-ocr page 1-

OVERWEGINGEN

VOOR

IRIELICa-IIETJZIEIISr

•----^gt;^VV\\AAAAAAAAAazv^-—--

!De volmaaktheid van den ï(eligieu%en Staat als vrucfyt van een volmaakt gehed.

DOOR

Pater CU AIGNON, S. J.

1889,

Vit liet ITraiiscli vertaald

-ocr page 2-

Datum in Seminario Ypelaar, hac 7a Febr. 1889.

J. J. HOPSTAKEN..,

Reg. Sem. Lïbr. Cens.

-ocr page 3-

VIERDE DEEL.

X\'quot; OVERWEGING.

De H. Scholastica.

I. Hoezeer wij de eenzaamlieid moeten beminnen.

II. Het voordeel der godvruchtige gesprekken.

III. De macht ons door de onschuld gegeven.

I Punt. Liefde tot de eenzaamheid. Scholastica had nauwelijks vernomea, dat haar Broeder, de H. Benedictus, zich van de wereld had afgezonderd, of zij gevoelde eene groote begeerte hem na te volgen. Reeds had zij in het huis barer ouders eene proef genomen van het eenzaam leven, doch dit was niet genoeg voor de groote plannen, die God met haar had; eene groote maagdenschaar moest, hare voetstappen drukkende, zich den Heer toewijden. Zij had God gezocht, zij kon Hem alleen smaken. Hare ziel dorstte naar Hem, die de bron van kracht en leven is. Hoe schoon was voor haar die dag, waarop zij zeggen kon: »Zie, ik heb mij door de vlucht verwijderd en ben gebleven in de woestijn.quot; (1) De eenzaamheid met vurigheid zoeken, met trouw bewaren, ziedaar, zegt de H. Laurentius-Just., het krachtigste middel om voortgang te maken in het gebed en het inwendig leven.

(1) Ps. 54, 8.

-ocr page 4-

4

Heeft men, om met God te onderhandelen een kalmen geest noodig, zoo is de eenzaamheid eene stille haven. Wordt er een zuiver hart gevorderd om het middenpunt aller zuiverheid te naderen, zoo is de zuiverheid het graf der driften, welke ons bezoedelen; zij doet ons, als het ware, het leven der engelen deelen. Is de genade ons noodzakelijk, om wèl te kunnen bidden, waar ontvangt men haar tenzij in de eenzaamheid, want daarheen geleidt de hemelsche Bruidegom de ziel, als Hij tot haar hart wil spreken: » Weet gij,quot; vraagt Pr. Nouet »waarom de Heer u niet meermalen en niet vertrouwelijker bezocht.quot; Dit komt, omdat Hij u maar al te dik-wyls in de wereld — of de wereld in u vond — Hij spreekt gaarne in het geheim en uwe ziel is bijna nooit alleen.

II Punt. Groot voordeel der geestelijke gesprekken. Slechts eenmaal in het jaar genoot de H. Scholastica het geluk hare innigste gedachten aan haren heiligen broeder te mogen mededeelen, hem have twijfelingen bloot te leggen, zijn raad en zijne vermaningen te aanhooren, en dit enkel onderhoud was voldoende om hare ziel te ontvlammen, en haar te geleiden op al de wegen van het inwendig leven. De laatste maal, dat God haar deze gunst schonk, werd dat onderhoud voor haar de voltooiing barer volmaaktheid en eene nadere voorbereiding tot den dood. O welke onschatbare vruchten kan een godvruchtig gesprek voortbrengen. Men oordeele slechts door die, welke een Ignatius hield met Xaverius, Fran-ciscus van Sales met Mev. de Chantal, Paulus met Titus en Timotheus, en voegen wij hierbij Jezus

-ocr page 5-

5

met zijne apostelen, met de Samaritaansche vrouw, met Zacheus, Maria-Magdalena enz. Wat is er treffender dan liet verhaal van den H. Augustinus; »Het oogenblik, dat mijne moeder de wereld zou verlaten, was niet ver. Eens dat wij aan deu oever der zee op een venster geleund, ons vrij van alle getuigen samen bevonden, onderhielden wij ons met eene onbeschrijfelijke zoetheid. Het verleden vergetende, om slechts aan de toekomstige goederen te denken, onderzochten wij, voor U, o mijn God, die de onveranderlijke Waarheid zelve zijt, hoedanig dat geluk zijn zal, dat het oog des menschen nooit gezien heeft en dat zijn geest onbekwaam is te bevatten. De mond onzer harten opende zich gretig voor dat hoogste geluk, waarvan de bron in U ligt. Terwijl wij van U spraken en uwe werken bewonderden, verhieven wij ons tot U, wij smaakten als het ware reeds de geneugten van het toekomstig leven door de vlucht onzer begeerten.... Gij weet Heer, hoezeer gedurende dit onderhoud, alles wat op aarde aanlokkelijks bestaat, ons nietig en verachtelijk scheen.quot;

»Onze wandel is in den hemel.quot; (1) Helaas, waar is de mijne? Nooit vermoeit het hen van God te \' spreken of te hooren spreken; heb ik smaak voor godvruchtige gesprekken ?

Ill Punt. Vermoeien der onschuld. David roept uit: »Hoe goed is de God van Israël voor hen, die zuiver van harte zijn. Op eene andere plaats vraagt hij: Wie zal den berg des Heer en beklimmen , of

(1) pui. 3, 20.

-ocr page 6-

6

wie zal wonen in zijne heilige plaats1? igt;Dit zalquot; antwoordt hij, •»diegene zijn, die onschuldig van handen en zviver van harte is.quot;

Eene eenvoudige ziel, die zich niets te verwijten lieeft, gaat vrij met God om; zij durft alles van Hem hopen; wie het hart van God heeft, heeft ook zijne macht. Scholastica verlangt den geheelen nacht een gesprek voort te zetten, dat het vuur harer liefde vermeerdert. Wat maakt het, al wordt hier een wonder vereischt. Met welken eenvoud vraagt — met welke gemakkelijkheid verkrijgt zij dit! Zij buigt haar hoofd over de tafel, die zij met tranen besproeit, en op het oogenblik, dat zij het hoofd opheft, valt de regen in zulk een stortvloed, dat de H. Bene-dictus niet vertrekken kan. Welk een kinderlijken eenvoud in haar antwoord, als hij, haar deze overtreding van den regel, door haar gebed veroorzaakt,, willende ten laste leggen, haar zegt: God vergeve u mijne zuster! Wat hebt gij gedaan? Waarlijk mijn broeder, gij zijt goed, doch gij moet bekennen dat God nog veel beter is. »Ik heb u een verzoek gedaan en gij hebt het mij geweigerd; ik heb mij tot God gewend en Hij heeft mij verhoord. Vertrek nu zoo gij kunt quot; Doch wie, o schroomvallige maagd, gaf u den moed te weerstaan aan een broeder, wiens woord voor u eene godspraak was? Wie openbaarde u, dat er in dit oogenblik wellicht iets beters was, dan zijne gestrenge nauwgezetheid aan den heiligen regel, welken hij gegeven .had en door zijn voorbeeld steunen moest? O hoeveel licht heeft de zuivere ziel, welke macht heeft zij bij God!

-ocr page 7-

7

Overwegen en bidden wij dikwijls dit gebed der H. Kerk in bet officie van dezen dag: »O God, die om ons den weg der onschuld te toonen, gewild hebt dat de ziel uwer gelukzalige maagd Scbolastica iu de gedaante eener duif ten hemel steeg, geef dat wy door hare voorspraak een leven leiden, zoo rein en zuiver, dat wij mogen verdienen ook tot de eeuwige glorie te mogen geraken.quot;

2de OVERWEGINQ.

24 Februari.

VERKIEZING VAN DEN H. MATHIAS. BESCHOUWING.

I. De personen beschouwen.

II. De woorden aanhooren.

III. De handelingen overwegen.

1. Nadat de Zaligmaker ten hemel was opgeklommen , gingen de apostelen terug naar Jerusalem en begaven zich allen in dezelfde plaats, om daar volgens het voorschrift van hun goddelijken Meester den H. Geest af te wachten. De leerlingen, tot wier getal Mathias behoorde, vereenigden zich ook aldaar. Toen stond Petrus op, in het midden der vergadering en stelde voor, de plaats van Judas te vervangen. Twee leerlingen werden voorgesteld; allen stelden zich in het gebed, het lot viel op Mathias , die met de elf apostelen werd vereenigd.

2. Stellen wij ons het Cenakel voor, alwaar de apostelen vereenigd zijn, deze plaats, reeds geheiligd

-ocr page 8-

8

door de instelling van liet H, Sacrament, door de verschijning van Jezus na zijne verrijzenis, en die weldra dit nog meer zal worden door de nederdaling van den H. Geest.

3. O Goddelijke Zaligmaker, wien het alleen toekomt te bepalen in welken staat ieder onzer U moet dienen, doe ons wel begrijpen, hoe noodzakelijk het ons is onze roeping te volgen, en derzei ver plichten te vervullen, opdat ik even als Judas niet verloren ga, in een staat, waarin gij alles tot mijne zaligheid geschikt hebt. Geef my ook de genaden, van volgens mijn vermogen mede te werken tot heiliging uwer dienaren, waarvan zoo zeer de heiliging der volkeren afhangt.

I Punt. De personen beschouwen. Beschouwen wij al degenen, die hier vergaderd zijn, apostelen en leerlingen. De geheele H. Kerk is vertegenwoordigd in deze heilige plaats, alwaar gij haar zichtbaar hoofd, hare leeraars en een deel der geloovigen ziet. Welk eene kalmte, welke liefde in die vergadering van broeders! Is dit niet het beeld van datgene wat eene religieuze gemeente altijd, doch vooral omtrent den tijd der verkiezingen zijn moet? Gij bemerkt hier geene schaduw van kuiperij: geene vraag, geene handeling, die de minste eerzucht verraadt. Zij, die geroepen zyn om te onderwijzen en te besturen, zien in deze eer slechts de verplichting zich grootere offers op te leggen; zij, die in ondergeschikte bediening staan, benijden het lot der eersten niet. De eer van God, het heil der Kerk, eigen volmaking en verbreiding van het geloof, de heiligheid, het ware geluk, ziedaar wat allen verlangen,

-ocr page 9-

9

11

en deze begeerten, gevoegd bij de heilige vrees, veroorzaakt door den vreeselijken afval van Judas, wien men een opvolger gaat kiezen, ziedaar de gedachte die thans aller hart en geest bezig houdt.

II en III Punt. De handelingen overwegen, de woorden aanJworen. Petrus gevoelt zich gedrongen voor de eerste maal gebruik te maken van het oppergezag hem door Jezus gegeven. Te midden zijner broeders opstaande, spreekt hij met gezag; bij legt de H. Schriftuur verstandig uit, en schrijft met wijsheid de regelen der verkiezing voor. Men luistert met eerbied naar hem, men doet oogen-blikkelijk wat hij voorstelt. Van waar komt hem die rust, die gewijde wetenschap, die kunst om te besturen, welke niemand hem betwist? Is hij niet die visscher van het meer van Tiberias, die tot het huidig uur slechts zijne schuit en zijne netten kende? Ja, doch men weet van wien hij dit gezag ontvangen heeft, waarvan hij gebruik maakt, men meeut nog het woord des Zaligmakers te hooren: » Weid mijne lammeren.\'quot; De ontluikende Kerk beschouwt hem reeds als de stedehouder van den Zoon Gods, thans ten hemel opgevaren. Petrus oefent dus hier voor de eerste maal zijne rechtsmacht uit over de Kerk, als stedehouder van Jezus-Christus. Kon zich hiertoe wel eene plechtiger gelegenheid aanbieden. Eerst herinnert hij aan de misdaad van Judas, »Hij was de geleidsman van hen, die Jezus kwamen vangen.quot; Welk eene trouweloosheid! welk een aanslag. Hij moest de aanbidders van Jezus geleiden en besturen, en hij stelde zich aan het hoofd dergenen, die hem gekruisigd hebben. Het was niet de roeping, die

I li

m !|

: M. Ifc\'

-ocr page 10-

10

hem ontbrak, want, aldus gaat de Vorst der apostelen voon »hij behoorde mede tot ons getal.quot; Hij had de plichten onzer bediening behooren te vervullen. O mijn God, het is dus waar, dat men Ü kan verlaten en verraden, zelfs nadat men het voorwerp uwer teederste voorliefde geweest is. Alvorens Petrus aan het hoofd der apostelen geplaatst werd, alvorens Joannes op het Hart van zijn Meester mocht rusten, was Judas reeds de vertrouweling des Heeren geweest, hij werd de eerste, de wreedste zijner beulen! en ik zou op mij-zelven durven vertrouwen.

Petrus stelt het doel der verkiezing voor, te weten de keuze van een twaalfden apostel, die de volheid des H. Geestes ontvange, getuigenis aflegge, door zijne prediking en het offer zijns levens, niet slechts aan de verrijzenis des Zaligmakers, maar aan de waarheid van alles wat Hij geleerd en bevestigd heeft door deze verrijzenis. Geheel de vergadering, geheel de Kerk moet deel nemen in deze verkiezing; er ligt voor Haar zulk een groot belang in, slechts heilige bedienaars te hebben. »En zij stelden er twee, Joseph, Barsabas geheet en, die bijgenaamd werd Justus, en Mathias.quot; Na deze voorstelling begon men te bidden. ygt;Gij IIeere, die aller harten kent, wijs uit deze twee éénen aan, dien Gij verkozen hebt, de plaats te ontvangen van dit ambt en apostelschap, waar Judas van afgeweken is, om heen te gaan naar zijne plaats.quot;

Dit laatste woord moest wel eene siddering verwekken; het is toch eene vreeselijke plaats, waarin deze rampzalige zich gestort heeft, en waarvoor de

-ocr page 11-

11

heiligste roeping zelfs ons niet vrijwaart. Ja, wel is het zijne plaats, zijne woning, de woning zijner keuze, daar hg voor den hemel bestemd — en dit voord en hemel der apostelen — uit eigen verkiezing zich in de vreeselijkste plaats der hel geworpen heeft. Welk een punt ter overweging voor allen, doch vooral voor hem, op wien het lot valt. Zoo hij, van de eene zijde, God moest danken die, door eene onverdiende barmhartigheid, hem stelde onder het getal der mannen, door Hem bestemd om het heelal te veroveren: moest hij van de andere niet beven bij het denken aan hem, wiens plaats hij innam ? Zeer waarschijnlijk bleef die herinnering altijd in zijnen geest, en werd zij de grondslag tot eene volhardende getrouwheid aan de plichten, hem door deze verkiezing opgelegd. Aldus valt een apostel, een andere vervangt zijne plaats; een volk verliest het geloof, een ander omhelst het; eene ziel verflauwt en vervalt in misdaad, een zondaar bekeert zich en wordt een heilige. Zoo deze gedachte mijn hoogmoed niet geneest, dan is deze ongeneesbaar.

Vragen wij God die oprechte nederigheid, eenige ware steun van eene hoop, die nooit beschaamd kan worden, en wekken wij in ons de begeerte op, om naar best vermogen mede te werken tot de heiliging der priesters, hetgeen de eerste zorg der Kerk is. Het is voornamelijk tot dit einde, dat het vasten der quatertemperdagen werd ingesteld. Het is om over hare priesterschap de rijkste gaven van den H. Geest af te trekken, dat zij zoo vele en zulke treffende gebeden bij de priesterwijding doet; zij houdt niet op haar te bevelen aan de voorspraak

-ocr page 12-

12

der H. Maagd. Sancta Maria, interveni pro clero. (1) Zij verhaast hare intrede in den hemel door een byzonder gebed in de H. Mis voor de overledenen. De hoop der Kerk, rust na God, geheel op hare priesterschap, van haar verwacht zij de verheerlijking van haren goddelijken Bruidegom en de zaligheid harer kinderen. Bidden wij voor de priesters en laten wij voor hen bidden. De H. Theresia zeo-de tot hare dochters: »Vraagt aan God twee

O O

zaken; de eerste dat Hij den aanvoerders zijner Kerk een heldhaftigen moed verleene, de tweede dat Hij hen versterke in den strijd; en hunne ooren sluite voor den zang der verleiding. Geloof mij, geen gebed is beter, noch voordeeliger.

3dlt;! OVERWEGING.

19 Maart.

h. jozef. zijne voorrechten en zijne geootheiu.

I. Als Bruidegom van Maria.

II. Als voedstervader van Jezus.

I Punt. Voorrechten van den H. Jozef, als Bruidegom van Maria. Dit is zijn eerste titel op onze vereering en onze kinderlijke gelukwenschen. Al de glans, waarmede de H. Maagd schittert ia het oog des geloofs, straalt op haren Bruidegom terug. Kan men zich eene volmaakter vereeniging voorstellen ? Hoedanig moest hij zijn, dien de Heer

(1) Weg der volmaaktheid. C. 3.

-ocr page 13-

13

zelf verkoos tusschen alle mannen, om liet lot zijner moeder te deelen? Deze kens verheft den H. Jozef tot eene bijna even onbegrijpelijke waardigheid als die der Moeder Gods. O hoeveel eer, hoeveel zaligheid ligt voor hem besloten in die twee woorden: gt;•gt; Virum Maritz.quot; Hij was de man van Maria. Maria, dat schepsel van eene geheel goddelijke orde, door zooveel buitengewone voorrechten onderscheiden; eene onbevlekte ontvangenis, een maagdelijk moederschap, een dood uit liefde, eene vervroegde verrijzenis, een zegepralende intocht in den hemel! Maria, die vereeniging aller deugden, aller volmaaktheden, aller gaven der natuur en der genade, Maria, die alle leeraren, alle talen, alle geslachten geprezen hebben en in eeuwigheid prijzen zullen. Maria ontving uit Gods hand een Bruidegom harer waardig, en die Bruidegom is Jozef. Neen, deze man heeft nooit zijn gelijke gevonden in glorie en geluk!

Heiliga Jozef! ik begrijp dat gij den troon van David, de kroon van Juda niet betreurdet! de hoedanigheid van Bruidegom van Maria was U meer dan alle tronen van het heelal! Zeg ons welk een bruidschat uwe bewonderenswaardige Bruid u aanbracht en de onschatbare vruchten, welke gij uit deze heilige vereeniging trokt. Zeg ons welke schatten van genaden u de bijna voortdurende, dertigjarige tegenwoordigheid, de omgang, het gebed, de vurige liefde verschaften, van haar in wie God de volheid zyner gaven gestort had en die, u als haar Bruidegom beminnende, geen enkel voorrecht bezat, dat zij niet met u zocht te deelen, voor zooveel dit iu baar

-ocr page 14-

14

vermogen lag. Haar grootste rijkdom was hare liefde tot God. O hoe zeer brandde zij van verlangen om dit in aller hart uit te storten, doch met welke vlammen deed zij niet het uwe branden, uw hart dat het voorwerp van haren ijver, en zoo wel bereid was tot het ontvangen der goddelijke gunsten. Als man van Maria, is Jozef het hoofd der heilige Familie. Niets geschiedt aldaar, dan door zijn bevel en onder zijne leiding. Tot hem wenden zich de engelen, hetzij er sprake is van naar Egypte te vluchten of naar Judea weder te keeren; aan hem wordt de naam geopenbaard, dien het goddelijk Kind dragen moet. God heeft hem gesteld tot hoofd van zijn huis, tot heer en meester over Maria, die ten zijnen opzichte met de grootste nauwgezetheid, de wet der gehoorzaamheid aan elke huisvrouw opgelegd, nakomt,. Hij vertrouwt hem wat Hij het dierbaarst heeft. Hij stelt hem aan tot zgn plaatsvervanger, zijn bedienaar in het geleiden van een geheim, waarvan het uur der openbaring voor de wereld nog niet gekomen is. Hoe moet ik hem vereeren, wien Maria, de engelen, ja God zelf zooveel eer bewezen hebben?

Als man van Maria, was Jozef haar voornaamste

weldoener; hij redde hare eer, haar leven..... Hij

verkreeg tallooze titels op hare dankbaarheid, door al hetgeen hij voor haar en haren Zoon leed. Religieuze ziel, gij verplicht ook de verheven Maagd, gij verheugt haar hart, als zij u meer dan hare glorie te danken heeft, de glorie van haren Jezus, zoo gij dien zooveel u mogelijk is, doet kennen, beminnen en dienen.

-ocr page 15-

15

II Punt. Voorrechten van Jozef al a voedstervader van Jezus. Deze titel vloeit voort uit den eersie; was hij de man van Maria, zegt de H. Hijeronimus, dan is hij de vader van God. Hier vooral staat de geest verstomd bij het beschouwen der grootheid van dien onvergelijkelijken heilige. Hij staat daar, als het ware, deelende in de glorie van het goddelijk vaderschap, daar hij de vader is van een zoon, die tevens de eenige Zoon Gods is; vader, zeggen de heilige leeraren, niet slechts door enkele benaming, doch door machtiging van den eeuwigen Vader, die hem op het menschgeworden Woord het recht geeft van een vader op zijnen zoon; vader door de kracht van den H. Geest, die in hem het vaderhart geschapen heeft, met al deszelfs toewijding en teederheid. Wat hij niet was door de natuur, wordt hij door de genade. Even als Maria wordt hij door bewondering vervuld bij het hooren der groote zaken, welke het aanbiddelijk Kind zal volbrengen! Met haar wordt hij in droefheid gedompeld, als hij meent Jezus verloren te hebben. Met welken angst, met welke bange zorg zoekt hij Hem in Jerusalem. Men meent zijne zuchten, zijne klachten te hooren in de straten der stad. »Waar is Hij? waar is het kostbaar onderpand mij door den hemel toevertrouwd?quot; Hoe levendig is zijne droefheid, hoewel kende Maria zijn hart toen zij tot haren wedergevonden Jezus zegde: Zie, uw vader en ik zochten U met smarte. Bewonderenswaardig vaderschap, hoeveel recht geeft het den H. Jozef niet op onze liefde! Kan hij de vader worden van Gods Zoon, zonder tevens vader te worden van zijne aangenomen kinderen? Kan Jezus\' vader

I

-ocr page 16-

hen, die Jezus als zijne broeders beschouwt, anders aanzien dan als zijne kinderen? Ja, groote heilige gij hadt een vaderhart voor het menschgeworden Woord, gij hebt vaderlijke ingewanden voor allen die in Hem en door Hem kinderen Gods geworden zijn. Wij willen deelen in de gevoelens van Jezus voor U; te weten in zijne liefde, zijnen eerbied, zijn onbepaald kinderlijk vertrouwen.

Overwegen wij nog de bewonderenswaardige gunsten, welke voor den H. Jozef uit zijn glorievol vaderschap voortvloeiden; er is geene enkele, waarin wij niet eenig deel kunnen hebben.

Als vader van Jezus is hij gelast Hem te voeden. Hij, die eiken hongerige spijst, ontvangt zelf zijn dagelijksch brood uit de hand van een armen handwerksman , Jozef onderhoudt Jezus in het zweet zgns aanschijns, doch welk een troost ligt voor hem te midden zgner vermoeienis in deze gedachte; Ik onderhoud een leven, dat de wereld moet redden. En ik, kan ik ook Jezus niet voeden in den persoon zijner armen? Heeft Hij niet gezegd; Voor zooveel gij dit aan één van deze mijne geringste broeders gedaan heit, hebt gij aan mij gedaan.quot; Zal Hg in den jongsten dag niet zeggen: Ik had honger en gij gaaft mij te eten1? Heeft Hij geen honger, geen dorst in den persoon der lijdende zielen des vagevuurs ?

In hoedanigheid van Vader van Tezus, is Joze: gelast Hem te besturen. Hij geleidt uitwendig Hem die de wereld bestuurt met oneindige wijsheid, Hij beveelt Hem, wiens bevelen in den hemel en op aarde door alle schepselen volbracht worden; en Hij was hun onderdanig. Waarom hebben de geschied

chrij^

de acl ;énscl aart een G schen ons r in on wijde elf, niel Konii niet i

Ah verde iader onttr beho( elf msch ebec ijnei et

wee( Al lem art ier et oen 0 w lart

-ocr page 17-

17

gun-•ievol aarin

3den.

zijn and-zijus hem ; Ik den.

fcescherm zijn leven in de zielen, als ik, door mijn der* Ir56^\' m^nei1 raalt;^\' mij n voorbeeld, eene overtreding . . tijner wet door een zijner leerlingen belet; volgens ^ 111 ir16^ woord van Paulus, spaar ik Hem voor eene ■tweede kruisiging.

rgQu || o o

irs? I va^er van Jezusi ontvangt Jozef eindelijk van Hem die bewijzen van teederheid, welke het ouderlijk lart verheugen. Treden wij met eerbied het verblijf ier H. Familie binnen, beschouwen wij Jozef met iet Kind Jezus in zijne armen, dat hem zijn vader noemt, hem liefkoost, en zijne lief-kozingen uitlokt. ) welke vreugd genoot alsdan dit gelukkig vader-lart! Doch is de christen, die communiceert, de reli-ch. iv. 2

;chrijvers slechts deze drie woorden te zeggen van de achttien jaren eens levens, dat slechts eene aan-éénschakeling van wonderen was? Zij willen ons daarblijkelijk het groote wonder doen opmerken van «n God, die zoo lang, zoo volmaakt aan de men-chen gehoorzaamt, een wonder, dat trouwens in ons midden wordt voortgezet. Wat toch zien wij in onze tempels? Wie is het, die zich aan de gewijde bedienaars onderwerpt? Wat zeg ik? Als ik zelf, eenvoudig religieus aan de heilige Tafel neder-kniel, is dit als het ware niet een bevel, dat ik den Koning van het heelal geef? Gehoorzaamt Hij daaraan niet altijd?

Als Vader van Jezus, is Jozef belast Hem te verdedigen en zoo noodig te redden. Hij redt Hem inderdaad, als hij Hem aan de woede van Herodes onttrekt. Deze eer zal ten minste hem alleen toe-behooren? Neen, indien ik ijver heb, dan ben ik self de beschermer, ja, de redder van Jezus. Ik

ozef lem

Hij

op

Hij ed-

-ocr page 18-

18

gieus, die zoo dikwijls communiceert, minder dan Jozef bevoorrecht? Hij bezit deuzelfden schat, hij bezit dien inniger. O mijn God, geef mij de zuiverheid van dien grooten heilige en ik zal hem niets meer te benijden hebben.

4de OVERWEGING.

dllie deügden van den h. jozef , ons meer bijzonder ter navolging voorgesteld.

I. Zijn levendig geloof.

II. Zijne nederigheid.

III. Zijne hoop.

I Punt. Het geloof van den H. Jozef. Als God, zegt de H. Bernardus, iemand tot eeae hoogs bediening roept, dan versiert Hij hem met alle gaven die tot zijne roeping behooren en hem in staat stellen die waardiglijk te vervullen. Alvorens tot de waardigheid van Bruidegom van Maria verheven te worden

o o

was Jozef hiertoe bereid door de gave van een bewonderenswaardig geloof. Het geluk van Maria was geloofd te hebben. Beat a quae credidisti. Dit was ook het geluk van Jozef.

Hij gelooft, dat door de goddelijke macht het vruchtbaarste moederschap niet onbestaanbaar is met de volmaaktste maagdelijkheid, en dat Maria voorbestemd is om dit wonder te verwezenlijken. Hij gelooft, dat dit arme kind, dat daar in een sta geboren wordt, dit zwakke, hulpbehoevende, van

alles Schep de scl de Zc

reddei een n eenvo bestei de w dat volst: de d [)e e verdi dat zich dien hem diep Wo( H hem Jezi terv stoi die tha de gel zie] wa tin

-ocr page 19-

19

alles ontbloot wicht, de Koning der koningen, de Schepper van het heelal, de vreugde der engelen, de schrik der helsche geesten is... Hij gelooft, dat de Zoon Gods, op de wereld gekomen om haar te redden, zich zoo ver vernederd heeft van zelf door een mensch gered te willen worden en dat hij, Jozef, eenvoudig timmerman, tot deze roemvolle bediening bestemd, Hem naar Egypte moet overbrengen, door de woestijn heen, hoewel alles schijnt aan te duiden dat deze weg niet slechts gevaarlijk, doch bijna volstrekt onbegaanbaar is. Hij gelooft, ondanks de duisternis, ondanks de schijnbare onmogelijkheid. De eenvoudigheid van zijn geloof, die deszelfs grootste verdienste uitmaakt, verwerft hem dit levendig licht, dat deszelfs belooning zal uitmaken. God vertoont zich bijna altijd zonder sluier aan dien getrouwen dienaar. Hij openbaart hem zijne geheimen, deelt hem zijne plannen mede, doet hem treden in de diepte van het geheim van het menschgeworden Woord.

Hieruit ontstond die innige godsdienstigheid, welke hem nooit begaf in zijne betrekkingen met het Kind Jezus, in het gezag zelfs, dat hij over Hem uitoefent; terwijl hij beveelt, aanbidt hij Hem. Hieruit ontstond ook die zoete en aanhoudende beschouwing, die vreugde van het toekomstig leven, waarvan hij thans reeds den voorsmaak geniet. De heiligheid en de gelukzaligheid zijn de vruchten van het levendig geloof. Door het geloof gelooven wij wat wij niet zien, door het levendig geloof zien wij , als het ware, wat wij gelooven. Het geloof, zegt de H. Augus-tinus, is de blik des harten. Indien het hart zuive1

-ocr page 20-

20

is, is de blik dooi-dringend, hij doorboort de wolk, hij ziet iets van de goddelijke volmaaktheden. On-raiddelijk ontvlamt de liefde, eu is de liefde Gods niet de volmaaktheid der aarde en het geluk des hemels? O welk eene kostbare gift is het levendig geloof, vooral in de deelneming aan de H. Geheimen. Hoe zullen wij aan den voet des altaars bezield zijn met dien eerbied en die godsdienstige siddering, welke de tegenwoordigheid van Jezus ons moet inboezemen, indien wij als het ware de stralen zijner glorie niet bemerken, door den schijn heen, die Hem aan de oogen van ons vleeseh verbergt?

II Punt. De. nederigheid van Jezus. Twee zaken, welke in eene ziel, öf minder verlicht öf minder getrouw dan de zijne, deze deugd tot ondergang verstrekt zouden hebben, strekten in hem slechts om ze volmaakter te doen worden. De vernedering, waaraan God hem onderwierp, en de gunsten waarmede Hij hem overlaadde. Hij is gesproten uit het doorluchtigst geslacht van het heelal, uit dat, waaruit der wereld een Verlosser moet geboren worden; hij telt drie-en-twintig koningen onder zijne voorzaten, en om niet van gebrek om te komen, moet hij een nederig handwerk te baat nemen, in dezelfde streken, waar zijne voorvaderen den schepter voerden. Hij moet zich ter beschikking stellen, zich onderwerpen aan de luimen, aan de hardvochtigheid, aan de verachting der minsten van zijn volk, hun dankbaar zijn als het ware, wanneer zij zich gewaardigen zich van zijne armen te bedienen, hem zijn dagloon te betalen... Ziedaar het lot hem door de Voorzienigheid beschikt; beklaagt hij zich er over? Hij omhelst

-ocr page 21-

21

het uit ganschcr harte. Nooit spreekt hij van zijne geboorte; hij wil doorgaan voor een man uit de heffe des volks, bekend onder den naam van een zeer gewoon handwerksman. Hij heeft geene andere eerzucht dan zich voor het oog der wereld te verbergen, ten einde zijnen God getrouwer te kunnen wezen. Doch de gunsten, waarmede God hem overlaadde , waren voor zijne nederigheid eene nog gevaarlijker beproeving.

Jozef is in bezit van een geheim, dat voor geheel het menschelijk geslacht van het hoogste belang is. Indien hij het geheim van een menschgewordeu God openbaar maakte, welke achting zou hij niet op zich trekken, terwijl hij terzelfder tijd den Zaligmaker de rechtmatigste hulde verschafte? Waarom vertrouwt hij dit aan niemand, zelfs niet aan bescheiden vrienden? Het schijnt toch, alsof hij tot glorie van God, tot vervulling zijner plannen, der wereld moest mededeelen wat hij wist. De zoo vurig afgebeden Messias was niet op aarde gedaald, om daar- onbekend te blijven. Hij moest vroeg of laat bekend worden en kon dit wel te vroeg zijn? Hoe vele redenen tot spreken ; hoevele voorwendselen zou eene vindingrijke eigenliefde ons in dergelijke omstandigheden niet ingeblazen hebben! Jozef zwijgt; hem is het niet opgedragen den Messias te doen kennen. Hij is daarentegen belast Bem door zijne eigene verborgenheid te dekken tot het uur ter zijner veropenbaring bestemd. Hij sluit zich op in de hem aangewezen bediening en stelt zich tevreden zijn geluk in stilte te genieten. O Jozef, ik vereer in u die verborgenheid, waarin de goddelijke Majesteit

-ocr page 22-

22

zich verbergt. Verkrijg mij de genade die les, welke gij zoo volmaaktelijk in oefening hebt gebracht, wel te begrijpen en te smaken: Wil gaarne onbekend zijn en voor niets geacht worden; die les, waarvoor mijn hoogmoed steeds terugdeinst. Verkrijg mij die nederigheid, welke het schoonste sieraad uitmaakt

O 7

eener christelijke en religieuze ziel, dit beginsel aller genaden, die bron aller goederen.

Ill PüNT. Hoop van den H. Jozef. Wel verre van haar te doen wankelen, wordt de hoop door tegenspraak en rampspoed bevestigd. Men kan van Jozef zeggen even als van Abraham, dat hij hoopte tegen alle hoop in. De armoede was zijne kleinste beproeving, hij gevoelde hare gestrengheid slechts in de behoefte en het lijden, welke Jezus en Maria hierdoor ten deel werden. Ach, hoe zwaar viel het hem te Bethlehem zijner maagdelijke Bruid geen ander verblijf te kunnen aanbieden, dan een verlaten stal, toen zij op het punt stond der wereld een Verlosser te schenken. Toen zelfs verliet het vertrouwen op de goddelijke Voorzienigheid hem niet en nooit werd zij beter beloond: die zoo treurig begonnen nacht, zal het hart van Jozef en van Maria met de onuitsprekelijkste vreugde vervullen.

Gaf hij, toen de engel hem beval naar Egypte te vluchten, zich de moeite hem te vragen wie hem tot gids zou strekken, wie de reiskosten zou betalen , wie voor het levensonderhoud van de moeder en het kind zorgen zou, in een land, dat hem niet de minste hulpbronnen bood?... Hij vraagt zelfs niet hoelang deze ballingschap moet duren; God beveelt, dit is hem genoeg.

-ocr page 23-

23

De smartelijkste zijner beproevingen was ongetwijfeld de vreeselijke zielsangst, waarin de gevolgen van een liem nog onbekend geheim hem stortte ten opzichte der H. Maagd. De schijn beschuldigt haar, die hij met recht als het volmaaktste aller schepselen beschouwt. Hij zoekt troost en raad bij God en in het gebed. Neen, hij zal in zulk eene wettige droefheid niet verlaten worden. Hoe gelukkig is voor hem dat oogenblik, waarop de engel hem komt zeggen: » Jozef, zoon van David, schroom niet Maria, uwe vrouw, tot u te nemen; want wat in haar geboren is, is van den H. Geest.quot; O hemelsche hoop, gij zijt de deugd der groote zielen, zijn wij op bevel des hemels in eenige moeielijke omstandigheid , zoo moeten wij noch de gevaren, noch de tegenwerking vreezen, doch alleen onze kleinmoedigheid. Een man van geloof, verzekert zich van datgene wat God wil, en vervolgens verheft hij zich boven alle vrees, boven alle zoogenaamde onmogelijkheid. Hij smaakt zelfs een zeker genoegen, allen mensche-lijken steun te ontberen, ten einde zich met meer vertrouwen in de armen der V oorzienigheid te kunnen werpen. Men denke slechts aan een Franciscus Xave-verius, een Vincentius van Paulo, eene H. Theresia en zooveel andere. Niets vereert zoo zeer de almacht Gods, zegt de H. Bernardus, als de almacht, welke Hij geeft aan hen, die in Hem hopen. Waarom heb ik mij-zelven zoolang de verdiensten en de zoetheid onttrokken eener deugd, welke in de ziel zooveel rust, zooveel kracht, zooveel troost te weeg brengt?

-ocr page 24-

24

5de OVERWEGING.

21 Maart.

h. benedictus.

I. Het leven in den dood.

II. De rijkdom in de armoede.

III. De glorie in de diepste verborgenheid.

I Punt. Wonder van genade ten opzichte van den H. Benedictus, die het leven vindt in den dood. Hadde hij de wereld slechts verlaten om te ontsnappen aan de gevaren, welke de deugd daar ontmoet, en veiliger aan zijne volmaaktheid te werken, dan had hij eene minder woeste afzondering kunnen kiezen, minder gestrenge boetpleging kunnen oefenen; doch als men een vijftienjarig jongeling, tot dusverre in het ouderlijk huis met al de zorg der weelde omringd, zich in eene vreeselijke woestijn ziet afzonderen, zonder iemand anders dan God alleen te raadplegen; in eene woestijn, waar hij slechts de wilde dieren tot gezelschap, de spelonk tot woning, de rots tot rustplaats, een hard boetekleed tot dekking, en bijna geen ander voedsel dan bittere kruiden zal hebben; dan besluit men, uit deze voorbereiding der Voorzienigheid, dat God een wonder van heiligheid van hem wil maken, en hem in ruil van het sterfelijk leven, dat hij ten ofier brengt, een geheel bovennatuurlijk leven schenken wil.

Inderdaad, wat gebeurde? Niet alleen hebben buitengewone gestrengheden , die zijne krachten in weinige

-ocr page 25-

i

25

B dagen hadden moeten uitputten, die bewaard en vermeerderd; doch men kon eenigermate van die

spelonk, waarin hij zich levend begraven had, zeggen, wat een leeraar heeft gezegd van het graf des Zaligmakers: »Het huis des doods wordt voor Hem de woning van het leven. De rotsholte is de boezem eener wondervolle moeder, die een doode ontvangt en een levende baart.quot; (1) De moedige jongeling voert zijn voornemen uit van te sterven aan alles en aan zich-zelven, om slechts te leven voor God, en God geeft hem met woeker terug, wat hij voor Hem opoffert. Met de gezondheid, geeft Hij hem meer wetenschap, en eene wetenschap duizendmaal kostbaarder, dan die hij zou verworven hebben aan al de universiteiten van de wereld. Hij maakt hem tot meester van een volk van heiligen en geleerden. Kan men denken aan de kinderen van Benedictus en aan hunne werken, zonder verwonderd te staan over de saprijkheid van dien wortel, waaruit zulke schoten oprezen, en die zulke heerlijke vruchten heeft voortgebracht?

Wat weerhoudt ons in onze traagheid en lauwheid? Bijna altijd de dwaze gedachte, dat men God te veel moet geven, om te verdienen, dat Hij ons tot het geluk der heiligheid verheffe. Wij vreezen te verliezen bij eene ruiling, waarbij alles voordeel voor ons is. Mijne ziel, begrijp toch eens dat de dood ons tot het leven brengt, dat, hoe meer gij u onthecht van uwe menschelijke beweegreden, hoe meer gij door de hemelsche zegeningen overladen zult worden.

(1) Petr. Chrys.

! S ?

-ocr page 26-

26

II Pdnï. Wonder van genade in den H. Benedictus, die rijkdom vindt in de armoede. Hij kon zich alle voorrecliten beloven, welke de menschen zoeken in fortuin, in talenten, in aanzien en macht, hij verzaakte daaraan uit liefde tot Jezus-Christus. Wat deed de Zaligmaker om hem te beloonen? Hij behandelde hem, gelijk zijne Apostelen en scheen hem , gelijk eens tot hen, te zeggen: Volg mij, mijn welbeminde arme; daar gij niets hebt, zijt gij het best geschikt, om door mijne weldaden verrijkt te worden. Hoe overvloediger de bron vloeit, des te lediger moet het vat zijn, dat men er bij brengt. (1) Omdat hij het vaderlijk erfdeel veracht, om den Zaligmaker van nabij te volgen — den Zaligmaker, die geen steen bezat, waarop Hij zijn hoofd kon laten rusten — openden de rijken dezer aarde hem hunne schatten. Doch, even als de Apostelen, die, wanneer de geloovigen de opbrengst hunner goederen aan hunne voeten wierpen, deze slechts besteedden tot ondersteuning hunner broeders, zoo ontving Benedictus slechts met ééne hand om met de andere te geven en hij bleef voor zich-zelven zoo arm, als hadde hij niets ontvangen. Doch benijden wij hem veeleer een ander honderdvoud, dan die geestelijke goederen, waarmede hij zoo overvloedig gezegend werd. De H. Gregorius heeft van onzen gelukzaligen Vader gezegd, dat hij vervuld werd met den geest van alle rechtvaardigen, dat wil zeggen, dat de Heer in zijn persoon die verschillende gaven vereenigde, welke Hij onder andere heiligen verdeelt, en wat

(1) S. Aug.

-ocr page 27-

27

1

het meest te bewonderen is, is dat Benedictus zijne spelonk verliet, versierd met al de rijkdommen dei-genade , door een soort van herschepping geleerd zonder gestudeerd te hebben, leeraar zonder geleerd te hebben, wetgever zonder eenige andere wet dan die van het Evangelie gelezen te hebben, volmaakt bestierder zonder ooit bestierd te zijn geworden. De genade gaf hem den geest van bestuur, gelijk aan Mozes, van voorzegging gelijk aan Elias en Elizeus, van ijver gelijk aan de Apostelen. Om volmaakter dienaar Gods te zijn, had hij de macht en de waardigheden versmaad, waartoe zijne geboorte hem bestemde. God bekleedde hem met eene bijna volstrekte macht over de schepselen. De dieren, de elementen, de duivelen gehoorzamen hem, de dooden staan op bij zijne stem. Hij doet mirakelen en verleent de macht om mirakelen te doen. O welk een goeden Meester dienen wij! Werpen wij alle zorgen in zijnen schoot, en ten einde aan de inwerking zijner genade op ons volledige vrijheid te laten, onthechten wij ons van alles, zelfs van ons zeiven.

III Punt. Wonderen der genade in den H. Benedictus, die eene onvergelijkelijke glorie vindt in de diepste verborgenheid. Vol minachting voor zich-zelven, had hij zich in de onmogelijkheid gesteld, uit zich-zelven iets te ondernemen, en God verkiest hem tot uitwerking zijner grootsche en heerlijkste plannen. Hoe meer hij zich verbergt, hoe meer de Voorzienigheid hem doet schitteren. Hij onttrekt zich aan de blikken zijner eeuw, en hij wordt een voorwerp van vereering voor alle eeuwen; hij vlucht de wereld

.

i

liill ,ni • \'lil •villi

fi • r\' ••

i i

-ocr page 28-

28

en de aanzienlijkste personen zoeken hem op in zijne woestijn. Vorsten en bisschoppen raadplegen hem als eene godspraak. Door de grooten geëerbiedigd, door de kleinen bemind, doet hij zich vreezen door hen, die alom vrees verspreiden. Men herinnere zich Totila in tegenwoordigheid van den nederigen kluizenaar. Doch niets strekt Benedictus meer tot eer, dan de stichting eener beroemde orde, die zich zoo snel door geheel Europa verspreidde en dei-Kerk zoo nuttig geweest is door hare schrijvers, hare Apostelen, hare martelaren en eene reeks van heilige opperpriesters en bisschoppen.

Vereeren wij dezen doorluchtigen meester van het kloosterlijk en religieus leven. Vragen wij, terwijl wij hem aanroepen, tevens de voorspraak van die tallooze schaar gelukzaligen, die, zijn voetspoor volgende , gekomen zijn tot het rijk van glorie, langs dien schitterenden weg, hun door hem afgebakend. En bouwen wij, even als de thans zoo rijk gekroonde Benedictus en zijne leerlingen, het gebouw onzer heiliging op vier hechte kolommen: het gebed, den arbeid, de versterving der zinnen en het stilzwijgen.

-ocr page 29-

29

6de OVERWEGINQ.

25 Maart, maria boodschap.

I. De boodschap door den Hemel aan Maria gezonden.

II. Hoe de H. Maagd deze eer ontvangt.

III. Grootheid van ziel, welke zij in dit geheim ten toon spreidt.

1. Verplaatsen wij ons in den geest in de woning der Allerheiligste Maagd te Nazareth. Beschouwen wij aandachtig dit armoedig vertrek, deszelfs afmetingen en meubelen. Dit is de tempel, waarin het g.roote geheim der menschwording zal plaats vinden. Maria bidt.

2. Vragen wij door de voorspraak der Onbevlekte Maagd, de genade van te mogen deelen in hare heilige gesteltenissen, vooral op het oogenblik dat wij Hem gaan ontvangen, wier moeder zij nu gaat worden.

I Punt. De Hemel zendt eene boodschap tol Maria. Plechtigheid, voorwerp, doel dezer zending. Gabriël, de kracht Gods, is de hemelbode en het is God, die hem zendt; Missus a Deo; de geheele hemel is oplettend op de groote gebeurtenis, die plaats gaat grijpen, hoewel de hemel er minder belang bij hebbe dan de aarde.

Wat moet er gebeuren? Het menschelijk geslacht, in den persoon van Adam gevallen, moet opgebeurd worden; God moet met den mensch verzoend worden.

-ocr page 30-

30

De H. Drievuldigheid zegt niet gelijk eertijds: »Laat ons den mensch maken naar onze gelijkenis.quot; Zij zegt: »Laat ons God maken naar \'s menschen gelijkenis.quot; Maken wij den God-mensch, en dat door Hetu de ondergang van het schuldig menschdom hersteld worde. De rechtvaardigheid heeft uitgeschitterd in de bestraffing van de weerspannige engelen; dat de barmhartigheid zich nu openbare in de zaligheid der menschen.... O wonder van liefde, o onverhoopte weldaad. De persoon van het Woord zal ons verlossen van de hel, en onze natuur plaatsen op den troon der Godheid zelve.

Wat is het doel der zending? Waarheen snelt de vorst des hemels? Aan wien denkt men, dat hij de verhevenste eer gaat aanbieden, die God zelf bieden kan? Even als thans waren er toen edele prinsessen in vorstelijk purper gehuld, met goud en diamanten bedekt.... De schepper van het heelal zoekt eene moeder op deze wereld; Hij zoekt haar niet in paleizen, noch in al datgene, wat in onze oogen schittert. Heden wordt het woord van Daniël bewaarheid, als hij ons God voorstelt, gezeten op de Cherubijnen, en zijn blik werpende in den afgrond. In een afgrond van nederigheid en vernietiging dompelt zich de blik, der aanbiddelijke Drievuldigheid, om eene plaats te zoeken voor een vernederden en vernietigden God. O mijne ziel, willen wij den blik van welbehagen des Allerhoogsten op ons trekken, zoo moeten wij ons diep, diep vernederen.

Een aartsengel wordt dus gezonden! tot wie? Tot eene maagd, die, in het oog der wereld slechts de echtgenoote is van een nederig handwerksman, en

-ocr page 31-

31

die in hare eigen oogen nog minder, ja niets is. Het is in Haar en ten haren gunste, dat de Almachtige zulke groote zaken wil uitwerken! Met welke voorkomendheid behandelt Hij Haar! Hij zendt Haar den engel Gabriël, niet om Haar bevelen te geven, doch om hare toestemming te vragen. Hij gewaardigt zich met Maria te onderhandelen omtrent datgene wat een volstrekt gebod zijn kon. Hoe zal zij het gewicht der zoo onvoorziene en onbegrijpelijke grootheid, die men haar aankondigt, dragen?

H Punt. Maria ontvangt de hemelse]te boodschap en de eer van het goddelijk moederschap. Overwegen wy de woorden des engels en het antwoord der H. Maagd. In de eerste vinden wij het grootste wat de Hemel kan aanbieden, in de tweede wat de genade heiligst kan voortbrengen. De engel zegt haar: Wees gegroet, Gij vol van genade, de Heer is met U; gij zijt de gezegendste der vrouwen. Welke lof in deze weinige woorden! Maria moest die ge-looven. God sprak haar die toe, door den mond van zijn gezant. Wij, zoo verblind, zoo vol ellende, misschien alle vervloeking waardig, wij gelooven zoo gaarne elk woord dat ons vleit, van welke zijde bet ons ook moge komen. Maria verontrust zich, omdat de Hemel haar een lof toespreekt, die haar toekomt en ik ontstel als men mij een lof weigert, dien ik des te minder waardig ben, naarmate ik vermeen dien te verdienen... Hare ontsteltenis was het gevolg harer nederigheid, en wat bewijst de mijne anders dan mijn hoogmoed? Maria overlegt in zich-zelve wat die lof kan beduiden? Welk eene voorzichtigheid? En ik geef mij onvoorzichtig over aan de

-ocr page 32-

vreugde en tevredenheid, als mijn arbeid slaagt, als de achting der menschen mijne eigenliefde streelt. Welke waanzin en welk gevaar!

De engel haast zich de H. Maagd gerust te stellen, » Vrees niet Maria.\'quot;. Wat kan men vreezen als men genade heeft gevonden bij God ? Wat kon zij vreezen, zij die welbeminde Bruid des Heeren? Zij, die vernomen heeft dat zij voorbeschikt is om de Moeder van den Messias te worden, dat haar zoon zal heer-schen niet slechts over het huis van Jacob, doch over het heelal en dat zijn rijk geen einde zal hebben! Nochtans is Maria nog niet geheel gerust gesteld; zij is maagd, zij is vast besloten maagd te blijven; hoe zal die grootheid, welke men Haar aankondigt zich laten vereenigen met een besluit, dat zij genomen heeft, waar zij nooit van af wil wijken! Quomodo jiet istud, quoniam virum non cognosco ? Er ligt in hare vraag noch twijfel, noch mistrouwen; zij gelooft reeds te voren alles wat de hemelbode haar zal zeggen. Haar woord is slechts de uitdrukking harer groote liefde voor de zuiverheid.

Maagd der Maagden, hoe aangenaam is deze gesteltenis van uw hart aan God, hoezeer beantwoordt zij aan zijne plannen over ü. Gabriël legt Haar het onuitsprekelijk geheim uit. Maria geeft hare toestemming in eonige weinige woorden, die ons al hare deugden doen zien; haar geloof, hare nederigheid , hare gehoorzaamheid, hare liefde tot God, hare vurige begeerte om mede te werken aan de zaligheid der menschen, doch bijzonder hare buitengewone grootmoedigheid.

-ocr page 33-

33

III Punt. Grootheid van ziel in het Geheim der Menschwording. Deze toont zich evenzeer in de weigering, die Maria gereed was te doen, en het verzaken aan het goddelijk Moederschap , als in het aannemen daarvan. De heilige Leeraars verklaren, dat Maria zoo zij geen maagd en moeder tegelijk hadde kunnen zijn, liever zoude gebleven zijn wat zij was. Maria dacht met recht, dat de genade, die ons heilig en aangenaam maakt in Gods oog, verkieselijk is boven die, welke ons slechts verheft. Doch welk eene edelmoedigheid van ziel doet een dergelijk besluit veronderstellen! Beter verlicht dan alle engelen, kende Maria den prijs van hetgeen zij op het punt stond te weigeren. O Koningin der Maagden , anderen zullen ü navolgen, zullen wandelen onder de banier, die Gij verheft; doch is haar moed lofwaardig, hoe zal men dan uwen moed naar behooren kunnen prijzen? Zij willen maagd blijven om de Bruid des Heeren te worden, en Gij, om maagd te blijven, zoudt Gij verzaakt hebben aan het geluk zijne moeder te worden. Hoeveel grootheid van ziel was er noodig om zulk eene moederschap te weigeren!

Geen mindere was er noodig om het aan te nemen. Maria bedroog zich niet omtrent de gevolgen, welke voor haar de gevraagde toestemming hebben moest. Zij wist, dat zij hierdoor hare rust, haar leven, een Zoon opofferde, voor wien zij duizendmaal haar leven wilde geven. Zij had in de profetiën geheel de geschiedenis van den Messias gelezen; zij had zijn offer begrepen. Welke zielskracht behoefde zij niet om het zware gewicht der naderende weeën te omhelzen. O Maagd, gij zult den beminnelijkste aller ch. iv. 3

-ocr page 34-

34

zonen ter wereld brengen, doch zijne beminnelijkheid zelve zal u tot droefheid strekken. Welk geluk kan u zijne tegenwoordigheid aanbrengen ? Nooit zult gij Hem beschouwen of zijn kruis en zijne schande, al de wreedheid van zijn lijden zullen zich terzelfder | tijd voor uwe blikken vertoonen! Ook als ik uw antwoord hoor: »Zie de dienstmaagd des Heeren.quot; Hij is de Meester, dat Hij over mij beschikke volgens zgn welbehagen, dan meen ik Jezus, in den hof van Olgven den lijdenskelk aannemende, zich uit liefde tot ons en den Vader te hooren opofferen. Het ontvangen van de onbegrijpelijkste eer is voor u de edelmoedigste aller mogelijke opofferingen.

O Maria, hoe ver ben ik van uwe deugd verwijderd?... Welk eene onbevlekte zuiverheid, welke heiligheid bewonder ik in u, zonder daarom op te houden mij met de Kerk te verwonderen, dat het Woord in uwen schoot heeft willen nederdalen. Doch hoeveel meer moet ik mij verwonderen, dat Jezus wel in mijn hart wil komen bij de H. Communie. O mijne Moeder, verkrijg mij ten minste die diepe nederigheid, waarin gij het begin en de oorzaak uwer verhevenheid erkent.

|

-ocr page 35-

35

7de OVERWEGING.

het wees gegroet.

I. De H. Geest leert ons door de woorden des engels en die der H. Elisabeth, hoe wij Maria moeten loven.

II. De H. Kerk leert ons door het gebed, dat zij er bijvoegt, hoe wij Maria moeten aanroepen.

I Punt. Leeren wij van den II. Geest, hoe wij fe

Maria moeten loven en eeren. Als men de woorden van den Engel en van Elisabeth doorgrondt, vindt men daarin eene onuitputtelijke bron van licht en van godvruchtige gevoelens.

1. Ave Maria. Zien wij eerst aan wie wij onze hulde bieden. Hoe is de naam van dat hooggeschat en dierbaar Wezen, dat wg met den vorst des hemels groeten. Hoe groot, hoe barmhartig, hoe lofwaardig zijt gij, o Maria. Men kan uw naam niet uitspreken,

zonder dat het hart ontvlamme; het is reeds genoeg dat zij die u beminnen, aan uwen naam denken,

om hun hart met vreugde en troost vervuld te gevoelen.

2. Gratia plena. Maria is vervuld met schoonheid en gratie. Salomo zag haar opstijgend, gelijk de dageraad. Doch de uitwendige gratie is slechts een weerschijn van de schoonheid harer ziel. Zij is geheel vervuld met hemelsche gaven, gratia plena.

Aan ons wordt de genade in mate uitgedeeld; zij is als een stroom gevloeid in het tabernakel des

-ocr page 36-

36

Heeren, om dit te heiligen en daarvan de fontein 1 aller heiliging te maken. Maria is vol van genade! door het voorrecht harer onbevlekte ontvangenis en door hare volmaakte medewerking met al die genaden, welke zij onophoudelijk heeft ontvangen van dit oogenblik af. Zij heeft genade voor zich-zelve, zij heeft genade voor ieder oazer, zegt de H. Thomas, en voor elke onzer ellenden.

8. Dominus Tecum. De Heer is met Maria. Hij helpt, Hij beschermt Haar, Hij deelt zich aan Haar] mede, in eene volheid, geëvenredigd aan hare verdiensten en hare verheven bestemming. Hij was met Haar op de innigste wijze vóór zijne menschwording, en hoeveel meer nog toen Hij negen maanden woonde in haren maagdelijken schoot, die reiner was dan de zon! O mijn God, als ik van de H. Tafel wederkeer , ben ik dan wel minder bevoorrecht dan uwe Moeder? Waar zijt Gij, Heer, in dit kostbaar oogenblik? Zegt mijn engel-bewaarder mij dan ook niet om mij mijn geluk te doen beseffen. De Heer is met u. En helaas! hoe ras vergeet ik dit. Ja, mijn God wees met mijnen geest om dien te verlichten, met mijn hart om het uit liefde te doen branden, wees altijd met mij in mijn streven, in mijne meening, in mijne beproevingen.... opdat ik altijd met ü moge zijn in uw eeuwig koninkrijk....

4. lienedwta tu in mulieribus. Wie zou in den Hemel en op aarde Maria niet loven? Wie zou haar niet verheffen, niet slechts boven alle vrouwen, maar boven alle heiligen en engelen? Werd ooit eeuig ander schepsel tot moeder Gods verkoren ? Eene andere moeder, wier goddelijk moederschap de kinderen

-ocr page 37-

37

aller moeders gered heeft? Wees dau gezegend, o heilige Maagd, voor die overvloedige voorrechten en geestelijke goederen, die wij in u bewonderen; wees gezegend voor die overvloedige barmhartigheid, waarmede Gij ons overlaadt, wees gezegend voor die oneindige waardigheid, waartoe de Zoon Gods u verheven heeft, door mensch te worden in uwen schoot; wees gezegend voor dien oumeetbaren straalkrans van glorie, die u in den hemel kroont.

5. »Et benedictus fructus ventris tui.quot; Deze woorden der H. Elisabeth zijn terzelfder tijd eene gelukwensching aan de heilige maagd Maria, en een loflied ter eere van Jezus-Christus. Maria is niets dan door- en om Jezus. Haar goddelyk moederschap is het brandpunt, waaruit de stralen schieten der glorie, die Haar omkroont. De Zoon is dus het einde, zoowel als het begin van al de eerbewijzingen aan de Moeder gebracht; tot Hem alleen keert de hulde terug, die wij den heiligen en der koningin aller heiligen bewijzen. Maria neemt onzen lof slechts aan, om dien tot haren zoon terug te brengen.

II Punt. Wij moeten van de II. Kerk leer en op welke wijze wij Maria moeten aanroepen. Wij roemden hare grootheid, wij verheugden ons over hare glorie, wij gaan hare hulp inroepen.

1. Saneta Maria, mater Dei, ora pro nobis, peccatoribus. Maria, Moeder Gods, eerste beweegreden van ons vertrouwen. Zij heeft op Jezus al de rechten eener moeder: wat zou Hij haar kunnen weigeren ? Zij oefent op Hem eene werkelijke almacht uit, niet door bevel, doch door smeeking. Omni-

-ocr page 38-

38

potentia supplex. Hare macht is onbegrensd. Doch zal zij voor ons daarvan gebruik willen maken? Ja, want zij is ook onze moeder, zij heeft op het kruis 1 ons tot hare kinderen aangenomen, ter wille der aanbeveling van haren stervenden Jezus. O Maria, bid voor die kinderen, welke u zoo veel smarten veroorzaakt hebben. En is er nog een andere titel noodig om uw medelijden voor ons op te wekken, zoo luister dan: wij zijn zondaars, en onze ellende is een zeker recht op uwe barmhartigheid. Bestaat er wel grootere ellende dan de zoude? Zoo gij de koningin van barmhartigheid zijt, dan is de ellendigste zondaar de eerste uwer onderdanen.

2. Nunc et in hora mortis nostrae. Dit nu, waarvoor wij Maria\'s medelijden en hare krachtige voorspraak verzoeken, is het huidig oogenblik onzes levens. Het verleden behoort ons niet meer en het laat ons fouten, wellicht misdaden, te boeten; de toekomst behoort ons niet, wij kunnen slechts gebruik maken van het tegenwoordige, en hoe snel ontsnapt het ons! Ach! hoe broos is \'s menschen bestaan hier op aarde! Dit oogenblik, dit nu is de tijd van beproeving en strijd; hoeveel gevaar omgeeft ons, hoevele vijanden zoeken ons verderf!

O Maria, wie zal ons helpen, zoo gij ons verlaat ? Bid dan, heilige Maagd, bid voor ons, nu, want van dit uur, van dit oogenblik wellicht, hangt onze eeuwigheid af!

Doch er is een uur, waarvan nog meer afhangt, het groote uur, dat over onze eeuwigheid moet beslissen. Uur van duisternis en doodsangst, zelfs voor de heiligste ziel; uur, waarin men alles kan winnen,

-ocr page 39-

39

alles kan verliezen. Dan zullen wij eene hulp noodig hebben, des te machtiger, naarmate onze vijanden ons vreeselijker zullen aanvallen. O Maria, in het uur van onzen dood, in hora mortis nostrae, wees dan bij ons, verdedig ons, bid voor ons... Gelukkig hij die sterft in uwe moederarmen, met het oog gevestigd op uw beeld, met uw naam op zijne lippen. Zijn dood is een slaap, hij ontwaakt in den hemel. Maria, mater gratiae, mater misericordiae, tu nos ab hoste protege, et mortis hora suscipe.

8ste OVERWEGING.

3 Mei.

het geheim van het kkuis, beschouwd in beteekking tot ons en onze heiliging.

I. Door de overweging van het H. Kruis verzekeren wij ons het Hart van God. II. Wij verzekeren ons hart aan God.

I Punt. Door het ovenoegen van het lijden van Jezus-Christus, verzekeren wij ons het Hart van God\', omdat wij daardoor aan God behagen. Dit geheim is inderdaad het voorwerp der goddelijke gedachte. Reeds in het oude Testament is alles daarvan vol. Het Lijden des Zaligmakers wordt daarin met de grootste nauwkeurigheid voorspeld. Isaias, Jeremias, David, verhalen het gelijk de Evangelisten Izaak, Jozef, de koperen slang, het paaschlam,... welke treffende voorafbeeldingen van Jezus-Christus door

-ocr page 40-

40

zijnen vader opgeofferd, zelf het hout des offers den berg opdragende; van Jezus, verbocht door een dergenen, aan wie Hij den naam van broeders gaf, op het kruis verheven, de wonden genezende, door de zonde aan de zielen toegebracht; van dat aanbiddelijk Lam, wiens Bloed een behoedmiddel is tegen het zwaard van den engel der verwoesting.

God vindt behagen in dit groote eerherstel zijner beleedigde glorie. Zijn Hart is op Kalvarië en roept aldaar de onze. O hoe gaarne ziet Hij ons, m de gift van zijnen Zoon tot slachtoffer, de lengte, de breedte, de hoogte en de diepte zjjner liefde tot ons meten! En hetzelfde kan men zeggen van de voldoening, welke wij Jezus zeiven bezorgen, als wij het geheim van zijnen dood overwegen. Deze was het voortdurend voorwerp zijner begeerten. Hij is slechts ter wereld gekomen om ons te verlossen, door voor ons te lijden en op het kruis te sterven. Hij leefde, Hij ademde slechts voor het kruis, Hi, vergelijkt zynen dood bij een doopsel van Bloed, dat onze zonden zal afwasschen; ach, hoezeer verlangt Hij dat deze zijne begeerte vervuld worde. Bij het naderen van dit gelukkig oogenblik kan Hij zich niet langer wederhouden; zijn Hart laat dit brandend woord ontsnappen: »Met verlangen heb ik verlangd dit Pascha met ü te eten, voordat ik lij de.. Het is op het Kruis, dat Hij op de schitterendste wijze de belofte voltrekt, door de engelen bij zijne geboorte aan de menschen gedaan. Glorie aan God, vrede aan de menschen. God vereerd zooveel Hij dit verdient, de mensch voor het vreeselijkste aller onheilen gespaard, verheven tot den rang van kind

-ocr page 41-

41

Gods, geroepen tot zijne allerhoogste gelukzaligheid! Ziedaar de vruchten van het kruis. Is het dus niet de boom des levens? Doch zal het dit voor mij ziju zoo ik verzuim mij te voeden met deszelfs geheiligde onderwijzingen ?

Ten einde die liefdevolle gedachte aan zijn lijden in ons te onderhouden, boezemt Jezus zijner Kerk het denkbeeld in, het kruis alom onder onze oogen te brengen, het beeld van zijnen dood te beitelen op steen, marmer en hout,.... Hij zelf draagt zich op in het offer onzer altaren, ten einde ons van zijn glorievol Lichaam, onder nederige gedaanten veiborgen, eene voortdurende gedachtenis te maken van dat Lijden, zoo smartvol voor Hem, zoo glorievol voor ons. Hij beperkt zich niet tot die zinnebeeldige taal, doch wil dat zijn bedienaar, op het oogenblik der Consecratie, datgene herhale, wat Hij zelf op zulk eene treffende wijze bij de instelling van dit offer zegde: Doet dit ter mijner gedachtenis. Vergeet den God niet, die stierf om u te redden. Ik dacht aan u in mijnen doodstrijd en in mijne kwellingen, denk aan mij, dan ten minste als ik op het altaar aanwezig ben, om u mijnen dood in het geheugen te roepen en u deszelfs verdiensten toe te passen. O mijne ziel, zoudt gij uwen Zaligmaker dezen troost weigeren? Zoudt gij zulk een zeker middel om de liefde van uwen Zaligmaker en Rechter te winnen, ongebruikt verloren laten gaan?

II Punt. Het overwegen van het, Lijden van Jezus-Christus verzekert ons hart aan God. Welk eene beminnelijke voorkomendheid in een zoo grooten God, die alle goed in zich-zelven vindt, dat Hij zich ge-

-ocr page 42-

42

waardigt ons hart te vragen. Prmhe, fili mi, corl tuam mihi. Maar, nooit dringt Hij ons door krachtiger beweegreden, dan wanneer Hij het kruis laati spreken, om dit te verwerven.

