef derhalve acht, lezer, dat gij u steeds vroom , ingetogen en eerbiedig voor uwen Engel gedraagt. Ook in het verborgene, ook in het nachtelijk duister slaat de hemelvorst u gade Veroorloof u alzoo nooit eenig woord, eenig gebaar of eenige handeling, welke hem mishagen, welke uwen hemelschen vriend en leidsman bedroeven kan.

Tot de vereering der HH. Schutsengelen behoort ook een onbeperkt vertrouwen op hunne machtige voorspraak bij God, en de veelvuldige aanroeping, welke uit dat vertrouwen voortkomt. Wat God aan het volk van Israël zeide, roept ons in zekeren zin ook onze Beschermengel toe: ,, Roep tot „mij in de dagen van droefheid , . .. . en gij zult mij eeren\'\' (Ps. XHX, 15). Keep mij aan in allen nood, in alle gevaren en bekoringen; ik zal u bescherming en bijstand verleenen, en uw gebed zal mij tot eer verstrekken. — De Patriarchen van het Oude Verbond stelden een zoo groot vertrouwen op de hulp en macht der Engelen, dat de stervende Jacob aan de zonen van Joseph den zegen van zijnen Engel toewenschte, zeggende: „de Engel, die mij „verlost heeft van alle kwaad, zegene deze knapenquot; (1. Mos. XLVHI, löj. De grijze Tobias nam afscheid van zijn geliefden zoon en diens leidsman met de woorden: „reist „gelukkig. God zij op uwen weg en zijn Engel geleide uquot; (Tob. V, 21). Alvorens den strijd met Nicanur te beginnen, smeekte Judas de Machabeër God om de hulp van den

-ocr page 347-

331

goeden Engel: „Heer des Hemels,quot; zoo bad die vrome veldheer, „zend uw goeden Engel voor ons uit ten schrik en vrees\'\' (2. Mach. XV, 23). — Ook in het Nieuwe Verbond bevelen ontelbare Heiligen het vertrouwen op den H. Engelbewaarder, zoowel door hun voorbeeld als door hunne woorden, aan Zoo onder anderen spreekt de H. Bernardus (Preek 15 over Ps. XC): „hoe zwak wij ook „zijn, hoe ver en gevaarvol onze overige levensweg ook ..moge vrezen: onder de hoede van zulke beschermers heb-„ben wij niets te duchten. Die trouwe, verstandige, machtige ..begeleiders zullen niet gedoogen, dat wij boven onze krachten bekoord worden; integendeel zullen zij ons op hunne handden dragen, en iederen steen des aanstoots uit den weg „ruimen. Zoo vaak alzoo eene hevige bekoring of eene „zware ramp u bedreigt, roep uwen Schutsengel, uwen ..hemelschen leidsman en beschermer aan; verhef uwe stem „en zeg hem: Heer red mij, ik ga ten gronde!quot;— Lezer!■■ volg den raad van den H. Bernardus; roep uwen goeden Enge! dikwerf en vol vertrouwen aan, bid hem des morgens dat hij gedurende den dag uwe schreden geleide, en slechte menschen vau u verwijderd houde; breng hem des avonds uwen hartelijken dank voor zijne liefdevolle bescherming en bid, dat hij uwe rustplaats niet verlate, en den boozen vijand verhindere, u iu den slaap nadeel toe te brengen.

Tot de vereering der HH. Engelbewaarders behoort ook de godvruchtige viering van die feesten, welke door de katholieke Kerk zijn vastgesteld, om het aandenken aan de HH. Engelen en aan hunne ontelbare weldaden steeds te\' vernieuwen. Die feesten zijn voornamelijk: het feest der HH. Engelbewaarders, dat in vele bisdommen, ook in het onze, met octaaf, d. i. acht dagen lang, gevierd wordt, en het feest van den H. Aartsengel Michaël, tot wiens eer vele kerken in de christelijke wereld gewijd zijn. Elk Christen behoort derhalve genoemde feesten met y ver en innige gods-vrucht te vieren.

2) Wij moeten onzen H. Engelbewaarder danken. — Laten wij zorg dragen, de dankbaarheid van den jongen Tobias jegens zijnen Beschermengel na te volgen. Ook wij zijn door onzen goeden Engel met ontelbare weldaden overladen. Altijd en overal stond hij beschermend, vriendelijk waarschuwende, ernstig vermanende ons ter zijde. Of wij waken of slapen, arbeiden of spelen, hij verblijft bij ons; op al onze wegen, in de kerk en in de school, in huis en op het veld, waakt hij met zorg over ons; wanneer wij bidden, draagt hij ons gebed aan God op en keert, als hij verhooring gevonden heeft, blijde tot ons terug. „Welk loon zullen

-ocr page 348-

332

„wij hem geven, of waarmede zijne weldaden naar ver-„dienste kunnen vergelden?quot; (Tob. XII, 2).

3) Wij moeten aan de inspraken van onzen Beschermengel gehoor geven, gelijk God van ons verlangt. „Zie,quot; spreekt Hij tot ieder onzer, „zie. Ik zend mijnen Engel voor u ,,uit, om u te behoeden op uwen weg, en om u te brengen „ter plaatse, die Ik voor u bereid heb. Geef acht op hem, „hoor naar zijne stem en weerstreef hem nietquot; (2. Mos. XXII, 20, 21). Indien wij, niet lettende op dit vaderlijk gebod, de vermaningen van onzen hemelschen leidsman vergeten, zullen wij streng geoordeeld worden, en de H. Engelbewaarder zelf zal eenmaal voor Gods rechterstoel onze aanklager zijn.

Hoe zijn de gevallen Engelen of öooze geesten jegens ons gezind?

De booze geesten laten, uit haat en nijd, niets onbeproefd , om ons naar lichaam en ziel schade toe te brengen, en door verleiding tot zonde in het eeuwig ongeluk te storten.

Omtrent de gezindheid der helsche geesten jegens de menschen, over de middelen en pogingen, welke zij aanwenden, om ons naar ziel en lichaam te schaden, laat de H. Schrift en de Overlevering ons evenmin als over hun bestaan in twijfel. Hunne gezindheid is hoogst vijandig. Zij haten ons met een onverzoenlijken haat, en wel om dezelfde reden, waarom de goede Engelen ons zoo liefhebben. Zij haten ons, wijl wij evenbeelden zijn van God, kinderen Gods, erfgenamen van het hemelrijk, waaruit zij werden verstoeten ; zij haten ons, omdat God en de goede Engelen ons beminnen. Een helsche nijd verteert hen bij de gedachte aan onze bestemming, aan onze rechten, aan onze verwachtingen , bij het zien der lichamelijke en geestelijke weldaden , waarmede Gods goedheid ons overlaadt, en der zaligheid, welke ons in het andere leven wacht. Die onbeschrijfelijke haat en nijd drijft de booze geesten aan, bestendig op ons ongeluk te zinnen; want „door den nijd des duivels „is de dood in de wereld gekomenquot; (Wijsh. II, 24). Vooral zijn zij er op uit, ons door verleiding tot zonde in den afgrond der hei te storten. Daarom zegt de H. Petrus (1. Br. V, 9) van den duivel, dat hij rondgaat als een brieschende leeuw, „zoekende, wien hij zal verslinden.quot; En de H. Paulus schrijft aan de Ephesers (VI, 13): „wij ..hebben niet (enkel) te strijden tegen vleesch en bloed.

-ocr page 349-

333

„ (d. i. tegen menschen), maar .... tegen de geesten der „boosheid, die in de lucht zijn.quot; Yolgens het getuigenis der H. Schrift verleidde satan Judas, om zijnen goddelijken Meester te verraden (Joan. XIII, 27), en Ananias, om den H. Geest te beliegen (Hand. V, 3). Zelfs aan den Gcd-mensch waagde zich de helsche verleider (Matth. IV), en de Allerhoogste liet dit toe, om ons te doen inzien, dat niemand, zelfs de Heilige niet, vrij is van de bekoringen des duivels. „Het kwelt namelijk den satan, dat hij en „zijn aanhang door den dienaar van Christus geoordeeld zal „worden; derhalve bespiedt en belegert hij hem, of hij zijne „oogen door vleeschelijke begeerten verblinden, zijn hart „door wereldsche lusten boeien, zijn geloof door menschen-„ vrees ondermijnen of door verkeerde leeringen verwarren kan.\'\'

Aldus Tertullianus in zijn boek over de boetvaardigheid.

