-ocr page 1-
-ocr page 2-

I#

p

A

1

%

IR\'.

; fie

-ocr page 3-

1

hs OVERWEGINGEN f i / V,W)J! \'1 t JEx, IE \'±-j J- G~ .j- E X7 ^ S Ilgt;T t

amp;gt; . [ 4

i-

^rj\\nrr ------

?)e voLmaahdheid van den [{eliyuuzcn Staat | als vrucljt van een volmaakt gebed.

6

Pater C II A IG N O N , S. J.

lit liet S^ranscJi verlanlii

-A.. 3VC. 13. O i. t

i(iuoinolt;l«) dilexi legem tuam, Domiue! tot a die incditiilio inca ost.

-Hoezeer hel» ik uwe wet lief. o Heer! •ik overpeins haar den gansclien «lag.quot;

I

BREDA, l Ï-OOXJA1JO VATS\' WKIOS,

De Prins-Cardliiaal, J », lt;31, ^

Snelpers Boek- en Muziekiliukkerij. vy

18S9,

* \'

Vak 54

-ocr page 4-
-ocr page 5-
-ocr page 6-
-ocr page 7-

VAK Ne» OVERWEGINGEN

VOOR

ELIO-IETJIZElSr.

-—•^S/WVAAAAAAATJ^

%)e volmaaktheid van den Religieuzen Staat als vrucht van een volmaakt gehed.

DOOB

Pater CHAIGNON, S. J.

Uit het Franscli vertaald

A.. 3VC. ID. C3--

sQuomodo dilexi legem tuam, Domine! »tota die meditatio mea est.

»Hoezeer heb ik uwe wet lief, o Heer! »ik overpeins haar den ganschen dag.quot;

Bibliotheek

WNDER8RÜE0ERS WEÊR f\'.

BREDA, EDUARD quot;VA-N WEES,

De Prins-Cardinaal, D, 64,

Snelpers Boek- en Muziekdrukkerij.

1889,

\'/

J/gt;

-ocr page 8-

A

*

Datum in Seminario Ypelaar, hac 7a Febr, 1889. T5

J. J. HOPSTAKEN.

Reg. Sem. Libr. Cens.

IA

-ocr page 9-

liliini voor kt Eerste Eeel.

»De menschzegt de 11. Augustinus, vis een reiziger; het punt van vertrek is de zonde; het doel is God, en de weg, die tot dit doel geleidt, is de God-Mensch.quot;

Vandaar drie zeer duidelijk onderscheiden waarheden ; de eerste zuiveren mij en leeren mij de zonden bestrijden en verdelgen, hetzij in haar zelve, hetzij in hare oorzaken; de tweede doen mij tot God, mijn laatste einde, gaan, langs den zoo veiligen weg der voorheelden van Jezus- Christus; de derde vereenigen mij met God door de liefde. Ziedaar wat men den zuiver enden, den verlichtenden, den vereenigenden weg noemt. Wij verdeelen de overwegingen aldus: De religieuze heiliging in haar begin of in waarheden, die ten doel hebben de ziel te zuiveren; de religieuze heiliging in haren voortgang en voltrekking, of waarheden, die ons door den verlichtenden weg der voorbeelden van Jezus-Christus, geleiden tot de volmaaktheid zelve of vereeniging met God.

Alvorens de verdelging der zonde te ondernemen, wil de H. Ignatius, dat men zorgvuldig het einde van den mensch en van alle schepselen overwege. Hij hecht zelfs zulk een gewicht aan deze overweging,

-ocr page 10-

INLEIDING.

die hij beschouwt als grondslag, dat daarvan naar zijne meening het welslagen der overige afhangt. Naar zijn voorbeeld zullen wij dus in de eerste afdeeling alles overwegen wat betrekking heeft op het einde van den tnenseh, van den Christen, van den religieus, de heiligheid, welke God van ons verwacht, en de middelen, welke Hij ons geeft om hiertoe te geraken.

De tweede afdeeling loopt geheel over de zonde. Have vreeselijke straffen, hare afschuwelijke keiitee-kenen, vooral in de religieuze ziel, hare betreurenswaardige gevolgen zullen beurtelings in onze ziel dien geest van boetvaardigheid en berouw opwekken, die de noodwendige weg ter heiliging is.

Na de zonde, vooral in de religieuze ziel, beschouwd te hebben, zullen wij trachten die oprecht te verfoeien door de overweging der uitersten: dood, oordeel en hel; dit vormt de derde afdeeling.

Op de vreeselijke stem der rechtvaardigheid volgt de zoete stem der barmhartigheid. Wij zullen onze fouten beweenen uit zuiverder beweegreden, die aan onze tranen van berouw grootere waarde zullen geven. Dankbaarheid en liefde zullen voltrekken wat de vrees begonnen heeft. Wij zullen ons werpen in de armen van een God, die, als een teeder Vader, steeds bereid is medelijden te hebben en ons te vergeven; en terwijl Hij aldus ome ziel zuivert, zal Hij haar hare eerste schoonheid weder geven.

II.

-ocr page 11-

AFDEELTNG I.

Einde van den menscli en den Christen. — De kloosterlijke staat; deszelfs verhevenheid , voordeelen en verplichtingen. — Alge-meene en bijzondere middelen tot heiliging.

lste OVERWEGING,

HET EINDE VAN DEN MENSCH.

Om mijne bestemming, mijne voorrechten en mijne plichten geheel te bevatten, moet ik in mij den mensch, den Christen, den kloosterling beschouwen. De zes eerste overwegingen zal ik wijden aan den mensch en den Christen, intusschen wel voor oogen houdende, dat God mij geplaatst heeft in eenen staat, dien Hij aan zijne meest bevoorrechte vrienden voorbehoudt.

Voorbereidend gehed. Vraag aan God, dat gedurende deze oefening al de gedachten van uwen geest, al de genegenheden van uw hart, al de werkingen uwer ziel enkel en alleen mogen strekken tot de glorie zijner oneindige majesteit.

1. Stel u God voor onder het beeld van een onmetelijken oceaan, waaruit alle goed voortvloeit als uit zijn oorsprong, om er in terug te keeren als in zijn einde.

-ocr page 12-

2. Bid den Heer, u levendig te doordringen van de inzichten, die Hg met u had bij uwe schepping, en u de genade te geven om daarvan steeds den regel van uw gedrag te maken.

De mensch is geschapen om zijnen Heer en God te loven, te aanbidden, te dienen en zich aldus zalig te maken. Deze woorden van den H. Ignatius beantwoorden drie vragen, waarop al de grootheid, de plichten, het einde van den mensch rusten: Wat is mijn oorsprong? Wat is mijn einde? Welke zal mijne belooning zijn, als ik de verplichtingen nakom, die voor my voortvloeien uit mijnen oorsprong en mijn einde?

I Punt. Mijn oorsprong is God. Hij is mijn Schepper, mijn ware vader. De mensch werd geschapen... Wanneer ik nu van het uitwerksel opklim tot den oorsprong langs de ketsn der geschapen wezens tot den eersten schakel, kom ik tot God. God vóór alles. God oorsprong van alles. Wat is God? Hij zelf gaat het mij zeggen: Ik hen die hen. God is het wezen, het noodzakelijk wezen, het eenig wezen vóór de schepping.

Hoezeer verliest de ziel zich in die eeuwige eenzaamheid , waar zij niets ziet dan God! Welk eene grootheid, welk eene volheid van volmaaktheden vindt zij te beschouwen in Hem, die alles is en slechts zich zeiven behoeft, niet gelukkiger wanneer Hg tallooze schepselen het aanschijn geeft dan wanneer Hg alleen bestaat! En wat deed God in die eeuwigheid, die de schepping voorafging? Hij genoot zijn geluk en bereidde het mijne; Hij schikte de orde en opvolging der genaden, die mij tot dit geluk moesten

-ocr page 13-

7

helpen, door mij tot de heiligheid te brengen. Hij bevestigde mijne voorbestemming tot het leven, tot het Christendom, tot den religieuzen staat, tot dien hemel der zielen, die geroepen zijn tot de waardigheid zijner bruiden.

God heeft de wereld geschapen. God heeft mij geschapen bij voorkeur eener menigte zielen, die bestaan konden, doch nooit zullen bestaan... En de reden dezer uitverkiezing wilt Gij mij doen kennen, Heer; want ik hoor ü, door uwen profeet Jeremias zeggen: »Met eeuwige liefde heb ik u bemind. Voor het aanbreken der eeuwen bestondt gij in myne gedachten, in mijn Hart; daar heb ik u uitgenomen om u te plaatsen onder de edelste schepselen van het heelal, slechts een weinig beneden de engelen.quot; En nadat gij mij geschapen hebt, o mijn God, bewaart Gij mijn bestaan door eene schepping van alle oogenblikken. En moet deze nieuwe, deze voortdurende weldaad mij nog niet meer treffen dan de eerste? Want toen ik door eene werking van uwen vaderlijken wil uit het niet werd getrokken, had ik, hoewel niets gedaan hebbende om uwen godde-lijken liefdeblik te trekken, toch ook niets gedaan wat mij dien volstrekt onwaardig maakte, maar helaas! hoe dikwijls heb ik sinds uwe rechtvaardigheid als uitgetart om mij uwe goddelijke weldaden te onttrekken!

O welke lichtstralen storten deze waarheden in mijne ziel! Welke verplichtingen, welke redenen tot beschaming rijzen op voor mijne oogen! Ik moet mij geheel aan God geven, omdat ik alles van Hem ontvangen heb. Ik behoor aan kHem door evenveel

-ocr page 14-

8

rechten als er oogenblikken in mijn leven verloopen zijn, omdat even zoovele oogenblikken als ik geleefd heb, even zoo dikwijls God mij het leven heeft geschonken. En de kleinste mijner misdaden is, dien God, dien ik zoo veel liefde verschuldigd was, uit mijne gedachten verbannen te hebben. Hij zelf verwijt mij dit: »Den God die u het aanzgn gegeven heeft, hebt gij verlaten, en den Heer uwen Schepper hebt gij vergeten.quot; Nu begrijp ik waarom David ons vermaant te schreien aan de voeten van den God wien wij het leven verschuldigd zijn.

II Punt. Mijn einde is God. Dat wezen, zoo oneindig wijs, heeft zich een doel voorgesteld, toen Het mij het bestaan schonk, gelijk Het zich een doel voorstelt door mij het leven te bewaren. Welk is dit doel ? men toont het mij: »De mensch is geschapen voor dit einde...quot; Wees aandachtig, mijne ziel; het is voor u van het grootste belang, dit einde te kennen. Streef slechts naar dit doel; indien gij dit bereikt, hebt gij uwe bestemming vervuld. Alles is geëindigd, alles is gewonnen, alles is gered! »De Heer uw God.quot; Ziedaar het einde, het doel van uw streven. God de oneindige waarheid, het opperste goed. Niets minder dan dit kan een hart voldoen, dat steeds eene oneindige behoefte gevoelt om te kennen en te beminnen. God alleen heeft het recht mij te zeggen; »Vergroot uwe begeerten en ik zal ze voldoen.quot; Het is dus God, dien mijne ziel zoekt, dien zij althans zoeken moet. Uit zijnen boezem voortgekomen, vraagt zij weder daarin terug te keeren, zij gevoelt zich getrokken tot dien oorsprong Tan hare kracht en haar leven; zij dorst naar God.

-ocr page 15-

9

Mijn lichaam zelfs heeft behoefte aan God. »Mijn hart en mijn vleesch hebben zich verheugd in den levenden God.quot; Maar hoe kan ik mij met God vereenigen ? Door eerbied, lof, aanbidding, gehoorzaamheid, liefde. God kennen, beminnen en dienen. Ziedaar dan het einde van den mensch.

Noodzakelijh einde. Ben ik van God, dan moet ik voor God zijn; deze wet rust op zijne natnur en op de mijne; het is rechtvaardigheid, het is orde. Het is niet noodig, dat ik leve in aanzien, in achting; het is zelfs niet noodig, dat ik leve; maar indien ik leef, dan moet ik voor God leven.

Glorievol einde. Ik ben niet geschapen om aan de wereld te gehoorzamen; nog minder om de slaaf mijner hartstochten te zijn; veel verhevener is mijn einde. Als het kind van den edelsten aller koninsren, heb ik

o 7

Hem alleen tot meester, wiens dienaars koningen zijn.

Onbeperkt einde. Het gebied van God over mij is onbegrensd. Het omhelst alle tijden; Hij bewaart mij altijd voor zich, ik moet dus altijd voor Hem leven. Het omhelst alle plaatsen; waar ik ook zij, ben ik van Hem en voor Hem, en moet ik voor Hem leven. Het omhelst alles wat ik heb, wat ik ben, wat ik doe; God is meester van den boom, Hem behooren de vruchten; en daar Hij alleen meester is, behooren ook al de vruchten aan Hem alleen. Geene verdeeling wordt mij toegestaan. Voor Hem moet mijn geest denken, mijn hart beminnen, mijne tong spreken. Hij verklaart mij, dat ik rekenschap zal geven van elk ijdel woord. Welk een uitgestrekt veld van verplichtingen! Maar ook welk eene belooning , als ik getrouw ben!

-ocr page 16-

10

III Punt. Mijne helooning is God. Hij zal rcyne zaligheid zijn. God gekend, God bemind, God gediend, ziedaar mijn laatste einde. O zoete hoop! Na den strijd de zegepraal, na den arbeid de rust: Moge den overtocht ook stormig geweest zyn, ik ben in de haven te midden mijner dierbaren, in de armen van mijn God en Vader, die tot mg zal zeggen: »Ik zelf ben uwe zaligheid. Ik ben uwe belooning; is zij niet rijk genoeg?quot; Ik zal zalig zijn! Ik ben gered! Voor welk ongeluk? De hel moet het mij zeggen: Wat haat het den mensch, zoo hij de geheele wereld, wint, maar zijne ziel verliest1? Wat het mij ook moge kosten, ik moet zalig worden.

Reeds in dit leven is God de zaligheid zijner dienaars, vooral zijner getrouwe Bruiden. Hij beschermt hunnen geest tegen de ontsteltenis der twijfeling, hun hart tegen de dwingelandij hunner hartstochten, hun geweten tegen de kwelling der wroeging. O mijn God, er is vrede voor hen die uwe zoet beminnen, terwijl angst en kwelling in de ziel van den hoosdoener dringen. Ik weet het bij ervaring. Als ik in mijn leven een gelukkigen dag wil vinden, waar moet ik dien zoeken ? Onschuldige kinderjaren, schoone dagen mijner toewijding aan den dienst des Heeren, hoe zoet, hoe bitter tevens is mij uwe gedachtenis! O hoe goed is het, zich slechts aan den Heer te hechten en Hem alleen te behooren!

-ocr page 17-

11

2de OVERWEGING.

herhaling en ontwikkeling der voorgaande.

I. Ik behoor geheel aan God.

II. Ik ben geheel voor God.

III. God is alles voor mij.

Tekst van den H. Ignatius: De mensch is geschapen tot dit einde: Den Heer zijnen God loven, beminnen, dienen, en aldus zijne zaligheid bewerken, is slechts de toepassing van dezen zin der H. Schrift: Vrees God en onderhoud zijne geboden; want dit is geheel de mensch.

Wij vinden hierin onzen oorsprong, ons einde, ons opperste goed. Onzen oorsprong: want wij ontleenen dien aan God; ons einde: want het is tot God dat. wij wederkeeren; ons opperste goed: dit bestaat in ten volle en voor eeuwig God te genieten. Door de eerste dezer drie waarheden ben ik geheel aan God; door de tweede ben ik geheel voor God; door de derde is God geheel voor mij.

Voorbereiding: zie eerste overweging.

I Punt. Ik ben geheel aan God.. Hij heeft mij gemaakt wat ik ben. Naar zijn beeld geschapen, draagt mijne ziel den stempel van al zijne volmaaktheden. Zij deelt in zijn verstand, iu zijne vrijheid, in zijne rechtvaardigheid, in zijne onsterfelijkheid, in zijne onmetelijkheid. O mijne ziel, houd dan op, voortaan de hoogte der sterren, de diepte der zee, den glans der zon te bewonderen. Beschouw het

-ocr page 18-

12

wonder van u zelve. Gij zijt het beeld van God! Er is niets in zijne natuur waaraan Hij u geen deel gaf. O ziel, hooger dan de hemelen, dieper dan alle afgronden, uitgestrekter dan de wereld, duurzamer dan de tijd, grooter dan al wat bestaat, houd u op uwe plaats en verlaag u niet door uw geluk te zoeken in het slijk der aardsche goederen. Indien God mijn Schepper is, dan is Hij mijn Heer en behoor ik aan Hem; indien alles in mij van Hem is, behoort alles aan Hem. De meester heeft recht op het werk zijner dienaren, de vorst op de gehoorzaamheid zijner onderdanen, de vader op de onderwerping en den eerbied zijner kinderen, de werkman beschikt naar welbehagen over zijn werk. En als schepsel van God behoor ik meer aan Hem dan de knecht aan zijnen meester, dan de onderdaan aan zijnen vorst, dan het kind aan den vader, dan het schilderstuk aan den maker.

Aanbidding. O Heer, onze God, Gij zijt waardig, de glorie, eer en macht te ontvangen, wijl Gij alles geschapen hebt. Komt, laat ons voor den Heer nederknielen, laat ons Hem aanbidden; Hg is de Heer onze God.

Dankbaarheid en liefde. Het is dan waar, o mijn God, Gij hebt mij met eene eeuwige liefde bemind; Gij hebt mij uit uw Hart getrokken. Gij hebt mij het aanzijn gegeven; en het is nog uwe hand die mij draagt, uwe goedheid die mij ondersteunt. Waarom hebt gij mij gesteld boven zoo vele anderen, die nooit bestaan zullen? Was het het voorzien van mgn toekomstig gedrag, dat uwe keuze bevestigde? Hoezeer moest dit in tegendeel uwe weldaden niet van mij

-ocr page 19-

13

afkeereu? Zij treffen mij des te meer, naar mate ik ze minder heb verdiend.

Berouw en voornemen. Ik bloos over mijne ondankbaarheid; van welke zijde ik mij zeiven beschouw, vind ik niets dat mij toebehoort. Wat zou mij overblijven, als God zijne gaven terugnam? Mijne ziel behoorde aan God, alvorens aan mij te behooren; mijne ziel en mijn lichaam behooren mij dus slechts, omdat God ze mij gegeven heeft. Alles behoort ü, o Heer, uit recht van schepping, uit recht van behoud; en helaas! ik heb alles misbruikt om U te beleedigen. O mijn God, gij kent mijne dwaasheid en mijne zonden zijn U hekend. Ik wil geheel, ik wil alleen aan ü toebehooren. Ik behoor ü noodzakelijk door mijne Schepping; doch ik wil ü geheel, alleen en altijd toebehooren door de vrije keus van mijnen wil.

II Punt. Ik ben geheel voor God. Hij heeft mij geschapen; Hij behoudt mij slechts, opdat ik Hem eere, Hem diene. Hij is de opperste schoonheid. Hij heeft mg een geest gegeven om Hem te kennen. Hij is de oneindige goedheid. Hij heeft mij een hart gegeven om Hem te beminnen. Hij is mijn Opperheer, en heeft mij al de vermogens van lichaam en ziel slechts gegeven om Hem mijne hulde en mijne onderdanigheid te bewijzen. Vere dignum et justam est, vequam et salutare, nos tibi semper et uhique gratias agere..... Ik moet mij onophoudelijk toeleggen om u te danken, o mijn God, om uwe glorie te bevorderen door mg steeds te onderwerpen aan uwen aanbiddelijken wil, niets is billijker: justum est; indien ik hieraan ontbreek, misken ik uwe heiligste

-ocr page 20-

14

rechten. Niets is eener redelijke ziel, vooral eener christelijke ziel, eener religieuze ziel meer waardig: dignum est.... Daarin bestaat mijne verhevenheid, mijne glorie. Men is eenigermate als God, als men denkt gelijk God, als men slechts wil wat Hij wil, als men geene andere bezigheid heeft dan de zijne; en wat kan in mijn eigen belang mij voordeeliger zijn ? vequam et salutare.

Bewondering en dankbaarheid. Heer, welk eene eer hebt Gij mij bewezen met mij geheel voor u te kiezen, o mijn God, daar Gij mij hierdoor gelijk hebt gemaakt met de engelen, wier bediening bestaat in u te loven door hunne eeuwige lofliederen en uwen heiligen wil te volbrengen! Gij hebt mij gesteld naast uwen eigen Zoon, die slechts op aarde is gekomen om u te verheerlijken; Gij hebt mij, indien ik het zeggen mag, aan u gelijk gemaakt, daar Gy niets doet en niets doen kunt dan voor uwe eigene glorie. O hoeveel dank, hoeveel liefde ben ik Hem verschuldigd, die mij tot zulk een verheven doel geschapen heeft?

Bptouw en voorn. men. Hoe heb ik u tot dusverre gediend, mijn aanbiddelijke Opperheer? Ik moest alles, zelfs mijne nietigste werken als eten en drinken ter uwer eer verrichten; en hoe dikwijls heb ik u zelfs mijne heiligste werken ontvreemd! Hoe zelden heb ik zuiver voor u alleen gehandeld! hoe dikwijls heb ik tegen u gezondigd! Ik hernieuw nogmaals het reeds zoo dikwijl» genomen en verwaarloosd besluit Alles voor u, o mijn God, alles voor u.

HI Punt. God is alles voor mij. Even naijverig op ons welzijn als op het Zijne, heeft God ons geluk

-ocr page 21-

15

aan zijnen dienst verbonden. Hij kon ons zeggen: »Indien gij mij gehoorzaamt, hebt gij uw plicht gedaan en u zal geen kwaad overkomenquot;; doch Hij zegt ons: »Dien mij, en gij zult het heerlijkst loon ontvangen; ik zal zelf uw overgroot loon wezen, Ego ero merces tua magna nimis.quot; Welke belooning! zij betreft vooral het toekomstig leven. Wat doet in dit tegenwoordig leven deze goede meester reeds niet voor hen, die zich geheel aan Hem hechten? Hij vestigt zich in hun hart, woont daar, regeert daar en laat er niet Hem den vrede heerschen, die alle gevoel overtreft. Hij beschermt hen tegen hunne vijanden, verhoort hunne gebeden, voorkomt hunne begeerten, en zijne voorzienigheid waakt over hen als eene moeder over het kind, dat hare eenige liefde uitmaalit.

Verwondering m berouw. Ik honger naar het geluk; ik weet diit God alleen mij kan verzadigen en altijd wil ik buiten Hem datgene zoeken, wat ik weet slechts in Hem te kunnen vinden. Wil ik dan mijn leven doorbrtügin in nutteloos stroven? Ach, hoeveel tijd heb ik reeds verloren in het najagen van ijdelheid en be\'rog! Hoe vele schreden heb ik reeds gezet buiten .len weg! En om mij van alles te onthechten, o mijn God, om mij tot u alleen te trekken, hebt Gij toegelaten, dat ik buiten u slechts vernedering en Ijiilen vond; ach, hadde ik beter voordeel getrokkeii uit die les uwer barmhartigheid!

Vrees en voorn . n. Ik sidder, wanneer ik de onverzichtigheid beschouw, waarmede ik.tot dusverre zulke ernstige belangen over het hoofd zag. En wat moet ik verwachten , indien ik door de weinige dagen,

-ocr page 22-

16

die mij overblijven, het verleden niet herstel? Dan, Heer, Gij zult medelijden hebben met mijne verblindheid; Gij zult mijne fouten vergeten, en niet meer toelaten, dat ik mij verwijdere van u, die mgn Opperste Goed, mijne eenige Liefde zijt.

3de OVERWEGING.

MIDDELEN DEN MENSCH GEGEVEN OM TOT ZIJN EINDE TE GERAKEN. NaTUUELIJKE MIDDELEN.

Benevens de vermogens van onze ziel en ons lichaam zijn dit alle schepselen van het heelal. God heeft die slechts voor den mensch uit het niet getrokken en behouden, ten einde hem te helpen om het doel zijner schepping te bereiken.

I. Hoe kunnen de schepselen ons tot ons einde geleiden ?

II. Hoe moeten wij ons daarvan bedienen, opdat zij ons tot ons einde brengen?

1, Stellen wg ons de wereld voor onder den vorm der ladder van Jacob, langs welke ik tot God, mijn laatste einde, moet opklimmen op zoo vele sporten als er schepselen zijn, en God zelf, die, aan het uiteinde der ladder geplaatst, mij door deze woorden bemoedigt: Kom hier mijn geluk deelen, terwijl Hij my de kroon toont welke Hij voor mij bestemt.

2. Vragen wij de genade, niet alleen wel het voordeel te begrijpen dat ik ter mijner heiligmaking

-ocr page 23-

17

uit de schepselen kan trekken, maar tevens de wijsheid en de kracht die ik noodig heb om er een heilig gebruik van te maken.

I Punt. Hoe hunnen de schepselen ons geleiden tot ons einde? Dit einde is niet anders dan God hier in deze wereld te kennen, te beminnen, te dienen, ten einde Hem in de andere wereld eeuwig te bezitten. Hiertoe kunnen en moeten ons alle schepselen helpen, elk op zijne wijze.

1. God kennen. De orde die wij in het heelal bemerken , openbaart ons zijne wijsheid. De hemelen eer kondigen Gods glorie (\'j, door ons als onder het oog te stellen al zijne oneindige volmaaktheden, maar vooral zyne macht, zijne grootheid; de oceaan verkondigt zijne onmetelijkheid , de tooi des velds spreekt van zijne schoonheid, het bestaan van den misdadiger zelfs brengt hulde aan zijn geduld en zijne barmhartigheid.

2. God beminnen. Het is zijne goedheid die zoo mildelijk voorziet in onze behoeften, zijne liefde die ons dient in al zijne schepselen. Hij zelf verlicht ons door het licht der zon, voedt ons door de vruchten der aarde, enz. Een God, die zich als tot onzen dienaar maakt en ons zulke opmerkzame zorgen bewijst, welk eene beweegrede Hem te beminnen!

o. God dienen. Van al deze ontelbare schepselen is er geen dat ons niet ten voorbeeld strekt in het volbrengen van Gods wil. En hoe volbrengen zij dien? Zij doen dit blijmoedig. De sterren, gehoor-

(1) Pa. 18, 1.

2

-ocr page 24-

18

zaam aan zijn bevel, »hebben het licht verspreid, ieder op hare plaats, en zij hebben zich verheugdquot; over hare gehoorzaamheid (1), zij volbrengen dien met eerbied. »Hij zend het licht, het vertrekt dadelijk; Hij roept het en het gehoorzaamt met vrees. (2) — Zij doen het met vaardigheid.quot; Gij wandelt Heer op de vleugelen der winden; Gij maakt uwe engelen tot winden, en uwe bedienaars tot brandende vlammen (3). Zij doen dit met volharding. Door uwe verordening blijft de dag bestaan (4) — De zon begint en volbrengt haren loop op het juiste punt haar aangewezen. Zij volbrengen dien wil zelfs met opoffering van eigen neiging. Indien God wil, zal de vurigste vlam zonder warmte zijn, de zee zal vast worden onder den voet, de stroomen zullen naar hunnen oorsprong terugvloeien. O mijn God, welk een loflied zingt de natuur u ter eer! Als mensch, als christen, en Tooral als geroepen tot de kloosterlijke volmaaktheid, moest ik de ziel zijn van dit hemelsch accoord; en helaas! honderd malen en meer heb ik het durven verstoren, heb ik u mijnen dienst durven weigeren.

Was dit omdat ik er meer toe verplicht was?____

4. De schepselen brengen ons eindelijk tot het bezit van God, door de gelegenheid, die zij ons verschaffen tot het beoefenen der deugden, waarvan Hij het loon zal zijn. — Onder uie schepselen zijn er die ik noodzakelijk moet gebruiken tot onderhoud mijns levens en mijner gezondheid; zij geven mij gelegenheid ter beoefening van matigheid, onthechting, dankbaarheid. — Er zijn er die mijne natuur ver-

1

Bar. 3, 34. (2) Bar. 3, 33. (3) Ps. 103, 4, 5. (4) Ps. 118, 19.

-ocr page 25-

19

stoot en die ik moet dulden, als ziekte, armoede; zij geven mij gelegenheid ter beoefening van geduld, nederigheid, gelatenheid. — Er zijn er die mij van God zouden afkeeren, deze geven gelegenheid ter beoefening van versterving en zelfsopoffering.

II Punt. Hoe wij ons van de schepselen moeten bedienen, opdat ~ij ons tot ons einde geleiden. »Alle zakenquot;, zegt de H. Barnardus, »zijn ons gegeven tot eenig welzijn;quot; maar zij werken daartoe mede op verschillende wijze. De eene zijn bestemd om onze krachten te onderhouden, andere om ons te onderrichten, deze om ons te ontspannen, gene om ons te verbeteren en ons te beproeven. De ware wijsheid bestaat in ze alle te gebruiken volgens den wil van God en met het oog op onze tegenwoordige behoefte. Ziehier twee regelen.

1. Ten opzichte der schepselen , die wij niet geheel missen kunnen, als voedsel, kleeding, woning, rust, moeten wij ons beperken tot het noodzakelijke, dit met dankbaarheid gebruiken en het overvloedige opofferen. »Deze soort van schepselen, zegt een godvruchtig schrijver, geven ons zeiven dezen raad: »Ontvang, geef weder, vreesquot;. — Ontvang het goede dat ik u bewijs; betuig er uwe dankbaarheid voor aan Hem door wien en voor wien wij u weldoen; vrees het oordeel dat gij eens zult moeten afleggen omtrent het gebruik dat gij er van gemaakt hebt. Het staat ons niet vrij, hemel en aarde en de men-schen die ons omringen. niet te zien,... duizenden zaken, de eene droevig, de andere aangenaam, niet te hooren; doch er is in dat alles iets waardoor

-ocr page 26-

20

men zich tot God kan verheffen, en ziedaar wat de heiligen noemen God vinden in de schepselen.

2. Ten opzichte der schepselen wier gebruik ons vrij staat, als het omhelzen van dezen of genen levensstaat, het najagen van eer en fortuin of wel daaraan geheel onverschillig te zijn, geeft men ons den regel van ons ten opzichte van al deze zaken in volkomen onverschilligheid te houden, tot dat wij ze hebben beschouwd ten opzichte van den dienst van God en onze eeuwige bestemming, die niet zoekende, niet verwerpende om zich-zelve, maar alleen naarmate zij ons dichter bij onze bestemming voeren of ons daarvan verwijderen. Niets billijker dan dit. Heeft God over ons geen volstrekt en uitsluitend recht? Als ik die volkomene onverschilligheid niet heb, dan onttrek ik mij aan dat recht door te beschikken over mijne genegenheden volgens mijnen wil en niet volgens den zijne. Wat brengt mij tot God, tot de goddelijke vereeniging en de zaligheid ? De godvruchtige oefeningen, de ingetogenheid, ziedaar waarop ik mij voortaan wil toeleggen. Wat trekt mij af van God of belet mij Hem alleen te behooren? De uitgestortheid, de vrijwillige onvolmaaktheid , deze of gene heerschende drift; ziedaar wat ik edelmoedig moet bestrijden; God loven in naam zijner schepselen, Benedecite omnia opera Domini Domino Q, God zoeken en mij aan Hem alleen hechten.

(.1) Dau. 3, 57.

-ocr page 27-

21

4ae OVERWJEGINO.

middelen den mensch gegeven om ïot zijn EINDE te komen. Bovknnaïuü rlijke middelen.

I. God geeft ons zijne genaden.

II. God rreeft ons zich-zelven.

o

1. Gelijk in de vorige meditatiën.

I Punt. God geeft ons zijne genaden. Dit zijn al de hulpmiddelen ons gegeven door de verdiensten van Jezus-Christus om ons heilig en zalig te maken.

Uitwendige genaden. Het woord Gods, het voorbeeld van den Zaligmaker en zijne heiligen, de HH. Sacramenten, de gunstige gelegenheden ons verleend, alles wat buiten ons, ons van het kwaad aftrekt en ons trekt tot het goede.

1

til

Inwendige genaden. Gewone genade, tegenwoordige genade, licht dat ons beschijnt, zalving die ons treft, vrees, verlangen, zalige indrukken, alles wat ons onthecht van de scbepselen en van ons zei ven, om ons te hechten aan God; alles wat ons ondersteunt in de oefening der deugd en den strijd tegen de bekoringen. Welke waarde hebben de genaden?... O mijne ziel, indien gij de gave Gods kendet! (1). De genade is een schat, die oneindiglijk alle schatten dezer aarde overtreft; en die genade, onder verschillende vormen aan alle menschen aangeboden, geeft God mij met kwistige hand. Dagelijks het verheven Sacrificie, dat de bron aller genaden be-

1

Joa. 4, 10.

-ocr page 28-

sluit; dagelijks geestelijke oefeningen, die het gewone kanaal der genade vormen; bijna elk oogenblik eenigen lichtstraal, eenige goede inspraak. Mijn God, hoe groot ware mijne zuiverheid, de schoonheid mijner ziel, myne vereeniging met u, hoe groot ware mijne heiligheid, indien ik getrouw was geweest om met zoo vele talenten te woekeren! Doch, helaas, hoe slecht heb ik aan uwe liefde beantwoord! Wat zal ik u antwoorden, als Gij tot mij zult zeggen: Ih heb u geroepen, en gij hebt geweigerd naar mij te luisteren ? Ik sidder bij de gedachte, dat mij dezelfde vloek kan treffen als Saül. Omdat gij het woord des Heer en verworpen hebt, heeft de Heer u verworpen (2); en de nieuwe gunsten die Hij u bereidde, heeft Hij gegeven aan een hetere dan gij (s). Kan ik mijne getrouwheid aan de genade bekennen, en niet beven als ik die kostbare gift zie overgaan van Heli op Samuel, van Saül op David, van Judas op Mathias, van een der veertig martelaren van Sebaste op den heiden die hun kerker bewaakte ?\' Ik erken, o mijn God, ik beu niet waardig dat Gij mij bezoekt in uwe liefde; maar daar Gij uwe goedertierenheid gedenkt dan zelfs als Gij vertoornd, zijt (^), zoo spreek nog tot mij, smeek ik u; uw dienaar luistert en zal naar uwe stem luisteren.

II Punt. God geeft zich-zelven. Hij heeft Zijne grootmoedigheid voor den mensch tot het uiterste gedreven. Hij vond dat het weinig was, ons zijne engelen tot beschermers te geven, zijne ontelbare schepselen ons ten dienste te stellen; Hij die ons

(1) Proy. 1, 24. (2) Reg. 15, 23. (3) Ib. 28. (4) Hab. 3, 2.

-ocr page 29-

23

einde is, wilde ook ons middel worden; Zoo zeer heeft God de wereld bemind, dat Hij ons Zijnen eenigen Zoon gegeven heeft (1). De aanbiddelijke Zoon gaf zich-zelven. En waarom werd deze gave boven alle gaven ons gegeven, dan om onze heiligmaking en zaligheid te bewerken door een oneindig, onfeilbaar middel ?

ie

3n

oe

er

ue

et

oe

al

Ih

te

quot;J

\\et

u

le.

m

311

|

in

3p

te

1

a,

e-

n-

00

rt

-

ne

te

ne

ire

ns

gt; O oneindige barmhartigheid! roept de H. Anselmus uitquot;. De Vader zegt mij: »Neem mijnen Zoon, ik geef hem u, offer Hem mij in uwe plaatsquot;. De Zoon zegt mij: jgt;Neem mij, offer mij op aan mijnen Vader, en geelt Hem daardoor terug wat gij Hem schuldig zijtquot;. Welke waarde, zouden zonder Jezus-Christus mijne aanbiddingen, mijne dankzegging, mijne gebeden , mijne boetedoening hebben ? Maar vereenig ik mijne gedachten met die van Jezus-Christus, mijne gevoelens met de zijne, mijne zwakke boetedoening met\'zijne oneindige voldoening, de hulde van mijnen eerbied voor het oppergebied van God, van mijne dankbaarheid voor zijne gaven, met die welke Hij zelf in zijnen naam en dien zijner ledematen aan zijnen Vader opoffert, als ik mijn gebed vereenig met zijn gebed, de stem van mijn berouwvol hart met de stem van zijn Bloed: dan, o Vader van Jezus en mijn Vader, moet Gij voldaan zijn, dan vrees ik niet meer, dat Gij mijne hulde verstoot, mijne gebeden versmaadt. O hoe zoet is het, mij te verbergen onder den rijken mantel der verdiensten mijns Zaligmakers! Hoe gaarne verberg ik mijnen hoogmoed onder Zijne nederigheid, mijn weerstand

1

Joa. 3, 4Ü.

-ocr page 30-

24

onder zijne gehoorzaamheid, mijne zondevlekken onder zijne reinheid, mijn afschuwelijk leven onder zijn zoo aanbiddelijk leven. Aldus kan ik ondanks mijne armoede en nietigheid mijne schuld bij u, mijn God, voldoen; ik behoef slechts mijn toevlucht te nemen tot uwen welbeminden Zoon, uw waardigen en volmaakten dienaar, iu Hem vind ik alles wat mij ontbreekt om mijne boosheden te herstellen.

Gevoelens van bewondering, dankbaarheid en vertrouwen. Besluit getrouw naar de inspraken der genade te luisteren, die te volgen , mij dikwijls te vereenigen met Jezus-Ghristus in zijne meening, in zijne handelingen. Het is vooral aan den heiligen Liefdedisch, dat Jezus spreekt tot het hart zijner dienaars, zijner bruiden. Het is daar, dat ik mij op het innigste met Hem vereenig, dat Hy mij leert, door zijn leven te leven. 0 welk een groote tred zet ik door de heilige Communie naar de eeuwige\' en opperste gelukzaligheid.

5de OVERWEOING.

HERHALING VAN HET VOORGAANDE, OP DEN TEKST VAN DEN H. PAÜLUS.

Alles behoort u, hetzij Paulus, hetzij Apollo, hetzij Cephas, hetzij de wereld, hetzij het leven, hetzij de dood, hetzij het tegenwoordige, hetzij het toekomende.... Maar gij zeiven, gij behoort aan Jezus-Christus (1).

1

Cor. 3, 22-23.

-ocr page 31-

25

Deze woorden toonen ons in den christen-mensch de gelukkigste koningschap en de edelste slavernij. Alles behoort hem, doch hij zelf behoort aan Jezus-Christus.

I Punt. Alles behoort mij. Toen God mij in het Doopsel aannam tot zijn kind, bekleedde Hij mij met een bewonderenswaardig koningschap, mij dooiden mond van zijnen grooten Apostel zeggende: Mijn zoon, alles behoort u. Omnia vestra sunt. Welk een uitgestrekten gezichteinder opent zich hier aan de oogen mijns geloofs!

Van af het oogenblik dat ik kind Gods ben, behoort mij alles; en wel ten eerste de H. Kerk, door de Apostolische mannen voorgesteld: Sive Paulus, sive Apollo, sive Cephas. Ja de H. Kerk behoort mij, de H. Kerk, dat geestelijk heelal, met de zon harer waarheid, met den luister harer geheimen, de levende wateren harer Sacramenten, hare waarlyk onuitputbare schatten van genade.... dat alles behoort mij. De H. Paulus eigende zich in zijne levendige dankbaarheid het verlossingswerk van Jezus-Christus toe, die, zegde hij, hem had bemind en zich voor hem ten dood geleverd had (1). Het zelfde geldt voor mij ten opzichte der H. Herk. De arbeid der apostelen en hunne opvolgers, hunne onderwijzingen , hun leven, hun dood,____alles wat behoort

aan de H. Kerk, behoort mij. Al hare bedienaren, alle middelen van heiligmaking waarover zij be-bct g schikt, behooren mij evenzeer als de dauw en het licht des hemels. Wee mij, zoo ik er geen gebruik van weet te maken!

(1) Gal 2, 20.

-ocr page 32-

26

Maar behoort mij de H. Kerk, aan wie de wereld behoort, zoo behoort mij ook de wereld, sive mun-das. Ik heb dit reeds overwogen. 0 hoevele stemmen verheffen zich, waardoor de schepselen mij opwekken tot liefde voor God. Hoe treuren, hoe klagen zij, als ik ze afkeer van hun einde, door datgene wat mij gegeven wordt om den weldoener van het heelal te dienen, te misbruiken om Hem te beleedigen!

Het leven behoort mij, sive vita. Ja het leven met deszelfs wisselvalligheid, droefheid en vreugde, deszelfs schoone en sombere dagen, beproevingen en troost...Alles werkt mede tot het heil dergenen die God beminnen. (1) Ja het leven, dat de Zoon Gods op aarde is komen brengen. En is Hij zelf het leven niet? Ego sum vita. (2) Welnu, Jezus behoort mij: Zijn Vader heeft Hem mij gegeven, en Hij zelf geeft zich aan mij, zoodra ik dit wil, in de hoedanigheid van levend Brood en eeuwig behoud des levens. (3)

De dood eindelijk behoort mij sive mors; want al kan ik dien niet ontgaan, zoo kan ik my ten minste in staat stellen dien niet te vreezen, doch te be-geeren. Sedert mijn Zaligmaker den dood overwon, kan ik dien tot slaaf maken en hem dwingen mij te dienen, door mij in te leiden in het verblijf der eeuwige gelukzaligheid.

Alles behoort mij dus, het tegenwoordige zoowel als het toekomende, sive praesentia, sive futura. Het goede mij door God bewezen is mij een zeker

1

Eom 8, 28. (2) Joa. 11, 25 en 14, 6. (3) Joa. 6, 51.

-ocr page 33-

27

onderpand van datgene wat Hij mij voorbereidt. Ik

geloof en ik hoop, dat ik eens de goederen des Heeren zal zien in het land der levenden (1). Eeuwig zal ik met Hem heerschen: 0 heerlijk Koningschap! Maar hiertoe is het noodig, dat Hij over my heersche: o edele slavernij!

II Punt. Ik behoor aan Jezus- Christus. De H. Thomas noemt den Christen: Een mensch, die aan Jezus-Christus toebehoort. Ik behoor Hem toe als prijs van zijn lijden en zijnen dood. Hij heeft mij gekocht doch zich voor mij over te leveren. Neen, ik behoor mij zei ven niet, ik heb mijnen Verlosser duur genoeg gekost.

Heeft Hij my gekocht door zijnen dood, zoo heeft Hij bij mijn Doopsel bezit van mij genomen; op het oogenblik mijner geestelijke herboring, heeft Hij mij met den II. Geest bezegeld voor den dag der verlossing (2). Het is al hadde Hij, door dit goddelijk zegel op my te drukken willen zeggen: »Dit schepsel behoort mij; als het getrouw is, zal ik het heerlijk doen verrijzen, dan wanneer ik myne uit-verkoornen rond mij zal vergaderen. Ik behoor dus aan Jezus-Christus om Hem te dienen en uitsluitend door Hem tot den dienst zijns Vaders gebruikt te worden. Door mijn losprijs te betalen en mij door het Doopsel met Hem te vereenigen heeft Hij een geest te meer willen verkrijgen om den aanbiddelijken Vader te beschouwen, een wil te meer om Hem dien te onderwerpen, een hart meer om Hem te beminnen, een mond te meer om in alle eeuwigheid zijn lof te zingen,

1

Ps. 26, 19. (2) Eph. 4, 30.

-ocr page 34-

28

Ik behoor aan Jezus-Cliristus. Welk eene glorie! De H. Paulus vindt niets dat in vergelijking treedt met de eer van dienaar te zijn van zulk een verheven meester. Het is de adelijke titel, waarop hij zich verheft: Paulus, servus Jesu Christi. Doch ik mag niet vergeten, dat »Adel verplichtquot;. Die den geest van Christus niet heeft, is niet de zijne (1): om Jezus toe te hehooren moet ik zijn leven leiden, moet ik bezield zijn met zijnen geest. De menschen die leven volgens den geest der wereld, hebben even zoo vele meesters als zij driften hebben. De wulpsch-heid komt en zegt: Gij behoort mij, omdat gij de genoegens van het vleesch najaagt. De gierigheid komt en zegt: Gij behoort mij; want uw goud en zilver is de prijs uwer vryheid. Alle ondeugden

komen en elke dezer zegt: Gij behoort mij____Om

dus geheel aan Jezus te hehooren moeten wij ons losmaken van elke ongeregelde drift en ons altijd des dienaars toonen van dien aanbiddelijken Meester.

Ik behoor u, o mijn Jezus; hoe zoet is mij die gedachte! Ik behoor u, en dit verklaart mij de zorg uwer Voorzienigheid, waarop ik de hoop mijner zaligheid stel. Zal het dan ooit gezegd worden, dat ik tusschen uwe handen verloren ben gegaan? Neen, Heer, Gij zult dit niet gedoogen; en door mij te redden, zult gij redden wat u toebehoort: Tuus sum, ego salvum me fac. (2) Maar wat mij met schaamte overdekt, is die heiligschennende vermetelheid waarmede ik vaak over mij zei ven beschikte ten nadeele uwer rechten, door mijn geest,

1

Eom. 8, 9. (2) Ps. 118, 91.

-ocr page 35-

29

mgii hart, mijn lidiaam, mijne gezondheid, mijn leven te gebruiken als behoorde dit alles aan my; en daarbij, mijn God, welk gebruik of liever welk een misbruik heb ik daarvan gemaakt!

Berouw en leedwezen. Nieuwe toewijding, nieuwe opoffering van geheel mij zeiven aan Jezus-Christus. Besluit van edelmoedig te strijden tegen al wat mij van Hem kan afscheiden.

6de OVERWEGING,

De Christen.

Er zijn in mij twee zeer duidelijk onderscheiden levens, het eene, in de orde der natuur, heeft de rede tot gids; het andere, bovennatuurlijk en goddelijk, wordt geleid door bet geloof. Adam heeft mij het eerste, Jezus-Christus het tweede medegedeeld ; door het eene ben ik mensch, door het andere Christen.

I. Wat is de waardigheid des christens?

II. Wat is de uitmuntendheid zijns levens?

III. Waarin bestaat de beoefening?

I Punt. De waardigheid des christens. Zij bestaat in zijne vereeniging met Jezus-Christus, van wien hij alles ontvangt: licht, verdiensten, werking en leven.

1. De christen ontvangt van Jezus-Christus het licht der waarheid. De Zaligmaker zegt ons: Ik het

-ocr page 36-

30

Licht hen in de wereld gekomen opdat al die in mij gelooft, niet in de duisternissen hlijve. (1) De H. Paulus zegt tot de geloovigen: Gij waart eertijds duisternissen , maar nu zijt gij licht in den Heer. (2) Jezus verlicht ons inderdaad, omtrent datgene wat ons belangrijk is te weten: God, ons zeiven, de wereld. — (rod: wat de rede ons van Hem ontdekt, is verre beneden datgene wat het geloof ons leert. Een God was noodig tot aanbidder en hersteller zijner glorie: hoe groot is Hij!..,, een God tot slachtoffer: hoe heilig is Hij, hoe ontzaggelijk is Zijne rechtvaardigheid! Hij heeft ons zijn eigen Zoon gegeven om ons met Hem te verzoenen; hoe barmhartig, hoe goed is Hij! — Wij zeiven: christen, hoe edel zijt gij in Jezus-Christus. Een God-mensch tot broeder, een God-mensch tot losprijs! »Verhef u, mijne ziel.quot; roept de H. Augustinus, »verhef u en ken uwe waarde.quot; De mensch is zoo duur gekocht als ware hij een God! — De wereld met hare vermaken, rijkdommen, grootheid: hoe klein schijnt mij alles beschouwd met het oog mijns Zaligmakers? Zal ik iets achten wat de oneindige wijsheid misacht heeft?

2. Alle verdiensten komen ons van Jezus-Christus. Welke waarde zouden zonder Hem onze werken, ons lijden, al onze opofferingen hebben? Onze deugd ware slechts smet voor God. Wij kunnen, volgens den Apostel, (s) Hem slechts aangenaam zijn door de vereeniging met zijnen welbeminden Zoon.

3. Jezus is de oorsprong onzer werken. Wat ik

1

Joa. 12, 46. (2) Eph. 5, 8, (3) Eph. 1, 6.

-ocr page 37-

31

i I

als christen doe, doet Hij in mij, met mij, door mij. gt;Ik hen in henquot; zegt Jezus tot den Vader, sew Gij zijt in mij.quot; (1) De werking van Jezus in den christen kan eenigermate vergeleken worden bij die zijner godheid en zijner menschheid, die slechts dacht, sprak, werkte door de beweging en de leiding der goddelijke natuur, Jezus is in ons als het hoofd in de ledematen, om die te bewegen naar zijn wil, als de Koning in zijne staten om die te be-heerschen, als de stuurman op zijn vaartuig om het te besturen, als de zon in de wereld om haar te verlichten, te verwarmen, vruchten te doen voortbrengen.

4. Jezus is ons leven. Van Hem gescheiden, ben ik als de rank van den wijnstok afgerukt; ik ontvang het levenssap niet meer, ik ben dood. Hij is slechts op deze wereld gekomen om ons dit leven, het leven van God, mede te deelen; Hij beklaagt zich over degenen, die weigeren het leven in Hem te komen putten. Hij biedt zich aan ons als levendmakend Brood, opdat wij, dit heiliglijk nuttend, door Hem leven, gelijk Hij leeft door zijnen Vader, opdat wij alles door Hem zouden ontvangen, gelijk Hij alles ontvangt door zijnen Vader. O Christen, bewonder uwe grootheid; lidmaat van het mensch-geworden Woord, denk aan uw Hoofd; deelgenoot der goddelijke natuur, verloochen uwen adel niet door gevoelens uwen hoogen rang onwaardig.

■tev

II Punt. Uitmuntendheid van het christelijk leven. Wij hebben reeds overwogen, dat het niets anders

1

Joa. 17, 23.

-ocr page 38-

32

is dan het leven van Jezus in ons. »De geest des Zaligmakers,quot; zegt Pater Nouet, heeft twee lichamen te verlevendigen: het lichaam dat Hij heeft aangenomen in den schoot der H. Maagd Maria , en het lichaam dat Hij door Zijnen dood gekocht heeft, zijn natuurlijk lichaam en zijn geheimzinnig lichaam, de H. Kerk. Die goddelijke geest ^vas voor Jezus de oorsprong van twee levens: het eene eindigde op Calvarië, het tweede wordt in ons voortgezet. Daar Hij zelf niet meer kan lijden noch verdienen in eigen persoon, wil Hij zijnen Vader verheerlijken gedurende den loop aller eeuwen, door de heilige werken en het lijden zijner ledematen.

Het christelijk leven is derhalve eigenlijk slechts eene uitbreiding van het leven van Jezus-Christus. Indien ik leef als christen mag ik met den H. Paulus zeggen; Ik leef, niet ik, maar Christus leeft in mij. (1) Groot en heerlijk woord, dat de H. Gaetanus aldus uitlegt: Denken, verstaan, beminnen, mij verblijden, vreezen of begeeren, al deze bewegingen mijns levens gaan niet uit van mij; zij behooren aan Jezus-Christus en vloeien van Jezus-Christus in mij. In mijn gebed zet ik zijn gebed, in mijn werk zijn werkzaam leven in mijne droefheid zijn lijdend leven voort. Welke verdiensten zou de goddelijke oorsprong aan mijne onverschilligste daden mededeelen, indien ik Jezus geheel vrij liet in het gebruik en het geleiden mijner vermogens, mijner zintuigen, geheel mijn leven, in één woord! Kan elk werk, waaraan God de hand slaat, iets anders zijn dan een meesterstuk? Onze

1

Gal. 2, 20.

-ocr page 39-

33

wijsheid rust in Jezus-Christus ons hoofd; al onze voorzichtigheid bestaat in ons door de zijne te laten geleiden. Daarin rusten al onze belangen van glorie, heiligheid en geluk.

III Punt. Oefening van het christelijk leven Drie zaken bereiden dit in ons. De kalmte, eene heilige onverschilligheid, de opmerkzaamheid op hetgeen in ons omgaat. De vrede is zijn rijk. De inspraken des Heeren komen tot ons gelijk de wateren der fontein van Siloë, die vloeien zonder gedruisch. (1) Indien de woorden der wijzen met een stillen en rustigen geest moeten ontvangen worden, hoeveel te meer die van het eeuwig Woord! Inwendige rust, volmaakte kalmte, eerste voorwaarde, opdat de Zaligmaker vrijelijk in ons werke en leve. De tweede is eene zoo volmaakt mogelijke onverschilligheid , die ons aanbiddelijk Hoofd toelate zijne ledematen te gebruiken gelijk het Hem behaagt. Hand of voet hebben uit zich-zelven noch tegenzin noch neiging tot deze of gene beweging, en het werktuig laat zich keeren volgens den wil van den-gene die het gebruikt. Laten wij dan Jezus-Christus, zonder tegenstand onzerzijds, beschikken over onze ziel en hare vermogens, ons lichaam en deszelfs zintuigen, en onthechten wij ons om die reden aan elke ongeregelde genegenheid om slechts Hem alleen aan te hangen. »Mijne ziel is uitgevloeidzegt de Bruid, van het Hooglied, »hij de stem van mijnen welbemindequot; (^. Even als het water, dat zonder eigen vorm, dien aanneemt der vaas, waarin het

3

1

Cant. 5, 6.

-ocr page 40-

34

gegoten wordt, zoo is mijne ziel gereed uit te vloeien in het welgevallen van God, alle vormen aan te nemen, alle toestanden te omhelzen, waarin het Hem behagen zal haar te plaatsen. Maar, hoe zullen wij ons overgeven aan den geest des Zaligmakers om zijne werking en zijn leven te ontvangen, als wij niet opmerkzaam zijn op het licht, waarmede Hij ons verstand bestraalt, op de bewegingen, die Hij aan ons hart geeft? Volgen wij die getrouwe dienaars die steeds het oog gevestigd houden op de handen huns meesters, en slechts één wenk afwachten om te gaan of te komen, te zwijgen of te spreken. De inwendige ziel plaatst zich dikwijls in een staat van zuivere opmerkzaamheid op de bevelen des Heeren, luisterende naar hetgeen Hij haar vraagt, of Hem zelfs vragende: » Heer, wat wil Gij dat ik doe ?

OVERWEGING.

DE KLOOSTEliLINO; ZTJN EINDE VERGELEKEN MET HET EINDE VAN DEN MENSCH.

1. Stel u den Zaligmaker voor, die u zegt, gelijk aan zijne Apostelen: Gij zijt het niet, die mij hebt gekozen, maar ik, ik heb u gekozen, opdat gij heen gaat in den heiligen staat waarin ik u heb gesteld, quot;.n vrucht draagt en moe vrucht hlijke f1). Vergelijk dezen tekst met dien van den H. Ignatius, dien gij reeds hebt overwogen: de mensch is geschapen om

1

Joa. 15, 16.

-ocr page 41-

35

dec Heer zijnen God te loven, te aanbidden, te beminnen en te dienen en zich aldus zalig te maken. Gij zult begrijpen, waarin het einde van den mensch en van den kloosterling overéénkomt en waarin dit van elkander afwijkt.

2. Vraag het begrip der goddelijke roeping en de genaden, die gij behoeft om waardig daaraan te beantwoorden.

I Punt. De mensch heeft zich-zelven niet geschapen; hij is het werk der macht en goedheid van God; de religieuze roejnng is van zijnen kant het uitwerksel van eene keuze vol barmhartigheid. Gaf God bij mijne schepping mij de voorkeur boven millioenen wezens, die bestaan konden , doch nooit bestaan zullen, zoo heeft Hij, door mij met zich te vereenigen door de banden der religieuze professie, mij de voorkeur jregeven boven millioenen christenen, die deze genade

O O 7 O

niet meer dan ik onwaardig waren; om mij tot mensch te vormen heeft Hij mij uit het niet getrokken ; om mij religieus te maken heeft Hij mij uit de wereld getrokken , waar alles in het kwaad gedompeld ligt, waar alles eene klip is voor de deugd, waar ik wellicht al te zeer mijne zwakheid ondervonden had. Wat ware er van mij geworden, hadde God mij er in gelaten? Hoe heeft Hij mij geroepen? Van welke middelen heeft Hij zich bediend? Welk eene aaneenschakeling van gebeurtenissen, door eene liefdevolle Voorzienigheid voorbereid, hebben mij aan den voet des altaars gebracht?

Mijn God, hoe bewonderenswaardig zijn uwe wegen! Wees duizendmaal geloofd, mij met eene genade

-ocr page 42-

36

voorkomen te Lebben, die voor U als eene verbintenis was om mij zoo vele andere te schenken.

II Pont. Toen God den mensch geschapen had, plaatste hij hem in het aardsch paradijs. Welk een heilig en heerlijk leven kon hy daar leiden! God vereerde hem met zijnen gemeenzamen omgang, sprak hem toe gelijk de vriend zijnen vriend toespreekt... En waar heeft Hij mij geplaatst? Is de religieuze staat voor eene getrouwe ziel het aardsch paradijs niet? Het is het verblijf des vredes, de woning der engelen, het huis van God! Is hij niet altijd bereid om mij met zijne vertrouwelijkste mededeelingen te begunstigen ?

Ja, de religieuze staat is de voorsmaak des hemels. Het geluk der heiligen bestaat in God geheel toe te behooren; want wie geheel aan God behoort, is verzekerd dat God hem geheel toebehoort. Ziedaar wat, onder verhouding, het geluk van de religieuze ziel uitmaakt. Hare geloften hebben haar gescheiden van alle schijngoederen , rijkdom, vermaak, eerbetoon; zij hebben haar losgemaakt van die drievoudige liefde, waaruit alle misdaden der wereld ontstaan; de gelofte van armoede rukte uit het hart de liefde tot den rijkdom, de gelofte van zuiverheid de liefde tot de zinnelijke genoegens, de gelofte van gehoorzaamheid de liefde tot eer en grootheid, door den H. Joannes de hoovaardij des levens genoemd. Van dat oogenblik af konden wij zeggen, wat wr, met eene vervoering van blijdschap zullen herhalen, als wij de aarde voor den hemel zullen vaarwel zeggen: Onze ziel is gelijk eene musch ontsnapt uit het net der vogelaars; het net is gebroken en wij zijn he-

-ocr page 43-

37

vrijd. Vrij zal ik ü loven, uit ganscher harte zal ik U bemiunen. Door ons af te scheiden van de schijngoederen der wereld, hechten ons onze geloften aan God, het ware, het eenige, het opperste goed, en doen ons thans reeds in Hem vinden, wat wij er eeuwig in vinden zullen: onzen schat, onze vreugde, onze gelukzaligheid.

Wat is dan de religieuze staat? Het is het noviciaat des hemels, het hegiu van het eeuwig leven. O myn God, gevoelt men zich in den hemel zoo gelukkig, omdat men ü daar ziet, omdat men geheel aan U is door achting en liefde, door bezigheid, daar men geene andere heeft dan uwen lof te zingen, waar kan men dan op aarde beter zijn dan in eenen staat waar alles geest en hart aan ü herinnert, waar het zoo gemakkelijk is altijd aan U te deuken, II altijd te loven en te vereeren door het voortdurend vervullen van uwen heiligen wil?

III Punt. De meiisch voor God en voor God alleen geschapen, is aan zijne eer en zijnen dienst het gebruik verschuldigd van al zijne oogenblikken, van al zjjne vermogens, zoodat hij slechts moet leven om God te kennen , te beminnen , te dienen; dit is zijn naaste doeleinde en door dit te vervullen komt hij tot zijn laatste einde, de eeuwige gelukzaligheid. De plichten van den kloosterling zijn uitgestrekter, zijne verwachting heerlijker.

Door eene glorierijke onderscheiding, door eene oneindige welwillendheid roept God mij niet tot de gewone heiligheid der Christenen, door het vervullen

(1) Ps. 123, 6, 7.

JH It\'1

:-lt;v

-ocr page 44-

38

der geboden, maar tot eeue meer verhevene heiligheid, eene nauwere vereeniging met Hem door het beoefenen der raden. Even als alle geboden ten doel bebben, ons te brengen tot de goddelijke liefde, zoo hebben de raden ten doel ons te brengen tot de volmaaktheid dezer liefde. De H. Thomas noemt den religieuzen staat eene zekere oefening strekkende tot volmaking der liefde. De H. Bernardus zegt. ons: »uw stand is verheven; hij doordringt de hemelen, en vindt zijns gelijken slechts onder de engelen, wier zuiverheid gij ter zijde streeft. Gij hebt den Heer niet alleen de heiligheid, maar de volmaking aller heiligheid beloofd. Gij moogt niet blijven iu de vervulling der geboden, die aan allen gemeen zijn, noch zoeken wat God gebiedt, maar wat Hij begeert, wat Hij aanraadt als het volmaaktste. Voor anderen is het genoeg, Hem te dienen; uw plicht is u met Hem te vereenigen; zij moeten in God gelooven, Hem kennen, Hem beminnen; gij moet Hem smaken, u met Hem vereenzelvigen, in Hem al uwe vreugde vinden.quot;

Als de mensch zijn einde vervult, zal hij zalig worden; als de religieus het zijne bereikt, zal hij eene maat van glorie en geluk ontvangen, die over-gelijkelijk grooter zal zijn , omdat ieder zal ontvangen volgens zijne werken en omdat de belooningen van het toekomstig leven volkomen gelijk zullen staan met de verdiensten van het tegenwoordig leven. Is er een veld dat vruchtbaarder is in heilige werken dan de religieuze staat? Alles wordt daar geregeld door de gehoorzaamheid, gewijd door de goddelijke liefde, en aldus vergroot elk oogenblik den schat

-ocr page 45-

39

der verdiensten, welke men daar verzamelt, en vermeerdert onze rechten op de hemelsche erfenis.

Bedank God voor de groote barmhartigheid, die Hij u heeft gelieven te bewijzen. Vraag u zeiven dikwijls, gelijk de H. Bernardus: Waarom ben ik in het klooster getreden? Om mij af te scheiden van de wereld, om mij aan God te hechten, heilig te zijn en hier op aarde te leven gelijk men leeft in den hemel.

8ste OVERWEGING.

DE KLOOSTERLIJKE STAAT. — VERDIENSTEN VAN HET OFFER DAT MEN GOD BRENGT BIJ HET AANNEMEN VAN DIEN STAAT.

I. Hoever strekt dit offer zich uit?

II. Met welke moeielijkheden gaat het vergezeld?

III. Waarom doet men het?

1. Stellen wij ons de plechtigheid voor eener religieuze Professie. »De proeftijd is verstreken, de roeping is bevestigd, het getooide oöer ligt aan den voet des altaars, het uitspreken der geloften is het zwaard, dat het gaat slachtofferen.quot;

2. Bidden wij God, onzen geest te verlichten omtrent de verdiensten van het oöer, dat wij Hem hebben opgedragen, en in ons hart die dankbaarheid te willen storten, welke wij Hem daarvoor schuldig zijn, alsmede de getrouwe medewerking aan zulk eene kostbare genade verschuldigd.

-ocr page 46-

40

I Punt. Uitgestrektheid van het offer dat men brengt aan God door het omhelzen van den religieuzen staat De christenen in de wereld hebben ook hunne offers te brengen; zij moeten zich aan God geven, omdat zij Hem door de schepping, door de verlossing en door hun behoud toebehooren; maar hoe zelden brengen zij hun offer onverdeeld! De religieuze ziel geeft zich zonder voorbehoud; bij het offer van al wat zij is, voegt zij dat van al wat zij heeft en zelfs van al wat zij ooit hebben kan, vermaak, eer, rijkdom, vrijheid; zij verzaakt aan alles, zij berooft zich van alles.

In de wereld wijdt de volmaaktste godsvrucht zich geheel aan God, en nochtans zijn hare offers gewoonlijk slechts inwendig. Men zou bereid zijn, alles te verlaten, doch men verlaat niets; men zou den moed hebben aan alles te verzaken, aan familie, fortuin, gemak des levens, maar men verzaakt aan niets. O welk een verschil tusschen de opoffering die slechts bereidwilligheid des harten is, en de werkelijke opoffering. De religieuze ziel staat niet stil bij de enkele begeerte; maar zij komt tot de voltrekking van het offer. Zij stelt zich niet tevreden, aan God te behooren; maar zij toont dit openbaar. Om aan de wereld te toonen, dat hare aanlokselen onmachtig zijn tegen de aanlokselen van \'s Heeren genade, wil zij gaarne, dat die wereld getuige zij van hare gevoelens en tegenwoordig bij de eeuwige scheiding die zij tusschen de wereld en zich-zelve daarstelt. Zij laat zich vergezellen van die wereld tot in het heiligdom; zij werpt haar alles voor de voeten wat zij van haar ontving, ten einde haar wel

-ocr page 47-

41

te overtuigen, dat zij niet gemeens meer met haar hebben wil. Neen, geene aardsche hoop, geene verwachting, geene aanmatiging meer. Zij laat der wereld geen middel meer om hare rechten te doen gelden. Zij sterft voor het aardsche, en al wat aardsch is, sterft voor haar. Zij offert alles op en voor altgd. Het zou haar voorkomen, dat zij de wereld niet verlaten hadde, indien het haar nog mogelijk ware terug te keeren.

Het is dus een oSer dat onbegrensd is in deszelfs uitgestrektheid. — God kan niets meer vragen aan

o C

dengene, die het gebracht heeft, dan alleen dat hij niets terugneme van hetgeen hij gegeven heeft. Hebt gij sedert uwe toewijding aan den Heer, Hem vrij laten beschikken over uwen geest, uwen wil, uwen tijd, uwe vreugde, uwe xuoeielijkheden? Hebt gij in de beoefening nooit dit woord vergeten van den H. Paulus, dat niemand beter past dan den kloosterling, Gij behoort niet meer aan u-selven?

II Punt. Moeielijkheden aan deze opoffering verhonden. Men moet de wereld verlaten op een leeftijd, waarop men er niets van kent dan wat aangenaam en verlokkelijk is. Men is nog niet dieper doorgedrongen dan tot de schitterende en welvoegelijke vormen, die zooveel ellende bedekken. Eene onervaren ziel was bijna reeds verleid door het bedriegelijk beeld van het geluk, dat zij belooft; zij was vervuld met zoete en vleiende begoochelingen, toen de genade haar terughield en haar zegde: Kom, volg mij; laat de wereld daar. Zij is niet voor u, gij zijt niet voor haar... Verschrikkelijke woorden, die den jongeling van, het Evangelie ontstelden, die met eeu

-ocr page 48-

42

hart. vol droefheid heenging. Hoe hard klinken zij in het oor van hem, die God genoegzaam kent om Hem te beminnen en de wereld te weinicr kent om

O

haar te verachten! Het zou geene moeite kosten, Jezus te verkiezen boven de wereld gelijk zij is; doch het kost veel, zijn dienst te kiezen boven dien der wereld, zoo als men zich die voorstelt.

