,.. • gt; t.. k ^ ^ i
?gt;. A-ï.
p\'quot;\'^ .1 \' ^ ^•JK- ^ !*?■ ^ i- ^ .
■► tJ^yiXk :^é v
\' 44 I 10sW^r ^f
^ ^ \'* quot;gt; \\\'.«.s ,V i
m^H.v ■ V^;
I\' \'^-r, \'■ v
.\' • -:^^-; ^ Z? . J** r -O? X-
fö.\'
, 1 i -w v
^t-
• ^ r I ts^ \\rf i.
^21
|u. 1^%. K^gt;f ,v
t#
f
^U^V •\' vt ^ 1
,12$^ v-tfe- rf
J
(i JLquot;
^J?.\' ..;quot; « ;
«w \'y
v^ V
^ w
K^ •gt; „L^
36
O
i
* ^IEl
p (J)e voin
ais
* ti
Pa
Vak
! OVEEWEGINCxEN
1
1 K-ELIO-ISUZEIsr S
■f»
f
i
voor.
-\'gt;y\\sj\'*j\\rJ~ S\'Si A/v —
.7A\' voLinaahtheid van den :l\\dujieiacn Staat | als vrucl/t van een volmaakt gebed. 4
Paler CHAIGNON, S. J.
6 kt Uet B^riiiiMrli veriaitiil
A.. Is/C. ID. O.
dwcede 3)ee-C.
o
è
s
oy*—**o\\
lt;:;\'r •\'ï\\i\\ï$gt;
B R EDA, KDUA-TSD VAIV WEKS,
De Prins-Cardinaal, D, (U,
Snelpers Uoek- en Muzielvilnikkeiij.
Vak 54
18S9-
qiifni nnmia farta sunt.
OYER WEGINGEN
VOOR
IRELIGhlETJZIElsr
^De volmaaktheid van den Beligieuzen Staat als vrucht van een volmaakt gebed.
DOOR
Pater CHAIONON, S. J.
Vit liet Franscli vertaald
a.. 3vi;. rgt;, a-.
cTwec-Be S)ee^.
quot;w ^\'b/fofhegif
MHDliRBRüEDïRs
BBEDA, EDTJATeD VAIX WEES,
De Prms-Cardinaal, D, 64,
Snelpers Boek- eu Muziekdrukkerij.
1889,
TIS^FIR.IIIVE.A.TXJIR,.
Datum in Seminario Ypelaar, Jiac 7aFebr. 1889.
J. J. HOPSTAKEN,
Reg. Sem. Libr. Cens.
ffleiÈï voir let Titeie Deel
Even als voor den God-mensch is er voor den Christen een verborgen, een openhaar, een lijdend — en indien wij het willen verdienen, — een gelukzalig leven. Maar daar het ons onmogelijk zou zijn, eene enkele schrede te zetten op het voetspoor van ons edelmoedig en aanbiddelijk toonbeeld, indien wij althans in zekere mate den geest van geloof en opoffering niet hebben, die de grondslag zijn der ware volmaaktheid, zullen wij hieraan eenige meditatiën wijden. Ziehier de indeeling van het tweede deel:
1ste Afdeeling. De geest van geloof en zelfopoffering, als noodzakelijke vereischten, om in het gevolg van Je zus-Christus te kunnen treden en zijn leven te leiden.
2do Jezus-Christus, het groote toonbeeld der uil-verhoornen , noodigt ons, Hem te volgen op dien weg van ware heiligheid; hierin ligt eene dringende reden om Hem te volgen.
3de Bijzondere deugden, waarvan Jezus ons het voorbeeld geeft in de geheimen van zijne Menschwordivg,
II. INLEIDING.
van zijne geboorte, van zijn verborgen leven; zij hebben bijzonder betrekking op onze plichten jegens God en jegens ons-zelven.
4ae Door het voorbeeld van zijn openbaar leven vormt Jezus ons meer bijzonder tot de deugden, die loij ten opzichte van onzen evennaasten moeten beoefenen.
5de Zijn lijdend leven ondersteunt en bemoedigt ons te midden der kwellingen en moeielijkheden, die onafscheidbaar zijn van het christelijk en religieus leven.
6ae Jezus-Christus in zijn verheerlijkt leven is het onderpand der glorie, die ons wacht, indien wij getrouw zijn, en het voorbeeld van die innige vereeni-ging met God, die hier op aarde reeds een voorsmaak is van het eeuwig leven.
AFDEELING I.
Twee noodzakelijke vereischten om Jezus te volgen: de geest van geloof en zelfopoffering.
i
lstc OVERWEGING
de geest van gei,ooi\'.
I. Waarin hij bestaat.
II. Op welke wijze hij ons heilig en zalig maakt.
I Punt. Waarin bestaat de geest van geloof!
In eene zoo diepe en levendige overtuiging der godsdienstwaarheden , dat hij, die dezen geest bezit, altijd meer of min denkt aan deze heilige waarheden. Hij draagt alom met zich derzelver zaligen indruk. Deze geest bezielt hem in heel den omvang zijns levens, even als onze ziel de oorzaak is van al de bewegingen van ons lichaam. Dit noemt de H. Paulus dat leven uit het geloof, hetgeen den waren rechtvaardige voortbrengt.
In den rechtvaardige tocb openbaart zich het geloof niet slechts door eenige voorbijgaande zelfs herhaalde handelingen; het heiligt zijn leven. Het doet den geest van Jezus-Christus doordringen in al zijne
6
werken, gedachten, woorden en genegenheden; het maakt zich meester van zijn geheel bestaan, bezielt en hervormt hem. Indien wij ons door die goddelijke inspraak laten geleiden, zijn wij de ware kinderen Gods, volgens deze uitspraak rder Apostels: zij, die werken door den geest Gods, zijn zijne zonen (1). De man van geloof, de rechtvaardige, het kind Gods wordt bezield door den H, Geest, die de geest van Jezus-Ghristus is. Hij is het niet meer die leeft, Jezus-Christus leeft in hem. En zoo Hij in hem leeft, dan denkt, dan spreekt, dan werkt Hij daar! Welk eene waardigheid, welke verdiensten! welke heiligheid in den man van geloof! Het geloof, afgescheiden van den geest, die het levend maakt en het heilige werken doet beoefenen, is een lichaam zonder ziel, een dood geloof; dit herhaalt de H. Jacobus tot driemaal toe in hetzelfde hoofdstuk (2).
Door het geloof leven is bijgevolg de natuurlijke of bovennatuurlijke zaken beschouwen volgens God en volgens hetgeen Hij ons ten dien opzichte openbaart, het is die voorwerpen schatten volgens die goddelijke kennis en hiernaar zijn gedrag richten. Het is derhalve eer en schande, armoede en rijkdom, genot of lijden schatten, niet volgens het licht onzer zwakke rede, noch in het valsche daglicht der wereld-sche opvattingen, maar volgens het licht der geopenbaarde waarheid, dat ons daarover doet oordeelen gelijk God die zelf beoordeelt.,.. Besluiten wij daaruit, dat, al is het geloof ook algemeen, het levendig geloof of de geest van geloof zeer zeldzaam is. Indien
(1) Eem. 8, li. (2) Jac. 2, 17, 20-20.
7
ik niet geloofde, zou ik niets doen tot mgne heiliging; doch zoo ik den geest van geloof had, zou ik dan zoo weinig doen?.... Hadde ik geen geloof, nooit zou ik het altaar, noch de heilige tafel naderen; maar hadde ik liet levendig geloof, zou ik dan zoo koud blijven te midden dezer vlammen?
II Punt. Op welke wijze maakt de geest van geloof ons heilig en zalig\'? Als Jezus-Christus iu zulke duidelijke woorden de zaligheid belooft aan hem, die zal gelooven en gedoopt zal zijn (1), dan spreekt Hij niet van eene eenvoudige toenadering van onzen geest tot de ons geopenbaarde waarheden, noch van eene ijdele bewondering zijner hemelsche leer, maar alleen, gelijk de H. Paulus het ons uitlegt (2) van dat levend geloof, dat door de liefde werkt. Het heiligt ons, het maakt ons zalig door den invloed, dien het uitoefent op onze gedachten, onze genegenheden , onze werken. Het brengt waarheid, in onze gedachten, heiligheid in onze genegenheden, verdiensten zelfs in onze onverschilligste handelingen.
1. Waarheid in onze gedachten. De H. Petrus vergelijkt het geloof bij eene lamp, waarmede men een donker verblijf verlicht in afwachting van het opgaan der zon (3). Als de groote dag der eeuwigheid zal aanbreken, zal hij het licht des geloofs doen verdwijnen in zijn eigen schitterend licht; tot dien dag zijn wij in duisternis gedompeld. Wie zou den mensch niet beklagen, die, zonder fakkel, in de diepste duisternis zou ronddwalen op eenen weg tusschen diepe afgronden? Dan eens beschouwt hij
(1) Mare. 16, 1G. (2) Gal. 5, 6. (3) II Petr. 1, 19,.
8
de schaduwen voor de werkelijkheid, en siddert als lay niets te vreezen heeft; dan weder gaat hij zonder vrees, noch argwaan voort en valt in den afgrond, op het oogenblik, dat hij niets te vreezen meende te hebben; ziedaar het treurig beeld van een groot aantal christenen en onvolmaakte religieuzen met hun bijna nutteloos geloof! Het werpt slechts eenige weifelende lichtstrepen op hunne levensbaan; eu derhalve hoeveel onzekerheid, welke dwaling, welke val! Zij noemen het kwade goed; zij verheugen zich, als zij moesten weenen. O, hoe anders wandelt hij, die den fakkel des geloofs steeds in zijne hand draagt en deszelfs lichtspoor volgt! Hij is tegen elke dwaling ten opzichte zijner zaligheid verzekerd. Hij schat de zaken naar hare waarde, ziet ze gelijk ze zijn, omdat hij ze beschouwt met het licht, ja, om zoo te zeggen, met de oogen van God.
2. Heiligheid in onze genegenheden. Wijl het verstand de gevoelens van het hart voortbrengt, zullen mijne gevoelens, indien mijne geestvermogens, met die van God vereenigd, deel hebben aan zijne onfeilbare waarheid, ontsproten aan dezelfde bron, ook deel hebben aan zijne oneindige heiligheid. Ik zal achten, wat Hij acht, zooveel Hij acht; ik zal misachten, wat Hij misacht, ik zal beminnen, wat Hij bemint.... Liefde en haat, vrees en verlangen, alles in mij is welgeregeld. Aldus zuivert het geloof het hart; en heiligt het, terwijl het tevens aldus beveiligd blijft voor elke noodlottige dwaling. Het geloof ontdekt mij het nietige van al het geschapene; ik trek mijne genegenheid daarvan af; het doet mij God alleen hoogachten; ik hecht mij aan dit hoogste
9
goed, en hierin ligt mijn» zaligheid. Ik mag met David zeggen in den volsten zin des woords, dat de Heer mijn licht is en mgn heil (1).
3. De invloed van het geloof op onze werken heeft geen minder deel aan onze heiliging en ons eeuwig geluk, door de verdiensten, die het mededeelt aan al onze daden, zoo groote als kleine. De handeling komt voort uit de gedachte en de genegenheid; zij trekt min of meer hare waarde uit hare oorzaak. Als de wortel heilig is, zijn de takken het ook (2). De H. Paulus toont op bewonderenswaardige wijze het verschil van twee christenen, waarvan de eene geleid wordt door het licht des geloofs, — de andere door de bewegingen der natuur. De grondslag hunner werken is dezelfde. Zij zijn christen; het is Jezus-Christus.... (3) Doch , terwijl de man van geloof zgn gebouw optrekt op dezen goddelijken grondslag met de rijkste metalen, goud, zilver, edel-steenen...., gebruikt de andere voor het zijne slechts nietige grondstoffen hout, hooi, licht stroo. Welk eene heerlyke belooning wacht den eerste! Welk eene wreede teleurstelling wacht den tweede! De gerechtigheid Gods zal, als een verslindend vuur, de werken onderzoeken; de werken van liefde en geloof zullen schitteren gelijk het goud, in de smeltkroes gezuiverd; doch wat zal er overblijven van die, welke slechts door de natuur en de ydelheid zijn ingegeven? een nietig stof! Alles is verdienstvol in het leven van den rechtvaardige, omdat hij door het geloof leeft. Als hij bidt, bidt hij in den geest van geloof;
(1) Ps. 26, 1. (2) Eom. 11, 16. (3) l Cor. 3, 11.
10
als hij spreekt, leest of schrijft, is dit in den geest van geloof; geeft hij zijn lichaam het noodige voedsel, zijnen geest de noodige rust, zoo is dit immer in den geest van geloof. Alle gebeurtenissen van dit leven, aangenaam of droevig, ziekte, gezondheid, verachting, eer,.... alles wordt door hem tot het geloof teruggebracht, en aldus vermeerdert hij onophoudelijk den schat zijner verdiensten; al zijne daden zijn werken van volmaaktheid en zaligheid.
Bij het eindigen van mijn gebed zal ik God vergiffenis vragen voor het nadeel dat ik aan zijne glorie heb toegebracht, door in mij dat levend geloof te laten verflauwen, dat het geluk en de verdiensten mijner jaren van vurigheid uitmaakte. Ik zal Hem smeeken in mij die gelukkige jaren te hernieuwen; en om met zijne genade mede te werken, zal ik trachten, om met meer opmerkzaamheid te luisteren naar de inspraken van het geloof, en die voortaan met meer getrouwheid op te volgen, als de inspraken van den H. Geest zeiven.
3de OVERWEGING.
HET GELOOF. DESZliLl\'S VEllMOGEN.
1. Op het Hart van God.
II. Op het hart der menschen.
De religieus, die de moeielijkheden, welke hij moet overwinnen, om tot de volmaaktheid te geraken, meet naar zijne zwakheid, zal onfeilbaar den moed
11
verliezen; doch hij gevoelt zich opgewekt en bemoedigd , als hij beschouwt welke kracht, welk vermogen hij putten kan in het geloof. Is er wel een hinderpaal ter zaligheid voor den man des geloofs, die alles vermag op het Hart van God en op zijn eigen hart; op God, om van Hem de hulp te verkrijgen, die hij behoeft, op zich-zelven, om zich bereid te toonen tot alle offers, die de genade vraagt. En het is nochtans waar, dat deze almacht aan den geest des geloofs is verbonden.
I Punt. Almacht op het Hart van God. Jezus-Christus heeft ons in de duidelijkste bewoordingen beloofd, dat Hij nooit iets zou weigeren aan het gebed, door een levendig geloof ingegeven. Luisteren wij naar zijn aanbiddelijk woord: Wat gij ook in het gebed met geloof rnoogt vragen, gij zult het verkrijgen (1). Geloof, dat gij alles zult verkrijgen, wat gij met een levend geloof zult vragen. Zij, die deze woorden hoorden, waren bereid door eene nog bewonderenswaardiger taal: Geloof in God, zegde hun de Zaligmaker na de wonderwerken, in hunne tegenwoordigheid volbracht. Habete fidem Dei, dit wil zeggen: heb een volmaakt geloof, gelijk Gods woord dit verdient. » Voorwaar, voorwaar ik zeg het u, wie tot dezen herg zal zeggen: Ga van daar, en werp u in zee.... Dit is een schitterend mirakel; wat wordt hiertoe vereischtV Eene enkele zaak.... dat er in mijn hart geen twijfel, doch een vast en eenvoudig geloof zij. — »Daarom zeg ik u, voegt de Zoon Gods hierbij: geloof, dat al wat gij in uwe
(4) Matth. 21, 22.
12
gebeden zult vragen, u zal geworden.quot; Plaatsen wij naast deze, maar al te weinig overwogen, godspraak het woord van den H. Jacobus. »Indien iemand onder u wijsheid behoeft, dat hij die den Heer vrage, zonder vrees onverhoord te blijvenquot;, want het is eene gave, die Hij overvloedig geeft en aan allen zou willen geven; doch dat deze vraag g\'esteund worde door een vast geloof, zonder twijfel, noch angstvalligheid; want indien gij in uw gebed dat onwrikbaar vertrouwen niet hebt, dat het geloof alleen geven kan, indien uwe ziel gelijk is aan eene zee, door de golven geslingerd, indien gij dobbert tusschen vrees en hoop, reken dan niet op het ver-hooren van zulk een gebed; het zal niets van den Heer verkrijgen.
Besluiten wij uit deze redeneering, dat zoo uw gebed met een wankelend vertrouwen geschiedt, het een ijdel gebed is. God wil niets liever dan ons zgne genaden mededeelen. Hij is rijk en heeft alles aan het gebed beloofd. En nochtans hoevele bijna nuttelooze gebeden! Treurig raadsel, dat geen raadsel meer is. Vervullen wij de voorwaarde, waaraan het verhooren van onze gebeden gehecht is? Zijn wij mannen van geloof ?
Wij kennen de verschillende hoedanigheden, die het gebed in zich moet vereenigen, om zich tot God te verheffen en zijn Hart een heilig geweld aan te doen: eerbied, ootmoed, aandacht, vurigheid,\'volharding; doch al deze hoedanigheden liggen besloten in dit woord van den H. Jacobus, Vraagt met geloof, en in dat des Zaligmakers, Gelooft. Wij moeten inderdaad gelooven aan de tegenwoordigheid, de
13
heiligheid, de oneindige majesteit van den aanbid-delijken Meester, tot wien wij onze beden richten. Wij moeten wel overtuigd zija van onze nietigheid, onze onwaardigheid als zondaars, en dan zal het niet noodig zijn, dat men ons zegge: Vernedert u, verootmoedigt u. De uitwendige eerbied van ons lichaam zal slechts de getrouwe uitdrukking zijn der diepe godsvrucht, waarmede onze ziel vervuld is. Wij moeten gelooven in het gioote belang der zaken, waarover wij met God spreken en, al ware onze geest nog veel lichtzinniger, zal hij door zulke ernstige onderwerpen getroffen, doordrongen en geboeid worden. Ons gebed zal geene onbeduidende hulde onzer lippen zijn; het zal uit ons hart komen, als de vlam uit een vuuroven. Vraagt men wel met koelheid, dat wij bevrijd mogen zijn van de eeuwige verdoemenis en onder het getal der getrouwe dienaren mogen geteld worden, en dergelijke? Laab ons dan vast gelooven in de beloften der onfeilbare waarheid; laat ons gelooven, dat Jezus geene ijdele woorden sprak, toen Hij zegde: »Vraagt en gij zult verkrijgen ; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal worden opengedaan,quot; en aan welke beproeving het Hem ook moge behagen onze standvastigheid te onderwerpen, zullen wy niet ophouden te bidden, en wij zullen, door een heiligen aandrang, verkrijgen, wat Hij aan minder aanhoudende beden scheen te willen weigeren. O, hoe waar is het, dat het het geloof is, dat bidl, en aan het gebed die zegevierende kracht mededeelt, waaraan God zelf zich ge-waardigt zijne almacht te onderwerpen.
De mirakelen, door den Zaligmaker uitgewerkt,
14
zijn hiervan doorslaande bewijzen. Het is altijd aan het geloof der biddenden, dat Hij die verleent, en Hij wil, dat men dit wete: Uw geloof heeft u genezen. Het is het geloof, dat Hij aanmoedigt en bewondert. Hij verwijt aan zijne leerlingen hunne zwakheid en kleingeloovigheid. Volgens de grootheid des geloofs meet Hij de grootheid zijner weldaden.
Een vader, bedroefd over de kwellingen , die de booze geest zijnen zoon aandoet, vraagt aldus zijne tusschenkomst: »Indien Gij iets vermoogt, help ons, heb medelijden met ons.quot; (1) Hoe luidde het antwoord? Gij vraagt of ik iets vermag; en ik vraag u of gij; kunt gelooven; mijne macht gaat zoover als uw geloof; want alles is mogelijk aan hem, die gelooft (2)..
II Punt. Alvermogen op het hart der mensehen. De gave van een levend geloof en de schatten van genaden, daarin besloten, zouden ons nutteloos zijn, indien wij daarmede niet getrouw medewerkten. Doch hoe kunnen wij ons die onontbeerlijke getrouwheid bekomen, die van ons zei ven afhangt, zoo niet wederom door het levend geloof? Dit werkt inderdaad met zooveel kracht op onzen wil, dat het ons boven ons zeiven verheft, en ons om zoo te zeggen de grenzen van het mogelijke doet over-schryden. Wat kan ons inderdaad beter overreden dan de beweegredenen, ons door het geloof voorgesteld ? Dan eens houden zij ons terug door de vrees; en zijn de bedreigingen des geloofs niet ernstig genoeg, om onze driften te onderdrukken en aan banden te leggen? Een God tot vijand, een God tot rechter,
(1) Mare. 9, 21. (2) Mare. 9. 22.
15
de dood eens verdoemden, eene eeuwige hel!.... Hoe zou dit alles ons niet doen sidderen? Hoe zou men, om aan zulk eene vreeselijke toekomst te ontsnappen, de moeielgkheden der deugd, de gestrengheid der boetvaardigheid niet willen omhelzen? Dan weder bemoedigt het geloof ons door de hoop; en zijn des-zelfs beloften niet onfeilbaar en heerlijk? Stroomen van genieting, een rijk van glorie, een geluk, dat niets meer te verlangen, niets meer te vreezen overlaat! Bij dit gezicht ontvlamt de moed, men vergeet de doornen van het pad om slechts het gelukkig doel te beschouwen. Eveneens is het gesteld met andere edelmoedige gevoelens, ons door het geloof ingeboezemd. Daarom prijst de H. Paulus in de overwinningen, door de heiligen van het oude verbond behaald, slechts de vurigheid en standvastigheid van hun geloof. Maar welke wonderen van moed en zielskracht werkt het geloof van Paulus zelven niet uit! En sedert het ontstaan der Kerk tot den huidigen dag, hoevele grootsche, verheven deugden, hoevele heldhaftige opofferingen door het geloof voortgebracht! De geschiedenis der Apostelen, der martelaars, der maagden, van alle heiligen, is zij wel iets anders dan de geschiedenis der zwakheid, die zegeviert over de macht, door de kracht in het geloof geput? Het was het levend geloof, dat zoo vele christenen ondersteunde in die moeielijke omstandigheden , waarin één valsche tred hen in eenen afgrond hadde geworpen; het was het levend geloof, dat zooveel anderen opwekte, om de banden van vleesch en bloed te verbreken, om, van alles onthecht , voort te suellen ter verovering van den hemel
16
voor hen-zelven en hunne broeders... Al die groote opofferingen, die heldhaftige zelfverloochening, die wij toeschrijven aan die krachtige naastenliefde, welke den dood trotseert, aan die vaste hoop, welke niets doet wankelen, moeten wij op de eerste plaats toeschrijven aan het geloof, als aan de kiem van hoop en liefde.
Mijn God, dat ik dus niet langer mijne zwakheid tot voorwendsel neme, om mijne traagheid te ver-schoonen. In mgn geloof vind ik, zoo ik er mij slechts van weet te bedienen, alles wat ik noodig heb om de wereld, hare dwalingen, hare verleiding, om de hel, om mij-zeiven te overwinnen; doormijn geloof vermag ik alles op uw Hart en op het mijne; door mijn geloof kan ik, ondanks het gewicht myner ontelbare fouten en gebreken, my verheffen tot de volmaaktheid, waartoe Gij mij roept, tot den troon van glorie, dien Gij mij voorbehoudt.
3de OVERWEGING.
dllie grooïe beletselen voor het levknd geloof.
I. De onbedachtzaamheid.
II. De geest der wereld.
III. De natuurlijke neigingen.
I Punt. De onhedachtzaamheid. Reeds hebben wij door den IL Paulus geleerd, dat het geloof in den rechtvaardige is gelijk de ziel in den mensch; het is zijn leven: het leven van zijnen geest door
17
waarheid, waarmede het hem verlicht; het leven a zijn hart door de gevoelens van rechtvaardigheid heiligheid, welke het daarin doet ontstaan; het •en zijner werken, welke door het geloof de he-ilsche glorie verdienen. Doch wil het geloof deze lukkige uitwerkselen teweeg brengen, dan moet k werken op den geest, op het hart, op de werken, i de onbedachtzaamheid verzwakt of vernietigt zelfs Ikomen deszelfs kostbaren invloed. Een kerkleeraar zegt, dat het geloof het kort grip is van al hetgeen ons het meeste opwekt en nvuurt. Wat toch wekt meer op dan een hemel te nnen, eene hel te vermijden, eene onsterfelijke si te redden! Wat treft meer het hart dan de fde van een God, die voor de menschen in lijden l geboren worden, leven en sterven; een God, 5 zich voor ons tot slachtoffer stelt, die ons toestaat ;m op te offeren, zijn Vleesch te nuttigen, zyn oed te drinken... O heilige geheimen, hebt gij n geene vlammen genoeg om het ijs onzer harten doen smelten en ze door liefde te ontvlammen? :h ja, als men er slechts aan dacht... Welken iruk zullen deze waarheden, hoe krachtig zij ook zen mogen, op mijn hart maken, als zij niet en in mijnen geest? In de H. Schrift wordt het oof vergeleken dan eens bij een schild, dan weder een zwaard; het schild beschut slechts dengene, } er zich mede dekt; en wil men met het zwaard n vijand verslaan, dan moet men het uit de scheede ikken. Het is niet het bezit, maar de uitoefening n het geloof, die deszelfs kracht en verdiensten fcmaakt. Welnu, datgene wat het geloof in oefening OH. II. 2
16
voor hen-zelven en hunne broeders... Al die groote opofferingen, die heldhaftige zelfverloochening, die wij toeschrijven aan die krachtige naastenliefde, welke den dood trotseert, aan die vaste hoop, welke niets doet wankelen, moeten wy op de eerste plaats toeschrijven aan het geloof, als aan de kiem van hoop en liefde.
Mijn God, dat ik dus niet langer mijne zwakheid tot voorwendsel neme, om mijne traagheid te ver-schoonen. In mijn geloof vind ik, zoo ik er mg slechts van weet te bedienen, alles wat ik noodig heb om de wereld, hare dwalingen, hare verleiding, om de hel, om mij-zelven te overwinnen; doormijn geloof vermag ik alles op uw Hart en op het mijne; door mijn geloof kan ik, ondanks het gewicht mijner ontelbare fouten en gebreken, mij verheffen tot de volmaaktheid, waartoe Gy mij roept, tot den troon van glorie, dien Gij mij voorbehoudt.
3de OVERWEGING.
ullie groote beletselen vooll het lev un d geloof.
I. De onbedachtzaamheid.
II. De geest der wereld.
III. De natuurlijke neigingen.
I Punt. De onbedachtzaamheid. Reeds hebben wij door den H. Paulus geleerd, dat het geloof in den rechtvaardige is gelijk de ziel in den mensch; het is zijn leven: het leven van zijnen geest door
17
de waarheid, waarmede het hem verlicht; het ieven van zijn hart door de gevoelens van rechtvaardigheid en heiligheid, welke het daarin doet ontstaan; het leven zijner werken, welke door het geloof de he-melsche glorie verdienen. Doch wil het geloof deze gelukkige uitwerkselen teweeg brengen, dan moet het werken op den geest, op het hart, op de werken. En de onbedachtzaamheid verzwakt of vernietigt zelfs volkomen deszelfs kostbaren invloed.
Een kerkleeraar zegt, dat het geloof het kort begrip is van al hetgeen ons het meeste opwekt en aanvuurt. Wat toch wekt meer op dan een hemel te winnen, eene hel te vermijden, eene onsterfelijke ziel te redden! Wat treft meer het hart dan de liefde van een God, die voor de menschen in Igden wil geboren worden, leven en sterven; een God, die zich voor ons tot slachtoffer stelt, die ons toestaat Hem op te offeren, zijn Vleesch te nuttigen, zijn Bloed te drinken... O heilige geheimen, hebt gij dan geene vlammen genoeg om het ijs onzer harten te doen smelten en ze door liefde te ontvlammen? Ach ja, als men er slechts aan dacht... Welken indruk zullen deze waarheden, hoe krachtig zij ook wezen mogen, op mijn hart maken, als zij niet leven in mijnen geest? In de H. Schrift wordt het geloof vergeleken dan eens bij een schild, dan weder bij een zwaard; het schild beschut slechts dengene, die er zich mede dekt; en wil men met het zwaard den vijand verslaan, dan moet men het uit de scheede trekken. Het is niet het bezit, maar de uitoefening van het geloof, die deszelfs kracht en verdiensten uitmaakt. Welnu, datgene wat het geloof in oefening CH. II. 2
18
brengt, is gewoonlijk het nadenken. Elke christen gelooft aan de eeuwigheid; doch het is slechts de nadenkende christen, die zich afvraagt: Wat baat dit ten opzichte der eeuwigheid? Ik begrijp nu, waarom datzelfde woord van God, dat voor de heiligen even krachtdadig was als een dubbel snijdend zwaard, voor mij bijna slechts de doode letter is; de heiligen overwegen het dikwijls, ik overdenk het bijna nooit; zij waren mannen van ingetogenheid en gebed, en ik ben geheel uitgestort; ik laat mijn geloof in mijnen geest rusten als een feit zonder gevolgtrekking. Ik overweeg van tijd tot tijd de groote onderwerpen, die het mij voorstelt, maar even als de lichtzinnige mensch, die in het voorbijgaan een blik op den spiegel werpt en weldra vergeet, wat hij heeft gezien.
II Punt. De geest der wereld. Wij ondervinden deszelfs invloed, wellicht buiten ons weten. De rede en de tijdelijke welvaart, ziedaar de afgoden onzer eeuw; zelfs heerscht er overleg en zinnelijkheid in de godsvrucht onzer dagen. Indien men niet voortdurend het oordeel der wereld toetst aan het oordeel van Jezus-Christus, zal men dikwijls in zich-zelven de gedachten, en zelfs de taal der wereld ontdekken omtrent armoede en rijkdom, eer en verachting, de verschillende gelukkige of ongelukkige omstandigheden.... Is het eene zeldzaamheid, zoogenaamde christenen (wat zeg ik? Godgewijde personen) met achting te hooren spreken van die groote beuzelarijen, waarvoor de wereldling ijvert, diegenen te hooren beklagen, die de wereld beklaagt, diegenen geluk te hooren wenschen, wier geluk de wereld roemt; zou men niet zeggen, dat zij gelooven in de zaligheid
19
van dit leven, meer dan in de zaligheid van het Evangelie ?
Onthecht men zich van de schijngoederen, zoo geschiedt dit meer uit redeneering dan uit den geest van geloof. Nochtans zou men, na dertig doorslaande bewijzen gevonden te hebben, meer getroffen moeten worden door dit enkel woord: Jezus-Christus heeft het gezegd, Jezus-Christus heeft het gedaan, dan door al de vorige redeneeringen bij elkander genomen. Het beroemde woord der Pythagoriërs, de meester heeft het gezegd, was in hun mond slechts eene dwaze vleierij; met toepassing op Jezus-Christus moet het eene wet zijn voor zijne leerlingen. Ja, hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar de waarheid des Heeren zal eeuwig blijven bestaan. Luisteren wij dan oplettend naar het woord van onzen Meester én nemen wij het tot leiddraad van ons gedrag. Hij heeft gezegd: » Wat groot is voor de mensrhen, is dikwijls afschuwelijk voor God.quot; Hij heeft gezegd: HJer zal een kameel door liet oog eener naald gaan dan de rijke door de deur des hemels. Hij heeft gezegd: » Wee aan u, rijken, en zalig zijnde arrnev, zalig zij die weenen.quot;
Mijne rede wil mij wellicht doen gelooven, dat deze godspraken moeten uitgelegd, verzacht, gewijzigd worden; wellicht verstaat zij niet, dat men vrede kan vinden in den strijd, glorie in de verachting, genot in het lijden.... Maar ik luister slechts naar Jezus, mijn Meester. Hij heejt het gezegd en Hij zou het niet gezegd hebben, indien de zaak niet onfeilbaar ware en of indien Hij ze anders begreep. Aldus wordt de ware leerling van den Zaligmaker blind
20
om beter te zien; hg verzaakt aau de voorzichtigheid van het vleesch, om die van den geest te volgen, hij wordt dwaas om wijs te zijn; want de wijsheid der wereld is dwaasheid in Gods oog.
Ill Punt. De neigingen der natuur. Zij bestrijden den geest van geloof, gelijk de geest des geloofs hun den oorlog aandoet. Het is niet te verwonderen, dat de natuur siddert bij het zien van hare naderende slachtoffering. Zij gevoelt, dat alles voor haar verloren is, als de waarheden des geloofs tot leiddraad en gedragsregel worden aangenomen. Men zal dat zinsgenot, dat men bemint, moeten opofferen, aan de wereld en aan zich-zelven moeten sterven, de versterving van Jezus-Christus in zijn lichaam moeten dragen.... Bij de enkele gedachte aan die kruisiging des lichaams met deszelfs begeerlijkheden, opgelegd aan ieder, die de leerling van Christus zijn wil, raakt alles in onzen geest en zinnen in ontsteltenis, en zoodra men deze gestrenge waarheden in oefening wil brengen »vindt men duister,quot; zegt de H. Fran-ci^cus Xaverius, »datgene, wat ons in het gebed zoo duidelijk scheen. Als het uur van den strijd is aangebroken, beseft men bijna de noodzakelijkheid niet meer van zich te overwinnen. De eigenliefde, tot het uiterste gedreven, vindt duizend redenen om ten minste die offers, die haar doen sidderen, uit te stellen. Wat doet de inwendige, de vrije mensch, die meester is over zich-zelven, die zijne daden be-heerscht in plaats van zich te laten overheerschen ? In elke omstandigheid begint hij met zijn gelcof te ondervragen. Hiermede moet men inderdaad, beginnen; want, laat men de natuur vooruitloopen,
21
zooals zij dit zeer behendig weet te doen, dan verwart zij de eenvoudigste vragen en trekt door liefkozing de vermogens der ziel tot zich. Komt het geloof dan zijn gezag doen gelden, dan vindt dit het verstand verduisterd, den wil wankelend of overwonnen, en slechts met zeer veel moeite herneemt het zgn gebied. O, wat is het van groot belang te waken over zijn hart en deszelfs eerste indrukken, om al deszelfs bewegingen te richten volgens het licht des geloofs! Hoe nuttig is het, al zyne voornemens, zijne werken vooraf te doen gaan van een woord van waarheid, van eenige godspraak, gelijk de H. Geest ons vermaant: »Voor al uwe werken gedenk een woord van waarheidquot; (1).
4^ OVERW EGING.
DE GEEST VAN OPOFFEIUNG. DESZELÏS NOODZAKELUKHETI).
I. Om mede te werken met de genaden, ons gegeven.
II. Om ons vaa onze \'gebreken te verbeteren.
III. Om ons te verheffen tot hechte deugd en heiligheid.
Het religieuze leven in deszelfs ontwikkeling en volmaking is niets anders dan de opoffering der natuur door de genade; en de vaardigheid, de edelmoedigheid , waarmede wij aan God dat aantal bij-
(1) Ecdi. 37, 20.
22
zondere offers brengen van ons verstand, van onze neigingen, van onze afgekeerdheden.,. die het volkomen offer van ons zeiven daarstellen, ziedaar wat wij den geest van opoffering noemen. Deze geest behoort de geest te zijn van alle christenen, die allen een priesterambt te vervullen en geestelijke hostiën te offeren hebben (1); doch bijzondere redenen eischen, dat de religieus dezen geest in grootere mate bezitte.
I Pont. Zonder den geest van opoffering misbruik ik de genaden op schrikwekkende wijze, in plaats van er voordeel mede te doen. In het godvruchtig werk der Navolging van Christus zegt de ziel tot God: Ik heb uwe genade, uwe groote genade noodig, Heer, om mijne natuur, die steeds tot het kwade geneigd is, te overwinnen (2). Deze genade, welke niemand geweigerd wordt, ontvangt de religieus waarlijk overvloedig. Doch waartoe? Bijzonder om te weerstaan aan de natuur, en gewoonlijk maakt men van die goddelijke hulp slechts het gebruik, waartoe zij verleend wordt, door zich te verheffen boven zich zeiven, door de overwinning zijner ongeregelde driften. Tusschen God en de ziel, die Hij wil heiligen, en vooral die, welke Hij tot de volmaaktheid wil voeren, heeft eene voortdurende ruiling plaats van geschonken genaden en gebrachte offers. Hoe vaak zegde mij eene inwendige stem: Laat die ijdele gedachten varen en houd u bezig met ernstige zaken. Vergeet u zeiven om mij te behagen door het offer van dat woord, van dien blik.... toon Mg,
(1) Petr. 2, 5. (2) B. 3. H. 53.
23
dat gij Mij bemint door die tegenspraak te verdragen | dien regel na te komen ? De genade spreekt, God\' spreekt, doch de natuur spreekt ook; om dat licht te volgen moet men zich geweld aandoen; niets daarentegen is gemakkelijker dan den stroom der natuurlijke neigingen te volgen. Ga weg van mij, Heer, bied anderen dit rijke talent; het zou mij te veel kosten er mede te woekeren.
En ziedaar, o God, hoe eene u toegewijde ziel uwe gaven waardeert!....
Het is hierdoor, dat ik zoo weinig vrucht heb getrokken uit die lezingen, die dringende vermaningen, die goede inspraken, die ik ontving vooral bij retraites, vernieuwing van beloften, bij andere plechtige gelegenheden. Ik had moeten nadenken, in mij-zelven treden, bidden, en met vasten tred den aistand overschrijden , die ligt tusschen de beschouwing en de uitoefening. Ik wilde de waarheid zien, doch weigerde haar te volgen. Ach! hoe vele genaden verliest de onverstorven religieus, en welke rekenschap zal hij moeten geven !
11 Punt. Zonder den geest van opoffering zal ik nooit mijne gebreken verbeteren. »Twee zaken,quot; zegt de godvruchtige schrijver der Navolging verder, »zijn byzonder krachtig om ons te verbeteren: zich met geweld losrukken aan hetgeen de bedorven natuur begeert, en vurig werken om die deugd te verkrijgen, die men het meeste noodig heeft (1). In hetzelfde hoofdstuk zegt hij nog. »Datgene, wat in menigeen \' de begeerte tot vooruitgang en verbetering des levens
(1) B. 1. Ch. H. 25.
24
belet, is de afschrik van de moeielijkheid en den strijd.quot; En verder. gt;Nooit zult gij een enkel gebrek uitroeien, indien gij u geen geweld aandoet.quot; De strijd valt altijd hard, doch hij valt nog veel moeielijker als onze eigen natuur de vijand is, dien wij moeten bestrijden en overwinnen.
Wel meende ik het oprecht, toen ik door Gods genade getroffen, op zekere dagen van vurigheid besloot, een nieuw leven te leiden, en datgene in mij te hervormen, wat te recht mijn geweten verontrustte. Wat heeft dan mijne goede begeerten en heilige voornemens doen mislukken? De afschrik voor de moeite, den arbeid en den strijd. Mijne gebreken mishagen mij, stellen mijne zaligheid in gevaar, zijn een beletsel voor Gods plannen in mij — maar om mij daarvan te beteren zou ik moeten waken over mijne verbeelding, zou ik mijne zintuigen moeten intoomen, aan mijne neigingen moeten wederstaan, mij zeiven moeten verloochenen!.... Dit alles schijnt mij moeielijk en ik heb een afschrik van alle moeielijkheden.... Aldus verloopt mijn leven, en mijne gebreken blijven mij bij. Zij dreigen mij tot het graf te zullen bijblijven, mij tot voor Gods rechterstoel te vergezellen.... Waarom? Omdat, in plaats van ze met kracht te onderdrukken, ik tot dusverre voor hen duizend misdadige toegeeflijkheden gehad heb. Hoe rustig zou mijne ziel, hoe vast en zoet mijne hoop, hoe gelukkig en zalig mijne ver-eeniging met God wezen, indien ik elk jaar moedig de verbetering van één gebrek hadde ondernomen en uitgewerkt?
25
III Punt. Zonder den geest van zelfopoffering zat ik nooit geraken tot hechte deugd, tot heiligheid, tot zaligheid. De deugd wordt niet met ons geboren. Verre van daar. Wij brengen met ons neigingen ter wereld, die geheel met de deugd onbestaanbaar zijn; hare eerste oefening bestaat in deze te bestrijden. Ik heb een hoovaardig, trotsch, onafhankelijk, heersch-zuchtig karakter.... ik moet gehoorzamen; ik ben levendig, vurig, driftig en ik moet leven met personen, wier neigingen, geheel tegenstrijdig aan de mijne, voor mij eene beproeving van alle oogen-blikken zyn.... Aldus heb ik altijd meb mij-zelven te strijden.
Niet zonder reden hebben alle volken hetzelfde woord gebruikt ter uitdrukking van het denkbeeld van deugd en kracht. De deugd, virtus, is de kracht der ziel tot het goede gebruikt. De deugd begint daar, waar het offer begint. De verdienste is aan het streven gehecht. Wantrouwen wij elke gemakkelijke deugd. Lijden en zich onthouden. Ziedaar, waarin de volmaaktheid der heidensche wijsheid bestond. Onder de wet des Evangelies bestaat de volmaaktheid in de liefde, maar let wel, in de liefde, die zich toewijdt, zich slachtoffert, die zich toont door opofferingen, die zich meet volgens derzelver maat en moeielijkheid. Zoo gij mij bemint, dan onderhoudt mijne geboden. Indien iemand zich aan mij wil hechten, zegt de Heer, en mij een duidelijk bewijs zijner liefde wil geven »hij verloochene zich-zeiven, neme zijn kruis op en volge Mij.quot;
De zelfverloochening, de zelfopoffering, ziedaar dus de toetssteen der ware deugd. Elke veronderstelde
26
heiligheid zonder den geest van opoffering is een gebouw zonder grondslag. Men is ootmoedig tot de eerste vernedering, geduldig zoo lang men niets te lijden heeft. Men heeft niet datgene, wat de christelijke en religieuze rechtvaardigheid daarstelt. Van haar moet men zeggen gelijk van het rijk des hemels, dat haar loon zal zijn: Men komt er slechts toe, door zich edelmoedig te verloochenen.
Neen, Heer, ik behoef niet te vragen, waarom uwe genade tot dusverre onvruchtbaar in mij geweest is, waarom ik steeds zoo arm in deugd, zoo vol onvolmaaktheid en zoo te recht ongerust over mijne eeuwige zaligheid ben. Het is, omdat ik den geest van opoffering niet heb gehad.
O Jezus, als ik het geluk heb de H. Communie te ontvangen, dan voed ik mij met dat goddehijk Vleesch, dat Gij aan de wreedste pijningen hebt overgeleverd; ik drink den kelk, die uwe edelmoedige martelaren zoo heiliglijk versterkt heeft, en hun zelfs vreugde deed vinden in huane vreeselijke kwellingen. Kom en ontsteek mij ook door het heilig vuur uwer liefde. Wie u bemint, gevoelt behoefte om voor u te lijden en zich ter uwer liefde te slachtofferen.
27
5de OVERWEGING.
de geest van opoffering deszelfs uitgestrektheid.
I. Voortdurende opoffering.
II. Algeraeene opoffering.
Heer, hoe dikwijls moet ik mij onderwerpen en in welke zaken moet ik mij zeiven verloochenen? Wanneer en waarin moet ik den geest van opoffering beoefenen? Jezus antwoordt: Altijd en op alle uren, in kleine en in groote zaken, zonder uitzondering (1). Het offer der natuur door de genade moet algemeen en voortdurend zijn.
I Pünï. Voortdurende opoffering. Wanneer men ons zegt, dat wij, altijd en ten allen ure, bereid moeten zijn, aan het goddelijk welbehagen onze gedachten, onze genegenheden, onzen afkeer, onze neigingen op te offeren, dan drukt men slechts eene onmiddelijke gevolgtrekking uit van het groote beginsel van s\' menschen einde en van de macht Gods over al zijne schepselen. Ben ik altijd van Hem en aan Hem, dan moet ik ook altijd voor Hem leven en Hem dienen. Welnu, ik dien God slechts, door mijnen wil aan den zijne, op te offeren. Dit is de verplichting van ieder mensch; ziehier die des christens: »Indien iemand mijn leerling wil zijn, zoo verzake hij zich-zelven, neme zijn kruis dagelijks op en volge mij.quot; (2). Evenzeer als ik verplicht ben, Jezus-Christus te volgen als zijn leerling, Hem
(1) Nav. Chr. B. 3. H. 37. (2) Luc. 9, 23.
28
meer rau nabij te volgen als religieus, evenzeer ben ik verplicht mij-zelven te verloochenen en alle dagen mijn levens mijn kruis te dragen.
Mijne natuur zal, altijd bedorven, ook altijd tot het kwade geneigd blijven door de drievoudige begeerlijkheid ; het is derhalve noodwendig, dat ik haar bewake, dat ik haar onderdrukke, dat ik haar voortdurend sl ach toffere, semper et omni hora. Ik kan tot God slechts gaan tegen den stroom op mijner kwade neigingen; zoodra ik ophoud tegen den stroom te worstelen, voert bij mij mede. Inderdaad, als ik in mij-zelven treed, dan bemerk ik telkens eenigen aanval van hoogmoed, van zinnelijkheid of ik bevind mij onder het gebied van eenige begeerlijkheid of gehechtheid aan aardsche zaken; zonder eene voortdurende waakzaamheid, zonder voortdurende zelfopoffering zal ik wel van tijd tot tijd bestuurd worden door de genade, doch meer nog door de natuur; ik zal dikwijls leven volgens natuurdrift, somtijds volgens de rede, doch bijna nooit volgens het geloof, en het leven van geloot is het eenige ware leven; ik zal aan God eenige vluchtige oogenblikken, aan myne natuurlijke neigingen bijna geheel mijn leven toewijden. Heb ik dit in mijne vorige overwegingen niet moeten betreuren? Hoevele oogenblikken van lichte kwelling kan ik niet inruilen tegen een oneindig gewicht van eeuwige glorie!
II Punt. Algemeene opoffering Groote en kleine, uitwendige en inwendige zaken, alles moet gebracht worden onder de wet der goddelijke genade, door eene volkomen onderwerping aan den wil des Heeren. In alle zaken vraag ik van u eene volkomen ont-
29
hechting. Hoe kunt gij aan Mij, hoe kan ik aan u toebehooren, zoo gij zoo binnen als buiten niet volkomen vrij zijt van allen eigenwil (l). Geen deel van den raensch, doch de mensch in zijn geheel, zijne gedachten, zijne daden, zijn lijden, moet de geest van opoffering onttrekken aan de natuur, om dit alles te brengen onder het gebied der genade.
Die geest hecht zich ten eerste aan de gedachten. Over zijn geest waken is opklimmen tot de bron van het kwaad, om het te voorkomen, tot de bron van het goed, om het te ontwikkelen. De ongeregeldheid van den geest gaat gemakkelijk over in het hart. De slechte gedachten zijn niet de eenige, die de zuiverheid onzer ziel bezoedelen; wij moeten ons ook ontdoen van alle ijdele en nuttelooze gedachten, die een groot deel van ons leven verteren.
Onze handelingen spruiten voort uit onze gedachten; de geest van opoffering past op alle, zoo zij slecht zijn, ten einde die te verstooten, of zoo zij goed zijn, te volmaken door de meening, die er de drijfveer van is, te heiligen; die geest let op de minste, de onverschilligste, als bijv. de zorg voor het lichaam, de plichten der welvoegelijkheid enz. Hij ontneemt haar haar aardschen en menschelijken stempel en verheft ze door het geloof tot den rang der bovennatuurlijke en verdienstelijke werken.
Het lijden eindelijk is den zondigen mensch niet minder eigen, dan de gedachte en de handeling en vraagt nog meer dan deze den geest van zelfopoffering. Hij doet ons dit achten, verdragen , beminnen;
(1) Nav. B. 3. 11. 37.
30
en langs deze drie trappen behaalt hij zijne schoonste zegepraal over eene natuur, die steeds vlucht wat haar lastig valt. Om het lijden te achten, is het mij voldoende, te overwegen, dat de Godmensch dit gekozen heeft als middel, om de zonde te verdelgen en de wereld te redden, mij te herinneren, dat het lijden van God komt en tot God geleidt; — ik heb dus slechts de vooroordeelen van mijnen geest te overwinnen. Om het te verdragen, moet ik den weerstand van mijn hart opofferen. Ik mag, even als mijn goddelijk toonbeeld, somtijds vragen, dat de bitlerere kelk van mij moge gaan; maar even als Jezus, moet ik mij aau den goddelijken wil onderwerpen. De volmaaktheid bestaat in het lijden te beminnen, het lijden met geheel deszelfs stoet van armoede, vernedering, verachting, volkomen verlatenheid van alle schepselen. Wie zal zulk een volledig offer kunnen brengen? De liefde alleen, gewapend met al hare vlammen, is daartoe in staat. Zij roept door den mond van den H. Paulus: Wie zal ons scheiden van de liefde van Jezus-Christus1? verdrukking ? of angst1? of honger? of naaktheid? of gevaar? of vervolging? of het staal? (1) Ik vind behagen in mijne, kwellingen , in versmadingen, in ontberingen, in benauwdheden, die ik lijd voor-Jezus-Christus. (2) Nooit hadde uw apostel in zijn hart dergelijke gevoelens gevonden, o mijn God, zoo uwe genade die daarin niet gelegd hadde. Aan uwen liefdedisch, o miju God, wilt gij u aan mij schenken met al uwe genaden; weiger mij dan die kracht, die edelmoedig-
1
Eom. 8, 35. (2) II Cor. 12, 10.
31
heid, die heldhaftige liefde niet, die ik noodig heb om mij in alles en altijd te verloochenen, en voor u te leven in een staat van voortdurende opoffering in vereeniging met het Lam, dat altijd leeft en zich offert voor de glorie van uwen naam.
Besluit. Al de beschikkingen van God over mij, al de kwellingen, die het Hem behaagt mij over te zenden, aannemen en vereenigen met die van Jezus-Christus. De gelegenheden voorzien, die ik heden kan hebben om den geest van zelfopoffering in oefening te brengen.
6ae OVERWEQING.
de geest van opoffering. de beonnen, waarin hij gepot wordt.
I. De overweging van deszelfs gelukkige uitwerkselen.
II. Het vooorbeeld van Jezus-Christus en zijne Heiligen.
Na de genade en het gebed, eerste bron van alle geestelijk goed, helpt ons niets beter tot het verkrijgen van den geest van opoffering, dan, van de ééne zijde, de gelukkige uitweikselen, die hij voortbrengt te overwegen, en van de andere de voorbeelden van Jezus-Ohristus en zijne Heiligen te beschouwen.
I Punt. Gelukkige uitwerkselen van den geest van opoffering. Hij zuivert de ziel en onthecht haar van
32
het onrein allooi der ijdellieid en menschelijke genegenheid. Hij stelt een innig verkeer daar, tusschen de ziel en Jezus-Christus, die in haar zijn volmaakt afbeeldsel ziet. Daar hij ons stelt onder de leiding van den H. Geest, verandert hij ons in ware kinderen Gods, volgens het woord van den H. Paulus: »Zij die door den geest Gods bezield worden, zijn zijne kinderenquot;. Hg doet ons schatten van verdiensten verzamelen, wijl aan elke bovennatuurlijke handeling des menschen, eene vermeerdering van genade voor den tijd, en van glorie voor de eeuwigheid gehecht is.
Aan den geest van zelfopofiering, moet men, evenals aan den geest van geloof, die er den grondslag van uitmaakt, die heldhaftige deugden, die wonderen van naastenliefde toeschrijven, die wij in de groote dienaars van God bemerken. O Heer, geef aan uwe Kerk een groot aantal zielen door de genade seslachtofferd.... en de schoonheid der eerste eeuwen zal terugkeeren, het geloof zal in het hart uwer kinderen herleven; de woestijnen zullen met heiligen, uw heiligdom zal met trouwe bedienaars vervuld worden,.... en de weg des verderfs zal minder betreden, het Bloed van Jezus-Christus minder ontheiligd worden....
Doch onder al de uitmuntende vruchten van die «delmoedige zelfverloochening, is er eene, waaraan wij te weinig denken; het is die overvloedige vrede en dat onverstoorbaar geluk, die zij ons verschaft, zelfs te midden der moeielijkheden dezes levens.
Dat de geest van zelfopoffering ten hemel voert, wordt wel niet betwijfeld; de opoffering van zich-zelven is de volmaakte liefde; men bemint nooit
me too He nat dui vin mo mij was get ges dat nei; wij ver der uiti stoc ede de ] nin:
1
Hui
gra; gus hun beu hoo ons zijn
r
ziin
33
meer dan wanneer men sterft om zijne liefde te toonen; en sterft men niet voor God, als men om Hem te behagen verzaakt aan alle neigingen der natuur. Maar dat eene vurige ziel in deze voortdurende zelfopoffering een voorsmaak des hemels vindt, dat ons geluk toeneemt, naarmate wij meer moed hebben, om ons voor God op te offeren.... o mijne ziel..., gelooft gij dit? Dit is echter eene waarheid, door geheel het Evangelie ons duidelijk getoond en door de ondervinding ten allen tijde gestaafd. Hoe zouden wij inderdaad niet bevatten, dat de heilige zelfverloochening, door onze ongeregelde neigingen te onderdrukken, de gewone oorzaak verwijdert van ons verdriet en onze ontsteltenis? en vervolgens dat zij, door ons te stellen onder het gebied der genade en op den weg van God, de orde bij uitnemendheid, onze tvoning vestigt in een onverst oorbar en vrede. Is het niet klaarblijkelijk, dat deze edelmoedigheid ons vestigt in dien toestand, waarin de Heer ons zien wil, om ons met zijne zoetste zegeningen te overladen?
De martelaren leveren hiervan liet trouwste bewijs. Hunne zelfopoffering verhief zich tot den hoogsten graad des heldenmoeds; »zij doenquot;, zegt de H. Au-gustinus, hunne vreugde uitschijnen bij het zien hunner folterwerktuigen; zij kussen de hand hunner beulen, en terwijl men hen verbrandt of verscheurt, hoort men hen uitroepen: »Geen feestmaal bracht ons ooit zooveel vreugdequot;. God deed hun den wijn zyner vertroosting smaken.
II Punt. Het voorbeeld van Jezus-Christies en | zijne Heiligen. Nooit volgde de Heer zijue neiging CH. II. 3
I
34
of zijnen smaak, doch steeds den wil zijns Vaders. Hij heeft den geest van opoffering, zoowel als de gehoorzaamheid, gedreven tot den dood des kruises; en het is in dit voorbeeld, dat de H. Paulus ons vermaant, de kracht te zoeken, die wij noodig hebben, om ons-zelven te overwinnen.
Hij stelt het Christen leven voor als eene loopbaan, de strijd is hard, de loop moeielijk: »Loopen wij door het geduldquot;, roept hij ons toe, en om dit onwrikbaar geduld te verkrijgen, moeten wij onophoudelijk Jezus-Christus het begin en de voltrekker van ons geloof beschouwen. Hij kon het zoetste, het gelukkigste leven kiezen. Hij wilde liever het kruis met deszelfs schande en smart tot zijn deel. Deze keuze heeft Hij gedaan uit liefde tot ons, omdat Hij, door zijn voorbeeld, ons wilde bewaren voor het vergif, dat een gemakkelijk en eervol leven met zich draagt. Denk dan met ernst aan hetgeen Hij, de Zoon van God, geleden heeft, overgeleverd aan zondaars, die met al den haat der hel tegen Hem gewapend waren. Indien gij zijn lijden beschouwt als de maat zijner liefde voor u en het vergelijkt met uw lijden, zal uwe standvastigheid niet bezwijken onder het gewicht uwer beproevingen. Want gij hebt in den strijd tegen de zonde nog geen druppel bloeds gestort en Jezus heeft, om de zonde tö verdelgen , al het zijne vergoten.
Ziedaar wat de Heiligen zoo getrouw de wetenschap der zelfverloochening deed beoefenen. De zelfopoffering was eene behoefte voor die volmaakte navolgers van Jezus-Christus. Niet tevreden met dankbaar de kruisen te aanvaarden, hun door de
35
Voorzienigheid beschikt, vraagden zij zwaardere en hadden zij nooit lijden genoeg. De H. Ignatius werd te Salamanka in een kerker geworpen, zijne handen en voeten werden met boeien beliiden.... Intusschen schittert de vreugde op zijn gelaat en spreekt uit zijne woorden. Van alle zijden loopt men toe om die kalmte, dat geluk te beschouwen, die al degenen treft, die hem naderen, en hem verlatende roept men uit: »Ik heb Paulus in de boeien gezienquot;. Men beklaagt hem,.... hij wil dat men hem geluk wensche. »Dat Salamanka wete, dat zij zoo vele boeien en ketenen niet heeft, als . ik uit liefde tot Jezus-Christus zou willen dragenquot;. Xaverius beklaagt zich, doch waarover? Over de overmaat zijner vreugde, over zijn te weinig lijden. Nog meer, nog meer arbeid, tegenspraak, verlatenheid der schepselen!
De H. Theresia, van Jezus-Christus gescheiden, verteert in haar lijden: »Heer, indien Gij mijne ballingschap wilt verlengen, laat mij dan voor u lijden, zoolang ik niet met u zal leven. Uw kruis zal mij troosten over uwe afwezigheid; of Gij zelf of uw kruis; of sterven of voortdurend tot nieuw lijden herboren worden. Of lijden of sterven. Aut pati, aut mori. Als Jezus den H. Joannes van het Kruis vraagt, welke belooning hij begeert, antwoordt hij niet met den H. Thomas van Aquine: »Geene andere dan Gij-zelf, o mijn Godquot;, noch zelfs met de H Theresia »of lijden of sterven.quot; — Hij wil slechts lijden en verachting: Pad et contemni pro te.
Al de heiligen waren menschen gelijk wij; wat zij vermochten in Hem, die hunne kracht uitmaakte,
r~;
€
if
\'l
36
kunnen wij ook. Wij moeten bidden, overwegen,
doch ook ons-zelven oefenen volgens den raad, dien de H. Franciscus Xaverius zoo herhaaldelijk gaf en zelf zoo wel beoefende: Overwin u-zelven. De soldaat wordt moedig door den strijd. Beginnen wij door ons te overwinnen iu kleine zaken; door kleine overwinningen komen wij tot grootere. Boven ons zulk eene groote menigte getuigen hebbende, die ons in de loopbaan zijn voorgegaan, ontdoen wij ons van al te at ons bezwaart en van de banden der zonde. Snellen wij door het geduld vooruit op de loopbaan,
die ons geopend is.
- ]
—=-Cgt;0$§OOo—
AFDEELIlsG 11.
7dc OVERWEGING.
het rijk van jezüs-cjiristus. — gelijkenis.
I. Jezus roept ons, Hem te volgen.
II. Alles noopt ons, ons geheel aan Jezus te geven en Hem te volgen.
1. Zich de synagogen, de vlekken, de steden van Judea voorstellen, die Jezus doorliep, toen Hij zijn Evangelie verkondigde.
2. Heer, geef mij de genade, uwe stem te gehoorzamen en mij vaardig aan de vervulling van uwen wil te onderwerpen.
I Punt. Jezus, onze Koning, roept ons, Hem te volgen. Men verbeelde zich, dat de Hemel in zijne goedheid aan de wereld een vorst gegeven heeft, ver verheven boven alles, wat de menschelijke geest volmaaktst kan uitdenken. Bij de wettigste titels en de onschendbaarste rechten, vereenigt hij alle hoedanigheden in zich, die liefde en vertrouwen inboezemen. Deze volmaakte vorst, die geene andere eerzucht heeft dan het geluk zijner onderdanen, noodigt hen uit, hem te volgen in een tocht, dien hij gaat ondernemen. Nooit werd er een strijd aangevangen, die rechtvaardiger, heiliger, ja voordeeliger was,
;en, dien f en daat door ver-zulk n de n al mde. aan,
38
zelfs voor de volkeren, wier verovering hg ten doel heeft.
Ziehier de voorwaarden, door den vorst gesteld aan hen, die hem willen volgen; want hij wil niemand dwingen. Zij zullen hem altijd aan hunne spits zien, deelnemende in al hunne gevaren, in al hunne vermoeienissen ; gevoed, gehuisvest, gekleed als de minste zijner krijgslieden. Geen hunner zal iets te doen, noch te lijden hebben, dat hij te voren niet gedaan en geleden heeft. De uitslag der onderneming is onfeilbaar. Geene enkele schoone daad zal onbeloond blijven, en de vruchten der overwinning, die oneindig groot zijn, zullen tusschen de overwinnaars verdeeld worden volgens den moed, dien ieder hunner in den strijd getoond zal hebben. Wat zullen mannen van moed en hart hierop antwoorden? Welk een edele naijver zal in hunne ziel ontstaan! en werden er gevonden, die eene laffe rust zouden verkiezen boven dezen glorievollen strijd, zouden zij niet aan alge-meene verachting worden prijs gegeven?
Die groote, die beminnelijke vorst is Jezus-Ohristus, de Zoon Gods, de Schepper, de Verlosser van het menschelijk geslacht. Hij daalt op deze aarde, om de zonde te bestrijden, dien eersten opstand, die het rijk zijns Vaders heeft durven aantasten. Hij komt het rijk der genade over de natuur herstellen. God van God, bezit hij in oneindigen graad al de volmaaktheden van een Godmensch. Tot allen, die door het Doopsel zgne kinderen, en door het Vormsel zijne krijgslieden geworden zijn, zegt Hij; »Mijn wilquot;, en kan er wel een betere bestaan? »is alle menschen tot mij te trekken, hen te doen leven
39
, r
door mijn leven, hen gelukkig te maken door mijn geluk. Mijn Vader heeft mij alle volkeren tot erfdeel gegeven; ik wil in bezit treden van mijn gebied, alleen heerschen over de geesten en de harten; ik wil alle menschen onderwerpen aan mijne wet, om hen zalig te maken; en als vreedzaam overwinnaar, diegenen, wier boeien ik zal verbroken hebben, tot de eeuwige glorie geleiden. Al wie mijn strijd en mijn lijden zal gedeeld hebben, zal ook deel hebben aan mijne zegepraal en de belooning zal geëvenre-digd zijn aan de edelmoedigheid van den arbeid.quot;
Religieuze zielen, wat zult gij uwen goddelijken
Koning antwoorden? Dat gij Hem zult volgen?.....
Dit is niet genoeg. Wilt gij voor Hem niet iets meer doen dan de eenvoudig geloovige? ü roept Hij tot den eersten graad in zijn heiligen krijgsdienst; wilt gij zyn voetspoor niet zoo nabij mogelijk volgen en u onderscheiden door uwen ijver in Hem te dienen, daar Hij u onderscheidt door zijne uitgelezenste genaden? Ja, gij zult een heviger strijd leveren aan den hoogmoed, de zinnelijkheid, gij zult den Heer het volkomen offer brengen van u-zelven.
II Punt. Alles wekt ons op, ons geheel over te geven aan Jezus-Christus. Doordringen wij ons wel van deze beweegredenen; de waardigheid, de rechten van Hem, die zich beroept op onze toewijding, de onderneming, waarin wij moeten medewerken, de voorwaarden, die ons gesteld worden.
1. Wie is hg, die ons roept? Het is Jezus-Christns, de onsterfelijke Koning aller eeuwen, Hij, die zich aan God gelijk mag noemen, de heerlijkheid zijner glorie, het beeld van zijn wezen, het hoofd aller
li i
n
4
•i
I
40
vorstendommen; Hij, iu wien alle scliatten van wijsheid en wetenschap besloten zijn, Hij in wien de volheid der Godheid verblijft. Alle macht, zegt Hij, is Mij gegeven in den hemel en op de aarde (l). Groote glorie is er gelegen in het volgen van den Heer. (2) Daarbij heeft Jezus op ons de onbetwistbaarste rechten. Hecht door zijne oneindige volmaaktheden. — Aan ons zeiven kunnen wij niet behooren; zoo wij dus niet behooren aan Jezus-Christus, dan behooren wij aan onze driften, aan den hoogmoed, aan de begeerlijkheid. Wij hebben slechts de keuze tusschen het ééne juk of het andere. Welk is het zachtste, het eervolste? — Recht door de schepping. Alles, wat wij hebben, alles, wat wij zijn, heeft God ons gegeven, heeft God ons behouden; wij behooren meer aan God, dan het kind aan zynen vader. — Recht door verovering en aanwinst. Hij heeft ons uit de boeien van Satan doen overgaan tot de gelukkige vrijheid van kinderen Gods. Eene zaak behoort ons toe, wanneer wij ze betaald hebben met ons goud; zij behoort ons meer, als wij ze door vele moeielijkheden hebben verkregen; zij behoort ons veel meer, als wij ze betaald hebben met ons bloed... Eu zijn wij niet de prijs van den arbeid, het lijden, den dood van Jezus-Christus? —- Recht van gift en erfenis, daar zyn Vader Hem alle zaken geschonken heeft. — Recht van verkiezing en vrije verbintenis, daar wij zeiven Jezus gekozen hebben tot onzen Koning, hetzij in ons doopsel, hetzij later als wij in het aanschijn van hemel en aarde gezworen hebben
(1) Matth. 28, 18. (2) Eccli. 23,
41
en dezen eed zoo dikwijls hernieuwden, aan Hem te behooren, aan Hem alleen en dat voor altijd. Ziedaar de banden, die ons aan Jezus liecliten.