De liefde wordt slechts door liefde betaald. Hetl geheim des lijdens is de groote overmaat der liefde! van God tot ons. Hadde Hij tot ons, gelijk eer-| tijds tot een koning van Juda gezegd: »Pete tihiI signumV Welk teeken vraagt gij van de teederej belangstelling, die ik voor u koester ? Zouden wij Hem de Menschwording en vooral den dood zijns Zoons hebben durven vragen? Zijne goedheid heeft onze begeerten voorkomen, en onze hoop overtroffen. O mijn volk, uit u-zelven kunt gij u niet uit dien] diepen afgrond trekken, waarin gij gevallen zijt, doch versta en begrijp, al de teederlieid, al den rijkdom mijner barmhartigheid. Ik heb een zoon, een eenigen zoon, in wien ik mijn welbehagen gesteld heb, omdat ik in Hem al mijne volmaaktheden wedervind; het is een ander Ik-zelf: neem Hem, ik geef Hem u, en zoo Hij toestemt, sta ik toe, dat Hij zich vernietigt ter uitboeting van uwen hoogmoed, dat Hij sterve, opdat gij moogt leven. Zóó lief heeft God de wereld gehad (1) En welke wereld? De wereld der ondankbare zondaars, de wereld met alle misdrijven bezoedeld, want er was geene andere wereld, toen God zijnen Zoon ten beste gaf.

En die Zoon, in alles gelijk aan den Vader, deinsde niet terug voor dien bitteren Kelk, Hij heeft geheel

(1) Joa. 3: 16.

-ocr page 43-

43

die aaneenschakeling gezien van ongehoorden smaad en onbeschrijfelijke smarten, welke Hij voor ons te lijden zou hebben. Niets kon Hem weerhouden. Hij heeft zich nedergeworpen onder de slagen van de goddelijke rechtvaardigheid: »Zie mij hier, mijn Vader,quot; aldus zal Jezus gesproken hebben. Ik kom TJ al het eerherstel aanbieden, dat U verschuldigd is en dat Gij niet vindt in offers, welke niet geëven-redigd zijn aan uwe oneindige grootheid. Als boeteling voor alle menschen, bied ik mij tot uw slachtoffer aan, sla, sla uwen Zoon, doch spaar de menschen. 0 hof van olijven, o gerechtszaal, o Kalvarië, hoe welsprekend verkondigt gij ons de liefde van Jezus! Is het dan niet meer dan tijd, dat zij die leven, slechts leven voor Hem, die hen verlost heeft door zijnen dood? Wat dralen wij dan ons geheel aan Hem te geven? Wij weten met welk hemelsch vuur de gedachte aan Jezus lijden de heiligen deed branden. Bij het aanschouwen van een kruisbeeld riep de H. Magdalena van Pazzi uit: »0 liefde, o liefde, wat wordt gij weinig gekend, weinig bemind. 0 zielen door en voor de liefde geschapen, waarom bemint gij de liefde niet? De H. Franciscus van Assisië, treurend om de ongevoeligheid der menschen, riep de rotsen aan, om met hem den dood van den Zoon Gods te beweenen. De H. Bonaventura zegde dat de Wonden van Jezus-Christus wel in staat zijn, steenen harten te wonden, ijskoude zielen te ontvlammen, ingewanden, barder dan het diamant van liefde te doen smetten. Kruis van Jezus, bloed van mijnen God, hoe levendig verwijt Gij mij de zwakheid mijner liefde, tegenover het vuur en de kracht

cor

-ocr page 44-

44

der uwe. Is het liefde tot een gekruisten God, als men in alles het gemak des levens zoekt, en liet lijden vlucht? Is het liefde tot een vernederden, gehoonden God, als men de eer zoekt en zelfs den schijn eener vernedering vreest?.... Voltooi uwe verovering, o mijn God, bedien u van uwe schoonheid, van die, welke uwe schande en uwe wonden U in mijne oogen geven, als van een gespannen boog, waarmede Gij alles aan Ü onderwerpt, wat in mij is, wat van mij afhangt! Maak TJ meester van een hart, dat altijd zoekt ü te ontsnappen, zelfs in het oogenblik, waarop het betuigt aan U alleen te willen toebehooren. Zoo ik heden het geluk heb de H. Communie te ontvangen, zal ik ten minste eene ziel aanbieden, die slechts met den Heer bezig is. Ja kom, stervende Jezus, kom en leer mij sterven aan alles, wat U mishaagt. Ik wil een God beminnen, wiens kruis mij den hemel heeft geopend, wiens bloed mijne misdaden heeft afgewasschen, wiens dood mij het leven herkregen heeft; wiens verdiensten mij recht geven op het geluk. Hem eeuwig in den hemel te bezitten.

-ocr page 45-

45

Van Pinksteren tot den Advent.

9de OVERWEGING,

H. Drievuldigheidsdag.

ik ben eene drievoudige holde schuldig aan het geheim dat de kerk heden vereert.

I. Hulde van miin geest door het geloof.

II. Hulde van mijn hart door hoop en liefde.

Hl. Hulde mijner navolging.

I Punt. Hulde van mijnen geest door het geloof. In al de geheimen van onzen godsdienst is er geen, waarin God meer onbegrijpelijk is voor den mensch dan in het geheim der H. Drievuldigheid; waaruit ik besluit dat er geen is, waarvan het geloof meer eervol en glorieryk voor God is.

Wij kunnen inderdaad ons geen hooger denkbeeld vormen van zijne grootheid dan door het erkennen dat zij onbegrijpelijk is, en de uitmuntendste belijdenis, die wij doen kunnen, is deze: Neen, mijn God, ik begrijp U niet, ik ben niet in staat U te begrijpen. Al zou ik al de krachten mijner ziel uitputten , al zou ik die aller engelen hiertoe gebruiken, al werden alle gaven van genade en glorie mij medegedeeld , al zage ik U en de heilige Menschbeid van uwen Zoon even volmaaktelijk als de gelukzaligen, neen, nooit zou ik U begrijpen en mijn begrip zou altijd even ver van ü verwijderd blijven als het eindige van het oneindige. (Bourdaloue.)

De christelijke en religieuze ziel buigt haar verstand,

-ocr page 46-

46

onder het juk van het geloof; zij toch heeft del bevestiging van den eenigen Zoon, die is in desl Vaders schoot. Wat kan ik meer onfeilbaar begeeren?! Ik verheug mij aan God het edelste deel van mij-l zeiven te kunnen opofferen en Hem te zeggen: Heerl ik geloof alles wat Gij omtrent dit ondoorgrondelijk 1 geheim veropenbaard hebt. Mijne rede schijnt zich hiertegen te willen verheffen, doch ik verzaak daar-1 aan, en offer haar op ter uwer glorie! Ik erken gaarne mijne onwetendheid, om uwe opperste wijsheid te vereeren, en ik roep met een uwer dienaars | uit, dat Gij een God zijn, wiens grootheid onze kennis oneindig te boven gaat. Het doorgronden van dit 1 geheim ware mijnerzijds eene vermetelheid; het aannemen op uw woord is een uitwerksel van godsvrucht; het kennen, het zien zonder sluier zal het geluk mijner eeuwigheid zijn. (1)

Ik behoef mijn geloof aan de Allerheiligste Drievuldigheid niet te verdedigen, door het trotseerea van dood en foltering. Ik moet het verdedigen en steunen door de heiligheid mijns levens. God wil dat men Hem. aanbid de in yeest en waarheid. Hij is heilig en wil door heiligen gediend worden. Zoodra de eerste engel heeft opgehouden engel te zijn, kan God hem niet meer dulden te midden zijner aanbidders , Hij wil liever in de hel door hem vervloekt, dan in den Hemel door hem geloofd worden. »0 allerheiligste Drievuldigheid!quot; Ziedaar de gewone uitboezeming van den Apostel van Indië en Japan.

II Punt. Hulde van mijn hart, door de hoop en de liefde. Dit geheim, dat zooveel offers vraagt aan

(1) S. Bernardi.

-ocr page 47-

47

den geest, is vervuld met troost voor het hart; het maakt de vreugde uit van de getrouwe ziel. Daar geloof van onze zijde meer inspanning eischt, zoo heeft het voor ons meer verdiensten en geeft een hechter steun aan onze hoop. God behandelt ons hierin met dezelfde goedheid, welke Hij opziehtens Abraham betoonde, nadat hij toegestemd had in het offeren van Izaak. Omdat gij dit gedaan hebt, omdat gij om mij te gehoorzamen, uwen eenigen zoon niet gespaard hebt, zal ik u met zegeningen overladen. Evenzoo zegt Hij tot den waren geloovige: omdat gij, op mijn woord, een geheim geloofd hebt, dat zoo ver boven \'s ineiisehen begrip verheven is, omdat gij mij het dierbaarst wat gij bezit, uw geest en uwe rede, ten offer hebt gebracht, zal ik u met genaden vervullen, ik zal u tot kind aannemen, u met deugden verrijken, u met glorie overladen.

Wij beschouwen in dit geheim het beginsel van alle goddelijke weldaden en roepen met den H. Joannes uit: God is liefde. De schepping, de menschwording, de HH. Sacramenten, de persoonlijke gunsten die wij ontvangen, zien wij in de H. Drievuldigheid, en wij trillen van vreugde, als wij elk der drie god-delijke personen tot ons hooren zeggen: Ik heb u bemind met eene eeuwige liefde.

Niet zonder reden brengt de H. Kerk ons dus op dezen dag, na ons de beek getoond te hebben, tot de bron terug van al de verschillende plechtigheden van het kerkelijk jaar; zij ontdekt aan ons oog dien onmetelijken oceaan, waaruit al de genaden stroomen, die zich over ons verspreiden. Zij wekt onze dankbaarheid op voor die weldadige Drievuldigheid, die

-ocr page 48-

48

iu zicli-zelve alle geluk vindende, zich van eeuwigheid met het onze bezighoudt; want zegt de H. Paulus: »Voor de grondlegging der wereld heeft God onsl uitverkoren,quot; (1) de Vader tot zijne kinderen, del Zoon tot zijne broeders, de H. Geest ora den rijkdomI zijner genade en barmhartigheid in ons te openbaren.!

Hierom herinnert de H Kerk ons voortdurend! aan de H. Drievuldigheid. Bij het begin, in den! loop, bij het einde harer getijden, in de gebeden welke zij doet, drukt zij onophoudelijk haar geloof! uit aan den Vader, den Zoon, den H. Geest. Zij zingt geen lofzang zonder dien te besluiten met eene hulde aan de H. Drievuldigheid. Zij wil dat hare bedienaars honderd malen daags herhalen: Glorie zij den Vader, den Zoon, den H. Geest. Zoozeer is zij overtuigd, dat deze heilige lofprijzing de aangenaamste lof is, dien men God kan aanbieden, het I gebed, dat het best geschikt is over ons de gaven zijner genade te trekken. O hoe gaarne herhaalt de inwendige mensch die woorden. Men verhaalt van heilige kluizenaars, die gedurende jaren tot oefening van godsviucht steeds deze woorden herhaalden : Gloria Patri et Filio et Spiritui Sancto. Het is ook om deze reden, dat wij volgens een oud en godvruchtig gebruik, deze geloofsbelijdenis plaatsen aan het hoofd van al onze handelingen; en niets ondernemen zonder het teeken onzer verlossing op ons hoofd gedrukt te hebben onder het uitspreken dezer woorden: In den naam des Vaders, en des Zoons, en des heiligen Geestes; hierdoor erkennende

(1) Ephes 1, i.

-ocr page 49-

49

dat de verdienste onzer werken, hiervan afhangt, en dat zonder dit geloof alles wat wij doen knnnen, ; voor den hemel geene waarde heeft.

III Pünt. Hulde van navolging. In dit geheim aanbidden wij twee zaken; de éénheid van natuur en de drievuldigheid van personen. De inwendige ziel tracht beide na te volgen; de eenheid door de eendracht, alle menschen eenparig beminnende; de drievuldigheid door de mededeeling, hun alle mogelijk goed bewijzende.

De H. Paulus wekte zijne leerlingen tot die éénheid op: Ik smeek u, mijne broeders zoo schreef hij ongeveer, ik die gevangen ben voor Jezus-Christus, elkander te verdragen en te beminnen. Weest ijverig om onder u die eenheid van geest te bewaren, welke het beginsel van den waren vrede is, want gij allen hebt slechts éénzelfden God, éénzelfde geloof, éénzelfde Doopsel; gij allen maakt slechts één lichaam uit en dit is de Kerk. Is het niet billijk, dat gij allen slechts éénzelfden geest hebt. Het is in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, dat allen gedoopt zijn, zij vormen in God slechts één gezin, derhalve moeten zij elkander beminnen.

Een der doeleinden van de menschwording was ongetwijfeld om op aarde een beeld af te schetsen der éénheid, welke in God bestaat; dit toch was het, wat Jezus met aandrang voor zijne leerlingen afbad, op den vooravond van zijn lijden. Gelijk de Vader den Zoon en de Zoon den Vader bemint, gelijk van den Vader en den Zoon te zamen de H. Geest voortkomt, die slechts één zelfde God is met den Vader en den Zoon, aldus moeten wij ch. iv. 4

ife

K tijw

UwÈ

um

-ocr page 50-

50

elkander beminuen eu trachten, door de genade eu de navolging, te worden, wat de drie goddelijke personen onder elkander zijn uit kracht hunner natuur.

Doch gelijk in God de Drievuldigheid slechts bestaat door onuitsprekelijke mededeelingen, daar de Vader al de schatten van zijn wezen stort in den schoot zijns Zoons, terwijl de Vader en de Zoon aan den H. Geest geheel hunne godheid mededee-len; moeten wij onze eenheid volmaken door haar vruchten van liefde te doen voortbrengen. Evenals de Zoon Gods tot zijnen Vader zegde; al het mijne is het uwe en het uwe is het mijne, zoo ook moeten wij tot onze broeders kunnen zeggen. Deze voorrechten, welke God mij schonk, zijn voor u zoowel als voor mij, en uwe rampen en ellenden zijn zoowel de mijne als de uwe. Wijd heden op nieuw aan de drie goddelijke personen, de drie vermogens uwer ziel, het geheugen aan den Vader, het verstand aan den Zoon, den wil aan den H. Geest.

O Jezus, door wien wij op eene meer bijzondere wijze aan de H. Drievuldigheid toebehooren, daar Gij ons haar stempel hebt ingedrukt door ons het onuitwischbaar merkteeken des doopsels te verleenen, gelief ons te doen deelen in die hulde, welke Gij haar onophoudelijk in den hemel en in onze tabernakelen bewijst. Geef dat wij hier een zoo volmaakt leven mogen leiden, dat het een voortdurende lofzang zij, en ons bereide tot dat eeuwig loflied van den Vader en den Zoon en den H. Geest.

-ocr page 51-

51

10de OVERWEQING.

h. sacramentsdag.

I. Wat heeft de H. Kerk zich voorgesteld bij het instellen van dit feest?

II. Wat moet ik doen om aan hare inzichten te beantwoorden?

I Punt. Wat stelt de Kerk zich voor bij deze -plechtigheid\'? Niets verbaast onzen geest zoo zeer in deze gedachtenis der goddelijke wonderen, als de ; vernederingen, waartoe Gods Zoon zich aldaar gebracht ziet; niets moet zoo zeer ons hart treffen, als de liefde, welke Hij ons aldaar bewijst. Doch daar wij, helaas, aan zijne weldaden maar al te dikwijls door ondank beantwoorden, daar wij bij lie vernederingen, waaraan Hij zich vrijwillig onderwerpt en die voor ons de bron zijn van vele weldaden, er nog dikwijls voegen, die ons schuldig maken en groote straffen over ons aftrekken, wat doet de Kerk? Geheel bezig met die twee soorten van vernedering, tracht zij ons de eerste te doen eeren door eene dankbare liefde, en de tweede te doen herstellen door eene boetvaardige liefde.

1. In geen zijner geheimen heeft Jezus-Christus zich zoo diep vernederd, als in het H. Sacrament. Overal waar elders zijne godheid zich soms verbergt, openbaart zij zich van tijd tot tijd; zelfs op Kalvarië onderscheidt men in den man, die aan het schandhout sterft, den Zoon Gods. Vere Mc homo Filius

-ocr page 52-

52

Dei erat. (1) Doch in het H. Sacrament, wel verre van een God te schijnen, heeft Hij zelfs geen enkelen trek van gelijkenis met den mensch behouden. Niet] dat Hij aldaar geene wonderen wrocht; de H. Thomas noemt dit geheim het grootste zijner wonderen (opus 57.) doch terwijl de wonderen, welke plaats vonden bij zijne geboorte, zijn leven, zijnen dood, bestemd waren óm zijne grootheid te doen kennen en vereeren , hebben de wonderen, welke Hij in rijke mate uitoefent in het H. Sacrament, slechts ten doel Hem te dekken met een ondoordringbaren sluier.

Ach! zoo eene dergelijke vernedering ons beschaamt, hoe zeer moest de liefde, welke ze beveelt, ons treffen ? Hoe onbegrijpelijk deze vernederingen ook mochten zijn, zoo waren zij noodzakelijk, wilde de Zaligmaker de plannen zijner teederheid over ons uitwerken. Wat toch wilde Hij? Met zijne leerlingen blyven, zich in de uitstorting der vertrouwelijkste vriendschap aan hen mededeelen; Hij wilde voor ons onophoudelijk zijne opoffering vernieuwen, zich met ons als veréénzelvigen, door ons zijn vleesch tot spijs, zijn bloed tot drank te geven. Al deze gunsten, de laatste vooral, verplichtten Hem te dalen in dien ufgrond van vernietiging, waarin het geloof alleen Hem erkent. Dit geheim is slechts de vernedering der vernederingen, omdat het, volgens den H. Ber-nardus, de liefde der liefde is. Doch welke gevolgtrekking vloeit hieruit voort?

wij, zc moeten in, da H. Sa( iu on; plechti knielt

Eer de vo gekni ment door geest onze nede: te n zich-bij lt; 2, mali wel1wel onz Dri doi bui bai vei ali

Wi

te ei

Hoe meer de Zoon Gods in dit 11. Sacrament zijne oneindige grootheid voor ons vernedert, hoe meer

1

Mare. 15, 39.

-ocr page 53-

53

verrelwij\' zooveel wij vermogen, haar door onze hulde ikelenjraoeten verheffen. Daarom stelt de Kerk eeu feest ■ Niefjint dat de zegepraal is van Jezus, vernederd in het iotnasl3- Sacrament. Eene openbare zegepraal; niet slechts s57.)|iii onze tempels wordt Hij aanbeden: Hij wordt n bijl plechtig te midden van zijn volk gedragen; alles temd | knielt gt; waar Hij voorbijgaat.

ver-l Eene algemeene zegepraal. — Overal waar de zon matei de volkeren verlicht, ziet men de geloovigen neer-Hem f geknield aan de voeten van Jezus in zijn H. Sacra-| ment tegenwoordig. — Eene schitterende zegepraal, amt, li door den luister der plechtigheden, de godvruchtige Fen ? | geestdrift en de vreugde der geloovigen. Aldus doet bteu | onze dankbare liefde tot zijne glorie, de diepe ver-iker j nederingen dienen, welke Jezus zich oplegt om ons een. i te naderen, zich met ons te vereenigen, ons met en,| zich-zelven te verrijken; eerste inzicht der H. Kerk hap I bij dit feest; ziehier het tweede.

du- I 2. Bij de vrijwillige vernederingen des Zalig-als r makers in dit geheim, voegen de menschen nog andere, lijn I welke zeer tegenstrijdig zijn aan zijne vernederingen, de li welke den hemel vergrammen; wij moeten dus bij en R onze dankbare liefde eene boetvaardige liefde voegen, en §; Drie voorwerpen, welke onze blikken in het heilig-ng H dom treffen, toonen ons op welsprekende wijze de :r. K buitengewone liefde van Jezus tot ons, en de ondank-y- | baarheid, waarmede wij zijne kostbare weldaden I vergelden; het tabernakel, waarin Hij woont, het ie I altaar, waarop Hij zich slachtoffert, de heilige tafel .r ■ waar Hij het levend brood zijner leerlingen is. Zonder | te gewagen van de groote aanslagen van ketterij | en goddeloosheid, welk dezer drie goddelijke ge-

-ocr page 54-

54

denkteekenen herinnert ons niet Jezus onwaardiglijkl verlaten, nog onwaardiger gehoond ? Waar is de ijverl der geloovigen om zijne tegenwoordigheid te vereeren, door Hem te bezoeken, — zijn sacrificie door het bijl te wonen, — zijn hemelsch gastmaal door daaraan deel 1 te nemen? Men versmaadt de gunsten van eenenl God! Zou men niet zeggen, dat Jezus de eenige is,| die niet de minste achting verdient, van wien meu niets te hopen, niets te vreezen heeft ? Zelfs bij die zielen, welke Hem bijzonder toegewijd zijn, welke 1 lauwheid in de bezoeken, welke men Hem brengt, | in de zoogenaamde eer, welke men Hem bewijst; nauwelijks heeft men eenige oogeublikken in zijne tegenwoordigheid doorgebracht of men bezwijkt onder de verveling.... Overal elders houdt men zich in, slechts in het gezelschap des Heeren geeft men hieraan toe. God is de eenige, dien wijniet kunnen verdragen, zegt Tertulliaan zoo krachtig. Nochtans, lieve Jezus, verdraagt Gij, met onuitsprekelijke barmhartigheid, harten, die, door eene verachtelijke walging, U niet kunnen verdragen.... \'Neen, de Joden verdienden minder dan wij het verwijt, dat Gij hun toestiert: O ongeloovig en verkeerd geslacht, tot hoe lang zal ik met U zijn? tot hoelang zal ik U verdragen. (1) En dit is nog het minste onzer misdrijven, tea opzichte van den God onzer tempels. Niet tevreden met Hem te vergeten, hoont men Hem. Wie zal ze tellen al die oneerbiedigheden, al die heiligschen-nende beleedigingen, Hem sedert meer dan achttien honderd jaren aangedaan. Hart van Jezus, thans

(1) Math. 17, 10.

-ocr page 55-

55

nog verscheurd door ondankbare menschen in het Sacrament uwer liefde... Ziedaar waarover ia stilte de getrouwe zielen zuchten, waarover zij zich bedroeven. Poch dit stille eerherstel is niet voldoende; de Kerk wil heden een luisterrijk en schitterend eerherstel doen. Zij beschouwt dit feest als eene zegepraal haren goddelijken Bruidegom toegewijd, en tevens als eene openbare boete. Wel wetende, dat de vreese-lijkste wraak bestemd is voor hen, die den Zoon Gods met voeten treden en zijn bloed verachten, gebruikt zij deze buitengewone pracht en luister om ons geloof te verlevendigen. Zij doet als het ware die heilige en verschrikkelijke Majesteit verschijnen om ons aan te zetten haar te verzoenen, door ons diep voor haar te vernederen.

JI Punt. Wat moet ik doen om in den geest dezer plechtigheid te tredend Mijn gedrag wordt mij aangeduid door de beide doeleinden, welke de Kerk zich voorstelt. Pe liefde tot het H. Sacrament is de voornaamste, de eerste godsvrucht der waarlijk religieuze ziel, even als dit geheim de bron is barer zoetste vertroosting. Zij maakt dus gretig gebruik van elke gelegenheid, haar gegeven om Jezus in het H. Sacrament te vereeren. Daar Hij zich wel met praal en luister wil rond laten dragen, werkt zij zooveel mogelijk mede aan zijn, zegetocht; ach! hoe gaarne zou zij aller harten willen medevoeren, op het voetspoor van eenen God, die de menschen zoo teederlijk bemint! Zij doet inwendig door het vuur harer begeerten, wat de H. Kerk doet door de pracht en den uitwendigen luister harer plechtigheden.

Bij de hulde, welke Jezus tegenwoordig in het

li

I ■

1

i

;!?■

om

Plffl

Xr\'liS lik

il

-ocr page 56-

56

H. Sacrament vereert, voegt zij het eerherstel voor de beleedigingen, Hem daarin aangedaan. Ach, hoe weinig worden wij er door getroffen. Zoo de heilige menschheid van Jezus, sedert zij de glorie is binnengetreden , niet meer door de boosaardigheid en wreedheid kan aangevallen worden, gelijk in de dagen van zijn sterfelijk leven, is dit voor ons wel eene reden om minder gevoelig te zijn voor de aanslagen tegen Hem gesmeed ? Ziehier daaromtrent de gedachte van Bourdaloue: »Overweeg wel wat ik zeg. Ja, het lichaam des Heeren lijdt duizendmaal meer door ons in het H. Sacrament, dan het ooit geleden heeft door de Joden bij zijn lijden, want toen leed het slechts voor eenen tijd, — hier staat het aan het lijden bloot, tot het einde der eeuwen; in zijn lijden, leed het slechts zooveel Jezus wilde, — hier lijdt het als het ware door dwang en geweld; in zijn lijden leed het in den lijdelijken en sterfelijken staat; — hier lijdt het in den staat van onlijdelijkheid zelve. Wat het leed bij het lijden was eervol voor God en heilrijk voor de menschen, — wat het hier lijdt, is noodlottig voor de menschen en hoogst be-leedigend voor God.quot;

Ach kon ik, o mijn Zaligmaker op elk der dagen van dit octaaf, mij begeven op al die plaatsen van het heelal, die Gij met uwe tegenwoordigheid vereert,.... met het hoofd in het stof gebogen en mijne ziel in smart gedompeld, zou ik U vergeving vragen voor zoovele ondankbaren, die U verachten en beleedigen, vergeving voor mij-zelven, die zoo slecht beantwoord heb aan de teederheid uws harten. Heilige Engelen, die deze altaren omringt, welke

-ocr page 57-

57

de menschen verlaten of ontheiligen, aanbidt, bemint voor mij dien God van liefde, zegt Hem smeek ik U, hoezeer ik betreur Hem zoo weinig te beminnen, en hoezeer ik begeer Hem steeds meer en meer lief te hebben. Tantum ergo sacramentum venere-mur cernui.

llde OVERWEGING.

vrijdag in het octaaf van h. sacramentsdag.

I. Jezus in het H. Sacrament, leert ons sterven aan de wereld en aan ons-zelven.

II. Jezus in het H. Sacrament, leert ons bet heiligst, het volmaaktste leven leiden.

I Punt. Jezus leert ons sterven aan de werelden aan ons-zelven. Men sterft aan de wereld, als men ophoudt zich te bekommeren over haar oordeel, hare verachting te vreezen, hare achting te begeeren; men is aan haar gestorven, als men met den H. Paulus zeggen kan: Mijne minste bekommering is de meening die gij van mij koestert.... Ik heb slechts een rechter en dit is de Heer. Ziedaar een der bijzonderste kenmerken van het leven des Zaligmakers in het Sacrament onzer altaren. Zou een Igk in deszelfs graf wel minder ongevoelig schijnen voor lof of afkeuring? Meu zou meenen, dat Jezus slechts ééne zaak wenscht, van de wereld vergeten te worden.

Hij dekt met ondoordringbaren sluier alles wat Hem eer zou kunnen verschaffen. Is Hy Koning

-ocr page 58-

58

en de grootste aller Koningen, waar dan is ziju hofstoet? Waar is de glans zijner majesteit? Laat Hij het minste teeken uitschijnen van die macht, die het heelal schiep, van de wijsheid, die het bestuurt ? Nochtans schijnt het dat de sterkste beweegredenen Hem moesten aanzetten, zich te vertoonen, de eer zijns Vaders, de zaligheid der zielen. Van de eene zijde zou God gemakkelijker gekend, zijne wet lichter aangenomen zijn, zoo men in zijnen Zoon, onder ons verblijvende eenige tastbare bewijzen zijner grootheid gezien hadde, van de andere zyde zouden de menschen Hem hunne liefde niet hebben kunnen weigeren, zoo zijne heilige Menschheid eenige stralen zijner schoonheid hadde doen uitschitteren. De oneindige wijsheid meende dat het ons nuttiger was, door de kracht van zijn voorbeeld bewogen te worden, en de wereld en haren lof te leeren verachten. O mijn Meester, o Jezus, ik wil even als Gij mij verbergen in God, niets zoekende, niets bejagende dan het oog van God.

Daar geheel de mensch als het ware in zijnen wil besloten is, zoo sterft alles in hem, zoodra hij sterft aan zijn eigen wil. Stel ik dus in Gods hand het recht, dat ik op mij-zeiven heb, offer ik Hem voortdurend mijne vrijheid, aan mij-zelven noch de keuze mijner daden, noch der omstandigheden, welke die vergezellen, voorbehoudende, dan leeft de mensen der natuur niet meer in mij, dan ben ik een slachtoffer voortdurend aan de glorie van God gebracht. Ziedaar wel het leven van Jezus in het H. Sacrament. Door aan zwakke menschen de macht te geven zijn lichaam te consacreeren, heeft Hij zich afhankelijk

-ocr page 59-

59

I van hen gesteld, zoodat de macht Gods aan \'s menschen f wil onderworpen is. Hoewel Hi] de Opperheer is, gehoorzaamt Hg aan de stem van dien man, die Hem opheft of neer laat dalen. Hem draagt waar hij wil, zonder eenige andere beweging te hebben, ; dan die, welke Hij door hem ontvangt. En hoelang duurt dit wonder? Waar wordt het gewrocht? Er verloopt geen enkel uur, waarop Jezus niet op duizend plaatsen tusschen de handen zijner bedienaars zich laat aanbieden aan de aanbidding der volkeren, of zich in zijn tabernakel laat opsluiten, naar welgevallen over zich laat beslissen.

Die geestelijke dood, welke wij zoo zeer moeten begeeren, verkrijgt men slechts door de versterving, en deze deugd kost der natuur meer dan eenige andere; doch hoe krachtig predikt Jezus ons die in het H. Sacrament. Alles herinnert ons het smartelijk schouwspel van zijn bloedig offer, en wij weten dat deze onwaardige behandeling voor Hem met zijn sterfelijk leven niet heeft opgehouden. Hij had alles voorzien, toen Hij onder den schijn van brood en wijn zich-zelven boeide; de vervolging der toekomst stond Hem even levendig voor oogen, als de vervolging van het tegenwoordige. Zijne vurige liefde zegevierde over allen afkeer en de dubbele kelk werd aanvaard.

Is dit voorbeeld van onzen Verlosser, die zich uit liefde tot ons niet slechts aan het lijden en den dood overlevert, doch om zoo te zeggen zijn lijden in ons midden wil vereeuwigen, niet welsprekend genoeg om ons de versterving te doen beminnen of althans derzelver oefening te verlichten. Hoe, Heer,

-ocr page 60-

60

Gij hebt U voor mg tot slachtoffer gesteld en ik zou weigeren het uwe te wezen? Bij het instellen Tan dit heminnelijk geheim, wist Gij door hoeveel kwellingen Gij zoudt moeten gaan, om tot mij te komen, Gij wist hoevele heiligschennende aanslagen Gij zoudt moeten ondergaan in dien loop van achttien eeuwen, hoe menigen Judas Gij op uwen weg zoudt ontmoeten. Zulk een afschrikkend vooruitzicht heeft uwe liefde niet verhinderd, en ik zou niets voor U willen lijden? Gij hebt mij uwe vertroostingen, uwe eer, uwe rust, uw leven ten beste gegeven en ik zou aarzelen alvorens U mijne teergevoeligheid, mijn gemak ten offer te brengen. Gij hebt voor mij bespuwd , onder de voeten getreden, gekruist willen worden; Gij wildet U overgeven aan de woede uwer vijanden, miskend, gehoond zelfs door verscheideneu uwer leerlingen , en dit alles tot de voltrekking der eeuwen; en ik zou mij durven beklagen vergeteu te worden gedurende die enkele dagen, welke ik hier op aarde moet doorbrengen; en eene lichte belee-diging, eene tegenspraak van een oogenblik zou mij nederdrukken; ik zou altijd hoovaardig, zinnelijk, veeleischend blijven!

Zulk eene tegenstrijdigheid verontwaardigt mij tegen mij-zelven. Neon, eene ziel die getrouw de lessen van het heiligdom overweegt en navolgt, telt het lijden niet meer, hoe zwaar dit ook zij en door wie het haar ook worde aangedaan, zij telt dit niet meer dan de martelaren door dit hemelsch brood gevoed, hunne boeien, hunne brandstapels, hunne moordtuigen telden.

-ocr page 61-

61

II Punt. Jezus in het 11. Sacrament leert om het heiligst en volmaaktste leven leiden. Het leven des Verlossers in het H. Sacrament is een leven geheel geleid volgens de goddelijke wijsheid. De menschelijke voorzichtigheid, begrijpt die diepe verborgenheid niet, waarin de goddelijke majesteit zich verschuilt, dit stilzwijgen, die eenzaamheid, die onuitsprekelijke vereeniging van beschouwing en werking, want Jezus in zijn H. Sacrament schijnt niets te doen en doet alles; van uit zijn tabernakel regeert Hij de wereld. God verheerlijken door zijne vernietiging en aanbidding, de menschen zaligmaken door voortdurend over hen zijne zegeningen en genaden uit te storten, ziedaar het leven vau Jezus in het heiligdom; het is slechts de voortdurende beoefening aller deugden, met de grootste volmaaktheid bezield. Welk eene zachtaardigheid, welk eene teedere en geduldige goedheid! hoe laat Hij zich naderen, aanraken, nuttigen, honen! Hij verstoot niemand. Kleinen en grooten, armen en rijken, eenvoudigen en geleerden, zondaars en rechtvaardigen, allen hebben vrijen toegang ! Welk eene liefde voor de armoede! Gedurende zijn sterfelijk leven had Hij geene plaats om zijn hoofd te doen rusten; onder de sacramenteele gedaanten heeft Hij slechts geleend goed. Van ons ontvangt Hij de huisvesting, welke wij Hem wel willen aanbieden. Welk eene insietoijenheid, welk

o o \'

eene vereeniging met God, welk een aanhoudend gebed! Het werd geen enkel oogenblik onderbroken, sedert de instelling van dit geheim, en aan deze voortdurende voorbede is de wereld al het geluk verschuldigd, dat zij ooit geboden heeft.

-ocr page 62-

mm

62

Het voorbeeld van den Zaligmaker in het H. Sacrament vormt ons tot die zuivere liefde, die niets zoekt dan Gods welbehagen en slechts voor God werkt; tot die moedige liefde, welke zich verheft boven elke menschelijke beweegreden, welke geene moeielijkheid afschrikt. Dit voorbeeld, even krachtig als zoet, trekt en geleidt ons in dat inwendig leven, dat geheel geloof, geheel hoop, geheel liefde is, tot het leven van Jezus-Christus in ons.

12ae OVERWEGING.

Zaterdag in het Octaaf.

vereekig1ng van jezus met de menschen in zijn h. sacrament.

I. Tezus wil zich met ons vereenigen.

II. Hij wil zich door die vereeniging doen beminnen.

I Punt. Het is een Sacrament van vereeniging. Het vereenigt alle geloovigen door de banden eener innige broederschap. Doch wij overwegen hier slechts de vereeniging, welke het ons doet sluiten met den Zoon Gods. Volgens den H. Thomas brengt het Sacrament onzer altaren, ten opzichte van het leven der ziel, dezelfde uitwerkselen teweeg, als het voedsel ten opzichte win het lichaam. Door zich met ons te vereenigen en ons deszelfs hoedanigheden mede te deelen bewaart, herstelt, vermeerdert ons voedsel,

-ocr page 63-

63

onze lichamelijke kracht; hetzelfde geldt omtrent het levend Brood, van den hemel gedaald, ten opzichte onzer zielen. Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt. Ziedaar wel het H. Sacrament als voedsel gegeven, blijft in mij en ik in hem, ziedaar de vereeniging. In dit Sacrament vereenigt onze Zaligmaker zich met ons naar geest en bestaan.

Om onze lichamelyke vereeniging met Jezus-Christus te begrijpen, moeten wij in Hem een natuurlijk en een geheimzinnig lichaam onderscheiden. In den schoot van Maria bekleedde Hij zich met het eerste; al de geloovigen vormen het tweede, en door het waardig ontvangen van zijn natuurlijk lichaam, in het H. Sacrament, worden wij bij uitnemendheid de ledematen van zijn geheimzinnig lichaam. — »Wy moeten, zegt de H. Joannes Chrys., noodzakelijk de verborgen wonderen vau dit goddelijk geheim kennen, waardoor wij lichamelijk met onzen Heer vereenigd zijn, zijne ledematen, het vleesch van zijn vleesch, het gebeente van zijne beenderen wordende. Daar Hij ons zijne liefde wil betuigen, vereenigt Hij zich met ons, door middel van zyn lichaam, ten einde met ons slechts één geheel te vormen, samengesteld uit het hoofd en de ledematen?.... — En op eene andere plaats roept de heilige Leeraar uit: »0 mensch, beschouw opmerkzaam de eer, die gij ontvangt als gij aanzit aan de H. Tafel. Hem, dien de engelen slechts sidderend beschouwen, dien zij nauwelijks durven beschouwen, wegens den glans, waarmede Hij schittert. Hem nuttigen wij als ons voedsel. Wij met Jezus-Christus éénzelfde lichaam. Wie zal de grootheid des Heeren verhalen! Wie Hem naar ver-

-ocr page 64-

64

diensten loven, voor deze onuitsprekelijke weldaad?! De Moeders vertrouwen hare kinderen aan voedsters; I dige v dusdanig was niet de liefde van Jezus voor ons;| leven Hij voedt ons met zijn eigen bloed, en vereenigtl slecW zich op alle wijzen met ons.quot; I zijner

De vereeniging van den geest is een gevolg van I waan de lichamelijke vereeniging; van het oogenblik af,| den dat wij slechts één lichaam met Jezus maken, moeten 1 Jezus wij noodzakelijk met zijnen geest bezield zijn, te 1 uit. weten met den H. Geest. Jezus-Christus »zegt de 1 heid. H. Cyrilles van Alexandrië,quot; is als het kanaal, waardoor 1 en g wij de mededeeling van den H. Geest ontvangende, 1 moei met God vereenigd en geheiligd worden. Welnu, het I H. \' is voornamelijk door de H. Communie, dat Jezus I zal den H. Geest in onze harten doet heerschen, en de I van H. Thomas telt deze genade tot dé voornaamste I zijn uitwerkselen van dit H. Sacrament. Bijgevolg ver- 1 den eenigt de Zaligmaker ons met zich op tweevoudige I en wijze, lichamelijk als mensch, geestelijk als God. 1 I Als mensch vereenigt Hij ons met zijn lichaam, als I Jei God verheft Hij ons tot een verhevener leven, en I zeg geeft ons deel aan de goddelijke natuur door de 1 nas genade en de kracht van zijnen Geest. Jezus met | gr( ons vereenigd als mensch, en natuurlijk met zijnen I be vader vereenigd als God, is als het vereenigingspunt I ad tusschen ons en God den Vader; want het was on- 1 Di mogelijk de bedorven natuur des menschen te ver- |:: sl( heffen tot de onsterfelijkheid, indien geene onsterfelijke 1 ee natuur in haar nederdaalde om haar te hervormen K vlt; door zich-zelve aan haar mede te deelen. Wij zijn j di dus volmaakt in de vereeniging met den Vader, door ■ n bemiddeling des Zoons. 1 n

-ocr page 65-

65

De H. Augustinus ontwikkelt op bewonderenswaardige wijze deze waarheid: Wilt gij door Jezus-Christus leven ? Maak dan deel uit van zijn licliaam, want slechts het lichaam van dezen God-mensch leeft door zijnen geest. Eene ziel kan slechts dat lichaam, waarmede zij vereenigd is, bezielen. Nu, volgens den H. Paulus, maken al degenen, die zich met Jezus-Christus voeden, slechts één lichaam met Hem uit. O geheim van godsdienst, o teeken van eenheid. 0 band van liefde! Hij, die door dit heilig en goddelijk leven leven wil, weet nu waar Hij het moet putten. Hij nadere met levendig geloof tot de H. Tafel, vereenige zich met Jezus-Christus en hg zal door zijn leven leven. Ach, is deze vereeniging vau den kant van den Zoon Gods het uitwerksel zijner vurige liefde tot ons, wat kan men dan uitdenken, dat meer onze liefde tot Hem moet opwekken eu ontvlammen?

H Punt. Het H. Sacrament ons vereenigend met Jezus, doet ons Jezus heminnen. Alle vriendschap, zegt de H. Thomas, rust op eenige vereeniging, en naarmate deze nauwer is, is de wederzijdsche liefde grooter. De vader bemint zijnen zoon, de zoon bemint zijnen vader, omdat hetzelfde bloed in beider aderen vloeit. De drie personen der aanbiddelijke Drievuldigheid beminnen elkander, doch zij zijn ook slechts één geest, en die éénheid van natuur is eene eerste bron hunner wederzijdsche liefde. Zoo nu de vereeniging eene reden is te beminnen, hoezeer moeten dan zij Jezus niet beminnen, die de veelvuldige deelneming aan dit heilig gastmaal, dat Jezus zelf is, met Hem vereenigt. Moeten van de eene zijde ons CH. iv. 5

-ocr page 66-

66

leven en onze werken beantwoorden aan die grootheid van geest, die ons bezielt, daar deze de geest is van God, die slechts liefde is, welk ander leven moeten wij dan na de Communie leiden, dan een leven van liefde ? Onze gedachten, onze woorden, onze daden, alles moet door die heilige liefde voortgebracht worden. De Zaligmaker, door dezen geest bezield, bemint zoozeer zijnen hemelschen Vader, Hij heeft zulk eene algemeene, oneindige liefde tot de menschen. Waarom dan zou de Communie, die ons denzelfden geest mededeelt, ons niet met hetzelfde goddelijk vuur ontvlammen? Jezus-Christus leeft, ademt, werkt slechts voor zijnen Vader, omdat Hij van Hem het leven heeft ontvangen, vero propter Patrem, en voor wie moeten wij dan leven, ademen, werken, zoo niet voor Jezus-Christus, die in het H, Sacrament ons zijn eigen leven mededeelt?

13ae OVERWEGINO.

Zondag in het octaaf van het H. Sacrament.

de mensch aan jezus-christus gelijk gemaakt dook de h. communie.

I. Jezus wil ons aan zich gelijk maken, om onze

liefde tot Hem te volmaken.

II. Hoezeer eene goede Communie in ons dexe gelijkenis met Jezus voortbrengt.

I Punt. De Zaligmaker gebruikt het H. Sacrament cm ons aan zich gelijk te maken en aldus ome liefde

lil-1 H

I

-ocr page 67-

67

tot Hem te volmaken. De gelijkvormigheid veroorzaakt vriendschap, en de onderlinge genegenheid, welke de harten zoo zoet en tevens zoo krachtig samensnoert, is niets anders dan eene overeenkomst van neigingen. God schiep ons naar zijn beeld om ons het groote gebod van Hem te beminnen uit ganscher hart, gemakkelijker te maken. Toen Hij Eva schiep, maakte Hij haar slechts zoo zeer aan Adam gelijk, omdat, zij zijne echtgenoote zijn moest en Hij onder hen eene teedere en duurzame liefde wilde vestigen. De wederzijdsche liefde van den eeuwigen Vader en zijnen eeuigen Zoon is het voorbeeld der volmaaktste liefde, doch het Woord is ook het zelfstandig beeld zijns Vaders, de vlekkelooze spiegel van al zijne oneindige volmaaktheden. In den hemel vindt onze vereeniging met God door de liefde, hare laatste voltrekking, omdat wij in den hemel aan God gelijk zullen zijn. (1)

Indien wij dan Jezus volmaaktelijk willen beminnen, moeten wij aan Hem gelijkvormig worden, en wij zullen dit worden door het heilig gebruik van dit goddelijk Brood, want, volgens den H. Thomas, is een der grootste genaden der H. Communie deze, dat zij ons hervormt tot het beeld van God, dat zijn Zoon is. »De duivel,quot; zegt een uitlegger der gewijde bladeren, »bekoorde onze eerste ouders, hun zeggende: Eet deze vrucht en gij zult aan God gelijk worden. Zij schonken hem meer geloof dan aan God-zelven, die hen met den dood bedreigd had, zoo zij daarvan aten. Jezus op zijne beurt bekoort

(1) Joa. 3, 2.

-ocr page 68-

68

ons op heilige wijze, ons zeggende: Eet mijn vleesch, drinkt miju bloed en gij zult goden worden.quot; Laat ons Hem op zijn woord gelooven, zonder onze zintuigen te raadplegen, en herstellen wij door eene wijze geloovigheid de onvoorzichtige geloovigheid van Adam en Eva.quot; Dit heilig brood is inderdaad geheel verschillend van het gewone brood, dat wij dagelijks nuttigen. Wij veranderen het niet in ons wezen, doch het verandert ons in het zijne.

II Punt. Hoe worden wij aan Jezus gelijkvormig door een heilig gebruik van de heilige Communie1? Op drie wijzen kan men iemand gelijken; volgens persoon, als men dezelfde gestalte, hetzelfde gelaat; dezelfde trekken heeft; in natuur en wezen, als men dezelfde hoedanigheden, dezelfde natuurlijke neigingen heeft; in zijne werken als men handelt volgens dezelfde grondstellingen , voor hetzelfde doel. Het heilig gebruik van het H. Sacrament, geeft ons met Onzen Heer deze drievoudige gelijkenis.

1. Als wij communiceeren, zegt de H. Thomas, drukt Jezus-Christus zijn lichaam als een zegel op onze harten.... niet om in ons veranderd te worden, doch om ons in Hem te hervormen, door in onze ziel het beeld zijner volmaaktheid te drukken. Door deze indrukking deelt Hij ons eene geheel goddelijke schoonheid mede: »Het Bloed, dat wij drinken uit den heiligen kelk,quot; zegt de H. Joannes Chrys.: »doet het beeld van Jezus-Christus in onze zielen schitteren, Het geeft ons een onvergelijkelijken glans en adeldom. Even als hij, die zijne hand in gesmolten goud zou dompelen, die geheel verguld terug zou trekken, wordt de ziel, in het Bloed des Heeren

li

-ocr page 69-

69

gedompeld, even zuiver, even glansrijk als liet goud m de smeltkroes gelouterd.quot; De heilige Leeraar voegt hierbij, dat de christen, die communiceert, zich bedekt met den goddelijken mantel van Jezus-Christus, ja, met Jezus-Christus zeiven.

2. De Zoon Gods wil niet alleen in ons het beeld zijner schoonheid drukken, als Hij zich aan ons mededeelt; Hij stort ook in onze ziel zijne goedheid, zijne neigingen, zijne deugden. Het uitwerksel van dit Sacrament, is ons de beoefening van de nederigheid, het geduld, de versterving, hoe tegenstrijdig ook aan onze natuur, niet slechts mogelijk, doch zelfs gemakkelijk te maken. Een druppel water, zegt de H. Thomas, in een groot vat wijn geworpen, verliest zich daarin en vermengt zich daarmede zoodanig, dat hij niet meer van den wijn onderscheiden kan worden; aldus neemt ook onze ziel, met Jezus-Christus vereenigd, zoo volmaaktelijk zijne neigingen en gevoelens aan, dat zij geheel in Hem veranderd schijnt.

Dit bewonderenswaardig uitwerksel der H. Communie is haar zoodanig eigen, dat de H. Laurentius Just, daaruit een bewijs der wezenlijke tegenwoordigheid trekt. Ware het lichaam des Heeren niet in het H. Sacrament tegenwoordig, hoe dan zou een weinig brood en wijn zulke mirakelen kunnen uitwerken? Hoe zou de ziel en somtijds het lichaam die buitengewone kracht, die vurige liefde, dien overvloed van vrede, dat verlangen naar de eeuwige goederen, die hernieuwing van den inwendigen mensch verkrijgen? Door het heilig gebruik van dit Sacrament wordt de haat uitgebluscht, afkeerigheden af-

-ocr page 70-

70

gelegd, de zuiverheid bemind, de aarde veracht; de mensch verandert geheel, niet door zijne natuur, doch door de genade, hij bedwingt zijne tong, hij bemint het stilzwijgen, hij legt zich toe op het gebed, hij onderhoudt de broederlijke liefde, hij legt zich toe op alles, wat God kan behagen. Deze geestelijke voortgang heeft geene andere oorzaak dan de goedheid van den H. Geest, en de liefdevolle tegenwoordigheid van den Zaligmaker, die zulke gelukkige veranderingen in ons bewerkt.

3. Wanneer wy eens het beeld des Zaligmakers in ons dragen, en zijne heilige neigingen de onze geworden zijn, is het natuurlijk, dat wij zijne voorbeelden volgen en dit is de laatste trek van overeenkomst, welke de H. Communie ons met Hem geeft. De H. Thomas legt dit nogmaals door eene vergelijking uit. »De loot van een goeden boom, op een wilden boom geënt, veredelt deszelfs natuur, deelt hem zijne goede hoedanigheden mede, opdat hij goede vruchten gelijk de zijne, voortbrenge, even zoo verbetert het lichaam van Jezus-Christus, als het ware op ons geënt, onze gebreken, deelt ons zijne deugden mede, doet ons vruchten van rechtvaardigheid, gelijk aan de zijne, voortbrengen.... De H. Dionisius noemt geestelijke enting de ver-eeniging, welke de ziel sluit met het Menschgeworden Woord in het H. Sacrament: Insitio spiritalis. Ziedaar hoe de Zoon Gods door het aanbiddelrjk Sacrament, in ons zijn beeld drukt, ons zijne neigingen inboezemt, en ons doet handelen zooals Hij, als wij Hem met de behoorlijke gesteltenis ontvangen.

-ocr page 71-

71

Kon Hij, daar de gelijkeuis de liefde voortbrengt, wel een krachtiger middel uitdenken, om ons Hem volmaakt te doen beminnen en zich-zelven te verplichten ons lief te hebben?

14de OVERWEGING,

Maandag in het Octaaf van het H. Sacrament. HEILIGE VREUGDE EEN Kil wel VEEUUCHÏE H. COMMUNIE.

I. Het ligt in de natuur der H. Communie,

geestelijke vreugde te verschaffen.

II. Waarin bestaat dit heilig geluk der ziel, en

wat belet ons dit te smaken?

I Punt. Het ligt in de natuur der H. Communie ons geestelijke vreugde te verschaffen. De H. Geest noemt het manna, dat slechts het zinnebeeld van dit H. Sacrament was, een hemelsch brood, dat God ons geeft en waarin alle ware zoetheid ligt opgesloten. »Dit heilig brood,quot; zegt de H. Cyprianus, bevat even als het manna, eiken smaak, door eene wonderdadige kracht doet het hun, die het waardiglijk ontvangen, het genoegen smaken, dat zij begeeren. Het verzadigt den honger en overtreft in zoetheid

O O

alle andere zoetheden.quot;

De getrouwe ziel vindt in de heilige Communie eene onuitsprekelijke tevredenheid; zij ontdekt daarin rijkdommen, die nooit oog gezien, nooit oor gehoord heeft. — Da H. BDuaventura doet Jezus zeggen

-ocr page 72-

72

»0 ziel, hebt gij door ondervinding niet gesmaakt, dat wie mij ontvangt, den honig smaakt met den graat, die hem bevat, de zoetheid van myne godheid, vereenigd met mijn lichaam en bloed?quot; Men vindt deze gedachte bij alle heilige leeraars terug. De H. Schriftuur doet ons door de zinnebeelden, welke zij gebruikt, als zij spreekt van het H. Sacrament , verstaan, hoe zoet dit Brood der engelen voor de welbereide harten is. Dan eens is het een uitgezochte wijn, dan een heerlijk voedsel, een brood van zuivere tarwe. Zij vertoont ons de H. Communie onder het beeld van een heerlijk gastmaal, waardoor de koning de bruiloft zijns zoons viert. Alle uitleggers der H. Schrift passen op dit geheim de verschillende plaatsen onzer gewijde bladen toe, waarin gesproken wordt van wijn, melk, honig, van al wat het zoetste voor den smaak is... Niemaud, zegt de H. Thomas, is in staat de zoetheid uit te drukken van dit Sacrament, waar men de geestelijke zoetheid smaakt in derzelver bron! Ach, hoe wel verstaan de inwendige en onthechte zielen deze taal der heilige

o o

leeraars! »In dit ondermaansche leven hebben wij slechts eene ware vreugde, die van het lichaam des Heeren te nuttigen; slechts ééne smart, waaraan wij gevoelig zijn, die, hiervan verstoken te zijn.quot; De heilige Joannes Berchmans zegde teederlijk tot Jezus; »0 mijn lieve Meester, wat is er behalve de heilige Communie, dat mij hierbeneden zoetheid en tevredenheid geven kan?quot;

II Punt. Waarin bestaan die heilige genoegens, wdke het 11. Sacrament aan de zielen schenkt\'? Het antwoord van den H. Thomas op deze vraag moet

-ocr page 73-

73

hen geruststellen, die zich beklagen geene zoetheid te gevoelen bij de H. Communie, hoewel zij zich beijveren, die waardig te ontvangen. »Een voorwerp, zegt hij, kan ons genoegen doen, of door zich-zelve, of door het beeld, dat wij ons daarvan vormen; door zich-zelve, als het onmiddellijk indruk maakt op onze zintuigen, zooals wanneer wij het zien, proeven enz. — door het beeld, wanneer de geest zich bezig houdt met het aangenaam denkbeeld, dat hij zicli daarvan gemaakt heelt. Inderdaad de enkele gedachte van iets goeds, vooral als men dit bezit of hoopt te verkrijgen, brengt in de ziel een aangenaam gevoel teweeg: een gierigaard, die zijn schat opgesloten houdt, zonder hem te bezien of aan te raken, gevoelt vreugde, zoo vaak hij er aan denkt. Het H. Sacrament maakt nu eens op deze, dan op gene wijze ons genoegen uit.

1. Al gevoel ik bij de H. Communie geene gevoelige zoetheid, zoo is het nochtans een groote troost voor mijne ziel te weten, dat Jezus zich aan mij geeft, dat ik Hem bezittende , het opperste geluk, de bron aller goederen bezit. Als de Zoon Gods tot ons komt, zegt Pater Alvarez, laat Hij zijne geestelijke rijkdommen niet in den hemel. Hij komt met de handen vol genaden, met het Hart vol liefde. Doch, kwame Hij ook alleen, is Hij ons dan niet genoeg? Is Hij zelf niet de kostbaarste aller schattenquot;? Weet ik niet, dat de gevoelige vertroostingen een

7 O O O

der minste vruchten der H. Communie zijn? dat deze goede Meester vaak zijne trouwste dienaars daarvan berooft, om hun te leeren Hem meer te achten, dan zyne gaven. Ach, welk een groote troost

-ocr page 74-

74

tevreden te zijn met God, zonder andere zoetheid| van Hem te verwachten.

Kendet gij het goed, dat Jezus u doet als Hij zicli 1 aan u geeft, zelfs dan, als Hij u geheel ongevoelig I laat. Kondt gij na het ontvangen van dit H. Sacrament deze woorden van den Zaligmaker tot zijne Apostelen, bij het laatste avondmaal, wel begrijpen. ïgt;Weet gij wat ik u gedaan heb?quot; dan zoudt gij meer tevreden wezen, volstrekt geene vreugde te smaken, dan alle vreugde der wereld te gemeten. Jezus heeft u zijn lichaam tot voedsel, zijn bloed tot drank, zijne ziel tot losprijs, zijne godheid tot steun, zijn paradijs tot erfdeel gegeven; Hij verlicht uwen geest, vermeerdert uwe liefde, zuivert uw hart, loutert uwe zinnen, verzwakt uwe hartstochten; Hij deelt u zijne deugden mede; Hij heiligt u. Welke zoetheid kan met deze overmaat van goedheid ten uwen opzichte vergeleken worden? Men moet bekennen met den H. Franciscus, dat hij, wien God niet genoeg is, te begeerig is.

2. Doch somtijds gebeurt het ook, dat de H. Communie gevoeligen troost schenkt aan de ziel; dit gebeurt als Jezus-Christus de zoetheid zijner genade en de zachte werking, waardoor Hij die voortbrengt, doet gevoelen. Dan, zegt de H. Laurentius Justia-nus, is er geen hart zoo hardvochtig, dat niet door het teederst gevoel doordrongen wordt. De ziel, door hemelschen geur gebalsemd, ontvlamd door het heilig vuur der goddelijke liefde, zingt den lof vau Hem, die haar geheel toebehoort. Dilectus meun mil ii, en aan wien zij zich geheel schenkt: et ego illi. Zij wijdt zich toe aan zijnen dienst en wacht slechts

-ocr page 75-

1

75

de gelegenheid af tot een offer, om Hem te toonen, dat zij Hem bemint. Zij gevoelt slechts walging voor alle aardsche voldoening, wordt ongevoelig voor alle wederwaardigheden des levens; zoodat noch be-leediging, noch vergetelheid, noch tegenspraak der schepselen haar treffen. Twee zaken brengen in haar dezen gelukkigen toestand te weeg; het zien en het beminnen van Jezus\' goedheid.

Deze groote geneugten der H. Communie worden, wel is waar, aan allen niet geschonken, noch in denzelfden graad gesmaakt door hen, die ze ontvangen ; weinige zielen zijn genoegzaam gezuiverd, onthecht van de schepselen en zich-zelven, genoegzaam gekruisigd met Jezus-Christus om de zoetheid van dezen hemelschen troost te smaken. Doch wat de geestelijke vreugde betreft, welke veroorzaakt wordt door de kennis van het groote goed dat dit Sacrament besluit, zoo is er niemand, die deze niet kan smaken. Men behoeft slechts de goederen der genade hoog te schatten, zijne zaligheid te begeeren, naaiden hemel te verlangen, en zich te herinneren dat de H. Communie het beste middel is, om deze heilige begeerten te verwezenlijken.

Heer, ik begrijp het doel, dat gij U voorsteldet, bij de instelling van een Sacrament zoo terecht, de zoetheid aller zoetheid, de liefde hij uitnemendheid, genoemd. Gij hebt ü met den mensch willen vereenigen, hem aan U gelijk willen maken, hem met genaden willen overladen eu hem aldus de volmaakte liefde willen inboezemen, waarin dat heilig leven bestaat, waarvan dit brood het beginsel is, gelijk het is het onderpand des eeuwigen levens. O Jezus,

II

11

;

ill i

a

«il

-ocr page 76-

76

vervul in mij een plan uw Hart zoo waardig, geef dat uwe liefde mijn leven zij; o welk een edel, zoet, gelukkig leven! U te beminnen, door ü bemind te worden en slechts bezig te zijn met harten voor U te winnen.

15de OVERWEGING.

Dinsdag in het octaaf van het 11. Sacrament.

de gesteltenis om waardig te communiceeken.

I. Men moet een levendig verlangen hebben naar de H. Communie.

II. Men moet in diepe ingekeerdheid het oogen-blik der H. Communie afwachten.

I Punt. Een vurig verlangen. Hoe gewichtig is dit? Wat moet dit in ons opwekken?

1. Even als de honger naar stoffelijk voedsel gewoonlijk eene gunstigè gesteltenis is, om het lichaam hieruit voordeel te doen trekken, is eene groote begeerte naar de heilige Communie eene zeer goede gesteltenis der ziel om overvloedig in derzelver gelukkige uitwerkselen te deelen. De inwendige mensch

o o

moet hongeren naar dit hemelsch brood, om het heiliglijk te eten. Wilt gij, zegt de H. Hieronymus, het voedsel des Heeren ontvangen en den Heer zelf nuttigen, zoo luister naar hetgeen Hij u zegt: Open uwen mond en ik zal hem vervullen, open den mond uws harten, want gy zult ontvangen naar mate gij dien opent.... De maat der genaden, die gij zult

-ocr page 77-

77

ontvangen hangt niet van my, doch van u af.... O mijne ziel doorgrond dit woord. Begeert gij Jezus-Christus, begeert gij Hem alleen, en met al het vuur, waartoe gij in staat zijt, zoo zult gy Hem ontvangen. Hem en al het goede, dat Hij u bewijzen wil.

Nooit bevinden wij ons in eene betere gesteldheid om overvloedig te deelen in de genaden van dit geheim , dan wanneer wij tot den Zaligmaker kunneu zeggen: Mijne ziel heeft geheel den nacht naar ü gehaakt, en van af den dageraad heb ik U gezocht met geheel mijnen geest en geheel mijn hart. De eerste christenen noemden het H. Sacrament het hegeerde goed, » desiderataquot; omdat zij er naar haakten.

2. Twee zaken werken bijzonder mede om in ons de begeerte om te communiceeren op te wekken; de overweging en de versterving. De begeerte is

o O o O

eene beweging der ziel, waardoor zij, de noodzake-Igkheid en het voordeel kennende van een goed, waarvan zij beroofd is, haakt naar deszelfs bezit. Men moet dus nadenken over de wonderdadige vruchten van het Sacrament onzer altaren. Het is onmogelijk dat eene ziel, die oprecht zoekt volmaakt te worden en de kracht van het H. Sacrament kent, hetzij om in zich de zonde tot in derzelver kiem te verstikken , hetzij om haar tot de hoogste volmaaktheid te verheffen, geene vurige begeerte gevoele tot dien liefdedisch te naderen.

Doch men moet het vasten voegen bij het gebed, dat is, men moet de versierving der zinnen paren aan de overweging der oneindige genaden, welke eene vurige Communie verschaft. Het genot der

-ocr page 78-

78

aardsche genoegens vermindert de krachten der ziel en maakt haar onbekwaam de hemelsche te genieten. De bovennatuurlijke vreugde heeft weinig bekoor-lijkheid voor een hart, dat geheel bezig is met zuiver menschelijke voldoening te zoeken; doch zoodra men het van deze beuzelarijen berooft, snelt het, zonder genot niet kunnende leven, met vurigheid voort op den weg, welken men het opent, door het de zoetheid van dezen hemelschen maaltijd voor te stellen.

De Hebreeuwen moesten zich de lenden omgorden om het Paaschlam te eten; zij moesten het eten met bittere kruiden, dit was om ons te doen verstaan, door deze zinnebeelden van onthouding en versterving, hoe voordeelig het voor ons is, ons door de oefening der boetvaardigheid tot de H. Communie voor te bereiden. God belooft het manna en deszelfs verborgen zoetheid slechts hem , die overwinnaar van zich-zelven is, aan den mensch, die zijne hartstochten weet te bedwingen. Het H. Sacrament is eene bron van onuitsprekelijke geneugten, doch voor wie? Voor hen, die over zich-zelvèn heerschen en niet voor hen die aan hunne natuurlijke neigingen verslaafd blijven.

II Punt. Eene diepe kalmte en ingetogenheid in de oogenblikken, die de H. Communie voorafgaan en onmiddellijk volgen. Moet de ziel ooit aandachtig zijn op hetgeen zij doet, zoo is dit vooral bij het voltrekken dezer goddelijke handeling. Is het niet betreurenswaardig, dat wij dan onzen geest moeten terugroepen? Onder de Communiën in staat van genade verricht, onderscheidt de H. Thomas twee soorten: hij noemt de eene de habitueel-geestelijke, de andere de actueel-geestelijke communie, In de

-ocr page 79-

79

ééne nuttigt men het heilig Sacrament slechts in de gesteltenis van geloof eu liefde, omdat men verstrooid is, in de andere oefent men acten van deze deugden, omdat men zich geheel bezig houdt met de groote daad, welke men verricht. De eerste is voldoende om in zekeren graad de heiligmakende genade te vermeerderen, steeds veronderstellende dat de verstrooidheid onvrijwillig is; doch de tweede is noodzakelijk om de zoetheid van het H. Sacrament te smaken en al deszelfs vruchten te verkrijgen. Jezus Christus beveelt ons de eerste door de woorden: Neemt en eet, dit is mijn lichaam, terwijl Hij de tweede schijnt aan te bevelen door er deze bij te voegen: Doet dit ter mijner gedachtenis. Immers Hij zegt ons hierdoor op welsprekende wijze: denkt aan mij, gelooft, hoopt in mij, bemint mij.

Deze laatste wijze om de H. Communie met eerbiedige aandacht te ontvangen en al de inwendige gevoelens in ons te verwekken, welke de goedheid en grootheid van deu Zoon Gods ons moeten inboezemen, is de eenige, welke werkelijk Hem en ons waardig zij. Het is ook deze, welke ons door de Leeraars der H. Kerk wordt aanbevolen, als zg ons vermanen Jezus-Christus, die zich aan ons geeft, te aanbidden, ons te vernederen in zijne tegenwoordigheid , Hem de hulp te vragen, welke wij behoeven.

»Als de Zaligmaker treedt in eene wel gestelde ziel,quot; zegt de H. Johannes Chrys., »verspreidt Hij daarin de stralen van zijn licht en vervult haar met zijne zalving. Hij noodigt haar Hem te beminnen, te smaken, te omhelzen, en het is voornamelijk door haar getrouw beantwoorden aan deze genaden,

-ocr page 80-

80

dat zij zich in geest en hart met ITem vereenigt en snel vordert op den weg der deugd.quot; Trachten wij dus in die gelukkige oogenblikken ons geheel los te maken van de wereld, ten einde geheel aan Jezus te zijn. Volgen wij Abraham na, die, toen hij zijn offer ging opdragen, geheel zijn gevolg aan den voet des bergs liet, en Mozes, die alleen Sinaï beklom en het volk beval beneden te blijven.

16ae OVERWEGING.

