-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

Qonvciihis ^ÏÏiclionsis^

@ró. oFramp;f* cJil\'iih

p1

§!gt;; I •:

i

i lil

ONDERRICHTINGEN IN DE GELOOFS - EN ZEDENLEER

NAAR DEN

MECHELSCHEN CATECHISMUS VIERDE DEEL — OVER DB HH. SACRAMENTEN

I I

-ocr page 6-
-ocr page 7-

ONDERRICHTINGEN

IN DE

Geloofs-en Zedenleer

NAAK DEN

Mechelschen Catechismus in vijf deelen

DOOR

Ant. ROOVERS, Pastoor

VIERDE DEEL

H A S S E L T MICHEL CEYSENS, DE UKKEE - U1TQ E VE U

ROERMOND IIENEI VAN DEE MAHCK, ÜITOEVEE

1SS8

-ocr page 8-
-ocr page 9-

ONDERRICHTINGEN

IN DK

Geloofs-en Zedenleer

NAAR DEN

Mechelschen Catechismus

VIERDE DEEL

OVER DE

HH. SACRAMENTEN

-ocr page 10-
-ocr page 11-

EERSTE ONDERRICHTING-

OVER DE H. SACRAMENTEN IN \'T ALGEMEEN

EauricMs aqms in gaudio de fontibus Salvatoris.

Gij zult met vreugde water putten uit de fbnteinon des Zaligmakers.

(laAÏAS XII, 5.)

INHOUD.

VOORREDE.

T)e liefde is volstrekt noodzakelijk om zalig te worden. Men toont dat men de liefde heeft, als men de geboden onderhoudt. Daartoe hebben wij Gods genade noodig, en die genade vloeit, ons bijzonder toe door de H. Sacramenten. Zien wij:

VERDEEUNGt.

I. Wat een Sacrament is;

II. Hoeveel Sacramenten er zijn;

III. Hoe zij verdeeld worden.

I.

Het woord Sacrament wordt gebruikt voor een eed, voor oen geheim, en eindelijk voor het leeken eener heihge zaak.

-ocr page 12-

Een Sacrament is een uitwendig toeken van Christus ingesteld, beteekenende eene zonderlinge gratie die ons door hetzelve gegeven wordt.

Een Sacrament is:

1° Een teeken;

2quot; Een uitwendig teeken, bestaande uit stof en vorm;

3° Van Christus ingesteld en door niemand anders;

Beteekenende eene zonderlinge gratie die ons door hetzelve gegeven loürdt.

Waarom heeft Christus zichtbare teekenen ingesteld?

II.

Christus heeft zeven H. Sacramenten ingesteld, niet minder, noch meer, zooals de kerkvergadering van Trente tegen de Kotters verklaart. Vergelijking van liet lichamelijk leven van den mensch met het geestelijk leven zijner ziel.

m.

Men verdeelt de H. Sacramenten:

1° In Sacramenten der levenden en der dooden;

2° In Sacramenten die men maar eens en die men meermalen mag ontvangen;

.\'5° In Sacramenten van vrije verkiezing en van noodzakelijkheid, van noodzakelijkheid des middels en van noodzakelijkheid des gebods.

SLUITREDE.

Hoe gelukkig zijn wij Christenen in het bezit der H. Sacramenten, buiten zoo veel anderen die er van verstoken zijn. De H. Sacramenten zijn vol leering en kracht. Gelukkig de mensch die uit de bronnen des Zaligmakers put, hij zal naar het aardsche niet dorsten en het eeuwige leven vinden.

-ocr page 13-

EERSTE ONDERRICHTING

OVER DE H. SACRAMENTEN IN T ALGEMEEN

Haw\'ietis aquas in gaudio de Jontihus Salvatoris,

Gij met vreugde water putten uit do fonteinen des Zaligmakers.

(Isaïas xn, r..)

VOOHREDK.

In het derde deel van den Cateehismus, B. li., hebben wij over de derde der drie goddelijke gesproken, namelijk, over de liefde.

Alhoewel de liefde het laatste onder de drie goddelijke deugden genoemd wordt, zij is nochtans de waardigste. Die de liefde niet heeft en God dus niel bemint, blijft in den dood der zonde; uit den dood der zonde moet hij opgewekt worden tot het leven der genade, wil hij eenmaal het eeuwige leven deelachtig worden.

Zeggen dat men (Vod bemint is niet genoeg; men moet het ook tooneii door zijne werken, en men toont het, als men de geboden Aan God en van de 11. Kerk onderhoudt. Die zegt dat hij God bemint en de geboden niet onderhoudt, is een leugenaar, en de waarheid is niet in hem: ook zal iiij nimmer tot de eeuwige zaligheid geraken, want de 11. Schrift zegt uitdrukkelijk: Wilt gij het leven ingaan onderhoud de geboden; Si vis ad mtam ingredi serva mandata, (i)

De geboden onderhouden valt de bedorven natuur lastig; de mensch is er uit eigen krachten niet toe in staat, hij heeft Gods genade noodig, en om die te bekomen zijn de 11. Sacramenten, door Christus ingesteld, de krachtigste middelen. Immers, zij

(1) Matth. xix, 17

-ocr page 14-

— 10 —

werken de genade uit, zoodat zij bij voorkeur en in den strengen zin des woords genademiddelen mogen genoemd worden.

Na over de geboden gehandeld te hebben, gaan wij over de H. Sacramenten handelen, waardoor ons als door zoo vele kanalen de genade Gods om de geboden te kunnen onderhouden toevloeit. Vandaag zullen wij zien:

I. Wat een Sacrament is;

II. Hoeveel Sacramenten er zijn;

III. Hoe zij verdeeld worden.

I.

Het woord Sacrament, B. B., beteekent vooreerst een ml, waardoor men zich tot iets verbindt: do eed is een heilig teeken van de verbintenis die men aangaat.

Het woord Sacrament beteekent ook een geheim, dat men verborgen houdt.

Eindelijk wordt het genomen voor hot teeken eener heilige zaak, in welken zin het woord Sacrament hier gebezigd wordt.

De Catechismus vraagt:

Wat is een Sacrament? En hij antwoordt:

Een uitwendig teeken van Christus ingesteld, beteekenende eene zonderlinge gratie die ons door hetzelve gegeven wordt.

Een Sacrament is:

1° Een teeken: door een toeken verstaat men iets dat ons tot de kennis brengt van eene zaak, die wij onmiddellijk niet kennen; zoo is het teeken des H. Kruises een teeken, waaraan men erkent dat iemand christen is.

2° Een uitwendig teeken, d. L, een teeken dat onder de zintuigen valt, dat men, bijv., kan hooren, zien of vóelen: zoo kan men zien en voelen de afwassching met het water in het H. Doopsel, de woorden hooren: Ik doop u, enz. Gelijk in tiet H. Doopsel, zoo ook in de andere H. Sacramenten, bestaat het

-ocr page 15-

uitwendig teeken uit twoe zaken, uit do stof, d. i., uit de zaak of handeling die onder de zintuigen valt, zooals, bijv., het water en de afwassching in het II. Doopsel, en uit den vorm, d. i., uit datgene wat de stof nader bepaalt om Sacrament te zijn, en welke vorm doorgaans uit woorden bestaat. Vandaar dat de H. Augustinus van de slof en dén vorm des H. Doopsels sprekende zegt: Laat het woord weg, wat is liet water anders dan water? het woord komt bij het element, en het wordt Sacrament. Hetzelfde kan van do andere Sacramenten gezegd worden. En inderdaad: wat zoude de afwassching in \'t H. Doopsel, beteekenen zonder de woorden: Ik doop u, enz.? Zij zoude niets anders zijn dan eene gewone afwassching. Beiden dus, stof en vorm, zijn noodzakelijk.

.\'i0 Van Christus ingesteld. De Catechismus vraagt: Wie heep, de Sacramenten ingesteld? En hij antwoordt: Christus onze Zaligmaker.

Christus alleen heeft ze ingesteld.

Do H. Kerk, de Apostelen, de Pausen of Bisschoppen hebben geene Sacramenten ingesteld, en zij kunnen er ook geen in stellen. Vandaar dat zekere gewijde zaken, zooals wijwater, enz., wel wezenlijk van de eigenlijk gezegde Sacramenten verschillen.

\'1° Beteehenende eene zonderlinge gratie die ons door hetzelve gegeven wordt. Dat uitwendig, zichtbaar teeken brengt ons tot de kennis van een inwendig, onzichtbaar uitwerksel, van eene bijzondere genade, elk Sacrament eigen, die in de ziel van hem die het Sacrament ontvangt, wordt teweeg gebracht. Zoo is, bijv., de uitwendige afwassching onder de aanroeping van de H. Drievuldigheid in het H. Doopsel het uitwendig teeken van de inwendige afwassching of zuivering der ziel van de zonde door het H. Sacrament des Doopsels.

Do redenen, waarom Christus zichtbare teekenen heeft ingesteld om ons zijne onzichtbare genade mede te deelen, zijn onder anderen de volgende:

-ocr page 16-

1° Omdat de raensch uit twee deelen bestaat, het eene onzichtbaar, het andere zichtbaar, namelijk, uit ziel en lichaam;

2° Opdat wij een zichtbaar onderpand zouden hebben van de onzichtbare genade;

3° Om ons verschillende deugden te doen oefenen, vooral het geloof en de ootmoedigheid;

4° Om door het ontvangen der H. Sacramenten te kunnen toonen dat wij deel maken van de ééne ware Kerk van Christus.

ir.

Igt;e Catechismus vraagt:

Hoeveel Saernmenten zijn er? En hij antwoordt:

Zeven, het Doopsel, het Vormsel, het heilig Sacramenl des Aulaars, de Biecht, het heilig Oliesel, het Priesterschap, het Huwelijk.

Er staat wel is waar niet letterlijk in de II. Schrift dat er zeven H. Sacramenten zijn, niet minden\', noch meer; maar wij weten het door de gedurige leering en overlevering van de H. Kerk. Die leering, B. li., is een punt van ons geloof. De kerkvergadering van Trente drukt zich daarover tegen de Ketters op de volgende wijze uit: Zoo iemand beweert, zegt die kerkvergadering, dat de Sacramenten van liet Nieuwe Verbond niet allen door Jesus-Christus onzen Heer zijn ingesteld, of dat er meer of minder zijn dan zeven, namelijk, het Doopsel, enz., of ook dat een van deze zeven niet waarlijk en eigenlijk een Sacrament is: hij zij in den ban.

De Protestanten hebben zich tegen die leering verzet, doch onderling komen zij niet overeen. De eene zegt dat er vijf, een ander, dat er maar drie Sacramenten zijn. \'t Is niet te verwonderen. Hoe toch zouden zij in het getal der H. Sacramenten overeenkomen, daar zij schier in alle geloofspunten van elkander verschillen? Aanhoudend veranderen zij van gedachte; vandaag denken zij zus, morgen zoo, zoodat men kan zeggen dat zij

-ocr page 17-

gelijken aan weerhanen, die met alle winden draaien. Doeh waarom juist zeven H, Sacramenten en niet minder, noeh meer? Kan men daarvan ook reden geven? Ja, B. li., en daartoe dient de wonderschoone overeenkomst van het lichamelijk of natuurlijk leven van den mensch met het geestelijk of bovennatuurlijk leven zijner ziel.

Voor het lichamelijk leven van den mensch zijn zeven zaken noodig: de mensch moet geboren worden; hij moet grooter en sterker worden; hij moet gevoed worden; hij moet geneesmiddelen hebben als hij ziek is; in gevaar van sterven moet hij bijzonder bijgestaan en geholpen worden; hij heeft overheden noodig om bestuurd te worden ten einde in de maatschappij rustig te kunnen leven, en eindelijk is er een middel noodig om de afgestorvenen door anderen te vervangen, opdat de gansche wereld niet uitstervc. Zoo ook, B. I!., zijn er zeven zaken noodig voor het geestelijk leven der ziel; de ziel, door de erfzonde van haar geestelijk leven beroofd, moet dat leven ontvangen, en zij ontvangt het door het Doopsel; haar geestelijk leven moet toenemen en versterkt worden, hetgeen geschiedt door het Vormsel; de zied heeft voedsel noodig om haar geestelijk leven te onderhouden, en daartoe dient het allerheiligste Sacrament des Altaars; als het geestelijk leven der ziel door de zonde verslapt of geheel en al verloren gaat, moet zij het kunnen herstellen of terugbekomen, en dat geschiedt door de Biecht; de ziel heeft in haren uitersten nood bijzondere hulp en verlichting noodig, en die ontvangt zij door het H. Oliesel; zij heeft overheden, Bisschoppen en Priesters noodig, die haar de II. Sacramenten toedienen, haar beschermen, bestieren en geleiden op den weg der zaligheid, hetgeen geschiedt door liet Priesterschap; eindelijk moeten er nieuwe geloovigen kunnen opgevoed worden, en daarom moeten er genaden aan de gehuwden bezorgd worden, om hunne kinderen christelijk te kunnen opvoeden, hetgeen geschiedt door het Huwelijk. Uit deze weinige woorden kunt gij zien, B. B., welke overschoone overeenkomst er bestaat

-ocr page 18-

_ 14 —

tusschen het lichamelijk uf natuurlijk leven van den mensch en het geestelijk of bovennatuurlijk leven zijner ziel.

III.

Hoe worden de Sacramenten verdeeld? Ik wil enkel de voornaamste verdeelingen opnoemen. Zij worden verdeeld:

1° In Sacramenten der levenden en in Sacramenten der dooden.

De levenden en de dooden van welke hier spraak is, moeten in een geestelijken zin genomen worden, namelijk, die het leven der heiligmakende genade bezitten of er van beroofd zijn.

De Catechismus vraagt:

Hoeveel Sacramenten der levenden zijn er? En hij antwoordt:

Vijf, te toeten: het Vormsel, het heilig Sacrament des Autaars, het heilig Oliesel, het Priesterschap en het Huwelijk.

Waarom worden die zoo genoemd?

Omdat zij in staat van gratie moeten ontvangen worden.

Zoo men dus in staat van doodzonde is, moet men, alvorens ze te ontvangen, vergifl\'enis van die zonde bekomen.

Hoeveel Sacramenten der dooden zijn er?

Twee: het Doopsel en de Biecht.

Waarom worden die zoo genoemd?

Omdat zij in staat van doodzonde mogen ontvangen worden.

Moeten zij in staat van doodzonde ontvangen worden?

Neen-, en daarom mag men in staat van gratie te biechten gaan gelijk vele christenen doen.

Die christenen ontvangen het H. Sacrament der Biecht niet zonder voordeel. Immers, daardoor worden de dagelijksche zonden en de tijdelijke straffen voor de zonden te ondergaan meer en meer vergeven, en zij ontvangen telkens de tweede heiligmakende genade of de vermeerdering van de eerste.

2° In Sacramenten die men maar eenmaal, en in Sacramenten die men meermalen mag ontvangen. De Catechismus vraagt:

-ocr page 19-

Hoeveel Sacramenten zijn er- die men maar eens mag ontvangen? En hij antwoordt:

Drij: het Doopsel, het Vormsel en het Priesterschap.

Waarom mag men die maar eens ontvangen?

Omdat zij in de ziel een altijddurend rnerkteehen printen dat geen tweeden lieer kan ingeprint worden.

Hoeveel Sacramenten zijn er die men meermaals mag ontvangen?

Vier: te weten: het heilig Sacrament des Aldaars, de Biecht, het heilig Oliesel en het Jluwelijh.

De twee eerste, het H. Sacrament des Altaars en de Biecht, worden zeer dikwijls ontvangen; het H. Oliesel mag men niet meer dan eens in een en dezelfde ziekte ontvangen; het Huwelijk mag men niet voor de tweede maal ontvangen, tenzij het eerste ontbonden is door den dood.

3° In Sacramenten van vrije verkiezing en in Sacramenten van noodzakelijkheid.

Twee Sacramenten, het Priesterschap en het Huwelijk zijn Sacramenten van vrije verkiezing, wijl men niemand dwingen mag van ze te ontvangen; de vijf overige worden genoemd Sacramenten van noodzakelijkheid, omdat men in zekere omstandigheden verplicht is van ze te ontvangen. Het Doopsel is noodzakelijk, uit noodzakelijkheid des middels, voor allen die niet gedoopt zijn. De Biecht is noodzakelijk, uit noodzakelijkheid des middels, voor allen die na het Doopsel ontvangen te hebben in doodzonde gevallen zijn. De drie overige zijn noodzakelijk, uit noodzakelijkheid des gebods: het Vormsel, voor allen die tot de jaren gekomen zijn en daartoe de gelegenheid hebben; het H. Sacrament des Altaars, voor allen die tot de jaren van verstand of discretie gekomen zijn; en het H. oliesel, voor allen die na gezondigd te hebben in gevaar van sterven zijn. Ziedaar in \'t kort verklaard wat, een Sacrament is, hoeveel Sacramenten er zijn en hoe zij verdeeld worden.

-ocr page 20-

— 16 —

SLUITREDE.

Wat zijn wij gelukkig, B. B., in het bezit der zeven H. Sacramenten, buiten hen die deze genademiddelen of wel allen, of wel eenigen or van verworpen hebben.

De 11. Sacramenten zijn voor ons vol leering^en kracht. Zij zijn:

1° Vol leering; zij leeren ons de groote waarheden van onzen H. Godsdienst. Wat zijn do wijsgeeren der oudheid zonder Sacramenten, vergeleken bij den Christen, onderwezen door die genademiddelen? De wijsgeeren der oudheid verbaasden misschien voor een oogenblik de wereld door hun verstand; doch weldra violen zij in de monsterachtigste dwalingen, waardoor zij God en den monsch onteerdon. De Christen daarentegen kent do waarheid; hij kent zijnen oorsprong en zijne bestemming; hij kent God zijnon Schepper, Verlosser en Heiligmaker. Hij weet dat hij geschapen is om hier op aarde; zijnen God trouw te dienen, ten einde Hem hiernamaals in den hemel eeuwig te; aanschouwen. De Christen kent de waardigheid van den monsch door de H. Sacramenten geheiligd; hij kent zijnen voorrang boven de overige schepselen dor aarde; hij heeft do aarde gemeten en te klein bevonden; de schatten en rijkdommen, do grootheid en pracht, de vermaken en pleizieren heeft bij gezien, hij heeft ze naar waarde geschat, en daarop heelt hij tot zich gezegd; Ik ben grooter dan dat alles. De Christen kent vooral de waarde zijnor ziel, den voorrang zijner ziel boven zijn lichaam; hij weet bijgevolg dat hij voor zijne zied veel moer achting en zorg moet hebben dan voor zijn lichaam, dat hij haar, eenmaal geheiligd in de H. waters des Doopsels, door liet gebruik der overige Sacramenten steeds meer en meer moet heiligen, opdat zij zich, bij bet verlaten van haar lichaam, schoon en rein kunne aanbieden bij haren Schepper, Verlosser en Heiligmaker. Ziedaar wat de H. Sacramenten ons leeren. Doch zij zijn niet alleen vol leering, zij zijn:

-ocr page 21-

2° Ook vol kracht, d. w. z., zij geven ons ook sterkte om te volbrengen hetgeen zij ons leeren. Wat zijn de helden der oudheid zonder Sacramenten, vergeleken bij den Christenheld, gesterkt door die genademiddelen? Do helden der oudheid konden wel is waar gansche volkeren overwinnen en hun den (leren nek voor zich doen buigen, doch zich zeiven overwinnen en hunne hartstochten beteugeien konden zij niet. Slaafs kromden zij zich voor afgodsbeelden uit hout en steen gemaakt, en zij onteerden zich door de schandelijkste zonden. De Christenheld daarentegen overwint zich zeiven en beteugelt zijne hartstochten; hij strijdt moedig tegen de vijanden zijner zaligheid en behaalt overwinning op overwinning op den duivel, de wereld en het vleesch; overwinningen, waarvoor hij na den strijd, d. i., na dit leven, door den rechtvaardigen Rechter in eeuwigheid zal beloond worden. Gelukkig dus de Christen onderwezen en gesterkt door de II. Sacramenten. Uit die bronnen des Zaligmakers zal hij water putten, water, waarvan het drinkende naar \'t vergankelijke der wereld niet dorst, en dat voor hem ontspringen zal ten eeuwigen leven. Amen.

Guloofs-kn Zrdbnlbbr. Debl. 2.

-ocr page 22-

TWEEDE ONDERRICHTING

OVER DE UITWERKSELS DER H, SACRAMENTEN

De plenüudine ejus omnes accepimus.

Wij allen hebben van zijne volheid ontvangen. (Joan, i, w.)

INHOUD.

VOORREDE.

Wij hebben reeds gezien wat een Sacrament is, hoeveel H. Sacramenten er zijn, en hoe zij bijzonder verdeeld worden. In de Oude Wet waren ook Sacramenten, maar zij verschillen veel van de zeven H. Sacramenten der Nieuwe Wet. Zien wij vandaag:

VERDEEUNG.

I. De voornaamste uitwerksels der H. Sacramenten; II. Hoe zij kunnen belet worden;

Hl. De ceremoniën der H. Sacramenten.

-ocr page 23-

I.

Het eerste uitwerksel is \'de genade Gods:

1° De liciligmakendo genade, de eerste of de tweede.

Do H. Sacramenten der dooden geven eigenlijk de eerste; de H. Sacramenten dor levenden, do tweede. Met de heiligmakende genade zijn verbonden de bovennatuurlijke deugden en de gaven van den li. Geest.

2° Do dadelijke genade of het recht op dezelve.

Het tweede uitwerksel, drie H. Sacramenten eigen, is het omütwischbaar merkteeken in de ziel geprent.

11.

Om alle uitwerksels van een Sacrament deelachtig te worden moet men het geldig en waardig ontvangen.

Kenige Sacramenten, alhoewel onwaardig ontvangen, prenten het merkteeken in de ziel. Hot Huwelijk vereenigt onafscheidbaar tol den dood toe. Die (\'(gt;11 Sacrament onwaardig onlvangt bedrijft eene groote zonde van heiligschending.

Do uitwerksels der H. Sacramenten worden niet belet door de onwaardigheid des dienaars.

Hl.

De Ceremoniën strekken vooral om de 11. Sacramenten met eer toe te dienen en ons derzelver kracht voor oogcn te stellen.

Zij zijn van de hoogste oudheid, en wij moeten er altoos eerbied voor hebben.

SLUITHKDE.

rit deze korte onderrichting moeten wij besluiten: vooreerst, van (iod te bedanken; vervolgens, van dikwijls tot de H. Sacramenten te naderen.

-ocr page 24-

— 20 —

TWEEDE ONDERKICHTING

OVER DE UITWERKSELS DER H. SACRAMENTEN

De plenitudine ejus omnes acc.eptrnus.

Wij allen hebben van zijne vollwid ontvangen. (Joan, i, to.)

VOORREDE.

Wij hebben reeds gezien, B. I!., wat een Sacrament is, hoeveel Sacramenten or zijn, en hoe zij vooral verdeeld worden. In de Oude Wet bestonden er wel is waar ook zekere heilige teekens of zoogenaamde Sacramenten, zooals, bijv., de besnijdenis, het paaschlam, enz.

Toen onze goddelijke Zaligmaker optrad om liet Evangelie te verkondigen, diende Joannes zijn vborlooper een doopsel toe in den Jordaan. Dat doopsel was in zekeren zin ook een Sacrament. Nochtans, de Sacramenten der Oude Wet verschillen veel van de zeven H. Sacramenten der Nieuwe Wet. De Sacramenten der Oude Wet waren enkel teekens zonder uitwerksel; zij beteeken-den de genaden, welke Jesus-Christus voor ons zoude verdienen, en die ons vooral door de Sacramenten der Nieuwe Wet zouden toegepast worden. De Sacramenten der Oude Wet konden den mensch niet van de zonde reinigen, noch heiligen: de Sacramenten der Nieuwe Wet daarentegen beteekenen niet alleen de genade, maar zij werken ze ook uit, omdat zij krachtdadige teekens der genade zijn. Een kind, bijv., dat men doopt, wordt uitwendig gewasschen; die afwassching nu, vergezeld met de woorden: Ik doop u, enz., werkt uit dat het kind van de erfzonde gezuiverd wordt en als herboren; vandaar dat de Apostel Paulus liet Doopsel noemt een bad van wedergeboorte:

-ocr page 25-

Lavacrum regenerationis. (i) De Sacramenten dei\' Nieuwe Wet verschillen dus veel van die der Oude Wet. Vandaag gaan wij handelen:

I. Over de uitwerksels der zeven H. Sacramenten;

II. Over de beletsels dier uitwerksels;

III. Over de Ceremoniën der H. Sacramenten.

I.

De Catechismus, vraagt:

Tot wal einde heeft Christus de Sacramenten ingesteld? En hij antwoordt:

Tot zaligmaking der rnenschen.

Christus heeft dus de H. Sacramenten ingesteld om de; menschen te heiligen en alzoo voor te bereiden tot de eeuwige zaligheid, tot den hemel.

De H. Sacramenten hebben vooral twee uitwerksels, de genade Gods (mi liet inerkteeken, drie Sacramenten eigen.

Het eerste uitwerksel is de genade Gods. Doch:

Hoevelerlei is de gratie die door de Sacramenten gegeven wordt?

Tweederlei, te toeten: de heiligmakende gratie of vermeerdering der zelve, en de dadelijke gratie.

Men ontvangt de eerste heiligmakende genade, als men gerechtvaardigd wordt. Iemand, bijv., die in staat van doodzonde is, gaat naar behooren te biechten; de Priester geeft hem de absolutie, die persoon ontvangt de \'eerste heiligmakende genade, van zondaar wordt hij een rechtvaardige.

Men ontvangt de tweede heiligmakende genade, als men reeds in staat van genade is en nog rechtvaardiger wordt. Iemand,

(i) Tit. ui, 6.

-ocr page 26-

_ oo _

bijv,, die in staat van genade is, gaat te Communie; die persoon ontvangt de tweede heiligmakende genade, want hij moet reeds de eerste ontvangen hebben alvorens waardig tot de H. Tafel te naderen; die persoon wordt dus van rechtvaardig rechtvaardiger, en daarom wordt de tweede heiligmakende genade ook genoemd de vermeerdering van de eerste.

Uit dit gezegde, I!. B., kunt gij besluiten, dat de Sacramenten der dooden, hot Doopsel en de Biecht, eigenlijk ingesteld zijn om de eerste heiligmakende genade te geven; de overige vijf, om de tweede heiligmakende genade of de vermeerdering van de eerste te geven. Met de heiligmakende genade zijn de bovennatuurlijke deugden en de gaven van den II. Geest verbonden.

Men ontvangt ook nog de dadelijke genade, of althans het recht op die genade voor lateren tijd, waarop men ze noodig zal hebben. De dadelijke genade wordt gegeven om het een of ander einde, waartoe het Sacrament is ingesteld, te bereiken. Iemand, bijv., die gedoopt wordt, ontvangt vooreerst de heiligmakende genade; vervolgens, de dadelijke genade of eene bijzondere bovennatuurlijke hulp om de heiligheid des Doopsels te bewaren, en om tot den dood toe als een waar Christen te kunnen leven.

Ik heb er bijgevoegd: of althans hel recht, op die genade voor lateren tijd, waarop men ze noodig zal hebben. Een Priester, bijv., ontvangt in \'t Priesterschap met de heiligmakende genade ook het recht op de dadelijke genade die hij later noodig zal hebben, om zijne bedieningen waardig uit te oefenen, en um de moeielljkheden van zijnen staat te boven te komen.

Het tweede uitwerksel, B. B., is het onuitwischbaar merk-teeken in de ziel geprent. Dat merkteeken is slechts drie Sacramenten eigen, namelijk, het Doopsel, het Vormsel en het Priesterschap. Het dient vooral om do groote waardigheid te toonen, waartoe de mensch door die H. Sacramenten verheven

-ocr page 27-

wordt, (m om hem te onderscheiden van ieder ander, die ze niet ontvangen heeft.

Door het merkteeken des Doopsels wordt de mensch in do H. Kerk ingelijfd; hij wordt burger van het rijk van Christus hier op aarde, bekwaam gemaakt om de andere Sacramenten te ontvangen en van alle ongedoopten onderscheiden.

Door het merkteeken des Vormsels wordt do gedoopte in het leger van Christus ingelijfd; hij wordt soldaat van Jesus-Christus om diens naam altijd en alom te belijden en te verdedigen en van hen die niet gevormd zijn, onderscheiden.

Door het merkteeken des Priesterschaps wordt de mensch in de priesterschaar ingelijfd, tot de hooge waardigheid van dienaar der II. Kerk verheven en van hen die dit Sacrament niet ontvangen hebben, onderscheiden.

Doze merkteekens zijn onuitwischbaar in de ziel geprent. Immers, de Catechismus vraagt:

Hoelang blijft dat merkteeken in de ziel? En hij antwoordt:

Tot in der eeuwigheid.

Waartoe zal het hiernamaals dienen?

Aan de gelukzaligen lot meerdere eer en glorie, en aan de verdoemden tot meerdere schande en beschaming.

Wij lezen in de kerkelijke; geschiedenis dat Juliaan de apostaat alle middelen aanwendde om de merkteekens, die hij in het HH. Doopsel en Vormsel ontvangen had, uit zijne ziel te wisschen. Te dien einde offerde hij openlijk dieren aan de afgoden; bij liet het bloed der offerdieren op zijn lichaam vloeien, wiesch er zich de handen en borst mede, om zoo de merkteekens in zijne ziel te vernietigen, doch te vergeefs: zij kunnen noch door de machten der wereld, noch door die der hel uitgewischt of vernietigd worden; zij zullen in de ziel van dien apostaat gepren t 1)1 ij ven, eeuwig zullen zij hem zijnen afval verwij ten, eeuwig zullen zij hem tot schande en beschaming verstrekken. In den laatsten dag des oordeels zal Juliaan de apostaat als

-ocr page 28-

— 21 —

gedoopte en gevormde erkend worden, en de merkteekens in de H. Sacramenten ontvangen, zullen zijn vonnis verzwaren, wijl hij als burger van het rijk van Christus, de H. Kerk niet getrouw is gebleven, maar haar verlaten heeft; wijl hij als soldaat van Jesus-Christus met en voor zijn aanvoerder niet gestreden heeft, maar tegen Hem is opgestaan. Naast die merkteekens zal in zijne ziel nog geprent worden het brandmerk van Satan, het merlamp;eken der eeuwige verdoemenis. De gelukzaligen daarentegen zullen er zich in den laatsten dag des oordeels over verheugen, want zij zullen hun strekken tot meerdere eer en glorie gedurende de eindelooze eeuwigheid.

II.

Opdat de H. Sacramenten vermelde uitwerksels voortbrengen, moeten zij geldig en waardig ontvangen worden.

Opdat een Sacrament eenig uitwerksel voortbrenge, moet liet werkelijk Sacrament zijn, en alzoo mag het niet ongeldig zijn, nocli van den kant van hem die het ontvangt, noch van den kant van hem die het toedient, noch uit gebrek aan stof of vorm.

Een Sacrament is ongeldig van den kant van hem die het ontvangt, als hij eerst niet gedoopt is, of als hij den wil niet heeft van liet Sacrament te ontvangen; hot Sacrament des Huwelijks is ook ongeldig zoo er\'tusschen de personen die het willen ontvangen, een ontbindend beletsel bestaat.

Een Sacrament is ongeldig van den kant van hem die het toedient, als hij de noodzakelijke meening of macht niet heeft om het toe te dienen. Iemand, bijv., die geen Priester is, zoude de Biecht of het H. Oliesel willen toedienen.

Een Sacrament is ongeldig uit gebrek aan stof of vorm, als iemand, bijv., wil doopen zonder natuurlijk water te gebruiken, of zonder de woorden: ik doop u, enz., uit te spreken. In al die gevallen wordt liet Sacrament ongeldig ontvangen, of liever, men ontvangt geen Sacrament, en bijgevolg ook geen uitwerksel.

-ocr page 29-

Een Sacrament kan wel is waar geldig, maar onwaardig ontvangen worden. Alzoo ontvangt men hot allerheiligste Sacrament des Altaars onwaardig, zoo men wetens en willens in staal van doodzonde te Communie gaat. Hetzelfde moet van de overige Sacramenten der levenden gezegd worden.

Alhoewel men nu door het onwaardig ontvangen der Heilige Sacramenten geene genade bekomt; nochtans, er zijn eenige Sacramenten, die niet geheel en al zonder uitwerksel blijven. Die Sacramenten zijn de drie volgende: het Doopsel, het Vormsel en het Priesterschap: deze drukken altoos het onuitwischbaar merkteeken in de ziel, al is het ook dat zij onwaardig, maar geldig ontvangen worden. Het Huwelijk vereenigt ook do gehuwden tot aan den dood, al verstouten zij zich ook het Sacrament in staat van doodzonde te ontvangen.

Alwie dus een Sacrament geldig en waardig ontvangt, wordt deszelfs uitwerksels deelachtig; doch alwie een Sacrament ongeldig of onwaardig ontvangt, bedrijft eene groote zonde van heiligschending, wijl hij een heilig toeken, door Christus onzen Zaligmaker tot zaligheid der menschen ingesteld, onteert en er misbruik van maakt. Te recht zegt daarom do H. Augustinus dat de H. Sacramenten tot zaligheid verstrekken, voor degenen die er een goed gebruik van maken, ten verderve, voor hen die zo misbruiken. De uitwerksels der H. Sacramenten hangen niet af van de waardig - of onwaardigheid des dienaars, bijv., van den Priester, want zij hebben hunne kracht niet van hem die zo toedient, maar van Jesus-Christus die ze ingesteld heeft, en alzoo kan do onwaardigheid, de staat van doodzonde des dienaars, geen beletsel stellen aan de uitwerksels dor Sacramenten.

Hl.

De Ceremoniën, B. B., waarmede de 11. Sacramenten toegediend worden, zijn zekere gebeden of uitwendige teekenen van godsdienst, welke onze Moeder de H. Kérk voorgeschreven heeft, bijv., het toeken des 11. kruisos, wijwater, wierook, licht, enz.

-ocr page 30-

Alhoewel do Ceremoniën niet noodzakelijk zijn tot het bestaan der H. Sacramenten, nochtans, zij zijn niet zonder nut. Zij dienen: vooreerst, om de H. Sacramenten met meerdere eer toe te dienen; vervolgens, om er meer eerbied en achting voor te hebben; en eindelijk, om er ons de kracht van voor oogen te stellen, d. \\v. z., om ons de uitwerksels der H. Sacramenten beter te doen kennen. Men mag de Ceremoniën niet achterlaten, tenzij in tijd van nood; men zou, bijv., een kind dat in gevaar van sterven is, schielijk moeten doopen.

De Ceremoniën, waarvan de H. Kerk zich bedient bij het toedienen der H. Sacramenten, zijn van de hoogste oudheid; zij zijn vol beteekenis en kracht, waarover later in de uitlegging der Ceremoniën breedvoeriger zal gehandeld worden.

SLUITREDK.

Na de kostbare uitwerksels der 11. Sacraijienten ten minste een weinig gezien te hebben, gevoelen wij ons aangezet en verplicht: vooreerst, van God te bedanken voor de genadebronnen die Hij voor ons geopend heeft; vervolgens, van dikwijls naar behooren tot de H. Sacramenten te naderen.

Is hét inderdaad niet te bejammeren, B. B,, dat er zoo veel Christenen gevonden worden, die ofwel de H. Sacramenten niet ontvangen, ofwel die ze ontvangen met lauwheid, en\' die daarom de kostbare uitwerksels er van niet deelachtig worden? Door de H. Sacramenten worden ons de verdiensten van Jesus-Christus toegepast. Welk eene dwaasheid dus die kostbare verdiensten niet te willen deelachtig worden! Wat zoudt gij zeggen van een arme, die bij een rijke al wat hij noodig heeft, mag halen, maar die to lui is van een voet te verzotten, en die liever van honger en gebrek omkomt? Zoudt gij niet zeggen dat die arme geen medelijden verdient? En wat zoudt gij zeggen van een zieke, die de geneesmiddelen voor zich heeft staan, maar die ze niet wil gebruiken? Die zieke voorzeker verdient niet van te genezen.

-ocr page 31-

— 27 —

En wat zoudt gij zeggen van een soldaat, die tegen zijnen vijand moet gaan vechten, maar die onderweg zijne wapenen wegwerpt? Hij is dus zwak eu niet bestand tegen zijn sterk gewapenden vijand: is het nu te verwonderen dat hij overwonnen wordt? En ziedaar, B. B., hoe wij zelf handelen. Wij zijn die anno, zieke en zwakke in een geestelijken zin. Doch waarom zijn wij arm, ziek en zwak? \'t Is onze; eigen schuld. Jesus en onze Moeder de H. Kerk noodigen ons uit: Komt, zeggen zij, komt, gij armen, verrijkt u, stilt uwen honger en lescht uwen dorst; komt, gij zieken, gebruikt de geneesmiddelen, en gij zult weldra van uwe geestelijke ziekten genezen; komt, gij zwakken, versterkt u om aan de vijanden uwer zaligheid te kunnen wederstaan, om den duivel, de wereld en het vleesch te kunnen bevechten en overwinnen. Welnu, B. B., laten wij beantwoorden aan de uitnoo-diging van Jesus en van onze Moeder de II. Kerk; naderen wij dikwijls in de vereischte gesteltenis tot de H. Sacramenten, wij zullen er de kostbare uitwerksels van deelachtig worden en er onze eeuwige zaligheid mede bewerken. Amen.

-ocr page 32-

DERDE ONDERRICHTING

OVER HET H. DOOPSEL

Ntsi quts renatus fuerit ex aqua et Spiritu Sancto, non potest irdroire in regnwn Dei.

Bijaldien iemand niet herboren wordt uit liet water en den H. Geest, hij kan het rijk Gods niet binnengaan. (Joan, ui, 5.)

INHOUD.

VOORREDE.

Na over de H. Sacramenten in \'t algemeen gehandeld te hebben, gaan wij thans over elk in \'t bijzonder handelen: eerst over het Doopsel.

VERDBELING.

I. Wat is het Doopsel?

II. Wien staat het toe te doopen?

III. Hoe moet men doopen?

I.

Het Doopsel is het eerste en noodigste Sacrament, in hetwelk door de uitwendige wassching en aanroeping van de H. Drievuldigheid de mensch gezuiverd wordt van alle zonden.

-ocr page 33-

Het Doopsel is:

1° Een Sacrament;

2° Het eerste Sacrament;

3° Het noodigste Sacrament. Waarom?

Wat moet men denken van de kleine kinderen die zonder-Doopsel sterven? Men moet de kinderen na de geboorte zoo spoedig mogelijk naar de kerk brengen om gedoopt te worden.

II.

Wien staat liet toe te doopen? \'t Is het ambt van den Priester, in den nood nochtans mag eenieder doopen. Er is nood, als men met reden vreest dat iemand zonder Doopsel zoude sterven. Eenieder moet weten hoe men moet doopen, om in den nood dat groot werk van liefde te kunnen verrichten.

III.

Hoe moet men doopen?

1° Men moet de meening hebben van te doen hetgeen Christus heeft ingesteld of de H. Kerk doet;

2° Men moet natuurlijk water gebruiken;

3° Men moet, terwij! men het kind wasclit, zeggen: Jk doop u, enz.

Wat is doopen onder voorwaarde?

SLUITREDE.

Geschiedenis van de twee Missionarissen en van den ouden man in het bosch.

-ocr page 34-

— 30 —

T

DERDE ONDERRICHTING

OVER HET H. DOOPSEL

Nisi quis renatns Juerit ex aqua et Spiritu Sancto, non potest introire in rctjnum Dei.

Bijaldien iemand niet herboren wordt uit het water en den II. Geest, hij kan het rijk Gods niet binnengaan. (Joan, hi, ».)

VOORREDE.

Na eerst, B. B., over de H. Sacramenten in \'t algemeen gesproken te hebben, gaan wij in de volgende onderrichtingen naar orde over elk in \'t bijzonder spreken. Het eerste der zeven H. Sacramenten is het Doopsel. Evenals de mensch, alvorens het leven te kunnen voortzetten, het leven ontvangen moet, d. i., moet geboren worden; zoo ook moet de ziel het bovennatuurlijk leven, het leven der genade, waarvan zij om de zonde beroofd was, ontvangen, alvorens het te kunnen voortzetten, d. i., de ziel moet herboren worden, en zij wordt herboren in de H. Waters des Doopsels. Beantwoorden wij vandaag in \'t kort de drie volgende vragen aangaande het Doopsel.

1. Wat is het Doopsel?

II. Wien staat het toe te doopen?

III. Hoe moet men doopen?

I.

De Catechismus vraagt:

Wal is het Doopsel? En hij antwoordt:

Het eerste en noodigste Sacrament, in hetwelk door de uitwendKje wassching en de aanroeping van de heilige Drijvuldigheid, de mensch gezuiverd wordt van alle zonden.

-ocr page 35-

1° Het H. Doopsel is een Sacrament: alles wat tot het wezen A;an een Sacrament vereischt wordt, is in het Doopsel te vinden, \'t Is een uitwendig teeken; \'t is van Christus ingesteld; het beteekent eene bijzondere genade die ons door hetzelve gegeven wordt.

Het uitwendig teeken des Doopsels bestaat in de uitwendige afwassching onder de aanroeping van de II. Drievuldigheid.

Naar een algemeen gevoelen zoude Christus het li. Doopsel ingesteld hebben, toen Hij zelf in den Jordaan door Joannes gedoopt werd.

Het 11. Doopsel beteekent door de afwassching des lichaams eene bijzondere genade, namelijk, de zuivering der ziel van de zonden, van de erfzonde en van alle andere zonden die het Doopsel zouden voorafgegaan zijn, en liet werkt tevens die zuivering uit.

2° Het H. Doopsel is het eerste Sacrament.

Waarom wordt het Doopsel genoemd het eerste Sacrament?

Omdat het vóór de andere Sacramenten moet ontvangen worden.

Alvorens dus gedoopt te zijn kan men noch Vormsel, noch Biecht, noch een ander Sacrament geldig ontvangen.

Waarom moet het Doopsel vóór de andere Sacramenten ontvangen worden?

Omdat men door het Doopsel bekwaam wordt gemaakt om de andere Sacramenten te ontvangen.

Het H. Doopsel, B. B., is de deur of de ingang van de H. Kerk, daardoor wordt de mensch in de H. Kerk ingelijfd. Al zoude ook iemand door het Doopsel van begeerte vergiffenis van zijne zonden bekomen hebben, toch moet hij liet Sacrament des Doopsel ontvangen, en daardoor bekwaam gemaakt worden om de overige Sacramenten te ontvangen.

3° Het H. Doopsel is het noodigste Sacrament.

-ocr page 36-

Waarom wordt het Doopsel genoemd het noodigste Sacrament?

Omdat het Doopsel noodiger is om zalig te worden dan de andere Sacramenten.

Niemand kan zonder Doopsel zalig worden. Onze goddelijke Zaligmaker heeft het uitdrukkelijk geleerd. Voorwaar Ik zeg het u, sprak Jesus tot Nicodemus, zoo iemand niet herboren wordt, hij kan het rijk Gods niet binnengaan. Nicodemus verstond die woorden niet, maar Jesus legde ze hem uit: Voorwaar, voorwaar Ik zeg het u; Amen, amen dico tïbi, zoo iemand niet herboren wordt uit liet water en den H. Geest, nisi quis renatus fuerit ex aqua ct Spiritu Sancto, hij kan het rijk Gods niet binnengaan, non potest introire in regnum Dei: (l) d. w. z., zoo iemand het H. Doopsel niet ontvangt, hij kan niet in den hemel komen. Kon Jesus duidelijker over de noodzakelijkheid des Doopsels spreken?

Aan wie is het Doopsel noodig?

Aan alle menschen die de gratie Gods willen heliomen en tot de eeuwige zaligheid geraken.

De Apostel Petrus vergelijkt het H. Doopsel bij de ark van Noe tijdens den zondvloed. Niemand die buiten de ark van Noë was, werd behouden, allen kwamen om in de waters van den zondvloed; zoo ook kan niemand zalig worden of in den hemel komen, tenzij hij het H. Doopsel ontvangt. Ik zeg niemand, B. B., noch groot noch klein, noch jong noch oud; vandaar dat Jesus zegt; Nisi quis; zoo iemand niet herboren wordt, zonder uitneming.

Bijaldien het H. Doopsel zoo noodzakelijk is ter zaligheid, wat moet men dan denken van de kleine kinderen, die sterven zonder Doopsel? Uit de woorden van Jesus is het zeker dat zij nooit in den hemel zullen komen. Zullen die kinderen nu tot

(1) JOAN III, 5.

-ocr page 37-

de liel veroordeeld worden? Kr zijn menschen die zulks nieenen, doch zij bedriegen zich grootelijks. Die kleinen zullen niet tot de hel veroordeeld worden, omdat zij nooit persoonlijk gezondigd hebben. Wat nu hun staat, in het andere leven aangaat, deze is een geheim voor ons. Doch handelt God niet onrechtvaardig door die kleinen van den hemel te berooven? Volstrekt niet; God is zijnen hemel niemand schuldig.

Met den H. Thomas en andere uitmuntende godgeleerden mogen wij houden, dat de kleine kinderen, die zonder Doopsel sterven, geene pijn of droefheid zullen gevoelen over het gemis van het aanschouwen van Gods aanschijn in den hemel, welk gemis in zoo ver eene straf mag genoemd worden, als het een gevolg is van de erfzonde. Gelijk niemand reden heeft van zich te bedroeven, zegt de H. Thomas, dat hij geen koning of keizer is, zoo hij in den burgerstand geboren en opgevoed, niet de minste aanspraak op den troon heeft; zoo ook gevoelen de kinderen in het andere leven geene droefheid over het gemis dier hoogere zaligheid, welke zij zich niet onwaardig gemaakt hebben door eenige vrijwillige zonde, zaligheid, waarop zij geen recht en waartoe zij ook geene natuurlijke bekwaamheid hebben, en waarvan zij zeer waarschijnlijk niet eens kennis dragen. Vervolgens mogen wij nog aannemen dat die kinderen een natuurlijk geluk genieten en dat zij tevreden zijn, zoodat het voor die kinderen beter is van geboren te zijn dan van niet geboren te zijn.

De Catechismus vraagt:

Wcü volgt daaruit dat het Doopsel aan alle menschen noodiy is om zalig te worden? En hij antwoordt:

Dat men met de grootste zorg moet vermijden iemand zonder Doopsel te laten sterven; ook gebiedt de heilige Kerk de kinderen zoohaast mogelijk na hunne geboorte tot den doop te brengen.

Geloofs-en Zedenleer. I\'l\'1 teel 3.

-ocr page 38-

— 34 —

Dit alleen moet reeds voldoende zijn om de ouders le overtuigen, aan welke groote zonde zij zich ook onder dit opzicht voor God plichtig maken, zoo zij de vrijwillige oorzaak zijn dat hunne kinderen, \'t komt er niet op aan wanneer of hoe, zonder Doopsel sterven.

Het H. Doopsel, B. B., is, gelijk ik reeds gezegd heb, van Christus ingesteld, waarschijnlijk toen Hij zelf in den Jordaan door Joannes gedoopt werd. Nochtans het gebod van het H. Doopsel te ontvangen dagteekent eerst van het oogenblik waarop Jesus, alvorens ten hemel te klimmen, zijne Apostelen beval van alom het Evangelie te verkondigen. Gaat, zeide Jesus, leert alle volkeren, en doopt hen in den naam des Vaders en des Zoons en des II. Geestes; toen ontstond voor alle menschen de verplichting van zich te laten doopen.

II.

De Catechismus vraagt;

Wien staat het toe te doopen? En hij antwoordt:

7 Is het ambt van den priester-, in den nood nog tans mag eeniegetijk doopen.

De H. Kerk, B. B., heeft geleerd en zoo leert zij nog, dat een ieder geldig kan doopen: een geloovige of ongeloovige, een katholiek of ketter, een geestelijke of leek, een man of eene vrouw: vandaar dat zij nooit iemand herdoopt, die eenmaal goed, door wien ook, gedoopt is. Wanneer nu een kind te huis zeker goed gedoopt is en naar de kerk gedragen wordt, dan worden in de kerk enkel de Ceremoniën aangevuld.

Wie bewondert hier niet de goddelijke Voorzienigheid, Gods oneindige wijsheid en overgroote goedheid. Het H. Doopsel is volstrekt noodzakelijk om zalig te worden; daarom heeft God gewild, dat eenieder dit Sacrament geldig kan toedienen. Nochtans, buiten het geval van nood is het eigenlijk de Priester, die mag doopen. Jesus-Christus heeft de Priesters gezonden als

-ocr page 39-

Hij zeide: Gaat en onderwijst alle volkeren, lien doopende. Ook mag in gewone omstandigheden niet elke Priester plechtig doopen; \'t is het ambt van den Pastoor of van den Priester door den Bisschop of door den Pastoor daartoe aangewezen. De Pastoor is de herder der parochie, en het betaamt althans, dat deze voor den doopeling den schaapstal opene. Doopen is dus het ambt van den Priester en vooral van den Pastoor, in den nood nochtans mag eenieder doopen. Doch:

Wanneer is er nood?

Als men met reden vreest dcd iemand die niet gedoopt is zoude ster-ven.

Een klein kind, bijv., zoude zwak en in gevaar zijn van te sterven alvorens door den Pastoor of Priester gedoopt te kunnen worden.

Een vader en eene moeder mogen hunne kinderen niet doopen, tenzij er in tijd van nood niemand tegenwoordig is, die het doen kan.

Niemand kan zich zeiven doopen, hetgeen genoegzaam blijkt uit den aard des Doopsels, dat eene nieuwe geboorte is.

Wijl men soms in de noodzakelijkheid kan komen van te moeten doopen.

Behoort — dan — . eeniegelijk te weten hoe men moet doopen?

Ja, om in den nood dat groot werk van liefde te kunnen verrichten.

III.

Het H. Doopsel, B. B., is een Sacrament, in hetwelk door de uitwendige wassehing en de aanroeping van de heilige Drijvuldigheid, de mensch gezuiverd wordt van alle zonden. De Catechismus vraagt:

Hoe moet men doopen? En hij antwoordt:

-ocr page 40-

— 36 —

Men moet den doopeling wasschen, en terzelfder tijd zeggen: Ik doop u in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes. En

Waarmede moet men doopen?

Met waarachtig en natuurlijk water, als met putwater, regenwater, fonteinwater, zeewater. En:

Welke woorden moet men spreken in het Doopsel?

Deze — zonder dewelke het Doopsel van geener weerde zoude zijn: — Ik dooi» u in den naam des Vaders, en des Zoons, - en des Heiligen Geestes.

Ziehier nu in korte woorden wat er vereischt wordt om goed te doopen.

De persoon die doopt, moet vooreerst de meening hebben, d. i., voornemens zijn van te doopen of van te doen hetgeen Christus ingesteld heeft of hetgeen de H. Kerk doet; vervolgens moet hij doopen met waarachtig en natuurlijk water, zooals met putwater, regenwater, enz.; eindelijk moet hij uitspreken de volgende woorden: Ik doop u in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; en één en dezelfde persoon moet die woorden uitspreken, terwijl hij het water boven - of voor op het hoofd van den doopeling uitstort. liet water moet het vel van het kind aanraken: het moet vloeien, en bijgevolg moet men zorgen van water genoeg te gebruiken.

Ik heb gezegd dat men het water moet uitstorten op het hoofd van het kind; zoude men echter in tijd van nood enkel een ander lidmaat —de hand of den voet— kunnen bereiken, dan moet men het kind aan de hand ol aan den voet eerst doopen, en later, zoo het mogelijk is, onder voorwaarde aan het hoofd herdoopen.

Dezelfde persoon, die het water uitstort op het kind, moet de woorden uitspreken, zoodat het Doopsel ongeldig zoude zijn, zoo de eene persoon het water uitstortte, en een ander persoon de woorden sprak: Ik doop u, enz.

-ocr page 41-

Ik heb gezegd van op voonoaanle te herdoopen. Wat is doopen of herdoopen op voorwaarde? Ziehier twee voorbeelden. Men twijfelt, bijv., of een kind levend of dood is. Mag men dergelijk kind doopen? Ja, B. B., en men moet het doopen, docli op voorwaarde, d. i., men moet het water op liet kind uitstorten, zooals gezegd is, en de volgende woorden uitspreken: Indien gij leeft, ik doop u, enz. Een ander voorbeeld. Men zoude reden hebben van te twijfelen of het eerste Doopsel geldig geweest is; bijv., men zoude een kind aan hand of voet gedoopt hebben, dan moet men later het kind aan het hoofd herdoopen onder de volgende voorwaarde: Indien gij niet gedoopt zijt, ik doop u, enz. Ziedaar wat het H. Doopsel is, wie-en hoe men moet doopen.

SLUITREDE.

Ten slotte, B. B., ga ik u eene schoone geschiedenis verhalen, waaruit blijkt, hoe wonder God zich soms jegens den mensch gedraagt.

Twee Missionarissen reisden zekeren dag in de Indien rond. De eene gevoelde zich sterk aangezet den grooten weg te verlaten en een bosch in te slaan, alhoewel zijn gezel vreesde van te verdwalen. Zij gingen dus het bosch in en kwamen, na een weinig tijds te zijn voortgegaan, aan eene hut, traden de hut binnen en vonden er een ouden man, die op sterven lag. Een der Missionarissen ondervroeg hem of hij iets van God kende. Ik weet, zoo sprak de oude man, dat er een Opperwezen bestaat, dat mij geschapen heeft, maar ik ken het niet, en ik wensch vurig dat het zich aan mij bekend make. Dat Opperwezen, zekle de Missionaris zendt ons hier om zich aan u te leeren kennen. Maar, vroeg de Missionaris, hebt gij nooit iemand vermoord of gestolen? De zieke antwoordde: neen. Hebt gij dan nooit gelogen? Het woord liegen verstond de oude man niet; doch nadat de Missionaris hem uitgelegd had wat liegen is, antwoordde hij, dat hij nooit gelogen had. Na nog eenige andere

-ocr page 42-

— 38 —

vragen aangaande de wet der natuur, bevond de Missionaris dat de zieke nooit doodelijk gezondigd had; hij onderrichtte hem daarop in de geheimen van den H. Godsdienst, welke de grijsaard geloofde. De Missionaris vroeg hem daarop of hij verlangde gedoopt te worden; de zieke antwoordde dat hij het vurig verlangde. Doch ziet, er was geen water in de hut. Een der Missionarissen liep rond in het bosch, om hier of daar water te vinden. Na lang gezocht te hebben vond hij water, waar hij het niet verwachtte. In dat bosch stonden boomen die zeer sterke bladeren hebben in den vorm van eene kom. Welnu, in zulk een blad bevond zich natuurlijk en zuiver water, dat er waarschijnlijk tijdens den laatsten regen ingevallen was; hij nam het en ging er mede naar de hut terug. De oude man ontving het H. Doopsel met een levend geloof en stierf een weinig daarna vol blijdschap.

Uit deze geschiedenis, 15. B., blijkt duidelijk dat God wezenlijk wil dat alle menschen zalig worden, dat Hij aan de wilde menschen zelfs, zoo zij de wet der natuur onderhouden, op eene wondere wijze het H. Doopsel bezorgd heeft. Een groot en heilig godgeleerde zeide dat God voor zulk een deugdzaam mensch zelfs een Engel uit den hemel zoude zenden, bijaldien Hij geene andere middelen bij de hand had. Nochtans, er zijn nog veel menschen op aarde, die zonder Doopsel leven en sterven en die bijgevolg nooit zullen zalig worden. Bedanken wij dus God voor zijne goedheid jegens ons, dat wij het H. Doopsel hebben mogen ontvangen; beantwoorden wij trouw aan die groote genade, om eenmaal liet geluk te hebben van in den hemel te komen, waartoe het H. Doopsel volstrekt noodzakelijk is, Amen.