2. Waartoe zijn wij geroepen? Tot de edelste, de heiligste onderneming, die men bedenken kan. Alles daarin is grootsch. — De vijanden bestrijden: de duivel, de wereld, onze driften, ons eigen hart. De wapenen: het geloof, bet gebed, de ootmoed, het geduld ... alle christelijke en religieuze deugden. Onze krijgsmakkers: in het gevolg van Jezus vinden wij de verhevenste zielen, die de school van het christendom ooit gevormd heeft, te weten heiligen uit alle standen. De aanvoerder: het is de Zoou Gods in persoon , met ons strijdende door zijne genade cn die, reeds overwinnaar in de personen zijner gelukzaligen, ook in ons wil zegevieren en zich van ons bedienen, om het hart onzer broeders te veroveren. Eindelijk het doel der onderneming: dit is God verheerlijken en de menschen zalig maken door het vernietigen van de dwaling en de misdaad, en
D O \'
in derzelver plaats de waarheid en de deugd te doen heerschen. Wat kan men heerlijkers uitdenken?
3. De voorwaarden, ons gesteld, zijn vervat in deze weinige woorden: hierbeneden deelen in Jezus arbeid en lijden en hiernamaals deelen in zijne glorie. Vergelijken wij de offers, die Hy vraagt met die, welke Hij gebracht heelt. Voor Hem alleen was het kruis zonder eenige verzachting, voor zijne getrouwe leerlingen verlicht hij deszelfs gewicht door zijne vertroostingen. Vergelijken wij nog de moeie-lijkheden en de langdurigheid van den strijd met de vreugden en de eeuwigheid van de zegepraal.
42
Wijden wg ons dan op nieuw toe aan den dienst van zulk een goeden Meester en zeggen wij Hem: »Zie mij hier, o myn opperste Koning en Heer van het geschapene; hoe onwaardig ik ook zij, vóór u te verschijnen en u toe te hehooren, geef ik mij, steunende op uwe genade en uwe hulp, zonder voorbehoud aan u over. Al wat ik ben, al wat ik bezit, geef ik geheel over aan uwen goddelijken wil. Ik betuig voor uwe oneindige goedheid, Maria uwe onbevlekte Moeder en geheel het hemelsch hof tot getuige nemende, dat ik vastelijk heb besloten, u zoo volmaakt mogelijk na te volgen, niet alleen in den geest onthecht van alle goederen der aarde, maar arm in werkelijkheid, deelende in uwe schande en verguizing, levende en stervende op den post, waarop het belang uwer glorie of uw heilige wil mij zullen geplaatst hebben.quot;
8ste OVERWEGING.
het kijk van jezus in de getrouwe ziel.
I. Het denkbeeld, dat ik mij daarvan moet vormen.
II. Hoezeer ik moet verlangen, dat dit rijk zich in mij vestige en volmake.
I Punt. Wat verstaat men door het rijk van Jezus-Christus in ons? »Het is het Evangelie van den Zoon Gods, dat altijd en in alle zaken de teugels van mijn hart in handen houdt en vandaar mijn geest, mijne tong, al mijne handelingen, geheel mijn
43
If
levensregel en levensplan beheerschtquot; (1). Mijn liart is dus in waren zin de troon van Jezus-Cliristus.
Alles in mij onderwerpt zich, alles staat ten zijnen dienste om gebruikt te worden tot de glorie zijns Vaders, want daarom heeft Hij zich meester gemaakt van mijn bestaan, daarom heeft Hij mij met zulk eene verheven roeping begunstigd. Indien Hij van elk christen eischt, dat hij zijn juk op zich neme,
zoo is dit eigenlijk slechts ten opzichte der geboden;
doch van den religieus eischt Hij de Evangelische raden en de volmaaktheid. Het rijk van Jezus bestaat derhalve in mij-zelven zoodanig door zijn Evangelie te besturen, dat deszelfs leer de regel zij van mijn oordeel, mijne genegenheden, mijne besluiten;
in het volgen van de inspraken en het licht zyner genade; met de hulp dier genade al de deugden oefenende, welke Hij ons heelt geleerd. Wel is waar, zal ik altijd met den H. Paulus zeggen: »Ik zie in mijne leden eene andere wet, die de wet van den geest wederstreett en mij maakt tot een gevangene onder de wet der zonde, die in mijne leden isquot; (2);
doch ik moet ook met hem kunnen zeggen: »Door de wet ben ik aan de wet gestorven, opdat ik voor God leve; met Christus ben ik gekruisigd; en levend ben niet meer ik, maar in mij leeft Christusquot; (3).
Zijne deugden moeten mijne ondeugden, zijne nederigheid mijn hoogmoed, zijne armoede mijne gehechtheid aan de aardsche goederen, zijn geduld mijne bitterheid, zijne zachtmoedigheid mijn toorn uitroeien; «j
Ui
■II i
gt;Hij moet naar welgevallen kunnen beschikken over
I
(1) Pr. Martel. (2) Hom. 1, 23. (3) Gal. 2, 19, 20.
44
mijnen tijd, mijne kracht, mijne vreugde, mijn verdriet, zonder dat zijn wil in den mijne den minsten weerstand ontmoete. Was het tot dusverre aldus met mij gesteld? Ach, hoeveel hinderpalen heb ik gesteld tot de uitoefening van dit weldadig gebied van mijnen Koning!
II Punt. Hoezeer moet ik verlangen dat Jezus volmaaktelijk in mij heersche! Ik weet, dat ik de hoop niet kan voeden van met Hem te heerschen in zijne glorie, dan voor zoover Hij in mij geheerscht zal hebben door zijne genade. Is Hij mijn koning niet door die barmhartigheid, die redt en vergeeft, dan zal Hij het zijn door die schrikwekkende rechtvaardigheid , die veroordeelt en verdoemt. Dan ik wil thans de bekoorlijkheid slechts overwegen van dien liefdevollen Koning en hel lot, dat Hij zijnen getrouwen bereidt. Beminnelijk in zijne macht, gelukkig in zijne wetten, glorievol in de waardigheid, waartoe Hij mij verheft, zacht in zijn bestuur, ziedaar het rijk van Jezus, dat ik maar al te vaak heb verstooten, en dat ik nooit genoeg kan begeeren.
1. Een rijk beminnelijk in deszelfs macht. Jezus maakt bet juk licht en zoet, dat de menschelijke hartstochten altijd als drukkend zullen beschouwen. Wat is er, volgens de wereld beschouwd, meer onmogelijk dan het vestigen van eene orde van zaken, waardoor de mensch, die zich-zelven zoozeer bemint, zich-zelven bate en bestrijde door een voortdurenden oorlog te voeren tegen zijne zinnen, zijne bartstochten , zijne neigingen? Zoover gaat de macht van Jezus-Cbristus. Zij gaat zelfs verder, en het wonder hiervan is, dat zij den mensch tot dit juk trekt;
45
zij doet het hem beminnen, het stellen boven troon en schepter. Dat de mensch zich-zelven in alles bestrijdt om van God af te hangen, dat hy die afhankelijkheid en dien strijd bemint, dat hij 0111 dit juk te dragen, wat de wereld hem bekoorlijks kan aanbieden, opoffert, is dit niet het wonder van een bestuur, dat even beminnelijk als machtig is?
2. Een ryk, dat gelukkig maakt door deszelfs wetten. Gij zoekt het geluk? Komt tot mij, roept de Zaligmaker, neemt mijn juk op, beoefent mijn Evangelie. Deszelfs kort begrip luidt: zich verloochenen, zijn kruis dragen alle dagen des levens en mij volgen. Om het geluk te vinden in de tranen, de lastering, de verguizing, moet men Jezus volgen, zich onderwerpen aan zijne wetten, leven volgens zijne leerstellingen, zich laten geleiden door zynen geest. Het wonder van zoetheid te vinden in de bitterheid, genoegen in de smart, is slechts beloofd op deze voorwaarde; doch men mag ook vrij ieder, die deze voorwaarde vervuld heeft, uitdagen te verklaren, of hy het ware geluk niet gevonden heeft. Gij verzekert het my, o mijn God, uwe grootste dienaars getuigen het ondervonden te hebben ; waarom zou ik weigeren dit zelf te ondervinden?
3, Een rijk, glorievol in de waardigheid waartoe het mij verheft. Van Jezus alleen kan men zeggen, dat zijne dienaars koningen eu meer dan koningen zijn. Bestaat er inderdaad een monarch, hoe machtig men hem moge veronderstellen, die de slaaf niet is van eenigen drift of eenig belang? slaaf van den samenloop der omstandigheden of gebeurtenissen, slaaf zelfs van zijne onderdanen, waarvan hij op
46
duizenden wijzen afhangt? Doch indien die Koning, slaaf, terwijl hij meester is, zich ten volle onderwerpt aan Jezus-Christus, slechts levende naar zijn Evangelie , dan staat hij boven alles, boven zich-zelven , dan is hij meer dan koning, hij is de vriend Gods, het kind Gods, de broeder, de mede-arbeider van Jezus-Christus. Niets beheerscht, niets overheerscht, niets geleidt hem, dan alleen God, dien hij ziet, naar wien hij hoort, aan wien hij in alles gehoorzaamt. Dan kan hij met den H. Panlus zeggen: Alles is mij geoorloofd, maar ik zal mij door niets laten overheerschen (1). Hij bemint God, hij heeft geen anderen wil dan dien van God, hij doet dus wat hij wil. Ama et fac quod. vis. Welke glorie! waar kan men eene edeler afhankelijkheid vinden?
4. Rijk vol zoetheid is deszelfs bestuur. Niet ten onrechte wordt Jezus de vreedzame koning, de koning vol zoetheid, de vorst des vredes genoemd. Hij zegt tot de winden: Legt u neder; tot de zee: Bedaar: en de winden houden op, de zee wordt stil. Hoe zou Hij geene rust en vrede brengen in de harten, waarover Hij heerscht? De wereld zelf bewondert die gelukkige verandering, die geheel andere menschen maakt van hen, die de genade heeft geraakt, getroffen, bekeerd, tot oprechte christenen hervormd. Zij verwondert zich, hen thans even geduldig te zien als zij te voren driftig, even tevreden als zij te voren verdrietig waren... Dit komt, omdat zij zich geplaatst hbbben onder het zoet en beminnelijk gezag van Jezus-Christus.
(1) I Cor. G, 12.
47
Maar al te lang, o Heer, heb ik door mijn gedrag gezegd, dat ik u niet wilde tot koning. Thans en voor al de levensdagen,* die mij overblijven, wil ik geen anderen koning meer dan u; op nieuw vorm ik dit zoo vaak genomen besluit. O Jezus, regeer over mij, heersch over mynen geest, mijn hart, mijne gedachten, mijne genegenheden; geef mij de genade, o mijn Heer, mijn Koning, dat ik in leven en in dood u steeds onderworpen zij en u van nabij ;j volge door het beoefenen uwer wet en de navolging uwer deugden.
9de OVERWEGING.
----v:
TJK NAVOLGING VAN CH11ISTUS. HAKE NOODZAKELIJKHEID.
I. Zonder haar noch christelijk, noch religieus leven.
11. Zonder haar noch heiligheid, noch zaligheid.
Jezus-Christus, zegt de H. Augustinus, is geen koning om zijnen onderdanen schatting op te leggen,
hen met het staal te wapenen en tot aardsche veroveringen te voeren; doch hij is koning om hen te geleiden in de wegen Gods, om hunne zaligheid te verzekeren, door hen te geleiden tot het hemelsch koninkrijk, door het geloof, door de hoop en door de liefde.
1. Stellen wij ons den Heer Jezus voor, op het oogenblik, toen Hij, na de voeten zijner Apostelen.
gewasschen te hebben, hun zegde: »Ik heb n een voorbeeld gegeven, opdat gij dit zoudt volgen.quot;
lmg.
rerpt Ivan-Iven, rods, van scht, ziet, ioor-gen; niets heeft : dus orie! den? Niet de emd. zee: i\'ordt sn in . zelf eheel heeft ;enen even reden mdat imin-
i^;i
48
2. O miju Jezus doe mij de verplichtlug, die op mij rust van op uw voetspoor te wandelen, wel begrijpen, en getrouw beoefenen. »Trek mij; na u zullen wij loopen in den geur uwer reukwerken.quot; (1)
I Pont. Zonder de navolging van Christus kan ik geen christen, hoeveel te minder religieus zijn ? Het Evangelie nemen tot gedragslijn, en den Zaligmaker tot voorbeeld, ziedaar in twee woorden de juiste beteekenis van den schoonen naam van Christen, »Hij alleenquot;, zegt de H. Cyprianus, »verdient dien naam te dragen, die zooveel mogelijk de gevoelens, de zeden, het leven van Jezus-Christus in zich draagt.quot; Volgens den heiligen Basilius, is de navolging van Jezus-Christus de verklaring zelf van het christendon. In het Doopsel hebben wij verzaakt aan den duivel en zijne werken, aan de wereld, hare leerstellingen, haren hoogmoed, opdat wij, vrij van eiken band, ons aan den Zaligmaker zonden hechten door eene oprechte en volmaakte navolging. Bij het ontvangen van dit eerste Sacrament hebben wij ons, volgens de woorden van den H. Paulus, bekleed met Jezus-Christus. Welnu, zegt de H. Bernardus, is Jezus ons kleed, dan moet dit in ons uitschijuen; doen wij dus zijne liefde, zijne zachtmoedigheid, zijn geduld, al zijne deugden in ons uitschijnen. De groote Apostel wil, dat wij zoo volmaaktelijk al zijne trekken wedergeven, dat zijn leven in ons moge herkend worden.
Dan, met welke duidelijke woorden wordt ons deze verplichting door Jezus-zelven verklaard: »Gij noemt
(1) Hooglied 1, 3.
49
;quot; -\'Ir.
: .5 \' •
mij uw Meester en Heer, en gij zegt wel, want ik ben het; heb ik u dan de voeten gewasschen, die uw Heer en Meester ben, zoo moet ook gij elkanders voeten wasschen.quot; Men is leerling van andere Meesters door hen te hooren; men wordt Christus\' leerling door Hem na te volgen. Het is den leerling eigen te leeren; leer dan van Christus, discite a me, niet zoo zeer de waarheden, door het woord uitgedrukt, als wel de waarheden, door het voorbeeld getoond, minder wat Jezus zegt, dan wat Hij doet; het leven, dat Hij leidt, ziedaar het groote onderricht, dat Hij aan zijne leerlingen geeft. Aan Jezus gelijken, worden wat Hij is, door Hem na te volgen, ziedaar dan de geest, het wezen van het ware Christendom; doch waar zijn dan de christenen? Vindt men die in groot aantal, zelfs onder hen, die zich aan het religieuze leven hebben toegewijd?
II Punt. Zonder navolging van Jezus noch heiligheid, noch zaligheid. Dit is het natuurlijk gevolg van hetgeen wij overwogen hebben. Hoe kan men heilig zijn, hoe kan men zalig worden, zonder de noodzakelijke vereischten van het christendom te vervullen. Wij hebben gezien, dat de eerste plicht des christens het navolgen van Jezus-Christus is. Doch daar het voor ons van het hoogste gewicht is, dat onze ziel, bij gebrek aan edeler drijfveer, op het voetspoor van Jezus ten minste worde medegesleept door het dringendst eigenbelang, laat ons naar den H. Paulus luisteren. Degenen, die God in zijne eeuwige voorzienigheid heeft voorbeschikt tot het getal der uitverkoornen te behooren, heeft Hij terzelfder tijd voorbeschikt, om zich gelijkvormig te maken aan ch. n. 4
\' i
:■ -\'i
WM
1 m ■ v
\'K
iï.ï1\';
50
zijnen Zoon door het navolgen zijner deugden. Jezus Christus is de eerstgeboren, het hoofd van het lichaam der uitverkoornenwij zullen derhalve slechts toegelaten worden in het eeuwig koninkrijk, voor zooverre wij de broeders van Jezus-Christus en de ledematen van zijn lichaam zullen zijn; doch zal Hij ons voor zijne broeders erkennen, als onze gevoelens en onze werken ons geene trekken van gelijkenis met Hem geven? Zullen wij zijne ware ledematen zijn, als wij niet bezield zijn met zijnen geest, als wij niet leven door zijn leven?
Voegen wij hierbij, dat, terwijl de voorbeschikking tot de eeuwige glorie het uitwerksel is van eene bijzondere liefde, waardoor God ons onderscheidt en uitkiest, datgene, wat op ons dien goddelijken blik van welbehagen en die vaderlijke welwillendheid trekt, het beeld is van zijn welbeminden Zoon, dat God iu ons ziet, dat Hij zelf daarin heeft gedrukt door zijne genade, geholpen door onze medewerking. Het eenige voorwerp van welbehagen des Vaders is zijn welbeminde Zoon. Dezelfde reden, die God heeft om zich-zelven oneindig te beminnen, omdat Hij oneindig volmaakt is, doet Hem ook zijn Woord oneindig beminnen, dat zijn levend beeld is. In Hem heeft Hij ons voorbeschikt om zijne aangenomen kinderen te zijn. In Hem zegent Hij ons met alle geestelijke en hemelsche zegeningen. Indien Hij in ons eene groote gelijkvormigheid ziet met zijnen Zoon, bemint Hij ons zeer en geeft Hij ons vele weldaden. Ziet hij weinig gelijkvormigheid, dan bemint Hij ons weinig, ziet Hij er geene, dan hebben wg geen het minste recht op zijne liefde; ziet Hij
51
geheel tegenovergestelde trekken, dan worden wij hatelijk in zijn oog, Hij veroordeelt en verwerpt ons.
Ziedaar dus het punt, dat mij moet beangstigen of geruststellen, daar het evenzeer onmogelijk is zalig te worden, zonder ten minste tot zekeren graad te gelyken op het voorbeeld der voorbeschikten, als verloren te gaan, indien ik Hem gelijk. Andere beweegredenen, waarop mijne hoop steunt, benemen mij, hoewel zij mij troosten, niet alle vrees; doch mgne gelijkvormigheid met mijnen Zaligmaker is ter zelfder tgd de krachtigste oorzaak, het zekerste onderpand, het onfeilbaarste teeken van mgne voorbeschikking.
Zou men niet moeten zeggen, dat ik tot heden deze eerste verplichting van den christen en den religieas niet gekend heb? Helaas, Heer, het was met dezen plicht gelijk met zoovele andere.... ik dacht er niet aan! Geef mij de genade, dien niet slechts nooit meer te vergeten, maar hem ook zoo getrouw te vervullen, als mijne zwakheid dit toelaat; en daar het gewoon uitwerksel van het Sacrament uwer liefde is, ons in u te hervormen, zoo smeek ik u, geef dat elk mijner Communiën in mij het leven van Adam vermindere en vernietige, om plaats te maken voor het uwe; dan zal ik, zonder schaamte mg dit woord mogen herinneren van een uwer groote dienaren; De christen is een andere Jezus-Chriatus!
52
10de overwegino.
de navolging van christus. hake voordeelen.
I. Zij beslist onze twijfelachtigheden.
II. Zij versterkt onze zwakheid.
III. Zy verzoet ons lijden.
I punt. De navolging van Jezus-Christus geeft antwoord op al onze twijfelingen. Even als men, om zich niet te vergissen omtrent de waarde van eenig voorwerp, dat men in de duisternis nauwelijks bemerkt, dit bij het licht brengt, zoo is het ook genoeg om eenige menschelijke daad naar waarde te schatten, die te plaatsen naast het voorbeeld van Jezus-Christus; Hij toch is het licht, dat alle menschen, in deze wereld komende, verlicht. Is Hij niet de waarheid zelve ? Heer, ik leef in duisternis; ik weet niet waar ik den voet moet zetten , om niet in eenigen strik te vallen; maar uw woord geleidt mij, even als eene goddelijke lamp, door zijn onfeilbaar licht. »Deze lampquot;, zegt de H. Bonaventura, is een fakkel in een aarden vat. Dit vat is de heilige menschheid van Jezus; het licht, dat er in schittert, verbeeldt zijne Godheid, ons leven is de weg, dien wij moeten doorloopen; onze onwetendheid is de duisternis, die dien weg verbergt. Wij moeten ons eigen oordeel zoozeer wantrouwen; wij zijn zoo geneigd om dea schijn voor de werkelijkheid, het valsche voor het ware te houden; wij zijn zoo bereid, datgene, wat aan onze driften behaagt, onder een gunstig daglicht
53
te beschouwen: hoe zullen wij ons behoeden voor dwaling? door Jezus te volgen, die vóór ons gaat en ons verlicht met den fakkel zijner deugden. Men kan niet verdwalen, als men de oneindige wijsheid heeft tot gids. Indien ik mij beg ver, o mijn Zaligmaker, om het licht der genade te volgen, dat in u is en uit uwe voorbeelden straalt, zal ik komen tot het licht van glorie en leven, dat gg voor uwe uitverkoornen bereid hebt.
Even als er dus, om mijn geest te overtuigen en hem te brengen onder de gehoorzaamheid van het geloof, niets krachtiger spreekt dan dit woord, de Zoon Gods heeft het gezegd: evenzoo moet er tot leiddraad van mijn gedrag niets zoo krachtig zijn op mijnen wil, dan dit woord van denzelfden Zoon Gods, Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gij zoudt doen, gelijk Ik gedaan heb. Kostbare verzekering! Dikwijls weet ik niet, welke partij kiezen, of verontrust ik mij omtrent een genomen besluit. Ik vrees te wandelen op dien weg, die recht schijnt voor het menschelijk oog en nochtaus tot het verderf voert. Stel u gerust, mijne ziel; nooit zult gij dien nood-lottigen weg bewandelen, gij zult het veiligste aller paden betreden, zoolang gij het voetspoor drukt van uwen Zaligmaker, mijn leven zal heilig en volmaakt zijn in dezelfde mate als het gelijkvormig zal zgn aan dat van Jezus-Christus.
II Punt. De navolging van Jésus versterkt onze zwakheid. Indien, ter vermijding van het kwade en ter betrachting van het goede, het licht en de kennis ons vaak ontbreken, zoo ontbreken kracht en sterkte ons nog veel meer. De navolging vaa den God-
54
mensch biedt eene overvloedige bron dier zielskracht, en door het voorbeeld ons gegeven èn door de genade, die dit voorbeeld vergezelt.
1. Het is eene bewezen waarheid, dat het zien van eenige grootsche en edele daad genoeg is, om ons daartoe aan te zetten. Een soldaat is altijd moedig, als hij strijdt onder het oog van een dapperen aanvoerder. Gedeon behoefde, om het vuur zijner krijgslieden op te wekken, hun slechts te zeggen: Doet, wat gy mij zult zien doen; ik zal in het kamp der vijanden gaan, volgt mij, de overwinning is aan ons. Hij werd door allen gevolgd. Simon de Machabeër zag zijne troepen aarzelen, toen zij een stroom moesten doorwaden, hij trad er het eerste in; al de zijnen doorwaadden dien met hem. Kan men, boe zwak men ook zijn moge, den Zaligmaker zien leven in armoede, in verachting, in lijden, voor ons zijne eer en zijn leven ten offer brengende, zonder door een heiligen naijver bezield te worden? Daarenboven gaat dit voorbeeld gepaard met eene krachtige genade.
2. Jezus-Christus is een levend en verlevendigend voorbeeld. Ter zelfder tijd, dat Hij in onze oogen het licht zyner werken doet schitteren, lokt Hij ons door de schoonheid zijner voorbeelden op zijn voetspoor en geeft ons door zijne genade de kracht, om Hem na te volgen. Hij is mensch, zegt de H. Ber-nardus, en als zoodanig met mijne zwakheden bekleed , opdat ik in Hem den strijd zou zien, dien ik te leveren heb; doch Hij is ook de almachtige God, om mij in den strijd te doen zegevieren. »Laat ons derhalve zijne schreden drukken zonder vrees
55
van te bezwijken; Hij is de steun dergenen, die Hem volgen. Hoe dichter bij den oorsprong onzer kracht hoe krachtiger wij zeiven zullen zijn.quot; (1)
Eens ging de H. Wenceslaus blootsvoets gedurende een zeer kouden winternacht het H. Sacrament in de kerken bezoeken; hg, die hem vergezelde, klaagde over de bittere koude, die hij verduurde, »zet uwe voeten op mijn voetspoor, antwoordde de godvruchtige vorst, wellicht zal dit u helpen. Nauwelijks had de officier dit gedaan, of hij voelde eene zachte warmte, die uit den bevrozen grond voortkwam, waarop de heilige koning zijne voeten gedrukt had, en hij vergat alles, om slechts den Heer te loven. Dit is het treffend beeld van datgene, wat dagelijks gebeurt, ten opzichte der edelmoedige en vertrouwvolle zielen, die zich in alles Jezus ter navolging voorstellen. Die goede Meester, die den kelk van alle lijden tot den droesem wilde drinken, heeft er voor ons slechts eenige bittere druppelen in gelaten. De doornen van den kruisweg hebben zijne voeten opengereten; doch voor ons zijn hare scherpe punten als afgestompt. Juist omdat ik, door Hem na te volgen, datgene doe, wat Hem het alleraangenaamst is op aarde, verplicht ik Hem, om zoo te zeggen, mij ter hulp te komen, en met zijne genade kan ik alles. Aldus is Jezus, door zijn voorbeeld, de kracht der martelaren, bet geduld, de heiliging van alle gelukzaligen.
Ill Punt. De navolging van Jezus-Christus verzacht al onze smarten. Nooit staan wij alleen als
(1) h. Ambr. 3, 25.
56
■wij lijden; en wij kunnen van Jezus zeggen, wat Hij zelf zegt van zijn getrouwen dienaar: Ik ben met hem in het uur der kwelling (1). Voor zich-zelven koos Hij het hardste, het meest verachte, het zwaarst beproefde leven, opdat er nooit in ons leven zulke smartvolle oogenblikken, zulke pijnlijke toestanden konden komen, of Hij had het recht ons te zeggen: Wat gij lijdt, heb ik vóór u geleden, ik heb u het voorbeeld gegeven, ik heb meer dan gij geleden, en ik heb het ter uwer liefde geleden. Zijt gij arm ? het is de staat, dien ik by voorkeur omhelsde. Tast men uwe eer aan? heeft men de mijne ongedeerd gelaten? denk aan mijn stilzwijgen te midden van schande en verguizing; beschouw uwen God met het witte kleed omhangen voor het hof van Herodes; beschouw Hem op het kruis! Uwe vrienden verlaten, u, de Hemel zelf schijnt u te verlaten? Ik heb al die zielsmart doorstaan. Vermeng uwe tranen met de mijne, en zij zullen zoo bitter niet meer zijn. Het kruis, dat men samen draagt, wordt minder zwaar. De leerling is niet beter dan de meester. Zoudt gij een teeder lidmaat willen zijn, terwijl het Hoofd met doornen gekroond wordt ? Deze ernstige beschouwing houdt elke klacht terug en verzacht alle smarten.
De navolging van Christus is dus de ware godsvrucht, die iedereen nuttig is en de troost van het huidig oogenblik paart aan de vaste hoop eener eeuwige gelukzaligheid. Hoe kon ik toch tot dusverre eene zoo noodzakelijke, zoo zoete, zoo krachtdadige
(i; Ps. 90, 15.
57
oefening verwaarloozen, waardoor ik onfeilbaar de hoogste volmaaktlieid zou bereikt hebben? Ik wil dan met vaardigheid dien weg gaan betreden, dien weg, die alleen ons tot u leidt, o mijn God, onze eenige weg, ons eenig leven! Met de hulp uwer genade wil ik daarop met reuzenschreden vooruit snellen. Gelukkig zal ik zijn, zoo mijn geweten mij in mijn laatste uur, althans ten opzichte mijner nog overige levensdagen, toestaat te zeggen: »Mijn voet heeft het voetspoor des Heeren gedrukt; ik heb zijnen weg gevolgd en ik ben er niet van afgeweken.quot; (1)
llde OVERWEGING.
de navolging van jezüs-ch11istus. hare voordeelen.
I. Zij heiligt al onze daden en volmaakt onze deugden.
II. Zij vervult Gods plannen over ons.
I Pünï. De navolging van Jezus-Christus maakt onze daden heilig en verdienstelijk en onze deugden volmaakt.
Wij verstaan hier door daden al de verschillende werkingen der ziel, hetzij deze zich uitwendig toonen of geheel inwendig blijven. Van waar hebben zij hare heiligheid en verdiensten? Uit het einde, dat wij oas voorstellen, uit het doel, dat wij voor oogen hebben. Maar wat kan ik mij voorstellen, dat anders dan volmaakt is, zoodra ik mij bevlijtig ia mij het voorbeeld aller volmaaktheid na te bootsen ?
(1; Job 23, 11.
58
Indien ik mij yereenig met de meeningen van Jezus-Christus, indien ik die tot de mijne maak, gelijk diegene, die Hem na wil volgen, dit doen moet, kan ik geene betere vinden. Wat toch zocht Hg in alles, dan alleen de glorie en de meerdere glorie van zijnen hemelschen Vader?
O hoe voordeelig zou het mij zijn, dikwijls met hart of mond te herhalen: Heere Jezus, ik vereenig mij met de meening, die u bezielde, wanneer Gij uwen hemelschen Vader de hulde bracht van uwen lof; wanneer Gij met de menschen verkeerdet, in al uwe bezigheden, iu al uwe smarten, in de zorg zelfs, die Gij voor uw lichaam naamt; ik wil geene andere meening maken dan de uwe... Daarenboven als ik mij beijver, den Zaligmaker te volgen, dan handel ik als christen; want het is dit, wat het christelijk leven uitmaakt, hetgeen geen ander leven is, dan het leven van Jezus-Christus in ons. Ik zet zijn gebed voort, als ik bid, zijn werkzaam leven, als ik arbeid, zijn lijdend leven, als ik lijd; het is de Zaligmaker, die in mij werkt, bidt, spreekt en lijdt, terwijl ik de inspraak en de beweging van zijnen geest volg. Jezus is in mij, gelijk de Vader iu Hem; Hij werkt in mij eenigermate, gelyk de godheid werkte in zijne menschheid.
Welke uitmuntendheid, weikeu prijs, welke volmaaktheid zou dit goddelijk beginsel niet aan mijne handelingen, zelfs aan de kleinste geven, zoo ik hieraan vrij mijn verstand, mijn geheugen, mijnen wil, al mijne zintuigen overgaf! Al ware het werktuig veel onvolmaakter, zou het nochtans meesterstukken voortbrengen, zoo het steeds buigzaam was
59
in de hand van den goddelijken kunstenaar. Kau elke handeling, waarin God de hand heeft, wel anders zijn dan van eene allerhoogste waarde?
2. Wat hieromtrent het geval is met onze daden, is het ook ten opzichte onzer deugden. Wanneer zij gevormd worden volgens die van den Zoon Gods, derzelver vormen aannemen, door zijn geest bezield worden, zullen zij niets te wenschen overlaten. Mijn geduld, mijne nederigheid, mijne zachtmoedigheid, al myne deugden zullen volmaakt zijn, zoodra zij gelijkvormig zullen zijn aan dit goddelijk voorbeeld.
II Punt. De navolging van Jezus-Christus vervult Gods inzichten over ons. Heerlijk is \'s menschen bestemming! God wil, dat wij met Hem eene drievoudige gelijkenis hebben; volgens natuur, volgens deugd, volgens glorie en geluk. Van die drie gelijkenissen geeft Hij ons de eerste en de laatste; door zijne genade geholpen, moeten wij de tweede in ons vormen. Het menschgeworden Woord is ons komen toonen in zijn eigen persoon, hoe God in ons werkt, opdat wy in ons die werking en dat leven zouden overbrengen. De navolging van Christus is de ver-goddelijking van den mensch. »Indien iemand, zegt Clemens van Alexandrië, zich plaatst onder de leiding eens landbouwers, om door hem gevormd te worden, zal hij landbouwer worden gelyk deze; vervoegt hij zich tot een krijgsman, een handelaar, een wijsgeer, een redenaar.... zoo zal elk dezer meesters hem vormen tot hetgeen hij is; wordt hij getrouw leerling van Jezus-Christus, dan zal hij gelijk worden aan den Zaligmaker, levende en verkeerende met de menschen. Tot het vestigen dezer gelukkige gelykeuis in ons
60
strekken al de genaden, die wij ontvangen; geheel de werking van den H. Geest in ons heeft geeu ander doel, dan Jezus-Christns daarin te vormen.
Verzamelen wij nu als een bundel lichtstralen de verschillende beschouwingen, die wij maakten omtrent de navolging van Jezus-Christus. Zij is voor ons dringend noodzakelijk, wijl zij geheel den geest van het christendom, alle religieuze volmaaktheid bevat, en wij zonder haar nooit den gelukkigen eindpaal der eeuwige zaligheid kunnen bereiken. Licht voor ons verstand, kracht voor onzen wil, troost voor ons hart, al onze werken geheiligd, onze deugden tot den hoogsten graad van volmaaktheid verheven, al de inzichten van God over ons ten volle uitgewerkt, ziedaar wat wij in die zalige oefening zullen vinden.
O Jezus, in welke verblindheid leefde ik tot dusverre omtrent dit gewichtig punt. Ik beken het tot mijne schaamte, nooit hechtte ik hieraan het groote belang, dat het verdiende. Ik maakte mij groot het christendom in deszelfs hoogste volmaaktheid te beoe-oefenen; en ik vergat, dat het geheel gelegen is in u na te volgen. Welk ander doel toch stelt Gij u voor. o Heer, als Gij u gewaardigt, mij zoo dikwijls met uw eigen Vleesch en Bloed te voeden, dan alleen mij in u te veranderen en in mijn persoon het geduld, den ootmoed, en al de deugden, waarvan Gij zulk een volmaakt toonbeeld waart, te doen uitschijnen ? O hoe slecht heb ik de plannen uwer goddelijke liefde vervuld! Doch voortaan zal ik uwe voorbeelden volgen en om mij geheel in u te hervormen, geef ik mij over aan uwen geest. Kom en leef in mij, om al de inzichten uwer barmhartigheid te vervullen.
61
12de OVERWEGING.
DE NAVOLGING VAN JEZÜS-CHKISTÜS. ONTHECHTING, DIE ZIJ VEREISCHT.
I. Men moet alles verlaten, om Jezus-Christus te volgen.
II. Alles verlatende, verlies ik niets.
III. Alles verlatende, win ik alles.
I Pünt. Men moet alles en ook zich-zeiven verlaten, om Jezus te volgen. Deze voorwaarde wordt duidelijk door den Zaligmaker gesteld, aan al wie Hem als leerling wil toebehooren. Hij, die niet verzaakt aan al wat hij bezit, kan mijn leerling niet wezen. (1) Men moet vrij zijn van eiken band, ontdaan van allen last, om een leidsman te volgen, die met reuzen-tred vooruitgaat. Elke gehecbtheid is een keten, een gewicht, dat ons wederhoudt en belemmert. Doch, men lette wel, deze onthechting moet volkomen zijn en zij is dit slechts in zooverre wij ons-zelven verzaken.
Dit is het ware denkbeeld der evangelische verloochening. Aan God geven, wat ik bezit, is een offer zonder waarde in zijne oogen, zoo ik er het offer van mij-zei ven niet bijvoeg; mijn hart, ziedaar wat Hij vraagt. Daarom stelt Jezus-Christus de zelfverloochening tot grond zijner goddelijke zedeleer; Hij wil, dat men bij het offer van vader, moeder en alle zaken het offer en den haat van zich-zelven voege: Adhuc autem et animan suam. Want als
(1) Luc. 14, 33.
62
bezit wordt altijd datgene gerekend, wat het hart bemint en de wil begeert.
Ja, Heer, toen ik mij aan u toewijdde, heb ik, dunkt mij, mijne genegenheid afgetrokken van alles wat ik buiten mij-zelven bezat; doch heb ik ook mij-zelven verlaten? En heb ik dit gedaan in die zalige oogenblikken, als uwe genade tot mijne ziel sprak? heb ik dan niet dikwijls het beste deel van mijn offer teruggenomen? Hebben eigenliefde en eigenwil hun gebied niet over mij doen gelden? Zal ik, op den grooten dag der eeuwige vergelding, mij durven vereenigen met hen, die tot u zullen zeggen: Zie, wij hebben alles verlaten, om u te volgen. En hoe gemakkelijk moest mij deze onthechting vallen, bij de beschouwing van hetgeen ik te winnen en te verliezen heb, als ik u volg!
II Pünt, Men verliest niets, als men alles verlaat om Je zus-Christus te volgen. Wat zijn inderdaad alle zaken, die ik hier beneden kan bezitten? Leugen, ijdelheid, en het niet zelf. Waarom? Omdat mijn hart altijd als niets datgene zal beschouwen, wat deszelfs begeerten niet voldoet, wat daarentegen ze prikkelt en altijd meer onverzadelijk maakt. Al hadde ik de geheele wereld, nog zou ik vragen: is dit alles? Slechts bezig met wat mij ontbreekt, vergeet ik, wat ik bezit en hecht er bijna geene waarde aan. Er is nog meer. Wat is alles, wat ik voor God kan verlaten, rijkdom, bloedverwanten, eer, aanzien , genoegens? Luisteren wij naar den stervende; hg zal * ons leeren, dat alles, wat voorbijgaat, niets is. Luisteren wij naar de les, die de H. Paulus ons geeft: Ik zeg m, mijne broeders, kort is de tijd; en wat
63
besluit hij hieruit? dat zij, die in deze wereld zijn, leven als waren zij niet van deze wereld. Bemerken wij de reden, waardoor hy tracht die algemeene onthechting te verkrijgen: de figuur dezer wereld gaat voorhij. Het is alsof hij zegde: wat is de vreugde, het genot, de goederen dezer wereld? Wat is de wereld zelve ? eene figuur, eene schaduw, niets inderdaad. En ware die schaduw nog duurzaam! O neen, het is eene voorbijgaande schaduw, een rook, die ontsnapt. Het is dus eene klaarblijkelijke waarheid, dat ik niets verlaat, als ik mij afscheid van alles, dat ik niets verlies, wat ik ook moge verlaten. En zoo ik iets verliet, door deze vrijwillige be-rooving, met welke edelmoedige goedheid, o mijn God, hebt Gij mij daarvoor schadeloos gesteld ? Ik hoor de woorden, die Gij tot uwe Apostelen richt en die Gij herhaalt aan ieder, die, om u te bezitten, alles opoffert. sgt;Als ik u van alle menschelijke hulpbronnen beroofd, zonder anderen steun dan mijne voorzienigheid uitzondt, heeft u dan wel iets ontbroken? En zoo u niets ontbroken heeft, wat hebt gij dan verloren, toen gij u vrijwillig van alles ontbloot hebt, om geheel aan uwen God te behooren? Gaan wij nog verder.
III Punt. Alles verlatende om Jezus-Christus te volgen, verlies ik niets, doch win daarentegen alles. Welk eene heerlijke voltrekking van mijn geluk, welk eene volle en overvloedige belooning van het offer, dat ik breng door het verbreken aller banden, die my hechten aan mij-zelven en aan de schepselen, om vrij vooruit te kunnen snellen op het voetspoor mijns Zaligmakers! Petrus had, namens al de Apos-
64
telen en hunne navolgers in de evangelische zelfverloochening, de vraag gesteld aan zijn goddelijken Meester: Zie, ivij hebben alles verlaten om u te volgen; wat zal ons loon zijn ?
Overwegen, smaken wij het antwoord: Voorwaar, ik zeg het u, al wie voor mij zijn huis, zijne broeders, zijne zusters, zijn vader, zijne moeder, zijne vrouw, zijne kinderen of zijne bezittingen zal verlaten hebben, zal het honderdvoud in deze wereld en het eeuwig leven in de andere verkrijgen. Wat blijft er boven zulk een groot goed te begeeren over? Ik win alles, zelfs in deze wereld, door mi] van alles te ontmaken. Wie niets heeft en niets wenscht, is met niets bekommerd. Onze begeerten zijn onze dwingelanden. Wij dooden ze, als wy haar alle voedsel benemen. Het vuur bluscht uit, als het niet onderhouden wordt; de driften sterven of verzwakken, als men hun ontneemt, wat hen onderhoudt.
Gaan wij tot het beginsel terug. Zoodra ik alles vrijwillig uit eigen keuze verlaat, verkrijg ik de onthechting van geest; ik word niet meer ontsteld door duizenden pijnigende bekommeringen, duizenden wreede angsten, duizenden kommervolle zorgen; ik verkrijg de onthechting des harten; ik word niet meer gekweld door onstuimige begeerten, niet meer vermoeid door vrees en naberouw. In dien gelukkigen toestand verkeeren geest en hart in een volmaakten vrede; en ligt in dien vrede niet het geluk? Is hij niet reeds dat honderdvoud van hetgeen ik verlaten heb, om mijnen goddelijken Koning te kunnen volgen? En Gij, o Heer, voegt daarbij de belofte van het eeuwig leven, en gewaardigt u aldus zelf het loon
65
raijus offers te zijn. Derhalve win ik alles, o mijn God, als ik verzaak aan alles, om slechts U te bezitten en té beminnen; o hoe waar is het dus, dat ik het beste deel heb verkozen met mij aan U te hechten! Gij zijt trouw aan uwe beloften. Geef, dat ik getrouw de mijne moge naleven.
13cle OVERWEGINO.
oefening der navolging van christus. — hoe men er tok geraakt.
I. Door eene diepe kennis van dit goddelijk voorbeeld.
II. Door de liefde tot den Zaligmaker, de vrucht dier kennis.
III. Door de getrouwe vergelijking van de afbeelding met het voorbeeld.
I Punt, Jezus-Christus leeren kennen, eerste tred op den weg der navolging. De H. Paulus vermaant dringend alle christenen, om Jezus-Ghristus te beschouwen en te bestudeeren, gelijk het levend boek, waarin zij alles zullen leeren, wat zij behooren te weten. Beklagen wij hen, die, Jezus nog niet kennende, als een sluier over de oogen hebben, die hen de schoonheid zijner voorbeelden verbergt en zich bijgevolg niet volgens Hem kunnen vormen. Maar wij, zoo vervolgt de groote Apostel, wij beschouwen in Hem de glorie des Heeren, die ons door zgn zoo volmaakt leven en zgne heilige werken.
ch. ii. 5
66
getoond wordt. Wij vormen ons naar dit beeld, wij komen van het eene licht tot het andere, van de eene deugd tot de andere, volgens de bewegingen van den heiligen Geest, die ons bezielt.
Jezus-Christus is dat aanbiddelijk zinnebeeld, voorgesteld door dat, hetgeen aan Mozes op den berg Sinaï getoond werd; volgens dit goddelijk plan moet het ware tabernakel des Heeren in des christen ziel gevormd worden. Het is niet voldoende, daarop een vluchtigen blik te werpen; men moet het met oplettendheid nagaan, ten einde er een nauwkeurige kennis van te verkrijgen, deszelfs trekken te vatten, ten einde in staat te zijn, het na te bootsen.
Hierin bestaat eigenlijk geheel de wetenschap des christens, de eenige, waarop de groote Paulus roemde, die Hij aan God voor zijne leerlingen vraagde, Hij noemde die de hoog verheven wetenschap der liefde van Jezus-Christus (1). Dit is ook de eenige kennis, die de H. Augustinus begeerde en in de boeken zocht! En hoezeer is dit onderwerp onzer studie waardig! Wat weten wij, zoo wij Jezus niet hebben leeren kennen. Hij is het begin en het einde, (2) Alles in Hem, van Hem, door Hem (3). En hoe weinig wordt Hij nochtans gekend, zelfs door hen, die men als zijne vurigste navolgers beschouwt. Hoe vele religieuze zielen verdienen het verwijt, dat Hij op den vooravond van zijn lijden aan zijne apostelen deed: Zie, zoo lang reeds hen ik met u, door de innigste betrekkingen; mijn evangelie is in uwe hand, mijn kruis is onder uwe oogen, mijn Vleesch
lt;1) Ephes. 3, 19. (2) Apoc. 21, 6. (3) Eom. 11, 36.
67
is uwe spijs, mijn Bloed is uw drank, en bij dit alles kent gij mij nog niet, ben ik als vreemdeling onder u. Ach, als gij mij kendet, hoe geheel anders zou dan uw hart wezen!
Sparen wij deze klacht aan onzen beminnelijken Meester en aan ons-zelven dit verwijt, door naarstig zijn H. Evangelie te bestudeeren. Treden wij door de overweging zoo diep mogelijk in zijne leer en zijne geheimen. De H. Franciscus Xaverius doorliep elke maand in zijne overwegingen het leven van den Zaligmaker volgens de oefeningen van den H. Ignatius ; dit is een uitmuntend middel, om ons een helder denkbeeld te geven van zijn persoon, zijne gevoelens, zijne handelingen en daarvan in ons een beeld te vormen, waardoor Hij, als het ware, altijd bij ons tegenwoordig is. Hoe beter wij Hem zullen kennen, hoe meer wij Hem zullen beminnen.
H Punt. Jezus- Christus Uefhehhen; tweede middel om te komen tot zijne navolging. Het is onmogelijk, wel verlicht te zijn omtrent de oneindige volmaaktheden en verrukkelijke schoonheid van den mensch-geworden Zoon Gods, zonder zich innig aan Hem te hechten; en het is onmogelijk. Hem te beminnen zonder te trachten Hem te gelijken; want de liefde streeft tot navolging. Alles behaagt ons in hem, dien wij beminnen; men neemt zijnen smaak, zijne gedachten, zijne manieren aan, zonder dat men dit zelfs gewaar wordt. Men maakt zich zoodanig gelijk aan zijn vriend, dat hij ten laatste als een andere Ik wordt: Amicus alter ego.
Eene drievoudige liefde, die wij voor Jezus-Christus moeten hebben, doet ons streven naar zijne navolging,
68
door drie verschillende beweegredenen, liefde van achting, liefde van teederheid, liefde uit belang. — Is het wel ons welzijn, dat wij zoeken in onze liefde tot den Zaligmaker? De voorafgaande overwegingen hebben ons geleerd, hoe voordeelig het is, Hem na te volgen. Indien onze liefde tot Hem voortspruit uit de hooge achting, die wij hebben voor zyne oneindige verhevenheid, dan wekt de neiging, die ons aanzet ons te verheffen, ons op, om zoo dicht nabij mogelijk te komen tot Hem, die de grootheid zelve is. — De liefde van teederheid noopt ons tot eene vereeniging met de personen, die er het voorwerp van zijn; en is er wel eene vereeniging denkbaar zonder overeenkomst van zeden, van gedachten, van gevoelens? Daarenboven als men werkelijk bemint, gevoelt men behoefte, om dit te bewijzen; en wij weten zeer wel, dat de navolging het onbetwistbaarst bewijs van liefde is. Vrij mag ik eene liefde betwijfelen, die zich slechts uit in woorden; doch zoo iemand, om mij te behagen, verzaakt aan zijne dierbaarste neigingen, zoo hij, om zoo te spreken, zijn eigen leven aflegt om het mijne aan te nemen, kan ik wel niet twijfelen aan de oprechtheid zijner liefde.
III Punt. Dikwijls zijn leven toetsen aan dat des Zaligmakers, derde middel om ons tot zijne navolging ie hrengen. Wil een schilder een schilderstuk nabootsen, dan werpt hij zijne blikken onophoudelijk van zijn werk op zijn voorbeeld, van zijn voorbeeld op zijn werk; en om het volkomen gelijkvormig tg maken, voegt hij bij, neemt hij weg, wijzigt en voltooit hij: doen wij eveneens. Willen wij Jezus na-
69
volgen ? hechten wij dan op Hem de oogen onzer ziel en slaan wij ze dan neder op ons-zelven; plaatsen wij in ons leven die deugden, welke wij in het zijne bewonderen; vernietigen wij alles, wat niet overeenstemt met liet voorbeeld, dat wij trachten af te beelden.
Hoe staat het met mij, ten opzichte dier uitmuntende en hoogst noodzakelijke navolging? Volgens haar zal ik geoordeeld worden, volgens haar wil ik nu mij-zelven oordeelen. Kardinaal de Berulle zegde, dat om zich Jezus voor te stellen in zijn verkeer meb de menschen, hij slechts den H. Franciscus van Sales behoefde gade te slaan, wiens geheel niterlijk zulk een stempel van heiligheid droeg, dat men Jezus-Christus in hem meende te zien, Ben ik ook tot zulke volmaaktheid gekomen? Zou men van mij mogen zeggen, dat mijne zedigheid doet denken aan die des Zaligmakers en dat zijn leven in het mijne uitschijnt? Doch het is vooral zijne inwendige deugd, die ik moet navolgen. Hoedanig waren zijne gevoelens, ten opzichte der vernedering, der beproevingen, der armoede, en hoedanig zijn de mijne? Zou men in mij zijne diepe godsvrucht, zijn ijver voor de eer van God en de zaligheid der zielen vinden? Helaas, ik gelijk op het voorbeeld der uitverkoornen, gelijk de nacht op den dag; treurige ervaring, voorwaar! doch wel verre dat zij mij den moed zal benemen, zal zij dien ontvlammen en ondersteunen. Hoe minder ik gevorderd ben op den weg, buiten welken er noch heiligheid, noch zaligheid ligt, hoe sneller ik moet voortgaan. Dikwijls zal ik mij-zelven de vraag stellen: Wat zou Jezus-Christus nu doen, wat zou
70
Hij zeggen, wat zou Hij denken, ware Hij in mgne plaats? Wat heeft Hij gezegd, gedacht, gedaan wanneer Hij er zich in heeft bevonden? Heer, Gij beveelt mij, U te drukken als een zegel op mijn hart en op mijnen arm; Gij wilt, dat alles, zoo werken als gevoelens, in mij met uw beeld gestempeld zij, omdat niets den hemel kan ingaan, noch recht op den hemel kan geven, dan alleen datgene, wat dit heilig teeken draagt. Gij zegt mij terzelfder tijd, dat de liefde sterk is als de dood. O Jezus, U kennen is U beminnen; en het is voornamelijk in het Sacrament uwer liefde, bij het breken des broods, dat Gij aan uwe leerlingen de oogen opent en ze ontvlamt met het vuur uwer liefde. Kom dan, openbaar U aan mijn hart, laat de kracht uwer schoonheid daarop werken. Geef, dat ik mij onafscheidbaar aan U hechte, U onophoudelijk aanbidde, U volhardend diene, U getrouw zoeke, U gelukkiglyk vinde, U eeuwig bezitte.
m
1
AFDEELING III.
14de OVERWEGING.
MENSCHWOllDIKG VAN HET WOORD. — BESCHOUWING.
I. De personen beschouwen.
II. De woorden hooren.
III. De handelingen overwegen.
1. Herinneren wij ons in het kort de geschiedenis van dit geheim. De allerheiligste Drievuldigheid, alle menschen in het verderf ziende snellen, heeft medelijden gehad met hun ongeluk en besloten het menschdom te verlossen. De volheid der tijden is aangebroken. God zendt zijnen engel Gabriël, om Maria aan te kondigen, dat zij Moeder Gods gaat worden door de medewerking van den H. Geest. Zij geeft hare toestemming en het Woord wordt Vleesch.
2. Stellen wij ons van de eene zijde de oneindige uitgestrektheid voor van het heelal, bewoond door zooveel verschillende volken, die alle den Verlosser zoo dringend behoeven; van de andere zyde in eene onbekende landstreek in de kleine stad Nazareth de nederige woning van Maria.
D ra
3. Vragen wij eene innige kennis van het geheim der menschwording van eenen God ter aarde nedergedaald, om mijn Verlosser, mijn voorbeeld, mijn leidsman te zijn, alsook de genade. Hem vurig te
\'4
ilili
. 1\'
72
beminnen, ten einde mij moedig op te offeren ter zijner navolging.
I Punt. Beschouwen luij de personen.
1. Zie de mensclien, waarmede de wereld vervuld is, ten tijde dat de menschwordiug gaat plaats Lebben. Welke versclieidenlieid in hunne gewoonten, hunne spraak, hunnen toestand ? De eenen ia vrede, de anderen in oorlog. Dezen weenen en waarom? Anderen leveren zich over aan uitbundige blijdschap; wat is hiervan de oorzaak? O hoevele lichtzinnigheid ligt er vaak in die tranen, vaker nog in die blijdschap!... De eenen zijn rijk , anderen zijn arm, dezen zijn vrij, genen zijn slaaf. Dezen treden het leven in, genen verlaten het. Helaas, al die schepselen, naar Gods evenbeeld gemaakt, en oorspronkelijk bestemd om zijne glorie te deelen, komen slechts overéén in één punt; zij vergeten hun einde, miskennen hunnen Schepper en snellen tot hun verderf.
2. Beschouw de H. Drievuldigheid. Van het hoogste der Hemelen werpt zij een meedoogenden blik op dit schouwspel, op al die schuldige, doch zoo ongelukkige menschen, die, onophoudelijk door den dood weggemaaid, in de hel nederstorten. Het goddelijk oog onderscheidt ook u in deze dolende menigte. Welk overvloedig aandeel zult gij hebben in het werk der verlossing!
3. Werp vervolgens een blik op die gezegende Maagd. Zij alleen is zuiver, onbesmet, te midden van dit algemeen zedebederf. Bewonder hare zedigheid , hare ingekeerdheid, waardoor zij zoo wel bereid is tot het ontvangen der hemelsche gunsten. Zie den engel, die haar met zooveel eerbied groet. Is
73
uwe uitwendige en inwendige godsvrucht aldus, als gij nadert tot den Heer, die ongetwijfeld oneindig meer eerbied verdient dan het heiligste aller schepselen? Geef uw hart over aau de gevoelens, die deze overweging daarin zal doen ontstaan. O treffende goedheid van God. O diepte der menschelijke ellende! 0 nederigheid des engels, nog overtroffen door de nederigheid van Maria!
II Punt. De woorden aan hoor en.
1. Op aarde nuttelooze. onzuivere, goddelooze woorden, godlasteringen, vervloeking, onreine, heilig-schennende gezangen Satan ter eer. Uw naam, o mijn Jezus, hoor ik niet uitspreken en de naam uws Vaders wordt gehoond door degenen, die Hem noemen.
2. In den hemel woorden van verzoening en vrede.... Laat ons den mensch verlossen, dien wij geschapen hebben. Mijn Vader, hier ben ik! de brandoffers, U tot dusverre aangeboden, hebben ü niet behaagd. Gij hebt mij een lichaam gegeven. Ik bied mij aan, om uwen heiligen wil te volbrengen.
3. In het huisje van Nazareth. Wees gegroet, gij vol van genade, de Heer is met u! De engel, voortgaande met spreken, stelt de bevreesde Maagd gerust door de verzekering, dat zij genade heeft gevonden voor God. Wat kan beter geruststellen? Wat kan men vreezen, als men door den Allerhoogste bemind wordt? Hij verkondigt haar de grootheid van Hem, wiens moeder zij weldra zal worden. Het is de Zoon des Allerhoogsten; Maria vernedert zich nog dieper; de vraag, die zij doet, om den schat harer zuiverheid te vrijwaren,..., en daarna hare
74
nederige onderwerping aan \'s Heeren wil: Zie de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord. Geen enkel woord wordt gesproken in dit geheim, waaruit gij geene vracht voor uw geestelijk voordeel kunt trekken.
III Punt. Beschouw de handelingen.
1. Op de wereld. Wat doen de mensclien? Zie hoe nietsbeduidend, hoe ij del, hoe misdadig wellicht hunne werken zijn; hun afgodendienst, de ongeregeldheden hunner schouwspelen, hunner feesten; hunne kuiperijen om elkander te verdringen en te verderven; de woede, waarmede zij zich overgeven aan hunne driften, aldus het beeld der godheid in zich-zelven verlagende, en zich werpende in den eeuwigen afgrond.
2. In den hemel. Welk een naijver van liefde tot ons, tusschen de drie personen der heilige Drievuldigheid. God de Vader geeft zijnen Zoon, het Woord geeft zich-zelven en vernietigt zich in de menschwording, de H. Geest vormt die vereeniging van barmhartigheid en liefde.
3. Te Nazareth vervult de engel getrouw de hem opgedragen zending. Wel verre van de glorie van Maria en het geluk der menschen te benijden, verheugt hij zich over beide. De heilige Maagd is geheel verdiept in de beschouwing der wonderen, die in haar gewrocht zijn, en zy dankt God. En nu, mijne ziel, moet gij u verrijken met al de schatten, in dit troostvol geheim opgesloten.
Toen het menschdom gedompeld lag in de duisternis van alle dwalingen en rampen, zond God zynen eenigen Zoon, om het terug te brengen tot waarheid
75
en deugd; zoo bemint Hij ons. Zal ik nu slechts ijdele woorden, enkele gevoelens hebben om Hem tot dank zijner edelmoedige liefde aan te bieden? De Zoon Gods stemt toe in het aannemen der men-schelijke natuur, in het verbergen van al zijne grootheid, onder de gedaante van eenen slaaf! Welke nederigheid, welke opoffering voor ons! — Maria, sidderende bij de stem eens engels, neemt de goddelijke moederschap slechts aan, nadat de hemelbode liaar de verzekering beeft gegeven, dat hare zuiverheid hierdoor ongeschonden bewaard blijft. — Welke reinheid, welk goddelijk geloof, welke gehoorzaamheid aan Gods bevelen ! Fiat mi hi secundum verhum tuum.
Samenspraak met de drie goddelyke personen. Aanbid de goedheid van God, die de menschen wil redden, ondanks hunne onwaardigheid en ondankbaarheid.... Bedank het menschgeworden Woord.... Wensch Maria geluk; verheug u over haar geluk, bid haar, u de genade te verkrijgen van haren Zoon teederlijk te beminnen en getrouw na te volgen.
15de oVERWEGINa.
JEZUS-CHBISTDS, VOORBEELD EEXER VOLMAAKTE NEDERIGHEID.
I. Van af het eerste oogenblik zijner menschwording. II. In geheel den loop zijns levens.
Bemerking. De H. Bernardus maakt onderscheid tusschen de waarheid en de deugd van nederigheid. De eerste doet ons onze nietigheid, onze diepe ver-
76
worpenheid zien; de tweede doet ons die verworpenheid zelfs beminnen; zij doet ons uit goeder harte toestemmen niets te zijn, opdat God alles zij. De waarheid beschaamt en vernedert ons, de deugd verheft en bemoedigt ons. De eene verlicht, de andere verwarmt ons. De zelfkennis is slechts eene voorbereiding tot de ootmoedigheid zelve, of althans zeker tot de nederigheid des geestes. Zij is geene christen deugd; zij ligt binnen het bereik der wijsbegeerte ; maar de nederigheid, die de vrucht is van het geloof, de nederigheid, die Jezus-Christus ons zelf is komen leeren, en die de H. Gregorius de meesteres aller deugden noemt, de ware nederigheid heeft haren zetel in het hart, waarmede zij al de genegenheden wijzigt, zij zet ons aan ons-zelven re misachten, ons beschouwende als aller achting onwaardig, en onze verworpenheid te beminnen, ten einde de grootheid van God beter moge uitkomen. Dit is de eerste trap. De tweede bestaat in te be-geeren, dat een ieder jegens ons dezelfde gevoelens moge koesteren, en ons oordeele gelijk wij ons-zelven oordeelen, of beter gezegd ons minachte gelijk wij ons-zelven minachten. Door den derden, den vol-maaktsten trap, zijn wij verheugd als ieder ons behandelt volgens de verachting, die wij hem inboezemen. Hij, die tot dezen trap gekomen is, stelt zich niet tevreden, geduldig smaad en schande te verduren; hij zoekt die, en ontvangt ze met even veel blijdschap als de wereldling onderscheiding en eer ontvangt. Hij bemint die uit liefde tot de rechtvaardigheid, uit liefde tot Jezus-Christus, aan wien de vernederingen hem gelijk maken.
77
II Punt. Jezus-Christus, volmaakt voorbeeld van nederigheid in zijne menschwording. Het is zijn wil, zij a hart, dat alles heeft geschikt, alles heeft geregeld in dit geheim. Laat ons, om dit wonder van nederigheid wel te waardeeren, vijf trappen onderscheiden, waardoor\'de Zoon Gods reeds bij zijn intreden in de wereld tot het diepste peil der vernedering gedaald is: Hij is mensch geworden; Hij heeft de gedaante eens slaafs aangenomen; Hij is vleesch geworden; Hij heeft de gelijkenis der zonde aangenomen ; Hij heeft zich vernietigd. Wie kan dezen afgrond peilen? Een God mensch geworden. God van God, licht van licht, ware God.... gelijk in wezen met den Vader, door wien alle dingen gemaakt zijn. En die groote God, dat aanbiddelijk beginsel aller grootheid, wat wordt Hij? Homo factus est. Niet een God, die engel wordt, de vernedering ware reeds oneindig, hij daalt tot de menschelijke natuur. Buigen wij hier de knieën, buigen wij onzen geest even diep neder als ons lichaam, om hem te onderwerpen aan het geloof van een ongeloofelijk geheim. Wie zal den afstand durven meten tusschen God tot den mensch? Maar men is mensch op den troon, zoowel als in de laagste rangen der menschelijke samenleving. Heeft God voor zich een dier standen gezocht, waaraan het gezag toebehoort of waaraan althans de rijkdom eene soort van onafhankelijkheid waarborgt? Neen, Hij koos den laagsten, den armsten, den meest onderworpen stand. Hij heeft de gedaante van een slaaf aangenomen.
Het Woord vleesch geworden. Ziedaar wat mij met schaamte overdekt. Met den H. Joannes verhef
78
ik miinen blik tot in den schoot der Godheid. In het begin zoas het Woord en het Woord was hij God en het Woord was God! Welke majesteit, welke luister! Maar weldra is al die glorie verdwenen; dit Woord Gods, waardoor alles gemaakt is, ziedaar dat Woord zelf vleesch geworden: Verhum caro factum est. Hadde Hij dan slechts eene menschelijke ziel aangenomen als beeld van God, onsterfelijk als God! Neen, Hij neemt ook ons vleesch. Hij sluit met dat vleesch zulk een nauw verbond, dat men om dit uit te drukken, moet zeggen: Het Woord is vleesch geworden En dit vleesch neemt Hij, niet zooals het zijn zal als Hij uit het graf zal verrijzen, glorierijk en onlijdelijk, niet zelfs zooals het den eersten mensch gegeven werd in al de kracht en bloei der jaren... Hij neemt het in al deszelfs zwakheden , onderworpen aan al de kinderlijke hulpeloosheid , aan alle behoeften, aan den dood!
Is dit vernedering genoeg? Nog niet: Hij heeft een vleesch aangenomen, gelijk aan datgene, dat aan de zonde onderworpen is. Na de zonde is niets verachtelijker dan de schijn der zonde. De Zoon Gods, die de zonde niet kon aannemen, wilde den schijn daarvan aannemen. In zijne Besnijdenis, zijn Doopsel, maar vooral in zijn lijden schijnt Hy minder zondaar, dan de zonde zelve te zijn. Hy kan niet dieper dalen; en om een denkbeeld te geven van die vrijwillige vernedering, blijft ons slechts het woord van den H. Paulus: Hij heeft zich vernietigd.
Inderdaad, een God verborgen in zijns moeders schoot, een God als pasgeboren kind, een God die niet op eigen voeten steunen kan, een lijdende,
79
een stervende God, een God, die alles ontbeert, een God, die het medelijden opwekt en aan de zondaars gelijk is geworden, is dit nog een God ? Het is een vernietigde God. Exinanivit semetipmm. Ziedaar de eerste schreden van mijn goddelijken Koning in den oorlog, dien Hij den hoogmoed aandoet. Het gevolg zal aan het begin gelijk zijn.
II Punt. Jezus volmaakt toonbeeld van nederigheid in geheel den loop zijns levens. Elk geheim, dat Hij vervult, elke toestand, dien Hij doorleeft en dien Hg zelf aldus heeft uitgekozen, getuigen zijne voorliefde voor de vernedering. Hij wordt in eenen stal geboren, eene kribbe is zijne wieg. In zijne besnijdenis ontvangt Hg het kenmerk der zondaars. Hij vlucht naar Egypte, Hij, de almachtige, vlucht voor een zwak sterveling! Het grootste gedeelte zijus levens brengt Hij door in het huis van een handwerksman, in de uitoefening van een nederig handwerk; Hij eet zijn brood in het zweet zijns aanschijns. Zijne voorliefde voor de nederigheid verlaat hem nooit. Iemand wil Hem vleien door Hem Goeden Meester te noemen. Hij antwoordt koel: God alleen is goed. Verricht Hij mirakelen, Hij verbiedt er van te spreken. Men wil Hem tot koning uitroepen: Hij neemt de vlucht. Hij verandert van gedaante op Thabor\'s kruin. Hij verbiedt hun, die getuigen waren zijner glorie, hiervan te spreken tot na zijne verrijzenis. De begeerte, om zich te vernederen, neemt steeds toe, doch bij zijn lijden kent zij geene grenzen meer. Dan vertoont Hij zich inderdaad, zooals de profeten Hem hadden aangekondigd: de man van smarten, de mensch onder de hand des Heeren vernederd en
80
geslagen, de laatste der menschen, minder een mensch, dan een worm, dien men onder den voet vertrapt. Hij smachtte naar hoon en verguizing; Hij werd er mede verzadigd.
