Wr I
(i ^ ]{}y\\ 188q olie, 15quot;. -
LOSSE GEDACHTEN VAN EEN HEEREN- EN DESA -DIENST PL ICIITIGKE.
I.
Ik ben een heolo, een koeli-koewat of kcntjëng, een gogol, en heb heel wat van den heerön- en desa-dienat ondervonden en daarom durf ik, met allen eerbied echter voor de tijang agëng, een woordje meespreken.
Ik heb er een goed doel mee: verlichting van ons desalieden en van do lasten die op onzen grond drukken.
\\ViJ hebben den naam van lui te zijn bij onze hoofden en bij vele Europeesche ambtenaren, maar is het een wonder als de dienst slecht geregeld is en wij dikwerf noodeloos werk moeten doen, en bovendien niet weten of wij bij goed werk er af zullen zijn voor langen tijd? Is het wonder, herhaal ik, dat wij zonder ambitie werken, daargelaten, dat er onder ons, evenals overal elders, vlijtigen en luien zijn en bij slechte regeling do luien het op de vlijtigen laten aankomen en dit gedurig toezicht door de hoofden, aansporen (en scheldeti) noodzakelijk maakt?
En wat dan eigenlijk een gevolg is van slechte inpikkerij, van laissez faire laissez aller, komt dan zeer ten onrechte op ons hoofd alleen neer.
Men vindt ons dom, omdat wij niet naar individueel grondbezit verlangen, maar wie zal daarmee erg op hebben, als de lasten die op den grond drukken, zoo zwaar zijn, en men daarom maar liever dezelfde knecht (koeli) blijft, dan zich door
— 2 —
meer grond, meer lasten op den hals te halen? (1)
Wij zijn zoo dom niet! Laat men maar eens door betere regeling van deu heeren- en desa-dienst en het nalaten van alle monnikenwerk, die lasten verlichten, en wij zullen evengoed als de Europeanen naar een beter grondbezit verlangen.
Doch voor ik verder ga, eerst een ootmoedig verzoek om verschooning als ik wat van den hak op den tak spring.
Ik ben maar een eenvoudig desaman en laat het aan hoogeren over mjjn gedachten tot een beter geheel te verwerken en de juiste van de minder goede te schiften, en — nu begin ik.
1 De meesten denken, dat wij in do desa heel hüisiiou-deluk en in gemeen overleg de diensten regelen, en acht men het een groot voorrecht, dat de ambtenaren ons stil laten begaan. Doch is dat wel juist?
Ten eerste heeft hot desahoofd heel wat te zeggen, om niet te spreken van zijn sobats, zijn kliek, die hem soms niet langs den besten weg op het kussen brachten.
Vandaar dat heel dikwerf een kleine minderheid de rest op den kop zit; een kleine maar invloedrijke kliek, die de minder bedeelden ten haren voordeele naar haar hand zet.
Op ALGEMEEN OVERLEG EN OVEREENSTEMMING Valt dan in zulke gevallen, en die zijn vrij menigvuldig, heel wat af te dingen.
Ook de stille, eigenmachtige inmenging dor hoogere hoofden maakt heel dikwerf de vrijheid der desa om haar zaken huishoudelijk te regelen illusoir. Eu ware die inmenging nu maar altijd opbouwend!
Ten tweede hebben die desa-hoofden niet altijd het besef, hoe de zaken het meest practisch in te pikken.
(1) Men zie maar eons liet op Gouvernements last uitgegeven werkje van den Heer Schmahlhaijsen in, om te weten te komen hoe belemmerend do heo-rendiensten, bjj de schromelijke verspilling, die ter zake nog bijna overal heerseht, op het grondbezit en de ontwikkeling- der Inlandsehe huishouding werken. Red.
Ten derde misson meestal ook de desaliedon zelf, door allerlei en gedurige printah\'s versuft, bijna alle initiatief en genoeg doorzicht om een goede regeling te maken.
Ten vierde werken afgunstigheid onderling, begunstiging van een kliek, die wegens rijkdom wat in te brengen heeft en de drang van hoogere hoofden om een werk heel spoedig af te krijgen enz., soms storend op een goede regeling,
Hoe dikwerf was men niat op den goeden weg; maar dan stuurden allerlei verkeerde invloeden, daaronder niet te vergeten sleurgeest, alles weer in de war, en het eind was bjjna overal moedeloos berusten en werken, werken, werken; natuurlijk zonder ambitie; en dit zal wel do reden zijn, dat het werk van 2 a heeren-dienstplichtigen wordt gezegd gelijk te staan met dat van één vrijen arbeider.
Doch kan het andera en zou het niet. overal zoo zijn?
Velen in de desa, die de zaken war, beter inzien en er over nadenken, zijn er dan ook lang niet afkeerig van, dat van bo-stuurswege een regeling worde gemaakt, of beter gezegd : in de hand gewerkt, mits ze maar practiseh is en aan de meeste onbillijkheden een einde maakt.
En als men daarnaar wil zoeken en met de desalieden te rade gaat, is die, geloof ik, wel te vinden.
Men denke vooral niet, dat een bemoeiing met de huishouding dor desa — aangenomen eens dat dio idyllische huishouding bestaat, en op den keper beschouwd niet een fictie is, (ik zou daarvan kunnen meepraten) -- ons ongevallig zal zijn, als ze tengevolge heefl, veylichting van lasten, rvegneming van hegnnstiging en mishruiken en zoo moet bijdragen tot aller tevredenheid, de gunstelingen uitgesloten. Doch ook dozen zullen berusten en wellicht later inzien, dat het zoo beter is.
Wat geeft die niet-bemonienis ons wijders, als er telkens nieuwe werken of lasten aan de desa worden opgelegd (hier
— 4 —
eon nieuwe weg, daar oen brug etc.) en de hoogere hoofden en Eur. ambtenaren niet to weten komen wat daarvan voor den desaman het gevolg is?
Wat men niet ziet deert niet, denken ze wellicht, maar zoo denken wij niet; daarvoor voelen wij te zeer den last, die zoetjes aan, hoe langer hoe zwaarder wordt. Waarom geeft men in de desa meestal de voorkeur or aan, dat een werk in heerendienst moet worden verricht boven hot gelasten ervan in dcsadienst?
Wel juist, omdat bij heerendienst althans oenigszins blijkt wat er door ons gedaan wordt, al zijn do opgaven van verrichte diensten meestal allesbehalve juist, vooral ala de hoofden en ambtenaren bang zijn met hooge cijfers voor den dag te komen. (1)
En juist door die onthouding, door de desahuishouding in deze te beschouwen als een kruidje-roer-me-niet (roempoet koe-koetjingan, djoekoet sotan) komt men er boven niet, achter, wat er niet al van den desaman gevergd wordt.
Alsof wij niet zoor gaarne zouden willen, dat dit ten volle bekend werd; \'int alleen ia de weg tot verbetering.
Dus wèl bemoeienis met don hoeren- en desa-dienst in de desa, dooh geen albemoeienia, want zoo loopt men het doei voorbij, zooals wol eens moer gebeurde, als men van stilstaan tot hollen oversloeg.
En dat brengt mij er toe te spreken van do beginselen die naar mijn bescheiden inzien bij een bemoeiing met de desa-zaken op den voorgrond moeten staan.
Allereerst moeten wij, dosa-liodon, weten wat onze verplichtingen zijn.
Weten wij dit nu reeds?
Het is er verre van at\'.
(1) Ik liül) wel oens ^clioonl, dat dit gebourdu uit vrees voor de Kamers in Holland.
Diiar do Jlogeering or steeds togen opzag de zaak van naderbij te beschouwen en door te dringen tot op den bodem, ontstond er allerlei willekeur en onzekerheid.
Europeesehe ambtenaren en hoofden maakten eigenmachtig regelingen of veranderingen , sloegen er soms een slag in (1) en waar dezen het niet deden, waren het de desahoofden en dat niet altijd mot oordeel
Zoo ontstond in vele streken een toestand van onzekerheid, die natuurlijk willekeur in do hand werkte.