-ocr page 43-

VIERDE ONDERRICHTING

OVER DE UITWERKSELS DES H. DOOPSELS

Haptizetur unusquisque vestrum in remissionem peccatorum.

Eenieder uwer worde gedoopt tot vergiffenis der zonden. (Act. ii, 38.)

INHOUD.

VOORREDE.

Laatstleden hebben wij gezien wat het Doopsel is, wie kan en mag, en hoe men moet doopen. Vandaag gaan wij spreken:

VERDEELING.

I. Over de uitwerksels des Doopsels;

II. Waarom zekere droevige gevolgen overblijven.

I.

Het eerste uitwerksel van het H. Doopsel is de vergiffenis der erfzonde en van alle voorgaande zonden en van de pijnen daartoe staande. Een klein kind dat onmiddellijk na liet Doopsel sterft, gaat recht naar den hemel; met een volwassene heeft niet altijd hetzelfde plaats.

-ocr page 44-

— 40 —

Het tweede uitwerksel is de genade Gods; vooreerst, de heiligmakende genade, waardoor de menscli vernieuwd, geheiligd en versierd wordt: met de heiligmakende genade zijn de bovennatuurlijke deugden en gaven van den H. Geest verbonden; vervolgens, de dadelijke genade of ten minste het recht op die genade.

Het derde uitwerksel is het kindschap van God en van de H. Kerk. De H. Augustinus zegt dat er twee geboorten zijn, eene aardsche en eene hemelsche. Antwoord van een tachtigjarigen grijsaard.

Het vierde uitwerksel is het merkteeken.

II.

Er blijven na liet Doopsel veel noodlottige gevolgen. Waarom?

1° Wijl zulks betaamt;

2° Wijl het voordeelig voor ons is.

Zoo Christus geleden heeft moeten wij ook lijden. Daaraan zien wij wat de zonde is, en hoezeer wij ze moeten baten en verfoeien. Door met geduld te lijden en met moed te strijden kunnen wij een kostbaren schat van verdiensten en eene schitterende kroon van glorie verwerven voor den hemel.

SLUITREDE.

Marteldood van den H. Andreas.

-ocr page 45-

VIERDE ONDERRICHTING

OVER DE UITWERKSELS DES H. DOOPSELS

liaptizetur unusquis^ue. vestrum in reinissionem peccatorum.

Eenieder uwer worde gedoopt tot vergiffenis der zonden. (Act. ii, ss).

VOORREDE.

Het Doopsel, B. B., is het eerste en noodigste Sacrament; liet eerste, wijl het voor de andere Sacramenten moet ontvangen worden; liet noodigste, wijl het noodiger is om zalig te worden dan de andere Sacramenten. Eenieder kan geldig doopen: in gewone omstandigheden mag alleen de Priester, doch in tijd van nood mag eenieder doopen.

Om geldig te doopen moet men vooreerst de meening hebben van te doopen, vervolgens moet men natuurlijk water gebruiken, de woorden uitspreken; ik doop u, enz., en eindelijk beiden, stof en vorm, op den doopeling toepassen. Die waarheden hebben wij laatstleden uitgelegd. Vandaag zullen wij handelen:

I. Over de uitwerksels des Doopsels;

II. Waarom na het Doopsel zoo veel droevige gevolgen overblijven.

I.

Het H. Doopsel, B. B., is een Sacrament, in hetwelk de mensch gezuiverd toordl van alle zonden. De Catechismus vraagt:

Wal krijgen to ij door het Doopsel? En hij antwoordt:

Vergiffenis van de erfzonde en van alle andere voorgaande zonden, en ook van de pijnen daartoe staande.

-ocr page 46-

— 42 —

Vervolgens verkrijgen wij door het Doopsel nog: de genade Gods, de waardigheid van kind van God en van de H. Kerk, en eindelijk, liet merkteeken. Ziedaar de uitwerksels van het H. Doopsel.

Het eerste uitwerksel is de vergiffenis der zonden en der pijnen of straffen daartoe staande.

Alhoewel het H. Doopsel vooral ingesteld is om vergiffenis van de erfzonde te bekomen, er worden toch ook alle andere zonden door vergeven, die vóór het Doopsel gedaan zijn. Die vergiffenis had God reeds in de Oude Wet door den Profeet Ezechiel voorzegd; Ik zal een zuiver water over u uitstorten, zoo sprak God door den mond van zijnen Profeet, en gij zult van al uwe misdaden gezuiverd worden. Vandaar dat de H. Petrus in zijn eerste sermoon na de nederdaling van den H. Geest tot de Joden zeide: Doet boetvaardigheid, en eenieder uwer late zich dóopen tot vergiffenis der zonden. Gij ziet dus dat de Apostel geene enkele zonde, vóór het H. Doopsel bedreven, uitneemt.

Doch niet alleen worden de zonden door het 11. Doopsel vergeven, maar ook de straffen zoo eeuwige als tijdelijke. Evenals, bijv., het water niet alleen zuivert, maar ook uitdooft; zoo ook zuivert het H. Doopsel niet alleen van de zonden, maar het dooft ook het vuur der hel en des vagevuurs uit, d. w. z., het vergeeft de, eeuwige en tijdelijke straffen, welke wij schuldig waren te lijden voor onze zonden. Dat de mensch nochtans door het H. Doopsel de straffen niet ontgaan kan, die hij, bijv., door diefstal van den kant der menschelijke gerechtigheid ingeloopen heeft, is duidelijk. Immers, Christus heeft door zijn lijden en dood, waarvan de verdiensten op den doopeling toegepast worden, alleen aan de goddelijke Rechtvaardigheid willen voldoen.

Uit hetgeen ik over \'t eerste uitwerksel van het H. Doopsel kom te zeggen, blijkt dat iemand, die terstond na gedoopt te

-ocr page 47-

zijn kwam te sterven, recht naar don hemel kan gaan, en dat heeft inderdaad plaats bij de kleine kinderen, die na het H. Doopsel ontvangen te hebben, sterven, alvorens tot de jaren van verstand gekomen te zijn. De zielen van die onschuldige kinderen nemen uit dit tranendaal recht hare vlucht naar den hemel. Vandaar ook dat de H. Kerk die kinderen niet begraaft in treurgewaad, noch bidt of het H. Sacrificie der Mis opdraagt tot rust hunner zielen, want zij hebben die gebeden en Sacri-llciën niet noodig; alleen wordt soms het H. Sacrilicie der Mis opgedragen ter eere der Engelen met welke de zielen dier kinderen zich terstond na den dood mogen verheugen. Wat een volwassen mensch die gedoopt wordt, aangaat, deze kan beletsel stellen dat door het H. Doopsel noch zonden, noch strafl\'en vergeven worden. Dat beletsel is quot;t gebrek aan berouw, want zonder berouw kan men nooit van eene dadelijke zonde vergiffenis bekomen, zelfs niet ■ door het 11. Doopsel. Zoo die zonde nu eene doodzonde is, dan kan hij van de erfzonde ook geene vergiffenis bekomen, en bijgevolg ook niet van de straften daartoe staande; en ingeval hij zoo kwam te sterven, ging hij voor eeuwig verloren. Zoo die zonde slechts eene dagelijksche zonde is, dan kan hij van de erfzonde wel vergiffenis bekomen, doch niet van de dagelijksche, omdat de dagelij ksche zonde bestaan kan met de heiligmakende genade, maar de doodzonde niet; en ingeval hij zoo onmiddellijk, na gedoopt te zijn, kwam te sterven, hij zoude die zonde in het Vagevuur moeten uitboeten.

Het tweede uitwerksel is de genade Gods, vooreerst de heiligmakende genade, welke de H. Geest in de ziel stort; met die heiligmakende genade zijn nog de bovennatuurlijke deugden en gaven van den H. Geest verbonden.

De ziel van den gedoopte wordt dus niet alleen van de zonden gezuiverd, maar zij wordt vernieuwd, geheiligd en versierd. Evenals, bijv., een koning zijn paleis, dat zijn vijand ingenomen, verwoest en geplunderd had, na het op zijn vijand heroverd te

-ocr page 48-

hebben, niet allèen zuivert, maar ook opnieuw versiert met kostbaar huisraad en prachtige schilderijen om er in te wonen; zoo ook handelt de H. Geest in het H. Doopsel met de ziel van den mensch; Hij drijft den duivel uit, zuivert de ziel van de zonden en versiert haar met de kostbaarste sieraden, met zijne heiligmakende genade, met de bovennatuurlijke deugden en zijne gaven, om er daarna in te wonen.

De H. Joannes Chrysostomus geeft eene andere gelijkenis van die inwendige vernieuwing en versiering van den mensch. Gelijk een kunstenaar, zegt hij, een gouden beeld, dat door den rook zwart geworden en met stof en vuil bedekt is, in het vuur vernieuwt en zuivert; zoo ook handelt God: PI ij neemt onze natuur bevlekt door den roest der zonde, misvormd door de misdaad onzer stamouders, beroofd van de oorspronkelijk ontvangene schoonheid, en dompelt ze in de zuiverende doopvont. Wat bij het goud de vlam doet, dat doet hier de genade van den H. Geest. De doopeling, hoezeer ook door zonden ontreinigd, treedt helderder dan het zonnelicht het doopwater uit, de oude mensch sterft, de nieuwe komt heerlijk te voorschijn.

Buiten de heiligmakende genade ontvangt de mensch ook de dadelijke genade, of althans het recht er op voor later tijd, waarop liij ze noodig zal hebben om een nieuw leven te leiden, en om de verplichting, die hij bij het II. Doopsel op zich genomen heeft, te volbrengen. Immers, de Catechismus vraagt:

Waartoe zijn de gedoopten verplicht?«En hij antwoordt;

Dc gedoopten zijn verplicht de leering van Christus te belijden en te onderhouden in zijne waarachtige Kerk.

De gedoopten zijn dus verplicht te gelooven al hetgeen God geopenbaart heeft en door de H. Kerk voorhoudt te gelooven; desnoods moeten zij er zelfs publiek vooruit komen, en zij moeten er hun leven naar schikken.

Het derde uitwerksel is het kindschap van God en van de H. Kerk. De Catechismus vraagt:

-ocr page 49-

— 45 —

Wal voordcel bekomen wij nog door het Doopsel? En hij antwoordt:

Dat wij kinderen worden van God en van de heilige Kerk.

Het H. Doopsel maakt van den mensch een kind van God, God wordt zijn Vader; en hetgeen eertijds bij het Doopsel van Jesus in den Jordaan voorviel, herhaalt zich in zekeren zin bij het Doopsel van den mensch: de hemel opent zicli boven den doopeling, de H. Geest daalt in zijn hart neder, wijdt het tot zijnen tempel, en de Hemelsche Vader Iaat uit den hemel als het ware zijne stem hooren; Dit is mijn welbemind kind, in hetwelk ik mijn welbehagen genomen heb.

Het H. Doopsel maakt van den mensch eeji kind van de H. Kerk, de H. Kerk wordt zijne Moeder en bezorgt hem door het H. Doopsel een nieuw leven. De H. Augustinus over deze geboorte sprekende, zegt: Er zijn twee geboorten; de eene is aardsch, de andere is hemelsch; de eene vleeschelijk, de andere geestelijk; de eene uit een lichamelijken vader en eene lichamelijke moeder, de andere uit God en de H. Kerk. Deze laatste geboorte overtreft ver de eerste. Wie zijn dan bij voorkeur onze Vader en onze Moeder? God, B. B., is bij voorkeur onze Vader en de H. Kerk is bij voorkeur onze Moeder. Onze ouders hier op aarde hebben ons dood naar de ziel en ten eeuwigen dood voortgebracht; God en onze Moeder de H. Kerk hebben ons levend\'gemaakt naar de ziel en ten eeuwigen leven herschapen. Geen wonder dat een tachtigjarige grijsaard, twee jaren na zijn doopsel ondervraagd hoe oud hij was, antwoordde: Ik ben nog maar twee jaren oud, want ik begin mijn leven maar te tellen van den tijd, dat ik door het H. Doopsel voor God .herboren ben; de jaren die voorgegaan zijn, waren een leven van dood. En hij had gelijk de tachtigjarige grijsaard.

Een vierde uitwerksel van het H. Doopsel is het onuitwisch-baar merkteeken in de ziel geprent, waardoor de gedoopte van den ongedoopte onderscheiden wordt, en het is krachtens dit

-ocr page 50-

— 46 —

merkteeken dat het Heilig Doopsel eenmaal geldig, alhoewel onwaardig ontvangen, niet kan vernieuwd worden, en dat het, zoodra liet beletsel weggenomen wordt, herleeft en zijne uitwerksels heeft.

11.

Wij hebben gezien, B. B., onder anderen, dat het H. Doopsel de zonden en de straffen daartoe staande vergeeft. Doch hoe komt het dan, dat er na het Doopsel nog zulke droevige gevolgen overblijven, zooals de begeerlijkheid, de kwellingen, het lijden en eindelijk de dood? Die droevige gevolgen blijven na het Doopsel over om de volgende redenen: vooreerst, wijl zulks betaamt; vervolgens, wijl het voordeelig voor ons is.

Vooreerst zeg ik, wijl zulks betaamt. Heeft onze goddelijke Zaligmaker zijn geheel leven lang niet geleden groote armoede en verdriet naar ziel en lichaam? Heeft Mij op het einde zijns levens niet uitgestaan grootere pijnen en smarten dan ooit een mensch verdragen heeft? En is Hij eindelijk niet den schande-en pijnlijken dood des kruises gestorven? En waarom? Om te voldoen voor onze zonden. Daarna is Hij verreden en in triomf ten hemel geklommen. Jesus dus, ons hoofd, de onschuldige, de Heilige bij uitstek, Jesus lijdt en sterft alvorens zijne glorie

in te gaan; zoude het nu betamen dat wij zijne ledematen, dat

*

wij schuldigen en zondaren vrij bleven van lijden, vrij van den dood? Is dat niet den leerling stellen boven den Meester? den zondaar boven den Heilige der Heiligen?

Vervolgens is het voordeelig voor ons. Door de droevige gevolgen der zonde ondervinden wij, hoe groot kwaad de zonde is, en bijgevolg, hoe zeer wij ze moeten haten en verfoeien. Ziet eens de aaneenschakeling van kwellingen en wederwaardigheden, die den mensch vergezellen van de wieg tot het graf; de algemeene geesels, waarmede het gansche menschdom geslagen wordt, zooals oorlog, pest, hongersnood, aardbevingen, enz.

-ocr page 51-

Wat is ile oorzaak van al die bijzondere en algemeene rampen? De zonde, B. 15.; bijgevolg moeten wij de zonde haten en verfoeien.

Ook dienen ilie droevige gevolgen der erfzonde nog om door lijden en strijden verdiensten voor den hemel te vergaderen. Welk een schat van verdiensten kunnen wij niet voor den hemel vergaderen, mits wij zorgen van in staat van genade te zijn, mits wij met overgeving aan den wil van God en met geduld de kwellingen des levens verdragen. Welk eene kostbare kroon kunnen wij voor den hemel niet verdienen, zoo wij kloekmoedig onze kwade hartstochten bestrijden, en zoo wij zorgvuldig de middelen of wapenen gebruiken om ze in toom te houden? Daarenboven, het lijden dat wij in dit tranendal toch niet kunnen ontvluchten, dat lijden met geduld verdragen valt veel lichter. En moet men niet strijden alvorens gekroond te worden? Niemand, zegt de Apostel Paulus, zal gekroond worden, tenzij hij wettig gestreden heeft. De Heiligen dachten geheel anders over het lijden en strijden dan wij; zij wisten beiden te waardeeren, zij verheugden er zich in; ja de Martelaren verlangden niets zoo zeer dan hun leven ten beste te geven voor Jesus-Christus, die het zijne voor hen ten beste gegeven had.

SLUITREDE.

Als de Apostel Andreas, zoo verhaalt ons de kerkelijke geschiedenis, op de plaats kwam waar het kruis gereed stond waaraan hij sterven moest, verbleekte hij niet, hij vreesde den dood niet. Integendeel, hij brandde van verlangen om zijn goddelijken Meester door den kruisdood gelijkvormig te worden, en hij riep vol geestverrukking, toen hij het kruis zag, uit: O goed kruis! dat door de heilige ledematen van mijnen Heer een sieraad geworden zijt. O Kruis, zoo lang gewenscht, onophoudelijk gezocht en eindelijk na een vurig verlangen voor mij bereid! Neem mij van de menschen weg, en geef mij aan mijn

-ocr page 52-

— \'18 —

goddelijken Meester weder, opdat Hij mij door u terug ontvange, die mij door u verlost heeft! Aan het kruis vastgehecht, ging de H. Andreas twee dagen voort met den gekruisten Heiland te verkondigen; eindelijk gaf hij den geest om Jesus, dien hij in het lijden en strijden gevolgd had, te volgen in de vreugde en glorie. Denken wij daar wel aan, B. B. De weg des lijdens is de weg die ten hemel leidt; die wettig strijdt zal eenmaal gekroond worden; door die heilzame gedachte aangemoedigd zullen wij ons best doen om den weg des lijdens kloekmoedig te bewandelen, en om den heeten strijd voor önze ziel en zaligheid kloekmoedig te strijden. Amen.

-ocr page 53-

VIJFDE ONDERRICHTING

OVER DE CEREMONIËN DES H. DOOPSELS

Qui crediderit et baptizatus fuerit sa/vus crit, qui non crediderit condemnabitur.

Die (quot;\'oloofil zal hebben en gedoopt zal zijn zal zalig worden, die niet geloofd zal hebben zal veroordeeld worden.

(Maro. XVI, 10.)

INHOUD.

VOORREDE.

Na de uitwerksels des Doopsels gezien te hebben, gaan wij over tot de Ceremoniën, waarmede liet plechtig toegediend wordt, en tot de beloften, welke de doopeling doet.

VERUEKMNG.

I. Welke zijn de Ceremoniën des Doopsels?

II. Wat zijn doopbeloften?

I.

Andere Ceremoniën gaan het Doopsel vooraf, andere volgen het.

De voorafgaande zijn: de Priester houdt den doopeling aan de kerkdeur tegen, geeft hem den naam van een Heilige en vraagt hem wat hij van de Kerk Gods begeert.

GHLOOKS - UN ZuDENLBKR. l»UKl. 4.

-ocr page 54-

— 50 —

De Priester blaast driemaal in het aangezicht van den doope-ling, maakt het kruisteeken op het voorhoofd en op de borst en legt de hand op hem; hij wijdt zout en legt er een weinig van in den mond van den doopeling; daarna bezweert de Priester den duivel en leidt den doopeling in de kerk; hij bidt met peter en meter het Symbolum des geloofs en het gebed des Heeren; hij bezweert op nieuw den duivel en bestrijkt met speeksel de ooren en den neus van den doopeling en doet verscheidene vragen. De Priester zallt den doopeling op de borst en tusscuen de schouders, verwisselt de purperen stool tegen de witte. Daarna volgen nog verschillende vragen en eindelijk wordt bet H. Doopsel toegediend.

De Ceremoniën na het Doopsel zijn: de zalving met het Chrisma, de witte doek, de brandende kaars, eindelijk zegt de Priester; Ga in vrede, en de Heer zij met u.

11.

Wij hebben door den mond van peter en meter moeten verzaken den duivel, zijne werken en zijne pomperijen en belijdenis doen van het geloof. De doopeling is verplicht de beloften door peter en meter gedaan te volbrengen.

SLUITREDE.

Geschiedenis van den diaken Muritta en den apostaat Elpidophorus.

-ocr page 55-

VIJFDE ONDERRICHTING

OVER DE CEREMONIËN DES H. DOOPSELS

Qui crediderit et bapthatus fuerit salvus crü, qui non crediderit condemnahitur.

Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn zal zalig worden, dio niet geloofd zal hebben zal veroordeeld worden.

(Makc. xvi, 10.)

VOORREDE.

In onze voorgaande onderrichting, B. B., hebben wij gehandeld over de verschillende uitwerksels des H. Doopsels. De mensch bekomt vergiffenis van de erfzonde en van alle andere voorgaande zonden, alsmede van de straffen daartoe staande; hij ontvangt de genade Gods; vooreerst, de heiligmakende genade en de bovennatuurlijke deugden en de gaven van den H. Geest daarmede verbonden; vervolgens, de dadelijke genade of althans het recht op die genade voor la teren tijd, waarop hij ze noodig zal hebben om de onschuld zijns Doopsels te bewaren; hij wordt kind van God en van onze Moeder de H. Kerk; en eindelijk wordt hem het merkteeken van christenmensch onuitwischbaar in de ziel geprent. Ziedaar de uitwerksels des H. Doopsels.

Vandaag gaan wij handelen; vooreerst, over de Ceremoniën, waarmede het H. Doopsel plechtig wordt toegediend; vervolgens, over de beloften, welke de doopeling doet.

I. Welke zijn de Ceremoniën des Doopsels?

II. Wat zijn doopbelolten?

I.

De Ceremoniën des Doopsels, B. E., dienen om ons te onderrichten door ons de kracht en de uitwerksels des Doopsels voor

-ocr page 56-

oogen te stellen: ,andore Ceremoniën gaan het II. Doopsel vooraf en toonen er ons de kracht van; andere volgen het en toonen er ons de uitwerksels van.

De eerste Ceremonie wijst op den ongelukkigen toestand van den pas geboren mensch, die in staat van erfzonde is. Immers, het kind, dat, vergezeld van peter en meter, die in naam van het kind zullen antwoorden, naar de kerk is gedragen, wordt aan den ingang der kerk -tegengehouden door den Priester in wit koorhemd en met, purperen stool gekleed. Dat kind, nog slaaf van den duivel, heeft het recht niet van de kerk binnen te gaan.

Men geeft het pas geboren kind den naam van een Heilige, opdat het een voorspreker bij G.od, en een voorbeeld ter navolging gedurende zijn leven bebbe. Merkt wel op, B. B., dat men de kinderen geene andere namen als die van Heiligen behoort te geven.

De Priester vraagt het kind bij name naar zijn verlangen. Wat vraagt gij van de Kerk Gods? De peter of meter, of beiden antwoorden voor het kind: Het geloof; d. i., het Roomsch-Katholiek geloof. De Priester: Wat geeft n het geloof? Peter of meter: Het eeuwige leven. Wilt gij bet leven ingaan, zegt de Priester, onderhoud de geboden: Gij zult den Heer uwen God liefhebben uit geheel uw hart, uit geheel uwe ziel, en uit geheel uw verstand, en uwen naaste gelijk u zeiven. Er wordt hier maar van twee geboden gesproken, van de liefde tot God en den evennaaste. Waarom? Omdat die twee geboden de overige in zich bevatten.

Daarna blaast de Priester driemaal zacht in het aangezicht van den doopeling en zegt: Wijk van heul, onzuivere geest, en maak plaats voor den H. Geest, den Vertrooster. De Priester blaast in het aangezicht van het kind, om de wedergeboorte door de genade van God den H. Geest aan te duiden. Gelijk God eertijds bij de schepping van den mensch hem door

-ocr page 57-

ademing tien adem des levens inblies, en gelijk onze goddelijke Zaligmaker op zijne Apostelen blies, om hun den II. Geest mede te deelen; zoo ook wordt het kind in het H. Doopsel het geestelijk leven, het leven der genade door den H. Geest medegedeeld.

Daarna maakt de Priester het kruisteeken op het voorhoofd en op de borst van het kind en zegt: Ontvang het teeken des kruises zoowel op bet voorboofd als op de borst; neem aan liet geloof aan de hemelsche geboden en wees zoodanig van zeden, dat gij nu reeds een tempel van God zijn kunt. Door deze Ceremonie wordt beteekend, B. B., dat de uitwerksels van het Doopsel voortkomen van\' Christus\' kruisdood, en dat het kind Christus\' leering voortaan in zijn hart dragen en met den mond belijden moet.

Na een kort gebed legt de Priester de hand op liet hoofd van het kind, om te toonen, dat hij liet aan do zachte en vaderlijke heerschappij van Jesus-Christus onderwerpt.

Na eerst nog voor den doopeling gebeden en het zout bezweerd te hebben, legt hij het kind een weinig zout in den mond onder deze woorden: Ontvang het zout der wijsheid, het zij u ter verzoening ten eeuwigen leven. Het gewijd zout, B. B., is het zinnebeeld der christelijke wijsheid. Het is ook het zinnebeeld van den geest der boetvaardigheid, en het geeft tevens nog to kennen, dat, evenals het zont bewaart voor bederf, het kind zicii zal moeten bewaren voor het bederf der zonde.

Na een kort gebed bezweert de Priester den duivel met klem en nadruk, en gebiedt hem het kind terstond te verlaten. Hij maakt het teeken des II. Kruises op het voorhoofd van het kind, terwijl hij tot den duivel zegt; En gij, vervloekte duivel, waag liet niet dit teeken des H. Kruises, dat wij op zijn voorhoofd drukken, ooit te schenden. De Priester legt de hand op het hoofd van het kind en bidt er voor. Daarna legt hij het

-ocr page 58-

uiterste van de stool op het kind en leidt het de kerk binnen onder deze woorden: N:... treed binnen in den tempel Gods, opdat gij deel moget hebben met Christus ten eeuwigen leven. De stool, B. B., die het kind opgelegd wordt, is het zinnebeeld der macht, waarmede de Priester het kind de kerk binnenleidt.

Na de kerk te zijn binnengegaan bidt de Priester met peter en meter het Symbolum des geloofs en het gebed des Heeren. Op kleinen afstand van de doopvont bezweert de Priester in naam van den driewerf heiligen God nogmaals den duivel; daarna bestrijkt hij met speeksel de ooren en den neus van den doopeling: de ooren, terwijl hij zegt: Ephphela, dat is, open u. Daardoor wordt beteekend dat de ooren des geestes van het kind zich voor de eeuwige waarheden moeten openen en altijd geopend moeten blijven; den neus, terwijl hij zegt: Tot zoeten geur, om te beteekenen dat het kind door zijne deugden en goede werken alom een aangenamen geur, den geur van heiligheid, moet verspreiden.

Daarna richt de Priester zich tot den duivel en zegt: En gij, duivel, neem de vlucht, want het oordeel Gods nadert, waarop het kind, dat nog een slaaf van den duivel is, aan zijne helsche klauwen gaat ontrukt worden.

De Priester zich tot het kind richtende vraagt eerst nog: Verzaakt gij den duivel?... en al zijne werken?... en al zijne pomperijen? En in naam van \'t kind antwoordt peter of meter telkens: Ik verzaak. Niemand immers kan aan Jesus-Christus toebehooren, tenzij hij den duivel verzaakt. Doch niet alleen den duivel, maar ook zijne werken moet het kind verzaken, d. i., de zonden; zijne pomperijen, d. L, den geest en de ijdel-heden der wereld, waardoor de duivel den mensch verblindt en tot zonde brengt.

Vervolgens zalft de Priester het kind met de olie der kate-chumenen — geloofsleerlingen — op de borst en tusschen de schouders, terwijl hij de volgende woorden spreekt: Ik zalf u

-ocr page 59-

met de olie des heils in Christus-.Tesus Onzen Heer, opdat gij liet eeuwige leven moget hebben. De zalving beteekent dat God in liet Doopsel kracht en sterkte geeft om met voordeel tegen den duivel, de wereld en het vleesch te strijden. De borst wordt gezalfd om de inwendige, de schouders worden gezalfd om de uitwendige bekoringen, bijv., de vervolgingen, te kunnen overwinnen.

Nu verwisselt de Priester de purperen stool tegen de witte, hetgeen wederom vol beteekenis is. Daardoor wordt te kennen gegeven de verandering, die weldra zal gebeuren, namelijk, dat het kind van den staat van zonde, door de purperen stool beteekend, tot den staat van heiligheid, door de witte stool beteekend, overgaat.

Eerst nochtans moet het. kind nog eene plechtige geloofsbelijdenis afleggen. De Priester vraagt dan: Gelooft gij in God den Vader almachtig. Schepper van hemel en van aarde?.... Gelooft gij in Jesus-Christus zijn eenigen Zoon Onzen Heer, die geboren is en geleden heeft?.... Gelooft gij in den H. Geest, de Heilige, Katholieke Kerk, gemeenschap der Heiligen, vergiffenis der zonden, verrijzenis des vleesches en het eeuwige leven?.... en Peter of Meter antwoordt telkens: Ik geloof. Wilt gij gedoopt worden? vraagt daarop de Priester, en op het antwoord: Ik wil, gaat de Priester tot het doopen over.

De Priester neemt, terwijl peter en meter de handen op het kind leggen, het gewijde water uit de doopvont, en giet het tot driemaal toe in den vorm van een kruis uit op het hoofd van het kind, terwijl hij zegt; TV.... Ik doop u in den naam des Vaders en des Zoons en des 11. Geestes. Op dat oogenblik worden de uitwerksels des Doopsels voltrokken. Dat kind is geheiligd, uit de macht van den duivel verlost. Zuiver als een Engel zoude de ziel van dat kind, zoo het kwam te sterven, recht naar den hemel vliegen.

-ocr page 60-

De Ceremoniën na het H. Doopsel dienen om er ons de uitwerksels van te toonen.

De Priester zalft het kind op liet hoofd inet het Chrisma — zalfolie. — Die zalving beteekent de waardigheid van den nieuw - gedoopte, dat hij geworden is een kind van God, de tempel van den M. Geest en een leerling van Christus.

Na de zalving legt de Priester een witten doek op het kind, terwijl hij zegt: Ontvang liet witte kleed, en breng het ongeschonden voor den rechterstoel van onzen Heer Jesus-Cliristus, opdat gij het eeuwige leven moget bekomen. De witte doek, B. B., beteekent de reinheid der ziel in het H. Doopsel bekomen, welke reinheid de mensch gansch zijn leven ongeschonden moet bewaren, om zonder vlek voor den goddelijken Rechter te kunnen verschijnen.

De brandende kaars eindelijk, die peter of meter in de handen wordt gegeven, is het zinnebeeld van liet licht des geloofs, van den straal der hoop en van de vlam der liefde, door liet II. Doopsel in de ziel ontstoken. De christen moet ten allen tijde een goed voorbeeld geven; hij moet altijd op God steunen en Hem immer van ganscher harte beminnen. Van kind der duisternis een kind des lichts geworden, moet de christen de fakkel des geloofs, den straal der hoop en het vuur der liefde ontstoken houden, om er Jesus-Christus eenmaal, evenals de wijze maagden, mede te gemoet te gaan. Ite Priester zegt het uitdrukkelijk: Ontvang de brandende lamp, zegt hij, en bewaar uw doopsel onberispelijk, onderhoud de geboden Gods, opdat gij, wanneer de Heer ter bruiloft zal komen. Hem met alle Heiligen des hemels moget tegemoet gaan en het eeuwige leven bekomet. Wee! duizendmaal Wee! dengenen, die de brandende lamp laten uitdooven: zij zullen bij de onverwachte komst van don bruidegom, evenals de dwaze maagden, voor eeuwig van de hemelsche bruiloft uitgesloten worden.

-ocr page 61-

Eindelijk zegt de Priester: N.... ga iu vrede en de Heer zij mot u. Ziedaar, ]?. li., de Ceremoniën des H. Doopsels en de beteekenis er van. Zeggen wij nu nog een woordje van de doopbeloften.

II.

De Catechismus vraagt:

Wat hebben wij moeten doen eer wij het Doopsel hebben ontvangend En hij antwoordt:

Wij hebben door den mond, onzer peters en nieters moeten verzaken den duivel, zijne werken en zijne pomperijen, en belijdenis doen van het Geloof.

Hoe noemt men dat?

De beloften van het Doopsel.

Vooreerst heeft de doopeling moeten verzaken den duivel, zijne werken en zijne pomperijen.

Hij heeft moeten verzaken den duivel, d. w. z., hij heeft moeten beloven den duivel niet meer voor zijnen heer en meester te erkennen, naar hem niet meer te luisteren en hem niet meer te dienen.

Hij heeft moeten verzaken de werken des duivels, d. i., de zonden, want de zonden zijn de werken des duivels: Wie zonde doet, zegt de H. Joannes, is uit den duivel. Werken van den duivel zijn ook de werken des vleesches, en van deze werken zegt de Apostel Paul us: Alwie ze doet, zal nooit het rijk der hemelen binnengaan. Werken van den duivel zijn niet alleen de slechte handelingen, maar ook de slechte gedachten, waarin men behagen schept; de slechte begeerten, die men zoude willen uitvoeren; do schandelijke gesprekken, waarin men zich verlustigt; dat alles belet den mensch van ooit in den hemel te komen. Heeft hij moeten verzaken de werken des duivels, namelijk, de zonden, dan heeft hij ook moeten verzaken de gevaren en gelegenheden der zonden, en vandaar dat hij ook

-ocr page 62-

— 58 —

verplicht is de vrijwillige gevaren en gelegenheden der zonden te vluchten en te vermijden.

Hij heeft moeten verzaken de pomperijen des duivels, d. w. z., de schijnvermaken, de schijngoederen en de ijdelheden der wereld, waarmede de duivel den mensch verblindt, van God verwijdert en tot zich trekt. Inderdaad, B. B., God haat niets zoo zeer dan de dwaze liefde tot de bedorvene wereld, die van eene menigte gevaren van zonde vergezeld gaat. In hem, die de wereld lief heeft, is de liefde des Vaders niet. In dezen zin en niet anders, hebben de H. Vaders die plechtige verzaking aan den duivel, zijne werken en zijne pomperijen verstaan en uitgelegd.

Vervolgens heeft de doopeling belijdenis moeten doen van het geloof; d. w. z,, hij heeft plechtig moeten beloven de Roomsch-Katholieke leering vastelijk te gelooven en te belijden, want deze, en deze alleen, bevat het ware geloof van Christus. Die belofte heeft hij gedaan, als hij het geloof aan de H. Kerk gevraagd en het Symbolum des geloofs opgezegd heeft; als hij ondervraagd of hij geloofde, geantwoord heeft: Credo, Ik geloof. Ook kan het H. Doopsel zonder het geloof niet helpen ter zaligheid. Immers, er staat geschreven: Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn zal zalig worden. Qui crediderit et baptizatus fuerit salons eril, doch die niet geloofd zal hebben — hetzij gedoopt of niet gedoopt — zal veroordeeld worden, qui non crediderit condemnabitur. (i)

Belooft de doopeling aan God veel, God, die zich nooit in edelmoedigheid laat overtreffen, belooft van zijnen kant den doopeling nog meer. Buiten de talrijke genaden, belooft God den doopeling tot zijn kind aan te nemen: Gij zult mijn kind, de broeder, de zuster van mijn eenigen Zoon, zijn medeërfge-naam wezen; ja, zoo gij uwe beloften getrouw blijft, zal mijn rijk, de hemel uwe belooning zijn. Ziedaar, B. B., wat de

li) Marc* xvi, 16.

-ocr page 63-

doopeling en God elkander beloofd hebben; ziedaar het verbond, dat zij- gesloten hebben in de tegenwoordigheid van gansch het hemelsch hof op den dag van het H. Doopsel. Hebt pij die beloften trouw volbracht? Hebt gij dat heilig verbond ongeschonden gehouden? Hebt gij er wel aan gedacht, o mensch, zoo dikwijls de duivel u wilde doen afvallen, of u door zijne bekoringen onder de vaan des oprners tegen God riep? Hebt gij er aan gedacht, zoo dikwijls de begeerlijkheid des vleesches, de begeerlijkheid der oogen, de hoovaardij des levens u tot trouweloosheid jegens God aanspoorde? Hebt gij er aan gedacht, zoo dikwijls de bedorvene wereld u toeriep: Schaar u onder mijn vaandel en verlaat het vaandel van God; zeg Hem: Ik wil U niet dienen, Non serviam. Gelukkig zoo gij er aan gedacht, uwe beloften trouw volbracht, het heilig verbond met God gesloten niet geschonden hebt; docli wee u! zoo gij uwe beloften ontrouw geworden zijt, zoo gij het verbond met God gesloten verbroken hebt; eenmaal, vroeg of laat, zult gij verschrikkelijk gestraft worden. Ka zegt niet: De beloften in liet H. Doopsel gedaan, heb ik niet gedaan, maar mijn peter en mijne meter, en zulks zonder mijne voorkennis; bijgevolg ben ik niet verplicht dezelve te volbrengen.

Die opwerping beteekent niets. Hetgeen peter en meter voor u beloofd hebben, waart gij ook verplicht te beloven en te volbrengen, wildet gij gedoopt worden en eenmaal in den hemel komen. Immers, het staat niemand vrij God toe te behooren of den duivel, goed of slecht te leven, de leering van Christus te volgen of ze te verwerpen. Sedert Jesus-Christus u door zijn goddelijk bloed aan \'t kruis vergoten vrijgekocht heeft, behoort gij Hem toe, moet gij een heilig leven leiden en zijne leering volgen. Daarom ook spreekt onze Moeder de H. Kerk den banvloek uit over hen, die leeren dat de kleine kinderen, tot de jaren van verstand gekomen, niet verplicht zijn tot datgene wat peters en meters in hunnen naam bij het H. Doopsel

-ocr page 64-

— 00 —

beloofd hebben. De Catechismus leert hetzelfde als hij antwoordt op de vraag:

Moeien xoij de beloften van het Doopsel volbrengen?

Ja; anders hunnen wij niet zalig worden.

Nochtans, de doopbeloften, worden niet beschouwd als beloften in den strengen zin des woords, zoodat de overtreding er van geene bijzondere misdaad na zich sleept; doch alle Cliristei)en zijn niettemin verplicht dezelve stipt na te komen.

SLUITREDE.

Alvorens deze onderrichting over de Ceremoniën en beloften des Doopsels te eindigen wil ik u eene treffende geschiedenis verhalen. Tijdens de ariaansche vervolging was een Christen, met name Elpidophorus, tot afval gebracht, en deze ongelukkige was zelfs aangesteld om de overige Christenen te vervolgen en tot afval te brengen. Onder de Christenen, die zekeren dag A\'oor dien apostaat moesten verschijnen, bevond zicli de diaken Muritta van de kerk van Karthago. Deze diaken was vroeger peter geweest bij het Doopsel van Elpidophorus, en hij had, gelijk toen het gebruik was, het wittekleed, waarmede de doopeling gedekt werd, zorgvuldig bewaard. Toen nu de diaken Muritta voor den rechterstoel van Elpidophorus gedaagd werd, nam hij dat wittekleed mede, ontvouwde het en sprak den voorzitter aldus aan: Ziedaar, trouwelooze Elpidophorus! Ziedaar, het kleed dat u aanklagen zal, als de goddelijke rechter vol majesteit zal verschijnen: ik heb het zorgvuldig bewaard, opdat het van uwen afval en van uwe verwerping getuige. Dit kleed omgal u, toen gij zuiver en onbevlekt uit het doopwater traadt, doch het zal eens uwe hellepijnen verdubbelen, omdat gij door uwen afval den vloek hebt aangetrokken als een kleed, omdat gij het Sacrament van den waren Doop, het Sacrament des geloofs hebt geschandvlekt en verloren. Wat zult gij aanvangen ongelukkige, als de dienaren u zullen uitnoodigen tot het

-ocr page 65-

koninklijk gastmaal, als de koning u zonder bruiloftskleed ziende vertoornd vragen zal: Hoe zijt gij hier binnengekomen zonder bruiloftskleed? Ais hij dan zijne dienaren gebieden zal: Bindt hem handen en voeten en werpt hem in de uiterste duisternissen, waar geween en tandengeknars zal lieerschen? Ziedaar, B. B., met welke bedreiging de diaken Muritta dien apostaat toesprak. Past die bedreiging, althans eenigszins, ook niet op ons? Want al hebben wij juist het geloof niet verloren, hebben wij de onschuld, het wittekleed des Doopsels ongeschonden bewaard? Mijn God! Hoe dikwijls hebben wij het niet besmeurd door de zonde? O, B. B., denken wij daaraan en trachten wij door eene oprechte bekeering, door eene rouwmoedige biecht onze eerste onschuld terug te bekomen, dat besmeurd kleed te zuiveren; want gelijk men zonder bruiloftskleed de bruiloftszaal niet kan binnengaan, evenmin zal men ze met een besmeurd kleed mogen binnentreden, d. w. z., gelijk men zonder Doopsel niet kan zalig worden, evenmin zal men, alhoewel men gedoopt is, in staat van doodzonde zalig worden. Amen.

-ocr page 66-

ZESDE ONDERRICHTING

OVER PETER EN METER IN HET H. DOOPSEL

Qui perdiderit animam suam propter me inveniet eam.

Die zijn leven voor mij zal verloren hebben zal het vinden. (Matth. ix, 30.)

INHOUD.

VOORREDE.

De Ceremoniën des Doopsels zijn schoon en vol beteekenis; de beloften des Doopsels zijn groot en veelomvattend. Bijaldien de Christen de beloften zijns doopsels niet volbrengt, zal hij streng gestraft worden; zoo bij ze volbrengt, zal hij ruimschoots beloond worden. Zien wij vandaag:

VERDEELING.

I. Wat doopborgen zijn;

II. Of het Sacrament des Doopsels kan vervangen worden.

-ocr page 67-

— 03 —

I.

Door doopborgen worden verstaan peter en meter; zij zijn de geestelijke ouders van liet doopkind. Peter en meter moeten zorgen, dat degenen die zij bij het Doopsel geheven hebben, onderwezen worden in hetgeen de zaligheid aangaat, zoo de ouders hunnen plicht niet zouden doen. Daaruit kan men besluiten, dat de ouders deugdzame peters en meters moeten kiezen. Het peter-en mcterschap brengt een ontbindend huwelijks beletsel voort. Bijaldien men geleende peter of meter is, gaan de verplichting en het huwelijksbeletsel op den vervangen persoon over.

II.

Het Sacrament des Doopsels kan vervangen worden door het Doopsel van begeerte en door het Doopsel van bloed.

Wat is het Doopsel van begeerte? Wat is het Doopsel van bloed?

sluitrede.

Een edelman doet zijne familie groote oneer aan, als hij, door zich laag te gedragen, zijn adel schandvlekt. De slechte Christen volgt dien edelman na. Wenceslaus.

-ocr page 68-

— 04 —

ZESDE ONDERRICHTING

OVER PETER EN METER IN HET H. DOOPSEE

Qui perdidcrit aniinam suam propter me inveniet earn.

Die zijn leven voor mij zal verloren hebben zal het vinden. (Maïtii. ix, 59.)

VOORREDE.

De Ceremoniën des Doopsels, B. B., zijn, gelijk wij gezien hebben, schoon en vol beteekenis; de beloften die de doopeiing doet, hetzij in persoon, hetzij door den mond van peter of meter, zijn groot en veelomvattend: hij belooft te verzaken den duivel, zijne werken en pomperijen en hij doet belijdenis van het Roomsch-Katholiek geloof. Zoo de doopeiing zijne beloften niet nakomt, wachten hem de verschrikkelijkste straiten; zoo hij ze daarentegen nauwkeurig nakomt, zal God hem ruimschoots, vooral hiernamaals beloonen in den hemel. Die waarheid, welke te recht verdient met aandacht overwogen te worden, hebben wij reeds uitgelegd. Vandaag zullen wij nog zien;

I. Wat doopborgen zijn;

II. Of het Sacrament des Doopsels kan vervangen worden.

I.

Door doopborgen, B. B,, worden verstaan de personen, die den doopeiing ten doop aanbieden, het geloof en het Doopsel voor hem vragen, in zijnen naam de geloofsbelijdenis en doopbeloften doen, en eindelijk hem ten doop houden; zij worden genoemd peter en meter van de latijnsche woorden paler en

-ocr page 69-

mater, d. i., vader en moeder. Het H. Doopsel is eene geestelijke geboorte; peter en meter zijn de geestelijke ouders van het pas naar den geest herboren kind.

Het gebruik van bij den plechtigen doop peter en meter te gebruiken, is zeer oud in de H. Kerk. Men mag slechts één persoon, een man of eene vrouw, of twee personen, een man en eene vrouw, gelijk doorgaans geschiedt, tot peter en meter gebruiken: meer personen te nemen is streng verboden.

De Catechismus vraagt:

Welk is de plicht van peter of meier die gebruikt worden in hel Doopsel? En bij antwoordt:

Te bezorgen dat degenen die zij geheven hebben onderwezen worden in hetgeen de zedigheid aangaat; immers als de ouders hunnen plicht niet zouden doen.

Ingeval dus de ouders hunnen plicht doen en zorgen dat bun kind christelijk opgevoed en onderwezen wordt, dan behoeven peter en meter niet tusschen beiden te komen.

Uit deze verplichting kan men opmaken, hoedanige peters en meters de ouders moeten nemen voor hunne kinderen, namelijk, dat zij niet zoo zeer moeten letten of peter en meter rijke, aanzienlijke en hooggeplaatste personen zijn; neen, B. B., maar zij moeten inzonderheid letten of peter en meter brave, voorbeeldige christenen, ijverige katholieken zijn, die in tijd van nood wezenlijk zorg kunnen en zullen dragen voor het geestelijk welzijn hunner (loopkinderen. Hoe toch zullen peter en meter, die niet bezorgd zijn voor hun eigen welzijn, zich veel laten gelegen liggen aan het welzijn van hun doopkind? Zullen zij voor hun doopkind, in plaats van het tot de deugd aan te zetten, geen steen des aanstoots wezen? Niet zonder reden verbiedt dus de H. Kerk tot peter en meter te kiezen, ongeloovigen, ketters, openbare en eerlooze zondaars, degenen die in den ban der H. Kerk zijn of die niet onderwezen zijn in de voornaamste punten des geloofs. Doch, helaas! dit verbod

Gelooks en Zedenleer. 4^° heel 5.

-ocr page 70-

— 6(5 —

wordt niet altoos door de ouders in acht genomen. Men treft soms ouders aan, die niet letten op het geestelijk welzijn hunner kinderen, dat uit brave peter en meter kan voortspruiten, maar enkel op de tijdelijke belangen en zich daardoor laten verblinden. Ja, wat meer is; men treft soms ouders aan die met opzet, enkel uit haat tegen-en uit afkeer van onze Moeder de II. Kerk en hare dienaren, zoo ver gaan dat zij slechte, zelfs openbare vijanden der H. Kerk tot peter en meter kiezen. Ls dat, 15. B., ik vraag het u, handelen volgens de inzichten der H. Kerk, die peter en meter gesteld heeft tot welzijn harer kinderen? Ook betaamt het dat peter en meter niet te jong zijn, namelijk, de peter veertien en de meter twaalf jaar, en dat zij het H. Vormsel ontvangen hebben.

Buiten de verplichting die peter en meter op zich nemen, van te zorgen dat het kind onderwezen wordt in hetgeen de zaligheid aangaat, zoo de ouders hunne plichten Verwaarloozen, heeft het peter - en meterschap bij den plechtigen doop nog een ander uitwerksel. Dat uitwerksel is een ontbindend huwelijks beletsel, het geestelijk maagschap genoemd. Dat beletsel bestaat tusschen .peter en meter van den eenen kant en het gedoopte kind en deszelfs ouders van den anderen kant, zoo dat peter en meter geen huwelijk kunnen aangaan met hun doopkind, noch met de ouders van dat kind zonder dispensatie van de H. Kerk. Tusschen peter en meter ontstaat geen beletsel, zoo dat zij met elkander kunnen trouwen.

Opdat peter en meter inderdaad het huwelijks beletsel inloo-pen, moeten zij wezenlijk hun ambt bij het Doopsel uitoefenen; zij moeten dus onder anderen het kind of de kleederen van het kind bij den doop aanraken, met de hand het kind ondersteunen of de hand er opleggen, zonder dat kan men niet zeggen dat zij het kind bij den doop gehouden of geheven hebben. In geval een kind te huis gedoopt is, en later in de kerk alleen de Ceremoniën worden aangevuld, dan ontstaat er geen beletsel.

-ocr page 71-

omdat het uit het Doopsel en niet uit de Ceremoniën voortkomt, doch de verplichting voor dergelijke peters en meters van voor hun doopkind te zorgen, is dezelfde.

De H. Kerk laat maar één doopborg of hoogtens twee, één peter en ééne meter, toe. De reden is, opdat het huwelijks beletsel niet tusschen te veel personen ontstaan zou. Andere personen, die soms nog bij den doop tegenwoordig zijn, zijn enkel doopgetuigen en loopen dus geenszins liet beletsel in.

Ook kan men zicli bij den doop door een ander persoon laten vervangen, in welk geval de verplichting en liet huwelijks beletsel niet op den persoon die vervangt, maar op den persoon die vervangen wordt, overgaat.

Uit deze weinige woorden over het ambt en over de verplichting van peter en meter, moeten wij besluiten: vooreerst, dat de ouders verplicht zijn voor hunne kinderen tot peter en meter te kiezen brave Christenen en oprechte Katholieken; vervolgens, dat peter en meter soms verplicht zijn voor hun doopkind te zorgen; en eindelijk, dat zij een geestelijk verwantschap met het kind en deszelfs ouders aangaan.

II.

Het Sacrament des Doopsels is, gelijk wij vroeger reeds gezegd hebben, volstrekt noodzakelijk ter zaligheid. De Catechismus nu vraagt;

Kunnen zij zalig worden die de gelegenheid niet hebben om hel Sacrament des Doopsels le onlvangen? Kn hij antwoordt:

■Ja, door hel Doopsel van begeerte, of door hel Doopsel van bloed.

Nochtans, het Doopsel des waters alleen is een Sacrament, de Doopsels van begeerte en van bloed zijn geene Sacramenten^ Wanneer is er doopsel van begeerte?

-ocr page 72-

— 68 —

Als iemand die niet gedoopt is, en daartoe de gelegenheid niet heeft, een volmaakt berouw heeft over zijne zonden, met de begeerte om gedoopt te worden.

Drie zaken worden dus vereischt tot het Doopsel van begeerte: vooreerst dat men de gelegenheid niet hebbe van het Sacrament des Doopsels te ontvangen, bijv., iemand die nog niet gedoopt is, zoude in gevaar van sterven zijn, en er zoude niemand zijn om hem het Sacrament des Doopsels toe te dienen; vervolgens, dat men een volmaakt berouw hebbe over zijne zonden, zoo men groote zonden bedreven heeft, ofwel eene volmaakte liefde tot God; eindelijk, dat men verlange het Sacrament des Doopsels te ontvangen, of ten minste, dat men den ernstigen wil hebbe van alles te doen wat God voorgeschreven heeft. Door het Doopsel van begeerte worden niet altijd alle tijdelijke straffen vergeven.

Wanneer is er Doopsel van bloed?

Als iemand die het Doopsel niet kan ontvangen zijn leven ten beste geeft voor het Geloof.

Er worden ook drie zaken vereischt tot het Doopsel van bloed: vooreerst, de begeerte van het Sacrament des Doopsels te ontvangen, zoo men er de verplichting van kent; vervolgens, het berouw, althans een onvolmaakt berouw, over de bedreven doodzonden; en eindelijk dat men zijn leven ten beste geve, d. i., of sterve, of ten minste doodelijke pijnen onderga voor liet geloof of eene christelijke deugd, omdat men, bijv., het geloof belijdt, die deugd beoefent of bewaren wil.

Om dezelfde reden vereert onze Moeder de H. Kerk ook als martelaren, niet alleen hen, die voor het geloof, maar ook een groot getal Maagden, die om hunnen maagdom te bewaren hun leven ten beste gegeven hebben. De H. Joannes wordt ook als martelaar vereerd, niet omdat hij voor het geloof gestorven is, maar omdat hij er folteringen voor ondergaan heeft, waaronder hij zeker het leven zoude verloren hebben, hadde God hem niet

-ocr page 73-

op eene bijzondere wijze bewaard. Joannes immors, gelijk wij weten, werd op bevel van keizer Domitianus in een ketel vol ziedenden olie geworpen, doch kwam er door God beschermd ongeschonden uit te voorschijn. Kleine kinderen kunnen ook het Doopsel van bloed ontvangen, en zoo van de erfzonde gezuiverd worden, bijaldien zij uit haat tegen Jesus-Christus of tegen het geloof om hot leven gebracht worden: zulks ontkennen zoude vermetel zijn, zegt de IL Alphonsus. quot;Vandaar ook dat de II. Kerk het feest viert van do Onnoozele Kinderen, die als martelaren voor Jesus-Christus gestorven zijn. Boor het Doopsel van bloed worden ook altijd de tijdelijke straffen vergeven. Dat de mensch door het Doopsel van begeerte en van bloed kan zalig worden, komt geheel en al overeen met de leering van het H. Evangelie. Als iemand mij lief heeft, zegt onze goddelijke Zaligmaker, die zal mijne woorden onderhouden, en mijn Vader zal hem beminnen. Wij zullen tot hem komen en ons verblijf bij hem houden. Iemand, die bemint, zegt do H. Joannes, is uit God geboren: Ex Deo natus est. (l) Welnu, iemand die het Doopsel van begeerte ontvangt, wil alles doen wat God voorgeschreven heeft; hij bemint God volmaakt, God bemint hem dus ook; hij is een kind van God, bijgevolg kan God hem niet haten noch straffen; integendeel, God bemint hem en zal hem den hemel geven.

Die zijn leven voor mij zal verloren hebben zal het weder-vinden, zegt Jesus. Wat belooft Jesus door die woorden, zoo niet dat Hij het eeuwige leven zal geven aan hen, die hun leven voor Hem ten beste gegeven hebben? Jesus nu maakt geen onderscheid tusschen gedoopten of ongedoopteu; bijgevolg, zoo iemand voor Jesus-Christus den marteldood sterft, het Doopsel van bloed ontvangt, hij zal in eeuwigheid leven, Ziedaar, B. B., hoe de mensch, zonder het Sacrament des Doopsel te

(1) 1 JOAN. VI, 7.

-ocr page 74-

ontvangen, nog kan zalig worden, namelijk, door het Doopsel van begeerte of door het Doopsel van bloed.

SLUITREDE.

Onder de goederen dezer wereld, waarop de mensch zich dikwijls beroemt, schijnt niet weinig zijne adellijke geboorte uit; daarnaar moet hij ook leven. En welke oneer voor hem, zoo hij door een laag gedrag zijne adellijke geboorte schandvlekt. Doch, B. B., wat is de adellijke geboorte der menschen-kinderen vergeleken bij die der kinderen Gods? Door het H. Doopsel zijn wij allen tot den adelstand verheven. God heeft ons de macht gegeven van zijne kinderen te worden. Wij moeten dus ook een leven leiden dat kindschap waardig, en wee ons, zoo wij door een ontaarden levenswandel den naam van kinderen Gods schandvlekken. Wij moeten onze waardigheid en voorrechten gedenken. Ja gedenk, o Christen mensch! uwe waardigheid en uwe voorrechten, niet alleen op den dag uwer eerste heilige Communie, waarop gij uwe doopbeloften vernieuwt; niet alleen ééns in het jaar op don dag van uw H. Doopsel, maar telkens als de vijanden uwer zaligheid u bekoren, [u aanzetten om van uven hemelschen Vader af te vallen, \'t Zij u niet genoeg Christen te heeten; de naam alleen hoe heilig ook, zal niets baten, zoo het leven aan den naam niet beantwoordt. Men leest in de geschiedenis dat Wenceslaüs, koning van Polen, het portret zijns vaders altoos bij zich droeg, en dat hij, alvorens eene gewichtige zaak te ondernemen, het eerst liefdevol aanschouwde, zeggende: Ver van mij van iets te doen dat uwer Jon waardig is. O Christen mensch! volg hierin Wenceslaüs na; denk in al uwe zaken aan God uwen Vader; tracht Hem in alles te behagen. Wanneer de vijanden uwer zaligheid u aanzetten tot zonde; wanneer zij al hunne krachten inspannen om u te verleiden, sla uwe oogen dan ten hemel, waar uw Vader woont en zeg: \'t Zij verre van mij, o mijn

-ocr page 75-

Hemelsche Vader! van iets te doen dat uwer onwaardig is. Neen, Vader! Gij hebt mij tot uw kind aangenomen, ik wil uw kind zijn en blijven, en als getrouw kind zal ik door uwe genade bijgestaan U eeren, U beminnen en dienen ganscli mijn leven. O, B. B., wat is hij gelukkig, de Christen, die zoo denkt en handelt: gelukkig hier op aarde, want wat hem ook over-kome, hij mag zicb altijd verheugen over het kindschap van God; gelukkig vooral op den laatsten dag zijns levens, wijl hij tot God zijnen Vader zal gaan; ja, de sterfdag van dien Christen wordt de geboortedag zijner eeuwige gelukzaligheid. Amen.