Woensdag in het Octaaf van het H. Sacrament.

dankzegging na de h. communie.

I. Het is een plicht der rechtmatigste dankbaarheid.

II. Een plicht, welks vervulling de grootste genaden verleent.

III. Een plicht, welks verzuim eene ernstige en schuldige oneerbiedigheid zou wezen.

I Punt. De dankzegging na de II. Communie is een plicht der rechtmatigste dankbaarheid. God ge-waardigt zich, zich gevoelig te toonen voor onze dankbaarheid en eischt deze hulde. De feesten door Hem-zelven in het Oude Testament, even als die door de Kerk in het Nieuwe Testament, ingesteld, hebben bijna alle haar ontstaan te danken aan eenige bijzondere gunst, waarvan God de gedachtenis wilde vereeuwigen; zij zijn als een beroep op onze

-ocr page 81-

81

erkentelijkheid. De Joden hadden hun vrede-offer als dankoffer. Wij hebben de H. Mis, wier eerste doel is, ons het geheim onzer verlossing te herinneren, en die het dankoffer bij uitnemendheid is. Hoewel er nooit een hart zoo belangeloos geklopt heeft als het Hart van Jezus-Christus, beklaagde Hij zich nochtans bij het verspreiden zijner weldaden, als men zich ongevoelig daarvoor toonde, »zijn niet tot tien gereinigd geworden? En de negen waar zijn zij?quot; (1)

Dankbaarheid jegens God is een plicht van rechtvaardigheid, gelijk de H. Kerk dit verkondigt. Vere dignum et just urn est,... nos tibi semper et ubique gratias agere. Doch zoo ten allen tijde en op alle plaatsen zy in ons hart moet heerschen, hoe veel te levendiger moet zij wezen, als wij eene genade ontvangen boven alle andere verheven. Drie zaken hebben belang voor het hart, bij het ontvangen eener gift, en vragen deszelfs dankbaarheid; de waarde der gift in zich-zelve, de liefde, waarmede men veronderstelt, dat zij gegeven wordt, en de voorkeur die men geniet in het ontvangen. Religieuze ziel, welken schat neemt gij met u, als gij van de H. Tafel wederkeert? Wat ontbreekt u nog, als gij Jezus-Christus, zijn lichaam, zijne ziel, zijne godheid bezit, als gij in de heiligste gemeenzaamheid zeggen kunt: »0 mijn Zaligmaker, al het uwe is het mijne?quot; Is dit woord van den H. Franciscus van Sales, Wie Jezus bezit, bezit alles, in dit oogenblik u niet van de troostendste toepassing? En dien schat, die alle

(1) Xuc. 17, 17. CH. IV.

6

-ocr page 82-

82

andere bevat, is het niet uitsluitend aan Jezus liefde, dat gij dien verschuldigd zijt? Neen, mijn God, Gij hadt niets te winnen met U aan mij te geven, en als Gij nederdaalt in den afgrond mijner ellende, zoo luistert Gij alleen naar uwe oneindige goedheid. Daarenboven, Heer, ligt er in dit liefdebewijs een voorkeur, die mij verteedert, terwijl zij mij tevens diep beschaamt. Wanneer ik bedenk, dat het aan geen der verheven personen der oude Wet, aan geen Mozes, geen Abraham, geen David, geen Samuel, geen Esther, geen Judith, zelfs niet aan uw heiligen voorlooper, gegeven was te doen, wat ik doe, te smaken wat ik geniet, als ik bedenk dat zoo vele volkeren nog beroofd zijn van de heilige Communie door het ongeloof, of zich-zelven er van berooven door scheuring en ketterij, dat zelfs onder de kinderen uwer Kerk uw liefdedisch slechts voor weinigen gemakkelijken toegang heeft, en dat ik tot deze bevoorrechte wezens behoor, dan vraag ik mij met welke levendige dankbaarheid ik doordrongen moet wezen. O mijne ziel,\'loof toch den Heer!

II Pünt. De dankzegging na de II. Communie is een plicht, waaruit wij onschatbare vruchten kunnen trekken. De tegenwoordigheid van Jezus-Christus iu ons, de gesteltenis van zijn Hart ten onzen opzichte, het deel, dat Hij neemt in al de handelingen, welke wij alsdan verrichten, de staat van slachtoffer, waarin Hij zich zijnen Vader aanbiedt, alles loopt samen om deze oogenblikken tot de kostbaarste onzes levens te maken.

Vóór de Mis aanbaadt gij den Zoon Gods in den hemel en in het tabernakel; gedurende de Mis aanbaadt

I

fri

\' ■

i

-ocr page 83-

83

gij Bern op het altaar en in de handen des priesters, waar aanbidt gij Hem nu ? O welk een onschatbaar oogenblik, waarop gij uwe lippen moogt drukken op de open zijdewond van Jezus-Ohristus, waarop gij in lange teugen moogt drinken aan die bron aller zegening, aller genaden! Hoort gij Hem niet tot u zeggen: Wat wilt gij dat ik u doe? Hij is in u. Hij is er niet werkeloos. Alles wat gij dan doet door de beweging van zijnen geest, doet Hij met u, gij aanbidt, Hij aanbidt; gij dankt, Hij dankt, uwe handelingen met de zijne vereenzelvigd, zyn als het ware goddelijk en menschelijk tegelijk; begrijpt gij derzelver waarde?

In welken staat ziet God daarenboven zijn aan-biddelijken Zoon in u ? Hij ziet Hem tot het diepste vernederd, zich opofferende voor zijne glorie, voor zijne Kerk en voor u, want terwijl de tijd verloopt, mogelijk zonder dat gij er aan denkt, beschouwen de engelen in u onuitsprekelijke wonderen. Door de verandering, welke de stoffelijke gedaanten ondergaan, verliest Jezus zijn sacramenteel leven; op uw hart offert Hij zich nu, even als op een levend altaar, voor u aan zijnen Vader op, Hij bewijst Hem hulde. Hij bidt Hem voor u... Wat kan zijn Vader in zulk een oogenblik weigeren, zoo gij zelf door uwe ondankbaarheid geen beletsel stelt aan de plannen zijner liefde?

III Punt. De dankzegging na de H. Communie is een plicht, dien men zonder eene groote oneerbiedigheid te begaan, niet kan verzuimen. Nauwelijks had Judas het heilig brood ontvangen, of hij verliet

jiil

-ocr page 84-

84

de eetzaal, gelijk de H. Joannes dit opmerkt. (1) Hebben zij, die bijna onniiddellijk na bet ontvangen der H. Communie tot bunne bezigheden terugkeeren en Jezus in bun bart tegenwoordig vergeten, als een doode in zyn graf, bierin geene treurige overeenkomst met den verrader? Waar is ons geloof? Welk eene onbegrijpelijke verblindheid in eene ziel, geplaatst in bet brandpunt van bet liebt?

Voor dat gij den Zoon Gods ontvingt en de priester alle barten uitnoodigde tot dank baarheid, hebt gij geantwoord, dat niets billijker, noch rechtvaardiger was, en thans ontbreekt gij aan dien plicht, als hij voor u oneindig dringender geworden is. Een oogen-blik slechts geleden bekendet gij, tot drie malen toe, met al de teekenen eener oprechte overtuiging, dat gij niet verdiendet de woning te worden van een zoo heiligen God, Domine nov sum dignus, en zoodra Hij zich aan u geschonken heeft, met eene milddadigheid , welke de Kerk in verrukking brengt o res rnirabilis! denkt gij niet meer aan Hem, keert gij Hem als het ware den rug toe; gij hebt Hem niets te zeggen, geene hulde te bewijzen, geene genade te vragen. Vreest gij dan niet, dat zulk eene be-leedigende onwelvoegelijkheid de edelmoedigste liefde in een vreeselijken toorn doe verkeeren?

Onderzoek u-zelven omtrent deze strenge verplicli-ting, boe hebt gij die tot dusverre volbracht? Neem het vaste besluit nooit minder dan een kwartier uurs tot dankzegging te besteden en wees op uwe hoede tegen elk voorwendsel, waardoor de lauwheid zou trachten u dezen nog zoo korten tijd te doen verminderen.

(1) Joa. 13, 30.

-ocr page 85-

85

17ae OVERWEGINO.

Donderdag in het Octaaf van het H. Sacrament. | dankzegging na dk h. communie. haiie beoefening. T. Het begin der dankzegging.

II. De loop der dankzegging.

III. Het besluit der dankzegging.

I Punt. Men begint d.e heilige oefening der dankzegging door drie acten, welke als natuurlijk alle anderen voorafgaan, van bewondering, aanbidding, liefde.

1. Zoodra gij van de H. Tafel zijt teruggekeerd, moet gij u met Jezus opsluiten in het heiligdom uws harten, en niet alleen alle uitwendige zaken, doch ook uwe eigene vermogens doen zwijgen; blijf zoolang het u mogelijk is in stille bewondering, houd als het ware, al de bewegingen uwer ziel stil

7 do

voor deze groote en zoete majesteit; laat het aanbiddelijk wezen van Jezus-Christus doordringen in al uwe vermogens, ze hervormen, geheel bezit van U nemen en uw menschelijk leven door een goddelijk leven vervangen. Geene wijze van God te vereeren komt beter overeen met zijne opperste grootheid, en past beter bij onze diepe nietigheid, dan dat volkomen ophouden van elke handeling, elke redeneering, van elk leven, als het ware, in z^ne tegenwoordigheid. Het is een bekennen, dat Hij oneindig verheven is, niet alleen boven onzen lof, maar boven onze gedachte. Het is eene hulde van geheel ons bestaan aan zijn oneindig wezen; het is Hem zeggen: Heer, wie is aan ü gelijk?

-ocr page 86-

86

2. Aanbid met Maria in diepe kalmte bet Woord, dat mensch werd in haren maagdelijken schoot, en thans in u woont. Ach, hoe diep is Hij in dien toestand vernederd. Aanbid dien aanbiddelijken God, die zich voor u voor zijnen Vader vernietigt. Roep al de vermogens uwer ziel, al de zintuigen van uw lichaam en zeg hun: »Komt laat ons aanbidden, laat ons nederknielen voor Hem,quot; gelijk hij zou doen die, een vorst in zijn huis ontvangende, zijne bloedverwanten, zijne dienaars en naastbestaandeu zou roepen, ten einde met hen zijnen eerbied aan hem te betuigen. Vereenig uwe aanbidding met die der engelen, rondom U nedergeknield, noodig hen uit met en voor U te aanbidden.

3. Doch het gevoel, dat elk ander moet overstemmen is de liefde. Wat zoudt gij doen met aw hart, gaaft gij het niet geheel aan Hem, die om het te verkrijgen, zulk eene krachtige bekoorlijkheid aanwendt? Welke goedheid, welke teederheid, welke belangeloosheid! Hij denkt slechts aan (J, Gij hebt het vuur in uwen boezem gelegd; zou het u niet verwarmen ? De liefde is geheel de dankzegging eener vurige ziel; de liefde bewondert, de liefde aanbidt, en het is de liefde, die al de volgende akten zal verwekken.

H Punt. De voortzetting der dankzegging bestaat ook weder in drie deelen: danken, smeeken, opofferen.

Indien de dankbaarheid moet afgemeten worden naar de grootheid der weldaad, wat zult gij dan den Heer wedergeven voor die. welke gij ontvangen hebt? Hoor den profeet tot u zeggen: Huis van Sion, tril van vreugde, en loof den Heer, omdat

-ocr page 87-

87

Hij die groot, die heilig is, ia uw middeu is, om U tegen uwe vijandeu te beschermen en U met zijne gunsten te overladen. Treed in de gevoelens van Maria, toen zij, na hare levendige dankbaarheid eenigen tijd in zich-zelve besloten te hebben, die uitgalmt in haren schoonen lofzang. Magnificat anima mea Dominum !

Dank in den naam aller schepselen, doch vooral in dien der bewoners des hemels! Wat zijn zij U niet schuldig, o God, Apostelen, Martelaren, Belijders, Maagden, en gij vooral Koningin aller heiligen, het meest begunstigd, het dankbaarst aller schepselen, zult gij ooit genoeg Hem kunnen loven, die zoo groote dingen voor u gedaan heeft ? Gij noodigt mij uit. Hem met ü te prijzen. Magnificate Dominum mecum. Ik doe dit uit geheel mijn hart, ik dank Hem voor U en voor mij. Hoe zoet is het mij, o Maria, recht op uwe dankbaarheid te verkrijgen — door ü te helpen, U van de uwe te kwijten. Dank der oneindige barmhartigheid, welke Hij mij komt bewijzen, ben ik in staat uwe en mijne schuld te betalen, hoe groot die ook zij. Hij beeft mij zijnen Zoon, den luister zijner glorie, het voorwerp van zijn- eeuwig welbehagen geschonken. Het is die welbeminde Zoon, die Hem in dit oogenblik voor mij looft en dankt voor de geheele Kerk, waarvan Hij het hoofd is. Kerk dezer aarde, Kerk des hemels, loven en prijzen wij Hem allen te zamen. Hij heeft ons eene gift geschonken, die ons in staat stelt, waardiglijk al zijne gaven te erkennen.

2. Na den lof komt de smeeking. Alle macht is in uwe hand gesteld, daar de Zaligmaker zich

-ocr page 88-

88

aan u gegeven heeft. Door het onbegrensd vermogen dat gij op Hem en door Hem op zijnen Vader hebt, zijt gij om zoo te zeggen, even als de H. Maagd, eene smeehende almacht geworden. O bid, bid dan, doch bid niet slechts voor u alleen. Verwijd uwe verlangens, zegt inwendig uw goddelijke gast, ik kan, ik wil ze vervullen.

Bid voor de zondaars, de rechtvaardigen, de stervenden van dien dag, waar en hoedanig gesteld zij mogen zijn, bid voor allen; doch bid vooral voor de priesters, wier heiliging van zulk een belang is voor de glorie van God en de zaligheid der menschen. Gij vindt eene heerlijke wijze van bidden, volkomen passend bij dit oogenblik in deze bede van Jezus na het laatste avondmaal. » Vader! de ure is gekomen, verheerlijk uwen Zoon, opdat uw Zoon u verheer-Igke.quot; (1) Hoe treffend zijn deze woorden, als zij vloeien uit een mond, nog gepurperd met het goddelijk Bloed!

» Vader!quot; smaak eerst dien naam zoo zoet, vrees niet te lang daarbij te verwijlen: Pater. Ja mijn Vader, want Gij zijt dit. Heer, ik begrijp, ik gevoel dit beter dan ooit. Het is de plicht des vaders zijne kinderen te voeden, en welk voedsel hebt Gij mij gegeven! Ja, mijn Vader, want Jezus is uw Zoon en op dit oogenblik ben ik slechts één met Jezus. Hij is in mij, ik ben in Hem. Zijn bloed stroomt in mijne aderen, zijn Hart klopt met het mijne, mij ziende, ziet Gij Hem, wat zult Gij niet verleenen aan de gebeden van Jezus, welke de mijne zijn?

(1) Joa. 17, 1.

-ocr page 89-

89

O Vader van Jezus, het uur is gekomen, het uur zoo gunstig voor de plannen uwer liefde... Het is gekomen of het zal nimmer komen, het uur om te toonen wat Gij zijt, de beste, de teederste, de edelmoedigste aller vaders; het uur, om mij te geven al het licht, al de hnlp, al de genaden, die ik begeer of begeeren moet, mij die te geven in grootere mate dan ik die weet te begeeren; want uw Zoon, die in mij is, die in mij en met mij bidt, verdient oneindig meer dan ik vraag, dan ik begeer, zelfs meer, dan ik begeeren kan.

Verheerlijk uwen Zoon. Hij droeg zorg voor uwe glorie, draag Gij zorg voor de zijne. Om U te vereeren is Hij nedergedaald tot den laagsten trap der vernedering, en daalt Hij thans neder op het altaar en in mijn hart; verheerlijk Hem, o Heer, en geef Hem de glorie, die Hem toekomt. De glorie van een weldadigen rijke bestaat in het bijstaan der behoeftigen, die van een geneesheer in te genezen, die van een Verlosser in te verlossen. Geef Hem die glorie. Duld niet, dat men van Hem kunne zeggen, dat Hij een zieke kwam bezoeken, zonder hem de gezondheid terug te schenken; een arme, zonder zijne ellende te lenigen, een berouwvol zondaar, die zich in zijne armen komt werpen, zonder hem te heiligen en te redden...

Opdat uw Zoon U verheerlijke. O mijn Vader, verhoor Hem, verhoor mij, en Gij zelf zult ver-heerlgkt worden, niet door mij, doch door uwen Zoon in mij. Hij zal altijd in mijn hart zijn om het te verwarmen door het vuur uwer liefde, in mijnen geest om mij heilige voornemens in te

-ocr page 90-

90

boezemen, in myn mond om U te loven, in mijnen wil, opdat Hij in alles en altijd met uwen goddelijkeu wil overeenstemme.

3. Doch wilt gij veel ontvangen, zoo geef veel. Bied u eerst aan Jezus-Christus en bied vervolgens Jezus-Christus aan zijnen Vader aan. De Zoon Gods heeft zich aan u gegeven. Hij vraagt, dat gij u aau Hem gevet; breng aan een zoo edelmoedigen vriend een geheel en volstrekt offer van u-zelven, leg in zgn Hart al uwen kommer voor leven en dood, voor tijd en eeuwigheid, geene andere zorg hebbende dan Hem te behagen. Gij hebt een schoon voorbeeld voor deze offerande in het gebed van den H. Ignatius, Ontvang, Heer, enz., aan het einde van dit werk geplaatst.

Daar Jezus u toebehoort, zoo gebruik zijne tegenwoordigheid volgens zijne meening en die zijns Vaders, door Hem aan zijnen aanbiddelijken Vader op te offeren. Hij is u gegeven om te voldoen voor uwe armoede: Wat kan u ontbreken, als gij Hem bezit. Wat vreest gij? Is dit hèt onvoldoende uwer hulde, welke van uwen kant niets is? Zie in u een God, die verdwijnt in tegenwoordigheid van God, door zich als het ware ouder zijne voeten te stellen. Hij brengt Hem en gij brengt door Hem, eene hulde zoo groot als God groot is in zich-zelven. Is het de herinnering uwer zouden, die u beangstigt? Is het de onvolmaaktheid uwer boetvaardigheid, de afwezigheid van elke ware deugd. Bied aan God de boetvaardigheid, welke Jezus voor u heeft gedaan; de vermorzeling zijns harten, de droefheid zijner ziel, de smarten zijns lichaams, waut dit alles be-

-ocr page 91-

91

hoort u toe. Bied de heiliglieict zijns levens, om de vlekken van het uwe te herstellen, offer zyne deugden voor uwe ondeugden, zijne zachtmoedigheid voor nw ongeduld, zijne nederigheid voor uwen hoogmoed.

Te dien einde kunt gij zeggen: Mijn God, ik ben niet in staat U door mij-zelven te vereeren, de duisternis van mijnen geest, de afwijking mijner verbeelding beletten mij eene enkele gedachte uwer waardig, te vormen, doch ik offer ü de goddelijke gedachten van Jezus, den lof dien Hij U op dit oogenblik in mij bewijst en die Hij Ü in alle eeuwigheid in den hemel zal bewijzen. Mijn hart heeft voor U eene ongevoeligheid, welke mij bedroeft, doch ik offer U het Hart van uwen Zoon en al het vuur zijner brandende liefde. Ik bemin ü door dat goddelijk Hart, dat Gij mij gegeven hebt. Doe mij dan niet de vraag die het hoofd uwer apostelen bedroefde : Bemint gij mij ? Diligis me ? want even als hij, zou ik U in volle vertrouwen antwoorden: Ja Heer ik bemin U, en Gij moet over mijne liefde tevreden zijn, wijl zij in het Hart van Jezus, dat mij toebehoort, eene oneindige volmaaktheid aanneemt.

III Punt. Het besluit der dankzegging, is het voornemen de gevoelens van dankbaarheid en toewijding, die men Jezus-Ohristus gedaan heeft, dienzelfden dag door daden in beoefening te brengen.

O o ~

Heeft men zulk een bewijs zijner liefde ontvangen, dan zoekt men slechts eene gelegenheid, om ook de onze te toonen. Men is gereed alles te ondernemen, alles te lijden, voor zijne glorie; arbeid, vermoeienis, vernederingen, tegenspraak van alle zijden: Mijn hart is hereid, Heer, mijn hart is bereid. Een leven

-ocr page 92-

92

van ingetogenheid, van ijver, van zelfopoffering moet eene voortdurende dankzegging zijn na de H. Communie. Bepaal in welke omstandigheid en wanneer gij aan God zult toonen, dat gij de onschatbare gunst, die Hij u bewezen heeft, niet vergeet.

isquot;6 OVERWKGING.

Vrijdag na het octaaf van het H. Sacrament.

peest van het h. hart van jezus.

het \'t vrt van jezus tot het haet van den religieus sprekende.

1. Het beklaagt zich,

II. Het vraagt.

III. Het belooft.

1. Stellen wij ons den Zaligmaker voor, verschijnende aan de nederige dochter der Visitatie en ons dezelfde woorden toesprekende: »Ziehier dat Hart dat de menschen zoo zeer bemind heeft, en dat zoo weinig door hen bemind wordt.quot;

2. Vraag de genade de begeerten van het Hart van Jezus wel te begrijpen en u daarnaar te gedragen.

I Punt. De Machten van Jezus Hart. Overwegen wg die in dezelfde bewoordingen, waarin Hij zich gewaardigde ze ons te laten hooren.

1. »Ziedaar dat Hart.quot; Jezus biedt het ons aan. Het is zijn Hart, het meesterstuk van den H. Geest, het werktuig der zuiverste, der edelste, der verhe-

-ocr page 93-

93

venste gevoelens, die wij met mogelijkheid kunnen uitdenken. Het is het Hart van den besten aller meesters, den teedersten aller vaders, den oprechtsten aller vrienden. 0 hoe troostend was zijne goedheid voor de weduwe van Naïm, voor de zusters van Lazarus, hoe geduldig, hoe teeder voor de zondaars! Hoe gevoelig bij het gezicht van het lijden! Doch hoe liefdevol vooral voor de zielen, welke Hij bestemt tot zijne bruiden, die zich aan Hem door het religieuze leven toewijden! Hoe medelijdend voor al de rampzaligen, die in het verderf loopen!

2. »Dat Hart, dat de menschen zoo zeer bemind heeft.quot; Let wel op het woord zoo zeer. Zeker heeft Jezus de menschen, alle menschen lief gehad, omdat er geen enkele is, die niet met den H. Paulus zeggen kan: Hij heeft mij bemind en heeft zich voor mij overgeleverd (1). Wie zal het herzeggen? Jezus zelf schijnt het niet te kunnen uitdrukken.

Herdenk eenige zijner bijzonderste weldaden: de kribbe, het kruis, het altaar... Ja, het altaar, dat geheim der liefde, dat gij gedurende acht dagen hebt overwogen, dat gedurende alle eeuwen het voorwerp der bewondering der engelen en heiligen zijn zal. Een God, nederdalende uit den luister zijner glorie, tot de ellende onzer menschheid, zich veroordeelende tot alle vernedering, alle vernietiging, ten einde ons te verheffen tot zijnen troon; zich verzadende met bitterheid, om ons een oneindig geluk te doen smaken, een God, die de Kerk sticht, om altijd met ons te kunnen verblijven; zijne teederheid zoover drijvende

(1) Gal. 2, 20.

-ocr page 94-

94

om ons zijn lichaam tot spijs, zijn Bloed tot drank te willen geven. Is dit geen God, die oneindig bemint, eene oneindige liefde verdient. Welnu, lieeft Hij die liefde verkregen? verkrijgt Hij die? hoedanig is de dankbaarheid der menschen ? hoe staat het met de uwe?

3. »En dat zoo weinig door hen bemind wordt.quot; Treurige waarheid... Beschouwen wij niet wat zijn moest, doch wat is... Hoevele zielen op aarde kennen de teedere liefde van het Hart van Jezus voor haar niet eens! Tel ze! Hoevele andere die, hoewel zij er eenig begrip van hebben, nochtans niet getrouwer zijn, daaraan te beantwoorden ? Tel ze nogmaals. »Ik ontvang van het meestedeel in het Sacrament mijner liefde slechts ondank en verachting.quot; Hij spreekt niet uitvoerig over al de beleedigingen, waarvan Hij het voorwerp geweest is en nog is, ia het H, Sacrament. Hij noodigt ons slechts uit daaraan te denken, opdat wij, door ons medelijden Hem als het ware helpen het gewicht der smart te dragen, welke Hij daarover gevóelt, want Hij zoekt zielen, die Hem troosten. Helaas! moeten wij Hem dwingen te zeggen, dat Hij er geene vindt, daar het getal der ondankbaren zoo groot is ? Misschien zal Hij er vinden onder diegenen, welke zijne genade het meest bevoorrecht heeft! Luisteren wij en laten wij zijne woorden als scherpe pijlen dringen in onze harten.

4. Doch wat Mij het smartelijkst valt, is dat het harten zijn, die mij zijn toegewijd, welke aldus handelen. O Jezus, welk hart behoort U meer dan het mijne, daar Gij het zoo vaak komt heiligen

-ocr page 95-

95

door de H. Communie, terwijl ik het U bij mijne heilige professie geheel toegewijd heb ? Wie dan zal TJ beminnen, indien ik niet vervuld ben van uwe liefde? En bedroefik ü nooit? Ik wil het bekennen, hoe smartelijk mij dit valle. Ik verdien honderd maal meer verwijtingen, dan Gij mij doet. Ik verneder mij en beken het in rechtmatige smart; ik ben een dergenen van wie Gij zegdet: »De anderen stellen zich tevreden mijn lichaam te slaan, doch deze wonden mijn Hart, dat Hart dat nooit heeft opgehouden hen te beminnen.quot;

II Punt. Smeekbede van Jezus Hart. »Gij kunt mij, aldus gaat de Zaligmaker steeds tot zijne getrouwe dienstmaagd sprekende, uwe liefde niet beter bewijzen, dan door te doen, wat ik u reeds gevraagd heb.quot; Ziedaar de opperheer, die smeekt; Hij kon als meester bevelen, Hij doet het niet; Hij bidt en met aandrang, en bepaalt er zich niet toe slechts eens zijne begeerten te doen kennen. Doch wat vraagt Hij, ter wille van al wat Hij voor ons heeft gedaan en opgeofferd ? In het algemeen, dat wij Hem door onze liefde troosten. »Ouze Heer Jezus-Christus heeft mij doen kennen , dat zijne groote begeerte om door de menschen volmaakt bemind te worden, Hem de gedachte heeft ingeboezemd hun zijn Hart te openbaren, en hun in deze laatste tijden, dit nieuw bewijs zijner liefde te geven.... Hij heeft mij verzekerd, dat Hij een groot welbehagen daarin vindt, zijne inwendige gevoelens en zijne liefde vereerd te zien onder het beeld van dit Hart van vleesch, gelijk Hij mij dit getoond heeft, en welks beeld Hij in het openbaar uit gesteld wenscht

-ocr page 96-

96

te zien, opdat het het ondankbare menschenhart treffe.quot;

Hij bepaalde in het bijzonder eenige andere eer-1 be wijzingen: de instelling van een feest, eerherstellende Communiën, eereboeten enz. Te dien einde [ richtte Hij zich tot eene arme religieuze, die onbekwaam was uit zich-zelve dit plan uit te voeren. Hij Mest hij voorkeur zwakke werktuigen. Doch vraagt Hij ook mij niets en dit wellicht reeds sedert lang? Heeft Hij mij wellicht niet meermalen de gedachte ingeboezemd van met meer vuur eene Hem welgevallige godsvrucht, zoo geschikt voor deze tijden, te verspreiden, die met meer ijver te beoefenen? O zoo heden zijne stem zich doet hooren, verharden wij dan ons gemoed niet! Hij zoekt vertroostingen, moge Hij die bij ons vinden, zij zullen niet onbeloond blijven.

Hl Pünt. De beloften van het H. Hart van Jezus. »Ik beloof, dat mijn Hart zich zal verwijden om in overvloed, den invloed zijner genaden uit te storten over degenen, die het zullen vereeren en zich zullen beijveren Het te doen kennen.quot; Deze woorden betreffen al degenen, die het heilig Hart vereeren, en volgens vermogen medewerken om het te doen verheerlijken. Ligt gij gedompeld in een afgrond vau zwakheden, fouten en ellenden, zoo is het Hart van Jezus een afgrond van barmhartigheid en kracht, ontdekt gij in u een mateloozen hoogmoed, zoo werp u in de vernietiging van het Hart van Jezus. Ik geloof niet dat er eenige oefening van godsvrucht in het geestelijk leven bestaat, die meer geschikt is om eene ziel sneller op te voeren tot de hoogste volmaaktheid. Beminnen wij dan dat Hart, dat

-ocr page 97-

97

ons zoozeer bemind heeft en dat thans nog bereid is zgne zegeningen over ons uit te storten. Deelen wij in zijne smarten, treden wij in zgne begeerten, stellen wij in Hem onze hoop, bedroeven wij ons over hetgeen Hem doet Igden, — en daar Hij in het H. Sacrament het meest beleedigd wordt, juist daar waar Hij ons de meeste liefde betoont, zoo laat ons vooral Hem daar onzen eerbied en onze liefde toonen.

O Jezus, ik geef mg geheel aan uw Hart; ik wijd U mijne werken en mijn rusten, mgne vreugde en mgn lijden , mijn leven en deszelfs einde. Ontvang, met deze mijne hulde, die der zuivere zielen, welke Gij met hemelsch vuur ontsteekt. Ach, hoe gaarne voegde ik hierbg de hulde der onwetenden, die U niet kennen, der ketters en ongeloovigen, die ü loochenen, der ongeloovigen, die ü vergeten. Mocht ik, terwijl de engelen den schoonen lofzang »Heilig, Heilig, Heilig, de Heer, de God der heerscharenquot; in den hemel doen weergalmen, steeds rondom mij hooren herhalen: »Geloofd zij het Hart van Jezus in het Sacrament des Altaars in alle eeuwigheid.quot;

7

CH. IV.

-ocr page 98-

98

19de OVKRWEGING.

Zaterdag na het octaaf van het H. Sacrament.

bezoeken aan het allerheiligste sacrament.

I. De religieuze ziel bezoekt Jezus vlijtig in het Sacrament zijner liefde.

II. Hoe gebruikt zij dien kostbaren tijd?

I Punt. De religieuze ziel bezoekt Jezus vlijtig in het Sacrament zijner liefde. Welke bezigheid toch kan haar redelijker, zoeter of voordeeliger toeschijnen ?

1. Eene zeer eenvoudige overweging doet ons gevoelen hoe redelijk en passend het is, dat wij ijverig zijn om aan Jezus voeten neder te knielen, die hier in onze tempels verblijft. Zoo een vorst alleen om mij te eeren, te beschermen, voor geheel zijn hof mij zijne liefde te toonen, zijn woon kwam vestigen in de plaats, die ik bewoon, ten einde ik mij vrij voor hem kon aanbieden, zijne goedheid kon inroepen , zoo dikwijls mij dit behaagde, zou ik ongevoelig zijn voor deze welwillendheid? Wat zou men zeggen van mijn gedrag, zoo ik verzuimde hem te gaan bezoeken en zulk eene bewonderenswaardige goedheid te benuttigen?

Wat nooit eenig koning deed voor den meest beminde zijner onderdanen, heeft Jezus voor o:js gedaan. Wat toch stelde Hij zich voor, toen Hij zijn woon bij ons kwam vestigen ? Hadde Hij slechts tot slachtoffer willen dienen door zich voor ons op te offeren en ons zijn lichaam tot spijs te geven, zoo ware het Hem genoeg geweest zich tegenwoordig

-ocr page 99-

99

te stellen, onder de heilige gedaanten op het oogen-blik van de consecratie en der communie. Door altijd in ons midden te blijven, wilde Hij altijd binnen ons bereik blijven en ons voortdurend de diensten eener teedere vriendschap bewijzen. En wij laten Hem alleen in onze kerken en zij zelfs, die Hij van de begoochelingen der wereld schijnt bevrijd of genezen te hebben, gaan Hem zelden hunne hulde bieden, zijne weldaden inzamelen! Verwonderen wij ons vrij over de dwaasheid der Joden, die Hem noch gekend, noch bemind hebben, hoewel Hij in hun midden al weldoende en wonderen verrichtende omging; doch bekennen wij dan ook, dat onze onverschilligheid in ons eene nog grootere verblindheid bewijst, die zijn goddelijk Hart op het gevoeligst treft. Religieuze ziel, gij die Hij uit de wereld heeft getrokken, ten einde met U in de heiligste (gemeenzaamheid te kunnen leven, ga Hem

O O 7 O

dikwijls bezoeken in uwen naam, in naam dergenen die U dierbaar zijn, in naam van eene wereld, die Hem bijna geheel miskent en vergeet. Bestaat er voor u wel eene meer passende en billijke bezigheid ? Is er wel eene, die der godsvrucht behagelijker kan toeschijnen.

2. Welke goede zoon begeeft zich niet gaarne tot zijnen vader! Bestaat de grootste vreugde van een vriend niet in het verkeer met een getrouwen vriend ? O hoe gelukkig zijn wij, in alle oorden der wereld, Jezus zoo dicht bij ons te hebben, ten einde Hem ons leed te kunnen toevertrouwen , onze tranen te storten in zijn Hart, en tot Hem onze toevlucht te nemen. De H. Schrift verhaalt als eene buiten-

i

ü

m

ill:

m

-ocr page 100-

100

gewone genade aan Jozef verleend, dat de wijsheid »met hem in de groeve daalde, en bij hem bleef in de boeienquot; (1) Doch is het geene veel grootere gunst, dat het menschgeworden Woord, de vleesch-geworden Wijsheid, bij ons blijve in de gevangenis onzer ballingschap? en dat het daar zoo lang blijve als onze gevangenschap duurt?

Hij, die zich door het geloof laat geleiden, gaat elders geen troost zoeken. Een bezoek by het heilig Sacrament doet hem alle vermoeienissen vergeten, verdrijft allen kommer, hernieuwt zijne hoop. Hoe vaak is hij de kerk binnen getreden met een hart vol bitterheid en heeft hij die verlaten, met vreugde en moed bezield. De koninklijke profeet heeft zijne gewone gesteltenis uitgedrukt, toen hij zegde: »Hoe liefelijk zijn uwe tabernakelen, o Heer der heir-scharen! Mijne ziel is begeerig en versmacht van verlangen naar de voorhoven des Heeren. (2)

2. Voegen wij bij deze beweegreden nog die van een allergrootst belang voor ons-zelven. Nooit gaat men, door het geloof aangedreven, het H. Sacrament bezoeken, zonder van Jezus eenig liefdebewijs te ontvangen. Hij woont niet dag en nacht in zijn tabernakel, zegt zeker schrijver, om ons niets te zeggen en niets te geven. Is Hij in het H. Sacrament niet wat Hij op aarde was; de vriend der zondaars, de trooster der bedroefden, de redder der zielen? Hij bewerkt wonderen van macht en goedheid, gelijk aan die, welke Hij alstoen uitwerkte, de zieken genezende, den blinden het gezicht teruggevende, de dooden opwekkende! Gaan wij onze plannen voor

(1) wijsheid X, 13 en 14. (2) Ps. 83.

-ocr page 101-

101

Hem blootleggen, Hem raad in onze twijfelingen, hulp ia onze moeielijkheden, kracht in onze bekoringen vragen. Een goed verricht bezoek kan de groote zaak onzer zaligheid ten onzen gunste beslissen.

Deze godsvrucht was opmerkelijk in de meeste heiligen. Zonder te spreken van die, welke gedurende geheele maanden geen ander voedsel namen Jan de H. Communie, heeft men er zoovele gezien, die zich slechts met de grootste moeite van den voet des altaars verwijderden, om er weder te komen nederknielen, zoodra dit hun mogelijk was. De H. Franciscus Xaverius en de H. Franciscus van Borgia brachten vaak geheele nachten door, in aanbidding van het H. Sacrament. Het is daar dat een H. Benedictus Labre, eene H. Theresia, eene •H. Brigitta, eene H. Magdalena van Pazzi, Catha-rina van Siena, Margaretha-Maria enz. zooveel licht ontvingen en zooveel geluk smaakten.

In de Ve eeuw stichtten godvruchtige kluizenaars de heilige oefening der gedurige aanbidding. Evenals vroeger de kinderen Israels in verschillende stammen verdeeld, onderhielden zij in den tempel des Heeren eeu onafgebroken psalmgezang. Het H. Sacrament was nooit zonder aanbidders. Danken wij de goddelijke Voorzienigheid, welke in onze dagen religieuze gemeenten heeft geroepen om Hem dag en nacht hulde te brengen. Er is nog meer. Deze ijver ligt niet in de kloosters alleen besloten, en vurige christenen geven te midden der wereld hiervan de stichtendste voorbeelden. Men ziet ze, in vele onzer steden niet slechts op den dag rond onze tabernakelen knielen, doch ook des nachts. En nochtans

-ocr page 102-

102

moeten wij nog zuchten over het klein geloof der christenen, ten opzichte van dit geheim van ons geloof: MysteriumJidei. Ja wij moeten erkennen: Er zijn duizenden leden van de gedurige aanbidding en millioenen harten, die ongevoelig zijn voor de tegenwoordigheid van den Zoon Gods, onder ons wonende.

o \'

III Punt. Wat doet de religieuze ziel hij het bezoek aan het H. Sacrament? De H. Augustinus verhaalt, dat zijne moeder tweemaal daags naar de kerk sinor, om de woorden des fleeren te hooren

O O 7

en opdat de Heer hare smeekingen zou aanhooren. Naar Jezus luisteren en tot Hem spreken, ziedaar wat ons bezoek troostend en heilzaam maken zal.

1. Wij luisteren niet genoeg naar onzen Heer, vooral als wij Hem ontvangen hebben, en als wij Hem gaan bezo\'eken. Na ons door het gevoel zijrer tegenwoordigheid wel doordrongen te hebben, door eene akte van geloof, moeten wij ons houden in een diep stilzwijgen. Een stilzwijgen van bewondering. Waar ben ik? Waar zijt Gij, mijn God? Wie zijt Gij en wie ben ik? Een stilzwijgen van verwachting. Laat ik hooren, ivat de Heer in mij spreekt (1) Openen wij het oor des harten voor zijne inspraken, zijne verlangens, zijne berispingen. Gewoonlijk spreekt Hij op duidelijke wijze na de H. Communie, doch Hij spreekt ook tot de inwendige zielen, bij Let bezoek, dat zij Hem brengen; en wij hebben een bijna onfeilbaar bewijs van zijn woord, als Hij ons het verlangen geeft om veel te werken, veel voor Hem te lijden. O Jezus, wat zegt Gij niet dagelijks tot die diep ingetogen zielen, welke aan uw altaar

(1) Ps. 84, 9.

-ocr page 103-

103

knielen? In de stilte van uw heiligdom, doet Gij ons zoo gaarne dat doordringend woord verstaan, dat zulk een zoeten, zulk een heilzamen indruk maakt op het hart.

2. Doch de Zaligmaker verlangt ook dat wij tot Hem spreken. Moeten wg Hem geene hulde bieden? Hebben wij Hem niets te vragen? Laat ons zijne oneindige grootheid vereeren, door onze nietigheid voor Hem te erkennen; zijn oppergezag, door Hem alles te bieden, wat wij van Hem ontvingen; zijne heiligheid, door ons berouw over onze zonden; zijne macht en zijne goedheid, door het vertrouwen, dat onze gebeden bezielt. Wij hebben in de boeken gebeden, welke dit onderhoud met Jezus bevatten, doch als de geest van geloof zich van ons meester maakt, vermenigvuldigen de gevoelens zich zonder studie of moeite, de verzuchtingen stijgen uit het hart, als vonken van een vuurgloed; en wat durft men dan niet aan Jezus vragen? Voor zich-zelven, voor zijne broeders, voor de Kerk? Met welke eenvoudigheid ontdekt men Hem zijne ellende, legt men zijne moeielijkheden bloot, vraagt men Hem raad in twijfel en strijd! Jezus leert, onderwijst ons in het H. Sacrament, zonder den klank der woorden; Hij deelt zich mede aan de ziel, die Hem aanhoort, onderhoudt zich mei haar, gelijk de eene vriend met den anderen. O wekken wij ons geloof op, knielen wij dikwijls voor het tabernakel neder en wij zullen weldra ondervinden, dat deze oefening niet slechts eene der heiligste, doch tevens eene der zoetste, troostendste, belangrijkste is van onzen heiligen godsdienst.

-ocr page 104-

104

20ste OVERWEGING.

Zondag na het Octaaf. 3e Zondag na Pinksteren.

TOEPASSING DER ZINNEN OP HET GEHEIM VAN HET H. SACRAMENT DES ALTAARS.

I. Toepassing van het gezicht.

II. Toepassing van het gehoor.

III. Toepassing van den reuk.

IV. Toepassing van den smaak.

V. Toepassing van het gevoel.

1. Toepassing van het gezicht. Beschouw de H. Menschheid des Zaligmakers. Nooit bezat eenig mensch zulk eene schoonheid, zelfs zulk eene uitwendige schoonheid. Zijn uitzicht, zijne houding, zijne manieren, alles is goddelijk. Beschouw Hem in de verschillende toestanden zijns levens, doch vooral na zijne verrijzenis. Beschouw dat hoofd, eerst met doornen, thans met glorie omkranst. Zijne handen en voeten, welke men met nagelen doorboord heeft en die thans meer schitteren dan de schoonste sterren. Ga van het lichaam over tot de ziel, beschouw al hare vermogens, haar geheugen steeds bezig met de belangen van God en de onze, met de eer zijns Vaders en de zaligheid der menschen. Welke schatten van wijsheid en wetenschap in zijïi verstand. Welke edele neigingen in zijnen wil, welke deugd, welke vlammen van liefde, welk teeder medeleden met onze ellende. Gij hebt den mensch gezien, beschouw nu den God. Beschouw dat Woord van

-ocr page 105-

105

alle eeuwigheid, geboren in den luister des hemels, oneindig wijs, goed, machtig, persoonlijk vereenigd met de meuscbelijke natuur. O welk eene majesteit, welke grootheid, welke macht en goedheid zijn verborgen onder zulke zwakke gedaanten; wek uw geloof meer en meer op. Ziedaar den gast, dien gij herbergt, als gij de heilige Communie ontvangt. 0 welke blikken vol medelijden en teederheid vestigt Hij in dit oogeublik op u. Hij komt slechts tot u, om u met zijne gunsten te overladen. Bewonder, aanbid, loof en dank Hem.

2. Toepassing van het gehoor. Hoor den hemel-schen Vader, die totu, even als tot de Apostelen,

op Thabor zegt: Deze is mijn welbeminde Zoon.....

hoort naar Hem (1). Bid den H. Geesl u datgene, wat Hij u gaat leeren, wel te doen verstaan. Stel u met Maria Magdalena aan zijne voeten, en wees opmerkzaam op elk zijner woorden; gewoonlijk verkondigt Hij ons zijn Evangelie in dit Geheim. O lioe welsprekend predikt Hij ons hier de veraching der wereld, het achten van God alleen, de gehoorzaamheid, het geduld, het inwendig leven. Welke bewonderenswaardige geheimen verkondigt Hij hier aan de zuivere en ingetogen zielen. Welke treffende vermaningen geeft Hij aan de lauwe en onverstorven harten? Indien gij zijne berispingen verdient, zoo verneder u, beloof Hem uwe fouten te herstellen. Zij zullen weldra vergeven zijn en het Hart van Jezus zal vertroost worden. Zeg dan met den koninklijken profeet: »Uw woord is eene lamp voor mijne voeten en een licht op mijne paden.quot; (2) ~(1) Matth. 17, 5. (2) Ps. 118, 105.

-ocr page 106-

106

3. Toepassing van dén reuk. De naam Christus, welke Gezalfde beteekent, en dien wij steeds met dien van Jezus gelijk noemen, doet ons denken aan balsemseur. De H. Laurentius Just, noemt het

cj

H, Sacrament een reukvat met de kostbaarste reukwerken gevuld. Die geuren, waarvan in het boek der Hoogliederen zoo vaak melding gemaakt wordt, zijn de aanlokselen der deugden van Jezus-Christus; welke bekoorlijke kracht oefenen zij uit op de zielen, om die te trekken uit het bederf der wereld, ze aan zich-zelven te onthechten, ze te doen snellen op zijn voetspoor, op den weg der geboden en raden.

Verbeeld u dan dat God de Vader u zegt, gelijk Isaac tot Jacob: »De geur mijns Zoons is gelijk die van een vollen akker, dien de Heer gezegend heeft.quot; (1) Die bloemen en vruchten van dien akker beteekenen de voorbeeldige deugden, die Jezus in het H. Sacrament beoefent: die onverstoorbare zachtmoedigheid, die liefde, die zelfverloochening, dien staat van slachtofferande, waartoe Hij zich gebracht heeft om zijnen Vader te eeren en ons de genaden te verwerven, welke wij behoeven. Denk aan de vreugde, welke de H. Drievuldigheid ontvangt uit dit voortdurend

O O

offer, dat hemel en aarde met deszelfs welriekendeu geur vervult. Bedenk dat gij ook verplicht zijt, rondom u den goeden geur van Jezus-Christus te verspreiden en dat het goede voorbeeld gelijk is aan den wierook, wiens geur zich slechts dan verspreidt, als hij door het vuur verteerd wordt; aldus trekken onze deugden, die de menschen het meeste stichten, hare verdiensten

(1) Gen. 27 , 27.

-ocr page 107-

107

^118\' I voor God, slechts uit de liefde, die ze bezielt en ons

me\' 1 aan de belangen zijner glorie slachtoffert.

aai1 1 4. Toepassing van den smaak. Van alle zintuigen

^ | past dit het beste bij het H. Sacrament. In dit

3 I geheim toch heeft alles beti-ekking op den smaak;

)oe\'f i Je figuren, die het voorstellen, de namen daaraan

rC^\' | gegeven , de gedaante, waaronder Jezus zich verbergt,

| de uitnoodiging om daartoe te naderen.

I ■ O O

eu\' | Roept Hg ons tot dit H. Sacrament, dan noodigt

aai1 | Hy ons tot een feestmaal: »Neemt, eet mijn lichaam,

?yn I drinkt mijn bloed. Komt, mijne vrienden, drinkt

| dien wijn, welke der ziel eene heilige dronkenschap,

\'ïjk I

een zoeten slaap, eene beminnelijke rust verschaft,

•^e | In de taal der Kerk is het H. Sacrament » een hemelsch

(^) I Brood, dat alle zoetheid bevat.quot; Doch even als het

16,1 I \' voedsel om wel gesmaakt te worden, zeer langzaam

5a\' I genuttigd moet worden, zoo zult gij des te beter

lc\'i I deszelfs zoetheid smaken, naarmate gij met meer

311 I zorg de teedere goedheid, de toegenegenheid, al de

\'m 1 hoedanigheden van onzen verborgen Zaligmaker zult

II ■ ■ overwegen. Indien uwe ziel door deze overdenkingen ^e I zich verteedert en door het hemelsch vuur ontvlamd K\' ■ wordt, zult gij een zalig genoegen smaken, dat u

III I alle aardsche en zinnelijke genoegens zal doen ver-31 I achten. Dan zult gij met den profeet Job uitroepen:

11 I Kan men flamoe spijzen eten ?..... of kan iemand

ri I smaken wat, hem die eet, doet sterven! (1), na het

r I voedsel genoten te hebben, dat een zoo heilig en

l\' I gelukkig leven mededeelt.

1 ■ 5. Toepassing van het gevoel. Zoodra het vuur

(1) Job 6, 6.

-ocr page 108-

108

het hout aanraakt, verwarmt, ontvlamt het dit en verandert het in vuur. Aldus handelt de Zaligmaker met den geloovige, die hem heiliglijk ontvangt. De kruiden, de balsem, de vochten, genezen de wonden, alleen door het aanraken. Zoekt gij de\' genezing voor de ziekten uwer ziel? Breng haar in aanraking met het Lichaam en het Bloed van Jezus-Christus. Gedurende zijn sterfelijk leven ging er eene kracht van Hem uit, die den zieken de gezondheid gaf. In het H. Sacrament handelt Hij eveneens. De H. Joannes Chrys. zegt, naar aanleiding van het aanraken van den boord van het kleed van Jezus-Christus, door de vrouw van het Evangelie: »Raken wg ook dien boord aan, of liever raken wij Jezus zeiven aan. Naderen wij tot Hem met levendig geloof, met vaste hoop, want indien zij, welke zijn kleed aanraakten volkomen genezen werden, zouden wij niet genezen worden, als wij Hem geheel iu ons binnenste bezitten.quot;

Vereenig dan niet slechts uwe zintuigen met die van uwen Zaligmaker, vereenig ook uwe ziel met de zijne, om verlost te worden van uwe verblindheid; uwen wil met zijnen wil om met Hem niets anders te willen , dan de voltrekking van Gods wil. Vereenig geheel uw wezen met zijne godheid, door het geloof, het vertrouwen en de liefde. Daar zult gij u in uw rustpunt bevinden en een voorsmaak genieten van de eeuwige zaligheid.

-ocr page 109-

109

21ste OVERWEGING.

4de Zondag na Pinksteren.

wij hebben den ganschen nacht gearbeid en niets gevangen. — het tijdverlies. (le deel, blz. 177.)

lil I

üi :: |fa| |

22ste OVERWEGING.

5de Zondag na Pinksteren.

»Indien uwe gerechtigheid niet overvloediger is dan die der Schriftgeleerden en Phariseërs, zoo zult gij in het Rijk der Hemelen niet ingaan.quot; (1)

de ware deugd.

T. Zij is inwendig in haar beginsel.

II. Zij is welgeregeld in hare werken.

I Punt. De toare deugd is inwendig in haar beginsel. In het hart moet zij ontkiemen. De christe-lijke deugd, dat is de ziel in hare handelingen geleid door het geloof en de werking van den H. Geest. Wat naar buiten uitwerkt is slechts de geur, die het verborgen reukwerk verraadt, doch dit is het reukwerk zelf niet. Zoodra ik mij eenigszins in dit denkbeeld verdiep, zal ik begrijpen, wat de Zaligmaker in het Evangelie van dezen dag zeggen wil door de woorden: Indien uwe gerechtigheid em.

fm

ifi ■ \'

Hi!

Ill

De Phariseërs letten slechts op het uitwendige en zochten veel minder deugdzaam te zijn, dan het te

(1) Matth. 5, 20.

-ocr page 110-

1

110

schijnen. Zij kwamen de kleinste voorschriften der wet gestreng na, doch overtraden haar zonder de minste wroeging in hare voornaamste punten, zich in het geheim aan de grootste ongeregeldheden overgevende, en ziedaar wat de Zaligmaker hun verweet: »Wee ü, Schriftgeleerden en Phariseërs, gij huichelaars! omdat gij gelijk zijt aan gepleisterde grafsteden, die van buiten wel schoon schijnen aan de menschen, maar van binnen vol zijn van doodsbeenderen en allerlei onreinheid.quot; (1)

Zij baden op openbare plaatsen, om van de menschen gezien te worden. Zij gaven aalmoezen onder trompetgeschal, in één woord, zij zochten in alles slechts achting en aanzien.

Als de Heer zegt, dat de ware aanbidders zijns Vaders Hem in geest eu waarheid vereeren, doet Hij wel verstaan, dat er ook valsche aanbidders zijn, die God noch in den geest noch in waarheid dienen, en zoo zij slechts in schaapskleederen rondgaan, bekommeren zij zich weinig of zij inwendig grijpende wolven ziju. De ware aanbidders daarentegen hechten zich bijzonder aan het inwendige; zij zoeken vooral hun hart te zuiveren en te heiligen, omdat de Heer dit bijzonder beschouwt: Domimis intuetur cor. Dit is hetgeen Hij vraagt; Proehe Jili mi, cor tuum mihi.

il

De eerste inwendige hulde, ontvangt God door het verstand, hetgeen door het geloof verlicht, boven alles het Opperwezen eerbiedigt, zich dikwijls met Hem en zijne grootheid bezig houdt; de tweede is eene hulde van den wil, die bestaat in God te be-

(1) Matth. 22, 27.

1:

-ocr page 111-

Ill

minnen en zich in alles door de schoone beweegreden zijner liefde te laten geleiden. Kan men den Heer waardig eeren, vraagt de H. Aagustinus, op eene audere wijze dan door de liefde? Welk slachtoffer kan Hem behagen, dat niet op het altaar des harten verbrand wordt?

Onderzoek ernstig de geheime drijfveeren uwer handelingen? Is het eene onverbreekbare gehechtheid aan den grooten en goeden Meester, welken gij dient, eene brandende begeerte om Hem te behagen, een levendig gevoel van dankbaarheid voor zijne weldaden? Is het minstens de vrees voor zijn oordeel, of de hoop op zijne belooning? Overweegt gij gaarne zyne oneindige volmaaktheden, zijne macht, zijne barmhartigheid, zijne rechtvaardigheid? Erkent gij in voorspoed Hem voor den gever van alle goed? Keert gij u in tegenspoed tot Hem, in de volle overtuiging, dat alle rampen ons overkomen, door zyn bevel of zijn toelaten? Hernieuwt gij u \'s morgens, \'s avonds, dikwijls door den dag, in zijnen dienst eu stiert gij uwe meening geheel tot Hem ?

II Puur. De ware deugd is welgeregeld in hare handelingen. De rechtvaardigheid is volmaakt zegt de H. Augustinus, als men zoodanig aan elke zaak den rang geeft, die haar toekomt, dat men zich eerst toelegt op datgene, wat het belangrijkst is, en vervolgens op hetgeen minder belangrijk is. Twee groote gebreken bederven vaat de godsvrucht en vervalschen de deugd: nauwkeurig nakomen wat slechts raad, en verzuimen wat gebod is, aldus de volmaaktheid zoekende buiten zijnen staat.

ml

\'■ilïi I

\'ü li i li

f i

I

m

■|i \' m lt;■

\'■iii iii

■ lii

-ocr page 112-

112

Om God te behagen, moet men de zaken willen in dezelfde orde, als Hij die wil. Nu, datgene wat Hij eerst en vooral wil, is datgene wat Hij ons beveelt. Werk zooveel als gij wilt, zegt de H, Ber-nardus, doch hoop niet. God te behagen zoo gij ontbreekt aan hetgeen Hij u gebiedt. Minder uiterlijke hervorming, minder overhaasting in het omhelzen van alle godvruchtige oefeningen; deze zijn niet geboden, doch meer liefde, meer rechtvaardigheid, meer geduld; dit zijn hoofdzaken. Het wee wordt over de Phariseërs niet uitgesproken, omdat zij getrouw zijn aan eene menigte kleine voorschriften, doch omdat zij hierin geheel hunne deugd zoekende, veronachtzamen, wat zij God en den evennaasten schuldig zijn.

Zoeken wij onze volmaaktheid in onzen staat. De ware heiligheid is de vervulling onzer plichten, en de plichten verschillen volgens den staat. Wat vraagt God van mij in den toestand, waarin zijne Voorzienigheid mij geplaatst heeft? Ziedaar mijn regel; ga ik daarbuiten, dan verlaat ik den weg Gods, om dien van mijn luim, van mgne grillen te kiezen... Ik laat mij medeslepen of door een geheimen hoogmoed, of door een geest van onafhankelijkheid. — Geheime hoogmoed; men wil zich onderscheiden en het nakomen van gewone plichten schijnt niet uit. — Geest van onafhankelijkheid: wij willen dat alles wat wij doen, volgens onze keuze zij, wij willen het opvatten en verlaten als wij goedvinden. Zoodra het plicht van staat is, gevoelt de eigenliefde den dwang.

Ach! hoeveel phariseesche geest is er in onze deugd, roept de H. Hieronijmus uit. Welke gestrengheid

-ocr page 113-

113

voor anderen, welke toegevendheid voor ons-zelven! Welk eene onverzadelijke begeerte naar achting en aanzien, zelfs in onze oefeningen van godsvrucht! Indien wij gelukkig al verwijderd zijn van die dooiden Zaligmaker in ééne rede zevenmaal vervloekte schijnheiligheid, welke de schandelijkste misdaden onder het eerbiedwaardigst uiterlijk verbergt, en die van een zoogenaamden heilige een witgepleisterde grafstede maakt, zijn wij dan wel geheel vrij van die pliariseesche geveinsdheid, die meer waakt op de woorden, dan op de gedachten, die minder denkt aan Gods oog, dan aan dat der menschen, die zich inwendig schadeloos stelt voor den uitwendigen dwang en onder een onberispelijk uitzicht, schuldige ver-zuimenissen en groote onvolmaaktheden verbergt?

23ste OVERWEGINO.

6de Zondag na Pinksteren. DE VERMENIGVULDIGING DEE BROODEN. (3e deel, blz. 199.)

24:ste OVERWEGING.

7de Zondag na Pinksteren.

HIJ DIE DEN WIL MIJNS VADERS DOET, DIE IN DEN HEMEL

f

■;

I

i

IS, HIJ ZAL INGAAN IN HET RIJK DER HEMELEN. GELIJKVORMIGHEID AAN DEN WIL GODS. (2e deel, blz. 285.)

;

CH. IV.

-ocr page 114-

114

25ste OVERWEGING.

8ste Zondag na Pinksteren.

de ontrouwe, doch omzichtige kentmeestee.

vooubereiding tot het oordeel gods.

I. Noodzakelijkheid dezer voorbereiding.

II. Hoe ik mij moet bereiden.

I punt. De voorzichtigheid wil dat ik mij bereide tot het oordeel Gods. In deze parabel wordt gesproken van een ontrouw rentmeester, die onverwachts rekenschap aan een meester moet geven, die des te strenger is, naarmate hij edelmoediger geweest is. Hij werd hij hem beschuldigd zijne goederen verkwist te hebben. Wie zullen mijne vreeselijke aanklagers zijn voor den oppersten Kechter? Uw Evangelie, o mijn God, uwe genaden en mijn geweten. Wie zal voor mij getuigen, als ik gedwongen ben tegen mij-zei ven te getuigen!

De meester riep den rentmeester en zeide tot hem; Wat hoor ik daar van u? Ieder oogenblik kan ik worden opgeroepen, voor Gods vierschaar gesteld, want ieder oogenblik kan ik sterven; ben ik in staat te antwoorden op de verwijtingen, welke Hij mij zal doen? »Ik hoor slechts ontevredenheid en beschuldigingen omtrent u; het is een algemeene kreet: van alle kanten vraagt men gerechtigheid tegenover het misbruik, dat gij maakt van mijn geduld en mijne gunsten.quot; O mijn God, ik beken met eene groote schaamte, ik heb duizendmaal reden

-ocr page 115-

115

tot klachten tegen mij gegeven. Ik heb die gegeven in alle tijden mijns levens, in alle plaatsen, die ik bewoond, in eiken toestand, waarin ik mij bevonden heb.... Ik heb reden tot klachten gegeven aan al degenen, met wie ik in betrekking gestaan heb, oversten, gelijken, onderdanen; ik heb die gegeven door mijne werken en verzuimenissen; door mijne woorden en voorbeelden. Uwe wet, die ik overtrad, uwe Kerk, die ik bedroefde, mijne religieuze verplichtingen , die ik schond, mijne broeders, aan wie ik ergernis gaf, alles klaagt mij aan. Hemel en aarde veroordeelen mij, uwe barmhartigheid is mijn eenige toevlucht. 0 Jezus, ik smeek die af, vergeef mij ter wille van mijn berouw. Wees nog heden mijn Verlosser, want weldra, morgen wellicht, zult Gij mijn Rechter moeten wezen.

De rentmeester is verplicht rekenschap te geven en ziet zich van zijne bediening beroofd. Redde rationem villicationis tuae, jam enim non poteris villicare. Welk een donderslag voor dien man, die gerust in zijne ongerechtigheid, naar welbehagen beschikte over goederen, die hem niet toebehoorden. Eindelijk erkent hij, dat hij een meester heeft, een meester, wiens rechten hij veracht heeft en die nu zijn rentmeesterschap met al de gestrengheid zijner onverbiddelijke rechtvaardigheid gaat oordeelen. Hij zal van alles beroofd worden. Geen post, geene bediening meer,\' geen middel om zijne fouten te herstellen... Ja, in dien toestand zal ik mij op het oogeubük van mijnen dood bevinden. Wat zal mij alsdan overblijven? Alle bronnen van zaligheid zijn dan voor mij gesloten, omdat de tijd mij ontnomen

i-WS

\'M

sil

:;

)•«_ • ■ j

■Ml! f-®

\'li ?

-ocr page 116-

116

wordt. O mijne ziel, overweeg dit woord van den heiligen man Job: IVat zal ik doen, als de Heer zal opstaan om te oordeelen (1), en dit andere van den H. Paulus: Het is vreeselijk te vallen in de handen van den levenden God (2). Neem uwe maatregelen; gij weet welke eeuwigheid u wacht, naar gelang het vonnis, dat over u zal geveld worden, gunstig of ongunstig zal zijn. Zoo velen, die in dezelfde gerustheid leefden, zijn opgeroepen op het oogenblik dat zij er het minst aan dachten; zal ik wachten mijne rekening in orde te brengen, totdat het oogenblik der rekenschap aanbreekt?

II Punt. Hoe moet ik mij tot het oordeel Gods bereiden\'? Ik zal dit leeren van den omzichtigen rentmeester. Wat doet hij ? Hij begint na te denken; hierdoor begint elk ernstig terugkeeren tot een beter leven. Hg zegt tot zich-zelven: A it autem villicus intra se f Wat zal ik doen, daar mijn heer mij het rentmeesterschap afneemt ? Quid faciam ? want ik moet mij middelen tot bestaan zoeken. Deze zoeken in zwaren veldarbeid? daartoe gevoel ik geen moed. Fodere non valeo , mijn brood bedelen? daartoe schaam ik mij. Mendicare, erubesco. Ach; hoe waar is het dat de zinnelijkheid en de hoogmoed de groots hinderpalen zijn tot eene ware bekeering! Wil de boetvaardigheid oprecht zijn, dan moet zij zich uitstrekken op lichaam en geest; op het lichaam door het op eenigerwijze te versterven; op den geest door hem te vernederen, en ziedaar waartoe onze trotsche lafheid zoo moeielijk besluiten kan. Gelukkig

(1) Job 31, 14. (2) Hebr. 10, 31.

-ocr page 117-

i i

heeft God medelijden met ons en opent ons een anderen weg ter zaligheid in zijne groote barmhartigheid.

In eene vroegere onderrichting had de Zaligmaker twee zaken vereischt als bereiding tot het oordeel:

verstorven hartstochten en heilige werken, het vluchten van het kwade, het oefenen van het goede;

hier spreekt lly slechts van de aalmoes, haar zoo geschikt oordeelende om het hart van God te treffen,

dat zij ons alle andere gesteltenissen verkrijgen zal,

welke wij behoeven, om zijne vriendschap volkomen te herkrijgen.

In het Evangelie wordt inderdaad alles aan de aalmoes beloofd; zij verlost ons van de zonde en den dood; zij zal ons niet in de eeuwige duisternis •laten vallen. Gelijk het water het heetste vuur bluscht, weerstaat de aalmoes aan de zonde. Zij bezorgt ons de twee grootste genaden, welke de ziel begeeren kan, de barmhartigheid in dit, de zaligheid in het ander leven. O gij, die met zoo veel reden het oordeel des Heeren vreest, geef aalmoezen,

geef op alle wijzen, en zoo edelmoedig als het u mogelijk is. Geef aan de zielen, geef aan de lichamen. Onderricht, vermaan, troost. Geef eenige druppelen van Jezus Bloed aan de zielen des vage-vuurs; geef vrede rondom u aan zoo vele rampzaligen,

welke de wroeging verteert; geef God aan dia arme harten, die slechts hersenschimmen najagen! dit is eene heerlijke aalmoes. Doch verzuim ook de lichamelijke aalmoes niet. Heb voor alle ellenden ingewanden van barmhartigheid en volg hierin den raad van den H. Ambrosius. »Doe wat gij kunt en

ill

■ : .

c .

If

: ::

SBI

Ifli

I

-ocr page 118-

118

somtijds meer dan gij kunt.quot; De aalmoes zegt de H. Augustinus, is de troost van ons geloof, de steun onzer hoop, liet geneesmiddel der zonde. Zij wint ons de liefde van onzen rechter, maakt God tot onzen schuldenaar. Zij, wier ellende wij zullen verzacht hebben, zullen ons binnenleiden in het rijk der eeuwige zaligheid. Heer! welk een zachte lichtstraal verspreidt deze troostende waarheid in het gemoed! Ik ook, ik weet wat ik doen zal, opdat Gij mij genadig mocht zijn, als ik voor u zal verschijnen. Scio quid faciarn. Ik zal mij voorsprekers en vrienden verschaffen, die bij U voor mij ten beste spreken. Ik zal de menigte mijner misdaden bedekken door de menigte mijner werken van ijver en liefde. Daar Gij weldra in het Sacrament Jwei-liefde uw onwaardigen dienaar wilt komen bezoeken, zoo geef hem, bid ik ü, een hart, dat steeds gevoeliger worde voor den nood van zijn evennaasten. Ontdek hem het geheim van den arme en behoeftige in de lichamelijke en geestelijke orde, opdat hij in den jongsten dag, als Gij voor anderen een onverbiddelijk rechter zult moeten zijn, hij in ü zijn almachtigen Beschermer vinde; Beatas qui intelligit super egenum et paiiperem: in die mald liherabit eum Dominus. (1)

(11 Ps. 40 , 28.