Na bijna geheel onafhankelijk geweest te zijn, moet men zich veroordeelen tot eene levenslange onderwerping, zich besluiten in den nauwen cirkel van eenen regel, die zelfs geene vrijheid laat om het goede te doen, dat men zou willen. Men moet de banden verbreken zoo zoet aan de natuur, banden zoo wettig in zich-zelven; men moet zich rukken uit eene familie, die men liefheeft en die ons vertrek bedroeft, om zich te gaan werpen in de armen van een gekruisigden God. Men stelle zich de H. Chantal voor, het lichaam van haren zoon overschrijdende om zich in de eenzaamheid te gaan besrraven: men

O CT 7

herinnere zich den stryd van eenen H. Stanislas, eenen H. Aloysius en zoo vele anderen, die zich scheidden van al wat de wereld bekoorlijks heeft, om de armoede, de vernederingen en het lijden van het religieuze leven te omhelzen. Welk eene edelmoedigheid in dit offer, en hoe eervol is het voor Jezus-Christus! Doch het verdienstelijkste daarvan is:

III Punt. De beweegreden , welke de ziel tot dit offer aanzetten. Hoe zou men menschelijke beweegreden, door vleosch en bloed ingegeven, kunnen veronderstellen in dengene, die vrijwillig zelfopoffering, ontbering, verborgenheid, verachting en eene gedurige toewijding van zich-zelven zoekt? Liefde

illeen even aad.

de beblo bloed te vi afzon

-ocr page 49-

43

illeen kan zulk eene keuze ingeven. Het religieuze even is inderdaad geen gebod, doch slechts een raad. Jezus-Christus vertoont zich aan de ziel niet n den glans zijner glorie, maar arm, veracht, bleek, Debloed, met wonden bedekt. Hij noodigt haar om bloedverwanten en al wat zij dierbaars op aarde heeft, te verlaten. Hij wil zich met haar vereenigen; afzondering, stilzwijgendheid, afhankelijkheid, ziedaar wat hij haar bereidt. Hij geelt haar slechts zijn kruis ten deel... Hij vraagt dit groot ofier. doch legt het niet op. Hij toont slechts zijn verlangen; want Hij wil alles aan de liefde verschuldigd zijn. Als men de aangeboden genade weigert, zal men Hem bedroeven, doch niet beleedigen, men zal zijne vriendschap niet verliezen. En wat antwoordt deze ziel? Wel hoe, Heer! ik zou u bedroeven en Gij zoudt mij nog beminnen? Neen ik wil aan zulk eene teedere en volhardende liefde niet weerstaan. Hier ben ik, want Gij hebt mij geroepen. Wilt Gy dat ik u op Calvarië volge ? Ik snel daarheen, ik wil er met u sterven. Kan men zich eene meer zuivere en belangelooze liefde voorstellen ?...

Wanneer men deze drie hoedanigheden van het offer van den religieus overweegt, is men niet ver-

o D 7

wonderd, dat de Kerkleeraars het vergelijken bij den marteldood, het zelfs eenigerniate daarboven verheffen. Het schijnt inderdaad minder moeielijk zich eens te slachtofferen, dan altijd in een staat van opoffering te leven. Bezielde de liefde den moed der martelaren die voor Jezus-Christns stierven, zoo voegden zich bij deze beweegreden andere minder volmaakte. Men moest kiezen tusschen geloofsver-

n zij t om t om sten, j is; dien

!ijQ i mge rkel om Toet den ken irek 7an ital ide len as, icli ft, an el-ior is:

Ut

cr-o

en g.

e-

ie

-ocr page 50-

44

zaking of dood, tusschen foltering of hel. Zoo is liet niet met den religieus gesteld; zijn offer is onder dit oogpunt, vrijer van alle eigenbelang; maar hoe verdienstelijker het zijn moge door deszelfs uitgestrektheid, door de moeielijkheden, door de beweegredenen , hoe meer dankbaarheid ik God moet bewijzen voor de uitnemende genade, die Hij mij bewezen heeft door mij het noodige licht, de noodige kracht te geven om het Hem te brengen. Mijn leven mag slechts een aanhoudend danklied zijn; en helaas, hoe dikwijls vergeet ik mijne heilige roeping!

Hernieuw uwe heilige geloften. Zet u door eeue

n o

oefening van levendig geloof, oprechte ootmoedigheid, vurige liefde nog eens in die gelukkige gesteltenis waarin gij waart op den dag uwer heilige Professie; en herhaal dikwijls deze woorden van deu koninklijken profeet: O Heer, Gij hebt mijne ketenen verbroken, ik zal u een offer van lof aanbieden (1).

9dc OVERWEGINO.

roeping tot het kloosterleven.

I. Waarom heeft God mij tot het religieuze leven geroepen ?

II. Waarom stelde de H. Kerk dien staat in? III. Waarom ben ik in dien staat getreden? 1. Gelijk in de vorige meditatie.

I Punt. Wat stelde de Heer zich voor, toen Hij mij riep tot den religieuzen staat? Ik zal dit be-

1

Ps. 115, 7.

-ocr page 51-

45

grijpen door het overwegen der woorden, die God sprak tot Israël, toen Hg zich gewaardigde, een verbond met hen te sluiten: » De Heer heeft u uitverkoren tot zijn bijzonder volk, en Hij zal u verheffen hoven alle volkeren, die Hij geschapen heeft! (1) ziedaar mijne roeping. Het is een voorrecht, daar God mij boven anderen bevoorrecht heeft, die Hij in de wereld laat, blootgesteld aan duizend gelegenheden zich in het verderf te storten; een voorrecht van liefde, daar Hij mij plaatst te midden van zoovele uitverkorene zielen, die het bijzonder voorwerp uitmaken zijner voorliefde; een voorrecht van glorie, omdat Hij mij daardoor verheft boven alle aardsche grootheid.

Een staat waar alles samenwerkt om mg voor tijd en eeuwigheid gelukkig te maken, waar de zonde zeldzamer, de boetvaardigheid gemakkelijker is, waar alles mij tot het goede aanzet: voorbeelden, raadgeving, vermaning... een staat, die door het gebed en de HH. Sacramenten, door het stilzwijgen en de afzondering, de ziel met God vereenigd en van de wereld gescheiden houdt; een staat waar God zich door overvloedige genaden mededeelt, een staat eindelijk, waarin men volgens de woorden van -Tezus-Christus, hier op aarde reeds het honderdvoud ontvangt van hetgeen men verlaat om Hem te volgen, alsook de zekere hoop van het eeuwig leven: is dit niet een bevoorrechte staat? tot dien staat geroepen, in dien staat bevestigd worden, is dit van den kant des Heeren niet het treffendst liefdebewijs ?

En ziedaar, o mijn God, wat Gij mg van alle

1

Deut. 26, 18, 19.

-ocr page 52-

46

eeuwigheid hebt bereid. Gij hebt bezit van mij genomen van af het begin uiver wegen (1). Voor alle tijden hebt Gij mij uitverkozen, niet alleen om mij het bestaan, het meuschelijk en christelijk leven te geven, maar om mij te plaatsen in uw heiligdom en daar tegelijk mijne zaligheid en mijn vrede te plaatsen, zoo bemint Gij met voorliefde degenen die het u behaagt door de heilige banden van den religieuzen staat aan u te hechten.

Welk eene onderscheiding, welke glorie! God toe-behooren eenig en alleen aan God toebehooren, nog slechts bezighouden met de zaken van God! O Heer, indien u dienen heerschen is, welke eer brengt Gij dan aan de ziel, die Gij den rang geeft uwer bruiden ? Ik hoor den H. Paulus die zegt; Gij zijt geen vreem-delivgen en bijwoners weer, maar Gij zijt medeburgers der heiligen en huisgenooten Gods. Indien niets waarlijk groot is van datgene wat ons nader tot God brengt, wat kan mij dan meer vereeren dan een staat waar mijn geheele leven God ten doel heeft, verborgen met Christus in God1? (2) Hoe heb ik aan die heerlijke roeping tot dusverre beantwoord ?

11 Punt. Wat stelde de 11. Kerk zich voor bij het instellen der religieuze Ordent De heiligheid der eerste christenen te bewaren, eene schuilplaats aan de onschuld, een toevluchtsoord aan het berouw te openen. Toen de boosheid de aarde overstroomde, verkoelde de liefde, en het was ook toen dat eenige trouwe christenen zich verzamelde in eene afzon-

1

ProT. 8, 22. (2) Cal. 3, 3.

-ocr page 53-

47

deriug door de H. Kerk geheiligd, waar zij zich aan een door haar goedgekeurden levensregel onderwierpen. Daar werd inderdaad de vurigheid der schoonste dagen en de oefening der volmaaktste deugd gehandhaafd. Welk eene onthechting van alle goederen dezer aarde! Welke liefde, welke nederigheid, welk eene begeerte om te lijden! Heilige Kerk, uwe inzichten waren vervuld! Mag ik denken, dat ik die ook heb nagekomen?.... Kan men zeggen , dat men ook in mij al de deugden van het Evangelie bespeurt en dat de zuivere christenleer, waarvan men te midden der wereld bijna geene sporen meer vindt, door mijne godsvrucht, mijne regelmatigheid hare eereplaats herneemt? Een ander inzicht der H, Kerk, bij het stichten der religieuze Orden, was hare kinderen te beschermen tegen de gevaren der wereld of ze te behoeden voor het hervallen in de zonden, waarin zij het ongeluk gehad hebben te vallen, hun, in één woord, de heiligheid gemakkelijker, het juk des\' Heeren zoeter, zijn last lichter te maken. Ziedaar wat ik in den religieuzen staat moest vinden; de H. Kerk had mij dit beloofd onder voorwaarde, wel is waar, dat ik de wereld zou verlaten, niet alleen met het lichaam, maar met geest en hart; op voorwaarde dat ik de wereld, hare gebruiken, hare ijdelheid onder de voeten zou vertreden; dat ik zou achten wat zij veracht: de nederigheid, het verborgen leven, de armoede; dat ik zou verachten wat zij acht: lof, eerbetoon, zinnelijke voldoening, de gemakken des levens... Heb ik dit gedaan ? Kon de H. Kerk gelooven, dat ik onder den schijn van met de wereld te breken haar

-ocr page 54-

48

met mg in het klooster zou dragen? dat ik hare uitgestortheid, hare lichtgeraaktheid, hare ijdelheid, een groot gedeelte barer ondeugden zou behouden? En mag ik daarna, o mijn God, U het honderdvoud vragen, mij reeds in deze wereld beloofd? Gij be-loofdet dit aan de religieuze ziel; was ik dit tot dusverre?... Wat heb ik wezenlijk verlaten, onder den schijn van alles vaarwel te zeggen? Moet het mij verwonderen, dat ik geen troost smaak, indien ik den troost des vredes niet ken? En was er ooit vrede voor verdeelde, voor ontrouwe harten? Kan ik te gelijker tijd de grove spijzen van Egypte en het hemelsch manna smaken?

III PüNT. Wat stelde ik naj-zelven voor hij het omhelzen van den religieuzen staat ? De H. Bernardus vraagde zich dikwijls, waarom hij in het klooster getreden was. Wellicht was ik eerst slechts bedacht om mij rustige dagen te bezorgen in de onthechting der aardsche beslommering... Liefdevolle Voorzienigheid, Gij bediendet ü wellicht van mijne zwakheid om mij gelukkig te maken. Gij hield de duizenden kleine kruisjes van het religieuze leven voor mij verborgen. Gij maaktet mij terzelfder tgd bevreesd door mij het ware beeld van \'s werelds leven duidelijk voor oogen te stellen en aldus voltooide en zuiverde uwe genade het werk, dat wereldsche inzichten begonnen hadden. Ik wilde tot eiken prijs de belangen mijner zaligheid verzekeren. Ik stelde mij de keus tusschen de eeuwige verdoemenis of de eeuwige zaligheid, met den verworpeling in de hel branden of met de uitverkoornen in den hemel gekroond worden; op een dezer uitersten loopt mgn kortstondig leven

-ocr page 55-

49

uit. Ik ken mijne eigene zwakkeid, ik zie de gevaren der wereld; de voorzichtigheid gebiedt mij te luisteren naar de stem, die mij toeroept: Vlucht uit het midden van Bahylonië. Ik zal offers moeten brengen; maar wat het mij ook koste, ik wil zalig worden. Ziedaar de zaak, die ik in veiligheid moet stellen, en ia den religieuzen staat vind ik die veiligheid. Van het ooweublik af, dat ik dien staat omhelsde als waarborg mijner zaligheid, wilde ik ongetwijfeld mij ook zalig maken door de middelen, mij door die levenswijze aangeboden, te weten door hare wetten te volgen, hare regelen na te leven, hare geboden te vervullen; en werkelijk bij miju intreden onderwierp ik mij aan alles. Met welken moed overwon ik den afkeer der natuur, omhelsde ik de vernedering, beoefende ik de zelfverloochening, met welke getrouwheid kwam ik de kleinste voorschriften zelfs na! Maar helaas! wat is er geworden van die vurigheid? O mijn God, ik heb de volmaaktheid beloofd tegenover uwe altaren, in tegenwoordigheid van uw volk; en hoe heb ik die plechtige verbintenis nageleefd? Hoe menig verwgt moet ik mij zeiven doen, hoevele fouten heb ik te herstellen? Schaamrood beken ik voor U, dat ik mij mijner heerlijke roeping onwaardig getoond heb; vergeef mij, o Jezus, thans nog mijn Verlosser en weldra mijn rechter! Ondersteun mij in de gewichtige hervorming, die ik ernstig ond* rneem, ten einde voor uwen rechterstoel niet te worden veroordeeld èn door de heiligheid van mijnen staat èn door de weldaden uwer liefde.

4

-ocr page 56-

50

10ae OVERWEGING.

zuiverheid van ziel, \'welke den religieuzen staat past.

I. Wat moet ik denken van die verheven reinheid?

II. Door welke beweegreden moet ik trachten die te verkrijgen?

I Punt. Wat moet ik denhen van die volmaakte zuiverheid van ziel? De ziel is zuiver naarmate hare twee voorname vermogens, de geest en het hart, zuiver zijn.

1°. Zuiverheid van geest. Zij is onvolmaakt als ik mij tevreden stel met niets dat slecht is, in mijne gedachten toe te laten. Zij is volmaakt, als ik er niets in duld dan wat goed is. Zoodra ik God bemin en bedenk dat Hij overal tegenwoordig is, dat Hij mijne gedachten doorgrondt, begin ik met uit mijnen geest alles te verjagen wat strijdt tegen zijne oneindige heiligheid. Ik duld niet, dat eenige slechte gedachte of voorstelling daarin verblijve; ik verban elk onrein beeld, elk liefdeloos oordeel.... Kan ik minder doen, o mijn God, dan u het verdriet besparen in mijnen geest, die ongelukkige voortbrengselen te zien van mijne bedorven natuur of van den duivel, uwen vijand eu den mijne? Zij kunnen er binnensluipen buiten mijn weten, onafhankelijk van mijnen wil; maar dan is er voor mij slechts verdienste , als ik ze zonder uitstel versmoor; het kwaad haten is deugd.

Volmaakt ware het even zoo te handelen omtrent onnuttige gedachten, lichtzinnige redeneeringen,

-ocr page 57-

51

onschuldige, doch doellooze mijmeringen... Welk een kostbaren tijd verlies ik in de afdwalingen van mijnen geest, in de droomen mijner verbeelding! Hoe veel aangenamer zou ik U zijn, o Heer, indien ik mg toelegde, ze te verwijderen en mij geheel tot U te keeren, in zooverre het mijne groote zwakheid toelaat. Ja, mijn goddelijke Meester, mijn begin en mijn einde, als al wat in mij is, voor U zal zijn, zich tot U zal keeren, tot uwe eer en glorie zal streven, gelijk al de lijnen van een cirkel zich vereenigen in haar middenpunt, zal ik ü dan meer geven dan ik ü verschuldigd ben?

2°. Zuiverheid van hart. Mijn hart is niet minder ongeregeld in zijne begeerten dan mijn geest in zijne gedachten. Wil ik Hem tot vriend hebben, dien het heelal eens als Koning zal erkennen, dan moet ik eerst en vooral mijn hart ontmaken van eiken kwaden drift, van elke ongeregelde liefde tot de schepselen, dan moet ik waken, dat er niets insluipe wat aan God kan mishagen. Daarbij mag ik niet alleen niets verlangen tegen hetgeen Hij beveelt of buiten hetgeen Hij toestaat, maar nog moet ik ten opzichte van hetgeen ik mag of moet beminnen, niets beminnen, dan in, dan om, dan voor Hem, Hem beminnen in alles. Maar, Heer, hoe zal ik mij kunnen onthechten van alles, om mij slechts aan U te hechten en aldus de ware zuiverheid des harten te verkrijgen ? 0 ik begrijp het. Ik moet werken om in mij elke ongeregelde liefde tot mij-zelven te vernietigen, zoodanig dat ik in niets mijne natuurlijke neiging involge, dat ik mijne eigene begeerten voor zoover het de mijne zijn, niet vervulle, maar dat ik steeds de

-ocr page 58-

52

meening hebbe U te behagen, uwe glorie en uwe altijd meerdere glorie te bevorderen. Het is de heilige zelfverloochening, het vergeten van mij-zei ven, dat Gij mij voorstelt als noodzakelijk om U te volgen. Ik kan mij niet met U vereenigen, zonder mij af te scheiden van mij-zelven.

II Punt. Waarom moet ik trachten die verheven reinheid te hekomen\'?

1°. Zij schijnt de eerste der hoedanigheden, die-de Heer wil vinden in degenen, waarmede Hij nauwer verkeert. » Ontdoe u van uw schoeisel, alvorens te naderenquot; zegt Hij tot Mozes; want de plaats waar gij staat, is heilig, (1) De Apostelen hadden drie jaren met Jezus geleefd, steeds heilige werken beoefenende. Zij hadden zoo veel voortgang gemaakt in de zuiverheid, dat Hij hen gelukwenschte op den vooravond van zynen dood, door de woorden: vGij zijt zuiver.quot; (2) Wie zou nu meanen, dat zij, ondanks deze goddelijke getuigenis, nog zuivering behoefden. En dit is nochtans het geval. De Zoon Gods moet hun de voeten wasschen, opdat zij van de minste zondesmet gereinigd zijn, en Hij zelf verklaart, dat zij anders geen deel met Hem zullen hebben. Wat moet dan wel de zuiverheid zijn eener ziel, aan welke HÖ het beste deel heeft voorbehouden, door haar te roepen tot de waardigheid zijner bruid? O in welke betreurenswaardige dwaling leeft de religieus, die zich zuiver genoeg gelooft, omdat hij de zware zonden vermijdt!..,..

2°. Moet ik door de beloften worden aangelokt,

1

Exod. 3, 5. (3) Joa. 13\', 10.

-ocr page 59-

53

zoo is deze genoeg om de grootste en heiligste eerzucht te vervullen: Zalig de zuiveren van harte, omdat zij God zullen zien. (1) Is dit slechts in den Hemel? Neen, reeds hier beneden openbaart de Heer zich aan hen. Zij hebben de vleugelen der duif en de arendsblik om zich te verheffen tot de beschouwing der goddelijke zaken; zy begrijpen en smaken de hemelsche waarheden. God deelt zich mede en toont zich om zoo te spreken aan hen in het gebed. Alle schepselen spreken hun van God, tooneu hun eenige trekken zijner schoonheid, zijner grootheid, zijner oneindige volmaaktheid. Zij zien zijne Voorzienigheid in verschillende gebeurtenissen; zij zien Jezus-Christus, als het ware, door de geheimzinnige sluiers van het H. Sacrament en onder de lompen van den arme. Een zuiver leven is het leven des hemels op aarde begonnen.

Kom dan, Heere Jezus, schep in mij een volmaakt zuiver hart, dat geene andere genegenheid koestere dan voor u. Vernieuw mijn binnenste en stort in het innigste van mijn wezen dien geest van gerechtigheid, die alle gedachten tot u keert, o opperste waarheid, zonder ooit den leugen te volgen. Neem uit mijne ziel al wat u in haar mishaagt; plaats er alles wat Gij begeert daarin te zien , opdat uw Geest, die de heiligheid zelve is, zich daariu eene minder

O \'

onwaardige woning vestige en er steeds verblijve met u en God den Vader voor alle eeuwigheid.

1

Matth. 5, 8.

-ocr page 60-

54

llde OVERWEOINa.

hoe moet ik aan mijke heiliging wekken?

I. Als aan eene persoonlijke zaak.

11. Als aan eene even gewichtige als moeielijke zaak.

IJL Als aan eene zeer dringende zaak.

1. Naderen wij den Verlosser om van Hem de wetenschap der zaligheid te leeren: Meester., wat. moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven ? (\')

2. Geef mij, o Heer, het licht dat ons geleidt tot een heilig leven en hierdoor tot het gelukzalig eeuwig leven.

I Punt. Mijne heiliging in eene persoonlijke zaak. Ik kan hierin niet slagen dan voor zoo ver ik zelf werke, en alles hangt voor mij daarvan af; dit is dus werkelijk de zaak, die mij aangaat.

Een vorst wint veldslagen door zijne veldheeren, bestuurt zijne staten door zijne ministers. Aldus kan men ook in lageren stand eene menigte zaken door anderen laten verrichten; maar ten opzichte mijner heiliging en de zaligheid welke daarvan de be-looniug zal wezen, kan ik op niemand steunen. Hij die mij zonder mijne medewerking heeft geschapen, zal mij zonder mijne medewerking niet zalig maken. Hij wil dat ik tot eigen geluk bijdrage en eenmaal mogen zeggen; Ik heb mijne kroon veroverd. Wat heiligt en zalig maakt, is de onderwerping van mijnen geest aan het geloof, van mijn hart aan het god-

(1) Lucas 10, 25.

-ocr page 61-

55

delijk gebod; het is het offer van mijne neigingen aan mijue plichten; het is, iu een woord, het gebruik dat ik maak van mijn vrijen wil. Kan wel iets mij meer persoonlijk betreffen? De mensch zal maaien wat hij gezaaid zal hebben (1) De Zoon des menschen zal komen.... en ieder loonen volgens zijne werken (2).

Daarenboven het betreft hier al mijne belangen of liever geheel mij-zelven. Eer en fortuin, lichaam en ziel alles is voor mij verloren, als ik mij verdoem , en het is voor eeuwig verloren. Daarentegen is alles gered, als ik mij zalig maak. Mochij ook mijn leven voorbijgaan in tranen en kwelling, de zaligheid zal alles herstellen , als ik voordeel trek uit mijne beproevingen om mij heilig te maken. Als ik tot de heiligheid geraak, waartoe God mij roept, dan is de hemel aan mij met al zijne pracht en glorie: maar weiger ik heilig te worden, dan is mijne plaats in de hel reeds aangewezen. Mag eene zaak van zulk een dringend belang ondernomen en gevolgd worden zonder ijver ja, zonder hartstocht? Even zoowel als er eene zondige en verbodene liefde tot zich-zelven is, zoo bestaat er ook eene liefde tot zich-zelven die godsdienst en rede ons gelijkelijk gebieden.

Derhalve geene misdadige lafheid, geene toegevendheid, welke niet alleen de zaligheid, maar ook de vorderingen op den weg der volmaaktheid belet. Men moet liever aan de menschen dan aan God mishagen. Iemand schreef aan een Koning: »Hadde

1

Gal. 6, 7. (2) Matth, 16. 27.

-ocr page 62-

56

ik twee zielen, dan zou ik door mijne groote vriendschap voor u er eene opofferen om u te voldoen; docli daar ik er slechts eene heb, duld dat ik ze zalig make.quot; Vreezen wij toch die zwakheid van karakter, die niets weet te weigeren. Toegeven tot het geweten, nooit verder.

II Punt. Mijne heiliging is eene even moeielijke als noodzakelijke zaak. Moeielijk met het oog op de volmaaktheid, die God van mij verwacht, en mijne verplichting vau steeds mij-zelven te verloochenen: Wil iemand na mij komen, hij verlooeh\'ne zich-zelven, en neme dagelijks zijn kruis op, en volge mij. C1) Dat onophoudelijk opofferen der natuur aan. de genade maakt den weg der zaligheid zoo moeielijk dat Jezus zelf er verschrikt over schijnt. »0 hoe smal is de wegquot;, roept Hij uit, »die tot het leven leidt, en hoe weinigen vinden hem.quot; De weg is het christelijk leven, en voor mij het reh\'gieuze leven; beide worden slechts door de versterving in ons gevestigd. Men moet sterven aan zich-zelven om met Jezus te kunnen leven. Ja het rijk der hemelen lijdt geweld, het eischt ernstig streven.

Maar dit streven is noodzakelijk, even noodzakelyk als mijne heiliging, even noodzakelijk als mijne zaligheid. Men redeneert niet met het onvermijdelijke; men onderwerpt zich daaraan; alles buigt onder deszelfs onverbiddelijke wet. De moeielijkhedeu prikkelen den moed, als men wel overtuigd is, dat men ze, koste wat het wil, moet overwinnen. Het woord van Jezus-Christus antwoordt op alles: Eéne zaak

1

Lue. 9, 23.

-ocr page 63-

57

is noodzakelijk! Ik kan alles missen behalve de zaligheid; ik kan mij onderwerpen aan vele onheilen, maar niet aan het verschrikkelijk ongeluk van verloren te gaan. Ik moet dus niet vragen, wat het my zal kosten om heilig te worden, daar ik het tot eiken prijs moet worden. Wat myne liefde tot mij-zelven moet verschrikken , is niet mij vrijwillig op te offeren in de vlammen der goddelijke liefde, maar wel gedwonjxen te worden te branden in de

o o

vlammen van het eeuwig vuur der hel. Wanneer ik de eene smart weeg tegen de andere, moet dan die welke ik zal lijden door mijn kruis te dragen in het gevolg van mijn Zaligmaker, mij niet veel minder afschrikken dan die, welke mijne lafheid zou straffen in de plaats der eeuwige verdoemenis?

III Punt. Mijne heiliging is eene zeer dringende zaak. Ik moet mij daarmede geheel en zonder uitstel bezig houden. Welke taak is mij opgelegd en hoeveel tijd wordt mij daartoe gegeven? Wat heb ik niet te doen om in mijne ziel het denkbeeld van een heilige te verwezenlijken, gelyk dit in het Evangelie wordt geschetst? hoeveel kwaad te\'herstellen, hoevele fouten te verbeteten, hoevele deugden te verkrijgen! En hoeveel tijd is mij gegeven om dit werk, dat ik nauwelijks durf overzien, te voltrekken? Ben ik verzekerd van hiertoe eenige jaren, althans eenige maanden te hebben? Helaas! heden begin ik en misschien zal ik morgen moeten eindigen....

Zonderlinge tegenspraak! Met de vurigste begeerte om mij zalig te maken, heb ik nochtans tot heden myne eeuwige toekomst in de waagschaal gesteld door halve middelen en onvoorzichtig uitstellen. Ik

-ocr page 64-

58

lieb zoo lang kunnen weifelen alvorens het eenige middel te kiezen mij door rede eu geloof aangeraden? Ja, Heer, ik wilde zalig worden, maar op andere wijze dan Gij dit wildet, zonder mij geweld aan te doen, zonder mijn kruis te dragen, zonder mijn vleesch en deszelfs kwade neigingen te kruisigen. Ik zocht de heiligheid te vereenigen met het zinnelijk leven, dat Gij vervloekt, met eene vermomde eerzucht, met een verborgen hoogmoed, die Gij veroordeelt. Ik wilde aldus uwe woorden logenstraffen, o God, die de eenige waarheid zijt. Ik wilde uw Evangelie en het plan der verlossing door uwe barmhartigheid , voor alle eeuwen ontworpen en vastgesteld, omverwerpen. Ik wilde u noodzaken om hartstochten te bekronen, voor welker verdelging Gij uw bloed hebt gewtort. Maar daar Gij, in uwe oneindige goedheid, mij nog uit eene zoo noodlottige zinsbegoocheling wilt trekken, smeek ik u, niet toe te laten, dat ik er ooit in hervalle; en met de hulp uwer genade zal ik zonder een oogenblik te verliezen (want hoevele heb ik er helaas! reeds verloren!) uwe wet nakomen; ziedaar het besluit, dat ik aan uwe voeten neem.

-ocr page 65-

59

IS46 OVERWEGING.

de ingetogenheid als algemeen middel tot heiliging.

Zij begint die:

I. Door ons nader tot God te brengen, als wij van Hem verwijderd zijn.

II. Door het verdrijven van vele bekoringen.

III. Door ons tegen de zonde te behoeden.

I Punt. De ingetogenheid brengt ons nader tot God. Het is om zoo te spreken de eerste stap eener ziel, die van de zonde tot de genade, van de lauwheid tot de vurigheid wederkeert.

Hoe kwam de verloren zoon tot het ouderlijk huis en hoe komt de zondaar tot de deugd terug ? Beiden gevoelen zich in zich-zelven getrokken in een dier gelukkige oogenblikken, dat God spreekt in het diepste van eeu beangstigd gemoed. »Hoe lang nog,quot; zegt Hij hun, »zult gij buiten u zeiven, vreemd aan uw eigen hart blijven. Treed er binnen, verdoolde ziel.quot; Zij geven gevolg aan dit gevoel, zij treden in zich-zelven, en weldra keeren zij terug tot de rede, tot het geloof, tot zich-zelven, zij openen de oogen. De wereld met hare vermaken, hare beslommeringen, het leven, de dood toonen zich gelijk zij zijn. Dan zien zij hunne dwalingen, dan ontdekken zij hunne misdaden. Dit is voor hen als eene verschijning van Gods heiligheid, rechtvaardigheid en goedheid, die hen treft en verlicht. Zijne heiligheid doet hen blozen over hunne afwijkingen, zijne goedheid over hunne

-ocr page 66-

60

ondankbaarheid, zijne rechtvaardigheid doet hen sidderen voor het gevaar dat hen bedreigt, en van groots zondaars worden zij groote heiligen. De inore-togenheid heeft het bekeer!ngswerk begonnen.

En voor de ziel, die na lang getrouw geweest te zijn in lauwheid is gevallen, zal hetzelfde middel, hetzelfde uitwerksel teweeg brengen. Dat zij in zich-zelve trede tegenover dit orakel: Ach, dat gij koud of warm waart! maar omdat gij lauw zijt, zal ik u uit mijnen mond werpen. (1) Dat zij zich ver-diepe in dit woord; dat zij overwege, waar hij valt dien de Heer uit zijnen mond geworpen heeft; en indien zij niet geheel doof is voor de inspraak der genade, zal zij ontwaken uit haren nootlottigen slaap en zal God al de liefde teruggeven, /.ooals men een goed, dat men geroofd heeft, terug geeft.

II Punt. De ingetogenheid verwijdert van ons vele lekoringen. Het betrachten der ingetogenheid bestaat hierin, dat men zijne verbeelding, zijn geheugen, zijn verstand, zijnen wil, in één woord al de naar buiten uitgestorte vermogens zijner ziel in zich-zelven terugroept om ze alleen op God en de goddelijke zaken te vestigen. In ingetogenheid leven is zich houden in eene zoete, doch bestendige opmerkzaamheid op de werking der genade om die te ondersteunen, op de bewegingen der natuur om die te leiden of te onderdrukken. Eene ingetogene ziel is dus eene ziel die, afgetrokken van de schepselen. God, zijnen wil en zijne begeerten zoekt om zich daaraan in alles gelijkvormig te maken. Men begrijpt lichtelijk, van

1

Apoc. 3, 15, 16.

-ocr page 67-

61

Loevele bekoringen ons die inwendige eenzaamheid bevrijdt, die de Heiligen bebben weten te vinden te midden der meest verschillende en talrijke zorgen en bezigheden.

Eeue uitgestorte ziel sluipt gewoonlijk uit door al de uitgangen barer zintuigen. Zij leeft altijd tusschen de zaken dezer aarde, in het najagen van de eene of andere natuurlijke voldoening. Zij wil alles zien, alles hooren; zij biedt haar hart aan alle voorbijgaande indrukken; zij vult zich op met ijdele denkbeelden , valsche beoordeelingen; zij onderscheidt nauwelijks, wat het geweten toelaat of verbiedt; zij brengt zich lichtzinnig in duizend gevaarlijke gelegenheden. Is dit niet de gevaren en bekoringen te gemoet gaan? De ingetogene ziel heeft voorzichtig haar toevlucht gezocht in den Allerhoogste. Het kwade kan haar niet naderen. Zij verliest den aanbiddelijken getuige barer gedachten, woorden en handelingen nooit lang uit het oog; zij leest in zijnen blik, wat Hij goedkeurt, wat Hij veroordeelt; Hij toont haar den weg, dien zij moet volgen. Zij waakt over hare verbeelding en hare zintuigen; de dood klimt niet binnen door de vensters en treedt hare woning niet binnen. O welk een goede bewaakster is de ingetogenheid!

Hl Punt. De ingetogenheid behoedt ons tegen de zonde; ons leven is meer of minder zuiver, naar mate onze ingekeerdheid meer of minder volmaakt is. De zoude is het werk van duisternis en zwakheid; het is eene dwaling of\' eene machteloosheid. Wat kan ons daarvoor bewaren? Twee zaken, die wij door de ingekeerdheid verkrijgen: Licht en kracht.

-ocr page 68-

62

Een ingetogen mensch, die zich-zelven bezit, geniet liet volle gebruik van zgne rede en zijn geloof. Hij wordt beheerscht door de waarheid, en niet door den hartstocht. Hij ziet de zonde waar zij is, onder welk masker zij zich ook toone; hij ziet haar zooals zij is, in al hare afschuwelijkheid; waarom ? Omdat hij, als het ware. God ziet: God en zijne grootheid, God en zijne macht, zijne rechtvaardigheid, zijne goedheid. Welk een licht verspreidt in de ziel die herinnering aan een altijd tegenwoordigen God, die onze geheimste meeningen weegt en oordeelt!

God is hier, Hjj ziet mij; hoezeer steunt, versterkt en verlicht mij dat goddelijk oog! Hoe helpt het om te zegevieren over alle bekoringen, hoe aanlokkend zij ook mogen zijn! Zoodra de ingetogene ziel ze bemerkt, roept zij in eene heilige verontwaardiging uit: Hoe, mijn God heleedigen , zulk een groot kwaad bedrijven! Tegen den Heer zondigen en dat onder zijne oog en ! Is het mogelijk ? Opstaan tegen Deng ene die zooveel recht heeft op mijne gehoorzaamheid, zijne -wet met voeten treden, als ik sta onder den indruk van den eerbied aan zijne Majesteit verschuldigd, als zijne schoonheid mij bekoort, zijne goedheid mij treft, zijne rechtvaardigheid mij doet sidderen... Neen, ik kan niet!...

Maar al te zeer kunnen wij het, helaas! eu onze vijand weet het maar al te wel, als de uitgestortheid deze zalige gedachten van ons verwijdert. Daarom schrijft de H. Schriftuur het vallen in de zonde gewoonlijk toe aan het vergeten van God en de volharding in de rechtvaardigheid aan het gedenken van zijne tegenwoordigheid. Dat is uw lot, zegt de

-ocr page 69-

63

Heer tot Jeruzalem, omdat gij mij vergeten hebt. (1) Daniël legt de vermetelheid der ontuchtige grijsaards niet anders uit. Zij hehhen zich bedwelmd, zij hebben de oogen afgekeerd om den hemel niet te zien, en zich de rechtvaardige oordeelen niet te herinneren. (2) David geeft dezelfde reden op voor al de wanorden der boozen. Zij zouden zich willen overtuigen dat de Heer niet meer aan hen denkt, dan zij aan Hem denken. God is niet voor zijne oogen, zegt David van den zondaar; daarom zijn zijne wegen ten allen tijde bezoedeld. (3) En van zich-zelven zegt hij tot God: Ik heb uwe geboden en voorschriften onderhouden, omdat al mijne wegen voor uwe oogen zijn. (4) Hoe menigmaal heb ik met denzelfden profeet het geluk begeerd dergenen, wier leven in onschuld en vrede heenvliedt! Ik zal ook dit geluk hebben. Heer, en de zuiverheid mijner ziel zal haar tot een uw minder onwaardig tabernakel maken, als ik mij vestig en behoud in de gewoonte eener heilige ingetogenheid. Ik zal dan met zorg vermijden alles wat mij buiten mij-zelven voert; ik zal wantrouwen al wat mij somtijds onder den schijn van het goede naar buiten werpt. Maar te vergeefs zal ik waken voor mijne ziel, als Gij zelf haar niet bewaakt. O Jezus, bewaar mij als den appel van uw oog. (5) Als Gy mij by ü houdt, zal ik sterk zijn tegen mijne vijanden, en ik zal ze durven uitdagen, mij van U te scheiden.

(1) Jer. 13, 25. (2) Dan. 18, 9. (3) Ps. 9, 2G. (4) Ps. 118, 6, 8. (5) Ps. 16, 9.

-ocr page 70-

64

13de OVKRWEOINQ.

gelukkige staat der religieuze ziel, die in de gewoonte van ingetogenheid leeft.

I. Zij maakt snelle vorderingen in de heiligheid.

II. Haar geluk heeft eenige overeenkomst met het geluk des hemels.

I Punt. De ingetogenheid versnelt onze vorderingen op den weg der religieuze heiligheid door de genade, welke zij over ons aftrekt, door de verdiensten waarmede zij ons verrijkt, door de deugden welke zij ons doet betrachten.

I0., God stelt zijne vreugde in ons door zijne genadegaven te verrijken. Hij wekt ous zelf op om die te vragen, en als Hij ons bereid ziet om er vrucht mede te doen, stort Hij die over ons uit met eene grenzelooze milddadigheid. Welnu, om over ons die bovennatuurlijke hulp te trekken en er voordeel mede te doen, bestaat er gewis geene betere gesteltenis dan die inwendige ingetogenheid, waardoor de ziel slechts zoekt met- God alleen te zijn om Hem te aanbidden, te loven, aan te roepen. Die ziel leeft als het ware in voortdurend gebed, daar haar hart en haar geest steeds tot God verheven zijn. Haar leven, slechts eene aaneenschakelinsr van heilige

o

begeerten zijnde, is slechts eene aaneenschakeling van gebed. Altijd smeekende ontvangt zij altijd; te meer daar haar gebed de gevraagde vereischten heeft om te verkrijgen: aandacht, eerbied, vertrouwen. Welke schatten van licht en liefde vindt zij in het

-ocr page 71-

65

verheven gebed des Heeren Onze Vader! Van het oogenblik dat ik ingetogen ben, bezit ik mij-zelven: Uw dienaar heeft zijn hart gevonden om ü te hidden. (1) Ik behoef het niet meer te zoeken. Die vormen van verkeer met God, van aanbidding, dankzegging, smeeking, die mij Jezus-Ohristus en zijne H. Kerk in den mond leggen, zijn voor mij geene ydele woorden. Ik treed in de gevoelens, die zij uitdrukken; ik bid in geest en hart. Evenzeer als de uitgestortheid de goddelijke weldaden verstoot of derzelver zaligen invloed wederhoudt, evenzeer trekt de ingetogenheid die over ons af en maakt ze werkdadig. God geeft gaarne zijne genaden aan den opmerkzamen geest, die ze dadelijk bemerkt en waardeert, aan het hart dat volkomen vrij, steeds bereid is om derzelver beweging te volgen.

2°. Terwijl de ingetogenheid de hemelsche gaven over ons aftrekt, vermenigvuldigt zij onze goede werken; of liever zij heiligt al onze pogingen, hoe gering deze ook zijn mogen. Er ligt in de gedachte, God ziet mij, Hij zal tevreden zijn als ik Hem zoek te behagen, eene ik weet niet welke machtige zielskracht, die mijne ziel trekt uit hare verdooving, hare meeningen zuivert, haar ontvlamt, hare vurigheid aanwakkert; en is het dit niet wat waarde geeft aan onze minste handelingen ? Ik gevoel mij niet geneigd om voor niets datgene te doen, waaruit ik een onschatbaar voordeel kan trekken, indien ik voor God werk op eene Hem waardige wijze, in plaats van te werken voor de wereld of voor mijne eigene bedorven neigingen.

(1) II Eeg. 7, 27,

5

-ocr page 72-

66

3». Het is eindelijk nog de ingetogeniieid, die de onthechting der schepselen doet ontstaan; men hecht zich gaarne aan God alleen, als men rondom zich slechts het niet beschouwt; — de walging voor al wat aardsch is; zal men stof verzamelen, als men diamanten vindt? Wat is de aarde voor hem die den hemel beschouwt ? — dat geduld, die heldhaftige moed in beproeving, de moeielijkheden van het tegenwoordig leven, zoo spoedig voorbijgaande, treden in geene vergelijking met de heilige vreugden eener eeuwige toekomst \\ (1) — de volkomen gelijkvormigheid met den wil van God: men wil wat Hij wil en zoo als Hij het wil, in één woord, dat leven van geloof, dat slechts eene voortdurende oefening van alle deugden is, de ware rechtvaardigheid grondvest en ons de volmaaktheid doet verkrijgen. Door welke verblindheid, o mijn God, heb ik mij laten afschrikken van die eenzaamheid, waar men U alleen bezit, als hadde men niet in U alles wat men kan begeeren?

II Punt. De ingetogenheid doet ons een geluk genieten, dat eenigszins gelijk is aan het geluk des Hemels. Heilige onschuld, onstoorbare rust, opperste vreugde, de vreugde zelve van den Heer. Het eeuwig leven bezit de volheid dezer goederen; de ingetogenheid geeft er ons een deel van.

Vooreerst, niets dat besmeurd is kan den hemel binnentreden; de zonde is daar onmogelijk, omdat men er God ziet in al de heerlijkheid zijner glorie., en door Hem te beschouwen. Hem bemint met ai de kracht zijner ziel; welnu, daar de gedachte aan

(1) H. Ign.

-ocr page 73-

67

de tegenwoordigheid Gods ons eenige stralen zijner glorie doet ontwaren, stelt zij ons ook in eene gelukkige onmogelykheid van Hem te beleedigen. In den hemel is de liefde genoeg om ons af te keeren van al wat God beleedigt; hier beneden voegt zich de vrees by de liefde. De gedachte aan God behoedt ons voor de zonde. (1) En even als in den hemel niets de rust der uitverkoornen kan verstoren, omdat zij eene stad bewonen door God bewaakt, waarvan Hij zelf het bolwerk is, zoo bedaren de ingetogenheid en de bestendige gedachte aan God alle driften, onderdrukken alle nuttelooze begeerten en verbannen alle vrees. Wat kan ik vreezen, als ik denk dat ik immer aan mijne zijde een almachtigen beschermer heb, die voor mij de liefde eens vaders, de teeder-heid eener moeder heeft, en mij met het schild van zijnen goeden wil omgeeft. (2) Men vraagt eenen kluizenaar naar de oorzaak der onverstoorbare helderheid van zijn gelaat en hij antwoordt: Ik heb God, ik heb alles in God, en niemand Jcan mij mijn schat ontnemen. De H. Joannes Chrys. wordt met de verbanning bedreigd en zonder de minste ontroering te toonen, herhaalt hij het woord van David: De aarde behoort den Heer. Vrij moge men mij in de afeelegenste streek, in het meest barbaarsche

O O \'

banningsoord zenden, overal zou ik God, den besten mijner vrienden, vinden.

Maar ziehier het hoogste geluk eener ingetogene ziel. Als de Heer ons vermaant in zijne liefde te verblijven (en men doet dit op bewonderenswaardige wijze, als men al zijne gedachten en genegenheden

(1) H. Hieron. (2) Ps. 5, 15.

-ocr page 74-

68

tot Hem keert), voegt Hg er aanstonds bij: Ih héb u deze dingen gezegd, opdat mijne vreugde in u zij, en uwe vreugde ten volle zij (l). De ingetogenheid voert ons inderdaad tot die heilige gemeenzaamheid met den Heer, die eene mededeeling is van zijne eigene vreugde en een voorsmaak van de eeuwige gelukzaligheid. De H. Augustinus spreekt bij ondervinding als hij zegt: Hij, die in u treedt, o mijn God, door het inwendig leven en het gebed, treedt in de vreugde zijns Heereii; hij zal zich daar wel bevinden; want hij zal in den Algoede zijn.

Ik zal dikwijls deze schoone regelen der Navolging overwegen: »Leer de uitwendige zaken verachten en u overgeven aan de inwendige, eu gij zult het rijk Gods in u zien komen; dat rijk Gods is de vrede en de vreugde van den H. Geest.quot; Jezus-Christus zal tot u komen; Hij zal u met troost vervullen, indien gij Hem in uw binnenste eene waardige woonplaats bereidt. Doorgronden wij vooral deze woorden: »God bezoekt dikwijls den inwendigen mensch;quot; wel wetende, dat Hij hem te huis zal vinden, bereid om zijne gunsten te ontvangen. Hij spreekt tot hem en zijne taal is zoet. Het is een vriend, die spreekt tob zijnen vriend. Hij troost hem. Hij toont hem het einde zijner beproevingen, en bij dit gezicht neemt de vreugde de plaats in der droefheid. Een heerlijke, overvloedige vrede vloeit in de inge-togene ziel; er is tusschen haar en haren Opperheer eene gemeenzaamheid, waarover de hemel zelf verbaasd is. Laat dan Jezus in u komen en sluit uw hart voor alle anderen.

(1) Joa. 15, 11.

-ocr page 75-

69

14de OVERWEGING.

ongelukkige toestand van een uitgestort religieus.

I. Zijn leven is nutteloos.

II. Zijn leven is vol lijden.

Ut. Zijn leven is vol gevaar.

I Punt. Het leven van een uitgestort religieus is minstens nutteloos, en hij zou veroordeeld worden voor het goede dat hij nalaat en doen moet, indien hij niet veroordeeld werd voor het kwaad dat hij doet. De rank kan geene vruchten dragen zoo hij niet gehecht blijft aan den wijnstok en daardoor het noodige sap ontvangt; aldus veroordeel ik my-zelven tot volkomen onvruchtbaarheid, indien ik mij afscheid van Jezas-Christus. Ik hen de wijnstok, gij zijt de ranken (1). Indien ik Hem verban uit mijn geest en mijn hart, om daar slechts plaats te geven aan de schepselen, indien ik de leiding weersta die Hij mij wenscht te geven, is dit niet mij van Hem afscheiden en het levendmakend sap zijner genade weigeren? Luister, o mijne ziel, en overweeg opmerkzaam deze uitspraak van den Zoon Gods: Hij die in mij blijft en ik in hem, zal overvloedige vruchten dragen. Zoo iemand niet in mij blijft, zal hij huiten geworpen, gelijk de rank, en verdorren; en men zal die vergaderen en in het vuur werpen, en zij brandt (2).

Men vindt deze zelfde waarheid terug in deze woorden des Heeren tot Ezechiel: Zoon des men-schen, wat zal men doen met de rank van den wijn-

(1) Joa. 15, 5. (2) Joa. 15, 5, 6.

-ocr page 76-

70

stok gescheiden ? Zal men dit hout gebruiken tot eenig werk? tal men er een pin van maken om er eenig vat aan te hangen ? Zie hel wordt aan de vlammen tot voedsel overgeleverd (1). Afgesneden, zegt van die ranken de H. Augustinus, dienen zij ten gebruike der landbouwers niet, zijn zij tot geen werk der ambachtslieden geschikt. Een van beide is voor de rank bestemd, of de wijnstok of het vuur.quot; Treurig beeld van den uitgestorten religieus. Hij kan tot niets dienen in de hand des Heeren ter vervulling zijnen inzichten van barmhartigheid. Hy behoort, zonder het waarschijnlijk te beseffen, tot die talrijke klasse van menschen, die geen verstand hebben of wier verstand nutteloos is, omdat zij het niet gebruiken om God te zoeken. Zij zijn verdwaald in hunne gedachten, zij hebben zich afgekeerd van hun einde en zijn onnutte wezens geworden. Nutteloos voor Gods glorie, voor de heiliging van den evennaasten, nutteloos voor zich-zelven. Ach, welke wroeging bereidt de uitgestorte religieus zich voor zijn sterfbed! Met welke wanhoop zal hij uitroepen: »God had tnij uit de wereld geroepen opdat ik mij vrij aan zijnen dienst zou hechten, en ik ben teruggegaan naar de wereld door de lichtzinnigheid mijner gedachten!... Ik heb mij met vele zaken bemoeid, en helaas! ik heb niets gedaan! In plaats van het licht des geloofs te volgen, heb ik de inspraken der natuur gevolgd. Waartoe heeft mij zooveel werken, zooveel streven gediend? Een glas water in Jezus naam den arme gegeven, ware mij nu nuttiger dan al mijne ijdele bezigheden.quot;

(1) Ezech. 15, 2, 3, i.

-ocr page 77-

71

II Punt. Het leven van een uitgestort religieus is een leven vol lijden. Zijne ziel, die in de uitwendige zaken het heil niet vindt dat zij zoekt, leeft immer in kwelling en angst. Tijdens den storm beuken de golven der zee krachtig het strand, waarop zij breken; het strand stuwt ze op zijne beurt met dezelfde kracht naar de zee terug. Die voortdurende strijd geeft het beeld van den ongelukkigen toestand eener uitgestorte en door den hartstocht gekwelde ziel, vooral zoo dit de ziel van een religieus is. In zich-zelve slechts schaamte en wroeging vindende, als vrucht harer ontrouw, gaat zij aan alle voorwerpen dien vrede vragen, dien haar onrustig gemoed haar weigert. En weldra, hare teleurstelling bemerkende door de verveling en walging, haar door die schijngoederen veroorzaakt, voelt zij zich ver van dat uitwendig gedruisch teruggeslagen en gedwongen op zich-zelve neder te vallen; altijd naar buiten gedreven, altijd van binnen verdreven, zonder rust te vinden, noch binnen, noch buiten. Het is de kastijding uwer rechtvaardigheid, o mijn God, het uitwerksel uwer barmhartigheid, dat hij, die zich van ü verwijdert om in de schepselen een welzijn te zoeken, hetwelk Gij alleen, die het opperste goed en het goed van alle goed zijt, hem kunt geven, in plaats van de voldoening, die hij zoekt, slechts lijden en droefheid vindt, en dat zyne fout zijne straf wordt. (1) Zelfs te midden der verblindheid heeft men heldere oogenblikken. Men moge trachten, zich te bedwelmen; men is somtijds mensch: schrik-

(1) H. Aug.

-ocr page 78-

72

wekkende gedachten vormen zich in den geest. Hoe zou men zelfs ondanks zich-zelven geen blik werpen iri de toekomst der eeuwigheid en vergelijken wat men is, met hetgeen men zijn moet? Heeft de ingetogen religieus moeielijkheden, dan zoekt hij zijn troost bij God. O hoeveel lijden doet een goed gebed, eene vurige communie vergeten!.... Doch overal waar de ingetogene ziel troost en vreugde vindt, ontmoet de ziel van den uitgestorten religieus slechts bitterheid en pijnlijken angst.

III Punt. Het leven van den uitgestorten religieus is vol gevaar. De uitgestortheid, die ons berooft van de gedachten van het geloof, berooft ons derhalve van het licht en de kracht, waarvan zij het begin zijn. Zij verwijdert de genade, belet ons voordeel te doen met de genaden, die wij ontvangen hebben; zij opent het hart voor alle verleiding en levert het weerloos aan den geest der duisternis; zij bereidt tot elke zonde en tot verhardheid in het

kwade..... Kan men zich een staat uitdenken, die

gevaarlijker is voor de zaligheid? Zonder ingetogenheid worden mijne godvruchtige oefeningen niet of slecht verricht; als ik niet bid of slecht bid, droog ik de bron uit van de goddelijke zegeningen; de inwendige geest, te weten het leven, ontbreekt aan al mijne werken; ik ben de onvruchtbare vijgeboora door den vloek getroffen, de rank van den wijnstok afgerukt en buiten den wijngaard geworpen, geworpen als het ware uit den vaderlijken boezem dier bijzondere voorzienigheid, waarmede God over zijne lievelingen waakt. Ik heb ter mijner bescherming die uitgelezen genaden niet meer, waarmede Hij de

-ocr page 79-

73

getrouwheid beloont. Moet ik dan niet vreezen deze bedreiging vervuld te zien: Als zij zich aan uitgestortheid overgeven, zullen zij sterven.

O mijne ziel, om aan dit ongeluk te ontkomen, houd toch op, u te verdolen tusschen de zaken der natuur en der zinnen, waarin gij slechts dwaasheid, logen en ij delheid hebt gevonden. Keer in u zelve, keer weder tot God; iu Hem zult gij vinden wat gij te vergeeft buiten Hem zoekt; want daar Hij het opperste goed is, moet Hij wel de bron zijn aller vertroosting. Keer weder, arme duif, keer wedsr tot Noach, treed de ark binnen; trek op nieuw in het Hart van Jezus, slechts in dit goddelijk toevluchtsoord zult gij veilig zijn. Ach, hoe duur hebt gij reeds de onvoorzichtigheid betaald, die u dit heeft doen verlaten! Verzaak aan de ijdele en misdadige vreugde van een geheel uitwendig en uitgestort leven, indien gij de ware heilige genoegens wilt smaken van het verkeer met God; het lage voedsel der roofdieren mag u niet tot voedsel strekken ; nader die bedorven overblijfselen niet. De honger, de ontsteltenis, het lijden dat gy ondervonden hebt, sedert gij de heilige ark verlaten hebt, dringen u er weder te keeren; keer dan weder tot Jezus-Christus, Hij zal de hand tot u uitstrekken en u met goedheid ontvangen; om uwe krachten te herstellen zal Hij u het brood des levens geven. Er zijn slechts strikken, gevaren en bekoringen voor hen, die leven in uitgestortheid; er zijn slechts genaden, veiligheid, heiligheid en geluk voor de ingetogen ziel, die het inwendig leven niet verlaat of gelijk de duif zich haast er terug te keeren.

-ocr page 80-

74

15de OVERWEGING.

de oefeningen van godsveucht als ben andee middel tot heiliging.

I. Men kan ze niet te hoog achten.

II. Welke zijn de vruchten van deze hoogachting?

I Pont. Wij Itunnen onze oefeningen van godsvrucht niet te hoog achten. Beschouwen wij het goede dat zij voortbrengen: geestelijke, bovennatuurlijke,-eeuwige goederen, en bijgevolg goederen oneindig verheven boven al die, welke zich binnen den nauwen cirkel van tijd en stof bewegen. Toen de geleerde Suarez beweerde, dat hij liever al zijne theologische kennissen wilde verliezen, dan een kwartier omgang met God in liet inwendig gebed, overdreef hij toen wel het groote belang onzer godsdienstige oefeningen ? Neen, maar hij schatte naar juiste waarde de akten van geloof, hoop, liefde, aanbidding, vernedering van zich-zelven voor de goddelijke Majesteit en dergelijke werkingen der ziel, welke deze kostbare oogenblikken vervullen. Hij wist, dat aan elk dezer oefeningen door den rechtvaardige verricht, een graad genade voor den tijd, e.en graad glorie voor de eeuwigheid gehecht is; twee genadegiften , die oneindig zijn in omvang.

De genaden die wij verkrijgen, hetzij door het mondgebed, hetzij door het inwendig gebed, de geestelijke lezing, het onderzoek, behooren tot de bovennatuurlijke orde en hebben drie groote voorrechten boven de aardsche goederen. Het is reeds

-ocr page 81-

75

eene groote genade, die goederen te begeeren; deze begeerte verscbaft ze ons en maakt derzelver bezit zoeter.

1°. Als er sprake is van natuurlijke goederen, is de begeerte daarnaar, als men ze niet bezit, wel verre van een goed te zijn, de kwelling van ons hart; even als de honger en de dorst de kwelling zijn van ons lichaam; maar als er sprake is van de goederen der genade, is de begeerte daarnaar reeds een groot goed, omdat zij eene groote deugd is, die edele neiging der ziel, die God, het begin en de bron van elk waarachtig goed, zoekt. Daar die begeerte ons beter maakt, omdat zij de vervulling is van ons einde en ons plaatst in ons middenpunt, is het niet te verwonderen, dat zij ons voldoening aanbrengt, terwijl de begeerte naar tijdelijke goederen, die ons bijna altijd van dit einde aftrekt en ons verlaagt, ons slechts lijden en smart veroorzaken moet.

2o. Er bestaat nog een ander groot onderscheid tusschen de geestelijke en de aardsche goederen: het verlangen dat men voor deze laatste koestert, schenkt ze ons niet; men is niet geleerd omdat men naar de wetenschap verlangt, de begeerte om rijk te zijn maakt ons niet rijk, terwijl ik, indien ik honger en dorst heb naar de rechtoanrdiylieid, verzadigd zal worden; indien ik vurig datgene verlang wat den mensch rechtvaardig en heilig maakt, trek ik in mij de rechtvaardigheid en de heiligheid: waarom? Omdat ik bid. Het gebed is slechts eene heilige begeerte. Wat God verhoort, zegt de H. Augustinus, is niet de klank der woorden, maar de begeerte, de bereiding

-ocr page 82-

76

des harten. De heilige Maagd leert ons dit in haar verheven lofzang: De Heer heeft de hongerigen met goederen vervuld. Reeds vóór Haar had de profeet Isaïas geroepen: »Gy allen die dorst, komt tot de wateren.quot;

3°. De begeerte der geestelijke goederen eindelijk maakt het bezit daarvan zoeter. Zuiver menschelgbe voldoening staat ons weldra tegen. Zij kan immers ons hart niet voldoen. Nooit vermoeit het bezit dei-zuivere geestelijke goederen. Integendeel, hoe meer men die bezit, hoe meer men die begeert. Men mag met eenige voorbehouding van de rechtvaardigen hier op aarde zeggen, wat de H. Augustinus zegde van de gelukzaligen in den hemel: Zij zijn altijd gretig, hoewel altijd verzadigd. Is het geluk der uit ver-koornen gelegen in de goddelijke vereeniging tot de hoogste volmaaktheid gebracht, zoo zijn onze godvruchtige oefeningen, wel verricht, een voorsmaak van het eeuwig leven, daar zij hierbeneden die vereeniging met God beginnen. Ziedaar, waarom men ze niet te hoog kan achten.

II Punt. Welke vruchten zal die hoogachting voortbrengen ? Nauwkeurigheid om ze te verrichten, ijver om ze wel te verrichten.

1°. Wel verre van in ingebeelde onmogelijkheid voorwendselen te zoeken, die de lauwheid zoo vernuftig weet te vinden, is de goede religieus bedroefd, als hij zijne heilige oefeningen of geheel of gedeeltelik moet opofPeren. Hij regelt zijn tyd, neemt zijne maatregelen, opdat niets hem belette ze vry te volbrengen, als het uur daartoe bestemd zal slaan. Zeker zyn deze oefeningen slechts middelen, en de

-ocr page 83-

77

verstandige meiisch hecht zich daaraan slechts in zooverre als zij hem tot zijn doel brengen. Hij aarzelt nooit, God om God te verlaten, en de rust der beschouwing op te offeren voor de vermoeienis van den arbeid, als de opperste Meester het vraagt. God haat den vrede van hen , die Hij ten strijde roept (1); maar, met de hand op het hart, is het altijd voor God, om God te behagen, dat wij die kostbare oefeningen overslaan of verkorten? Wij geven aan den slaap en de maaltijden al den daarvoor bestemden tijd om de krachten des lichaams te herstellen; moeten wij dan den tijd van het gebed, de geestelijke lezing, het onderzoek, het H. Misoffer, minder eerbiedigen ? Heeft onze ziel ook geene krachten te herstellen? Kan zij het geestelijk voedsel beter derven, dan het lichaam het stoffelijk brood?

Indien wij eenige oogenblikken afnemen van onze geestelijke oefeningen, ontnemen wij die dan aan ons-zelven? Ontrooven wij ze niet van God en zijne glorie? Moeten ,wij niet vreezen aan Hem te be-leedisren door dezen diefstal in het brandoffer? De nauwkeurigheid van een goed religieus wankelt nooit omtrent deze hoofdzaak; hij geeft aan zijne oefeningen al den voorgeschreven tijd, uitgenomen bet geval eene gebiedende noodzakelijkheid.

2°. Hij verricht ze met alle volmaaktheid, waartoe hij bekwaam is. Hetzij hij God moet aanhooren, die tot Hem spreekt in de geestelijke lezing, of tot God spreekt in het inwendig gebed, tracht hij, voor en gedurende die hemelsche mededeelingen, alles op

(1) H. Franciscus Yan Sales.

-ocr page 84-

78

het volmaakst te verrichten. Verwijderde en onmid-delijke voorbereiding, opmerkzaamheid van geest, leerzaamheid van hart, niets ontbreekt; en ziedaar, wat hem doet vooruitgaan in den geest van geloof, in de ware heiligheid.

Wederom leg ik mij-zelven de wet op, nauwkeurig al mijne godvruchtige oefeningen te volbrengen. In eene goede morgen-meditatie zal ik een voorraad inwendigen geest verzamelen, die mij gedurende den dag zal verdedigen tegen de indrukken der uitwendige zaken. Reeds door het gebed met God vereenigd, zal ik trachten mij nog inniger aan Hem te hechten gedurende het heilig Misoffer, indien ik het geluk heb daarbij tegenwoordig te zijn; en hoe veel te meer, als ik daarbij de heilige Communie op geestelijke of werkelijke wijze mag ontvangen! Een blik in mij-zelven tegen den middag, eene geestelijke lezing tegen den avond, een bezoek aan het H. Sacrament en, alvorens mij ter ruste te begeven, een ernstig onderzoek, zullen het verlies herstellen, dat ik in mijn omgang met de wereld zou kunnen geleden hebben, zullen mijne vurigheid opwekken en nieuwe kracht mededeelen aan mijne goede voornemens. Wanneer ik mij gedurende mijne godvruchtige oefeningen verstrooid of weinig opgewekt gevoel, of wel bekoord word om ze te verkorten, zal ik den vijand mijner ziel antwoorden met het woord van Jezus-Christus: li moet de zaken mijns Vaders behartigen (1).

(1) Luc.^.MO.j\'

-ocr page 85-

79

16de OVERWEGING.

de gedachte der eeuwigheid is een ki1achtig middel ter heiliging.

I. Er is eene eeuwigheid.

11. Wat is de eeuwigheid?

III. Hoedanig zal mijne eeuwigheid zijn?

Het grootste deel der volgende overwegingen ont-leenen aan de gedachte der eeuwigheid hare grootste kracht om de ziel tot de edelmoedigste offers aan te zetten. Doordringen wij ons levendig van eene zoo zalige waarheid.

I Punt. Er is eene eeuwigheid. Hoe nuttig is het mijn geloof op te wekken, omtrent deze voor de rechtvaardigen zoo troostende, voor de zondaren zoo verschrikkelijke waarheid! Te vergeefs tracht de hartstocht in eigen belang die waarheid te verduisteren; al wilde ik de oogen sluiten om de zon niet te zien, zou ik niets verminderen aan den glans harer stralen. Mijne rede toont mij de onsterfelijkheid mijner ziel; de duidelijkste openbaring leert mij met de verrijzenis van mijn lichaam de toekomstige onsterfelijkheid, de eeuwigheid van mijn bestaan:

Ik geloof de verrijzenis des vleesch, het eeuwige leven......

Na het onherroepelijk vonnis zullen de verdoemden in de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen in het eeuwig leven gaan (1).

Ja, Heer, ik geloof aan de waarheid van uw woord, mij geleerd door het onfeilbaar gezag uwer

(1) Matth. 25, 46.

-ocr page 86-

80

Kerk; ik geloof, dat ik na dezen tijd, die voorbg-gaat, zal ingaan in de eeuwigheid, waar niets voorbijgaat. Hemel en aarde, die het werk zijn uwer handen, zullen voorbggaan, maar Gij, o mijn God, maar ik zelf, door uwen goddelijken wil, wij zullen bestaan in eeuwigheid. Gij hebt gewild, dat de eeuwigheid nauw verbonden was aan mijn bestaan, gelijk aan het uwe; Gij en ik, wij zullen leven in eeuwigheid.

II Punt. Wat is de eeuwigheid ? De menschelijke taal kan niet uitdrukken, wat de geest niet kan begrijpen. De eeuwigheid, eene der volmaaktheden Gods, moet even ondoorgrondelijk zijn als God zelf. Ten onze opzichte is de eeuwigheid een eindeloos tijdperk; niets kan haar afmeten; een altijd onveranderlijke toestand, niets kan haar veranderen. Onmeetbaar in tijd, onveranderlijk in staat, ziedaar het eenvoudigst en duidelijkst denkbeeld, dat ik mij van de eeuwigheid kan vormen.

1. Eindeloos tijdperk, niets kan haar meten. Onze eeuw, door eigen wetenschap bedwelmd, wil alles onderwerpen aan de macht der cijfers: de uitgestrektheid der aarde, de diepte der zeeën, de afstanden, de afmetingen, de beweging der hemellichamen. .... De eeuwigheid spot met hare berekeningen; men zal haar tijdsverloop zelfs in de verte niet kunnen benaderen. Is de eeuwigheid een keten, samengesteld van ontelbare schakels, welke ieder tallooze millioenen van millioenen eeuwen besluiten? Ja, de eeuwigheid is dit, en daarenboven het oneindige. Welk getal men er bij voege, men vermeerdert haar met geene seconde; welk getal men er aftrekke

-ocr page 87-

81

verkort men haar geen polsslag. Men snelt voort in die veruitgestrekte loopbaan en komt geene schrede vooruit. In het oogenblik des doods kan men van den mensch zeggen, dat hij zijne eeuwigheid begint: nooit zal hij een derde, een vierde, een honderdste, een duizendste deel zijner eeuwigheid hebben afgelegd ; zy blijft voor hem in haar geheel, gelijk op het oogenblik toen hij haar intrad.

Altijd, nooit! Deze twee woorden zijn de eenige, welke den duur der eeuwigheid uitdrukken. Hoelang:

O O

zal die waardige Bruid van Jezus-Christus het opperste geluk genieten op een uer schoonste tronen des hemels? en die ontrouwe religieus lijden in een der afschuwelijkste kerkers, den onboetvaardigen zondaar voorbehouden? Altijd. Wanneer zal de eeuwigheid zaliger zijn voor de uitverkoornen, minder vreeselijk voor de verdoemden? Nooit. Wanneer zullen die zuivere en onuitsprekelijke genoegens, die zegeliederen der eersten, de folteringen, de verwensching,

het huilen der laatsten ophouden ? Nooit.... Altijd.....

nooit..... o eeuwigheid, kenden wij u gelijk zij, die de dood reeds van ons gescheiden heeft, welk eene verandering zou men in onze gevoelens, in ons leven ontwaren!

2. Onveranderlijke toestand, — de boom valt en blijft liggen. Men voorziet den val; maar valt hij ter linkerzijde, dan kan niets dien val herstellen. Naar welke zijde neigt de boom? Is de neiging sterk? Helt hij over sedert lang?... Hij zal blijven liggen, waar hij valt; over honderd, over duizend jaren ligt hij daar; als de wereld zal voorbijgaan, als eene nieuwe wereld en nieuwe hemelen zullen ch. i. 6

-ocr page 88-

82

geschapen worden, zal hij daar liggen; na zoo vele millioenen eeuwen als er druppelen waters zijn in den oceaan, zal hij daar liggen.

De wisselvalligheid is eigen aan onzen tegen-woordigen toestand; de onveranderlijkheid is gehecht aan ons toekomstig lot. Hier vergaan de uren, doch gelijken elkander niet; daar is alles duurzaam en onveranderlijk. Dag en nacht wisselen elkander niet meer af. Niets stoort de vreugde; niets troost de smart. Geene verandering te vreezen in den hemel, te hopen in de hel. Ware de ongevoeligheid aan die onveranderlijkheid verbonden, dan zou de straf der boozen bestaan in de berooving der heraelsche goederen. Dan neen, met het scherpste gevoel zullen zij onophoudelijk ondervinden, wat een onveranderlijke toestand is in eene allergrootste smart, en door de vereeniging van die eeuwige jaren in een enkel punt zal hunne verbeelding hun elk cogenblik het gewicht der geheele eeuwigheid doen gevoelen. O mijn God, geef mij een weinig geloof, een weinig gezond verstand, een weinig moed, een weinig boetvaardigheid, alvorens ik die onmete-Igke, onveranderbare eeuwigheid binnentrede. Zoodra ik den drempel overschreden heb, ben ik voor eeuwig wat ik dan ben. En wat zal ik zijn?