-ocr page 76-

ZEVENDE ONDERRICHTING

OVER HET H. VORMSEL

Tune imponebant manus super iüos et accipiebant Spiritum Sanctum.

Toon legden zij de lianden op hen en zij ontvingen den H. Geest.

(Act. vm, 17.)

INHOUD.

VOORREDE.

Evenals de mensch na zijne geboorte grooter en sterker moet worden, zoo ook moet hij, na in do H. Waters des Doopsels herboren te zijn geestelijker wijze grooter en sterker worden. Zulks geschiedt door het H. Vormsel.

VERDEELING.

I. quot;Wat is het Vormsel?

II. Welke zijn de uitwerksels van het Vormsel?

I.

Het Vormsel is een Sacrament dat van den Bisschop wordt gegeven aan degenen die gedoopt zijn, in hetwelk door de

-ocr page 77-

zalving en de heilige woorden gratie en sterkte wordt gegeven om het geloof vastelijk te belijden.

\'t Is een punt van ons geloof dat het Vormsel een Sacrament is. Wij vinden er iu alles wat er vereischt wordt tot het wezen van een Sacrament.

De Bisschop is de gewone bedienaar van het Vormsel. Men moet gedoopt zijn alvorens gevormd te worden. Men moet het Vormsel ontvangen als men tot de jaren van verstand gekomen is en daartoe de bekwaamheid heeft.

II.

De uitwerksels van het Vormsel zijn:

1° De heiligmakende genade;

2° De dadelijke genade of het recht er op;

3° Het merkteeken in de ziel geprent.

De heiligmakende genade wordt versterkende genade genoemd, wijl zij den Christen menscli versterkt om het kwaad te bestrijden, om het goed te doen en om het geloof standvastig te belijden.

Door het Vormsel wordt do gedoopte een volmaakt Christen en een soldaat van Jesus-Christus; en evenals een soldaat zicli niet mag schamen over zijnen koning, en diens rijk en rechten moet verdedigen; zoo ook mag een Christen zicli niet schamen over Jesus-Christus, en moet hij de H. Kerk, haar geloof, hare wetten en instellingen verdedigen.

Wee den soldaat die zijn vaandel verlaat en tot den vijand overloopt!

SLUITREDE.

Geschiedenis van den H. Marinus.

-ocr page 78-

ZEVENDE ONDERRICHTING

OVER HET H. VORMSEL

Tmc innponebant manus super illos et accipiebant Spiritum Sanctum.

Toen legden zij de handen op hen on zij ontvingen den II. Geest.

(ACT. viii, 17.)

VOO RRKDE.

Wat het lichamelijk leven betreft, B. B., de mensoh moet na geboren te zijn grooter en sterker worden; hetzelfde is er van noode voor liet geestelijk leven der ziel. Na in de 11. Waters des Doopsels herboren te zijn en na het geestelijk leven ontvangen te hebben, moet dat leven toenemen en sterker worden, hetgeen geschiedt door het H. Vormsel. Het 11. Sacrament des Vormsels, waarover wij thans gaan spreken komt op de tweede plaats. Beantwoorden wij vandaag de twee volgende vragen:

1. Wat is het Vormsel?

II. Welke zijn de uitwerksels van het Vormsel?

I.

De Catechismus vraagt:

Wat is het Vormsel? En hij antwoordt:

Een Sacrament dat van den Bisschop wordt gegeven aan degenen die gedoopt zijn, in hetwelk, door de zalving en de heilige woorden, gratie en sterkte wordt gegeven om het Geloof vastelijk te belijden.

Het woord Vormsel — vroeger Vroomsel — beteekent iets, dat vroom, kloek of sterk maakt, en te recht wordt dus het

-ocr page 79-

tweede der zeven H. Sacramenten Vormsel genoemd, omdat het dient om de gedoopten vroom, kloek en sterk te maken.

\'t Is een punt van ons geloof dat het Vormsel een Sacrament is: vandaar dat de Kerkvergadering van Trente de andersdenkenden, die dit Sacrament verwierpen, als Ketters gedoemd heeft.

In het Vormsel, B. li., vinden wij alles wat tot het wezen van een Sacrament vereischt wordt: vooreerst vinden wij er in het uitwendig teeken, namelijk, de zalving met den balsemolie of het Chrisma en de daarmede verbonden handoplegging des Bisschops, en de heilige woorden die de Bisschop spreekt, terwijl hij de zalving verricht; vervolgens de instelling van Christus. Dat onze goddelijke Zaligmaker liet Vormsel ingesteld heeft is ook een punt van ons geloof. Zoo iemand beweert, zegt de Kerkvergadering van Trente, dat de Sacramenten van het Nieuwe Verbond niet allen door Jesus-Christus onzen Heer zijn ingesteld — en vervolgens noemt zij er zeven op, waaronder op de tweede plaats liet Vormsel— hij zij in den ban: Anathema sit. \'t Is dus de leering dor H. Kerk dat het Vormsel een Sacrament is door Christus ingesteld; eindelijk, de bijzondere genade die door liet Vormsel beteekend en gegeven wordt, gelijk blijkt uit de handelingen der Apostelen. Petrus en Joannes, zoo lezen wij in de handelingen der Apostelen, werden naar Samarie gezonden, om de geloovigen die reeds gedoopt waren, te vormen; zij legden hun de handen op, en zij ontvingen den Heiligen Geest: Imponebanl super illos mantis, et accipiebant Spiritum Sanctum, (i)

Het Vormsel wordt van den Bisschop gegeven. He Bissclioppen als opvolgers van de H. Apostelen, zijn de gewone bedienaars van het Vormsel. In buitengewone en dringende omstandigheden kan de Paus van Rome aan een Priester, die geen Bisschop is, de macht geven van te vormen, en hij geeft weieens

-ocr page 80-

die macht aan de Missionarissen, die in de vreemde landen zijn, waar geen Bisschop te vinden is; doch in dit geval moet de Priester zich bedienen van balsemolie door een Bisschop daartoe gewijd.

Het Vormsel wordt gegeven aan degenen die gedoopt zijn. Doch;

Waarom moei men gedoopt zijn eer men gevormd toordt?

Omdat men zonder het Doopsel oribehwaam is om de andere Sacramenten te ontvangen.

Immers, het Doopsel is de deur en de ingang van de H. Kerk, en bijgevolg tot de overige H. Sacramenten. En:

Wanneer moet men het Vormsel ontvangen?

Als men tot de jaren van verstand gekomen is, en daartoe bekwaamheid heeft.

De kinderen dus, die tot de jaren van verstand gekomen zijn, moeten onderwezen zijn, vooral in de waarheden die de mensch moet kennen uit noodzakelijkheid des middels en uit noodzakelijkheid des gebods, en zij moeten inzonderheid kennen het II. Sacrament des Vormsels dat zij willen ontvangen. Ook moet zich, gelijk gemakkelijk te begrijpen is, do gelegenheid opdoen om het Sacrament te kunnen ontvangen.

Er zijn dus eigenlijk geene jaren bepaald. Hier te land, B. B., wordt het Vormsel de kinderen doorgaans toegediend na de eerste H. Communie, zoodra het geschieden kan; doch dit neemt niet weg dat de Bisschop het Vormsel vroeger kan en mag toedienen, zelfs aan kinderen, die nog niet tot do jaren van verstand gekomen zijn, indien hij vreest, dat er in vele jaren geene gelegenheid meer zijn zal om het H. Vormsel te kunnen toedienen, zoo als soms tijdens de vervolgingen het geval is.

In het Vormsel wordt door de zalving en de heilige woorden genade en sterkte gegeven om het geloof standvastig te belijden. In deze woorden liggen, althans gedeeltelijk, de uitwerksels van het Vormsel opgesloten. Zien wij nu in het tweede punt welke die uitwerksels zijn.

-ocr page 81-

II.

De Catechismus vraagt:

Wat verkrijgen wij door het Vormsel? Kn hij antwoordt;

De gratie Gods om het Geloof vastelijk te belijden.

Daarbij moet men nog voegen liet merkteeken in de ziel geprent.

De genade van het 11. Vormsel is tweederlei: de heiligma-kende genade en de dadelijke genade.

Het Vormsel, geldig en waardig ontvangen, geeft in den regel de tweede heiligmakende genade of de vermeerdering van de eerste, omdat het een Sacrament der levenden is. Met die genade zijn de bovennatuurlijke deugden en de gaven van den H. Geest verbonden.

Het Vormsel geeft ook nog de dadelijke genade of ten minste het recht op die genade voor den tijd, waarop men zo noodig zal hebben, bijv., om tijdens de bekoring tegen-of de vervolging om het geloof niet te bezwijken.

Eindelijk prent het Vormsel in de ziel een onuitwischbaar merkteeken, waardoor de gevormde van de niet gevormden onderscheiden wordt.

De genade van het H. Vormsel wordt versterkende genade genoemd: en te recht, want zij sterkt om tegen het kwaad te strijden, om het goed te doen, en vooral om het geloof standvastig te belijden.

Vooreerst sterkt de genade des Vormsels om tegen het kwaad te strijden. Zij die door het H. Doopsel Christenen geworden zijn, zegt de Roomsche Catechismus, zijn als pas geboren kinderen nog zwak en teeder. Door de genade van het H. Vormsel worden zij gesterkt tegen de aanvallen van de vijanden hunner zaligheid; zij krijgen moed om zonder vrees tegen hen te strijden, en sterkte om hen te overwinnen.

-ocr page 82-

— 78 —

Vervolgens sterkt de genade des Vormsels om liet goed te doen. De sterkte welke de H. Geest in liet Vormsel mededeelt, dient niet alleen om aan den duivel, de wereld en het vleesch te wederstaan, om de zonden waartoe zij ons aanzetten, te vermijden; maar zij dient ook om dé deugd van den Christen te volmaken, zij rust hem uit met heldenmoed, om voor de deugd de grootste offers te brengen, om van deugd tot deugd, van den eenen trap van volmaaktheid tot den anderèn op te klimmen. Eindelijk sterkt de genade des Vormsels om het geloof standvastig te belijden, om, niettegenstaande de spotternijen en de vervolgingen, voor den naam van Jesus-Christus en zijne leering uit te komen en ze des noods voor de rechtbanken te verdedigen tot den dood toe.

Van die versterkende genade, B. li., geven ons de Apostelen het doorslaandste bewijs. Nadat zij op Pinksterendag met de kracht van hierboven waren toegerust, begonnen zij terstond den naam en de leering van Jesus te verkondigen; zij waren onverschrokken en vreesden niets, alhoewel men hen met de strengste straffen, zelfs met den dood bedreigde; ja, wat meer is, zij rekenden het zich tot eer en achtten zich gelukkig voor den naam en voor de leering van Jesus vervolgd en mishandeld, geboeid en gekerkerd, zelfs ter dood gebracht te worden. Vóór de nederdaling van den H. Geest nochtans, waren de Apostelen laf en zoo laf, dat zij bij het minste gevaar hun goddelijken Meester verlieten; na de nederdaling van den H. Geest waren zij zoo manhaftig en trouw, dat zij hun leven niet achtten en het volgaarne voor Jesus ten beste gaven. Welke verandering dus door de versterkende genade des H. Geestes in de Apostelen te weeg gebracht!

Uit hetgeen ik tot hiertoe reeds over het Vormsel gezegd heb, blijkt dat door dit Sacrament de gedoopte wordt een volmaakt Christen en een soldaat van Jesus-Christus. Door het Vormsel wordt de gedoopte een volmaakt Christen, wijl het de

-ocr page 83-

genade van liet H. Doopsel in hem voltrekt, en hem tevens versterkt om zijne plichten van Christen nauwkeurig te volbrengen. Nooit moet hij zich schamen van tot de Kerk van Jesus-Christus te behooren; nooit moet hij zich schamen over het kruisteeken, het gebed, de geboden van God en van onze Moeder de H. Kerk; nooit mag hij verzuimen op Zon - en geboden feestdagen de H. Mis bij te wonen, de geboden vastendagen te onderhouden, op tijd tot de II. Sacramenten te naderen uit vrees van door de wereldlingen bespot of uitgelachen te worden. Wilt gij weten waarover hij zich schamen moet? Hij moet zich schamen over zijne ongelukkige lauw - en lafhartigheid, omdat hij er niet openlijk voor uit durft komen, niet durft toonen dat hij Christen is. Door liet Vormsel wordt de Christen een soldaat van Jesus-Christus, in diens leger ingelijfd om het geloof voor te staan en standvastig te belijden. Hij mag zich niet schamen over Jesus-Christus, evenmin als een soldaat zich schamen mag over zijn koning. Wat zegt onze goddelijke Zaligmaker in hot Evangelie? Die zich over Mij zal geschaamd hebben, over dien zal de Zoon des menschen zich ook schamen als Hij komen zal in zijne heerlijkheid, d. w. z., als Hij komen zal om te oordeelen op liet einde der wereld. De gevormde Christen moet de H. Kerk, haar geloof, hare wetten en instellingen verdedigen, evenals een soldaat het rijk zijns konings, diens bezittingen en rechten verdedigen moet.

Wee hem! zoo hij zich laf gedraagt, den rug keert, de vlucht neemt en zich bij de vijanden van Jesus en zijne Kerk aansluit. Hoe streng wordt in tijd van oorlog naar de krijgswetten de soldaat niet gestraft, die zijn vaandel verlaat en tot den vijand overloopt. Valt hij in de handen zijner krijgsoversten, hij wordt terstond voor den krijgsraad gebracht, veroordeeld en hij krijgt den kogel. Die straf, B. B., is een afbeeldsel van de straf, welke den laffen Christen wacht, die er niet vooruit durft komen, die het strijdend leger van Jesus-Christus verlaat en tot den vijand overloopt. Eenmaal zal hij in de handen van

-ocr page 84-

— 80 —

Jesus-Christus vallen, eenmaal zal hij voor zijnen rechterstoel moeten verschijnen en geoordeeld en veroordeeld worden tot de eeuwige pijnen der hel. Zijn wij dus op onze hoede en denken wij er aan, dat wij door het H. Vormsel soldaten van Jesus-Christus geworden zijn; bijgevolg, wij moeten ons niet over Hem schamen, maar zijne leering standvastig belijden. Hoevele Martelaren strekken ons hierin tot voorbeeld, die alles opgeofferd, hun bloed tot den laatsten druppel vergoten, en hun leven ten beste gegeven hebben, liever dan Jesus-Christus te verlaten, hun geloof te verloochenen. Ten bewijze hiervan diene de volgende geschiedenis.

SLUITREDE.

In het jaar 202 leefde er tijdens eene verschrikkelijke vervolging te Cesarea in Palestina een krijgsman met name Marinus, die zich door adel, rijkdom, doch vooral door deugd onderscheidde. Hij stond op het punt om in het krijgswezen verhoogd te worden, doch werd door een ander onderkropen. Zijn mededinger klaagde .Marinus bij den landvoogd aan dat hij Christen was, en bijgevolg weigerde den keizer goddelijke eer te bewijzen. Do landvoogd deed Marinus terstond voor zich komen. Gedachtig dat hij door het H. Vormsel soldaat van Jesus-Christus gezalfd was, beleed hij standvastig zijn geloof. De landvoogd gaf\'hem daarop drie uren tijd om zich te bedenken, namelijk, of hij zijn geloof verloochenen, of de hoofdmansplaats laten varen en zijn leven verliezen wilde. Nauwelijks had Marinus het gerechtshof verlaten, of de Bisschop van Cesarëa van het voorval verwittigd, kwam tot hem en onderhield zich lang met hem. Daarna nam hij den kloeken belijder bij de hand en leidde hem naar de kerk tot aan de trappen van het altaar. De Bisschop toonde Marinus het Evangelieboek, en tegelijkertijd op zijn degen wijzende, zeide hij: Kies tusschen deze beiden, mijn zoon. Zonder zich lang te bedenken strekte

-ocr page 85-

— 81 —

Marinus zijne hand naar het Evangelieboek uit, en verklaarde plechtig bereid te zijn voor den inhoud er van — dus voor het geloof — zijn leven ten beste te geven. Nu sprak de godvruchtige Bisschop en zeide tot Marinus: Dien dan, edelmoedige krijgsman! dien den Heer uwen God; dien hem trouw en standvastig, en verkrijg, door zijne genade gesterkt, wat gij gekozen hebt; ga in vrede. De tijd om zich te bedenken was verstreken, en de christenheld verscheen opnieuw voor de rechtbank. Toen Marinus nu even standvastig als vroeger zijn geloof in Jesus-Christus beleed, werd hijquot;0 veroordeeld om door het zwaard om.ie komen en terstond daarop onthoofd. Ziedaar, B. 1!., hoe de H. Marinus, door de genade van het H. Vormsel gesterkt, zijn geloof standvastig beleed. De onverschrokken krijgsman gaf zijn leven ten beste om Jesus-Christus den Koning der koningen getrouw te quot;dienen, die hem dan ook voor zijne standvastigheid met de kroon der Martelaren versierde. Naar dit voorbeeld en zooveel andere moeten wij handelen; wij, die ook gevormd en dus soldaten van Jesus-Christus geworden zijn, wij moeten Hem ook getrouw dienen. Wat wordt er ons gevraagd? Wordt ons liet leven ook gevraagd? Volstrekt niet. Doch al werd het ons ook gevraagd, wij moesten God nog getrouw blijven op straf van de eeuwige verdoemenis. Maar wat vraagt men ons? Niets dan wat moed, wat zelfopoffering om onze plichten van Christen met nauwgezetheid te vervullen, om niet terug te wijken voor de bespottingen der dwaze wereld, die den christenheld uitwendig wel niet zal, maar inwendig hoog schatten moet. En wij, wij zouden aan onze plichten te kort blijven? Integendeel, toonen wij dat wij door het II. Vormsel soldaten van Jesus-Christus geworden zijn, strijden wij onder zijn vaandel met moed, blijven wij Jesus-Christus den Koning der koningen getrouw, en bij ons sterven zal Hij ons voor onze getrouwheid beloonen mot de eeuwige glorie des hemels. Amen.

oki.ooks bn Zrdknmïhr. 4«1« dkkl •gt;.

-ocr page 86-

ACHTSTE ONDERRICHTING

OVER DE CEREMONIËN VAN HET H. VORMSEL

Qui conjitebilur ma coram hominibus, conjltebor et ego eum coram Patre nico qui in ctelis est.

Die mij belijden zal voor do mensohen, hem zal ik ook belijden voor mijn hemelschen ^rade^■.

(Matth. x, 32.)

INHOUD.

VOORREDE.

Wij hebben de uitwerksels van het H. Vormsel overwogen; vandaag zullen wij onderzoeken;

VERDEELING.

I. Wat er vereischt wordt om die uitwerksels

te bekomen;

II. De Ceremoniën van het H. Vormsel;

III. Deszelfs noodzakelijkheid.

I.

Om het H. Vormsel geldig te ontvangen moet men gedoopt zijn, en zoo men tot de jaren van verstand gekomen is, de meening hebben van het te ontvangen

-ocr page 87-

— 83 —

Om het H. Vormsel waardig te ontvangen moet men in staat van genade zijn. Ook behoort men zich naar het voorbeeld der Apostelen eenigen tijd voor te bereiden.

Die het H. Vormsel onwaardig ontvangt, ontvangt alleen het merkteeken, en hij maakt zich plichtig aan eene zonde van heiliffschéndinff.

II.

3i\'\':

ï;

li [U-:,)

De Ceremoniën des Vormsels zijn: De Bisschop steekt eerst zijne handen uit over al de vormelingen, daarna zalft hij ieder van hen in het bijzonder en geeft hem drie kruisen en oenen kaakslag, eindelijk geeft hij den zegen aan alle vormelingen te zamen.

De zalving met het II. Chrisma is het voornaamste. Het kruisteeken op het voorhoofd leert ons, dat de Christen zich nooit over Jesus-Christus moet schamen. De kaakslag leert ons de verdraagzaamheid, en de woorden, vrede zij mei u, dat de vrede in den dienst van God alleen te vinden is.

if ?■

i il

E

III.

Het 11. Vormsel is zoo noodzakelijk niet als het Doopsel: nochtans, men moet het H. Vormsel bij tijd en gelegenheid ontvangen.

SI.nTHKDK.

In onze dagen waarin de II. Kerk wederom hevig vervolgd wordt, hebben wij de genade van het H. Vormsel noodig, ten einde standvastig te blijven in het geloof\'.

\'lij

;l|

1

-ocr page 88-

— 81 —

ACHTSTE ONDERRICHTING

OVER DE CEREMONIËN VAN HET H. VORMSEL

Qui confitehitur me coram, hominibus, confitehor ct ego eum coram Patre nteo qui in cmlis est.

Die mij belijden zal voor de menschen, hem zal ik ook belijden voor mijn hemelsohen Vader.

(matth. x, 53.)

VOORREDE.

Het TT. Vormsel, B. B., is het tweede Sacrament door Jesus-Christus onzen goddelijken Zaligmaker ingesteld. De Bisschop is de gewone bedienaar van het Vormsel, doch in bijzondere gevallen kan de Paus van Rome een Priester, die geen Bisschop is, de macht geven van te vormen. In het Vormsel wordt door de zalving en de heilige woorden genade en sterkte gegeven om het geloof standvastig te belijden. In onze voorgaande onderrichting hebben wij ons bijzonder over de uitwerksels van het Vormsel onderhouden, namelijk, over de heiligmakende en de dadelijke genade en over het merkteeken. Vandaag zullen wij zien:

I. Wat er vereischt wordt om die uitwerksels deelachtig te worden;

II. De Ceremoniën van het Vormsel;

III. Deszelfs noodzakelijkheid.

I.

De Catechismus vraagt;

Wat is er van noode tot het Vormsel? En hij antwoordt:

Dat men gedoopt zij en gezuiverd van alle doodelijhe zonden.

-ocr page 89-

Om liet Vormsel geldig te ontvangen moet de vormeling gedoopt zijn, want zonder Doopsel is hij onbekwaam om een ander Sacrament te ontvangen: zoo de vormeling tot de jaren van verstand gekomen is, moet hij ook nog voornemens zijn van het Sacrament te ontvangen.

Om het Vormsel waardig te ontvangen moet de vormeling zuiver zijn van doodzonde. En:

Waarom moei men zuiver zijn ran doodzonden?

Omdat het Vormsel een Sacrament der levenden is. Iemand dus die doodzonden bedreven heeft, moet eerst vergiffenis van zijne zonden bekomen, en wijl het gewoon middel de biecht is, daarom zal hij best, alvorens gevormd te worden, te biechten gaan. (l)

Verkrijgen zij de uitwerksels van het Vormsel die het kwalijk ontvangen? d. w. z., die het Vormsel wel geldig, maar onwaardig, in staat van doodzonde ontvangen?

Zij ontvangen het merkteeken, maar geenszins de andere uitwerksels van het Sacrament; integendeel zij maken zich plicht ig aan eene groote heilig schender ij.

Nochtans, het Sacrament des Vormsels zoude naderhand, zoo die personen zich oprecht tot God bekeeren, herleven, krachtens het merkteeken in hunne ziel geprent, om welk merkteeken liet Vormsel geen tweede maal mag of kan ontvangen worden.

De vormeling moet ook in de voornaamste waarheden van onzen heiligen godsdienst en in hetgeen het Vormsel aangaat, onderwezen zijn. Vandaar dat er eenige dagen vóór het Vormsel onderrichtingen gegeven worden, welke de vormelingen verplicht zijn bij te wonen. De ouders en oversten zijn ook verplicht daarvoor te zorgen, en zij mogen hunne kinderen volstrekt niet te huis houden, maar zij moeten hen naar den Catechismus zenden om onderwezen te worden. De Catechismus vraagt:

(i) Sulflcit etiam contritio perfeota.

-ocr page 90-

Hoe zal men zich het best bereiden tot het Vormsel? En liij antwoordt:

Met naar het voorbeeld der apostelen cenige dagen vóór het Vormsel over te brengen in meerdere ingekeerdheid en godvruchtigheid,, en in eene vurige begeerte om God den Heiligen Geest met zijne gratie en gaven te ontvangen.

De Apostelen hadden zich met Maria, de Moeder van Jesus, negen dagen lang afgezonderd en zij hadden gebeden, totdat de H. Geest onder de gedaante van vurige tongen op hen nederdaalde.

De vormeling, in staat van genade en goed onderwezen, begeve zich zedig en volgens zijnen staat gekleed naar de kerk; hij moet zorgen van bij de eerste plechtigheden tegenwoordig te zijn, wijl dan reeds de Bisschop de handen over de vormelingen uitstrekt en God voor hen bidt, opdat de 11. Geest met de volheid zijner gunsten en gaven over hen nederdale. De Catechismus vraagt:

Wat zidt gij doen onder de ceremoniën van het Vormsel? En hij antwoordt:

Ik zal mij bezighouden met den Heiligen Geest te aanroepen en hem te bidden dat hij den overvloed zijner gratiën en gaven in mijne ziel zou storten.

Na het Vormsel ontvangen te hebben, moet men in de kerk blijven, totdat de Bisschop den laats ten zegen gegeven heeft. En

Hoe moet men den dag van het Vormsel overbrengen?

Met godvruchtiglijh God te bedanken over zoo groote weldaad, zich te wachten van al wat hem kan vergrammen, en een goed voornemen te maken van het Geloof altijd vastelijk te belijden.

De vormelingen zijn dus de volgende woorden van den Apostel Paulus indachtig: Weet, zoo spreekt hij, dat gij tempels zijt van den H. Geest, en dat God in u woont: verheerlijkt en

-ocr page 91-

draagt God in uw lichaam; bwlroel\'t den Geest Gods niot, den H. Geest, door wien gij geteekend zijt als met een stempel voor don dag der verlossing: Verwijdert den H. Geest niet; bewaart den schat, die u door den H. Geest is toevertrouwd. Ziedaar, B. B., hef men zich te gedragen heeft om het Sacrament des Vormsels geldig en waardig te ontvangen. Zien wij nu eens de Ceremoniën des Vormsels.

II.

De Catechismus vraagt:

Zeg de Ceremoniën van het Vormsel? En hij antwoordt:

De Bisschop steekt eerst zijne handen uit over al de vormelingen, daarna zalft hij ieder van hen in het hij zonder, en geeft hem drie kruisen en eenen kaakslag; eindelijk geep, hij de henedictie aan al de vormelingen te zamen.

Al deze Ceremoniën worden doorgaans met de grootste plechtigheid verricht, De herhaalde handoplegging van den Bisschop vinden wij reeds afgebeeld in het Oude Testament. De Aartsvader Jacob legde, alvorens te sterven, zijne handen op de zonen van Joseph, terwijl hij voor hen bad en hun zijn zegen gaf. Do Apostelen bedienden zich ook van de handoplegging tot mededeeling van den TI. Geest. De eerste handoplegging, die in het begin plaats heeft, is de plechtige uitdrukking van den wensch des Bisschops, dat de H. Geest op de vormelingen nederdale, terwijl de handoplegging, die met de zalving gepaard gaat, aanduidt dal de H. Geest werkelijk op de vormelingen nederdaalt en op hen rust.

De II. Zalving is het voornaamste: zij geschiedt met het H. Chrisma, een mengsel uit olijfolie en balsem, van den Bisschop op Wittendonderdag gewijd. De verschillende uitwerksels des H. Geestes, die in het Vormsel wordt medegedeeld, worden door de eigenschappen van den olijfolie en van den balsem aangeduid. Het vette van den olie verbeeldt de volheid,

-ocr page 92-

— 88 —

waarin de H. Geest wordt inedegedeeltl. J)e olie vloeit zacht en aangenaam; hij dringt in losse stoffen door, en laat er onuit-wischbare sporen in achter. Ziedaar het afbeeldsel van de zachte en aangename uitstorting des H. Geestes in het hart van den gevormde, wiens ziel van de heiligmakende genade doordrongen wordt, en waarin het onuitwischbaar merkteeken geprent wordt. De olie heeft ook nog de eigenschap van te verlichten, te branden en te verwarmen, van wonden te genezen en smarten te lenigen.

Daardoor wordt beteekend hoe de genade des Vormsels het verstand van den vormeling verlicht, hoe zij zijn hart van liefde ontsteekt eil doet branden, hoe zij de smarten lenigt en de zielswonden heelt.

De olie dient ook nog om de leden des lichaams te versterken, om ze buigzaam en vlug te maken. Daardoor wordt aangeduid hoe het II. Vormsel den Christen sterkt en hem bekwaam maakt om de vijanden zijner zaligheid te bestrijden en te overwinnen.

De olie is gemengd met balsem. De balsem bewaart voor bederf en verspreidt een aangenamen geur. Daardoor wordt te kennen gegeven, hoe de genade des Vormsels den mensch voor de zonde bewaart en hem bekwaam maakt om door liet beoefenen der deugden en het verrichten van goede werken een aangenamen geur van heiligheid te verspreiden.

liet kruisteeken dat de Bisschop bij de zalving op liet voorhoofd van den vormeling maakt, leert hem dat hij zich nooit over dat teeken, noch over het Evangelie moet schamen, maar dat hij beiden naar het voorbeeld der Apostelen standvastig moet belijden. Het kruis is de banier van Jesus-Christus; wie zich dus over het kruis schaamt, schaamt zich ook over Jesus-Christus zijn Verlosser en aanvoerder. Ik schaam mij niet over het Evangelie, sprak de Apostel Paulus, want het is eene kracht Gods tot zaligheid van eenieder die gelooft.

0

-ocr page 93-

De lichte kaakslag\' leert den vormeling dat hij bereid moet zijn de versmadingen en vervolgingen voor liet geloof met geduld te verdragen, en daarmede wenscht de Bisschop hem tevens den vrede, zeggende: Vrede zij met u. De kaakslag en de woorden, vrede zij met u, beteekenen ook nog dat de Christen te vergeefs dien vrede zoekt in de goederen en vermaken dezer wereld, daar hij alleen in God te beminnen en Hem getrouw te dienen te vinden is.

De witte doek, die vroegertijd om het hoofd van den vormeling gebonden werd uit eerbied voor den H. Olie, gaf hem te kennen dat hij voor Christus en het geloof veel moest verdragen. Die doek, B. B., is hedendaags niet meer in gebruik. Onze Moeder de II. Kerk heeft hem om gewichtige redenen afgeschaft, doch nu wordt na het Vormsel de H. Olie door twee Priesters nauwkeurig afgedroogd.

Bij het Vormsel worden ook peter en meter gebruikt.

Welk is de plicht van peter en meter die gebruikt worden in het Vormsel?

Te bezorgen dal degenen die zij tot het Vormsel geleid hebben, onderwezen worden in hetgeen de zedigheid aangaat; immers als de ouders hunnen plicht niet zouden doen. Hun plicht is dus dezellde als die van peter en meter gebruikt bij het Doopsel.

Aangaande peter en meter in het Vormsel moet men opmerken;

1° Br wordt gebruikt één peter voor al de jongens, en ééne meter voor al de meisjes die gevormd worden;

2° Niemand mag peter of meter zijn van zijn eigen kind;

8° Peter en meter moeten zelf gevormd zijn;

4° Zoo iemand peter of meter geweest is van een kind bij het Doopsel, mag hij van hetzelfde kind geen peter of meter zijn bij het Vormsel;

-ocr page 94-

— 90 —

5° Door het peter - en meterschap bij het Vormsel ontstaat, evenals bij het Doopsel, een geestelijk maagschap, dus ook een ontbindend huwelijksbeletsel tusschen peter en meter van den eenen kant en den vormeling en diens ouders van den anderen kant. Omdat huwelijksbeletsel nu niet te vermenigvuldigen, wil de H. Kerk dat er telkens maar één peter voor de jongens en ééne nieter voor de meisjes gebruikt worde. Ziedaar, de voornaamste ceremoniën van het Vormsel. Zien wij nu nog of en wanneer het Vormsel noodzakelijk is.

III.

Het Vormsel, B. B., is niet evenals het Doopsel volstrekt noodzakelijk ter zaligheid: nochtans, men zoude zondigen en soms grootelijks kunnen zondigen, zoo men verwaarloosde het Vormsel te ontvangen, als men er tijd en gelegenheid toe heeft.

Voorzeker, \'t is de wil van Jesus-Ohristus dat de mensch het Vormsel ontvange; want Hij heeft het ingesteld om hem te volmaken en te versterken. Onze Moeder de H. Kerk vermaant hare kinderen ook van het Sacrament des Vormsels te ontvangen, en zij noodigt er hen dringend toe uit. Niet zelden zijn er strenge kerkelijke straffen bepaald voor de ouders, die verwaarloosden hunne kinderen te laten vormen, \'t Is waar, die straffen bestaan hedendaags niet meer; maar volgt daaruit dat de ouders, die verwaarloozen hunne kinderen te laten vormen, straffeloos zullen blijven? Volstrekt niet. Dus niet alleen de kinderen die verwaarloozen het Vormsel te ontvangen, maar ook de ouders die er mede de schuld van zijn, zullen vroeg of laat om hunne verwaarloozing gestraft worden. Eindelijk, de ijver voor zijne zaligheid moet ieder Christen aanzetten om het Sacrament des Vormsels te ontvangen.

De Apostel Paulus zegt; Allen die godvruchtig willen leven in Christus Jesus, zullen vervolging te lijden hebben. Die woorden zijn tot hier toe bewaarheid, en zullen tot het einde

-ocr page 95-

der wereld bij ieder Christen bewaarheid worden. liet leven van den mensch is een aanhoudende strijd. Altoos zat hij te strijden hebben tegen de vijanden zijner zaligheid. Heeft hij dan geene sterkte noodig om zich staande te houden tegen zijne vijanden en om hen te overwinnen? En waar zal hij die sterkte vinden? Vooral in het H. Sacrament des Vormsel. En dan bijzonder in onze ongelukkige tijden heeft de Christen kracht en sterkte noodig. De Catechismus vraagt:

Zeg eenige gevallen in dewelke de grafie van het Vormsel meest noodig is? En hij antwoordt:

Als het Geloof vervolgd of bestreden wordt-, als wij verplicht zijn het Geloof uitwendig te belijden-, als wij tegen het Geloof behoord, of er om bespot worden.

Ik weet wel, men is hier te land juist nog zoo ver niet gekomen als in quot;t begin der H. Kerk tijdens de vervolgingen, toen de vijanden der H. Kerk overal rond trokken om de Christenen op te sporen en bij duizenden om liet leven brachten. Nochtans, hedendaags worden de Katholieken in verschillende streken vervolgd. De Priester en de geloovigen worden om hun geloof van hunne goederen beroofd en gebannen; zij worden weieens in de gevangenis geworpen. Welke middelen worden er niet gebruikt om het geloof en de deugd uit hel hart van den mensch en vooral van de jeugd te doen verdwijnen? Buiten leugen en bedrog, waarvan men zich altoos bediend heeft, is hedendaags een goddeloos en zedenloos onderwijs het voornaamste wapen, waarmede men tegen geloof en deugd te velde trekt. Niets blijft gespaard, men ontziet niets: men lacht en spot met al wat heilig is, met God en godsdienst, met Kerk en Sacramenten: de deugd wordt voor kleinmoedigheid en dwaasheid aangezien, men valt ze aan in geschriften en vergaderingen. O, B. B., zoo ooit, dan is het voorzeker in onze eeuw van ongeloof en zedenbederf dat de Christen sterkte noodig heeft om zijn geloof te belijden en zijne onschuld ongeschonden te

-ocr page 96-

bewaren. En men zoude verzuimen het Vormsel te ontvangen, waarin die sterkte te vinden is? Moet dan de Christen het niet aan zijne nalatigheid toeschrijven zoo hij in het geloof schipbreuk lijdt en het pad der deugd verlaat? En zoude men dien Christen en zijne ouders van doodzonde kunnen vrij pleiten, zoo zij verwaarloozen het Vormsel te ontvangen?

SLUITREDE.

Gij ziet dus, B. 15., van welke noodzakelijkheid vooral in onze dagen het Vormsel is. Hoevelen, helaas! worden er niet aangetroffen, die het geloof verloren hebben, wijl zij zonder reden met de vijanden der H. Kerk omgaan, wijl zij slechte vergaderingen bijwonen, slechte geschriften lezen? In het Vormsel nochtans, dat zij ook ontvangen hebben, waren zij soldaten van Christus en zijne Kerk ingelijfd; zij hadden plechtig beloofd voor zoo veel getuigen het geloof standvastig te belijden, een christelijk leven le leiden; nu schamen zij zich voor het geloof, werpen laf de verdedigingswapenen weg, heulen sluw met den vijand, en leiden een ongebonden leven. Welke verantwoordelijkheid voor dusdanige Christenen! Wat ons betreft, B. B., denken wij er wel aan dat wij het Vormsel ontvangen hebben, dat wij daardoor soldaten van Jesus-Christus geworden zijn, dat wij dus ook, gelijk de Apostel Paul us zegt, als goede soldaten van Jesus-Christus moeten arbeiden, den goeden strijd des geloofs moeten strijden. Wij moeten getuigenis van ons geloof afleggen, niet alleen met woorden, maar ook en bijzonder met werken, en de plichten van Katholiek zonder vrees vervullen. De H. Geest, de Geest der sterkte, zal met ons zijn; Hij zal ons moed geven en kracht bijzetten om de vijanden onzer zaligheid te overwinnen; onverschrokken zullen wij Jesus en zijne leering hier op aarde belijden, en Jesus, dien wij voor de menschen beleden hebben op aarde, zal ons eenmaal belijden voor zijnen Vader in den hemel. Amen.

-ocr page 97-

NEGENDE ONDERRICHTING

OVER DE INSTELLING VAN HET H. SACRAMENT DES ALTAARS

Accipitc et comeditc, hoc est corpus meum. Neemt en eet, dit is mijn lichaam.

(.Matth. xxvi, so.)

INHOUD.

VOORREDE.

De mensch, na herboren en versterkt Ie zijn, heeft een voedsel noodig om zijn geestelijk leven en zijne sterkte te bewaren en te onderhouden: dat voedsel is het H. Sacrament des Altaars.

VERDKiïMNG.

I. Hoe wordt dit Sacrament nog meer genoemd?

II. Wat is het H. Sacrament des Altaars?

III. Waar, wanneer en hoe heeft Christus het Ingesteld?

Het H. Sacrament wordt genoemd; liet Allerheiligste Sacrament of eenvoudig liet Allerheiligste, het Levend en het Hemelsch Brood, de H. Tafel en de Tafel des Heeren, de H. Communie, de H. Hostie, Eucharistia, eindelijk Reispenning.

-ocr page 98-

— 94 —

II.

Wat is het H. Sacrament des Altaars? Verschil tusschen dit en de andere Sacramenten. Het H. Sacrament des Altaars is wezenlijk een Sacrament, wijl het in zich besluit alles wat er tot het wezen van een Sacrament vereischt wordt.

III.

Christus heeft het H. Sacrament des Altaars ingesteld in het laatste avondmaal, toen Hij het brood heeft veranderd in zijn lichaam en den wijn in zijn bloed. Geschiedenis der instelling.

SLUITREDE.

Laten wij this vastelijk gelooven dat Jesus-Christus het brood veranderd heeft in zijn lichaam en den wijn in zijn bloed, wijl God, die de opperste waarheid is, het geopenbaard heeft, en door de H. Kerk voorhoudt te gelooven.

Wij moeten God ook voor dat groot geheim bedanken en wederliefde bewijzen.

-ocr page 99-

NEGENDE ONDERRICHTING

OVER DE INSTELLING VAN HET H. SACRAMENT DES ALTAARS

A ccApito et cornedite, hoc est corpus meum.

Neemt en eet, dit is mijn lichaam.

(MATTH. XXVI, 2(1.)

VOORllKUK.

Gelijk ile iiicnscli, 15. 1!., na geboren en reeds sterker geworden te zijn, nog altijd voedsel noodig heeft om zijn leven en zijne sterkte tc bewaren en te onderhouden, zoo ook heeft de Christen, na door het II. Doopsel herboren en door het 11. Vormsel versterkt te zijn, nog altijd een geestelijk voedsel noodig om het geestelijk leven zijner ziel dat reeds toegenomen heeft, te bewaren en te onderhouden: daartoe dient het H. Sacrament des Altaars.

De Catechismus vraagt:

Wc Ui is het weerdigste en ver hex ens te Sacrament? En hij antwoord t:

Het heilig Sacrament des Autaars.

Waarom?

Omdat Christus zelf daar tegenwoordig is niet ziel en lichaam, vleesch en bloed, godheid en menschheid, gelijk hij nu glorieus in den hemel is.

Men kan het II. Sacrament des Altaars beschouwen onder drie opzichten, als Sacrament, als Communie en als Sacrificie: vandaar dat de Catechismus antwoordt op de vraag

Tot wat einde heejt Christus het heilig Sacrament des Autaars ingesteld?

-ocr page 100-

— 90 —

Ten eerste, opdat het ons zoude wezen eene gedachtenis van zijne liefde en zijn heilig lijden; ten ticeede, tot eene waarachtige spijs onzer ziel-, ten derde tot em gedurig Sacrificie der Nieuwe Wet.

In de vier volgende onderrichtingen zullen wij het H. Sacrament des Altaars beschouwen als Sacrament, ingesteld tot gedachtenis van zijne liefde en van zijn heilig lijden: van zijne liefde, wijl Jesus in dit H. Sacrament onder ons komt en onder ons verblijft, om ons te troosten en bij te staan; van zijn heilig lijden, wijl de verscheidenheid der gedaanten van brood en wijn in dit II. Sacrament zijnen dood verbeeldt, gelijk wij later zullen zien.

Er moet ons veel aan gelegen liggen dit H. Sacrament goed te kennen, om het dikwijls te bezoeken en waardig te ontvangen. Vandaag zullen wij zien:

1. De verschillende namen van dit II. Sacrament;

II. Wat het H. Sacrament des Altaars is;

III. Waar, wanneer en hoe Jesus-Christus het hoeft ingesteld.

I.

Het H. Sacrament des Altaars, B. B., aldus genoemd, omdat het o]) het altaar voltrokken en bewaard wordt, draagt nog andere namen; onder anderen wordt het genoemd:

1° Het Allerheiligste Sacrament, of eenvoudig hot Allerheiligste, omdat Jesus-Christus, de Allerheiligste er in tegenwoordig is;

2° Het Levend of het Hemelsch Brood, omdat hot Jesus-Christus bevat, die het levend brood is, uit don hemel nedergedaald, on dat het leven geeft aan de wereld; Ego sum panis vivus qui de ccelo descendi... qui dat oitarn mundo. (i)

(1) Joan, vi, 33, 51.

-ocr page 101-

3° De //. Tafel of de Tafel des Heer en, omdat het eon geestelijke maaltijd is, waartoe Jesus-Christus de geloovigen uitnoodigt, 011 waaraan Hij hen ontvangt;

4° De 11. Communie of de II. Vereeniging, omdat hot ons zoo innig mogelijk met Jesus-Christus, den Heilige der Heiligen, vereenigt;

5° De II. Hostie. Het woord Hostie beteekent slachtoffer. Te recht draagt het H. Sacrament des Altaars dien naam, wijl Jesus-Christus zich zeiven door den priester op onze altaren slachtoffert en aan God zijn hemelschen Vader opdraagt;

Eucharistia, een grieksch woord, dat beteekent goede, genadevolle gaaf. Mn welke is die goede, genadevolle gaaf? Dio gaaf is Jesus-Christus zelf, de gever van alle goede gaven. Eucharistia beteekent ook dankzegging, wijl wij door Jesus-Christus in het H. Sacrament God den hemelschen Vader naar behooren kunnen bedanken voor de ontvangen weldaden en genaden;

Kindclijk wordt het genoemd Reispenning, wijl het, als het naar de zieken gedragen wordt, hun tot onderstand en tot hulp moet dienen op den gevaarvollen overtocht van den tijd naar de eeuwigheid. Ziedaar, B. H., de voornaamste namen die het H. Saernment des Altaars draagt.

II.

De Catechismus vraagt:

Wat is het heilig Sacrament des Autaars? En hij antwoordt:

Een Sacrament van Christus, onzen Zaligmaker, ingesteld, in hetioelli, onder de. gedaanten van brood en wijn, hij zelf tegenwoordig is.

Er bestaat meer dan een verschil tusschen dit en de andere H. Sacramenten, waarvan de twee volgende de voornaamste zijn:

1° Het H. Sacrament des Altaars bevat God zelven, die de gever is van alle genaden; de andere H. Sacramenten bevatten

Gelooks-en Zkdhnlrkr. 4do huei. 7.

-ocr page 102-

— 98 —

God zelven niet, doch zij hebben de kracht om de genaden van God mede te deelen.

2° Het H. Sacrament des Altaars wordt of ontstaat krachtens de woorden der H. Consecratie die de Priester spreekt, en nadat de Priester die woorden gesproken heeft, is het H. Sacrament niet eensklaps voorbij, liet blijft bestaan, en wel zoo lang, totdat de gedaanten van brood en wijn verdwenen zijn; de andere H. Sacramenten worden op een oogenblik voltrokken en gaan voorbij, d. i., zij houden onmiddellijk op te bestaan, na voltrokken te zijn; bijv., ik doop een kind; zoodra ik het kind gedoopt heb, is het Sacrament des Doopsel toegediend en houdt het op te bestaan.

Het H. Sacrament des Altaars is waarlijk een Sacrament, wijl het in zich besluit alles wat tot het wezen van een Sacrament vereischt wordt, namelijk, het uitwendig teeken, de bijzondere genade, en de instelling van Christus.

Vooreerst besluit het in zich het uitwendig teeken, namelijk, de gedaanten van brood en wijn en de woorden der Consecratie. De gedaanten van brood en wijn, die men zien kan: en merkt wel op, B. B., dat ik zeg de gedaanten van brood en wijn, en niet brood en wijn; want na de Consecratie bestaat er geen brood of wijn meer; het brood is veranderd in het lichaam van Christus, en de wijn, in het bloed van Christus; doch wij kunnen het lichaam en bloed van Christus niet zien, dus onder dat opzicht is het H. Sacrament geen uitwendig teeken, maar wel onder het opzicht der gedaanten van brood en wijn the wij zien. Want;

Wat verslaat gij door de gedaanten van brood en wijn?

De uitwendige hoedanigheden van brood en wijn die wij zien, rieken, smaken en gevoelen, als zijn de kleur, de reuk, de smaak, enz..

Ziehier, B. B., een voorbeeld. Wij lezen in de H. Schrift dat de H. Geest onder de gedaante eener duif op onzen goddelijken

-ocr page 103-

Zaligmaker nederdaalde. Was hot nu wezenlijk eene duii\', die nederdaalde? Volstrekt niet; \'t was de H. Geest, de dorde Persoon van de H. Drievuldigheid, maar onder de gedaante van eone duif. Op het oog en aan den vorm zoude men gezegd hebben dat het eone duif was, doch inderdaad was het do H. Geest. Hetzolfdo nu hooft plaats in het H. Sacrament des Altaars; men zoude zeggen dat het brood en wijn zijn, doch inderdaad zijn het het lichaam en bloed van Christus onder do gedaanten van brood en wijn. Ik heb er bijgevoegd: en de woorden der Consecratie. Immers, die woorden kan men hooren, en daardoor wordt Christus onder de gedaanten van brood en wijn tegenwoordig gesteld; zonder die woorden wisten wij niet dat Christus er onder tegenwoordig is. Vervolgens besluit hot in zich eene bijzondere genade, die ons door hetzelve gegeven wordt. Die bijzondere genade is Jesus-Christus zelf, do bron, de gever van alle genaden.

De Catechismus vraagt:

Wat is er ons tegenwoordig in het heilig Saeranient? En hij antwoordt:

Christus zelf. God en mensch, met zijne ziel en zijn lichaam, gelijk hij nu glorieus in den hemel is.

Jesus-Christus dus, de Godmonsch, die te Bethleëm geboren, op den Calvarieberg aan hot kruis goliocht on daaraan gestorven is, die den derden dag na zijnen dood verrezen en den voortigsten dag na zijne verrijzenis ten hemel geklommen is, die Jesus-Christus is waarlijk, wezenlijk en zelfstandig tegenwoordig in het H. Sacrament, maar glorieus, d. i., zijne ziel aanschouwt God in den hemel aanschijn aan aanschijn, en zijn lichaam is geheel schoon, klaarblinkond, licht, subtiel en onlijdelijk.

Eindelijk besluit hot in zich de instelling van Christus.

-ocr page 104-

— 100 —

III.

Do Catechismus vraagt:

Wanneer heeft Christus het heilig Saerament des Autaars ingesteld? En hij antwoordt:

In het laatste Avondmaal, dat is, \'s avonds vóór zijne dood.

Hoe heeft hij dat ingesteld?

Hij heelt het brood genomen in zijne gebenedijde handen, hij heeft het gezegend en aan zijne discipelen gegeven, zeggende: Neemt en eet dit is mijn lichaam. Insgelijks den kelk met wijn, zeggende: Neemt en drinkt, dit is mijn bloed.

Om zicli een treffend denkbeeld te vormen van de instelling van het ff. Sacrament des Altaars, moet men in den geest naar Jerusalem gaan en zien, wat Jesns daar in de eetzaal, van zijne; Apostelen omgeven, doet. Reeds drie jaren lang had Jesus zijne leerlingen blijken zijner liefde gegeven, doch het doorslaandste blijk dier liefde gaf hij hun op den vooravond van zijnen dood. Het oogenblik naderde, waarop Hij zich op het kruishout voor de zaligheid der wereld zoude slachtofferen; doch alvorens zijne zichtbare tegenwoordigheid aan zijne Apostelen te onttrekken, stelde Hij het II. Sacrament des Altaars in, waardoor Hij, alhoewel onzichtbaar, toch wezenlijk onder hen zoude blijven. De H. Joannes drukt zich over die grenzenlooze liefde; van Jesus op de volgende wijze uit: Daar Jesus wist dat zijn uur gekomen was van deze wereld te verlaten en tot zijnen Vader te gaan, en daar Hij de zijnen die in de wereld waren, had lief gehad, zoo heeft Hij hen tot het einde toe lief gehad, d. w. z., zoo gaf Hij hun voor zijn afscheid, door de instelling van het H. Sacrament des Altaars, het grootste bewijs zijner liefde, die tot het einde der wereld zoude voortduren, \'s Avonds dus voor zijn lijden stelde Jesus, te Jerusalem met zijne Apostelen in de eetzaal vergaderd, het H. Sacrament des Altaars in. Nadat hij volgens het voorschrift der wet met zijne leerlingen het paaschlam

-ocr page 105-

— 101 —

;|v

geeton had, nam Jesus het brood in zijne heilige on eerbiedwaardige handen, 11 ij sloeg zijne oogen ten hemel tot God zijn almachtigen Vader, dankte Hem, zegende, brak en gal\' het aan zijne leerlingen, zeggende: Neemt en eet, dit is mijn lichaam, hetwelk voor u gegeven wordt; Accipüe cl come dit c, hoc est corpus rncum. Vervolgens nam Hij ook den kelk met wijn, dankte wederom, zegende en reikte hem aan zijne leerlingen over zeggende: Drinkt allen daaruit, want dit is mijn bloed van liet nieuwe en eeuwige verbond dat voor u en voor velen zal vergoten worden tot vergiffenis der zonden: Hic est enim sanguis mens.

Zoo dikwijls gij dit doen zult, voegde Jesus er bij, doet het tot mijne gedachtenis.

Het H. Sacrament des Altaars, het Sacrament van liefde, was voor de eerste maal voltrokken door Jesus-Christus zeiven. De Apostelen, on in den persoon der Apostelen hadden alle Priesters den last en de macht ontvangen om tot het einde dor wereld hetzelfde te doen. Hot brood was veranderd in het lichaam van Christus, de wijn in het bloed van Christus. Wanneer mij iemand vraagt: Maar hoe heeft die verandering van zelfstandigheid kunnen plaats hebben? Ik antwoord: Dat groot en liefdevol wonder is door de almacht Gods gewrocht. Gelijk eertijds bij de schepping der wereld op het almachtig woord Gods, fiat lux: (i) Het worde licht, hot licht word; zoo ook was hier op het oven almachtig woord Gods: Dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed, zonder de minste vertraging zijn heilig lichaam en bloed door eene geheimvolle verandering in de plaats van brood on wijn. Die verandering is zeker een groot wonder; doch wie twijfelt er aan of de Almachtige dat wonder kan verrichten. Ziehier hoe de H. Ambrosius zich daarover uitdrukt. Van do schepping der wereld, zegt hij, hebt gij gelezen: Dixit et facta sunt: God heeft gesproken en de dingen zijn

(i) Gen. I, 3.

it t

p-

ip: ■M

S

li

11,

II lip\'

i

.

r

9 llfijf:

i

-ocr page 106-

— 102 —

geworden: Hij heeft bevolen en zij zijn geschapen: Mandavit et creata sunt. Hoe dan, zoo gaat de H. Ambrosius voort, hoe dan zoude het woord van Christus, dat uit het niet in het bestaan kan roepen wat niet was, onvermogend zijn om dat wat is te veranderen in iets wat het te voren niet was? Er wordt toch geene geringere macht vereischt om aan de dingen het bestaan te geven, dan om het reeds bestaande in iets anders te veranderen. Als wilde de H. Ambrosius zeggen: Zoo God heeft kunnen scheppen, d. i., iets van niet maken, dat toch in zekeren zin meer is; waarom zoude Hij dan niet kunnen veranderen, d. L, bet een in het ander doen overgaan, dat in zekeren zin minder is? Die verandering van zelfstandigheid is wel is waar een groot geheim, dat wij niet kunnen begrijpen; nochtans, wij moeten het gelooven. Ook kunnen wij van die verandering wel eenige gelijkenissen aanbrengen, doch deze blijven altoos onvolledig. Jesus-Christus, bijv., veranderde het water in wijn, doch Hij veranderde ook de gedaanten van water, bijv., de kleur, den reuk, den smaak, in de gedaanten van wijn; men kon zien en proeven dat het wijn was. In het H. Sacrament des Altaars verandert Christus den wijn in zijn bloed, doch niet de gedaanten van wijn in de gedaanten van zijn bloed: de gedaanten van wijn, zooals de kleur, de reuk, de smaak, enz,, blijven dezelfde. Er bestaat dus, gelijk gij ziet, een groot verschil tusschen de verandering van het water in wijn op de bruiloft te Cana en de verandering van den wijn in het bloed van Christus in het H. Sacrament des Altaars. Als wij nu zelfs in de H. Schrift nog lezen dat het H. Sacrament brood genoemd wordt, dan geschiedt zulks, niet als of er nog brood tegenwoordig ware; maar omdat er vóór de verandering brood was, en na de verandering nog de gedaanten van brood zijn. Zoo ook worden de twee Engelen die bij de Hemelvaart van Christus verschenen, mannen genoemd: Duo r/iri. (i) Waren het nu inderdaad

(1) Act. I, 10.