Dat de booze vijand den mensch ook in zijne tijdelijke goederen, in zijne gezondheid en in zijn leven poogt te^ schaden, leert de geschiedenis van Job ons zoo duidelijk, dat het geheel overbodig is, verdere bewijzen aan te halen. Ook de menigvuldige plagen, welke volgens het verhaal der H. Schrift de van den duivel bezetenen hebben doorgestaan , zijn ontegensprekelijke bewijzen voor deze waarheid. Daarbij komen nog talrijke, zeer geloofwaardige feiten uit latere eeuwen, welke het bevestigen, dat de booze geesten, zelfs na hunnen val, eene groote, ja, zooals Benedictus XIV zich uitdrukt \'), „de geheele natuurlijke kracht, om „naar buiten, op de stoffelijke wereld, te werken, behouden „hebben,quot; en dat zij die kracht, voorzoover God het toelaat, ook inderdaad gebruiken, om den mensch in het lichaam te benadeelen. — Hetgeen voorts deze waarheid boven allen twijfel verheft, is de overtuiging, welke de Kerk daarvan koestert Die overtuiging drukt zij, de onfeilbare leermeesteres, op veelvuldige wijzen uit, maar vooral in hare gebeden, zegeningen en bezweringen (exorcismen) , welke sedert de eerste tijden des Christendoms bij de toediening van het H. Sacrament des Doopsels voorgeschreven zijn \').

Waarom laat God toe, dal de booze geesten ons heitoren?

Hij laat dit toe, omdat Hij zich van hunne bekoringen tot zijne verheerlijking en tot heil der menschen weet te bedienen.

\') De beatiliat. 1. 4. c. 3.

-) Vergelijk ook Wilmer\'s leerboek over den godsdienst; D. I. over de Engelen.

-ocr page 350-

334

De booze vijand kan ons wel zondige gedachten inblazen, hij kan ons door bevallige voorstellingen tot zonde aanlokken, hij kan ons bekoren; maar ons tot zonde dwingen kan hii niet. De bekoorde is en blijft vrij, en met de hulp der genade sterk genoeg, om de aanvechtingen der gansche hel te wederstaan. Want zelfs in de bekoring is de helsche geest niet in staat, de grenzen te overschrijden, welke hem gesteld ziin door den goeden en albesturenden God, die het nimmer toelaat, dat wij boven onze krachten bekoord worden. Daarom vergelijkt de H. Augustinus den satan bij een bandhond, die wel blaffen maar niet bijten kan, tenzij men zich onvoorzichtig of moedwillig te dicht bij hem waagt. Eveneens is het gelegen met zijne pogingen, om ons in onze tijdelijke goederen of naar het lichaam te benadeelen; ook daarin hangt hij geheel van den Allerhoogste af. „Zie, alles wat Job bezit,quot; sprak de Heer tot satan, „is in uwe macht; steek uwe hand echter naar „hem zeiven niet uitquot; (Job I, 12). Door deze woorden werd hem alleen de macht verleend over de tijdelijke goederen van Job, en ook slechts deze vernielde hij werkelijk. Toen God later tot den duivel sprak: „Zie, Job is in uwe „hand, doch ontzie zijn leven, toen ging satan heen en „sloeg Job met eene allerboosaardigste verzweering van den „voetzool tot de hoofdkruinquot; (Job II, 7). Evenwel waagde hij het niet, hem van het leven te berooven. — De booze geest had over zeven mannen van Sara, de dochter van .Raguël, macht gekregen en hen allen gedood, doch aan Tobias kon hij niet het minste kwaad doen, omdat de Engel des Heeren hem dit belette (Tob. VIII). Met één woord, de helsche geesten zijn in hunne kwaadwillige werken zoo geheel van God afhankelijk, dat zij niet eens in staat waren zonder zijne toestemming bij de zee Genesareth in de onreine dieren, in de zwijnen, te gaan en hen te schaden (Marc. V, 12 enz.).

Doch waarom laat God den geesten der duisternis nog eenige macht, hoe gering ook, om de menschen te belagen en te benadeelen ? Hetgeen boven van het dulden des kwaads in het algemeen gezegd is, is hier bizonder vaa toepassing. God laat de verschillende belagingen van den ooozen geest toe, omdat Hij die tot zijne eigen verheerlijking en tot heil der menschen weet te besturen. Ja, de strikken, welke de booze vijand spant, strekken volgens Gods wijze beschikking : i) tot verheerlijking van God. De onwederstaanbare macht namelijk, welke Jesus, tijdens zijn verblijf op aarde, op de booze geesten uitoefende, bracht, zoowel als zijne wonderkracht, velen tot het geloof in den Godmensch. Toen hij

-ocr page 351-

335

te Capharnaüm een bezetene bevrijd had, „kwam er vreeze „over allen, en zij spraken tot elkander, zeggende: Wat ..woord is dit, dat Hi] met gezag en macht den onreinen „geesten gebiedt, en zij gaan uit? En de faam van Hem „werd verbreid in alle oorden van den omstreekquot; (Luc. IV, 36, 37). Diezelfde macht deed de woorden van zaligheid der Apostelen ingang vinden in de harten der ongeloovigen. De scharen gaven „eendrachtig gehoor aan hetgeen door „Philippus gesproken werd, hoorende en ziende de teekenen, „welke hij deed: want van velen, die onreine geesten hadden, ..gingen zij uit, roepende met luide stemquot; (Hand. VIII, 6, 7). In de eerste tijden des Christendoms bracht de groote macht van de geloovigen over de geesten der duisternis zeer veel bij , om het heidendom te beschamen, en Christus\'rijk te verbreiden. Daarom beriepen degenen, die hunne pen aan de verdediging van het Christendom leenden, zich ook bij voorkeur op deze hoogere macht der aanbidders van Jesus. Christus, tot staving, dat het geloof der Christenen, zoowel als hunne macht, van God voortkomt, en niet aan eene duivelsche tooverkracht mag toegeschreven worden.

De H. Martelaar Justiuus (Apolog. 2, n0. 5) zegt in zijne verdedi-gings-rede: //Door de aanroeping van Jesus, onder Pontius Pilatus //gekruisigd, genazen en genezen nog steeds verscheidene onzer Chris-//tenen, over den ganschen aardbodem en in hunne stad, zeer velen «die van den duivel geplaagd zijn; zoodat de duivelen overmeesterd «en verdreven worden, alhoewel hunne prooi door andere bezweerders of toovenaara niet kon verlost worden.quot; En Tertullianus spreekt (Apolog. na. 21) nog uitdrukkelijker: //Men plaatse hier voor uwen «rechterstoel iemand , die werkelijk door den duivel bezeten is. Zoo-(dra een Christen wie hij ook zij, den geest gebiedt te spreken, zal «deze zich dadelijk als een duivel doen kennen, niettegenstaande hij /.zich anders voor een God uitgeeft. Insgelijks brenge men er eenen /van degenen, die voorgeven door een God bezield te zijn.... VVan-//neer deze (gewaande goden), te beschroomd om een Christen te bevliegen, niet belijden, dat zij duivelen zijn, vergiet dan gerust op «■de plaats zelve het bloed van dien schaamteloozen Christen.quot; Octa-vianus bij Minutius Felix, een der oudste kerkelijke geschiedschrijvers, beroept zich zelfs op het getuigenis der heidenen, wijl deze niet kunnen loochenen, dat hunne godheden, door de bezweeringen der Christenen gedwongen, luide bekennen, niets dan duivelen te zijn. //Gelooft hen «op hun woord,quot; spreekt Octavianus tot de heidenen, //daar zij zelve «verzekeren, dat zij duivels zijn.quot; In denzelfden zin schrijft de H. Cyprianus aan den heidenschen rechter Demetrianus. Op deze onbetwistbare macht van Christus\' dienaren over de geesten der duisternis beriepen zich ook Lactantius, Arnobius, Busebius, Gregorius van Nazianze, Cyrillus van Alexandrië en meer anderen.

Doch niet enkel de lichamelijke kwellingen, welke satan ons aandoet, verheerlijken God, maar ook de bekoringen; want hoe heviger en menigvuldiger de striid is, des te grooter eerbied bewijst men dengene, voor wien de strijd gevoerd wordt, en die den strijders de overwinning verleent.

-ocr page 352-

33(5

Hii nu, voor wien de Christen kampt, en die hein de zege

schenkt, is God.

