-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

• 10 1\' w J J

-

-ocr page 4-
-ocr page 5-
-ocr page 6-

LOSSE GEDACHTEN VAN EEN HEEREN-EN DESA-DIENSTPLICHTIGE.

IV.

„Zoo zija erquot;.

Verbeeldt je waarde lezer, daar was ik laatst weer op wacht in de pasanggrahan, waar behalve onze regent, assistentresident en controleur, nog een regent en controleur uit de aangrenzende afdeeling te gast waren.

Ze zaten gezellig in de voorgalerij, waar wij in een hoekje de wacht hielden, en waren bezig een boom optezetten over heerendiensten. En wat denkt u wel, dat de regent en controleur tetamoe, bij kris en kras volhielden ?

TJ raadt \'t nooit!

Ziehier hun averechtsche, antediluviaansche stelling: „ Heer en en desa-diensten zijn onmisbaar voor den Meipen man. Laat men hem niet flink uitkomen, dan luiert hij en verveelt zich in de desa, en vervalt hij tot misdaadquot; „Intrekking of vermindering dier diensten zijn voor den Javaan fataal en brengen hem van kivaad lot erger.quot;

Ik geef u de plechtige verzekering, dat ik \'t niet uit mijn duim zuig. „Doemeh-doomehan ana kanda mengkaaS,quot; fluisterde mij de kamitoewa in \'t oor en een pijnlijke glimlach kwam op zijn gezicht;quot; de regent en kontroleur moesten het zelf maar eens ondervinden, vervolgde hij om zonder loon en dikwerf geheel nutteloos te moeten gaan werken en zoo van eigen veldwerk te worden afgehouden, of te worden belet, naar de passer een zaakje te gaan doen, dan wel de gelegenheid mis te loopen bij een ondernemer wat te gaan verdienen; een en ander om aan te vullen, \'tgeen wij te kort komen voor \'t hoognoodige!quot;

-ocr page 7-

— 317 —

Dooineh-doemehan!

„Ja,quot; antwoordde ik, en daarom moet men in de aangrenzende atdeeling nog allerlei monnikenwerk doen, zooals b. v. het vegen telkens van de wetjen, het boenen van de bruggen zelfs en wat niet al! Men zorgt daar dus dat de lui niet ledig zitten-

Jammer, dat voor de heerendionsten niet betaald wordt; doch dan zouden die regent en controleur heel spoedig leehjk op hun neus kijken, als, (en dat zou zeker gebeuren), er aanmerking kwam over de groote sommen, die het onderhoud der wegen verslindt. Zei ik niet vroeger: „van andermans leer is \'t goed riemen anjjdenquot; en „zij denken, wat men niet ziet deert niet?quot; Had ik geen geljjk, door te beweren, dat vele hoofden den kleinen man niet kennen ? Doemeh-doemehan! En wat zeggen de lui van hiernaast wel, over die zondvloedsche begrippen van hun Regent? Onlangs was nog DjajS, SëntikS uit de desa H. bij mij, om over verkoop van tabak te spreken; en wat zei hij? Jullie hebben het heel wat makkelijker dan bij ons. Men is daar bijna geen oogenblik van zijn tijd zeker. Zelfs de loerahs en de wedana pruttelen, maar durven niets te zeggen. — „Ze kauwen vogellijmquot; (mamah poeloet). Er zijn al verscheidene lui naar dezen kant verhuisd en ik denk er ook hard over; te meer daar we ook leelijk moeten werken in weinig belovende koffietuinen en dit den druk van heeren- en desadienst nog ondrageljjker maakt.quot;

„Accoordquot; antwoordde ik, ik kan verscheidene personen noemen, die overkwamen. Eerst nemen ze poolshoogte; wel een bewijs, dat de desaman er niet zoo geheel onverschillig onder is of hij dikwerf of niet moet uitkomen, al is dit dan om hem van kwaad af te houden.quot;

Ik met mijn bekrompen desaverstand denk er evenwel anders over en ten rechte repliceerden onze regent, en assistentresident, dat juist dat vorderen van zooveel onbeloonde en slecht betaalde diensten (met de laatste bedoelden zij zeker

-ocr page 8-

— 318 —

\'t werk in niot renderende koffietuinen) den kleinen man derao-raliaeerdo. In de eerste plaats maakt \'t hem lui, want wie werkt op den duur gaarne gedwongen voor niets? \'t Zou nog wat anders zijn als \'t noodig en nuttig werk ware, dat zou een groot deel der desalui er mee verzoenen; maar als ze merken» en dat doen ze duivels gauw, dat er om een haverklap allerlei bespotteljjk werk van hen wordt geeischt, verwekt dit wrevel, vooral als men er van zijn eigen werk, dat soms perloe is, voor wordt afgehaald.

