-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

i

-ocr page 4-
-ocr page 5-
-ocr page 6-
-ocr page 7-
-ocr page 8-
-ocr page 9-

Neemt en eet, het is mijn Lichaam, mijne Ziel, mijne Godheid, geheel Mij-zelven.

-ocr page 10-

VAK 54 r-Ja. ^ OVEEWEGINGEN

VOOE

ELIO-IETJZEISr

jZ)e volmaaktheid van den Religieuzen Staat als vrucfyt van een volmaakt gebed.

DOOR

Pater CHAIGNON, S, J.

Uit liet Wanscli vertaald

-A., ivr. 3D. O.

3)e^3e 3)ee-f. rii

BREDA,

EDTJARD VAIN WEES,

De Prius-Cardinaal, D, 64=,

Snelpers Boek- en Muziekdrukkerij. 3ib!iOlIlöOl

ises. MINDERBROEDERS

W££RT.

-ocr page 11-

invtn^iivrA.TXJ^. tce l

Datum in Seminario Ypelaar, hac 7U Febr. 1889.

J. J. HOPST AKEN,

Keg. Sem. Lihr. Cens. hef §• •

= .. f y

diep heri: Daa rust ; L

-ocr page 12-

DERDE DEEL.

tweeue boek;.

Voorrede.

In het eerste hoek volgden wij de wijze van mediteer en , ons door den H. Ignatius aangewezen, welke den mensch leidt ter heiligheid langs drie wegen, waarvan de eerste hem zuivert, de tweede hem verlicht en met de hechtste deugden verrijkt, gevormd naar die van Jezus-Christus, de derde hem onmid-

____dellijk bereidt tot de hoogste gelukzaligheid, hem

innig met God vereenigende door de liefde. Hoe volledig dit plan ook zij, stond het ons echter niet toe lang genoeg te verwijlen hij de groote geheimen, die het voor tv erp uitmaken der christelijke plechtigheden. Hoe konden wij toch de groote feesten van yKerstmis , Paschen, Pinksteren, H. Sacramentsdag, \'■s- het feest van het H. Hart van Jezus, en die van de H. Maagd en der Heiligen met vrucht vieren, indien

---mij niet traden in den geest der H. Kerk, door ons

diep te doordringen van de waarheden, welke zij ons herinnert, door de overweging van hetgeen zij herdenkt. Daarenboven schenkt eene ivijze afwisseling van stof rust, vreugde en kracht aan de religieuze ziel.

Het kerkelijk jaar wordt verdeeld in drie tijdvakken, welke wij ons voorstellen te volgen. Het eerste hegint met den Advent en eindigt met het feest van pnze Lieve Vrouw Zuivering; het tweede bestaat uit amp;n II- Vasten- en Paaschtijd; terwijl het derde tijdvak het overige des jaars omsluit, d. i. den tijd 4ie verloopt van Pinksteren tot den l8ten Zondag van 7en Advent.

f

I

-ocr page 13-

AFDEELINGr I.

De Advent en Kerstmis.

De Advent is een tyd yan gebed en boetvaardigheid , door de H. Kerk ingesteld, opdat hare kinderen zich waardiglijk zouden bereiden tot het geheim dei-Geboorte van Jezus. Wat de veertigdaagsche Vasten is voor het Paaschfeest, wat de vier duizend jaren der oude wereld waren voor de komst van den Messias, zgn de vier weken van den Advent voor het Kerstfeest.

De drievoudige komst van den Zoon Gods houdt de H. Kerk bezig in dezen heiligen tijd en vraagt onze overweging. »In de eerste,quot; zegt de H. Ber-nardus, »komt Jezus in ons vleesch en bekleedt zich met onze zwakheden; in de tweede komt Hij in kracht en waarheid, in de derde zal Hij komen in glorie en majesteit.quot; Petrus van Blois voegt hierbij: »de eerste komst was nederig en verborgen, de tweede is geheimzinnig en liefderijk, de derde zal schitterend zijn, doch verschrikkelijk voor de zondaars. (1)

Gedurende dezen tijd, die bijzonder geschikt is tot onzen vooruitgang in de religieuze volmaaktheid, moeten wij ons in onze meditatiën en godvruchtige oefeningen bijzonder voorstellen het vernielen van al wat in ons het volmaakte rijk van Jezus-Christus belet, zooals de hoogmoed, de zinnelijkheid, de be-geerlijkheid, enz.

(1) De Adr. Serm. 5.

-ocr page 14-

lste OVERWEGING.

-

Eerste Zondag van den Advent.

PLICHTKN TAN DEN ÜELIGIEÜS, TEN OPZICHTE DER DRIEVOUDIGE KOMST VAN JEZUS-CHRISÏÜS.

I. Op aarde door zijae geboorte, om derzelver aanschijn te vernieuwen.

II. lu de zielen door zijne genade, om daarin te leven en ze te heiligen.

III. In de wereld op het einde der tijden, om haar te oordeelen.

I Punt. Komst van den Zoon Gods op aarde, om derzelver aanschijn te. vernieuwen. Het is deze komst, welker gedachtenis de Kerk zich bereidt te vieren. Wat was de\' wereld, alvorens het Woord mensch werd en onder ons hwam wonen? Wat is zij geworden ten gevolge dezer geboorte, welke al de ware kinderen Abrahams zoo vurig begeerden? Uit welke diepe ellende heeft zij het menschdom getrokken? Vergelijken wij, wij vooral, bevoorrechte kinderen der katholieke Kerk, ons lot met dat der meest begunstigden onder het oude verbond.

Dien Messias, zoo vurig afgesmeekt van den hemel, de wolken en de aarde, bezitten wij; Hij is onze Emmanuel, de God met ons. De groote voorrechten, welke de aartsvaders en profeten verwachtten, genieten wij... Bedanken wij vurig genoeg de Voorzienigheid , die, toen zij ons tot het leven voorbeschikte.

-ocr page 15-

onzen tijd geliefde te stellen in dat gedeelte der eeuwen, dat de komst van den Messias zou opvolgen^ Wie denkt aan die uitmuntende weldaad? O Jezus heb ik, ondanks uw licht en uw goddelijk voorbeeld ondanks het zoo overvloedig deel, dat Gij mij geeft aan de verdiensten van uwen dood, zoo veel moeite om de plichten eener getrouwe deugd te vervullen, wat ware ik geweest, indien Gij mij hadt beperkt tot de betrekkelijk zwakke hulp aan de oude volken toegestaan?...

Aanbidden en beminnen wij den Verlosser in zijne geboorte; ontvangen wij Hem in eene vervoering van blijdschap en hoop. Hij komt door zijne genade in ons veranderingen uitwerken, even groot als die, welke Hij eenmaal in het heelal uitwerkte: onze duisternissen ophelderen, onze neigingen ten goede richten, ons heiligheid en geluk aanbrengen. Ach, zoo wij Hem toch toelieten ons al het goede te bewijzen, dat Hij ons begeert te doen!

II Punt, Komst van Je zus-Christus in ome zielen, om ze te heiligen en zalig te maken. Het ware voor ons van geen nut geweest, dat de Zoon Gods achttien eeuwen geleden het menschelijk geslacht in zijne barmhartigheid bezocht hadde, zoo Hij niet voor ieder onzer onophoudelijk wederkeerde, om in ons dat leven van genade, waarvan Hy de bron is, te komen vestigen, onderhouden en volmaken. 0 geheim, dat aller harten moest verteederen! Do liefdevolle Zaligmaker, die wel weet dat wij zijnen hemelschen Vader niet kunnen behagen, dan voor zoover Hij in ons zijnen eenigen Zoon, het voorwerp van zyn welbehagen ziet, wat doet Hij? Hij komt,

en d men niet

zijn

kan

de

zom

van

dezi

deu

zoo

een

in

des

bel

in

zijl

he\'

sk

va

H

g\'

H

w

-ocr page 16-

7

5 der | en door het geloof, door de kracht der HH. Sacra-Igeu v inenten, hervormt Hij ons in zich-zelven, zoodat wij niet meer in ons-zelven, doch in Hem leven, en zijn hemelsche Vader, den blik op ons vestigende, kan zeggen: ^Deze is mijn welbeminde Zoon.quot; Ziedaar de mensch, meer dan gezuiverd van zijn eerste zondevlek, hij is vergoddelijkt! De bijzondere genade van den Advent bestaat hierin, dat Jezus gedurende deze vier weken met meer aandrang klopt aan de deur onzer harten. Hij zal daarin geboren worden, zoo Hij plaats vindt: in de rechtvaardigen om hun eene vermeerdering van geestelijk leven te schenken, in de zondaars, door hen te trekken uit dien staat die, des doods, want Hij wil dat de goddelooze zelf zich jnze bekeere en leve; Hij komt niet slechts zijne kudde jede in het algemeen in oogenschouw nemen. Hij strekt Lch, zijne zorgvuldigheid uit over elk zijner schapen in i te l\'et bijzonder. Sta dan op uit uwe traagheid, o gij ; sluimerende en kwijnende ziel. De H. Paulus roept len u toe, dat het tijd daartoe is: Hora est jam nos de oor somna surgere (1). Gij moet uwen Verlosser ont-tien vangen en met Hem alle goed, alle schatten van ijne genade, die Hij voor u bestemd heeft. Gij bezit oor Hem reeds, daar gij behoort tot de rechtvaardigen, ons gelijk ik veronderstel, doch gij bezit Hem zonder is) Hem te kennen, zonder Hem te smaken. Hij keert 0 i weder met eene vermeerdering van teederheid. Hy De | wil alle zaken vernieuwen (2). En gij, arme zondaar, ieil waarom zoudt gij blijven in den slaap des doods? 30r Zie! daar komt Hij, die het leven is!

irp

it, (1) Kom. 13, 11. (2) Apoc. 21, 5.

ezus

ieeld

geeft

oei te

Hen,

lerkt

gt;lken

zijne (ring aade

-ocr page 17-

8

III Punt. Laatste komst van Jezus-Christus in de wereld om haar te oordeelen. Bij het naderen van liet Kerstfeest voorziet de H. Kerk met droefheid, dat yele haier kinderen de schuldige onverschilligheid zullen navolgen van de inwoners van Bethlehem, toen haar aanbiddelijke Bruidegom in hun midden wilde geboren worden. De zijnen wilden Hem niet ontvangen. Er was geene plaats voor Hem. Wat doet zij niet om ons aan te zetten onzen Verlosser beter te ontvangen?

In de kerkelijke diensten hoort men slechts de smeektonen van het gebed, de verzuchtingen van het berouw. De Kerk wil dat de stem van den grooten apostel, de stem van Isaïas, de stem van Joannes op de oevers der Jordaan zich vermengen met die der predikers, ten einde het berouw in onze harten te doen opwellen. Zij doet het schuldig geweten sidderen, door de vreeze des oordeels. Zij heeft tot allen gezegd: »Kiest öf barmhartigheid, öf rechtvaardigheid, öf het liefdevol Lam, dat de zonden der wereld komt wegnemen en uitwisschen, of den verschrikkelyken leeuw, die eene schitterende wraak komt voltrekken.quot; Ontvangt gij nu met liefde Dengene, die zich in de kribbe aan u, onder zulke hartroerende trekken, gaat voorstellen, dan zult gij Hem niet behoeven te vreezen, ja, gij zult zelfs deelen in zijne zegepraal, als Hij zal komen om levenden en dooden te oordeelen. Doch wee hen, die den tijd van zijn bezoek niet gekend, niet gebruikt hebben. Hebben zij hun hart gesloten voor het liefdevol Kind, dat in zijne kribbe over hen weende, dan zullen zij eens de kreet van vertwijfeling doen hooren: Bergen, valt

-ocr page 18-

9

op ons, heuvelen, bedekt ons! Neem dan bij het intreden dezer dagen van zaligheid het besluit ze door te brengen, volgens de meening der H. Kerk en de behoeften uwer ziel. Keer in u-zelven, bid, doe boetvaardigheid en werk ernstig, om het pad recht te maken, waarlangs de Heer tot u komt, want Hij heeft, van alle menschen sprekende, gezegd: Zie ik sta aan de deur en klop, zoo iemand mij hoort en mij de deur opent, zal ik hij hem binnentreden (1). 0 kom, Heere Jezus, kom: Veni, Domine, Jem. (2)

2ae OVERWEGING.

Tweede Zondag van den Advent.

GRONDSLAGEN VAN HET VERTROUWEN OP GOD.

In de vurigste gemeenten worden zielen gevonden, die grooten voortgang zouden maken op den weg der religieuze volmaaktheid, indien zij niet door eene overdreven vrees werden teruggehouden, en die, gelijk de Zaligmaker dit aan zijne apostelen verweet, slechts vreesachtig zijn, omdat zy kleingeloovigzijn. (3) De H. Paulus tracht in zijn epistel van dezen dag hun hart door het vertrouwen uittezetten: De God nu der hope vervulle u met alle blijdschap en vrede in het gelooven; opdat gij overvloedig moogt zijn in de hoop en in de kracht van den H. Geest (4). Inder-

(1) Matth. 8, 26. (2) Eo:u. 15, 13. (3) Apoc. 3, 20. (4) Apoc. 22, 20.

-ocr page 19-

10

—■

daad, in welken toestand van lijden of beproeving wij ons ook mogen bevinden, zoo steunt ons vertrouwen in God altijd op twee onwankelbare grondslagen; zijne beloften en ons eigen vertrouwen, waarbij nog het verbond door den Heer met de I religieuze ziel aangegaan, deze veel grootere rechten toekent, dan aan de gewone geloovigen.

I. God heeft zich verbonden niets aan het vertrouwen te weigeren.

II. Hadde God ons niets beloofd, toch zou ons vertrouwen alleen alles van Hem verkrijgen.

I Punt. God heeft de stellige en hechtste verbintenis aangegaan, aan het vertrouwen niets te weigeren. Hoe zeldzaam de goede trouw ook zij onder de menschen, zouden wij de vervulling eener belofte als verzekerd beschouwen, welke tot waarborg het eerewoord van een braaf man heeft, vervat in een schrijven door hem in onze handen gelegd, vooral indien hij zijn woord en schrift door eed heeft bekrachtigd en een onderpand der grootste waarde tot borg gesteld heeft. Wie zou kunnen gelooven, dat de Heer zich ten onzen opzichte op al deze wijzen heeft willen verbinden?

Wij hebben zijn woord: Vraagt en gij zult verkrijgen , klopt en u zal opengedaan worden; wat gij ook van mij moogt vragen , zult gij verkrijgen, indien gij gelooft... Alles is mogelijk voor hem, die gelooft! In de H. Schrift is gelooven en hopen vaak eene zelfde zaak. Het is altijd het geloof en de hoop van hen, die zijne hulp inroepen, welke de Heer verhoort en Hij zegt ons dit. Hij verklaart ons zelfs.

-ocr page 20-

11

dat, alvorens wij ons verzoek tot Hem gericht Lebben, Hij over onze noodwendigheden waakt, om met de liefde eens vaders daarin te voorzien, en dat zonder zijne toelating geen haar van ons hoofd zal vallen... Deze godspraken zijn duidelijk en helder. Welk geloof hechten wij er aan ? Zou men niet zeggen, dat zij komen uit een anderen mond, dan uitdien, welke ons zoo vele onverklaarbare geheimen heeft medegedeeld, waaraan wij echter in het minst niet zouden durven twijfelen? Abraham gelooft Gods woord en daarom hoopt hij tegen alle hoop in. Hoe kon Isaac, eenmaal geslachtofferd, de vader worden eener talrijke nakomelingschap? Dit is waar; doch hoe kon God ontrouw worden aan zijn woord? Dan zal een doode moeten herleven? En moest God er ook duizend doen verrijzen, de wereld vernietigen, eene nieuwe wereld scheppen..., dit alles zal God eer doen, dan te ontbreken aan zijn woord.

Wij hebben daarenboven dit woord op schrift; wij lezen het in de H. Schrift, waarop wij geoordeeld zullen worden. Heilig Evangelie, zoudt gij tegen mij kunnen getuigen voor Gods rechterstoel, als gij tegelijk met mijne ongetrouwheden aan uwe voorschriften, tevens de ongetrouwheid van God aan zijne beloften zoudt moeten getuigen? Ja, mijn God, wilt Gij rechtvaardig en waarachtig bevonden worden in uwe woorden, dan moet Gij mij al datgene toestaan, wat ik U met vertrouwen vraag en zelfs al datgene, wat Gij mij recht hebt gegeven van uwe oneindige goedheid te verwachten, zonder dat ik er zelfs aan denk het U te vragen. Ik heb een borgtocht van uwe hand, die mij tot onderpand strekt

)ns

ïn.

ti-

\'71.

de

te

et

3n

al

B-

ït

it

n

-ocr page 21-

12

uwer beloften. Ik heb dns niets te vreezen en daarenboven geeft de Zaligmaker ons nog vaster verzekering. Wij hebben zijn woord door een eed bevestigd: »voorwaar, voorwaar, ik zeg het u, al wat gij den Vader in mijnen naam zult vragen, zal Hij u geven. Tot hiertoe hebt gij nog niets gevraagd in mijnen, naam, dat is met dat vast vertrouwen, hetgeen mijne belofte en mijne bemiddeling u moeten inboezemen. Ik zweer hij mij-zelven, bij de eeuwige waarheid, bij mij, die den leugen haat en den meineed bestraf; ik zal voor u zorg dragen, indien gij al uwen kommer werpt in mijnen schoot.quot; Hoe gelukkig zijn wij, wy, ten wier gunste God zich door eed verbindt! doeh hoe ongelukkig, zoo eene dergelijke toegevendheid nog niet voldoende is, om ons gerust te stellen.

En, zijn er ook menschen, die hun woord intrekken, hunne handteekening verloochenen, hunnen eed breken, zoo zijn er echter geene, wier onstandvastigheid of valschheid men behoeve te vreezen, als zij een onderpand gesteld hebben of borg gebleven zijn voor hun woord, en ziedaar hoever God gegaan is om ons vertrouwen te verkrijgen. De milddadigheden des Heeren, zegt de H. Augustinus, dragen dit dubbel kenmerk, dat zij eene weldaad zijn en tegelijkertijd een onderpand van nieuwe weldaden. God dreigde het morrende Israël te verdelgen, en om Hem te vermurwen, herinnert Mozes Hem de schitterende wonderen, ten gunste van dit volk uitgewerkt. Hierdoor herinnerde hij Hem de misdaden van een ondankbaar volk en rechtvaardigde hij zijnen toorn, in plaats van dien te bedaren; nochtans

-ocr page 22-

13

)edaarde hij God; De Heer schonk genade. Het kost en goed vader veel de zoetste vrucht, die hy uit «ijne weldaden trekken wil, te verliezen. Wab mij den ontstelt en beangstigt, is vooral de herinnering aan sven. \'.oovele weldaden, die ik heb ontvangen, en het is \'jnen juist dit, wat mij behoort te troosten. Hoe meer tranen en bloed Jezus gestort heeft ter mijner heiliging, hoe meer waarde Hij hecht aan den goeden uitslag eener onderneming, waarvoor Hij zich zulke groote offers heeft opgelegd.

Eindelijk zijn het niet alleen zijne genadeschatten, welke Hij mij geeft tot onderpand zijner beloften; Hij geeft zich-zelven, want Hij behoort mij toe, de Vader heeft Hem ons gegeven, Hij heeft zich zeiven gegeven en geeft zich nog geheel aan mij zoo dikwijls ik dit wil. Als ik Hem aan zijnen ek- Vader opoffer, doe ik mijn recht gelden op het bezit eed van het hemelsch koninkrijk. »De Heer is mij ge-as. worden tot wijkplaats, en mijn God tot een steun als mijner hoopquot; (1). quot;Welk eene rust moest in ons en \'iart eene zoo vast gewaarborgde verbintenis vestigen ? au En nochtans is er nog meer.

II Punt. lladde God gee.ne enkele verhinteuis met ons aangegaan, dan nog zou ons vertrouwen Hem verplichten ons alles te verleenen. Dit vertrouwen vereert Hem en Hij zou zich onteeren, indien Hij er niet aan beantwoordde.

Alles van God verwachtende, bewijzen wij Hem ten eerste eene eer, die Hem dierbaar is, die Hij begeert en van ons vraagt. »Roept mij aan op den

aren-iring, tigd:

ujne

nen.

eid,

;raf ;

wen

ziju

?er-

ijke

mst

%-

en dn n.

jn ie t-m :n

IS | (1) Ps. 93 , 22.

-ocr page 23-

14

dag der benauwdheid; ik zal u er uit redden en gg zult mij eerenquot; (1). De grootste eer, welke Hij van ons kan ontvangen; want als ous vertrouwen volkomen is, dan verheerlijkt het al zijne oneindige volmaaktheden: de waarheid van zijn woord, de getrouwheid zijner beloften, zgne wijsheid, welke Hem al onze behoeften doet kennen en de middelen om daarin te voorzien, zijne macht, welke over klle hinderpalen zegeviert, doch vooral zijne \'barmhartigheid, zijne onuitputtelijke teederheid, door het bewustzijn, waarin wij steeds verkeeren, dat Hij ons altijd bemint, hoewel wij zijne gramschap verdiend hebben. Wij bewijzen Hem aldus de Hem waardigste, de meest kiesche eer, want het vertrouwen is de hulde des harten; hieruit ontstaat het verlangen dat de mensch koestert, om het vertrouwen te winnen zijner medemenschen.

God zou eindelijk zich-zelven onteeren, zoo Hij toeliet, dat wij bedrogen werden in ons vertrouwen, omdat het dan zou blijken, dat de goddelijke goedheid in werkelijkheid minder was, dan in de verbeelding der menschen. Het is op deze overtuiging, dat de leer gevestigd is der kerkleeraars, dat de hoop de maat is der genaden, welke wij ontvangen. De H. Thomas zegt, dat de hoop de grondslag is der verwerving, even als de liefde de grondslag is der verdiensten; want even als wy verdienen, naarmate wij beminnen, zoo verkrijgen wij naar mate wij hopen.

Beoordeelen wij ten minste het Hart van God naar het onze. Wij zouden hem, die zou weigeren zijn naasten te helpen, die met vertrouwen tot hem

(1) Ps. 49, 15.

-ocr page 24-

15

kwam, den naam van mensch onwaardig achten, vooral als het hem gemakkelijk viel den gevraagden dienst te bewijzen en het een dienst van groot belang gold ; hoe dan zou God zijn kind kunnen ver-stooten, dat zich in zijne armen werpt, in plaats het te behoeden voor het eeuwig verderf, daar Hij om het te redden, dit slechts behoeft te willen? Is dit niet het denkbeeld, dat Hij zelf ons geeft van zijne goedheid, als Hij zegt: Omdat hij op mij vertrouwd heeft, zal ik hem redden; omdat hij mijnen naam leent, zal ik hem beschermen ? (1)

O Jezus, hoe weinig kent hij uwen naam, hij, die niet alles van ü durft hopen ? Hoe spoedig zou eene religieuze ziel getroost worden, als zij, in die oogen-blikken van ontsteltenis, waarin zij door zwaarmoedige gedachten wordt aangevallen, hare blikken tot U keerde, en zich verbergende in de wonde van uw heilig Hart, zich verbeeldde ü tot Maria, die voor haar smeekt te hooren zeggen: »Ik heb vele reden, o mijne moeder, die bedroefde ziel ter hulp te komen. Gij bidt voor haar, zij heeft alles verlaten om mij te volgen, zij heeft mij zoo veel gekost! doch vooral zij heeft in mij gehoopt, en dit is voldoende... Het geldt mijne eer haar vertrouwen niet te beschamen, ik zal haar verlossen van hare vijanden; ik zal haar geluk bevestigen.quot; Dat dan anderen steunen op een leven van onschuld en rijk in goede werken; ik, Heer, zal slechts steunen op U en op mijne hoop; Gij hebt mij daarin bevestigd door deze overweging; ik zal dan in vrede rusten en op U mijn betrouwen stellen.

lt;1) Ps. 99, 14.

-ocr page 25-

16

3de OVERWEGING.

Derde Zondag van den Advent.

geestklijkk vreugde.

Niets geeft het juk van Jezus-Christus meer eer, dan het blijmoedig gelaat van hen, die het dragen. De religieuzen zijn den geloovigen het voorbeeld schuldig van die heilige vreugd, welke de Kerk zou willen zien heerschen in het hart van al hare kinderen. Zelfs in den tijd, toegewijd aan de boetvaar dioheid, den Advent en de Vasten, onderbreekt Zij

o 1 ^ _

hare klaagtonen, versiert hare altaren, verlangt dat hare gezangen, en al de vormen der kerkelijke diensten spreken van vreugde en blijdschap.

I. Wat is de geestelijke blijdschap, en welk

denkbeeld moeten wij ons daarvan vormen H. Hoezeer God verlangt, dat wij die immer bezitten.

III. Hoe nuttig en noodzakelijk zij is ter onzer heiliging.

1 Pont. Waar denhheeld der geestelijke vreugde. Dit geeft ons de H. Paulus in den epistel van dezen dag. Doordringen wij ons diep van de vermaning, die hij ons geeft: Mijne broeders verblijdt u in den Heer ten allen tijde; ik herhaal het: verblijdt u; uwe bescheidenheid worde allen menschen bekend. De Heet is nabij. Weest in niets bekommerd; maar laat in alles door bidden en smeeken met dankzegging moe begeerten bij God bekend worden. In deze woorden

-ocr page 26-

17

vinden wij het kenmerk en de beweegreden eener oprecht christelijke vreugde. Ia God wordt zij geput: ]n Domino; daarom is zij onverstoorbaar; de vreugde ontstaan uit de bevrediging der hartstochten, verloopt gelyk een stortvloed, die weldra uitdroogt en slechts een onzuiver slijk achterlaat. De vreugde, ons door de schepselen verschaft, is zij al onschuldig, zoo is zij ten minste ijdel, oppervlakkig en vergankelijk, gelijk de voorwerpen, die haar opwekken. De geestelijke vreugde is de eenige, die het liart vervult en altijd kan duren, omdat zij voortwelt uit hare bron: Semper. Zij is bescheiden en zedig en heeft niets gemeens met de dwaze en lichtzinnige vreugde der wereld; de apostel geeft daarvan de reden, zeggende dat zij gegrondvest is op ons geloof in de tegenwoordigheid Gods. Dominus prope est, in zijne wijsheid, in zijne goedheid, in zijne getrouwheid aan zijne beloften, waardoor in ons het gevoelen van vertrouwen ontstaat. Wie zou ons kunnen aantasten? God is overal. Hij ziet alles. Hij kan alles. Hij wil ten allen tijde ons geluk, zijne schatten behooreu ons. Hij heeft den sleutel in onze handen gesteld, te weten het gebed eu Hij heeft gaarne, dat wij daarvan gebruik maken. Door de herinnering aan reeds ontvangen weldaden opgewekt , verkrijgt het gebed alles. De geestelijke vreugde is in ons eeno gave van deu H. Geest en een begin van deelneming aan de vreugde van God-zelven. Op aarde valt de vreugde druppel voor druppel in de ziel der uitverkoornen; in den hemel zullen zij zich dompelen in de vreugde huns meesters. Wat is dau mij verheugen in God? Het is in Hem en ia CH. III. 2

-ocr page 27-

18

zgnen dienst al mijne voldoening zoeken. Ik verheug mij in God, als ik mij verheug in de vervulling van zijnen wil, als ik my verheug de dienaar te zijn van zulk een goeden meester, het kind van zulk een teeder Vader...., als ik mij verheug over de liefde, welke Hij mij toedraagt, over de bewijzen, welke Hij mij daarvan geeft, over de weldaden, die ik van Hem verwacht.... Maar ik verheug my in God op de volmaaktste wijze, als ik gaarne zyne oneindige volmaaktheden, zijne volstrekte onafhankelijkheid, zijne opperste gelukzaligheid overweeg, welke al de aanslagen der bedorven harten noch verminderen, noch verstoren kunnen.... dan is mijne vreugde de liefde van het kind, dat zijnen vader gaarne beschouwt en zich gelukkig gevoelt over zijn geluk.

II Punt. Hoe aangenaam onze geestelijke vreugde aan God i*. Hij schiep ons naar zijn beeld; Hy wil, dat wij zooveel mogelijk Hem gelijken. Wij misvormen dat goddelijk beeld door onze droefgeestigheid , want God is de vreugde, zoowel als de liefde. Op welke bladzijde der gewijde bladen vinden wij geene dringende vermaning tot den \'zondaar, om zich te bekeeren, geene herhaalde uitnoodiging tot den rechtvaardige, om zich te verheugen? Onze vreugde is God zoo aangenaam, als zij Hem tot voorwerp heelt, dat zij een zeker middel is, om van Hem te verkrygen hetgeen wy verlangen.

De blijdschap is de vrucht der rechtvaardigheid zij behoort u toe, getrouwe zielen, niemand mag u haar bezit betwisten; gy zoekt den Heer, gy wilt Hem alleen toebehooren, dit is voldoende, gij hebt

-ocr page 28-

19

recht u te verheugen. Luistert naar Hem, als Hij u zoo herhaaldelijk uitnoodigt tot juichen, tot jubelen, tot vervoering eener levendige vreugde. O gij looft Hem op waardige wijze, alleen door u gelukkig te toonen in zijnen dienst. Van u moet in het bijzonder gezegd worden, dat de Heer u beschermt onder zijne vleugelen, gelijk de hen hare kuikens, en gij zoudt onverschillig blijven, daar waar de profeet jubelde van blijdschap? (1). Zeg niet, vreesachtige zielen, dat zoo de blijdschap wordt aanbevolen, de vrees dit ook wordt. Neen, uw angst, uwe kleinmoedigheid, uwe gedruktheid is niet de vrees, die God beveelt. Deze verstijft het hart niet, daar men juist die zalige vrees in een blijmoedig hart moet bezitten. David leert het ons. Uwen naam te vreezen zij de vreugde van mijn hart. (2). De heiligen vreezen God te mishagen, oradat zij zijn welbehagen beschouwen als het grootste goed, zijn mishagen als de grootste aller rampen. Hunne vrees ontstaat uit de liefde. »De vrees des Heeren, zegt de Wijze Man, is de kroon der wijsheid, zij vervult en verleent hem rijkelijk vrede en heil.quot; (3) Brengt gij den Heer een offer, zoo doe dit niet met droefheid en als gedwongen, want Hij bemint den blijden gever. Treed in zijnen tempel om te bidden, dat de vreugde er met u intrede, en verjaag haar niet tegen den wil van God, die u in zijn huis wil verblijden.

III Punt. Hoe nuttig en noodzakelijk de vreugde is tot onze heiliging. Overwegen wij wel deze woorden: Vreugde des harten is het leven des menschen en een

(1) Ps. 81, U. Ps. 32, 1. (2) Pb. 85, 11. (3) Eccli 1, 22.

-ocr page 29-

20

onuitputbare schat van heiligheid en iemands vroolijh-heid is lengte van dagen (1). De geestelijke vreugde is, even als de ware godsvrucht, waarvan zij onafscheidbaar is, nuttig tot alles, zy heeft beloften voor dit en voor het toekomstig leven. Wij beschouwen haar slechts onder dit laatste opzicht. Even als de droefheid de ziel doodt, en het verderf van velen bewerkt, zoo maakt de blijdschap haar zalig. Zij is een bolwerk, dat de onschuld beschermt, .of een krachticr middel, om derzelver verlies te herstellen.

O 7

Wordt gij bekoord? Als de droefheid uw hart overmeestert, valt gij in duisternis, verliest gij uwe kracht, gij wordt overwonnen. Uwe wapenen zouden het gebed, het vertrouwen op God, de versterving zijn, doch het gebed staat u tegen, het vertrouwen verlaat u, de versterving wordt u onmogelijk. Als gij blijdschap en hoop bezit, zal God u verlossen; Hij heeft dit beloofd; hadde Hij geen andere beweegreden u tegen den duivel te beschermen, die slechts uw vijand is, omdat hij de zijne is, zou uwe hoop alleen Hem hiertoe verplichten. Zijt gij gevallen? dat de hoop der vergeving uwe ziel kome bemoedigen, ontsteld als zij is door den eersten indruk van haren val; dat zij u tot God terugbrenge. — Met de vreugde zal Hg u de zaligheid terugschenken, — Is er sprake van het vervullen uwer plichten? niets zal u dit zoo gemakkelijk maken als de heilige vreugde. Men kan van dit zoet gevoel hetzelfde zegge u, wat de schrijver der Navolging zegt van de liefde, waarvan het een der kostbaarste vruchten is: »Niets drukt.

(1) Eccli 30 , 23,

-ocr page 30-

21

niets kost haar; zij beproeft meer dan zij kan, nooit gelooft zij iets onmogelijk en daarom kan zij alles.quot; De droefheid daarentegen, ontzenuwt den moed; de minste moeielijkheid slaat dien neder; zij maakt ons lastig in den omgang, ontevreden met ons-zelven en anderen. Zij sleept ons mede in twee tegenovergestelde uitersten, de wanhoop, of de dwaze zucht tot schuldig genot; de zwaarraoedigen zijn meer geneigd tot zinnelijkheid, juist omdat zij aan droefheid ten prooi zijn. Besluiten wij dan dat de blijdschap niet slechts nuttig, doch noodzakelijk is; het hart des menschen, zegt de H. Gregorius, kan niet leven zonder vermaak; indien het dit niet vindt in de deugd, zoekt het dit in de ongeregeldheid der zinnelijke voldoeningen. Wel moet de droefheid een groot beletsel ter zaligheid zijn, daar de H. Kerk even dringend voor ons vraagt, dat wij van de tegenwoordige droefheid verlost mogen worden, en de eeuwige vreugde mogen genieten.

Heer, indien ik U bemin, zal ik vreugde en eene overstoorbare vreugde genieten; maar ook als ik de geestelijke vreugde bezit, zal ik U beminnen; de vreugde verwijdt het hart en opent het voor de zoete gevoelens der liefde. O mijn God, geef mij uwe liefde, geef mij de blijdschap, die uit uwe liefde voortspruit, dan zal niets mij van U kunnen scheiden noch mijn geluk verstoren.

-ocr page 31-

22

4de OVERWEGING.

Vierde Zondag van den Advent,

leven van jezus in makia.

I. Jezus offert zich aan de glorie zijcs Vaders.

II. Jezus wijdt zich reeds toe aan de zaligheid der menschen.

I Punt. Leven van Jezus in den schoot van Maria, leven van opoffering aan dé glorie zijns Vaders. De ziel van den Zoon Gods was nauwelijks vereenigd met zijn lichaam en zijne menschheid met het Woord, of reeds begint Hij zijne zending van verzoening. Van het eerste oogenblik zijner ontvangenis, in het genot van de aanschouwing van God en van het vrije genot zijner inwendige vermogens, heeft Hij de oneindige uitmuntendheid gekend van Gods heerlijkheid , — wat zij verdient en welke beleediging zij van den zondigen mensch beeft ontvangen, en onmiddellijk bood Hij zich aan bij zijnen Vader, als een slachtoffer van aanbidding, van lof, van verzoening,.., alle beschikkingen zijner voorzienigheid omhelzende, en in het bijzonder dien bitteren kelk van lijden en vernedering, waaraan de verlossing van het menschdom gehecht was. Bij het intreden der wereld zegde Hij tot zijnen Vader: Slachtoffer en offerande wild et gij niet, maar een lichaam hebt gij mij toebereid; brandoffers voor de zonden behaagden u niet! Toen sprak ik, zie, ik kom (1). Ziedaar zijne

(1) Heb. 10, 5-7.

-ocr page 32-

23

bezigheid ia den moederschoot; zij zal die Tan geheel zijn leven zijn. Niet slechts hij elk der geheimen, welke Hij gaat vervullen, als zijne geboorte, zgne besnijdenis, zijne vlucht naar Egypte enz., maar bij eiken tred, welken Hij op zijne loopbaan zal zetten, zal Hij het offer van zich-zelven ten volle vernieuwen, voortdurend aal Hg herhalen: gt;Zie, ik kom, o mijn Vader, hier ben ik, wat wilt Gij dat ik doe om U waardiglijk te vereeren ? Uw wil is als het leven mijns harten, hij zal mijn onveranderlijke regel zyn.quot;

Weldra zullen de engelen ons eene groote reden tot blijdschap aankondigen; verheugen wij ons reeds van nu af, want God heeft voor ons reeds plannen van verzoening en liefde; Hy begint reeds zijne glorie te herkrijgen. Sedert den dag, dat een menschge-worden God de dienaar en aanbidder van God is geworden, ontvangt het oneindig Wezen eerbetuigingen geëvenredigd aan zijne oneindige volmaaktheden. Vereenigen wij onze hulde met die van God, onzen middelaar. Leeren wij dan de eer van God hoogachten, beminnen, in alles zoeken. O goddelijke glorie, hoe groot is hij, die slechts voor U leeft en werkt; dit toch is leven en werken als God, die zich geen ander doel kan voorstellen, dan zijne eigene glorie. Hoezeer wordt hij door God bemind, omdat hij zelf God bemint met de volmaaktste liefde, zich-zelven geheel uit het oog verliezende, om slechts God te zien en te zoeken. Hoe wel begrijpt hij zijne ware belangen! daar de kleinste, de natuurlijkste, de onverschilligste zaak, verricht in staat van genade tot eer van God, eene overmaat van geluk verdient voor alle eeuwigheid.

-ocr page 33-

24

Goddelijke glorie, waart gij het einde van al mijiiel handelingen, de drijfveer mijns levens, het begin 1 vau al mijne besluiten, hoe groot ware myn vrede!l want beantwoordende aan mijn einde, zou ik rechtvaardig zijn; de vrede toch is de vrucht der rechi-! vaardigheid, de belooniug der nagekomen orde. De! vrede is beloofd aan den goeden wil. Kan er éeii betere wil zijn, dan die van hem, die altijd en in | alles de glorie Gods zoekende, nooit een anderen wil | heeft, dan den wil van God zei ven?

II Punt. L even van Jezus in den schoot van Maria, leven van toewijding aan de zaligheid dei-zielen. De glorie van God, de eenige, die Hij van redelijke wezens kan ontvangen, bestaat in door hen gekend, bemind, aanbeden, gediend te worden; eene noodzakelijke voorwaarde om hen deel te doen nemen aan zijn geluk. Ziedaar het heilig vuur, dat Jezus op aarde is komen brengen! 0 hoezeer begeert Hij dat het overal brands! Reeds stelt Hij zich, met een nooit onderbroken toeleg van geest, den treurigen staat voor van het menschelijk geslacht, gedompeld in duisternis, bezoedeld met alle misdaden... zoovele rampzalige zielen, welke onophoudelijk nedervalleu in den afgrond der hel. Welke droefheid voor zijn mededoogend Hart! Wanneer zal Hij met reuzenschreden kunnen voortsnellen op den weg der verlossing?

In den schoot van Maria begint Hij reeds de heilige ondernemingen van zijnen ijver. Niet tevreden met onze verkeerde denkbeelden te hervormen en ons te leeren het verborgen leven, de nederigheid, het geduld, de gehoorzaamheid, al de deugden, die

-ocr page 34-

25

ons zalig kunnen maken te leeren, wekt Hij zijne moeder op Hem te dragen in het huis van Zacharias, waar Hij zijn voorlooper gaat heiligen, Elisabeth met den H. Geest gaat vervullen, overvloedige zegeningen gaat storten over het geheele gezin... Daarenboven werkt Hij aan zijn werk van barmhartigheid door zijne onderwerping aan den wil zgns Vaders, door het voortdurend offer, dat Hij Hem aanbiedt van zijne gevangenschap, zijne vernedering, zijne zwakheid en onmacht... en vooral door zijn gebed. Hij vraagt en verkrggt al de genaden, welke tot het einde der eeuwen aan zyne Kerk zullen worden toegestaan... Mijn God, hoeveel goed kan men bewerken in het verborgen, ongezien, zonder ge-druisch, even onbekend bij de menschen, als de Heer iu den schoot zijner moeder.

0 Jezus, geef mij een hart, dat het uwe begrijpe en navolge, een hart zoo onthecht van de schepselen en van zich-zelven, dat Gij het kunt ontvlammen door den gloed, die U verteert, een hart brandend van ijver voor Gods glorie en de zaligheid mijner broeders; maar terzelfder tijd een gerust hart, dat de oogenblikken door uwen Vader bestemd, afwacht, zonder ze te voorkomen; een hart getrouw aan de inspraken der genade, in plaats van de drift der natuur te volgen... O indien Gij mij den prijs doet kennen der zielen , die Gy tot zulk een bloedigen prijs gaat verlossen, en de uitnemende glorie, welke iiare heiliging en zaligheid aan de allerheiligste Drievuldigheid verschaft, dan zal er niets meer in mijn leven voorkomen, dat niet gericht zij tot zulk een edel doel. In de eenzaamheid of het openbaar leven,

-

-ocr page 35-

26

in de beweging der uitwendige bezigheden of in de rust van het gebed, zal alles strekken tot Gods glorie en de zaligheid der zielen.

5de OVERWEGING.

Kerstnacht.

11ei8 naar bkthlehem.

I. De wijsheid en goedheid van God, welke deze reis gebieden.

II. De gehoorzaamheid en het vertrouwen op God van hen, die haar volbrengen.

1. Stellen wij ons de geheele wereld in beweging voor, om den Romeinschen Keizer te gehoorzamen, en het hemelsch hof, dat oplettend het huisje te Nazareth gadeslaat, want dit bevat Dengene, om wiens wil alles handelt en zich voorbereidt.

2. Ik smeek U, o mijn God, mij de altijd vaderlijke wegen uwer Voorzienigheid te leeren kennen ea beminnen, opdat ik mij naar het voorbeeld van Maria en Jozef geheel aan U overgeve.

I Punt. De wijsheid en yoedheid Gods, welke de reis naar Bethlehem gebieden. Nadat Cesar-Augustus geheel de aarde in vrede had gevestigd, wil hij de uitgestrektheid zijner macht, den rijkdom en de kracht van zijn rijk kennen en hij beveelt de optelling zijner onderdanen. Men gehoorzaamt; zijn hoogmoed zegeviert. Maar, o diepte van Gods wijsheid, Cesar

-ocr page 36-

27

in delrelooft te werken tot zijne glorie en hij werkt tot GodsBie van Jezus-Christus, door het bewijs zijner god-lelijke zending te bereiden.

I Maria woont te Nazareth; haar tijd nadert zonder /flat zjj de minste gedachte koestert hare woning te jrerlaten, en nochtans ter veryulling der profetiën Tioet de Zaligmaker te Bethlehem geboren worden. Ularia bevindt zich te huis, bij haren Bruidegom, en jiochtans moet, ter onzer onderrichting en om ons )nze liefde des te dringender te vragen, de Verlosser n eenen stal geboren worden.

Maria is de huisvrouw van een nederig ambachtsman \' ;n nochtans moet het wettig bewezen worden, dat haar zoon uit bet koninklijk geslacht van David !afstamt; zijn naam in de openbare registers aange-\'teekend, moet op onwederlegbare wijze tijd en plaats ïzijner geboorte aanwijzen, volmaakt overéénstemmend iiuet den tijd en de plaats door de profeten aange-ikondigd. Die Messias, het voorwerp van zoo veler verpachting, moet zijn intreden doen in de wereld, in een staat van armoede en vernedering, want Hij komt een geestelijk rijk vestigen, dat alle rijken zal onderwerpen aan de wetten van onthechting, geduld en ootmoed. Alles rust in Gods hand en Hy doet alles medewerken, ter openbaring zijner glorie. Het bevel des keizers geleidt Maria naar Bethlehem en de toevloed der vreemdelingen, welke, zoowel als zij, aan het gebod gehoorzamen, beletten haar een verblijf te vinden. Aldus dienen de groote, zoowel als de kleine gebeurtenissen, de ijdelheid van Augustus zoowel als de nederigheid van Maria, tot de volbrenging van den wil des Heeren en zijne goedheid

-ocr page 37-

28

beschikt alles ten gunste van hen, die Hem liefhebben. liei(

Welk een schat van verdiensten, welk eene bron har

van troost zullen Maria en Jozef vinden in die reis, dan

welke uit tnenschelijk oogpunt beschouwd, zoo pijnlijk ik

toeschijnt. Ja, mijn God, veel beter is het in U yee

te hopen, dan zijn vertrouwen te stellen in de men- O i

schen, zelfs in hen, die met de hoogste macht bekleed ges

zijn. Jn welke plaats, in welken toestand ik mij ook en

moge bevinden, zal ik immer uwe eindelooze wijsheid eei

erkennen, welke alle zaken geleidt en ik zal met va

liefde de beschikkingen uwer Voorzienigheid aan- trc

bidden. do

II Punt. Gehoorzaamheid en vertrouwen op God gt; I

van Maria en Jozef. Bij het bevel van Augustus he

stelt het geheele Komeinsche rijk zich in beweging, gl

ieder gaat zich in zijne geboorteplaats laten op- za

schrijven. Jozef en Maria hadden genoegzame reden pi

tot uitzondering; de waardigheid der H. Maagd, de n

onvergelijkelijke grootheid van den Zoon, dien zij di

der wereld ging schenken, de gevaren, waaraan g

eene reis, in hare omstandigheden ondernomen, haar d ging blootstellen; en dat in het strengste jaargetijde!... , o

Doch volmaakt in hunne gehoorzaamheid, ziet dit v

heilig echtpaar slechts Gods wil in dien des keizers, a zij weifelen geen oogenblik. De beproevingen waren voorzien, zij ontbraken noch in den loop, noch bij het einde der reis, hun vertrouwen was onwankelbaar. Tot dusverre was hun leven, ten opzichte van God, slechts eene kinderlijke overgeving geweest,

steeds door het beste gevolg gerechtvaardigd, doch in de tegenwoordige omstandigheden moesten zij meer dan ooit rekenen op de teedere zorg der Voorzienig-

-ocr page 38-

29

heid. Maria droeg den meester vau het heelal in liareu maagdelijken schoot, sij kon met meer reden dan haar doorluchtige Voorvader zeggen; Al moest ik ook gaan te midden van de schaduwe des doods, i U geen kwaad zou ik vreezen, want Gij zijt bij mij (1). len- 0 mijne ziel hebt gij nooit de waarheid dezer woorden gesmaakt? Als Jezus tegenwoordig is, is alles zoet en niets schijnt moeielijk. Zonder Jezus te zijn, is een ondragelijke hel; met Jezus te zijn, is een paradijs van genoegen (2). Stel geene grenzen aan uw betrouwen ; weldra zal Maria u Jezus geven. Reeds doet zich eene uitnoodiging tot vreugde hooren: »Kom laten wij ons verheugen.quot; Weet dat de Heer heden komen zal, en dat gij bij den dageraad zyne glorie zult aanschouwen. Weldra zal het uur zijner zalige komst slaan. Haasten wij ons de versiering onzer harten te voltooien; bereiden wij die tot eene rustplaats voor het goddelijk Kind! O hoe zoet is de Communie van Kerstnacht! Almachtige God, geef dat, even als wij door onze gebeden de aanbiddelijke geboorte van uwen Zoon voorkomen, wij ook in de vreugde de eeuwige gaven mogen ontvangen , van Hem, die met ü leeft en regeert in alle eeuwen der eeuwen.

(1) Ps. 22. L (2) Nav.

-ocr page 39-

30

6de OVERWEGING.

Kerstdag.

geboorte van jezus-chuistüs. — beschouwing.

I. De personen beschouwen.

11. De woorden aanhooren.

III. De handelingen overwegen.

1. Jozef gaat op van Galilea uit de stad Nazareth naar Judea, naar Davids stad, die Betlilehsm genoemd wordt, omdat hij uit bet buis en bet geslacht van David was, ten einde zich te laten opschrijven met Maria... En het geschiedde, als zij daar waren, dat de dagen vervuld werden... En zij baarde haren eerstgeboren Zoon en wond Hem in doeken en legde Hem neder in eene kribbe, omdat er voor hen geene plaats was in de herberg. (1)

2. Stellen wij ons den weg van Nazareth naar Bethlehem voor, hoe lang, hoe moeielijk... dan de grot der geboorte, zoo ruw, zoo open voor wind en weder; zoo vervallen, zoo armoedig, zoo vochtig enz.

3. Vragen wij aan God de innige kennis van dit geheim, opdat wij vuriger en edelmoediger den goddelijken Koning mogen navolgen, die ons komt verlossen van onze dwalingen en hartstochten, de grondslagen komt leggen van het religieuze leven, een leven van armoede, van gehoorzaamheid en lijden.

I Punt. Beschouwen wij de personen. Op den weg, vooral in de straten van Bethlehem eene woelige

(1) luc. 100, 2.

-ocr page 40-

31

menigte aankomende reizigers, die een nachtverblyf zoeken, bloedverwanten, die elkander ontmoeten, de bewoners der stad, die party zoeken te trekken uit dien toevloed; ieder denkt aan zijne tijdelijke welvaart; allen hebben slechts aardsche gedachten. De H. Maagd Maria, geheel verdiept in het geheim, dat in baar wordt uitgewerkt. Zie haar op weg... aan de deur der herbergen, die het haar niet vergund wordt binnen te treden: O wist men welk geluk zg der wereld komt aanbrengen! Beschouwen wy baar in de grot... Hoe helder is haar gelaat, hoe kalm hare ziel, hoe zedig, hoe gelaten, hoe geduldig, hoe vereenigd met haren Zoon! — Beschouwen wij Jozef, hij heeft het uiterlijk van een ambachtsman, met eene zekere waardigheid gepaard, zijne ingetogenheid doet nog beter de uitgestortheid van die gaanden en komenden uitkomen... Welk eene droefheid teekent zich op zijn gelaat, als hij den avond ziet vallen, alvorens een verblijf voor zijne heilige Bruid te hebben gevonden! Hoe treurig is de blik, waarmede hij den verlaten stal beschouwt en aan Maria als laatste toevluchtsoord aanwijst... O Jozef, hoe spoedig zult gij getroost worden!...

Doch beschouwen wij vooral aandachtig Dengene, die zijn intreden gaat doen in de wereld. Zou men veronderstellen, dat het een konings zoon, dat het de Koning der koningen is? Welk paleis, welke wieg is Hem bereid? Gelijk alle menschen-kinderen gaat Hij zijn leven onder tranen beginnen, doch nooit zal eenig kind reeds van af zyne geboorte tot zoovele ontberingen, tot zooveel lijden veroordeeld worden. Ontbreekt Hem zelfs het noodzakelijkste

-ocr page 41-

32

niet ? Hoe, in dit barre jaargetijde een stal tot woning, een vervallen stal, aan alle winden open !... O mijne ziel, nochtans moet gij in Hem den Verlosser erkennen, sedert vier duizend jaren verwacht en afgesmeekt... den bewonderenswaardigen, den sterken God, die gedragen wordt op de vleugelen der Serafijnen, den Verlosser der wereld, den Meester van het heelal! Weldra zult gij u nederwerpen voor dit kind, en al uwe vermogens uitnoodigen om He^n te aanbidden. Van dit oogenblik af moet gij opmerkzaam zijn op zijne lessen, zijne voorbeelden navolgen, want Hij komt om de wereld te verlichten en wee hun, die zullen weigeren Hem te begrijpen!.

II Punt. De icoorden aanhoor en. De woorden, welke Jozef en Maria hooren op weg en te midden dier woelige menigte in de straten van Bethlehem; hoe ijdel, hoe misdadig somtijds! — Doch luisteren wij liever naar de woorden, welke Jozef en Maria ter wederzijdsche stichting van tgd tot tijd wisselen; zg spreken over Jezus; hoe heilig zijn hunne gesprekken ! — Hoor hoe Jozef op zachten en nederigen toon een verblijf vraagt, ten minste voor êénen nacht... Hoe hardvochtig is het antwoord. — Met welke verachting wordt hij afgewezen! Maria troost hem en bedankt hem vriendelijk voor de moeite, welke hij zich voor haar geeft... Zij spreekt weinig... eene vermeerdering van liefde zegt haar, dat het oogenblik nadert, waarop zij ons een Zaligmaker gaat schenken. — En toen Jezus geboren was... O Maria, o Jozef, ware het mij gegeven de taal uwer harten te verstaan! Wat zegt het Hart van Jezus tot zijnen Vader, tot Maria, tot Jozef? Wat zegt

-ocr page 42-

33

het tot mij? en wat zal ik tot Jezus zeggen? zal ik Hem weigeren, wat Hij vraagt?

III Punt. De handelingen overwegen. Ten eerste de vaardige gehoorzaamheid, waarmede de twee heilige reizigers Nazareth verlaten, hun geduld op weg... hunne gelatenheid te Bethlehem, toen zij alle deuren voor zich gesloten zagen... Waar zullen zij gaan uitrusten na al deze vermoeienissen? Doch na hen beklaagd te hebben over hun lyden, moet gij hunne deugd bewonderen, hun geluk benijden! De

arme stal wordt een paradijs, Jezus is geboren.....

De vrucht des leveus heeft zich afgerukt van den boom zonder de minste kwetsing, de lichtstraal is uit de wolken geschoten, zonder ze te scheuren, Jezus is geboren uit de vlekkelooze Maagd, gelijk Hij heerlijk uit het graf zal opstaan, zonder bet te openen of te verbrijzelen. Welke zoete gewaarwordingen doen het hart van Maria kloppen? In dit kind erkent zij haren Zoon, doch terzelfder tijd den eeuwigen Zoon Gods, God in zich-zelven. God van alle eeuwigheid.

Zij verkeert in eene verrukking van liefde en eerbied..... Zij neemt baar pasgeboren kind in hare

armen, bedekt het met liefkozingen, wikkelt het in arme doeken, en het nederleggende in de kribbe, knielt zij neder en aanbidt het; zij bedankt het in naam van geheel het menschelijk geslacht, dat Hij komt redden... Doch hoeveel heeft zij Hem in eigen naam niet te danken; met welke gunsten, met welke voorrechten heeft Hij haar niet overladen? Met welke toewijding offert zij zich aan zijnen dienst! Jozef deelt in de vreugde zijner heilige Bruid; zich ch. in. \' 3

-ocr page 43-

34

met haar diep vernederende, biedt hij Jezus zijne aanbidding, zijne zorgen, zijne levendige dankbaarheid voor het verheven ambt, dat Hij hem gelieft toe te vertrouwen... O Jezus, welke hemelsche vlammen ontstaakt Gij in die twee zuivere harten, die U zoo innig toegenegen waren.

Samenspraak met Jezus, Maria, Jozef. Spreek eenvoudig met hen, over alles wat u treft in dit geheim. Vraag de genaden daaraan eigen, te weten dat onze harten mogen verteederd worden bij het zien van een God, kind geworden voor ons, in de kribbe een leven beginnende, dat Hij op het kruis zal voltrekken, opdat wij de ware rijkdommen, de ware grootheid, het ware geluk zouden leeren zoeken. O God, o wereld, hoe verschillend zijn uwe oordeelen. Help mij, o Heer, want er zijn geene vromen meer! want de getrouwen verdwijnen van onder de kinderen der menschen (1).

Verlaat gedurende deze heilige dagen Bethlehem zoo min mogelijk, ga dikwijls naar de kribbe, daar zult gij met den Zaligmaker de wetenschap vinden der zaligheid, en de genade om haar in oefening te brengen.

Fs. (1) 11 , 2.

-ocr page 44-

35

7de OVERWEGING.

de herders bij dr kribbe.

I. Een engel verschijnt hun.

II. Zij gaan naar Bethlehem.

III. Zij keeren terug.

I Punt. Verschijning van den engel aan de, Herders. Wie roept de Heer het eerst om de vruchten zijner geboorte in te zamelen en hoe worden zij geroepen?

1. Alles volgt geleidelijk in het gedrag van den Verlosser. Hij wordt in armoede geboren; het is aan de armen, dat Hij zich eerst doet kennen; zij zullen steeds zijne voorliefde genieten. Hij zendt engelen als afgezanten, niet tot machtige vorsten, maar tot menschen der eenvoudigste klas, tot arme, werkzame, waakzame menschen.

De armen, de geringen, ziedaar wie Hij zoekt. Hij zal gelijk zij in hun midden leven, gedurende dertig jaren. Als de tijd zal aanbreken, dat Hij het rijk Gods gaat verkondigen zal Hij zich niet richten tot het hof van Hérodes, doch tot de armen; voor hen heeft zijn hemelsche Vader Hem gezonden. Hij zal de rijken en geleerden niet minachten, doch nooit geeft Hij hun de voorkeur, ten einde nooit het nederig gedrag te verloochenen, dat Hij zich heeft voorgesteld. Hij voorziet dat dit hun hoogmoed zal vertoornen, hen tegen Hem zal innemen.... Nochtans zal Hij getrouw die gedragslijn, van alle eeuwigheid vastgesteld, volgen. Beminnen wij naar zijn voorbeeld de armen en kleinen, zijn wij zeiven klein

-ocr page 45-

36

door eenvoud en rechtzinnigheid. Aldus moeten wij Hem aanbidden in de kribbe, in het H. Sacrament, indien wij rijke vruchten uit dit treffend geheim willen inoogsten.

2. De herders worden plotseling omringd door een schitterend licht; een engel verschijnt hun, zij worden door schrik bevangen. Als God eene ziel bezoekt, vernedert Hij die eerst door de vrees, doch dit gevoel is niet van langen duur, en wordt weldra vervangen door het vertrouwen. «Vreest niet,quot; zegt de hemelbode, »want zie, ik verkondig u eene groote blijdschap , welke voor het gansche volk zijn zal: heden is u een Zaligmaker geboren, welke is Christus de Heer, in Davids stadquot; (1). Doch waaraan zult gij dien machtigen, dien zoo lang afgebeden Verlosser erkennen? »Gij zult een kindeken vinden in doeken gewonden en liggende in eene kribbequot; (2). Ja, dii; kind is de Verlosser der wereld; arme doeken, ziedaar zijn koningskleed, eene kribbe, ziedaar zijn troon! Hoovaardige wereld, zult gij onder dit hulsel van armoede en vernedering uw Meester erkennen ? Men-schelijke wijsheid, kom u verpletteren tegen deze kribbe, en Gij, Heer, begin uw werk van zaliging, door ons de oogen te openen; doe ons de schoonheid zien van die drie heilige kenteekenen van uw rijk: de nederigheid, invenietis infantem; de armoede, pannis involu.tum , de versterving der zinnen , positum in praisepio.

Nauwelijks heeft hij de geboorte des Zaligmakers aangekondigd, of eene ontelbare schare hemelsche

(I) Luc. 2, 10, 11. (2) Ibid. 12.

-ocr page 46-

37

geesten vervoegt zich bij hem en zij heffen het blijde loflied Gloria in excelsis aan! Glorie aan God, den bewerker vun dit geheim, waarin zijne goedheid, zijne wijsheid, zijne macht uitschitteren.... aan God, het doeleinde van dit geheim, waardoor Hij eene Hem waardige hulde en voldoening ontvangt; vreugde voor de engelen, ijverige dienaars van den grooten Koning! Vreugde voor den hemel! en wat de aarde

O O

betreft: vrede aan de menschen. Et in terra, pax hominibus; voor hun geluk wordt dit wonder van liefde volbracht; vrede onder elkander door de liefde, vrede met God door eene volmaakte verzoening, vrede met zich-zelven, vrede des harten, vrede des gewetens, door de onderwerping van alle driften aan alle plichten. Om dezen kostbaren vrede te smaken, moeten zij getrouw zijn aan de genade des Heeren en onderworpen aan zijne wetten; dit is de goede wil, dien Hij hun vraagt: bonce voluntatis.

II Punt. De Herders gaan naar Bethlehem. Zij gelooven zonder te redeneeren de woorden des engels, zoo tegenstrijdig aan de menschelijke vooroordeelen; en van dankbaarheid doordrongen, wekken zij elkander op om van deze kostbare genade partij te trekken, door onmiddellijk den pasgeboren Zaligmaker te gaan zoeken. Laat ons doorgaan tot Bethlehem en deze zaak zien, die geschied is, welke de Heer ons heeft hekend gemaakt (1) De engel heeft hun niets geboden, maar aan eene vurige ziel behoeft men het goede slechts te toonen om het haar met ijver te doen zoeken. Zij beschouwt de goede inspraken als even zoovele hemelboden, die haar tot Jezus roepen.

(1) Nav. 3, 5.

-ocr page 47-

38

De herders vertrekken. Zij spoeden zich Venerunt festinantes. O voorzichtige gehoorzaamheid, de Heer heeft gesproken, wat hebben zij te vreezen?.... O heilige vaardigheid. Hij die bemint, loopt, snelt voort, hij is in blijdschap, hij is vrij, niets houdt hem tegen (1).

Spoeden wij ons ook, mijne ziel, snellen wij voort op den weg, dien de Heer ons toont. Steunende op den raad van een wys zielbestierder, die voor ons de engel Gods is, moeten wy niet vreezen, dat de vurigheid onze gezondheid, het gebed onze bediening zal schaden. Laat ons Jezus zoeken zonder een oogenblik te verliezen. »Zij vonden Maria en Jozef en het Kindeken liggende in de kribbequot; (2). Ziedaar de vrucht hunner rechtzinnige gehoorzaamheid; wel verre van zich te laten afschrikken door die uiterste ellende en armoede, werden zij juist daardoor aangemoedigd te naderen tot den Zaligmaker, die zich toegankelijk betoonde en Hem hunne hulde te brengen. Hoe. deden zij hun best om Hem hunnen eerbied, hunne dankbaarheid, hunne liefde te betoonen? Gelukkige herders, zij brachten al den tijd, dien zij bij de kribbe verbleven, door, in het inwendig gebed, zonder te weten wat het gebed was. Zij gaven hun hart geheel aan het goddelijk Kind, en lieten Het vrij in zich werken, zich tevreden stellende met zgne genade mede te werken, zonder haar te belemmeren. Volgen wij dien eenvoud na, en Jezus zal het gebed in ons doen zi^n, wat het was in de herders.

(1) Luc. 2, 15. (2) Luc, 2, 16.

-ocr page 48-

39

III Punt. De terugkomst der Herders. Niet ver-meenende, dat zij de buitengewone gunst hun verleend, geheim moesten houden, spreken zij daarvan met de levendigste vreugde en geestdrift — en die geboorte van den Messias in eenen stal, die verschijning der engelen aan arme herders, dat loflied in hunne tegenwoordigheid gezongen door het engelenkoor, al die wonderlijke zaken op ongekunstelde wijze verhaald, door arme, eenvoudige lieden, wie men geene reden had te mistrouwen, bracht de joden in de omstreken in groote verbazing; was dit genoeg? Hadden zij zeiven niet naar deu stal moeten snellen en elkander de eer betwisten om Hem, die hun de zaligheid kwam aanbrengen, te huisvesten? Waartoe, mijn God, dient eene onvruchtbare bewondering uwer werken? Is dat alles wat Gij moogt verwachten van onze medewerking met uwe genade? Dan, terwijl blinde en zinnelijke menschen weinig deel namen in eene gebeurtenis, welke hun zooveel belang behoorde in te boezemen, verloor Maria, opmerkzaam op alles wat er voorviel, geen woord van al bet gebeurde. De herders hadden Haar breedvoerig de verschijning der engelen beschreven.... en al die omstandigheden, al die wonderen, die woorden bewaarde zij zorgvuldig in haar hart om daarmede haar geloot te voeden, hare liefde voortdurend te doen aangroeien. Zij leerde ons hoe wij de geheimen van den Zaligmaker moeten overwegen. De herders vertrokken, overladen met de rijkdommen der genade; en gingen alom verkondigen wat zij gezien en gehoord hadden. God lovende en prijzende, nog minder door hunne woorden, dan door de heiligheid van hun leven.

-ocr page 49-

40

Een der zekerste bewijzen van het voordeel, dat men trekt uit het inwendig gebed en het ontvangen van de H. Commuuie, is daardoor bezield te worden met een vuriger verlangen om de glorie van God te bevorderen en aller harten te onderwerpen aan Jezus-Christus. Dat de H. Tafel heden voor u zij wat de kribbe was voor de herders... Tracht die te naderen met dezelfde gevoeleus eu bereid u tot het ontvangen van veel kostbaarder gunsten. O Jezus, beminnelijke Verlosser, hoeveel kost het TJ nu reeds mij te onderrichten en te hervormen; zou ik dan mogen willen, dat mijne heiliging mij niets kostte? Voeg bij het licht van uw voorbeeld eene hulp, die geëvenredigd zij aan mijne zwakheid, opdat ik, beter dan ik tot dusverre gedaan heb, medewerke met uwe liefderijke inzichten en Gij eens in mij, door de eeuwige goederen, uw verlossingswerk moogt kronen.

8ste OVERWEGING.

HETZELFDE ONDERWERP. — BESCHOUWING.

1. De personen beschouwen.

II. De woorden aanhooren.

III. De handelingen overwegen.

I. Er waren in de omstreken herders, die des nachts bij hunne kudden waakten. Een engel des Heeren verscheen hun en ziende, dat zij door schrik bevangen waren, stelde hij hen gerust en kondigde

-ocr page 50-

41

hun de geboorte van een Verlosser te Bethlehem aan. Ziehier aan welke teekenen zij Hem zouden erkennen: zij zullen een kind vinden in doeken gewikkeld en liggende in eene kribbe. En terzelfder tijd kwam eene menigte hemelsche geesten den lof des Heeren en het geluk der tuenschen bezingen. De herders spoeden zich naar Bethlehem, waar zij met eigen oogen alles zien, wat de engel hun heeft aangekondigd; zij keeren terug, God glorie gevende voor al wat zij gezien en gehoord hebben.

2. Stellen wij ons de velden voor, waar de herders waken, den weg, dien zij afleggen, om zich naar Bethlehem te begeven, vervolgens den stal en de kribbe.

3. Vraag de genade om in de gevoelens te treden van die eerste aanbidders van het Kind Jezus en te deelen in de gunsten, welke zg ontvangen.

I Punt. De personen beschouwen. In de velden, een engel omgeven door een glinsterend licht. Het is een hemelvorst, een gezant door God gezonden; tot wie? Op zijn gelaat rust eene zoete en minzame majesteit; men ziet het hem aan, dat hij eene blijde tijding gaat mededeelen; de herders, eenvoudige lieden, armoedig gekleed, zij zijn er ver van verwijderd de groote gunst te voorzien, welke de hemel hun bereidt. Zij schijnen kalm en rustig vóór de verschijning. De rechtzinnigheid hunner ziel, de oprechtheid van hun hart staan op hun gelaat te lezen , zij zijn bereid den Messias te ontvangen, in welken staat het God zal behagen Hem te schenken. O Heer, zoo Gij U aan de menschen wilt mededeelen, ziedaar dan die, welke Gij zoekt. — In de stad zgn

-ocr page 51-

42

de herbergen, de bijzondere woningen vervuld met inwoners en vreemdelingen, waaronder vele bloedverwanten van Maria en Jozef, even als zij, uit het koninklijk geslacht van David ontsproten... Zijn er onder hen geene, die weigeren hen als zoodanig te erkennen, omdat zij behoeftig zijn? Onder hun getal bevinden zich trotsche, wulpsche rijken, gierigaards, menschen door allerlei hartstochten verdierlijkt, en waarheen is de zuiverste, de verhevenste deugd verbannen? Verplaats u naar den bouwvalligen stal en beschouw Jezus, Maria en Jozef. Jezus, de Zoon Gods, de luister zijner glorie, als een klein kind in doeken gewonden, rustende op stroo, verkleumd van koude,.... zijne teedere Moeder en Jozef, die Hem beschouwen zonder hunne oogen van Hem te kunnen afwenden! De Engelen van den hemel afgedaald om hun goddelijken Koning te aanbidden.... en gij, mijne ziel, wat gaat gij doen? Wat zijn uwe gevoelens, en welke vruchten stelt gij u voor, uit dit aanbiddelijk geheim en uit alles wat gij ziet te trekken ?

II Punt. De woorden aanhoor en, De eerste woorden strekken reeds om de vrees en de ontsteltenis te verbannen. Vreest niet, het geheim van Kerstmis boezemt slechts vertrouwen in, de Hemel heeft heden slechts zegen op de aarde uit te storten. Een God, wien alles toebehoort, en die in zulk een armoe-digen staat wil geboren worden, wekt veel meer de liefde dan de vrees op. »Zie ik verkondig u eene groote blijdschap.... heden is u een Zaligmaker gebonn. Wat grooter geluk kon ons overkomen? Voor u is Hij geboren, voor u is Hij de Verlosser. En ziehier

-ocr page 52-

43

aan welk teeken gij Hem zult erkennen. Dit teeken zou niet aan allen kunnen gegeven worden doch aan u geef ik dit » Vohisquot;. Wat zeggen de herders? Zij denken er niet aan om de engelen te antwoorden , zij zyn reeds vol van Jezus, zij wekken elkander op. Komt, laat ons gaan zien.... Wat zeggen zij bij het zien der H. Familie? Wat zeggen Maria en Jozef tot hen?... Doch wat zegt vooral het liefelijk Kind, dat zij beschouwen, tot hun hart? Wat zullen zij zeggen by het verlaten van den stal? In welke eenvoudige en levendige woorden, zullen zij hunne vreugde, hunne dankbaarheid, hunne offervaardigheid uitdrukken? Luister ook naar den zang der engelen en smaak de zoetheid van den vrede, dien zij aankondigen. Pax hominibus.... De glorie van God is hersteld, zijne rechtvaardigheid is ontwapend; de vrede is gesloten tusschen God en de menschen; roepen onze zonden om wraak, zoo roepen andere kreten van uit de kribbe en dringen tot in het Hart van den Vader aller barmhartigheid, en deze kreten zullen alleen gehoord worden.... Vrede tusschen de menschen. Jezus komt hen door de banden der nauwste broederliefde vereenigen. Vrede in aller harten; Hij komt de wroeging er uit verdrijven en de hartstochten bedaren, die de harten kwellen.... En wat vraagt Hij ons, opdat wij dezen vrede genieten? De gemakkelijkste zaak ter wereld.... Den goeden wil. De engelen zeggen niet: Vrede aan

O O OD

de heilige en onschuldige zielen, die nooit gezondigd hebben, aan de heilige boetvaardigen, die hunne misdaden geboet hebben.... Zij zeggen: Vrede aan de menschen van goeden wil.... zoodra mijn wil

-ocr page 53-

44

goed is, al is het slechts van dit oogenblik af, zoodra hij zich wil schikken naar al wat God wil, heb ik recht op den vrede te vertrouwen.

III Punt. De handelingen en de deugden in dit geheim beoefend, overwegen. De liefde der hemelsche geesten , die zich verheugen over het geluk der men-schen als ware het hun eigen geluk. De getrouwheid der herders om de plichten van hunnen staat te vervullen — zij waakten. — En wie heeft geene waakzaamheid noodig? Waren de herders hierin te kort geschoten, zouden zij dan de eerste genaden en weldaden van den Messias ontvangen hebben? Hunne heilige schroomvalligheid by de groote tijding hun medegedeeld, hunne opmerkzaamheid, hun geloof: zij hebben geene vraag, geene opwerping, geene aanmerking te maken. God spreekt, dit is genoeg. Hunne broederlijke vereeniging. Zij wekken elkander op; weldra hebben zij slechts één hart, ééne ziel, één wil, ééne handeling; dit is tot Jezus, den bewerker hunner zaligheid, te gaan. En hoe gaan zij tot Hem ? Festinantes, met spoed, met vaardigheid; zij gaan aan eene kostbare genade beantwoorden. Zij wachten den dageraad niet af, zij vertrekken onmiddellijk, vol vertrouwen in Hem, die hen roept. En ik, mijn God, ik ga niet vooruit, ik blijf steeds in denzelfden toestand van geestelijke ziekte en diepste ellende! Hoe kan ik mij daarover verwonderen, indien ik niet aanstonds gehoorzaam, als uwe stern mij roept?

Wat vonden zij te Bethlehem? Maria, Jozef en het Kind in de kribbe.... Bij dit gezicht knielen zij neder. Zij beschouwen naar hartelust dat lieve

-ocr page 54-

45

Kind, zij bewonderen, zij aanbidden Het en bieden hunne kleine geschenken. Maria en Jozef ontvangen hen welwillend.... Jezus boezemt aan Maria de gedachte in, Hem een oogenblik aan hunne eerbiedige liefkozingen aan te bieden, zij doet dit; Hij bezielt hen met zijne liefde; o treffend schouwspel; o heerlijke belooning van de eenvoudigheid, de edelmoedigheid, het levendig geloof! Hoe kwijnend is het mijne! Die goede herders zien met het oog des lichaams slechts een zwak kind, van alles ontbloot... Kan dit de Redder van Israël wezen? Zij hebben geene bekoring van twijfel; zij gelooven het met geheel hunne ziel.... De engelen hadden hun, wel is waar, de grootheid van dit kind verkondigd; doch het woord des engels is voor mij wat het voor hen was, daarenboven heb ik het woord Gods, door de H. Kerk bevestigd. Neen, Heer, niets ontbreekt aan mijn onderricht; hadde ik waakzaamheid en moed om steeds getrouw gebruik te maken van het licht, dat Gij mij mededeelt, zoo ware mijne heiligheid en mijn geluk volmaakt.

O Jezus, wie zal de blijdschap schetsen vau uw Hart, toen Gij deze oprechte zielen tot U zaagt komen? Hoezeer troffen U hunne onschuld, hun levendig geloof, hunne oprechte liefde, en hoe overvloedig storttetGij over hen de schatten uwer geuade! Ik zal hen volgen en tot U naderen. Ik geloof zooals zij, ik verneder mijne rede tegenover dit geheim. Wel verre van door uwe armoede afgeschrikt te worden, verrukt zij mijn hart, omdat zij de maat is uwer liefde voor mij. Uwe kribbe, uwe vernedering zoek ik, de glans uwer glorie zou mij minder be-

-ocr page 55-

46

hagen dan deze diepe verborgenheid. Ontvang mij als een dezer herders, en geef mij den vrede, door uwe engelen aan de menschen van goeden wil beloofd.

9ae OVERWEGING.

de besnijdenis.

I. Wat doet Jezus-Christus in dit geheim.

II. Wat leert Hij zijnen leerlingen?

Offeren wij ons in deze overweging geheel aaa God op. Hij heeft gaarne dat men Hem de eerstelingen offere van de weldaden, die men van Hem ontvangt. Geven wij Hem dan dezen eersten dag des jaars en geven wij Hem uit voller harte de eerste oogenblikken van dezen dag, door de/;e overweging zoo volmaakt mogelijk te verrichten.

I Punt. IVat doet Jezus in het geheim zijner Besnijdenis\'? Hij vernedert zich. Hij lijdt. Hij redt en verkrijgt den naam van Zaligmaker.

1. Hij vernedert zich. Godheid, heiligheid, aller-verhevenste geboorte in den schoot zijns Vaders, eene bijna even bewonderenswaardige geboorte in den maagdelijken schoot van Maria,... hoevele titels ontslaan Jezus van de besnijdenis en schijnen Hem zelfs te gebieden zich daaraan te onttrekken en nochtans onderwerpt Hij er zich aan... De ongehoorzaamheid heeft alles in het verderf gestort, alles moet derhalve door de gehoorzaamheid hersteld worden.

-ocr page 56-

47

Wat deze wet bijzonder onteerend maakt voor een God-mensch, is dat zij de zonde deed veronderstellen in Hem, die derzei ver merkteeken ontving. Wat was meer onbestaanbaar dan de zonde in de godheid, in de heiligheid? Doch de Zoon Gods is mensch geworden, om ons van de zonde te verlossen, Hij wil daarvoor op overvloedige wijze boeten. Hy moet er dus mede bekleed worden, er de schande van dragen. Van dit oogenblik af, verdwijnt alle grootheid, Hij mag zich niet meer beroepen op zijne rechten, noch de verhevenheid van zijn oorsprong doen gelden. Ziedaar hoe diep de hoedanigheid van Zaligmaker het menschgeworden Woord vernedert. Door het aannemen der menschelijke natuur plaatste Hij zich beneden de engelen, en neemt Hij heden den naam en den titel van Zaligmaker aan, dan plaatst Hij zich beneden de menschen, daar Hij zich belast met al hunne misdaden. Het is dus in zijne besnijdenis, dat het woord van den H. Paulus vervuld wordt: »Hem, die geene zonde kende, dien heeft hij voor ons tot zonde gemaakt (1); Hij iu wien al de volkeren gezegend worden, is een vloek geworden voor ons.quot; (2)

2. Hij lijdt. Van het eerste oogenblik af van zyn bestaan, en gedurende den tyd, dien Hy doorbracht in den schoot van Maria, had Jezus niet opgehouden zich aan zijnen Vader op te dragen als zoenoffer voor al de zonden der wereld. Dit was het offer der opdracht van zich-zelven; doch nu begint de slachtofferande; zyn onschuldig vleesch wordt

(1) Gal. 3, 8, 13. (2) II Cor. 5, 22.

-ocr page 57-

48

verscheurd, zijn Bloed vloeit. Reeds is Hij priester en slachtoffer. Dit eerste bloed verpandt aan God al het overige. Zijne besnijdenis is het voorspel, de plechtige en echte aanneming van zijnen kruisdood. Hooren wij Hem reeds het woord des profeets bezigen: sMijn hart is bereid, o God, mijn hart is bereid.quot; Ik ben bereid alles te lijden voor uwe glorie en het geluk der menschen. Zie mij hier in den staat, waarnaar ik zoo verlangde. Myne godheid kon zich niet vereenigen met het lijden, noch met uwe inzichten van barmhartigheid, thans ga ik die vervullen, nu ik het menschelijk lichaam heb aangenomen. O mensch! erken uw Zaligmaker! Ik heb u mijn bloed beloofd, reeds vloeit het voor u... O kon ik thans reeds voor u sterven, om u het leven te geven. En Gij, o mijn Vader, kunt thans vrij op mij uwe beleedigde glorie wreken; sla uwen Zoon, doch spaar de menschen, en mogen al uwe slagen op mij vallen!...

Hij redt. Wie? al de kinderen van Adam, indien zij willen, want aan allen komt Hij middelen van heiliging en zaligheid aanbieden, doch vooral aan ons, voor wie deze middelen grooter in getal en krachtdadiger zijn. Hij redt ons van de zonde, want Hij boet ze uit; onze ongehoorzaamheid door zijne onderwerping aan wetten, voor Hem niet gemaakt; onzen hoogmoed door de diepste vernederingen, dalende zoo laag als een God-mensch dalen kan, te weten tot den schijn der zonde; onze zinnelijke lusten door de wreedste pijnen te verduren van af zijne teedere kindsheid. »Hij verlost ons van de zondequot;, zegt Bossuet, »door ons die te vergeven, welke wij

-ocr page 58-

49

begaan hebben, door ons te helpen geene andere meer te bedrijven en door ons te geleiden tot een leven, waar men er geene andere meer kan bedreven.quot;

Goddelijk Kind, ontvang dan dien naam vau Jezus, waarvan Gij de beteekenis reeds zoo goed vervult, en dien Gij tot zulk een hoogen prijs koopt. Ontvang dien schoonen naam van Jezus, naam van vrede en liefde, van overwinning en zegepraal; dien krachti-gen naam, welke de vrees verdrijft, de hoop bezielt, den storm bedaart, den aanval van den helschen geest weerstaat: O Jezus, uw naam zij gezegend van den opgang der zon tot haren ondergang. Hg zij gezegend nu en ten allen tijde, want hij is de zoetste, de heiligste, de edelste, de beminnelykste aller namen. Moge Hij alom worden aangeroepen, daar Hij alle zaligheid medebrengt.