2) De hinderlagen des boozen vijands strekken ook tot heil der menschen. Jesus Christus heeft, \'t is waar, den duivel overwonnen, maar hem niet uit de wereld verhaanen; Hij heeft hem wel de buit ontrukt, maar niet alle macht, om schade te berokkenen, ontnomen. Waaromniet? Omdat wij de gelegenheid zouden hebben, antwoordt de H. Kerkleeraar Augustinus, tegen hem te kampen en gelijk Christus door den strijd de kroon te behalen; want het is niet billijk , dat de lidmaten anders dan het hoofd het toekomende leven verwerven. Bovendien bieden ons de bekoringen van den boozen geest de beste gelegenheid, om bewijzen van onze liefde en trouw jegens God te geven, en in alle christelijke deugden, maar vooral in het geduld, versterkt te worden. Bij stormen schiet de boom de diepste wortelen en in de beproevingen wordt de deugd versterkt; stilstaand water gaat tot bederf over, deugd zonder strijd ontaardt.

Wat moeten wij doen, opdat de bekoringen des hoozeu vIj(Dids ons niet schaden , maar daarentegen tot voordeel strekken ?

1) Moeten wij lidden. — Dit leert Jesus Christus zelf zijne leerlingen (Marc. IX, 28 en Matth. XXVI, 41), waar Hij tot hen zegt: „Waakt en bidt, opdat gij niet in de „bekoring valt.quot; Door het gebed zijn wij alvermogend, daar God den mensch, die bidt, met zijne kracht uitrust tegen den helschen vijand. Goliath, de schrik van geheel Israël vermocht met al zijne reuzenkracht en vervaarlijke wapenrusting niets tegen David, den onbeduidenden jongeling , die, eenvoudig met een slinger en een stok gewapend, hem te gemoet trok. De reusachtige krijger werd door den herdersknaap neergeveld, wijl deze tegen hem optrok „in den naam van den Heer der heirscharen, den God ,\'van Israel\'s legerquot; (1. Kon. XVII, 45). Alzoo zal ook satan met al zijne macht en sluwheid niets op ons vermogen, wanneer wij bidden en, ten gevolge van ons gebed, met Gods kracht uitgerust, tegen hem te velde trekken.

Indien de booze vijand u tot zonde aanzet, bid dan aandachtig of roep tenminste de heilige namen van Jesus en Maria aan, en vraag de hulp van uwen H trngelbewaarder. 2ijt gij alleen, teeken u met het H. kruisteeken. „Watduchten „de helsche geesten,quot; vraagt Origenes (Hom. 6. in 2. Mos), „waarvoor sidderen zij ? Zonder twijfel voor Christus\' „kruis, wijl zy door dat kruis zijn overwonnen. Zeer

-ocr page 353-

337

raadzaam is t ook., bij aanhoudende bekoringen, zich met wijwater te besproeien. De H. Teresia getuigt uit eigen ondervinding (in hare Levensbeschrijving hfdst. 31): „Niets „is meer in staat, om den boozen geest voor goed op de „vlucht te drijven, dan het wijwater. Er moet dus wel „eene groote kracht in de wijding van het water zijn. Dit „is,quot; zoo gaat de Heilige voort, „geene ij dele verbeelding; ,.ik heb het dikwerf genoeg ondervonden. Ik verheug mij „daarom tot verrukkens toe, als ik de geheimvolle kracht „overweeg, welke het gebed der Kerk aan het watermede-„deelt, en het verbazend onderscheid opmerk tusschen het „gewijde en ongewijde water.quot; Op dezelfde wijze zal zich de geloovige Christen tegen de bekoringen des boozen vijands beveiligen door het gebruik van andere voorwerpen (sacra-mentalia), welke de H. Kerk hoofdzakelijk wijdt met het doel, opdat wij die tegen de aanvechtingen der helsche macht zouden aanwenden. Al deze dingen krijgen door het gehed en de zegening der Kerk, de vlekkelooze Bruid van Christus, eene geheel bizondere kracht, om den helschen vijand schrik aan te jagen en hem op de vlucht te slaan. Als satan voor het 11. kruis vlucht, zou hij dan niet eveneens de kracht gevoelen van een voorwerp, dat door de Kerk met het kruisteeken gewijd is?

2) Moeten wy alle behoringen standvastig wederstaan , d. i. al zijn zij nog zoo hevig en aanhoudend, nooit en nimmer, ook niet het minst er in toestemmen. Rechtstreeksche tegenstand is het zekerste middel, om den satan te overwinnen. „Wederstaat den duivel,quot; zegt de H. Jacobus (IV, 7), „en hij „zal van u vlieden.quot; Ontwaart de bekoorder, dat hij met zijne listen en lagen niets op ons vermag, dat hij ons daarentegen gelegenheid verschaft, door krachtigen en onafgebroken tegenstand onze verdiensten te vermeerderen, dan ziet hij er vol spijt en beschaming van af. Christus, onze Heer, staart dan, zooals een veldheer op zijne dappere soldaten, met liefde en welbehagen op ons neêr, schenkt ons tot belooning der standvastigheid overvloedige genaden en niet zelden zoeten hemeltroost en vrede. Na een hevigen strijd werd Antonius, de kluizenaar, terstond met buitengewonen troost vervuld. Een hemelsch licht verlichtte zijne cel, en de Heilige riep in zijne verrukking uit: „O mijn Heiland! „waar waart (rij dan tot nu toe? Waarom kwaamt Gij niet „vroeger mij te hulp ?quot; En eene goddelijke stem sprak uit het licht, zooals weleer uit het brandende braambosch tot Mozes : „Ik was steeds bij u, Ik heb uwe worsteliüg „altoos gadegeslagen, doch Ik verbeidde den afloop van den „strijd. Omdat gij niet geweken zijt, zal Ik u voortaan DEHiKBE, GELOOfSI-EER. I. 33« DRUK. 22

-ocr page 354-

338

„immer tot de overwinning helpen\'\' \'). Geven wij daarentegen gehoor aan de inblazingen des bekoorders, en stemmen wij in de zonde toe, dan verkrijgt hi] steeds meer macht op ons, en houdt niet op, ons in ziine strikken te wikkelen, tot hij ons in het verderf heeft gestort. Toen de jonge Tobias vreesde, dat de booze vijand hem kwaad zou doen, stelde Eaphaël, zijn hemelsche gids, hem gerust, en gaf hem deze schoone les, dat de duivel alleen macht op diegenen verkrijgt, „die God buiten zich en buiten hun hart sluitenquot; en zich aan hunne zondige lusten overgeven (Tob. VI, 1(3, 17). De booze geesten bespieden immer de zwakke zijden van ons hart en bekoren ons dan op \'t hevigst tot die zonden, waartoe zij ons \'t meest geneigd zien. De helsche geesten voegen zich, zooals dezelfde H. Antonius tot zijne leerlingen sprak, naar onze neigingen en begeerten ; „zij zijn de weerklank onzer gedachten. Zijt gij aardsch-„gezind, dan zijt gij hunne prooi, dat is de straf der bedorven zielen. Verheugt gij u echter in den Heer, haakt „gij naar het eeuwige, houdt gij u met goddelijke zaken „bezig, dan vermogen zij niets op u.quot;

Om in de worsteling tegen de machten der duisternis, de gezworen vijanden onzer zaligheid, niet te verflauwen, maar standvast.igteneindetoe te volharden, moeten wij voorts geloovig en vol vertrouwen kampen; — a) gelcvig, d. i. wij moeten tegenover de leugenachtige inblazingen, waarmede de arglistige vijand ons tracht te begoochelen, de onfeilbare waarheden van ons geloof stellen. //Wederstaat, standvastig in \'tge-//loof, den duivel, die als een brullende leeuw rondlooptquot; (1 l\'etr. V, (J). Daartoe vermaant ook de H. Apostel Paulus de Ephesers (VI, 16!; //Boven alles, grijpt aan het schild des geloofs, waarmee gij alle brandende «pijlen des bodzen kunt uitblusschen.quot; Wat anders zijn de vurige pijlen van satan, dan de bedriegelijke voorspiegelingen van aardsche schatten, ijdele eer en bekoorlijke vermaken. Ze ontsteken in ons hart, dat reeds van natuur tot \'het kwaad overhelt, het verderflijke vuur der ongeregelde liefde. Maar de waarheden des geloofs, die ons leeren al het aardsche gering te schatten en te versmaden, die onzen blik raar God en de hemelsche goederen stieren, die schoone, eeuwige waarheden ontnemen aan alle helsche schimmen hunnen schijngloed en maken ze daardoor onschadelijk, ja zij blusschen zelfs het onheilige vuur uit, dat in ons hart ontstoken is. — Satan heeft zich niet ontzien, zelfs op den Godmensch den vurigen pijl van eerzucht av\' te trekken, terwijl hij Hem alle koninkrijken der wereld en derzelver heerlijkheid toonde en tot Hem sprak: „Dit alles wil ik U gevei, indien Gij //nedervalt en mij aanbidt.quot; Docli Jesus weerde terstond den helschen schicht af met te zeggen: //Er staat geschreven: gij zult den Heer „uwen God aanbidden en Hem alleen dienenquot; (Matlh IV, 8), enz. Mogen de vrome overwegingen en het aandachtig uitspreken van woorden des geloofs ook voor ons een schild wezen, hetwelk de pijlen fles bekoorders op hem zei ven terugkaatst 1 — AVij moeten 1j\\ vol vertrouwen kampen, d. i. met een blij en vast vertrouwen op Jesus Christus, die

\') In het leven van den H AnUnius, beschreven door den H. Athanasius.