Ik heb den Heer beloofd, Hem te volgen, waarheen Hij ook mocht gaan. Thans weet ik, waarheen Hij gaat; Hg snelt met reuzentred vooruit op den weg der vernedering. Niet alleen wil Hij de achting der menschen niet; maar Hij zoekt hunne verachting en vervolgt die met vurigheid. Welaan dan, mijne ziel, kunt gij een oogenblik weifelen? Vreest gij u te vergissen, als gij uw oordeel regelt naar dat van Jezus-Christus ? Indien gij dien vernietigenden God-mensch aanbidt, dan moet gij alles, wat Hg bemint, ook beminnelijk vinden? O beschouw dan de vernederingen door zijne oogen, in zijne onfeilbare waarheid, en leer van zijn Hart, hoezeer zij uwe liefde waardig zijn.
16de OVERWEGING.
de nedk11igheid. — hare uitmuntendheid.
I. In zich-zelve.
II. In hare vruchten.
I Punt. De nederigheid is eene uitmuntende deugd in zich-zelve beschouwd. Het is de waarheid, de rechtvaardigheid en eenigermate de geheele godsdienst des christens.
1. Men kan nooit genoeg dit woord der H. Theresia
81
overdenken: »De nederigheid is de waarheidquot;, niet eene beschouwende waarheid, maar eene waarheid, die uit het verstand, dat zij verlicht, overgaat in liet hart, waarvan zij de genegenheden geleidt en heiligt. Bij het licht van dien fakkel ontdekt de mensch, hoe God alles, hoe volkomen nietig de schepselen en hij zelf zijn, en volgens deze kennis regelt hij zijne achting, zijne verachting, zijne liefde en zijnen haat. De engel viel uit hoogmoed, omdat hij niet in de waarheid volhardde, en hij viel, omdat hij zich door den leugen liet overmeesteren. »Dat de waarheid in u heerschequot;, zegt de H. Bernardus; laat zg uwe gedachten besturen en u de zaken toonen, gelijk zij zijn, en de ijdelheid zal er geene plaais in vinden. Ongelukkig vlieden wij de waarheid, omdat zij ons vernedert, hoewel het juist is, omdat zij ons vernedert, dat zij ons ter zaligheid strekt.
O kostbare vernederingen, ik vrees u en ik moest u begeeren! Hoe goed zijt Gy, o mgn God, als Gy mij meer geeft dan ik zelfs den moed heb, U te vragen! Ja, hij, die dezen weg kiest, kent wel zijne eigene belangen. Een heilig priester zegde: Zoolang ik gedrukt ga door mijne ellende, zal ik zonder ophouden zeggen: gelukkige ellende, waarvan het gevoel my beschaamt voor God en mij vernedert voor de menschen! Indien gij mij noodzakelijk zijt, wil ik u niet ruilen voor de verdiensten en de deugden van anderen. Liever wil ik zoo zijn, als ik wezen moet, om nederig te worden. Ik verzaak zelfs aan alle genaden, die mij van dit voordeel zouden be-rooven, en om het niet te verliezen, wil ik beroofd, blijven van al het overige.quot;
CH. II. 6
82
2. De nederigheid is de rechtvaardigheid. De nederige geeft ieder, wat hem toekomt, Eer aan wie eer toekomt (1). Hij heeft deze godspraak verstaan: De wijze roeme niet op zijne wijsheid, noch de sterke op zijne kracht, noch de rijke in zijne schatten; maar dat hij die roemt, zijne glorie stelle in mij te kennen en te weten, dat ik de Heer hen, die barmhartigheid en oordeel en rechtvaardigheid uitoefen in de geheele wereld (2). Heeft hij eenige verdiensten verworven, eenig goed verricht, zoo brengt hij hulde aan Hem, die den wil en de macht geeft. Wat hem-zelvea betreft, zoo deed hij slechts, wat hij moest doen; en heeft hjj het wel gedaan ? Hij weet daarenboven wat hem verschuldigd is voor zoovele bedreven fouten, voor zoovele dagelijksche misslagen; hij weet tot welke misdaden hij in staat ware, zoo de hand des Heeren hem niet steunt. Hieruit ontstaan die nedei\'ige gevoelens, die hij van zich-zelven heeft.
3. De nederigheid is volgens de meening van den H. Augustinus geheel de godsdienst van een leerling van Jezus-Christus. De verschillende plichten ■van den christen, zijne verschillende deugden schijnen slechts verschillende vormen van nederigheid; het gebed is de verootmoediging van den mensch, dis zijne diepe ellende en de oneindige grootheid Gods erkent, alles van Hem en van Hem alleen verwacht; het geloof is de nederigheid van het verstand, dat, verzakende aan zijn eigen licht, nederbuigt voor de gedachten van God en het gezag zijner H. Kerk; de gehoorzaamheid is de nederigheid van den wil,
(1) Rom. 13, 7. (2) Jerem. 9, 23, 2J.
83
die zich onderwerpt aan een vreemden wil; de kuisch-lieid is de nederigheid van het vleesch, dat zij onderwerpt aan den geest; de uitwendige versterving is de nederigheid der zinnen; de boetvaardigheid is de nederigheid van alle hartstochten, die zij wederhoudt eu slachtoffert.
II Pont. De nederigheid is eene uitmuntende deugd, beschouwd in hare vruchten. De genade, de vrede, de glorie voor tijd en eeuwigheid. Als het geloof mij leert, dat de vrijwillige vernedering zulke groote voordeelen bezorgt, is het dan niet vreemd, dat ik mij-zelven moet opwekken, om ze geduldig te verdragen ?
1. De genade. Uwe zonden hebben een nevel doen oprijzen tusschen u en den Heer. Wilt gij, dat uw gebed die wolken doordringe, het oor eu het Hart treffe van den Allerhoogste, om verhooring te vinden? Slechts éeue zaak blijft u te doen: verneder u. Even als de magneet het ijzer, zoo trekt de nederigheid de genade tot zich; is de genade eene bron van levend water, dat springt ten eeuwigen leven, zoo is de nederigheid het vat, waarmede men het water put; en even als het vat zich niet vult, dan wanneer men zich nederbuigt tot de fontein, zoo wordt de ziel niet met God vervuld dan door zich te vernederen tot haar niet.
2. Dé vrede met God. Hebt gij Hem beleedigd? De nederigheid verzoent u met Hem; want deze deugd kan alles herstellen. Zij bevredigt den Heer in zijnen hoogsten toorn, en neemt de plaats der onschuld in; zij dwingt Hem, om zoo te spreken, ons ondanks al onze gebreken te beminnen. Hij
84
kan haar onze vergiffenis niet weigeren, »Zoon des menschen, hebt gij Achab voor mij verootmoedigd gezien ? Het is gedaan, ik ben ontwapend; de straffen, waarmede ik hem bedreigd heb, zullen gedurende zijn leven niet gebeuren. (1) De vrede met den naasten. Terwijl de hoogmoed verbittert en verdeelt, verteedert en vereenigt de nederigheid de harten. Hoe zou men toch dengene niet beminnen, die zich-zelven vergeet om aan anderen te denken, en slechts twist om de laatste plaats? De vrede met zich-zelven. «Leer van mij, dat ik zachtmoedig en ootmoedig van harte ben; wees dit zelf en gij zult de rust uwer ziel vinden.quot; De vrede is die rust, welke ontstaat uit de orde; welnu niets is beter geregeld dan eene nederige ziel; achting, minachting, vrees, begeerte, alles is op deszelfs plaats; zij heeft de stormen en ontroeringen, door den hoogmoed opgewekt, niet te doorstaan.
3. Eindelijk, de glorie door de nederigheid. Omtrent de toekomende wereld is er wel niemand, die er aan twyfelt. Wat toch is stelliger dan het god-delgk Woord? Ja, hij die zich vernedert, zal verheven worden. Van den afgrond zijner ellende tot den troon der onsterfelijke glorie. Maar gelooven wij wel vast genoeg, dat reeds in dit tegenwoordig leven, onze grootheid geëvenredigd is aan onze nederigheid, en dat ons vernederen voor God inderdaad gelijk staat met ons-zelven in dezelfde mate te verheöen. Ziehier het eenvoudig bewijs: De glorie van den mensch bestaat in het volbrengen van het doel,
(1) III Keg. 21, 29.
85
waartoe hg bestaat. Dit doel is zeer edel; want hij bestaat slechts om God te verheerlijken en de glorie van God is oneindig waardig en uitmuntend. Hieruit volgt, dat de mensch, die waarlijk groot is, diegene is, die God het volmaakst verheerlijkt; en het is klaarblijkelijk, dat de vernedering, vrijwillig omhelsd of zelfs gezocht ter liefde van God, het beste middel is, om zijne glorie te bevorderen, daar het mensch geworden Woord, de eeuwige wijsheid, in deze wereld komende ter verheerlijking zijns Vaders, met voorliefde dit middel gekozen heeft. De mensch is groot, naarmate hij meer of minder gelijkt op Jezus-Christus , die geheel de glorie onzer menschheid is; nu, daar de liefde tot de vernedering het eigenlijk kenmerk is vau het Vleesch geworden Woord, is niemand meer aan Hem gelijk, dan hij, die naar zijn voorbeeld de dwaasheid van het kruis omhelst. Wat aarzelen wij dan? Waarom keeren wij ons verlangen naar grootheid niet geheel naar deze zijde.
17de OVJERWEGING.
DE NEDERIGHEID. — (Vervolg).
Zich-zelven verachten door de kennis, die men heeft van zijne eigene nietigheid, met geduld en zelfs met vreugde de minachting, die men verdient, aannemen, uit liefde tot de waarheid en de rechtvaardigheid, is nederig ziju; zich houden in dezelfde
86
gesteltenis des harten te midden van eer en bewondering is de nederigheid in hare grootste moeielijkheid en volmaaktheid.
I. Niets is waarlijk grooter.
II. Niets is noodzakelijker.
III. Niets is waarlijk voordeeliger.
IVquot;. Niets is rechtvaardiger en billijker.
I Punt. Niets grooter, niets edeler dan de nederigheid. Zij deelt mij de meest verheven, de nuttigste wetenschap mede, de ware en gelukkige vrijheid der kinderen Gods, de glorierijkste afhankelijkheid. Wie is onwetender dan hij, die zich-zelven niet kent? wie is grooter slaaf, dan hij, die zich boeit aan de achting der schepselen? — Zij geeft mij eene bewonderenswaardige gelijkenis met Jezus-Christus t dien de H. Paulus heeft geschetst met dezen enkelen trek: Hij heeft zich vernietigd. Indien ik behagen vind in den staat van vernietiging, dien Hij heeft gekozen, heb ik de gevoelens van mijnen Zaligmaker, behoor ik Hem toe, word ik als zijn afbeeldsel. Lucifer had gezegd: Ik zal opstijgen, ik zal mijnen troon verheffen boven de sterren, ik zal gelijk zijn aan den Allerhoogste.quot; Hij werd in het diepste dei-hel gedompeld. Ik voor mij wil mij dan vernederen, ik zal de verootmoediging kiezen, en mij-zelven meer en meer verachtende, zal ik ook meer en meer gelijk worden aan den God ter mijner liefde vernietigd, en deel nemende aan zijne verguizingen, zal ik ook deel krijgen in zijne glorie. De nederigheid is als de ladder, waarlangs God tot ons nederdaalde; langs haar zal ook onze nietigheid opstijgen tot God.
87
II Punt. De nederigheid is volstrekt noodzahelijh. Als ik deze deugd niet bezit, is miju leven minstens uutteloos. Ik leef dan niet voor God, maar voor de wereld en voor mij-zelven. Misschien zijn mijne werken iets in schijn, doch zij missen alle verdiensten , daar de geest van Jezus-Christus ze niet bezielt. Kan God beloonen wat slechts de vrucht is eener eigenliefde, die Hij verafschuwt? O welke wroeging bereid ik mij voor mijn laatste uur; hoe pijnlijk zal het zijn dan tot mij-zelven te moeten zeggen : Moest ik dan met zoo veel moeite ivind zaaien
oo
om storm te maaien, dien vreeselijken storm van Gods toorn? Moest ik, onder zoo vele ij dele zorg en vermoeienis, eene schim najagen en, om haar te grijpen, de goederen der hemelsche glorie laten ontsnappen?
Zonder nederigheid is mijn leven eene aaneenschakeling van lijden, ben ik voortdurend in strijd met mijn geweten en mijn geloof, en door wroeging verscheurd. Alles beschuldigt mij in den religieuzen staat, de troostrijkste geheimen doen mij de wreedste verwijtingen. Kan ik denken aan den God der kribbe, den God van Kalvarië, zonder te blozen, zonder te sidderen, overtuigd, dat ik zijn leerling niet zijn kan, zoo ik zijn navolger niet wezen wil?
Zonder nederigheid is er voor mij noch heiligheid, noch zaligheid. Alles wordt voor mij eene gevaarvolle klip, alles sleept mij tot mijn eeuwig ongeluk. Voorspoed blaast my op, tegenspoed drukt mij neder, het onberispelijke van mijn gedrag vermeerdert mijne verwaandheid, mijne schijnbare deugden zijn ondeugden, men prijst mijnen ijver, ik bedel den lof der
88
menschen... De hemelsche gunsten zelfs zijn voor I
mij niet zonder gevaar, de gave der tranen, de gave i zwa
van voorzegging zouden voor mijne ziel een doodelijk I doo
vergif wezen. 1 veil
III Punt. Onwaardeerbare schatten in de nederig- f vre
heid besloten. O mijne ziel, overweeg deze woorden 1 ren
van den godvruchtigen schrijver der Navolging: God 1 ze^
beschermt den nederige en verlost hem: Hij bemint E kei
den nederige en vertroost hem; Hij buigt zich tot 1 zo(
den nederige en overlaadt hem met zijne genade; t H(
en na zijne verootmoediging verheft Hij hem in de i ik
glorie. Aan den nederige openbaart Hij zijne ge- t tn
heimen; Hij roept hem en trekt hem liefdevol tot | zii
zich (1). Van alle zijden zie ik slechts gevaren; ter [ vc
rechter, ter linkerzijde, in arbeid en rust, hoevele j se
vijanden rond mij, terwijl de gevaarlijkste in mij- t w
zeiven zijn! Doch zoo God mij verdedigt, zoo Hy 1 k
mijn beschermer wil zijn, wat heb ik dan te vreezen? 1 g1
Kan Hij mij niet beschutten voor elk gevaar, en mij, | n
zoo noodig, verlossen van de poorten der hel ? Hij l, z;
zal dit doen, als ik ootmoedig ben: Humilem Deus 1 g
protegit et liberat. Al heb ik noch de achting, noch | o
de liefde der schepselen, wat verlies ik ? Ik zal door i I
God bemind worden; is dit niet het grootste geluk ? 1
Door God bemind, het bijzondere voorwerp zijner | i
liefde. Apostelen , martelaren, gelukzaligen uit allen | 1
stand en rang, wat hebt gij niet gedaan, niet op- | i
geofferd, om dit geluk te verkrijgen! Het behoort 1
mij, indien ik slechts wil; de nederigheid zal het 1 mij verwerven: Humiiem Deus diliget. —- Vrees ik
89
droefheid, ziekten , verlatenheid mijner vrienden, de zwaarste offers des harten ? Goi zal mij troosten , door mij te doen begrijpen, dat de eenige weg, die veilig tot het eeuwig leven en een voortdurenden vrede geleidt, de weg des kruises en der voortdurende versterving is. Ik zal Hem tot mij hooren zeggen, dat Hij mijne tranen ziet, mijne begeerten kent, mij slechts uit liefde beproeft. 0 welk een zoete troost! Hamilem consolatur. Doch ik heb den Heer vergramd, ik heb Hem van mij verwijderd, ik ben in den afgrond der zonde gevallen. Welnu, treffend beeld! indien ik mij verneder, buigt fiod zich tot mij, Hij neigt zich tot mijne ellende, Hij vernedert zich, om mij op te heffen: Humili homini se inclinat, hetgeen den H. Augustinus dit verbazing wekkend woord doet zegcren: dat de ootmoed in het
OO
kwaad God aangenamer is, dan de hoogmoed in het goede. Wat ontbreekt mij dan, zoo ik slechts ootmoedig ben? De genade? God wil ze mij geven, zijne groote genaden zijn voor mij! Humili largetur gratiam magnam. De glorie ? Zij volgt de vernedering op den voet. Post ejus depressionem lecat ad gloriam. De wetenschap, die verlicht, de liefde, die ontvlamt ? God noodigt mg, mij met Hem te vereenigen, trekt mij liefdevol tot zich, en openbaart mij reeds iets van zijne heerlijke volmaaktheid. O kostbare nederigheid , ziedaar dan wel den rijkdom, dien gij mij mededeelt: Humili sua secreta revelat et ad se dul-citer traint et in vit at.
IV Punt. De nederigheid is billijk en rechtvaardig. Wij beschouwen deze deugd in hetgeen zij moeielijkst, maar tevens uitmuntendst heeft; wij beschouwen de
1 -fr
• MH
1 r
!::i
. ifl vi i
90
nederigheid in de grootheid, de ootmoedigste ge-Toeleus van zich-zelven in de hoogste verheffing, bij den schitterendaten uitslag onzer werken, in de ver-hevenste heiligheid. Het was uit nederigheid, dat Jezus-Christus al de wonderwerken, die Hij verrichtte, toeschreef aan zijnen hemelscheu Vader, dat Maria zich de dienstmaagd des Heeren noemde, toen zij zijne Moeder werd, en zich verdiepte in haar niet, naar mate God haar hooger verhief; dat de HH. Petrus en Joannes, na het verrichten van een groot wonder, tot de hen bewonderende Joden zegden: »Waarom verwondert gij u, als ware het door onze macht, dat wij dien mensch doen gaan ? Het is de God onzer vaderen, die zijnen Zoon Jezus verheerlijkt heeft.quot; Het was uit ootmoed, dat alle apostolische mannen, na ontelbare bekeeringen en verbazenden arbeid, zich in volle overtuiging uuttelooze dienaars noemden en zich onder het getal der grootste zondaars rangschikten.
Deze gesteltenis is intusschen allerbillijkst. Even als in Jezus-Christus, de heilige menschheid niets vermocht dan in vereeniging met zijne godheid, even zoo vermogen de menscheu, wie zij ook mogen zijn, niets zonder hunne vereeniging met den Zoon Gods. »Ik ben de wijngaard, gij zijt de takken; de takken kunnen slechts vruchten dragen in zooverre zij met den wijngaard verbonden zijn; even zoo zult gij geene vruchten dragen, zoo gij in mij niet blijft. Aldus eischen rede en verstand, dat ik met den H. Paulus besluite. Waarover beroemt gij u? Wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt? Neen, het is noch hij, die plant, noch hij, die besproeit, die iets
91
vermag, het is God, die kracht en wasdom geeft. De heiligen, die het hoogst verheven zijn door de genade, waren, tot de grootste misdaden in staat, en zij moesten zich des te meer verootmoedigen, naarmate zij meer door den Hemel begunstigd werden ; want al deze genaden vermeerderden hunne verantwoordelijkheid. Aan ü dan, onsterfelijke Koning aller eeuwen, onzichtbare God, aan ü alleen eer eu glorie, nu en in eeuwigheid.
18de OVERWEGING.
iieï mknschgewoeden woolld leert ons de maagdelijke zuiverheid hoogschatten.
I. Liefde van Jezus-Christus voor de maagdelijke zuiverheid.
II. Beweegredenen om die te beminnen.
I Punt. Liefde van Jezus voor den maagdelijken staat. Drie woorden van den H. Bonaventuru kunnen ons daarvan het denkbeeld geven: Hij wilde maagd, de zoon eener maagd , de bruidegom der maagden zijn.
1. Jezus-Christus was maagd. Toen de Zoon Gods zich wel met onze menschheid wilde vereeuigen, versierde Hij haar in zijn persoon met eene onvergelijkelijke zuiverheid. Zijne gelukzalige ziel, die van bet eerste oogenblik zyner schepping eeu volkomen gebied nam over een lichaam, dat het werktuig moest worden van zoovele wondervolle werkingen,
90
nederigheid in de grootheid, de ootmoedigste gevoelens van zich-zelven in de hoogste verheffing, bij den schitterendsten uitslag onzer werken, in de ver-hevenste heiligheid. Het was uit nederigheid, dat Jezus-Christus al de wonderwerken, die Hij verrichtte, toeschreef aan zijnen hemelscheu Vader, dat Maria zich de dienstmaagd des Heeren noemde, toen zij zijne Moeder werd, en zich verdiepte in haar niet, naar mate God haar hooger verhief; dat de HH. Petrus en Joannes, na het verrichten van een groot wonder, tot de hen bewonderende Joden zegden: «Waarom verwondert gij u, als ware het door onze macht, dat wij dien mensch doen gaan ? Het is de God onzer vaderen, die zijnen Zoon Jezus verheerlijkt heeft.quot; Het was uit ootmoed, dat alle apostolische mannen, na ontelbare bekeeringen en verbazenden arbeid, zich in volle overtuiging nuttelooze dieuaars noemden en zich onder het getal der grootste zondaars rangschikten.
Deze gesteltenis is intusschen allerbillijkst. Even als in Jezus-Christus, de heilige menschheid niets vermocht dan in vereeniging met zijne godheid, even zoo vermogen de menschen, wie zij ook mogen zijn, niets zonder hunne vereeniging met den Zoon Gods. »Ik ben de wijngaard, gij zijt de takken; de takken kunnen slechts vruchten dragen in zooverre zij met den wyngaard verbonden zijn; even zoo zult gij geeue vruchten dragen, zoo gij in mij niet blijft. Aldus eischen rede en verstand, dat ik met den H. Paulus besluite. Waarover beroemt gij u? Wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt1? Neen, het is noch hg, die plant, noch hij, die besproeit, die iets
91
vermag, het is God, die kraclit en wasdom geeft. De heiligen, die het hoogst verheven zijn door de genade, waren tot de grootste misdaden in staat, en zij moesten zich des te meer verootmoedigen, naarmate zij meer door den Hemel begunstigd werden; want al deze genaden vermeerderden hunne verantwoordelijkheid. Aan ü dan, onsterfelijke Koning aller eeuwen, onzichtbare God, aan ü alleen eer en glorie, nu en in eeuwigheid.
18de OVERWEGING.
het menschgeworden wooiid lee11t ons de maagdelijke zuiverheid hoogschatten.
I. Liefde van Jezus-Christus voor de maagdelijke zuiverheid.
II. Beweegredenen om die te beminnen.
I Pünï. Liefde van Jezus voor den maagdelijken staat. Drie woorden van den H. Bonaventura kunnen ons daarvan het denkbeeld geven: Hij wilde maagd, de zoon eener maagd, de bruidegom der maagden zijn.
1. Jezus-Christus was maagd. Toen de Zoon Gods zich wel met onze menscbheid wilde vereenigen, versierde Hij haar in zijn persoon met eene ouver-gelijkelijke zuiverheid. Zijne gelukzalige ziel, die van het eerste oogenblik zijner schepping een volkomen gebied nam over een lichaam, dat het werktuig moest worden van zoovele wondervolle werkingen,
92
liet aan het licliaam, van al onze zwakheden, slechts het lijden en den dood. De maagden vormen zich naar dit voorbeeld, het vleesch als het ware aan het vleesch onttrekkende, om zich een geheel geestelijk leven te geven. Dan, terwijl de andere maagden dit slechts zijn door een heilig geweld, der natuur aangedaan, was de maagdelijke reinheid den Zaligmaker even natuurlijk, als de blankheid aan de lelie. Zij zijn slechts rein in zekere mate; Hij alleen is rein tot een oneindigen graad van volmaaktheid. Zij hebben zich uit eigen kracht niet tot dien staat kunnen verheffen, die boven \'s menschen kracht l;igt; Hij alleen verhief zich daartoe door zich-zelven, in zich de kiem zijner zuiverheid dragende. En bemint Hij deze deugd in zich-zelven, zoo bemint Hij ze ook in allen, die tot Hem naderen.
2. Jezus-Christus, Zoon eener maagd. De H. Leo zegt, dat Hij de Zoon der maagdelijkheid is, en de H. Ambrosius geeft hiervan tot uitleg, dat Hij, zoowel in de eeuwigheid als in den tijd, op geheel maagdelijke wijze geboren is. De schoot, waarin Hij voor alle eeuwen werd ontvangen is de godheid zijns Vaders, de schoot, waarin Hij in de volheid der tijden werd ontvangen, is de maagdelijkheid zijner moeder.
Maria wil het goddelijk moederschap weigeren, zoo dit niet kan samengaan met haar besluit van altijd maagd te blijven, hetgeen juist de keuze van God op haar trok; om de achting te toonen, welke Hij toedraagt aan deze, door de menschen zoo weinig gewaardeerde deugd, heeft Hij geëischt, dat zijne moeder niet alleen heilig, niet alleen onbevlekt ontvangen en onbevlekt in geheel haar leven ware,
93
■S lil\'
zij moest ook maagd zijn. Door dis glorievolle hoedanigheid zal zij onderscheiden en geroemd worden. Van geslacht tot geslacht zal men Haar de Maagd Maria, de Allerheiligste Maagd, de Maagd der Maagden noemen. Hare maagdelijkheid, zegt de H. Bernardus, is die bekoorlijkheid, welke den Zoon Gods in haren schoot doet nederdalen. Hierdoor verdient zij hare onbegrijpelijke waardigheid, voor zooverre deze verdiend kon worden.
3. Jezus-Christus, bruidegom der maagden. Toen Hij dezen staat van volmaaktheid op aarde vestigde, is Jezus niet slechts de koning, doch ook de Bruidegom der maagden geworden. Hij toont dit door de gunsten, welke Hij haar voorbehoudt. De maagden hebben het recht met de Bruid van het Hooglied te zeggen: »Mijn beminde is aan mij en ik ben aan Hem! Zij zijn nauwer met Jezus-Christus verbonden, dan de andere rechtvaardigen; Jezus-Christus behoort haar meer toe. Alles verlaten hebbende, om Hem te volgen, geeft deze verwijdering van alle schepselen, uit dergelijke beweegreden, haar een glans van schoonheid, \'die het Hart van den hemelschen Bruidegom bekoort. Hoor, mijne dochter, en neig uw oor; vergeet het huis uws vaders, verzaak aan alle zelfs geoorloofde, menschelijke genegenheden, en de. koning zal verrukt zijn over uwe schoonheid. (1)
\' md --\'
imi
• ■ , -*■
i \'■■■ ca
■i\' \'i-
,] i:;
r:
.■I
Wie beminde Jezus, na Maria, meer dan deu H. Jozef? Wie kreeg meer deel aan zijne goddelijke liefkozingen ? Hij was maagd en de bewaarder dei-maagdelijke reinheid van Maria. Onder de Apostelen,
(l) Ps. tó, 12, 13.
94
die allen de voorliefde des Zaligmakers genoten, was er nochtans één, die verdiende zijn vriend bij uitnemendheid genoemd te worden en te zijn; het was hij, die zich volmaakter maakte door de zuiverheid. Als de H. Joannes, bij het laatste avondmaal, met al de ongedwongenheid der vriendschap, zijn hoofd laat rusten op de borst zijns Zaligmakers, als hij Hem vrij ondervraagt, wanneer Petrus zelf niet durft spreken, als de geheimen der toekomst hem ontsluierd worden, zoo zijn al deze gunsten de belooning zijner eeuwige zuiverheid. Hetzelfde mag gezegd worden, omtrent de buitengewone eer, die hij genoot van Jezus plaats bij Maria te mogen vervullen. In de geschiedenis der Heiligen, ziet men altijd den Bruidegom der maagden diegenen met de meeste gunsten overladen, die de grootste liefde voor de maagdelijke reinheid gehad hebben; de H. Bernardus, de H. Antonius van Padua, de H. Aloysius, de H. Clara, de H. Scholastica, de H. Theresia leidden het leven der engelen.
De voordeelen van die hemelsche deugd bepalen zich niet tot het tegenwoordig leven. \' In de reien
O O
der gelukzaligen zullen zij alleen worden uitgekozen tot het vormen van den hofstoet van het Lam, op wier voorhoofd de straalkrans der maagden zal schitteren. Zij zullen Hem volgen, waarheen Hij gaat; zij zullen dat eeuwig lied zingen, dat de maagden alleen kunnen aanheffen. Voor haar zullen vreugden bestaan, geheel verscheiden van die der overige gelukzaligen. Mijn God, doe mij mijne heilige roeping waardeeren.
95
II Punt. Beweegredenen, die ons aanzetten tot liefde voor de maagdelijke zuiverheid. Reeds hebben wij de krachtigste beweegreden overwogen, welke bestaat in de voorliefde, welke Jezus-Christus voor haar had. Doch, daar zij in ons tot een hoogen graad moet stijgen, zullen wij ons eenige redenen in het geheugen roepen, waarom zij bijzonder onze liefde verdient.
1. Hare uitmuntendheid. De maagdelijke reinheid wordt slechts door edelmoedige zielen begrepen. Dit is de reden, waarom zij in de eerste tijden der wereld niet geopenbaard werd. Een Godmensch alleen kon haar op aarde vestigen; en Hij vestigde ze als raad,
niet als gebod; zij was te verheven, zegt de H. Ber-nardus, om geboden te worden.
2. Hare schoonheid. In de geestelijke en zedelijke orde is zij, wat in de stoffelijke orde de verscheidenheid der bloemen, het groen der weiden, de glans van het goud, het schitterende, van den diamant is, of,
om beter te spreken, is er onder al deze ondermaan-sche zaken niets, dat met haar kan vergeleken worden.
De schoone deugd, ziehier haren naam. Waar zij is, bemint men haar, waar zij verloren is, betreurt men haar. Hare kroon werpt den zuiversten glans,
Hare zegepraal duurt gedurende alle eeuwigheid.
3. Hierbeneden is zij een voorsmaak van het hemelsch leven. Zalig de zuivere! Hij geniet bij voorbaat de voordeden der verrijzenis, hij is reeds thans, wat wij eenmaal zijn zullen, hij leeft in de wereld, zonder zich met het stof der wereld te bezoedelen. Hij staat gelijk met den engel in waardig- ■ ïil
heid en overtreft hem in verdiensten. De H. Ambrosius
\'
ujaraEp
\'■■\'la -
i
jiltSifSS ISfeViii;
; vSf
wii
1
96
zegt tot de maagden: Dat het u niet verwondere, dat de engelen voor u strijden, daar gij zelve met de engelen strijdt onder het banier der maagdelijkheid; de zuiverheid vormt de engelen; zijn de gelukzalige geesten de maagden des hemels, zoo zijn de maagden de engelen der aarde. De eersten leven buiten het vleesch, de laatsten zegevieren in het vleesch.
4. De maagdelijke zuiverheid doet meer dan ons gelijk maken aan de engelen; zij geeft ons boven hen een soort voorrang. Zij zijn zuiver; doch is het wonder? Zij bestaan niet gelijk wij uit vleesch en bloed; zij zijn niet zooals wij, ten speelbal aan de stormen der begeerlijkheid, zij hebben spijs noch drank noodig; zij zijn ontoegankelijk voor alle verleiding , die onze zintuigen belegert.
Schooner is het, de zegepraal der engelen dooiden strijd te behalen, gelijk de maagden, dan haar te bezitten zonder ze gekocht te hebben, gelijk de engelen. Er ligt slechts geluk in engel te zijn, er ligt eene bewonderenswaardige deugd in maagd te zijn, en wat voor den eene een voorrecht der natuur is, is voor den andere de vrucht der heldhaftigste pogingen (1).
5. Deze deugd verheft ons tot God-zelven, daar zij in ons het beeld prent zijner onbederfelijkheid en ons deel geeft in zijn leven. Om het heerlijkst toonbeeld te vinden van deze deugd moet men opstijgen tot de godheid zelve, en in de H. Drievuldigheid eene zuiverheid beschouwen, die oneindig
(1) Pctr. Ghrysol
97
vruchtbaar, eene vruclatbaarheid, die de reinheid zelve is.
6. Hieruit vloeit die samensmelting van lofredenen voort, die de heilige kerkleeraars toegewijd hebben aan de maagdelijke reinheid. Zij noemen haar: de bloem van den godsdienst, den rijkdom der Kerk, de eer der menschelijke natuur, het stempel, gedrukt op het heerlijkste deel der kudde van Jezus-Christus, de verdubbeling onzer verdiensten, de vriendin van God, de zuster der engelen, de school aller deugden, het bezit aller goederen.... O maagdelijke reinheid, oneindig zijn uwe verdiensten; de onsterfelijke kroon behoort u toe; en zijt gij zelve reeds niet eene schitterende kroon ? Maagdelijke reinheid, tempel Gods, heiligdom van den H. Geest, kostbare parel, door zoo weinigen gekend, door nog kleiner aantal gevonden! O zuiverheid, leven der engelen, diadeem van glorie op het voorhoofd der nitverkoornen! Gelukkig hij, die u bezit, gelukkig hij, die, om u te behouden, edelmoedig de offers brengt, die gij vereischt; want nadat gij hem eenigen arbeid gekost zult hebben, zal hij in u eene onuitputbare bron van geneuchten vinden. Aldus spreken de H. Athanasius, de H. Cyprianus, de H. Ephrem, de H. Bernardus en de H. Laurentius Justinianus.
Tot voorbereiding en dankzegging der H. Communie moet gij God bedanken, u de liefde tot de heilige zuiverheid te hebben ingeboezemd. Bid Hem, die in u te vermeerderen. Betreur, dat gij Hem geene waardiger woning kunt aanbieden. Ach! kondet gij het onbevlekt Hart van Maria in plaats van het uwe leggen! Doch daar Jezus zelf de zuiverheid der CH. II. 7
v wBaiB8Bamp;:
mm
1 i ill
I
i
■il
Vj?
p li
98
maagden is, daar zijn Bloed dat gy gaat ontvangen, maagden kweekt, zoo smeek Hem, u te zuiveren
o \' \'
door de kracht van dit goddelijk Bloed en uwe zuiverheid voor immer onschendbaar te maken.
19de OVERWEGING.
geboorte van jezus-christus. — ztjnb aumoede.
Het menschgeworden Woord begint onzichtbaar zijn werkkring als Zaligmaker, van het eerste oogen-blik zijner ontvangenis, door zijne vernietiging voor zijnen Vader; Hij begint die uitwendig, bij zijne geboorte, door de oefening der volmaaktste armoede.
I. Hoedanig is de armoede van Jezus-Christus?
II. Hoe werkt zij mede ter onzer zaligheid?
1. Verbeeld u den verlaten stal, waarin de Zoon Gods geboren wordt. Beschouw dien van alle zyden. Wat vindt gij daar? Wat ontbreekt er? Wat laat tij te wenschen over voor het nuttige, het aangename, ja zelfs het eerst noodzakelijke?
2. Geef mij eene diepe kennis, o mijn God, van de gesteltenissen, die uwen Zoon bezielden bij zijne geboorte, en geef mg de gevoelens zijns harten, ten opzichte van rykdom en armoede.
I. Punt. Armoede van Jezus-Christus in het geheim zijner geboorte. Het is eene allerdiepste armoede ; zij gaat met lijden en vernedering vergezeld; zij is geheel vrijwillig.
99
1. Eene allerdiepste armoede. In den geest begeef ik mij naar de plaats dier geboorte, sedert veertig eeuwen verwacht. Wie anders kon denken, dan dat de Zoon des Allerlioogsten het licht zou zien in het heerlijkst paleis der wereld, dat het vorstelijk purper zijn eerste kleed zou wezen ? En wat zie ik ? Terwijl de behoeftigste mensch zelfs een dak heeft, dat hem schuilplaats biedt, wordt Hij gebannen in een verlaten stal, blootgesteld aan al het gestrenge van het jaargetijde. Slechte doeken, om Hem te dekken, eene kribbe, om Hem te dienen tot wieg, twee lastdieren, om Hem door hunnen adem te verwarmen. Aldus doet de Koning des heelals zijne intrede in het heelal, dat Hij komt verlossen.
Wel is waar, deze toestand van den Zoon Gods te Bethlehem was voorbijgaand. Hij zal daar niet immer blijven; neen, doch Hij zal altijd arm zijn, en even als Hij in zijne menschwording de nederigheid kiest, om haar nooit te verlaten, zoo kiest Hij, bij zijne geboorte, de armoede tot onafscheidbare gezellin. Zij zal Hem volgen in Egypte, te Nazareth, gedurende zijne prediking, overal, altijd. Op zijn dertigste jaar zal Hij gelijk op den eersten dag zijns levens kunnen zeggen: »De vossen hebben hunne holen, de vogels hunne nesten, doch de Zoon des menschen heeft geen steen om zijn hoofd op te doen rustenquot; (1). Op Kalvarië zal Hij zelfs geene arme doeken tot kleeding, geen glas water tot lessching van zijnen dorst meer hebben.
2. Armoede, vergezeld van lijden en vernedering; van lijden: hoevele ontberingen, hoevele opofferingen
(1) Luc. 9, 58.
100
legt zij Hem inderdaad op! Het eerste denkbeeld, dat men zich vormt van een arme, is dat van iemand, die lijdt door het gebrek aan het noodige; armoede zonder behoefte ware eene tegenspraak. Eveneens is het gesteld met de vernedering. Zij is als het verschuldigd erfdeel dier klasse, door eeue blinde wereld, die slechts naar den schijn oordeelt, veracht. Jezus is arm, Hij heeft behoeften, niemand beklaagt Hem, men denkt er zelfs niet aan; zoodra men Hem beschouwt als de zoon van een eenvoudig handwerksman, verwondert men zich niet, dat Hij leeft in ontbering. Het is zijn stand...
3. Deze armoede is vrij en ten volle vrijwillig. Het Kindje, dat ik aanbid in de armen dier van alle aardsche goederen beroofde moeder, is Hij, die alles gemaakt heeft, Perquem omnia facia sunt, aan wien alles toebehoort, Mea sunt omnia. Indien Hij het wilde, zou de aarde al hare schatten aan zijne voeten nederleggen, Hij zou met een enkel woord nieuwe werelden kunnen scheppen, alles is dus zijne eigene keuze. Is de luister der koninklijke familie van David, waarin Hij moest geboren worden, in verval geraakt, valt de tgd zijner geboorte samen met de reis zijner moeder, zijn de herbergen van Bethlehem zoo vervuld met gasten, dat men zijne moeder en voedstervader het intreden weigert, zoo zijn al deze omstandigheden vastgesteld in de eeuwige raadsbesluiten, ten gevolge zijner voorliefde tot de armoede.
»De mensch,quot; zegt de H. Bernardus, »kende den prys niet van deze deugd; doch de Zoon Gods, door hare bekoorlijkheid verrukt, kwam op aarde, vestigde
101
op haar de keuze zijner liefde, opdat zijn voorbeeld ons haar zou leeren achten en liefhebben.quot; Wat zag Hij dan zoo bekoorlijks in die armoede, die de menschen vluchten als een geesel? Het is klaarblijkelijk: de wereld dwaalt of Jezus-Christus bedriegt zich. Doch reeds zien wij,
II Punt. Hoe de armoede van Jezus-Christus ons ter zaligheid- helpt. De engel, die aan de herders te Bethlehem verschijnt en hen uitnoodigt zich te verheugen, geeft hun tot beweegreden: want u is een Verlosser geboren, en ziehier aan welke teekenen gy Hem zult erkennen: gy zult een kind vinden, in doeken gewonden, liggende in eene kribbe. Welk eene vreemde wijze, om een Verlosser aan te kondigen ! En nochtans is het waar, dat het deze doeken zijn, die arme stal, geheel deze pracht van armoede, als het ware, die ons redden. De drift tot rijkdom , die alle andere hartstochten, alle misdaden als vrucht van hoogmoed en zinnelijkheid, na zich sleept, was de doodelijke ziekte, waarvan wij moesten genezen worden; wij moesten gebracht worden tot die onthechting der aardsche, vergankelijke goederen, waardoor het hart bereid wordt tot de liefde der eeuwige goederen ; wij moesten leeren slechts te hopen in God, alles te verwachten van onze getrouwheid in zijnen dienst, en in zynen schoot al onze bekommernissen te werpen. Ware het genoeg geweest, ons te zeggen; Wee den rijken, zalig de armen? Zouden wij die leer gesmaakt hebben, zoo wij ze niet hadden bevestigd gezien door het voorbeeld van den God-mensch, oneindig krachtiger dan alle woorden? En hos zouden wij kunnen wederstaan aan
102
een Zaligmaker, die ons zegt: » Ware er in de armoede zooveel leed en in den rijkdom zooveel geluk te vinden, als gij meent, zoo zou ik dit gezien hebben. Ik kan slechts beminnen, wat goed, slechts haten, wat slecht is. Is uw oordeel onfeilbaar boven het mijne? De rijkdommen waren, wel is waar, voor mij zonder gevaar; ik had ze kunnen bezitten, zonder er mijn hart aan te hechten; zy zouden mij geen oogenblik hebben afgetrokken van den dienst mijns Vaders; doch voor u zijn zij vol gevaar; en het is, om u hiervan af te trekken, dat ik ze verre van mij verstooten heb, en terzelfder tijd sprak ik het dubbel »weequot; uit over hen, die ze beminnen en najagen; hierom heb ik het ware geluk beloofd aan de vrijwillige armoede, aan de onthechting aller aardsche goederen. Vergelijk nu datgene, wat ik heb gezegd, met hetgeen ik heb gedaan, en mogen mijne voorbeelden u mijne godspraken uitleggen!quot;
Een bijzonder voorrecht der religieuze professie is, de armoede van Jezus-Christus op volmaakter wijze te mogen navolgen. Er is in de wereld eene gedwongen armoede, die men betreurt en beklaagt; dusdanig is niet de armoede des Zaligmakers. Er bestaat eene christelijke, eene God aangename armoede , men bezit, als bezat men niets; het hart is onthecht; doch dit is nog de armoede niet van den Zoon Gods, die zich heeft willen berooven van alle bezit en allen eigendom. De religieus is de eenige ware navolger dier goddelijke armoede; die, welke ik omhels, is werkdadig, want ik verlaat alles; zij is vrijwillig, want zij wordt mij niet geboden.
103
Kan ik den Heer genoegzaam dankbaar zijn, mij hiertoe te hebben geroepen? O hoe eervol is mij mijne armoede, want zij is die van Jezus-Christus! Koe zoet, hoe beminnelijk is zij, daar zij mij zoo nauw met Hem verbindt! hoe dierbaar, hoe kostbaar is zij mij, daar zij mij recht geeft op het koninkrijk van Jezus-Christus!
20ste OVERWEGING.
schat der keligieüzis armoede.
I. Welke goederen bevat deze schat?
11. Wat moet ik doen, om dien te bezitten?
I Punt. De religieuze armoede is een rijke schat. Onze Zaligmaker, die in de uiterste behoeftigheid wilde geboren worden en leven, had het recht den loop zijner predikingen te openen met dit woord, dat de wereld moest verbazen: Zalig de armen! Doch waarin bestaat die zaligheid, dat geluk? In het tijdelijk, in het geestelijk, in het eeuwig leven.
1. Geluk in het tijdelijk leven. Dit bestaat in de uitsluiting van duizenden wederwaardigheden, die onscheidbaar verbonden zijn aan de liefde tot de aardsche zaken, en in de gerustheid aan den geest van armoede verbonden. Wat zie ik in de wereld ten opzichte des rijkdoms? Voortdurenden kommer, eindelooze zorg, angstige begeerten, gewaagde plannen, bitter harteleed, als men niet slaagt, pijnigend
104
verdriet als men verliest, wanhoop dikwijls na een volslagen ondergang. Is deze toestand houdbaar voor een mensch, die zijn hemelschen oorsprong en zijne verhevene bestemming kent? — Hij, die alles voor God verlaten heeft, die, gelijk het behoort, zijne roeping hoogschat, zoekt niets buiten zijn heerlijk erfdeel, Hij geniet den zoetsten vrede, hij rust in den schoot der Voorzienigheid; en terwijl hij niets begeert, ontbreekt hem niets. Hij heeft geene andere zorg dan den goeden Meester, aan wien hij zich heeft toegewijd, te beminnen en te dienen.
2. Geluk voor het geestelijk leven. Dit bestaat in eene overvloedige deelneming aan de gunsten van den H. Geest, in de gemakkelijkheid en de zoetheid van het verkeer met God. Ach, hoe pijnlijk valt het mij, altijd verstrooid, altijd koud te zijn in het gebed, bij de H. Communie! hoe vaak benijdde ik het lot dier zielen, die door niets worden afgetrokken in haar verkeer met den Hemel! Wanneer zal hel mij gegeven zijn. God en de zaken van God te smaken? — dan wanneer ik van alle aardsche zaken zal onthecht zijn. De geest van armoede, die datgene wegneemt wat den hoogmoed en de zinnelijkheid voedt, neemt ook de oorzaak weg van al onze gebreken en bereidt onze ziel voor alle deugden, alle hemelsche gaven.
Het hart der menschen is nooit zonder begeerte; zoodra het niet meer aan de aarde gehecht is, smacht het naar den hemel; heeft het verzaakt aan het lage genot der stoffelijke goederen, dan zoekt het zijn genot hooger, dan krijgt het honger en dorst naar de bovennatuurlijke goederen der genade; het zal
105
daardoor verzadigd worden. Ja, die meusch is die altijd roepende arme, die altijd verhoord wordt; de Heer wacht zelfs niet totdat hi} zijne bede in woorden gekleed heeft; Hij heeft de bereiding van zijn hart gehoord; zijne begeerte is zijn gebed.
Zoo groot is de liefde van God voor de ware armen, dat Hij zich aan hen geeft, in ruil voor hetgeen zij Hem gegeven hebben. Dit heeft IIij aan de apostelen en aan al de navolgers hunner evangelische armoede beloofd. Centuplum accipiet (1). Want, vraagt de H. Bernardus, wat is dit honderdvoud, zoo niet de aanneming tot kinderen, de vrijheid des geestes, de geneuchten der liefde, de glorie van een goed geweten, het rijk van God in ons, dat niet bestaat in spijs en drank, maar dat de rechtvaardigheid zelve is, de vrede en de vreugde van den H. Geest. De heilige Kerkleeraar voegt hier bij: » Heeft hij niet het honderdvoud van wat hij verlaten heeft, hij , die vervuld is met den heiligen Geest en Jezus-Christus in zijn hart bezit? Aldus zal ik met God vereenigd zijn; ik zal God smaken reeds in dit leven, naarmate ik mijne ziel zal onthechten van al, wat haar belet, tot Hem op te stijgen. O, welk zuiveren heilig genot onttrek ik mij-zelven, als ik mijn hart overgeef aan zoovele aardsche genegenheden!
3. Geluk van het eeuwig leven. De Zaligmaker had gezegd: »Zalig de zielen, welke door mijnen geest verlicht en getrokken op dien volmaakten weg, mijne armoede omhelzen. Beati. Hij geeft hiervan dit zegevierend bewijs: Het rijk der hemelen behoort hun. Bemerken wij wel dit woord.
(1) Math. 19, 29.
106
Is er sprake van de andere zaligheden, dan toont Jezus derzei ver belooning van verre: Zij, die weenen, zullen getroost worden. Zij, die hongeren, zullen verzadigd worden enz. Doch ten opzichte der geestelijke armoede, belooft Hij niet, Hij geeft. Hij zegt niet, dat zij, die haar zullen omhelzen, het eeuwige leven hebben zullen. Zij bezitten het reeds bij voorbaat. Het behoort hun toe; het eigendom is hun reeds verzekerd. »Gelukkige armenquot;, roept de H. Augustinus, »die den hemel koopen voorden prijs hunner armoede!quot; Als ik dus slechts wil, ben ik, ten koste van een ellendig geld en goed, waaraan ik verzaak, koning voor alle eeuwigheid, in een rijk, waar eer en genot en rijkdom mijn overvloedig deel zullen zijn. O mijn (iod, hoe zwak ware mijn geloof, zoo ik aarzelde in de keuze!
II Punt. Wat moet ik doen, om mij dien kost-haren schat te verzekeren ? De armoede liefhebben als het bolwerk der religieuze deugd, als mijne moeder, gelijk de Heiligen haar bemind hebben.
De vestingen hebben hare verdedigingsmuren, de geest van armoede is die der religieuze gemeenten; de vurigheid zal daar heerschen naar dezelfde mate als de geest van armoede. »Dat onze dierbaarste begeerte,quot; aldus schreef de H. Theresia aan hare dochters, »zy, de heilige armoede ongeschonden te bewaren. Zij is ons glorierijk wapenschild: dat alles hiermede overeenstemme, onze woning, onze kleederen, onze begeerten, onze woorden en vooral onze gedachten; zoolang wij volgens de heilige armoede leven, mogen wij gerust zijn omtrent onze regelmatigheid.quot; Daarentegen heeft de ervaring geleerd,
107
(
1 i
dat de kleinste bres, iu deze verschansing geschoten, voldoende is, om verslapping en wanorde in de heiligste gemeenten te doen indringen. Welk verwijt zou ik verdienen van de gemeente, die mij hare poorten heeft geopend, indien ik door mijne slechte voorbeelden, bijzonder in dit teeder punt, hare welvaart belemmerde en haren val hielp bereiden?
Men wil, dat ik voor de armoede de liefde koestere van een kind voor zijne moeder. Zij heeft mij inderdaad het religieuze leven geschonken. Ik moest alles verlaten, alvorens het in te treden. Zij droeg mij in haren schoot, voedde mij met hare melk, geleidde mijne eerste schreden op den weg der volmaaktheid. Met welke treffende zorg heeft zij mijne onervarenheid en mijne zwakheid omringd gedurende mijn noviciaat? en heeft zy sedert dien tijd een oogenblik opgehouden, mij hare zorgen te wijden ? Indien ik haar bemin gelijk mijne moeder, zal ik, wel verre van over haar te blozen, het mij tot eer rekenen, haar toe te behooren; wel verre van hare tegenwoordigheid te vluchten, zal ik haar zoeken; wel verre van mij te beklagen, als ik gehuisvest, gekleed, gevoed word, gelijk de armen, zal ik mij daarover verheugen. Zoo handelden de Heiligen. Wat toch hebben een Borgia, een Aloysius, zoo vele vorsten en vorstinnen niet opgeofferd, om arm te worden? of beter gezegd, allen hebben alles verlaten ; want als men alles verlaat, wat men heeft of hebben kan, verlaat men de geheele wereld. De H. Theresia maakte meermalen den inventaris van de arme meubelen van hare cel, om zich te over-
108
tuigeu, dat er niets te veel of te weinig was, volgens den geest der armoede.
Men herinnere zich den Apostel der Indien, van alles beroofd bij zijne missiereizen, en vooral in het oogenblik van zijnen dood, en de vreugdevervoering, die hem dit veroorzaakte. Men heeft van den H. Fran-ciscus van Assisië gezegd, dat niemand ooit vuriger smachtte naar het bezit van het goud, dan hij, naar deszelfs gemis, zoo bezorgd, om zijne bezittingen te verdedigen, dan hij, om de kostbare parel zijner armoede te behouden. Herhalen wij met hem dikwijls dit gebed, dat hij met zooveel vuur verrichtte.
Heere Jezus, toon mij de wegen der armoede, die deugd, zoo dierbaar aan uw Hart. Heb medelijden met mij, want ik bemin haar zoo vurig, dat ik zonder haar niet leven kan. O Jezus, door de armoede begroet bij uwe geboorte, getrouw door haar vergezeld gedurende den loop uws levens, door haar bijgestaan in uw stertuur en door baar gevolgd in den Hemel, waar Gij haar eenen troon hebt verzekerd! de schat, o mijn Jezus, waarnaar ik haak, is de armoede.
Druk in mij haar stempel; dat ons voorrecht, zoo van mij als de mijnen voor immer zij, niets in eigendom te bezitten, ter liefde van ü, gedurende «■eheel dit ellendig leven slechts te bestaan van aal-
O 0
moezen en zulk een spaarzaam gebruik daarvan te maken, dat wij gedurende geheel ons leven altijd de gevolgen der heilige armoede mogen gevoelen!
109
215te OVERWEGING.
besnijdenis van jezus-christus. - de -veiisterving.
I. Welk denkbeeld behoort men zich te vormen van de uitwendige versterving?
II. Wie moeten de uitwendige versterving beoefenen ?
In al de geheimen zyns levens, bestrijdt de Zaligmaker, en leert Hg ons de driedubbele begeerlijkheid bestryden, die zoo vele slaven aan den duivel en zoo vele slachtoffers aan de hel verschaft Hij stelt tegenover den hoogmoed en den drift tot rijkdom, de liefde tot vernedering en berooving van alles, gelijk men dit ziet in zijne menschwording en geboorte ; tegenover de onbeteugelde zucht tot zinnelijke vermaken, stelt Hij de liefde tot het lijden, gelijk Hij zich beijvert ons dit in het geheim zijner besnijdenis te toonen. Niets verplichtte Hem tot het nakomen dezer wet, en het is ontwijfelbaar, dat zijn voornaamste doel, toen Hij zich daaraan onderwierp , zijne liefde tot het lijden was. Zijn vrijwillig martelaarschap begon in den schoot van Maria, het zal slechts eindigen op het kruis, en bij elke omstandigheid zal Hij ons het toonbeeld der volmaaktste versterving aanbieden.
I Punt. Welk denkbeeld moet men zich vormen van de uitwendige versterving, hinnen billijke grenzen besloten? Zij bestaat in het weerstaan aan de natuur en in haar te bestrijden zonder haar te vernietigen ; in het eerbiedigen harer rechten zonder hare neigingen
110
te vleien. De natuur is een vijand, die noodzakelijk en gevaarlijk te gelijk is.
Wij mogen haar noch den vrede geven, noch den dood toebrengen. De bescheidenheid is dus hier plicht, meer dan bij eenige andere deugd; want als men ons zegt, dat de volkomen versterving der natuur den dood moet toebrengen, zoo wil men daarmede zeggen, dat zij haar zoodanig moet be-heerschen ten opzichte der genade, dat zij haar vestigt in eene afhankelijkheid, gelijk aan die van een lijk, ten opzichte dergenen, die daarover naar goedvinden beschikken. En wel verre dat de verstorven mensch zonder gevoel behoeft te zijn, is het juist uit het gevoel, door de versterving bedwongen. dat hij al zijne verdiensten bij God trekt, en het is om deze reden, dat deze deugd versterving heet en niet den naam van dood draagt. De wijsheid moet zich bijgevolg hier toonen, door de versterving hervormende, wat er bedorven is in de natuur, welke op hare beurt het werk van Gods hand is.
Ik mag, ik moet dan zelfs luisteren naar de natuur in hetgeen zij eischt en zoekt tot haar behoud, op voorwaarde, dat ik, hetgeen ik haar geef, terugbrenge, niet tot hare eigen voldoening, doch tot den wil van God alleen. Aldus, o mijn God, zal ik steeds strijdende met mij-zei ven, steeds gelijke verdiensten hebben, hetzij ik mijn grootsten vijand, dieniemand anders is dan ik zelf, spaar of bestrijd. Gij zult mij eene en dezelfde belooning geven, hetzij ik mij voor U versterve of aan mijne natuur toegeef. Al wat men voor God doet, is deugd, als men doet, wat God wil en men dit voor God doet.
Ill
li Punt. Wie zijn verplicht tot uitwendige boetvaardigheid1? Binnen wijze grenzen besloten, gelijk wij dit uitlegden, is deze deugd noodzakelijk verplichtend voor eiken christen; doch zij verplicht nauwer die personen, welke het religieuze leven omhelsd hebben.
Wij zijn slechts in het gezin van Jezus-Christus getreden door het Doopsel, nadat wij de verbintenis hadden aangegaan van het Evangelie te volgen; en strekt geheel deszelfs leer niet om het rijk van den geest over het lichaam te bevestigen? Deze groote les komt telkens terug in de epistels van den H. Paulus: Zij, die aan Je sus-Christus toebehooren, hebben hun vleesch gekruisigd met hunne driften en begeerlijkheden. (1) Indien gij leeft volgens het vleesch, zult gij sterven; doch indien gij het vleesch door den geest kruisigt, zult gij leven (2). Versterf dan uwe ledematen (3). Daarenboven hebben wij beloofd den Zaligmaker, ons voorbeeld, te volgen, en is Hij niet altijd een boetvaardig God, die in zijn persoon de heilige oefeningen der uitwendige versterving heiligt. Den achtsten dag na zijne geboorte zie ik Hem aan zijnen Vader de eerstelingen van zijn bloed opofferen. In den loop van zijn lijden zal ik Hem zijn aanbiddelijk aanschijn zien overleveren aan de kaakslagen, de bespuwing, zijn hoofd aan de doornen, zijn lichaam aan alle mishandelingen. Zijn geheele leven was slechts eene lange en pijnlijke slachtoffe-rande. Bezield door denzelfden geest als hun aanbiddelijk Hoofd, zijn de Heiligen steeds vindingrijk
1
Gal. 5, 24. (2) Rom. 8, 13. (3) Coloss. 3, 5.
112
geweest in het zoeken van het lijden; de haat tot zich-zelven was by hen als eene natuurdrift, ja, men zou zeggen, eene neiging aan allen ingeschapen. Zij, die het zuiverste leven geleid hebben, waren het ijverigste in de versterving. Men herinnere zich de gestrengheden van den voorlooper van Jezus-Christus, van de H. Catherina van Sienna, van de H. Maria-Magdalena van Pazzi, den H. Aloysius van Gonzaga, de gelukzalige Maria Margaretha en duizend andere wonderen van onschuld.
Zal men dan datgene afkeuren, wat de H. Kerk prijst, wat de God-mensch door zijn voorbeeld zoo roemrijk steunt? De uitwendige versterving voldoet voor de zonden; en hebben wy allen geen groot aantal fouten en misdrijven te boeten? Zij houdt het vleesch onderworpen aan den geest en onderdrukt deszelfs opstand; en hebben wij een lastiger en gevaarlijker vijand? Zij trekt over ons genaden van bescherming tegen het kwaad; en hebben wij die niet altijd noodig? Zij maakt ons bekwaam om het hemelsche licht, het levendig geloof, den smaak van God en de goddelijke zaken te ontvangen; zijn wij daarvan niet ontbloot, en welke goederen kunnen wij meer begeeren?
Voeg bij deze beweegredenen, welke voor eiken christen van kracht zijn, nog die, welke de versterving voor den religieus zoo noodzakelijk maken. Hij moet Jezus-Christus van meer nabij volgen. Hem volmaakter in zich afdrukken. Om aan de inzichten der H. Kerk te beantwoorden moet hij, als openbaar boeteling, Gods toorn bevredigen voor zoovele hardnekkige zondaars, die onophoudelijk zijne wraak
113
uittarten; hij moet medewerken tot het groote werk der verlossing, door in zijn vleesch datgene aan te vullen, wat aan het lijden van Christus ontbreekt.
Ik heb dus, o mijn God, slechts rekening te houden met de voorzichtigheid in het beoefenen eener deugd, waarvan ik het gewicht en de noodzakelijkheid zoo zeer gevoel. Ondersteun mij in de voortdurende oefening der versterving, en leer mij die door de voorzichtigheid wgzigen, opdat ik mij meer en meer uwen zegen waardig moge maken.
23ste OVERWEGING.
OPDRACHT VAN JEZUS IN DEN TEMPEL. EDELMOEDIGHEID IN HET BREM GEN DER OïTERS, DIE GOD ONS VHAAGT.
I. Offers, die Jezus Maria ingeeft.
II. Offers, die Jezus zich-zelven oplegt.
1. Stellen wij ons den tempel van Jeruzalem voor. Maria in het voorportaal de wet der zuivering nakomende. Vervolgens voor het altaar geknield, offert zij haren Zoon en koopt Hem weder. Jezus bestuurt alles en offert zich op door de handen zijner Moeder.
2. Heer, verlicht mij omtrent de volmaakte gesteltenissen, waarmede zulke groote zaken worden volbracht, die zoo klein van aanzien zijn; laat mg deelen in die grootheid van ziel, die edele toewgding, waarvan ik zulke heerlijke voorbeelden beschouw iu het geheim, dat ik ga overwegen.
CH. II. 8
114
I Punt. Offers, die Jezus aan Maria ingeeft. Maria hechtte aan hare maagdelijke reiuheid meer dan aan de onvergelijkelyke eer van het goddelijk moederschap. Hare vraag aan den afgezant des hemels had dit wel bewezen; maar zij hechtte niet aan de glorie van maagd te schijnen en zij offert gaarne deze glorie op, om de nederigheid van Jezus na te volgen. Zie haar daar te midden der andere Israëli-tische vrouwen, geduldig het oogenblik afwachtende, dat zij zich zou kunnen zuiveren, zij, die reiner was dan de zonnestraal! Een groot voorbeeld zet haar aan, zich te vernederen; de Almachtige, verborgen onder de gedaante van een zwak kind, de driemaal heilige God, zoo diep vernederd, dat Hij zelfs de gedaante des zondaars wilde aannemen,... hoe zou zij aan God de vernedering willen weigeren eener wettige reiniging, waaraan zij niet onderworpen was?
Dan dit offer is het kleinste, dat zij in dit geheim brengt. Zij offert haren Zoon; en in dit zoo dierbaar Slachtoffer, offert zij meer dan zich-zelve. Wel weet zij, dat, als zij Hem aan den eeuwigen Vader opoffert, om zijne glorie te herstellen door het boeten der zonden der wereld, zij Hem ter zelfder tijd offert aan smarten en dood.
De voorzeggingen der profeten waren haar bekend; zij had het omstandig verhaal van het lijden van den Messias gelezen. En zij hoort Simeon aankondigen, dat deze Zaligmaker aller menschen hen nochtans niet allen zal redden; dat zelfs in Israël velen geen nut zullen doen met die overvloedige verlossing, dat wel verre van allen door zijne goddelijke bekoorlijkheid te winnen, Hij een voorwerp
115
van tegenspraak zal wezen voor allen. Maria verstaat den zin van dit woord, alvorens het kruis haar eene laatste en hartverscheurende uitlegging kome geven. En uwe ziel, o goddelijke Moeder, zal door een zwaard van droefheid doorboord worden. Maria onderwerpt zich aan alles, neemt alles aan. Zij herhaalt met een harer koninklijke voorvaderen: Mijn hart is bereid, Heer, mijn hart is bereid. Zij zegt reeds, wat haar Zoon in den hof van Olijven zal herhalen: Üiv wil geschiede, niet de mijne! Somtijds zeg ik dit ook, Heer; doch als Gij niet wilt, dat de kelk van mij ga, als ik dien in werkelijkheid drinken moet, ach, hoe licht bezwijkt dan mijn moed! Jezus, geboren tot lijden, om altlus alle menschen door zijn lijden zalig te maken, biedt zgu kruis aan al de zijnen; zijne dierbaarste vrienden zijn diegenen, van wie Hij de zwaarste offers vraagt en... ik beklaag mij, als Hij mij stelt onder het getal van hen, die Hij het meeste bemind beeft!
H Punt. Opofferingen, die het aanbiddelijk Kind zich-zelven in den tempel oplegt. Bestudeeren wij het geheim, dat zich voor onze oogen ontsluiert, en treden wij in het Hart van Jezus. Indien Hij zich den eeuwigen Vader aanbiedt, is dit niet, gelijk by andere kinderen, eene enkele plechtigheid; Hij weet in zijne hoedanigheid van Verlosser, dat zich aan God opofferen gelijk staat met zich te stellen in de handen zijner rechtvaardigheid, met zich toe te wijden aan eenen dood, waar de overmaat van het lijden zal vereenigd zijn met de overmaat der schande. Hij hoort, wat Simeon tot Maria zegt, en daar zijne kennis die van den profeet oneindig overtreft, staan
116
al de omstandigheden van zgn lijden levendig voor zynen geest, Hij meet geheel de uitgestrektheid van zijne verbintenis en onderwerpt er zich aan. Van het oogenblik zijner menschwording af had Hij zijnen Vader het volkomen offer van zich-zelven gebracht; Hij vernieuwt dit plechtig in het geheim zijner opoffering. Van uit den tempel snelt zijn Hart naar Kalvarië. Niets kon Hem terug houden, toen het er op aan kwam mij te redden; — moet dan alles mij terughouden, als het er op aan komt, Hem te dienen? De vurige liefde, waarmede zijne ziel vervuld was en het gemis van dat heilig vuur in de mijne, ziedaar wat zijne onoverwinbare toewijding en myne lafheid verklaart.