Vandaar dat het in het eene district, in de eeno desa zus, in do andere zoo is; vandaar dat men niet genoeg op de hoogte is van de grondslagen, waarop do heeren- en desa-dienst berusten, niet alleen de hoogere hoofden en Eur. ambtenaren, maar iu vele gevallen in de desa zelf niet.
Vandaar, dat onder de desalieden soms krakeel en dikwerf kinderaehtige jalouzie ontstond, hetgeen oen goeden gang van het work en vooral onderlinge practische schikkingen om het werk gemakkelijk te maken, in den weg stond en staat.
2. Daarom acht ik het in de allereerste plaats noodig dat overal geconstateerd worde, welke op het oogenblik die grondslagen zijn, on kan hot, dan is het tevens niet kwaad na te gaan of niet hier en daar van boven wild en zonder kennis van zaken is ingegrepen.
Weet men nu welke grondslagen worden gevolgd, dan verdient het overweging of die niet verbetering behoeven, opdat de billijkheid beter worde betracht; want men vergete vooral niet, wij desalieden onderwerpen ons gaarne aan veel, mits wij maar voolen dat het billijk {adil) is.
Juist dat onbillijke geeft dikwerf stof tot stille ontevredenheid , die zich slechts in huiselijken kring of onder vrienden
(I) H. v, door klakkeloos on togon do adat in do monoompangs (ouzo boe-ron-knoohten) ook hocrondionskpliohtig\' te vorklarcn, zooals b. v, in Ohci\'ibon en Bantam gebeurde, enz.
— 6 —
lucht geeft, maar daarom niet minder gevoeld wordt. Dus boekstaving van de grondslagen en des noodig verbetering ervan.
Daarmede bodooi ik echter geenszins woest ingrijpen en opdringen aan de dcsalieden, maar overleg, bespreking met hen, en zóó dom en koppig zijn wij niet, dat als dit met tact en geduld wordt gedaan en men den juisten toon weet aan te slaan, wij niet gaarne zouden willen medegaan, als men ons een beteren weg aanwijst, dan dien wij totnogtoe hebben bewandeld.
Ook wij zijn op zekerheid van lasten gesteld; dan weet men waar men aan toe is, en dat voorkomt misbruiken en houdt de lieden beter aan hun plicht.
Maar dan moeten ook de tot wederzijdsch goedvinden vastgestelde ol\' geboekstaafde grondslagen ter kennisse van allen worden gebracht, 6n die kennis worden onderhouden, door ze in schrift in do balg-desa op te hangen. Zoo zullen de loerah\'s kracht daaraan ontleenen tegenover de dienstplichtigen , maar ook deze een waarborg hebben tegen misbruiken , en klachten zullen veel minder worden dan nu.
Ik bedoel ook niet om alles over één kam te scheren.
Men houdo rekening met bijzondere tijdelijke en plaatselijke omstandigheden. De hoofdzaak is dat men in elke desa wete waar men aan toe is.
En daar in vele streken de toestand dezelfde is voor een heel district, voor een heel regentschap, zal deze zaak zooveel moeite niet geven. Ook behoeft dit niet holderdebolder te gaan.
Men gunne zich eenigen tijd, ook aan do desaliedon, ter overdenking; dit zal de zaak niet schaden.
Vooral is het tot verkrijging van een goed resultaat noodig, de zaak in de desa d. w. z. met de desaliedon zelf te bespreken en niet gemakshalve alleen met de hoofden op de koempoelan ;
terwijl or zonder overleg met hot dosavollc zelf bovendien voel minder wnarborg is, dat do zaak vlot zal mareheoren.
Voor elke goede reyeliny is de medewerking ran den kleinen man nuodig; dit wordt door ambtenaren en hoofden soms voel to veel uit hot oog verloren.
Prentah\'s alleen is niet gonoeg; die wat moer achter do schermen hoeft gokokon, weet zeer goed, dat wij desalioden er den slag van hebben op do moest eerbiedige wijze door oen stil, lijdelijk voizet, onaangename prentah\'s voor oen groot deel te ontduiken.
Bovendien oen prentah, die men begrijpt, eeti lust ons opgelegd en waarvan de billijkheid ons is duidelijk gemaakt, voeren we met voel meer ijver uit, dan een die we niet begrijpen en daarom dikwerf onbillijk vinden.
Waarom kan hot eone hoofd alles van ons gedaan krijgen en een ander zoo goed als niets?
Zijn nu eens de grondslagen geconstateerd, waarop do heeren- en desa-diensten berusten en die van den graad van dienstplichtigheid alsmodo, van wettige of gewettigde vrijstellingen, dan volge:
8. Het constateeron van do soorten werk, die elke desa in heeren- en desa-dienst to doen heeft, met bekendstelling van de uitgestrektheid er van b. v. hoeveel roeden, weg, slokan etc. Ook daarvan blijke in de balfcdesa. Vorder logge men oen register aan van de heeren- en zoo noodig ook van do dosa-dionstplichtigen; doch voordat ik do inrichting dier registers bespreek, wil ik eerst eonigo bedenkingen weêrleggon, die men er wol eens tegen zou kunnen inbrengen.
De eerste is, niet alle loerah\'s kunnen schrijven.
Dit is jammer en goed zou het zeker zijn als van alle loerah\'s gevergd werd, dat zo dat konden.
Hot loeren schrijven is zoo moeilijk niet en loerah\'s die niet lezen of schrijven kunnen, zijn geheel aan hun tjariks overgeleverd.
De Regeering zou dit euvel geleidelijk kunnen verhelpen door te bepalen dat van een zeker tijdperk at\' niemand tot loerah zal worden benoemd dan hij die schnjven kan
In buitengewone govallon zou de Res. dispensatie kunnen geven.
Liefhebbers voor het loerah-ambt, die er soms heel wat geld voor over hebben, zullen dan wel maken, dat ze in betrekkelijk korten tijd de schrijfkunst beet hebben.
De tweede bedenking kan zijn, dat die registers niet in allen opzichte juist of\' te vertrouwen zullen zijn.
Toegegeven dat ze in den beginne, hetzij uit onkunde en onbeholpenheid, hetzij uit kwade trouw, minder juist zullen zijn; is dat een reden om er van af\' te zien?
Is niet alle begin moeilijk, maar mag dit een reden zijn om jets na te laten als er wel degelijk kans is het geleidelijk te verbeteren en wat nog meer klemt: moet men de heffing van een belasting maar zoo in het wilde laten geschieden ?
„Tijd is toch geld,quot; zoggen de Europeanen, en waar men over des Inlanders „tijdquot; beschikt door onbetaalde heeren- of\' desa-dienst te vorderen, mag er evengoed boek van worden gehouden als van do landrente b. v,; want voelt de Inlander al niet zoo sterk den druk als bij belasting in geld, voelen doet hij het toch en als een sprekend bewijs ervan kan dienen het feit, dat men een werk soms liever in heeren- dan in desa-dienst ziet uitgevoerd, omdat in het eerste geval althans eenige rekening met de opkomst van volk wordt gehouden. Het is dus niet meer dan een dooddoener (zooals er wel meer in Indiö worden gebruikt) men zoekt bezwaren om eraf te zijn, en laat alles bij do oude sleur, denkende: après nous le déluge, of\' do bedenkingen komen van lieden, die meer aan theorie dün aan de practijk deden en die niet weten wat er met den desaman, mits goed en met tact aangepakt, niet al kan worden tot stand gebracht.
Het zou er op Java met heel veel zaken al heel anders uitzien, als men dit maar wat meer en beter gevoeld had, en heel
dikwerf waren het juist de inlandsche hoofden, die verbetering tegenhielden, of uit sleurgeest of wel uit onkunde, want hoe paradox hot klinken moge, ik durf volhoudo:i dat eea indssn hoofden den kleinen man niet kent.