-ocr page 355-

339

ons in den strijd zal bijstaan en de zege verleenen. Een bicode kampvechter is bij den eersten aanval overwonnen. De H. Antonius, van wien wij reeds herhaalde malen spraken, wist bij ondervinding, zooals hij zelf getuigt, /,dat de booze geesten niets zoo zeer vreezen, als het //vertrouwen op Jesus Christus. Zij weten, dat Christus tot de zijnen //gezegd heeft: «Ziet, Ik heb u de macht gegeven, om op slangen en ,/,/Schorpioenen te treden, en over alle kracht des vijands; en niets //„zal u schadenquot; (Luc. X, 19). Alleen schioomvalligen vreezen den „duivel,quot; sprak deze H. kluizenaar tot zijne leerlingen, s-en daarom «kan hij hun alleen schrik aanjagen.quot; Ditzelfde schrijft ook de H. Teresia (hfdst. 25) en voegde er deze woorden bij: //Ik bid God ons //de genade te verleenen, niets te schroomen, dan hetgeen wij vreezeu „moeien, en vast overtuigd te zijn, dat eene enkele zonde, zelfs de „dagelijksche, ons grooter schade berokkent, dan de geheele hel ons //kan aandoen.quot; In overeenstemming met alle zielzorgers geeft ook de H. Ignatius \') den raad, zich over de bekoringen des satans niet te beangstigen. ,,Het is,quot; zegt hij, //den boozen vijand eigen, alle //kracht en allen moed te verliezen, zoodra degene, die in den strijd //tegen zijne aanvechtingen gewikkeld is, manhaftig en onverschrokken //het hoofd biedt. iVlaar als de bekoorde dadelijk bij den aanvang „benauwd wordt, vreest en den moed opgeeft, dan bestaat er geen «dier op Gods aardbodem, dat den mensch onstuimiger, vreeselijker «en hardnekkiger vastklemt, dan satan het doet, om hem, overöen-„komstig zijne helsche oogmerken, te verderven.quot;

Tot bevestiging van hetgene wij hier mededeelden over de liefde der JdH. Engelen tot den mensch., laten we eenige voorbeelden volgen.

Liet God in het Oude Verbond de Engelen in zichtbare gedaanten als weldoeners en beschermers zijner Heiligen verschijnen, dit geschiedt eveneens in het Kieuwe Verbond -). De //. Joannes de Deo, die uit christelijke liefde zijn leven aan de verpleging der zieken wijdde, leefde in een zeer innigen en vertrouwelijken omgang met zijn Engelbewaarder, en werd door dezen met de menigvuldigste weldaden overladen. Eens zag de Heilige zich genoodzaakt, een eind ver te gaan, om voor de huiselijke behoeften water te halen. Bij zijne terugkomst vond hij alles, wat hem te doen stond, allerstiptst verricht. De ziekenzalen waren zorgvuldig geveegd, de bedden gespreid, schotels en borden gewasschen. Niet weinig hierover verwonderd, vroeg Joannes aan de zieken, wie dat alles gedaan had? Het eenparig antwoord was; «wel, gij zelf hebt het gedaan;quot; zij hadden niemand anders in de kamer gezien. Daar de dienaar Gods wel wist, hoe ver hij verwijderd was geweest, en de zieken hunne verklaring volhielden, sprak hij tot hen; //Waarlijk, mijne broeders! God moet de armen wel //bizonder liefhebben, daar Hij zelf zijnen Engel tot hunne bediening //afzendtquot; Dit voorval baarde groot opzien in de stad Granada, en velen boden zich, tengevolge dezer gebeurtenis, bij den H. Joannes voor den dienst der zieken aan. — Een anderen keer ontmoette dezelfde

!) In de regels van de onderscheiding der geesten.

2) De voorbeelden, die hier volgen en op de bescherming der HH. Pingelen betrekking hebben, zijn alle, met uitzondering van een enkel, hetwelk uit het romeinsche brevier is getrokken, door de Bollandisten (29 Septemb.) aangehaald en wel, zooals de geleerde geschiedkundigen getuigen , door hen uit de zekerste oorkonden gekozen. Uit het romeinsche brevier is datgene genomen, wat van de orde-gezellen des H. Camillus verhaald wordt,

22*

-ocr page 356-

Heilige een arme, die in het donker van den nacht tevergeefs naar een elaapverblijl\' zocht, om zich tegen de herfstkoude en de zware regenbuien te beschutten. (Jetroffen door de weemoedige klachten van dezen arme, naderde Joannes en sprak tot hem: //Welaan, mijn «broeder! ga met mij naar het gasthuis. Gij zult daar beter gelegerd „zijn dan hier.quot; De arme antwoordde echter, dat hij zoo lam was, dat hij evenmin recht staan als gaan kon. De liefde des Heiligen wist weldra raad. Hij tilde den arme op zijn rug en droeg hem blijmoedig voort, totdat hij eindelijk, geheel uitgeput onder zijnen last, op den grond neerzeeg. Toen hij zich opgericht had en alle moeite deed, om den dierbaren last weder op te nemen, bespeurde hij naast zich een jongeling van hemelsch schoone gestalte, die de hand uitstak, om den arme op te heffen. Joannes voelde zich wonderbaar gesterkt en droeg, door de hand des Engels geleid, den arme zonder moeite naar het zieken liuis. Daar maakte do Engel zich aan hem bekend en verdween. — Toen Joannes kort daarna den armen spijzen uitdeelde, had hij gebrek aan brood. Terstond verscheeh een Engel en hielp den dienaar Gods uit de verlegenheid. /,Broeder Joannes,quot; sprak de Engel, terwijl hij den uiterst verheugden man een vollen korf overreikte , /,rieem dit brood, hetwelk ik uit de hemelsche voorraadkamer mede-/,breng, en verzadig uwe armen.quot; Fluks onttrok hij zich aan het gezicht der aanwezigen, maar liet in aller harten overvloedigen troost achter. — Bij eene andere gelegenheid gebeurde het, dat Joannes, laat in den nacht naar huis terugkeerende, op den grond viel en zijn korf, die met gebedeld brood gevuld was, uitstortte. Het was zoo duister, dat hij het gestrooide brood bijna niet ot slechts met groote moeite kon verzamelen. Nu daalde een Engel naar beneden en lichtte hem bij met hemelsch licht. — En als Joannes op den vooravond van Kersmis op een berg hout sprokkelde en door den nacht werd overvallen, geleidden twee Engelen hem met fakkels naar huis. — Ook in den doodstrijd stond de Engelbewaarder den H. Joannes bij, en troostte hem met zijne zichtbare tegenwoordigheid.

Niet minder opmerkenswaardig is hetgeen ons in het leven van den H. landman Isidurus medegedeeld wordt. Isidorus was gewoon eiken morgen, alvorens hij aan zijn dagwerk ging, de kerk te bezoeken en daar langen tijd te bidden. Booswillige menschen vonden hierin aanleiding, om den vromen Isidoor bij zijnen heer van plichtverzuina aan te. klagen. Deze wilde zich in persoon van de zaak overtuigen en beklom derhalve op zekeren dag eene hoogte, vanwaar hij den akker, dien Isidorus beploegen moest, kon overzien. In het eerste oogenblik zag hij werkelijk Isidoor niet, en zeer toornig over den nalatigen knecht sloeg hij terstond den weg naar huis in. Doch toen hij nog eens over het veld tuurde, kwam Isidorus juist achter de schuur met zijn span te voorschijn. Rechts en links van Isidorus bemerkte de verbaasde heer twee andere spannen, die vlug en naarstig ploegden. Hij kon zich niet herinneren, dat iemand anders dan Isidorus naar het veld was gegaan, en derhalve kwam hij op de gedachte, dat zijn brave knecht Gods Engel tot hulp had. Terwijl hij, om het wonder na te vorschen, op de ploegers afging, wendde hij toevallig zijne oogen even van hen af, en toen hij wederom naar Isidoor opzag, was deze alleen met zijn span. Nu naderde hij hem en sprak met minzaamheid; «Zeg eens, vriend! waar zijn ze, die u zoo even /,hielpen ploegenïquot; Isidoor antwoordde: idk weet niet, dat iemand »mij hulp bewezen heeft, dan God. wiens hulp ik veelvuldig inroep, 4-en die mij ook telkens bijstaat.quot; Dit antwoord versterkte den heer in zijn gevoelen; hij verheugde zich, een zoo begunstigden knecht te hebben en vertelde het gebeurde overal. — (Ook wordt in den kerke-iijken tijdwijzer op den \'25=tcü Jlei, liet feest van den H. Isidorus, het feit, dat hier breedvoerig volgens de oorkonden der Bollandisten beschreven is, aangehaald).