III Punt. Hoedanig zal mijne eeuwigheid zijn! Hier op aarde is er niemand, of hij behoort tot de stad van God of de stad des duivels; zoo behoort in de andere wereld geheel het menschelijk geslacht tot eene der beide eeuwigheden, de eeuwigheid der belooning voor de groote en laatste openbaring der goedheid des Heeren; de eeuwigheid der straf voor

-ocr page 89-

83

de oneindige openbaring zijner gerechtigheid. In de eerste vereenigen zich alle glorie en alle genoegens, zonder het minste lijden; iu de tweede zijn alle lijden eu alle smarten, alle beschaming en wanhoop zonder de minste verzachting opééngestapeld. Eeuwigheid des hemels, eeuwigheid der hel; elke klopping mijns harten brengt mij nader tot deze beide uitersten. Ik zal ontwijfelbaar vallen in de eene of de andere eeuwigheid. Geen middenweg: mis ik de kroon, dan ontsnap ik niet aan den vreeselijken.kerker. Altijd bij God, zijne glorie beschouwende, zijn geluk deelende: of altijd van God gescheiden, aan het hevigst lijden ten prooi. aan de vreeselykste wroeging overgeleverd. Altijd in de zoetste omgeving de lofliederen des Heeren zingen; of altijd met de duivelen God vervloeken en mij

zeiven verwenschen.....

Welk lot zal het mijne zijn? Ik weet het niet. Wat ik weet is, dat er slechts eene schrede ligt tusschen mij en de eeuwigheid. Een ader, die springt, een zwakke zucht, een laatste ademtocht, en de eeuwige poort ontsluit zich voor mij. Wat ik nog weet is, dat de eeuwigheid der heiligen mij kan ontsnappen en ik die der verdoemden ten deel kan hebben. 0 mijne ziel, moet eene dergelijke moge-lijkheid niet al uwe zorg, al uwe gedachten innemen, u alle voorzorg inboezemen, u tot alle offers doen besluiten? »0 eeuwigheid,quot; roept de H. Augustinus, wie u overweegt, zonder van leven te veranderen, heeft of geen geloof öf geen hart. Dat voortaan, o mijn God, mijne eenige bezigheid zij, door mijne

-ocr page 90-

84

tranen de zonden mijner vorige dagen uit te wis-scheu en door mijne goede werken het geluk mijner eeuwige jaren te verzekeren.quot;

17ae OVERWEGINO.

waarvan hangt mijne eeuwigheid aï?

I. Van mijn leven.

II. Van mijn zoo kortstondig leven.

III. Wellicht van één oogenblik van mijn leven.

I Punt. Mijne eeuwigheid hangt af van mijn leven. Niets duidelijker in de goddelijke leering. leder zal ontvangen volgens zijne verdiensten; hij zal oogsten, icat hij gezaaid zal hebben. Onze goede of slechte werken, zegt de H. Bernardus, zijn als zoovele zaadkorrels voor de eeuwigheid. Wij werpen die in den grond, zij verdwijnen; maar bij onzen dood vinden wij ze terug en dan zullen zij onafscheidbaar met ons vereenigd blijven. Eéne gedachte, die mijn geest doorkruist, één woord, dat mijnea mond ontglipt , eene daad, wellicht even spoedig volbracht als begonnen, werpen zich in den uitgestrekten oceaan der eeuwigheid, worden blijvend en onvei\'gankelijk gelijk zij. Ik volbreng in één oogwenk datgene, wat geene eeuwen zullen vermogen te vernietigen. Ik stem toe in eene bekoring... het is voor alle eeuwigheid, ik bid, ik geef eene aalmoes... het is voor alle eeuwigheid. Die zonde, waarvan het genoegen als een bliksemstraal voorbij snelt, zal, indien ik ze niet

-ocr page 91-

85

door mijn berouw uitwisch, zich in alle eeuwigheid vastkleven aan mijne ziel, gelijk de gier aan zijne prooi. Dit werk van rechtvaardigheid, van godsvrucht , van liefde, daarentegen, zal mij, als ik zelf de dwaasheid niet heb, mijne verdiensten weg te werpen, door mij van God door de zonde te verwijderen, mij onuitsprekelijke genoegens bezorgen in alle eeuwigheid.

Met de genade, die my voorkomt, mij vergezelt, mij ondersteunt, ben ik dan onfeilbaar meester, bewerker van mijn eeuwig lot. Welk eene reden tot vrees en hoop. Reden van vrees, want als ik de toekomst moet beoordeelen naar het verleden, naar mijne zwakheid en onvoorzichtigheid, hoe slecht is dan zulk eene belangrijke zaak in mijne hand. Dit is maar al te waar, mijn God, doch daar Gij mij nog gelieft tot U te roepen en mij de middelen aanbiedt mijne fouten te herstellen, hangt het slechts van mij af mij eene gelukkige eeuwigheid te verzekeren. Het is genoeg, dit te willen en mij dunkt, dat ik het wil.

II Punt. Mijne eeuwigheid hangt af van mijn kortstondig leven. Wat is de tijd vergeleken bij de eeuwigheid? Heer, Gij hebt aan mijne dagen eene maat gesteld; en mijn bestaan is als niets voor U. (1) Een tijdperk, dat eindigt, dat verdwijnt gelijk een droom, is niets in vergelijking der nimmer eindigende eeuwigheid. Wij staan te dicht bij het tegenwoordig leven, om deszelfs langen of korten duur wel te beoordeelen. Beschouwen wij het van het standpunt

(1) pb. 38, 7.

-ocr page 92-

86

waarvan wy het zullen teschouwen, nadat wy eenige millioenen eeuwen zullen doorgebracht hebben. Wat

zal ons leven ons dan schijnen?..... en bet is

werkelijk wat het dan schijnen zal. Ach, na zulk een langdurig verblijf in de woning der verdoemden of in dat der gelukzaligen, zou ons nauwelijks eene flauwe herinnering overblijven van onzen doortocht op aarde, ware het niet, dat de eeuwigheid en al, wat wij daarin zullen ondervinden, ons zegden, dat wij geleefd hebben, en dat het in dat oogenblik leven geweest is, dat wij ons eeuwig lot bereid hebben.

Vragen wij den H. Antonius, den H. Hilarion, den H. Hieronymus, wat zij denken van hunne lange en strenge boetvaardigheid. Met welke overtuiging zullen zij ons antwoorden : Onze tegenwoordige, kortstondige en lichte kwelling bewerkt in ons een bovenmate uitnemend eenwig gewicht van glorie, (1) Zie hoe weinig wij hebben gearbeid en welk eene overvloedige rust wij gevonden hebben (2). En wat denken de vijanden van God van dien tijd, dien zij hadden moeten besteden, om den hemel te verdienen en dien zij hebben verloren in zich onherstelbare wroeging, een onbluschbaar vuur, eene eeuwige hel te bereiden ? Hooren wij hunne klachten: Wij hebben ons vermoeid op den weg der boosheid en des ver-derfs, wij hebben moeielijke wegen bewandeld... waartoe hebben onze schatten ons gediend? Wat blijft ons over van het praalvertoon onzer rijkdommen? Alles is voorbijgegaan als eene schaduw!... Te laat... Waarom dachten zij niet aldus, toen zij leefden in

(1) II Cor. 4, 17. (2) EccU 51, 35.

-ocr page 93-

87

den tijd der barmhartigheid! O hoe doen zij mij de waarheid begrijpen van het woord: Kort is de tijd! (1) en hoe kostbaar schijnt hij mij als ik de eeuwigheid overdenk!...

III Punt. Mijne eeuwigheid hangt wellicht af van één ooqenhlih mijns levens. De genade heeft hare oogenblikken. Het licht straalt en verdwijnt. God nadert en verwijdert zich. Hij spreekt en zwijgt. Meester zijner gaven, hecht Hij die volgens welgevallen aan deze of gene voorwaarde. Het gewone plan der V oorzienigheid is door uitgelezen en buitengewone genaden de getrouwheid aan gewone genaden te beloon en, doch weigert men aan deze laatste gehoor te geven, dan maakt men zich de eerste onwaardig. Tot welke heiligheid, tot welk geluk

O O \' O

kan ons dan een wel besteed oogenblik van genade verheffen! doch een oogenblik van verzuimde genade kan ons ook in het diepste der hel storten.

Abraham zal in eeuwigheid gezegend zyn om zijne getrouwheid in het volbrengen van het gebod om zynen zoon op te offeren. Saül zal eeuwig verdoemd zijn, omdat hij aan de stem des Heeren niet wilde gehoorzamen. Wat ware er geworden van David, Petrus, Magdalena, hadden zij het gunstig oogenblik, het oogenblik der genade, laten ontsnappen ? Gelukkig ware Jeruzalem geweest, hadde zij, hoewel tot dusverre ontrouw, den tijd der genade gekend, en gebruik gemaakt van den dag, die haar nog gegeven was. Doch het onbuigzaam volk sluit de oogen om niet te zien; het weerstaat nogmaals aan den indruk der

(1) i Cor. 7, 29.

-ocr page 94-

88

genade, aan de teedere uitnoodigingen der barraliar-tiglieid. Het laat het allesbeslissend oogenblik voorbijgaan ; vandaar deszelfs verblindheid en ellende. Eene verstooten inspraak kan bijgevolg eene eeuwige hel ten gevolge hebben, even als eene schrede tot God het begin kan zijn eener gelukzalige eeuwigheid. O kostbaar oogenblik, waarvan de eeuwigheid afhangt!

Heer, als ik uwe stem hoor, op welk uur zij mij toespreke, welk offer zij mij vrage, zal ik mijn gemoed niet verharden! Dan wat zeg ik ? Ik heb ze gehoord, ik hoor ze nog die krachtige stem, die weerklinkt in het diepste mijner ziel. O eeuwigheid, eeuwigheid! O hoe vele beuzelarijen vallen of verdwijnen tegenover die gedachte; beuzelarijen die mij bewegen, mij 11e hartstochten opwekken, mijn hart uitzetten door vreugde, mij neerdrukken door droefheid! Neen, mijn God, ik zie op aarde slechts een voorwerp va.i voldoening, te weten datgene wat mij nader brengt tot die eeuwigheid, welke ik verlang, mij verwijdert van die, welke ik vrees; ik zie er slechts eene oorzaak van verdriet, te weten dat wat mij, door L te beleedigen, blootstelt aan het ongeluk, in alle eeuwigheid van U gescheiden te worden.

Kom dan, o Jezus, Koning der eeuwige goederen. Gij hebt ze ons beloofd in uw Evangelie, Gij hebt ze ons verdiend door uwen dood, Gij geeft ons uw hemelsch gastmaal tot onderpand. Hij, die mijn brood eet en mijn bloed drinkt, heeft het eeuwige leven. (1)

Gij voedt mij met het brood der uitverkoornen

(1) Joa. 6, 55.

-ocr page 95-

89

en wilt mij dus deel geven aan hun geluk. O kom dan bezit nemen van mijne ziel en een verbond met mij sluiten, dat voortaan niets kan verbreken. Plaats mij in den rang dier verlichte geesten, dier zuivere harten, wier verkeer in den hemel is; die vrij van alle slavernij, verheven boven alle aardsche zaken, slechts de hemelsche beschouwen; die slechts een vluchtigen blik werpen op datgene wat voorbijgaat en nimmer het oog afwenden van datgene wat altijd zal duren. Kom mijne ziel verdedigen en ten eeuwigen leven bewaren: Corpus Domini nostri Jesu Christi custodiat animan meam in vitam oeternam.

18lt;le OVERWJSGINa.

vruchtkn van heiligheid voortgebracht door de gedachte der eeuwigheid.

I. Wijsheid in onze beraadslagingen.

II. Moed in onze beproevingen.

III. Vurigheid in de beoefening der deugd.

I Punt. De gedachte der eeuwigheid is een helder licht, dat ons verlicht in onze beraadslagingen. De lichtste last krijgt een drukkend gewicht, als men er de gedachte der eeuwigheid oplegt. Daarentegen zou eene lichte voldoening, eene kleine vreugde, ons voor eeuwig verzekerd, voor ons eene oneindige waarde verkrijgen. Wat is dan de verzameling van de hevigste, van de ondragelijkste pijnen, wat is de vereeniging van alle mogelijk geluk van het

-ocr page 96-

90

zoetste genot, beide gewogen in de schaal der eeuwigheid? Het is onmogelijk, zich in deze gedachte te verdiepen zonder dezen grondregel van den H. Gre-gorius tot gedragslijn te kiezen: Zoodra er sprake is van de eeuwigheid, kan men nooit genoeg voorzorg nemen, omdat men nooit genoeg verzekerd is.

Deze grondregel heeft bet gedrag aller heiligen geleid. Zij hebben den raad gevolgd des Apostels, die ons vermaant ons zeiven te meten (1). Zich voor de eeuwigheid geschapen gevoelende, hebben zy niets gevonden van hunne maat, dat hunner waardig was, in eene wereld, waar alles vergankelijk en kortstondig is. Ziedaar wat meer dan eens de wijsheid der kinderen boven die der grijsaards heeft gesteld, la teederen leeftijd zoekt Theresia de eenzaamheid en zegt tot zich-zelve: »Eeuwig gelukkig of eeuwig ongelukkig!.... Kies, Theresia. De jonge Stanislaus Kostka geeft alles aan God, weigert alles aau de wereld. Men ondervraagt hem omtrent de beweegreden van een leven, dat zonderling schijnt en zie bier wat hij antwoordt: »Ik ben voor dit leven niet geschapen, maar voor het toekomende.quot; De H. Aloysius van Gonzaga stelt zich dikwijls deze vraag: »Wat baat het voor de eeuwigheid?quot; »Ik vind hierin twee bewonderenswaardige regels van voorzichtigheid; door den eerste gebruik ik de middelen tot het doel; door den tweede kies ik van twee kwalen de kleinste en van twee goede zaken, de beste, slechts één voorwerp beoogende: koste wat het wil, de eeuwigheid der uitverkoornen ver-

(1) II Cor. 10, 12.

-ocr page 97-

91

krijgen en mij vrijwaren tegen die der verworpelingen. Beschouw ik alle zaken ten opzichte van dit eenig doel? Welke liinderpalec. zijner? Welke middelen ? Welke middelen verzekeren het beste den goeden uitslag? Welke hinderpalen staan meest in den weg? Ik acht slechts wat mij helpt om mijn doel te bereiken , ik stoot slechts datgene terug dat mij daarvan verwijdert. Moet ik blijven te midden der grootheid en het gevaar dezer wereld? Zou ik beter doen ze te verlaten? Rijkdom of armoede.... een gemakkelijk of een boetvaardig leven, eer of verachting..,, wat maakt het voor de eeuwigheid?

2. Wanneer ik voor denzelfden tijd het goede en het kwade van dit leven vergelijk met het goede en het kwade der eeuwigheid, neem ik mijn besluit en geef den voorkeur aan datgene wat mij eene groote mate goed, eene mindere mate kwaad aanbiedt. Wat is er redelijker? Verzaken aan eeuwige genoegens, zich overgeven aan eindelooze straffen voor het genot van een oogenblik, welk eene verwarring van denkbeelden, welke dwaasheid! O hoe veel licht geeft de gedachte aan de eeuwigheid! maar ook welke kracht kan ik hieruit putten!

II Punt. Gedachte aan de eeuwigheid, ome steun in de beproeving. Onze vijanden vallen ons aan door de liefde der vermaken en de vrees tot het lijden. Wij zondigen slechts om ons eenige voldoening te verschaffen of ons eenig lijden te sparen? Wat doet de gedachte der eeuwigheid? Zij stelt vermaak tegenover vermaak, lijden tegenover lijden; zij ver-gelykt de kortheid van het offer met het eeuwige der belooning. Tegenover een eeuwigdurend geluk

-ocr page 98-

92

verliest het geluk van eenige oogenblikken alle bekoorlijkheid en te zeer vrees ik de nimmer eindigende straf ora terug te deinzen voor een oogenblik van kwelling. Al wat niet eeuwig is, is niets of moet voor niets geteld worden. Ziedaar mijn antwoord voor de aanlokselen der ondeugd en de schijnbare gestrengheid der deugd.

Het was de gedachte aan de eeuwigheid, die de heiligen wapende tegen de verleiding der schuldige vermaken, in omstandigheden, waarin zij alles van eigen broosheid te vreezen hadden. Zij zegden tot zich-zelven: »Eén oogenblik genot en daarna eene eeuwige foltering.quot; Neen, geene bekoring, hoe hevig zij moge wezen, is bestand tegen de zalige kracht dezer wel overwogen waarheid. O eeuwigheid, o oogenblik, gij schenkt aan mijne weifelende ziel al haren moed terug.

Waarom hebben de rechtvaardigen aller tijden zoovele standvastigheid getoond in hunne beproevin -gen? Omdat hunne hoop vol onsterfelijkheid was, (1) De martelaren omhelsden hunne beulen, boden hunne ledematen aan de ijzeren tangen om ze te verscheuren; van waar die bovenmenschelijke heldhaftigheid? Van deze gedachte en den bijzonderen bijstand van Jezus-Christus, die in hen streed: Ik lijd, maar mijn lijden zal weldra geëindigd zijn en spaart mij eene einde-looze straf. Al moest mijne foltering weken, maanden, geheel myn leven duren, het is slechts een oogenblik; en als dit oogenblik voorbij is, treed ik eeuwigdurende vreugde en blijdschap binnen.

(1) Sap. 3, i.

-ocr page 99-

93

Het leven van den goeden religieus is een onop-lioudelijke, voortdurende strijd met zich-zelven. Als hij slechts het tegenwoordige beschouwt, is hij geneigd om zich te beklagen; maar als hij vergeet, wat hij nu ziet, nu gevoelt, om slechts te denken aan hetgeen hij eeuwig zal zien en gevoelen, dan zal hij met Paulus vervuld zijn van troost te midden van zijn lijden, en hij zal bevinden dat zijne smart niet in vergelijking kan treden met het geluk, dat hem wacht. Men drinkt den lijdenskelk druppel voor druppel, zegt de H. Bernardus; maar de belooning zal zich over ons uitstorten als een stroom van vrede, die ons met zijne wateren zal overdekken en nooit zal wegvloeien.

III Punt. Gedachte aan de eeuwigheid, beweegreden van onvermoeiharen ijver in de beoefening der deugd. De vurige religieus, overtuigd, dat hij in de toekomstige eeuwen de vrucht zijner goede werken zal vinden, en niet wetende, wanneer dit uur voor hem zal slaan, wekt zich op door deze krachtige overweging. Vergeet niet, mijne ziel, dat gij werkt voor de eeuwigheid. De waakzaamheid verveelt u, de gedurige opmerkzaamheid om alles wat gij doet wel te doen, vermoeit u en maakt u soms het leven bitter; troost u, luister, reeds hoort gij in de verte het gedruisch, dat u de komst des Bruidegoms aankondigt. Nog een oogenblik en niets zal u meer van Hem kunnen scheiden. Dan zult gij in de verrukking der liefde, in de onsterfelijke vervoering der vreugde de rijke belooning uwer heilige werken ontvangen. Gij zult dan slechts betreuren, niet meer voor God gedaan te hebben. De gierigaard

-ocr page 100-

94

is veel minder gretig naar het goud, dan de goede religieus naar de gelegenheid, om den schat zgner verdiensten te vermeerderen.

Hij, die niet werkdadig voor de gelukzalige eeuwigheid arbeidt, werkt gewoonlijk voor eene ongelukkige eeuwigheid. Maar al is het juist niet om mijne zaligheid te verzekeren, dan weet ik toch, dat ieder goed werk voor mij eene vermeerdering van eeuwige gelukzaligheid wezen zal. Ja, voor die oefening van geduld, van ootmoed, voor dit aandachtig gebed, voor dien nieuwsgierigen blik, dien ik ten offer breng, zal ik God duidelijker zien, inniger bezitten. Daarenboven ik weet, dat de avond valt, — en dat ik, als de nacht zal aanbreken, niet meer zal kunnen werken. Welaan dan, mijne ziel, werken wij terwijl het dag is (1). Hij, die weinig zaait, zal weinig oogsten , maar hij, die overvloedig zaait, zal in overvloed inoogsten. (2)

Voornemens. Altijd wandelen tusschen beide eeuwigheden, er zooveel mogelijk aan denken. — Elke handeling verrichten in de overtuiging, dat de gevolgen daarvan eeuwig zijn. — Mij wel overtuigen, dat ik alles, wat ik tot mijne heiliging doe, stel in Gods hand, die het mij honderdvoud zal vergelden in eene gelukzalige eeuwigheid. — Bij het slaan der klok, bij het zien van den wijzer, denken dat al de uren, al de minuten, die elkander opvolgen, even zoo vele schreden zijn der naderende eeuwigheid.

(1) Joa. 9, 4. (2) II Cor. 9, 6.

-ocr page 101-

AFDEELINGr II.

De zonde door de goddelijke kastijding gekend. — Natuur der doodzonde. — Afschuwelijke kenmerken die haar onderscheiden in de ziel van den religieus. — Hare uitwerkselen. — Eenige grootere zonden: de ergernis, de helligschennende Communie. — Bronnen der zonde — Dagelij ksohe zonde, lauwheid, misbruik der genade.

19de OVERWEGING.

de zonde gest11aft.

I. In de weerspannige engelen.

II. In Adam en zijne nakomelingen.

III. In eenig verdoemde minder schuldig dan ik.

1. Verbeelden wij ons de hel, ontelbare scharen van weerspannige engelen zijn er in gedompeld en de kinderen van Adam vallen er nog elk oogenblik in.

2. Vragen wij God gevoelens van schaamte en berouw by het zien der rampzalige slachtoffers der zonde , wier treurig lot ik verdiend heb.

I Punt. Zonde der engelen.

Na eerst God, de oneindige heiligheid zelf, Sa7ictus, Sanctus, Sanctus, — God, die de zonde zoodanig haat, dat Hij het gezicht daarvan niet kan verdragen — te hebben aanbeden, verhef ik mij tot den hemel,

-ocr page 102-

96

de woning der engelen voor hunnen val en vraag mij-zelven af. Wat waren zij? Wat werden zij door hunne zonde? Hunne namen leeren ons de uitmuntendheid hunner natuur verstaan: Engelen, Aartsengelen, dat wil zeggen, geesten sneller dan de gedachte, begaafd met eene bewonderenswaardige bekwaamheid tot het volbrengen van den wil des Heeren, Tronen, Machten, Krachten, Heerschappijen enz. Men meent in hen als in heldere spiegels al de volmaaktheden der godheid te zien weerkaatsen.

Maar terwijl mijn oog, verblind door zoo veel pracht, al deze heerlykheid beschouwt, welk eene vreeselijke ramp! Ik zie Satan als de bliksemstraal uit den Hemel vallen (1). En waar valt hij? In het eeuwig vuur, bereid voor Satan en zijn engelen (2). Wie straft zoo vreeselijk? Een God, die zou ophouden God te zijn, indien Hij ophield rechtvaardig te zijn, indien Hij eene fout zwaarder straft dan zij het verdient; een oneindig liefdevol vader, die gaarne beloont en met weerzin straft. En op wie vallen die verschrikkelijke slagen? Op edele schepselen , door God bemind als de meesterstukken zijner hand, die gedurende alle eeuwigheid zijne glorie zouden bezongen en vermeerderd hebben....

Een kunstenaar had eene vaas van onvergelijkelijke schoonheid gemaakt; hij beschouwde ze en had ze lief als het eerste gedenkstuk zijner glorie, maar een doordringend vergif valt op zijn prachtstuk en het wordt afschuwelijk voor \'s kunstenaars oog. Deze slaat het stuk en werpt de overblijfselen verre van

(1) Luc. 10, 18. (2) Matth. 25, 41.

-ocr page 103-

97

zich af..... Welk is dit vergif? De zonde. Een druppel

viel op Lucifer en zijne raedepliclitigen.... Dit is genoeg: van heerlijke meesterstukken, bestemd tot sieraad des hemels, worden zij slechts voorwerpen van afkeer, die God in zijnen toorn verbryzelt en in de hel werpt..... O God, indien Gij de hoosheid uwer engelen zonder barnihartiglieid straft, wat zal er dan van mij iporden? Wat hebben uwe engelen misdreven? Hoevele zonden hebben zij begaan? O diepte der schatten van Gods wijsheid en wetenschap! Hoe onbegrijpelijk zijn zijne oordeelen, hoe ondoorgrondelijk zijne wegen (I). Religieuze zielen, gij ook zijt engelen; de goddelijke Bruidegom plaatst u op dien verheven rang. Gij leeft in een heilig verblijf gelijk de engelen in den hemel, om evenals

zij den Heer te loven en te zegenen..... Waakt op

u zeiven. Uwe gemeente is evenmin ongenaakbaar voor de zonde als voor de engelen die hemel van voorbereiding en beproeving was, waarin God hen geplaatst had. Eene eerste zonde, eene zonde van gedachte, eene zonde van een oogenblik kan van eene heilige ziel eene verdoemde ziel maken.... Hoezeer zoudt gij het mededoogen des Heeren onwaardig zijn, indien gij, hadt gij het ongeluk Hem te be-leedigen, geen gebruik maaktet van de barmhartigheid , die Hij u aanbiedt en aan zijne engelen weigerde!

II Punt. Zonde van Adam. De hoogmoed deed een derdedeel der engelen ujt den hemel vallen; de ongehoorzaamheid van den eersten mensch heeft de aarde verwoest. Adam heerschte vreedzaam en

(1) Kom. 11, 33. CH. I.

7

-ocr page 104-

98

gelukkig over alle zichtbare schepselen en over zich-zelven. De vrede woonde in zijne ziel. De onschuldigste genoegens boden zich van zeiven aan zijne aan de rede onderworpen zintuigen. Hij bewoonde een heerlijk verblijf; God sprak met hem als de vriend met zijnen vriend.... Dit geluk was slechts de voorsmaak eener veel hoogere gelukzaligheid aan zijne getrouwheid beloofd; en dit heerlijk lot moest hij nalaten aan zijne kinderen, aan wie hij, helaas! slechts tranen tot erfdeel liet. Nauwelijks heeft hij gezondigd, of de goddelijke gramschap barst los,.... eerst op hem, doch ter zelfder tijd breekt zij als het ware los over het geheele menschdom. Rampzalige Adam, waar zijt gijl (1) Te vergeefs zoek ik u in u zeiven; waar is die rechtvaardigheid, waarmede gij bekleed waart als met het koninklijk purper? Waar is dat schitterend licht, dat uitblonk in uwen geest? die zoo verheven en deugdzame neigingen? Welk verdriet begint uw hart te verteren? Helaas! gij zijt verbannen naar het dal van tranen.

En ware hij slechts alleen ongelukkig! maar hij weet hoe duur het aan het menschelijk geslacht zal kosten, hem tot vader gehad te hebben. Hij hoort zijne ontelbare nakomelingen zuchten, onder het gewicht zijner persoonlijke boosheid, zich aan hem beklagend over hunne rampen, hem de onschuld, de onsterfelijkheid en al die rijke gaven, die hij evenzeer voor hen als voor zich-zelven ontvangen had, terug Tragen. Negen honderd jaren van lijden, van grievend naberouw en dan de dood... Ziedaar voor Adam

(1) Gen. 3,9. t

-ocr page 105-

99

den treurigen prijs zijner zonde. En nog is die straf niet voldoende. Geheel zijne nakomelingschap moet lijden, schreien, sterven met hem. Wat zeg ik ? Het oneindige ontbreekt nog aan deze uitboeting. Een goddelijk slachtoffer moet er zijn eigen lijden, zijne tranen, zijnen dood bijvoegen. Ach, Heer, uu ten minste, na den dood van uwen Zoon, zal de beleediging, uwen naam aangedaan, genoegzaam hersteld zijn, en zal er geen lijden meer zijn-op deze aarde? Er zal vooral geen eeuwig lijden meer te vreezen zijn in de hel? Helaas, ja! na het lijden en den dood van den God-mensch zal het lijden op aarde blijven en ontelbare slachtoffers zullen in de hel nedervallen. 0 geheim van rechtvaardigheid, o voorwerp van schrik! 0 mijn God, dat ik U leere vreezen, zoo ik nog niet geleerd heb U te beminnen! (1)

III Punt. Zonde van eenig verdoemde minder schuldig dan ik. Terwijl ik hier nog sta aan de bron aller genaden en in den geest nederdaal in de plaats der kwelling, zal ik daar zielen vinden, die slechts ééne doodzonde bedreven hebben. Waarschijnlijk zal ik daar eenig religieus vinden, die, na zijn staat vereerd te hebben door groote deugden, het ongeluk heeft gehad, in verslapping, in de ongenade van God en bijgevolg in de hel te vallen. Hij had recht verkregen op een der schoonste tronen des hemels en daar staat hij nu beroofd van alle gerechtigheid; hij is in de vlammen geworpen en voor eeuwig overgeleverd aan de afgrijselijke smarten

(1) H. August.

-ocr page 106-

100

der eeuwige verwerping. En wat God in hem straft, nadat Hij hem bemind heeft, niet alleen tot voor hem te sterven, maar zelfs tot hem een overvloedig deel te geven aan de vruchten der verlossing, is eene enkele doodzonde.... Mijn God, mgn God, mij dunkt, dat myne oogen zich eindelijk openen. Ik verwonder mij niet meer bij het hooren dat de schaduw der zonde uwe heiligen deed sidderen. Ik begrijp hen die, na eene enkele zonde bedreven te hebben, deze geheel bun leven lang betreurd hebben. Doch wat my onbegrijpelyk voorkomt, is de vermetelheid , waarmede ik zelf eene zoo heilige en vreeselijke Majesteit durfde uittarten en mijne uitzinnige ongevoeligheid, toen ik het ongeluk had uwe gramschap op mij te laden.

De H. Ignatius raadt hier drie samenspraken aan, die het nuttig zal zijn in de volgende overwegingen te herhalen. De eerste met Maria, door smart neder-gebogen onder het kruis van haren Zoon. Wij smeeken haar, voor ons bij Jezus ten beste te spreken, en voor ons te verkrijgen, dat wy onze zonden mogen kennen, betreuren en verfoeien, en alles hervormen wat verkeerd in ons is; eindelijk de genade van ons van de wereld en hare bedorven ydelheid te scheiden, welke de voornaamste oorzaak geweest zijn onzer ongeregeldheden. Men eindigt deze samenspraak met een Wees gegroet.

De tweede met Jezus-Christus. Wij smeeken Hem, zijn goddelijk lijden voor ons aan zijnen Vader te willen opofferen en ons dezelfde genaden te verwerven , welke Hij ons door zijnen dood verdiend heeft. Men eindigt door het gebed: Ziel van Christus, enz.

-ocr page 107-

101

De derde met God den Vader, wien wij het verheven Slachtoffer van Kalvarië aanbieden. Wij vragen Hem die driedubbele genade door de bloedige Wonden van zgnen aanbiddelijken Zoon en sluiten met een; Onze Vader.

20ste OVERWEaiNQ.

DE ZONDE IN HET ALGEMEEN, BESCHOUWD TEN OPZICHTE ^AN GOD.

Wees niet zonder vrees, zegt de H. Geest, ten opzichte der zonden, die u vergeven zijn. Hierdoor zet Hij ons aan, de reeds beweende zonden nog te beweenen, bijzonder die, welke wij bedreven hebben, alvorens in het klooster te treden. Waarom meenen de Christenen in de wereld, dat zij na eenige tranen gestort te hebben over langdurige afdwaling en eene kleine boetvaardigheid, dikwijls meer voor den schijn dan in werkelijkheid volbracht, Gods rechtvaardigheid voldaan hebben? Dit komt omdat zij de zonde beschouwen , veeleer als een vergeten, dan wel als eene beleedigen van God, of wel dat God niet gevoelig is aan die beleediging, omdat zijne oneindige grootheid Hem verre boven onze versmading verheft. Tegen deze beide dwalingen stellen wij deze waarheden:

I. De zonde doet God den beleedigendsten smaad

aan.

II. De zonde doet God den diepgevoelsten smaad

aan.

-ocr page 108-

102

1. Stel u voor God, als een misdadiger met ketenen beladen, uit zijne gevangenis voor den rechterstoel gevoerd.

2. Doe mij, o Heer, al het schandige en misdadige der zonde kennen, opdat ik mij schame en zuchte, die zoo dikwijls te hebben bedreven.

I Punt. De zonde vei smaadt God op de heleedi-gendste wijze. Hooren wij den Heer: Gij hebt mijn juk verbrijzeld, mijne banden verbroken en gezegd: Ik zal U niet dienen. (1) Ziedaar de zonde met hare hatelijkste kenteekenen, opstand, verachting, ondankbaarheid.

1. Opstand tegen het heiligst gezag. God geeft zijne bevelen, doet zijnen wil kennen.

Het is dezelfde God, die zijne wet gaf op den berg Sinaï; het is dezelfde wet, die Hij afkondigt in het heiligdom van het geweten. »Doe dit, ik gebied het u; doe dat niet, ik verbied het u. Als uw Schepper en Meester eiscb ik van u dit bewijs van gehoorzaamheid; als uw Vriend, uw Vader, uw Verlosser vraag ik dit onderpand uwer liefde. Ik hecht hieraan uw eeuwig geluk tot loon. Kies tusschen mijnen haat en mijne teederheid...quot; En de zondaar antwoordt door zijn gedrag: 3gt;Ik zal ü niet dienen. Ik zal slechts gehoorzamen aan mijne driften.quot; Begrijp wel de vermetelheid, de onrechtvaardigheid, de goddeloosheid van dieu opstand.

Welke vermetelheid! Ik durf opstaan tegen den grooten God, voor wien het heelal slechts een zandkorrel , de volkeren een druppel water, het menschdom

(1) Jerem. 2, 20.

-ocr page 109-

103

een niet is. (1) Hij sprak en alles is geworden. (2) Door een blik doet Hij de aai\'de beven, Hij raakt de bergen aan en zij werpen vlammen. (3) Voor het aanschijn des Heeren smelten de bergen als was. (4) Gij zijt verschrikkelijk, Heer, en wie kan D iveder-staan ? (5) Wie ? een nietig stofje, een verdroogde grashalm, een blad, waarmede de wind zijn spel drijft, een broos wezen dat nauwelijks gevormd, reeds als damp vergaat, dikwijls een schroomvallig wezen dat beeft voor het minste gevaar eu niet siddert voor dien God, wiens arm den bliksemschicht werpt, niet siddert bij de gedachte der hel, onder zijne voeten geopend.

O mensch, hoe durft gij u met den Almachtige meten?.... Welke onrechtvaardigheid? Is het eene misdaad op te staan tegen zijn vorst, tegen zijn vader, welke euveldaad is het dan op te staan tegen God! Vergeten wij dan, dat alle macht van Hem komt, dat Hij inderdaad onze eenige Meester is? Wij staan zoo hardnekkig op onze rechten, moeten wij dan die van den Opperheer minder eerbiedigen? Welke goddeloosheid! Elke zonde, zegt de H. Ber-ii ar dus, randt God aan in eene zijner hoedanigheden; de gramschap zijne zachtmoedigheid, de leugen zijne waarheid, de haat zijne liefde, het zinnelijk vermaak zijne zuiverheid.... Nog meer, zegt dezelfde Heilige, elke zonde brengt God zooveel mogelijk den doodsteek toe. Vraag aan dien weerspannigen zondaar, wat hem kwelt in zijne zonde. Het is, dat er een God bestaat, die getuige is en wreker zal

(1) Is. 40. (2) Ps. 32, 9. (8) Ps. 103, 33. (4) Ps. 96, 5. (5) Fa. 75, 7.

-ocr page 110-

104

ziju. Vraag hem, welken heiligschennenden wensch zijn hart vormt. Dat er geen God bestond, om zijne misdaad te zien, te oordeelen, te straffen. Zeker zal de boosheid den zondaar alleen schaden; doch is het daarom minder waar, dat hij het afschuwelijk denkbeeld uitsprak en koestert van God te verdelgen, zoo hij het kon?....

2. Verachting, — die aanbiddelijkste majesteit. Hemelen, luistert, zegt de Heer, en gij, aarde, ontvang mijn woord. Ik had kinderen, die ik met teederheid lief had; met welke zorg heb ik hen opgevoed, tot welken hoogen rang heb ik hen verheven, door hun deel te geven aan mijne eigene natuur! hoe groot moest hunne liefde, hun ijver zijn om my te

eeren!..... En weet gij, wat zij gedaan hebben? Zij

hehhen mij veracht (l).

Verachten..... God verachten! Als eene geringa

zaak Hem behandelen, die het begin is van alle heiligheid, van alle volmaaktheid! Ziedaar, wat ik deed, zoo dikwijls ik, tusschen mijn geweten en mijn plicht weifelend, mijn geweten schond, om mijnen drift in te volgen. De vriendschap van God, het bezit van God, ziedaar de schat, die voor mij op het spel stond. Zal ik het zeggen, Heer ? ik heb gewogen, ik heb geschat, wat Gij waardig zijt tegen het genoegen van een oogenblik. Ik heb de misdaad geplaatst boven de eer van u te dienen. En die voorkeur was voor u, o mijn God, des te smaadvoller, omdat, hadde de wereld, mijne gezondheid van mij dit offer gevraagd, ik het zonder

(1) Is. 1, 2.

-ocr page 111-

105

aarzelen gebracht zou hebben. — Ik heb gezondigd, omdat mijne zonde slechts u beleedigde, omdat ik slechts u verloor!.... Gij zegdet my: Geef my uw hart en bewaar mijne geboden; uw hart behoort mij en ik wil u gelukkig maken. Waar gaat gy, zoo gij toestemt in de bekoring? Kan hij, die u tot opstand aanzet, uw welzijn beoogen? Denk aan den afgrond, waarheen hij u sleept. En, Heer, al uwe pogingen waren te vergeefs! De duivel behield de overhand; ik wilde liever de verlaging met Satan, dan de glorie en den hemel met u. Kan de verachting verder gaan?....

3. Ondankbaarheid ten opzichte van den edelmoedigste aller weldoeners. Jezus zegde tot de Joden : Ik heb onder u vele goede werken vertoond; voor welk steenigt gij mij? (1) Ditzelfde kan God zeggen tot eiken zondaar: »A1 het goede, dat gij hebt, hebt gij van mij ontvangen: Verstand, wil, hart, vrijheid, zintuigen, leven.... Ik heb u alles gegeven. Nog meer. Ik gaf u mijnen Zoon en in Hem alle goed. En intusschen hoont gij my. Wat heb ik u misdaan? Waarover beklaagt gij u? Zijn het mijne weldaden, die uwe beleedigingen opwekken ? Is het, omdat Ik u schiep, dat gy mij aan het schepsel opoffert? Is het, omdat ik u verloste uit de ketenen van een wreeden vijand, dat gij mij zelf als vijand bejegent? Straft gij mij, omdat ik u te zeer beminde?quot; O mijne ziel, wat kunt gij antwoorden op dit verwijt?

II Punt. De zonde doet God den diepst gevoelden smaad aan. De leer van het Evangelie heeft tot

(1) Joa. 10, 32.

-ocr page 112-

106

grondslag den liaat, dien God der zonde toedraagt. De christelijke godsdienst met al zijne leerstellingen, zijne voorschriften, genaden, beloften en bedreigingen schijnt slechts ingesteld, om ons een God te verkondigen , die oneindig gevoelig is aan de beleediging. Hem door de zonde aangedaan. Wat is het doel der HH. Sacramenten, der verkondiging van Gods woord? Voornamelijk om ons te zuiveren en voor de zonde te behoeden.... Met welke gestrengheid

O O

straft God die overal, waar Hij ze vindt — in zijne engelen, ia Adam en zijn nageslacht, in zijn eigen Zoon, die slechts den schijn op zich had genomen! Doch om zich een volkomen denkbeeld te vormen van den afschuw, dien de zonde in het Hart van God opwekt, moet men twee geheimen overwegen, dis nauw met elkander in verband staan, hoewel zij zeer van elkander verschillen: Kalvarië en de hel. Breng die twee uitersten tot elkander, peil die beide afgronden van barmhartigheid en rechtvaardigheid. Jezus stervend voor den zondaar, en de zondaar verdoemd!

Eene enkele doodzonde straft God met eene eeuwigheid in de hel; maar welke God straft aldus? Een God die sterft, sterft aan het kruis om de zonde te boeten, een vader bezield met meer teederheid voor den zondaar dan Abraham voor Isaac; en niettegenstaande al zijne teederheid verwerpt, verdoemt Hij voor alle eeuwigheid dien zondaar, beschreid door zoo vele tranen, vrijgekocht door zooveel bloed, zoodra hij in zonde sterft. O zondaar, zeg dan niet meer: »De zonde vergramt God niet. Wat verliest Hij er door?quot; Wat Hij verliest? Zoo veel

-ocr page 113-

107

het van u afhangt, zijne vernederingen, zijn lijden, zijnen dood.... Wat Hij verliest? Hij verliest u, rampzalige; en hebt gij Hem niet duur genoeg gekost om Hem dit verlies te doen gevoelen ? Gij, het werk zijner handen, de prijs van zijn bloed, gij, dien Hij veroordeelt om in de eeuwen der eeuwen den kelk zijner gramschap te drinken. Wat is dan de zonde, die zooveel haat brengt in dat Hart, waarin zoo veel liefde rustte?

Wek u op tot berouw door het herdenken dei-grootste fouten van uw leven, het oog gevestigd op uw kruisbeeld. Blijf aan de voeten uws Zaligmakers als een meineedig vriend aan de voeten van den vriend, dien hij op de onwaardigste wijze verraden heeft, ajs de verloren zoon aan de voeten zijns vaders. Hoe groot uwe misdaden ook zijn, zij zullen vergeven worden, zoo gij met oprecht berouw vergeving vraagt in den naam der Wonden van Jezus-Christus.

31ste OVER WEG IN O.

DE ZONDE IN DE RELIGIEUZE ZIEL. BIJZONDERE KENMERKEN VAN DERZELTER NATUUR.

I. Eene meer onverschoonbare boosheid. II. Eene hatelyker ondankbaarheid.

IH. Eene afschuwelijker trouweloosheid.

1. Gelijk in de vorige overweging.

-ocr page 114-

108

I Punt. Eene meer onverschoonbare boosheid. Nooit heeft men reden om God te beleedigen. Hij is zoo goed, Hij heeft zoo vele rechten op onze gehoorzaamheid, onze liefde. Echter zijn er twee zaken die, zonder de zondaars der wereld vrij te spreken, echter het goddelijk mededoogen voor hen vragen: hunne onwetendheid en hunne zwakheid. Zij hebben over het algemeen minder licht en minder kracht. — Minder licht. Behalve het vauk zoo gebrekkige hunner opvoeding, vormt het vermaak en de beslommering des levens rond hen eene wolk, die den glans der eeuwige waarheden benevelt. Kent men in deze wereld van duisternis genoegzaam de wonderen uwer grootheid, de gestrengheid uwer gerechtigheid, de bekoorlijkheid uwer oneindige volmaaktheid, o mijn God ? — Minder kracht. Zelden putten zij aan de bron der genade, aan de bron van het gebed, aan de bron der HH. Sacramenten. De menigte hunner zorgen, verwoest en verzwakt hunne ziel; maar wat ontbreekt den religieus onder dit tweevoudig opzicht?

Voor en sedert zijner professie heeft hij zoo vele vermaningen gehoord, zoo vele boeken gelezen, zoo vele overwegingen moeten doen. Hij heeft grondig die groote en heilige waarheden kunnen en moeten bestudeeren, waarvan de eenvoudige Christen gewoonlijk slechts een oppervlakkig denkbeeld heeft. Het was dus niet voor deze zondaars dat Jezus bad in zijn sterfuur: Vader vergeef hun; zij weten niet wat zij doen. Als beul van zijn Verlosser weet hij wel wat hij doet, als hij Hem aan het kruis nagelt; als hij zondigt, is het niet uit onwetendheid.

-ocr page 115-

109

Zal hij zich verontschuldigen door gebrek aan kracht? Maar welke hulp wordt hem aangeboden tot steun zijner zwakbeid! De plaats door hem bewoond, de personen met wie hij verkeert, zijn regel, zijne bezigheden, ja zelfs het kleed dat hij draagt, roept hem terug tot gedachten van geloof. Het gebed is voor hem eene bijna aanhoudende oefening; en is de heilige Mis, die hij het geluk heeft bij te wonen, het gebed bij uitmuntendheid niet? Wat zal men vooral zeggen van het Brood der sterken, waarmede het slechts van hem afhangt zich dikwijls te voeden? Is men zwak, als men zich kan veréénzelvigen met den Almachtige ? Kracht en licht, alles begunstigt hem; hij zondigt slechts, omdat hij zondigen wil.

II Punt. Hatelijker ondankbaarheid. Is God oneindig goed voor den mensch, buitenmatig goed voor den christen, zoo moet men zeggen, dat zijne goedheid wondergroot is ten opzichte van den religieus. Nog was ik in den schoot mijner moeder, toen Hij mij uitzonderde om het bevoorrecht voorwerp zijner gunsten te zijn. Hij heeft mij de voorkeur gegeven boven zoo vele ongeloovigen, die Hij liet in de schaduw des doods, boven zoo vele Christenen die hun geloof verloren hebben door de ketterij, boven zoovele katholieken, die noch mijne opvoeding, noch mijne hemelscbe roeping deelden. Mag ik die bewonderenswaardige middelen vergeten, die God gebruikte om mij te behoeden voor de schipbreuk en mij in de haven van het religieuze leven te geleiden? hoe Hij eene zalige bitterheid heeft gestort over die vermaken, die mij zouden hebben

-ocr page 116-

110

bedorven? hoe Hij toeliet dat de wereld slechts weinig aantrekkelijks voor mij had, dat zij mij niet kon voldoen, ten einde mij als het ware te dwingen om mij tot Hem te keeren ? O wat heeft God voor mij kunnen doen, dat Hij niet gedaan heeft?

En wat moest God van mij verwachten voor zooveel liefde ? Ach, hoe waar is het, dat het Hart van Jezus de diepste wonden ontvangt door de hand zijner vrienden? De Romeinsche opperbevelhebber Julius Cesar, vallende onder de slagen zijner moordenaars , riep, toen hij ook zijn aangenomen zoon onder hen bemerkte, klagend uit: Eu gij ook, mijn zoon, en gij ook! Zou een religieus, die Jezus-Christus op nieuw kruisigt door de doodzonde, die zelfde woorden niet op meer smartvollen toon in zijn hart hooren weergalmen? En dit is geene ijdele verbeelding; reeds lang te voren beklaagde Hij zich door den mond van den koninklijken profeet: Hadde ik mijne vijanden tegen mij zien opstaan, zou ik het stilzwijgend verdragen hebben; van een vijand mag men alle kwaad verwachten. Maar dat gij mij kruisigt, gij dien ik met mijne gunsten heb overladen, gij mijn vertrouweling, mijn beste vriend! wie zal mij beminnen als gij my haat? Wie zal voor mij zijn, als gij tegen mij zijt? Wie zal mijne eer verdedigen, als gij mij hoont ?

Hl Punt. Eene afschuwelijke trouweloosheid.. Geen de minste rekening houden met verbintenissen vrijwillig aangegaan, zijn woord verraden, belangen bestrijden, die men gezworen heeft te verdedigen, is trouweloosheid; doch zij wordt afschuwelijk, als zij zich verbergt onder het masker der vriendschap,

-ocr page 117-

Ill

vreeselijk kenmerk, bijna onafscheidbaar van de zonde der religieuzen, vooral als deze tot gewoonte wordt! Wie heeft u gedwongen, aan den voet des altaars te komen verklaren, dat de Heer uw eeuwig erfdeel zou zijn, dat gij Hem steldet boven alles wat de wereld u kon aanbieden? Uit vollen, vrijen wil hebt gij Hem het offer gebracht uwer vrijheid, hebt gij u ten plicht gemaakt den weg der Evangelische raden te bewandelen, door de geloften van gehoorzaamheid, zuiverheid, armoede. En hoe!... dat plechtig verbond, dat hemel en aarde, dat de engelen en de menschen tot getuige had, dat gij zoo menigmaal hernieuwd hebt, treedt gij met voeten! Ach, Heer, moest ik my dan geheel aan u toewijden om mij met heilig-schennende hand terug te nemen? Heb ik u dan slechts eene grootere getrouwheid beloofd, om u mijnen meineed bitterlijk te doen gevoelen? Ik hoor u, mij dit, helaas! zoo welverdiend verwijt toevoegen; gt; Waarom heeft mijn welbeminde in mijne woning menigvuldige boosheden bedreven?quot; (1) Wat is de oorzaak van een gedrag zoo tegenstrijdig aan alle recht en rede? Waarover beklaagt gij u? Is het over de overmaat mijner goedheid? Is het mijne voorliefde voor u, die u tegen mij wapent clilectus meun ? Hoe! in mijn eigen huis, in mijn heiligdom met mijn kleed bedekt in domo med! hebt gij niet gevreesd mij en dat zoo dikwijls te beleedigen! fecit scelera mnlta !....

Mijn God, mijn God, ik belijd mijne schuld, is ■ doch beroep mij op uwe barmhartigheid. Gedenk,

(1) Jerem. 11, 15.

-ocr page 118-

112

Heer, uw woord; het is de eenige hoop van uw onwaardigen dienaar. Zoudt Gij gedoogen, dat men kon zeggen: Er was een zondaar, die zijn vertrouwen stelde op God en beschaamd is geworden; hij meende zich te werpen in de armen van eenen vader, die hem zou redden; hij is gevallen onder de slagen van een vijand! Neen, nooit zal men aldus spreken; en als het onboetvaardig hart zich te vergeefs vleit aan uwe wraak te ontkomen, zult Gij altijd getrouw zijn aan uwe beloften, ten opzichte van een berouwvol en vermorseld hart. Hier ligt dit hart aan uwe voeten, o Heer, uwe genade zegeviert daarover; gelief mijne smart, mijn berouw te aanvaarden. Ik vraag u niet de wroeging, die het verscheurt, te verzachten; breek dit hart meer en meer, overstelp het met bitterheid; doch schenk het daarna één woord van vrede en vergeving; kom zelf en zeg in uw heilig Sacrament van liefde tot mijne ziel dat Gij hare zaligheid zijt; dan zult Gij haar van vreugde doen trillen en in de vervoering harer levendige dankbaarheid zal zij haren edelmoedigen Redder zegenen.

SSste OVERWJEGINO.

DE DOODZONDE. — TERWOKST1NG , DIE ZIJ AANRICHT IN DE RELIGIEUZE ZIEL.

Als een aan God door de HH. Geloften toegewijd persoon eene zware zonde heeft bedreven, is het vooral tot hem dat men, even als God tot Kaïn na zgnen val, deze woorden moet toevoegen: Quid fecisti? Wat hebt gij gedaan?

-ocr page 119-

113

I. Wat hij heeft verloren.

11. Iu welken afgrond heeft hij zich geworpen?

1. Gelijk in de vorige overweging.

I Pdnï. Wat licht gij verloren door de zonde.

1°. De vriendschap Gods. Ach. kendet gij hare waarde! Hovelingen zijn gestorven van verdriet, omdat zij de gunst van hun meester, een sterveling gelijk zij , verloren hadden; en een religieus zou zich kunueu troosten, de vrieud Gods niet langer te zijn? Hij woonde in u, die God van goedheid: Als iemand mij bemint, sal mijn Vader hem beminnen en wij nullen tot hem komen en onze woning in hem vestigen. (1) Hij nam voor u den naam en de gevoelens aan van Vader, Broeder, Bruidegom! Welke zoete banden snoerden u aan Hem vast. Zij zijn verbroken ! »Rampzalige ziel, gij waart de tempel des Heeren, het heiligdom van den H. Geest, de erfgenaam des hemels; eu daar al die voordeden verloren zijn, geef ik mij over aan mgne droefheid by derzelver opsomming; want gij zijt uiet meer, wat gij waart.quot; (2)

2°. Uwe schoonheid. Hoe bekoorlijker zij was, hoe afschuwelyker gij thans zijt! Lucifer is de afzichtelijkste aller duivels, omdat hij de schoonste der engelen was. De H. Theresia zegde tot hare gezellinueu: » Ach, indien gij zien kondt, met welken glans gij schittert in het oog van uwen aanbidde-lijken Bruidegom , zoudt gij er zelfs niet aan denken, een blik te werpen op al wat de wereld bekoorlijks heeft...quot; Helaas, uwe schoone kroon is niet alleen verwelkt, zij is van uw hoofd gevallen... De zonde

(1) Joa. 14, 23. (2) H. Aug. CH. I.

8

-ocr page 120-

114

verlaagt alles, wat zij aanraakt; zij drukt op de ziel zulk eene schandelijke vlek, dat God haar gezicht niet meer verdragen kan.

3°. Al uwe rijkdommen. Dit zijn uwe rechten op de eeuwige belooning, uwe aanspraak op de hemelsche gunsten. Al zoudt gij al de verdiensten, al de gebeden, al de boetvaardigheid, al de opofferingen der heiligen in u vereenigen, zou eene enkele doodzonde genoeg zijn, om u al die onwaardeerbare goederen te ontnemen. Als de rechtvaardige zich van de gerechtigheid afkeert en boosheden bedrijft, zal men al de werken zijner gerechtigheid niet meer gedenken (1). En daar de religieus door zijne toewijding aan God en door de gehoorzaamheid, die al zijne werken heiligt, in eenige dagen van vurigheid rijker schatten voor de eeuwigheid kan vergaderen, dan de gewone geloovige in maanden en jaren, is het verlies, dat hij zich door eene zware overtreding van Gods wet berokkent, onberekenbaar, oneindig groot.

4°. Gij verliest zelfs de mogelijkheid om te verdienen. Wat gij ook moogt doen, zoolang gij buiten de vriendschap Gods zijt, kan niets u helpen voor het toekomend leven. Houd u bezig met den nut-tigsten arbeid... bekeer het heelal, zoo gij kunt, lever met de martelaren uw lichaam aan de vlammen: al deze werken, hoe uitmuntend in zich-zelven, zijn onvruchtbaar voor den hemel, zoo gij schuldig zijt aan eene enkele doodzonde. A Is ik de liefde niet heb, hen ik niets (2). De boom staat nog; maar hij

(1) Ezech. 18, 24. (2) I Cor. 13, 2.

-ocr page 121-

115

brengt geene vruchten voort, hij heeft geen sap meer.

5°. Gij heht het leven uwer ziel verloren. Van God gescheiden, is zij dood gelijk het lichaam, gescheiden van de ziel. Die mensch schijnt levend, omdat hij gaat, ziet en spreekt; gij bedriegt u; hij is dood in het beste deel van zich-zelven. Het huis staat, doch wordt slechts bewoond door een lijk. Wat baten uwe tranen over een zielloos lichaam , terwijl gij het ongeluk niet beweent eener ziel, door de zonde van God gescheiden?

II Punt. In welken afgrond hebt gij u gestort door de zonde. Gij zijt slaaf des duivels, vijand van God geworden. Overweeg deze beide waarheden.

1°. De mensch wordt slaaf, zegt de H. Petrus, van dengene, die hem heeft overwonnen. In den staat van genade genoot gij de vrijheid der kinderen Gods. Bestaat er eene zoeter, eene eervoller vrijheid? De duivel heeft u overwonnen; thans zijt gij zijn slaaf, alles in u is hem onderworpen: de vermogens uwer ziel, de zintuigen van uw lichaam, uwe talenten, uwe fortuin; uw dwingeland heeft u gezegd: ga, en gij gaat; doe dit, en gij doet het. Eischt hij wat het laagste is van den mensch, nog meer doet hij dit van den Christen en den religieus; als hij u eene laagheid, eene schanddaad, eene dierlijkheid , eene reeks van misdaden oplegt, helaas! hij zal gehoorzaamd worden. Gij sleept uw keten al zuchtende, u verontwaardigende tegen u zeiven, maar gij sleept ze. Is het uwe geschiedenis niet, die de H. Augustinus verhaalt, als hij ons de slavernij mededeelt, waarin zijne driften hem geketend hielden:

gt; Ik zuchtte, geboeid als ik was, niet door vreemde

-ocr page 122-

116

kluisters, maar door mijn eigen wil, even moeielijk te breken als het ijzer. Mijn vijand had zich van dien wil meester gemaakt en hij bediende zich daarvan, om my te smeden in on verbreekbare kluisters.quot; (1)

Men wordt getroffen door het lot van Valerianus, die de gevangene, de speelbal, het slachtoffer was geworden van den w reeden Sapor. By den eersten wenk van den overwinnaar knielt de vorst neder, buigt zich en de schouderen van een romeinsch keizer dienen den barbaar tot voetbank om zijn zegewagen te bestijgen. Nog dieper wordt de zondaar verlaagd, die slechts aan zich-zelven zijne schande en zijn ongeluk kan wijten. Uit eigen keus heeft hij zich tot slaaf gemaakt; hij heeft zijne vrijheid verkocht; en tot welken prijs?... Zijn geweten, dat tegelijk zijn getuige, zijn rechter eu zijn beul is, laat hem geen oogenblik rast. Als getuige beschuldigt, als rechter veroordeelt, als beul pijnigt het hem; en daar hij van zoude in zonde valt, gaat hij ook van de eene straf in de andere.

2°. Door u onder Satans voeten te werpen zijt gij Gods vijand geworden. Begrijpt gij, wat het is eene vertoornde almacht tegen zich te hebben? Gij hebt niet alleen Gods vriendschap verloren, maar gij hebt u zijnen toorn en zijne verontwaardiging op den hals gehaald. God haat de boosdoeners. Hij heeft gezegd; Wee hun, zoo ik mij van hen verwijderd zal hebben! (2) Ik zweer bij mijn eeuwig leven, ik zal mij over mijne vijanden wreken (3). Van daar de vrees, die den schuldige ontstelt, de

(1( Os. 9, 12. (2) Deut. 32, 40, 41.

-ocr page 123-

117

wroeging, die hem vervolgt, vooral dan als tij zijnen God meer liefde verplicht is. Hoe beklagenswaardig is hij, als hij in zijn geweten den worm der wroe-ainsr voelt knacren, maar nog veel beklagenswaar-

O O O 7 O

diger zoo hij dien niet gevoelt. (1) Dan is hij gevallen tot den bodem van dien afgrond, waarin men alles veracht, hij ligt gedompeld in den slaap der hardnekkigheid; en zoo die slaap duurt tot zijnen dood, hoe zal dan het ontwaken zijn?

0 mijn God, heb medelijden met my. — Erbarm u over mij. Niet als religieus, maar als zondaar kom ik heden tot u; of liever, wat mij met meer schaamte overdekt, ik kom te gelijker tijd als zondaar en als religieus. Ware ik religieus en geen zondaar, dan had ik recht op uwe zoetste gemeenzaamheid; ware ik zondaar zonder religieus te zijn, dan ware ik uwe toegevendheid minder onwaardig, omdat ik minder misbruik had gemaakt van uwe weldaden. Daarom, Heer, is het niet uwe gewone barmhartigheid, die ik afsmeek, maar uwe allergrootste, uwe oneindige barmhartigheid. Secundum magnam misericordiam tuarn. En als eene enkele barmhartigheid niet voldoende is om mijne ontelbare boosheden te vergeven, dan vraag ik, o Heer, de menigte uwer ontelbare barmhartigheden i Et secundum multitudinem miserationum tnarum dele iniqui-tatem meam. Mijne ziel was zoo schoon, toen zij zich als uwe Bruid met u verbond. Maar in welken staat ziet gij mij thans, o God van alle heiligheid, hoevele vlekken maken haar afzichtelijk in uwe oogen!

(1) H. Aug.

-ocr page 124-

118

Zuiver, o zuiver mij nogmaals van mijne zonden:

Amplius lava me ab iniquitate mea et a peccato meo munda me. Ik ben onwaardig voor U te verschijnen; doch waarheen zal ik gaan, als Gij mij verstoot ? In den naam uwer onuitputtelijke goedertierenheid smeek ik ü, verwerp mij niet van uw aanschijn; onttrek mij uwen heiligen Geest niet; Hij is het, die mij het voornemen, den wil inboezemt, tot U weder te keeren, alsook de hoop van vergiffenis te bekomen. Ne projicias me a facie tua et Spirifum Sanctum tuurn ne aufer as a me. Sedert ik mij van U, o mijn opperste Goed, verwijderd heb, heb ik geen oogenblik rust gevonden. Ach, welke treurige dagen heb ik doorleefd! Geef mij de zalige vreugde der onschuld weder, versterk mij door uwe genade en laat niet toe, dat de duivel andermaal over mijae zwakheid zegeviere: Redde niihi leetitiam saluiaris tui, et spiritu principali com firma me. Ach, zoo Gij tot boete mijner zonden het offer mijns levens vraagt, dunkt mij, dat ik het U uit goeder hart zou aanbieden : Quoniam si voluisses sacrificiurn, dedissem utique; dan het is niet mijn bloed, dat Gij vraagt, maar mijne tranen: Holocaustis non delectaheris; het zijn zelfs niet de tranen mijner oogen, doch veel meer de tranen mijns harten; Gij wordt meer verheerlijkt door een berouwvol en vertnorseld hart, dan door lichamelijke boetpleging; Sacrificiurn Deo spiritus contrihulatus, cor contritum et humitiatnm, Deus non despicies. 0, kon ik, door TJ harten te winnen, het ongelijk herstellen, dat ik aan uwe glorie heb toegebracht! Kon ik aan de zondaars den zoeten weg toonen, dien Gij openstelt voor het

-ocr page 125-

119

berouw, dan zouden de goddeloosten zelfs, door uwe barmhartigheid bekoord, zich in uwe armen komen werpen: Docebo iniquos vias tuas et impii ad te convertentur. De zonde heeft de woning ontheiligd, die Gij in mij gekozen hadt; herbouw. Heer, uwen tempel en maak hem uwer waardig: Benigne, fac, Do mine, in bona voluntate tua Sion , ut eadificentur muri Jerusalem. Dan zal ik opgaan tot het altaar, met uwe bedienaars zal ik het Lam, dat de zonde uitwischt, slachtofferen, ik zal ü het groote offer brengen, dat uwe rechtvaardigheid verzoent, uwen toorn ontwapent. Tune acceptabis sacrificium jastitioe, oblationes et holocausta tune imponent super aliare tuum vitulos. Indien Gij, o Heer, geen medelijden met mij gehad haddet, zou ik in alle eeuwigheid hebben moeten boeten; zij zal thans ten minste duren tot het einde mijns levens; maar mijne dankbaarheid , o mijn God, blijft eeuwig voortbestaan: ik zal ü loven, U zegenen, U beminnen in de eeuwen der eeuwen.

S3ste OVERWEGING,

de ergernis door den e.eligieus gegeven.

I. Eene zeer zware zonde.

II. Eene algemeene zonde.

III. Wee dengene, die ze bedrijft.

I Punt. De ergernis door den religieus gegeven is eene zware zonde in zich-zelve en in dengene, die ze bedrijft.

-ocr page 126-

120

1. In zich-zelve. Elke ergernis is eene aanmoediging, eene opwekking tot het kwaad. Zij is dat onkruid, dat de vijand komt zaaien in liet veld van den vader des liuisgezins. Ziedaar hoe de Zaligmaker ze ons voorstelt bij het uitleggen zijner gelijkenis. Wat is de zondaar, die ergernis geeft? Het is een vijand, de groote vijand van God en van zijne evennaasten.

Andere zondaars weigeren aan God de gehoorzaamheid; hij, die ergernis geeft, stookt het vuur van den opstand aan; de anderen heleedigen God, en hij voegt bij deze eerste misdaad nog die van Hem te doen heleedigen. Hij stelt zich als tegenstander van God.

Hij, die onder het oog zijns konings zijn beeld zou verscheuren of vertrappen, zijn paleis in brand zou steken, eene moorddadige hand zou slaan aan \'s konings zoon, ware inderdaad zijn verklaarde vijand. Hij, die ergernis geeft, doet dit alles tegen den Opperheer van het heelal. De zuivere ziel is het beeld van God; hij sleurt die in het slijk, onder de voeten des duivels. Zij is het paleis van den goddelijken Koning; hij werpt het omver, om op deszelfs puinhoopen een tempel Satan ter eer te stichten; zij is het kind Gods, de prijs van hot lijden en den dood van den God-mensch, en dat zoo teederbeminde, zoo duur gekochte kind rukt hij uit de armen van zijn Verlosser en Vader, om het te verpletteren tegen den steen zijner ergernis.

Is hij vijand van God, niet minder is hij de vijand zijner broeders, daar hij zich ten hunnen opzichte schuldig maakt aan een geestelijken moord. Wien

-ocr page 127-

121

brandmerkt inderdaad de H. Schriftuur het eerst met den afschuwelijken uaam van doodslager?

Niet Kaïn, maar Satan, die door de ergernis in de wereld te werpen er tegelijk de zonde en den dood iu wierp. »Pe moordenaar der zielenquot;, zegt de H. Joannes Chrysostomus is duizendmaal meer te vreezeu dan de moordenaar des lichaams.quot; De laatste toont gewoonlijk teekenen van haat of toorn, men kan zich op zijne hoede stellen voor zijnen aanval; doch de eerste biedt ons het vergif in een beker met bloemen versierd, hij neemt het masker der vriendschap aan. Hem, dien hij omhelst, levert hij over aan de woede der duivelen; hij doodt, terwijl hij liefkoost. Zal men zeggen dat in een religieus huis hot zoo ver niet kan gaan? — Kleine ergernissen leiden tot groote, zij maken de banden der regeltucht losser; zij verzwakken en versmoren ten laatste den inwendigen geest, den geest van geloof, de vreeze Gods; nog eene schrede verder en men staat voor de misdaad. Helaas! hoevele tranen heeft de Kerk gestort over Communauteiten, die van een staat van vurigheid zijn vervallen in een staat van verslapping en wanorde, tengevolge van ergernissen, die in het begin als klein geacht werden. Ziedaar de ergernis in zich-zelve; maar beschouw thans:

2°. Door wie wordt zij gegeven\'? Wat stelde de Heer zich voor, toen Hy u riep tot den religieuzen staat? U te trekken uit het bederf der eeuw, om u te plaatsen bij zijne uitverkoornen. Hij had u ingelijfd bij dat heilig volk, bestemd om de zuiverheid van zynen godsdienst te bewaren; Hij rekende op

-ocr page 128-

122

u, om Hem schadeloos te stellen door uwe liefde voor de ondankbaarheid, de onverschilligheid van het groote deel zijner leerlingen. Hij wilde, dat gij volgens de middelen, u gegeven. Hem zoudt helpen in het zalig maken der zielen. De toewijding aan de belangen zijner glorie, de liefde tot den evennaaste waren dus de bijzondere deugden, die Hij van u verwachtte; meer dan iemand waart gij verplicht tot voorbeeld te strekken..... En gij geeft

ergernis! Gij moest het kwaad bestrijden, onder welken vorm het zich voordeed, eu gij vei-spreidt het. Gij moest Jezus-Christus doen heerschen in aller harten en gij verjaagt Hem. Gy moest de erfgenamen des hemels vermeerderen en gij werft aan voor de hel. Is dit niet eene vreeselijke zonde in zich-zelve en in dengeue , die ze bedrijft ?