II Punt. IVat leert Jezus zijnen leerlingen in dit geheim1? Hij leert hun van de eene zijde de waarde kennen hunner ziel, en van de andere wat zij moeten doen, om krachtdadig tot de zaligheid der zielen mede te werken.

1. De waarde der zielen. O welk een verheven denkbeeld geeft ons daarvan dit teeder slachtoffer, wiens leven slechts lijden zal zijn, in afwachting, dat het op Kalvarië voltrokken worde! Kunnen wij die heilige drift overwegen, waarmede de Zoon Gods haakt naar het oogenblik om zich voor ons op te offeren, zonder tot ons-zelven te zeggen: Hij heeft te veel gedaan, of ik doe niet genoeg? Ik moet of God of mij-zelven veroordeelen.... Wekken wij onzen ijver en geloof op en werken wij moedig aan onze eigene heiligheid en aan de zaligheid onzer broeders.

ch. iii. 4

-ocr page 59-

50

2. Jezus wijst ons hiertoe het middel aaa in die nieuwe besngdenis, welke Hij komt instellen ter Tervanging der oude. De besnijdenis des harten of het bestrijden van alle misdadige begeerten, van alle ongeregelde driften, die ons tot het kwade trekken; eene enkele, die wij laten voortwoekeren is voldoende tot ons verderf. Eene besnijdenis, die dringt tot het diepste der ziel, om daaruit alles te verwijderen wat tot onze oorspronkelyke bedorvenheid behoort. Eene besnijdenis, welke onontbeerlijk is, willen wij den weg der zaligheid bewandelen. De belooning ons door den Zaligmaker verkregen, oneindig boven de natuur verheven zgnde, zoo kunnen wij ons dit geluk slechts waardig maken door de genade te stellen in plaats der natuur door de besnijdenis. Jezus-Christus stelt deze verplichting aan allen als Hij zegt: Indien iemand mijn volgeling wil wezen, hij verloochen/} zich-zelven,... en volge mij. Eene nauwere verplichting hiertoe rust op hen, die Hij roept Hem door de beoefening der Evangelische Raden te volgen. Hoe meer wij aan ons-zeiven zullen sterven, hoe meer wij het leven van Jezus-Christus zullen leiden; en hoe voller en overvloediger dit leven des Zaligmakers in ons zal zijn, hoe meer kracht wij zullen hebben om ons-zelven zalig te maken en volgens onze roeping mede te werken aan het heil onzer broeders.

Vraag in de H. Communie de genade eener volkomen vernieuwing, bij het begin van het nieuwe jaar. Hernieuw uwe vurigste voornemens, en begin te leven met al den ijver, de waakzaamheid, de zuiverheid van meening, die gij zoudt in het werk stellen, zoo men u kwam aankondigen, dat dit jaa*_

-ocr page 60-

51

voor u het laatste zijn zal. Wat gij dan zoudt doen, doe dit nu; de dag is gunstig. Jezus biedt u de eerstelingen van zijn bloed ter uitwissching uwer zouden, zijn naam tot steun uwer hoop, zgn Hart om bet uwe te ontvlammen door het vuur der goddelijke liefde.

10de OVERWEGINO.

DRIEKONINGEN. — BESCHOUWING.

I. De personen beschouwen.

II. De woorden aanhooren.

III. De handelingen overwegen.

Het Driekoningen feest of de Openbaring des Heeren is bijzonder dierbaar aan de Kerk. Zij toont hare vreugde, omdat zij haren goddelijken Bruidegom de Hem verschuldigde hulde ziet ontvangen. Zy viert in drie verschillende geheimen, als drie stralen uit zijne glorie: Zijne openbaring aan de Wijzen, die uit het Oosten komen om Hem te aanbidden; aan de Joden, in de wateren van de Jordaan, waar Hij door de stem van Zijnen Hemelschen Vader, deszelfs welbeminden ZoOn genoemd wordt: aan zgne leerlingen als Hg, bij de bruiloft te Cana, het water in wijn verandert. Bij het eerste dezer geheimen zullen wij verscheidene dagen stilstaan; heden vatten wij ze allen samen.

1. Toen Jezus, ten tijde dat Herodes regeerde te Bethlehem in Juda geboren was, kwamen er Wijzen

-ocr page 61-

52

uit het Oosten naar Jeruzalem, zeggende: Waar is de Koning der Joden, die geboren is? Want wij hebben zijne ster in het Oosten gezien en zijn gekomen om Hem te aanbidden ?

2. Verbeelden wij ons ruwe, bergachtige, moeielijke wegen, Jeruzalem, het paleis van Herodes, den stal van Bethlehem.

3. De openbaring van Christus is als het ware het feest van het christelijk geloof; vraag dan heden een levendig geloof, ten einde deze genade wel te begrijpen en wel in te zien van welk groot belang het is daaraan getrouw te zijn.

I Punt. De personen beschouwen. De ster wordt door eene menigte personen gezien; velen zijn daarover verbaasd en ontsteld... de meeste menschen slaan in hunne lichtzinnigheid of zorgeloosheid daarop weinig acht. Anderen meenen eerst daarin iets geheimzinnigs te zien, doch weldra verliezen zij den zaligen indruk hun door de genade ingeboezemd.... Ten laatste denkt er niemand aan.... De Wijzen alleen denken ernstig er over na en besluiten datgene te doen, wat zij zien dat God hun vraagt. Het zijn rijke mannen van verheven rang, waarschijnlijk koningen.... Hoevele banden moeten zij breken, hoevele hinderpalen overwinnen om te antwoorden op de stem, die hen roept!.... Beschouwen wij hen bij hun vertrek, bij het afscheid hunner familiën, bij Jeruzalem, toen de ster verdween, in die stad, bij hun intredén! Welke verwondering het volk niet jubelend te vinden! te Bethlehem, toen zij de ster zagen stilstaan boven eene woning van zulk een armoedig voorkomen.... in den stal zelf, toen zy daar

-ocr page 62-

53

liet Kind zagen, dat zij Tan zoover kwamen zoeken! Beschouwen wij de inwoners van Jeruzalem, hun eerst onverschillig, daarna ontsteld uiterlyk. Herodes en zijn hof, verschrikt, verward by het vernemen eener gebeurtenis, welke allen, groot of klein, rijk of arm met vreugde moesten ontvangen. Beschouwen wij langzaam de H. Maagd, de gelukkige Moeder, met haren heiligen bruidegom ! Welk eene edele eenvoudigheid, welke hemelsche zedigheid, welke diepe ingekeerdheid. Hoe zeer zijn hunne gedachten boven al het aardsche verheven! Op hun gelaat lezen wij den indruk van al wat zij hooren en zien! — Doch wie is dat Kind in de armen zijner moeder? Vragen wij het aan ons geloof. O hoe machtig is Hij in die schijnbare zwakheid! Hoe rijk in die volkomen berooving? Hoe aller hulde waardig in dezen nede-rigen toestand! Voor Hem worden thans hemel en aarde bewogen!

II Punt. De woorden aanhoor en. Men spreekt veel in het Oosten van de ster! Welk een schitterend licht, welk hemelsch gesternte. Wat verkondigt zy der aarde, zou het niet die ster van Jacob zijn, welke zulke groote gebeurtenissen verkondigt aan het nieuwe volk van Israël? De Wijzen alleen zeggen: »Ziedaar het teeken van den grooten Koning, laat ons gaan om Hem te aanbidden, ten einde zijne eerste genaden te ontvangen.quot; Wat hooren zij op weg ? Men vraagt elkander van waar zij komen, waarheen zij gaan, wat het doel hunner reis is in dit ruwe jaargetijde?.... Sommigen keuren hun voornemen goed, bijna allen keuren het af, niemand zegt: Laat ons hun voorbeeld volgen en met hea

-ocr page 63-

54

den Zaligmaker aller menschen gaan aanbidden. Te Jeruzalem dealen de Wijzen openhartig hunne plannen mede; en vragen aan Herodes-zelven, waar de Koning der Joden geboren is. Wij hebben zijne ster in het Oosten gezien en zijn gekomen om Hem te aanbidden. Welk een edele moed! welke verachting der men-schelijke oordeelen, welke rechtzinnigheid! Wij hebben gezien en zijn gekomen. In hen blijft de genade geen oogenblik werkeloos. Hunne woorden en het bericht hunner aankomst worden weldra verspreid. In de stad en aan het hof hoort men over niets anders spreken.

Herodes ondervraagt hen als een listig staatkundige. De Wijzen antwoorden rechtzinnig: gt;Gaat, zegt hun de bedriegerquot; zoekt zorgvuldig en als gij het Kind gevonden zult hebben, komt het mij dan boodschappen, opdat ik het ook ga aanbidden. O schijnheilige veinsaard! Wie ware door zulke bedriegelijke woorden niet misleid?... Groote God, Gij zult die misdadige plannen verijdelen ? In den stal spreekt men weinig dikwijls zwijgt de mond, doch des te inniger is het verkeer des harten; hoeveel zeggen zij tot elkander, hoeveel uitdrukking ligt er in hunne tranen, in hun stilzwijgen!

IH Punt. De handelingen overwegen.. Die van het eeuwig Woord, van de Joden, van Herodes, van de Wijzen. — Bij het oogenblik zijner geboorte had Jezus engelen gezonden tot de herders, verlangend als Hij was om den menschen wel te doen en ziin werk als Zaligmaker aan te vangen. Thans doet Hij in het verre Oosten eene wondervolle ster schijnen en zijne genade roept hen, die ze zien, tot zich. —

-ocr page 64-

55

Slechts drie beantwoorden aan zijne liefde! Hg kan dan slechts drie gelukkigen maken! Welk eene teleurstelling voor Hem, die vrede en geluk komt aanbieden aan alle meuschen!... Hij wil dat deze voorname vreemdelingen Jeruzalem zullen binnentreden en vrij zullen spreken over het doel hunner reis, ten einde aldus de opmerkzaamheid der Joden op te wekken, opdat zij hunne schrifturen raadplegen en erkennen dat de tijden vervuld zijn. Hij drijft zelfs zijne kieschheid zoo ver, dat Hy hun de schaamte wil besparen eener les, hun door de heidenen gegeven. De Wijzen komen tot hen om inlichtingen in te winnen... O barmhartige goedheid en toegevendheid! en zij wordt slechts vergolden door de ondankbaarste onverschilligheid! Rampzalig volk, gij kent de waarheid en volgt ze niet. Ongelukkige priesters, gij duidt de plaats aan, waar Jezus moet geboren worden en gij gaat Hem niet aanbidden. Gij wyst den weg en verdwaalt zelf. Maar wat doet Herodes? Hij siddert. — De goddelooze is nooit gerust, zelfs niet op eenen troon... Hy beraamt een afschuwelijk plan; een moord kan hem van dat kind verlossen, waarin zijne ijverzuchtige heerschzucht een mededinger ziet, en om spoediger dit doel te bereiken, zal hy veinzen. Hem ook te willen aanbidden... Doch, wie vermag iets tegen God? Herodes zal beschaamd worden. Weldra zal hij schynen, wat hy is, en de vloek aller eeuwen op zich laden! Dit is het lot der schynheiligen. In het gedrag der Wyzen draagt alles den stempel der ware wysheid en godsvrucht en der moedige volharding. Geene enkele moeielijkheid weerstaat aan hun geloof, hun ver-

-ocr page 65-

56

trouwen op God. Zij verlaten alles, om zijne stem die hen roept, te volgen; zij ontveinzen hunne gedachten niet, zelfs niet aan het hof van Herodes. Hunne hoop wankelt niet, als de ster verdwijnt voor hunne oogen, de Voorzienigheid heeft andere middelen om hen ter hulp te komen. Zij erkennen hun God, hun Koning, hun Zaligmaker in dat arme Kindje, dat daar in de kribbe ligt... Met welke vreugde bieden zij Hem hunne geschenken en wijden zich toe aan zijnen dienst. O wat zijn zij vergenoegd deze reis ondernomen te hebben en onwrikbaar gebleven te zijn in hunne beproevingen... Het geloof toont ons denzelfden Verlosser in het tabernakel en op onze altaren, ach, waarom hebben wij voor Hem niet dezelfde gevoelens, waarom brengen wij niet dezelfde offers?

Samenspraak met God den Vader, met Jezus, Maria, Jozef, de Wijzen. — Aanbid de macht, de wijsheid, de goedheid van God, wiens genade zoo vele wonderen uitwerkt. Vergeet heden het schoone werk der voortplanting van het geloof niet. Bid Jezus uw offer te ontvangen, gelijk Hij dat van de Wijzen aannam. Smeek Maria Hem uw offer aan te bieden, terwijl gij bidt: Ontvang, Heer, mijne vrijheid, enz.

-ocr page 66-

57

ll(le OVERWEGINa.

De Openbaring des Heeren.

voorbeeld van getrouwheid aan de genade in het gedrag der wijzen.

I. Zij volgen de inspraken der genade, TI. Zij volgen die vaardig.

III. Zij volgen die bestendig.

I Punt. De Wijzen volgen het licht en de inspraak der genade. De ster, zegt Bossuet, is de inspraak des harten; de H. Leo noemt liaar liet teeken der genade. Hoe velen zagen die schitterende ster in het Oosten en stelden zich tevreden met haren glans te bewonderen, zonder zich om hare beteekenis te bekommeren! De Wijzen alleen trekken voordeel uit de genade, aan allen aangeboden. God roept hen tot de kribbe van zijnen Zoon. Hem zullen zij gehoorzamen, ondanks alle offers, welke Hij hun vraagt; het offer hunner rust: hoeveel vermoeienis toch voorzien zij in deze lange reis, in dit jaargetijde; het offer hunner dierbaarste genegenheden, vaderland,

familie, vrienden..... alles moeten zij verlaten. Zij

moeten weerstaan aan de dringende beden, de verwijten , de liefkozingen, de tranen; het offer van hunne eer: zij staan als wijzen bekend en worden voor dwazen aangezien. Men vraagt zich af, hoe verstandige mannen hun land, hoe vorsten hunne staten kunnen verlaten, om op het geloof aan eene eenvoudige ster, hunne hulde te gaan brengen aan

-ocr page 67-

58

een vreemd vorst, die pas geboreu is. De Wijzen laten dit alles zeggen, slechts naar de stem des Heeren luisterende, den raad der menschelijke wijsheid verachtende, alle opwellingen van vleesch en bloed onderdrukkende om volgens het licht der genade en den indruk, waarmede dit vergezeld gaat, te handelen.

Ziedaar wat zij, nieuwelingen in het geloof, ondernemen , en wij, sedert onze kinderjaren in de school des Heeren gevormd, wat doen wij ? Bij het fonkelen eener ster, bg het minste teeken van den wil Gods, verlaten mannen, aan al de weelde en de gemakken des levens gewoon, verlaten grooten dezer aarde, hun land, wat het hun ook moge kosten, gaan zij God zoeken, zich aan God geven, zich met God vereenigen. Wij, door duizend lichtstralen omgeven, blijven onbewegelijk. Misschien toonen wij aan anderen den weg der waarheid, doch wy zeiven bewandelen hem niet. Even als de Wijzen kunnen wij zeggen: Wij hehben zijne ster gezien, doch kunnen wij er ook bijvoegen, dat wij gekomen zijn, dat wij gehoorzaamd hebben aan den goddelijken wil, ons door haar geopenbaard? In de oogenblikken, waarin het geloof iu onze zielen deszelfs licht verspreidde, hebben wij met siddering den afgrond gezien, waarheen de lauwheid ons voerde, vidimus; hebben wij ons met kracht uit dien noodlottigen staat getrokken? Veni-mus ? Wij hebben het niet aller aardsche zaken begrepen; hebben wij er ons hart afgetrokken ? Eiken avond hebben wij de fouten erkend, welke de uitgestortheid ons deed bedrijven; waren wij den volgenden dag meer ingekeerd? Doch waar gaan wij heen en wat zullen wij by onzen dood denken

-ocr page 68-

59

van zoovele hemelsche weldaden, die onze lafheid nutteloos maakt?

II Pont. De Wijzen volgen de inspraken der genade met vaardigheid. Nauwelijks hebben zij de ster gezien en begrepen wat God hun vraagt, of zij bereiden zich tot het vertrek. Vidimus, het is de genade die hen verlicht en tot hun hart spreekt, et venimus, dit is de beantwoording aan de genade. Zij laten geene tijdsruimte tusschen het kennen van den plicht en het volbrengen. Zij gaan onmiddellijk over van de overtuiging tot de begeerte, van de begeerte tot het besluit, van het besluit tot de uitoefening. Het is hierin, zegt de H. Thomas, dat de ware godsvrucht bestaat. Hoe wgs is deze vaardigheid, hoeveel gevaar ligt er in het dralen der traagheid. Hadden de Wijzen hun vertrek slechts enkele dagen uitgesteld, zouden zij dan het aanbiddelijk Kind te Bethlehem gevonden hebben? Bij hunne aankomst zouden zy vernomen hebben, dat het er niet meer was en dat men niet wist waarheen het gegaan was! Ware Zacheus niet onmiddellijk uit zijnen boom gekomen, nadat hem dit gezegd werd, festinans descende, zou hij dan het geluk gehad hebben den Meester van het heelal te mogen herbergen en dit zalig woord te hooren: Heden is dezen huize zaligheid geworden? (1)

Als God spreekt, is eene weifeling eene ongetrouwheid, het kleinste uitstel kan een onherstelbaar ongeluk veroorzaken. De genade heeft hare oogenblikken: tempus stellae.... Als men een oogenblik draalt

(l) II Luc. 19, 9.

-ocr page 69-

60

daaraan te gehoorzamen, stelt men zich bloot nooit te gehoorzamen. Zal de verwaarloosde gelegenheid wederkomen ? Moet Gij, o Heer, wachten tot het mij behage uwe genaden te ontvangen, of moet ik dankbaar uw oogenblik waarnemen? Hij, die slechts uwe inspraken zoo langzaam mogelgk opvolgt, toont duidelijk dat hij dit met weerzin doet, zijne gehoor-heid is eene verwelkte bloem, welke geur en frisch-heid verloren heeft. O hoezeer moet ik uw geduld ten mijnen opzichte zegenen en mijn misdadig en onvoorzichtig uitstel laken.

III Punt. De Wijzen volgen het licht der genade bestendig. Gelijk niets hen kon beletten een plan op te vatten hun door God ingeboezemd, zoo ontmoedigt hen niets in deszelfs vervulling. Hoevele moeielijkheden, hoeveel tegenspraak , nochtans wel in staat een minder vast besluit te doen wankelen. Zij hadden reeds een groot gedeelte van den weg afgelegd; zij waren in Judea, bij Jeruzalem, toen de ster plotseling verdween. Daar stonden zij zonder gids in een vreemd land! Willen ze terugkeeren. O neen! Zij zetten hunnen weg voort, steunende niet op wat zij zien, doch op datgene wat zij gezien hebben. De waarheid verandert niet. » Eeuwig duurt des Ileeren trouw\'1 (1). Vinden zij in Jeruzalem een onverschillig volk, dat zich niet bekommert, om den Zaligmaker, die voor hen geboren is, te kennen of te zien; verklaren de priesters en schriftgeleerden hun koelbloedig, dat Hij te Bethlehem moet geboren worden, spreken zij er niet van, Hem te gaan aan-

1

Ps. 116, 2.

-ocr page 70-

61

bidden, stelt Herodes zich tevreden, met hen op verkenning uit te zenden, zoo kan dit alles hen verbazen en bedroeven, doch bet kan hen niet neder-drukken, noch doen wankelen.

Gaan wij tot God met een eenvoudig geloof en eene vaste hoop; en wij zullen niet beschaamd worden. Bij het begin van het geestelijk leven trekt God ons door gevoelige genade en overvloedigen troost, dan meenen wij ook, niet te kunnen wankelen. Doch weldra slaat het uur der beproeving. God verbergt zich, wij smaken geen troost meer! Beminnen wy Hem minder? Worden wij minder door Hem bemind? 0 neen, doch de natuur wordt geslachtofferd, de eigenliefde gekruisigd. Wat moet men doen? Vooruitgaan te midden der duisternis en moeielijkheden, steunende op God. Indien de belangen zijner eer, en van onze heiliging het eischen, zullen die eerste gelukkige oogenblikken wederkeeren, de ster zal weder verschijnen, en onze vreugde zal des te grooter zgn, naarmate wij de beproeving geduldiger hebben verdragen.

Voornemens. Ik zal altijd gereed zijn den god-delijken wil te volbrengen , zoodra de ster des geloofs mij dien zal doen kennen, zonder een oogenblik te vertoeven alvorens dezen plicht van gehoorzaamheid te volbrengen, waarvan mijne heiliging en mijn geluk kan afhangen. — Dit besluit zal ik kloekmoedig uitvoeren. — De begeerte tot het goede, een zekere vurigheid ontbreekt mij niet, doch helaas, hoe weinig is er noodig om mij te doen wankelen ? Eene lichte tegenspraak, eene berooving van inwendigen troost is reeds genoeg. Ik volg U niet meer, o Heer,

-ocr page 71-

62

zoodra ik niet meer loop in den geur uwer reukwerken. Heb medelijden met mijne zwakheid, en daar Gij mij den wil inboezemt U getrouw te blijven, ach, Heer, wees dan zelf de borg mijner getrouwheid. Neen, Heer, ik wil niet meer weigeren, niet meer uitstellen, niet meer dralen in het beantwoorden aan uwe genade, door den weg uwer geboden te volgen, want hierin ligt het ware leven.

12de OVERWEGING.

de wijzkn te bethlehem.

I. Wat doen zg ?

II. Wat geven zij ?

II[. Wat ontvangen zij?

I Punt. Wat doen Je Wijzen te BetMeliem ? Wij verlieten hen te Jeruzalem ; zij blijven daar niet langer dan noodig is, om te vernemen, waar de Verlosser geboren is. Zoodra zij dit vernomen hebben, houdt niets hen terug, zij haasten zich te vertrekken. Op hetzelfde oogenblik verschijnt de ster weder; zij gaat hen voor, en toont hun den weg. Bij deze nieuwe weldaad des Heeren gevoelen zij eene buitengewone blijdschap. O mijn God, hoe danken zij U voor de zorg, die Gij draagt voor de uwen. Behooren zij U reeds niet toe, die zich aan U overgeven ? Gij wondt slechts om te genezen, beproeft slechts om te troosten.

Zij komen te Bethlehem aan. De ster staat stil boven het verblijf van Hem, dien zij zoeken. En

-ocr page 72-

63

welk verblijf is dit ? Een bouwvallige stal, te slecht om de lastdieren te huisvesten... kan dit de woning zijn van den Koning der koningen? De Wijzen gelooven het zonder aarzelen. Hier wordt hun seloof

O O

voljnaakt. Groot was hun geloof, toen het hun de reis deed ondernemen, grooter nog, nadat de ster verdwenen was, in de stad Jeruzalem, toen zij hoopten tegen alle hoop in; doch heldhaftig wordt hun geloof te Bethlehem. Zij treden den stal binnen; een inwendig licht doet hen in dit Kind den Zaligmaker der wereld erkennen, in Wien alle schatten der godheid besloten zijn. De armoede van een verblijf, den Zoon Gods zoo onwaardig, schrikt hen niet af; de doeken, waarin Hij gewikkeld is, de kribbe waarin Hij rust, de hulpeloosheid der kindsheid, waartoe Hij, de Almachtige, gebracht is, stooten hen niet tegen de borst. Hun geloof doet hun de verborgen grootheid zien van dien nieuwen koning en den geest van zijn koninkrijk. Zij vallen neder en aanbidden Hem.....

Hoe helder is het oog des geloofs; thans erkent het den God aller majesteit onder den vorm van een zwak kindje; eens zal het Hem erkennen midden onder de schande van het kruis. Heer! geef mij een straal van dat licht, als ik tot het altaar nader. Gij deelt het mede aan de kleinen en nederigen en openbaart hun uwe geheimen. Ik wil mij vernederen, klein worden gelijk Gij, gelijk de Wijzen; laat mij dan even als zij uwe goddelijke bekoorlijkheid aanschouwen en de wereld zal niets meer voor mij zijn; Gij alleen zult mijne liefde bezitten.

II Punt. Wat bieden de Wijzen het goddelijk Kind

-ocr page 73-

64

aan\'? Hunne geschenken hebben eene tweevoudige beteekenis; de eene heeft betrekking op het denkbeeld, dat zij zich vormen van Hem, wien zij die aanbieden, de tweede op hunne gesteltenis. Het goud is eene vrijwillige schatting, waardoor zij dit Kind erkennen als hun vorst; de wierook, eene hulde zijner godheid gebracht, en door de myrrhe, waarmede men de lichamen zalfde, vereeren zij zijne heilige menschheid, die Hij aan den dood wil onderwerpen , om ons van den eeuwigen dood te verlossen. Aldus toonen zij, dat zij Hem beschouwen als hun Koning, hun God, hun Zaligmaker.

Dit alles is Jezus voor ons, gelijk voor hen; bieden wij Hem dezelfde gaven, en daar Hij slechts op het hart ziet, zoo laat het onze Hem alles aanbieden, wat Hij in die getrouwe aanbidders zag. De H. Schrift toont ons de liefde onder het beeld van het goud , in de smeltkroes gezuiverd. Wij moeten het bij Jezus gaan koopen, om het Hem daarna te geven. Doch hoe kunnen wg liefde koopen? Door de liefde zelve, antwoordt Bossuet, door te beminnen, leert men God beminnen, door zijn naaste te beminnen, leert men God beminnen. — De wierook is eene zelfstandigheid , welke zich oplost in rook, en slechts waarde heeft door deszelfs geur. Offeren wij ons ook aldus op voor God, met volkomen verlies van ons-zelven. Zich verloochenen, zich vergeten, om voor God te verteren, is Hem den wierook offeren, dien Hij van ons verlangt. In de taal der Kerk is de wierook het zinnebeeld van het gebed, de myrrhe van de versterving. — Deze deugd balsemt onze zielen en behoedt ze voor het bederf der zonde; zij maakt

-ocr page 74-

65

onze lichamen tot levende, heilige hostiën , waardig Gode aangeboden te worden.

Gaan wij dan naar Bethlehem, openen wij onze schatten, bieden wij wat de Wijzen geofferd hebben en gelijk zij het geofferd hebben. 0 mijn God, geef mij wat Gij wilt dat ik U aanbiede, een vernederd en vermorzeld hart bij de herinnering aan mijn tal-looze ongetrouwheden; een hart verteerd door heilige begeerten, dat zijn genoegen vindt in het inwendig gebed, een dankbaar hart voor al de genaden, die Gij mij bewezen hebt, en dat zich voortdurend in dankbetuiging uitstort.

III Punt. Wat ontvangen de Wijzen bij de kribbe te Bethlehem. De H. Bonaventura stelt ze ons voor geknield voor die kribbe. Hunne ziel wordt met den zoetsten troost vervuld. Na het goddelijk Kind aanbeden te hebben, onderhouden zij zich met deszelfs heilige Moeder. Zij verhalen haar al wat er bij hunne reis geschied is. Maria deelt hun de grootheid van haren Zoon mede!... Het kind Jezus beschouwt ben met goedheid en doet hun gevoelen, dat Hij hunne hulde en geschenken gaarne aanvaardt. Zij van hunnen kant beschouwèn Hem met onuitsprekelijke blijdschap, zoo door het oog der ziel inwendig verlicht, als door het oog des lichaams, want Hij was het schoonste onder de kinderen der menschen. Voor het goud dat zij Hem offerden, zegt een godvruchtig schrijver, ontvangen zij van Hem eene bewonderenswaardige wijsheid, welke hen de verhevenste godsdienstwaarlieden doet begrijpen; voor den wierook de uitmuntende gave des gebeds, die hen onthecht van alle zaken dezer wereld en hen innig vereenigt ch. iii. 5

-ocr page 75-

66

met God; voor de myrrhe geeft Hij hun de wetenschap van het kruis, toont hun de waarde van het lijden en boezemt hun het verlangen in om te lijden.

Door den hemel verlicht, keeren zij langs een anderen weg naar hun land terug, overal de wonderen verkondigende, welke God ten hunnen gunste gedaan heeft en worden aldus van aanbidders van Jezus zijne eerste Apostelen en martelaren (1). Eene ster had hen geroepen om den Messias te zoeken, de H. Schrift wees hun de plaats, waar Hij moest geboren worden. God zelf regelt hunne terugreis. Zij zullen toegelaten worden tot het innigst verkeer met het menschgeworden Woord. Na Hem bun goud geofferd te hebben, zullen zij Hem hun bloed geven. Ziedaar het gevolg eener vaardige, moedige, bestendige getrouwheid aan de genade.

Wenschen wij de Wijzen geluk, bidden wjj hen ons die gesteltenissen te verkrijgen, welke hun zoo vele zegeningen verschaft hebben. Bereiden wij ons tot de H. Communie en doen wij onze dankzegging in den geest der H. Kerk in de collecte zoo wel uitgedrukt. Zij wil dat wij op dit feest, in het Oosten het feest van het heilig licht genaamd, de volkomen kennis van God en zijn menschgeworden Woord vragen, eene kennis, die hier begint door het geloof, en hiernamaals volmaakt wordt door het aanschouwen van God.

(1) Volgens eene overlevering werden zy voor het geloof aan Jezus ter «lood gebracht.

-ocr page 76-

67

Igae OVERWEGING.

drie straffen van den wederstand aan de genade, in den persoon van herodes.

1. Hij wordt ontsteld.

II. Hij wordt verblind.

III. Hij wordt verhard.

I Punt. Herodes wordt ontsteld door zijn wederstand aan de genade. Het voorbeeld der Wijzen, van zoo ver gekomen om den pasgeboren Messias te aanbidden; het antwoord der leeraars, die zoo duidelijk de plaats zijner geboorte aanduiden, die den stam, de stad noemen, de voorzegging aanhalen, dit alles moest op Herodes een zaligen indruk maken. De genade spreekt tot zijne ziel, maar bij weigert te gehoorzamen, en ziehier het eerste uitwerksel van dien schuldigen weerstand; hij wordt ontsteld. Een kind van eenige dageu doet hem sidderen. Wie

o ~

is dat kind? Is het een mededinger naar mijnen troon ? Is het een God ? Hij wil het onderzoeken, hij kan het niet te weten komen. Zijne onrust zet hem aan tot het nemen der nauwkeurigste nasporingen en deze vermeerderen slechts zijnen angst. Hij ziet de waarheid schemeren, doch juist zij kwelt zijne heerschzucht en pijnigt hem....

De goddeloozen zijn gelijk aan eene onstuimige zee, die niet te stillen is en wier golven tegen het strand breken, (1) er is geene hechtheid in hun

(1) Is. 57, 20.

-ocr page 77-

68

geest, geene rust in hun hart. Het geloof is voor hen een lastig licht, sterk genoeg om hun de rust te benemen, die zij gaarne te midden hunner duisternis smaken zouden, te zwak om hunne zinsbegoochelingen te verdrijven, en aan hunne ziel dien vrede te geven, die slechts de vrucht is van de gehoorzaamheid aan de waarheid.

Hadde Herodes de Wijzen gevolgd, zoo had hij bij het zien van dat Kind in de kribbe, van dat kind, dat voor hem zulk een schrikbeeld was, begrepen , dat zyn rijk niet van deze wereld was ; dat Hij die den hemel kwam aanbieden, zich niet bekommerde om de rijken dezer wereld en zijne vrees ware verdwenen. Hij die weerstand biedt aan de genade weerstaat God, hij ondergaat onmiddellijk de straf zijner misdaad, hij wordt beangst, het is Kaïn na den broedermoord. De zoete vrede is slechts voor de kinderen Gods. Indien wij het goddelijk licht aannamen, met eene volkomen overgeving van hart, zou het ons vervullen met dien troost, welken de H. Geest met zich brengt en mededeelt aan hen, die Hem geen weerstand bieden. O mijne ziel, als wij ontsteld zijn, stellen wij ons niet tevreden de oorzaak daarvan op te sporen. Quare tristis es? Erkennen wij die in onze ongetrouwheid aan de genade. Smeeken wij den Heer ons die te vergeven, en haasten wij ons in Hem de heilige vreugde dei-hoop te hernemen. Spera in Deo.

II Pdnt. Herodes wordt verblind door zijn weerstand aan de genade. Hij wilde het licht, dat zijn hartstocht bestreed, niet aannemen; het licht heeft zich teruggetrokken en zijne wijsheid heeft hem ver-

-ocr page 78-

69

laten. Men erkent in hem dien bekwamen staatsman niet meer, die zich door zijne behendigheid op den troon heeft verheven; het is een razende, die raaskalt in zijne aanvallen van woede. Welke tegenspraak in zijn gedrag! Indien hij gelooft, dat dit kind de Messias is, sedert zoo vele eeuwen verwacht, door zoo vele godspraken aangekondigd, hoe kan hij dan veronderstellen, dat hij Hem, dien God zendt tot Zaligmaker van het menschdom, in zijne wieg zal kunnen versmachten? Indien hij het niet gelooft, indien hij meent dat de ster in het Oosten gezien, slechts een natuurverschijnsel is, waarom dan zich bezoedelen met eene nuttelooze misdaad en door een even onverstandigen als wreeden moord den vloek van het heelal op zich trekken! Hij neemt zelfs de voorzorgen niet van het gewoon gezond verstand. In eene zaak, die hem van zulk eeu groot belang schijnt, verlaat hij zich op vreemdelingen, en laat ze vertrekken zonder geleide... Gaat deze verblindheid niet over tot dwaasheid ? En niet alleen slaagt hij in niets, maar al de maatregelen, welke hij neemt, keeren zich tegen hem. Hij wil de Wijzen bedriegen, en zij bedriegen hem, hij wil den naam versmoren van dien nieuwen koning van Israël, en hg doet Hem kennen, hij zou willen, dat men nooit meer van Hem sprak, en hij gebruikt het juiste middel om gedurende alle eeuwen, door heel de aarde van Hem te doen spreken.

Welk een gedruisch, welk eene verwarring, welk een schrik, wat hartverscheurende kreten, als zoo vele onschuldige slachtoffers meedoogenloos uit de armen hunner moeders gerukt en onder hare oogen

-ocr page 79-

70

vermoord worden! Welk volk zal niet spreken van de afgunst, de wreedheid van Herodes, en de macht van Jezus-Christus niet bewonderen? Aldus, o mijn God, doet Gij de wijsheid der zoogenaamde wijzen strekken tot hun verderf, aldus beschaamt Gij de dwaze voorzichtigheid, die tegen U durft opstaan. De eenige wijsheid, de ware voorzichtigheid bestaat in U te vreezen en alle kwaad te vluchten door U te gehoorzamen.

III Punt. Herodes wordt verhard door zijn weerstand aan de genade. Het licht des hemels volgende, kwamen de Wijzen van deugd tot deugd, tot de innigste vereeniging met God, tot het zaligst bezit van God; Herodes dit licht verstootende, viel van de eene misdaad tot de andere, van den eenen afgrond in den andere, tot onboetvaardigheid tot het einde. Zijne afgunst brengt hem tot eene grenzenlooze woede. Men zegt hem dat Hij, dien hij wil verderven, de Messias, de Verlosser van Israël is; liever geen Verlosser dan een mededinger! Hij neemt zijn toevlucht tot valschheid en bedrog om Hem te ontdekken, veinst Hem te willen aanbidden om Hem zekerder te vermoorden. Als hij bemerkt, dat de Wijzen hem ontsnapt zijn, werpt hij het masker af, verloochent alle menschelijk gevoel en luistert slechts naar zijne woede. Hij doet duizenden kinderen ombrengen, zonder de zijne te sparen. Hij vreest niet in eene geheele landstreek, ja zelfs in zijn paleis het onschuldig bloed te doen vloeien, als hij de kroon slechts op zijn hoofd kan vestigen... En dit ook is eene ijdele hoop; Hij, dien hij ter dood wil brengen, is de eenige, die hem ontsnapt, terwijl hij zelf,

-ocr page 80-

71

door God getroffen, weldra in woede en wanhoop sterft. Gij zult sterven in uwe zonde, sprak tie Heer tot hen, die de oogen sloten voor de waarheid, en ziedaar het vreeselijk einde, waarheen het misbruik der genade gewoonlijk voert. Doch wat is de gewone oorzaak van dit schuldig misbruik? Eene ongeregelde neiging, die men niet krachtig wil onderdrukken. O van welk belang is het zich op de inwendige versterving toe te leggen. Alles is verloren, als de hartstocht ons beheerscht; de ziel, die zich daardoor laat medeslepen, wordt weldra door geene gedachte, noch van God, noch van de menschen meer teruggehouden; zij houdt geene rekening meer, noch met het getal, noch met de grootheid harer zonden, noch met de vreeselijke straffen, die haar bedreigen. Wapenen wij ons derhalve tegen ons-zelven; valt de strijd hard, zoo is een zoete vrede het loon. Vreezen wij den arbeid niet, hij duurt kort; eenige weinige dagen geduld en strijd, en dan de eeuwige rust!

-ocr page 81-

72

OVERWEGING.

Eerste Zondag na Driekoningen.

het doopskl van jezus-chrisïus. - beschouwing.

I. De personen beschouwen.

II. De woorden aanhooren.

III. De handelingen overwegen.

1. De tijd is aangebroken, waarop de Zoon Gods het verborgen met het openbaar leven gaat verwisselen. Jezus komt van Galilea naar de Jordaan tot Joannes, om door hem gedoopt te worden. De voorlooper weigert eerst uit nederigheid, Jezus te doopen, doch stemt weldra toe uit gehoorzaamheid. Als de plechtigheid voltrokken is, daalt de H. Geest als eene duive neder op den Verlosser en God de Vader noemt Hem zyn welbeminden Zoon.

2. Verbeelden wij ons de oevers der Jordaan en de groote schare volks, dat, getroffen door de prediking van den H. Joannes, het doopsel der boetvaardigheid komt ontvangen.

3. Vragen wij het begrip van dit Geheim, den smaak en de oefening der deugden, daarin besloten, vooral de nederigheid, de kennis en liefde van Jezus-Christus.

I Punt. De personen beschouwen. Te Nazareth, de Allerheiligste Maagd, die zich bedroeft en tegelijk verheugt over het vertrek van haren Zoon, zij wordt beroofd van zijne tegenwoordigheid, maar Hij zal gekend, het verlossingswerk zal voltrokken, de glorie

-ocr page 82-

73

van God vermeerderd, het menschdom verlost worden !... Waaneer zal ik ook mijn eigenbelang leeren opofferen aan het algemeen belang, de stem der natuur weten te smoren, als de stem van den godsdienst zich doet hooren? — Van waar komt die scbare volks uit geheel Judea, op de oevers der Jordaan vergaderd, zoo om den heiligen voorlooper te zien, als om zijne onderwijzingen te ontvangen? Alles toont ons dat die geesten getroffen, de harten ontroerd zijn. Beschouw Joannes-Baptiste, zijn bleek gelaat, zijn uiterlijk zoo geheel doordrongen van de waarheden, welke hij verkondigt, zyne kleeding, zijn voedsel, zijne levenswijze, duiden aan waarom zijne prediking zulk een heerlijk gevolg geeft... Ja, het voorbeeld verlicht, overtuigt, overreedt gemakkelijker dan het woord... Beschouw vooral Jezus-Christus; aanbid Hem en druk uwe verwondering uit, Hem hier te zien, te midden van die menigte zondaars, Hij, de Heilige der heiligen, het begin aller heiligheid. Vraag Hem voor welke zonden Hij boetvaardigheid komt doen en wek u op tot berouw over de uwe. — Zie in den hemel de engelen door bewondering bezield, bij het aanschouwen der vrijwillige vernedering en de groote liefde van hunnen hemelschen Koning; zie God den Vader opmerkzaam op alles wat gebeurt, en gereed om zijnen Zoon te verheffen, naar de maat der vernedering, welke Hij ondergaat om Hem te behagen.

H Punt. De woorden aanhoor en. Ziehier de woorden door den H. Bonaventura den Zaligmaker in den mond gelegd, bij het afscheid van zyne dierbare Moeder: »Het is tijd dat ik opsta, dat ik

-ocr page 83-

74

mgnen Vader ga vereeren en verheerlijken, dat ik mij-zelven openbare aan de wereld, en de zaligheid der zielen bewerke, waartoe mijn Vader mij gezonden heeft. Houd moed, dierbare Moeder, weldra zal ik wederkeeren.quot; — Doordring u van den indruk, welken Joannes de Dooper gevoelt, als hij in de verrukking zijner ziel onder zijne oogen Dengene ziet, die hem in den schoot van Elisabeth van vreugde had doen opspringen, en Hem het Doopsel hoort vragen op het oogenblik, dat hij wil nederknielen en Hem aanbidden. Hoe dan, Heer! »ik, ik moet door U gedoopt worden, en Gij komt tot my? (1) Overweeg het antwoord des Zaligmakers; liet komt neer op het volgende: ■gt;gt; Daar gij weet wie ik ben, zoo stel u niet tegen mijne plannen; de tijd om mij te ver-heerlijken, is nog niet gekomen, doch wel die van mij te vernederen. Wij moeten alle recht volbrengen, ik door mij te vernietigen, gij door mij te gehoorzamen. De volmaaktheid der nederigheid is de volmaaktheid der rechtvaardigheid, de waarlijk ootmoedige eerbiedigt alle rechten; Hij geeft God alle eer en bewaart de vernedering voor zich-zelven. Doch eene stem uit den hemel doet zich hooren: Deze is mijn welbeminde Zoon, in wien ik mijn welbehagen heb gesteld. Zoon van God, eeuwig voorwerp van zijn welbehagen, al de grootheden, al de volmaaktheden van Jezus-Christus zijn in deze twee woorden besloten. Heb ik Hem den eerbied, de liefde bewezen, die ik Hem dubbel verschuldigd ben?

(1) Matth. 3, 14.

-ocr page 84-

75

III Punt. De handelingen overwegen. Jezus haast zich den weg te betreden Hem geopend door den wil van Deugene, die Hem gezonden heeft. Hij zegt zijne Moeder vaarwel, wier gelatenheid de smart niet belet, en volgens de H. Bonaventura, vraagt deze leeraar der nederigheid geknield den zegen zijner moeder. Hij vertrekt, hij gaat geheel alleen voort, want nog heeft Hij geene leerlingen; doch is Hij niet de Koning van het heelal? Waar is zyn hofstoet, waar zijn zijne hovelingen? Heeft Hij geen millioenen engelen om Hem in zyu koninkrijk te dienen ? Ja, doch zijn rijk is niet van deze wereld! Hij heeft de gedaante aangenomen van den dienaar en niet die des vorsten. O kinderen der menschen! Hoe lang zult gij de ijdelheid stellen boven de waarheid, het wisselvallige en onzekere boven hetgeen duurzaam en verzekerd is, den tijd boven de eeuwigheid?

Op de oevers der Jordaan aangekomen, wil de Zaligmaker het doopsel van zijnen voorlooper vereeren en verhefEen. Hij wil als het ware het water heiligen, en door deszelfs aanraking aan zijn goddelijk lichaam, het de kracht mededeelen om de zielen te zuiveren. Hij begint zijn openbaar leven door ons een groot voorbeeld te geven. De H. Joannes wil in het eerst niet toestemmen, dat de Heer zijn goddelijk hoofd buige onder zgne hand. Het valt den nederige hard verheven te worden. De gehoorzaamheid beslist den strijd; Jezus beveelt, Joannes weerstaat niet langer. Er ligt vaak even groote nederigheid in het ontvangen eener eerbewijzing als in het zoeken eener beleediging; menigeen zegt

-ocr page 85-

76

kwaad van zich-zelven, en zou het zeer euvel opnemen, indien men liet geloofde. Jezus daalt in de rivier..,. Welk een nieuw wonder van vernedering. Tot dusverre heeft Hij geleefd gelijk een onbeduidend , veracht mensch; thans wil Hij doorgaan voor zondaar, want Joannes predikte voor de zondaars en doopte hen. Jezus-Ohristus in die houding ziende, zou niemand in Hem den Zoon Gods erkend hebben. Wie zou iu Hem den Verlosser der menschen, den God aller majesteit, aller heiligheid gezien hebben? Was het niet te vreezen dat, als Hij kort daarna het evangelie zou verkondigen, men Hem als een zondaar zou minachten ? Deze gedachte houdt Hem niet terug, Hij vernedert zich dieper dan ooit te voren.

Doch wie zich vernedert, zal verheven worden, de hemel doet zich hooren; de nederige boeteling wordt verheerlijkt, terwijl hg bidt. God erkent Hem voor zijn welbeminden Zoon, en verklaart dat Hij het voorwerp is van zijn welbehagen. De H. Geest daalt over Hem neder in de gedaante eener duif. Nu is Hij niet alleen aanbevolen aan de opmerkzaamheid, maar aan de eerbiedige hulde, aan de aanbidding aller menschen.

Moet gij, als gij het geluk hebt te communieeeren, niet meer verwonderd zijn dan de H. Joannes, en in de overtuiging uwer onwaardigheid zeggen. Hoe dan, Heer, komt Gij tot mij? Tu venis ad me.... Ontvang Hem echter uit gehoorzaamheid, doch treed in de heilige schaamte van den H. Joannes, toen hij Jezus doopte, en bid Hem, als vrucht van Eijn bezoek, dringend uw hart met zijne liefde te vervullen. O Jezus, eenig voorwerp van het welbehagen

-ocr page 86-

77

uws Vaders, hoe zoudt Gij niet het eenig voorwerp van het mijne zijn? Wat zou ik buiten ü kunnen vinden, aan U gelijk in macht, in grootheid, in goedheid? O teedergeliefde Verlosser, vereenig U met mij, hied mij aan uwen Vader, dat Hij ü in mij, en mij slechts in U beschouwe, opdat ik moge verdienen eeuwig door Hem bemind te worden en Hem eeuwig te beminnen.

15de OVERWEGING.

Tweeden Zondag na Drie-Koningen.

de h. naam jezds.

I. Deszelfs uitmuntendheid.

II. Deszelfs wonderdadige uitwerkselen.

III. De eer dien goddelijken naam verschuldigd.

I Punt. Uitmuntendheid van den naam Jezus. De H. Paulus toont ons die in zijn Epistel aan de Philippensers: Die gezindheid zij in u, welke ook in Christus Jezus was, die.... zich-zelven ontledigde de gedaante van een dienstknecht aannemende.... Hij vernederde zich-zelven daar hij gehoorzaam tv as tot den dood en wel den dood des kruises. Daarom heeft ook God Hem verheven en Hem een naam geschonken die hoven allen naam is; opdat voor den naam van Jezus alle knie zich huige van die in den hemel die op de aarde, en die onder de aarde zijn. (1)

(1) Phil. 2.

-ocr page 87-

78

In deze woorden vinden wij het ontstaan, de oorzaak, geheel de grootheid van den naam van Jezus. Zijn ontstaao, Hij komt uit den hemel, de engelen hebben hem eerst aan Maria en daarna aan Jozef geopenbaard. God zelf heeft zijnen Zoon dien naam gegeven: Donavit illi nomen. De Vader inderdaad kent alleen zijnen Zoon; Hij alleen kon Hem den naam geven, die Hem toekwam. Geen schepsel moest dien gezegenden naam uitspreken, alvorens hij uit Gods mond was voortgekomen. Quod os Domini nomitiabit (1). Het doel, dat God zich voorstelde bij het geven van dezen gezegenden naam leert ons nog de Apostel: Hij wilde zijn welbeminden Zoon zoo hoog verheffenals deze zich had vernederd in het geheim zijner menschwording, zijner geboorte en van zynen dood. Propter quod et Deus exaltavit ïllum. Door zoo vele en zulke diepe vernederingec., heeft het Woord zijnen Vader oneindig verheerlijkt; wat zal nu de Vader doen om zijnen Zoon te be-loonen ? Hij zal Hem den naam Jezus geven. Hieruit oordeele men over de voorrechten aan dien heiligen naam verbonden.

Bij is verheven boven alle namen door de oneindige volmaaktheden, welke hij doet veronderstellen in Dengene, die hem draagt, want hij beteekent: 1° al de wijsheid, de heiligheid, de goedheid, de kracht, de barmhartigheid en de liefde tot God, die samengewerkt hebben tot onze verlossing; 2° al de genaden, de deugden en de gavsn van den H. Geest, welke dienen tot heiliging der zielen, want het is

(1) Is. 62, 2.

-ocr page 88-

79

uit de volheid van Jezus-Christus, als uit eene onuitputtelijke bron, dat wij die moeten ontvangen; 3° al de bedieningen van meester, geneesheer, vader, herder en opperpriester, welke de Zoon Gods in hoedanigheid van Zaligmaker moest uitoefenen.

Naam van Jezus, naam verheven boven alle namen door de lechten, welke hij geeft. Door zijnen Zoon den naam van Jezus te geven en Hem onzen Zaligmaker te maken, stelt God in zijne hand de zorg van zijne glorie te herstellen; Hij maakt Hem den bewerker van \'s menschen zaligheid; hunne bestemming is in zijne hand; hemel en hel zullen naar zijn welbehagen zich openen of sluiten. Wie Jezus noemt, noemt een koning, van wien alle vorsten de onderdanen zijn, een rechter, voor wiens rechtbank alle menschen moeten verschijnen, om van Hem den zegepalm of het vonnis hunner eeuwige verdoeming te ontvangen.

Naam van Jezus, naam verheven boven alle namen eindelijk, omdat hij de overvloedigste mededeeling uitdrukt, welke God zijn schepsel geven kan, mededeeling van de persoonlijkheid des Woords aan de menschheid des Zaligmakers, mededeeling van het leven der genade aan de geloovigen, van het leven der glorie aan de gelukzaligen.

Toen de profeet Isaïas aankondigde, dat het Kind dat ons geboren is, de Bewonderenswaardige, de Raadsman, de sterke God, de Vader der toekomende eeuw, de Vorst des vredes zou genoemd worden, verklaarde hij, zegt de H. Bernardus, door de verscheidenheid dezer namen, de grootheden opgesloten in den naam van Jezus, want is Hij bewonderenswaardig.

-ocr page 89-

80

zoo is dit bijzonder om de onbegrijpelijke vereeniging der beide naturen, in den persoon van Jezus. Wordt Hij Raadsman des Allerhoogsten genoemd, zoo is dit omdat Hij in hoedanigheid van Zaligmaker, in \'s Heeren raad treedt, om de belangen zijner dierbare beschermelingen te verdedigen. Wordt Hij de sterke God genoemd, zoo is dit, omdat Hij, ons zaligmakende, den dood overwonnen, de macht der hel gebroken, de zonde vernietigd heeft. Als Jezus is Hij de Vader der toekomstige eeuw, omdat Hij door zijnen dood het volk der uitverkoornen voortbrengt; Hij is de Vorst des vredes, omdat Hij door zijn Bloed deu hemel met de aarde verzoent. Al de glorierijke titels, welke de H. Schrift Hem geeft, zijn slechts stralen, die den grooten naam van Jezus bekronen.

II Punt. Wondervolle uitiverkselen van den naam Jezus. De H. Bernardus gaat ons die uiteenzetten. »De naam des Bruidegoms is een licht, een voedsel, een geneesmiddel; hij verlicht, als men hem openbaart , hij voedt, als men hem overweegt, hij is een geneesmiddel om alle kwalen te verzachten, als men hem aanroept.quot; Hoe heeft het groote licht des geloofs zich zoo snel door het heelal verspreid, tenzij door de verkondiging van den naam Jezus? Was het niet door zich van dien aanbiddelijken naam als van een fakkel te bedienen, dat God ons van de duisternis des ongeloofs tot zijn glorierijk licht geleid heeft ? En terwijl deze naam onze ziel verlicht, voedt hij haar. Gevoelt gij u niet versterkt, zoo vaak gij u herinnert, wat Hij uitdrukt? Bestaat er in de wereld een beter voedsel voor den geest of voor het hart? Is er iets meer machtig, om de verzwakte

-ocr page 90-

81

zinsvermogens te herstellen, kracht te geven aan de deugd, de zuivere en heilige genegenheden te bewaren ? Jezus is een honig in mijnen mond, een zoet geluid voor mijne ooreu, eene vreugde voor mijn hart. Die heilige naam is een geneesmiddel tegen de moedeloosheid, tegen al de kwalen der ziel. Zijt gij bedroefd? Dat Jezus in uw hart kome, dat Hij van daar kome op uwe lippen; nauwelijks hebt gij zijnen naam uitgesproken, of elke wolk verdwijnt en de rust keert weder. Is iemand in zonde gevallen ? Zoekt hij wanhopig den dood? Zoo hij den naam

Jezus uitspreekt, zal hij herademen en herleven.....

Neen, er is geene bekoring, welke Hg ons niet doet trotseeren, geen hartstocht, wiens onstuimige werkingen Hij niet tegenhoudt. O myne ziel, gij hebt een uitmuntend tegengif in dien naam van Jezus, die tegelijk zoo zoet en zoo krachtvol is,

III Punt. Wat moeten wij doen om waardiglijk dien naam te vereeren ? — Deszelfs beteekenis bestu-deeren en ons wel doordringen met de gevoelens, welke hij inboezemt. Een gevoel van dankbaarheid. Om ons te redden heeft de Zoon Gods den naam van Jezus aangenomen; deze naam herinnert ons aan welken arbeid, welke vernedering, welk lijden Hij zich heeft onderworpen, om ons het geluk te verkrijgen. Hij herinnert ons al de geheimen van zijn leven en zijnen dood en al de overvloedige genaden, welke deze ons verworven hebben. Een gevoel van vertrouwen. Wij hebben in Jezus den teedersten Vader, den getrouwsten vriend, den machtigsten beschermer; zijn naam is vreeselijk voor de hel. Hij verjaagt de duivelen. In nomine meo ch. ui. 6

-ocr page 91-

82

dcemonia ejicient. Een gevoel van liefde. Het is niet voldoende dat deze schoone naam dikwijls op onze lippen zij; onze geest, ons hart, onze meening, onze toegenegenheid moeten de eer, welke wij Hem bewijzen, bezielen. De H. Paulus noemde en schreef telkens den naam van Jezus, omdat hij Jezus beminde; zijne taal was de uitstorting eener ziel, welke de zoetheid van dien goddelijken naam gevoelt.

Wij moeten in ons de begeerte opwekken om de deugden na te volgen, welke deze schóone naam uitdrukt. »Als ik Jezus noemquot;, zegt de H. Bernardus, »verbeeld ik mij een mensch zachtmoedig en ootmoedig van harte, goedaardig, matig, zuiver, barmhartig, schitterend van reinheid en heiligheid, doch terzelfder tijd een almachtig God, die mijne zwakheid ondersteunt door zijne genade en mij helpt om te worden wat Hij wil, dat ik zij. Voor zoo ver Hij mensch is, strekt Hij mij tot voorbeeld, voor zoo ver Hg God is, strekt Hij mij tot eene verzekerde toevlucht.quot;

De groote Apostel leert ons eindelyk nog eene uitmuntende wijze, om den naam van Jezus te verheerlijken. »A1 wat gij doet in woord of werk, doet alles in den naam van den Heere Jezus-Christus, God en den Vader door Hem dank zeggende.quot; (1) Doen wij alles strekken tot glorie van onzen Verlosser , gelijk Hij alles deed strekken ter onzer zaligheid. Bedanken wij God door zijnen Zoon, omdat het door Hem is, dat Hij ons alles gegeven heeft.

(1) Col. 3, 17.

-ocr page 92-

83

Geven wij naar het voorbeeld der H. Kerk in har gebeden, teekenen van eerbied, als wij den naam Jezus uitspreken of hooren uitspreken, en bidden wij dikwijls het gebed, dat zij heden doet bij het einde der H. Mis: »Almachtige en eeuwige God, die ons hebt geschapen en verlost, zie goedgunstig op onze gebeden neder en gewaardig U met welwillende goedertierenheid het offer te aanvaarden van het slachtoffer der zaligheid, dat wij aan uwe Majesteit hebben opgeofferd, ter eere van den naam van uwen Zoon, onzen Heer Jezus-Christus, opdat wij den overvloed uwer genade door den glorierijken naam van Jezus ontvangen hebbende, wij ons mogen verheugen , dat onze namen door eene eeuwige voorbeschikking in den hemel staan opgeteekend. Dit vragen wij U door denzelfden Jezus-Christus, onzen Heer.quot;

16de OVERWEGING.

HET GEHEIM DER OPUKACHÏ VAN JEZUS IN DEN TEMPEL. BESCHOUWING.

I. De personen beschouwen.

II. De woorden aanhooren.

IH. De handelingen overwegen.

1. En als de dagen harer reiniging vervuld waren , naar Mozes wet, brachten zij Hem naar Jeruzalem, om Hem den Heere op te dragen... En zie, daar was een mensch in Jerusalem, die tot naam had Simeon, en

-ocr page 93-

84

deze menscli was rechtvaardig en godvreezend, Ter-wachtende de vertroosting Israels en de heilige Geest was in hem... En hij kwam door den Geest in den tempel. En toen het kind Jezus door zijne ouders werd binnen gebracht, om met Hem te doen naar de gewoonte der Wet, nam hy het in zijne armen en loofde God en zeide: Nu laat Gij, Heer, uwen dienstknecht heengaan in vrede, naar uw woord... En er was eene Prophetesse, Anna... Ook zij, terzelfder ure daar verschijnende, loofde den Heer, en sprak van Hem tot allen, die Israels verlossing verwachtten.quot; (1)

2. Stellen wij ons den weg van Bethlehem naar Jeruzalem, den tempel, het altaar enz. voor.

3. Vragen wij een overvloedig deel aan de genaden van dit geheim, den geest van opoffering, de nederigheid, de gehoorzaamheid, de vurigheid in den dienst van God.

I Pünt. De personen beschomoen. In den hemel de allerheiligste Drievuldigheid, die het waardigst offer, dat Haar ooit door eenig schepsel kon aangeboden worden, afwacht en aanneemt. De engelen in beschouwing en bewondering. Te Bethlehem, op weg, te Jeruzalem gaanden en komenden, die voorbijgaan zonder zich te verwaardigen een blik te werpen op dat arme huisgezin, dat nochtans het verhevenst huisgezin is van het heelal. O mensch, wat ligt er gelegen aan uwe achting? Jezus in de armen van Maria, van Joseph, van Simeon... Met zijn goddelijken blik aanschouwt Hij degenen, die

(1) Luc. 2.

-ocr page 94-

85

Hem omringen! — Maria, eerst te midden der andere vrouwen, zich slechts van haar onderscheidende door eene grootere zedigheid, vervolgens voor het altaar geknield. God den schat haar door Hem geschonken, aanbiedende... Beschouw op haar gelaat de indrukken, die zich beurtelings in hare ziel opvolgen... Gelukzalige Moeder! ik wensch u geluk, gij draagt in uwe handen den Heer van het heelal, den losprijs eener geheele wereld! Arme Moeder, ik beklaag u, zoo veel lijden, zulk een wreeden dood voor dien zoo teeder beminden Zoon te moeten voorzien. — Simeon in de overmaat van zijn geluk; de vreugde, welke zijn hart overstelpt, schijnt hem de jeugd terug te geven... — Anna, door liefde ontvlamd, door een heiligen ijver bezield, om dit kind van zaligheid te doen kennen... Hoe vele vruchten kan eene ingetogen en welgestelde ziel hieruit trekken?

II Punt. De woorden aanhooren. Het onderhoud van Maria en Jozef gedurende de reis van Bethlehem naar Jeruzalem? Waarover spreken zij en hoe? Hun beider inwendig verkeer met Jezus, dat teeder en aanbiddelijk slachtoffer, die zuivere en heilige offerande! Vereenig u met hunne gevoelens, terwijl gij het goddelijk Sacrificie der Mis bijwoont. Wat zegt Maria, terwijl zy het ware Lam Gods opdraagt ? »Ontvang, o heilige Vader, uw Zoon en mijn Zoon; ik offer Hem ü op volgens het gebod uwer (vet, omdat Hij de eerstgeborene zijner moeder is. Ontvang in Hem en door Hem de hulde, die U verschuldigd is. Hij strekke mij en allen schepselen tot dankoffer; heb medelijden met de menschen, ter wille van zgne verdiensten en ontferm U over de

-ocr page 95-

86

zondaars volgens uwe groote barmhartigheid. Ontvang in hetzelfde offer den Zoon en de moeder; o God, het begin en het einde, Heer van alle zaken, aan uwe oppermajesteit onzen eerbied, onze onderwerping!quot; (1) Aanhooren wij den lofzang van Simeon: Nunc dimittis. Laat Heer, laat nu uw dienaar in vrede gaan; sluit mijne oogen, die op aarde niets meer te zien hebben, nu zij Hem, die het licht der volken, de glorie en zaligheid van uw volk zal zijn, gezien hebben... Als men Jezus en zijne tegenwoordigheid gesmaakt heeft, wat blijft er dan in de wereld te genieten? Luisteren wij naar de woorden van denzelfden profeet, omtrent de lotsbestemming van Jezus en Maria. Goddelijke Moeder, hoeveel droefheid bereidt u de ondoorgrondelijke Voorzienigheid ! Keeds zie ik het zwaard glinsteren, dat uw hart zal doorboren! Die Zoon, zoo teeder bemind, die Zoon, uwer liefde zoo overwaardig, ach, hoeveel smart zal Hij u berokkenen! Hoeveel tegenspoed zal Hij ondervinden! Hij komt in de wereld tot aller geluk en hoevelen nochtans zullen hun eeuwig ongeluk vinden in het misbruik, dat zij van zijne weldaden zullen maken... Aanhooren wij de woorden der heilige weduwe; zij ook, door het licht des Heeren bestraald, verkondigt luide de vervulling der beloften, en de grootheid van dit Kind aan allen, die de vertroosting van Israël verwachten.

IH Punt. De handelingen overwegen. Maria en Jozef verlaten hunne armoedige woning van Bethlehem, dat heerlijk verblijf, waar zij zulke zoete

(1) St. Bonaventura, med. C. 9.

-ocr page 96-

87

stonden gesleten hadden. Volgens het aardsche hadden zij gebrek aan alles, doch, o mijn Jezus, wat ontbreekt hem, die U bezit, dan alleen dat hij zijn geluk wel beseffe. Zij gaan op weg, volg hen in den geest en beschouw Jezus, op den arm zijner Moeder, als het zachtaardig lam, dat voor de zonden der wereld gaat geslachtofferd worden. Zij komen te Jeruzalem aan, richten hunne schreden tempel-waarts; Jozef draagt het schamele ofier, dat de moeder den Hoogepriester gaat aanbieden; twee tortelduiven of twee duifjes, volgens het gebruik door de wet voor de armen gesteld... Hij draagt ook de vijf sikkelen, den losprijs des eerstgeboornen! Op het oogenblik, dat zij de trappen des tempels beklimmen , komt de heilige grijsaard Simeon door inspraak van den H. Geest en als gedreven door de vurigheid zijner begeerten, met wankelenden tred naar het huis des Heeren, om daar den Gezalfde des Heeren te zien, volgens dë belofte, welke Hij daarvan had ontvangen. Nauwelijks heeft hij het goddelijk licht ontwaard, of een inwendig licht ontdekt hem deszelfs goddelijke grootheid. Onmiddellijk knielt hij neder en aanbidt Hem in de armen zijner Moeder. Maria begrijpt zijne handeling, biedt hem haren Zoon aan, dien hij eerbiediglijk ontvangt; hij staat

op, looft den Heer, zeggende; Nunc dimittis.....

en voorzegt, met de vervolging, die Jezus wacht, tevens het martelaarschap zijner moeder! Hierop komt de godvruchtige Anna, bij geheel het volk in hoogachting, wegens hare jaren en deugd. Deze beide ouderlingen, die de oude wereld voorstellen, vereenigen hunne lofzangen om Hem te zegenen, die

-ocr page 97-

88

het aanschijn der wereld gaat hernieuwen... Simeon geeft aan Maria het kind terug, dat zij den Heer gaat opofferen; het geheimzinnig vogelenpaar wordt aangeboden, de losprijs wordt betaald, de godsdienstplicht, door de wet voorgeschreven, wordt op de volmaaktste wijze volbracht. Na God nog eenmaal aanbeden te hebben in dit heilig verblijf, waar zij hare kinderjaren en hare jeugd heeft doorgebracht, daalt de Moedermaagd met haar getrouwen Bruidegom de trappen af, in hare armen dragende en aan haar Hart dat geliefde Offer drukkende, dat zij tot het uur der slaehtoflerande onder haar moederoog zal zien opgroeien.

Samenspraak met Jezus, Maria, Jozef, Simeon... Smeeken wij de heilige Maagd door de vurigheid harer gevoelens te voldoen voor die, welke ons ontbreken bij liet bijwonen der H. Mis en bijzonder bij de H. Communie. Vragen wij door hare voorbede den geest van zuiverheid, van ijver, van zelfopoffering en gehoorzaamheid, die voor ons de vrucht van dit geheim moet wezen.

Herhalen wij dikwijls als toewijding tot Gods eer »Ecce venioquot;. Zie, Heer, ik kom, om uwen wil te vervullen.

-ocr page 98-

89

17de OVERWEGING.

HETZELFDE ONDEttWElU\'.

I. In dit geheim wordt de gehoorzaamheid verheerlijkt en elk voorwendsel tot onafhan-kelijkheid vernietigd.

II. Hoe vervult Maria de wet der zuivering?

III. Hoe wordt Jezus door zijne Moeder opgeofferd en herkocht?

1. Gelijk de vorige overweging.

I Punt. Elk voorwendsel van onafhankelijkheid verdwijnt bij de voorheelden ons in dit geheim gegeven.

Eene tweevoudige wet wordt vervuld.

De eerste betrof den eerstgeborene, die den Heer moest worden opgedragen, zoo om deszelfs opper-heerschappij te erkennen, als om den dood der eerstgeborenen der Egyptenaren in het geheugen terug te roepen. Deze wet kon den persoon van Jezus-Christus niet betreffen, die als Zoon Gods over alle schepselen dezelfde Opperheerschappij voerde als zijn Vader. Wat de plaag van Egypte betrof, zoo was Hij het zelf, die dezen slag van ontferming en rechtvaardigheid geslagen had ; en Hij kon de herinnering daaraan niet verliezen. Hoe zal Hij als Verlosser der wereld beschouwd worden, indien Hij zelf moet herkocht worden? Eene uitzondering dei-wet zou ons dus niet slechts billijk, maar zelfs noodzakelijk toegeschenen hebben. De menschge-worden Wijsheid verkoos de gehoorzaamheid.

-ocr page 99-

90

De tweede wet had betrekking op de moeders, die als onzuiver beschouwd, zoodra zij een kind ter wereld gebracht hadden, »als geëxcommuniceerd warenquot; zegt Bossuet, »door bare eigene vruchtbaarheid; zoo ongelukkig en aan eene onvermijdelyke vervloeking onderworpen was de geboorte der men-schenquot;. Het was haar verboden gedurende veertig of tachtig dagen, volgens het geslacht van het kind, eenig geheiligd voorwerp aan te raken of den tempel te betreden. Hadde Maria de aanleiding tot deze wet beschouwd, dan hadde zij duidelijk gezien dat zij haar niet betrof. Welke overeenkomst toch bestond er tusschen de gewone vrouw en de zuivere Bruid van den H. Geest, altijd rein en onbesmet, maar reiner nog veel meer, nadat zij in haren schoot den God aller zuiverheid gedragen en Hem ter wereld gebracht had? Nochtans gehoorzaamt zij, en gelooft zich hiertoe verplicht ter algemeene stichting. Wel verre van hare voorrechten te doen gelden om zich vrij te pleiten van eene verplichting, welke haar in het oog der menschen al de glorie ontrooft van die maagdelijke zuiverheid, waarop zij zich voor God en zijne engelen zoo naijverig getoond had, vervult zij die naar de letter, op de volmaaktste wijze. Na dit tweevoudig voorbeeld van den Zoon en van de Moeder zouden gewis onze schoonschijnende voorwendselen moeten verdwijnen! Wanneer dan zullen wij gelijk Jezus en Maria al onze glorie stellen in de eer van God, in de eer van Hem te gehoorzamen en de noodzakelijkheid van onze broeders te stichten? O! op welke sluwe wijze weet de hoogmoed ons redenen tot uitzondering in te blazen! Beschouwen

-ocr page 100-

91

wij God in het gebod, dat ons wordt gegeven, zien wij hierin slechts zijn aanbiddelijken wil en wg zullen al wat daarin voor ons vernederends ligt eerbiedigen, ja zelfs beminnen,,

II Punt. Hoe volbrengt Maria de wet der zuivering\'? Zij volbrengt die naar den letter en den geest. Hoewel zij moeder is van God, blijft Maria staan in het voorportaal des tempels, met de andere vrouwen van Israël, die het tweede portaal niet mochten betreden, alvorens gezuiverd te zijn. Zij vernedert zich voor den priester, die voor haar bidt gelijk voor de anderen; voor haar ook wordt niet slechts het brandoffer of het offer van aanbidding maar ook het zoenoffer voor de zonde opgedragen. (1) Wie, die haar geknield zag in de houding eener boetvaardige, te midden dier meer of min zondige vrouwen, kon in Haar de koningin der engelen, de maagd der maagden erkennen? Maar God kent hare reinheid; dit is Haar genoeg! Wat maakt het Haar wat de menschen van Haar deuken? Door de vereering der oneindige heiligheid Gods, voor wien de heiligheid aller schepselen slechts eene schaduw is, leert zij mij meer en meer mij-zelveu te vernederen , te reinigen wanneer ik het heiligdom betreed, hetzij om hetzelfde offer op te dragen, hetzij om mij met zijn goddelijk Lichaam te voeden. Zij leert my ook het oordeel der menschen te verachten; ik ben, wat ik beu voor God; de meening van mijn evennaaste verheft noch verlaagt mij. Heilige Maagd, uwe deugden vervullen mij met bewondering, doch

-■(1) Levit 12, 8.

-ocr page 101-

92

tevens met schaamte. Eene moeder ziet zich zoo gaarne in hare kinderen herleven en wanneer zal ik met U eenigen trek van gelijkenis hebben ? De hoogmoed, de zinnelijkheid, hebben mijne ziel zoo zeer besmeurd! Ik zeg U thans wat eenmaal de melaatsche tot uwen Zoon zal zeggen: »Indien gij wilt, kunt gij mij genezen.quot; En, lieve Moeder van Jezus, zoudt gij het niet willen?

III Punt. Hoe Jezus wordt vrijgekocht door zijne Moeder. Zoodra de wet der zuivering volbracht is, gaat de heilige maagd van het eerste voorportaal in het tweede. Bij het altaar gekomen, knielt zij in ootmoed neder, en biedt God zijnen en haren welbeminden Zoon aan. Jezus offert zich-zelven door hare handen, gelijk Hij zich voortdurend door de handen zijner bedienaars zal laten opofferen; Hij hernieuwt aan zijnen Vader de toewijding Hem gedaan, sedert het eerste oogenblik zijner ontvangenis; toewijding van geheel zich-zelven, van zijn geheimzinnig, zoowel als van zijn natuurlijk lichaam. Zich opofferende als ons hoofd, offert Hij al degenen, die Hem zullen toebehooren; doch Hij zal ons slechts erkennen als zijne ledematen zoo wij persoonlijk de toewijding hernieuwen, die Hij in onzen naam deed. Hij beschouwde mij in dat oogenblik. Was ik voor zijn Hart een voorwerp van vreugde of droefheid? Jezus behoorde zich-zelven niet meer toe; Hij behoorde, om zoo te zeggen, noch aan Maria, noch aan de menschen, Hij behoorde aan zijnen Vader... Maria koopt Hem vrij, voor ons zoo wel als voor Haar-zelve. Met welke vreugde ontvangt zij Hem uit de handen des priesters, na de door de wet

-ocr page 102-

93

voorgeschreven vijf sikkelen betaald te hebben. O schat van hemel en aarde! is dat de prijs, dien Gij waard zijt?.... Koop Hem vrij, o heilige Moeder, doch niet lang zult gij Hem behouden! Gij zult Hem nogmaals zien verkoopea voor dertig zilverlingen, gij zult Hem zien overleveren aan de foltering van den kruisdood! Goddelijke eerstgeborene, voor mij herkocht in uwe kindsheid, en voor mij verkocht op het einde uws levens, ik wil mij ook loskoopen van deze boosaardige wereld; ik wil mij voor U verkoopen door de beoefening der liefdewerken. Men mag gelooven, zegt Pr. Nouet, dat onze Heer bij zijne opdracht, zich door gelofte verbond om te sterven voor de glorie zijns Vaders en de zaligheid der zielen, niet omdat het noodig was, hierdoor zijn ■wil te versterken, maar omdat het eigen is aan de liefde, Hem, dien wij liefhebben, alles te geven wat hij verlangt, en hem al onze rechten en ons zelven geheel over te laten, om ons inniger aan hem te verbinden. Is dit uwe gesteltenis? Welke hoogschatting hebt gij voor uwe heilige verbintenissen? Welken ijver toont gij voor Gods glorie?

Bedank God, dat Hij u zijnen Zoon gegeven heeft. Daar gij nauwer aan Jezus toebehoort door den religieuzen staat, behoort Hij ook inniger aan u. Ga Hem ontvangen in het H. Sacrament zijner liefde, met het vaste besluit een beter gebruik te maken van deze gave, welke alle andere bevat. Met deze kunt gij al uwe schulden betalen en al de verplichtingen voldoen welke de volmaaktheid, de milddadigheid des Heeren en uwe eigene verheven roeping U opleggen. Bid Maria, dat zij, na u gezuiverd te

-ocr page 103-

94

hebben u een vonkje mededeele van het heilig vuur, dat haar Hart verteerde, en u aan God aan te bieden, gelijk zij Hem haven Zoon heeft aangeboden.

18\'\'° OVERWEGING,

de heilige grijsaard simeon.

1. Hij is voorbereid tot het ontvangen der genade.

II. Welke genade is dit?

Hl. Welke vruchten trekt hij hieruit?

1. Gelijk in de vorige overwegingen.

I Punt. Simeon is voorbereid tot de genade, welke hij in den tempel ontvangt. Het Evangelie zegt ons dat hij een rechtvaardig en godvreezend man was, en dat hij de vertroosting van Israël verwachtte. Hij geloofde aan de goddelijke beloften, en levende in dit geloof, leefde hij in rechtvaardigheid, geene aadere vrees koesterende, dan die van God te mishagen, geene andere begeerte voedende, dan in den persoon van den Messias de vertroosting eu de zaligheid van zijn volk te zien. De eeuwen verliepen, tal van aartsvaders en profeten, die gehoopt hadden gelijk hij, waren gestorven, alvorens hunne verwachting was verwezenlijkt. Hij hoopte nochtans, hij hoopte altijd. Hij verwachtte: Expertans; maar wat? De vertroosting van Israël. De heilige Geest, die in hem was, liet hem het vergankelijke zien van alle

-ocr page 104-

95

aardsche goederen, en deed hem al zijne genegenheden stellen op den beloofden Messias.

O mijne ziel, laat u geleiden door denzelfden geest van waarheid; gij zult dan niet langer ijdele schimmen najagen, gij zult geene begeerten, geene verlangens meer koesteren dan voor Jezus. Wordt de vertroosting uitgesteld, wacht met geduld, en hebt gij reeds lang gewacht, zoo blijf nog wachten. Wellicht zal het slechts mij bij het einde van mijn leven, eneene enkele maal, en voor een enkel oogenblik vergund zijn, even als Simeon, Jezns-Christus te aanschouwen met dat innig aanschouwen dat eeuwen van geluk waardig is. Dergelijke genaden eenig in zich-zelven en in hare omstandigheden is God gewoon lang te laten wachten, teneinde derzelver genot zoeter, deszelver indruk dieper te maken. Zij gaan snel voorbij, maar zij laten achter zich een geur die ze door de herinnering als doet voortleven. Dit was de verwijderde voorbereiding van Simeon tot de gunst hem beschoren; ziehier de naaste voorbereiding:

Hij kwam naar den tempel door de inspraak van den geest Gods, die in Hem was: in spiritu. Hij gehoorzaamt aan eene beweging, die hem aanzette om naar het huis des Heeren te gaan en er dadelijk heen te gaan. Hij weet, althans niet duidelijk, wat hij er zal vinden, maar hij gevoelt dat God hem roept. Ja, gaan wij ook naar den tempel, indien wij Jezus willen vinden, doch niet uit gewoonte of sleurgang, »de ware aanbidders aanbidden in geest en waarheid.quot; Is het het geloof, dat mij geleidt tot mijne godvruchtige oefeningen? tot het ontvangen der HH. Sacramenten? O indien ik de goddelijke

-ocr page 105-

96

werkingen der genade niet weerstreefde, hoe vele zuivere vreugde ware mij dan weggelegd in het verkeer met mijnen Zaligmaker, vooral by het ontvangen van het goddelijk Gastmaal!

II Punt. Welke genade ontvangt Simeon in den tempel. Hij ontmoet daar den Messias, hij ziet, hg kent Hem, hij neemt Jezus in zijne armen. Dezelfde geest, die Jezus, Maria en Jozef naar den tempel geleidde, trekt ook Simeon daarheen. Hij zocht den Zaligmaker, doch de Zaligmaker zocht hem het eerst, en Hg verlangde veel meer zich aan Simeon mede te deelen, dan deze verlangde Jezus te ontvangen. O welk eene gelukkige ontmoeting tusschen God en de ziel, die na elkander gezocht te hebben elkander vinden, erkennen en zich innig met elkander vereenigen! Vele menschen zagen Jezus gedurende zijn sterfelyk leven, doch slechts zij, aan wie de heilige Geest dit openbaarde, kenden Hem. Simeon genoot dit geluk en ontving veel meer dan hij hoopte. Hem was slechts beloofd, dat hij voor zijn afsterven den Gezalfde des Heeren zien zou. O hoe verschilt het Hart des Heeren van het hart der menschen; wij geven altijd minder dan wij beloven. Hij neemt het Kind Jezus in zijne armen en drukt het aan zijn hart. Van waar die vrijmoedige vertrouwelijkheid? Van zijne nederigheid, zijne zuiverheid, zijne liefde, want dat alles wordt uitgedrukt door de woorden : Hij ivas rechtvaardig, godvreezend, en verwachtte de vertroosting van Israël. Wat gaat er om in zijne ziel, met welk goddelijk vuur voelt hij zich ontstoken, nu hij zich ia het bezit ziet van een zoo vurig begeerden, zoo lang verbeiden schat? Zegt

-ocr page 106-

97

hij niet met de Bruid van het Hooglied: IJc heb

Hem gevonden, dien mijne ziel bemint, ik bezit hem en zal hem niet laten gaan! Doch wij weten door welke woorden hij de verrukking zijner ziel uitboezemde.