De H. Stanislaus Kosika werd te Weenen door eene zware ziekte

-ocr page 357-

341

aangetast. Met kajmte en gelatenheid zag hij het vroegtijdig einde zijner aardfche loopbaan tegemoet. Kcne zwarigheid veroorzaalite hem evenwel grooten hommer, namelijlt, hoe liij in het huis van den Lutheraan, bij wien hij zich bevond, de H. Teerspijze zou bekomen. Te vergeefs bad hij zijn hofmeester en zijn broeder er zorg voor te dragen. Beide vreesden voor het ongenoegen, waarin men dientengevolge met den huisheer zon geraken, en gaven voor, dat de ziekte nog niet zoo gevaarlijk was. Nu droeg de H. Jorgeling zijn verlangen aan God op, en vond weldra verhocring. De H Barbara verscheen hem met twee Engelen, van welkeeen lum de H. Communie toediende, en zijne ziel werd met een onuitsprekelijken troost vervuld. Ook later viel hem eene dergelijke gunst ten deel Op de reis naar Augsburg, waar hij den Provinciaal der Societeit van Jesus wilde verzoeken, in de orde opgenomen te worden, had hij een vurig verlangen, de H. Communie te nuttigen. Hij begaf zich in eene kerk, maar werd tof zijn groot leedwezen gewaar, dat zij in het bezit der Lutheranen was, en dat hij bijgevolg het H. Sacrament niet kon ontvangen. Doch de hemel erbarmde zich andermaal over den Heilige Een Engel bracht hem het hemelseh brood, om hem op zijn verren en moeielijken pelgrimstocht te versterken. Eveneens wordt nog van andere Heiligen vermeld, dat zij uit de hand van hunnen Engelbewaarder de H.Communie ontvingen.

Van den H. Aloysius verhaalt een tijd- en ordegenoot het volgende. Het Novicaat te Rome, waar de genoemde Heilige zich ophield, leed op zekeren dag groot gebrek aan levensmiddelen. jMoyfius, wien de nood zijner broeders diep (er harte ging, wierp zich in zijne cel op de knieën en smeekte God om hulp. Terwijl hij nog in het gebed verslonden lag, kwam een Engel, in de gedaante van een lieftalligen jongeling, aan de huisdeur en overhandigde den overste eene aanmerkelijke som gelds., die meer dan toereikend was, om den noodigen voorraad op te doen.

De H. Philippus Nereüs werd verscheiden malen door Engelenhand uit dreigende gevaren gered. Op zekeren nacht begaf zich de dienaar Gods naar een verarmden edelman, om hem eenig geld tot onderstand aan te bieden. Op weg daarheen ontmoet hij een wagen in vollen ren. Philippus wil mijden en veikeert in gevaar, in een zeer diepen kuil te storten. Dan de hand zijns Schuisrngels hield hem wonderbaar tegen, en redde hem alzoo van een gewissen dood.

Dezelfde weldaad had ook de H. //ildegonda aan haren Beschermengel te danken. Op reis naar Rome werd deze Heilige door eenige straat-roovers aangevallen en zoo verschrikkelijk mishandeld dat de herders, die haar in het voorbijgaan gewaar werden, haar voor dood hielden en reeds eenige toebereidselen maakten, om haar te begraven. Terwijl zij hiermede bezig waren, kwamen er eenige wolven op hunne kudden aan en hielden hen van hun voornemen af. Hildegonda richtte zich thans met Gods hulp op, om hare reis voort te zetten. Te zelfden stonde zag zij een Engel op een sneeuwwit paard voorbij rijden Deze bood haar liefderijk de hand, tilde haar bij zich op het paai d en bracht haar behouden tot Verona, waar hij de Heilige verliet met de woorden ; »Ik zal uw beschermer zijn op uwe wegen, waarheen gij u ooit moogt //begeven.quot; De schrijver van het leven der H. Hildegonda verzekert, dat hij dit wonderbaar voorval uit den mond der Heilige zelve heelt vernomen.

De H. Elisaleth, die in de twaalfde eeuw in het klooster Schönau leefde, verhaalt, hoe zij door haren Engelbewaarder plotseling van eene doodelijke ziekte is genezen. „Omstreeks het feest van \\ aria-//Boodschap,quot; aldus gaf zij zelve aan haren levensbeschrijver op, //Overviel mij eene zware ziekte, die eiken dag in lievigheid toenam. //Op het gemelde feest bevond ik mij zoo zwak, dat de zusters in »niijne cel bijeen kwamen, om de Litanie der stervenden voor mij //te bidden. Toen de zusters vervolgens diep bedroefd naar de kerk

-ocr page 358-

342

//waren gegaan, om de H. Communie te ontvangen, verscheen een z/Enpel des Heeren aan mijn bed van smarten, plaatste zich voor mij, //legde zijne hand op mijn hoofd en sprak: //Sta op en wandel! Gij ////zijt van uwe ziekte genezen. Ga en ontvang hot H. Lichaam des ////Heeren; wees kloekmoedig en sterk!quot; Bij deze woorden verdween „op eens alle onsjesteldheid en eene ongekende kracht stroomde door //geheel mijn lichaam. Ik kleedde zelve mij aan en ijlde opgeruimd, //gezond en sterk naar de zusters, die opgetogen van vreugde en bevvon-//dering waren.quot;

De H. Francisco. Romana werd dag en nacht door een Engel in zichtbare gedaante als een onafscheidbaren medegezel ter zijde gestaan. Die hemelsche Beschermgeest versterkte haar in den veelvuldigen strijd tegen de machten der hel. Alleen zijn vurige blik of eene dreigende beweging van zijn schitterend hoofd was genoeg, om geheele benden van duivels op de vlucht te slaan. Francisca werd, telkens als zij hem aanzag, zoo opgebeurd en verblijd, dat zij terstond alle kwellingen van den helschen geest vergat. De Engel waarschuwde de Heilige ook voor alle zonden, en bestrafte haar zeer streng, wanneer zij zich aan eenige fouten schuldig maakte. Eens verzuimde de Heilige uit menschenvrces een ijdel gesprek, dat in haar bijzijn gevoerd werd, te onderbreken; de straf des Engels bleef niet weg. Bij eene andere gelegenheid was Francisca niet openhartig genoeg jegens haren biechtvader, maar hield uit eene verkeerd begrepen bescheidenheid visrschil-lende gunsten, welke zij van God bekwam, geheim: haar Engelbewaarder bleef niet in gebreke haar hierover op een zeer gevoelige wijs te bestraffen.

Toen de duivel eens aan de H. Margarelha van Cortont was verschenen, om haar schrik aan te jagen en te verontrusten, kwam ook haar Schutsengel bij haar en sprak; //Dochter, vrees en ontstel u niet! De .lelsche //vijand vermag minder op u dan iemand, die door zijn overwinnaar //met de voeten wordt getreden. Ik, de Beschermgeest uwer ziel, „welk eene heilige woonplaats van God is, lien immer bij u.quot;

De H. kluizenaar Meinrad werd eens onder het bidden door zulk eene groote menigte helsche gedrochten omringd, dat zij het zonnelicht verduisterden. Terwijl zij den dienaar Gods door allerlei bedreigingen en valsche voorstellingen zochten bevreesd te maken en te verwarren, smeekte deze vurig God om hulp. Zie! nu daalde een Engel Gods, omgeven van een hemelschen lichtstraal, naar beneden en gebood den helschen geesten, zich allerspoedigst te verwijderen. Dadelijk staakten zij hunne bedreigingen en plagerijen, en vloden vol schrik en schaamte weg. Ook de Engel verdween, nadat hij den kluizenaar vertroost had. Sinds dat oogenblik had de H. Meinrad niet de minste vrees meer voor den helschen vijand.