-ocr page 107-

103 —

mannen? Volstrekt niet, maar het waren Engelen iu mannen gedaante. Zoo lezen wij ook van den hofmeester der bruiloft te Cana: Als nu de hofmeester het water geproefd had, dat wijn geworden was: Was liet dan nog water dat hij proefde? Volstrekt niet, maar hot was wijn, hier water genoemd, omdat hij zoo even door de verandering van het water in den wijn ontstaan was. \'t Is dus een punt van ons geloof, B. B., dat het brood verandert in het lichaam van Christus en de wijn in het bloed van Christus, d. w. z., dat krachtens de woorden der Consecratie het brood en de wijn ophouden tegenwoordig te zijn, terwijl de gedaanten alleen blijven, en dat terstond krachtens dezelfde woorden het lichaam en bloed van Jesus-Christus beginnen tegenwoordig te zijn onder de gedaanten van brood en wijn.

tt-V

,if iff

n

SHIITREDK. .

Ziedaar, B. B., wat wij Christenen verplicht zijn vastclijk te gelooven. Ook zal het gezegde reeds voldoende zijn om ons te overtuigen dat onze goddelijke Zaligmaker in het laatste avondmaal zijn waarachtig lichaam tot spijs en zijn waarachtig bloed tot drank gegeven heeft onder de gedaanten van brood en wijn. De woorden van Jesus: Hoe esl corpus mewn, dit is mijn lichaam; Hie esl sanguis mens, dit is mijn bloed, zijn zoo klaar dat Luther zelf er geen anderen zin aan wist te geven. De tekst, zoo schreet Luther, is te sterk en door geene woorden uit den zin te brengen. En nochtans de ongelukkige wilde niet gelooven. Waarom niet? Enkel uit haat tegen de Roomsch-Katholieke Kerk, waaraan de hoovaardige zich niet wilde onderwerpen. Wij daarentegen, B. B., als getrouwe en ootmoedige kinderen gelooven vastclijk al hetgeen God ons aangaande het H. Sacrament des Altaars geopenbaard heeft en door de 11. Kerk voorhoudt te gelooven. Daarenboven, wij moeten God voor dat groot liefdegeheim ook bedanken en dikwijls onze wederliefde hetoonen Amen.

\' fits

-ocr page 108-

TIENDE ONDERRICHTING

OVER DE MACHT VAN TE CONSACREEREN

Hoc facite in meam cominemorationcm. Doet dit tot mijne gedaehtenis.

(Luc. XXTI, 19.)

\' INHOUD.

VOORREDE.

Het H. Sacrament des Altaars is het waardigste en verhevenste Sacrament, wijl Christus zelf\' daarin tegenwoordig is. Hij heeft het ingesteld in het laatste avondmaal, toen Hij het brood heeft veranderd in zijn lichaam en den wijn in zijn bloed. Zien wij vandaag:

VERDEELING.

I. Dat Christus zich aan zijne Apostelen gegeven heeft;

II. Dat Christus zijne Apostelen bevolen en de macht gegeven heeft van te Consacreeren.

I.

Dat Jesus-Christus waarlijk zijn vleesch tot spijs on zijn bloed tot drank gegeven heeft, blijkt vooreerst uit de belofte, vervolgens uit de instelling van het H. Sacrament,

-ocr page 109-

Na du vermenigvuldiging der brooden beloofde Jesus zijn vleesch tot spijs en zijn bloed tot drank te geven, en die belofte volbracht Hij in het laatste avondmaal. De Apostel Paulus leert ook de waarachtige tegenwoordigheid van Jesus-Christus in liet 11. Sacrament des Altaars. Die onwaardig communiceert, zegt hij, is schuldig aan het lichaam en bloed des Heeren. De Roomsch-Katholieke Kerk heeft die waarheid altijd geleerd. Ook zoude men moeten zeggen dat God afgodendienaars van ons gemaakt heeft, zoo Jesus-Christus niet waarlijk tegenwoordig is in liet H. Sacrament des Altaars.

II.

Christus heeft zijne Apostelen liet bevel en de macht gegeven van het brood en den wijn te veranderen in zijn lichaam en bloed. In dien zin heeft onze Moeder de H. Kerk altijd de woorden van onzen goddelijken Zaligmaker verstaan. De Priester heeft dat bevel en die macht ook ontvangen. De Priester handelt in persoon van Christus, want hij zegt; Dit is mijn lichaam: dit is mijn bloed.

SLUITREDE.

Geschiedenis van den H. Bernardus.

-ocr page 110-

— 106 —

TIENDE ONDERRICHTING

OVER DE MACHT VAN TE CONSACREEREN

Hoc Jacite in meant r.ommcmorationem.

Doet dit tot mijne gedachtenis.

(Luc. xxn, 10.)

VOORREDE.

Het H. Sacrament des Altaars, B. B,, is liet waardigste en verhevenste Sacrament, wijl Jesus-Christus zelf daarin tegenwoordig is. \'s Avonds voor zijn lijden met zijne Apostelen in de eetzaal te Jerusalem vergaderd, heeft Jesus dat H. Sacrament ingesteld; daardoor heeft Hij zijne leerlingen het doorslaandste bewijs zijner eindelooze liefde gegeven; Hij heeft hun bewezen dat Hij wezenlijk met hen wilde blijven tot het einde der eeuwen. Jesus immers nam het brood in zijne handen, zegende en veranderde het in zijn lichaam, insgelijks den kelk met wijn, zegende en veranderde den wijn in zijn bloed: die waarheden hebben wij laatstleden overwogen. Vandaag zullen wij verder zien:

I. Dat Jesus zijne Apostelen zijn lichaam en bloed gegeven heeft;

H. Dat hij hun het bevel en de macht gegeven heeft van te Consacreeren.

I.

Dat onze goddelijke Zaligmaker, B. B., in liet H. Sacrament des Altaars waarlijk zijn vleescb tot spijs en zijn bloed tot drank gegeven heeft, blijkt duidelijk uit het Evangelie: vooreerst, uit de belofte van Jesus; vervolgens, uit de woorden der instelling van dit H. Sacrament. Vooreerst uit de belofte van Jesus.

-ocr page 111-

— 107 —

De Evangelist Joannes verhaalt ons bij welke gelegenheid Jesus zijne leerlingen beloofde zijn goddelijk vleeseh tot spijs en zijn goddelijk bloed tot drank te geven. Nadat onze goddelijke Zaligmaker op eene wonderbare wijze vijf duizend man met vijf brooden gespijsd had, kwamen de scharen den volgenden dag op nieuw bij Jesus, niet zoo zeer om door Hem onderwezen, dan wel om op nieuw door Hem gespijsd te worden. Jesus maakte van die gelegenheid gebruik om de scharen van een veel voortreffelijker brood te spreken, en waarnaar zij meer dan naar het eerste verlangen moesten; doch om dat brood te kunnen nutten, moesten zij eerst gelooven dat Hij van God gezonden, en bijgevolg, dat alles wat Hij hun leerde, waarheid was. Daarna ging Jesus over tot de beschrijving van dat brood. Het brood, zeii le Jesus, dat ik u geven zal, is mijn vleeseh voor het leven der wereld: Panis, quem ego dabo, oaro mea est pro mundi vita, (l) Hoe verstonden de Joden deze woorden van onzen goddelijken Zaligmaker. Juist gelijk wij ze nu verstaan, van het waarachtig vleeseh van Jesus-Christus, en daarom zeiden zij tot elkander; Hoe kan deze ons zijn vleeseh te eten geven? Wat antwoordde Jesus daarop? zeide Hij dat zij zijne woorden niet goed verstonden? dat Hij niet wilde spreken van een waarachtig vleeseh en van een werkelijk nutten van dat vleeseh? Neen, B. B., maar Hij bevestigde zijne woorden in den letterlijken zin genomen, en Hij voegde er bij dat zij zijn vleeseh moeslen eten en zijn bloed moesten drinken op straf van eeuwige verdoemenis: Voorwaar, voorwaar Ik zeg het u: Amen, amen diro vobis, \'tenzij gij het vleeseh van den Zoon des menschen eet en zijn bloed drinkt, zult gij het leven in u niet hebben: die mijn vleeseh eet en mijn bloed drinkt, lieeft het eeuwige leven, en Ik zal hem ten jongsten dage opwekken: want mijn vleeseh is waarlijk spijs en mijn bloed is waarlijk drank; die mijn vleeseh eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. Velen van Jesus\'

(1) Joan. VI, 52 ctc.

-ocr page 112-

— 108 —

leerlingen die deze woorden hoorden, zeiden tot elkander: Durus est hic sermo et quis potest eum audire: deze rede is hard en wie kan ze hoeren; Jesus zeide daarop tot die leerlingen: Ergert u dat? d. i., vindt gij mijne woorden aanstootelijk, en gelooft gij niet dat Ik u mijn vleesch te eten en mijn bloed te drinken kan geven? Zoo Ik maar eenvoudig mensch was gelijk gij, dan hadt gij reden van niet te gelooven; doch indien gij don Zoon des menschen zult zien opvaren, waar Hij te voren was? Als wilde Jesus zeggen: Wanneer Ik u door mijne Hemelvaart zal bewezen hebben dat Ik niet alleen mensch, maar ook God ben, zult gij dan nog niet gelooven dat Ik mijn vleesch te eten en mijn bloed te drinken kan geven? Voorzeker, Ik zal u mijn vleesch niet verdoelen en gelijk ander vleesch voorzetten; ook zal Ik li mijn bloed niet in zijne natuurlijke gedaante te drinken geven; neen, zoo zal Ik niet handelen, maar Ik zal u toch geven mijn waarachtig vleesch en bloed tot spijs en drank uwer zielen ten eeuwigen leven. En onder welke gedaanten? Jesus had hier voorzeker zijn oog gevestigd op de gedaanten van brood en wijn.

Velen van Jesus\' leerlingen waren niet tevreden over zijne verklaring; en de reden er van was, wijl Hij zijn woord, dat men zijn vleesch eten en zijn bloed drinken moet, streng vasthield. Ook verlieten er Hem velen en wandelden niet meer met Hem. Jesus liet hen gaan; en terwijl zij weggingen, richtte Hij zich tot de twaalf Apostelen: Wilt gij ook heengaan? zeide Hij; Numquid et vos vultis abire? Als wilde Jesus zeggen: Ik blijf bij mijn woord, en Ik houd staande wat Ik gezegd heb, al zouden ook allen Mij verlaten; doch Petrus in naam der overige Apostelen zeide dat zij geloofden en Hem niet zouden verlaten.

Hetgeen onze goddelijke Zaligmaker, B. B., zijne leerlingen plechtig beloofd had, gaf Hij hun in het laatste avondmaal. Neemt en eet, zeide Jesus, dit is mijn lichaam: Drinkt allen hieruit, want dit is mijn bloed des Nieuwen Verbonds, dat voor velen zal vergoten worden tot vergiffenis der zonden. Christus,

-ocr page 113-

— 109 —

de eeuwige en onfeilbare Waarheid verzekerde dus zijne Apostelen, dat hetgeen Hij hun te eten en te drinken gaf, zijn lichaam en zijn bloed was; dus moeten wij het ook vastelijk gelooven. Ook hebben do Apostelen deze waarheid altijd geloofd en in hunne onderrichtingen bevestigd. De Apostel Paulus, onder anderen, na de instelling van liet H. Sacrament des Altaars verhaald te hebben, zegt; Alwie dit brood onwaardig zal geëten, of den kelk des Heeren onwaardig zal gedronken hebben, hij zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heeren: Reus erit corporis et sanguinis Domini, (i) Wie onwaardig eet en drinkt, d. i., in staat van doodzonde, hij eet en drinkt zicli het oordeel: Judicium sibimanducat et hihil, d. w. z., hij verdient voor eeuwig tot de hel veroordeeld te worden; Waarom? Om zijne overgroote zonde van heiligschending. En waarom die groote zonde van fieiligschending? De Apostel geeft er do roden van; Non dijudicans corpus Domini, wijl hij liet lichaam dos Heeren niet onderscheidt, d. i., wijl hij hot gelijk oene gewone spijs zonder voorbereiding on onwaardig nuttigt.

Hetgeen do Apostelen aangaande het H. Sacrament dos Altaars geloofd en geloerd hebben, heeft ganscli do Katholieke Kerk onafgebroken geloofd on geloerd. Getuigen van dat geloof en van die loering do H. Vaders, die over liet H. Sacrament dos Altaars gehandeld, en do waarachtige togenwoófdighoid van Josus-Christus tegen do Ketters verdedigd hebben. Getuigen ook do Kerkvergaderingen, waarin die Ketters veroordeeld zijn. Nauwelijks hoeft do eerste zich verstout te loeren, dat hot brood en de wijn niet veranderd worden in hot lichaam on bloed van Christus, of de H. Kerk, die do zuil on de grondpilaar dor waarheid is, richt zich op en veroordeelt die dwaling.

Hetzelfde geloof en dezelfde loering aangaande hel H. Sacrament des Altaars, vindon wij in de gebeden der H. Kerk en in de plechtigheden, waarmede zij dit H. Sacrament altoos omgeven

^1) i Cor. xi, 27.

-ocr page 114-

— 110 —

heeft. Veronderstelt nu een oogenblik, B. B., dat liet niet waar Is, dat Jesus-Christus waarlijk, wezenlijk en zelfstandig tegenwoordig is in het H. Sacrament des Altaars; wat zoude er het gevolg van zijn? Dan zouden de Apostelen eene dwaling geleerd-hebben, wijl zij niet anders konden; zij zouden de gansche Kerk, millioenen en millioenen menschen, in dwaling gebracht hebben; zij zouden eene dwaling voor geloofspunt hebben doen doorgaan, ja, zij zouden zelfs afgodendienaars van ons gemaakt hebben; want inderdaad, moeten wij het H. Sacrament niet aanbidden? En op wien zouden die dwaling en afgoderij neerkomen? B. B., men is verlegen van liet te zeggen, want \'t is op Jesus-Christus, op God zelf. Ziedaar, hoe ver men noodzakelijk komt, zoo men de waarachtige tegenwoordigheid van Jesus-Christus in het H. Sacrament des Altaars durft loochenen.

II.

Jesus, B. B., heeft dus, gelijk wij gezien hebben, in hel laatste avondmaal het brood en den wijn veranderd in zijn goddelijk vleesch en bloed; doch Hij heelt niet alleen dat wonder van liefde gedaan. Hij heeft daarenboven aan zijne Apostelen, en in hun persoon aan de Priesters, het bevel en de macht gegeven hetzelfde te doen. Immers, Jesus zeide tot zijne Apostelen: Doot dit tot mijne gedachtenis; Hoc facile in meam cornmemora-tionem; als wilde Hij zeggen; Neemt ook brood en wijn, zegent en verandert ze in nijn lichaam en mijn bloed, nut die hemolsche spijs, en geeft ze te nutten aan de geloovigen.

Dat deze de zin is van de woorden van onzen goddolijkon Zaligmaker, blijkt duidelijk uit de leering onzer Moeder de H. Kerk, die ze nooit in een anderen zin verstaan heeft. Toen Jesus nu zijne Apostelen beval ie doen hetgeen Hij zelf gedaan had, gaf Hij hun tevens de macht er toe, zonder dat zoude Hij iets onmogelijks bevolen hebben. En niet alleen aan zijne Apostelen, maar ook aan hunne wettige opvolgers, ja aan alle

-ocr page 115-

— Ill —

Priesters heeft Jesus dat bevel en die macht gegeven. De Apostel Paulus leert het ons. Bij de woorden van Jesus: Doet dit lot mijne gedachtenis, voegt de Apostel Paulus de volgende: Want zoo dikwijls gij dit brood zult eten, en den kelk zult drinken, zult gij den dood des Heeren verkondigen, d. i., zult gij u den dood des Heeren herinneren. En hoelang moet die herinnering duren? Donec veniat: Tot dat Hij kome, zegt de Apostel Paulus, d. w. z., tot dat Jesus opnieuw op aarde verschijne. En wanneer zal Jesus opnieuw op aarde verschijnen? In den laatsten dag des oordeels, als Hij zal komen oordeelen de levenden en de dooden. Wijl nu de Apostelen niet altoos zouden leven, en de herinnering nochtans aan zijnen verzoeningsdood door de verandering van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus moest voortgezet worden tot het einde der wereld; daarom heeft Jesus, toen Hij zeide: Doet dit tot mijne gedachtenis, gewild, dat niet alleen de Apostelen, maar ook hunne opvolgers en alle wettig gewijde Priesters hetzelfde zouden doen, namelijk, dat zij brood en wijn zouden nemen en die door de woorden der Consecratie zouden veranderen in het lichaam en bloed van Christus. Die macht, den Priester gegeven, oefent hij uit in de H. Mis, gelijk wij later breedvoerig zullen zien. Kene zaak, B. B., die wij ter loops nog willen aanstippen, is dat de Priester, als hij in de H. Mis de woorden der Consecratie spreekt, niet in eigen, maar in Christus\' persoon spreekt. Immers, iiij zegt niet: Dit is het lichaam, dit is het bloed van Christus, maar hij zegt in persoon van Christus: Dit is mijn lichaam, dit is mijn ■bloed, toonende daardoor, dat Christus zelf door tusschen-komst des Priesters de verandering bewerkt.

SI,UITREDE.

Ten slotte zeg ik, B. B., dat God vele wonderen gedaan heeft oin de waarachtige tegenwoordigheid van Jesus-Ciiristus in het H. Sacrament te bevestigen, en ziehier een dier wonderen.

-ocr page 116-

Toen de H. Bernardus zich te Milaan ophield, bracht men zekeren dag eene van den duivel bezetene bij hem, en men verzocht den Heilige van die ongelukkige van den duivel, die haar reeds jaren lang gekweld had, te verlossen. De H. Bernardus droeg in de tegenwoordigheid dier bezetene het H. Sacrificie der Mis op. Na het Onze Vader nam hij de pateen met de H. Hostie, legde ze op het hoofd der bezetene en richtte zich vervolgens tot den duivel: Verworpen geest, zoo sprak de II. Bernardus, uw Rechter is hier; de Almachtige is hier; Hij is hier tegenwoordig, die op het punt staande van voor ons te lijden, sprak: Nu wordt de vorst dezer wereld uitgeworpen: Nunc princeps hujus rnundi ejicietur (bras. (i) Dit is het lichaam, dat uit de Maagd Maria aangenomen, aan het kruishout uitgerekt is; dat van den dood verrezen en onder de oogen zijner leerlingen ten hemel geklommen is. In naam dier allerhoogste Majesteit beveel ik u, booze geest, uit deze dienares van God te gaan, en het niet te wagen haar voortaan in het minste te kwellen. De duivel, die in de H. Hostie zijnen God en diens macht erkende, moesi wijken en verliet de bezetene voor altijd

God, B. B., heeft dergelijke wonderen willen verrichten om ons in het geloof te versterken en om de andersdenkenden tot het alleen zaligmakend geloof te brengen. Velen nochtans weigeren tot hiertoe te gelooven; zij hebben Jesus verlaten, evenals de leerlingen die zeiden: Die rede is te hard, en wie kan ze hooren? Wij daarentegen zullen de Apostelen navolgen, die door Jesus gevraagd, of zij Hem ook wilden verlaten, door Petrus antwoordden: Heer! tot wien zullen wij gaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens, en wij gelooven en bekennen dat Gij de Christus, de Zoon Gods zijt, en bijgevolg, dat gij wezenlijk tegenwoordig zijt in het M. Sacrament des Altaars. Amen.

(1) JOAN. XII, 31.

-ocr page 117-

ELFDE ONDERRICHTING

OVER DE WIJZE WAAROP CHRISTUS TEGENWOORDIG IS IN HET 11,SACRAMENT

Quomodc potent hie nobis carnem siKim dure ad\'manducandum ?

IIoo kan doze ons zijn vlecsoli te eten govcn? (,1oan. vi, öj.)

INHOUD.

VOORRKDR.

quot;t Is vooral om u in het geloof te sterken en om u tot liefde jegens Jesus-Cliristus op te wekken, dat ik breedvoerig over dit H. Sacrament spreek. Vandaag zullen wij de drie volgende vragen beantwoorden:

VERDEKI.ING.

I. Hoe lang blijft Christus tegenwoordig in het

H. Sacrament?

II. Is Hij geheel tegenwoordig onder de gedaanten

én van brood, én van wijn?

III. Kan Christus evenals de gedaanten verdeeld

worden ?

Ghloofs-bn Zkdknlubr \'ld\'* Deki. 8.

-ocr page 118-

— 114 —

1.

Christus blijft tegenwoordig in liet H. Sacrament, tot Jat de gedaanten van brood en wijn verdwenen zijn. Zoodra die gedaanten verdwenen zijn, houdt Christus op er in tegenwoordig te zijn, wijl er geen Sacrament meer is.

II.

Vóór de Consecratie zijn er op het altaar tegenwoordig brood en wijn; na de Consecratie, het lichaam en bloed van Christus onder de gedaanten van brood en wijn. Het brood is veranderd in het lichaam v;«i Christus, en de wijn in het bloed van Christus. Onder de gedaante van brood is ook het bloed van Christus, en onder- do gedaante van wijn is ook zijn lichaam. Met de menschheid ontvangt men ook de godheid of liever men ontvangt den Godmensch.

III.

Het lichaam en bloed van Christus kunnen niet verdeeld worden, maar wel de gedaanten van brood en wijn. Alen mag niet zeggen dat Christus rond of wit is;, ook kan Hij niet bezoedeld worden. Christus is in het H. Sacrament tegenwoordig, gelijk de ziel in het lichaam. Vandaar dat Hij in eene kleine H. Hostie en tegelijkertijd op verschillende plaatsen in vele H. Hostiën tegenwoordig is. Antwoord op de opwerpingen.

SLUITREDE.

Bedanken wij God voor de instelling van het H. Sacrament des Altaars, en voor de wonderen die Hij er door gedaan heeft.

-ocr page 119-

ELFDE ONDERRICHTING

OVER DE WIJZE WAAROP CHRISTUS TEGENWOORDIG IS IN HET H. SACRAMENT

Quomodo potest hie nobis carnem suam dare ad manducandnm?

Hoe kan deze ons zijn vleescli te eten geven? (Joan, vi, 53.)

VOORREDE.

Wij allen, li. li., als ware, als aan onze Moeder de H. Kerk innig verkleefde kinderen, gelooven en belijden de waarachtige tegenwoordigheid van Jesus-Christus in het H. Sacrament des Altaars, t Is dus niet om u te doen gelooven, maar om u in het geloof te sterken, en bijzonder, om uwe liefde tot Jesus in het H. Sacrament te doen ontvlammen, dat wij er 11 over spreken. Die taak is voorzeker prijsbaar en heeft een overgroot nut voor de geloovigen. Vandaag zullen wij de drie volgende vragen beantwoorden:

I. Hoe lang blijft Christus tegenwoordig in het H. Sacrament?

II. Is Hij geheel tegenwoordig onder de gedaanten, én van brood, én van wijn?

III. Kan Christus evenals de gedaanten verdeeld worden?

I.

De Catechismus vraagt:

Hoelang Uijft Christus tegenwoordig in het heilig Sacrament? En hij antwoordt:

Tot dal de gedaanten run brood en wijn verdwenen zijn.

-ocr page 120-

— 11C) —

Die leering, B. B., is eon punt van ons geloof. Hetzij dus de geconsacreerde Hostiën zicli na de Consecratie onder de H. Mis op het altaar bevinden, of na de H. Mis in liet tabernakel bewaard worden; hetzij zij door den Priester naar do zieken gebracht, of in de processie plechtig rondgedragen worden, onze goddelijke Zaligmaker is er altijd tegenwoordig. Zoolang dus de gedaanten van brood en wijn blijven, blijft ook Christus er tegenwoordig; doch zoodra de gedaanten van brood en wijn verdwenen zijn, houdt ook Christus op van er sacramenteel tegenwoordig te zijn. De reden, waarom Christus daar niet meer tegenwoordig is, als de gedaanten\', de kleur, de reuk, de smaak, enz., verdwenen zijn, geeft de Catechismus, als bij antwoordt op de vraag:

Waarom is Christus daar niet meer tegenwoordig, als de gedaanten verdwenen zijn?

Omdat er dan geen ■uitwendig teehen meer is, en hijgevolg cv cjccYi Sacrament hcwi zijyi.

Een Sacrament is een uitwendig teeken; Christus is tegenwoordig in het li. Sacrament des Altaars; het uitwendig teeken van bet H. Sacrament des Altaars bestaat vooral in de gedaanten van brood en wijn; houdt dit uitwendig teeken nu op te bestaan, dan houdt het H. Sacrament des Altaars ook op te bestaan\', en bijgevolg kan Christus er ook niet meer in tegenwoordig zijn, wijl het niet meer bestaat.

II.

Onze goddelijke Zaligmaker Heeft, gelijk wij weten, het H. Sacrament des Altaars ingesteld onder de gedaanten van brood en wijn. De Catechismus vraagt:

Hoe wordt ons Christus tegenwoordig gesteld m het heilig Sacrament? En hij antwoordt:

-ocr page 121-

Door de woorden van de consecratie, die de priester spreekt, wordt het brood en de wijn veranderd in het lichaam en het bloed van Christus.

Wat is — dus — op den autaar vóór de consecratie?

Brood en wijn. En:

Wat is er nd de consecratie?

Hel lichaam en bloed van Christus, onder de gedaanten van brood en wijn.

Waar is —dan— het brood, dal er was vóór de consecratie?

Het is veranderd in hel lichaam van Christus. En:

Waar is de wijn die er was vóór de consecratie?

Hij is veranderd in het bloed, van Christus. Nu komt de vraag:

Is onder de gedaante van brood ook het bloed van Christus?

Ja, en onder de gedaante van wijn is ook zijn lichaam. En:

Waarom is dit alzoo?

Omdat sedert Christus\' verrijzenis zijn bloed niet meer kan gescheiden worden van zijn lichaam, en bijgevolg waar zijn lichaam is, daar ook zijn bloed moet wezen.

Ziehier, B. B., in andere woorden waarom Christus, God en mensch, en dus niet alleen met zijn vleescli en bloed, met zijne ziel en zijn lichaam, maar ook met zijne godheid in het H. Sacrament tegenwoordig is.

Toen Jesus-Clmstus in liet laatste avondmaal het H. Sacrament des Altaars instelde, heelt Hij zijn lichaam en bloed aan zijne Apostelen gegeven gelijk zij waren, maar onder de gedaanten van brood en wijn. Zijn lichaam nu was geen dood, maar een levend lichaam; dus was het vereenigd met zijn bloed en zijne ziel. Zijn bloed was niet gescheiden van zijn lichaam, want Jesus had zijn bloed aan het kruis nog niet vergoten; dus was het een levend bloed, vereenigd met zijn bezield lichaam, en zoo ontvingen de Apostelen met het bloed van.

-ocr page 122-

— 118 —

Jesus ook zijn lichaam en zijne ziel, in een woord, zij ontvingen de menschelijke natuur yan Christus: doch die menschelijke natuur bestaat in den tweeden persoon van de II. Drievuldigheid, in God den Zoon; God de Zoon heeft zijne godheid onafscheidbaar met zijne menschheid vereenigd, zoodat sedert de menschwording van God den Zoon, zijne godheid zich nooit van zijne menschheid gescheiden heeft, zelfs niet bij zijnen dood. Wat volgt daar nu uit? Daaruit volgt, dat de Apostelen in het laatste avondmaal Jesus\' levend lichaam en bloed, vereenigd met de godheid ontvangen hebben, in een woord, dat zij ontvangen hebben Jesus-Christus God en mensch te zamen. Hetzelfde nu B. B., heeft plaats tot op den dag van heden in het H. Sacrament des Altaars. Sedert Christus\' verrijzenis kan zijn bloed niet meer gescheiden worden van zijn lichaam, zijn lichaam niet meer van zijne ziel, veel minder zijne godheid van zijne menschheid, en daarom is Jesus-Christus in het H. Sacrament tegenwoordig met godheid en menschheid, met ziel en lichaam, met vleesch en bloed én onder de gedaante van brood, én onder de gedaante van wijn. Te recht leert de kerkvergadering van Trente: \'t Is zeker waar, dat onder eene dezer beide gedaanten even zooveel vervat is als onder beiden; want de geheele en onverdeelde Christus is onder de gedaante van brood en onder elk deel van dezelfde gedaante, en ook geheel onder de gedaante van wijn en onder deszelfs deelen tegenwoordig. Nochtans, wij zeggen gepast dat onder de gedaante van brood het lichaam van Christus, en onder de gedaante van wijn zijn bloed tegenwoordig is; want onder de Consecratie komt krachtens de woorden die de priester spreekt: Dit is mijn lichaam, onmiddellijk het lichaam van Christus tegenwoordig, en krachtens de woorden: Dit is mijn bloed, komt onmiddellijk het bloed van Christus tegenwoordig. Dat nu onder de gedaante van brood met het lichaam ook het bloed, en onder de gedaante van wijn met het bloed ook het lichaam, en onder iedere der beide gedaanten ook de ziel van Christus tegenwoordig is, dat

-ocr page 123-

— 119 —

geschiedt eigenlijk en onmiddellijk, niet krachtens de woorden der Consecratie, maar krachtens het natuurlijk bij elkander behooren en de onafscheibare vereeniging van lichaam, bloed en ziel in een levenden mensch. De godheid nu is er ook onder iedere gedaante met de menschheid tegenwoordig wegens de onafscheibare vereeniging van de menschelijke natuur mot de goddelijke.

Wijl Christus, B. B., geheel en al onder eene van beide gedaanten tegenwoordig is, waarom heeft Hij dan het H. Sacrament onder twee gedaanten ingesteld? Eene voorname reden is, wijl Christus gewild heeft, dat het H. Sacrament voor ons zoude wezen eene gedachtenis van zijnen dood; zulks nu is het bijzonder daardoor, wijl Hij het onder twee gedaanten hoeft ingesteld. De gedaanten van brood en wijn zijn van elkander gescheiden. Krachtens de woorden nu: Dit is mijn lichaam, is onmiddellijk het lichaam van Christus tegenwoordig, en krachtens de woorden: Dit is mijn bloed, onmiddellijk zijn bloed; en alhoewel zij om andere redenen, gelijk wij reeds gezien hebben, niet kunnen gescheiden worden; zoo wordt ons daardoor nochtans de dood van Christus afgebeeld, waarin zijn bloed van zijn lichaam gescheiden werd. Eene andere reden is, wijl Christus gewild heeft dat het H. Sacrament zoude wezen de waarachtige spijs onzer ziel, gelijk wij later zullen zien. Ziedaar dus B. B., waarom Jesus-Christus het H. Sacrament des Altaars onder twee gedaanten ingesteld heeft.

Hl.

De derde vraag is of Christus kan verdeeld worden. Het lichaam en bloed van Christus, li. B., kunnen niet verdeeld worden; maar het zijn enkel de gedaanten van brood en wijn die verdeeld worden. De reden hiervan is, omdat de gedaanten van brood en wijn, die na de Consecratie overblijven, zich niet aan het lichaam of bloed van Christus vasthechten, niet de

-ocr page 124-

eigen gedaanten van liet lichaam en bloed van Christus zijn; doch deze zijn er enkel onder tegenwoordig. Vandaar dat men niet zeggen mag dat Christus rond of wit is, omdat de H. Hostie rond of wit is. Wordt de H. Hostie gebroken, Christus blijft Ongebroken; wordt zij geschonden, Christus blijft ongeschonden.

Is — dan — in het heilig Sacrament — niet — teyeniooor-dig hetzelfde lichaam van Christus dat voor ons gekruist is?

Ju, hetzelfde lichaam, maar glorieus en onlijdelijk.

Eene andere zaak die men nog in aanmerking moet nemen, i.s, dat ofschoon het lichaam van Christus waarlijk in het H. Sacrament des Altaars tegenwoordig is, het daarin niet tegenwoordig is op eene natuurlijke wijze, die een lichaam, alhoewel verheerlijkt, eigen is; neen, B. B., maar het is daarin tegenwoordig op eene wonder - en geheimvolle wijze. Vandaar dat Christus met geheel zijn lichaam tegenwoordig is in eene kleine H, Hostie; dat Hij één en dezelfde in alle deelen der H. Hostie tegenwoordig is; dat 11 ij één en dezelfde terzelfdertijd op verschillende plaatsen in zoovele duizenden geconsacreerde H. Hostiën tegenwoordig is, evenals de ziel een in getal in gansch liet lichaam en gansch in elk deel des lichaams tegenwoordig is. Wanneer men nu vraagt: Maar hoe is dat altemaal mogelijk, hoe kan dat geschieden? Dan moet men antwoorden: dat is mogelijk en dat geschiedt door de almacht Gods, die natuurlijk door zijne almacht meer kan, dan wij met ons klein verstand begrijpen kunnen. Voorzeker, de tegenwoordigheid van Jesus-Christus in het Ii. Sacrament des Altaars is een onbegrijpelijk geheim; doch daaruit volgt niet dat het onmogelijk is. En ziedaar nochtans hoe de vijanden der H. Kerk, die dit punt van ons geloof niet willen aannemen, redeneeren. Alle opwerpingen die zij maken, om de onmogelijkheid van de waarachtige tegenwoordigheid van Christus in \'t H. Sacrament te bewijzen, komen hier op nèer: Wij kunnen niet begrijpen lioe Christus daar tegenwoordig is, bijgevolg is het tegen de

-ocr page 125-

121 —

rede en onmogelijk. Ik antwoord: Het geheim der waarachtige tegenwoordigheid van Jesus-Christus in het H. Sacrament des Altaars is niet tegen, maar hoven de rede; vervolgens, iets is niet onmogelijk juist daarom, wijl men het niet kan begrijpen. Begrijpen wij, bijv., hoo Jesus op de zee wandelde, hoe Hij na zijne Verrijzenis aan zijne Apostelen verscheen met gesloten deuren, zonder die te openen. Begrijpen wij God, één in wezen en drievuldig in personen; hoe God alomtegenwoordig is in den hemel, op de aarde en op alle plaatsen? Is dat alles nu onmogelijk, en mogen wij liet ontkennen omdat wij het niet begrijpen? Is God niet almachtig? En wie zijn wij, nietige aardwormen, om den Almachtige de grenzen te bepalen, en Hom te zeggen: tot hier zult Gij komen, doch niet verder? En staat het den mensch met zijn klein verstand vrij God de eeuwige Wijsheid en de onfeilbare Waarheid, zoodra Hij een geheim openbaart, tegen te spreken en te zeggen: Ik begrijp dat niet; dus is het niet waar; \'t is onmogelijk. Ziedaar, tot welke ongerijmd - en dwaasheden de mensch komt. O, B. B., bijaldien wij alles mochten loochenen, omdat wij het niet begrijpen, wat zoude er dan nog overblijven, zelfs in de orde der natuur, die zoo vol geheimen voor ons is? Doch ziehier, hoe men moet redeneeren. Toen Jesus op aarde wandelde heeft Hij door de schitterendste wonderen getoond dat Hij God is; bijgevolg, dat Hij onder anderen almachtig, getrouw, waarachtig en onfeilbaar is, want die volmaaktheden zijn God eigen. Jesus nu belooft zijne Apostelen zijn vleesch te eten en zijn bloed te drinken te geven; in het laatste avondmaal volbrengt hij zijne belofte; hij geeft zijn lichaam onder de gedaante van brood, zeggende: Dit is mijn lichaam, zijn bloed onder de gedaante van wijn, zeggende: Dit is mijn bloed. Jesus nu, die God is, kan zich ge^en onder de gedaanten van brood en wijn, want God is almachtig; Jesus heeft zich gegeven onder de gedaanten van brood en wijn, want God is getrouw aan zijne

\'

. ü

fiVf

%

. I

! |

( i

1

j ■ im

ij1 V H

m

«l r \'jo

1

-ocr page 126-

— 122 —

beloften; wij zijn er zeker van, want God is waarachtig en onfeilbaar.

SLUITREDE.

Bedanken wij God, B. B., voor de liefde, die Ilij ons bewezen heeft door de instelling van het H. Sacrament des Altaars. Daarin immers verkeert met ons hier op aarde dezelfde Jesus, die eertijds in Judëa met de Joden verkeerde, en Hij zal mot ons verkeeren tot het einde der wereld. Bedanken wij God voor de wonderen die Hij gedaan heeft, om zóó met ons te kunnen verkeeren. O, voorzeker, eenmaal zullen wij bij God streng te verantwoorden hebben voor zijne grenzelooze liefde jegens pns. Wat zal Jesus in den laatsten dag des oordeels niet kunnen zeggen tot hen, die zijne waarachtige tegenwoordigheid in het H. Sacrament geloochend en gelasterd hebben? Waarom, zal Hij kunnen zeggen, hebt gij niet geloofd? En had Ik dan niet doorslaande bewijzen genoeg gegeven van die waarheid? Weg van Mij, vervloekten in het eeuwige vuur; want die niet geloofd zal hebben, zal veroordeeld worden. Wij wel is waar gelooven de waarachtige tegenwoordigheid van Jesus in het H. Sacrament des Altaars, en juist wijl wij ze gelooven, moet onze dankbaarheid des te grooter zijn. Wij kennen de liefde van Jesus en de wonderen die Hij gedaan heeft. Wat zal Jesus ons dus niet kunnen zeggen, zoo wij aan zijne liefde niet beantwoorden, zoo wij niet dankbaar zijn? Had Ik daarom mijn Sacrament van liefde moeten instellen? Had Ik daarom onder u moeten verblijven? Had Ik daarom wonder op wonder moeten verrichten, Mij moeten verbergen onder de gedaanten van brood en wijn? Weg van Mij, die wel is waar geloofd, maar mijne liefde met geene wederliefde vergolden hebt; die u zoo dikwijls aan de zonden van oneerbiedigheid en heiligschending hebt plichtig gemaakt; gij zijt in zekeren zin schuldiger dan zij die niet geloofden; want al hebt gij geloofd, gij hebt u gedragen, als

-ocr page 127-

— 123 —

Iiil

of gij niet geloofdet. B. B., zijn wij voorzichtig, en dat onze werken aan ons geloof beantwoorden. Toonen wij liefde voor liefde, en na hier op aarde in Jesus geloofd en hem bemind te hebben, zullen wij eenmaal de belooning voor geloof en liefde weggelegd deelachtig worden, d. i., wij zullen het geluk hebben van in den hemel Jesus aanschijn aan aanschijn te aanschouwen in wien wij geloofd en dien wij bemind hebben. Amen.

m\'

iiw ■{quot;\'

iP ■ .

?

Pil k\'ïH

Mj

, J| )

\' m

1

-ocr page 128-

TWAALFDE ONDERRICHTING

OVER DE EER AAN HET H. SACRAMENT VERSCHULDIGD

Ventte, adoremus et procidamus\' ante Dominum.

Komt, laten wij den Heer aanbidden en ons voor Hem neder werpen.

(Ps. xciv, o.)

INHOUD.

VOORREDE.

Na genoeg verklaard te hebben, wat het H. Sacrament des Altaars is, en hoe Jesus-Christus daarin onder de gedaanten van brood en wijn tegenwoordig is, zullen wij vandaag zien, wanneer wij het H. Sacrament moeten aanbidden. Wij moeten liet bijzonder aanbidden:

VERDEELING.

1. Als wij komen in eene kerk of kapel waar

het H. Sacrament rust;

II. Als wij Mis hooren;

III. Als wij tot de H. Communie naderen;

IV. Als het H. Sacrament ter aanbidding wordt

uitgesteld of in de processie of naar de zieken gedragen wordt.

-ocr page 129-

125

I.

Als men komt in eene kerk of kapel waar het H. Sacrament rust. Of het II. Sacrament in hot tabernakel rust, ziet men aan de Godslamp voor het altaar ontstoken. Geschiedenis door Paus Gregorius verhaald. Men moet Jesus-Christus aanbidden met ootmoedigheid en eerbied, door te knielen of zijn hoofd te buigen.

II.

Als men Mis hoort. Christus immers komt door de woorden der Consecratie die de Priester spreekt, op het altaar tegenwoordig.

m

1

1 ü

Als men tot de H. Communie nadert. Jesus immers gewaar-digt zich ook op dat oogenblik tot-en in ons te komen.

IV.

Als het H. Sacrament ter aanbidding wordt uitgesteld, hetzij in ciborie, hetzij in remonstrans. Ook wordt met het H. Sacrament dikwijls de zegen gegeven. Er bestaan vooral twee plechtigheden ter eere van het H. Sacrament, de gedurige aanbidding en het veertig uren gebed. De II. Kerk heeft ook een leestdag ingesteld ter eere van het II. Sacrament, Sacramentsdag genoemd. Men moet Christus ook aanbidden, als Hij in de processie of naar de zieken gedragen wordt. Keizer Joseph II; Rudolph Graaf van Habsburg.

SLUITREDE.

Wij moeten dikwijls naar de kerk gaan om Christus daar te aanbidden, die nooit iemand ongetroost of onbeloond laat weggaan.

I

-ocr page 130-

— 126 — TWAALFDE ONDERRICHTING

OVER DE EER AAN HET H. SACRAMENT VERSCHULDIGD

Venite, adoremus et prociclamus ante Dominum.

Komt, laten wij don Heer aanbidden en ons voor Hem nederwerpen.

(Ps. xciv, o,)

VOORREDE.

Na genoeg verklaard te hebben, 15. B., wat liet H. Sacrament des Altaars is, en hoe Jesus-Cbristus daarin met vleesch en bloed, met ziel en lichaam, met godheid en menschheid onder de gedaanten van brood en wijn tegenwoordig komt en tegenwoordig blijft. Zullen wij vandaag zien welke eer wij het H. Sacrament schuldig zijn. De Catechismus vraagt:

Wat eer zijn wij het heilig Sacrament schuldig? En hij antwoordt:

Dezelfde eer die wij aan Christus moeten geven, te toeten, de goddelijke eer en aanbidding. En:

Waarom zijn wij de goddelijke eer en aanbidding het heilig Sacrament schuldig?

Omdat Christus, die daar tegenwoordig is, waarlijk God is.

Wij moeten God de eer bewijzen die Hein toekomt, namelijk, de goddelijke eer; wij moeten Hem aanbidden: Dominum Deum tuum adorabis: (i) Gij zult den Heer uwen God aanbidden; Christus in het H. Sacrament des Altaars tegenwoordig, is waarlijk God; bijgevolg moeten wij Hem de goddelijke eer bewijzen, wij moeten Hem aanbidden. Vandaag zullen wij in

(i) Matth. iv, 10.

-ocr page 131-

het kort zien, wanneer wij het H. Sacrament vooral moeten aanbidden. De Catechismus vraagt:

Wanneer moeten wij het heilig Sacrament meest aanbidden? En hij antwoordt:

Bijzonderlijk in deze gevallen:

I. Als wij komen in eene kerk of kapel, waar het heilig Sacrament rust-,

II. Als wij Mis hoor en

III. Als wij tot de heilige Communie naderen;

IV. Als het heilig Sacrament ter aanbidding

wordt uitgesteld of in de processie of naar de zieken gedragen wordt.

I.

Wij moeten liet II. Sacrament aanbidden, vooreerst als wij komen in eene kerk ot kapel waar het H. Sacrament rust.

Onze goddelijke Zaligmaker, 13. B., verblijft dag en nacht in het tabernakel van het altaar in alle parochiekerken en doorgaans in de kapellen der kloosterlingen. In de kapellen van het een of ander gehucht, waar van tijd tot tijd de II. Mis gelezen wordt, is het H. Sacrament niet tegenwoordig, tenzij wanneer het H. Sacrificie der Mis daar opgedragen wordt.

Een teeken, waaraan men kan weten of het H. Sacrament in eene kerk of kapel rust, is de lamp welke men voor het H. Sacrament ziet branden. Die lamp, wier licht volgens een streng voorschrift der II. Kerk dag en nacht moet onderhouden worden, dient niet alleen tot vereering van het II. Sacrament, maar ook om de geloovigen terstond de plaats aan te duiden, waar Jesus-Christus, het Licht der wereld, tegenwoordig is. Dit gebruik bestond reeds in de vierde eeuw. Tijdens de vervolgingen kon het niet algemeen zijn, doch zoodra de II. Kerk vrede genoot, werd het overal ingevoerd en onderhouden. De

-ocr page 132-

— 128 —

Paus Gregorius verhaalt ons aangaande do Godslamp een wonder voorval. Zeker persoon, Constantinus genaamd, zoo verhaalt Gregorius, was belast met het verzorgen der Godslamp: zekeren dag had hij geen olie, en hij goot in plaats van olie, water in de lamp; daarop legde hij er eene nieuwe wiek in en stak ze aan; en ziet, de lamp brandde en bleef branden zacht en helder, juist als of er olie ingegoten ware geweest. Wij moeten dus het H. Sacrament aanbidden, als wij komen in eene kerk of kapel waar het rust. Doch hoe móeten wij het aanbidden?

Letten wij daar wel op, B. B., want wij moeten het aanbidden met ootmoedigheid en eerbied. Wanneer men dus in de kerk komt pf ze verlaat, dan moet men ofwel het hoofd buigen voor het H. Sacrament, gelijk liet vrouwvolk, ofwel knielen, gelijk liet manvolk doet; doch als men het H. Sacrament aanbidt op de een of andere wijze, men lette er op van het eerbiedig te doen, en vooral van de knie tot op den grond toe te buigen, (i) Daarbij kan men het een of ander gebed voegen, bijv.: Geloofd zij Jesus-Christus in het H. Sacrament; ofwel: Ik aanbid ik, o Jesus, in het H. Sacrament. Die wijze van aanbidding verdient onze aandacht, want men treft Christenen aan, die het huis Gods binnentreden, juist als of zij een gewoon huis binnentraden, die of niets doen, of die hetgeen zij doen, zonder aandacht en eerbied doen.

II.

Wij moeten het H. Sacrament aanbidden, als wij Mis hooren. De reden er van is, wijl Jesus-Christus in het midden der H. Mis door de woorden der Consecratie welke de Priester spreekt met godheid en menschheid, met ziel en lichaam, met vleesch en bloed, op het altaar tegenwoordig komt. Daarom ook heft de Priester bij de Consecratie de H. Hostie en don

(i) Er zijn streken waar het vrouwvolk de knie buigt voor het H. Sacrament, evenals het manvolk.

-ocr page 133-

— 129 —

geconsacreerden kelk in de hoogte, opdat de geloovigen onzen goddelijken Zaligmaker Jesus-Christus op hunne knieën zouden aanbidden.

III.

\' Wij moeten het II. Sacrament aanbidden, als wij tot de H. Communie naderen, namelijk, alvorens wij Jesus-Christus in de II. Communie ontvangen; doch daarover zal later gesproken worden, als wij zullen zien, wat er vereischt wordt om waardig te communiceeren.

IV.

Eindelijk moeten wij het H. Sacrament aanbidden als het ter aanbidding wordt uitgesteld, of in de processie of naar de zieken gedragen wordt.

Het II. Sacrament, B. B., wordt dikwijls ter aanbidding uitgesteld, op de feestdagen tijdens de H. Mis, tijdens het lof en de vespers. Het wordt uitgesteld in de ciborie op de gewone feestdagen, zoodat men de H. Hostie niet kan zien; doch op de voornaamste feestdagen wordt het uitgesteld in de remonstrans, zoodat men de H. Hostie kan zien. Dikwijls wordt er in de kerk de zegen met het H. Sacrament gegeven, zoodat Jesus in persoon de geloovigen zegent, gelijk Hij eertijds, toen Hij op aarde rondwandelde, zijne leerlingen en de scharen zegende.

Er bestaan vooral twee godsdienstplechtigheden ter eere van onzen lieer Jesus-Christus in het H. Sacrament, namelijk, de gedurende aanbidding en liet veertig uren gebed.

He gedurige aanbidding is bijzonder ingesteld, om Jesus eene eerboete te brengen voor al de oneerbiedigheden Hem in zijn Sacrament van liefde aangedaan, en bijzonder voor de godslasteringen door de Ketters tegen de waarachtige tegenwoordigheid van Jesus in het H. Sacrament des Altaars uitgebraakt. Zij

Gkloofs en Zedenlebr. 4de ukki. 9.

-ocr page 134-

— 130 —

bestaat hierin, dat het gansche jaar door, dan op deze, dan op gene plaats, Jesus in het H. Sacrament aangebeden wordt.

Het yeertig uren gebed is ten jare 155G in gebruik gekomen, \'t Is ingesteld tot gedachtenis van de veertig uren, die onze goddelijke Zaligmaker na zijnen dood in het graf heeft doorgebracht. Een weinig later werden er te Rome door eene broederschap veertig uren geestelijke Oefeningen gedaan, tot gedachtenis van de veertigdaagsche vasten van Jesus in de woestijn, doch gedurende die oefeningen werd het H. Sacrament niet uitgesteld; dit geschiedde eerst op het einde der zestiende eeuw. Het schijnt dat in den beginne.de aanbidding van het H. Sacrament veertig uren onafgebroken, dag en nacht duurde. Later is dat gebruik om gewichtige redenen veranderd geworden, zoodat de aanbidding \'s nachts niet meer in \'t openbaar plaats heeft, maar drie of vier dagen achter elkander duurt, gelijk thans overal het gebruik is. \'t Is op die dagen vooral, B. B., dat wij Jesus in het H. Sacrament moeten aanbidden. Onze Moeder de H. Kerk noodigt hare kinderen daartoe uit, door de aflaten die zij verleent, mits te biechten, te communiceeren en te bidden tot intentie van zijne Heiligheid den Paus. De H. Kerk, dankbaar voor zoo groote weldaad als het H. Sacrament des Altaars, heeft zich niet tevreden gesteld, met alleen plechtig op Witten Donderdag de gedachtenis der instelling van dit Sacrament van liefde te vieren, zij heeft nog een bijzonderen feestdag ter eere van het H. Sacrament ingesteld, die daarom Sacramentsdag genoemd wordt. Dit feest is eerst plechtig gevierd geworden in hot Bisdom van Luik. Daartoe had eene H. Gasthuisnon, met name Juliana, die van liefde tot Jesus in het H. Sacrament brandde, den Bisschop van Luik aangezet. Later werd het feest door den Paus van Rome tot de gansche christenwereld uitgebreid. Om Jesus haren Bruidegom nog meer dankbaarheid te betoonen, heeft de H. Kerk op dien dag voor Hem een plechtigen triomftocht of eene processie met het H. Sacrament voorgeschreven. Jesus-Christus moet niet alleen in rijk versierde

-ocr page 135-

— 131 —

tempels als God en Koning aangebeden en geëerd worden; de Priester draagt Hem, als liet zijn kan, onder jubelzangen en wierookwolken door de met bloemen bestrooide en feestelijk versierde straten der steden en dorpen, door de bloeiende bouwlanden en beemden die de dorpen en vlekken omgeven, en terwijl de geloovigen aanbiddend nedervallen, zegent Jesus, de gever van alle goed, zijne vereerders; Hij zegent hunne woningen en wegen, hunne velden en dreven, hunne boom - en veldvruchten, en dikwijls wendt Hij de onheilen door onweder of hagel, door vuur of water te veroorzaken, alsmede de besmettelijke ziekten gunstig af, reden, B. B., van in de processie onzen goddelijken Zaligmaker altoos met eerbied en al biddende te vergezellen. Eindelijk moeten wij het H. Sacrament nog aanbidden, als het naar de zieken gedragen wordt. Men moet, als men den Priester ontmoet die het H. Sacrament draagt, zich het Hoofd ontdekken en op de knieën zetten; ofwel zoo de grond nat of slijkerig is, stil staan, zich tot het H. Sacrament keeren en eene buiging maken en op die wijze Jesus-Christus aanbidden, \'t Is dus wel beklagenswaardig van soms personen te zien, die den priester het H. Sacrament dragende, zoo maar voorbijgaan, zonder hunnen hoed of hunne muts af te nemen, of zonder zich op de knieën te zetten. Keizer .Joseph II was zekeren dag to Gent en ontmoette daar een Priester, die een zieke ging bedienen. De Keizer deed terstond zijn rijtuig stilhouden en zetlede zich op de knieën; De geburen boden hem een stoel aan, doch de keizer bleef op de steenen geknield, tot dat hij den zegen ontvangen had en de Priester voorbij was.-Rudolph graaf van Habsburg ontmoette ook zekeren dag een Priester die het H. Sacrament naar een zieke droeg; terstond steeg de graaf van zijn paard, noodigde den Priester, die vermoeid was, uit van het te bestijgen en leidde zelf het paard bij den teugel naar de woning van den zieke. Na de berechting van den zieke bedankte de Priester den graaf. Rudolph schonk den Priester het paard, wijl hij zich onwaardig achtte gebruik

-ocr page 136-

te maken van een paard, waarop Jesus-Christus, zijn Heer en God, gerust had. Wat zijn de tijden veranderd, B. B.; doch die voorbeelden zijn wel in staat om vele onverschillige Christenen en lafaards te beschamen, die er niet eens acht op geven of hun hoofd niet ontdekken, als de Priester met het H. Sacrament naar de zieken gaat. Wij moeten er dus op letten, en de ouders moeten er hunne kinderen opmerkzaam op maken, van nooit of nimmer te kort te blijven om Jesus op de een of andere wijze te aanbidden, als Hij door den Priester naar de zieken gedragen wordt. Ook kan men gemakkelijk weten of de Priester het H. Sacrament bij zich heeft; dan immers is hij in het wit gekleed en voorgegaan van een dienaar met licht en eene bel, om de geloovigen te verwittigen. Het is dus verdienstelijk met zijn werk een oogenblik op te houden, als men binnenshuis is een oogenblik buiten aan de deur te komen, zich op de knieën te zetten, ten einde Jesus-Christus die voorbijgaat, te aanbidden en hulde te bewijzen. Ziedaar, B. B., de voornaamste gevallen, waarin wij het H. Sacrament moeten aanbidden.

SLUITREDE.

Trachten wij ook van de gelegenheid gebruik te maken van het H. Sacrament dikwijls te bezoeken. De Catechismus vraagt: Wat moet ons bewegen om het heilig Sacrament dilmijls te gaan bezoeken? En hij antwoordt:

Dat Jesus daar tegenwoordig is, die gezegd heeft: Komt tot mij, gij alten die belast en beladen zijl, en ik zal u verkwikken; en dat hij nooit iemand ongetroost of ongeloond laat weggaan.