Het dient er ook niet toe, om de liefde voor, en \'t vertrouwen in de hoofden en de ambtenaren bij den kleinen man te versterken, als hij meest aan hun bestaan wordt herinnerd, alleen door jast en lasten, die hem worden opgelegd.

\'t Doet me denken aan \'t geval met Pa Abdas en zijn nieuw-gekochten hond.

Dat dier wilde niet veel van hem weten, en gaf hij\'t daarom eiken dag eeu goed pak slaag en was ijselijk verbaasd, dat \'t stomme dier hem niet begreep en wegliep naar een rustiger oord-

Niet zelden moot dan ook do wensch bjj den desaman opkomen om alle rame-rame, en je weet hoe de Inlander daar op gesteld is, vaarwel te zeggen en vergoten in de wildernis een eentonig bestaan te gaan voeren. En als de roofbouw nog gepermitteerd ware, menig plekje zou midden in \'t bosch ontgonnen worden.quot;

De kamitoewa en ik keken elkaar aan en knikten elkaar toe, toen we dat hoorden zeggen en als we maar gedurfd hadden, zouden we met een hartgrondig noen ingeh! die woorden bevestigd hebben. Waren maar allen zoo, we zouden met welgevallen aan hen denken, en niet met een soortschrik bevangen worden als we hooren, dat er weer een touraée in aantocht is. „Nu moet \'ter weer op losquot; is het dan. De wedana zou vermcenen in ijver te kort te schieten, als hij zijn mennekes niet op de proppen bracht, of door de sporen van nieuw verricht werk daarvan niot blijk gaf, ook in do koffietuinen.

-ocr page 9-

— 319 —

quot;Wat een zenuwachtigheid in de desa, wat een bevelen, gescheld, geloop! Om er om te lachen, als er maar niet zoo\'u soesah \'t gevolg van ware. Zoo moot er immers alle lust tot initiatief bij ons uit! En dan noemt men ons lui, en wil dan nog meer heerendieust als geneesmiddel toepassen. Koddig!

En zijn onze wogen hier zonder al dat geknutsel niet even bruikbaar als die van onze buren, die er 2, 3, 4 maal meer voor uitkomen? Die maniën willen wat, en om te voldoen aan mijn vroeger gedane belofte, wil ik er hieronder eenige opnoemen :

de grintmanie of wederkeerendc grintkoorts, een chronische ziekte. Men is niet lekker als er geen grint op den weg ligt tot groot verdriet van rij- en trekpaarden of treksapis en buffels. In sommige gewesten zijn de wegen om zoo te zeggen eeuwigdurend in reparatie. Nauwelijks is de weg ten koste der hoeven van paarden en trekvee wat glad gereden, of weer moet er een nieuwe grintlaag op, liefst veel te dik. Eens in \'t jaar minstens, dat is nu eenmaal de oude adat of sleur. En als men nu maar alleen de wegen met heel druk verkeer nam, maar neen, ter wille der uniformiteit, moeten alle wegen er aan.

En nu bij ons ? In drie jaar hebben we ééns begrint en niet eens heel dik; eerst grover grint en daarover fijner, zoodat alles goed pakte, en in een wip was de weg vast — en glad gereden ; verder telkens waar een gat of geul kwam, dadelijk op dezelfde wijze bijgewerkt. En houden ze zich niet kranig? Hoe er vroeger op losgegrint is, bleek nu nog onlangs, toen er een duiker voor sawah-water door den weg moest gelegd worden. Bij \'t graven bleek, dat de grintlaag ruim 2 voet dik was. Hoe vele onnoodige zweetdruppels heeft dat niet gekost? Daarom niet te dikwerf begrinten en niet te dik, verder doelmatig en niet over den geheelen weg ineens (diblang-blang) En wijders onderscheid gemaakt met de wegen: a. wegen met druk vervoer b. wegen met minder druk vervoer c. wegen met bijna geen vervoer.

Neemt men daarvoor verschillende wijzen van behandeling

-ocr page 10-

— 320 —

aan, dan kunnen er reeds heel wat heerendiensten worden uitgespaard. Die bedoeld bij c. hebben of\' geen grint of slechts weinig noodig, en kan men er gras-wegen van maken. Is er veel geloop van vee met gespleten hoeven, dan eens om de drie, vier jaar nog eens een beetje grint, desnoods alleen daar, waar modderpoelen ontstaan, en verder \'t gras kort gehouden. Men neme ook de deugdelijkheid van \'t verhardingsmateriaal in aanmerking; hier is dit hard oa houdt \'t lang uit, daar minder. Dit doet men nu lang niet overal, en in vele streken is \'t regel dat er even als een regen, — een grintmoeson is. Het hoofdhut zij, dat de weg goed en bruikbaar is; niet dat er eeuwig aan gepeuterd wordt.