Van vele Heiligen wordt gemeld, dat de Engelbewaarders hen in den beslissenden doodstrijd ter zijde stonden, hen troostten, quot;cegen de verdubbelde aanvechtingen der hel sterkten, hun het uur van sterven bekend maakten en de verzekering gaven, dat zij erfgenamen van het hemelrijk zouden zijn. Niet weinigen werden door jubelende Engelen in Gods schoot, in het hemelsch paradijs gedragen.

Van den 11. Dominicus wordt verhaald, dat hij, bij het naderen van den dood, zijn goeden Engel zag, die hem verheugd wenkte en minzaam toeriep: //Kom, lieve, kom, kom ter vreugde.quot; Up dezelfde wijze werd een vroom kloosterling, met name Joannes, door zijnen Beschermengel de eeuwige zaligheid binnen gelaten. Teen hij op zekeren dag met zijne orde-broeders en den abt in den kloostertuin quot;vt naderde hem een Engel in een sneeuwwit gewaad en sprak: » \'tan, goede en getrouwe dienstknecht, treed binnen in de vreugde //u Heeren!\'\' Weinige dagen daarna scheidde de dienaar Gods vol vertiouwen uit dit leven.

De zalige Christina van Stommelen, bij Keulen, verkreeg van haren Engelbewaarder, behalve vele andere gunsten, ook de verzekering.

-ocr page 359-

343

dat zij tot het einde toe volharden en de eeuwige zaligheid verwerven zou. ,/Bruid van Christus, wees kloekmoedig en standvastig,quot; sprak de Engel tot haar, //Jesus Christus, voor wien gij zoo veel lijdt, uw «welbeminde Bruidegom, is met u. Hij zal u in uw lijden en in uwe

„kwellingen niet verlaten.....in den doodstrijd kunt gij onbevreesd

,wezen; gij zult alle vijanden overwinnen en u eeuwig met Hein ver-blijden.quot; — De Engelen noodigden den H. Nicolaus van Tolentyn gedurende zes maanden vóór zijn afsterven met nachtelijke gezangen lot de vreugde des hemels, en rieden in de ziel des Heiligen eene zoo groote begeerte naar het Paradijs ontstaan, dat hij onophoudelijk deze woorden herhaalde: //Ik verlang ontbonden te worden en met Christus «■te zijn!quot; — Bij den cood van den H. Gerardus, Bisschop van Toul, viel het volgende voor. Een kloosterling, Falcuin genaamd, lag te gelijkertijd met den H. Bisschop te sterven. Zijne orde-broeders hielden hem reeds voor dood, toen hij eensklaps weder adem schepte en de aanwezigen aldus aansprak: «Broeders, mijn dood is nog verschoven; ,/maar over een ander is er in den hemel een onbeschrijflijk gejubel. «Ik heb gezien, hoe de juichende Enge.\'enscharen die ziel, bij haar «scheiden van deze aarde, tegemoet ijlden en haar, rijk aan genaden, «voor het aanschijn des eeuwigen Rechters brachten.quot; Terstond daarop vernam men, dat de H. Bisschop juist het aardsche leven verlaten had, en hield ieder zich overtuigd, dat die verheerlijkte ziel dezelfde geweest was, welke Falcuin in zijne zieltoging had gezien. — Iets dergelijks levert de levensbeschrijving van den H. Stephanus van Grammont. Nadat deze Heilige in het klooster van Murat ontslapen was, kwamen de dorpelingen in menigte aan de kloosterpoort, om het lijk van den overledene te zien. De portier wilde den dood des Heiligen geheim houden, maar zij zeiden tot hem: «Wij welen wel, «dat hij gestorven is; want in ons dorp lag een knaap reeds drie dagen «in doodsgevaar en sedert eergisteren sprakeloos. Aran daag sprak hij «op eens deze woorden: «Moeder, ik zie eene blinkende ladder, .««die met haar eene einde aan den hemel reikt, met het andere ginds «„op het klooster staat. Eene geheele schaar van Engelen daalt langs ««die ladder af, om de heilige ziel van den abt Stephanus weg te ««halen. Moeder, nu sterf ik ook en ga met den 11. Stephanus ten ««hemel.quot; Op hetzelfde oogenblik gaf de knaap den geest. Dus open-«baarde God door den mond eens kinds, hoe de ziel van zijn dienaar «door de Engelen de eeuwige vreugde werd binnengevoerd.quot; — Met een vroom en vast vertrouwen, dat de HH. Engelen de zielen der in den Heer ontslapen Christenen ten hemel geleiden, smeekt de H. Kerk in de gebeden, welke zij voor de stervenden opdraagt, herhaalde malen om die gunst. Vol moederlijke bezorgdheid bidt zij: „De Aartsengel «Michaël, de Prins der hemelsche heirscharen, neme deze scheidende «ziel op, het schitterende koor van Gods Engelen snelle haar te gemoet «en brenge haar in liet hemelsch Jerusalem.quot;

De H. Mag dalen a van Pazzis zag eens in eene geestvervoering, hoe eene harer orde-zusters door den Engelbewaarder uit het vagevuur naar den hemel werd gevoerd. Deze en dergelijke gezichten of openbaringen, welke wij in de levensgeschiedenissen der Heiligen lezen, staven de godvruchtige meening, dat de liefde en zorg van de Engelbewaarders voor de zielen, aan hunne bescherming toevertrouwd zich ook tot het andere leven in het vagevuur uitstrekt. — Troostend is vooral het visioen, waarmede eens de H. Franchca Romana begunstigd werd volgens het verhaal van haren geestelijken vader, wien zij uit gehoorzaamheid er kennis van gaf, en die het opgeteckend heeft. Deze groote dienares van God zag op zekeren dag, dat de 11. Schutsengel de hem toevertrouwde, nog niet geheel gelouterde zielen in het vuur geleidde, en er buiten vertoefde, om de gebeden en goede w welke voor die zielen op aarde verricht werden, der goddelijke .majesteit aan te bieden, en, wanneer deze in genade aangenomen waren, aan de lijdende zielen verlichting harer smarten te bezorgen.

-ocr page 360-

344

■Merkwaardig zijn in dit opzicht de woorden van den H. Gregorius, bi.ieenaamd ,de Wonderdoener,quot; die in de derde eeuw leefde. \') „Wij erkennen,quot; zegt de H. leeraar, «buiten God, den algemeenen „Uestuurder van allen, ook een bizonderen, aan een ieder opzettelijk //toegevoegden leidsman, den Engelbewaarder. Deze was en is ook i/mijn leermeester en leidsman op den weg ter zaligheid. Hij was het, „die mij met dezen man (met Origenes) in nauwe aanraking bracht „en in vriendschappelijken omgang met hem bewaarde.... Deze „zorgvuldige gids, deze standvastige leidsman, bestuurder en bescher-viner op de wijde levensbaan, voerde mij. volgens mijne liefste wen-,,schen, herwaarts (naar Cesarea) en liet niets onbeproefd, om mij in „vriendschap te brengen met hem, aan wien ik zooveel goeds te „danken heb.quot; (Om dit wel te begrijpen dient men te weten, dat Gregorius te Cesarea door Origenes tot het Christendom bekeerd en in do geloofsleer onderwezen is).

Wij zouden te breedvoerig worden, wilden we al de voorbeelden aanhalen, waarin de H. Engelbewaarder onderrichtend, vermanend en opwekkend voorkomt. De volgende zijn voorzeker genoeg. Op zekeren dag sprak de Beschermengel tot de li. A/argaretha van Cortona-, «•Gedenk, Margaretha; de weldaden, waarmede God u steeds in grootere «mate overlaadt.quot; En nadat hij haar alle gunsten van God voor oogen gehouden had, ging hij voort; «Laat u daarom gezeggen!... wend „u van ganscher hart en uit alle krachten tot God uwen Schepper en «Heer.quot; \'I oen diezelfde Heilige later God bad, dat het Hem mocht behagen, haar eene ziekte over te zenden, opdat zij Hem niet meer beleedigen zou, gaf de Engelbewaarder haar de volgende leerzame vermaning: /,De Heer wil, dat gij ootmoedig, gehoorzaatr. eu vol ■/kinderlijken eerbied jegens Hem zult zijn: hetgeen gij tlians verlangt, «zal u geworden, als het Hem belieft.quot; — De Engelbewaarier was gewoon den H. Ilaymundus van Pennafort des nachts te wekkenen tot het gebed uit te noodigen. Dezelfde\' gunst gewerd ook de zalige Humiliana en de zalige Aleydis van Brussel. — Van den zaligen Joannes Firmanus, uit de orde der Minderbroeders, wordt verhaald, dat hij het geluk genoot, drie maanden lang dag aan dag door zijn goeden Engel bezocht te worden, en zich met hem over het kruis van Christus, over de vreugden des hemels, over de waarheden van het Evangelie en over de lessen, deugden en voorbeelden der Heiligen allerver-trouwelijkst te onderhouden. — De H. Camillus van Leilis stichtte, zooals de H. Joannes do Deo, eene geestelijke orde tot verzorging der zieken. De vrome ordesgezellen waren er vooral op bedacht, de stervenden door heilzame toespraken tot een cliristelijken dood voor te bereiden. Dikwijls zag de H. Philippus Nereiis, gelijk hij zelf getuigde, dat de HH. Evangeliebewaarders de priesters ter zijde stonden en hun de woorden inbliezen, welke zij tot de zieken moesten spreken.