Welke tegenstrijdigheid! Gij, mijn God, hebt my niet noodig en Gij geeft mij alles. Ik kan geen oogenblik leven zonder U en ik wil U niets geven. De tranen uwer kindsheid, de arbeid uwer jeugd, de vervolging van uw openbaar leven, het lijden, de schande van uwen dood, dit alles is voor mij! Wat zeg ik? Zoo groot was uwe liefde voor een ondankbare, dat Gij ü ter zijner liefde hebt veroordeeld tot een eeuwigdurend lijden, toen Gij, bij de instelling van uw Sacrament van liefde, al de kwellingen voorzaagt, die ü ten deel zouden vallen, al de goddelooze beleedigingen eu wraakroepende heiligschennissen, die Gij te lijden zoudt hebben, alvorens tot mij te kunnen komen. Uwe liefde zegevierde over den vreeselijken afkeer, die ü deze soort van dood, voortgezet gedurende zoovele eeuwen, veroorzaakte.... en ik treed terug voor een offer, dat niets beteekent en slechts een oogenblik duurt. Gij hebt ü tot mijn
117
slachtoffer gemaakt en ik weiger het uwe te zijn. Ach, Heer, zoudt Gij ten laatste niet moede worden, mij te verdragen, indien ik eindelijk niet begon, U te beminnen, ten minste zoo zeer, dat ik geduldig de moeielijkheden en ontberingen verdrage, die uwe getrouwe dienaars met zooveel vuricrheid gezocht hebben ?
O O
Voornemens, Ik zal mij inwendig vereenigen met het offer, dat Jezus dagelijks van zich-zelven aan zijnen Vader brengt, door de banden zijner bedienaars,— en door de oneindige verdiensten van zijn offer vragen, dat het mijne Hem welgevallig worde. Neen, Heer, voortaan zal ik U niets meer weigeren. Maria, Jozef, weest de getuigen en waarborgen mijner belofte. — Ik zal trachten heden edelmoedig den eersten afkeer te overwinnen, dien ik in het beoefenen mijner plichten zal ontwaren.
23ste OVERWEGING.
opdracht van jezus in den tempel. getrouwheid in het nakomen der voorschriften van de wet.
I. Hoe klein zij ook mogen zijn II. Hoe weinig zij schijnen te verplichten.
I Punt. Wij moeten de voorschriften der wet nakomen, hoe klein zij ook schijnen. Maria, Jozef en Jezus, die hen tot al wat heilig is opwekt, onderwerpen zich aan de voorgeschreven ceremoniën en deze gehoorzaamheid is als de bijzondere geest van dit geheim. Niets wordt veranderd, niets verzuimd
118
noch in tijd, noch in wijze; al de omstandigheden, zoo omtrent de zuivering der moeder als de opdracht en de herkooping van het kind, worden getrouw nagekomen, naar de letter der wet. In den geheelen loop zijns levens zal Jezus dezelfde nauwkeurigheid toonen in het volbrengen van den wil zgns Vaders. Als Hij zich, telken jare, met zijne ouders naar den tempel begeeft, als Hij het paaschlam eet, zoo geschiedt dit steeds volgens den tijd en de wijze, als God dit door Mozes bevolen had. Hij leeft de wet na volgens de letter, volgens het kleinste punt. Hij doet, wat Hij onderwijst, de groote zaken volbrengende, zonder de kleine te verwaarloozen.
Hoevele beweegredenen tot navolging zou mijn geloof mij ingeven, indien ik getrouw naar deszelis stem luisterde.
1. Niets is klein, zoodra God het beveelt. De gedachte: God wil het, maakt alles groot in mijne achting; wat ik minacht zou hebben, vereer ik. De luister van het gezag, dat mij gebiedt, doet voor mijne oogen alle beweegredenen tot onafhankelijkheid verdwijnen.
2. Hoe zou ik datgene niet beschouwen als groot en gewichtig, en ten volle mijner zorg waardig, wat behaagt aan God, wat mijn recht op de hemelsche belooning vermeerdert, wat mij doet vorderen op den weg der volmaaktheid? Dit toch zijn de gewone en kleine oefeningen. God beschouwt veel minder de daad, dan de gesteltenis des harten. Wanneer ik, het oog alleen gevestigd houdende op zijnen wil, dien vervul met nauwkeurigheid en eene groote begeerte, om Hem te behagen, dan trek ik op mg de
119
blikken zijner liefde, en vermeerder den scliat mijner verdiensten. God tevreden stellen, recht verkrijgen op een nieuwen graad van genade en glorie, is dit eene onverschillige zaak? Niet de buitengewone werken, maar de getrouwheid in het volbrengen van den wil Gods, vormt de heiligen.
3. Indien de zaken, die mij bevolen worden, ook klein mochten zyn in zich-zelve, zoo zal de vurigheid, waarmede ik die volbreng, ze groot maken. Eene edelmoedige ziel, die getrouw de kleinste voorschriften nakomt, schijnt tot God te zeggen: Spreek, Heer, en Gij zult zien, of ik niet even gereed ben, voor U de moeielijkste als de gemakkelijkste zaken te volbrengen. Ik zie in alles slechts op uw welbehagen.
4. De gelegenheid, om groote deugden te oefenen, is zeldzaam, die tot kleine zaken doet zich gedurig voor; en het is juist die gedurige waakzaamheid over zich-zelven, die getrouwheid aan de genade, die een grooten geest van zelfopoffering, eene zeldzame zielskracht doet veronderstellen.
Ieder mensch is bekwaam tot eene voorbijgaande poging, maar van den morgen tot den avond, zonder zich ooit te verloochenen, zich onderwerpen aan eene reeks kleine opofferingen van zedigheid, waakzaamheid op woorden en gedachten, nauwkeurigheid in het opvolgen van den regel, hiertoe is heldenmoed noodzakelijk.
5. Het zijn de kleine zaken, die de grooten bewaren, even als het de kleine fouten zijn, die den weg tot grootere, ja tot een betreurenswaardigen val bereiden. Wie zou het woord van den H. Geest in twijfel durven trekken? Die het weinige veracht.
120
zal langzamerhand vallen (1). Helaas! vinden wij liet bewijs niet in ons zeiven? Als wij aan onze trage en lauwe ziel vragen, hoe zij tot dezen treurigeu staat vervallen is, zal het antwoord weldra zijn: Wie in het geringe ongerechtig is, is ook in het grootere ongerechtig (2). Daarentegen is het ongehoord, dat etine ziel, die getrouw was tot in de kleinste zaken, zich in grootere, dat is in hare wezenlijke verplichtingen vergeten hebbe, of dat zij ver vau hare plichten is afgeweken.
6. Eindelijk is het nooit klein, de schreden veui eeneu God te volgen. Jezus-Christus heeft goede redenen gehad, om te doen, gelijk Hij gedaan heeft; Hem navolgen is voor mij steeds de beste reden, zonder dat ik zelfs de zijne behoef te onderzoeken. Op zijn voetspoor, ter zijner liefde, wil ik dus allo voorschriften, mij opgelegd, nakomen, hoe klein zij mij ook schijnen. Ik wil ook:
II Punt. Die nakomen, hoe weinig zij ook schijnen te verplichten. De goddelijke baring van Maria had hare zuiverheid geheiligd, wel verre van die te besmetten. Zij was dus niet onderworpen aan de wet der zuivering. Jezus-Christus was dit nog veel minder aan die der Besnijdenis en al de Ceremoniën der opdracht in den tempel. De begeerte van zijnen Vader alleen was de wet van Jezus-Christus, en die van Maria was de begeerte, om haren aanbiddelijken Zoon na te volgen. Geen uitleg, geene verschooning, geene uitzondering; de letter beveelt, beiden gehoorzamen. Wat ware er van ons geworden, als Jezus voor ons slechts gedaan hadde, wat Hij verplicht
(1) Eccl. 19, 1. (2) Luc. 1G, 10.
121
was te doen? Waartoe was Hy genoodzaakt? En wat zou er zelfs nu nog van ons worden, indien Hij ons alleen gaf, wat Hij ons verschuldigd is? Moet ik niet vreezen, dat Hij zich bepale mij slechts gewone hulp te geven, als Hij mij zoo terughoudend ziet in mijne gehoorzaamheid? Duizendmaal beter is het voor mij, de banden, die mij aan Hem binden, dichter toe te halen, dan ze los te knoopen. Hij, die slechts uit dwang wil gehoorzamen, is een slaaf, en de slaaf verdient niet behandeld te worden met de goedheid en liefde, waarmede men het kind behandelt. Indien de wet aan mijne vrijheid iets overlaat, zoo verheug ik my daarover, mijn hart heeft dan vrij spel en kan het ontbrekende aanvullen. God ziet mij; Hij verheugt zich, als ik getrouw ben, dan als ik slechts zijn oog tot getuige heb; dit is mij genoeg. Ik wilde slechts gelegenheid vinden, Hem mijne liefde te toonen; hier is zij, ik doe er mijn voordeel mede.
Ach, Heer, zal ik U dan nimmer om U en geheel om U dienen? Wel is waar , kan ik mijn eigenbelang niet afscheiden van uwe belangen, en wat ik doe voor uwe eer, strekt tevens tot mijn eigen geluk; want wat mag ik niet hopen van eenen Vader, die slechts redenen zoekt, om mij genaden te bewijzen en mij reeds zooveel goed heeft bewezen, niettegenstaande al de redenen, die Hij had om mij te straffen. Doch daar Gij zoo grootmoedig een ellendig schepsel bemint, dat slechts uwe verachting verdient, een ondankbaren zondaar, die slechts recht heeft op uwe wraak, is het maar al te billijk, dat ik voortaan mij-zelven vergete, om U te beminnen.
122
24ste overwegino.
vlucht naar egypte. schoon voorbeeld van vertrouwen in de goddelijke voorzienigheid.
I. In het vertrek naar Egypte.
II. In het verblijf in Egypte.
III. In de terugkomst naar Nazareth.
Hoewel het menschgeworden Woord niet schijnt te handelen in de geheimen zijner goddelijke kindsheid, en dat alles worde toegeschreven aan den H. Jozef als het hoofd der H. Familie, zoo is het nochtans waar, dat het aanbiddelijk kind dezen inwendig verlichtte, omtrent hetgeen hij te doen had. Het was Jezus, meer dan Jozef, die handelde.
i punt. Vertrek van de H. Familie naar Egypte. Wanneer onze Oversten, als bedienaars der H. Voorzienigheid , ons van plaats doen veranderen, dan verlangen wij van hen, dat zij ons ontzien en sparen; God doet dit niet met zijnen Zoon. »De engel Gods verscheen in den slaap aan Jozef en zegde hem: »Neem het kind en zijne moeder; vlucht naar Egypte en kom niet weder, voor dat ik het u zeggen zaï.quot; Geen bevel scheen ooit vreemder en moeielijker uit te voeren. Het gold hier het verlaten van het vaderland, alwaar Jozef in zijne behoeftige omstandigheden eenige hulp kon verwachten; het gold de reis naar een vreemd land, waarvan hij de taal niet kende, waarvan hij door uitgestrekte woestijnen gescheiden was, bij een afgodisch volk, dat den Joden vijandig was; en die lange reis moest men doen in den winter, lansrs onbekende wesren. doorsneden met breede
123
stroomen; hoeveel gevaren! En de moeder zoo teeder, het kind zoo zwak; men moest vertrekken te midden van den nacht, dadelijk, zonder zich te kunnen voorzien van hetgeen het arme gezin gedurende de reis noodig zou hebben.... Er lagen daarenboven in dit gebod eene menigte omstandigheden, die tegen rede en verstand aandruischten. Waarom zoo ver weg gaan? waarom met zulk een spoed vertrekken? Kon dan de goddelijke wijsheid geen ander middel vinden, om het leven van dit kostbaar pand te redden? Ging men dit dierbaar leven juist niet blootstellen, door het ondernemen van zulk eene reis in het strengste des winters en onder zulke behoeftige omstandigheden ? Eu als men al vluchten moest, waarom in Egypte en niet bij de Wijzen? Duizenden redenen verdrongen zich in den geest, om zulk een vreemd besluit te wijzigen.... Jozef zegt geen woord en stelt geen oogenblik uit. Men gebiedt hem te vertrekken en hij vertrekt onmiddelijk. Wat zal er gebeuren? Zijn vertrouwen op de Voorzienigheid zal gerechtvaardigd worden. Terwijl de H. Familie zich-zelve vergeet, om slechts het oog te vestigen op den wil des Heeren, denkt God aan haar, voorziet in alles; de reis wordt volbracht, men komt behouden in Egypte aan.
Ach, hoezeer beschaamt dit voorbeeld myne angstvalligheid, mijn klagen en morren, als de Voorzienigheid zaken toelaat, die mijnen wil weerstreven! Weet ik dan niet, dat God mijn geloof wil beproeven ? dat groote genaden aan deze beproevingen gehecht zyn, en dat van alle mogelijke toestanden deze de beste is, waarin God mij plaatst ? De wegen, die
124
de Heer ons aanwijst, zijn heilige wegen; vreezen wij niets zoo zeer, dan ze te verlaten.
II Punt. Verblijf der H. Familie in Egypte. De engel had tot den H. Jozef gezegd: »Blijf daar tot ik u zegge, weder te keeren.quot; Jozef zal geduldig wachten en zelfs geene enkele maal vragen, om naar zijn vaderland weder te keeren. Hij moge lijden, zich vervelen, zijn verblijf in dit land zeer lastig, den tijd, dien hij er moet doorbrengen , zeer langdurig vinden; hij zal niet stilstaan bij de gedachte het te verlaten; hij is er slechts gekomen, om God te gehoorzamen , hij zal het slechts verlaten, om Hem te behagen. Hij blijft er inderdaad zeven jaren, zich altijd verlatende op de zorgen der Voorzienigheid, en altijd zal hij tevreden blijven. Hoe loiïelijk is deze getrouwheid, doch hoe zelden wordt zij nagevolgd. Men onderwerpt zich eerst, men brengt zijn offer, doch weldra wordt men het moede, en men neemt terug, wat men gegeven had.
De zucht tot verandering kwelt dikwijls godvruchtige zielen, die niet op hare hoede zijn tegen deze gevaarlijke bekoring. Men verbeeldt zich immer, dat men elders beter zal zijn. Men overdrijft, in zijnen geest, de moeielijkheden van zijn tegenwoor-digen toestand, men houdt zich daarmede bezig; men voorziet bijna geene moeielijkheden in de plaats, waarnaar men verlangt. Groote zinsbegoocheling! Voor één kruis, dat men afwerpt, gaat men er wellicht verscheidene op zijne schouders laden, die nog zwaarder zijn. IVie het beste weet te lijden, zal den grootsten vrede bezitten. (1)
(1) Nav. B. 2. H. 3.
125
Men vermeent, zijne zucht tot verandering te ver-schoouen, door te zeggen, dat men slechts verlangt deze of gene plaats te verlaten, omdat men er fouten Legaat, omdat men geen tijd tot bidden heeft, omdat men er slechts lijdt, zonder eenig nut, daar men toch geen goed kan doen. Een verstandig religieus ontdekt ontniddelijk hoe ongegrond deze voorwendselen zijn. — Fouten? Maar waar bedrijft men er geene? Waar zal men er minder bedryven, dan in de plaats, waaraan de genade der gehoorzaamheid en het geduld gehecht is? Geven wij aan het gebed al den tijd, waarover wij kunnen beschikken; gebruiken wij dien wel. God kan niet meer verlangen. Offeren wij aan zijne glorie, zoo noodig, de zoetheid van zijnen omgang met ons, wij zullen er niets bij verliezen. Men maakt het hof aan dezen grooten Koning, als men Hem verlaat, om Hem te dienen. Maar mijn leven gaat nutteloos voorhij, ik doe niet het minste goed! Wat weet gij daarvan? Men schrijft aan het verblijf van den Zaligmaker in Egypte genaden toe, die later die uitgestrekte en eenzame woestijnen met heiligen bevolkten. Deed Jezus-Christus geen goed, toen Hij leed en stierf voor de zaligheid der menschen? Wanneer inderdaad geheel het voordeel van uwen toestand zou bestaan in kruisen, is dan het boeten zijner zonden, het verminderen van zijn vagevuur, het grootste aller liefde-bewijzen aan God brengen, door voor Hem te lijden, is dat alles geen goed doen?
III Punt. Terugkeer der II. Familie te Nazareth. Na den dood van Herodes, verscheen de engel nogmaals aan Jozef in Egypte, en zegde hem: »sta op,
126
neem het kind en zijne moeder eu ga in het land van Israël.quot; Hij stond op, nam het kind en zijne moeder, keerde weder naar het land van Israël en vestigde zich in de stad Nazareth.
Altijd zien wij dezelfde vaardigheid in het gehoorzamen, hetzelfde vertrouwen op de Voorzienigheid. Jozef verlaat het land van Egypte, keert weder naar dat van Israël, zoodra het hem gezegd wordt. Doch daar in het bevel, dat hij ontvangt, de plaats zijner woning niet wordt aangeduid, vestigt hij zich te Nazareth, de plaats vanwaar het goddelijk Kind afstamde, waar hij vermeent het gemakkelijker te kunnen opvoeden, ea minder gevaar loopt het te verliezen. In de zaken, waarin wij volgens eigene beschikking mogen handelen, moeten wij steeds het geloof en de rede, door het geloof verlicht, tot richtsnoer onzer handelingen kiezen en nooit onze natuurlijke neiging en veel minder den hartstocht. In welke bediening, op welke wijze zal ik den Heer Jezus-Christus het leste dienen en het minste gevaar loopen Hem te verliezen ? Aldus den wil Gods uit-lecrcen, daar waar Hij niet beveelt, is nog Hem
OO 7
gehoorzamen.
Zoeken wij het rijk Gods en zijne rechtvaardigheid; het overige zal ons nooit ontbreken. Het zal ons toegeworpen worden in eene maat, die verre onze verwachting overtreft, en vaak van de zijde, dat wy dit het minste verwachten. Doch willen wij het recht hebben aldus op de Voorzienigheid te bouwen, dan moeten wij ons geheel aan hare zorgen overlaten, zoo voor den tijd, als voor de omstandigheden des levens.
127
Samenspraak met Jezus, Maria, Jozef. Ach, hoe weinig heb ik hen tot dusverre nagevolgd in het beoefenen eener zoo zalige en zoete deugd! Ik zal my hierover voor hen vernederen, doch zonder ontsteltenis met eenvoud en berouw , en het vast voornemen voortaan beter te handelen; ik zal hen bidden het besluit te zegenen, dat zij mij gelieven in te boezemen en waartoe ik hunnen bijstand vraag.
25ste OVERWEGING.
mijne plichten jegens de voorzienigheid.
I. Ik moet haar in alles erkennen.
II. Ik moet mij in alles aan haar onderwerpen.
Hl. Ik moet in alles op haar vertrouwen.
I Punt. Ik moet de Voorzienigheid in alles erkennen. Hoewel het geloof ons leert, dat niets ontsnapt aan de waakzame zorg van den God, die de wereld bestuurt, gelijk een vader zij11 huisgezin, zoo erkennen wij gewoonlijk de Voorzienigheid slechts in onzen levensloop in het algemeen, of in de groote gebeurtenissen, terwijl de inwendige mensch haar erkent en aanbidt in de kleinste omstandigheden. De H. Ignatius zag haar in het bloempje, daar geplaatst om zijn oog te verheugen, zijn ballingsoord te verfraaien, en hij werd er tot schreiens toe door getroffen. De H. Franciscus van Sales, de H. Vin-centius zagen haar in den zieke, den arme, den
ï:i
Is
■ tf
I #
128
lastige, die hen kwam verstrooien te midden dei-ernstigste bezigheden, om hunne liefdadigheid in te roepen, hun geduld te beproeven. Want inderdaad, alles behoort tot haar gebied, zelfs het leven des vogels, de lelie der velden, die groeit en bloeit, ja zelfs het haar, dat van mijn hoofd valt! Waarom zou ik stil staan bij tweede of onraiddelijke oorzaken, te weten bij de schepselen, waarvan God zich bedient, in plaats van mij in alles en ten allen tijde te verheffen tot de eerste oorzaak, tot God-zelven?
Ja, Heer, Gij hebt alles beschikt, alles geregeld; en er gebeurt niets, dat het gevolg niet is van uwen wil, die beveelt, uwen wil, die toelaat; en de eerste hulde, die ik uwer Voorzienigheid schuldig ben, is eene hulde van geloof, de tweede is eene hulde van onderwerping.
II Pünt. Ik moet mij in alles aan de besclnkhin-(jen der Voorzienigheid onderwerpen. Als de Meester gesproken heeft, moet de dienaar gehoorzamen. Als God zijnen wil doet kennen, moet de mensch zich hieraan onderwerpen; want van alle meesters is de Heer de hoogste. Hij is meester volgens het recht, en mag bevelen, wat Hij wil, zonder dat wij recht hebben, ons te beklagen. Hij is meester volgens de daad, daar Hij werkelijk doet, wat Hij wil, zon dei-acht te nemen op onze begeerten of klachten. Hieruit vloeit voor mij de dubbele verplichting voort vau mij vrijwillig en godvruchtig aaa de beschikkingen der Voorzienigheid te onderwerpen; uit rechtvaardigheid: Hij heelt recht volgens zijne inzichten te bevelen, en niet volgens de mijne; uit noodzakelijkheid; want is het niet veel beter, mij te onderwerpen uit vrijen
129
wil en aldus door mijne gehoorzaamheid verdiensten te verzamelen, dan deze te verliezen door mijn ij del en misdadig pogen, om zijnen goddelijken wil te weerstaan ?
God heeft zijne plannen; buiten mij gevormd, zal Hij die ook buiten mij volvoeren. Hij wil, dat deze tegenspoed mij vernedere; ik moge toestemmen of niet, ik zal die vernedering ondergaan. Zijn wil zal geschieden, niet de mijne.
Wat won Pharao door zijne hardnekkigheid? Belette Hij God zijn volk te verlossen, toen en gelijk Hij het wilde? Welke macht kan den Almachtige weerstaan? O hoe wijs is hij, die zich van den nood eene deugd weet te maken, en aldus die kruisen verzacht en heiligt door zijne onderwerping, die zijn opstand slechts verzwaard en verbitterd zou hebben? O mijne ziel, wilt gij u niet onderwerpen aan uwen God? Wilt gij diea kelk niet drinken? God heeft hem u bereid, zie niet naar hetgeen hij bevat, maar beschouw alleen de hand, welke u dien aanbiedt. Het is uw Meester: Hij gebruikt zijn recht. Het is een God: zult gij u met zijne kracht durven meten? Daarenboven is het uw Vader: verlaat u op zijne goedheid.
Hl Pünt. Ik moet in alles op de beschikking der voorzienigheid vertrouwen. Wordt niemand ooit uitgesloten van de vaderlijke zorg des Heeren, zoo heeft Hij bijzondere opmerkzaamheid voor hen, die zich geheel op Hem verlaten. De H. Marcus doet ons in zijn verhaal van het wonder der vermenigvuldiging der brooden in drie woorden drie krachtige beweegredenen verstaan, die ons moeten aanzetten,.
ch. ii. \' 9
130
in alles te vertrouwen op den goeden Meester, welken -wij dienen. Zijne Voorzienigheid waakt over ons, zij kent onze behoeften, en denkt er aan, ons ter hulp te komen, alvorens wij er nog aan denken, die hulp af te smeeken: Hij zag de menigte, Zijn Hart werd van medelijden bewogen; want Hij gevoelt onze kwalen en onze gevaren nog meer, dan wij zeiven. Hij had medelijden met hen; zijne macht kwam zijner goedheid ter hulp; een miraculeus brood vermenigvuldigde in zyne hand. Allen aten en toerden verzadigd.
O beminnelijke Voorzienigheid, is uwe zorgvuldigheid voor ons lichaam zoo groot, wat zult Gij dan niet doen voor onze ziel? Hoe gelukkig ware ik, o Heer, zoo ik mij geheel door het geloof liet geleiden. Het leert mij, dat niets in staat is, U terug te honden in het uitvoeren uwer plannen; zelfs de wil des menschen niet, omdat geen wil zoo weerspannig is, dien Gij niet onder het juk uwer wet kunt krommen, zonder in het minst zijne vrijheid te krenken. Het leert mij, dat uwe oneindige wijsheid alles beschikt met zachtheid en kracht, dat zij uit het kwade het goede weet te doen voortkomen , en de hinderpalen weet te veranderen in middelen. Nooit was Jozef dichter bij den troon, dan toen hij in den kerker werd geworpen. Het leert mij bovendien, dat Gij mij oneindig meer bemint, dan ik mij-zelven beminnen kan, dat Gij mijn lijden en mijnen nood met een vaderlgk oog beschouwt en dat geene moeder ooit haar kind met meer teeder-heid liefhad, dan Gij mij toedraagt. Verdiep u, mijne ziel, in deze troostende waarheden, gij zult
131
er de ware rust vinden. Myn God, ik heb het geluk van dikwijls te mogen nederzitten aan uwen liefdedisch, hoe zou ik bezwaar kunnen maken, mij geheel aan de Voorzienigheid over te geven? Wat zoudt Gij mij kunnen weigeren, als Gij mij uwen eenigen Zoon ten beste geeft? Neen, Heer, steeds zult Gij met een genadig oog diegenen beschouwen, die van U zulk eene groote gunst, zulk een doorslaand bewijs uwer liefde ontvangen hebben, zoo zij U niet door hunne ondankbaarheid dwingen, hen te verlaten.
26 OVERWEGING.
JEZUS, TWAALF JAREN ODD ZIJNDE, SCHEIDT VAN ZIJNE OUDERS. — WIJ MOETEN GOD ONZE DIERBAARSTE GENEGENHEDEN TEN Oi\'JFER BRENGEN.
Het gebod, zijne ouders lief te hebben, is volgens de leer van den H. Paulus het eerste, waarann eene belofte gehecht is. Niets prijzenswaardiger, niets heiliger dan deze liefde, mits zij ondergeschikt zij aan die liefde, welke wij voor God moeten hebben; »want,quot; zegt de H. Bernardus zoo krachtvol, »indien het goddeloos is, zgne moeder te verachten, zoo is er eene groote godsvrucht in gelegen, hafir eene oorzaak tot droefheid te zijn, als Jezus-Chri-tus dit vraagt. Welnu, indien wij dau gereed moeten zijn, om die heilige banden bij het eerste teeken des Zaligmakers te verbreken, hoe veel meer behooreu
132
wij dit te zijn, om Hem elke andere minder wettige genegenheid op te offeren ? Drie krachtige beweegredenen moeten hiertoe onzen moed opwekken.
I. Het voorbeeld van Jezus.
II. De belooningen, aan dit ofier verbonden. III. De straffen, die men moet vreezen, zoo men
God iets weigertr I Punt. Het voovbeeld van Jezus. De kinderlijke liefde werd gelijk alle deugden door het mensch-aeworden Woord in uitmuntenden graad beoefend; en zoo Tertulianus mocht zeggen, dat nooit vader gelijk was aan God den Vader, zoo mag men ook met dezelfde waarheid zeggen, dat geen zoon ooit meer zoon was dan Jezus-Christus. Wel wist Hij, welke onrust zijne afwezigheid aan zijne teedere moeder zou veroorzaken, en nochtans ontsnapt Hij aan hare waakzaamheid. Waarom wilde Hij haar dit offer opleggen? Wilde Hij haar reeds van verre bereiden tot het groote offer van Kalvarië? Gewis wilde Hij door deze droefheid haar met nieuwe vérdiensten verrijken en hare deugden volmaken. Ook wilde Hij hierdoor die inwendige zielen troosten, voor wie Hij zich van tijd tot tijd verbergt, ten einde haar door het voorbeeld zijner heilige moeder te toonen, dat deze verlatenheid veel minder eene straf en een bewijs zijner ontevredenheid is, dan het uitwerksel zijner liefde. Maar Hij wilde vooral aan de religieuze zielen, die geroepen zijn, om Hem langs volmaakter wegen te volgen, toonen, dat de gehoorzaamheid aan God en de ijver voor zijne glorie haar altijd gereed moeten vinden tot het slachtoffer van al wat zij dierbaar op aarde hebben.
133
De ouders, die Jezus verliet, waren zeker wel zijne liefde overwaardig en Hy beminde hen teederlijk; nochtans, zoodra Hij den wil zijns Vaders kent, verzaakt Hij aan de zoete, huiselijke vreugde van Nazareth. Hij verheft zich boven de smart, die Hij gevoelt omtrent het wreede verdriet, dat Hij hun bereidt; Hij scheidt van Maria en Jozef zonder afscheidsgroet, zonder hun te zeggen, hoe lang zij zijne tegenwoordigheid zullen moeten ontberen en laat hen in de pijnlijkste onzekerheid. Hij ziet slechts den wil zijns Vaders; de natuur wordt geslachtofferd. Als God spreekt, mag ik dan naar de natuur luisteren?
II Punt. De hoop der helooning, aan dit offer gehecht. Reeds hebben wij eene goddelijke belofte overwogen, die de heiligste en grootste eerzucht moet voldoen. Al wie voor mij zijn huis, zijne broeders, zijne zusters, zijn vader of zijne moeder zal verlaten hebben voor de glorie van mijnen naam, zal hierbeneden het honderdvoud en hiernamaals het eeuwige leven ontvangen. Doch ik vergeet een oogenblik het toekomstig leven, waar ons zoo veel geluk bereid is. Reeds in dit leven, welke vrede voor de edelmoedige ziel, welke troost in de gedachte: »Ik heb aan God een offer gebracht, dat Hem moest behagen; want het kostte mij veel, en zijne liefde alleen kon er mij de kracht toe geven.quot; Ach, Heer, het is dus waar, dat ik U bemin; ik heb er U en mij-zelven het onbetwistbaar bewijs van gegeven. Gij, o mijn God, hebt mij ondersteund in den strijd, de zegepraal was een nieuw bewijs uwer liefde voor mij; doch was uwe liefde groot voor mij, toen Gij mij die genade toestondt, hoeveel grooter moest zij
134
wel geworden zijn door het goede gebruik, dat ik er van gemaakt heb!
Voortaan dan geene beletselen meer voor bet innig verkeer met God; »Hij, die mijn wil kent en volbrengt,quot; zegt Jezus, »bemint mij; eu die my bemint, zal door mgnen Vader bemind worden, en ik zal hem ook beminnen en mij aan hem openbaren. Wij zullen tot hem komen , en wij zullen onze woning in Hem vestigen.quot; (1) O hoe gelukkig, hoe zalig zijn zij, die Jezus plaatst in de rei zijner beproefde vrienden; zij kennen, zij beschouwen Hem reeds als bij voorbaat; Manifestaho ei meipsurn; o woning van God in hen, Mansionem apud enm faciemus! Is dit alreeds niet een begin derhemelsche zaligheid? Zij zijn het voorwerp eener bijzondere voorzienigheid. De Almachtige beschermt ze als de appel van zijn oog. De tegenspraak, waarin zij leven, de bekoringen , die hen belegeren, de fouten zelfs, die aan hunne menschelijke zwakheid ontsnappen, alles werkt mede tot hun geluk. Kan men zich de geschiedenis der Heiligen herinneren, zonder dien strijd van edelmoedigheid te herdenken tusschen God en zijne getrouwe dienaars? Abraham brengt gewillig het offer van zijnen dierbaren zoon Izaük, op wien zijne zoetste hoop gevestigd was; dit was wat God verlangde. »Ik zweer by mij-zei ven, zegt de Heer, omdat gij voor mij uwen eenigen zoon niet gespaard hebt, zal ik u zegenen.quot;
Gij, die deze bladzijde leest, wellicht wacht de opperste Meester u ook hier; als gij Hem dat voor-
(1) Joau. 14, 21, 23.
135
werp zult hebben opgeofferd, dat uwe genegenheid verdeelt, zal niets meer de uitstorting van genaden en zegeningen terughouden, die Hij u bestemt; aldus is Hij gewoon diegenen te behandelen, die zich aan Hem geven in de volheid hunner toewijding. O mijn God, van welke goederen heb ik mij-zelven beroofd, toen ik niet wilde verzaken aan eenige lage voldoeningen! Hoe groot was mijne verblindheid! Laat mij daarin toch niet meer hervallen. Ik wil alle banden verbreken, die mij aan de schepselen hechten. Ik wil U alleen toebehooren. Het is mij goed, den Heer aan te hangen (1). Elke andere gehechtheid is minstens nutteloos en zoo dikwijls noodlottig.
, III Punt. De straf, die men te vreezen heeft, als men God dit offer weigert. Onze milddadigheid jegens God lokt de zijne uit; Hij vraagt ons slechts een weinig, om ons veel te kunnen geven. — Doch onze ondankbaarheid kan ook zijne inzichten van barmhartigheid jegens ons veranderen in plannen van wraak, Hij klopt aan de deur van uw hart; gij misacht zijne voorkomendheid; moet gij u verwonderen, dat Hij vertrekt? Hij vraagt u. Hem onverdeeld te beminnen, Hij zet u aan, u te ontmaken van die al te menschelijke genegenheden, die eener ziel, tot groote zaken bestemd, onwaardig zijn. — Hoe! gij schijnt Hem niet te hooren, gij weerstaat voortdurend aan zijne verlangens! Ach, vrees toch, dat Hij, na vruchteloos gesproken te hebben, zwijge. Indien gij geene vrees hebt, Hem te bedroeven, vrees
(1) ps. 72, 27.
136
ten minste, Hem te vertoornen. Hij zal toelaten, dat gij aan eenige zware bekoring blootgesteld wordt; en wat zal er van u worden, zoo gij slechts door gewone genaden beschermd wordt? Hij zal u laten vallen in eene groote lauwheid, en van dien slaap tot den dood ligt slechts een tred. Gij leert mij, Heer, en ik geloof het: dat Gij den roof in het offer haat (1); dat hij, die vader of moeder meer bemint dan ü, uwer niet waardig is (2); dat niemand, twee meesters dienen kan (3); dat hij, die niet met U is, tegen U is.... (4) Groote God, met welke vrees bezielen mij deze godspraken! Wat zal er van mij geworden, als ik voor uw rechterstoel zal verschijnen en Gij my eene reeks van genaden en gunsten ouder het oog zult leggen, die de belooning zouden geweest zgn van mijn moed, hadde ik alles voor U verlaten, en die ik nu door mijne lafheid verloren heb! Doch ik ben vast besloten, ik zal niet meer uitstellen, o mijn God, U een offer te brengen, dat Gij mij sedert lang vraagt. Ik beloof U te volgen in uwe volmaakte onthechting. Gij wilt geheel aan mij be-hooren; is het te veel, zoo ik mij-zelven geheel aan U geef?
(1) Is. Gl, 8. (2) Mattu. 10, 37. (8) Ib. Ü, 24. (4) Ib. 12, 30.
137
27ste OVERWEGING,
JEZUS VEELOllEN EN TERUGGEVONDEN. —- CONTEMPLATIE.
I. De personen beschouwen.
II. De woorden aanhooren.
III. De handelingen overwegen.
1. Zich het geheim herinneren: De vader en de moeder van Jezus gingen jaarlijks naar Jeruzalem, om het Paaschfeest te vieren; en toen Hij zijn twaalfde ia\'ar bereikt had, ging Hij met hen; doch toen zij terugkeerden, bleef het kind te Jeruzalem, zonder dat zij dit gewaar werden; zij zochten Hem te vergeefs onder hunne bloedverwanten en bekenden.... Den derden dag vonden zij Hem in den tempel tusschen de leeraren der wet, die Hij aanhoorde en ondervraagde. Hem ziende werden zij met verwondering en vreugde vervuld; en zijne moeder zegde tot Hem: Mijn Zoon, waarom hebt gij aldus met ons gehandeld\'? Zie, uw vader en ik zochten U m(t droefheid. En Hij zegde hun: Waarom zocht gij mij? Wist gij niet, dat ik mij met de zaken mijns Vaders moest bezig houden? (1)
2. Verbeelden wij ons de wegen, die naar Jeruzalem voeren, de menigte menschen, die zich naar de plechtigheid begeven of wederkeeren, de straten der stad, den tempel....
3. Vragen wij de genade van diep in te treden in den geest van dit geheim en de voorbeelden, die ons gegeven worden, na te volgen.
(1) Luc. 2, 48, 49.
138
I PüNT. De personen beschouwen. Maria en Jozef. Welke diepe droefheid staat op huu gelaat te lezen. Zij hebben Jezus verloren!.... Waar is Hij? Zou Hij in de handen van een nieuwen Herodes gevallen zijn? Doch welke vreugde, toen zij Hem zagen!.... Wat bedroeft mij ? Wat verheugt mij ?.... — Het kindJezus in den tempel! Hoe kalm is Hij ondanks het verdriet, dat Hij weet aan zijne ouders veroorzaakt te hebben! Welke bescheidenheid, welke ernst, welke zachtmoedigheid! -—• De leeraren, die Hem omringen! Zie, hoe aandachtig zij naar Hem zijne vragen en antwoorden luisteren! Zij zien elkander aan, als wilden zij vragen, wat zij van dit kind moeten denken.
II Punt. De woorden aanhoor en. Maria en Jozef keeren op hunne schreden terug en vragen ieder, dien zij ontmoeten , naar Jezus. Treurig antwoord; niemand heeft Hem gezien. Droevige klachten ontsnappen aan hun hart. O welke gebeden richten zij tot God, tot Jezus-zelvenI.... Hoe onverschillig zijn zij voor al de ydele gesprekken, die zij hooren; men spreekt niet over Jezus.... Eindelijk in den tempel vinden zij Hem. Jozef kan zijne blijdschap slechis toonen door zij ue tranen; doch hoe duidelijk toonen de woorden van Maria ons de teederheid van haar Hart en de kwelling, waaraan dit moederhart ten prooi geweest is.
Mijn Zoon. Hoe zoet is haar dit woord, nu zij Jezus weder voor zich ziet. O Zoon Gods en mgn Zoon, eenice Zoon van uwen Vader in den hemel
\' O
en van de moeder, die Gij hier beneden hebt willen kiezen, o beminnelijkste en teederbemindste aller
139
zonen. Waarom heht Gij aldus met mij gehandeld\'? Dit is eene klacht, welke slechts eene uitdrukking is van liefde ten opzichte van dengene, dien zij betreft. Zie uw vader en ik. Ja, Jozef verdient met Maria te deeleu in de vreugde, gelijk hij gedeeld had in hare droefheid; hij heeft voor Jezus het hart eens vaders, gelijk zij het hart eener moeder heeft. Wij zochten U met droefheid. Wij hebben niets anders dan U op deze wereld, en wij wisten niet, wat er van U geworden was.....
Luister vooral opmerkzaam naar het antwoord des Zaligmakers. Het schijnt hard, doch is slechts wijs. Waarom zocht gij mij? De teederheid sprak in de woorden der moeder, de ijver voor Gods glorie gaat spreken in den Zoon: Wist gij dan niet, dat ik mij bezig moet houden met de zakm mijns Vaders?
Mijn God, doe mij wel begrijpen, dat ik ook altijd en overal mij met uwen dienst moet bezig houden. Hiertoe hebt Gij mij het leven gegeven; hiertoe behoudt Gij mij dit; laat mij dit wel beseffen.
Ill Pünt. De handelingen beschouwen. Jezus blijft te Jeruzalem buiten weten zijner ouders. Ach, hoezeer grieft het Hem, ze te bedroeven; doch de glorie zijns Vaders gaat voor alles. Deze gewichtige les moet Hij geven aan de zielen, die Hij door de evangelische raden tot de volmaaktheid roept. Hij wil door zijn voorbeeld haar leeren, alles voor God op te offeren. Zijne heilige ouders zullen zeiven groot voordeel trekken uit deze beproeving.
Maar waar blijft Hij gedurende die drie dagen? Wie deukt er aan, dat Kind te voeden, het een dak tot huisvesting aan te bieden? Zie uwen God,
140
van deur tot deur zijn brood bedelend, een nacht-verblijf vragend, dat Hem vaak geweigerd wordt; of liever, leer vertrouwen gelijk Jezus; indien gij u gelieel ten beste geeft voor den dienst van uwen hemelschen Vader, zal Hij voor u zorgen. Houdt gij u bezig met zijne belangen, dan zal Hg zich bezig houden met de uwe.
Maria en Jozef zoeken hunnen Zoon met diepe droefheid, doch die droefheid beneemt hun de onderwerping niet aan den goddelijken wil. Zy aanbidden, wat zij niet begrijpen, en hopen; en daar hunne hoop en hun vertrouwen niet wankelen, vinden zij met onuitsprekelijke vreugde den schat weder, dien zij zoo beweend hadden. Zij vinden Hem, dien zij verloren hadden, tusschen de menigte, in den tempel terug.... Jezus herinnert hun, dat zijn hemelsche Vader de eerste is, wien men gehoorzaamheid verschuldigd is. Hij volgt hen echter en keert met hen naar Nazareth terug. Hoevele lessen zijn in dit alles besloten, hoevele voorbeelden ons ter navolging aangeboden!
Samenspraak met Jezus, Maria, Jozef. Aanbid Jezus-Christus, het eeuwig Woord, mensch geworden, om ons tot ware heiligheid te vormen. Van het eerste oogenblik af, biedt Hij ons daarvan het toonbeeld en begint Hij reeds, ons door eenige bewonderenswaardige voorbeelden te onderrichten. Vraag Hem de genade van zynen ijver voor Gods glorie, zgn geest van opoffering, zijne nederigheid, zijne armoede na te volgen. Deel in het lyden en daarna in de blijdschap van Maria en Jozef. — Jezus verloren, welke smart! Jezus teruggevonden, welke blijdschap!
141
Erken in hen al de kenmerken der ware liefde. Zoek, gelijk zij, den Heer in de ingekeerdheid des tempels en in het gebed; gelijk zij, zult gij het geluk hebben, Hem te vinden. Doch vergeet nooit, dat geheel uw leven toegewijd moet worden aan den dienst van uwen hemelschen Vader. In his quae Patris mei sunt, oportet me esse.
28ste OVERWEGING.
JEZUS TE NAZAUETH. — CONTEMPLATIE.
I. Beschouw de personen.
II. Aanhoor de woorden.
III. Overdenk de handelingen.
1. Jezus, door Maria en Jozef in den tempel teruggevonden, keerde met hen naar Nazareth terug-en Hij was hun onderdanig; en zijne moeder bewaarde al deze woorden in haar hart; en Jezus nam toe in wijsheid, jaren en genade bij God en de menschen. (1)
2. Verbeeld u het huisje van Nazareth, deszèlfs bekrompen en armoedige vertrekken, de werkplaats van Jozef, het kamertje van Jezus, enz.
3. Vraag eenige genade volgens dit geheim en uwe behoefte, als bijv. het inwendig leven, den geest van gebed en gehoorzaamheid.
(1) Luc. 2, 51, 52.
142
I Punt. Beschoino de personen. De menschen, die destijds op aarde leefden; zie, hoe zij komen en gaan in eene voortdurende gejaagdheid, ieder onder het gebied zijner heerschende driften, — hoogmoed, begeerlijkheid. Zie, onder de hoogere standen die rijken, die grooten, die trotsche wijzen. Allen haken naar hooger eer, naar meer zingenot, naar meer voldoening hunner ydelheid. Allen willen zich ver-toonen, willen de blikken van anderen op zich trekken; in de lagere standen, die werklieden, die lieden uit de volksklasse, ontevreden met hunnen staat. Betreur die algemeene verblindheid, docb deel die niet. In het heilig gezin van Nazareth heerschen kalmte en vrede, als vrucht der ware deugd. Zie Maria in de zorg voor haar klein huishouden. Jozef werkende in een duisteren timmermanswinkel. Jezus deelende in de bezigheid zijner ouders, hunne wen-schen voorkomende en zich verheugd toonende, hun onderdanig te kunnen zijn. Welke bevalligheid rust op zijn wezen! Hoe zacht is zijn kinderlijk gelaat! Welk eene sierlijke ongedwongenheid in zijne houding, welke zachte ernst, welke hemelsche zedigheid in geheel zijn uitwendig voorkomen! In den Hemel de engelen, die dit schouwspel met eene diepe ver-vukking beschouwen. God de Vader, wiens blikken met welbehagen rusten op zijnen welbeminden Zoon, die zich vernedert, om zijne glorie te herstellen, alsook op hen, die Jezus tot voorbeeld kiezen. Wilt gij ook God behagen, den hemel verheugen, volg dan Jezus, Maria, Jozef na in hun verborgen leven.
II Punt. De woorden aanhooren. Deze woorden zijn weinig in getal. Noodzakelijkheid en liefde
143
onderbreken alleen de stilzwijgendheid in het inwendige van dit gezin, wiens; verkeer in den Hemel is. Zij zgn gematigd en ademen dien vrede, welke in de harten woont; zij zija welgeregeld door de nederigheid, de zachtmoedigheid, den ijver voor Gods glorie en de zaligheid der menschen. Zij zijn geheel heilig, geheel volmaakt, gelijk de gevoelens die ze doen uiten.... De H. Jozef spreekt weinig, Maria nog minder, het goddelijk kind slechts dan als de groote zending, die Hij op aarde komt vervullen, dit vereischt. In dit heiligdom, het eerbiedwaardigst van het heelal, onderhoudt men zich zelden met de menschen, doch onophoudelgk met God! Wees diep ingekeerd, en luister naar die hemelsche woorden, die de engelen verrukken. Het is in deze school, o religieuze ziel, dut gij de goddelijke wetenschap moet leeren van het gebed benevens de kostbare geheimen van het inwendig leven.
III Punt. De handelingen beschouwen. Het werk, waaraan de Zoon Gods zich ter onzer liefde onderwerpt. Zoodra Hij in staat is iets te doen, helpt Hij zgne Moeder in hare huishoudelijke bezigheden; Hij is haar dienaar; zoodra zijne meer ontwikkelde kracht het toestaat, deelt Hij met Jozef den nede-rigen en zwaren arbeid van timmerman, en Hij ook eet zijn brood ia het zweet zijns aanschijns. Hoezeer veredelt, hoezeer verheft, hoezeer troost Hy den pijnlijken toestand der handwerkslieden. Wie zou durven verachten, wat de Zoon-Gods vereert? Met welke eenvoudigheid gehoorzaamt Hij, niet alleen als kind, maar als volwassen man! Met welk geduld verdraagt Hij de luimen, de minachting, de trotsch-
144
heid der vreemdelingen, die Hem bevelen geven, Hem toespreken gelijk een huurling, Hem bij alle gelegenheden bejegenen als een man uit de laagste volksklasse, die zich nog zeer gelukkig moet achten als men zich van hem bedienen wil, en zijn zweet wil koopen om hem te doen leven! — Bewonder zijne liefde in al zijne betrekkingen met den evennaasten , zijne vurigheid in het gebed, de volmaaktheid, waarmede hij zelfs de nietigste zaken verricht. Maria en Jozef houden de oogen op Hem gevestigdj en overwegen in diepe ingetogenheid dit groote geheim.
Samenspraak met de drie personen der H. Familie.
Aanbid Jezus-Christus in de nederige uitoefening dezer verborgene deugden. Dank Hem, dat Hij in alles uw voorbeeld heeft willen zijn. Tracht dooide vurigheid uwer verlangens, en de eenvoudigheid van uw geloof te verkrijgen, dat Hij u vervulle met zijnen geest.... dat Hij u vorme tot het inwendig leven, dat Hij u leere God alleen te zoeken. Roep de krachtige bescherming in van Maria en Jozef; zij verlangen niets vuriger dan u de deugden te zien navolgen, waarin zij zelven het menschgeworden Woord in het huisje te Nazareth navolgden.
145
29ste OVERWEGING.
geheim van het verborgen leven te nazareth.
I. Het geneest ons.
It. Het vertroost ons.
1. Gelijk in de vorige overwegingen.
1 Punt. Het geheim van het verborgen leven van .Teziis-Christus geneest eene onzer gevaarlijkste ziekten. De achting en de vriendschap der schepselen najagen, trachten zich te doen bewonderen door zijne talenten, door zijne bedieningen, door het goede, dat men doet of meent te doen, is eene zoo algemeene neiging, dat zij om zoo te spreken eene eigenschap is van \'s menschen hart. Is er wel eene raadgeving, die minder ingang vindt dan deze: Zoek onbekend en voor niets geacht te zijn (1). Is er wel eene ziel, al heeft zij reeds eenige vorderingen in de deugd gemaakt, die althans somtijds de begeerte niet gevoelt uit te schijnen, wie eene lange en volkomene verborgenheid niet drukt? Dit is eene gevaarvolle
o o
bekoring. Werpen wij, om haar te bestreden, een opmerkzamen blik op het schouwspel, dat het huisje van Nazareth ons aanbiedt.
Een God-mensch, de vleeschgeworden Wijsheid, die in den hoogsten graad alle wetenschappen, eene goddelijke welsprekendheid bezit, die bij de beminnelijkste zachtmoedigheid eene onvergelijkelijke behendigheid paart, om de geesten te leiden, de harten
(4) Nav.
ch. ii.
10
146
te winnen; Jezus, in wien alle schatten van nutuur en genade zijn opgesloten, die slechts in de wereld gekomen is, om de dwaling te bestrijden, de misdaad te verdelgen, het menschdom heilig en zalig te maken; die Verlosser, verwacht sedert zoovele eeuwen, o ondoorgrondelijk geheim, leeft onder de menscheu en zij kennen Hem niet, en wel verre van hen tot zich te trekken, door één straal zijner goddelijke bekoorlijkheden voor hunne oogen te doen schijnen, zoekt Hij zich aan hunne blikken te onttrekken, door in liun midden schijnbaar een onbeduidend, een nutteloos leven, een leven, Hem en zijner grootsche bestemming onwaardig, te leiden.... Hij leeft in een onbekend plaatsje in een timmermanswinkel! Hij wint zijn brood in het zweet zijns aan-schijns, als de minste handwerksman. O hemel, o aarde, moeten dan aldus die dagen voorbijgaan, waarop gij zooveel hoop vestigt?
Wel hoe, de Zoon Gods, die zich zoo zou kunnen doen bewonderen in den tempel te Jeruzalem, die den vorsten zoo wel de kunst zou kunnen leeren, hunne volken te besturen.... Die Messias, beloofd aan de wereld, wien het gemakkelijk was de landen en steden te doorloopen, om de glorie Zijns Vaders en het geluk der menschen te bevorderen, door de onwetenden te onderwijzen, de zieken te genezen, de zondaars te bekeeren, Hij leeft verborgen, iu eene onbekende eenzaamheid, zijn tijd, zijne almacht zijne kracht gebruikende, tot wat...? En dat niet gedurende eenige weken, maanden...., neen dertig jaren van zijne drie-en-dertig levensjaren, dus bijna geheel zijn leven, brengt Hij door in den s:aat van
147
vernedering. Deze les was ons noodzakelijk; doch hoe zeer is zij geschikt, cm onzen hoogmoed te genezen!
Wij kunnen niet dulden. dat men ons plaatst op den laatsten rang, zonder bediening, of in eene bediening, die ons onbeduidend toeschijnt; wij kunnen niet dulden, niets te zijn, vooral zoo wij iets geweest zijn. Die vergetelheid, dat terugzetten , die begraving vóór den dood. dat alles drukt ons diep te neer. .
Doch wat kunnen wij zeggen tegenover het voor- f;
beeld van den Zoon Gods, dieper verborgen, meer vergeten dan wij , en dat voor zoolang?
Gij vraagt: Waarom gaf God mij talenten, als Hij niet wil, dat ik die gebruike ? Doe eerst deze vraag ten opzichte van Jezus-Ghristus; doch versta daarenboven dit antwoord: God gaf u uwe talenten,
om ze te gebruiken op den tijd en op de wijze, die Hem zal behagen; Hij gaf ze u, opdat gij er Hem hulde mede zoudt bewijzen. Is de wierook verloren,
die verteert vóór Hem, ter zijner glorie? Kan hij zelfs wel heiliger gebruikt worden? Neen, hij begraaft zijne talenten niet, hij, die niets doende, doet, wat God wil.
O kinderen der menschen, komt nu met uwe he-driegelijke maat en uw valsch oordeel, komt mij de achting der schepselen aanprijzen en mij zeggen:
Openhaar u aan de wereld, doe u kennen. Om elke dergelijke begeerte in mij te dooden, is het mij genoeg na te gaan, wat te Nazareth gebeurt; wie dat kind, die jongeling is, dien de allerheiligste Drievuldigheid aldaar beschouwt, dien de engelen aanbidden; wie die handwerksman is, met welke
: ,v:
-•J,
4
148
zorg Hij zich verbergt, hoe lang Hij verblijft in dit verborgen leven. O oneindige wijsheid! de sluier, waarmede Gij U omhult, bevat voor mij een helder licht en bij het licht dier voorbeelden ontwaar ik de ijdelheid van alle aardsche zaken, leer ik God alleen zoeken en slechts zijne hoogachting en liefde begeeren.
11 Punt. Het geheim van het verborgen leven van Jezus-Christus te Nazareth is voor ons eene Iron van zoeten troost. Doordringen wij ons wel van deze onbetwistbare waarheid. Die dertig jaren van een in schijn zoo gewoon leven, van een leven zelfs zoo nutteloos, volgens het oordeel der men-schelijke wijsheid, was nochtans een leven zoo volmaakt, zoo heiliglijk vervuld, zoo nuttig voor het heelal, dat het onmogelijk is, iets verhevener uit te denken. Die dagen, schijnbaar zoo onbeduidend, konden niet beter vervuld worden, zelfs door de verhevenste werken. Wel verre, dat zijne talenten begraven lagen, werden zij gebruikt op die wijze, die den hemel het meeste glorie, aan de aarde het meeste voordeel aanbracht. Zoodat, hadde Hij, hoewel dit niet mogelijk is, voor den bestemden tijd die verborgenheid verlaten, die in de orde der eeuwige raadsbesluiten lag, hadde Hij, in plaats van onbekend te blijven, zelfs aan de bewoners der plaats, waar Hij leefde, hadde Hij Rome en het heelal van de glorie zijns naams doen weergalmen, hadde men Hem de dooden zien opwekken, de volkeren zien bekeeren,... dan hadde Hij niet alleen onvolmaakt geleefd, maar onder den schijn van groote werken hadde Hij niets gedaan, of wat Hij gedaan hadde, ware voor niets geteld. Waarom? Omdat Hij den
149
wil zijns Vaders niet volbraclit zou hebben... Ach, Heer, het is dan waar, dat mijne volmaaktheid, mijne grootheid, mijn waar geluk niet bestaan in de achting en de genegenheid der schepselen te trekken, maar alleen in ü mijne liefde te bewijzen en de uwe te verdienen door het volbrengen van uwen wil. Jezus was U even aangenaam in het uitoefenen van een nederig handwerk te Nazareth, als in zijne slachtofferande op Kalvarië. En ik ook kan U behagen in de nederigste bezigheid, in het door de menschen meest verachte werk, wanneer mij dit wordt aangewezen door uwe Voorzienigheid, zoowel als in de eervolste bedieningen. Deze gedachte troost en verheugt mij. Wat maken mij de gezondheid, de schitterende talenten, de werken, die de wereld bewondert, indien ik U evenzeer kan loven in een staat van ziekelijkheid, met middelmatige talenten en in de vervulling van zeer gewone werkzaamheden ?
Het goddelijk welbehagen heeft alles beschikt, alles geregeld in het leven van mijnen Verlosser en maakte dit alleen verdienstelijk; zoo wil ik ook, dat het immer en in alles mijne eenige drijfveer zij. Liever wil ik, o Heer, een aardworm zijn volgens uwen wil, dan een Serafijn tegen uwen wil.
Samenspraak met Jezus, Maria en Jozef, om in hunne gevoelens te treden ten opzichte van het verborgen leven. Zoo gij het geluk hebt heden te communiceeren, zult gij evenzeer begunstigd worden als het huisje te Nazareth, daar gij, even als dit bevoorrecht verblijf, den Meester van het heelal gaat bezitten. Sluit n met Hem in het heiligdom van uw hart en smeek Hem, u tot het inwendig leven te vormen.
150
30ste OVERWJEOING.
JEZUS ÏE NAZARETH.
Zijne gehoorzaamheid. Hij was hun onderdanig. (1) Door ons op deze wijze in drie woorden by na geheel het leven te verhalen, dat. slechts eene aaneenschakeling der schitterendste wonderen was, heeft de H. Geest ons duidelijk getoond, welke achting Hij ons wil inboezemen voor de deugd van gehoorzaamheid, als besloot zij, als het ware, al de deugden, al de heiligheid van den Godmensch, ons tot voorbeeld gegeven. Bestudeeren wij die in ons groot voorbeeld en beschouwen wij:
I. Hoezeer Jezus de deugd van gehoorzaamheid heeft geacht en bemind.
H. Hoe Hij ze heeft beoefend.
I. Stellen wij ons den Heer Jezus voor, hoe Hij te Nazareth de bevelen van Jozef en Maria ontvangt, hoe Hij zich met de grootste nauwgezetheid schikt naar hunnen wil, omdat Hij daarin den wil zag van zijnen hemelschen Vader.
2. Smeeken wij Jezus, ons die deugd, welke Hem zoo dierbaar was, te leeren beminnen en oefenen.
1 Punt. Achting en liefde van Jezus voor de gehoorzaamheid. Wij zullen die eerst oordeelen volgens hetgeen Hij ons heeft gelieven te leeren. Hooren wij naar zijne woorden:
(1) Luc. 2, 51.
151
David doet Hem, volgens de uitlegging van den H. Paulus, bij zijn intreden in deze wereld tot zijnen Vader zeggen: Slachtoffer en offerande wildet Gij niet, maar een lichaam hebt Gij my toebereid; brandoffers voor de zonden behaagden U niet, toen heb ik gezegd: Zie, ik kom. Er staat van mg geschreven, dat ik uwen wil zal vervullen. Ik heb dit gewild, o mijn Vader, deze wet is in het binnenste mijns harten geschreven.
Als Jezus, na zijn onderhoud met de Samaritaansche vrouw, ziet, dat zijne leerlingen bekommerd zijn, omdat Hij sedert lang niet gegeten heeft, spreekt Hij hun van een voedsel, dat zij niet kennen en dat Hij steeds bij zich heeft, te weten de gehoorzaamheid aan zijnen Vader. Zij herstelt, zij onderhoudt zijne krachten. Hij leeft van gehoorzaamheid. Hij haakt daarnaar als een hongerige naar de spijzen, die men hem voorstelt; Hij verzekert ons, dat Hij slechts uit den Hemel is gedaald, om te gehoorzamen; zijne zending is de wereld te redden door zijne gehoorzaamheid, gelijk Adam ze heeft verloren door zijnen opstand. Hij leert, dat zij het niet zijn die roepen: Heer, Heer, die het hemelrijk zullen binnengaan, maar zij, die den wil volbrengen van den hemelschen Vader. Hij geeft ons deze deugd als toetssteen der ware heiligheid, als het onderpand aller goederen. Willen wij het eeuwige leven binnengaan? Laat ons zijne geboden nakomen. Willen wij bemind wordeu door zijnen Vader en door Bem? Betrachten wij dan getrouw zijne goddelijke wet. Willen wij, dat Hij ons beminne met dezelfde liefde, dezelfde teederheid, als waren wij zijn broeder, zijne
152
zuster, zijne moeder? Dit alles belooft Hij aan onze gehoorzaamheid. Kon Hij ons duidelijker zeggen, hoe dierbaar Hem deze deugd is? En nochtans spreken zijne voorbeelden nog luider dan zijne woorden.
II Pont. Hoe heeft Jezus de gehoorzaamheid beoefend? Zijn leven op aarde was daarvan eene aanhoudende oefening. Altijd heeft Hij gehoorzaamd aan zijnen Vader; gedurende dertig jaren aan Maria en Jozef; in zijn lijden aan zijne boosaardige rechters, zelfs aan zijne beulen.
2. Zijne gehoorzaamheid begint tegelijk met zijn leven. Van toen af nam Hij den wil zijns Vaders tot onveranderlijken regel vau den zijne. Hij onderwierp zich aan de wetten der natuur, gedurende negen maanden verblijvende in den schoot zijner moeder; aan de bevelen der Voorzienigheid, met ter wereld te komen in den stal te Bethlehem, gedurende eene moeielijke reis, Hij onderwierp zich aan de Besnijdenis, aan de Opdracht in den tempel, aan de ballingschap in Egypte, aan de zwakheid dei-kindsheid, aan een verborgen en schijnbaar nutteloos leven.... En dit alles, omdat het aldus de wil was zyns Vaders. Hij verscheen in het openbaar. Hij toonde zijne wijsheid door zijne onderrichtingen, zijne macht door zijne wonderen, zijne goedheid door zijne weldaden, slechts op den tijd, op de wijze, door den wil zijns Vaders bepaald. Tot dusverre weigert Hij hun, die Hem aanzetten, zich in het openbaar te vertoonen, en zegt: dat zijn uur nog niet gekomen is. Hij besluit zijnen ijver binnen Judea\'s grenzen, omdat zijn Vader Hem slechts ge-
153
zonden heeft tot de verdwaalde schapen van het huis van Israël.
Hij drijft de gehoorzaamheid tot den dood en tot den dood des kruises, liever, zegt de H. Bernardus, het leven dan de gehoorzaamheid willende verliezen. Vraagt Hij ook een oogeublik, dat de kelk zich van Hem moge verwijderen, zoo neemt Hij dien echter aan, om zijnen Vader te gehoorzamen, en tevens om ons te leeren, dat een overwonnen afkeer wel verre vau de waarde van een offer te verminderen, die integendeel vermeerdert en onze toewijding aan de glorie des Heeren in een helderder daglicht doet uitschijnen. De gehoorzaamheid, die tot de kleinste bijzonderheden zijns levens geregeld had, regelt ook al de omstandigheden en het oogenblik van zijnen dood. Alvorens den geest te geven, werpt Hij een blik op de goddelijke orakelen, op die openbaringen van den wil zijns Vaders; blijft Hem geen enkel meer te vervullen? Neen, geen enkel. Zijne zending is dus voleindigd; alles is volbracht: Hij sterft.....
2. De gehoorzaamheid, die Hij Maria en Jozef bewijst, gedurende de dertig jaren van zijn verborgen leven, zal nog heerlijker uitschijnen, als men het geheim daarvan doordringt. — Gehoorzamen is zijne minderheid erkennen, den wil van een ander stellen boven den zijne. — Wie nu is Hij, die te Nazareth zich laat besturen als een kind, dat niet in staat is, zich-zelven te leiden? Het is het Woord van God, de opperste wijsheid, Hij, die den wijzen al hunne wijsheid geeft. Hij is de opperste Meester aller dingen; aan wien is Hij gehoorzaamheid schuldig ? — Aan wie gehoorzaamt Hy ? Aan twee schep-
154
selen, wel is waar, versierd met de kostbaarste gaven, doch wier wijslieid even miu te vergelijken was met de zijne, als eene vonk met de zon. — Hoe eu wanneer gehoorzaamt Hij ? Met welke vaardigheid, met welke vreugde voegt Hij zich naar den wil zijner ouders, wat zij Hem ook mogen gebieden ; Hij voorkomt zelfs hunne wenschen, en dit niet slechts gedurende zijne kinderjaren, maar ook als volwassen man. Met welke voldoening maakt Hij zich tot hun dienaar. Hij, door wien de koningen heerschen. Men ziet, dat het zijn Hart is, dat gehoorzaamt, dat Hij alles, wat Hij doet, verricht uit liefde.
3. Jezus gehoorzaamt eindelijk aan slechte men-schen, aan groote zondaars, Hij onderwerpt zich aan het voorschrift van Augustus, dat Maria verplichtte tot de reis van Nazareth naar Bethlehem, en Hij vindt in den hoogmoed, welke dit gebod heeft ingegeven geene reden, om zich er van te ontslaan, omdat het terugslaat op zijnen Vader, van wien alle macht ontleend wordt. Hy onderwerpt zich aan het vonnis van Pilatus, hoe onrechtvaardig het zij; Hij erkent in hem het gezag van den vorst, ondanks het heiligschennend gebruik, dat hij er van maakt. Hij gehoorzaamt aan zijne beulen. Hij ziet in al zijne vijanden slechts bedienaars en uitvoerders der gerechtigheid van zijnen Vader, die Hem aan hunne handen heeft overgeleverd; en Hij wil, dat zij dit weten: Gij zoudt geene macht hebben, als zij ü niet can hoven gegeven tvare.
Hij doet nog meer. Sedert zijne glorierijke hemelvaart gehoorzaamt Hij in het Sacrament des Altaars
155
■■
quot; -i:
aan zijne bedienaars, zoo dat Hij volgens hunnen wil zijn eucharistisch leven aanneemt of aflegt, zoo dat Hij nacht en dag iu onze tabernakelen wil opgesloten blijven, zich zelfs wil blootstellen aan de vreeselijkste ontheiligingen, overal en altijd, tot het einde der eeuwen. O mijne ziel, kunt gij dit voorbeeld beschouwen , zonder de gehoorzaamheid lief te hebben ?