-ocr page 119-

119

26ste OVERWEGING.

9ae Zondag na Pinksteren.

de tranen van jezüs-christus. (3e deel, blz. 249.)

27ste OVERWEGING.

10de Zondag na Pinksteren.

de phariseër in den tempel. — de hoogmoed.

I. Bijzonder karakter van deze ondeugd.

II. Hare dwaasheid.

I Punt. Bijzonder karakter van den hoogmoed. Gewoonlijk zoekt hij zich te vertoonen; somtijds verbergt hij zich, somtijds neemt hij het masker der ootmoedigheid.

1. De hoogmoedige zoekt zich te vertoonen. Door dezen eersten trek schetst Jezus hem in het Evangelie van dezen dag. Terwijl de ootmoedige tollenaar, achter in den tempel blijft staan, en, geheel vervuld door het gevoel zijner ellende, de oogen niet op durft slaan, gaat de Phariseër tot den voet des altaars. Hij staat Phariseus stans. In zijne houding in zijn vermeend gebed, erkent men den met zichzelf ingenomene, die zich bewondert, en bewonderd wil worden.

Het gedurig streven van den hoogmoedige is zich te doen gelden. Men volge hem in zyn gedrag en

-ocr page 120-

120

zelfs in zijn uiterlijk, zijne gebaren, zijne houding, zgne kleederen; in alles en overal komt dit te voor-scliijn. De blikken op zich trekken, goedkeuring verkrijgen, lof bejagen, ziedaar zijn streven. Om mij voor deze ondeugd te bewaren, mij daarvan te genezen, beveelt Gij mij, o God, in mijne goede werken het oog en de achting der menschen niet te zoeken; in stilte te bidden, mijn naasten bij te staan zonder trompetgeschal, mijne boetvaardigheid, myn vasten te verbergen. Hierom nog beveelt Gij mij aan, steeds de laatste plaats te kiezeu, mij als den minste aan te zien.... Heilige leerstellingen, zalige lessen. Het is een vernederde God-mensch, die mij deze geeft. Heeft Hij het recht niet te eischen, dat ik daarnaar mijn leven richte? Deed ik dit tot dusverre?

2. Doch zoekt de hoogmoedige zich te toonen, zoo verbergt hij zich ook somtijds. Het is niet slechts uit hoogmoed, dat men vernederende ondeugden verbergt, dikwijls verbergt men den hoogmoed zei ven. Van den een en kant, wil men schitteren, bewondering uitlokken. Van den anderen weet men dat men zich hierdoor kleingeestig, bespottelijk, verachtelijk toont; men ontveinst dus dit zoeken van zich-zelven; men veinst uit plicht te handelen, meer dan uit begeerte naar bewondering. Doch vrij moge men zich moeite geven, men verraadt zich weldra als men een onnatuurlijke rol speelt; en om een ijdel, roem bejagend mensch te doordringen, behoeft men hem niet lang te bestudeeren. Vergeet men hem, schijnt men hem over het hoofd te zien, dan toont zich zijne teergevoeligheid of door een onbe-

Ui

-ocr page 121-

121

dachten uitval, of door een verdrietig stilzwijgen. Door hoeveel andere trekken verraadt hij zich ? Dikwijls springt de drift in het oog, door de voorzorg om zich te verbergen; als men zoo zeer vreest voor hoogmoedig gehouden te worden, is dit een bewijs, dat men het is.

3. Het masker der nederigheid, wordt vaak gebruikt om den hoogmoed te vermommen. De Phariseër dankt God. Deus, gratias ago tihi. Hij erkent derhalve zijne grootheid, zijn oppergezag, hij schijnt zich voor Hem te vernederen. Doch waarvoor dankt hij Hem ? Dat hij niet is gelijk andere menschen, dat hij vrij is van hunne misdaden, en deugden bezit, welke hun ontbreken; Quia non sum sicut caeteri hominum. Ziedaar de hoogmoed, zich openbarende tot in de akte, tot door de akte zijner afhankelijkheid. Neen men kan zich niet vergissen. Wil men een trotschen geest kennen, zoo dwinge men hem tot de erkenning van die minderheid, waarvan hij den schijn aanneemt; men behandele hem volgens hij zegt te verdienen, en plaatse hem op den laagsten rang... de eigenliefde zal weldra meer dan één teekeu harer tegenwoordigheid laten

O O

ontsnappen. Te vergeefs omhulle men haar met allen schijn van nederigheid, men kan die ondeugd verdelgen, doch men kan haar niet altijd verbergen. 0 mijn God, ruk uit mijn hart tot derzei ver minste wortels, ik heb zooveel reden haar te haten. De hoogmoed is zoo noodlottig, zoo misdadig, hij staat in zulk eene schreeuwende tegenstrijdigheid met mijnen heiligen staat en daarenboven is hij zoo dwaas.

u

i

ii I r ï

ilij

p ■ïfj

BI

-J ®f

p

fe l li jiips

-ocr page 122-

122

II Pont. Uitzinnigheid en dwaasheid van den hoogmoed. Als wi) den Tollenaar en den Phariseer den tempel zien uitgaan, wien achten, wien verachten wij dan? Wat heeft de eerste gewonnen door zijn praalgebed en de laatste door zijne vernedering? Men wil zich verheffen in de oogen der menschen, doch men legt dit slecht aan, zoo men meent daartoe te geraken door zich te doen gelden. Wie zich beroemt, zelfs om zeer lofwaardige zaken, vermindert daardoor de gunstige gedachte, welke men van hem had. Gij laat het verlangen doorstralen, de eerste plaats in te nemen in mijnen geest; gij wekt daardoor in mij het verlangen u op de laatste te plaatsen. Er is slechts één weg om tot de ware glorie te komen en dit is haar te vluchten. Qui se hurniliat, exaltahitur; en het beste middel om zich minachting op den hals te halen , is het najagen der glorie. Qui se exaltat, humiliatihur. De wereld, hoe verblind zij ook moge zijn, acht slechts de verdienste die haren lof versmaadt.

De hoogmoed is niet minder tegenstrijdig aan de rede, dan de leugen aan de waarheid, de nacht aan den dag. Wat zal men zeggen van een dwerg, die meent een reus te zijn, omdat hij staat op den top van eenen berg, en meent grooter te zijn dan de berg, omdat deze onder zijne voeten ligt? Even zoo groot is de waanzin van den hoovaardige, zegt de H. Joannes Chrysostomus. Hij blaast zich op, Hij verheft zich in zijnen geest en hij meet zich slechts met anderen, om zich boven hen verheven te meeneu. Nochtans bestaat dit verschil, dat de dwaasheid van den eerste, slechts het treurig uitwerksel van eene

-ocr page 123-

123

ontsteltenis der hersenen zijnde, slechts medelijden opwekt, terwijl de zinsbegoocheling van den tweede beredeneerd en vrijwillig zijnde, de verontwaardiging van God en van de menschen op zich aftrekt. Hoe-vele vervloeking, hoevele bedreigingen in de H. Schrift tegen deze verfoeielijke ondeugd! Daar zij meer dan elke andere die glorie bejaagt, welke uitsluitend aan God toekomt en welke Hij verklaart aau niemand te willen afstaan, roept zij over den schuldige de vreeselijkste wraak. Retribuet Dorninus abundanter facientibus superbiam (1). Overvloed van straf voor overvloed van zonden; komen zij niet allen uit den hoogmoed voort? Wie zich aan haar overgeeft... zij zal hem eindelijk te gronde richten. (2)

Doch deszelfs bijzondere straf is de schande. Waar hoogmoed is, daar komt schande. (3) Wee aan de vergadering der hoogmoedigen. Hunne glorie is eene

o n o o o

zwakke bloem, die moest ontluiken en afviel. Zie den Heer sterk en machtig op haar nedervallen, als een onstuimige stortvloed met hagelslag vergezeld; zij zal onder de voeten getreden worden. — God verspreidt de beenderen van hen, die trachten aau de menschen te behagen, Hij veracht hen en zij worden beschaamd. Op het oogenblik, dat zij zich verheffen, vernedert Hij hen, hunne verheffing dient hun tot verderf, zoodat al hetgeen in de taal der wereld verheffing, toppunt van glorie heet, in de taal van God afgrond en vernederiug heet. Wat

O ö

doet dan de Heer, als Hij toelaat dat deze of gene persoon, geheel met zich-zelven vervuld, schijnt te

(1) Ps. 30 , 24. (2) Eccl. 10, 15. (3) Prov. 11, 2.

-ocr page 124-

124

slagen volgens zijne verlangens? Hij staat hen toe zijn graf te delven, zegt de H. Augustinus. Volgens de gedachten van den H. Gregorius is de lioogmoed de vernedering. Ach, hoe klein maakt zich eene ziel, die de Bruid van Jezus is, als zij hare waardigheid zoo ver vergeet, dat zij de goedkeuring der ■wereldlingen gaat bedelen! De hoovaardigen zullen door hunne eigene zonden gestraft worden; hoe meer zij naar glorie haken, hoe dieper zij vernederd zullen worden. De godspraak wordt reeds in dit leven vervuld, Qui se exaltat liumiliabitur. Doch wat zal het zijn by het algemeen oordeel, in alle eeuwigheid. Dat zij luisteren naar de woorden des Heeren: Ik zal u dekken met een eindeloozen smaad en met eene eeuioige schande, ivier gedachtenis nooit uitgewisc/d zal tvorden. (1)

O mijn God, die den zondaar, die zich vernedert, rechtvaardigt, terwijl Gij den hoovaardige verdoemt, die uitzinnig genoeg is om op zijne rechtvaardigheid te steunen, ik bid U met den Tollenaar: »God! wees mij zondaar genadig!quot; Met hem erken ik, dat ik onwaardig beu mijne oogen tot U op te slaan en voor U te verschijnen, doch heb medelijden zelfs met mijne onwaardigheid! Moge dit gebed, waarvan uw Evangelie mij de oneindige kracht leert kennen, mij het gebrekkelijke doen inzien van zoovele gebeden , welke geene verhooring vonden, omdat zij zonder ootmoed gedaan werden.

(1) Jercm. 28 , 40.

-ocr page 125-

125

28 OVERWEGING,

llae Zondag na Pinksteren.

Bene omnia fecit. — alles wat men doet, goed doen. (2e deel, blz. 172.)

II.

29s,e OVERWEGING.

12(le Zondag na Pinksteren.

de goede samaritaan.

Jezus schilderde zich-zelven onder de figuur

vau dien liefderijken mensch.

Hij wil dat zijne leerlingen hunne liefde vormen naar het beeld der zijne.

1. Zich den weg voorstellen van Jericho naar Jeruzalem, en op dien weg den ongelukkigen reiziger gelijk het Evangelie ons dien voorstelt.

2. Vragen wij Jezus-Christus, zijne liefde tot voorbeeld der onze te mogen nemen.

I Punt. Jezus-Christus is de goede Samaritaan. Na den treurigen toestand beschouwd te hebben van dien ongelukkige, die in de handen der roevers valt, en de wreede ongevoeligheid van den priester en den leviet, die hem zien liggen en voorbijgaan, naar recht en billijkheid afgekeurd te hebben, moeten wij het gedrag bewonderen van dien liefderijken vreemdeling, dat ons zoo duidelijk het gedrag van Jezus ten onzen opzichte afspiegelt.

-ocr page 126-

126

Een zeker Samaritaan, die op reis was, kwam omtrent hem, en hem ziende, werd hij van medelijden bewogen. Waarom daalde de Zoon Gods op aarde neder? Niet het toeval bracht Hem tot ons. Zijne liefde alleen, gelijk de Kerk dit bezingt, heeft deze reis veroorzaakt. Hij wist waar wij waren, iu welken betreurenswaardigen staat de zonde ons gebracht had; van welke goederen zij ons beroofd, welke wonden zij ons toegebracht had. Ware Hij niet gekomen, dan waren wij een vreeselijken dood gestorven, daar de hel onze eenige toekomst was. Hij wist ook wie wij waren, nog meer misdadig dau ongelukkig; weerspannige slaven, die nog het wapen tegen Hem opgeheven hielden, en slechts dachten aan het voortzetten van hunnen misdadigen weerstand. In dien toestand bevonden wij ons, toen Hij tot ons naderde, venit secus eum, niet om ons te straffen en te verderven, gelijk zijne rechtvaardigheid dit eisehte, doch om ons met God te verzoenen en te redden. Hij bekleedde zich met onze zwakheden, om die te genezen, Hij belaadde zich met onze schuld om ze te betalen, met onze misdaden om ze te boeten. Even zoovele zware zonden als wij bedreven hadden, even zoovele doodelijke wonden hadden wij ons-zelven toegebracht; en zie, daar komt die edelmoedige vriend het verband zijner genade leggen rond de wonden, die wij ons-zelven toebrachten door Hem te beleedigen. Welk eene treffende barmhartigheid. De goede Samaritaan, levendig getroffen bij het zien van dien man, badend in zijn bloed, verbindt zijne wonden, na ze te hebben afgewasschen en er olie en wijn opgegoten te hebben. Hij bewijst

-ocr page 127-

127

hem alle mogelijke zorg. Hij blijft geheel het overige yan den dag en den volgenden nacht bij hem. Zijne zaken mogen daardoor lijden, hij bekommert er zich niet over. Zijne groote zaak is een ongelukkige bij te staan, die gaat sterven, zoo men hem niet ter hulp komt. Als hij verplicht is hem te verlaten, voorziet hij in hetgeen hij noodig kan hebben en beveelt hem aan den meester der herberg. Hij wil dat men niets spare tot zijn herstel, dat men geene onkosten ontzie; bij zijne terugreis zal hij alles voldoen.

O hoe zwak is het beeld, aan de werkelijkheid getoetst! Wat toch heeft Jezus niet gedaan, om onze ellende ter hulp te komen? Stelde Hij grenzen aan zyn medelijden? Zijne schatten, zijne rust, zijne eer, alles heeft Hij ons ten offer gebracht. Hij is zelfs zoover gegaan, dat Hij zelf bezweek, dat Hij zelf voor ons stierf. Stervende heeft Hij ons zelfs niet verlaten; Hij heeft ons toevertrouwd aan zijne Kerk, in wie Hij alle schatten van genade had nedergelegd. Hij heeft zijnen bedienaars belast voor ons te zorgen, heerlijk zal Hij hen loonen voor alles, wat zij voor ons gedaan zullen hebben.

Ware ik in de plaats geweest van dien man, die men zoo welwillend en zoo edelmoedig ter hulp komt, welke zouden dan wel mijne gevoelens geweest zijn, ten opzichte van mijn weldoener? Zou ik eene enkele gelegenheid voorbij hebben laten gaan, zonder hem mijnen dank te betuigen. Ik zou het leven, dat hij mij gered had, tot zijnen dienst hebben willen gebruiken! O mijne ziel, zijt gij dit niet, zijt gij niet duizendmaal meer verschuldigd aan Jezus, uw Verlosser, uw God, die al uwe krankheden geneest.

-ocr page 128-

128

die uw leven redt van den dood..... die u goederen

verschaft naar wensch? (1) Loof dan, mijne ziel, den Heer en vergeet zijne weldaden niet. Doch is het voldoende Hem te loven? Luister, Hij zal u leeren wat Hij verwacht van uwe dankbaarheid. »Ga heen en doe gij desgelijks.quot;

II Punt. Jezus wil dat zijne leerlingen zijne liefde navolgen. Er is geen enkel punt zijner leer, waarop Hij meer drukt, dikwijlder terugkomt. Dan eens zegt Hij ons, dat wij, met de maat, waarmede wij meten, uitgemeten zullen worden. Dat hoe toegevender, hoe barmhartiger wij jegens onze broeders zijn. God dit voor ons zal zijn. Dan weder verklaart Hij ons, dat onze liefde zich moet uitstrekken tot over hen, die ons haten, indien wij kinderen willen zijn van den hemelschen Vader, die zijne zon doet opgaan over goeden en kwaden. Deze hoofdwaarheid herinnert Hij ons, als het ware, ten tijde en ten ontijde. Als men Hem vraagt naar het grootste gebod der wet, voegt Hij, na hierop geantwoord te hebben, ongevraagd er bij: En het tweede is daaraan gelijk: Gij zult uwen naaste liefhebhen als u zeiven.

Hij doet nog meer; Hij neemt dit gebod aan voor het zijne, voor zijn eigen voorschrift, doch wanneer? Als Hij voor de laatste maal gedurende zijn sterfelijk leven spreekt tot zijne leerlingen, in de teederste uitboezeming der vriendschap. Nooit lag er in zijne taal meer liefde, meer teederheid. Filioli, adhuc modicum vobiscum sum; Kinderkens, nog een luttel ben ik bij u, en die weinige oogenblikken besteed

(1) Ps. 102.

-ocr page 129-

129

ik om u uog te herhalen, wat ik u reeds zoo dikwijls zegde, wat ik behoefte gevoel u nog te herhalen. Bemint elkander, gelijk Ik u het eerst heb liefgehad. Ja, ziedaar mijn gebod, het mijne, dat mij het naast aan het hart ligt: Hoc est praeceptum meurn, ut diligatis invicem simt dilexi, vos. Hoec mando vobis. Het is aan dit teeken dat men n zal erkennen eu dat ik zelf n voor mijne broeders erkennen zal... Na deze dringende aanbevelingen, welke men tot vijfmaal toe in dezelfde rede terugvindt, heft Hij het oog ten hemel, bidt voor zijne apostelen en voor allen, die door hun woord in Hem gelooven zullen. Wat vraagt Hij bijzonder voor beiden? Dat zij één zijn door de liefde, gelijk Hij één is met den Vader. 0 heilige vereeniging des harten, beeld der éénheid . van God in drie personen, door U begint de vereeniging der uitverkoornen op aarde.

Beminnen wij onze broeders, en dat onze liefde gelijk zij aan die van den barmhartigen Samaritaan. Hij zegt niet: »het is een Jood, een vijand van mijn volk,quot; hij zegt: »het is een mensch, dit is voldoende.quot; Hij kan zijn treurigen toestand niet aanzien, zonder door medelijden bewogen te worden; van het gevoel komt hij tot de werken. Wel verre van toe te geven aan zijnen afkeer, en de zorg voorden ongelukkige aan anderen over te laten, stijgt bij af, onderbreekt zijne reis. Zijne liefde is edelmoedig , volhardend en voorzichtig. Bij de zorg voor het tegenwoordige voegt hij die voor de toekomst. Hooren wij het woord des Zaligmakers, tot ons gericht: Ga heen en doe gij desgelijks.

CH. iv. 9

-ocr page 130-

130

30ste OVERWEailSrG.

13dc Zondag na Pinksteren.

Nonne decern mundati sunt? Et novem uhisunt ? i-uc. 17,i?,

ondankbaarheid jegens god.

I. Waarin zij bestaat.

II. Hoe misdadig zij is.

III. Hoe noodlottig zij is.

I Punt. Waarin bestaat de ondankbaarheid jegem God? Wij kunnen dit leeren door hare tegenstelling met de dankbaarheid. Deze deugd doet ons drie plichten vervullen; de weldaad herdenken, den wel doener danken, een goed gebruik maken van zijne gaven... Dit bemerkt men in het gedrag van den melaatsche, wiens voorbeeld ons in het Evangelie van dezen dag wordt voorgesteld. Zoodra hij zicli genezen ziet, keert hij zijn hart en zijne schreden naar Hem, wien hij die groote weldaad verschuldigd is. Hij looft God met luider stem, hij werpt zich aan Jezus voeten, als om zich aan Hem te hechten, en de gezondheid, welke hij verkregen heeft, te wijden aan zijnen dienst. De ondankbare doet juist het tegenovergestelde. In plaats van zich de ont vangen genaden te herinneren, vergeet hij die; in plaats van den Heer daarvoor te danken, ontkent ze van Hem ontvangen te hebben en schrijft ze aan zich-zelven toe; in plaats ze tot zijnen dienst te gebruiken, misbruikt hij die om God te beleedigen Zouden wij, indien wij die tien melaatschen Jezus tegemoet hadden zien gaan, zich uit eerbied terug

houdei barmh

cepter we weldai Walm allen, genot genot weldo schap-door Helaa denkt van. behoi nii mach heeft hebbi dat 1 alles daar raind

-ocr page 131-

131

houdend en eindelijk door groot geroep een blik van barmhartigheid van Hem afsmeekende; Jesu prae-cepter, miserere nostri, niet geloofd hebben, dat als zij werden verhoord, niets zulk eene vurig begeerde jweldaad uit hun geheugen zou kunnen wisschen ? Welnu, nauwelijks hadden zij die ontvangen, of lallen, slechts één uitgezonderd, vergeten ze. Het | genot zelfs der weldaad en het genoegen van dit jgenot, verbannen uit den geest de gedachte aan den |weldoener. »Gij hebt mij vergeten, mij, die u ge-Ischapen, die u verlost heb.quot; Ziedaar het verwijt |door God zoo vaak aan het volk Israels toegevoegd. iHelaas! verdienen wij het niet even zeer? — Men Idenkt uan hetgeen men bezit, en miskent er den gever van. In plaats daarvan glorie aan God te geven, behoudt men de eer voor zich-zelven. Heeft men jal niet de onbeschaamdheid te zeggen: Het is mijne | machtige hand en niet de Heer, die dit alles gemaakt yieeft, (1) zoo meent men althans eenig deel te |hebben in de gaven, die men bezit, in het goede jdat men uitwerkt. De mensch in zijn hoogmoed zou falies aan zich-zelven verschuldigd willen zyn, en ;daar hij dit niet kan, tracht hij zijne schuld te ver-| minderen. Doch de overmaat der ondankbaarheid |is zijn weldoener te beleedigen, door zijne gaven tegen Hem te keeren.

IC. 17,17.

legem elling drie i wel zijne i den igelie zich reden ildigd zich hten, t, te juist ont-;; in tkent ft ze ienst •gen. Tezus irug-j

God doet nog een ander verwijt aan zijn volk: »Jacob, hij hebt mij niet aangeroepen, Israël, gij hebt mij niet geëerd, gij hebt niets gedaan, om mij de hulde, die mij toebehoort, te bewijzen; ja zelfs

(1) Deut. 32 , 27.

-ocr page 132-

132

hebt gij mijne weldaden misbruikt, gij hebt mij als tot het werktuig uwer boosheid gemaakt.quot; Ach, hoe vaak worden Gods gaven ontheiligd, God zelf misbruikt. Wie toch zou durven zeggen: De talenten, mij door God geschonken, de gaven, mij door Hem verleend, hebben nimmer gediend ter bevrediging van eenigen ongeregelden hartstocht?

II Punt. Hoe misdadig de ondankbaarheid jegens God is. Reeds kan ik door de voorgaande overweging mij daarvan een denkbeeld vormen. Eenige nieuwe overdenkingen zullen mij hare grootheid nog beter doen zien.

De ondankbare ontrooft aan God de eenige schatting, welke Hij als Opperheer van zijn redelijk schepsel eischen kan. Ziehier wat de Heer zegt; Luister, o mijn volk, gij kunt niet nalaten mij als uw God te erkennen, en wetende, dat gij aan mij uw bestaan en alles wat gij bezit te danken hebt, is het billijk, dat gij mij uwe erkentelijkheid toont door eenig offer, doch wat zult gij mij aanbieden? Ik heb noch uwe gaven, noch de slachtoffers, die gij op mijne altaren verbrandt, noodig. Wat gij voorgeeft mij te willen aanbieden, behoort my toe; er is slechts eene zaak, die ik van u begeer: het is een offer van lof, als dank voor mijne weldaden.quot; Ziedaar juist wat de ondankbare aan God weigert. Er is nog meer. Voor zooveel in hem is, berooft hij God van de vrucht van al zijne werken iu de schepping en het behoud der stoffelijke wereld. Het geloof en de reden zeggen ons duidelijk, dat het eerste Wezen, het oneindig Wezen, slechts voor zich-zelven werken kan. Wat stelde Hy zich voor in alles wat Hij

-ocr page 133-

133

daarstelde ? Zijne glorie alleen. Alle levenlooze schepselen verhalen dit elk op zijne wijze: Coeli enarrant gloriam Dei. Zij hebben, wel is waar, geen mond, doch hnnne schoonheid, hun nut noodigen den niensch, voor wien zij geschapen werden, den gezamenlijken weldoener te loven, te zegenen, te danken. Doet de mensch dit niet, dan berooft hij God, voor zoover hij kan, van de vrucht zijner werken, hij belet den schepselen hun einde te vervullen, hij rnaakt zich-zelven nutteloos, want hij werd slechts uit het niet getrokken om hun zijne stem te leenen eu hen aldus ia staat te stellen ook de glorie Gods te bevorderen.

Eindelijk de laatste misdaad der ondankbaarheid bestaat hierin , dat zij God loochent. Voorden ondankbare bestaat God niet, die aanbiddelijke bron , waaruit alle goed vloeit, dat laatste einde, waartoe alles moet wederkeeren. Hij stelt zich stoutmoedig in de plaats van dit eerste begin, zich de voorrechten, die hij bezit, toeschrijvende als kwamen zij van hem; en ia plaats van deu gever van alle goed te verheerlijken, behoudt hij alle eer voor zich-zelven. Dit is volgens den H. Augustinus de kern van den hoogmoed en van de ondankbaarheid, welke deszelfs uitwerksel is.

III Punt. Deze misdaad is zeer nadeelig voor hem, die zich hieraan schuldig maakt. De H. Ber-nardus zegt, dat deze afschuwelijke ondeugd de groote vijand der ziel is, de vernietiging barer verdiensten , het graf barer deugden, het verlies der weldaden, welke zij heeft ontvangen. Het is een brandende wind, welke den dauw der barmhartigheid uitdroogt en de bron der hsmelsche gaven sluit.

-ocr page 134-

134

Het is eene bedorvenheid des harten, welke aan de eerste genade derzelver kracht ontneemt en de tweede terughoudt, omdat een ondankbare verdient het goed, dat hij bezit, te verliezen en niet waardig is dat, hetgeen hij verlangt, te verwerven.

De heilige leeraar verklaart zijne gedachte door deze vergelijking. Indien gij eenen stroom een hinderpaal stelt, die hem belet naar de zee te vloeien, wat zal er dan gebeuren? Eerst zal het water van dien stroom door het stilstaan bederven, en vervolgens zal het naar deszelfs bron terug gedreven worden. Ziedaar wat der ondankbare ziel overkomt. Hare slechte gesteltenis belet de ontvangen genaden hare richting naar de glorie van God, en hare eigene heiliging te volgen; die gaven gaau verloren en bederven door hare nalatigheid, doch daarenboven wordt de stroom van andere genaden teruggehouden. God weigert haar de nieuwe gaven, welke Hij haar bestemde, en die zij zich onwaardig maakt. »Daar gij mij vergeten hebt i zegt de Heer tot het ondankbare Jerusalem, draag daarom ook zelfs de straf uwer misdaad.quot; Doch welke straf is dit? God zegt het ons door den profeet Osias: »Ik zal geen medeleden meer hebben met het huis van Israël, maar ik zal hen geheel uit mijn geheugen wisschen.quot; Vreeselijke kastij iing, welke tot de eeuwige verdoemenis geleidt!

Vreezen wij de noodlottige gevolgen der ondankbaarheid ; verafschuwen wij de zonde, welke zy besluit, Nemen wij, om ons daarvoor te wachten de gewoonte aan, dikwijls te denken aan de weldaden, welke wij van den Heer ontvangen hebben. Bieden wij volgens

-ocr page 135-

135

den raad des Apostels den Heer dikwijls eeu dankoffer op het altaar van ons hart, opdat onze getrouwheid in het dankzeggen, op ons altijd nieuwe en grootere genaden aftrekke. Ut de perceptis rnic-neribus gratias exhibentes beneficia patiora sumumus (missal.)

iMi

;\'\'Pi \'

\' fin

31ste OVERWEGING.

ffilm

iii pla

14de Zondag na Pinksteren.

db goede religieus verbekt de vooezienigheid.

li

(2e Deel blz. 127.)

mm - -

32ste OVERWEGING.

15de Zondag na Pinksteren. de dood. (le Deel blz. 213.)

33ste OVERWEGING.

16ae Zondag na Pinksteren. de ootmoedigheid. (2e Deel blz. 80)

-ocr page 136-

136

34:ste OVERWEGING.

17de Zondag na Pinksteren. de liet?de gods. (2e Deel blz. 298.)

35ste OVERWEGING.

18de Zondag na Pinksteren. de lauwheid. (1® Deel blz. 203.)

36ste OVERWEGING.

19de Zondag na Pinksteren,

het eucharistisch gastmaal.

I. Hoezeer dit alle aardsche feestmalen overtreft.

II. Met welke zorg ik my hiertoe moet bereiden.

I Punt. De heilige Communie is een feestmaal dat alle gastmalen der aarde overtreft. Wie geeit het ? De onsterfelijke Koning der eeuwen. Hij vereenigt zijn Zoon met de H. Kerk, door de heiligste en onverbreekbaarste banden; de heilige Communie is het bruiloftsmaal. Het is een God die onthaalt, en Hij onthaalt als God,

-ocr page 137-

137

Isaias liad de heerlijkheid van dit goddelijk gastmaal doorschouwd, toen hij uitriep: De Heer der legerscharen bereidt, aan alle volkeren, op dien berg, een feestmaal waar de heerlijkste spijzen, de uitge-zochtste wijnen zullen worden opgedischt. Inderdaad, |de Kerk uit alle volkeren saamgesteld, roept in naam van haren aaubiddelijken Bruidegom al hare kinderen roud dien lieidedisch. Zij bedient zich van de stem jliarer priesters, om hen uit te noodigen, daaraan deel nemen; zij beveelt hun ze te onderrichten, te Idringen, hun zoo noodig een heilig geweld aan te doen, om hen in de feestzaal te doen binnentreden. Ach, indien de menschen de eer begrepen, die Jezus hun bewijst en de genaden, welke Hij hun aanbiedt als Hij zegt; Komt, eet van mijn brood, en drinkt van den wijn, dien ik U gemengd heb. (1) Zij zouden liet huis des Heeren binnensnellen om deze heraelsche gave te genieten. O sacrum convivium, in quo Christus sumitur, recolitur mernoria passionis ejus, mens impletur gratia, et futurae gloriae nobis pignus datur. Ieder woord wèl overwogen, doet ons het ouderscheid gevoelen tusschen \'s Heeren liefdediscli eu de heerlijkste gastmalen der aarde.

ini |

ill

III

lil III

Deze zyn wereldsch: zoekt men er Gods glorie eu het eeuwig geluk der menschen? Het gastmaal des Heeren is heilig. O sacrum Convivium! alles is daarin heilig, geschikt om God te verheerlijken tai de zielen te heiligen; niets vormt beter de uit-verkoornen; het H. Sacrament is hun brood. De wereldsche gastmalen worden geroemd en gezocht

.

51

\'• lil] n

1

Prov. 9, 5.

-ocr page 138-

138

om de groote verscheidenheid van spy zen. Men wil die hebben volgens ieders smaak, en daar geene enkele spijs op aarde eiken smaak in zich vereenigt kan ook geene enkele volkomen verzadigen uit zich zelve. In Jezus gastmaal wordt een zeilde voedsel allen voorgezet en dit is Jezus zelf. In quo Christus sumitur. Dit levend brood, afgedaald van den hemel oneindig goed en begin van alle goed, bevat bij uitnemendheid alles wat het hart van den menscli kan begeeren. Beter dan het manna, dat daarvan het zinnebeeld was, doet het den rechtvaardige alle zuivere genoegens smaken, voldoet aan al de edele begeerten der ziel. » Want ivat heb ik in den hemel, en wat verlang ik op aarde buiten u ?quot; (1) Op de feestmalen der wereld loopt het gesprek niet over den dood, over lijden en droefheid, men wil daar slechts gesprekken hooren, die vreugde en vermaal; opwekken. Bij het hemelsch gastmaal spreekt ons alles van den dood en het lijden van Jezus-Christus, alles herinnert ons daaraan. Recolitur memoria pas-sionis ejus. Deze herinnering is bitter van de eene, doch van de andere zijde zoo zoet, zoo nuttig voora door de gevoelens, welke zij opwekt, door de deugden welke zij doet ontkiemen, ontwikkelen en tot volmaaktheid doet rijpen.

Men verlaat de aardsche maaltijden, overladen door het voedsel, somtijds ten koste der gezondheid met eene ziel bijna altijd besmeurd door eenige be-leediging van God, of althans onbekwaam zich met geestelijke oefeningen bezig te houden. Welke voor-

(1) Ps. 72 , 25.

-ocr page 139-

139

Meal deeleu trekt men daarenteo-en niet uit het bijwonen jeenei van Jezus maaltijd! Het is niet eene genade, welke I men daar ontvangt, doch eene volheid van genaden, de bron zelfs van alle genaden : Mens impletur gratia.

Hieruit volgt een laatste verschil: veroorzaken de aardsche feestmalen door de overdaad en de daaruit volgende zonden, vaak het verderf des lichaams en der ziel, het godvruchtig ontvangen van dit hemelsch Brood redt den mensch naar lichaam en ziel. Het is het onderpand onzer voorbeschikking: Et futurae gloria nobis pignus datur. Elke wel ontvangen Communie, zegt een geacht schrijver, is een aanbevelingsbrief voor den hemel.

Daar dit heilig voedsel ons lichaam zoowel als onze ziel heiligt, drukt bet, zoo vaak wij het waardiglijk ontvangen, in ons het zegel van het eeuwig leven, en legt in ons eene kracht, eene kiem van opstanding. O mijn God, kende ik de uitnemendheid van dit heilig gastmaal, gelijk uwe heiligen, dan zou ik even als zij, eene reden tot droefheid hebben, de droefheid, hiervan beroofd te zijn.

II Punt. Met welke zorg ik mij tot dit heilig gastmaal bereiden moet. De Heer zegde tot de Israëlieten: Weest heilig, omdat ik heilig ben. Hoeveel meer recht heeft Hij dit te zeggen tot hen, die Hij aan zijne tafel laat aanzitten. Weest heilig, omdat ik de heiligheid zelve ben, ik, die mij met u kom vereenigen. Het is voldoende met het bruiloftskleed bekleed of in staat van genade te zijn om de misdaad en het ongeluk eener vreeselijke heiligschennis te vermijden, doch is dit voldoende om te deelen in al de voorrechten, en de vruchten eener vurige Com-

k,

R

11 t m êm

-ocr page 140-

140

munie in te zamelen? Mag eene religieuze ziel zich met die noodwendige yoorbereiding tevreden stellen?

Alles schittert van reinheid en versiering in de woning voor een vorst bereid: is het passend dat de woning, waar een God zijn intrek komt nemen, veronachtzaamd zij en Hij bi] het intreden duizend fouten bemerkt, welke Hem mishagen? De vrijwillige gehechtheid aan zekere dagelijksche zonden, merkelijke onvolmaaktheden, waarvan men zich niet wil beteren, ondanks de inwendige en herhaalde vermaningen van het geweten, ziedaar wat den aanbiddelijken gast vaak belet in ons de groote plannen zijner barmhartigheid uit te werken. Zijne liefkozingen zijn niet voor koude harten. Behoud ik in mij een deesem van ijdelheid, van eerzucht, van afkeer of zelfs van onverschilligheid jegens mijnen evennaaste, zoo is dit voldoende om den Bruidegom myner ziel te wonden, zijne gunsten te verminderen of ze te doen ophouden. Wanneer, o mijn God, zal ik U een hart kunnen aanbieden, geheel onthecht van alle aardsche genegenheid, en vervuld met heilige begeerten? Wanneer zal ik tot U komen, niets anders beminnende dan (J, gelijk Gij tot mij komt, geheel uit liefde tot mij?

37ste OVERWEGING.

20ste Zondag na Pinksteren. kracht des geloofs. (2S Deel, blz. 10.)

-ocr page 141-

141

38ste OVERWEG INQ.

21ste Zondag na Pinksteren.

gelijkenis van den onvermogende^ schuldenaar.

de vergiffenis.

I. Zij wordt beloofd aan wie vergeeft.

II. Zij wordt geweigerd aan wie weigert te vergeven.

I Punt. Ik ben verzekerd, dat mij vergeven sal worden , indien ik vergeef. Eene troostende waarheid, welke duidelijk uitstraalt in liet eerste deel dezer gelijkenis. Wat vertoont zij mij ? Een man eerst door zijn meester veroordeeld, om met alles wat hij bezit verkocht te worden, om zijne schuld te betalen, doch vervolgens een meester vol goedertierenheid, die medelijden heeft met zijn dienaar, hem al zijne schuld kwijtscheldt, onder deze enkele voorwaarde, dat hij even toegevend zal handelen, als hij behandeld wordt. Wordt de gunst ingetrokken, zoo komt dit omdat de voorwaarde niet vervuld wordt.

Niemand kan zich aan de verplichting der rekenschap aan Gods rechtvaardigheid onttrekken, noch uit eigen macht daaraan voldoeu. Eene enkele dage-lijksclie zonde verdient strenge straf; de folteringen der hel kunnen geene enkele doodzonde genoegzaam uitboeten, daarom zijn zij eeuwigdurend. Zoo Gij, o Heer, met uw dienaar in het gerecht treedt, zult Gij recht hebben, niet om mij te verkoopen, doch om mij, na mij van al uwe genaden, waarvan ik

-ocr page 142-

142

zulk een slecht gebruik gemaakt heb, beroofd te hebben, over te leveren aan wreede beulen, opdat zij mij door afschuwelijke folteringen eene schuld doen betalen, welker verplichtig eeuwig op mij zal drukken.

Wee hem, wien de dood voor uw rechterstoel sleept om daar het vreeselijk vonnis te hooren, want dan is het onherroepelijk. Doch gelukkig hij, die het thans overweegt, daar Gij hem slechts bedreigt, om hem het middel te geven deszelfs gestrengheid te vermijden. Bewonderen wij de kracht van het gebed en de goedheid Gods. De dienaar werpt zich aan de voeten zijns meesters en smeekt hem ootmoedig: »Heb geduld viet mij en ik zal L alles betalen.quot; »[leb geduld met mij,quot; dat is: geef mij tijd; bittere klacht van den woedenden verdoemde, te midden zijner kwelling. Ik brand in deze vlammen, omdat ik den tijd verzuimd heb; ik zal er nooit uitkomen, omdat ik nooit den verzuimden tijd terug zal bekomen; dit is het lot van den zondaar, die slechts tijd vraagt na zijnen dood; doch het is gedurende het leven, dat wij dien moeten vragen, willen wij verhoord worden. Thans, ondanks onze groote schuld, en het groote getal onzer fouten en gebreken mogen wij, als wij ons voor God vernederen en Hem ootmoedig smeeken geduld met ons te hebben, tot wij onze fouten hersteld hebben, alles van zijne goedertierenheid hopen. De meester, zijn dienaar smeekend aan zijne voeten ziende, werd door medelijden getroffen en deed meer dan hij verlangde; hij schonk hem zijne vrijheid met de kwijtschelding zijner schuld. Ongetwijfeld kunnen icij

-ocr page 143-

143

niet betalen, wij zijn uit ons-zeiveu uiterst behoeftig, doch wij bezitten in de verdiensten van onzen Verlosser een onuitputtelijken schat, en Hij-zelf leert ons het wonderbaar geheim, om ons zijnen rijkdom toe te eigenen. Hebben onze broeders jegens ons misdaan? Zijn zij onze schuldenaars? Schelden wij hun hunne schulden kwijt en ons zal kwijtgescholden worden.

Hoe oneindig groot het verschil zij tusschen onze schuld jegens God en datgene wat onze broeders ons schuldig zijn, wil onze goddelijke Meester zich wel tevreden stellen, zoodra wij onzen naaste vergeven. Jezus-Christus heeft voor ons voldaan- Konden wij eene lichtere voorwaarde, eene gemakkelijker vergiffenis hopen? Onze zaligheid ligt in onze handen. Willen wij Gods vriendschap of zijnen toorn? Wij hebben de keuze....

H Punt. De vergiffenis wordt geweigerd aan hem, die anderen inet vergeeft. Welk eene tegenstrijdigheid biedt de parabel ons tusschen het Hart Van God, zoo teeder, zoo toegevend uit barmhartigheid , eu het hart des hardvochtigen zondaars! Even goedertieren als de meester zich jegens zijn dienaar getoond heeft, even onmenschelijk toont deze zich jegens zijn mededienaar. Wat waren die honderd denariën, welke hij zoo ruw afeischte, in vergelijking der tienduizend, welke hem zoo even waren kwijtgescholden? Te vergeefs valt zijn schuldenaar hem te voet, vraagt hem genade, gebruikt dezelfde woorden, welke hij zelf met zulk een goed gevolg bij zijn meester gebruikt bad; de onwaardige doet hem in de gevangenis werpen met bevel hem

-ocr page 144-

144

daar te houden tot hij alles betaald zal hebben, Deze handeling verwekt afgrijzen, doch hoe wordt zij ook gestraft, en welke strenge rechtvaardigheid moet hij verwachten, die zijnen broeder eene verge-ving weigert, welke hij zelf aan God durft vragen » Toen riep zijn heer hem tot zich, en zeide tot hem Gij, hooze dienaar! de geheele schuld heb ik u kwijtgescholden , omdat gij mij gesmeekt hebt, moest ooit gij dan niet n ontfermen over uwen mededienaar zooals ik mij over u ontfermd hebt ?quot; Wat kan hij antwoorden bij eene zoo beschamende vergelijking Ik, uw God, ik heb u, mijn schepsel, tallooze beleedigingeu kwijtgescholden, wier grootheid gij evenmin begrijpen kondt als mijne eigene oneindige grootheid, en gij durft weigeren een uwer mede-monschen eene lichte beleediging te vergeven. Vergelijk den afstand tusschen hem en u met dien tusschen u en mij. Ik heb mij gewaardigd naar uwe bede te luisteren, en gij hebt de zijne verstooten. Ik hel) uwe zwakheid, uwe lichtzinnigheid, uwe misdaden verontschuldigd en gij hebt in uws gelijke niets willen verontschuldigen. En zijn heer vertoornd zijnde, gaf hem over aan de pijnigers, totdat hij al het verschuldigde zoude betalen. Vergeet niet, o mijne ziel, dat het de toorn is van den Almachtige, dat deze bedienaars duivelen, dat deze strafplaats de hel is.....

Aldus, besluit de Zaligmaker, zal ook mijn hemelsch Vader u doen, indien gij niet een iegelijk zijnen broeder van harte zult vergeven hebben. Niets wordt dringender in het Evangelie herhaald: men zal ons

O O

terugmeten met dezelfde maat, waarmede wij gemeten zullen hebben. Want het oordeel is onbarmhartig

-ocr page 145-

145

voor hem, die geen barmhartigheid heeft gedaan. (1) Ben ik reeds niet gelukkig, mijn Rechter te kunnen vermurwen, als ik mg door mijn broeder laat vermurwen? Dimitte nobis dehita nostra sicut et nas dimittimus debitoribus nostris.

399te OVERWEGING.

22ste Zondag na Pinksteren. — » Geeft dan aan den keizer wat den keizer toekomt.quot;

ONZE PLTOHTEN JEGENS DE TIJDELIJKE OVEUHEDEN.

I. Eerbied voor hunne waardigheid.

II. Onderwerping aan hun gezag.

I Punt. Eerbied voor de waardigheid dergenen, die ons besturen. De godsdienst maakt den mensch groot, zelfs in de eerbiedsbetuiging, welke hij hem verplicht te geven aan de wereldsche macht, wijl Mj ons leert ons te vernederen voor God, dien wij vereeren in de plaatsvervangers van zijn gezag. Door mij regeeren de koningen, zegt de Eeuwige Wijsheid. Niet slechts komt het recht van het oppergezag van God, en is door God gevestigd, doch de keuze van lien, die met dit recht bekleed worden, is het gevolg van zijne Voorzienigheid, hetzij dezen tot den troon komen door hunne geboorte, wijl Hij meester is der natuur, hetzij zij hiertoe gekozen worden, wijl Hij voorzit bij eiken raad. De kouinjdijke majesteit is

(1) Jac. 2 , 13.

CH. IV. 10

-ocr page 146-

146

altijd een weerscliijn der goddelijke majesteit, vreest God, eert den koning (1). De tweede plicht is een gevolg van den eersten. De H. Paulus zegt, na meermalen herhaald te hebben, dat de vorsten de bedienaars van God zijn: Geeft dan eerbiedwien gij eerbied schuldig zijt.

Bossuet past op de koningen deze woorden van den profeet toe: Gij zijt goden en gij zijt allen kinderen van den Allerhoogste, en roept uit: »Maar, o goden van vleesch en bloed, o goden van aarde en stof, gij zult sterven gelijk menschen; maar toch, goden zijt gij ofschoon gij zult sterven, want uwe ■waardigheid sterft niet; de geest van koningschap gaat geheel over op uwe opvolgers en vraagt overal denzelfden eerbied, dezelfde vereeriug af.quot; De H. Gre-gorius van Nazianze, voor de keizers predikende, noodifft hen over zich-zelven na te denken, ten

o \'

einde in hunne eigene grootheid den glans der goddelijke majesteit te beschouwen. »0 vorsten, zegt hij hun, erkent de geheimen Gods in u, de hoogere zaken behooren Hem alleen, met u deelt Hij de mindere. Weest dan de onderdanen van God, gelijk gij zijne afbeeldsels zijt.

Dezelfde onderrichting bevindt zich in al de boeken van het oude Testament, alwaar ons bevolen wordt eerbied te hebben voor de wereldlijke macht, zelfs in onze gedachten, en waarin met lof de schoonste voorbeelden van dien eerbied worden vermeld. Wat is er schooner dan het gedrag van David jegens Saül, nadat God hem gekozen had, om in deszelfs

(1) I Petr. 2, 17.

-ocr page 147-

147

plaats te regeeren, en dat zelfs terwijl deze vorst hem met eene onwaardige ondankbaarheid en on-billijkheid bejegende.

II Punt. Onderwerping aan het gezag van hen, die ons besturen. Dit verplicht evenzeer, als de eerbied aan hunne waardigheid verschuldigd. De tijdelijke monarch is slechts de plaatsbekleeder vau den eeuwigen monarch. Men wordt getroffen door den nadruk, waarmede Jezus-Christus en zijne apostelen deze waarheid inprenten, evenzeer als door de liefdevolle eu krachtige taal, waarin zij hierop aandringen, vooral als men daarbij bedenkt, in welke handen destijds de tijdelijke macht berustte. De Zaligmaker ging sterven; wat zegde Hij tot den romeinschen landvoogd, die ten zijnen opzichte zulk een slecht gebruik maakte van zijn gezag: Gij zoudt tegen mij geene macht hebben, ivare u dit niet van boven gegeven. (1) Niets is duidelijker. De God, die in den Hemel heerscht had Pilatus het gezag gegeven, dat Hij opzichtens Jezus deed gelden. Ja, want er is geene macht dan van God, en de bestaande Machten zijn van God verordend, geene enkele ontspruit uit eenige andere bron. Non est enim potestas nisi a Deo; quae autem sunt a Deo ordinatae sunt. (2)

Het gezag, dat wij gevestigd vinden, quae sunt. Ziedaar waaraan wij onze gehoorzaamheid niet kunnen weigeren, zonder die te weigeren aan God-zeiven. Ieder onderwerpe zich dus aan de overheden, niet slechts uit vrees, doch uit gevoel van plicht. De H. Petrus verbiedt onderscheid te maken tusschen

(1) Joa. 19, 11. (2) Kom. 13, 1.

-ocr page 148-

148

de personen, welke de macht in handen hebben,I Allen hebben die van God ontvangen; wij moeten| dus aan allen gehoorzamen.

Het geloof geeft ons een verheven denkbeeld van 1 de overheden. Het toont ze ons bekleed met eenel macht, welke van den hemel komt en plaatst hunnen troon op de veiligste plaats, in het menschelijk geweten , waar God zelf zijn troon gevestigd beeft. 1 Het neemt geen enkel voorwendsel aan, zelfs niet van afgoderij of geloofsverzaking. Het erkent in hen geen enkel ongelijk, dat recht geve tot onge-hoorzarmheid, dan alleen in het geval, dat zij iets zouden bevelen, wat strijdt tegen Gods gebod, want: »Men moet eerder aan God gehoorzamen dan aan de menschen, (1)

Maakt de godsdienst het gezag der vorsten onschendbaar, door het heiligen hunner rechten, zoo legt bij hun tevens zware verplichtingen op. Geeft hij ze ons tot meesters, zoo geeft hij ook hun een ontzaggelijk meester. Doen zij de aarde beven, zoo doet hij hen op hunne beurt sidderen, door het vooruitzicht van een oordeel, dat des te strenger zijn zal, naar gelang zij meer dan andere menschen in eer en macht verheven geweest zijn.

Verliezen wij nimmer ons groot voorbeeld uit het oog. De Zaligmaker vernederde zich zoo diep, dat Hij in een stal wilde geboren worden, om zich aan het grillig gebod van een afgodisch keizer te onderwerpen. Hij wilde sterven op bet kruis zonder het onrechtvaardig vonnis, dat Hem tot die foltering veroordeelde, tegen te spreken.

(1) Haud. 5, 29.

r

-ocr page 149-

149

Bidden wij, volgens de vermaning van den H. Paulus, voor die Gods plaats bekleeden in het bestuur der volken, en zulk een overvvegendeu invloed uitoefenen op hunne tijdelijke, ja zelfs eeuwige bebtemming. j Niets is Jezus-Cbristus aangenamer.

40ste OVERWEOING.

23ste Zondag na Pinksteren. — Dood en opstanding van de dochter van Jaïrus.

dood en opstanding dee, zielen.

I. De ziel sterft door de zonde, welke haar van God scheidt.

II. De ziel wordt uit den dood opgewekt dooide genade der rechtvaardiging, welke haar met God verzoent.

I Punt. Dood der ziel door de zonde. Volgens het natuurlijk leven kan de ziel niet sterven; doch niet aldus is het gesteld met haar bovennatuurlijk en goddelijk leven, dat zij, helaas! maar al te dikwijls verliest. Zij is zoo onsterfelijk, zegt de H. Gre-gorius, dat zjj sterven kan, en zoo sterfelijk dat zij nooit kan sterven. De zonde brengt den dood voort. Peccatum, cum consummatum fuerit generat mortem. (1) God is het leven der ziel, gelijk de ziel het leven des lichaams is. »Gij meent dat deze mensch leeft, omdat hij gaat, ziet, spreekt?quot; Gij bedriegt u, wat

(1) Jac. 1, 15.

-ocr page 150-

150

in hem leeft, is zijn minste deel; Let is zijn lichaam. Nog staat het huis, doch het wordt door een doode bewoond. Wat doet gij met uwe tranen, als gij een lichaam beweenende, waaruit de ziel is vertrokken, geen medelijden geyoelt met eene ziel, door de zonde van God gescheiden? (1)

Er bestaat eeue treffende overeenkomst tusschen een lijk en eene ziel, in staat van doodzonde. Het schoonste gelaat neemt huiveringwekkende trekken aan , zoodra de dood het heeft aangeraakt; de zonde maakt de ziel afschuwelijk. — De mensch, die in de grootste weelde geleefd heeft, bezit niets meer bij zijn sterven, — de ziel voor God het rijkste in verdiensten, verliest alles op het oogenblik, dat zij in zijne ongenade valt. Men kan niets meer verkrijgen als men dood is; — men doet niets, dat verdienstelijk is voor den hemel in staat van doodzonde. In dit lijk rust een hart, maar een hart, dat niet meer klopt, oogen, die niet meer zien. ooren, die niet meer hooren; is dit niet het beeld des verblinden en hard-nekkigen zondaars? God beweegt hemel en aarde om hem te treffen, en hij is ongevoelig voor alles. Gelukkig nog zoo hij het verderf niet rond zich verspreidt, zoo de verpesting zijner ergernis den dood der zonde niet rondom zich doet heevschen. Dit lichaam eindelijk, door de ziel verlaten, wordt weldra in het graf geworpen ten prooi der wormen; die doode ziel zal in de hel begraven worden, om er verscheurd te worden door den eeuwig knagenden worm der wroeging, zoo zij niet wederkeert tot het leven door weder te keeren tot de genade.

(1) H. Aug.

-ocr page 151-

151

Ziedaar in welken toestand zich eene menigte personen bevinden, wier ongeluk men zelfs niet betreurt. Hoe bedroevend is die gedachte. Toen de Heer in denzelfden nacht al de eerstgeboornen der Egypte-naren met den dood sloeg, steeg een smartkreet op van de eene zijde des rijks tot de andere, want er was geen enkel gezin, dat geen verlies te beweenen had. Ziet God in de christelijke maatschappij, welke zijn gezin vormt, wel één huis, waar geen doode is? Ziet Hij er soms geen, waarin niets dan dooden zijn? Nochtans wie klaagt? waar is de diepe rouw? Niemand denkt er aan. Neem gij althans, getrouwe religieus, voor die rampzalige zielen de gevoelens aan van Jeremias voor zijn volk; »Wie zal water geven aan mijn hoofd, en eene fontein van tranen aan mijne oogen, om dag en nacht te weenen over zoo vele slachtoffers der zonde?quot; Doe nog meer, tracht volgens uw vermogen hen tot het leven terug te roepen.

II Punt. Verrijzenis der ziel door de genade der rechtvaardiging. Het Evangelie spreekt slechts van drie zichtbare opwekkingen, door Jezus-Christus bewerkt; doch die, welke Hij onzichtbaar bewerkstelligde, telt men bij duizenden, zegt de H. Augus-tinus; en hoeveel meer verheugen zij zijn teeder en goddelijk Hart! Alles wat de dood der zonde aan de ziel had ontnomen, schoonheid, verdiensten, waardigheid, verkregen rechten... wordt haar met de heiligmakende genade teruggeschonken, als zij het geluk heeft die weder te krijgen; het is een gevangen koning, die wederom zijn troon bestijgt. Was de opwekking van de dochter van Jaïrus, van

-ocr page 152-

152

den zoon der weduwe te Naïm en van Lazarus eeneleens v oorzaak van groote vreugde voor hun gezin, zool zal m1-weten wij welke vreugde de bekeering van één zon-1zielen daar den hemel verschaft; gij, o goede religieus, llieeft ( zult verdienen hiertoe het werktuig te zijn, door het iHem i navolgen van dat hoofd der Synagoog, wiens droef-1 zullen heid en troost de H. Kerk ons heden voorstelt. 1 lijke 1

Ziende dat zgne dochter op haar uiterste ligt,|H. K snelt hij tot den meester des levens. Hij nadert den 1 wier 5 Zaligmaker, aanbidt Hem en zonder vrees Hem lastig I gaat. te vallen, — immers zijne droefheid is zijne ver- 1 ontschuldiging, — bidt hij Hem: Mijne dochter liyt I op haar uiterste, kom en leg haar de handen, op, 1 opdat zij behouden worde en leve. Volgens den H. Marcus I bad hij zeer. Steunen wij in de werken Gods op I God alleen; doch dat ons vertrouwen geene andere I grenzen hebbe, dan zijne macht en zijne goedheid. 1 Naderen wij tot Jezus en zeggen wij Hem: »Heer, 1 zij zijn dood, zij, die de genade U tot kinderen, mij I tot broeders gemaakt had; de zonde heeft ze van U, het begin van het ware leven afgesneden, doch kom, I verspreid over hen den adem van uwen geest en zij zullen uit hun graf opstaan.

Bewonder de goedheid, waarmede Jezus dit gebed 1 1 van Jaïrus verhoort. En hij ging met hem heen. Onderweg versterkt Hij het geloof van dien bedroef- I ^ den vader, door het genezen der vrouw, welke slechts zijn kleed had aangeraakt. Hij treedt het huis binnen I en hoewel de vreemdelingen, daar aanwezig, aan den I 1 Hem verschuldigden eerbied ontbreken en Hem he- I We lachen, doet Hij desniettemin het gevraagde wonder- 1 dei werk. O indien Jezus, uit achting voor de tranen I vai

-ocr page 153-

153

1

[eens vaders, een lichaam opwekt, dat eens weder [zal moeten sterven, hoeveel te meer verlangt Hij hielen op te wekken, welke Hij zoo duur gekocht [heeft en die eeuwig zullen leven. Richt u dan tot [Hem met dat geloof, dat Hij beloofd heeft altijd te [zullen verhooren. Bid met aandrang voor de geeste-llijke dooden, wier opstanding hunne moeder de [ H. Kerk zoo vurig vraagt, bid vooral voor hen, \' wier zaligheid U om bijzondere reden meer ter harte

\' lil

:ï-1 li li IP

li

tin

\'Hill

\'4 S\'i

4-1ste OVERWEGING,

24ste Zondag na Pinksteren. algemeen ookdeel, (le deel, blz. 246.)

ii!

42ste OVERWEGING.

kerkwijding.

I. Wij moeten de heilige plaats eerbiedigen, als het huis des Heeren. Dominus Dei.

II. Treden wij die met vreugde binnen, het is de deur des hemels. Porta Coeli.

I Punt. Onze kerken zijn het huis van God; eerbiedigen wij die. Toen Salomo den Heer plechtig den door hem gebouwden tempel toewijdde, te midden van dien buitengewonen luister en in tegenwoordigheid

lill rail

-ocr page 154-

154

der goddelijke majesteit, welke zich deed gevoelen, maakte een heilige schrik zich meester van geheel het saanigestroomde volk. Men wierp zich met het aanschijn ter aarde, en aan aller harten ontsnapte, gelijk aan dat van Salomo, deze kreet: Groote God is het wel geloofelijk, dat gij op aarde met de menschen verblijft! Deze zelfde indruk zou zich van ons meester maken hij het intreden onzer kerken, indien wij diep doordrongen waren van dit woord: Het is het huis des Heeren. Zijn huis, ja, want het werd Hem toegewijd, want Hij koos het zelf voor zijne woning en Hij doet daarin zijne tegenwoordigheid gevoelen. O met welken glans schittert de katholieke tempel in het oog des geloofs!

De godsdienst alleen legde hiertoe den grondslag, vereenigde de bouwstoffen, trok de muren op, plaatste de sieraden. Hij bestreed de onkosten, die hem zijner edele bestemming minder onwaardig maakten. Het gebouw was voltooid, versierd, doch nog was het niet het hnis des Heeren; eerst toen werd het dit, toen de Kerk door hare Ceremoniën, hare zuiveringsplechtigheden, hare zalving hem van de onheilige gebouwen afscheidde, door er haar stempel van heiligheid op te drukken. Na verscheidene plechtigheden werd het goddelijk Lam er voor de eerste maal opgeofferd. Jezus-Christus nam bezit van zijn nieuw heiligdom. Eerst toen kon men in volle waarheid zeggen: Zie, de hutte Gods hij de menschen; en Hij zal bij hen wonen, (1) waut het is in onze kerken, dat de Heer letterlijk zijne belofte volbrengt:

(1) Apoc. 21, 3.

-ocr page 155-

155

Ik hen met u al de dagen tot aan de voleinding der eeuwen.

Even als een vorst, hoewel hij meester zij in geheel de uitgestrektheid zijner staten, zijne paleizen heeft, waar hij de hulde zijner volkeren ontvangt, waar hij gehoor verleent, waar hij meer volstrekt zijn oppergezag uitoefent, zoo heeft ook God, hoewel tegenwoordig in alle deelen der wereld door zijn wezen, zijne voorzienigheid, zijne macht, tempels willen hebben, waar Hij zou verblijven, om er de heerlijke plannen zijner barmhartigheid uit te werken. Op ieder dezer tempels rust in verhevener zin, dan op dien van Salomo dit woord des Heeren. »lk heb deze plaats gekozen en geheiligd, om er vereerd te worden, mijne oogen zullen zich openen voor hen, die er zullen komen, mijn oor zal luisteren naar bun gebed, mijn hart zal getroffen worden door hunne stneekingen.quot;

Onze kerken zijn dus op tweevoudige wijze het huis Gods: Hg woont daar door de alomtegenwoordigheid zijner onmetelijkheid en door de wezenlijke tegenwoordigheid in het H. Sacrament onzer altaren. Besluiten wij hieruit, dat geene plaats op aarde meer onze vereering verdient.

Zoodra de godvruchtige pelgrim van Palestina van verre den berg ziet, waarop het kruis des Heeren stond, waar nog zijn graf is, ontbloot hij het hoofd, ontdoet zich van zijn schoeisel en werpt zich ter aarde. Bij het zien alleen eener kerk zouden wij door een nog dieper gevoel van godsvrucht bezield moeten worden. Is zij niet heiliger dan Kalvarië en het graf des Zaligmakers? »Ik zal uw huis

-ocr page 156-

156

binnentreden, Heer, zegt de koninklijke profeet, doch waarom ? om U te aanbidden door schrik vervuld, en om uwen naam te verheerlijken.quot; (1)

Heb ik dit steeds in het heiligdom des Allerhoog-sten gedaan? Heb ik al niet ontbroken aan den uitwendigen eerbied, verschuldigd aan de allerver-hevenste majesteit, hoe verstrooid was dan toch vaak mijn geest? Mijne lippen spraken tot U, o myn God, zij vereerden U op hare wijze, doch helaas! waar was mijn hart? Moge uwe tegenwoordigheid mij voortaan geheel boeien. Moge mijne ziel zich slechts met U bezig houden in uw heilig huis. Ik zal bij het binnentreden met den H. Bernardus zeggen: »Blijft buiten, aardsche gedachten, het is hier noch uwe plaats, noch uw tyd.quot; »De tempel,quot; zegt zeker heilige, » is eene hemelsche plaats, zoolang wij daar zijn, mogen wij ons geene gedachte, geen woord toelaten, dat tot de aarde behoort.quot;

II Pünt. Onze kerken zijn de poorten des hemels; treden wij daarin met- vreugde en vertrouwen. Door de genade komt men in den hemel, en alle bronnen van genade worden ons in den tempel des Heeren geopend, het is voor ons niet slechts het huis van heiligheid, doch van heiliging. Inderdaad daar in de heilige doopvont werden wij bekleed met die eerste onschuld, welke ons tot kinderen Gods, tot broeders en mede-erfgenamen van Jezus-Christus maakte; in die biechtstoelen werden ons onze zonden vergeven, kregen wij onze rechten weder op het hemelsch koninkrijk. In dit tabernakel woont de

(1) Ps. 5, 8. — 137, 2.

-ocr page 157-

157

Heiligmaker der zielen, altijd gereed ons te overladen met zijne weldaden; aan die tafel wordt ons het Brood der engelen, het begin en het onderpand der gelukzalige onsterfelijkheid toegediend. Ziedaar het altaar, dien anderen Kalvarieberg, waarop het groote slachtoffer dagelijks zijne offerande hernieuwt, om op ieder onzer de oneindige verdiensten van zijnen dood toe ts passen. Die stoel der waarheid doet ons Gods stem verstaan; wie zijn bedienaar hoort, hoort Hem-zelven.

De kerk is derhalve voor mij het voorportaal des hemels; vervolgen mij mijne vijanden, dan is het daar, dat ik eene schuilplaats moet zoeken. In dit arsenaal vindt ik al de wapenen, die ik noodig heb ter mijner verdediging. Wordt mijn geweten ontsteld door de herinnering aan mgne fouten, zoo heeft God in zijnen tempel rechters gesteld, niet om mg te veroordeelen, doch om mij met Hem te verzoenen. Wil ik den wil des Hemels kennen, wil ik opstaan uit eene noodlottige lauwheid, zoo is het in de kerk dat men mij het woord, dat verwarmt en verlicht, zal toespreken. Heb ik voedsel noodig, zoo is de tempel de feestzaal; wensch ik gunsten te verkrijgen, het huis Gods is het huis des gebeds. Hoe zou ik met onverschilligheid eene plaats kunnen betreden, welke voor mij zooveel belang biedt, waar men bij elke schrede zulke schitterende getuigenissen ontmoet van de liefde van eenen God ten onzen opzichte? Moet het hart van den vurigen religieus niet trillen van hoop en vreugde, als men hem zegt: » Wij zullen treden in het huis des Heeren.quot; God is daar in zekeren zin dichter bij ons, en toont zich edelmoediger

-ocr page 158-

158

vriend, —gevoelen ■wij ons ook daar niet gevoeliger voor de vermorzeling van het berouw, voor de uitstorting van het vertrouwen?

God aller heerscharen, wie zou uwe legertenten niet beminnen! Een uur daarin doorgebracht, is beter dan dagen en jaren in de woning der wereld-lingen. Ik heb het begrepen, o mijn God, het veiligste middel om het hemelsch Jeruzalem in te gaan, is godvruchtig dit aardsche Jeruzalem dikwerf te bezoeken; daar ademt men als een geur van de eeuwige gelukzaligheid. Om nooit te ontbreken aan den eerbied aan de heilige plaats verschuldigd, noch aan den ijver om mij daarheen te begeven, zri het mg genoeg, tot mij-zelven te zeggen: Het is het huis Gods en de deur des hemels.

43ste OVERWEGING.

16 Juni.

h. joannes-franciscus eegis.