\'t Is te hopen, dat hiervoor eens een practische handleiding komt, die ook in onze taal wordt vertaald voor de hoofden. Dat zal zeker de zaak bevorderen. In die hoop zal ik over dit onderwerp er het bij laten.

2°. De wijze van verzameling van \'tyrint. In vele streken moet dit maanden te voren, noodig of niet, worden bijeengebracht en in vrij duur bamboezen mandwerk worden opgeborgen of opzij van den weg worden opgehoopt, waar \'t wegregent en in de goten geraakt of \'t vervoer belemmert, en wel eens oorzaak wordt dat de baan lager is dan de kanten, waar \'t grint tusschen \'t gras in den grond zakte. Waar \'t grint veraf is, heeft dit bij voorbaat verzamelen zjjn raison d\'etre, maar waar wij het vlak bij den weg kunnen krijgen, telkens als we \'t noodig hebben, is \'t voor ons veel gemakkelijker, dat de zorg voor \'t grint maar aan ons wordt overgelaten.

Men zij tevreden als \'t grint er maar is, als\'t noodig is. Ook hier schere men niet alles over één kam Verder daar, waar grint bij voorbaat moet worden klaargezet, doch ook alleen daar, een akal om dit op de minst kostbare wijze te doen-B. v. een inkapping in den dijk. Verder niet te vroeg, als dit tenminste in verband met den veldarbeid is te schikken.

-ocr page 11-

— 321 —

3°. De dijkjesmanie. Te hoog, te fraai of dijkjes waar ze niet noodig zijn. Ik heb dijkjes zien aanleggen langs alle wegen ; groote-, binnen- en zelfs langs rondawegen naar een koffietuin, die maagdelijk bleven en eeuwig zullen blijven van voertuigen. De een wil hooge, de ander weer lage dijkjes en omgekeerd ; en wij moeten dan aan al die grillen uitvoering geven ea duizenden dagdiensten worden noodeloos in \'t water gegooid.

lloo hooger die dijkjes verder zijn, hoe meer onderhoud zij vorderen.

4°. De sapoe- en prilcmanie. Op vaste tijden vegen van den grooten weg, of met een puntigen stok de bladeren, blad voor blad, opprikken, een soort patientie-spel. Honderduizenden dagdiensten zijn met die aardigheid vermorst en in enkele streken gebeurt dit nog; terwijl elders de ondervinding voldoende heeft geleerd, dat zulk monnikkenwerk onnoodig is. — Pure

tjjd en geldverspilling................... ten koste van den

inlander. Als men \'t zelf moest betalen, zou men er direct mee uitscheiden. Het is iets anders op de hoofdplaatsen, ook die van de districten; daar woont men vlak aan den weg en heeft elk dienstplichtige slechts een klein aandeel.

Daar kan \'t er door, ook omdat er volk te over is. Maar bij de groote wegen, onnoodig! Bij \'t gewoon onderhoud kan men nu en dan de bladeren, als er te veel zijn, en de goten of uitwateringen gevaar loepen verstopt te raken, opruimen ; maar men make er geen spelletje van, zooals nu nog wel eens gebeurt.

Niet altijd gebeurt dit op last der Eur. ambtenaren ; maar ook omdat een Regent of andere hoofden er nu eenmaal aan gewend zijn, \'t sleur geworden is en de eur. ambtenaren de zaak niet opmerkten, en zij de sleur zijn gang lieten gaan.

5°. De hoornen- en hun omheining manie. Ondoelmatig plauten; slechte soorten ; slechte bibit; te gauw alles beplant willen hebben ; te fraaie omheiningen, die duizenden bamboezen van do bevolking verslinden; \'t begieten in de drogen moesson en wat niet al.

-ocr page 12-

— 322 -

Zeker ia \'t goed als er geboomte langs den weg staat; de koelie met een zwaren last, de wandelaar, de reiziger, \'t vee zal van de schaduw profiteeren en velen zullen door de hitte geen ziekten oploopen. Te boter, als er goed, nuttig hout geplant is, dat goed duurzaam timmerhout oplevert, hetwelk bij aanleg of reparatie van bruggen, of voor de oprichting en reparatie van wachthuizen dienst kan doen en daardoor niet hout heel ver uit \'t gebergte moet worden gehaald, hetzij in heerendienst, hetzjj tegen betaling uit de hoofdgeld-fondsen. Hoe ook, goed volwassen timmerhout langs de wegen en oordeelkundig gekapt (om en om met tijdige bijplanting) is èn voor ons èn voor do liegeering voordeelig; vooi deelig vooral daar, waar\'t houtbosch ver weg is, of geheel is weggeroofbouwd; ook door een onsystematische koffiekultuur, (een kultuurplan dat niet in de toekomst ziet met slechte kuituur).