II Punt. De ergernis door den religieus gegeven, is eene algemeene zonde in hare verscheidenheid.

1°. Men kan ergernis geven zonder het te beoogen; daarom onderscheidt men de vrijwillige of voorbedachte van de onvrijwillige. De eerste is eene ergernis met voorbedachten wil; men stelt zich voor, anderen tot zonde te brengen. De tweede is eene ergernis door ons gedrag, door onze daden gegeven; zonder den wil te hebben, geeft men ergernis; ir.en handelt met kennis en wordt eene aanleiding tot zonde. De voorbedachte ergernis is misdadiger, doch ook zeldzamer. De onvrijwillige ergernis is bijna algemeen. Tertullianus geeft ons daarvan de reden: elke zonde, die getuigen heeft, wordt een slecht voorbeeld; elk slecht voorbeeld is eene zonde van ergernis en van al die bijzondere zonden ontstaat eene openbare

-ocr page 129-

123

zonde, een gebied der zonde, dat de misdaad ver-lieerlijkt en de deugd verlaagt.

2°. Men kan ergernis geven met den vasten wil van het niet te doen, omdat er handelingen zijn zoo gevaarlijk, dat de beste meening ze niet vrijhoudt van ergernis. »Verschoon uwe uieening zooveel gij wilt,quot; zegt de H. Joannes Chrysostonuis, »de ergernis die gij uiet hebt willen geven, heeft men toch genomen. En ware men zoo wijs geweest, ze uiet te nemen, dan waart gij niet minder schuldig ze gegeven te hebben. De wijsheid, die het vergif verstoot, verschoont de misdaad uiet van het te hebben bereid en toegediend.quot;

3°. Toen Jezus ons verklaarde, dat het noodzakelijk is, dat er ergernis zij (1), wilde Hij ons leeren, dat zwak als de meusch is, er in elke vergadering gevonden worden, die voor anderen een voorwerp van ergernis zijn. Dit is nog meer waar in de religieuze huizen, omdat men meer met elkander in betrekking staat. Heeft dan de deugd zelfs klippen te vreezen tot in deze heilige schuilplaatsen, dan moet men besluiten, dat de gevaarlijkste ergernis die is der dagelijksche omgeving, daar men die altijd onder de oogen heeft.

Welke opletteadheid heb ik tot dusverre hierop geslagen. Vermeed ik met zorg iets te zeggen of te doen, dat aanstoot kon geven aan hen, die mij hoorden of zagen? Heb ik al niet die vreeselijke ergernis gegeven, die eigenlijk het werk des duivels is, en zich ten doel stelt, de zielen in het verderf te storten,

(1) Matth. 18, 7.

-ocr page 130-

124

zoo heb ik door mijne lauwheid en traagheid toch dikwijls eene ergernis van lichtzinnigheid en onvoorzichtigheid gegeven.

III Punt. Wee hem door tuien de ergernis in de wereld komt. Alvorens deze vervloeking uit te spreken, had de Zalitrmaker gezegd: Het ware dien menscli

~ o o

heter in het diepste der zee geworpen te worden dan den kleinste te ergeren. Welke kastijding bereidt Gij, Heer, dan hem, die niet een enkele der ge-ringsten der uwen, maar een groot aantal uitgelezen zielen, uwe welbeminde bruiden, eene gansche gemeente , ontsticht! Wee hem! wee mij, indien ik ergernis gebracht heb iu het heilig verblijf waarin Gij mij hebt gelieven te ontvangen; want ik heh het, zooveel in mijne macht lag, beroofd van een der grootste voordeelen van het religieuze leven, het wederzijdsche stichten, den naijver van het goede voorbeeld, In plaats van mede te werken tot het algemeen welzijn , gelijk het mijn plicht was, heb ik dit belet. Misschien was ik door mijn ongeregeld gedrag oorzaak, dat de regeltucht verslapt is. Wee mij vooral, indien door mijne schuld zekere gebruiken , zekere voorrechten, zekere toelatingen zijn ingeslopen , waarin gemakzucht, zinnelijkheid en eigenliefde-meer deel hadden dan ware noodzakelijkheid (1).

Van dit alles, mijn God, zult Gij mij gestrenge rekenschap vragen. Wat zal ik kunnen antwoorden, als Gij mij de betreurenswaardige, gevolgen mijner gegeven ergernis zult toon en, en Gij op mij al het nadeel zult verhalen, dat de godsdienst er door heeft geleden ?

(1) Bourdaloue.

-ocr page 131-

125

Er blijft mij, Heer, slechts een middel om aan uwe rechtvaardigheid voldoening te scheuken, door en door gebeden èn door goeden raad, doch vooral door goed voorbeeld mede te werken tot de bekeering der zondaars, tot de volmaaktheid der rechtvaardigen, tot het vestigen van uw rijk en de zaligheid der zielen. De ijver is de herstelling der ergernis. Gelief mijn berouw en mijne goede voornemens te aanvaarden. Ik heb slechts eene begeerte, die van het kwaad, dat ik veroorzaakt heb, zoo volmaakt mogelijk te herstellen. Mocht ik door u te beminnen uwe liefde vestigen in alle harten!

24^6 OVERWEGING.

DE HEILIGSCHENNENDE COMMUNIE.

Het noemen alleen dezer vreeselijke misdaad doet de ziel sidderen; men zou willen gelooven, dat zij onmogelijk ware; doch wij hooren den H. Paulus daartegen reeds eene verpletterende vervloeking uitspreken , in die schoone dagen der ontluikende Kerk, toen zij even zoo vele heiligen als kinderen telde, dat wij reden hebben te vreezen, dat de verzwakking van het geloof deze gruweldaad minder zeldzaam semaakt heeft in het vervolg der eeuwen. Zeker is

O O

het, dat de groote nalatigheid, waarmede sommige religieuzen, levende in een staat van lauwheid, zich aan Jezus liefdedisch plaatsen, hen in groot gevaar

-ocr page 132-

126

stelt, dien te ontheiligen. Dat de getrouwe zielen dit treurig onderwerp overwegen, gelijk zij het lijden van Jezus overdenken; hunne liefde tot Hem ontvlamt bij de herinnering aan al de afschuwelijke mishandelingen, waaraan Hij zich heeft willen onderwerpen , om zich aan hen te kunnen geven in dit geheim van liefde. Wat is dan de onwaardige Communie?

I. De afschuwelijkste misdaad om de beleediging,

God aangedaan,,

II. De noodlottigste misdaad in de straffen, die

zij over den zondaar aftrekt.

I Punt. Geeve misdaad beleedigt God op afschuwelijker wijze. Zij randt rechtstreeks God zeiven aan, zij randt Hem aan op den troon zijner liefde; zij randt Hem aan, om de onwaardigste redenen, en brengt Hem tot een staat, het meest strijdig met zijne oneindige heiligheid.

1°. Andere zondaars beleedigen God in zijnen naam, dien zij lasteren, in zijne wet, die zij overtreden, in zijne beelden, die zij honen; de heiligschenner randt God zeiven aan. Het bevel van eeneu vorst misachten is eene misdaad; maar den vorst aanvallen, een aanslag maken op zijn leven is een moord. »Indien zij mijne dienaars niet ontzien,quot; zegt de meester van den wijngaard, »zoo zullen zij ten minste mijnen zoon sparen.quot; Niets van dat alles. Het is de Zoon Gods, die hier op nieuw mishandeld en gekruist wordt; want deze aanslag werd steeds vergeleken met dien der God-moordende Joden, zelfs met een verschil, dat deze nog smadelijker maakt voor Jezus. De Joden zouden nooit den Koning

-ocr page 133-

1^7

der glorie gekruist hebben, hadden zij Hem gekend (1) Hier kent de beul zijn slachtoffer, hij aanbidt het. Op Kalvarie gekruist, offerde Jezus zijn sterfelijk leven, dat Hij slechts had aangenomen, om het ten ofïer te brengen; hierdoor verheerlijkte Hij zijnen Vader en verloste de wereld; doch in het hart van den heiligschenner aan het kruis geklonken, sterft Hij als het ware in een staat van weerloosheid; zijn offer is de grievendste beleeding God aangedaan, en in plaats van eenig goed te bewerken, trekt het de zwaarste rampen af. »Hij omhelsde met vollen en volmaakten wil,quot; zegt Bourdaloue,»het eerste kruis, omdat Hij daarin de eer van God en het heil der raenschen beschouwde; Hy verfoeit het tweede, Hij verafschuwt het; want Hij ziet daarin tegelijk God onteerd en den mensch verdoemd.quot;

2°. In welke plaats, in welk geheim wordt die aanslag voltrokken? In de heiligste plaats van het heelal; daar waar de liefde van Jezus zich het teederst, het edelmoedigst voor ons toont. Moeten wij onzen goeden Meester beminnen , dan is het bijzonder in zijn Sacrament van liefde. Hoe groot moet onze eerbied zijn in zijne tegenwoordigheid! Hoe moesten onze harten voor Hem hunne teederste gevoelens uitstorten en zuchten over de oneerbiedigheden, in zijn heiligdom begaan! En het is daar, dat men Hem gaat beleedigen, trotseeren, Hem de bitterste beschimping aandoet.

3°. Wat is de drijfveer tot die misdaad? Eene hevige bekoring? Neen, men begaat ze koelbloedig;

(1) Oor. 2, 8.

-ocr page 134-

128

men geeft toe aan den tegenzin, om eene wellicht kleine zwakheid te belijden, als ware er iets schooner dan het herstel der fouten, waarin men het ongeluk had te vallen. De ontheiliging der heilige geheimen zou minder onvergefelijk zijn, ware zij minder gemakkelijk te vermijden. Maar men deinst terug voor eene glorievolle vernedering; men laat zich door een laag menschelijk opzicht overheerschen. Wat zal men

van mij denken, als ik niet te Communie ga?.....

Vraag liever wat de engelen, de heiligen, uw God, uw Rechter zullen denken, als gij onwaardig communiceert. Men vermomt zich, men neemt het masker der deugd aan en even als de eerste Judas, verraadt men den Zoon des menschen met een kus! Is dit niet eene afschuwelijke schijnheiligheid? Jezus-Christus den doodsteek geven, terwijl men den schijn aanneemt. Hem te aanbidden.

4°. Wat den betreurenswaardigen toestand betreft, waartoe de heiligschennende Communie onzen Zaligmaker brengt: men siddert, als men er aan denkt.

De ongodsdienstigste mensch zou terugdeinzen, zoo men hem voorstelde, het heilig Sacrament aan te raken met beslijkte hand. O, hoe veel gevoeliger is de Zoon Gods voor den smaad, Hem door den heilis-

7 O

schenner aangedaan. Welk slijk mishaagt Hem meer dan het slijk der zonde? Na een schandelijken val eene godsdienstoefening volbrengen, die de zuiverheid der engelen vraagt, is het bloed van Jezus werpen in een poel van onreinheid... O afgrijselijke snoodheid!

De H. Cyrillus van Alexandrië, deze woorden van den H. Johannes uitleggende: En na de hete broods trad de duivel in hem, roept uit: »Welk een mensch

-ocr page 135-

129

is hij, die Satan en Jezus in zijn hart ontvangt, Satan, om hem daar te doen heerschen, Jezus, om Hem te doen sterven, Satan, wien hy onbegrensd gebied geeft en Jezus, dien hij kruisigt. Satan, dien hij boven Jezus verheft en Jezus, dien hij aan Satan als slachtoffer aanbiedt?quot;

II Pont. Geene misdaad is noodlottig er in de straffen, die zij aftrekt. Beperken wij ons tot de woorden van den H. Paulua: * Al ivie onwaardig dit brood eet of den kelk des fleeren drinkt, maakt zich schuldig aan het lichaam en bloed des Heerenquot;. Hij maakt zich schuldig en verantwoordelijk: schuldig, omdat hij onwaardig dit goddelijk lichaam en aanbiddelijk bloed ontvangt: geen onderscheid makende, gelijk hij moet; en verantwoordelijk, zich beladende met deze zonde, laadt hij op zich derzelver straf. God, die nayverig is op de eer van zijnen Zoon, kastijdt deze afgrijselijke ontheiliging gestreng. Datzelfde bloed, aan het kruis vergoten tot onze verlossing, spat aan de heilige tafel op hem terug tot zijne vervloeking; toen riep het om barmhartigheid, thans om wraak. Dat bloed, gestort om het heilzaamste te zijn aller geneesmiddelen, wordt voor hem het doodendst vergif. De H. Paul us voegt er bij: hij eet en drinkt zijn eigen oordeel. Hij heeft zijn rechter, maar zijn vertoornden rechter ontvangen. Hij zwelgt zijne verdoeming in. Wee dien man, het ware hem heter nooit geboren te zijn (1). Het gewone uitwerksel der onwaardige Communie is verblinding en verharding. Zij werpt de ziel in

•I é

(1) Matth. 26 , 24. ch. i.

-ocr page 136-

130

eene volkomen ongevoeligheid voor alles, wat God en al wat heilig is. Maar in het doodsuur, welk een ontwaken? Indien de hel bereid is voor elke doodzonde, welke straffen zullen dan het deel zijn dergenen, die den Zoon Gods onder de voeten getreden en zijn bloed als onrein behandeld hebben? Ziedaar dat goddelijk bloed, thans een oceaan van vuur en vlammen; en, uit het diepste van dien poel van ellende, meent men deze kreet te hooren opstijgen: Ik heb gezondigd door onschuldig bloed te vergieten. Beproeven wij dan ons-zelven, gelijk de Apostel en de H. Kerk het ons gebieden. O mijn God, geef ons dat levend geloof, die heilige vrees, waarvan men moet doordrongen zijn bij het naderen van uw heiligdom. Geef, dat onze oogen zich met duisternis bedekken, dat onze tong verdroge, dat het leven ons verlate, liever dan dat wy ooit tegen u het krachtig middel tot zaligheid misbruiken, dat Gij ons gegeven hebt.

Indien gij u geene bijzondere fouten te venvyten hebt ten opzichte der H. Communie, bepaal u dan tot het volgen van den raad, u door den Verlosser zeiven gegeven in het boek der Navolging: »Doe wat in uw vermogen is en doe dit met groote zorg. Ontvang niet uit gewoonte, maar met vrees, met eerbied, met liefde, het lichaam van den Heer uwen God, die zich gewaardigt tot u te komen. Ik ben het, die u roept en u beveelt te komen. Ik zal aanvullen wat u ontbreekt; kom dan om mij te ontvangen. (Trait, lib. 17 C. 12).

-ocr page 137-

131

25ste OVERWEGING.

de zonde van den h. petrus. — hare oorzaken.

T. De laatdunkendheid.

II. De onachtzaamlieid.

III. De onvoorzichtigheid.

Ziehier drie geduchte klippen, waarop maar al te dikwijls tal van religieuze zielen schipbreuk lyden, hoewel zij, met de beste gevoelens bezield, som-tyds onder het getal der vurigsten gerekend worden.

I Pünt. De laatdunkendheid, eerste oorzaak tot val in den heiligen Petrus. De geest Gods, zonder wien de sterkste man slechts zwakheid is, behaagt zich slechts in een ootmoedig hart; zoodanig was het hart van Petrus niet voor zijnen val; hij mistrouwde zich-zelven niet. Als zijn Meester hem verklaart, dat hij Hem later zal volgen, doch het nu nog niet kan, vraagt hij: Waarom kan ik het niet1? ik zou mijn leven voor u geven.quot; (1) Als de Zaligmaker zijnen Apostelen voorzegt, dat Hij weldra voor hen allen eene ergernis zal zijn, antwoordt Petrus: ^Al zouden zij allen zich in u ergeren, nooit zal ik mij in u ergeren\' (2). Als Jezus, om zijnen hoogmoed te beschamen, hem zijn eigen val voorzegt, en dat met de duidelijkste woorden : Voorwaar, ik zeg het u, voor dat de haan dezen nacht tweemaal zal gekraaid hebben , zult gij mij driemaal verloochenendurft de ongelukkige Apostel zijnen

1

Joa. 13, 36, 87. (2) Hattli. 20 , 31, 33.

-ocr page 138-

132

God eu Meester logenstraffen: Al moest ik met u sterven, ik zal u niet verloochenen (1). O noodlottige laatdunkendheid, lioevele tranen hebt gij aan de H. Kerk gekost! Hoe menigmaal hebt gij hare bechtste zuilen omvergeworpen? O boe weinig kennen wij ons zeiven, als wij op eigen kracht durven steunen!

De laatdunkendheid verblindt ons omtrent onze zwakheid, omtrent de kracht van den vijand, omtrent de grootheid van het gevaar, dat ons bedreigt — . omtrent onze zwakheid. Men vraagt zich af: Quare non possum\'? Waarom kan ik niet gaan, niet zien, mij niet toestaan? Ik kan op mijn hart rekenen. Ik gevoel mij sterk genoeg om te weerstaan, — omtrent de kracht van onzen vijand. Het treurig, doch leerzaam voorbeeld van Petrus leert ons, dat het voorwerp onzer bekoring dikwijls des te sterker is, naar mate het zwakker schijnt. — Omtrent de grootheid van het gevaar. Wie zou aan het hoofd der apostelen hebben kunnen zeggen, dat het gevaar der godsverloochening voor hem lag in eene zoo verachtelijke bekoring? Wie zou hebben durven zeggen aan die religieuze ziel, die zoo vast gevestigd scheen in de deugd, dat zij het voorbeeld zou geven van de schandelijkste zwakheden? Of liever, waarom uiet tot ons zeiven gezegd, wat de ervaring dagelijks leert, dat de gelegenheid den val veroorzaakt, dat het wantrouwen van zich-zelven ons dien doet vermijden, dat het vermetel betrouwen er ons instort?

II Punt. De onachtzaamheid, tweede oorzaak van

(1) Mard. U, 30, 31.

-ocr page 139-

133

den val van Petrus. Als men meent sterk te zijn, zoekt men geen steun. — In den hof van Olijven aangekomen, had Jezus tot zijne Apostelen gezegd: Blijft hier, terwijl ik ga hidden; bidt, opdat gij niet vallet in bekoring (1). Hoe kan Petrus na de treurige voorspelling hem gedaan, eene zoo ernstige aanbeveling veronachtzamen? Hij doet dit echter, en in plaats van te bidden, slaapt hij. Ach, hoe moest hy zich schamen bij het teeder verwijt zijns Meesters, Simon, slaapt gij? Gij, die mij wildet volgen in gevangenschap en dood, hebt gij geen uur met mij kunnen waken ? (2)

Alle hulp ons beloofd tegen de bekoring schijnt besloten in het gebed, of ten minste is het gebed ons gegeven, om ze te verkrijgen. Laat een religieus, zelfs na een leven van langdurige vurigheid, eenig zelfvertrouwen koesteren; laat hij verzuimen, zich te bekleeden met de heilige kracht des gebeds, laat hij zijne meditatiën verkorten of met onachtzaamheid verrichten, weldra zal hij ten zijnen koste en wellicht tot ergernis zijner broeders, de betreurenswaardige gevolgen van deze onachtzaamheid ondervinden,

Jezus wordt gevangen genomen , en reeds is Petrus, niettegenstaande zoovele beloften, niet meer aan zijne zijde. Hij stelt zich tevreden, Hem van verre te volgen. Van een verzuimd of slecht verricht gebed komt men lichtelijk tot verkoeling in godsvrucht. Als de religieuze ziel zich niet meer gaat verwarmen aan het vuur eener heilige meditatie, verliest zij

(1) Mare. 14, 32. Luc. 22 , 40. (2) Mare. 14, 37.

-ocr page 140-

134

weldra de geestkraclit, die zij behoeft, om hare plichten te vervullen. Haar hart wordt niet meer opgewekt door die zalving, welke men put in het verkeer met God, sleept zich slechts op den weg der geboden en raden, in plaats van even als vroeger, daarop voort te snellen. Zij verliest den smaak der hemelsche zaken, zij valt in uitgestortheid, ia een leven volgens de natuur, volgens de zinnen. Ach, hoe ver is zij reeds van Jezus, haar gids en voorbeeld, verwijderd! Zij volgde Hem van verre. Gave de hemel, dat dit de geheele misdaad van den religieus ware! Dan, hoe moeielijk blijft men staan, als men eenmaal deu voet op de belling beeft gezet en hoever gaat men niet! Zie Petrus, al volgde hij van verre, al ging hij langzaam, hij volgde nochtans, hij ging nog; maar reeds gaat hij niet meer. Jezus staat, de bel is tegen Hem losgebroken. Daar dicht bij Petrus slaan schaamtelooze dienaars zijnen Meester, overladen Hem met hoon en beschimpingen... en Petrus gaat

rustig zitten..... Hij weet niets beters te doen, dan

zich te gaan warmen (1); want het is koud. Ziedaar wel de ziel die, ontzenuwd door voortdurende ongetrouwheden , tot elke misdaad voorbereid is; zij staat aan den rand des afgronds; slechts ééne schrede en zij valt.....

III Punt. De. onvoorzichtigheid, derde oorzaak van Petrus val. In een toestand van zwakheid, waarin het minste windje van bekoring genoeg is, om hem omver te werpen, stelt bij zich bloot aan bekoringen, zoo gevaarlijk, dat de meest gevestigde

(1) Mare. 14, 54.

-ocr page 141-

135

deugd er nauwelijks voor bestand ware. Wat ging hy doen in die vergadering van booswichten, te midden der dienaren van een heiligschennenden hooge-priester ? Er bestaat geene veiligheid in het gezelschap der boezen, als men niet zeer op zijne hoede is. Laat eene aan God toegewijde ziel de wereld zoeken door eene andere beweegreden dan plicht of waren ijver; laat zij bij de schepselen den troost gaan bedelen, dien zij in zich-zelve niet meer vindt, zij, die alles wat men van de menschelijke broosheid moge zeggen, overdreven vindt. Zij zal weldra door treurige ervaring moeten bekennen, dat zij veel grooter is, dan men haar zeggen kon. Als ik de zonde zoek, word ik hare prooi; als ik het vergif zoek, als deszelfs zoetheid mij bekoort, mag ik dan veronderstellen , dat ik het zal proeven, zonder het in te zwelgen? Ik moet öf de klippen vermijden of mij verwachten aan de schipbreuk.

Naar Petrus voorbeeld zal ik ten minste leeren ten mijnen koste. Door zijnen val wordt hij nederiger en voorzichtiger. Werpen wij een blik op ons ver-loopen leven. Berouw en goede voornemens.

-ocr page 142-

136

26ste OVERWEGING.

de zonde van den h. peï11us.

I. Hare omstandicrheden.

o

II. Hare grootheid.

1. Stellen wij ons den H. Petrus voor, sprekende met de dienaars en soldaten, zich verbergende onder het masker der onverscbilligheid, om niet herkend te worden.

2. Vraag aan God de genade van wel te mogen begrijpen, dat er geene zonde zoo groot is, of gij kunt die bedrijven, en dat er voor u geene veiligheid

■ bestaat, dan in het waken en bidden, vrucht van een nederig mistrouwen van zich-zelven.

I Punt. De omstandigheden van Petrus val. Men vindt die immer terug in den val van religieuzen.

1°. Petrus valt, niettegenstaande de schitterendste geloofsbelijdenis en de oprechtste liefdebetuiging. Toen Jezus aan zijne Apostelen vraagde: » Wat zeqt het volk van mijquot;, antwoordden zij: »Eenigen zeggen dat Gij Joannes de Dooper zijf, anderen Elias, anderen Jeremias , of een der prof eten.quot; »Maar gij, vraagt Jezus, wie zegt gij, dat ik hen ?quot; Dadelijk zonder den anderen tijd tot antwoorden te laten, zegt Petrus: »Gij zijt de Christus, de Zoon van den levenden God.quot; Eene geloofsbelijdenis, zoo bewonderenswaardig, zoo heerlijk, dat zij hem de geluk-wenschen en de glorierijkste gunsten zijns Meesters verdiende: »Gelukkig zijt gij, Simon, zoon van

-ocr page 143-

137

Joannes; loant vleescJi noch bloed hebben n dit geopenbaard , maar mijn Vader, die in de hemelen is. Kn ik zeg u, gij zijt Petrus en op die steenrots zal ik

mijne kerk bouwen..... Kn ik zal u de sleutels des

hemels geven.quot; (1)

Op een anderen dag, toen Jezus zag, dat een groot getal zijner leerlingen Hera verlieten, vraagde Hij aan degenen, die bi] Hem stonden, of zij Hem ook wilden verlaten. Petrus antwoordde met zijne gewone vurigheid: Heer, tot wien zouden wij gaan\'? Gij hebt de ivoorden des eeuwigen levens. Wij ge.looven en erkennen, dat Gij Christus de Zoon Gods zijt. (2) Bij elke gelegenheid toont hij dezelfde gehechtheid aan den Zaligmaker, de/elfde begeerte om Hem getrouw te blijven. En ik, Heer, had ik, alvorens mij door de zonde tegen u te verklaren, niet herhaaldelijk verklaard, dat ik u zou beminnen tot mijn laatstea snik? Alles verlaten om u te volgen, mij aan u toewydende door de HH. Geloften, wat was dat anders dan luide verkondigen: Gij zijt de Christus, de Zoon van den levenden God; Gij hebt de woorden des eeuwigen levens. En hoe dikwijls na mijne Professie, heb ik in oogenblikken van vurigheid, waarin u,ve genade zich deed gevoelen, hoe dikwijls heb ik niet verklaard, dat Gij de God mijns harten, mijn deel in eeuwigheid waart. (8)

2°. Petrus valt, ondanks al het licht, al de waarschuwingen , die hij had ontvangen, ondanks al de gunsten , waarmede Jezus hem had overladen. Hij had zijne openbai\'e en bijzondere leeringen bijgewoond.

(1) Matth. 10, 13 en volgg. (2) Joa. 6, G9, 70. (3) Ps. 72, 25.

-ocr page 144-

138

Hij had zelfs op Thabor God de Vader luide de godheid van zijnen Zoon hooren verkondigen, Hem aan den eerbied, de liefde zijner leerlingen hooren bevelen: Deze is mijn welbeminde Zoon, in wien ik mijn behagen gesteld heb; luistert naar Hem (1) En dit woord had zulk een indruk op hem gemaakt, dat hij met het aangezicht ter aarde viel. Een oogenblik slechts voor zijnen val had Jezus gezegd: gt;Waakt, en bidt, opdat gij niet in bekoring valletquot;, De geest is wel gewillig, doch het vleeseh is zwak.quot; (2) En kou hij de menigvuldige liefdeblyken zijns Meesters dan reeds vergeten hebben? Nog waren zijne lippen gepurperd met het goddelijk Bloed, dat hij zoo even voor de eerste maal gedronken had. — En ik, Heer, ben ik ook onder al deze opzichten niet bijzonder door u begunstigd geworden? Met welke vaderzorg hebt Gij mij gelieven te onderwijzen? Hoevele liefderijke raadgevingen heb ik van u mogen ontvangen ? Heeft men mij niet dikwijls van uwentwege gezegd, dat mijne uitgestortheid, mijne lichtzinnigheid mij verder, dan ik wilde, zouden medeslepen? Door hoevele treffende weldaden hebt Gij niet getracht, mijn hart aan u te hechten?

3°. Petras valt, ondanks de schijnbare zwakheid der bekoring, die hem aantast. Eene dienstmaagd nadert; zij bedreigt hem niet en zegt hem slechts: »Waart gij ook geen leerling van dien man? Een ieder ziet hierin slechts eene zwakke golf, die tegen de steenrots klotst. Helaas, het is reeds genoeg. Petrus wordt ontsteld, de rots wankelt en barst.

(1) Matth. 17, 5. (2) Matth. 26, 11.

-ocr page 145-

139

»Neen,quot; antwoordt hij, »ik weet niet, wat gij zegt: ik ken hem niet.quot; Hij verloochent Hem in het openbaar.

Eene laffe ziel heelt slechts moed om eene lafheid vol te houden; de vrees van schuldig te schijnen, doet de onbeschaamdheid voegen bij de misdaad. O zag ik Petrus verbleeken bij het zien van een zwaard, dat zijn leven bedreigde, dan zou ik kunnen denken, dat de grootheid van het gevaar zijn verstand bedwelmd heeft. Ik zou hem kunnen beklagen. Doch eene dienstmaagd opent slechts den mond en reeds is hij overwonnen, die apostel, die zich onoverwin-baar geloofde, die metalen muur stort in door één

O 7

woord. Hij bezwijkt bij den eersten aanval. O verschrikkelijke broosheid! Mijn God, wie zal mg beschermen tegen mij-zelven ? Gij alleen, Heer, zijt mijne kracht, indien Gij mij een oogenblik loslaat, zal ik vallen tot in het diepste aller afgronden.

II Punt. Grootheid van de zonde van Petrus. Deze blijkt reeds uit de omstandigheden, die wij hebben aangetoond. Voegen wij hier nog bij:

1°. Petrus zondigt niet eenmaal, als door verrassing, maar driemaal. Na zijne zwakheid eens te hebben ondervonden, vertrekt hij in het voorhof en de haan kraait. Hoe is het mogelijk, dat dit geluid hem niet in zich-zelven doet treden en hem niet de voorzegging zijns Meesters herinnert? Hoe menigmaal, o mijn God, hebt Gij tot mij gesproken, mij tot het goede bemoedigd, my bevreesd gemaakt op het oogenblik, dat ik u vergramde? Ik hoorde u en gehoorzaamde u niet; ik beefde en stond niet stil...

-ocr page 146-

140

Na de gelegenheid verlaten te hebben, keert Petrns er weder heen. Moet men zich verwonderen, dat liy hervalt?

2°. De tweede maal valt hij dieper dan de eerste. Hij verklaart niet slechts, dat hij dien man niet kent; hg bevestigt het onder eede (1). De derde maal bevestigt hij zjjn meineed door vreeselijke vervloekingen (2). Het was als zegde hij: GrooteGod, Gij hoort mij, Gij houdt het bliksemend zwaard in uwe hauden; verpletter mij, als ik tegen mijn gevoelen spreek, door te zeggen; dat ik Jezus niet ken ! En het is Petrus , die spreekt!

Bij de eerste misdaad wordt het geweten ontsteld: bij de tweede vreest het minder, bij de derde is men schaamteloos; niets kost ons meer. Treurig uitwerksel der herhaalde boosheid. Hoe meer ik mijue fouten vermenigvuldig, hoe meer ik mij-zelven verzwak, hoe verder ik mij van de zaligheid verwijder.

3°. En op welk oogenblik maakt Petrus zich schuldig aan dien meineed, aan die godsverzaking? Juist dan, als Jezus, zijn goddelijke Meester, zoo groote behoefte heeft aan den troost der vriendschap, dan, als hij door de dienstknechten gehoond en bespuwd wordt. De Apostel hoort de slagen, hij hoort de onbeschaamde uitdaging aan zijne hoedanigheid van profeet: Christus, zeg ons, wie u geslagen heeft. En wat antwoordt hij bij dit alles? Even als op de vragen hem gedaan: Ik ben zijn leerling niet, »Ik ken dien mensch niet!quot; (3) O heiligschennende, o afschuwelijke woorden! gevoelde Petrns bij het

(1) Matt. 20, 72. (2) Matth. 26 , 74. (3) Mare) 14, 71.

-ocr page 147-

141

uitspreken zijne lippen niet beven, zijne tong niet verstijven, zijn hart niet breken? Dien mensch\' noemt hij Jezus met verachting! Weet hij dan niet, welk een treurig uitwerksel zijn noodlottige afval moest hebben! Het volk was aan den Zoon Gods verknocht, en had dit dikwijls bewezen. Doch wat moest dat volk denken, ziende dat al zijne leerlingen Hem verlieten en dat hij, die tot dusverre het vurigst geweest was, om Hem te verdedigen, Hem nu lafhartig verloochende op het woord eener dienstmaagd. Even als de afgoderij van Ailron, zoo was de verloochening van Petrus eene groote ergernis voor de Joden, stelde zij een vreeselijk wapen in de handen van Jezus\' vijanden, gaf z^j grond aan hunne lasteringen, moedigde zij hunnen haat aan? Dan.... Petrus beweent reeds zijne misdaad. Staan wij met hem op , indien wij het ongeluk hadden met hem te vallen. Heer, op dezelfde bladzijde van uw Evangelie stelt Gij mij het voorbeeld voor oogen van twee mannen, die u waren toegewijd. De een is een verrader, die onder den schijn der vriendschap u aan uwe vijanden overlevert; de andere is een lafaard, die u verloochent bij den schijn van gevaar. Maar terwijl Petrus, op uwe oneindige barmhartigheid vertrouwende, zijne vergeving gaat zoeken in uw Hart, dat hy zoo wreedelijk heeft gewond, brengt Judas dat Hart eene nog diepere wonde toe dan de eerste, door te twijfelen aan de goedheid, waarmede Gij zijn berouw zoudt aanvaarden. O, ik weet, welk voorbeeld ik ga volgen. Jk verfoei de wanhoop van Judas; ik wil Petrus navolgen in zgn vertrouwen. O Jezus,

-ocr page 148-

142

weiger mij dien blik van mededoogen niet., die het hart van uwen Apostel veranderde; gelief dien ook op mij te werpen; ik zal mijne zonden beweenen gelijk hij de zijne beweend heeft, en ik zal mij wasschen in mijne tranen van berouw.

27ste OVERWEGING.

onze eigkne en pkrsoonli.ike zonden.

I. Het groot getal mijner eigene zonden.

II. Hare afschuwelijkheid in zich-zelven.

III. Hare boosheid met het oog op dengene, die ze bedrijft.

1. Stel u voor God als een dier melaatschen, die bij Jezus hunne genezing kwamen afsmeeken, of •wel als een misdadiger met boeien en kluisters beladen, voor zynen rechter verschijnende.

2. Stort in mijn hart, o Heer, al de gevoelens van schaamte, welke de herinnering mijner zonden mij moet inboezemen, geef mij een oprecht berouw over mijne zonden en het vaste voornemen, van die voortaan te vermijden.

I Punt. Het aantal mijner zonden. Het is niet meer in de weerspannige engelen , niet meer in Adam, niet in Petrus, niet in eenig verdoemde, maar in mij-zelven, dat ik de zonde moet beschouwen.

De gevallen engelen, Adam en vele verdoemden hebben slechts éene zonde bedreven, en tegenover

-ocr page 149-

143

die êene zonde, zoo streng, zoo rechtvaardig gestraft, zal ik de menigte mijner bijna ontelbare zonden stellen.

Zonden van alle tijden. — In mijne kindsheid. Welk gebruik heb ik gemaakt van het eerste licht der rede, van de eerste bewegingen van mijn hart, van de eerste indrukken der genade? Is het aan God, aan God alleen, dat ik de hulde bracht mijner eerste vrijheid? Helaas! ik zondigde, zoodra ik kon; klein in jaren, was ik reeds groot in boosheid. In mijne jeugd; Beter kende ik toen de rechten, die God had op mijne gehoorzaamheid en liefde, en was des te schuldiger, als ik Hem die weigerde. Welke wanorde in mijne gedachten, in mijne begeerten, welke oploopendheid mijner hartstochten! O jeugd, gij zijt de bloem des levens, doch hoevele gevaren verbergt die bloem! Jn rijperen leeftijd; mijne genegenheden veranderden, doch verbeterden niet. Is er sedert den tijd, dat ik zondigen kon, een tijd, een dag, die geene dwaling of zwakheid te betreuren geeft?

Zonden op alle plaatsen: In het ouderlijk huis, in de scholen, waar ik de wetenschap ging putten, op de plaatsen mijner vermaken, in de heiligste plaatsen, zelfs in uw tempel, mijn God, tegenover nw heiligdom, in tegenwoordigheid uwer altaren, overal grijnst mij de herinnering aan van eenige bedreven boosheid... Waar ooit, Heer, en wanneer was ik onschuldig voor uwe oogen?

Onderzoek ik de gezelschappen, waarin ik verkeerd heb, mijne bezigheden , mijne uitspanningen, alles herinnert mij aan zonde en dwaling. Onderzoek ik

-ocr page 150-

144

Gods geboden, welke heb ik altijd geëerbiedigd ? Mijne bekoringen, zijn er vele, waaronder ik niet bezweken ben? De verscliillende vermogens Van ziel en lichaam, is er een, dat niet tot werktuig van eenige fout gediend heeft? Almachtige God, ik belijd het voor u, ik heb gezondigd, ik heb zwaar gezondigd.... Confiteor Deo omnipotenti.... quia peceavi nimis...

II Punt. Hoe afschuwelijk zijn deze zonden in zich-zeloen. Wel moeten zij uiterst afschuwelijk zijn, daar zij oneindig strijden tegen de opperste schoonheid. Door te zondigen, ben ik opgestaan tegen God; verachtelijk stof, heb ik den Almachtige het hoofd durven bieden! Welke vermetelheid! — Door te zondigen, heb ik al de volmaaktheden Gods veracht: zijne macht, en ik wist dat Hij mij kon verpletteren op bet oogenblik, dat ik Hem beleedigde; zijne wijsheid, door zijne zoo redelijke wet te overtreden, om mij te gedragen naar de willekeur mijner hartstochten; zijne onmetelijkheid, zijne heiligheid, door Hem getuige te doen zijn mijner ongeregeldheden. Welke goddeloosheid! — Door te zondigen heb ik niet alleen myn grooten weldoener vergeten, maar ik heb zijne weldaden tegen Hem gekeerd, door datgene, wat Hij mij gegeven had, om Hem te dienen, te misbruiken om Hem te beleedigen. Welke ondankbaarheid! — Door te zondigen heb ik den dood boven het leven, de hel boven den hemel. Satan boven Jezus-Christus gesteld. Ik heb een teederen Vader verlaten voor een afschuwelijken meester, voor den wreedsten aller dwingelanden! Welke verblindheid, welke dwaasheid! O mijne ziel,

-ocr page 151-

145

kondt gij u-zelve zien in den treurigen toestand, waarin uwe verfoeielijke boosheden u gebracht hebben, zoudt gij een afkeer van u-zelve gevoelen.

Ill Punt. De boosaardigheid dier zonde wet het oog op dengene, die ze bedrijft. Beschouw ik mij zeiven als raensch, dan is mijne geringheid zoodanig, dat ik aan het niet gelijk beu; doch wat ben ik in vergelijking met alle menschen? Wat zijn alle menschen vergeleken bij een engel? Wat zijn alle engelen in vergelijking met God? Wat ben ik zelf dan in tegenwoordigheid dier oneindige Majesteit, voor wie alle natiën zijn, als bestonden zij niet? (1) En ik heb durven opstaan tegen dien grooten God, ik heb Hem voor zijn aanschijn durven wederstaan, ik heb vermetel durven zeggen: Gij zult te vergeefs gebieden; ik zal u niet dienen (2). En beschouw ik mij als christen, dan moeten mijne zonden mij nog meer afkeer inboezemen. Het doopsel maakte mij lidmaat van het lichaam van Jezus-Christus, tempel van zijnen H. Geest; elke zonde, door een Christen bedreven, is derhalve een heiligschennende aanslag. Door te zondigen onttrek ik dus, volgens de woorden des apostels, de ledematen mijns Zaligmakers uit hunne bestemming, om ze tot schandelijke buitensporigheden te doen dienen (3). Ik jaag den heiligen Geest uit zijn heiligdom; het leven van den Christen moet het leven van Jezus-Christus zijn. Erkent men dit in mij, als ik zondig?

Maar wat zal het zijn, als ik mij onderzoek als religieus, als ik in mijnen geest de voorrechten en

(1) Is. 40, 17. (2) Jerem. 2, 20. (3) i Cor. G,\'_15. CH. I,

10

-ocr page 152-

146

plichten van dien heiligen staat overdenk? Dikwijls zal ik mij-zelven afvragen, hoe het mogelijk is, dat, na zoo vele verfoeielijke aanslagen , de schepselen zich niet tegen mij wapenen, hoe zij hebben kunnen voortgaan, mij te dienen, terwijl ik hunnen Schepper en den mijne beleedigde. Ik zal God bedanken voor het geduld, waarmede Hij mij heeft willen verdragen; en nederig erkennende, dat ik verdien beroofd te worden van al de genaden, al de goederen, waarvan ik zulk een misdadig gebruik gemaakt heb, zal ik Jezus, den gekruiste, bidden, zijn lijden en zijne beschimpingen aan zijnen Vader op te dragen, en ik zal met den heiligen Barnardus zeggen: gt;O gij, die zoolang den hardnekkigen en ondankbaren zondaar hebt afgewacht, wees barmhartig voor een berouw vollen ellendeling!\'\'

28ste OVERWKGING.

heehaling van hkt tooegaande. be w eeg heden tot berouw en leedwezen.

De beweegredenen tot berouw, vervat in de vorige meditatiën, kan men samenvatten in deze drie woorden: tel, weeg en meet.

I. Het aantal mijner zonden tellen.

II. Het gewicht dier zonden wegen.

III. Hare uitgestrektheid nieten.

I Pünt. De menigte mijner zonden. Wanneer ik al de zonden mijns levens in mynen geest terugroep

-ocr page 153-

147

met al derzelver omstandigheden van leeftijd, plaats en verschillende gelegenheden, waarin ik mij bevond, zal het mij, met de hulp van Gods genade, gemakkelijk zijn, die oprecht te verfoeien door de volgende overwegingen.

1°. Als eene zware zonde de hel verdient, hoe vele hellen heeft hij dan verdiend, die zoovele zonden bedreven heeft, dat hij, bij verre na, het getal daarvan niet kent?

2°. Als Lucifer, die een wonder van schoonheid was, door eene gedachte van hoogmoed, die slechts een oogenblik duurde, een schrikwekkend mouster geworden is, zoo zelfs dat, volgens het zeggen der heiligen, eene der grootste straffen der verdoemden zal zijn, hem in alle eeuwigheid te moeten zien, wie zou dan het gezicht kunnen verdragen van eene

O O

ziel, bezoedeld met zoo vele, dikwijls herhaalde zonden. Een druppel van dit vergif op een engel gevallen, op dat heerlijk sieraad des hemels, heeft hem gemaakt tot een voorwerp van haat en gramschap, dat God heeft verbroken en in het diepste der hel heeft geworpen; maar datzelfde vergif is op mijne ziel , gevallen , niet als druppelen , maar als een stortvloed. Hoe zeer beb ik mij verlaagd, hne heb ik mijne ziel misvormd, welke gramschap heb ik tegen mij-zei ven verwekt in het Hart van den driemaal heiligen God.

3°. Als elke overtreding van \'s Heeren wet eene beleediging is, aan elke zijner volmaaktheden aangedaan, eene wonde aan zijn Hart toegebracht, welken hoon heb ik Hem dan aangedaan! Hoe dikwijls heb ik zijn aanbiddelijk Hart gewond, ik, die Jezus zoovele liefde en dankbaarheid verschuldigd was!

-ocr page 154-

148

4°. Als elke doodzonde een keten is, die mij aan den duivel vasthecht, een recht, dat ik hem geef, om mij eeuwig als zijn slaaf en slachtoffer te behandelen , welk gebied zou dan die wreede vijand der zielen op mij hebben, met hoevele ketenen zou hij mij aan zijne zegekar gekluisterd hebben in het droevig geval, dat ik geene vergeving hadde verworven?

5°. Als ik eindelijk door elke zonde eene schuld op mij trek, die de boete van een God-mensch alleen in staat is te voldoen, moet ik dan niet vreezen, dat mijne talrijke overtredingen mij gemaakt hebben tot een onvermogenden schuldenaar, veroordeeld ton de uiterste duisternis, waar geween zal zijn en knarsen der tanden?

II Punt. De zwaarte, mijner zonden. Met de schaal van het heiligdom in de hand, en mijne gedachten regelende naar de gedachten van Hem, wiens oordeel rechtvaardig is, weeg ik de gevolgen, die mijn weerstand tegen den hemel hebben teweeg gebracht; het ongelijk, dat ik God heb aangedaan, door Hem te misachten en Hem lager te schatten dan eene lage voldoening, door de zonde verschaft, door zoo on-waardiglijk zijne belangen te verraden, die ik beloofd had, te verdedigen door de heilige verbintenis, in het H. Doopsel, de nog heiliger, in mijne religieuze professie aangegaan; het ongelijk, dat ik gedaan heb aan de zegevierende Kerk, door haar te berooven van de vreugde, die zij verwachtte van mijne godsvrucht en ijver; aan de lijdende Kerk, die van mij de hulp, den troost niet ontving, dien ik haar schuldig was, aan de strydende Kerk, die ik heb onteerd door mijn

-ocr page 155-

149

gedrag, wier HH. Sacramenten ik misschien beb ontheiligd , wier kinderen ik heb geërgerd; — het ongelijk eindelijk, dat ik mij-zelven heb aangedaan. Ik heb alles verloren: mijne waardigheid, mijn vrede, mijne vrijheid, de vriendschap van mijn God, mijne verdiensten , mijne ziel..... Ik heb alle rampen over mij

afgetrokken! Ach! indien ik gestorven was in den staat, waarin de zonde mij heeft gebracht.... Ik was verloren, de hemel was my voor eeuwig gesloten, ik was voor eeuwig aan de helsche straffen overgeleverd.....

Terwijl ik hier nog sta aan de bron der genade, en deze treurige, doch zalige waarheden overdenk, verbeeld ik mij een verdoemde, na eene enkele doodzonde in de hel geworpen. Hij had minder genaden ontvangen dan ik, meer deugd beoefend dan ik, langer in de godsvrucht volhard; hadde de dood hem eenige dagen, eenige uren vroeger getroffen, zoo ware hij in het gezelschap der engelen, in eeu oceaan van hemelschen wellust gedompeld; en daar ligt hij nu in eene zee van vuur en vlammen! Daar ligt hij tusschen de duivels en gedurende de gansche eeuwigheid zal hij slechts kunnen haten en God lasteren.... Ziedaar het werk eener enkele zoude! En Hij, die aldus straft, is een God van oneindige goedheid en barmhartigheid; Hy beminde die ziel meer, dan eene moeder haar eenig kind beminnen kon! 0 diepte der wijsheid, rechtvaardigheid en heiligheid van God!....

Het is aan u, o Jezus, mijn Verlosser, het is aan uwe liefde, dat ik het te danken heb, niet reeds lang de prooi der onuitblnschbare vlammen te zijn

-ocr page 156-

148

4°. Als elke doodzonde een keten is, die mij aan den duivel vasthecht, een recht, dat ik hem geef, om mij eeuwig als zijn slaaf en slachtoffer te behandelen, welk gebied zou dan die wreede vijand der zielen op mij hebben, met hoevele ketenen zou hij mij aan zijne zegekar gekluisterd hebben in het droevig geval, dat ik geene vergeving hadde verworven?

5°. Als ik eindelijk door elke zonde eene schuld op mij trek, die de boete van een God-mensch alleen in staat is te voldoen, moet ik dan niet vreezen, dat mijne talrijke overtredingen mij gemaakt hebben tot een onvermogenden schuldenaar, veroordeeld tot de uiterste duisternis, waar geween zal zijn en knarsen der tanden?

II Punt. De zwaarte mijner zonden. Met de schaal van het heiligdom in de hand, en mijne gedachten regelende naar de gedachten van Hem, wiens oordeel rechtvaardig is, weeg ik de gevolgen, die mijn weerstand tegen den hemel hebben teweeg gebracht; het ongelijk, dat ik God heb aangedaan, door Hem te misachten en Hem lager te schatten dan eene lage voldoening, door de zonde verschaft, door zoo on-waardiglijk zijne belangen te verraden, die ik beloofd had, te verdedigen door de heilige verbintenis, in het H. Doopsel, de nog heiliger, iu mijne religieuze professie aangegaan; het ongelijk, dat ik gedaan hab aan de zegevierende Kerk, door haar te berooven van de vreugde, die zij verwachtte van mijne godsvrucht en ijver; aan de lijdende Kerk, die van mij de hulp, den troost niet ontving, dien ik haar schuldig was, aan de strijdende Kerk, die ik heb onteerd door mijn

-ocr page 157-

149

gedrag, wier HH. Sacramenten ik misschien beb ontheiligd , wier kinderen ik heb geërgerd; — het ongelijk eindelijk, dat ik mij-zelven heb aangedaan. Ik heb alles verloren: mijne waardigheid, mijn vrede, mijne vrijheid, de vriendschap van mijn God, mijne verdiensten, mijne ziel..... Ik heb alle rampen over mij

afgetrokken! Ach! indien ik gestorven was in den

O O

staat, waarin de zonde mij heeft gebracht.... Ik was verloren, de hemel was mij voor eeuwig gesloten, ik was voor eeuwig aan de helsche straffen over-geleverd.....

Terwijl ik hier nog stn, aan de bron der genade ( en deze treurige, doch zalige waarheden overdenk, verbeeld ik mij een verdoemde, na eene enkele doodzonde in de hel geworpen. Hij had minder genaden ontvangen dan ik, meer deugd beoefend dan ik, langer in de godsvrucht volhard; hadde de dood

o o 7

hem eenige dagen, eenige uren vroeger getroffen, zoo ware hg in het gezelschap der engelen, in een oceaan van hemelschen wellust gedompeld; en daar ligt hij nu in eene zee van vuur en vlammen! Daar ligt hij tusschen de duivels en gedurende de gansche eeuwigheid zal hij slechts kunnen haten en God lasteren.... Ziedaar het werk eener enkele zoude! En Hij, die aldus straft, is een God van oneindige goedheid en barmhartigheid; Hij beminde die ziel meer, dan eene moeder baar eenig kind beminnen kon! 0 diepte der wijsheid, rechtvaardigheid en heiligheid van God!....

Het is aan u, o Jezus, mijn Verlosser, het is aan uwe liefde, dat ik het te danken heb, niet reeds lang de prooi der onuitblusebbare vlammen te zijn

-ocr page 158-

150

geworden! Hoe hebt Gij mij kunnen sparen, terwijl alles u aanzette, om mij te verdelgen; — het belang uwer volmaaktheden, die ik beleedigde, het belang dei-genade, die ik onder de voeien vertrapte, het belang der zielen, die ik ergerde? Hoe hebt Gij mij kunnen afwachten met zooveel geduld, my het leven latende behouden, mi] de middelen gevende, om u te verzoenen, den hemel te verdienen! Ik zal u loven, mijn Heer en mijn God, uit geheel mijn hart, en uwen naam in eeuwigheid verheerlijken, omdat uwe oneindige harmhariigheid over mij is gekomen en Gij mij uit den afgrond der hel hebt getrokken (1).

III Punt. De boosheid mijner zonden. Hier sta ik altijd voor het oneindige. Want ik moet ze meten mijne zonden, eerst met de grootheid van God, dien ik heb beleedigd: gt;Quis est Deus?.... met de grootheid van het goed, dat ik Hem heb ontnomen of willen ontnemen. Ik heb Hem zijne eer ontnomen door flem te verachten, ik heb Hem zijne heiligheid, zijne rechtvaardigheid, zijne onmetelijkheid willen ontnemen.... al de hoedanigheden, die mij in de voltrekking mijner boosheid in den weg stonden; ik heb Hem derhalve zijn bestaan willen ontnemen. »De zonde vernietigt God, zooveel zij vermagquot; (2). Ik moet ze meten, mijne zonden met de weldaden, die ik heb ontvangen. Elke dezer weldaden was oneindig in het doel, dat God aanzette, mij die te verleenen, te weten zijne liefde; oneindig in het geluk, dat daarvan het einde is. Wat wilde mijn aanbiddelijke weldoener door die zoo talrijke wel-

(1) Ps. 85, 11, 12. (2) H. Bern.

-ocr page 159-

151

daden en genaden, dan alleen mij te geleiden tot de hoogste gelukzaligheid? Ik moet ze meten, mijne zonden, met het lijden en de vernederingen van Jezus-Christus. Helaas! door mijne zonden heb ik voor mij de verdiensten van zijnen dood vernietigd; ik heb zijn kruis omver geworpen, of liever ik heb het opgericht, dat smartelijk en schandelijk kruis, om er opnieuw mijn Zaligmaker aan vast te nagelen!

Men eindige met de drievoudige samenspraak der negentiende overweging, blz. 100.

29ste OVERWEGINQ.

bronnen onzee zonden. de hautstochten.

I. Wij moeten al onze hartstochten vreezen, omdat

zij alle tot de zonde brengen.

II. Wij moeten bijzonder die hartstochten vreezen, die zich verbergen, omdat zij ons tot den laagsten trap der zonde voeren. Indien wij willen komen tot de zuiverheid van harte, welke Jezus zoo aanprijst door ons te leeren, dat zij ons het geluk verdient, God te zien, moeten wij onze verfoeiing der zonden uitstrekken tot derzelver oorzaak, en van de beek opgaan tot de bron. ten einde te trachten, die geheel uit te drogen.

I Punt. Al de hartstochten zijn te vreezen, omdat zij alle ons tot zonden brengen. Zij bedriegen ons, zij vleien ons, zij overheerschen ons, en derhalve doen zij ons in de zonde vallen en volharden.

-ocr page 160-

152

lo. De hartstochten bedriegen ons. Gelijk do wolken het licht der zon verduisteren, aldus benevelen de ongeregelde driften den fakkel des geloofs en zelfs het licht der rede. Hoe sprak de onschuld van Abel, de stem der natuur tot Kaïn? Hoe spraken tot de verleiders van Susanna hunne grijze haren, huu titel van ouderling? Hoe spraken de teedere woorden de goedheid , de zachtmoedigheid van Jezus tot Judas? Hoe spreken tot den meusch de schoonheid der natuur, het gezicht van zoo vele schepselen, door God tot onzen dienst geschapen, het kruis van Jezus Christus? Koe spreekt tot den religieus het kleed, dat hij draagt ? Dan, zoodra de hartstocht in de ziel is gevaren, stapelt hij daar zulk eene macht van duisternis op elkander, dat men niet ziet, wat voor anderen even klaar is als de zon.

Elke hartstocht ontstaat uit de ongeregelde eigenliefde ; en in datgene, wat onze eigenliefde vleit, zien wij geen kwaad. Men vindt altijd eeuige verontschuldiging; en heeft men er geene, dan maakt men er eene van den hartstocht zelf, van deszelfs kracht of hevigheid. Men ziet echter meer dan men zien wil, en de boosheid ligt hierin, dat men weerstaat aan de inspraak ; want zeer zelden is de verblindheid algemeen en volkomen. Er blijft altijd in de ziel een oog van voorbehoud, als het ware, dat immer half openstaat en, ondanks den hartstocht, de wet erkent, die spreekt, de misdaad, die ze overtreedt, de straf, die ze zal wreken.

2°. De hartstochten vleien ons. Door de zoetheid, die zij beloven, verleiden zij het hart, slepen zij den wil mede. Te vergeefs waarschuwt de rede, roept

-ocr page 161-

153

Let geweten, bedreigt God: men luistert naar niets en valt. Ik zal dit ongeluk vermijden, o mijn God, door mij van het begin af te ontrukken aan de aanlokselen van den hartstocht, welke pogingen het mij ook moge vragen. Ik weet, dat, als mijn wil oprecht is, uwe genade my zal ondersteunen en mij zal doen zegevieren over mijn eigen hart, dien eenigen vijand, dien ik waarlijk vreezen moet; want alle duivelen hebben slechts kracht in zooverre, als ik hun de wapens in de hand geef. Zoodra ik mij-zelven overwin, zijn zij overwonnen.

3°. De hartstochten overheerschen ons. Geef ik hun toe, dan vermeerder ik hunne kracht; ik maak ze trotsch, aanmatigend, veeleischend. Ik ontneem aan mij-zelven de macht, die ik hun geef. Indien ik begin met op hun lastig aandringen toe te geven, zal ik hun weldra niets meer kunnen weigeren, en zal mijne laffe toegevendheid gewoonte worden. De gewoonte is, volgens den H. Augustinus, die uit ervaring spreekt, een ijzeren keten, die den wil gekluisterd houdt. O hoe treurig is de staat van een religieus, die zich tot slaaf maakt zijner laagste driften! Hij stelt ze tevreden, wel ia waar; doch zijn geweten, stelt hij dit ook tevreden? En wat baat het hem, dat zijn drift voldaan is, als zijne ziel gekweld, zijn geest ontsteld, zijn hart verscheurd wordt? Kwelling en angst dringen in het hart van den rnensch, die het kwade bedrijft (1). Vreezen wij dan de hartstochten bij het zien van den afgrond, waarheen zij ons geleiden.

(1) Rom. 2, 9

-ocr page 162-

154

II Punt. Van alle driften zijn die het meest te vreezen, welke zich verbergen, omdat zij ons tot den laagsten trap der zonde voeren. De hartstocliten verbergen zich öf om de misdaad te bedekken, öf om die te vermenigvuldigen, of om den misdadiger in zijne zonde te doen voortleven.

1°. De ontsluierde misdaad zal altijd hatelijk zijn, zelis in Het oog Tan bem, die ze bedreef, omdat het geweten ze altijd voorstelt als strijdig tegen de orde, de rede, de rechtvaardigheid, gedrukt in het hart van ieder mensch; en is zij hatelijk zelfs in het oog van hem, die ze bedreef, hoe veel meer moet zij het wezen voor hen, die er getuigen van waren? Om aan de schande en den haar verschul-digden haat te ontsnappen, vermomt zich de hartstocht. Wie zou gelooven, dat een hebzuchtige Judas voor een vriend der armen wil doorgaan? Hoe is het mogelijk, de hebzucht te onderkennen onder den dekmantel der naastenliefde? En toch, de hebzucht is het, die hem dit verwijt op de lippen brengt: »waartoe deze verkwisting? Waarom heeft men dit »reukwerk niet liever verkocht en den prijs aan de »armen gegeven?quot; Deze schoone sluier is eene zonde te meer van af het oogenblik, dat zij moet dienen om eene andere zonde te dekken. Doch, Heer, daar de verborgen hartstocht slechts een dubbel schuldige hartstocht is in uwe oogen, zult Gij haar ook dubbel straffen, als hartstocht eu als schijnheiligheid.

2°. De driften verbergen zich, om de misdaad te vermenigvuldigen. Het gebeurt zeer zelden, dat een hartstocht, die zich openbaar vertoont, niet onderdrukt of ten minste in hare ongeregeldheid gehinderd

-ocr page 163-

155

wordt. De ontdekte mijn is niet gevaarlijk, docli daarentegen is alles te vreezen, wanneer de vijand zijn werk bedekt voor het wakend oog. Het was door nijd en liaat te verbergen, onder bet masker van ijver voor den godsdienst, dat de Pharizeërs langs eene reeks van boosheden en misdaden kwamen tot de vreeselijkste gruweldaad, den godsmoord.

3°. De driften verbergen zich om den zondaar in zijne misdrijven gerust te stellen. Hoe vele listen, hoe vele omwegen, om aan het oog der menschen de afstootende ruwheid van sommige driften te verbergen! Alsof men zich, o mijn God, konde onttrekken aan uw alziend oog! Alsof men uwe rechtvaardigheid, die altijd gewapend is, om de zonde te straffen, bedriegen konde! Ja, dikwijls, als de schijnheilige listgrepen niet bij machte zijn, om het wangedrag buiten het bereik der openbare meening te houden, durft men de achterdocht door de grootste schaamteloosheid smoren. Zie Judas! De treurige mededeeling, door Jezus aan zijne apostelen gedaan, dat een hunner Hem zal verraden, is een donderslag, die allen ontstelt. Ieder zegt tot zich-zelven: »Het is een God, die spreekt! Kan Hij de waarheid of niet weten, of niet zeggen ?quot; Ieder ondervraagt, ieder onderzoekt zich-zelven ; niemand durft het eigen geweten vertrouwen, en de trouwelooze leerling, die wel weet, dat het woord zijns Meesters hem geldt, die meer dan een der overigen moest ontstellen, is de eenige, die zich daarover niet ontsteld toont; en de beleodiging voegende by zijne vermetelheid , vraagt hij op zyne beurt koelbloedig: »Meester, ben ik tet?quot;

-ocr page 164-

156

Betreuren wij bitter de verwoestingen, door de driften in ons aangericht. Erkennen wij hunne bittere vruchten in de bijna ontelbare menigte fouten, waarin zij ons gestort hebben; en betreuren wij de onvoorzichtigheid, waarmede wij ze geduld en versterkt hebben.

De H. Ambrosius vergelijkt onze hartstochten bij de koorts, waardoor de schoonmoeder van den H. Petrus was aangetast. »Onze koorts,quot; zegt hy, »is de gierigheid, de wulpschheid, het vermaak, de toorn.quot; Maar Jezus trad in het huis der zieke en genas haar. Daar wij ook het geluk hebben, van den aanbiddelijken geneesheer in ons hart te ontvangen, zoo laat ons Hem bidden, zijne macht en zijne goedheid aldaar te doen uitschijnen, door ons eene geestelijke genezing te schenken, die voor ons des te voordeeliger eu voor Hem des te eervoller zal zijn.

30ste OVERWEGING.

DE HOOGMOED, HEÏ BEGIN VAN ALLE ZONDEN.

I. Waarom haat God den hoogmoed meer dan alle andere ondeugden?

II. Bijzondere redenen, waarom wij-zelven dien meer moeten haten.

De mensch zondigt slechts om zich eenig leed te sparen of zich eenige voldoening te verschaffen. Het is dus altijd aan zich-zeiven, dat de zondaar den voor-

-ocr page 165-

157

rang geeft boven God; het is altijd de hoogmoed, die den weerstand ingeeft. Non serviam (1). Bestrijden wij dan krachtdadig die verfoeielijkste aller ondeugden.

I Pont. Waarom haat God den hoogmoed meer dan de andere ondeugden ? De H. Augustinus geeft tot antwoord, dat het is omdat deze ondeugd God meer rechtstreeks aanrandt; zij zou God van zynen troon willen werpen, tast zijne onsterfelijkheid aan; en van den hoogmoed moet men vooral met den H. Bernardus zeggen, dat hy God vernietigt zooveel hij kan, omdat hij lijnrecht tegenover al de hoedanigheden Gods staat. Het is gemakkelijk, zich daarvan te overtuigen.

Voor eene ziel, door dezen hartstocht beheerscht is God niet meer het eerste en het laatste, het iegin en het einde; Ilij is niet meer de Opperheer aller zaken; Mea sunt omnia. De hoovaardige verheft zich op zijne wezenlijke of ingebeelde voorrechten, als kwamen zij uit hem. Te vergeefs roept de H. Paulus hem toe: Wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt? en zoo gij het ontvangen hebt, waarom verheft gij u er op, als haddet gij het niet ontvangen1? (2) God is dus voor hem niet meer die eerste bron, waaruit alle goed hem toevloeit. — De hoovaardige, wel verre van tot Gods eer op te dragen al, wat hij zegt, wat hij doet, wat hij is, doet alles dienen tot zijne eigene eer en zoekt slechts eigen lof. God is voor hem dus niet meer dat laatste einde, waartoe men alles moet terugbrengen. Doe alles tot glorie

1

Jerem. 2, 10. (2) i Cor. 4, 7.

-ocr page 166-

158

van God (1). De hoovaardige beschouwt zich als onafhankelijk, als eigenaar der goederen, die hem slechts zijn toevertrouwd, — God is derhalve voor hem niet meer de opperste beheerscher, de Heer der heeren, aan wien alles toebehoort.

De hoogmoed is van de eene zijde eene godsloochening , van de andere eene afgoderij. Na God van zijnen troon geworpen te hebben, plaatst de hoovaardige zich daarop; hij zoekt zich in de achting en liefde der menschen boven God te stellen.... Wie begrijpt den bijzonderen haat niet, dien God moet koesteren tegen die ondeugd, den verdelgingsoorlog, dien Hij hem gezworen heeft?

H Punt. Bijzondere redenen, ivaarom wij zeiven den hoogmoed moeten haten. De genaden, waarvan hij ons berooft, de verdiensten, die hij ons beneemt, al onze deugden, die hij vernietigt, de straffen, die hij over ons trekt....

Hebben wij wel ooit het onheil begrepen, dat deze afschuwelijke ondeugd over ons trekt?

1°. Genaden, waarvan hij ons berooft: het gebed is het gewone kanaal der genaden. God is rijk, maar ten voordeele van degenen, die Hem aanroepen. De hoovaardige bidt weinig of hij bidt slecht; kan. hy deel hebben in de hemelsche gaven? — Hjj bidt weinig, omdat hij er geeue behoefte toe gevoelt. Vol van zich-zelven, ingenomen met hetgeen hij is of meent te zijn, wat wilt gij, dat hij vrage? Daarenboven, bidden is zijne ellende belijden, zijne at\'han-kelykheid bekennen, zijne zwakheid, zijn niet voor

(1) I Cor. 10, 31.

-ocr page 167-

159

God blootleggen, liet is evenals een arme de hand uitsteken: — wat staat den hoogmoed meer tegen?

O O

Hij bidt slecht. — Want om goed te bidden moet men ingetogen zijn; en hoe kan men dit zijn, als de ziel niet gerust is? En de rust zoeken in een hoo-vaardig hart, is kalmte zoeken te midden van den storm. Zoo er iemand gevonden wordt, wien de ervaring niet geleerd heeft, hoe onmogelijk het is met God door het gebed te verkeeren, als men beheerscht wordt door de onstuimigste aller driften, wenschen wij hem geluk; doch waar zal men hem vinden?

2°. Verloren verdiensten. De hoogmoed is voor onze werken, wat het insect is voor de plant, welke het, door den wortel af te knagen, doet sterven. Welke vrucht zal ik trekken uit mijne heiligste verrichtingen, als deze ondeugd daarvan de drijfveer is ? De Pharizeërs deden lange gebeden, strenge boetpleging, dreven de nauwkeurige naleving der wet tot het uiterste, en nochtans overlaadt Jezus-Christus hen met zijne vervloekingen. De hoogmoed is derhalve niet eene dier vadzige neigingen, die ons van het werken afkeeren; hij zet daarentegen tot werken aan. Men roemt mij als een voorbeeld van ijver en werkzaamheid; men spreekt slechts van het goede, dat ik verricht... Helaas, als ik voor Gods rechterstoel zal verschijnen, hoevele dier werken, die mij bij de menschen doen vereeren, zullen dan als onnuttig verworpen worden! Hoevele zullen tegen mij getuigen, omdat de hoogmoed ze met zijn venijn vergiftigd heeft! Ik bezoek de armen, de zieken; ik onderricht de onwetenden, ik maak deel van alle

-ocr page 168-

160

godvruchtige vereenigingen. »Welk een verdienstelijk levenzegt men; en welliclit ziet God daarin ijdele daden; en indien ik niet verander, zal op mij dit vreeselijk vonnis vallen : Werp den ovnutten dienaar in de uiterste duisternis (1). Is liet niet betreurenswaardig, zich de moeite te geven van een apostel, om zich het lot eens duivels te bereiden?

3°. Ondergang aller deugden. Het geloof is der-zelver grondslag; doch het geloof zelf rust op de nederigheid. Een hoovaardige geest kan den eerbied-waardigen sluier onzer geheimen niet hoogschatten. Men zal ten minste , zonder ootmoed, nooit dat levend geloof, dat inwendig licht, dat begrip der eeuwige zaken hebben, dat reeds hier beneden het geluk der heiligen uitmaakt. God verbergt zich voor de hoo-vaardigen; aan de kleinen deelt Hij zich mede.