I. Vurigheid zijner liefde.

II. Geduld van zijn ijver.

I Punt. Vurige liefde van den II. Franciscus Regis. Elk mensch heeft zijn hartstocht. Eegis scheen nooit eenigen anderen te hebben dan God te beminnen en te doen beminnen. De vonken van dit heilig vuur begonnen reeds in zijne kinderjaren te ontvlammen. Als jeugdig scholier trachtte hij

-ocr page 159-

159

de zeden zijner medescholieren te vormen en zijne eerste pogingen slaagden zoo gelukkig, dat hij velen voor Jezus won. Toen hij leermeester geworden was, wekte hij vaak in de ziel zijner leerlingen de gedachte en het gevoel der hemelsche zaken op, en liet geene enkele gelegenheid voorbijgaan, om hun haat voor de zonde in te boezemen. Eens dat eenige hunner in eene zwaardere fout gevallen waren, sprak hij hen met zooveel kracht van het oordeel Gods, dat zij door schrik bevangen werden; ver-sclieidenen hebben bekend, dat zij nooit vergeten hadden, wat hij hun toen gezegd had. Dit was als het voorspel van zijn apostolisch leven; het begon met den loop zijner missiën.

Zoodra dit veld voor zijn ijver geopend werd, liad hij slechts ééae gedachte meer: God vereeren door de heiliging der zielen. Hiertoe besteedde hij zijne oogenblikken, in de steden en dorpen, in de kerken, op de openbare pleinen, in de gevangenissen, de gasthuizen, en afzonderlijke woningen. Zijne toespraken werden zoo vurig uitgesproken, dat zijne stem vaak te kort schoot. Dikwijls ontvlamde zijn gelaat, en was hij zoo getroffen over hetgeen hg zegde, dat prediker en toehoorders in tranen smolten.

Ongevoelig voor al het overige zag hij slechts God en de zielen. Eens, nadat hij alles in het werk had gesteld om den hartstocht van een zondaar te overwinnen en al zijne pogingen te vergeefs aangewend had, riep hij uit: »Ik smeek u, doorboor mij het hart met uw zwaard, doch houd op uwen Schepper aldus te beleedigen.quot; Hij deelde een zijner

-ocr page 160-

160

Trienden mede, dat het leven hem ondragelijk zoude zijn, indien het hem het middel niet aanbood aan het heil der zielen te werken, en het rijk van Jezus-Christus uit te breiden.

Tot zijn jongsten snik groeide zijne liefde gedurig aan. In zijn vier en veertigste jaar wordt hij ziek, hij weet dat hij zijn einde nadert, doch hij heeft beloofd eene missie te openen te Louvesc, en eene menige menschen stroomt daarheen, om het woord Gods te vernemen. Regis snelt daarheen waar zijne bediening hem roept, waar de dood hem wacht.... Hij komt geheel uitgeput van kracht aan. Zonder zich eenige rust te gunnen, begint hij zijn ver-moeienden arbeid, dien hij verdubbelt naar gelang zijne ziekte toeneemt; men draagt hem tegen zijnen dank in eene hut, en daar op dat arme bed, voltooit hij begonnen biechten, hoort nieuwe en sterft in de uitoefening van zijn ijver. Is het te verven-deren , dat hij op het oogenblik, dat hij zijne ziel in Gods handen ging stellen, zich tot zijn medebroeder keerde en hem zegde: »0 mijn broeder, hoe tevreden en vergenoegd sterf ik!quot; Zal ik met dezelfde kalmte, dezelfde vreugde den dood zien komen na een leven, wel is waar geregeld in het oog der menschen, doch zonder werkelijk nut voor God? Ik geef niemand ergernis, doch doe ik al het goede, dat ik zou kunnen en moeten doen?

II Pont. Onverstoorbaar geduld van den 11. Fran-ciscus Regis. De H. Paulus leert ons, dat het geduld de eerste vrucht der liefde is; en de H. Jacobus zegt, dat de lijdzaamheid een volmaakt werk heeft. Het is ontwijfelbaar dat het geduld de bron is onzer

-ocr page 161-

161

■ zoude I verdiensten, dat de liefde al bare waarde verkrijgt \'d aatil niet door de woorden, die haar uitdrukken, doch Jezus.I door de werken, die haar bewijzen, door de min of I meer pijnlijke offers, die wij doen veronderstellen, idurigl Elke christen en te meer elke religieus, lidmaat van \' ziek, I Jezus-Christus, moet met Hem een man van smarten heeft I zijn en gelijk Hij een man van geduld. Dit was eenel Franciscus Regis.

roord I Hij had met aandrang de missie van Canada ge-zijne I vraagd, in de hoop daar zijn bloed voor Jezus-ht..., I Christus te mogen storten. Hij werd niet verhoord, nder I doch men mag zeggen, dat zijne bedieninginLanguedoc ver-1 een voortdurend martelaarschap was. In het strengste lang | jaargetijde ziet men hem, in ruwe landstreken, steile inen I bergen beklimmen, onstuimige stroomen overtrekken, vol- I langs den rand der afgronden op handen en voeten ;erft I kruipen, somtijds beklom hij te midden der bosschen on- I eene rots of een bevroren sneeuwklomp, om de in I menigte, die hem volgde, het brood van het goddelijk der I Woord toe te dienen. Hij onderbrak zijne prediking te- | slechts om biecht te hooren, waarmede hij vaak tot fde I in den nacht doorging.

na I Doch nog bewonderenswaardiger toont zich zijn Ier I geduld in de beleedigingen en mishandelingen, welke d? I men hem aandeed, zonder dat de minste beweging le, I van verontwaardiging zich in zijn hart, de minste wolk van misnoegen zich op zijn gelaat verspreidde, \'i- I Eens beklaagde men hem over een slag in het aan-d I gezicht, hem in het openbaar toegebracht. »Is het is I dan zulk eene groote zaakquot; zegde hij, »ter liefde \'t- I van Jezus-Christus een slag in het aangezicht te r I verdragen? Mij dunkt, dat men geen leerling is vau CH. IT. 11

-ocr page 162-

162

dieu goeden Meester, als men dergelijke beleedi-gingen niet gaarne voor Hem verdraagt.quot; Men trachtte liem door de hatelijkste ^lasteringen te onteeren; nooit wilde hij zich rechtvaardigen, hoewel hij hiertoe alle middelen in de hand had, en toen zijne vrienden hem wilden verdedigen, bezwoer hij hen te zwijgen, om hem zulk eene schoone gelegenheid niet te benemen de verguizing zijns Zaligmakers te deelen. Meermalen werd hij aangevallen door losbandige menschen, die, niet tevreden hem uit te jouwen en te bespotten, hem met slagen en schoppen overlaadden en hem halfdood lieten liggen.... hij bad voor hen. Bij eene dezer gelegenheden, riep hij uit: »Hoe zoet is het mij een weinig te mogen lijden, voor zielen, wier zaligheid den Zoon Gods zooveel gekost heeftquot;....

O Jezus, in de herinnering aan uw lijden, in zijne liefde tot U, putte de heilige, wiens deugden ik wil, navolgen, zijne kracht; trek mijn hart tot de overweging van het geheim van uw kruis. Ik zal ü beminnen, ik zal mijne vreugde vinden in U en mij-zeiven daarvan het duidelijkst bewijs geven, door gaarne voor ü te lijden en mij voor U ten ofier te brengen. v

-ocr page 163-

163

44ste OVERWEGING.

21 Juni.

de h. aloysius van gonzaga.

I. Zijne onschuld.

II. Zijne boetvaardigheid

I Punt. Onschuld van den H. Aloystus. Hoe groot was hare volmaaktheid? Welke was hare beloonins?

1. De Kerk heeft dezen beminnelgke heilige den engelachtif/en jongeling genoemd. Is er inderdaad wel eenig andere, die door de zuiverheid van lichaam en ziel de natuur der engelen naderbij is gekomen? Zoodra hij het gebruik der rede genoegzaam bezat om onderscheid te maken tusschen goed en kwaad, dank aan de zorquot; zijner godvruchtige moeder, paste hij zich deze v, orden der H. Schrift toe: »Mijn zoon, vlucht de zonde, gelijk gij de ontmoeting eener slang zoudt vluchten. Bewaar uw hart met eene groote waakzaamheid, want het is de bron des levens. Vlucht tot zelfs den schijn van het kwade.quot; De afschuw van al hetgeen God kan beleedigen, het vluchten van alles wat daartoe aanleiding kan geven, eene volkomen onthechting van de schepselen, ten einde God niet de minste genegenheid te ontrooven, ziedaar wat de onschuld van Aloysius uitwerkte; terwijl hij daarenboven voorkomen werd met den rijksten zegen van genade en steeds gehoorzaam al derzei ver inspraken volgde. Welk eene droefheid wierp de vrees, God beleedigd te hebben, in zijne ziel, daar hij vier jaren oud zijnde, een weinig kruit

-ocr page 164-

164

van de soldaten liad genomen en eenige onbetamelijke woorden, welke liij niet verstond, had nage zegd. Toen lag drie jaren later eene algemeene biecht sprak, deed zijn berouw hem in bezwijming vallen. Men wilde hem troosten. »Ach, riep hij uit. God is zoo goed en ik heb- Hem zoo onwaardiglijk be-leedigd.quot; Hij beschouwde zich als den grootsten zondaar, en beweende datgene, wat hij zijne ongeregeldheden noemde en wat de H. Carolus Borromeus en Bellarminus nauwelijks als kleine onvolmaaktheden beschouwden. Alvorens zulk een zuiver leven in den religieuzen staat te leiden, leidde Aloysius dit aan het hof, alwaar zich alles vereenigt wat het oog kan verblinden, de zinnen kan streelen, het hart kan bederven; zijne deugd bleef onbevlekt te midden aller ondeugden. Mozes zag in de woestijn een braambosch, dat door vlammen omringd, niet verbrandde; ziehier een grooter wonder: een jongeling die omringd door het vuur aller hartstochten, er niet door aangeraakt wordt. En ik, in een heilig verblijf, waar alles mij tegen het kwaad behoedt, alles mij tot het goede aanspoort, helaas! hoeveel vlekken, waarvoor ik mij niet weet te bewaren. 0 hoe benijdenswaardig is het lot van hen, die den weg eener volmaakte onschuld bewandelen! Beate immaculati in via. (1)

2. Heer, wie zal wonen in uwe tabernakelen? Wie zal wonen op uwen heiligen berg ? Hij, die vlekkeloos leeft en de rechtvaardigheid betracht. (2) De H. Aloysius, die mededinger der engelen door zijne buitengewone zuiverheid, streefde hen bijna

(1) Ps. 118, 1. (2) Ps. 14, 1 en 2.

-ocr page 165-

165

ter zijde iu het geluk van het tegenwoordig leven. Altijd in de vurigste beschouwing verdiept, ging hij op de zoetste wijze, om met den Bruidegom der maagden. Op een leeftijd, waarop andere kinderen nauwelijks eenige gebeden kunnen stamelen, was hij tot een hoogen graad van gebed verheven. Zijn zielbestierder verwonderde zich eens, dat hij in deze heilige oefening een uur zonder verstrooidheid kon doorbrengen. »Ik ben nog veel meer verwonderd, antwoordde hij, dat na zich in de tegenwoordigheid van God geplaatst te hebben, men aan iets anders, dan aan Hem denken kan.quot; Het voorrecht der zuivere ziel, is den Koning der koningen tot vriend te hebben; is er wel ééne vriendschap, die meer heerlijke vreugde en waren troost oplevert?

Doch het is ia den hemel, dat de zuiverheid hare schoonste belooning verwerft. Wie zal mij daar den heiligen Aloysius doen beschouwen ? Deze gunst werd één oogenblik verleend aan de H. Maria-Magdalena van Pazzi en zij riep door bewondering vervoerd uit: 0 hoe groot is de glorie van Aloysius zoon van Ignatius! Ik hadde het niet kunnen ge-looven, indien de Heer Jezus het mij niet getoond hadde. Ik zou het heelal willen doorloopen en alom verkondigen, dat Aloysius een groot heilige was.... Gedurende zijn leven hield hij zijn hart steeds open voor de oogen van het Woord, daarom wordt bij met zulk eene schitterende glorie bekroond. Hij was een onbekend martelaar, want welk een martelaarschap is het voor hem, die weet hoe groot en hoe beminnelijk Gij zijt, U niet te kunnen beminnen, zooveel hij dit verlangt en Gij verdient bemint te worden!quot;

-ocr page 166-

166

11 Punt. Boetvaardigheid van den H. Aloysius. In hare bezorgdheid voor de zaligheid harer kindereu rekent de H. Kerk minder op hunne nooit verloren, dan wel op hunne terugbekomen onschuld; daarom vraagt zij, de buitengewone zuiverheid van den heiligen Aloysius, welke haar als de vrucht eener wonderbare genade voorkomt, ons niet ter navolging durvende voorstellen, dat wij hem ten minste langs den weg zijner boetvaardigheid mogen volgen. Overigens voert de zuiverheid, door het zien van God, welke hare eerste belooning uitmaakt, noodzakelijk tot de goddelijke liefde, en de geest van opoffering is onscheidbaar van de goddelijke liefde. God beminnen en zich-zelven heiliglijk haten, zijn in de taal van het Evangelie eene en dezelfde zaak. O Heer, waartoe is het hart, dat U bemint, niet in staat, als uwe genade het steunt en bezielt? De H. Aloysius kende het gebruik der boetpleging van zijne teederste kinderjaren en beoefende die tot in de armen des doods. De zinnelijkheid is niet zoo vindingrijk om zich alles wat haar voldoen kan, te verschaffen, als hij het was om gelegenheden te vinden, om zich te versterven en te lijden. Moge ik al zeggen dat God van mij de gestrengheden niet vraagt, welke ik in de heiligen bewonder, zoo blijft het intusschen niet minder waar, dat ik fouten te boeten heb, dat ik om Jezus-Christus toe te behooren, niet slechts religieus, doch ook als eenvoudig geloovige, mijn vleesch met deszelfs begeerlijkheden moet kruisigen, dat er eene versterving des harten bestaat, welke altijd en volstrekt verplichtend is, volgens deze uitspraak van het Concilie van Trente: Geheel het leven van den christen moet

-ocr page 167-

167

eene gedurige versterving zijn. Een boetvaardige, zonder een zondaar te zijn, ziedaar wat de H. Aloy-sius was en vele heiligen met hem; een zondaar zonder een boetvaardige te zijn , ziedaar wat ik ben; mijn geweten vordert deze bekentenis, doch kan ik die afleggen zonder te blozen en te sidderen?

Beminnelijke Heilige, die slechts gestreng waart voor u-zelven, gij waart zoo medelydend voor uwe broeders, dat gij hun het offer uws levens wiidet brengen, o heb ook medelijden met ons! Hebt gij de loopbaan der apostelen niet kunnen doorloopen in dien graad als uw zielenijver dit begeerde. God schijnt u dit te vergoeden door de genaden van barmhartigheid en zaligheid, welke Hij verleent aan hen, die u aanroepen. Help ons die schoone jaren herstellen, welke wij verloren hebben. Uwe liefde is niet verminderd, uwe macht is vermeerderd, verkrijg ons de liefde tot de zuiverheid en de boetvaardigheid, opdat ook wij het geluk mogen hebben God te zien en Hem eeuwig met u in het verblijf der eeuwige glorie te bezitten.

45^ OVERWEGING,

24 Juni.

de h. joannes de dooper.

I. De getuigenis, welke hij van Jezus-Christus geeft. 11. De getuigenis, welke Jezus van hem geeft.

I Punt. Jezus wordt verheerlijkt door de getuigenis, welke Joannes de Dooper van Hem aflegt. De Ver-

-ocr page 168-

168

losser der wereld leefde op aarde, doch Hij leefde er onbekend. Joannes de Dooper was geroepen Hem aan de wereld te toonen, te openbaren. Hij was liet licht niet, doch hij kwam om getuigenis te geven van het groote Licht, dat de wereld moest verlichten en verlossen. Welke getuigenis kon glorievoller zijn voor Jezus? Zij was belangeloos, schitterend, gegeven met een ijver, en ondersteund door eene heiligheid, welke daaraan nieuwe kracht bijzetten.

Eene belangelooze getuigenis. Joannes brengt aau de glorie van Jezus het volkomen offer zijner eigene eer. De Joden waren volkomen bereid hem als hun verlosser te erkennen. Slechts één woord behoefde hij te spreken om de hulde der synagoog te ontvangen. Hij spreekt, doch om zich-zelven te beschamen bij de gedachte, dat men hem voor den Messias heeft kunnen houden. Hij bekent luide dat hij het niet is, vrij moge men hem met vragen bestormen. Zijt gij Elias? Zijt gij de Profeet? Wie zijt gij? Hij heeft slechts dit antwoord: Ik hen de stem eens roependen in de woestijn. Wel verre van de openbare opmerkzaamheid op zich te willen trekken, keert hij die van zich af, om ze geheel op Jezus terug te brengen, dien hij evenzeer verheft, als hij zich-zelven vernedert, luide erkennende dal hij niet waardig is zijn schoenriem te ontbinden. Hij kent slechts ééne eerzucht: geheel te verdwijnen, opdat Jezus verschijne,

Eene schitterende getuigenis. Hij vestigt die op de getuigenis van God, want God heeft hem zijn Woord veropenbaard met ons vleesch bekleed. Hij heeft hom gezegd, toen Hy hem zond om met water

-ocr page 169-

169

I te doopen: Op tuien gij den H. Geest zult zien | nederdalen en op hem blijven, deze is het, die doopt I met den II. Geest. En ik heb het gezien, voegt [Joannes hierbij, ik heb den Geest zien nederdalen [iih eene duif uit den hemel en hij bleef op Hem, daarom geef ik getuigenis van Hem en bevestig dat Hij de Zoon Gods is. En met welken ijver bevordert hij zijne glorie? Zullen de menschen hunnen Zaligmaker behoorlijk ontvangen ? Zullen zij in de [ plannen zijner barmhartigheid treden ? Ziedaar de eeuige zorg, welke hem bezig houdt. Hij doet al wat hij kan om Hem leerlingen te verschaffen. Vol van eene onvermoeibare vurigheid roept hij de zondaars tot boetvaardigheid en tot derzelver grondslag: | Je nederigheid. gt; Bereidt den weg des Heeren roept hij uit, »verschijnt niet voor Hem als trotsche bergen, doch weest klein in eigen oog, ten einde zijne wegen recht te maken, leg dien hoogmoed af, welke u opblaast.quot; Ontmoet hij weerspannige geesten, dan ontvlamt zijn ijver en spreekt hij hun met kracht toe : Gij adderen gebroedsel! ondankbare adders, welke de Heer in zijn boezem heeft gevoed en die niet ophoudt zich tegen Hem te verheffen, wie heeft u bewezen , dat gij den toekomstigen toorn ontvliedt? Onvruchtbare boomen, de bijl des doods gaat u vellen, haast u een God, wiens toorn gij verdient, te verzoenen.

De boetprediker, die zich met deze kracht uitdrukte, leidde een leven, dat meer dat van een engel dan van een mensch was; zijne deugden eischten de bewondering van allen, die hem aanhoorden en die bewondering keerde tot de glorie van Jezus-Christus. Hoe onwillig men ook was om te gelooven, dat een

ij (jï lil

■ J

lil

ifil \'11 I

; i\'i

iii é

■-

-ocr page 170-

170

God mensch geworden was, en vooral, dat Hij zicli onder de menschen de laagste plaats gekozen had, wilde men dit liever aannemen, dan de getuigeuis van Joannes den Dooper in twijfel trekken. Men beoordeelde de grootheid en de heiligheid des meesters door de hoogachting, welke men koesterde voor hem, die zich de eer zijn dienaar te zijn niet waardig achtte. Joannes was geroepen om Jezus te verheerlijken, door Hem te doen kennen; deze roeping deelt elk religieus, elk christen met hem. De heiligen in den hemel zijn daar slechts als getuigen, de apostelen hebben van den Zoon Gods getuigenis afgelegd door hun woord, door bet verkondigen zijner wet; de martelaren door de getuigenis van hun bloed, dat zij gestort hebben om Hem getrouw te blijven; al de andere uitverkoornen hebben van Hem getuigenis afgelegd door hun heilig leven. Het is niet noodig, dat ik tot de apostolische bediening geroepen zij om te betuigen dat ik dienaar ben van Jezus-Christus en daarop roem draag. Zonder de genade van het martelaarschap kan ik voor Hem lijden, mij-zelven verloochenen, mijne neigingen opofferen, om met de geboden ook de evangelische raden te volgen en zijn voetspoor te drukken. Alles wat ik doe voor zijnen dienst is eene getuigenis, welke ik van Hem afleg; mijn geloof getuigt zijne onfeilbare waarheid, mijne hoop zijne getrouwheid aan zijne beloften, mijne nederigheid zijne grootheid, mijne gehoorzaamheid zijn oppergezag, mijne dankbaarheid zijne weldaden; myne aanbidding, mijne liefde zijne oneindige volmaaktheid. Ik verkondig Jezus-Christus aan de wereld, ik ben zijn voorlooper, als ik tracht

-ocr page 171-

171

zijue deugden na te volgen , en door de stichting mijner goede voorbeelden, zijn intreden in de harten te bereiden. Hoe staat het met u ten opzichte dezer navolging, religieuze ziel ? Kan men in u de Bruid erkennen van een armen, een lijdenden, een vernietigden God?

II Punt. Joannes de Dooper wordt verheerlijkt door de getuigenis, welke Jezus van hem geeft. Als de dienaar zorgt voor de eer zijns meesters, doet hij zijn plicht; doch als de meester met dezelfde zorg of met eene nog grootere zijn dienaar tracht te verheerlijken, zoo is dit van den kant van den Zoon Gods jegens den heiligen Joannes eene voorkomendheid, welke ons de maat zijner goedheid aangeeft. Hij heeft getuigenis afgelegd van zijne grootheid door onder eede te bevestigen er is onder de ge-horenen van vrouiven geen grooter opgestaan dan Joannes de Dooper, — van de waardigheid zijner bediening, toen Hij verklaarde, dat hij profeet en meer dan profeet was, — Want deze is het, van wien geschreven staat: zie, ik zend mijnen engel voor uw aangezicht, die uwen weg zal bereiden voor u henen. Van de uitmuntendheid zijner prediking, omdat de volmaaktste prediking bestaat in te verlichten en te treffen en dat Joannes de brandende en lichtende lamp was. Van de kracht zijns doopsels, daar Hijzelf door hem gedoopt wilde worden — doch vooral van de heiligheid zijns levens. gt; Om wat te zien, zijt gij uitgegaan naar de woestijn 1 een riet, dat door den wind bewogen ivordtT\' een lichtzinnigen geest die de beweging volgt van de grillen der wereld of der hartstochten? Neen, een hart, dat kloekmoedig blijft in de zaak van God, eene ziel gevestigd in

-ocr page 172-

172

de deugd, verheven boven alle hinderpalen, welke zich tegen plicht en geweten stellen. Maar om wat te zien, zijt gij uitgegaan ? Een menseh, met zachte kleederen gekleed^ en in zingenot gevoed! Wie ooit was meer dood aan de wereld en aan de vermaken der wereld, wie ooit was boetvaardiger, wie behandelde zijn lichaam gestrenger?

In deze lofspraak spreekt Jezus, noch van openbaringen , noch van geestvervoeringen; Hy doet de heiligheid van Joannes bestaan in zijn verstorven leven en zijne gegronde deugd. Ziedaar wat de heiligen vormt; want dit, o aanbiddelijke Zaligmaker, komt het dichtst nabij dat voorbeeld van heiligheid, dat Gij zelf aan de aarde zijt komen geven. Helaas, ziet Gij in mij daarvan den minsten schijn, en moet ik niet sidderen als ik mijn gedrag vergelijk met dat van uwen Voorlooper? Hij werd geheiligd, alvorens hij geboren werd, zijne onschuld werd nooit in het minste bevlekt, en nochtans omhelsde hij de strengste boetvaardigheid; en\' ik, die een zondaar ben, doe niets om ontelbare boosheden te boeten. Kunt Gij mif\'verheerlijken, o mijn God, als mijn leven U onteert? Zult gij voor mij of tegen mij getuigenis moeten geven op ^den jongsten dag? O Jezus, geef dat ik getrouwer worde aan uwe genade, geef mij eenig deel in de deugden van den H. Joannes; geef mij dien geest van gebed en versterving, welke zijne afzondering heiligde; die nederigheid, dien ijver, die hem zoo vele macht gaven, om U harten te winnen; die onwrikbare standvastigheid, die hem, bij de verdiensten des kluizenaars en des apostels, den palm van het martelaarschap doet voegen.

-ocr page 173-

173

46ste OVERWEOING.

29 Juni.

de h. petrus. (le Deel, blz 131.)

4:7ste OVERWEGING.

2 Juli,

voor het feest van het bezoek der h. maagd.

I. De liefde vormt het plan.

II. De nederigheid voert het uit.

III. De heiliging der zielen is deszeHs doeleinde.

I Punt. De liefde is de eenige heiueegreden, luelke dm Zoon Gods aanspoort om het menschelijk geslacht te bezoeken, en Maria om Elisabeth te bezoeken. Hoewel het Woord, de Zoon van God, en zelf God, alles met zijne oneindigheid vervult, zoo stelt de H. Schrift ons nochtans het geheim der mensch-wording voor, onder het beeld van eene reis, een bezoek. (1) Doch waar heeft de Heer de beweegreden geput tot een plan zoo gunstig voor den mensch? en voor ieder in het bijzonder? Dilexit me et tradidit semetipsum pro me. (2) Dit plan werd gevormd in de ingewanden zijner barmhartigheid.

(1) Exivi a Patre, et veni in mundum (Joa. 1G, 28.) Visitavit uos oriens ex alto. (Luc. 1, 78.) (2) Gal. 2, 20.

-ocr page 174-

174

Per viscere mi.iericordiae Dei nostri. (1) Neen Hij lijver, kon ons niet hulpeloos laten, zijne liefde, zijn mede-Imoed i doogen voor ons hebben gezegevierd over al de be-1 ongeba weegredenen zijner rechtvaardigheid. Hetzelfde geldt 1 haar; -naar evenredigheid van het bezoek, dat de aller- Ikenmei heiligste Maagd heden aflegt. Daar zij als het ware I niets k slechts één hart en één leven heeft met het aan- I Heb biddelijk Kind, dat zij in haren schoot draagt, heeft I mijn v zij ook slechts éénzelfde doel. Onderneemt zij deze I tot be reis, zegt de H. Ambrosius, zoo is dit niet, omdat Ibeweej zg den minsten twijfel koestert, omtrent hetgeen I de vei de engel haar gezegd heeft, en dat zij zich hiervan I de eer in persoon wil overtuigen ? Het is ook niet uit na- I dat ik tuurlijke liefde voor hare bloedverwanten, want van I beliaa: haar teedersten leeftijd af had zij getoond, hoezeer I winne zij daarvan onthecht was, en al de kracht der naasten- I neigir liefde was noodig om haar hare afzouderinor te doen 1 H

o ■

verlaten. Zij wil Elisabeth gelukwenschen, en zich I het h

met haar verheugen over de groote barmhartigheid I vc

des Heeren ten haten opzichte. Daarenboven is I slech

Zacharias\' huisvrouw hare bloedverwante en kan in I aa11

den staat, waarin zij zich bevindt, haren dienst noodig I

hebben. Zij gaat haar dien aanbieden. Eindelijk I ^11 ^

gevoelt zij zelve behoefte om den schat der genade, I 200v

waarmede God zich gewaardigde haar te overladen I ^are mede te deelen; zij gaat den zegen haars Zoons I haai

brengen in een gezin, dat zoo wèl bereid is dien I me\'J

te ontvangen. I ^1

Alles ademt liefde in de wijze, waarop de Evau- I

gelist van deze reis spreekt. Men ziet daarin vurigheid, 1

(1)

-ocr page 175-

ijver. Ahiit.... cum festinatione. Men ziet daaria moed in het trotseeren der moeielijkheden; noch ongebaande wegen, noch steile bergen weerhouden haar; Ahiit in rhontana. Zijn dit niet de bijzondere kenmerken der goddelijke liefde? Niets is zoeter, niets krachtiger.... niets beter dan de liefde. (1)

Hebben al mijne reizen, al mijne bezoeken, geheel mijn verkeer met mijnen evennaaste steeds de liefde tot beginsel gehad? Hoevele hadden geen andere beweegreden dan de ledigheid, de nieuwsgierigheid, de verveling van een eenzaam en ernstig leven ? Als de eer van God en het belang mijner broeders eischen, dat ik mijne woning of eene bezigheid, welke mij behaagt, verlaat, ben ik dan vaardig in het overwinnen Tan mijnen tegenzin, in het opofferen mijner neigingen ?

II Pdnt. Nederigheid van den Zoon Gods, in het hezoekèn der menschen door de menschwording, en van Maria hij het bezoeken van Elisabeth. Jezus slechts bij zijne liefde te rade gaande in het bezoek aan de menschelijke natuur gebracht, daalt uit den luister zijner glorie tot het niet van ons vleesch. In het bezoeken van Elisabeth volgt de H. Maagd, zooveel haar mogelijk is, de nederigheid na van haren Zoon; en hoewel deze deugd de deugd van haar geheele leven geweest zij, beoefent zij die hier met eene bijzondere volmaaktheid. Op het oogenblik dat zij verheven wordt tot de onuitsprekelijke waardigheid van moeder Gods, noemt zij zich dienstmaagd: Ecce ancilla, doch van wien? Van den Opperheer.

(1) lm. 1. 3 c. 5.

-ocr page 176-

176

Ia haar bezoek aan de moeder van \'s Heeren VoorJ ffaaror looper, maakt zij zich tot dienstmaagd van eenel gering persoon, die zij vrij verre beneden zich mocht achten! tatem Zij wacht Elisabeth niet af, zij voorkomt haar. WellJ van h eene wondervolle nederigheid in het stilzwijgen, datl den b zij bewaart, omtrent de groote gebeurtenis, waarvaiil vonde zij alleen bet geheim bezit! De dringendste redenen 1 God 1 schenen haar tot spreken aan te zetten. Moet zij.l tot e daar het Woord Gods in haren schoot menschge-l omda worden is, tot glorie van God, tot troost van Israël,! onwa dit geheim, door zoo velen zoo vurig afgebeden,! weg niet openbaar maken? Zij zwijgt; haar Zoon, haavl de ee God vernedert zich; mag zij zich verheSen? Hij! de e( houdt zich in de verborgenheid; zou zij willen uit-1 heerl schijnen? Zij zegt geen woord omtrent de keuze, I II waardoor de Hemel haar tot de eervolste waardigheid I doeh heeft voorbeschikt, tot het oogenblik, waarop hare I hezo* nicht, door den H. Geest verlicht, in vervoering uit- 1 daal roept: Gij zijt de gezegendste der vrouwen en gezegend I Den is de vrucht vws liohaams! En van waar geschiedt I der mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt! I gebi Nu het geheim ontsluierd is, moet Maria spreken, I kon De nederigheid zelve maakt haar dit tot plicht, 1 doo evenzeer als de dankbaarheid. Zij moet de eer, 1 vol1 welke men baar wil bewijzen, tot God terugbrengen | wei en slechts het niet voor zich-zelve houden. Gij looft I vai mij, gij wenscht mij geluk, gij verheft mij boven 1 grc andere vrouwen; ik voor mij loof, prijs en zegen 1 chi slechts den Heer; Magnificat anima mea Dominum. 1 Ik weet dat Hij, wien alle macht toekomt, groote I vr dingen aan mij gedaan heeft, dat alle geslachten mij I u\\ zalig zullen noemen, ik ben dit inderdaad. doch I be

-ocr page 177-

177

waarom? Omdat de Allerhoogste nederzag op de geringheid zijner dienstmaagd, quia respexit humili-tatem ancillae suae. Hij wilde de diepste grenzen van het niet bereiken; Hij heeft in mijne ellende den bodem van den afgrond, dien Hij zocht, gevonden. Ziedaar hoe Maria over zich-zelve denkt: God heeft haar alleen daarvoor uitgekozen om haar tot eene onbegrijpelijke waardigheid te verheffen, omdat zij die onvergelijkelijke eer meer dan anderen onwaardig was. De nederigheid zal steeds de eenige weg blijven om tot de ware grootheid te geraken, de eenige hechte grondslag van alle christen deugden, de eerste gesteltenis, vereiscbt tot het ontvangen der heerlijkste genaden en gaven Gods.

UI Punt. De heiliging der zielen is het eenig doeleinde van Jezus1 menschwording en ook van Maria\'s bezoek. Jezus-Christus is slechts op aarde nedergedaald, om er het geluk door de heiligheid te brengen. Den mensch verlossen van de slavernij der zonde en der hartstochten, om hem te brengen onder het gebied van genade en vrede, ziedaar het doel zijner komst, de vrucht, die Hg uit zijn leven en zijnen dood trekken wil. Al zijne geheimen hebben de voltrekking der Heiligen ten doel. Het groote uitwerksel van Maria\'s bezoek, was ook de heiliging van Joannes den Dooper, hem te bereiden tot zijne grootsche zending, en geheel het huisgezin van Za-charias met eene hemelsche vreugde te vervullen.

1 Voor-I Q eeaei acliten., Welti \'D, daf, aarvaii idenen st zij, schge-fsraè\'l, edea, haar

aj

Heilige Maagd, hoevele zielen zullen deelen in de vruchten van het bezoek, dat gij aan den Voorlooper uws Zoons brengt! Daar de genade reeds door uwe handen begint te vloeien, is eene der eerste, welke

12

CH. IV.

-ocr page 178-

178

wij u vragen, wel te begrijpen, wat wij van uwe moederlijke voorspraak kunnen verkrijgen en hoe wij die moeten gebruiken. Moge zij ons met het hemelsch licht bestralen, gelijk Joannes en Elisabeth; moge zij ons heiligen en ons mede doen werken aan de zaligheid onzer broeders!

48ste OVERWEGING.

16 Juli.

o. l. v. van den berg kakmel. — het scapulier der allerheiligste maagd.

1. De godsvrucht van het Scapulier is in zicli-zelve voortreffelijk.

II. Zij is nog voortrefielijker door de voorrechten daaraan verbonden.

III. Oefening dezer godsvrucht.

I Punt. De godsvrucht van het Scapulier is in zich-zelve voortreffelijk. Wilde ik in de broederschap van het Scapulier slechts het gelukkig denkbeeld zien van eenige godvruchtige geloovigen, die om hun ijver voor de glorie van Maria te doen zien, dit kleed aannemen en zich verbinden om het altijd te dragen, als een teeken hunner liefde tot haren dienst, dan zou ik zelfs niet twijfelen of zulk eene vereeniging moest zeer aangenaam zijn aan de Koningin des hemels en een krachtig middel wezen om mij hare liefde en genade te verkrijgen. Zoo Maria, in

-ocr page 179-

179

navolging van den hemelschen Vader, die zijne zon beveelt den oogst des zondaars te rijpen, zoowel als dien des rechtvaardigen, goed doet aan hen, die haar vergeten en beleedigen, met hoe veel meer teederheid zullen hare blikken van barmhartigheid rusten op hen, die Haar kiezen tot hunne moeder, en steeds trachten Haar bewijzen hunner liefde te geven. Ziedaar het eerste doel der broederschap van het Scapulier. Boven de andere wijzen om de Allerheiligste Maagd te eeren, Jbezit zij twee voorrechten, welker overweging belangwekkend is: het openbare en het voortdurende der eerbewijzing, daardoor aan Maria gebracht.

1. Openbare hulde. Als ik mij aan de Moeder Gods kom toewijden, plechtig aan den voet des altaars het teeken mijner toegenegenheid kom aannemen, om dit te dragen al de dagen mijns levens, dan stel ik mij niet tevreden met haar te beminnen, iu het geheim mijns harten, ik belijd dit openbaar. Moge de geest der godsvrucht ook inwendig zjjn, zoo is het niet te min waar, dat men geene groote genegenheid koestert, als men vreest ze te doen blijken; en zal de Zaligmaker zich schamen voor zijnen vader over den laffen christen, die zich voor de menschen over Hem schaamt, dan ook zal Maria een groot verschil maken tusschen den vreesachtigen dienaar, die vreest bemerkt te worden, terwijl hij Haar zijne hulde brengt, en het edelmoedig kind dat zich onder hare vaan scharende, door zijn gedrag toont, dat het zijne eer stelt in haar kleed te dragen. Haar te vereeren als zijne vorstin, Haar te beminnen als zijne moeder.

-ocr page 180-

180

2. Voortdurende Imlde. Onze andere oefeningen 1 Ben ik van godsvrucht jegens de Koningin der Engeleuldan in worden door plaats en tijd beperkt. De godsvrucht 1 heid w van het Scapulier is die van alle plaatsen en alle 1 te hoo oogenblikken. Dank aan mijn Scapulier, kan Maria, I aanger waar ik ook zij en wat ik ook doe, mij nooit zien I mond zonder terzelfder tijd het klaarblijkelijk bewijs te 1 bescbe zien van mijne gehechtheid aan haren dienst. Overal I hieron vereer en bid ik Haar; de tijd zelf van mijnen slaap I waaro wordt aan die hulde niet ontroofd. Overal en altijd I of ve spreekt mijn Scapulier haar voor mij, beveelt mij I het o aan hare teederheid, zegt Haar, dat ik Haar bemin I maal en mijne belangen aan hare moederlijke zorg aanbeveel. I heeft II Punt. De uitmuntendheid der godsvrucht van I lottig het Scapulier, heschomod in de daaraan gehechte voor- I. 2. deelen. Maria belooft my door mijne opname in I kleed haar genootschap drie onwaardeerbare gunsten; zij I vuur zal mij beschermen in het gevaar; zij zal mij helpen I aang om wel te sterven; zij zal mij spoedig en kracht- I Terr dadig helpen na mijnen dood. Zij zelve wil deze 1 ik i verbintenissen met mij aangaan. I dinc

1. Zij verbindt zich mij te helpen in de gevaren; I zal die welke slechts mijne tijdelijke belangen bedreigen, I mee vergeet ik hier, wijl zij niets zijn in vergelijking I zal van mijne eeuwige belangen, en hoe talrijk zijn die, I u d welke mij onder dit oogpunt bedreigen. Hoewel I All mijne roeping tot den religieuzen staat mij in eene I mij veilige haven geplaatst heeft, ben ik daar toch niet I vei beschut tegen alle stormen! Hoe heiliger mijn staat I ge1 is, hoe meer waar geluk hij mij aanbiedt, hoe meer I oe hij de ijverzuchtige woede van Satan opwekt; doch 1 Ti wat behoef ik te vreezen als Maria mij beschermt? I tit

-ocr page 181-

181

Ben ik minder veilig in haren moederlijken schoot, dan in dien van Abraham? Welke troostende zekerheid wil zij zelve ons daarvan geven? Is het zoet te hooren, dat men Maria nooit te vergeefs heeft aangeroepen, hoeveel te meer is het zoet uit haren mond de verzekering te hooren, dat zy ons zal beschermen in onze gevaren, zelfs alvorens wy haar hierom gesmeekt hebben? Eens zal de dag komen waarop ik al de bekoringen zal kennen, welke zij of verminderd of verdreven heeft, met het oog op het onderpand mijner liefde voor haar; hoe menigmaal Zy mij na mijnen val in de zonde bewaard heeft voor eene ontmoediging, welke mij nog nood-lottiger worden kon, dan mijne zonde zelve?

2. Zij verbindt zich mij te helpen. Wie met dit kleed bedelft, sterft, zal bevrijd blijven van het eeuwig vuur. Als Maria ten onzen opzichte eene verbintenis aangaat, welke ons verbaast; omdat zij onze hoop verre overtreft, schijnt zij ons te zeggen: »Zoolang ik u met dit kleed bedekt zie, dat het onderschei-cliugsteeken uitmaakt mijner welbeminde kinderen, zal dit bewijs uwer toegenegenheid mij voor u eene meer waakzame en teedere liefde inboezemen. Ik zal u zoo overvloedige genaden verkrijgen, dat zij u de beoefening der deugd gemakkelijk zullen maken. Alles wat de H. Kerk voor u vraagt, als zij u in mijne broederschap ontvangt, zal u door mijn gebed verkregen worden: de tijd om wel te leven, de gelegenheid en de middelen om goede werken te oefenen, de volharding in de rechtvaardigheid.quot; Tempus bene vivendi, Locus bene agendi, Constan-tiam bene perseverandi. Mocht gij het ongeluk hebben

-ocr page 182-

182

bij mijnen Zoon in ongenade te vallen, door de zonde, dan nog zal ik u niet verlaten, zoolang ik u bedekt zie met het teeken van ons verbond. Ik 1 zal in de goddelijke schatten voor u zulk eene krachtige genade putten, dat zij uw hart zal vermorzelen en u zal veranderen, zoo gij slechts niet hardnekkig weerstaat aan al de pogingen mijner teederheid, mij niet verplicht u uit mijn gezin te verwerpen en u van mijne livrei te ontdoen, zal mijne goedheid tot u zoo ver gaan, dat gij door de H. Sacramenten of door eene akte van volmaakt berouw gezuiverd, met dit heilig kleed stervende, niet onder de slagen mijner onverbiddelijke gerechtigheid zult vallen.

3. Eindelijk verbindt Maria zich, mij in het vagevuur te helpen en het voor mij te verkorten. Volgens hare belofte zal zij de religieuzen en de broeders van den berg Karmel bezoeken in het treurig verblijf, waar zij hunne fouten moeten uitboeten; hoe kan zulk een bezoek anders dan hun verkwikking, licht en troost verschaffen ? Daarbij verklaart zij zelve: » Zoo er medeleden der Broederschap gevonden worden, die om hunne fouten naar het vagevuur gaan, zal ik, als eene teedere moeder, \'s Zaterdags na hun dood in hun midden nederdalen. Ik zal al degenen, die ik daarin vind, verlossen, en ze geleiden op den heiligen berg van het eeuwig leven.quot;

III Punt. Beoefening der godsvrucht van het Scapulier. Deze is zeer gemakkelijk, voor zooveel men zich aan het uitwendige alleen houdt, doch is zij dan wel waar en geruststellend?

Ik moet trachten door te dringen tot den geest.

-ocr page 183-

183

niet slechts nauwkeurig alles vervullen wat voorgeschreven is, hetzij om lid der Broederschap te wezen, hetzij om derzelver voorrechten te genieten; doch ik moet de stomme lessen van dit heilig kleed wel nakomen.

Het is het kleed der onbevlekte Maagd, en predikt mij de onschuld en het vluchten der zonde. Het is het zegel van het verbond, dat ik met Haar heb aangegaan en het onderscheidingsteeken van al degenen, die Haar tot Moeder kiezen, het vermaant mij, mijn handel en wandel te regelen, op mijne daden te waken, mijne meening te zuiveren, niets te verzuimen wat mede kan werken tot mijne heiliging en de stichting van mijn evennaaste; want hieraan erkent Maria hare kinderen en ziet zij in hen haar evenbeeld. Het is een teeken van zaligheid en voorbeschikking. Ik moet dus mij bekleedende met het Scapulier, mij tevens bekleeden met liefde, met zachtmoedigheid, met verachting van mij-zelven, met zedigheid, met rechtvaardigheid, in één woord met alles wat de heiligen en uitverkoornen Gods vormt.

Allerheiligste Maagd, ik bloos bjj het herdenken uwer goedheid voor mij, en mijne ondankbaarheid ten uwen opzichte. Welk treffend verwijt doet mij die kostbare gift, welke mij het intreden in uwe Karmelus-vereeniging geopend heeft. Ach ! hoe vaak heb ik dat kleed onteerd; doch hoe onwaardig ik ook zij uw kind te zijn, toon U toch mijne moeder. Moge uw heilig kleed steeds mijn schild en sieraad zijn. Moge ik daarmede bekleed sterven; moge het thans voor mij een kleed van gerechtigheid zijn en later veranderen in een kleed van glorie en zalige onsterfelijkheid.

lil

i i*\' t : \' llP1

I ifii

Mti

i|||

li

:: ilM f

lil

:li

.:

-ocr page 184-

184

49ste OVERWEGINO.

19 Juli.

de H. vincentitis a Paulo. Pater er am pauperum,

I. Zijne liefde voor de armen in het algemeen.

11. Zijne liefde voor de zaligheid der armen in 1 het bijzonder.

I PüNT. Liefde van den H. Vincentius voor de armen. Van zijne eerste kinderjaren af ontdeed hij zich van zijne kleederen om de behoeftigen te kleeden, beroofde hij zich van zijn voedsel om de hongerigen te spijzen. Een aantal vereenigingen door hem gevormd en bestuurd, een nog grooter aantal door hem gestichte gasthuizen, eene voortdurende hulp verschaft aan geheele landstreken, door oorlog, pest en hongersnood verwoest, zoo vele aanzienlijke sommen uitgedeeld aan de slaven van Barbarije en aan de Christenen van den berg Libanon, al zijne ondernemingen, geheel zijn leven getuigen zijne liefde tot de armen. Voor hen stelde hij de ver-eeniging in der Zusters van liefde, welke zich tot eer rekenen de dienstmaagden der armen te zijn; voor hen begiftigde hij de Kerk met eene nieuwe Congregatie van priesters, »Wij zijn de priesters der armen,quot; zegde hij tot zijne inissionnarissen, »voor hen heeft God ons gekozen; dit is ons hoofddoel, het overige is bijzaak.quot; Het zien der armen, hun naam alleen, maakte op hem een indruk, dien hij niet kon verbergen; zijne stem verteederde zich bij

-ocr page 185-

185

[liet uitspreken der woorden: dJezus, vader der \\armen, ontferm U onzer.quot; Hij leed reeds bij het voorzien van hun lijden. Bij gelegenheid van een [strengen winter, zegde hij tot een zijner huisgenooten; »Wat moeten de armen doen ? Waar moeten zij gaan ? [Ik beken, dat mij dit drukt en bedroeft....quot; Die ; arme lieden zeggen, dat zij zullen kunnen bestaan I zoolang zij vruchten hebben, doch dat hun daarna | uiets anders overblijft, dau hun graf te delven en i zich levend te begraven. O mijn God, welk eene overmaat van ellende! en waar zijn de middelen om er in te voorzien!

In zijne vermaningen aan zijne gemeente, kwam hij vaak op de zaak der armen terug. »God bemint lien en bijgevolg bemint Hij degenen, die hen beminnen ; want indien men iemand lief heeft, bemint men ook zijne vrienden.... Welaan dan, mijne Broeders, wijden wy ons met vurigheid aan den dienst der armen toe; zij zijn de lievelingen des Heeren; wij mogen dan vertrouwen, dat Hij uit liefde tot hen, ons lief zal hebben.... Al degenen, die in hun leven de armen bemind zullen hebben, zullen in hun sterfuur niet vreezen; ik heb dit door ondervinding gezien, en hierom tracht ik deze les in te prenten aan die personen, welke ik door de vrees des doods gekweld zie.

Hoewel hij voor zijne leerlingen een oprecht vader was, scheen hij hen slechts om de armen lief te hebben, gelijk hij de armen slechts om God lief had. »Dat nooit op onsquot; zegde hij, »de klacht des Heeren valle door den mond van zijn profeet gedaan. »/amp; heb venoacht. dat iemand mijne droefheid deele

-ocr page 186-

186

en niemand heeft zich aangeboden.quot; Hg wilde dat allen zulk een medelijden voor de ongelukkigen koesterden, dat men hen slechts ziende, kon zeggen: »Ziedaar mannen van barmhartigheid.quot;

Ondervragen wij ons hart en onze werken. Hebben wij de armen lief? Zijn wij gevoelig voor hun lijden? Treden wg in hunne smarten om hen te troosten en te verlichten, zooveel het in ons vermogen is? Vergeten wij nooit dit schoone woord: »God bemint de armen, en bijgevolg degenen, die hen liefhebben.quot;

II Punt. IJver van den H. Vincentius a Paulo voor de zaligheid der armen. In zijne zoo verlichte liefde, vreesde hij voor hen andere rampen, begeerde hij voor hen andere goederen, dan die met het leven voorbijgaan. Om hun trooster en weldoener op uitgestrekt gebied te zijn , wilde hij hun apostel wezen. Drie beweegredenen zetten hem hiertoe aan: de groote behoefte, welke zij hebben aan geestelijke hulp; de verheven rang, dien zij in de Kerk bekleeden; de overvloedige vruchten van zaligheid, welke men onder hen inoogst.

1. De H. Vincentius had opgemerkt in welke onwetendheid der waarheden van den godsdienst en bijgevolg in welk- zedebederf de behoeftige klassen der steden en dorpen kwijnden. Hij wist, dat zelfs in de toen schaarsche toevluchtsoorden, welke voor de armen open stonden, weinig zorg werd gedragen voor de lichamelijke- en nog minder voor de geeste-lyke ellende; hij had met eigen oog den betreurens-waardigen toestand der galeislaven onder dit dubbel oogpunt beschouwd; meer was niet noodig om zijn ijver te ontvlammen.

-ocr page 187-

187

Hij roept brave priesters samen, hij ontsteekt in j hen de liefde tot Jezus-Christus, en zendt hen ter [ hulp aan zoovele zielen, die in het verderf loopen.

lij verzamelt maagden, die hij toewijdt aan de ! heiliging der armen; terwijl zij zich met hunne lichamelijke behoeften bezighouden, moeten zij door heilige voorbeelden, zachte vermaningen en wijzen raad, hen bereiden tot de genade der HH. Sacramenten. Hetzelfde doel stelt hij voor aan godvruchtige vrouwen, die hij in zijne gasthuizen en gevangenissen aan zijn apostelambt deel geeft. Overal slaagt men met het heerlijkst gevolg. In den tijd van één enkel jaar telde men in het gasthuis te Parijs alleen meer dan zevenhonderd zestig afzweringen en bekeeringen tot de Katholieke Kerk, waaruit het getal der andere bekeeringen zich laat afleiden.

2. Eene andere beweegreden bezielde en ondersteunde den fl. Vincentius in zijnen arbeid voor het heil der armen: hunne groote waardigheid in het oog des geloofs. »De Kerk,quot; zegt Bossuet, »was volgens haar eerste plan slechts voor de armen gebouwd ; zij zijn de ware burgers van die gelukzalige stad, door de H. Schriftuur de stad Gods genoemd.quot; Verklaart de Zaligmaker zelf niet, dat zij het voornaamste voorwerp uitmaken zijner zending tot de men-schen? Hij wenscht hun geluk en begint daarmede zijne bergrede, welke slechts vervloeking der rijken bevat. »Zalig zyn de armen van geest, want hunner is het rijk der hemelen.quot; Behoort de hemel, het eeuwig rijk Gods, hun, zoo behoort hun ook de Kerk, het rijk des Heeren in den tijd. Inderdaad treden zij die het eerste binnen. Hieruit volgt de groote eerbied.

-ocr page 188-

188

waarmede de groote Apostel hen bejegent. Hij laat geheel de Kerk bidden. Wat wil hij verkrijgen? Dat de armen van Jerusalem het offer, dat hij huu gaat opdragen, gelieven te aanvaarden. Hen beschouwt hij als de voornaamste leden van het lichaam van Jezus-Christus, als de gunstelingen van den goddelijken koning. Hieruit ontsproot de eerbied, welken de H. Vincentius hun toedroeg. Hij deed hen aan zijne tafel eten, hij wilde dat zij het eerst bediend zouden worden; »het zijn, zegt hij, onze heeren en meesters.quot;

3. Bij de armen eindelijk, wordt de ijver met minder gevaar van de eene, met beter gevolg van de andere zijde uitgeoefend. Onze betrekkingen met de rijken kunnen ons de liefde tot de wereld inboezemen ; zij vleien onze kwade driften. Aan welke bekoringen van ijdele glorie, van al te rnenschelijke toegevendheid stellen zij ons niet bloot? Met de armen hebben wij voortdurend gelegenheid de nederigheid, het geduld, de versterving te oefenen. In den geestelijken bijstand, dien wij hun bieden, mogen wij overvloediger vruchten hopen. Wij weten wat het den rijken kost, zich aan de zedeleer des Evangelies te onderwerpen. De Zaligmaker zelf schijnt er voor te vreezen. Hoe moeielijk is het, dat zij, die op het geld betrouwen, in het Rijk Gods ingaan! (1) De armen daarentegen schijnen er toe bereid door hunnen staat zeiven. Hoe gewillig de eenen, hoe weerspannig vaak de anderen! Smeeken wij den Heer, ons den geest mede te deelen van

(1) Marcus 10, 2i,

-ocr page 189-

189

een heilige, die zich zoo edelmoedig opofferde en zoo krachtdadig werkte aau de tijdelijke verlichting en het eeuwig gelnk der armen.

50ste OVERWEGING.

31 Juli,

de h. ignatius van loyola.

I. Hij zocht in alles de eer van God.

II. Hij zocht niets dan de eer van God.

III. Hij zocht slechts de hoogste eer van God.

I Punt. De H. Ignatius zoekt in alles de eer van God. Een oud schrijver verdeelde de menschen in vier klassen: mannen des hemels, mannen der aarde, mannen der menschen en mannen Gods. De eersten zoeken de hemelsche goederen, de tweeden jagen de schijngoederen dezer aarde na, de mannen der menschen zijn de slaven van het menschelijk opzicht, — de mannen Gods zoeken slechts Hem te beminnen en te doen beminnen. De H. Ignatius onderscheidde zich onder de eersten en de laatsten. Altijd was zijn hart en vaak zijn oog tot den hemel gekeerd en dikwijls zegde hij al zuchtende. Hoe verachtelijk schijnt mij de aarde, als ik den hemel aanschouw! Hoe zeer hij aan God gehecht was, zien wij in het proces zijner heiligverklaring; waarin wij lezen, »dat hij tot de eer van God als tot zijn laatste einde, al zijne gedachten, woorden en werken dienstig

-ocr page 190-

190

maaktequot; in alles beoogende Hem te vereeren, Hij|naar P\' verschafte Hem de uitmuntendste glorie in derzelverlchristu natuur, de algemeenste in derzelver uitgestrektheid. 1 te ^er( 1. Men verheerlijkt God door Hem te kennen 1 keerd, en te beminnen, men verheerlykt God op uitmun-l hetn n tender wijze door zijne kennis en zijne liefde tel werkei verspreiden. Dit deed de H. Ignatius. Zijne eerste 1 ontucl zorg was, God te verheerlijken door zijoe eigene! Noch heiliging. Hij doorliep alle graden, door welke de I lijke 1 ziel zich tot de hoogste heiligheid verheft en begon I dertig door de boetvaardigheid. Van zijne kleederen be-1 neme roofd, met een zak bekleed, met een koord omgord, I weerl met een hart door droefheid vermorzeld en door I munt liefde ontstoken, brengt hij een vollen nacht door, I zicli-voor het altaar van Maria biddende, zich opdragende 1 Hem aan den Zoon door de Moeder. Van dit oogenblik 1 strel af beschouwde hij zich slechts als een mensch aan I 2. de wereld gekruist, en wien de wereld gekruist was. I toej De grot van Manreza, de hospitalen, de openbare I het pleinen waren de getuigen van de godvruchtige wreed- I god heid, waarmede hij zijn lichaam behandelde, de I her vernederingen, waartoe hij het veroordeelde. O hoe I om edelmoedig herstelde hij de oneer, welke hij den I tijd Zaligmaker gedurende zijn wereldsch leven aangedaan I voi had! Welke zelfverloochening, welke nederigheid, I an welk geduld, welke liefde voor God en zijne broeders! I ov Welk eene vurige begeerte om mede te werken aan I hi de zaligheid der zielen! Zoodra hij den weg der I bi zaligheid was ingetreden, zocht hij ook anderen dien I te te doen bewandelen. I h

Met heldhaftigen moed betrad hij van bet eerste I _ oogenblik af zijne apostolische loopbaan. Moet hij

-ocr page 191-

191

I naar Palestina gaan om daar de belangen van Jezus-I Christus te midden der scheurmakers en ongeloovigen te verdedigen ? Oordeelt hij, in Europa teruggekeerd, dat de kennis der menschelijke wetenschappen I hem noodig is ons nuttiger aan \'s Heeren glorie te werken? Hoopt hij door eene heldhaftige daad, het ontuchtig verkeer van een losbandige af te breken? Noch de afstand, noch de schijnbaar onoverkomelijke hinderpalen, noch de schande van op drie en dertig jarigen leeftijd, op de schoolbanken plaats te nemen, noch de bevroren vijvers kunnen zijn ijver weerhouden. Aldus vereerde hij God op de uit-muntendste wijze, daar hij Hem vereerde èn door zich-zelven èn door zijnen evennaasten. Hij bewees Hem tevens de algemeenste glorie in hare uitgestrektheid.

2. Op hem mag men dit woord van een profeet toepassen: hij stond stil en mat de aarde. (1) Bij het zien van den rampzaligen toestand van den godsdienst in alle werelddeelen, onderneemt hij het herstel van al het kwaad, dat hij overziet. Zijn ijver omvat eiken leeftijd, eiken stand, elk volk, alle tijden.... want ziedaar het ruime veld, dat hij opent voor hei gezelschap, dat hij gaat stichten. God beantwoordt de maat van zijn vertrouwen door den overvloed van zijne genaden; vóór zijnen dood zag hij zijne kinderen doordringen tot in het hart van bijna alle natiën om er den naam van Jezus-Christus te doen kennen en het vuur zijner liefde in aller harten te ontsteken. Wordt de H. Gregorius apostel

(1) Habad. 3, G.

-ocr page 192-

192

van Engeland genoemd, omdat hij daar het ■woordItegenw Gods deed verkondigen, dan verdient Ignatius den-1 was: 1 zelfden naam ten opzichte der uitgestrekte land-l V. Doi streken van het Oosten, waarheen hij een Xaverius 1 looze 1 zond, wiens voetspoor zoo vele evangelische arbeiders I gesteld bewandeld hebben en nog bewandelen. 1 aarde

Wij bewonderen de edele toewijding j is dit genoeg? I doch Zijn wij minder dan de heilige priester, wiens leven 1 verscl wij overdenken, voor Gods glorie geschapen ? Is zij I kiez©1 niet ons doeleinde, gelijk het zijne? Wat hebben I ik \'/j0 wij tot dusverre gedaan of geleden om deze te be- I voord vorderen? Zijn wij mannen des hemels of der aarde, I nedei mannen van God of van de menschen? Wat zoeken I God, wij? Hebben wij waarlijk ijver voor de belangen I verse van God? Verheerlijken wij Hem zooveel wij kunnen I moei door ons zeiven, en door anderen. Ach! hoe vele I ^ tranen moeten wij storten, zoo wij verplicht zijn I val1 te erkennen, dat wij Hem onteerd hebben door ons I zeiven en door anderen! I ^ou

II Punt. De II. Ignatius zoekt niets dan de eer I zeo van God. De oprechte meening stelt zich God als I ^611 einde voor; de zuivere meening stelt zich niets anders I we dan God voor. De H. Ignatius mocht met zijn aan- I H® biddelijken Meester zeggen: Ik zoek mijne glorie niet. I ai1 Bestraald door het licht dat hij in de overweging put, verkrijgt hij weldra zulk eene volmaakte kennis I van zich-zelven, dat volgens zijne eigene bekentenis, I hi hij geene bekoring minder vreesde, dan die der eigen- I di liefde. Die man, zoo driftig, zoo kiesch op het punt I d van eer volgens de wereld, haakte nu naar verne- 1 v dering; Hij kon niet dulden, dat men hem eer bewees, 1 zelfs niet, dat men het gezelschap van Jezus in zijne I (

-ocr page 193-

193

woord j tegenwoordigheid prees. Eene zijner verzuchtingen s den-1 was: Heer, wat wil ik, of wat ham ik willen buiten Jand-I ü. Doch niets kenteekent zoo duidelgk zgne belange-veriusI looze liefde dan dit woord: »Ja, werd mij de keus eiders I gesteld dadelijk den hemel te bezitten of nog op I aarde te blijven in onzekerheid mijner zaligheid, loeg? I doch verzekerd God nog eenige glorie te kunnen leven I verschaffen, dan zou ik zonder aarzelen het laatste Is zij I kiezen.quot; En hij voegde er bij: »Het verlies, dat hben I ik zoodoende zou lijden, zou zoo ver beneden mijn be- I voordeel zijn, als al de belangen der menschen be-irde, I neden de belangen Gods staan.quot; Hij zag niets dan Jkeii I God, had geen gevoel dan voor God. De hel zelve gen I verschrikte hem slechts, omdat hij daar God zou nen I moeten hooren lasteren.

rele I Hoe weinig zielen leven in zulk eene onthechting sijii I van de schepselen, voor hoe weinig ligt er volkomen )ns I waarheid in dezen liefdekreet van den godvrucntigen.

| Boudon: »God alleen. God alleen!quot; Zou ik durven ?er I zeggen, dat God mij alleen voldoet, dat ik tevreden lis I ben, Hem alleen tot getuige te hebben van mijne rs I werken en meeniugen, dat ik Hem alleen zoek, i- I Hem alleen bemin, voor Hem alleen werk, geene t. I andere begeerte koester dan Hem eer te verschaffen? g i Hl Pont. De II. Ignatius zoekt in alles de hoogste s I eer van God. Dit was zyne leus. Men vindt die bijna op elke bladzijde zijner constitutiën. Hij had die steeds op de lippen, en geheel zijn leven droeg daarvan de stempel. Hadde hij zich slechts de eer van God, zelfs zijne zeer groote eer voorgesteld, dan zou hij grenzen aan zijn ijver gesteld hebben, daar het hem dan mogelijk geweest ware iets meer ch. iv. 13

-ocr page 194-

194

voor God te begeeren en te bewerken; doch door in alles niets anders te zoeken dan Gods hoogste glorie, beeft bij zijne liefde tot in bet oneindige uitgestrekt.

Een zeker bewijs, dat men slechts voor God eu voor zijne hoogste glorie leeft, vindt men in de kalmte, in den vrede, welke men behoudt te midden der verschillende lotgevallen, die anderen ontstellen. De H. Ignatius was zoodanig met God vereenigd, zoo zeer gevestigd, als bet ware, in de onveranderlijkheid van God, dat de onverwachtste gebeurtenissen, de treurigste wederwaardigheden de rust zijner ziel niet konden storen. De H. Philippus Nerius zegde van hem; »Ziedaar een man met een bemelsch gelaat.quot; Hij beminde zijn Gezelschap, dat hij voortdurend aan de uitbreiding van bet rijk Gods zag werken, met de grootste teederbeid; geene zwaardere beproeving kon hij zich voorstellen dan dit te zien vernietigen, nochtans verzekerde hij, dat, zoo de hoogste glorie van\' God dit offer vraagde, hij dit van ganscher harte zou brengen, en dat een kwartier uurs meditatie hem den hierdoor veroorzaakten schok zou doen vergeten. Smeeken wij den Heer, ons eenige stralen zijiier glorie te ontdekken; wij zullen ons voor haar opofferen, naarmate wij haar beter zullen kennen. Dan zullen wij haar zoeken, haar alleen zoeken, en evenals God alles doet tot ons grootste welzijn, zullen wij alles doen en lijden tot de hoogste glorie van God.

-ocr page 195-

195

51ste OVERWEGING.

6 Augustus.

de gedaanteverandering onzes heeren. beschouwing.

I. De personen beschouwen.

II. De woorden aanhooren.

III. De handelingen overwegen.

1. Zes dagen nadat onze Heer de glorie zijner laatste komst voorspeld had, neemt Jezus met zich Petrus en Jacobus en diens broeder Joannes, en geleidt hen op een hoogen berg afzonderlijk. En hij we7,d voor hen van gedaante veranderd. En zie, tivee mannen kwamen en onderhielden zich \'met Hem, Mozes en Elias. Petrus zegde tot Jezus: Heer! ivij zijn hier goed! laat ons hier, als gij wilt, drie tenten maken, ééne voor U, eéne voor Mozes en ééne voor Elias... Terwijl hij nog sprak, zie, zoo overschaduwde hen eene lichte wolk, en zie, eent stem uit de wolk zeide: Deze is mijn welbeminde Zoon, in wien ik mijn welbehagen gesteld heb; hoort naar Hem. (I)

2. Stellen wij ons een hoogen berg voor, waarop Jezus met zijne drie leerlingen aankomt.

3. O Heer, heb medelijden met mijne onwetendheid, verdrijf de duisternis van mijn verstand; als ik U zal kennen, zal ik U meer beminnen; ik zal ü van Thabor tot Golgotha volgen en niets zal mij van uwe liefde scheiden.

I Punt. De personen beschouwen. Jezus-Christus, die de gelegenheid zoekt om het geloof zijner apos-

(!) Matth. 17, 1

-ocr page 196-

196

telen te bevestigen en al zijne leerlingen te vormen, tot krachtige en edelmoedige deugd. Daar staat Hij op den berg; plotseling toont Hij zich met schitterend gelaat, met een kleed wit als sneeuw. Gelukkig, o Heer, gelukkig zijn de oogen, die uwe glorie mogen aanschouwen. Petrus, Jacobus en Joannes zijn de eenigen, die verkozen zijn als getuigen uwer gedaanteverandering. De buitengewone gunsten ziju slechts het deel van eenige bevoorrechte zielen. Wenschen wij die drie Apostelen geluk en vragen wij door hunne voorspraak de genade, in het geheim der grootheid van den Zoon Gods te mogen doordringen. Zij, die Hem eens moesten zien in de vernedering van zijnen doodstrijd, moesten Hem eerst een oogenblik beschouwd hebben in zijn glorierijken staat. Groote genaden zijn de voorboden van groote beproevingen. Mozes en Elias onderhouden zich met Jezus over hetgeen Hij te Jeruzalem zal moeten lijden. Mozes, dat is de zachtmoedigheid en het geduld; Elias, de-werkzame en vurige liefde. Het is in twee woorden de minst dubbelzinnige heiligheid, de v/unaaktste ijver. De overweging van Jezus lijden is do bron, waarin beide te putten zyn.