Religieuze ziel, getrouwe bruid van Jezus, vergelijk de gunst aan Simeon verleend met die, welke gij zoo dikwijls aan de tafel des Heeren ontvangt. Ziet gij onder de gedaante van brood niet denzelfden almachtigen God, dien hij zag onder het zwakke hulsel der kindsheid ? Plaatst gij, gelukkiger dan hij, Dengeae niet in uw hart, dien hij zoo teederlijk aan zijne borst drukte?

Ill Punt. Welke vrucht trekt Simeon uit de genade hem verleend? Eene volkomen onthechting aan alle aardsche zaken, eene groote begeerte om te sterven, een vurigen ijver om mede te werken aan de zaligheid der zielen door de verkondiging van \'s Heeren komst. Hij had de verlenging zijner dagen slechts gewenscht om den Gezalfde des Heeren te zien en getuigenis van Hem te geven; thans is deze begeerte voldaan, niets wederhoudt hem meer op deze aarde. Als men God heeft gezien en gesmaakt in dat licht door den H. Geest in de ziel gestort,

O \'

dat, met eene hemelsche zoetheid eene zekere gerustheid mededeelt, dat onze zonden vergeven zijn, met een voorgevoel van het eeuwig geluk, dan heeft men geduld noodig om te leven en de dood verkrijgt bekoorlijkheid.... Rechtvaardige ziel, wordt hij voor u geen grootere winst dan voor den heiligen grijsaard? Hem opende hij het voorgeborchte, u opent hij den hemel. Als door eene vurige communie Jezus in CH. III. 7

-ocr page 107-

08

uw hart rust, kost het u dan nog, u van de schepselen te scheiden? Wat zijn zij voor hem, die recht heeft tot den Schepper te zeggen: Al het uwe is het mijne? Als men de bron heeft gevonden, wat kan men dan in de beek gaan zoeken?

Simeon in de overmaat van zijn geluk. Hem, die hem-zelven draagt in zijne armen dragende, zegent hem: Et benedixit illis. »De zegen, dien wij God geven,quot; zegt Bossuet, »komt voort uit den zegen, dien Hij ons geeft. God zegent ons door het geven zgner gaven, wij zegenen Hem, wanneer wij, erkennende dat alle goed, dat wij genieten, van zijne goedheid voorkomt en wij niets hebben om Hem te schenken, zijne oneindige volmaaktheden zegenen, waarvan wij het voorwerp onzer blijdschap makenquot;. De H. Geest, die den grijsaard de verborgen voorrechten van dit aanbiddelijk Kind ontdekt, ontsteekt hem terzelfder tijd door de begeerte om Hem te doen kennen, en onmiddellijk verheft hij zijne grootheid door een verheven lofgezang dat de geslachten zullen herhalen: Nunc ■ dimitiis. Hij verheft, hij looft Hem als het licht der wereld, de glorie van Israël, de zaligheid aller volken. Deze woorden leerden Maria en Jozef niets nieuws, zij kennen Jezus; nochtans merkt de Evangelist op, dat zij met verwondering vervuld waren. O licht van alle licht, schitter in mij met al den glans van een levend geloof; glorie van Israël, glorie van God, glorie en sieraad van het heelal. O Jezus, gij zijt mijne glorie ik verhef mij slechts naarmate ik mij tot u verhef, ik wil slechts in uwe glorie de mijne zoeken, en het is slechts uw kruis, dat mij leert wat ik

-ocr page 108-

99

waard ben. Ik wil slechts roemen op mijne zwakheden , die door mij te vernederen, mij zuiveren en mij minder onwaardig maken mij met ü te vereenigen. O zaligheid aller volkeren, wees ook de mijne en geef mij de genade eenigszins aan de zaligheid mijner broeders te mogen medewerken!

19de OVERWEGING.

voorzegging van simeon.

I. Jezus zal de val en de opstanding van velen zijn.

II. Hij zal onderworpen zijn aan tegenspraak.

III. De ziel van Maria zal door een zwaard van droefheid doorboord worden.

1. Zooals in de vorige overwegingen.

I Punt. Jezus zal de val van velen zijn. Nadat de heilige grijsaard zijne godsvrucht voldaan had door de goddelijke bestemming te verkondigen van het Kind, dat hij in zijne armen hield, gaf hij het aan zijne ouders terug. Zij waren gelukkig over hetgeen zy gehoord hadden, doch voor de heiligen, wier leven een beeld moet zijn van het leven van Jezus, wordt zelfs de zuiverste aardsche vreugde weldra door bittere smart gevolgd. Welk eene diepe droefheid veroorzaakten de laatste woorden van den profeet. Het is bijzonder tot Maria, tot haar teeder moederhart, dat hij spreekt: * Dixit ad Mariam.quot; Deze Zoon, zoo is de zin zijner woorden, deze Zoon

-ocr page 109-

100

u zoo dierbaar, de God-mensch, op aarde gekomen om alle menschen te verlossen, zal ze helaas! niet allen zalig maken; Hij zal voor velen eene gelegenheid tot ergernis en ten val wezen... De Verlosser der wereld, eene gelegenheid tot verderf niet voor eenigen, maar voor velen, o welk een treurig geheim der menschelijke bedorvenheid. De H. Paulus toont ons deze godspraak reeds vervuld in zijnen tijd. (1) Is zij het minder in onze dagen? De Joden hebben hun Messias niet willen ontvangen; zij hebben het licht verstoeten en de hun aangeboden zaligheid versmaad. De goddelijke barmhartigheid tegen zich keerende, zijn zij veel schuldiger, veel rampzaliger geworden, door het misbruik, dat zij maakten van Gods gaven; en hoevelen hebben hen nagevolgd! Aldus is de Verlosser eene gelegenheid tot val... maar voor wie? Voor vrijwillige blinden, voor ondankbare en jaloersche menschen, voor Schriftgeleerden en Phariseën, die hardnekkig zijn in boosheid, omdat Hij goed is, die Hem zijne wonderwerken, zijne weldaden, zijne deugd, en de achting, de genegenheid, welke daarvan de vruchten zgn, niet kunnen vergeven. Hen, die de goddelijke barmhartigheid niet rechtvaardigt, verdoemt zij.

O Jezus, hoe talrijk zijn de christenen, zelfs de religieuzen, die de waarheid zien, doch niet volgen. Gij wacht ze af, gij dringt ze tot U te komen, uw Hart put zich uit in liefde tot hen... te vergeefs! de overmaat uwer teederheid maakt de overmaat hunner misdaden. Zij maken alle offers nutteloos,

(Rom. 9 , 32, 33.)

-ocr page 110-

101

welke Gij voor hen bracht. Zij verachten uwe voorkomende genade, en dwingen U hun even zoo vele folteringen voor te behouden, als Gij hun ge-nengten bereid hadt.

II Punt. Jtzus zal ten prooi zijn aan tegenspraak. Deze woorden verklaren de voorgaande. Waarom redt de Verlosser niet alle menschen? Waarom verheft Hij alle religieuze zielen niet tot dien graad van volmaaktheid en geluk, waartoe Hij hen riep ? Omdat Hij aan tegenspraak blootgesteld is. Hij was dit gedurende zijn leven op alle wijzen, van alle zijden. Hij is het niet minder ten huidigen dage. Zijne mirakelen, zijne leer, zijne toegevendheid en zijne zachtmoedigheid... alles werd in Hem aangevallen en bestreden. Welk eene afschuwelijke tegenspraak ondervond Hij op Kalvarië, van den kant der zondaars? en van hen sprekende kon Hij zijnen Vader zeggen: »Vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen.quot; Doch hoe zwaar valt het Hem tegengesproken te worden door hen, die Hij met gunsten overlaadde, door zielen, welke Hij verhief tot de waardigheid zijner Bruiden... De loftuiting beminnen, de vernedering verstooten, zijn gemak en vermaak zoeken, zich niet willen verloochenen , noch zijn kruis dragen, zich de eer van den religieuzen staat aanmatigen, zonder deszelfs verplichtingen na te komen, is Jezus-Christus tegenspreken, is Hem bestrijden; en is dit niet, o Heer, wat ik maar al te dikwijls gedaan heb! Mijne woorden zijn voor-, mijn leven is tegen U; mijn gedrpg is in gedurige weerspraak met uwe leer en uw voorbeeld. Ach, konde uw Hart zich nog bedroeven in uwen glorievollen staat, zoo ware

-ocr page 111-

102

dit zeker van deze zijde meer dan van alle andere, want nogmaals zou het de hand uwer vrienden zijn, die U de wreedste wonden toebracht!

Het is dan waar, aanbiddelijke Meester, dat ik U tot tegenstander beb, wijl ik U onophoudelijk weersta en weerspreek; doch zoo ik niet met U medega, zoolang ik op weg ben, wat staat mij dan te wachten aan het einde mijner loopbaan? Een rechter dan onverbiddelijk, en eene schrikwekkende veroordeeling. Mijn God, ik smeek ü, ontruk uit mijn hart elke kiem van opstand tegen uwen heiligen wil.

III Punt. De ziel van Maria zal door een zwaard van droefheid doorhoord worden. Moest datgene wat tegenspraak was voor een zoo teederbeminden Zoon, geen lijden zijn voor het Hart zijner Moeder? Het martelaarschap van Maria was reeds begonnen. Zij wist sedert de boodschap des hemels, dat de eer den Verlosser der menschen tot Zoon te hebben haar groote kwelling zou bereiden; doch heden dringt het zwaard der smart met scherper punt in haar hart, want heden moet zij als het ware de veroordeeling baars Zoons bekrachtigen door Hem den Vader aan te bieden als zoenoffer, ter bevrediging zijner wraak.

Het voorzien van den dood maakte nooit zulk een diepen indruk op het Hart van Jezus als in den hof van Olijven, hoewel Hij dien van het eerste oogenblik zijns levens voorzien had; omdat het daar was, dat Hij eene meer bepaalde toestemming moest geven aan het vonnis tegen Hem uitgesproken. Evenzoo was het in den tempel, dat Maria dieper getroffen werd door het lijden van haren Zoon,

-ocr page 112-

103

omdat het in den tempel was, dat zij Hem plechtig moest overleveren aan Gods rechtvaardigheid en aan de wreedheid der menschen. Zij onderging in dat oogenblik een inwendigen strijd eenigszins gelijk aan den doodstrijd van Jezus. Haar ijver voor onze zaligheid streed in hare ziel tegen de buitengewone teederheid, welke zij koesterde voor haren welbeminden Zoon, en wreedelijk werd haar hart door zulke tegenstrijdige gevoelens verscheurd. O Maria, hoe vele tranen, hoeveel lijden hebben wij U gekost. Mogen wij, na U zooveel smart veroorzaakt te hebben, U nog ter hulp roepen? Maar gij bemint ons nog immer, omdat wij nog altijd door Jezus-Christus bemind worden. Wees dan steeds by Hem onze krachtige voorspraak, onze lieve Moeder, geef dat wij zijn Hart en het uwe nooit meer bedroeven, maar dat wij, gelijk Gij, Hem getrouw volgen tot den voet van het kruis, waaraan wij Hem weldra zullen moeten beschouwen.

-ocr page 113-

104

Overwegingen voor de feestdagen der Heiligen.

20ste OVERWEGING.

30 Nov. — II. Andreas.

I. Zijne liefde tot het kruis.

II. De beweegredenen dezer liefde.

III. Derzelver heerlijke vruchten.

I Punt. Liefde van den H. Andreas tot het kruis. Toen de Heer op het strand van het meer van Galilea, wandelde, bemerkte Hij de twee broeders Petrus en Andreas en riep hen, om Hem te volgen. Hierdoor riep Hij hen tot het kruis. Beiden stierven inderdaad den kruisdood; doch terwijl Petrus zich hieraan met liefde onderwierp, vraagde Andreas het met aandrang.

Na de vermoeienissen en beproevingen van allerlei aard, onafscheidelijk van het apostelambt, uitgeoefend te midden der barbaarsche volkeren van Scythie en Tracië, was zijne begeerte om te lijden nog niet voldaan; zij zal het slechts dan zijn, als hij op het kruis zijn laatsten snik zal geven. Het was te Patras in Achaia, dat hij tot deze foltering, welke het voorwerp zijner innigste verlangens uitmaakte, werd veroordeeld. Geen hartstochtelijk wereldling toonde ooit meer drift tot het vermaak, dan Andreas voor de pijniging. Hij is door den arbeid ondermijnd, onder den last der jaren gebukt, en nochtans snelt hij met jongelingsvuur naar de plaats, waar ee:a vreeselijke dood hem wacht; zijn hart jubelt by het naderen van het kruis, hij groet, hij zegent, hij

-ocr page 114-

105

omhelst Let. Hij weet niet hoe zijne liefde tot het kruis te toonen. O bona Crux, roept hij uit, o kruis, bron van geluk, veel meer dan van lijden, hoe verlang ik naar u! Diu desiderata! Sollicite arnata! Kan men u kennen en u met beminnen en niet naar u verzuchten ? Sine intermissione qucesita! U heb ik zonder ophouden gezocht! Doch eindelijk bezit ik u, eindelijk zijn mijne wenschen vervuld. Ja, in de verrukking zijner liefde zou hij willen, dat ook het kruis van vreugde trilde, opdat hunne blijdschap gemeenschappelijk ware! Hoe dan, vraagt de H. Bernardus, is dan het gevoel, dat hem vervoert zoo vurig, dat het zich aan het hout kunne mededeelen ?

Daar hangt hij aan het schandhout, daaraan blijft hij twee volle dagen hangen en intusschen onderricht, vermaant hij eene talrijke menigte, die hem niet genoeg kan zien noch hoeren, zoo gelukkig schijnt hij in een toestand, zoo vreeselijk voor de natuur. Van af het kruis predikt hij het kruis en doet hij het kruis beminnen. Een oogenblik, ja, benevelt eene uitdrukking van smart zijn gelaat, hij beklaagt zich, doch waarover? dat men hem van zijn geliefd kruis wil scheiden. De rechter, door de kreten der menigte ontsteld, wil het vonnis herroepen, de martelaar verstoot, met al de kracht zijner ziel, een medeleden, dat hem eene wreedheid toeschijnt, en zoo het volk hem wil bevrijden, neemt hij zijn toevlucht tot den hemel om dien noodlottigen slag af te keeren. »Mijn God,quot; roept hij uit, »ik geef mij aan U over, doch weiger mij deze eenige genade niet; ik vraag U slechts deze, van op het kruis te mogen sterven. Neen, Heer, laat niet toe, dat men mij er van scheide.

-ocr page 115-

106

noch dat men mij een leveu teruggeve, dat ik ü ten offer heb gebracht.quot; Tantummodo in hdc voce exaudi me: ne me permittas ab impio judice deponi.

Welke grootheid van ziel, welk eene volhardende liefde tot het kruis! Ziedaar eenigszins geëvenredigd het voorbeeld, dat ten allen tijde de heiligen aan de wereld gegeven hebben. Is het ook dit dat ik geef? Zij dorstten naar lijden, en mijne groote studie is wellicht die, om het van mij te verwijderen.

II Pünt. Welke waren in den H. Andreas de beweegredenen tot die liefde voor het Kruis!

Hij zelf gaat het ons zeggen; hij beschouwde het kruis onder drie gezichtspunten, welke hem allen bekoorden; in betrekking tot Jezus-Christus, die het kruis bemind heeft; in betrekking tot den schat, dien het besluit, in betrekking tot het doel waarheen het voert.

1. De apostelen hadden dikwijls de genegenheid moeten opmerken, welke Jezus het kruis toedroeg. Hij sprak daarvan ten allen tijde, zelfs te midden der geneugten van Thabor, en dan was zijne taal bezield en verhief zich tot geestdrift: »Ik heb vurig begeerd dit Pascha met U te eten.quot; Waarom meer dit dan een ander? Omdat het onmiddellijk door zijn lijden zal gevolgd worden, ante quam patiar. Hij noemde zijn lijden een verfrisschend bad, waarin Hij verlangde zich te dompelen voor de zaligheid der wereld. De H. Andreas putte zijne liefde tot het kruis in zijne liefde tot Jezus-Christus: »0 kruis, dat de bloedende ledematen mijns Verlossers gedragen hebt, met welken glans glinstert gij in mijn oog!quot; Door U zal mijn dood eenige gelijkenis hebben

-ocr page 116-

107

met den zijne; ik kom tot U, ontvang mij; en ziehier wat mij recht geeft op deze gunst; ik ben de leerling van Hem, dien wij aanbaden in uwe armen.

2. De waarde van het kruis, de schatten, die het bevat, zijn voor den heiligen apostel eene tweede beweegreden om er zijn hart aan te hechten; door het kruis is de genade over de wereld uitgestort, en als hij daaraan zal geklonken zijn, belooft hij zich-zelven die overvloedige hulp, die onoverwinbare kracht, welke daaruit voortvloeien, »kostbaar kruisquot; Crux pretiosa, er is niets meer, dat ik niet door ü hoop, niets dat ik door U niet vermag. Gij geneest terwijl gij wondt, gij vereert, terwijl gij vernedert, doov ü den dood ontvangen is herleven. Daarom heb ik U sinds lang mijne liefde geschonken, daarom heb ik zoo begeerd mij met U te vereenigen.

3. Eindelijk beschouwt hij het gelukkig doel, waarheen het kruis hem gaat geleiden, den hemel welken het hem gaat openen. Is het geduldig gedragen kruis inderdaad niet het kenmerk der gelukzaligen? Veracht worden, lijden, voor en gelijk Jezus-Christus sterven, is er wel een veiliger weg om van uit de ballingschap naar het vaderland te gaan. «Geheiligd hout, door U zal Hij mij ontvangen, die mij door ü herkocht heeft.quot;

Uit dit drievoudig oogpunt beschouwd, is het kruis voor ons niet minder beminnelijk dan voor den H. Andreas. Jezus is ons voorbeeld, zoowel als het zgne, wij hebben dezelfde genaden noodig, en het kruis doet ons die verkrijgen; wij verzuchten naar hetzelfde geluk; het kruis alleen kan ons dit verschaffen , en toch helaas! beminnen wij het kruis niet.

-ocr page 117-

108

Zijn er geene christenen, zijn er geene religieuzen, op wie deze woorden van den H. Paulus toepasselijk zijn. »Velen wandelen, van wie ik n dikwijls zeide en nu ook weenende zeg, dat zij vijanden zijn van het kruis van Christusquot; (1).

III Punt. Heerlijke vruchten , welke de H. Andreas trekt uit zijne liefde tot het kruis. Deze liefde benam aan zijne smarten al derzelver bitterheid, en veranderde zijne pijnen in blijdschap. O welk eene verwonderlijke zaak! Bij de enkele gedachte aan zijn lijden siddert Jezus-Christus en smeekt Hij zijn Vader dezen kelk van Hem te verwijderen. Andreas, te midden zijner folteringen, bemerkt dat men hem wil bevrijden, wordt bedroefd en roept uit: gt;Heer, laat het niet toe! Ne perrnittas. O beminnelijke toegevendheid, o teedere liefde van onzen zoeten Verlosser, om de zwakken te troosten, bekleedt Hij zich met onze zwakheden, om zijne martelaren te eeren, deelt Hij bun zijne kracht mede.

Hoeveel lijden hadde ik mij-zelven gespaard, hoeveel waren troost hadde ik mij-zelven verschaft, indien ik in plaats van mijn kruis voort te slepen, het met liefde gedragen hadde! O ja, mijn God, ik weet het bij ervaring, en slechts aan mij lag het, zoo ik het niet meermalen ondervond, als men U bemint is men nimmer alleen in het uur der kwelling. Uit het kruis vloeit hemelsche zoetheid; geef ons de liefde tot het kruis en gij zult ons de kracht der ziel, de vreugde van den geest, de volheid der deugd en de volmaaktheid der heiligheid mededeelen.

(1) Philip. 3, 18.

-ocr page 118-

109

21ste OVERWEGING,

3 December. — De H. Franciscm Xaverius,

Hij schildert zich-zelven in dezen kreet uit zijn hart ontsnapt: »Het is genoeg, Heer, het is genoeg.quot;(l) Door dit korte woord »genoegquot; drukte hij uit:

I. Zijne liefde tot God.

II. Zijn gver voor de zaligheid van zijn evennaaste.

III. Zijne nederigheid ten opzichte van zich-zelven.

I Pu NT. Zijne liefde tot God. »Het is genoeg, lieer, het is genoeg.quot; In deze woorden leest men de voordurendheid, de kracht, de zuiverheid en de belangeloosheid der goddelijke liefde.

1. Eene ziel, die nog zwak is in de liefde, laat zich gemakkelijk door duizenden voorwerpen afwenden en medeslepen, zelfs gedurende den tijd des gebeds. Nauwelijks heeft zij hare godvruchtige oefeningen verlaten, of zij dompelt zich in hare uitwendige bezigheden, en heeft zelfs geene gedachte meer voor de hemelsche zaken; terwijl het hart, dat innig met God verbonden is, zich niet zoo licht van Hem afscheidt. Xaverius vond en smaakte overal Dengene, die al zijne genegenheid vervulde. In het gewoel der uitwendige zaken, zoowel als in de nachtelijke stilte; te midden der ontelbare scharen ongeloovigen of nieuwe christenen, die zich rondom hem verdrongen, zoowel als in de eenzaamheid; waar hij

(1) Satis est Domme, satis est.

-ocr page 119-

110

zich ook moclit bevinden, overal droeg hij den hemel met zich, altijd bleef hij met God vereenigd. Het was vaak dan, als men hem meest verslonden waande in de uitoefening van zijn apostelambt, dat men hem het geheim hoorde verraden van zijn innig verkeer met God en den troost, welken hij daarin smaakte. Het is genoeg, Heer, het is genoeg. Hij was zoodanig bezig met zijne bediening, dat men gemeend zou hebben, dat hij aan niets anders dacht; hij hield zich met zooveel vrijheid van geest daarmede bezig, dat hij zich daarin met God onderhield, als ware hij met God alleen.

2. Zuivere en belangelooze liefde. Mijn God en mijn Al. Wat is er voor mij in den hemel en op aarde, en wat hegeer ik buiten U? Ziedaar de liefde der heiligen; zoodanig was de liefde van Xaverius, hg wilde slechts God alleen. De geestelijke gunsten, waarmede hij overladen werd, waren hem, om zoo te spreken, tot last. Het was hem eene smart zoo weinig te lijden te hebben, en zooveel blijdschap te vinden in het vervullen zijner plichten. Liever hadde hij zulk een goeden Meester gediend, alleen omdat hij Hem liefhad en zonder eenige beweegreden van eigenbelang. »Genoeg, Heer, genoeg.quot; Ik gevoel my slechts al te gelukkig U te mogen dienen, ik zal vreezen U op minder waardige wijze te dienen. Ik vrees dat uwe zoetheid de zuiverheid mijner liefde vermindert, en dat ik döor het beminnen uwer gaven, U-zelven minder beminne.

Hoe zeldzaam is die volkomen belangeloosheid in uwe liefde, o mijn God! Zegt uw apostel niet, dat iedereen zijn belang zoekt? Ik weet, dat Gij ons

-ocr page 120-

Ill

evenzeer beveelt te hopen, als te beminnen, dat uwe getrouwste dienaren hunnen moed hebben opgewekt en onderhouden, in het beoefenen uwer wet door de gedachte aan uwe belooningen. Ik zal dit ook doen, Heer, daar mijne zwakheid dit vraagt; doch zoo de zuivere liefde in deze wereld voor mg geen voortdurende toestand wezen kan, wil ik met de hulp uwer genade, ten minste meermalen akten van zuivere liefde verwekken.

II Punt. Zijn ijver voor de zaligheid zijner evennaasten. »Het is genoeg Heer, het is genoeg.quot; Deze woorden getuigen zijne vurige edelmoedigheid, alsook zijne voorzichtigheid en zijn geduld.

1. Edelmoedige werkdadigheid van zijnen ijver. Zijn hart vloeit over van de zuiverste geneugten. Hij schijnt op deze aarde reeds den hemel te genieten, doch hij denkt aan den treurigen toestand van zoovele zielen, die God nog niet kennende, voor alle eeuwigheid verloren gaan. Hij brandt van begeerte om haar te hulp ter snellen. Hij vreest voor zich-zelven datgene, wat zooveel anderen overkomen is, te weten, dat door zich te zeer te hechten aan de zoetheid der godsvrucht, hij zal vallen in eene wreede onverschilligheid voor zgne ongelukkige broeders. Ten einde geen enkel oogenblik te verliezen van de oogenblikken, die hij ter hunner onderrichting en heiliging wil gebruiken, wil hij liever alles, ja zelfs God verlaten om aan hunne zaligheid te werken. Hij weet wel, dat hg daardoor God met meer zekerheid zal vinden, dan wanneer hij, uit vrees Hem te verliezen, de gelegenheid om eene enkele ziel te winnen liet verloren gaan. O Jezus, hoe aangenaam

-ocr page 121-

112

is U deze toewijding. Het is Aaron, die verzaakt aan den troost des tabernakels, om zich met het wierooksvat in de hand te werpen tusschen de levenden en de dooden, tusschen de wrakende vlam en de kinderen Israels, welke zij gaat verslinden. Neen dit is God niet verlaten, dit is zich-zelven verlaten om God te vinden.

2. Wijze voorzichtigheid, onafscheidelijke gezellin van den waren ijver. Zich bijtijds weten te begrenzen en terug te houden, is het uitwerksel van eene niet gewone deugd. Er is even veel gevaar in meer te doen dan God wil, als in niet zooveel te doen als Hij wil. Xaverius gevoelde, dat zoo hij zijne vurigheid niet matigde, deze hem tot buitensporigheden zou vervoeren en hem tot grooter goed ongeschikt zon maken. Genoeg, Heer, genoeg. Gij beveelt mij de voorzichtigheid, ik wil voorzichtig zijn. Doch in deze woorden blinken, zyn geduld en zijne begeerte om te lijden nog beter uit.

3. Xaverius beminde het lijden, hij scheen hierin onverzadelijk. Daarom deze teedere klacht: »Genoeg, Heer, genoeg. Waarom overlaadt Gij met zulken zoeten troost hem, die slechts voor U en de zaligheid der zielen wil lijden. Zij kunnen slechts zalig worden door het kruis, zij zijn U zoo dierbaar, laat mij dan mijne lichte smarten vereenigen met die van uwen Zoonquot;. Wel toonde hij dien heiligen dorst naar lijden, toen hij, nadat God hem had doen kennen door hoevele kwellingen hij in Tndië de zaligheid zijner broeders zou moeten bewerken, uitriep: »Nog meer Heer, nog meer.quot; Gaarne omhels ik storm en schipbreuk, ontbering, lijden en doodsangst

-ocr page 122-

113

volgens uwe belofte, o mijn God, nog meer; Amplius, Domine, amplius. Ziedaar de heldhaftiglieid der toewijding. Kan ik in mij daarvan eenig spoor ontdekken? Ach! hoe hemelsbreed verschillen mijne gevoelens met die van den Apostel der Indien! Is er sprake, mijn Jezus! van mijne lippen te zetten aan uwen lijdenskelk, zoo heb ik dien nauwelijks aangeraakt of reeds beklaag ik my over deszelfs bitterheid en vind ik het reeds genoeg; doch in voorspoed, in troost, o ja, dan zou ik gaarne uitroepen: Nog meer, Heer! nog meer!

III Punt. Zijne diepe ootmoedigheid. Het is genoeg Heer! het is genoeg. Xaverius wantrouwt zich-zelven, hij veracht zich, hij verlangt veracht te worden, drie kenmerken van de welgegronde nederigheid door deze woorden, zoo bewonderenswaardig uitgedrukt.

1. De heiligen zouden zoo mogelijk aan God zooveel willen terugschenken, als zij van Hem ontvangen , en dit ware slechts rechtvaardigheid, doch hunne zwakheid kennende, en wetende, dat de groote gunsten des hemels eene groote medewerking ver-eischen, vreezen zij aan de volmaakte getrouwheid te kort te komen. Daarom bidden zij den Heer of het vat te verwijden, dat bestemd is om het kostbaar vocht zijner genade te bevatten, of dit minder overvloedig uit te storten, uit vreeze dat er eenige druppel verloren ga. Genoeg, Heer, genoeg, mijn hart is vol. Laat niet toe, dat ik het minste deeltje verlieze van het mij door uwe goedheid toevertrouwde talent. Liever wil ik uwe gunsten met mate ontvangen, dan blootgesteld zija aan het ongeluk, ze-CH. III. 8

-ocr page 123-

114

niet zoo heiliglijk te gebruiken, als ik dit zou moeten. Hoe aangenaam is dit gebed aan God! Welk eene scboone hulde, aan zyne milddadigbeid en de uitmuntendheid zijner gaven gebracht!

2. Doch terwijl hij zich-zelven mistrouwt, veracht Xaverius zich in alle oprechtheid en vreest niets zoo zeer als geacht te worden, gelijk men dit van het uur zijner bekeering af in geheel zijn leven opmerkt. In verscheidene zijner brieven noemt hij zich een zeer slecht mensch, een groot zondaar en hij bezweert zijne broeders hem bij God tot middelaars te dienen. »Tot mijn troost is het noodig, schrijft hij hun eens, dat gij wetet in welke moeielijkheid ik my bevind. Daar God het aantal en de zwaarte mijner zonden kent, word ik gekweld door eene gedachte: ik vrees dat zij het slagen onzer ondernemingen beletten.quot; Volgens hem waren de mirakelen, welke hij deed., verschuldigd aan de onschuld der kinderen, welke hij gebruikte, om ze uit te werken of wel aan het geloof der zieken.

3. De minste eerbewijzing, die men hem wilde betoonen, overdekte hem met schaamte. Wat doet hij anders, als hij den Heer bidt de uitstorting zyner genaden ten zijnen opzichte te matigen. Het is genoeg. Heer, het is genoeg? Hierdoor betuigt hij openlijk, dat hij zijne gunsten onwaardig is, dat hij zich daarover schaamt, dat hij beeft bij de gedachte, dat de wereld ze zal opmerken, en bijgevolg een zondaar zal achten, die slechts verachting verdient.

O mijn God! indien de nederigheid zich laat overeenbrengen met datgene, wat bij de menschen het meeste bewondering verwekt, de buitengewone genade,

-ocr page 124-

115

de gave der wonderwerken, hoeveel gemakkelijker is zij dan niet voor dengene, die zich den afgrond zijner ellende niet kan ontveinzen? Stort toch in mg de verachting voor mij-zei ven, en de rechtvaardigheid van slechts verachting te zoeken. Tk heb duizendmaal meer reden mij te vernederen, dan de Apostel der Indien; zoo Gij mij zijne nederigheid gelieft te geven, geeft Gij mij al zijne deugden, want zij zal uwe genade over mij aftrekken, en uwe barmhartigheid zal mij daaruit voordeel doen trekken, want zij is »de troon der wijsheid, de mantel der genade, het voorspel van de eeuwige genade.quot; (S. Ambr. in Ps. 118).

22ste OVERWEGING.

8 December. Het voorrecht der Onbevlekte Ontvangenis, beschouwd ten opzichte van Maria. Alles daarin is glorie en geluk voor Haar.

I. De redenen, die het vereischten.

11. De wijze, waarop het verleend werd.

III. De eer, waartoe het voor haar aanleiding gaf.

I Punt. Glorie en geluk van Maria in de heioeeg-redenen, welke de Onbevlekte Ontvangenis voor haar vereischten. Deze redenen lagen in de groote plannen, welke de Heer omtrent haar had. Toen de Vaders van het Concilie van Trente de erfzonde en de wet die alle menschen daaraan onderwerpt, behandelden, verklaarden zy plechtig, dat het hun plan niet was de H. Maagd in deze droevige en vernederende

-ocr page 125-

116

wet te begrijpen. Men kan zich in Jen eeuwigen raad van God iets dergelijks voorstellen, toen het vonnis geveld werd, waarbij wij allen als zondaars zouden ter wereld komen. Elk der drie personen van de heilige Drievuldigheid had zijue rechten te doen gelden, opdat er eene uitzondering ten gunste van Maria gemaakt werde.

God de Vader zag in haar eene welbeminde Bruid, welke in den loop der eeuwen Hem zou ter wereld brengen, dien Hij teelt van alle eeuwigheid; kon Hij toelaten, dat zij ook slechts voor ééu oogenblik door de schandelijke vlek der zonde onteerd werde.

God de Zoon zag in haar eeue moeder, die Hij oneindig meer zou beminnen, dan eenige moeder op aarde bemind kan worden; en als meester van baallot, wat zal Hij niet voor haar doen! Salomo voorkomt de begeerten van Bethsabee en uoodigt haar uit hem alles te vragen wat zij verlangt, daar hij haar niets kan weigeren. Zal een God, die eene moeder neemt, minder goed voor haar zijn, dan Salomo ? Hij weet wel wat Maria, zoo zij reeds bestond, Hem vragen zou; reeds vóór haar bestaan hoort Hij haar zeggen: O mijn Zoon, o mijn God, het geluk dat ik boven alles verkies, is altijd zuiver te zijn in uwe oogen; is, dat geen enkel oogenblik myns levens, doch vooral niet het eerste, iemand anders dan U behoore. Gelukkige Moeder, gij zult verhoord worden, en van eeuw tot eeuw zullen uwe dienaars herhalen: »Gezegend zij de heilige en onbevlekte Ontvangenis van Maria.quot; Uw Zoon is dit evenzeer aan zijne eigene glorie, als aan zijne liefde tot u verschuldigd. Uw bloed zal in zgne aderen

-ocr page 126-

117

stroomen; zou Hij kunnen dulden, dat het goddelijk Bloed, dat de wereld moet afwasschen, in zijn oorsprong bezoedeld ware?

God de H. Geest zag in baar bet meesterstuk der genade, een schepsel, in wie Hij meer wonderen zou uitwerken, dan in alle andere schepselen samen. Zij zal bij uitnemendheid wezen; het tabernakel van God met de menscben, en Hij is belast met bet bereiden van dat levend heiligdom. Hij zal verlangen dat deze woning Hem waardig zij, die haar zal bewonen, Hem, die ze heeft opgericht; en zou zij dit geweest zijn, indien Hij de ontvangenis van Maria niet met zijne schaduw badde overlommerd, ten einde zelfs de lichtste vlek daarvan af te weren.

En wat kan men nu eervoller uitdenken voor de H. Maagd dan deze titels, deze bediening, deze onuitsprekelijke verwantschap met de godheid? Het voorrecht der Onbevlekte Ontvangenis is dus de grondslag van al hare grootheid, en roept al de andere af. Zoodra ik boor dat Maria zonder zonde is ontvangen , kan ik mij hare glorievolle lotsbeschikkingen verklaren. Dan vraag ik niet meer voor wie bet goddelijk moederschap, de onbederfelijkheid in bet graf, de vervroegde verrijzenis enz. wezen zal. Indien zalke schitterende onderscheidingen aan eenig schepsel voorbehouden kunnen zijn, zoo kan dit slechts wezen aan de Maagd zonder zonde ontvangen.

II Punt. Glorie en geluk van Maria in de wijze, waarop haar het voorrecht der Onbevlekte Ontvangenis werd geschonken. Ten eerste werd het haar alleen geschonken. God zoo milddadig in elke andere gunst, toonde zich terughoudend in deze. Men kent heiligen.

-ocr page 127-

118

die Hij heeft beschermd tegen de woede der leeuwen, de woede der vlammen, er zijn er, die Hij heeft geheiligd van af den schoot hunner moeder, maar de onbevlekte ontvangenis is een voorrecht, dat Maria met niemand deelt.

En wat doet God niet, om Haar met deze eenige gunst te versieren. Indien Hij voor Haar het Scheppingswerk opnieuw ondernam, en Haar even als aan den eersten mensch onmiddellijk het bestaan gaf, zou ik hierin slechts eene afwijking zien van de wet, door Hem gesteld tot voortzetting van bet men-schelijk geslacht; doch neen, uit ouders even als andere menschen door zonde bevlekt, zal Maria geheel zuiver geboren worden, uit eene onzuivere bron zal de kristalheldere beek ontspringen. Hoevele wonderen in dit groote wonder! De duivel houdt geheel het geslacht van Adam in zijne ketenen, een enkel kind ontsnapt hem, en dit kind verplettert hem en vertrapt hem onder haren voet. Een verslindend vuur overdekt de aarde, en te midden van dien wereldbrand blijft een enkele stengel gespaard, niet alleen wordt deze noch verschroeid noch verbrand , doch draagt de schoonste bloem, brengt eene vrucht voort, die de Zaligmaker der volkeren voortbrengt. Een woedend dwingeland overweldigt de aarde; verspreidt alom zijne wreede verwoesting; eene enkele stad houdt hem tegen, wederstaat hem, en wordt zelve de meesteres der wereld. Dit kind, die stengel, die stad is de gelukzalige Maagd Maria. gt;0 stad van God! heerlijke dingen worden van TJ gezegdquot;. (1)

(1) Fs. 86, 2.

-ocr page 128-

119

Bewonderenswaardige en kostbare voorrechten zullen gepaard gaan met het geheim, dat ik overweeg; de volheid van genaden, en geestelijke gaven, welke van dit eerste oogenblik af, de volmaaktheid van Maria verheft boven die der grootste heiligen; het volmaakt gebruik harer zielsvermogens, sedert het eerste oogenblik van haar bestaan; de afwezigheid van de begeerlijkheid en van de andere noodlottige gevolgen der erfzonde; een overvloed van bovennatuurlijk licht; eene buitengewone geschiktheid, om voortdurend vooruit te gaan op de verhevenste wegen, door eene volkomen medewerking met al de genaden, die zij ontvangt, zonder dat ooit iets haren voortgang stuite. Nauwelijks ontvangen is Maria, volgens de woorden der Kerkvaders, reeds het meest bewonderenswaardig schepsel van het heelal, een afgrond van wonderen, alles in haar is wonder. Zij is reeds, zegt de H. Joannes Damascenis, eene wereld vol heerlijkheid en het wonder der schepping.

III Punt. Eerhewijzingen en liefdebetuigingen aan Maria gebracht, om het voorrecht harer Onbevlekte Ontvangenis. Niets bewijst beter hoezeer de eere-dienst van Maria in de harten geworteld was, dan de twist, die omtrent dit punt ontstond. Het was even als in de eerste tijden der Kerk, toen de ketterij haar de waardigheid van Moeder Gods durfde betwisten. Men vatte vlam aan alle zijden. De geestelijkheid en de geloovigen, de universiteiten en de vorsten wedyverden in vuur, om eene meening te bestrijden, die met het aanranden van Maria\'s eer, al hare kinderen in het hart wondde. Nooit werden zoovele redevoeringen uitgesproken, zoovele

-ocr page 129-

120

boeken gescbreven, zoovele plechtige vergaderingen gehouden, zoowel om haar glorievol voorrecht te verdedigen, als om haar eerboete te doen voor datgene, wat men beschouwde als eene beleediging aan hare hoogverhevene waardigheid. Dezelfde ijver heeft zich geopenbaard in onze tijden, toen een onherroepelijk oordeel deze geloofswaarheid is komen bevestigen, door ze te verheffen tot punt van geloof. Wat is er toen omgegaan in Rome en al de deelen dei-wereld, waar het gezag der Kerk wordt geëerbiedigd ? Welk katholiek hart heeft niet getrild van vreugde en heeft zijne kinderlijke liefdebetuiging niet gebracht aan den eeredienst der Onbevlekte Maagd?

Heilige Maagd, kan men u beminnen en zich niet verheugen over uwe glorie? Het geluk der moeder is het geluk der kinderen, de gedachte aan uw geluk doet ons onze beproevingen vergeten, of helpt ons derzelver gewicht dragen. Ja, met u danken wij den Heer voor de groote dingen, die Hij in u heeft gewrocht, van het oogenblik uwer Onbevlekte Ontvangenis. O Maria, ontvang deze hulde, bemin ons altijd en verkrijg ons van Jezus, dat wij uwe en zijne liefde minder onwaardig worden. Gaude, virgo gloriosa, super omnes speciosa. Volde, o valde decora, et pro nobis Christum enora.

-ocr page 130-

121

23ste OVERWEGING.

hetzelfde onderwerp.

Het voorrecht der Onbevlekte Ontvangenis beschouwd, in betrekking tot ons. Van hoe veel belang het is, hiervan het bijzonder voorwerp onzer godsvrucht te maken.

J. Wegens het licht, dat het mededeelt aan hen, die het overwegen.

II. Wegens den zegen, dien het aftrekt op hen, die het vereeren.

I Punt. Licht en onderrichting, opgesloten in het voorrecht der Onbevlekte Ontvangenis. In de overweging van dit geheim ademt men, als het ware, een geur van onschuld in. In het gedrag van God, in dat van Maria, predikt alles ons den afschuw der zonde, de hoogachting der genade, de begeerte naar eeue steeds volmaaktere heiligheid.

God heeft zulk een onoverwinbaren afschuw van al wat zonde is, dat de minste fout, ware zij ook het uitwerksel geweest van een vreemden wil, ware zij ook van af het eerste cogenblik uitgewischt geworden, een hinderpaal gesteld zou hebben aan de groote plannen, die Hij met Maria had. De genade daarentegen, heeft zulk eene waarde in zgn oog, dat als God een schepsel boven andere wil begunstigen, Hij het de genade geeft, vóór alles, bij voorkeur van alles, en om voor haar alles te zijn. Vóór alles. Hij denkt er niet aan haar eenig goed te geven,

-ocr page 131-

122

alvorens haar de genade gesclionken te hebben. Hij kan niet dulden, dat zij er een enkel oogenblik van beroofd zij. Bij voorkeur van alles. God gaat te midden der menschen nederdalen, Hij moet eene moeder hebben. Ten gunste dezer moeder gebruikt Hij zgne macht, zijne wijsheid, al zijne verheven volmaaktheden. Wat doet Hij nu voor haar? Hij geeft haar de genade, dit is het kostbaarste wat Hij in zijne schatten heeft, en al is Hij God, gelooft Hij hiermede genoeg gedaan te hebben voor het schepsel, dat Hij het meest bemint. Om voor haar alles te zijn. Maria zal overladen worden met al de goederen der genade, doch met geene andere. Zij zal geen deel hebben aan die rijkdommen, die genoegens , die het voorwerp uitmaken vau zoo veler begeerten, en met die enkele goederen der genade zal niets slechts haar niets onbreken, doch zij kan met haren overvloed alle menschen verrijken. Ziedaar hoe God oordeelt over de genade. Denk ik er ook aldus over? Heb ik voor mij-zelven, voor mijne broeders, dit groote goed boven alle andere schatten gesteld?

Oordeelen wij over de achting welke de voorzichtige Maagd koesterde voor de genade, door hare opmerkzaamheid ter bewaring, haren ijver ter vermeerdering van zulk een kostbaar talent, en vernederen wij ons over het verschil van ons gedrag, met dat onzer moeder. Maria werd van de erfzonde bevrijd en nochtans neemt zij alle mogelijke voorzorg, welke onze broosheid voor ons zoo noodzakelijk maakt. Vlucht der wereld, waakzaamheid over zich-zelven, strenge boetvaardigheid, onophoudelijke arbeid, vurig gebed. Zij is vol van genade van het oogenblik af

-ocr page 132-

123

harer Onbevlekte Ontvangenis; en wel verre van zich te vertrouwen op den overvloed van de geestelijke genaden, welke zij heeft ontvangen, bereidt zij zich altijd tot het ontvangen van andere; zij vergadert verdienste op verdienste, offer op offer. Elk oogenblik vermeerdert haren schat, vermenigvuldigt hare rechten; en ziedaar een dubbel verwijt, dat wij ons-zelven niet mogen sparen: onze onvoorzichtigheden stellen ons voortdurend bloot aan het verliezen der genade, en onze lafheid belet ons die in ons te vermeerderen. Met de waakzaamheid van Maria zouden de genaden die wij ontvangen, voldoende zijn om ons voor de zonde te behoeden, met hare getrouwheid zouden zij overvloedig genoeg zijn, om ons tot de hoogste volmaaktheid te verheffen.

Trekken wij nog eene derde gevolgtrekking. Maria moest het zuiverst aller schepselen zijn, van de erfzonde bevrijd, in de genade bevestigd, met al den rijkdom der genade versierd, maar waarom? Omdat zij in de innigste betrekking moest treden met den oneindig heiligen God. Is de bestemming eener religieuze ziel, geroepen om zich dikwijls te voeden met het lichaam van Jezus-Christus, in dit opzicht niet gelijk aan die van Maria? Om in haren maagdelijken schoot waardiglijk het menschgeworden Woord te dragen, is het niet genoeg, dat zij onbevlekt ontvangen was, de H. Geest moest haar nog voorbereiden; welke onschuld van leven, welke heiligheid moet degene niet bezitten, die door de H. Communie het levend tabernakel van Jezus-Christus wordt! Stellen wij ons intusschen gerust; wij kunnen alles verkrijgen door onze godsvrucht tot de Onbevlekt Ontvangene.

-ocr page 133-

124

11 Punt. Genaden en zegeningen, welke ome ijver om het voorrecht der Onbevlekte Ontvangenis te vereeren , over ons aftrekt. Niets is troostender voor de dienaren van Maria, dan de overtuiging van de grenzelooze macht, welke zij bij den Heer heeft. Indien de machtige Maagd voor hen is, wie zal tegen hen zijn? Ziedaar, waarom zij steeds trachten meer en meer hare liefde te verkrijgen. Welnu, zij ontvangt met voorliefde de hulde aan hare Onbevlekte Ontvangenis gebracht. Zij verlangt dat onze lofzangen zich vereenigen met de hare, om God te bedanken voor eene weldaad, waarvan zij de waarde kent. Het is genoeg voor hare dankbaarheid, om steeds te herhalen: »Mijne ziel verheft den Heerquot;. Zij wil tot alle redelijke schepselen, doch vooral tot hare kinderen, zeggen: »Helpt mij Dengene danken, die groote dingen aan mij gedaan heeft. Looft Hem met mij.quot; Aan deze uitnoodiging beantwoorden, is ons een groot deel verzekeren van de gunsten, waarover zij kan beschikken. De heiligen spraken daarvan bij ervaring, als zij verzekerden, dat men van Maria alles verkrijgt wat men wil, zoodra men ijver heeft voor hare Onbevlekte Ontvangenis. Hoevele bekoringen zijn overwonnen, hoevele wonderen gewrocht door deze akte van geloof: »Maria is zonder vlek ontvangen quot; of door dit eenvoudig en treffend gebed: »0 Maria, zonder zoude ontvangen, bid voor ons, die onze toevlucht tot u nemen.quot; Men herinnere zich de mirakuleuze medaille, de Aartsbroederschap van Onze Lieve Vrouw der Overwinningen, de heilige vrijgevigheid der Kerk, ten gunste van het Schapulier der Onbevlekte Ontvangenis.

-ocr page 134-

125

Treden wy dan in het verlangen van de Koningin der engelen; wij kennen dit. Laten wij zien wat wij kunnen doen om door ons-zelven of door anderen het eerste, het dierbaarste harer voorrechten te doen eeren. Indien wij ons hare toegenegen kinderen toonen, zal zij ons de teederste moeder zijn. Het leven vervliegt; weldra slaat het uur, waarop men ons rekenschap gaat vragen van zoovele verplichtingen, zoo vele middelen ter zaligheid, en helaas! van zoovele ongetrouwheden. Wie zal ons beschermen in dat vreeselijk oogenblik? Gelukkig hij, die dan met vertrouwen tot de moeder van zijn rechter zal kunnen zeggen: Ik heb voor u gesproken o Maria, spreek gij nu voor mij; ik heb uwe zaak verdedigd, verdedig gij de mijne; ik heb u bemind, ik heb u doen beminnen, red mij in dit oogenblik.

Hernieuwen wij onze toewijding aan Maria, alsook het besluit de godsvrucht tot hare Onbevlekte Ontvangenis te verspreiden en te beoefenen.

-ocr page 135-

126

24ste OVERWEGING.

21 December. H. Thomas.

barmhartigheid des zaligmakers jegens zijn ongeloovigen apostel.

I. Tn het geduld, waarmede Hij zijne ongeloo-vigheid verdraagt.

II. In de liefdevolle inschikkelykheid, waarmede Hij die bestrijdt.

III. In de overwinning, welke Hij over haar behaalt.

I Punt. Geduld van Jezus ten opzichte van zijn ongeloovigen leerling. Groot, zeer groot was de misdaad van Thomas. Na zoo dikwijls met zgn Meester gesproken te hebben, na getuige geweest te zijn van al zijne wonderen, overtuigd als hg wa.s van zijne godheid, en na Hem zoo vaak zijne opstanding ten derden dage te hebben hooren voorzeggen, had de tijding, welke de heilige vrouwen hem daarvan brachten, wel verre van hem te verbazen, hem met eene heilige vreugde moeten vervullen; en hij beschouwt, die als eene hersenschim. Hij verwerpt met dezelfde minachting de getuigenis der apostelen, die den verrezen Zaligmaker hebben gezien, met Hem gesproken, ja, gegeten hebben, volgens hem zijn Petrus, Joannes, ja al de apostelen slechts geestenzieners, zwakke geesten, geheel alleen stelt hij zich aan als onafhankelijk denker.... Welke hoogmoed! welke verwaandheid!

Hij durft den Opperheer de\' wet voorschrijven, Hem voorwaarden stellen, alvorens hg Hem de hulde

-ocr page 136-

van zijn geloof zal brengen. Hij moet zijne lid-teekenen, de gaten der nagelen zieu; hij verklaart zelfs, dat hij nog niet tevreden zal zijn, ze te zien hij moet ze betasten. »Indien ik niet in zijne handen de gaten der nagelen zie, en mijnen vinger steek in de plaatse der nagelen en mijne handen steek in de wonde zijner zijde, ik zal het niet gelooven.quot; (1) Welke heiligschennende aanmatiging! zoo het oog en het oor kunnen oedriegen, waarom zou dan het gevoel, het minst fijne der zintuigen, ook niet bedriegen? Zou men niet meenen, dat hij met het geloof tevens zijn verstand verloren heeft, Non eredam1? Doch, zoo hij niet gelooft, wat moet er dan van hem worden. Moet hij aldus zijne eeuwige zaligheid op het spel zetten ? Daarenboven was zijne zonde niet, gelijk die van Petrus, de dwaling van een oogenblik; neen, hij volhardt verscheidene dagen niettegenstaande alle vertogen, die men doet, alle bewijzen, die men hem geeft. Er ligt dus in dit gedrag eene onuitstaanbare hardnekkigheid, eene beleediging voor Jezus-Christus, eene ergernis voor de zwakken; hoe vele wankelende geesten konden door deze slechte voorbeelden bedorven worden !

Het was eene groote droefheid voor Maria, voor de verzamelde apostelen en voor geheel de vergadering der geloovigen, wier vreugde hij door zijne hardnekkigheid verstoorde, maar was het, daar hij weigerde te luisteren naar de Kerk, niet redelijk hem er buiten te sluiten? Dit was de gestelde regel; doch Jezus duldt niet, dat men dien volge.

1

Joa. 20 , 25,

-ocr page 137-

128

Hij boezemt allen geduld in, en Hij wacht een gunstig oogenWik af. O! hoeveel kost het Hem, eene ziel te verlaten, welke Hij bemind heeft en met zijne genaden heeft overladen! Wat doet Hij niet om haar te trekken uit den afgrond, waarin zij zich van Hem verwijderende, is gevallen?

II Punt. TAefdevolle inschikkelijkheid van den Zaligmaker, in den strijd, dien Hij aan het ongeloof van Thomas levert. Eene week verloopt in vrede en geluk voor de getrouwe leerlingen, in wroeging en verwarring voor den schuldigen apostel. Jezus verschijnt nogmaals; en dezen keer is het opzettelijk voor den zondnar. Hij gewaardigt zich medelijden te hebben met zijne zwakheid. Hij staat hem door eene overmaat van liefde datgene toe, wat Thomas Hem slechts door eene overmaat van vermetelheid had kunnen vragen. »Na acht dagen waren zijne leerlingen wederom binnen en Thomas met hen. Jezus kwam, terwijl de deuren gesloten loaren, en hij stond in het midden, en zeide: gt; Vrede zij u lieden.quot; (1) Daar staat Hij dan te midden zijner leerlingen.... Welk eene vreugde straalt op hun gelaat bij het zien van hunnen Meester in dezen verheerlijkten staat, en welk eene ongekende blijdschap doet hunne harten trillen!

Terstond wendt Jezus zich tot Thomas... Mocht deze ongeloovige wel het eerst zijne aandacht trekken\'? Petrus en Joannes waren er aanwezig; men meent dat de H. Maagd er zich ook bevond. Tot geen dezer richt hij zich: Hij Iet minder op de waardig-

(1) Joa. 20 , 26.

-ocr page 138-

129

lieid en de verdiensten van verscheidenen, dan op de noodwendigheid van een enkele. Ziedaar wel het Hart van Jezus, hier vindt men het gelijk Jezus zelf het schildert in de parabel van den verloren zoon en den goeden herder. Nader, mijn apostel, gij zijt mij te dierbaar, dan dat ik in uw verderf zou toestemmen ; liever leen ik mij tot hetgeen gij eischt. Ja, ziehier die handen, welke zoovele zieken hebben genezen, zooveel zegen hebben verspreid, ziehier die voeten, die het verloren schaap, hebben achtervolgd, ziehier de zijde door het ijzer der lans doorboord, beschouw, en daar het u niet genoeg is te zien, zoo betast. »Breng uwen vinger hier en bezie mijne handen; en breng uwe hand en steek haar in mijne zijde; en wees niet ongeloovig, maar geloovig!quot; (1) O heilig mededoogen, o zoete toegevendheid, o hart-verteederende goedheid.

III Punt. Gelukkige overwinning door de barmhartigheid behaald over de ongeloovigheid van Thomas. De Zaligmaker had zich van een straal van zjjn aanschijn bediend, om Magdalena te bekeeren, en, volgens de gewijde gezangen, haar hart met een pijl van liefde te doorboren; Hij had door een blik den Apostel, die Hem verloochend had, in tranen doen smelten; Hij zal zich bedienen van zijnen naam, om de gelukkige bekeering van Saul, nedergeworpen op den weg van Damascus, uit te werken; Hij bedient zich van zijne wonden, om Thomas te bekeeren.

Nauwelijks heeft de ontrouwe leerling zijne goddelijke wonden aangeraakt, of hij is genezen van zijn ongeloof; op hetzelfde oogenblik herkrijgt hij

(1) Joa. 20, 27.

CH. III. 9

-ocr page 139-

130

het geloof en roept uit: Mijn Heer en mijn God\' Zijne smart en zijne liefde beletten hem iets meer te zeggen. Zijne smart, want hij overziet de grootheid zijner misdaad; zgne liefde, want de goedheid zijns Meesters heeft hem overwonnen; die aanbid-delijke Meester, zoo onwaardiglijk beleedigd, wreekt zich slechts door hem met nieuwe weldaden te overladen. Ook heeft hij alles gezegd in deze enkele woorden. Hij erkent Jezus voor zijnen Heer, Domimis meus; voortaan, en dat tot zijn laatsten snik, zal hij Hem dienen en vreezen. Hij erkent Hem voor zijnen God: Deus meus; en hij zal slechts leven om Hem te beminnen en zielen voor Hem te winnen.

Aldus wordt hij verlost van zijne verblindheid en hersteld tusschen hen, die de meesters en leeraars der wereld zullen worden. De H. Gregorius gaat nog verder en zegt, dat Thomas door zijne hardnekkige weigering, om aan de verrijzenis des Zaligmakers-te gelooven, ons geloof veel meer bevestigd heeft, dan al de andere apostelen door hunne onderwerping in het aannemen van hèt wonder. Met welken ijver zal hij voortaan dit mirakel verkondigen, dat hij zelf niet heeft willen gelooven, dan nadat hij het gezien had, nadat hij om zoo te spreken, door een wonder van liefde hiertoe werd gedwongen. Hij predikte het Evangelie bij de Parthen, de Meden, de Perzen, de Scythen, de Hyrcaniers en het was te Colomir.e in Indië, dat hij vond wat het doel zijner vurigste wenschen was, de glorie van door den marteldood een apostolaat te bekronen, dat zoovele volkeren had gebracht onder het gebied van den Gekruiste. O Jezus, met welke liefde zegt hy nog hij zijn sterven

-ocr page 140-

131

dat Gij »ziju Heer en zijn Godquot; zijt. Dominus meus et Deus meus !

Vragen wij door de voorspraak van den H. Thomas dat edelmoedig geloof, dat zoo waardig zijne ontrouw herstelde, en daar de Zaligmaker zich van zijne heilige Wonden bediende, om zoo krachtig te werken op zijn geest en zijn hart, zoo laat ons niet vergeten, dat wij aan de heilige tafel datzelfde verheerlijkt Lichaam ontvangen, dat al de ziekten onzer ziel genezen kan. Denken wij dikwijls aan die heilige Wonden en voeden wij daarmede onze godsvrucht.

25ste OVERWEGING.

26 December. — H. Stephanus.

De Zaligmaker onder ons geboren en zijn eersten martelaar kronende: ziedaar twee groote beweegreden tot blijdschap voor de Kerk op dezen dag, gelijk zij zelve dit verklaart bij het begin van haar officie. Christum natum, qui heaturn hodie coronavit Stephanum, venite adoremus. » Mogen wij danquot;, vraagt de H. Petrus Damianus, »den koning daarlaten om al onze opmerkzaamheid te wijden aan een zijner soldaten? Neenquot;, antwoordt hij, »tenzij de koning dit zelf bevele. Welnu, zie, de Koning zelf staat op en gaat getuige zijn van den strijd zijns dienaars; snellen wij ook naar dat schouwspel, waarheen Hij snelt en vestigen wij onze blikken op den Vaandeldrager der martelaren.quot;

-ocr page 141-

132

De H. Geest stelt ons den H. Steplianus voor als vervuld met kracht en genade, wonderen verrichtende te midden van het volk. Hij is leeraar en martelaar. In zijn spreken en zijn lijden, rechtvaardigt hg ten volle deze lofspraak.

I. De waarheid is vol gratie en kracht in zijnen mond.

II. De liefde is vol gratie en kracht in zijn hart.

I Punt. Gratie en kracht in den mond van den H. Stephanus. De gewijde schrijver deelt ons niet mede, welke wonderen de H. Stephanus ouder het volk verrichtte; doch uit het verband van het verhaal laat het zich veronderstellen, dat er bijzonder sprake is van de talrijke bekeeringen door hem bewerkt. Inderdaad welk grooter wonder, kan iemand verrichten, dan mannen, die nog rooken van het bloed van Jezus, te overreden, dengene te aanbidden als God, dien zij zoo even gekruist hebben ? En wel moet het woord van Stephanus eeue wondervolle kracht bezitten om zulke mannen te hervormen en daarvan voorbeelden te maken, die in alle eeuwen ter navolging zullen worden voorgesteld.

De vijanden des Heeren sidderden als zij het getal leerlingen zagen aangroeien. De ijverigste leden der synagoog vereenigen zich in eene krachtige samenwerking om de Kerk in hare geboorte te verstikken. Doch alvorens Haar aan te vallen door het staal, beproeven zij Haar te bestrijden, door twist in haren boezem te ontsteken, Stephanus vooral was door zijne zegenrijke werkingen het voorwerp hunner woede geworden, zij omringen hem in grooten getale,

-ocr page 142-

133

gewapend met alles wat de geest der dwaling, door den haat vermeerderd, kan uitvinden. De heilige Diaken toont hun duidelijk de valschheid hunner redeneeringen , de volmaakte vervulling der profetien in den persoon van Hem, wiens naam hun zulk een afschuw inboezemt. Hij brengt, als het ware, hun hunne genezen zieken, hunne ten leven verwekte dooden onder de oogen, ja het geheel openbaar leven van Jezus, die ouder hen omging al weldoende, en zijne godheid bevestigende door schitterende mirakelen. Hij dringt bij hen aan, door hun de ongelukken te herinneren hunner voorvaders en de misdaden, welke deze hadden veoorzaakt; misdaden door de hunne nog ver overtroffen, daar zij niet slechts de profeten hebben ter dood gebracht, maar den God der profeten gekruisigd hebben; moesten zij schuldiger dan zij, geene vreeselijker straffen vreezen ?

Hadde hij deze waarheden op trotschen en verachtenden toon gesproken, dan zou hij de geesten verbitterd hebben in plaats van hen voor God te winnen, maar vervuld als hij is met wijsheid, weet hij de hevigheid door de zachtmoedigheid te matigen. Fm\' fratres et patres, audite (1); luistert broeders; het is ter uwer zaligheid, dat God mij dien ijver inboezemt, die mij bezielt. Ik ben geen vreemdeling onder u, even als gij uit hst geslacht van Abraham ontsproten, eer ik u als mijne vaders, bemin ik u als mijne broeders. Doch versmaadt mijn woord niet, want het is Gods woord, en verwerpt de genade niet, welke Hij u aanbiedt.

(1) Hand. 7, 2.

-ocr page 143-

134

De glans, dien men op het gelaat van den redenaar zag schitteren, was eene uitstraling van het helder licht, dat in hem was; zij konden niet weerstaan aan de wijsheid en den geest Gods, die door zijnen mond sprak. Doch, waren allen overtuigd, niet allen waren bekeerd. Stephanus ontwaart eenige hardnekkigen en om hen te redden ontvlamt zijn ijver, hij beproeft wat verwijt en bedreiging vermogen. »Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en van oorenquot;! roept hij uit, altijd weerstaat gij den Heiligen Geest! (1) Wilt gij tot het einde toe het voetspoor uwer vaderen blijven drukken, de maat uwer misdaden vol meten en den beker hunner rampen ledigen? Indien de woorden, die gij hoort u niet bekeeren, zullen zij dienen om u te beschamenquot;. Aldus spreken tegenover die woedende menigte, welke de waarheid verbittert, is zich blootstellen aan alles; doch de heilige leviet is bereid alles te Igden.

De man van geloof laat zich liever dooden dan de belangen van God en van zijn geweten te verraden. Ach Heer! zoo men U beminde, zou men ook bij voorkomende gelegenheden uwe zaak moedig durven verdedigen. Een weinig standvastigheid ware vaak genoeg om den ongeloovige en den vrijgeest te doen zwijgen, om een gesprek te weerhouden dat bijna altijd ontaardt in kwaadspreken of gemor tegen de gehoorzaamheid, — en een laf menschelijk opzicht doet ons zwygen.

II Punt. Gratie en kracht der liefde in het hart van den H. Stephanus. Bij de laatste woorden door

(1) Hand. 7. 51.

-ocr page 144-

135

hem uitgesproken, waren zijne vijanden in woede geraakt, welke hun hart verscheurde en zij knarsetandden tegen hem. Doch Stephanus vervuld van den H. Geest, zag de glorie van God en Jezus staande aan zijne rechterhand. En hij zeide: Zie, ih zie de hemelen geopend en den Zoon des menschen staande aan de rechterzijde Gods. (1)

Toen slaakten zij luide kreten en stopten zich de ooren en wierpen zich allen op hem en hem buiten de stad gesleurd hebbende, steenigden zij hem. Beschouwen wij hier twee wonderen, een van geduld in de foltering, welke hij verduurt, een tweede van edelmoedigheid in de vergeving, welke hij afsmeekt voor zijne beulen; beide zijn de vrucht zijner liefde; hel eerste van zijne liefde tot God, het tweede van zijne liefde tot den naaste.

1. Wonder van geduld. Het wordt verhaald door deze twee eenvoudige woorden: »Zij steenigden Stephanus, terwijl hij aanriep en zegde: »Heere Jezus, ontvang mijnen geestquot;. (1) Wil men weten wat hij leed? Zij steenigden hem. Dit was eene gruwzame foltering, door de Joden aan de godslasteraars voorbehouden. Wil men weten, hoe hij lijdt, hoe groot zijne kalmte, zijne goddelijke onversaagdheid was? Hij bad en zegde •» Heere Jezus.... Terwijl het bloed vloeit uit al zijne ledematen, wat doet hij, wat denkt hij gedurende die smartvolle oogenblikken ? Hij roept den Heer Jezus aan; hij denkt er slechts aan zijnen geest in zijne handen te bevelen. Suscipe spiritum tneum. Neen, het voorbeeld van een ster-

(1) Hand. 7. 68.

-ocr page 145-

136

venden God alleen en de begeerte, om Hem bloed voor bloed, leven voor leven, te geven, met de hoop ook deelgenoot te worden van zijn geluk, kunnen zooveel moed inboezemen. Daarom was bet ook Jezus staande en zijn kampvechter ondersteunende, dien de eerste martelaar in dat oogenblik aanschouwde. Wij zijn krachteloos, de minste moeie-Igkheid werpt ons omver? Beminnen wij onzen Zaligmaker, die zooveel voor ons geleden heeft? Ons geloof toont ons den hemel geopend; eene enkele akte van geduld kan ons dien doen binnentreden. Beschouwen wij Jezus aan de rechterzijde zijns Vaders, Hij beschouwt ook ons en bereidt ons eene kroon om onze volharding te beloonen.

2. Edelmoedigheid in de vergiffenis, welke hij vraagt voor zijne vijanden. Terwijl zij hem neder-vellen onder een hagel van steenen, bidt Stephanus voor hen; hij vergeet zijne eigene smart en denkt slechts aan hunne noodlottige verblindheid. Het is als beminde hij hen nog meer dan zich-zelven. Als hij voor zich-zelven bidt, doet hij dit staande en op gewonen toon; als hij zijne beulen God aanbeveelt, slaakt hij een luiden kreet: »Clamavit voce magnaquot;. »Heer reken hun deze zonde niet toe.quot; Hoevele zielen zullen zalig worden, tengevolge der heldhaftige liefde, waaraan de roeping en de bekeering van Paulus verbonden schijnen, volgens de gedachte van den H. Augustinus. Gelukkig gebed, onmiddellijk gevolgd door een gelukkigen dood: En toen hij dit gezegd had, ontsliep hij in den Heer.

Sterven na aan Jezus-Christus getuigenis te hebben gegeven van zgne zeden, door een gedrag boven alle

-ocr page 146-

137

argwaan verheven; van zija woord, door eene krachtvolle en wijze leerrede, van zijn bloed door eene volharding vol barmhartigheid en liefde, wat kan men meer begeereu? O mijn God, geef mij deel aan de deugden van den H. Stephanus, vervul mij met ^zijnen geest, en geef, dat ik gelijk hij moge sterven in de uitoefening eener volmaakte liefde.

26ste OVERWEGINQ.

27 December. De H. Joannes Evangelist.

Discipulus quem diligehat ■ Jesus,

I. Hij was de vriend en lieveling van Jezus.

II. Hoe bereidde hij zich tot deze gunst?

I Punt. De H. Joannes, de leerling, dien Jezus leminde. Ziedaar hetgeen Joannes onderscheidt boven de overige apostelen en hem zulk een hoogen rang doet bekleeden onder de heiligen. De voorliefde van Jezus-Christus voor dezen Apostel kenschetste zich vooral bij het Laatste Avondmaal, toen Jezus hem toestond zijn hoofd op zijne borst te doen rusten, en op Kalvarië, toen Hij hem gaf wat hij dierbaarst op aarde had, zgne goddelijke Moeder. Ecce Mater tua.

1. Om de eerste dezer gunsten naar waarde te schatten, moet men zich in de gebeurtenis verplaatsen. Het oogenblik was geheimvol en plechtig. Het was op den vooravond van het lijden van den Zoon Gods; alles werd bereid voor zjjn bloedig offer, en Hg voorkwam dat door zijn geheimzinnig offer, toen

-ocr page 147-

138

Hij het offer en het Sacrament ouzer altaren instelde; zijne liefde tot de menschen kende geene grenzen meer. In Jinem dilexit eos. Van de eene zijde waren de Apostelen vervuld met ontsteltenis, daar Jezus hun zoo even gezegd had, dat een hunner Hem zou verraden. Hoe groot moet in dit oogenhlik van droefheid, vrees en liefde, hunne verbazing geweest zijn, toen zij Joannes het hoofd zagen neigen op de borst des Zaligmakers, en terwijl zij vol angst daar nederzaten, zijne rust vertrouwelijk zoeken op het Hart van zijnen goeden Meester! Mocht hij in een dergelijk oogenblik zich zulk eene gemeenzaamheid veroorloven, indien hij niet overtuigd was van de teedere genegenheid van Jezus voor hem? Het was Jezus zelf, die hem tot zich trok en hem zulk een vertrouwen inboezemde. Hij neemt hem in zijne armen, zegt Bossuet, trekt hem op zijne borst. Hij stelt hem in het bezit van de bron van al zijne gunsten, te weten van zijn eigen Hart, waarop Hij hem gebiedt te rusten, als op eene plaats, welke hem toebehoort. Kom, zegt Hij, kom mijn dierbare leerling, u heb ik vóór alle tijden gekozen, om de leeraar der liefde te zijn, kom drinken aan derzelver bron, kom en put daar de woorden vol zalving, welke mijne geloovigen zullen verteederen. Kom op dit hart, dat slechts liefde tot de menschen ademt, kom en gevoel van nabij het vuur mijner liefde.

Religieuze ziel, gij ook bezit het Hart van Jezus, gij bezit het H. Sacrament. Maak van dit aanbiddelijk Hart uw rustbed, te midden uwer vermoeienissen en beproevingen, werp daarin al uwe zorgen. Ga daar de eenig wenschelijke wetenschap putten.

-ocr page 148-

139

die, welke ons leert God te kennen en te beminnen. Tot dusverre, zegt de H. Hilarius, was Joannes slechts een onwetend visscher geweest, steeds met zijne netten onledig; doch na de geheimvolle rust op het Hart van Jezus, verheft hij zich boven den tijd, om den oorsprong aller zaken te gaan doorgronden, en dit verheven woord uit te spreken: In den beginne was het Woord. Het is in het Hart van Jezus, dat hij dit eeuwig en ongeschapen licht beschouwt; op het Hart van Jezus wordt hem deze bepaling van God veropenbaard: God is liefde. O mijne ziel! gaat gij dikwijls in de school van het Hart van Jezus, zijt gij getrouw in het ontvangen zijner lessen? Als Jezus ons hart bezoekt, wordt het helder verlicht, de ij delheid walgt en de liefde ontvlamt het.

2. Op Kalvarië ontvangt Joannes met den laat-sten snik, tevens de laatste gunst van Jezus. Op het punt zyne ziel in de handen zijns Vaders over te geven, beschikt die edelmoedige vriend over alles, wat Hij heeft. Hij geeft zijn bloed aan de menschen, zijn paradijs aan den goeden moordenaar, den schat zijner verdiensten aan zyne Kerk. Nog blijft Hem zijne heilige Moeder over, haar geeft Hij aan den leerling, dien Hy het meest beminde, terwijl Hij hem-zelven aan Maria vermaakt. Ecce Jilius tuus. Ecce mater tua. De macht van dit woord ontsteekt in deze twee harten in het eene meer kinder-, in het andere meer moederliefde, dan de natuur hun geven kan. Met welke gaven versierde het Joannes niet om hem waardiger te maken, de plaats van Jezus te vervullen in het Hart zijner goddelijke

-ocr page 149-

140

Moeder? En welk een overvloed van nieuwe genaden trok niet op hem de begeerte der heilige Moeder Gods, om in zijn persoon met alle mogelijke volmaaktheid Jezus-Christus te vormen? Indien al de leerlingen des Zaligmakers op Kalvarië vertegenwoordigd werden in den persoon van Joannes, indien er geen enkel christen op aarde is, die niet zeggen kan: Maria is mijne moeder, zoo staat de religieus, door den maagdelijken apostel voorgesteld, op den eersten rang in die heerlijke aanneming. Hij is door een geheel bijzonder recht Jezus\' vriend en gunsteling.

II Pukt. Hoe heeft Joannes zich voorbereid om de welbeminde leerling van Jezus te wordend Volgens het gevoelen der heilige leeraren, verdiende zijne zuiverheid en zijne getrouwheid hem deze gunst. Omdat hij maagd was, had hij het voorrecht op het Hart van Jezus te mogen rusten, en omdat hi; standvastig bleef in de liefde tot zijnen Meester, werd Maria hem tot moeder gegeven.

1. Van al de leerlingen was Joannes de eenige, welke den maagdelijken staat beleefde; het is daarom niet te verwonderen , dat hij inniger dan de overigen is doorgedrongen in de gemeenzaamheid van zijnen Meester: Hij, die de zuiverheid des harten bemint, zal den Koning tot vriend hebben (1). De teederheid van Jezus, Zoon, de leeraar en het voorbeeld der maagdelijkheid, was eenigermate verzekerd aan een apostel, die maagd blijvende, zich meer aan Hem gelijkvormig gemaakt had. Wie dus mocht rusten op den boezem van den Koning der engelen, dan

(1) ProT. 22, 11.

-ocr page 150-

141

hij, die door zijne onbevlekte zuiverheid deze gelukzalige geesten het dichtste nabij trad? En zoo iemand mocht toegelaten worden tot de vertrouwelijkheid met den driewerf heiligen God, en de kennis zijner geheimen, was dit dan niet de leerling, die zijn hart losgerukt hebbende van alle vleeschelijke genegenheid, reeds waardig was God te zien, in zoover men dit hierbeneden waardig zijn kan ? Zijne verhevene zuiverheid was dus zijn eerste titel op de voorliefde van den Zaligmaker. Zijne getrouwheid was de tweede.

2. Men deelt gaarne in het geluk van zijne vrienden, minder gaarne in hun ongeluk. Vele leerlingen volgen Jezus naar het avondmaal, zeer weinigen tot het kruis. Wij blijven met Hem, zoolang Hij ons draagt op de vleugelen der genade; doch als het uur des offers slaat, als men zich-zelven moet overwinnen , eene verveling trotseeren, van allen gevoe-ligen troost beroofd blijven, dan zinkt de moed, dan verloochent men zich-zelven, dan deinst men terug bij het zien van den kelk, en het was daar dat Jezus ons verwachtte, zijne gunst was voorbehouden aan onze getrouwheid. O hoe heerlijk werd die van den H. Joannes beloond. Al de overigen hebben hunnen Meester verlaten. Hij alleen vergezelde Hem tot den voet van het kruis en hij blijft daar met onoverwinbare standvastigheid. De stervende Jezus bezit een schat; wien zal Hij dien nalaten, zooniet aan den getrouwste. Wij weten hoe de H. Joannes tot de voorliefde van den Zoon Gods geraakt is en hoe wij er toe kunnen komen, maken wij ons besluit. O heilige zuiverheid, hemelsche kuischheid, moedige getrouwheid in de beproevingen,

-ocr page 151-

142

aan U wil ik mij hechten, daar gij alleen mij kunt bereiden om het Hart van Jezus te vereeren en Maria tot mijne Moeder te hebben. Naderen wij tot de H. Tafel om daar dat aanbiddelijk Hart te ontvangen, waarop de heilige Joannes, zulk eene zoete rust genoot. Geven wij ons daaraan met vertrouwen over, en bidden wij na de H. Communie onzen Heer ons aan Maria aan te bevelen, gelijk Hij dit Joannes deed, »Vrouw, ziedaar uw Zoon.quot; De H. Gertrudis zegt dat dit gebed Hem zoo aangenaam is, dat Hij het gaarne verhoort.

27ste OVERWEGING.

25 Januari.

BEKEERING ArAN DEN H. PAXLUS. BESCHOUWING.

I. De personen beschouwen.

II. De woorden aanhooren.

III. De handelingen overwegen.

1. Saulus was op het punt de stad Damascus binnen te treden om er de christenen te vervolgen, met dezelfde wreedheid, welke hij tegen hen had ten toon gespreid in Judea, toen hij plotseling door een schitterend licht omgeven werd. Hij. valt als van den bliksem getroffen, en hoort de stem des Heeren die hem vraagt: Saül, Saül! waarom vervolgt gij mij? Saülus vraagt den Heer, wie hij is, en de stem antwoordt: Ik ben Jezus, dien gij vervolgt. Saulus antwoordf bevende. »Heere! wat wilt Gij dat ik doen zal?quot; Bij het bevel hem gegeven staat hij op,

-ocr page 152-

143

en bij de hand geleid, want hij had het gebruik zijner oogen verloren, treedt hij de stad binnen, om van Ananias te vernemen, wat hij doen moet. Deze leerling geeft hem het gezicht weder, hij doopt hem, en Saulus is de vurige apostel van Jezus-Christus geworden.

2. Stellen wij ons op eenigen afstand van Damascus, eene vlakte voor, welke Saulus doortrekt, omringd door degenen, die hem in zijne bloedige plannen moeten terzijde staan.

3. Vragen wij aan God de kennis en het diepe gevoel der oneindige barmhartigheid, welke zoovele wonderen van bekeering heeft uitgewerkt en nog dagelijks uitwerkt.

I Punt. De \'personen beschouwen. In den hemel. J.-Chr., die een blik van mededoogen werpt, op zijn bloeddorstigen vervolger en zich voorstelt van hem een uitgelezen vat te maken, ten einde zijne Kerk te bevestigen en zijne uitverkoornen zalig te maken.

Op aarde, — te Damascus, de geloovigen in angst en vrees bij het vernemen, dat de grootste vijand van hun geloof weldra in de stad zal komen, met het plan hen te vervolgen en uit te roeien, — te Jeruzalem, de oppersten der priesters, die eene groote vreugde aan den dag leggen bij het aanbod hun gedaan en de volmacht hun gevraagd, door dengene dien zij als een geschikt werktuig beschouwen, tot het volvoeren hunner dweepzuchtige plannen. — Op weg — de mannen, die Saulus vergezellen en den haat schijnen te deelen, dien hij den christenen toedraagt. Maar beschouw vooral Saulus zelf, den aanlegger, het hoofd, de ziel der vervolging.

-ocr page 153-

144

Dring door tot den grond van zijn hevig karakter, zijn Pharizeësch hart, zijne hartstochtelijke gehechtheid aan de oude overleveringen; hij vertoornt zich als men in zijne tegenwoordigheid spreekt van den godsdienst van Jezus. Zyne oogen, zijn gelaat, geheel zgn uiterlijk is uitdagend, alles toont in hem een bloeddorstige, die na veel bloed gestort te hebben, baakt om nog meer te vergieten. Bemerk zgn zegevierend gelaat bij het ontwaren van de muren van Damascus, waar hij weldra zal zijn.... Doch daar ligt hij plotseling ter aarde, bleek en bestorven... Zie rondom hem die verbaasde mannen, zie hem eenige dagen later nederig het doopsel ontvangen , het Evangelie verkondigen, de Joden beschamende. Beschouw en bewonder de macht der genade en de goedheid des Zaligmakers. Vereenig u met de vreugde der geloovigen, toen zij de eerste maal in hun midden hem beschouwen als moedig verdediger, als vriend, als broeder, als apostel van Jezus-Christus, hem die geen enkele zijner leerlingen in Damascus wilde sparen. Verkondig met hen, dat de Heer goed en zijne barmhartigheid eeuwig is.