Jesus, de Godmensch, wiens troon de hemel en wiens voetbank de aarde is, wien Cherubijnen en Serafijnen dienen; wien de Koren der Engelen aanbidden en hulde bewijzen; Jesus, de Koning aller schepselen, is daar tegenwoordig; Hij noodigt ons uit van tot Hem te komen. Waarom aarzelen wij dan van tot

-ocr page 137-

— 133 —

Hem te gaan? Niets tcmh kan ons wetlerhouden: geen l)liksein of donder openbaart hier Gods tegenwoordigheid, gelijk eertijds op den Sinaï; de gedaante van brood, waaronder Jesus tegenwoordig is, heeft toch niets schrikverwekkends. Daarenboven, Jesus noodigt ons uit, en Hij zal ons troosten en beloonen. Gelooft mij, zoo spreekt de H. Alphonsus, gelooft mij, alles is dwaasheid: feesten, schouwburgen, bijeenkomsten,alle genoegens der wereld zijn vol bitterheden en doornen; ik weet het door eigen al te smartelijke ondervinding. Daarentegen, ik kan u verzekeren, dat Christus aan eene ziel, die met innige aandacht voor liet H. Sacrament verblijft, meer troost schenkt dan de gansche wereld met al hare feesten en vermakelijkheden kan aanbieden. En nochtans, wij vinden wel den tijd om feesten en andere gezelschappen bij te wonen, maar om Jesus te bezoeken. Hem eenige oogenblikken gezelschap te houden in zijn H. Sacrament, daartoe vinden wij den tijd niet? Dwaze, uitzinnige menschen, die wij zijn. Zoo, zoo wordt dan de kostbare tijd verspild, dien men zoo goed en zalig kon besteden. Volgen wij dus liever zooveel mogelijk de Heiligen na, on aanbidden wij Jesus dikwijls in zijn H. Sacrament; doch letten wij er op van het te doen met eerbiedig - en ootmoedigheid; dat wij ons niet oneerbiedig of ontstichtend gedragen, want in plaats van Jesus te eeren en te aanbidden, zouden wij Hem onteeren en vergrammen, en bijgevolg, in plaats van door Hem getroost en beloond te worden, zouden wij verdienen van door Hem berispt en gestraft te worden. Doch dit zij verre van ons. Wij zullen dus de Heiligen trachten na te volgen, dikwijls met Jesus verkeeren in zijn H. Sacrament, gelijk zij deden, om eenmaal met hen bet geluk te hebben van in den hemel met Jesus te mogen verkeeren in zijne glorie gedurende de eindelooze eeuwigheid. Amen.

-ocr page 138-

DERTIENDE ONDERRICHTING

OVER DE H. COMMUNIE

Accipite et comedite: hoc est corpus meum.

Neemt en eet: dit is mijn lichaam.

(Mattii. xxvi, 20).

INHOUD.

VOORREDE.

Jesus-Christus heeft het H. Sacrament ingesteld: vooreerst, tot eene gedachtenis van zijne liefde en zijn H. lijden; vervolgens, tot eene waarachtige spijs onzer ziel.

De geloovigen tot de jaren van discretie gekomen, zijn verplicht van somtijds te communiceeren. Doch wat wordt er vereischt om waardig te communiceeren?

VERDEELING.

I. Van den kant der ziel?

II. Van den kant des lichaams?

-ocr page 139-

I.

Van den kant der ziel moet men:

1° Vastelijk gelooven dat Christus in het H. Sacrament tegenwoordig is, om de groote waardigheid van dit H. Sacrament en onze onwaardigheid te kennen, en om ons goed te bereiden;

2° Zuiver zijn van doodzonde, omdat het H. Sacrament dos Altaars een Sacrament der levenden is.

Het betaamt ook dat men zuiver zij van alle dagelijkscho zonden. Iemand die in staat van doodzonde is, moet alvorens te communiceeren te biechten gaan. Die vrijwillig in staat van doodzonde communiceert, bedrijft eene groote zonde van heilig-schending. De dagelijksche zonden beletten niet van waardig te communiceeren, maar zoo men er geen leedwezen over heeft, zijn zij de oorzaak, dat men minder ontvangt van de vruchten der H. Communie.

II.

Van den kant des lichaams moet men:

1° Nuchter zijn;

2° Eerbaar gekleed.

Wat is nuchter zijn? Wat moet men doen in twijfel of men nuchter is? Wanneer mag men zonder nuchter te zijn communiceeren? Wat wordt er verstaan door gevaar van sterven om berecht te mogen worden? Wat wordt er vereischt om eerbaar gekleed te zijn.

, SLUITREDE.

Zorgen wij altoos van waardig tot de H. Tafel te naderen, en verstouten wij ons nimmer van in staat van doodzonde te communiceeren.

-ocr page 140-

— 136 —

DERTIENDE ONDERRICHTING

OVER DE H. COMMUNIE

A ccipite et comedite: hoc est corpus mcum.

Ncomt en eet: dit is mijn lichaam.

(Matth. XXVI, 20.)

VOORREDE.

In onze voorgaande onderrichtingen over het H. Sacrament des Altaars, B. B., hebben wij het vooral beschouwd als Sacrament, en wij hebben er in gevonden de schoonste gedachtenis van Jesus\' liefde en H. lijden; thans gaan wij aanvangen met het H. Sacrament te beschouwen als H. Communie, want Jesus heelt het op de tweede plaats ingesteld tot eene waarachtige spijs .onzer ziel. De Catechismus vraagt:

Is onze barmhartige Zaligmaker tevreden met alleenlijk in zijn heilig Sacrament onder ons le verblijven? En hij antwoordt:

Neen-, hij wit ook in ons komen door de heilige Communie. En:

Wanneer heeft hij dezen toil te kennen gegeven?

Als hij in het laatste Avondmaal de heilige Communie aan zijne Apostelen uitdeelende heeft gezeul.■ Doet dit tol mijner gedachtenis.

Daardoor gat\' Jesus zijne Apostelen niet alleen de macht om het brood en den wijn te veranderen in zijn lichaam en bloed, maar Hij beval hun tevens de H. Communie uit te doelen aan de geloovigen. De geloovigen zijn ook verplicht, krachtens een gebod van God, van te communiceeren. Jesus leert het uitdrukkelijk; Voorwaar, Ik zeg het u: bijaldien gij het vleesch van den Zoon des menschen niet eet en zijn bloed niet drinkt, gij

-ocr page 141-

zuil het leven in u niet hebben. De H. Kerk heeft ook geboden, gelijk wij vroeger gezien hebben, van eens \'s jaars te commu-niceeren. Ook moet men communiceeren als men in gevaar is van sterven, om zich tot den laatsten strijd en tot de reis naar de eeuwigheid voor te bereiden.

Communiceeren, B. B., is niets anders dan het lichaam en bloed van Jesus-Christus nutten tot voedsel zijner ziel, en wijl Jesus-Christus met godheid en menschheid, met ziel en lichaam, met vleesch en bloed onder de gedaante van brood alleen reeds tegenwoordig is, daarom heeft onze Moeder de H. Kerk om gewichtige redenen voorgeschreven, dat de geloovigen en de Priesters buiten de H. Mis onder de gedaante van brood alleen zouden communiceeren. Vandaag zullen wij zien wat er vereischt wordt om waardig te communiceeren. De Catechismus vraagt:

Wat is er van noode om wel te communiceeren^ En hij antwoordt:

Ten eerste, dat wij waarachtiglijk gelooven dat Christus daar tegenwoordig is; ten tweede dat wij nuchter zijn en zuiver van zonden.

Zien wij dus wat er vereischt wordt:

I. Van den kant der ziel;

II. Van den kant des lichaams.

I.

Van den kant der ziel wordt er vereischt dat wij gelooven en zuiver zijn van zonden. Vooreerst, dat wij gelooven.

Dat men vastelijk moet gelooven, B. B., dat Jesus-Christus waarlijk in het H. Sacrament des Altaars tegenwoordig is, om waardig te communiceeren, laat zich gemakkelijk begrijpen. Hoe toch zoude iemand die niet gelooft, Jesus-Christus naar behooren kunnen ontvangen? Doch wij moeten ons geloof opwekken en levend maken, alvorens tot de H. Tafel te naderen.

-ocr page 142-

— 138 —

Waarom is het nooclig waarachtig te gélooven dat Christus daar tegenwoordig is?

Om hierdoor de grootc weerdigheid van dit heilig Sacrament en onze onweerdigheid te hennen, en ons wel te bereiden.

Wij moeten dus met aandacht overwegen, wie wij zijn en wie het is dien wij ontvangen. Wij zijn zwakke, arme schepselen, die van ons zeiven niets hebben; ja wat meer is, die ons nog zoo dikwijls door de zonden aan de zwartste ondankbaarheid jegens God hebben piichtig gemaakt; wij zijn dus onwaardig, d. i., wij verdienen niet, hoe goed wij ons ook voorbereiden, van Jesus te ontvangen. Ik zeg: van Jesus té ontvangen, d. i., den Zoon Gods, den tweeden persoon van de H. Drievuldigheid, in wien de hemelsche Vader zijn welbehagen schept, dien de Engelen des Hemels zoo zeer verlangen te aanschouwen. O voorzeker, B. 1!., bijaldien wij wel nadenken over onze onwaardigheid en over de oneindige waardigheid van Jesus-Christus, dan zullen wij niet nalaten van ons zoo goed mogelijk tot de H. Communie voor te bereiden. Vervolgens wordt er vereischt dat wij zuiver zijn van zonden. Doch:

Van tvelhe zonden moei men noodzakelijk zuiver zijn om wel tc communiceer en?

Van alle doodzonden.

Waarom?

Omdat het een Sacrament der levenden is, namelijk, het H. Sacrament des Altaars.

Ingeval zich dus iemand verstoutte vrijwillig in staat van doodzonde te communie te gaan, hij zoude bedrijven eene groote doodzonde van heiligschending.

De Catechismus vraagt:

Moet men ook vrij zijn van alle dagelijksche zonden om wel te communiceer en? En hij antwoordt:

Het is zeer betamelijk om de groote weerdigheid van dit heilig Sacrament. Bijgevolg is het niet noodzakelijk.

-ocr page 143-

Wat moet men nu doen, als men eene dooilzonde bedreven heeft en verlangt te coramuniceeren?

Men moet voor de H. Communie eene goede biecht spreken, \'t Is dus niet genoeg vergiffenis van zijne zonden bekomen te hebben door een volmaakt berouw; men moet die zonde noodzakelijk biechten voor de H. Communie. De Apostel Paulus leert het ons als hij zegt; Prohet autern seipsum homo: (i) De mensch beproeve zich zeiven alvorens het lichaam en bloed des Heeren te nutten. De H. Kerk leert dat die noodzakelijke beproeving verstaan moet worden in dezen zin, dat niemand, die weet eene doodzonde bedreven te hebben, hoezeer hij er ook berouw over gevoelt, tot de H. Tafel mag naderen, alvorens gebiecht te hebben. Hieruit blijkt, dat iemand die in staat van genade is, verplicht kan zijn van te biechten alvorens te communiceeren: bijv., hij zoude eene doodzonde bedreven hebben, en over die zonde een volmaakt berouw verwekken, daardoor wordt zij vergeven. Mag hij nu zonder te biechten tot de H. Tafel naderen? Neen, B. B., hij moet die zonde eerst biechten volgens de leering van den Apostel Paulus: Probet seipsum homo: De mensch beproeve zich eerst. Dat men eene goede biecht moet spreken is duidelijk, want daardoor alleen kan men vergiffenis van zijne zonden bekomen. Wat er tot eene goede biecht vereischt wordt zal naderhand geleerd worden. Ziehier nu nog twee vragen:

1° Bedrijft hij ook eene zonde van heiligschending, die zonder zijne schuld eene doodzonde in do biecht vergeten heeft, en zonder dat te weten tot de H. Tafel nadert, en daaraan denkt na de H. Communie? Neen, B. B., die persoon heeft waardig gecommuniceerd, en hij moet later die vergetene doodzonde biechten.

2° Wat moet hij doen, die onvrijwillig eene doodzonde vergeten heeft waarover hij berouw heeft, en die zonde indachtig wordt

(1) i COR. XI, 28.

-ocr page 144-

vóór de H. Communie? Ziehier hoe hij zich in zulk geval moet gedragen. Bijaldien die persoon reeds aan de communiebank zoude zitten of dicht er bij ouder het volk dat moet commu-niceeren, dan mag hij gerust tot de H. Tafel naderen en communiceeren zonder vrees van eene slechte communie te doen, en later zal hij de vergetëne doodzonde biechten. Zou hij vóór de H. Communie die zonde nog gevoeglijk kunnen biechten, bijv., hij zoude op weg naar de kerk die zonde indachtig worden, en de biechtvader zoude zich in den biechtstoel bevinden, dan is zulks voorzeker aan te raden; doch er zijn godgeleerden, die beweren dat het niet noodzakelijk is, en daarom ook kan men er hem niet toe verplichten; doch later, evenals in het eerste geval, moet hij de vergetene doodzonde biechten. Men moet dus in staat van genade zijn om waardig te communiceeren, ol liever, zoo men doodelijk gezondigd heeft moet men door eene goede biecht gezuiverd zijn van alle doodzonden.

Beletten de dagelijksche zonden niet van weerdiglijk te communiceeren ?

Neen; maar als men er geen leedwezen over heeft, zijn zij de oorzaak dat men minder ontvangt van de vruchten der heilige Communie.

De reden is: men is in staat van genade, hetgeen vereischt wordt om waardig te communiceeren; men ontvangt minder van de vruchten der H. Communie wegens de gehechtheid aan de een of andere dagelijksche zonde.

Ziedaar, B. B., wat er vereischt wordt van den kant der ziel. Wat wordt er nu vereischt van den kant des lichaams?

11.

Van den kant der lichaams wordt er vereischt dat wij nuchter en eerbaar gekleed zijn. Vooreerst, dat wij nuchter zijn. De Catechismus vraagt:

Wat is nuchter zijn? En hij antwoordt:

-ocr page 145-

— 141 —

Dnt men sedert \'s nachts te twaalf uren cjeene de minste spijs, noch drank, noch iets anders genut heeft.

Men mag dus niet communiceeren, bijv., in geval men na middernacht hetzij vrijwillig, hetzij onvrijwillig spijs of drank, zelfs een geneesmiddel genomen heeft. Dusdanig is het gebod der H. Kerk, en dat gebod, B. B., verplicht op doodzonde. Doch:

Wat zult (jij doen in twijfel of gij in liet spoelen van den mond,, of anders iets ingehaald hebt?

Dit aan mijnen biechtvader te kennen geven en zijnen raad volgen.

Ziehier nu wat er van die zaak is. Bijaldien iemand met reden twijfelt of hij iets genut heeft, dan mag hij strikt genomen tot de H. Tafel naderen, want hij is niet verplicht dat twijfelachtig beletsel voor zeker te houden: nochtans, hij zoude beter doen de H. Communie, bijv., tot den volgenden dag uit te stellen zoo het gevoeglijk kan geschieden. Indien iemand eenig overblijfsel van eten dat in den mond tusschen de tanden is blijven zitten, of zoo hij bij het spoelen van den mond een druppel water onvrijwillig doorlaat, dan mag hij evenwel tot de II. Tafel naderen, omdat het eerste niet als spijs, en het tweede niet als drank genut, maar als speeksel doorgelaten wordt. Immers, de Catechismus antwoordt op de vraag:

Mag men zijn speeksel inhalen?

Ja; want dit belet de heilige Communie niet.

Wat het spoelen van den mond aangaat, daarin handelt men voorzichtig van het \'s avonds te voren te doen, om zich \'s morgens niet aan het gevaar bloot te stellen van eene groote hoeveelheid water door te laten, hetgeen de H. Communie zoude beletten.

Mag men somtijds de heilige Communie ontvangen zonder nuchter te zijn?

-ocr page 146-

— 142 —

Ja, als men berecht wordt, en als men na de berechting gevaarlijk ziek blijvende, nog verlangt de 11. Communie ie ontvangen en niet nuchter kan blijven.

De gevaarlijke zieken dus, die de H. Communie bij wijze van Teerspijze ontvangen, of die, gelijk men hier te land zegt, berecht of ten volle bediend worden, zijn uitgezonderd. Ook behoeven niet nuchter te zijn de zieken die reeds berecht zijn, en die in hetzelfde doodsgevaar verkeerende niet gevoeglijk nuchter kunnen blijven, zoodat zij meermalen zonder nuchter te zijn mogen communiceeren. De uitzondering voor de zieken heeft altoos bestaan, en niet zonder reden; anders tocb zouden zij, die de II. Communie het meest noodig hebben, dezelve meermalen moeten ontberen. Wat liet doodsgevaar aangaat, waarin men zonder nuchter te zijn mag, ja zelfs moet communiceeren, kan men nog aanmerken, dat het niet noodig is van zeker te zijn van het doodsgevaar. Neen, B. B., doch het is voldoende dat er waarschijnlijk doodsgevaar bestaat, vooral als men vreest dat de zieke schielijk, of om andere redenen, bijv., om den verren afstand, zonder de H. Sacramenten zoude kunnen sterven. Deze aanmerking mag wel in acht genomen worden door hen, die zieken in huis hebben, namelijk, van niet te lang te wachten alvorens den Priester te verwittigen, want ongelukkig, men vindt soms menschen, die door immer uit te stellen zoo lang wachten, tot dat alles te laat is, en die over hunne onachtzaamheid in eene zaak van zoo groot aanbelang als deze, eenmaal streng bij God te verantwoorden zullen hebben.

Vervolgens wordt er vereischt dat wij eerbaar gekleed zijn.

Men is eerbaar gekleed, B. B., als het kleed dat men draagt tot eer strekt van hem die het draagt, en tot eer van hem voor wien men het draagt, \'t Is dus niet noodig dat men prachtig gekleed zij: neen, maar ieder moet gekleed zijn volgens zijnen staat en stand. Geldt dit nu in den omgang met de menschen, als men, bijv., iemand gaat bezoeken om een feest

-ocr page 147-

— 143 —

bij te wonen; hoeveel te meer geldt dit dan als men naar Jesus gaat om Hem te ontvangen. Onze goddelijke Zaligmaker let wel is waar niet zoo zeer op het kleed des lichaams als op het kleed der ziel, of deze namelijk zuiver is; nochtans, zijne Opperste Majesteit vordert, dat men eerbaar gekleed tot Hem nadere.

Ik heb gezegd dat eenieder gekleed moet zijn volgens zijnen staat. De arme die alhoewel een versteld, maar toch zuiver kleed aanheeft, doet Jesus eer aan; hij mag met betrouwen tot zijnen God naderen, en deze zal hem met lietde ontvangen; doch die kleeding is niet voldoende voor den rijke: deze moet ook volgens zijnen staat gekleed zijn; hij moet dus in deftige kleeding tot de H. Tafel naderen. Deze aanmerking verdient wel in acht genomen te worden door zekere personen, van welke men soms met reden mag twijfelen of zij zich \'s morgens wel gewasschen hebben; die schoone en kostbare kleederen genoeg ten toon te spreiden hebben, als zij, bijv., naar een wereldsch feest, naar eene kermis gaan, en die juist niet naa\'r hunnen staat gekleed zijn, als zij tot de H. Tafel naderen; ja, en wat helaas! meer te betreuren is, men treft er soms aan, die er smerig en niet eens zindelijk uitzien. Ik vraag u, B. 15., is dat prijs stollen op de eer welke Jesus hun aandoet? Op het geluk dat hun te beurt valt? Dat men niet in ijdele, veel minder in onzedige kleeding aan de H. Tafel mag verschijnen, behoeft niet gezegd te worden, dat is duidelijk.

SLUITREDE.

Wij hebben nu gezien, 13. B., wat er vereischt wordt om waardig te communiceeren. Het voornaamste is, dat men zuiver zij van doodzonde. Vroegertijd riep de Diaken voor de uitdeeling der H. Communie tot de geloovigen: Sancta Sanctorum, het Heilige der Heiligen. Waarom die uitroeping? Om degenen, die bij de H. Mis tegenwoordig waren, plechtig te vermanen, dat

.rOH

-ocr page 148-

— 144 —

zij, en zij alleen deel konden nemen aan de H. Communie, die in staat van genade waren. •

De H. Communie, B. B., is het koninklijk gastmaal, dat Christus voor de geloovigen in zijne Kerk bereid heeft, maar waarvan Hij hen uitsluit die geen bruiloftskleed aan hebben. Dat kleed is niet anders dan het vlekkelooze kleed der heilig-makende genade. Hoe onmisbaar dat kleed is, blijkt uit het lot dat den ongelukkige trof, die bij het bruiloftsmaal van den Zoon des Konings, waarvan het Evangelie spreekt, zonder bruiloftskleed werd aangetroffen. De Koning vroeg hem: Hoe zijt gij zonder bruiloftskleed hier binnen gekomen? En hij verstomde. Bleef het daar bij? Neen, B. B., maar de Koning, over het stout bestaan van dien mensch vertoornd, sprak op gebiedenden toon tot zijne knechten; Bindt hem handen en voeten, en werpt hem in de uiterste duisternissen, waar geween en geknars der tanden zal zijn.

Ziedaar, B. B., het lot dat dien persoon trof. Zorgen wij dus wel dat toch nimmer dergelijk lot ons trefl\'e, en bijgevolg, naderen wij altoos in staat van genade tot de H. Tafel. Zijn wij niet meer versierd met het kleed der onschuld in het H. Doopsel ontvangen, dan moeten wij ons zuiveren door eene goede biecht, ten minste van de doodzonden, om zoo waardig tot de H. Tafel te naderen, en Jesus-Christus waardig in zijn Sacrament van liefde te ontvangen. Amen.

-ocr page 149-

VEERTIENDE ONDERRICHTING

OVER DE H. COMMUNIE

Domino, non sum dignus ut intres sub tectum meum.

Heer, ik ben niet waardig dat gij komt onder mijn dak.

(Matth. vm. s.)

INHOUD.

VOORREDE.

In onze voorgaande onderrichting hebben wij gezien, wat er vereischt wordt om waardig te communiceeren; vandaag zullen wij zien, wat er vereischt wordt om veel vruchten te trekken uit de H. Communie. Hoe moet men zich daartoe gedragen:

VERDEELING.

I. Vóór de H. Communie?

II. Tijdens de H. Communie?

III. Na de H. Communie?

I,

Vóór de H. Communie moet men:

1° Zijn hart zuiveren, niet alleen van de doodzonden, maar ook van de dagelijksche zonden, om de waardigheid van het H, Sacrament en tot ons eigen voordeel;

GHLOOKS - EN ZBDKNI.RKR. DBBL 10.

-ocr page 150-

2° Zijn hart sieren met allerlei deugden. Men moet \'s avonds en \'s morgens voor de H. Communie goed bidden. In de kerk gekomen moet men nooit terstond tot de H. Tafel naderen, doch zich eerst goed voorbereiden.

II.

Voor de Communiebank neêrgeknield moet men Jesus-Christus aanbidden; zoodra de Priester de H. Hostie toont, moet men met ootmoedigheid driemaal op zijne borst kloppen en telkens zeggen: Heer ik ben niet waardig, enz.

Aan de Communiebank moet men de handen onder het communiekleed steken, het openspreiden, het hoofd recht houden, de oogen nederslaan, den mond tamelijk openen en de tong brengen op de onderste lip.

Na de H. Hostie ontvangen te hebben, staat men eerbiedig van de Communiebank op, en de handen te zamen en de oogen neêrgeslagen, keert men langzaam terug naar zijne plaats.

III.

Op zijne plaats terug gekomen moet men;

1° God bedanken;

2° Bidden voor zich zeiven en voor anderen. Men moet ten minste een kwartier uurs bidden.

SLUITREDE.

Men moet telkens trachten te communiceeren gelijk men op den dag zijner eerste H. Communie gecommuniceerd heeft. Geschiedenis van Napoleon I.

-ocr page 151-

117

VEERTIENDE ONDERRICHTING

OVER DE H. COMMUNIE

TJominc, non sum dignus ut intres sub tectum mevjn.

lieer, ik ben niet waardig dat gij komt onder mijn dak.

(Matth. vin, s.)

ia

\'\'\' rJwn I

Ml

•\' •quot; wt-

VOORREDE.

Wanneer ik laatstleden gesproken heb, B. B., over hetgeen er vereischt wordt om waardig te communiceeren, dan was mijn inzicht vooral van u te leeren, wat er noodzakelijk vereischt wordt om zich Diet, aan groote zonde plichtig te maken bij het ontvangen van het II. Sacrament des Altaars. Daarom heb ik vooral gedrukt op twee vereischten, namelijk, dat men zuiver moet zijn van doodzonde en nuchter van \'s nachts twaalf uren af. Zoo er\' een van die vereischten ontbreekt, en men nadert tot de H. Tafel, dan maakt men zich plichtig aan eene afschuwelijke zonde van heiligschending. Over die zonde zullen wij later breedvoeriger handelen. Vandaag zullen wij in liet kort overwegen, hoe wij ons te gedragen hebben, om niet alleen waardig, maar ook om met vrucht te communiceeren. Ziehier te dien einde drie vragen:

I. Hoe moet men zich gedragen vóór de H. Communie?

II. Hoe tijdens de H. Communie?

III. Hoe na de H. Communie?

■ill

Hoe moet men zich gedragen vóór de II. Communie?

Vóór de H. Communie, 1!. li., moet men vooreerst trachten zijn hart te zuiveren ook van de dagelijksche zonden, bijzonder

Hl

-ocr page 152-

— 148 —

om twee redenen: vooreerst om de groote waardigheid van het H. Sacrament des Altaars; vervolgens tot ons eigen welzijn.

Om de groote waardigheid van het H. Sacrament des Altaars. Wanneer de inwoners eener stad hunnen koning -gaan ontvangen, dan beijveren zij zich om uit den weg te ruimen, niet alleen hetgeen den koning grootelijks zoude kunnen beieedigen, maar ook al wat hem minder aangenaam zoude kunnen zijn. Zoo ook moeten wij doen, als wij Jesus-Christus, den Koning der koningen, in ons hart gaan ontvangen: wij moeten niet alleen de doodzonden, maar ook de dagelijksche zonden uit ons hart verwijderen, wijl deze den Allerzuiverste en Allerheiligste ook mishagen.

Tot ons eigen welzijn. Immers, de dagelijksche zonden zijn de oorzaak dat de mensch minder ontvangt van de vruchten der II. Communie; bijgevolg, wij moeten ons ook van de dagelijksche zonden zuiveren, willen wij de vruchten der H. Communie ruimschoots deelachtig worden. Men moet dus zorgen van zich niet plichtig te maken aan dagelijksche zonden van verstrooidheid, van ijdelheid, van afkeerigheid van zijnen evenmensch; men moet zorgen en God om de genade bidden van zich te zuiveren van allo vrijwillige gehechtheid aan deze of gene dagelijksche zonde, bijv., van leugentaal, van oploopendheid, van het oneerbiedig uitspreken van den H. Naam, enz. En welk is nu wel het beste middel om zich te zuiveren ook van die dagelijksche zonden? Dat middel, B. B., is eene goede biecht. Van dat middel bedienden zich de Heiligen, die dikwijls communiceerden, en personen die zeldzamer tot de H. Tafel naderen, bijv., alle maanden, moeten nooit nalaten van zicli door de H. Biecht tot de H. Communie voor te bereiden, al is het ook dat zij geene groote zonden indachtig zijn. Wij moeten ons dus zuiveren van de dagelijksche zonden. Doch wat moeten wij nog meer doen? Om terug te komen op de gelijkenis der burgers, die hunnen koning in de stad ontvangen, zeg ik: evenals die

-ocr page 153-

burgers de stad niet alleen zuiveren, maar ook nog sieren met bloemen en kransen, met triomfbogen en opschriften om hunnen koning naar behoóren te ontvangen; zoo ook moeten wij onze ziel niet alleen zuiveren van zonden, maar ook sieren door de beoefening van allerlei deugden en goede werken om Jesus-Christus, den Koning der koningen, er naar behooren in te ontvangen. Daarom moeten wij naar het voorbeeld der Heiligen de H. Communie met godvruchtigheid ontvangen. De Catechismus vraagt;

Wat zult gij doen om de heilige Communie met godvruchtigheid te ontvangen? En hij antwoordt:

Ik zul daartoe naderen met een levendig geloof, een vast betrouwen, eene vurige liefde en eene diepe ootmoedigheid.

Met een levend geloof aan de waarachtige tegenwoordigheid van Jesus-Christus in het H. Sacrament des Altaars.

Met een vast betrouwen in Jesus\' goedheid, die ons uitnoodigt en ons als het ware toeroept: Komt, zet u neder aan mijne tafel en voedt u met mijn goddelijk vleesch en bloed.

Met eene vurige liefde tot Jesus. Ja, ons hart moet branden van liefde tot Jesus, wiens Hart brandt van liefde tot ons.

Met eene diepe ootmoedigheid, overtuigd dat wij niet verdienen van Jesus in zijn H. Sacrament te ontvangen.

Met dergelijke gedachten moet men zich \'s avonds reeds bezighouden.

Ook moet men overwegen het overgroot geluk dat ons op den dag der H. Communie te beurt valt. Niets beter, B. B., dan van tijd tot tijd ons hart te verheffen tot God, een schietgebed tot Hem te sturen, Jesus ons verlangen van Hem te ontvangen op de een of andere wijze te kennen te geven.

Als de gelukkige dag gekomen is, op ivelken gij lot de heilige communie hoopt le naderen, wat zult gij \'s morgens overdenken?

-ocr page 154-

— 150 —

Ik zal heioonderen de groote goedheid van Jesus, die mij noodigl tot zijne heilige Tafel; ik zal hem de gratie verzoeken om mij to el te bereiden, en met dergelijke gedachten zal ik mij hleeden en naar de kerk gaan. En

Wat zxdt gij in de kerk doen?

Ik zal eerst Christus aanbidden in zijn heilig Sacrament en dan met aandachtigheid lezen de gebeden voor de heilige Communie, bijzonderlijk de akten van Geloof, Hoop, Liefde en Berouw.

Men moet dus vooreerst Jesus-Christus aanbidden in zijn H. Sacrament, door, bijv., te knielen, te buigen en te zeggen: Geloofd zij Jesus-Christus in het H. Sacrament des Altaars. Zoo men niet lezen kan, moet men aandachtig zijn rozenhoedje bidden, doch vooral de akten, met de gedachte aan Jesus en met het inzicht van Hem zoo volmaakt mogelijk te ontvangen. Bijgevolg moet men nooit of nimmer terstond bij het inkomen in de kerk tot de H. Tafel naderen. Ik zeg; nooit of nimmer. Maar, zult gij zeggen: de Priester was juist bezig met het uitdeden der H. Communie: dat doet niets ter zake; in dat geval moet gij wachten. God eerst vurig bidden, u goed voorbereiden, en later zal de Priester terugkomen, om u de H. Communie te geven. Maar ik heb geen tijd. Geen tijd om uwen Heer en God naar behooren te ontvangen? Er moest eens een heer bij u komen om u wat geld of iets anders te brengen, gij zoudt wel tijd hebben. Hier dus, B. B., kan en moet men tijd hebben, en aangaande dit punt hoop ik dat zekere personen zich voor de toekomst wat beter in acht nemen. Ziedaar, hoe men zich bijzonder moet gedragen, vóór de H. Communie. Hoe moet men zich gedragen tijdens de H. Communie?

H.

De Priester, B. B., toont de H. Hostie boven de pateen of de ciborie verheven, aan het volk, zeggende: Ziet liet Lam Gods,

-ocr page 155-

— 151 —

ziet dengene die de zonden der wereld wegneemt. De Catechismus vraagt:

Wdt zult gij doen als de priester de heilige Hostie toont? En hij antwoordt:

Ik zal Jesus-Christus aanbidden, ootmoediglijk driemaal op mijne horst kloppen en zeggen: lieer, ik ben niet waardig dat gij komt onder mijn dak, maar spreek alleenlijk een woord, en mijne ziel zal gezond worden.

\'t Zijn de woorden, die de ootmoedige hoofdman eertijds tot Jesus sprak, toen deze zich op weg begaf om zijn dienstknecht te gaan genezen. De hoofdman achtte zich niet waardig Jesus in zijn huis te ontvangen; zou ook moeten wij met ootmoedigheid erkennen onze onwaardigheid van Jesus onder ons dak te ontvangen. Doch:

Wat is te zeggen: onder mijn dak?

Dat is te zeggen: in mij, of, in mijn lichaam en mijne ziel. Vervolgens nadere men tot de H. Tafel. En:

Hoe zult gij naar de communiebank gaan?

Met de handen te zamen, de oogen neder geslagen, en het hert verheven tot God.

Gelaat, houding, gang, geheel liet uitwendige moet getuigen van de inwendige gesteltenis des harten, van geloof, aanbidding, ootmoedigtieid en een vurig verlangen van Jesus in het PI. Sacrament te ontvangen. Daarna zet men zich, na eerst geknield of eene buiging gemaakt te hebben, aan de communiebank neder. Men wachte zich wel van nieuwsgierig op - of rond te zien.

Eene zaak, B. 15., en die ongelukkig op vele plaatsen niet genoeg in acht genomen wordt, is deze, dat men zich niet mag spoeden om aan de communiebank te komen; men moet zijn tijd afwachten. Wat gebeurt daardoor niet zelden? Dat men, als er wat veel communicanten zijn, degenen die den goeden

-ocr page 156-

God ontvangen hebben, duwt en stoot, zoo dat zij nauwelijks naar hunne plaats kunnen terug keeren, iets dat volstrekt niet zijn mag. Zoudt gij op die wijze den Priester durven duwen en stooten, die met de ciborie of remonstrans in de handen voorbij gaat? Volstrekt niet. Welnu, de persoon, die daar van de communiebank komt, draagt Jesus-Christus in zijn hart, en gij duwt en stoot hem en Jesus-Christus met hem. Men moet dus bedaard zijn en zich wel wachten van hen, die van de communiebank komen, te duwen of te stooten door te schielijk door te dringen; zoo iets is zich volstrekt niet stichtend of eerbiedig gedragen.

Wat zult gij op de communiebank doen?

Ik zal mijne handen onder \'t communiekleed steken en het openspreiden, \'t hoofd recht houden, de oogen neder-slaan, den mond tamelijk open doen, en de tong brengen op de onderste lip.

Men moet het communiekleed goed openspreiden, opdat, zoo bij toeval de H. Hostie of een deeltje er van kwam te vallen, zij op het communiekleed nedervalle.

Wat zult gij — nu — doen, als gij de heilige Hostie op moe tong ontvangt?

Ik zal inwendig zeggen: Jleere Jesus, heilig mijne tong. En:

Wat zult gij doen als gij de heilige Hostie doorzwelgt?

Ik zal zeggen: Heere Jesus, beioaar mijne ziel tot het eeuwig leven. Amen.

Na dus de H. Hostie op de tong ontvangen te hebben, moet men ze terstond langzaam en eerbiedig nutten, en bijgevolg mag men ze niet lang in den mond of op de tong houden.

Wat zult gij doen is 7 dat de heilige Hostie aan het gehemelte van uwen mond blijft plakken?

Ik zal allengs hens vochtigheid aanbrengen, en de heilige Hostie met de tong los maken.

-ocr page 157-

Ik zeg met de tong, en men mag dus nooit zijnen vinger in den mond steken om de H. Hostie los te maken.

Wal doet gij na de heilige Hoslie ontvangen te hebben?

Ih sta eerbiediglijk op, en met de handen te zamen en de oogen nedergeslagen heer ik terug op mijne plaats.

Ziedaar, B. B., hoe men zich moet gedragen tijdens de H. Communie. Hoe velen treft men er ongelukkig niet aan, welke die schoone manier van tot de H. Tafel te naderen en van dezelve naar hunne plaats terug te keeren, schijnen vergeten te zijn?

Hoe moet men zich gedragen na de H. Communie?

Hl.

Na op onze plaats terug gekomen te zijn, moeten wij met ingetogenheid denken aan het groot geluk dat ons is te beurt gevallen. De Catechismus vraagt:

Wat doet gij op uwe plaats? En hij antwoordt:

Ik gebruik al de kraehten mijner ziel om Jesus te aanbidden, te loven en te bedanken; ik offer mij teenemaal aan hem op; ik maak een vast voornemen van hem altoos getrouwelijk te dienen, en ik vraag hem al wat ik noodig heb voor mij zeiven, voor mijne vrienden en voor anderen.

Hoe kostbaar de oogenblikken na de H. Communie zijn, laat zich gemakkelijk begrijpen, als men nadenkt wie er in ons hart woont, \'t Is Jesus-Christus zelf, die ons als het ware toeroept: Vraagt nu al wat gij wilt, en het zal u geworden. Wat verlangt gij dat Ik u doe. Tijdens die nauwe vereeniging met Jesus moeten wij, na Hem bedankt te hebben, vragen voor ons zeiven, bijzonder van Hem altijd getrouw te kunnen dienen; voor onze ouders, bloedverwanten en anderen. Daarna zal men in zijn kerkboek de gebeden lezen na de H. Communie, ofwel den rozenkrans bidden. Dus:

-ocr page 158-

God ontvangen hebben, duwt en stoot, zoo dat zij nauwelijks naar hunne plaat? kunnen terug keeren, iets dat volstrekt niet zijn mag. Zoudt gij op die wijze den Priester durven duwen en stooten, die met de ciborie of remonstrans in de handen voorbij gaat? Volstrekt niet. Welnu, de persoon, die daar van de communiebank komt, draagt Jesus-Christus in zijn hart, en gij duwt en stoot hem en Jesus-Christus met hem. Men moet dus bedaard zijn en zich wel wachten van hen, die van de communiebank komen, te duwen of te stooten door te schielijk door te dringen; zoo iets is zich volstrekt niet stichtend of eerbiedig gedragen.

Wat zult gij op de communiebank doen?

Ik zal mijne handen onder \'t communiekleed steken en het openspreiden, \'t hoofd recht houden, de oogen neder-slaan, den mond lamelijk open doen, en de tong brengen op de onderste lip.

Men moet het communiekleed goed openspreiden, opdat, zoo bij toeval de H. Hostie of een deeltje er van kwam te vallen, zij op het communiekleed nedervalle.

11\'\'«/ zult gij — nu — doen, als gij de heilige Hostie op utoe tong ontvangt?

Ik zal inwendig zeggen: Ileere Jesus, heilig mijne tong. En:

Wat zult gij doen als gij de heilige Hostie doorzwelgt?

Ik zal zeggen: Ileere Jesus, beioaar mijne ziel tot het eeuwig leven. Amen.

Na dus de H. Hostie op de tong ontvangen te hebben, moet men ze terstond langzaam en eerbiedig nutten, en bijgevolg-mag men ze niet lang in den mond of op de tong houden.

Wat zult gij doen is Y dat de heilige Hostie aan het gehemelte van uwen mond blijft plakken?

Ik zal allengs kens vochtigheid aanbrengen, en de heilige Hostie met de tong los maken.

-ocr page 159-

— 153 —

Ik zeg met de tong, en men mag dus nooit zijnen vinger in den mond steken om de H. Hostie los te maken.

Wat doet gij na de heilige Hostie ontvangen te hebben?

Ik sta eerbiediglijk op, en met de handen te zamen en de oogen nedergeslagen heer ik terug op mijne plaats.

Ziedaar, B. B., hoe men zich moet gedragen tijdens de H. Communie. Hoe velen treft men er ongelukkig niet aan, welke die schoone manier van tot de H. Tafel te naderen en van dezelve naar hunne plaats terug te keeren, schijnen vergeten te zijn?

Hoe moet men zich gedragen na de II. Communie?

III.

Na op onze plaats terug gekomen te zijn, moeten wij met ingetogenheid denken aan het groot geluk dat ons is te beurt gevallen. De Catechismus vraagt:

Wat doet gij op uwe plaats? En hij antwoordt:

Ik gebruik al de krachten mijner ziel om Jesus te aanbidden, te loven en te bedanken; ik offer mij teenernaal aan hem op; ik maak een vast voornemen van hem altoos getrouwelijk te dienen, en ik vraag hem al wal ik noodig heb voor mij zeiven, voor mijne vrienden en voor anderen.

Hoe kostbaar de oogenblikken na de H. Communie zijn, laat zich gemakkelijk begrijpen, als men nadenkt wie er in ons hart woont, \'t Is Jesus-Ghristus zelf, die ons als het ware toeroept: Vraagt nu al wat gij wilt, en het zal u geworden. Wat verlangt gij dat Ik u doe. Tijdens die nauwe vereeniging met Jesus moeten wij, na Hem bedankt te hebben, vragen voor ons zeiven, bijzonder van Hem altijd getrouw te kunnen dienen; voor onze ouders, bloedverwanten en anderen. Daarna zal men in zijn kerkboek de gebeden lezen na de H. Communie, ofwel den rozenkrans bidden. Dus:

-ocr page 160-

Mag men onmiddellijk na de Communie uit de kerk gaan?

Neen; men moet ten minste een kwartier blijven bidden.

Dat men niet onmiddellijk na de li. Communie uit de kerk mag gaan, blijkt reeds hier uit, dat Jesus-Christus eenigen tijd in ons blijft, namelijk, totdat de gedaante van brood verdwenen is.

Ziehier, B. B., hoe de H. Philippus Nerius zekeren dag handelde ten opzichte van een persoon, die na de H. Communie terstond uitging. Philippus zond hem twee misdienaars na met brandende kaarsen, om hem te vergezellen. De persoon vroeg wat die handelwijze beteekende: de dienaars antwoordden dat Philippus zulks geboden had; hij keerde naar Philippus terug en vroeg hem de reden van die handelwijze. Wel, zeide de Heilige: Als het H. Sacrament over straat gedragen wordt, dan is het altoos vergezeld van twee dienaars met brandende kaarsen: mij dunkt dat die eer ook moet bewezen worden rond dengene die het H. Sacrament in zijn hart draagt. Die persoon bekende zijne schuld en beterde zich.

Gij ziet dus dat men na de H. Communie in de kerk eenigen tijd moet bidden. Hetzelfde, B. B., moet gezegd worden van de zieken, die de H. Communie van tijd tot tijd t\'huis ontvangen. Deze mogen niet, zoodra de Priester het huis uit is, beginnen te eten, te praten of hunne gewone bezigheden te verrichten, als of er niets gebeurd ware; zij moeten na de H. Communie God bidden, en de huisgenooten moeten zich wel wachten van de zieken daarin te storen. De Catechismus vraagt:

Hoe zult gij voorts dien schoonen dag overbrengen? En hij antwoordt;

Zeer godvruchtiglijh, met tegenwoordig te zijn in de goddelijke diensten, met andere goede werken te oefenen, en mij loei te wachten van alle ongeschiktheid.

Den dag der H. Communie, B. B., moet men zich bijzonder wachten van God door eenige zonde te vergrammen.

-ocr page 161-

155 —

Wat moet men nu zeggen van de personen, die \'s Zaterdags te biechten gaan en den biechtvader stellig beloven — althans met den mond — de vrijwillige gevaren en gelegenheden in \'t vervolg te zullen vermijden; die \'s Zondags \'s morgens te communie gaan, en met de brave Christenen zich nederzetten aan de H. Tafel, en die \'s Zondags \'s namiddags of \'s avonds wederom te vinden zijn in datzelfde huis, op diezelfde plaats, bij dienzelfden persoon? \'t Is om te ijzen als men aan die gruweldaad denkt. Hoe hebben die personen de H. Sacramenten ontvangen? Ik durf hun antwoorden: Blijft liever weg van de H. Tafel, gij die u weldra gaat vermengen in slechte gezelschappen of bij slechte personen. Luistert hoe de Apostel Paulus zich uitdrukt over die ongelukkigen, welke er, helaas! gevonden worden. Gij kunt niet drinken, zegt hij, den kelk des Heeren en tevens den kelk van den duivel; gij kunt geen deel hebben aan de tafel des Heeren en aan de tafel der duivelen: Non poteslis mensa} Domini participes esse et mensce dcerno-niorum. (i) Doch zwijgen wij liever over die overgroote misdaad en over de wangedrochten die er zich aan plichtig maken. Trachten wij den dag der H. Communie godvruchtig en heilig door te brengen.

hM,;

SUITRKDE.

Wij hebben dus gezien, B. B.. hoe wij ons moeten gedragen vóór, tijdens-en na de H. Communie om godvruchtig te commu-niceeren. Zoo wij bevinden aan het een of het ander te kort te zijn gebleven, dan blijft er niets over dan ons te beteren.

Ik had de vraag, hoe men zich moet gedragen, als men te communie gaal, ook zeer kort kunnen beantwoorden en kunnen zeggen: Men moet zicli bij elke H. Communie zoo gedragen, als men zich bij zijne eerste H. Communie gedragen heeft. Wie onzer denkt niet soms aan den schoonsten en gelukkigsten dag

1

Èf]

.

m

li) i Cor. x, 20.

-ocr page 162-

— 156 —

zijns levens? Dat de dag der eerste H. Communie de schoonste en gelukkigste dag des levens is, zal een ieder moeten bekennen. Ziehier, B. B., wat wij hierover van Napoleon I, lezen. Toen Napoleon zekeren dag met zijne hoofdofficieren aan tafel zat en zich verheugde, kwam er bij een dier personen de gedachte op van in rondvraag te brengen, welke dag voor ieder wel de schoonste en gelukkigste dag zijns levens was geweest. Na een weinig nagedacht te hebben zeide de eene: de dag waarop ik een eereteeken bekomen heb; een ander: de dag waarop ik generaal werd benoemd. Toen het de beurt van Napoleon was, bleef Jiij diepdenkend en liet een weinig op zijn antwoord wachten. Gij moet, zoo sprak de hoofdofficier, wel niet goed weten welke de schoonste en gelukkigste dag uws levens geweest is, wijl gij er zooveel gehad hebt. Wat antwoordde Napoleon daarop? Ik ken zeer goed, antwoordde hij, den schoonsten en gelukkigsten dag mijns levens; het was de dag mijner eerste H. Communie. De officieren begonnen te lachen. De generaal Drouot lachte niet gelijk de anderen, doch wischte zich diep getroffen een traan uit het oog. Napoleon, die het bemerkte, ging naar hem toe, klopte hem vertrouwelijk op de schouder en zeide: Beste Drouot! dat doet mij pleizier; gij alleen hebt mij begrepen. Ziedaar, B. B., hoe Napoleon I over den dag zijner eerste H. Communie dacht. Tot de eerste H. Communie moeten de kinderen zich bijzonder goed voorbereiden, en de ouders moeten vooral zorgen dat hunne kinderen goed onderwezen worden, en zij zijn ook verplicht voor hunne kinderen te bidden. Denken wij dikwijls, B. B,, aan den dag onzer eerste H. Communie; hoe wij toen tot de H. Tafel genaderd zijn; handelen wij, gelijk wij toen gedaan hebben, en wij zullen altijd godvruchtig communiceeren. Amen.

-ocr page 163-

VIJFTIENDE ONDERRICHTING

OVER DE VRUCHTEN DER H. COMMUNIE

Qui manducat hunc panetn, vivct in ceternum.

Die dit brood eet, zal in eeuwigheid leven. (Joan, vi, hi.)

INHOUD.

VOORREDE.

Na gozicn te hebben wat er vereischt wordt om godvruchtig te communiceeren, gaan wij sproken over de vruchten eener waardige Communie. Die vruchten zijn:

VERDEELING.

I. Zij vereenigt ons met Christus;

II. Zij vermeerdert de heiligmakende genade en geeft andere genaden;

III. Zij vergeeft de dagelijksche zonden, versterkt

tegen de bekoring en geeft nieuwen ijver , voor de deugd;

IV. Zij verheerlijkt onze lichamen en bereidt ze

tot eene glorieuze verrijzenis.

-ocr page 164-

1.

De H. Communie, vereenigt ons met Christus: ook vereenigt zij de Christenen onder elkander, die.God bovenal en elkander gelijk zich zelvcn om God beminnen.

II.

De H. Communie vermeerdert de heiligmakende genade. Iemand die waardig communiceert, is reeds in staat van genade; vandaar dat hij er do vermeerdering van bekomt. Zij geeft meer andere genaden om de heiligmakende genade te bewaren en er in toe te nemen.

III.

De H. Communie vergeeft de dagclijksche zonden; ook bewaart zij voor de doodzonde, want zij geeft sterkte tegen de bekoringen van den duivel, de wereld en het vleeseh; ook geeft zij nieuwen ijver tot het beoefenen der deugden.

IV.

De H. Communie verheerlijkt onze lichamen en bereidt ze tot eene glorieuze verrijzenis. Die mijn vleeseh eet en mijn bloed drinkt, heeft het eeuwige leven, zegt Jesus, en Ik zal hem ten jongsten dage opwekken. Door de H. Communie wordt in den Christen als een zaad gelegd dat heerlijk zal opschieten.

SLUITREDE.

Aangezien de talrijke en kostbare vruchten dor H. Communie zorgen ■ wij van dikwijls te communiceeren.

-ocr page 165-

— 159 —

VIJFTIENDE ONDERRICHTING

OVER DE VRUCHTEN DER H. COMMUNIE

Qui mnnducat hunc pancm, vivet in ceternum.

Die dit brood eet, zal in eeuwigheid leven. (Joan, vj, ks.)

VOORREDE.

Wij hebben reeds gezien, B. B., wat er vereischt wordt om waardig en met godsvrucht te communiceeren. Om u nu aan te sporen van dikwijls tot de H. Tafel te naderen, zullen wij vandaag in \'t kort onderzoeken, welke de voornaamste vruchten zijn van eene waardige Communie. De Catechismus vraagt:

Welke zijn de vruchten van eene weerdige Communie? En hij antwoordt:

Ten 1, zij vereenigl ons met Christus; ten 2, zij vermeerdert de heüigmakendp- gratie; ten 3, zij geeft mee)\' andere gratiën om de heiligmakendc gratie te bewaren-, ten 4, zij vergeeft de dagelijhsche zonden; ten 5, zij versterkt ons tegen de bekoringen en geeft nieuwen iever lot het oefenen der deugden; ten 0, zij verheerlijkt onze lichamen en bereidt ze tot eene glorieuze verrijzenis. Bijgevolg, do H. Communie:

I. Vereenigt ons met Christus;

II. Zij geeft de heiligmakendc en de dadelijke genade;

III. Zij vergeeft de dagelijksche zonden, versterkt tegen

de bekoring en zet aan tot het beoefenen der deugden;

IV. Zij verheerlijkt onze lichamen en bereidt ze tot

eene glorieuze verrijzenis.

-ocr page 166-

— 160 —

I.

De H. Communie, B. B., vereenigt ons met Christus. Jesus zelf heeft het verklaard, als Hij zeide bij de instelling van het H. Sacrament: Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem: In Me manel et Ego in Ulo. (l)

De H. Laurentius Justinianns deze vereeniging van den mensch met God overwegende, riep uit: Gij wildet, o God van liefde! dat ons hart en uw hart maar een hart zouden uitmaken! Aan het kruis gaf Jesus voor ons zijn leven; in de H. Communie geelt Hij ons zijn vleesch en bloed, zijne ziel en zijn lichaam, zijne godheid en menschheid, alles wat Hij is en heeft tot voedsel onzer zielen. Worden wij bij de overweging van dat onbeschrijfelijk liefdewerk niet gedwongen van uit te roepen: O Heer! wat is toch* de mensch dat Gij hem gedachtig zijt, en wat is het kind des menschen, dat Gij het bezoekt! dat Gij het bezoekt om U met hetzelve te vereenigen, evenals de spijs zich vereenigt met dengene die ze nut. Doch de H. Communie vereenigt niet alleen met Christus, zij vereenigt ook de Christenen onder elkander door den band der liefde en eendracht. Wanneer de Christenen tot de H. Tafel naderen, zetten zij zich als kinderen van één en denzelfden Vader, die in de hemelen is, en als broeders en zusters neder aan hetzelfde liefdemaal. Bijgevolg moeten wij allen God onzen hemelschen Vader beminnen bovenal, en wij moeten als broeders en zusters elkander beminnen om God. Er mag dus onder ons bestaan noch haat, noch nijd; noch twist, noch tweedracht; noch afkeerigheid, nocli vijandschap; maar wij moeten elkander liefhebben en alle ongelijk van harte vergeven.

II.

De H. Communie vermeerdert de heiligmakende genade. De christen die waardig tot de H. Tafel nadert, bezit reeds de heiligmakende genade, die het geestelijk leven zijner ziel is; doch

(1) Joan. vi, 57.

-ocr page 167-

— 161 —

door do H. Communie ontvangt hij de vermeerdering van de heiligmakende genade, het geestelijk of bovennatuurlijk leven zijner ziel neemt immer toe. Ook geeft de H. Communie nog dadelijke genaden om de heiligmakende genade te bewaren. Om dit wel te begrijpen, B. B., ziehier eene kleine vergelijking. Spijs en drank kunnen den mensch die dood is, niets meer baten; zoo ook kan de H. Communie den mensch die in staat van doodzonde is, niets baten; beiden blijven dood, de eene lichamelijk, de andere geestelijk. Spijs en drank naar behooren genomen, versterken niet alleen het leven van den mensch die gezond is, maar zij bewerken tevens, dat hij levend, sterk en gezond blijft; zoo is liet ook gelegen met de H. Communie. Het lichaam en bloed van Jesus-Christus in staat van genade genut, versterken niet alleen het bovennatuurlijk loven der ziel, d. i., de heiligmakende genade; maar zij bewerken ook dat de ziel haar bovennatuurlijk leven behoudt, dat zij in staat van genade blijft.

III.

De IJ. Communie vergeeft de dagelijksche zonde. Immers, \'t is de II. Communie eigen de liefde tot God én in haar zelve, én in hare werken te vermeerderen. Vooreerst, in haar zelve. Do mensch die waardig en met godsvrucht communiceert, wordt tot eene vurige liefde jegens God aangezet; hij ontvlamt van liefde tot zijnen God, met wien hij zich vereenigd heeft: de dagelijksche zonden daarentegen doem den mensch in do liefde Gods verflauwen: wijl dus door de H. Communie die vurige liefde opnieuw hersteld wordt, daaruit volgt natuurlijk, dat de dagelijksche zonden moeten vergeven worden; niet, B. B., dat de dagelijksche zonden niet moeten mishagen, zeker wel; want zoolang men er aan gehecht blijft, kan men er op geenerlei wijze vergiffenis van bekomen; doch \'t is genoeg dat zij eenigs-zins mishagen, en er ^ordt geen dusdanig berouw vereischt, dat alleen genoeg is om van de dagelijksche zonden vergiffenis te bekomen.

(lELOOKS KN ZUDENUWR. 4«!« DKKL 11.

-ocr page 168-

Do liefde tot God wordt door de H. Communie ook vermeerderd in hare werken die er uit voortvloeien, zoo als, bijv., het leedwezen, de gebeden en andere goede werken, waardoor de dagelijksche zonden ook vergeven worden.