En dat is zoo vreemd niet. Zij achten zich meestal zoo ver boven den kleinen man verheven, dat hun omgang alle vertrouwelijkheid mist; zoeken hun heil meestal in de alleenzaligmakende prentah, en leggen zich er niet op toe het karakter van hun ondorhoorig en te bestudeeren; hun nooden te leereu kennen.
Zij vorderen siaafsehe onderwerping en deze sluit van zelf uit vertrouwelijkheid van de zijde van het volk en belet gemeen overleg, waarmede men meest heel wat verder komt, dan niet prentah.
Hoofden, die met het volk wisten om te gaan als oen vader met zijn kinderen, bewezen wat men al met hot volk kan doen, als men, naast ontzag, zich ook zijn liefde of toegenegenheid weet te verzekeren.
Men komt er verder mee, dun met praal van veel cevoliquot;
\' * r5 CT\'
mooie kleeren en harde woorden, want al kruipt de desaman voor zulke hoofden, hot is daarom nog lang niet uitgemaakt; dat do inyyih\'s goed gemeend zijn en men niet heel spoedig eon akal zal zoeken en vinden, om door niet merkbaar Ijjdelijk verzet de wilde of onpractische bevelen onuitgevoerd te laten of zooveel mogelijk te ontduiken.
En als dan die zelfde prentah-mannen het alleen bij krasse prentaWs laten en niet behoorlijk nagaan hoe die in de desa worden uitgevoerd, wordt do kleine man in zijn taktiek versterkt, dat eerstens minder goed voor het prestige is, en tweedons ook nadeelig werkt op de uitvoering van goede praetischo prentahs of regelingen, hetgeen weer andore hoofden of ambtenaren noopt aan de mogelijkheid van verbeteringen te twjjfelen, die met tact en geduld, doch met vasten wil, zeker kunnen worden
— 10 —
ingevoerd on dikwerf zelfs binnen betrekkelijk korton tijd.
Jammer genoeg, dat de flinke practische en gemoedelijke hoofden niet dikker gezaaid zijn en dat bij de Europeeacbe ambtenaren zulke persoonlijkheden ook niet tot de meerderheid behooren, daargelaten nog, dat velen do volkstaal niet vlot spreken, dat ook een groot euvel is.
Ware een en ander wèi liet geval, er zou heel wat minder gesehreven zjjn en heel wat meer langs zachten weg zijn tot stand gebracht, ongetwijfeld tot groot voordeel van do bevolking en niet minder van de Regeering!
(Vervoly in de volgende aflevering.)
Qoaoh. !MyibJ
LOSSE GEDACHTEN VAN EEN HEEREN-EN DESA-DIENSTPLICHTIGE.
IT.
Ik bon blijven steken bjj de bezwaren, welke tegen de deaa-registers zouden kunnen worden ingebracht.
Een paar vergat ik nog en wel de volgende:
„Waar veel desa\'s zijn, is dit ondoenlijk, ook wat betreft de controle.quot;
Ik antwoord daarop; waar veel desa\'s zjjn, zijn ook veel loerahs en schrijvers en wat de controle betreft, die behoeft zoo\'n woeste vaart niet te loopen.
Zij, die met dat laatste bezwaar aankomen, weten óf niet wat ze zeggen uf houden zich maar of ze die registers met argus-oogen willen en moeten napluizen, dat b. v. noch met de land-rente-registers, noch met andere zaken gebeurt, zooals b. v. met de kuituurplannen, waarbij, óf uit onverschilligheid óf door gebrek aan tijd, menige slag in het wilde wordt gedaan.
Laat een paar heeren kontroleurs zich maar eens goed in de oogen kijken en ik wed, dat ze daarbjj niet ernstig kunnen blijven, ook wat do keuze en het onderzoek naar geschikte koffiegronden betreft. Zoo zou men wel alles, als niet perfect uit te voeren, kunnen laten of afschaffen.
„Maar wat is dan het nut van die heerendienst-registers?quot; zal men wellicht vragen.
Wel, in de eerste plaats, dat er een begin van cenige regeling komt, en, — hetgeen heel veel zegt voor ons desalui, — dat do loerahs althans eenigszins moeten doen blijken hoe ze ons aanslaan.
— 2 —
Waar men zulke registers aanlegde hoeft de ondervinding geloerd, dat er allereerst vole onwettige vrijstellingen verdwenen zijn; want de hoofden en ambtenaren kondon eens inzage vragen en als ze dat werkelijk hier en daar en nu en dan, om zoo te zoggen voetstoots, doen, werkt de maatregel reeds preventief en dat is al heel veel gewonnen en beter dan klachten te moeten ontvangen en loorahs te moeten straffen of ontslaan.
„En] dan de soesah om die registers samen te stellen?quot;
Die is zoo erg niet, want de meeste gegevens zjjn reeds voorhanden en kan men voor de samenstelling don loerahs den noodigen tjjd laten.
„En hot papier, waar komt dat vandaan?quot;
Tk vraag: waar komt dat voor andere zaken vandaan ? En die weinige centen, die dat zal kosten, zouden wij desa-lieden gaarne bij elkaar brengen, als een behoorlijke registratie orde brengt op het stuk der heerendiensten, en verlichting en hot ophouden van vele onbillijkheden daarvan het gevolg zijn.
Als men werkelijk het goede wil, zoeke men toch vooral niet spijkers op laag water!
Er is nog iets.
Als de heerendienst beter geregeld is en de loorahs en onder-loerahs behoeven niet zoo dikwerf als nu, uren, dagen voor mandoor te spelen, telkens als er wat te doen valt in heerendienst, zullen zij heel wat minder te doen hebben en zal dit oen ruime compensatie zijn voor het aanleggen en aanhouden van registers.
Ik herhaal nog eens; heerendienst is oen helastiny; dat voelen wij telkens als wjj van ons eigen werk, van onze verdiensten worden afgehaald en het is daarom niet moer dan billijk, dat zij niet geheel aan de zinnelijkheid van den loerah worde overgelaten, vooral als die een ruim geweten heeft of er maar op inhakt, om hoogere hoofden of ambtenaren te gelieven en hij om zijn ijver te toonon veel en onnoodig volk laat uitkomen, b. v. om
aan ecu weg te peuteren, die in orde is, alleen maar om hormat te bewijzen aan een hooger hoofd ot\' ambtenaar, die voorbij moot komen. En dat gebeurt veel menigvuldiger dan men wel denkt, al gingen van de Regeering strenge bevolen uit om zuinig te zjjn met heerendienst.
Er zijn er nog velen, die denken: „van dik hout zaagt men plankenquot; en „\'t is gemakkelijk van andermans leer riemen snijdenquot;. Wij, die liet leer er toe leveren, vinden dit alles behalve vermakelijk.
Wij voelen het nog erger als wij heerendiensten moeten afkoopen, die zelfs volgens ona stom desa-verstand puur in het water gegooid zijn.
Menig gesmoord llm! wordt in de desa gehoord of uitdrukkingen als: „er komt geen eind aan,quot; „altijd wat,quot; en dergelijke.
Als ik later nog eonig ander soortgelijk monikken werk en plagerij opnoem, kom ik nog even op dit chapitre terug.
Averochtsohe regelingen of bevelen genoeg, en al verzetten wij ons niet, men denke geenszins dat dit ons niet dikwerf ontstemt; en een noodzakelijk gevolg er van is, dat er niet met lust en ijver wordt gewerkt en ook niet degelijk; want wat helpt het? zoggen, en denken nog moer de desalui: \'t blijft toch steeds koekoek een zang. Uitkomen, uitkomen en ons werk in sawah, togal of tuin dan wel een ander bedrijf, staat stil en lijdt er door.
Kon men maar eens de waarde van al dat, in een jaar noodoloos vermorste werk, die verdane tijd (en geld) berekenen, men zou er verstomd van staan. Vooral in sommige gewesten of afdeelingen.