Hier, d. w. z. bij den aanplant van boomen, valt heel wat te verbeteren en verspilling van arbeid uit te sparen. Gelukkig zal thans de aanplant van boomen langs do groote wegen door \'t boschwezen in vrijen arbeid worden uitgevoerd (Circul. Dir. B. B. 25 Sept. 1889 No. 5240) en daarmee is al weer een groote dienst aan de bevolking gedaan, te meer als de ambtenaren van \'t boschwezen de zaak practisch inpikken, zoodat \'t ten eerste niet veel geld kost en tweedens niet tot onaangenaamheden aanleiding geefr. Wellicht zijn er wel met de desalui overeenkomsten te treffen, om \'t goed, goedkoop en duurzaam gedaan te krijgen. Als de contracterende Inlanders gedurende zekeren tijd de aansprakelijkheid voor beschadiging op zich nemen, zullen zij wel zorgen, dat losloopend vee de boel niet vernielt, o. a. ook door op de houders van vee, die er niet genoegzaam voor waken, een heilzamen invloed uitte-oefenen. Er komt door deze regeling meteen weer een beetje geld in de desa.

6°. De pagger- en poortenmanie. Paggers, waar ze niet noo-

-ocr page 13-

- 338 —

dig zijn, van bamboe met fraai vlechtwerk van indjoektouw, poorten idem. Wat do paggera aangaat, bevordere men\'t aanleggen van levende paggers. Kiest men daartoe goede planten ot\' heesters, die dicht in elkaar groeien on volwassen stevig zijquot;, die goed worden gesnoeid, dan zal \'t onderhoud heel wat minder zijn; slechts eens is dan een bamboezen pagger noodig, zoolang de groene heg niet volgroeid is. Kembnng sepatoo, chineesche bamboe, iantana, (ketoel), landep, singkil, ziedaar eenige gewassen, die geschikt zijn en nog verscheidene andere zijn er, die voor stevige heggen kunnen worden gebruikt en tevens eenig voordeel afwerpen, zooals djarak (kosta), setjang (soort verfhout) en galoega (ook een verfstof). In die heggen bouwen vogels hun nesten en daar die veel schadelijke insecten verslinden, komt dit den landbouw te stade. Als men die levende heggen maar goed onderhoudt, zal men er heel wat minder last van hebben dan met bamboezen paggers, die telkens en telkens moeten worden vernieuwd, ook al omdat in streken, waar weinig brandhout is, velen er een handje van hebben de bamboe te stelen, zoodra do pagger maar eenigszina wrak begint te worden. Ik weet verder gevallen te noemen, dat men, als er een eenigszins hooge gast werd verwacht, ja soms voor een gewone tournee, die in de lucht hing, de paggers liet vernieuwen, ook daar, waar reeds een goede groene heg aanwezig was. Dat stond fraai en gaf een blijk van ijver, doch hoeveel bamboe en arbeid die aardigheid verslond, dat liet men liefst ononderzochl 7°. De gardoeh-manie. Veel en dikwerf noodeloos verfraaid, daarbij soms zóó slecht gebouwd, dat ze in een wip door de witte mieren werden opgevreten en vernieuwing noodig was, die men door een doelmatiger inrichting (het plaatsen op riviersteenen) had kunnen en moeten voorkomen. Er behoefde soms maar eens te worden gestolen, of fluks word er een gardoeh opgericht, die niet alleen voor oprichting en onderhoud arbeid en materiaal vorderde, maar ons nog heel wat wachtdiensten op den hals haal-Dl. Ill, 1889. 21

-ocr page 14-

— 324 —

de wat nog oneindig orger was. Dikwerf is quot; quot; oodkooper, de wachthuizen van duurzaam materiaal samenteBtc llen b. v. van bekapte tjadas of\' riviersteen, waar baksteen duur is, en als metselspecie klei met wat zand, waar kalk niet goedkoop is. In Kedoe, (te Parakan b. v.) kan men goede staaltjes zien van bouwen met bekapte tjadas en klei als metselspecie, en in \'t Cheribon-sehe baksteen met idem. Daar zijn zulke muren, die meer dan 100 jaar oud zijn. Desnoods metsele men alleen \'t onderstel op ter hoogte van 3,4,5, voet. Dat zal ook heel wat bamboezen wand besparen.