31 OVERWEGING.
de religieuze gehooüzaamheid. — hoezeer moet ik mij daaraan hechten.
I. Niets uitmuntender in zich-zelve.
II. Niets kostbaarder in hare vruchten.
11 i
I Pünt. Uitmuntendheid der religieuze gehoorzaam Jieid in zich-zelve beschouwd. »Deze deugd en de gelofte, die ik er van gedaan heb, is een zeker brandoffer,quot; zegt de H. Ignatius, »waardoor de raensch, zonder eenig voorbehoud, zich verteert in de vlammen van liefde tot zijn Schepper eu Heer.quot;
Verzaak ik, om God te behagen, aan rijkdom, eer,
genot, aan mijne rust, mijne gezondheid... dan offer ik Hem op, wat mij toebehoort, wijl Hij mij dat alles wel heeft willen geven; maar mijn wil, dien ik Hem geef door de gehoorzaamheid, dat ben ik zelf,
dat is mijne vrijheid: en is er wel iets, waaraan ik zoo gehecht ben ? Ik offer Hem op datgene,
fel
■M
m ififi if
I
156
wat Hij vooral verlangt, wat Hij alleen verlangt, wat Hij mij op de dringendste wijze vraagt: Mijn zoon, geef mij uw hart. In elk ander offer geef ik Hem, wat Hij mij zal ontnemen, dan en op die wijze, dat Hij zal willen, hetzij met of tegen mijnen wil; als ik Hem gehoorzaam , schenk ik Hem de eenige zaak, die Hij zelf aan zijn gebied schijnt te hebben willen onttrekken , om mij daarover vrije beschikking te laten; het is eene gift, die Hij slechts uit liefde wil ontvangen. Dit is derhalve de eervolste hulde voor een God, die minder als meester, dan als vader over ons wil heerschen.
Als de Heer ons leert, dat hij, die Hem volgen wil, aan zich-zelven moet verzaken, dan spreekt Hij klaarblijkelijk over eene zelfverloochening, welke de ziel en hare vermogens aangrijpt; want onze goederen maken geen deel uit van ons zeiven, en onze lichamen zijn het minder dan onze zielen. Door de gelofte van gehoorzaamheid schijn ik Hem dus te zeggen: Neen, mijn God, de liefde mijner vrijheid, de liefde tot mij-zelven zal mij niet terughouden; ik gevoel mij gelukkig, ze ü ten offer te kunnen brengen; hadde ik iets beters, gaarne zou ik ter uwer liefde U dit offer aanbieden.
II Punt. Kostbare vruchten der religieuze gehoorzaamheid. Daarin ligt de meerdere glorie van God, mijne volmaaktheid en heiligheid en de zoetste vrede besloten.
1. Wij vinden in de keuze der eeuwige Wijsheid, toen Hij, om de beleediging te boeten, den Heer door de ongehoorzaamheid der menschen aangedaan, de menschelijke natuur aannam, het trefiendst bewijs.
157
dat de gehoorzaamheid God verheerlijkt. Geen der offers, ü tot heden aangedaan, o mijn Vader, zijn U welgevallig geweest; toen heb ik gezegd: Zie, ik kom om uwen wil te volbrengen. Welke glorie inderdaad voor God, een God tot dienaar te hebben, een God, die Hem gehoorzaamt tot den dood des kruises? en wat kan ik doen, dat God meer eer verschaft, dan mijne afhankelijkheid te vereenigen met die van zijnen eigen Zoon? God verheerlijken is zijn oppergebied erkennen en vereeren; en kunnen wij dit beter, dan als wij hetgeen wij dierbaarst hebben, ouzen wil ten offer brengen ? Daarom leert men ons met zoo veel zorg: dat de gehoorzaamheid heter is dan de offerande. (1)
Uit plicht van staat gedwongen, naar de volmaaktheid te streven, vervul ik dien plicht door mijne gehoorzaamheid. Door de genaden, die zij over mij aftrekt, de oefeningen van deugd, waartoe zij mij gelegenheid verschaft, de vereeniging met God, waarin zij mij doet leven, vind ik in die éene deugd alles, wat mij tot de religieuze volmaaktheid kan geleiden. De edelmoedigheid van den gehoorzame trekt de uwe over hem af, Heer! Hij geeft U alles: wat zoudt Gij hem kunnen weigeren ? Een gebed, dat hij tot ü opzendt, zal eer verbooring vinden, dan tienduizend gebeden van een weerspannig hart. fndien Gij den wil volbrengt van hen, die TJ vreezen, hoe veel meer zult Gij U laten verbidden door hen, die Ü beminnen?
Terwijl zij mij de menigvuldige genaden des hemels
(t) 1 lieg. 15, 22.
158
belooft, bereidt de gehoorzaamheid mij tot de beoefening van alle goed. »Wees gehoorzaam,quot; zegt Rodriguez , en gij zult arm , gij zult kuisch, geduldig, verstorven wezen. Men verkrijgt de deugden door ze te beoefenen; nu, is datgene, wat onze oversten of onze regelen ons gebieden, niet altijd eene oefening van deugd? De andere deugden trekken hare verdiensten uit de gehoorzaamheid; want waartoe toch zouden mij gestrengheden en vasten dienen, zoo ik daarin slechts de voldoening van mijn eigen wil zocht? De liefde zelf vereenigt zich met die gelijkvormigheid met Gods welbehagen. »Indien gij mij bemintquot; zegt de Zaligmaker, t/kom dan mijne geboden ria.quot;
De gehoorzaamheid voltooit mijne volmaaktheid door mij met God, het middenpunt aller volmaaktheid te vereenigen. Daar het geloof ons dezen eenigen en oppersten Meester doet zien in allen, die gezag over ons uitoefenen, zoo is het aan Hem, dat wij in hun persoon gehoorzamen. Heeft Hij niet gezegd, Wie U hoort, hoort vrijt Eu daar bijgevolg onze wil zicli geheel veréénzelvigt met- of liever zich verliest in den wil van God, zoo is Hij het, die ons bestuurt, onzen wandel, onze woorden, onze daden regelt, en aldus eenigermate ons leven tot een goddelijk leven maakt. Aldus kan ik in het religieuze leven, dank aan de gehoorzaamheid, mij heilig maken door de onverschilligste handelingen, terwijl men zich in de wereld, door humeur, karakter en eigenliefde, zich dikwijls van de zaligheid verwijdert door die daden , welke ons het heiligst toeschijnen.
2. Eindelijk vind ik in de gehoorzaamheid den
159
vrede mijner ziel, dat grootste aller goederen hier op aarde, buiten de lieiligmakende genade. «Twijfel er niet aan, o Israël, haddet gij immer den weg des Heeren bewandeld, dan zondt gij in eeu eeuwigen vrede geleefd hebbenquot;. Wie verlaat minder dien zaligen weg dan hij, die steeds door de heilige gehoorzaamheid wordt geleid? Hy leeft steeds volgens zijn regel, hij is altijd op zijne plaats; hoe zou hij niet altijd in rust zyu? Ligt er geen onuitputtelijke bron van gerustheid in deze bemerking. Ik ben waar God mij wil hebben, ik doe wat Hy wil? Hij zelf heeft voor mij den toestand verkozen, waarin ik mij bevind, de bediening, welke ik bekleed; Hij heeft deze keus gemaakt, zoowel in belang van mijn geluk als in dat van zijne glorie. Zoodra ik gehoorzaam, belast Hij zich met alles, ik ben er niet meer ver-antwoordelyk voor. Wat is dan een gehoorzaam religieus? Het is een kind, dat slaapt in de armen zijner moeder, een reiziger, die zijn tocht volbrengt op een uitmuntend schip, waarin hij niets te vreezen heeft, en dat zelfs, terwyl hij zijne rust neemt, voortzeilt naar het hemelsch vaderland.
O hoezeer is men te beklagen, als men zich in de hel werpt, terwijl men datgene doet, wat genoeg is, om een groot heilige te worden, zoo men het uit gehoorzaamheid deed. God heeft mij uit dit gevaar getrokken; ik wil mij daarvoor dankbaar be-toonen. Mijn heilige engel bewaarder, heilige patronen, heilige religieuzen, die door de gehoorzaamheid zalig zijt geworden, bedankt mijn Zaligmaker voor mij. O Jezus, ik breng U opnieuw het offer van mijnen wil en ik neem tot uitdrukking van mijne begeerten
160
liet woord, dat een uwer dieDaren U zoo dikwijls toestuurde: Doe met mij en met alles, wat mij betreft, gelijk Gij dit goed vindt; want ik weet, Heer, dat Gij mij bemint.
32ste OVERWEGING.
hoedanig moet onze gehoorzaamheid zijn , om aan die van jezus te gelijken.
I. Zij moet kinderlijk eu godsdienstig zijn in hare beweegreden.
II. Vaardig en eenvoudig in hare uitvoering.
III. Algemeen in hare uitgestrektheid.
I Punt. De gehoorzaamheid moet godsdienstig en kinderlijk zijn in hare beweegreden. Terwijl de Zaligmaker aan eenvoudige schepselen gehoorzaamde, zag Hij daarin steeds het gezag van den God, dien Hij aanbad, en van den Vader, dien Hij beminde. Gij zoudt geene macht over mij hebben, indien zij U niet van boven ware gegeven (1). In het begin des hoeks staat van mij geschreven, inven wil te volbrengen (2). Maar die God, wien Hij alleen gehoorzaamt, is een teeder bemind Vader en het is, om Hem zijne liefde te bewijzen, dat Hij zich aan zijnen wil onderwerpt. Dat het zoo geschiede, mijn Vader, daar het U zoo behaagd heeft (3). Opdat de wereld loete, dat ik mijnen Vader bemin, en getrouwelijk
(1) Joa. 19, 11. (2) Ps. 32, 11. (3) Matth. 11, 2G.
161
volbreng, wat Hij mij heeft opgelegd, staat op en laat ons gaan (1). Geven wij dit dubbel kenmerk aan onze gehoorzaamheid. Dat zij voortspruite uit ons geloof en niet uit eene menschelijke berekening, om aldus de welwillendheid der Oversten te winnen. God alleen heeft het recht, om ons het offer onzer vrijheid te vragen. Verlagen wij onze ziel niet, door haar te stellen ten dienste der menschen. Wij behoeven hun niet te behagen; gedragen wij ons als dienaars van Jezus-Christus, die uit goeder harte den wil Gods volbrengen. Indien wij Hem alleen beschouwen in degenen, die ons bevelen, zullen wij hunne bevelen ontvangen met eerbied. Nooit zal een woord van klacht aan onzen mond ontsnappen; en wel verre van het gebruik, dat zij van hun gezag maken, door een enkel woord te willen afkeuren, moeten wij trachten het te rechtvaardigen, althans door den algemeenen grondregel, dat zij beter op de hoogte zijn van hetgeen nuttig of schadelijk is aan het lichaam, waarvan zij de hoofden zijn, en dat zij genade ontvangen om te besturen, gelijk wij om te gehoorzamen. Doch bij den eerbied moeten wij het kinderlijk vertrouwen, door de liefde ingeboezemd, voegen. De H. Fi\'anciscus van Sales wil, dat wij blijmoedig gehoorzamen, het gezag beminnende in dengene, die het uitoefent; dit is altijd God. De liefde tot de gehoorzaamheid, waarmede men een goed werk verricht, is dikwijls beter dan de daad zelve. Trachten wij den last der oversten te verlichten ; hunne verantwoordelijkheid is schrikwekkend.
(1) Joa. 14, 31. CH. II.
11
162
Sparen wij hun de bekoring van het algemeen belang op te offeren voor bijzondere redenen; door de vrees ons te veel verdriet te veroorzaken, ons datgene opleggende, waarvoor wij afkeer gevoelen.
II Punt. De gehoorzaamheid moet vaardig en eenvoudig zijn in hare uitvoering. Wij lezen nergens, dat Jezus-Christus eene enkele maal geredeneerd heeft, alvorens zich te onderwerpen, en alles, wat van Hem geschreven staat, getuigt de vaardigheid, waarmede Hij de bevelen zijns Vaders volbracht. Hij treedt het leven in, als met reuzeuschreden zijne loopbaan intredende (1). En toen Hij op het punt stond dit leven te eindigen onder de wreedste kwellingen, toen Hij naar Jeruzalem ging, als om zijn lijden te gemoet te gaan, verdubbelde Hij zijne schreden zoodanig, dat zijne Apostelen Hem nauwelijks konden volgen. Jezus ging hen voor; zij waren verbaasd en volgden Hem, met vrees bevangen (2). Indien het geloof ons God doet zien in degenen, die eenig gezag over ons hebben, zullen wij hun gehoorzamen met eene vaardigheid, vermengd met vreugde, en wij zullen aan ons ofler datgene niet ontnemen, wat in Gods oog daaraan de grootste verdiensten geeft; want God bemint den blijden gever (3). Eene gehoorzaamheid , die ik uitstel zoolang ik kan, waartoe ik slechts besluit na alle tegenkanting beproefd te hebben, eene gehoorzaamheid, die men mij veeleer ontrukt, dan ik ze beoefen, is gelijk eene verwelkte bloem; zij mist allen geur, alle frischheid; hoe zou zij God nog kunnen behagen?
(1) Ps. 18, G. (2) Mare. 10, 32. (3) ii Oor. 9, 7.
163
Nemen wij de Cherubijnen uit het visioen van Ezechiël tot voorbeeld. Behalve hunne zes vleugelen,
o \'
waardoor de vaardigheid wordt uitgedrukt, waarmede zg de hun gegeven bevelen uitvoerden, hadden zij vier aangezichten naar de vier deelen der aarde gekeerd, en zij vlogen niet naar de oorden, waarheen zij wilden, maar daarheen, waar de geest des Heeren hen drong. Daarenboven stonden zij en hielden hunne vleugelen in voortdurende beweging, als om hunne vlucht te nemen, altijd gereed om, ware het noodig, uit gehoorzaamheid aan God den Hemel te verlaten. Gelukkig de religieus, die deze vaardigheid en eenvoudigheid in oefening brengt ten opzichte zijner Oversten, die de plaatsbekleeders zijn van Jezus-Christus. Hij zal verdienen, dat de Zaligmaker hem eenmaal aan zijnen Vader zal aanbieden met de woorden: Hij heeft mij gehoorzaamd, zoodra hij mijne stem gehoord heeft.
III Punt. De Gehoorzaamheid moet algemeen zijn in hare uitgestrektheid. Zij onderwerpt mij in alles en altijd aan hen, die voor mij Gods plaats bekleeden. Zij onderwerpt hun mijne handelingen, mijnen wil, mijn oordeel, geheel mijn leven, en sluit niets uit dan wat klaarblijkelijk zoude zou wezen; de verbintenis, eens voor het altaar aangegaan, laat geen verder voorbehoud toe.
De ware religieus volbrengt letterlijk al wat hem bevolen is, zoo voor den tijd als voor de voorgeschreven omstandigheden; hij laat niets achter, geene letter, geen punt. Hij wil U, o God, geene geschonden offers aanbieden. Bij het eerste teeken neemt of verlaat hy eene bezigheid, begeeft zich,
164
waarheeu Gij hem roept, zonder zelfs de begonnen letter te voltooien. Dit is echter slechts het lichaam der gehoorzaamheid; zijn wil en zyn oordeel onderwerpen , ziedaar hare ziel. »De volmaakte gehoorzaamheid,quot; zegt de H. Ignatius, »is blind en het is in hare blindheid, dat hare groote wijsheid bestaat. De onvolmaakte gehoorzaamheid heeft twee oogen, doch tot haar verderf. Terwijl zij zich uitwendig onderwerpt, weerstreeft zij inwendig, zij verdient den naam van gehoorzaamheid niet.
Hij, die slechts volgens de daad gehoorzaamt zonder tevens te gehoorzamen met oordeel en wil, heeft slechts één voet in het religieuze leven gezet.... De verloochening van den eigen wil kost veel aan de natuur;
o O
doch welk edeler gebruik kan men er van maken dan hem geheel te onderwerpen aan dengene, van wien men hem heeft ontvangen?
De gehoorzaamheid moet zich uitstrekken tot eiken overste; niet alleen tot dengene, wien zijne persoon-lijke hoedanigheden tot aanbeveling strekken, als rijpe leeftijd, wetenschap, wijsheid...., maar ook tot hem, die geene dezer voorrechten zou bezitten; men moet gehoorzamen niet slechts aan den eersten overste, maar ook aan de ondergeschikte oversten, waren zij ook jong, onbekwaam, zonder talenten, noch ondervinding, omdat het niet om natuurlijke of bovennatuurlijke gaven is, dat men hun moet gehoorzamen , doch alleen om God, wiens plaats zij vervullen.
»Ben ik dan in het klooster getreden om de menschen te dienen?quot; vraagde de H. Aloysius van Gonzaga. Men moet ook gehoorzamen in eiken leeftijd, in gezondheid, in ziekte, in alle omstan-
165
dighedeu, hadde men ook de grootste diensten bewezen , de verhevenste bedieningen vervuld. De goede religieus wil, tot zijn laatste uur, als een kind zijn in de handen der gehoorzaamheid.
O Jezus, met welke verwijten overlaadt mij heden mijn geweten! Ik heb mij op den dag mijner professie aan U gegeven, ü belovende, dat ik ü altijd zou dienen ia den persoon dergenen, die zoudt aanstellen, om mij te geleiden. Helaas, hoe dikwijls vergat ik, dat Gij den roof in het offer verafschuwt, en nam ik van het altaar den wil terug, dien ik ü aldaar had opgeofferd, door over mij zeiven te beschikken, als behoorde ik aan mij-zelven toe. Ten minste hoeveel redeneeringen, hoeveel uitstel, hoevele menschelijke beweegredenen hebben in uwe oogen de verdiensten mijner gehoorzaamheid verminderd. Voortaan wil ik die vormen naar het voorbeeld, mij door U gegeven, en als ik eenigen weerstand gevoel, zal ik mij voorstellen, ü tot mij te hooren zeggen: Kost het U, stof en asch, dan zooveel, u te onderwerpen aan een mensch uit liefde tot God, als ik de Almachtige, de Allerhoogste, die alles van niet geschapen heb, aan menscheu heb gehoorzaamd uit liefde tot u? (1)
U) Nav. B. 3. H. 13.
166
33ste OVERWEGING.
de getrouwheid in het nakomen van den kegel.
I. Zonder haar stel ik mijne zaligheid in gevaar.
II. Met haar is het mij zeer gemakkelijk, heilig en zalig te worden.
1. Stellen wij ons in den Hemel de stichters voor der orden, omringd door de zielen, die zalig geworden zijn door het omhelzen en getrouw opvolgen van hunnen regel.
2. Ik zal God bidden, mij door de voorspraak van alle heilige religieuzen te verlichten omtrent het groote gewicht, dat ik moet hechten aan de naleving der religieuze regelen, en mij de genade te schenken, er steeds getrouw aan te blijven.
[ Punt. Indien ik weiger den regel na te leven, stel ik mij hloot aan het gevaar van mijne ziel te verliezen. Waarom? Omdat ik weiger, de plichten te vervullen, aan mijnen staat verbonden, omdat ik mij beroof van de genaden, die mijn staat mij aanbiedt, om heilig en zalig te worden. Ziehier eenige dier verplichtingen:
1. Ieder religieus is verplicht, te streven niet alleen naar de volmaaktheid in het algemeen, maar naar de volmaaktheid, die hem eigen is, want elke orde, elke congregatie heeft de hare; de heiligheid van een apostolisch man is niet die van een kluizenaar, en de volmaaktheid eener dochter van de H. Theresia, is niet die eener gasthuiszuster. Doch waar vind ik
167
dat karakter van heiligheid, eigen aan mijnen staat? In myne constitutiën en regelen. Daarin ligt de geest van de religieuze vereeniging, waarvan ik deel maak, kaar einde en hare middelen; daar ligt het doel, dat ik moet trachten te bereiken en de weg, dien ik moet volgen. Even als men de middelen niet kan verwaarloozen , zonder gevaar te loopen het einde te missen, even zoo kan ik mijne regelen niet veronachtzamen, zonder mij in gevaar te stellen nooit de heiligheid te bereiken, die God van mij verwacht.
2. Ik ben verplicht mijne gelolten na te leven en bijgevolg alles te vermijden, wat haar aanrandt; en de H. Thomas leert, dat de overtreding der regelen geleidt tot de overtreding der gelofte. Er is dikwijls seen ander verschil tusschen beide, dan het verschil
O \'
van meer en minder stof, even als tusschen eene kleine ongehoorzaamheid en eene grootere. Mijne regelen zijn de verdedigingsmuren mijner geloften; indien ik deze omver werp, maak ik mgnen vijand de overwinning gemakkelijk en loop in het verderf.
3. Ik heb aan God en aan de gemeente beloofd, niet alleen mijne geloften te bewaren, maar ook de constitutiën en regelen na te komen, die men mij met zoo veel zorg had uitgelegd en in mijn noviciaat zoo dringend had aanbevolen; zonder deze gelofte ware ik niet tot de professie toegelaten. Indien ik te kort blijf, niet somtijds en uit menschelijke zwakheid , maar dikwijls en uit gewoonte, wat wordt dan die belofte? Eene vreeselijke beschuldiging tegen mij, voor Gods rechterstoel: Hij zal tot mij kunnen zeggen gelijk tot de werklieden uit het Evangelie: »Hebt gij geene verbintenis met mij aangegaan ?
168
Hadt gij u niet verbonden uwe i\'egelen na te leven, die teilige banden van het verbond, dat ik met u aanging ? Hoe! ze te overtreden, is u als tot een spel geworden!quot; Het religieus gezin, waartoe ik behoor, kan mij, van nu af, hetzelfde verwijt toevoegen: Ik heb u tot kind willen aannemen, op voorwaarde, dat gjj onderworpen zoudt zijn aan mijne wetten. Gij hebt dit voor het altaar beloofd, waarom schendt gij aldus uwen eed van trouw?quot;
Men moge zeggen: Mijn regel verbiedt niet op zonde, dit is waar, in zoover dit de beloften niet raakt, doch slechts dan als de overtreding noch
\' O
voorafgegaan, noch vergezeld, noch gevolgd wordt van eenige omstandigheid, die ze zondig maakt, hetgeen bijna nooit gebeurt. Doch al waren onze regelen slechts louter raden, dan zijn zij toch niet minder de uitdrukkingen van Gods wil, de uitvindingen zijner wijsheid, die ze ons aanwijst als een veilige weg, de bewijzen zijner goedheid, die ze ons geeft om ons te bereiden tot het ontvangen zijner genaden, de uitwerkselen zijner liefde, die ons daarmede als met zoovele banden aan zich vasthecht. Kunnen wij dan, zonder zonde te bedrijven, tegen zijnen welbekenden wil ingaan, zijnen raad verachten, zijne genaden verstooten en ons verzetten tegen de meest barmhartige inzichten zijner teederheid?
4. Als religieus moet ik volmaakt de groote wet der broederlijke liefde, den ijver voor de zaligheid der zielen betrachten, wijl ik in deze hoedanigheid de innige vereeniging voortzet der eerste christenen, die elkander broeders en zusters noemden, alles in het gemeen bezaten en slechts één hart en ééne ziel
169
hadden. Het is voor mij een meer dringende pliclit, dan voor een eenvoudig christen , anderen te stichten. Zal ik dien vervullen door ergernissen ? en is er wel grooter ergernis dan die van een religieus, die geene rekening schijnt te houden niet zijne regelen, die ze durft overtreden zonder eenige andere reden dan zijne luimen, zijne lichtzinnigheid, zijn gebrek aan versterving ?
Hier vooral is de besmetting van het slecht voorbeeld schrikwekkend. De uitgestortheid, de geest der wereld, het klagen, het morren, alle soort van wanorden worden langzamerhand van den een op den ander overgeplant en kunnen eene gemeente ten ondergang voeren. Zoo zal ik, ben ik ontrouw aan mijnen regel, het weldra zijn aan mijne gewichtigste verplichtingen, en ik zal daarenboven voor mij de groote middelen ter zaligheid, welke mij mijn staat aanbiedt, geheel nutteloos maken.
Inderdaad, indien deze bevoorrechte staat mij door de geloften verwijdert van het kwaad; indien hij mij door de godvruchtige oefeningen nader brengt tot God, het middenpunt van alle goed, zoo geschiedt dit slechts volgens de maat mijner getrouwheid aan mijne regelen Deze schrijven mij de gedragslijn voor, om in mij, noch de liefde tot den rijkdom, noch tot eer en glorie, noch tot zinnelijk genot, waaraan ik door mijne geloften verzaakt heb, weder toe te laten; doch die gedragslijn moet ik volgen. Indien ik bijv.: die regelen niet nakom, welke betrekking hebben op de zedigheid, de waakzaamheid over mijne zinnen, de te menschelijke genegenheden, den omgang met de wereld... dan is het klaarblijkelijk,
170
dat ik mij in gevaar stel de teederste aller deugden te kwetsen. En wat hier gezegd wordt omtrent de gelofte van zuiverheid, geldt niet minder van de geloften van armoede en gehoorzaamheid.
Evenzoo staat het met de oefeningen van godsvrucht, het gebed, het onderzoek, de geestelijke lezing, de H. Communie. Zij allen vragen een geest van ingetogenheid, een geest van vrijheid, van onthechting. Kan men zich wel met God onderhouden, na een verboden gesprek of eenige andere overtreding van den regel, die wroeging en onrust in de ziel werpt, er wellicht een smeulenden hartstocht opnieuw heeft aangevuurd, een gevoel van wraak heeft opgewekt? O mijn God! thans zie ik duidelijker in, wat het werk uwer genade in mij tot dusverre verijdeld en mij in gevaar gesteld heeft, mijne ziel te verliezen!
II Punt. Indien ik mijn regel getrouw naleef, zal ik zeker en gemakkelijk heilig en zalig worden. Ik zal zeker heilig worden. De volstrekte heiligheid ligt slechts in God; de heiligheid des menschen is slechts betrekkelijk en geëvenredigd naar den graad zijner vereeniging met God. Wat ons met God ver-eenigt, is de gelijkvormigheid van onzen wil met den zijne; daarin ligt alleen de ware liefde. Jezus Christus verklaart dit uitdrukkelijk; Si quis diligit me, sermonem meum servabit, qui non diligit me, sermones meos non servat (1); daarin ligt dan ook de ware heiligheid. Dezen goddelgken wil kennen en zich uit liefde daaraan voortdurend onderwerpen,
(1) Joa. 14, 2;J, 24.
171
ziedaar wat heiligen vormt, ziedaar het groote voorrecht, dat de regel ons verschaft. Het is niet een deel van ons leven, maar otis geheele leven, dat hij heiligt. Niet elk oogenblik hoor ik de stem van mijn overste, om mij de bevelen te geven, welke die van God zeiven zijn; mijn regel zegt mij onophoudelijk, wat God wil, dat ik doe, wat Hy wil, dat ik late. Een vermaard paus verzekerde, dat hij den kloosterling heilig zou verklaren, van wieii men bewijzen kon, dat hy altijd trouw zijn regel had nageleefd. De hemel behoort mij dus, als ik slechts wil; mijne getrouwheid aan mijn regel geeft hem mij.
En kom ik er dan niet langs een gemakkelijken weg? Welk voorwendsel zou mijne traagheid hier kunnen aanvoeren? Wordt er voor mijn geluk eene voorwaarde gesteld, die mijne zwakheid kan afschrikken? Gelijk Mozes weleer sprak tot het volk van Israël, op diezelfde wijze kan gezegd worden tot ieder kloosterling: gt;De middelen tot heiliging, die men u voorstelt, liggen niet boven het bereik uwer krachten; gij behoeft ze niet ver, niet hoog te zoeken; zij liggen voor uwe oogen, in uwe hand, in uwe regelen.quot; Is dan derzelver naleving zoo moeielijk? Wat is er gemakkelijker dan zich op voorgeschreven tijd ter rust te begeven, op te staan, naar het gebed, naar het koorgebed te gaan, zorgvuldig zijne bediening uit te oefenen, het stilzwijgen te bewaren op voorgeschreven plaats en tijd? Altijd in het beoefenen van zijn regel te zijn, is altijd in de liefde Gods zijn. Wat is er zoeter? Aldus vermeerdert men onophoudelijk den schat zijner verdiensten , maakt men door eene aanéénschakeling
172
van goede werken zijne voorbeschikking steeds zekerder, zijne kroon meer schitterend, zijne eeuwig heid zaliger? Wat toch kan ons beter bemoedigen?
Hernieuw in u de achting, de liefde voor uwe regelen, door de woorden van den profeet hierop toe te passen, welke hij zegde omtrent de wet des Heeren. »Zij, die haar bewaren, zullen het leven vinden, zij, die haar overtreden, stellen zich bloot aan den doodquot; (1).
34ste OVERWKGING.
OVER DEN VOORTGANG IN DE DEUGD. JESUS ACTEK PllOEICI KBAÏ.
Alle zaken volbrengen zoo volmaakt als wy kunnen, is een groot middel om snelle vorderingen te maken op den weg der heiligheid.
I. Jezus volbracht al, wat Hij deed, op volmaakte wijze.
II. Beweegreden, om Hem hierin na te volgen.
I Punt. Jezus volbracht al zijne w er hen met de meest mogelijke volmaaktheid. Men heeft in alle waarheid en ten allen tijde van Hem kunnen zeggen: Bene omnia fecit, Hij heeft alles wel gedaan; heerlijke lofspraak, die in drie woorden de volmaaktste hulde brengt aan zijne heiligheid, zijne wijsheid, zijne goedheid.
(i; Bar. 4,1.
173
Hij heeft alles gedaan met eene oneindige heiligheid zoo uitwendig als inwendig. Nimmer sloop de schaduw eener onvolmaaktheid of van eenig gebrek ia eene enkele zijner handelingen, zoo in zich-zelve als in hare wijze beschouwd; ieder oogenblik, eu welke ook zyne bezigheid was, verdiende Hij ten volle, zoo op aarde a!s in den hemel, het loflied der engelen: Heilig, heilig, heilig!
Hij heeft alles gedaan met eene oneindige wijsheid, met bewonderenswaardige orde, zich immer in de kleinste, gelijk in de grootste zaken, schikkende naar de inzichten zijns Vaders, naar de plichten van zijn tegenwoordigeu toestand. Als kind sprak en handelde Hij met de volmaaktheid, die het kind past, evenzoo in eiken anderen leeftijd, Hij voegde zich naar alle omstandigheden en volbracht alle zaken dan en gelijk zij volbracht moesten worden.
Hij heeft alles gedaan met eene oneindige goedheid, alles terugbrengende tot de meerdere eer van God en ons grooter heil. Hy wist, dat Hij, door zijne akten van aanbidding, van gehoorzaamheid, van vernedering, van vernietiging van zich-zelven, tot in de kleinste bijzonderheden van zijn levensgedrag te vermenigvuldigen, op overvloediger wijze de be-leediging herstelde. God door de zoude aangedaan, den schat van genaden en verdiensten, die Hij den menschen bereidde, vermeerderde, en hun de zaligheid gemakkelijker maakte. Hieruit ontsproot die vurige en aanhoudende ijver, om alles, wat Hij deed, op de volmaaktste wijze te verrichten.
O! welke vorderingen zou men maken in de deugd, indien men getrouw deze grondbeginselen naleefde:
174
ia al zijue daden, zelfs in de meest gewone, elk gebrek, waarvan men zich bewust is, vermijden, en ze verricliten zoo goed men dit kan; hart en hand uitwendig en inwendig regelen naar het groot gebod van liefde tot God en den evennaaste; de heiligheid
7 O
zien, waar zij is, namelijk in onze vereeniging met God, door de vervulling van zijnen wil volgens den toestand, dien Hij ons heeft geschapen, in plaats van eene denkbeeldige volmaaktheid na te jagen, haar zoekende buiten den weg, dien het God behaagd heeft, voor ons af te bakenen.
Door elke mijner handelingen, wèl verricht, stem ik God goedgunstiger voor mij, versterk ik mijne goede neigingen, verzwak ik de slechte, verkrijg ik nieuwe genade en grooter gemak, om het goede te beoefenen, de goede gewoonten ontspruiten en schieten wortel; want zoo het kwaad voert tot het kwaad, het goede roept ook het goede te voorschijn. Aldus geleiden de kleine deugden tot de groote, de meest gewone werken tot de heldhaftigste. Doch heb ik noch die tegenwoordigheid van geest, noch die zelf-beheersching, waardoor ik meester en bestuurder ben mijner handelingen, in plaats van derzelver slaaf te zijn, noch die wilskracht, de vrucht van het levend geloof, zonder hetwelk zelfs mijne beste handelingen vervuld zijn met gebreken, hoe kan ik mij dan verwonderen, o mijn God, dat ik voortdurend zoover van ü verwijderd blijf, en dat ik voortga naar het graf, zonder voort te gaan in uwe liefde?
II Punt. Beweegredenen, die ons aanzetten onze meest gewone werken zoo volmaakt mogelijk te verrichten.
175
1. De wil van God, zijne grootheid, zijn oppergezag. — Zijn wil: Hij wil inderdaad, dat wij heilig zijn. Onze heiligheid nu, wij hebben dat reeds overwogen , hangt af van onze werken. Het zijn de goede werken, die God eeuwig zal beloonen in zijne uitverkoornen , de kwade, die Hij eeuwig zal straffen in de verdoemden. Hij wil, dat wij, zoo goed mogelijk, zijne handelwijze navolgen, daar Hij zich ons tot voorbeeld stelt. De handelwijze, die God eigen is, zegt de H. Thomas, is al zijne werken te verrichten met de grootste volmaaktheid; en hierom wil Hij, dat wij uitmunten in al onze werken, iets wat eene voortdurende zorg veronderstelt, om ze wèl te verrichten.
Zijne oneindige grootheid eischt dit. Men onteert een Meester, wanneer men hem dient met slordigheid, met weinig ijver; en God verklaart ons, dat Hij slechts vervloeking heeft voor hem, die Zijn werk achteloos volbrengt. — Voegen wij hierbij, dat, wijl God over ons het oppergezag heeft, al onze daden Hem toebehooren, de kleinste zoowel als de grootste; alle moeten de schatting onzer afhankelijkheid en de offers onzer dienstbaarheid zijn. Zij moeten derhalve Hem waardig zijn, en Hem al de eer geven, die Hem verschuldigd is.
2. Onze liefde voor Jezus-Christus. Niets is Hem welgevalliger dan te zien, dat wij onze meest gewone werken heilig verrichten. Hierdoor toch gelijken wij op Hem, leven wij zijn leven, vervullen wij zijn vurigsten wensch, die geen andere is, dan zijnen Vader te verheerlijken door onze daden, gelijk Hij Hem heeft verheerlijkt door de zijne, opdat de lede-
176
raaten, zoowel als het hoofd geheel aan die goddelijke glorie zijn toegewijd. Hiertoe geeft Hij ons zijne genade, werkt Hij niet ons en in ons. Wordt nu mijn werk slecht verricht, is het besmet met eenig gebrek, dan heeft Jezus uit zijne genade niet al de vrucht getrokken, die Hij begeerde, noch van mijne medewerking al de vreugde, die Hij verwachtte.
3. De waarde en het loon eener wel verrichte daad. De minste akte van christelijke deugd, door eene rechtvaardige ziel verricht, de naam van Jezus, godvruchtig uitgesproken , het teeken des kruises met aandaclit gemaakt... nog minder, eene schrede, een blik, al die werken , zoo klein in zich-zolven , worden veredeld en verhoogd door het geloof en de genade, die er het beginsel van zijn, behagen meer aan God, verschaffen Hem meer glorie, dan al de louter natuurlijke handelingen van schepselen, die ooit geweest zijn, bestaan of bestaan zullen. En wat zullen wij inoogsten voor die welverrichte daad, van een oogenblik wellicht? Een eeuwig gewicht van glorie (1). O mijn God! kan men U beminnen, kan men zich-zelven beminnen en niet trillen van vreugde bij de gedachte: Voor dit goede werk, dat mij zoo weinig-kost, zal ik U zien met meer klaarheid, zal ik ü bezitten met meer genot, gedurende de geheele eeuwigheid!
Wees gezegend, o mijn God, dat uwe goedheid mij zulk een ge makkelijkeu weg geopend heeft tot de volmaaktheid, die Gij van mij verwacht. De werken, waaraan Gij ze verbindt, vervullen al mijne
(1) II Cor. 4, 17.
177
oogenblikken, en indien, bij het eindigen mijner loopbaan, de engelen van den korten tijd, dien zij wellicht nog duren zal, konden zeggen, dat ik daarin alles wèl gedaan heb, hoe kostbaar zouden dan die weinige dagen voor U zijn, o mijn God! en welk een schitterend spoor zouden zij in mijn leven achterlaten !
35ste OVERWEGING.
de goedk meening na de genade, ee11ste oorzaak van de heiligheid onzer werken.
I. Op welke krachtige wijze zij onze werken heiligt.
II. Welke hoedanigheden onze meening moet hebben.
I Punt. Kracht der goede meening, om onze werken te heiligen. Door de wijze richting, welke de goede meening aan onze goede werken geeft, onttrekt zij deze aan het gebied der natuur, om ze te brengen onder het rijk der genade en der bovennatuurlijke orde. Zij oefent haren zaligen invloed uit op de slechte, de goede, de onverschillige. Zij verdringt de slechte, zij maakt de goede beter; en hoe talrijk zijn, in het leven van den religieus, de werken goed uit hunne natuur! Is het geen jammerlijk verlies, zoo ik mij beroof van derzelver vruchten door mijne onachtzaamheid, om ze met eene goede meening te vervullen? Zonder goede meening of ch. 11. 12
178
met eene slechte meeuing zou datgene, wat in zich zeiven uitmuntend is, zooals de aalmoes, godvruchtige samenspraken, het ontvangen der HH. Sacramenten, slechts ijdelheid of misdaad worden; terwijl de goede meening in goddelijke werken, die handelingen kau veranderen, welke in zich-zelven zeer gewoon en onverschillig zijn.
Een glas water, een paar penningen, is niets; en toch, indien ik dit offer breng met het oog op God en om Hem te behagen, zal Hij het aannemen, het prijzen, het heerlijk beloonen. De meening, zegt de H. Augustinus, is het oog der ziel; de goede meening maakt de goede daad. Het schip zeilt naar den kant, waarheen het gestuurd wordt door het roer, en het werk streeft naar het doel, dat men zich voorstelt, terwijl men het werk verricht. Het eenvoudig oog, waarvan Jezus-Christus spreekt, en dat het geheele lichaam verlicht, is de goede meening: zij verspreidt haren glans over geheel het lichaam onzer daden, en maakt ze kostbaar in \'s Heeren oogen.
Hierom richt de H. Paulus tot ons deze dringende vermaning: »Doet alles wat gij verricht in den naam van onzen Heer Jezus-Christus.quot; Het woord van den Apostel is bemerkenswaardig. Hij noodigt ons uit, om door de goede meening alles Domnequot;, en elke zaak in het bijzonder »quod vumquequot; te verheffen, te heiligen; hij zondert niets uit, geen werk, zelfs geen woord: In verbo aut in opere. Hij treedt zelfs in bijzonderheden van de geringste werken, ja zelfs van die, welke ons met de dieren gemeen zijn; Jietzij gij eet, hetzij gij drinkt... doet alles tot meer-
17ö
dere glorie van God. Indien nu de meening zulke stoffelijke zaken kan verheffen, zoodat zij dienen tot Gods glorie, tot titels op zijne edelmoedigheid, ■welk eene kracht van heiliging zal zij dan niet uitwerken op die aanéénsehakeling van verhevener werken, die den dag van den religieus vervullen? Heerlijk uitwerksel van de meening door het geloof bezield! Niet slechts geeft zij groote waarde aan het goede, dat wij doen, maar zij voegt bij den schat onzer verdiensten zelfs het goed, dat wij niet doen, zoo dit ligt in onze begeerten,
O Heer, welk een goed meester zijt gij! De ondankbare wereld kan niet, of wil niet beloonen wat men voor haar doet, en Gij, Gij hebt zelfs eene kroon ten beste voor den eenvoudigen wil van U te dienen. Gij luistert naar de klachten en het smeeken uwer trouwe dienaars; Gij wilt hun zelfs rekening houden van al de beleedigingen, welke zij wenschen U bespaard te zien , van al de harten, die zij voor U wenschen te winnen.
II Punt. Hoedanigheden, die onze meening moet hebben. Zij moet rechtzinnig, zuiver, volhardend zijn. De meening is rechtzinnig, als de ziel den blik gericht houdt naar God, die, als zijnde het beginsel van alles, ook het einde van alles moet wezen. Als iemand, in alle omstandigheden van zijn gedrag. God en zijne glorie zoekt, door het vervullen van zijnen wil, dan bewandelt hij den rechten weg. Hij kan in alle waarheid met den Zaligmaker zeggen: Ik ga tot mijnen Vader, ik ga tot Hem, die mij gezonden heeft. Elke mijner handelingen brengt mij nader tot Hem. Volgen wij den raad, die een god-
180
vruchtig schrijver ons hier geeft. »Werp het net uwer goede meening naar den kant der genade, niet naar dien der natuur. Pas wel op, dat gij u niet begeeft tot uwe bediening, uwe werkzaamheid, uwe zaken, uwe vermaken,.,., uit natuurlijke neiging. Dat de genade geheel uw leven geleide. — Werp uw net naar den kant des hemels, niet naar dien der aarde. Dat uwe tijdelijke belangen nooit de overhand hebben boven uwe eeuwige belangen. Laat u steeds geleiden door de eeuwige waarheden. Leef gelijk een hemelsch mensch, die de zaken dezer aarde slechts uit noodzakelijkheid aanraakt. — Werp uw net naar den kant van het kruis en niet naar dien van het zingenot, zelfs niet naar dien der inwendige vertroostingen. Het kruis is het deel der uitver-koornen. — Werp het eindelijk naar den kant van God en niet naar dien der schepselen; niets om aan de menschen te behagen, niets uit menschelijk opzicht,.... zoek God en uwen voortgang op den weg der volmaaktheid en gij zult vinden wat gij zoekt. Et invenietis. Doch, werpt gij uw net naar den kant der vergankelijke goederen, dan zult gij niets vinden. Wat toch kan men vinden in het niet?quot;
2, Eene zuivere meening. Men zoekt God wel is waar, in plannen van ijver, in werken van liefde, doch zoekt men Hem alleen? Waar is de religieus, die, terwijl hij zich tot God zoekt te verheffen, nimmer nederzakt door de gedachte aan zich-zeiven of door eenig mengsel van eigenliefde? Het eenvoudig oog is de zuivere meening en even als het oog slechts één voorwerp sterk kan bezien, zoo moest ook onze ziel zich slechts bij een enkel goed bepalen.
181
De meening zou zuiver zijn, als het hart zuiver ware, want het hart bestuurt de meening, even als de meening de daad bestuurt. Het is dus mijn hart dat ik moet wantrouwen, in al mijne inzichten en in de beweegredenen, die mij doen handelen. Zuivert uwe harten, gij die dubbelhartig zijt, (1) dat is: die verdeeld zijt in uwe meening, en uwe werken gedeeltelijk aan God, gedeeltelijk aan de schepselen schenkt. Daar uw hart slechts voor God gevormd is, bezoedelt elke genegenheid, die Hem niet tot voorwerp heeft, de schoonheid uwer ziel; het zuivere goud der volmaakte liefde duldt deze vervalsching niet. De rechtzinnige meening heeft tot leus: Alles voor God, de zuivere meening: Alles voor God alleen.
3. De volhardende meening. Het einde kroont het werk. Waartoe zou het ons dienen te beginnen met den geest, zoo wij eindigen met het vleesch! Treden wij een oogenblik in ons-zelven, alvorens ons tot het werk te begeven; laat de fakkel des geloofs ons steeds voorgaan, om slechts God in het oog te houden; doch waken wij ook over ons-zelven gedurende ons werk, om het einde, dat wij ons voorstelden niet uit het oog te verliezen. Wij gevoelen ons dikwijls tot het goede opgewekt, doch de volharding ontbreekt ons. Dikwijls zou de Heer tot ons, gelijk Paulus tot de Galaten kunnen zeggen: »Gij liept goed; wie heett u verhinderd?quot; (2) Gij waart goed begonnen, waarom zijt gij aldus niet voortgegaan? Eene heilige daad, eene nog heiliger beweegreden , ziedaar het begin, doch in het vervolg heb
(1) Jac. 4, 8. (2) Gal. 5, 7.
182
ik niets meer te prijzen, omdat, al blijft de daad goed in zich. Ik daarbij vergeten word; het is niet meer voor mij, althans niet voor mij alleeu dat zij volbracht wordt!
Treed in u zeiven, onderzoek u ernstig. Het is een punt van het hoogste gewicht. Indien men uwe zoogenaamde goede werken ontdeed van alles wat niets anders was dan natuurlijke werkzaamheid, gewoonte, luim...; van alles wat in uwe inzichten vermengd was met goed en kwaad en door deze vermenging bezoedeld; eindelijk vau al datgene, waarin gij niet volhard hebt; wat zou u dan overblijven? Welke verdiensten zoudt gij God kunnen aanbieden zoo Hij u heden voor zijnen rechterstoel daagde V Neem dan met David dit besluit: Ik zal ü loven %n oprechtheid des harten, (1) en hierdoor in al mijne daden en in al de oogenblikken mijns levens. Bepaal op welke tijden gij voortaan uwe meening zult vormen, hernieuwen en opwekken.
(1) Ps. 118, 7.
AFDEELING IV
Het openbaar leven des Zaligmakers.
Door de voorbeeldea, die Jezus ous geeft in zyn openbaar leven, schijnt Hij vooral in ons die deugden te willen aankweeken, die wij ten opzichte van onzen evennaaste te vervullen hebben.
36ste OVERWEGING.
de bllokderlijke liefde. jeztjs-ch111stus geeft ons
daarvan in zich-zelven :
I. De krachtigste beweegreden. 11. Het volmaaktste voorbeeld.
I Punt. Jezus beweegreden tot broederlijke liefde. Jezus bemint den evennaaste, Hij beveelt ons hetn te beminnen, Hij zelf stelt zich in hem, als het voorwerp onzer liefde. O mijne ziel, hebt gij wel ooit het goddelijke dezer deugd begrepen, en hoezeer men, zoo men deze kwetst, het Hart van Jezus-Christus wondt?
1. Jezus bemint dien persoon, in wien mij alles mishaagt, karakter, uiterlijk, alles, tot zelfs de deugd. Jezus bemint hem teederiijk, bovenmate, zegt de H. Paulus, en ik zou mij vleien alle rechtvaardigheid
184
ten zijnen opzichte te hebben vervuld, indien ik hem slechts niet haat? O treffende geheimen van ons geloof, kribbe, Kalvarië, altaar, gij spreekt mij zoo luide van de liefde van den God-mensch tot mij; zegt gij mij niets van de liefde, die Hij koestert voor mijne broeders ? Is het niet voor hen, gelijk voor mij, dat Hij zich aan den vreeselijksten dood heeft overgeleverd? Hoe gemakkelijk zou het rujj vallen, mijn evennaaste, wie hij ook zijn mocht, le beminnen, indien ik zijne verdiensten beschouwde in het Hart van een God, die mensch wordt, lijdt en sterft, om hem gelukkig te maken! Kan God beminnen zonder oorzaak? Ware er in hen, die mijn afkeer terugstoot, zoo veel kwaad en zoo weinig goed, dan moest het menschgeworden Woord, dat de rechtvaardigheid en heiligheid zelve is, daaraan meer gevoelig zijn dan ik, en zoo Hij met deze voorgewende onwaardigheid geene rekening houdt, past het mij dan daarbij stil te staan? Hadden zij in zijne schaal het voldoende gewicht om ten prijze van het goddelijk Bloed herkocht te worden, moeten zy dan in de mijne te licht wegen, niet alleen om verdragen, maar zelfs om oprecht bemind te worden ? En bij de kracht van zijn voorbeeld, voegt Jezus het gezag zijner wet.
2. Het gebod van den evennaaste te beminnen, is gelijk aan het gebod van God te beminnen. Deze tweevoudige liefde vormt twee schakels van denzelfden keten; men kan ze niet scheiden, en om juist te spreken verschillen zij niet in doel: God beminnen om Hem-zelven of zijnen evennaaste beminnen om God, is altijd God beminnen. Dit gebod is Jezus
185
gebod: Hoc est prcBceptum rneum; Hij herhaalt het dikwijls. Hij wil, dat de getrouwheid aan het gebod der naastenliefde, het onderscheidingsteeken zij eener hechte deugd, eener onopgesmukte godsvrucht. Hieraan zullen allen erkennen, dat gij mijne leerlingen zijt (1). Hij verklaart, dat zij ons recht geeft op zijne vriendschap; want, na zijnen Apostelen te hebben aanbevolen elkander lief\' te hebben, gelijk Hij ons eerst heeft lief gehad, voegt ITij er onmiddellijk bij; Gij sijt mijne vrienden, zoo gij doet wat ik u gebied. (2)
In den laatsten dag des oordeels zal Hij toonen, dat dit gebod het zijne was, en dat Hij niets zoo zeer verlangde, als ons hieraan onderworpen te zien, daar Hij slechts belooning zal hebben voor hen, die het hebben nagekomen, slechts straf voor hen, die het overtraden. »lk heb honger gehad, gij hebt mij gespijsd. Ik was ziek, gij hebt mij geholpen; gevangen, gij hebt mij bezocht.quot; Hij bekroont alleen de liefde...
3. Jezus stelt zich-zelven in onzen evennaaste om dezes fouten te bedekken en zelf het voorwerp onzer liefde te zijn. Luister aandachtig, mijne ziel, en omdat gij Hem aanbidt, die gaat spreken, moet gij ook vast gelooven, wat Hij gaat zeggen: Voor zooveel gij dit aan één van deze mijne geringste broeders gedaan hebt, deedt ge het aan mij (3). Aldus, o eeuwige Rechter, zult Gij het vounis wijzen, dat uwen uitverkoornen den hemel zal openen en uwe vijanden in de hel zal werpen. Gij zult niet zeggen: »Uw broeder heeft honger, heeft dorst gehad,quot; doch:
(1) Joa. 13, 35. (2) Joa. 15, 14. (3) Mstth. 25, 40.
186
»Ik zelf had honger, bad dorst in den persoon van uwen broeder; Ik zelf beb uw medelijden ingeroepen en raij-zelven hebt gij bedroefd door uwe hardvochtigheid of vertroost door uwe liefde.quot; Paulus vervolgt de christenen, o Jezus, en Gij zijt bet, dien by vervolgt. Martinus geeft de helft van zijnen mantel aan een arme, en het is aan TJ, dat bij deze aalmoes geeft. Welke gramschap zal op uw gelaat ontvlammen, als Gij den verdoemden dit verwijt zult toevoegen: »Gij hebt mij een stuk brood, een kleed, een weinig geduld, een woord van troost geweigerd, aan mij, die u den laatsten druppel van mijn Bloed niet geweigerd beb.quot;
11 Punt. Jezus is het voorbeeld onzer naastenliefde. Hij heeft ons niet bevolen onze broeders zoozeer te beminnen, als Hij zelf ons het eerst beeft bemind; bet hart van den mensch kan niet beminnen, gelijk bet Hart van een God-menscb. Hij beeft slechts gewenscht, dat onze liefde den vorm en de gelijkenis der zijne zou aannemen, te weten dat zij bovennatuurlijk zijn zou in hare beweegreden, algemeen in bare uitgestrektheid, onveranderlijk in baren duur.
1. Eene liefde, bovennatuurlijk in hare beweegreden. Wat Jezus in ons bemint, dat is het beeld zijns Vaders, dat zijn de barmhartige inzichten zijner Voorzienigheid over onze zielen... Hij beeft zich geene moeite gegeven, om aan onze lichamen èn lijden èn dood te sparen; liever wilde Hij ons leeren door beide een zekeren weg tot het ware geluk te vinden. Wij moeten ons ook boven de zinnen, boven de natuur verheffen, wij moeten om God, wij moeten ia God diegenen beminnen, die, gelijk wij, geroepen
187
zijn tot het eeuwig bezit van God. Wij moeten niet vreezen, hun eenig verdriet aan te doen, als het belang hunner zaligheid dit vraagt, en indien zij zei ven dit belang, dit eenig ware belang vergeten, dan moeten wij hen meer beminnen, dan zij zich zeiven beminnen,
2. Eene liefde, algemeen in hare uitgestrektheid. Jezus stierf voor alle menschen. Zijne bitterste vijanden hebben deel gehad aan zijne weldaden. Heeft Hij zelfs voor zijne beulen geene genade afgesmeekt? Daar het God, de Schepper en Vader aller menschen, Jezus-Ghristus, hun Verlosser is, die wij in hen beminnen, is er geen enkel mensch, die geen heilige rechten heeft op onze liefde. Maar allen hebben niet dezelfde rechten. Wij zijn meer teederheid en genegenheid schuldig aan hen, die de Voorzienigheid dichter bij ons geplaatst heeft. Men bemint als vader, als zoon, als broeder, dit zijn als drie trappen der naastenliefde. Beminnen wij met vaderlijke liefde hen, die de godsdienst ons tot kinderen geeft, beminnen wij onze oversten met kinderlijke liefde, onze broeders en zusters met eene oprecht broederlijke liefde.
3. Eene liefde onveranderlijk in haren duur. Wat hebben de menschen niet gedaan om God, als het ware, te verplichten bun zijne liefde te onttrekken? Hij komt in hun midden, zij verwaardigen zich niet Hem te ontvangen. Niet tevreden met Hem te miskennen, vervolgen zij Hem. Nochtans houdt Hij niet op hen lief te hebben. Hij zal ze beminnen tot het einde toe, Hij zal hun de treffendste blijken van liefde geven dan als zij de wreedste folteringen
w 1111
m li m-
1
m i
*
i
t
188
voor Hem bereiden. Hij zal hen beminnen als zij in de wreedste gee.seling zijn vleesch verscheuren, Hij zal hen beminnen op het kruis als zij Hem nog in zijnen doodstrijd beschimpen, niets zal Hem beletten hen te beminnen want: de liefde is sterk als de dood. Wat is mijne liefde, die niets kan lijden en zich verloochent bij de eerste, bij de lichtste beproeving?
Uit deze overweging trek ik dit besluit.
O christelijke liefde, o religieuze liefde, wat zijt gij zeldzaam! Men heeft vrienden, maar wie denkt er aan alle menschen te beminnen? wie wenscht aan allen wel te doen zonder hen, die ons vervolgen uit te sluiten? Men bemint met eene natuurlijke, eene vleeschelijke liefde, het is noch de evennaaste, noch in den evennaaste, het is zich-zelf, dien men bemint: de eigenliefde is het richtsnoer onzer vrien-schap. Hoe denkt men aan zich-zelven in genegenheid welke men betoont, in diensten, welke men bewijst.
Tracht altijd Jezus-Christus te beschouwen in uwen evennaaste en gij zult geene moeite hebben om hem wel te doen; het zou u slechts moeielijk vallen Hem leed te doen.
189
37ste OVERWEGING,
de zachtmoedigheid. — in jezus-christus beschouwd.
1. In zijne leering.
II. In zijne voorbeelden.
1. Verbeeld u den Zaligmaker, met de kalme zielerust op het gelaat, zijne hemelscbe leer omtrent de zachtmoedigheid verkondigende; of wel verbeeld u Hem te zien te midden zijner vijanden, ten prooi aan hunne verguizing en bescbiinpiug, slechts zijne zachtmoedigheid stellende tegenover hunne woede.
2. Bid Jezus u eene deugd, die Hem zoo dierbaar is te leeren kennen, achten beminnen en beoefenen. O Jezus zachtmoedig en ootmoedig van Harte, ontferm U over ons.
I Punt. Hoe Jezus ons de zachtmoedigheid heeft onderwezen. Geen enkel punt der goddelijke wet heeft Hij ons met meer kracht en aandrang herhaald.
In zijne bergrede plaatst Hg de nederigheid op den eersten rang der zaligheden. Beati pauperes spiritu, en op den tweeden hare onafscheidbare gezellin de zachtmoedigheid; Beati mites. Hij noemt de vreedzamen de kinderen Gods. Indien Hy de oude voorschriften hervormt, dan is dit slechts om er meer zachtmoedigheid in te brengen, »Men heeft u gezegd: Gy zult uwen evennaaste beminnen en uwen vijand haten; en ik zeg u: Bemint uwe vijanden, doet goed aan hen, die u haten.... Vergeeft ■jiiet slechts zevenmaal, maar zeventigmaal zevenmaal, maar altijd... Wacht u wel kwaad met kwaad te
190
vergelden; »maar mocht iemand u op de rechterwang geslagen hehhen, keer hen ook de andere toe; en die met u voor het gerecht wil gaan en uw onderkleed nemen, laat hem ook den mantelquot; liever dan een twist te voeren waardoor de zachtmoedigheid benadeeld wordt.
Doch het is vooral in het elfde Hoofdstuk van den H. Mattheus, dat Jezus zich als leeraar der zachtmoedigheid vertoont en daarvan het kort begrip zijner zedeleer maakt. Hij had ons zijne grootheid veropenbaard en als het ware in al den glans zijner godheid geschitterd. Hij haast zich tot ons af te dalen en ons in de treflendste woorden toe te roepen: »Komt tot mij, allen die vermoeid en beladen zijt!quot; Komt en werpt uw lijden in mijn boezem. Gij zoekt de rust uwer ziel? Gij zult die in mij vinden. Ik zeg u niet: Komt tot mij omdat ik uw opperheer ben, doch ik zeg u: komt tot mij omdat iif medelijden heb gehad met uwe ellende, zoo zelfs dat ik mij heb willen bekleeden met uw vleesch, mij beladen met uwe misdaden, u verzoenen met mijneu Vader, u de wetenschap brengen van het ware geluk, besloten in deze woorden: tLeer van mij dat ik zachtmoedig en ootmoedig van harte hen.quot;
Hij laat geene gelegenheid ontsnappen om ons zijne voorliefde voor de zachtmoedigheid te toonen. Jacobus en Joannes, die Jezus naar Samarië gezonden had om zich en zijnen leerlingen een verblijf te bezorgen , keeren terug in eene gemoedsgesteldheid die men voor ijver zou aanzien en terwijl zij Jezus aankondigen dat de bewoners der stad Hem niet willen ontvangen, roepen zij vol verontwaardiging
131
uit: »Heere! wilt gij dat wij zeggen, dat er vuur van den bemel nederdale, en hen verslinde?quot; Jezus antwoordt hun met kalmte: »Gij weet niet, van hoedanigen geest gij zijt. De Zoon des menschen is niet gekomen om zielen ie verderven, maar om ze te behoudend Ik zou haar in het verderf storten indien ik met zulke gestrengheid handelde, terwijl mijne goedheid haar zal redden. gt; Ik zend ü als schapen onder wolven.quot; Weest dan zachtmoedig gelijk de lammeren, eenvoudig gelijk de duiven. Het is aan de zachtmoedigheid, als vrucht der liefde, dat men u als mijne apostelen en leerlingen zal erkennen. Velen zullen mij op den jongsten dag komen zeggen: »Heere, 11 eere! hebben wij niet door uwen naam geprofeteerd, en door uwen naam duivelen uitgedreven, en door inoen naam vele ivonderen gedaan! En dan zal ik hun betuigen: Nooit heb ik u gekend! gaat weg van mij, gij, werkers van ongerechtigheid!quot; Hoe hebt gij u durven aanmatigen, mij te vertegenwoordigen zonder den eersten trek van gelijkenis met mij te hebben, zonder de eerste deugd, die ik in mij-zelven aan mijne leerlingen ter navolging voorstel: »Discite a me quia mitis sum V Bij de lessen des meesters, voegen zich de voorbeelden van het toonbeeld.
II Punt. Met welke volmaaktheid Jezus de zachtmoedigheid beoefend heeft. De profeten, die Hem aan de wereld hadden voorspeld, hadden Hem niet aangeduid noch door de schatten van wetenschap, waardoor Hg vervuld zou zijn, noch door de grootheid en het aantal zijner wonderwerken, maar door zijne zachtmoedigheid. »Zegt aan Sions dochter:
192
Zie,, uw Koning komt tot u, zachtmoedig (1). Hij heeft tot hofstoet slechts zachtmoedigheid en goedheid. Het is een lam, dat zich zonder zich te beklagen op het altaar laat dragen, waarop zijn bloed zal vloeien. » Hij zal niet twisten, noch schreeuwen, noch zal iemand op de straten zijne stemme hooren. Ken geknakt riet zal hij niet breken, en een rookend lemmet niet uitdooven.quot; (2)
En wij weten hoezeer de werkelijkheid de figuren heeft overtroffen. De Zaligmaker was zoo zachtmoedig als kind, dat zijne tegenwoordigheid het verdriet deed verdwijnen. Men zegde elkander in oogenblikken van droefheid: Laat ons de zachtmoedigheid gaan zien en de vreugde zal lierleven in onze harten. (3) Hoe geduldig verdroeg Hij gedurende zijn openbaar leven de gebreken van allen: de onbeschaamdheid zijner Apostelen, voor het meerendeel meuschen zonder opvoeding, zich schikkend naar hunne zwakheid, om hunne onwetendheid te verlichten, nooit moede wordend hun uit te leggen, wat zij zooveel moeite hadden te begrijpen; de lastigheid dier scharen, die Hem overal volgden, en die Hem drongen (4), zonder Hem een oogenblik rust te gunnen. Nooit hoorde men eenige klacht uit zijnen mond, nooit zag men eenige verandering in zijne gelaatstrekken. Wat had hij niet te lijden van de zijde der Pharizeërs, die Hem zoo vele strikken spanden? Zoolang zij slechts zijn persoon aanrandden, behandelde Hij hen met de meeste gematigdheid, en wanneer zij Hem dwongen hunne schijnheiligheid te ontmaskeren, ten einde de verleiding te beletten, dan nog spaarde Hij
(1) Matth. 21, 5. (2) Matth. 12, 19—20. (3) Lohcr, Biblioth. (4) Mare. 5, 24.
193
hun gezag en steunde hunne leei*, terzelfder tijd dat Hij met kracht de raisbruikea van hun gedrag aantastte. Men weet met welke treffende goedheid Hij de verdwaalde schapen ontving. Zij ging zoo ver, dat de boosaardigheid daaruit wapenen tegen Hem smeedde: men beschuldigde Hem de vriend der zondaars te zijn; en wel verre van deze beschuldiging te wederleggen, verklaarde Hij, dat de zondaars het eerste doel zijner zending waren. Het was die onveranderlijke zoetaardigheid, welke de Samaritaansche vrouw bekeerde, Zacheus trof, Maria-Magdalena won, den ontrouwen leerling, die Hem verloochend had, in tranen deed smelten... Doch welke woorden schetsen zijne zachtmoedigheid, gedurende den loop van zijn droevig lijden? ten opzichte zijner apostelen, die iu den hof van Olijven ongevoelig schijnen voor zijne diepe smart en slechts kunnen slapen? ten opzichte van Judas: Vriend! waartoe sijf gij gekomen? Judas, levert gij den Zoon des menschen met een kus ? ten opzichte zijner beulen: Vader, vergeef hun, want zij tueten niet wat zij doen ! Elk dezer woorden vraagt eene diepe overweging.
Wat zal hij antwoorden, bij deze dubbele les van woord en voorbeeld, die religieus, wiens ongeduld vaak zichtbaar, wiens woord hardvochtig, wiens toon overheerschend is? Wat is er gemeen tusschen zijnen geest en den geest van Jezus? En nochtans is Jezus de weg, de waarheid, het leven. Buiten dien weg, waar gaat gij? Buiten die waarheid, waar zijt gij? En gescheiden van dat leven, welk een noodlottige dood! O hoevele fouten hebt gij tegen de zachtmoedigheid bedreven!
CH. II. 13
194
Vraag vergiffenis aan het Lam Gods, dat gij, hoewel u zoo vaak voedende met zijn vleesch, zoo weinig geleefd hebt volgens zijnen geest. Ga tot Hem getrokken door de zoete uitnoodiging tot u even als tot de ongelukkigen van Judea gericht: Komt allen tot mij. 0 hoe zoetaardig is Hij op het altaar, aan de heilige tafel, in uw hart! Als gij Hem ontvangen hebt, aanbid Hem dan, blijf in stilte zoo lang gij kunt bij Hem, onder den invloed dier zalige zoetaardigheid, die Hem in uw hart doet verblijven. Bid Hem alle opwellingen uwer ziel te bedaren, in U dien vrede te vestigen, die alle gevoel overtreft en waardoor het zoo gemakkelijk valt, zachtmoedig, goedertieren, geduldig te wezen. Gij zoudt dit altijd zijn, zegt de H. Joannes Chrysostomus, indien gij altijd dacht aan de zachtmoedigheid van Jezus!
389te OVERWEGING.
vrucht der zachtmoedigheid.