Men denke vooral niet: „wat men niet ziet deert nietquot;, liet deert wel degelijk. Volksverloop ia er wel eens het gevolg van, of men laat zijn gronden in don steek; en dat do ontwikkeling van onzen landbouw soms treurig er door is en wordt tegengehouden, kan men gemakkelijk op zijn vingers nagaan.
Loodzwaar drukt de hecrendionst soms op het grondbezit; dit is reeds dikwerf gonoeg aangetoond.
Waarom — en hier spring ik weer eens van den hak op den tak, — dan niet de heerendienst van hot grondbezit losgemaakt en op de persoon laten drukken?
Daartegen zijn, geloof ik, overwegende bedenkingen.
Primo is het tegen de adat, die de heerendienst op den grond-bezitter (niet op den grond, zooals velen het ten onrechte uitdrukken) doet rusten en naar het mij voorkomt niet zonder reden.
De grondbezitters hebben toch in de desa de grootste belangen, zitten er het warmste in (een klein deel handelaars en dergelijke er buiten gelaten) zij zijn daarom het meest dienst-fahig of koewat, zooala wij dat noemen, in tegenstelling met de lui die sawah, tegal, tuin noch erf hebben, — de menooni-pangs, d. w. z. zij die boven het getal „Geteldonquot; (tjatjahs) aanwezig zjjn.
Nu denke men verder niet, dat de menoempangs, hetzij zo op ons erf in een eigen huisje wonen of bjj ons in, voor niets in do desa zijn.
Zij helpen ons grondbezitters bij ons werk op het veld of in de kampong, helpen ons bij de heerendiensten en heel dikwerf doen ze desadiensten, of helpen daarbjj op zijn minst.
(Jok bij buitengewone beschadiging van heerendienstwerk komen de menoempangs uit.
Die schooiers zijn dus niet alleen voor hun plezier in do desa.
\'t Zjjn verder onze boerenknechten; zij hebben ons en wij hebben hen noodig.
Worden ze nu te zwaar belast, en dat zou spoedig het geval zijn, daar waar cmze grond (ten gerieve van de heerendienst voornamelijk) geen verdere versnippering en toekenning van aandeelen aan de menoempangs meer toelaat, dan is er alle kans dat ze de plaat poetsen en dat zou geenszins onze rekening zijn.
- 5 —
Evenzoo zullen nieuwelingen de desa mijden en dut zou ons ook niet convenieeren.
Üe adat, om de grondbezitters koewat of héntjcny te ver klaren, had dua een goeden grond.
Trouwens dc meeste adats hebben dit; want het zijn onder den drang en dc ontwikkeling der maatschappij ontstane natuurwetten, ingegeven door de noodzakelijkheid of, wil men liever, noodwendigheid.
De adat is dus een res natumlis; die, welke uit bijgeloof ot\' dergelijke ontstaan, er natuurlijk buitengelaten.
Maar daarom zijn nog niet alle adats goed.
üns bekrompen desabrein kan gefaald hebben in het kiezen van het beste middel van voorziening; trouwens, in het meer beschaafde Europa gebeurde dit ook wel en gebeurt het mot wetten ook nu nog.
Er kunnen verkeerde invloeden van boven of buiten hebben gewerkt en laat not least; de toestand kan in verloop van tijd zijn veranderd, terwijl de adat is blijven bestaan en passen beide dan niet meer bij elkaar.
Ook dat gebeurt in de meest beschaafde landen en dan wijzigt men de wet of adat naar de tegenwoordige behoefte.
En zóó dom zijn wij desalui niet, ik heb het al eena gezegd, dat we daar niet toe genegen zouden zijn, als het nut ervan ons maar duidelijk is, of wordt gemaakt.
Zegt niet hot Inlandsche spreekwoord: „Verloopt de rivier, dan verzet men de badplaats!\'quot;
In deze zie ik daarom de noodzakelijkheid tot verandering niet in, vooral niet omdat er, behalve de reeds opgpgovene, nog andere redenen zjjn aan te voeren tot behoud van deze adat en wel: Secundo, dat hot heerendienstplichtig vorklaren der menoempangs nog een ander euvel na zich sleept, namelijk de oplegging van hoofdgeld, dat voor de menoempangs moest heel zwaar valt op te brengen, en dikwerf door hun bazen moot worden betaald,
die dan bij de massa belastingen waarmee zo gezegend zijn, nog een op hun boerenknechten zouden moeten opbrengen ot\' wel hen boter moeten betalen.
Tertio zijn er onder de menoempangs veel „lossequot; lieden, ik bedoel in den goeden zin, lieden, die dan hier, dan daar hun brood zoeken, ook als hun bazen hen in den stillen tijd niet noodig hebben.
Door ze heerendienstplichtig te maken legt men ze min of meer vast, bindt ze een lastig touw aan het been, terwijl hun bazen zo bovendien niet voor eenigen tijd kwijt zijn en op het onderhoud, dat ze hun verschuldigd zijn, niets kunnen besparen.
En nu nog een laatst en niet minder klemmend argument: door het lt;/elal heerendienstplichtigen aanzienlijk te vermeerderen zijn er heel dikwerf veel meer diensten jevorderd, dan anders het geval zou zijn c/eiveest.
Men kreeg zoo heel wat meer beschikbare (zegge liever beschikbaar gemaakte) dagdiensten en aan een boom zoo vol beladen, mist men vijf, zes pruimpjes niet!
Waren er reeds goede regelingen en waren vele ambtenaren en hoofden maar niet zoo verdoensch met do heerendiensten, dan zou het nog wat anders zjjn; maar ook bij strikte zuinigheid is die maatregel niet aan te prijzen, want vermindert do heerondienst met 50o/o en meer, ea dat kan bij goede, praktische regeling geschieden, als aan alle brooddronkenheid een einde komt en de hcorendienstplichtigen door betere inpikking met meer lust en boter loeren werken, — dan is het niet noodig ons grondbezitters te ontlasten, te minder als nog enkele soorten heerondienst worden afgeschaft, daar, waar het surplus van het hoofdgeld, zijn bestemming getrouw, dit toelaat.
Ik voor mjj ben dus tegen hot laten drukken van den heerondienst up do persoon, en ik geloof dat al mijn kantjas, als ze maar een beetje doordenken, van dezelfde opinie zijn.
Dit weet ik wel, dat in streken, waar de menoempangs door een gewestelijke of plaatselijke autoriteit, heeren- en hoofdgeld-
plichtig worden verklaard, — door don een omdat men do menoempangs aan den weg zag werken en niet bedachr, dat zo dit voor de grondbezitters deden; door een ander eenvoudig maar om \'a Landskas een zoet winstje te bezorgen,— zulks tot voel ontevredenheid aanleiding gat\', zooals ook bleek bij hot verhoor in zake Bantamsche brandals.
De adat is zoo dikworf gebruikt als boeman of voorwendsel, om iets goeds niet in voeren; is door velen, met hetzelfde doel, tot een heilig huisje verklaard, waaraan men niet mocht raken, terwijl diezelfde lui, als het minder in hun kraam te pas kwam, er met de moeste ruwheid soms do hand aan sloegen, dat het waarlijk geen onredelijke eisch is, om er eens werkelijk niet van af te wijken, nu er degeljjke gronden genoeg voorhanden zijn, om ze in deze doelmatig, rationeel en praktisch te verklaren.
Men bouwe er liever op voort, verbetere; alles in overleg met de desalieden en zoeke het verder in de eerste plaats in de volgende, meer voor do hand liggende middelen.
a. Constateering van den toestand, zooala hij nu is en, kan het, hoe die ontstaan is.
h. Idem van de gebreken en averechtsheden (en die zijn er vele. Kampen waardig) en hoe daarin, hetzij dadelijk, hetzij geleidelijk, hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk, verbetering kan worden gebracht, alles met het oog op tijdelijke of plaatselijke omstandigheden.