Zoo vindt men soms op de grenzen van districten, afdeelingen of reaidentien, twee wachthuizen, rug tegen rug; tweelingen als ik ze zoo eens noemen mag en vlak er bij nog een wachthuis, zoodat men ook van drie- en vierlingwachthuizen zou kunnen spreken. Gebrek aan onderling overleg is daar de oorzaak van; een ieder gardoeht er maar op zijn eigen houtje op los, in stede van zoowel \'t gebouwtje als \'t wachtvolk voor gezamenlijke rekening te nemen, dat alweer duizende dag- en wachtdiensten zou uitwinnen. Ik zeg duizende en dan overdrijf ik zeker niet, want stel maar eens, dat er maar 2 man overdag en \'s nachts moeten waken, dat maakt in \'t jaar 1460 diensten en daar de helft van bespaard voor één wachthuis 700 diensten. Maar vele wachthuizen hebben soms meer wachtvolk dan noodig is, of zijn die zonder noodzaak overdag bezet; en dan nog \'t problematische nut van velen. Daar heb je b. v. \'t wachthuis, waarbij mijn desa is ingedeeld; 2 man over dag en 4 \'s nachts, maakt (gt; diensten, maal 360 = 2190 diensten \'s jaars en nu is daar in de laatste 5 jaren slechts één vent opgepakt en nog wel een, die een kleine perkara had; dus kostte die opvatting 5 X 21!)0 = 10950 X 10 cents (ik roken de waarde van oen dienst zoo laag mogelijk) of f 1100! Bij andere, zwaarder bezette wachthuizen, bedroeg en bedraagt dit dikwerf \'t 2, 3, 4 dubbele. Maar dat wachthuis werkt preventief, zult

-ocr page 15-

— 325 —

gij wellicht zoggen, doch dat betwijfel ik, want, er /.ijn sluipwegen in casu te over, voor de lui die een slecht geweten hebben, om \'t wachthuis ongemerkt voorbij te sluipen; dat ze dan ook wel heel netjes zullen doen. Veel beter is \'t, als do desahoofden een register aanhouden van de lui, waar oen luchtje aan is en de gangen van die lui in \'toog houden. Weten deze, dat zij in den kijker loopen, dan passen ze wel op, althans niet in de buurt te stelen on heel dikwerf verhuizen ze, omdat te minder betah zijn. Dat werkt preventief, te moer als er wat boter voor do inkomsten dor desapolitie wordt gezorgd, welk ohapitre ik hier nu maar onaangeroerd zal laten, ofschoon \'t alleszins de aandacht waardig is, te meer als men in aanmerking neemt welke soesah en kosten \'t ontdekken van een misdaad na zich sloopt, ook voor \'t wachtvolk, als \'t zijn plicht doot Ik herhaal wat ik vroeger schreef, kon men maar alles goed onder cijfers brengen, dat zou oenige millioenen guldens bedragen, ook voor de overbodig of nutteloos gevorderde diensten! Mijn innige overtuiging is; veel wachthuizen kunnen worden afgeschaft, bij andere kan \'t wachtvolk verminderd worden of de dagdienst worden afgeschaft, alles zonder gevaar voor de veiligheid. Maar overtuig daarvan eens een ambtenaar of hoofd, met de gardoeh-manie behebt!

8°. De plaveimanie. Ik spreek hier niet van de goten, waar dat zijn nut heeft en op den duur werk uitspaart en ook niet te zwaar is, waar men riviersteen in de buurt heeft en\'t geleidelijk laat doen, maar wel van \'t plaveien van een gedeelte van den weg aan beide kanten, instede van daar een rand gazon te hebben, waar men nu en dan (ook al weer niet te dikwerf) \'t gras laat kort houden.

9°. üe graszodenmanie, waarmede ik bedoel, dat als een weg b. v. aan de beide kanten is bijgewerkt, men die dan mot graszoden laat beleggen, instede van dit stilletjes aan moeder natuur overtelaten, die hier in do tropen er spoedig genoeg

-ocr page 16-

— 326 —

gras op laat groeien, dat kort gehouden, nu en dan, heel goed gazon geeft. En \'t geldt hier niet alleen \'t halen van die graszoden, maar heel dikwerf neemt men die van eens andermans tuinen of sawahs en roomt zoodoende den goeden bouwgrond weg. Dat moest men eens bjj een europeeschen boer probeeren! Ook die dijkjes verslinden soms onnoodig, heel wat graszoden.

10°. De klep- of titirmaiiie. Ben ieder moet een hollen bamboe of een blik hebben mot een trommelstok, en zoodra het donker is, begint \'t lieve leven. Trok, trok, trok-trok, trok, trok-trok; voor iemand die zenuwachtig is om er halfgek van te worden. Bijna, 1 /., vande bevolking is op been ; ik heb zelfs wel eens vrouwen als klepperman zien rondloopen. Van tjjdtottijd komt dan nog een troepje hoofdeti en hun volgelingen voorbij vliegen en maakt leven als niet Hink getrok-trokd wordt. Eigenlijk een bespottelijke vertooning, want de dieven raken, evenals de kalongs, er aan gewoon: ja, \'t gebeurt wol eens, dat de dieven er al kleppende op uitgingen en een van de bende er flink op lossloeg, terwijl de andere vlak bij hun slag sloegen en de bestolene van wege \'t leven niet merkte, dat men bezig was de wand van zijn huis open te snijden. En hoe moet men te kennen geven, dat er brand of onraad is, wanneer men als er niets hoegenaamd aan de hand is, zoo\'n helsch leven laat maken ? Hoe men op zulke onpractische gedachten kon komen is werkelijk een raadsel.