II Punt. De woorden aanhooren. Luisteren wij naar de woorden van de opperpriesters, welke Saulus gelukwenschen met zijnen ijver voor de wet, hem verzekeren dat zij hem zullen steunen in alles wat hij zal ondernemen, ter uitroeing eener secte, die hun afschuw inboezemt. De woorden van Saulus, die Lea bedankt en belooft weldra al de christenen, die hij zal kunnen ontdekken, geboeid naar Jeruzalem te brengen. Luister nog aandachtiger naar de woorden van Jezus-

-ocr page 154-

145

Christus: Saül! Saül! Hij noemt hem met zijnen naam, dien Hij tweemaal uitspreekt, Hg ondervraagt hem, om hem in zich-zelven te doen treden, en hem over de onwaardigheid van zijn gedrag te doen nadenken. Quid me persequeris ? Welke reden heb ik u gegeven om de wapenen tegen mg op te vatten. Want ik leef in hen, die gij vervolgt. Ik lijd wat gij hun doet lijden. Wat heb ik u gedaan ? Gij vraagt mij wie ik ben. Weet: ik ben Jezus, Jezus mensch-geworden om de menschen te redden. Ik ben die Verlosser, door de profeten aangekondigd, zoo verlangd door uwe voorvaderen; ach! hoe duur heeft uwe zaligheid mij gekost, zie mijne wouden en zeg of ik uwe beleediging of uwe liefde verdien. Ego .mm Jesus, quem tu persequeris. Welk een zacht en treffend woord. Ik hen Jezus, welk een zacht en treffend verwijt: Dien gij vervolgt. Het is een God, die den eersten stap tot verzoening doet en bij wien? Ego... tu. Welk eene vergelijking. Ego. Bewonder mijne toegevendheid. Tu. Bloos over uwe ondankbaarheid, uwe bedorvenheid. Intusschen wil ik uwe misdaden niet straffen, doch ik kom u de vergeving aanbieden.

Wat antwoordt Saulus? Domine... O Heer, te lang miskend, o Messias, o Verlosser, het is dan tegen U, dat ik zoo vele lasteringen heb uitgebraakt. Hoe! en gij vergeeft mij ? en aldus wreekt Gij U over uw onwaardigen vervolger! O mijn meester, o mijn God, ik wil U alleen dienen en beminnen. Wat wilt Gij dat ik doe, dat ik lijde, dat ik worde. Ik heb geeu wil meer dan den uwe. Domine, quid me vis facer e ? Dit woord is kort, zegt de H. Bernardus, doch hoe CH. III. 10

-ocr page 155-

146

volledig, levendig en krachtdadig is het? Het is volledig in nederigheid, in hoop, in liefde, het is levendig, want het is het begin van een geheel nieuw leven; het is krachtdadig, want het bewerkt de vol-komenste verandering. Door zich aldus zonder voorbehoud over te geven aan den goddelijken wil, wordt een groot zondaar spoedig een groot heilige en verzekert zich eene heerlijke toekomst.

III Pünt. De handelingen ovenvegen. Beperken wij ons tot die van Saül en van den Zoon Gods. Als verklaarde vijand van Jezus heeft hij Hem reeds vervolgd in zijn eersten martelaar, dien hij, zegt de H. Augustinus, steenigde door de handen van elk zij ner beulen. Hij legt de wapenen geen oogen-blik neder in den oorlog. Hem verklaard. Zijn persoon en zijne leer verguizen, lasteren, beschimpen, aller haat tegen Hem opwekken, zijne Kerk verwoesten, is bij dezen man geene voorbijgaande, toevallige zaak, maar een voortdurende toestand, ja, het is als zijn eerambt! Welk plan bracht hem naar Damascus ?

Doch wat doet de Verlosser? Hij kon dezen grooten zondaar bekeeren door eene inspraak, door eene prediking zijner apostelen, door de wonderen, waarmede zij Judea vervulden. Hij had een Mozes tot Pharaö, een Jonas tot de Niniviten gezonden. In eigen persoon komt Hij Saulus redden. Nogmaals daalt Hij van uit den hemel; Hij doet bijna zooveel voor hem, als Hij deed voor het geheele menschelijk geslacht! Het is waar, door hem zal Hij ontelbare scharen redden. Met welk een geduld heeft Hij zijne godslasteringen en aanvallen verdragen. Met welke

-ocr page 156-

147

goedheid richt Hij hem op, na hem ter aarde geworpen te hebben. Met welke zoetheid spreekt Hij hem toe. Het uitwendig licht, waarmede Hij hem omgeeft, is slechts het zinnebeeld van dat licht, waarmede Hij hem inwendig bestraalt. Welke goddelijke wetenschap deelt Hij hem in een oogenblik mede. Hoevele treffende en diepe geheimen ontdekt hem die aanbiddelijke naam, dien hij begrijpt zoodra hij hem hoort uitspreken. Hij zal niet meer aan Jezus vragen. Heer! wie zijt gij? Hij kent, hij bemint Hem. O hoe verlangt hij, door leven eu dood, Hem te doen kennen en beminnen!

Stort in eene gansch vertrouwelijke samenspraak uw hart, uit in het Hart van Jezus, zoo rijk in schatten van genade en barmhartigheid. Van alle gevoelens en huldeblijken, welke Hij van ons verwacht, is niets Hem aangenamer dan het vertrouwen. Put in die voor ü geopende schatten en bedank God met de Kerk voor eene bekeering, welke voor de geheele menschheid eene voortdurende, onmetelijke weldaad is, want voor eeuwig heeft deze wonderdadige gebeurtenis aan de wereld de onuitsprekelijke goedheid van het Hart van Jezus-Christus geopenbaard.

28ste OVERWEGING.

29 Januari. — De H. Franciscus van Sales. Magdalen a is niet beter bekend door hare tranen van berouw, Theresia door hare geestvervoeringen, Franciscus van Assisië door zijne liefde tot de armoede, dan Franciscus van Sales door zijne zachtmoedigheid.

-ocr page 157-

148

I. Hoedanig was de zachtmoedigheid van Fran-ciscus van Sales?

II. Welke waren derzelver vruchten?

I. Zachtmoedigheid van Franciscus van Sales. Men verwart deze deugd vaak met eene zekere gelijkheid van humeur of bedaardheid van karakter, welke vaak ontaardt in gevoelloosheid en zwakheid. Niets daarentegen is sterker dan de ware zachtmoedigheid. Zij is het gevolg van de kracht, gelijk de kracht voortkomt uit de liefde. Hadde zij in onzen heilige dezen grondslag niet gehad, zij zou hem nimmer zulke heldhaftige gevoelens hebben ingeboezemd. Onwrikbaar in zijne ondernemingen, zoodra hij wist dat God ze wilde, ouoverwinbaar in derzelver uitvoering, toonde hij, dat hij alles kon opofferen en alles kon lijden.

Alles opofferen, de natuur, de menschelijke redeneeringen. Reeds in zijne jeugd, overtuigd dat God hem roept tot den geestelijken stand, neemt hy het moedig besluit een heilig priester te worden. Hij dringt tot in het diepste van zijn hart, bestudeert al deszelfs genegenheden, en om de genade te stellen iu plaats van de natuur, vernietigt hij alles wat van den mensch en voor den mensch is, opdat in hem alles zij van God en voor God. De zachtmoedigheid zal dit wonder bewerken, doch hoevele hinderpalen heeft hij te overwinnen, om het te verkrijgen. Dat levendig karakter, zoo vol vuur, den glans zijner geboorte, al de uitwendige voorrechten, welke eerbewijzen lokken en den hoogmoed voeden. Me:i herinnere zich de aanvallen, die hij moest doorstaan, toen hij, om aan God te gehoorzamen den geestelijken

-ocr page 158-

149

staat moest omhelzen en zich toewijden aan de zending van Chablais. Klachten, kreten, tranen, alles werd in het werk gesteld om hem te verteederen, en alles te vergeefs. Hij luistert naar de stem van een teeder-beminden vader, die tracht zijn besluit te doen wankelen, doch nog meer luistert hij naar de stemme Gods, welke tot hem zegt gelijk eertijds tot Abraham ; »Verlaat uw huis en uw gezin.quot; Hij hoort de zuchten eener moeder, welke treurt en schreit, doch hij hoort ook de stem der Kerk, welke hem dringt even als vroeger de moeder der Machabeëti: »Mijn zoon, heb medelijden met mij, zie tot welken staat ik gebracht ben! Bedenk dat ik u in mijnen schoot gedragen heb.... bewijs aan uwe dwalende broeders, de zorgen, die ik voor u besteed heb.quot;

Nooit veroorloofde hij zich op staatkundig gebied eene toegevendheid, welke zijn geweten afkeurde. Hij kon die laffe welwillendheid niet dulden, welke slechts voorkomend kan wezen, doch niet nuttig durft zijn. Hij was te zeer de dienaar van Jezus-Christus, om te verlangen den menschen te behagen ten koste hunner heiligste belangen. Hendrik IV zegde van hem: »Ik vereer hem, omdat mijne gunsten hem nooit hebben bekoord, en ik bemin hem, omdat zijn raad mij nooit heeft gevleid.quot;

Wel verre van de fouten der zwakheid te hebben, werkte zijne zachtmoedigheid daarentegen veel mede tot zijne onverandelijke standvastigheid. Een man, die zich-zelven bezit, kan zoo noodig bij eene worsteling beschikken over al de kracht, welke hij van de natuur en de genade heeft ontvangen; zijne krachten zijn niet verspreid. En hoeveel geduld had

-ocr page 159-

150

Franciscus niet noodig, vooral by het begin zijner Missie in Chablais. Hoevele vergeefsche tochten, hoevele ongeslaagde ondernemingen. Nauwelijks heeft hij eene kerk opgebouwd of het muitzieke volk breekt ze af; hij heeft een beroemd predikant doen wankelen , hij heeft hem van zijne dwaling teruggebracht, hij ziet hem als ketter sterven... Hadde hij den moed verloren, na zoo vele vergeefsche moeite, wat ware er dan geworden van de ongelukkige landstreek, welke God besloten had door zijne zachtmoedigheid te redden?

Wat zal men zeggen van de vervolgingen, welke hij moest ondergaan. Men doet een aanslag op zijn leven, men randt zijne eer aan. Men doet hem doorgaan voor een schijnheilige, een verleider. De vreeselijkste laster drukt op hem gedurende drie jaren. Toen wel is waar, nam God zijne verdediging op zich, doch hoeveel geduld was hem in dien tusschen-tijd noodzakelijk! Te midden van deze wederwaardigheden van allerlei aard, blijft de heilige altijd kalm, altijd zich-zelven gelijk. Alles verdringt zich, alles wentelt rondom hem, terwijl niets in staat is de rust en den vrede zijner ziel te storen. Hij ontwapent zijne vervolgers door zijne liefde, vergeldt kwaad met goed, geeft eene weldaad in ruiling eener beschimping , liefde in plaats van haat, ziedaar zijne wraak. Is dit niet een wonder van zachtmoedigheid en kracht?

II Punt. Kostbare vruchten van de zachtmoedigheid van Franciscus van Sales, zoo voor hem-zelven als voor de Kerk

-ocr page 160-

151

1. Voor hem-zelven was dit eene verbeven heiligheid en overvloedige troost. Indien ik de liefde niet heb, zegt de H. Paulus, heb ik niets, ben ik niets; doch bezit ik die koningin aller deugden, dan vervul ik de wet, dan ben ik een heilige. Welnu wat is de zachtmoedigheid? vraagt Bossuet, zoo niet de bloem der liefde, welke na het inwendige vervuld te hebben, vervolgens op het uitwendig eene eenvoudige en onopgesmukte schoonheid werpt, in een voorkomen van hartelijkheid, die slechts eenvoudige genegenheid ademt? Het is de eerste deugd, welke wij in de school van Jezus moeten leeren. Zij maakt dat wij verdienen kinderen Gods genoemd te worden, omdat zij ons verheft tot zijn beeld en ons met Hem als eene gelijkenis van bloedverwantschap geeft.

De christelijke zachtmoedigheid is de verloochening van al de verlangens der begeerlijkheid, van alle driften, van geheel zich-zelven, omdat zij van dit alles het offer eischt. Zij is derhalve het graf aller ondeugden, de bakermat aller deugden. Zij geeft ons byzonder deze drie: het geduld, het medelijden, de inschikkelijkheid; het geduld om ons de fouten van onzequot;n naasten te doen verdragen, het medelijden om ons gevoelig te maken voor al zijne ellenden, de iuschikkelijkheid om die ter hulp te komen. (Bossuet), zij is nog eene overvloedige bron van genaden, omdat de zachtmoedige en kalme ziel in eene uitmuntende gesteldheid is om wel te bidden en omdat haar gebed, den Heer altijd aangenaam is. Mansuetorum semper tihi placuit deprecatio. Er is daarenboven geene deugd, welker beoefening meer noodig is, want zij eischt eene voortdurende waakzaamheid en

-ocr page 161-

152

versterving, om bijtijds elke tegenstrijdige beweging te bemerken en te onderdrukken. Hieruit vloeit een ryke schat van verdiensten en steeds vermeerderde rechten op de hemelsche belooningen voort.

De zachtmoedigheid is de liefde Gods tot het heldhaftige gebracht, de liefde, welke wordt aangevuurd doör ontvangen beleedigingen, door de vervolging, de verachting en de noodlottigste ongevallen. Onze heilige zegde: gt; men moet toestemmen, dat ons hoofd geplaatst zij tusschen de doornen der afgekeerdheid, dat ons hart doorboord worde door de lans dei-tegenspraak, men moet de gal smaken, den edik drinken, omdat God het wil en te midden van dat alles eene zachtmoedigheid behouden, welke van uit; het hart overga op het gelaat en in de woorden.quot;

Wat is dan eindelijk eene volmaakte zachtmoedigheid? Het is de natuur volmaaktelyk onderworpen aan de genade, het is het leven van het geloof, het leven van God in ons, eene volkomen heiligheid.

God wachtte de toekomstige eeuwen niet af, om de zachtmoedigheid van Franciscus te beloonen, door vertroostingen geëvenredigd aan de moeite en de inspanning, welke zij hem gekost had. Een hart gelijk het zijne, kende geene grootere vertroosting dan gelukkigen te maken. Hoe dichter zijne dierbare schapen bij de hel geweest waren, hoe meer hij zich verheugt hen langs den goeden weg ten hemel te zien wandelen. Hoemeer de beleedigingen Gode aangedaan hem bedroefd hadden, hoemeer de hulde, welke men zijner Majesteit bewijst, hem troost. Met welk eene levendige dankbaarheid bewondert hij den zegen, door God uitgestort over zijne werken

-ocr page 162-

153

en de wonderen van genade, welke Hij door zijne bediening verspreidt. Hoe vaak mengde hij zijne tranen met die der diep ontroerde en bekeerde zondaars. Wel een heerlyke dag was die, waarop de Zaligmaker, onder de Sacramenteele gedaante verborgen, de hoofdstad eener provincie, waaruit Hij zeventig jaren verbannen geweest was, zegevierend binnentrad!

2. Vruchten van zachtmoedigheid van Franciscus van Sales voor de geheele Kerk. Men schat het getal ketters, die hij in haren schoot terugbracht op 72,000 en men weet dat zijne veroveringen het gevolg waren zijner onwederstaanbare zachtmoedigheid. Iemand kan zich tegen u verbitteren, wanneer gij zijn gevoelen krenkt, doch hij kan u slechts dankbaar zijn voor het belang, dat gy stelt in zijn geluk. De zachtaardige Bisschop van Geneve deed de verdwaalde zielen gemakkelijk gelooven, dat hij ze beminde, dat hij haren ongelukkigen toestand betreurde. Aldus werd het hart getroffen en overwonnen.

Zijne geschriften hebben de Kerk verrijkt met nieuwe middelen ter heiliging, welke zij haren kinderen, bijzonder hun, welke het geestelijk leven omhelzen, aanbiedt. Welk eene degelijkheid, welk eene zalving in deze kostbare werken, waarin alles vrede, vertrouwen, hemelsche liefde ademt. De volmaaktheid wordt er gegrondvest op de liefde tot God en de liefde tot Jezus-Christus. Wat kan beter de harten trekken? Het was ook zijne liefde, welke hem aanzette tot het stichten der Visitatie, eene schuilplaats geopend voor zoovele maagden, welke in de wereld slechts zouden gebleven zijn door de\'

-ocr page 163-

154

onmogelijkheid van haar te verlaten, wijl de lichaamskracht te kort schoot bij de vurigheid harer ziel. Aldus zet deze groote heilige, door de bekoorlijkheid zijner zachtmoedigheid, nog altijd zijne apostolische zending voort. Hij verspreidt verlichting, troost en stichting.

Wilt gij dus uwe ziel versieren met eene deugd die iedereen beminnelijk vindt, doch waarvan slechts weinigen de uitmuntendheid kennen, dan zie welke uwer neigingen het meest met haar in strijd is, en in welke gelegenheid gij het meest er aan ontbreekt. Bestrijd moedig deze neiging, voorkom die gelegenheid, en vooral bid met vertrouwen.

O priester van God en van de menschen bemind, wij loven in u de zachtmoedigheid van onzen Emmanuel. Van hem geleerd hebbende zachtmoedig en ootmoedig van harte te zijn, hebt gij volgens zijne belofte de aarde bezeten. Niets heeft u wederstaan; de hardnekkigste ketters, de verhardste zondaars, de lauwste zielen, alles werd overwonnen door de bekoorlijkheid uwer woorden en voorbeelden.... Verwarm onze zielen door het vuur uwer liefde; ondersteun in haar de begeerte naar de volmaaktheid, geleid ons diep in dat inwendig leven, waartoe gij ons den weg gebakend hebt en verlevendig in onze harten de liefde tot den naaste, zonder welke wij niet mogen vertrouwen de goddelijke liefde te bezitten.

-ocr page 164-

AFDEELINGr II.

Overwegingen voor de Vasten en voor den PaascMijd.

39ste OV ER WEGING,

Zondag Septuagesima.

parabel der werklieden, die naae den wijngaard gezonden werden.

I. De religieus moet altijd met nieuwen ijver den wyngaard zijner ziel bebouwen.

II. Wanneer en hoe zal het werk beloond worden.

I Punt. Ik moet altijd met nieuwen ijver, den wijngaard mijner ziel bebouwen. God is die Vader des huisgezins, die \'s morgens uitgaat en werklieden gaat zoeken op de openbare plaatsen, te midden der verstrooing der genoegens, der beslommeringen der wereld. Waar wij ons ook bevinden dringt Hij ons door zijne genade, aan onze heiliging te arbeiden door al de vermogens, welke wij van Hem ontvingen, ter zijner eer te besteden. Indien ik mijn verstand gebruik om Hem te kennen, mijn geheugen om zijne weldaden te gedenken, mijn hart om Hem te beminnen, indien ik getrouw ben om mijne gebreken op te sporen, te bestrijden, mijne misslagen te beweenen; dan bebouw ik den wijngaard mijner ziel en doe haar vruchten van heiligheid voortbrengen.... Deze wijngaard behoort den Heer. In

-ocr page 165-

Ib6

vineam suam, Hij heeft dien geplant, Hij onderhoudt h.em, zijne bijkomende glorie is de vracht, die hij daarvan wil trekken, want zijne glorie hangt van ons niet af. In waarheid neemt Hij ons in dienst voor een werk, waarvan het voordeel ons geheel ten beste komt. Ons dagloon zal de rijke penning zgn van het hemelsch koninkrijk. Conventione.... facta cum operariis ex denario diurno. Deze dag is het leven; wij zijn dit geheel schuldig aan Hem, dien wij altijd moeten dienen. Wat is één dag werks tegenover eene eeuwigheid van rust. De meester zendt de werklieden op verschillende uren, om den verschillenden leeftijd te beteekenen, waarop de menschen zich aan God toewijden, door met de genade, die hen voorkomt mede te werken; de jeugd, de mannelijke leeftijd, de rijpere jaren, de ouderdom, het naderen des doods. O mijne ziel is er wel een wijngaard meer bemind door den vader des huisge-zins, dan gij? meer dan gij beschermd, meer dan gij met zorg omringd. Wat hebt gij voortgebracht ter zijner eer. Hoort gij niet hoe Hg zich beklaagt; wat heb ik voor mijnen wijngaard kunnen doen, dat ik niet gedaan heb? Had ik geen recht goede vruchten te verwachten en hij heeft slechts wrange voortgebracht. God heeft zich gewaardigd mij van af mijne kinderjaren te roepen. Wat heeft er aan mijne godsdienstige opvoeding ontbroken. Geheel den tijd van voorbereiding tot mijne heilige professie, was slechts eene uitnoodiging om mij te ontdoen van mijne gebreken, en mij te bekleeden met de deugden van Jezus-Christus etc., sedert ik aan Hem toebehoor, heeft Hij mij nog zoo vele malen aange-

-ocr page 166-

157

spoord mij nauwer aan Hem te hechten. Biedt zich in dit oogenblik dezelfde gedachte niet aan mijnen geest? Werkt zij niet op mijn hart? 0 mijne ziel, wat gaat gij doen ? Hoe laat is het voor u ? Is uw laatste uur wellicht niet nabij ?

II Punt. Wanneer en hoe wordt het loon der \'werklieden betaald? Het antwoord op deze vraag is het slot der parabel. De avond gekomen zijnde: de avond is het einde des levens, hoe spoedig breekt dit aan. Misschien nog slechts een uur en de goede werlieden zullen hun loon ontvangen. Wat zal dat loon zijn? waarnaar zal het afgemeten worden? Het zal gelijk zijn voor allen, in zooverre dat het zal zijn het genieten van God, het eeuwig bezit van zijn geluk, doch terzelfder tijd zal het geëvenredigd zijn aan de verdiensten. Het zal juist niet de langdurigheid van het werk zijn, dat het loon zal vermeerderen, daar zij, die ter elfder ure kwamen, even veel zullen ontvangen als zij, die den ganschen dag gearbeid hebben. Ik ontvang meer, indien ik of minder talrijke of in het oog minder aanzienlijke werken verricht, indien ik ze met meer vurigheid verricht. Dikwijls akten van innige en vurige liefde verwekken, ziedaar een middel ons een heerlijken schat van verdiensten te verzamelen.

Van daar dit besluit der parabel: »De laatsteu zullen eersten en de eersten laatsten zijn.quot; Welk een krachtige prikkel voor hen, die verloren tijd te herwinnen hebben. Een oogenblik van edelmoedigheid kan de vlekken uitwisschen en de verliezen eener ingekankerde lauwheid herstellen. Welk eene dringende beweegreden, om zich steeds te houden in

-ocr page 167-

158

nederigheid en niemand te verachten; deze nieuwe boetvaardige is wellicht vuriger dan ik; die groote zondaar kan zich bekeeren en een groot heilige worden, even zoo wel als ik kan vallen en een rampzalig verdoemde worden kan, want velen zijn geroepen, weinigen uitverkoren.quot; Velen zijn geroepen tot een staat van volmaaktheid, weinigen beantwoorden ernstig aan dien roep; velen zijn geroepen tot de boetvaardigheid, weinigen omhelzen haar ten minste met volharding, velen worden geroepen tot het gebed en het inwendig leven, doch weinigen geven zich de noodige moeite om dezen heiligen weg in te treden en er op te vorderen; velen zijn geroepen tot den hemel, doch weinigen treden hem binnen, omdat men verzuimt of weigert de middelen daartoe te gebruiken.

O mijn God, ik vind in mij-zelven voornemens, heilige begeerten, uitnoodigingen uwer genade, doch waar zijn de waarlijk goede werken, welke mijne voorbeschikking moeten verzekeren. Wees gezegend voor de barmhartigheid\', waarmede Gij U gewaardigt my nogmaals ter elfder ure te roepen. Nu ten minste wil ik geen oogenblik meer verliezen, doch door verdubbelde pogingen zal ik trachten, hen, die mij vooruitgesneld zijn, in te halen, door de vurigheid mijner meeningen den korten duur van mijnen arbeid trachtende te vergoeden.

-ocr page 168-

159

30ste OVERWEGING.

Zondag Sexagesima.

de goede gedachte is een zaad.

I. Hoe kostbaar dit zaad is.

II. Welke hinderpalen het beletten vruchten voort te brengen.

I Punt, De goede gedachte is een zaad, dat de Heer werpt in onze ziel. God spreekt tot den mensch op even zoovele wijzen als Hij middelen bezit zich te openbaren; de inspraak of goede gedachte is een der gewoonste. Hoe ontvangen wij dit goddelijk zaad ?

Al de plannen van Jezus-Christus in zijne Mensch-wording kunnen tot drie worden teruggebracht: heiligen hierbeneden, gelukzaligen hierboven vormen, de glorie van God bevorderen door de deugden der eersten en de gelukzaligheid der laatsten. Ter vervulling van een Hem zoo overwaardig plan, bedient Hij zich voornamelijk van de gedachte, het inwendig woord, dat de kiem bevat van al de goederen, welke zijne liefde voor ons in tijd en eeuwigheid beschikt.

Het voorname doel van den Zoon Gods en zijne Menschwording is het herstellen van de glorie zijns Vaders, en de begeerte om Hem ware aanbidders te vormen; om dit doel te bereiken, werpt Hij stralen licht in de zielen door haar met goede gedachten te vervullen. Hierdoor doet Hy ons God kennen, beminnen eu dienen, en vestigt aldus in ons het ryk Gods. Ik kan inderdaad noch God kennen, noch

-ocr page 169-

160

Hem beminnen, nocli Hem dienen, indien Hij zich niet aan myn verstand en aan mijn hart openbaart. Wil Hij dat ik zijne oneindige wijsheid verheerlijke, dan ontdekt Hij aan mijnen geest de geheimen zijner Voorzienigheid, de groote plannen, welke Hij met my heeft, de wonderlijke wegen, langs welke Hij mij geleidt. Wil Hij dat ik zijne rechtvaardigheid vreeze? Dan toont Hij mij de ongeregeldheid en boosaardigheid der zonde, Hij herinnert mij gelijk aan de Samaritaansche vrouw de misdrijven mijns levens, en bij dit gezicht erken ik en belijd ik dat ik slechts zijne wraak verdien.

Even zoo gaat het met de twee andere plannen zijner Menschwording; om heiligen op aarde en gelukzaligen in den hemel te maken, gebruikt Hg vooral de goede gedachten. Men kan van dat woord, dat zich doet hooren in het heiligdom der ziel, hetzelfde zeggen wat de H. Ambrosius van het woord Gods in het algemeen gezegd heeft: het verlicht, zuivert, ontvlamt. Het bekeert en zuivert de zondaars door hun den haat der zonde in te boezemen, het verlicht de rechtvaardigen en geleidt hen langs den weg der geboden en raden, het ontvlamt de volmaakten met de vlammen der liefde en vereenigt hen nauw met God. Ziedaar de heiliging des men-schen, geheel het geheim zijner voorbeschikking.

Van waar komt de volharding tot het einde, welke het werk der zaligheid voltooit, zoo niet van de genade, welke een goed leven bekroont door een goeden dood ? Doch van waar komt het goede leven, zoo niet uit de goede werken, gelijk de goede werken komen uit de goede begeerten, welke op hunne beurt

-ocr page 170-

161

i i weder de vrucM zij a van de goede gedachten? De goede gedachte is dus de eerste drijfveer van alle , verdiensten, de wortel van alle deugden, welke ons

l* maken tot vrienden van God, de grondslag van

t geheel onze heiligmaking. Gelooft gij wel, mijne

j ziel, dat zonder de goede gedachte er noch geloof

? onder de christenen, noch zuiverheid onder de maag

den , noch liefde onder de rechtvaardigen zijn zoude,

3 dat zij het is, die de woestijn met boetvaardigen,

, de kerkers met martelaren, de Kerk met heiligen,

s den hemel met uitverkoornen vervuld heeft? Indien

gij dit gelooft, hoe kunt gij haar dan met zooveel 3 koelheid ontvangen, als God haar u aanbiedt. Hoe

: vreest gij zoo weinig haar opgesloten te houden, ja

j zelfs te versmoren, te midden van zoovele ijdele en

, nuttelooze gedachten. Weet gij niet, dat van eene

, goede gedachte, volgens het gebruik of misbruik

1 dat gij er van maakt, voor u eene eeuwigheid van

, geluk of kwellingen af kan hangen? Al de licht-

s stralen des hemels, al de zalige indrukken, welke

t zij teweeg brengen, zullen mij nutteloos zijn, indien

i zij mijne toestemming en medewerking niet verkrij-

quot; gen. Te vergeefs doet de gunstigste wind de zeilen t zwellen, als het schip zgn anker niet licht en aan

ree blijft liggen. Te vergeefs spreekt Jezus u toe, arme Samaritaansche vrouw, zoo gij niet gehoorzaamt aan e zgn woord. Wil ik, dat de genade mij ten hemel

e voere, dan moet ik mij van de aarde losmaken,

li II Punt. Hoe wordt een zaad, dat zoo vruchtbaar

i, is in zich-zelf, onvruchtbaar in onze zielen? Hetzij

a het woord Gods weergalme in ons oor, of zich

t , slechts in de stilte van ons hart doet verstaan, het ch. iii. 11

-ocr page 171-

162

heeft geene mindere kracht ter onzer heiliging, dan het had toen het de wereld uit het niet te voorschijn riep; doch het vraagt in hen, die het aanhooren, gesteltenissen, welke men slechts zelden ontmoet.

Drie zaken, zegt de H. Thomas, zijn noodzakelijk voor hem, die het goddelijk zaad van Gods woord ontvangt. Hij moet dit behouden in zijn geest, het doen doordringen in zijn hart, hij moet zijn wil schikken om de beweging te volgen, welke het geven wil. Dit is hetgeen ons ontbreekt. Onze ziel is gelyk aan een breeden weg voor alle voorbijgangers open; de waarheid wordt daaruit verjaagd door ij delheid , en de goede gedachten door beuzelingen. Nauwelijks is het heilig zaad uitgestort of de duivel haalt het weg door de voortdurende verstrooiing waarin hg ons houdt, of wel onze arme ziel is gelijk aan een steenachtigen grond, de waarheid kan er geen wortel inschieten. Ondanks eenige voorbijgaande gevoelens van godsvrucht, welke slechts oppervlakkig zijn, blijft het hart ongevoelig en verhard voor de zaken van God; of wel het is een grond, uitgeput door de doornen, welke hij voortbrengt, de ondeugden verstikken de deugden, de aardsche beslommeringen doen het eenig noodzakelijke vergeten, eene bange zorg bant uit het hart de heilige bezorgdheid, welke Jezus ons aanbeveelt: Zoek voor alles het rijk Gods en zijne gerechtigheid.

O mijn Zaligmaker, geef mij een kalmen en ingetogen geest, die uw heilig woord bewaart; een gevoelig hart, dat het smake, eene volkomen onthechting van alle driften, die mg toelate het te volgen.

-ocr page 172-

163

31ste OVERWEGING.

Zondag Quinquagesima.

■wee u die thans lacht. zalig gij, die nu weent. (1)

I. Hoe betreurenswaardig de vreugde der wereld is gedurende deze dagen van ongeregeldheid.

II. Hoe verstandig de droefheid is der ware christenen en goede religieuzen.

I Punt. Wat zijn deze dagen voor de kinderen der wereld\'? Dagen van uitspatting, dwaze vreugd en opstand tegen den hemel. Wie herkent dan het aanschijn van het christendom? Men zou meenen dat al de krachten van den afgrond der hel zijn losgelaten, en dat alle vleesch, gelijk ten tijde van den zondvloed, zijn weg bedorven heeft. Het verstand schijnt met het geloof verdwenen. Welk eene bijna algemeene verblindheid! Wat ziet, wat hoort men alom? Jezus spreekt van de schande en het lijden, dat Hij te Jerusalem gaat verduren. Ecce ascendimus Jerosolymam. Hij zal daar worden overgeleverd aan de heidenen, bespot, gegeeseld, bespuwd, ter dood gebracht. Ziedaar wat de goede Meester zijnen leerlingen aankondigt; zullen zij Hem antwoorden door hunne zuchten en tranen? Neen zij zullen slechts dartele liederen, uitnoodigingen tot losbandigheid doen hooren. Genieten wij het tegenwoordige, kronen wij ons met rozen, alvorens zij verwelken. Weldra zal de welvoegelijkheid ons

(1) Luo. 6.

-ocr page 173-

164

dwingen onze feesten te staken, voorkomen wij die noodzakelijkheid door ons nu bandeloos door onze driften te laten medeslepen!

De liefde tot het vermaak verhit aller hoofden, ontvlamt aller verbeelding, zij zelfs, die op alle andere tijden christenen zijn, doen gelooven dat zij het niet meer zijn bij het naderen van den heiligsten tijd des jaars. O Jezus, is het aldus, dat men U getrouw blijft! Is het door U opnieuw in uw hart te kruisigen, dat men zich bereidt tot het vereeren van het geheim van uwen dood? Is het door onmatigheid, dat men zich bereidt tot de Vasten, door de uitgestortheid tot de ingetogenheid? Zag men ooit de bede om vergeving beginnen met bloediger beschimping ?

Ziedaar hoe men het leven en al de goederen, dis het bevat, misbruikt. Weet men niet meer, dat de christen heeft verzaakt aan den duivel en zgne werken? Dat hij zich geene andere uitspanning mag toelaten, dan die, welke zijner natuur noodzakelijk of nuttig zijn kan voor het groote werk zijner zaligheid ? Men zou meenen dat het niets zegt, eene ziel te redden, eene hel te vermijden te hebben.... Morgen, wellicht dezen nacht, gaat men voor Gods rechterstoel verschijnen, om er geoordeeld te worden? Welk vonnis zal geveld worden? Men geeft zich over aan eene even dwaze als misdadige vreugde; en men meent dit meer in dezen tgd te mogen doen, dan in elk anderen tijd, als hadde Jezus deze dagen uitgezonderd, toen Hij uitriep: Weó u die thans lacht.... Wee dan aan u, die u vleit met een ingebeeld geluk, terwijl de oneindige Wijsheid u

-ocr page 174-

165

ongelukkig noemt. Wee aan u, die thans lacht, in deze treurige dagen waarop de hel is losgebroken, waarop de misdrijven talrijker dan ooit den toorn des Heeren meer en meer ontsteken. Wee aan u die gemeene zaak maakt met de vijanden van Jezus, die deel neemt aan hunne feesten en door uwe voorbeelden, gewoonten huldigt, welke een schandvlek zijn voor uwen godsdienst. Wee aan u, die geen ander voorwendsel, weet om een zoo onchristelijk gebruik te rechtvaardigen, dan het gedrag der slechte christenen.

II Punt. Wat zijn deze dagen voor de vurige religieuzen? Dagen van ingetogenheid, boetvaardigheid en gebed, dagen van ijver voor de glorie van God en de zaligheid der zielen. Wij vinden hier ons voorbeeld in den persoon van dea jongen Tobias. Terwijl allen het gouden kalf, het werk van Jeroboam gingen aanbidden, vluchtte hij alleen die misdadige bijeenkomsten en begaf zich naar Jeruzalem om er den Heer te gaan aanbidden. Aldus doet in deze dagen van ergernis, elke ware vriend van Jezus. Hij treedt in de gevoelens van den H. Augustinus als hij uitroept: »Dat anderen drinken aan den vergiftigden beker der misdadige vermaken; Gij, mijn God zult altijd het deel zijn van mijnen beker.quot; Zoo dikwijls hij kan, trekt hij zich terug in het heiligdom, waar het H. Sacrament staat uitgesteld ten einde vlijtig het hof te maken aan den godde-lyken Koning, dien men alleen laat. Hoe kan men Jezus beminnen en niet levendig de beleedigingen gevoelen, welke men Hem aandoet, hoe kan men zijn evennaaste beminnen en niet bitter weenen over

-ocr page 175-

166

die ontelbare menigte zoogenaamde christenen, die hun doopsel vergetende, de heilige voorschriften des Evangelies vertreden en zich lachend in de hel gaan storten. Bid voor die uitzinnigen, verzoen den toorn Gods, dien zij uitdagen; hoe driester de zonde den kop opsteekt, hoe meer wij ons ten strijde moeten aanvuren; en terwijl de duivel zijne woede verdubbelt moeten wij onzen ijver verdubbelen. Kunnen wy den stroom niet terughouden, laat ons dan ten minste trachten deszelfs verwoesting te verminderen.

Hoe gelukkig zijt gij, wijze en trouwe dienaars van Jezus-Christus, die uw leven doorbrengt in een heilig en zalig berouw en tegelijk met uwe zonden die uwer broeders beweent en ze des te bitterder beweent, naar mate zij zich vrijer overgeven aan hunne dartele vermaken. Zalig gij die weent. Hoe gelukkig zijt gij, die bij voorkeur deze dagen kiest om u in eenzaamheid te begeven, uwe oefeningen van godsvrucht, uwe boetplegingen vermeerdert, a een genoegen maakt van zelfs onschuldige vermaken te derven. Gij, die u toelegt het Hart van Jezus te troosten, en door uwe hulde de beleedigingen wilt vergoeden, welke Hem worden aangedaan. Neen, gij kondt geen beteren tijd kiezen. Wat zult gij niet van zijne milddadigheid verkrijgen op deze dagen, waarop Hij bijna niemand vindt, waarover Hij die kan uitstorten?

Neem het besluit den tijd van bet veertig uren gebed door te brengen in eene groote ingetogenheid en eene heilige vereeniging met onzen Heer Jezus-Christus. Vereenig u met de godvruchtige zielen, die Hem dikwijls bezoeken; doe met haar en de

-ocr page 176-

167

engelen, die het altaar omringen, eene eerboete voor al de misdaden, die Hg ziet van af den troon, waarop zijne liefde Hem geplaatst heeft. Zeg Hem met een heilig priester: » Dal; de wereld hare onheilige vermaken volge, daar ik dit niet kan beletten. Ik voor mij, o Heer, zal mijne tranen mengen met de uwe, ach, mocht ik mijn bloed mengen met het uwe. Neen, o Heer, ik bengd aan uwe vijanden de dwaze genoegens niet, waarmede zij zich voeden, ik vind meer bekoorlijkheid bij U. Reeds voel ik mijn hart zwemmen in eene vreugde, die alle schepselen mij noch kunnen geven, noch ontnemen. Doch dit is niet hetgeen ik zoek, ik begeer alleen U, de oprechte gevoelens mijner ziel aan te bieden. Al de zaligheid, die ik hier op aarde begeer, is met U te weenea, met U te lijden, met U te sterven en eeuwig met U te leven.quot; Amen,

-ocr page 177-

168

32ste OVEKWEGING.

Maandag van Quinquagesima.

het lijden en dk dood van jezus-cheistus. — hij

die zb overweegt, vindt daaein het begin en dk volmaking der ware heiligheid.

I. De vrees, die ons van de zonde, het grootste kwaad, verwijdert.

11. De liefde, die ons met God, het opperste goed, vereenigt.

I Punt. Het lijden en de dood van Jezus boezemen ons op krachtvolle wijze de vrees in, die verwijdert van de zonde, door het denkbeeld, dat zij ons geven van de gestrengheid, waarmede God de zonde straft. Herinneren wij ons wie lijdt en wat Hij lijdt.

1. Indien ik mijn geloof raadpleeg omtrent de waarde van het slachtoffer, dan ontdek ik onder den vorm van den slaaf eene oneindige Majesteit. Jezus is de luister van het eeuwig licht, God de Vader heeft Hem erkend als zijn welbeminde Zoon, hemel en aarde, engelen en duivelen, de rotsen met zijn bloed geverfd, en de beulen, die Hem kruisigden, zijn de schitterende getuigen zijner godheid. Dan hoe, roept de H. Bernardus uit, is het geloofbaar, dat Hij, die bezwijkt onder het geweld zijner vijanden,

werkelijk de Almachtige is..... dat die gegeeselde,

bespuwde, gekruiste mensch de Meester is van het leven, de Opperheer van het heelal? Gij gelooft dit, o mijne ziel, en gij aanbidt Hem, dien men zoo onwaardig behandelt. Het is derhalve op een

-ocr page 178-

169

God, dat de slagen vallen van een God door de zonde beleedigd, en die boetvaardige God draagt slechts den schijn der zonde.

Wie weet de hevigheid van uwen toornt (1) Wel had de H. Paulus recht, toen hij ons uw kruis voorstelde als de groote openbaring uwer rechtvaardigheid (2). Wie zal gespaard blijven, zoo de Zoon Gods niet gespaard blijft? Zie ik ü sterven op Kalvarië, dan dunkt mij U te hooren zeggen, door de stem uwer wonden: »0 verblinde menschen, gij weet niet wien gij moet vreezen, ik zal het u leeren. Vrees Hem, die zijn vreeselijken arm, tot zelfs over my, heeft uitgestoken en slechts door mijn bloed verzoend wil worden, en deze vrees raad ik u allen aan, zelfs aan u, mijne getrouwe dienaren en vrienden.quot;

2. Wat lijdt Hij, dat goddelyk Lam, de onschuld en de heiligheid zelve ? Hooren wij, hoe Hij in het Evangelie, dat wij overwegen, zijne verguizingen en zijne pijniging voorzegt. Hij zal overgeleverd, bespot, gegeeseld, bespuwd, ter dood gebracht worden. Ziedaar het lijden in enkele woorden saamgevat. Hij zal overgeleverd worden. Hij wordt door een zyner leerlingen overgeleverd aan de macht zijner vijanden, door de Joden aan Pilatus, door Pilatus aan de beulen, door zijn Vader en door zich-zelven aan alle soorten van schande en lijden. Inwendig doodelijke droefheid, vreeselijke doodstrijd, verlatenheid van God en de menschen. Uitwendig lijdt Hij in zijne goederen, men verdeelt zijne kleederen; in zijne eer: welke beleediging, welke spot, het is geen

(1) Ps. 89,\'11. (2) Rom. 3, 25.

-ocr page 179-

170

mensch, tet is de schandvlek der ineuschen in zijn licliaam. Van de zool der yoeten tot den top van het hoofd is er niets gezonds in Hem (1). Wat is er geworden van Hem, die de schoonste was onder de kinderen der menschen ? Hij is slechts kwetsuur, kneuzing, ontstoken wond (2). Zijn hoofd is gekroond met doornen, zijn gelaat door slagen gekneusd door bespuwing overdekt, zijne oogen bedekt met bloed en tranen, zijne handen en voeten, met nagelen doorboord....

O Jezus, man van smarten, indien de gerechtigheid uws Vaders aldus in U misdaden straft, welke Gij niet bedreven hebt, wat verdient dan de schuldige? Wat zal er van U worden, zondige ziel, als voor den goddelijken rechterstoel uw rechter, die uw redder heeft willen zijn, uwe lauwe boetvaardigheid zal vergelijken met die, welke Hij voor ü op Kalvarië volbracht heeft. O heilig kruis, thans mijne hoop, wees dan toch niet het voorwerp mijner vrees. Dat zy, die uwe vijanden geweest zijn, beven ten dage der beproeving; ik wil door het getrouw benuttigen der genade, welke Gij mij nog aanbiedt in U mijne rust en mijn steun vinden.

II Punt. Het lijden en de dood van Jezus-Christus prediken ons nog krachtiger de liefde dan de vrees. De H. Bernardus nog geheel verzonken in de beschouwing van dit geheim riep in tranen uit: sWie heeft dat alles gedaan, o het is de liefde.quot; Het is ongetwijfeld de liefde van God tot de menschen, welke de drijfveer geweest is van dit zoo vreeselijk

(1) Is. 1, 6. (2) Ibid.

-ocr page 180-

171

en tevens zoo troostvol schouwspel. Wie heeft het uitgedacht? Wie heeft het uitgevoerd? Het is de liefde, die alles gedaan heeft wat ik zie gebeuren in Gethsemani, aan het hof van Herodes, in de gerechtszaal, op Kalvarië.

En welk doel heeft een zoo teederbeminnend God zich voorgesteld, zooniet van door ons bemind te wordeu en ons aldus te heiligen en zalig te maken? Waar toch is de mensch die, hadde hij ook een hart van staal, niet ontroerd wordt, indien hij zich slechts eenigszins in dit geheim verdiept ? Hoe zouden wij by de gedachte van een God, die den vloek op zich geladen heeft om ons van de vervloeking te verlossen, zich heeft veroordeeld tot alle smarten om ons te verlossen van de straf door onze misdaden verdiend, zich heeft overgeleverd aan den dood, om ons recht te geven op het eeuwig leven, niet uitroepen met den H. Paulus: De liefde van Jezus-Christus dringt ons. Hoe zouden wij ons niet vereenigen met den vloek, uitgesproken over hem, die ondankbaar genoeg zou zijn om aan de bekoorlijkheid eener zoo edelmoedige en treffende goedheid te weder-staan. Beminnen wij dan, zegt de H. Laurentius Justinianus, met geheel ons hart met geheel onze ziel. Hem die zich gewaardigd heeft, zooveel ter onzer liefde te lijden.

O kruis van mijn Zaligmaker, bloed van mijnen God, die my zoo welsprekend de kracht zijner liefde predikt, hoe levendig verwijt gij mij de flauwheid mijner liefde! Voltrek uwe overwinning, o mijn gekruiste Zaligmaker, maak U volkomen meester van een hart, dat ik steeds gereed voel U te ontsnappen

-ocr page 181-

170

mensch, het is de scliandvlek der meuschen in zijn lichaam. Van de zool der roeten tot den top van het hoofd is er niets gezonds in Hem (1). Wat is er geworden van Hem, die de schoonste was onder de kinderen der menschen? Hij is slechts kwetsuur, kneuzing, ontstoken wond (2). Zijn hoofd is gekroond met doornen, zijn gelaat door slagen gekneusd door bespuwing overdekt, zijne oogen bedekt met bloed en tranen , zijne handen en voeten, met nagelen doorboord....

O Jezus, man van smarten, indien de gerechtigheid uws Vaders aldus in ü misdaden straft, welke Gij niet bedreven hebt, wat verdient dan de schuldige? Wat zal er van ü worden, zondige ziel,, als voor den goddelijken rechterstoel uw rechter, die uw redder heeft willen zijn, uwe lauwe boetvaardigheid zal vergelijken met die, welke Hij voor U op Kalvarië volbracht heeft. O heilig kruis, thans mijne hoop, wees dan toch niet het voorwerp mijner vrees. Dat zij, die uwe vijanden geweest zijn, beven ten dage der beproeving; ik wil door het getrouw benuttigen der genade, welke Gij mij nog aanbiedt in U mijne rust en mijn steun vinden.

11 Punt. Het lijden en de dood van Jezus- Christus prediken ons nog krachtiger de liefde dan de vrees. De H. Bernardus nog geheel verzonken in de beschouwing van dit geheim riep in tranen uit: »Wie heeft dat alles gedaan, o het is de liefde.quot; Het is ongetwijfeld de liefde van God tot de menschen, welke de drijfveer geweest is van dit zoo vreeselijk

(1) Is. 1, 6. (2) Ibid.

-ocr page 182-

171

en tevens zoo troostvol schouwspel. Wie heeft het uitgedacht? Wie heeft het uitgevoerd? Het is de liefde, die alles gedaan heeft wat ik zie gebeuren in Gethsemani, aan het hof van Herodes, in de gerechtszaal, op Kalvarië.

En welk doel heeft een zoo teederbeminnend God zich voorgesteld, zooniet van door ons bemind te worden en ons aldus te heiligen en zalig te maken? Waar toch is de mensch die, hadde hij ook een hart van staal, niet ontroerd wordt, indien hij zich slechts eenigszins in dit geheim verdiept ? Hoe zouden wij bij de gedachte van een God, die den vloek op zich geladen heeft om ons van de vervloeking te verlossen, zich heeft veroordeeld tot alle smarten om ons te verlossen van de straf door onze misdaden verdiend, zich heeft overgeleverd aan den dood, om ons recht te geven op het eeuwig leven, niet uitroepen met den H. Paulus: De liefde van Jezus-Christus dringt ons. Hoe zouden wij ons niet vereenigen met den vloek, uitgesproken over hem, die ondankbaar genoeg zou zijn om aan de bekoorlijkheid eener zoo edelmoedige en treffende goedheid te weder-staan. Beminnen wij dan, zegt de H. Laurentius Justinianus, met geheel ons hart met geheel onze ziel. Hem die zich gewaardigd heeft, zooveel ter onzer liefde te lijden.

O kruis van mijn Zaligmaker, bloed van mijnen God, die mg zoo welsprekend de kracht zijner liefde predikt, hoe levendig verwijt gij mij de flauwheid mijner liefde! Voltrek uwe overwinning, o mijn gekruiste Zaligmaker, maak U volkomen meester van een hart, dat ik steeds gereed voel U te ontsnappen

-ocr page 183-

172

op hetzelfde oogenblik, dat het U eene eeuwige aan-gekleefdheid betuigt. Geef dat ik behoore tot bet getal dergenen, aan wie uw lijden die vrees, welke van de zonde als van het hoogste kwaad verwijdert, inboezemt, en de liefde, welke met ü, opperste Goed vereenist. Dat ik ü vreeze, U betninne, doch dat

o \' \'

uwe liefde nog sterker in mij zij dan de vrees. Ik wil U slechts uit liefde vreezen, ten einde ü altijd te beminnen. Aldus zal ik in de overweging van uw kruis alles vinden, wat nuttig en noodig is tot mijne heiliging.

33ste OVERWEGING.

Dinsdag van Quinquagesima,

DE BLINDE BIJ JERICHO OENEZEN. — BESCHOUWING

I. De personen beschouwen.

II. De woorden aanhooren.

III. De handelingen overwegen.

1. Jezus had zijn lijden voorzegd. Hij naderde Jericho, waar Hij moest doortrekken om te Jeruzalem te komen, toen een blinde, die aan den weg zat te bedelen, het gedruisch hoorende der voorbijtrekkende menigte, vroeg wat dit beteekende, en vernemende dat de Zaligmaker voorbij ging, uitriep: »Jezus, zoon van David, ontferm ü mijner.quot; Jezus deed dezen tot zich brengen en vraagde hem wat hij wilde. Heer! antwoordde hij, dat ik zien moge ?

-ocr page 184-

173

En Jezus zegde tot hem: Ga heen, uw geloof heelt u gezond gemaakt. En terstond zag hij en volgde Hem op den weg. (1)

2. 0 mijn God, wie kan heden het getal dei-geestelijke hlinden kennen? Helaas, ik behoor zelf hiertoe, genees mij door uwe oneindige barmhartigheid.

I Pont. De personen beschoiuven. Jezus, geheel bezig met de gedachte aan zijn naderend lijden, spreekt gaarne daarvan. Weldra gaat Hij dit ondergaan voor de zaligheid der menschen. Ach, waren zij toch beter gestemd, om voordeel te trekken uit zijn lijden, uit zijn dood! Zijn hart zoekt immer gelegenheid tot het bewijzen eener nieuwe weldaad. De apostelen, die niets begrepen hebben van het geheim des lijdens en slechts denken aan den voorrang, vormen eerzuchtige plannen, zelfs nadat Hij hun heeft doen kennen, door welke vernederingen Hij hunne eerzucht gaat boeten. Ach, hoe moeielijk begrijpen wij datgene, wat tegen onze vooroordeelen en onze hartstochten aandruischt. De talrijke menigte, die zich rond den Zaligmaker verdringt, gretig hakend naar gemoedsbewegingen, be-geerig om eeuig wonderwerk te zien. Een blinde, treurig gezeten aan den rand van den weg, hij heeft geen ander middel tot bestaan dan het openbaar medelijden. Welk een droevige toestand. Hij gevoelt ten minste zijne ellende en begeert er van verlost te worden. Ach, hoeveel meer zijn die arme zondaars te beklagen, die gedompeld in duisternissen ,

(1) Mare. 10. Luc, 18.

-ocr page 185-

174

waarin zij behagen vinden, bij de schepselen eene voldoening gaan bedelen, welke, hen verlagend, zelfs hun lijden nog vermeerdert. Hoeveel treuriger nog is de toestand der lauwe ziel tot wie de Heer deze woorden richt: »Dewijl gij zegt ik hen rijk en verrijkt geworden en heb aan niets gebrek, en niet weet dat gij een ellendige zijt en een erbarmelijke, en arm, en blind, en naakt...quot; (1) Zij is prm, zegt de H. Gregorius, omdat zij den rijkdom der deugd niet bezit, — blind, omdat zij hare armoede niet ziet.

11 en III Punt. De woorden aanhooren en de handelingen ovenvegen. By het gedruisch der naderende menigte ondervraagt de blinde de voorbijgangers en hoort, dat Jezus voorbij zal komen. Deze tijding doet in zijn hart eene straal van hoop doordringen. Hij heeft hooren spreken van Jezus, van zijne goedheid, van zijnteeder medelijden voor alle ongelukkigen. Hij weet dat Jezus andere blinden, ja zelfs een blindgeboorne heeft genezen. Hij zal zich wel wachten zulk eene goede gelegenheid onbenut voorbij te laten gaan. Zonder tijd te verliezen in overdenking, roept hij uit: Jezus, Zoon van David, ontferm U mijner! Men wil hem doen zwijgen, hij roept nog harder. Hoeveel wijsheid in deze vaardigheid. Jezus, die voorbijgaat, is de genade, die voorbijgaat, is eene gelegenheid tot redding, die voorbijgaat,.... zal zij ooit wederkeeren? O mijn God, wanneer zal ik tot U roepen met dat vuur, met dien aandrang, die vermeerderen door de moeielijkheden, die men tegen-stelt. Weet ik niet, dat U ook het aandringen van het gebed aangenaam is?

(1) Apoc. 3, 17.

-ocr page 186-

175

ne Jezus staat stil. Stans Jesus. Wondervol uitwerksel

Ifs der nederige smeekbede, door het vertrouwen gesteund,

og Zij houdt den Almachtige terug, ontwapent zijn arm,

ze opent ons zijn Hart. Indien er zich in eenige ge-

\'r- meente eene lauwe ziel bevindt, ach, dat zij ten

iet minste nu den kreet des gebeds tot het Hart van

m, Jezus doe opstijgen. Zij kent immers zijne macht,

de zijn verlangen om de ongelukkigen te helpen. Dat

iet zij luistere naar het gedruisch van het geloovig volk, dat Hem in zijn heiligdom gaat aanbidden, dat zij

n- vrage naar de reden van deze stichtende beweging

de en men zal haar antwoorden. Het is de Zaligmaker

en die voorbijgaat, het zijn uren van genade, het is

ng uw God, die u vergeving, vrede, eene eeuwige zalig-

m. heid aanbiedt,

sd- Jezus beveelt dat men den blinde tot Hem brenge

;n. »sta opquot; zegt men hem, »Hij roept uquot;. O aange-

ien name verrassing, o zoete hoop voor dezen ongelukkige!

en Hij treedt door de menigte, met een ontroerd gemoed.

;en Daar staat hij tegenover den allerhoogsten vertrooster,

!pt die zijne bede voorkomt. »Wat wilt gij, dat ik U

3r! doe?quot; O Zoon Gods, plaatst Gij aldus uwe onbegrensde

er. macht, plaatst Gij aldus uwe schatten ter beschikking

die van een armen blinde door iedereen verlaten? Ja

me ik ben gereed hem alles, wat hij zal vragen, toe te

zij staan. Wat gaat hij vragen, wat zoudt gij in zijne

tot plaats gevraagd hebben ? Waartoe zal alle goed hem

die dienen, zoolang hij van het gezicht beroofd is. Is

m- er voor een blinde wel een grooter geluk denkbaar

jen dan van te zien. Domine ut ordeam. Twijfel er niet aan, mijne ziel, dit gebed bevat alles. Het levendig geloof trekt alle genaden af, geeft alle

Ui

-ocr page 187-

176

verdiensten, brengt alle deugden voort. Ontneem aan den geest zijne dwaling en het hart zal weldra over zijne driften zegevieren. Wees ziende, spreekt Jezus, uw geloof heeft u gezond gemaakt. Op hetzelfde oogenblik is de blinde genezen, vol vreugde looft hij den Heer en volgt den Zoon Gods.

Om met uwe genaden overladen te worden is het derhalve genoeg tot Ü te naderen en met geloof te bidden. Zal ik dan nog langer kwijnen in mijne geestelijke behoeften, terwijl ik een zoo krachtig middel bezit om ervan verlost te worden. Heer weiger mij dit vertrouwen niet, dat heilig hardnekkig is in zijne nederigheid, het is de vrucht van het levend geloof, waaraan Gij verhooring belooft. Geef dat ik de waarheid, mijn niet, en uwe grootheid zie. O licht, dat het leven zijt, geef mij het begrip en ik zal leven. Doch hoevele dwalingen moeten er in deze dagen van duisternis verdreven, hoevele blinden genezen worden. Ik versta ü o Heer, Gij wilt dat ik deele in uw mededoogen, Gij vraagt mij voor hem een gebed, een goeden raad. Zie, zegt Gij mij. Respice, zie mijne leerlingen, die in zich een groot aantal mijne vanen verlaten, om zich onder de banier van Satan te scharen, zie de hel geopend en de engelen van vrede, die bittere tranen schreien Respice, zie die rampzaligen, die uwe broeders zijn, zij verheugen zich over hetgeen hun grootste ongeluk is. Waarheen gaan zij? Welke wroeging, welke straffen trekken zij over zich af! Indien gij ze kunt doen zien, zoudt gij dit dan niet doen? Wees voor hunne zaligheid getronw aan de inspraken mijner genade , ik zal uw ijver zegenen. Onderhoud u aldus

-ocr page 188-

177

met onzeu Heer, neem eenige bijzondere voornemens. Herliaal heden dikwijls zoo voor u als voor alle geestelijk verblinden: » Jezus, Zoon van David, ontferm U over onsquot;, of slechts dit kort en treffend schietgebed: »Mijn Jezus barmhartigheid.quot;

34ste OVERWEGING.

Asschewoensdag.

de goede religieus bij het intreden van de vasten.

I. Hij ontveinst zich de verplichtingen niet, welke

deze tijd hem oplegt.

II. Hij neemt het besluit dien tijd heilig door te

brengen.

I Pont. De ware religieus ontveinst zich de verplichtingen niet, welke de Vasten hem oplegt. Hg ziet die duidelijk aangetoond in het voorschrift der Kerk, ia het voorbeeld van Jezus-Christus, in de beoefening van alle religieuze gemeenten.

1. De uitdrukkelijke meening der Kerk bij het instellen van de veertigdaagsche vasten is geweest daarvan een tijd van geestelijke boete en versterving te maken, toegewijd aan de ingetogenheid, het gebed, de boetvaardigheid en de goede werken. Zij wil aldus de afzondering en den langen vastentijd van haren aanbiddelijken Bruidegom gedenken en ons bereiden tot Paschen, dat is tot den overscans

7 o o

van den dood tot het leven, of van een onvolmaakt tot een heiliger leven, gelijk Hij zelf zich door de oh. iii. 12

-ocr page 189-

178

afzondering en eens gestrenge onthouding heeft voorbereid, om de wereld door het prediken van zijn Evangelie te vernieuwen. Indien zij haar moederlijk gezag niet deed gelden door ons een tijd te bepalen, dien wij aan de boetvaardigheid moeten toewijden, hoevelen zouden het geheele jaar laten voorbijgaan, zonder ernstig te voldoen aan deze onvermijdelijke verplichting ? Gelukkig het kind, dat zich gewillig onderwerpt aan dit gebod zijner moeder ? Wee hem die het veracht! De Vasten, zegt zeker godvruchtig schrijver (1) is tegelijk een doopsel en een zondvloed. Een doopsel voor hen, die haar getrouw beoefenen, een zondvloed voor hen, die weigeren zich aan hare zalige gestrengheid te onderwerpen. Terwijl de zondaar, gelijk de raaf zich hecht aan vleesch en bloed, zendt de Zoon Gods aan zijne getrouwe dienaars zynen heiligen Geest, die hun, even als de duif, den olijftak aanbiedt en hun vrede verkondigt. De boetvaardigheid, welke dien vrede tusschen God en ons moet herstellen en bewaren, bestaat in het berouw des harten en de versterving des lichaams. Er bestaat geen volkomen christelijk leven, noch geldige boete, indien in beide het lichaam zich niet met de ziel vereenigt.

2. Dit is de groote les, welke de Zaligmaker ons geeft, alvorens den loop van zijn openbaar leven in te treden. Daar vertoont Hij zich weder aan ons, niet onder de gedaante van het aanminnig kind dat wij aanbaden in zijne kribbe, doch onder de gedaante van den zondaar, die siddert en zich ver-

(1) Nonet.

-ocr page 190-

179

!

nedert voor de goddelijke majesteit, bij welke Hij

a zich voor ons tot waarborg gesteld beeft. Hij richt

k zijne scbredeu naar een eenzamen berg, waar Hij P

i, veertig dagen doorbrengt zonder eenig voedsel te

i, nemen, zonder ander gezelschap dan de wilde dieren,

i, zonder andere rustplaats dan den blooten grond. Aldus

:e behandelt Hij, de onschuld zelve, zijn lichaam. Hij

g boet onze misdaden, als hadde Hij ze bedreven,

m Daar hij van de eene zijde in zijne Kerk het be-

ig oefenen van het vasten aan het gebed wil paren,

i- als een onweerstaanbaar wapen en een krachtig

w hulpmiddel, en Hij van de andere zijde onzen afkeer

ïh kent voor deze zalige wet, wat doet Hij? Hij grijpt

ijl zelf den bitteren kelk, ledigt hem tot den droesem,

;h en biedt hem ons aan.

ve Het vasten en het gebed ondersteunen elkander,

de Het gebed bezielt den geest van boetvaardigheid,

ft. door het inboezemen van een heilig vuur, dat ons

od helpt de gestrengheden en de boetpleging te verdragen ;

iet het is een geestelijk voedsel, dat de ontbering van

is. het lichamelijk voedsel verzoet. Het vasten bereidt

ch zijnerzijds de ziel tot het gebed, door haar te ont-

iet hechten aan de slavernij der zinnen. Het geeft haar vleugelen en doet haar hare vlucht ten hemel

[er nemen. Eindelijk geeft het vasten aan den geest

en deszelfs vrijheid en werkkracht terug, welke hem

ian bekwaam maken de zaken van God te begrijpen en

nd te smaken.

de 3. Doch wie zal meer ijver toonen in het na-

er- volgen van den Zaligmaker op dezen weg van boetvaardigheid , eenzaamheid en gebed, dan hij, die de openbare belijdenis aflegt, dat hij Hem wil volgen?

-ocr page 191-

180

Daarom zien wij dat de zielen, die zich toewijden aan een volmaakt leven, altijd den vastentijd hebben geheiligd door grootere ingetogenheid, menigvuldiger gebeden, langer waken, strengere onthouding. Gedurende die dagen van boetvaardigheid drongen de woestijnbewoners dieper in hunne eenzaamheid, verborgen zich in spelonken of ontoegangbare wouden, om bevrijd te zijn van alle verstrooiing van buiten, en geheel dood voor de wereld. Wat de religieuze gemeenten betreft, zoo is er geene enkele, welke den geest barer instelling bewaard heeft en zich in dezen tijd zoo mogelijk geene meer afgetrokken levenswijze en strengere boetpleging oplegt. Indien lichaamszwakte ons verplicht onze toevlucht tot verzachtingen te nemen, mogen wij niet vergeten, dat wij daarvan slechts moeten gebruik maken, in zoover wij het uitwendig vasten door het inwendig vergoeden, en ons vernederen over eene noodzakelijkheid, die ons van de gewone verplichting ontslaat.

II Punt. De goede religieus neemt het besluit dien tijd heilig door te hrengen. Het is een kostbare tijd, meer dan ieder andere, en by zon der gunstig voor de groote zaak onzer heiliging, onder het dubbel oogpunt van het kwaad, dat wij moeten herstellen en de geestelijke gaven, die wij moeten trachten te verkrijgen. Wat doet niet de Kerk, om God te vermurwen, en hare kinderen aan te sporen God te verzoenen, door de hervorming van hun gedrag? Zij verlengt hare diensten. Zij wil, dat hare bedienaars zonder zich te bepalen tot het talrijker nitdeelen van het brood des woords, zich nederwerpen en smeeken tusschen het altaar en het voorportaal en

-ocr page 192-

181

deze nederige smeekbede herhalen: Spaar, o Heer, spaar uw volk. Wat is beter geschikt om dezen zaligen indruk teweeg te brengen, dan de plechtigheid, waarmede zij dezen heiligen tijd begint: » Verhoor ons Heer,quot; roept zij bij het wijden der assche, Gij, wiens behagen het is wel te doen; volgens de menigvuldigheid moer erh arming en werp moe oog en op ons; en wanneer zij die vervolgens strooit op de hoofden der geloovigen: Gedenk, o rnensch, dat gij stof zijt en tot stof zult loederkeeren. Woorden van vloek, toen God ze den eersten zondaar toevoegde in het oogenblik, dat zijnen val volgde, woorden van genade iu den zin hun door de Kerk gegeven, wijl zij ons den weg ter zaligheid aanwijzen langs boetvaardigheid en nederigheid. De kerkzang van den vastentijd ademt slechts vertrouwen op de goddelijke barmhartigheid. »Dat de goddelooze zijn weg verlate, dat de ongerechte verzake aan de plannen zijner boosheid en wederkeere tot den Heer, en Hij zal medelijden met hem hebben ; want de Heer onze God is toegevend en barmhartig; en zijne goedheid overtreft onze boosheidquot; (1). Zoo Hij vertoornd is zal Hij zich laten vermurwen. Zou Hij kunnen vergeten medelijden te hebben met onze ellenden? Zal Hij in zijnen toorn, zijne barmhartigheid weerhouden? Welke treffende tegenstelling.

O O

De mensch kan vaak zijnen toorn — God kan zyne barmhartigheid niet weerhouden. Hij laat ze over-stroomen uit zijn Hart, vooral gedurende den alge-meenen vastentijd, waarin zoovele reine zielen zich

(1) Off. 1 Dom. Quad.

-ocr page 193-

182

kastijden om Hem te bevredigen. Voegen wij hierbij, dat bijzondere genaden ter zaligheid voorbehouden zijn aan de dagen, die ons aan onze verlossing herinneren. Bij het naderen van den tijd, waarop de kerk het lijden herdenkt, mag men niet twijfelen of de hemel stort in grooter overvloed over ons de verdiensten van dat kostbaar bloed, eens op Kalvarië vergoten, indien wij hiertoe geen hinderpaal stellen. (1) Leiden wij dan met Jezus in de woestijn, een afgetrokken en stilzwijgend leven. Niet in verstrooiing, noch in ijdele gesprekken komen de hetnelsche inspraken tot ons. Vereenigen wij onze zwakke boet-pleging met die van een boetvaardigen Godmensch. Maken wij ons vasten verdienstelijk door het gebed en zooveel het ons mogelijk is door de stoffelijke en geestelijke aalmoes. Evenzeer als de Kerk onder den naam van vasten alle werken van christelijke versterving brengt, zoo sluit zij in dien van gebed de verschillende oefeningen van godsvrucht, heilige lezingen, ontvangen der heilige sacramenten etc., en in dien van aalmoes alle werken van barmhartigheid jegens onzen naaste. O hoe vele gelegenheden om schatten te verzamelen voor de eeuwigheid, volgens de vermaning ons heden daartoe in het evangelie van dezen dag gegeven: Vergadert u schatten in den hemel.

(1) Nouet 4, p. 334.

-ocr page 194-

183

35ste OVERWEQING.

Eerste Zondag in de Vasten.

jezus in de woestijn bekoord.

I. Ik moet mij op bekoringen verwachten en er mij toe bereiden.

II. Ik mag mij niet willekeurig aan de bekoring blootstellen.

III. Indien ik ze getrouw bestrijd, moet ik er mij niet bevreesd over maken.

I Punt. Men moet zich op de bekoringen ver-wachten en er zich toe bereiden. Zij zijn onvermijdelijk. Jezus werd in de woestijn geleid om er bekoord te worden. Wij komen slechts in de wereld om door de bekoringen beproefd te worden, en God te verheerlijken door onze getrouwheid in ze te overwinnen. Het leven des menschen hier beneden is een strijd, zijne vijanden zijn talrijk, velen zijn uitwendig, de gevaarlijkste zijn die in hem zeiven liggen, slechte neigingen, ingeboren driften. Welk voordeel weet

o o 7 o

de duivel, die ons verderf gezworen heeft, hieruit niet te trekken. Zal hij, die ons goddelijk hoofd heeft durven bekoren, zijne lidmaten sparen. Hij bestudeert onze natuurlijke en zedelijke gesteltenissen om daarnaar zijne valstrikken te regelen. Als hij ziet, dat de Zaligmaker hevigen honger gevoelt, na een vasten van veertig dagen en veertig nachten valt hij Hem aan: Zoo gij de Zoon Gods zijt, zeg, dat deze steenen brood worden. De duivel vleit Hem, om

-ocr page 195-

184

Hem te bedriegen, behendig de betamelijklieid, de noodwendigbeid als voorwendsel gebruikende. Indien Hij de Zoon Gods is, beeft Hij bet recbt mirakelen te doen en in de uitputting, waarin Hij zicb bevindt, beeft Hij die noodig.

Ik moet mij dan verwachten bekoord te worden ten allen tijde, op alle plaatsen, op alle wijzen. Heb ik penigen voorspoed, verwerf ik acbting, dan komt de trotscbe Lucifer mij bekoren tot die zonde, welke bem-zelven in bet eeuwig verderf gestort beeft. Neem ik deel aan uitwendige zaken, zelfs uit eene goede beweegreden, dan word ik bekoord tot uitge-stortbeid, tot bet vergeten van God, tot liefde voor de wereld. Slijt ik mijn leven in afzondering? ook de eenzaamheid heeft hare duivelen....

Slechts zelden valt de vijand onzer zaligheid aan met open vizier en groot gedruisch; gewoonlijk bespiedt hij een onbewaakt oogenblik; hij kiest de gelegenheid, bereidt zijne voorzorgsmaatregelen, biedt geldige middelen aan, steeds overeenkomstig met onzen heerscbenden drift. Het zijn slechts gesprekken, plichten van welvoegelijkheid, die langzamerhand het vergif doen inzwelgen en de ziel dooden. Het is een zekere ijver, gepaard met een levendig, werkzaam, boovaardig temperament. De geest van duisternis trekt hieruit voordeel om ons den lust tot de eenzaamheid, de liefde voor het gebed te ontnemen. Hoe menigeen zou zicb voor bet eeuwig ongeluk bewaren, hadde bij steeds deze godspraak voor oogen: »Mijn zoon, als gij in den dienst van God treedt, sta dan vast in de gerechtigheid en in de vreeze

-ocr page 196-

185

ie en bereid uwe ziel tot de beproeving.quot; (1) De religieus-

;n is de dienaar Gods bij uitnemendheid. Aan hem

te vooral wordt deze raad gegeven. Niets is gevaar-

t, lijker in den krijg, dan de verrassing; slagen, die

Imen verwacht, zijn minder te vreezen.men verwacht, zijn minder te vreezen.

II Punt. Ik mag mij niet uit eigen ivil aan de

n. bekoringen blootstellen. De H. Geest, dien de Zalig-

in maker op zichtbare wijze bij zijn doopsel op de oevers

e, der Jordaan ontvangen had, geleidde Hem weldra

ft. naar de woestijn, om daar bekoord te worden. Wij

ie hebben dien zelfden geest ontvangen bij ons doopsel,

e- en nog in ruimer mate bij onze H. Professie; wij

ar ontvangen Hem in elk der heilige Sacramenten.

)k Indien Hij het is en niet onze eigen geest, indien het de liefde, eene goede meeuing, een ware ijver

m is, welke ons aan de bekoring blootstelt, zal God

e- met ons zijn in den strijd, doch zoo wij onvoor-

le zichtig een vijand tegemoet gaan, die tot ons komt,

dt zelfs als wij hem vluchten, indien wij ons in ge-

et vaarvolle gelegenheden werpen, verwachten wij dan

i, niet dat de goddelijke hulp ons daarheen zal volgen,

et als wij ons uit eigen beweging werpen in eene on-

is stuimige zee, vertrouwende dat de hemel om mijnen

k- ondergang te verhoeden, wind en golven zal bedaren

s- en ons de hand toesteken, dit is den Heer tergen,

le dit is verlangen, dat Hij onze vermetelheid aanmoe-

n- dige en onze aanmatiging beloone. Kan Hij dit doen?

\'k De HH. Petrus en Paulus leveren hiervan een

i: gedenkwaardig voorbeeld. Beiden gaan naar Jeru-

\' i zalem en stellen zich in gelijken toestand bloot,

ze __

(1) Eccli 2, 1.

i

-ocr page 197-

186

Beiden gaan om de belangen van den Zaligmaker tegenover zijne vijanden te verdedigen. Beiden moeten Hem öf in het openbaar belijden of Hem in bet openbaar verloochenen. Beiden schijnen even goed gestemd. Petrus heeft meermalen herhaald, dat niets hem zou doen wankelen, dat hij tot sterven bereid is. Paul us herhaalt hetzelfde. Intusschen wordt Petrus overwonnen en Paulus zegeviert. Van waar dit verschil. Petrus zocht de gelegenheid. Hij betrad het voorhof van Kaïphas. Waarom mengde hij zich tusschen die goddeloozen? Geheel anders is het met Paulus: hij verschijnt in de vergadering der priesters,

in het paleis van den prsetor,..... doch het is de

heilige Geest, welke hem daarheen geleidt, hij doet niets uit eigen beweging. Alligatus ego spiritu vado in Jerusalem (1). Hadde Petrus zich gehouden aan den raad van voorzichtigheid, hem door zijn Meester gegeven, dan hadde de genade hem voor den val bewaard, en hadde Paulus zich eigendunkelijk blootgesteld, zou hij waarschijnlijk niet zegevierend uit den strijd gekomen zijn.

Ill Punt. Indien ik slechts getrouw blijf in het bestrijden der bekoringen, heb ik niets te vreezen. 1° Ik moet die terstond bestrijden met de wapenen ons door den Zaligmaker aangewezen, onmiddellijk de inblazing van den bekoorder verstooten, zonder te aarzelen, zonder met hem te onderhandelen; tegenover de hardnekkigheid van den aanval, een kloekmoedigen wederstand stellen. Wantrouwen wij den duivel, zelfs nadat wij hem overwonnen hebben.

(1) Act. 20 , 22.

-ocr page 198-

187

er hij verwijdert zich slechts voor korten tijd en zal, )n wellicht nog met meer hevigheid dan te voren, den et aanval hernieuwen. Wantrouwen wij onze driften, id zelfs dan als zij sluimeren. Het is in den vredestijd ts dat onze vijanden samenzweeren, doch daar elke \'d overwinning ons sterker heeft gemaakt, waarom it zouden wij dan bezwijken, als de zegepraal ons ir gemakkelijker wordt.

\'d Jezus-Christus heeft ons twee onoverwinbare wa-

h penen in de hand gesteld, die wij slechts wel te \'t gebruiken hebben, de waakzaamheid en het gebed. 31 1° De waakzaamheid houdt het oog onzer ziel steeds geopend, om het gevaar te ontdekken, van welke 3t zijde dit ook komen moge, hetzij van binnen, hetzij ?0 van buiten, ook om den bekoorder te erkennen, n want de bekoorder is niet altijd de duivel, het is 3r dikwijls datgene wat men bemint, wat men vreest, ^ somtijds zelfs wat men eerbiedigt. De waakzaamheid houdt ons in die ingetogenheid, welke ons in het ^ geloof onze kracht doet vinden. Het staat geschreven in dat boek, waarin alles waarheid is: Scriptum est. Het is steeds door dit woord dat Jezus den duivel l- verdrijft. O! welk een licht komt in het verstand, 11 welke kracht in den wil, bij deze groote eu machtige ^ herinnering. Scriptum est. Er staat geschreven: De !r waakzaamheid ontdekt ons het gevaar, zet ons aan \' tot den strijd; het gebed verkrijgt de kracht om er 11 over te zegevieren. »Roept hij mij aan. Ik zal hem ü verhooren; in den nood ben Ik bij hem; Ik zal hem l) er uitredden en hem verheerlijken.quot; (1)

(1) Ps. 90, 15.

-ocr page 199-

188

Aldus dicht bij God blijvende door het gebed,

dicht bij ODS-zelven door de waakzaamheid, wat hebben wij te vreezen ? Ondanks zich-zelven, werkt onze vijand meer voor, dan tegen ons; hij verschaft ons gelegenheid om hem te overwinnen en vermeerdert onze verdiensten en onze rechten op de hemelsche kroon, door het vermeerderen van onzen strijd. De bekoringen bewijzen den dienaren Gods grooten dienst. Zij verlichten ons omtrent onze nietswaardigheid en doen ons onze zwakheid gevoelen. Zij vernederen ons, zij onthechten ons van dit leven, dat gelijk eene zee vol klippen is. Zij doen ons God vereeren hel door ons zijne hulp te doen inroepen: Roep mij aan He op den dag der kwelling, ik zal u verlossen en uw vei vertrouwen zal mijne glorie bevorderen. Zij zuiveren, lijd versterken, volmaken de deugden en wel verre van boi een bewijs te zijn, dat de Heer ons verwerpt, zijn lin zij dikwijls het onderpand der bijzondere liefde, welke wa Hij voor ons koestert. Ga tot de H. Tafel om u Wi te voeden met het brood der sterken. Eene ziel dei moet bezwijken, zoo zij zich door het ontvangen is der H. Eucharistie niet ondersteunt en bezielt. (1) is£ De duivel siddert als hij onze lippen gepurperd ziet sci door het goddelijk bloed. (2)

sta no( Zo( ver Ap

UUl

licl

(1) St. Cypr. (2) S. Joa. Chrys.

-ocr page 200-

189

36ste OVERWEOING.

Tweede Zondag in de Vasten.

jezus op thaboe. de geuaantevekandeiiing en heï lijden.

I. Verband tusschen deze beide geheimen. II. Hoevele christenen eu religieuzen dit zoeken

te verbreken.

I Pünï. De geheimen van Thabor en Golgotha, ren , hehhen innige en diepe betrekkingen met elkander. aan Het is te midden van den luister zijner gedaante-uw verandering, dat de Zaligmaker spreekt over zijn ren, lijden en dood, met twee heiligen van het oude vervan bond en in tegenwoordigheid van drie zijner leer-zijn lingen, welke het nieuwe testament voorstellen. Wat ilke was er gemeens tusschen Thabor en Golgotha? a u Waarom twee zoo tegenstrijdige toestanden bena-ziel deren en vereeuigen? In het eerste dezer geheimen gen is alles glorie en luister voor Jezus; in het tweede (1) is alles schande en lijden. Op Thabor is zijn gelaat ziet schitterend gelijk de zon, het licht, dat Hem omstraalt vormt Hem het heerlijkst kleed; op Golgotha staat Hij naakt, misvormd, met bloed bedekt. Daar noemt de Eeuwige Vader Hem zijn welbeminden Zoon; hier beklaagt zich de Zoon door zijnen Vader verlaten en miskend te worden. Heden willen de Apostelen hunne tenten bij Hem opslaan, in het uur zijns lijdens verlaten zij Hem allen....