I. Zij maakt ons meester van ons eigen hart. II. Zij maakt ons meester van het hart onzer broeders.
III. Zij maakt ons zelfs meester van het Hart van God.
I Punt. De zachtmoedigheid maakt ovs meester van ons eigen hart. Is het de eerste plicht van een mensch, die zich zei ven eerbiedigt, zich te bezitten,
195
zoo is tevens de eerste voorwaarde tot het geluk hierin gelegen. Het geluk is, om zoo te spreken, een en dezelfde zaak als de vrede, waarvan niemand minder de zoetheid keut dan een driftig en oploopend mensch. Maar bestaat er eene deugd, die bekwaam is onze ziel voor ontsteltenis te behoeden en haar in eene onverstoorbare kalmte te bewaren? Ja; dit vermag de zachtmoedigheid. De mensch, in wien zij heerscht, bestuurt naar welgevallen al zijne driften; eerstens, omdat hij al derzelver bewegingen zonder moeite gadeslaat, altijd opmerkende wat er in hem omgaat; en vervolgens, omdat hij, ten einde ze te overwinnen, tegen haar alle krachten aanwendt, welke de rede, het geloof en het gebed, ten allen tijde ter zijner beschikking stellen.
Wil verontwaardiging zich van hem meester maken bij het zien eener zaak, die geheel tegenstrijdig is met de rede en de orde: hij houdt haar binnen de juiste grenzen besloten, en belet haar in bitterheid te ontaarden. Vat zijn ijver vlam bij het zien eener beleediging der goddelijke majesteit aangedaan: hij matigt deze, overigens zoo prijzenswaardige vurigheid , uit vreeze dat zij oploopendheid worde, en het kwaad verergere in plaats van het te verbeteren. Gevoelt hij in zich eene minder zuivere en eenigszins hevige beweging, wanneer het gebeurt dat hij persoonlijk beleedigd wordt, dan is er geen sprake meer van matigen; hij smoort onmiddellijk die vonk van wraakzucht; hij verbiedt aan zijne lippen, één woord te zeggen, dat niet welwillend is, aan zijne gelaatstrekken , den minsten zweem van ongeduld te doen bespeuren.... Hij is hïet ongevoelig, de slag heeft
196
gewond, maar uit plicht houdt hij zich in; hij zwijgt of spreekt met kalmte, waar de natuur hem zon willen dwingen los te harsten.... Heerlijke zegepraal door de genade behaald op het hart van den mensch! Welke kracht, welke heldhaftigheid ligt er onder den schyn van zwakheid, in de zachtmoedigheid opgesloten!
Zij onderwerpt den mensch geheel. Nadat zij het uitwendige onder haar gebied heeft gebracht, daalt zij tot in het middenpunt der ziel, om er de uitwerkselen van een te onstuimigen ijver, van verontwaardiging, van wraakzucht te onderdrukken. De H. Joannes Climacus geeft er de volgende bepaling van: een onveranderlijke toestand der ziel, die altijd dezelfde is, in eer en verachting, in lijden en genoegen. Hij vergelijkt den zachtmoedige bij eene rots, hoog uitstekende boven de zee, waartegen de golven zich komen verbrijzelen, zonder haar ooit te doen wankelen. Deze deugd is des te heldhaftiger, omdat zij eene voortdurende waakzaamheid vraagt en alle oogenblikken in oefening kan gebracht worden. Maar ook, welke zoete rust verschaft zij ons, welke macht overons-zelven en overal degenen, met wie wij eenigen omgang hebben!
II Punt. De zachtmoedigheid maakt ons meester ran het hart onzer broeders. Tracht men ook soms zich aan hare bekoorlijkheid te onttrekken, zoo geeft men zich ten laatste altijd over. Zij temt de wildste dieren; hoe zou zij, indien zij volhardt, niet zegevieren over het menschelijk hart? Kan men wel lang zijne genegenheid weigeren aan hem, die zich slechts wreekt door weldaden, die de beleediging beantwoordt
197
door woorden van liefde en achting, die zich zelfs wacht de waarheid met te veel vuur te verdedigen uit vreeze de liefde te kwetsen ? Iedereen zoekt zich te plaatsen beneden hem, die uit nederigheid eu goedheid zich beneden anderen plaatst. Men wil liever lijden, dan hem bedroeven. Terwijl de hardheid , als een ijskoude wind, de harten inéén doet krimpen, komt de zachtmoedigheid als eene weldadige zon, ze openen , verwarmen, vruchtbaar maken. Wie zou ooit eenen Vincentius a Paulo, een Fran-ciscus van Sales hebben kunnen weerstaan ? Indien zij niet altijd bekeert, zoo bereidt zij de bekeering, door datgene te doen beminnen, wat men tot dusverre den moed niet had te oefenen. Zij doet de vooroordeelen verdwijnen, den afkeer vervallen, zij beveelt al biddende, verbetert al smeekende en terwijl zij het gezag vaderlijk maakt, maakt zij de gehoorzaamheid aangenaam.
Daarom ook vraagden de profeten, om de wereld te onderwerpen aan de kruisigende wet van het evangelie, geen leeuw, maar een lam (1). Ziedaar hoe de overheersching der harten en de verovering:
O O
der zielen aan de kracht der zachtmoedigheid wordt toegeschreven. Inderdaad, Jezus heeft zich aan de raenschen vertoond, den luister zijner glorie verbergende onder den sluier der beminnelijkste zachtmoedigheid, hun toeroepende: Komt tot mij alien, die
vermoeid en beladen zijt..... Want mijn juk is zacht
en mijn last is licht (2). En het menschdom , vol vertrouwen in dit liefdewoord, heeft zich geworpen
(1) Is. 16, 1. (2) Matth. 11, 28, 30.
198
in de armen zijns Zaligmakers. Doch zien wij in deze liefelijke deugd een wonder van macht, dat alle andere overtreft.
III Punt. De zachtmoedigheid maakt ons meester over het Hart van God. Er is geen goed dan in God; huiten zich-zelven kan God slechts beminnen, wat Hem gelijkt, maar overal waar Hij zich-zelven herkent, kan Hij zijne liefde niet weigeren; nu, de H. Joannes Chrysostomus zegt, dat niets den mensch meer aan God gelijk maakt, dan de zachtmoedigheid.
Die volmaakte kalmte eener ziel, die zich-zelve bezit, is als eene deelneming aan zijne glorieryke onveranderlijkheid.
In de gewijde geschriften laat God zich noemen, goedertieren God, vorst des vredes. Hij is zoet, Hij is lankmoedig, Hij bewijst groote barmhartigheid aan hen, die Hem aanroepen. Hij zelf zegt, dat zgn geest zoeter is dan honig. Men verwondere zich dus niet, dat Hij grootere liefde gevoelt voor hen, in wie Hij zich terugvindt, en deze bijzonder tot zijne kinderen aanneemt. De vreedzame zielen bieden Hem het levend beeld aan van Jezus-Christus, den luister zijner glorie; hoe zouden zij het voorwerp niet zijn van zijne bijzondere voorliefde? Raguel wordt tot schreiens bewogen, als hij in den jongen Tobias de trekken weervindt van zijnen ouden en deugdzamen vriend, en hoe zou God niet getroffen worden, als Hg in ons het beeld ziet van zijnen Zoon? Dit gezicht is alvermogend op zijn Hart. David was zachtmoedig jegens Saül, zijn vijand, hierop durft hij zich beroepen, opdat de Heer hem niets weigere.
199
En God, die geene enkele deugd zonder belooning laat, heeft eene bjjzondere belooning voor de zacht-moedigen. Ziet Hij die in ons, laten wij ons dan vertrouwvol verheugen, want onze gebeden zullen Hem aangenaam zijn, Hij zal die altijd verhooren, Hij zal ons zijne genaden geven, Hij zal ons zijne wegen leeren, Hij zal ons als bij de hand geleiden op de wegen zijner gerechtigheid. Zijne bezorgdheid voor ons, zal gelijk zijn aan die eener moeder, die haar kind in hare armen draagt. Eindelijk zal Hij zijne gunsten bekronen, door ons de zaligheid en de eeuwige kroon te schenken. Verheugt u dan, gelukkige leerlingen, die van Jezus de ware beoefening der zachtmoedigheid geleerd hebt. Audiaitt mansueti et laetentur.
39ste OVERWEGING.
DE TWEE STANDAARDEN.
I. De standaard van Lucifer.
II. De standaard van Jezus-Christus.
Wij zouden een bijzonderen trek van gelijkenis missen met het toonbeeld der uitverkoomen, indien wij geen ijver hadden voor de zaligheid der zielen. De Zoon Gods is slechts onder ons gekomen, heeft slechts onze Verlosser willen worden, om den aandrang zijner liefde tot de zielen te volgen. Ieder
(1) Ps. 33, 3.
200
christen moet, zooveel hij kan, medewerken tot het geluk zijner broeders. Elk religieus is apostel, omdat hij deelt in het leven van Jezus-Christus in grootere mate, dan de eenvoudige christen. De overweging der twee standaarden, reeds zeer nuttig om het licht dat zij werpt op de wegen, die ten hemel en die welke ter helle voeren, is zeer geschikt, om het heilig vuur van den zielenijver in de harten te ontsteken. Het is eeue gelijkenis, waarin ons de groote worsteling van het goede tegen het kwade voor oogen wordt gesteld en zij toont ons die worsteling, als verpersoonlijkt in de twee aanvoerders, Jezus-Christus en Lucifer.
1. Stellen wij ons twee uitgestrekte vlakten voor: in de ééne, bij Babyion, verzamelt Lucifer alle zondaars, bijzonder degenen, die hem kunnen helpen in zijne plannen vau vernieling en dood; in de andere, bij Jeruzalem, Jezus-Christus, die alle rechtvaardigen en al zijne medewerkers in het heilzaam werk der verlossing aller menschen, rondom zich roept.
2, Vragen wij de genade, de plannen van Lucifer wel te kennen en moedig te bestrijden, den vurigen ijver van den Zoon Gods wel te kennen en te helpen.
1 Punt. Standaard van Lucifer. Verbeeld u den vorst der verdoemden te zien in de uitgestrekte vlakten van Babjlon, op een troon van vuur, omringd door rook en vlammen; hij verspreidt alom schrik en afgrijzen, door zijn afschuwelijk gelaat en vreeselijken blik.
Begrijpen wij wel den zin dezer figuur. De uitgestrekte vlakten beteekenen den breeden weg, door
201
de zondaars gevolgd. Babylon beteekent stad van verwarring, en geeft eenigszins een denkbeeld van de wanorde, welke heerscht in een schuldig geweten. De troon van vuur is het zinnebeeld van den hoogmoed en de hartstochten, welke de zielen verslinden. De rook is het beeld van de verblindheid des zondaars en van de ijdelheid zijner genietingen. Die afschuwelijke trekken, die vreeselijke blik van Lucifer drukken de afzichtelijkheid der zonde uit en de werking van den boozen geest in de zielen, die zich kenmerkt door ontroering, ontsteltenis, onrust, droefheid en ik weet niet welke geheime vrees.
2. Beschouw den standaard door Lucifer omhoog geheven, gy leest daarop drie woorden, die u zeggen met welke wapenen hij strijdt, welke middelen hij gebruikt om de menschen te bederven: Rijkdom, vermaak, eer.... Beschouw die ontelbare menigte aanhangers en dienaars, die dezen verfoeielijken aanvoerder omringen; al die booze engelen met hem uit den hemel verdreven, omdat zij hem gevolgd waren in zijn hoovaardigen opstand,.... lage geesten voor wie het kwaad eene tweede natuur is.... al die menschen, die zich in de slavernij der driften en zonden geworpen hebben.... Bemerk vooral als eene keurbende in Satan\'s leger die schrijvers en verspreiders van ongodsdienstige en zedelooze leerstellingen.... die mannen van ergernis, die zich tot taak stellen de zielen te dooden.... want dit is het doel dezer afschuwelijke vereeniging: geheel het men-schelijk geslacht verleiden door het zijn Schepper te doen beleedigen eu, na het verleid te hebben, het mede te slepen in den eeuwigen afgrond.
202
3. Hoor Lucifer. Hij verwekt en ontvlamt de goddelooze woede zijner trawanten, hij zendt ze door de geheele wereld, hij wil niet dat er eene landstreek, eene stad, een gehucht, een paleis, eene hut zelfs zij, waar hun verdervingslust niet doordringe, dat zij een enkelen stand, een enkel persoon sparen. Hij leert hun de kunst der verleiding. »Rijkdom, eer, vermaak: werpt, zegt hij hun dit drievoudig lokaas aan de drie hartstochten, welker kiem het menschelijk hart besluit.... Toont den weg met bloemen bestrooid, verbergt den afgrond, waarheen hij voert....quot;
4. Beschouw met welken dorst naar wanorde en onheil, met welke zelfverloochening, met welk geduld , welke vaardigheid, welke toewijding de dienaars van Satan zijne bevelen uitvoeren; welke werkzaamheid zij ontwikkelen in de helsche zending hun opgedragen; met welke list zij hunne strikken spannen, met welke hardnekkigheid, welke woede zij de zielen trachten te dooden.... Zij doen alles dienen tot hunne moordzuchtige plannen, boeken, beelden, gezangen.... gebreken van den geest.... neigingen van het hart....
Beschouw eindelijk het betreurenswaardig gevolg van Lucifer\'s streven. Hij roept alle hartstochten op; alle hartstochten antwoorden hem.... Hier is het, helaas! maar al te waar: »Zie de geheele wereld is hem nageloopen.quot; (1) Waar zijn zij, die onophoudelijk weerstaan aan de begeerlijkheid des vleesches, de begeerlijkheid der oogen, den hoogmoed des levens ?
(1) Joan. 12, 19.
203
Hoevelen vermeerderen zijnen stoet, na zich te hebben laten verleiden? Daarom verbreedt de hel onophou-delijk haar afgrijselijken krater; hoevele slachtoffers vallen er helaas! ieder oogenblik in!
II Punt. Standaard van Jezus-Christ us. Verbeeld u eene liefelijke vlakte bij Jeruzalem en daar, niet op een troon, maar te midden zijner onderdanen, gelijk een vader te midden zijner kinderen, het waarachtig Opperhoofd aller menschen, onzen Heer Jezus-Christus. Reeds bij het eerste gezicht gevoelt men zich tot Hem getrokken, door de zachtmoedigheid van zijn gelaat, de lieftalligheid zijner blikken.
Zooals in het eerste punt, hebben wij hier den verborgen zin dezer voorstelling te overwegen. Die aangename vlakte, is de weg der rechtvaardigen, steil en doornig in schijn, doch in waarheid, licht en aangenaam.... Jeruzalem de stad der heiligen, het visioen van vrede, is het zinnebeeld van een zuiver, gerust, kalm geweten.... Onze Heer heeft geen troon, Hij staat te midden der zijnen om den ootmoed, den eenvoud zijner inborst uit te drukken.... Hij toont zich onder eene beminnelijke gedaante gelijk de profeten het voorspeld hadden. (1) Hij stort tevredenheid in het hart van hen, die Hem naderen. Het is het beeld van de schoonheid der deugd eu der werking van den goeden geest in de zielen , die vertrouwen en vreugde veroorzaakt.
2. Beschouw den standaard , dien Jezus opheft tegenover dien van Lucifer; daar leest gij: Armoede, of onthechting van den rijkdom; verachting of ont-
(1) Pa, 44, 3.
204
hecliting van eer; lijden of onthechting van het vermaak.... ziedaar den geest van die heilige strijdkracht, door haar zullen de volkeren gered worden. Bewonder de eerbiedwekkende schare, die den godde-lijken Koning omgeeft; al de ware leerlingen van den God-mensch, de heiligen aller eeuwen, de apostelen en al degenen, die op welke wijze ook geroepen zijn tot de edele zending van zielen te redden.... Hier zult gij in plaats der misdaden, die de menschheid onteeren, alle deugden tot het heldhaftige opgevoerd vinden! En welk plan stelt zich Jezus met het bijééuroepen zijner vrienden en medewerkers? Het edelste, dat men kan uitdenken: de menschen te brengen tot het doel, waartoe zij geschapen werden, en hun op deze wijze het tegenwoordig en toekomend geluk te verschaffen.
3. Hoor op welke wijze Hij, bij het zenden zijner apostelen en trouwe dienaars de plannen van Lucifer bestrijdt en de zijne voorstaat. »Ik ben op aarde gekomen om het vuur der goddelijke liefde te brengen.., om te zoeken wat verdwaald was, om te redden wat verloren was. — Gaat, onderwijst alle volken, — zie, ik ben met U tot het einde der eeuwen... Volbrengt mijn werk. Indien gij mij liefhebt, dan redt de zielen, die mij dierbaar zijn, doch gij zult ze slechts redden door haar de onthechting te leeren van rijkdom, eer, vermaak, door haar de liefde tot armoede, verachting en lijden in te boezemenquot;.
Beschouw de apostelen en al degenen, die ten allen tijde in hunnen ijver gedeeld hebben; met welke vurigheid ondernemen, — met welke standvastigheid vervolgen zij hunne zending.... Herinner u de ver-
205
moeienis, de vervolging, de opoffering die hunne bediening hun heeft opgelegd...., maar ook de glorievolle overwinningen, door hen op de hel bevochten! Hoevele zielen hebben aan hen te danken, dat zij aan een eeuwig verderf ontsnapten, en zullen in den Hemel, naast God, hun de glorie hunner zaligheid toeschrijven! Gij strijdt onder denzelfden standaard, gij hebt dezelfde beweegredenen tot toewijding, als zoovele edelmoedige christenen, zoovele heilige kloosterlingen, die sedert negentien eeuwen hunne werkzaamheid en hunnen moed in dien heiligen krijg getoond hebben. Zij geloofden niet, dat de eer om Gods naam te doen eerbiedigen en de zaligheid van den evennaaste te bevorderen, alleen was voorbehouden aan de bedienaars van het heiligdom; neen, zij begrepen dat, waar Jezus-Christus wordt aangevallen, elk christen krijgsman is. Verdient gij door ben als krijgsmakker te worden begroet? Wat deedt gij tot dusverre voor de zaligheid uwer broeders? Wat zult gij voortaan doen?
len :lke eid er-
206
40!te OVERWEGING.
de twee standaarden. (Vervolg).
Alles wekt in deze gelijkenis onzen ij ver op voor de zaligheid der zielen.
I. De haat, dien Lucifer haar toedraagt.
II. De liefde, die Jezus voor haar koestert.
III. De verhevenheid en de vruchten van het apostolisch leven.
I Punt. De duivel is de ovverzoenlijhe vijand der zielen. Wat is de oorzaak, wat zijn de uitwerkselen van dezeu haat?
Verpletterd onder de hand des Ahnachtigen, op Wien hij zich niet kan wreken, keert hij zijne razende woede tegen ons, in wien Hij Gods beeld wederziet. Hij kan ons de weldaden niet vergeven, waarmede God ons voorkomt, de glorie, die Hij ons bereidt, de vreugde, welke onze zaligheid Hem verschaft. Het is God, dien Hij in ons haat en vervolgt; het is, als het ware, zijne eigene zaak, die God verdedigt, als Hij ons helpt tegen de listen en hevige bekoringen, die Satan aanwendt, om ons mede te slepen in zijn opstand en zijn ongeluk.
De H. Schrift stelt hem voor, dan eens onder de gedaante van eene listige slang, dan weder onder die van een brieschenden leeuw, zoekende wien hij zal verslinden. Hij kiest zijne medehelpers onder de menschen; al degenen, die leven tot ergernis van anderen, zijn zijne trawanten, en met welk een drift tot vernieling spoort hij ze aan! Helaas, waarom
207
vindt hij in zijne slaven somtijds meer gehoorzaamheid, meer geestkracht, dan Jezus-Christus in zijne leerlingen ? Tot welk eene vermoeiende waakzaamheid, tot welke pijnlijke ontberingen veroordeelen zich de apostelen des duivels, om hem in zijne afschuwelijke plannen te helpen! Hoevelen ondermijnen hunne gezondheid, verkorten hun leven door buitensporigen arbeid, ten einde onder eiken leeftijd, in eiken stand het geloof te verzwakken of te vernielen, om het verderf der misdaad, het doodelijk vergif der zonde, te verspreiden? Rusten zij ooit, zijn zij ooit tevreden met het bedreven kwaad? Zeggen zij ooit: het is genoeg, genoeg slachtoffers in de hel, genoeg harten, aan wie wij alle goed,... deugd,... vrede,... alles, tot zelfs de hoop, ontroofd hebben. Niets voldoet hunne razernij, niets vertraagt hun heiligschennenden ijver.
Men siddert bij de gedachte aan de verwoesting, die zij aanrichten onder de kudde van Jezus-Christus. Waar verbergt zich de onschuld, te midden dezer ontketening van al de krachten der hel? Waar zijn de zuivere harten ? Op het land, gelijk iu de steden, engelen wat aanschouwt gij? Hoevele doode zielen in levende lichamen! Wie zal ze tellen die scharen van hen, die verloren gaan? Wat zal ons treffen, zoo het treurig lot van zoovele rampzaligen ons ongevoelig laat, die hun leven verslijten in misdaad en lijden, niet wetende wat hun van zooveel belang is te weten, of hunne kennissen slechts gebruikende, om zich nog schuldiger te maken? Waarheen gaan die blinden? Waarheen snellen die razenden? Op den rand van welken afgrond slapen al die zondaars? Wy weten het, wij hebben het reeds overwogen.
208
Zij slapen op den rand van den afgrond der Lel.... Zullen wij dan ongevoelig blijven voor het ongeluk onzer broeders? O schande voor het menschelijk hart! Een lastdier valt, zegt de H. Bernardus, en er zijn armen, die zich uitstrekken om het te helpen opstaan! eene ziel, millioenen zielen vallen in den eeuwigen afgrond... Bijna niemand denkt er aan!
II Punt. Jezus-Christus bemint de zielen. Voor haar is Hij uit den Hemel gedaald. Propter nostrum salutem. Voorbeelden, lessen , wonderwerken , lijden, zijn leven en zijnen dood, alles heeft Hij aangewend tot zaligheid der zielen. Zie Hem, van vermoeienis uitgeput, gezeten bij den put van -lacob; wat doet Hij daar? Hij geeft ons een bewijs van het gewicht
door Hem gehecht aan de zaligheid eener ziel.....
Beschouw vooral zijn kruis, die goddelijke weegschaal, welke zoo juist den prijs der zielen bepaalt, daar hare waarde overeenstemt met den prijs, dien zij gekost hebben.... Hoor hoe Hij zich beklaagt over de nutteloosheid van zijn bloed; zijt gy ook daarvan de oorzaak niet?.... Wie trekt voordeel uit mijne smarten en opofferingen? Heb ik dan te vergeefs mijne krachten aangewend! Ik heb geleefd in armoede , in waken en tranen; ik ben gestorven te midden van de schande en de pijnigingen, alles om de zielen te redden en zij gaan verloren! Met een weinig ijver zoudt gij er vele kunnen redden, en gij zoekt uwe rust..,. Ik zelf heb u van de hel verlost, ik heb anderen de gedachte en den wil ingeboezemd u de behulpzame hand te bieden om u er voor te bewaren.... Ach! help dan ten minste uit dankbaarheid uwe broeders, heb raedelydeu met het
209
gevaar, waarin zij verkeeren. Wees niet ongevoelig voor het ongeluk van hen, die ik liefheb.... Red, red de zielen of houd op, mij uw Heer en uw meester te noemen; ik ken a niet....
Deze vurige hartewensch van Jezus is altijd door zijne ware leerlingen begrepen geworden, want ijver is hun onderscheidend kenmerk. Hoevele apostelen heelt hij verwekt in deze laatste tijden, zelfs onder de leekeu? Zijn wij aan dien ijver die bewonderenswaardige Conferentiën niet schuldig van den H. Vin-centius a Paulo, de voortplanting des geloofs, de II. Kindsheid en duizend andere inrichtingen, welke de priesterlijke toewijding zoo gelukkig, zoo getrouw ten dienste staan? De ijver vereenigt rag dus met al het eervolste, dat ooit onder de menschen bestond; hij vereenigt mij zelfs met de engelen, met God: de ijver is zijn leven, zegt de H. Ambrosius.
III Punt. Hoe verheven is dit apostolisch leven en welke kostbare vruchten werpt het af.
1. Tot werktuig dienen aan den H. Geest, met Hem, door het gebed, door wijzen raad, door het goede voorbeeld medewerken tot de heiliging onzer broeders en hunne eeuwige zaligheid; o welk eene verheven bediening! O waardige eerzucht I Ik weet niet of de mensch hier op aarde eene grootere gunst kan ontvangen, dan slechte menschen te hervormen in goede menschen, de slaven Satans in kinderen Gods. Zal men zeggen, dat het schooner is de dooden tot het leven terug te roepen. Wel hoe, is het dan schooner het leven terug te geven aan een lichaam, dat wederom zal sterven, dan aan eene ziel, die in eeuwigheid zal leven? r-
CH. II. 14
210
2. Wanneer ik mijn eigen belang beschouw, zal ik nooit nuttiger werken aan rayne zaligheid, dan door mij liefderijk bezig te houden met die mijner broeders. gt; Zalig zijn de barmhartigen! want zy zullen barmhartigheid verwerven.quot; (1) Ik beoefen haar in hetgeen zij het meest verhevens heeft, want evenzeer als de ziel verheven is boven het lichaam, de hemel boven de aarde, de goederen en rampen der eeuwigheid boven die dezer aarde, evenzeer is de liefde, die zich aan de ziel hecht, verheven boven die, welke de verlichting van lichamelijk lijden beoogt.
De beloften aan de aalmoes gedaan betreffen ook den ijver en met meer recht. Hoe troostend is dit woord van Tobias: De aalmoes verlost van alle zonde en van den dood; en sij zal niet dulden dat de ziel in de duisternis valle (2). En dit woord uit het Boek Ecclesiasticus: Water bluscht brandend vuur uit en weldadigheid verzoent de zonde (3). üe stem mijner boosheid verhief zich tegen mij, maar zij werd gesmoord door de stem van mijnen ijver, die voor mij spreekt en bidt. Ziedaar een goed middel om de onrust te bedaren, die mij kwelt bij de herinnering aan mijne fouten, om mijne schuld te betalen aan Gods rechtvaardigheid en Hem zelfs tot mijn schuldenaar te maken, door den rijken schat van verdiensten, dien ik in zijne handen stel. Is er wel een leven, dat beter vervuld is met heilige werken, dan het leven, dat zich in werken van zielenijver uitput? Daarom wordt ook de toewijding aan het heil der zielen beschouwd, als een der zekerste
(1) Matth. 5, 7. (2) ïub. 4, 11. (3) Eccli S, as.
211
bewijzen onzer voorbeschikking. De H. Paulus, sprekende van hen, die hem bystonden in zijn aposto-lischen arbeid, verzekert dat hun naam in het boek des levens staat opgeteekend; en waarop vesticde hg zelf zijne hoop voor den grooten dag der vergelding? Op de veroveringen voor Jezus-Christus gemaakt.
Geef u geheel aan uw liefderijken Verlosser over, en wees bereid om elke gelegenheid, die Hij u zal aanbieden om met Hem aan de zaligheid der zielen te arbeiden, met ijver te omhelzen.
—oOOjU^OOo—
AFDEELINGr V.
Het lijdend leven van Jezus-Christus.
De droevige geheiinen van den Zaligmaker ondersteunen en bemoedigen ons te midden der beproevingen, onafscheidbaar van het religieuze leven.
41ste OVERWEGING.
jezus in den hof van olijven.
I. Hoezeer wij moeten deelen iu de inwendige smarten van Jezus.
II. Wat wij behooren te doen in onze eigene droefheid.
I Punt. Wij moeten innig deelnemen in de inwendige smarten van Jezus-Christus. Zij zijn uitermate groot en zij zijn ons werk.
1. Zij zijn uitermate groot. Jezus treedt binnen in den hof van Olijven, en onmiddellijk het gevoel van zaligheid onderbrekende, dat het gezicht van Gods aanschijn Hem noodzakelijk moest verschaffen, doet Hij een wonder om te kunnen lijden. Hij staat toe dat eene doodelijke droefheid zich meester make van zijn Hart.... Vrees, tegenzin, angst,. .. Hij gevoelt al wat er pijnlijkst is in de ziel smart, alles schijnt ontsteld in zyne groote ziel en voor de eerste
213
maal slaakt Jezus eeue klacht. Hij zoekt de eeu-zaamheid en vlucht haar; Hij keert tot zijne leerlingen terug om hen weder te verlaten, smart en benauwdheid vervolgen Hem overal. Hij zou zijn Hart willen uitstorten in den boezem der vriendschap, en zjjne slapende apostelen hebben geen woord voor Hem. Heilige Vader, het is uw welbeminde Zoon, Hij lijdt voor uwe glorie; Gij, zult Gij Hem ten minste niet troosten ? Hij spreekt tot ü. Gij antwoordt Hem niet, Hij roept U; Gij schijnt doof voor zijne stem. Hemel, aarde, hel, het verleden, het heden, de toekomst. Hij ziet in dat alles slechts oorzaken tot smart.... Zijne krachten begeven Hem, Hij valt en beeft van schrik. Hij, die zoo verlangd had naar het uur, waarop Hij voor ons zou kunnen lijden en zich slachtofferen! Zijn Hart schijnt te breken, Hij gevoelt de stuiptrekkingen van den doodstrijd, en een bloedig zweet vloeit uit al zijne ledematen. Wie is die diepbedroefde? Is het een onbekende? 0 Jezus, o mijn Meester, o myn meedoogende Verlosser, zal ik gevoelloos zijn voor uwe smart? Wanneer zult Gij mij dat steenen hart ontnemen, dat door niets verteederd wordt? Wanneer zult Gij mij een hart geven, dat open staat, voor alle edele genegenheden? Gevoeligheid van hart voor Jezus-Christus was het kenmerk aller heiligen. O vraagt dit voor mij, gij nitverkoornen Gods, die zoo dikwijls uwe tranen hebt vermengd met de tranen en het bloed van uwen aanbiddelijken Meester. De smart, die Hem drukt moet mij des te meer bedroeven, omdat het mijn werk is.
214
2. Wat brengt den Zaligmaker in dezen wreeden doodstrijd? Hij antwoordt mij zelf door den mond van den profeet, dat de slroomen van hoosheid Hem met ontsteltenis hebben vervuld (1). Ondervraag ik zijnen Vader, zoo geeft deze mij hetzelfde antwoord. Hij zal my zeggen, dat Hij Hem geslagen heeft ter oor zake der misdaad van zijn volk. (1).
In den hof van Olijven ziet Jezus al de zonden der wereld, de misdaden aller eeuwen, aller standen, aller hartstochten; al de trotschheden van den hoogmoed, de oploopendheden van den toorn, de schanddaden der wulpschheid, de hardvochtigheid der gierigheid... Niets ontsnapt aan zyne goddelijke alwetendheid: geene enkele buitensporigheid, geene enkele omstandigheid , geen enkele graad van bedorvenheid en laagheid... Ach! werd aan vele heiligen het leven als onverdragelijk bij de herinnering hunner fouten, omdat zij iets begrepen hadden van de goddelijke volmaaktheden, door de zonde aangerand, wat moet men dan zeggen van Hem, die zelf God zijnde, alleen zijne oneindige grootheid kan meten en al de buitensporigheid van de ondankbaarheid en den opstand der zondaars kan kennen? van Hem, die verplicht is, niet alleen vóór zich, maar op zich, maar ten zijnen laste al de misdaden, al de schanddaden van het menschelijk geslacht te zien? Waut dusdanig is de inhoud van het eeuwig verdrag, door God met zijnen Zoon gesloten, dat Hij onze Verlosser slechts zijn zal, op voorwaarde, dat Hij zich met onze zonden belade en dat Hij voor onze boosheden zal gestraft
(1) Is. 17. 5. (2) Is. 53, 8.
215
worden, als hadde Hij ze zelf bedreven. Hij moet in zijn Hart en in geheel zijn wezen datgene ondervinden , wat al de zondaars zouden ondervinden, indien de heiligheid Gods hun werd geopenbaard en zij gedwongen werden, zelf aan zijne rechtvaardigheid te voldoen.
Toen zaagt Gij mij, o myn Verlosser, Gij dacht aan mij, Gij waart om mij bedroefd! In die ontelbare menigte van zonden onderscheiddet Gij de mijne, en hoezeer wondden zij uw Hart, daar ik, door ze te bedrijven, zoovele genaden misbruikte en U be-leedigde, terwijl ik zooveel reden had, om II te beminnen! Gij beweendet mijn weerstand aan uwe inspraken, mijne traagheid... en die zware zonden, welker herinnering mij onophoudelijk vervolgt. Is het niet billijk, dat ik ze zelf beweene ? Ja, Heer, ik verfoei ze uit al de krachten mijner ziel. Ik vereenig, met uwen doodstrijd, al de gevoelens van droefheid en berouw, die uwe genade in mijn hart stort. Ik verkies deze ver boven de vreugde der wereld; ik verkies ze zelfs boven den troost, welke derzelver bitterheid zou verzachten, en terwijl ik U nedergedrukt zie onder het gewicht mijner boosheden, begrijp ik dat niets mij beter past dan een vermorzeld en vernederd hart.
II Punt. Wat moeten wij doen in onze eigene droefheid, waar moeten wij derzelver geneesmiddelen gaan zoeken. Met Jezus waken, weinig op de men-schen bouwen, ons overgeven aan God. In het uur van beproeving, vooral eener hevige beproeving doet de natuur ons, soms ondanks ons-zelven, eenige verlichting zoeken; zoo men niet over zich-zelven.
216
waakt, is het te vreezen, dat men zich zal overgeven aan de vervoering eener droefheid, die zich uit in spijtige, ongeduldige woorden...
O hoe noodzakelijk is het dan te waken op de bewegingen zijner ziel!... Dit is de eerste les, welke de Zaligmaker ons geeft: Waaht. Waken over zijn humeur, om deszelfs uitbarstingen te onderdrukken, om zich niet te ontstellen, of zijne ontsteltenis te matigen; waken over zijne tong, om te zwijgen of om den Heer te loven en te pryzen; over zijn hart om het niet den minsten afkeer, niet de minste wraakzucht te veroorloven; over zijne rede en zijn geloof, om eene goddelijke weldaad te erkennen in de drukkendste wederwaardigheden.
2. Jezus laat het grootste getal zijner leerlingen aan den ingang van den olijfhof: waarom maken wij zoovelen tot vertrouwelingen onzer smart? Na eenige oogenblikken verlichting, door den troost, dien men gevoelt van te kunnen klagen en beklaagd te worden, hervalt men op zich-zelven, de droefheid keert weder; ja dikwijls wordt zij nog vergroot dooide wroeging des gewetens, dat meer of minder in deze vertrouwelijke gesprekken gewond werd? Hoe voordeelig zou het voor ons zijn in stilte te lijden!... Een kruis, dat men weet te verbergen, waarover men slechts met God spreekt in het gebed, is de bron van vele genaden. Men mag nochtans zijn hart openen aan een vriend, maar aan een welgekozen vriend, die nog veel meer de vriend van God is, dan de onze. Dusdanig waren de drie leerlingen van Jezus, en nochtans welken troost ontving Hij van hen? Toen Hij bij hen wederkeerde, vond Hij
217
ze slapende: Ziedaar de menschen, eu wat wij van hen te verwachten hebben!
3. Jezus keert zich tot zijnen Vader. Gaan wij tot God en zoeken wij den vrede bij Hem alleen. Jezus bidt, maar hoe? — Zijn gebed is nederig. Hij werpt zich met het aangezicht ter aarde. Welk een eerbied, welk eene vernietiging zijner mensch-heid vóór de oneindige majesteit. — Zijn gebed is teeder: Pater mi, Abba Pater! God is mijn Vader, hoewel Hij mij bedroeft; Hij bemint mij teederlijk, hoewel Hij my slaat; dan zelfs kent zijne goedheid voor mij geene grenzen, waarom zou ik grenzen stellen aan mijn vertrouwen? Al moest Hy eene legerschaar van den hemel zenden, om my te verlossen of te verdedigen, zou Hij dit doen. Ik moet dus alles van Hem hopen. —• Zijn gebed is volhardend. De Zaligmaker bidt tot driemalen toe. Hij bidt tot het oogenblik, dat men Hem komt gevangen nemen. Ik zal niet ophouden te bidden, daar God niet ophoudt naar mij te luisteren. — Zijn gebed wordt verhoord. Want verwijdert de Vader den kelk niet, zoo zendt Hij zijnen Zoon toch een engel, om Hem te versterken. Na dit hemelsch bezoek is Jezus geheel veranderd. Met welke onverschrokkenheid gaat Hy zijne vijanden te gemoet. — Sargite, eamus. Hij zal de hevigste kwellingen ondergaan met onverstoorbaar geduld, Hij zal bidden voor zijne beulen, dit is veel grooter dan verlost te worden van den dood. Als mijn gebed goed gedaan wordt, is het nimmer nutteloos, ik verkrijg wat ik vraag of wellicht veel grooter goed.
218
4. Volkomen overgeving van zich-zelven aan de goedheid des Heeren. » Vader, zegt Hij , »niet mijn wil, maar de uwe geschiede!quot; Heerlijk voorbeeld! Neen, niets is goddelijker dan zooveel afkeer van het lijden, niet zooveel onderwerping aan het lijden gepaard. Hadde Jezus minder moeite getoond in zich te onderwerpen , dan zouden wij gezegd hebben: »Ik kan Hem niet navolgen.quot; Nu dat wij zijne klachten, zijn zuchten, zijn smeeken gehoord hebben, mogen wij ook zuchten, ons hart voor God uitstorten, doch wij moeten ons ook onderwerpen. Spreken wij tot God over ons lijden, doch stellen wij ons lot in ^ijne hand. Ja, Heer, Gij zult mijn steun, mijn troost, mijn Vader zijn, indien ik weet te erkennen, dat Gij beproeft, wie Gij bemint, dat Gij hen des te meer bemint, naarmate Gij hen meer beproett, omdat Gij, door hen meer aan al het aardsche te onthechten, hen nauwer met U vereenigt. O gelukkige slagen, mij toegebracht door de hand van God, mijnen Vader, waarin ik veel meer liefde dan gestrengheid zie.
Besluit. In mijne beproevingen bij God alleen troost zoeken.
219
4:2ste OVERWEGING,
JEZUS LEVERT ZICH OVER AAN ZIJNE VIJANDEN. BESCHOUWING.
I. De persouen beschouwen.
II. De woorden aanhooren.
III. De handelingeu overwegen.
1. Herinneren wij ons het verhaal van het Evan-t in elie. De aankomst der vijandelijke bende door Judas
ingevoerd. De vraag des Zaligmakers: Wien zoekt \'j? en het uitwerksel van dit woord: Ik hen het. etrus, die het zwaard trekt, Jezus die de wonde sneest, aan den dienaar des Hoogepriesters toege-racht. De woorden, die Hij zegt tot den Apostel i de gewapende menigte, die hem omgeeft; macht ie Hij hun geeft, Hem aan te grijpen, en hoe zij larvan gebruik maken.
2. Stellen wij ons den ingang van den hof van lijven voor. Het is nacht. Men onderscheidt de sstalten slechts bij den schijn der fakkels. Plaatsen ij ons daar, waar wij getuige kunnen zijn van al .etgeen er gaat gebeuren.
3. Bidden wij Jezus-Christus ons te doen door-ringen in zijn Hart, om al deszelfs goddelijke ge-eltenissen ten onzen opzichte te bestudeeren, op ït oogenblik, dat Hy zich voor ons gaat overleveren in de woede zijner vijanden, vragen wij Hem de
nade groot voordeel voor onze ziel te trekken uit les wat wij zullen zien en hooren.
mijn
218
4. Volkomen overgeving van zich-zelven aan de goedheid des Heeren. » Vader, zegt Hij, » niet mijn wil, maar de uwe geschiede!quot; Heerlijk voorbeeld! Neen, niets is goddelijker dan zooveel afkeer van het lijden, met zooveel onderwerping aan het lijden gepaard. Hadde Jezus minder moeite getoond in zich te onderwerpen , dan zouden wij gezegd hebben: »Ik kan Hem niet navolgen.quot; Nu dat wij zijne klachten, zijn zuchten, zijn smeeken gehoord hebben, mogen wij ook zuchten, ons hart voor God uitstorten, doch wij moeten ons ook onderwerpen. Spreken wij tot God over ons lijden, doch stellen wij ons lot in \'zyne hand. Ja, Heer, Gij zult mijn steun, mijn troost, mijn Vader zijn, indien ik weet te erkennen, dat Gij beproeft, wie Gij bemint, dat Gij hen des te meer bemint, naarmate Gij hen meer beproeft, omdat Gij, door hen meer aan al het aardsche te onthechten, hen nauwer met U vereenigt. 0 gelukkige slagen, mij toegebracht door de hand van God, mijnen Vader, waarin ik veel meer liefde dan gestrengheid zie.
Besluit. In mijne beproevingen bij God alleen troost zoeken.
219
42 OVERWEGING.
JEZUS LEVERT ZICH OVER AAN ZIJNE -VIJANDEN. BESCHOUWING.
I. De personen beschouwen.
II. De woorden aanhooren.
III. De handelingen overwegen.
1. Herinneren wij ons het verhaal van het Evangelie. De aankomst der vijandelijke bende door Judas aangevoerd. De vraag des Zaligmakers: Wïen zoekt [/ij? en het uitwerksel van dit woord: Ik hen het. Petrus, die het zwaard trekt, Jezus die de wonde geneest, aan den dienaar des Hoogepriesters toegebracht. De woorden, die Hij zegt tot den Apostel en de gewapende menigte, die hem omgeeft; macht die Hij hun geeft, Hem aan te grijpen, en hoe zij daarvan gebruik maken.
2. Stellen wij ons den ingang van den hof van Olijven voor. Het is nacht. Men onderscheidt de gestalten slechts bij den schijn der fakkels. Plaatsen wij ons daar, waar wij getuige kunnen zijn van al hetgeen er gaat gebeuren.
3. Bidden wij Jezus-Christus ons te doen door-dringen in zijn Hart, om al deszelfs goddelijke gesteltenissen ten onzen opzichte te bestudeeren, op iet oogenblik, dat Hij zich voor ons gaat overleveren aan de woede zijner vijanden, vragen wij Hem de genade groot voordeel voor onze ziel te trekken uit alles wat wij zullen zien en hooren.
220
I Pümï. De personen heschouiven. Jezus-Christus tot 1 vol moed en vuur. Hij heeft gebeden en zich onderworpen; ziedaar de bronnen der christelijke kracht... in d Zyn Hart brandt van verlangen om voor ons t( druk sterven. De goedheid, het geduld, eene goddelijk te v zachtmoedigheid staan op zijn gelaat te lezen. Df wij apostelen — hoe angstig zien zij er uit, zij zijn achteruit geweken. De onrust zetelt op hun gelaat — gemengd met verontwaardiging bij het zien van Judas. — Beschouw dien verrader? Welk een schijn heilig gelaat! zijne afschuwelijke plannen, zijn( helsche misdaad schijnen uit, onder het masker van eerbied en liefde.... Leer van hem hoever het misbruiken der genade en de nalatigheid in het be-strijden van eenen opkomenden hartstocht, den menscl kan voeren. — Zie rondom Judas die trawanten met stokken en zwaarden gewapend. Zie hun verwarder blik. Zij verwachten hunne bevelen.... Tot welken aanslag gaan zij zich als gewillige werktuigen leenen, Hoeveel licht, hoevele middelen ter zaligheid biedt de barmhartigheid des Heeren hun allen aan! 0 menschelijk hart, tot welke harnekkigheid zijt gij in staat!
II Punt. De woorden aanhooren. Overwegen wij de woorden, welke Jezus spreekt tot Petrus, en tot allen die hunne heiligschennende handen aan Hem willen slaan
1. Steek uw zwaard in de scheede. Jezus wi niet, dat wij ons verdedigen dan door zachtmoedigheid, geduld, liefde, gebed.... Aan deze wapenen belooft Hij de overwinning. Door deze heeft de Kerk zich gevestigd en zal zij zich staande houden
wem te ^ kom vero M
en c enge o m uwe mei »ƒƒ. Peti met Doe
de is j
een
een
ond
woi
de
die
mei
de
d:
221
tot het einde der eeuwen.... Willen wij onfeilbaar n glorierijk overwinnen? Steken wij dan het zwaard m de scheede, weerhouden wij onze tong, onder-
iristus inder-cht...,
[elijke . Di
iat — i van ehijn zijne r van mis t 1)6\' enscli i met arden eikei enen, biedt i! 0 t
n wi] n tot Hem
i wil edig-)eneii ft de naden
ns ti drukken wij die te vurige begeerte, om onze rechten
te verdedigen, onze zaak te doen zegevieren; smoren wij die wraakzucht, en zoo ons zwaard reeds eenige
ij zijn wonde heeft toegebracht, haasten wij ons dan die te genezen, door onze onderwerping, onze voorkomendheid , het ongelijk of het verdriet, dat wij veroorzaakt hebben, herstellende.
Meent gij dat ik mijn Vader niet kan hidden en dat Hij niet terstond meer dan twaalf legioenen engelen zal verschaffen? Het is uwe liefde voor ons, o mijn Jezus, welke de hulp weerhoudt, die Gij van uwen Vader, van U-zelven, van de engelen en de menschen, van hemel en aarde kunt trekken? — * Hoe zullen dan de Schriften vervuld ivordenquot;? 0 Petrus! gij vertoornt u, omdat men my gaat beladen raet vernederende boeien, als ware ik een boosdoener!... Doch datgene wat u de onschuld van mijn leven en de glorie van mijnen dood schijnt te doen tanen, is juist datgene wat haar zal doen schitteren. Zulk eene schande, door de profeten voorspeld, wordt eene getuigenis mijner godheid.... Het is, omdat ik onder het getal der boosioichten (1) ga geplaatst worden, dat alle volkeren mij zullen aanbidden als de hoop der zondaars. O hoezeer is hij te beklagen, die de schriftuur niet vervult, door in deze wereld met Jezus te lijden. Hij zal ze vervullen door in de andere wereld met Satan te lijden. — »Den kelk
(1) Is. 53, 12.
222
dien de Vader mij gegeven lie.ejt, zou ik dien nut drinken? O mijn meester, dit woord is voor mij ik pas het toe op al mijne wederwaardigheden, op al mijne beproevingen! Die afhankelijkheid, welke mij veel kost, die armoede, die beleediging, ziedaar den kelk, dien ik moet drinken. Krachtige beweegredenen zetten mij hiertoe aan: Mijn Vader biedt hem mij aan, mijn Verlosser heelt hem het eerst gedronken en, na Hem, al de ledematen van zijn geheimzinnig lichaam, alle heiligen.
Jezus keert zich tot zijne vijanden en zegt hun
2. Evenais tegen een roover zijt gij uitgetrokken met zwaarden en stokken, om mij gevangen te nemen Hoevele woorden van hoogmoed verstommen bij dit woord van den Zoon Gods. Somtijds hoort men mij zeggen ; Voor wie ziet men mij aan ? Wat heb ik dan gedaan? Men behandelt mij als xvare ik.... Ach ware ik een oprecht leerling van Jezus-Christus, dan zou ik mij nooit aldus beklagen. Ik zou de beproe viugen aanvaarden met al wat zij smartvols hebben en ik zou mij verheugen behandeld te worden, gelijk de Verlosser van het heelal.... Dagelijks zat ik bij ii, leerende in den tempel, en gij hebt mij niet begrepen. Hiermede wilde Jezus hun zeggen, ten einde zij in zich-zelven zouden keeren: » Let wel op de nutteloosheid van uwe slechte bedoelingen ten mijnen opzichte, zoo lang ik mij daaraan heb willen onttrekken. Hoe dikwijls zaagt gij uwe aanslagen mislukken, hoewel ik weerloos in uw midden stond? Herinnert u de gebeurtenissen der jongste dagen, met welke toejuichingen gij mij hebt ingehaald, met welke naarstigheid gij mij zijt komen aanhooren!
223
Indien gy mij wildet straffen voor het goede dat ik u bewezen heb, waarom hebt gij my dan niet aangegrepen in den tempel? Maar dit is uwe uur en dit is de macht, der duisternis, uwe uur! De mensch heeft dan zijn uur? Ja, en God heeft zijne eeuwigheid. Rampzalig uur, waarin God in zijnen toorn den zondaar overlaat aan zijne bedorvenheid, en deze de oppermacht toestaat. Welke noodlottige macht, die wij misbruiken om onzen hemelschen Vader te beleedigen en de plannen der hel in de hand te werken? Afschuwelijke duisternis, die den zondaar het gezicht beneemt van den afgrond, waarin hij zich werpt!
III Punt. De handelingen overwegen. Jezus treedt vooruit, als begeerig om voor ons te sterven; Hij gaat zich in de handen zijner beulen stellen. Hij houdt ze terug, om hun nog den tijd tot nadenken te geven; Hij vraagt wien zij zoeken, hoewel Hij dit weet, opdat zij bij het uitspreken van zijnen naam, waaraan de herinnering gehecht is van zoovele deugden en weldaden, daarin een lichtstraal mogen ontmoeten, die hun de grootheid hunner misdaad toont. Hij doet hen ter aarde nederstorten, door het antwoord: Ik ben het. Welke macht, maar ook welke barmhartigheid! Hoezeer moest Judas verschrikken , hoe is het mogelijk, dat hij zich niet bekeerde, toen hij zich-zelven en zijne bende ter aarde geworpen zag door een enkel woord, dat noch verwijt noch bedreiging bevatte! Hoe moesten de Apostelen zich verblijden, toen zij zagen hoe hun Meester door een enkel woord hen allen ter aarde wierp. Dit is slechts een flauw afbeeldsel van hetgeen de rechtvaardigen en de zondaars in den
224
jongsten dag zullen ondervinden, als Jezus tot de eersten zal zeggen: lh ben het, dien gij hebt bemind, gediend, boven alles hebt verkoren; tot de laatsten:
o 7 lt;
Ik hen het, dien gij hebt veracht, vervolgd, gekruist! Hij beveelt hun zijne leerlingen in vrijheid te laten; men gehoorzaamt Hem. Hoe goed is het, zich aan Jezus toe te vertrouwen, noch menschen, noch duivelen vermogen iets op hen, die Hij beschermt. Terwijl Hij zicb-zelven schijnt te vergeten, vergeet Hij ons niet. — Eindelijk na de wonderdadige genezing van Malchus, en de zoo billijke en liefdevolle aanmerkingen aan zijne vijanden gedaan, verbreekt Hij de onzichtbare macht, die hen bedwong, en zij volvoeren de misdaad, waarvan zulke wonderen van macht en goedheid hen niet konden terughouden.
Zie, hoe zij als razende wolven zich werpen op dit zachtaardig lam, met welke kracht trekken zij de koorden vast, die Hem binden, met welke woede doen zij Hem alles lijden , wat een lang weerhouden, eindelijk vrijgelaten haat kan uitdenken! Zij werpen Hem ter aarde, slaan Hem, zij schoppen Hem,.... hunne goddelooze stoutmoedigheid neemt voortdurend
D 0
toe en wordt tot het buitensporige gedreven.
O mijn Zaligmaker, welk eeu voorspel der wreede beschimpingen en folteringen, die Gij voor mij gaat verduren! Wanneer zal ik U beminnen, gelijk Gij mij bemint? Geef dat dezelfde liefde, welke tot mijne zaligheid U overlevert aan uwe vijanden, voortaan al de bewegingen mijns harten regele, opdat ik met vreugde albs lijde, wat ik in het belang uwer glorie te lijden zal hebben.
225
43ste OVERWEGING.
jezus met ketenen beladen.
I. Hij brengt ons liet offer zijner vrijheid.
II. Hij vraagt ons het offer der onze.
I Punt. Jezus offert ons zijne vrijheid op. Hij brengt dit offer vrijwillig, geheel, en voor altijd.
1. Vrijwillig offer. De Zaligmaker had zorg gedragen ons te leeren , dat niemand Hem het leven
o 1
kon ontnemen, dat Hij meester was het naar welgevallen te verlaten of te hernemen; het vrijwillige vaa zijn offer verheft dit oneindig in de oogen zijns Vaders en moet onze harten treffen. Hij wil ons de diepe overtuiging dezer waarheid geven, opdat wij weten, dat alles wat Hij geleden heeft, uitsluitend het uitwerksel zijner teedere liefde voor ons geweest is.
Voor dat zijne vijanden aankomen, kondigt Hij hunne nadering aan. Hij gaat hen te gemoet, belet zijnen leerlingen hunne plannen tegen te werken, en geneest, op wonderdadige wijze, de wonde in eene eerste opwelling van verontwaardiging toegebracht. Wat behoeft men het zwaard ter zijner verdediging te trekken ? Hij zelf weerhoudt de engelen, die Hem willen wreken. Heeft Hij eenig schepsel noodig, Hij, die met een ademtocht geheel de gewapende bende omverwerpt? Hadden zij ooit kunnen opstaan, zoo Hij het hun niet hadde toegestaan? Welke heerschappij voert Hij over alle gebeurtenissen! Met welke kalmte bestuurt en regelt Hij alles, houdt Hij die -woeste bende onbewegelijk, verplicht Hij die ch. ii. 15
226
mannen te aanhooren, wat Hij hun heeft te zeggen, en hen, die Hem vergezellen, ongedeerd te laten! Verliest Hy zijne vrijheid, zoo komt dit, omdat Hij ze wil verliezen. Het zijn minder de Joden, die zich meester maken van zijn persoon, dan zijn Hart dat zich aan hen overlevert.
Wat zou ik niet doen voor een vriend, die zich in mijne plaats in boeien zou doen klinken? Wat zou ik eischen van een vriend, in wiens plaats ik mij met ketenen zou hebben doen beladen? O liefde, hoe groot is uwe macht, daar gij den Almachtige tot gevangene hebt gemaakt! Onderwerp mij ook aan uw gebied, onderdruk, overheersch, bedwing mij zoodanig, dat niets in mij U weersta, dat ik mij onafscheidbaar hechtte aan Hem, die zich heeft laten gevangen nemen, om my van de vernederendste slavernij te verlossen.
2. Volkomen offer. Het bevatte al de overige, die Hij in zijn lijden moest voltrekken, want toen Jezus zich aan zijne vijanden overgaf, voorzag Hy hoe gruwelijk zij de macht, hun gegeven, zouden misbruiken. Reeds zag Hij zich geworpen in een duisteren kerker, overgeleverd aan de onbeschaamdheid der soldaten en dienstknechten, tot speelbal aan het laagste volk, aan de kolom gebonden, zwemmende in zijn bloed,... genageld, stervend aan het kruis... Met zijne vrijheid offerde Hij èn zijne eer èn ziju leven. Hij nam die verguizingen aan, waarmede Hij zou overladen worden in de straten van Jeruzalem, die Hij zoo dikwijls moest doortrekken, altijd omringd door soldaten, altijd gebonden als een boosdoener van het laagste soort, van het huis van
227
Annas naar dat van Kaïphas, van het rechthuis van Pilatus naar het paleis van Herodes gesleept. Al de folteringen, die Hem wachten, al de beschimpingen, die Hij voorziet, beletten Hem niet te gehoorzamen aan de stem zijns Vaders, aan de stem zijner liefde tot ons.
O gevangenschap, zoo vol vernedering en lijden voor den Zoon Gods, bron van glorie en .troost voor zijne leerlingen! 0 heilige banden, o beminnelijke koorden, welke vreugde zult ge storten in het hart der apostelen en martelaren als zij vervolgd, in de kerkers geworpen zullen worden, omdat zij de goddelijke leer van Jezus verdedigen! De H. Paulus scheidt deze twee titels niet van elkander; Apostel van Jezus- Christus, gevangen van Jezus- Christus, de tweede schijnt hem nog eervoller dan de eerste. Hij gelooft zich hierdoor gerechtigd om van de geloovigen alles te verkrijgen wat hij vraagt: Ik smeeh U dan, ik, de gevangene in den Heer (1).
Xaverius bezit zich-zelven niet van vreugde, bij de gedachte, dat hij China binnengaande, daar in boeien geklonken kan worden en wellicht voor Jezus zal mogen sterven.
3. Bestendig en voortdurend offer. De Zaligmaker neemt zijne eens opgeofferde vrijheid niet terug. Zijne liefde tot ons heeft Hem aan zijne vijanden overgeleverd, zijne liefde zal Hem in die afschuwelijke afhankelijkheid doen volharden. Hij laat zich beschimpen, van zijne kleederen berooven, geeselen, met doornen kronen, aan het kruis nagelen.... Hij
(2) Eph. 4, 1.
228
biedt zijne handen en voeten aan, om doorboord te worden, en voltooit zijn offer door te gehoorzamen tot den dood. Heer, doe mg begrijpen, dat het eenige middel om voortgang te doen op de wegen der gerechtigheid, bestaat in my in alles te laten geleiden door uwen geest, den weg eener ootmoedige en heilige gehoorzaamheid te bewandelen, ten einde uwe liefde na te volgen, door U mijne vrijheid op te offeren, daar Gij de uwe voor mij ten beste hebt gegeven.
II Punï. Jezus vraagt ons dit offer. De religieus behoort zich-zelven niet toe; hij behoort den Zaligmaker, niet slechts, omdat hij door den prijs van zijn Bloed is vrijgekocht, gelijk de eenvoudige Christen, maar omdat hij zich door een geheiligd verdrag aan Jezus verbonden heeft. Hem is hij zyn tijd, zyn leven, het gebruik van al zijne vermogens schuldig, en als hij, in het uitoefenen zijner plichten, zich laat geleiden door de heilige beweegreden der liefde, als hij, in al wat hij doet of lijdt, niets anders beoogt dan de begeerte om te behagen aan een meester, dien hij bemint, is hij op de uitnemendste wijze de gevangene van Jezus-Christus; hij gaat niet meer waar hij wil, maar de geest van Jezus geleidt hem.
Gij vraagt mij, o Heer, het offer mijner vrijheid en Gij wilt, dat het even als het uwe, vrijwillig, volkomen zij, en zich nooit verloochene. Gy biedt mij uwe ketenen aan, opdat ik die met U moge dragen. Ik wil dit gaarne, o mijn goede Meester, uw voorbeeld, uwe liefde tot mij zegevieren over mijn tegenzin. Altijd afhankelijk zijn, nooit zich-zelven toebehooren, schrikt de natuur af, doch die
229
afhankelijkheid, met en voor U verdragen, wordt zoet aan het hart, dat ü bemint. Gy geeft my uwe ketenen, doch van welke noodlottige banden verlost Gij my! Ware ik uw slaaf niet, dan ware ik slaaf myner driften. Wees gezegend o mijn God, Gij hebt mijne banden verbroken, thans wil ik de uwe dragen. Ik ben aan IJ voor altijd. Dit is de genade, die ik U vraag en altijd vragen zal. Geef uwen dienaar dit geluk, schenk hem deze vreugde.
44^ OVERWEGING.
JEZUS BRENGT ONS HET Oi\'I\'ER ZIJNER EER.
De liefde tot de eer, de begeerte om van de schepselen geacht te worden, is eene bron van verdriet , onrust en zonden. Na aan alle begeerten verzaakt te hebben, behoudt men deze. Men zou God niet willen mishagen, maar men wil der wereld nog behagen. Het voorbeeld van Jezus in zijn lijden met het licht der genade, dat hieruit voortspruit, kan alleen die onzalige neiging in ons vernietigen.
T. Welken naam brengt Jezus ons ten offer?
II. Hoe groot is dit offer, dat Hij ons brengt?
IU. Met welke goddelijke kalmte brengt Hij dit offer ?
1. Herinneren wij ons den laster en de beschimpingen , waardoor men den Zoon Gods trachtte te vernederen; zijn geduld, zijne stilzwijgendheid in die uren, als het spreken plicht scheen.
230
2. Verwijder van my, o Heer, elke ongeregelde begeerte naar eer; leer mij de achting der wereld niet hooger schatten, dan Gij dit gedaan hebt, en liever met ü de glorie barer verachting zoeken.
I Punt. Welken naam brengt Jezus ons ten offerquot;? Nimmer bestond er een schitterender, een beter gevestigde, een rechtvaardiger verworven naam, dien het Hem zoo gemakkelijk geweest ware, en die het zoo noodzakelijk scheen, te bewaren.
1. Een schitterende naam. Wat had men reeds niet ter zijner eer gedacht en gezegd? Wat had men in Hem niet bewonderd? Welke wijsheid! Op twaalfjarigen leeftijd verbaasde Hij reeds de meesters der wetenschap. Hoe menigmaal bad Hij sedert door de kracht en de bekoorlijkheid zijner woorden, den hoogmoed der wetsgeleerden beschaamd ? Welke
o o
macht! Wind en zee, hemel en aarde, gezondheid en ziekte, leven en dood hadden aan zijne stem gehoorzaamd. Welk een doorzicht, welk een licht! Hoe vaak toonde Hij, dat Hij in de harten las en de geheimste gedachten doorgrondde? Welke onschuld, welke rechtvaardigheid, welke heiligheid! Wie uwer zal mij van zonde beschuldigen ? En vijanden, gelijk de Pliarizeërs, hadden op deze uitdaging slechts geantwoord, dat Hij de zondaars bezocht en met hen at. Men kiest Hem tot scheidsrechter. Men verklaart luide, dat Hij den weg des Heeren in waarheid onderwijst. Men erkent Hem voor den Messias, althans voor een profeet van God gezonden.
Algemeen gevestigde naam. Waar werd Hij niet gekend, geacht, vereerd? Te Jernzalem, waar men Hem een mensch had zien genezen, die acht-en-
231
dertig jaren lam geweest was, een blindgeboorne
plotseling het gezicht had zien teruggeven..... In
Judea, alwaar in alle vlekken, alle dorpen de glorie van zijnen naam weerklonken!... In Galilea, waar Hij den zoon van de weduwe van Nairn tot het leven had teruggeroepen, waar Hij stormen gestild, de wonderdadige vischvangst bewerkt had... In Sa-marië, waar men, na op het woord eener vrouw in Hem geloofd te hebben, later zegde: Thans gelooven wij in Hem, omdat wij zeiven Hem gezien en gehoord hebben... In de streken van Tyrus en Sidon, vanwaar de bedroefden, in breede scharen, bij Hem genezing hunner kwalen kwamen zoeken, en wederkeerden zijnen lof verkondigende.
3. Rechtmatig verkregen naam. Hij was gegrondvest op een leven van deugden en wonderen, van werken, zooals niemand vóór Hem verricht had, op de godspraken der profeten, welke men in zijn persoon letterlijk vervuld zag, op ontelbare en feitelijk bewezen wonderwerken, dooden verrezen tot het leven, in het gezicht en aan de poorten van Jeruzalem... op weldaden door diegenen zelfs bevestigd, die ze ontvangen hadden. De eene zegde: Ik was blind. Hij schonk mij het gezicht weder. Een ander: mijn kind was dood. Hij heeft het het leven teruggeschonken. Deze: ik was op zee, Hij redde mij van de schipbreuk. Gene: ik at van het brood, door Hem in de woestijn vermenigvuldigd.
4. Een naam, dien het Hem zoo gemakkelijk was, en dien Hij alle reden scheen te hebben van te moeten behouden. Hadde Hij eenige woorden gesproken, toen men Hem aanzette zich te verdedigen.
232
lioe gemakkelijk hadde Hij zijne vijanden beschaamd, en de openbare verontwaardiging tegen hen gekeerd. De getuigen spraken elkander tegen, de valschheid der beschuldigingen moest een ieder in het oog vallen. De kwade trouw, de nijd zijner beschuldigers verraadde zich duidelijk. Pilatus was overtuigd van zijne onschuld. Herodes was gunstig voor Hem gestemd, het volk ware gemakkelijk teruggebracht tot de genegenheid, die het Hem immer had toegedragen.
Daarenboven scheen Hij de zwaarwichtigsïe redenen te hebben, om in den geest der menigte den nood-lottigen indruk van zulke hatelijke lasteringen uit te wisschen. Moest zijn stilzwijgen niet als eene bekentenis aangezien worden? Wat werd er van zijne hemelsche leer, zijne goddelijke zending, zijn begonnen werk van herschepping, indien Hij stierf str( met schande overdekt? Nimmer vereenigden zich zoo vele omstandigheden, om iemand te verplichten zijne aangetaste eer te verdedigen, en nochtans zwijgt Hij! Dit geneesmiddel was noodig voor de opgeblazenheid van ons hart, voor de verblindheid, welke ons belet de nietigheid der schepselen te erkennen.... O mijn God, zal dit voorbeeld niet voldoende zijn om mij te doen begrijpen, dat Gij de eenige zijt,
wiens achting ik moet begeeren, wiens afkeuring ik moet vreezen?
II Punt. Op welke wijze de Zaligmaker zijne eer voor ons ten offer brengt. Op de meest volledige, de meest algemeene, de meest geëigende wijze om Hem, ware dit mogelijk geweest, voor immer te schandvlekken.