De H. Communie vergeeft niet alleen de dagelijksche zonden, zij versterkt ons ook tegen de bekoringen en zoo behoedt zij tegen de doodzonde. Onze goddelijke Zaligmaker geeft het te kennen als Hij zegt, dat degene die waardig communiceert, niet zal sterven, d. i., niet in doodzonde zal vallen. De mensch, B. H., kan sterven door langzaam weg te kwijnen, of hij kan gewelddadig ter dood gebracht worden. In het eerste geval moot hij spijs en drank gebruiken om den dood af te weren: in het tweede geval moet hij zich van wapenen bedienen oixi de aanvallen van zijnen vijand die hem naar het leven staat, af te slaan. Eveneens is het met den geestelijken dood der ziel gesteld. Men valt in doodzonde, ofwel ter oorzake van de zwak-en broosheid onzer bedorvene natuur, ofwel tor oorzake van de aanvallen van do vijanden onzer zaligheid, van den duivel, de wereld en liet vloesch; welnu, de H. Communie is eene spijs om onze zwak-en broosheid te sterken; zij geeft ons ook de wapenen om togen de vijanden onzer zaligheid te strijden en hunne aanvallen zegevierend af te slaan. Als wij van de Tafel des Hoeren opstaan, zijn wij als vurige leeuwen, verschrikkelijk zelfs voor do duivelen. Dit geheimvol bloed, zegt de H. Chrysostomus, verdrijft do duivelen, alleen op het gezicht er van nomen zij de vlucht. De Christenen in do eerste eeuwen der Kerk kenden do wondervolle kracht der H. Communie, on vandaar dat zij dikwijls communiceerden om in den bloedigen strijd voor het geloof tot het einde toe te volharden. De H. Communie geeft ook nieuwen ijver tot hot beoefenen der deugden. Ja, D B,, lust en kracht zet zij den mensch bij om do deugd te oefenen en hot goede te doen: om de deugd te oefenen, de deugd van ootmoedigheid en geduld, van gehoorzaamheid en kuischheid, van zachtmoedig - en matigheid, in een woord allo christelijke deugden: om het goede

-ocr page 169-

te doen, om allerlei goede werken te verrichten, waardoor liij zich zeiven meer en meer heiligl en zijnen evenmensch tot voorbeeld verstrekt. En geen wonder, 13. B. Immers, de H. Communie, die hemelsche spijs, heeft een bijzonder uitwerksel, gansch het tegenovergestelde van de gewone spijs. Dit H. Sacrament, zoo merkt de Roomsche Catechismus op, wordt niet gelijk het brood en de wijn in ons wezen veranderd, maar wij, wij worden eenigermate in zijne natuur veranderd, zoodat wij te recht de woorden van den H. Augustinus op Jesus in zijn H. Sacrament mogen toepassen: Ik ben de spijs der volwassenen: Ego sum cibus grandium: groei en gij zult mij eten, en gij zult Mij niet in u veranderen gelijk de spijzen van uw lichaam, maar gij zult in Mij veranderd worden, sed tu mulaberis in Me.

IV.

Eindelijk verheerlijkt de H. Communie onze lichamen en bereidt ze tot eene glorieuze verrijzenis. Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, zegt Jesus, heeft het eeuwige leven, en Ik zal hem ten jongsten dage opwekken. Door de H. Communie wordt alzoo in het sterfelijk vleesch van den Christen eene kiem of een zaad van onsterfelijkheid gelegd, dat in den laatsten dag des oordeels op het almachtig woord Gods heerlijk zal opschieten, en ook voor het lichaam de kostbaarste vruchten van zaligheid zal dragen. Ziehier, B. B., hoe de H, Cyrillus van Alexandrië zich daarover uitdrukt: Ofschoon de dood, zegt hij, die door de zonde ons lot is geworden, het lichaam van den mensch aan de wetten der ontbinding onderwerpt, toch zullen wij, juist omdat Christus door zijn vleesch in ons woont, wederom opstaan, want liet is ongeloofelijk, ja zelfs onmogelijk, dat Hij die het leven zelf is, niet wederom ten leven zoude opwekken degenen in wie Hij is. Christus de Heer heeft door zijn heilig vleesch dat Hij ons te eten geeft, het zaad der onsterfelijkheid in ons uitgestrooid, dat de vergankelijkheid die in ons woont, vernietigt: niet dat zij,

-ocr page 170-

— 164 —

die alvorens te hebben gecommuniceerd zijn gestorven, zooals, bijv., de kleine kinderen die kort na het H. Doopsel sterven, niet glorieus zullen verrijzen; neen, zoo iets beweren wij volstrekt niet; maar de H. Communie geeft den Christen een nieuw recht, een zeker onderpand op eene glorieuze Verrijzenis. Bijgevolg vindt hij, die dikwijls waardig communiceert, een zekere waarborg der eeuwige zaligheid. Ziedaar, B. B., u de voornaamste vruchten eener waardige Communie genoegzaam uitgelegd. Doch:

Wte verkrijgen het meest van de vruchten der heilige communie?

Die de heilige communie met de beste bereiding en de meeste godvruchtigheid ontvangen.

Zulks is gansch natuurlijk.

Die zich liet best voorbereidt tot de H. Communie, en die ze in de beste gesteltenis ontvangt, zal natuurlijk ook de meeste vruchten der H. Communie deelachtig worden.

SLUITREDE.

Na de talrijke en kostbare vruchten der H. Communie overwogen te hebben, wie onzer zal niet, zoo hij wezenlijk prijs stelt op zijn tijdelijk geluk en zijne eeuwige zaligheid, wie zal niet aangespoord worden van dikwijls tot de H. Tafel te naderen? Ik zeg dikwijls, en niet enkel volgens het gebod der H. Kerk eenmaal in het jaar. Men is op doodzonde verplicht eenmaal in het jaar te communiceeren, doch ik spreek hier niet hoe dikwijls men verplicht is te communiceeren naar het gebod der H. Kerk, maar hoe dikwijls men mag en het betaamt te communiceeren. Men mag dagelijks of meermalen in de week of eens in de week communiceeren. Doch wat wordt daartoe vereischt? Ziehier hoe men zich in dit punt te gedragen heeft. Personen die dikwijls verlangen te communiceeren, moeten zich lot hunnen biechtvader wenden, hem hun verlangen te kennen

-ocr page 171-

— 165 —

gevon en vervolgens zich geheel en al aan zijne uitspraak onderwerpen, hetzij hij toestaat, hetzij hij weigert van dikwijls te communiceeren.

Men betaamt, wil men een waar christelijk leven leiden, van alle vier of vijf weken te communiceeren, en zoo handelen inderdaad de Christenen, die belang stellen in hunne ziel en zaligheid. Alsdan bereiden zij zich door eene goede biecht tat de II. Communie voor, waarin zij vinden al wat zij noodig hebben, om als oprechte Christenen, als ware leerlingen van Christus, te leven. Doch wat gezegd, B. B., van hen die eens in het jaar tot de H. Tafel naderen? Zij berooven zich van de talrijke en kostbare vruchten der H. Communie, waarover wij gesproken hebben, en in den regel mag men zeggen, dat zij weinig voor hunne ziel en zaligheid over hebben. Ik voor mij ben bevreesd voor\' de zaligheid van velen onder hen. Maar zult gij zeggen, ik doe mijn plicht; ik ben maar gehouden van eenmaal in het jaar te communiceeren. Ik antwoord: Krachtens het gebod der H. Kerk zijt gij verplicht eenmaal te communiceeren; dat gebod volbrengt gij, en gij zult dus niet verloren gaan om de overtreding van dat gebod. Doch hebt gij geene andere geboden te onderhouden? En hoe onderhoudt gij die? Hoeveel dagen van het jaar zijn er dat gij in staat van genade leeft? Misschien bij velen van hen die maar eens in het jaar communiceeren, zijn er maar weinige dagen, en waarom? Omdat zij niet genoeg gebruik maken van de II. Sacramenten, en vooral van het H. Sacrament des Altaars. Bijaldien dus dit Sacrament een middel en een noodzakelijk middel voor hen zoude zijn om heilig te leven en zóó hunne ziel zalig te maken, dan zijn zij ook verplicht dat middel te gebruiken; dan zijn zij verplicht meermalen te communiceeren, zoo niet, loopen zij groot gevaar van voor eeuwig verloren te gaan, al is het ook dat zij naar het gebod der H. Kerk eenmaal in liet jaar tot de H. Tafel naderen. B. B., zeggen wij zonder omwegen eene groote doch droevige waarheid. Waarom zijn er zooveel menschen die ongelukkig leven.

-ocr page 172-

— 166 —

die als het ware aanhoudend in staat van doodzonde zijn, en daarom in gevaar verkeeren van voor eeuwig verloren te gaan? Waarom gaan er zooveel verloren en branden er thans reeds zooveel in het helsche vuur? Omdat zij het H. Sacrament des Altaars verwaarloosd hebben. Immers, daarin zouden zij de kracht gevonden hebben tegen de aanvallen hunner vijanden, tegen don duivel, de wereld en het vleesch; in het brood der Engelen zouden zij de engelachtige deugd, de zuiverheid gevonden hebben; in het H. Sacrament zouden zij zich met Jesus vereenigd hebben, in liefde met Hem vereenigd zijn gebleven gedurende hun leven, om zich voor eeuwig met Hem te mogen vereenigen in den hemel. Daarom, B. B., nadert dikwijls tot de H. Tafel. Ik bid en ik smeek er u om door alles wat u dierbaar is, en vooral door de belangen uwer ziel en zaligheid. Amen.

-ocr page 173-

ZESTIENDE ONDERRICHTING

OVER DE HEILIGSCHENDENDE COMMUNIE

. Qui manducat et Mbit indigne, judicium sibi manducat et bibit.

Die onwaardig eet en drinkt, eet en drinkt zich hot oordeel. (Cor. xi, 29.)

INHOUD.

VOORREDE.

Men kan op driederlei wijze comrmmiceeren, op cone geestelijke en sacramenteele wijze, op eene geestelijke wijze alleen, en eindelijk, op eene sacramenteele wijze alleen. Op deze laatste wijze communiceert de heiligschender. Om n een grooten afschuw voor eene heiligschendende Communie in te boezemen, zien wij:

VERDEELING

I. De afschuwelijkheid dier zonde;

II. Hare gevolgen.

I.

Men bedrijft eene heiligschendende Communie, als men wetens en willens in staat van doodzonde tot do H. Tafel nadert. De heiligschendende Communie is eene der grootste zonden, wijl

-ocr page 174-

— 168 —

Jesus-Christus in persoon onteerd wordt. Te recht wordt de heiligschender vergeleken bij Judas en bij de Godmoordende Joden. Die onwaardig communiceert maakt zich aan de grootste ondankbaarheid en huichelarij plichtig.

II.

De gevolgen der heiligschendende Communie zijn de volgende: tijdelijke straffen, verblind-en verstoktheid, een plotselinge dood en de eeuwige verdoemenis. Om die zonde waren er onder de Corinthiers vele zwakken, zieken en stierven er velen. Oza strekte zijne hand uit naar de ark des Verbonds en werd met den dood gestraft. De heiligschender door zonden op zonden te stapelen, wordt met verblindheid peslagen; verstokt gaat hij immer voort en valt niet zelden in wanhoop. Judas geeft een doorslaand bewijs van die waarheid. God straft niet zelden den heiligschender met een plotselingen dood. Eene vrouw wordt op het oogenblik dat zij onwaardig communiceert, met den dood gestraft. Eindelijk gaat de heiligschender voor eeuwig verloren.

SLUITREDE.

Wachten wij ons wel van ooit onwaardig tot de H. Tafel te naderen; en zoo zich iemand aan die overgroote misdaad heeft plichtig gemaakt, hij stelle niet uit van zich te bekeeren.

-ocr page 175-

ZESTIENDE ONDERRICHTING

OVER DE HE1LIGSCHENDENDE COMMUNIE

Qui manducat et bibit indigne, judicium- sibi manducat et bibit.

Die onwaardig eet en drinkt, eet en drinkt zich het oordeel, (Cor. xi, 29.)

VOORREDE.

In onze voorgaande onderrichting, B. B., hebben wij gesproken over de vruchten der H. Communie. Die vruchten zijn talrijk en kostbaar, en wij moeten ons beijveren van dikwijls tot de H. Tafel te naderen, ten einde die vruchten deelachtig te worden.

Doch veronderstelt dat men om wettige reden verhinderd is te communiceeren; in dat geval kan men door eene geestelijke Communie veel van de opgesomde vruchten deelachtig worden.

Doch wat is éene geestelijke Communie?Om dit wel te begrijpen, moet men weten dat men op drie manieren kan communiceeren:

Vooreerst, op eene geestelijke en sacrameuteele manier te zamen; vervolgens, op eene geestelijke manier alleen; eindelijk, op eene sacrameuteele manier alleen.

Op eene geestelijke en sacramenteele manier te zamen, namelijk, als men in staat van genade tot de H. Tafel nadert.

Op eene geestelijke manier alleen, als men met een levend geloof, d. L, met een geloof dat met do liefde bezield is, het lichaam en bloed van Jesus-Christus verlangt te nutten: die manier van communiceeren is eigenlijk de geestelijke communie. Die op eene geestelijke manier communiceert, ontvangt vele genaden van God. Geen wonder dus dat de kerkvergadering van Trente zoo sterk aanzet van de geestelijke Communie te doen.

-ocr page 176-

Men kan die geestelijke Communie doen ten allen tijde; maar de beste tijd daarvoor is de H. Mis, als de Priester het lichaam en bloed van Jesus-Christus nut, alsdan met een levend geloof en eene vurige liefde verlangen van Jesus-Christus te ontvangen.

Op eene sacramenteele manier alleen, namelijk, als men het lichaam en bloed van Jesus-Christus ontvangt zonder vrucht: op die manier communiceert de heiligschender. Om u een groeten afschrik voor eene heiligschendende Communie in te prenten, ga ik u vandaag in \'t kort onderhouden:

I, Over de afschuwelijkheid dier zonde;

II. Over hare gevolgen.

I.

Wat eene heiligschendende Communie is, B. B., weet men genoeg, en och of er, helaas! zoo vele ondankbare Christenen niet gevonden werden, die zoo diep gezonken zijn, dat zij zich verstouten dat schelmstuk te bedrijven. Men bedrijft eene heiligschendende Communie, als men wetens en willens met een geweten besmeurd met doodzonde tot de H. Tafel nadert. Iemand, bijv., heeft eene doodzonde bedreven, en hij gaat zonder te biechten te Communie, ofwel hij verzwijgt uit schaamte in de biecht die doodzonde. Een ander biecht zijne zonden, maar zonder berouw, zonder voornemen van ze niet meer te bedrijven: die onrechtvaardige biecht zijne onrechtvaardigheden, maar hij is niet voornemens het onrechtvaardig geld of goed terug te geven; die onzuivere biecht zijne zonden, maar hij is niet voornemens de naaste vrijwillige gelegenheid van zonde te verlaten of te vermijden, hij heeft het wel beloofd, maar hij heeft er niets van gemeend; al die Communiën zijn niets anders dan heiiig-schendingen. Ziedaar wat eene heiligschendende Communie is. De Catechismus vraagt:

-ocr page 177-

— 171 —

Is het groote zonde onweerdig te communieeeren? En hij antwoordt:

Ja; het is eene doodzonde van heiligschenderij. Eu:

Wie heelt de eerste onweerdige Communie gedaan,?

Judas, de verrader-, namelijk, toen hij in het laatste avondmaal bij de instelling van het 11. Sacrament in staat van doodzonde het lichaam en bloed van Jesus-Christus genut heeft.

De Christen nu, die zich verstout onwaardig te communiceereu, begaat vooreerst de afschuwelijkste zonde van heiligschending

Heiligschending is de onteering van heilige of Godgewijde zaken, plaatsen of personen: hoe waardiger nu de zaak, do plaats of de persoon is die onteerd wordt, des te grooter is de heiligschending; doch wie wordt er in eene heiligschendende Communie onteerd? God zelf, het lichaam en bloed van Jesus-Christus. Daarom zegt de Apostel Paulus: Wie onwaardig dit brood eet en den kelk des Heeren drinkt, d. L, wie onwaardig communiceert, is schuldig aan het lichaam en bloed des Heeren d. w. z., hij vergrijpt zich inderdaad aan hel- lichaam en bloed des Heeren, hij slaat om zoo te zeggen met geweld de hand aan den persoon van Jesus-Christus. Te recht vergelijken de H. Vaders den heiligschender bij Judas den verrader en de Godmoordende Joden. Judas bezondigde zich aan zijn goddelijken Meester door Hem aan zijne vijanden over te leveren: de heiligschender bezondigt zich aan Jesus door Hem te dwingen, in zoo ver het in zijne macht is, van zich te vereenigen met eene ziel, die de vijandin van Jesus en het eigendom van den duivel is, en alzoo levert hij Jesus eenigermate over aan den duivel, die in de ziel van den heiligschender zijn troon heeft opgeslagen. In dien zin durfde de H. Bernardinus zeggen: De heiligschendende Christen is erger dan Judas, wijl deze den Heiland slechts aan de Joden, gene Hem daarentegen aan den helschen vijand overlevert.

-ocr page 178-

— 172 —

\\

De H. Vaders vergelijken den heiligschender bij de Godmoor-dende Joden. Immers, waarin bestond de overgroote zonde der Joden, zoo niet dat zij het goddelijk lichaam van Jesus aan het kruis hechtten, zijn goddelijk bloed vergoten? En zij, die onwaardig\' dit H. Vleesch eten en dit kostbaar Bloed drinken, maken zich juist aan een zelfden Godsmoord schuldig. Vandaar dat de H. J. Chrysostomus zegt: Bedenk hoe vertoornd gij zijt, als gij aan den verrader en aan de kruisigers van Jesus denkt, en wacht u dat gij zelf niet schuldig wordt aan het lichaam en bloed van Christus.

De Christen die zich verstout onwaardig te communiceeren, maakt zich nog aan de zwartste ondankbaarheid en de grootste huichelarij schuldig. Was Judas niet een monster van ondankbaarheid, een eerste huichelaar? Door Jesus tot Apostel verkozen, met weldaden overladen, levert hij Hem aan zijne vijanden over onder eenen kus, dus onder den schijn van vriendschap. En wat doet de heiligschender? Met weldaden van zijnen God overladen, terwijl Jesus zich nog liefdevol aan hem wil geven, nadert hij tot de H. Tafel met gevouwen handen en neêrgeslagen oogen; hij nadert met eerbied, maar enkel in schijn, en zoo ontvangt hij de 11. Communie. Is dat niet juist den huichelaar Judas, dat monster van ondankbaarheid, navolgen? Ja de heiligschender is waarlijk een andere Judas. Doch dit zij genoeg, B. B., om ons ten minste een klein denkbeeld te maken van de afschuwelijke misdaad eener heiligschendende Communie. Zien wij nu nog hare gevolgen.

II.

De gevolgen der heiligschendende Communie zijn, niet zelden reeds in dit leven, tijdelijke straffen, verblind - en verstoktheid, een plotselinge dood en hiernamaals de eeuwige verdoemenis.

Dat God, B. B., de oneer zijn eenigen Zoon door den heiligschender aangedaan, door tijdelijke straffen wreekt, getuigt onder

-ocr page 179-

anderen do Apostel Paulus in zijnen brief aan tlo Corinthiers. Daarom, zegt do Apostel Paulus, d. L, naar de meeste schriftverklaarders, om de heiligschendende Communiën, zijn er onder u veel zwakken en zieken, en sterven er velen: Ideo inter vos rnidii infirmi et imbecilles et dormiunt mulli. (i) Eu wie zal zich daarover verwonderen? Heeft men niet veel meer redenen van verwonderd te zijn, dat de aarde zich niet opent onder de voeten van den heiligschender om hem ia te zwelgen? dat de bliksem dien booswicht niet verplettert op het oogenblik, dat hij zich verstout onwaardig tot de H. Tafel te naderen? Oza stak ongeroepen enkel de hand uit naar de Ark des Verbonds, en Gods toorn ontvlamde tegen hem; Oza stierf bij de Ark Gods; zoo streng strafte God het gebrek aan eerbied jegens de Ark des Ouden Verbonds; hoe veel te strenger zal Hij dan straffen den heiligschender, die zich vergrijpt aan het goddelijk vleesch en bloed van Jesus-Christus. Gij zult misschien zeggen, zoo schrijft de H. Pacianus: Met zulke straffen werden vroeger de heiligschenders wel getroffen, doch thans niet meer. Hoe dan? Heeft God opgehouden uit den hemel op ons nêer te zien? Straft Hij wellicht niet meer, omdat Hij niets van onze gruwelen weet? Verre zij van ons die gedachte. Wel ziet God — ook thans nog — wat wij doen, maar Hij wacht en heeft geduld; Hij geeft ons tijd tot boete, opdat zijne verlosten niet allen zouden te gronde gaan. Wanneer God dus den heiligschender niet altoos met een plotselingen dood straft, maar ziekten en andere rampen overzendt; dat geschiedt om hem bij tijds nog tot inkeer te doen komen: beantwoordt hij niet aan do inzichten van God, o, dan treft dien ongelukkige eene straf, die verschrikkelijker is dan de lichamelijke dood: verblindheid benevelt zijnen geest; verstoktheid maakt zich meester van zijn hart; hij stapelt zonder schroom zonde op zonde, heiligschending op heiligschen-ding, en als later dien ellendeling de oogen opengaan, vervalt

li) i Cou. xi, 30.

-ocr page 180-

— 174 —

hij niet zelden in wanhoop. Is Judas de eerste heiligschender geen doorslaand bewijs dier waarheid? Do Catechismus vraagt:

Hoe is Judas gestraft geweest? En hij antwoordt:

De duivel is in hem gekomen, hij heeft zich uit wanhoop verhangen, en is in het midden opengéberslen.

God straft soms den heiligschender met een haastigen dood. De H. Cyprianus verhaalt ons hoe zekere vrouw, die zich verstoutte in staat van doodzonde tot de H. Tafel te naderen, door God gestraft werd. Het H. Sacrament, zegt die Heilige, was voor die vrouw geen voedsel harer ziel, dóch het was een vergif. Zij kon de H. Hostie niet nutten, maar stikte er in, terwijl zij sidderend en onder de verschrikkelijkste stuiptrekkingen op den grond viel en den geest gaf. Ziehier nog een ander voorbeeld van het ellendig uiteinde van eenen heiligschender. Zeker persoon, zoo verhaalt een geloofwaardig schrijver — Guillois — die alles behalve christelijk geleefd had, werd gevaarlijk ziek: de bloedverwanten deden een priester komen; de zieke sprak zijne biecht en zou een weinig later communi-ceeren; op het oogenblik nu dat de Priester de H. Hostie op de tong van den stervende wilde leggen, stiet hij terug en riep: Ga heen! Ga heen! Ik heb in mijn leven maar eenmaal de H. Communie ontvangen, en dat was eene onwaardige, ik ben verloren: na die woorden stierf hij in wanhoop.

Hoe dikwijls hebt gij niet gecommuniceerd, en onwaardig gecommuniceerd ter oorzake van die verzwegen doodzonde, ter oorzake van gebrek aan berouw wegens de gehechtheid aan deze of gene doodzonde? Wat hebt gij dan niet te vreezen? En in welke benauwheid zuil gij u niet bevinden op uw sterfbed, als al die heiligschendingen zich voor uwen geest zullen vertoo-nen? Zult gij dan ook niet in wanhoop vervallen en weldra het oordeel en het vonnis der verdoemenis moeten ondergaan, dat gij zoo dikwijls in uw leven geëten en gedronken hebt? Want B. B., dat is de laatste, maar ook de grootste straf voor

-ocr page 181-

— 175

dc heiligschendende Communie. Die de H. Communie onwaardig ontvangt, d. i., in staat van doodzonde, veroorzaakt zich de eeuwige verdoemenis. Die onwaardig dit brood eet en den kelk des Heeren drinkt, eet en drinkt zieli het oordeel, zegt de Apostel Paulus: Judicium sibi manducat et bibit. Deze woorden van den Apostel verdienen wel onze aandacht. De Apostel zegt niet: die onwaardig communiceert, maakt zich schuldig aan veroordeeling, neen; maar hij zegt: hij eet en drinkt zich het oordeel; hij neemt het in zich op, evenals men spijs en drank in zich opneemt; hij wordt een lichaam met den onverbiddelijken Rechter, en hij dwingt door zijne snoodheid dien Rechter van het vonnis der verdoemenis over hem uit te spreken.

SLUITREDE.

Ziedaar, B. B., in \'t kort verklaard aan welke ongehoorde gruweldaad de heiligschender zich schuldig maakt, en welke er de gevolgen van zullen wezen. Mochten wij toch allen door deze onderrichting afgeschrikt worden van ooit eene heiligschendende Communie te bedrijven. Mochten toch degenen, die liet ongeluk gehad hebben het lichaam en bloed van Jesus-Christus door eene onwaardige Communie te ontheiligen, mochten zij van eene heilzame vrees doordrongen en aangespoord worden tot berouw en boetvaardigheid over hunne heiligschendingen; nu is het nog tijd, misschien is het over een weinig te laat. De heiligschender, gedachtig aan het rampzalig uiteinde van Judas, vrage zich af, of hij ook het lot met dien ongelukkige wil deelen. Üf is hij reeds verblind en verstokt, en trekt hij zich deze onderrichting niet meer aan? Wat moet men dan van hem zeggen? Juist hetgeen Jesus van Judas zeide: \'l Ware beter voor hem dat hij niet geboren ware. Maar neen, B. B.; zoo er hier soms een heiligschender tegenwoordig is, uit liefde tot Jesus, uit liefde voor zijne ziel en zaligheid, hij make van dit oogenblik af het vaste voornemen van zoo spoedig mogelijk eene goede biecht te

r *

\'■ \' S i;

I 1 i\'l

-ocr page 182-

1

— 176 —

spreken, zijne heiligschendingen te herstellen, om Jesus in zijn H. Sacrament in staat van genade en met liefde te ontvangen.

Door deze onderrichting moeten de brave Christenen niet teruggehouden worden van dikwijls te communiceeren. Men zoude soms godvruchtige zielen kunnen aantreffen, die denken en zeggen: Bijaldien het zoo met eene heiligschendende Communie gelegen is, ingeval zij zoo groote misdaad is en zulke noodlottige gevolgen na zich sleept; ik nader zoo dikwijls tot de H. Tafel; ik zou ook wel eene heiligschendende Communie kunnen doen; \'t is dus beter van zoo dikwijls niet te communiceeren, ik durf niet meer te Communie gaan. Wat moet men daarop antwoorden? Ahvat ik van eene heiligschendende Communie gezegd heb, blijft, en de misdaad is zelfs grooter dan met woorden kan uitgedrukt worden; doch daardoor moet men zich niet laten terughouden van dikwijls te communiceeren. Zoudt gij eene heiligschendende Communie willen doen? Neen, antwoordt gij, nog niet voor al het geld der wereld. Welnu, onderwerpt u dan aan de uitspraak van uwen biechtvader; nadert zoo dikwijls hij het goedvindt ootmoedig, met betrouwen en liefde tot Jesus; Hij heeft een liefdemaal voor u bereid, hij noodigt u uit van er deel aan te nemen; gij moet niet achterblijven, wijl de een of andere misbruik maakt van het H. Sacrament. Alhoewel het dengene, die het onwaardig ontvangt, den dood berokkent, u, die zoozeer verlangt van het waardig te ontvangen, u zal iiet het eeuwige leven geven. Nadert dus, ik herhaal het, dikwijls tot de H. Tafel; vereenigt u zoo dikwerf mogelijk met Jesus gedurende dit leven in de H. Communie; gij hebt een onderpand, eene verzekering dat gij u eenmaal met denzelfden Jesus zult mogen vereenigen gedurende de eindelooze eeuwigheid in de glorie des hemels. Amen.

-ocr page 183-

ZEVENTIENDE ONDERRICHTING

OVER DE H. MIS

Hor facite in mcam commemorationem.

Doet dit tot mijne getlachtenis.

(Jjuc. xxii, «.)

INHOUD.

VOORREDE.

Na over het H. Sacrament des Altaars, als Sacrament en als Communie beschouwd, gehandeld te hebben, gaan wij er thans, als Sacrificie beschouwd, over handelen.

VERDEELING.

I. Hoevelerlei is het Sacrificie der Nieuwe Wet?

II. Wat is de Mis?

III. Welk verschil is er tusschen het bloedig en het onbloedig Sacrificie?

I.

Het Sacrificie der Nieuwe Wet is Jesus-Christus zelf: \'t is tweederlei, het bloedig Sacrificie des Kruises en het onbloe( hg Sacrificie der Mis. Voorzegging der afschafflng van de Sacrificiën der Oude Wet en der instelling van het Sacrificie der Nieuwe Wet.

Gelooks - en Zedenleer, 4Jo dkkl 12.

-ocr page 184-

— 178 —

II.

Met woord Mis komt van Mis sa of Missio, ofwel van het werkwoord Mittere. De Mis is het Sacrificie der Nieuwe Wet, in hetwelk het lichaam en bloed van Christus, onzen Zaligmaker, arur\'God den Vader opgeofferd wordt. De H. Mis wordt aan God alleen opgeofferd, doch wel ter eere dor Heiligen. Er zijn twee offeraars in de H. Mis: Christus is de voornaamste offeraar, en de Priester is zijn dienaar in het offeren. De voornaamste deelen der 11. Mis zijn: de offerande, de consecratie en de nutting. Wanneer hebben zij plaats?

III.

Het Kruis-en Misoffer zijn hetzelfde Sacrificie, wijl in beiden dezelfde offerande en dezelfde offeraar is, het verschil is alleen gelegen in de manier vtyi offeren.

SLUITREDE.

Uit deze onderrichting moeten wij besluiten van altoos met groote eerbiedig - en aandachtigheid Mis te hooren. Degenen die zich onder de H. Mis slecht gedragen, volgen eenigermate de Joden op den Calvarieberg na, en zij overtreden op de Zonen geboden feestdagen niet alleen het gebod van Mis te hooren, maar zij maken zich ook nog schuldig a^n de zoude van ongodsdienstigheid.

-ocr page 185-

— 179 —

ZEVENTIENDE ONDERRICHTING

OVER DE H. MIS

Hoc facite in mcam commemorationem.

Doet dit tot mijne gedachtenis.

(Luc. xxii, in.)

VOORREDE.

Na het H. Sacrament des Altaars, B. B., als Sacrament en Communie beschouwd te hebben, gaan wij het thans als Offerande of Sacrificie beschouwen, want Christus heeft het ook ingesteld tot een gedurig Sacrilicie der Nieuwe Wet. Wij gaan dus spreken over het H. Sacrificie der Mis.

Een Sacrificie in \'t algemeen, maar toch in den eigenlijken zin des woords, is de offerande van iets uitwendigs of zichtbaars, dat leeft — een lam — of dat in de plaats van iets dat leeft gesteld wordt, omdat het er mede in betrekking staat — brood en wijn om het leven te onderhouden — welke offerande dooi\' een wettigen dienaar — de Priester — aan God wordt opgedragen, om te erkennen zijne Opperheerschappij en onze afhankelijkheid, en om Hem de goddelijke eer of aanbidding te bewijzen door de vernietiging of verandering van het geofferde. Altoos, van het begin der wereld tot nu toe, heeft er een Sacrilicie bestaan. Zoo lezen wij dat reeds tijdens de wet der natuur de zonen van Adam en Eva God offers brachten, Caïn van zijne veldvruchten en Abel van zijne kudde. Dat Abel\'s offers Gode aangenaam waren heeft God zelf verklaard.

Tijdens de Oude Wet waren de Sacrificiën streng geboden. Afgeschaft, zijn zij thans in de Nieuwe Wet door één Sacrificie, waarvan zij albeeldsels waren, vervangen, en dat één Sacrilicie is Jesus-Christus, de Zoon Gods zelf. Van dit Sacrificie zegt de Apostel Paulus: Wijl het onmogelijk is dat door het

-ocr page 186-

— 180 —

bloed der ofl\'erdieren de zonden zouden uitgedelgd worden, daarom spreekt Jesus-Christus bij zijne intrede in de wereld, d. i., bij zijne menschwording: slachtoffers en offeranden hebt Gij niet gewild, —O Vader! — doch Gij hebt Mij een lichaam gegeven, Toen sprak Ik: zie, Ik kom. Mijn God! om uwen wil te doen; d. w. z., Gij hebt Mij een lichaam gegeven om U een offer van gehoorzaamheid te brengen, \'t Is over het Sacrificie der Nieuwe quot;Wet dat wij thans gaan bandelen.

I. Hoevelerlei is het Sacrificie der Nieuwe Wet?

II. Wat is de Mis?

III. Hoe verschillen bet bloedig en het onbloedig Sacrificie van elkander?

I.

Het Sacrificie der Nieuwe Wet, B. B,, is, gelijk ik reeds gezegd heb, Jesus-Christus zelf, die zich aan God den hemelschen Vader opgeofferd heeft. Doch onze goddelijke Zaligmaker, offer en Priester te zamen, heeft zich op tweederlei wijze, op eene bloedige en eene onbloedige wijze, opgeofferd, en vandaar dat het Sacrificie der Nieuwe Wet tweederlei is, het bloedig Sacrificie des Kruises en het onbloedig Sacrificie der Mis. Onze goddelijke Zaligmaker heeft zich door de beulen op den Calvarieberg aan bet kruis op eene bloedige wijze opgeofferd. Immers, de Catechismus vraagt:

Heeft Christus, aan het kruis stervende, een Sacrificie opgeofferd? En hij antwoordt:

Ja, hij heeft zich als een lam laten slachtofferen, zijn bloed gestort, en zich zeiven opgeofferd lot verlossing van alle menschen. En;

Hoe ivordt het sacrificie van het kruis genoemd? Hel bloedig sacrificie der Nieuwe Wet. En:

Waarom wordt hel genoemd bloedig sacrificie?

Omdat Christus aan hel kruis zijn bloed gestort heeft.

-ocr page 187-

— 181 —

Onze goddelijke Zaligmaker heeft zich in liet laatste avondmaal ook, maar op eene onbloedige wijze, opgeofferd, en Hij offert zich op die wijze nog dagelijks op in de H. Mis. Vandaar dat de Catechismus vraagt:

Hoe loordt het sacrificie der Mis genoemd? En hij antwoordt: Het onbloedig Sacrificie der, Nieuwe Wet. En:

Waarom wordt het genoemd onbloedig?

Omdat in de Mis geene bloedstorting geschiedt. De afschaffing van de Sacrificiën der Oude Wet en de instelling van het onbloedig Sacrificie der Nieuwe Wet waren reeds jaren te voren voorzegd. Mijn wil, zoo sprak God door den mond van zijnen Profeet Malachias tot de joodsclie priesters, mijn wil is niet meer voor u, zegt de Heer der legerscharen, en Ik zal de giften uit uwe hand niet aanvaarden. Ziedaar de afschaffing van de Sacrificiën der Oude Wet. Want, zoo voegt Hij er bij, van den opgang der zon tot haren ondergang zal mijn naam groot zijn onder de volkeren; Ab ortu solis usque ad occasum magnum est nomen meurn in gentibus, en op alle plaatsen zal mijnen naam geslachtofferd en een zuiver offer opgedragen worden, el in omni loco sacrificatur et olJertur nomini meo oblatio rnunda. (i) Dat offer, waarover hier spraak is, kan geen ander zijn dan het H. Sacrificie der Mis, want dit Sacrificie alleen wordt op alle plaatsen der wereld opgedragen, en hot is alleen zóó zuiver, dat het door een slechten dienaar zelfs niet kan ontreinigd worden. Ziedaar dus de instelling van het onbloedig Sacrificie der Nieuwe Wet of van de H. Mis. Doch wat is de Mis?

11.

Het woordje Mis komt van het latijnsche woord Missa of Missio, dat wegzending beteekent. De reden er van is, wijl oudtijds de Catechumenen en boetplegenden weggezonden werden,

dj MAL. I, 10, 11.

-ocr page 188-

alvorens eigenlijk het Sacrificie der Mis begon. Volgens den H. Bonaventura wordt het onbloedig Sacrificie der Nieuwe quot;Wet Mis genoemd van het werkwoord Mittere, zenden, omdat het eene zending beteekent tusschen God en de menschen. God de Vader zendt als het ware telkens tijdens de H. Mis zijn eenigen Zoon Jesus-Christus op het altaar, en de H. Kerk zendt dienzelfden Zoon naar God den hemelschen Vader om bij Hem de middelaar en voorspreker der geloovigen te wezen. De Catechismus vraagt:

Wat is de Mis? En hij antwoordt;

Het Sacrificie van de Nieuwe Wet, in hetwelk het lichaam en bloed van Christus, onzen Zaligmaker, aan God^ den Vader opgeofferd wordt.

De Mis is dus het Sacrificie der Nieuwe Wet, d. w. z., het eenige in den eigelijken zin des woords genomen Sacrificie van den Christelijken godsdienst, door Christus ingesteld, in vervanging der menigvuldige Sacrificiën der Oude Wet, d. i., van den Joodschen godsdienst, en die enkel afbeeldsels waren van het eenige Sacrificie der Nieuwe Wet, van de Mis.

In hetwelk het lichaam en bloed van Christus onzen Zaligmaker opgeofferd wordt. De Catechismus vraagt:

Wat wordt er in de Mis opgeofferd? En hij antwoordt: Het lichaam en bloed van Christus.

Christus dus, die onze Verlosser geworden is, door voor ons te sterven aan het kruis, waarop Hij zich op eene bloedige wijze geslachtofferd heeft, diezelfde Christus, d. i., de mensche-lijke natuur, of Christus als mensch, in andere woorden, zijn lichaam en bloed worden in de H. Mis opgeofferd, doch zij worden opgeofferd niet in hunne natuurlijke gedaanten, maar onder de gedaanten van brood en wijn. En:

Aan wien wordt het lichaam en bloed van Christus opgeofferd?

Aan God den Vader.

-ocr page 189-

Door die woorden nochtans worden de twee overige goddelijke Personen niet uitgesloten. Immers, het H. Sacrificie der Mis wordt opgedragen aan God, doch de drie goddelijke Personen, de Vader, de Zoon en de H. Geest zijn maar één God; bijgevolg wordt aan alle drie het II. Sacrificie der Mis, of het lichaam en bloed van Christus, opgedragen.

Het H. Sacrificie der Mis, B. B., mag aan God alleen opgedragen worden. De reden is, wijl men daardoor iemands opperheerschappij over het geschapene en de afhankelijkheid van het geschapene erkent, doch God alleen is de Opperheer van al het geschapene, van Hem alleen hangt alles af; bijgevolg mag aan God alleen het Sacrificie der Mis opgedragen worden. Daardoor ook bewijst men God de eer die Hem alleen toekomt,\' namelijk, de goddelijke eer of aanbidding.

De Ketters dus beschuldigen ons ten onrechte, als zij zeggen dat wij het H. Sacrificie der Mis aan de Heiligen opdragen. De H. Kerk heeft nooit een Sacrificie aan de Heiligen opgedragen, en zij zal het ook nooit doen; doch zij draagt aan God alleen het H. Sacrificie dor Mis op ter eere van de Heiligen, namelijk, om God te bedanken voor de hun bewezen weldaden en genaden en om hunne voorspraak bij God voor ons in te roepen. Vandaar dat de Priester niet zegt: Ik draag het H. Sacrificie op aan de H. Maagd Maria, enz.; neen, maar ik draag het op aan God ter eere van de H. Maagd Maria. De Catechismus vraagt nog:

Wie offert aan God het Sacrificie? En hij antwoordt:

Christus zelf is de voornaamste, maar de priester is zijn dienaar in het offeren.

Er zijn dus twee offeraars, doch Christus is de voornaamste offeraar. Christus namelijk als mensch, want aan Christus als God wordt het H. Sacrificie door Christus als mensch ook opgedragen. Christus is de voornaamste offeraar, want in de Consecratie stelt Hij zich onder de gedaanten van brood en wijn

-ocr page 190-

— 184 —

tegenwoordig, waarin eigenlijk het Sacrificie of de slachtofïe-ring bestaat; doch alhoewel Christus zich in de Consecratie onder de gedaanten van brood en wijn tegenwoordig stelt en zich alzoo slachtoffert, Hij doet zulks alleen door de woorden van de Consecratie die de priester spreekt over het brood en den wijn; Hij bedient zich dus van den Priester, en alzoo is de Priester waarlijk zijn dienaar of medehelper in het offeren.

Wie heeft dus de eerste Mis gedaan? Christus zelf, B. 15., heeft de eerste Mis gedaan, toen Hij zich onder de gedaanten van brood en wijn aan God zijn hemelschen opofferde in het laatste avondmaal, en na Hem de Apostelen en overige Priesters. Onze goddelijke Zaligmaker is in eeuwigheid Priester naar 8e orde van Melchisedech. Dat priesterschap had de Profeet David voorzegd. Onze goddelijke Zaligmaker is Priester, wijl Hij zich zeiven uan God opoffert; Hij is Priester naar de orde van Melchisedech, die brood en wijn opofferde, wijl onze goddelijke Zaligmaker zich onder de gedaanten van brood en wijn opoffert; Hij is Priester in eeuwigheid, wijl Hij zich door de bediening der Priesters tot het einde der wereld aan God zijn hemelschen Vader zal opofferen. Immers, na de eerste Mis gedaan te hebben zeide Hij tot zijne Apostelen, en in den persoon der Apostelen tot de overige wettig gewijde Priesters: Hoc facite in meam commemorationem: Doet dit tot mijne gedachtenis.

De Catechismus vraagt:

Welke zijn de bijzonderste en noodigste deelen der Mis? En hij antwoordt:

De Consecratie of verandering van brood en loijn in het lichaam en bloed van Christus, die door den priester zich zeiven opoffert, en de Nutting.

Hij die twee deelen kan men nog voegen de offerande, en alzoo zijn de voorname deelen der Mis drie in getal: de Offerande, de Consecratie en de Nutting.

-ocr page 191-

Het eerste deel is de Offerande.

De Offerande, B. B., bestaat in de opoffering van brood en wijn. Immers:

Wat offert de priester korts na het heilig Evangelie?

Brood en wijn.

Bestaat het heilig Sacrificie in deze opoffering?

Neen, maar in de opoffering van het lichaam en bloed van Christies.

Die opoffering heeft eerst later plaats. Want:

Wanneer geschiedt de opoffering van het lichaam en bloed van Christus?

In de Consecratie, wanneer Christus door den priester zich zeiven aan God den Vader opoffert.

In de Offerande wordt dus niets anders opgeofferd dan brood en wijn: zij heeft plaats ofwel onmiddellijk na het eerste Evangelie, of na den Credo.

Het tweede en voornaamste deel, wijl daarin eigenlijk het Sacrificie bestaat, is de Consecratie, In de Consecratie handelt de Priester niet in eigen persoon, maar in den persoon van Christus, hetgeen blijkt uit de woorden die hij spreekt. De Priester zegt niet: Dit is het lichaam van Christus; neen, B. B., maar hij zegt: Dit is mijn lichaam: Hoc est corpus meum: niet: Dit is het bloed van Christus; neen, maar: Dit is mijn bloed van het Nieuwe Verbond: Hie est sanguis rncus Novi Testamenti. Door de woorden der Consecratie worden het brood en de wijn veranderd in het lichaam en bloed van Christus. Doch:

Wanneer geschiedt de Consecratie?

Onmiddellijk voor dal de priester de heilige Hostie en den kelk opheft. En:

Wat moet men doen, als de priester de heilige Hostie en den kelk ophefl?

-ocr page 192-

— 186 —

Men moet Christus ootmoediglijk aanbidden, en gedenken dat hij voor ons aan het kruis hangende is gestorven.

Zoo men dus ooit eerbiedig moet zijn in de kerk, en God daar ootmoedig moet aanbidden, dan is het voorwaar onder de H. Mis bij de Consecratie, tijdens welke ontzagverwekkende oogenblikken Christus op het altaar tegenwoordig komt, terwijl duizenden Engelen zich rondom Hem verdringen om Hem te aanbidden. Ook moet men zich bij de Consecratie herinneren het bloedig Sacrificie des kruises, namelijk, dat Christus zich eertijds voor onze zaligheid aan het kruis geslachtofferd heeft, van welk bloedig Sacrificie de H. Mis de vernieuwing is, maar op eene onbloedige wijze.

Het derde deel is de Nutting, d. L, de Communie, als de Priester communiceert in de Mis.

\'t Is wel niet zeker, B. B., dat onze goddelijke Zaligmaker in het laatste avondmaal gecommuniceerd heeft; nochtans, \'t is het gevoelen van eenige godgeleerden, gevoelen, dat men niet geheel en al moet verwerpen: doch zeker is het, dat Jesus zijne Apostelen de H. Communie, d. i., zijn goddelijk vleesch en bloed te eten en te drinken gegeven heeft, terwijl Hij hun tevens beval hetzelfde te doen tot zijne gedachtenis.

Wanneer geschiedt de Nutting?

Omtrent het einde der Mis, als de priester het lichaam en bloed van Christus nut.

Ziedaar, B. B., wat het H. Sacrificie der Mis is, en welke zijne voorname deelen zijn. Zien wij nu nog het verschil tusschen het bloedig Sacrificie des Kruises en het onbloedig Sacrificie der Mis.

Hl.

De Catechismus vraagt:

Verschillen het bloedig en het onbloedig sacrificie van elkander? En hij antwoordt;

-ocr page 193-

— 187 —

Zij zijn hetzelfde sacrificie, vermits in beide dezelfde offerande en dezelfde offeraar is: het verschil is alleen gelegen in de manier van offeren.

In beide is dezelfde offerande, namelijk, het lichaam en bloed van Christus; in beide is dezelfde offeraar, namelijk, de voornaamste, Jesus-Christus: er bestaat dus geen wezenlijk verschil, doch het verschil is alleen gelegen in de manier van offeren.

Aan liet kruis ollerde Jesus zijn goddelijk vleesch en bloed op in eigen gedaanten; in de H. Mis offert Hij zijn goddelijk vleesch en bloed op onder de gedaanten van brood en wijn.

Aan het kruis liet Jesus zijn goddelijk lichaam vasthechten door de beulen en door hen zijn goddelijk bloed vergieten; (l) in de H. Mis bedient Hij zich van den Priester als van zijn dienaar om zich te slachtofferen.

Aan het kruis dus heeft Jesus zich opgeofferd op eene bloedige wijze; in de H. Mis offert Hij zich ook op, maar op eene onbloedige wijze.

Het einde van het kruis-en Misoffer is ook verschillend. Jesus-Christus heeft zich eenmaal aan liet kruis opgeofferd om het verloren rnenschdom te verlossen en te voldoen voor onze zonden; dat einde heeft Hij volkomen bereikt. Toen Jesus dus het H. Misoffer instelde deed Hij zulks niet als moest het rnenschdom later opnieuw verlost, en als moest er opnieuw voldaan worden voor onze zonden; neen, B. B., maar opdat wij door het H. Misoffer de gedachtenis zouden vieren van het H. Kruisoffer tot liet einde der wereld. Daarenboven, Jesus wilde door het H. Misoffer ons ook de vruchten van liet H. Kruisoffer in ruime mate toepassen. Aan het kruis heeft Jesus den losprijs voor ons betaald. Hij heeft oneindige schatten van genade voor ons verdiend; docli die schatten moeten ons

(i) Non quod carnifices fuerint ministri Christi in Sacriflcio Crucis queraadmoduni sacerdos minister ejus in Sacriflcio Missce: fuerunt potius ministri diaboli; permisit tarnen Christus ut ab iis corpus suum crucifigeretur et sanguis suus funderetur.

-ocr page 194-

toegevoegd worden, en zulks geschiedt onder anderen in het H. Misoffer; dan stort Jesus zijne genaden in overvloed uit over allen die Hij door het H. Kruisoffer verlost heeft, hetzij zij zich hier op aarde of in het vagevuur bevinden.

SLUITREDE.

Uit deze korte onderrichting over de H. Mis, I?. B,, kunnen wij besluiten, met welke eerbiedig-en aandachtigheid wij ze moeten bijwonen. Jesus-Christus de Godmensch, de eenige Zoon des Vaders, die voor ons aan het kruis gestorven is, wordt door de woorden van de Consecratie die de Priester spreekt, tegenwoordig gesteld op het altaar; alsdan moeten wij Christus ootmoedig aanbidden, want als God komt Hem de eer der aanbidding toe.

Denken wij dan ook eens wel na dat Jesus-Christus zich eertijds aan het kruis opgeofferd heeft, om ons van de slavernij des duivels en van den eeuwigen dood te verlossen. Dat kruisoffer, waardoor de hemel geopend en de hel als het ware gesloten is, wordt dagelijks in onze kerken op het altaar hernieuwd. Zoo wij Christenen daarover wel nadenken, hoe is het dan toch mogelijk, ik vraag het, dat er onder ons, en zelfs velen gevonden worden, die zich alles behalve stichtend tijdens de H. Mis gedragen, die hier of daar, met dezen of genen staan te praten en te lachen, en die bijgevolg niet alleen het gebod van Mis te hooren overtreden, maar die zich ook nog aan zonde van oneerbiedigheid plichtig maken. De Joden lachten en spotteden met Jesus, toen Hij zich aan het kruis voor hen opofferde, en de ongodsdienstige Christen, wat doet hij? Terwijl Jesus onder de H. Mis zich uit liefde voor hem opoffert, praat en lacht hij, ik zal maar niet zeggen waarover en waarmede; hij praat en lacht, alsof hij bij de onverschilligste zaak tegenwoordig ware. O, B. B., wat zal zij groot wezen de verantwoordelijkheid van den ongodsdienstige, verschrikkelijk de

-ocr page 195-

rekenschap die hij eenmaal zal moeten geven. Jesus die thans nog slachtoffer van liefde is, zal weldra zijn Rechter worden, en die alwetende en onverbiddelijke Rechter zal hem rekenschap vragen van zijn gedrag, en zijne ongodsdienstig - en oneerbiedigheid streng straffen.

Om dus Gods straffen te ontkomen, en om integendeel zijne genaden deelachtig te worden, beijveren wij ons van altoos het H. Sacrificie der Mis met groote eerbiedig - en aandachtigheid bij te wonen. Amen.

-ocr page 196-

ACHTTIENDE ONDERRICHTING

OVER HET EINDE EN DE VRUCHTEN DER H. MIS

Quid retribuam Domino pro omnibus qum retribuit mihi ?

AVat zal ik den Heer wedergeven voor alles wat Hij mij gegeven heelt?

(I\'s. cxv, .1.)

INHOUD.

VOORREDE.

Het Sacrificie dei\' Nieuwe Wet is van eene oneindige waarde, wijl Jesus-Chrislus van eene oneindige waardigheid is. Men moet met aandachtig - en eerbiedigheid Mis hooren. Men moet zoo dikwijls mogelijk Mis hooren; te dien einde zullen wij vandaag spreken:

VERDEELING.

I. Over het einde der H. Mis;

II. Over de vruchten der H. Mis.

I.

Men moet Mis hooren:

1° Tot erkentenis van Gods opperste majesteit en heerscliaj

-ocr page 197-

— 191 —

2° Tot vergiflenis van onze zonden en van de straffen daartoe staande;

3° Tot dankzegging voor de genaden en weldaden van God ontvangen;

4° Om nieuwe genaden en weldaden van God te bekomen.

Uit dit antwoord blijkt dat de H. Mis is een brand - zoen-dank - en smeekolïer.

11.

Door de vruchten van de H. Mis worden verstaan alle genaden en weldaden naar ziel en lichaam, die God ons bewijst om - en door het H. Sacrificie der Mis. Alhoewel het H. Sacrificie der Mis van eene oneindige waarde is, nochtans, de vruchten er van worden eenieder toegepast volgens dat hij ze noodig en verdiend heeft.

SLUITREDE.

Uit deze onderrichting moeten wij besluiten zoo dikwijls mogelijk het 11. Sacrificie der Mis bij te wonen. Geschiedenis van een Engelschman.

-ocr page 198-

— 192 —

ACHTTIENDE ONDERRICHTING

OVER HET EINDE EN DE VRUCHTEN DER H. MIS

Quid rctrihuam Domino pro omnibus quai retribuit mihi?

Wat zal ik den Heer wedergeven voor alles wat Hij mij gegeven heeft?

(Ps. cxv, 3.)

VOORREDE.

Uit onze voorgaande onderrichting over het H. Sacrificie der Mis kunnen wij besluiten, B, B., dat het een Sacrificie is van oneindige waarde. Immers, Jesus-Christus de Godmensch, die van eene oneindige waardigheid is, wordt aan God den hemel-schen Vader opgeofferd. Wij moeten het H. Sacrificie der Mis met groote eerbiedig-en aandachtigheid bijwonen, wijl het de vernieuwing is van liet bloedig Sacrificie des Kruises op eene onbloedige wijze. Om u nu krachtig aan te zetten van zoo dikwijls mogelijk de 11. Mis bij te wonen, niet alleen op Zon-en geboden feestdagen, maar ook op de werkdagen, zoo de tijd het toelaat en de gelegenheid zich aanbiedt, daarom wil ik u een oogenblik onderhouden:

I. Over het einde;

II. Over de vruchten der H. Mis.

I.

De Catechismus vraagt:

Tot wat einde moet men de Mis hooren en aan God met den priester opdragen? En hij antwoordt:

Ten 1, tot erkentenis van Gods opperste majesteit en heerschappij; ten 2, lot vergiffenis van onze zonden, en van de

-ocr page 199-

straffen daartoe, staande-, ten 3, tot dankzegginy over de gratiën en weldaden van God ontvangen; ten 4, om nieuwe gratiën en weldaden van God te bekomen.

Uit dit antwoord blijkt dat het H. Sacrificie der Mis is een brand - zoen - dank - en smeekoffer. Het H. Sacrificie der Mis is,

1° Een brandoffer; daardoor geven wij God de eer die Hem toekomt. Doch hoe zoude de mensch uit zich alleen zijnen Heer en God die eer kunnen geven? Hoe zoude hij zich diep genoeg kunnen vernederen om den Allerhoogste, voor, wien de hemelingen zich nederwerpen, naar waarde te eeren en te aanbidden? Hetgeen de mensch uit zich alleen niet vermag, heeft Jesus-Christus door de instelling van het H. Sacrilicio der Mis hem mogelijk gemaakt; daardoor bewijzen wij God eene eer, welke alle schepselen van hemel en aarde Hem niet kunnen bewijzen, eene eer den Allerhoogste waardig, wijl wij den Vader zijn eenigen Zoon opofferen. Vandaar dat de Priester na de Consecratie zegt: Door Hem, d. i., door Jesus-Christus, en met Hem en in Hem is aan U, o God, den almachtigen Vader in de eenheid des H. Geestes alle eer en glorie, amen. Het H. Sacrificie der Mis is,

2° Een zoenoffer; daardoor kunnen wij Gods gramschap bedaren, vergiffenis van onze zonden en kwijtschelding van de tijdelijke straffen bekomen.

Wij kunnen Gods gramschap bedaren. De geschiedenis verhaalt ons, dat zeker Portugeesch krijgsoverste, met name Alphonsus Albuquerque, op liet punt van met gansch zijne manschap te vergaan, zijn onschuldig kind op de armen nam, het ten hemel hief en zeide: Wij zijn wel is waar zondaren, doch dit teeder schepsel is voorzeker zonder zonde; ach. Heer! scheldt ons schuldigen de doodstraf kwijt uit liefde tot dit onschuldig kind. Wat gebeurde er? God had medelijden met hen, de storm bedaarde eu de gausche manschap was behouden. Welnu, B. I?., zoo het gezicht van oen onschuldig kind eens schuldigen vaders

üi.loofs - en Zkdbni.ekr 4de Deei.. 13.

-ocr page 200-

zooveel vermag op het. hart van den vertoornden God; wat zal dan het gezicht van zijn eeniggeboren onschuldigen Zoon, in wien Hij zijn welbehagen genomen heeft, op zijn vaderhart niet vermogen, zoo dikwijls wij Hem dien Zoon in de H. Mis door de handen des Priesters opdragen? Wat zoude er toch van de zondige wereld geworden, zoo zij het H. Sacrificie der Mis niet bezat? Wat mij betreft, zegt de H. Leonardos a Porto Mauritio; ik geloof, dat zoo het H. Misoffer niet bestond, de wereld reeds over lang zoude vergaan zijn, als niet in staat het gewicht van zooveel zonden langer te dragen.

Door het H. Sacrificie der Mis verkrijgen wij ook vergiffenis van onze zonden, doch niet rechtstreeks en onmiddellijk gelijk door het H. Sacrament der Biecht en het berouw, wijl tot dat einde het H. Sacrificie niet is ingesteld. Die vergiffenis der zonden, door de H. Mis te bekomen, moet ook niet zoo verstaan worden als werd er niets anders vereischt dan eene Mis te hooren of te doen lezen: neen, B. B., zonder berouw kan men van geene dadelijke zonde vergiffenis bekomen, en die eene doodzonde bedreven heeft, blijft altoos verplicht dezelve rouwmoedig te biechten. Men verkrijgt dus door de H. Mis vergiffenis van zijne zonden in dezen zin, dat de zondaar daardoor dadelijke genaden bekomt, waardoor hij verlicht, zijn ongeluk-kigen staat inziet en krachtdadig wordt aangezet om een waar berouw over zijne zonden op te vatten en dezelve, zoo er spraak is van doodzonden, oprecht te biechten.