Nochtans zijn beide geheimen innig verbonden en lichten elkander toe. Het eene toont ons de voor

ied, wat irkt baft iert iche De nst. . en iren

\'Hjk

-ocr page 201-

190

ons testemde kroon; het andere leert tot welken prijs wij die zullen verkrijgen. Hunne vereeniging leert ons, dat hier op aarde zoetheid en bitterheid, luister en schande nooit voor lang gescheiden zijn; ziedaar wat onze vreugde moet matigen hij voorspoed, ons moet troosten in onze beproeving, en ons moet bezielen door de hoop.

Er ligt vooral in de vereeniging dezer beide geheimen eene wonderlijke kracht, om onze harten te ontsteken door de goddelijke liefde. Zonder de gedaanteverandering, zou het lijden ons minder treffen. Na de grootheid van den Zoon Gods overwogen te hebben, waardeeren wij beter de liefde, welke Hem tot den laagsten trap van vernedering deed afdalen. Hadde Hij ons zijne glorie niet doen kennen , dan hadden wij nooit het offer naar waarde geschat, dat Hij ons daarvan bracht, niet slechts gedurende eenige uren of dagen, doch voor geheel den loop zijns levens! In den hof van Olijven onderbrak Hij het uitwerksel van het aanschouwen van Gods aanschijn, opdat zijne ziel döor een last van droefheid zou overstelpt worden; gedurende zijn geheele leven weerhield Hij het uitwerksel der vereeniging met zijne goddelijke natuur, opdat zijne heilige menschheid aan vernedering en droefheid mocht onderworpen zijn.

Jezus wil tot getuigen zijne gedaanteverandering hen toelaten, die Hij het ruimste deel voorbeschikt aan zijne verguizing in deze wereld, aan zijne glorie in de andere; dit zijn zijne bedienaars, doch allen deelen eenigermate in deze gunst. Drie soorten van

CT O

gelukzaligen hebben in den hemel een bijzonderen rang, een straalkrans, die hen van anderen onder-

-ocr page 202-

191

I

ten scheidt. Zij, die den geest der leugentaal overwonnen ing hebben door de waarheid te vestigen en te verdedigen, id, belijders; zij, die gezegevierd hebben over jn; de wereld en hare verleiding, gelijk de martelaren, or- zij, die gezegevierd hebben over het vleesch en desons zelfs verlokking, gelijk de maagden. De eersten worden op Thabor voorgesteld door Petrus, den belijder by ge- uitnemendheid, belast voor altijd zijne broeders in . te het geloof te bevestigen; de tweeden door Jacobus, ge- den eerste der Apostelen die met zijn bloed de fen. waarheid van het evangelie bekrachtigde; de derden te door Joannes, die altijd maagd bleef. Wij deelen lem in deze driedubbele glorie door onzen ijver om te len. onderwyzen, ons geduld om te lijden, onze liefde dan tot de zuiverheid. Vergelijken wij dus dikwijls in dat onzen geest de gedaanteverandering met het lijden, lige Thabor met Golgotha.

ijns - II Punt. Iloevcle christenen en religieuzen, zoeken het deze heide geheimen van elkander te scheiden! Dit lijn, zijn al diegenen, welke zich laten verleiden door de zou begoocheling eener gemakkelijke godsvrucht, bonum eer- est nos hie este. Men wil gelijk Petrus met Jezus-ijne Christus zijn, mits dit zij in eer en genoegen. Welk aan eene hersenschim! Jezus verblijft slechts een oogen-jn. blik op Thabor en daar nog houdt Hij zich bezig •ing met zijn lijden; zijn geheele leven behoort aan het liikt kruis en moet slechts een lange marteldood wezen, orie Hoe ziet men dan niet, dat de gemakkelijke gods-llen vrucht in tegenspraak is, zelfs met de ware godsvan vrucht, met de godsvrucht volgens Jezus-Christus, eren : volgens zijne voorbeelden. Zijne leer, zijn voorbeeld der- toont ons de godsvrucht als eene voortdurende offe-

-ocr page 203-

192

rande, waarbij men zelf het slachtoffer is. Zijne leer doet haar bestaan in drie zaken, zich verloochenen, zyn kruis dragen, Hem volgen. Deze drie woorden vormen het kort begrip der zedeleer, welke Hij den menschen is komen onderwijzen. Godvruchtig leven is sterven aan mijne zinnen, mijne voldoening, aan mij zeiven. Is het mogelijk, dat ik sterve aan alles en aan mij-zei ven , zonder dat mij dit koste?

Nochtans is niets zoo algemeen in de religieuze

O O

wereld, als de veronderstelling van de godsvrucht te kunnen vereenigen met het zoeken van zijn gemak. Velen verlangen naar het rijk van Jezus, weinigen willen zijn kruis dragen, velen begeeren zijnen troost, weinigen beminnen zijn lijden. Hij vindt vele medegezellen aan zijne tafel, weinigen, die met Hem willen vasten. Allen willen deelen in zijne vreugde, weinigen willen iets voor Hem lijden. Velen volgen Hem tot bet breken des broods, weinigen tot het drinken van den kelk van zyn lijden. Velen bewonderen zijne mirakelen, weinigen volgen de schande van het kruis (1).

Jezus-Ohristus deed wonderen om te lijden; hoe-velen zijner gewaande leerlingen zouden, ware het hun mogelijk, wonderen doen, om alles wat hunne weekelijkheid hindert of hun hoogmoed kwetst, van zich te verwijderen. Hoe kunnen zij zonder sidderen deze godspraak van den H. Paulus lezen. Zoo iemand den geest van Christus niet heeft, die is niet zijns. (2) Betreed dan eindelijk moedig den koninklijken weg des kruises en bewandel getrouw die loopbaan,

(1) Navolging, Boek II, Hoofdstuk XI. (2) Rom. 8, 9.

-ocr page 204-

193

waarop de heiligen u zijn voorgegaan. »Waarom vreest gij het kruis te dragen, waardoor men komt tot het koninkrijk des hemels.quot; »In het kruis is zaligheid, in het kruis is leven, in het kruis is de bescherming tegen onze vijanden te vinden. Van

het kruis druipt de hemelsche zoetheid..... In het

kruis ligt de volmaaktheid der heiligheid. Neem dan uw kruis op en volg Jezus, en gij zult het eeuwige leven ogaan.quot; (1)

37ste OVERWEGINa.

Derde Zondag van de Vasten.

GODDELIJKHErD van HET woord GODS.

I. Het is goddelijk in deszelfs beginsel. II. Het is goddelijk in deszelfs doel.

III. Het is goddelijk in deszelfs kracht en uitwerking.

I Punt. Het woord Gods is goddelijk in deszelfs beginsel. Het komt van God; van Hem ontvangen het degenen, die het verkondigen. Het is in zijnen naam en door zijn bevel, dat zij het verkondigen. Het is God zelf, die het door zijne bedienaren verkondigt.

1. De H. Paulus aan de eerste christenen schrij-; vende, tracht hen te doen opklimmen tot den aan-biddelijken oorsprong der waarheden, die hij hun

(1) Nav. B. II, H, 12.

CH. III. 13

-ocr page 205-

194

leerde. Het is niet mijn evangelie, dat ik u predik, zegt hij, het is het evangelie van God (1). Elke katholieke geloofsverkondiger mag dezelfde taal voeren. Wat hij verkondigt is noch het uitvindsel van zijn verstand, noch dat van eenig verheven genie, wiens gedachten hij volgt; het is de leer van God, Hij openbaart de verborgen waarheden, welke de Heer zich gewaardigde den menschen te openbaren, eerst door de profeten, vervolgens door zijn eigen Zoon, en die Hij vervolgens aan de H. Kerk beeft toevertrouwd. Geput in het brandpunt zelfs van het ongeschapen licht, door de apostelen en hunne opvolgers tot ons overgebracht met eene getrouwheid, welke het menschgeworden Woord tot waarborg heeft, dat volgens zyne belofte met zijne Kerk zal zijn. tot de voltrekking der eeuwen, zijn deze waarheden dezelfde, die men dagelijks in onze tempels verkondigt.

2. Het wordt verkondigd in den naam en op bevel van God. Jezus zendt zijne bedienaars gelijk de Vader Hem gezonden heeft. Het is geene uit-noodiging, doch een uitdrukkelijk bevel, wat Hij hun geeft. Het is hun evenzeer geboden te spreken, als aan ons van naar hen te luisteren. God wil dat zij leeren, vermanen, aandringen, dat zij eenen heiligen dwang gebruiken tot zaligheid onzer zielen; hunne eigene zaligheid is hieraan verbonden. »Indien gij den zondaar, zoo spreekt ongeveer de profeet Ezschiel, de vreeselijke straffen niet doet kennen, welke zijner onboetvaardigheid zyn voorbehouden, indien gij hem laut sluimeren op den rand van den afgroud, zal

(1) Evangelium Dei evangelizari vobis. (II Cor. 11, 7.)

-ocr page 206-

195

hij verloren gaan, doch zijn ondergang zal den uwe met zich brengen, uwe ziel zal voor zijne ziel verantwoorden.quot; Dit deed den H. Paulus sidderen: Wee mij, riep hij uit, indiev ik het Evangelie niet verkondig! Beklagen wij degenen, op wie zulk eene zware verantwoordelijkheid rust; zijn wij gevoelig voor de toewijding, welke de liefde hun ingeeft; maar wachten wij ons wel hen te veroordeelen, voor den dringenden plicht, dien zij vervullen..... Luisteren wij godsdienstig naar hunne woorden, of beter, luisteren wij naar God, die ons door hunnen mond toespreekt.

3. Ik heb mijn woord op uwe lippen gesteld, zegt de Heer tot de verkondigers van zijn woord, wie u hoort, hoort mij, wie u versmaadt, versmaadt mij... Het is altijd Jezus-Christus, die het veld zijner Kerk bezaait. Wat Hij zelf gedurende drie jaren deed, zet Hij voort door degenen, die zijne plaats vervangen. Hij alleen predikt, zeggen de heilige leeraars, gelijk Hjj alleen doopt, de zonden vergeeft, zijn heilig Lichaam consacreert... De glorie van den priester ligt hierin, dat hij Gods werktuig is, en het is zijn plicht, zich die groote glorie waardig te maken. Welken indruk moet deze zoo ware en eeuvoudise gedachte op ons maken! Aan den voet des kansels hoor ik God. Hij zelf gewaardigt zich mij te onderwijzen en te vermanen.

11 Punt. Het heilig luoord is goddelijk in deszelfs doel. Daar het van God komt, is deszelfs eenig doel ons tot God te geleiden, ons met Hem te vereenigen door het geloof, de hoop, de liefde. De werking Gods over ons in dit leven strekt slechts om ons tot

-ocr page 207-

196

Hem terug te brengen, indien wij het ongeluk gehad hebben ons door de zonde van Hem te verwijderen, onze vereeniging met Hem steeds uauwer te maken, indien wij Hem beminnen; tot dit einde gebruikt Hij zijn woord, dat Hij ons door zijne afgezanten doet vernemen; want, zegt de H. Schrift, God heeft voor den mensch bewonderenswaardige zorg; Hij handelt met Hem, als het ware op gelijken voet, en schikt zich naar zijne gesteltenissen. Wat ziet hij op aarde. Vaste vrienden, twijfelachtige, wankelende vrienden en verklaarde vijanden; met andere woorden, rechtvaardigen, lauwhartigen en zondaars.

Het woord Gods doet zich voor allen hooren, want allen hebben het noodig, de rechtvaardigen om vooruit te gaan in rechtvaardigheid en niet af te wijken. Om vooruit te gaan: want de mensch groeit :.n het Christelijk leven en komt tot de volheid der jaren door hetzelfde middel, dat hem tot dit leven deed geboren worden. Het goddelijk woord is eene melk voor de kinderen, een vast voedsel voor de volwassenen. Om niet af te nemen: Het hart van den religieus is vol goede begeerten, zijne handen houden zich met goede werken onledig: dit zijn bloemen, die de blikken des hemels verheugen, het zijn zelfs uitmuntende vruchten, doch die weldra zouden verwelken en bederven, indien bet woord Gods door den H. Geest vergeleken bij een weldadigen dauw, ze gedurende langen tijd niet bevochtigde.

Nog noodzakelijker is dit woord voor de lauwen en de zondaars. Den eersten geeft het treffende vermaningen, dreigende berispingen: Het schudt die sluimerende zielen uit hunnen doodslaap wakker,

-ocr page 208-

197

voorkomt eene geheele afscheiding van God en herstelt ze in de vurigheid zijner liefde , doch wie verwondert zich niet, als hij een God zijne afgezanten ziet zenden tot zijne verklaarde vijanden? Want wie is hier de heleediger, wie de beleedigde? Heeft de Almachtige iets te vreezen van die aardwormen, die zich vermeten tegen Hem op te staan ? Eu nochtans stelt Hij zich niet tevreden met hen af te wachten, Hij vernedert zich zoo diep van hun den vrede aan te bieden! Eu op welke voorwaarden? Konden zij zulke voordeelige hopen? Hij bidt, Hij smeekt hen zijn geduld niet te beproeven,... zijn troon en zijne vriendschap aan te nemen. Aldus bi\'engt het woord Gods de zielen tot God terug. Hoe innig zou ik met Hem vereenigd zijn, hoe groot ware mijne volmaaktheid, mijn geluk, zoo ik steeds bij het licht van dien fakkel gewandeld had.

Hl Punt. Het heilig woord is goddelijh in desselfs uitwerking. Op alle tijden der wereld hebben wonderen van genade Gods macht in zijn woord aangetoond... In den mond van Nathan is eene zinnebeeldige voorstelling vol eenvoud, een vlammend zwaard, dat het hart van David doorboort en hem tot het voorbeeld der boetvaardigen maakt. Ninive wordt gered door eene waarschuwing van den profeet Jonas. Esdras uit de gevangenschap wederkeerende, heeft nog de voorschriften der wet niet uitgelegd, hij heeft ze slechts gelezen, en reeds valt het geheele volk op de knieën, en aanbidt God in tranen van berouw. Men hoort slechts snikken en de levieten moeten die uitdrukking van smart stillen, welke de stem van den heiligen priester smoren.

De prediking der apostelen heeft de gedaante der

-ocr page 209-

198

aarde veranderd. Wat behoefden zij, die ongeletterde mannen, om het heelal te onderwerpen aan de vernedering, de zelfverloochening, de harde wet van het Evangelie? Geene andere wapenen dan het woord Gods. Welke middelen gebruikten een Vincentius Ferrieri, een Xaverius, een Franciscus van Sales, om landen en volken te bekeeren ? Zij verkondigden Gods woord. Altijd even krachtig, is het even onveranderlijk, als de eeuwige waarheid, die het verkondigt. Als eene uitstraling van het goddelijk verstand, verlicht het eiken geest, die het gewillig ontvangt; als een dubbelsnijdend zwaard bewerkt het in de ziel de schoonste onthechting; den zondaar scheidende van de zonde, het hart onthechtende van deszelfs driften, werpt het de kiem van elke deugd en van alle volmaaktheid. O Jezus, geef mij liefde tot uw heilig woord. Gij hebt gezegd, dat het kind Gods gaarne het woord zijns Vaders aanhoort, weiger mij dit onderpand niet van mijne goddelijke aanneming, geef dat ik het geluk hoogschatte van door U-zelven onderricht te worden, met vreugde zal ik de godspraken, die van uwe lippen vloeien, gaan ontvangen uit den mond uwer bedienaars; ik zal ze doen dringen in mijne ziel door ze te overdenken; en, getrouwelijk in beoefening brengende wat zij mij voorschrijven, zal ik vertrouwvol datgene afwachten wat zij mij beloven.

-ocr page 210-

199

38ste OVERWEGING.

Vierde Zondag in de Vasten,

vermenigvuldiging der brooden. beschouwing.

I. De personen beschouwen.

II. De woorden aanhooren.

III. De handelingen overwegen.

1. Jezus bevond zich in de woestijn en zag zich door eene groote menigte omringd; en wel verre van ze hongerig naar huis te zenden, gelijk zijne apostelen Hem dit voorstelden, deed Hij hen zeiven aan de scharen vijf broeden en twee visschen uit-deelen, welke zich zoozeer vermenigvuldigden, dat vijf duizend mannen, de vrouwen en kinderen niet medegerekend, verzadigd werden. Door dit wonder getroffen, wilde het volk Hem tot koning uitroepen. (1)

2. Stellen wij ons eene uitgestrekte vlakte voor en Jezus met zijne Apostelen, de ontelbare scharen volks, die Hem omringen, onderwijzende en de zieken die men tot Hem brengt, genezende.

3. Bidden wij den Zaligmaker ons te verlichten omtrent het wonder der vermenigvuldiging van het brood, en ons de gevoelens in te storten, welke het opwekte in hen, die daarvan getuigen waren. Vragen wij Hem vooral het begrip van- en de liefde tot het H. Sacrament door dit mirakel afgebeeld.

I Punt. De personen beschouwen. Jezus-Christus. Zijn ijver is onvermoeibaar. Na den geheelen dag

(1) Joa. 6.

-ocr page 211-

200

toegewijd te hebben aan het onderrichten des volks en het genezen der zieken, had Jezus, die steeds de zorg voor de zielen met die voor het tijdelijke vereenigde, zich met zijne apostelen op een na-burigen berg teruggetrokken, om in het gebed een weinig rust te zoeken. Doch weldra daalde Hij Aveder in de vlakte, want Hij wist, dat Hij met ongeduld verwacht werd door eene ontelbare menigte, welke na Hem gehoord te hebben, Hem nogmaals wilde hooren, hoewel zij sedert lang niets gegeten hadden. Lees op het gelaat des Zaligmakers het teeder medelijden, dat het zien van zulk eene menigte personen, die in nood verkeeren, Hem inboezemt, schapen zonder herder, wier eenige toevlucht Hij is. Gelukkig, o goede Meester, het bedroefd hart, waarop Gij dien welwillenden blik werpt! Hoe groot ook deszelfs droefheid zij, het zal vertroost worden, zoo het op U vertrouwt. Gelukkig hij, die ü zoekt, en dien Gij tot ü ziet komen. — De Apostelen. Zij vertoonen zich hier met hunne goede eigenschappen en gebreken. Welk éene bedrijvigheid, eerst bij Jezus-Christus, opdat Hij die menigte wegzende, zonder zich te bekommeren wat er van haar worden zal, als zij Hem verlaten zullen hebben; vervolgens bij diezelfde scharen, om hen op \'s Heeren bevel te helpen en te dienen. Zie hunne verlegenheid , als Hij hun gebiedt allen te spijzen, hoewel Hij weet dat dit niet in hunne macht ligt... En toch, hoe eenvoudig volbrengen zij zijne bevelen! — Vestig ook uw blik op het volk. Zij hadden nog lang van Jezus het denkbeeld niet, dat zij zich van Hem moesten vormen en het doel, waarom zij Hem volgden

-ocr page 212-

201

was verre van volmaakt, doch welk eene gehechtheid toonen zij voor den persoon des Zaligmakers. Met welke volharding hechten zij zich aan zijne schreden: Zij zijn hongerig naar het goddelijk woord en die honger der ziel doet hen dien des lichaams vergeten. Hoezeer betrouwen zij op de macht en de goedheid van Jezus; zoolang zij slechts het geluk hebben Hem te zien en te hooreu, vreezen zij niets. Kon hun vertrouwen beter geplaatst zijn. Waarom is het mijne zoo zwak?

II en III Pont. De ivoorden aanhooren en de handelingen overwegen. — De dag is reeds ver gevorderd; niemand schijnt aan terugkeeren te denken; de apostelen naderen Jezus en zeggen: Wij zijn hier in een afgelegene plaats en het wordt laat; zend dit volk naar huis, opdat zij in de omliggende vlekken eu dorpen voedsel koopen.... Ziedaar de menschen. Als het er op aan komt ons dieust te bewijzen, zoeken zij steeds den goedkoopsten weg en trachten het moeielijke op de schouders van anderen te schuiven. Ware Jezus even zoo vaardig geweest deze schare volks, reeds door een lang vasten uitgeput, weg te zenden, dan had Hij hen aan groot gevaar blootgesteld ! O mijn God, zend mij niet naar de schepselen terug om te koopen, wat mij noodig is! Hebben zij het wel? Zouden zij het mij willen verkoopen? En tot welken prijs ? Geef Gij het mij, Heer, ik heb

slechts ééne zaak noodig..... uwe liefde. Nochtans

was, menschelijkerwijze gesproken, de opmerking der apostelen redelijk, en het antwoord des Zaligmakers moest hen wel verbazen: Het is niet noodig, dat ik ze wegzend: Geeft gij zeiven hun te eten.

-ocr page 213-

202

Maar Heer! zoo wij voor twee honderd denariëu brood hadden, ware dit nog niet genoeg om ieder een klein stuk te geven. Hierdoor zegden zij, dat zij in de volstrekte onmogelijkheid waren al die menschen te voeden. Ziedaar juist de bekentenis, welke Hij verwachtte. Hoe meer de onmacht van het schepsel zichtbaar is, hoe gemakkelijker de werking Gods erkend wordt. Hij wil tot werktuigen zijner handelingen menschen, die Hem alleen de eer daarvan zullen geven, wel overtuigd als zij zijn van hunne eigen onmacht. Hij vraagt hun hoevele brooden zij hebben. »Slechts vijfquot;, was het antwoord, »en twee visschen quot; en zij haasten zich hierbij te voegen; »doch wat is dit voor zoo velen ?quot; Hierop zegt Jezus: »Brengt mij de vijf brooden en de twee visschen en doet de menigte nederzitten, bij partijen van honderd en van vijftig.quot; Vervolgens het oog ten hemel verheffende, bedankt Hij zijnen Vader voor de macht, welke Hij Hem verleend heeft, zegent de brooden en de visschen, deelt ze en geeft ze zijnen leerlingen oni ze onder het volk te verdeelen. De gaven Gods vermenigvuldigden zich in hunne handen. Allen eten, allen worden verzadigd en men vult twaalf korven met de brokkelingen. Wat ging er om in de ziel der Apostelen, terwijl door hunne bediening zulk een treffend wonder gewrocht werd? Wat ging er om in de zielen van ben, die dit wonderdadig brood nuttigden? Welk eene zaivere en stille vreugde bezielde dezen maaltijd! Aldus bevestigde de Zoon Gods het geloof zijner Apostelen, gaf hun een denkbeeld zijner macht, en bereidde hen tot de goddelijke instelling van het hemelsch gast-

-ocr page 214-

203

maal, want, bemerkt de Evangelist: »het Paaschfeest was nabij.quot; (I) Het was nuttig hun een beeld voor oogen te stellen van dat christelijk Paaschfeest, waarop het geslachtofferd Lam Gods zou genuttigd worden, onder de gedaante van brood. Weldra zal immers de H. Kerk verspreid worden over de geheele aarde, in verschillende scharen verdeeld, allen staande onder derzelver bijzondere herders, door wie zg het henielsch brood ontvangen zullen. En dit levend en levendmakend brood zal nimmer uitgeput geraken.

Allen aten en werden verzadigd. Allen aten, omdat allen hongerig waren en al etende de uitmuntendheid

O O

van het voedsel erkenden, dat men hun aanbood. En met hoe veel meer vuur moeten wij naar het geheiligd gastmaal verlangen. Zijn wij niet behoeftig en uitgeput in deze levenswoestijn ? Is dit brood, dat men ons aanbiedt, niet ver verheven boven het brood, waardoor het volk verzadigd werd? Hoevele wonderen zijn hier niet vereenigd? Hoevele geheimen vinden wij hier niet saamgetrokken, van hoevele genaden is dit niet de vruchtbare bron? — Allen werden verzadigd, dit is: allen waren tevreden , versterkt. Ziedaar het uitwerksel van het hemelbrood. Indien men hèt ontvangt met de vereischte gesteltenissen, verzadigt het; men zoekt de vreugde dei-aarde niet meer, nadat men die des hemels heeft gesmaakt. Het versterkt, en in dezen zin wordt het genoemd: het brood der sterken.

Met eene bewondering, welke tot geestdrift stijgt, bezield voor de macht en de goedheid van den Zalig-

(1) Joa. 6, 4.

-ocr page 215-

204

maker, heeft de aldus door een wonder gespijsde menigte slechts ééne gedachte, Hém tot koning uit te roepen. De nederige Jezus weigert deze eer en vlucht alleen naar den berg. Zijn rijk is niet van deze wereld. Wij, die Hem beter kennen dan de Joden, roepen wij Hem, opdat Hij heersche over onze harten; dit koningschap begeert Hij , en hoezeer moeten wij-zelven dit begeeren! De H. Communie heeft slechts ten doel al de vermogens onzer ziel aan Hem te onderwerpen, zoodat in ons niets Hem weerstreve. Vragen wij heden met de Kerk de genade van heiliglijk deel te nemen aan dit groote geheim.

39sk OVERWEGING,

Passiezondag.

het h. misoi\'fek.

I. Het offer, dat wordt opgedragen.

II. De priester, die het opdraagt.

III. De wijze, waarop het opgedragen wordt.

1. Beschouwen wij den priester, die het altaar bestijgt en eene ingetogen menigte, die zich bereidt de H. Mis te hooren.

2. Vragen wij aan God de genade, de uhmun-tendheid van het goddelijk Sacrificie wel te begrijpen en met levendig geloof daarbij tegenwoordig te zijn.

I Punt. Welh offerande wordt in het Sacrificie onzer altaren opgedragen ? Daar het offer in zich-zelf

-ocr page 216-

205

de uitmuutendste eer is, welke men der godheid bewijzen kan, zoo moet men hierin den volmaaktsten ijver van inwendigen en uitwendigen eeredienst vinden. Hierom is er in de H. Mis een tweevoudig offer: het eene is het natuurlyk lichaam van Jezus-Christus, ouder de gedaante van brood en wyn; het tweede is zijn geheimzinnig lichaam of de H. Kerk; alle geloovigen zijn deszelfs ledematen.- Onder welk oogpunt men het ook beschouwe, het slachtoffer van ons Sacrificie is de Zoon Gods, aan zijnen Vader opgedragen.

Toen de Zaligmaker, de H. Eucharistie instelde, gaf Hij aan den priester de macht om te doen wat Hij zelf gedaan had. Nu weten wij wat Hij had gedaan, welk offer Hij in zijne heilige, goddelijke handen hield, welk offer Hij zijnen bedienaars in handen gaf. »Dit is mijn lichaamquot;, zegde Hij hun, gt; hetzelfde dat voor u zal geleverd worden: Quod pro nobis tradetur; dit is mijn bloed, hetzelfde dat voor u zal gestort worden, Qui pro nobis fundeturquot;. Het is dus geen ander lichaam, geen ander bloed, het lichaam en bloed op Kalvarië en dat op het altaar, liet is hetzelfde. Is het niet het levenmakend slachtoffer van het kruis, dat ons met God verzoend heeft ? Welnu, het Concilie van Trente leert ons, dat hetzelfde offer nog dagelijks in onze tempels wordt opgedragen, waaruit ditzelfde Concilie besluit, dat de Mis het heiligst, het goddelijkst werk is, dat in het christendom volbracht kan worden. Bewonderen wij de oneindige uitmuntendheid van ons Sacrificie, onder dit eerste oogpunt beschouwd. Wat kan men uitdenken onder de lichamelijke wezens, dat kan vergeleken worden

i

-ocr page 217-

206

by het lichaam en bloed van onzen Zaligmaker? Welk offer is der majesteit Gods meer waardig, dan alle heiligen vereenigd in éénzelfde lichaam, met den Heilige der Heiligen Jezus-Christus, hun hoofd en hun koning?

Doch, zie ik reeds het grenzenloos vermogen dat het opdragen van een dergelijk slachtoffer bij God geeft, zoo ontdek ik ook hierbij eene zeer ernstige verplichting. Ik ben een lidmaat van het lichaam van Jezus-Christus, ik moet dus ook slachtoffer met Hem zijn; en een staat van slachtoffer is noodzakelijk een staat van dood, van vernietiging van verandering.

Ziehier eene bemerking, welke mij moet bemoedigen. Voor de slachtoffers, welke zich aan den waren God opdragen is de dood een wezenlijk goed; zij verliezen veel minder dan zij winnen. Hetgroote slachtoffer van Kalvarië heeft slechts een leven van vernedering en lijden, veranderd in een leven van glorie en sterfelijkheid. Indien dezelfde Zaligmaker bij het Sacrificie onzer altaren zijn sacramenteel leven verliest door de Communie, waaruit de verandering en vernietiging der heilige gedaanten volgt, zoo geschiedt dit slechts om te herleven in de harten, door zich de liefde te verwerven van hen, aan wie Hij zich tot voedsel geeft, en dit laatste leven stelt Hij boven elk ander. Eveneens zal het zijn met den dood, welken ik in hoedanigheid van slachtoffer zal moeten ondergaan; hij zal mij een menschelijk, zinnelijk leven ontnemen, dat door een geestelijk goddelijk leven zal worden vervangen. Ja, ben ik getrouw aan de genaden, waarvan het H. Misoffer

-ocr page 218-

207

eene onuitputbare bron is, dan zal ik, zoo dikwijls ik dat bijwoon, beginnen te sterven aan de zonde en aan mijne natuurlijke neigingen; want, zegt de H. Gregorius, het offer, dat wij den Heer aanbieden, is in zijn oog geen waar offer, zoo bet de inwendige offerande, welke wij Hem van ons-zelven brengen, niet voorstelt.

II Punt. Wie offert aan God het Sacrificie der Mis\'? Gelijk er op het altaar een zichtbaar offer is, dat het zinnebeeld is van het inwendig en geestelijk offer, zoo is er ook een zichtbaar priester, die Jezus-Christus voorstelt, den voornaamsten en waren, doch onzichtbaren Offeraar; want alleen een Godpriester kan een God-slachtoffer waardiglijk opdragen.

Na zich-zelven op het kruis ten offer gebracht te hebben, offert de Zaligmaker zich door de bediening des priesters op het altaar. »Geene menschelijke macht,quot; zegt de H. Joannes Chrysostomus, »was in staat de wonderen te wrochten, welke bet geloot ons in dit geheim ontdekt.quot; Wij priesters, wij zijn slechts de werktuigen en de bedienaars van een Godofferaar. Het is Jezus-Christus in persoon, die heiligt en voor ons tot eene bron van heiliging verandert de stoffelijke gaven, welke op het altaar nederliggen. Indien gij dus den priester de heilige offerande ten hemel ziet verheffen, denk dan niet, dat hij de ware priester is, doch uwe oogen boven al het geschapene verheffende, moet gij de hand van Jezus-Christus, als onzichtbaar uitgestrekt, beschouwen. Door baai-wordt alles volbracht. Kan ik er dan aan twijfelen, of een Sacrificie, welks onschatbaar offer voor mij wordt gebracht, door een priester even groot, even heilig

-ocr page 219-

208

als Hij, aan Wien het gebracht wordt, welgevallig aangenomen en milddadig beloond zal worden? Deze gedachte moet mijne vurigheid opwekken bij het by wonen der H. Mis, en als ik dit geluk geniet, welk een eerbied, welk vertrouwen moet zij mij dan niet inboezemen.

III Punt. Op wdhe wijze wordt dit offer opgedragen. Het offer der H. Mis is in wezen hetzelfde als het offer van het kruis. Hetzelfde Slachtoffer, dezelfde Offeraar, hetzelfde doel, dezelfde kracht. Een God-priester, die een God-slachtoffer voor de eer van God en de zaligheid der wereld opdraagt, ziedaar èn Kalvarië èn het altaar; van beide zijden is alles goddelijk. Waar ligt dan het verschil? Het ligt alleen in de wijze van offeren (1). Op het kruis vloeide het bloed: Jezus offerde zich door een werke-lijken dood, de ziel werd van het lichaam gescheiden; op het altaar offert Jezus, thans onlijdelijk en glorierijk , zich op, door een geheimzinnigen en onbloedigen dood. Op het kruis offerde Hij zijn tegenwoordigen dood; op het altaar offert Hij zijn verleden en volbrachten dood. Hij past ons de verdiensten toe van dien dood, terwijl Hij ons van dien dood tegelijkertijd eene levendige en treffende geheimzinnige hernieuwing voor oogen stelt. De eerste slachtofferande had slechts eens en alleen te Jeruzalem plaats; de tweede hernieuwt zich ten allen tijde en op alle plaatsen. Nooit ziet de Heer onze misdaden, zonder tegelijkertijd ook deze groote herstelling te zien zijner beleedigde glorie. Het altaar wordt slechts verrijkt door de

(1) Sola offerendi ratiouc divcrsa (Conc. Trid.)

-ocr page 220-

209

verdiensten van liet kruis, doch al de verdiensten van het kruis zijn aanwezig op het altaar. O! hoe vele macht lag er, ter verzoening van God en tot onze zaligmaking, in de bemiddeling van een God, die Voor ons stierf in de diepste vernedering, in het bitterste lijden! Geene mindere macht ligt er, naar het gevoelen der heilige schriivers, in het H. Misoffer.

»Het offer van den waren God bijwonen,quot; zegt Bossuet, »is tegenwoordig zijn bij de heiligste en verhevenste handeling van onzen godsdienst. Om deze reden wordt in de oude Liturgiën het offer de handeling bij uitnemendheid genoemd; als hadde de H. Kerk ons willen doen zien, dat de groote handeling van ons leven inderdaad het offer is.quot; Heb ik tot dusverre het onuitsprekelijk geheim, dat dagelijks voor mij in het huis des Heeren voltrokken wordt, wel hoog genoeg geschat? O mijne ziel, zoo gij de gaven Gods kendet!

14

CH. III.

-ocr page 221-

210

40ste OVERWEGING.

de beide eerste doeleinden van het h. misoffer.

Aanbidding en dankzegging.

I. De H. Mis vereert God als oppermachtigen

Heer; zij is het volmaaktste der brandoffers.

II. De H. Mis vereert God als algemeen wel

doener ; zij is de waardigste aller dankzeggingen.

I Punt. Brandoffer. De eerste plicht der menschen is God te aanbidden , Hem erkennende als de bron van alle goed, als den Heer, wien alles toebehoort, als het eenige en laatste einde van al ons streven. De bekentenis, welke ik doe van mijne onbeperkte afhankelykheid, van mijne diepe ellende, van mijn niet, tegenover zijne oneindige grootheid, vereert de volheid van zijn wezen en maakt de aanbidding uit.

Dan, hoe kan ik mg waardiglijk van dezen plicht kwijten? Welke hulde zal ik bieden aan dien grooten God, welke niet verre beneden blijft van die, welke ik Hem verschuldigd ben? Zou ik mij met al de schepselen, die bestaan of ooit bestaan zullen, voor Hem vernietigen, welke eer zou Hem de vernietiging van het niet kunnen aanbrengen? want ziedaar wat ik, wat alle volkeren van het heelal in zijne tegenwoordigheid zyn; doch, zoo ik mij met den priester vereenigende, God de aanbidding, de vernietiging van zijn welbeminden Zoon aanbied, bewijs ik Hem door Jezus-Christus, met Jezus-Christus, in Jezus-Ch rist us, eene volstrekt oneindige glorie. Als men

-ocr page 222-

211

in de ofi\'eranden der oude wet, voor den Heer, het offer geheel verbrandde, erkende men daardoor, dat zgne grootheid, die niet hooger stijgen kan, verdient vereerd te worden door eene vernedering, welke niet dieper dalen kan; — dat Hij zich-zelven voldoende is en onze gaven niet noodig heeft. Doch wat dan als men Hem een God tot slachtoffer biedt? Welke is die majesteit, waarvoor de menschheid zelve van den Verlosser, hoe aanbiddelijk zij ook wezen moge, zich onwaardig erkent te verschijnen, zich verbergt onder zinnebeelden des doods, en nedervalt, van eerbied vervuld, om zijne oneindige volmaaktheden te eeren?

Een enkel misoffer verschaft God meer glorie dan Hem ooit al de heldhaftigste daden der oudvaders en profeten, de arbeid der apostelen, de folteringen der martelaren, de boetplegingen der boetvaardigen, de zuiverheid der maagden, de deugden aller heiligen

O \' O O

en van de H. Maagd Maria zelve, verschaft hebben; meer glorie dan duizenden werelden, bevolkt met Serafijnen, die geene andere bezigheden zouden hebben dan Hem eeuwiglijk te loven en te zegenen, zouden kunnen verschaffen; want hoe volmaakt ook de schepselen mogen zijn en hoe talrijk men zich die ook moge denken, zoo zal er toch altijd tusschen hen en God een onmeetbare afstand bestaan, en hunne hulde zal nimmer geëvenredigd zijn aan de majesteit van Hem, die ze ontvangt, terwijl op het altaar, Hij, die aanbidt, gelijk staat in eiken oneindigen graad van glorie met Hem, die aanbeden wordt. De godvruchtige ziel trilt van vreugde bij het overwegen dezer waarheid.

-ocr page 223-

212

Als ik de H. Mis bijwoon, behoef ik niet te vreezen , dat de Heer mij het verwijt zal toevoegen, dat Hij eertijds aan zijn volk deed: »AIs ik uw\'1 Vader hen, welhe eer bewijst gij mij dan?quot; (1) Want dan zou ik Hem met het eerbiedigst vertrouwen kunnen antwoorden: »Heer, zie neer op het altaar, beschouw het aanschijn van uwen Christus,quot; mijn Zaligmaker en de Hersteller uwer glorie. Wordt Gy door het offer, dat Hij U en dat ik U met Hem opdraag niet zoo zeer vereerd als Gij dit verdient? Ik vrees ook niet, dat Hij mijne gaven zal versmaden en Hij my gelijk tot ditzelfde volk zal zeggen: Ik zal geen geschenk uit uwe hand ontvangen V (2) Ik hoor Hem daarentegen getuigen, dat Hij waardiglijk vereerd wordt onder de natiën, sedert »van het oosten tot het westen een onbevlekt offer wordt opgedragen tot glorie van zijnen naam.quot; (3) Eeuwige majesteit hoeveel glorie trekt Gij niet uit eene dergelijke offerande. O welk een denkbeeld geeft zij ons van uwe grootheid! Uwe macht, uwe rechtvaardigheid, doch vooral uwe goedheid schijnen hier in vollen glans.

H Punt. Dankoffer. De H. Mis heeft het dubbel voordeel van in ons eene ware dankbaarheid op te wekken, ten opzichte van onzen oppersten weldoener, en tevens ons in staat te stellen, op volmaakte wijze voor onze verplichtingen te voldoen.

Er is op de eerste plaats inderdaad niets zoo klaarblijkelijk als de meening van den Zaligmaker, toen Hij ons deze treffende gedachtenis liet, van hetgeen Hij voor ons gedaan en geleden heeft: Hij wil dat

1

Malach 1, 6. (2) Malaeh 1, 10. (3) Ibid vs. 10.

-ocr page 224-

213

de H. Mis in zijne Kerk eene groote les van dankbaarheid zij. Wat toch is treffender dan zijne woorden, welke ons uitdrukken, hoezeer Hij verlangt dat wij aan Hem en aan de wonderen zijner oneindige liefde denken? »Doet dit ter mijner gedachtenis, herinnert u mijn lijden, vergeet mij niet. Indien gij, zoo vaak gij bij mijne geheimzinnige opoffering tegenwoordig zijt, denkt aan mijne bloedige slachtofferande, heb ik u niets meer te vragen, dan zult gij mij beminnen en zoo noodig voor mij sterven.quot; Wèl eene treffende aanbeveling, en hij herhaalt ze dagelijks gedurende de mis op het oogenblik der Consecratie, als wij de levende afbeelding voor oogen hebben van datgene, wat op Kalvarië heeft plaats gegrepen.

Laat ons God bedanken, wordt ons dikwijls gezegd gedurende de H. Mis. Laat ons God danken voor zijne groote glorie. Zijne groote glorie is ons wel te doen, zijne groote glorie is ons Jezus, de bron van alle goed, te geven. O hoe billijk is het Hem altijd en overal te danken, daar er geen oogenblik in ons leven, geen punt in het heelal is, waarop wij niet door zijne weldaden worden overladen, doch is het in het heiligdom, en iu het uur van het H. Misoffer, nog niet billijker Hem te loven en te prijzen?

Hoe overvloedig ten onzen opzichte ook de goddelijke weldaden zijn, behoeven wij niet met David te vragen, wat wij den Heer zullen wedergeven voor al het goede, dat Hij ons doet. Daar wij den kelk van zaligheid en het slachtoffer van het kruis kunnen aanbieden, zijn wij in staat, de schuld te betalen van dankbaarheid, aangegaan niet slechts door ons-zelven, maar door alle engelen en heiligen, door

-ocr page 225-

214

Maria, hunne koningin.... God heeft ons zijnen Zoon geschonken, die God is gelijk Hij; door het ofier dat wij Hem daarvan op het altaar brengen, geven wij Hem zooveel weder, als wij van Hem ontvingen; en kunnen wij Hem geen rijker bewijs onzer dankbaarheid bieden, zoo komt dit, omdat God zelf ons geen rijker geschenk heeft kunnen geven.

Ik heb dan in het H. Misoffer reeds het middel gevonden om te voldoen, aan de twee eerste verplichtingen van den christen en den religieus. De aanbidding en de dankzegging. O mijn God heb medelijden met mijne verblindheid, ik ben beschaamd als ik denk, dat ik tot dusverre nauwelijks heb nagedacht over deze zoo belangrijke grondwaarheden en thans zie ik waarom ik, te midden der vlammen, zoo koud ben gebleven.

41ste OVERWEGING.

de beide laatste doeleinden van het h. misoffer.

Verzoening en smeeking.

I. Het H. Misoffer bevredigt de rechtvaardigheid

van God en stilt zijnen toorn.

II. Het H. Misoffer verkrijgt alles van de goddelijke goedheid.

I Punt. Zoenoffer. Indien de milddadigheid des Heeren ons de verplichting oplegt eener dankbaarheid, geëvenredigd aan zijne overgroote weldaden.

-ocr page 226-

215

niet minder zijn \\vy schuldenaars tegenover zijne rechtvaardigheid; kunnen wij zonder sidderen hieraan denken ? Stellen wij ons gerust. Het Bloed van Jezus wordt op het altaar geofferd, gelijk het eens op het kruis gestort werd ter vergiffenis der zonden. De kracht van de zielen te zuiveren, welke het alsdan had, heeft het nog, het heeft die niet verloren , want thans gelijk toen, vervult Jezus voor ons de bediening van Yerzoener, Hij zelf is onze verzoening. (1) De geloovigen bieden met den priester aan God dit offer tot verlossing hunner zielen, zegt de H. Kerk. De zielen worden dus door de H. Mis vrijgekocht, zij worden verlost van de slavernij des duivels en der zonden. Daarom spreekt het Concilie van Trente den vloek uit, over alwie zou durven ontkennen, dat het H. Misoffer waarlijk verzoenend is. Er is altijd in het bloed van het aanbiddelijk slachtoffer eene stem, die genade vraagt voor de zondaars, dringt tot in het Hart van God en Hem aanzet ons met goedertierenheid te behandelen, hoe groot onze overtredingen ook mogen wezen. Hoe zou men zich hierover kunnen verwonderen? Toen goddelooze handen dit bloed te Jeruzalem deden vloeien door den vreeselijksten aller aanslagen, had het bij God de kracht om zijnen toorn te stillen; zou het nu minder kracht hebben, als het Hem wordt opgedragen door bedienaars zijner keuze tot dit einde gezalfd, die Jezus-Christus slechts opdragen in ver-eeniging met Jezus-zelven?

En ziedaar de verklaring eens geheims van god-d el ijk geduld, waardoor wij niet genoeg getroffen

(1) Ipse est propitiatis pro peccatis nostris (I Joa. 2, 2.)

-ocr page 227-

216

•worden. Waarom wordt de wereld thans meer gespaard, sedert den avond van het Oenakel, dan in de vorige eeuwen? Men kan niet ontkennen dat de wereld nog meer met zonden overdekt is, dan ten tijde van den zondvloed, als men overdenkt, dat de misdaden veel zwaarder zgn, met het oog op de kennis en genaden, welke de zondaars misbruiken. Waar ligt dan die verborgen kracht, welke den wrekenden arm Gods tegenhoudt? Jezus als slachtoffer stelt een boetvaardigen God tegenover een beleedigden God.

Bij het intreden dezer wereld, had Hij tot zijnen Vader gezegd: Zie ik kom, Ecce venio; ik kom om uwe rechtvaardigheid te ontwapenen; dagelijks herhaalt Hij op duizend en nogmaals duizend altaren in de stilte van het heiligdom: zie ik kom, o mijn Vader, hier beu ik. Reeds heb ik voldaan voor de zonden van hen, die ik mijne broeders noem. Ik kom U nogmaals verzoenen, zie, aan welke schande ik mij heb blootgesteld, welke folteringen ik ondergaan heb, welken dood ik voor hen geleden heb; o zie niet meer op hunne zonden, dan om terzelfder tijd het eerherstel te zien, dat ik er voor doe. Het zijn menschen, die U beleedigen; het is een God, het is uw Zoon, die U vereert. Zult Gij meer hun rechter, dan ik hun redder wezen? De priester aan het altaar, zegt de H. Eucherius, is de zuil, welke de wereld onderschraagt, die wankelt onder het gewicht harer misdaden.

Het H. Misoffer rechtvaardigt ons, niet gelijk het Doopsel en de sacramenteele absolutie, welke onmiddellijk de rechtvaardiging mededeelen; doch door cns werkelijke genaden mede te dealen, welke ons

-ocr page 228-

217

opwekken en ons helpen, om die middelen van verzoening ons door de goddelijke barmhartigheid aangeboden , wel te benutten. Dit legde eene ziel, die sidderde voor bedreven fouten, deze woorden in den mond: » Geduld, o myn God , heb geduld tot morgen , als ik de H. Mis gehoord heb zal ik de slagen uwer gerechtigheid niet meer vreezen.quot;

Doch tot hoe ver strekt niet de verzoeningskracht aan het H. Misoffer gehecht? Waarom zou de Zoon Gods, terwijl Hij ons de verdiensten zijner voldoeningen toepast, om ons van de eeuwige straf te verlossen, ons niet terzelfder tijd kumien ontslaan van de tijdelijke straf, welke gewoonlijk aan de zonde gehecht blijft, zelfs nadat zij vergeven is ? Naarmate men dit H. Offer met meer of min godsvrucht bijwoont, deelt men ook meer of minder in deze gunst.

II Punt. Smeekojfer. De H. Mis is het grootste gebed der Kerk, en indien onze gesteltenissen geen beletsel stellen aan deszelfs kracht, is dit gebed altijd bijzonder voordeelig, onder welk oogpunt men het ook beschouwe, hetzij in Jezus-Christus, die voor ons bidt, hetzij in ons, die ons met dien smeekenden God vereenigen.

Van den kant van Jezus-Christus weten wij, dat Hij altijd verhoord wordt, en dit is het noodzakelijk gevolg van den eerbied Hem verschuldigd. Hij werd verhoord op het kruis, zegt de H. Paulus: Exauditus est pro sua reverentid; Hij verdient niet minder verhoord te worden op het altaar. Wel is waar, het is niet door tranen en een luiden kreet, dat Hij voor ons smeekt, doch het is door een staat van vernedering, die wel geëigend is om het Hart zijns

-ocr page 229-

218

Vaders te treffen. In onze tempels is Hij schijnbaar werkeloos en zonder beweging. Het is een doodelijk getroffen Slachtoffer. Hij doet voor ons zijne tranen en zijn vergoten bloed, de wonden die ziju lichaam verscheurden, zijne tegeowoordige en verleden vernederingen bidden. Van onzen kant beschouwd, is het gebed, dat wij gedurende de H. Mis doen, meer dan menschelijk; het is, om zoo te spreken, geheel doordrongen, geheel vervuld niet de heiligheid van Jezus-Christus, het is geheel goddelijk, daar het slechts één en hetzelfde gebed is met het gebed van den Zoon Gods. Een smeekschrift, ter goeder uur aangeboden, vergezeld van een prachtig geschenk , gesteund door de aanbeveling der meest vermogenden op dengene, aan wien men het biedt, heeft alle voorwaarden, welke het gunstig moeten doen ontvangen. Dusdanig is ons gebed gedurende de EL Mis. Geen oogenblik is gunstiger; van de eene zijde beschouwt. God zijn welbeminden Zoon, die zich vernedert om zijne glorie te herstellen; van de andere verschijnen wij niet met ledige handen voor Hem; wat zeg ik? Wij bieden Hem het waardigste aller offergaven. Maria, onze Moeder, alle heiligen, alle vrienden Gods beijveren zich dan voor ons ten beste te spreken, en voegen ons hunne verdiensten toe. Daarom stelt ook de Kerk in het volle bewustzijn harer macht, als zij hare bedienaars naar het altaar zendt, geene grenzen aan hare verwachtingen. Zij vraagt te mogen verlost worden van alle verledene, tegenwoordige en toekomende rampen; de verkrijging aller goederen, den vrede voor het leven in den tijd, de zaligheid voor alle eeuwigheid. Mijn God, hoe

-ocr page 230-

219

kunnen wij, te midden van al dien rijkdom, arm blijven?

Vatten wij deze twee overwegingen samen. Wat doet de priester bij liet opdragen van het H. Misoffer, en naar evenredigheid de geloovige, die het bijwoont? De schrijver van de Navolging gaat u antwoorden: Deum honorat. Hij verschaft aan God de grootst mogelijke glorie, welke Hem in deze of in de andere wereld kan bewezen worden. Angelos loetitlcat; hij verheugt geheel den hemel, voor de engelen en de heiligen, is het eene vermeerdering van vreugde te zien, dat de aarde op eene zoo waardige wijze deel neemt in hunne lofzangen, hunne aanbidding, hunne dankbaarheid. Ecdesiam cedijicat. Door hem ontvangt de geheele H. Kerk de krachtigste hulp om de zegepraal in haren strijd, de bevestiging van den vrede, de heiliging van al hare kinderen te bewerken. Vivos adjurat Hij helpt de levenden door de genaden, welke hij hun verkrijgt, Defunctis requiem proesiat: bij verlost of verlicht de zielen in het vagevuur. Sete omnium honorem participem. Hij maakt zich-zelven deelachtig aan alle tijdelgke en geestelijke genaden, voor zoo ver zij hem zalig zijn, want het is daar dat wij vervuld worden met allen hemelsei Len zegen en met alle genade. (Miss.)

-ocr page 231-

220

42ste OVERWEGINO.

eerste wijze om heiliglijk heï h. misoffer bij te wonen: zich bezighouden met het lijden des zaligmakers.

I. Hoe uitmuntend deze wyze is.

II. Hoe men die moet beoefenen.

I Punt. Een liefdevol herdenken van het lijden is eene uitmuntende wijze van Mis te hooren. Eene brave, eenvoudige ziel vraagde eens wat zij moest doen om goed Mis te hooren. »Wat doet gij?quot; vraagde men haar. — Ik verneder mij voor het tabernakel, doch zoodra ik het kruisbeeld op het kasuifel zie van den priester, die naar het altaar treedt, meen ik Jezus-Christus te zien, die Kalvarië beklimt: ik gevoel mij aangedaan, ik ween en kan slechts denken aan zijn lijden en aan zijne liefde voor mij. — Behoud deze manier, hernam men, zij is verkieselijk boven alle andere. Zij is inderdaad gegrondvest op de natuur zelve van het offer. Zij is gelijkvormig aan de verlangens des Zaligmakers en de meening der H. Kerk.

Het altaar is de Kalvarieberg, tot ons nader gebracht en als het ware tot onder onze oogen verplaatst; de mis is eene bijzondere hulde, die wij bewijzen aan het lijden en den dood van Jezus-Christus, door het bevel van Jezus-Christus zeiven. Het is de plechtige en voortgezette herhaling van den luiden kreet van dankbaarheid, ontsnapt uit het hart van den H. Paulus. Hij heeft mij bemind en zich voor mij overgeleverd.

-ocr page 232-

221

Hadde onze aanbiddelijke Verlosser ons slechts eene doode voorstelling achtergelaten van zijne slacht-offerande op het kruis, dan zouden wij ons daaraan moeten hechten met al de genegenheid welke de belangrijkste aller gedachtenissen verdient. Wat zullen wij doen, nu Hij zelf dat levend teeken, die geheiligde gedachtenis zijn wil? O rnemoriale mortis Domini. Wg weten hoezeer Hij verlangt, dat wij ons bezig houden met zijn lijden en zijnen dood, daar Hij ten dien einde de H. Mis heeft ingesteld; doet dit ter mijner gedachtenis; herinnert u wat ik voor u gedaan en geleden heb; gij zult mij dan uw hart niet langer weigeren. Ach, indien wij eene dergelijke weldaad kunnen vergeten, dat dit ten minste niet zij, als wij voor het altaar komen nederknielen juist om er aan te denken. Wat doet de H. Kerk niet, gedurende het voltrekken der heilige geheimen om onze opmerkzaamheid te vestigen op het treffend schouwspel van eenen voor ons stervenden God? Zij wil dat onze blikken overal het kruis ontmoeten.... op het altaar, op de sieraden, in de ceremoniën. Alvorens den offeraar toe te staan zij ne bediening te vervullen, geleidt zij Hem in eene reeds heilige plaats, gelijk het voorportaal des tempels. Daar hervormt zij hem als het ware naar de gelijkenis van haren goddelijken Bruidegom, met smart overladen, met schande bedekt. In den amiet, welken zij hem op het hoofd legt, erkent zij den smadelijken sluier, waarmede men Jezus\' gelaat bedekte; de manipel en de stool herinneren de boeien, waarmede Jezus werd beladen; de singel verbeeldt dekoorden, welke zijn lichaam verscheurden; de albe, het witte

-ocr page 233-

222

kleed, waardoor Hij aan den spotlust van een goddeloos hof en een misleid volk werd voorgesteld. Geheel het uitwendige van het offer streeft naar hetzelfde doel. Zich levendig het Lijden des Zaligmakers voor oogen stellen, zich doordringen van die gedachte, is dus op volmaakte wijze treden in den geest der Kerk bij het hooren der H. Mis.

II Punt. Hoe moet men die ivijze beoefenen ? Door de verschillende omstandigheden van het lijden te overwegen, naarmate de herinnering daaraan, door de verschillende deelen der Mis, wordt voorgesteld.

De priester aan den voet des altaars is Jezus-Christus in den hof van olijven. Ziedaar de God-mensch voor zijnen Vader nedergeworpen, in wiens oog Hij verschijnt, bedekt met al de zonden der wereld. Hij beweent die, Hij draagt daarvan de schande, Hij gevoelt daarover de smart, als ware Hij zelf daaraan schuldig. Hij schijnt terug te deinzen bij het zien van dien vreeselijken kelk; nochtans neemt Hij hem aan en zal hem drinken tot den droesem, daar ons belang dit vordert. Beschouw den priester. Nauwelijks staat hij aan den voet des altaars of hij ontstelt, gelijk Jezus bij bet intreden van den hof. Hij ook beschouwt zich als openbaar boeteling; hij zucht, hij klopt op zijne borst, hij bidt in den naam van alle zondaars, als wier middelaar hij optreedt. En ik, zal ik, als ongevoelig getuige, den doodstrijd mijns Zaligmakers beschouwen ? Zal zijn bloedig zweet, zullen zijne tranen geen indruk op mij maken? Zal ik geen enkelen, traan storten over de misdaden der wereld en over mijne eigene zonden? Als de bedienaar het altaar heeft

-ocr page 234-

223

betreden en van de eene zijde des altaars naar de andere gaat, moet gij u den Zoon Gods, aan zijne vijanden overgeleverd, voorstellen. Zij hebben Hem gebonden gelijk een boosdoener; zij geleiden Hem naar Jeruzalem, zij slepen Hem van de eene gerechtsplaats naar de andere. Deel in de beschimpingen, die men Jezus aandoet, volg Hem in den geest en verlaat Hem niet. Bij het Evangelie kunt gij luisteren naar de valsche getuigen, die Jezus beschuldigen dan omtrent zgne leer, hoewel Hij slechts den weg ten hemel aantoonde, dan omtrent zijne werken, hoewel Hij slechts weldoende rondging.... Ziedaar de men-schen; reken op hunne dankbaarheid, zoo gij wilt, stel prijs op hunne achting....

Op het oogenblik dat de priester den kelk ontdekt voor de oöerande, moet gij Jezus beschouwen, dien men van zijne kleedereu berooft. Hij biedt zijn lichaam aan tot die afschuwelijke geeseling, zijn hoofd aan de wreede kroning, gelijk Hij reeds zijn goddelijk gelaat had aangeboden, dat gelaat, dat de engelen slechts sidderend durven aanschouwen, aan de slagen en bespuwingen der goddeloozen.

Bewonder zijn onoverwinnelijk geduld; doch gij, zult gij niets lijden voor Hem, die voor u zooveel geleden heeft? Zult gij altijd een teergevoelig lidmaat blijven onder een met doornen gekroond hoofd?

Denk bij het. Lavabo aan den lafhartigen stadhouder, die de erkende onschuld veroordeelt, en voorgeeft zich van zulk eene misdaad de handen schoon te wasschen; beklaag de verblindheid van het volk, dat de verantwoordelijkheid op zich trekt; Zijn bloed kome over ons. Welk een stortvloed van

-ocr page 235-

224

vervloeking zal op hen en hunne nakomelingschap nederkomen. Het doodvonnis wordt uitgesproken, weldra is alles gereed tot het opofferen van het aanbiddeliik slachtoffer. Doch wat doet de priester als hij de handen uitstrekt over de stoffelijke offerande? Hij legt als het ware, op het hoofd en ten laste van den Zaligmaker, al de zonden der wereld, opdat Hij ze uitboete, voeg daarbij de uwe, Hij wil er voor voldoen en u daarvoor vergiffenis verwerven.

Reeds zijn de heilige woorden gesproken..... De

H. Hostie wordt opgeheven. Ziedaar Jezus aan het kruis, tusschen den hemel, die zich met een zwarten sluier bedekt, en de bevende aarde. Zult gij alleen ongevoelig blijven? Wat zoudt gij gevoeld, wat zoudt gij gedaan hebben, zoo gij naast Maria op Kalvarië gestaan hadt. Wat uw geloof u bij dit bloedig offer zou ingeboezemd hebben, moge het u nu zeggen bij deze geheimzinnige slachtofferande, ontvang de laatste woorden van uwen stervenden God; als Hij voor zijne vijanden bidt, bidt Hij voor u, smeek Hem u Maria tot moeder te geven, u den hemel te beloven, gelijk Hij dien belooft aan den moordenaar, dien zijne genade onmiddellijk bekeert.

Vergezel, bij het einde der Mis, de ziel van Jezus naar het voorgeborchte. Zij gaat de rechtvaardigen troosten, hun aankondigen, dat zij hunne gevangenis gaan verlaten, om met hun Verlosser ten Hemel op te klimmen. Troost ook de zielen in het vagevuur, verminder hare smarten, open haar den hemel door baar de vruchten der H. Mis en die voldoeningen, die gij in den loop van den dag zult volbrengen, toe te voegen.

-ocr page 236-

225

Vereer eindelijk door de Communie, althans door de geestelijke Communie, de begrafenis van Jezus. Het zuiver hart is een graf, waarin Jezus gaarne rust. De nederigheid, het geduld, en vooral de liefde zijn specerijen, waarmede Hij begeert, dat men zijn lichaam balseme. Doch, daar Hij zich slechts in het graf laat nederleggen, om glorievol te verrijzen, zoo bid Hem aan uwe ziel eene kracht van verrijzenis mede te deelen, welke zich door een nieuw en geheel hemelsch leven doet kennen.

4-3^ OVERWEGING.

Donderdag in de passieweek.

tweede wijze om wèl mis te hooeen. den priester volgen in de vooenaamste deelkn van het offer.

I. Voorbereiding tot het Offer, 11. Offerande, le deel.

III. Consecratie, 2e deel.

IV, Nutting, 3e deel,

I Punt, Zich vereenigen met den priester in de voorbereiding tot het Offer, Deze begint aan den voet des altaars; de offeraar zou deszelfs trappen niet durven betreden, alvorens de laatste hand aan zijne voorbereiding gelegd te hebben, Jezus-Christus gaat van den hemel afdalen, om zich aan het hoofd ch, m. 15

-ocr page 237-

226

zijner Kerk te stellen, en om te zamen met de geloovigen, welke zijne ledematen zijn, aan God die volmaakte eer te bewijzen, welke Hem verschuldigd is. Hij komt zich aan zijnen Vader, en u met zich-zelven opofferen; zuiver u derhalve allereerst door een volmaakt berouw, ten einde uw aanbiddelijk hoofd minder onwaardig te zijn, en opdat uw offer gunstiger aanvaard worde.

Verneder u dan met den priester; belijd, gelijk hij, uwe zonden in de tegenwoordigheid van God en geheel het hemelsch hot; om des te beter daarvan vergiffenis te bekomen, moet gij dit afsmeeken dooide Onbevlekte Maagd, die steeds zoo medelijdend is voor de arme zondaars, en door alle heiligen, die hunne glorie slechts verkregen hebben, door de overwinning, welke zij over de zonden behaald hebben. Confiteor. Laat de kreet uwer ellende en uwer hoop tot negenmaal toe ten hemel stijgen, door het herhalen van het Kyrie Eleison; doch zing daarna met vreugde het loflied der engelen: Gloria in Excelsis. Glorie aan God, vrede aan de menschen. Ziedaar geheel het verlossingswerk, de vrucht van het offer van het kruis en van het altaar. God vindt daarin zijne glorie, in de gehoorzaamheid, in de vernedering van zgnen Zoon, als boete voor onzen weerspannigen hoogmoed; de mensch vindt daarin zijnen vrede, in zijne vereeniging met God, door dit offer hersteld; in zijne zegepraal over zijne hartstochten, door dit offer verkregen; door het eeuwig bezit des hemels, door dit offer hem verzekerd. O Heer, wat vraagt gij van mij om mij metal deze goederen te verrijken?— dat ik een mensch van goeden wil zij; en mijn wil

-ocr page 238-

227

zal zeer goed zijn, zoo ik dien gelijkvormig maak aan den uwe.

God lovende, prijzende, aanbiddende, neigt gij Hem tot liet aanvaarden uwer smeekbede; de priester noodigt u Hem die aan te bieden: »Laat ons biddenquot;, zegt hij, vereenigen wij onze beden, en hij zelf tusschen hemel en aarde staande, bepleit met uitgestrekte armen uwe zaak en die der geheele wereld, vereenig u met hem; heb vertrouwen, want bij het sluiten van zijn gebed, doet hij tot het oor en het hart Gods een grooten naam weergalmen, doet hij groote verdiensten spreken: Door Jezus-Christus, uwen Zoon, onzen Heer.

Gedurende den Epistel, het Evangelie en het Credo, waardeert de getrouwe geloovige de gave des geloofs en ontvangt gewillig deszelfs lessen. O Heer, uit Avelke duisternis hebt Gij ü gewaardigd mij te trekken en hoezeer beklaag ik zoovele ongelukkiVen, die nog

O O O 7 O

gedompeld liggen in dien diepen nacht! Doe voor hunne oogen dien fakkel schitteren, die mij verlicht. Ja, Heer, met alle macht hecht ik mij aan een godsdienst, waarin ik slechts de openbaring uwer liefde voor de menschen zie. Geloovende wat hij mij leert, wil ik mij onderwerpen aan de wet, die hij mi; oplegt; ik wil, dat die beminnelijke wet uit uw Hart voortgesproten, de regel zij mijner daden en mijns levens.

II Punt. Zich vereenigen wet den priester hij de offerande. Hij verheft de oogen ten hemel en slaat die vervolgens op de offergaven. Door dien twee-voudigen blik, betuigt hij de eenzelvigheid van het slachtoffer op Kalvarië opgedragen, met dat hetgeen

T

-ocr page 239-

228

op het altaar gaat nederdalen, en reeds te voren in zijne hand die vlekkelooze offerande beschouwende, waarvan de verdiensten oneindig zijn, bidt hij den heiligen, almachtigen en eeuwigen Vader, die te ontvangen tot vergiffenis zijner zonden, voor het welzijn van alle geloovigen zoo levenden als dooden, opdat zij allen strekke tot zaligheid en eeuwig leven.

Eigen u dit gebed toe, voeg het offer van u-zelven bij dat der aangeboden offergaven, die weldra zullen veranderd worden in het lichaam en bloed van Jezus-Christus; smeek God u ook te hervormen tot eene gelijkenis van zijnen welbeminden Zoon. Alvorens den kelk op te offeren, vermengt de priester een weinig water met den wijn welken hij daarin heeft geschonken, teneinde de vereeniging van onze natuur, door het water voorgesteld met den persoon van het Woord, door den wijn, voorgesteld, uit te drukken, alsook de vereeniging van alle geloovigen met Jezus-Christus, hun hoofd. Wek in u eene groote begeerte op, om u op inniger wijze met uwen Zaligmaker te vereenigen, u te dompelen in dien oceaan van volmaaktheden, opdat uwe ziej geheel als in de zyne verloren, eene geheel goddelijke ziel worde.

III Punt. Zich vereenigen met den priester hij de Consecratie. Wij hebben in dit tweede deel der Mis drie zaken te overwegen, de prsefatie, of de inleiding tot de groote handeling des offers, datgene wat de Consecratie onmiddellijk voorafgaat, en wat haar volgt tot aan het Pater noster:

Na den geest van gebed in de ziel der geloovigen te hebben opgewekt: Orate Fratres, heeft de priester als het ware afscheid van hen genomen en trekt

-ocr page 240-

229

zich in diepere ingekeerdheid terug. Hij bidt met zachte stem de stille gefceden. Als hij die stilte verbreekt, vau waar komt hij dan? Wat zegt hij? Hij spreekt slechts van de eeuwige zaken. Per omnia scecula sceculorurn. Indien hij de omstanders nog groet: De Heer zij met u, zoo geschiedt dit zonder zich naar hen te keeren, zoozeer vreest hij de verstrooiing, en slechts om hen te noodigen de aarde te verlaten, Sur sum Corda... De harten omhoog. — O hoe gaarne hoort hij het antwoord. — Wat gij vraagt is reeds geschied: Hahemus ad Dominum...\'. Dan betaalt bij in aller naam de schuld van dankbaarheid door allen aangegaan. Hij dankt God door zijnen Zoon, die zelf de kostbaarste van al zyne gaven is; vervolgens vermaant hy ons onze stemmen, onzen lof, onze aanbidding te vereenigen, met die der gelukzalige geesten, ten einde met hen hier beneden te zingen, wat wij hopen eeuwig te doen weergalmen: »Heilig, heilig, heilig is de Heer de God der heerscharenquot;.

Doch wederom is hij in zijne geheimzinnige stilte wedergekeerd. Verdubbel, gelijk hij , uwe aandacht, uwe vurigheid. Stel uwe smeekbeden voor aan den goedertierensten God, en hoop vol vertrouwen: de koningin des hemels, de apostelen, de heiligen zullen niet weigeren voor u ten beste te spreken, daar gij de mis opdraagt als dankoffer voor al de weldaden en de glorie, waarmede God hen overladen heeft. Stel dus geene grenzen aan uwe begeerten. Bid voorde Kerk, voor haar hoofd, voor hare bedienaars, hare ledematen, voor al degenen met wie gij door de banden van liefde vereenigd zijt. In zulke gunstige

-ocr page 241-

230

oogenblikken als gij alles moet hopen, moogt gij ook alles durven vragen.

Het indrukwekkend oogenblik is daar. De priester spreekt niet meer in zijnen naam, noch in den naam der Kerk, hij gebruikt de eigen woorden van Jezus-Christus en handelt door zijne kracht. Het geheim der verandering van zelfstandigheid is geschied. Getrouwe ziel waar zijt gij ? Als de priester de Hostie opheft en u ter aanbidding biedt, meent gij dan niet u op Kalvarië te bevinden, ziet gij geene stroomen vf n genaden vloeien uit de wonden van het heilig slachtoffer, en zich over geheel het mensch-dom verspreiden ? Is het nog noodig dat Jezus u zegge: Doet dit ter mijner gedachtenis....? Kunt gij zijn lijden vergeten, wanneer gij daarvan zulk eene levendige voorstelling voor oogen hebt? Offer aan de goddelijke Majesteit deze heilige, zuivere, onbevlekte offerande. In zich-zelve behaagt zij Hem altijd oneindig; maar helaas! door wie wordt zij Hem aangeboden? O Heer! wij bidden U, scheid ons niet af van onze offerande. Beschouw ons om harentwil met een genadigen blik, doe nog meer o mijn God en opdat alles in ons offer U aangenaam zij, zoowel de gaven als de handen die ze U bieden, zoo gedoog dat Jezus, onze opperpriester, ü zelf Jezus, ons slachtoffer aanbiede, opdat wij verdienen mogen, met alle genade en hemelsche zegening te worden vervuld.

De Kerk denkt aan alles, en in deze oogenblikken waarin zij zooveel tranen kan drogen, deukt zij aan hare kinderen, welke in de vlammen des vage-vaurs van hare vlekken gereinigd worden. Volg

-ocr page 242-

231

hare medelijdende liefde na. Doch smeeken wij ook voor ons dien schoonen hemel af, dien wij voor hen vragen. Nobis quoque. Wel is waar, wg verdienen hem niet, want wij zijn zondaars, ook is het niet van uwe rechtvaardigheid, dat wij hem durven hopen, doch van uwe oneindige barmhartigheid. Wij vragen U al de glorie niet, waarmede Gij uwe groote dienaars bekroond hebt, doch slechts eenig deel daarvan. Partem aliquam.

IV Punt. Zich vereenigen met den priester hij de Nutting. Het gebed des Heeren begint met ons hiertoe van nabij voor te bereiden. Alvorens het uit te spreken, herinnert de priester ons deszelfs uitmuntendheid en goddelijken oorsprong. Divina institutione formati. Zouden wij uit ons-zelven God onzen Vader hebben durven noemen? O hoe machtig is dit gebed, vooral als Jezus, op het altaar vernietigd, dit met ons en voor ons bidt. Moeten wij de heiliging van den naam Gods, het rijk zijner genade, niet hopen, dat rijk dat ons het rijk zijner glorie bereidt, moeten wij dan de vervulling van zijnen wil, al de hulp, die onze nood behoeft, de vergiffenis onzer zonden, de verlossing van alle kwaad niet vertrouwvol verwachten?

Een zuiver en vreedzaam hart, ziedaar watJezus zoekt tot woon en dit is het voorwerp der gebeden van den priester tot aan de voltrekking van het offer door de Communie. Hij wenscht den geloovigen den vrede, als hij met het slachtoffer, dat den hemel met de aarde verzoend heeft, in de hand, zegt: »De vrede des Heeren zij met u.quot; Dezen wenschen hunnerzijds dien vrede aan den priester toe, door

T

-ocr page 243-

232

liet antwoord: »En met uweu geest.quot; De priester gaat voort. Lam Gods dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm U over ons en geef ons den vrede. O priester, o geloovigen, verlangt vooral dien onverbreekbaren vrede, dien gij zult genieten in den liemel, in den schoot van God, na den strijd van dit leven, het lichaam, het bloed van den Zaligmaker, dat gij gaat ontvangen, strekken u tot onderpand. Communiceer ten minste in den geest, indien gij niet werkelijk communiceeren kunt, doch vergeet niet, dat bij zulk eene weldaad, de voorbereiding niet te vroeg kan beginnen, noch de dankzegging te lang kan duren. Ontvang eindelijk alvorens het heiligdom te verlaten, nog eene kostbare gunst. De priester heeft voor de laatste maal het altaar gekust, en zich met het hart, den mond en de handen vol zegening-tot het volk keerende, stort hij die uit over al de kinderen der Kerk, doch bijzonder over de verzamelde menigte. Benedicat vos Omnipotens Dens etc.

Verscheidene dagen hebt gij thans nagedacht over het onuitsprekelijk geheim van het kruis, op het altaar voorgesteld en voortgezet. Verwijt uw geweten u niets ten opzichte van een zoo belangrijk onderwerp? Hebt gij begrepen, dat het bijwonen dei-Mis eene deelneming is aan eene handeling, die het meeste glorie aan God, het meeste nut aan de men-schen toebrengt? dat gij het moet bijwonen als bedienaar om met den priester te offeren, als slachtoffer om zelf op geestelijke wijze opgeofferd te worden ? Welke besluiten zult gij hieruit trekken?

-ocr page 244-

233

T

44^ OVERWEGING.

Vrijdag in de Fassieiveek.

maria aan den voet van het kruis.

I. Hare liefde tot Jezus-Christus doet ons haar lijden begrijpen.

II. Haar lijden doet ons bare liefde tot de menschen begrijpen.

1. Stellen wij ons Maria onder bet kruis voor, gelijk de H. Kerk baar ons beden toont. Stabat Mater.

2. Ik bid U, o beilige Moeder, druk diep in mijn bart de wonden van uwen gekruisten Jezus.

I Punt. Zoo groot de liefde van Maria tot Jezus was, soo groot ivas haar lijden aan den voet van het kruis. Hoe inniger zij den aanbiddelijken Lijder bemint, boe meer zijne smarten baar doen lijden. En welke is die liefde? Het is de liefde van de teederste der moeders voor baren Zoon, van bet heiligste aller schepselen voor haren God.

1. De liefde eener moeder, neen, de natuur kent geene liefde zoo teeder als deze. Eene moeder leeft, lijdt, verheugt zich in baar kind als in zich-zelve. Hooren wij boe de Kananeesche vrouw tot den Zaligmaker zegt. Heb medelijden met mij, mijne dochter wordt wreedelijk van den duivel gekweld. Dus zal men medelyden \'met haar hebben, als men dit met hare dochter heeft. Toen God Maria schiep, bestemde Hij haar niet slechts om moeder te zijn, doch om de Moeder te zijn van zijn menschgeworden Woord,

-ocr page 245-

234

Hij gaf haar het volmaaktste moederhart, dat is het innigst liefhebbende hart. Daarenboven verdeelde nooit de minste ongeregelde drift, als gevolg der erfzonde, haar onbevlekt hart, nooit beminde zij wat zij niet beminnen mocht. Daarenboven had ook nooit eenigen zoon zoo vele bekoorlijkheid voor zijne moeder, hetzij Maria zijne groote hoedanigheden, of de verheven weldaden, die zij van Hem ontvangen had, beschouwde. Hoeveel was zij Hem niet verschuldigd? Is er een barer voorrechten, dat niet hetzij als oorzaak, hetzij als gevolg aan het goddelijk moederschap verknocht is? Zij beminde Hem als haren Zoon, doch daarenboven beminde zij Hem:

2. A Is haren God. Bij de vlammen der moederliefde, paarde zich in haar Hart al het vuur der liefde tot God. Het is de meening der meest gezaghebbende leeraren, dat van af het oogenblik barer onbevlekte ontvangenis, hare liefde tot God die der Serafijnen overtrof. Deze liefde nam voortdurend toe èn door het innig verkeer, dat zij gedurende drie en dertig jaren hield met Hem, die slechts op aarde gekomem was om er het vuur der goddelijke liefde te ontsteken , èn door hare bewonderenswaardige getrouwheid aan de genade, die zij ieder oogenblik ontving, eene getrouwheid, welke ook voortdurend door eene vermeerdering van goddelijke liefde beloond werd. Met zulk een hart beminde Maria Jezus. Dringen wij van daar door, tot die zee van droefheid, waariu zij gedompeld werd, toen zij het begin des lijdens hoorde, terwijl zij het volgde en vooral toen, zij deszelfs voltrekking op Kalvarië bijwoonde.

-ocr page 246-

235

Zoodra zij vernam wat er \'s naclits iu den hof van Olijven plaats gevonden had, wat er gebeurd was in het huis van Kaïphas, ach, hoezeer betreurde zij het bloedig zweet van haren Zoon niet te hebben kunnen afwisschen. Ach, ware zij daar geweest, om als een troostende engel, zoovele beschimpingen te vergoeden door hare aanbiddingen, zooveel wreedheid door hare teederheid... Zij haast zich om Hem te gaan opsporen. Helaas, waar en hoe zal zij Hem vinden ? Zij ziet het volk naar het pretorium stroomen, toen men hoorde, dat Hij zou gegeeseld worden! Zij hoort het gedruisch der geeselroeden, welke de ledematen van haren Jezus verscheuren ; later het slaan der hamers, welke de nagels in zijne handen en voeten drijven!

Doch het is vooral aan den voet van het kruis, dat zij de koningin der martelaren wordt, en dat hare smarten tot deszelfs toppunt gevoerd worden. Neen, het zijn niet meer, gelijk in de Besnijdenis, eenige druppelen bloeds, die zij kon stelpen, het is een stroom van het goddelijk bloed, dien zij uit zijne ontelbare en diepe wonden ziet vloeien. Wel verre van haren dierbaren Zoon eenige verlichting te kannen verschaffen, is zij voor Hem eene vermeerdering van lijden. O Zoon, o Moeder, welk eene ebbe en vloed van smart tusschen twee zoo innig vereenigde zielen-Zij wonden elkander door hare wederzijdsche smart, het zijn twee brandende vuurstapels, welke hunne vlammen vermensen.

o

Men hoort als de klacht van Maria met die van den stervenden Jezus »Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? Doch, ondanks die verlaten-

-ocr page 247-

236

heid, beveel ik, altijd aan uwen wil onderworpen, mijne ziel met die van mijnen Zoon, mij duizendmaal dierbaarder dan de mijne, in uwe banden.quot; Aldus wordt alles geslachtofferd. Consummatum est. Mengen wij onze tranen met die dezer diepbedroefde Moeder; betreuren wij, dat wij zoo vaak voor baar de oorzaak waren dezer bittere droefheid, doch zoeken wij daarna hierin de beweegreden tot onzen zoetsten troost.

II Pukt. Het lijden van Maria op Kalvarië, is het bewijs en de maat har er liefde tot ons. Begrijp uit hetgeen zij doet, de kracht dezer liefde, begrijp tevens wat haar stervende Zoon doet, om die nog te vermeerderen.