Er is geene deugd bestaanbaar naast den hoogmoed; noch het geduld, noch de zachtmoedigheid, noch de naastenliefde, die hare belangen vergeet, om te denken aan die der anderen, die liever de overwinning prijs geeft, dan haar ten koste des vredes te koopen... De hoovaardige is noodzakelijk baatzuchtig; als de liefde de harten vereenigt, verdeelt ze de hoogmoed. De kuischheid zelve heeft geen verschrikkelijker vijand; de hoovaardij van het vleesch volgt bijna altijd de hoovaardij van den geest op den voet. »De hartstocht der ijdele glorie, zegt de H. Joannes Chrysostomus, is het brandpunt aller driften.quot;

4°. Straffen en onheilen. God duldt niet, dat men Hem zijne glorie ontroove; dit is een goed, dat Hij

(1) Matth. 25 , 30.

-ocr page 169-

161

niemaud afstaat. Hij wederstaat den lioovaardige. (1) De H. Geest zegt niet, dat Hij hem zijne genade onttrekt; neen, Hij weerstaat hem, Hij stelt macht tegen macht. God behoeft tegen hem noch de elementen te wapenen, noch den bliksem te werpen; neen, niets is zwakker dan de hoovaardige; hij gaat zich zeiven tegen de klippen verbrijzelen. Hij is zijn eigen beul, zegt de H. Bernardus; zijne uiterste lichtgeraaktheid op het punt van eer, de dorst naar grootheid, die hem verteert, de hindernissen, die de eigenliefde der anderen tegen de zijne opeenstapelt, de gedurige teleurstellingen, die zijne berekeningen doen falen.... maken zijn leven tot eene voortdurende kwelling. Hy wil tot eiken prijs de goedkeuring verwerven, eer bejagen, afkeuring ontwijken. Hij wil het; maar is hij er in geslaagd? Zal het hem ooit gelukken? Welke stof tot verdriet, dat hem afknaagt, tot vrees, die hem verteert!... en daar het ligt in de goddelijke plannen, dat \'s menschen zonde \'s menschen kastijding worde, zoo wordt de hoovaardige, hoe meer hij snakt naar eer, met des te meer verachting overladen. De godspraak, »ioie zich verheft, zal vernederd worden quot;, wordt reeds in dit leven vervuld. Altijd staat een Mardocheüs op den weg van Aman, om zijne zegepraal in wanhoop te doen keeren.

Maar ziehier nog audere, nog verschrikkelijker straffen. Het is op den dag van het laatste oordeel, in de eeuwigheid, dat de hoovaardige met schande overdekt zal worden. De dag van den Heer der legerscharen zal opgaan over al de hoovaardigen en

li

(1) Petri 5,5. CH. I.

-ocr page 170-

162

zij zullen vernederd worden (1). Deze ondeugd wordt door den heiligen Gregorius beschouwd als een duidelijk teeken van verwerping. Onderzoeken wij ons hart, betreuren wij het verleden, en bestrijden wij onophoudelijk in ons die misdadige en noodlottige neiging, die slechts met ons zal sterven.

31ste OVERWEOING.

de hoogmoed. (Vervolg.)

I. Hoe zeer wij blootstaan aan den hoogmoed.

II. Hoe wij hem moeten bestrijden.

I Pcnt. Wij zijn allen aan den hoogmoed blootgesteld.

1°. Deze zonde is eene dergenen , waarin wij ontvangen zijn, volgens de uitdrukking van de H. Schrift. Wij brengen de kiem daarvan mede op deze wereld; zij is daarom niet alleen eene gewone, maar eene bijna algcmeene zonde. De aardsche Adam is geheel dood in dengene, die den aanval der hoovaardigheid niet meer gevoelt.

2°. Geene enkele ondeugd weet zich beter te verbergen , en zelfs den schijn van deugd aan te nemen. Om zeker te zijn, dat gij niet onder haren invloed werkt, moet gij ernstig de drijfveer uwer handelingen nasporen. Kalm en meester van u zeiven blijven, als niemand u beleedigt, als niets u tegengaat, is

(1) Is. 2, 12.

-ocr page 171-

163

geen bewijs, dat gij nederig zijt. Zwijgen, bedaard blijven, als gij beleedigd wordt, is nog geen onbetwistbaar bewijs. Want, indien gij die beleediging verdraagt, omdat gij vreest, de wonde nog verder te openen, door ze te willen genezen, indien gij zwijgt uit trotscbbeid, omdat gij dengene, die u mishandelt, veracht, dan is uwe bedaardheid slechts de voorzichtigheid van uwen hoogmoed, uw geduld eene berekening uwer eigenliefde.

3°. Deze drift vindt overal voedsel en versterkt zich vaak door datgene, wat de andere verzwakt. De versterving onderdrukt de zinnelijkheid, de milde aalmoes vernietigt de gierigheid , eene geregelde werkzaamheid zegeviert over de traagheid; maar dit alles kan, zoo men niet waakt, den hoogmoed ten beste komen. Zelfs uit bare eigene nederlagen weet deze

O O

behendige ondeugd voordeel te trekken. Heb ik eenige overwinning op haar behaald, dan komt zij mij daarover gelukwenschen en ontrooft mij wellicht intusschen de vruchten.

4°. De hoogmoed valt by voorkeur het beste aan, wat er bestaat in de orde der genade en der heiligheid; de religieuzen zijn er dus meer aan blootgesteld dan de christenen in de wereld. Als proefstuk wierp hij de engelen uit den hemel; en hecht zich bijzonder aan de engelen der aarde, om ze te bederven. Hoe rijker gij zijt, hoe liever hij u alles ontrooft. Hoe verder gij vordert in de deugd, hoe meer gij moet waken tegen de ijdelheid. De heiligen vinden haar steeds aan hunne zijde, in hunne eenzaamheid, in hunne gebeden, in hunne boetplegingen, ja zelfs in de redevoeringen, waardoor zij haar bestrijden.

-ocr page 172-

164

Wat heeft Jezus dan ook niet gedaan, om zijne apostelen en leerlingen tegen dien gevaarlijken hartstocht te waarschuwen? Na hun de voeten te hebben gewasschen, zegt Hij hun, dat de leerling niet beter is dan de meester; dat de Zoon des menschen, hun Opperste Heer, niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen; Hij verbiedt hun, de Pharizeëers na te volgen in het najagen van eere-titels en voorrang (1). Ziet Hij ze, over zich-zelven tevreden, terugkomen, en Hem met blijdschap de groote zaken mededeelen, die zij verricht hebben, dan spaart Hij niets, om hen te vrijwaren voor het vergif der ijdele glorie en gebruikt daartoe de krachtigste woorden, de sterkste beelden. •— Ik zag Satan als een bliksem uit den hemel vallen (2). O mijne leerlingen, gij spreekt mij van uwen voorspoed, en uwe gevaren doen mij beven. Toen zich eenige twist onder hen verhief, en zij Hem vraagden, wie de eerste plaats in zijn rijk zou bekleeden, verdelgt Hij allen hoogmoed door deze godspraak. Wie onder u de eerste wil zijn, stelle zich op den laatstea rang en zij aller dienaar (3). Hij doet nog meer. Om hun een juist denkbeeld te geven van die nederigheid, die Hij hun voorstelt als de eenige grondslag aller ware grootheid, plaatst Hij een klein kind in hun midden en zegt: Voorwaar, ik zeg het u, tenzij gij gelijk wordt aan kleine kinderen, zult gij het rijk des hemels niet ingaan (4).

II Pont. Hoe moeten wij den hoogmoed bestrijden ? Men overwint de duisternis door het licht, den leugen

(1) Jlatth. 23, 8, 9, 10. (2) Luc. 10, IS. (3) Mare. 9, SI. (4) Matth. 18, 3.

-ocr page 173-

165

door de waarheid. De hoogmoed is een bedriegelijk beeld der grootheid, zegt Augustinus. Alles is valsch in deze ondeugd; zij is iu de ziel wat de opzwelling is in het lichaam; waterzucht is geene gezondheid. Bij gevolg trekken wij ons uit den hoogmoed, door ons te trekken uit de dwaling, en door de waarheid in ons te doen heerschen. Dat alles in onze gedachten en onze genegenheden sta onder het gebied der waarheid, dan heeft de ijdelheid op ons geene macht meer.

Wij worden nederig, zegt de H. Augustinus, door de juiste en aanschouwelijke kennis van onzen Schepper en van onzen toestand. Als wij volmaaktelijk de oneindige uitmuntendheid van God en onze eigen

O O

diepe ellende zullen kennen, zal de rechtvaardigheid ons dwingen, eer te geven, aan wie de eer toekomt, en te verachten, wat verachting verdient. Wij zullen dan met David zeggen: Aan ons. Heer, geene glorie, maar glorie alleen aan uwen naam (1) Laat ons God beschouwen; laat ons ons zeiven bestudeeren; ons lichaam met deszelfs gebreken en naderend bederf in het graf, ons verstand met deszelfs duisternissen, onze verbeelding in derzelver dwaze hersenschimmen, onzen wil met deszelfs booze neigingen en zwakheden.

o o

Onderzoeken wij ons geweten; en zoo dit ons eene enkele doodzonde verwijt in onzen geheelen levensloop , zal het ons gemakkelijk vallen , onzen hoogmoed te beschamen. Wat heb ik gedaan door het bedrijven eener doodzonde? Ik heb mij verlaagd tot beneden de verachtelijkste wezens; tot een ellendeling uit den

(1) Ps. 113, 9.

-ocr page 174-

166

hemel verbanneu, veroordeeld tot eeuwige straf en schande; tot een weerspanneling, tot een verrader van den aanbiddelijken Meester, met wien ik door den duursten eed, de heiligste banden vereenigd was; tot een ondankbaren en ontaarden zoon, tot beul van Jezus, dien ik gekruisigd heb in mijn hart... Ach, welke verachting verdien ik voor eene enkele overtreding van Gods wet. En hoe dikwijls heb ik dien aanslag hernieuwd!

Dan, verondersteld, dat ik nooit eenige zonde begaan hebbe en nog schittere in al den glans mijner onschuld: Welnu, eene zonde, die mijne ziel doodt, een ongeluk, dat mijn lichaam doodt en mij voor den rechterstoel des Heeren werpt, het vonnis, dat mij voor eeuwig in de hel stort: hoeveel tijd is er noodig om al die rampen over mijn hoofd te trekken:\' een enkel oogenblik!.... Wie meent te staan, zie toe, dat Lij niet valle. (1)

Het overwegen van het lijden en de vernederingen van Jezus-Christus werkt ook krachtdadig mede ter bestrijding dezer verfoeielijke ondeugd. Terwijl wij daaruit leeren, hoe rechtmatig de verachting is, waarvan wij het voorwerp zijn of kunnen zijn, zien wy het tevens als eene gunst aan, dat God ons aldus wil gelijk maken aan zijnen welbeminden Zoon; en ziedaar, wat ons geleidt tot de ware nederigheid, de nederigheid des harten.

Indien ik eindelijk de dwaasheid van mijnen hoogmoed wel begreep, zou dit een krachtdadig geneesmiddel wezen. Immers in mij-zelven ellenden zien,

(1) I Oor. 10, 12.

-ocr page 175-

167

die mij verlagen beneden het niet, daar het niet nooit heeft gezondigd en mij nochtans verhoovaar-digen? Waarover? Welk een gebrek aan gezond verstand!

Indien ik intusschen meende, door mijne eigene overdenkingen mij te kunnen genezen van die geestelijke verstandsverbijstering, zou dit van mijnen kant weder grooten hoogmoed verraden. Ik mag die genezing niet anders verwachten dan van God; want Hij alleen kan mij verlichten omtrent zijne verhevenheid en mijne verworpenheid en in mij die neiging vernietigen, die mij steeds de achting der menschen doet zoeken, zelfs nadat ik zoowel begrepen heb, hoezeer ik hunne verachting verdien. Men geneest den hoogmoed slechts door het gebed. (1)

33ste OVERWEGING.

DB NIJD IN DB RELIGIEUZE GEMEENTE.

I. Het is eene algemeen voorkomende ondeugd.

II. Eene ondeugd hatelijk uit zich-zelve.

III. Eene ondeugd, noodlottig in hare uitwerkselen.

I Punt. De nijd sluipt gemakkelijk in de religieuze zielen. Men zal niet verwonderd zijn deszelfs kiem in alle harten te ontdekken, als men bedenkt, dat de eerste dochter van den hoogmoed de ijdele glorie is, waaruit onmiddellijk de nijd ontspruit.

(1) H. Joa. Chrys.

-ocr page 176-

168

Deze ondeugd toonde zich tusschen de nog onvolmaakte apostelen, die zoo naijverig waren op den voorrang, dat zij twistten wie onder hen de grootste zou wezen. Zelfs na de nederdaling van den H Geest, in dat bewonderenswaardig begin der verkondiging van liet Evangelie, beeft Paulus reeds zijne benijders om het welslagen zijner prediking: Eeniyen, zegt bij, verkondigen Christus uit afgunst, en niet met zuivere meeningen, meenende daardoor het gewicht mijner ketenen te verzwaren. Doch ivat maakt dit? Als Christus slechts verkondigd wordt, op tuelke wijze dit ook tij, verheug ik mij daarover en zal er mij altijd over verheugen (1). O wreedheid, o looede, roept de H. Chrysostomus uit, omdat de Apostel zich eenigên roem verworven had, kunnen ijdele en afgunstige geesten hem niet dulden. Het is hun niet genoeg, dat hij bedroefd, vervolgd, met ketenen heiaden zij, zij zouden hem nog van het leven beroofd willen zien.

Zoo deze ellendige drift zicb beeft durven toonen te midden van zoo veel ijver en toewijding, in de tijden, toen de marteldood de gewone vergelding was van hen, die zicb voor Christus durfden verklaren, boe zou men zich verwonderen, dat dit gebrek zicb ook in de heiligste gemeenten heeft weten te dringen? Men outmoet daar inderdaad achterdocbtige geesten, aan wie het goede van anderen kwaad doet, altijd vreezeude in de schaduw gesteld te worden, alles zelf willende doen en gedaan hebben, als zouden zij alleen alles willen doen..... naijverig op de voorrechten van

(1) Philipp. 1, 17, 18.

-ocr page 177-

169

hunne bediening, altijd gereed die te herinneren ; naijverig op de rechten, die zij meenen verkregen te hebben door de jaren in het klooster doorgebracht, door de bedieningen, die zij hebben vervuld, de diensten, die zij wellicht hebben bewezen, alsof dit alles voor hen de verplichting niet grooter maakte van meer regelmatig, meer geduldig, meer stichtend te zijn. — Naijverig op achting en eer,.... zij willen geraadpleegd worden, zij willen, dat men hunnen raad aanneme en volge. — Naijverig dikwijls op de goederen der genade, die gaven Gods, hooren zij slechts met tegenzin de vorderingen roemen door anderen op den weg der volmaaktheid gemaakt. Zij zouden daarin het verste willen vorderen, zonder eene enkele schrede te zetten op den eenigen weg, die hen daarheen geleiden kan, te weten door dien ongelukkigen Ik te vergeten, die hen altijd bezig houdt.

II Punt. Eene ondeuyd hatelijk in zich-zelve. In de afgunst ligt eene lage en dwaze boosaardigheid, die men in andere driften niet bemerkt. Deze hebben ten minste eenige voorwendselen, stellen zich eenig goed, of althans eenigen schijn van goed voor; de eerzuchtige zoekt grootheid, de gierigaard rijkdom, de zinnelijke vermaak, alle onverschillige zaken, die hare ongeregeldheid slechts ontleenen aan de wanorde van den wil, die ze najaagt; de nijd alleen biedt geen enkel voordeel aan, zelfs niet in schijn. Het is alles schande, lijden en bedorvenheid. Een mensch, wiens hart wel geplaatst is, zou willen, dat alle menschen gelukkig waren; hij is bedroefd met hen, die het niet zijn; de afgunstige bedroeft zich daarentegen over het geluk van andereu en hunne welvaart

-ocr page 178-

170

is hem eene kwelling. Hierin is hij erger dan de duivel zelf; want hoewel de duivelen aan de menschen een verwoeden oorlog aandoen, sparen zij ten minste elkander; terwyl de afgunstige zijne gelijken aanvalt, ja zells diegenen niet spaart, die hij het meest behoort te beminnen.

De leerlingen van den H. Joannes den Dooper kwamen tot hem en zegden: »Meester, Hij van wien gij getuigenis hebt afgelegd, doopt, en allen gaan tot Hem.quot; Dit is wel de taal, althans zeker de gedachte van den afgunstige. » Allen gaan tot hem.quot; Hij alleen wordt geacht! Dat in eene gemeente een religieus zich onderscheide door regelmatigheid, door heiligheid, dat men met lof spreke over zijne werken, zijne deugden, dit is reeds meer dan genoeg om hem den afkeer, wellicht de vervolging dergenen, die zich vergeten wanen, op den hals te halen.... Zegende God zijne ondernemingen minder, bevorderde hij minder Gods glorie, gaf hij minder troost aan de H. Kerk, minder stichting aan de gemeente, dan zou men niets tegen hem hebben; maar alles gelukt

hem, eer, aanzien, vertrouwen, hij geniet alles.....

Bedenkt men wel, dat hierin volgens het oordeel van den H. Thomas, eene zonde tegen den H. Geest gelegen is, daar men eenigermate de gaven benijdt, die Hij verspreidt, en de werken, die het krachtigst medewerken, om Hem bij de menschen te doen vereeren.

Even dwaas als schuldig, doet de afgunstige juist het tegendeel van hetgeen hij zich voorstelt; hij verheft degenen, die hij wilde vernederen en geeft grooteren glans aan den roem, dien hij trachtte te

-ocr page 179-

171

verduisteren. Pilatus ware Jezus miader gunstig geweest, hadde hij niet bemerkt, dat al zijn ongelijk lag in grootere verdiensten te bezitten dan zijne beschuldigers, de afgunst, dien zij toonden, was de bekentenis hunner minderheid.

III Punt. Eene ondeugd noodlottig in derzelver uitwerkselen. Is zij eenmaal in de religieuze ziel gevaren, dan is er voor haar noch rust, noch vrijheid van geest, noch gebed meer... Alle deugd verdwijnt; men is gereed tot elke misdaad. Abel door Kaïn vermoord, Jozef door zijne broeders verkocht , Daniël in den leeuwenkuil geworpen, David door Saül vervolgd, Jezus stervend aan het kruis, ziedaar de meesterstukken van den nijd. Het is deze ondeugd, welke de meeste scheuringen en ketterijen in de wereld heeft gebracht. Simon is afgunstig op de Apostelen, omdat zij den H. Geest mededeelen; Tertullianus kan niet dulden, dat men een ander dan hem op den bisschopszetel plaatste; Novatianus wordt niet, zooals hij meende, op den pauselijken troon geplaatst; Luther werd niet verheven tot eene bediening, waarin hij zich vleide, zijne talenten te kunnen doen schitteren: en wat is er gebeurd?... Reeds lang voor deze vreeselijke verwoestingen, had de afeunst de enselen in duivelen veranderd, en door

do \'

de zonde den dood in de wereld gebracht; want was het niet door den nyd, dat Satan gedreven werd, om den eersten mensch te doen vallen? Hoe vele tranen heeft de afgunst aan de H. Kerk gekost, door tweedracht te zaaien in gemeenten, wier leden, in plaats van elkander te ondersteunen, vaak elkander

-ocr page 180-

172

verscheurden, tot groote ergernis der Christenen, tot groote vreugde der hel.

De H. Paulus -wijst ons een uitmuntend middel aan, tegen deze verfoeielijke ondeugd, als hij zegt: De liefde is niet afgunstig. Beminnen wij God vurig, en wij zullen zijne gaven in anderen beminnen gelijk in ons zeiven; beminnen wij onze broeders, en hun geluk zal het onze worden.

33ste OVERWEGINQ.

over de bek o hing tot onmatigheid, waardoor zelïs de heiligste heligiedzen gekweld wolldbn.

I. Hoe vaak zij voorkomen.

II. Hoe men ze moet bestrijden.

I Punt. Deze bekoringen komen zeer dikwijls voor. Het is eene voortdurende reden tot klagen voor de zielen, die naar de volmaaktheid streven, en eene der meest voorkomende oorzaken van strijd. Zij zouden zich willen onttrekken aan de noodzakelijkheid , die ze veroorzaakt, en slechts willen denken aan het voedsel der ziel, dat wij, helaas ! zoo zelden, smaken. »In afwachting, mijn God, dat Gij de spijzen vernietigt en de maag, die ze verteert, dat Gij den honger stilt, die mij verscheurt, door mij te verzadigen door u zeiven, en voor altijd dit bederfelijk lichaam te bekleeden met de onbederfelijkheid, ben ik gedwongen, eiken dag deszelfs verval door eten

-ocr page 181-

173

en drinken to herstellen. Waarom moet deze noodwendigheid in genoegen verkeeren ? Ik strijd daartegen, om mij niet daardoor te laten overwinnen. — Doch vrij moge ik vasten om mijn lichaam te onderdrukken, de moeielijkheid van het vasten wordt door het vermaak gevolgd.... Gij-zelf, Heer, hebt mij geleerd, het voedsel slechts als geneesmiddel te gebruiken. — Maar terwijl ik van den toestand, waarin ik honger lijd , overga tot dien , waarin ik den honger bevredig, spant de begeerlijkheid mij strikken; want die overgang is zelf een genoegen, en ik kan langs geen anderen weg komen tot deze verlichting, door de noodzakelijkheid mij opgelegd. Men weet dikwijls niet of het de nood of het vermaak is, dat ons doet eten, en onze ziel is ongelukkig genoeg om deze onzekerheid lief te hebben, die haar tot een gereed voorwendsel dient; want zij ziet liever niet hoever de sezondheid het vereischt, ten einde hare ziuae-lijkheid te kunnen voldoen. (H. Aug. Belijd. 10. C. 31).

Onze vijand was zoowel geslaagd in deze bekoring tegen den eersten Adam, dat hij door haar in de woestijn den strijd begon, dien hij Jezus-Christus durfde leveren. Door haar valt hij dagelijks nog vele vurige zielen lastig. Wel moest de H. Paulus

O O

hiervan doordrongen zijn, daar hij de matigheid aanbeveelt aan denzelfden leerling, wiens onthouding hij in een ander epistel afkeurt, als te ver gedreven.

Ga niet langer voort dechfs icater te drinken , doch gebruik een weinig loijn, ter oorzake uwer maag en voortdurende ziekelijkheid (1). Een persoon, in ver-

(1) I Tim. 5, 23.

-ocr page 182-

174

sterving geoefend, bevindt zich zelden in zekere gelegenheden, zonder zich later het gegronde verwgt te moeten doen, het vermaak der zinnelijkheid te zeer gezocht te hebben.

De H. Gregorius noemt vijf uitwerkselen dezer verlagende drift: Dwaze vreugde, uitgelatenheid, onzuiverheid, onbescheiden woorden, geestbedwel-ming. Wat kan men uitdenken, dat meer tegenstrijdig is aan het religieuze leveu, dat eene navolging is van het leven van Jezus? Vergeten wy ook niet, dat deze drift sluipt in het gebruik der grofste spijzen. Voor een schotel linzen verkoopt Esaü zijn eerst geboorte recht; en toen de duivel den Zaligmaker in de woestijn bekoorde, zette hij Hem geene uitgezochte spijzen, doch slechts brood voor.

II Punt. Hoe moeien wij de bekoring der onmatigheid bestrijden\'? In den oorlog, dien wij aan onze kwade driften, en bijzonder aan onze zinnelijkheid leeren, beveelt men ons vooral eene voortdurende waakzaamheid: Vigilate. Staan wij voor een onvoorzien gevaar, dan zijn wij zwak. De zinnen hebben ons, in het eerste gedeelte van ons leven, volkomen over-heerscht, daar het kind ze bijna in alles involgt; zij zoeken altijd dit gebied te hervatten. Terwijl de zinnelijke niensch zich laat medeslepen door zijne zucht naar vermaak, en zich geheel overgeeft aan hetgeen zijnen smaak streelt, keert de verstorven mensch, alvorens zijn voedsel te nemen, in zich-zelven en houdt zich terug. Hij begeeft zich aan tafel, gelijk een soldaat zich begeeft naar het gevecht, en begint eiken maaltijd door eeue overwinning op zich-zelven. Aldus verstompt hij den prikkel der

-ocr page 183-

175

natuurlijke voldoening en neemt den tijd, om door eene goede meening eene handeling aan God op te dragen, waardoor hij zoo gemakkelijk had kunnen zondigen.

1°. Laten wij door ons geweten, doch niet door onzen drift, bepalen, wat de natuur behoeft en wat voldoende is, in welke grenzen men moet blijven, om noch de gezondheid van het lichaam, noch die der ziel te schaden. In het oogenblik, dat onze geest vrij is en wij niet gekweld worden door honger of dorst, moeten wij de juiste maat bepalen, die alle belangen tevreden stelt. Vragen wij aan onze eigene ervaring, welk voor- of nadeel ons dergelijke spijzen of dranken veroorzaakt hebben. Luisteren wij dan naar de klachten des lichaams, dat verklaart, er door ontsteld geweest te zijn. Luisteren wy naar de wellicht ernstiger klacht der ziel: bezwaardheid van den geest, onbekwaamheid tot het gebed, schandelijke bekoringen, ernstige fouten... En nadat wij alles aanhoord hebben, laten wij dan ons geweten uitspraak doen; maar dat deszelfs vonnis gevolgd worde, als ware het de stem van God, en dat wij ons later bij de verleiding der tafel wel wachten, datgene te overtreden, wat wij besloten hebben in wijs overleg met de rede en het geloof.

2°. Stellen wij in het oogenblik der bekoring, tegenover het genot, dat zij belooft, de vreugde, die wij zullen gevoelen, zoo wij haar overwinnen, het verdriet en de treurige gevolgen, welke onze lafheid na zich zou slepen. Om die gevolgen wel te waar-deeren, moeten wij ons wel voor oogen stellen, dat het niet zoo zeer de handeling is van een stuk te

-ocr page 184-

176

eten of eene teug te drinken, maar van eene menigte dergelijke handelingen, waarop zij haren invloed zal doen gevoelen. Geef ik nu toe, dan mis ik later kracht om te weerstaan; overwin ik daarentegen, dan is dit het begin van alle andere overwinningen. Van eene lichte onthouding of eene voorbijgaande zwakheid, kan eene lange reeks van goed of kwaad, de vrijheid of de slavernij mijner ziel afhangen.

De oefening dezer versterving, die dagelijks wederkeert, zal voor mij een uitmuntend middel zijn, om mijne schulden bij God af te doen en mijne verdiensten te vermeerderen. Ik zal daarin ook de bron vinden der zuiverste genoegens. Indien gij u ter liefde van Jezus-Christus in uw voedsel berooft van alles, wat slechts tot vermaak strekt, zonder de gezondheid te bevorderen, twijfel ik niet, of Hij zelf zal u de zoetheid van zijne vertroostingen me-dedeelen, en zult gij de spijzen, waarmede gij u tevreden stelt om Hem te behagen, zeer aangenaam vinden. (H. Vine. Ferr.)

Beschouwen wij dan de tafel als een altaar, en verlaten wij dit niet, zonder aan God eenig offer gebracht te hebben.

-ocr page 185-

177

34:ste OVERWEGINQ.

het tijdverlies in het religieuze leven.

I. De zonde daarin besloten.

II. De zonden daardoor veroorzaakt.

I Punt. Het tijdverlies is zeer misdadig in het religieuze leven, omdat de tijd in zich-zelven kostbaar is en de tijd van den religieus dit nog meer is.

lo. De prijs van den tijd in het algemeen wordt geschat, naar hetgeen hij heeft gekost, en naar de genaden, die deszelfs wijs gebruik ons bezorgt.

Vragen wij aan Kalvarië, wat die dagen en uren waardig zgn, welker verlies zoovele personen zoo in- als buiten de wereld niet eens betreuren. De tijd is de grootste aller genaden. Hij is de grondslag daarvan. Zoolang hij duurt, heb ik de genade van het gebed, waardoor ik alle andere kan verkrijgen; doch wordt de tijd mij ontnomen, dan is er voor mij geene genade meer. Indien ik dus geene enkele genade ontvang, die de prijs niet is van eene verguizing , van een druppel bloed van Jezus-Christus, hoe hoog moet ik dan datgene niet achten, wat de onmisbare voorwaarde is tot elke genade! Ja, mijn God, die, welke gehecht is aan het huidig oogenblik, is de prijs van uw Bloed. En al ware zij slechts de prijs uwer tranen, zijn dan de tranen van een God niet van de allerhoogste waarde?

David weigert zijnen dorst te lesschen met het water, hem door zijne dienaren met levensgevaar gebracht; hij zou meenen hun bloed te drinken en oh. i. 12

-ocr page 186-

178

stort het uit als een oöer aan God. En ik zou door mijnen hoogmoed en zinnelijklieid die oogenblikken yan barmhartiglieid verkwisten, die de prijs zijn van de geeselslagen en den dood van Jezus-Christus! Neen, ik zal er een beter gebruik van maken, o mijn Zaligmaker, ik zal ze alle besteden tot uwen lof en uwe eer.

De glorie van God en de zaligheid der menschen zijn de kostbare vruchten van een wel besteden tijd. De eer, die wij aan God bewijzen in den tijd, is Hem ouder zeker opzicht aangenamer, dan die zijner uitverkoornen in de eeuwigheid. De hulde, die ik Hem breng gedurende dit tegenwoordig leven, staat in mijne macht; ik kan die terughouden, doch ik hecht mij aan God, niettegenstaande de duizenden bekoringen , die zoeken mij van Hem af te scheiden. De vrijheid, die ik gebruik, de keuze, die ik doe, door Hem tot den God mijns harten te verkiezen, geven aan mijn offer een geur van zoetheid, die het in zyne oogen zeer in waarde doet toenemen.

Ten opzichte der zaligheid beschouwd, is de tijd eene munt, waarvan de waarde slechts wel gekend wordt in den hemel en in de hel. De verdoemde betaalt zijne schuld in de plaats der kwelling; nooit zal hij ze kunnen voldoen, en daarom is de hel eeuwig. Die vreeselijke schuld drukt op mij, zoo ik in dit oogenblik in Gods ongenade beu. Gelukkig kan ik die voldoen, zoo lang ik tijd heb, en hoe weinig tijd ik ook slechts hebbe; quot;doch ontbreekt mij de tijd, dan kan ik niet meer voldoen, dan word ik geworpen in dien kerker van vuur, waaruit niemand wederkeert. 0 fleer, doe mij wel begrijpen,

-ocr page 187-

179

dat de ongelukkige eeuwigheid slechts eene eeuwige wroeging is, van zijnen tijd verloren te hebben. — Stijg ik ten hemel en vraag ik aan elk der zaligen, wat hem zijne kroon vei\'worven heeft, hij zal mij jintwoorden: »De tijd, een weinig tijds wel besteed.quot; Ziedaar hetgeen den H. Barnardus doet zeggen, dat de tijd even veel waarde heeft als God, daar men door den tijd wel te gebruiken tot het eeuwig bezit van God kan komen. — Hoe groot is dus het goed, dat mij het opperste Goed kan verschaffen, welks verlies het onherstelbaar ongeluk eener eeuwige ver-

o o

doemenis met zich sleept!

2°. Dit is de waarde van den tijd in het algemeen; doch die van den religieus is nog veel kostbaarder, daar God rechten op hem heeft, die Hg niet heeft op anderen in denzelfden graad, wijl zij voortvloeien uit zijne geloften. Men vraagde eens aan de H. Francisca van Chantal, waarom zij zoo bezorgd was, om geene enkele minuut te verliezen. »Omdat mijn tijd mij niet meer toebehoortquot;, antwoordde zij; ik heb hem den Heer geheel toegewijd, en kan geene minuut verliezen zonder eene onrechtvaardigheid te begaan omtrent Dengene, wieu hg toebehoort.quot;

Daarenboven houdt men zich in het religieuze leven bezig met zulke gewichtige en uitgestrekte bezigheden, dat een enkel oogenblik, wel besteed, aau God eene oneindige glorie en aan onzen evennaasten een belangrijk voordeel kan aanbrengen. In het werkzaam leven behoedt men de onschuld der kinderen, en vormt men hen tot de deugd; men helpt de zieken, leert hun het lijden heiligen en

-ocr page 188-

180

bereidt hen tot een zaligen dood; men oefent werken van apostolischen ij ver, om de zielen uit de ondeugd te trekken, of haar te doen voortgaan op den weg der deugd. — In de beschouwende Orden is men de verdediging, de steun der H. Kerk, door het aanhoudend en vurig gebed. Het is Mozes op den berg, die, met de armen ten hemel uitgestrekt, Israël, dat in de vlakte strijdt, beschermt en redt. De religieus is als de priester een algemeen middelaar; zijn tijdverlies is een verlies voor de geheele wereld.

TI Punt. Het tijdverlies is voor den religieus eene zonde, die vele andere zonden veroorzaakt. Volg de betreurenswaardige uitwerkselen der werkeloosheid in eene God toegewijde ziel. Indien gg zonder gewetenswroeging uwen tijd verliest, levert gij u over aan alle bekoringen, uw leven is slechts eene voortdurende wanorde; want de ledigheid is de moeder van alle kwaad. Terwijl eene wijze, eene welgeregelde werkzaamheid het schild des harten is, heeft de duivel bijna geene moeite te doen, om den-gene, die door traagheid geheel ontzenuwd is, in de schandelijkste ongeregeldheden te storten. In onbe-werkten grond telen de vergiftige planten uitmuntend; de ijdele en slechte gedachten vliegen als in een zwerm in de verbeelding van den werkelooze. Zuiver vloeit het beekje, zoo lang het snel afstroomt van de helling des heuvels; blijft het in de vlakte staan, dan wordt zijn water, te voren zoo helder, troebel en moerassig. En zoo gij het onderzoekt, wat zult gij er in vinden? Tallooze kruipdieren. Dusdanig is het gesteld in het hart van hem, die sluimert in lediggang; het is een poel van stilstaand water.

-ocr page 189-

181

In welken tijd viel de wijste aller stervelingen, koning Salomon, in eene verblindheid, zoo diep, dat hij de afgoden bewierookte? Niet, terwijl hij den Heer een tempel bouwde, niet, terwijl hij zich bezig hield met het besturen van zijn rijk, maar toen hij, te midden van den voorspoed, zich aan de zoetheid van de rust overgaf. Evenzoo ging het met David; in zijn werkzaam leven bedwong hij beren en leeuwen; in zijne ledigheid werd hij door een blik overwonnen. Wat was de oorzaak der goddeloosheden van Sodoma? Hoovaardij, overvloed en ledigheid.

Heer, maar al te wel begrijp ik, hoe schuldig ten opzichte van u, van mijne broeders en van de H. Kerk, mij dat verlies gemaakt heeft van dien tijd, die u zooveel glorie, aan mijn evennaasten zooveel heil en aan mij-zelven zoovele verdiensten kon verschaffen. Hoe groot, Heer, was uw geduld, dat mij zulk een kostbaren schat in handen liet, waarvan ik, helaas! zulk een schandelijk misbruik gemaakt heb! Ach, mocht ik, gelijk de werklieden van uwen wijngaard, ter elfder ure, ten minste door werkzaamheid, ijver en vurigheid, den verloren tijd inhalen. Mocht ik door het heilig gebruik der dagen, die gij u gewaar-digen zult, mij nog te schenken, een blik van ontferming en vergeving op mijn vorig leven trekken. Meer dan ooit wil ik voortaan denken aan de verloren dagen en aan de eeuwige jaren, waarin ik weldra zal ingaan.

-ocr page 190-

182

35ste OVERWEGINa.

het tijdverlies in het religieuze leten. (Vervolg)

I. Hoe algemeen bet is.

II. Wat men moet doen, om het te vermijden.

I Punt. Wie durft zeggen, dat hij zich niets te verwijten heeft omtrent het gebruik van den tijd ? Men verliest dien op viervoudige wijze:

1°. Door kwaad te doen. De tijd is het leven. Heeft God mij het leven geschonken ? Bewaart Hij mij in \'t leven, opdat ik Hem beleedige? Als ik zondig, keer ik tegen den Heer de gaven, die ik van Hem heb ontvangen; ik gebruik, om Hem te beleedigen den tijd, dien ik ontving, om Hem te dienen en te beminnen...

Helaas! hoevele mijner dagen zijn gekenmerkt door zulk eene monsterachtige ondankbaarheid! Ieder oogeublik mijns levens zweeft over mijn hoofd, om zich onmiddelijk te gaan werpen in den uitgestrekten schoot der eeuwigheid; maar alvorens zich daarin te verliezen, gaat het zich aanbieden aan den Beheer-scher aller tijden, om voor of tegen mij te getuigen, naarmate ik een goed of slecht gebruik daarvan gemaakt heb. Groote God, hoevele beschuldigers wachten mij voor uwen rechterstoel, indien ik. alvorens daar te verschijnen, geene vergiffenis verkregen heb van zoovele oogenblikken, die ik verloren heb in de zonde! Wat zal ik u antwoorden, wanneer Gij mij die oogenblikken toonen zult, die mij alle eene weldaad van uwe goedheid aanbrachten en het

-ocr page 191-

183

groote aantal, die ik slechts door onverscliilligheid en verachting heb vergolden?

2°. Men verliest zijn tijd door niets te doen. Dit is voldoende, om zich-zelven te verliezen. Zoodra ik in ledigheid -wegkwijn, houd ik op, het doel mijns levens te vervullen, dat bestaat in God te dienen; ik word dat krachteloos zout, dat men wegwerpt , de onnuttige dienaar, dien men veroordeelt, de onvruchtbare boom , die aan de vlammen wordt prijs gegeven. »Ziequot;, zegt de H. Bernardus, gt; waaraan uwe misdaden u blootstellen, daar uwe enkele nutteloosheid reeds het vreeselijk vonnis der verdoemenis over u zou trekken.quot; (1) Wat zal het mij baten, niet veroordeeld te worden voor het kwaad, dat ik heb gedaan, zoo ik liet word voor het goed, dat ik moest doen en niet gedaan heb? Welk kwaad zal de Opperrechter aan de onboetvaardige zondaars verwijten in het vreeselijk vonnis, dat Hij over hen zal vellen? Hij spreekt slechts van het goede, dat zij verzuimd hebben: /A\' heb honger gehad, en gij hebt mij niet gespijsd; ik heb dorst gehad, enz.

Een heilig en geleerd kardinaal bezocht in zijne laatste ziekte eenen bisschop, wiens leven zeer stichtend geweest was, en vraagde hem, hoe hij zich bevond. De stervende, die slechts aan zijne ziel dacht, antwoordde, dat hy gerust was, dat hij al de fouten zijns levens nauwkeurig had onderzocht, en getracht had, ze af te wasschen in het kostbaar Bloed Van Jezus-Christus. »Zeer wel,quot; antwoordde de hooge bezoeker, »de fouten, die gij bedreven

(1) Epist. 104.

-ocr page 192-

184

hebt, zijn vergeven, omdat gij er vergiffenis voor gevraagd hebt door de verdiensten des Zaligmakers; doch hebt gij u ook onderzocht omtrent de fouten van nalatigheid en verzuim? Hebt gij ook de goddelijke barmhartigheid ingeroepen, voor het goede, dat God van u verwachtte, en dat gij wellicht niet volbracht hebt in die mate, als God het van u verlangde?quot; Bij deze onverwachte vraag ontwaakte de zieke als uit eenen diepen slaap. »0 mijn Godquot;, riep hij uit met een diepen zucht, »hoe staat het met mij en wat zal er van mij worden, indien Gij my behandelt volgens de gestrengheid uwer rechtvaardigheid, met zoovele middelen om uwe glorie te bevorderen, waarvan ik geen gebruik gemaakt heb?quot;

3°. Men verliest zijnen tijd door niet te doen, wat men doen moet? Vergeten wij nooit het grondbeginsel, dat wij slechts bestaan om God te eeren door Hem te dienen; elk oogenblik van ons leven, dat niet strekt tot dit einde, is verloren tijd. God wordt slechts gediend door dengene, die zijnen wil volbrengt en voor zoo ver hij dien volbrengt. Als Opperheer, als Meester van allen staat, wil Hij, dat ieder de plichten van den zijne vervulle. Hij wil, dat hij, die aan God toegewijd is, werke aan de zaken van God, dat de religieus de plichten vervulle, hem door zijne professie opgelegd. Hoe vele nu.tte-loosheid is in die lezingen, in die werken, goede werken zelfs, maar die God niet wil, omdat zij onbestaanbaar zijn met mijnen staat of met mijne bediening.

4°. Men kan zelfs zijnen tijd verliezen, als men doet, wat God wil, zoo men het niet doet, gelijk Hij

-ocr page 193-

185

wil; want Hij beveelt het goede te doen en het wel te doen. Indien ik derhalve mijn plicht met achteloosheid vervul, verdien ik slechts vervloeking. Indien het niet voor God is, dat ik werk, indien Hij niet evenzeer het einde als het begin is mijner daden, dan gehoorzaam ik slechts aan mijne natuurlijke neigingen, misschien aan de wereld, maar gewis niet aan God, ik ben zijn dienaar niet. Welke vrucht zullen zij trekken uit hun hoofdbreken, uit hunne vermoeienis, die mannen van studie en werkkracht, die, volgens de uitdrukking van den H. Au-gustinus, reuzenschreden zetten buiten den weg? O mijn God, hoeveel tijdverlies op alle wijzen heb ik te betreuren!

II Punt. Wat moet men doen om zijnen tijd wel te gebruiken ?

1°. Hem regelen. Dit is eene hoofdzaak, volgens het oordeel van al degenen, die over het geestelijk leven geschreven hebben. Zonder regel doet men bijna altijd zijn eigen wil, en zelden den wil vau God.

De regel is het geheim, om den tijd te vermenigvuldigen. Zij, die zich hieraan niet willen onderwerpen, verliezen zich in het onbepaalde hunner gedachten, geven zich over aan luim, aan verbeelding, weten niet, wat zij al of niet willen doen; en bij het eindigen van den dag vinden zij eene menigte oogen-blikken, waarvan zij het gebruik niet weten te rechtvaardigen. In een welgeregeld leven ontstaat geen enkele leemte; alles is voorzien, volgt elkander op, wordt verricht met meer verdiensten om de gehoorzaamheid, die men beoefent en de overwinning, die men op zich-zelven behaalt. De heiligste religieuzen

-ocr page 194-

186

I

hebben zich steeds onderscheiden door de liefde tot den regel.

2°. Dikwijls overwegen, hoe snel de tijd vervliegt, en hoe weinig tijd wij bezitten. Het verleden behoort ons niet meer, de toekomst is nog niet aangebroken, en behalve dat zij onzeker is, is zij ons even nutteloos als het verleden. Het tegenwoordig oogenblik is al, wat wij bezitten; doch die schat smelt, als het ware, in onze hand; nauwelijks hebben wij het of het ontsnapt ons. Het behoort meer tot het niet dan tot het wezen, zegt de H. Augustinus, wijl het in deszelfs natuur ligt voort te gaan, weg te vloeien, op te houden te bestaan. En nochtans, welke waarde bezit gij, o vluchtig oogenblik? Wat is één dag, wat is één uur waard? Wat zoudt gij waard zijn voor den verdoemde, om slechts ééne goede akte van berouw te kunnen voortbrengen? O dwaasheid., o verblindheid van hen, die niet weten, hoe hunnen tijd door te karnen. De H. Bernardus kon die uitdrukking niet dulden. Wat zou hij gezegd hebben van het hedendaagsche woord, den tijd dooden ?

3°. Met bijzondere zorg onze meening zuiveren en heiligen. Als onze meening goed, en vooral als zij vurig is, geeft zij eene buitengewone waarde aan onze minste werken. Eene groote begeerte, om God te behagen, eene voortdurende opmerkzaamheid, om alles te doen en te lijden voor het heerlijk doel der goddelijke liefde, herstelt den verloren tijd op zulk eene krachtdadige wijze, dat wij de dagen voor jaren kunnen tellen. Klagen wij nooit over de kortheid des levens. Het is lang genoeg voor degenen, die zich willen heiligen, te lang voor degenen, die het misbruiken.

-ocr page 195-

I

187

Treed dan ernstig in u-zelven en neem het vast besluit, een heilig gebruik van uwen tijd te maken. Hiertoe zal een edelmoedig offer bij het begin van den dag u krachtig helpen, vooral wanneer gy bepaalt, in welke omstandigheid gij dit wilt hernieuwen, en gij u des avonds, omtrent dit punt, onderzoekt. Doe heden dit gebed van den H. Bernardus: » Neem, o Heer, alles wat mij van mijn ellendig leven overblijft, dat alles waarde verkrijge in uwe oogen, door eene vurige begeerte van u te verheerlijken; en wat den tijd betreft, dien ik verloren heb, zoo smeek ik u, mijn berouwvol en vermorseld hart niet te verwerpen.quot;

36stc OVERWEGING.

het misbruik der genade.

I. Hoe misdadig het is.

11. Hoe streng God het bestraft.

I Punt. Welke misdaad is het misbruik der genade in zich-zeloet Zij bestaat in het verachten van God, tot iu zijne gaven. Hem te stellen achter zijne schepselen of onze ongeregelde driften, en al wat Jezns-Christus ter onzer verlossing gedaan of geleden heeft, nutteloos te maken.

Is het gezag van God oneindig vereerenswaardig, zoo schijnt zijne teederheid voor ons nog meer eerbied te vragen. Als God gebiedt, kan niets mij ontslaan van de verschuldigde onderwerping. Vrij moge ik

-ocr page 196-

188

mij-zelven willen overreden, dat het gebod mijne kracht overtreft, dat het te moeielijk, dat het voor verzachting vatbaar is;.... al deze schijnredenen mijner hartstochten zouden niet in het minste de misdaad mijner weerspannigheid rechtvaardigen. Doch, ben ik, na elk voorwendsel, dat ik kan voorgeven, altijd schuldig, zoo ik de wetten van den Opperheer veracht, hoeveel meer ben ik het, indien ik zijne genaden veracht? Wanneer God als Meester tot mij spreekt, moet ik gehoorzamen; wanneer Hij mij als Vader opzoekt, om mij zijne gunsten en genaden aan te bieden, kan ik Hem niet weerstaan zonder zijn Hart te wonden en terzelfder tijd mij als mijn eigen wreedsten vijand te behandelen.

Reeds zwevende op den rand van den afgrond, waarin het gewicht mijner bedorven natuur mij trekt, hoor ik uwe stem, o mijn God, Gij reikt mij de hand.... En hoe! ik zie u zelfs niet aan, ik sluit het oor voor uwe zoete uitnoodiging, om mij naar het schepsel te keeren en slechts de stem mijner driften te aanhooren.... Welk een afschuwelijke verblindheid, welk eene beleedigende verachting uwer goedheid!

Doch om de ondankbaarheid ten top te voeren, vernietig, verderf ik, door aldus uwe gaven te misbruiken, voor zooveel het in mijne macht ligt, het heerlijk werk der verlossing. Een God vernietigt zich en neemt de gedaante aan van een slaaf; een God wordt geboren in armoede, leeft in arbeid en vernedering, sterft gefolterd en verguisd.... dit alles was in het plan eener oneindige wijsheid noodza-kelijk om mij de genade der zaligheid te verwerven,

-ocr page 197-

189

en dit alles verwerp ik, door mijne weigering om er gebruik van te maken! Het is dus het Bloed van Jezus-Christus, dat ik verwerp, en eene zoo duur gekochte verlossing, die ik nutteloos maak. Wat leert mij het geloof omtrent de waarde en de noodzakelijkheid der genade? Zij is de vrucht van de vernederingen, de smarten, den dood van den God-mensch. Zij begint, vermeerdert, volmaakt onze verdiensten; zij is voor ons de kiem der eeuwige glorie; na het genieten van Gods aauschijn, waartoe zij ons geleidt, is zij het grootste, het hoogste goed.... Vrij verzamele men al de schatten van hemel en aarde, vrij voege men hierbij al, wat de menschelijke geest kostbaars kan uitdenken, dit alles wordt duizendmaal overtroffen door de kleinste genade, door de minste werking van den H. Geest in onze zielen, en is duizendmaal waardiger, onze bewondering en onze begeerten op te wekken.

Dit is niet alles. Even uitmuntend als de senade is, even noodzakelijk is zij voor ons. Zonder haar kunnen wij volstrekt niets in de orde der zaligheid. Dit is eene waarheid, door de Kerk vastgesteld, duidelijk bewezen in het Evangelie: »Zonder mijquot;, zegt de Verlosser, zonder mijne genade, die u tot het goede opwekt, en u in deszelfs oefening ondersteunt, it hunt gij nietsquot; dat verdienstelijk is voor het eeuwig leven. De H. Paulus schrijft aan de Philippensen: »Het is God, die in u het willen en het wandelen uitwerkt volgens zijnen wilquot; (1). En aan de geloovigen van Corinthe: »Wij kunnen uit

(1) Phil. 2, 23.

-ocr page 198-

150

ons zeiven geene enkele goede gedachte vormen, als uit ons zeiven. God alleen maakt ons daartoe bekwaamquot; (1). Aldus kan ik\', van de genade beroofd, noch bidden, noch werken om haar te verkrijgen. Wat zal het dan zijn, als ik haar veronachtzaam of verstoot? Ik weiger den sleutel des hemels, dien de Heer my aanbiedt; ik verwerp het talent, waarmede ik de onsterfelijke kroon kan koopen, en het eenige middel, waardoor ik ze kan verdienen. Kan ik het vergeten van mijne ware belangen verder drijven? Als ik eenige beuzeling verlies, bedroef ik mij, en als ik genaden verlies, waarbij alle goud der aarde slechts stof en alle zilver slechts slyk is, vind ik hierin geene aanleiding tot droefheid en tranea.

O mijn God, boe lang zal ik uwe teedere aan-zoekiug wederstaan, hoelang zal ik mij verdedigen tegen het zoet geweld, dat Gij mij aandoet? Geef aan uwen dienaar een leerzaam hart, geef, dat hij izwe genade niet te vergeefs ontvange. Beschik zoodanig over de vermogens mijner ziel, dat het goddelijk zaad voortaan valle in eene vruchtbare aarde, er wortel schiete en honderdvoudige vruchten voort-brenge.

II Punt. Hoe straft God het misbruik der genade in tijd en eeuwigheid?

1°. In het tegenwoordig leven reeds onttrekt God ons zijne genade, om ons te straffen voor het misbruik, dat wy er van gemaakt hebben. Dit is de gewone straf, die even rechtvaardig als verschrikkelijk is. Gewone straf. Mijn volk heeft naar mijne

(1) II Cor._3,;ü.

-ocr page 199-

191

stem niet geluisterd; Israël achtte mijn woord niet; ik heb hen overgeleverd aan de lusten van hun hart; zij zullen hunne bedorven neigingen volgen (1). Wandelt , terwijl gij het licht hebt, opdat de duisternissen u niet overvallen (2). De H. Schrift bevat vele dergelijke bedreigingen; en de voorbeelden, die zij aanhaalt, bewijzen door feiten, hoe God het verachten zijner genaden straft. Heli, Saül, Judas: een hoogepriester, die slechts schuldig schijnt aan eene verregaande toegevendheid voor zijne zonen, een koning, door God verkoren, een apostel, door Jezus-Christus geroepen, worden verworpen, verliezen de genade, omdat zij-zelven de genade verstooten hebben. Is deze straf niet de gewone straf onzer dagen? Is zij niet die der religieuze zielen? Zijn er geene, die God laat vallen in eene sluimerende traagheid, in verblindheid, om hen te straffen voor het misbruik, dat zij van zijne genade gemaakt hebben ?

Zeer rechtvaardige straf. De aanbiddelijke Bruidegom staat aan de deur van myn hart; Hij klopt, Hij dringt mij met teederheid, opdat ik Hem binnen late, ten einde Hij mij met zijne gunsten kunne overladen... Ik wil niet, ik weersta aan zijne uit-noodiging... Eindelijk moede, mij zijne weldaden te vergeefs aan te bieden, houdt Hij op, mij met zooveel barmhartigheid te voorkomen, en zich veracht ziende, trekt Hij zich terug. Is dit niet billijk? Zou Hij de beleediging, die ik Hem aandoe, moeten beloonen, door mij voortdurend genade aan te bieden,

Ps. 80, 10, U.,J (2) Joan. 12, 35.

-ocr page 200-

192

die ik verstoot? Men ontneemt den schepter, maar aan wien ? Aan hem , die zich onwaardig maakt, de kroon te dragen en haar verwerpt. Eischen rede en recht dit niet? Vreeselijke straf. De genade of liever God, die zich terugtrekt, is het opperste goed, dat zich verwijdert; het is het opperste kwaad, de zonde en de hel, die naderen. Het allergrootste onheil, het ongeluk van te sterven als vijand van God, is niets anders dan het onttrekken van die allesbeslissende genade, waardoor die ziel, alvorens uit dit leven te scheiden, in de gevoelens van eene ware boetvaardigheid zou getreden zijn. De genade, die zich terugtrekt, is het licht, de kracht, die mij verlaten, het is de deugd, die verdwijnt, het is als de hoop mijner zaligheid, die vergaat. O neen. Heer, nog is het de tijd niet, om te wanhopen, en als ik slechts wil, zal het nooit zoover komen, daar ik op dit oogenblik, behalve uwe belofte van den zondaar steeds te willen ontvangen, die met berouw tot u komt, nog de kostbaarste aller genaden ontvang in de vrees, die mij het misbruik van zoovele andere inboezemt. Deze genade zal mij tot u terugbrengen, o mijn God. Reeds gevoel ik in mijn hart de hoogschatting, die ik moet hebben voor uwe inspraken, en ik wil voortaan met zorg die kostbare talenten gebruiken.

2°. Na dit leven straft God het misbruik der genade door een gestrenger oordeel en bittere wroeging. Hij, wien wij meer goed doen, is ons meer verschuldigd. De Zaligmaker zegde van de Joden: Ware ik niet gekomen en haclde ik niet tot hen

-ocr page 201-

193

gesproken, zou hunne zonde minder groot zijn (1). Zal Hij, als ik voor zijn rechterstoel verschijn, mij ook niet kunnen zeggen: »liadde ik u minder gunsten verleend, zoudt gij minder schuldig zijn. Het aantal en de uitmuntendheid der genaden, die mijne liefde u aanbood, en die uwe lauwheid veronachtzaamd heeft, hebben u tot een on verschoon baren zondaar en mij tot een meedoogenloozen rechter gemaakt.quot;

Doch hoe groot zal mijne schaamte zijn, als zich bg de stem van God, nog de stemmen van tal van verdoemden zullen voegen, die op verre na die hulpmiddelen ter zaligheid niet hadden ? Ach, hadde de goddelijke goedheid voor hen gedaan, wat zij deed voor mij! Welke wroeging, welke vertwijfeling! Hoe gemakkelgker het voor mij geweest is den hemel te winnen, hoe afgrijselijker de hel voor mij zal wezen!

O mijn God, heb dank voor het licht, mij geschonken. Door uwe genade zelve, erken ik het overgroot verlies, dat ik mij-zelven veroorzaakte, toen ik haar verstiet, de misdaad daardoor bedreven en het dreigend gevaar, waaraan ik mij zoo vermetel blootstelde. Ik begrijp met welke opmerkzaamheid ik voortaan al de bewegingen der genade moet nasporen, al derzelver indrukken met dankbaarheid moet ontvangen, en getrouwelijk alle vruchten moet inzamelen. Ik ben dit verplicht, Heer, en ik gevoel dat ik het wil. Versterk mijne zwakheid en laat uwe genade de steun zijn van de voornemens, mij door haar ingeboezemd.

(1) Joa. 15, 22. CH. I.

13

-ocr page 202-

194

37ste OVERWEGING.

de dagelijksche zonde. hare natuur.

I. Wat is de dagelijksche zonde volgeas de grondbeginselen van het geloof?

II. Welke gevolgtrekkingen vloeien hieruit voort ?

1. Verbeeld u een mensch, zoodanig met zweren overdekt, dat zijn gezicht, zelfs bij zijne beste vrienden walging verwekt.

2. Doe mij, o Heer, de boosheid der dagelijksche zonden kennen, vooral in eene ziel, door u met gunsten overladen; en boezem mij daarvoor al den afschuw in, dien zij verdient.

I Punt. fVat is de dagelijksche zonde, volgens de grondbeginselen van het geloof? Het is eene ongeregeldheid in gedachte, woord, werk of verzuim, strijdend tegen de wet Gods, doch die niet zwaar genoeg is om op ons de ongenade van God af te trekken en ons tot zijne vijanden te maken. Men vindt in deze soort van fouten alles wat eene ware zonde daarstelt. God, die beveelt, de mensch, die weigert te gehoorzamen. Het eenige onderscheid tusschen de doodzonde en dagelijksche zonde bestaat in het meer of minder; meer of minder volkomen toestemming, meer of minder zware stof, van beider zijden is het intusschen een onwaardige voorkeur gegeven aan den wil der menschen, boven den wil van God. Eu door wien? En waarom? Door een nietig schepsel en voor een nietig doel.

Er ligt dus in de dagelijksche zonde eene wezen-

-ocr page 203-

195

lijke verachting van God, eeue wezenlijke beleediging van al de volmaaktheden van God, eene lichte beleediging , vergeleken bij die, welke voortspruit uit de doodzonde, maar van eene oneindige boosheid, als men haar beschouwt in zich-zelve, daar zij eene oneindige majesteit aanrandt. En ziedaar wat ik doe, als ik mij overgeef aan die kleine driftigheid, die geheime afgunst, die lichte onmatigheid, als ik mij die gesprekken toelaat, die den goeden naam van den evennaasten in geringe mate benadeelen, die leugens om bestwil, die eigenzoekelijkheden , die uitstorting, die nieuwsgierigheid, die mij ontvoeren aan mij-zelven, mij verbannen buiten mijn eigen hart, dat gebrek aan vurigheid en eerbied in mijne godvruchtige oefeningen, waardoor ik zooveel eer aan God onttrek....

II Puvr. Welke gevolgtrekkingen vloeien hieruit voort t De dagelijksche zonde vergramt God, o hoezeer moet de religieus, die ze zonder eenigen gewetensangst zoo gemakkelijk bedrijft, zich verontrusten omtrent de vervulling van het groote voorschrift, Gij zult den Heer uwen God heminnen uit geheel uw hart, uit geheel moe ziel, uit al uwe krachten! Hoe, ik bemin God, ik bemin Hem uit geheel mijn hart, uit geheel mijne ziel en ik zou mij een spel durven maken van Hem te beleedigen, Hem te, weerstaan, als Hij mij slechts zeer gemakkelijke zaken oplegt! Ik bedroef den H. Geest, ik bedroef het H. Hart van Jezus, gewond door onze kleine boosheden, gelijk het doorstoken werd door onze misdaden. — Maar die zonden maken mij niet tot vijand van God; ik zal Hem dan slechts gehoor-

-ocr page 204-

196

zamen, als Hij zijue donderslagen boven mijn hoofd doet weergalmen!.... Bemin ik God, of bemin ik mij-zei ven?

De, dagelijksche zonde heleedigt God, is het kwaad van God..., Na de doodzonde is er dus geen grooter kwaad, dat den sterveling in tijd of eeuwigheid treffen kan. Zeker zou men de verdelging, en vooral de verdoeming aller menschen, een allergrootst onheil moeten noemen , en nochtans ware het eene ongeregeldheid, zoo men deze ramp ten koste eener dagelijksche zonde zou willen beletten. Het ware eene groote ramp, zoo God, ware dit niet onmogelijk, zijne heilige Moeder, de Engelen en al de heiligen buiten den Hemel sloot; doch eene veel grootere ramp ware het, zoo men door eene enkele dagelijksche zonde de Moeder Gods en al de uitverkoornen in bezit van den hemel liet. Groot zou het onheil zijn, dat door al de tranen van het menschelijk geslacht, al de folteringen der martelaren, al de boetvaardigheid der kluizenaars, al den arbeid, het lijden, de liefdewerken aller heiligen, al de goede werken, welke van het begin der wereld tot haar einde gedaan zijn en zullen worden, niet hersteld zou kunnen worden; nochtans al deze voldoeningen, zoo men er die van het Menschgeworden Woord niet bijvoegde, zouden ontoereikend zijn, om de beleediging te herstellen , God door eene enkele dagelijksche zcnde aangedaan.

Wat moet men dan denken van een religieus, die

O \'

zich troost over de beleediging, die hij dagelijks God aandoet, door te zeggen, dat hij geen groot kwaad doet, wijl het slechts dagelijksche zouden

-ocr page 205-

197

zijn, die hij bedrijft? »Aldus spreken,quot;\' zegt de H. Bernardus, »is een begin van verstoktheid, eene lastering tegen den H. Geest.quot;

De H. Edmundus zegt: »Liever zou ik mij in een gloeienden vuurpoel storten, dan God eenigerwijze vrijwillig beleedigen.quot; De H. Ignatius van Loyola zegt: »Ieder mensch, die naijverig is op de zuiverheid van zijn geweten, moet zich diep vernederen in Gods tegenwoordigheid, voor de kleinste zonden, overdenkende, dat Hij, tegen wien zij bedreven worden, oneindig is in alle volmaaktheid, hetgeen hunne boosaardigheid oneindig grooter maakt.quot; De H. Catharina van Genua zegt: «Ik zou mij in een oceaan van vlammen werpen , indien dit noodig ware om eene enkele dagelijksche zonde te vermijden; en liever zou ik er altijd in verblijven, dan door eene enkele dagelijksche zonde er uit te komen.quot; De H. Catharina van Sienazegt: » Ware de ziel niet onsterfelijk , dan ware het zien van eene enkele dagelijksche zonde, die hare schoonheid komt bezoedelen, voldoende om haar den dood toe te brengen.quot; De gelukzalige Alphonsus Rodriguez riep uit: »Heer, laat mij liever al de pijnen der hel lijden, dan eene enkele dagelijksche zonde bedrijven.quot;

O mijn God, indien ik het hart hadde uwer heiligen, zou ik ten opzichte van al wat u beleedigt, ook hunne gedachten en hunne teederheid van gewetenhebben. Gelief u aan mijne ziel te openbaren en mij te doen branden van het vuur uwer liefde. Wie u bemint, haat elke zonde meer dan den dood, ja meer dan de hel.

-ocr page 206-

198

38ste OVERWEGING.

de bagelijksche zonde. — hare uitwerkselen en 8t11affen.

I. Uitwerkselen der dagelijksche zonden.

II. Straffen der dagelijksche zonden.

1. Verbeeld u een man, geheel met wonden bedekt: hij verliest zijn bloed, wordt weldra tot het uiterste gebracht; of verbeeld u de vlammen des vagevuurs, en te midden dier vlammen eene ziel, die de schulden uitboet, jegens de goddelijke gerechtigheid , door de dagelijksche zonde aangegaan.

2. Vraag aan God de kennis en den haat der dagelijksche zonden.

I Punt. Uitwerkselen der dagelijksche zonde. Indien zö mij geene vrees aanjagen, zoo moet mijne eigene ongevoeligheid mij doen vreezen.

1°. De dagelijksche zonde vermindert het licht van den geest en verduistert den fakkel des geloofs. Elke dagelijksche zonde, die ik bedrijf, is eene wolk, die zich verheft tusschen mijn verstand en de zon der eeuwige waarheid; naar mate het getal dezer fouten aangroeit, wordt de wolk dikker; eindelijk onderschept zij al de stralen dier goddelijke zon, en ik verkeer in de duisternis. Vandaar dat bijna uitgedoofd geloof, dat leven van begoocheling, waarin ik voorts! uimer.

2°. Zij verzwakt den wil. Elke zonde, hoe licht men haar ook schatte, is een voedsel, dat men geeft, aan eenige booze neiging; welnu, al wat ik aan mijne boosaardige neigingen toesta, ontneem ik aan de

-ocr page 207-

199

liefde van God. De begeerlijkheid en de heilige liefde zijn als twee vuren, waarvan het eene toeneemt naarmate het andere verteert. Die menigvuldige ongetrouwheden vermeerderen mijne gehechtheden, te weten mijne kluisters; daaruit ontstaat die kwijning, die krachteloosheid voor het goede. Waartoe dienen mij al die goede begeerten, die niets voortbrengen en nimmer uitgewerkt worden?

o0. Zij misvormt en verlaagt een der schoonste meesterstukken der genade, de ziel, omkleed met gerechtigheid; zij is eene afzichtelijke vlek op een schitterend wit kleed, eene zweer op een schoon gelaat. De H. Augustinus vergelijkt haar bij eene schandelijke melaatschheid, welke den hemelschen Bruidegom van ons verwijdert en ons zijner gunsten onwaardig maakt.

4°. Zij berooft mij van een graad genade en van het recht op een graad glorie. Beide hadde ik verdiend, zoo ik weerstand aan de bekoring geboden hadde; beide heb ik verloren door daarin toe te stemmen. Hoe groot is dit verlies! Een God, dien ik in alle eeuwigheid minder zal kennen, beminnen, bezitten! Ziedaar de gevolgen van eene enkele dage-lijksche zonde!

5°. Zij vermindert die vaderlijke teederheid, die God voor mij had, en doet mij die buitengewone liefdeblijken verliezen, waarmede Hij de vurigheid-beloont. Ik meet God mijne getrouwheid toe, Hij meet mij zijne weldaden. Als ik zoo weinig zorg heb om een zoo goeden en grooten Meester niet te beleedigen, dan verdien ik de zorg niet dier bemin-

-ocr page 208-

200

nelijke Voorzienigheid, die de edelmoedige harten met voorliefde begunstigt.

6°. Zij beneemt mij den vrede en stort mij vaak in wreeden zielsangst? Zóu ik, zonder het te weten, de grenslijn tusschen de dagelijksche en de doodzonde overschreden hebben ? Liggen zij wel ver van elkander? Is het wel altijd te onderscheiden?

7°. Eindelijk geleidt zij mij tot de doodzonde, gelijk de ziekte tot den dood. De godspraak is onfeilbaar. »Hij die ontrouw is in kleine zaken zal het ook in de grootere zijn (1). Waarmede begonnen de misdrijven van Kaïn, Saül, Judas? Wat scheen minder onrustwekkend in het begin? Hoevele belee-digingen hadde Luther gespaard aan God, hoeveel bloed aan Europa, hoevele tranen aan de H. E\'erk, hadde hij bijtijds eene lichte ijdelheid, eene kleine afgunst gesmoord? Een stortvloed, die geheele landstreken verwoest, is slechts een straaltje water in deszelfs oorsprong; eene vonk kan den hevigsten brand veroorzaken. God behandelt ons, gelijk wij Hem behandelen. Gij veracht mij, ontrouwe ziel, op mijne beurt veracht ik u; gij veracht mijne gunsten , ik zal u mijne hulp onttrekken, en mijne wraak zal bestaan in u los te laten!

II Punt. De straf der dagelijksche zonde. Reeds in dit leven wreekt God zich soms vreeselijk over die ongetrouwheden, die wij ons zoo gemakkebjk toestaan. — Mozes en Aaron worden buiten het beloofde land gesloten voor een gebrek aan vertrouwen, waarin ik bijna slechts eene buitenmatige nede-

(1) Luc. 16, 10.