Vooral geen overdreven lust tot generaliseeren.
c. Zorg voor behoorlijke boekstaving der getroffen regelingen en registratie der heerendienstplichtigen, met den graad van heerendienstplichtigheid of ,klasse en waar hot kan, behoorlijke opteekening van het uitgekomen volk, hetzij massaal, hetzij individueel, voorzoover dit laatste gevoegelijk uit te voeren is.
Ik kom hierop later terug.
d. Behoorlijke bepaling van het werk, dat door do dienstplichtigen moet worden verricht, waardoor tevens:
e. de vele misbruiken kunnen worden geweerd en aan de massa, ons heel wat kostende en ons dikwerf ontstemmende maniën van hoofden en ambtenaren een einde kan komen.
f. liet zoeken, en met de dienstplichtigen en hoofden bespreken, van doelmatiger regeling van de opkomst van het volk, waarbij partij kan worden getrokken van de bijna overal bestaande gewoonte om elkaar wcderzjjdsch te helpen (njambat-sinambat) of van beurtregeling (giliran).
f/. alles met betrachting van de meest mogelijke zuinigheid en, met vermijding van alle mogelijke overdaad, dikwerf\' ingegeven door ijdelheid aan een potentaat, die b. v. met zijn wegen wil pronken, terwijl het hem zoo goed als niets kan schelen hoe het er uit ziet als men die mooie wegen verlaat en eens een kijkje wil nemen van den trap, waarop de In-landscho landbouw staat of van de welvaart, die er in de desa\'s heerscht.
Zulk oppoetsen van wegen alleen, zonder zich veel om de rest te bekommeren, noemen wij desalieden: „zich het gezicht wasschenquot; en meer niet.
h. Ia door een en ander de heerendienst aanmerkelijk verminderd, (ik weet streken te noemen, waar ze zoo tot minder dan de helft verminderd zijn,) en is de dienst wijders billijker naar gelang van kakoewatan over de dienstplichtigen verdeeld, dan komt in aanmerking;
i, afschaffing tegen equivalent, hetzij uit het surplus van het hoofdgeld, hetzij door verhooging ervan, waar do wolvaart van de bevolking zulks toelaat en zij er toe genegen is natuurlijk, van die diensten, welke er het best toe geëigend zijn, om in vrijen arbeid te worden uitgevoerd, daarbij wijders de meest mogelijke zuinigheid betrachtende, om het middel niet erger dan de kwaal te maken.
Dan weet ook de bevolking beter dan nu waar ze er eigenlijk aan toe is en kan zij beter berekenen of afkoop de moeite
waard is, ik zeg dan nu, omdat er op het oogeublik nog veel te veel onnoodige en onredelijke diensten van haar gevergd worden, die in geen geval bij afkoop mogen worden in reke ning gebracht.
*
* *
Doch ik ben al redeneerende van de registers afgedwaald en behoud mij voor, die verder in een volgend stuk te behandelen, waarbij ik dan tevens het eeu en ander over een betere regeling van het werk en de afschaffing van tal van misbruiken zal zeggen; intusschen van den welwillenden lezer een beetje geduld vragende.
Gogol.
LOSSE GEDACHTEN VAN EEN HEKKENEN i)ES A-T)T E NSTPL I C H T [QE.
III.
Ecu loaao p;(!(lnoluo, ze ontglipt mo, nis liot rjipe znad nan zijn omhulsel.
Moge ze kiemkrachtig blijken te zijn, even als do nndero on opkomen in wijden kring!
Een losse gedachte dan:
Wat is er niet gesold en gewurmd in zake conversie vnn communaal in individueel grondbezit en wat hielp het!J
Door niet eerst te zorgen, dat de lasten, welke op hot grondbezit drukten, verminderden, deed men eigenlijk niet veel racer dan padi zaaien op een graa- of alang-alang veld. Die kon immers niet opkomen. Men wilde ons laten loopen met aan elkander gebonden boenen.
Hoe kon dat?
En dan noemde men ons nog op den koop toe rare en nare snuiters, die geen begrip hadden van grondbezit; men dacht zelfs dat wij onze volden niet konden terugvinden, als ze geen namen hadden als Hollandsche buitenplaatsen: Nooit r/edarht, Vrede rust enz. (\')
Alsof we niet even goed menschen zijn als do westerlingen; wel een beetje vrij naïef.
Alsof er niet reeds in verscheidene stroken sedert overoude
(i) Resumé van het onderzoek naar de rechten van den inlander op zijn grond.
tijden individucel grondbezit bnstaat, (*) en daar, — de TSni\'opeo-sche boeren mogen er een voorbeeld aan nemen , — niet heel wat minder gekibbeld wordt over grond dan in vele landen van Europa.
Bijna nimmer tocli is or kwestie over de grenzen van een stuk grond; die kent bijna een ieder in de desa, soms de kleinste karbouwenhoeder.
Vergelijk dit eens bij hetgeen er gebeurt in Frankrijk, waar de boer er alles behalve tegen opziet do grensteekens te verplaatsen, ofschoon daar eon groote straf op staat.
De ambtenaren van Binnoniandsch Bestuur en do presidenten van landraden kunnen er van getuigen, dat er zelden of nooit een grenskwestie voorkomt.
En dan missen wij nog wel een wotteljjke regeling (waar we trouwens zoo happig ook niet op zijn, als er zooveel kosten en formaliteiten plus boeten aan verbondon zijn, als bij de wet op het Europeesoh grondbezit) en Het men de deur voor misbruiken zoo wijd openstaan, \'t Getuigt, geloot ik, vóór ons, dat het nog niet erger met het grondbezit gesteld is.
Men verlangde, dat we zouden snakken naar ind. grondbezit, maar bedacht niet, dat èn de hoeveelheid lasten on de wijze waarop die lastoTi op den grond drukten, dat bezit niot bijster aanlokkelijk voor ons moesten maken.
Zou een Europeaan er anders over denken in dezelfde omstandigheden ?
Met allen eerbied gezegd: was het niet een beetje erg naief, te verwachten, dat wij van andere gedachten zouden zijn
Hoe vreemd stolt men zich den inlander soms voor!
Zware, slecht geregelde hoeren- on desadienst, hoofdendienst (nu nog maar alleen in de desa en eveneens zwaar en slecht quot;eregeld); soms hoog opgevoerde landrente; vrjj on-economisch ingericht; soms zware kuituurdiensten, vooral als tegen de eerste
ü) Men zie b, v, de graphtsohe voorstelling in hot Kol. Verslag van 1883 eu dat van 1887,
of lioofdrognlon van kullnui\' woi\'dt gezondigd of ons onmogo-lijko gronden ter beplanting worden anngewezen.
Alles neerkomende op het grondbezit. Men neme b. v. maar eens do residentie Kedoe, dien zoogenaamden tuin van Java.
Hoe waa daar de toestand kort geleden\'? liijna moer dorpa-bestnurders dan boatuurden, bjjna moor dienstpliohtigen dan zielon; bijna meer wachthuizen dan huizen, en bijna meer dag-dienaten dan dagen in \'t jaar.
Dit moge nu wel ieta overdreven voorgesteld zijn, doeh dat het er veel op begon te lijken, dank zij de onthouding van do zich opvolgende besturen, bleek bij de daar gehouden onderzoekingen. Kn tooh is daar reeds een kiem van ind, bezit, want in vele desaa zijn niet alleen de communale aan-deelcn erfelijk, maar ook verkoopbaar.
En dat onder zoo\'n régime, hetwelk, onbegrijpeljjk is\'t, zoo lang onopgemerkt heeft kunnen voortwoekeren.
Haast onverklaarbaar, als men niet aanneemt, dat de ambtenaren van BH. in communale streken door een daar beataanden sleur worden beamot, die hun blik benevelt en hen blind maakt voor hetgeen reeds in streken, waar van oudsher ind. grondbezit bestaat, als goed werkende valt op te merken.
Zelfs knappe koppen blijven daarvan niet geheel vrij.