1. De H. Thomas meent, dat God de volstrekte toestemming der H. Maagd vraagde, om Jezus Haar

O O O \'

te ontnemen, gelijk Hij die gevraagd had om Hem Haar te schenken; dat zij moest toestemmen in het bloedig offer van Kalvarië, gelijk zij had toegestemd in zijne menschwording in haren maagdelijken schoot. Dan hoe? Was er dan in den hemel of op de aarde een belang, in staat in het hart van zulk eene moeder het verlies te vergoeden van zulk een Zoon, en dat wel door zulk een gruwelijken dood? Ja, het belang onzer zaligheid; zoozeer heeft Maria de wereld bemind. (1) De liefde van Maria voor Jezus was haar beul! hare liefde voor ons was haar steun. Op het oogenblik, dat de engel Haar had aangekondigd zij Moeder des Verlossers zou worden, had zij gezien wat haar deze glorievolle waardigheid zou kosten, thans ziet zij het in het smartelijkst licht, zij gevoelt

(1) H. Bonav.

-ocr page 248-

237

het op de verpletterendste wijze. Doch dezelfde toewijding aan ons geluk, welke Haar reeds zoo vele pijnlijke beproevingen had doen onderstaan, versterkt Haar in dit hartverscheurend oogenblik.

Wat zij den engel Gabriël gezegd had, bij het aanvaarden van het goddelijk moederschap, herzegt zij aan God in hare vlijmende smart. »Mij geschiede naar uw woordquot; of wel zij zegt met Jezus en met dezelfde gevoelens: »0 mijn Vader, indien deze kelk van mij kan gaan, zonder dat ik er al de bitterheid van ledige! Beschouw het aanschijn van uwen Christus, van uwen en mijnen Zoon! Heeft Hij niet genoeg geleden? Is uwe rechtvaardigheid niet voldaan? Ach zoo Gij Hem, zoo Gij zijne arme Moeder, dien laatsten ademtocht, welke Hem overblijft, kondt sparen!.... Doch kan de verlossing der menschen niet overvloedig zijn, tenzij Hij den laatsten snik hier onder mijne oogen geve, dat dan uw wil geschiede en niet de inyne: Non mea voluntas, sed tua fiat?

De Zaligmaker wachtte dit oogenblik af, waarop de liefde van Maria door het hoogste offer, haar hoogsten graad van volmaaktheid zou bereikt hebben, om Haar te bekleeden met de rechten en den titel van onze Moeder Ecce filius tuus,... ecce mater tua. Doch welken nieuwen indruk moest deze laatste wilsbeschikking haars Zoons ten onzen opzichte op Haar maken?

2. Indien zij tot dusverre voor ons onverschillig geweest ware, zouden dan zulke woorden in dusdanige omstandigheden tot haar gesproken, haar niet , de vurigste moederliefde voor ons hebben ingeboe-

i

-ocr page 249-

238

zemd ? Het is haar stervende Zoon, die tot haar zegt: »Vrouwe, om uwe gevoeligheid te sparen, spreek ik u niet aan met een zoeten naam. Gij ziet wat ik voor de menschen heb gedaan en hoezeer ik verlang hen gelukkig te maken; ik stel hunne belangen in uwe handen. Wees hunne moeder, bemin ze eenigermate, gelijk gij mij bemind hebt. Ziedaar Joannes, mijn leerling, beschouw in hem al mijne leerlingen, bemin Mij in hen door ze om mijnent wil te beminnen. Ecce jilius tuus.quot; Wanneer men nu overweegt, hoezeer de H. Maagd ons reeds liefhad, welk denkbeeld vormt men zich dan van die buitengewone vermeerdering van liefde, welke deze laatste aanbeveling van den stervenden Jezus in haar teweeg bracht? Dat eene andere moeder hare kinderen vergete, Maria vergeet nimmer de hare. Troosten wij die Moeder van Smarten, vervangen wij zoo veel mogelijk de plaats van den aanbiddelijken Zoon, dien zij voor ons opoffert, doch wachten wij ons vooral van haar nog meer te bedroeven, door aan, hare teederheid te twijfelen. Eia Mater, fons amoris, me sentire vim doloris, fac, ut técum hifjearn. Fac, ut tihi complaceam.

-ocr page 250-

239

45stc OVERWEGING.

Falm-Zondag.

zegevikiiende intocht van jezus in jeruzalem.

beschouwing.

I. De personen beschouwen.

II. De woorden aanhooren.

III. De handelingen overwegen.

1. Stellen wij ons den weg voor van Bethphage naar Jeruzalem, waarop kleederen liggen uitgespreid en die geheel met groen bestrooid is, benevens de menigte, welke den Heer omgeeft.

2. Vragen wij Jezus de genade wel te beseffen, hoe weinig men kan rekenen op de glorie, welke ons van de menschen gegeven wordt; smeeken wij Hem, zegevierend in ons hart te willen treden en daar zijn woon te vestigen.

I Punt. De personen hesclwuwen. Jezus de aanbiddelijke overwinnaar. Hij komt van Bethanië uit het huis van Lazarus, alwaar Hij eene familie, die Hij in rouw had gevonden, in de verrukking der reinste vreugde verlaten heeft. Na gaat Hij zich schenken aan de blijdschap van een volk, dat Hem voor den lang beloofden Messias, of althans voor een groot profeet erkent. Bewonder de kennis, welke Hij heeft, zoowel van de toekomst als van het tegenwoordige, zoowel van de gebeurtenissen, die afhankelijk zijn van een eigen wil, als van die, welke het gevolg zijn eener noodzakelijke oorzaak, als Hij twee zijner leerlingen zendt naar een naburig dorp en

I

-ocr page 251-

240

hun zoo duidelijk voorzegt, wat zij zullen oatmoeteii. Bemerk zijne zachte en liefelijke majesteit te midden dezer onvoorbereide hulde, welke een kinderlijken eenvoud ademt. Hij is even kalm bij deze eerbetuiging, als Hij het weldra te midden der verguizing en schande zijn zal Zonder ongevoelig te zijn voorde bewijzen van toegenegenheid, welke Hij ontvangt, denkt Hij aan de onstandvastigheid van het men-schelijk hart. De apostelen, die hun meester omringen en een levendig deel nemen in de zegepraal waarvan Hij het voorwerp is. Bestaat er voor eene ziel, welke innig vereenigd is met Jezus-Ghristus, vooral in hoedanigheid zijner Bruid, eene zoetere voldoening, dan Hem gekend, bemind, aanbeden te zien ? Zicli geheel vereenzelvigende met Hem, bedroeft zij zicb als men Hem beleedigt, verheugt zij zich Hem verheerlijkt te zien. Het volk, dat Hem deze zegepraal bereidt. Het is saamgesteld uit inwoners van Jeruzalem, en uit vreemdelingen, aldaar voor bet Paaschfeest saamgestroomd. De eenen waren reeds zijne leerlingen, de anderen waren geneigd in Hem te gelooven, om de mirakelen, welke zij Hem hadden zien verrichten of welke zij hadden hooren verhalen. Allen waren onder den gunstigeu indruk, door de opwekking van Lazarus teweeggebracht. Beschouw de vreugde op ieders gelaat en verheug ook gij u, omdat men eindelijk uwen god-delijken Koning recht doet wedervaren.... Doch waar is Maria? Waarom deelt zij niet in de glorie vau haren Zoon? Zij was bij Hem in de kribbe, zij zal Hem vergezellen op Kalvarië, doch op den dag zijner glorie verschijnt zij niet. Zij moet mij leeren

1:

-ocr page 252-

241

dat Let verborgen leven, de begeerte om voor de mensclien onbekend te zijn, de zekerste weg is innig met God vereenigd te blijven en voortgang te maken in zijne liefde. Zij moet, door haar voorbeeld mij opwekken, om gedurende dit leven aan liet lijden toegewijd, niet te zoeken wat de natuur vleit, doch wat haar kruisigt.

II Punt. De woorden aanhoor en. Zij, die te midden van dit volk, thans vrij in deszelfs ontboezeming, zich de leerlingen des Zaligmakers toonen, vormen groepen, verkondigen zijnen lof, verhalen de wonderen , die zij gezien, de weldaden, die zij ontvangen hebben.... Zij deelen hunne gevoelens mede aan die scharen volks, en weldra zingen de groepen die voorafgaan met hen, die volgen, om strijd den lof des Heeren en zegenen den Zoon van David, die komt in zijnen naam. Doch de blijdschap der goeden maakt de kwelling uit van de boozen, en de lof des Heeren is de foltering der goddeloozen. De Pha-rizeërs kunnen hunnen nijd niet verbergen, tegenover die betuigingen van achting en liefde aan Jezus betoond; zij zouden willen, dat Hij zelf zijne leerlingen deed zwijgen. Hij antwoordt hun, dat zoo zij zwijgen, de steenen in hunne plaats zullen spreken, en inderdaad zij hebben gesproken, die steenen; zij hebben hunnen kreet geslaakt bij den dood huns meesters, toen de apostelen stom bleven; hunne stem werd gehoord; zij heeft de harten getroffen en hen gedwongen te erkennen, dat Hij, die gekruist was, waarlijk Gods Zoon was. O Jezus, zal de mond uwer vrienden gesloten blijven om U te loven, als die uwer vijanden overvloeit van godslasterende ch. ui. 16

-ocr page 253-

242

en ergerniswekkende woorden ? Geef, dat wij moedig spreken, als het er op aankomt de belangen uwer eer te verdedigen; maak vooral, dat de heiligheid van ons leven eene stem zij, die uwe vijanden be-schame en uwe vrienden stichte.

III Punt. De handelingen overwegen. Na het vertrek uit Bethanië maken de beide leerlingen, die Jezus naar het naburig dorp zendt, en die Hij zelf belast Hem zijn nederig rijdier te gaan halen, geene de minste aanmerking omtrent een gebod, dat hun vreemd, onvoorzichtig, ja zelfs onbillijk kon toeschijnen. Het denkbeeld, dat zij zich van hun Meester vormen, veroorlooft hun eene dergelijke gedachte niet. Zij vertrekken onmiddellijk, en deze gehoorzaamheid is het voorspel van die, welke Hij van hen zal eischen, als Hij hun zal gebieden te gaan en alle volkeren te onderwijzen, hunne kluisters te verbreken, en ze tot Hem te voeren, opdat zij dienen tot zijne groote en eeuwige zegepraal.

Zoodra het volk te Jeruzalem vernomen heeft, dat Jezus in aantocht is,, snelt het Hem te gemoet. Als men Hem van verre ziet aankomen, maakt een onbeschrijfelijke geestdrift zich van hen meester, zij snijden palm- en olijftakken van de boomen, en houden die in de hand als teeken van blijdschap. Ieder doet wat hij kan, om den Koning van Israël, den afgezant des Heeren te vereeren. De eenen trekken hunne kleederen uit en spreiden ze op den weg, anderen bestrooien dien met takken en bladeren.... Jezus komt, treedt Jeruzalem binnen en gaat naar den tempel, te midden der toejuichingen eener steeds aangroeiende menigte, die niet moede wordt

-ocr page 254-

243

Hem te loven. Deze zegevierende intocht is het beeld van een andere, die den goddelijken Verlosser nog veel aangenamer is, als Hij door de H. Communie treedt in een hart, waaruit de zonde Hem verbannen had. De palmen zijn het zinnebeeld der overwinningen door die ziel behaald; de op den weg uitgespreide kleederen beteekenen de ondeugden, waarvan zij zich met de hulp der genade ontdaan heeft, ten einde minder onwaardig te zijn haren God te ontvangen. Op het oogenblik, dat Hij deze levende tempels binnentreedt is het hemelsch Jeruzalem in blijdschap. De engelen zingen de glorie van Jezus en wenschen den zondaar geluk, die wederom het voorwerp zijner liefde geworden is.

Samenspraak met Jezus. Hem verheerlijken, Hem aanbidden met al de heiligen en engelen des hemels, met al de rechtvaardigen der aarde. Hem bedanken omdat Hij tot ons gekomen is, vol zachtmoedigheid, in het geheim zijner menschwording, omdat Hij er op eene nog zoetere wijze wil binnentreden door de H. Communie. Vragen wij Hem de genade Hem onwrikbaar getrouw te blijven, ten einde wij Hem mogen loven, nu, altijd en in alle eeuwen der eeuwen.

-ocr page 255-

244

46ste OVERWEGING,

Maandag in de goede iveek.

zegevierende intocht tan jezus christus in onze harten door de h. communie.

I. Hoezeer de Heer deze zegepraal verlangt.

II. Hoezeer wij die moeten begeeren.

1. Stellen wij ons onzen Heer voor, als Hij voor de eerste maal spreekt van liet geheim van het H. Sacrament, en de verwondering van degenen, die Hem aanhooren.

2. Bidden wij Jezus ons te verlichten omtrent dit treffend geheim, en ons met een volmaakt geloof, eene groote liefde voor de heilige Communie te geven.

I Punt. Jezus verlangt vurig zich door de heilige Communie met ons te vereenigen. Wanneer men door een vasten wil en eene vurige begeerte wordt aangezet een plan te volvoeren, schijnt geen enkele hinderpaal ons onoverkomelijk, geene enkele opoffering schrikt ons af, geen enkel middel wordt verzuimd. De volgende overwegingen zullen ons eenig begrip geven van de begeerte, welke Jezus-Christus aanzet door het Sacrament zijner liefde in onze harten te komen.

1. Vooreerst een Godmensch, levend en onsterfelijk, die zich den menschen tot voedsel geeft en hun toelaat, hun beveelt zijn vleesch te eten, zijn bloed te drinken. Het verstand verstomt bij deze enkele uitspraak. Wat kan men uitdenken, dat meer onmogelijk schijnt van den kant van God en van

-ocr page 256-

245

onze zijde ? Wie zijn wij, Heer, en wat zijt Gij, dat Gij er aan denkt ons door zulk eene nauwe verbintenis te eeren ? Het voedsel dat ik neem , wordt eene zelfde zaak met mij, hoe nu kan de Schepper van het heelal eene zelfde zaak worden met het niet? Gij zegt: Ik ben het leven van hem, die mij eet... Leven door uw leven, mijn God, is gewis de grootste, glorie, het kostbaarste aller goederen, doch hoe zal het mij mogelijk zijn U te nuttigen. De hemelsche machten sidderen voor TJ, hoe kunt Gij tot nietige schepselen zeggen: gt;Neemt en eet, dit is mijn lichaam, drinkt, dit is mijn bloed?quot;

»Ja,quot; antwoordt mij de Zaligmaker, »deze uit-noodiging doe ik aan al mijne leerlingen, en zij verbaast hemel en aarde. Ja, ik wil u toebehooren, gelijk het brood, dat u voedt, gelijk de drank, die uwen dorst lescht. Wel is waar zal ik, om tot de vervulling dezer begeerte te geraken, de kracht van mijnen arm moeten toonen, de wonderen moeten vermenigvuldigen. om de hinderpalen, welke mijne begeerten in den weg staan, te verwijderen. Het is door mij, dat de koningen regeeren en ik zal moeten gehoorzamen, niet gedurende eenige oogen-blikken, maar gehoorzamen tot bet einde der wereld. Ik zal, op de stem mijner dienaren, stoffelijke zelfstandigheden moeten vernietigen, zonder iets aan hare gedaanten te veranderen. Ik zal mij terzelfder tijd moeten bevinden op duizend altaren, in millioenen hostiën, zonder iets van mijne eenheid te verliezen; men zal deze hostiën moeten kunnen breken, zonder dat ik ophoude ondeelbaar te zijn. Doch al deze mirakelen

-ocr page 257-

246

worden door mijne liefde vereischt, mijne macht zal ze uitwerken.quot; — Er is nog meer:

2. Om dit plan van onbegrijpelijke liefde te bewerkstelligen , moet de Zoon Gods eene lange loopbaan van vernederingen hernemen, welke onbestaanbaar scheen met zijne glorierijke menschheid. Zouden wij Hem tot voedsel hebben durven gebruiken, zoo Hij zich niet hadde verborgen, vernietigd nog meer dan in de geheimen zijner menschwording, zijner geboorte en van zijnen dood. Het is vooral aan zijne tafel, dat Hij een verborgen God zal moeten zijn en, helaas, voor hoevelen zal Hij een miskende God wezen? Hoe vele lichtzinnige of beiligschennende wezens zullen onwaardiglijk eene verborgenheid misbruiken , waartoe Hy verplicht was, ten einde toegankelijk te zijn voor ieder. Doch Hij vreesde meer het vertrouwen der rechtvaardigen te ontstellen, indien Hij een straal zijner glorie liet ontsnappen, dan zich bloot te stellen aan den hoon der boosaardigen door het ontsluieren zijner goddelijke majesteit. Hij zal dan verloochend,• versmaad, verguisd, onder de voeten vertrapt worden. Hij zal zich daaraan moeten onderwerpen, indien Hij zich in die heilige liefde met ons wil vereenigen. Hij voorziet dit. Zijn Hart verwacht er zich op, Hij deinst niet terug voor dien bitteren kelk; alles wijkt voor de begeerte, welke Hij gevoelt één met ons te zijn, en van ieder onzer te kunnen zeggen: hij blijft in Mij en Ik in hem... Ziehier nog eene andere openbaring dezer begeerte. De vereeniging, welke Hij met ons wilde ondergaan, moest onzerzyds vrij zijn; Hij moest onzen wil daartoe trekken, gelijk Hij den zijne hiertoe leidde, Hij

-ocr page 258-

247

moest over onze blinde onverschilligheid zegevieren, gelijk Hij, om zoo te zeggen, had gezegevierd over b zijne oneindige grootheid, door zich te vernederen;

over zijne goddelijke heiligheid, door zich bloot te I stellen aan de aanraking van onzuivere handen en met zonden bezoedelde harten. En welke middelen 1 gebruikt Hij niet om ons aan te zetten, tot Hem p te naderen? Hij noodigt ons tot dit goddelijk gastmaal, dat voor ons zoo groot, zoo aantrekkelijk is. Bij de uitnoodiging voegt Hij een dringend aanhouden, eeu beminnelijke dwang, een heilig geweld. Dit is nog te weinig. Hij gebruikt zijn oppergezag. Hij stelt ons het gebod van zijn vleeseh te eten, zijn 1 bloed te drinken. En kon Hij aan dit gebod, — dat ! de glorie is van zijn Hart, daar het zoo treffend ; de overmaat van zijne liefde bewijst, en de schande is van ons hart, daar wij dit noodig hadden, — kou Hij, zeg ik, aan dit gebod wel eene werkdadiger j\' bekrachtiging geven, dan Hij gedaan heeft: Een gelukkig, een onsterfelijk leven aan hem, die het | getrouw zal nakomen; de eeuwige verdoemenis aan | hem, die zal weigeren zich er aan te onderwerpen. O begeerte, o onoverwinbare liefde van Jezus, hoe wordt gij toch door uwe leerlingen zoo weinig begrepen !

II Pdjïï. Hoezeer moeten ivij zeiven verlangen, dat Jezus door de H. Communie in onze harten trede. De profeet Zacharias riep uit: »Wat heeft de Heer goeds en uitmuntendsquot;, dat Hij zijn volk kan geven, »dan de tarwe der uitverkoornen en den wijn die 1 maagden kweekt.quot; (1) Overwegen wij de godspraak

(1) Zacli. 9, 17.

-ocr page 259-

248

van denzelfden profeet in het Evangelie en zeggen wij tot onze ziel, wat de Heer der dochter van Sion deed aankondigen. Ecce rex tuus venit tibi mansuetus. Mijn Koning komt, Hij komt tot mij, Hij komt voor mij.

Ecce rex tuus, Jezus is mijn Koning, Hij bezit alle koninklijke deugden in den hoogsten graad, doch in dit geheim verduisteren zijne goedertierenheid en zijne zachtmoedigheid voor mij als liet ware den glans zijner overige deugden. Mansuetus. Zachtzinnig was Hij te Bethlehem, bij zijn intreden in de wereld, als Hij zijnen eersten aanbidders toelachte; zachtzinnig was Hij, toen Hij zegevierend Jeruzalem binnentrok; rondom Hem, in Hem, verwekte niets de vrees, alles vraagde vertrouwen, doch nog zachtzinniger is Hij, als Hij door het Sacrament zijner liefde in mijn hart treedt. Men zou meenen, dat Hij de oogen sluit voor mijne gebreken, dat Hij mijne ellende niet zien wil. Hij komt: Venit, zonder te wachten dat ik tot Hem ga, Hij trekt mij door zijne genade, Hij komt niet tot de wereld, niet tot een volk, niet tot eene stad, maar tot mij. Venit tibi. Wel hoe, kent Hij dan mijne diepe onwaardigheid niet? Hoe kan Hij wonen te midden mijner lauwheid, mijner lichtzinnige gedachten, mijner onachtzaamheid, mijner ontelbare onvolmaaktheden? Hij komt voor mij. Wat kan Hij bij deze vereeniging winnen ? Welke reden kan Hij hiertoe hebben, indien zijne goedheid geene reden zocht om wèl te doen.

Ja Heer, in deze zegepraal is alles voor mij. Gij brengt mij het teeder medelijden van uw Hart, de hulp uwer almacht, den schat van al uwe goederen.

-ocr page 260-

249

Gij komt een blinde verlichten, een zieke genezen, een gevangene verlossen, mijner ziel eene volkomen vrijheid wedergeven, door het verbreken van alle banden, welke mij nog aan de schepselen hechten, mij den vrede geven, door al mijne neigingen te onderwerpen aan uwe wet. O Jezus, zuiver mijn hart, versier het met uwe deugden, vestig daarin uw rijk en, als de engelen U daarvan bezit zien nemen, mogen zij dan, bg het herhalen van het hemelsch hosanna, voorzeggen dat uw rijk in mij nooit meer verstrooid zal worden en dat het blijven zal in eeuwigheid. Et regni ejus non erit Jinis!

47ste OVERWEGING.

Dinsdag in de goede week.

JKZUS WEENT OVER JERUZALEM. BESCHOUWING.

I. De personen beschouwen.

II. De woorden aanhooren.

III. De handelingen overwegen.

1. Toen Jezus Jeruzalem genaderd was en de stad zag, weende Hij over haar, zeggende: »Indien ook gij erkendet; toch nog op dezen dag, wat tot vrede dient! doch nu is het voor uwe oogen ver-horgen. Want er zullen dagen voor u komen, dat uwe vijanden u met eenen wal zullen omgeven, en u omsingelen en u benauwen van alle zijden; en

-ocr page 261-

250

zij zullen u tot den grond toe verdelgen, en uwe kinderen in u, en niet eenen steen zullen zij in u op den andere laten, omdat gij den tijd uwer bezoeking niet erkend hebtquot;. (1)

2. Verbeelden wij ons den weg van Betlipliagé naar Jeruzalem, met groen bestrooid en bedekt met eene juichende menigte, in welker midden Jezus in eenvoudige zegepraal voorttrekt.

3. Bid het Hart van Jezus u deel te geven aan die gevoelens van medelijden, Hem door de verblindheid en het eeuwig verderf van zoovele zielen veroorzaakt.

I Punt. De. personen beschouwen. Te Jeruzalem, de vijanden des Zaligmakers en de onverschilligen. Jezus denkt aan hen, aan hunne gevaren, hunne ongelukken, veel meer dan aan de liefdebetuigingen, welke Hij ontvangt. De eersten hooren slechts met verdriet spreken van de opwekking van Lazarus, welke het voorwerp uitmaakt van alle gesprekken, en zooveel achting trekt op Hem, wiens glorie hen verblindt; zij verbitteren zich over de voldoening, welke de bewonderaars van Jezus aan den dag leggen en over hunne naarstigheid om Hem te gemoet te snellen. De tweeden zijn in hunne zaken of genoegens gedompeld; zij hechten slechts weinig belang aan de godsdienstige vraagstukken, en luisteren nauwelijks naar al wat er rond hen omgaat. Zij zijn te zeer aan hunne driften verslaafd, om belang te stellen in datgene wat deze niet vleit, of dat ze hen wellicht zou kunnen storen.

Buiten Jeruzalem. — Die talrijke groepen wedijverende in de betuiging van hunnen eerbied, hunne

(1) Luc. 19, 42 vlgg.

-ocr page 262-

251

Biefde voor den glorierijken Zoon van David, die i u I dies wel gedaan heeft.... De apostelen, gelukkig te bc- den, dat men nu hun lang miskenden Meester audelijk recht doet wedervaren, zijn lof is nu in klier mond, men hoort slechts zegeningen, men ziet slechts vreugdeblijken. — Jezus, wiens tegenwoordigheid deze blijdschap veroorzaakt, en wien al deze lofzangen gelden. Hij alleen vindt eene oorzaak van tranen onder die uitwendige vreugde. Hij beschouwt Jeruzalem en weent. O hoe lichtzinnig zijn \'s menschen gedachten! Ach! hoe vaak vindt eene ernstige ziel,

welke de zaken beschouwt met het oog des geloofs,

reden tot zuchten in dezelfde zaken, welke anderen tot blijdschap stemmen. Jezus weent over de stad,

welke Hem gaat kruisigen, en wij weten, dat Hij met vurigheid haakt naar het oogenblik, waarop Hij voor ons zijn bloed zal storten. Waarom die tranen, wijl iHij verlangt naar dien Moedigen dood, welke Hem I zijne zegepraal gaat verzekeren? Teedere, edelmoedige Ivriend, ziedaar wel uw Hart; uw lijden, dat ons 1 redt, bemint Gg ; onze verblindheid, onze zinsbe-Igoocheling, die ons ten verderve voert, ontlokt U 1 tranen, en, helaas, ons treft niets, noch eigen | ongeluk, noch uwe liefde.

J II en III Pünt. De woorden aanhoor en , de 1 lande- !|l

te | Ungen overwegen. Jezus herinnert zich nog eens al wat Hij gedaan heeft voor die schuldige stad, en wat zij gaat doen, om de maat barer misdaden vol te meten. Hij stelt zich niet tevreden met over liaar te weenen, Hij wil, dat wij de oorzaak zijner tranen kennen. Weldra zal zijne liefde tot die stad zich in deze treffende woorden uiten: Jeruzalem,

net in

die aid lit. m. m. ne in, iet is, a,

311

3n te e-

li;

ü

-ocr page 263-

252

Jeruzalem, c/ij, die de profeten doodt en hen steenigt die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heh ik uwe kinderen willen vergaderen gelijk eene hen hare kuikens vergadert onder hare vleugelen, en gij hebt niet gewild. (1) Nu wordt Hij bedroefd, omdat Hij het nieuwe misbruik voorziet, dat zij van zijne genaden gaat maken door geen voordeel te trekken uit dit bezoek, dat het laatste zijn zal. Ach! zoo gij ten minste op den dag, die uw dag nog is In hac die tud en die nog de dag uwer zaligheid kan zijn, indien gij wildet erkennen wat ik u kom aanbieden, met u den vrede aan te bieden Si cognosesses.... quai ad pacem tibi!.... Hij voleindigt niet, zijue tranen, zijn stilzwijgen zeggen het overige.

De tgd der barmhartigheid is dus voor deze ondankbare stad nog niet voorbij? Neen, doch-weldra zal hij het zijn, het is slechts één dag. Is het geheels leven wel iets anders, in vergelijking met de eeuwigheid? 0 hoe snel gaat het voorbij. Hadde Jeruzalem, het oog openende voor de waarheid, even als die menigte, welke Hem omgaf, Jezus als goddelijken Middelaar ontvangen, waren al derzelver inwoners, volgens hun plicht. Hem te gemoet gesneld, dan ware de zegepraal .van Jezus volkomen geweest. Hij zou zijne vreugde betuigd hebben, in plaats van tranen te storten, en Jeruzalem ware voor immer de welbeminde stad des Heeren, de koningin dei-natiën geweest.

Aldus is er geen zondaar zoo nabij den afgrond, die niet tot God en tot den vrede kan wederkeeren,

(1) Matth. 23 , 37.

-ocr page 264-

253

docli liij moet dit willen. Helaas, zal hij het willen? Jeruzalem blijft hardnekkig. De ongelukkige stad wil noch de goederen zien, die zij verliest, noch de rampen, die zij op zich trekt, noch de euveldaden die zij heeft bedreven, noch de misdrijven, welke zij zal begaan. Zij laat de gelegenheid ter zaligheid ontsnappen: Wat zal haar overkomen? Veniet dies in te. Dagen van toorn zullen volgen op dagen van goedertierenheid, de eeuwigheid Gods zal den dag der menschen vervangen; Hij zal in zijne verontwaardiging hen bezoeken, die Hem niet willen ont-vangeu, toen Hij kwam in zijne liefde? Ziedaar wat het Hart van Jezus met diepe droefheid vervult en Hem doet schreien te midden dier uitboezeming van vreugde, door zijne tegenwoordigheid veroorzaakt. Moesten zijne tranen zelfs de hardvochtigste harten niet vermurwen ? Ik kan begrypen, dat men kan weerstaan aan beloften en bedreigingen, doch hoe kan men weerstaan aan de tranen van eenen God? Wat moet men denken van een misdadiger, die zijn rechter veracht, dan zelfs als zijn rechter hem onder tranen schijnt te zeggen: Spaar mij de smart u te moeten veroordeelen, want gij ziet, dat ik u liefheb.

Leeren wij uit die goddelijke tranen het ongeluk der onboetvaardigheid, de ongeregeldheid onzer hartstochten , de boosaardigheid der zonde, de dwaasheid der aardsche vreugde, doch vooral het liefdevol medeleden van het Hart van Jezus-Christus.

-ocr page 265-

254

4:85te OVERWEGING.

Woensdacj in de goede week.

jezus wascht de voeten zijner leerlingen.

beschouwing.

I. De personen beschouwen.

II. De woorden aanhooren.

III. De handelingen overwegen.

1. Stellen wij ons het Cenakel voor, gelijk Jezus het tevoren had aangeduid, eene groote eetzaal behoorlijk versierd, en den goddelijken Meester aan tafsl met zijne leerlingen.

2. O Jezus, geef mij de genade uwe voorbeelden na te volgen, en de lessen van nederigheid en liefde, welke Gij ons in dit geheim geeft, in beoefening te brengen.

I Punt. De personen heschouwen. Jezus-Christus, Hij kent zijn opperst gezag, zijne volstrekte heerschappij. Hij weet wat Hij is, vanwaar Hij komt, waarheen Hij gaat. Zal Hij zich hierop iets laten voorstaan, om gebiedend de eerbewijzing, die men Hem verschuldigd is, te vorderen? Neen, doch slechts om meer kracht te geven aan de les van nederigheid, die Hij ons wil geven. Hij staat op van tafel... Zijn goddelijke persoon schijnt in dit oogenblik nog meer verheven dan gewoonlijk. — De apostelen in het algemeen, zij zijn oplettend, eene zekere nieuwsgierigheid staat op hun gelaat te lezen. Zij schijnen als een voorgevoel te hebben van het groote geheim, dat gaat voltrokken worden. Petrus,

-ocr page 266-

255

hoe verward, lioe ontsteld is hij, als hij Jezus ziet naderen en zijn goddelijken Meester zich gereed ziet maken, hem de voeten te wasschen. — Judas, hoe koud, hoe onverschillig zit hij daar: hij schijnt nadenkend en ongevoelig te midden zijner diep ontroerde broeders. Volgen wij met zorg alles wat gebeurt, en laat ons geen enkelen penseeltrek verliezen van een zoo hartroerend en indrukwekkend tafereel.

11 Punt. De woorden aanhooren, de handelingen overwegen. Als het avondmaal geëindigd is: Coend facta en terwijl de Apostelen nog aan tafel zitten, staat Jezus op. Hij legt zijne kleederen af, omgordt zich met een linnen doek, giet water in een bekken... Wat gaat Hij doen? Hoe groot was de verwondering dergenen, welke deze voorbereidselen zagen, en hoe groot moet onze verwondering zijn, als wij er over nadenken. Hoe! de Schepper van het heelal, de Opperheerscher van hemel en aarde, zet zich neder aan de voeten der menschen, verricht ten hunnen opzichte het werk eens dienaars... Weet Jezus dan niet, dat Hij God van God is, in alles gelijk aan zijnen Vader. Weet Hij niet dat zijne heilige mensch-heid verheerlijkt zal worden, dat zijn Vader tot Hem zeggen zal: Zit neer aan mijne rechterhand, totdat ik uwe vijanden gesteld heb tot voetbank uwer voeten? Hij weet het; vergeten wij zeiven dit niet, opdat de gedachte aan zijne grootheid ons helpe om dieper te dringen in het geheim zijner vernederingen.

Hij komt dan tot Simon Petrus, knielt voor hem neder.,... doch Petrus staat beschaamd op, en zelf nederknielende roept hij uit: Heer, wascht gij mij

-ocr page 267-

256

de voeten ? Dornine tu mihi lavas pedes. Heer, Gij dien ik aanbid als den Christus, den Zoon van den levenden God. Zoudt Gij ü vernederen tot het wasschen mijner voeten en ik zou dit dulden! Jezus antwoordt hem: Wat ik doe, weet gij thans nog niet, maar gij zult het daarna weten. Hoevele zaken zijn verborgen in Gods beschikkingen ten onzen opzichte. Laten wij zijner voorzienigheid alles over, onderwerpen wij ons, laat ons aanbidden. De tijd, doch nog meer de eeuwigheid zullen ons openbaren wat nu een geheim voor ons is. Bij deze woorden ziet Petrus Jezus aan. Een oogenblik is hij besluiteloos, doch weldra kan hij de gedachte niet dulden, dat zijn meester hem zulk een dienst bewijzen zal, en hij zegt: »Gij zult mij in eeuwigheid de voeten niet wasschenquot;. Dit was de weerstand overdrijven. Erkennen wij ons de weldaden van God onwaardig, doch waar Hij beveelt, is onze eenige plicht te gehoorzamen. De nederigheid, welke zijne gaven weigert, als Hij ze aanbiedt, ontaardt in hoogmoed en laatdunkendheid. Jezus antwoord eindigt den strijd. »Indien ik u niet wassche, zult gij geen deel hebben met mijquot;. De bedreiging was vreeselijk; van Jezus gescheiden worden, geen deel meer hebben aan zijn koninkrijk.... Bij deze gedachte siddert Petrus en roept uit: »Heere! niet alleen mijne voeten maar ook handen en hoofdquot;. Hier wijst de Zaligmaker op een ander uiterste, en onderricht de vreesachtige zielen aan wie geene volbrachte boete voor het verleden, geene biecht, geene voorbereiding voldoende schijnen. »Die zich gebaad heeft, heeft niet van noode dan zich de voeten te wasschen, maar hij is geheel rein.quot;

-ocr page 268-

257

Toen wiesch de Zoon Gods de voeten van het hoofd zijner apostelen, en liet hem smeltend in tranen, vlammend van liefde, met het hart vervuld van de zuiverste en zoetste vertroosting. Ziedaar de vruchten der gehoorzaamheid, de onafscheidbare gezellin der nederigheid.

Van Petrus gaat de Heer over tot de anderen; Ik zie Hem zelfs aan Judas voeten. Deze rampzalige wordt niet getroffen, noch door den toestand, waarin hij den Zoon Gods ziet, noch over dien, waarin hij weet dat Jezus hem ziet. Hij beschouwt rustig den Heer der Heeren nedergeknield aan zijne voeten, welke Hij afwascht en afdroogt. Zooveel goedheid, zooveel toegevendheid vermurwt zijn hart niet. Het mijne, helaas, is niet minder ongevoelig? In welken toestand zie ik dagelijks mijn aanbiddelijken Verlosser in het Sacrament onzer altaren ? Beroofd van al den luister zijner godheid, van de gedaante zelfs zijner menschheid, verbergt Hij zich onder een nederigen sluier, om mg tot voedsel te verstrekken. De christenen, wier geloof levendig, wier hart zuiver is, geven, zich over, als zij Hem aldus vernederd, aldus beminnend zien, aan liefdevervoeringen, storten tranen van godsvrucht, en ik... ik ontvang Hem, ik bezit Hem in mg, zonder de minste verteedering gewaar te worden. 0 Jezus, genees mijne ongevoeligheid, zoo zy U beleedigt; zoo zij mij slechts met schaamte overdekt, geef mij dan de genade mij er met geduld aan te onderwerpen. Judas had een woord gehoord, dat hem het hart had moeten doorboren. »Gij zijt rein, doch niet allen.quot; De verrader is aldus ontdekt, hij kan er niet meer aan twijfelen, het is ter zijner CH. III. 17

-ocr page 269-

258

waarschuwing, dat Jezus aldus spreekt, en koevele inwendige waarschuwingen zijn hem reeds gegeven, om hem te verplichten in zich-zelven te treden! Alles te vergeefs! de goddelijke barmhartigheid, welke hij verstoot, maken hem steeds hardnekkiger. De Zaligmaker, zijne kleederen hernomen hebbende, zet zich weder op zgne plaats en geeft aan allen deze ernstige les: »Weet gij wat ik u gedaan heb?quot; Velen zullen er van hooren spreken, zonder het te begrijpen, doch gij, mijne leerlingen, begrijpt gij het? »Gy noemt mij Meester en Heer; en gij zegt wel, want ik ben het. Indien dan ik uwe voeten gewasschen heb, ik uw Heer en uw Meester, zoo moet ook gij elkanders voeten wasschenquot;, dat is elkander dergelijke diensten bewijzen. O nederigheid, o liefde, o deugden zoo dringend aanbevolen, zoo bewonderenswaardiglijk beoefend door Jezus zeiven, wordt gij genoeg gekend, zelfs door hen, die hunne roeping in den eersten rang zijner leerlingen plaatst? Nochtans is het niet genoeg u te kennen, men moet u beoefenen. Ja

daarin ligt het geluk. — Beati.....; de hemel wordt

tegen dien prys gekocht.

-ocr page 270-

259

49ste OVERWEGING.

Witte Donderdag.

instelling van het h. sacrament.

I. Wat geeft Jezus aan zijne Kerk, door het instellen van het H. Sacrament?

II. Welk deel hebben de religieuzen aan deze heerlijke gift en welke plichten legt zij hun op?

I Punt. Heerlijke gave, welke de Zaligmaker aan zijne Kerk geejt., door de instelling van het II. Sacrament. Dit geheim is het testament van den stervenden Jezus; het is eene gift tot onderpand zijner teederheid. Welke gift is het? Aan wie wordt zij gegeven? Wanneer en waarom? Neen, slechts eene grenzelooze liefde was tot deze goddelijke uitvinding bekwaam.

1. Jezus had de zijnen, die in deze wereld waren, bemind. Hij beminde ze tot het uiterste. Alles was gereed, en het uur was geslagen tot de vervulling van dit nieuw, bewonderenswaardig plan, dat Hij ten gunste der menschen gemaakt had. Terwijl het avondmaal ten einde liep, nam Hij brood, zegende en brak het en gaf het zijnen leerlingen, zeggende: »Neemt en eet, dit is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt.quot; En vervolgens den kelk nemende, en hem hun overreikende, zegde Hy: »Drinkt allen daaruit; want dit is mijn bloed des Nieuwen Testaments, dat voor velen zal vergoten worden, ter vergeving der zonden.quot; Kan ik deze woorden aanhooren,

-ocr page 271-

260

zonder door eerbied en dankbaarheid vervuld te worden ?

Wat geeft Jezus ons dus? Oneindig meer dan zgn rijk. Hij geeft zich-zelven, zijne macht, zijne goedheid, zyne genaden, zijne verdiensten.,. Het voor ons gekruisigde vleesch vereenigt zich met ons vleesch; het bloed, dat de wereld verlost heeft, vermengt zich met ons bloed... Onze ziel vereenigt zich met de ziel van den Verlosser, zijne godheid doordringt ons en hervormt in ons alles, wat de zonde in ons bedorven had. De getrouwe vriend rust in onze borst. O menschen, zoekt eenig goed dat niet besloten is in deze onschatbare gift, en zeg of de liefde van Jezus Hem zich-zelven niet doet verkwisten, daar Hij oordeelde, dat het niet genoeg was u alles te geven, wat Hij had, als Hij n tegelij-kertijd niet alles gaf, wat Hij is.

2. Doch aan welke bevoorrechte menschen zal eene zoo wonderbare gunst voorbehouden worden? Zal zij bestemd zijn voor de allerheiligste Maagd, den welbeminden Apostèlen en eenige andere uitverkoren zielen, die wedy veren in reinheid met Maria en den H. Joannes? Jezus bestemt die voor al zijne leerlingen: D edit que discipulis suis, aan al de kinderen zijner Kerk, van alle plaatsen, van alle tijden, van allen rang of stand. Wie zal ze peilen, deze drie afgronden der liefde van Jezus Hart. Na dit werk, het kort begrip van al zijne wonderen, volbracht te hebben, beveelt de Zaligmaker aan zijne bedienaars te doen, wat Hij gedaan heeft; dit mirakel van liefde voort te zetten door het tot de voltrekking der eeuwen te hernieuwen, in alle streken van

-ocr page 272-

261

het heelal, waar hun ijver Hem dienaars zal verwekken. Inderdaad, overal waar Jezus aanbeden wordt, bezit men het H. Sacrament; men offert de Mis, men communiceert.....

3. Wat bereidden Hem de menschen op hetzelfde oogenblik, dat Hij zich voor hen in edelmoedigheid en teederheid uitputte? Het was op den vooravond van zijn lijden. In qua node tradebatur, in het uur waarop zijne vijanden het vreeselijk verraad smeedden, dat zich op den Kalvarieberg zou voltrekken, op het uur dat de menschen, door hunne ondankbaarheid, het meeste zijne verontwaardiging verdienden, dan juist bekroont Hij de reeks zijner weldaden; niets wederhoudt Hem, en ik deins dagelijks terug voor eene lichte moeielijkheid, als er sprake is Hem mijne dankbaarheid te toonen.

4. Wat stelt Hij zich eindelijk voor, bij deze wondervolle instelling, zooniet het overwinnen van de overmaat van boosheid door de overmaat zijner goedheid. De menschen verwerpen Hem; weldra zullen zij uitroepen: »Weg met hem, kruisig hem!quot; En Hg kluistert zich in hun midden om nooit van hen te scheiden. Hij zal er blijven, zelfs na zijnen dood, gelijk een vriend bij zijne vrienden. Men zou zeggen dat zij, door de overmaat hunner misdreven God willen dwingen hen medoogenloos te slaan; en Hij, slachtoffer van verzoening, komt zich door eene voortdurende opoffering plaatsen, tusschen de gerechtigheid zijns Vaders en hunne misdaden. Zij kunnen Hem niet verdragen, en men zou zeggen, dat Hij zonder hen niet leven kan, dat Hij zich dan eerst dicht genoeg bij hen zal bevinden als zij zijn

-ocr page 273-

262

vleesch gegeten, zijn bloed gedronken zullen hebben. Hij wil bet voedsel hunner ziel worden. Ego refi-ciam vos, hun zijn leven mededeelen, krachtens hetwelk Hij hen op den jongsten dag zal opwekken.

Ik kniel met den diepsten eerbied voor U neder, o driewerf heilig Sacrament en mij vereenigende met de Engelen en Aartsengelen, met de Tronen en Heerschappijen, met de Cherubijnen en Serafijnen, met de geheele schaar der hemelsche geesten, zing ik met hen dezen lofzang ter uwer eer: Dat het H. Sacrament des altaars duizend en duizendmaal geloofd zij! (H. Gertruda.)

II Punt. Welk deel de religieuzen hehien aan deze heerlijke gave, en welke plichten zij hun oplegt. Het H. Sacrament behoort aan al de ledematen der Katholieke Kerk; niemand wordt van deze bovenmatige edelmoedigheid uitgesloten, zoo hij zich-zelven niet uitsluit. Doch hoezeer zijn wij religieuzen onder dit opzicht begunstigd? Is de woning van den God onzer tempels van de onze verwijderd? Misschien leven wij onder hetzelfde dak met Hem. Hoe gemakkelijk is het voor ons, door onze afscheiding van de wereld en door onze regelen, te putten in die drie overvloedige bronnen van heiligheid en volmaaktheid: het tabernakel, het altaar, de heilige tafel! Is het niet bijzonder tot ons, dat de Heer gelijk tot zijne bevoorrechte leerlingen van het Cenakel zegt: »Neemt en eet, het is mijn lichaam, mijne ziel, mijne godheid, geheel mij-zelven; doch neemt, ik geef het U. Houdt mij in uw midden als een altijd trouwen vriend, een altijd machtigen beschermer. Offert mij als een slachtoffer, dat mijnen Vader steeds

-ocr page 274-

263

aangenaam is; ter wille van dit offer kan Hij u niets weigeren, doch voedt u daarenboven met mijn wezen, nuttigt uwen Zaligmaker, want ik wil in u blijven en ik wil dat gij in mij blijft.quot; O hoezeer zijn de gedachten van Jezus boven onze gedachten verheven! Hoe groot is zijn Hart! Hoe onmetelijk zijn zijne plannen! Hoe heerlijk zijne gaven, vooral ten opzichte der zielen, welke hij zich heeft uitverkozen tot bijzonder voorwerp zijner liefde! Doch welke plichten vloeien hieruit voort? Met ijver en volgens ons vermogen de godsvrucht tot dit H. Sacrament beoefenen en verspreiden. God danken voor eene instelling, welke den troost der Kerk en het geluk van onze ballingschap uitmaakt. Pater Nouet spreekt van een religieus, tot wien de Heer eens zegde: »Dat eene uwer liefste oefeningen zij, mijnen hemelschen vader te loven.... vooral omdat Hij u het H. Sacrament heeft gegeven, want het is van Hem, dat gij die kostbare gift hebt ontvangen.quot; Herhaald en vurig bezoek. Wien zullen wij ons leed gaan klagen, onze begeerten gaan mededeelen, bij wien zullen wij bijstand gaan afsmeeken zoo niet bij den aanbiddelijken vriend, die slechts voor ons bij ons verblijft. Eene H. Theresia, eene Magdelena van Pazzi, een Margaretba-Maria, een Franciscns van Borgia, een Aloysius van Gonzaga, en zoovele andere heilige kloosterlingen, benijdden het lot der godslamp steeds brandende voor het tabernakel en beklaagden zich aldus hun leven niet te mogen verteren vóór het H. Sacrament. Hooren wij met godsvrucht de H. Mis, en verzuimen wij alsdan niet aan onze zwakke offers eene oneindige waarde

-ocr page 275-

264

te geven door ze te vereenigen met het groote offer van Kalvarië, op onze altaren vernieuwd.—- Waar-deeren wij steeds meer en meer het geluk van te mogen aanzitten aan den liefdedisch des Heeren; dat onze groote droefheid zij daarvan beroofd te zijn. — Doch zoeken wij niet naijverig deze gave Gods voor ons alleen te houden. Indien wij haar kennen, laat ze ons ook anderen leeren kennen. Laat ons spreken over dien verborgen schat. Jezus nieuwe aanbidders bezorgen, is Hem gelegenheid geven te verlichten, te zegenen, zalig te maken. Is dit niet hetgeen Hij verlangt?

50ste OVERWEGINQ.

Goede Vrijdag.

het is volbracht.

I. Welken zin heeft dit woord in den mond van onzen stervenden Zaligmaker?

II. Welken zin heeft dit woord in den mond van den stervenden rechtvaardige en van den zondaar?

I Punt. Alles is voor den stervenden Jezus volbracht, onder het drievoudig opzicht van den wil zijns Vaders, van zijne slachtoffering en van het groote werk, door hem ondernomen, de verlossing der menschen.

1. Alles is volbracht in het vervullen van den wil van God omtrent zijnen Zoon. Wat het Woord

-ocr page 276-

265

had beloofd op het oogenblik zijner Menscliwording: » Zie ik kom, mijn God, om uwen wil te volbrengen !quot; verklaart Hij met stervenden mond, volbracht te hebben. Hij heeft punt voor punt de wet vervuld Hem door Zijnen Vader opgelegd, eene wet door Hem met liefde omhelsd. De figuren zijn vervuld, de profetiën verwezenlijkt; geene enkele omstandigheid van zyne geboorte, zijn leven, zijn dood is niet volkomen gelijkvormig aan datgene, wat in het boek der eeuwige raadsbesluiten stond opgeteekend. Hij kan zich die getuigenis geven, zich dezen troost gunnen, te midden van zooveel smart, dat Hij zijne zending volbracht heeft, door al datgene te doen en te lijden wat zijn Vader over Hem besloten had. Consummatum est. Hoe zoet is die troost, hoe krachtig is hij, en welken moed deelt hij aan de ziel mede.

O mensch, hoor uw Meester, beschouw uw voorbeeld, leer van Hem èn leven èn sterven. U onderwerpen aan den goddelijken wil, ziedaar wat uw leven en uw dood moet zijn, indien gij zijn leerling wilt zijn door het beoefenen zijner lessen en het navolgen zijner deugden. Ach, Heer, mag ik my vleien, dit tot dusverre geweest te zijn? Indien ik heden sterven moest, zou ik dan hemel en aarde tot getuigen durven nemen, dat ik uwen wil vervuld, in alles vervuld heb, eu dat volgens de oogmerken , die Gij met mij hadt ?

2. Alles is vervuld in de slachtoffering van Jezus-Christus. De Joden hebben geene folteringen meer om Hem te doen verduren, geene beschimping meer om Hem te doen lijden. Het uur aan de macht

-ocr page 277-

266

der duisternis toegestaan is verstreken; het lijden is voltooid, de Zoon Gods heeft den Hem bereidden beker geledigd tot den droesem....

O mijn Meester, welk offer voltrekt Gij, om U te onderwerpen aan den wil uws Vaders en ons zalig te maken? Laat het mij meten in deszelfs onmetelijke uitgestrektheid. Mijn Zoon, beschouw in welken staat gij mij aan dit schandhout genageld ziet. Zie mijn leven, dat daar heen vliedt, de laatste druppelen bloeds, die op den grond vloeien. Herinner LT het lijden, de schande, welke ik doorstaan heb, om tot dit laatste oogeublik te geraken; de droefheid mijner ziel, de wonden van mijn lichaam, de kwellingen van mijn hart. Ik heb alles opgeofferd voor U en om aan mijnen Vader te gehoorzamen: mijne rust, mijne vrijheid, mijne eer, mijn leven. Ik offer mij-zelven als zoenoffer en beklaag mg niet uw eeuwig geluk te duur te koopen, indien gij slechts aan mijne liefde beantwoordt. Ach, Heer, uwe liefde dringt mij; op dezen dag, waarop uw Hart zich zoo edelmoedig jegens mij getoond heeft, wil ik ook eindelijk het offer voltrekken van geheel mij-zelven, voor de eer van uwen hemelschen Vader en voor de uwe; een offer zoo dikwijls ondernomen, en nimmer volbracht. Aan den voet van uw kruis, op den dag, waarop Gij voor ons stierft, is het niet mogelijk ü iets te weigeren, U onder voorbehoud te beminnen; neen, wie leeft, kan slechts voor IJ leven.

3. Alles is voor den Zoon Gods volbracht, in het werk onzer verlossing. De losprijs der slaven is betaald, de zonde vernietigd, de toorn des Heeren verzoend, de genade verzekerd, de hemel geopend,

-ocr page 278-

267

de eeuwige zaligheid verdiend. De Kerk is gesticht, het priesterschap en de HH. Sacramenten zijn ingesteld. Begrijpen wij wel de waarschuwing, ons door Jezus gegeven in zijn stervensuur: »Het is volbracht.quot; Ik heb mijn deel volbracht in het werk uwer zaligheid, volbreng gy het uwe. Gij hebt mijn woord tot onderwijzing, mijn voorbeeld tot richtsnoer, mijne gedachte om u te helpen. Indien gij gebruik maakt van de middelen ter heiliging, welke ik u nalaat, zult gy met mij uw geluk voltooien.

II Punt. Alles zal voor den rechtvaardige en voor den zondaar in het stervensuur volbracht zijn, doch in zeer verschillenden zin.

Consumrnatum est. Het is volbracht. Droevige waarheid voor hem, die aan de genade weerstond gedurende zijn leven en onboetvaardig sterft. Alles is voor hem volbracht. Rijkdom, genoegen, eer, alles is voorbij; plannen, zaken, vermaken, alles is geëindigd; lichaam, ziel, geest, gezondheid, bloedverwanten, vrienden, alles is verloren... Niets blijft hem over dan zyne misdaden, en de verschrikkelijke folteringen, waardoor de rechtvaardigheid Gods ze gaat straffen. Hij sterft en treedt in een gewest, waar alles hem onbekend is, waar hij slechts zijne wanhoop tot gids heeft; waar hij slechts een vree-selijk oordeel, eene eeuwige hel vinden kan. O welk een verschrikkelijke dood!...

Consummation est. Bekoorlijke, troostende gedachte bij het vertrek uit dit leven, voor den dienaar, die aan de stem zijns meesters getrouw was, voor de bruid, welke de verbintenissen met haren bruidegom aangegaan, ongeschonden bewaard heeft. Alles is

o o \' o

-ocr page 279-

268

volbracht. Ik heb gestreden volgens mijne krachten, ik heb mijnen loop volbracht, mijn geloof bewaard, de Kerk bemind en nu sterf ik in haren schoot. Ik heb de wet des Heeren betracht: ik heb mijn kruis achter den Zaligmaker gedragen. Wel is waar heb ik die heilige wet te weinig geëerbiedigd, ik ben dikwijls gevallen, doch ik heb mij gewasschen in het bloed van het Lam en door het vermenigvuldigen van mijne werken van barmhartigheid, heb ik gestreefd barmhartigheid te verwerven. Indien mij nog eenige schuld te betalen overblijft, zoo heeft de Zaligmaker, die reeds voor mij betaald, zyne voldoeningen behooren mg toe, van het oogenblik dat ik mijn offer met het zijne vereenig. Ik stel mijne hoop in Hem. Gelukkige dood, die zulk een leven besluit en in zulke gevoelens wordt ondergaan! Om dit waardig te worden, is het niet genoeg zich met vurigheid aan den Heer op te dragen; de volharding is noodzakelijk. Doch wanneer mogen wij veiliger vertrouwen die te verkrijgen, dan op den dag, waarop de Hemel als het ware gedwongen is al onze beden te verhooren?

O Jezus, wees mijn steun en mijne kracht. Help mij alle dagen mijns levens, en schenk mij de genade op het oogenblik van mijnen dood vertrouwvol dit woord van overwinning te mogen herhalen: »Het is volbracht!quot;

i

-ocr page 280-

269

5rte OVERWEGING.

Zaterdag voor Paschen.

het graf van jkzus-cheistus.

I. Eindpaal zijner vernederingen.

II. Begin zijner glorie.

III. School van volmaaktheid voor ons.

I Punt. Jezus vernietigd in het graf. Na zijn dood wordt Jezus van het kruis afgenomen, eenige oogenblikken gelegd in de armen zijner ontroostbare Moeder en vervolgens nedergelaten in een nieuw steenen graf. Met welken eerbied men Hem ook moge behandelen, zoo is nochtans het verblijf in het graf van Jezus, wel de laatste trap van vernedering, waartoe een God gebracht kan worden. Wij vinden hiervan slechts een beeld in de heilige Communie. Ook daar, onder de nederige gedaanten, is het niet slechts God, die verdwenen is, maar ook de mensch en wel meer nog dan in zijn graf waar Hij ten minste nog den uitwendigen vorm van een mensch behield. Ach, mijn Jezus, waarom toch hebt gij U in dit H. Sacrament zoo diep, zoo onbegrijpelijk diep vernederd. O ik weet het. Gij deedt dit, mijn God, opdat wij het vertrouwen zouden vinden, dat wij noodig hebben om uw vleesch te durven eten en uw bloed te drinken. Laten wij dus ons hart inrichten tot een graf, waarin Hij met welgevallen moge rusten. Joseph en Nicodemus ontvingen het dierbaar lichaam thans geheel levenloos; gelukkiger

-ocr page 281-

270

dan zij, ontvangt gij het van den hemel, niet alleen levend, maar ook het leven en de onsterfelijkheid mededeelende! O dat gij uw geluk kendet!

II Punt. Vernietiging van Jezus in het graf, hegin zijner glorie. Men kan de inzichten der voorzienigheid slechts bewonderen, toen zij toeliet dat men den ingang van het graf met een zwaren steen sloot, dat men dien verzegelde met het zegel der openbare macht, dat men het plaatste onder de verantwoordelijkheid eener voor deze taak uitgezochte wacht. God wilde, dat al deze voorzorgen zouden worden genomen, ten einde den dood en de begrafenis van zij tien Zoon te bevestigen, om het dwaze verzinsel te weerleggen, dat men het lichaam van zijnen Zoon zou weggehaald hebben, en aldus aan de verrijzenis zijns Zoons zulk een glans van zekerheid te geven, dat zij voor altijd over het hardnekkigste ongeloof zegevierde. Ziedaar aldus de voorzegging der profeten vervuld: Zijn graf zal glorierijk zijn. (1)

De mensch voede dan zijne ijdelheid tot zelfs in het graf. Hij late vrij op het marmer graveeren wat hij geweest is; de steen zal ondanks hem, verkondigen dat hij niets meer is, en dat hij nooit iets meer zal zijn. Gij alleen, o mijn Jezus, Gij vindt in uw graf het begin der glorie U door uwen Vader verleend; diep vernederd in uw graf, wordt Gij door het graf zelf verheerlijkt. Hemel en aarde gaan zich in deze zegepraal verheugen, uwe ware leerlingen en getrouwe dienaren zullen die eens met U deelen.

(1) Is. 11, 10.

-ocr page 282-

271

III Punt. Het graf van Jezus \'is eene school va?i volmaaktheid. Men moet van den aanbiddelijken Gekruisigde met meer reden, dan van den rechtvaardigen Abel zeggen: Ofschoon hij dood is, spreekt hij nog. Laat ons eenige zijner lessen eerbiedig verzamelen.

1. Hij blijft in de duisternis, en Hij zegt ons daar, dat wij het verborgen leven moeten beminnen, Hij heeft ons dat geleerd in den schoot zijner Moeder, in de kribbe te Bethlehem, in de lange afzondering van Nazareth, doch krachtiger zegt Hij het ons in de duisternis van zijn graf. Het verborgen leven is het religieuze leven; het biedt zoovele hulpmiddelen aan, om in onschuld te volharden, in de deugd vooruit te gaan. Het is zoo gemakkelijk aan God te denken en voor Hem te wandelen. Is dit niet het middel om volmaakt te worden?....

2. Beschouw, o mijne ziel, met welke gewilligheid Jezus gehoorzaamt, en zich geheel overlaat aan hen, die Hem willen begraven. Ziedaar het toonbeeld van gehoorzaamheid, u van de eerste dagen van uw noviciaat af, voorgesteld. Doch bewonder vooral hoe Hij gehoorzaamt aan zijne bedienaars in het Sacrament zijner liefde, hun toestaande naar welgevallen over Hem te beschikken, Hem te verheffen, te vernederen , Hem te dragen waarheen zij willen. Hebben mijne oversten over mij dezelfde vrijheid van handelen? Ben ik ook zoo gewillig in hunne handen?

3. De godheid steeds met het lichaam van Jezus-Christus in het graf vereenigd, bewaart dit voor alle bederf. De religieuze roeping vrijwaart ons niet altijd voor allen omgang met de wereld. Somtijds

-ocr page 283-

272

verplicht zij ons met de zondaars te leven, alwaar wij slechts door een soort van wonder, zuiver en geheel onbesmet kunnen blijven; doch dit wonder zult gij doen, o mijn God, zoo wij ons beijveren innig met U vereenigd te blijven, slechts om en voor U levende.

4. Het groote wonder is eindelijk, dat Jezus-Ghristus in zijn graf al zijne kracht behoudt, om het weldra weder te verlaten en in het rijk zelf van den dood over den dood te zegevieren. Verricht Gij o mijn God dit wonder niet dagelijks in uwe getrouwe dienaren. Onmachtig uit zich-zelven, verkrijgen zij van U de macht over de sterkste hartstochten te zegevieren, de hechtste banden te verbreken, de natuur te bedwingen, de hel te overwinnen en met U in eene gelukkige onsterfelijkheid te treden. Aldus worden ten hunnen opzichte de plannen uwer liefde vervuld. Nadat uwe genade hun de menschwording uws Zoons heeft doen kennen, zijne geheimen heelt doen vereeren, zijne geboden doen nakomen, zijne voorbeelden doen volgen, geleidt Gij hen door zijn lijden en kruis, tot de glorie zijner verrijzenis.

Overdenk heden bij het eindigen van de veertig-daagsche Vasten, wat gij gedaan hebt voor God, voor uwen naaste, voor u-zelven en wat gij in dien tijd hadt kunnen doen. Na uwe fouten hersteld te hebben, door het lijden en de verguizingen van Jezus-Christus tot voldoening te hebben opgeofferd, moet gij u bereiden om waardig het Paaschfeest te vieren; dat feest door den H. Gregorius, het feest der feesten genoemd, omdat het ons aan de aarde

-ocr page 284-

273

ontrukt om ons ten hemel op te voeren en ons als het ware daarvan een voorsmaak te geven, door een levendig geloof, eene vaste hoop en eene brandende liefde.

52ste OVERWEGINO.

//. Paaschdag.

BESCHOUWING.

I. De personen beschouwen.

II. De woorden aanhooren.

III. De handelingen overdenken.

Hcec est dies, quam fecit Dominns. (1) Geen andere dag gaf God zoo veel luister. Geen andere is heerlijker voor Hem, voordeeliger voor ons, want het wonder op dezen dag gebeurd, bevestigt alle andere door Jezus gewrocht, om de menschen te brengen tot de kennis en de liefde zgns Vaders. Dank aan dezen dag is de zonde vernietigd. God zal

O O

waardiglijk op aarde verheerlijkt en de mensch zal verlost worden. Geven wij ons dan over aan de Vervoering der vreugde, doch van eene vreugde, die heilig en zuiver zij gelijk haar voorwerp. Exultemus et IcBtemur in eu.

1. Terwijl Maria Magdalena en hare gezellinnen, \'s morgens vroeg naar het graf gingen, ontstond er eene groote aardbeving. Een engel des Heeren wen-

(1) Ps. 117, 24. CH. III.

18

-ocr page 285-

274

telde den steen af, die het graf sloot en ging daarop zitten. Van Trees voor hem beefden de wachters en werden als dooden. De engel stelde de vrouwen gerust, en na haar verzekerd te hebben, dat de Heer verrezen was, zond hij haar weg om deze tijding aan de apostelen mede te deelen. (1)

2. Stellen wij ons de plaats van het graf, het geopend graf voor, alsook de groote ontsteltenis der heilige vrouwen en der leerlingen, die het komen bezoeken of vandaar terugkeeren.

3. O Jezus, overwinnaar van dood en hel, ik verheug mij over uwe glorie, ik jubel bij uwe zegepraal. De glorie van het hoofd straalt op deszelfs leden. Geef dat ik met U moge verrijzen door voor goed het graf van al mijne geestelijke krankheden te verlaten.

I Punt. De personen beschouwen. De engel, wiens blik vlamt voor de vijanden van Jezus en zoo minzaam zijne vrienden beschouwt. Zijn kleed is wit als sneeuw: het is het zinnebeeld van het zuiver leven eener verrezen ziel. — De heilige vrouwen, welke zich naar het graf spoeden, zij vertrekken vroeg: Valde diliculo. O wijze vaardigheid in het gehoorzamen aan de genade. Zij weten dat het graf door gewapende mannen bewaakt wordt: zij ontstellen zich daarover niet; dat een zware steen de opening afsluit, ook dit ontstelt haar niet. Wel is waar vragen zij elkander: Wie zal ons den steen afwentelen? Doch zij gaan nochtans voort. Wat bezielt, wat ondersteunt haar? Wat boezemt haar

(1) Matth. 28. Mare. 16. Luc. 24. Joa. 20.

-ocr page 286-

275

zulk een moed ia? En wat maakt mij zoo traag en vreesachtig? Hoe komt het, dat de minste moeie-lijkheid mij ontstelt, zoodra ik iets moet ondernemen voor de glorie Gods. Ach! hadde ik hare liefde!

Sla vervolgens uwe blikken op de hoofden der priesters, op al degenen, die medegewerkt hebben tot den dood van Christus. Lees op hun gelaat eene verwondering met schrik en misnoegen gemengd, terwijl zij het verhaal der bleeke en bevende bewakers aanhooren. De zegepraal der goeden maakt de foltering der boozen. Moet Kaïpbas niet vreezen, dat deze verrezen doode plotseling voor hem verschijue en hem dreigend zijne onrechtvaardigheid en zijne schijnheiligheid verwijte. Verdiende Jezus als godslasteraar beschuldigd te worden, toen Hij zegde dat Hij de Zoon Gods was ? Is Herodes niet beschaamd, ziende, dat hij Hem voor dwaas gehouden en aldus behandeld heeft, die thans glorierijk den dood overwint? Waar is nu het smaadkleed, waarmede hij Hem bekleedde? Schaamt Pilatus zich niet over de onwaardige lafhartigheid, die hem de erkende onschuld deed miskennen, welke thans op goddelijke wijze bevestigd wordt. Hoe ontroerd moet geheel Jerusalem wel wezen, bij het bericht van zulk eene onverwachte gebeurtenis, bij het zien der dooden uit hunne graven opgestaan, die zich aan vele personen vertoonen.

Beschouw de Apostelen en leerlingen, eerst droevig omdat zij ongeloovig zijn. De eerste indruk, welke het verhaal der verrijzenis op hen maakt, is een indruk van schrik. Zij meenen, dat hunne vijanden het lichaam weggenomen hebben, om hen daarvan te beschuldigen en de leerlingen te behandelen gelijk

-ocr page 287-

276

zij den Meester behandeld hebben. Zij spreken elkander ongerust en verlegen aan, doch naarmate hun twijfel verdwijnt en het licht des geloofs in hunne ziel dringt, heldert hun gelaat op en hun hart wordt met vreugde vervuld.

Beschouw eindelijk Jezus-Christus in zijnen veranderden staat. Welk eene zoete majesteit, welke heerlijkheid, welke luister. Herkent gij Hem, wiens toestand u zulk een medelijden inboezemde, in de gerechtszaal en op het kruis? Zie in zijne glorie en zijn geluk het onderpand der zaligheid, die u wacht, zoo gij getrouw zijt.

H Punt. De woorden aanhoor en. De woorden van den engel, die de heilige vrouwen geruststelt en haar noodigt het graf binnen te treden, om er de ledige plaats te zien, die aan hunne vereering slechts de heilige doeken aanbiedt. »Vreest nietquot;, zegt hij, als wilde hij zeggen: ik weet waarom gij hier komt, ik ken uwe begeerten. De vrees betaamt Jezus vijanden en hun, die zijne begeerten weerstreven; doch gij, die Hem bemint, vreest niets. Gij zoekt uwen Meester, Hij is niet meer hier. Hij is verrezen, gelijk Hij voorzegd had, »Korat en ziet de plaats, waar de Heer gelegen heeft. Hij is verrezen. Sur-rexit.quot; Welk een zegekreet en hoe gaat hij weergalmen door het heelal. Hoe veler mond zal hem herhalen, er bijvoegende: Alleluia. Leen het oor aan de woorden van Magdalena, barer gezellinnen en der leerlingen, die Jezus het eerst gezien hebben, nadat Hij uit het graf is opgestaan; woorden welker waarheid, zoodra zij zich openbaart, nog meer bekoort , omdat men langer geweigerd heeft aan zulk een

-ocr page 288-

277

groot geluk te gelooven. — Hoor ook hoe de hooge-priesters beschaamd den wachters de rol voorzeggen, welke zij spelen moeten om het publiek te bedriegen omtrent eene gebeurtenis, welke hen met schande moet overdekken en de verfoeiing van het volk op hen moet trekken: »Zegt dat de leerlingen \'s nachts zijn gekomen en het lichaam medegenomen hebben, terwijl gij sliept.quot; Ja, verblinde vijanden, geeft, tot getuigen, mannen die gezien en gehoord hebben wat er omging, terwijl zij sliepen! O menschelijke wijsheid , hoe groot is uwe dwaasheid, als gij u inbeeldt iets te vermogen tegen God, en zijne plannen te kunnen weerstreven.

III Punt. De handelingen overwegen. Wat doet Jezus-Christus ? Hij bekroont luisterrijk het groote werk, waarvoor Hij op aarde gekomen was. Door zijnen dood had Hij onze misdaden geboet, door zflne verrijzenis rechtvaardigt Hij ons. Hij rechtvaardigt ons geloof, onze hoop en onze liefde. Ons geloof, wijl dit mirakel al de andere bekroont en het zegel der onfeilbaarheid drukt op zijne leer; onze hoop, wijl Hij ons in de zegepraal, welke Hij behaalt, het onderpand geeft van eene dergelijke zegepraal, die het slechts van ons afhangt te behalen; onze liefde, daar wij door het uitwerksel van dit groot mirakel beter Dengene kennen, die zich voor ons zoo diep vernederd en zooveel voor ons geleden heeft.

Wat doen de leerlingen en de Apostelen? Zij beven, zij verbergen zich, zij weigeren, eenigen zelfs met hardnekkigheid, eene gebeurtenis te gelooven, waarop zij zich moesten verwachten, daar zij Hem aanbaden, die het hun zoo vaak en zoo duidelijk voorzegd had.

-ocr page 289-

278

Door hunne zwakheid en hunne neiging tot ongeloof, toonen zij welke genade ons noodig is om ons tot het geloof te verheffen; zoowel als zij ons later door hunnen arbeid en hun lijden zullen toonen, tot welken heldhaftigen moed datzelfde geloof ons bekwaam kan maken. Wat doen de vijanden des Heeren? Zij sluiten de oogen voor het licht. Volgens de getuigenis der soldaten konden zij aan de waarheid der Verrijzenis — en bijgevolg aan de godheid van Hem, dien zij gekruist hadden, — niet meer twijfelen. » Zoo Hij de Zoon Gods is, welnu, dat God kome en Hem ver-losse.quot; God is gekomen, God heeft Hem verlost, niet uit hunne handen, doch uit de handen van den dood. Mannen door hen zeiven gekozen, aan wie zij de bewaking van het graf hadden toevertrouwd, zijn de onwraakbare getuigen. Kon de hoogmoed buigen, dan zouden zij hunne misdaad erkennen. Nu geven zij aan het mirakel een grooteren schijn van waarheid, juist omdat zij trachten het te smoren.

Samenspraak met den verrezen Jezus. Wensch Hem geluk met de glorievolle zegepraal, die Hij behaalt en neem hier in deel, want Hij zegeviert voor u, zoowel als voor zich. Vraag Hem de gees-

\' O D

telijke vreugde en de genade van te treden in dat nieuwe leven, dat de voornaamste vrucht van dit geheim wezen moet. Deel in de vreugde van Maria, die heden verrijst in den persoon haars Zoons. Regina coeli laetare.

-ocr page 290-

279

53ste OVERWEGING.

glouie van jezus in zijne verrijzenis.

I. Glorie van zijne ziel.

II. Glorie van zijn lichaam,

III. Glorie van zijne godheid.

I Punt. De ziel van Jezus wordt in zijne verrijzenis verheerlijkt. Wij hebben haar gezien die heilige ziel, in Gethsemani en aan het kruis gedompeld in een oceaan van droefheid en smart. Zie haar nu vreugdevol en zegevierend uit het voorgeborcht komen. Toen zij bad om de verwijdering van den bitteren kelk, moest zij ondersteund en door een engel geholpen -worden; en hoe machtig is zij nu, om troost en geluk rondom zich te verspreiden. Zij heeft de rechtvaardigen, die reikhalsden naar den dag, waarop de hemel hun geopend zou worden, van vreugde doen trillen. Zij heeft hun thans medegedeeld, dat het uur nabij is en dat het verlossingswerk volbracht is. Velen hunner vergezellen haar en vormen haren hofstoet, als zij zich met haar lichaam gaat vereenigen. Door hunne eigen verrijzenis zullen zij de eerste getuigen zijn van de verrijzenis van Jezus.

Zij toont hun dat bleeke, bloedige lichaam in het graf uitgestrekt. Met welk een teeder medelijden, met welke liefde en dankbaarheid beschouwen zij die ontelbare en diepe wonden, welke hun leeren wat de Zoon Gods geleden heeft, om hen te verlossen. Bij dit gezicht meent men haar te hooren zeggen, wat een godvruchtig leeraar later zeggen zal: »0

-ocr page 291-

280

mijn God, Gij hebt zooveel liefde voor mij, dat Jiet schijnt, dat Gij geene liefde voor ü-zelven hebt.quot; Doch de gelukzalige ziel is reeds teruggekeerd in het heilig lichaam, dat zij geheel hervormt. O hoe zoet is het haar, het nu te kunnen beloonen voor al de offers, welke zij daarvan verkregen heeft, het meer luister en genot te geven, dan zij het kwelling en schande veroorzaakt had. God vernedert slechts om te verheffen. Neem dan, mijne ziel, al de vernederingen aan, die het Hem behaagt u toe te zenden gedurende uw ballingschap op aarde; wil gaarne verborgen, veracht, tot beneden het niet vernederd leven; de dag uwer glorie breekt weldra aan.

II Punt. Het lichaam van Jezus verheerlijkt in zijne verrijzenis. Hij was voor onze zonden verbrijzeld geworden. Kon men onder de kneuzingen, welke Hem misvormd hadden, den schoonste van de kinderen der menschen erkennen? Doch zoodra de verrijzenis voltrokken wordt, welke bewonderenswaardige verandering in dat lichaam, dat zulk een groot deel gehad heeft aan onze verlossing? Niet slechts bevrijd van de wet der sterfelijkheid en het lijden, doch versierd met al de voorrechten dei-glorievolle lichamen en dit in den hoogsten graad... Zijne wonden zijn veranderd in bronnen van licht, en zoo schitterend is zijne schoonheid, dat zij on-eindiglijk die overtreft, welke de lichamen van alle uitverkoornen naar dit voorbeeld gevormd, ooit zullen hebben.

Met welke vreugde ver voering aanbidden de engelen, die hun koning bij zijne geboorte aanbeden hadden. Hem thans weder, nu Hij herboren wordt uit den

-ocr page 292-

281

boezem van den dood. Waarom zouden zij thans bij zijn ledig graf, dat blijde loflied niet aanheffen, dat zij deden weergalmen rondom zijne wieg: Gloria in excelsis Deo? Waarom zouden de aartsvaders, de profeten, de rechtvaardigen, het lied door den H. Joannes geopenbaard, niet te zamen herhalen: »Waardig is het Lam, dat zich aan den dood geleverd heeft, om het menschdom te verlossen, de macht, de godheid, de wijsheid, de kracht, de eer, de glorie en allen zegen te ontvangen.quot;

Welk eeu goede Meester is de Heer! Hoe rijk beloont Hij de moeiten, die men zich geeft om Hem te dienen! Jezus-Christus heeft ons in zijn lijden getoond, zegt de H. Augustinus, wat wij moeten lijden voor de waarheid, en in zijne verrijzenis wat wij in eene eindelooze toekomst moeten hopen: men schreit gedurende den nacht van dit leven. Ad vesper um demorabitur fletus; doch in den morgen, dat is, bij de eerste stralen der gelukzalige eeuwigheid, volgt de vreugde op de droefheid: Ad matutinum laetitia; eeuwige vreugde voor een oogenblik droefheid, uitnemende vreugde voor lichte smart; zuivere onvermengde vreugde, voor tranen steeds verzoet door de hoop. Leeren wij hier de ware liefde tot ons-zelven. O hoeveel glorie en geluk weiger ik aan mijn lichaam, als ik weiger de versterving van Jezus-Christus te ondergaan.

III Punt. De godheid van Jezus verheerlijkt in zijne verrijzenis. Het is de zon, die uit de wolken te voorschijn treedt en luisterrijk den glans harer stralen verspreidt. De godheid was gedurende het lijden als verborgen. Indien van den eenen kant

-ocr page 293-

282

enkele trekken, te midden der schande ontsnapt, hadden getoond, dat Jezus meer dan een mensch was, wie geleek van den anderen kant minder op een God, dan een ongelukkige die, met roeden gegeeseld, als een slaaf aan het schandhout stierf, tusschen twee booswichten ?

Zijne opperste grootheid begint te schijnen in dezen wondervollen uitgang uit het graf; want Hij verlaat het door eigen kracht, aldus het volkomen gebied toonende, dat Hij uitoefent over leven en dood. Hij verlaat dat graf zonder den steen, welke den ingang sluit, af te wentelen, even als Hij den schoot zijner Moeder verlaten had, zonder haar hare maagdelijke reinheid te ontnemen. Hij openbaart aldus zijne oppermacht door aan zijn lichaam de lichtheid der geesten te geven. Hij treedt er uit, als Jozef uit zijnen kerker, om te heerschen over geheel Egypte en met zijne broeders, die hem verkocht hadden, zijne glorie en zijn geluk te deelen; gelijk Mozes uit de wateren van den stroom, om de God van Pharaon en de redder van zijn volk te worden; gelijk Daniël uit den leeuwenkuil, om verheven te worden boven de afgunstigen, die zijn val gezworen hadden; gelijk Jonas uit den muil van den walvisch, om boetvaardigheid te preeken aan de inwoners van Ninive, en hun genade te doen vinden in de oogen des Heeren; gelyk Samson uit de stad Gaza, waar hij werd gevangen gehouden, de poorten der stad opnemende en ze als een zegeteeken dragende op den top des bergs. Hij treedt er uit als overwinnaar van hel en zonde, en na al de banden des doods verbroken te hebben, verandert Hij, zegt de H. Leo,

-ocr page 294-

283

zijne zwakheid in kracht, zijne sterfelijkheid in onsterfelijkheid, zijne schande in glorie en geluk.

Volgelingen van Jezus, verlaat ook gij het graf uwer onvolmaaktheid. Dat men ook van u kunne zeggen; »Hij is verrezen; hij is niet meer hier.quot; Hij is niet meer in de lauwheid, waarmede hij zijne godvruchtige oefeningen volbracht; hij is niet meer in die verwijdering van God en zich-zelven, in die uitgestortheid, die lichtzinnigheid, die luimen, die verkeerde neigingen, welke zoo lang zijn voortgang belet en zijne zielsrust verstrooid hebben, o neen hij is nu in veel gelukkiger staat. Ga en ontvang aan de heilige tafel Hem, die de verrijzenis en het leven is. En als gij in uw hart, dat verheerlijkt lichaam, schitterender dan de zon beschouwt, dan aanbid, dank, bid, doch met die blijdschap, welke vertrouwen en liefde doen ontstaan.

-ocr page 295-

AFDEELING III.

54ste OVERWEGING.

magdalena, aan het grap.

I. Zij zoekt.

II. Zij vindt.

III. Zij verkondigt Jezus.

I Punt. Maydalena zoekt Jezus met al den ijver, de zorg, de kracht en de volharding der ware liefde.

1. Ijvervolle liefde. Na een nacht, die haar zeer lang viel, maakt zij \'s morgens zeer vroeg hare gezellinnen wakker en begeeft zich met haar op weg. Zij spoedt zich om het sterfelijk hulsel te vereeren van Hem, dien zij ontroostbaar is, verloren te hebben. Zij gaat snel, en nochtans wat hoopt zij in het graf te vinden ? Het lichaam haars meesters, in een toestand, die hare smart gaat hernieuwen. O mijne ziel, moet gij niet met veel meer gver snellen naaide heilige tafel, waar gij ditzelfde lichaam in zijnen verheerlijkten staat ontvangt?