1
is ^ rijk heic te 1 Hei tela ven lich Hei stil: niei oor een lijk
Te ges het ten vol wa ziji
me Ph gel blij ree lee loc
233
1. Hij verliest zijne eer in alles. Zijne eerloosheid is volkomen. Wat blyft Hem over van zijn glorierijken en billijk verkregen roem? Waar is zijne wijsheid? Hij schijnt geen woord ter zijner rechtvaardiging te kunnen zeggen; men beschouwt, men behandelt Hem als een dwaas. Zijne macht? Hij schijnt krachteloos in zijne boeien; men zou zeggen, dat Hij niets vermag tegen zijne vijanden. Zijn doorzicht, zijn licht? Men bedekt Hem het aangezicht, men daagt Hem uit te zeggen, wie Hem geslagen heeft, en zijn stilzwijgen schijnt te getuigen, dat Hij niets ziet, niets weet. Zyne deugd, zijne heiligheid? Men veroordeelt Hem als bedrieger en godslasteraar als een man beladen met alle misdaden, even afschuwe-lijk voor den hemel als voor de aarde.
2. Hij verliest zijn naam overal; zijne eerloosheid strekt zich nog verder uit, dan zijn roem van weleer. Te Jeruzalem wordt Hij veroordeeld, ter strafplaats gesleept als een groot boosdoener, en dat tijdens het Paaschfeest, op den plechtigsten dag des iaars, ten aanzien eeuer ontelbare menigte, uit verscheidene volken samengesteld; de gansche wereld is als het ware getuige van zijne schande, van de zegepraal zijner vijanden en zijn schandelijken dood.
3. Zijne eerloosheid draagt het schandelijkst brandmerk. Hadde Hij slechts de schriftgeleerden en Pharizeërs tegen zich gehad, zijne eer zou weinig geleden hebben: hun afgunstige naijver was klaarblijkelijk, maar Hij wordt veroordeeld voor eiken rechterstoel. Voor dien der wetgeleerden, die zijne leer verklaren een samenweefsel te zijn van goddeloosheid en godslastering; voor dien des Hoogepriesters
234
en priesters, die Hem als vijand van den tempel en der altaren beschuldigen; voor den rechterstoel eens koniags, die verklaart, dat zijne schijnbare wijsheid eene dwaasheid is, en Hem aan den spotlust des volks overgeeft, als een uitzinnige; voor den rechter-
o 7 d 7
stoel van den romeinschen landvoogd: daar deze verscheidene malen getracht had Hem vrij te spreken, moest men meenen, dat hij uiet zonder reden tot het algemeen gevoelen overging; voor den rechterstoel des volks, dat de toejuichingen van gisteren scheen te willen terugnemen en nu luider en een-pariger zijnen dood eischte, dan zoo kort geleden zijne zegepraal; voor den rechterstoel zelfs van zijne leerlingen, die Hem verradende, verloochenende, verlatende, schenen te betuigen, dat zij ook geloofden aan zijne schuld, althans in eenige Hem verweten misilrijven. Mijn God, hoe is het mogelijk, dat ik begeer geacht te worden door eene wereld, die U zoo zeer veracht heeft, en waarvan Gij slechts misachting zoekt! 0 mijn Zaligmaker! verneder mijnen hoogmoed; als ik U slechts moge behagen, wil ik
o 7 o o 7
gaarne mishagen aan de menschen.
Ill Punt. Met welk geduld, met welke kalmte van ziel, Jezus ons het offer van zijne eer hrengt. Als men zich herinnert, wat Hij is, en de aanbidding, welke Hij verdient, dan verwondert men zich, dat alle schepselen zich niet wapenen, om Hem te wreken. Men zou wenschen dat Hij, althans alvorens den geest te geven, zijne onschuld deed uitschijnen ten aanzien van het heelal. Neen, Hij vergeeft en zwijgt. Hij vermag alles en doet niets. Ik ben als een mensch, die niet verstaat, en in wiens mond geen
235
tegenredenen zijn (1). En dat ondanks de dringende beweegredenen, die Hem schynen te verplichten zijne zaak te verdedigen. O aanbiddenswaardig stilzwijgen! o goddelijk geduld! hoe levendig verwijt gij mij mijn morren, mijne oploopendheid, wanneer mijn naam in het minst wordt aangerand! Is mijne eer dan noodzakelijker, is zij uitgestrekter, is zij even hecht gegrondvest, even onverdiend gebrandmerkt als de roem van Jezus-Christus ? Wat verontrust ons dan hierin zoo zeer? Een vluchtig woord, een gesprek welks indruk weldra uitgewischt zal worden, een weinig minder achting, bij een klein getal personen; hoe! zou ik voor zoo weinig de rust mijner ziel willen verliezen, my het gebed onmogelijk maken? Een roemvolle naam is een zware last, en dikwyls een groot gevaar.
O Heer, ik zal mij dieper vernederen, dan ik het tot dusverre deed. Ik wil klein worden in mijne eigen oogen. Geef mij de genade, ter uwer liefde veracht en onbekend bij de menschen te zijn, want ik heb verkoren in het huis des Heeren de laagste te zijn. Stel, o Heer, eene wacht aan mijnen mond en eene verschanste poort aan mijne lippen. Neig mijn hart niet tot hooze daden, om zonden te ver-ontschiildigen (2). Even als zoo vele heiligen, zal ik , uw voetspoor drukkende, het stilzwijgen bewaren, wanneer Gij toe zult laten, dat ik ten prooi worde aan beleediging en laster.
(1) Ps. 3(, 15. (2) Ps. 140, 3—4.
236
45ste OVERWEGIN O.\'
jezus-christus bij ka1phas. — beschouwing.
I. De personen beschouwen.
II. De woorden aanhooren.
III. De handelingen overwegen.
1. Jezus wordt eene eerste maal door den Hooge-priester ondervraagd; bij zijn antwoord geeft men Hem een kaakslag. Op nieuw ondervraagd, en in den naam Gods gedrongen om te zeggen, of Hij waarlijk zijn Zoon is, bevestigt Hij dit, en verklaart dat zij, die Hem nu oordeelen, eens door Hem geoordeeld zullen worden. De Hoogepriester scheurt zijne kleederen. Alle besluiten, dat Hij des doods schuldig is, en geven Hem over aan de onbeschaamdheid der dienaren.
2. Verbeeld u de raadzaal, waar de voornaamsten der priesters en een groot aantal schriftgeleerden en Pharizeërs tegenwoordig zijn.
3. Vraag Jezus vergiffenis voor al de beleedi\' gingen, welke Hij gedurende zijn lijden voor u te verdragen had, bijzonder in het huis van Kaïphas. Smeek Hem uw hart te neigen tot de liefde der verachting of ten minste u, uit liefde tot Hem, met geduld te doen verdragen, wat Hij met zoovee\' vurigheid, uit liefde tot u, gezocht heeft.
I Pünï. Beschouw de personen. Die rechters, die wetgeleerden, tot het verhoor toegesneld; de verga\' dering is voltallig. Wat is de drijfveer dier vaardigheid? De opperpriester, rijk gekleed, zit op zijn
zetel, en s( rrelaa
3
oppei
de b
en sc
doorl
uit a
gerec
Ziedi
heek
schu
met
gevr
staa\'
zedii
bevi
met
er 2
rol
stre
doo:
We
voll
I
deli Jez ren en
He uit! vot
237
ietel, in liet bewustzijn zijner waardigheid. Ongeduld en schijnheiligheid wisselen zich beurtelings op zijn gelaat, waarop de hoogmoed bestendig zetelt.— De opperhoofden der priesters, de schriftgeleerden, al de bedienaars van het gerecht zijn op hunne plaats en schijnen zeer tevreden... Eene trilling van vreugde doorloopt de zaal, eene wreede voldoening spreekt uit aller blikken, als het aanbiddelijk slachtoffer, door gerechtsdienaars omgeven, wordt binnengeleid. — Ziedaar Jezus, de Zoon Gods, de Meester van het heelal, de heiligheid zelve, naar de bank der beschuldigden gevoerd. — Hij is gebonden en geboeid met al de voorzorgen, die men neemt voor een lang gevreesden booswicht... En, zachtmoedig al een lam, staat Hij daar; alles in Hem getuigt van de edelste zedigheid, de volmaaktste kalmte. — In de zaal bevinden zich ook soldaten en dienaars, die Hem met eene schaamte\'ooze nieuwsgierigheid beschouwen; er zijn ook valsche getuigen, die hunne afschuwelijke rol bestudeeren. — Onder die verschillende gelaatstrekken zijn zwarte zielen verborgen, aangevuurd door de hevigste hartstochten eu een helschen haat... Welk een verschil met de zoo zuivere, kalme, liefdevolle ziel van Jezus!
II en III Pont. De woorden hooren en de handelingen overwegen. De IIoogepriester ondervraagt Te zus omtrent zijne leerlingen en zijne leer. Gedurende de drie jaren, dat Hij in het openbaar leerde eu dat zijne rechters, zoekende Hem te betrappen, Hem de voornaamste punten der wet hadden doen uitleggen, had men vaak zijne leer bewonderd, nooit vond men daarin iets berispelijks... Jezus antwoordt:
OOgC\' men sn iu F Hij :laart Hem beurt loods amd-
isten n en
sedi u te Aas. der met gt;veel
, die rga-aar-zijn
238
—
dat Hij openlijk tot de wereld heeft gesproken, dm Hij niets in het verborgen gezegd heeft; dat zij de\' genen, die Hem gehoord hebben, moeten ondervragen.. De wijsheid zelve kon zich op geene rechtmatiger wijze uitdrukken. Ook wist men niet, wat er op te antwoorden, doch een dienstknecht, den rechters willende behagen, geeft Hem een kaakslag, als om Hem eene les te geven en zegt: Moet gij zóó aan den hoogepriester antwoorden ?
En als men bedenkt, dat het de Koning dei-koningen , de Rechter van levenden en dooden is, die deze beschimping ontvangt, in welke plaats? waarom? dan vraagt men zich hoe die heiligschennende
hand op hetzelfde oogenblik niet uitgedroogd is.....
O Jezus, die deze beleediging verduurt om onzen hoogmoed te beschamen, om onze klachten te smoren, als men onze eer aanrandt, en ons over onze lichtgeraaktheid te doen blozen. Gij wilt dat uwe leerlingen het voorhoofd verharden tegen de verachting; en Gij zoudt dien kaakslag stilzwijgend verduurd hebben, ware hij niet vergezeld gegaan van een verwijt, dat Gij plichtshalve moest weerleggen. Indien ik kwalijk gesproken heb, getuig van het kwade, doch heb ik wel gesgroken, ivaarom slaat gij mij? De Zaligmaker was dit antwoord ter zijner rechtvaardiging schuldig; de veronderstelling, dat Hij kwalijk gesproken had, mocht noch in den geest der rechters, noch in de geschiedenis van zijn lijden voortleven, Hij was die schuldig tot onze onderrichting ; Hij moest ons leeren, dat een zacht en gematigd woord niets beneemt aan de verdiensten van het geduld; dat wij immer het gezag moeten
eerb was dooi zadh digi die V
en ong bij, Jez het en zoo waa alle; Vac tot reel bek oon onr
UW(
gloi I
den zijt vru mai van
(i)
239
eerbiedigen en onzen eerbied daarvoor toonen. Hij was dit verschuldigd tot beschaming zijner vijanden, door voortdurend zijne onschuld, zijne liefde, zijne zachtmoedigheid te stellen tegenover de onrechtvaardigheid , de oploopendheid, de hevigheid van hen, die Hem veroordeelden.
Verscheidene valsche getuigen worden verhoord en komen niet overéén. De hoogepriester wordt ongeduldig en staat op. Antwoordt gij niets, zegt tij , op hetgeen U door dezen wordt aangeduid. Maar Jezus zweeg. Hoe verheven is zijn zwijgen! Heer! het zal U het leven kosten, zoo Gij niet spreekt; en Gij zwijgt! Weldra zal het ü het leven kosten zoo Gij spreekt, en niets zal ü dan weerhouden de waarheid te verzwijgen. O dit komt, omdat Gij in alles slechts de glorie zoekt van uwen hemelschen Vader, slechts luistert naar de stem uwer liefde tot mij. Gij weet daarenboven welke schitterende rechtvaardiging U wacht! Ach! wat zou ik mij weinig bekommeren, door de menschen beschuldigd en veroordeeld te worden, als ik er aan dacht, dat hunne onrechtvaardigheid, met geduld verdragen, mij voor uwen rechterstoel zal verstrekken tot een titel van glorie en geluk.
De hoogepriester zegde Hem; 7/c bezweer ü hij den levenden God, dat Gij ons zegt of Gij de Christus zijt, de Zoon Gods (1) O mijne ziel, luister godvruchtig naar het antwoord van den Koning der martelaren, die het eerste getuigenis heeft gegeven van zijne godheid, en deze getuigenis met zijn Bloed
(1) Hatth. 26, 63.
240
bezegeld heeft. Jezus zeide tot hem: Ik hen het! en gij zult den Zoon des menschen zien , gezeten ter rechterzijde der kracht Gods en komende met de wolken des hemels (1). Wijl gij den gezagenden naam mijns Vaders gebruikt om mij tot spreken te verplichten, zal ik spreken en u meer zeggen, dan gij zult wenschen te hoeren. Bedrieg u niet omtrent de tweevoudige komst van den Messias. De profeten, die u zijne vernederingen en zijnen dood beschreven, hebben ook zijne opstanding en zijne glorie voorspeld. Gij zegeviert in dit oogenblik, doch weldra zult gij den-zelfden Zoon des menschen, heden door u veroordeeld, zien wederkomen, aan de rechterhand zijns Vaders gezeten, om alle menschen te oordeelen. Dan zijn de toestanden omgekeerd. Wat zal er dan worden van uwe trotschheid? Hoe zult gij mijne blikken kunnen verdragen? Waar zult gij vluchten, om de woede te ontgaan van het Lam, wiens zachtmoedigheid gij hebt veracht, wiens Bloed gij hebt gestort? O Jezus, ik aanbid U, als den Zoon van den levenden God !
Wat was nu het uitwerksel eener verklaring, welke hen, die ze hoorden, moest ontstellen? Kaïphas verscheurt zijne kleederen en roept uit: Hij heeft God gelasterd! Wat hébhen wij nog getuigen noodig; nu heht gij de godslastering gehoord. — Wat dunkt u ? En zij antwoordden en zeiden; Hij is des doods schuldig (2). Ja, mijn goede Meester, Gij verdient den dood, omdat Gij de schuld aller zondaars op U hebt geladen. Gij gaat sterven om my te verlossen
(1) Mare. 14, 02. (2) JlaUU. 20, 05, 00.
241
van den eeuwigen dood, kan ik dan leven voor iets anders dan voor U ? De reenters verlaten de zaal en leveren den Zaligmaker over aan eene woeste schaar krijgslieden en dienstknechten, die Hem duizenden beleedigingen en verguizingen bereiden.
Men verbeelde zich een gevangen koning, doox een zegevierend dwingeland prijsgegeven aan het uitvaagsel des volks, met deze enkele aanbeveling: Doet hem lijden wat gij wilt., doch beneemt hem het leven niet, want ik heb hem voor eene groote foltering bestemd. Jezus-Christus werd behandeld, gelijk men zulk een ongelukkig vorst zou behandelen. Het huis van Kaïphas werd eene soort van hel, al deszelfs bewoners waren als zoo vele beulen, en elke beul een duivel in menscheljjke gedaante. Men spuwde Hem in het aangezicht... en zij, die Hem beta aakten, bespotten Hem, sloegen Hem, en Hem geblinddoekt hebbend, gaven zij Hem vuistslagen en kaakslagen, zeggende: Christus, zeg ons, wie ü geslagen heeft. Kn zij hoonden en lasterden Hem... Het was als een helsche wedstrijd onder deze booswichten, wie hunner Hem het meest zou bespuwen en honen, wie zich het wreedst zou toonen. Zijn geduld verbittert hen, zijne zachtmoedigheid verdubbelt hunne woede, en dit barbaarsch spel duurt den ganschen nacht voort. Wat zult gij doen, o mijne ziel, om Jezus te toonen, hoezeer gij gevoelt, wat Hij voor u lijdt, hoezeer gij betreurt, Hem zoo vele versmadingen berokkend te hebben. Gij weet, wat Hij begeert: dat gij Hem eerbiedigt, bemint, Hem navolgt en geene gelegenheid laat voorbijgaan, om den evennaasten dezelfde gevoelens in te prenten.
ch. n. 16
242
46ste OVERWEOING.
jezus-christus aan het hoi\' van herodes.
beschouwing,
I. De personen beschouwen.
II. De woorden aanhooren.
UI. De handelingen overwegen.
1. Herodes was zeer verblijd Jezus te zien, want hij begeerde dit sedert lang, daar bij veel van Hem had hooren spreken en hoopte een wonder van Hem te zien. Hij deed Hem dan vele vragen, doch Jezus antwoordde niet. Intusschen hielden de schriftgeleerden en priesters niet op Hem te beschuldigen. Herodes verachtte Hem met geheel zijn hof, liet Hem uit spot een wit kleed aantrekken, en zond Hem naar Pilates weder.
2. Verbeelden wij ons de straten van Jeruzalem, vervolgens het hof van Herodes, de zaal, waarin de Zaligmaker gebracht wordt; alles is pracht aan dit hof, alles spreekt van weelde en verwijfdheid.
3. Bidden wij Onzen Heer Jezus-Christus, ons de dwaasheid te ontdekken der menschelijke wijs heid, ons eene diepe verachting in te boezemen voor de wereld en voor alles, wat het voorwerp barer achting uitmaakt, en ons daarentegen datgene te doen achten en beminnen, wat Hij-zelf geacht en bemind heeft.
I Punt. De personen heschouwen. Zie Herodes, gezeten op zijnen troon, omringd door zijne hovelingen. Het is een arglistig, sluw, ijdel vorst,
243
steeds dobberend tusscheu ongeloof en godsdienst. De vreugde schittert op ziju gelaat bij het binnentreden van Jezus. Hij wenschte Hem te zien, niet om zich te onderwijzen in de leerschool van Hem, dien velen voor den Messias hielden, maar om zijne wijsheid en zijne macht op de proef te stellen. Hij hoopt, dat zijne nieuwsgierigheid voldaan zal worden, zijn hoogmoed is dit reeds, daar hij het lot in zijne handen heeft van dien Jezus, zoo beroemd in Israël, daar hij vóór zich dien profeet vernederd ziet, wiens woorden en werken zoovelen hebben bewonderd. — Zie, rondom dezen koning, die menigte officieren, dienaars, hovelingen, die hem van Galilea naar Jeruzalem waren gevolgd; wereldsche wijzen, lichtzinnige geesten, altijd gereed de hartstochten des meesters te vleien, geen anderen godsdienst huldigende dan vermaak en genot. — Bij den Zaligmaker geen enkele vriend, maar de gerechtsdienaars, die Hem geleiden, de opperhoofden, priesters en schriftgeleerden, die de beschuldiging komen bekrachtigen. Zij schijnen den uitslag te vreezen van een nieuw onderzoek vóór een rechter, die den beschuldigde gunstig gezind is en die, de voorzeggingen kennende, zich door Jezus kon laten overtuigen. — Beschouw vooral den aanbiddelijken Zaligmaker, die geen enkelen rechterstoel ducht, die overal vernederd en veroordeeld wil worden, ten einde de troost te zijn zijner dienaren, voor wie de wereld niet rechtvaardiger zal zgn dan voor Hem-zelven. In welken toestand staat Hy voor dat hof.... Altijd nog met kluisters beladen. Op zijne gelaatstrekken staat lijden, doch geene ontsteltenis noch onrust te lezen, —
244
Zie, ver boven datgene, wat uwe oogeu aanschouwen, God den Vader en alle engelen oplettend een schouwspel gadeslaande, dat den hemel even zeer als de aarde belang inboezemt. Wees zelf opmerkzaam en verlies niets, van hetgeen gaat gebeuren.
II en III Punt. De woorden aanhoor en en de handelingen overwegen. Herodes richtte tot Jezus verscheidene vragen. Hij ondervroeg Hem waar-schijnlijk omtrent zijn persoon, zijne zending, de wonderen, die men van Hem verhaalde, de begeerte toonende van eenige dezer getuige te zijn. Hij wilde Hem uitvorschen. Hem doordringen, ten einde een oordeel omtrent Hem te vellen, dat niet alleen het volk, maar ook den priesters en leeraars tot regel diende en zijne scherpzinnigheid zou doen uitkomen. Doch Jezus zweeg. Hoe minder Hij antwoordde, hoe dringender Herodes Hem ondervroeg, ten einde Hem eindelijk tot eene verklaring te verplichten. Dit was te vergeefs. Jezus zegde Hem zelfs niet, waarom Hij weigerde. Hem te antwoorden, en stelde zich tevreden, \'s konings hoogmoedige verwaandheid door stilzwijgen te bestraffen. Beschouwen wij hier de eeuwige wijsheid tegenover de menschelijke wijsheid , welke zij oordeelt, veroordeelt, verblindt....
Het geduld, de kalmte des Zaligmakers, te midden van zooveel hoon ; zijne edele onverschilligheid voor al, wat de menschen dierbaarst hebben, het leven en de eer, waren schitterende mirakelen. Moest men niet meer zijn dan een mensch, om aldus te verachten al wat \'s menschen hartstocht najaagt? Herodes dringt in dit geheim niet door. Hoe meer hij Jezus volgens zijne menschelijke begrippen wil beschouwen
4
245
hoe minder hij Hem kent en hoe dieper hij neder-zinkt in zijne eigene duisternissen. Dat bovenmen-schelijk stilzwijgen is in zijn oog slechts domheid, dat geduld slecbts gevoelloosheid, die werkeloosheid is slechts zwakheid en onmacht. Hij doet de uitspraak, dat Jezus het verstand verloren heeft, veracht Hem, levert Hem over aan den spotlust van zijn hof. Om zijn beleedigden trots te wreken, wenscht hij zich geluk met de gedachte aan het witte kleed, dat als teeken van dwaasheid, den Zaligmaker gaat onteeren voor zijn hof en voor het geheele volk.
De verwachting der hovelingen was evenzeer teleurgesteld , als die van hunnen vorst; toen zij zagen hoe hij den Zaligmaker bespotte, haastten zij zich zijn voorbeeld te volgen. De inval des meesters toejuichende, oordeelen zij gelijk hij; in plaats van een misdadiger, dien men in het paleis wilde brengen, heeft men er een zinnelooze gebracht, en zij kunnen niets beters doen, dan zich met den dwaas vermaken. Luisteren wij naar dien bitteren spot, die scherts, dat uitjouwen, dat gelach, waardoor men den zoo-genaamden Messias en de openbare lichtgeloovigheid hoont... — Herodes zond Hem naar Pilatus terug. Wat gaat er om in den geest van het volk, dat buiten den uitslag van dit tooneel staat af te wachten, als het Jezus-Christus ziet verschijnen in den vernederenden toestand, waarin de gewijde bladen Hem voorstellen? Kunnen zij zelfs, die voor Hem nog een overblijfsel van eerbied koesteren, bij het zien dezer vernederende bejegening, een gevoel van verachting onderdrukken ? Beter dan alle redeneeringen zegfc dat kleed, wat de vorst en de groeten des rijks
246
t
van Jezus denken. Beschouw uwen God op dien weg van het paleis van Herodes naar het pretorium. Hij treedt voort met nedergeslagen oogen, de schaamte bedekt zijn gelaat, Hij hoort de kreten, de beschimpingen, de bespottingen der menigte, ja wellicht vallen op Hem de steenen. Let slijk, de vuiligheid, door het volk op Hem geworpen!
Samenspraak met onzen Heer Jezus-Christus. Hem aanbidden met de engelen in dien afgrond van vernedering, waarin Hij zijne godheid verbergt. Gij opent mij eindelijk de oogen, o mijn Verlosser, en ik begryp, dat, om waarlijk wijs te zijn in uwe oogen, men dwaas moet zijn in die der menschen. Ik zocht de wijsheid en vroeg: Waar wordt zy gevonden? Neen, zij wordt niet gevonden in het land van ben, die genoegelijk leven (1), de zinnelijke en losbandige wereld kent haar niet. Zg is ook niet te vinden in de trotsche wetenschap. Zij ligt verborgen onder dat witte kleed, waardoor men ü tracht te vernederen. Ik zal mij met U daaronder verbergen, o aanbiddelijke wijsheid, ik zal daar uwe lessen begrijpen , oneindige waarheid, en ik zal zeggen: Gelukkig zij, die de wereld veracht!
Besluit. In alles de grondstellingen bestrijden, der menschelyke wijsheid, mij nimmer gedragen volgens hare inzichten. Juist het tegendeel oordeelen van hetgeen de wereld oordeelt omtrent eer en schande.
W d( V(
(1) Job 28, 12—13.
247
473te OVERWEGINO.
JKZUS VOOR DEN RECHTERSTOEL VAN PILATUS WORDT
MET BARABBAS GELIJK GESTELD. — BESCHOUWING.
1. De personen beschouwen.
II. De woorden aanhooren.
III. De handelingen overwegen.
1. Pilatus, de hoofden der priesters, de overheden en het volk vergaderd hebbende, zegde hun: »Gij hebt dezen man tot mij gebracht, als ruide Hij het volk op; ik heb hem ondervraagd en geene schuld in hem bevonden. Herodes heeft even als ik geoordeeld. Het is een gebruik, dat ik bij het Paaschfeest U een misdadiger vrijlaat; wien wilt gij, dat ik vrij-stelle, Barabbas of Jezus, die de Christus genoemd wordt. Zij riepen allen: Weg met dezen, laat Barabbas los. Dan vroeg Pilatus hun ten tweeden male: gt;Wat moet ik dan doen met den Koning der Joden, die Christus genoemd wordt?quot; En zij riepen allen: Kruisig hem, kruisig hem....
2. Stellen wij ons het gerechtshof van Pilatus voor met een balkon, dat uitziet op een uitgestrekt plein, waar het volk vergaderd is.
3. Bidden wij Jezus-Christus, ons toe te laten tot de innige kennis van zijn Hart, welks liefde voor ons zoo zwaar beproefd is geworden. Smeeken wij dit goddelijk Hart ons onze eigene zwakheid te doen mistrouwen, en ons vooral de waarde der vernedering t« doen kennen.
248
I Punt. De personen beschouwen en trachten hunne inwendige gesteltenissen te doordringen. Pi-latus, dan eens naar binnen gaande, dan weder buiten komende, om tot het volk te spreken; hij is nadenkend, ernstig, besluiteloos.... Men kan op zijn gelaat lezen, dat een vreeselijke strijd in zijne ziel geleverd wordt, tusschen zijn geweten en de vrees van den Joden te mishagen; menschelijk opzicht, wreede tyran! De beschuldigers van Jezus-Christus, opperhoofden der priesters, schriftgeleerden, phariseërs, zij zien er somber uit. — Zij voeden klaarblijkelijk een slecht plan, hun haat is ingeworteld. — Het volk: de nieuwsgierigheid, de ledigheid, het verlangen om iets nieuws te zien, heeft het in dichte scharen doen samenstroomen. De onbestendigheid der gedachten teekent zich duidelijk af in hunne blikken. Het is te voorzien, dat het volk alles, wat men het zal trachten te doen gelooven, zal aannemen, alle indrukken zal ontvangen, die men het zal trachten te geven; noodlottige gesteltenis, die het zal medeslepen tot de afschuwelijkste misdaad en de vreese-lijkste ongelukken. — Barabbas: in het diepste zijns kerkers verwacht hij den dood, dien hij door eene reeks van misdaden heeft verdiend. De diepste bedorvenheid staat te lezen op zijn gelaat. Alles in hem is terugstootend. — Doch vestig uwe aandacht bijzonder op Jezus-Christus, en beschouw Hem meer met de oogen des geloofs dan met die des lichaams, vergeet zijne oneindige grootheid, macht en liefde niet!.... Altijd dezelfde zachtmoedigheid, dezelfde zedige kalmte, dezelfde vurige begeerte om voor ons te lijden, ons voordeel te doen trekken uit zijne
249
sraarteu, indien wg slechts den weg zijner voorbeelden bewandelen.
II en III Punt. De woorden aanhooren, de handelingen overwegen. Wat gaat Pilatus zeggen? Hij had reeds eene zware fout begaan door Jezus, uit loutere zwakheid, naar Herodes te zenden; hij zou de rechtvaardigheid niet willen kwetsen, om den Joden te behagen, maar tegelijkertijd wil hij den Joden niet mishagen, door zich aan de zijde der rechtvaardigheid te scharen. Gelukkig kan hij nog alles herstellen : »Gij hebt dezen mensch tot mij gebracht als eenen, die het volk verleidt; en zie ik heb hem in uwe tegenwoordigheid ondervraagd, en vond in dezen geene schuld aan de dingen, waarvan gij hem beticht. Maar ook Herodes niet; want ik heb u tot hem opgezonden, en zie, er is niets door hem bedreven, wat den dood verdient? Ik zal hem dan kastijden, en loslaten.quot; (1)
O vreemd besluit! Wie kon dit verwachten? Hoe! gij erkent als valsch de beschuldigingen, welke men tegen Hem inbreugt en te dier oorzake laat gij Hem kastijden! Terwijl men u zijne onschuld hoort betuigen, zou men meenen, dat gij Hem in vrijheid gaat stellen en zijne lasteraars streng gaat bestraflen!... Gij doet het tegendeel! Alle maatregelen van toegevendheid worden genomen, ten opzichte van ellendelingen, wier bedorvenheid gij verfoeit, van gestrengheid voor Hem, wiens deugd gij slechts bewonderen kunt. O Jezus! Gij laat dit toe, omdat Gij de troost en het voorbeeld uwer leerlingen zijn wilt, voor
(1) Luc. 23, 14—1G.
250
wie er vaak geene gerechtigheid op de wereld zal zijn, en die even als Gij vervolgd en verdrukt zullen worden.
De laffe pretor denkt een ander middel uit. Het is een gebruik, dat ik u bij het Paaschfeest een misdadiger loslaat; wien wilt gij, dat ik u loslate Barabbas of Jezus? Hoe hatelijker de vergelijking is, hoe dienstiger hij die acht tot zijn plan. Wie
van deze twee? Kiest..... de vryheid zal gegeven
worden aan hem, wien gij de voorkeur geeft; de andere zal ter dood gebracht worden; doch overdenkt en verliest de rechtvaardigheid en uwe eigene belangen niet uit het oog...
Terwijl hij hun antwoord afwacht, laat zijne vrouw hem zeggen: »Bemoei u niet met dezen rechtvaardige, want ik heb heden veel in den droom om hem geleden.quot; — O mijn God, hoe vele pogingen wendt uwe genade aan, om den zondaar op den rand des afgronds te weerhouden! Doch is hij eenmaal begonnen hardnekkig de genade te verstooten en zich-zelven te verblinden, wat kan hem dan op dien rampzaligen weg terughouden ? Een gemompel doorloopt de menigte. Satan heeft door den mond der schriftgeleerden en Pharizeërs het volk opgestookt; een kreet weergalmt: weg met dezen; laat Barabbas los! Het zijn geene schroomvallige stemmen, die men hoort; het zijn kreten, het is woede... Het zijn geene enkele stemmen, het is het geheele volk; nooit klonk die volksstem zoo eenparig! Welke wreede geestdrift in die uitdrukking van haat: gt;Weg met dezen,quot; men gewaardigt zich niet hem te noemen; weg met hem, hij sterve, wij willen hem niet meer
251
zien!... O goede Meester, wat waren uwe gevoelens voor het ondankbaar volk, dat voor ü het voorwerp geweest was van zooveel liefde? gevoelens van mede-lijden, van vurige liefde, die gevoelens, welke Gij uwen martelaren hebt ingeboezemd, die Gij nog instort aan uwe getrouwe dienaars, als zij, zich ter uwer liefde blootstellende aan de woede der wereld, de menschelijke driften rondom en tegen zich hooren bruisen.
Pilatus is verbaasd en bedroefd. Hij houdt aan. JVat zal ik dan doen met Jezus, genaamd Christus ? — Kruisig Hem, kruisig hem. Maar wat kwaad heeft Hij gedaan\'? Vraagt liever, welk goed Hij niet gedaan heeft? O neen, voor \'s menschen rechterstoel moet ik op mijne onschuld niet bouwen. Van hunne dankbaarheid heb ik hierbeneden niets te verwachten, doch hunne ondankbaarheid zal mij niet beletten hen te beminnen en mij, indien het noodig is, voor hunne zaligheid ten offer te brengen. Op al de vertoogen van den landvoogd heeft het slechts één antwoord: Kruisig Hem. En ziedaar dan dat doodvonnis, zoo duidelijk door de profeten aangekondigd, zoo dikwyls door den Zaligmaker zei ven voorzegd... Vrij moge Pilatus al de draden zijner staatkunde in werking stellen, het vonnis is in den hemel gelijk op aarde geveld. Het moet uitgevoerd worden. Doch als Jezus moet gekruisigd worden, welk lot wacht dan zijnen leerlingen? De H. Paulus antwoordt: Zij, die aan Christus toehehooren, hebben hun vleesch met zijne ondeugden en hegeerlijkheden gekruisigd. (1)
(1) Gal. 5, 24.
252
Ik moet dus tegen mij-zelven dit woord van zaligheid uitspreken: Kruisig hem , mijn lichaam beklaagt zich, het vlucht den arbeid, het verlangt naar rust. Dat het gekruisigd worde! Mijn vleesch staat tegen mij op, de begeerlijkheid doet zich gevoelen, de ondeugden vertoonen zich en willen heerschen! Dat dit alles gekruisigd worde! Een gevoel van afkeer, van hoogmoed, van wraak verheft zich in mijn hart. Dat het gekruisigd worde!....
Pilatus wascht zich de handen en spreekt: Ik, ik ben onschuldig aan het bloed van dezen rechtvaardige. Gij lieden moogt toezien. O laffe rechter, welk gebruik maakt gij van de macht u gegeven, om de misdaad te bestraffen en de onschuld te verdedigen? Is het genoeg haar te erkennen, terwijl gij haar moet verdedigen? En al het volk antwoordde en zeide: Zijn bloed kome over ons en over ome kinderen... Welke razernij! een heidensch rechter siddert, als hij Jezus moet veroordeelen, en de Joden, aanbidders van den waren God, bieden, om dit onrechtvaardig doodvonnis te verkrijgen , stoutmoedig bun hoofd aan alle rampen en verpanden met zich-zelven tevens hunne nakomelingschap !
Samenspraak met Jezus-Christus, die zoo levendig het onrecht. Hem aangedaan, gevoelt. O hoe pijnlijk is het voor Hem, zooveel haat te moeten zien in dat volk, dat Hij zoo innig bemind heeft. Wat Hem nog meer bedroeft, is het misbruik, dat Pilatus maakt van al de genaden, die hij ontvangt, en het vonnis van verdoemenis, dat de Joden tegen zich-zelven uitspreken.... Aanbid Hem en betuig Hem uwe dankbaarheid , smeek Hem, dat Hij zijn bloed in over-
253
vloedige zegeningen uitstorte over u en al de zielen, in welke gij bijzonder belang stelt, dat het vloeie over de hardnekkigste harten, om ze te treffen, over de meest bezoedelde, om ze te zuiveren, over alle, om ze zalig te maken!
4:89te OVERWEGING.
JEZUS AAN DK KOLOM. — TOEPASSING DER ZINTUIGEN.
I. Het gezicht.
II. Het gehoor.
III. De reuk.
IV. De smaak.
V. Het gevoel.
1. Toen dan nam Pilatus Jezus en geeselde Hem. (1)
2. Verbeelden wij ons de plaats, tot deze bloedige strafoefening bestemd, de kolom waaraan Jezus werd vastgehecht, alles is bereid tot deze even schande-lijke als wreede foltering.
3. Thans, o Heer, moet ik, alles rondom my en mij-zei ven vergetende, slechts doordrongen zijn van het teederste medelijden en de levendigste dankbaarheid. Werp in mijn hart een vonkje van het hemelsch vuur, dat het uwe verteert, dat ik weene over U gelijk Gij over mij geweend hebt, dat ik getroffen worde door uwe smarten, gelijk Gij het geweest zijt over mijne ellenden; stort in mij de vrees voor die
(1) Joa. 19, 1.
254
oneindige rechtvaardigheid, welke zulk eene voldoening heeft geëischt van bet smetteloos Lam, dat de zonden der wereld moest wegnemen. Geef mij een waren geest van boetvaardigheid.
I Punt. Het gezicht. Zie alles wat er plaats grijpt voor, gedurende, na de geeseling. Beschouw die menigte menschen, die zich rond de zaal beweegt
en verdringt..... Wat verwachten zij ? Op aller gelaat
staat eea wreede nieuwsgierigheid te lezen. — Zie Jezus tusschen zijne beulen. Met welke zachtmoedigheid gehoorzaamt Hij hun, als zij Hem gebieden zijne kleederen af te leggen,.... en hoezeer pijnigt het Hem, aldus aan de blikken en schaamtelooze gesprekken der losbandige volksmenigte blootgesteld te zijn. — Zie, hoe die onbarmhartige beulen het aanbiddelijk slachtoffer aan de kolom binden. Elke beweging is ruw en barbaarsch. — Beschouw die zweepen, die groene en doornige roeden, die ijzeren kettingen met scherpe punten voorzien, die zij in hunne handen hebben!.... De vreeselijke foltering vangt aan.... Welk een hagel van slagen valt op het maagdelijk lichaam des Zaligmakers, zie het reeds in stukken vliegen, zie zijn bloed in breede stroomen vloeien! de kolom, de grond, de beulen zeiven zijn er mede bedekt; geheel het goddelgk lichaam is slechts ééne wonde meer, da slacren
7 o
vallen slechts op wonden, die zij steeds grooter en dieper maken. De beulen slaan steeds voort met eene verdubbeling van woede. Hunne kracht is uitgeput, anderen vervangen hen.... Eindelijk snijdt een hunner, gedachtig dat zij bevel hebben te kastijden, doch niet te dooden, de koorden los,
255
waarmede Jezus aan de kolom was gebonden, en Hg valt neder, zwemmende in zijn Bloed....
Houd u lang hier op, beschouw, overweeg.... Indien gij niet door medelijden zijt verteederd, dan schaam n ten minste, en verneder u, zulk een steenen hart in uw binnenste rond te dragen. Beschouw nogmaals uw Verlosser, geheel doorwond; met moeite voortkruipende op dien bloedigen grond, tusschen de stukken van zgn goddelijk Vleesch zoekt Hij zgne kleederen om zich te dekken.
Aldus hadden de profeten Hem voorgesteld: als de verachting der menschen, minder gelijk aan een mensch dan aan den aardworm, dien men vertrapt. Van het hoofd tot de voeten is er in Hem geen lichaamsdeel, dat niet doorwond is en de algemeene wonde wordt noch verbonden, noch verzacht door eenig geneesmiddel. Wij hebben Hem gezien; er was geen spoor meer over van zijne vroegere schoonheid, Hij stond voor onze oogen en Hem niet erkennende, vraagden wij, waar Hij zich bevond. Wij zochten onzen God en wij vonden slechts een man van smarten, een man, dien de hand des Heeren geslagen heeft, want Hij is voor onze boosheden doorwond, voor onze misdaden verbrgzeld geworden. O mijn God, kan ik er aan denken zonder ontroering? Doch wat zal ik doen voor Hem, die zooveel voor mij heeft gedaan? Wat zal ik doen tot boeting der zonden, welke Hem zooveel lijden veroorzaakt hebben ?
II Punt. Het Gehoor. Hoor het vallen der slagen, de kreten van woede der beulen, die elkander opwekken harder te slaan, ten einde het geduld van het goddelijk Lam uit te putten.... de kreten van
256
toejuiching der volksmenigte.... Wat zegt dat volk, welks driften door de schriftgeleerden en pharizeërs in haat verkeerd zijn, tegen Dengene, dien zij zoo vaak bewonderden? Welke beleedigende redeneeringen durft het zich veroorlooven! welke wreede spotternijen! Doch wat zegt Jezus? Hij zwggt. Hij is opgeofferd.... en heeft den mond niet geopend. (1) Zijn Hart alleen spreekt: Ego in jiagella paratus sum (2). Ik heb mij gesteld in plaats der zondaars; sLi mij, o Vader, spaar mij niet, doch spaar de menschen. En gij, menschen, kinderen mijner smart, bemint mij en beleedigt mij niet meer. O Jezus, hoe zouden wij U niet beminnen? Hoe zouden wy U nog kunnen beleedigen ? Haat der zonde, liefde tot Jezus, alles wat ik zie, alles wat ik hoor, versterkt in mij dit tweevoudig gevoel.
In de zaal van het gerechtshof is er uog iets anders te hooren: de stem van Jezus Bloed, want het spreekt ofquot; liever het roept, dat aanbiddelijk Bloed. Vox sanguinis clamat. Roept het wraak, gelijk Abel\'s bloed? O neen, het roept tot God, om vergiffenis voor de zondaars; van de zondaars vraagt het berouw, van ons allen, dat wij slechts Hem beminnen, die ons zoo zeer heeft liefgehad!
III Punt. Het Bloed van Jezus-Christus is even als zijn naam en al de deugden, welke deze uitdrukt, een geur, die de zielen balsemt en de hemelsche liefde voortbrengt in de harten. Adem dezen geur in, die zich weldra gaat verspreiden over de geheele aarde, om haar te zuiveren, en zich reeds tot den
(1) Is. 53, 7. (2) Ps. 37. 18.
257
hemel verheft om hem te verzoenen en de goddelijke barmhartigheid over ons af te smeeken. Zes dan
o o
aan Jezus met de Bruid van het Hooglied: Trek mij na U en ik zal loopen m den geur uwer reukwerken. Ziedaar wat zoovele edelmoedige zielen, ziedaar wat de apostelen, de boetvaardigen, de zuivere maagden gedaan hebben, die zich slechts beklaagden nooit genoeg te lijden te hebben.
IV Pont. De smaak. Welke bitterheid liet er
o
opgesloten in de schaamte , die de Zaligmaker ondergaat in zijne ontkleeding, in de gedachte, dat Hij oen voorwerp van haat en afschuw is voor hen, die Hij zoo buitenmate bemind heeft! Doch welke zachtaardigheid in zijne liefde, in zijn geduld, in zijne gelatenheid. Proef de voldoening Hem geschonken door de glorie zijns Vaders, welke Hij herstelt door de zaligheid der menschen, welke Hij bewerkt door de genaden, die Hij ons verdient, door de rampen, die Hij van ons afweert, door de oneindige goederen, die Hij ons verschaft! Smaak de zoetheid der goddelijke liefde, welke verzoet wat bitter is.
V Punt. Het gevoel. O welk voedsel vindt hier eene teedere en eerbiedige godsvrucht! Hoe vele voorwerpen om met eene heilige siddering van geloof aan te raken! De lijdenswerktuigen liggen nog daar; die half gebroken, met bloed geverfde roeden, die koorden, waarmede de Zaligmaker werd gebonden, die thans zoo eerbiedwaardige kolom... zullen wij die deelen van het geheiligde vleesch des Zaligmakers op den grond laten liggen, terwijl die verblinden ze met de voeten vertrappen?... Wie zal zich niet in diepen eerbied ter aarde werpen, om zijne lippen
CH. II. 17
258
te brengen bij dat zaligmakend Bloed? Wie zal zijne tranen daarmede niet vermengen ? Verzamel het, dat kostbaar Bloed, bied het den hemelschen Vader aan voor uwe zonden, tot genezing van al uwe geestelijke elleuden. Het is een geneesmiddel voor alle kwalen, ons bereid door den geneesheer onzer zielen.
Samenspraak met den lijdenden Jezus. Sluit door het gebed: Ziel van Jezus, enz.
49ste OVERWEGING.
jezus aan het kuxjis. — beschouwing.
I. De personen beschouwen.
II. De woorden aaahooren.
III. De handelingen overwegen.
1. Zij kruisigden Hem en met Hem twee moordenaars een ter rechter- een ander ter linkerzijde.
2. Zich den berg van Kalvarië voorstellen, waar alles voor de wreede strafoefening bereid is, en vervolgens Jezus, aan het kruis genageld.
3. O Jezus, vereenig mij met uw offer, waarachtige slachtofferande, waarin alles verteerd wordt door het vuur der brandendste liefde; dos in mijn hart de gevoelens doordringen, die het uwe bezielen.
I Punt. De personen beschouwen. Die ontelbare menigte vreemdelingen en inwoners van Jeruzalem op den berg van Kalvarië vergaderd. Welk gevoel
259
geleidde hen daarheen? Eenigen kwamen uit medelijden, een grooter getal uit nieuwsgierigheid, een nog grooter aantal uit haat, en ik weet niet welk dierlijk genoegen om hunne oogen te verzadigen aan dit bloedig toon eel. De beulen met de woede in het hart, en de woede in de oogen; zij zijn razend zich te zien overwinnen door het geduld van hun slachtoffer. — De pharizeërs, de hoofden der priesters, wier wraak eindelijk gekoeld is, omdat zij den naam van Jezus voor immer gebrandmerkt hebben, gelijk zy dit althans gelooven, daar zij verkregen hebben, dat Hij niet slechts den wreedsten, doch tevens den schandelijksten dood zal sterven.... Zij kunnen hunne wreede vreugde nauwelijks verbergen. — De twee boosdoeners, die te zamen met den Zoon Gods gestraft worden, ten einde zijne schande te vermeerderen: hoezeer zal een dezer des-zelfs glorie doen uitschijnen! De heilige vrouwen, zij schreien.... Maria gedompeld in eene zee van smart, al de smarten haars zoons gevoelende.... De H. Joannes, die haar vergezelt en deelt in hare droefheid.... Doch Hij, op wien alle vermogens uwer ziel zich moeten vestigen, is Jezus-Christus, onder de handen zijner beulen, en vervolgens hangende aan het kruis, alwaar hij het smartvol werk onzer verlossing voltrekt. Godvruchtige ziel, hoeveel geschiedt hier ter uwer onderrichting, hoevele heilige indrukken kunt gij hier verzamelen!
II Punt. De woorden aavhooren. Wat zegt dat volk, waaronder Jezus al weldoende rondging? Ha! Gij die den tempel Gods afbreekt en dien in drie dagen weder opbouwt, verlos U zeiven. Zoo gij Gods
260
Zoon zijt, hom dan af van het kruis! Wat zegden de ouderlingen des volks, de hoofden der priesters; de schriftgeleerden, de phariseën? Anderen heeft hij verlost, zich-zelven kan hij niet verlossen. Is hij Israels koning, dat hij nu afkome van het kruis en wij ge-looven aan hem. Hij heeft vertrouwd op God; die ver losse hem nu, indien Hij luelgev allen aan Hem heeft! Hij seide immers: Ik hen Gods Zoon. — Wat zeggen de moordenaars met Hem gekruisigd? De een lastert Hem: A Is gij de Christus zijt, verlos U zeiven en ons. De andere berispt hem, belijdt de godheid des Zaligmakers en roept zijn medelijden in. Vieest ook gij God niet, daar gij dezelfde straf lijdt? En wij wel met recht; want wij ontvangen loon naaiwerken, doch deze heeft niets kwaads gedaan. Heer! gedenk mijner, als gij zult gekomen zijn in uw rijk? Hoor het snikken van Maria en de heilige vrouwen, haar geheim onderhoud met het Hart van Jezus. — Overweeg met bijzondere zorg de woorden van Jezus op het kruis. Hij spreekt tot zijnen Vader: Vader! vergeef hun! want zij weten niet wat zij doen; tot den goeden moordenaar: Heden zult. gij met mij in het Paradijs zijn; tot Maria en den H. Joannes: Vrouwe ! ziedaar uw zoon, Zoon ! ziedaar moe moeder ! Wederom tot zijnen Vader: Mijn God, mijn God, xoaarom hebt Gij mij verlaten. Daarna, cpdat de Schrift zou volbracht worden: Ik heb dorst. Eindelijk: Het is volbracht! Vader, in uwe handen beveel ik mijnen geest. Hoor ook wat de goddelijke Lijder tot u zegt, en geef u geheel over aan de inspraken zijner genade.
261
III Pont. De handelivgen beschouwen. Na zich vergewist te hebben, dat alles gereed is, komen de beulen weder tot Jezus terug, trekken met hevigheid zijne kleederen uit, die aan zijne wonden vastgehecht waren, en vernieuwen aldus eenigermate de foltering van de geeseling en doornenkroning. Het Lam Gods strekt zich uit op het altaar, waarop het gaat geslachtofferd worden. Hij biedt zijne hand aan, dat gezegend werktuig van zoovele weldaden. De beul grijpt haar vast met ruw geweld, plaatst er een plompen nagel op, en slaat met herhaalde slagen.... Hoevele zenuwen worden er gekwetst, verscheurd, hoevele aderen geopend!.... Welk eene siddering van smart doorloopt het lichaam, bij eiken hamerslag! Van de eene hand gaat men over tot de andere, van den eenen voet tot den andere.... Altijd nieuwe smarten; in den lijder altijd hetzelfde geduld.... Men heft het kruis omhoog, en al deze bewegingen doen
o quot; o o
vreeselijk dat lichaam lijden, dat slechts rust op wonden.... Men laat het met zijn volle gewicht nederploffen in de holte der rots. Welk eeu afgrijselijke schok! Welke nieuwe pijnen! Daar hangt nu Jezus tusschen hemel en aarde, als eenige middelaar tusschen God en de menschen, slachtofleraar en slachtofferande, priester en offer te gelijk!
Hier hebben wij de volmaaktheid te beschouwen van alle christelijke en religieuze deugden, waarvan de Zaligmaker ons het voorbeeld heeft gegeven in zijne Menschwording en geheel zijn levensloop. Eene volmaakte nederigheid. Kan de vernietiging dieper zijn? Hij sterft met schande overladen. Wij weten hoezeer Hy hiernaar reikhalsde. Eene volmaakte
262
armoede. Hij sterft in de volstrektste ontblooting, Hij heeft geen glas water om zijnen dorst te lesschen. Eene volmaakte edelmoedigheid in zijn offer: alles wordt ten beste gegeven: zijne vrijheid, zyn inwendige troost, zijne eer en goede naam, zijn lichaam gefolterd in al deszelfs zintuigen, zijne ziel gekweld in al derzelver vermogens....
Besluit deze overweging door de drie vragen die men zich, bij het overwegen vau het lijden, dikwijls moet stellen. Wie is Hij die lijdt? Mocht gij het niet weten, zoo zal de outsteltenis der natuur het u leeren.... Wat lijdt Hij? O gij alten, die langs dezen weg gaat, knmt en ziel of er eene smart gelijk is aan de mijne\'? Voor wie lijdt Hy? Voor mij, om mij te verlossen van de hel, om mij den hemel te verdienen. Wat heb ik tot dusverre gedaan, wat heb ik geleden, wat wil ik voortaan doen en lijden voor Hem, die mij zoozeer bemind heeft ?
Samenspraak met den gekruisten Zaligmaker. Smeek Hem, volgens zijne belofte uw hart tot zich te trekken, en in u de gevoelens te prenten van den Apostel, toen hij uitriep: Hij heeft mij bemind en zich voor mij overgeleverd. — Vraag Hem zijne heilige liefde, een afschuw van de zonde, ijver voor de zaligheid der zielen, kracht om het lijden te omhelzen, u met Hem aan het kruis te hechten en daarvan volgens zijn voorbeeld niet af te komen dan wanneer gij uwe ziel in de handen uws Vaders zult overgegeven hebben.... Bid langzaam het gebed: Ziel van Christus enz.
263
50stc OVERWEGING.
het lijden: de gokde ueligieus bemint het.
I. Als het zekerst bewijs der liefde Gods tot hem.
II. Als het zekerst bewijs zijner liefde tot God.
I Punt. De goede religieus bemint het lijden als een zeker bewijs der liefde, toelke God hem toedraagt. Wat zijn in de oogen des geloofs die beproevingen, die wederwaardigheden, die God toelaat of overzendt, hetzij deze bestaan in de berooving van hetgeen ons aangenaam is, of in het dulden van hetgeen ons drukt of hindert? Het zijn genaden, genaden van voorliefde, van voorbeschikking! Ach, hoe treurig is het, dat de wetenschap van het kruis zoo zeldzaam is, zelfs onder die zielen, welke de Bruiden zijn van een gekruisigden God!
o o
1. Het lijden is eene genade. De Zaligmaker verheft het tot eene der zaligheden. Zalig zij, die weenen. Zalig zij, die lijden... Zalig zijt gij, als men u vervloekt en vervolgt... Verheugt u dan, want u is in den hemel eene groote belooning weggelegd. Is het mogelijk, dat men niet als eene weldaad datgene ontvangt, wat ons voert tot het ware geluk en ons door den Zoon Gods doet zalig prijzen ? Waarover zullen wij ons beter verheugen, dan over datgene, wat ons recht geeft op de heerlijke belooning der gelukzaligen? De H. Paulus plaatst op dezelfde lijn de genade van te gelooven en die van te lijden. Een Vader der woestijn gaf dit antwoord aan een jongeling, die hem verzocht voor hem de
264
gezondheid terug te bekomen: »Gij vraagt, dat me» u ontneme wat u noodzakelijk is, want als gij goud zijt, zal het vuur der kwelling u zuiveren, en als gij ijzer zijt, zal het uw roest verteeren. De droefheid, die gij ondergaat, is de roede des Vaders, niet het zwaard des vervolgers.quot; Wat zou er inderdaad Van ons komen, zonder het lijden? Waar zouden onze verdiensten, waar zouden onze deugden zijn?
Het lijden is eene genade tot bekeering: men vergeet God in voorspoed, men keert tot Hem terug, als Hij ons slaat. Genade tot volmaaktheid: het lijden zuivert ons, maakt ons Gode waardig, door ons los te maken van alles en van ons zeiven. Het lijden alleen doet ons deze groote les begrijpen: God is alles. God zelf zegt ons door de stemme der beproeving: »Gij rekent op uwe vrienden, deze plaats behaagt u, gij meendet hier uwe rust te vinden, gij zult die slechts in Mij vinden.quot; Gij ontrooft mijT ter wille der schepselen, een deel uwer genegenheid. Ik zal die banden breken. Gij zijt gehecht aan uwe eer en uw goeden naam? Ik zal toelaten dat zij bezoedeld worden! Gij zoekt genoegen buiten uwen God? Arme ziel, wat gaat gij zoeken in het niet? Om u de oogen te openen zal ik één voor één die menschelijke steunpilaren doen vallen; Ik zal nog meer doen, naijverig om geheel onverdeeld een hart te bezitten, dat mij alleen toebehoort, zal Ik u scheiden van u-zelven. Het mes der besnijdenis brengende, tot aan den wortel der schijnbaar heiligste eigenliefde, zal Ik u dien inwendigen troost ontnemen waarin gij uw behagen vondt. Als gij, tot den doodstrijd gebracht, zult uitroepen: Mijn God, waarom
265
hebt Gij mij verlaten1? dan zult gij u met meer vertrouwen in mijne armen werpen en zeggen: » Vader in uwe handen beveel ik mijnen geest.quot;
2. Het lijden is eene genade van vooi\'liefde. Welk erfdeel bereidde God hier op aarde aan de heilige menschheid zyns Zoons? Armoede, vernedering, den wreedsten en schandelijksten dood. Wat was het deel van Maria? Een zwaard van droefheid doorboorde hare ziel. Jezus behandelt zijne vrienden gelijk zijn Vader Hem behandeld heeft. Hij had tot zijne Apostelen gezegd; Ik zal U niet meer dienstknechten noemen.... maar ik heh U vrienden genoemd. Maar waaraan. Heer, zullen wij erkennen, dat Gij ons eene bijzondere liefde toedraagt? Ik zal het u zeggen: Hebben zij mij vervolgd, ook u zullen zij vervolgen; Voorwaar, voorwaar zeg ik u. Gij zult schreien en weenen, maar de wereld zal zich verheugen. — Zij zullen U buiten de Synagoog doen; ja, de ure komt, dat al toie U doodt, meenen zal Gode eeredienst te bewijzen. (1)
De apostelen wisten dit bewijs van Jezus liefde te waardeeren. Zij komen gewond en versmaad uit de vergadering der joden en kunnen hunne blijdschap niet verbergen. De godspraken herhalen dit meermalen. Allen, die aan God behaagd hebben, zijn door vele kwellingen gegaan. (2) Omdat gij aangenaam waart aan God, hebt gij door lijden moeten beproefd, worden (3) Het is ontegensprekelijk, zegt de H. Theresia, dat God degenen, welke Hij teederlijk bemint, langs moeielijke en pijnlijke wegen geleidt
(i; joa. 15 en 1G. (2) Jud. 1, 23. (3) Tub. 12, 13.
266
en dat, hoe aangenamer Hem eene ziel is, hoe meer lijden en kwelling Hij haar overzendt. Waarom zouden wij zoo verblind zijn van te willen gelooven dat God ons verlaat, wanneer Hij ons kwellingen overzendt, welke in tegendeel een zeker bewijs zgner liefde zijn? De H. Chi-ysostomus stelt de genade van te lijden, boven die der mirakelen, om deze doorslaande reden: Als ik wonderen uitwerk ben ik schuldenaar van God, en door te lijden maak ik God tot mijn schuldenaar. Ik voor mij, voegt hij hierbij: »Ik acht Paulus minder gelukkig omdat hij verheven werd in den derden hemel, dan omdat hij voor Jezus in boeien geklonken is geweest.quot; Een heilig kloosterling, zich bevrijd ziende van al zijne bekoringen en kwellinscen, was daarover ontroost-
O O 7
baar en zegde al zuchtende tot God: Ach, Heer, wat heb ik dan gedaan, dat Gij mij niet meer waardig acht voor U te lijden?
3. Het lijden is eene genade van voorbeschikking. Als God u zwaar beproeft, zegt de H. Augustinus, zoo is dit eene rede om te gelooven, dat Hij u bestemt om onder het getal zijner uitverkoornen gerekend te worden. En de H. Laurentius Justianius zegt: »In de rechtvaardigen is de kwelling het voorteeken hunner toekomende zaligheid, het bewijs hunner voorbeschikking.quot; Deze waarheid is gegrond op Gods rechtvaardigheid; zij kan geen kwaad ongestraft, geen goed onbeloond laten. Zy straft of beloont in het ander leven, datgene wat zij in dit leven niet straft of beloont. Gaat het mij altijd voorspoedig, dan moet ik beven. Zou dit vergankelijk geluk slechts het loon zijn mijner ydele deugd? Indien
267
God mij nu spaart, ondanks het groot aantal mijner fouten, zal ik dan mijne zonden in de eeuwige pijnen moeten boelen? In den beproefden rechtvaardige heeft het tegendeel plaats; de tijd boet zijne fouten uit, de eeuwigheid zal zijne deugden kronen. Ik zal dus te midden mijner kwellingen uitroepen: Ik zal U loven, o mijn Heer en God, want Gij hebt mij gered door mij te kastijden.
II Punt. De goede religieus bemint het lijden als het zekerst bewijs zijner liefde tot God. De H. Schrift vergelijkt de liefde bij het goud, en het lijden bij den smeltoven. (I) Even als het vuur het goud beproeft, zoo doet het lijden de ware liefde van de valsche onderscheiden. Velen zullen zich Gode aanbieden , om behandeld te worden als zijne vrienden, doch Hij zal tot dit getal slechts hen toelaten, wier liefde door het vuur der beproeving gelouterd is.
Over onze liefde tot God kunnen wij alleen met zekerheid oordeelen, door de offers, die wij Hem brengen. Doe ik het goede, om het genoegen dat ik er in vind, dan zoek ik daarin mij-zelven; doch is er sprake van eene dengdoefening, die mijnen natuur weerstreeft en onderwerp ik mij daaraan, om aan God te behagen, dan mag ik gelooven, dat ik Hem bemin. Abraham had God reeds vele bewijzen gegeven van zijne getrouwheid; en toch toonde God zich eerst voldaan over de liefde van Abraham, toen deze zich uit liefde jegens zijnen Schepper bereid toonde, Hem zijnen dierbaren zoon Isaiic op te offeren.
(I) Sap. 3, G.
268
Indien dan, Heer, het kruis een der rijkste geschenken is, die Gij uwen schepselen geven kunt, zoo is ook hunnerzijds het aannemen van alle kruisen, die Gij hun overzendt, het volmaaktste oiïer, dat zij U kunnen aanbieden. Ik verlang, o Heer dat mijn leven slechts een voortdurend verkeer van liefde zij tusschen U en mij. Gij zult mij kruisen geven, ik zal ze omhelzen met al de liefde, waartoe ik bekwaam ben. Ben ik het martelaarschap des bloeds niet waardig, zoo zult Gij mij dat der zelfverloochening geven. O Jezus, o kruis, o liefde, ziedaar voortaan mijn deel!
AFDEELING VI.
Het glorierijk leven van den verrezen Zaligmaker, een onderpand van het geluk der getrouwe ziel voorbehouden. — Toonbeeld van die vereeniging met God, welke de voltrekking is der ware heiligheid.
Zoet en aangenaam is de taak ons thans voorbehouden. Door eene lichtgevende wolk voorafgegaan, is Israël uit Egypte en deszelfs barde gevangenschap verlost, en de woestijn doorgetrokken^ Nu trekt het volk Gods het land binnen, overvloeiend van melk en honig. Onze ziel heeft hare banden verbroken om Jezus te volgen, langs den weg zijner voorbeelden; naar dit toonbeeld aller volmaaktheid heeft zij zich gevormd tot de ware christelijke en religieuze deugden. Thans blijft haar slechts over een eeuwig verbond te sluiten, met dien goddelyken Koning, waarvan de liefde de band zal zijn. Derhalve zullen al onze overdenkingen voortaan ten doel hebben, ons nauwer met God te vereenigen door de goddelijke liefde. O Heer, vestig de zielen, die Gij tot den rang uwer Bruiden verheven hebt, in dat beloofde land, en duld niet, dat zij dit ooit verlaten.
270
51ste OVERWEGING.
verrijzenis vax jezus.
I. Welke gelukkige verandering zij in Hem-teweegbrengt.
II Welke gelukkige verandering zij ons belooft.
I Punt. Gelukkige staat van den verrezen Jezus. De vreugde vervangt de droefheid, de zegepraal den strijd. De Zaligmaker had iu zijn bitter Lijden alles ter onzer liefde verloren, alles opgeofferd. Goedereu der fortuin: Hij had zelfs geene lompen om zich te dekken, de beulen hadden zijne kleederen onder elkander verdeeld. Goederen van eer en goeden naam : nooit werd eenig mensch aldus geschandvlekt, aldus met smaad en verguiziug overladen. Goederen van gezondheid en leven: Hij stierf in de vreese-lijkste folteringen.... Maar Hij verrijst.... alles verandert , Hij herwint met woeker al wat Hij verloren heeft. — Hij bezat niets, nu behoort Hem alles. Hij is de Heer der geheele aarde, Hij was de schande der rnenschen en de verachting des volks, thans wordt Hij met eer en heerlijkheid gekroond. Hij was slechts zwakheid en de speelbal zijner vijanden; thans is Hij de kracht Gods, de Heer machtig iu den strijd. Hij, die was gelyk een melaatsche, gelijk een man getroffen door de band van eenen wrekenden God, bezit thans eene bekoorlijkheid, die hemel en aarde verrukt, zijn gelaat schittert gelijk de zon, en zoo groot is de schoonheid zijns lichaams, dat het in alle
271
eeuwigheid de zaligheid der uitverkoornen zal uitmaken. Dit goddelijk lichaam schittert en zal eeuwig schitteren, versierd met die glorierijke hoedanigheden, die het deel zullen zijn van alle lichamen der zaligen. Het is dus volbracht! Hij is overwinnaar gebleven in dien strijd, waarin Hij ons noodigde Hem te volgen. De dood heeft over Hem geene macht. »Na de banden verbroken te hebben, die Hem in het graf terughieldenquot;, zegt de H. Leo, verandert zijne zwakheid in kracht, zijne sterfelijkheid in gelukzalige onsterfelijkheid, de schande van zyn lijden in eer en glorie. Jezus vindt in zijne verrijzenis alles terug, wat Hij had opgeofferd en nog meer, nog meer inwendigen troost, meer vrienden, meer eer en glorie, meer achting en eerbied, een lichaam volmaakter dan het eerste.
Verheugen wij ons over zijn geluk, wenschen wij Hem geluk met zijne oveiwinning. Verheugen wij ons ook Hem tot opperhoofd te hebben gekozen, en ons onder zijn standaard geschaard te hebben. O wat hebben wij wel gedaan ons aan Hem te hechten! Vestigen wij ons vaster dan ooit in deu wil Hem zoo volmaakt mogelijk na te volgen, en des temeer, omdat zijne overwinning, indien wij getrouw zijn, voor ons het onderpand is eener dergelijke zegepraal.