Door het H. Sacrificie der Mis verkrijgen wij, en zelfs rechtstreeks en onmiddellijk, vergiffenis van de straffen die wij schuldig zijn te lijden voor onze zonden, hetzij hier of hiernamaals. Door de H. Mis wordt ons een gedeelte der overvloedige voldoeningen toegevoegd, die Jesus-Christus door zijn lijden en dood zijn Hemelschen Vader aangeboden heeft. Vandaar dat het H. Sacrificie der Mis niet alleen voor de levenden, maar ook voor de dooden kan opgedragen en bijgewoond worden.

-ocr page 201-

— 195 —

Men laat het H. Sacrificie der Mis voor de overledenen opdragen, of men woont het voor hen bij, opdat hunne zielen, ingeval zij in het vagevuur opgehouden werden, zoo spoedig mogelijk daaruit verlost en toegelaten worden van Gods aanschijn in den hemel te aanschouwen.

Om door het H. Sacrificie der Mis vergiffenis van de tijdelijke straften te bekomen, moet men wel weten, dat de mensch in zijn leven die vergiftenis niet kan bekomen, zoolang, hij geene vergiftenis van zijne zonden bekomen heeft; bijgevolg moet de zondaar vooral zorg dragen van bij de H. Mis vooreerst de genade van een waar berouw en van eene oprechte bekeering te vragen, zonder dat zal hij door de H. Mis geene vergiffenis van de tijdelijke straften bekomen. Het H. Sacrificie der Mis is,

3° Een dankoffer. Dat wij God groote dankbaarheid schuldig zijn voor de genaden en weldaden van Hem ontvangen, kan niemand betwijfelen. Doch hoe zal de mensch zijnen Heer en God genoeg dankbaarheid bewijzen? Moet hij met den Profeet David niet uitroepen: Quid retribuan Domino pro omnibus qua\' retribuit mild! Wat zal ik den Heer wedergeven voor alles wat Hij mij gegeven heeft! Moge hij ook, al wat hij is en al wat hij bezit. God aanbieden, toch zal hij altijd de vraag kunnen stellen: Waardoor toch zal ik naar waarde Gods genaden en weldaden vergelden? Wat geluk dus voor ons, B. B., dat wij in de H. Mis een middel hebben, om naar behooren God onze dankbaarheid te betoonen; want wat offeren wij God in de H. Mis op? Als tegengeschenk voor alles wat wij van God ontvangen hebben, brengen wij Hem een offer van oneindige waarde, namelijk, het vleesch en bloed van zijn eenigen Zoon Jesus-Christus.

Eindelijk is het H. Sacrificie der Mis een smeekoffer, om voor ons en voor anderen te verkrijgen al wat wij noodig hebben naar ziel en lichaam. De H. Mis is als eene goudmijn;

-ocr page 202-

zij is als een gouden sleutel van het Paradijs, waarmede wij de schatkamer van God kunnen openen. In de H. Mis bidt Jesus-Christus zelf voor ons. En wat zoude de hemelsche Vader zijn welbeminden Zoon kunnen -weigeren? Heeft Jesus niet uitdrukkelijk verklaard dat zijn Vader Hem altijd verhoort? Het lijdt dus geen twijfel, zegt de H. Hieronymus, of de Heer geeft ons alle genaden welke wij Hem in de H. Mis vragen; en wat nog meer te verwonderen is, Hij geeft ons ook nog dikwijls hetgeen wij niet vragen. Ziedaar B. B., waarom het H. Sacrificie der Mis een brand —zoen— dank - en smeekofter moet genoemd worden. Zien wij nog wat er door de vruchten der H. Mis moet verstaan worden.

11.

Wanneer er sprake is van de vruchten van de H. Mis, dan wordt het beschouwd als zoen - en smeekoffer. De Catechismus vraagt:

Wat hunnen xoij verkrijgen door het Sacrificie der Mis? En hij antwoordt:

Vergiffenis van onze zonden, en al wat wij van God hegeeren voor ons zeiven of voor anderen, en ook voor de zielen die in het vagevuur zijn.

De H. Laurenüus Justinianus antwoordt op de vraag welke de vruchten der H. Mis zijn, als volgt; Geene menschentong, zegt hij, kan uitdrukken hoe overvloedige vruchten, hoe wondervolle gaven door het H. Sacrificie der Mis worden voortgebracht.

Door het aanbiddelijk Sacrificie worden de zondaren met God verzoend, de rechtvaardigen worden nog rechtvaardiger; de bekoringen des duivels worden overwonnen, de kranken genezen, de zwakken versterkt en de gevallen zielen wederom opgericht

De vruchten der H. Mis zijn tweederlei, de algemeene en de bijzondere vruchten. Aan de algemeene vruchten wordt gansch

-ocr page 203-

— 197 —

de katholieke wereld deelachtig; ja wat meer is, wijl Jesus-Christus voor alle menschen gestorven is, daarom heeft men reden van te zeggen dat de Priester ook offert voor alle menschen op aarde. Aan de bijzondere vruchten worden niet alle menschen, maar slechts eenige personen deelachtig: de Priester, die de Mis leest; de persoon, voor welke hij de Mis leest, en ook de geloovigen, die de Mis naar behooren bijwonen.

Alhoewel het H. Sacrificie der Mis van oneindige waarde is, daaruit volgt niet dat de vruchten er van ons in oneindige mate worden toegevoegd; dat is zelfs onmogelijk, want de mensch is daarvoor niet vatbaar. Eenieder ontvangt dus van die oneindige vruchten volgens de gesteltenis waarin hij zich bevindt, of waarin hij uit deze wereld gescheiden is, Wijl het diiamp; onmogelijk is te bepalen door hoeveel Missen eene ziel uit het vagevuur verlost wordt, daarom laat men volgens vermogen een min of meer groot getal Missen lezen voor de overledenen.

Doch wat geschiedt er met de bijzondere vruchten der H. Missen, op de ziel van een overleden toegepast, die er geen voordeel uit kan trekken? Die ziel, bijv., is reeds uit het vagevuur verlost, ofwel, hetgeen akelig te denken is, doch niet onmogelijk, die ziel ligt reeds overlang in het vuur der hel te branden, en in de hel, gelijk wij weten, is geene verlossing. Wat gebeurt er nu met die vruchten? Zijn zij verloren? Volstrekt niet, B. B., maar zij worden in de schatkamer der H. Kerk bewaard, en zij worden op anderen toegepast die zo verdiend hebben. Bijgevolg, men moet niet denken dat de ziel van een arme langer in het vagevuur zal moeten blijven dan die van een rijke, voor wien vele Missen gedaan worden. Kan er voor de ziel van dien arme niet overvloedig uit de schatkist der H. Kerk geput worden?

Dat de geloovigen, die het, H. Sacrificie der Mis godvruchtig bijwonen, ruimschoots aan de bijzondere vruchten deelachtig worden lijdt ook geen twijfel.

-ocr page 204-

SLUITREDE.

Uit deze korte verhandeling over het einde en de vruchten van het H. Sacrificie der Mis kan men besluiten, hoeveel er ons Christenen aangelegen moet liggen van zoo dikwijls mogelijk de H. Mis, hetzij voor ons, hetzij voor anderen, zoo levenden als dooden, bij te wonen; van welke talrijke en kostbare vruchten en genaden zij zich berooven, die de H. Mis verwaar-loozen; en hoezeer zij te berispen en te beklagen zijn, die uit lui - of onverschilligheid de schoonste gelegenheid om voor de eeuwigheid verdiensten te vergaderen, laten voorbijgaan. Ja, die luie en onverschillige Christenen zijn te berispen en te beklagen: ook zullen zij later over hunne lui - en onverschilligheid berouw krijgen. Geheel anders dachten er, en denken er nu nog de ijverige Christenen over. Ziehier daarover eene korte geschiedenis. Gedurende langen tijd bestonden er in Engeland strenge wetten tegen de uitoefening van den Roomsch-Katholieken godsdienst. Zekeren dag werd een katholiek, die zoo godsdienstig als rijk was, veroordeeld tot eene geldboete van vijfhonderd goudstukken, omdat hij de H, Mis had bijgewoond. De katholiek ging heen en zocht de schoonste goudstukken op die maar te vinden waren. Op de goudstukken stond een kruis. Nadat hij ze bijeengezocht had, droeg hij ze naar de rechtbank. Terwijl hij bezig was met ze te tellen, glimlachte de protes-tantsche bediende en was verwonderd, hoe die katholiek eene boete met zoo scboone stukken kon betalen. De katholiek antwoordde; Ik zou het mij tot zonde rekenen, zoo ik eene slechte munt gaf voor het groot geluk dat ik gehad heb, de H. Mis te kunnen bijwonen, en mijnen Heer en Zaligmaker in de verhevene geheimen te mogen aanbidden. Herinner u wel, Mijnheer! dat tusschen het kruis waarvan de beeltenis op deze goudstukken staat, en tusschen het H. Sacrificie der Mis eene geheimzinnige en nauwe betrekking Jgelegen is; want degene, die zich op het kruis voor ons opgeofferd heeft, offert zich nog dagelijks voor

-ocr page 205-

— 199 —

ons op in de H. Mis. Het kruis on de H. Mis zijn gedachtenissen van de oneindige liefde van onzen goddelijken Zaligmaker. Ziedaar, B. B., een schoon voorbeeld van een levend geloot\' en van een vurigen ijver om de H. Mis bij te wonen. Och of wij dat voorbeeld navolgden, ten minste in zoover, dat wij zoo veel schoone gelegenheden niet lieten voorbijgaan om het H. Sacrificie der Mis bij te wonen. Hoe velen worden er misschien niet gevonden, die naar de kerk zouden gaan zoo de tijd het hun toeliet; en wij, wij hebben den tijd. Laten wij hem dus niet nutteloos voorbijgaan, en wonen wij zoo dikwijls mogelijk de H. Mis bij, om de talrijke vruchten er van deelachtig te worden. Amen.

-ocr page 206-

NEGENTIENDE ONDERRICHTING

OVER DE CEREMONIËN DER H. MIS

Orate fmtres, ut meum ac vestrum Sacrificium acceptabile fiat apud Deum Patrem omnipotentem.

Bidt broeders, opdat mijn en uw Sacrificie bij God den Vader almachtig aangenaam zij. (S. Missa.)

INHOUD.

VOORREDE.

De Ceremoniën der H. Mis dienen tot gedachtenis en verbeelding van het lijden en den dood van Christus. Zij zijn van de Apostelen en Oversten der H. Kerk ingesteld en mogen door hen alleen veranderd worden. Wij zullen spreken over de •Ceremoniën der Mis.

VERDEELING.

I. Van het begin tot dat de Priester het altaar beklimt;

II. Van de altaar-beklimming tot de Offerande;

III. Van de Offerande tot de Prefatie.

-ocr page 207-

— 201 —

I.

De Priester gaat met den misdienaar naar het altaar: Jesus gaat met zijne Apostelen naar den Olijfhof. De Priester bidt den Psalm van David: Jesus bidt in den Olijfhof.

II.

De Priester beklimt en kust liet altaar: Jesus gaat zijne vijanden te gemoet en wordt door Judas verraden. De Priester gaat naar den kant van den Epistel en leest den Introüiis : Jesus wordt geboeid weggeleid. De Priester keert naar het midden van het altaar terug en zegt: Kyrie Eleison, enz.: Jesus wordt naar Caïphas geleid en door Petrus verloochend. De Priester wendt zich tot het volk en zegt: Dominus vobis-cuni: Jesus aanschouwt Petrus, die zich bekeert. Do Priester keert naar den kant van den Epistel terug en leest een of meer gebeden: Jesus wordt naar Pilatus geleid. De Priester leest den Epistel, enz., keert terug naar liet midden van hot altaar, en gebogen bidt hij in stilte: Jesus wordt naar Herodes geleid, dien Hij niet antwoordt. Wat beteekent do omdraging van het boek? De Priester gaat naar den kant van het Evangelie: Jesus wordt naar Pilatus terug gebracht. De Priester leest het Evangelie: Jesus staat voor Pilatus en belijdt zijne godheid.

III.

De Priester ontdekt den kelk: Jesus wordt van zijne kleederen beroofd.

De Priester dekt den kelk: Jesus wordt met doornen gekroond.

De Priester wascht zich de handen: Pilatus wascht zich de handen.

De Priester zegt: Orale frates, enz.: Pilatus zegt: Ecce Homo!

SLUITREDE.

Beantwoorden wij aan de uitnoodiging des Priesters: Or ate fr aires.

-ocr page 208-

NEGENTIENDE ONDERRICHTING

OVER DE CEREMONIËN DER H. MIS

Orate fra tres, ut meum ac vestrum Sacrificium acceptabilc flat apud Letim Putrem omnipotentem.

Bidt broeders, opdat mijn en uw Sacrificie bij God den Vader almachtig aangenaam zij. (S. Missa.)

VOORREDE.

Na eerst over het Sacrificie der Mis gehandeld en er de voornaamste waarheden van uitgelegd te hebben, gaan wij thans, B. B., tot de Ceremoniën over, waarmede het God den hemelschen Vader opgedragen wordt. De Ceremoniën der H. Mis komen van de Apostelen en van andere Oversten der H. Kerk; zij mogen door niemand, tenzij door de Oversten der H. Kerk veranderd worden. De Catechismus vraagt:

Waartoe dienen de ceremoniën die in de Mis gebruikt worden? En hij antwoordt:

Tot gedachtenis en verbeelding van de dood van Christus. Toen onze goddelijke Zaligmaker het H. Sacrament des Altaars instelde, zeide Hij tot zijne Apostelen: Doet dit tot mijne gedachtenis. Welnu, onze Moeder de H. Kerk voldoet aan dat bevel van haren goddelijken Stichter, wijl zij ons in de Ceremoniën der H. Mis het lijden en den dood van Jesus-Christus voorstelt. Hieruit blijkt duidelijk, dat er voor de geloovigen geen beter middel is om goed Mis te hooren, dan tijdens liet H, Sacrificie het lijden en den dood van Jesus-Christus te overwegen, gelijk in vele kerkboeken onder de gebeden der H. Mis voorgehouden en uitgelegd wordt. Om de Ceremoniën der H. Mis, ten minste de voornaamste, naar orde

-ocr page 209-

— 203 —

te verklaren, zullen wij de H. Mis in zes deelen verdeelen: vandaag zullen wij de Ceremoniën der drie eerste deelen uitleggen:

I. Van het begin der Mis tot dat de Priester het altaar beklimt;

II. Van de altaar-beklimming tot de Offerande;

III. Van de Offerande tot de Prefatie.

I.

Nadat alles tot het H. Sacrificie der Mis in gereedheid gebracht is, begeeft zich de Priester in priesterlijk gewaad gekleed, naar het altaar, vergezeld van een of meer dienaren. Dit herinnert ons, B. B., hoe onze goddelijke Zaligmaker zich eertijds, vergezeld van zijne Apostelen, naar den Olijfhof begaf, om daar zijn openbaar lijden te beginnen.

Aan den voet des altaars gekomen, buigt of knielt de Priester, en na het kruisteeken gemaakt te hebben, bidt hij beurtelings met den misdienaar, die het volk vervangt en in wiens naam hij antwoordt, den twee en veertigsten Psalm van David. Dat Psalmgebed doet ons gedenken het vurig gebed, dat Jesus in den Olijfhof tot God zijn hemelschen Vader richtte, alsmede de droefheid en de\'benauwdheid, waarin Jesus verkeerde. Jesus was bedroefd, vooral over de zonden van het menschdom, die Hij op zich genomen had; Hij was vol angst en benauwdheid wegens de pijnen en smarten, die Hij om onze zonden uit te boeten ondergaan moest.

De Priester bidt daarna den Confiteor, en de misdienaar in naam des volks na hem. De Priester en de misdienaar belijden dus hunne schuld, slaan zich met den publikaan rouwmoedig op de borst en vragen God ootmoedig vergiffenis van hunne zonden. Ook smeeken zij gansch het hemelsch hof en vragen zich van voor elkander te bidden. Als het gebed aan den voet des altaars geëindigd is, begint het tweede deel der H. Mis.

-ocr page 210-

II.

De Priester beklimt, terwijl hij eenige gebeden zegt, de trappen van het altaar. Bovengekomen kust hij het altaar uit eerbied voor Jesus die er weldra op nederdalen zal, en ook uit eerbied voor de reliquiën der Heiligen die in den steen des altaars bewaard worden. Deze handeling des Priesters herinnert ons hoe Jesus zijne vijanden te gemoet ging, en hoe Hij door Judas onder een kus verraden werd.

Daarna gaat de Priester naar den kant van den Epistel en leest in het misboek het gebed, Introiius genoemd. Hier kunnen wij ons voorstellen, hoe Jesus geboeid door zijne vijanden weggeleid werd. Het gebed, Introiius, bestaat uit eenige woorden van de H. Schrift, en is niet altoos hetzelfde: het verandert volgens de tijden en feesten des jaars.

Vervolgens keert de Priester terug naar het midden van het altaar en stelt ons voor, hoe Jesus naar Caïphas werd geleid, waar Hij door Petrus tot driemaal toe verloochend werd.

De Priester zegt driemaal met den misdienaar: Kyrie Eleison, driemaal: Chrisle Eleison, en nogmaals driemaal: Kyrie Eleison. Die woorden beteekenen: Heer ontferm u onzer, Christus ontferm u onzer, Heer ontferm u onzer: zij zijn dus een herhaald smeekgebed tot God den Vader, God den Zoon en God den H. Geest.

Daarna leest de Priester den lofzang: Gloria in excelsis, waarvan de eerste woorden door de Engelen gezongen zijn bij de geboorte van Christus. Op dagen van rouw en boetvaardigheid wordt deze vreugdevolle lofzang als minder passend achtergelaten.

Na het Kyrie Eleison of de Gloria kust de Priester het altaar, en zich tot het volk wendende zegt hij: Dominus vobiseuni; De Heer zij met u, namelijk, om de H. Mis naar beboeren bij te wonen: de dienaar antwoordt: El cum spirilu tuo: En niet uwen geest, namelijk, om het H. Sacrificie naar

-ocr page 211-

— 205 —

behooren op te dragen. Wij kunnen ons hier herinneren, hoe Jesus zicli tot Petrus wendde, die Hem verloochend had, zijno oogen op Petrus vestigde en hem bekeerde.

Daarop keert de Priester terug naar den kant van den Epistel, en leest daar een of meer gebeden, Collecten genoemd. De Priester noodigt het volk eerst uit tot het gebed, zeggende: Oremus: Laten wij bidden. Hij heeft zijne handen ten hemel gestrekt, tot herinnering aan Jesus, die met uitgestrekte handen aan het kruis voor ons bad. Hij sluit die gebeden met de woorden: Door Christus onzen Heer. Immers, de H. Kerk weet dat wij alles, wat wij God, den Gever van alle goed, in naam van Jesus-Christus zijn geliefden Zoon vragen, ongetwijfeld bekomen. Bij het einde der gebeden zegt de dienaar in naam des volks: Amen, d. w. z., hetzij of het geschiede zoo. Hier kunnen wij ons voorstellen hoe Jesus van Caïphas, na reeds door den Joodschen raad veroordeeld te zijn, naar Pilatus geleid werd, om ook door dezen veroordeeld te worden.

Na volgen de lessen uit de H. Schrift, en wel vooreerst de Epistel. De Epistel, welk woord brief beteekent, is doorgaans eene les uit de brieven der Apostelen. Het doel van don Epistel, alsook van het Evangelie, is ons te onderwijzen en te stichten. De Epistel gaat liet Evangelie vooraf, evenals de prediking van Joannes den Dooper die van Jesus voorafging. Op liet einde van den Epistel zegt de dienaar: Deo Gr alias. God zij gedankt, en betuigt daardoor in naam des volks zijne dankbaarheid voor de ontvangen leering.

Daarna bidt de Priester nog eenige verzen; soms zegt hij ook nog een lofzang, volgens dat de tijd of liet feest het vordert. De Priester gaat vervolgens naar het midden van het «altaar; en terwijl de dienaar het boek omdraagt, bidt hij gebogen in stilte. Hier kunnen wij ons verbeelden, hoe Jesus van Pilatus naar Herodes gezonden werd, dien Jesus niet eens wilde antwoorden. Ook kunnen wij ons hier verbeelden hoe

-ocr page 212-

— 206 —

door het omdragen van het boek ons wordt aangeduid, dat de leering van het Evangelie, door de Joden verworpen, aan de Heidenen overgebracht werd, die ze met liefde aannamen. Na een .stil gebed richt de Priester zich op en gaat naar den kant van het Evangelie. Dit doet ons gedenken hoe Jesus van Herodes wederom naar Pilatus gezonden werd.

De Priester na het misboek, zijn voorhoofd, mond en borst met het kruisteeken geteekend te hebben, leest een gedeelte uit een der vier Evangeliën. Hij teekent voorhoofd, mond en borst, om het woord des Evangelie\'s wel te begrijpen, te belijden en er zijn leven naar te schikken. Het volk staat tijdens het Evangelie recht, om het woord Gods zijnen eerbied te betuigen en te toonen, dat het bereid is hetzelve te volgen. Als het Evangelie geëindigd is, antwoordt de dienaar voor het volk: Laus tibi Chris te, d. w. z.. Lof zij U Christus, en hij bedankt daardoor God voor de weldaad van het ontvangen Evangelie. Tijdens het Evangelie kunnen wij ons voorstellen, hoe Jesus zonder vrees voor de rechtbank van Pilatus zijne zending beleed, namelijk, dat Hij de Zoon Gods is, maar dat zijn rijk niet van deze wereld is.

Na het Evangelie gelezen en gekust te hebben, begint de Priester de Credo, d. i., de geloofsbelijdenis, zoo zij moet gelezen worden; zoo niet, begint hij terstond het derde deel der H. Mis, de Offerande.

111.

Nadat de Priester, naar de geloovigen gekeerd, gezegd heeft: Dominus vobiscum: De Heer zij met u, en de dienaar geantwoord heeft: En met uwen geest: Et cum spirilu tuo, leest hij eenige woorden die de ofl\'erande voorafgaan. Daarna ontdekt, hij den kelk en offert het brood op eene pateen liggende, terwijl hij in stilte een gebed tot God stuurt. Uit dat gebed blijkt, dat de Priester niet alleen voor zich, maar ook voor de omstaanders

-ocr page 213-

en zelfs voor alle geloovigen zoo levende als doode, de H. Mis aan God opdraagt. Bij de ontdekking van den kelk kunnen wij ons . verbeelden, dat Jesus-Christus om vpor onze zonden te voldoen, van zijne kleederen beroofd werd en de schande - en pijnelijke geeseling onderging. Na de offering van het brood neemt de Priester den kelk, schenkt daarin den wijn en mengt dien met een weinig water. Doch waarom wordt de wijn met een weinig water gemengd? Vooreerst, om Jesus-Christus na te volgen, die in het laatste avondmaal hetzelfde zoude gedaan hebben; vervolgens, om daardoor het bloed en het water te verbeelden dat uit Jesus\' zijde gevloeid is; eindelijk om te toonen dat de geloovigen, door het water afgebeeld, met Jesus-Christus vereenigd zijn, en dat zij zich met Hem aan flod den hemelschen Vader opdragen.

De Priester nu neemt den kelk en offert hem aan God op, terwijl hij in stilte een gebed doet; daarna dekt hij den kelk. Gij moet wel weten, B. B., dat hier enkel brood en wijn geofferd worden, gelijk reeds vroeger geleerd is, en niet het lichaam en bloed van Christus; want het brood en de wijn worden eerst door de woorden van de Consecratie veranderd in het lichaam en bloed van Christus, Bij deze handeling des Priesters kunnen wij ons verbeelden, hoe Jesus na zijne schande-en pijnlijke geeseling door de woeste soldaten met doornen gekroond en met een oud versleten mantel omhangen werd. Na de offerande wascht zich de Priester de handen aan den kant van den Epistel, terwijl hij den vijf en twintigsten Psalm van den Profeet David bidt. In de handenwassching des Priesters kunnen wij ons voorstellen, hoe Pilatus zich water deed brengen en de handen wiesch om de onschuld van Jesus te kennen te geven, zich zeiven te verontschuldigen en de schuld van Jesus\' dood op de Joden te werpen, die uitriepen: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen! De Priester wascht zich de banden uit eerbied voor het Allerheiligste dat weldra opge-

-ocr page 214-

— 208 —

dragen zal worden, en om te toonen dat hij zich zoo veel mogelijk zuivert, ook van de dagelijksche zonden en vlekken.

Daarna komt de Priester in het midden van het altaar terug, zegt gebogen en in stilte een gebed, waarna hij het altaar kust, zich naar het volk wendt en zegt, terwijl hij zijne handen en armen uitstrekt: Bidt broeders: Orale fratres, opdat mijn en uw ofl\'er aangenaam zij bij God den Vader almachtig. De dienaar antwoordt op dat verzoek van den Priester.

Uit deze woorden des Priesters blijkt, B. B., dat hij niet alleen, maar dat de geloovigen die aanwezig zijn, met hem het H. Sacrificie aan God opdragen, omdat hij zegt; Bidt broeders, opdat mijn en uw offer aangenaam zij bij God den Vader almachtig. Ook kunnen wij ons hier voorstellen, hoe Pilatus onzen goddelijken Zaligmaker, nadat Hij gegeeseld, gekroond en met een purperen mantel omhangen was, deed te voorschijn komen, Hem aan het volk, dat hij tot medelijden wilde stemmen, toonde, terwijl hij zeide: Ecce Homo: Zie den Mensch; doch de Joden volhardden in hunne ongevoeligheid, ja hunne woede nam zelfs toe, en zij riepen al harder dat Jesus moest gekruist worden. Vervolgens bidt de Priester, alvorens de Prefatie te beginnen, een of meer gebeden, volgens dat tijd en Mis het vorderen.

SLUITREDE.

Hier, B. B., eindig ik vandaag met de uitlegging van de Ceremoniën der H. Mis, om ze in de volgende onderrichting voort te zetten. Doch herinneren wij ons eerst nog een oogen-blik de woorden van den Priester, als hij zegt: Bidt broeders, opdat mijn en uw offer aangenaam zij bij God den Vader almachtig. De Priester zet dus de geloovigen aan van te bidden, van hunne gebeden met de zijne te vereenigen. Aan die uitnoo-diging des Priesters moeten wij beantwoorden; wij moeten tijdens de H. Mis met aandachtigheid bidden en ons offer met

-ocr page 215-

— 209 —

den Priester aan God opdragen. Alsdan zal het antwoord van den dienaar bewaarheid, worden, d. w. z.. God de Heer zal het Sacrificie uit de handen des Priesters ontvangen tot lof en glorie van zijnen naam, ook tot ons nut en tot nut van gansch de H. Kerk. Doch wat gezegd van zekere personen, die in plaats van met aandachtigheid te bidden, onder de H. Mis rondzien, praten en zich met geheel andere zaken bezig houden? Zal hot H. Sacrificie hun ook tot nut verstrekken? Integendeel, B. B.; door hun slecht gedrag en door hunne oneerbiedigheid balen zij zich Gods straffen op den hals, en in plaats van eene bron van zegen en geluk te wezen zal het H. Sacrificie voor hen volstrekt niets uitwerken. Bijgevolg, wonen wij, overtuigd van de verhevenheid der H. Mis, dat H. Sacrificie altoos met groote eerbiedig - en aandachtigheid bij; alsdan zal het wezenlijk strekken, niet alleen tot lof en glorie van God, maar ook tot ons nut en tot nut van gansch de H. Kerk. Amen.

GliLOOFS - EN ZKUKNLKBK. 4«ie DkHI,. 14,

-ocr page 216-

TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE CEREMONIËN DER H. MIS

Eccc Agnus Dei, cccc qui tollit peccatum mundi.

Zie het Lam Uotls, zie die de zonde der wereld wegneemt. (Joan, i, 29.)

INHOUD.

VOORREDE.

Na over de drie eerste deelen der H. Mis gehandeld te hebben, gaan wij over de drie laatste handelen.

VERDEELING.

I. Van de Prefatie tot den Pater Nos ter;

II. Van den Pater noster tot de Communie;

III. Van de Communie tot het einde der Mis.

I.

De Prefatie begint met de volgende woorden: Per omnia scecula sceculorum: Jesus wordt door Pilatus onrechtvaardig ter dood veroordeeld. De Priester gaat na de Prefatie in stilte

-ocr page 217-

voort, om aan te tooneu, dut, er een groot geheim gaat voltrokken worden. Daarna bidt de Priester verscheidene gebeden. Bij het eerste gebed kan men zich Jesus voorstellen zijn kruis opnemende om het naar den Calvarieberg te dragen. Onder de Consecratie handelt de Priester in den persoon van Christus, en het brood en de wijn worden veranderd in het lichaam en bloed van Christus. 15ij de ophefflng van de H. Hostie en van den kelk mag men zich Jesus voorstellen, hangende aan het kruis. De misdienaar geeft een teeken met de bel, om het volk opmerkzaam te maken op hetgeen er plaats hoeft. Eindelijk zegt de Priester: Nobis quoque peccatoribus: bekeering van den goeden moordenaar.

II.

De Priester bidt het Onze Vader; /even woorden van Jesus aan het kruis. De Priester breekt de H. Hostie: dood van Jesus. Hij laat een deeltje in den kelk nedervallen: nederdaling van Christus\' ziel in het voorgebergte der hel. De Priester zich op de borst slaande zegt: Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, enz.: Vele personen, bij den dood van Jesus tegenwoordig, bekeerden zich. De Priester zegt: Heer ik ben niet waardig, enz., en communiceert: begrafenis van Christus.

III.

Het boek wordt omgedragen: Jesus\' verrijzenis en de bekeering der Joden. De Priester zegent de geloovigen: nederdaling van den H. Geest over de Apostelen. Laatste Evangelie.

SLUITREDE.

Denken wij tijdens de H. Mis aan het lijden, het sterven en den dood van Christus.

-ocr page 218-

TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE CEREMONIËN DER H. MIS

lïcce Agnus Dei, ecce qui toUü peccatum mundi.

Zie het Lam Gods, sde dio de zonde dor wereld wegneemt. (Joan, i, 20.)

VOORREDE.

In de uitlegging van de Ceremoniën der H. Mis, B. B., zijn wij laatstleden aan het vierde deel gekomen; vandaag zullen wij die der drie overige deelen uitleggen, namelijk de Ceremoniën:

I. Van de Prefatie tot den Pater noster;

II. Van den Pater noster tot de Communie;

III. Van de Communie tot het einde der Mis.

I.

Het vierde deel der H, Mis, B. B., begint met do Prefatie en eindigt met den Pater noster: het is het voornaamste deel der H. Mis, wijl daarin plaats heeft de Consecratie of de verandering van het brood en den wijn in het lichaam en bloed van Christus: het besluit in zich den Canon.

Het woord Prefatie heteekent voorrede, zij is hier eene inleiding tot den Canon. Het woord Canon beteekent regel, en daardoor worden vooral verstaan de onveranderlijke gebeden der Consecratie. Die schoone gebeden, zegt de kerkvergadering van Trente, zijn getrokken uit de woorden van Jesus-Christus, uit de overleveringen der Apostelen en uit de wettige instelling van do Oversten der H. Kerk.

-ocr page 219-

~ 213 —

In do Prefatie zet de Priester het volk aan van hunne harten ten hemel te richten: Surswn corcla, zegt hij, de harten omhoog. En geen wonder, B. B., want zoo wij ooit onze harten hemelwaarts moeten sturen en aan God denken, dan is het voorzeker bij het naderen van de Consecratie. Op het einde der Prefatie zegt de Priester in vereeniging met de Engelen; Heilig, Heilig, Heilig is de Heer der legerscharen, hemel en aarde zijn vol van uwe heerlijkheid. Hosanna in den liooge, gezegend zij Hij die komt in den naam dos Heeren, Hosanna in den hooge. Bij deze omstandigheid kunnen wij ons voorstellen, hoe onze goddelijke Zaligmaker tot den kruisdood veroordeeld werd. Die straf was onrechtvaardig, zij was schande-en pijnlijk. Aan welke afschuwelijke zonde maakte dus Pilatus zicli niet plichtig door het doodvonnis over Jesus uit te spreken. Helaas, B. B., wat wordt er al niet gedaan om de menschen en do wereld te behagen. Alles wordt niet zelden ten beste gegeven; geloof, ziel, zaligheid, alles wordt opgeofferd.

Na de Prefatie verhandelt de Priester alles in stilte; slechts eenmaal tot den Pater noster zal hij zich laten hooren om zich te verootmoedigen en onder de zondaren te stellen. De Priester doet alles in stilte, om het volk opmerkzaam te maken, dat er een groot geheim gaat voltrokken worden. Ook is die stilte zeer geschikt om de geloovigen eerbied in te boezemen.

Voor de Consecratie doet de Priester verscheidene gebeden. Bij het eerste gebed kunnen wij ons voorstellen, hoe Jesus het kruis op zijne doorwonde schouders nam, om het naar de strafplaats te dragen. In het tweede gebed houdt de Priester de gedachtenis der levenden; vooreerst, van hen voor wie hij voorgenomen heeft te offeren of te bidden; vervolgens, van de strijdende Kerk. Hij bidt voor den Paus van Rome, den Bisschop en de overige geloovigen. Hij houdt ook de gedachtenis der zegepralende Kerk. Nadat de Priester zijne handen over het brood en den wijn uitgestrekt heeft, verplaatst hij zich als in

-ocr page 220-

— 214 —

de eetzaal te Jerusalem, waar onze goddelijke Zaligmaker voor de eerste maal het H. Sacrificie der Mis heeft opgedragen. Hij handelt niet meer in eigen naam, noch in den naam der H. Kerk, maar in den naam of in den persoon van Jesus-Christus; ja, alsof hij Christus zelf ware, spreekt hij over het gezegend brood, dat hij in de handen heeft genomen, de woorden der Consecratie uit en zegt: Hoc est enim eorpus rneum, want dit is mijn lichaam. Het geheim van liefde is voltrokken; er is geen brood meer tegenwoordig op het altaar, het is veranderd in het lichaam van Christus. De Priester weet het; daarom knielt hij en aanbidt in die nederige houding zijnen God; hij richt zich op, heft de H. Hostie in de hoogte, om ze aan het volk te toonen, ten einde het volk het lichaam van Jesus ook aanbidde: daarna legt hij de H. Hostie op den Corporaaldoek en knielende aanbidt hij ze voor de tweede maal. Vervolgens ontdekt hij den kelk, houdt hem een weinig in de hoogte en spreekt er de woorden der Consecratie over uit: Want, zegt de Priester in naam van Jesus-Christus, dit is de kelk van mijn bloed, van het Nieuw en Eeuwig Verbond, geheim des geloofs, dat voor u en voor velen zal vergoten worden tot vergiffenis der zonden: IIie est enim sanguis meus. Na die woorden is er geen wijn meer in den kelk; hij is veranderd in liet bloed van Christus; daarom knielt de Priester onmiddellijk en aanbidt het H. bloed van Jesus, hij heft den kelk in de hoogte en toont hem aan het volk, opdat het volk insgelijks liet H. bloed van Jesus aanbidde; hij zet den kelk op den Corporaaldoek, en knielende aanbidt hij voor de tweede maal. Bij de opheffing van de H. Hostie en van den kelk geeft de misdienaar een teeken met de bel, om het volk opmerkzaam te maken wat er aan het altaar geschiedt, en om het bij de voornaamste deelen der H. Mis tot aandachtig - en oplettendheid op te wekken. Bij de opheffing van de H. Hostie en van den kelk kunnen wij ons voorstellen, hoe de beulen het kruis met het lichaam van Jesus beladen in de hoogte richtten, hoe zijn goddelijk

-ocr page 221-

— 215 —

bloed uit zijne wonrten stroomde, op de aarde nederviel, en hoe Jesus zich in dien pijnlijken toestand aan God zijn hemelschen Vader opofferde tot zaligheid der menschen. Wijl Jesus dus na de Consecratie met godheid en menschheid, met ziel en lichaam, met vleesch en bloed onder de gedaanten van brood en wijn op het altaar tegenwoordig is, daarom moeten wij item eerbiedig aanbidden: het betaamt bijgevolg niet, dat men zich terstond na de Consecratie oprichte gelijk sommigen doen, die daarbij nog veel gerucht maken; integendeel, het betaamt dat men geknield blijve, ingeval men niet door ziekte of zwakheid verhinderd is, tot dat er op nieuw met de bel teeken gegeven wordt.

Na de Consecratie gaat de Priester in stilte met zijne gebeden voort. Hij houdt onder anderen de gedachtenis der overledenen, voor welke hij het H. Sacrificie opdraagt en ook voor de overige overledene Christenen. Op die plaats, B. B., behooren wij ook voor de overledenen te bidden, voor onze ouders, bloedverwanten en vrienden, opdat hunne zielen zoo spoedig mogelijk uit het vagevuur verlost en in den hemel opgenomen worden. Onze gebeden met die van den Priester tijdens de H. Mis vereenigd, zullen voorzeker aangenaam aan God, en voor de zielen des vagevuurs voordeelig zijn; \'t is hot gunstigste oogen-blik om voor haar te bidden.

Zoodra de Priester het vijfde gebed begint, onderbreekt hij de plechtige slilte en zegt: Nobis quoquc peccatoribus: Ook aan ons zondaren; hij slaat tevens op zijne borst en zet daardoor de geloovigen aan van hetzelfde te doen. Hier kunnen wij ons voorstellen de bekeering van den goeden moordenaar, die bedroefd over zijne misdaden, zich tot Jesus wendde en verzocht van hem indachtig te wezen, zoodra Hij in zijn rijk zoude gekomen zijn. Wij moeten dus hier ook een waar berouw over onze zonden verwekken en God bidden van ons barmhartig te zijn. Daarna begint de Priester het vijfde deel der Mis met het gebed des Heeren, voorafgegaan van eene korte voorrede.

-ocr page 222-

— 216 —

II.

Het gebed des Heeren, B. B., kunnen wij met den Priester bidden en gedenken tegelijkertijd de zeven woorden die Jesus aan het kruis sprak. In dien pijnlijken toestand beval Jesus onder anderen zijne Moeder Maria zijnen leerling Joannes aan, en in den persoon van Joannes schonk Hij ons allen tot kinderen aan Maria. Maria de Moeder van Jesus is dus onder het kruis onze Moeder geworden. Donken wij dikwijls aan dat liefdebewijs van onzen goddelijken Zaligmaker, en vergeten wij niet van dikwijls, vooral in den nood naar ziel of lichaam, onze toevlucht tot Maria te nemen.

De Priester het H. Saeriflcie vervolgende breekt de H. Hostie in twee deelen, maakt met het kleinste deel drie kruisen en laat het daarop in den kelk nedervallen. Bij liet breken der H. Hostie kunnen wij denken aan den pijnlijken dood, dien Jesus voor ons stierf aan liet kruis; en door dat de Priester bet kleinste deel in den kelk laat nedervallen, kunnen wij ons berinneren, dat de ziel van Jesus vereenigd met de godheid, nederdaalde ter belle, d. i., in de plaats waar de zielen der Aartsvaders en van andere rechtvaardigen opgehouden waren, om haar te troosten en te verlossen. De drie kruisen, welke de Priester met de H. Hostie maakt, beteekenen de drie dagen, gedurende dewelke het lichaam van Jesus in het graf rustte. De mengeling van liet deeltje der M. Hostie met het bloed van Christus beteekent: vooreerst, de vereeniging van zijne godheid met zijne mensciibeid in den schoot van de allerzuiverste Maagd Maria; vervolgens, de vereeniging van Jesus met de geloovigen in de H. Communie; en eindelijk, de eeuwige vereeniging der gelukzaligen met hunnen God in den hemel.

Een weinig daarna slaat zich de Priester op de borst, terwijl hij zegt: Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm u onzer: die woorden spreekt bij driemaal, doch de derde maal zegt hij in plaats van, ontferm u onzer, geef ons den

-ocr page 223-

vrede. Hier kunnen wij ons herinneren, hoe eenige personen, bij de kruisiging van Jesus tegenwoordig, op liet gezicht van zijnen dood en van de wonderen die er gebeurden, rouwmoedig op hunne borst sloegen, zich bekeerden, den Calvarieberg verlieten en zeiden: Waarlijk, deze was de Zoon Gods.

De «Priester voortgaande zegt in stilte drie gebeden: op de eerste plaats bidt hij vooral voor den vrede der I-I. Kerk; vervolgens begint de Communie; doch alvorens het lichaam en bloed van Christus te nutten, verwekt de Priester tot driemaal toe eene akte van ootmoedigheid: Heer, zegt hij, evenals de hoofdman, ik ben niet waardig dat Gij komt onder mijn dak, d. i., ik ben niet waardig of ik verdien niet U te ontvangen, maar spreek slechts een woord en mijne ziel zal gezond worden. Bij die woorden geeft de dienaar een teeken met de bel, om de geloovigen opmerkzaam te maken, dat de Nutting gaat beginnen. De Priester nut daarop eerst het lichaam, daarna het bloed van Christus. Hier kunnen wij ons voorstellen, hoe twee eerbiedwaardige mannen het lichaam van Christus van het kruis afnamen en in een nieuw steenen graf legden. Na de Nutting reinigt de Priester den kelk en wascht zich de vingers, waarmede hij de H. Hostie heeft aangeraakt, met wijn en water. Hier begint liet zesde en laatste deel der H. Mis.

III.

De dienaar draagt het hoek van den kant des Evangelie\'s naar den kant van den Epistel, waar het zich in het begin der H. Mis bevond. Daardoor kunnen wij ons herinneren, hoe onze goddelijke Zaligmaker den derden dag na zijnen dood vol heerlijkheid uit het graf opstond: ook dat het Evangelie op het einde der wereld aan de Joden zal verkondigd worden, en dat velen zich zullen bekeeren.

De Priester zegt aan den kant van den Epistel een of meer gebeden, waarna hij, in het midden des altaars teruggekeerd.

-ocr page 224-

— 218 —

dien kust en tot het volk gekeerd het groet, zeggende: Dominus vobiseum: De Heer zij met u: daarna zegt hij: Ite inissa est: Gaat, de Mis is geëindigd, ofwel: Benedicamus Domino: Laten wij den Heer loven: vervolgens zegent hij het volk, waarbij wij kunnen denken aan de nederdaling van den H. Geest over de Apostelen. Hij keert zich naar den kant van het Evangelie, en leest daar doorgaans, om de H. Mis te eindigen, het begin van het Evangelie van den H. Joannes. Het lezen van het laatste Evangelie kan ons herinneren, hoe de Apostelen na de nederdaling van den H. Geest terstond het Evangelie verkondigd, en vele Joden en Heidenen tot het waar geloof bekeerd hebben.

Na het laatste Evangelie gaat de Priester in het midden van het altaar, neemt den kelk en verwijdert zich, om in stilte God voor de ontvangen weldaden te bedanken.

Doch waarom wordt de H. Mis in de latijnsche, en niet in de volkstaal, bijv., in de fransche, duitsche of vlaamsche taal gelezen? Vooreerst, omdat de latijnsche taal de taal van Rome was, toen de Apostelen Petrus en Paulus liet waar geloof naar die stad overbrachten en van haar de hoofdstad der christenwereld maakten; ook was toen de latijnsche taal gansch het romeinsche gebied door verspreid. De tweede reden is, wijl de latijnsche taal niet evenals elke volkstaal verandert, en daarom zeer geschikt is voor onzen H. godsdienst, die onveranderlijk is. Eene taal, welke ook, die verandert, zoo sprak een groot geleerde, is niet geschikt voor een godsdienst, die niet verandert. Men bezigt ook nog de latijnsche taal, om de eenheid der H. Kerk voor te stellen en die te bewaren.

SLUITREDE.

Ziedaar, B. B., de Ceremoniën der H. Mis genoeg verklaard. Gij y.ult misschien denken: \'t is mij onmogelijk tijdens de H. Mis aan al die Ceremoniën en hare beteekenissen te denken. Ik antwoord: zulks is ook niet noodig om Mis te hooren. Doch

-ocr page 225-

iets dat wij allen gemakkelijk doen kunnen is, onze meening-met die van den Priester vereenigen en denken aan het lijden en den dood van onzen goddelijken Zaligmaker. Immers, het H. Sacrificie der Mis is de hernieuwing aan het bloedig Sacrificie des Kruises door Jesns opgedragen, doch het wordt hier hernieuwd op eene onbloedige wijze. Zoude het dan zoo moelelijk zijn tijdens de H. Mis van tijd tot tijd te denken aan hetgeen Jesus voor ons geleden heeft, dat Hij gevangen genomen, geboeid, gegeeseld en gekroond is geworden met doornen; onder de H. Consecratie ons Jesus voor te stellen, hangende aan het kruis en zijn goddelijk bloed tot den laatsten druppel vergietende voor de zaligheid onzer zielen? Ik geloof niet, B. B., dat die zaak zoo moelelijk is. En nochtans, door aan Jesus\' lijden, sterven en dood te denken, zullen wij goed Mis hooren; wij zullen ons aangespoord gevoelen tot eerbiedig-en godvruchtigheid, en Gods gunsten en genaden zullen wegens het stichtend bijwonen der H. Mis in overvloed op ons nederdalen. Amen.

-ocr page 226-

EEN - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE KLEEDEREN DES PRIESTERS

Facient vestimenta sancta fratri tuo Aaron et jlliü ejus.

Zij zullen uw broeder Aaron en deszelfs zonen heilige klecdorcn maken.

(Ex. xxviii, lt;•

INHOUD.

VOORREDE.

Alvorens onze onderrichtingen over het H. Sacrificie der Mis te eindigen, moeten wij nog spreken over de kleeding des Priesters aan het altaar en over derzelver kleuren.

VERDEELING.

I. Waarin bestaat de kleeding des Priesters?

II. Waarom de verschillende kleuren?

I.

1° De amict: de amict beteekent den helm des heils en het vast betrouwen op Jesus-Christus. Hij herinnert ons den doek, waarmede Jesus geblinddoekt werd.

-ocr page 227-

— 221 —

2° De alb: de alb beteekent de zuiverheid des Priesters. Zij herinnert ons het wit kleed, waarmede Herodes Jesus bespotte.

3° De singel; de singel leert den Priester zijne zinnen versterven.

4° De manipel: de manipel leert den Priester den arbeid beminnen.

5° De stool: de stool beteekent de macht en de waardigheid des Priesters, het kleed der onsterfelijkheid, den dienst of het zoete juk van God.

De singel, manipel en stool herinneren ons de koorden en ketenen, waarmede Jesus gebonden en beladen werd.

6° De kasuifel; de kasuifel beteekent de liefde, die het lijden verzoet. Zij herinnert ons den oud versleten mantel om Jesus\' schouders geworpen. De kolom op de kasuifel doet ons denken aan de marmeren kolom; het kruis aan het kruis van Christus.

II.

Er zijn vijf kleuren: wit, rood, groen, violet en zwart. Wat beteekenen die verschillende kleuren?

SLUITREDE.

Geschiedenis uit het leven van den H. Lucianus.

-ocr page 228-

— 222 —

EEN - EN - TWINTIGSTE ONDERICHTING

OVER DE KLEEDEREN DES PRIESTERS

Facient vestimenta sancta fratri tuo Aaron et filiis ejus.

Zij zullen uw broeder Aaron en deszelfs zonen heilige kleederen maken.

(Ex. XXVIII, 4.)

SLUITREDE.

Alvorens onze onderrichtingen over liet H. Sacrificie der Mis te eindigen, moeten wij nog spreken, B. B., over zekere voorwerpen, die ons telkens als wij liet H. Sacrificie der Mis bijwonen, onder het oog komen, doch waarvan wij of wel de beteekenis niet kennen, of waaraan wij niet denken; ik bedoel de bijzondere kleeding welke de Priester draagt, als hij het H. Sacrificie der Mis aan God opdraagt. In de Oude Wet had God de kleeding der Priesters streng voorgeschreven en nauwkeurig beschreven, en Aaron en deszelfs zonen streng bevolen daarmede gekleed te zijn tijdens den dienst in het heiligdom. Wat de kleeding der dienstdoende Priesters in de Nieuwe Wet betreft, liet lijdt geen twijfel of de Oversten der H. Kerk hebben die van de Apostelen overgenomen, ofschoon er met verloop van tijd veel veranderingen gekomen zijn, die getal en vorm aangaan. Zien wij dus:

I. De voornaamste kleederen van den Priester;

II. De verschillende kleuren er van.

I.

De voornaamste kleederen des Priesters zijn als volgt: de amict, de alb, de singel, de manipel, de stool en de kasuifel.

De amict, ook wel humerale genoemd, is een linnen doek, dien de Priester, na er eerst zijn hoofd mede gedekt te hebben,

-ocr page 229-

om den hals en om de schouders slaat. De amict beteekent den lielm des lieils, d. i., het vast betrouwen op Jesus-Christus, waardoor wij ons tegen de aanvallen van den vijand onzer zaligheid, den duivel, moeten beschermen. De amict dient ook om ons den doek te herinneren, dien de soldaten Jesus in het huis van Caïphas voor de oogen bonden, waarna zij Hem op de schandelijkste wijze mishandelden.

De alb is een lang wit linnen kleed. Zij beteekent de noodige zuiverheid van den Priester en herinnert ons het witte kleed dat Herodès Jesus deed aantrekken, en waarmede hij Hem als een zinnelooze naar Pilatus terugzond.

De singel is een gordel, waarmede de Priester zich de lenden omgordt en de alb vastmaakt. Hij doet den Priester denken, dat hij zijne zinnen moet versterven om immer in onthouding en kuischheid te leven.

De manipel is een band, dien de Priester aan den linker arm draagt. Hij doet hem denken, dat hij, om zijne plichten te volbrengen, het zweet en de vermoeienis van den arbeid niet moet vreezen, om eenmaal de belooning voor don arbeid te bekomen.

De stool, die de Priester draagt, heeft veel beteekenissen. De stool is vooreerst een teeken van de macht en waardigheid des Priesters; daarom wordt zij altijd gedragen als de Priester het woord Gods verkondigt of de H. Sacramenten toedient. De stool beteekent ook het kleed der onsterfelijkheid, dat wij door de zonde verloren, doch door de verdiensten van Jesus-Christus teruggekregen hebben. De stool beteekent ook nog den dienst van God of het juk des Heeren, dat zoet is, gelijk Jesus zelf verklaart: Jugum meum suave esl. Tijdens het H. Sacri-licie der Mis draagt de Priester de stool over de borst gekruist; in andere plechtigheden, bijv., tijdens het Lof draagt hij ze recht af, en de diaken draagt ze in de li. Mis dwars over den schouder.

-ocr page 230-

De singel, manipel en stool verbeelden de ketenen, touwen en koorden, -waarmede onze goddelijke Zaligmaker beladen, geboeid en aan de marmeren kolom gebonden werd.

De kasuifel verbeeldt ons de liefde, die ons het kruisdragen verzoeten en verlichten zal. Van de voorzijde heeft de kasuifel den vorm eener kolom; van de achterzijde, den vorm van een kruis.

De kasuifel, B. B., herinnert ons den oud versleten purperen mantel, dien de soldaten Jesus na de geeseling om zijne doorwonde schouders wierpen, om Hem in dien ellendigen toestand te bespotten en te folteren. De kolom, op de voorzijde afgebeeld, herinnert ons do marmeren kolom, waaraan Jesus tijdens de geeseling vastgemaakt was: het kruis, op de achterzijde afgebeeld, herinnert ons het kruis, dat Jesus op zijne doorwonde schouders naar den Calvarieberg droeg, om er aan vastgenageld te worden. Ziedaar, B. B., de verschillende kleederen des priesters tijdens het onbloedig Sacrificie der Mis, en die ons eenige werktuigen van het bloedig Sacrificie des Kruises voor öogen stellen. Zien wij nu nog wat de verschillende kleuren van de kleederen des Priesters beteekenen.

II.

Men telt vijf kleuren, B. B., wit, rood, groen, violet en zwart.

Het wit beteekent de vreugde, de glorie en de zuiverheid. Daarom gebruikt de H. Kerk die kleur op de feestdagen van Christus, van zijne Moeder Maria, van de Engelen, Belijders, Maagden en andere Heiligen, die geene Martelaren zijn; ook gedurende den paaschtijd tot teeken van blijdschap over de verrijzenis van Christus.

Het rood beteekent het vuur der liefde, dat de H. Geest in onze harten ontsteekt, en het bloed der Martelaren. Daarom gebruikt de PI. Kerk die kleur op Pinksterendag, waarop het

-ocr page 231-

oor

feest gevierd wordt van de nederdaling van don H. Geest over do Apostelen, en ook op do feestdagen der Martelaren,

Het groen beteekent de hoop en de begeerte naar den hemel, ook de zuiverheid der zeden, waardoor de Christen, evenals een groene boom, opgroeit tot de volmaaktheid en den hemel. De H. Kerk gebruikt die kleur op de dagen, die noch feest - noch boetedagen zijn.

Het violet beteekent de boetvaardigheid. Daarom gebruikt de II. Kerk die kleur in den advent en de vasten; ook op de biddagen en als er een mysterie gevierd wordt, dat ons tot droefheid moet stemmen.

Het zwart beteekent den rouw en den dood. Daarom gebruikt de H. Kerk die kleur bij de begrafenis en uitvaart, in de Missen voor de overledenen en op Goeden Vrijdag. Nochtans, de Priester kan de Mis lezen of zingen voor de overledenen en ze op de zielen des vagevuurs toepassen, ook op die dagen, waarop het een of ander feest verbiedt in het zwart te lezen of te zingen; de vruchten van het H. Sacrificie worden daarom niet minder op de geloovige zielen toegepast.

Bij deze, B. B., wil ik nog de beteekenis geven van eenige andere voorwerpen, ook van eenige handelingen, die bij het opdragen van het II. Sacrificie der Mis plaats hebben.

Het altaar met het kruis, waarop het H. Sacrificie opgedragen wordt, verbeeldt ons den Calvariëberg met hot kruis, waarop Jesus zich zeiven aan God zijn hemelschen Vader opofferde.

De kelkdoeken beteekenen het lijkgewaad en de doeken, waarin Nicodemus en Joseph van Ariraathëa het lichaam van Jesus wikkelden, alvorens het te begraven.

Het kruisteeken dat do Priester zoo dikwijls tijdens de H. Mis maakt, dient tot gedachtenis aan do pijnen en smarten die Jesus tijdens zijn lijden en bij zijnen dood geleden heeft.

GKLOOFS-HN ZBDBNLEER. DBKI.. 15.

: IP1!

IP

P | i

1.....

illi

t

\'■ ..M

\'I i\'

ifl

|j|

ii

-ocr page 232-

— 226 —

De opheffing der H. Hostie in het midden der H. Mis toont ons den Zaligmaker aan liet kruis verheven.

De opheffing van den kelk dient onder anderen om ons te herinneren de scheiding van Jesus\' ziel van zijn lichaam, gelijk zij wezenlijk bij zijnen dood plaats had.

De gebeden die de Priester met luider stemme spreekt, maken ons de zeven woorden indachtig, die Jesus aan het kruis sprak.