2. Zorgvuldige liefde. Maria stond w eenend e huiten hij het graf. Terwijl zij dan weende hukte zij neder en keek in het graf. (1) De leerlingen zijn heengegaan, de gezellinnen van Magdalena hebben hun voorbeeld gevolgd; zij alleen kan zich niet ver-

(1) Joa. 20 , 11.

-ocr page 296-

285

wijdereu. Verscheidene malen had zij reeds in het graf gezien, zij ziet nog eens. De liefde is niet tevreden, alvorens zij heeft gevonden wat zij zoekt. Wat ziet zy? Twee engelen in witte kleederen, die haar vragen waarom zij schreit.... »omdat ze mijnen Heer hebben weggenomenquot; zegt zij »en ik weet niet, waar zij Hem gelegd hebben.quot; Zij ziet de beide hemelboden, zonder verschrikt noch verbaasd te zijn over hunne plotselinge verschijning; zij bemerkt de schitterende witheid hunner kleederen zelfs niet, zij hoort hen, zij antwoordt hun, zonder zich een oogen-blik van het groote voorwerp harer nasporingen te laten aftrekken, zij luistert slechts naar hen, zij spreekt hun slechts toe, om van hen te hooren waar Jezus is, gereed om engelen te verlaten voor een hovenier, indien zij van dezen eenige inlichting nopens Jezus kan verkrijgen. Onverschillig voor al wat haar omgeeft, heeft zij slechts ééne begeerte, Jezus te vinden. Deze begeerte brengt haar zoodanig buiten zich-zelve, dat zij hare eigene woorden geene opmerkzaamheid schijnt te schenken: Zij noemt Heer, hem, die slechts een eenvoudig arbeidsman schijnt. »Indien gij hem hebt weggenomen, zeg mij waar gij hem gelegd hebt.quot; Van wien spreekt zij? Zij meent dat eenieder dit weten moet. Ziedaar wel eene ziel door het gevoel beheerscht, zij kau slechts spreken van hetgeen haar bezig houdt.

3. Krachtige en volhardende liefde. Niets kan den moed van Magdalena doen wankelen. Waarom blijft zij in eene zoo treurige plaats, nu zij erkend heeft, dat het lichaam haars meesters er niet meelis? Hoe durft zij zeggen dat, als zij het vindt, zij

-ocr page 297-

286

het zal medenemen? Zou zij dit kunnen. En zoo zij dit beproefde, waaraan zou zij zich blootstellen. De liefde denkt aan dit alles niet. Zij beproeft meer dan zij kan., nooit noemt zij iets onmogelijk, omdat zij alles mogelijk gelooft. (1) Is het op deze wijze o mijn God, dat ik naar U verlang, dat ik ü zoek? Is het aldus dat ik U bemin?

II Punt. Magdalena vindt Jezus. Dikwijls staat Hij bij ons, en wij meenen, dat Hij ver van ons verwijderd is. Hij zelf had haar toegesproken en haar de oorzaak harer tranen gevraagd. Ach! hoe wel kende Hij die, en hoe aangenaam was zij Hem! Onze droefheid behaagt Hem, als zij voortkomt uit onze liefde tot Hem. Laat Hij ons eenigen tijd in droefheid, door zich aan ons te verbergen, zoo doet Hij dit slechts om onze verdiensten te vermeerderen en onze vreugde des te zoeter te maken, als Hij ons zijne tegenwoordigheid weder zal openbaren. De liefde van Magdalena deed haar hare zwakheid vergeten en alle gevaren verachten; hare hoop was onwrikbaar, zij zal niet beschaamd worden. Jezus zal haar beloonen door zich aan haar te vertoonen voor dat Hij zich aan één der apostelen vertoont. Jezus zegde haar: Maria! en zich omkeerende zegde zij Meester! Alles geschiedt in die twee woorden, het eene van Jezus, het andere van Magdalena; doch hoevele wonderen in die twee woorden. Hoevele genaden, hoeveellicht vergezellen het eerste. Welke liefde, welke heilige vreugdevervoering ligt in het tweede, Maria! dit is voor Jezus genoeg om zich te

(1) Imit.

-ocr page 298-

287

doen kennen, Meester, dit is genoeg voor Maria om Jezus te bewijzen, dat zij Hem kent. Welke teederheid in Jezus Hart bij het noemen van den naam Maria! Welke dankbaarheid in Magdalena\'s hart, als zij uitroept: Meester. Zij bevond zich in eene zee van droefheid, welke al de vermogens harer ziel als overmeesterd had, in een oogenblik heeft de stem baars Meesters al de wolken van haren geest verdreven, en dien met hemelschen troost vervuld.

O Jezus, geef mij de genade, die inwendige taal uws harten te verstaan, welke de ziel zoo heiliglijk beweegt, zoo snel verlicht, zoo krachtdadig troost. Ik wil my dit geluk minder onwaardig maken door het oor te sluiten voor al het rumoer dezer aarde, om slechts naar U te luisteren, U met Magdalena zoekende en niets zoekende dan U alleen.

II Punt. Magdalena verkondigt Jezus verrijzenis. Haar goddelijke Meester had haar gezegd: »Raak mij niet aan.quot; Wacht een anderen tijd af om mij gevoeliger bewezen van uwe vereering te geven. Ik sta nog niet op het punt de aarde te verlaten om naar den hemel weder te keeren, gij zult nog gelegenheid hebben mij weder te zien. Doch ga naar mijne broeders, die nog in rouw en tranen verkeeren... Haast u hun mgne verrijzenis te boodschappen. Welk eene treffende zorgvuldigheid! Voor wie? Wie zijn zij, die Jezus zich haast te troosten en die Hij zijne broeders noemt? Had Hij reden tevreden te zijn over hunne getrouwheid?

Magdalena gaat dan den leerlingen boodschappen, dat zij den Heer heeft gezien en brengt hun letterlijk zijne woorden over. Met welke bewondering beschrijft

-ocr page 299-

288

zy hun zijn glorievollen staat. Wat doet zij, alsmede hare gezellinnen, niet, om hen te overtuigen van de waarheid van een verhaal, dat hen met vreugde moet vervullen. Nuttelooze moeite: »Hare woorden schenen hun toe als onzinnige taal; en zij geloofden haar niet.quot; Zij hadden Magdalena geloofd, toen zij haar argwaan omtrent een door haar ingebeeld feit uitte: »zij hebben den Heer uit het graf weggenomen,quot; zij weigeren te gelooven, als zij mededeelt wat zij met eigen oogen gezien, met eigen ooren gehoord heeft.

O hardnekkigheid van \'s menschen hart voor de zaken der zaligheid! Een verdichtsel maakt indruk op ons en de waarheden des geloofs, gesteund op het gezag van God-zelven, kunnen slechts met moeite de hardnekkigheid van onzen geest overwinnen. Vernederen wij ous, doch verheugen wij ons te vers, omdat de Heer zoo goed en liefderijk onze ellende ter hulp komt. Vreezen wij, naar het voorbeeld van Magdalena, niet Jezus te verlaten om onze broeders te dienen, in hen dienen wij Hem-zelven, Hij zal onzen ijver recht doen wedervaren.

-ocr page 300-

289

55ste OVERWEGING.

jezus veuschijnt aan de beide leerlingen op den weg naar emmaus.

I. Hg voegt zich bij hen.

II. Hij onderhoudt zich met hen.

III. Hij scheidt van hen.

I Punt. Jezus voegt zich hij de twee leerlingen op den weg naar Emmaus. Alles ademt in het gedrag des Zaligmakers, ten opzichte dezer twee leerlingen, den werkzaamsten ijver, de treffendste goedheid. Eerst gewaardigt Hg zich, zich aan hen te doen kennen en vervolgens bedient Hg zich van hen, om de vereenigde Apostelen voor te bereiden tot het ontvangen derzelfde gunst.

Het hart met droefheid vervuld, verlaten zij Jeruzalem op den dag der verrijzenis, en zg gaan, om hunne smart te verzetten, naar buiten om zich te verstrooien. Als onvoorzichtige schapen scheidden zij zich van de kudde. Was dit niet het gevaar te gemoet gaan? Hun geloof was reeds zeer verzwakt, zij hadden de getuigenis verworpen der Apostelen en heilige vrouwen, die het graf bezocht, het ledig bevonden hadden, en bevestigden dat de Zaligmaker verrezen was. Ook geven zij Hem slechts den naam van profeet. Quid fuit vir propheta. Zij hadden zoo goed als geene hoop meer, Sperabamus. Gelukkig was er in hun hart nog eene vonk liefde voor hun Meester overgebleven. Zij spraken van Hem. O wat is het goed van God en van goddelgke zaken CH. III, 19

-ocr page 301-

290

te spreken, hetzij in ons-zei ven, hetzij met onzen naaste. Wanneer wij in kwelling en inwendige droefheid van God spreken, komt Hij onze harten versterken, door ze te verlichten en te doen branden door zijne liefde.

Beschouw hier, met welk eene liefdevolle vaardigheid, Jezus ter hulp snelt van hen, die zich in het uur der beproeving zoo ontrouw getoond hebben. Hij kan niet dulden dat zij, als vrucht hunner onge-loovigheid, in droefheid gedompeld blijven, als zij zulke billijke reden tot blijdschap hebben. Deze beide mannen waren geene apostelen, doch eenvoudige leerlingen van ondergeschikten rang, zegt de H. Bona-ventura, Jezus nadert hen echter. Hij gaat en spreekt gemeenzaam met hen, als ware Hij een hunner. Zonder het kleine getal in aanmerking te nemen, ontsluit Hij zijne geheimen aan twee leerlingen, gelijk Hij het doen zou aan eene breede schare, zoowel als Hij dit gedaan had, op den rand van den put van Jacob, ten aanhoore van eene enkele Samaritaansche vrouw. Ziedaar een der kenmerken van den waren ijver.

II Punt, Jezus onderhoudt zich met de heide leerlingen op den weg van Emmaus. Met welke bewonderenswaardige toegevendheid bereidt Hij hen tot de genade, welke Hij hun voorbereidt. Hij begint met hen te ondervragen; Welke zijn die reden, die gij, wandelende, met elkander wisselt, en waarom zijt gij bedroefd? De vragen, welke een God doet, kunnen Hem niets leeren, Jezus wist zeer wel, waarover zij spraken, waarom zij bedroefd waren, doch Hij wilde hun langzamerhand het hart openen

-ocr page 302-

291

en hen aanzetten Hem de wonde hunner ongeloo-vigheid te ontdekken. Zij deden het en getroffen over hunne verblinding, begint Hij hen te onderwijzen , hunne opmerkzaamheid opwekkende door een verwijt, dat Hij hun in den loop zijner leerredenen reeds meermalen gedaan had. »0 gij, onverstandigen en tragen van harte, om aan alles te gelooven, wat de profeten gesproken hebben! Moest niet de Christus deze dingen Igden en zoo ingaan in zijne heerlijkheid?quot; Vervolgens legde Hij hun alles uit, wat in de Schriftuur omtrent Hem geschreven stond, en toonde hun, hoe volmaakt de voorzeggingen met de gebeurtenissen overeenstemden. En terwijl Hij hen verlichtte, ontstak Hij in hen een hemelsch vuur. Weldra zullen zij tot elkander zeggen: » Was niet ons hart brandende in ons, terwijl Hij sprak op den weg ? quot;

O leerlingen, hoe wijs waart gij, toen gij bij het uitgaan van Jeruzalem, in plaats van in ijdele gesprekken verstrooing te zoeken, Jezus en zijn lijden tot onderwerp van uw onderhoud koost! Hij, van wien gij spraakt, voegde zich bij u, sprak zelf tot u, en bij zijne stem maakte de duisternis van uwen geest plaats voor het licht, de droefheid voor de vreugde, de mismoedigheid voor het vertrouwen en de liefde. Verdienen wij ook dat de Zaligmaker aldus deel kome nemen in onze gesprekken? Hoe vele religieuzen zouden moeten blozen, indien Hij hun plotseling verschijnende, hun vroeg: Waarover spreekt gij? Die spotternijen, die twistredenen, die lichtzinnige, onbescheiden woorden, zijn dat gesprekken, die voegen aan hunne lippen, gepurperd

-ocr page 303-

292

door Jezus Bloed, aan tongen, waarop zijn goddelijk lichaam zoo dikwijls rust?

III Punt. Jezus scheidt van de heide leerlingen, nadat Hij zich heeft heleend gemaakt. Terwijl Hij sprak, verliep de tijd snel. Zij waren bij de plaats gekomen, waar Hij hen moest verlaten en Hij hield zich als wilde Hij verder gaan. Dusdanig is vaak het gedrag van God, ten opzichte der zielen, welke Hem het dierbaarst zijn. Als Hij zich schijnt te verwijderen en ons zijne gunsten verbergt, zoo is dit slechts om onze begeerten te prikkelen. Als een teeder vader schijnt Hij zich te onttrekken aan kinderen, welke Hij liefheeft, ten einde hunne liefde op te wekken en derzelver verkoeling te voorkomen. En zij dwongen hem, zeggende: »blijf bij ons; want het wordt avond.quot; O heilige aandrang van het gebed. Deszelfs kracht is onweerstaanbaar; het dwingt God bij ons te blijven en onze goede begeerten te volbrengen. J?n Hij ging met hen binnen. Na zich aan tafel gezet te hebben, nam de Zaligmaker brood, zegende het en na het gebroken te hebben, bood Hg het hun aan. Op hetzelfde oogenblik openden zich hunne oogen en zij erkenden Hem. Hoe heerlijk was dit oogenblik, doch hoe spoedig was het vervlogen! want Hij verdween uit hunne oogen. Welke waren toen hunne gevoelens. Welke zoetheid, welke beminnelijke vrede blijft gewoonlijk in de ziel, tot wie Jezus heeft gesproken en wie Hij de waarheid zijner geheimen doet smaken. De twee leerlingen haasten zich de anderen in hun geluk te doen deelen. Zij vertrekken onmiddelljjk, keeren terug naar Jerusalem, waar zij de leerlingen vergaderd vinden.

-ocr page 304-

293

Zij verhalen hun het gebeurde en hoe zij den Heer erkend hebben in het breken des broods. Dikwijls overlaadt Jezus ons slechts met zijne genaden, om ons op te wekken, om Hem harten te winnen.

»Diegenen,quot; zegt de schrijver der Navolging, «erkennen waarlijk den Zaligmaker bij het breken des broods, wier harten ontvlamd zijn, als Jezus met hen is, doch helaas! hoe ver is eene zoo innige teederheid, eene zoo vurige liefde vaak verre van mij.quot; Zoek hiervan de oorzaak. Zou het niet zijn, omdat uw geloof kwijnt, omdat herhaalde verstrooidheid, welke niet altijd onvrijwillig is, u God doet vergeten? Houd u bezig met Hem, met Hem alleen, scheid u geen oogenblik van Hem af, weldra zult gij, gelijk de beide leerlingen, uw hart voelen branden. Geen ijs zoo dik, dat niet smelt bij de aanhoudende, warme stralen der zon. Ga ter heilige tafel om het hemelsch brood te nuttigen en smeek, bij het ontvangen der H. Communie, Jezus-Christus u de oogen te openen.

56ste OVERWEGING.

VERSCHIJNING VAN JEZUS AAN DE VERZAMELDE APOSTELEN. BESCHOUWING.

I. De personen beschouwen.

II. De woorden aanhooren.

III. De handelingen overwegen.

1. Toen het dan avond was op dien dag, den eersten dag der week, de deuren gesloten zijnde,

-ocr page 305-

294

waai\' de leerlingen vergaderd waren, uit vreeze voor de Joden, kwam Jezus en stond in het midden en zegde tot hen: »Vrede zij u!quot; En dit gezegd hebbende, toonde Hij hun zijne handen en zijne zijde. De leerlingen verblijdden zich dan, denHeere ziende.(l)

2. Stellen wij ons de afgelegen, eenzame woning voor, waar de Apostelen vergaderd waren.

3. Bidden wij onzen Heer Jezus-Christus zich, in het heiligdom onzer ziel, aan ons te openbaren, en ons die gevoelens in te boezemen, welke zijne verschijning in het hart zijner Apostelen teweeg bracht.

I Punt. De personen beschouwen. In dit vertrek hebt gij het geheele apostolisch college onder de oogen. Thomas alleen is afwezig, en hoe vele tranen zal deze afwezigheid hem doen storten. Beschouw de gelaatstrekken dergenen, die hier vergaderd zijn. Hunne gevoelens zijn verdeeld. De eenen gelooven aan de verrijzenis, de anderen niet, en zij die er aan gelooven, laten zich door de vrees voor de Joden overmeesteren. Op hun gelaat ligt eene zekere onrust, men ziet dat hunne ziel onder den invloed der vrees is. O mijn God, indien ik ten volle aan uw woord geloofde, indien mijne hoop onwrikbaar was, zou ik dan vreesachtig zijn tegenover uwe en mijne vijanden?

Wat vermogen zij tegen mij, als Gij mij beschermt? Die Apostelen, welke heden alles doet beven, zullen weldra onwrikbaar alle beproeving trotseeren; zij zullen de wereld verwonderen door hunnen moed. Versterk ook mij, Heer, door de genade van uwen geest.

(1) Joa. 20, 19.

-ocr page 306-

295

Beschouw de twee leerlingen van Emmaus, die onverwacht binnentreden; zie met welke vreugde zij verhalen wat hun op weg overkomen is, en hoe zij den Zaligmaker erkend hebben! Doch helaas, vrij mogen zij spreken met al de overtuigingskracht van mannen, die gezien en gehoord hebben; bevestigt hun verhaal al het geloof der eenen, zoo kan het nochtans de hardnekkigheid der anderen, die in hun ongeloof volharden, niet doen zwichten. — Beschouw Jezus, op het oogenblik dat Hij verschijnt,.... welke goedheid, welke zachtaardigheid in zijne trekken! Welke lichtstralen schieten zijne wonden! Welkeene beminnelijke majesteit! Laat in uwen herhaalden en gemeenzamen omgang met Hem, nooit de eerbied het vertrouwen, noch het vertrouwen den eerbied uitsluiten. Tracht in uwen omgang met uwe broeders, zoo dezen beneden u staan, liever het vertrouwen dan den eerbied in te boezemen. Jezus gaat u deze les geven door zijn gedrag en zijne woorden, gelijk Hij ze u geeft in de uitdrukking zijner goddelijke gelaatstrekken.

11 en III Punt. De ivoorden aanhooren en de handelingen overwegen. Terwijl de leerlingen van Emmaus trachtten hunne vreugde aan de anderen mede te deelen en men zich over het gebeurde onderhield, stond Jezus eensklaps te midden der vergadering en zegde: »Vrede zij üquot;! ik had U dien beloofd, ik geef hem U, »Ik ben het, vreest nietquot;.... Bij dit gezicht, bij het hooren der hun zoo welbekende stem, staan de apostelen verslagen, en in hunne vrees, zulk een groot geluk niet durvende verwachten, meenen zij een geest te zien. Jezus moet hen weder gerust-

-ocr page 307-

296

stellen, en Hij doet dit met onuitsprekelijke liefde. gt; Waarom zijt gij ontsteldvraagt Hij hen, en komen er gedachten op in uwe harten? Kent gij dan uw Meester niet meer ? Hij zelf spreekt tot U. » Beschouwt mijne handen en voeten.quot; Ik heb deze wonden behouden als een eeuwig gedenkteeken mijner liefde voor ü. Raakt ze aan, beschouwt ze, » en ziet dat een geest geen vleesch en beenderen heeft, gelijk gij ziet dat ik heb.quot; »En als Hij dit gezegd had, toonde Hij hun zijne handen en voeten en zijne zijde.quot; Welken indruk maakt dit onverwacht schouwspel op hen? Zullen zij dit aanbiddelijk lichaam durven aanraken? Doch de Heer noodigt hen hiertoe met een zekeren aandrang. Heilige Wonden, ik heb het geluk U te aanbidden, U aan te raken zoo dikwijls ik tot de heilige Tafel nader. Genees de ziekten mijner ziel; is de gevaarlijkste van alle deze niet mijne traagheid in te gelooven, en de zwakheid van mijn geloof?

Intusscben waren éenigen hunner zoodanig door vreugde en bewondering buiten zich-zelven, dat zij nog twijfelden. Om hen volkömen te overtuigen, vraagde de Heer hun of zij niets te eten hadden en Hij at inderdaad in hunne tegenwoordigheid. Terzelfder tijd opende Hij hun het verstand om de Schriften te verstaan. Na hen aldus gerustgesteld en ten voile overtuigd te hebben, deed Hij hun een verwijt, niet om hen te bedroeven, doch om ons een voorbeeld na te laten, op welke wijze wij berispen moeten, als wij hiertoe gedwongen zijn. Hij beklaagt zich dat zij geen geloof hadden willen slaan aan de getuigenis van hen, die Hem verrezen gezien hadden.

-ocr page 308-

297

Heer, zij hebben U een veel grooter onrecht gedaan en Gij spreekt hiervan niet: Zij hebben uwe eigene woorden, waarin Gij hun duidelijk gezegd hebt, dat Gij ten derden dage verrijzen zoudt, niet geloofd. In zijn verheerlijkt leven toont Jezus als immer dezelfde zoetaardigheid. Men zou meenen, dat eene beleediging niets is, zoo zij Hem alleen treft. De Apostelen erkenden, dat zij schuldig waren ten opzichte van hunnen goeden Meester en herinnerden zich, dat het niet de eerste maal was. De toegevendheid, waarmede hen behandelde, overdekte hen met zalige schaamte, trof hen in het diepste der ziel en werd een der sterkste banden, die hen aan Jezus hechtten. Leeren wij van onzen goeden Meester den zoo moeielijken plicht der broederlijke berisping; het beste middel om eene fout te doen herstellen, is dikwijls te toonen, dat men er niet meer aan denkt, vooral indien deze fout ons persoonlijk beleedigt. Leeren wij van de Apostelen, hoe wij moeten opstaan als wij gevallen zijn, hoe wij onze fouten door de nederigheid tot ons voordeel moeten aanwenden.

Samenspraak met onzen Heer. Vereenigen wij onze aanbiddingen met die der Apostelen, onze vreugde met hunne vreugde. Smeeken wij den verrezen Jezus in ons door de H. Communie de gelukkige uitwerkselen teweeg te brengen, welke zijne verschijning in hen verwekte.

-ocr page 309-

298

57ste OVERWEGING.

verrijzenis der dooden.

Et exspecto resurrectionern mortuorum.

I. De goede religieus verwacht met vertrouwen de glorievolle verrijzenis.

11. Hij tracht de voorwaarden te vervullen, op welke zij beloofd is.

I Punt. De goede religieus verwacht met vertrouwen de gelukzalige opstanding. Hij ziet daarvan het zeker onderpand in die van Jezus-Christus, welke terzelfder tijd, het beginsel, de beweegreden, en het voorbeeld van onze eigene verrijzenis is. Het beginsel, waardoor Hij ons kan — de beweegreden, waarom Hij ons wil — het voorbeeld, volgens hetgeen Hij ons inderdaad zal doen verrijzen.

1. De verrijzenis van Jezus is het beginsel der onze. Uit zich-zelven herneemt Hij het leven, gelijk Hij het had verlaten; Hij had geene vreemde hulp noodig. Ziedaar zijne almacht bevestigd, op de zegevierendste wijze bevestigd; wie zou nog ooit onze verrijzenis onmogelijk durven noemen? Is het wonder van een gestorven God-menscb, zich-zelven opwekkend van den dood, niet veel verwondelijker, dan het wonder, waardoor een levende God-memcb andere menschen van den dood opwekt? Hij kan ons doen verrijzen en Hij wil het.

2. De verrijzenis van Jezus is de beweegreden onzer eigene opstanding. Als christen, doch vooral

-ocr page 310-

299

als religieuzen, zijn wij door zoovele heilige banden aan Hem verknocht, dat zijne verrijzenis onfeilbaar de onze medebrengt. Dat Hij uit het graf verrijze, is niet genoeg, noch voor Hem, noch voor ons. Onze verrijzenis moet de zijne bekronen. Indien wij geen deel hadden in de overwinning, welke Hij behaalt op den dood, zou er iets ontbreken aan de vervulling zijner plannen. Daar zijne glorie het beginsel is van ons geluk, maakt ons geluk ook een deel uil van zijne glorie.

Hij is ons hoofd; wij zijn zijne ledematen; is het niet in de orde, dat de ledematen deelen in den toestand van hun hoofd. Wil Hij, in hoedanigheid van hoofd, dat zijne ledematen werken , lijden, leven, sterven gelijk Hij, waarom zou Hij niet willen dat zij ook met Hem verrijzen? Is het niet billijk dat, zoo Hij ons deel geeft aan zijnen arbeid. Hij ons ook deel geve aan zgne belooniug?

Hij is onze Verlosser en zijne verlossing is overvloedig; om dit te zijn moeten wij in Hem terugvinden wat wij in Adam verloren hebben, het leven des lichaams, zoowel als het leven der ziel. Indien wij niet moesten verrijzen, zou men kunnen zeggen dat Hij den mensch niet in zijn geheel verlost heeft.

Hij is ons leven; als wij gecommuniceerd hebben, zijn wij het niet meer die leven, het is Jezus, die in ons leeft. »Hoe kunnenquot;, vraagt een heilig kerk-

\'O O

leeraar, »er dan menschen gevonden worden, onverstandig genoeg om de hoop van een onsterfelijk leven te ontzeggen aan lichamen, die zoo dikwijls het lichaam genut hebben van een God, in wien de bron der onsterfelijkheid zetelt: Hij heeft het gezegd:

-ocr page 311-

300

Die mijn vleesch eet en mijn hloed drinkt heeft het eeuwige leven en ik zal hem opwekken ten jongsten dage. (1) Kon de belofte duidelijker zijn?

Neen Heer, Gij zult niet dulden, dat lichamen zoo dikwijls geheiligd door hunne vereenigiiig met het uwe, voor eeuwig aan het bederf van het graf worden prijsgegeven. De dood zou zich troosten U slechts een oogenblik onder zijue heerschappij te hebben gehad, zoo hij hen, die Gij, door het aanzitten aan uwen liefdedisch, als het ware met U vereenzelvigd hebt, onder zijn juk kon doen bukken. Deze innige vereeniging van Jezus-Christus met den christen en veel meer nog met den religieus, deed den H. Paulus zeggen: Indien er geene verrijzenis der dooden is, dan is ook Christus niet verrezen. (2) 3. De opstanding van Jezus is het voorbeeld der onze. Wij mogen ons voorstellen al wat wij ons heerlijks kunnen uitdenken in dien luistervollen zegetocht der heilige menschbeid van Gods Zoon, en tot ons-zelven zeggen: Ziedaar in welken toestand ik eens voor alle eeuwigheid zijn zal, indien ik wil.... Als hij onze lichamen zal komen trekken uit het stof van het graf, zal Hij ze gelijk maken aan zijn eigen verheerlijkt lichaam. Thans zijn het lichamen, onderhevig aan bederf, aan lijden, aan den dood; het is slechts een verachtelijk vleesch, doch eenmaal, gelukkiglijk hervormd, zullen zij bekleed zgn met klaarheid, lichtheid, onlijdelijkheid, gelijk het lichaam van Jezus-Christus zeiven. Doch:

Leert het geloof ons dat wij allen zullen verrijzen, het leert ons tevens dat deze luistervolle verandering

(1) Joa. 6, 56. (2) Cor. 15, 30.

-ocr page 312-

301

slechts het deel zal zijn der vrienden des Heeren, want ziehier een groot en verschrikkelijk geheim; de toekomstige verrijzenis is eene zoete hoop voor de goeden, een schrik voor de goddeloozen; de eersten zullen verrijzen om eeuwig te leven, de tweeden zullen het graf slechts verlaten om in een ander geworpen te worden; op het graf van aarde zal voor hen volgen een graf van vuur, dat nooit zal worden uitgebluscht. O mijn God, wees gezegend mij geroepen te hebben tot eenen staat, waarin het mij zoo gemakkelijk is deze vreeselijke opstanding te vermijden en mij den waren vrede te verzekeren.

II Punt. De religieus tracht de voorwaarden te vervullen, waaraan de verrijzenis, die hij verlangt verbonden is. Hooren wij den H. Paulus: Indién wij mede-gestorven zijn, wij zullen ook mede-leven , indien wij zullen verdragen, wij zullen ook mede-heer schen. Indien wij mede-lijden, zullen wij ook mede verheerlijkt worden. (1) Al onze rechten op de verrijzenis der uitverkoornen zijn gegrond op onze ver-eeniging met Jezus-Christus. Hij is onze koning, laat ons met Hem strijden en wij zullen met Hem heerschen. Hij is onze broeder, wij zullen zijn erfdeel met hem deelen, doch slechts in zooverre wij gedeeld hebben in zijne armoede en zijne smarten. Ledematen van een vernederd hoofd, gehoorzaam tot den dood des kruises, zullen wij met Hem slechts de kroon van heerlijkheid deelen, indien wij even als Hij onze eer, ons leven, onze vrijheid ten offer brengen. Indien wij gelijken op Jezus geslachtofferd.

(1) II Tim. II, 11 ch. 121 Eom. 8, 17.

-ocr page 313-

302

zullen wij gelijkvormig zijn aan Jezus verheerlijkt. Willen wij uit het graf komen als Hij, treden wij dan in het graf gelijk Hij. Hij kwam er in vol wonden, brengen wij er ten minste een boetvaardig lichaam. Daarenboven wordt het H. Sacrament ons gegeven als onderpand van onze eeuwige glorie: vereeren wij dit geheim, ontvangen wij met liefde dit levend en levendmakend brood. Wij zullen worden opgewekt door den geest Gods, die in ons woont; laat ons dus, gelijk Jezus, leven door dien godde-lijken geest, steeds getrouw zijne inspraken volgende. Onderzoeken wij ons-zei ven en maken wy ons een vast voornemen voor de toekomst.

5gste OVERWEQING.

heï religiktjze leven. vergeleken met het vekheer-lijkt leven van jezus.

I. Ten opzichte des lichaams.

II. Ten opzichte der ziel.

I Punt. Het religieuze leven vergeleken hij het j verheerlijkt leven van Jezus, ten opzichte des lichaams. Het voorrecht van de gelofte van zuiverheid getrouw nageleefd, is zoo groot, dat zij de lichamen deel geeft aan de vier glorierijke hoedanigheden van Jezus na zijne verrijzenis: onstoffelijkheid, onbederfelijkheid, natuurlijke kracht en klaarheid.

De religieuze zuiverheid maakt onze lichamen vrij van de slavernij der zinnen, zij verheft hen boven

-ocr page 314-

303

het gebied der begeerlijkheid en maakt lien terzelfder tijd buigzaam en gehoorzaam aan de wetten van den geest. De genade, zegt de H. Augustinus, is niet minder krachtig voor bet goede, dan de zonde voor het kwade, en daar de zonde kan uitwerken dat eene ziel van rein als zij was, geheel vleesehelijk wordt, zoo moet men zich niet verwonderen, dat de genade de kracht heeft de lichamen als geestelijk te maken. De Zaligmaker leert ons, dat na de verrijzenis, de menschen zullen zijn gelijk engelen, daar zij onder elkander geen ander verkeer meer zullen hebben, dan dat waartoe de engelen bekwaam zijn. Welnu, onder dit opzicht gelijkt de religieuze staat volkomen op dien der opstanding; is eene communauteit wel iets anders dan eene vergadering van maagden, eene vereeniging van uitverkoren zielen, welke inderdaad de engelen dezer aarde zijn. Een lichaam door de religieuze zuiverheid geheiligd, mag dan beschouwd worden als een engelachtig en geestelijk lichaam.

De verrijzenis zal onze lichamen onbederfelijk maken en de religieuze zuiverheid geeft dit voorrecht reeds voor dien tijd. Zij is, volgens de gedachte der Kerkvaders, een heilige balsem, over onze zinnen uitgestort, die ze in ongeschonden staat bewaart. In de wereld zijn de deugden blootgesteld aan het bederf dezer aarde; de ledigheid, de weekelijkheid, de genoegens des levens, de vrijheid der gesprekken, de kwade voorbeelden vormen een gedurig gevaar voor de schoonste, doch tevens de teederste aller deugden. De religieuze staat is een behoedmiddel tegen dit alles; tegen de verwijfdheid door de ge-

-ocr page 315-

304

strengheid des levensregels, tegen de ledigheid door den arbeid en het nakomen der regelen, die alle oogenblikkeu aanvullen, tegen de kwade voorbeelden door de wederzijdsche stichting. De religieuze ziel heeft bet geluk onbederfelijk te zijn, door de genaden welke zij ontvangt, gelijk de lichamen der gelukzaligen het zullen zijn, door het uitwerksel hunner verrijzenis. Wat nu de klaarheid der verheerlijkte lichamen betreft, zoo kan al hun glans in geene vergelijking treden met de schoonheid, welke de onbesmette zuiverheid verschaft aan de religieuze ziel, die haar overeenkomstig eene plechtige gelofte beoefent. Het is inderdaad deze deugd, welke haar verheft tot het hemelsch verbond, dat zij sluit met den Zoon Gods. »Komquot;, zegde de engel der openbaring tot den H. Joannes, »kotn, ik zal u de bruid des Lams toonen quot;: bijzondere titel, toegevoegd aan de religieuze zielen, daar zij alleen zich aan Jezus toegewijd hebben door eene plechtige gelofte, eene eeuwigdurige verbintenis. Het is door de verdiensten van die maagdelijke kuischheid, dat zij eenen bijzonderen rang zullen bekleeden in de vergadering der uitverkoornen, en dat zij het Lam zullen volgen, overal waar het gaan zal.

Indien wij, om de vergelijking te voltooien, kracht met kracht vergeleken, die van het verrezen lichaam, dat door niets wederhouden wordt, met die der religieuze ziel, welke getrouw de belofte aan den Heer gedaan, nakomt, zal men zien, dat de voorrang aan de ziel toekomt. De kerkvaders geven haar onder dit opzicht eene ware meerderheid, zelfs boren de engelen en hemelsche geesten. Is het wonder dat

-ocr page 316-

305

de engelen zuiver zijn? Zij zijn niet, gelijk wij, blootgesteld aan de stormen der hartstochten; zij hebben noch eteu, noch drinken noodig; zij zijn onbereikbaar voor alle soorten van verleiding, welke onze zintuigen den oorlog aandoen. Schooner is het de glorie der engelen te verkrijgen door strijd en overwinning, gelijk de Maagden, dan haar te bezitten, zonder dat zij iets gekost heeft, gelijk de engelen dit doen. Engel te zijn is slechts een geluk, maagd te zijn is eene bewonderenswaardige deugd; wat voor den eene natuurlijk voorrecht is, is voor den andere de vrucht der heldhaftigste deugd. Het is dus waar, dat wij, door een kostbaar voorrecht der religieuze professie, van nu af aan deel kunnen nemen in de glorie van Jezus-Ghristus, doch vergeten wij niet, dat wij er slechts in zooverre in deelen, als wij met de genade van onzen staat medewerken. Onze lichamen, schoon aan God toegewijd, zijn gedurende dit leven noch onstoffelijk, noch onbederfelijk , noch met glorie omgeven, dan in zooverre wij ons toeleggen ze aldus te maken, door het volbrengen der plichten van onzen heiligen staat, en het volmaakt naleven onzer regelen. Datgene wat voor God onze verdiensten vermeerdert, moet ook onze waakzaamheid en onze offervaardigheid vermeerderen.

II Punt. Het religieuze lenen vergeleken hij het verheerlijkt leven van Jezus, ten opzichte der ziel. Dezelfde verwijdering van de wereld, hetzelfde voortdurend verkeer met God. Hoewel de Heer verrezen was, bleef Hij nog op aarde; doch Hij had met de menschen niet meer denzelfden omgang als gedurende ch. in. 20

t

I

-ocr page 317-

306

zijn sterfelijk leven; men kan zeggen, dat Hij te midden van hen verblijvende, volkomen van hen gescheiden was, zelfs van hen, met wie Hij het innigst vereenigd was, zelfs zijne heilige Moeder niet uitgezonderd. Ziedaar wat eene waarlijk religieuze ziel doet. Zij leeft in de wereld, zonder in haar belang te stellen. Zij heeft eene familie, doch zij maakt er geen deel meer van uit; naastbestaanden, doch zij behoort hun niet meer toe. Jezus is gekomen, om den vader van den zoon, de dochter van hare moeder te scheiden. Het religieuze leven is feitelijk een leven verborgen in God met Jezus-Christus. Eenzaam leven, doch in die afzondering is men niet alleen; men is wet Jesus-Christus, men is in God. Gedurende de veertig dagen, welke zijne verrijzenis volgden, liet de Zaligmaker zich van tijd tüt tijd bij zijne leerlingen zien, doch steeds om ernstige redenen: om zijne verspreide schapen bijéén te verzamelen , hen in het geloof te bevestigen, hen te troosten, te onderrichten. Aldus moet de religieuze ziel geene betrekkingen met de christenen in de wereld aanknoopen, dan in zooverre stichting, ijver, liefde en noodzakelijkheid dit vereischen. Hare gesprekken met hen moeten niet slechts zeldzaam zijn, doch steeds vergezeld gaan van een heilig ongeduld , om tot hare dierbare eenzaamheid weder te keeren, gelijk die van Jezus vergezeld gingen van eene vurige begeerte om weder ten hemel te stijgen. Nooit verscheen Hij zonder aan hen, die Hem zagen, te betuigen, dat Hij niet lang meer met hen zou wezen, dat het in hun belang was, dat Hy tot zijnen Vader wederkeerde... Een religieus, die den

-ocr page 318-

307

geest van zijnen staat heeft, vermijdt steeds dergelijke gesprekken te verlengen, hoezeer zij hem ook geoorloofd schijnen. Hij weet tot hen, die ze te lang zouden rekken, te zeggen, wat Jezus tot zijne Apostelen zegde: Expedit vobis; ut ego vadam. Ik moet u verlaten. God beveelt het mij en Hij beveelt dit in uw belang. Ik zal u nuttiger zijn, als ik u verlaat en voor u bid. Als laatsten trek van gelijkvormigheid met haren gekruisten Bruidegom, heeft de religieuze ziel, hoewel nog op deze aarde ver-keerende, geen ander oogwit dan den hemel. Zij brengt getrouw de les in beoefening, welke de H. Paulus gaf aan de eerste geloovigen: Indien gij met Christus verrezen zijt , zoekt dan de ware goederen ; doch hoopt niet die te vinden, dan in Jezus-Christus, in de woning waar Hij zit aan de rechterhand zijns Vaders. Zij smaakt slechts de zaken des hemels, evenzeer vereenigd met God, als afgescheiden van de menschen. Zij leidt een gelukkig leven, waarvoor zij onophoudelijk de oneindige barmhartigheid dankt.

-ocr page 319-

308

59ste OVERWEGING-.

Eerste Zondag na Paschen.

be voorwaarden van onzen vrede.

I, Geen vrede met God, dan door de onschuld.

II. Geen vrede met den naaste, dan door de liefde.

III. Geen vrede met zich-zelven, dan door den strijd tegen zich-zelven.

I Punt. Vrede met God door de onschuld. De H. Augustinus vraagt: »Kan men met God in vrede leven, als men behagen schept in hetgeen Hem mishaagt, als men zijne voldoening zoekt in hetgeen Hem wondt en beleedigt?quot; Gaan wij terug tot het begin: »God is mijn laatste einde, mijn opperste goed, mijn middelpunt.quot; Met dit aanbiddelijk middelpunt vereenigd, ben ik in rust; van Hem gescheiden , ben ik noodzakelijk in ontsteltenis en onrust. Geene vereeniging met God, dan door de onderwerping van mijnen wil aan den zijne. Verwijder ik mij van dien oppersten wil, dan verlaat ik den kring mijner rust en stel mij in een verkeerden toestand. Weersta ik aan eene wet, welke natuur en godsdienst mij ten plicht maken te eerbiedigen , dan keert de rede zich tegen mij, mijn geloof veroordeelt en verschrikt mij, mijn geweten verscheurt mij door wroeging. Al zou ik dit willen, o mijn God, zou het mij wel mogelijk zijn uit mijnen geest uw vreeselijk oordeel en uwe bedreiging te wisschen ? Kan ik er aan denken zonder te sidderen ?

-ocr page 320-

309

Een slecht geweten is altijd ongerust. »Gij zult eene volmaakte rust genietenquot;, zegt de schrijver der Navolging, »als uw hart u geen enkel verwijt doet.quot; De vrede is het uitwerksel der rechtvaardigheid , de eerste belooning der nageleefde orde, even als de onrust de eerste kastijding is van elke ongeregeldheid; waaruit volgt, dat fouten, [waarvan ik verzuim mij te beteren, de ongetrouwheid aan eenige mijner regelen, eene inbreuk makende op de wetten van rechtvaardigheid en orde, voor mij eene oorzaak van onrust en lijden zijn. Heeft eene ziel al de zuiverheid, welke de rechtvaardigheid geeft, dan belet haar niets zich met God, het middelpunt harer rust te vereeningen.

II Punt. Vrede met den evennaaste door de liefde. Onze vrede met God is de vrucht onzer liefde tot God en zijne wet, onze vrede met den naaste is de vrucht dier oprechte liefde, welke ons hem doet beminnen ondanks zijne gebreken en het onrecht dat hij ons wellicht heeft aangedaan. Dat eenieder de anderen behandele gelijk hij behandeld wil zijn, dat hij verdrage, spare, verontschuldige, gelijk hij verdragen, gespaard, verontschuldigd wil zijn, dat hij beminne gelijk hij bemind wil worden, dan zal er geen verdeeldheid, geen tweedracht mogelijk zijn. Als de God van liefde met ons is, zal de God des vredes ook met ons zijn. De zee is kalm als zij door geen wind ontroerd wordt. Doch hoeveel liefde moet gij hebben, religieuze ziel, en hoe geduldig, hoe waakzaam moet uwe liefde zijn om in vrede te leven, zelfs met hen, die den vrede haten! »Want ditquot;, zegt de H. Augustinus, »wordt ons aanbevolen

-ocr page 321-

310

op bijna elke bladzijde der H. Schrift.quot; De H. Paulus bezweert ons bij de ketenen, welke hij om Jezus wil draagt, in alle zaken, de nederigheid, de zachtzinnigheid , de langmoedigheid te beoefenen, elkander in liefde verdragende, u beijverende, otu de eenheid des Geestes in den band des vredes te bewaren. (1) Op eene andere plaats dringt hij nog slechts aan; »Is er dan eenige opbeuring in Christus, is er eenige vertroosting der liefde, is er eenige gemeenschap des Geestes, is er eenige erbanning, maakt mijne blijdschap volkomen, dat gij eensgezind zijt, dezelfde liefde hebbende, één van ziel, van één gevoelenquot;. (2) Intusschen is het niet in den evennaaste en zijne gebreken, dat men het grootste beletsel van dien vrede moet zoeken, doch in zich-zelven.

III Punt. Vrede met zich-zelven door den strijd tegen zich-zelven. Ziedaar in welken zin men deze woorden des Zaligmakers moet verstaan: »Ik ben niet gekomen om vrede, maar om het zwaard te brengen.... eens vienschen huisgenooten zullen zijne vijanden wezen. (3) Het is slechts door een voort-durenden strijd te leveren tegen mijne neigingen, die huisvijanden, welke deel uitmaken van mg-zelven, dat ik het geduld, de gelijkmoedigheid kan bewaren, die mij boven alle gebeurtenissen plaatsen. De vrede is de vrucht der overwinning, gelijk de overwinning de vrucht van den strijd is. Als ik meester van mij-zelven ben, ben ik eenigermate meester van alles. Zoodra men getrokken wordt tot eenig voorwerp op ongeregelde wijze, voelt men de onrust in zich

(1) Eph. 4, 2, 3. (2) Philipp. 2, 1, 2. (3) Matth. 10, 34 eu 36.

-ocr page 322-

311

ontstaan.quot; (1) Dusdanig is \'s menschen hart geschapen , dat hij niet kan leven zonder begeerten, en zoo hij die niet beheerscht en bestuurt, worden zij zijne beulen. Worden wij niet moede deze wijze lessen van den godvruchtigen schrijver te overwegen. »In den weerstand aan de hartstochten ligt de ware vrede.quot; Zoek dien niet in het hart van den vleeschelijken mensch, noch in dat van dengene, die zich aan uitwendige zaken overgeeft. — Zalig zijn de een-voudigen. -— Voor hen is de zoetheid des vredes weggelegd. De eenvoudige is de zuivere mensch, die van zijne driften ontdaan, zich verheft boven de meening der menschen en slechts God zoekt. Doch hoe veel strijd te ondergaan en te leveren alvorens men aldus zich-zelven verovert en zich geheel onder het gebied der genade geplaatst heeft. »Waarom hebben eenige heiligen zich verheven tot een zoo hoogen graad van volmaaktheid en beschouwing? Zij hebben getracht te sterven aan al de begeerten der aarde, en zich aldus kunnen vereenigen met God uit den innigsten grond huns harten.\'\' (2) Hieruit volgt dit besluit, dat ik niet genoeg kan overwegen. »Wie het beste weet te lijden, zal den grootsten vrede genieten. Deze is overwinnaar van zich-zelven en meester der wereld, de vriend van Jezus, de erfgenaam des hemels.quot; (3)

Zuiverheid des harten, onderwerping aan het welbehagen Gods, hartelijke liefde jegens mijne broeders, ernstige strijd tegen mij-zei ven. Ziedaar dus de voorwaarden des vredes en bijgevolg de voorwaarden

(1) Imit. B. 1. H. 6. (2) Imit. B. 1. H. 11. (3) Ibid. B. 2. H. 3.

-ocr page 323-

312

van mijn geluk. Ik wil ze vervullen, o mijn God, doch help mij met uwe genade. Vestig Gij zelf in mijne ziel de stille kalmte, welke Gij afwacht, alvorens U aan haar mede te deelen. Ik zie daarin slechts ongeduldige vurigheid, verwarde bewegingen en ontsteltenis. Het rustig streven, de welbestuurde begeerte, de ijver, die zonder overhaasting te werk gaat, kunnen ons slechts door U gegeven worden, o eeuwige wijsheid, oneindige werkdadigheid, onverstoorbare rust, die het begin en het toonbeeld van den waren vrede zijt. Weiger ons deze hemelsche gift niet; het is het onderpand uwer liefde, het voorwerp uwer beloften, de prijs van uw goddelijk bloed, gestort ter onzer liefde.

60ste OVERWEaiNG.

Tweede Zondag na Paschen.

JEZUS VERTOONT ZICH AAN VERSCHEIDENE LEERLINGEN OP DEN OEVER VAN HET MEER VAN TIBERIAS BESCHOUWING.

I. De personen beschouwen.

II. De woorden aanhooren.

III. De handelingen overwegen.

1. Na het Paaschfeest begaven de leerlingen zich naar Galilea, gelijk hun Meester hun bevolen had. Zeven hunner waren te zamen en begaven zich in een scheepje en begonnen te visschen; doch dien nacht vingen zij niets. Des morgens stond Jezus

-ocr page 324-

313

aan den oever, doch de leerlingen wisten niet dat het Jezus was. Hij zegde hun het net ter rechterzijde uit te werpen. Zij deden dit en hadden eene overvloedige vangst. Joannes zegde tot Petrus: »Het is de Heer.quot; Petrus trekt zijn bovenkleed aan en werpt zich in zee; de anderen kwamen met het scheepje. Jezus, die zelf het maal bereid heeft, noodigt hen te eten. (1)

2. Stellen wij ons den oever van het meer en het scheepje der Apostelen voor; het ligt niet ver van den oever.

3. O Jezus, geef mij de genade ü te kennen, gelijk Gij U in deze verschijning toont, vol liefde voor uwe apostelen en al uwe dienaren. Doe mij deelen in het licht en de zuiverheid van den H. Joannes, in de vurigheid en toewijding van Petrus, in het geluk, dat zij allen smaakten bij deze overvloedige vangst en den heiligen maaltijd, hun door U bereid.

I Pünï. De personen heschomven. De Apostelen, die armoedig van hun handwerk leefden. Zie hen in hun scheepje, te zamen in eendracht arbeidende. Zij schijnen eenigszins nedergeslagen, daar hun werk niet slaagt, want, zegt de Evangelist, dien nacht vingen zij niets... Ach, wisten zij welke vreugde hen wacht! — Beschouw den Zaligmaker, daar staat Hij op den oever. Stetit Jesus in lütore. Hij beschouwt met goedheid zijne dierbare leerlingen en komt hen troosten. Hij wordt door medelijden getroffen, ziende dat zij zich te vergeefs vermoeid hebben, en dat zij

(1) Joa. 21.

-ocr page 325-

314

geen voedsel hebben om hunne krachten te herstellen. O mijn God, aldus deukt Gij ook aan mg en aan mijne behoeften, Als ik mij verlaten geloof, dan zijt Gij dicht bij mij Hoe dikwijls hebt Gij mij inwendig bezocht, krachtdadig geholpen , als ik geen uitkomst zag in mijn droevigen toestaud! Indien ik met vertrouwen bad, wat zou ik dan niet van uwe oneindige barmhartigheid ontvangen, daar Gij mij reeds zoo vele kostbare gunsten schenkt, die ik zelf U niet dacht te vragen.

II en III Punt. De woorden aanhooren, de handelingen ovenoegen. Jezus zoekt in alle omstandigheden ons twee zeer belangrijke waarheden in te prenten: de eene, dat Hij met teedere zorg waakt over onze belangen en dat zijne hulp ons noch voor het tgdelijke, noch voor het geestelijke zal ontbreken; de andere, dat wij zonder Hem, uit ons-zelven volstrekt niets vermogen. Met welke beminnelijke zoetaardigheid vraagt Hij zijnen Aposteleu of zij iets te eten hebben, hoewel Hij dit zeer wel weet. Hij wil, dat zij hunne behoeften erkennen en bekennen, ten einde hen beter te stemmen voor de genade, welke Hij hun voorbehoudt. Bekennen wij dan eenvoudig onze ellende; bekennen wij oprecht, dat wy niets hebben, zelfs datgene niet wat ons dringend noodzakelijk is, dat wij geene nederigheid, geen licht, geen moed hebben, en dat wij alles verwachten van zijne goddelijke goedheid. Jezus zegde hun: » Werpt het net aan de rechterzijde.quot; Zij doen dit en oogenblikkelijk is het vol met zulk eene menigte visschen, dat zij het nauwelijks kunnen ophalen. Zulk een onverhoopt geluk vervult hen met verbazing

-ocr page 326-

315

I

ea de welbeminde leerling zegde tot Petrus: »Het is de Heer.quot;

De H. Joannes erkent Jezus het eerste, en de H. Hieronimus geeft hiervan deze reden: Hij was maagd. Het voorreclit van het zuiver hart is gelegen in God te zien. O mijn God, wanneer zal het mij vergund worden U te zien, overal waar Gij jzijt, en in alle omstandigheden met uwen welbeminden jleerling te zeggen: »Het is de Heerquot; Do minus est! Waarom bij de schepselen verwijlen ? Het is de Heer, die mij verheugt door dezen voorspoed, die mij beproeft door dezen tegenspoed.... Domhuis est. Het [is de Heer, die deze vernedering, deze wederwaardigheid toelaat. De vermoeiende en vruchtelooze arbeid van den nacht was noodig, zegt de H. Gre-gorius, om de bewondering en de vreugde te bereiden, welke bij den morgen het uitwerpen van het net op \'s Heeren woord veroorzaakte. O Jezus zuiver mij,

dan zal ik U beminnen en door ü bemind worden, ik zal bemind worden door uwen Vaderen Gij zult U gewaardigen U aan mij te openbaren.

Hoorende dat het de Heer is, die op den oever staat, luistert Petrus slechts naar het vuur zijner liefde; hij neemt zijn overkleed en werpt zich in zee, terwijl de anderen met het scheepje naderen.

Er zijn twee wegen om tot Jezus te gaan; de eene is buitengewoon; en men moet dien noch laken, noch altijd willen volgen; de andere is de gewone weg, waarmede men zich tevreden moet stellen.

Onder de volmaaktste dienaren Gods, zijn vurige karakters, die niet in het schip kunnen blijven, zij

lien, aan dan mij :een lieu ran Gij ik

-ocr page 327-

316

gaan er uit en werpen zich moedig in de bittere wateren des lijdens, om spoediger tot Jezus, den gekruiste, te komen. Er zijn anderen van vreedzamer aard, die rustig in het scheepje der Voorzienigheid gezeten blijven, de gunsten huns meesters genieten, als Hij bij hen is, en Hem in vrede afwachten, als Hij zich verre van hen verwijderd houdt. Bewonderen wij de vurigheid van Petrus en volgen wij die na, in dier mate als ons daartoe genade gegeven wordt; in zijne begeerte om nader bij Jezus te komen, houdt hij geene rekening, noch met het gevaar, nocji met de moeite; hij kwam dan ook het eerste aan wal. Niets bevordert meer den voortgang eener ziel en hare vereeniging met God, dan de edelmoedigheid.

Doch wat had er plaats op het strand, toen zij allen vergaderd waren? Wat zien zij daar eerst? Een kolenvuur, visch daarop bradende en brood. De Zaligmaker had hun dit maal bereid. Hij noodigt hen te eten en zegt hun met onbeschrijfelijke goedheid: »Komt en ontbijt.quot; Hij doet nog meer, Hij dient hen met eigen hand. Et accipit panem, et dat eis, et piscem similiter. 0 vreesachtige ziel, zult gij altijd het Hart van Jezus kwetsen met Hem uw vertrouwen te weigeren? Neen, verontrust u niet omtrent de zaken, die u noodig zijn voor uw lichamelijk en geestelijk leven; Hij belast zich daarin te voorzien. Voor hem, die zich op Hem verlaten, is zijne Voorzienigheid nog zorgvuldiger dan voor anderen. Welk een heerlijk feestmaal bereidt Hij u in den hemel, terwijl gij op aarde voor Hem werkt. Weldra zal Hij tot u zeggen: Kom en voed n met

-ocr page 328-

317

mijne godheid, treed binnen in de vreugde van uwen Meester. Voed u intusschen dikwijls met het brood der engelen. Ga uwe kracht herstellen, uwe vurigheid opwekken aan de heilige tafel, het H. Sacrament is het brandpunt der hemelsche liefde. Wat ging er om in de ziel der Apostelen gedurende dezen heiligen maaltijd? De tegenwoordigheid van hun verrezen Meester, het zien van zijn gelaat, zijne stem, de liefde, welke Hg hun betoont, de teedere gemeenzaamheid, waarmede Hij met hen omgaat, alles verblijdt, verrukt, overlaadt hen met vreugde. Niemand hunner durft Hem vragen wie Hij is. Zij weten, dat het de Heer is. Zij stellen zich tevreden Hem te aanbidden, in stilte zijne goddelijke tegenwoordigheid en de zoetheid van zijn verkeer te genieten... De verrukking, welke eene ziel boeit, welke door liefde tot God brandt en zich verdiept in de beschouwing zijner grootheid, laat haar slechts vrijheid Hem te bewonderen, zij verliest zich in dien oceaan van volmaaktheden, welke zij ontdekt. Dit is de voorsmaak van het grootste geluk, dit is reeds op aarde een stroom van geneugten. Wat zal dit zijn in het verblijf der eeuwige glorie?

Samenspraak met onzen Heer Jezus-Christus. Aanbid zijne macht en goedheid, welke voorzien in de behoeften van al zijne schepselen. Aanbid nog meer zijne vaderlijke en treffende Voorzienigheid voor hen, die alles verlaten, om zich aan Jezus te hechten. Bedank Hem voor het geluk der religieuze roeping en stel u met vertrouwen in zijne handen.

-ocr page 329-

318

6rte OVERWEGING.

Derde Zondag na Faschen.

HET BESCHEllMFEEST VAN DEN H. JOZEP.

I. Hoe groot is liet vermogen van den H. Jozef in den hemel?

II. Welk gebruik wil hij ten onzen gunste daarvan maken?

III. Kunnen wij het belang, dat hij in ons stelt, nog vermeerderen?

I Pl\'Nï. Welk vermogen heeft de II. Jozef in den hemelt Oordeelen wij hierover door hetgeen de Kerk ons leert en door de bedieningen, welke hij op aarde te vervullen had.

1. Het kerkelijk officie is niet slechts het openbaar gebed der Kerk, het is tevens haar plechtig onderricht voor de geloovigen. Wat bemerken wij bij het lezen van het officie der twee voornaamste feesten, welke wij ter eere van den H. Jozef vieren en bijzonder in dat van zijne Bescherming? wat is daarin als het ware de overheerschende gedachte? Men kan die aldus uitdrukken: een grenzeloos vermogen in den hemel toevertrouwd aan den kuischen Bruidegom van Maria, voorgesteld door die macht, welke aan den Jozef van het oude verbond werd gegeven, tot heil van zijn volk. Bij het lezen van dit officie, meent men den Koning des hemels tot ons te hooren zeggen, wat eens de koning van Egypte zegde tot zijne onderdanen, die in hunnen nood toif

-ocr page 330-

319

hem kwamen: »Gaat tot Jozef. Ik heb hem mijne macht in handen gegeven. Hy is de uitdeeler mijner genaden; hij kan voor u doen wat ik niet kan.quot;

God heeft hem gesteld als meester over zijn huis, als opzichter over al zijne bezittingen, ziedaar wat de heilige Kerk zingt, terwijl zij hare vreugde door een herhaald Alleluia uitgalmt. Ziedaar het oordeel dat zij verlangt, dat ook wij vellen, omtrent het vermogen van dezen bewonderenswaardige!! heilige, een vermogen, dat buitendien het gevolg is zijner bedieningen.

2. Tijdens het leven van den H. Jozef had God op aarde een tweevoudigen schat, het voorwerp van al zijne genegenheden. Jezus, dien hij zijn welbeminden Zoon noemde, en Maria, die zelve door den mond van den heiligen Geest getuigde: »God bezat mij van het begin zijner wegen?quot; Wat deed de Heer ten opzichte van den heiligen Jozef? Hij vertrouwde hem dezen dubbelen eu onwaardeerbaren schat. Hij stelde hem aan het hoofd van zijn huisgezin, tot heer van al zijne bezittingen. Hij gaf hem over Jezus het recht eens vaders, over Maria dat des echtgenoots.

Nooit werden deze rechten godvruchtiger geëer-

O O D

biedigd, want nooit was er gehoorzamer zoon, onderdaniger echtgenoot. Doch hoe zou men kunnen meenen, dat deze glorierijke titels van den heiligen Jozef, waaraan op aarde zulk een wonderbare macht werd toegekend, als het ware zouden miskend worden sedert hij in den hemel is ? Zou de veronderstelling dat hij bij Jezus, die hem zijn vader noemde, en bij Maria, wier trouwe Bruidegom hy was, geen

-ocr page 331-

320

aader vermogen zou hebben dan dat, hetgeen het gevolg is eener allergrootste heiligheid, niet te kennen geven, dat hij, bij het intreden in het verblijf der glorie, de schoonste edelsteenen uit zijne kroon heeft verloren? en dat hij een soort van verlaging heeft ondergaan in datgene, wat voor anderen de heerlijkste belooning is?

Hieruit ontspruit het zoo wel gevestigd gevoelen, dat aan den Voedstervader van Jezus, even als aan zijne Moeder, hoewel in minder verheven graad, eene smeekende almacht toekent: Omnipotentia sup-plex. Zoo heilige en geleerde Kerkvaders meenden dat Maria den troon van den Koning der koningen minder nadert als verzoekster dan als vorstin, minder om te vragen, dan om te gebieden; zoo hebben anderen, van den H. Jozef sprekende, gezegd, dat gebeden van zulk een vader en zulk een echtgenoot geboden zijn voor zijnen Zoon en zijne Bruid; dat wel verre van hem de voorrechten ontnomen te hebben, welke het, geluk zijner ballingschap uitmaakten, God die heeft volmaakt en bekroond in zijn glorierijk leven. Zij hebben gezegd, dat men zekere heiligen aanroept voor bijzondere noodwendigheden , als ware het vermogen om ons te helpen tusschen hen verdeeld, doch dat de heilige Jozef bekleed is met de algemeene macht om krachtdadig te helpen, in al onzen nood naar ziel en lichaam; dat, daar de Zoon Gods nooit iets geweigerd heeft aan zijn heiligen Voedstervader, zoolang Hij hier op aarde was. Hij hem nog veel meer alles toestaat, wat Hij voor ons vraagt, nu Hij gezeten is aan de rechterhand zijns Vaders. Het is hierom dat de

-ocr page 332-

321

H. Kerk ons uitnoodigt, ons tot dien tweeden Jozef te wenden, met even krachtig vertrouwen als de Egyptenaren tot den eersten Jozef zegden: »Ons heil is in uwe handen, zie slechts op ons neer. (1)

11 Punt. Welke gebruik wil die groote heilige voor ons van zijne macht maken. Vragen wij dit aan zijne goedheid, zijne liefde, zijnen ijver. Alles is beschikt in de plannen Gods. Toen Hij het hart van Jozef schiep, schiep Hij het hart van den echtgenoot vau Maria, van den vader van Jezus. Hij wilde dat in die zichtbare Drievuldigheid, Jezus, Maria, Jozef, eene overeenkomst van genegenheid zou bestaan, als beeld van die, welke de drie personen der onzichtbare en aanbiddelijke Drieéénheid vereenigt. Het was derhalve naar het voorbeeld van het Hart van Jezus en Maria, dat het hart van Jozef werd gevormd en het is uit dit oogpunt, dat men het moet beschouwen om eenig denkbeeld te hebben van de voorrechten, waarmede het versierd werd; verhevenheid van gevoelens , zielskracht, doch vooral gevoeligheid, teeder medelijden, behoefte om wel te doen, edele neigingen, welke de buitengewone en voortdurende genaden, welke hij ontving zoo heerlijk ontwikkelden, rijken grond, waarop de dankbare liefde van Jezus en Maria gedurende dertig jaren arbeidde. Konden zij beter zijne liefde en zorg voor hen beloonen, dan door voortdurend zijne heiligheid te vermeerderen, en zijn hart meer gelijkvormig te maken aan het hunne? Vragen of de H. Jozef ons met geheel zijn vermogen helpen wil, is vragen of wij door Jezus en Maria bemind worden, want het is in hunne Harten, dat (1) Gen. 17.

CH. III. 21

-ocr page 333-

322

tij zijne liefde tot ons put; is vragen of een goed vader bet geluk zijner kinderen verlangt, want bij beeft ons allen in Jezus-Cbristus, wiens ledematen wij zijn, die ons zijne broeders noemt, tot zijne kinderen aangenomen. Dit ware zijne liefde in twijfel trekken, want van bet oogenblik, waarop de engel hem bet geheim der Menscbwording, in zijne verhevene Bruid gewrocht, mededeelde, was zijn leven slechts eene voortdurende beschouwing, en wat beschouwde hij anders dan de liefde van God tot ons, door bet menscbgeworden Woord verpersoonlijkt? Sic Deus dilexit mundum. O boe dikwijls moest die kreet van bewondering aan zijn hart ontsnappen, vóór nog Joannes dien door geheel het heelal deed weergalmen. Als bij hst goddelijk kind beschouwde in de kribbe, in de armen zijner Moeder, in de zijne; als Hij hem liefkoosde, door Hem geliefkoosd werd, als hij Hem zag opgroeien, later zijne nederige bezigheid zag deelen, als bij in hemelsche gesprekken Hem hoorde openbaren, wat Hij in deze wereld was komen doen, wat Hij zou moeten lijden voor de glorie van God en de zaligheid der zielen..., waren dit niet steeds uieuwe vlammen, welke in het hart van Jozef zijne liefde voor God en de menschen kwamen vermeerderen?

Jezus heeft niets gedaan, niets in bezit gehad op deze aarde, dan in ons belang. Hij heeft een vader en eene moeder willen hebben, hij heeft in beider hart zooveel liefde voor ons nedergelegd, om als bet ware gedwongen te zijn aan hunne gebeden te ver-leenen, wat wij nooit door ons-zelven hadden kunnen verkrijgen. De H. Kerk zegt dit duidelijk in bet officie van den H. Jozef.

-ocr page 334-

323

III Punt. Wij hunnen het levendig belang, dat de H. Jozef in onssfeit, nog vermeerderen. Dikwijls helpt hij degenen, die hem niet de minste eer bewijzen; en hierin is hij, zoowel als in alle overio-e opzichten, de getrouwe navolger van Jezus en Maria; doch, even als zij, heeft hij ook eene bijzondere genegenheid, eene grootere liefde voor hen, die hem beminnen. E/jo diligente me diligo. Hoe meer wij ons zijne kinderen toonen, door hem met vertrouwen aan te roepen, hoe meer hij zich een vader voor ons toont. Men weet hoe dankbaar de H. Theresia was voor de gunsten, waarmede hij haar overladen had. Na hiervan gesproken te hebben, smeekt zij al degenen , welke haar niet zouden gelooven, er zich door de ondervinding van te overtuigen. »Zij zullen zien,quot; zegt hij, »hoe voordeelig het is tot dezen glorievollen patriarch zijn toevlucht te nemen en hem bijzonder te vereeren.quot; Kiezen wij hem dan heden voor onzen voornaamsten patroon, voor onzen tee-dersten en besten vriend, Voor onzen machtigen voorspreker. God heeft hem tusschen alle menschen verkozen tot zijn getrouwen medehelper in het grootste van al zijne plannen. O hoe nuttig zal zijne hulp ons zijn, in de zoo belangrijke zaak onzer heiliging. Wijd u aan hem toe of hernieuw met vurigheid uwe akte van toewijding. Bepaal welk bewijs uwer liefde hij elk jaar, elke week, eiken dag van u zal ontvangen. »Denk aan ons, o heilige Jozef, verleen ons de machtige hulp uwer voorbede bij Hem, die voor uw zoon heeft willen gehouden worden, en maak dat de heilige Maagd, uwe onvergelijkelijke Bruid, een blik van goedgunstigheid op ons werpe.quot; (H. Bern.)

-ocr page 335-

324

62ste OVERWEOING.

Vierde Zondag na Paschen.

laatste verschijning van jezus aan de vergaderde

apostelen. —zending, wblke hij hun opdraagt.

I. Zijne liefde tot de mensclien bepaalt het voorwerp dier zending.

II. Zijne almacht is haar steun.

I Punt. De liefde van Je zus-Christus bepaalt het voorwerp der apostolische zending. De elf leerlingen nu gingen heen naar Galilea naar den berg, wer-waarts Jezus hun bevolen had. En toen zij Hem zagen, aanbaden zij Hem; doch sommigen twijfeldi3n.(l) Eenigen twijfelden nog, doch met dien twijfel van verwondering en verbeelding, die niet geheel vrijwillig was en weldra verdween. Aanbid den Zaligmaker met de Apostelen, geloof vastelijk, en luister eerbiedig naar hetgeen Hij hun gaat zeggen: Aan mij is alle macht gegeven in hemel en op aarde! Gaat dan, onderwijst alle volkeren, hen doopende in den naam des Vaders, en des Zoons, en des heiligen Geestes, hun leerende onderhouden alles wat ik u geboden heb (2). Het is door zijne verrijzenis, dat Jezus in het bezit getreden is van deze grenzenlooze macht. Hij bezit die in den hemel, om daarheen op te stijgen en er te gaan nederzitten aan de rechterhand zijns Vaders, om den H. Geest af te zenden, om zgne getrouwe dienaars tot zich te trekken en

(1) Matth. 23, 1G cu 17. (2) Matth. 28, 18—20.

-ocr page 336-

325

hen in zijn eeuwig rijk te doen deelen; Hij heeft die op aarde om er zyne Kerk te vestigen, te beschermen , te verspreiden, te vereeuwigen.

O bewonderenswaardige macht! Welke andere menschelyke tong hadde ooit deze woorden durven uitspreken: Aan mij is alle macht gegeven in hemel en op aarde? Men zal die weldra bewaarheid zien door de geheimen der Hemelvaart, der nederdaling van den H. Geest, door de vruchten van de evangelische prediking: Alle koningen der aarde zullen Hem aanbidden , alle volkeren Hem dienen. (1)

O beminnelijke macht! Wat is zij wel geplaatst in de handen van Hem, die zich gewaardigde voor ons te sterven, en die zich van die macht slechts voor ons geluk bedienen wil. Hij zegt niet: Gaat en wreekt mijnen dood; laat het gewicht van uwen toorn vallen op hen, die mij gekruisigd hebben; neen, Hij zegt: Gaat arbeiden aan de zaligheid der menschen, trekt hen uit hunne dwaling, zuivert hen van hunne misdaden, deelt hun al de genaden mede, welke ik voor hen verdiend heb, en waarvan ik u de uitdeeling toevertrouw. Ik besluit uwen ijver niet langer binnen de grenzen van een volk, ik zend u tot alle volken, tot alle natiën. Ik ga ten hemel opstijgen; leert aan alle menschen de middelen om mij daarheen te volgen: het geloof, het doopsel, het nakomen mijner geboden.

Ziedaar de zending der Apostelen. Hoe edel is zg en hoe voordeelig voor ons. Danken wij God ons geroepen te hebben tot het heilig licht van het Evangelie. Danken wij Hem nog meer ons verkozen (1) Ps. 71, 11.

-ocr page 337-

326

te hebben onder al zijne leerlingen, om ons te roepen tot liet beoefenen der Evangelische raden..., gelukkige roeping, die ik, helaas! maar al te dikwijls vergeet.

11 Punt. De almacht van Jezus-Christus is de steun der apostolische zending. »Zie, ik hen met U al de dagen, tot aan de voleinding der wereld,quot; (1) Welk eene troostende belofte door den God-mensch gedaan! Hij heeft zoo even gezegd: Aan mij is alle macht gegeven in hemel en op aarde; en nu is het, als voegde Hij er bij : En deze macht gebruik ik om ü te helpen en te verdedigen. Sedert dien dag is de naam der Kerk door Jezus gesticht; De Heer is hier; doch met welke tegenwoordigheid, en welke zijn daarvan de uitwerkselen?

Als Jezus zich verbindt met zijne apostelen te blijven tot aan de voltrekking der eeuwen, belooft Hij evenzeer te zyn met hen, die hunnen arbeid zullen voortzetten, als met de apostelen zelven: met eene tegenwoordigheid van leiding, hen langs veilige en rechte wegen voerende, blijven zij met Hem vereenigd en aan zijne inspraken onderworpen, onfeilbaar zullen zij die volmaaktheid bereiken, welke God van hen vraagt, en de zielen brengen tot die heiligheid, welke zij zeiven verkregen hebben; met eene tegenwoordigheid van vaderlijke bezorgdheid, om te waken dat niets hun outbroke, wat hun waarlijk noodzakelijk is: is Hij niet de bron van alle goed? Wat ontbreekt hem, die God bezit? met eene tegenwoordigheid van beschouwing, die hen behoedt tegen elk gevaar, in zoo ver dit in het belang hunner deugd is. Wat kan men vreezen als

(1) Matth. 28 , 20.

-ocr page 338-

327

men Jezus vóór- en met zich heeft? De H. Felix vond een schutsmuur tegen zjjne vijanden, in eene spinneweb, hetgeen hem deze schoone woorden deed zeggen: »Met Jezus wordt eene spinneweb een muur, zonder Jezus is een muur slechts eene spinneweb;quot; met eene tegenwoordigheid van macht en sterkte, waardoor zij zegevieren over wereld, vleesch en hel. Zij kunnen alles in Hem, die hen versterkt; — eindelijk door eene wezenlijke en lichamelijke tegenwoordigheid in het H. Sacrament, welke ons de aarde tot een hemel maakt,quot; zegt de H. Chrysostomus. Het altaar, het tabernakel, de H. Tafel, ziedaar de onoverwinbare verdediging der Kerk, hare kracht en haren troost. Vreezen wij nooit voor haar, doch altijd voor degenen, die haar bestrijden.

De belofte van Jezus en het H. Sacrament des altaars zijn de steun der Kerk en tevens die van elk harer kinderen, vooral van degenen, die naar de volmaaktheid streven. Niet een is er, die niet zeggen kan: »De Heer in mijn herder, en mij zal niets ontbreken.... Al moest ik ook gaan te midden van de schaduwe des doods, geen kwaad zou ik vreezen, want Gij zijt bij mij, Gij richt voor mij een maaltijd aan.quot; (1) waar ik het voedsel vind, dat mij de kracht geeft, welke ik noodig heb om over mijne vijanden te zegevieren. Zoolang ik Jezus bezit in het Sacrament zijner liefde, zal ik almachtig zijn ondanks mijne zwakheid, niets kan mij ontbreken, mij schaden, mij weerstaan. Hoe verschrikkelijk mijne ellende ook zij, zoo doet zij mij zooveel niet vreezen, als zijne goedheid my doet vertrouwen.

(1) Ps. 22.

-ocr page 339-

328

63ste OVERWEGING.

Vijfde Zondag na Paschen.

de kruisdagen.

I. Groot belang van het gebed.

II. De goede religieus onderscheidt zich door zijne liefde tot het gebed.

I Punt. Groot belang van het gebed. Het bijna algemeen verzuim van dezen noodwendigen plicht is ■wellicht de gevaarlijkste wonde van onze eeuw en het zorgwekkendst teeken der kwaal, die ons heeft aangetast. Het gebed is de ziel van den godsdienst en het groote middel ter zaligheid ons gegeven. Het is de bekentenis van onze nietigheid, eene betuiging, waardoor wij God erkennen als de beschikker onzer lotgevallen, als machtig genoeg om ons te geven wat wij vragen, zoo Hij dit wil; als goed genoeg om dit te willen, als wij het Hem vragen. Als ik bid, dan beken ik dat ik mij-zelven niet helpen kan, noch krachtdadig geholpen kan worden door de schepselen, die my omringen; doch dat ik alles durf verwachten van zijne onbegrensde macht en zijne oneindige goedheid. Wordt Hij door deze hulde van mijne afhankelijkheid, mijn vertrouwen , mijne liefde niet naar waarde vereerd en moet ik. Hem aldus biddende, niet alles van Hem hopen?

De H. Augustinus dit vers van een psalm uitleggende, Gezegend zij de Heer, die van mij noch mijn gebed, noch zijne barmhartigheid verwijderd

-ocr page 340-

329

heeft, zegt: »Er bestaat een eeuwig verbondtusschen het gebed der menschen en de barmhartigheid des Heeren. Onttrek u niet aan het gebed, en de Heer zal u zijne barmhartigheid niet onttrekken. Doch kan er mij eenige hoop van zaligheid overblijven, als ik het gebed verwaarloos? Welke andere eer bewijs ik aan God? Een God, dien ik niet bid, is een God, dien ik vermeen niet noodig te hebben. Is dit een God voor mij? Neen, maar het is door U in mijne ellende ter hulp te roepen, dat ik U voor mijn God erkeu.

Ziedaar wat de ziel van al degenen, die den godsdienst en hunne broeders liefhebben, met bittere smart vervult; de menschen onzer dagen bidden niet meer: men zou zeggen, dat zy zich-zelven voldoende zijn. Gave God, dat eene schuldige onachtzaamheid omtrent deze hoofdzaak nooit de religieuze gemeenten insloop! Hebben wij de overdenkingen van den H. Alphonsus omtrent het gebed in zijn werkje: Over het groot gewicht van het gebed ooit ernstig overwogen ? Het begin luidt aldus: »Onder al de geestelijke werkjes door mij uitgegeven, is dit zeker een der nuttigste, omdat het gebed een noodzakelijk en zeker middel ter zaligheid is. Wat mij bedroeft is, dat men in de vermaningen en predikatiën er byna niet van spreekt, en dat de godvruchtige boeken er niet genoeg op aandringen.quot; Bij het slot zegt hij: »Hoe vele arme zielen zondigen, leven voortdurend in de zonde en gaan verloren, omdat zij niet bidden. En wat nog meer te bejammeren valt, is dat de biechtvaders en predikers het zich zelden tot plicht rekenen, tot het gebed op te wekken: Wat

-ocr page 341-

330

my betreft, ik zeg altijd en zal altijd herhalen, dat de zaligheid afhangt van het gebed, dat al de schrijvers der godvruchtige boeken, al de kanselredenaars, al de biechtvaders niets meer moesten aanbevelen dan het gebed. Ik wenschte, dat zij voortdurend herhaalden: Bidt, bidt en houdt niet op te bidden, want zoo gij bidt, is uwe zaligheid verzekerd; — zoo gij niet bidt, is uwe verdoemenis onvermijdelijk.

Smeekt den Heer, nogmaals ten gunste zijner Kerk, de belofte te vervullen eertijds aan zyn volk gedaan: Ik zal over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem den geest van genade en gebed uitstorten. (1)

II Punt. De goede religieus onderscheidt zich door zijne liefde voor het gebed. Hoe zou hij het niet beminnen? Hij vindt daarin al de eer, al de genade, al den troost, dien hij begeert.

1. De grooten dezer aarde naderen, met hen spreken, gemeenzaam met hen omgaan, is eene eer in het oog dezer wereld? Hoeveel naijver wekt dit niet op? In werkelykheid is het eene schande, wanneer men zich daardoor verlaagt tot hunne misdaden, hetgeen maar al te dikwijls gebeurt. Doch met God in eene eerbiedige gemeenzaamheid treden, tot Hem spreken, gelijk een vriend tot zijnen vriend, door dit heilig verkeer goddelijke gewoonten aannemen, kan er wel eene hoogere glorie, eene edeler eerzucht bestaan ? Deze eer kan de goede religieus, wiens leven slechts een aanhoudend gebed is, elk oogenblik smaken; want brengt hij al zijn tijd wel niet door

(1) Zach. 12, 10.

-ocr page 342-

331

in het inwendig of in het mondgebed, zoo is hij toch altijd in eene gesteltenis van gebed, daar hij steeds voor God werkt en in alles Hem zoekt te behagen, en aldus vervult hij het gebod van het Evangelie: Men moet altijd hidden. Deze gesteltenis is een heilige band, welke hem altijd met God ver-eenigt en innig verbonden houdt. Hoevele schatten liggen in die uitnemende eer niet vereenigd?