-ocr page 209-

201

righeid zou zien. — Een profeet, die reeds mirakelen verricht had, wordt verscheurd door een leeuw, omdat hij tegen het gebod van God, te lichtvaardig een anderen profeet geloofd had, die hem uitnoodigde hij hem het middagmaal te nemen. — Twee en veertig jonge kinderen worden door twee beeren verscheurd, omdat zij aan den eerbied, Eliseüs verschuldigd, ontbroken hadden. — Oza wordt met den dood gestraft, omdat hij aan de Ark des Verbouds raakte, toen zij dreigde te vallen. — Vijftig duizend Bethsamiten worden op dezelfde wijze gestraft, toen zij dit heilig gedenkstuk met onbescheiden blik beschouwden. — David ziet zeventig duizend zijner onderdanen omkomen, tot straf zijner ijdelheid in het optellen zijner onderdanen. — Is dit niet meer dan genoeg, om mij te leeren, wat God denkt van de dagelijksche zonde; en nog is dit alles niets in vergelijking van datgene, waarmede Hij die in de andere wereld straft.

Wat toont het geloof mij in het vagevuur? Rechtvaardige , uitverkorene zielen, zielen zoo dierbaar aan God, dat Hij zelf met ongeduld verlangt ze aan zijn geluk te doen deelnemen. En die heilige zielen zie ik uit den hemel gebannen, somtijds voor zeer langen tijd, en veroordeeld tot een vuur, dat volgens den H. Thomas, hetzelfde is als het helsche vuur. Waarom die gestrenge boete? Omdat er indie zielen eenige vlekken van zonde overblijven en God eeu afschuw heeft van alle zonden. Als een vader een gloeiend vuur ontsteekt en zijn zoon daarin werpt, (en ik weet dat er nooit een vader zoo teeder, een zoon zoo innig bemind, heeft bestaan):

-ocr page 210-

202

dan besluit ik, dat de zoon door eenig misdrijf zyn vader diep bedroefd heeft. O God, hoezeer mishaagt u de dagelrjksche zonde, daar zij u dwingt met zoo vele gestrengheid zielen te straffen, die Gij oneindig meer bemint, dan het menschelijk hart bevatten kan. Eu wanneer ik nu tracht het getal dier fouten, door mij bedreven, ts benaderen, bedreven, hetzij door

schuldige onwetendheid of door onachtzaamheid.....

hoeveel ik er nog dagelijks bedrijf door de uitgestortheid van mijnen geest of de vrijheid mijner tong, door mijne weinige waakzaamheid over mij-zelven, door mij in niets te willen bedwingen, moet ik dan niet treden in de gevoelens van den profeet, als hij zegt: ïMijne boosheden hebben mij omgeven, ik heb ze niet alle kunnen zien , noch tellen. Haar getal overtreft dat mijner hoofdharen, en mijne ziel is in bezwijming gevallen, toen ik ze wilde beschouwen.

O mijn God, vergeef mij mijne ontelbare zonden, en geef mij die gelukkige teederheid van geweten, die zich verontrust bij de enkele schaduw der zonde. Ik weet dat ik, om dezen weg te bewandelen, onophoudelijk op mij-zelven moet waken, dat ik mij zeer vele voldoeningen moet ontzeggen, die onschuldig schijnen; dan, Heer, kan ik het dubbele voordeel te duur koopen, van u minder te beleedigen, en te ontsnappen aan de betreurenswaardige gevolgen, die zoo vele ongetrouwheden na zich slepen.

-ocr page 211-

203

ggste OVERWEGING.

over de lauwheid.

I. Hare ongeregeldheid.

II. Hare gevaren.

I Punt. De ongeregeldheid der lauwheid. Noch koud, noch warm zijn voor eenen God, die zooveel liefde verdient, zich langzaam voortslepen in zijnen dienst, weinig vreezende Hem te mishagen, weinig begeerende Hem te behagen, zonder vurigheid voor zijne eer, zonder ijver voor zijne belangen... Ziedaar de lauwheid. Wat is meer tegenstrijdig aan de eerste voorschriften der wet, aan de zwaarste verplichtingen van den Christen en den religieus?

1°. Aan het hoofd der geboden staat, als het onmisbaarste van alle, het gebod van God te beminnen uit geheel zijne ziel, uit al zijne krachten. En de lauwe ziel schijnt tot God te zeggen, dat Hij noch zooveel eerbied, noch zooveel liefde verdient, noch dat men zich eenige moeite geve om Hem te dienen; dat in het geluk van Hem te behagen en Hem eeuwig te bezitten, geene schadeloosstelling ligt voor de offers, die Hij vraagt.... Is God wel de God van hem, die aldus handelt ? Weex volmaakt -gelijk uw hemelsche Vader volmaakt is. Zeker vraagt men van ons het onmogelgke niet; maar als God zijne eigene volmaaktheid stelt als het eenige doel, waarbij men mag stilstaan, dan wil God, dat hij, die heilig is, nog heiliger worde; dat de rechtvaardige steeds

-ocr page 212-

202

dan besluit ik, dat de zoon door eenig misdrijf zijn vader diep bedroefd beeft. O God, hoezeer mishaagt u de dagelijkscbe zonde, daar zij u dwingt met zoo vele gestrengheid zielen te straffen, die Gij oneindig meer bemint, dan het menschelijk hart bevatten kan. Eu wanneer ik nu tracht het getal dier fouten, door mij bedreven, te benaderen, bedreven, hetzij door

schuldige onwetendheid of door onachtzaamheid.....

hoeveel ik er nog dagelijks bedrijf door de uitgestortheid van mijnen geest of de vrijheid mijner tong, door mijne weinige waakzaamheid over mij-zelven, door mij in niets te willen bedwingen, moet ik dan niet treden in de gevoelens van den profeet, als hij zegt: »Mijne boosheden hebben mij omgeven, ik heb ze niet alle hunnen zien, noch tellen. Haar getal overtreft dat mijner hoofdharen, en mijne ziel is in bezivijming gevallen, toen ik ze wilde beschouwen.

O mijn God, vergeef mij mijne ontelbare zonden, en geef mij die gelukkige teederheid van geweten, die zich verontrust bij de enkele schaduw d^r zonde. Ik weet dat ik, om dezen weg te bewandelen, onophoudelijk op mij-zelven moet waken, dat ik mij zeer vele voldoeningen moet ontzeggen, die onschuldig schijnen; dan. Heer, kan ik het dubbele voordeel te duur koopen, van u minder te beleedigen, en te ontsnappen aan de betreurenswaardige gevolgen, die zoo vele ongetrouwheden na zich slepen.

-ocr page 213-

203

39ste OVERWEGING.

ovell de lauwheid.

I. Hare ongeregeldheid.

II. Hare gevaren.

I Punt. De ongeregeldheid der lauwheid. Noch koud, noch warm zijn voor eenen God, die zooveel liefde verdient, zich langzaam voortslepen in zijnen dienst, weinig vreezende Hem te mishagen, weinig begeerende Hem te behagen, zonder vurigheid voor zijne eer, zonder ijver voor zyne belangen... Ziedaar de lauwheid. Wat is meer tegenstrijdig aan de eerste voorschriften der wet, aan de zwaarste verplichtingen van den Christen en den religieus?

1°. Aan het hoofd der geboden staat, als het onmisbaarste van alle, het gebod van God te beminnen uit geheel zijne ziel, uit al zijne krachten. En de lauwe ziel schijnt tot God te zeggen, dat Hij noch zooveel eerbied, noch zooveel liefde verdient, noch dat men zich eenige moeite geve om Hem te dienen; dat in het geluk van Hem te behagen en Hem eeuwig te bezitten, geene schadeloosstelling ligt voor de offers, die Hij vraagt.... Is God wel de God van hem, die aldus handelt ? Wees volmaakt -gelijk uw hemelsche Vader volmaakt is. Zeker vraagt men van ons het onmogelijke niet; maar als God zijne eigene volmaaktheid stelt als het eenige doel, waarbij men mag stilstaan, dan wil God, dat hij, die heilig is, nog heiliger worde; dat de rechtvaardige steeds

-ocr page 214-

204

rechtvaardiger worde, totdat hij zich innig vereenige met Hem, die de rechtvaardigheid en heiligheid in zich-zelven is.

De H. Bernardus omschrijft deze verplichting als:

Een onvermoeibare ijver om vooruit te gaan , een voortdurend streven naar iets wat heter is. Is dit hetgeen ik in mij vind, als ik lauw en traag ben?

2. Indien ik de plichten van den religieus uit het oog kon verliezen, zoo bestaan die des Christens, gelijk de naam het uitdrukt, in het aannemen van de gevoelens van Christus, in Hem na te volgen in het dragen van zijn kruis, door zich-zelven te versterven en te verloochenen.... Zal ik dat alles doen, zal ik de afbeelding zijn des Zaligmakers., als ik een zinnelijk leven leid, als ik aan mijne driften bijna alles toesta, wat zij vragen, onder voorwendsel dat zij niets vragen, dat zichtbaar kwaad is?

II Pünt. De gevaren der lauwheid. De staat van eenen religieus, die tot lauwheid vervalt, is een staat van volkomen zinsbegoocheling, en dit is juist wat dezen zoo noodlottig maakt.

1. Zinsbegoocheling omtrent het kwaad, dat hij bedrijft. Weinig luisterende naar de stem van zijn geweten, en in zich de groote misdrijven niet bespeurende , die de groote zondaars kenschetsen, verontrust hij zich niet over zijne dagelijksche ongetrouwheden en zijne gewone nalatigheid in den dienst van God. Hij beschouwt als nietsbeduidend die ontelbare menigte dagelijksche fouten, die ijdele gesprekken, dat tijdverlies in lichtzinnige lezingen, in nuttelooze bezoeken en geheel dat leven zonder

■hl

-ocr page 215-

205

geest Tau geloof, zonder versterving, zonder waar christelijk gevoel.

De rechtvaardige wantrouwt zijne werken. De schaduw alleen van hetgeen God beleedigt, doet dengene beven, die Hem oprecht liefheeft, en die heilige vrees is het veiligst bolwerk der onschuld. Maar wee daarentegen hem, wien de gewoonte der lichte fouten geene vrees aanjaagt. Men komt weldra tot de zonde, die de ziel doodt, als men zich gemeenzaam maakt met die, welke de ziel wondt. Gemakkelijk gaat men over van de sluimering der lauwheid in den slaap des doods, en daar die overgang plaats vindt zonder schok, daar men veeleer in den afgrond glijdt dan valt, is het ook zeldzamer, dat men er uitkomt.

2°. Zinsbegoocheling omtrent het goede, dat hij meent te doen, en waarin hij zijn behagen vindt. De lauwheid gaat zeer wel samen met zekere deugden, die de ziel onderhouden in eene noodlottige gerustheid. De bisschop van Ephese was voorbeeldig in vele punten. Jezus-Ghristus getuigt van hem: Ik

ken uwe werken, en uwen arbeid, en uw geduld.....

maar ik heb tegen u, dat gij uwe eerste liefde verlaten hebt (1). De engel der Kerk van Laodicea vertrouwde ook op werken, die goed waren in zich-zelven, doch besmet met het venijn der lauwheid. Hij zegde: gt;Ik ben rijk, ik heb aan niets gebrek;quot; en hij wist niet, dat hij medelijdenswaardig was door zijne buitengewone behoeftigheid, zijne verblindheid en zijn volstrekt gebrek aan alle waarachtig goed.

(1) Apoc. 22, 4.

-ocr page 216-

206

3°. Zinsbegoocheling omtrent de gevaren, die hem bedreigen en die hij zelfs niet vreest. Hij leeft gerust, hoewel hij staat onder het gewicht der schrikwekkendste uitspraak: Werp dien nutteloozen dienaar in de uiterste duisternis, waar slechts geween zal zijn en knarsen der tanden. Had die zoo zwaar gestrafte de wetten der rechtvaardigheid, der matigheid, der kuischheid overtreden ? Niets doet dit veronderstellen; men verwijt hem slechts zijne onachtzaamheid in het gebruik van het ontvangen talent. Hebben de genaden, waarmede God mij begunstigde, geene vruchten gedragen ? Ik zal veroordeeld worden voor het goede, dat ik niet gedaan heb. Welke misdaad hadden zij bedreven, die dwaze maagden, die de Bruidegom niet wil kennen, die Hij weigert toe te laten in de bruiloftzaal ? Zij waren niet waakzaam geweestzij hadden in haar hart het vuur der liefde doen kwijnen; het geloof was de ziel baars levens niet meer, hare lampen waren uitgegaan. Overigens hadden zij den schat der maagdelijke reinheid bewaard, de Heer noemt haar steeds maagden. — Op welken vijgenboom viel de vloek des Heeren, en deed hem onmiddelijk uitdrogen? Jezus had honger (1) Hij zocht vruchten op dien boom en vond slechts bladeren, die als nutteloos sieraad hem niet vrijwaarden van den vloek. Zoo kunnen het uiterlijk der deugd, de schijn van godsvrucht genade vinden in het oog der menschen; doch God, die op Jaet hart ziet, God, die hongert naar onze liefde, onze toewijding, ziet slechts bladeren, waarmede Hij zich niet verzadigen kan. Vervloekt

(1) Matth. 21, 18.

-ocr page 217-

207

dengene, die het werk des Heer en met onachtzaamheid verricht. Het is niet meer de onvruchtbaarheid, de schuldige werkeloosheid, die God hier straft, het is datgene, wat in zich-zelven het beste is. Bidden, kinderen onderwijzen , de zieken bijstaan, de plichten mijner bediening vervullen. Ziedaar goddelijke werken ; God legt ze mij óp, God wil ze beloonen. Hij wil zelf daarvan het heerlijk loon zijn; en als ik die met onachtzaamheid volbreng, wat zal ik er dan mede winnen? Vervloeking. Hoe vreeselijk zal dat woord klinken uit den mond van een vertoornd rechter: Gaat van mij, vervloekten. En hoe zou men niet sidderen, als men Jezus hoort zeggen tot den bisschop van Laodicea, dat Hij hem gaat verbannen uit zijn Hart, hem gaat werpen uit zijn mond, omdat üij lauw is? Deze uitdrukking. Ik zal be-ginne7i met u uit den mond te spuwen, geeft zij ons geen schrikwekkend denkbeeld èn van de walging, die de lauwe religieus den Heer veroorzaakt, èn van de moeielijkheid, waarmede hij ooit weiier het Hart van Jezus zal kunnen binnengaan? Ach, Heer, Gij, die met zooveel geduld de verloren schapen afwacht eu ze gaat opsporen, Gij, die al onze ellenden wilt verlichten, zult Gij uw hart sluiten voor eenen zondaar, dien Gy zoo teeder bemind hebt? Ik zal hem ver van mij verstooten, hem uit mijnen mond werpen. Heer, wat heeft hij dan gedaan, om uwen toorn zoodanig op te wekken ? Heeft hij den schat des geloofs verloren? Heeft hij den schoonen naam van Christen en religieus door eenigen zwaren val ont-eerd? Neen, maar hij is zonder vurigheid in mijnen dienst, hij is lauw!

-ocr page 218-

208

Ik kende deze vreeselijke godspraak, o mijn God, ik geloofde die, doch ik dacht er niet aan, of wel slechts oppervlakkig zonder ze ernstig op mij-zelven toe te passen. Beschouw nu, mijne ziel, het beeld van den lauwe, gelijk de H. Bernardus het schetst. »Er zijn weinig gemeentenquot;, zegt hij »waar men geene laffe, trage zielen aantreft, die het juk van het kloosterleven dragen, doch als ondanks zich-zelven, die steeds trachten het öf te verlichten öf af te schudden; zielen, die altijd den prikkel noodig hebben om ze aan te zetten, of de terechtwijzing , om ze te verbeteren; die zich overgeven aan ijdele vreugde, of zich door droefheid laten neerslaan, wier ingekeerdheid en berouw van korten duur zijn, wier omgang wereldsch is; die slechts denken aan zich-zelven en aan hetgeen haar vleit; die gehoorzamen zonder deugd, bidden zonder aandacht, lezen zonder vrucht.quot; Is dit beeld in vele trekken het mijne niet?

Geef mij. Heer, ik smeek u hierom, met de gevoelige vurigheid, die bron van vreugde, waarmede Gij soms hierbeneden de edelmoedigheid uwer dienaren beloont; maar de vurigheid van de boetvaardigheid, van het geduld, van de zelfverloochening, van de verachting van mij-zelven. Zij is de veiligste vurigheid en de eenige, die den zondaar past, Geef mij de genade dagelijks mijn offer met het uwe te vereenigen en voor u te leven, in den geest van zelfverloochening, welke het zekerste bewijs is der ware liefde.

-ocr page 219-

209

4:Oste OVERWEGING-.

DE LAUWHEID. HARE GENEESMIDDKLEN.

ï. Het gebed.

II. De versterving.

III. De overweging.

I Pont. Het gehed. Jezus-Christus leert ons, dat de lauwheid geene ongeneesbare ziekte is, maar dat men van Hem het geneesmiddel moet verwachten, en dat het in zijn Hart is, dat men het moet zoeken. Ik raad -u bij mij een goud te koopen, dat in het vuur beproefd is; opdat gij rijk wordt, en u met witte kleederen kleedt, die uwe naaktheid zullen bedekken; en zalf uwe oogen met oogenzalf, opdat gij zien moogt (1). Dit krachtdadig middel tegen de lauwheid verkoopt Jezus, terwijl Hij het geeft; want het gebed, dat Hij van ons eischt, om ons met zijne gaven te overladen en ons het goud der liefde te geven, valt altijd zwaar aan eene lauwe ziel en zou haar zelfs onmogelijk worden, zonder de genade, die haar voorkomt en de begeerte in haar opwekt.

De Heer zegde tot den bisschop van Laodicea, dat hij arm, naakt, blind was; zoo staat het met eiken lauwen religieus. Hij is arm, want welke waarde hebben voor den hemel, die geheel stoffelijke werken, die noch door de meening geheiligd, noch door de vurigheid bezield worden ? Hij is naakt, want hij is ontbloot van alle ware deugd, dikwijls beroofd zelfs van de heiligmakende genade en het leven. Hij is

(1) Apoc. 3, 18.

CH. I. 14

-ocr page 220-

210

quot;blind, want hij ziet noch zijn ongelukkigen toestand, noch het gevaar, waarin hij verkeert. Doch zoo hij ten prijs van het gebed, de liefde koopt, zal zij hem van zijne kwalen genezen; zij zal hem verrijken, want wie God bezit, heeft alles. Zij zal een schoon kleed zijn voor zijne ziel, een band voor zijne oogen. Als de liefde in mij is, ben ik zeker God te behagen. Hij bemint mij en openbaart zich aan degenen, die Hem liefhebben; Jezus kennen, ziedaar de wetenschap aller wetenschappen.

Bid dan ondanks alle verveling, ondanks de schijnbare nutteloosheid van uw gebed. Verneder u voor God, doe zijn Hart geweld aan. Hg verlangt dit. Na eene droogte van drie jaren, het beeld eener ingewortelde lauwheid, keert Eliseüs zich tot den Heer; eerst wordt hij niet verhoord, doch na zeven maal gebeden te hebben, ziet hij een wolkje, dat zich uit de zee verheft en door een overvloedigeu regen gevolgd wordt. Blijf bidden, en God zal aan het zuchten van uw hart de wateren der genade verleenen, die uwe ziel zoo dringend behoeft.

II Punt. De versterving. Men heeft zich van God verwijderd, door de neigingen der natuur in te volgen; men keert tot Hem weder door ze te onderdrukken. Om de lauwheid uit de ziel te verjagen, moet men de boetvaardigheid met het gebed vereenigen. Er is echter geen sprake van groote gestrengheden, noch langdurig vasten; want de lauwe ziel is hiertoe onbekwaam , God zal haar dit wellicht nimmer vragen. Gevoelt zij zich gedrongen, tegen zich-zelve een heilig geweld te gebruiken, en heeft zij daartoe den moed, zoo is dit zeer goed, indien^zij voorzichtig-

-ocr page 221-

211

heid gebruikt en zich laat geleiden; doch dat zij ten minste kleine offers brenge en zich lichte voldoeningen ontzegge.... Wat meu haar vraagt, is de overwinning van zich-zelve. Geef den Heer en Hij zal u geven; toon het verlangen, dat gy hebt, Hem te behagen, en Hij zal de maat zijner genaden verdubbelen. »Sta op,quot; zegt een gewijd schrijver, »zet eene schrede, beproef uwe krachten, zet de hand aan het werk, beweeg de armen, begin, en God zal het overige doen.quot;

III Punt. De overweging. Zij is eenigermate het leven des geloofs, gelijk het geloof het leven van den rechtvaardige is. Het gebrek aan overweging geleidt tot den sleurgang en tusschen sleurgang en lauwheid bestaat bijna geen onderscheid. Overdenk de grootheid van God, zijne macht, zijne goedheid, de nietigheid van den mensch, de kortheid des levens, de onmetelijkheid onzer toekomstige bestemming en vraag u zeiven dikwijls: Wat is dit alles vergeleken bij de eeuwigheid? Doch vooral moeten wij dikwijls twee onschatbare voordeden overwegen, die de edelmoedigheid in den dienst van God ons verschaft: de heiligheid en het geluk. — De heiligheid, wijl de vurigheid zulk eene uitmuntende waarde geeft aan de kleinste werken, die zij doet verrichten, daar God meer ziet naar het hart dan naar de hand. Hoevele der gelukzaligen, die ik in den hemel aanschouw, hebben slechts zeer gewone werken verricht, en in korten tijd een langen levensloop volbracht. Zij waren vurig en edelmoedig. — Het geluk, zelfs hierbeneden, daar het juk des Heeren zoet is, niet voor hen, die het slepen, maar voor hen, die het

-ocr page 222-

212

opnemen en met liefde dragen, daar de godsvrucht nuttig is voor alles, en zij beloften heeft voor dit leven, zoowel als voor het toekomende.

De heiligen hehben ons dit uit ondervinding geleerd. David wandelt gemakkelijk op den weg der goddelijke geboden, die zijne zwakheid eerst vrees aanjoeg. De groote Apostel vloeit over van vreugde te midden zijner kwellingen, Xaverius beklaagt zich over de overmaat van zijn geluk...

Gij hebt het beloofd, o mijn God: Den overwinnaar zal ik een verborgen manna geven (1). Ja, zij is verborgen, die hemelsche spijze, aan de zinnelijke en onachtzame zielen. Heb ik ze zelden gesmaakt, zoo ontdek ik thans daarvan de reden. Wel verre van mijne traagheid en lafheid te overwinnen, was ik de slaaf mijner driften, in plaats van kracht te zoeken in mijn geloof, door de overweging opgewekt, en in den steun uwer genade, die Gij nimmer weigert aan degenen, die ze ootmoedig vragen, vreesde ik in mij-zelven te keeren en ging mijn hart niet verwarmen aan den vuurgloed des gebeds. Heer, Gij toont mij de oorzaak mijner kwalen en tevens het geneesmiddel. Tot u stijgt de kreet van mijn gebed: Mijn God, kom mij ter hulp. Tot u verhef ik mijne smeekende handen. Mijne ziel is voor u als eene dorre aarde. Maar, terwijl ik uwe genade afsmeek, beloof ik tevens die door mijne pogingen te ondersteunen. Gij zult mijne geringe offers aanvaarden, en door nieuwe genaden zult Gij mij helpen, u grootere, u minder onwaardige offers aan te bieden.

(1) Apoc. 2, 17.

-ocr page 223-

AFDEELING III.

De middelen tegen de zonde. — De over-•weging der uitersten, dood, oordeel, hel.— De barmhartigheid.

4-1\'te OVERWEOING.

de dood.

De zonde verwijdert ons van ons einde, de gedachte aan den dood verwijdert ons van de zonde en brengt ons nader tot ons einde.

I. Wat moet ik denken van den dood? II. Wat moet ik deuken van de vrees voor den

dood?

1. Verplaatsen wij ons in den geest bij het bed van een stervende, of aan den rand van een pas-gedolven graf, en luisteren wij aandachtig naar de lessen, die de dood ons geeft.

2. Geef mij de genade, o mijn God, van de ernstige vermaningen van den dood wel te begrijpen, mij wel daarvan te doordringen en getrouw het licht te volgen, dat de gedachte aan den dood met zich draagt

I Punt. Wat moet ik van den dood denken? Als overgang mijner ziel van den tijd tot de eeuwigheid, besluit de dood in zich het denkbeeld van een vertrek

-ocr page 224-

214

en eene aankomst, vertrek uit het leven, aankomst aan de eeuwige kusten. De dood heeft licht en duisternis, heldere waarheden en ondoordringbare geheimen, die het mij nuttig is beide te overdenken.

1°. Vier zaken in den dood laten geen den minsten twijfel in mijne ziel. Hij zal ontwijfelbaar komen, die dood, waarvan het enkele denkbeeld reeds zoo schrikwekkend is voor den religieus, die ontrouw is aan zijne geloften. Hij zal weldra komen; hij zal ons alles ontnemen, behalve de vrucht onzer goede werken; hij zal ons lot beslissen voor eene altijd gelukkige of altijd rampzalige eeuwigheid! Welk eene bron van zalige indrukken voor de overwegende ziel!

Onvermijdelijke dood. Het geloof leert het mij: het is den mensch vastgesteld, eens te sterven (1). De rede bewijst het: ons lichaam bederfelijk uit deszelfs natuur, moet zich eenmaal oplossen in de stoffen, die het samenstellen. De ondervinding bewijst het door feiten, door ieder oogenblik gestaafd. Wat zien wij ? Overal het beeld, de praal, den rouw, de verwoesting van den dood. Wat hooren wij? Van alle zijden berichten van dood. Rechts en links tusschen onze bloedverwanten en vrienden zwaait de dood zijne zeis. In den hemel sterft men nooit, leeft men eeuwig. In de hel sterft men altijd, leeft men nimmer; op aarde leeft men eenigen tijd, sterft men eens om altijd te leven of te sterven, naar mate een zalige of onzalige dood ons hemel ot hel geopend heeft.

Hoe wys zouden wij zgn, zoo wij van den nood

(1) Heb. 9, 27.

-ocr page 225-

215

deugd maakten. Hoe voordeelig ware het mij, den dood nederig te aanvaarden, hierin, gelijk in alles, mij onderwerpen aan God, en Hem dikwijls deze groote hulde mijner afhankelijkheid aan te bieden. Dit is de heldhaftigste, de verdienstelijkste daad, waardoor ik zijne opperste Majesteit vereeren kan.

Nabij zijnde dood. Wat is de mensch in de schitterendste gezondheid? Eene vrucht, die schoon schijnt op den boom, doch zij voedt een worm, die haar verteert en eerstdaags zal doen afvallen. Wat is het leven ? Eene vonk, die gaat uitdoven, een rook, die vliedt; en op dien rook bouwt men zoo vele lucht-kasteelen. Ik draag den dood in mijnen boezem, tij draagt mij, om zoo te spreken, in den zijne, daar ik in en rondom mij zoo vele oorzaken vind van den dood. Neen, mgne ziel, denk er wel aan, hij zal weldra komen. Is het leven wel iets anders, dan eene kortere of langere worsteling tegen den dood? Waarom moeten slaap en voedsel mijne krachten herstellen? Waartoe dienen die kleederen, die mijne ledematen tegen de koude beschermen, die voorzorgen van allerlei aard? Alleen om den dood te verwijderen,... en intusschen moge ik doen wat ik wil... hij nadert, hij komt, ik sterf dagelijks en alle uren van den dag; elke polsslag slaat eene bres in mijn leven en brengt mij nader tot het graf. Waarom dan die angstige zorg voor de zaken van, dit leven, waar ik slechts voorbij ga, terwijl ik mij 200 weinig bekommer over dat toekomstig leven, waarin ik eeuwig zal verblijven ?

Scheiding lij den dood. Hij breekt meedoogenloos alle banden, die ons aan deze aarde hechten; bloed-

-ocr page 226-

216

verwanten, vrienden, bezittingen, vermaak, men moet alles en dat voor altijd verlaten: zelfs dit lichaam, thans het voorwerp van zulk eene angstige zorg;

weldra zal het der wormen ten prooi zijn;..... den

tijd en al de middelen ter zaligheid, die hij ons aanbiedt, moeten wij verlaten. De dood laat ons slechts onze werken, voorwerpen van vreugde of droefheid, naarmate zij werken van rechtvaardigheid of van zonde geweest zijn. O dood, hoe zalig zjjn uwe raadgevingen! hoe wel leert gy ons de zaken beoordeelen en onze genegenheden regelen! Hoe levendig doet gij ons de waarde gevoelen van deze woorden: Htt is goed zich aan den Heer te hecht en.{V) Hij, die zich aan het schepsel hecht, zal gelijk en met het schepsel vallen. Hij, die zich aan Jezus hecht, wankelt nooit. Ach, hadde ik beter gebruik gemaakt van uwe lessen!

De dood beslist alles. Slechts eenmaal sterft men; en zoo als de dood is, is ons eeuwig lot. Een slecht leven laat zich tot het laatste oogenblik toe herstellen; een slechte dood is het onherstelbaarst aller onheilen. Sterf ik in de liefde Gods, dan is alles gewonnen, alles voor mij en dat voor eeuwig verzekerd; sterf ik als vijand van God, dan is alles en dat voor eeuwig verloren. Sisara wordt door de hand van Jahel vastgenageld in de houding, waarin hij is ingeslapen; aldus zal de dood mij voor eeuwig vast-kluisteren in den toestand, waarin hij mij zal vinden. Overvalt hij mij in eenen staat van doodzonde, dan staat mijn wil onwankelbaar in de zonde, en Gods

(1) Pa. 72 , 27.

-ocr page 227-

217

wil onwankelbaar in de wraak. O doodsuur, beslissend oogenblik, waarvan mijne eeuwigheid afhangt, stondt gij altijd voor mijnen geest, dan zoudt gij al mijne oogenblikken heiligen.

2°. Na te hebben overwogen, wat de dood zekers heeft, wil ik overwegen, wat hij verborgens en ge-heimzinuigs bevat. Ik weet, hij zal komen, en weldra , komen: doch wanneer? waar? in welken vorm? Is die nabijzijnde beslissing van mijn lot niet nader dan ik denk ? Zal tk eenige dagen, ten minste eenige uren hebben, om mij te bereiden? Zal mijn dood zacht of gewelddadig zijn? Zal hij langzaam of plotseling komen? Zal ik de genademiddelen der H. Kerk ontvangen of daarvan beroofd zijn ? Ziedaar even zoo vele geheimen, die God zich-zelven voorbehoudt; en indien mijne nieuwsgierigheid Hem op deze of dergelijke punten ondervraagt, weigert Hij mij een nutteloos of gevaarlijk licht en geeft mij slechts dezen zaligen raad; Waak, en wees hereid. Hierdoor houdt Hij mij in eene gelukkige afhankelijkheid; en terwijl Hij mij het einde mijner dagen verbergt, verplicht Hij mij Hem te dienen, al de oogenblikken mijns levens.

Een plotselinge dood wekt geene verbazing meer, daar hij zeer dikwijls voorkomt. »Hoe menigmaal,quot; vraagt Thomas a Kempis, »hebt gij hooren zeggen: die man is door het zwaard gedood, deze is ver- -dronken, gene is doodgevallen; de eene is al etende, de andere al spelende gestorven, de eene is omgekomen door het vuur, een andere door het staal, deze door de pest, gene door de hand der roovers.quot; (1)

(1) Nav, 1. 1. C. 23.

-ocr page 228-

218

Gene slaapt in, in het genot eener bloeiende gezondheid en ontwaakt voor Gods rechterstoel. Deze priester ia zijn biechtstoel gezeten, had de hand opgeheven om een vonnis uit te spreken, en reeds

heeft hij het zijne vernomen..... hij is dood. De

beroemde Maldonat stelde zich vijf malen daags in staat voor God te verschijnen; men vond hem dood in zijn bed, toen niets zijn naderend einde had doen voorzien. Neen, hij alleen is voorzichtig, die voortdurend zijne ziel in zijne handen draagt, steeds gereed om haar aan God over te geven.

II Punt. IVai moet ik denken van de vrees voor den dood\'? Zij is billijk, doch zij moet redelijk en gematigd wezen. De dood is de straf onzer oorspronkelijke boosheid; wij waren niet geschapen om aan zijne wet onderworpen te wezen, en daaruit spruit die natuurlijke afkeer, die hij in ons verwekt. Er bestaat dus geene ongeregeldheid in het vreezen van den dood, daar zij in onze natuur ligt, als eene gedachtenis aan onze onsterfelijkheid. Doch de groote ongeregeldheid ligt hierin, dat wij den dood meer vreezen dan de zonde, of liever dat wij de zonde beminnen, terwijl de vrees voor den dood ons doet sidderen. O verblindheid, roept Bossuet, als het zulk een groot ongeluk is, dat het lichaam zijne ziel verliest, hoeveel grooter is het ongeluk, als de ziel haren God verliest.... En is een lijk, dat daar krachteloos en onbewegelijk nederligt, zoo afzichtelijk voor ons oog, hoeveel afschuwelijker is dan het gezicht van eene redelijke ziel, als een geestelijk lijk en levend graf van zich-zelve, die van God gescheiden door de zonde, uit zich-zelve

-ocr page 229-

219

geen leven noch gevoel meer heeft, dan om hareu dood eeuwigdurend te maken!quot; Niet den dood moet ik vreezen; eene enkele zaak is verschrikkelijk, de zonde. Zelfs van den dood afgescheiden is de zonde het grootste aller onheilen; met den dood vereenigd is de zonde de voltrekking aller onheilen; maar de dood zonder de zonde, wat denkt het geloof daarvan ? O mijn God, laat ons den dood, doch ontneem ons de zonde.

Doe thans wat gij zoudt willen gedaan hebben in dit allesbeslissend oogenblik. En keer u dan door eene drievoudige samenspraak tot Maria, de patrones van een goeden dood, en druk bij het bidden van het Wees gegroet bijzonder op deze woorden: nu en in het uur van onzen dood. Keer u daarna tot Jezus stervende aan het kruis, vereenig uwen dood met den zijne en bid langzaam: Ziel van Jezus, enz. Keer u eindelijk tot God den Vader, en vraag Hem door de verdiensten van zijnen goddelijken Zoon de genade, die alle andere genaden bekroont, van in zijne liefde te mogen sterven: Onze Vader.

42ste OVERWEGING.

DE DOOD VAN DEN GOEDEN RELIGIEUS.

T. Wat ziet hij in het verleden.

II. Wat gevoelt hij in het heden. III. Wat hoopt hij van de toekomst. 1. Verbeeld u bij het sterfbed te staan van een vurigen religieus en op zijn gelaat den weerschijn te zien van de rust zijner ziel.

-ocr page 230-

220

2. Vraag de genade van voor goed dat heilig leven te omhelzen, dat door een heiligen dood wordt beloond.

1 Punt. Wat ziet de goede religieus in zijn sterfuur1? Lijden, waarvan hem slechts de zalige gedachtenis overblijft. Is het leven van den Verlosser slechts een voortdurend martelaarschap geweest, zoo kan men dit eenigermate zeggen van den goeden religieus, zijn evenbeeld op aarde. Hoevele kwellingen heeft hij op het voetspoor zijns Meesters moeten doorstaan, alvorens het koninkrijk der hemelen te bereiken! Hoevele beproevingen werden hem ten deel, door de liefdevolle Voorzienigheid, die slechts onzen moed op de proef stelt om onze overwinningen te kunnen bekronen! En bij die uitwendige beproevingen heeft hij nog zoo vele andere uit vrijen wil gevoegd om zich aldus meer gelijkvormig te maken aan het voorbeeld aller uitverkoornen. Dan nu is hij aan het einde zijner loopbaan. Wat zijn nu voor hem de vermoeienissen en de doornen van zijnen weg? Ware genoegens, eene bron van vreugde. O hoe licht schijnt hem nu zijn arbeid in vergelijking der rust, die hem wacht! Waar zijn nu die drukkende zorgen, waaronder de natuur vaak dreigde te bezwijken? Verdwenen. Waar is die afkeer, dien hy moest overwinnen, die strijd, dien hij moest leveren om zijne driften te onderwerpen aan zijn plicht? Verdwenen.... Gij ook zoudt verdwenen zijn, zinnelijke vermaken, voldane eerzucht, gemak des levens! En ware hij zoo dwaas geweest u na te jagen, wat zoudt gij hem nu overlaten? Vrij kan hij nu zich-zelven geluk wenschen en zeggen: Wat heb ik wel

-ocr page 231-

221

gedaan, de wereld en al wat met de wereld voorbijgaat, niet te beminnen! het kruis van Jezus-CJhristus te kiezen tot mijn deel, met deszelfs schijnbare gestrengheid en werkelijk geluk! Mijne ziel was een veld, dat ik moest bebouwen; ik heb het van onkruid gezuiverd, ik heb het beplant; de avond valt, thans ga ik rusten en de vrucht van mijnen arbeid genieten.

Want, zijn de moeielijkheden verdwenen, niet zoo is het met de verdiensten; en volgens de uitdrukking der schriftuur gaat de rechtvaardige nederzitten in een vruchtbaar veld. Kij beeft in tranen gezaaid, Viij gaat maaien in vreugde. Heilig lijden, zoete kwellingen, die hem zoo velé deugden hebt doen beoefenen, en in zijne hand zulk een rijken schat van goede werken gesteld hebt, hoe dierbaar is hem uwe herinnering! Als de beproevingen van het religieuze leven ons vrees aanjagen of vermoeien, stellen wij ons dan in den geest aan ons eigen sterfbed.

II Punt. Wat gevoelt hij voor het tegenwoordig oogenhlik? De goede getuigenis van zijn geweten, die zoo vaak de bitterheid zijns levens verzoet heeft, vervult hem met troost in zijne laatste oogenblikken. Hij heeft God gezocht in den eenvoud van zijn hart. Getrouw aan de inspraken der genade, heeft hij getracht niets te doen, niets te verzuimen, dat hij bij zijn sterven zou moeten betreuren.

Hij heeft fouten bedreven, ja; want waar is de mensch, die niet zondigt? Maar hij heeft ze afge-wasschen in het Bloed van Jezus-Christus ; God heeft ze vergeven, en hem als onderpand dier vergiffenis nieuwe genaden geschonken. Hij ziet, dat de oneindige

-ocr page 232-

222

barmliartiglieid die fouten zelfs tot voordeel zijner ziel heelt doen strekken; daar hij in het gedurig herdenken dier fouten, verachting voor zich-zelven, toegevendheid ten opzichte zijner evennaasten, geduld, ijver, dankbaarheid jegens God, geput heeft.... Hij, die goede God, heeft mij bemind, niettegenstaande zoovele redenen, die ik Hem gegeven had, om mij te haten en te verdoemen! Ik zou Hem minder bemind hebben, zoo ik Hem minder beleedigd had; want ik zou niet op zulk eene gevoelige wijze ondervonden hebben, hoeveel mededoogen en teederheid zijn Hart bevat, zelfs voor degenen, die deze het minste waardig zijn. O mijne ziel, treed binnen in de rust; geef vrij ingang aan gedachten van vrede, en herinner u de weldaden des Heeren.

Indien hij eenig goed ontwaart in zijn leven, geeft hij daarvan alle eer aan God, door Wien hy alles is, wat hij is. Hij erkent, dat hij, als hij zich geheel opofferde voor den dienst des Heeren, slechts een duren plicht vervulde, en hij stelt zich slechts onder het getal der nuttelooze dienaars. Doch hoe troostend is voor hem de stem zijns gewetens, die hem zegt, dat de genade niet vruchteloos in hem geweest is; en de stem zijns meesters, die hein zegt: Welaan, gij goede en getrouwe knecht! Houd moed, nog eenige oogenblikken, en gij zult de vreugde des Heeren binnengaan! Als ik u riep, om mij meer van nabij te volgen, dan mijne overige leerlingen, voorspelde ik u slechts lijden en tranen; doch ik heb u ook terzelfder tijd gezegd, dat op dit lijden eene vreugde zou volgen, die niets zou kunnen storen. Thans kom ik mijne beloften vervullen. Verlaat uwen

-ocr page 233-

223

kerker, mijne welbeminde ziel, meesterstuk mijner genade; gij deeldet in mijn lijden, kom en deel nu ook de glorie van myn rijk.

Eu eeu blik op zijn kruisbeeld en de gebeden, die de H. Kerk stort, om hem te ondersteunen in zijnen laatsten strijd, en de tegenwoordigheid zijner broeders, doch vooral die van Jezus-Christus, die zijne teerspijze wil zijn bij den overgang van den tijd in de eeuwigheid, o welke schatten van troost in die oogenblikken, waarin de ware troost zoo kostbaar is. Hij is in vrede, omdat God hem vast gevestigd heeft ia de hoop.

III Punt. Wat hoopt hij in de toekomst ? Even als de vermetelheid des zondaars in het uur des doods, soms verandert in vreeselijke wanhoop, zoo wordt de godvruchtige vrees der rechtvaardigen gewoonlijk door het zoetste vertrouwen vervangen. Indien eenige kwelling hunne ziel bestormt, stellen zij zich gerust door met de H. Theresia te denken, dat zij geoordeeld gaan worden door hun besten vriend. Ik weet, zeggen zij met den H. Paulus, aan wien ik den schat mijner werken heb toevertrouwd; hij berust in veilige handen. Voor u heb ik gestreden, o mijn God, ik heb de wetten uwer heilige legerscharen nagekomen, ik heb de loopbaan volbracht, de trouw bewaard, die ik u had gezworen; wat blijft mij nu over dan de kroon te verwachten, die Gij mij beloofd hebt? O hoe zalig is het te ster yen, als men slechts geleefd heeft om God te beminnen en Hem te doen beminnen.

O kostbare dood, die alle vrees doet ophouden. Kan men zich-zelven vertrouwen op een altijd glibberig

-ocr page 234-

224

pad? Men schiet zoo licht te kort aan eenigen plicht; en hoe verder men vooruitkomt op het pad der deugd, hoe meer men de zonde vreest. Deze vrees is zalig; dan, Heer, hoe pijnlijk valt zij ons! u beminnen en altijd blootgesteld staan aan het ongeluk van u te mishagen en u te verliezen! Geef mij een hart, dat door uwe liefde ingenomen is, en het zal begrijpen wat ik zeg (1). O dood, kom en vernietig in mij dit lichaam van zonde, en alle oorzaken en gevolgen der zonde. Hij komt, getrouwe ziel, en terwijl hij voor u een verleden vol bitterheid en gevaren sluit, opent hij u de heerlijkste toekomst. Eene eeuwigheid van belooning, van genoegen, van zaligheid! O onuitputbare bron van licht en leven! Ik zal verzadigd zijn, als uwe glorie mij zal verschijnen (2).

De begeerte om te sterven gelijk de heiligen, moet mij aanzetten te leven gelijk zij. Hoe staat het met mij? Samenspraak met Jezus, Maria, Jozef, vragen wij hun de genade van heilig te sterven.

43ste OVERWEGING.

DE LAUWE RELIGIEUS OP ZIJN STEEÏBED.

I. Smartelijke scheiding.

II. Bittere herinnering.

IH. Drukkende vooruitzichten.

In zijne geestelijke retraite, vreest Bourdaloue niet, den dood van een religieus, die een lauw en

(1) H. Aug. (2) Pb. 16, 1b.

-ocr page 235-

225

onachtzaam leven geleid heeft, te vergeleken by den dood des zondaars, door den H. Geest niet alleen slecht, doch zeer slecht genoemd. Gedurende zijn treurig en schuldig leven is zgne ziel vol duisternis en begoocheling; doch, eenmaal aan het einde zijns levens gekomen, aan dat uur, dat als de dageraad is van den eeuwigen dag, verdwijnt alle zinsbedrog Dan zal de zondaar zien en helaas! wat zal hg zien ? Rondom zich voorwerpen, die hij te zeer bemint en waarvan hij moet scheiden; achter zich een kort en kostbaar leven, dat hij met goede en heilige werken had behooren te vervullen en waarin hij slechts nutte-looze of misdadige werken ziet; vóór zich de eeuwigheid en bij derzelver intreden een vreeselijken rechterstoel, waar hij moet geoordeeld worden. Smartelijke scheiding, bittere herinnering, drukkend vooruitzicht! Moet men dan zulke moeielijke wegen bewandelen, om tot zulk een treurig einde te geraken ?

I Punt. Smartelijke scheiding. Het menschelijk hart is nooit zonder gehechtheid; is het niet aan God gehecht, zoo is het aan de schepselen verkleefd. Die lauwe religieus, immer in tegenspraak met zich-zelven, gelijk ieder, die den moed niet heeft voor zijne gevoelens uit te komen, hoewel hij overtuigd was, dat de zaken dezer aarde zijn hart niet konden voldoen, heeft nochtans daarin zijn geluk gezocht en zich daaraan gehecht. En nu ligt hij daar, omgeven door de schaduwen des doods. Hy heeft zgne bloedverwanten , zijne vrienden bemind... maar met eene geheel natuurlijke en menschelijke liefde, niet om hen te helpen ter zaligheid, maar om zich met hunne aardsche welvaart bezig te houden. Hij bemint ze ch. i. 15

-ocr page 236-

226

/

nog; hg moet hen thans verlaten; hij bemint de wereld, die hij slechts uitwendig verlaten had. Hij bemint die meubelen, die duizenden beuzelarijen, die zijn lichtzinnigen geest bekoren. Hij bemint vooral zich-zelven, en zijn lichaam veel meer dan zgne ziel... Ach! hoeveel kost het hem, al die banden te breken! Scheidt dan aldus de bittere dood? (1) O! indien de gedachte aan den dood reeds zoo pijnlijk is voor dengene, die zijnen vrede gevestigd heeft in de goederen dezer aarde, hoe smartelijk zal de dood zelf dan wel wezen?

II Punt. Bittere herinnering. Daar staat hij aan den eindpaal zijns levens; en hoe kortstondig schijnt het langste leven, als het oog op het punt staat te breken! Dan herinnert hij zich al de middelen, die hij had, om wel te doen, de schatten van verdiensten, die hij zoo gemakkelijk kon verzamelen, die hij nu had kunnen bezitten... zoovele gunstige gelegenheden, hem gegeven, zoovele goede werken, die zich aanboden in elk zijner oogenblikken, zoovele gewone handelingen, die hem tot den rang der volmaaktsten zouden verheven hebben, indien hij ze door eene goede meening geheiligd hadde! »Enquot;, zegt hij tot zich-zelven, »ik had mij slechts gedurende zoo weinige jaren, zoo weinige dagen behoeven te overwinnen. Hoe, door lichte en korte kwellingen hadde ik mij het intreden des hemels kunnen verschaffen, en ik heb mij liever daarmede een weg gebaand tot een angstvollen dood... misschien tot eeuwige straf! Waar was myn verstand ? O schuldige zinnelijkheid, o

(1) I Kon. 15, 32.

-ocr page 237-

227

illendige traagheid, hoe wreedelijk boet ik u reeds thans; eu zal die boete voldoende zijn? Ja, het reluk van zonder leed te sterven, was wel de moeite waardig van zonder geluk te leven.quot;

Hij herinnert zich het kwaad, dat hij bedreven heeft, en beoordeelt het thans geheel anders, dan gedurende zijn uitgestort leven. Duizenden twijfelingen, die hij als overdreven gewetensangsten veracht heeft, schijnen hem nu zeer ernstig. Daar, waar hij slechts onachtzaamheid zag, ziet hij nu misdaden. Alles schijnt hem verdacht; zijne biechten, zijne communiën, zijne gevoelens omtrent gewichtige punten, de vrijheid, die hij zich toestond met minachting van den regel en wellicht tot ergernis der gemeente, de uitzonderingen, die hij gevraagd heeft, de middelen, die hij gebruikt heeft, om ze te verkrijgen, die verkleefdheid des harten of die afkeer, die godsdienstplichten zoo vaak nagelaten en waarin hij slechts sleurgang, oneerbiedigheid, verstrooiing ziet... Hij dacht daaraan niet gedurende die beslommering, die uitgestortheid, waarin hij leefde, doch nu denkt hij er aan! Ja, ik herdenk, ach, hadde ik het vroeger gedaan, de beloften aangegaan in het heilig doopsel, by het aanvaarden van den religieuzen staat, bij de professie. Ik herdenk de vaderlijke zorg der Voorzienigheid ten mijnen opzichte en de ondankbaarheid, waarmede ik zoo vele weldaden heb vergolden! Ik herdenk zooveel weerstand aan de genade, zoovele beleedigingen, die ik heb aangedaan aan mijn Schepper, mijn Verlosser, mijn Vader! En waar? In den boezem der H. Kerk, in een huis, in eenen staat, waarin

-ocr page 238-

228

alles mg aanzette tot het goede, waar alles mg de heiligheid zoo gemakkelijk maakte!

III Punt. Drukkend vooruitzicht. Weldra zal men hem zijne plaats aanwijzen in eene der twee eeuwigheden... O eeuwigheid, hij peilt uwen afgrond! Zal hij moeten lijden, zoo lang gij zalig zult zijn voor de heiligen? O yreeselijke gedachte! Niemand weet of hij vrees of liefde waardig is; doch deze woorden. Ik bemin hen, die mij beminnen (1) en ieder zal ontvangen volgens zijne werken (2), die den goeden religieus met zulk een vertrouwen vervullen in zijn sterfuur, worden een voorwerp va.n schrik voor den lauwe.

Met welken zielsangst zoekt hij het oordeel te doorgronden, dat over hem zal worden uitgesproken! » Hoe zal de aanbiddelijke Meester, dien ik zoo slecht gediend heb, mij ontvangen? Welk een blik zal Hij werpen op dien tragen dienaar, die slechts ijver had om Hem te vergrammen? Wat zal ik Hem antwoorden, als Hij mij rekenschap zal vragen over mgn rentmeesterschap?quot; Zijne ziel wordt ontsteld.

Reeds staat hij tegenover zijnea Rechter..... in een

oogenblik zal hij zijn vonnis kennen! Ach, kon hij terugkeeren... maar neen. Zijn wil, door het zwaar gewicht zijner begeerten tot het leven getrokken, breekt tegen het onveranderlijk vonnis; Gij zult sterven; en dat onmiddelijk!... O vreeselijke toestand! Kon hij slechts stilstaan; dan neen, hij moet vooruit! vooruit, dit is de wet des doods.

De godsdienst echter, die troost biedt in al lp lijden

(1) Prov. 8, 17. (2) Matth. 1G, 27.

-ocr page 239-

229

des levens en nog veel meer in de hachelijke omstandigheid des doods, treedt nader. Een priester komt tot den stervende en tracht zijne bedroefde ziel te bemoedigen door de herinnering aan de oneindige barmhartigheid. Hij toont hem het kruisbeeld, drukt het op zijne lippen, drukt het op zijn hart... In den naam Gods biedt hij hem de vergiffenis zijner zonden, hoe groot en hoe zwaar zij ook zijn, mits hij ze oprecht verfoeie! Maar, helaas, als de rampzalige, na zulk eene langdurige en blinde vermetelheid, niet meer durft hopen..... Men spreekt over

hem de verheven woorden uit, die de zonden uit-wisschen; doch wat, als zijne biecht zonder berouw is gesproken, gelijk hij gewoon was ? Men kondigt hem aan , dat Jezus-Christus hem door zijne goddelijke tegenwoordigheid komt versterken; doch wat, als hij die goddelgke teerspijze ontvangt met dezelfde onachtzaamheid , waarmede hij naderde tot de tafel des Heeren... De H. Kerk, die in dit allesbeslissend uur hare teedere zorg verdubbelt, moge vrij al de heiligen des hemels en der aarde ter hulpe roepen, de heilige zalving drukken op zijne zintuigen, zijne ziel vermanen deze wereld te verlaten voor eene betere, — zullen al die heilige plechtigheden, die den goeden religieus zoo krachtig bemoedigen, de tegenovergestelde uitwerking niet hebben voor hem, die geleefd heeft en sterft in een staat van lauwheid?

Mijn God, mijn besluit is genomen; ik schud het juk mijner traagheid af. Ik wil elk oogenblik, dat mij nog overblijft, gebruiken om het verleden te boeten, opdat het eene beweegreden worde tot vertrouwen in het uur van mynen dood, want het vertrouwen zal

-ocr page 240-

230

mij dan zoo noodzakelijk zijn. O Maria, moeder van genade en barmhartigheid, bescherm ons tegen den wreeden vijand, en ontvang ons in uwe armen ia het uur des doods.

4:4stc OVERWEGING.

het naderen des doods.

I. Toepassing van het gezicht.

II. gt; » het gehoor.

UI. » gt; den smaak.

IVquot;. » » het gevoel.

Eene der voornaamste oorzaken, waarom wij zoo weinig vrucht trekken uit onze overweging over den dood, ligt hierin, dat wij die meer toepassen op anderen dan op ons-zelven. De H. Geest heeft ons het onwaardeerbaar geluk van nooit te zullen zon digeu slechts beloofd, op voorwaarde dat wij onzen eigen dood overwegen.

1. Als in de vorige overweging.

I Punt. Toepassing van het gezicht. Werp uwe blikken 1°. op uwe kamer, flauw verlicht door den schijn eener lamp. Gij gaat ze verlaten om het huis uwer eeuwigheid binnen te treden; 2°. op die meubelen meer of min gelijkvormig aan de religieuze armoede;.... op uwe boeken, waarin gij de wetenschap der volmaaktheid hebt moeten putten; op dat kruisbeeld,

het kostbaarste uwer boeken..... wat leest gij daarin,

vooral op dit oogenblik? Wat herinneren u al deze

-ocr page 241-

231

voorwerpen? Waarschijnlijk, helaas, een leven maar al te zeer verschillend van het voorbeeld, u op Kal- . varië gegeven. God wil nogmaals alles vergeven ten gunste van uw oprecht berouw: 3°. beschouw uw sterfbed; het is het altaar, waarop gij uw laatste offer gaat opdragen. En waar is het slachtoffer? Is de bereiding van het offer reeds ver gevorderd? 4°. Beschouw de personen, die u bijstaan of omringen, die schreien of ongevoelig schijnen, die heengaan na u vaarwel gezegd te hebben of naderen om op hunne beurt afscheid van u te nemen, die broeders, die zusters, die u bezoeken en voor wie uw toestand eene ernstige les is; die zielbestierder, die uwe gedachten richt op de eeuwigheid en u godvruchtige verzuchtingen voorzegt.... beschouw uw engelbewaarder , wiens liefderijke zorg voor u verdubbelt, die u verdedigt, u beschermt, a opwekt om gebruik te maken van deze laatste oogenblikken, waarvan het kleinste u een eeuwig geluk kan bezorgen.... Gij zijt nog op den weg, doch weldra zult gg er buiten zijn. Beschouw ook den duivel, die zich meer dan ooit beijvert om u in het verderf te storten, verzekerd als hij is, dat hij weldra geene macht meer op u zal hebben.

II Punt. Toepassing van het gehoor. Luister naar het eentonig tikken der klok; elke beweging zegt u dat gij eene seconde nader staat bij Gods rechterstoel en de eeuwigheid.... Luister naar de woorden, die rondom u gefluisterd worden, naar uwe benauwde ademhaling, naar het reutelen der keel, voorlooper van den laatsten snik,.... hoor het gelui der klokken, die uwen dood verkondigen, naar de gebeden, die

a:

•Si\'--;

-ocr page 242-

232

men schreiend voor u doet.... Wat gij voor andere stervenden gevraagd hebt, vraagt men thans voor n. Heilige Maria, hid voor hem; heiligen des hemels bidt voor hem. Hoor en overweeg wel die aanbeveling der ziel, zoo troostend voor den goeden dienaar, voor de trouwe bruid van Jezus-Christus. Vertrek uit deze wereld, Christen-ziel! Gelukkig hij, die dezen schoonen titel verdient. Het is er mede «-edaan!

o

De wereld is voor u geëindigd. Ik beveel u aan den almachtigen God. O schrikwekkend woord voor ieder, die in zijn leven slechts zonden ziet, welke hij niet heeft uitgeboet! Men levert hem over aan de gerechtigheid van een vertoornd Meester, wiens macht grenzenloos is! Doch hoe zoet is dit woord voor den vurigen religieus, hoe zoet is het voor hem de Kerk dezer aarde, geheel de Kerk des hemels ter zijner hulp te hooren roepen!

III Punt. Toepassing van den smaak. Verbeeld u, dat gij al het bittere smaakt, waarmede de lauwe religieus als overstelpt wordt in dien hevigen strijd der natuur, als het lijden der angstvolle ziel zich voegt bij de afmatting van het lichaam,... daarentegen al de vreugde, die de goede religieus smaakt bij het herdenken aan een leven, geheel toegewijd aan de liefde tot Jezus, aan de zaligheid der zielen, smaak de droefheid, de verveling, de wroeging, den angst van den eene.... de kalmte, de vreugde, de hoop van den andere.

IV Punt. Toepassing van het gevoel. VerbeelcT u dat gij het kruisbeeld, dat men u aanbiedt, in uwe bevende hand neemt, dat gij het op uwe lippen drukt.... dat gij uw eigen lichaam betast, waaruit

-ocr page 243-

I

233

het leven zicli verwijdert, dat binnen weinige oogen-blikken slechts een lijk zaï zijn, dat gij de hand legt op die armen, door de ziekte ontvleescht, die reeds stijf wordenop dat gelaat met doodszweet bedekt, op dat hart, welks laatste klopping nadert.... In dezen toestand hebt gij bloedverwanten en vrienden gezien.... In dien toestand zult gij u weldra bevinden.

Doe heden zelf in het belang uwer eeuwigheid, die zalige overweging, die uw doodstrijd weldra aan anderen, die u zullen omgeven, zal inboezemen. Trek groot voordeel uit het vonnis, evenzeer door de barmhartigheid als door de gerechtigheid des Heeren uitgesproken; Gij zult sterven. Wat maakt het u, of de dood noodzakelijk is, indien gij door uwe gesteltenis hem zalig en verdienstelijk weet te maken. Omhels dan den dood met alle omstandigheden , waarmede het der liefdevolle Voorzienigheid zal behagen, hem te doen vergezeld gaan.

Ja, mijn God, ik wil dit, wijl Gij het wilt. Ondanks al den strijd mijner natuur wil ik den dood aannemen uit uwe hand, en ik onderwerp my vrijwillig aan het vonnis, dat mij daartoe veroordeelt. Ik onderwerp mij daaraan als redelijk schepsel; zijt Gij niet de Meester van alles. Mag Hij, die de aarden vaas gemaakt heeft, ze niet breken? Ik onderwerp mij daaraan als zondaar, en wil gaarne deze straf ondergaan, door uwe hand opgelegd. Sla vrij den schuldige, o mijn God, doch spaar een vermorzeld hart. Ik onderwerp mij daaraan als christen en religieus; mijn Schepper, mijn aanbiddelijke Bruidegom is gestorven, ik wil dus ook sterven. Hij stierf voor mij, ik wil sterven voor Hem. De Meester,

-ocr page 244-

234

de Koning, de God sterft voor zijnen slaaf; de slaaf moet zich verheugen, als hij door te sterven kan gehoorzamen aan zijnen meester, behagen aan zijnen koning, gelijk worden aan zijnen God.

Vrij kome dan de dood, o mijn God, daar hij alleen mij kan verlossen van het gevaar van u te vergrammen, en mij het middel verschaffen, om u het volledigst offer van mij-zelven te brengen. Stervend zal ik de heerlijkste hulde brengen aan uw eeuwig leven, en mijne beenderen, in het graf vernederd, zullen op hunne wyze uwe oneindige grootheid verkondigen.

45ste OVERWEGING,

HOE MOET MEN ZICH BEEEIDEN TOT DJSN DOOD?

I. Nu doen, wat men bij den dood wellicht niet zal kunnen doen.

II. Nu doen, wat men noodwendig dan moet doen.

III. Nu doen, wat men zeker dan zou willen gedaan hebben.

1. Keer in u zei ven, en verbeeld u, dat uw Engel-Bewaarder u komt zeggen, gelijk eertijds de profeet tot Ezechias: Stel orde op uwe zaken; want gij gaat sterven.

2. Gij beveelt mij, o Jezus, steeds bereid ie zijn voor het oogenblik, dat het u zal behagen, mij töt u te roepen; bereid Gij zelf mij, smeek ik u, en

-ocr page 245-

235

leer mg, hoe ik met uwe genade moet medewerken, om mij wel te bereiden.

1 Punt. Nu doen, wat men wellicht bij zijn sterven niet zal hunnen doen. Als men ons ons naderend einde zal aankondigen, zal de eerste zaak, die zich aan onzen geest zal voordoen, het beeld zgn van ons leven, zooals het werkelijk geweest is. Wij zullen deszelfs ongeregeldheid dan bespeuren onder een geheel ander daglicht dan thans. In dat gedrag, dat men wellicht prees, om deszelfs uitwendige nauwgezetheid, zal mijn geweten slechts eigenliefde en on verstorvenheid zien. Dan zal ik vele zaken mistrouwen , die mij wellicht tot dusverre niet bekommerden. Had die geheime verbittering, die ik meedroeg zelfs wellicht naar de heilige tafel, de liefde in mijn hart niet uitgedoofd? Streden die begeerten, om mjj eenige voorwerpen, die ik zoo gemakkelijk missen kon, te verschaffen en die moeite om ze af te staan, niet tegen mijne gelofte van armoede? En mag ik gerust zijn op mijne boetvaardigheid? Zullen ergeene biechten zijn, met overhaasting verricht, met onoverdachte voornemens, die mij levendigen schrik zullen aanjagen? In welke ontsteltenis moet dit den religieus niet werpen, die slechts eenige uren heeft, om zich te bereiden tot den dood en nog veel meer dengene, die slechts den tijd heeft om te bemerken, dat hy_ sterft ?

Men erkent de noodzakelijkheid van geheel zijn leven te onderzoeken; doch hoe is het mogelijk? Tijd ontbreekt, helderheid van geest ontbreekt, alles ontbreekt, om zulk eene groote zaak wel te verrichten. Neem ik dus mijne eeuwige zaligheid ter harte, dan

-ocr page 246-

236

moet ik ten eerste mijn geweten stellen in dergelijken staat, dat het mij niets ernstigs te verwijten hebbe in dit schrikwekkend oogenblik, noch verzuim in , het onderzoek, noch gebrek aan oprechtheid in het berouw, noch lafheid in de boetvaardigheid. Gedurende twee of drie dagen, zoo mogelijk, eenige oogenblikken besteden, om mij op te wekken tot een waar berouw en dit vurig afsmeeken. Vervolgens te biechten gaan: alle tijdelijke zaken regelen, opdat ik in het uur des doods mij hiermede niet behoeve te bekommeien. De laatste uren des levens zijn zoo kostbaar! Zij geven ons zoovele middelen aan de hand, om de pijnen des vagevuurs te verkorten en te verzachten, en onze hemelsche kroon te verfraaien. Het is de tijd van den rijksten oogst voor hem, die bijtijds zijne maatregelen heeft genomen.

Zoodra men hem zijn naderend einde aankondigt, kan hij met gerustheid zeggen: »Mijn God, slechts enkele uren blijven mij meer over, om in u te ge-looven, op u te hopen, voor u te lijden; de dood gaat mij weldra beletten, u te vereeren, u vrij en verdienstelijk te beminnen; ik wil dus tot mijn laatsten snik trachten u te eeren en te beminnen, zooveel ik vermag.quot;

O mijne ziel, gebruiken wij wel den tijd, die ons nog overblijft. Beminnen wij zoo mogelijk, ieder oogenblik, zooveel als de heiligen bemind hebben gedurende geheel hun levensloop. Laat ons in vier en twintig uren meer doen, dan wg in zestig jaren gedaan hebben. Verdragen wij de laatste aanvallen der ziekte, met de kloekmoedigheid der martelaren. Nemen wij den dood aan uit de handen des Schep-

-ocr page 247-

237

pers, niet slechts met volkomen onderwerping, doch zelfs met vreugde.

Mijn God, ik zou duizend levens willen hebben, om ze u alle te kunnen opofferen. Gij vraagt mij slechts dat leven terug, dat Gij mij gegeven hebt; ik geef het u weder. Ik wil mij gaarne beroofd zien van alles, wat ik op aarde bezat, zelfs van dit lichaam, dat ik te zeer beminde. Ik onderwerp mij aan de wet, die het gaat overleveren aan wormen en bederf. Mijn lijden. Heer, is veel te gering, mijne smarten zullen te kortstondig zijn, daar zij het laatste bewijs zullen zija, dat ik u geven kan van mijne liefde en mijne begeerte van u te behagen. En terwijl ik u smeek, medelijden met mij te hebben volgens uwe oneindige barmhartigheid, neem ik het lijden aan van het toekomstig leven, dat ik aan uwe rechtvaardigheid schuldig ben; ach, hadde ik het minder verdiend! Ik bedank u voor al de weldaden, die Gij mij bewezen hebt, bijzonder voor de onwaardeerbare gave des geloofs. Ja, mijn God, ik geloof alles, wat uwe H. Kerk mij voorhoudt, ik hoop alles wat zij belooft. Het is mij uit het diepst mijns harten leed, dat ik een zoo goeden en beminnelijken Meester zoo slecht gediend heb; maar al mijne misdrijven zullen mijn vertrouwen niet doen wankelen. Het rust op de oneindige verdiensten van mijnen Zaligmaker; want Jezus-Christus behoort mij. Gij hebt mij Hem gegeven, o Heer, Hij heeft zich-zelven gegeven, zijn leven, zijn dood, zijne boete, zijne deugden, ziedaar wat ik u kan aanbieden, om te voldoen voor hetgeen mij ontbreekt.

Doch willen wij dergelijke gevoelens koesteren bij

-ocr page 248-

238

ons intreden in de eeuwigheid, dan moeten wij die dikwijls verwekken gedurende het leven. Zeer wijs is derhalve de handelwijze dier vurige religieuzen die, elke maand op den dag, gesteld tot voorbereiding tot den dood, bovenstaande akte hernieuwen met zoovele vurigheid, als moesten zij een oogenblik daarna sterven.

II Punt. Wij moeten nu doen, wat wij noodzakelijk bij onzen dood moeten doen. Wij moeten nu met vrijen wil en op verdienstelijke wijze datgene verlaten, dat wij dan ondanks ons-zelven en zonder de minste verdiensten moeten verlaten. Welk eene schande voor ons, zoo wij God dwingen ons met geweld, datgene te ontnemen, wat Hij ons met zoovele goedheid vraagt, wat Hij gaarne aanvaardt als gift onzer liefde! Gelukkig de religieuze ziel, die niets meer te geven heeft, als de Opperste Rechter haar roept! Zij is reeds dood aan al de schijngoederen, aan alle ongeregelde neigingen; alles is in orde, alles is gereed. Het afscheid is genomen, zegt de H. Pranciscus van Sales. O hoeveel vrijheid, hoeveel rust, hoeveel zoetheid bevat een wel voorbereide, een heiliglijk afgewachte dood!