Zoo valt in do verdienstelijke brochure van den Heer Schmahlhausen in t oog, dat de schrijver wel opnoemt inoge-lijke bezwaren in de heerendienstregeling te ondervinden bij conversie in ind. bezit, maar er niet dadelijk bij zegt: die bezwaren golden niet, want in streken met ind. bezit ia reeds gebleken, dat er in soortgelijke gevallen geen moeilijkheden worden ondervonden; of wel dat die door een practische regeling worden ontgaan.
Waarom niet eens even over de omheining gekeken, hoe het bjj onzen buurman met ind. grondbezit gaaty
Bekrompen hoofden werken deze eenzijdigheid in de hand.
Zelfs regenten, die in ambtelijken sleur tot hun hooge betrekking zijn opgeklommen en niet weten wat er elders zoo al omgaat.
Hoe goed zou het wezen, als din door een betere opvoeding een ruimeren blik kregen en behalve ambtelijke routine nog wat meer wisten van hetgeen voor een goed bestuurder noodig is.
De Europeesche ambtenaren zouden meer van hun raad kunnen profiteeren en op do mindere hoofden zouden zij een welda-digen invloed kunnen uitoefenen en heel wat hoognoodige verbeteringen zouden spoediger tot stand komen dan totnogtoe.
Naar ik hoor is tengevolge van het onlangs gehouden onderzoek in Kedoe daar reeds hoel wat verlichting in heeren- en desadienst gekomen en als hot op dien weg voorwaarts gaat, zal bij de bevolking vanzelf wel de wenseh rijpen om haar comm. grondbezit in ind. bezit te eonverteeren.
Als men maar weet, dat dit mng; want er is een tijd geweest, tijdens den anti conversie-sterm, dat do hoofden in den waan waren gebracht, dat de Regeering geen ind. bezit wilde.
Ik heb dit zelf een regent hooren zeggen^ en zooals het in de binnenlanden gaat, a bon entendeur demi mot suflit. En do inlander, in de school van dwang en prontah groot gebracht, verstaat een half woord gauw genoog. De ambtenaren van BB. kunnen daarom niet voorzichtig genoeg zijn bij het maken van eon-clusiën, te meer daar de inlander gaarne naar den mond praat of heeft leeren praten, al is \'t tot zijn eigen nadeel soms, of als het hoofden betreft, dio soms heel gemakkelijk, het belang van hun landgenooten ten behoeve van oen plasdankje opofferen.
Men kan daarom niet omzichtig genoeg zijn in het stellen van vragen. — IToe dikwerf hebben wij desalieden ons niet verknepen van lachlust of liever spijt, als wij moesten aanhooren, dat Eur. ambtenaren ten opzichte van onze belangen en wenschen door de hoofden werden om den tuin geleid.
En als men ons dan vroeg: Is het niet zoo ? dan kwam er in den regel een „koelanoonquot; of „inggih,quot; ofschoon iemand, goed met
- 5 —
den Inlander en zijn taal bekend, uit don toou, waarop dit Ja werd uitgesproken, zeer goed kon hooren, dat het vcfin beteekende.
Vandaar vooral de soms zoo tegen elkaar aandruischende opinies omtrent Inl. toestanden; zoodat hot iemand, die er buiten staaf, groen en geel voor de oogen wordt en hij niet weet waaraan hij zich moot vasthouden.
Voeg daar nog bij, dat vele ambtenaren van H.B. weinig of geen omgattg hadden met den kleinen man in Europa, die heel andere manieren en opvattingen heeft dan do stadsmenschen en wonder baart het niet, dat zij dikwerf ook ons niet begrijpen, die met den kleinen man, of beter nog met den boer in Europa, heel wat punten van overeenstemming bobben.
Stammen wij beiden niet van Adam af en regelen zich onze aanleg en ontwikkeling niet grootendeels naar do omstandigheden, waaronder wjj verkeeren? Dat is een waarheid als oen os, zullen velen zeggen, maar heb ik niet eonigszitis recht, zo in herinnering te brengen, waar men ons dikwerf zulke dwaze dingen toedicht als liggende in onzen aard en niet in den toestand, waarin men ons bracht, of liet?
Ik vraag daarom nog eens: zou een Europeesche boer erg naar het bezit van grond verlangen, als er veel te zware lasten op drukken?
Hoe was de Europeesche landbouwer onder het feodale stelsel, toen hij nolens volens aan den grond vastzat, zooals ook op Java wel het geval is geweest?
Men grondt er wel eens een veroutsehuldiging op, dat onzo vroegere vorston dikwerf met ons omsprongen als mot vee. doch al moge zulke dwinglandjj met het toenemen van hun macht onzen vorston vrij gewoon zijn geworden en zij dit dikwerf als oen recht zijn gaau beschouwen,- goed, rechtvaardig zal mon zoo\'n vorst niet hebben genoemd, die van zijn macht te veel misbruik maakte, want een misbruik bleef hot, al was het van ouden datum. In Europa schoten mildere beginselen wortel en het Europcesch bestuur
bracht ona een doel ervan, waarvoor wij dankbaar moeten zijn.
Men blijve echter niet halverwege staan en voltooie geleidelijk wat er op het oogenblik nog aan ontbreekt.
Als een voorbeeld hoe de Inlander aan ind. grondbezit gehecht kan raken, vinde vermelding wat mij indertijd door iemand uit de Preanger word medegedeeld.
In de Soendalanden toch bestond van oudsher, even als op Madoe-ra en eenige andere residentien in don oosthoek, het ind. grondbezit.
Vóór de reorganisatie der Preanger waren de lasten, welke op de sawahbezitters drukten meer dan erg. Onbeperkte heeren-en desadiensten, id. aan de hoofden/allerlei heffingen (poepoendoetans). Zware kuituurdiensten met een betaling van / 5. voor de pikol koffie, drukkend koffietransport. enz.
De grond was dan ook zóó zwaar belast, dat het wel eens is gebeurd, dat een sawahbezitter zijn sawah verkocht en nog geld aan den kooper toegaf om van hot daarop drukkende werk af te zijn. Er waren er ook, die eenvoudig wegliepen, wat bij het bestaande passenstelsel vrij moeilijk was, want de hoofden wilden geen dienstplichtigen missen en gaven eenvoudig geen passen af-
Braak liggende sawaha waren niet zeldzaam en ontgonnen tegallans waren er bijna niet, omdat de kleine man geen tijd had.
Men vluchtte naar afgelegen streken om gaga\'s aan te leggen, ver buiten het bereik dor hoofden en om een heerendienstplichtigo op te roepen moesten soms 2, 3, 4 er op uit.
Voor /\' 5 a /■ 15 kou men meest een bouw sawah koopenen verkoop of verpanding van sawahs had bij de heerschendo armoede veel plaats.
Een deel der bevolking moest zich geregeld een a twee maanden van het jaar met ander voedsel dan rijst behelpen, en men weet wat dit voor den Inlander zegt.
Eu toch bleef men aan hot ind. grondbezit hechten, ofschoon er nog een groote factor was, om dit tegen te werken, namelijk dat do hoofden e:i aanzienlijken vrijdom van belasling
hadden over hun sawahs (lopas lakcran) en bovendien nop; de vrijheid namen die kosteloos door zoogenaamde pnnoekans te laten bewerken. Dus een groote premie op den overgang van hot grondbezit uit de handen van don kleinen man in die der hoofden en aanzienlijken. — Gelukkig voor land en volk kwam eindelijk do reorganisatie. Instede van de ijoekè (1/lOj door de hoofden geïnd, kwam de landrente (3/20) met individueelen aanslag. Poepoendootans en diensten aan de hoofden werden afgeschaft; de heerendienst eenigszins geregeld en per man hot maximum van 52 dagen per jaar aangenomen; de koffieprijs werd verhoogd, het gedwongen transport afgeschaft en een einde gemaakt aan het aaideggen van koffietuinen op verre afstanden; 20, 30 soms 40 paal van do desas af. Kn wat waren de gevolgen ? Dat do verkoopprijs der sawahs enorm steeg, in vele streken tienvoudig en meer; dat er duizenden bouws tegallans werden ontgonnen en deze ook (hetgeen vroeger nooit gebeurde) verkoopwaarde kregen; wel een afdoend bewijs, dat do waarde van den grond ook voor ons Inlanders toeneemt, naarmate do lasten daarop drukkende, verminderen; eigenlijk in nog grootore mate, en geen wonder, want ook wij hebben meer of minder het land aan belastingen, vooral als die willekeurig worden geheven en de vele soorten ervan ons telkens met den fiscus of do hoofden in aanraking brengen, meest niet heel aangename.