11°. Daar sluit zich aan de ronde-manie. Te veel soorten en te veel volk bjj elk ronde. Een veel te groot deel der bevolking moet op de been en een (de ronde melek) moet zorgen, dat niemand in stad of dorp een oog dicht doet. Zoo is \'t bevel ten minste, maar gelukkig storen do meesten er zich niet te veel aan en laten de lui maar roepen; mölek, melek! of\'tangi, tangi! en geven een geeuwerig antwoord als er op de deur ge-bonst wordt, om uit kracht van gewoonte dadelijk weer in te slapen; en blijkt ook hier, dat do natuur sterker is dan de leer.

-ocr page 17-

— 327 —

Als wij, Javaantjes, een van Alphen hadden, zou hij dichten: ,mijn slapen is waken, mijn waken is slapenquot;.

Ook bij de wachtdiensten hoeft men soms nog andere, vrij avereehtsche inpikkorijen, b. v. dat een desa niet haar eigen gebied, maar dat van oen andere desa moet bewaken (vica versa), hetgeen heel wat onnoodig geloop geeft en sommige desas noopte om er nog een kleine onclerhandsche rondo bij te fabriceereu.

12°, De vastediigen-manie. Een dag van de week naar den weg, ook wel eens tweemaal in de week. Uoed voor de wegen mot heel druk verkeer, waar men om zoo te zeggen zeker is, dat minstens om do zooveel dagen zooveel man voor gewoon onderhoud noodig zijn; doch past men dit toe op (Me wegen, dan volgt er uit oen schromelijke verspilling van des Inlanders tijd Al komen de heerendienstplichtigen maar oven kijken, toch is \'t voor hen verlies, want voor de moesten is dan de daq gebroken en zijn ze een werkdag kwijt. De bedoeling was goed, doch daar noch de hoofden, noch de ambtenaren na kunnen gaan aan welken weg en op welke plekken van eiken weg al dan niet gewerkt moet worden, en wat, wordt het al heel spoedig een sleur en noodeloos wordt de kleine man van zijn werk afgehouden, zonder dat iemand er eonige baat bij heeft. In theorie was dat uitkomen op vaste dagen heel mooi, maar men rekende niet genoeg af met de werkelijkheid. De massa wegen, \'tfeit dat de beschadiging of slijtage niet vooruit te bepalen is, dat soms slechts heel enkele plekken reparatie noodig hebben en \'t zoowel voor de hoogere als mindere ambtenaren en hooiden, - aangenomen eens dat zo allen den noodi-gen ijver hebben, wat. lang niet \'t geval is, — onmogelijk is na te gaan en te bepalen waar gewerkt moet worden en waar niet; dat in den oenen tijd meer beschadiging plaats heeft dan in een andere enz. En wat is \'t gevolg van een en ander ? Dat er soms vrij wel in \'t wilde wordt vastgesteld, dat wij om de zooveel

-ocr page 18-

— 328 —

dagon naar don weg moeten, hetzij allen, het zjj een gedeelte van ons om beurten. En dan ziet men dikwerf\'over 10, 20, ja 100 palen den weg bezaaid met volk, dat of niets, of nutteloos werk uitvoert. Ik hoorde eeus een controleur, voortstander van die regeling, neggen „als ik op tournee zie, dat \'t volk niets te doen heeft, zend ik het naar huis,quot; maar wat geeft dit, als wij om 10, 11 uur te huis komen? Wij hebben alvast oen gebroken dag en hoeveel honderdduizende raaien merkt men niet, dat \'t volk onnoodig is uitgekomen en hoe dikwerf wordt ten gevolge van dat eens in de welk uitkomen niet om geen mal figuur te maken, door de hoofden Werk uiUjedacht ? Dat noodeloos vegen was daarvan in meer dan een streek er \'t nadeelig gevolg van. Instede van mste dagen geve men veel liever, waar \'t kan, en de bevolking \'t nut er van ia duidelijk gemaakt en zij dit heeft leeren inzien, vaste aandeelen, naar gelang van ieders kakoewatan; echter onder één mits en die is, dat men de lui niet plaagt met uitkomen als Haandeel in orde is. Ik ken een afdeeling, waar dit systeem reeds sedert een vijftal jaren perfect werkt en de heerendienst zonder dat de wegen er onder leden, integendeel, tol 1/8 a 1/4 werd ingekrompen. Ook elders nam men er proeven mee, die echter mislukten, omdat ze meestal verkeerd werden ingepikt. In een streek gaf men de lui vaste aandeelen, maar met do verplichting, dat ieder aandeelhebber eens in de week naar zijn aandeel moest gaan. Dat een enorme vermeerdering van dagdiensten daarvan \'t gevolg moest zijn, al was \'t maar door de kuier hoen en weer naar en van de bagian, kan en kon men op zijn vingers narekenen. Men was te onpractisch om onderscheid te maken tusschen gewoon en buitengewoon onderhoud en vooral vatte men niet, dat tegenover de meerdere verantwoordelijkheid van elk individu ook een voordeel moest staan, namelijk dat hij die goed werkte en op den dag van uitkomst flink door en zooveel langer, van uitkomen moest verschoond.