Als men het groote werk onderneemt van den geestelijken dood, heeft men niet zooveel moeite, om zich te onthechten van uitwendige zaken, dan wel om zijne neigingen te regelen. Men sterft aan het bezit van eer, rijkdom en vermaak en men leeft nog voor zich-zelven. Het gebed, de gedachte aan Gods tegenwoordigheid, het versterven onzer zinnen het kruis van Jezus-Christus teederlijk omhelsd, ziedaar de middelen om te geraken tot dien geheel

-ocr page 249-

239

gelieimzinniogen dood, die geheel leeft in Jezus-Christus. Begin thans met meer edelmoedigheid, dan gij het tot dusverre deedt, het beoefenen van die Evangelische onthechting. Zij bestaat in het minder zacht behandelen van ons lichaam, zoo ten opzichte van het voedsel, als van de kleeding, in het zoeken der eenzaamheid, in het geduldig verdragen van de atwezigheid van personen, die ons dierbaar zijn, in het dikwijls opofferen aan God van datgene, wat wij meest beminnen, terwijl wy Hem bidden daarover naar welgevallen te beschikken, eindelijk in zich met groote gelatenheid te onderwerpen aan de beschikking der Voorzienigheid, wanneer zij zal toelaten, dat wij door wederwaardigheden, ziekten, of vernedering beproefd worden. Aldus stellen wij ons in staat met den Apostel te zeggen: Ik sterf dagelijks; niet slechts, omdat de dood onophoudelijk nader komt, maar omdat ik dagelijks in my de liefde tot het leven voel sterven ; ik zoek de achting, ik vrees de afkeuring niet meer zoo zeer als vroeger. Mijn hart onthecht zich van de zaken dezer aarde, en mijne ziel begint, als het ware, zich van mijn lichaam te scheiden. Zoodanig was steeds het leven uwer getrouwe leerlingen, o Heer, een soort dood, eene gedurige offerande en toen zij voor u verschenen, waren zy ledig van alles, behalve van uwe heilige liefde.

III Punt. Wij moeten nu doen, wat wij zeker in ons sterfuur zullen wenschen gedaan te hebben. Een der grootste redenen tot verdriet van den stervende is het slecht gebruik, dat hy van het leven heeft gemaakt. Dan begrijpt hy maar al te zeer, dat bet

-ocr page 250-

240

hem slechts gegeven werd, om den hemel te verdienen. Heeft hij die eenig noodwendige zaak veronachtzaamd, dan dringt hij met schrik in den zin dezer woorden: Gij zult niet meer rentmeester kunnen zijn (1). Zoolang het leven duurde, kondt gij verdiensten vergaderen; thans kunt gij niets meer winnen. Gij hebt, wat gij hebt voor de eeuwigheid, gij kunt er niets meer bijvoegen; tot dusverre bleven uwe armen werkeloos, thans zijn zij gekluisterd. Welke schande, welke wroeging!

Op hetzelfde oogenblik, dat ik voor God zal verschijnen, zullen vurige christenen naast mij staan, die zich in de wereld geheiligd hebben, goede religieuzen, wier dagen vervuld zijn met goede werken! Zij zullen Jezus-Christus hunne verstervingen, hunnen arbeid, hunne goede werken van alle oogenblikken aanbieden. En ik, wat zal ik Hem aanbieden? Zal ik Hem, die verstrooide gebeden, die trage godsvrucht, die lichte boetvaardigheid, die onvolmaakte gehoorzaamheid durven aanbieden? O mijne ziel, wachten wij ons voor dit even bedroevend als onherstelbaar ongeluk. Leven wij thans en houden wij niet op te leven, gelijk wij dan zullen wenschen geleefd te hebben. Nooit zullen wij zooveel goed doen, dat wij in ons sterfuur niet zullen wenschen, duizendmaal meer gedaan te hebben.

Regel en besteed dan met de grootste zorg den tijd, u gegeven; maak vaste voornemens, opdat, als het uur van sterven slaat, gij dit oogenblik moogt herdenken als het uur, waarop gij een geheel nieuw

(1) Luc. 1G, 2.

-ocr page 251-

241

leven hebt begonnen. Bepaal welken dag gij elke maand zult besteden tot de afzondering en doe dan met de grootst mogelijke vurigheid uwe bereiding tot den dood. Ga, zoo mogelijk, op dien dag te biechten en ontvang de H. Communie, als ware het voor de laatste maal van uw leven.

4,6^ OVERWEGING.

heï geduuig gedenk kn des doods bereidt ons onfeilbaar een goeden dood.

ï. Door de zuiverheid des levens.

II. Door de onthechting aan alle zaken.

III. Door het vertrouwen, dat het verwekt in ons hart.

I Pont. Het herdenken des doods verzekert de zuiverheid des levens, hetzij door ons te bewaren voor het ongeluk van in Gods ongenade te vallen, hetzij door ons spoedig uit dien afgrond te trekken, zoo wij ongelukkig genoeg waren, daarin te vallen.

1°. Wie aan den dood deukt, zondigt niet. Het seloof leert ons dit: Gedenk uwe uitersten in al uwe werken en gij zult in eeuwigheid niet zondigen. (1) Deze belofte is troostelijk: In hare zekerheid: God zegt het; zou ik weigeren, het te gelooven? In hare uitgestrektheid: de onfeilbare waarheid leert mij, dat ik, met deze gedachte gewapend, niet ééne, maar

(1) Eccli. 7, 40.

ch. i. 16

-ocr page 252-

242

alle zonden, en dat voor altijd, zal vermijden, hoe hevig, hoe langdurig ook de bekoring zij. — In de vruchten der overwinning my beloofd: ben ik bevrijd van de zonde, dan ben ik bevrijd van al wat waarlijk kwaad is, en derhalve is er geen hinderpaal meer voor mijn geluk voor tijd en eeuwigheid. In de gemakkelijkheid van het middel mij gegeven: liever dan u te beleedigen, o mijn God, moet ik gereed zijn alles te ondernemen, alles te lijden, alles op te offeren;, en Gij vraagt mij slechts... eene herinnering! Hoe! om aangenaam te zijn in uwe oogen, om heilig te worden, om gelukkig te zijn in tijd en eeuwigheid, behoef ik slechts eene gedachte te vormen en eene eenigszins onvermijdelijke gedachte, daar ik alom hel beeld des doods ontmoet. Ach, Heer, uw profeet zegde met recht, dat de zaligheid aan uwe uitverkoorneu geene moeite kost. Immers twee overheerschende hartstochten, die de drijfveer schijnen van alle andere, hoogmoed en zinnelijkheid, zijn de gewone oorzaak der zonde; wat doet de gedachte aan den dood? Zij legt ze aan kluisters en maakt ze machteloos. De hoogmoed wordt beschaamd door de gedachte aan Gods grootheid en onze nietigheid, zijne macht en onze afhankelijkheid; welnu, de gedachte aan den dood geeft ons daarvan zulk eene diepe overtuiging, dat zij eiken anderen bewijsgrond doet falen of krachteloos maakt. Als men het graf van een groot koning beschouwt, roept men met Massillon uit: God alleen is groot; en alle gevoel van opstand tegen het goddelijk gezag wordt gesmoord door de herinnering aan die macht, waaraan niets wederstaat. Van den anderen kant onderdrukt niets

-ocr page 253-

243

beter de zinnelijkheid, dan het herdenken der aanstaande ontbinding van ons lichaam en de hoop op deszelfs toekomstige onsterfelijkheid. Aldus worden de hartstochten onderdrukt en de zonde overwonnen. Daarenboven:

2°. Wie aan den dood denkt, blijft niet in de zonde. Ach! welk een zware last is een schuldig geweten voor hem, die zeggen moet: s God is het leven aan niemand verschuldigd en zeker het minst aan zijn vijand;quot; ik ben dit echter, daar ik Hem vergramd heb, door zijne heilige wet met voeten te treden. Ik kan elk oogenblik sterven; immers een plotselinge dood is geene zeldzaamheid. Indien die groote God mij in dit oogenblik eene verlenging dier dagen weigerde , waarvan ik zulk een onwaardig gebruik maak, om Hem te beleedigen, indien Hij weigerde het kloppen mijns harten te onderhouden, dan zou ik oogenblikkelijk vallen — niijn lichaam ter aarde — en mijne ziel... waar? Ik sidder, als ik er aan denk, en ik zou mij in zulk een schrik-wekkenden toestand ter ruste durven leggen? En ik zou eene boete durven uitstellen, die mij heden wellicht kan redden, en die ik misschien morgen in de hel zal beginnen!... Men is tegen dergelijke overwegingen niet bestand en aldus wordt de zuiverheid des gewetens öf behouden, öf spoedig hersteld, als eerste vrucht van het gedurig gedenken aan den dood.

II Punt. De gedachte aan den dood onthecht ons van alle aardsche zaken en laat het hart vrij, om zich. tot God te verheffen en zich met Hem te vereenigen. O, hoeveel licht straalt door in deze waarheid, weldra

-ocr page 254-

244

moet ik sterven\' Hoe doet zij ons het niet aller ondermaansche zaken begrijpen! Luider dan Salomo roept de dood ons toe: ijdelheid der ijdelheden; alles is slechts ijdelheid onder de zon. IJdelheid der rijkdommen: wat vermogen zij voor ons geluk ? Hoe lang bezit men ze? Wat blijft er van over by den dood? IJdelheid van eerbetoon, waardigheid, goeden naam: wie zal aan mij denken, als ik van deze wereld zal verdwenen zijn? Men zal mij vergeten, gelijk men anderen, zelfs diegenen, die schitterden met den grootsten luister, vergeten heeft. Het ge-druisch van hunnen val, ziedaar alles wat overblijft van hunne grootheid; en wat baat het daarenboven geprezen te worden, waar men niet is, als men gepijnigd wordt, waar men is? IJdelheid der vermaken : hoe snel gaan zij voorbij, en wat laten zij achter zich?.... Een leven van zelfopoffering en versterving, ziedaar de eenige zaak, die kracht heeft om ons te troosten in ons sterfuur. IJdelheid der raenschelijke vriendschap: zg is bedriegelijk en onbestendig. Maar Gij, o Heer, Gij blijft altijd uwen vrienden getrouw, en nooit zult Gij hen minder verlaten, dan als alles hen verlaat. Hij, die u geheel zijn hart heeft voorbehouden, zal zonder verdriet eene wereld verlaten, waarin hij geen ander geluk vond, dan het volbrengen van uwen wil. Gij zult hem roepen en hij zal u antwoorden: Hier ben ik. Heer!

III Punt. Het gedurig gedenken van den dood, doet ons sterven met een hart vol vertrouwen. Dat de onachtzame en ontrouwe dienaar siddert, als men hem de komst zijns meesters boodschapt, dit begrijp

-ocr page 255-

245

ik. Hij vreest het zien van een rechter, dien hij zich herinnert versmaad te hebben (1). Geheel anders is liet gesteld met hem, wiens hoop steunt op een leven, met heilige werken vervuld. De dood is voor hem het begin van het hoogste geluk. Welnu, wat den goeden religieus aanspoort om die werken te vermenigvuldigen, is de gedachte, dat weldra de tijd hem gaat ontbreken, misschien eer dan hrj denkt. Van daar die wijze spaarzaamheid zijner minste oogen-blikken. Hij zegt tot zich-zelven; Doe spoedig al het goede, dat gij zult kunnen, want er zal noch werk, noch rede, noch wijsheid, noch wetenschap zijn in het graf, waarheen gij snelt (2). Van daar die volle dagen, waarin alles voor den hemel is, omdat alles voor God is.

Zalig de getrouwe dienaar, dien zijn meester aldus werkend zal vinden. Hij zal, zegt de profeet, neder-zitten in de zoetheid des vredes, hij zal wonen in de tenten van het vertrouwen (3). Gelukkig hij, die zich tot den dood bereidt, door het gedurig herdenken van den dood. Zijn leven is zuiver en verdienstvol, zijn hart is slechts aan God verkleefd. Hij sterve aan het einde of bij het begin zijner loopbaan, gedurende den arbeid of den slaap, in het gebed of in het genot van eene geoorloofde uitspanning, na eene lange ziekte of plotseling... hij is gelukkig; want zijn Meester gaat hem stellen in het bezit zijner goederen.

Helaas, Heer, hoezeer verzuimde ik tot dusverre een zoo gemakkelijk en krachtdadig middel. Doek

(1) St. Greg. hom. 13. (2) Eccle. 9, 10. (3) Is. 32, 18.

-ocr page 256-

246

beter dan ooit, besef ik den prijs der genade, aan de gedachte van den dood gehecht. Ik zal met zorg die iu mijnen geest onderhouden. Zij zal mg voor u doen wandelen in heiligheid en rechtvaardigheid, alle dagen mijns levens. Zij zal mij brengen tot het geluk van te sterven in den vrede van mgn geweten, in de vreugde uwer liefde.

47ate OVERWEGINa.

glorie en geluk van den goeden religieus in het algemeen oordeel.

I. In de gebeurtenissen, die het voorafgaan.

II. In de omstandigheden, die het vergezellen.

III. In de uitspraak, die het besluit.

I Punt. Glorie en geluk van den heiligen religieus in de toebereidselen tot het algemeen oordeel: de verdelging der wereld, de algemeene opstanding, de scheiding der goeden en kwaden, de vereeniging der uitverkoornen, ter rechterzijde van den Opperrechter. Is de dag van het algemeen oordeel de groote dag des Heeren, zoo is het ook de dag der heiligen. Te midden der omverwerping der natuur, als de zondaars door een onbeschrijfelijke ontzetting zullen aangegrepen worden , zullen de rechtvaardigen vervuld zijn met een edel vertrouwen. Hunne rechtvaardigheid zal hun geluk uitmaken; want zij zal voortspruiten uit hun geweten en hen voorafgaan als een fakkel, die hen op dezen dag van duisternis zal verlichten.

-ocr page 257-

247

rm\'-

De opperste rechter zal hun deze woorden toevoegen : Staat op, welbeminde zielen, mijne getrouwe Bruiden. Gij hebt mijne wet beoefend, raijuen raad gevolgd, mijne belangen bevorderd, mijue zaak verdedigd ; gij hebt mij verheerlijkt voor de menschen: nu wil ik u verheerlijken ten aanzien van hemel en aarde.

O gelukkige opstanding van den heiligen religieus, die in zijne ledematen de versterving van Jezus-Christus heeft gedragen, en zich heiliglijk gevoed heeft met het verheerlykt Vleesch van zijn Verlosser! O gelukkig oogenblik, waarop hij zich bekleed ziet met de glorierijke onsterfelijkheid! Want, hoor wat het geloof ons belooft: »Dit lichaam, thans aan het bederf onderworpen , zal onbederfelijk en onsterfelijk worden. Dan zal de dood eindelijk overwonnen zijn en wij zullen met den H. Paulus mogen vragen: o dood, waar is uwe overwinning1? Dan ook zal men kennen, wie zijn lichaam het meeste heeft bemind, öf de verstorven religieus, of hij, die slaaf was zijner zinnelijkheid.quot;

Hoe zoet zal het mij zyn, toegelaten te worden in het aangenaamst gezelschap, met de volkomen zekerheid van bemind te worden door aller harten en nooit meer te moeten scheiden! Bij het herdenken der kwellingen dezes levens, die my dan slechts een droom zullen toeschijnen, zal ik met den H. Petrus van Alcantara uitroepen : o gelukkige boetvaardigheid, die viij zoo groote heerlijkheid verdiend heeft! O zalige gestrengheid, heilige versterving, hoe wijs heb ik gehandeld, u moedig te omhelzen! Wat zou thans myn lot zijn, hadde ik den breeden weg bewandeld,.

.ifquot;quot; t

|

-ocr page 258-

248

waarop mijne neigingen mij trokken? Doch Gij, o Heer, hebt mededoogen gehad met mijnen gevaarleken toestand; Gij heht mij ontrukt aan de wereld en aan mij-zelven. Hiervoor zal ik u loven in alle eeuwigheid.

II Punt. Glorie en geluk van den goeden religieus in de omstandigheden, die het algemeen oordeel vergezellen.. Overwegen wij twee dier omstandigheden: In plaats van geoordeeld te worden zal hij oordeelen ; in plaats van beschuldigd te worden, zal hij door den Heer beschermd en geprezen worden.

Alles gereed zijnde, verschijnt de Zoon des men-schen. Hij daalt neder, omgeven door dien luister en pracht, waarop de Kerk zoo dikwijls onze gedachten vestigt. Hij zal komen om te oordeelen levenden en dooden. Bij dit gezicht siddert de natuur, rechtvaardigen en zondaars, allen vallen geknield neder, allen aanbidden Hem. Welke eene trilling van vreugde doorstroomt de vergadering der heiligen! Eindelijk zien zij Hem zegepralen, dien God van de kribbe, van Kalvarie, van het altaar, dien de wereld hardnekkig miskende. Hunne liefde voor Hem is de maat van huu geluk. Zij verheffen zich in de lucht, zegt de H. Paulus en gaan hunnen Koning te gemoet en, huune stemmen parende bij die der engelen, bezingen zij de groote en laatste zegepraal van het Lam, dat alles hersteld heeft en alles zalig-maakt door het offer van zich-zelven. O gij, die alles verlaten hebt om Jezus-Christus te volgen, nog wacht u eene schoonere bestemming. Nu dient gij Hem, zijn voetspoor nader volgende dan de eenvoudige geloovige, gij vergezelt Hem op zijn lijdensweg. —

-ocr page 259-

249

»En ik,quot; zegt Hij u, »beschik voor u, gelijk mijn Vader voor mij het Rijk beschikt heeft, waar gij gezeten zijt op tronen, de geslachten van Israël oordeelendequot; (1): onvergelijkelijke eer, bijzonder beloofd aan de edelmoedige zielen, die verzaakt hebben aan alle aardsche hoop om zich alleen te hechten aan den Heer, waaraan al de uitverkoornen eenigs-zins zullen deelnemen volgens dit woord van den H. Paulus: »Weet gij niet dat de heiligen de wereld zullen oordeelenquot; (2). Allen zullen inderdaad door hun enkel voorbeeld de kwaden oordeelen, door hun de bekentenis af te dwingen, dat zy even als zij hadden kunnen zalig worden, en zullen hun hierdoor elke verontschuldiging ontnemen. Gelukkige vrienden van Jezus, thans rechters met Hem, welke vervoering van blijdschap zal zich meester maken van uw hart, als gij, onder de toejuiching der hemel-sche geesten, bezit zult nemen van de tronen u bereid.

Intusschen doen zich beschuldigingen hooren, doch de rechtvaardigen zijn daarvan het voorwerp niet. — Wie zou de uitverkooren Gods durven beschuldigen? Hij zelf zal hun verdediger, ja hun lofredenaar zijn en alle schepselen zullen instemmen met den lof, dien Hij hun geeft ten aanzien van het heelal. IJdel is steeds de lof der wereld, zelfs dan als hij niet gevaarlijk is. De schijnheiligheid ontrooft, de vleierij verkoopt, de misdaad verovert, de wijze vreest of, veracht dien. Maar van God lof te ontvangen, bestaat er wel eene grootere, eene benijdenswaardiger, glorie ?

(1) Luc. 22 . 28. (2) I Cor. C, 2.

-ocr page 260-

250

Op den dag des oordeels zal Jezus al de schoone daden, al de godvruchtige verlangens, al de deugden, die de ootmoed zijner dienaars in duisternis verborgen had, doen uitschijnen. Men zal Hem de zuiverheid hunner meening hoorea erkennen, hun rekening hooren houden van al hunne akten van geloof, hoop en liefde, van al wat zij gedaan hebben of hebben willen doen, om het rijk zijner genade te vestigen en te volmaken in hun hart en dat hunner broeders.

111 Punt. Geluk en glorie van den goeden religieus in het hesluiten van het algemeen oordeel. Overwegen wij de uitspraak der uitverkoornen en stellen wij ons, om deszelfs zoetheid te smaken, in de plaats dergenen, tot wie de Zaligmaker die zal richten. Venite, komt, vereenigt u met uw laatste einde, te midden der gelukzaligheid. Benedicti Putris mei: mijn quot;Vader heeft u om mijnentwil gezegend, als mijne leerlingen en ledematen. Hij heeft u vervuld met allen he-melschen zegen, als mijne dierbaarste leerlingen;.... ontvangt zijn hoogsten en eeuwigen zegen... Gij hebt mij gevolgd, toen ik u riep tot het leven van geloof, tot de toewijding der liefde; gij hebt mij vergezeld te midden van kruisen en vernederingen... Als goede werklieden hebt gij mijnen wijngaard wel bearbeid, gij hebt recht op het rijke loon, dat u beloofd was. Gij hebt alles voor mij verlaten, gij hebt u zei ven verlaten; komt u zeiven wedervinden en in mij alle goed genieten. Venite, komt van het werk tot de rust, van de ballingschap naar het vaderland, van de armoede en de vernedering naar het bezit van het hemelsch koninkrijk. Gehoorzame leerlingen van een Verlosser, die slechts tot de glorie

-ocr page 261-

251

gekomen is door verachting en vervolging, gij hebt u niet geschaamd over zgne verguizingen; gij hebt Hem erkend, gediend, aanbeden voor de menschen; neen, thans schaamt Hij zich niet over u, voor God en zijne engelen. Even als uw Meester zijt gij overgeleverd geweest aan den haat en den vloek der wereld; thans zijt gij de gezegenden mijns Vaders en bet voorwerp van zijn welbehagen. Mijn rijk was u bereid van het begin der wereld. Ik heb door mijn lijden u daarop het recht verworven: treedt heden in deszelfs bezit en regeert met mij gedurende alle eeuwigheid. O heerlijk oogenblik, o troostvol vooruitzicht, o eeuwigheid van vreugde en zegepraal!

4gste OVERWEGING.

de ontrouwb religieus bij het algemeen oordeel.

1. Hij wordt opgeroepen.

II. Hij wordt beschaamd.

IH. Hij wordt veroordeeld.

Voor den heiligen religieus is alles glorie en geluk in de voorbereidselen, de omstandigheden en gevolgen van het laatste oordeel; voor hem, die zich halsstarrig heeft willen verdoemen, ondanks al de pogingen der goddelijke barmhartigheid, is alles schande en wanhoop.

I Punt. De ontrouwe religieus wordt opgeroepen hij het algemeen oordeel. Zijne opstanding is afschu-

-ocr page 262-

252

welijk. Waar was hij, toen het bazuingeschal zich deed hooren? Zijn lichaam in een graf of met ver-schillende stoffen vermengd; zijne ziel in de hel... Het lichaam leed niet; en voor de ziel is de hel minder afschuwelijk, dan het terugkeeren in dit lichaam, het werktuig harer boosheid. Maar God beval door de stem van zijn aartsengel: Staat op, gij dooden; grooten en kleinen, vorsten en onderdanen, religieuzen en wereldlingen, rechtvaardigen en zondaren! Staat op, gij vijanden van mijnen naam, verkrachters mijner wet; en daar mijne weldaden u niet getroffen hebben, zoo komt en ondervindt het gewicht mijner wraak. Verschijnt voor uwen rechter, alleen, zonder steun, slechts door uwe werken vergezeld. Allen komen inderdaad; geen weerstand, geen uitstel is mogelijk.

Bij het gegeven teeken stelt zich de natuur in beweging. De graven openen zich. In een oogwenk staan alle geslachten op. Uit hetzelfde kerkhof komen verdoemden en uitverkoornen te voorschijn. 0 schande, o wroeging van den onboetvaardigen zondaar en religieus, als hij dicht naast zich, met de glorie des Heeren omgeven, diegenen ziet, wier voorbeeld hij had moeten wezen, en die hij zelfs niet heeft nagevolgd ; als hij hen ziet met lichamen, wier glans de zon, wier snelheid het weerlicht, wier lichtheid de gedachte ter zijde streeft, terwijl zijn eigen lichaam, zoo dikwijls gevoed met het glorievol lichaam des Verlossers, slechts een vuil en brandend lijk is! » Daar staan zij dan,quot; zal hij uitroepen met een hart door wroeging verscheurd, » zij van wie wij ons gescheiden hadden, toen wij de wereld verlieten om volmaakter wegen te gaan bewandelen; hoe wijs was hun gedrag!

-ocr page 263-

253

Daar staan zij, die slechts gewone genaden ontvingen, thans bij de kinderen Gods; en wij, door zijne gunsten overladen, door het helderst licht bestraald, wij hebben als uitzinnigen geleefd! Ach, hoe duur betalen wij onze dwaasheid!quot;

Het oogenblib der eeuwige scheiding is aangebroken. Ter rechterzijde de vrienden, ter linkerzijde de vijanden van Jezus. De engelen verzamelen het goede graan voor de graanschuren van den hemelschen Vader; het kaf zal in de vlammen geworpen worden. Het eene lid van hetzelfde huisgezin, van dezelfde gemeente wordt gesteld in de glorie, het andere wordt in de eeuwige schande geworpen. Geheel het menschdom wordt in twee partgen gerangschikt, even verschillend als hemel en hel... O mijne ziel, tot welke zullen wij behooren?

Intusschen doet zich het ratelen des donders hooren — het kondigt de komst aan van den Zoon des menschen, die heden verschijnt in al de majesteit van Zoon Gods. Hij daalt neder. Eene schitterende wolk is zijn troon. Welke siddering, welk gehuil in de scharen der verdoemden! Weenen zal het geslacht der ongeloovigen, het geslacht der schijnchristenen, het geslacht der hoovaardigen en ontuch-tigen; maar luider dan allen zal het geslacht weenen der ontrouwe religieuzen, die, met honderdmaal meer genademiddelen, hunne ziel verloren hebben.

»Zij zullen sidderen bij het aanschouwen van het Lam, zegt de H. Schrift, en zullen zich aan deszelfs toorn zoeken te onttrekken. Doch kan een lam zoo schrikwekkend zijn? Ach, dat Lam Gods hebben zij geslacht, en deszelfs bloed met voeten getreden.

-ocr page 264-

254

Neen, thans komt het niet meer otn de zonden der wereld uit te wisschen, doch om die zonden streng te straffen, die de boetvaardigheid niet uitgewischt heeft. Beschouwt Hem, o zondaars, nooit toonde Jezus zich zoo groot, zoo beminnelijk. Welk eene majesteit, maar ook welk eene goedheid ligt in zijne gelaatstrekken. Zie dat hoofd eens met doornen omvlochten,.... dat gelaat door vuistslagen misvormd. En nu, welke schitterende schoonheid! Is Hij niet de schoonste der kinderen der menschen. »Ziedaar wat ons wanhopig maakt,quot; doet de H. Aagustinus hen zeggen, »zijn Verlosser zien en in zijne wouden slechts een vonnis van verdoeming lezen! Hem slechts een oogenblik zien, om Hem voor altijd te moeten verliezen. O bergen, valt op ons; rotsen, verplettert ons, o hel, verlos ons van een scbouwspel zoo wreed in deszelfs heerlijkheid!

II Punt. De ontrouwe religieus beschaamd in het algemeen oordeel. Het boek der gewetens wordt geopend, de schuldige wordt overtuigd, en dit is voor hem het oogenblik der afgrijselijkste schaamte. De Opperrechter zal de geheimen der harten openbaren (1). Van welke harten? Eerst van het Zijne en vervolgens van het uwe, onwaardige religieus! en uit deze tweevoudige openbaring zal de volledigste rechtvaardiging voortvloeien van het vreeselijk vonnis , dat Hij gaat vellen.

Ja, dan zal het eindelijk gekend worden, dat Hart van Jezus zoo groot, zoo zoet, zoo edelmoedig voor zijne vrienden, zoo geduldig zelfs voor zijne vijanden.

Ja, dan zullen wij, als in een geopend boek, daarin

(1) i Cor. i, 5.

-ocr page 265-

255

al de uitvindingen van zijne vurige liefde, zijn teeder mededoogen lezen, en de duizenden middelen, die Hij heeft aangewend om den zondaar tot berouw en boete te voeren. Rampzalige, waart gij toch vroeger tot de plannen zijner liefde toegetreden!

Tegenover zijne weldaden, plaatst. Hij uwe ondankbaarheid en verspreidt de duisternis, waarmede gij trachtet u te bedekken. Duisternis der eigenliefde: gij zocht u zeiven te bedriegen, door u te vergelijken met religieuzen, nog onvolmaakter dan gij. Duisternis van schijnheiligheid: gij huicheldet zedigheid, godsvrucht, ijver... Duisternis van eenzaamheid en nacht: gij hadt uwe maatregelen zoo wel genomen, om alle achterdocht te ontgaan! Alles zal openbaar worden, het geheim zal geen geheim meer zijn! Alles wat schandelijk was in uw leven, zal het meest in het oog vallen en die doordringende blik van God, van zijne engelen, van alle redelijke schepselen, zal u ontstellen, als werdt gij op het feit betrapt, en zal u dwingen den kelk der bitterste schande tot den droesem leeg te drinken. Welk een kreet van verontwaardiging zal er opstijgen uit de schaar der uitverkoornen en uit die der verdoemden, als men bij het opengaan dier witte graven al die bedorvenheid zal zien, onder zulk een heilig kleed verborgen ? Wat zult gij zeggen, hoe zult gij u vrijspreken? Zult gij durven ontkennen, wat het heelal weet, wat uw geweten bekent? Zult gij trachten u te verontschuldigen met de kracht uwer hartstochten, met uwe eigene zwakheid te doen gelden tegenover die millioenen heiligen van allen leeftijd, eiken stand, blootgesteld aan alle gevaren der wereld, en die met

-ocr page 266-

256

genaden, zoover beneden die, welke gij ontvangen hebt, het werk hunner heiligmaking zoo gelukkig voltrokken hebben?

III Punt. De ontrouwe religieus bij het algemeen oordeel veroordeeld. Eindelijk is de laatste slag gevallen. Na alle schepselen uitgenoodigd te hebben om uitspraak te doen tusschen Hem en die ziel, die altijd het voorwerp zijner bijzondere liefde was en Hem altijd weerspannig geweest is, gaat de aanbiddelijke Rechter zelf spreken.

Weg van mij. Maar van wien? waarom? hoe? waarheen? voor hoe lang? Vijf vreeselijke vragen, waarop het verschrikkelijk vonnis antwoordt? Weg van mij. — Van wien? Van mij, zegt de Heer! Beschouw voor het laatst Hem, dien mijne dienaars in eeuwige verrukking gaan bezitten, gij zult mij niet meer zien. Vertrek van mij, zwak schepsel, wiens eenige steun ik was, ondankbaar schepsel, dat ik te zeer bemind heb en nu niet genoeg kan haten, ontrouw schepsel, dat ik met zegening heb overladen en waarop ik nu mijnen vloek uitstort... Weg van mij.— Maar waarom? Hoe, weet gij het niet, antwoordt die wrekende God; als ik mij tegen u keer, zijt gij het dan zelf niet, die mij hiertoe gedwongen hebt? Weet gij hoezeer uw vo.unis mijn Hart leed doet? wat ik gedaan heb, om u daarvan te vrijwaren? welken hardnekkigen weerstand aan mijne genade gij hebt moeten leveren, alvorens gij mij verplichttet u te verdoemen? Weg van mij.— Maar hoe? Helaas, wie kan het zeggen, wie kan er zelfs zonder sidderen aan denken? In wanhoop, onder duizend pogingen om zich te hechten aan het opperste goed, dat hem ontsnapt; nutteloos streven!

-ocr page 267-

257

Weg van mij, ik ken u niet meer. — En waarheen zendt Gij hem, Heer? In het vuur, dat des te heviger zal branden, naarmate gij mijne barmhartigheid meer misbruikt hebt. Ik had u het zalige lot mijner engelen voorbereid en gij hebt het lot der duivelen verkozen. Weg dan. — En voor hoe lang ? Voor eeuwig. Ken nu ten volle de gestrengheid mijner gerechtigheid; gij hebt u van mij gescheiden, toen ik u riep om u met my te vereenigen. Wel nu, zij de scheiding dan eeuwig. Neen, geen middel, geene hoop meer, — voor eeuwig.

Het tweevoudig vonnis is uitgesproken, de beide scharen scheiden zich van elkander. De uitverkoornen doen hunne zegevierende intrede, de verdoemden worden in den afgrond geworpen. Alles is volbracht, alles voltrokken, de zonde in het eeuwig ongeluk, de heiligheid in het hoogste geluk. Kies, o mijne ziel... Ziehier mijne voornemens. Ik zal:

10. Een oogslag werpen op mijn geheele leven en er de stof tot een gestreng oordeel in erkennen. Ik heb gezondigd, Heer, ik heb zwaar gezondigd. Dit zij voortaan het voortdurend voorwerp mijner droefheid, schenk mij. Heer, een vermorseld hart.

2°. Mij-zelven gestreng oordeelen. Indien ik mij-zelven recht doe, behoeft God slechts zijne barmhartigheid te doen spreken; zijne belofte is onfeilbaar. Mij wachten voor de listen mijner eigenliefde, die altijd gereed is mijne neigingen te vleien, mijne traagheid te verontschuldigen.

3°, Anderen niet oordeelen, om niet geoordeeld te worden. God zal zich voor mij bedienen van de maat, waarmede ik anderen zal gemeten hebben. CH. I. 17

-ocr page 268-

i

258

4:9\'te OVERWEGING.

de hel. - een ieder behoollt die te vreezen.

L Wat is de hel?

11. Voor wie is de hel?

1. Stel u de hel voor als een afgrijselijke kerker, waarin Gods vijanden voor alle eeuwigheid liggen opgesloten. Meet hare grootte, diepte, lengte.

2. Vraag aan God eene groote vrees voor de straffen der hel, opdat, zoo het gevoel der goddelijke liefde te zwak is om u te weerhouden van zonde, de vrees der straf u er ten minste van afkeere.

I Punt. Wat is de helt Men kan die onderscheiden in de hel des lichaams en de hel der ziel, volgens deze woorden van Jezus-Ohristus: Vrees Hem, die ziel en lichaam in de hel kan doen loerpen (1).

1°. In de pijuen des lichaams moet men overwegen hare algemeenheid, hare hevigheid , hare aanhoudendheid. — De hel is de plaats der kwellingen. Alle kwalen, alle smarten, zijn daar vereenigd. Moet men niet sidderen bij de gedachte aan dat bijna oneindig getal smarten, die zich werpen op het lichaam des verdoemden als een gier op zijne prooi. Als het waar is, dat in het hoofd alleen duizenden smarten kunnen zetelen, wat moet men dan wel aeo-o-en van

\' oo

al onze lichaamsdeelen ? Voeg bij de smarten der ziekten nog die, welke door vreemde oorzaken kunnen ontstaan: zoo als die, welke de gerechtigheid of

i

(1) Jlattli. 10, 28.

-ocr page 269-

259

wreedheid der menscheu heeft uitgedacht, als ijzeren nagels, gloeiende roosters, kokende olie.... de uit-gezochtste folteringen door tirannen en beulen uitgevonden om het geduld hunner slachtoffers te vermoeien. Vereenig al die smarten in één en denzelfden persoon.... Eene enkele van die pijnigingen is genoeg om de jammerlijkste kreten af te persen aan den kloekmoedigste, en hier is het de vereeniging van alle denkbare pijnen. Wat derzei ver hevigheid betreft, zoo verzekeren ons de gewijde leeraars, dat de minste pijn der hel verre datgene overtreft, wat wij hierbeneden kunnen lijden of zelfs bedenken. Zoo het aldus gesteld is met de minste pijn, wat zal het dan zijn met de grootste? wat met de vereeniging van alle te zamen?

O O

Beoordeelen wij ze overigens door het vuur. Is er iets dat ondragelijker smart veroorzaakt? Zijn naam alleen verspreidt angst en schrik. Als onder onze oogen een gezin levend zou verbranden, dan zouden de jammerkreten onze ziel verscheuren.... En dit is slechts het aardsche vuur, dat kostbaar geschenk van den Schepper, dat ons zulke uitnemende diensten bewijst. Het vuur der hel heeft God slechts geschapen, om het werktuig te zijn zijner wraak; het is ontstoken door den adem van zijnen toorn (1). Deszelfs hevigheid is onbeschrijfelijk, gelijk de ver- , toornde almacht, die het ontsteekt en voedt. Van daar die bovennatuurlijke eigenschappen, die het geloof ons daarin doet ontdekken; het tverkt evenzeer op de ziel als op het lichaam, en terwij] het de verdoemden foltert, spaart het om des te meer te kunnen

(1) Deut. 32 , 22.

-ocr page 270-

260

folteren, het onderhoudt evenzeer het gevoel des lijders als het zelf kracht behoudt om te doen lijden. Het is een kundig vuur, zegt de H. Joannes Chrysostomus, het maakt onderscheid tusschen de zondaars, tusschen de zintuigen en vermogens die gediend hebben tot werktuigen der zonde, aldus de smart nauwkeurig wijzigende naar den graad van boosheid, dien bet straft. Het is zoo doordringend, dat het zich als het ware veréénzelvigt met zijne slachtoffers; het doet het bloed koken in hunne aderen, het merg in hunne beenderen.

En die smarten moet men onophoudelijk lijden en dat zonder de minste verzachting. Op aarde hebben de hevigste pijnen hare tusschenpoozen; lijdt men altijd, zoo lijdt men in minderen graad. De koorts is niet altijd even hevig: de slaap komt somtijds de klacht van den lijder smoren; men heeft somtijds de stem van een vriend tot troost; men vindt verlichting in het aannemen eener andere ligging; daarenboven verhardt zich het lichaam ten laatste, of wel het leven eindigt en met het leven het lijden. — Van dat alles niets in de hel; het is altijd het hoogste lijdenspunt. Geene verzwakking onzer zintuigen verstompt de punt, geene bezwijming der natuur beneemt ons het gevoel. In de hel geene vrienden, daar zijn slechts beulen en slachtoffers. Men wordt vreeselijk gedrongen van alle kanten en men moet altijd onbewegelijk blijven, altijd den wreedsten doodstrijd ondergaan, zonder ooit te kunnen sterven. Ziedaar het lot des lichaam s.

2. De hel der ziel is nog afgrijselijker.

-ocr page 271-

261

De verbeelding foltert den verdoemde. Zij pijnigt hem voortdurend, door hem de treurigste zaken voor te spiegelen. Zij herinnert hem, wat hij was op aarde, wat hij kon zijn in den hemel, wat hij eeuwig zijn zal.... Hij had voldoeningen, hij had genot, hij zal eeuwig slechts foltering vinden. In zijne kwellingen kon hij zich eene betere toekomst beloven , hij hoorde somtijds een woord van medelijden, hij ontmoette een vriendenblik.... Thans ontmoet hij alom slechts haat en woede. Gehaat van de duivelen, gehaat van de menschen, gehaat van zich-zelven, kan hij slechts vervloeken, knarstanden, den dood roepen, den dood, die niet komt, nooit komen zal...

O eeuwigheid, o altijd tegenwoordige gedachte der eeuwigheid; hij verdiept zich in dien afgrond, hij stapelt millioenen eeuwen op millioenen eeuwen en zoekt een einde aan wat geen einde heeft. Ach, is het vreeselijk altijd te lijden, even vreeselijk is het bewustzijn dat men altijd lijden moet. Als gij een looden kogel in uwe hand draagt, raakt gij daarvan slechts een klein gedeelte aan, doch gevoelt geheel deszelfs gewicht; aldus draagt de verdoemde, in zijn geest al het lijden der toekomst stapelende op hetgeen hij ondergaat, om zoo te zeggen, ieder oogenblik het gewicht eener geheele eeuwigheid.

Het geheugen foltert hem. Het herinnert hem aan al wat hij gedaan heeft, om vooruit te komen in de wereld; en wat blyft hem daarvan over? Zoo vele gunstige gelegenheden zijn hem aangeboden! ach, hadde hij er zijn voordeel mede gedaan. Hadde ik deze of gene inspraak van mijn geweten gevolgd, hadde ik niet laf toegegeven aan die bekoring! maar ik

-ocr page 272-

262

wilde mijn verderf... Door liefde tot het vermaak, door hoogmoed heb ik mij in eeuwige kwellingen geworpen, mij-zelven prijs gegeven aan de eeuwige schande der hel!

Het verstand foltert hem en doet hem duidelijk zien de dwaasheid van zijn gedrag, al de onrechtvaardigheid, de schande, de afschuwelijkheid zijner zonden. Het toont hem de grootheid van God, zyne oneindige volmaaktheid, vooral zijne onbegrensde goedheid.... Ondankbare, gij hebt uwen weldoener beleedigd; meineedige, gij hebt uwe geloften geschonden; vadermoorder, gij hebt uwen Vader den doodsteek willen toebrengen! Neen, eene eeuwigdurende hel is geene te groote straf om zoovele misdaden te straffen. Gij zijt rechtvaardig, Heer, en uwe oordeelen zijn hillijk (1). Zijn wil foltert hem — Nauwelijks is de ziel van het lichaam gescheiden of zij snelt tot God, haar noodzakelijk einde. Het is een dorst, die haar verteert, een honger, die haar verslindt. Zij vlucht ademloos tot dit Opperste Goed, waarvoor zij werd geschapen. — »God, »God, ik moet tot Godquot;. — Ziedaar de kreet van geheel haar wezen. God wekt die begeerte nog meer op door de schoonheid, die Hij ten toon spreidt, en trekt haar nog krachtiger door de almacht zijner oneindige bekoorlijkheid, maar terwijl zij ongeloofe-lijke pogingen aanwendt om tot God te komen, stoot Hij haar terug, verbryzelt haar door haar eeuwig toe te voegen: Weg, weg van mij! — Neen, voor u geen God, dan alleen om u te vervloeken....

(1) Ps. lis, 137.

-ocr page 273-

263

De ziel, bij het ontwaren der nutteloosheid harer pogingen, vervalt in woede. Zij zou öf God de volmaaktheden willen ontnemen, die Hem zoo beminnelijk maken en Hem vernietigen, öf uit haar zelve datgene willen rukken, wat de grondslag van haar bestaan uitmaakt, de neiging om God te beminnen ; en daar zij nooit het eene, noch het andere kan doen, lastert zij God, en keert zich dan tot zich-zelve, om zich met verwijten en verwenschingen te overladen. O afgrijselijk lot! Altijd willen en altijd met de vurigste begeerte willen, wat nooit zal zyn, nooit willen wat altgd zal zijn! Het is met de hel gelijk met den Hemel, zegt de H. Joannes Chrysostomus, nooit heeft het oog gezien, nooit heeft het oor gehoord, nooit is het opgekomen in \'s menschen hart, welke straffen God bereid heeft voor hen, die Hem niet wilden dienen, welke belooning voor degenen , die Hem beminnen.

II Punt. Voor loie is de hel? Men verdient voor eene enkele doodzonde tot de hel veroordeeld te worden. Wie is er, die zeggen kan; »Nooit heb ik eene doodzonde bedreven,quot; of »nooit zal ik er eene bedrijven?quot; De boetvaardigheid biedt, wel is waar, den zondaar een krachtig middel, hoe groot, hoe zwaar zijne zonden ook mogen wezen; maar wie is er nog, die durft zeggen: »Als ik zondig, zal ik den tijd en de genade van het berouw hebben? quot; of nog: »de boetvaardigheid, die ik gedaan heb, heeft zeker mijne zonden uitgewischt!quot; Het gevaar der hel bestaat dus voor allen. Gij, heiligen dezer aarde, vernedert u en waakt zonder ophouden. Gij dient God in de oprechtheid van uw hart, uw leven is

I aak, ngen wige

-ocr page 274-

264

zuiver; en is het dit niet altijd geweest, zoo hebben uwe tranen de vlekken uitgewischt van vroegere jaren; de vrede, dien gij geniet, de genaden, die God u geeft, zijn u een troostend onderpand van de vergiffenis, die Hij u schenkt, en van de nieuwe gunsten, die Hij u voorbenoudt. Ja, hoopt en verheugt u in den Heer; doch sluit de vrees niet buiten uwe vreugde; want, helaas! één zwak oogenblik door den dood op den voet gevolgd, is genoeg om u de hel tot eeuwige woonplaats te verschaffen.

Men heeft die zalige vrees bemerkt in de grootste dienaren Gods. De Apostel, verheven tot den derden hemel, in de tijden, dat hij zijn leven verteert in het werken voor Gods glorie en de zaligheid der zièlen, hoewel overtuigd, dat zijn geweten hem geen verwijt kan doen, vreest zijne verdoeming te vinden tot in het zweet van zijn apostolischen arbeid, en de hel aan het einde zgner werkzame loopbaan. De H. Augustinus zegt tot zijn volk: »gij vreest, mijne broeders, en ik vrees zoowel als gij. Ik heb de gewijde boeken doorbladerd en vind daarin niets, dat mij de vrees beneemt.quot; — De H. Hieronymus verbergt zich in de eenzaamheid eener spelonk, waar hij slechts slangen en wilde dieren tot gezelschap heeft. Dagelijks stroomen zijne tranen, zijn gezucbt weergalmt in de woestijn. Hij wapent zijne hand met een steen en slaat zich daarmede de borst ten bloede. Vraagt men naar de oorzaak eener zoo strenge boetvaardigheid, hij zelf zal ons antwoorden: gt;Ik heb mij tot dezen kerker veroordeeld, omdat ik de hel vrees.quot; Men vraagde eens aan den H. Fran-ciscus van Borgia, waarom hij er droevig uitzag.

-ocr page 275-

265

»Ik heb over de hel gemediteerd,quot; antwoordde hij, »en dit heeft my zoo getroffen, dat het my schijnt, dat iedereen mij aanziet als een monster uit den afgrond opgestaan, dat alom waar hy gaat, schrik en ontzetting verspreidt.quot; De H. Petrus Damianus bekent, dat de haren hem te berge rijzen, zoo dikwijls hij denkt aan de ongelukkige eeuwigheid. De H. Ber-nardus, op het punt staande de kroon te ontvangen, sidderde ondanks al zijne deugden en mirakelen, en riep van uit zijne eenzaamheid: »0 hel, wreed verblijf, uwe gedachtenis werpt schrik en angst in mijne ziel!quot;

O mijn God, bevrijd mij van de hel door de hel zelve! uwe barmhartigheid vindt behagen in het uitwerken van dergelijke wonderen. Geef mij tranen, geef mij lijden, zoo Gij dit verkiest. Spaar mij niet op deze aarde, maar verlos mij van het gevaar, waarin ik verkeer van eeuwig verloren te gaan! Sla, snijd, kerf mij hier, doch spaar my in eeuwigheid! (H. Aug.)

50ste OVERWEGING.

de hel, toepassing der zintuigen.

I. Toepassing van het gezicht.

II. Toepassing van het gehoor.

III. Toepassing van den reuk.

IV. Toepassing van den smaak. V. Toepassing van het gevoel.

I Punt. Toepassing van het gezicht. Verbeeld u, dat God u begunstigt met een visioen, gelijk dat

-ocr page 276-

266

hetgeen op de H. Theresia zulk een diepen en bestendigen indruk maakte. Uw engelbewaarder voert u ia het uitgestrekt en somber verblijf der verdoemden; gij ziet niet alleen de bel in bet algemeen, docb gij ziet daar de plaats voor u bestemd, zoo gij u niet betert van dit of dat gebrek, dat uwe zaligheid in gevaar stelt.

De bel is een somber rijk, eeuwiglijk bedekt met de schaduwen des doods. Nooit zal een zonnestraal doordringen in dit afgrijselijk verblijf. Wel moet de belsebe duisternis eene groote kwelling zijn, daar de H. Schrift daarvan zoo dikwijls gewaagt. De Wijze Man stelt ons de Egyptenaren voor als gedompeld in een diepen nacht, in hunne huizen gekluisterd door de ketenen der duisternis. Wat zij slecht konden onderscheiden, maakte datgene wat zij vreesden, nog afschuwelijker. Deze duisternissen waren intusschen slechts een flauw afbeeldsel van die der hel, waaruit zij ontstaan waren. Beschouw al die spookgestalten met dreigend uitzicht, al die afschuwelijke monsters, die zielen besloten in brandende lichamen, die duivelen, die met zulke woede hunne slachtoffers pijnigen.

II Punt. Toepassing van het gehoor. Hoor die klachten, dat kermen van die ontelbare menigte, hunne kreten van woede, van wanhoop, hun gehuil, hunne godslasteringen, hunne vervloeking van zich-zelven. Met welke woede roepen zij den dood ter hulp en de dood komt niet! Ach, konden zy sterven! Hoor het rammelen hunner ketenen, het geknetter der vlammen, en al de echos der hel, die dit vreeselyk woord doen weergalmen: Eeuwigheid, eeuwigheid!

-ocr page 277-

267

Hoor den rijken vrek te vergeefs smeeken om een druppel water, het treurig antwoord, dat hij ontvangt.... In zijne Openbaring zag de H. Joannes, de vergadering der heiligen, wier vermaak het was de lofzangen des Heeren te zingen; maar hij zag ook de verdoemden, die geene andere bezigheid hadden dan God te lasteren. In de overmaat hunner smart, knagen zij hunne eigen tong af, en de afgeknaagde tong groeit weder aan voor nieuwe godslasteringen.... Hoor die wreede verwijtingen dier zwakke zielen, die gij hebt geërgerd en die u hun ongeluk toeschrijven. Hoor de bespottingen der goddeloozen en vrijgeesten, die hoogst verwonderd zijn, zich in de hel te bevinden met religieuzen wier gezicht, in hun leven, hen tot verwijt strekte. »Hoe!quot; zullen zij zeggen, »gij waart dan zondaars gelijk wij en schuldiger dan wij! Hoor den smaad der duivelen, die spotten met uwe tranen, lachen met uw lijden en u toeroepen wat de tirannen en beulen zegden tot de martelaars: Waarover beklaagt gij u? hebt gij niet wat gij gekozen hebt. Ga voort te midden dier vlammen, die gij zelf rondom u ontstoken hebt; zij behooren u toe, zoowel als al uwe overige kwellingen. Gij hebt de vervloeking geroepen. Zij is over u gekomen.

III Punt. Toepassing van den reuk. Verbeeld u, dat ge verstikt wordt door den rook van brandende zwavel, die opstijgt uit den poel des afgronds; door het ondragelijk bederf van zoovele lichamen, die in de hel al de verrotting van het graf medebrengen. »Een vreeselijke stank zal uit hunne lichamen voortkomen (1).

(1) Is. 31, 3.

-ocr page 278-

268

IV Punt. Toepassing van den smaak. Wat is de honger der verdoemden? Eene razernij. Hij dwingt hen hun eigen vleesch te verslinden. En wat lescht hunnen dorst? God heeft hun een drank bereid, dien Hij verborgen en als verzegeld houdt in de schatten van zijnen toorn. Het is drakengal en slangenvenijn. Ik zie dien vreeselijken God met den beker zijner wraak in de hand. Hij heeft daarin den wijn zijner gramschap geschonken. Hij keert dien naar alle zijden; alle verdoemden zijn verplicht dien te drinken; drinkt, zondaars, de beker is niet ledig; nooit zal hij ledig zijn. Smaak ook al het bittere hunner tranen, hunner wroeging, hunner gewetensknaging, en de wanhoop der ziel, die alles verloren heeft en verloren door eigen schuld. Ja, ik heb mijne verdoeming gewild; het was mij zoo gemakkelijk zalig te worden. Vrienden vau God, wier geluk mijn ongeluk evenaart, wat hadde het mij gekost om te zijn, wat gij zijt? Vluchtig oogenblik mijns levens, waartoe heb ik u gebruikt? Ten prijs van kleine ofiers kon ik mg eene oneindige glorie, eindelooze genoegens verschaft hebben.... en ik wilde mij liever in de hel werpen! Ach kon ik ten minste vergeten, dat mijn ongeluk onherstelbaar en mijn eigen werk is! dan neen, eeuwig moet ik er aan denken. Nooit een oogenblik verstrooiing noch omtrent hetgeen ik ben, noch omtrent ik had kunnen zijn, noch omtrent hetgeen ik eeuwig wezen zal.... Nooit in den hemel! Eeuwig in de hel! O altijd, o nooit, o eeuwigheid!

V Pont. Toepassing van het gevoel. Stel u die martelaren voor, wier brandende lichamen den wreeden

-ocr page 279-

269

Nero dienden tot fakkels, of wel uw eigen lichaam even als door een kleed, van vlammen omgeven. Breng uwe hand nader tot het vuur, — waarvan het onze slechts de weerschijn is: wat dunkt u daarvan? Zult gij kunnen verblijven in dien vuurgloed, niet slechts eenige uren, maar eeuwig?.... Antwoord God, die het u vraagt door zijn profeet: Wie van u zal kunnen hlyven wonen met het verslindend vuur? (1)

Nemen wij als vrucht dezer overweging het wijze besluit, dat de kinderen Israels namen, toen zij de aarde zagen openbarsten en de wrekende vlammen daaruit opstegen om Core, Dathan, Abiron en hunne medeplichtigen te straffen. »Laat ons vluchtenquot; riepen zij bij het hooren der wanhopige kreten der rampzaligen, die het vuur verslond, »laat ons vluchten

O 7 *

om de straf der schuldigen niet te moeten deelen.quot; Laat ons ook voordeel trekken uit het ongeluk van anderen. Laat ons de zonde en alles wat tot zonde geleidt, vluchten, laat ons de lauwheid en zinnelijkheid , — het onverstorven en nutteloos leven vluchten. Werpen wij ons in de armen, in het Hart van Jezus. Ach, Heer zoo wij moeten branden laat het dan wezen door het vuur uwer liefde. Voltrek ten onzen opzichte het werk uwer barmhartigheid; zonder haar, helaas, waren wij reeds in de hel!

(1) Is. 33, 14.

-ocr page 280-

270

51ste OVERWEGING.

de terugkeer tan dex verloren zoon.

Na de voorgaande overwegingen, heeft de ziel behoefte om op troostende waarheden te rusten. Vestigen wij het oog op het beeld der goddelijke goedertierenheid, door den Zaligmaker zeiven ger schetst in de gelijkenis van den verloren zoon. Deze parabel heeft drie deelen: het vertrek, de afdwaling, de terugkomst. Wij bepalen ons tot het laatste deel en beschouwen daarin :

I. Hoe wijs de verloren zoon is, in de overwegingen, die hij doet.

II. Welk moedig besluit hij neemt.

III. Zijne blijdschap over de wijze, waarop hij wordt ontvangen.

I Pont. Wijsheid van den verloren zoon in de overwegingen, die hij doet. De eerste werking dei-genade, bij de bekeering eens zondaars, is hem in zich-zelven te doen treden. Zij ontdekt hem de diepte van den afgrond, waarin hij gevallen is, en doet hem zijn ongeluk gevoelen.

De verlor3n zoon treedt in zich-zelven. Helaas! sedert lang had hij dit niet meer gedaan , zijne driften hadden hem doen afdwalen. Hij treedt in zich-zelven. Het licht des geloofs verdrijft de duisternis, alle begoocheling verdwijnt. Hij ziet de zaken gelijk zij zijn, en waardeert ze als zoodanig. O waar beu ik? wat heb ik gedaan? Wat beteekenen die lompen, die bezigheid, die honger? Wat is er geworden van

-ocr page 281-

271

mgne rijkdommen, mijne vrijheid, mijne eer? O huis mijns vaders, zal ik u nimmer wederzien? Hoe ver zijn zij verwijderd, die schoone dagen, waarop ik, mij-zei ven niets te verwijten hebbende, ook niets te vreezen had? Onreine dieren, ziedaar mijne omgeving ; de laagste slavernij, ziedaar mijn toestand; kwijnen in ellende, ziedaar mijn lot. Hoezeer benijd ik het lot der dienaars mijns vaders, zijne goedheid voorkomt hunne begeerten. Hun ontbreekt niets in zgn huis; en ik, ik zijn zoon, ik sterf van honger!

Aldus bereidt de genade den terugkeer eener afgedwaalde ziel, door haar te verlichten. Zij werpt eeu schrikwekkend licht op het getal en de grootheid der misdrijven van een ontrouwen religieus. Hij ook is een verloren zoon; welke hemelsche gaven, welke geestelijke schatten heeft hij niet verkwist, gedurende de jaren, de talrijke jaren wellicht, die hij doorbracht in lauwheid! Zij brengt hem die dagen van vurigheid voor den geest, toen de vrede zijner ziel, volgens de uitdrukking der H. Schrift, als een voortdurend feestmaal was. Hoezeer verschilt hij nu van hetgeen tij was! welke verlaging, welke diepe ellende! Eertijds overwinnaar des duivels, thans zijn slaaf, zucht hij in de boeien. Wat heeft zijn hart, eertijds zoo rein, begeerd, sedert hij zich van God heeft verwijderd? Zijn er wel zinnelijke genoegeus, schandelijke voldoeningen, waarop hij zijne begeerige blikken niet heeft gevestigd. Door bitterheid verzadigd, door wroeging verscheurd, kan hij zeggen: Hoevele dienaars in mijn vaders huis hebben brood in overvloed, en ik verga van honger! Hoevele christenen in de wereld verheffen zich tot God, smaken God, genieten

-ocr page 282-

272

de zoetste vereeniging met God; eu ik, te midden van zoovele oefeningen, die mijne ziel kunnen voeden, ik sterf van honger. Gelukkig zijt gij nog, rampzalige ziel, dat gij uwen toestand erkent. God bemint u nog; keer weder in uwe ziel. Wees getrouw en oplettend op het werk der genade; weldra zullen de heilige voornemens volgen op de wijze overdenkingen.

II Punt. Moed van den verloren zoon in het besluit, dat hij neemt. Beschaamd over het verleden, bevreesd voor de toekomst, wapent hij zich met edelmoedigheid en besluit zijne dwalingen te herstellen. Ik zal opstaan. Ik was voor deze schande niet beschikt. — Koste wat het wil, ik zal mij aan dezen droevigen toestand ontrukken.... Maar waarheen, arme jongeling? wie zal medelijden hebben met uw welverdiend ongeluk? Ik zal tot mijnen Vader gaan.quot; Zoolang ik een Vader heb, wiens teederheid mij bekend is, blijft mij eene heilige toevlucht verzekerd. Het is waar, ik heb de ondankbaarheid ver gedreven; maar al ben ik een ontaard kind, blijft Hij toch een teeder Vader. — En wat zult gij tot Hem zeggen om hem te vermurwen? — Ik zal zeggen: .»mijn Vaderquot;; en dat woord alleen zal zijn hart verteederen. Zoo de ontsteltenis mij belet, hem mijn berouw uit te drukken; zullen myne tranen voor mij spreken; maar als ik mijne ontroering kan overmeesteren, zal ik hem al mijne boosheden belijden. Na een vermetel zondaar geweest te zijn, zal ik geen vreesachtig boetvaardige wezen. Ik zal hem zeggen: Ik heb gezondigd tegen den hemel, dien ik getuige gemaakt heb van mijne ongeregeldheden, maar ik heb vooral gezondigd tegen u, o beste

-ocr page 283-

273

aller Vaders; helaas; welke wonde heb ik uw Hart toegebracht!quot;

Hij heeft recht gedaan aan de goedheid zijns Vaders door van hem de vergiffenis zijner schuld te hopen; hij doet zich-zelven recht door zich te vernederen. Hij vraagt de voorrechten des Zoons niet, hij is die onwaardig, het is voor hem reeds genoeg, bij de huurlingen gesteld te worden. Eindelijk bepaalt hij zich niet tot onvruchtbare verlangens. Wat hij heeft besloten, brengt hij ten uitvoer, en dat on-middelijk: »Ik zal opstaanquot;, zegt hij, en reeds staat hij; — ik zal tot mijnen Vader gaan, en reeds heeft hij zij tie onreine kudde verlaten, en richt hij zich naar het vaderlijk huis.

Welk eene heerlijke vereeniging van vertrouwen en ootmoed , het ware kenmerk van den waarlijk boetvaardige. In plaats van zich over te geven aan eene even laffe als dwaze moedeloosheid, herneemt de bekeerde zondaar vertrouwen; hij durft rekenen op de oneindige barmhartigheid, en zegt tot zich-zelven; »Het ia waar, Hij, dien ik heb be-leedigd, is de driemaal heilige God; maar Hij is ook een Vader, die duizendmaal meer goedheid bezit dat alle vaders te zamen; ik moet als zondaar Hem, wel is waar, vreezen, doch als zijn kind mag ik alles van zijne teederheid verwachten. Hij ismeester. Hij is rechter; Hij heeft wetten, die Hij moet doen eerbiedigen, rechten, die Hij moet wreken; doch als Vader vergeeft Hij gaarne.quot;

Afgedwaalde ziel, volg zijn voorbeeld; verneder u eerst diep, de nederigheid zal u nader bij God brengen, gelijk de hoogmoed u van Hem verwijderd ch. i. 18

-ocr page 284-

274

tad. Indien gij u voor Hem nederbuigt, zult gij zijne barmhartigheid over u trekken. Hoe meer gij de goedheid uws Vaders onwaardig zijt, hoe meer gij zijn mededoogen zult opwekken. Hoe grooter Hij is, hoe genadiger Hij zal zijn. Overweeg deze bemoedigende woorden.

Hoe groot, hoe zwaar uwe zonden ook mogen zijn, wanhoop nooit aan derzelver vergeving. Zijt gij gevallen, sta op en snel tot den geneesheer uwer ziel; zijne ingewanden van liefde zyn voor u geopend. Zijt gij hervallen? Sta nogmaals op, zucht, roep en de barmhartigheid des Heeren zal u ontvangen. Zijt gy drie-, vier-, meermalen gevallen? Sta altijd op, ween, zucht, verneder u, en God zal u niet verlaten. Nooit heeft Hij het vermorseld hart veracht, nooit zal Hij het verachten, nooit heeft Hij den-gene verstooten, die oprecht tot Hem wederkeerde, nooit zal Hij hem verstooten; en zoo gij altijd opstaat, zal Hij u ook altijd vergeven. Waart gij zelfs »wat God verhoede! zoover gekomen Hem te verloochenen, zijne HH. Sacramenten te ontheiligen, erken, verfoei uwe misdaden, maak het besluit van nooit meer te zondigen en uw leven te beteren, en houd u verzekerd dat God u vergeven heeft; nooit zal uwe bedorvenheid of zwakheid de goddelijke barmhartigheid overtreffen; want zij kent maat noch grenzen. (Louis de Blois.)

III Punt. Geluk van den verloren zoon in de wijze, waarop hij wordt ontvangen. Dit laatste punt doet ons het Hart van God zien, gelijk de twee eerste ons het onze toonden. Had de vader den zoon vergeten? Neen, bij dacht onophoudelijk aan

-ocr page 285-

275

hem. Hoe kon hij hem van verre erkennen in den treurigen toestand, waarin èn misdaad èn ellende hem gebracht hadden? Hoe was het mogelijk, dat op dit gezicht geen gevoel van verontwaardiging zich van zijn hart meester maakte? Hoe vergat hij zoo spoedig alle misdrijven om slechts aan zijn ongeluk te denken? O, dit alles zijn geheimen der vaderliefde.

O mijn God, hoe ver was ik van u afgedwaald en door hoevele zonden had ik uw beeld in mij misvormd, toen Gij mij deedt gevoelen, dat Gij steeds aan mij dacht, dat Gij mij nog wildet erkennen! En op het oogenblik, toen ik slechts het gewicht uwer wraak verdiende vond ik in u slechts het levendigst, het edelmoedigst medelijden.

Maar welk een treffend schouwspel biedt onze Verlosser ons aan! De Vader wacht zijnen Zoon niet af.... hij gaat; hy snelt tot hem, werpt zich in zijne armen, om zijnen hals, en door zijne liefkozingen en tranen, verlicht hij zijn hart zoo vol teederheid en liefde; zulk eene liefderijke en zoo weinig verdiende ontvangst vermeerdert het berouw van den schuldige. Hij wil de nederige schuldbelijdenis doen, die reeds op al zijne gelaatstrekken te lezen staat; maar zijn vader onderbreekt die, en zegt tot zijne dienaren: »Geeft spoedig aan mijn zoon dat eerste kleed terug, waarmede ik hem zoo gaarne bekleed zag in zijne schoone dagen; steekt den ring aan zijnen vinger; doet aan zijne voeten dat schoeisel, dat hij in mijn huis droeg; bereidt het feestmaal en laten wij ons verheugen; en dat allen, die mij liefhebben, _deel nemen in mijn geluk; want mija

-ocr page 286-

276

zoon was dood, en is verrezen; hij was verloren, en hg is teruggevondenquot;.

Berouwvolle zondaar, wie gij ook moogt wezen, vrees de verwijten niet van een vader, die uw terugkeer verlangde. Hij zal u zijne vriendschap en met haar al uwe rechten terugschenken.... De oudste zoon, uit het veld komende, beklaagt en bedroeft zich.... Neen, getrouwe leerlingen, weest niet afgunstig. Men ontneemt u niets, noch uwe verdiensten, noch de liefde Gods. Uw broeder wordt koning, maar zonder u te onttronen; men verrijkt hem, maar gij verliest niets. Gij behoort u te verheugen, omdat uw broeder dood was en verrezen is,... Zondaar, thans met God verzoend, treed tot de H, Tafel, voed u met het lichaam van uwen God en vier een feest, waaraan al de rechtvaardigen der aarde, al de engelen des hemels zullen deelnemen. Zeg aan Jezus alles wat berouw, liefde en dankbaarheid u zullen inboezemen, — Ziel van Christus enz.

52ste OVERWEGING.

deik treffende uitwerkselen der goddelijke barmhartigheid, ten opzichte der zondaars,

I. Zij wacht hen geduldig af,

II. Zij zoekt hen met zorgvuldigheid. III. Zij ontvangt hen met vreugde,

I Punt, God wacht den zondaar geduldig af. Om al de barmhartigheid, die in dit geduld gelegen is,

-ocr page 287-

277

wel te begrijpen, moet men zich herinneren, wat de zonde is, welken haat God haar toedraagt en de redenen, die Hem verplichten ze zonder uitstel te straffen. Wat doet de mensch, als hij opstaat tegen den Heer? De H. Geest zal het ons zeggen: Hg heeft den arm tegen God opgeheven, en geloofde zich sterk genoeg, om den Almachtige het hoofd te bieden. Hij is hem met opgeheven voorhoofd tegemoet gegaan en heeft zich gewapend met een onhuigzamen hoogmoed (1). Zij hebben tot God gezegd: Vertrek van hier, wij willen uwe wegen niet kennen. Wie is de Almachtige, om ons te verplichten Hem te dienen (2).

Zij hebben den Zoon Gods in zich herkruisigd (3). Welke vermetelheid, welke goddelooze en heilig-schennende razernij! En die vaten van gramschap, die slechts verdienen verbrijzeld te worden, duldt die barmhartige God soms vijftig, zestig jaren. En intusschen draagt Hij die zondaars in zijn Hart, voedt ze en overlaadt ze met weldaden.

De rechtvaardigen maken zich dit bijna tot ergernis, zij beklagen zich soms daarover aan God-zelven. Ik bezweek bijna bij het zien van den vrede des zondaars. Sta op, Heer, hoe komt het, dat Gij schijnt te sluimeren. De boozen misbruiken soms die lang-moedigheid, waarmede God hunne straf uitstelt, en die hun kwaadaardig hart niet bekwaam is te gevoelen. Zij verheffen zich op hunne aanslagen tegen den hemel. Zij willen doen gelooven, dat de God, die hunne misdrijven niet op schitterende wijze straft,

181 (1) Job 15 , 25, 26. (2) Ib. 21, 14, 15.