II Punt. Gelukkige staat ons beloofd door de verrijzenis van Je zus-Christus. Overwegen wij deze uitspraken van de H. Schrift, Zoo wij met Christus gestorven zijn, wij gelooven, dat wij eveneens ook met Christus zullen leven; deelen wij in zijne beproevingen , wij zullen ook deelen in zijn rijk, ver-
272
gezellen wij Hem in het lijden, wij zullen Hem ook vergezellen in de glorie. Hij zal onze, thans zoo verachtelijke, lichamen hervormen volgens zijn eigen lichaam, gelijk het is na zijne opstanding.
Wij mogen hieraan niet twijfelen, want Hij is het zelf, onze Heer en God, die er ons de verzekering van geeft. Hij zal zijne beloften nakomen, zoo wij getrouw de voorwaarden vervullen, welke Hij. daaraan stelt. Deze zijn: met Jezus lijden, sterven , beproefd worden. Op deze voorwaarde zullen wij onfeilbaar met Hem leven, regeeren, gekroond worden. In één woord, indien wij met Hem ver-eenigd zijn door eene gelijkenis van dood, zullen wij niet Hem vereeuigd worden, door eene gelijkenis van opstanding. Kan er wel eene meer zekere, meer troostrijke belofte bestaan?
Er is nog meer. De maat onzer zaligheid zal volkomen gelijk zijn aan den ijver, waarmede wij den Zaligmaker hebben nagevolgd. » Wij wetenquot; zegt de H. Paulus, dat gelijk gij deelgenooten zijt dex Ujdens, zoo ook deelgenooten wezen zult der vertroosting. (1) Jezus beloofde ons dit in de meditatie van zijn rijk. Toen Hij ons uitnoodigde Hem te volgen, ons, religieuzen om hem dichter dan anderen te volgen, verklaarde Hij ons, dat ieder deelen zou in de vruchten der overwinning, naarmate hij door zijn arbeid en lijden hieraan zou hebben bijgedragen.
——
Ik zal mij dus verheugen over de gunst, die Jezus ray bewijst, als Hij mij toestaat Hem te volgen in zijne vernedering en zijn kruis. Hoe meer ik door
(1) II Cor. 1, 7.
273
verachting ter neder gedrukt wordt, hoe hooger ik zal verheven worden in glorie. Mjjn toekomstige rjikdom zal geëvenredigd zijn aan mijne tegenwoordige armoede. Hoemeer ik gedurende mijn leven moet drinken aan den kelk der smart, hoemeer ik eeuwig zal drinken aan den stroom der hemelsche wellusten. Vergelijken wij den korten duur van den arbeid en het lijden, met de eeuwigheid van rust en vreugde. Jezus bracht slechts drie-en-dertig jaren op aarde, vijftien of zestien uren in zijn hitter lijden, drie uren op het kruis door.... Hij is verrezen, en dat voor altijd! Reeds meer dan achttien eeuwen geniet Hij zijne zegepraal. Het zal met de ledematen gaan, gelijk met hun Hoofd ; alles wat wij God geven, zal ons met grooten woeker uitbetaald worden. O hoezeer is deze hoop in staat ons op te beuren, hoezeer moet zij onzen moed ontvlammen, ons met vuur één oogeublik lijdens doen omhelzen, dat door eene eeuwige gelukzaligheid zal gevolgd worden.
18
CH. II.
274
52ste OVERWEGING.
HKMELVAART VAN ONZEN HEER JEZUS-CHIUSTUS, BESCHOUWING.
I. De personen beschouwen.
II. De woorden aanhooren.
III. De handelingen overwegen.
1. Jezus leidde sijne leerlingen buiten naar Bethanië; en zijne handen opheffende, zegende Hij hen. En het geschiedde, terwijl Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde en ten hemel werd opgevoerd. — Hij werd opgeheven, terwijl zij het aanzagen, en eene ivolk nam Hem weg uit hunne oogen. (1)
2. Verbeelden wij ons den Olijfberg, waarop een groot aantal leerlingen vergaderd zijn.
I Punt, De personen beschouwen. Die schare der leerlingen, verdeeld tusschen de blijdschap van Jezus te zien , en de vrees Hem te verliezen. Eenigen twijfelden nog, doch de meesten waren van zijne verrijzenis overtuigd. Hoe blijde aanschouwen deze laatsten hun goeden Meester; hoe oplettend volgen zij elke beweging, luisteren zij naar elk woord! Beschouwen wij-zelven Jezus; welk eene zoetaardigheid ligt in zijne gelaatstrekken; welke majesteit, hoe schittert zijn aangezicht! hoe schitteren de lid-teekenen zijner wonden. Beschouwen wij ook die twee engelen in het wit gekleed, die de leerlingen uit hunne verrukking komen trekken, en hun nuttige
(1) Luc. 24, 50, 51. Act. 1, 9.
275
onderrichtingen geven. Beschouwen wij daarna de leerlingen, hoe zij van den berg afkomen en zich gaan bereiden tot de komst van den H. Geest; een getrouw hart wordt door eene ontvangen genade bereid, tot het ontvangen van meerdere genaden,
II Punt. De woorden aanhooren. Jezus geeft aan de leerlingen zijne laatste vermaningen. Hij opent een uitgestrekt veld voor hunnen ijver, alvorens hun een blik te gunnen op de glorie, die deszelfs belooning zal uitmaken. Nooit openbaarde zijne taal beter den Meester van het heelal: Alle macht is mij gegeocn in den hemel en op de aarde. Ik ga treden in bezit van mijn hemelsch koninkrijk, dat mijn lijden en mijn dood verdiend hebben; nu blijft mij nog over de aarde te veroveren, en het is op u, dat ik reken, om het aan mijne wet te onderwerpen. Gaat dan door geheel de wereld; verkondigt het Evangelie aan alle menschen ; onderwijst alle volkeren, doopt hen in den naam des Vaders, des Zoons en des heiligen Geest en leert hun alle zaken beoefe-nen, die ik u bevolen heb. Deze taak scbijnt u zwaar, onmogelijk? Mijne liefde heeft alles voorzien, want behalve, dat ik u mijnen Geest zal zenden, die u eene kracht zal mededeelen, welke over alle hinderpalen zal zegevieren, zal ik zelf, hoewel ik tot den hemel opstijg, om u eene plaats te gaan bereiden, met u zijn, sprekende door uwen mond, werkende door uwe bediening, en dat niet voor eenen tijd, maar altijd, en dat tot de voltrekking der eeuwen.
Ik zelf stond toen voor den geest van Jezus-Christus, ik, en die ontelbare menigte geloovigen en religieuze
276
zielen, die Hy eenmaal zou roepeu, om Hem te volgen; de eenen langs den gewonen weg der geboden , de anderen langs den volmaakteren weg dei-raden... Mij ook bemoedigde Hij aldus... Wat heb ik te vreezeu? Heeft Hij sedert achttien eeuwen zijne belofte vervuld? Heeft Hij het vertrouwen ooit beschaamd van hen, die zich aan Hem hechtten, in Hem hun vertrouwen stelden?
Luisteren wij naar de twee engelen, die de leerlingen uit hunne zoete verrukking komen trekken.
o cj
Mannen van Galilea, wat staat gij naar den hemel Ie zien ? De tijd, om het geluk van uw goddelijken Meester te gaan deeleu, is nog niet gekomen; gaat en verdient het door uwen arbeid en door het opofferen zelfs der heiligste geueuchten? Wat hadde de wereld niet verloren, waren zij, tot wie de engelen spraken, op dien weg gebleven, waar zij zich zoo gelukkig bevonden, zelfs toen Jezus hen verlaten
o «j 1
had? Laat ons bidden, doch ook werken; werken, doch altijd met het oog op God en in den geest van gebed. Als onze harten steeds opgeheven zijn ten hemel, zal ons werk des te heiliger en te nuttiger zijn.
III Punt. De handelingen overwegen. Jezus heft de handen op en zegent zijne leerlingen. Wat gaat er in dat oogenblik in hun hart om? Terwijl Hij hen zegent, stijgt Hij op, stijgt nog hooger! Welke verrassing, welk een schouwspel, zelfs voor hen, die Hem op de wateren hadden zien wandelen en zoovele wonderwerken uitwerken? Jezus staat daar te midden zijner leerlingen. Hij spreekt met hen, en terwijl zij Hem met bewondering aanhooren, zien
277
zij Hem langzaam teu hemel opstijgen... Hij stijgt op tot den Hemel, waaruit Hij is nedergedaald, en gaat daarlieen, waar zij Hem nu niet kunnen volgen, doch waarheen zij ook eenmaal gaan zullen.
En eene wolk nam Hem we;/ uit hunne oogen... Jezus verdwijnt:... het schouwspel is op aarde geëindigd, het begint in den hemel. De engelen, de
O 7 O O
aartsengelen, alle hemelsche machten komen hun koning te gemoet en juichen over zijne zegepraal. Alle rechtvaardigen, sedert het begin der wereld gestorven, en zij, die met Hem verrezen zijn, vormen zijnen zegestoet. Opent u, eeuwige poorten, ziehier de Koning van glorie met zijnen hofstoet; het is de Heer, sterk en machtig in den strijd, het is het Lam Gods, voor ons ter dood gebracht, het is Jezus, de Verlosser zijns volks, de redder van het menschelijk geslacht... De engelen doen luider hunne lofzangen weergalmen en de heiligen, die Jezus met zich voert in zijne glorie, werpen zich in de vreugde van hunnen God en Heer!.. Van dit oogenblik af, is de hemel geopend, doch, om er in te treden, moet men den weg bewandelen, door den Verlosser ons afgebakend. Willen wij deszelfs doornen in rozen, deszelfs bitterheid in zoetheid veranderen, beschouwen wij dan het einddoel, waarheen hij geleidt.
Ihen keerden zij naar Jeruzalem weder van den berg, genaamd Olijfberg (1). De gewijde schrijver verzuimt niet de plaats te noemen, waar dit treffend schouwspel plaats had. 0 hoevele herinneringen knoopten zich vast aan dien berg van Olijven? Het
(1) Act. 1, 12.
278
was aan den voet van den berg, dat de Apostelen hunnen meester gezien hadden, bleek, sidderend, in een bloedigen doodstrijd, daarna aangegrepen, gebonden en als een laag misdadiger geboeid.... Vreezen wij dan noch lijden, noch vernedering; dit, is het punt van uitgang, bij de reis naar den hemel.... De leerlingen keerden naar Jeruzalem weder, en blijdschap vervulde hunne ziel: Regressis sunt.... cum gaudio magna.... (1) Wat zij gezien en gehoord hebben, heeft hun geloof opgewekt, hunne hoop bezield, hunne liefde ontvlamd. Deelen wij in hun geluk. Het is onze Meester, zoowel als de hunne, ons Hoofd zoowel als het hunne, voor ons zoowel als voor hen ten hemel opgeklommen; werken wij dus gelijk zij, naar de maat onzer krachten, om Hem te doen kennen en Hem harten te winnen.
Samenspraak met Jezus, die thans de belooning erlangt, voor zijnen arbeid en lijden in zijne zegevierende hemelvaart! Aanbidden wij Hem met de engelen, met allen, die zijne glorie in dit geheim mogen beschouwen. Smeeken wij Hem ons ook dien zegen te schenken, dien Hij zijnen Apostelen geeft, als Hij van hen scheidt, opdat hy voor ons, evenals voor hen, het onderpand zij van den eeuwigen zegen aan de bestendige getrouwheid beloofd, o Jezus, onthecht mij van al het aardsche, trek al mijne genegenheden tot TI, geef dat al myne begeerten, al mijne verzuchtingen mogen gericht zijn naar dat gelukkig vaderland, waar Gij leeft en regeert in alle eeuwen dei-eeuwen.
(1) II Luc. 24, 52.
279
53ste OVERWEaiNG.
DE RELIGIEUS IN DEN HEMEL.
I. Hij heeft niets meer te lijden.
II, Hij heeft niets meer te begeeren.
III. Hij heeft niets meer te vreezen.
I Pont. Hij heeft niets meer te lijden. Wel is het waar, dat hij, die zich schaart onder den standaard van de volmaaktheid, alvorens de kroon te ontvangen, zwaren strijd heeft moeten doorstaan, dat hij een leven heeft moeten leiden, dat slechts eene aaneenschakeling was van offers,,... maar nu staat hij aan het einde zijner beproevingen en mag men hem zeggen: Het onheil der kwelling *zal tot u niet ge-nakenquot; (1) Geen lijden meer, noch voor het lichaam, noch voor het hart, noch voor de ziel! O mijn God, van welken last zullen wij bevrijd zijn! Lichamelijk lijden: het is zoo veelvuldig, het ondermijnt ons op zoo vele verschillende wijzen, dat ons leven op deze wereld slechts een verlengde doodstrijd is: — Harteleed, verdriet, bittere teleurstelling, dikwijls verborgen onder den schijn van benijdenswaardig geluk. De eene wonde is nauwelyks gesloten, of vele andere scheuren open. Zielsinart: duisternis, zwaarmoedigheid, bekoring, onmacht tot het goede, inwendige doodsangst, welke meer dan een volgeling van Jezus den kreet afperst: Mijn God, mijn God,
(!) Ps. 90, 7.
280
waarom hebt Gij mij verlaten....? Ach, hoe waar is het, dat onze tegenwoordige toestand niets anders is dan ijdelheid en droefheid des Geestes. Maar Hij, die zit op den troon heeft gesproken: zie ik maak alle zaken nieuw. Men zal uwe tranen, uwe zuchten niet meer hooren, omdat uw eerste staat door een beteren vervangen is. Getrouwe religieus, getrouwe bruid van Jezus, uw leven verloopt in tranen, doch welk eene hand gaat ze afwisschen en derzelver bron doen uitdrogen. Het is de hand van God-zelven. Troost u dan in afwachting dezer toekomst, alwaar het geloof u leert, dat alle leed zal verdwenen zijn, doch verdwenen gelijk een droom, en verdwenen voor alle eeuwigheid.
In den hemel behoudt Jezus de lidteekenen zijner wonden als eene aangename en glorierijke gedachtenis; Laurentius en de andere martelaren zien nog de vreeselijke foltertuigen hunner marteling; al de overwinnaars der wereld en hel zien nog hun strijdperk en vinden daarin een deel hunner belooning. Even als een in vrijheid gesteld gevangene nog denkt aan zijnen kerker, de geredde schipbreukeling aan het doorstane levensgevaar, zoo zal ons in den hemel van al ons vroeger lijden slechts eene zoete herinnering, en na al onze gevaren slechts eene zoete veiligheid overblijven.
II Punt. Niets meer te hegeeren. De hemel is de vervulling aller wenschen ; de geestelijke en lichamelijke mensch vindt er de volmaaktste zaligheid. Dit thans stoffelijk lichaam, door het minste lijden zoo uitgeput, dit lichaam, welks vleeschelijke lusten door de christelijke en religieuze versterving onder-
281
drukt zijn, dan hervormd naar het toonbeeld van Jezus glorierijk lichaam, zal schitterend zijn als de zon, snel gelijk de wind, fijn en onlijdelijk gelijk de engelen. Doch grootere, heerlijker gunsten zijn der ziel voorbehouden, want haar komt bijzonder de verdienste toe.
1. Met welke vreugde zullen wij vervuld worden als ons geheugen ons de genaden zal herinneren, waarmede wy voordeel gedaan hebben, de bekoringen die wij hebben overwonnen, het kwaad, dat wij vermeden, de deugden, die wij beoefend hebben?.... Hoe zoet zal het ons zijn ons terug te denken in die gemeente, welke wij stichtten door onze voorbeelden van nederigheid, van geduld, van regelmatigheid.... te raidden dier onwetenden, die wij onderricht, dier armen, dier zieken, die wy geholpen hebben,... O heilige beproevingen, glorierijke verachting, gelukkig lijden! Zonder ü ware ik verloren geweest! Gij hebt mij gelouterd, van de wereld, van mij-zelven onthecht, gij hebt mij gei\'ed.... Waar zou ik thans zijn , hadde ik toegestemd in dergelijke bekoring, hadde ik dergelijke goede inspraak van mijn engelbewaarder niet opgevolgd?
2. Ons verstand zal God zien, niet in schijn, niet door een spiegel, in een raadsel, maar van aangezicht tot aangezicht,... alsdan zal ik kennen, gelijk ik gekend word. (1) Geschapen als wij zijn voor de waarheid, doet zij ons trillen van vreugde, wanneer wij haar op aarde slechts van verre bespeuren. Hoe gelukkig gevoelden zich een Archimedes, een Newton, een H. Thomas, na eenige ontdekking in de weten-
(1) I Oor. 13, 12.
280
waarom hebt Gij mij verlaten....? Ach, hoe waar is het, dat onze tegenwoordige toestand niets anders is dan ydelheid en droefheid des Geestes. Maar Hij, die zit op den troon heeft gesproken: zie ik maak alle zaken nieuw. Men zal uwe tranen, uwe zuchten niet meer hooren, omdat uw eerste staat door een beteren vervangen is. Getrouwe religieus, getrouwe bruid van Jezus, uw leven verloopt in tranen, doch welk eene hand gaat ze afwisschen en derzelver bron doen uitdrogen. Het is de hand van God-zelven. Troost u dan in afwachting dezer toekomst, alwaar het geloof u leert, dat alle leed zal verdwenen zijn, doch verdwenen gelijk een droom, en verdwenen voor alle eeuwigheid.
In den hemel behoudt Jezus de lidteekenen zijner wonden als eene aangename en glorierijke gedachtenis ; Laurentius en de andere martelaren zien nog de vreeselijke foltertuigen hunner marteling; al de overwinnaars der wereld en hel zien nog hun strijdperk en vinden daarin een deel hunner belooning. Even als een in vrijheid gesteld gevangene nog denkt aan zijnen kerker, de geredde schipbreukeling aan het doorstane levensgevaar, zoo zal ons in den hemel van al ons vroeger lijden slechts eene zoete herinnering, en na al onze gevaren slechts eene zoete veiligheid overblijven.
H Punt. Niets meer te hegeeren. De hemel is de vervulling aller wenschen; de geestelijke en lichamelijke mensch vindt er de volmaaktste zaligheid. Dit thans stoffelijk lichaam, door het minste lijden zoo uitgeput, dit lichaam, welks vleeschelijke lusten door de christelijke en religieuze versterving onder-
281
drukt zij a, dau hervormd naar het toonbeeld van Jezus glorierijk lichaam, zal schitterend zijn als de zon, snel gelijk de wind, fijn en onlijdelijk gelijk de engelen. Doch grootere, heerlijker gunsten zijn der ziel voorbehouden, want haar komt bijzonder de verdienste toe.
1. Met welke vreugde zullen wij vervuld worden als ons geheugen ons de genaden zal herinneren, waarmede wij voordeel gedaan hebben, de bekoringen die wij hebben overwonnen, het kwaad, dat wij vermeden, de deugden, die wij beoefend hebben?.... Hoe zoet zal het ons zijn ons terug te denken in die gemeente, welke wij stichtten door onze voorbeelden van nederigheid, van geduld, van regelmatigheid.... te midden dier onwetenden, die wij onderricht, dier armen, dier zieken, die wij geholpen hebben,... O heilige beproevingen, glorierijke verachting, gelukkig lydeni Zonder U ware ik verloren geweest! Gij hebt mij gelouterd, van de wereld, van mij-zeiven onthecht, gij hebt mij gered.... Waar zou ik thans zijn, hadde ik toegestemd in dergelijke bekoring, hadde ik dergelijke goede inspraak van mijn engelbewaarder niet opgevolgd?
2. Ons verstand zal God zien, niet in schijn, niet door een spiegel, in een raadsel, maar van aangezicht tot aangezicht,... alsdan zal ik kennen, gelijk ik gekend word. (1) Geschapen als wij zijn voor de waarheid, doet zij ons trillen van vreugde, wanneer wij haar op aarde slechts van verre bespeuren. Hoe gelukkig gevoelden zich een Archimedes, een Newton, een H. Thomas, na eenige ontdekking in de weten-
(1) I Cor. 13, 12.
282
schap; eene Theresia, een Xaverius in hunne geestvervoeringen? Indien een enkele lichtstraal tusschen zoovele wolken doorgedrongen, zulk eene zoete gewaarwording kan teweeg brengen in een tijd, dat de ziel geheel begraven ligt in het stoffelijke, wat zal het iIhu zijn, als zij, van den sluier des lichaams ontheven, zal binnengaan in het eeuwig licht en God zal aanschouwen gelijk Hij is? Dan zullen wg, met één blik de plannen des Heeren omvattende, en zijne liefde voor den mensch begrijpende, doordringen in de diepte van die geheimen, welke thans ons geloof op de proef stellen. Wij zullen stijgen van bewondering tot bewondering, van verrukking tot verrukking en elk oogenblik zal, terwijl het ons nieuwe kennis aanbrengt, ook ons geluk vermeerderen.
o 7 o
Dan, zegt de H. Augustinus, zullen wij God loven, laudabimus; en waarover? Over Hem-zelven, over die wijsheid, dieper dan den diepsten afgrond, over die rechtvaardigheid, verhevener dan de bergen; over al die onuitsprekelijke volmaaktheden, saamgevat als het ware in zijne oneindige heiligheid: Sancius, san dus, sanctus. Wij zullen Hem loven over alles; dat Hij ons gemaakt heeft tot mensch, tot christen, tot religieus, doch vooral tot heiligen. Wig zullen Hem bijzonder loven voor de vernedering, voor het lijden, dat Hij ons heeft overgezonden. Wij zullen zien, welke groote teederheid er lag in die slagen van barmhartigheid, ons door zulk een goeden Vader toegebracht. Alles, tot zelfs onze ellenden, onze zwakheden, onze bekoringen en zelfs in zekeren zin onze zonden, die zijn geduld, zijne goedheid ten onzen opzichte geopenbaard hebben, zal ons eene
283
reden zijn, om Hem te loven en te zegenen. Doch wat is al dit genot van den geest, tegen het genot des harten? Amahirnu*.
3. De wil zal God bezitten met eene liefde van senot en in God alle goed. De liefde is het leven
O O
en de zaligheid van het menschelijk hart, dat des te meer zijn geluk vindt in die liefde, naarmate het beminde voorwerp volmaakter is, en op meer volmaakte wijze wordt bezeten. Wie zal ons zeggen, hoe men bemint in den hemel? Een weinig liefde tot Go.d geeft in ons tranendal reeds zooveel geluk! Wat gevoelde Xaverius, als Hij uitriep: Genoeg, Heer, genoeg? Ach, neen, niet aldus bemint men in den hemel. Het is niet aldus, dat men er bemind wordt. God schenkt zich geheel aan zijnen getrouwen dienaar. Hij gebruikt al zijne schoonheid, al zijne bekoorlijkheid, al zijne macht, al zijne oneindige volmaaktheden om hem gelukkig te maken. Treed binnen in mijne vreugde, zegt Hij hem, want mijne vreugde zou niet in u kunnen treden, neem deel in
O \'
mijne zaligheid, stel geene grenzen aan uwe begeerten, want ik stel er geene aan mijne weldaden. Leef door mijn leven, wees gelukkig door mijn geluk. Altijd verzadigd en altijd hongerend, zoo begeer en bezit, begeer en bezit altijd... Wat gevoelt de ziel in dien oceaan van geneuchten? Welke voortdurende vervoering van liefde! Hoe weergalmt hare dank-
O O
baarheid in hare vurige lofliederen! Doch indien dit het lot is van den minste der gelukzaligen, wat zal dan de religieus genieten, die met de hulp zijner geloften t n regelen tot de hoogste heiligheid is opgeklommei..
284
III Punt. Geene verandering, niets meer te vreezen. De vreugde dezer wereld duurt slechts een oogenblik;
O o 7
het rijk van Jezus-Christus zal nimmer eindigen en de troon zijner uitverkoornen is even onwankelbaar als de zijne. God heeft het beloofd: De gerechtigen zullen eeuwig leven (1). De vreugde des hemels duurt eeuwig... o welk eene troostrijke gedachte. Ik lijd niet meer, eeuwig zal ik niets meer te lijden hebben. Ik vloei over van vreugde, en in eeuwigheid zal ik overvloeien van vreugde. Gij bemint mij, o God, en ik bemin U, Gij zult mij , ik zal U in eeuwigheid beminnen. Ik behoor U toe. Gij behoort mij en in eeuwigheid zal niets in staat zijn ons te scheiden. Ik ben er van verzekerd; noch leven, noch dood, noch hoogte, noch diepte, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen kunnen iets aan mijne vreugde ontnemen, noch verminderen. 0 schoone dag der eeuwigheid, o dag van licht, dien de nacht nimmer zal verduisteren, dien de opperste waarheid altijd verlicht, wanneer zult gij voor mij aanbreken? Neen, het oog heeft nooit gezien, het oor heeft nooit gehoord, nooit is het in het hart des menschen opgekomen, wat God bereidt voor hen, die Hem liefhebben!
Welke gevolgtrekking vloeit hieruit voort? Is er iets, dat ik om zulk eene uitgestrektheid, zulk eene eeuwigheid van geluk niet ten offer zou brengen. Ik
O O O
hoor den Heer, die mij zegt: »Mijn zoon, laat u niet teneder drukken door den arbeid voor mij ondernomen..... dat mijne belofte u steune en trooste.....
(1) Sap. 5, 16.
2S5
Doe wel wat gij doet... werk getrouw iu mijnen wijngaard. Ik zelf zul uw loon zijn. Schrijf, lees, zing mijnen lof, zucht, bewaar het stilzwijgen, bid, verdraag moedig den tegenspoed; de eeuwige glorie verdient, door zulken strijd eu door nog zwaarderen gekocht te worden. O kondet gij de eeuwige glorie zien, waarmede mijne heiligen gekroond zijn geworden ! Nu genieten zij eene oneindige heerlijkheid, een on veranderlijken vrede, eene veilige rust!quot; (1)
54stc OVERWEGING.
GELIJKVORMIGHEID AAN DEN WIL GODS.
I. Niets is rechtvaardiger.
IT. Niets is uitmuntender en aangenamer aan God. \' III. Niets is eervoller voor ons.
God is ons middenpunt, gelijk Hij ons begin en ons einde is. In dit middenpunt rusten, ons met God vereenigen, ziedaar wat het hoogste doel onzer begeerten moet zijn, en het is tot dit doel, dat wij in al onze overwegingen moeten trachten te geraken. De zonde is het grootste beletsel tot die vereeniging ; onze eerste zorg was haar te bestreden, Jezus-Christus is de band dier vereeniging, wij hebben getracht ons door eene getrouwe navolging in Hem te hervormen; de liefde tot God voltrekt hier beneden deze vereeniging, in afwachting van in eene geluk-
(1) Imit. 1. 3. c. 47, passiu.
286
zalige eeuwigheid tot hare hoogste volmaaktheid te geraken; derhalve hebben onze gedachten, sedert eenige dagen slechts het hemelsch leven, hier op aarde door de goddelijke liefde begonnen, tot voorwerp. Maar God beminnen, gelijk men Hem hier op aarde kan en moet beminnen, en zich in staat stellen Hem onfeilbaar te beminnen, gelijk men Hem wil beminnen in den Hemel, dat is zich in alles en altijd gelijkvormig maken aan zijnen heiligen wil; wat zal dan onzer ziel nog ontbreken, zoodra zij deze deugd bezit V
I Punt. Niets is rechtvaardiger dan mijn wil in alles aan Gods wil gelijkvormig te doen zijn. Orde en rede eischen, dat de meester zijne begeerten openbare en dat de dienaar ze uitvoere; dat de waarheid gesteld worde boven de dwaling, de wijsheid boven de dwaasheid, dat hetgeen volmaakt en onveranderlijk volmaakt is , regele wat slecht of slechts enkele oogen-blikken goed is. Indien ik nu den tweevoudigeu wil, den wil van God en mijn eigen wil van wier gelijkvormigheid hier sprake is, met elkander vergelijk , wat zal ik dan bevinden ?
De wil van God is de wil des meesters, de mijne die des dienaars; aan Hem dus het recht te gebieden, aan mij te gehoorzamen. Toen den IIoogepriester Heli door Samuel de straf werd aangekoudigd, waardoor God zijne zwakheid zou straffen, zegde hij slechts deze woorden: Hij is de Heer, dat Ilij doe\' wat goed is in zijne oog en (1). Een schoon woord, waarvan ik mij moet bedienen, om alle klachten te
(1) I Ecg. 3. 18.
287
smoren, alleu weerstand van mijn eigen wil te voorkomen of te overwinnen, wanneer hij in opstand wil komen....
De wil van God is oneindig wijs. Hij bedriegt zich nooit, de mijne is door duisternis omringd, wie kan zijne afdwalingen optellen? Mijn wil moet zich in zake der gehoorzaamheid, even als mijn verstand in zake des geloofs onderwerpen. Om mij aan Gods woord te onderwerpen, verzaak ik aan mijne menschelijke redeneeringen, mij geheel onderwerpende aan zijn licht.. . Heb ik niet dezelfde beweegredenen, om my te onderwerpen aan zijn oneindig wijzen wil, om mij te geleiden, als aan zijne onfeilbare waarheid, om mij te verlichten ?
De wil van God is niet alleen rechtvaardig en heilig. Hij is de rechtvaardigheid en heiligheid zelve. Altijd volmaakt vei\'andert hij nooit; de mijne is altijd geneigd tot het kwaad, bedorven en wankelend : » Dat de regel dan blijve,quot; zegt de H. Augustiuus, »en dat hetgene vervalscht is, volgens dien regel hervormd worde.quot; En wat gebeurt? In plaats van den wil Gods te volgen, waartoe mij alles verplicht, zou ik willen dat God den mijne volgde en terwijl ik weiger door God verbeterd te worden, zou ik God zelf willen bederven. Welk eene ongeregeldheid!
II Punt. Niets uitmuntender, niets aangenamer aan God, dan de gelijkvormigheid van mijnen wil met den zijne. God heeft twee bewonderenswaardige vereenigino-en gewrocht, die alles overtreffen en welke
O O O 1
onze geest nooit zal begrijpen; de vereeniging van de menschelijke natuur met de goddelijke: wij aanbidden die iu den persoon van Jezus-Christus; de
288
vereenigiug van een bewonderenswaardig vruchtbaar moederschap met eene onbevlekte maagdelijkheid: wij vereeren die in Maria. »Na deze twee onvergelijkelijke meesterstukken,quot; zegt een godvruchtig schrijver »ken ik niets uitnuuitender, dan de ver-eeniging van onzen wil met den goddelijken wil. Er is niets op aarde, dat God welgevalliger is en ons meer gelijk maakt aan zijn Zoon.quot; (1) Dezelfde schrijver maakt eene opmerkenswaardige vergelijking tusschen de vereeniging der beide naturen in het geheim der- Menschwording, en de vereeniging van onzen wil met dien van God door de deugd, welke wij overwegen. sgt;ln de menschwording bestaat de menschelijke natuur niet door zich-zelve, maar door den persoon des Woords, die haar doet bestaan en op eene geheel goddelijke wijze doet werken; eveneens werkt de vereeniging van onzen wil met dien van God; onze wil bijna niet meer door zich-zelven, dat is door zijne natuurlijke beweging; zijn gedrag, zijne kracht en zijne werking komen hoofdzakelijk van God. In de Menschwording maakt God, die onzichtbaar is, zich waarneembaar en tastbaar door zich met ons vleesch te bekleeden; eveneens openbaart zich de heiligheid van Gods wil, die voor \'s menschen oog verborgen is, door de heiligheid, die uitschittert in het leven dergenen, die zijne beweging en leiding volgen. In de Menschwording, wordt de mensch, die slechts een niet was, zoodanig veredeld dat hij zeggen kan: Ik ben God; eveneens kan de mensch in deze gelijkvormigheid van wil zeggen: Mijn wil,
(1) T. Nouet.
289
)aar die uit zich-zelven niets is, is de wil van God. En
aid- geliik deraensch, die God is, ook daardoor oneindig
jrer_ machtig, wijs en heilig is; zoo wordt ook \'s menschen wil, ia den goddelijken wil overgegaan, geheel heilig
,er_ want hij is vereenigd met de heiligheid zelve; al-machtig, want hij is vereenigd met de almacht Gods;
en volmaakt, want hij is vereenigd met het oneindige
fde goed..., Hoe zou God zijn behagen niet vindeu in
jno. eene ziel, die als geheel met Hem veréénzelvigd is,
jjgj. en waarin Hij, als het ware, zijne oneindige volmaakt-
rail heden terugvindt ?
jjjg Het is als hadde Hij ons de vreugde willen toonen,
jg welke Hem het offer van onzen eigenwil veroorzaakt,
j01. als Hij zegt: Ik heh David gevonden, Jesse\'s Zoon,
en een man naar mijn hart, en de rede mijner voorliefde
ins is: die in alles mijnen toil doen zal (l). Hij heeft
an dien man gevonden, volgens zijne begeerte. Hij
jj zocht hem dus? Ja, doch eerst te vergeefs. Eindelijk heeft Hy hem gevonden; Hij is er over voldaan;
jj|- Hij heeft behoefte dit te zeggen, en zich daarmede
|je geluk te wenschen.
01, Het is zeker dat deze, kinderlijke overgeving, die n_ ons geheel stelt in de handen Gods, opdat Hij over 01. ons beschikke, gelijk het Hem behaagt, eene overig heerlijke zegepraal is van de genade over onzen aa. wil, zonder eenigennate onze vrijheid aan te randen; jjg eene zegepraal des te roemvoller voor den overwinnaar, a|. omdat de overwonnene zgn overwinnaar dankbaar is. O mijn God, zegevier over mij; ik wil voortaan jj slechts willen, wat Gij wilt.
(1) Act. 13, 22. CH. II.
19
290
III Punt. Niets eervoller voor mij, dan mijn wil aan Gods wil gelijkvormig te maken. Wanneer ik mij door deze deugd vrymaak van alle dienstbaarheid, om slechts afhankelijk te worden van Hem, wiens dienaren koningen zijn, verhef ik mij tot het leven der engelen, tot het leven van Jezus-Christus, dat het leven van God is.
1. Ontdoe ik my van mijn eigen wil, om in alles dien van God te volgen, dan is er tusschen , de engelen en mij slechts één zelfde gedragslijn, één zelfde beginsel van handeling, ja eenigszins één zelfde leven. »Looft den Heer, gij alle zijne engelen, gij machtigen aan kracht! die zijn woord volbrengt, gehoorzaamt aan de stem van zijn gebod! Looft den Heer, gij alle zijne heerscharen, gij zijne dienaars, die zijnen wil volvoert.quot; (1)
De engelen hebben geene andere beweegreden dau het welbehagen van God, God wil het, ziedaar de wet, waaraan allen gehoorzamen. God wil het en de prins des hemels gaat het bestuur overnemen van een geheel volk, of de verdediging en bescherming van een kind. Hij wil even gaarne de engelbewaarder zijn van een zondaar, als van een heilige. Is het niet schoon dezelfde bezigheid te hebben, als die gelukzalige geesten en hun leven na te volgen? Nochtans verheft mijne volkomen gelijkvormigheid met den wil des Heeren mg nog hooger!
2. Zij geeft mij eene gelijkenis, eene heilige verwantschap met den Koning der engelen. Jezus-Christus is slechts op aarde gekomen, Hy heeft daar slechts
(1) Ps. 102, 20—21.
291
il geleefd, Hij is daar slechts gestorven, om zich aan
den wil zijns Vaders te onderwerpen, Hij kwam niet uit zich-zei ven. Zijn Vader had Hem gezonden. De 18 wil zijns Vaders heeft alles bepaald; den tijd, de
!n plaats, den duur zijner zending op aarde. Deze heeft
at al zijne handelingen geregeld, al zijne woorden in
gegeven , al zijne wonderwerken bevolen. Deze heeft in de wijze, de omstandigheden, het oogenblik van
Ja . zijnen dood vastgesteld.
\'ii Alvorens zijn laatsten snik te geven, schijnt Hij
ie te vragen: Heb ik tot de letter den wil mijns Vaders
\'y volbracht? Ja, alles is volbracht, dit sterfelijk leven
is mij niet meer noodig. Hij buigt het hoofd en gt;ft sterft... Het is dus voornamelijk door deze deugd,
i\'S, dat ik de volmaakte volgeling van Jezus en zijn
levend beeld word. Er is nog meer, door derzelver m beoefening word ik lid van zijne familie, ik word
ie zijn broeder; Hij bemint mij als zijne eigene moeder,
3n want Hij zelf heeft gezegd: A Iwie den wil doet van
311 mijnen Vader, die in den hemel is, die is mijn
ig broeder en zuster en moeder (1). Maria bekleedde
equot; de eerste plaats in zijn Hart, omdat zij het vol-
maaktste schepsel was, in hare gelijkvormigheid aan lis den wil Gods.
a? Door te willen wat God wil, gelgk Hij het wil,
sid , en omdat Hg het wil, heb ik één zelfde voedsel met Jezus-Christus. Mijne spijs, zegt Hij, is dat ik 3r~ den wil doe van Hem, die mij gezonden heeft. (2) tus Wat Hem deed leven, doet mij leven; ik word een andere Christus, een God mensch geworden, met
(1) Joa. 4, 3i. (2) Matth. 12, 50.
292
de menscben verkeerende. Terwijl nu het Eeuwig Woord, om den wil zijns Vaders te volbrengen, in het werk onzer verlossing tot de laagste grenzen der vernedering moest dalen, verheffen wij ons daarentegen door dezelfde gelijkvormigheid boven het schepsel, wij verheffen ons, zegt de H. Bonaventura, door ee\'ne heilige, stoutmoedige vlucht tot den hemel dei-aanbiddelijke Drievuldigheid, om ons aan God te hechten , door zyn wil te nemen tot regel van den onze. Hierdoor deelen wij in twee goddelijke hoedanigheden , welke voor onze zwakheid onbereikbaar schenen, de onfeilbaarheid en de onzondigheid; want als ik den wil des Heeren volbreng, gehoorzaam ik aan de leiding zijner opperste wijsheid; kan ik mij dan wel bedriegen? Ik handel volgens zijne oneindige heiligheid: Kan ik dan wel zondigen?
55ste OVERWEGING.
gelijkvoumigh eid met dek wil van god. wat de ziei. ek in vindt.
I. De volmaaktste heiligheid. 11. Het volledigst geluk.
I Punt. In de gelijkvormigheid van onzen wil met den wil van God ligt de volmaaktste heiligheid. Deze waarheid vloeit voort uit de vorige overweging. De wil Gods is de heiligheid zelve en da regel aller heiligheid; hoe meer gelijkvormig ik ben aan dezen
293
regel, hoe heiliger ik zal wezen. Kan men ook wel een volmaakter leven uitdenken, dan het leven van Jezus-Christus ? Nu, het is ontegenzeggelijk, dat de gelijkvormigheid met den wil zijns Vaders de ziel van zijn leven en als de grond van zyn bestaan geweest is; is dus de maat van onze gelijkenis met dit aanbiddelijk toonbeeld van al wat volmaakt is, de maat onzer volmaaktheid, dan zullen wij klaarblijkelijk zoo veel vorderen in de volmaaktheid, als wij vordering maken in deze gelijkvormigheid.
Voegen wij hierbij, dat de beoefening dezer deugd het beoefenen aller deugden, en wel om de uitmun-tendste beweegreden, in zich besluit.
1. Vooreerst door altijd te willen wat God wil, beoefen ik alle deugden: het geloof, dat mg God toont in 1 alle gebeurtenissen groot en klein; God, die alles bestuurt, alles beschikt en regeert met eene macht, welke niets weerhoudt, met eene wijsheid welke niets bedreigt, met eene goedheid voor mij, welke niets evenaart; het vetrouwen; wijl ik mij overgeef aan de zorg zijner liefde, mij metal mijnen kommer werpende in zijn boezem, gelijk een kind zich werpt in de armen zijns vaders, — de versterving, het geduld, de nederigheid; wijl ik mij onderwerp aan de slagen zijner rechtvaardigheid en ik. Hem lovende ten allen tijde, uit zijne hand de beproeving en het lijden, zoowel als de vertroosting liefdevol aanneem. Even zoo is het met de andere deugden; niet alleen beoefen ik die, maar ik doe dat om de verhevenste beweegreden, te weten om de liefde en om de zuiverste liefde.
294
2. De gelijkvormigheid met den goddelijken wil is, in haar diepsten grond, niets anders dan de liefde, die koningin aller deugden, waarin alle heiligheid, alle volmaaktheid bestaat. Welke liefde verwacht God inderdaad van ons? Hij leert het ons door den mond zijns Zoons. gt; Die mijne geboden heeft en ze bewaart, die is het, die mij lief heeft.\'\'\'\' (1) En zegt men inderdaad niet, dat twee harten slechts één hart uitmaken, als zij dezelfde zaken willen of niet willen ? Willen wat God wil, is Hem beminnen gelijk Hij zich-zelven bemint, is Hem al het goed willen doen dat Hij zich-zelven wenscht en op de wijze gelijk Hij het wil, het is Hem als het ware zeggen: Wat is er voor mij op aarde of in den hemel dan Gij, o God van mijn hart, en mijn deel in eeuwigheid.... De H. Paulus begreep, van het eerste oogenblik zijner bekeering, zoowel al het volmaakte dezer deugd, dat zijn eerste woord eene akte van volledige overgeving aan het goddelijk welbehagen was: Heer, wat wilt Gij dat ik doe\'? Hij zegt niet: Heer, wijl Gij U gewaardigt tot mij neder te dalen, om ü te openbaren aan mij onwaardige, wil ik apostel worden, wil ik als martelaar sterven, wil ik uwen naam dragen door heel de wereld; mijne dankbaarheid toonen door mijn zweet en mijn bloed, wil ik mij begraven in eene woestijn om mijne zonden te be-weeuen ... Hij zegt slechts: Heer, wat wilt Gij dat ik doe ? Spreek, o Heer, beveel, wat is uw welbehagen? Zie mij hier in uwe handen, gelijk de aarde in de handen van den pottenbakker, maak van mij
(1) Joa. 14, 21.
295
wat Gij wilt. O mijne ziel, zijt gij niet verrukt van blijdschap de heiligheid te vinden in eene deugd welke men in het religieuze leven zoo gemakkelijk kan beoefenen, en die vervuld is met eene hemelsche zoetheid ?
II Punt. In de gelijkvormigheid van onzen wi met den wil van God, vinden wij het volledigst geluk. Gelukkig zga in den vollen zin des woords is van den eenen kant bevrijd zijn van alle kwaad en van den andere alles bezitten, wat men verlangt, en gelijk men dit verlangt. Doch welk schepsel op aarde kan zulk een schoon lot verwezenlijken ? Hij, die tot de volmaaktheid komt der deugd, die wij overwegen.
Alle kwalen, die ons bedroeven, kunnen gebracht worden tot twee klassen: de eene, in de zedelijke en bovennatuurlijke orde, is de zonde met al wat haar voorbereidt en volgt; de andere, welke onze verblindheid als zwaarder beschouwt, dan zij werkelijk zijn, hebben betrekking op onze natuur: dit zijn ziekten, smartelijke scheiding, vervolging, verlies van rijkdom en eer... Hoe zoet is de gedachte, dat de gelijkvormigheid met Gods wil ons voor al die kwalen vrijwaart!
Wat nu de zonde betreft, zoo is de zaak klaarblijkelijk beslist: men zondigt slechts door te willen wat God niet wil, of door niet te willen wat Hij wil. De zonde is een onwaardige voorkeur, gegeven aan den wil des menschen boven den wil Gods,
Wat de kwalen der tweede klas betreft, zoo zijn dit slechts kwalen door hunne tegenstrijdigheid aan onzen wil, want een Igden, dat ik gaarne onderga,
296
een werk, eene moeielyklieid, die mij behagen, eene Termoeienis, die ik zoek, een kruis, dat ik begeer, zijn zoo weinig een lijden voor mij, dat ik de be-rooving daarvan als een tegenspoed zou beschouwen. Heht gij eenig kwaad geleden ? indien gij het wilt, zoo is het geen kwaad, bedank er God, voor, gij verandert het kwaad in goed (1). Aldus wordt de eerste voorwaarde van het geluk vervuld, door den mensch, die volkomen wil, wat God wil.
Zich verbergende in den boezem der Voorzienigheid , heeft hij zich een toevluchtsoord verkozen, dat te hoog verheven is, dan dat eenig kwaad hem kunne bereiken. Hieruit vloeit die diepe vrede, die onverstoorbare rust, die verzadiging aller begeerten voort, welke de tweede voorwaarde vormt tot het geluk, of volgens den H. Augustinus het geluk zeifis. Wat hier op aarde de zaligheid der heiligen uitmaakt, bestaat niet in eten of drinken, het bestaat in de rechtvaardigheid, den vrede, de vreugde van den H. Geest. Dit is reeds het erfdeel der kinderen Gods bij voorbaat. Wij noemen dit zaligheid, wegens de gelijkenis, die het ons geeft met de gelukzaligen in den hemel. Een hunner voorrechten is iu God alle goed te bezitten, geene verandering te begeeren noch te vreezen te hebben; hetzelfde is in evenredigheid het geval met eene ziel, die tot de volmaaktheid dezer gelijkvormigheid is gekomen. Van het oogen-blik af, dat zij hare zaligheid heeft gesteld in het welbehagen van God, heeft zij die bestendig, ja eenigszins onveranderlijk gemaakt, gelijk de zaligheid
(1) Chiys.
297
ne van God zeiven. Niet alleen wordt zij niet bedroefd
r, door wat haar ook overkome, doch alles gaat volgens
e- hare wenschen.
n. Steunende op den wil des Heeren, leeft die ziel
\'t, steeds in de vreugde der hoop. Te raidden der
rij hevigste stormen, gevestigd op die onwrikbare rots,
le trotseert zij de woede der baren en de macht des
3ii afgronds.... O mijn God, wanneer ik volkomen met U zal vereenigd zijn , dan zal ik geene moeite, geene
g- smart meer gevoelen, dan zal mijn leven vreugdevol
at zijn i omdat ik vol van ü zal wezen (IJ. De hoofd-
ne zaak is hier, gelyk overal, ons geloof\' te verlevendigen,
r- Als wij wandelen bij het licht van dien fakkel, de
rt, zaken ziende, gelijk hij ons dio toont, zullen wij
k, uit den grond des harten tot God zeggen: O Vader,
at ons toekome uiu rijk, terwijl wij ons aan Hem zullen
t, overgeven, opdat Hij inderdaad in ons, over ons
in moge heerschen. Dan zullen wij ook zeggen: Uw
sn wil geschiede op aarde als in den hemel.... omdat
ds wij ten volle bereid zijn hem te vervullen door alles
de wat van ons afhangt — en er volkomen mede te-
in vreden zijn, dat God dien vervulle in alles wat niet
lie van ons afhangt, zoodat Hij, zegt Bossuet, »bij
eh ons meester is, gelijk Hij het is over de gelukzalige
id geesten, welke als God spreekt, slechts een A men ,
id Het zij zoo te zeggen , een Alleluia te zingen hebben,
n- dat is: God zij geloofd over alles wat Hij doet.quot;
iet Voegen wij bij het gebed en de overweging her-
ja haaldelijk oefeningen dezer heilige gelijkvormigheid,
sid In de droevige of slechts onvoorziene voorvallen,
(1) H. Aug.
298
onzes levens moeten wij de heilige gewoonte aan- oi
nemen ons spoedig te verbergen in den heiligen h(
wil van God en met Jezus-Christus dikwijls herhalen. te
»Ik loof TJ, Vader,..... dat het U alzoo hehagelijk al
is geweest.quot; (1) di
__w
d( di
56ste OVERWEGING. t,
--w
de liefde gods. — hare beweegredenen. u
sl
I. God verlangt, dat wij Hem beminnen. ^
II. Hij verdient het. v
III. Hij bemint ons. v
I Punt. God verlangt, dat wij Hem heminnen. Het h
bewijs ligt overal voor de hand. — In de schepselen, 0
welke Hij slechts uit het niet heeft getrokken, welke o
Hij slechts behoudt om ons in hen eenige stralen u
te tooneu van zijne schoonheid, van zijne wgsheid, e
van zijne macht; eenige trekken zijner goedheid om o aldus onze liefde te winnen. — In de zending van
Jezus-Christus, die slechts op aarde gekomen is om t
er het vuur der goddelijke liefde te brengen en niets 1 anders verlangt, dan dat het ontstoken worde in
aller harten. — In het gebod aan alle menschen \'i
gegeven; het eerste, het grootste gebod luidt: Gij c
zult den Heer uwen God liefhebben uit geheel uw i
hart enz. (2) Het is uit dit eerste en grootste gebod lt;
en uit het tweede, hieraan gelijk, dat al de andere y
voorschriften voortvloeien: hetzij zij ons verbieden 1
(1) Matth. 11, 25—26. (2) Matth. 22, 27.
299
ons te verontrusten over de behoeften dezes levens, hetzij zij ons gebieden, ous niet aan de schepselen te hechten, de wereld en ous zeiven te verachten... alle hebben ten doel den weg te banen tot de goddelijke liefde. — In de verschillende deugden, die wij verplicht zijn te beoefenen: zy zijn slechts middelen om te komen tot de volmaakte liefde of ons daarin te bewaren. Wat vraagt de Heer uw God van u, o Israël, wat anders dan dat gij den Heer uwen God vreezet... en Hem liefhebhet... uit geheel uw hart? (1) De vrees zelfs, welke ITij vraagt, is slechts eene voorbereiding tot de liefde. Het geloof, de hoop, zoowel als de andere deugden, bereiden of vergezellen de liefde, aller koningin. De andere zijn voor den tyd, de goddelyke liefde is voor de eeuwigheid. — Al de genaden, welke wij ontvangen, komen ons uit het Hart van God, als uit hare bron, toegevloeid; Hij stort ze slechts over ons uit om ons met zijne liefde te vervullen. Als Hij ons verlicht en ous treft, als Hij in ons zoovele verschillende gevoelens opwekt, zoo geschiedt dit slechts, opdat wij Hem zouden beminnen; de geest van genade treedt slechts in onze harten om er den geest van liefde in te brengen. — In geheel het Christendom,
O O
waar alles de goddelijke liefde verkondigt en inboezemt: Wat zijn daar de leerstukken, de geheimen, de eeredienst, anders dan lessen van- en beweegredenen tot liefde ? Het H. Offer is er het onsterfelijk gedenkteeken eener grenzenlooze liefde; het verhe-venst der Sacramenten wordt het Sacrament van liefde genoemd; en de kronen van ons geloof zijn
(1) Deut. 10, 12.
300
de beloouingen der goddelijke liefde.— In de oneindige goederen beloofd aan hen, die deze wezenlyke verplichting nakomen, en in de vreeselijke straffen voorbehouden aan hen, die weigeren zich daaraan te onderwerpen. » O mijn Godroept de H. Augusti-nus uit, uwe gestrengheid jegens hen, die ü niet willen beminnen, toont mij de overmaat uwer liefde voor mij. Het was te veel mij toe te laten U te beminnen; hoe drijft |Gij nu uwe goedheid zoover, dat Gij mij dit gebiedt, dat Gij mij dreigt met de zwaarste straffen, indien ik U niet bemin, als ware ü niet beminnen reeds niet het grootste aller onheilen ?
II Punt. God verdient, dat wij Hem beminnen. Het hart des menschen leeft slechts door de liefde, en daar God het voor zich-zelven alleen geschapen heeft, heeft Hij het zoo groot gemaakt, dat Hij alleen het kan vervullen. Dat hart heeft behoefte aan het bezit van het opperste goed, en rusteloos en lijdend is het, totdat het ruste in het middenpunt zelf aller volmaaktheid. Maar ook welke behoefte aan liefde zou niet voldaan worden, door de oneindige bekoorlijkheden, welke het geloof ons in God ontdekt? Wie is beminnelijk gelijk God, wie is aan Hem gelijk in grootheid, in macht, in wijsheid, in goedheid? Nadat de H. Augusiinus, door onze gewijde boeken en zijne vruchtbare verbeelding geholpen, zich het heerlijkst tafereel over de goddelijke volmaaktheden voor den geest gebracht had, riep hij eindelijk uit: En wat is dat alles o mijn God, o mijne glorie en mijne liefde ? Neen, dat is het niet wat Gy zijt, wij kunnen slechts stamelen als
301
wij van U willen spreken: Nihil dicit qui de te dicit. Vandaar die liefdekreet, ontsprongen aan zijn hart en zoo dikwerf sedert herhaald. »Te laat heb ik U gekend, o schoonheid altijd oud en altijd nieuw, te laat heb ik U bemind!quot;
Ach Heer! ik moet mij een verwijt doen, dat veel bitterder is. Augustinus beminde U, zoodra hij U begon te kennen; hoeveel schuldiger is hij, die geene verontschuldiging hebbende in zijne onwetendheid, zoo lang geleefd heeft zonder U te beminnen. Ik heb de waarheid gezien, bijna gelijk met het daglicht. Nooit overdacht ik uwe rechten zonder te erkennen dat Gij mijne liefde verdient. En nochtans, wat heb ik met mijn hart gedaan ? Waarin heb ik deszelfs buitengewone gevoeligheid verkwist?.... Ja Heer, te laat heb ik U bemind! Sero te amavi! Te laat voor uwe glorie; hoevele beleedigingen hadde mijne getrouwheid aan dezen eersten mijner plichten U gespaard, 200 van mijne zijde als van die, welke ik uwe wet had moeten leeren eerbiedigen! Te laat voor mijne onschuld; hoe zuiver zou mijn hart zijn, hadde ik nooit iets bemind dan U! Te laat voor de rust mijns gewetens; welken angst hadde ik mij gespaard, zoo ik steeds myn geluk gezocht hadde in het genot uwer liefde! Doch, dank aan uwe barmhartigheid is het nog niet te laat voor mijne zaligheid, indien Gij, naar ik vertrouw, mijne misdadige onverschilligheid, vergevende, mij de genade gelieft te schenken U voortaan altijd te beminnen, zonder op te houden. Gelief er deze genade bij te voegen, dat ik immer in uwe liefde moge aangroeien.
III Punt, God bemint ons. En ziehier de krach-
302
tigste aller beweegredenen. God in den hemel, ik op aarde; God, een afgrond aller volmaaktheid en geluk, ik een afgrond van zonden en ellenden; God f
Hij die is, ik een niet..... en deze beide uitersten
niet slechts bij elkander gebracht, doch door de liefde vereenigd! en door welke liefde? Van den kant van God is het de teederste, de voorkomendste, de edelmoedigste, de bestendigste liefde.
1. Teedere liefde. De natuur kent geene liefde, welke de moederliefde in teederheid overtreft. God wil deze vergelijking wel bezigen, om ons eenig denkbeeld te geven van de liefde, welke Hij voor ons heeft, dan Hij verzekert ons, dat de werkelijkheid de figuur ver overtreft. Eene moeder draagt haar kind op hare armen, zij troost, zij liefkoost het; ziedaar wat God voor ieder onzer doet.
2. Voorkomende liefde. God wachtte niet om mij zijn Hart te schenken, tot ik Hem het mijne gaf. Wat ware er van mij geworden, hadde Hij mij niet het eerst bemind? Hij beminde mij niet slechts, toen ik Hem niet beminde, maar toen ik Hem nog niet kon beminnen en nog in het niet verzonken lag; zijne liefde voor mij is niet minder van eeuwigheid , dan de liefde, welke Hij heeft voor zich-zelven. En wat mij nog meer moet treffen, is, dat Hg mij beminde, toen ik, door Hem te beleedigen. Hem uittartte mij te haten; was Hij het niet, die my toen zelfs het leven behield, mij zijne vergeving, zijne vriendschap, een oneindig deel van zyn geluk aanbood ?...
3. Edelmoedige liefde. Zij openbaart zich door offers en weldaden. Is het in woorden, dat God
303
it mij bemint? O geheimen van het christendom, hoe
en duidelijk toont gy mij de edelmoedigheid van Gods
l(jf Hart, jegens de ondankbaarste schepselen! Als ik igjj in mijne gedachten alles terugroep, wat Hij voor
fde mij gedaan heeft, in de orde der natuur en der int genade, al het goede, dat ik van Hem ontving en je dat my tot onderpand strekt van hetgeen Hij mij belooft; indien ik bij de weldaden, die ik deel met je) mijne broeders, nog de bijzondere genaden, de per-
0(j soonlijke gunsten voeg, zal ik dan in mij, rond
üg mij, in den hemel en op de aarde geene duizenden l0r stemmen hoorén, welke mij zullen toeroepen, dat ik een zoo goeden God moet beminnen, en Hem de iar oprechtheid mijner liefde moet bewijzen door de jj.. toewijding der zelfopoffering, de zuiverheid der
meening en de heiligheid der werken? )m 4. Bestendige liefde. Onder gelijken verbittert of
ne verkoelt althans het beminnend hart, indien het Qy slechts onverschilligheid ondervindt in den persoon dien het vurig bemint. Hoe zou ik dan het geduld 0g niet bewonderen van een God, die honderden malen en door zijn schepsel versmaad en gehoond, nog voort-
g_ gaat het te beminnen? Wat deed ik niet, o Heer ,ngt; om U als het ware te verplichten, mij ver van U te verstooten? Mijn leven was slechts een treurige )m cirkelgang van herhaalde beloften en nieuwe onge-jy trouwheden; mij heden met U verzoenende om U g^ morgen weder te verraden, zonder dat mijne voortui durende ongetrouwheid uwe liefde kon overwinnen.
Wat zal ik doen. Heer, zoo Gij nu in dit oogenblik l0r dezelfde vraag stelt, welke het hart van Petrus zoo ont-
0(j stelde? Simon, zoon van Joannes bemint gij mij meer
\\
304
dan dezen1? (1) Bemint gij mij eindelijk, o schepsel zoo zeer bemind, zoo zeer door mij, uwen God, bevoorrecht ? Bemint gy mij meer dan anderen, die zulk een ruim aandeel niet hadden in mijne weldaden? Indien ik zwyg, dan schijn ik te bekennen, dat ik met zoovele redenen om U te beminnen, uwe liefde nog niet bezit. — Indien ik antwoord dat ik U bemin, zal dan mijn geweten niet tegen my opstaan en mij een leven van lauwheid en ontrouw verwijten? O myn goede Meester, ik zal U hetzelfde antwoord geven van uwen apostel: Gij weet, dat ik U bemin, Gy weet beter dan ik, wat er in my is. Gij weet wat Gij er door uwe genade in hebt gelegd en de heilige begeerten, welke zy my inboezemt, Gy weet dus dat ik U bemin, Tu .tn\'.i. Ik zeg niet, dat Gij dit door mijn verleden weet, want, helaas! waaraan kondt Gij het erkennen, toen ik zonder toewijding was voor uwe glorie, zonder ijver voor de zaligheid der zielen, zonder moed tot eigen volmaking! Doch thans weet Gij het, thans ziet Gij, dat ik U bemin; Gy leest dit in het berouw, dat ik gevoel zoo lang geleefd te hebben, zonder U te beminnen, althans met die sterke en edelmoedige liefde, welke beantwoordt aan de uwe voor mij, Gy ziet het aan het besluit dat ik vorm van geeue andere beweegreden in mijne handelingen te zoeken, dan uwe heilige liefde alleen. Dit heilig vuur is in mij nog slechts een vonkje; vermeerder dit tot eene alles verterende vlam; U beminnen, U doen beminnen, Ziedaar de eenige glorie, die ik begeer. Ontvang Heer, enz....
1
Joa. 21, 15. _
Jnhoud van het Tweede Peel.
Bladz.
3
Inleidino-
O
Eerste Afdeeling.
1ste overweging. De geest van geloof
5 10
16
21
27
31
2de gde
4de
5de
gdc
Idem. Deszelfs macht . . . Drie groote hinderpalen van den
geest van geloof.....
De geest van opoffering. Noodzakelijkheid.......
De geest van opoffering. Uitgestrektheid .......
De geest van opoffering. Deszelfs bronnen......
Tweede Afdeeling.
Het rijk van Jezus-Christus. . Het rijk van Jezus-Christus in
de getrouwe ziel.....
De navolging van Jezus-Christus.
7dü
37
42 47 52 57 61
Qde IQde Hde 12de 13de
» (Verv.)
Oefeuing der navolging van Jezus Christus......
65
INHOUD.
Derde Afdeeling.
Bladz.
14lle overweging. De raeuscbwordiug des Woords 71 15de » Jezus, voorbeeld eener volmaakte nederigheid. ... 75
16ae » De nederigheid......80
17de » » » (Vervolg) . . 85 18ae » De maagdelijke reinheid . . 91 19ae » Geboorte van Jezus .... 98 20ste » Schat der religieuze armoede , 103 21ste » Besnijdenis des Heeren. Versterving .......109
22ste » Opdracht van Jezus in den tempel 113 23ste » » » » » » » 117 24ste » Vlucht naar Egypte. . . . 122 25ste » Mijne plichten jegens de Voorzienigheid.......127
26ste » Jezus leert in den tempel . . 131
27ste » Jezus verloren en wedergevonden 137
28ste » Jezus te Nazareth.....141
29ste » Het verborgen leven van Jezus 145 30ste » Jezus te Nazareth. Gehoorzaamheid.........150
31ste » De religieuze gehoorzaamheid. 155 32ste » Hoe moet mijne gehoorzaamheid zijn?......160
33ste » Getrouwheid aan den regel . 166
34ste » Vorderingen in de deugd . . 172
35ste » Goede meening.....177
II.
INHOUD,
Vierde Afdeeling.
36ste overweging. De liefde tot den evennaaste . ^7ste » De zachtmoedigheid . • , , Het vermogen der zachtmoedigheid........
De twee standaarden. . . . » » » (Vervolg)
ÏII.
Sladz.
183 189
194 199 206
38ste
39ste 40ste
Vijfde Afdeeling.
Jezus in den Hof van Olijven. » Jezus aan zijne vijanden overgeleverd ......
» Jezus geboeid.....
» Jezus offert zijne eer voor ons op
» Jezus bij Kaïphas.....
Jezus aan het Hof vau Herodes ■gt; Jezus voor Pilatus .... » Jezus aan de kolom. . . ,
gt; Jezus aan het kruis . . . ,
gt; Het lijden.......
Zesde Afdeeling.
Verrijzenis des Heeren . , , Hemelvaart van Jezus-Christus De religieus iu den Hemel. . Gelijkvormigheid met den wil
Gods........
Gelijkvormigheid met den wil
Gods. (Vervolg).....
De liefde tot God.....
EINDE VAN HET TWEEDE DEEL.
41ste
42ste
43ste 44ste
45ste
46ste 47ste 48ste 49ste 50ste
212
219 225 229 236 242 247 253 258 263
, 51ste 1 52ste ! 53ste 54ste
270 274 279
285
292 298
555te 56ste
AiKBEÏOLM ¥ERKH.
Handhoek, der geprofeste Religieuzen..........................................................ƒ 1,50
In leJeren baud /\'2,—; in Maroquin Chagrin....................- 2,50
J. G. Patisz, S. J., De liefde van het goddelijk Hart van
Jezus, door een R. K. Priester, S. J................................................- 1.25
Ingebonden in linnen f 1,65; in leeren band....................- 1,75
\'Naar den Hemel, Handboek der godvruchtige zielen..................- 1,50
In lederen band f 2,— ; in Maroquin Chagrin..................- 2,50
Het heilig jaar der Predikheer en, overwegingen over het leven en de deugden der Heiligen en Gelukzaligen der
Orde van den H. üominicus....................................................................- li—
Ingebonden in linnen band..................................................................- 1,25
Getijden der Broeders en Zusters der derde Orde van den
H. Vader Domintcus.....................................................................- 1-05
Ingebonden in bokleer, lood ojj snee........................................- 1,00
„ „ „ verguld „ ......................................- 1,75
„ Maroquin Chagrin 2e Choix rood op snee - 2,50
„ „ „ „ le „ verduld „ - 3,— De levens van de Vaders der Woestijnen vit hel Oosten,
2 deelen, in leeren banden..........................................................................- 3,50
Maria ons voorbeeld, of door Maria tot Jezus De Meimaand, overwegingen op het leven der Allerh. Maagd Fdn Qinnquagesnna tot Vaschen. Vijftig meditatiën.
Elk dezer ƒ U,50 ; in heel linnen band................... - 0,75
Onmisbaar Handboekje der godvruchtige zielen.
Vraagt en gij zult verkrijgen.
Unndhoek der vereerders van de II. Moeder Anna.
De liefde van het Hart van Jezus tot zijne schepselen.
he Maand van aanbidding.
Kom, Heer Jezus! Dertig Communie-oefeningen.
Handboekje van vrome devotie tot het H. Hart van Jezus» De Fontein der Liefde.
Met (lod in afzondering.
Het H. Sacrament onze schat, 31 Communie-oefeningen. Handboekje der dienaren van O. L. Vr. van Goeden Raad.
Deze allen in zeer nette linnen bandjes.................. - 0,50
Het gulden jaar of de twaalf Maanden, geheiligd door godvruchtige oefeningen op eiken dag, in zeer net linnen bandje................................................................ \'
Volledige Catalogus mijner uitgaven op aanvrage g r at is verkrijgbaar.
,25
IC