II en III Punt. \\ De woorden aanhooren en de handelingen overwegen. Waarvan spreekt men op dien berg, die geheel vervuld is met den luister van den Zoon Gods? Van den wreeden en schandelijken dood, waardoor Hij den wil zijns Vaders tot zaligheid der menschen , de figuren der wet en de god-spraken der profeten, moet volbrengen. O Jezus, was dit het onderhoud, dat U in die oogenblikken kon behagen, toen Gjj U met zooveel luister open-

-ocr page 197-

197

baardet? Ja, spreken over uwen dood, is spreken over uwe liefde tot den menscli; en maar al te zelden maakt zij het onderwerp van mijne gesprekken met U uit. Waarom ben ik zelfs aan den voet des altaars, gedurende het bijwonen van het heilig offer, dat mij uwen dood zoo levendig herinnert, zoo weinig daarmede bezig? O lijden van mijnen God, o dood, o overmaat van liefde, zult gij dan nooit anders betaald worden , dan door eene overmaat van ondankbaarheid ?

Op Thabor aangekomen, begint Jezus te bidden, en de Apostelen deden dit met Hem; doch weldra lieten zij, door de vermoeienis overwonnen, zich door den slaap overmeesteren, zoodat zij het begin der gedaanteverandering niet bemerkten en een groot deel van dit heerlijk schouwspel verloren. Hoevele genaden, hoeveel licht, helaas! doet de slaap dei-lauwheid ons verliezen! Zij ontwaken en aanschouwen de majesteit van hun goddelijken Meester. »Heere! wij zijn hier goed, laat ons hier drie tenten maken !...quot; Petrus wist niet wat hij zegde. De aarde is niet de plaats van rust en genot; en zoo God ons eenigen voorbijvliegenden troost toestaat, zoo is dit slechts om ons op te wekken tot lijden en werken. Hoe menig christen zou willen blijven in een toestand, die strookt met zijne natuur! Hij vergeet wat hij aan den godsdienst, aan zijne broeders verschuldigd is. Welk een verlies, welk een onheil voor de wereld ware het geweest, zoo de Apostelen altijd op Thabor gebleven waren !

Eensklaps daalt eene schitterende wolk op den berg neder, omringt Jezus en de Apostelen met een

-ocr page 198-

198

glansrijk licht, terwijl terzelfder tijd eene hemelsclie stem uit die wolk spreekt: »Deze is mijn welbeminde Zoon, in wien ik mijn welbehagen gesteld heb; hoort naar Hem.quot; Ziedaar dus den leermeester, dien God het menschelijk geslacht geeft, zijn welbeminden Zoon, Hij, dien de Heer belast ons te onderrichten. Was het noodig zijn onderwijs aan te bevelen aan de opmerkzaamheid van onzen geest, aan de leerzaamheid van ons hart?

De Apostelen, door schrik bevangen, vallen met het gelaat ter aarde, doch de Heer, hen naderende, raakt hen aan met goedheid, zeggende: Straat op en vreest niet. Door dit woord gerustgesteld, staan zij op en rondziende, zien zij niemand dan Jezus alleen. Alles verandert als het ware in eene ziel, die vertrouwelijk met God mag verkeeren. Alle? neemt eene andere gedaante, een anderen vorm aan. Gelukkig hij, die, in het gebed verlicht, bij den fakkel der eeuwige waarheid, slecht Jezus ziet, slechts Jezus zoekt, niets anders begeerende dan zielen te winnen, dan Hem te behagen.

Gij kunt bij het sluiten dezer meditatie verscheidene samenspraken houden, u dan eens tot den Heer, dan weder tot de getuigen zijner glorie richten. Verheug u met Jezus over zijne glorie, huldig zijne majesteit; beloof Hem zijn woord te eerbiedigen, getrouw na te komen. Vraag aan Elias u zijnen ijver, aan Mozes u zijne zachtmoedigheid, aan de Apostelen u eene vermeerdering van geloof, hoop en liefde te verkrijgen, opdat gij Jezus van Thabor getrouw tot Golgotha moogt volgen. Neem ter zijner liefde de moeielijkheden aan, welke u voor heden

-ocr page 199-

199

beschoren zijn, en als het groote lijdensuur zal aanbreken, versterk dan uw moed door deze woorden van den H. Paulus: »Maar onze wandel is in den hemel; van waar wij ook als Zaligmaker verwachten, onzen Heere Jezus- Christus, die het lichaam onzer vernedering zal hervormen, zoodat het gelijkvormig is aan het lichaam zijner heerlijkheid.\'\'\'\' (1)

52ste OVERWEOINO.

15 Aug.

o. l. vrouw hemelvaart.

I. Maria is aan hare heiligheid de glorie van haren dood, hare opstanding en ten hemel opneming verschuldigd.

11. Maria is slechts boven alle heiligen in glorie verheven, omdat zij hen in heiligheid heeft overtroffen.

I Punt. Maria wordt slechts ten gevolge haver heiligheid verheerlijkt in haren dood, hare opstanding en ten hemel opneming. Om gekroond te worden, zegt de H. Paulus, moet men waardig gestreden hebben. Het meest bevoorrechte aller schepselen is van deze wet niet uitgezonderd geweest. Zij zegeviert slechts, omdat zij gestreden heeft; zij wordt slechts verheerlijkt, omdat zij het verdiend heeft; haar geluk is de vrucht barer heiligheid, gelijk hare

(1) Phil. 3, 21.

-ocr page 200-

200

heiligheid, de vrucht harer werken is; passen wij op Maria, die sterke vrouw bij uitnemendheid, deze godspraak toe van den Wijzen Man: Geef haar van de vrucht harer handen, en laat hare werken in het openbaar haar prijzen. (1) Wanneer zal ik het wel begrijpen, o mijn God, dat niet hetgeen Gij voor mij doet, mij recht geeft op uwe belooningen, doch alleen datgene wat ik voor ü doe? Is het de oube-vlekte Ontvangenis uwer Moeder, is het haar goddelijk moederschap, of de vereeniging van al hare voorrechten, die Gij heden bekroont? Neen, Heer, uwe groote genaden zijn voor ons groote verplichtingen en vreeselijke redenen tot veroordeeling, als wij er geen waardig gebruik van maken. Wat Gij bekroont in Maria is hare diepe vernedering in hare verheffiag, haar onverstoorbaar geduld te midden der smartelijkste beproevingen , hare godsvracht, hare naastenliefde, al hare deugden in één woord, welke zij in een verheven graad van volmaaktheid heeft beoefend.

De goede en getrouwe dienaar van het Evangelie zegt niet slechts tot zijn meester, dat hij vijf talenten van hem ontvangen heeft, hierin toch ligt geene verdiensten. Hij voegt er bij, dat hij er vijf andere bij gewonnen heeft. Geen anderen titel doet hy gelden om eene beloouing te verkrijgen, en ook zijn meester geeft geene andere reden hiertoe op, dan zijne getrouwheid. Eveneens is het gesteld met de allerheiligste Maagd; wat haar dood zoo zalig, hare ten hemel-opneming zoo luisterrijk maakt, zijn niet

(1) Prov. 31, 31.

-ocr page 201-

201

de bewonderenswaardige voorrechteu, welke zij alleen ran God ontving, het is hare heiligheid, welke Haar, van God, verkregen werd door hare beantwoording aan de genade en hare goede werken. De H. Au-gustinus verzekert dat, hadde zg het Woord Gods nog niet heiliger in hare ziel, dan in haren scboot ontvangen, het goddelijk moederschap, zelfs voor haar, een roemvolle, doch nuttelooze titel geweest ware.

Welke gevolgtrekking moeten wij hieruit maken? Beijvert u te meer, zegt de H. Petrus , om door goede werken uwe roeping en verkiezing zeker te maken. (1) Daar dit het goddelijk plan is, daar het teoderst beminde schepsel des hemels langs geen anderen weg dan door de heiligheid de heraelsche glorie bereiken kon, welke aan ons zoowel als aan Haar beloofd is, moeten wij ook met een altijd vuriger, altijd edelmoediger ijver werken aan onze heiligheid: mag is satagite. Wat ons moet troosten is, dat onze zekere voorbeschikking van ons alleen afhangt. Ut....

O O

certum vestram vocationern et electionern facialis; dat zij niet gehecht is aan buitengewone genade, doch aan de deugden van onzen staat, aan de goede werken, welke onze roeping ons als het ware elk oogenblik aanbiedt, per bona opera, want zoo onze wil goed is, zal dit voor ons in ons stervensuur eene onuitputbare bron van hoop en troost zijn.

II Pünt. Maria wordt in den hemel slechts verheerlijkt in glorie hoven alle heiligen, omdat zij allen in heiligheid overtroffen heeft. Indien God, volgens de wet zijner rechtvaardigheid, zelfs in zijne Moeder, slechts de heiligheid der werken beloont, is het ook

~ (1) U Pet. 1, 10.

-ocr page 202-

202

rechtvaardig, dat de belooning nauwkeurig geeven-redigd zij aan die heiligheid, en even als Hij, om die toe te stemmen, steunt op de verdiensten, zoo moet Hij die naar de uitgestrektheid en volmaaktheid dier verdiensten afmeten. Daar het nu waarheid is dat geene heiligheid, behalve die van God, ooit de heiligheid van Maria evenaarde, moeten wij met den H. Bernardus en de geheele H. Kerk gelooven, dat Maria in de glorie boven alle geschapen wezens uitblinkt. Geen enkel schepsel ontvang zoo vele, noch zulke groote genaden, en nimmer ontving zij er eene, die zij niet door eene volmaakte medewerking duizendvoudige vruchten deed voortbrengen. Eene volheid van glorie was slechts geëvenredigd aan eene volheid van heiligheid. Daarom roept ook dezelfde Kerkvader in zijne bewondering uit: Wie zal ooit het geslacht van Jezus en de ten hemel opvoering van Maria verhalen\'? Die onvergelijkelijke Maagd wordt gedragen tot het hoogste der hemelen, omdat zij op aarde de ootmoedigste was. Zij smaakt in den schoot Gods slechts het zaligst genot, omdat zij elk valsch genot der aarde veracht heeft. Evenals zij zaaide in tranen, maait zij nu in vreugde. Zoo zal het ook met ons gaan. Zooveel overwinningen ik zal behalen zooveel lauwerkronen zal ik verwerven. Zooveel vernederingen en beproevingen, zooveel hemelnchen luister en bekoorlijk genot. Vermenigvuldig ik voor God mijne verdiensten, dan zal Hij mij verrijken, niet slechts met de schatten zijner genade, maar ook met de gaven zijner glorie, welke Hij zal vermenigvuldigen , en met kwistige hand over mij zal uitstorten.

-ocr page 203-

203

Thans begrijp ik, o Maria, hoe gy als moeder | van God, drinken moest aan den stroom der bitterste [kwellingen; boe een teedere en almachtige Zoon U [zoolang in de droefheid kon laten en zelf medewerken in die beproevingen, welke van uw leven, gelijk I van het zijne, een voortdurend martelaarschap gemaakt hebben. De vertroosting van uwen dood moest de beproeving uws levens overvloedig vergoeden; uwe luistervolle hemelvaart moest al uwe vernederingen met woeker vergelden. Het was zijne liefde voor U, zijn verlangen om uwe zegepraal des te luisterrijker te maken, welke Hem ten uwen opzichte die schijnbare gestrengheid gebood, bij de bruiloft van Kana, in den tempel, ja tot aan den voet van het kruis... en ik durf mij beklagen, als Hij mij behandelt, gelijk Hij zijne moeder behandeld heeft! Getrouwe Maagd, trek mij op uw voetspoor op dien weg, welke tot zulk een gelukkig doel geleidt. Ja, ik wil mij vernederen, ik wil lijden, ik wil mij heiligen in ootmoed en geduld. Doch help mij, o mijne Vorstin, mijne Moeder, breng mij steeds deze gedachte te binnen, dat wat mij nu bedroeft, my in mijn stervensuur zal troosten, en dat de wederwaardigheden van den tijd mij de vreugde der eeuwigheid voorbereiden.

-ocr page 204-

204

53ste OVERWEGING,

20 Augustus.

de h. beunaedus.

lu Bernardus ziet men: eeue strenge boet-l vaardigheid gevoegd bij eeue volmaakte 1 onschuld.

Een zeer inwendig leven, hoewel hij steeds I met de wereld moest omgaan.

Eene diepe zelfverachting , ondanks de be-1 wondering, waarvan hij het voorwerp is.

leu Mai Lulverli Ibeguus\'

11.

III.

I Punt. De H. Bernardus voegde eene strenge 1 ioetvaardigheid bij eene volmaakte onschuld. Hij had bij zijne geboorte, die voortreffelijkheid van ziel en die rechtschapenheid van inborst ontvangen, welke als een voorteeken van godsvrucht zijn. Zijne ouders hadden hem met\' de grootste zorg tot de deugd sevormd, en hun voorbeeld was voor hem eene

o \'

aanhoudende les. Nochtans was niemand meer dan hij blootgesteld aan de afwijkingen der jeugd, wegens al die menschelijke voorrechten, welke de wereld zoo gevaarlijk maken; doch de Voorzienigheid waakte over zijn hart en hij gehoorzaamde edelmoedig aau de inspraken der genade. Eens liet hij uit onopmerkzaamheid zijn blik vallen op ean voorwerp, dat de schoonheid zijner ziel kon bezoedelen; oogen-blikkelijk wierp hij zich in een bevroren vijver, waarin hij lang bleef om zich te straffen over datgene wat hij eene onvergefelijke fout noemde. Jezus

-ocr page 205-

205

en Maria beloonden hem voor die liefde voor de zuiverheid, door hem met menigvuldige bezoeken te begunstigen, alsmede met eene bijzondere gave van gebed. Als jongeling reeds leefde hij in een bijna aanhoudend verkeer met God. Dusdanig was het leven, dat Beruardus in de wereld leidde; wat had tij dan te boeten door die strenge boetvaardigheid, welke hij omhelsde bij het verlaten der wereld en waarin hij tot zijnen dood volhardde? Meteen zwak lichaam en eene wankelende gezondheid waren er nochtans geene gestrengheden groot genoeg om zijne liefde tot de boetvaardigheid te voldoen. Door vasten uitgemergeld, door waken uitgeput, door ziekten overladen, laat hij zich door niets wederhouden; wat het lichaam verliest, wint de ziel. Een weinig

\' o

water, eenige moeskruiden of boombladeren, een zeer korten slaap, ziedaar alles wat hij aan de natuur toestaat, en die godvruchtige wreedheid voor zich zeiven draagt hij overal mede; hij leeft even boetvaardig in de paleizen der vorsten als in zijn eigen klooster.

Men begrijpt niet genoeg de beweegredenen dei-heiligen in het beoefenen der boetvaardigheid; hoe minder schuldig zij zijn, hoe meer zij het meenen te zijn; hoe zuiverder hun hart is, hoe meer zij tot zelfs in hunne volmaaktste handelingen nog vlekken

O O

bespeuren. Hun ijver voor Gods glorie doet hen gelooven, dat de minste beleedigingen zijner goddelijke majesteit aangedaan, de zwaarste straffen verdienen. Ontstelt het verleden hen niet, dan beven zij voor de toekomst; het schijnt hun wijzer de zonde te voorkomen, dan ze te moeten betreuren.

-ocr page 206-

204

53ste OVERWEGINQ.

20 Augustus.

DE H, BEllNAUDUS.

I. Iq Bernardns ziet men: eene strenge boet-j vaardigheid gevoegd bij eene volmaakte onschuld.

II. Een zeer inwendig leven, hoewel hij steeds met de wereld moest omgaan.

III. Eene diepe zelfverachting , ondanks de bewondering, waarvan hij het voorwerp is.

I Punt. De H. B er nar dus voegde eene strenge hoetvaardiglieid hij eene volmaakte onschuld. Hij had bij zijne geboorte, die voortreffelijkheid van ziel en die rechtschapenheid van inborst ontvangen, welke als een voorteeken van godsvrucht zijn. Zijne ouders hadden hem met ■ de grootste zorg tot de deugd gevormd, en hun voorbeeld was voor hem eene aanhoudende les. Nochtans was niemand meer dan hij blootgesteld aan de afwijkingen der jeugd, wegens al die menschelijke voorrechten, welke de wereld zoo gevaarlijk maken; doch de Voorzienigheid waakte over zijn hart en hij gehoorzaamde edelmoedig aan de inspraken der genade. Eens liet hij uit onopmerkzaamheid zijn blik vallen op een voorwerp, dat de schoonheid zijner ziel kon bezoedelen; oogen-blikkelijk wierp hij zich in een bevroren vijver, waarin hij lang bleef om zich te straffen over datgene wat hij eene onvergefelijke fout noemde. Jezus

jn Mar !Uiverh( jeguust (ebed. laanhou leven, jlilj dar | welke Iff aar in jlichaai noclit.

liefde

uitgei;

overh

wat 1

watei

korte

toesti

zelve

vaar\'

kloo

M

lieili min te i zelf: bes

-ocr page 207-

205

n Maria beloonden liem voor die liefde voor de uiverheid, door liem met menigvuldige bezoeken te egunstigen, alsmede met eene bijzondere gave van gebed. Als jongeling reeds leefde bij in een bijna aauboudend verkeer met God. Dusdanig was het leven, dat Bernardus in de wereld leidde; wat bad bij dan te boeten door die strenge boetvaardigheid, welke hij omhelsde bij bet verlaten der wereld en waarin hij tot zijnen dood volhardde? Met een zwak lichaam en eene wankelende gezondheid waren er nochtans geene gestrengheden groot genoeg om zijne liefde tot de boetvaardigheid te voldoen. Door vasten uitgemergeld, door waken uitgeput, door ziekten overladen, laat hy zich door niets wederhouden; wat het lichaam verliest, wint de ziel. Een weinis

\' O

water, eenige moeskruiden of boombladeren, een zeer korten slaap, ziedaar alles wat hij aan de natuur toestaat, en die godvruchtige wreedheid voor zich zelven draagt hij overal mede; hij leeft even boetvaardig in de paleizen der vorsten als in zijn eigen klooster.

Men begrijpt niet genoeg de beweegredenen der heiligen in het beoefenen der boetvaardigheid; hoe minder schuldig zij zijn, hoe meer zij het meenen te zijn; hoe zuiverder hun hart is, hoe meer zij tot zelfs in hunne volmaaktste handelingen nog vlekken

O O

bespeuren. Hun ijver voor Gods glorie doet hen gelooven, dat de minste beleedigingen zijner goddelijke majesteit aangedaan, de zwaarste straffen verdienen. Ontstelt het verleden hen niet, dan beven zij voor de toekomst; het schijnt hun wijzer de zonde te voorkomen, dan ze te moeten betreuren.

-ocr page 208-

206

Daarenboven beminnen zij Jezus te zeer, dan dal zij zonder lijden zouden willen leven, bij de gedachte aan al hetgeen de Godmensch voor hen geleden heeft; zij willen inet Hem gekruisigd zijn! Daarom vereert de Kerk diegenen, welke zij als heiligen vereert, ook als boetvaardigen; de geest Gods heeft geene verschillende wegen; maar ik helaas! ben verre van de navolging van zulke schoone voorbeelden verwijderd! Ben ik niet geroepen tot dergelijke boet-plegingen, zoo ben ik echter verplicht mij-zelven te verloochenen en mijn kruis te dragen.

II Punt. De H. Bernardus leidt een geheel into end ifj leven hoewel hij verplicht werd een uit zijnen aard geheel verstrooid leven te leiden. »Ik ben de hersenschim mijner eeuw,quot; riep hij uit: ^Kluizenaar zonder eenzaamheid, steeds bezig met wereldsclie zaken, na aan alles ter liefde tot God verzaakt te hebben.quot; Het is een feit, dat hij deel nam aan al de gebeurtenissen van zijnen tijd, beter nog: hij was er de ziel van. Zoo wij hem volgen in de steden, aan het hof, in de Conciliën, de Alpen herhaaldelijk overtrekkende, geheel Frankrijk doorkruisend, doordringend tot in het hart van Duitschland, dau zien wij hem belast met de neteligste onderhandelingen , de teederste vraagstukken, dan eens in kampstrijd met geloofverzakers, dan met ketters en ten allen tijde met de onhandelbaarste hartstochten. DocIj te midden van die uitwendige ontroering, blijft hij kalm, met God vereenigd in de vervulling van zijnen heiligen wil. Hij zucht, hij klaagt zoo vaak hij verplicht is zijn klooster te verlaten, en hij verlaat het zonder zijn innig verkeer met God te onderbreken.

-ocr page 209-

207

Kan hij zijne cel niet met zich nemen, zegt een zijner geschiedschrijvers, zoo neemt hij althans zijne ingekeerdheid en zijne inwendige eenzaamheid met zich. Gelijk de engel, die in zijne verschillende bedieningen steeds het aanschijn van God geniet, blijft Barnardus te midden der wereldsche beslommering steeds van de wereld gescheiden, zijn hart slechts openende voor God alleen. Hoe gelukkig is de ziel, o mijn God, welke aldus de werkzaamheid van Martha met het bespiegelend leven van Maria mag vereenigen; die zich uit noodzakelijkheid bezig houdt met de zaken van het uitwendig en uit neiging met de zaken van het inwendig leven!

Ill Punt. V erachting van Bernardus voor zich-zelven, te midden der algemeene heioondering. Wie werd ooit vereerd als hij ? De koningen zoeken hem op in zijne afzondering; drie pausen laten zich geleiden door zijnen raad en steunen als het ware op hem in het bestuur der Kerk, in de hachelijkste omstandigheden. Overal wordt hij beschouwd als een engel van den hemel gedaald, gehoord als eene godspraak. Het gezag van zijn woord en de eerbied, welken men hem toedraagt, beslissen alle vraagstukken. Zijne groote welsprekendheid en zijne wonderen voeren scharen volks op zijn voetspoor. Om hem slechts te zien, laat men alle andere zaken rusten. Te Spiers, te Constance en duizend andere plaatsen zijn de bisschoppen en de geestelijkheid verplicht hem met hun lichaam te dekken; te Frankfort draagt een keizer hem op zijne schouiers om hem aan het dringen der schaar te onttrekken. En nochtans te midden van zulke schitterende daden en zulk een

-ocr page 210-

208

zinsbedwelmend welslagen versterkt zich de nederigheid van Bernardus. Hij zoekt den glans, die hem omgeeft, te verduisteren. Verscheidene groote steden willen hem tot bisschop verkiezen, en hij smeekt den Paus zoolang, totdat hij van Z. H. eene breve verkrijgt, waardoor hij van elke kerkelijke waardigheid blijft uitgesloten. Als aller stem hem heilig verklaart, beschouwt en behandelt hij zich-zelven als zondaar. Men prijst hem en hij smeekt dat men zich ontferme over zijne ziel. »Gelooft toch mij, schrijft hij aan zijne vrienden, en niet hen die mij prijzen zonder mij te kennen, omdat zij slechts het uitwendige zien. Als ik van mij-zei ven spreek, zoo is dit niet bij gissing, want ik ondervind mijne eigen ellende en gevoel ze diep.quot; Hij verlangt zoo laag en verachtelijk te schijnen, dat zij, die zoo dwaas waren hem te achten, blozen een man geprezen te hebben, die slechts verachting verdiende. Welk eene les voor hen, die met zoo vele beweegredenen om zich te vernederen, zich-zelven bewonderen en tot eiken prijs bewonderd willen worden.

Bied heden tor voorbereiding tot de H. Communie aan God de gesteltenissen aan, waarmede de H. Bernardus het altaar beklom en herinner u wat hij zegt van dit hemelsch Brood als geneesmiddel der ziekten van de ziel: »Zoo iemand onder u niet zoo dikwijls en niet zoo hevig meer gekweld wordt door bewegingen van toorn, nijd, wulpschheid of eenigen anderen ongeregelden hartstocht, dat hij daarvoor dank brenge aan het Lichaam en Bloed van Jezus-Christus, want het is de kracht van het H. Sacrament, welke dit voortbrengt.quot;

-ocr page 211-

209

54ste OVERWEGING.

21 Augustus.

dk h. joanna, ïrancisca tan chantal.

I. Zij bewandelt moedig den weg der zelfopoffering. II. Zij leert de religieuze zielen dien weg bewandelen.

I Punt. De heilige Moeder de Chanted heiligt zich langs den weg der zelfopoffering. Zonder hier te gewagen van de overwinningen, welke zy in de wereld behaalde, om te ontsnappen aan hare gevaren, of zelfs van den beldhaftigen moed, waarmede zij hai\'en stervenden echtgenoot vermaande tot onderwerping, terwijl zij geen woord van klacht of verwijt deed hooren tegen den moordenaar, die onvrijwillig haar ongeluk veroorzaakt had; zelve hem troostende en een zijner kinderen ten doop houdende, — overwegen wij slechts het geweld, dat zij zich-zelve moest aandoen om liare roeping tot den religieuzen staat te volgen, en al deszelfs plichten te vervullen in dien graad van volmaaktheid, welken God van haar verwachtte.

Daar staat zij als acht en twintig jarige weduwe; te vergeefs dringt men haar nieuwe banden te sluiten; zij wil geen anderen bruidegom meer dan den on-sterfelijken Koning der eeuwen. Zij verbindt zich hiertoe door gelofte; en in eene liefdevervoering haars harten, drukt zij met een gloeiend ijzer den naam Jezus op haar hart, als het onuitwischbaar zegel harer nieuwe vereeniging; doch hoevele hinderpalen te overwinnen, hoevele ketenen te verbreken, ch, iv. 14

-ocr page 212-

210

alvorens zij het religieuze leven, het doel harer wenschen, kan intreden. Haar vader en schoonvader waren beiden hoogst bejaard; hoe kan zij hen verlaten? Kunnen hare jonge kinderen hare zorgen ontberen? Van den anderen kant heeft God gesproken door den mond van een wijzen en voorzichtigen zielbestierder en beeft tot haar, gelijk eertijds tot Abraham, gezegd: » Verlaat het land; dat gij bewoont; laat u niet weerhouden door de stem des bloeds, noch door het spreken der vriendschap, noch door de gebiedende stem der natuur. Maak u waardig om mijne inzichten omtrent u te vervullen; gij zult de moeder worden van een talrijk en heilig volk.quot; De sterke vrouw deinst voor geen offer terug; geeft niet toe aan eenigen afkeer; valt ook haar zoon op het oogenblik der scheiding op den drempel der deur, dan siddert zij, staat een oogenblik stil en stapt met schreiend oog over het lichaam baars zoons. Mijn God, welke zielskracht in een hart dat U bemint! Ja, ik vraag niet langer waarom het mijne nog zoo zwak is.

Moeder de Chantal is hare nieuwe loopbaan ingetreden; hoe zal zij die doorloopen?

Wel moest de H. Franciscus van Sales de standvastigheid van haren moed kennen om haar eenigen tijd na hare professie toe te staan met God de verbintenis aan te gaan van steeds te doen wat haar het volmaaktste zou toeschijnen; hierdoor verplichtte zij zich om te doen wat zij het best, het aangenaamst aan God zou oordeelen, en dat in al hare daden, op alle oogenblikken baars levens.

Doch vooral in het lijden moet men de heiligen beschouwen. God en de wereld beproeven hen; de

-ocr page 213-

211

wereld om hen te verderven, God om hen te kronen. In den tegenstand verheffen zij zich boven zich-zelven. Van het oogenblik af dat moeder de Chantal verzaakte aan alle schepselen, om zich aan God alleen te geven en zich in zijne handen stelde als het brandoffer in de hand des offeraars, was haar leven slechts eene aaneenschakeling van wederwaardigheden , eene voortdurende oefening van geduld. Ziekten, vervolging, laster, vroegtijdig verlies van bijna al hare familieleden, en van de eerste gezellinnen harer stichting; zij ging slechts over van het eene kruis tot het andere, toen zij eensklaps den dood van haren bewonderenswaardigen zielbestierder, Franciscus van Sales vernam; hij was hare vraagbaak, haar helper, haar troost.... Door die tijding werd zij geheel terneder geslagen, zonder op te houden onderworpen te zijn aan de beschikkingen der voorzienigheid. Alles ontbreekt haar van den kant der aarde en vaak schijnt haar ook alles van den kant des hemels te ontbreken.

Hoe vele tranen, hoe vele zuchten kost haar de heilige gestrengheid van haren hemelschen Bruidegom , die hare liefde meer en meer wil louteren. Twijfelingen omtrent de aanbiddelijkste geheimen, godslasteringen tegen de meest treffende goddelijke eigenschappen , schandelijke oordeelvellingen over den evennaaste strijden in hare verbeelding. Eene jeugdige zuster, die voor de eerste maal de bitterheid van het kruis smaakte, beklaagde zich over hare bekoringen. »En ik mijne dochter, antwoordde zij haar, ga sedert veertig jaren onder de bekoring gebukt, moet ik daarom den moed verliezen? Neen, al zou

-ocr page 214-

212

de Heer mij dooden, dan nog zou ik in Hem hopen.quot; Somtijds was zij ter prooi aan zulke hevige inwendige smarten, dat zij zich-zelve nauw herkende; zij durfde het oog noch ten hemel opslaan, noch het op zich-zelve richten. Hare ziel scheen haar door misdaden bezoedeld, zwart van ondankbaarheid, afschuwelijk te zien.... Aldus bracht God haar tot een soort van vernietiging. Hij deed haar in het diepste haars harten een doodstrijd ondergaan, die haar ongevoelig maakte voor de achting der schepselen, en haar in eene diepe ootmoedigheid hield.

II Punt. De heilige Chan tal geleidt hare dochters langs den weg der zelfopoffering. Zij geleidde anderen volgens de lessen van haren heiligen zielbestierder. Zij sprak dikwijls van een martelaarschap van liefde, dat God bestemt voor zijne uitverkoren zielen. Dan, zegde zij, lijdt men meer door het behoud des levens, uit onderwerping aan den goddelijken wil, dan men lijden zou, zoo men duizend levens geven mocht, als bewijs zijner getrouwheid. De heilige liefde doorboort het diepste onzer ziel met een zwaard en scheidt ons van ons-zelven. Dit martelaarschap duurt van het oogenblik, waarop men zich volkomen aan God geeft, tot het uur van onzen dood; doch dit moet alleen verstaan worden van edelmoedige harten, die zonder zich ooit te verloochenen der liefde getrouw blijven; want zwakke harten gewaardigt onze Heer zich niet deze marteling te doen ondergaan. Hij stelt zich tevreden hun hunnen gang te laten gaan, uit vreeze dat, zoo Hij ze te sterk aanvatte, zij hem zouden ontsnappen.

-ocr page 215-

213

pilll 11

In hare vermaningen en raadgevingen drukte zij steeds op deze les uit het boek der Navolging: »Gij zult voortgang maken, naarmate gij u geweld aandoet.quot; Eens schreef men haar om haar gevoelen te vragen omtrent eene religieuze , die tot hooge heiligheid scheen opgeklommen en buitengewone gunsten van den hemel ontving. Zij antwoordde: «Gij hebt mij de bladeren van den boom gezonden, zend mij uu ook eenige van deszelfs vruchten, opdat ik er over oordeele, want met do bladeren kan ik weinig doen. Alles wat ik nu zeggen kan is, dat de vruchten van een goed hart, door God met zijne genade besproeid en gevoed, een volkomen vergeten van zich-zelven en eene groote liefde tot vernedering is.quot;

O O

»Onze Heerquot;, zegt zij nog, »hecht den prijs zijner liefde en de eeuwige glorie aan de overwinningen, welke wij op ons-zelven behalen. Gij zult de Bruiden van Jezus-Ghristus slechts zijn, in zooverre als gij uwen wil, uw oordeel, uwe neigingen zult kruisigen om u aan Hem gelijkvormig te maken... Laat u dus beproeven, binden en vouwen door een volkomen overgeven van u-zelven in de handen dergenen, die u geleiden... Indien gij u-zelven uit goeder harte verloochent, zult gij eene onvergelijkelijke zoetheid smaken in den dienst Gods, gij zult uw genoegen vinden in het overwinnen der natuur, om het rijk der genade te vestigen... Weet dat men overwonnen moet hebben om het beloofde manna te smaken; het is niet voor de lafhartigen bestemd... Doch het geweld, dat men zich aandoet, moet zacht en bedaard en tevens kloekmoedig en aanhoudend zijn... O,

■ i \'l

I

ii

•M®!

. Si

ï:I:

,

\'i\'i

w ill!

•ijiir\'i

im

-ocr page 216-

214

mijne dochters, doodt stoutmoedig uwen vijand, door zijnen dood zult gij den vrede eu het leven uwer ziel verkrijgen.quot;

55ste OVERWEGING.

28 Augustus.

de h. atjgustinus.

I. De zegepraal der genade iu de bekeering van

Augustinus.

II. De zegepralen der Kerk, kostbare vruchten

dier bekeering.

I Punt. De zegepraal der genade in de beheering van Augustinus. De overwinning, welke de genade behaalde over dezen zondaar, die bestemd was de vader van zoo vele heiligen te worden, was des te glorierijker, naarmate zij van de ééne zijde moeie-lijker, van de andere zijde vollediger was.

1. Eene moeielijke overwinning. In Augustinus stond alles op tegen de genade, het hart en den geest; de hardnekkigheid der ketterij en de dwingelandij der hartstochten.

Als de dwaling zich meester gemaakt heeft van een verheven geest, die zich zijner meerderheid bewust is, dan moet de genade buitengewone kracht aanwenden om daarover te zegevieren. Gewoonlijk heeft hij geen anderen gids dan zijne nieuwsgierigheid, geen ander licht dan zijne verwaandheid. Het Manicheisme vleidde Augustinus\' hoogmoed, hij werd

-ocr page 217-

215

deszelfs ijverige aanhanger; en toen hij er weldra aan verzaakte, was dit slechts om van de êene secte tot de andere over te gaan volgens zijn luim en gril. Tot aan zijne bekeering behield hij de ijdelheid van een wijsgeer en de hardnekkigheid eens ketters. Hoevele hinderpalen vond zijn geest in de eenvoudigheid van het geloof, hoevele vooral vond zijn hart in de zuiverheid der evangelische zedeleer. Slaaf der eerzucht, der gierigheid, der wulpschheid werd hij door al deze hartstochten in hunne netten verstrikt gehouden en zij streden, zegt hij, onder elkander om den voorrang.

Met welk geduld moest de genade hem afwachten te midden van zijn gedurig uit- en afstellen. Welk eene kracht moest zij bezigen om zijnen weerstand te breken. De losbandigheid was hem eene dringende

o O

gewoonte, de gewoonte eene soort van noodzakelijkheid geworden. Dan eens bekoorde hem de schoonheid der deugd, dan weder drukte hem het gewicht zijner ketenen. Hij wilde en wilde niet, hij bad en vreesde verhoord te zullen worden. »Weldra, Heer, riep hij uit, nog een oogenblik en ik zal U toebehooren.quot; Doch die tijd kwam nooit, dit oogenblik bleef voortduren. Eindelijk breekt dit gelukkig tijdstip aan; de genade werpt hem, als een anderen Saulus, op den weg van Damascus neder en volgens de uitdrukking van den H. Zéno van Verona, verwoest dezelfde slag den ouden mensch in hem en schept den nieuwe.

2. Eene volledige overwinning. Te midden der ontsteltenis zijns harten hoort hij eene stem, die hem zegt: »Neem en lees.quot; Hij gehoorzaamt eu als

l;

11

w

1 btïl

, Èiléi mm\\

W\'

I\'

!|l:

I

II

II

HBH

-ocr page 218-

216

door tooverslag wordt zijn geest door liet helderst licht bestraald, dat in hem de eerste genaden doet ontluiken; levendig geloof, vaste hoop , gedachte aan de eeuwigheid, smaak der heilige schriften. Met zijne gedachten veranderen ook zijne genegenheden. Hij was overgeleverd aan de schandelijkste lusten; thans is hij kuisch en heeft slechts zuivere en verheven begeerten »In mijn hart,quot; zegt hij, »verhief zich een hevige storm, welke door een overvloedigen tranenstroom werd gevolgd. Daar de eenzaamheid zich beter voor mijne smart leende, ging ik mij onder een vijgenboom nederwerpen om uitte schreien. Ik keerde mij tot U, o mijn God, ik zegde U: Hoelang, o Heer, hoelang? Ach, gedenk mijne boosheden niet lang.quot; Hoe betreurt hij het verloden! Nooit zal hij zich-zelveu vergeven zoo lang een God beleedigd te hebben, wiens goedheid hem meer ver-teedert, dan deszelf\'s rechtvaardigheid hem bevreesd maakt.

Hij treedt in den\' ijver dier aanbiddelijke rechtvaardigheid, en denkt slechts zich-zelven te straffen. Een gestreng boetvaardig leven zal zijn zinnelijk leven, vrijwillige vernederingen zullen zijn hoogmoed uitboeten. Hij had de toejuiching der menscheu gezocht , nu wil hij slechts hunne verachting. Niet alleen veroordeelt hij zijne eigene werken, door alles wat hem minder juist ontsnapt is, terug te trekken, doch hij schrijft een werk, waarop hij als op een altaar, gelijk hij zelf zegt, het offer van zijnen naam aan God zal opdragen. Zag men ooit zulk een voorbeeld van nederigheid? Augustinus is in de onschuld zijns doopsels, en hij doet eene openbare

-ocr page 219-

217

belijdenis, waartoe men zelfs de openbare boetelingen niet verplichtte; hij doet die ten aanhoore van geheel de wereld, niet ia eene vluchtig voorbijgaande handeling , maar in een werk, dat bestaan zal, zoolang de wereld bestaat; overal en altijd zal men weten hoe groot de afdwaling van zijnen geest en de ongeregeldheid zijner zeden waren.

Zijne schuldige genegenheden worden niet minder edelmoedig hersteld. Het heilig vuur heeft dit vleeschelijk hart in een geheel hemelsch hart hervormd. Men leze zijne alleenspraken, zijne belijdenissen, zijne verklaringen der psalmen, men vindt daarin slechts gevoelens van bewondering, van erkentelijkheid , slechts uitboezemingen der vurigste liefde. »Het is niet te gelooven, roept hij uit, welk een liefdebrand plotseling mijn hart verteerde.quot; En elders zegt hij: »Gevloekt zij de tijd, waarop ik ü niet beminde o God, die mijn leve.n zyt.quot; Gij dacht dan aan mij, toen ik ü vergat! Na eindelijk is mijne ziel aan ü, thans is zij geheel verknocht, geheel toegewijd aan uwe liefde; zij ademt slechts voor U en smacht slechts naar U, hare eenige begeerte is TJ te zien.quot;

Verleen, o Heer op dezen dag door het gebed van dien doorluchtigen boetvaardige en het onze, wat de Kerk U dagelijks voor hare kinderen vraagt: Beheer ons, o God, ome Zaligmaker!

II Pdkt. Zegepralen der Kerk . heilrijke vruchten der hekeering van Augustinus. De H. Augustinus zegt ons in het tiende boek zijner Belijdenissen, dat, zoodra hij zich aan de genade had overgegeven, hij zich in de eenzaamheid wilde begeven, om tot het

1 m

-ocr page 220-

218

einde zijne levens zijne afdwalingen te beweeueiiLostbaar 1 doch dat God hem dit belette door hem te doei verlost, d kennen, dat Hg andere plannen ten zijnen opzichtlvele zonda had. Als eene der glorierijkste veroveringen deJniede dez« genade, moest hij ook eene harer bewonderenswaar-lopenbaar digste werktuigen worden. De liefde van Jezus-llijdenis 1 Christus dringt hem; hij gevoelt behoefte den Godltoe te v dien hij liefheeft, te doen kennen, na Hem zool christelyl wreedelijk beleedigd te hebben. Niet tevreden metl instelling voor zijn eigen volk het brood van het goddelijkl huldigen woord te breken, strekt zijn ijver, even als die vanI Bedar den H. Paulus, zich uit tot alle kerken der aarde.I tinus ei De genade deed door hem, wat zij in hem gedaan! heelt, had, zij onderwierp aller geest en won aller hart. I wat wy

Zoowel op zijne lippen als in zijne geschriften,! ons ba: zegeviert de Katholieke waarheid over de verblind-1 alles ti heid der heidenen, over de spitsvondigheden der I Wat ik wijsgeeren, over de hardnekkigheid der ketters. Hij I wat ii bestrijdt die allen met ongehoord gevolg. Hij is I die m de ziel der kerkvergaderingen, de stem en het orgaan I vergen der geheele Kerk, de meester der beroemdste leeraren; I heb il de H. Fulgentius, de H. Prosper, de H. Leo, de I dadeu H. Gregorius de Groote, de H. Bernardus, de H. The- I te ga mas, zij allen hebben zich beroemd zijne leerlingen I bemii te zgn. Het schijnt, dat God hem heeft opgewekt, I Sero om met de dwalingen zijner eeuw, tevens de dwa- I sero lingen aller toekomende eeuwen, te beschamen.

Terwijl hij de geesten doet buigen voor de ware I leer, onderwerpt hij de harten aan de goddelijke I wet. Slechts in den hemel zullen wij het getal leeren 1

kennen der bekeeringen, uitgewerkt alleen door het 1 __

lezen zijner Belijdenissen. O hoevele zielen heeft dit 1 (t)

-ocr page 221-

219

kostbaar boek voor wanhoop bewaard of er van verlost, door het vertrouwen, dat daarin ademt! Hoe vele zondaars, getroffen door de eenvoudigheid, waarmede deze waarlijk groote man zijne ongeregeldheden openbaar belijdt, hebben moed geschept om de belijdenis hunner zonden aan het geheim der Biecht toe te vertrouwen ? Hoevelen hebben zich tot de christelijke volmaaktheid verheven in die religieuze instellingen, welke hem als haar eersten iusteller huldigen ?

-ejien doei zich i dei ^aar-

ezus.|

God,

ZOO|

met

Bedanken wij God voor hetgeen Hij voor Augus-tinus en door hem voor de geheele Kerk gedaan heeft. Geven wij, gelijk hij, aan de genade terug, wat wij haar verschuldigd zijn door onzen geest en ons hart geheel aan haar te onderwerpen, en door alles te erkennen, wat zij voor ons gedaan heeft. Wat ik van ü heb. Heer, zijn onschatbare weldaden; wat in mij van my komt, zijn ondankbaarheden, die mij doen blozen en waarvoor ik ü steeds om vergeving wil bidden. Door mijne ondankbaarheid heb ik de hel verdiend en vrees die; door uwe weldaden behoort mij de hemel en hoop ik dien binnen te gaan. Wat ben ik niet vroeger begonnen U te beminnen, o altijd oude en altyd nieuwe schoonheid! Sero te arnavi, pulchritudo tam antiqua et tam nova, sero te arnavi. (1)

(1) Belijdenissen Boek 10, Hoofdstuk 27.

-ocr page 222-

220

56ste OVERWEGING.

14 Sept.

KEUISVEKHT5FFING.

I. Hoezeer het overdenken van het geheim des 1 kruises ons wordt aanbevolen, en hoe nuttig het voor ons is.

II. Hoe weinige, zelfs religieuze zielen, dit ge-

O \' O 7 O

heim begrijpen en smaken.

I Punt. Niets wordt ons dringender aanbevolen, niets is ojis nuttiger, dan het liefdevol overwegen van het geheim des kruises. De Zaligmaker bracht dikwijls het gesprek op dit onderwerp terug in ziju verkeer met zijne apostelen. Weinige dagen alvorens Hij zich aan zijne vijanden overgaf, nam hij de twaalf met zich en voorzegde hun ten laatsten male, dat Hij ter dood zou gebracht worden. »Zie, wij gaan op naar Jeruzalem en de Zoon des menschen zal overgeleverd worden aan de Opperpriesters en Schriftgeleerden.quot; (1) Bespotting, geeseling, kruisiging, wonderen van liefde en geduld van den kant van Jezus, wonderen van ondank en bedorvenheid van de zijde der mensclien, dit alles gaat volbracht worden. Het Consummatum zal voltrokken worden. Hij wil dat zijne leerlingen van dit geheim doordrongen worden, en Hij laat geene enkele gelegenheid voorbijgaan , zonder hun die begeerte te toonen. Te midden der hemelsche vreugde des Thabors, herinnert hij hun de smarten en de verguizing van Golgotha.

(1) Matth. 20, 18.

-ocr page 223-

221

Jezus-Christus, zegt Bossuet, liacl den menscheu jtwee zaken te geven, zijn kruis e#1 zBa troon, zijne [slavernij en zijne heerschappij, zijne gehoorzaamheid jtot den dood en zijne verheffing t0*1 de glorie. Zijne nog ruwe en vleescheljjke apos^611» wilden het kruis niet begrijpen en spraken Hem slechts van zijn Koninkrijk; en Hij, aan de geheimen van zijn Evangelie willende gewoon maken gt; zegt hun ge-woonlyk slechts één woord van zÜn rÜk ei1 komt telkens op het Kruis terug. Geeft l11111 zfl11 lichaam tot spijs, zijn Bloed tot drank, dan doet Hij hun opmerken, dat dit hetzelfde lichaam is, dat voor hen geleverd, hetzelfde Bloed, df1^ voor hen gestort zal worden; de Communie beslui i11 zie\'1 ^et denkbeeld van het Lijden. Deelt ïlö aai1 zijne bedienaars de macht mede op het altfiai\' dit geslachtofferd lichaam, dit vergoten bloed op te draoen i zoo geschiedt dit, opdat zij Hem en zijnen do^d herdenken. Zijne geheimzinnige opoffering zal de gedachtenis zijn van zijn bloedig offer: Doet dit ter mijner gedachtenis. Welke treffende woorden !• Doen zij ons eener-zijds de liefde van een stervenden God voor ons bewonderen, van eenen God, die\' 0118 aanbeveelt aan Hem te denken, doen zij dan oolf de hardvochtigheid van \'s menschen hart niet uit^omej;i gt; welke deze aanbeveling noodzakelijk en haa:r i helaas! maar al te dikwijls nutteloos maakt? Ht^ is door eene levendige voorstelling van dit geheim gt; dat de genade den beslissenden slag toebracht aai1 ^ hsirt van een Franciscus van Assisiën, een Boflaventura, een Fran-ciscus van Borgia, eene Gertri-\'dis, eene Theresia,

-ocr page 224-

222

eene Masrdalena van Pazzi, eene Catharina van Sienna en de meeste andere heiligen.

Deze devotie is inderdaad het merg der godsvrucht »het kruis is het boek der uitverkoornen.quot; Gelooft mij, zegt de H. Augustinus, »niets is nuttiger ter boeting onzer zonden, ter verkrijging aller deugden, niets brengt ons nader ten hemel, dan zich dikwijls bezig te houden, met het geheim des kruises. Ik spreek bij ervaring. Ik weet niet wat omging in het hart van andere zondaars, toen het uur van barmhartigheid voor hen sloeg, doch ik weet wat er in mij is omgegaan. Van al de middelen door God gebezigd, om mij tot Hem terug te brengen, is dit het krachtigst geweest en zelfs heb ik sedert mijne bekeering erkend, dat deze gedachte eene wonderdadige kracht bezat om mijne bekoringen te overwinnen en mijnen moed te ondersteunen. Zoodra ik my tot het kwade bekoord gevoelde, nam ik mijne toevlucht tot de wonden van Jezus-Christus en zegde tot mij-zelven: » Ongelukkige, wilt gij dan de wonden van Jezus-Christus op nieuw openen.quot; Ik deed hetzelfde als mij eenige wederwaardigheid overkwam, ik kan bevestigen, dat ik in al mijne beproevingen niets gevonden heb dat mij beter troostte, dan de gedachte aan het Lijden. Neen, niets is zoo bitter dat de gedachte aan Jezus dood niet verzoet, niets zoo traag, dat zij niet opwekt, niets zoo ziek, dat zij niet geneest.quot;

II Punt. Weinige, zelfs religieuze zielen , hegrijpen en smaken dit geheim. De woorden, waarin de Heer, bij de zoo even aangehaalde gelegenheid, zijn naderenden dood voorzegde, waren zeer duidelijk en

-ocr page 225-

223

juist, eu nochtans was zijn taal eene raadsel voor zijne aanhoorders. Het Evangelie schijnt hij het verhalen van dit feit, verbaasd over dit gemis van begrip. En zij verstonden niets hiervan, en dit woord was voor ken verborgen, en zij begrepen niet wat gezegd werd. (1)

Drie beletselen sluiten geest en hart voor deze zalige waarheid.

De hoogmoed, die het geloof verduistert. Wij gelooven slechts flauw die buitengewone liefde, omdat wij God niet meer liefde willen toekennen, dan wij kunnen begrijpen. O Jezus, moet de grootheid uwer liefde voor de menschen hun eene beweegrede zijn om uw hart te wonden, door te weigeren hieraan te gelooven.

De nitgestortheid. Slechts zelden en slechts oppervlakkig vestigt men zijne gedachten op een geheim , dat het gewone onderwerp van de overweging was. Men leest het Lijden des Zaligmakers, men woont het H. Misoffer bij, hetgeen de voortzetting zoowel als de gedachtenis van het Lijden is, en in tegenwoordigheid van het kruisbeeld, aau den voet des altaars, blijft de ziel in de droevigste ongevoeligheid. Neen, dit is niet het geval bij ingekeerde en inwendige menschen. Een enkel woord omtrent het lijden en den dood des Zaligmakers, een enkele blik op het kruis verteedert hen, wekt hunne liefde, hunne dankbaarheid op. Helaas! waarom behoor ik niet tot hun getal?

De onboetvaardigheid. Men wil niet aannemen, wat zich niet laat vereenigen met een traag en zin-

(1) Luc. 18, 34.

-ocr page 226-

278

voedsel, mya rijk tot erfdeel bereid. Dat uwe waakzaamheid ze behoede tegen den aanval van het kwade, dat uw ijver, door mijne genade bijgestaan, in hen de kiem der deugden ontwikkele door mij daarin iiedergelegd; aldus zult gij mij helpen om hen zalig te maken; geef mij dit bewijs uwer liefde. O mijne ziel, wat zult gij uwen hemelschen bruidegom antwoorden? Wilt gij niet in zijne verlangens treden? Zal het geluk, Hem te behagen, U niet al de moeie-lijkheden doen vergeten van de edele bediening, welke Hij u toevertrouwt?

Ziedaar wat zooveel ijver heeft ingeboezemd ter heiliging der jeugd, aan de grootste heiligen, aan de schoonste geniën van het christendom. De H. Hie-ronymus had zich in zijne laatste levensjaren te Bethlehem gevestigd, ten einde daar gemakkelijk de geheimen van Jezus Kindsheid te overwegen. Terwijl men van de verst verwijderde landstreken bij hem licht en onderricht kwam putten, en zijne boetvaardigheid bewonderen , schreef hij aan eene Roraeinsche dame: »Zend mij uwe kindertjes, het zal mij eene vreugde zijn, met hen de beginselen van het geloof te stamelen.quot; De H. Gregorius ging nog verder. Met eene altijd wankelende gezondheid, en belast met het bestuur der geheele H. Kerk, vond nij tijd en kracht om de jeugd te onderrichten. De H. Augustinus, de H. Vincentius Ferrerius, de H. Carolus Borromeus, de H. Franciscus Xaverius , de H. Franciscus van Sales, Gerson, Bellarminus, Fenelon, meeuden nooit beter hunnen talenten te kunnen gebruiken, hun leven niet nuttiger te kunnen besteden, dan door te werken aan de heiliging der

-ocr page 227-

279

kinderen. Gerson zegde: Het is eervol den zoon des vorsten, den aanstaanden erfgenaam des troons op te voeden, doch is het kind, dat ik vorm tot de deugd, niet het kind van God, de erfoenaam van

O 7 7 O

het eeuwig rijk? En de H. Franciscus van Sales zegt: »Geloof mij, de bewaarengelen der kinderen beminnen met byzondere liefde degenen, die hen opvoeden in de vreeze des Heeren, en eene teedere (godsvrucht storten in hunne ziel.quot;

0 Jezus, hoe zoet is het mij, door mijne bediening deel te hebben aan liet werk dier groote heiligen uwer Kerk, doch hoeveel zoeter is het mij daarin de ffelecrenheid te vinden om de vurige begeerten

O O O ~

van uw Hart te voldoen! Ik stel dus de armoedigste school ver boven het schitterendst paleis, omdat ik daar mijne dagen mag doorbrengen in U te doen beminnen , en U te toonen, dat ik U bemin !

II Punt. Verlangen der II. Kerk en der cjeheele maatschappij. Door de christelijke opvoeding dei-kinderen, gaat men tot de bron van het goede, tast men het kwaad aan in zijn wortel en bereidt men betere geslachten. Even als uit Abraham alleen geheel een volk van geloovigen ontstond, zoo is een welopgevoed kind soms de stamvader van een geheel volk van rechtvaardigen. Hadden zij, die met de eerste opvoeding belast werden van een Franciscus van Sales, een Xaverius, een Vincentius van Paulo, eene Angela van Merici, eene ïheresia, eene moeder de Ghantal, aan hunne roeping ontrouw, die kinderen verwaarloosd, hadden zij den adem van het kwaad hunne onschuld laten bezoedelen, hun karakter laten bederven, zoodat zij onbekwaam zouden

-ocr page 228-

226

van liet onblusctbaar vuur, voor hem eu voor de deelgenooteu van zijnen hoogmoed geschapeu. Welk een afgrijselijke val! Van waar valt hij? Waar valt hij? Voor de eerste maal wordt deze godspraak vervuld: Wie zich verheft zal vernederd worden. 0 mijne ziel, vrees den hoogmoed: hg heeft den schoonsten der engelen tot den afschuwelijksten duivel gemaakt. Hij heeft de hel bevolkt en zal die altijd blijven bevolken. Gij zult slechts daartegen beveiligd zijn, door de nederigheid van den H. Michaël na te volgen.

2. Deze groote aartsengel verontwaardigt zich over den smaad der Oppermajesteit aangedaan. Chd» ut Deus ? roept hij uit: » Wie is gelijk aan God, wie kan weigeren te gehoorzamen, als Hij beveelt? Zijne getrouwheid bevestigt die der goede engelen: met hem scharen zij zich aan de zijde van God, en herhalen met hem »Quis ut Deus?quot; Zij bestrijden Lucifer, zij blijven overwinnaars. Hunne beproeving-is geëindigd. Toen ontdekte God hun geheel zijne bekoorlijkheid, zij zien Plem van aanschijn tot aanschijn, zij bezitten Hem. Welk eene belooning, welk geluk voor allen, doch vooral voor het hoofd der heilige engelenschaar!

O O

De H. Michaël wordt gesteld tot geleider en beschermer van het volk Gods, tot verdediger dei-Kerk , voor welke hij zal strijden tot het einde der eeuwen. Talrijke altaren zullen hem toegewijd worden, broederschappen zullen ter zijner eer worden ingesteld , zijn naam zal in het christelijk gebed onmid-delijk dien der Koningin van het heelal volgen. Met welke glorie zal hij verschijnen bij het einde der

-ocr page 229-

227

tijden, als hij, na den Anti-Ghrist overwonnen te hebben, in zegepraal aan het hoofd van de geheele schaar der uitverkoornen, den hemel zal binnentreden ! Ziedaar wat hij verdiend heeft door zich voor den Heer te vernederen.

II Punt. Hoe de hoogmoed den val en de nederigheid de verheffing bereidt. Men moet noodzakelijk vallen, als men van de ééne zijde de zwakheid zelve is, en van de andere door eene onoverwincelijke kracht bevochten wordt. Er is ten eerste niets zwakker dan een mensch, die zich door den hoogmoed laat beheerschen. Waarop steunt hij? Op zich-zelven. Dit is het kenmerk dezer ondeugd. Jezus-Christus schilderde haar met één trek, als hij van de Phariseërs sprekende, zeide: Zij vertrouwen in zich-zelven. In se con/idehant (1) En wat is de mensch uit zich-zelven anders dan ij delheid en niet?

1. Luicifer verlaat de waarheid om te steunen op de leugen. Zijn val heeft geene andere oorzaak. De H. Bernardus vraagt welke waarheid dit was, en antwoordt: Het is dat zoo rechtvaardig en waar gevoel, dat hij omtrent zich-zelven moest hebben: Ik ben niets uit mij-zelven, zoo ik iets ben, is het aan God, dat ik dit verschuldigd ben, aan Hem dus alle glorie, mij komt niets toe.

Doch ware de hoogmoedige even sterk als hij zwak is, zou hij dan nog kunnen weerstreven aan de oneindige macht, die hem bestrijdt? God heeft verklaard, dat Hij zijne glorie aan niemand zou afstaan; zal Hij den vermetele niet verdelgen, die ze durft aanranden ?

(1) Luc. 18, 9.

-ocr page 230-

228

2. De redenen, welke bewijzen dat de val van den hoovaardige onfeilbaar is, toonen tevens aan dat de glorie der nederigheid zeker is. Dezelfde God, die den hoovaardigen weerstaat, geeft den oot-moedigen zijne genade, doch. welke genade? Die van het gebed, van de onderwerping aan den god-delijken wil, van de volharding.... Alle genaden z.ijn voor hen. Zij staan onwrikbaar. God steunt hen, zij hebben niets te vreezen. God bewaart hen. De waarheid, of de innige kennis van hun niet, maakt, dat zij slechts vertrouwen op God, bij wien zy steeds hulp zoeken, en aldus behoedt zij hen voor den val. Hun vertrouwen is eene hulde, bewezen aan de goedheid, de macht, de getrouwheid des Heeren; deze behaagt Hem bijzonder en trekt over hen de zegeningen zijner liefde. »God beschermt den ootmoedige en verlost hem, Hij bemint den ootmoedige en troost hem ; Hij neigt zich tot den ootmoedige; Hij overlaadt den ootmoedige met zijne genaden en na zijne vernedering verheft Hij hem in de glorie. (1)

Hl Punt. Hoe kmnten wij Je straf der hoovaar-(Hqen vermijden, hei loan der nederigen verdienen ? Door bet aannemen der strijdleus van den H. Michaël, »Quis ut Deus?quot; tot gedragslijn, en door ons de bijzondere bescherming van dien glorierijken aartsengel te verwerven.

Daar de nederigheid de kennis van God en van zich-zelven tot grondslag heeft, moeten wij als de geest der leugentaal ons tot ijdele glorie aanzet.

-ocr page 231-

229

met den H. Michael antwoorden: Qnis ut Deus ? wat ben ik en wat zijn alle schepselen in vergelijking met God? Word ik bekoord tot morren en ongeduld: Quis ut Dens\'? Is het billijk, dat God mijn wil doe of ik den zijne? Is hij mijn Koning, moet ik Hem dan niet gehoorzamen? Is Hij mijn Vader, moet ik Hem dan niet beminnen? Is het de neiging tot vermaak, die mij tracht te verleiden: Quis ut Dens\'? 0 mijn God, wie is aan ü gelijk? Wie kan de begeerten mijner ziel vervullen, wie kan mijn hart voldoen, dan Gij alleen, mijn opperste Goed? Bedienen wij ons van hetzelfde middel, om ons op te wekken tot eerbied, tot vurigheid bij het begin van ons gebed of als wij tot de H. Tafel naderen.

Doch niet slechts door zijne woorden en zijn voorbeeld wil de H. Michaël ons helpen, ons die hem toebehooren, gelijk soldaten aan den veldheer, die hen aanvoert, ons, die strijden voor dezelfde ?,aak, kampen tegen denzelfden vijand; o welke hulp mogen wij niet van hem verwachten, zoo wij ons met vertrouwen tot hem wenden ? Hij is het bijzonder, die onze gebeden en offers den Heer aanbiedt, die ons beschermt in ons doodsuur, die onze ziel ontvangt en ze den hemel binnenleidt. Vereeren wij den H. Michaël, roepen wij hem dikwijls aan, vooral dan, als wij ons voor God vernederen om de vergiffenis onzer zonden af te smeeken: Confiteor.

H

li

1

li

m

MSI ii i? 11

li I: i \'

11

I

i|

ill I

-ocr page 232-

230

58ste OVERWEGING.

2 October.

de h. kngelen-bewaakdells.

I. Goedheid vau God, die ous toevertrouwt aan zijne engelen.

II. IJver der engelen in het uitoefenen hunner bediening ten onzen opzichte.

1. Stellen wij ons op de aarde eene menigte hemelsche geesten voor, die zich beijveren den men-schen naar ziel en lichaam tallooze diensten te bewijzen. Beschouwen wij aan onze zijde, den engel ons door God tot bewaarengel geschonken en aan-, bidden wij met hem de oneindige majesteit des Heeren.

2. Vragen wij de genade levendig de weldaden te gevoelen, welke God ons door de bediening der engelen doet toekomen, en getrouw die plichten te vervullen, welke deze weldaden ons opleggen.

I Pünt. Goedheid van God, die zijne engelen zendt om ons te bewaren. Hoe groot is de mensch door de liefde, welke God hem toedraagt, en door zijne glorievolle bestemming. Hoe klein is hij door zijne zwakheid en ellende. De H. Hieronymus deze woorden van Jezus-Cbristus uitleggende: Hunne engelen in den hemel zien altijd het aangezicht mijns vaders (1) roept uit. »Hoe waardig is dus de ziel, daar elk, bij het intreden in het leven, een engel

(1) Matth. 18—10.

-ocr page 233-

231

ontvangt, door den Heer aangesteld om haar te bewaken.quot; De H. Kerk roept heden onze aandacht op eene gunst, welke zij onuitsprekelijk noemt en welke wij maar al te vaak vergeten.

Een machtig koning ziet een kind uit de heffe des volks, door iedereen verlaten , geheel hulpeloos ! Hij beveelt aan een prins van zijn hof het onder zijne bescherming te nemen, het met zorg op te voeden, het dag noch nacht te verlaten.... Dan zesc

7 O O

ik tot mij-zelven: Ziedaar een vorst, die dit kind een vaderhart toedraagt; de buitengewone goedheid, welke hij daarvoor betoont, betuigt genoegzaam dat hij dit kind bestemt tot de hoogste waardigheden van zijn rijk.... Dit is het treffend beeld van hetgeen God voor ons doet, door de bediening zijner heilige engelen? Wat zijn wij uit ons-zelven? Wat vermogen wij? In welken toestand bevonden wij ons, bij ons intreden in deze wereld? Doch, onbegrijpelijke liefde? »God, zegt de H. Bernardus, heeft zich niet tevreden gesteld ons zijnen Zoon en zijnen H. Geest te zenden; opdat alles wat in den hemel is, ook zoude medewerken tot ons heil, zond Hij zijne engelen om ons te dienen; want dit is volgens de leer van den grooten Apostel, de last, welken zy bij ons te vervullen hebben : zijn zij niet allen dienstbare geesten die tot dienst afgezonden icorden, om wille dergenen, die de zaligheid beërven zullen\'? (1)

Hier kan de godvruchtige leeraar zijne bewonde-rino- niet bedwingen. » O bewonderenswaardige goed-

O O O ö

heid! O wondervolle liefde! Wie is Hij, die zendt?

(1) Hebr. 1 11.

-ocr page 234-

232

Wie wordt gezonden? en tot wien? Waarom wordt hij gezonden?quot;

Hij, die zendt is God, dat oneindig onafhankelijk wezen, dat volkomen aau zich zei ven genoegzaam is; zij, die Hij zendt, zijn zijne engelen, zgn geesten zoo zuiver, zoo heilig, zoo verheven in macht boven alle vorsten der aarde. Angelis suis. Hij stelt zicli niet tevreden hen te vermanen, Hij gebiedt huu: mandavit. En wat? Niet slechts te waken voor heb geluk der koninkrijken, doch ons, ons persoonlijk te bewaken; De te; ons, stof enasch, te beschermen; ons, ondankbare entrouwelooze zondaars als wij zijn! En hoever moet hunne zorg zich uitstrekken? Tot alle omstandigheden, alle gebeurtenissen van ons leven en onzen dood, zij zullen onze vrienden zijn, zelfs tot aan gene zijde des grafs. God wil dat zij ons bewaren op al onze wegen; Ut cusiocliant te in omnibus viis tuis, dat zij ons des noods in hunne armen dragen, gelijk een kind, dat men voor eiken val wil bewaren: Ne forte offendas ad lapidem pedem tuum. Hoe troostend is die goddelijke vaderzorg. Wat is de mensch. Heer, dat Gij hem zoodanig bemint, dat Gij een prins van uw hof bij hem wilt plaatsen, met bevel al zijne belangen ter harte te nemen ?

11 Punt. IJver der Engelen-Bewaarders in de uitoefening hunner bediening ten onzen opzichte. Zonder te gewagen van de diensten, welke zij ons voor het tijdelijke bewijzen, herinneren wij ons hier hunne werkdadige zorgvuldigheid, om ons de eeuwige erfenis te doen verkrijgen, zij toonen ons den weg, verwijderen de hinderpalen en verscbaff^u ons de

-ocr page 235-

233

middelen! Ach, hoe weinig erkennen wij hunne edelmoedige toewijding!