-ocr page 288-

278

een God is, die lien niet kent. Maar hoe? is dit onmacht, in een almachtig wezen? Met één blik doet Hij de aarde daveren en kan Hij het heelal verdelgen. Is het onverschilligheid voor de beschimpingen, die Hem worden aangedaan? Hij haat op oneindige wijze de zonde, Hij vindt haar slechts genoegzaam gestraft door de hel, genoegzaam beweend door de tranen van eenen God, genoegzaam hersteld door den dood van eenen God!

Welk een wonder van goedheid is dan zooveel geduld in het verdragen van de zonde in een God, die zoodanig de zonde baat? Ziedaar wat zijn arm weerhoudt, en belet al die schepselen, die zich aanbieden om zijne gramschap te dienen, te laten werken tegen degenen, die Hem beleedigen; want alle, zegt de H. Gregorius, vragen om zijne beleedigde eer te herstellen en te wreken... Wilt Gij het, Heer, zegt de zon, zoo zal ik den ondankbare verbranden dooide stralen, waarmede ik hem verlicht; en ik, zegt de aarde, zal afgronden openen onder zijne voeten; ik, zegt de hel, die slechts besta tot straf uwer vijanden, ik zal ze overleveren aan eeuwige kwelling!... Wat antwoordt de Heer? Wacht; — het is waar, ik zou mij verdere beleedigingen sparen, door degenen te straffen, die mijne weldaden niet verteederen, maar het kost mij te veel, ze in het verderf te storten. Dat zij liever tot mij komen en leven! Die langmoedigheid, dat geduld, die liefde, zijn zij reeds geene genoegzame beweegredenen tot bekeering ?

II Punt. God zoekt den zondaar met zorgvuldigheid. In de orde der menschelijke zaken, is het de aanvaller, die de eerste schreden tot verzoening moet

-ocr page 289-

279

doen; in de orde der zaligheid, is de menscli de schuldige, God de beleedigde en intusschen is het God, die den mensch opzoekt en voorkomt. Als Hij wonderen van gestrengheid zou moeten doen om te straffen, doet hij wonderen van barmhartigheid om ous zalig te maken. Nauwelijks vluchten wij Hem, niettegenstaande de stem zijner genade, of Hij roept ons terug door de stem van ons geweten. Hij ontstelt, Hij verontrust ons, Hij stelt ons alles voor oogen, wat in staat is om ons te treffen: de kortheid van het leven, de onzekerheid van het oogenblik des doods, zijne weldaden, zijne rechtvaardigheid , zijne goedheid. Hij vervolgt ons op alle plaatsen, ten allen tijde; Hij verwekt gunstige omstandigheden. Helaas, zoo Hij ons aldus niet voorkwam, wat zou er van ons worden ? Sterk als razenden, om ons uit zijne armen te rukken, zijn wij zwakker dan kinderen, als wij tot Hem moeten wederkeeren. Wij moeten met David zeggen: gt;Heer, ik hen afgedwaald, ik ben verdoold, zoek Gij uw armen dienaar!quot; Hij doet dit en met welken ijver! Om ons hiervan eenig denkbeeld te geven, vermenigvuldigt de Heer de gelijkenissen: Dan is het een herder, die zijne kudde verlaat om het afgedwaalde schaap te zoeken. Waar is het? Zal hij het bijtijds vinden. Zijne liefde doet hem vreezen; hij klimt over rotsen, doorwaadt de stroomen, wil geen rust nemen , voor dat het in den schaapstal teruggebracht zij. Onvoorzichtig en lichtzinnig schaap als het was, had het slechts zijne natuur gevolgd, het had zich opgehouden dan bij dezen, dan bij dien grashalm, en aldus was het van de overige afgedwaald ; het

-ocr page 290-

280

was Terloren... Ziedaar ons beeld, Heer, in onze afwijkingen; maar hoe zoet is het ons uw beeld terug te vinden, door u zeiven geschetst, in dien goeden en edelmoedigeu herder. Dan weder toont de H. Schrift ons Jezus, uitgeput aan den weg gezeten, door dorst gekweld; het is de begeerte onzer zaligheid, die Hem verteert. Sitio, Ik heb dorst; dan weder door het diepste medelijden bewogen , Ik heb medelijden met de scharen; dan weder met tranen bedekt, bij het zien ouzer ellenden en de ongelukken, die ons bedreigen: Jeruzalem ziende weende hij over haar!

Bij de parabel van den herder, voegt de Heer eene tweede, die door eene derde gevolgd wordt, altijd om ons vertrouwen op te wekken. Eene vrouw, die tien drachmen bezit, bemerkt dat zjj een verloren heeft. Zij ontsteekt hare lamp en doorzoekt haar geheele huis; koste wat het wil, zij moet haar geldstuk wedervinden. O mijn God, zou men niet zeggen, dat Gij behoefte aan ons hebt om gelukkig te zijn, eu dat Gy al wat Gij bezit, weinig acht zoo lang u eene ziel ontbreekt, die de zonde u ontroofd heeft?

III Punt. God ontvangt met vreugde den zondaar, die tot Hem wederkeert. Men herinnere zich de ontvangst van den verloren zoon, het feestmaal en de vreugde over zijne terugkomst. Hadde ik mede aangezeten, wie zou dan aan dien feestdisch mij het gelukkigst geschenen hebben, de vader of de zoon? En de herder, die zijn schaap wedervindt, met welke blijdschap laadt hij het op zijne schouders! Zoodra hij tehuis gekomen is, stort zich de vreugde

-ocr page 291-

281

zijns harten uit. Hij heeft behoefte, die mede te deelen; hij roept zijne vi\'ienden en naburen, en zegt: »Wenscht mij geluk, ik heb mijn schaap wedei-gevonden.quot; O God, geheel de uitgestrektheid uwer barmhartigheid, voor den berouwhebbenden zondaar toont zich hier in volle licht. Zoo zijne boosheden u vermoeien, is zijue ziel voor u een zoete last, als hij steunt op uwe beloften, en met vertrouwen rust op uwe liefde.

Maar zoo God met vreugde het verdwaalde schaap ontvangt, hoe zou dan de berouwvolle zondaar vreezen, door God öf verworpen, of aan zijne eigene zwakheid overgelaten te worden? God beminde mij, toen ik Hem vervolgde; zal Hij mij haten, nu ik Hem een vermorseld en vernederd hart kom aanbieden ? Hij zocht mij, toen ik Hem ontvluchtte; zal Hij mij verstooten, nu ik mij in zijne armen kom werpen? Wensch mij geluk; ik heb mijn schaap , dat verloren was, wedergevonden. Men zou zeggen, dat een gelukkige meer, voor God eene vermeerdering van geluk is. — Als Hij de zaligheid des vredes kan storten in eene ziel, door wroeging en berouw verscheurd, dan, heilige engelen, glorierijke uitver-koornen, vraagt Hij uwe gelukwenschen. Hij wil dat er feest zij in den hemel. O heilige boetvaardigheid, hoevele beweegredenen om u te omhelzen!

-ocr page 292-

282

53ste OVERWEG INO.

het sacrament van boetva ardighkid. baumhartigheid van god in de sacramenteele absolutie.

I. De zonde, door het vonnis der verdoeming onherstelbaar, wordt door de uitspraak der Absolutie vergeven.

II. De zondaar wordt door deze uitspraak van de hel verlost.

III. De zondaar wordt weder hersteld in het bezit zijner goederen.

Om de uitgestrektheid van Gods barmhartigheid te begrijpen, is het nuttig die te stellen tegenover de rechtvaardigheid, de troostende uitwerkselen van de uitspraak der Absolutie tegenover de vreeselijke gevolgen van het vonnis der verdoeming. Veronderstel

O O

twee personen, die beide even schuldig zijn. Zij hebben hetzelfde aantal van dezelfde doodzonden bedreven. Beiden hebben hetzelfde berouw. De eene sterft plotseling zonder in zich-zelven te treden, en wordt veroordeeld; de andere ontvangt de H. Absolutie, en wordt gerechtvaardigd. — Tot een dezer zondaars wordt gezegd; Tt7quot;eg van mij in het eeuwig vuur; tot den andere: Ik ontsla u van uwe zonden. Het ongeluk van den eerste doet ons beter het geluk van den tweede begrijpen.

I Pont. De zonde, door het vonnis der verdoeming onherstelbaar, wordt door de uitspraak der Absolutw vergeven. Bij het oordeel der goddelijke rechtvaardigheid , is de vloek Gods als een ijzeren keten, die den zondaar voor eeuwig aan zijne zonde kluistert; voortaan zgn zij onafscheidbaar; nooit zal iets de

-ocr page 293-

283

zonde kunnen vernietigen, noch den zondaar verlossen. Door een gansch tegenovergesteld uitwerksel, wordt de heilige Absolutie nauwelijks uitgesproken onder de vereischte voorwaarden, of de keten is gebroken, de zondaar ontbonden, de zonde vernietigd.... Hoe zoet is het voor eene schuldige ziel, die weet wat het geloof ons omtrent de zonde leert, dit laatste woord te overwegen....

Ik lag in het diepste van den afgrond.... Ik had zware en ontelbare zonden bedreven. Ik heb ze gebiecht met een berouwvol hart, ten minste met dat onvolmaakt berouw, waarmede de Heer in zijne oneindige goedheid, zich bij het heilig Sacrament wel tevreden wil stellen; en zie, nu ben ik met God verzoend! Mijne zonden zijn vergeven; zij roepen niet langer wraak tegen mij, want zij zijn vernietigd. »Ik ben het, ik hen het zelf, die uwe boosheden uit-wisch, en ik zal uwe zonden niet meer gedenken /quot; (1)

De H. Cyprianus noemt het Sacrament van boetvaardigheid een vervroegd oordeel van Jezus-Christus. Als de priester mij vrijspreekt, ben ik vrijgesproken door Jezus-Christus; en als Hij mij zal komen oor-deelen in zijne rechtvaardigheid, zal Hij datgene niet meer herdenken, dat Hij mij in zijne barmhartigheid vergeven heeft. O mijn God, hoe kan ik u genoeg danken voor zulk eene genade! Mijne, zonden, die altijd voor mijne oogen staan, werpen ontsteltenis en schrik tot in het merg mijner beenderen; het is het leger der Egyptenaren, dat de bevreesde Israëlieten achtervolgt; doch zoo ik slechts wil, zullen zij alle overstroomd worden door het

(1) Is. 43, 2a.

-ocr page 294-

284

Bloed van Jezus-Christus, gelijk de Egyptenaren door de wateren der Roode zee

11 Punt. De zondaar door het vonnis der rechtvaardigheid veroordeeld tot de hel, wordt door de uitspraak der If. Absolutie van de hel verlost. Zoodra liet eeuwig vonnis de zonde onherstelbaar heeft gemaakt , wordt hij die ze bedreven heeft, geworpen in dien vreeselijken kerker, waaruit geene verlossing mogelijk is; want hij is schuldenaar, en kan zijne schulden niet meer voldoen. Doch zoodra ik door het heilig Sacrament met God verzoend ben, ben ik van die vreeselijke zondeschuld verlost. Geene doodzonde, geene hel meer. O mijne ziel, van welken last zijt gij bevrijd! Een mensch veroordeeld tot den dood of tot levenslange tuchthuisstraf wordt door blijdschap vervoerd bij het vernemen, dat hem genade verleend wordt. Duizendmaal gelukkiger is de berouwvolle zondaar op het oogenblik, dat hij de heilige Absolutie ontvangt. Welke gevangenis, welke foltering was voor hem bereid voor eene enkele zware overtreding van Gods wetten! Maar, zegt de H. Paulus, voor degenen, die in Jezus- Christus zijn, is er geene veroordeeling (1).

Ik was niet meer in Hem, ik behoorde niet meer tot zijn geheimzinnig lichaam als levend lidmaat, ik was als de wijnrank van den wijnstok afgescheiden. Gelukkige vrijspraak, die mij hereenigd heeft aan mijn Verlosser, de bron van het ware leven! Welk eene bewonderenswaardige verandering had in mij plaats! En waaraan ben ik dit verschuldigd, Heer, dan alleen aan uwe oneindige barmhartigheid!

(1) Rom. 8, 1.

-ocr page 295-

285

III Punt. De. zondaar, van alle goederen beroofd en tot wanhoop gebracht door het vonnis van verdoeming , wordt hersteld in het bezit zijner goederen en met vreugde vervuld door de uitspraak van verzoening. Zoolang zij op aarde verwijlt, is de scliuldige ziel nooit zoover van God verwijderd, of zij ontvangt nog van Hem zeer groote goederen. Nooit kan men zeggen, dat zij alles verloren heeft, daar zij altijd de genade bezit van het gebed, waardoor zij het opperste geluk kan terugbekomen. De hoop wordt haar niet alleen toegestaan, maar zelfs geboden. Doch heeft zij, eenmaal voor Gods rechterstoel, dat vreeselijk vonnis. Weg van mij, vernomen, dan moet men in den volsten zin zeggen, dat zij alles verloren heeft, dan blijft haar zelfs geene hoop meer over. Alles daarentegen wordt terugbekomen, alles is gered voor de boetvaardige ziel, die door de kracht van het H. Sacrament, de vriendschap des Heeren terug gekregen heeft.

De doodzonde had haar hare schoonheid, hare verdiensten, haar vermogen om verdiensten te vergaderen, hare vrijheid, haren vrede, haar leven ontnomen; dit alles is hersteld. De schatten, die ik gedurende een wellicht reeds lang leven verzameld had in onschuld en vurigheid, de vrucht mijner goede werken, mijne titels, mijne rechten,.... dit-alles had ik verkwist,.... dit alles wordt mij teruggegeven. Na de Absolutie ben ik als voor de zonde, het kind, de vriend van God, de broeder en medeerfgenaam van Jezus-Christus! Schoone hemel, gij behoort mij weder toe, mits ik volharde in den nieuwen en gelukkigen staat, waarin het H. Sacrament

-

-ocr page 296-

286

mij hersteld heeft. Hieruit vloeit die zuivere en dikwijls zoo zichtbare vreugde, die zoete kalmte voort, die de ware boetvaardigen gewoonlijk gevoelen bij het verlaten van den heiligen rechterstoel. O zoete verzoening, kan men u kennen en zich-zelven het geluk ontzeggen, dat gij te weeg brengt.

Heb ik wel tot dusverre den prijs begrepen van de gunst, mij door de H. Absolutie toegevoegd? Welke dankbaarheid, welken heiligen yver moet mij zulk eene treffende barmhartigheid inboezemen!

54ste OVERWEGINO.

het gebruik dat ik maken moet van het h. sacrament van boetvaardigheid.

I. Het dikwijls ontvangen If. Het heiliglijk ontvangen.

I Punt. De goede religieus maakt dikwijls gebruik van het H. Sacrament der Biecht. De behoefte, die ik er aan heb, de groote genaden, die ik er van hoop, maken mij deze oefening tot een plicht, welke in alle vurige gemeenten zoo trouw volbracht wordt.

1°. Daar ik onophoudelijk nieuwe schulden maak jegens de rechtvaardigheid Gods, door het bedrijven van nieuwe fouten, kan ik mij niet dikwijls genoeg wenden tot hen, tot wie God gezegd heeft: Wat gij ontbonden zult hebben, zal ontbonden zijn.

Ik beklaag mij niets te verstaan van de hemelsche zaken, ik benijd het lot van die bevoorrechte zielen,

-ocr page 297-

287

die God hierbeneden reeds zien, die Hem smaken in het gebed, die Jezus-Christus bemerken onder de sluiers van het H. Sacrament, onder de lompen van den arme, die zijne stem hooren in hunne lezing of by het aanhooren van zijn woord. Weet ik dan niet, dat die voorrechten gehecht zijn aan de zuiverheid des harten? en is dan het zekerste middel om daartoe te geraken, niet gelegen in mij dikwijls te gaan wasschen in het Bloed van het Lam, dat de zonden der wereld afwascht?

Waaruit komt die afkeer, die ons aanzet om onze biechten uit te stellen? Waarheen kan hij ons voeren? Dikwijls is het eene begoocheling van den geest van duisternis, dikwijls eene uitwerking van een verborgen hoogmoed, dikwgls eene straf onzer lauwheid, dikwijls vreesachtigheid. Doch van welken kant het kome, is het een groot kwaad en een hinderpaal ter zaligheid. Waaraan stelt men zich door dit uitstellen bloot? Aan het gevaar van in lauwheid, in geestelijke verblindheid, in verharding te vallen. Stellen wij tegenover deze schrikwekkende gevaren de kostbare genaden van het getrouw naderen tot het H. Sacrament der Biecht.

2°. »Men houdt zich algemeen overtuigd,quot; zegt de Catechismus van het Concilie van Trente, »dat al de godsvrucht en heiligheid, die wij in de H. Kerk gewaar worden, vooral moet toegeschreven worden aan het heilig gebruik van de biecht.quot; Behalve de heiligmakende genade, welke de bedreven zonden vergeeft, deelt dit Sacrament ons eene actueele genade mede, welke ons voor de zonde behoedt. Het onderhoudt de waakzaamheid, vermeerdert de vurig-

-ocr page 298-

288

Leid, en maakt de ziel dagelijks reiner en volmaakter. Wanneer wij het ontvangen met geloof en vooral wanneer wij ons tot wet stellen, het dikwijls te ontvangen, gevoelen wij ons beter gewapend tegen onze bedorven neigingen. Wij hebben meer kracht om te weerstaan aan uitwendige bekoringen; wij onthechten ons met meer gemak van de liefde tot vergankelijke goederen; wij zoeken met meer drift de hemelsche rijkdommen; wij gevoelen den vrede, waarvan de Apostel spreekt en die hij nooit beter heeft kunnen uitdrukken, dan door te zeggen, dat hij alle gevoel overtreft. (P. Berthier.)

Voegen wij hierbij de deugden, die wij bij eene goede biecht beoefenen: de kinderlijke vrees, ons zoo dikwijls in de II. Schriftuur aanbevolen; het geloof aan Gods beloften, het vertrouwen in zijne barmhartigheid, de verloochening van ons zeiven, en... vooral de nederigheid, die ons doet nederknielen, om aan een mensch onze zwakheden te belijden, en van hem die berisping, dien raad, die vermaningen te ontvangen, die voor onzen hoogmoed steeds pijnlijk vallen.

II Punt. De goede religieus maaht een heilig gebruik van het Sacrament van boetvaardigheid door de gesteltenis, welke hij daartoe medebrengt, en door de zorg, waarmede hij alle gebreken vermijdt, welke dikwijls in de biecht insluipen.

1°. Ik moet trachten altijd te biechten met een berouwvol en ootmoedig hart; en daar dit eene onmisbare voorwaarde is, daar alle atidere hier op rusten, moet ik hiervan het grootste werk maken. Alvorens den heiligen rechterstoel te naderen, zal

-ocr page 299-

289

ik mij met diepen eerbied stellen in de tegenwoordigheid van God, en nadat ik den Vader den geest van kracht zal hebben gevraagd, om boetvaardigheid te doen, en de beleediging te wreken, die ik Hem heb aangedaan, aan den Zoon het licht, dat ik noodig heb om mijne zonden te kennen, aan den H. Geest het vuur zijner liefde, om in mijne ziel alles te verteren en te vernietigen, wat Hem heeft kunnen mishagen, zal ik kalm mijn geweten onderzoeken; weinige oogenblikken zullen hiertoe voldoende zijn, indien ik in de gewoonte eener heilige ingekeerdheid leef en dagelijks mijn geweten onderzoek; mijne bijzondere zorg zal zijn, een als te van berouw op de volmaakst mogelijke wijze te verrichten, en mij hiertoe op te wekken door de beweegredenen, die mij het meest zullen treffen.

Bij de beschuldiging bedient de ware boetvaardige zich van eenvoudige, korte, duidelijke woorden; hij verlangt, dat zijne fouten gekend worden door den plaatsvervanger van God, gelijk God zelf die kent. Hij beschouwt de schaamte, die hy gevoelt in het belijden dier zonden, als eene zeer lichte voldoening, die de zegen des hemels over hem zal trekken. Na de zonden beleden te hebben, treedt hij in de Wonden van Jezus-Christus, om er de genezing der zijne te vinden en de genade te verkrijgen van zich-zelven kloekmoedig te verloochenen. Hij luistert ootmoedig naar de vermaningen van den biechtvader, neemt gaarne en gewillig de boete aan, die hem wordt opgelegd; en op het oogenblik der Absolutie, verbeeldt hij zich met de H. Magdalena van Pazzi, dat hij het aanbiddelijk Bloed des Zaligmakers over zijne CH. I. 19

-ocr page 300-

290

ziel ziet stroomen, of wel, dat hij de verloren zoon is, wien de vader den vredekus geeft als onderpand zijner volle vergiffenis.

2o. Eindelijk moet ik trachten de gebreken te vermijden, waarin velen, die dikwijls te biechten gaan, somtijds vallen. Men gaat te biechten uit gewoonte en bijna zonder ingekeerdheid. Dit zou altijd moeten voorafgegaan worden door eenige oogenblikken van vurig gebed, doch niet na verstrooiende bezoeken, gesprekken of bezigheden. — Men biecht op onbepaalde wijze, zonder iets met juistheid te zeggen, de bekoringen of de kwade neigingen verwarrende met de zonden. Men maakt zich eene gewoonte van zeer lichte fouten, die dikwijls onvrijwillig zijn te biechten, waarover men gewoonlijk geen berouw heeft. Beter ware het bijzonder te drukken op die, waarvan men zich oprecht zoekt te beteren. — Na de biecht keert men te spoedig weder tot zijne bezigheden of verstrooiende gesprekken, terwijl men God moet bedanken voor de buitengewone genade, ons verleend.

Vraag u thans in tegenwoordigheid des Heeren en zijner eeuwige waarheid, rekenschap af van de vruchten, die gij getrokken hebt uit een Sacrament, dat den hemel aan zoovele uitverkoornen bezorgd heeft. Hebt gij met de noodige zorg een zielbe-stierder gezocht? Hebt gij zijnen raad opgevolgd? Zijt gij dikwijls te biechten geweest? Welke ingekeerdheid, welken geest van geloof hebt gij nederge-legd aan de voeten van Jezus-Christus, dien gij steeds in den persoon van zijnen dienaar moest erkennen?

O mijn God, maar al te dikwijls heb ik dit groote

-ocr page 301-

291

middel ter heiliging, mij door uwe barmhartigheid bereid, verzuimd; en als ik te biechten ging, helaas, hoe deed ik het? Maar uwe genade heeft heden uwen dienaar niet te vergeefs verlicht! Voortaan zal ik met meer zorg dit zoo troostend Sacrament ontvangen. Ik zal mijne boosheid belijden voor den Heer; en Gij, die het berouw steeds genadig ontvangt, zult mij tegelijk met mijne zonden, al derzelver ondankbaarheid en boosheid vergeven.

O, mocht ik bij het naderen des doods mij vreugdevol de belofte herinneren, die Gij ons doet door uwen Apostel. »Indien wij ons zeiven oordeelen, zullen wij niet geoordeeld worden\'quot; (1)

55ste OVERWEGING.

BEKEEEING VAN DEN H. PETRUS. BEWEEGEEDEN TOT HOOP, ZELFS VOOR DE GROOTSTE ZONDAAES.

I. Wat Jezus-Christus zich in deze bekeering

voorstelde.

II. Barmhartigheid, die Hij daarin doet uitschijnen.

1. Stel u den H. Petrus voor op het oogenblik, dat hij ten derden male verzekert, dat hij Jezus niet kent, en zoek op zijn gelaat den indruk te lezen, dien de blik van Jezus op hem teweeg brengt.

2. O mijn Jezus, ontdek mij de schatten van het teeder mededoogen, in uw goddelijk Hart besloten.

(1) I Cor. 11, 81.

-ocr page 302-

292

De zonde heeft ons den dood toegebracht, doch een uwer oogslagen kan ons het leven wedergeven.

I Punt. JVat stelt de Verlosser zich voor in de hekeer in g van den H. Petrus1? Aan de zondaars vertrouwen in te boezemen, hoe groot, hoe zwaar hunne misdaden zyu, en aan de priesters de toegevendheid en het medelijden jegens de afgedwaalden, hoe schuldig zij ook mogen wezen. In de gelijkenis van den verloren zoon, door zijn vader met vreagde-blijken ontvangen, met rijke kleederen bekleed, met den ring versierd, werd de belofte door God aan den berouwhebbenden zondaar gedaan, van zijne misdaden zoodanig te vergeten, dat zij hem niet meer zouden schaden, op bewonderenswaardige wijze bevestigd. Doch er kon nog twijfel big ven omtrent eenige grootere misdaden, welke de vijand der zaligheid kon voorstellen als buiten de grenzen der vergiffenis liggende. De verloren zoon stelt inderdaad beter den zondaar der wereld voor, dan die des heiligdoms; zijne afwijkingen droegen geen stempel van heiligschennis, gelijk die der God toegewijde personen. Doch hij, die hier valt en opstaat, is priester, een boezemvriend van Jezus-Christus, een apostel en de eerste der apostelen. Zijne zonde is hemeltergend en nochtans vergeeft Jezus hem on-middelijk. Van dit oogenblik af verheft Petrus in zich de banier der hoop, opdat allen, die zich zoo ver vergeten als hij, zich ook mogen beloven, door het berouw, gelijk hij, te kunnen opstaan en aan de wereld deze troostende waarheid mogen verkondigen, dat er geene zonde is, hoe zwaar, hoe afschuwelijk ook, die door de tranen van het berouw

-ocr page 303-

293

niet uitgewischt kan worden. En gij, eenmaal bekeerd zijnde, bevestig uwe broeders. Het is, als hadde de Heer tot het hoofd zijner Apostelen gezegd: Gedenk , Petrus, dat gij eenmaal door het voorbeeld uwer boetvaardigheid, uwe broeders, die zwakker zijn dan gij, moet versterken, opdat zij, zondaars gelijk gij, nooit aan hunne vergiffenis wanhopen. (Ventura)

Daar de priesters de bedienaars der verzoening zijn, moest Jezus hun hart wel vormen naar het voorbeeld van het zijne, het vervullende met eene teedere vaderliefde voor de verst afgedoolde zielen, en hiertoe dienden bijzonder de val en de bekeering van Petrus. Door toe te laten, dat een Apostel, die van Hem de uitgestrektste macht ontvangen had om de zonden te vergeven, zelf zulk eene groote vrijspraak noodig had, wilde Hij, zegt de H. Joannes Chrysostomus, dat de priesters zouden leeren, hoe gemakkelijk en gaarne zij de vergiffenis moeten verleenen door het berouw afgesmeekt, zich wel wachtende voor die onverbiddelijke gestrengheid, die veeleer den zondaar tot wanhoop brengt, dan dat zij de zonde vernietigt.

II Punt. Barmhartigheid, welke de Verlosser doet uitschijnen in de bekeering van den H. Petrus. Stellen wij ons alle omstandigheden van tijd en plaats wel voor oogen, waarin de vreeselijke godsverloochening plaats had en den persoon, die zich daaraan schuldig maakte. Jezus staat daar aan alle verguizing ten prooi. Valsche getuigen beschuldigen Hem; onrechtvaardige rechters veroordeelen Hem, een onbeschaamde soldatentroep hoont en misvormt Hem, overlaadt Hem met vuistslagen en ruwe beschimping.

En het was toen, op dezelfde plaats, dicht bij

-ocr page 304-

294

Hem, dat een zoo teeder beminde leerling, door zoo vele weldaden en beloften aan Hem verknocht, als een schandvlek de verdenking afslaat als zou hij bij Jezus behooren, Hem zelfs slechts kennen!

Maar nauwelijks was de derde verloochening aan zijne lippen ontvloden, of Jezus keert zich voor alle antwoord naar de zijde, waar hij staat, en werpt op Petrus een dier blikken, die het hart begrijpt, doch nooit vergeet. O hoe welsprekend was die blik! »Zijt gij het wel, mijn welbeminde leerling, dien ik gehoord heb, en sedert wanneer kent gij mij niet meer? gt;Wel kendet gij mij, toen mijn arm u steunde boven de golven der zee, toen gij op Thabor uitriept: Heer, het is ons goed, hier te zijn! En thans te midden van mijn lijden, nu ik den troost der vriendschap zoo zeer behoef, vermeerdert gij mijne smart door mij te verloochenen. Bij de uitwendige genade voegt de Heer eene inwendige , overvloedige, krachtvolle genade. Hij vernedert Petrus ter zelfder tijd, dat Hij hem ondersteunt; Hij doet hem blozen over zich-zelven, door hemde goedheid te doen zien van Hem, dien hij bedroeft. Terzelfder ure, dat Hij hem de grootheid doet zien van zijne zonde, verzekert Hij hem derzelver vergiffenis; zet Hij hem aan tot berouw, zoo wekt Hij hem op om Hem te beminnen; bedroeft Hij hem, zoo troost Hij hem tevens; en zoo Hij slaat, zalft Hij terzelfder tijd.

Petrus meent zijne vergiffenis gelezen te hebben in den blik van zijn goeden Meester, en zijn vertrouwen wordt niet beschaamd. Niet alleen vergeet Jezus zijne misdaad, maar Hij bevestigt hem in al

-ocr page 305-

295

zijne voorrechten als Hoofd der Kerk, als opperherder

heiast met het hoeden der schapen en lammeren.....

Hij geeft hem die verheven plaats terug, die hij vroeger bekleedde in zijn Hart, door hem bepaaldelijk zijne verrijzenis te doen verkondigen: Gaat en boodschapt het aan mijne leerlingen en aan Petrus (1): en hem verschijnende, alvorens zich aan de anderen te vertoonen (2). Welke goedertierenheid! Kon Hij die ouder levendiger kleuren doen uitkomen?

Onttrekken wij dan aan God de vreugde niet, die Hij vindt in vergiffenis te schenken. Ziehier, zegt Hy , mijn naam , myne titels , mijne hoedanigheden, alles wat ik voor u wil wezen, o zondaars, zoodra gij tot mij zult wederkeeren, de oneindig goede, teedere, geduldige, barmhartige God, in alles ver verheven boven al wat de menschelijke geest kan uitdenken. Houdt dan op, u te ontmoedigen bij het herdenken uwer boosheden, hoe groot, hoe talrijk zij ook mogen zijn. Zoodra gij ze oprecht betreurt, is er geene zonde, geene misdaad zoo zwart, die in tegenwoordigheid mijner liefde voor u niet verdwijnt, gelijk de duisternis van den donkersten nacht bij het opkomen van de zon. Even ver als het Oosten verwijderd is van het Westen, zal ik uwe boosheden van u verwijderen.

Ja, mijn God, Gij zijt het zelf, het is uwe onfeilbare belofte, het is uwe liefde, die hier spreekt; gewaardig u op uwe beurt te luisteren, en de zuchten van mijne smart, de betuiging mijner eeuwige liefde te aanvaarden. Daar Gij u nog gewaardigt, u aan

(1) Mare. 16, 7. (2) I Cor. 15. 5.

-ocr page 306-

296

mij te schenken in uw allerheiligst Sacrament, smeek ik u, kom u wreken op mijn hart, gelijk Gij u gewroken heht op uwen apostel. Kom, en stel mij in staat om u met hem te zeggen: Heer, Gij weet alle dingen; Gij weet dat ik u bemin. (1)

569te OVERWEGING.

BEKEERING VAN DEN H. PETRUS. VOLMAAKT VOORBEELD VAN BOETVAARDIGHEID.

I. Hij beweent.

II., Hij verlaat.

III. Hij herstelt zijne zonde.

I Pdnt. Petrus beweent zijne zonde. Een enkele blik van Jezus bekeert Petrus; de herhaalde vermaningen, de krachtvolste en teederste woorden zijn machteloos op het hart van Judas. Zonderlinge en vreeselijke waarheid! Deze doet boetvaardigheid en bekeert zich met mindere hulpmiddelen, gene sterft onboetvaardig en verdoemt zich, na van den hendel de uitnemendste genaden bekomen te hebben. Petrus is vaardig en getrouw in het medewerken met de genade, die hem voorkomt, en hierin verdient hij vooral voorgesteld te worden als voorbeeld aan den berouwhebbenden zondaar.

Bij het licht van den hemelschen genadestraal uit het oog van zijn goddelijkea Meester, schijnt de apostel uit een diepen slaap te ontwaken... Groote

(1) Joa. 21, 17.

-ocr page 307-

297

God, wat heb ik gezegd? wal heb ik gedaan? welk oogenblik heb ik uitgezocht, om zulk eeu goeden Meester te beleedigen? Hoe, ik zou Hem niet kennen! ik heb dit kunnen zeggen, tot driemaal toe kunnen bevestigen, het onder eede durven herhalen!... O meineed, o lafheid, o hemeltergende ondankbaarheid! O hartverscheurende voorspelling, zoo zijt gij dan vervuld! Ik heb Jezus verloochend, ik, die beloofd had... Het licht dat zijne ziel vervult, ontdekt hem al de zonden, die hij in deze enkele bedreven heeft: ongeloovigheid, verwaandheid, onachtzaamheid, goddeloosheid , wreedheid, ergernis! Petrus herdenkt alles... Maar wat herdenkt hg ? Dacht hij, gelijk Judas, slechts aan zijne euveldaad, dan zou hij, even als deze, in wanhoop vallen; maar hij herdenkt het woord des Heeren; alles wat Jezus gezegd en gedaan heeft om het berouw aan te moedigen, aan al de heerlijke gelijkenissen, die zijne onuitputbare barmhartigheid ten volle doen gevoelen. Hij gedenkt, dat hij Hem heeft hooren verklaren, dat Hij gekomen was, niet om de rechtvaardigen, maar om de zondaars te roepen; doch vooral denkt hij aan hetgeen Jezus hem een oogenblik voor zijnen val gezegd had, om hem te waarschuwen. O hoevele herinneringen heeft die blik in hem opgewekt, hoevele zaken heeft hij hem doen begrijpen! Hij kan het niet meer uithouden; zijn hart is verscheurd, hij smelt in tranen!\' hij spreekt niet, zegt de H. Ambrosius, maar hy weent; die tranen zgn tegelijk zijne uitwendige schuldbelijdenis en de oprechte betuiging van zijn berouw, zij doen meer dan vergiffenis vragen, zij verdienen en verkrijgen die. Gelukkige tranen, voegt

-ocr page 308-

298

de H. Leo hierbij, die voor den ontrouwen apostel de kracht bezitten van een tweede Doopsel, de vlek uitwisschen en de straf zijner zonde vergeven. Tranen even zoet als bitter, bitter als het berouw, zoet als het vertrouwen en de dankbaarheid; van af de oogen waaruit zij vloeien, springen zij tot voor uwen troon, o mijn God, voldoen uwe rechtvaardigheid, en trekken over de bekeerde zondaars al de zegeningen uwer liefde.

II Punt. Petrus verlaat de zonde, door datgene te verlaten, wat oorzaak was van zijnen val. Nauwelijks aan de genade en aan zich-zelven teruggegeven, verlaat hij in allerijl een gezelschap, dat voor zijne deugd zoo noodlottig geweest was. Overwegende, dat zgn eerste val slechts door een tweede en derde gevolgd is, omdat hij zich weder in het gevaar der bekoring gesteld heeft, na dit verlaten te hebben, mistrouwt hij nu zich-zelven. Zijne vorige vermetelheid maakt hem voorzichtig: hij vertrekt. Had hij niet meer moed getoond door zich openlijk voor Jezus te verklaren op deze zelfde plaats, in hetzelfde uur, dat hij Hem verloochend heeft? — Wellicht, doch er hadde minder nederigheid in gelegen. Moeten de getuigen zijner misdaad het ook niet wezen van zijne boete? Weldra znllen zij dit zijn; doch Petrus leert ons intusschen dat, onder voorwendsel eener noodzakelijke eerboete, men een slecht uitge-doofden drift niet moet blootstellen en teruggaan tot de zonde, ten einde er anderen uit te trekken. Waarom blijven zoovele heilige voornemens onuitgevoerd, zoovele bekeeringsplannen ij del en onvruch-baar? Men heeft de noodige voorzorg niet gebruikt,

-ocr page 309-

299

gelgk de apostel ous het voorbeeld geeft. Men gelooft, dat het hart veranderd is, omdat het getroffen geweest is; men stelde zich tevreden met weenen, toen men moest heengaan. Waarom zegde men niet: deze of gene zaak is voor mijne deugd nadeelig geweest; ik verbied aan mijne oogen, daarop nog één blik te werpen; dit gezelschap was mij gevaarlijk, ik vertrek daaruit; het was in het huis van Kaïphas, dat ik mijn Meester verloochende; ik zal het niet meer betreden ? Het vluchten der gelegenheid, ziedaar een zeker en noodzakelijk bewijs van bekeering.

III Punt. Petrus herstelt zijne zonde. Reeds zagen wij zijne vermetelheid vervangen door een nederig wantrouwen van zich-zelven. Gedurende zijne overige levensjaren zien wij hem eene heilige vrees paren bij den heldhaftigsten moed. Herinneren wij ons slechts de drievoudige liefdebetuiging, waardoor hij zijne drievoudige godsverloochening moest herstellen. Toen de Heer, na zyne verrijzenis, hem vraagde of hg Hem meer beminde dan de anderen, scheen Hij hem te willen zeggen: Welaan, Simon, zoon van Joannes, gelooft gij nog, dat uwe liefde voor mij moediger, sterker is dan die van de overigen? — Petrus neemt bij zij a bevestigend antwoord niet meer dien vasten toon van vroeger; hij gebruikt zediger woorden: Heer, gij iveet, dat ik u hemin (1). Wel verre van te gelooven, dat zijne liefde die der anderen -overtreft, durft hij van zich-zelven niet te zeggen, dat hij Jezus-Christus bemint; en als zijn Meester tot driemaal toe dezelfde vraag herhaalt, wordt hij bedroefd en beschaamd. Hij siddert voor de oprechtheid zijner gevoelens en zijn antwoord schynt

-ocr page 310-

300

te willen zeggen: Heer, mij dunkt, dat ik u bemin; doch ik durf op mijne eigen getuigenis niet meer bouwen. Gij weet beter dan ik, wat in mij is; wijzig mijn oordeel als ik dwaal, geef mij uwe liefde als zij mij ontbreekt.quot; Dit is wel de taal van den oprecht boetvaardige; hij heeft zijne zwakheid ondervonden en vertrouwt slechts op God.

Doch Petrus heeft meer te herstellen. Zijne lafheid, zyne ergernis, het verdriet, dat hij Jezus Hart heeft aangedaan. Hij had zijne euveldaad bedreven in het huis van Kaïphas in tegenwoordigheid van eenige personen, door eene onwaardige vrees; hij komt op eene openbare plaats, op Pinksterdag, te midden eener dichte menigte; en daar staande verheft tij zijne stem; hij vreest noch kerker, noch pijniging, noch dood; hij verwijt openlijk aan de grooten en aan het volk, aan de leeraars en aan de opperhoofden der priesters hunnen goddeloozen en afschuwelijken Godsmoord. Gij hebt den heilige en rechtvaardige geloochend, gij hebt den oorsprong des levens ter dood gebracht (l). O wonder van genade! Hoe schoon is het uit denzelfden mond, die Jezus zoo schandelijk verloochend had, die vurige woorden te hooren, die deze steenen harten gaan vermurwen; hen dwingen op hunne borst te kloppen en uit te roepen: Broeders, wat moeten wij doen ?

Petrus is bekeerd. Zijne nederigheid, zijn ijver bewijzen dit. Bij de tranen zijner boetvaardigheid wil hij het zweet van zijn apostolischen arbeid voegen ; en hij zal niet rusten, alvorens hij daarmede het

(1) Act. 3, 14, 15.

-ocr page 311-

301

bloed des marteldoods vermengd zal hebben. Ach hadde hij duizend levens te geven voor Hem, dien hij bitter bedroefd heeft! Door zijn arbeid, zijn lijden, zijnen dood zal hij Hem beter dan door zijne woorden zeggen: »Heer, Gij tv eet, dat ik u hermin Ja, hier durven wij zeggen: Eene aldus herstelde fout is troostend voor de H. Kerk, verdienstvol voor hem, die ze bedreven heeft. Heer, gij alleen kunt mij in mijne zonden beweegredenen en middelen doen vinden, om mij tot den hoogsten trap van volmaaktheid te verheffen, mijne hoop op te wekken om een groot heilige te worden, juist omdat ik een groot zondaar geweest ben; in de tranen van het berouw het heilig vuur van liefde en ijver te ontsteken. Ik wil het voorbeeld van boetvaardigheid, dat Gij mij in den persoon van Petrus geeft, navolgen, en u de oprechtheid mijuer bekeering toonen door met alle kracht te werken, om u het hart mijner broeders te veroveren.

57ste OVERWEGING.

het verteouwen van den goeden religieus.

I. Hij hoopt meer dan hij vreest.

II. Hij vindt in deze vrees eene nieuwe beweegreden tot vertrouwen.

I Punt. De goede religieus hoopt meer dan hij vreest. Hij kent te zeer den godsdienst en zijn eigen hart, om niet in de kinderlijke vrees voor God te wandelen, welke, verre van met de liefde strijdig te

t te

-ocr page 312-

302

zijii, haar voorbereidt en tot veilig onderpand dient. De grootheid van God en onze nietigheid, zijne heiligheid en onze bedorvenheid zijn zoo groot; de voorwerpen, die zijne rechtvaardigheid ons in de eeuwigheid doet zien, zijn zoo verschrikkelijk, dat de heiligste religieus zelfs reden vindt tot vreezen, al hadde hij slechts deze twee waarheden voor oogen: de eene, dat hij in Gods ongenade kan vallen, de andere dat hij in dien vreeselijken toestand kan sterven.

Doch indien hij alle vrees niet verbant, zoo vindt hij in deze beweegreden de overtuiging, dat het vertrouwen de eerste plaats verdient in zijn hart: Gij stelt hem de hoop tot wet, o mijn God, en behalve deze wet heeft hij uwe beloften; behalve uwe beloften heeft hij uwe liefde; eene oprechte liefde, waardoor Gij oneindig meer dan hij zelf begeert, hem te vergeven, hem deel te doen nemen in uw geluk; eene vaardige liefde, die hem Voorkomt en hem opzoekt als kondet Gij zonder hem niet gelukkig zijn; eene buitenmatige liefde, want wat hebt Gij niet gedaan, niet opgeofferd, niet geleden om hem daarvan bewijzen te geven? Maar indien een God mij genadig wil ontvangen, mij toe wil laten tot zijne glorie, indien Hij dit wil, dit belooft, ontbreekt niets aan mijn vertrouwen, indien ik slechts de gelukzaligheid wil aannemen, die Hij mij aanbiedt! Het is waar, dat Hij mij groote verplichtingen oplegt, maar geeft Hij mij geene talrijke en krachtige middelen, om mij derzelver vervulling gemakkelijk te maken? Heb ik het gebed, heb ik de HH. Sacramenten niet? Heb ik mijn regel en al de voorrechten van den religieuzen staat niet. Ik sta, wel is waar, aan vele fouten

-ocr page 313-

303

bloot, maar ben ik ook voortdurend niet in gelegenheid, die werken van liefde en barmliartigheid te oefenen, die eene menigte zonden bedekken?

II Punt. De goede religieus weet de beweegredenen van vrees te veranderen in beweegredenen van vertrouwen. Voor hem bestaan slechts twee bronnen van vrees. God van den eenen, hij zelf van den anderen kant. Hij vreest u, mijn God, u en uwe rechtvaardigheid; doch hij vreest zich-zelven meer. Hij vreest zijne zwakheid, zijne driften, zijne zonden, zyne onstandvastigheid, en ten gevolge dezer vrees neemt hij wijze voorzorgen. Het wantrouwen van zich-zelven doet het gevaar vermijden, waarin de laatdunkendheid ons werpt. Zijne nederigheid trekt op hem eene almachtige bescherming. Hij zal van alle gevaar verlost worden; want: God beschermt den ootmoedige (1). Maar ziehier wat nog troostvoller is en mijne opmerkzaamheid ten volle verdient. Weet ik partij te trekken uit mijn geloof en deszelfs leerstellingen, dan is het juist uwe rechtvaardigheid, o mijn God, die mij gerust stelt tegen de vrees, die zij mij inboezemt. Heb ik dit woord wel overwogen : God trekt zijne goedheid uit zich-zelven en zijne rechtvaardigheid uit mij (2). Indien ik wil, zal zijne rechtvaardigheid voor mij slechts goedheid, liefde, edelmoedigheid zijn. Want heeft die gerechtigheid, die mij van angst doet sidderen, dan slechts-den bliksem der wraak te werpen? Deelt zij ook, en dat duizendmaal liever, geene heerlijke belooningen uit? Dat ik leve, o myn God, onderworpen aan uwe wet, dat ik mijne heilige verbintenissen

(1) Nav. 1, 2. 0 2. (2) Feit.

-ocr page 314-

304

nakome, dat ik mij opoffere voor de belangen uwer glorie, ten einde met den H. Paulus, althans voor het overschot mijuer dagen, te kunnen zeggen: Ik heb den goeden strijd gestreden; uwe rechtvaardigheid zal mijne vreugde uitmaken, daar ik met den zelfden Apostel er bij zal kunnen voegen, dat zij mij de kroon schuldig is.

O ja. God is rechtvaardig; het is zijne rechtvaardigheid zelve, die om eene voldoening harer waardig te kunnen hebben, zijne liefde zoover heeft gedreven ons Jezus-Christus te geven tot een middelaar, die voor ons genade vraagt en altijd verhoord wordt; een voorspreker, die voor mij spreekt met gezag en met zekerheid van verhoord te zullen worden, een Verlosser eindelijk, die mijn losprijs edelmoedig betaald heeft.

Ik durf mij derhalve op uwe rechtvaardigheid zelve beroepen, o myn God, terwijl ik haar uwen Zoon aanbied. Hg behoort mij toe, omdat Gij hem mij gegeven hebt, omdat Hij zelf zich aan ons gegeven heeft, en door Hem, met Hem, u mijn schuldig, doch berouwvol hart, aanbiedende, houd ik mij van uwe barmhartigheid verzekerd. Ik durf tot u zeggen: Sla mij. Heer, zoo Jezus niet oneindig beter is dan ik slecht ben, zoo Gij niet oneindig meer behagen vindt in zijne heiligheid, dan Gij afkeer hebt van mijne misdaden... Het is derhalve uwe rechtvaardigheid zelve, die my troost, het is op haar, dat mijne hoop gevestigd is. Neen, Heer, nooit zal ik beschaamd worden. In te Domine, speravi, non confundar in ret er num. (I)

(1; Ps. 30. 1.

-ocr page 315-

305

58ste OVERWEGING.

waardige vruchten van boetvaardigheid, gelijkenis van den onvruchtbaren vijgeboom.

I. Het is eindelijk tijd, dat ik waardige vruchten van boetvaardigheid voortbrenge.

11. Welke vruchten van boetvaardigheid moet ik voortbrengen.

1. Verbeeld u Jezus-Christus te midden zijner leerlingen, hun verklarende dat, zoo zij geene boetvaardigheid doen, zij allen zullen omkomen, en hun de gelijkenis voorstellende van den onvruchtbaren vijgeboom.

2. Uw licht alleen, o Heer, is in staat de duisternis te verdrijven, waarmede mijne driften eene waarheid zoeken te verbergen, die hindert. De kracht, welke van ü komt, is alleen in staat, mij over mijne zwakheid te doen zegevieren. Verlicht dan mijn geest, raak en versterk mijn hart.

I Pont. Het is eindelijk tijd, dat ik mij ernstig beijvere, waardige vruchten van boetvaardigheid te dragen. Iemand had in zijn wijngaard een vijgeboom staan, en toen hij kwam om de vrucliten te plukken, vond hij er geene (1). Na de zorg, waarmede de Heer mij omringd had, mocht Hij wel verwachten in mij vruchten van oprechte godsvrucht eener grondige deugd te vinden; heeft Hij die tot dusverre gevonden ?

(1) Luc. 13, G.

CH. i. 20

-ocr page 316-

306

Daar staat hij, die schoone vijgeboom met zyne breede bladeren en krachtige takken. Gesteund door een goeden muur, heeft hij wortel geschoten in een uitmuntenden grond; geen boom stond in betere plaats om overvloedig vruchten te dragen, en in-tusschen geeft hij er geene... Ja, die boom is mijn beeld; God had mij geplaatst in het veld zijner H. Kerk, als een boom geplaatst aan den loop der wateren. Van mijne geboorte af geplaatst aan de bronnen der genade , kon niets mij beletten, daaruit overvloedig te putten. Heeft myn aanbiddelijke Meester mij niet besproeid met zijne tranen en zijn Bloed? Was het niet over my, dat Hij tranen stortte ? Ontleenen de Sacramenten, die ik ontvangen heb, van Hem niet hunne kracht, door de verdiensten van zijn lijden en dood? Van mijn teedersten leeftijd af, Heer, hebt Gij mij uwen dienst gemakkelijk gemaakt. Gij hebt tot mij gezegd: Ga, draag vruchten en blijvende vruchten. Pas wel op, dat zij niet doorknaagd worden door den worm der eigenliefde; geene vrucht is duurzaam, die mij niet wordt aangeboden. Dit beteekent, dat ik van den schoot mijner moeder, door de zorg uwer vaderlijke Voorzienigheid, ben overgeplant in den schoot der H. Kerk, waarin ik tegelijk gevoed werd met de melk dsr kinderen en het brood der sterken. Hoevele zorgvuldigheid van uwe zijde, hoevele bijzondere genaden om mij te bereiden tot dat religieus leven, en sedert mijne professie welk een aanhoudende overvloed van genade! En wat kan ik u aanbieden tot erkenning van zooveel zorg? Helaas, Heer, slechts nuttelooze bladeren, schijndeugd, ten hoogste eenige zwakke

-ocr page 317-

307

I

jne begeerten! En hadt Gij u slechts te beklagen in

5or onvruchtbaarheid voor het goede! maar hoe vruchtbaar

■en was ik in het kwaad! Ik ben eene vergiftigde plant,

ere in uwen geheimzinnigen wijngaard; mijne ergernis

in_ heeft schade toegebracht aan uwe glorie en aan de

[jjn stichting van mijn evennaaste.

Her Toen zegde hij tot den wijngaardenier: Ziedaar

Jer reeds drie jaren, dat ik te vergeefs vijgen aan

de dezen boom zoek; werp hem dus uit. Welk nut

•uit heeft voor mij de grond, waarop hij staat? Het

jke verwijt is gegrond, het vonnis is billijk. Immers

iijn het goddelijk geduld mag mij niet sterken in mijneu

len opstand, mag mijne ondankbaarheid niet aanmoedigen,

ren Indien de barmhartigheid uitstel verleent, eischt de

ten rechtvaardigheid, dat dit zijne grenzen hebbe. Ziedaar

tijd drie jaren. Gij zegt te weinig. Heer; sedert veel

lijk langer tijd stel ik uwe verwachting te leur. Indien

ten Gij heden, bij het beschouwen mijner ziel, de vruchten

liet zoekt, die al de takken van den boom, verstand,

\'de; geheugen, wil, gedragen hebben , helaas! wat zult

an- Gij vinden? Hoe waren mijne gedachten, mijne

ner herinneringen, mijne genegenheden? Van daar het

eid, vreeselijk vonnis, dat mij veroordeelt: »Dood, neem

irin uwe zeis, breek den draad van dat leven , voor mijne

■ren eer geheel nutteloos. Wat doet in mijn wijngaard

leid een boom , die slechts kwade vruchten voortbrengt?quot;

mij O mijn God, ik moet het bekennen, ik heb niet

jjne beantwoord aan de inzichten uwer liefde. Ik moest

ge- mijne dagen vervullen met goede werken; ik heb

ling ze vervuld met zonden.... Indien Gij met het leven

Doze mij al uwe gaven onttrokt, waart Gij rechtvaardig;

,kke en tot onder het gewicht uwer slagen zou ik moeten

A_

-ocr page 318-

308

erkennen: Gij zijt rechtvaardig, Heer, en uwe oor-el eelen zijn billijk (1). Maar is het rijk uwer barmhartigheid dan onherroepelijk voorbij? Wilt Gij het ten mijnen opzichte nog niet eenmaal gedenken? De wijngaardenier antwoordde hem; gt;Meester, laat hem nog een jaar staan, tot ik den grond rond zijne wortelen uitgrave en hem bemeste; ik zal trachten hem te verbeteren; mogelijk zal hij n schadeloos stellen voor het verleden door u het volgend jaar overvloedige vruchten te geven; maar als hij aan uwe en mijne verwachting niet beantwoordt, zal ik hem in het vuur werpen.quot;

Ook ik heb bij den Heer eene krachtige voorspraak gevonden. Hoe gelukkig ben ik, in den hemel eene Moeder te hebben, wier teederheid en invloed mij alles doen hopen! Indien het in de goddelijke plannen ligt, dat alle goed ons door Maria toekomt, kan ik dan nog twijfelen, of Zij is het geweest, die van mg den noodlottigen slag heeft afgeweerd en mij de nieuwe genaden ter zaligheid verkregen heeft, die mij dit oogenblik aanbiedt. Ik kwijnde weg in mijne lauwheid; haar hart gevoelde zich door medelijden bewogen. »Mijn goddelijke Zoon. heeft zij tot Jezus gezegd, gt;heb medelijden met uwen schuldigen dienaar; maar al te zeer heeft hij uwen toorn op zich getrokken, maar hij heeft eene toevlucht gezocht in mijne armen; Ik ben ook zijne moeder; Gij hebt van het kruis mij hem gegeven; hij heeft zich aan mijnen dienst toegewijd, hij heeft mij aangeroepen, hij heeft mij somtijds gediend. Mijn Zoon,

(1) rs. lis, 137.

-ocr page 319-

309

herroep zijn vonnis. Laat mij hem nog mijne moederlijke zorg toewijden; door uwe goedertierenheid zult Gij hem wellicht redden.quot; Het gebed van Maria is nooit vruchteloos. Het uitstel is verleend. O mijne ziel, loof uwen Verlosser en zijne heilige Moeder; maar haast u voordeel te doen met die zoo kostbare genade, en vergeet niet, dat de overmaat van goedheid, zoo gij hiervan misbruik maaktet, op u de overmaat der goddelijke wraak zou trekken. Ik ga dus trachten, God te verzoenen.

II Punt. Welke boetvaardigheid moet ik doen ? De H. Joannes de Dooper eischte van de zondaars niet slechts dat zij vruchten zouden dragen; hij eischte van hen waardige vruchten van boetvaardigheid. Zoo de vijgeboom der gelijkenis het volgend jaar nog slechts weinige,., en slechte vruchten hadde voortgebracht, zou dan het vonnis, dat hem ten vure veroordeelde, wel ingetrokken geworden zijn? Indien ik mij oprecht met God wil verzoenen, moet ik eene Hem waardige boetvaardigheid doen, eene boetvaardigheid der treffende barmhartigheid waardig, die Hij ten mijnen gunste betoont, eene boetvaardigheid, die mij zeiven tot troost en in het oogenblik des doods tot beweegreden van een zoet vertrouwen strekt.

Wij vinden by een der profeten de schets van dien waarachtigen terugkeer tot de deugd. Het is de Heer, die spreekt. »Bekeert u, en doet boetvaardigheid over al uwe misdrijven, schept u zeiven een nieuw hart en eenen nieuwen geest. Waarom wilt gij sterven, huis van Israël?quot; (1) Bijgevolg, het

(1) Ezech. 18. 30, 31.

-ocr page 320-

310

kwaad, dat ik bedreven heb, betreuren en verfoeien, mijn wandel veranderen, mij een ander hart, een anderen geest scheppen, ziedaar, o mijn God, wat Gij van mij verlangt, ziedaar, wat ik zelf afsmeek van uwe genade; want nu is het dat ik mij het oog moet uitrukken, de hand moet afkappen, u al de offers brengen, die ik u zoo lang geweigerd heb, en het is derhalve thans, dat ik uwe kracht dringend noodig heb.

Bepaal door welke edelmoedige offeranden gij lieden dat nieuwe leven, dat waarachtig religieuze leven gaat beginnen. Stel uwe voornemens onder de bescherming van Maria... Ave of Sub tuum enz.

-A._ 3VE_ 3D. Gk

-ocr page 321-

JNHOÜD VAN HET |£ERSTE pEEL.

Eerste Afdeeling.

Bladz.

Inleiding.............3

lstc overweging Het einde van den mensch

5

2de

»

Hetzelfde onderwerp.....

11

3de

»

Middelen den mensch gegeven om

zijn einde te bereiken (natuurlijke)

16

ij.de

»

Idem (bovenuatuurliike). . . .

21

5de

»

Herhaling van het voorgaande .

24

(Jde

»

De Christen.......

29

7 de

»

De religieus........

34

8ste

»

De religieuze staat.....

39

Qde

»

De roeping tot den religieuzen staat

44

IQde

»

Zuiverheid van ziel, welke den reli

gieuzen staat past.....

50

n**

»

Hoe moet ik werken aan mijne

heiliging........

54

12de

»

De ingetogenheid......

59

13de

Gelukkige staat eener ingetogen ziel

64

l4de

»

Ongelukkige staat eener uitge

storte ziel.......

-69

15de

ygt;

De oefeningen van godsvrucht .

74

16de

»

De gedachte der eeuwigheid . .

79

17de

Waarvan hangt mijne eeuwig

heid af?........

84

ISde

»

De vruchten der gedachte aan de

eeuwigheid.......

89

-ocr page 322-

II.

INHOUD.

Tweede Afdeeling.

Bladz.

19de

overweging. De zonde gestraft ....

95

4

20ste

» De zonde in het algemeen

4

beschouwd......

101

4

218te

» De zoude in de religieuze ziel

107

22ste

» De doodzonde .....

112

4

238te

» De ergernis......

119

4

24ste

» De heiligschennende Communie

125

25ste

» De zonde -van Petrus .

131

4

26ste

» De zonde van Petrus (vervolg)

136

4

278te

» De eigene en persoonlijke

zonden .......

142

4

28Bte

» Herhaling van het voorgaande

146

29ste

» Bronnen onzer zonden

151

4

30ste

» De hoogmoed.....

156

5

Siste

» De hoogmoed (vervolg) . .

162

5

32ste

» De afgunst in religieuze gemeenten ......

167

51

33ste

» Bekoring tot onmatigheid .

o O

172

Si

34Bte

» Het tijdverlies in het reli

gieuze leven.....

177

5^

35Bte

» Het tijdverlies (vervolg) . .

182

365te

» Het misbruik der genade. .

187

378te

» De dagelijksche zonde. . .

194

56

38ste

» De dagelijksche zonde (verv.)

198

57

39ste

» De lauwheid......

203

40ste

gt; De lauwheid (vervolg) . .

209

58

-ocr page 323-

IKHOUD, III.

Derde Afdeeling.

Blad*.

41ste overweging De dood........

213

42ste

»

De dood van den goeden religieus

219

43ste

»

De lauwe religieus op zijn

sterfbed.......

224

44ste

»

Het naderen des doods .

230

45ste

Hoe moet men zich ter dood

bereiden?.......

234

46ste

»

De gedurige gedachte des doods

241

47ste

Glorie van den goeden religieus

bij het algemeen oordeel .

24G

48ste

»

De ontrouwe religieus bij het

laatste oordeel.....

251

49ste

De hel........

258

50ste

»

De hel (vervolg).....

265

Siste

»

De verloren zoon.....

270

52ste

»

Drie treffende uitwerkselen der

goddelijke barmhartigheid. .

276

53ste

»

Het H. Sacrament van boet

vaardigheid ......

282

54ste

»

Gebruik van het H. Sacrament

van boetvaardigheid . .

286

55ste

»

Bekeering van den H. Petrus.

291

56ste

»

Bekeering v. d. H. Petrus (verv.)

296

57ste

Het vertrouwen van den goeden

religieus.......

301

58,te

»

Waardige vruchten van boet

vaardigheid ......

305

EINDE VAN HET EEESÏE DEEL.

-ocr page 324-
-ocr page 325-

HANDBOEK

DEE

cfcjttofcïl\'e cJlcClcyieuxew,

bijzonder geschikt tot geestelijke lezing bij retraites, recollectiedagen en voorbereiding der vernieuwing van de HH. Geloften.

Gebroch. ƒ1.50; in leer ƒ2.—; inMar.-Gbagrin ƒ 2.50

NAAR DEN HEMEL, MM te pJmcMiie zielen,

Gebroch. ƒ1.50; in leer ƒ2.—; in Mar.-Chagrin ƒ 2.50

IDE XjIEIPIDE

VAN

het goddelijk Hart van Jezus,

door een R. K. Priester, S. J.

|

Gebroch. ƒ 1.25; in leer ƒ 1.75; in Mar.-Chagrin ƒ2.25

-ocr page 326-

2 deelen in half lederen band ƒ3.50.

GhZETITIDIEIsr

der Broeders en Zusters der derde Orde van den H. Vader Dominicus ƒ 1.05.

In leer rood op snee ƒ 1.60; verguld op snee ƒ1.75. Maroquin-Chagrin f 2.50; eerste Choix ƒ 3.—.

ikt fjeifig jaar öer ^tcWiljecrcu

OVERWEGINGEN

over de levens en de deugden der Heiligen en Gelukzaligen der Orde van den H. Dominicus.

Gebrocheerd / 1.— ; in linnen band ƒ 1.25.

LEVENS

-ocr page 327-

.0

Vijf Seriën, elk van 10 deelen, zijn verschenen.

Elke Serie kost / 2.50.

Elk deel is op zicli zelve compleet.

Rijk gecartonneerd en in gekleurd linnen Bandjes zijn zij uitmuntend geschikt voor \'prijzen.

DE GOUDKORRELS.

Eene Serie van ascetische werkjes, zeer geschikt om onder de geloovigen te worden verspreid.

Elk deel is op zich zelve compleet en kost

5, 10 of 15 cents,

waarop (ter uitdeeling) bij getallen groote korting wordt toegestaan.

Zeer nuttige en zeer nette devotieboekjes van verschillenden inhoud.

Elk in een fraai linnen bandje ƒ 0.50.

-A-fzontleriyite Catalogfiis «lezer Seriën, met «Ie lt;!on«lilgt;4j getallen, op franco aanvrag^o gratis te 1gt;elvonien.

-ocr page 328-

door Maria tot Jezus.

31 overwegingen, 31 Litanieën en 31 godvruchtige oefeningen, ter eere der Allerheiligste Maagd, voor eiken dag der Meimaand.

Gebrocheerd /0.50; in linnen band /0.75.

\\ ^)fóepmaand (^e/teu^c/

door het overwegen van

-(Vet iamp;vnn dw éHMezfizUiyote\' ©lt-aa^3.

Een lezing, een voorbeeld en eene toepassing op eiken dag der Meimaand.

Gebrocheerd ƒ 0.50; in linnen band /\'0.75.

ïan iippsiM tot Pasclei.

Vijftig BIïMtatmi np jiet ïijhn.

Gebrocheerd /0.50; in linnen band /0.75.

-ocr page 329-

of de Twaalf

geheiligd door godvruclitige oefeningen op eiken dag. In zeer net linnen bandje ƒ 1.25.

!De Rozenkrans van Jjet Apostolaat des ixebeds,

met de maandelijlische inlcnlicn tan het Hoofdbestuur, per jaar 12 Bladen van 15 Mysteriën, franco /0.40 Dezelfde in vereeniging met den Levenden en

C O

Altijddurenden Rozenkrans / 0.50.

De Mysteriën van den Levenden Rozenkrans per 100 vellen ƒ 2.50.

DE SLEUTEL DES HEMELS,

KORTE VERHANDELING O VER HET GEBED. der Novicen aangeboden . . . ƒ0.15.

HANDBOEKJE

VOOR DK

Êcri». Besluurclers, Fresiïlenfcn, Zclatricen en ÏLeöcn

TAN DEN

Levenden Rozenkrans,

door P, Fr. J. BEBKLMANS, Ord. Praed. ƒ 0.20.

-ocr page 330-

HANDBOEKJE DER VEREERDERS

VAN HET

ZEiEILIO- IHT-A-IRT quot;V^lSr JEZXJS

EN HET

y^POSTOLAAT DES pEBEDS, bevattende:

behalve de negen Officiën, nog verscbeiden andere oefeningen ter eere van Jezus\' Hart f 0.10.

Per 100 /8.-.

DE EERSTE H. COMMUNIE.

Gebeden en Overwegingen voor kinderen, om zich tot bet waardig ontvangen der Eerste H. Communie voor te bereiden /quot;0.10.

Per 100 Ex. /8.—.

DE ZEVEN WOENSDAGEN

TEE, EERE VAN

DEIST HEILIGrENquot; JOSEPH, ƒ0.15.

IvOltTi: ONDERRICHTINGEN

OVER DEN

IIÏMM KimiSWEG.

met eene drievoudige beoefening van denzelve ƒ 0.15

-ocr page 331-
-ocr page 332-

UWEVÖLEK ÏEEKEN.

Handhoek de yeprojeslc. lleliyieuzen.........................................................ƒ 1-5

In ledert\'i biind /\' 2.— ; in Maroquin Chagrin ..................- 2,51

J. O. Fatisz, 8. •)., I e liefde run het goddelijk Larf van

Jezus, door een li. K. l\'rksl^r, S. .1................................................- l quot;\'

Ingebonde » in iiniuii f 1.65; in leeren band....................- 1,7;

Nam\' den. Hemel, Handbotk (iei* godvruchtige zielen..................- 1 5(

In lederen band ƒ 2,— ; in Maroquin Chaiirin..................- -

Hel heiliy jaar der Predikheer en, overwegingen over het leven en de deugden der Heiligen en (lelukzaligeu der

Orde van (l(;ii 11. Dominici\'S....................................................................- 1.—

Ingebonden in linnen l:and..................................................................- 1,-?

Gelijden dt-r liroeders en Zusters der derde Orde van den

11 Vader Dominicus........................................................................................- 1.02-

Iiigebonden in bokleer, lood op snee........................................- 1,0C

„ „ a M\'i_iild „ ................... - 1,75

„ Maroquin Ciiagrin 2e Choixrocd op snee - 2,50 „ ,/ fi le „ vei guld „ - S,—

De leren va • de Vaders der WoesHjnen vit het Oosten,

2 deelen, in leeren banden..................................... - 3,50

llar\'/i ons roorleeld, of door Maria tot Jezus

l)e Meini\'io ad, overweg in gen op het leven der Allerh. Maagd

l\'an Quinquiiyesinhi \'ut Pasehen. Vijftig meditatiër.

Elk dezer J\' 0,51! ; in heel linnen band................... - 0,75

Onmisbaar Handboekje der godoruchtiye zielen.

T raayt en yij zult verkrijyen.

Handhoek der vereerders van de H. Moeder Anna.

De liefde van l gt;1 Hart. van Jezus tot zijne schepselen.

He Maand van lan\'iddiny.

Kom, Heer Jezus! Dertig Gommnnie-oefeningen.

Handboekje van vrome devotie tot het 11. Hart van Jezus, De Fontein der Liefde.

Met (:od in af zondering.

Het IL Sacrament onze schat, 31 Coramunie-oefeiiingen. Handboekje der dienaren van O. L. lrr. van Goeden liaad.

Deze allen iu zeer nette linnen bandjes.................. - 0,5Ü

Hef. yulden jaar of de ticaal f Maanden, geheiligd door godvruchtige oefeningen op eiken dag, in zeer net linnen bandje............................................................... ■ \'ï-0

Volledige Catalogus mijner uitgaven op aanvrage g r atis verhrijghaar.

-ocr page 333-