-ocr page 19-

— 329 —

blijven. Juist con stimuliuia om flink to werken, zelfs voor oen lui aujot on dio Hot mor» gohool buiten rokeniug.

Hoe degolijkor ik work en hoe flinker ik doorwerk, hoe oor-der er af en zooveel to meer kans niet zoo spoedig weor te moeten uitkomen. Zoo moest en zal do redeneering zijn, als men in stedo van dafien, goed gepresteerd werk vraagt. De slcur-geest van hoofden, doordrongen van \'t bewustzijn, dat niets gaat boven prentah, dat ze aan hun waardigheid te kort doen, door aan ons eenig initiatief te laten of\' te loeren, hoofden dio ons niet kennen en daarom miskennen on last not least dat wij door dat eeuwigduroDde goprentah bijna geheel tot ledepoppen zijn gemaakt, ziedaar de hoofdredenen, waarom werkelijk practische zaken soms zoo deerlijk schipbreuk lijden. Ook dat men zich niet do moeite gaf om ons de zaak behoorlijk duidelijk to maken, ons de voordeolen goed voor oogen te stellen en verder ons weinige vertrouwen in de goede bedoeling der ambtenaren en hoofden, geboren uit langdurige ondervinding, dat de ons drukkende lasten eer zwaarder dan lichter werden, ook dat zijn nog oen paar redenen, waarom de zaak mislukte. Wij werkten niet moe et pour cause; er was geen samenwerking. Men schoor verder alle wegen over één kam en lette er niet op, dat van \'t njambat-sinambat- of giliranstolsel met vrucht voor \'t gewoon onderhoud kon worden gebruik gemaakt. Van andere averechtsheden, die \'t gelukken der proeven in don weg stonden, wil ik hier niet spreken en behoud ik mij voor, als ik van een belere regeling van \'t work of \'t uitkomen der hce-rendienstplichtigen spreek, op deze zaak terug te komen.

13°. De brihor mat manie, liij vele hoofden schijnt \'t con behoefte te zijn volk op te roepen al is \'t niet mot \'t philantro-pisch doel, de lui van luieren en kwaad doen af te houden.

Er komt een ibcr, dat de controleur een tournee zal maken.

Dadelijk vertrekken er ibers naar de desahoofden, om toch te zorgen, dat wegen en koffietuinen in orde zijn. Alles is in

-ocr page 20-

— 330 —

rep en roer in de desa. Waar is Troen8,P Werkt op de koffieonderuoming A. ]jaat hem halen! en fluks gaan er een of meer personen op uit, om hem en anderea midden uit hun aangeuoineu taak te halen, en de betaling daarvoor te doen missen. Anderen zijn in sawah of tegalan aan \'t werk, soms met werk, dat geen uitstel lijdt. Dat doet er niets toe, en kort daarna toogt \'t volk naar weg en koflietuin met patjoei, kapmes en bezem; soms krabt men hier en daar in den grond, slaat hier

en daar een grashalm af\' en.......honderden dagdiensten

zijn weer in \'t water gesmeten. De meeste ambtenaren zien en voelen dit niet, als ze voorbij komen; enkele voelen hun ijdelheid gestreeld als er zooveel gedoe voor hen wordt gemaakt, en toch is \'t meer dan tijd, dat er aan die hormatmanie een einde worde gemaakt, want ze verslindt noodeloos duizendo, honderdduizende dagdiensten en doelt ons met schrik aan een tournee denken, instede dat ze ons welkom is, dat \'t geval zou we«en als daarvan verlichting van lasten of verbetering van onzen landbouw en toeneming van welvaart en tevredenheid in den regel er \'t gevolg van waren. Deze manie zal evenwel niet gemakkelijk uit te roeien zijn want in voel hoofden zit ze leehjk vastgeroest. Zit evenwel bij de ambtenaren en hooge inl. hoofden de vaste wil voor, om dit euvel, laat ik liever zeggen dit misbruik, den kop in te drukken en des noodig de mindere hoofden flink te straffen als zij die manie of sleur niet willen laten varen, dan kan \'t niet missen of die zenuwachtigheid bij of tengevolge van tournée\'s, wijkt voor een rustiger, bedaarder toestand en alles wordt niet telkens uit zijn voegen gehaald of aan \'t werk gesteld voor den schijn, want werkelijke verstandige ijver zal toch niemand zulk nutteloos krabbelwerk noemen, dat op den koop toe soms aan de wegen eer kwaad dan goed doet, en evenzoo aau de koffietuinen, die ik hier te pas breug, omdat de heerendiensten des te zwaarder gevoeld worden, als noode-looze kuituurdiensten bovendien nog zooveel van onzen tijd op-