Dus niet alleen niet te zware belasting, maar ook zekerheid omtrent hetgeen er van ons gevergd wordt en op het stuk der heerendiensten kan, zoowel voor hot een als voor het ander door behoorlijke regeling nog heel wat worden gedaan.
Wil men nog oen voorbeeld, men neme Kendal. Daar bestond vóór 1851 grootondeels ind. grondbezit, dat do resident Potter als een „misbruikquot; afschafte.
Onder den ass: res: van Zijll de Jong voerde men het weer in on dat zou zijn gelukt, als meu door opdrijving van heeren-en kultuurdionstcn on van de landrente niot de l/sten van het
1nd. bezit grootendeols had to niot gedaan, terwijl er nog, om andere redenen, bjj de latere ambtenaren een reactie tegen het ind. bezit op touw werd gezet. Hier hud men dus padi uitgezaaid op een grasveld en toch is het niet onmogelijk, dat hier en daar wat op kwam en niet door het onkruid is verstikt.
Die losse gedachte is wat lang geworden, doch is mijns inziens niet misplaatst, als men in \'toog houdt, dat er tusschen de heeren- (en desa) diensten en het grondbezit een niet te miskennen verband bestaat en alles wat er dus gedaan wordt om die diensten te verlichten en zoo veel mogelijk van onzekerheid in de wijze en tijd van opbrengst te ontdoen, heilzaam werkt, niet alleen op de wijze van grondbezit maar ook op de ontwikkeling van den Inlandschen landbouw; dubbel, omdat de Inlandsche boer dan tevens zooveel meer arbeidsdagen te zijner beschikking heeft. Ook nog een euvel van te zware diensten, drukkende op het grondbezit, dient niet te worden vergeten en dat is de on-economische verdeeling der bevolking. Tlier overbevolking met versnippering van \'t grondbezit tot een haast niet waarneembaar akkertje, daar heele streken bijna zonder bovolking en onbebouwd. De zaak is al zoo dikwerf gereleveerd, dat ik er niot verder over zal uitweiden.
Ze wordt er nog erger op juist door die ongelijke verdeeling van de bevolking over het bebouwbare land, als de kuituur-diensten zwaar zijn, dat per se hot geval is daar, waar men do bevolking op ongeschikte gronden koffietuinen laat aanleggen, die weinig of niets opbrengen, en dus do eraan besteede arbeid niet loonen.
Dit deed o. a. don resident van Bagelen, Verploegh, hot voorstel doen. om do koffiekultuur dair in te trekken, waartegen hij aannam aan landrente der regcering evenveel inkomsten te bozorgen, doordien do bevolking dan gedooltelijk uit do overbevolkte vlakte naar hot gebergte zou verhuiaeu, waartegen
zij nu grootendeels opzag uit afschrik voor do niet loononde koffiekultuur. l)e resident raakte daarmee echter aan hot heilige huisje en van zijn voorstellen kwam niets.
Die heilige huisjes! Ze willen wat, hier op Java, bewaakt als zo werden en gedeeltoljjk nog worden door ambtelijke sleur als tempel wacht. Heerlijke conscienciesloppers of boemannet jes soms, als men zich van iets af wil maken; ook wel eens voor de regeering.
Een minister van Koloniën, ik geloof dat hij mijnheer Sprenger heette, moot eens in do Kamer hobbci gezegd bij een verdediging van een verhoogde belasting, dat onze vroegere vorsten ons nog veel hoogere belastingen oplegden.
Een vreemd beroep op oude dwingelanden in do 10° eeuw; op dwingelanden, die bijna alleen aan zichzelf dachten en die door steeds de kip om de gouden eieren te slachten, wat moois van ons Java hebben gemaakt!
t Is wellicht wat oneerbiedig van een desaman dit Ie zeggen, maar bestaat er niet eenig recht toe, ais men ziet hoo we sedert zoo lange jaren in oen vicieusen cirkel ronddraaien, waaruit hot moeilijk schijnt zich te verwjjderen.
V an de daken is het verkondigd, dat de heeren- en desa-diensten schadelijk werkten op het grondbezit, op de economische ontwikkeling van het volk.
Eu wat deed men tot vóór korten tijd!\'
Men pakte de koe bij de haren, instedo van bij de horens.
Enkele diensten werden ingetrokken, dikwerf tegen een veel te hoog equivalent (hoofdgeld); maar do meeste ambtenaren eu hoofden gingen er mede voort duizenden dagdiensten noodeloos te vergen, of waren huiverig hot kwaad in de oogen te zien en bij den wortel aan te pakken. Men snoeide slechts eenige takken weg. , Wij mogen ons niet met de desa-huishouding inlaten,quot; heelto het, doch was dit niet maar een uitvlucht, om er zich af te makcu ?
Da bepalingen, hoe vaag ze op dit stuk zijn (men voelde
— 10 —
zich blijkbaar bij het .samenstellen ervan op dun ijs) spreken dan toch in alle gevallen van zekere confrole opdat die diensten binnen zekere grenzen blijven. Manr al ware dit niet gezegd, moet een ambtenaar van B. B., die dagelijks opmerkt, dat de ongeregelde toestand, dat laissez aller, tot allerlei misbruikon aanleiding geeft, de hoofden en den kleinen man demoraliseert en een gezonde ontwikkeling der Inlandsche maatschappij te-genhoudt, en die werkelijk belangstelt in het welzijn van land en volk, hetwelk ook dat der Regeering is, zich met zulke uitvluchten tevreden Btelien en niet de handen in den schoot blijven zitten?
Dat behoeft geenszins; al bepaalt hij er zich maar bij, om goed op te merken en van het opgemerkte ter gelegener plaatse, op gepaste wijze te doen blijken zonder verbloeming, doch ook zonder opschroeverjj of overdrijving; leuk doch tevens waar, dan sticht hij heel wat goeds en bereidt verbetering voor.
Doen vele ambtenaren dus, dan zal tevens blijken hoe ledig en onjuist de koloniale verslagen soms zijn, dank zij de dikwerf onvolledige bijdragen, waarin men bang was iets te zetten, dat minder rooskleurig is, en aan die lastige Kamer aanleiding zou kunnen geven tot interpellaties, met de beantwoording waarvan de minister, omdat hij niet recht weet hoe eigenlijk de vork in den steel zit, soms leelijk niet de handen in \'t haar zit en er zich dan met een Jantje van Leiden van afmaakt, dat door de Kamer, die meestal nog minder van Indische zaken afweet, goedwillig geslikt wordt.
Maar hoe komt nu een desaman als ik, al is hjj een volle heeren- en desa-dienstplichtige aan al die wijsheid? Ik heb ze een beetje afgeluisterd (\') van gesprekken, die onze Regent, een zeer ontwikkeld Javaan, met den kontroleur hield, als ik met den kamitoewa in de pasanggrahan de wacht hield, en die kontroleur was ook een knap en Hink man, die
(1) Ook do ver lal or was zoo vrij hi or cu Jaar oun opmerking ia to latsschon.
— li
ons verstond on begreep, onze deugden en ondeugden kende,
„Gebrek aan waarheidsliefdequot; hoorde ik hem dikwerf zeggen, „is grootste amii voor een goed bestuur, wij hebben het „voor een groot deel van jullie overgenomen.