1. De Voorzienigheid geeft ons allen eene loopbaan, eene plaats in het hemelrijk te veroveren., 3Zie, spreekt de Heer, ik zal mijn engel zenden om u voor te gaan, u ie beschermen op den iveg en u de plaats binnen te voeren, welke ik bereid heb. (1)

Gelijk de gelukzalige geesten der eerste orden aan de lagere orden licht en liefde raededeelen, zoo doen onze engelen ons het ware goed kennen en helpen ons dit te verkrijgen. Indien wij eenige inspraak gevoelen ora ons van de schepselen te onthechten, en ons geheel aan God te geven, zoo komt deze inspraak van onzen liefdevollen geleider. Zijn ijver neemt alle vormen aan. Somtijds stelt hij ons het voorbeeld voor van Jezus-Christus, of van eenigen heilige, wiens karakter het meest met het onze overeenkomt; dan eens toont hij ons de kortheid des levens , het ocgenblik des doods , de eeuwigheid; dan weder spreidt hij voor ons oog de schoonheid der deugd, de bekoorlijkheid des vredes, als vrucht van een goed geweten , de kroon aan de getrouwheid toegezegd!.... De H. Bernardus stelt ons deze hemel-sche geesten voor, ons tred voor tred volgende om onze ziel steeds te waarschuwen en te vermanen. De H. Lodewijk beschouwt hen als teedere vaders, die zich geheel toewijden aan het geluk hunner kinderen; als rijken, die zich ten dienste der armen stellen, als leeraars, die de onwetenden onderrichten.

2, De goede engelbewaarder verwijdert de hinderpalen , welke zich op den weg der zaligheid bevinden.

(1) Exoü. 23—30.

-ocr page 236-

234

Is het eene gevaarlijke gelegenheid, dan dringt hij ons die te verlaten, door ous even als aan Loth een heilig geweld aan te doen. Drukt ons eene geestelijke kwijning neer, zijn wij door droefheid overmeesterd, dan troost, dan versterkt ons onze engelbewaarder, dan stort hij in onze ziel eene geheime zalving, die haar geneest. Doch de grootste hinderpaal tot ons eeuwig geluk is de strijd, welken de geesten dei duisternis ons aandoen. Hunne afgunst kan ons de liefde, die God ons betoont, de glorie, waartoe Hij ons bestemt, niet vergeven. Gelukkig bezigt onze hemelsche vriend meer zorg, om ons te bewaren, dan zij pogingen aanwenden, om ons te verderven. Hij doet voor de hem toevertrouwden wat Rafaël voor Tobias deed: hij legt de duivels aan banden of verjaagt ze ver van ons. En het was hierom, dat de profeet, na gezegd te hebben: Hij heeft zijnen Engelen aangaande ü bevolen, er dadelijk bijvoegt om uwen moed te bevestigen: »Op slang en adder snit gij treden en leeuw en draak zult gij vertrappen.quot; (1) Gij zult,\' door de heilige engelen geholpen, over de geheel e hel zegevieren.

O ~

3. Zij werken op meer volstrekte wijze mede ter onzer zaligheid, door de middelen van heiliging, die zij ons, bijzonder in het uur des doods verschaften, door voor ons te bidden en onze gebeden aaa God op te dragen.

De andere gelukzaligen spreken voor ons ten beste, tengevolge eener algemeene liefde, welke al de kinderen Gods onder elkander vereenigt; doch onze

(1) Ps. 90.

-ocr page 237-

235

toil engelbewaarders bidden voor ons teu gevolge eener eeiij verplichting, die onafscheidelijk is van hunne be-telijkel diening, en door den vurigen ijver, waarmede de \'slerd,! fleer hen vervuld heeft, toen Hij hen ons tot ge-arder,! leiders gaf. De H. Schrift zegt, dut, door hen zijne \'\' diel bedienaars te maken, Hij hun de werkzaamheid der t onsI vlam heeft gegeven; hunne liefde tot ons is eeu der| vuur, dat hen verteert. Zij zijn terzelfder tijd ver-18 del zonken in de beschouwing van God, smaken hoe Hii | zoet het is, Hem te bezitten, en bij ons in de

önze I beschouwing onzer ellende en gevaren. Hieruit volgt

II

1\'11 die medelijdende bereidvaardigheid, waarmede zij

ven. I voor ons bidden, terwijl zij onze gebeden opofferen,

rfaël I j7jen Engei kwam , zegt de H. Joannes , en plaatste

11 | zich voor het altaar, en hij had een gouden roohschaal;

I en hein werd veel reukwerk gegeven, opdat hij van

nen I de gebeden aller heiligen zoude leggen op het gouden

eo^ I altaar, dat voor den troon van God is. En de rook

\'^r I des reukwerks van de geleden der heiligen steeg van

\'P\' I de hand des Engels voor Gods aangezicht op. (1)

Jui I Rafaël zegde tot Tobias, dat als hij onder tranen bad, zijn maaltijd daar liet en zyne nachtrust op-

ei\' | offerde om de dooden te begraven, hij al zijne goede

,e I werken aan den Opperheer opdroeg. (2)

11 I Hoe gelukkig zijn wij, roept Bossuet uit, bij den

\' \' | Heer zulke toegenegen vrienden te hebben! Zij stellen

I zich niet tevreden onze smeekbeden neder te leggen

) I aan den voet van zijnen troon, zij dragen daarheen

| ook onze goede werken; zij brengen daarheen dien

1 | liefdedienst aan armen en zieken betoond, die geheime

(1) Apoc. S, 3, 4. (2) Tob. 12, 12.

-ocr page 238-

236

aalmoes, die vergeven beleediging, die raadgevingen, die verstervingen.... Zij verzamelen tot onze zwakste begeerten, die zij voor God ondersteunen. En vooral, wie zou kunnen zeggen met welke vreugde zij aan God de tranen van het berouw, het lijden ter zijner liefde, in ootmoed en geduld geleden, aanbieden. Eindelijk als ons laatste uur aanbreekt, bij dien laatsten strijd, waarin ous eeuwig lot beslist wordt, verdubbelen onze bewaarengelen hunne zorg en waakzaamheid , om de woede onzer vijanden te bedwingen, om in ons nedergedrukt hart den geest van vertrouwen , van berouw en vurigheid te verlevendigen. Hunne zending zet zich voort aan gene zijde des grafs. Zijn wij veroordeeld, in de vlammen des vasevuurs onze verzuimenissen, onze lauwheid te

O \'

boeten, dan bezoeken, dan troosten zij ons, dan vragen zij gebeden en voldoeningen voor ons, boezemen aan liefderijke zielen de begeerte in, ons krachtdadig te helpen en bepleiten bij God de groote zaak onzer verlossing. Wat hebben wij tot dusverre gedaan om die goedheid van God, dien zuiveren, heiligen, volhardenden ij ver van onzen engelbewaarder te erkennen? Betreuren wij onze ondankbaarheid en beginnen wij reeds heden die te herstellen.

-ocr page 239-

237

59ste OVERWEGING,

hetzelfde onderwerp. onze plichten jkgens onze eng elbewaarders.

I. Eerbied.

II. Dankbaarheid.

III. Vertrouwen.

De tegenwoordigheid van onzen Engelbewaarder, zegt de H. Bernardus vraagt onzen eerbied; zijne diensten onze liefde; zijne krachtdadige en veilige bescherming ons vertrouwen.

I Punt. Wij moeien onzen Engel-Bewaarder eer-hiedigev. God zelf beveelt ons dit: »Eerbiedig hem, en luister naar zijne stem, en wacht u wel hem te •misachten, want.... mijn naam. is in hem. (1) Zoo groot is de uitnemendheid, de waardigheid des engels, dat hij ten onzen opzichte de eerste straal is van Gods glorie, het eerste werk zijner hand, het meesterstuk zijner almacht en zijner wijsheid. Toen de H. Joannes, in zijne openbaring, hem zag, die hem zulke groote geheimen had geopenbaard, wierp hij zich ter aarde om hera te aanbidden, meenende dat het de Zoon Gods zelf was. De H. Anselmus verzekert dat, zoo een engel in zijne volle schoonheid op de plaats der zon mocht verschijnen, hij met zijn licht even zoo vele zonnen zou doen tanen, als er sterren aan het firmament zijn.

De majesteit van een sterfelijk koning vervult hen, die hem naderen met eerbied; met welk ontzag

(1) Exod. 23, 21.

-ocr page 240-

238

moeten wij dan niet vervuld zijn voor dien vorstlonwetei des hemels, zoo lioog verheven boven al de mach-|vaa he tigen dezer aarde. »Waar gij u moogt bevindenjverzach roept de H. Bernardus uit, »in de kerk of te huis,|Hij doi op weg of op openbare pleinen, alleen of in gezel-jluiar t schap, uw engel is altijd aan uwe zijde. Doe in I Het zijne tegenwoordigheid niet, wat gij onder mijne 1 weidat oogen niet zoudt durven doen. Twijfelt gij of hij |om m bij u is, omdat gij hem niet ziet? Het zintuig 1 dien { van het gezicht is het eenige middel niet, waardoor 1 vit de wij de zaken waarnemen; het neemt de geestelijke 1 Doch voorwerpen niet waar, en de lichamelijke zijn er 1 Jit bi niet altijd aan onderworpen, immers men ziet de I navol klanken niet, men ziet den geur niet, en wie zal I tooi-hun bestaan loochenen, onder voorwendsel, dat men 1 zien ze niet ziet? Het oog van ons geloof is beter dan I Verb ons lichamelijk oog. Wandel dus met voorzichtigheid, I zond want gij zijt overal onder het oog eens engels. I te 1 II Punt. Bij den eerbied moeten wij de dank- 1 zalilt;; baarheid en de liefde voegen. Toen de engel van 1 gev( het Hebreeuwsche volk de wateren der Roode zee 1 ond verdeeld, en de Egyptenaren door hare golven be- I I dolven had, ging hij voort dit volk op Gods bevel 1 zijn bij te staan, totdat hij het in het beloofde Land 1 »M o-ebracht had. Aldus doet onze engelbewaarder. Nadat 1 loo

O 0 [ !|

wij door de wateren des Doopsels ontsnapt zijn aan I hg

de machten der hel, vergezelt die liefdevolle ge- I he(

leider ons in de woestijn van dit leven, welke wij 1 wa

moeten doortrekken om den hemel binnen te gaan. 1 erl

Nu eens matigt hij, als eene geheimzinnige wolk, I be

het vuur onzer hartstochten, dan weder verlicht 1 zi

hij, als eene schitterende lichtzuil, den nacht onzer 1 di

-ocr page 241-

239

Uwetendlieid. Hij doet, zoo uoodig het manna van liemelsclieu troost nederdalen op onze ziel, Jvevzaclit de bittere wateren der boetvaardigheid.... [Hij doot ons de wet des Heeren verstaan, en tracht |liaar te drukken in de levende tafel van ons hart.

Het is, wel is waar, aan den Heer, dat ik al deze |weldaden verschuldigd beu: ik zou geen engel hebben

O 7 O O

| om mij ten dienst te staan, ware hij mij niet door dien goeden Meester gegeven. Angelis suis manda-nt de te. Eere zij God, die dit bevel gegeven heeft! \'Doch ik ben ook dank verschuldigd aan hem, die dit bevel met zooveel liefde volbrengt. Het is uit navolging dier goddelijke goedheid, dat de engelen voor ons zulke liefdevolle gevoelens aannemen. Zij zien de treffende geheimen der menschwording, der Verlossing, en al die daarmede in verband staan, zonder sluier. Ach! hadden zij een leven ten offer te brengen, konden zij bloed storten voor onze zaligheid, hoe gaarne zouden zij beide ten beste geven! Neen, jegens zulke vrienden mogen wij niet ondankbaar wezen.

De jeugdige Tobias weet niet op welke wijze hij zijne dankbaarheid aan zijnen gids betuigen zal. »Mijn vader, wat zullen wij hem geven? Welke belooning zal ooit geëvenredigd zijn aan zijue weldaden ; hij heeft mij geleid, hij heeft mij teruggevoerd, hij lieeft mij van een dreigend gevaar verlost?quot; Eu ik, wat zal ik doen om mijnen engelbewaarder mijne erkentelijkheid te betuigen? Ik zal hem teederlijk beminnen, ik zal naar zijn woord luisteren, getrouw zijne inspraken volgen, ik zal alles vermijden wat de heiligheid zijner blikken zou hinderen, ik zal de

-ocr page 242-

240

deugden oefenen, welke hem dierbaar zij11) zuirerheid, ootmoed, ijver, gelijkvormigheid aan den wil des Heeren.

Ill Punt. Wij moeten op onzen Eng el-Bewaarder vertrouwen. Hadde ik een vriend, die mij met grond voorkwam de meest verlichte, de getrouwste, de machtigste aller menschen te zijn, hoe vast zou ik op hem vertrouwen ? Aldus zijn onze engelbewaarders, zegt de H. Bernardus, FruJentes sunt, fidelis sunt, potentes sunt. Zij kunnen zich niet bedriegen, daar zij hun licht putten in de bron der waarheid, want zij zien altijd God en zien God in alles.... Nog minder zouden zij ons willen bedriegen, want zij zijn beproefde vrienden. Denken wij aan den drie-voudigen band, die hen aan ons verbindt, zij beminnen ons om God, wel wetende hoezeer wij door Hem bemind worden; zij beminnen ons om ons-zelven, wijl zij in ons het beeld der godheid terugvinden ; zij beminnen ons om hen-zelven, wijl zij ons beschouwen als hunne broeders en hunne toekomstige deelgenooten der eeüwige glorie. Daarenboven ontbreekt hun de macht evenmin, als de kennis en de liefde; met de kracht, welke zij van boven ontvangen is een enkele engel voor onze zaligheid veel sterker dan alle duivelen te zamen voor ons verderf. Dit heeft Tertulianus doen zeggen dat, door de hulp der engelen de macht der duivelen aan die der menschen onderworpen is.

Hooren wij nog den H. Bernardus. Wat hebben wij te vreezen onder de hoede van geleiders zoo verlicht, zoo getrouw, zoo machtig als zij! Volgen wij gewillig de richting, welke zij ons geven, hechten

-ocr page 243-

241

wij ons aan hen en vertrouwen wij op de bescherming van den God des hemels. Wordt gij aangevallen door eenige zware bekoring, bedreigd met eenig groot gevaar, roep uwen engelbewaarder ter hulp, en zeg hem: red mij of ik ben verloren !

Keeren wij ons dus met vertrouwen tot die toegenegen vrienden, roepen wij hunne hulp in; wij hebben die altijd noodig. Bidden wij hen ons te bewaren voor de valstrikken des duivels en ons te verdedigen tegen dien brieschenden leeuw, die steeds rond ons loopt en slechts het gunstig oogenblik afwacht om ons te verslinden.

Engelbewaarder, getrouwe bewaker, edelmoedige vriend, die mij zoo vele blijken gegeven hebt van uwe welwillende bescherming, weiger mij toch nooit uwe hulp, hoe ondankbaar ik mij ook jegens u getoond heb. Verkrijg mij de genade altijd den wil Gods te kennen en dien getrouw te vervullen. Verlicht de duisternis van mijnen geest en geleid mijne schreden, opdat ik eens het geluk, dat gij geniet, moge smaken.

16

CH. IV.

-ocr page 244-

242

60ste OVERWEGING.

4 October.

du h. franciscus van assis1k.

I. De H. Franciscus beoefende den raad der evangelische verzaking in al zijne volmaaktheid.

II. De belofte van het honderdvoud werd volkomen in hem vervuld.

I Punt. De 11. Franciscus beoefende de evangelische verzaking op volmaakte wijze. Door de hulp van drie hartstochten, de liefde tot rijkdom, tot eer, tot vermaak, verwoest Satan de wereld, hoont God, verderft de zielen; door de hulp van drie deugden, welke de evangelische verzaking uitmaken, de liefde tot de armoede, tot de verachting en tot het lijden, vereeren Jezus-Christus en de heiligen God, verwoesten zij het werk van Satan en redden de uit-verkoornen. Deze drie deugden schijnen op bewonderenswaardige wijze uit in Franciscus van Assisië.

1. Liefde tot de armoede. Bossuet heeft van dezen heilige gezegd, dat hij de vurigste, de hartstoch-telijkste , ja mocht hij aldus spreken , de waanzinnigste, de wanhopigste minnaar der armoede was. Hij beminde haar en deed liaar beminnen. Men had hem, te midden der jongelingschaar, zich zien onderscheiden door de liefde tot rijkdom en pracht. Men ziet hem nu een leven van overvloed verlaten, om zich \':oe te wijden aan de volkomenste ontbering; welk een offer! Om hiertoe te geraken, moest hij zich zelfs het

-ocr page 245-

243

heilig genoegen ontzeggen, dat hij smaakte in het bijstaan van de behoeftigen. Het geluk van met Jezus-Christus het brood der aalmoes te eten, schijnt hem verkieselijk boven dat, van Jezus te mogen voeden in den persoon der armen. Men meent hem te hooren uitroepen: »Een Godmensch is geboren, heeft geleefd, is gestorven van alles beroofd; Hij had geene plaats om zijn hoofd te laten rusten; o heilige armoede, onwaardeerbare schat! Neen, er bestaat geen rijkdom , dien meu bij u kan vergelijken !quot;

Hij noemde de armoede zijne vrouwe, zijne koningin, zijne moeder, zijne bruid, en hij vraagde haar onophoudelijk aan God. Ziehier zijn geliefkoosd gebed: »Heere Jezus, toon mij de wegen der armoede, dier deugd zoo dierbaar aan uw Hart, ontferm U over mij; ik bemin haar zoo teeder, dat ik zonder haar niet kan leven; druk in mij haren stempel, dat ons voorrecht, zoo voor mij als de mijnen, zij, niets te bezitten, slechts van aalmoezen te leven, en in het gebruik daarvan zoo spaarzaam te zijn, dat wij altijd eenige uitwerkselen der heilige armoede mogen gevoelen.quot;

O c

Hooren wij Pater Nonet: Hadden de deugden eene menschelijke gedaante, dan zou de evangelische armoede het lichaam, den geest, de geboorte, het leven en den dood van den H. Franciscus hebben aangenomen; zijne geboorte, want hij kwam in een stal ter wereld; zijnen dood, want alvorens zijn laatsten snik te geven, wilde hij, dat men hem van zijne kleederen ontbloot op asch zou nederleggen, nadat men hem als aalmoes een oud, versleten kleed had aangeboden; zijn leven, want na aan zijn vaderlijk

-ocr page 246-

244

erfdeel verzaakt te hebben, bezat hij niets meer opl aarde; zijn lichaam, want hij behandelde het alsl een slaaf, wien hij slechts het volstrekt noodzakelijke] toestond; zijn geest, want deze was geheel tegenstrijdig met de gierigheid. De gierigheid is afgunstig I op hem, die meer bezit dan hij; Franciscus benijdtI eiken arme, die hem in armoede overtreft. De oiericaard heeft nooit genoeg, Franciscus vindt altijd

Ö O o gt;-gt;

dat hij te veel heeft; hoe armer hij is, hoe rijker in vreugd. Hij bemint de armoede en bezit de gave haar te doen beminnen.

Hij doorloopt steden en dorpen en doet de eerste godspraak van Jezus in zijne bergrede weergalmen; Zalig de armen. Zalig hij, die niets meer bemint in deze wereld, dan om God. Zaliger nog hij, die er niets bezit. Zijn woord en zijn voorbeeld maken, zulk een indruk, dat een geheel volk vrijwillige armen zich rond hem schaart. Hij vormt ze tot eene vereeniging, welke hij de armoede van Jezus-Christus tot grondslag geeft, welke hij den steun en overvloedige zegeningen des hemels belooft, zoolang deze deugd onder hen zal bloeien. Welke voorzorgen neemt hij niet, opdat de volmaakte onthechting van alle aardsche goederen daarin voortleve; ja, zelfs in de tempels tot de glorie des Heeren opgetrokken, wil hij dat alles eenvoud, bescheidenheid, armoede ademe. Altijd geduldig, altijd zachtmoedig is hij slechts gestreng in het veroordeelen van hen, die ooit zouden trachten den geest der heilige armoede in zijne religieuze stichting te verzwakken.

2. Liefde tot verachting. Dit is de volmaaktheid der nederigheid, waarin, zegt de H. Augustinus,

-ocr page 247-

245

de geestelijke armoede voornamelijk bestaat. Hij wist maar al te wel, dat hij door het omhelzen van eeue levenswijze, geheel tegenstrijdig aan de wijsheid dezer wereld, hare verachting op zich ging trekken. Inderdaad, zoodra het volk van Assisië hem zoo misvormd, zoo vreemd gekleed zag, volgde het hem in de straten en bespotte hem als een dwaas; ziju vader deed hem gevangen nemen en boeien als een gevaarlijken waanzinnige... Naar het voorbeeld van Jezus-Christus, dorstte hij naar schande, en even als Hij werd hij met smaad overladen. Toen hij zich later, ten gevolge zijner wonderwerken , het voorwerp zag der algemeene bewondering, was hij daarom niet minder klein in zijn eigen oog. Spreekt men hem van de groote zaken, welke hij uitwerkt, dan antwoordt hij met de woorden van Maria tot Elisabeth: Respexit humilitatem. Zoo God zich van hem bedient, zoo komt dit, omdat hij onder de menschen er geen zoo laag, zoo verachtelijk in zijne oogen vindt, geen dus die meer geschikt is, om de verdiensten van den werkman te toonen, door de nietigheid van het werktuig, dat hij hiertoe gebruikt. Hij verlaagt zich beneden het niet, zich beschouwende als een onwaardig zondaar, tot alle gruwelen in staat, zoo de vaderlijke hand des Heeren hem niet terughield. Hoe meer genaden hij ontvangt, hoe meer hij zijne ondankbaarheid beweent, overtuigd dat ieder ander er een beter gebruik van zal maken 3. Liefde tot het. lijden. Sedert zijne bekeering had de goddelijke liefde zoodanig zijn hart ontstoken, dat het lijden van Jezus het gewone onderwerp zijner gedachten was. Hij brandde door de begeerte Hem

-ocr page 248-

246

leveu voor leveu te schenken. Driemaal zocht hijl de gelegenheid, om als martelaar onder de ongeloo-t vigeu te sterven, doch altijd werd hem deze gunstl geweigerd. Hij troost zich hierover door zijn lichaanl tot een slachtoffer van boetvaardigheid te maken.1 Hij is vindingrijk in boetpleging om zijn vleesch tel kruisigen. Hij slaapt op harde steenen, als ware del naakte grond voor hem eene te zachte legerstede;! een ruw boetekleed verlaat hem nooit, li ij rolt zich in sneeuw en doornen; hij houdt jaarlijks vier strenge vasten, voedt zich met de grofste spijzen, die hij I vaak met assche vermengt.. Vrij mogen zijne zin-1 tuigen morren, de natuur zich beklagen, Frauciscus wil slechts den lijdenden Jezus navolgen. Hij leeft slechts voor het kruis. Zijn Zaligmaker steeds met wonden overdekt beschouwende, kan hij niet levenzonder wonden. Dit verlangen zal vervuld worden. Terwijl hij zich in zijne woestijn beklaagt, dat de menscheu, die het bloed des meesters gestort hebben, dat des dienaars sparen, ontvangt hij in zijn lichaam de indrukselen dei- vijf wouden van Jezus-Cbristus, welke hem vormen tot een levend slachtoffer en het treffend afbeeldsel van den Man van smarten. Zag men ooit de evangelische verzaking met meer volmaaktheid beoefend? Zag men haar ooit reeds hier op aarde edelmoediger beloond?

II Punt. Het beloofde honderdvoud op bewonde-rensivaardige wijze in Frauciscus vervuld. Hij is rijk geweest in armoede, gelukkig iu lijden, geëerd in vernedering.

1. De H. Frauciscus heeft den overvloed gevonden te midden der volstrekte berooving van alles. Op den

-ocr page 249-

247

cht lijf vooravond van zijnen dood, vraagde Jezus zijnen \'geloei apostelen: Als ik ü zonder beurs, zonder zak, bloots-gunstl voets uitzond, heeft ü dan iets ontbroken? En zij chaarul antwoordden eenparig: »Niets Heer.quot; Franciscus is \'akenj slechts een onbekend arme, zonder gezag, zonder ich tel invloed; doch omdat hij de arme van Jezus-Christus i\'e del is, zal zijne armoede vruchtbaar zijn en hem een tede; f grooteren schat verwerven, dan alle goederen der zicht aarde. Men bouwt hem kloosters, men brengt hem enge 1 levensmiddelen tot onderhoud van zijn talrijk gezin. 3 hij | Hij heeft meer moeite om het overtollige te weren, zin-1 clan het noodzakelijke te zoeken, om zijne kinderen scus I te verdedigen tegen de aanlokselen der rijkdommen, eeft j welke men hun aanbiedt, dan om de armoede te met I verzachten, welke zij omhelsd hebben. De arme vau ^eu I Jezus-Christus, zegt de H. Bernardus, is des te en. | rijker, omdat de Voorzienigheid hem het noodige de | geeft en hij bovendien niets verlangt. Die vaderlijke 3ii, I opmerkzaamheid Gods voor hen, die zich geheel op \'in | Hem verlaten, is een der grootste wonderen van s, 1 het leven van den H. Franciscus en zet zich voort et I in zijne eerbiedwaardige orde; terwijl men eene g | menigte inrichtingen, op weelde steunende, in puin !- | heeft zien vallen, leeft zijn werk, op de armoede i\' | gegrondvest, voort, sedert zeven eeuwen tot algemeene

I stichting der Kerk.

- I \'J. In het lijden vond hij de bron van de zui-i | verste genoegens. Men meent, dat het kruis van

~ O 7

Jezus slechts heiligen maakt; men dwaalt, het maakt ook gelukkigen. Het hart, zegt Salvianus,

o O 7 O \'

ontvangt het geluk; de mensch is gelukkig, zoodra hij is, wat hij wil wezen. Nooit had het vermaak

-ocr page 250-

248

zoo veel bekoorlijkheden voor een wereldsch gezind liart, als het lijden had voor Franciscus. Is er op aarde wel een niensch zoo tevreden met zijn lot, als die arme, welke in zijne woestein, op zijne rots, te midden zijner pijnen, verrukt van vreugd, buiten zich-zelve vervoerd, geheele nachten herhaalt. Deui meus et omnia\'? Ik bezit mijn God en alles in mijn God! Hij vond zijn geluk in alles, wat hem meer van de schepselen afscheidde, hem nauwer met God verbond; hij vond dit, want daarin bestaat het, en hij werd nooit moede het te herhalen: »Mijn God en mijn al.quot; En terwijl hij dit herhaalt, breekt hij uit in zuchten en tranen, in tranen, zooals de God aller vertroosting doet storten, als hij zich op de innigste wijze aan de ziel mededeelt. Hij herhaalde ze in zijn gebed, in zijn werk, op alle plaatsen, ten allen tijde, en altijd met nieuwe vreugdevervoering; Mijn God en mijn al!

3. In de vernedering eindelijk, vond hij het toppunt zijner glorie. Men heeft van Salomo gezegd, dat hij verheerlijkt werd boven alle koningen, door zijne wijsheid en zijne schatten. Franciscus van Assisië werd onder de heiligen verheerlijkt door zijne schijnbare dwaasheid en zijne armoede. Even zeer als hij zoekt zich door de wereld te doen verachten, beijvert zij zich hem te eeren. Wat gaat tij vragen aan dien trotschen Sultan van Egypte, den gezworen vijand van het christen volk? Het minste, dat hy hoopt, is, door hem behandeld te worden, gelijk Jezus bij Herodes. Verre vandaar; hij wordt door hem bewonderd en in plaats van spot, oogst hij hulde. Hij keert naar zijn vaderland

-ocr page 251-

249

terug; welk een toeloop, welk gejuich bij zijn intreden ia de steden! de priesters komen hem te gemoet, men haalt hem in met vreugdezangen. Men

o \' o o

zoekt zijne kleederen aan te raken, zijne voeten te kussen. Zijne gezellen deelen in deze eerbewijzen , en zyn hierover beschaamd, gelijk hij; de wereld verdubbelt hare betuiging van achting en eerbied naar mate zij meer de verachting der wereld zoeken. Eu kou dit wel anders bij het zien der buitengewone genaden, welke de hemel in den vader en in zijne kinderen deed uitschitteren. Aldus, o mijn God, Jiaast Gij U de edelmoedige zielen te looiien; zij behouden zich niets voor iu hunne toewijding, eu Gij stelt geene grenzen aan uwe liefde. Trek uit onze harten alle genegenheid tot de ondermaansche zaken: ontheclit ons vau ons-zelven. Dat wij U beminnen, U alleen beminnen; dan zullen wij met den H. Frauciscus ons volkomen op Ü verlaten en met vreugde uitroepen:

O mijn God en mijn al! Deus rneus et omnia!

61stc OVERWEGING.

15 October.

ue h. th er esi a.

1. Haar moed beschaamt onze liefde.

II. Haar welslagen beschaamt ons mistrouwen.

I Punt. De moed der 11. Therenia beschaamt ome lafheid. Men meet deu moed af naar de grootheid

-ocr page 252-

250

der ondernemingen, die hij beraamt, en der moeie-lijkheden, waarover hij zegeviert. Theresia stelde zich niets minder voor, dan zich te verheffen tot eene buitengewone heiligheid, en hiertoe een aantal zielen te verheffen; doch ter bereiking dezer twee edele plannen scheen zij onoverkomelijke hinderpalen te ontmoeten. In zich-zelve neigingen, die wel in staat waren haar alle hoop te benemen, van ooit die heiligheid te bereiken, welke zij zich voorstelde; van de zyde harer medemenschen tegenspraak, die onoverkomelijk scheen. Met Gods genade en haren moed zegevierde zij over alles.

1. Van hare teederste kindsheid af, gevoelde zij eene vurige begeerte om haar leven ten beste te geven voor den God, die haar bemind had tot den dood des kruises.... Dan, o treurige mengeling van kracht eu zwakheid! zij zou den moed hebben om als martelares te sterven, en heeft niet den moed waakzaam te leven.... Zij zou Jezus-Ohristas niet weigeren haar bloed voor Hem te storten, en zij weigert, zich voor Hem van eenige natuurlijke voldoeningen te berooven. Ware deze toestand bestendig geweest, dan ware zij verloren gegaan; haar hart, dat de liefde zoodanig zal verwijden, haar hart, dat haar den naam der serafijnsche maagd zal verwerven , ging de slaaf worden eener ellendige wereld. Doch-uw oog waakte over haar, o mijn God! door uwe genade ondersteund, zal zij zich boven zich-zelve verheffen; die voorbijgaande zwakheden zullen slechts dienen, om de overmacht te toonen, welke zij over hare driften uitoefent.

-ocr page 253-

251

Hare roeping tot den religieuzen staat werd voor haar de gelegenheid van nieuwen eu hevigen strijd. Alles verlaten en voor altijd! welk een offer! Leven ia eene voortdurende afhankelijkheid, onder eeu strengen regel, welk een geweld der natuur aange-

O O \' O O

daan ! Maar ook zich blootstellen aan de verdoemenis , welke vermetelheid? Geheel aan God toebehooren welk eene glorie! Nooit meer zich-zelve toebehooren , welk eene kwelling! Doch Jezus biedt haar zijn kruis, zij omhelst het. Dit besluit kostte haar zooveel moeite, dat het haar was als of men hare heenderen ontwrichtte, hare ledematen met geiveld afrukte; ziedaar de uitdrukking, waarin zij zelve haren toestand schetst. Nochtans laat zij zich door niets ontmoedigen, zij vindt den kelk slechts bitter om meer verdiensten te hebben, met hem tot den droesem te ledigen. Zelfs na het uitspreken barer geloften levert haar hemelsche Bruidegom, naijverig op het bezit van al hare genegenheden haar nog een gewei-

o O O O

digeu strijd, want Hij dringt haar ter zijner liefde te verzaken aan te vaak herhaalde en te vertrouwelijke gesprekken met wereldsche personen. God! zegt zij, riep mij van de eene, de wereld van de andere zijde. Mijne ziel leefde in eene voortdurende ontsteltenis. Twintig jaren bracht ik in den strijd door. Ik viel dikwijls en stond slechts met zwakheid op.

Het is dus waar, dat zoo men toegeeft aau eenige neiging, welke eenigszins ongeregeld is, deze eeu hinderpaal wordt voor onzen vrede, voor onzen voortgang op de wegen Gods ; dat de heiligen niet van eene natuur waren, welke verschilde van de onze, uoch vrij van fouten; dat eenigen lang in eeu staat

-ocr page 254-

252

van geestelijke kwijtiing leefden, alvorens hunne vlucht te nemen tot eene hooge volmaaktheid. Waarom zouden wy dan den moed verliezen ? Doch Theresia bepaalde zich niet tot eigen heiliging:

2. Een vurige ijver voor de glorie Gods en de zaligheid der zielen verslindt haar. De gedachte aan zoovele zielen, die verloren gaan, overstelpt haar met droefheid. Zij bidt voor de bskeering der zondaars; voor de apostelen des geloofs, die onder de heidensche volken arbeiden. Hare wenschen volgen de Evangelische werklieden, waar zij mogen zijn; terwijl zij prediken, smeekt zij voor hen en voor degenen, die hen aanhooren, het licht af van den H. Geest. Nog meer. Zij ook gevoelt zich aangedreven mede te werken aan de volmaaktheid der religieuze zielen; hierom onderneemt zij de hervorming van den Karmel. Zij voorziet de stormen, die zij gaat opwekken, doch God is hare kracht, zij vreest niets.

Inderdaad, nauwelijks heeft men hare inzichten bespeurd, of een geest van verbittering, van vijandigheid doorloopt Spanje. Zij wordt algemeen gelaakt. Hoogmoed, schijnheiligheid, heerschzucht, om in den godsdienst uit te schijnen, zich door het buitengewone te onderscheiden... Ziedaar de grieven tegen haar uitgebracht. Hare plannen worden overa! tegengewerkt. De gematigsten beklagen haar, als de speelbal van eene verhitte verbeelding en een on-voorzichtigen ijver. Hoeveel moeielijkheid, hoeveel arbeid, hoevele teleurstellingen moest zij ondergaan gedurende hare twintig laatste levensjaren, welke zij aan de uitvoering van haar plan besteedde. Wel

-ocr page 255-

253

verre van den moed te verliezen, ziet zij, in dezen weerstand der menscben, een zeker onderpand van de Jiulp van God. Alles wat zij vreest, is iets te vreezen, als het er op aankomt zijne belangen te verdedigen. De deugden, welke de vruchten barer beproeving waren, verplichten ons te erkennen, dat liet eervoller voor haar en leerrijker voer ons is, dat hare plannen zoovele hinderpalen ontmoetten. Eervoller voor haar, daar hare kloekmoedigheid ons deu heldenmoed doet bewonderen eener ziel, die de zwakheid ten deel scheen te hebben gekregen. Leerrijker voor ons, daar wij, bij het zien van haren onoverwinbaren moed, moeten blozen over onze lafhartigheid, die niets durft le ondernemen en dooide minste moeielijkheid nedergeslagen wordt. Vernederen wij ons diep en verwekken wij eene akte van geloof omtrent deze godspraak: alles vermag ik in Hem, die mij versterkt. (1)

II Punt. Het welslagen der plannen van de heilige Theresia beschaamt ons wantrouwen. Zij is zwak, hare plannen zijn grootscb, de hinderpalen schijnen onoverkomelijk, en nochtans slaagt zij in alles. Het geheim hiervan ligt geheel in haar vertrouwen op God. Beproefd door de lusteloosheden en dorheden van het geestelijk leven, komt zij tot de hoogste heiligheid. Gekweld door wederwaardigheden van allerlei aard, in de onderneming barer hervorming, ziet zij haar nochtans bloeien en zich uitbreiden naar alle zijden.

Elke christelijke en religieuze ziel heeft hare bijzondere genade, en de graad van bare volmaaktheid (IJ Phil, i, 13.

-ocr page 256-

254

hangt af van hare getrouwheid in het opvolgen daarvan. De genade van Theresia was het gebed. »Eensquot; zegt zij , »dat ik op bevel van mijnen biechtvader met aandrang God smeekte, mij zijnen wil te doen kennen, bad ik eene geestverrukking en ik hoorde duidelijk deze woorden: Ih wil, dat gij voortaan met de engelen zult verkeeren.\'n Dit was voor haar het oogeublik eener volkomen verandering. Voor altijd verzaakte zij aan hare vroegere betrekkingen, en gaf zich zonder voorbehoud over aan een innig verkeer met God. Toen werd zij getrokken tot eene hoogere orde van overwegend gebed. In dit hemelsch onderhoud, ontving zij die verliclitingen, welke hare geschriften tot de rijkste schatten van de wetenschap der heiligen gemaakt hebben. Daar putte zij vooral de goddelijke liefde, met al hare kracht en met al haar vuur, die liefde, welke al hare schreden geleidde en haar troostte in al haar lijden.

De tweevoudige liefde, waardoor God de volmaaktste zielen heiligt: de lijdende en genietende liefde is in haar zeer bemerkenswaardig. De lijdende liefde: dat voortdurend vasten, het lange waken , die bloedige doornen , waarmede zij haar onschuldig lichaam geeselt, die ziekten, die bekoringen, die inwendige troosteloosheid, geheel die opéénstapeling van smarten, welke\'zij leed, overtreft wel alles wat men er van kan zeggen, doch niet wat zij verlangde.

Hoe meer kruisen zij had te dragen, hoe meer zij er begeerde; alleen de dood of het lijden kau hare liefde verzadigen; Of lijden of sterven. Aid pati aut mori. De genietende liefde: Wie zal die

-ocr page 257-

geneugten kunnen uitdrukken, waarmede de Heer hare ziel vervulde, gedurende die geestverrukkingen en verschijningen, waarin Hij haar de wonderen zijner barmhartigheid ten haren opzichte deed zien, zooals toen Hij haar zeide, dat, hadde Hij den hemel niet geschapen, Hij hem scheppen zou voor Laar? Langs deze twee zoo verschillende wegen kwam zij tot de verhevenste volmaaktheid.

Niet minder gelukkig was zij in het hervormen van den Karmel. Na een hardnekkigen weerstand , zelfs van de zijde der geestelijke macht, ziet zy hare verlangens vervuld. Ontbloot van alle men-schelijke hulp, doch gesteund door haar vertrouwen op God, volbrengt zij haar heilig plan. De eer van alles behoort aan God, want het is zijn almachtio-e arm, die alles gedaan heeft. Fortitudo mea et laus mea Dominus. Danken wij God voor de genade aan de H. Theresia, en door haar aan de geheele Kerk geschonken. Volgen wy haar na in haren moed en haar vertrouwen op God. In ons zal, zoowel als in haar, de waarheid bevestigd woi\'den van dit woord van den H. Geest. Zij, die in den Heer hopen, zullen altijd nieuive kracht vinden, zij zullen vleugelen aannemen als adelaars, zij zidlen loopen en niet moede to or den, zij zullen luandelen en niet bezwijken. (1)

(1) Is. 40, 31.

-ocr page 258-

256

62ste OVERWEGING.

1 November. — allerheiligen.

I. Het geluk der heiligen wekt iu ons een voorgevoel van het onze en ontvlamt onze begeerten.

II. Hun voorbeeld toont ons den weg, welke tot dit geluk geleidt en leert ons de moeie-lijklieden overwinnen.

III. Hunne voorspraak helpt ons, dien weg met moed en volharding bewandelen.

1. Zien wij den hemel boven onze hoofden geopend en beschouwen wij daarin de heiligen, die ons de armen toestrekken en ons uitnoodigen hun geluk te komen deelen. Hooren wij hoe zij, als een vreugdevol loflied, deze woorden herhalen, talig de armen van geest, zalig de zachtmoedig en: Zalig zij die weenen, enz.

2. Vrienden Gods, ontvangt onze gelukwenschen, en verkrijgt ons de genade U getrouw te mogen navolgen, in dat leven van zelfopoffering en liefde, dat gij zoo wijselijk hebt omhelsd, zoo moedig hebt voortgezet.

I Punt. liet geluk der heiligen ivekt in ons een voorgevoel van het onze, en ontvlamt onze begeerten. De hemel behoort ons, zoowel als aan die ontelbare menigte, wier gloriepalmen en kronen de H. Kerk heden in onze oogen doet schitteren. Het religieuze leven strekt ons tot onderpand, het bloed van Jezus-Christus geeft ons daarop de heiligste rechten, wij behoeven er slechts bezit van te gaan nemen.

-ocr page 259-

257

O mijne ziel, verlaat ten minste lieden de aarde sursum Corda. Treed in dat paleis der uitverkoor-nen, door God zeiven opgericht, waar Hij al zijnen luister ten toon spreidt. Beschouw naar hartelust dit heerlijk gezelschap, waar reeds uwe plaats bereid is, zoo gij althans niet uitzinnig genoeg zijt u-zelveu buiten te sluiten. Zie de koren der engelen, der

aartsengelen, der tronen, der heerschappijen..... de

eerwaardige vergadering der aartsvaders, der profeten, der apostelen, de zegevierende schaar der martelaren... den eerbiedwaardigen raad der priesters en leeraars... Rond het Lam als eerewacht, de maagden, zijne bruiden... de zegepralende legermacht aller heiligen.... Na een korten tijd van lichte kwelling, zyn zij voor eeuwig gelukzalig, voor eeuwig gedompeld in een stroom van wellust.

Het voorwerp van hun geluk is God zelf. God, de onuitputbare bron aller zaligheid. Hij vervult hun verstand met de volheid van zijn licht, hunnen wil met den overvloed van zijnen vrede, al hunne begeerten met de oneindigheid zijner schatten. Zij zien, zij beminnen, zij loven. Zij zien de eerste schoonheid, en dit bekoort hunnen geest; zij beminnen de ware goedheid, en dit verzadigt hun hart; dit zoet genot is een erfdeel, dat hun niet ontnomen zal worden... Zy loven God, en hunne lofzangen zullen als de uitdrukking hunner vreugde, hunner bewondering, hunner liefde, eeuwig zijn, gelijk de gevoelens, die ze doen uitgalmen.

O stad Gods, o woning der heiligen, waar alles blijft en niets voorbijgaat, waar men alle goed vindt en niets ontbreekt, waar alles kalm en zoet is zonder CH. iv. 17

-ocr page 260-

258

eenig mengsel van ontsteltenis, noch bitterheid..... Sclioone hemel, u begrijpen kan ik niet, doch ik kan ii verdienen. Ik hoor Jezus, die in dit oogenblik tbt mij zegt: »Mijii zoon, dat in den arbeid voor mi] ondernomen, uw moed niet wankele, laat de droefheid u niet terneder drukken, maar dat mijne belofte u trooste en sterke in alles wat u overkomt... Hef het oog ten hemel, waar ik verblijf, met mijne heiligen; zij hebben in de wereld een zwaren strijd gestreden, nu verheugen zij zich, nu worden zij getroost, nu hebben zij niets meer te vreezen, nu mogen zij rusten, en zonder einde zullen zij met mij verblijven in het rijk mijns Vaders.quot; (1)

II Punt. Het voorbeeld der heiligen toont ons den weq des hemels en hoe wij de moeielijkheden kunnen overwinnen. Zij hebben den goeden weg gevolgd, wijl zij tot het zalig doel gekomen zijn. Overwegen wij de gedachte van Bourdaloue:

Wat is een heilige? Het is eene wezenlijke, zichtbare, tastbare en zelfstandige voorstelling van de evangelische volmaaktheid. Wanneer God ons een heilige toont, zegt Hij tot ons, gelijk eertijds tot Mozes, toen hij hem de afbeelding des tabernakels toonde: Beschouw en volg dit toonbeeld. Dit levend afbeeldsel, ziedaar wat gij moet worden. Het voorbeeld van dezen gelukzalige leere ü wat gij God, uwen naaste, U zeiven verschuldigd zijt. Het zien van een heilige is eene les, voor ieder verstaanbaar. Terwijl zij ons verlicht, bemoedigt zij ons en beneemt ons onze dwalingen en onze ijdele vrees.

;i) lm. 1. 3. c. 47.

-ocr page 261-

259

Dwalingen omtrent den aard der ware verdienstsn. Wij bescliouweu als groote deugd slechts de groote gaven van God, zooals de gaaf der beschouwing, de gaaf der tranen.... Doch hoevele heiligen hebben nooit eenige dergelijke gunst ontvangen? Hoevelen hebben die meer gevreesd dan begeerd? De H. Ber-jiardus roept uit: »Minder zalving, Heer, doch meer kracht om het kruis te dragen. Minder smaak en meer vurigheid.quot; De H. Franciscus Xaverius bedroefde zich inwending over zijne overvloedige vertroostingen. »Genoeg Heer, het is genoeg.quot;

O O \' O O

Dwalingen omtrent datgene ival de waarde der werken uitmaakt. Is het de uitwendige glans? Een

O O

ontelbaar getal heiligen der eerste orde hebben hunne dagen met de gewoonste werken vervuld. Wat deed de sterke vrouw? Zij spon lijnwaad. Welke schitterende daden volbracht de Heilige der heiligen,

O O \'

gedurende bijna zijn geheels leven onder de menschen? Hoe velen onder degenen, welke wij thans in den hemel zien tronen, hebben als kluizenaars geleefd te midden der wereld, hebben geijverd voor het geloof zonder het aan gene zijde des oceaans te verkondigen, hebben zich aan de boetvaardigheid overgegeven, zonder uitwendig het boetekleed te dragen?

Dwalingen omtrent de hinderpalen ter heiligheid, die men in zich-zelven meent te vinden: hevio-e harts-

O

tochten , door herhaalden zondenval versterkt. Waren de nitverkoornen Gods van hartstochten bevrijd ? Heeft men hen niet hooren klagen, dat hun vleesch opstond tegen den geest? Zijn het uiet juist de welgeregelde driften, die de grootste heiligen gemaakt hebben? Wij meteu de glorie, welke zij

-ocr page 262-

260

verkregen naar de overwinningen, welke zij bevochten, wg gelooven derhalve, dat zij moesten strijden, zoowel als wij. Wat nu ons vallen in de zonde betreft en de kracht der gewoonte hieruit ontstaan, zoo zien wij menig groot heilige, die eertijds even groot zondaar was. Hun voorbeeld zal altijd bewijzen, dat de heiligheid niets onmogelijks bevat; dat zij zelfs gemakkelijk te bereiken is met de genade, welke ons nimmer ontbreekt, dat zij even ware en veel zuiverder genoegens aanbiedt, dan de wereld ons geven kan.

III Punt. De voorhede der heiligen helpt ons het gelukkig einde hereiken, ivaartoe zij gekomen zijn. Zy bidden voor ons, dit is een leerstuk van ons geloof. »Wie zou betwijfelen, vraagt Bourdaloue, dat hunne voorbede onze zaligheid niet meer bevordert dan ons eigen gebed ?quot; en hij geeft hiervan deze reden; »Wij bidden volgens de begeerten onzer harten, welke vaak onrechtvaardig en ongeregeld zijn... Wij vragen niet datgene, wat ons het opperste geluk moet verschaffen. Doch de heiligen, die in het licht Gods onze ware belangen zien, vragen voor ons slechts wat ons zalig is. Hunne gebeden zijn krachtdadig, omdat al hunne gebeden zijn volgens de besluiten Gods en gelijkvormig aan zijnen wil. Jezus-Christus heelt zich in het Evangelie verbonden ons alles te geven, wat wij Hem vragen, doch voorziende, dat wij deze belofte vaak zouden misbruiken en zaken zouden vragen, welke one; nadeelig zouden zijn, heeft Hij de tusschenkomst der heiligen tusschen Hem en ons gesteld, opdat, wanneer het voorwerp onzer gebeden niet goed is, Hij het recht

-ocr page 263-

261

hebbe ons niet te verhooren, zonder aan zyn woord te kort te blijven, omdat Hij dan de gebeden verhoort dergenen, welke wij bij Hem gebruiken ter aanbeveling onzer belangen.quot;

Daarenboven is het gebed eens heiligen uit zich-zelven veel machtiger dan al de onze, omdat de waardigheid van den persoon die smeekt, de verdiensten van het gebed vermeerdert. Ook komt hierbij dat de heiligen geheel onbaatzuchtig, met eene zuiverder liefde voor ons bidden, dat de tegenwoordigheid en het gezicht van God hen aandachtiger doen bidden, terwijl de uitoefening hunner liefde die veel vuriger maakt. Zoo is het dus waar, dat de gelukzaligen te midden hunner zegepraal onze ellende niet vergeten. Even gerust en veilig als zij zijn, omtrent hun eigeu geluk, even bezorgd zijn zij voor het onze. Hoeveel vertrouwen, hoevele vreugde moet deze bemerking mij niet inboezemen: alle heiligen des hemels zijn voor mij toegenegen vrienden, die groot vermogen hebben bij God, want de macht, welke zij verkregen hebben om ons te helpen, maakt grootendeels hunne belooning uit. Allen bieden mij hunne voorbede aan. Zoo ik wil, zullen de Apostelen mij den ijver, de martelaren de kracht, de leeraars het licht, de maagden eene vlekkelooze zuiverheid verkrijgen! Zij vragen mij daarvoor geene andere belooning, dan dat ik aan hen denke, bijzonder gedurende de H. Mis, dat ik met en voor hen God danke, die in het bekronen hunner verdiensten, zijne eigene gaven bekroond heeft.

Herhalen wij dikwijls en bijzonder gedurende het Octaaf het schietgebed: Dat de H. Maagd Maria en

IJ

i

li

i

iii i

I

-ocr page 264-

262

alle heiligen voor ons bij den Heer spreken, opdat wij verdienen geholpen en zalig gemaakt te worden door Hem, die leeft en regeert in alle eeuwen dei-eeuwen. Amen.

63ste OVERWEGIJSG.

2 November.

ALLERZIELENDAG. GODSVIUjCHT JEGENS DE GELOOVIGE ZIELEN.

I. De zielen in het vagevuur verdienen ten volle ons medelijden.

II. W ij kunnen haar krachtdadig en gemakkelijk ter hulp komen.

I Punt. De zielen in het vagevuur verdienen ten volle ons medelijden. Beschouw wie zij zijn, wat zij lijden en hare onmacht om zich-zelven te helpen.

1. Voor wie vraagt de Kerk heden ons medelijden , terwijl zij ons geloof en onze herinnering verlevendigt: Commemoration Voor heilige zielen; het koninkrijk des hemels is hun erfdeel, het kan haar niet meer ontnomen worden. Geduldig en gelaten loven zij God, zij beminnen Hem als den teedersten Vader, hoewel Hij haar als onverbiddelijk rechter behandelt; zij erkennen maar al te zeer zijne straffen verdiend te hebben. Deze zielen hebben daarenboven met ons betrekkingen, volgens de natuur of de genade, welke ons beletten ongevoelig voor haar lijden te mogen zgn; zijn er in die treurige

-ocr page 265-

263

woningen geene personen, met wie wij door de banden des bloeds of der vriendschap verbonden waren ? Wie weet of wij wel geheel vreemd zijn aan de oorzaak harer pijnen? Zouden onze kwade voorbeelden niet eenige harer fouten te weeg gebracht hebben? Zou onze liefde, ware zij werkzamer, waakzamer geweest derzelver getal niet verminderd hebben?

Wat lijden zij om die te boeten? Berooving van het goddelijk aanschijn, foltering van het vuur... pijn van schade, pijn van gevoelen.... Edele, heilige slachtoffers van Gods rechtvaardigheid, wie zou niet deelen in uwe smarten? Willen wij een denkbeeld, hoewel een zeer onvolmaakt denkbeeld hebben van de eerste dezer beide straffen, zoo bemerken wij dat de berooving van eenig goed des te smartelijker valt, naarmate dit goed in zich-zelf uitmuntender is, naarmate men er meer recht op heeft, en naarmate men vuriger verlangt in deszelfs bezit te geraken. Het goed, waarvan de zielen des vagevuurs beroofd zijn, is God zelf. God, het middenpunt, de volheid van alle goed; God, dien zij het recht hebben te bezitten uit kracht der verdiensten van het Bloed van Jezus-Christus. Zij hebben zijne schoonheid gezien , zij beminnen Hem onvergelijkelijk meer, dan men op aarde beminnen kan... Wie zal begrypen met welke hevigheid van verlangen zij naar Hem trachten eu wat zij lijden door steeds van Hem ver-stooten te worden ? De liefde, welke in den hemel het geluk der uitverkoornen uitmaakt, veroorzaakt de grootste kwelling der zielen in het vagevuur. Alles wat, in de wereld der zintuigen, de vlucht eener /.iel tot God, haar begin en haar einde, verzwakt,

-ocr page 266-

264

is dan verdwenen, en nu zoekt zg Hem met eeue onbegrijpelijke vurigheid. Het verstand tracht naar Hem als naar de eeuwige waarheid, de wil als naar het opperste goed, en alle vermogens als naar het eenig voorwerp, dat hen kan verzadigen.

Bij het lezen van de getyden der overledenen, meent men de zuchten te hooren dier lijdende zielen; het gewicht harer liefde trekt haar tot God, en God verstoot haar als zijner tegenwoordigheid onwaardig! Dan eens is het tot Hem zelmi, dat zy hare klachten en zuchten richten: »Gelijk een hert naar waterhronnen smacht, zoo smacht mijne ziel naar U, o God! (1) Waar is uwe oude goedertierenheid, o Heer1? (2) Ik roep tot U en Gij aanhoort mij niet. Ik sta voor U, en Gij beschouwt mij niet. (3) Dan weder betreuren zij de langdurigheid van haar ballingschap. Wee mij, dat mijn vreemdelingschap zoo lang duurt! (4) Wanneer zal ik komen en verschijnen voor Gods aangezicht? (5) Dikwijls doen zij zich-zelven bittere verwijtingen: Waar is uw God, uitzinnige? Ubis est Deus tuus? Waarom geniet gij zijne tegenwoordigheid niet? Gij hadt slechts een weinig behoeven te werken, kleine offers te brengen, om zulk een afschuwelijk ongeluk te vermijden? O wreede omzichtigheid, o noodlottige traagheid, hoe duur kost gij mij, daar gij mij berooft van het gezicht van mijnen God! Bij de smart dezer be-rooving voegt zich nog de foltering des vuurs. Wat deuken de Leeraars der Kerk omtrent deszelfs natuur en het lijden, dat het veroorzaakt?

»Gij vraagt mijquot; zegt de H. Thomas, »hoedar!,-

1

Ps. 41. (2) Ps. 88, 50. (3) Job 30 , 20. (4) Ps. Ii9, 5. (ó; Ps. 4.1, ó

-ocr page 267-

265

dit vuur is; en ik antwoord: het is gelijk aan het vuur der hel. Hier verslindt het het stroo, daar loutert het het goud.quot; De H. Antonius ziet er geen ander verschil in dan slechts in deszelfs langdurigheid. De H. Gregorius meent, dat dit vuur alle pijnen van dit tegenwoordig leven overtreft. De H. Augustinus is van hetzelfde gevoelen, en drukt dit in nog sterker bewoordingen uit. Hij bestrijdt de verblindheid van hen, die zeggen: In alle geval zal dit vuur eens gebluscht worden en zal ik de eeuwige glorie binnentreden; wat maakt het of ik er langeren of kortereu tijd moet blijven ?quot; — » Spreekt niet aldus, herneemt de heilige leeraar, want de pijnen, welke dit vuur veroorzaakt, overtreffen alles wat men smartelijks kan zien, uitdenken of gevoelen op deze aarde.quot;

3. Wat de zielen in het vagevuur ons medelijden nog meer waardig maakt, is, dat zij in hare volkomen verlatenheid, om zoo te zeggen geene hoop hebben dan op ons. Een arme vindt in zijn arbeid een hulpmiddel in zijnen nood; kan hij niet werken, dan bedelt hij, en het tafereel zijner ellende treft de harten. Zoo gaat het eveneens met andere onge-lukkigen, er blijft hun steeds eenig redmiddel. Het zekerst is het aanroepen des hemels, dat steeds verhooring vindt. Doch wat de zielen in het vagevuur betreft, haar ontbreekt alles, indien ons mededoogen haar ontbreekt. Waarheen moeten zij zich wenden? Tot de barmhartigheid des Heeren ? Die tijd is voorbij, nu wordt voldoening der geheele schuld geëischt. Moeten zij verdiensten trachten te vergaderen ? Men kan in de andere wereld niets meer verdienen. Het

-ocr page 268-

266

dagwerk is geëindigd, de noodlottige nacht is aangebroken , waarin men niets meer ter zaligheld werken kan. Zullen zij zich wenden tot hare lotgenooten? Helaas, allen verkeeren in hetzelfde onvermogen, zij kunnen elkander niet helpen.

Slechts tot ons zouden zij zich vol hoop kunnen wenden, om verlichting te vragen in hare smarten; doch wij kunnen noch hare tranen zien vloeien, noch hare klachten hooren. Luisteren wij dan ten minste naar de woorden, welke de H. Kerk haar heden in den mond legt, en dat ons hart zich niet versteene bij het hooren derzelve; Ontfermt U mijner, ontfermt U mijner, ten minste gij mijne vrienden, want de hand des Heer en heeft mij getroffen. (1) Zullen wij door onze onverschilligheid, onze vergetelheid even gestreng zijn als de rechtvaardige God, die haar straft? Onze ongevoeligheid ware des te misdadiger, daar hun lot in onze handen is, en het ons zoo weinig kost, om haar eene oneindige vertroosting te verschaffen.

II Punt. Wij hunnen de zielen in het vagevuur gemakkelijk vertroosten en helpen. Wij kunnen dit, het is een leerstuk van ons geloof. Wij kunnen, leert de roomsclie Catechismus, de goedheid des Heeren niet dankbaar genoeg ^ijn, dat zij den menschen de macht heeft gegeven voor elkander te voldoen, en aldus te betalen, wat aan zijne rechtvaardigheid verschuldigd is. Wij kunnen het lichtelijk, omdat de godsdienst ons talrijke en gemakkelijke middelen hiertoe aanbiedt. De voornaamste zijn het H. Misoffer, het gebed, de aalmoes en de aflaten.

(1) Job 19, 21.

-ocr page 269-

267

Op liet altaar, in het offer daar dagelijks opgedragen, ligt ons krachtigst middel om de lijdende zielen bij te staan, zooais het Concilie van Trente ons leert.

Het is niet te vergeefs, zegt de H. Joannes Chrijsos-tomus, dat de apostelen ons hebben aanbevolen, eene bijzondere gedachtenis te houden van de overledenen, op het oogenblik, dat het goddelijk Lam geslachtofferd wordt; want zij wisten, dat deze zielen een groot deel verkrijgen der vruchten van dit offer. De H. Mis heeft inderdaad eene oneindige waarde, geheel onafhankelijk van \'s menschen wil; zij trekt hare kracht uit zich-zelve. Het Bloed van Jezus-Christus spreekt daar en vraagt rechtvaardigheid en barmhartigheid; rechtvaardigheid voor den Zaligmaker, want Hij vraagt slechts den prijs van zijn lijden, barmhartigheid voor de geloovige zielen, want Hij heeft het recht haar zijne verdiensten toe te passen. Zijn dood op mystieke wijze hernieuwd, verhaast haar glorierijk leven. Hij stelt zijn lijden in plaats van hare kwellingen. Toen de H. Monica, op het punt te sterven, van hare begrafenis sprak, zegde zij: »bekommer U niet over mijn lichaam, doe daarmede wat gij wilt. Alles wat ik ü verzoek is mij aan het altaar des Heeren te gedenken.quot;

Onder den naam van gebed verstaat men al de verschillende oefeningen, welke men verricht voor de rust der zielen in het vagevuur, en ouder dien van aalmoes de werken van barmhartigheid, het

O \'

bezoeken der armen, der zieken... alsook die, welke betrekking hebben op de boetvaardigheid, als vasten, lijfkastijding enz. Eindelijk door het toevoegen der

-ocr page 270-

268

aflaten putten wij in de schatten der Kerk, ten voor-deele der overledene geloovigen, en wij passen de overvloedige voldoeningen toe van Jezus-Christus en der

o o

heiligen. Wat is gemakkelijker dan de voorwaarden te vervullen, waaraan de meeste dier kostbare genaden zijn toegevoegd?

0 Jezus, wees duizendmaal gezegend ons de verlichting en de verlossing te hebben toevertrouwd van die zielen, welke Gij bemint en die zoovele rechten hebben op ons medelijden. Hoe zoet is het voor mij hare tranen te mogen droge a en hare weldoeners te worden! Wij offeren U voor haar alles op wat wij zullen doen en lijden, tot het einde van ons leven. Stort vooral o Heer op dezen dag uw bloed in stroomen uit op die vlammen, welke haar verteren. Gij hebt beloofd de gebeden van uw volk te zullen verhoeren; laat U vermurwen door dezen kreet van het gebed, dat weergalmt in al uwe tempels: Pie Jesu , Do mine,, don a eis requiem.

64^ OVERWEGING.

godsvrucht jegens de zielen van het vagevuur. (Vervolg).

I. Hoe aangenaam deze godsvrucht aau den hemel is.

II. Hoe voordeelig voor hen, die ze beoefenen. I Punt. De godsvrucht tot het verlichten en verlossen der zielen in het vagevuur is den hemel zeer aangenaam Zij behaagt aan God, omdat, terwgl

-ocr page 271-

269

zij ons de liefdadigheid jegens onze broeders doet uitoefenen, zij Hem terzelfder tijd eene Hem dierbare glorie verschaft. Zij vereert zijne Voorzienigheid, welke op deze wijze heeft voorzien in het welzijn vau al hare kinderen, van de dooden door de levenden, van de levenden door de dooden, welke aldus elkanders ijverige voorsprekers worden. Zij verheerlijkt zijne heiligheid, waarvan het vagevuur ons zulk een verheven denkbeeld geeft, zjjne rechtvaardigheid, welke aldus volle voldoening erlangt door de toevoeging der verdiensten van den Zaligmaker, doch zij vereert vooral zijne goedheid, zijne barmhartigheid en zijne liefde tot ons, welke zich daar in vollen glans vertoonen, en van al zijne eigenschappen, welke Hij het liefst openbaart. Overwegen wij hieromtrent de degelijke bemerkingen van Bourdaloue: »De godsvrucht jegens de overledenen veronachtzamen , is niet den minsten ijver hebben voor God, die zijne glorie vindende in de verlossing dier rechtvaardige zielen, deze zich door ons wil verschaffen en het recht heeft zich op ons te wreken, in geval Hij hierin wordt teleurgesteld. Wij bewonderen die apostolische mannen, die de zeeën overtrekken en in barbaarsche landen de zielen der onsreloovio-en

o O

gaan opsporen. Doch weten wij dan niet, dat de godsvrucht tot de zielen des vagevuurs een ijver is, die in zoover het deszelfs voorwerp geldt, geenszins behoeft achter te staan bij den ijver voor de bekeering der heidenen, ja dezen zelfs in zekeren zin overtreft, omdat deze zielen heilig, uitverkoren, in genade bevestigd, onvergelijkelijk edeler zijn in Gods ooo-, meer door Hem bemind worden, en aldus verkeerea

-ocr page 272-

270

in eenen staat, waarin zij Hem veel beter kunnen verheerlijken, dan de zielen der heidenen?quot;

Hij voegt er bij, dat het vagevuur een staat van dwang is, niet slechts voor de zielen, die er lijden, doch voor God-zelven en hij geeft deze reden: In het vagevuur ziet God menige ziel, die Hij met oprechte liefde bemint, en wie Hij nochtans niet de minste weldaad kan bewijzen; zielen vervuld met verdiensten, met heiligheid, met deugd, en die Hij nochtans nog niet kan beloonen, ja, die Hij zelfs verplicht is te slaan en te straffen. Kan men zich wel iets uitdenken, dat meer tegenstrijdig is met de neiffinc van zulk een barmhartigen en liefdevollen

o O

God? Wij moeten dien dwang doen ophouden dooide zielen uit hare gevangenschap te verlossen, en haar den hemel te openen. God heeft zich, om zoo te zeggen, de handen gebonden, en wij maken die banden los. Hij zegt niet tot ons: gelijk tot Mozes; »Laat mij begaan, ik moet straffenquot;, integendeel, Hij spreekt tot ons: »Stelt u tegen mijne wraak, laat die zielen, welke ik bemin en die gij moet beminnen, niet over aan mynen toorn.quot; Wel nu, wat zullen wij doen? Zullen wij God in de noodzakelijkheid laten zijn arm te doen drukken op hen, die Hij verlangt te kronen? Zullen wij niet in zijne verlangens treden?

De minste verzachting, welke wy aanbrengen aan de zielen der geloovigen, is ook eene vermeerdering van glorie voor de heilige menschheid van Jezus-Christus, door de eer aan zijn kostbaar Bloed bewezen, daar het alleen om zijne verdiensten is, dat deze verlichting wordt toegevoegd. Hoe eer zij haar

-ocr page 273-

271

droevig verbluf verlaten, hoe eer de Zaligmaker de laatste vrucht plukt, van hetgeen Hij ter barer zaligheid gedaan en geleden heeft. Maria, de Moeder der barmhartigheid, de troosteres der lijdende Kerk, de HH. Engelen-Bewaarders der overledene geloo-vigen; de heiligen, hunne patronen en beschermheiligen ; geheel het hemelsch hof, dat zich verheugt over de bekeering eens zondaars, verheugt zich nog veel meer als een uitverkoorne ziel haar intreden in het eeuwig koninkrijk houdt. Hecht u dan voor goed aau eene godsvrucht, welke aan den Heer en al de vrienden des Heeren zoo aangenaam is.

ra

11 Punt. De godurrucht tot de geloovige zielen ia voor ons-selcen can het uiterste helang. Door de deugden, welke zij ons doet beoefenen, de genaden welke zij ons verkrijgt, de lessen, welke zij ons geeft, is zij voor ons een krachtig middel ter heiliging en zaligheid.