-ocr page 21-

131

slokken; dikwerf juist op tijdstippen, dat we met eigen werk veel om handen hebben, waardoor de last nog te zwaarder gevoeld wordt en te meer in onze vrijheid van beweging wordt ingegrepen. Ik zei \'t reeds vroeger, „\'t Is gemakkelijk van andermans leer riemen snijden, doch dat dit een slechte gewoonte is, zal zeker niemand mij tegenspreken. volk is redelijk van aart en handelbaarquot;, schreef de G. (t. Mossel in 1752, vals onze bediendens \'t maar zelf zijnquot;

Juist dat is het!

Nu nog een manie tot besluit.

14°. De nieuwe bezem- of verander manie. Er komt een nieuw hoofd of ambtenaar, en dikwerf loopt die wat hard van stal. Zijn voorganger weet er niets van; waar de vervanger vandaan kwam was \'t beter (dat dikwerf nog te bezien staat), hij zal eens toonen, dat hij \'t beter weet, dal hij radjin of këntjëng is, en heel wat beroering en akeligheid komt over ons, desalui. En bleef \'t daar nu maar bij, maar er komt weer een ander, of een hooger ambtenaar ziet die nieuwigheden, en alles moet weer in den vroegeren staat gebracht worden of weer een andere atoeran wordt ingevoerd. En die verander man Ie behoeft mei eens \'t gevolg te zijn van de verplaatsing van een hoofd of ambtenaar, ook zonder dat wordt er soma heel dikwerf veranderd en volgen tegenstrijdige bevelen elkander op, al naar de nukken die deze klakkeloos ingeven. Soms wil de aSs. res. zoo,de regent zus, en wij arme heerendienstplichtigen zijn de wi ijfpalen van dat verschil van inzichten Ik zou van een en ander heel wat staaltjes kunnen opnoemen en aantoonen, dat zoo soms tienduizend^ dagdiensten werden en worden in \'t water gesmeten.

A A

En is nu, als het vorenstaande waarheid bevat en dat doet het, zooals ook uit do lijdens geschiedenis van Tjawikrama blijkt (zie Ind. Gids afl. Oct. 1889), de vraag niet alleszins gewettigd, of \'t niet meer dan tijd is, dat, nu de Regeering ernstig er naar

-ocr page 22-

— 332 —

streeft om de diensten te verminderen, zelfs over geldelijke oiferH wordt gedacht, om daartoe te geraken, — in do allereerste plaats een einde korae aan die onzen tijd verslindende maniën, \'t zij door hot behoorlijk vaststellen van \'t geen er gedaan moet en mag worden en wat niet, (bij een instructie of handleiding, die ook in de inlandsche talen moot worden vertaald), \'t zij door de onverbeterlijke lijders aan maniën te straffen, tot afschrikkend voorbeeld van allen, wier sleurgeest telkens de overhand schijnt te krijgen boven de gehoorzaamdheid, welke zij verschuldigd zijn aan de bevelen, door do Regeering tot bevordering van \'t welzijn en de tevredenheid van land en volk uitgevaardigd? Die weinige discipline, dat Oost-Indisch doofzijn wil wat! \'t Is een even groote Sma als de weinige waarheidsliefde, om niet een harder woord te gebruiken. Vroeger moge men zich met den schijn vergenoegd hebben, zich verantwoord hebben gerekend door \'t uitvaardigen van een Staatsblad of Circulaire, onverschillig of die oen doode letter bleef of niet; soms niet meer dan zand, dat de volksvertegenwoordiging werd in do oogon gestrooid; thans zijn gelukkig do tijden veranderd, en alles toont aan, dat \'t der Regeering ernst met de zaak is, en \'t haar niet alleen om den schijn maar ook om de daad tc doen is.

Moge dit voor de lieden met sleurmaniën een vingerwijzing zijn!

Ik herhaal wat 130 jaar geleden de Gouverneur-Generaal Mossel zei: wij zijn redelijk van aart, waren het maar ook allo ambtenaren en hoofden, de boel zou heel wat boter marcheren

Gogol.

-ocr page 23-
-ocr page 24-
-ocr page 25-
-ocr page 26-

\' \'WV ia \'I .J, I