De H. Francisco. Romano, verkeerde steeds met den grootsten eerbied in de tegenwoordigheid van den H. Engel en onthield zich van elke zonde en onvolmaaktheid, wijl zij wist, hoezeer deze hem bedroefden. Toen eenige vriendinnen haar eens bezochten en in den loop van het gesprek zich aan leugentaal schuldig maakten, bemerkte de Heilige, dat de Engelbewaarder zijn aangezicht verontwaardigd afwendde. — In het leven der H. Veronica van B\'iiasco wordt gemeld, hoe zij door eene geringe fout haren H. Engel bedroelde. De Heilige vertelde zelve het voorval aan hare orde-zusters op de volgende wijze: «Op zekeren »dag sloeg ik onder de H. Mis, enkel uit nieuwsgierigheid, mijne „oogen op eene medezuster, die aan het altaar knielde. Mijne goede yEngel deed mij echter terstond zulk een streng verwijt daarover, dat vik van schrik bijna verstijfde. Zoo ontzettend waren de woorden

\') Oratio ad Origen. Tom. 3. Biblioth. Patrum.

-ocr page 361-

345

,en de blik van den vertoornden Engel.quot; — Hoe groot moet derhalve het verdriet des Engelbewaarders wezen, wanneer zijn beschermkind in zware zonden valt of in zondige lichtzinnigheid voortleeft I Dil leert ons ook de volgende gebeurtenis, welke Rulinus uit het leven van een zijner tijdgenooten, den H. kluizenaar Paulus, aanhaalt, die om zijn weêrgalooze oprechtheid en rechtschapenheid de «■eenvoudigequot; werd bijgenaamd, maar door God bizonder begunstigd was.

.Deze grijsaard bevond zicli eens in de nabijheid eener kerk, waar de geloovigen de godsdienstplechtigheid gingen bijwonen. Hij zag. hoe allen vurig en opgeruimd en geleid door hunne Schutsengelen, die vol vreugde waren, liet Sodshnis binnen traden. Eén enkelen bemerkte hij, die somber en verstoord voortging, en door zijn goeden Engel treurig en slechts van verre gevolgd werd. JDit gezicht porstte den Heilige tranen van medelijden uit de oogen. Toen de godsdienstoefening afgeloopen was, zag hij evenwel tot zijne groote blijdschap ook dongeue, die er kort tevoren zoo bedroefd uitzag, met een helder en vreugdevol gelaat de kerk verlaten. De Engelbewaarder stond thans aan zijne rechterzijde en scheen zeer verheugd over de verandering, welke bij zijn beschermeling had plaats gegrepen. Toen de kluizenaar zich nu bij den geloovige vervoegde en vertrouwelijk met liem sprak, vernam hij, dat deze met zware zonden op het geweten de kerk was binnengegaan, maar door eene rouwmoedige belijdenis vergiffenis verkregen had.

Hoe grooter ons vertrouwen is op den H. Engelbewaarder, lioë bestendiger onze devotie jegens hem, des te grooter en talrijker weldaden mogen wij ook van hem verwachten. — Door een onbepaald vertrouwen op den H. Engelbewaarder kenmerkte zich onder anderen de H. Rosa van Lima. Oe heiligverklaringsbul dezer zalige Maagd vermeldt dit met nadrukkelijke woorden. Toen de H. Kosa op zekeren avond op het punt stond van in zwijm te vallen, zond zij haren Engelbewaarder naar eene in de nabuurschap wonende edele dame met de boodschap, dat zij eenig versterkend middel behoefde. De Engel kweet zich zoo haastig en goed van den last, hem opgedragen, dat Maria van Usategni (zoo was de naam dier voorname vrouw) het gevraagde op staanden voet door een bediende naar de dienares van God liet brengen. — De H. Rosa placht eiken avond in den afgesloten tuin van het ouderlijke huis haar gebed te verrichten. Tegen middernacht kwam hare moeder naar beneden, om haar uit de eenzame tuincel in huis te halen. Eens wachtte Rosa lang te vergeefs, dat men de tuinpoort voor haar zou open maken. Terwijl zij besluiteloos heen en we Or liep, zonder te weten, wat zij beginnen moest, verscheen haar de Engelbewaarder in eene schitterende gedaante, opende de toegegrendelde poort, en geleidde de vrome dochter in het slaapvertrek harer moeder.

Iets dergelijks verhalen de jaarboeken der Dominicaner-orde van den H. Dominicus, die eveneens een vurige vereerder van den H. Engelbewaarder was. Deze Heilige moest eens om gewichtige bezigheden lot laat in den nacht buiten het klooster vertoeven. De vrienden, bij wie hij zich bevond, drongen er sterk op aan, dat hij bij hen zou overnachten, terwijl men hem onder het oog bracht, dat het reeds middernacht was en in het klooster niemand meer op zou wezen. Dominicus antwoordde, dat hij volstrekt naar het klooster moest terug-keeren, wijl dit de wil was van God, die zijn Engel wol zenden zou, om hem en zijne twee medgezellen te geleiden. Hij nam daarom afscheid en begaf zich met zijne ordebroeders op weg. Voor het huis, waar zij zich hadden opgehouden, stond een onbekend jongeling mei een wandelstok in de hand. Hij scheen den H. Dominicus op te wachten en ging nu als getrouwe wegwijzer hem vooruit. Bij het klooster gekomen vonden zij do poort toegegrendeld en niemand aanwezig om ze te openen. Nu ging de onbekende geleider naar het slot der poort, schudde het zacht en terstond was het open. Zoodra Dominicus

-ocr page 362-

346

met zijne beide reisgenooten binnen de gangen van liet klooster was, trad de jongeling quot;weder de poort uit. Ue iwee niedgezellen over dit wonderbare voorval geheel opgetogen, gingen hem na, en vonden als tevoren alle grendels toegeschoven. iJu erkenden zij, dat werkelijk een Engel Gods hen geleid en door de gesloten poort in het klooster gebracht had.

Is de ziel godvreezend, verfoeit zij het kwaad, dan is de bekoorder gewoon tot haar in de gedaante van een Engel des lichts te naderen, d. i. geeft in den beginne goede, gepaste gedachten in, doch tracht langzamerhand en ongemerkt zijne verkeerde oogmerken te bereiken en de misleide in zijne strikken te lokken. Aldus de U. Ignatius Ook vermaant deze heilige man ter zelfde plaatse: //Wij moeten op den //loop onzer gedachten wel acht geven; wanneer het begin, het midden „en het einde er van geheel goed zijn (d. i. in zich goed zijn en ten „goede geleiden), is zulks een teeken, dat zij van een goeden geest //komen Wanneer echter in den loop dezer gedachten, welke de geest //ingeeft, iets voorkomt, dat de ziel tot kwaad aandrijft, of van het //goed, hetwelk zij zich voorgenomen had, aftrekt, of soms iets, dat „haar ontmoedigt,quot; beangstigt of verwart, haar den vroegeren vrede „of de rust beneemt, dan is dit een duidelijk teeken, dat die gedachten „van den boozen geest, van den vijand onzer zaligheid komen.quot; -)