„Dat eeuwige verbloemen en nieopraten, als men weet dnt „het anders is, dat wil wat. Men misleide er in de eerste „plaats de Kegeering rneè, die dikwerf het goede wil en zoo „komt het zelden tot flinke, afdoende maatregelen.quot; — Gelukkig heeft de regeering nu in zake heerendienst den goeden weg ingeslagen. Het onderzoek, dat nu gehouden wordt door spe-eiaal daartoe aangewezen ambtenaren, bracht reeds ongelooflijke dingen aan den dug en leidde in een paar gewesten reeds tot vermindering en afschaffing van verscheidene misbruiken, die al lang, zeer lang aan de ambtenaren hadden kunnen en moeten zijn opgevnllen als ze maar een beetje oog en oor hadden gehad voor hetgeen er in de desa omgaat. Kn groot zal denkelijk do vermindering van hoeren- en desadienst zijn, als die onderzoekingen eens do Regeering ertoe geleid zullen hebben ook Hare onthouding wat te laten varen eu legelingon te maken of goed te keuren, dan wel het bevorderen ervan, alles met geduld en tact, doch tevens met de noodige volharding. Wij Javaantjes noemen dat ,,buigzaam maar taaiquot; en (ik zal het u maar stilletjes in het oor fluisteren) dat is de beste weg om iets vau ons gedaan te krijgen.
Beter dan ruwe strengheid, waartegenover wij meestal wel een akaltje vinden, tot dat men do zaak opgeeft, hetgeen bij kidf lief- / ^ hebberen soms heel spoedig gebeurt en dat noemen wij dan „bros als do soerwaquot; (de nerf van (aren) doek).
Menige goede bedoeling, menig in zijn aard werkelijk goede zaak is zoo niet tot haar recht gekomen. Men was te haastig gebakerd, overijlde en Hop, geholpen door hoofden, die meer uit oogendienanj dan overtuiging, plus rojjalistes que lo roi waren,
hot dool voorbij. „Zie je wol, het gaat nietquot; was het dan, en dat
— 12 —
praatte dan do een den ander na, niet bedenkende, dat het lag in een onverstandige, te overhaaste uitvoering, zonder behoorlijk overleg met den desaman, die bingoeng werd ot\' de zaak mistrouwde en zoo hij dieX al niet tegenwerkte dan toch in allen gevalle niet meewerkte; en met onwillige honden is rnoeielijk hazen vangen.
Men zie vooral niet te laag op ons neer, zooals vele hoofden en ook wel eens Europeesche ambtenaren doen.
Wij zijn dikwerf als kinderen, doch niet zoo kinderachtig, als velen denken. Zou de staatsmachine zoo goed loopen, als de locrahs, die toch uit ons midden worden gekozen, om zoo te zeggen soms maar zoo uit de wei worden gehaald, als die loerahs niet heel veel natuurlijk beleid hadden, dikwerf\'noodig, als zonder kennis van zaken of toestanden gegeven bevelen dreigden den boel in het honderd te sluren?
Menig ambtenaar heeft verder reeds geconstateerd, dat er dikwijls een „buiten en binnenquot; kant is ; dat men de zaken weer anders regelde in de desa; ook daar wel eens tot eigen nadeel uit sleurgeest (goegon toehon) of onverstand of omdat wij niet be-hoorljjk ingelicht en voorbereid waren. Veel beter is \'t zeker, ook voor \'t prestige der Uegeering, als zulke binnenkanten niet noodig zijn en bij een goed en beleidvol overleg met ons desalui zal de noodzaak er toe hoe langer hoe meer verminderen. Maar ook bij de Koloniale Verslagen dienen die buiten- en binnenkanten te verdwijnen en welk eerlijk ambtenaar van B. B. zal, als hij op den man afgevraagd wordt, met zijn vinger tusschen de deur, durven beweren, dat hij niet wel eens in zijn vuistje gelachen hoeft, als hij zag hoe eenig bericht, dat, om bij vergelijking te spreken vierkant was toen het uit de pen van den steller vlooide, door afvijling der hoeken op de verschillende bureaux, welke het doorliep, als een fraaie cirkel de Kamer bereikte, ja soms tot nul werd gereduceerd. Gebrek aan waarheidsliefde, dat uaar de oogon kijken van partijen, ziedaar do grootste anni!
— 13 —
Ook zij in Nederland, die hot goed mecnen met Indië, worden er door misleid en berusten in veel kwaads, dat ze anders zouden bestrijden, stemmen tegen maatregelen, die ze andera zeker zouden steunen. Uo ambtenaren van 15. 15. kunnen veel doen tot bestrijding van dat kwaad, niet door blindelings met den waan van den dag mee te loopen, zich optewinden met mode-ijver, zulke bevliegingen hebben te veel van zeepbellen om duurzaam te zijn. Ook nietdoor aanstellerij of overdrijving, maar door steeds met de hoog noodigo bezadigdheid en volharding op de zaak terug to komen, als zich een geschikte gelegenheid aanbiedt; dat is „buigzaam doch taai,quot; dit alleen breekt eindelijk alle ongezonde oppositie. \'t is niet geheel zonder reden, dat de officieele waarheid
in een niet al te best blaadje staat.
*
* *
Ziezoo! Dat was een heele uitweiding, maar \'t kon geen kwaad liet verband van heerendienst met het grondbezit eens van alle kanten te bekijken. Ook van don desadienat, al wordt hier niet dadelijk zoo ingegrepen als bij den heerendienst. Enkele zaken kunnen ook daarbij beter geregeld worden, al zij het maar alleen door bespreking met de desalieden, waartoe loerahverkiezingen telkens zeer geschikte gelegenheid geven. Zoo wat betreft de pantjens, do ambtsvelden, terwjjl het ganach niet onmogelijk is ter zake en van het getal desa bestiuu\'s-leden eenige algemeene bepalingen te maken, zooals reeds in vroeger tijd door enkele gewestehjko autoriteiten met of zonder medeweten en goedkeuring der Regoerinsr geschiedde. Zoo komen de loerahs ook in een gezonder positie dan nu, nu ze meestal tusschen twee vuren zitten. — Aan den eenen kunt de ambtenaren en hoofden, aan den anderen de kleine man, wien zo heel dikwijls moeten ontzien, omdat ze^ de omstandigheden leidden er toe, niet zuiver zijn. Waarom b. v. komen in de Soendalanden bijna geen desaklachlen voor,
— 14 —
terwijl ilit op Java om zon to /.c^gon dagwerk is? Allevoorfit omdat dnar individuoel grondbezit is, en de loerati geen gelegenheid heeft, om, zooi Is in eommunalo streken, te knoeien met de verdeeling der bouwgronden. Wijders omdat de landrenteaanslag individueel is en ook daar de loerah niet zoo vrij spel heeft als bjj den desaaanslag. Hier dus past de kleine man zelf beter op, dat hij niet to kort gedaan wordt en houdt dit reeds de loeraha eenigszins van geknoei nf. Hoe meer nu de heeren- en in zekere mate ook de desadienst aan regelen worden onderworpen, hoe minder de gelegenheid voor misbruik, hoe zuiverder de positie der desahoofden zal zijn. Slechte sujetten zullen dan niet zoo zeer op dat baantje azen en er geld en intriges voor over hebben, en de kleine man zal geen reden hebben een lam sujet op het kussen te brengen. Het gehalte der desahoofden zal geleidelijk verbeteren, zo zullen langer in hun betrekking blijven en geschikter worden en de dienst zal er bij winnen, wat wel niemand zal ontkennen, die weet welk een voorname rol de desahoofden in ons bestuurstelsel bekleeden.
En dat dit ook de algemeene tevredenheid in de hand zal werkeu behoeft geen lang betoog.
In het volgende slotartikel kom ik betoel betoel op do registers.
Gogol.
mÊmmms