2. » Wilt gij quot;, zegt de H. Bonaventura, » geduldig de wederwaardigheden en beproevingen verdragen, de bekoringen overwinnen, uwe ongeregelde neigingen verbreken, de listen van Satan kennen en vermijden, uwe ziel versterken en verwarmen door godvruchtige begeerten, uwe gebreken uitroeien, u met deugden vervullen, u verheffen tot de beschouwing en het genieten der hemelsche zaken, zoo weest menschen van gebed.quot; De H. Bernardus voegt hierbij: »Dikwijls naderen wij koud en dor van harte het altaar, doch leggen wij ons toe op het gebed, volharden wij in het gebed, dan stort eensklaps de genade zich over ons uit, onze borst verwijdt zich, de weldadige wateren der godsvrucht doorstralen ons.quot;

o o

De H. Augustinus beweert dat deze vorderingen in de heiligheid gelijken gang houden met onze vorderingen in den geest van gebed, omdat wie wel bidt, wel leeft. De goede religieus verwacht niets van de schepselen; zij zijn zwak en behoeftig, gelijk hij zelf. Hij verwacht alles van U, o mijn God! Gij hebt hem den sleutel uwer schatkist, het gebed, gegeven, hij bedient zich daarvan om ze te openen en daarin te putten. Hij weet, dat Gij door uw onfeilbaar woord te verpanden: Vraagt en gij zult verkrijgen;

-ocr page 343-

332

door uwen eed te zweren: voorwaar, voortvaar, ih zeg het u, en door ons een bepaald gebod te geven, ü te bidden, hij weet, dat Gij daardoor U-zelven in de onmogelijkheid gesteld hebt onze smeekbeden te verstooten. Hij kent uwe belofte, uwe getrouwheid, in ze te vervullen, en de onuitputtelijke rijkdommen uwer genade, ten gunste van hen, die U aanroepen. Hij weet eindelijk dat, haddet Gij ons ook niets beloofd, ons vertrouwen alleen ü zou verplichten ons ter hulp te komen, omdat dit vertrouwen U vereert en bewijst, dat wij uwen naam willen kennen, dien beminnelijkeu naam, waarmede Gij wilt, dab wij ons gebed beoiunen: Onze Vader.

O O

3. Hieruit vloeit de troost voort, aan deze heilige oefening verbonden: Is iemand onder u in droefheid, hij bidde (1). O hoe zoet is het voor eene bedroefde ziel, zich geheel te werpen in den schoot van haren God, gelijk een kind in de armen van zijnen Vader, Hem hare moeielijkheden mede te deelen, de oorzaak harer tranen toe te \' vertrouwen! Is dit niet die liefdevolle uitstorting des harten, welke de bekoorlijkheid uitmaakt van ons verkeer met God? Wel moet het gebed het hart vervullen met onuitspreke-lijken troost, daar het zoo vaak eene schrikkelijke woestenij veranderd heeft in een oord van geluk? Wie leefde gelukkiger dan een Paulus, een Antonius, een Hilarion ? En was het niet het gebed alleen, dat hun geluk uitmaakte? De H. Bernardus schreef aan iemand, die dobberde tusschen de eenzaamheid en de wereld: 0 hadt gij eenigermate die bloem

(1) Jacq. 5, 13.

-ocr page 344-

333

vau tarwe gesmaakt, waarmede Jeruzalem verzadigd wordt, hoe vaardig zoudt gij aan de menschen der wereld hunne beuzelachtige en ellendige voldoeningen overlaten.

645te OVERWKGING.

de religieuze staat geeft aan het gebed eene buitengewone kracht.

I. Waaruit ontspruit die kracht?

11. Gevolgtrekking, welke de religieuzen hieruit moeten maken.

I Punt. Waarom is het gebed der religieuzen gewoonlijk krachtiger ? Ziehier de voornaamste reden, uit de H. Schrift getrokken.

Wij lezen in het boek der Psalmen dat \'« Ileeren oog en zijn op de gerechtig en en zijne oor en tot hunne, gebeden (1). En op eene andere plaats: den tuil van die Hem vreezen, doet Hij; Hij hoort hun smeeken aan en verlost hen (2). De vrees des Heeren, de zuiverheid des harten, de liefde tot de rechtvaardigheid, ziedaar wat de H. Geest ons toont als vermogend bij den Heer, ter verhooring onzer gebeden; nu deze deugden zijn in volmaakten graad, als het ware, eigen aan den religieuzen staat. Waar is men beter beveiligd voor de bedorvenheid der wereld? Waar vindt men meer onschuld, meer liefde tot de

(I) Ps. 33. (2) Fs. ui.

-ocr page 345-

330

mij betreft, ik zeg altijd en sal altijd herhalen, dat de zaligheid ajhangt van het gebed, dat al de schrijvers der godvruclitige boeken, al de kanselredenaars, al de biechtvaders niets meer moesten aanbevelen dan het gebed. Ik wenschte, dat zij voortdurend herhaalden: Bidt, bidt en houdt niet op te bidden, want zoo gij bidt, is uwe zaligheid verzekerd; — zoo gij niet bidt, is uwe verdoemenis onvermijdelijk.

Smeekt den Heer, nogmaals ten gunste zijner Kerk, de belofte te vervullen eertijds aan zijn volk gedaan: Ik zal over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem den geest van genade en gebed uitstorten. (1)

II Punt. De goede religieus onderscheidt zich door zijne liefde voor het gebed. Hoe zou hij het niet beminnen? Hij vindt daarin al de eer, al de genade, al den troost, dien hij begeert.

1. De grooten dezer aarde naderen, met hen spreken, gemeenzaam met hen omgaan, is eene eer in het oog dezer wereld? \'Hoeveel nay ver wekt dit niet op? In werkelijkheid is het eene schande, wanneer men zich daardoor verlaagt tot hunne misdaden, hetgeen maar al te dikwijls gebeurt. Doch met God in eene eerbiedige gemeenzaamheid treden, tot Hem spreken, gelijk een vriend tot zijnen vriend, door dit heilig verkeer goddelijke gewoonten aannemen, kan er wel eene hoogere glorie, eene edeler eerzucht bestaan? Deze eer kan de goede religieus, wiens leven slechts een aanhoudend gebed is, elk oogenblik smaken; want brengt hij al zijn tijd wel niet door

(1) Zacli. 12, 10.

-ocr page 346-

331

in het inwendig of in het mondgebed, zoo is hij toch altijd in eene gesteltenis van gebed, daar hij steeds voor God werkt en in alles Hem zoekt te behagen, en aldus vervult hij het gebod van het Evangelie: Men moet altijd bidden. Deze gesteltenis is een heilige band, welke hem altijd met God ver-eenigt en innig verbonden houdt. Hoevele schatten liggen in die uitnemende eer niet vereenigdr\'

2. » Wilt gij zegt de H. Bonaventura, » geduldig de wederwaardigheden en beproevingen verdragen, de bekoringen overwinnen, uwe ongeregelde neigingen verbreken, de listen van Satan kennen en vermijden , uwe ziel versterken en verwarmen door godvruchtige begeerten, uwe gebreken uitroeien, u met deugden vervullen, u verheffen tot de beschouwing en het genieten der hemelsche zaken, zoo weest menschen van gebed.quot; De H. Bernardus voegt hierbij: »Dikwijls naderen wij koud en dor van harte het altaar, doch leggen wij ons toe op het gebed, volharden wij in het gebed, dan stort eensklaps de genade zich over ons uit, onze borst verwijdt zich, de weldadige wateren der godsvrucht doorstralen ons.quot; De H. Augustinus beweert dat deze vorderingen in de heiligheid gelijken gang houden met onze vorderingen in den geest van gebed, omdat wie wel bidt, wel leeft. De goede religieus verwacht niets van de schepselen; zij zyn zwak en behoeftig, gelijk hij zelf. Hij verwacht alles van U, o mijn God! Gij hebt hem den sleutel uwer schatkist, het gebed, gegeven, hij bedient zich daarvan om ze te openen en daarin te putten. Hij weet, dat Gij door uw onfeilbaar woord te verpanden: Vraagt en gij zult verkrijgen;

-ocr page 347-

332

door uwen eed te zweren; voorwaar, voorwaar, ik zeg het u, en door ons een bepaald gebod te geven, U te bidden, hg weet, dat Gij daardoor U-zelven in de onmogelykheid gesteld hebt onze smeekbeden te verstooten. Hij kent uwe belofte, uwe getrouwheid, in ze te vervullen, en de onuitputtelijke rijkdommen uwer genade, ten gunste van hen, die U aanroepen. Hij weet eindelijk dat, haddet Gij ons ook niets beloofd, ons vertrouwen alleen U zou vei-plichten ons ter hulp te komen, omdat dit vertrouwen U vereert en bewijst, dat wij uwen naam willen kennen, dien beminnelijken naam, waarmede Gij wilt, dat wij ons gebed beo innen: Onze Vader.

O lt;~gt;

3. Hieruit vloeit de troost voort, aan deze heilige oefening verbonden: Is iemand onder u in droefheid, hij bidde (1). O hoe zoet is het voor eene bedroefde ziel, zich geheel te werpen in den schoot van haren God, gelijk een kind in de armen van zijnen Vader, Hem hare moeielijkheden mede te deelen, de oorzaak harer tranen toe te vertrouwen! Is dit niet die liefdevolle uitstorting des harten, welke de bekoorlijkheid uitmaakt van ons verkeer met God? Wel moet het gebed het hart vervullen met onuitspreke-lijken troost, daar het zoo vaak eene schrikkelijke woestenij veranderd heeft in een oord van geluk? Wie leefde gelukkiger dan een Paulus, een Antonius, een Hilarion ? En was het niet het gebed alleen, dat hun geluk uitmaakte? De H. Bernardus schreef aan iemand, die dobberde tusschen de eenzaamheid en de wereld: O hadt gij eenigermate die bloem

(1) Jacq. 5, 13.

-ocr page 348-

333

vau tarwe gesmaakt, waarmede Jeruzalem verzadigd wordt, hoe vaardig zoudt gij aan de mensclieu der wereld hunne beuzelachtige en ellendige voldoeningen overlaten.

64ste OVERWEGING.

de religieuze staat geeft aak het gebed eene buitengewone kracht.

I. Waaruit ontspruit die kracht?

11. Gevolgtrekking, welke de religieuzen hieruit moeten maken.

I Punt. Waarom is het gebed der religieuzen gewoonlijk, krachtiger^ Ziehier de voornaamste reden, uit de H. Schrift getrokken.

Wij lezen in het boek der Psalmen dat \'s Heer en oog en zijn op de gerechtigen en zijne ooren tot hunne geheden (1). En op eene andere plaats: den wil van die Hem vreezen, doet Hij; Hij hoort hun smeeken aan en verlost hen (2). De vrees des Heeren, de zuiverheid des harten, de liefde tot de rechtvaardigheid, ziedaar wat de H. Geest ons toont als vermogend bij den Heer, ter verhooring onzer gebeden; nu deze deugden zijn in volmaakten graad, als het ware, eigen aan den religieuzen staat. Waar is men beter beveiligd voor de bedorvenheid der wereld? Waar vindt men meer onschuld, meer liefde tot de

(I) Ps. 33. (2) Ps. 1«.

-ocr page 349-

334

rechtvaardigheid? Als God ons in dezen gelukkigen staat, aan zijne dierbaarste vrienden voorbehouden, ziet, schijnt Hij tot ieder onzer, gelijk eertijds tot zgn bevoorrecht volk, te zeggen; Ik, de Heer, Ik hen uw God, die u uit Egypte voerde; doe uwen mond wijd open en Ik zal hem vervullen. (1)

De armoede, door den religieus beloofd, is eene andere oorzaak van de kracht van zijn gebed. Zijne oogen zien op den arme (2). O kostbaar voorrecht van hem, die aan alle vergankelijke goederen heeft verzaakt, om God alleen te bezitten. Deze goede Meester luistert niet slechts naar ons smeeken, Hij voorkomt, Hij verhoort zelfs onze verlangens. De wereld verstoot de armen minachtend, de Koning des hemels verheft hen tot zijne gunstelingen. Zy hebben vryen toegang tot Hem, vooral als hunne armoede het gevolg is hunner liefde tot Hem. Zijne edelmoedigheid wordt door de onze uitgelokt. Wat kan Hij weigeren aan eene ziel, die Hem alles, ja zich-zelve gegeven heeft? Wij weten, inderdaad, hoe Hij zich verleende tot de verlangens van een Benedictus, een Franciscus van Sales, eene Scholastica, Clara, Theresia, zoo beroemd door hunne liefde tot de armoede en hun vermogen bij God.

Dan hoe groot zijne toeneiging moge zijn voor de zuivere harten en de vrijwillige armen, zoo moet men nochtaas bekennen, dat Hij aan de nederigen deu sleutel zijner schatkist ter hand schijnt gesteld te hebben. De H. Petrus en de H. Jacobus zegsren

O O

met dezelfde woorden: dat Hij den hoovaardigen

(Ij Ps. 80. (2) Ps. 40.

-ocr page 350-

335

weerstaat en den nederigen zijne genade geeft. Wat is er duidelijker dan deze godspraak van den H. Geest Het gebed van, die zich verootmoedigt, dringt door de wolken heen, zal de hinderpalen overwinnen, welke liet beletten tot het Hart van den Allerhoogste te geraken, en hij gaat niet iveg, totdat de Allerhoogste er op neerziet (1). Achab is een goddelooze, doch hij vernedert zich voor God en bidt. God verhoort hem en verklaart, dat Hij dit doet ten gunste der akte van ootmoedigheid, die hij zoo even volbracht. O zoo de nederigheid van een oogenblik zoo vele kracht verleent aan het gebed, hoeveel meer kracht zal eene nederigheid, die zich uitstrekt tot geheel den levensloop, tot den staat zelfs, niet aan het gebed mededeelen. De nederigheid van den religieus is eene nederigheid van staat, waardoor hij verzaakt aan de eer der wereld, om alle minachting, alle verootmoediging, ter liefde des Zaligmakers, te omhelzen.

Doch het toppunt der nederigheid ligt in de gehoorzaamheid, volgens deze woorden van den H. Paulus:

Hij vernederde zich-zeiven, daar hij gehoorzaam was tot den dood, en ivel tot den dood des hruises; daarom heeft God Hem verheven, en Hem eenen naam geschonken, die hoven allen namen is. (2) De Israëliten beklagen zich, dat hunne gebeden vruchteloos zijn, hoewel door het vasten vergezeld. Isaïas zegt hun,

O O \'

dat zij dit slechts te wijten hebben aan hun eigen wil, die al hunne daden bestuurt. »Verlaat dienquot; zegt hij hun, aanvaard den wil Gods door de ge-

(1) Eccli 35, 21. (2) Phil. 2, 8 en 9.

-ocr page 351-

336

hoorzaamheid, dan zult gij zijne hulp inroepen en Hij zal u antwoorden: »Hier ben ik.quot; Niets verplicht God krachtiger om te willen wat wij willen, dan het onderwerpen van onzen wil aan den zijne. Wat mag hij dus niet van zijn gebed verwachten, hij, die zich in staat stelt dezen plicht op de volmaaktste en voortdurendste wijze te vervullen, door zijn wil te slachtofferen door eene plechtige gelofte, ten einde in alles slechts den wil Gods te volgen.

II Punt. Gevolgtrekking, welke wij moeten maken uit die bijzondere kracht van het gebed der religieuzen. Met zulk een rijk talent woekeren en ons volmaken in de deugden, waaraan wij dit verschuldigd zijn.

God doet niets onnuttigs; indien Hij ons gunsten verleent, zoo doet Hij dit, opdat wij er voordeel uit trekken. Stelt Hij ons den sleutel zijner schatten in handen, zoo doet Hij dit, opdat wij daaruit zouden putten. Laat ons toch dit verwijt niet verdienen, dat de Heer aan zijn eerste leerlingen deed: »Tot dusverre hebt gij niets gevraagd in mijnen naam,quot; gij hebt die wondere macht, welke gij door mij op het Hart mijns Vaders hadt, niet rijkelijk gebruikt, gelijk ik dit verlangde, vraagt dan en gij zult ontvangen. Hij smeekt ons als het ware Hem te bidden. Zou men niet zeggen, dat wij geene behoeften hebben en die onzer broeders vergeten? Volgens de oogmerken der Voorzienigheid, moeten de religieuzen de leemten aanvullen der hulde, welke de wereldlingen verzuimen God te bewgzen en bidden voor hen, die niet bidden. Het is bijzonder door deze krachtige bemiddeling, dat zij de steun der Kerk worden, gelijk zij haar sieraad zijn, door

-ocr page 352-

337

hunne stichtende voorbeelden. Zullen wij ten laten verloren gaan, die ons gebed kan redden?

Doch hieruit vloeit ook cnze verplichting voort van ons te volmaken in het beoefenen der religieuze deugden, die de voornaamste oorzaak zijn van dat vermogen, dat onze staat ons bij God geeft. Wat zijn Hart treft, is de zuiverheid van het onze; wat Hem een soort van verplichting oplegt onze begeerten te vervullen , is onze liefde tot de armoede, de nederigheid, de heilige gehoorzaamheid. Vervullen wij dus ijverig deze groote plichten van den religieus. Vluchten wij de kleinste fouten, zijn wij arm in den volsten zin des woords, en onthecht van alle genegenheid tot de schepselen, vergeten wij nooit onze nietigheid, onze ellende, zien wij God en God alleen in hen, die ons gebieden. Dan zullen wij bidden en niets zal de kracht van ons gebed weerhouden. Heer, ik dank U voor het licht, dat Gij mij verleend hebt. Het doet mij mijn heiligen staat meer en meer beminnen. O welke macht heeft de oprechte religieus over U. Ik wil dit tot eiken prijs worden, en door de kracht van mijn gebed wil ik U verheerlijken, TJ beminnen en U doen beminnen.

22

CH. III.

-ocr page 353-

338

65ste OVERWEGING.

de hemelvaart van christus. overweging van den h. bonaventuka.

I. Laatste voorbereiding tot het geheim der Hemelvaart.

II. Voltrekking van dit geheim.

I Punt. Jezus bereidt zijne leerlingen voor het laatst tot het geheim zijner Hemelvaart. De zoetaardigheid en goedheid van Jezus hadden Hem zoo dierbaar gemaakt aan zijne leerlingen, en bijzonder aan zijne apostelen, dat zij niet konden booren spreken van zijn heengaan. Te vergeefs had Hij hun gezegd, dat Hij hun eene plaats ging bereiden in het huis zijns Vaders, dat het voordeelig voor hen was dat Hij heenging; het denkbeeld alleen van Hem gescheiden te zijn, zelfs voor korten tijd, vervulde hun hart met droefheid.

De veertigste dag na zijne verrijzenis was aangebroken... Hij kwam tot zijne Apostelen, welke met zijne Moeder en andere leerlingen in het Cenakel warenj en hun verschijnende, wilde Hij, alvorens ten hemel te stijgen, als liefdebewijs met hen eten. Terwijl zij nu met groote vreugde aan dezen laatsten maaltijd met hunnen Meester nederzaten, sprak de Heer Jezus tot hen ongeveer als volgt: »Het is tijd dat ik terugkeere tot Hem, die mij gezonden heeft; blijft gij hier te zamen in deze stad, totdat gij met de kracht van boven bekleed zult zijn. Gaat vervolgens door heel de wereld mijn Evangelie prediken,

-ocr page 354-

33Q

hen doopende, die gelooven, en gij zult mij tot getuigen dienen tot de uiteinden der wereld...quot;

Zij zitten dan daar, zij eten, spreken, verheugen zich over de tegenwoordigheid van hunnen Meester, doch zij zijn ontsteld over zijn vertrek... Wat moet men zeggen van zijne Moeder, die naast Hem zat? Is het niet waarschijnlijk dat zij, door moederlijke teederheid ontroerd, bij het vernemen van zijn heengaan, haar hoofd op Jezus borst laat zinken? — Had zij daartoe niet meer recht dan de H. Joannes ? en tot Hem zuchtend en onder tranen zegde: »Mijn Zoon, indien Gij heen wilt gaan, neem mij dan met ü.quot; En de Heer troostte haar, zeggende: »Jk bid u, mijne welbeminde Moeder, u niet te bedroeven, want ik ga tot mijnen Vader en gij moet nog eenigen tijd hier beneden blijven, om hen te versterken, die in mij gelooven, dan zal ik tot u komen en zal ik u mede voeren in mijne glorie.quot; Toen onderwierp Maria zich en zegde: »0 mijn dierbare Zoon, uw wil geschiede. Ik ben gereed te blijven en te sterven ten voordeele der zielen, die Gg met uw bloed verlost hebt, doch denk aau mij.quot; De Heer troostte haar, alsook Magdalena en de leerlingen en voegde er bij: »Dat uw hart niet vreeze, noch zich ont-stelle, ik zal u niet als weezen achterlaten. Ik aa

\' O

heen, doch zal tot u wederkeeren en altijd met u zyn.quot; Eindelijk zegde Hij tot allen zich naar den Olijfberg te begeven, omdat Hij vandaar ten hemel op zou stijgen, en Hij verdween. Zijne Moeder en de overigen begaven zich onmiddellijk naar dien berg, waar de Zaligmaker hun op nieuw verscheen.

-ocr page 355-

340

II Punt. Voltrekking van het geheim der Hemelvaart. Beschouw oplettend den Meester en de leerlingen en alles wat er omgaat. Alle geheimen nu voltrokken zijnde, omhelst de Zaligmaker zijne Moeder en zegt haar vaarwel en zij drukt haren Zoon teederlijk in hare moederarmen. De Apostelen, Magdalena en al de overigen knielen neder en kussen schreiende zijne goddelijke voeten. Toen begon Hij door eigen kracht van de aarde op te stijgen. Bij dit gezicht knielt geheel de vergaderde menigte neder en Onze Lieve Vrouw zegde: »Mijn Zoon, gedenk mijner.quot; Hoewel zij schreide, verheugde zich haar hart; haar Zoon steeg ten hemel met zoo grooten luister! De apostelen en leerlingen zegden ook: » Heer, wij hebben alles voor U verlaten, gelief aan ons te denken.quot; En met de handen opgeheven, met schitterend gelaat, gekroond en gekleed als een koning, verhief Hij zich zegevierend ten hemel. Hen allen nog zegenende, zegde Hij: weest volhardend, houdt moed, want ik zal altijd met u zijn.quot; En Hg steeg steeds hooger, in zijn gevolg die menigte uitverkooruen voerende, wie Hij den weg baande, volgens de voorzegging van Micheas.

Aldus ging de Heer, in het wit gekleed, met schitterend gelaat, hen luisterrijk en glorievol voor. En zij volgden Hem in vreugdevervoering en zongen lofzangen ter zijner eer. Al de orden der hemelsche geesten, volgens rang geschaard, dalen neder en komen Jezus tegemoet; allen buigen vol eerbied voor hunnen Opperheer, vergezellen Hem, onuitsprekelijke lofliederen zingende, waarop de aartsvaders en rechtvaardigen , die Jezus volgen, antwoorden.

-ocr page 356-

341

Zie hoe allen wederzijds den Heer huldigen, zich verheugen over zijne tegenwoordigheid en zijne glorie in de grootste blijdschap bezingen. Jezus stijgt langzaam op tot troost zijner Moeder en zijner leerlingen, opdat zij dit schouwspel mogen genieten; eindelijk ontvoert eene wolk Hem aan hunne oogen en op hetzelfde oogenblik treedt Hij met al de eagelen, patriarchen en rechtvaardigen, die Hij uit het voorgeborchte verlost heeft, het hemelsch vaderland binnen.

De Moeder van den Zoon Gods, zijne apostelen en leerlingen bleven, hoewel zij Hem niet meer zagen, steeds geknield liggen met het oog ten hemel gericht. Twee engelen moesten hen uit deze geestvervoering komen wekken, en zegden hun : gt;Mannen van Galilea, ivat staat gij naar den hemel te zien ? Deze Jezus, die van u is opgenomen in den hemel, zal alzóó homen, gelijk gij hem hebt zien heengaan naar den hemelquot; (1). Keert dan naar de stad terug, gelijk Hij u bevolen heeft en wacht de vervulling zijner belofte.

Let wel op die bezorgdheid van Jezus voor de zijnen. Nauwelijks heeft Hij hen beroofd van zijne zichtbare tegenwoordigheid, of Hij zendt huii twee engelen, opdat zij zich niet vermoeien aldus naar den hemel te zien en ook, opdat zij versterkt zouden worden door de getuigenis der hemelbewoners, die zich bij de hunne komt voegen, omtrent de hemelvaart des Zaligmakers. Deze woorden gehoord hebbende, verzoekt de H. Maagd de engelen nederig haar aan haren Zoon aan te bevelen, en de engelen

(1) Hand. 1, 11.

-ocr page 357-

342

zich ter aarde voor haar buigende, belasten zich gaarne met hare opdracht. De Apostelen, Magdalena en de overige leerlingen gaven hun dezelfde aanbeveling.. En toen de engelen verdwenen waren, keerden zy allen weder naar de stad, op den berg Sion en bleven daar in afwachting, gelijk de Heer Jezus hun had voorgeschreven. Aldus spreekt de H. Bonaventura.

Ook ik, o Jezus, mijn Koning, met de ziel vervuld van vreugde en hoop, gelukkig U in uwe glorie te zien, ik gehoorzaam U ook, en vertrek daarheen waar uw wil mij roept. Ik verhef mij boven de aardsche zaken; ik wil, dat al mijne gedachten, al mijne genegenheden voor den hemel zijn. Ik wijd mij toe aan den arbeid en het lijden, dat hier op aarde het deel uwer dienaars is, gelijk het het uwe geweest is; ik zal geduldig het geluk afwachten, dat Gij hun voorbehoudt aan het einde der tijden, in uwe zegepralende en laatste hemelvaart.

66ste OVERWEGING.

twee groote beweegredenen ïoï blijdschap voor, den goeden uelig leus in het mysterie der hemelvaart.

I. De verheerlijking van Jezus-Christus.

II. De glorie aan zijne getrouwe leerlingen beloofd. I Punt. De Zaligmaker hij zijne Hemelcaart verheerlijkt. De H. Lucas sluit het verhaal van dit geheim door deze woorden, welke tevens de laatste

-ocr page 358-

343

van zijn Evangelie zijn: En zij aanbaden Hem en keerden naar Jeruzalem terug met groote blijdschap. En zij waren altijd in den tempel, God lovende en dankende. Amen. Nooit hadden zij hun Meester zoo wel gekend als sedert zijne verrijzenis. Welke nieuwe trekken, niet slechts van zijne macht en grootheid, doch vooral van zijne goedheid en toegenegenheid voor hen, waren hun geopenbaard in zijne verschillende verschijningen en in de omstandigheden van zgne hemelvaart! Hunne vreugde was geëvenredigd aan hunne liefde; het geluk van Jezus maakte het hunne uit. Nochtans hadden zij slechts het kleinste deel zijner glorie gezien, daar de wolk aan hun oog de hemelsche zijde van deze zegepraal onttrok, doch wat zij gezien hadden, opende een ruim veld aan hunne beschouwingen.

»De Heer,quot; zegt de H. Bonaventura, »gevolgd door den luisterrijken, gelukzaligen stoet, die Hem vergezelde, de poorten van het Paradijs tot dusverre voor het menschelijk geslacht gesloten, openende, treedt zegevierend binnen, en de knie buigende voor zijnen Vader, dankt Hij Hem voor de overwinning, welke Hij Hem heeft doen behalen over de hel, en biedt Hem de gevangenen aan, wier kluisters Hij verbroken heeft; doch onmiddellijk voegt Hij er bij: Ik heb mijnen broeders, die ik in de wereld gelaten heb beloofd, hun den H. Geest te zenden; ik bid TJ, mijn Vader, mijne belofte te volbrengen en ik beveel ze aan U. Alsdan staat God de Vader op, plaatst aan zijne rechterhand zijn welbeminden Zoon, die zoo edelmoedig zijne grootsche plannen vervuld en Hem zooveel eer verschaft heeft; Hij zegt Hem dat

-ocr page 359-

344

Hij hem alle niaclit en oordeel toekent en dat Hij naar welgevallen kan beschikken over alle zaken en over de zending van den H. Geest....

De godvruchtige leeraar stelt zich hierna voor, hoe de heilige oudvaders en profeten, al de rechtvaardigen in het hemelsch verblijf binnengeleid, en elk der negen koren der engelen beurtelings den lof van den goddelyken Koning komen bezingen en Hem hunne hulde aanbieden. Het is waarlijk als-toen, dat in het heilig Jeruzalem de lofzang van vreugde weerklonk, en dat men alom het Alleluia hoorde weergalmen.

Nooit vierde men sedert het begin der wereld, zulk een feest in den hemel, nooit zal er een dergelijk gevierd worden, dan misschien op den dag van het algemeen oordeel, als de uitverkoornen in glorievolle scharen daar zullen binnentreden; en dit onderscheidt, volgens den H. Bonaventura, dit feest van de meeste andere. De menschwording van den Zoon Gods, zijne geboorte, zijn lijden, zijn zeker groote feesten, doch voor ons en niet voor Hem, omdat Hij in deze geheimen slechts armoede, vernedering, lijden vindt.... Zijne verrijzenis is een groot feest voor Hem en voor ons, omdat Hij daarin zegeviert over den dood en wij daardoor verlost worden; doch ondanks die zegepraal, was Hij nog niet gezeten aan de rechterhand zijns Vaders, op den troon zijner glorie; ondanks onze rechtvaardiging was de hemel ons nog niet geopend.... dit alles is voltrokken door zijne Hemelvaart, zonder dit geheim bleef de glorie van den Verlosser, en alle werken Gods, onvolmaakt. De ziel, die den Heer oprecht

-ocr page 360-

345

bemint, moet zich dus op dezen dag meer verheugen dan op alle andere dagen des jaars. Daarom zegde Jezus ook tot zijne leerlingen: »Indien gij my lief-liadt, zoudt gij gewis ü verblijden, omdat ik tot den Vader ga.quot; (1)

II Punt. Glorie door de Hemelvaart van Jezus aan zijne getrouwe leerlingen beloofd. Het leven des christens, is slechts eene lange opoffering van zich-zelven; een omhelzen van allerlei moeielijkheden, voor de eer en den dienst van God; het religieuze leven voegt bij de moeielijkheid van het gebod nog die, welke onafscheidbaar zijn van het naleven der Evangelische raden. De natuur deinst voor beide terug, doch tot welk een gelukkig doel geleiden zij! Jezus kiest tot het oord van zijne zegepraal hetzelfde, dat eens de schouwplaats zijner vernedering was. Zijne leerlingen hebben Hem zieltogend gezien aan den voet van den Olijfberg, en van den top van dien berg, zien zij Hem ten hemel stijgen.

Hij wil hen krachtig doordringen van deze gedachte, dat de smarten van dit leven in geene evenredigheid staan met de vreugden der eeuwigheid. Men vergelijke slechts het schouwspel van den lijdenden, met dat van den zegevierenden Jezus. Nu gaat Hij erkend en verheven worden als Meester van het heelal, als de onsterfelijke koning aller eeuwen. Welke stralen van glorie hebben zijne wonden doen verdwijnen! Welk eene grootheid voor zijne vernedering, welke stroomen van vreugde voor eiken traan! Wat maakt een weerspannig volk, dat heeft durven zeggen:

(1) Joa. 14, 28.

-ocr page 361-

346

Wij willen Hem niet tot koning, tegenover het heelal, waar zijn verkondigd woord en zijne geopenbaarde weldaden, Hem zoo vele volkeren gaan onderwerpen? Hoe vele oprechte vereering en diepe aanbidding voor ijdele verachting en uitzinnige bespotting? Hoe vele altaren voor één kruis? Hoe vele tempels voor één Kalvarie! Doch het is vooral in de langdurigheid , dat de menschelijke geest zich verliest en geene evenredigheid vindt tusschen den weg en het doel... Dagen, uren, ten hoogste eeuige jaren in droefheid en strijd en daarvoor eene eeuwigheid van rust, van vreugde, van zegepraal! En daarom welken moed, welke onversaagdheid zien wij in de Apostelen, nadat hun goddelijke Meester de hemelsche glorie is binnengetreden! Met welken ijver gaau zij het Evangelie verkondigen, zijne wet vestigen, alle gevaren trot-seeren; het is, omdat zij denken aan de Hemelvaart, aan Jezus, aan hun Hoofd, duizendmaal meer overladen met glorie en geluk, dan Hij verzadigd werd met schande en vernedering. Het is dan ook daar en in mijne liefde tot ü, goddelijke Zaligmaker, dat ik mijn troost en mijne kracht wil zoeken. Ik zal tot U zeggen, gelijk de profeet Eliseus tot Elias: Leve de Heer, ik zal U overal volgen. Moet ik met U dalen in de kribbe van Bethlehem, usque in Bethel, om al de aardsche ijdelheid onder de voeten te treden? Moet ik uwe schreden volgen naar Jericho ? usque in Jericho, om naar uw voorbeeld de bediening van den goeden Samaritaan te volbrengen, zieken te bezoeken, bedroefden te troosten? Moet ik zelfs door ü geleid, niet slechts de wateren der Jordaan usque ad Jordanem, doch ook de beek van

-ocr page 362-

347

Cedron doorwaden, en in uw gevolg Kalvarië beklimmen, gelukkig zal ik zijn voor U te mogen lijden in deze wereld, daar Gij mij tot dien prijs uwe eeuwige gelukzaligheid in de andere wereld

o o o

belooft.

67ste OVERWEGING.

be goede iieligieus bereidt zich tot het pinksterfeest

dook vurig te verlangen naar de komst van den h. geest.

I. Om de groote goederen, welke bij van die komst verwacht.

II. Om de zekere hoop deze te zullen ontvangen.

III. Om het diep gevoel der behoefte, die hij daaraan heeft.

I Punt. Welke groote goederen brengt de komst van den II. Geest in de ziel. Derzelver grootheid is de eerste beweegreden, waarom wij die vurig moeten begeeren. Het is met Pinksteren, zegt Bour-daloue, niet gelijk met de andere feesten in het jaar, welke ons slechts een geheim herinneren, dat eens voor altijd volbracht is; het is voor ons, zoo wij ons wel bereiden, de hernieuwde voltrekking van dit geheim, DezeUde Geest, die zichtbaar nederdaalt over de Apostelen, daalt nog wezenlijk en werkelijk over ons neder, niet met denzelfden glans, noch met dezelfde wonderen, noch met dezelfde uitwerkselen van bekeering en heiliging. Hij zuivert, heiligt

-ocr page 363-

348

en ontsteekt ons met de heilige liefde. Hg stelt ons in staat al de plannen der barmhartigheid des Heeren over ons te volbrengen. De Kerk noemt Hem de gave Gods bij uitnemendheid, donurn Dei. Dan hoe? Heeft God ons dan niet zijnen Zoon en in Hem alle goederen gegeven ? Ja, doch dit onwaardeerbaar goed leert de H. Geest ons kennen, Hij geeft ons dit eenigermate. Door het geloof, de hoop, de liefde, welke Hij ons instort, stelt Hij ons in het bezit van Jezus-Christus, past Hij ons zijne verdiensten toe, maakt ons tot zijne ledematen, deelt ons zijn leven mede en drukt aldus in ons het zegel der verlossing, welke Hij voltooit. Jezus-Christus had in alles, wat Hij voor ons deed en leed, geen ander doel dan ons met den H. Geest te verrijken.

Ik verbeeld mij dien aanbiddelijken Geest in eene rechtvaardige ziel, gelijk eene goddelijke bron, welke door zeven bewonderenswaardige beken zich uitstort in zijne vermogens, om de vruchten der heerlijkste deugden te doen voortbrengen; dit zijn de zeven gaven van den H. Geest.

Het is eene kinderlijke vrees, die haar schroomvallig en teeder maakt omtrent alle ongetrouwheid en haar een allergrootsten eerbied voor den Heer inboezemt. Het is eene geestelijke vreugde, welke de godsvrucht ons doet smaken in alle oefeningen, welke de eer en de dienst van God betreffen: het inwendig gebed, het zingen der psalmen. Het is een moed, eene kracht van ziel, welke ons ve:.quot;heft boven alle vrees, alle verleiding en ons de edelmoedigste opoffering gemakkelijk maakt. Ziedaar de drie gaven, die den wil volmaken; de vier andere

-ocr page 364-

349

werken op onmiddellijke wijze op liet verstand en kunnen, zegt een godvruelitig schrijver, vergeleken worden bij vier vurige tongen, waarvan zich de H, Geest bedient, om ons te onderwijzen en te geleiden. Hij spreekt ons dan eens als een vriend, die raad geeft aan zijnen vriend in moeielijke omstandigheden, en hem eene wonderbare wijze toont om uitkomst te verkrijgen; dan weder als een meester, die ons de edelste aller wetenschappen, de wetenschap der heiligen leert, waardoor wij alle zaken verstandig beoordeelen en daaraan het gewicht van achting of verachting hechten, dat zij verdienen. Bij het licht van dien fakkel ziet men duidelijk het nietige van al wat vergankelijk is, men ziet in de vrijwillige armoede den prijs van een eeuwig koninkrijk, in de lichamelijke ziekten de gezondheid der ziel, in den dood zelfs eene gelukkige herboring ter onsterfelijkheid. De gave van ivijsheixl, bewaart ons voor de vreeselijke dwaasheid, voor de uitzinnige verblindheid der zondaars in de zaak der zaligheid;

O 7

zij trekt onze genegenheden af van de schepselen, om ze tot God te verheffen; zij voert onze harten van de aarde tot den hemel. De gave van verstand doet ons doordringen in de geheimen, en verlicht ons met een zoo sterk licht, dat het geloof de wolken doordringt; men ziet als het ware wat men gelooft. Zij ontneemt alle duisternis aan die waarheden, welke de natuur kruisigen, als de zeiverloochening, de versterving. Men moet begrijpen hoe er vreugde kan gevonden worden in het lijden, eer in de verachting , en hoe de heiligen alleen de liefde tot zich-zelven wel begrepen hebben.

-ocr page 365-

350

Religieuze ziel, gij hebt dien heiligen Geest ontvangen ! Hij is het, die u aan den Heer heeft toegewijd, doch bezit gij Hem met den overvloed zyner gaven ? Indien gij Hem sedert lang als gedwongen hebt, u die slechts in kleine mate te geven, wat doet gij dan? Waarom zoekt gij zulk een grooten schat niet boven alles? Doch zal ik Hem vinden, als ik Hem zoek? Zal ik waarlijk bg het naderend feest den H. Geest ontvangen ? Ja, zoo gij dit wilt, en ziehier wat een nieuw vuur aan uwe begeerten geven moet:

H Punt. De zekere hoop van den H. Geest te zullen ontvangen. Zij is gevestigd op de natuur van den H. Geest. Nu, de H. Geest is de goedheid zelve; Hij is om zoo te zeggen het Hart van God, cujus natura bonitas. Het is door Hem, dat de Vader en de Zoon elkander beminnen, en ons beminnen; aan Hem worden de werken van liefde toegeschreven. Wel verre van zijne gaven terug te houden, biedt Hij ons die zonder ophouden aan, Hij vindt zijne vreugde in die over ons uit te storten. Waarom klopt Hij aan de deur onzer harten, dan omdat Hij begeert er binnen te treden ? Men zou kunnen zeggen, dat Hij ons smeekt Hem te bidden, daar de gedachte en de wil van Hem onze verlangens mede te deelen, van Hem uitgaan; Hij doet nog meer. Hij bidt zelf voor ons door onweerstaanbare verzuchtingen. Hoe zou Hij gebeden kunnen verstoeten, welke Hy zelf opwekt, die Hij inboezemt, die om zoo te spreken zijne eigene gebeden zijn.

Wat doen wij daarenboven, als wij den H. Geest vragen? Wij vragen een goed, dat ons toebehoort.

-ocr page 366-

351

Het is ons verkregen door den arbeid, het lijden, den dood van eeu God-mensch, onze rechten zijn dus verzekerd. Daarenboven hebben wij onbetwistbare beloften. Zonder te spreken van zoovele andere, overwegen wij die, welke ligt opgesloten in deze woorden van den Zaligmaker, door den H. Lucas medegedeeld: Gij zijt vol gebreken, zegt Hij tot de Joden, uwe harten zijn bedorven; ■»indien gij dan, die toch hoos zijt, goede giften weet te geven aan uwe hinderen, hoeveel te meer zal uw Vader van den hemel goeden geest geven, aan die er Hem om vragen?quot; (1) Daarom verwacht de goede religieus met vertrouwen, terwijl hij met vurigheid verlangt, naar de komst van den H. Geest. En wat dat verlangen vooral ontvlamt is:

III Punt. Het heivustzijn van de groote behoefte, welke hij heeft aan zijne komst. Hij kent de behoefte zijner natuur, die uit zich-zelve niets heeft dan onwetendheid en zonde, hij weet dat hij uit zich-zelven voor zijne zaligheid niets vermag. Ach! hoezeer verlangt hij bekleed te worden met die kracht van boven, welke alleen bekwaam is, krachtdadig onze zwakheid te steunen. Zwakheid in ons verstand, dat de eeuwige waarheden slecht begrijpt. Zwakheid in onzen wil, die zoo weinig tot de deugd geneigd is, zwakheid in ons geheugen, dat God zoo gemakkelijk vergeet, zwakheid in het werk, zwakheid in het lijden, zwakheid in het gebed, daar wij niet weten wat te vragen, noch hoe het te vragen. Wek in u eene groote begeerte op, om de

(1) Luc. 11, 13.

-ocr page 367-

352

volheid der gratiën van den H. Geest te ontvangen. Gij kunt u niet beter bereiden tot het feest van Pinksteren »Hij dorst naar onzen dorstquot; zegt de H. Gregorius, Hij begeert, dat wij Hem begeeren, ziedaar het Hart Gods.... » Oneindig als het is, kunnen wij het toch verplichten. En op welke wijze? Door Hem te vragen, dat Hij ons geve, want Hij geeft liever dan anderen ontvangen!quot; (Bossuet).

68ste OVERWEGING.

gedrao van den goeden religieus bij het naderen van het pinksterfeest.

I, Hij verwijdert de beletselen, welke de komst van den H. Geest in den weg staan.

II. Hij gebruikt de middelen om Hem tot zich te trekken.

I Punt. Het verwijderen der beletselen, ivelke de komst van den li. Geest verhinderen. De zonde. De geest der wereld, de zinnelijke of al te menschelijke genegenheden.

1. De zonde is de groote vijand van den H. Geest, zij bedroeft Hem en verplicht Hem ons zijn licht te onttrekken, zij verzwakt, zoo zij al niet vernietigt, de liefde Gods door Hem in onze harten uitgestort, zij werkt zijne inzichten tegen. Onze eerste zorg moet derhalve, in deze dagen van voorbereiding, het bestrijden der zonden zijn. Onze zielen zijn vaten, bestemd om het kostbaar vocht zijner genade te

-ocr page 368-

353

ontvangen; beginnen wij derhalve met die te zuiveren, zegt de H. Augustinus. Het berouw, dat Hij ons instort is als de eerste schrede, welke Hij-tot ons zet, om ons tot zijne komst te bereiden. Wij hebben Hem door onze ondankbaarheid bedroefd. Hij bedroeft ons door eene zalige vermorseling des harten. Hij opent de oogen der religieuze ziel, die hare talrijke fouten of niet zag, of niet wilde inzien. Hij verwijt haar die gemakkelijkheid, waarmede zij zich ten zijnen opzichte zoovele lichte fouten toestaat. En voor haar oog een leven ontrollende, vervuld met onachtzaamheden, zooniet met misdaden, vraagt Hij haar of de fouten, welke zij nog bedrijft, na zoo dikwijls vergeving ontvangen te hebben, haar hart niet moesten verbrijzelen. Hij zet haar aan zich door hare tranen te zuiveren.

2. De geest der wereld is een ander beletsel voor de tegenwoordigheid en de heerschappij van den H. Geest in ons. Welke vereeniging kan gesloten worden tusschen het licht en de duisternis, tusschen de waarheid en den leugen? Hierom stelt de Zaligmaker in zijn gebed tot den Vader, om aan zijne leerlingen den geest te zenden die heiligt in waarheid »Sanctijica eos in veritate, (1) Hem voor, dat zij, even als Hij niet aan de wereld toebehooren, dat Hij hen er uit heeft getrokken, dat Hij niet bidt voor de wereld, die niet bekwaam is dezen geest van waarheid te ontvangen, omdat zij Hem niet ziet en zij, in hare verblindheid, moet betasten en zien, alvorens aan te nemen en te gelooven. Het

(1) Joa. 17, 17. CH. III.

23

-ocr page 369-

354

oordeel van de wereld en van den H. Geest zijn volkomen tegenstrijdig, en evenzoo is het gelegen met de gevoelens door hen ingeboezemd. De H. Geest trekt de harten af van de liefde der wereld, om ze tot God te brengen; de geest der wereld trekt ze van God af, om ze aan de schepselen te schenken. Onderzoek dikwijls met zorg uwe gedachten en uwe genegenheden, om te erkennen of de geest van leugentaal of de geest van waarheid in u woont. Bestrijd ook het vleesch, dat het derde beletsel is voor de barmhartige inzichten van den H. Geest over u.

3. Bij het zien eener bedorven wereld, heeft God dit vonnis uitgesproken, dat zijn geest niet in den mensch zal blijven, omdat de mensch vleesch is. (1) De geest en het vleesch zijn twee machten, die elkander voortdurend bestrijden. Laten wij ons be-heerschen door het vleesch, dan zijn wij dood, dan bestaat er voor ons geen bovennatuurlijk, geen goddelijk leven meer. Versterven wij daarentegen, door den geest, de werken van het vleesch, dan zullen wij leven door dat leven, dat de H. Geest geeft, het leven van Jezus, dat het leven der uitverkoor-nen is.

Doch ziehier hoe ver in ons die onthechting moet gaan van elke zinnelijke genegenheid, en de buitengewone teederheid van den H. Geest: »Indien ik niet heen ga,quot; zegt de Zaligmaker, »zult gij den H. Geest niet ontvangen.quot; Welk eene vreemde zaak, roept de H. Bernardus uit, de Zoon Gods verzekert

(1) Gen. 6, 3.

-ocr page 370-

355

de Apostelen, dat, zoo Hij hun zijn vleesch niet ontneme, zij zijnen Geest niet zullen ontvangen. Hoe dan, o goddelijke Geest, is het mogelijk, dat het aanbiddelijk vleesch, gevormd door het zuiverst bloed van Maria, uwe oogen kan kwetsen en U beletten den overvloed uwer gaven uit te storten in de zielen, overigens zoo wel bereid? Jezus wil ons leeren, zegt de H. Leeraar, dat deze menschen moesten beroofd worden van de gevoelige tegenwoordigheid in de natuurlijke vreugde, welke zij daarin putten, om bekwaam te zijn de volheid van den H. Geest te ontvangen. Hoe zou dan de zinnelijke religieus, die overal en in alles zijn gemak zoekt, zich durven vleien zijn bezoek en zijne he-melsche vertroosting te ontvangen ? Ik ken de beletselen tot het goed, dat ik begeer, o mijn God, en met uwe genade hoop ik die te overwinnen.

II Punt. Middelen om den H. Geest in ons te trekken. Wij vinden die besloten in de laatste woorden, welke de Zaligmaker tot zijne leerlingen sprak, alvorens ten hemel te stijgen, en in hunne getrouwheid in het nakomen zijner voorschriften. Hij had hun gezegd: Blijft in de stad, totdat gij bekleed •wordt met de kracht van hoven. Hierdoor beval Hij huu drie zaken: te Jeruzalem te blijven in civitate, daar gerust en kalm te blijven sedete, te volharden in hunne verwachting, totdat zij met de kracht van boven zouden bekleed zijn quoadusque.

De leerlingen, den Olijfberg verlatende, keeren inderdaad naar de stad terug, treden in het Cenakel en wat doen zij daar? Zij hidden met volharding en eenparig met de heilige vrouwen en Maria, de

-ocr page 371-

356

Moeder van Jezus. Zoo zijn zij geheel afgezonderd van de wereld, in eene woning, waaraan zich voor hen de dierbaarste herinneringen vastknoopen. De volmaaktste ééndracht heerscht in deze vergadering en onderhoudt er den vrede. Zij bidden te zaraen en vereenigen hunne vurige begeerten. Acht dagen, negen dagen gaan voorbij, zonder dat zij de beloften van Jezus zien vervullen, doch hun vertrouwen wordt hierdoor niet geschokt, zij bidden steeds voort. Zalige gesteltenissen om de komst van den H. Geest af te trekken! Maria was de band hunner vereeniging, de ziel van dit gebed. O welk vermogen had haar gebed en hare verzuchtingen, om haar aanbiddelijken Bruidegom af te roepen en Hem aan te zetten hen met zijne genaden te overladen, die weldra zijne werktuigen zouden worden, tot bekeering van het heelal.

Thans wil ik mij een levensregel voorschreven, om my gedurende deze week te bereiden tot de komst van den H. Geest; een leven van ingetogenheid en afzondering, zooveel het uiy mogelijk zal wezen; een leven van boetvaardigheid en nederig berouw, opdat mijne onwaardigheid, welke my dit bezoek zoo noodzakelijk maakt, er geen beletsel aan stelle, een leven van liefde en eendracht met den evennaasten, uit mijn hart alle bitterheid verbannende , welke zich daarin mocht bevinden; een leven van meditatie en gebed, volgens den raad van een godvruchtig uitlegger der H. Schrift. »Indiër, gij jevendig die inwendige en hemelsche zoetheid begeert, indien gy zucht naar de komst van den H. Geest, doe dan wat Hij u gebiedt: Open den mond en ik

-ocr page 372-

357

zal hem vervullen.quot; (1) O mijne ziel, verbeeld u den Zaligmaker, gelijk de H. Joannes Hem voorstelt, te midden der Joden. Hij staat en roept: Indien iemand dorst heeft, hij home tot mij en drinke. (2) Vragen wij met des te meer vertrouwen, omdat wij steunen op de voorbede van Maria. Zij is een toevluchtsoord, altijd voor ons geopend, zij kan ons altijd helpen, doch vooral als wij de gaven van den H. Geest afsmeeken, daar zy, om ons te helpen, zijne Bruid en onze Moeder geworden is.

69s,e OVERWEGING.

HET PINKSTJiUrEEST. BESCHOUWING.

I. De personen beschouwen.

11. De woorden aanhooren.

III. De handelingen overwegen.

1. Toen de dagen van het Pinksterfeest vervuld werden, waren zij allen te zamen op dezelfde plaats. En plotseling ontstond er uit den hemel een geluid als van een aankomenden hevigen wind, en vervulde heel het huis, waar zij gezeten waren. En er verschenen hun verdeelde tongen als van vuur, en op eeniegelijk van hen zette zich eene neder. En zij werden allen met den heiligen Geest vervuld, en begonnen te spreken in verschillende talen, naar dat de Heilige Geest hun gaf uit te spreken. Toen dan dit geluid geschied was, liep de menigte zamen. (8)

(1) Eut de S. Yict. (2) Joa. 7, 37. (3) Act. 2, 1—Ü.

-ocr page 373-

358

Allen worden in hun gemoed onthutst. De eenen bewonderen, anderen spotten. Petrus neemt het woord en bij zyne eerste prediking bekeeren zich drie duizend personen (1).

2. Verbeelden wij ons Jeruzalem en op den berg Sion het Cenakel, alwaar de Kerk het daglicht gaat aanschouwen.

3. Vragen wij aan den H. Geest datgene, wat de H. Kerk Hem gedurende dit octaaf gaat vragen. Kom, heilige Geest, verlicht ons met uw licht, ontsteek mu vuur in onze harten.

I Punt. De personen heschouiuen. Beschouw in het Cenakel de Apostelen, een oogeublik voor de voltrekking van het geheim; hun gelaat gloeit door bet vuur van het gebed. Dan eens geknield, dan weder rechtop staande, dan weder neergezeten in stilzwijgende overweging, dan weder met het oog ten hemel gericht... Wel is waar kennen zij dooide ondervinding den H. Geest nog niet., doch om dieu vurig te begeeren, is het hun voldoende te weten, dat het de Geest Gods, de Geest van Jezus, hun goede Meester is; dat Hij zijne plaats bij hen komt innemen, dat hij hun schadeloos moet stellen voor het verlies van zijne zichtbare tegenwoordigheid. Beschouw Maria, in diepe ingekeerdheid verzonken. Vraag met haar al wat zij vraagt voor hen, die deel zullen hebben aan de gaven van den H. Geest. Beschouw de engelen , welke dit eerbiedwaardig heiligdom vervullen, en met vreugde tot den troon van God, zoovele zuivere en vurige gebeden dragen. Zijn

(1) L. c. passim.

-ocr page 374-

359

de uwe waardig daarbij gevoegd fce worden? Beschouw in den hemel de aanbiddelijke Drievuldigheid, die opmerkzaam op smeekingen, welke Haar behagen, zich gereed maakt die te vervullen. — Zie in de stad die menigrte inwoners en vreemdelingen door

O O

de plechtigheid van het feest uitgelokt, en saamge-stroomd om den Heer in zijnen tempel te aanbidden? Hoevelen nog gehoorzamen aan minder godvruchtige drijfveeren. Welke driftige bewegingen! Welk een geraas? Welke lichtzinnigheid, ten minste in de gedachten ! Welk een in het oog springend verschil met die gerustheid en godvruchtige oefeningen in het Cenakel? Nochtans onderscheidt God te midden dier drukke menigte, welke zich zoo weinig om de zaken Gods bekommert, rechtschapen harten, welke weldra door het licht van boven bestraald, de gaven van den H. Geest zullen ontvangen. Hij ziet er, wier getrouwheid aan eene eerste genade hen spoedig tot een verheven graad van heiligheid zal brengen.

Het is inderdaad uit deze menigte, onstuimig gelijk de golven des Oceaans, dat de eerste, heilige Kerk van Jerusalem, het voorbeeld aller Kerken zal ontstaan. O welk een heerlijk werk gaat de H. Geest in het leven roepen: Veni Creator Spiritus.

II en III Punt. De woorden aanhooren en de handelingen overwegen. Eensklaps doet zich het ge-druisch hooren van een hevigen wind. Het Cenakel davert. Een vurige bol verschijnt en verdeelt zich in de gedaante van tongen, welke zich plaatsen boven elk der apostelen en leerlingen. Wat gaat er op dit oogenblik om in hunne ziel? Welk eene plotselinge verlichting, welk eene heilige siddering!

-ocr page 375-

360

Welke hemelsclie en van liefde ontvlamde harten nemen plotseling de plaats in van harten, tot dusverre zoo zwaar, zoo langzaam alvorens te gelooven en te beminnen. Doch in het verhaal van dit geheim verdient elk woord overwogen te worden. Factus est sonus. Er ontstaat een groot gedruisch, dat allen verschrikt; indien zich daar eenige sluimerende geest bevond, ontwaakt hij, God wil dat wij opmerkzaam zijn op de werking zijner genade. — Repente, eensklaps. Het bezoek van den H. Geest heeft geen bepaald uur; Hij blaast waar Hij wil, en even als gij Hem altijd moet begeeren, moet gij Hem ook altyd afwachten.... Ongelukkig de ziel, welke niet tehuis is, als Hij haar met zijne tegenwoordigheid wil vereeren en met zijne gaven wil verrijken. — De Coelo. Wat verwachten wij van de aarde? Js het niet van den hemel, dat wij alle wezenlijk goed, elke volmaakte gave moeten verwachten. — Tanquam Spiritus. Gij kunt hier de eigenschappen van den wind overwegen, in Zoover hij het zinnebeeld is van den H. Geest; zijne plotselinge komst, zijne onzichtbaarheid, zijne snelheid, en de verandering welke Hij in den dampkring te weeg brengt. — Vehementis. O hoe sterk moet de ziel bewogen worden, die traag en kwijnend zich aan hare driften verslaafd heeft, om uit hare zonden of zelfs uit hare lauwheid op te staan. Et replevit totmn domum ubi erend sedentes. Dit huis is de Kerk, zij is geheel vervuld met den H. Geest. Het is uwe ziel, Hij zal die geheel vervullen , indien gij ze opent voor zijne inspraken; doch Hij wil haar in rust vinden. Sedentes, Hij woont niet in de verwarring? De apostelen ontvangen wat

-ocr page 376-

361

liun beloofd is, omdat zij nauwkeurig volbrengen wat bun voorgeschreven is: Vos autem sedete (1). De H. Geest openbaart zich nog onder een ander zinnebeeld. Et apparuerunt illis dispertitae linguce tanquam ignis. Het vuur, dat edelste der elementen, heeft de kracht van te verlichten, te zuiveren, te verwarmen, en ziedaar wat de H. Geest in ons doet; als geest van waarheid verlicht Hij ous, als Geest van heiligheid zuivert Hij ons. als geest van kracht bezielt Hij ons, versterkt Hij onze zielsvermogens, en vervult ons met ijver.... De vorm van tong, welken dit goddelijk vuur aanneemt, verbeeldt de bewonderenswaardige vruchten, welke Hij zal voortbrengen , zoo door het woord der Apostelen als door hunne medearbeiders in de evangelische bediening, en deze bleven niet uit, want:

Zoodra deze mannen, tot dusverre zoo schroomvallig den H. Geest ontvangen hebben, openen zij de deuren van het Cenakel, sedert tien dagen zoo zorgvuldig gesloten; zij vertoonen zich in den tempel, op de openbare plaatsen, en verkondigen Jezus-Christus, te midden van dat volk, dat Hem zoo onwaardiglijk gekruisigd heeft. In één oogenblik wordt het gebeurde ruchtbaar, het Cenakel wordt het voorwerp aller gesprekken. Eene groote menigte verzamelt zich; zij is verbaasd; hoe kan dit anders, daar zij de apostelen alle talen hoort spreken? De verwondering is algemeen, men vraagt elkander: zijn die mannen dan geene Galileërs? Hoe kan het zijn, dat ieder onzer hun de taal van zijn land hoort spreken? Er waren daar ook onverschilligen en spot-

(1) Luc. 24, 49.

-ocr page 377-

362

geesten; zij spotten met lietgeeu auderen vervult met bewondering.

Luister vooral opmerkzaam naar de toespraak van Petrus. Van waar kwam hem die wetenschap, die stoute en wegslepende welsprekendheid? «Mannen van Israëlzoo sprak hij ongeveer in een gedeelte zijner rede, »Jezus van Nazareth heeft zich in uw midden beroemd gemaakt, door de mirakelen en wonderwerken welke Hij onder uwe oogen verricht heeft; gij kunt die niet loochenen. En nochtans hebt gij Hem dooide handen der boozen ter dood gebracht.... Doch God heeft Hem doen verrijzen; wij zijn daarvan do getuigen en al wat gebeurd is en nog heden gebeurt, is slechts de vervulling der voorzeggingen. Dat geheel Israël het wete, die Jezus, dien gij gekruisigd hebt is de Heer, de gezalfde God (1). Deze vurige taal verwekt in velen eene zalige vermorseling des harten en zij roepen uit: »Wat zullen wij doen, mannen broeders? Petrus antwoordt: »Doet boete en een iegelijk uwer late zich doopen in den naam van Jezus-Christus tot vergiffenis uwer zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen.quot; Gehoorzaam aan dit woord en aan de inwendige genade die het vergezelt, bekeeren zich drie duizend onder hen en laten zich doopen.

Samenspraak met de apostelen, met Maria. Smeekt hen voor U te spreken. Richt u vervolgens tob den H. Geest en volg langzaam deze smeekbede, welke de priester gedurende dit octaaf geknield aan het altaar bidt: »Kom, heilige Geest, vervul de harten uwer geloovigen en ontsteek daarin het vuur uwer liefde.quot;

(1) Act. 2.

-ocr page 378-

363

70ste OVERWEGING.

Pinkstermaandag.

DE HEILIGMAKENDE GEEST.

I. Gewone werking van den heiligen Geest in

O O

de lieiliging der zielen.

O o

II. Wat Hem belet zijne plannen van barmhartigheid uit te voeren.

I Punt. Gewone werking van den H. Geest, in de heiliging der zielen. Als men overdenkt wat Hij voor de Apostelen deed op Pinksterdag, houdt men zich te veel bezig met dien overvloed van buitengewone genaden, welke hen onmiddellijk veranderde in zoovele uitverkoren vaten en hen eensklaps tot volmaakte menschen maakten. Dit is de mirakuleuze zijde van het geheim en het is voordeeliger deszelfs practische zijde te beschouwen, door zich af te vragen, waarin van hunnen kant, de oorzaak van zulk eene wonderdadige verandering lag. Dit was niet anders dan hunne getrouwe medewerking aan de genade.

Hoe snel ook de hervorming dezer menschen was, die bestemd waren, om zelf de wereld te hervormen, zoo had zij echter haar begin, haar voortgang, hare vorderingen. Men ziet dat de H. Geest hun hart bereidt door gewone genaden, welke goed benuttigd, hun overvloediger genaden verdienen, en dat deze, door eene zelfde getrouwheid ondersteund, door buitengewone gunsten bekroond worden.

O O

Blijft gij in de stad. Ziedaar als het ware de eerste vonk van dien heiligen brand, die thans het

ruit j

-ocr page 379-

364

voorwerp hunner bewondering uitmaakt; genade van ingekeerdheid, van het vluchten der wereld: eene gewone genade. Zij beantwoorden hieraan ten volle. Jezus had hun gezegd in de stad te blijven; zij doen meer, zij verlaten het Cenakel en den tempel bijna niet. Konden zij zich gewilliger toonen ? Deze genade wordt door eene krachtiger, hoewel nog gewone genade beloond, welke niemand geweigerd wordt; de genade van het gebed. Hunne gehoorzaamheid aan den geest van het gebed trekt over hen den geest van vurigheid en ijver, voorgesteld door de vurige tongen, die boven hunne hoofden komen zweven. Buitengewone genade, vrucht hunner getrouwheid aan de voorgaande.

Nu kunnen zij het vuur, dat hen verslindt, niet meer bedwingen. Zij spreken, zij verkondigen luide de grootheid van God, de zending, den dood, de verrijzenis des Zaligmakers. Bij de heilige woorden voegen zij heilige werken. Zij stichten de Kerk onder ongeloofelijkemoeielijkheden, en hunne getrouwheid aan deze steeds toenemende genaden verkrijgt hun de genade, welke de kroon stelt op al de overige, die van voor Jezus-Christus te mogen lijden en sterven..., omdat zij dus aan de goddelijke inspraak gehoor gaven en tien dagen doorbrachten in afzon-

O O O

dering, te midden der wereld, zijn zij mannen van gebed geworden; omdat zij het krachtig wapen van het gebed zoo wel wisten te gebruiken, zjjn zij ijverige predikers geworden, machtig in woorden en werken. Hunne toewijding om Jezus-Christus te doen kennen en beminnen, heeft hun het geluk verdiend voor Hem te mogen sterven, en omdat zij op at-rde de

-ocr page 380-

365

eerste martelaars werden der striidende Kerk, zijn zij in den hemel de glorievolle vorsten der zegevierende Kerk.

Ziedaar dus de gewone werking van den H. Geest in de heiliging der menschen. Hij regelt de vermeerdering en den overvloed zijner gaven, naar het gebruik, dat men van zijne eerste genaden maakt. Eerst is het een dauw, die dropsgewijze nedervalt, doch wordt zij dankbaar ontvangen en zorgvuldig bewaard, dan verandert zij in een weldadigen regen, welke vruchten voortbrengt van hechte deugd en hooge volmaaktheid. In het begin is het slechts een

O O

zachte ademtocht, die in een hart zoekt te dringen, doch zoo dit hart toegang geeft, wordt zij weldra een hevige wind, welke het hart geheel vervult. O mijn God, hoe wel toont Gij mij de oorzaak dei-onvruchtbaarheid uwer genade in mij. Reeds zoo menig jaar vierde ik het Pinksterfeest, en ik heb nog zoo weinig voortgang gemaakt op de wegen van den H. Geest. Zou ik nog zoo arm en ellendig zijn, indien ik zijne eerste gaven benuttigd had, en getrouw gehoor had gegeven aan zijne inspraken?

III Punt.II Punt. Wat hel et den H. Geest ome heiliging ie bewerkstelligen ? Het ontbreekt ons aan opmerk-■ zaamheid op de genaden, die Hij ons geeft en aan getrouwheid om ze op te volgen. Het geloof zegt ons, dat de minste inspraak van den H. Geest oneindig kostbaarder is dan de geheele wereld, omdat zij deel maakt van de bovennatuurlijke orde en de prijs is van het Bloed van Jezus-Christus.

Wij moeten, zegt een meester van het geestelijk leven, die aanhooren en ontvangen, gelijk het Woord

-ocr page 381-

366

Gods, voortkomende uit zijne opperste wijslieid, oneindige goedheid, dat in ons de heerlijkste uitwerkselen kan teweeg brengen. Het Woord Gods trok de wereld uit het niet. omdat het in het niet geen weerstand vond; wat zou het niet in ons uitwerken, indien wij er steeds gehoor aan gaven. Het zou ons uit het zedelijk niet, doen overgaan tot de bovennatuurlijke deelneming aan Gods heiligheid, van den staat van genade tot deelneming aan zijne gelukzaligheid in den staat zijner glorie...

Hoe kunnen wij de dwaasheid hebben, de voorkeur boven Hem te geven aan eene beuzeling, een punt van eer, de ijdele achting der menschen , het genoegen van een oogenblik ?... Betreurenswaardige begoocheling, welke, helaas, voor een groot getal eerst verdwijnt op het sterfbed! »Indien wij,quot; zegt dezelfde schrijver, »kouden zien op welke wijze de goddelijke inspraken in onze harten ontvangen worden, dan zouden wij zien, dat zij, om zoo te zeggen, op derzelver oppervlakte blijven liggen. De weerstand, welken zij ontmoeten, belet hun eenigen indruk te maken, en hierdoor komt het, dat wij niet genoeg aan den geest geven en God niet dienen nit de volheid onzer harten.quot; Opmerkzaam en gewillig de inspraken van den H. Geest volgen, ziedaar het kort begrip der heiligheid, de wetenschap der zaligheid en volmaaktheid. Zijn eigen geest verloochenen, om slechts volgens den geest Gods te leven en te werken, ziedaar, zegt de H. Paulus, het kenmerk der kinderen Gods.

-ocr page 382-

367

7rte OVERWEGING.

P inksterdinsda (].

de geest van vertroosting.

I. Hoe troost ons de H. Geest?

II. Wie troost Hij ?

I Punt. Hoe troost ons de H. Geest1? Door de getuigenis, welke Hij ons geeft; door het vertrouwen, dat Hij ons inboezemt; door de berispingen zelfs, die Hij ons geeft.

1. Zonder te spreken van de getuigenis van een goed geweten, door de H. Schrift vergeleken bij een voortdurend feestmaal, hetgeen ook wel de vrucht is van den H. Geest, geeft Hij ons twee andere, welke zeer troostend zijn. Door de eerste verlicht Hij ons omtrent Jezus-Christus, door de tweede leert Hij ons wat wij zeiven in Jezus-Christus zijn.

De Heer had tot zijne leerlingen gezegd: «Wanneer de Helper zal gekomen zijn, dien ik u van den Vader zal zenden, den geest der waarheid, die van den Vader uitgaat, die zal van mij getuigenis geven. (1) Inderdaad was de nederdaling van den H. Geest als eene nieuwe openbaring van Jezus-Christus en deszelfs geheimen. Hadden zij Hem vroeger gekend naar het vleesch, thans kenden zij Hem op eene onvergelijkelijk volmaakter wijze. Zoo is het ook met ons gelegen. O welk een onderscheid ligt er tusschen het gewone geloof en dat geloof, dat bestraald is

1

Joa. 15 2G.

-ocr page 383-

368

door bet licht van den H. Geest. Als eene religieuze ziel, door zijn licht bestraald, getreden is in die allerverhevenste wetenschap der liefde van Jezus-Christus, als zij om zoo te zeggen de lengte, de breedte, de hoogte en de diepte heeft gemeten van de liefde, waaraan Jezus-Christus haar zoovele blijken gaf, vindt zy daarin een onuitputbare bron van troost, omdat zij begrijpt dat hierin voor haar oneindige hulpmiddelen besloten liggen, in welken toestand zij zich moge bevinden, of zich ooit bevinden kunne.

O 7

De tweede getuigenis, welke de H. Geest ons geeft en welke onze harten niet minder moet verheugen, is dat wij kinderen Gods, eu bijgevolg zijne erfgenamen, de broeders en mede-erfgenamen van Jezus-Christus zijn. Wij hebben den geest van aanneming ontvangen. In Hem durven wij tot God zeggen: Vader, Vader, terwijl wij Hem ons smeeken en onze verzuchtingen opdragen. Wanneer nu de religieuze ziel bedenkt, dat bij deze aanneming tot kinderen Gods zich nog dié hemelsche roeping voegt, welke haar plaatst in den rang der Bruiden van Jezus-Christus , zal zij gemakkelijk alle vrees ver van zich kunnen verbannen, indien zij slechts volharden in die liefde, welke de Geest in onze harten heeft uitgestort. Zij rust in vrede op de borst van Jezus, haren Bruidegom, en in de armen van God, haren Vader.

2. Haar vertrouwen maakt haar geluk uit. De H. Geest, die om haar te vernederen en aan haar-zelve te onthechten, haar de bedorvenheid barer natuur en hare onherstelbare geneigdheid tot zondigen toont, ontdekt haar ter zelf der tijd zoo duidelijk de

-ocr page 384-

369

macht van God, zijue getrouwheid in zijne beloften, zijne goedheid, zijne teederheid voor hen, die Hem aanroepen en beminnen, dat haar levendig geloof, hare hoop reeds als tot werkelijkheid maakt. Het is de gave van wijsheid, welke de H. Bernardns noemt sde smaak voor hetgeen goed is.quot; Wanneer de wijsheid van boven, zegt hij, in de ziel getreden is, overmeestert zij de boosaardigheid en vervangt den lust tot het kwade, door dien tot het goede. Zij verstompt het gevoel van het vleesch, zuivert het verstand, geneest de wonden des harten en geeft aan die ziel eene volmaakte gezondheid, welke haar het goede doet smaken, alsook de wijsheid, welke van alle goederen het beste en zoetste is.quot;

3. De H. Geest troost ons zelfs door de berispingen , welke Hij ons geeft. Hij heeft, ter vorming en heiliging der Kerk, de zending de wereld te verlichten , omtrent de zonde, de rechtvaardigheid en het oordeel. Hij bestrijdt onophoudelijk in ons, tot de laatste overblijfselen van den geest der wereld, waar alles smet, onrecht en leugen is. Hij beklaagt zich aan ons over onze vrijwillige ongetrouwheden, welke zijne oneindige heiligheid kwetsen. Arguet mundum de peccato. Hij beklaagt zich over onze zoogenaamde goede werken, waarin zoo vele gebreken, dikwijls zulke laakbare bedoelingen sluipen: De justitid. Hij beklaagt zich over ons valsch oordeel. de judicio, in plaats van omtrent eene menigte zaken te denken gelijk Hij, oordeelen wij volgens de wereld; in plaats van ons te hechten aan de waarheid, voedt zich onze geest met ijdelheid.

Dit alles belet den H. Geest in ons zijn rijk te ch. in. 24

-ocr page 385-

370

vestigen, ons tot de volmaaktheid en het geluk, dat Hg ons voorbehoudt, te brengen. Ziju zijne klachten , zijne berispingen, geene bewijzen zijner liefde? Zouden wij liever hebben, dat Hij het stilzwijgen bewaarde? Dit is de vreeselijke straf, welke Hij geeft aan hen, van wie Hij begint zich terug te trekken. Goddelijke geest, oefen die nooit uit over mij. Ik zegen en erken uwe teederheid, zelfs in uwe schijnbare gestrengheid.

II Punt. Voor wie zijn de vertroostingen van den H. Geest ? Men vertroost slechts de bedroefden. Eene ziel, welke behagen vindt in hare ballingschap, daarin hare gelukzaligheid zoekt, en steeds bezorgd is om alles van zich te verwijderen wat haar hindert, zich te bezorgen wat haar vleit, moet niets van de wijsheid van boven verwachten. De troost van den H. Geest is gewoonlijk de belooning der edelmoedigheid , die zich opoffert voor Gods eer en dienst. De apostelen werden met roeden gegeeseld, omdat zij Jezus kloekmoedig verkondigden; hun hart wordt overstroomd met zulk eene vreugde, dat zij die niet kunnen bedwingen. De eerste christenen, omhelsden tegelijk met het geloof, het lijden en den dood, en de H. Lucas spreekt slechts van de vertroostingen, waarmede zij vervuld werden.

Onder de bezoeken van den H. Geest kan men er drie onderscheiden! Bezoek van medelijden om ons te genezen. Hij bestrijdt daarin de verblinding van onzen geest, de hardvochtigheid onzer ziel. Bezoek van beproeving, om ons te zuiveren. Hij wil in onze ziel wonen, doch ziet Hij die door de natuur geleid, dan verbergt Hij zich en doet ons het gewicht onzer

-ocr page 386-

371

ellende gevoelen, om ons te dwingen tot Hem onzen toevlucht te nemen. Bezoek van vriendschap en teederheid, dat ons inniger met God vereenigt, ons kracht geeft om te lijden, niet slechts met geduld, doch met vreugde. De twee eerste dezer bezoeken, bereiden ons tot het derde.

Hoe meer teederheid en onderwerping wij ten opzichte van den H. Geest hebben, hoe beter wij gesteld zijn om den overvloed zijner vertroosting te ontvangen. Zeker genieten wij altijd zijne gaven, zoolang wij in staat van genade zijn, doch wij beletten derzelver werking door onze uitgestortheid, onze ongeregelde gehechtheid, onze talrijke onge-trouwheden. Wij weerstaan aan den H. Geest, wij bedroeven Hem, hoe zou Hij ons kunnen troosten? Zuiveren wij dan ons hart door waakzaamheid en versterving; het vuur der liefde zal in ons toenemen en weldra zullen wij ondervinden hoe zoet de Heer is.

.

nvc. ID. Gr»

-ocr page 387-

21ste

JNHOUD VAN HET pERDE pEEL,

22ste

23ste

24stlt;

Bladz.

25st

Voorrede .

Eerste Afdeeling.

3

26st 27st 28st

Overweging. Eerste Zondag vau den Advent.

Rechten van den religieus . .

5

2de »

2° Zondag. Vertrouwen op God .

9

1 295

S30 »

3e » Geestelijke vreugde .

16

4de »

4e » Leven v. Jezus en Maria

22

I 30quot;

5de »

Kerstavond. Reis naar Bethlehem

26

6d0 »

Kerstdag. Geboorte v. Jezus-Ghr.

30

31

7 ao »

De Herders hij de kribbe. . .

35

8ste »

Hetzelfde onderwerp ....

40

1 32

9dc »

De besnijdenis......

46

10dc »

Driekoningendag......

51

1 33

llde »

Hetzelfde onderwerp ....

57

12de »

De Wijzen te Bethlehem . .

62

34

13de »

Drie straffen door den weerstand

aan de genade ......

67

3\'

14de »

le Zondag na Driekoningen. Doop

sel van Jezus ......

72

| 3\'

15de »

2e Zondag. De H. Naam Jezus

77

1 3

16de

Geheim der zuivering van Maria

83

| 3

17dc sgt;

Hetzelfde onderwerp ....

89

18d0 »

De heilige grijsaard Simeon .

94

i 3

19de »

Voorzegging van Simeon . . .

99

1 4

20ste »

30 Nov. Feest van den H.Andreas

104

-ocr page 388-

INHOUD,

Bladz.

2lsteOümlt;;lt;^iw/. 3 Dec. Feest v. d. H. Franc. Xav. 109

22ste » 8 » » der Onbevl. Ontv. 115

23ste » Hetzelfde onderwerp. . . . 121

24ste » 21 Deo. Feest v. d. H. Thomas. 126

25st0 » 26 » H. Steplianus . . . 131

26ste » 27 » H. Joannes Evangelist 137 27ste » 25 Jan. Bekeering v.d.H.Paulus 142

285te » 29 » H. Franciscus v. Sales 147

Tweede Afdeeling.

29ste » Zondag Septuages. Parabel der

werklieden......155

| 30ste » Zondag Sexagesima. De goede

o o o

gedachte is een zaad . . . 159 31st0 » Zondag Quinquagesima. Wee u,

die nu lacht......163

32ste » Maandag na Quinq. Het lijden

en den dood van Jezus-Christ. 168 33ste » Dinsdag na Quinq. De blinde

by Jericho......172

34ste » Asschewoensdag. De goede religieus bij het begin v. d. Vaste 177 35ste » le Zondag in den Vaste. Jezus

bekoord in de woestijn . . 183 | 36ste » 2e Zondag. Jezus op Thabor . 189 : 37ste » 3e » Het Woord Gods . 193 38ste » 4® » Vermenigvuldiging

der Brooden......199

393te » Passiezondag. Het H. Misoffer 204 40ste » De beide eerste doeleinden van

dit Offer.......210

II.

-ocr page 389-

------ ■

INHOUD.

Bladz.

4c\\}^OvcvwBgincfbGidc laatste doeleinden van

dit Offer.......214

42ste » Eerste manier om godvruchtig

Mis te hooren.....220

43ste ;gt; Tweede manier.....225

44ste » Vrijdag in de Passieweek. Maria

aan den voet van het kruis. 233 45ste » Palmzondag. Jezus treedt zegevierend Jeruzalem binnen . 239 40ste » Maandag in de goede week. Jezus treedt zegevierend Jeruzalem

binnen........244

47ste a Dinsdag. Jezus weent over Jeruzalem ........249

48ste » Woensdag. Jezus wasclit de

voeten zijner leerlingen . . 254 49ste a Witte Donderdag. Instelling

van het H. Sacrament . . 259 gQste gt;gt; Gpede Vrij dag. Alles is volbracht 264 515te » Zaterdag. Jezus in het graf . 2G9 52ste » Paaschdag. Verrijzenis v. Jezus 273 53ste ,gt; 20 » Glorie van Jezus in

zijne verrijzenis.....279

Derde Afdeeling.

545te » Magdalena bij het graf des Zaligmakers .......284

55ste » Jezus verschijnt aan de leerlingen van Emmaus . . . 289 5(3ste » Verschijning van Jezus aan de

vergaderde Apostelen . . . 293

-ocr page 390-

INHOUD. IV.

Bladz.

hl^Ooerweging. Opstanding der dooden . . , 298 58ste » Het religieuze leven vergeleken

met het leven van Jezus-Chr. 302 59ste » le Zondag na Paschen. De voorwaarden van onzen vrede . 308 60stc » 2e Zondag.Verschijning v. Jezus 312 61ste » 3e Zondag. Bescherming van

den H. Jozef......318

62ste » 4° Zondag. Laatste verschoning

van Jezus.......324

03ste » 5e Zondag. De kruisdagen. Het

gebed........328

64ste » Hetzelfde onderwerp. . . . 333 65ste » De Hemelvaart van Jezus . . 338 66ste » Twee oorzaken van vreugde

voor den religieus .... 342 G7ste » De goede religieus bereidt zich

tot het Pinksterfeest . . . 347 68ste s» Gedrag van den goeden religieus in zijne voorbereiding tot het

Pinksterfeest......352

69ste » Pinksteren.......357

70ste » Pinkstermaandag. De geest van

heiligmaking......363

71ste » Pinksterdinsdag. De geest van

vertroosting......367

EINDE VAN HET DERDE DEEL.

-ocr page 391-
-ocr page 392-
-ocr page 393-

Wie zal den berg des Heeren be-klimmen, of wie zal wonen in zijne heilige plaats?