Om dezen gewlchtigen regel nog meer te verduidelijken, zal het volgende voorbeeld (uit de Bolland. 26 Maart bl. 183) van dienst kunnen zijn. De zalige Amhrosius van Sié\'na, uJt de orde van den H. Dominicus, onderscheidde zich reeds in zijne jeugd door echte vroomheid en werken van naastenliefde. Aan deze schoone deugden paaide hij eene buitengewone zorg, om de zuiverheid van lichaam en ziel ongeschonden te bewaren. Hij had reeds het vaste besluit gemaakt, gelofte van eeuwige kuischheid te doen. Zijne vrienden en makkers stelden nu alles in het werk, om hem te overreden, eene danspartij en andere vermaken bij te wonen. Doch al hunne welsprekendheid baatte niets; de jongeling bleef bij zijn besluit. Minzaam jegens allen, bracht hij echter nu deze, dan gene verontschuldiging bij, en als hij bij voorkomende gelegenheden soortgelijke uitnoodigingen voorzag, deed hij het liefst geheel alleen eene wandeling in de vrije lucht of bezocht een of ander nabijgelegen klooster of heiligdom, loen hij op zekeren dag op die wijze zijne lastige makkers ontvlucht was, kwam de sluwe bekoorder bij hem, gelijk weleer bij den Godmensch, en fluisterde hem de volgende gedachten in, zooals hij later zeil bekende; „Gij meent, dat het verdienstelijker en heilzamer voor uwe „ziel is, dat gij u aan de vermaken en den omgang met uws gelijken „onttrekt; ik zeg u evenwel, dat gij bij God veel grootere genaden „en veel rijkere verdiensten kunt verwerven, wanneer gij met uwe „vrienden verkeert. In dit geval hebt gij meer gelegenheid, tegen de „bekoringen en gevaren der ziel te kampen; en zulk een strijdend „leven is voor God van onvergelijkelijk grootere verdienste, dan dat, „hetwelk gij thans slijt en verder denkt te voeren. Bedrieg n zeiven „niet, gij kunt op geene andere manier van God genadsn verkrijgen, „dan door kloekmoedigen strijd tegen de sluwe bekoringen des boozen „vijands. En daartoe hebt gij ongetwijfeld verreweg meer gelegen-„heid in vroolijke gezelschappen, bij spel en dans; bestrijd daar uwe

gt;) Kegelen van de onderscheiding der geesten.

2) Hen verlieze niet uit het oog, dat hier van vrome, van godvree-zende zielen spraak is; want de goede Engel is er zeker op uit, zooals insgelijks de H. Ignatius bemenst, de zondaars van het kwaad af te schrikken en hen door angst en gewetens wroeging uit hunnen gevaarlijken sluimer op te wekken, terwijl de booze vijand hen daarentegen tracht gerust te stellen en meer en meer te doen insluimeren.

-ocr page 363-

347

//bekoringen, en gij zuk, geloof mij, van God overvloediger genaden «ontvangen. Daarenboven heeft uw gedrag den schijn van fierheid en //minachting van anderen. Gij geeft ergernis door uwe hoogmoedige //manieren; ziet gij niet, dat men u als een zonderling bespotEn «als gij eens te zwak wordt, om in den ongehuwden staat de onzui-i/vere bekoringen te wederstaan, hoe zult gij dan uwe ziel redden? «Denkt gij een van die Heiligen te wezen, die God in zijne goedheid //kuisch en rein bewaart? Het is eene groote verwaandheid van u, ■,dat gij vermeent door menschelijke kracht zuiver te kunnen blijven, «en gij handelt zekerlijk tegen Gods beschikking, die den echtelijken «staat heeft ingesteld. Gi zijt verplicht te huwen, uwe edele afkomst //eischt dit onvoorwaardelijk. Wat wilt gij tegen den stroom invaren?quot; — Tot nu toe had Ambrosius, zonder kwaad te vermoeden, aan de inblazingen van den bekoorder het oor geleend. Doch toen deze stoutweg voortging, en hem eindelijk ook datgene, wat onbetwistbaar zonde is, als iets geoorloofds durfde voorstellen, verschrok de brave jongeling, teekende zich in den naam der H. Drieëenheid met het kruisteeken , en zie, de helsche raadgever verliet hem. De listige woorden des bekoorders hadden middelerwijl een diepen indruk gemaakt; de gedachte, het mocht tocli hoogmoed en vermetelheid zijn, in den maagdelijken staat te willen leven, verontrustte hem geruimen tijd. De dienaar Gods hield echter niet op met bidden en kampen. Ten laatste verscheen hem zijn goede Engel in den droom en riep hem toe;^ //Ambrosius, veracht de woorden des duivels, blijf uw voornemen ./getrouw, God zal u bijstaan.quot; Terstond keerden rust en vrede in zijn hart terug, hij wijdde zich geheel aan den dienst des Heeren. — Alzoo moeten ook wij steeds op onze hoede zijn, opdat de booze vijand het goede zaad, namelijk de goede gedachten en vrome besluiten, die van God komen, niet uit onze harten wegneme (Luc. VIII, 12).

TOEPASSING.

De leer over de Engelen is in verschillende opzichten hoogst gewichtig voor den Christen. Zoo leeren wij in het hizorder uit de zonde en den val der Engelen onzen plicht, om God te vereeren en door eene ootmoedige gehoorzaamheid zijne oneindige majesteit te huldigen. — Lucifer, „die zoo „hoog door God was verheven, die, vol wrsheid en vol-,,maakt schoon, de vreugde van het paradijs smaakte, en „met rijke gaven der natuur en genade, als met kostbaar „gesteente, versierd wasquot; (Ezech. XXVIII, 12, 13), Lucifer weigerde God de eere der gehoorzaamheid te geven. Nu trad ]\\Iichael met zijn leger tegen hem op, „Wie is gelijk „God,quot; was de leus der getrouwe heirscharen, en Lucifer met zijn aanhang werd in den afgrond der hel geslingerd en met de ketens der eeuwige gevangenis geboeid. Wacht u derhalve, o mensch! aan den Allerhoogste de verplichte eer en aanbidding, de verschuldigde onderwerping te weigeren. Zoo boog verheven als Lucifer zijt gij niet; zoo schoon en rijk uitgedoscht als Lucifer zijt gij niet ; zoo grooten aanhang als Lucifer hebt gij niet. En Lucifer is gevallen, in den afgrond der hel gevallen, om zich nimmenneer op te richten, en geheel zijn aanhang is gevallen, zonder den

-ocr page 364-

val huns aanvoerders ook slechts voor één oogenblik te kunnen tegenhouden. Zult gij, zwak -wereldkind, u tegen den Almachtige-en.ziine heirscharen kunnen verzetten? Volg, in plaats van, gelijk Lucifer, tegen uwen Schepper door de zonde op te staan, liever de getrouw gehleven Engelen: strijd moedig voor Gods eer tegen\'het.geweld der duisternis, rust niet, alvorens gij, door uwen Engelbewaarder ondersteund, den helachen vijand, die in uw hart, in plaats van God, wil heerschen, overwonnen hebt. „Wie is gelijk God,quot; zij ook uwe leus. Wanneer de glans der aardsche schatten u verblindt en hetoovert, roep dan: „Wie is gelijk God?quot; Wanneer schoonheid, welke zoo snel verwelkt, u verlokt, roep dan: „Wie is gelijk God?quot; Wanneer ij delheid en hoogmoed uw hart bekruipen, en vergankelijke roem u dreigt te bedwelmen, roep: „Wie is gelijk God Wanneer zinne-lust u zijn giftig honigzeem aanbiedt, roep, ja roep dan herhaaldelijk: „Wie is gelijk God?quot; Dat verheven woord dés geloofs zij voortdurend uw schild; de vurige schichten des bekoorders zullen er op afstuiten. Gij zult te midden der wereldsche bedorvenheid rein als een Engel, en midden in het vuur der hartstochten ongedeerd blijven, gelijk de hebreeuwsche jongelingen in den vuuroven. — Wacht u ook wel, lezer! bij uwen evenmensch satans plaats te vervangen, door ergernis en door verleiding der onschuld zijne hulp te worden. ,jZiet toe,quot; spreekt Christus, „dat gij niet „één van deze kleine veracht; want Ik zeg u, dat hunne „Engelen in den hemel altoos aanschouwen het aanschijn „mijns Vaders, die in de hemelen isquot; (Matth. XVIII, 10). „Die één van deze kleinen ergert, dien ware het beter, dat „een molensteen aan zijnen hals gehangen, en hij in de „diepte der zee verdronken werdquot; (Hetzellde hoofdst. v. 6). — Wees integendeel voor allen, met wie gij omgaat, een goede Engel, namelijk een schutsengel door waakzaamheid en behulpzaamheid in gevaren, een troostende Engel doorliefde-rijke woorden en milde giften, een leidsengel door wijzen raad, door vermaning, waarschuwing en opwekking tot elke deugd. Zoo zal door u Gods wil gelijk in den hemel ook op aarde geschieden, en bij uw afsterven zal niet alleen uw heilige Engel, maar ook de Engel dergenen, bij wie gij zijne plaats bekleed hebt, uwe ziel ten hemel opwaarts voor Gods aanschijn dragen, en juichend u bij de hemelsche koren inlijven. —

EINDE VAN HET EERSTE DEEL.

-ocr page 365-
-ocr page 366-
-ocr page 367-