1. Deze godsvrucht is eene uitmuntende oefening der drie deugden, geloof, hoop en liefde. Wij beoefenen daardoor het geloof, omdat zij ons leidt in eene onzichtbare wereld en meb zooveel kracht en overtuiging voor die wereld doet werken, als ware zij voor onze oogen het geloof aau de gemeenschap der heiligen, aan de uitwerkselen van het goddelijk offer, aan de kracht der Kerk in de toepassing der overvloedige verdiensten, waarvan zij de schatbe-waarster is. Wij oefenen de hoop, wier noodzakelijkheid zich in het geestelijk leven maar al te zeer doet gevoelen. Wij hopen voor die lijdende zielen de zegeningen van het goddelijk Bloed, die hare zuchten in vreugdezangen zullen veranderen, en voor

-ocr page 274-

272

ons-zelven hopen wij de belooning te ontvangen van onzen ijver om haar te helpen. Indien ik haar mijne voldoeningen afsta, in plaats van die voor mij-zelven te behouden, vervul ik dan hierdoor geene heldhaftige akte van hoop? Wij beoefenen daardoor de liefde, niet slechts ten opzichte dezer zielen, doch jegens God, wij beminnen haar, omdat Hij ze bemint, wij verhaasten haar geluk om zijne glorie te vermeerderen, jegens de H. Menschheid van Jezus, jegens Maria, de engelen en de heiligen, gelijk wij dit reeds overwogen hebben.

De H. Franciscus van Sales bemerkt, dat wij in deze godsvrucht al de werken van barmhartigheid, in de H. Schiftuur zou zeer aanbevolen, terugvinden: de aalmoes, het bezoek der zieken enz. Inderdaad door onze godsvrucht jegens de overledenen, stillen wij den honger, lesschen wij den dorst der zielen, welke met een heilig ongeduld haken naar het zien en het bezitten van God. Door met onze eigene voldoening hare schulden te betalen, berooven wij als het ware ons-zelven, om haar te bekleeden met de eeuwige glorie; wij verlossen haar van eene gevangenschap, die smartelijker is dan de dood; wij ontvangen de vreemdelingen en geven hun gastvrijheid in den hemel. Als de dag zal aanbreken, waarop Jezus ons als rechter de vraag zal stellen; Ik had honger, hebt gij mij gespijsd? Ik was ziek, gevangen ; hebt gij mij bezocht?., zalig dan de christen, de religieus, die eene menigte zielen ter zijner verdediging zal zien optreden, welke voor hem zullen antwoorden: Ja Heer, hij heeft het gedaan; wij waren uwe lijdende ledematen in het vagevuur; hij

-ocr page 275-

273

is er in nedergedaald en heeft aan ü al dié goede diensten bewezen, welke wij van zijne liefde mochten ontvangen.

2. Vergeten wij ook de genaden niet, welke deze godsvrucht over ons aftrekt. God heeft beloofd zijne barmhartigheid naar de onze te regelen, en zijne gaven overvloedig uit te storten, in den schoot van hem, die zijn behoeftigen broeder bijstaat. Indien Hij zijne belofte kon vergeten, zou deze Hem in het geheugen teruggeroepen worden door die gevangenen, wier boeien wij verbroken zullen hebben en wier dankbaarheid voor ons eene veilige hulpbron zal wezen in ons leven, bij onzen dood, en in welke omstandigheden wij ons ook mogen bevinden , waarbij wij hare hulp mochten behoeven. Een getrouw vriend is eene machtige bescherming. Doch waar vindt men dien op aarde? Toen Jozef den schenker van Pharaö voorzegd had, dat hij weldra in zijne bediening hersteld zou worden, smeekte hij hem, ook hem dan niet bij den koning te vergeten; ijdel

smeeken, Jozef werd vergeten. Aldus zal het met ons

.. i niet gaan, als wij onze broeders uit het vagevuur verlossen. In den hemel wonen geene ondankbaren. Zij wier lijden wij verlicht, wier geluk wij bevorderd hebben , ware dit slechts voor één dag, voor één uur,

weten beter dan wij, wat zij ons te danken hebben en zullen dit nimmer vergeten. Waren wij ook buiten den staat van genade, in groot gevaar van verloren te gaan,

zouden deze heilige zielen nog met zoo veel aandrang voor ons ten beste spreken, dat God zich zou laten verbidden. Jonathas heeft het leger van Israël gered en wordt ter dood veroordeeld, omdat hij een bevel ch. iv. 18

-ocr page 276-

274

zijns vaders lieeft overtreden. Duizend stemmen vei\'liefieu zich ten zijnen gunste; van alle zgden roept men; »Hoe, zal Jonatlias dan sterven, hij die Israël op zoo wonderbare wijze heeft gered?quot; (1) Het hart van Saül wordt verteederd, hij trekt liet doodvonnis terug; aldus zullen de zielen, die ik uit het vagevuur verlost heb, bij God, zoo noodig, voor mij spreken, Hem zeggende: Heer, zult Gij de eeuwige verdoemenis toelaten van hem, die ons getroost heeft in onze diepe droefheid! Zult gij weigeren barmhartigheid te bewijzen aan dien edelmoedigen weldoener, die jegens ons zoo barmhartig geweest is? Ziedaar, waarom de godsvrucht tot de geloovige zielen beschouwd wordt als een teeken van voorbeschikking , te meer daar zij ons de zaligste overdenkingen ingeeft.

3. Door ons bezig te houden met de geloovige zielen, met haar lijden, met de oorzaak barer smarten, leeren wij de goddelijke rechtvaardigheid vreezen, wellicht nog meer, dan door het overwegen der helsche straffen. In de hel toont God zich onverbiddelijk, doch op wie vallen de straffen van zijne wraak? Op hardnekkige vijanden, die tot het laatste toe de toenadering zijner liefde verstooten hebben, op zondaars, die het altijd zullen blijven, wier raond nooit zal- Ophouden God te lasteren. In het vagevuur ziet Hij rechtvaardigen, die in vrede den slaap des doods zijn ingesluimerd, uitverkoornen , waarnaar de hemel verlangt, zielen, die wel verre van tegen den God to morren, die haar slaat, slechts den God, die haar

(1) 1 Kon. 14, 45.

-ocr page 277-

275

gered heeft, kunnen loven en prijzen; hare sn^irten verminderen hare liefde niet, God zelf bemint haar teederliik en nochtans hoe gestreng behandelt Hij haar! En wat Hij in die zielen straft zijn of lichte fouten of reeds vergeven zonden, doch die in het leven nog niet genoeg uitgeboet zijn. Welke gevolg\'-trekkingen doet my dit maken ?

Indien ik gehoorzaam aan den indruk, welkeP deze waarheden op mij teweeg brengen, zal ik het kwade en tot zelfs de schaduw van het kwade vluchten; dan omhels ik met vurigheid , de boetvaardigheid, overtuigd, dat God in den mensch zal straffen al wat door den mensch niet bestraft is, en dat de voldoening, waardoor ik God in deze wereld wreek, niet kan opwegen tegen de straffen, waardoor God zich wreekt, als de tijd zijner barmhartigheid verstreken is. Ja, ik zal dezen raad van den £!• Au-gustinus volgen: »Dat ieder zich toelegge zijne fouten zoo wel te verbeteren, dat hij na zijnen dood niets meer te lijden hebbe.quot; Dikwijls zal ik met dien grooten heilige tot God zeggen: »Zuiver mijne ziel in dit leven, en breng haar in dien toestaijd, dat het vuur des vagevuurs niets meer in haar te louteren vinde.quot;

-ocr page 278-

276

05ste OVERWEGING.

de opvoeding der jeugd. twee eerste beweegredenen om zich daaraan ïe wijden.

I. Het verlangen van Jezus-Christus en het voorbeeld zijner ijverigste dienaars.

II. De verlangens der H. Kerk en van de geheele maatschappij.

1. Verbeelden wij ons het heilig huisje van Nazareth, en wekken wij, bij het zien der zorgen, welke de H. Maagd haren Zoon bewijst, onzen ijver op, om de jeugdige zielen, welke ons zijn toevertrouwd, te vormen naar het voorbeeld van het kind Jezus, dat steeds toenam in wijsheid en behagelijkheid voor God en de menschen.

2. Vragen wij, door de voorspraak van Maria, de genade, om de zoo gewichtige bediening der christelijke opvoeding heilig te vervallen.

I Punt. Verlangen van Jezus-Christus door zijne getrouwe dienaars zoo wel begrepen. De koningen der aarde hebben hunne gunstelingen, de Koning des hemels heeft ook de zijne. Hij heeft gewild, dat zijne voorliefde voor de kinderen in het Evangelie in.treflende woorden stond uitgedrukt. Van alle zijden komt men tot Hem , om zijne godspraken te hooren, en de wonderdadige weldaden te ontvangen, welke als het ware uit zijne handen vloeien. In die bewonderende en smeekende schaar bevinden zich moeders, welke gaarne door het volk heen willen drino-en om Hem te smeeken hare kinderen te zegenen.

-ocr page 279-

277

Joch de Apostelen, haar iuzieht radende, dringen haar terug, haar waarschijnlijk zeggende, dat de Messias op aarde nedergedaald om haar zalig te maken, wel iets anders te doen heeft dan kinderen te zegenen... Ach, hoe slecht kenden zy den geest van hunnen goeden Meester! Met een blik van zachtmoedigheid beschouwt Jezus die onschuldige kleinen; de schoonheid hunner ziel doet zijn Hart trillen, en dadelijk hunne verdediging op zich nemende, zegt Hij: Laat de kimhren tot mij komen en verhindert hen niet, want voor dezidken is het Rijk Gods. Voorwaar zeg ik u: al wie het Rijk Gods niet ontvangt gelijk een kind, die zal het niet waaan. (1) Terzelfder tijd opent zich de schaar; de kinderen treden vooruit,... daar zijn zij in de armen van den Zoon Gods!

Gelukkige kinderen, indien zij hun geluk beseffen! Welk een geluk voor mij, indien ik het mijne en de gunst, welke Jezus mij bewijst, wel kende, door mij niet slechts tot den religieuzen staat, doch ook tot de opleiding der jeugd te roepen. Ach! besefte ik wel de grootheid en het voordeel van dit apostolaat, verborgen voor het oog der menschen! Begreep ik eens wel, hoe gemakkelijk het voor mij is, door deszelfs beoefening mij de genegenheid te verzekeren van mijn Rechter en Opperheer! Ik meen Hem, gelijk eertijds tot het hoofd zijner Apostelen, tot mij te hooren zeggen: gt;Indien gij mij bemint, zoo weid mijne lammeren. Deze kinderen behooren mij, mijne macht heeft ze geschapen, mijne Voorzienigheid heeft ze bewaard, myn lichaam is hun tot

(1) Luc. 18, 1G—17.

-ocr page 280-

278

voedsel, mi]q rijk tot erfdeel bereid. Dat uwe waak-zaamlaeid ze behoede tegen den aanval van het kwade, dat uw ijver, door mijne genade bijgestaan, in hen de kiem der deugden ontwikkele door mij daarin nedergelegd; aldus zult gij mij helpen om hen zalig te maken; geef mij dit bewijs uwer liefde. O mijne ziel, wat zult gij uwen hemelschen bruidegom antwoorden? Wilt gij niet in zijne verlangens treden? Zal het geluk. Hem te behagen, U niet al de moeie-lijkheden doen vergeten van de edele bediening, welke Hij u toevertrouwt?

Ziedaar wat zooveel ijver heeft ingeboezemd ter heiliging der jeugd, aan de grootste heiligen, aan de schoonste geniën van het christendom. De H. Hie-ronymus had zich in zijne laatste levensjareu te Bethlehem gevestigd, ten einde daar gemakkelijk de geheimen van Jezus Kindsheid te overwegen. Terwijl men van de verst verwijderde landstreken bij hem licht en onderricht kwam putten, en zijne boetvaardigheid bewonderen, schreef hij aan eene Romeinsche dame: »Zend mij uwe kindertjes, het zal mij eene vreugde zijn, met hen de beginselen van het geloof te stamelen.quot; De H. Gregorius ging nog verder. Met eene altijd wankelende gezondheid, en belast met het bestuur der geheele H. Kerk, vond nij tyd en kracht om de jeugd te onderrichten. De H. Augustinus, de H. Vincentius Ferrerius, de H. Carolus Borromeus, de H. Franciscus Xaverius, de H. Franciscus van Sales, Gerson, Bellarminus, Fenelon, meenden nooit beter hunnen talenten te kunnen gebruiken, hun leven niet nuttiger te kunnen besteden, dan door te werken aan de heiliging der

-ocr page 281-

279

kinderen. Gerson zegde: Het is eervol den zoon des vorsten, den aanstaanden erfgenaam des troons op te voeden, docli is het kind, dat ik vorm tot de deugd, niet het kind van God, de erfgenaam van het eeuwig rijk? En de H. Franciscus van Sales zegt: »Geloof mi), de bewaarengelen der kinderen beminnen met bijzondere liefUe degenen, die hen opvoeden in de vreeze des Heeren, en eene teedere godsvrucht storten in hunne ziel.quot;

O Jezus, hoe zoet is het mij, door mijne bediening deel te hebben aan het werk dier groote heiligen uwer Kerk, doch hoeveel zoeter is het mij daarin de treleo-enheid te vinden om de vurige begeerten

C5 O O ~

van uw Hart te voldoen! Ik stel dus de armoedigste school ver boven het schitterendst paleis, omdat ik daar mijne dagen mag doorbrengen in U te doen beminnen , en U te toonen, dat ik ü bemin!

II Punt. V \'erlarigen der II. Kerk en der geheele maatschappij. Door de christelijke opvoeding dei-kinderen , gaat men tot de bron van het goede, tast men het kwaad aan in zijn wortel en bereidt men betere geslachten. Even als uit Abraham alleen geheel een volk van geloovigen ontstond, zoo is een welopgevoed kind soms de stamvader van een geheel volk van rechtvaardigen. Hadden zij, die met de eerste opvoeding belast werden van een Franciscus van Sales, een Xaverius, een Vincentius van Faulo, eene Angela van Merici, eene Theresia, eene moeder de Chantal, aan hunne roeping ontrouw, die kinderen verwaarloosd, hadden zij den adem van het kwaad hunne onschuld laten bezoedelen, hun karakter laten bederven, zoodat zij onbekwaam zouden

-ocr page 282-

280

geworden zijn, hunne groote en weldadige zending te vervullen, o wie siddert dan niet bij de gedachte, aan de schatten van genaden en troost, waarvan zij de Kerk en geheel het menschdom beroofd zouden hebben ? Hoevele deugden, welke heldhaftige zelfopoffering, welke reeds in den hemel bekroonde deugd, zijn reeds de vrucht geweest der heiligheid van die uitverkoren zielen, en is hare heiligheid zelve niet grootendeels de vrucht harer goede opvoeding geweest?

Men zen-ere niet: Ik heb slechts kinderen uit de

OO

laagste klasse op te voeden, kinderen die ncoit op hun evennaaste eenigen nuttigen invloed zullen uit-uitoefenen, dan binnen zeer beperkte grenzen; niemand toch weet het.... Waren Vincenüus van Paulo en duizend anderen van zulke hooge geboorte? God is vrij iu de keus der werktuigen zijner barmhartigheid. Wellicht ziet Hij in die kleine kudde, die U omgeeft, zielen, welke Hij zal gebruiken om eene menigte andere zielen zalig en heilig te maken. Doch zoudt gij ook de zekerheid hebben, dat geen dezer kinderen den gewonen weg zal verlaten, dan nog zoudt gij niet kunnen uitmeten, hoe ver het goede, dat gij hun doet, zich uit kan strekken. De goede uitslag de godvruchtige gewoonten, welke gij hun doet aannemen, zullen zij overbrengen op hunne kinderen; dezen zullen ze op hunne beurt overplanten, en aldus worden heilige overleveringen gevestigd, wordt eene aaneenschakeling van christelijke deugden voortgezet.... Eeuwen zullen oogsten wat gij gezaaid zult hebben. Een geleerde (1) schreef: »Ik heb

(1) Leibnitz.

-ocr page 283-

281

altijd gemeend dat men het menschelijk geslacht zou hervormen, indien men de opvoeding der jeugd hervormde; meeningen, gevoelens, zeden, goed en kwaad, alles ligt daarin besloten. Door haar is een volk wat het is, zij geleidt het of doet het dwalen. Zij is het leven of de dood van de staten, evenals van de gezinnen.quot; O ! wilde de wereld eens begrijpen, voor hoevele rampen de religieuze Congregatiën, welke zich aan de opvoeding wijden, haar bewaren , hoevele diensten zij haar bewijzen, hoe zou zij, wel verre van ze te bemoeielijken, haar met alle kracbt helpen. Rekenen wij niet op de dankbaarheid dei-wereld , doch op die der Kerk, welke ons telt onder het getal dergenen, die werken in haren wijngaard, en ons deel geeft in de gebeden, in de offeranden, welke zij opdraagt voor hen, die medewerken aan de heiliging harer kinderen.

Danken wij God, dat Hij ons tot dit heilig apostelambt heeft geroepen. Betreuren wij, dat wij dit niet hoog genoeg geschat hebben, en vormen wij het besluit, onze bediening voortaan zoo volmaakt mogelijk te vervullen.

66ste OVERWEGING,

DE OPVOEDING DEll JECGD. ANDERE BEWEEGREDENENquot; 031 ER ZICH AA.N TE WIJDEN.

1. De bijzondere belangstelling, welke de jeugd inboezemt.

11. De voordeelen, welke zij die zich aan de opvoeding wijden, hieruit trekken.

-ocr page 284-

282

I Pi\'NT. In het oog des geloofs is geen leeftijd zoo helangioekkend als de kindsheid. Drie zaken vooral boezemen ons voor de jeugd belangstelling in: hare onschuld, hare gevaren, en hare ontvankelijkheid voor het goede.

1. Wat toch is onschuldiger dan harten door het doopsel vau de erfsmet gezuiverd, die nog de noodige kennis missen, om dadelijke zonden te bedrijven? Dit zijn wel de kinderen der menschen, waaronder de Heer met welbehagen zijne woning vestigt. De-liciae meae esse cum Jiliis hominum. Zelfs in diegenen, wie eene vroegtijdige bedorvenheid eenige fouten heeft doen begaan, heeft de ondeugd nog geene diepe wortelen geschoten, zij heeft hun nog die beminnelijke openhartigheid niet benomen, welke de ziel voor zalige indrukken opent. Indien de H. Geest reeds verplicht is geweest, die tempels te verlaten, waarin Hij zijn behagen vond, zoo is Hij toch uiet ver verwijderd, Hij staat aan de deur en klopt..,. O welk eene schoone roeping is die, welke de onschuld der kinderen Gods bewaart, of zoo zij die verloren hehben, hen spoedig in haar bezit herstelt?

2. Het is gewoonlijk in de kinderjaren, dat het lot der eeuwige jaren beslist wordt. De opvoeding is een vorm, waarin de mensch zijne verstandelijke, zedelijke e» godsdienstige vormen aanneemt. In zijn ouderdom zal hij, dus leert de H. Schrift, datgene zijn, wat zijne jeugd hem gemaakt heeft. Zoo het vergift der ondeugd zijn hart besmeurt op jeugdigen leeftijd, dan is het te vreezen, dat het zal doordringen tot het merg zijner beenderen, dat het zijn leven zal besmetten en met hem in het graf zal

-ocr page 285-

283

dalen. Gevoelt men zich al verplicbt, eene schuldige jeugd té veroordeelen, men ka,n zich tevens niet onthouden haar te beklagen? Alles is valstrik, alles is verleiding in die jaren; de wereld, welke door hare bekoorlijkheid verblindt, en waarvan men dan nog in de verste verte de trouweloosheid niet vermoedt; de duivel, die om zeker te zijn van de laatste oogenblikken, zich haast de eerste te veroveren; bedorven vrienden, besmettelijke voorbeelden. Om te weerstaan aan zulke aanvallen, zou men de vreeze Gods, deu afschuw der zonde, de leerstellingen van den godsdienst diep in zijn hart gegrift moeten hebben. Wat zal er worden van den jongeling, van de jonge dochter, die eene zorgvuldige, christelijke opvoeding niet gewapend heeft voor dezen strijd? Blijven er zelfs wel veel hulpbronnen over voor de toekomst in een hart, dat nooit het geluk der deugd, de hoop van het toekomstig leveu , de belooning en straf der eeuwigheid heeft leeren kennen?

Gelukkig hij daarentegen, die, van zijne kinderjaren af, het juk des Heeren gedragen heeft. Hij zal, volgens de uitdrukking van den H. Geest, zijn, gelijk een boom geplant aan deu loop des waters; dezen zullen noch bloemen in de lente, noch vruchten in den herfst ontbreken: de onschuld zal zijne jeugd versieren, en op meer gevorderden leeftijd zal hij vruchten dragen van hechte deugd. Zou hij het ongeluk hebben af te dwalen, zoo mag men vertrouwen, dat hij op den goeden weg terug zal keeren, want zijne goede opvoeding heeft hem een krachtig middel tot bekeering, genade en berouw bereid.

-ocr page 286-

284

3. Men moet nooit wanhopen aan de zaligheid van wie ook; doch hoe moeielijk valt het sommige zondaars tot God terug te brengen. Het kind daarentegen legt den ijver slecbts één hinderpaal in den weg, zijne lichtzinnigheid: wat men met hetzelve noodig heeft, is geduld. Zijne ziel is een braakgrond, die slechts de bewerking behoeft om honderdvoudige vruchten voort te brengen; het is eene buigzame plant, welke den vorm en de richting aanneemt, welke men daaraan geeft. Zijn hart, van alle misdadige genegenheden vry, neemt gaarne de beste richting. Het gelooft aan het gezag, het neemt op vertrouwen het geloof en de gevoelens aan van hen, die hem naderen. O hoe gemakkelijk is het dien leeftijd te verteederen, door te spreken van een God, die voor ons een kind wilde worden , voor ons wilde sterven; de vreeze des Heeren, het mededoogen met de lijdenden, de dankbaarheid, de goddelijke liefde op te wekken in zielen, door het doopsel tot alle christelijke deugden bereid! Men ondervrage de ijverige herders, allen zullen betuigen, dat geen deel hunner bediening hun meer troost aanbrengt, dan hunne zorgen voor de jeugd. Ook draagt dit gedeelte hunner bediening de rijkste vruchten.

Moge ik ook de grootste zorgvuldigheid wijden aan de bekeering van een grijsaard, tot dusverre doof voor de stem van zijn geweten; werd mijne zorg ook met het heerlijkst gevolg bekroond, zoo kan dit niet wegnemen, dat dit lange leven op ver-dienstelooze wijze voorbijgegaan is, en het steeds eene uittarting des hemels geweest is. Is er sprake van een kind? Mijn ijver zal geheel zijn levensloop

-ocr page 287-

285

lieiligen, ik bereid al het goede, dat het zal Yerrichten, ik deel in al de goede werken, waarmede het zijne loopbaan zal vervullen.

II Punt. Geene bediening is voordeeliger voor hen, die ze uitoefenen, dan de opvoeding der jeugd. Menigvuldige verdiensten, overvloedige genaden om uw leven te heiligen, uwen dood te verzachten; o apostelen der kindsheid. God heeft voor u het beste deel uitgekozen !

Menigvuldige verdiensten. Het is uit ijver, dat is uit liefde tot God en den evennaaste, dat men zich aan de opvoeding der jeugd toewijdt; de liefde, die de ziel dezer roeping is, maakt alles wat men er in doet of lijdt, bovennatuurlijk. Het onderwijs dat men geeft, zelfs van zijne natuurlijke zijde beschouwd, is niet zonder verdiensten voor God. Zou men ons kinderen toevertrouwen, zouden wij gelegenheid vinden hun de wetenschap der zaligheid te onderwijzen en hen te vormen tot de deugden, die heiligen kwecken , indien zij tevens in onze scholen niet die kennissen putten, welke de wereld, in hare verblindheid, boven alle andere stelt? Wij zijn wel verplicht, willen wij hen tot den hemel geleiden, ons punt van vertrek van de aarde te nemen, doch de hemel en het eeuwig geluk dier kostbare zielen is

O D

het hooge doel van ons streven, en ziedaar juist het kenmerk der christelijke opvoeding. Daarenboven is dit leven, als het ware, slechts een langdurige dood, door de zelfverloochening en de onderwerping welke het vereischt; een religieus aan de opvoeding-toegewijd en getrouw aan zyn plicht, is, gelijk de H. Paulus, de gevangene van Jezus-Christus. Aldus

-ocr page 288-

286

van de eene zjide versterving van alle oogenblikken, van de andere eene voortdurende oefening van liefde, wat is er meer noodig om in weinige dagen talrijke rechten te verkrijgen op het eeuwig Koninkrijk? Men bestaat eeni^e fouten in deze bediening; waarin

DO O \'

begaat men er jreene? En voor wie zullen de schat-

o r»

ten van barmhartigheid zijn , zoo niet voor hen, die de barmhartigheid op de uitmuntendste wijze beoefenen ?

Overvloed van genaden. God evenredigt de gaven welke Hij ons schenkt, aan de mededeeling, die Hij wil, dat wij er van doen ; Zijne liefde voor de kinderen, welke Hij ons toevertrouwt, is de maat zijner milddadigheid jegens ons; niet slechts, omdat Hij ons voor beu verrijkt, doch ook, omdat zij zei ven, als wij ons van hun vermogen weten te bedienen, voor ons bij God krachtige voorsprekers zullen zijn. God kan het kindergebed niet weerstaan. De enkele tegenwoordigheid eener zuivere ziel voor de opperste majesteit, verkrijgt meer dan onze doordringendste kreten. Hoe vele zuivere zielen ziet God in mijne klas, rondom mij. Wat belet mij hare onschuld voor mij ten beste te doen spreken. De H. Fran-ciscus van Sales vraagde steeds de kleine, door-drinsrende gebeden van de kinderen van Mevr. de

O ~

Ghautal. _ De H. Philippus Nerius noemde de kleine kinderen zijne adjudanten voor de bekeering der zondaars. Gerson verzekerde zijne leerlingen, dat hunne gebeden hunne engelen-bewaarders ten zijnen cunste zouden stemmen, hem het Hart van Jezus zouden winnen, hem de poorten des hemels zouden openen.

-ocr page 289-

287

Dit is dan wel eeu vruchtbare bron van genade en zegening iu leven en dood voor hen, die zich aan de heiliging der kindsheid toewijden. Men verbeelde zich een dier ijvervolle onderwijzers, eene dier vurige Bruiden van Jezus, die na vijftien, twintig jaren vermoeienden arbeid ia de opvoeding der jeugd, hun laatste oogenblik zien naderen. Zij gaan deze wereld verlaten, doch hunne werken volgen hen. Terwijl zij hunnen laatsten strijd voltrekken en zich zuiveren in het lijden, rijzen talrijke gebeden voor hen ten hemel!

En al zouden zelfs de kinderen dezer aarde hen vergeten, dan vergeten die van het hemelsch vaderland hen niet; want daar zijn er reeds velen, welke hunne toewijding den ingang des hemels verschaft heeft. Met welke bezoradheid, met welke krachtdadigheid

o \' O

bidden zij voor hunne groote weldoeners. Men meent den jeugdigen Tobias te hooren, als hij van zijne lange, gevaarlijke reis teruggekeerd, zijn vader de dankbaarheid zoekt te doen deelen, welke hij zijn trouwen geleider verschuldigd is. »Hij heeft mij geleid, zoo spreekt hij ongeveer, hy heeft mij gezond en wel teruggebracht. Hij heeft mij verlost van een monster, dat op het punt stond mij te verslinden, mijn vader, wat zullen wij hem aanbieden? Het minste wat wij doen kunnen is hem de helft der goederen aan te bieden, die wij hem verschuldigd zijn.quot; Waarom zouden jeugdige gelukzaligen niet aldus tot God spreken ; als zij Hem bidden voor hen, die na zorg gedragen te hebben voor hunue kinderjaren het einde hunner loopbaan bereikt hebben? »Zij gaan voor U verschijnen,quot; o mijn God,

-ocr page 290-

288

die godvruchtige leilsliedeu onzer kinderjaren. Na U, zijn wij hun ons geluk verschuldigd. Zij hebben ons geleid en ondersteund op het glibberig pad der jeugd. Zij hebben ons U leeren kennen en beminnen. Een afschuwelyk monster, de zonde, wilde ons in den afgrond werpen, zij hebben ons daarvan bevrijd. O Vader, evenredig hunne glorie, hunne zaligheid aan de onschatbare diensten, welke zij ons bewezen hebben.quot; Dit gebed zal ten volle verhoord worden. God zal voor de redders der kinderen meer doen dan Tobias voor Rafaël vraagde. Hij zelf zal hun overgroot loon zijn.quot;

67ste OVERWEGING.

DE OPVOEDING DER JEUGD.

I. Het dosl dat men zich daarbij moet voorstellen. II. De gevaren, welke men vermijden moet.

I Pont. IVe/k doel moet men zich in de opvoeding der jeugd voorstellen\'? Het vormen van het hart, het ontwikkelen van den geest.

1. Opvoeding des harten. In het hart ligt de bron, quot;Waaruit goed en kwaad ontspringen. Onze gedachten, onze genegenheden, onze werken trekken uit het hart, al wat zij loffelijks of berispelijks hebben. En dat hart, waaraan alles gehoorzaamt, heeft slechts twee bewegingen; het zet zich uit of krimpt in, het o-eeft zich aan anderen of offert alle anderen aan

O

zich-zelven op. Toewijding of zelfzucht — er bestaat

-ocr page 291-

289

geen midden — en nadat liet zieh voor het eene of liet andere verklaart, sleept liet de ziel met zich mede. Wie gevoelt derhalve liet groote belang niet van de opvoeding des harten? Uit liet kinderhart eiken wortel van eigenbaat rukken, daarin den lust tot weelde en ijdelheid uitblusschen, welke uitdroogt en onbekwaam maakt tot opoffering; het daarentegen gewoon maken aan de vreugde der liefdadigheid en edelmoedigheid, en daar God alleen den geest van zelfopoffering kan inboezemen, het kind met Hem vereenigen door eene ware en gegronde godsvrucht. Ziedaar het doel van hen, die het heil der zielen j ernstig beoogen en de maatschappij willen redden door de christelijke opvoeding der jeugd. Niet te quot; vroeg kan men elke verkeerde neiging bestrijden en de ware liefde tot de deugd opwekken. Het gaat met de eerste indrukken, welke wij ontvangen, als met letters op het jonge boomschors gesneden, wel verre van door den tijd te verzwakken, worden zij sterker. »De zedelijke mensch, zegt een schrijver, is reeds op tienjarigen leeftijd gevormd; is hij niet gevormd op zijn moeders schoot, zoo is dit een groot ongeluk, doch heeft zijne moeder het zich tot plicht gesteld op het voorhoofd van haar kind den stempel der deugd diep te drukken, dan kan men bijna zeker zijn, dat de hand der ondeugd dien nimmer zal uitwisschen.quot;

2. Ontwikkeling van den geest. Er bestaan genietingen voor het verstand, gelijk voor het hart. Heeft het eene behoefte te beminnen, het andere heeft behoefte te kennen. Benuttigen wij vroegtijdig die weetgierigheid, welke zich in het kind openbaart CH. iv. 19

-ocr page 292-

290

door talrijke vragen, door de vreugde, welke schittert in zijn oog, op zijn gelaat, als het iets begrepen heeft, voor eenige welgeslaagde poging geprezen,.wordt. Zoo gij in liet kind lust tot de studie, smaak tot liet lezen van goede boeken, of slechts de neiging tot eenige degelijke bezigheid van den geest hebt opgewekt, verkrijgt gij in de toekomst een heerlijk gevolg; gij behoedt het hierdoor tegen de ledigheid, de lichtzinnigheid, de weekelijkheid, de neiging tot genoegen, zoo hevig in dezen leeftijd. De studie is het nadenken, het oefenen van verstand en geheugen , het is eene voorbereiding tot een welgeregeld en werkzaam leven.

Wij zijn aan de kinderen een degelijk onderwijs, aan hun rang en stand geëveuredigd, verschuldigd. Vinden zij dit niet bij ons, hoevelen zullen dan elders de ijdelheid, wellicht de onzedelijkheid gaan leereu. Doch indien wij hun de juistheid van oordeel willen geven, welke zoo noodig is tot het leiden van een welgeregeld leven, dan moeten wij hun elke wetenschap onder godsdienstig oogpunt leeren beschouwen , wijl elke wetenschap van God komt en tot Hem moet wederkeeren. Hechten wij aan het onderwijs van het geloof alles wat zij moeten kennen onder louter wetenschappelijk opzicht, opdat bet Katholiek geloof hun altijd voorkome als het scheppend beginsel van al wat waar, wat schoon, wat rechtvaardig en nuttig is. Ontrukken wij hen aan die noodlottige^bewoudering eener zinnelijke letterkunde, aan die bedervende kunst, waarvan zij de zoogenaamde meesterstukken hooren prijzen. In die vereeniging van] de vorming van den geest en de

-ocr page 293-

291

opvoeding van het hart, zal de jeugd al den waren rijkdom vinden der verbeelding, al de beginselen der kracht, al de grondslagen van deugd en geluk.

II Punt. Gevaren welke men in de opvoeding der hinderen, moet vermijden. Ziehier de voornaamste:

1. De onvoorzichtigheid van een buitensporigen ijver. Eene levendige ziel, een hevig karakter kan zich niet genoeg in acht nemen tegen de vervoering eener werkzaamheid, welke men niet met de liefde moet verwarren. Gij bezit eene vurige godsvrucht, gij zijt met de beste meeningen bezield, docb gij kent noch de wereld, noch het menschelijk hart. Gij verontwaardigt u licht bij het zien der ongeregeldheden , waarvan gij getuige zijt; moet men u uwe onschuld als misdaad aaurekenen? Gij hongert en dorst naar de glorie van God en de zaligheid

o o

der zielen, gij verbittert u tegen de hinderpalen;

gij stoot tegen vooroordeelen, gij krenkt..... Zonder

het te bemerken, stelt gij den ijver der drift in de plaats van den ijver des geloofs. Deze laatste, de eenige, welke de H. Geest inboezemt, en terzelfder tijd regelt, overlegt alvorens te handelen, en handelt slechts zeer langzaam. Hij zegt met den H. Vin-centius van Paulo: »Wachten wij de oogenblikken der Voorzienigheid af, zonder die te verhaasten. Het oogenblik der genade is niet altijd het oogenblik van ons ongeduld.quot; Heeft men niet die gematigde voorzichtigheid, dan verliest men den vrede zijner ziel en verteert zich in nutteloos streven. Omdat men te veel eischt, verkrijgt men niets; en de deugd welke het nuttigst voor de wereld kon zijn, wordt somtijds een der noodlottigste ondeugden.

-ocr page 294-

292

2. Natuurlijke voorliefde en weerzin. Er zijn liinderen die beminnelijker, verstandiger, aantrekkelijker zijn; er zijn er ook, jegens welke de natuur zich kariger betoond heeft in hare gaven. Als men niet zorgvuldig over zijn hart waakt, wordt men vooringenomen, hetzij door het goede, hetzij door het kwade, en men wordt partijdig en onrechtvaar-dio-. Een arm kind wordt of veronachtzaamd öf ruw

O

bejegend, omdat het minder aanvallig is , alle gunsten worden voorbehouden aan het kind dat behaagt. De voorkeur aan het eene betoond, moet de afgunst van het andere opwekken, en welke kwade gevolgen ontspruiten hieruit? De geschiedenis van Jozef, door zijnen vader boven zijne broeders begunstigd, zegt het ons duidelyk genoeg. Willen wij het verheven doel, dat wij ons voorstellen, bereiken? Verheffen wij ons dan boven de natuur; zien wij slechts zielen, die wij heilig en zalig moeten maken.

Houden wij steeds de schaal in evenwicht en als wij ze ooit doen overslaan, zoo zij dit naar de zijde van de grootste ellende, hoe meer een kind door zijne kwade neigingen gevaar loopt verloren te gaan, hoe meer recht het heeft op ons medelijden.

3. De gemeenzaamheid. Zeker moeten wij de kinderen beminnen en hunne genegenheid trachten te verkrijgen. Zoo wij hun hart niet winnen, kunnen wij het God niet geven. De H. Ambrosius zegt: »Niets is nuttiger dan zich te doen beminnen,quot; en de H. Franciscus Xaverius schreef aan zijne medearbeiders in Indië: » Wint vooral de liefde der volken, wanneer gij die eenmaal verkregen hebt, zult gij met hunne zielen kunnen doen wat gij wilt.quot; Het

-ocr page 295-

293

is noodzakelijk dat het kind u zijn hart opene, opdat gij daarin het zaad der deugd kunt werpen. Hun vertrouwen is dus onmisbaar, doch trachten wij dit niet door gemeenzaamheid te verkrijgen , want hierdoor zouden wij slechts den ons verschuldigden eerbied uit het oog doen verliezen. De religieuze zedigheid

\'j cj o

verbiedt ons bewijzen van zinnelijke vriendschap te geven of te ontvangen, welke noch voor ons, noch voor de kinderen zonder gevaar zouden zijn. De verwijfdheid onzer hedendaagsche zeden maakt dezen raad hoogst noodzakelijk.

4. Eeue overdreven gestrengheid. De tucht is

n o

de orde, en de orde is de voorwaarde van het welslagen. Men is dus verplicht het gezag (in onze dagen helaas! zoo aangetast) te doen gelden. Wij zijn wel gedwongen voor de meeste kinderen, wier karakter weerbarstig is, de vrees in het spel te brengen , doch men moet eerst dan hiertoe ovei\'gaan, als alle andere middelen te vergeefs beproefd zijn. De vrees is gelijk aan alle hevige geneesmiddelen; slechts by hevige ziekten gaat men daartoe over. Berisp nooit een kind in deszelfs eerste drift, noch in de uwe; indien gij het in uw eerste drift berispt, begrijpt het, dat gij uit opgewondenheid handelt; het begrijpt dat de drift het recht niet heeft de drift te bestraffen en gij verliest uw ontzag. Berispt gij het in deszelfs eerste drift, dan is zijn geest niet rustig genoeg om zijne fout te erkennen en voordeel te trekken uit uwe vermaning. Zijt gij verplicht te straffen, zoo zij de straf licht in zich-zelve en dat de schuldige dan vooral gevoele, dat het u moeite kost tot dit uiterste over te gaan. Spaar zijne eigen-

-ocr page 296-

294

liefde, zelfs terwijl gij het vernedert. Meer dan eens is eene onbillijke straf, eene onredelijke gestrengheid genoeg geweest om niet alleen een kind, doch geheel deszelfs familie te verbitteren, en kan de ontevredenheid van eene familie zich niet aan andere tne-dedeelen ?

5. De buitensporige vermaken. Het is met het vermaak gelijk met het voedsel; men maakt zich zoodanig aan de fijne schotels gewoon, dat de gewone, wel toebereide spijzen niet meer smaken. De gematigde genoegens doen zich minder gevoelen, doch zij zijn meer aan te raden, dan opwekkende vermaken, welke de driften prikkelen. De eerste verschaffen eene duurzame vreugde en werken altijd gunstig, de andere zijn gelijk vervalschte wijnen, welke eerst beter smaken dan de onvervalschte, doch schadelijk zijn voor de gezondheid. Bewaren wij in de kinderen den smaak voor de eenvoudige zaken: dat er noch fijne spijzen noodig zijn om hen te voeden, noch uitgezochte vermaken om hun genoegen te verschaffen. Had ik tot dusver wel al het

O

goede begrepen, dat ik doen kan in mijne nederige bediening bij de kinderen? Heb ik voor hen, die goedheid gehad, welke het hart opent en ze bereidt tot de _liefde Gods door de liefde tot zijne plaatsvervangers? Ben ik niet gevallen in vele fouten, welke ik overwogen heb? Heer, gelief mij hiervoor in het vervolg te bewaren, in mij den geest van wijsheid te doen dalen, welke van U, bron aller waarheid, volmaaktheid aller deugden, nooit afwijkt. Moge zij altijd mijne raadgeefster, mijne leidsvrouw zijn. Dat zij mij ia elke omstandigheid leere wat

-ocr page 297-

295

ik moet vermijden om U welgevallig te zijn en dat zij mij daartoe kracht verleene.

68st0 OVERWEGINO.

DE ZOllG DER ZIEKEN. liESCHOUWD IN HAAR VOORAVERP EN HARE VRUCHTEN.

I. Zij is treffend in haar voorwerp.

II. Zij is troostvol in hare vruchten.

1. Verbeeld u Jezus-Christus op den grooten dag der vergelding eenö liefdezuster te zien kronen, ten

O O \'

aanzien van het heelal en tot haar te hooren zeggen: Ik was ziek en gij hebt mij bezocht. (1)

2. Smeek den H. Geest U die medelijdende en verstandige liefde te schenken, welke in uwe bediening zoo onontbeerlijk is.

I Punt. De zorg der zieken heschouwd in haar voorwerp. Wie zijn degenen, welke men moet helpen en welke hulp moet men hun geven?

1. 0 gij, die de navolgster van Jezus moogt zijn terwijl gij reeds zijne Bruid zijt, stel u het beeld voor van datgene wat vaak eene treurige werkelijkheid is: een zieke, neerslachtig, bedroefd, ten prooi aan het lijden, wien alles, doch vooral het noodzakelijkste aller goederen, de vrede der ziel, de rust des gewetens ontbreekt!.... de pijnen, welke hij verduurt, die welke hij vreest, somtijds de hard-

k

(1) Matth. 25, 36.

-ocr page 298-

296

vochtigheid van hen, die hem de meeste liefde verschuldigd zijn, alles werkt samen om hem in diepe droefheid te dompelen.

Altijd tegenover zich-zelven en zijnen betreurens-waardigen toestand, verstrooit niets de sombere overdenkingen, die hem aanvallen. Ach, hoezeer behoeft hij de toenadering van een liefdevol hart. U, mijne zuster, kiest de Voorzienigheid uit om hem dien onvergelijkelijken schat aan te bieden. Die rampzalige is uw broeder; Hij is voor U de Zoon Gods, die het goede, wat gij Hem zult bewijzen, zal beschouwen als aan Hem zeiven bewezen. Ontferm U over het lichaam. doch nog veel meer over de ziel, welke des te beklagenswaardiger is, naar mate zij meer vergeten wordt.

Gij zegt: Het is iemand wiens leven tot dusverre slechts eene voortdurende ergernis was. Hij heeft den godsdienst slechts gekend om dien te bespotten, Gods geboden om ze onder de voeten te treden.... Als zijn geloof nu zal ontwaken, hoe groot zal dan zijne wroeging, zijn zielsangst zijn, bij het naderen van het vreeselijk oordeel. — Neen, het is een godde-looze, die te ver van God verwijderd is, om die zalige vrees te gevoelen; hij is kalm en schijnt aan zijne eeuwige bestemming niet te denken... Als het zoo is, mag uw medelijden geene grenzen hebben. Er is niemand dan gij, o mijne zuster, o zuster van liefde, geheel toegewijd aan werken van liefde, die in de genade uwer roeping, hulpmiddelen kunt vinden geëvenredigd aan dezen ellendigen toestand. Ga nederknielen voor het tabernakel, stort uw gebed uit aan de voeten van Jezus, den Zaligmaker dier

-ocr page 299-

297

arme ziel; smeek Hem n in te geven wat gij moet zeggen, wat gij moet doen en volg dan de inspraken van uwen ijver. Nooit zult gij dien nuttiger uitoefenen.

2. Indien van alle genaden, welke God ons ver-leenen kan, een goede dood de kostbaarste is, daar zij alle andere bekroont, door op onze deugd het zegel der onveranderlijkheid te drukken; inrlien daarenboven het hachelijkst oogenblik onzes levens dat is, waarop het gaat eindigen, daar de eeuwigheid er van afhangt, en de geest der duisternis in dit oogenblik al zijne listen en woede gebruikt, zoo is het klaarblijkelijk, dat men den naaste geen grooteren dienst bewijzen kan, dan door hem te helpen, wèl te sterven. Binnen weinige dagen, weinige uren

O O O

wellicht gaat die ziel uit het rijk der barmhartigheid over in het ryk der rechtvaardigheid; de tijd tot verdienen gaat voor haar eindigen.... Doch welk

o O

een verlies, welk eene winst voor de eeuwigheid kan zij maken in de korte oogenblikken, die haar overblijven! Door uwe woorden, door uwe aanhoudende zorg bemoedigd, door de H. Sacramenten herboren, zal zij zich heiligen door haar lijden, zich zuiveren van de minste vlekken, de rechtvaardigheid des Heeren voldoen,... zegevieren over eeuige hevige

O O O

bekoring; helaas, éene is voldoende om haar hare kroon te ontrooven! Bevindt zij zich in den staat van zonde, zoo moet gij baar uit dien afgrond redden. In elk geval moet gij haar bewaren voor de vreese-lijkste aller rampen en haar eene eeuwige gelukzaligheid verschaffen; het is het regelen harer zaligheid, harer eeuwigheid! Wie voelt zijn hart niet verteederd bij deze gedachte?

-ocr page 300-

298

Wel is waar zijn de moeielijklieden, waartegen men te kampen heeft, dikwijls wel in staat den grootsten moed te doen wankelen. Vond men altyd in de zieken dien vasten grondslag eener christelijke opvoeding ; had men slechts de sluimerende godsdienstige gevoelens op te wekken, welke het hart deden kloppen, bij die godsdienstige gelegenheden, wier gedachtenis men nooit geheel verliest, dan ware het werk gemakkelijk; doch dikwijls valt nog alles te doen. Alvorens het licht te kunnen brengen in den chaos van een verward geweten, moet men de beginselen der christelijke leer onderwijzen, den eersten steen leggen van het gebouw, en dit in alle haast optrekken. Hoe dat aan te leggen? Ia er veel, is er iets te hopen? Kleingeloovige, waarom twijfelt gij ? Heb ik u niet gezegd, dat zoo gij gelooft, gij de wonderen des Heeren aanschouwen zult ?

II Punt. De zorg der zieken heschouwd in hare vruchten. De ondervinding leert, dat deze altijd overvloediger zijn, dan men had durven hopen.

In een toestand van volkomen gezondheid, is het gemakkelijk God en de eeuwige waarheden te verbeten. De zaken, de vermaken, de beslommeringen

•• f

en het gedruisch der wereld, verwijderen of verzwakken het christelijk gevoel; ten tijde van ziekte gaat Eet niet aldus. Een mensch in zijn vertrek opgesloten, aan zijn ziekbed gekluisterd, dat hij wellicht niet zal verlaten, dan om ten grave gedragen te worden, denkt meer na en wordt beter toegankelijk voor de genaden. De zinsbegoocheling verdwijnt , hij ziet de zaken gelijk zij zijn. Het onvermogen aller menschelijke hulpmiddelen om hem tegen den

-ocr page 301-

299

dood te beschermen, roept hem terug tot zijnen Schepper, herlevendigt zijn geloof, op hoevelen past dit woord vau den profeet: Tribulationem et dolorem inveni, et nomen Domini invocavi (1) Ik leefde als ware ik zonder God. Ik wilde zijn oppergebied en mijne afhankelijkheid vergeten , m^ne plichten jegens Hem niet meer gedenken, maar ik. was in druk en nood en ik beu tot mij-zelven teruggebracht. De schijn aller aardsche zaken ziende verdwijnen, begrijpende dat wie op de schepselen steunt, op het zand bouwt, heb ik mij tot den Heer gekeerd. Ik heb vrees gevoeld voor zijne rechtvaardigheid; ik heb hoop gevoeld in zijne goedheid en ik riep den naam des lieer en aan. Et nomen Domini invocavi.

Het beeld des doods, dat zich vaak aan den geest des zieken vertoont, noodigt hem uit zijn geweten in orde te brengen. Zijne eenzaamheid, de ondervinding, welke hij opdoet van de broosheid der menschelijke hoop, de verkoeling der driften, de ziekte zelve, welke hem gevoeliger maakt voor de bewijzen van toegenegenheid, welke men hem geeft, hoevele gunstige omstandigheden voor de godvruchtige plannen van den zielenijver. Voegen wij nog hierbij dat, wijl de liefde jegens de zieken Jezus-Christus zeer aangenaam is, Hy ook gaarne daar de wonderen zijner barmhartigheid doet zien! Het smart den God, den Schepper en Verlosser aller menschen, voor eeuwig het Averk zijner handen, den prijs van zijn Bloed in het verderf te zien vallen. Daarenboven even zoo zeer als Hij den hoogmoedige wederstaat, is Hij geneigd tot toegevendheid jegens dengene, dien Hij in de vernedering gedompeld ziet, en is

-ocr page 302-

300 •

de dood niet de volstrekte vernedering des mensclien? Het zou, zegt Fenelon, eene afgrijselijke aanmatiging zijn, op mirakelen van genade te rekenen, doch Hij die verbiedt, deze te verwachten, vindt vaak zijn welbehagen in ze te bewerken. Het wonder dei-zondaars op hun ziekbed bekeerd, is het dagelijksch wonder der Kerk.

Hernieuw in u de achting en de liefde tot uwe bediening, bid God u het verzuim te vergeven van het goede, dat gij er in had kunnen bewerken en niet bewerkt hebt.

69ste OVERWEGING.

de zollg uer zieken. beschouwd in degenen, welke hen bijstaan,

I. Middelen en voorzorgen , welke men gebruiken moet in de uitoefening dezer bediening.

II. Voordeelen, welke men daaruit trekt tot eigen heilio-ino;.

o o

I Punt. Middelen en voorzorgen, welke men bij het verzorgen der zieken in acht moet nemen. De kunst om ze te helpen is eene gave des hemels, welke een rijken grondslag van medelijden, teeder-heid en geduld doet veronderstellen. De zorgen, welke men hun bewijst, hebben een tweevoudig voorwerp, het lichaam en de ziel.

1. Om al de plichten der lichamelijke hulp wel te vervullen, moet men de gewoonte verkregen

-ocr page 303-

301

liebbeu, zijn gevoel te overwinnen, zich genoeg kunnen overmeesteren om den onwillekeurigen afkeer, welken men soms gevoelt, niet te doen blijken. Moeder de Cliantal scheen nooit gelukkiger dan bij het verzorgen der walgelijkste zieken; iemand betuigde haar daarover eens zijne verwondering en vraagde haar hoe hare natuur aan het, gezicht en het aanraken van dergelijke zaken kou weerstaan. »Dit komt, antwoordde zij, omdat het mij nooit in den geest komt, dal ik deze diensten aan een schepsel bewijs, het schijnt mij steeds, dat ik de Wonden van Jezus gedurende zijn heilig Lijden verbinden mag.quot; O Bruid van Jezus, put daar uwe kracht, indien gij u wel van deze gedachte doordringt, zal zich de eerbied paren bij uwe teederheid in het uitoefenen uwer bediening; de genade zal over de natuur zegevieren. Gij zult met gelijkmoedigheid van geest de gebreken verdragen van die arme zieken, hunne onbeschaafdheid, hunne klachten, hun morren , van het grootste getal slechts ondank tot loon verwachtende. Gij zult u met voorliefde hechten aan degenen, die u het meeste doen lijden, omdat gij aldus beter overtuigd zijt van de zuiverheid uwer meeningen, van de belangeloosheid uwer liefde. Die lichamelijke zorgen zullen u, door de zelfverloochening, welke gij daarbij beoefent, bereiden tot belangrijker zorg, die voor de zielen.

2. Alles voor het lichaam, zegt eene zinnelijke wereld. God zegt: Alles voor de ziel. Hij slaat het vleesch om den geest te redden. Reeds hebben wij gezien hoe gunstig de tijd der ziekte is voor de plannen zijner barmhartigheid; eene goede liefdezuster

-ocr page 304-

302

is vaak het werktuig, waarvan Hij zich bedient om die te vervullen. Doch in zulk eene belangrijke zending is de ijver der werkzaamheid niet voldoende. Men heeft eene buitengewone voorzichtigheid noodig om de juiste omstandigheden en oogenblikken te kiezen en eene groote bescheidenheid om alles te zeggen wat noodig is, en slechts datgene wat noodig is.

Treed tot uwe zieken met een ernstig en medelijdend gelaat, even verwijderd van droefheid, welke hunnen angst zou vermeerderen als van vroolijkheid, welke hun zou doen meenen, dat gij ongevoelig zijt voor hun lijden. Tracht eerst hun vertrouwen te winnen, door eene oprechte toegenegenheid en deelneming te toonen. Overtuig hen wel, dat gij hen gaarne dient en dat gij slechts betreurt hen niet te kunnen verlichten, zooveel als gij zoudt wenschen. Tracht vervolgens hun ongemerkt de oogen te openen omtrent den treurigen toestand van hunne ziel; spreek met zalving van den vrede, welke eene volkomen verzoening met God verschaft en den gelukkigen invloed, welken zij op de gezondheid des lichaams uitoefent. Het is zoo zoet zich te mogen zeggen, dat men zich niets te verwijten heeft.

Eene eerste en tweede maal moet men zich beperken tot eenige weinige woorden, zoo de genade althans zich niet reeds doet gevoelen; doch van tijd tot tijd komt men zonder den zieke te vermoeien, op hetzelfde terug; men bidt, men laat bidden. Hebt gij die arme ziel kunnen overreden zelve een gebedje te spreken, dan hebt gij reeds bijna alles verkregen. Zij heeft een tred gezet tot God en God doet er honderd tot haar. Spreek dikwijls vau het

\\rquot;

-ocr page 305-

303

geduld, waaimede deze goede Meester haar heeft afgewacht, over de gemakkelijkheid, waarmede Hij vergeeft aan wie tot Hem wederkeert; heeft Hij zich-zelven niet voorgesteld ouder het treffend beeld van den herder, die zijn afgedwaald schaap gaat opsporen? Wil Hij onze Vader niet genoemd worden?

Heeft uw zieke de HH. Sacramenten ontvangen; openbaart hij goede gesteltenissen, zoo dank daarvoor God, doch laat uw ijver niet verkoelen. De duivel verlaat dit sterfbed niet. Hij weet, dat hij slechts weinig tijd meer heeft om hem te bekoren; hij verdubbelt zijne woede; help den engelbewaarder dier ziel en vereenig u met hem ter harer verdediging. Onderzoek van welke zijde de aanvallen komen, ten einde daar de hulp uwer liefde aan te brengen; het vertrouwen stellende tegen den overdreven angst, de nederige vrees tegen de laatdunkendheid, doch herinner vooral de groote zondaars aan de oneindige barmhartigheid des Heeren. Men kan niet gelooven hoezeer de vijand onzer zaligheid de zielen aanvalt om haar de hoop te benemen.

Dat de liefdezuster eindelijk bij het verzorgen harer zieken en stervenden zich-zelve niet vergete. Hare bediening is verheven, doch zij heeft hare gevaren. Zij brengt haar in aanraking met de wereld en de hartstochten ; zal zij zonder eene aanhoudende waakzaamheid de ingekeerdheid en den geest harer heilige roeping behouden ? Wat zou zij niet te vreezen hebben van hare slecht bewaarde verbeelding en zintuigen? De diensten, welke zij bewijst, de dankbaarheid, welke zij verdient, bewondering, welke hare opoffering verwekt, zouden de klip wezen, waarop hare deugd

-ocr page 306-

304

schipbreuk zou lijden, indien zij niet zeer getrouw ware aan hare oefeningen van godsvrucht en het naleven harer regelen.

II Pukt. Groot voordeel dat de getrouwe religieuze uit de verzorging der zieken tot hare eigene heiligheid trekt. Zij vindt daarin herhaaldelyk gelegenheid tot de nuttigste overweging tot het beoefenen der ver-hevenste deugden; zij vindt daarin eene bron van genaden en verdiensten.

1. Nuttige overwegingen. De zieken prediken van hunne lijdenssponde, en men kan van ieder hunner in den treurigen toestand, waarin de ziekte hen plaatst, zeggen, wat Tertullianus van de eerste christenen zegde: »Hen zien, is hen hooren.quot; Ik treed een rijk vertrek binnen, waar het eerste geluid, dat mijn oor treft, de reutel des doods is.. Wie is die ongelukkige? Nog voor eenige dagen was het een gelukkig wereldling. Een schitterend vermogen, aanzien, achting, het genot van alles wat de wereld najaagt. Wat ontbrak aan zijn geluk? Helaas! zijn vervlogen voorspoed doet hem zijne tegenwoordige ellende nog scherper gevoelen; hem blijft niets meer over dan het graf! Welk een stof tot nadenken over de ijdelheid der goederen dezer wereld! Deze stervende heeft ze bezeten; wat blijft hem over? O Jezus,-wat ben ik gelukkig alles voor U te hebben mogen verlaten! Ik snel tot een anderen zieke; hij is nog jong, zijne bloeiende gezondheid, zijn krachtig gestel beloofden hem eene lange loopbaan, zij is volbracht.... Eene hevige koorts verteert hem; verscheidene ziekten loopen samen, de wetenschap is onvermogend en weldra, op het oogenblik dat men

-ocr page 307-

305

er zich het minste aan verwacht, sterft hij! Stof ter overweging over de broosheid des levens, de onzekerheid van ons sterfuur. Dit geldt van vele andere zalige ontmoetingen in deze bediening.

De zondaar, die den dood nabij is, en de vurige Christen; hij, die zich bereid heeft en hij, die door den dood verrast wordt, boezemen mij evenzeer goede gedachten in, waarvan ik moet trachten partij te trekken. Somtijds verschrikt ons Gods rechtvaardigheid door vreeselijke voorbeelden; somtijds bemoedigt mij zijne Voorzienigheid door trekken van onuitsprekelijke barmhartigheid, of sticht mij door eene heldhaftige gelatenheid! O hoe goed kan men mediteeren aan de lijdenssponde, aan het sterfbed.

2. Deugden te oefenen. Zonder te spreken van de eerste en voornaamste, de liefde, welke gij, mijne zuster, hier ten toon spreidt op haar schoonste schouwtooneel, oefent gij het levend geloof, dat Jezus-Christus beschouwt onder den sluier onzer ellenden, bijna gelijk het Hem ziet op het altaar onder de nederigste gedaanten. Hem dient gij in zijne lijdende ledematen. Door deze beweegreden handelend, zijn uwe meeningen zuiver. Het is noch eene natuurlijke vriendschap, noch de wel roegelijkheid, noch het eigenbelang, die het doel zijn uwer handelingen; het is de liefde tot God. Gij beoefent de nederigheid, de zachtmoedigheid, het geduld, de versterving. Naar het voorbeeld des Zaligmakers, die zich meer haastte de armen dan de rijken, den knecht des hoofdmans dan de dochter van het hoofd der synagoog te bezoeken, zoudt gij, zoo gij kiezen mocht, de schamele hut verkiezen boven het paleis, en. iv. 20

-ocr page 308-

306

Gij wilt, wanneer gij eens voor den oppersten rechterstoel znlt verschijnen, U deze getuigenis van den H. Paulus kunnen geven: Ik heb mij tot eene dienstmaagd. van allen gemaakt.... Ik ben den zwakken een zwakke geworden.... opdat ik allen mocht zalig maken.

3. Genaden en verdiensten aan de verzorging der zieken verbonden. Zij zijn U verzekerd, die overvloedige genaden, door de dankbaarheid der zielen, welke gij in het hemelsch Koninkrijk zult hebben ingevoerd, en die nooit zullen vergeten, wat zij U verschuldigd zijn. Zou God haar weigeren hare schuld jegens U aangegaan, te betalen, als zij Hem zullen bidden U het goede te vergelden, dat gij haar ter zijner liefde bewezen hebt? Men moet in den hemel zijn om de diensten in het doodsuur ontvangen, te waardeeren. Wat nu de verdiensten betreft, zoo mag men verzekerd zijn, dat geene dagen verdienstvoller zijn dan die, welke men doorbrengt in het verzorgen der zieken, dat is, in de voortdurende beoefening der naastenliefde, der zelfverloochening, der heilige opoffering! Is elk werk van barmhartigheid, zoo lichamelijk als geestelijk, zoo verdienstelijk in de oogen van God, wat zal men dan zeggen van eene roeping, welke ze alle in zich besluit en ze op zulk eene uitmuntende wijze doet beoefenen ?

Eene religieuze, die haar leven door zulken edelen arbeid heeft geheiligd, wellicht verkort, heeft dus recht, op een dood te rekenen, die kostbaar is in het oog des Heeren. Zij was voor de stervenden de engel van troost. Zij zal getroost worden. Gij-

T

-ocr page 309-

307

zelf zult haar bijstaan, mgn God! Volgens de uitdrukking des profeets zult Gij met eigen hand het leger spreiden, waarop hare lijdende ledematen zullen rusten. Gij zult haar ondersteunen in haren laatsten strijd, en als de tijd der beproeving voleindigd is, zal zij voor U verschijnen, en met welke vreugde zult Gij tot haar zeggen: Ik heb honger gehad en gij hebt mij gespijsd; ik was ziek, gij hebt mij bezocht. Zoek geene andere reden der liefde, waarmede ik U ontvang, en der rechten U verleend op deu troon, dien ik U bereid heb.

3VE. ID. Gk

-ocr page 310-

JNHOUD VAN HET yiERDE pEEL.

Bladz.

lstc overweging.

10 Febr. H. Scholastica . . .

3

2de »

24 » H. Matthias . . . .

7

3de »

19 Maart H. Jozef.....

12

4ae »

» » Drie deugden van den

H. Jozef...... .

18

5ae »

21 Maart H. Benedictus. . .

24

6de »

25 » Maria Boodscliap. .

29

7de »

2 » Het Wees gegroet .

35

8ste »

3 Mei Kruisvinding . . ,

39

9de »

Feest der H. Drievuldigheid.

45

10de »

H. Sacramentsdag.....

51

llde »

Vrijdag in het octaaf . . . .

57

12de »

Zaterdag » » .

62

13de »

Zondag » » . . . .

66

14de »

Maandag » » ... .

71

15de »

Dinsdag » » . . . .

76

16de »

Woensdag» » . . . .

80

17de »

Donderdag» » . . . .

85

18de _ »

Feest van het H. Hart van Jezus.

92

19de »

Zaterdag na het octaaf . . .

98

20ste »

Zondag » » » . . .

104

21 sic »

4e Zondag na Pinksteren. . .

109

22ste »

5e » » » . .

109

23ste »

6e » » » , .

113

24ste »

7e » » » . .

113

-ocr page 311-

INHOUD

1

25ste

Bladz.

overweging. 8e Zondacf na Pinksteren.

114

26ste

»

9e

» » »

119

27ste

»

10e

» » »

119

28ste

»

11e

» » »

125

29stc

»

12e

» » »

125

adz.

30ste

»

13e

» » »

130

3

3 ^ ste

»

14e

» » »

135

7

32ste

»

15e

» » » . .

135

12

33ste

»

16e

» » »

135

34ste

»

17e

» » » . .

136

18

35ste

»

18e

» » » , ,

136

24

3gste

»

19e

» »

136

29

37ste

»

20e

» » , .

140

35

38ste

»

21e

» » . .

141

39

39ste

»

22e

» » . .

145

15

40ste

23e

» » . .

149

51

41 ste

»

24e

» » . .

153

57

42ste

»

Kerkw

ding . ■......

153

52

43ste

»

16 Jun

H. Joannes Fr. Regis.

158

56

44ste

»

21 »

H. Aloysius . . . .

163

71

45ste

»

24 »

H. Joannes de Dooper

167

76

465te

»

29 »

H. Petrus.....

173

30

47ste

»

2 Juli

Maria Bezoeking .

173

35

48ste

»

16 »

O. L. Vr. van den Berg

32

Karmel.....

178

38

»

19 ^

H. Vincentius van Paulo 184

U

SQste

»

31 »

H. Ignatius ....

189

)9

Siste

»

6 Aug. De gedaanteverandering

)9

des Heeren. . . .

195

L3

52ste

»

15 »

Maria Hemelvaart . .

199

13

53ste

»

20 »

H. Bernardus. . . .

204

-ocr page 312-

nI INHOUD

Bladz.

54ste overweging. 21 Aug. H. Johanna Francisca

van Chantal . . . 209 55ste » 28 » H. Augustinus . . . 214 56ste » 14 Sept. Kruisverheffing . . . 220 57ste » 29 » H. Michaël .... 224 58ste » 2 Oct. De H. Engelen Bewaarders ......230

59ste » 2 » Vervolg.....237

gQste » 4 » H. Franc, van Assisiën. 242

61ste » 15 » H. Theresia .... 249

62ste » 1 Nov. Allerheiligen .... 256

63 ste » 2 » Allerzielen. . . . .262

64ste » 2 » Vervolg.....268

65ste » 1 Dec. De opvoeding der jeugd 276

66ste » 2 » » » » » 281

67ste » 3 » » » » » 218

685te » 1 » De verzorging der ziek.: 295

69ste » 2 » » » » quot;

EINDE VAN HET LAATSTE DEEL.

-ocr page 313-
-ocr page 314-

1

-ocr page 315-
-ocr page 316-
-ocr page 317-
-ocr page 318-
-ocr page 319-