De zuivering van den kelk en het opvouwen van den grooten kelkdoek bij het einde der nutting, herinneren ons de verschillende omstandigheden der begrafenis van Christus, namelijk, hoe zijn goddelijk lichaam vaft het kruis afgedaan, gewasschen, gebalsemd, in den lijkdoek gewonden en nedergelegd werd in het graf. Ziedaar B. B., de beteekenis van de kleeding des Priesters en van de verschillende kleuren dier kleeding. Ten slolte wil ik u nog eene treilende geschiedenis verhalen waaruit blijken zal, dat wij naar het voorbeeld der eerste Christenen ei\' belang in moeten stellen van zoo dikwijls mogelijk de H. Mis bij te wonen.

SLUITREDE.

De H. Lucianus werd met eenige andere priesters door de vervolgers van het geloof in de gevangenis geworpen. De Christenen waren daarover ten uiterste bedroeld, ja zelfs ontroostbaar. De voornaamste reden hunner droefheid zal blijken uit het volgende. De Christenen kochten voor veel geld de bewakers der gevangenis om, en konden op die wijze bij den H. Lucianus komen. De gevangenis was met een Hauw licht verlicht; zij zagen hunnen herder op zijn rug uitgestrekt ter aarde liggen; hij was aan den grond zoodanig vastgemaakt, dat hij niets kon verroeren dan zijne armen en handen. Zoohaast als de Christenen hem zagen, konden zij hunne tranen niet weder-houden: Mijne lieve kinderen, sprak de H. Lucianus, waarom weent gij? Verheugt u liever en kust mijne ketenen, zij houden

-ocr page 233-

wel mijn lichaam gevangen, dat is waar, maar zij veroorzaken mij groote vreugde, omdat zij mij weldra den hemel zullen openen. Ach, Heilige Vader! antwoordden zij, wij weenen niet zoozeer over de smarten die gij lijdt, want wij weten dat zij u aangenaam zijn; maar wij weenen bij de gedachte dat het morgen de feestdag der H. Driekoningen is, en dat wij het geluk niet zullen hebben de H. Mis te hooren en de H. Communie te ontvangen, aangezien gij met al uwe Priesters gevangen zijt; dat is de grootste reden onzer droefheid. Lucianus stortte tranen van aandoening en sprak met eene ontroerde stem: Weent niet, mijne kinderen, komt morgen vroeg weder met alles wat noodig is om de H. Mis te lezen, en ik zal u troosten. De Christenen keerden naar huis terug, brachten den ganschen nacht door in het gebed en begaven zich \'s morgens vroeg naar de gevangenis, met alles wat noodig is tot het H. Sacrificie der Mis. Lucianus onthaalde hen met vreugde en bereidde zich om de H. Mis aan God op te dragen. Maar hoe de H. Mis opdragen? Hij was aan den grond vastgemaakt; werd hij dan eerst losgemaakt? Neen, B. B., doch ziet wat er gebeurde. Lucianus op zijnen rug uitgestrekt maakte van zijne borst een altaar; hij ontplooide daarop den Corporaaldoek, nam den kelk en de pateen en las in die houding de H. Mis. Hij deed den wijn met een weinig water in den kelk, las de prefatie, sprak de woorden der Consecratie uit en nutte vervolgens het lichaam en bloed van Christus, in een woord, hij verrichtte al de deelen der H. Mis op zijne borst en gaf daarna de H. Communie aan de Christenen die tegenwoordig waren. Ziedaar, B. B., wat de vurige Christenen in de eerste eeuwen deden, welke moeite zij zich gaven om de H. Mis bij te wonen en de H. Communie te ontvangen. En helaas! Wat ziet men in onze dagen? Ik weet wel, alle menschen kunnen niet alle dagen naar de kerk gaan om de H. Mis bij te wonen; velen worden daarin door hunne bezigheden of om andere wettige redenen verhinderd; doch hoe velen treft men er niet aan, die tijd genoeg hebben en door

-ocr page 234-

— 228 —

geene bezigheden belet worden, en die toch de schoonste gelegenheden laten voorbijgaan? Welk eene lauw-en onverschilligheid! Eenmaal, doch helaas! te laat zullen zij het beklagen. Dat wij allen dus door deze treffende geschiedenis aangespoord worden van zoo dikwijls mogelijk de H. Mis bij te wonen; zijt verzekerd, B. B., wij zullen er later geen berouw over hebben; integendeel, wij zullen er ons over verheugen om de kostbare vruchten die wij er door deelachtig zullen worden naar ziel en lichaam, voor tijd en eeuwigheid. Amen.

-ocr page 235-

TWEE - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE BIECHT

Accipite Spiritum Sanctum, quorum remiseritis peccata remittuntur eis, et quorum retinueritis retenta sunt.

Ontvangt den Heiligen Geest, wier zonden gij zult vergeven hebben worden hun vergeven, en wier zonden gij zult wederhouden hebben zijn wederhouden. (Joan, xx, 24,)

INHOUD.

I

I

VOORREDE.

Gelijk het met de ziekten des lichaams gelegen is, zoo is het ook gelegen met de ziekten der ziel: deze moeten genezen worden door het Sacrament van Boetvaardigheid.

De Boetvaardigheid wordt genomen;

1° Voor de deugd van Boetvaardigheid;

2° Voor de straf of penitentie;

3° Voor het Sacrament der Biecht.

Dit Sacrament wordt ook genoemd Sacrament van verzoening, de tweede reddingsplank na de schipbreuk, en het tweede Doopsel.

VERDEELING.

I. Wat is de Biecht?

II. Welke zijn de uitwerksels der Biecht?

1

-ocr page 236-

— 230 —

I.

De Biecht is een Sacrament van Christus ingesteld, in hetwelk door de priesterlijke macht de zonden die na het Doopsel gedaan zijn, vergeven worden. Alles wat tot het wezen van een Sacrament vereischt wordt, wordt in de Biecht gevonden: het uitwendig teeken, de instelling van Christus en de bijzondere genade. Christus had beloofd de Biecht in te stellen, en Hij heeft ze ingesteld. In de Biecht worden vergeven allo zonden die na het Doopsel gedaan zijn. De Biecht is van eene volstrekte noodzakelijkheid, inderdaad, of althans met de begeerte ontvangen. Er zijn vier deelen van de Biecht.

II.

Wij verkrijgen door de Biecht:

1° De heiligmakende genade;

2° De vergiffenis van onze zonden;

3° Bijzondere genade om niet te hervallen.

De bovennatuurlijke deugden worden ook opnieuw ingestort, de verdiensten der goede werken komen terug, en er ontstaat doorgaans gerustheid van geweten en inwendige vrede.

SLUITREDE.

Bedanken wij God, dat Hij het H. Sacrament der Biecht heeft ingesteld, en trachten wij het dikwijls en altoos naar behooren te ontvangen.

-ocr page 237-

— 231 —

TWEE - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE BIECHT

Accipite Spirit-um Sanctum, quorum remiseritis peccata remittuntur cis, et quorum rctinucritis rctenta sunt.

Ontvangt den Heiligen Geest, wier zonden gij zult vergeven hebben worden liun vergeven, en wier zonden gij zult wederhoudon hebben zijn wederhouden. (Joan, xx, »s.)

*

i h

VOORREDE.

Als de mensch naar het lichaam ziek is, B. B., heeft hij geneesmiddelen noodig om te herstellen; zoo is het ook gelegen met de ziel, als zij ziek is. De ziel is gevaarlijk, doodelijk ziek door de doodzonden, zij is minder gevaarlijk en dus niet doodelijk ziek door de dagelijksche zonden; zij moet van hare ziekten herstellen en heeft dus geneesmiddelen noodig, en onder die geneesmiddelen schijnt uit het II. Sacrament van Boetvaardigheid.

Het woord Boetvaardigheid heeft verschillende beteekenissen.

Het beteekent: vooreerst de deugd van boetvaardigheid, d. i., eene genegenheid der ziel, waardoor de mensch berouw gevoelt over zijne zonden en zich tot God bekeert. In dien zin is de boetvaardigheid ten allen tijde noodzakelijk geweest voor allen die doodelijk gezondigd hadden, om de heiligmakende genade terug te bekomen. Daarom sprak God door den mond van zijnen Profeet Ezechiel: Bekeert u en doet boetvaardigheid over al uwe zonden. En door den mond van Jesus-Christus zijn eenigen Zoon: Zoo gij geene boetvaardigheid doet, zult gij allen vergaan; vervolgens, de straf of penitentie, waardoor de zondaar zijne zonden uitboet; eindelijk, het Sacrament der Biecht, \'t Is over de boetvaardigheid in dezen zin genomen, dat wij bijzonder moeten handelen.

||

1

\' \'i

) I i

-ocr page 238-

Het Sacrament der Biecht wordt genoemd het Sacrament van verzoening, omdat do zondaar, die vijand van God is, zich in de Biecht met God verzoent. Het wordt ook genoemd de tweede reddingsplank na de schipbreuk. Wij allen, B. B., hebben eenmaal schipbreuk geleden en zouden verloren zijn geweest, zoo God ons geene reddingsplank had toegeworpen. Welke is die eerste schipbreuk? De erfzonde. Welke de reddingsplank? Het Doopsel. De mensch, die na gedoopt te zijn in doodzonde valt, lijdt opnieuw schipbreuk; hij zoude niettegenstaande gedoopt en éénmaal gered te zijn, nog verloren gaan, wierp God hem voor de tweedemaal geene reddingsplank toe. En welke is die tweede reddingsplank? Hot H. Sacrament der Biecht. Het wordt nog genoemd het tweede Doopsel. Evenals het Doopsel dient om ons het geestelijk leven te bezorgen, zoo dient de Biecht om ons dat leven, na het door de doodzonde verloren te hebben, terug te bezorgen.

Er moet ons veel aangelegen liggen dit Sacrament goed te te kennen, ten einde het altoos waardig te ontvangen; te meer, omdat men zich door de Biecht voorbereidt om het H. Sacrament des Altaars te ontvangen. Als men dus het Sacrament der Biecht goed ontvangt, dan ontvangt men het H. Sacrament des Altaars ook goed; doet men eene heiligschendende Biecht, dan doet men ook nog eene heiligschendende Communie, zoo men zich verstout in dien staat tot de H. Tafel te naderen. Ziedaar welke noodlottige gevolgen eene slechte Biecht na zich sleept. Die slecht biecht stapelt doorgaans zonden op zonden, heiligschendingen op heiligschendingen. Zien wij vandaag:

I. Wat de Biecht is;

II. Welke de uitwerksels der Biecht zijn.

-ocr page 239-

I.

De Catechismus vraagt:

Wat is de Biecht of penitentie? En hij antwoordt;

Een Sacrament van Christus ingesteld, in hetwelk door de priesterlijke macht, de zonden die na het Doopsel gedaan zijn, vergeven worden.

De Biecht is vooreerst een Sacrament. Alles wat vereischt wordt tot het wezen van een Sacrament, wordt in de Biecht gevonden. Zij is een uitwendig teeken. Dat uitwendig toeken bestaat vooral in de woorden der Absolutie, die de Priester spreekt, en zeer waarschijnlijk ook in de drie akten van den biechteling, want hij moet eenc rouwmoedige belijdenis doen met den wil van de penitentie te volbrengen.

Do Biecht is van Christus ingesteld. Onze goddelijke Zaligmaker had reeds voor zijn lijden, eerst aan Petrus, en daarna ook aan de overige Apostelen beloofd hun de macht te geven van te binden en te ontbinden, d. i., van de zonden te weder-houden en te vergeven: die belofte volbracht Hij op den dag zijner verrijzenis. Want:

Wanneer heeft Christus de biecht ingesteld?

Op den dag zijner verrijzenis, wanneer hij aan zijne Apostelen gezeid heeft: ontvangt den Heiligen Geest: welker zonden gij zult vergeven hebben, worden hun vergeven: en welker zonden gij zult wederhouden hebben, zijn weder-houden. En:

Wat macht hebben de Apostelen daardoor ontvangen?

De macht om de zonden te vergeven of te wederhouden.

De Biecht beteekent eene bijzondere genade, die er ons door ■ gegeven wordt, en die genade is de vergifl\'enis van alle zonden, die na het Doopsel gedaan zijn.

De Apostelen dus hebben van Christus de macht gekregen om de zonden te vergeven of te wederhouden. Doch:

-ocr page 240-

— 234 —

Is die macht voor de Apostelen alleen geweest?

Neen, maar voor alle priesters.

Vandaar dat de Catechismus zegt dat de zonden vergeven worden door de priesterlijke macht.

Alle wettig gewijde priesters hebben dus van Christus de macht ontvangen om de zonden te vergeven of te wederhouden.

Wanneer gebruiken de priesters die macht?

Als zij de absolutie geven of uitstellen. Doch:

Mogen de priesters de absolutie geven of uitstellen volgens hunne beliefte?

Neen, maar zij moeten dat doen volgens ieders gesteltenis.

De priester moet dus de absolutie geven aan hen die ze verdienen of waardig zijn, en hij moet ze weigeren aan hen die ze niet verdienen of onwaardig zijn.

De priester moet de absolutie geven aan hen die ze waardig zijn. Waarom? Omdat hij vermelde macht ontvangen heeft ten voordeele van de geloovigen, en omdat de geloovigen, die de absolutie waardig zijn, er recht op hebben.

De priester moet de absolutie weigeren aan hen die ze onwaardig zijn. Waarom? Omdat hij de uitdeeler is van Gods heilige mysteriën, en hij moet zich daarin als een trouwe dienaar gedragen: zoo hij nu de absolutie gaf aan iemand die ze onwaardig is, dan zoude hij medewerken, vooreerst in de onteering der H. Sacramenten, en vervolgens in zijn eigen ongeluk en dat van den biechteling.

De zonden die na het Doopsel gedaan zijn. De Catechismus vraagt:

Van welke zonden kan men door de biecht vergiffh. is bekomen? En hij antwoordt:

Van alle zonden die na het Doopsel gedaan zijn, hoe groot of hoe zwaar zij ook zouden mogen wezen.

-ocr page 241-

Dus worden door de Biecht vergeven do zonden die na het Doopsel gedaan zijn: de zonden die voor het Doopsel gedaan zijn, worden door het Doopsel vergeven. Alle zonden, zonder onderscheid, hoe groot zij ook zijn en hoe dikwijls zij ook gedaan zijn.

Toen Jesus zijne Apostelen beloofd had van hun de macht te geven van de zonden te vergeven, vroeg Pbtrus, hoe dikwijls hij mocht vergeven. Heer! zeide hij: Hoe dikwijls zal mijn broeder zondigen, en zal ik hem vergeven? Zevenmaal? Usque seplies? En wat antwoordde Jesus? Ik zeg niet zevenmaal, maar zeventigmaal zevenmaal, sed usque septuagies seplies, (l) d. w. z., zoo dikwijls hij u vergiffenis vraagt en de absolutie waardig is. Men kan dus door de Biecht vergiffenis bekomen van al zijne zonden die na het Doopsel gedaan zijn. Doch de Biecht is niet alleen een middel, maar zij is ook een noodzakelijk middel, d. i., zonder de Biecht, inderdaad, of ten minste mot de begeerte ontvangen, zoo men ze inderdaad niet kan ontvangen, kan men van geene doodzonde na het Doopsel gedaan, vergiffenis bekomen; bijgevolg is de Biecht niet naar willekeur, doch noodzakelijk voor iemand, die na het Doopsel doodelijk gezondigd heeft.

Men zal misschien denken en zeggen: \'t Is toch alles behalve aangenaam zijne zonden, die geen sterveling kent, en waarover men zoo beschaamd is, te moeten belijden aan een priester, \'t Is waar, B. B. Maar zoude het aangenamer zijn voor die zonden eeuwig te branden in de hel?

Maar Jesus-Christus had een ander middel kunnen daarstellen, bijv., in plaats van te biechten, eene Mis hooren. \'t Is waar; Jesus had liet kunnen doen, maar wat wilt gij? Hij heeft het niet gedaan; Hij heeft de Biecht en geen ander middel ingesteld; Hij is de Opperwetgever, het kostte dus wat het wil, men kan hoog of laag springen, degene die na het Doopsel doodelijk gezondigd heeft, hetzij Paus of geloovige, hetzij koning of bedelaar, wil hij vergiffenis van zijne zonden bekomen, hij moet het

(1) Mattii. xviii, 22.

-ocr page 242-

Sacrament der Biecht ontvangen. Wat het raiddel nu betreft dat Christus ingesteld heeft, namelijk, de Biecht, weten wij, en zijn wij er wol van overtuigd, dat God in zijne oneindige wijsheid een goed middel gekozen heeft, ora op die wijze de zonden zoo veel mogelijk te beletten. De Catechismus vraagt:

Hoeveel ((celen zijn er noodig tot hel Sacrament der penitentie? En lüj antwoordt:

Drij: berouw, belijdenis of biecht, en voldoening.

De biechteling moet dus bedroefd zijn over zijne zonden, hij raoet ze belijden of biechten aan den priester, en de penitentie volbrengen hem door den biechtvader opgelegd. Doch:

Wat moet de priester daar bijvoegen, om het Sacrament te voltrekhen?

De absolutie, waarin de kracht van het Sacrament meest gelegen is.

Er zijn dus eigenlijk vier deelen van de Biecht: drie van den kant van den biechteling: berouw, belijdenis en voldoening, en een van den kant van den biechtvader, namelijk, de absolutie. Ziedaar, B. B., wat de Biecht is. Zien wij nu op de tweede plaats hare uitwerksels.

II.

De Catechismus vraagt:

Wat verkrijgen wij door de absolutie of het Sacrament der biecht? En hij antwoordt:

Ten 1, de heilig makende gratie of de vermeerdering der zelve; ten 2, vergiffenis van onze zonden; ten 3, dadelijke gratiën om in de zonden niet te hervallen en er voor te voldoen.

De mensch verkrijgt dus de heiligmakende genade, die hij door de doodzonde verloren had; zijne ziel wordt wederom schoon en aangenaam aan God: ofwel, zoo hij de heiligmakende

-ocr page 243-

genade niet verloren had, hij heeft, bijv., enkel dagelijksche zonden bedreven, dan verkrijgt hij de vermeerdering van de heiligmakende genade; zijne ziel wordt schooner en aangenamer aan God.

De mensch verkrijgt vergiffenis van zijne zonden, en wel door de instorting der heiligmakende genade. Wat de schuld betreft, deze wordt altoos vergeven, doch wat de straf voor de zonden te ondergaan aangaat, de eeuwige straf, die de zondaar schuldig was te lijden voor de doodzonden, wordt vergeven, maar er blijft doorgaans eene tijdelijke straf, hier of hiernamaals in het vagevuur, te betalen.

De mensch verkrijgt ook nog de dadelijke genade of eene bijzondere hulp om in de zonden niet te hervallen, om zich te wachten van do zonden, die men gebiecht, en waarvan men vergiffenis bekomen heeft; ook eene bijzondere genade om voor de zonden te voldoen, d. i., om ze reeds in dit leven door werken van boetvaardigheid zoo goed mogelijk uit te boeten, en op die wijze geheel en al aan de goddelijke rechtvaardigheid te voldoen.

Bij vermelde uitwerksels kunnen wij nog voegen: het herleven der deugden en verdiensten, de gerustheid van geweten en den inwendigen vrede.

Door de doodzonde had de mensch schier alle bovennatuurlijke deugden verloren; hij had verloren de verdiensten, die hij in staat van genade door zijne gebeden en goede werken vergaderd had; daar hij zich nu oprecht bekeert en eene goede biecht spreekt, worden hem met de heiligmakende genade de bovennatuurlijke deugden wederom ingestort, en krijgt hij de verdiensten zijner goede werken terug, zoodat deze opnieuw door God zullen beloond worden. Hoe de zondaar gesteld is na eene goede biecht gesproken te hebben, is moeielijk te zeggen. Toen hij nog in staat van doodzonde verkeerde, was hij terneergeslagen cn bedrukt; zijn geweten knaagde en verweet hem zijne ondankbaarheid; ook kwam hem dikwijls het gevaar, waarin hij verkeerde, voor

-ocr page 244-

— 238 —

oogen. En inderdaad: nauwelijks heeft de zondaar bij dezen of genen persoon, in dit of dat gezelschap wat vreugde genoten, of alleen zijnde denkt hij aan het gevaar, waaraan hij is blootgesteld: Kom ik van nacht, denkt hij, zoo te sterven, dan ben ik voor eeuwig verloren; dan zal ik in de hel voor eeuwig moeten branden. En hij heeft gelijk, 3. B , want, waarom zoude hem niet kunnen overkomen, hetgeen aan zooveel anderen overkomen is? Kan hij ook niet evenals zooveel anderen in den nacht plotseling sterven? En in dat geval heeft hij gelijk van te denken: dan ben ik voor eeuwig verloren; want zijne ongelukkige ziel zoude in de hel ontwaken. Hoe is de zondaar gesteld bij het een of ander levensgevaar, bijv., bij. een zwaar schielijk opkomend on weder? Laat de almachtige, majesteitvolle God zijne bliksems flikkeren, zijne donders ratelen, de deugdzame mensch is reeds bang, en de zondaar zoude niet bang wezen? En te recht is hij bang; want zoude do Almachtige, dien hij zoo dikwijls vergramd en beleedigd heeft, zoude Hij zich op hem niet kunnen wreken? Is de maat der zonden soms niet vol? En heeft God bij zich zeiven niet gezegd: Tot hiertoe zal die zondaar komen en niet verder? \'t Is dus maar al te waar hetgeen de H. Schrift zegt: Er is geen vrede voor de goddcloozen: Non est pax impiis: do goddelooze is gelijk aan eene bruisende zee die niet kan bedaren. Hoe kan die ongelukkige nu een einde stellen aan zijne onrust, aan de knaging van zijn geweten? Door eene goede biecht te spreken. Nauwelijks heeft hij zijne zonden met eene ware droefheid, met eon vast voornemen van zich te beteren, beleden, of ziet, hij is geheel en al veranderd; hij is opgebeurd, gerust, tevreden, hij kent zich zelvon niet meer.

Het gebeurt wol eens, B. B., dat de zondaar, na zich oprecht bekeerd en goed gebiecht te hebben, ongerust blijft. In dergelijk geval heeft hij niets anders te doen dan zijnon staat aan zijn biechtvader bekend te maken, de reden zijner onrust te openbaron, en zich vervolgens aan de uitspraak van don biechtvader

-ocr page 245-

— 239 —

te onderwerpen. God laat die ongerustheid soms toe, om den zondaar op de proef te stellen, en om hem op die wijze zijne zonden te doen uitboeten.

SLUITREDE.

Wij hebben nu gezien, B. B., wat de Biecht is en welke hare voornaamste uitwerksels of voordeelen zijn. Bedanken wij God, dat Hij dit Sacrament hoeft ingesteld. Onze goddelijke Zaligmaker was er voorzeker niet toe verplicht. Had Hij reeds niet genoeg gedaan door voor ons te lijden, te sterven en ons zóó te verlossen, door het H. Sacrament des Doopsels voor ons in te stellen? Eenmaal heeft Hij ons gezuiverd van de zonden; in dien staat van zuiverheid hadden wij moeten volharden; God zoude ons daarin bijgestaan hebben. Hij zoude reeds meer voor ons gedaan hebben dan Hij verplicht was te doen; doch ik vraag het u: Wat zoude er van ons geworden zijn, zoo God tiet H. Sacrament der Biecht niet ingesteld had? Bedanken wij dus den goeden God, ik herhaal het, en zorgen wij van dikwijls naar behooren dit Sacrament te ontvangen, om deszelfs voordeelen deelachtig te worden. Amen.

-ocr page 246-

DRIE - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER HET ONDERZOEK VAN GEWETEN

Redde rationem villicationis tua.

Geef rekenschap van uw rentmeesterschap.

(Luc. xvi, s).

INHOUD.

VOORREDE.

Laatstleden hebben wij gesproken over de Biecht en hare uitwerksels of voordeelen; vandaag zullen wij zien wat men moet doen om eene goede biecht te spreken. Men moet: 1° God bedanken;

2° Den H. Geest om gratie bidden;

3° Zijne conscientie onderzoeken;

4° De akten van geloof, hoop, liefde en bijzonder eene akte van berouw verwekken;

5° Te biechten gaan;

ü0 Zijne penitentie volbrengen.

VERDEELING.

I. Hoe moet men zijn geweten onderzoeken?

H. Waaraan moet men vooral denken om hetjgoed te doen?

-ocr page 247-

Hoo irioet men zijn geweten onderzoeken? Naarstiglijk.

Hoeveel tijd moet men daaraan besteden? Zoo veel tijd als er noodig is om zijne zonden indachtig te worden.

Waaraan moet men eerst denken? Wanneer men de laatste keer te biechten is geweest.

II.

Hoe kan men gemakkelijk zijn geweten onderzoeken? Met te overwegen de tien geboden Gods, enz.,

Kan men cene slechte biecht spreken, omdat men zijn geweten niet goed onderzocht heeft? Ja, als men door groote onachtzaamheid de oorzaak is dat men cene doodzonde achterlaat of zich in gevaar stelt van er cene achter te laten.

Wat moet men nu denken van zekere personen, die te biechten gaan cn hun geweten niet onderzoeken?

SLUITREDK.

In het onderzoek van geweten moet men zorgen:

1quot; Van niet te gauw te zijn;

2° Van zich niet te bedriegen door groote zonden voor kleinigheden aan te zien.

Men moet ook niet bang zijn, niet denken dat de biecht eene pijnbank, en God een tiran is. Om zich het onderzoek van geweten te vergemakkelijken moet men dikwijls te biechten gaan.

Gbloofs - en Zedenleer. 4je duel 16.

-ocr page 248-

— 242 —

DRIE - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER HET ONDERZOEK VAN GEWETEN

Redde mtionem villicationis tuce.

üeef rokonsohap van uw rentmeesterschap.

(Luc. XVI, 2.)

VOORREDE.

In onze voorgaande onderrichting, B. B., hebben wij gezien wat het Sacrament der Biecht is, en wat wij er dooi\' kunnen verkrijgen. Doch om de uitwerksels of voordeden der Biecht deelachtig te worden, moet men, gelijk gemakkelijk te begrijpen is, het Sacrament waardig ontvangen. De Catechismus nu vraagt:

Wat moei men doen, als men le biechten gaal? En hij antwoordt:

Ten 1, God bedanken; ten 2, den Heiligen Geest om gratie hidden; ten 3, zijne consoienlie onderzoeken; ten 1, de akten van Geloof, Hoop en Liefde, en bijzonder van Berouw verwekken; ten 5, te biechten gaan; ten (i, de penitentie volbrengen.

Vooreerst moet men God bedanken.

Waarom moeten wij God bedanken?

Omdat hij ons in geene grootere of meerdere zonden heeft laten vallen, en in onze zonden niet heeft leden sterven.

Zoo kan men, bijv., zeggen: Mijn God! ik bedank u voor al uwe weldaden, doch bijzonder dat gij mij bewaard hebt van meer en grootere zonden, en dat ik niet in staat van doodzonde gestorven en voor eeuwig verloren ben.

Vervolgens moet men den H. Geest om genade bidden.

Waarom moet men den 11. Geest om gratie bidden?

Om onze zonden en hunne boosheid le kennen, een oprecht berouw le verwekken, en eene rechtzinnige biecht te spreken.

-ocr page 249-

— 243 —

Mén moet dus don H. Geest bidden om te weten hoe veel en hoe groote zonden men bedreven heeft, om er waarlijk bedroefd over te zijn, en om eene oprechte biecht te spreken, d. i., om zijne zonden rechtuit aan den biechtvader te belijden. Na God bedankt en den H. Geest om genade gebeden te hebben, moet men zijn geweten onderzoeken, \'t Is over het onderzoek van geweten dat wij vandaag zullen spreken.

I. Hoe moet men zijn geweten onderzoeken?

II. Waaraan moet men vooral denken om het goed te doen?

I.

Zijn geweten onderzoeken, B. B,, is niets anders dan bij zich zeiven nadenken, om de zonden die men bedreven heeft, met getal en omstandigheden indachtig te worden, welke zonden en hoe dikwijls men ze gedaan heeft. De Catechismus vraagt;

Hoe moei men zijne conseicnlic onderzoeken? En hij antwoordt:

Neersiiglijh. En:

Welke neerstigheid moet men daartoe besteden?

Dezelfde neerstigheid die men gewoon is te besleden in zaken van aangelegenheid.

i

Wat doet gij, B. B., als gij eene zaak van aanbelang gaat ondernemen, eene zaak waarvan veel afhangt, die veel voordeel of nadeel kan bijbrengen? Gij denkt bij u zeiven na, hoe de zaak beginnen, welke middelen aanwenden om ze te doen gelukken. Gij moet, bijv., een paard koopen. Wat doet gij dan? Gij vraagt don eigenaar naar den ouderdom van het paard, ol hot geeno gebreken heeft, cn na den eigenaar reeds gehoord te hebben, gaat gij zelf nog eens onderzoeken, of het wel waar is hetgeen hij gezegd heeft. Waarom? Om niet bedrogen te worden. Als men dus in tijdelijke zaken zoo naarstig te werk gaat, met hoeveel meer naarstigheid moet men dan te werk gaan, als

-ocr page 250-

— 2-14 —

er sprake is van geestelijke zaken, van zaken die onze onsterfelijke ziel aangaan, en die van veel grooter belang zijn?

Veronderstelt eens dat gij in staat van doodzonde zijt; bijgevolg zijt gij dood, dood in de oogen van God, dood voor den hemel, dien gij niet kunt verdienen. Gij kunt in dien staat komen te sterven; bijgevolg loopt gij gevaar van naar de hel te gaan en daarin voor eeuwig te moeten branden. Wat wordt er nu vereischt om u uit die akelige en gevaarvolle stelling te trekken? Eene goede biecht; doch om eene goede biecht te spreken, moet men onder anderen alle doodzonden biechten; en hoe die biechten zonder ze te kennen? En hoo die kennen zonder er naarstig over na te denken, zonder zijn geweten goed te onderzoeken? Gij ziet dus dat liet niet zonder reden is dat men zijn geweten naarstig moot onderzoeken. Doch:

Hoeveel tijds moet men besteden tot het onderzoek d.er conscientie?

Zooveel tijds als er noodig is om al zijne zonden indachtig te worden.

Do eene heeft daartoe meer tijd noodig dan de andere: \'t hangt vooral af van den tijd, sedert welken men te biechten is geweest: degenen, bijv., die gansch een jaar uitgesteld hebben, moeten zich ongetwijfeld langer onderzoeken dan zij, die alle vier maanden te biechten gaan, en dezen wederom langer dan zij, die de loffelijke gewoonte hebben van maandelijks tot de H. Sacramenten te naderen. Degenen die sedert lang niet meer te biechten zijn geweest, kunnen zich doorgaans niet dag voor dag onderzoeken, doch zij moeten nagaan hoe dikwijls zij in de week deze of gene zonde bedreven hebben, om op die wijze hunne zonden zoo goed mogelijk indachtig te worden.

Wat moet men eerst doen als ihen zijne conscientie wil onderzoeken?

Men moet overdenken wanneer men laatst te biechten, geweest is.

-ocr page 251-

Of liever, men moet eerst nadenken, wanneer men hot laatst eene goede biecht gesproken heeft. Ik zeg eene goede biecht, want het komt er niet zoo zeer op aan, wanneer men het laatst gebiecht, maar wanneer men het laatst goed gebiecht heeft. Is de laatste biecht, of zijn meer biechten slecht geweest, uit gebrek aan berouw of voornemen van zich te beteren; heeft men eene doodzonde verzwegen, dan moet men zich opnieuw beschuldigen van de zonden, welke men reeds vroeger gebiecht heeft, en de reden is, omdat die zonden niet vergeven zijn. Gebeurde het dus dat iemand de laatste maal of meer dan eens slecht gebiecht had, hij zoude vooreerst den biechtvader daarmede bekend moeten maken.

Na dus op de eerste plaats onderzocht te hebben hoe lang het geleden is dat men eene goede biecht gesproken heeft, zal men nagaan welke zonden men bedreven heeft met gedachten, begeerten, woorden, werken en verzuimenissen. Met gedachten; of men dikwijls slechte gedachten gehad heeft, en of men er\' wetens en willens behagen in geschept heeft; met begeerten; of men ook de begeerte, den wil gehad heeft van dit of dat kwaad, waaraan men vrijwillig dacht, te bedrijven: met woorden; of men gevloekt, zedenkwetsende taal, kwaad van iemand gesproken heeft: met werken; of men zich aan onrechtvaardigheid, onmatigheid, onkuischheid schuldig gemaakt heeft: met verzuimenissen; of men zijn gebed, de H. Mis, de plichten van zijnen staat niet verwaarloosd heeft. Doch om te weten hoe men zijn geweten goed kan onderzoeken, beantwoorden wij in ons tweede punt de volgende vraag van den Catechismus.

II.

Hoe kan men gemakkelijk zijne conscienlie onderzoeken? En hij antwoordt:

Met te overdenken de tien geboden Gods, de vijf geboden der heilige Kerk, de zeven hoofdzonden, de negen vreemde

-ocr page 252-

— 240 —

zonden, de zes zonden tegen den Heiligen Geest, de vier wraakroepende zonden, en dun te zien op welke plaatsen men geweest is, met welke personen men verkeerd heeft, en wat men misdaan heeft met woorden, werken, gepeinzen of verzuimenissen.

Op welke zonden moeten wij meest aandacht nemen?

Op de zonden waartoe wij meest genegen zijn of bekoord worden, en op die welke strijden tegen de plichten van onzen staat.

Men zegt dus de tien geboden Gods en de vijf geboden deiquot; H. Kerk op: bij elk gebod blijft men een oogenblik stil staan, om te zien of men sedert zijne laatste biecht daartegen niet misdaan heeft. Ziehier een voorbeeld: Iemand is genegen van zijne ouders of oversten tegen te spreken: hij wil te biechten gaan en moet dus zijn geweten onderzoeken; hij bidt de tien geboden Gods en komt eindelijk aan het vierde gebod: Eer vader en moeder: nu zal hij onderzoeken of hij dat gedaan heeft, of hij integendeel zijne ouders niet spijtig toegesproken, hen kwaad gemaakt, merkelijk bedroefd heeft door zijn slecht gedrag; of hij hun niet ongehoorzaam is geweest, bijzonder in zaken van aanbelang, die de tucht en de zeden aangaan; of hij hun geen kwaad gewenscht heeft, enz. Hetzelfde zal een dienstbode doen ten opzichte van zijne meesters. Nemen wij nu de zeven hoofdzonden. De eerste is de hoovaardigheid. Iemand wordt tot hoovaardigheid bekoord: die persoon moet zich onderzoeken of zij zich door die bekoring heeft laten medeslepen, door zich te zeer op te schikken, door gekleed te gaan boven haren slaat: die persoon, bijv., draagt kleederen die haar niet passen, want zij kan hare schulden niet betalen: zien met welk inzicht zij zich opschikt, of het niet is om anderen te verleiden, tot het kwaad te brengen. Do negen vreemde zonden, bijv., door aanraden; iemand aanraden van zich te wreken, van te stelen: door gebieden; de ouders zouden hunne kinderen gebieden van

-ocr page 253-

— 247 —

te stolen. Men moet zien op welke phintson men geweest is, of men op geene afgelegene plaatsen, in slechte huizen of herbergen geweest is: met welke personen men verkeerd heeft, bijzonder met personen van het ander geslacht; met personen, met welke vader of moeder streng verboden hadden van om te gaan. Hoe vele zonden en doodzonden zal die jongeling, die jonge dochter niet vinden, bedreven met gedachten en begeerten, met woorden en werken, ter oorzake van het bezoek dier plaats, van dat huis of van die herberg; ter oorzake van den omgang met dien persoon. Men moet zien of men de plichten van zijnen staat volbracht heeft: de ouders, bijv., of zij zorgen voor liet welzijn hunner kinderen, dat zij de school en den Catechismus bijwonen; dat hunne kinderen, vooral de jonge dochters, niet omgaan met slechte personen, niet verkeeren aan hoeken en kanten: de ouders, die daarin aan hunne plichten te kort blijven, kunnen grootelijks misdoen. Ziedaar eenige voorbeelden, B. B., om te toonen hoe mén gemakkelijk zijn geweten kan onderzoeken.

Daarna moet men zien of men doodzonden of dagelijksche zonden bedreven heeft. Men moet ook onderzoeken hoe dikwijls men gezondigd heeft, en met welke personen.

Dat men alvorens te biechten te gaan goed zijn geweten moot onderzoeken, blijkt ook nog uit het antwoord van don Catechismus op de vraag:

Kan men ook eene kwade biecht doen, omdat men zijne consciëntie niet loei onderzocht heeft?

Ja,. En:

Wanneer doet men eene kwade biecht, omdat men zijne conscientie niet wel onderzocht heeft?

Als men door groote onachtzaamheid de oorzaak is dat men eene doodzonde achterlaat, of zich in gevaar stelt van er eene achter te laten.

Wat lean men nu niet zeggen van de biechten van zekere personen, die niet dikwijls tot do H. Sacramenten naderen, en

; 1

f I

I If : $.

if

l

f : \'f I

I

j

lil

P

f

■vl\'J

P quot;Y\'-ÏJ

-ocr page 254-

— 248 —

die, als zij te biechten gaan, in plaats van God te bidden, hun geweten goed te onderzoeken, zitten te praten, te lachen en daarna als het aan hunne beurt komt, hunne zonden biechten gelijk zij invallen? Zullen die biechten niet slecht zijn, ik vraag het u, onder dit opzicht alleen, omdat die personen hun geweten niet goed onderzocht hebben? Ziellier ten slotte nog de fouten, waarvoor men zich bijzonder moet wachten in het onderzoek van geweten.

SLUITREDE.

Men moet zorgen van niet te gauw te zijn, van een behoorlijken tijd, do eene meer, de andere minder, te besteden. Denkt tevens, zoo het u lastig valt nu een weinig tijds te besteden om over uwe zonden na te denken: Hoe zal ik gesteld zijn zoo ik om mijne nalatigheid in het onderzoek van geweten eene slechte biecht spreek, later verloren ga, on zoo de gedachte aan mijne zonden mij gedurende de eindelooze eeuwigheid zal kwellen?

Men moet zich niet bedriegen, zich niet verschoonen, denken, bijv., ik ben toch zoo slecht niet, dat zal wel zoo groot kwaad niet zijn, ik heb zulke slechte meening niet gehad, als er nochtans wezenlijk sprake is van doodzonden. Men vindt personen die zich willen wijs maken, dat hunne zonden, niet zelden do afschuwelijkste zonden, niets anders dan kleinigheden, zwakheden en gebreken zijn. O, B. B., wat zullen die personen staan te zien, als God in het oordeel hun de zonden voor oogen zal brengen, juist gelijk zij geschied zijn. Nochtans, men moet ook niet te bang zijn. Men vindt ook personen die nimmer tevreden zijn, die meenen dat zij zich nooit genoeg onderzocht hebben, en die zich te vergeefs het hoofd breken. In plaats van hun geweten goed te onderzoeken, verwarren zij zich, en zij weten niet eens wat biechten: zoo moet men natuurlijk niet te werk gaan; dan zoude de Biecht geene bron van troost en gerustheid, maar eene pijnbank wezen; en dat is ook juist wat de duivel beoogt, om

-ocr page 255-

— 249 —

zoo doende do menschen van de Biecht af te trekken en van hare heilzame uitwerksels of voordeelen te berooven. Die angstvallige personen moeten zich wel overtuigen, dat God geen dwingeland is, maar een liefdevolle Vader, die niets anders vordert dan dat men zich beschuldigt van de zonden, waaraan

men zich na oen naarstig onderzoek schuldig bevindt: ook nog,

%

dat men zich enkel van de doodzonden behoeft te beschuldigen. Ziedaar, B. B., hoe wij ons in het onderzoek van geweten moeten gedragen. Om het u gemakkelijk te maken, zet ik u aan van dikwijls te biechten te gaan. Hoe komt het inderdaad dat men er zoo groote moeielijkheid in vindt? Omdat men te weinig te biechten gaat. Wachten wij ons daarvoor, en zeggen wij dikwijls tot onze ziel: Geef rekenschap van uw rentmeesterschap, d. i., van uwe daden: Redde rcUionem villicalionis tuce. (l) Amen.

(i) Luc. xvi, 2.

-ocr page 256-

VIER - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER HET BEROUW

Scindilc corda vestra et non \'ocstimenta vest ra. Scheurt uwe harten en niet uwe Idoederen.

(JoiSL. II, 13.)

INHOUD.

VOORREDE.

Na zijn geweten onderzocht te hebben, moet men de akten van geloof\', hoop, liefde en bijzonder van berouw verwekken.

VERÜEEUNG.

I. Wat is het berouw? II. Hoedanig moet het zijn? III. Hoevelerlei is het berouw?

I.

Het berouw is een leedwezen over de zonden, door dewelke wij de goddelijke majesteit en goedheid vergramd hebben, met een vast voornemen van dezelve te biechten en ons te beteren.

Y

-ocr page 257-

II.

Het berouw moet zijn; inwendig, bovennatuurlijk, boven alles groot en algemeen.

III.

Het berouw is tweederlei, het volmaakt en liet onvolmaakt berouw. Het volmaakt berouw is een leedwezen over de zonden komende niet alleen uit vrees van de eeuwige of tijdelijke pijnen die zij verdienen, maar uit liefde tot God, tegen wiens opperste en oneindige goedheid zij gedaan zijn, met een vast voornemen van die te biechten en zich te boteren. De beweegreden, waarom men over zijne zonden bedroefd moet zijn om een volmaakt berouw te hebben is, omdat men er God door vergramd heeft, die om zich zeiven of om zijne oneindige volmaaktheden verdient bovenal bemind te worden.

Het onvolmaakt berouw is een leedwezen over de zonden, waardoor men God vergramd heeft, voortkomende uit eene andere bovennatuurlijke beweegreden.

SLUITREDE.

Trachten wij ons op te wekken tot een waar berouw over onze zonden, wijl wij God den besten der vaderen beleedigd hebben, ook wijl wij er don hemel door verloren en de hel verdiend hebben.

-ocr page 258-

— 252 —

VIER - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER HET BEROUW

Scindite corda vestra et non vestimenta vestra.

Scheurt uwe harten en niet uwe kloederen.

(Joel. ii, 13.)

VOORREDE.

Laatstleden, B. B., heb ik gesproken over het onderzoek van geweten. Ik heb onder anderen gezegd, dat men er niet te licht overheen moet gaan; vervolgens dat men ook niet te bang moet zijn: bijgevolg, men moet zijn geweten naarstig onderzoeken, en die naarstigheid besteden, welke men gewoon is te besteden in zaken van aangelegenheid. De Catechismus vraagt: Als men zijne conscientie genoegzaam onderzocht heeft, wat moet men dan doen? En hij antwoordt:

Men moet de akten van Geloof, Hoop, Liefde en bijzonderlijk van Berouw verwekken.

Ik zeg bijzonderlijk van Berouw. Immers:

Waarvoor moet men meest zorgen, als men te biechten gaat?

Om een oprecht berouw te hebben over zijne zonden. En Waarom?

Omdat men zonder berouw nooit van eenige dadelijke zonde vergiffenis kan bekomen.

De erfzonde wel is waar wordt door het H. Doopsel vergeven, zonder dat de doopeling een berouw behoeft te verwekken ; doch eene dadelijke zonde, d. i., eene zonde die de mensch zelf bedreven heeft, wordt hem niet vergeven, zonder dat hij er berouw over heeft, of althans, zonder dat zij hem eenigszins

-ocr page 259-

mishaagt, liet berouw is dus volstrekt noodzakelijk om vergiffenis van zijne zonden te bekomen. Zien wij vandaag;

I. Wat het berouw is;

II. Welke hoedanigheden het moet hebben;

III. Hoevelerlei het berouw is.

I.

De Catechismus vraagt:

Wat is het berouw? En hij antwoordt:

Een leedwezen over de zonden, door dewelke toij de goddelijke Majesteit en goedheid vergramd hebben, met een vast voornemen van dezelve te biechten en ons te beleren.

Het berouw is een leedwezen, d. i., eene spijt, eene droefheid over de zonden, waardoor wij God vergramd hebben, zoodat wij zöuden willen van het niet gedaan te hebben.

\'t Is een leedwezen over de zonden in zoo ver zij zonden zijn, d. i., eene beleediging van God, of omdat men er God door vergramd heeft. Iemand dus die bedroefd is over de zonden welke hij gedaan heeft, enkel, omdat hij er, bijv., zijne eer door verloren heeft, die heeft geen waar leedwezen. Waarom niet? Omdat hij er niet bedroefd over is in zoo ver zij zonden zijn, d. i., eene beleediging van God: hij is niet bedroefd van God vergramd, maar enkel van zijne eer verloren te hebben.

Door dewelke wij de goddelijke Majesteit en goedheid vergramd hebben: d. w. z.. God zeiven, die de Koning der koningen, de beste der vaderen is.

Met een vast voornemen van dezelve-te biechten; namelijk, als er sprake is van doodzonden.

En ons te beteren, d. w. z., van de zonden niet meer te bedrijven.

-ocr page 260-

— 254 —

Te recht antwoordt dus de Catechismus op de vraag:

Uii hoeveel deelen bestaat het berouw?

Uit twee deelen, te weten-, het leedwezen over de bed/revene zonden, en het vast vooornemen van nooit meer te zondigen.

Op de eerste plaats moeten wij spreken over het eerste deel van het berouw, namelijk, over het leedwezen.

II.

Hoedanig moet het leedwezen — ook berouw — over de zonden zijn om vergiffenis te kunnen bekomen? Het moet zijn: inwendig, bovennatuurlijk, boven alles groot en algemeen.

1° Het berouw moet zijn inwendig, d. w. z., het is niet genoeg met den mond te zeggen: Mijn God! ik ben bedroefd, dat ik ü vergramd heb; het is mij leed, dat ik deze of gene zonde bedreven heb; men moet het ook inwendig, met het hart meenen, en van daar dat het berouw is eene droefheid • des harten. God, B. B., beveelt door den mond zijner Profeten dikwijls met klem en nadruk het inwendig berouw aan. Bekeert u tot mij, zegt God, uit geheel uw hart; scheurt uwe harten en niet uwe kleederen: Scindite eorda vestra et non vesti-menta vestra, d. w. z., zorgt van inwendig bedroefd te zijn, en niet enkel uitwendig; inderdaad, en niet in schijn. Wat zoudt gij zeggen van een kind, dat na een misslag begaan te hebben, tot zijnen vader zeide: Vader, het is mij leed dat ik het gedaan heb, zonder liet inwendig te meenen? Dat kind, zoudt gij zeggen, is een huichelaar en verdient niet van vergiffenis te bekomen. Hetzelfde, B. B., moet men zeggen van den zondaar ten opzichte van God: de zondaar is dat kind. God is die vader, met dit onderscheid — en vergeten wij dat vooral niet — dat God het inwendige van den zondaar kent, en dat deüe zijnen God volstrekt niet kan bedriegen. Het berouw gelijk gij dus ziet moet inwendig zijn, \'t moet uit het hart voortkomen. De Catechismus vraagt:

-ocr page 261-

Is hel genoeg voor de biecht leedwezen te hebben in zijn herl? En hij antwoordt;

Ja; naglans is het beter hel leedwezen ook met woorden uit te drukken.

Het inwendig berouw is dus genoeg, maar het is beter ook met woorden eene akte van berouw te verwekken.

2° Het berouw moet zijn bovennatuurlijk, d. w. z., het berouw moet voortkomen uit eene beweegreden aan het geloof ontleend, en uit de genade Gods: bijv., wij weten door het geloof, dat wij door de zonden God beleedigd hebben; dat wij Gods genade, zijne vriendschap, den hemel verloren hebben; dat wij ile straffen dor hel of des vagevuurs verdiend hebben: door die veropenbaarde waarheden des geloofs worden wij bewogen en aangespoord tot berouw over onze zonden, en God komt ons ook met zijne genade te hulp, mits wij ze vragen, om er een waar en bovennatuurlijk berouw over te hebben.

Welk is — nu vooral — de reden waarom wij moeten leedwezen hebben over onze zondent

Dat wij er de goddelijke Majesteit en goedheid door vergramd hebben.

Ik zeg vooral, want men kan ook om andere redenen oprecht bedroefd zijn over zijne zonden. Doch:

Is er — ook — een berouw, als men alleenlijk leedwezen heeft over zijne zonden omdat men er zijne eer of gezondheid door verloren heeft?

Neen-, dan is er maar een natuurlijk leedwezen, dat wel goed is, maar ongenoegzaam tot hel berouw.

Iemand, bijv., heeft gestolen en wordt betrapt, hij verliest zijne eer. Iemand gaat zich te buiten in spijs en drank, geeft zich over aan andere schandelijke zonden, hij verliest daardoor zijne gezondheid; die persoon betreurt zijnen diefstal, zijne onmatigheid, zijne onkuischheid, maar enkel omdat hij er zijne eer

-ocr page 262-

— 256 —

en gezondheid door verloren heeft; kan die persoon door dergelijk berouw vergiffenis bekomen? Neen, B. B., de reden heb ik vroeger reeds genoemd; hij is niet bedroefd over zijne zonden als zonden, als Godbeleedigend; in een woord, hij heeft eigenlijk geen berouw over zijne zonden. Doch let wel op het woordje enkel, omdat hij er zijne eer of gezondheid door verloren heeft, want die persoon kan daarenboven ook nog bedroefd zijn, omdat hij God vergramd heeft, omdat hij den hemel verloren, de hel verdiend heeft; heeft hij dan een goed berouw om vergiffenis van zijne zonden te bekomen? Ja, B. B., want dan is zijn berouw met Gods genade bovennatuurlijk. De Catechismus vraagt ook:

Is het noodig tot een goed \'berouw dat men de zonde hate en verfoeiet En hij antwoordt:

Ja. En:

Wat moet ons bewegen om de zonden te haten en te verfoeien?

Hunne groote boosheid en het kwaad dat zij ons doen.

Hunne groote boosheid, d. i., de schande-en leelijkheid der zonde, welke hierin bestaat, dat men er zijnen Schepper, Verlosser en Heiligmaker door beleedigt.

Het kwaad dat zij ons doen, namelijk, dat zij ons berooven van het eeuwig geluk des hemels en nederstorten in de eeuwige vlammen der hel.

3° Het berouw moet zijn boven alles groot, d. i., wij moeten de zonden meer haten en verfoeien dan alle ander kwaad. Hierdoor moeten wij nochtans niet verstaan, dat wij eene gevoeligere droefheid moeten hebben over de zonde dan over een ander kwaad, dat ons overkomen is; en om dit wel te verstaan, ziellier eene gelijkenis. Eene moeder heeft eene doodzonde bedreven, en zij is er bovenal bedroefd over, omdat zij haren God vergramd heeft: die moeder komt tegelijkertijd haar eenig kind te verliezen; zij is bedroefd en weent dag en nacht

-ocr page 263-

over den dood van haar kind; en ziet, over de zonde die zij bedreven heeft, stort zij geen enkelen traan: is dat nu een teeken dat hare droefheid over hare zonde niet boven alles groot is? volstrekt niet: de droefheid over den dood van haar kind is wel is waar gevoeliger, maar de droefheid over hare zonde is toch grooter, want die moeder is zoo gesteld, dat zij zelve liever zoude willen sterven dan den goeden God nog door eene doodzonde te vergrammen. Die gevoelige droefheid, tranen en dergelijken, alhoewel wenschelijk, zijn niet noodzakelijk om een waar berouw, een berouw boven alles groot, ie hebben, \'t Is voorzeker goed, verdienstelijk, aangenaam aan God tranen te storten over zijne zonden. Zoo beweende de H. Petrus zijne drievoudige verloochening, Maria Magdalena hare zonden, doch het is niet noodzakelijk. Kindelijk moet het berouw zijn algemeen, d. w. y,., het moet zich uitstrekken, ten minste over alle doodzonden. Men kan wel is waar berouw hebben over eene dagelijksche zonde, bijv., van onrechtvaardigheid, zonder berouw te hebben over eene dagelijksche zonde van eene andere soort — niet gansch van dezelfde soort —. bijv., van leugentaal; maar men kan geen waar berouw hebben over óéne doodzonde, zonder een waar berouw te hebben over de andere doodzonden van dezelfde of niet van dezelfde soort, die men ook bedreven heeft. In de biecht kan de eene doodzonde niet vergeven worden zonder de andere, wijl de vergiffenis geschiedt door de instorting der heiligmakende genade, die met de doodzonde niet kan bestaan. Bijgevolg, zoo iemand tien doodzonden biechtte, en er zoude er maar ééne zijn waarover hij zegt geen berouw te hebben, hij heeft over de andere doodzonden ook geen berouw, en hij kan van geene enkele vergiffenis bekomen. Hieruit volgt echter niet, dat men zooveel akten van berouw moet verwekken als men doodzonden bedreven heeft: neen, B. B., na zijne zonden in het geheugen geroepen te hebben, is het genoeg over allen te zamen ééne akte van berouw te

Geloofs-en Zedenleer, 4ii« dkel 17.

-ocr page 264-

— 258 —

verwekken. Ziedaar wat er vereischt wordt tot een goed berouw. De Catechismus vraagt:

Kunnen wij zeker zijn dal wij een goed berouw hebben? En hij antwoordt:

Neen; dil iceel God alleen, die de herten doorgrondt; \'Diatvr als wij ons best gedaan hebben, dan moeien wij hopen dat wij een goed berouw hebben, en wij mogen gerust voortgaan.

Een hovennatuurlijk berouw is eene gave van uod, maai welke Hij niemand weigert, die er om bidt. Bijaldien wij God dus goed om een berouw gebeden hebben, mogen wij van dien kant gerust zijn.

111.

De Catechismus vraagt:

Hoevelerlei is het berouw? En hij antwoordt:

Tweederlei: hel volkomen of volmaakt berouio, en het onvolkomen of onvolmaakt berouio.

Zien wij nu wat een volmaakt, wat een onvolmaakt berouw is.

De Catechismus vraagt:

Wat noemt gij een volkomen — volmaakt berouw? En hij antwoordt:

Een leedwezen over de zonden, komende niet alleen uit vrees van de eeuwige of tijdelijke pijnen die zij verdienen, maar uit liefde lol God, tegen wiens opperste en oneindige goedheid zij gedaan zijn: met een vast voornemen van (Hete biechten en zich le beteren.

Wat is nu een onvolmaakt berouw?

Een leedwezen over de zonden, komende doorgaans uit vrees voor de eeuwige of tijdelijke pijnen die zij verdienen, en niet uit liefde tot God, tegen wiens opperste en oneindige goedheid

-ocr page 265-

zij gedaan zijn, niet een vast voornemen van die te biechten en zich te beteren.

Uit deze woorden kan men zien, waarin het volmaakt en liet onvolmaakt berouw overeenkomen, waarin zij verschillen.

Zij komen overeen in de volgende punten: beiden zijn een leedwezen; in beide gevallen moet men zich willen beteren, en zoo er sprake is van doodzonde, moet men het voornemen hebben van ze te biechten.

Zij verschillen in de volgende punten; in don oorsprong en in de beweegreden.

In den oorsprong. De Catechismus vraagt:

Uit welke liefde tot God moet hel leedwezen over de zonden voortkomen om een volmaakt berouw te zijn? En hij antwoordt:

Het moet voortkomen uit cene volmaakte liefde tot God. — Welwillende liefde tot God, amor benevolentice, amicitice.

Waaruit komt doorgaans het onvolmaakt berouw voort?

Het komt doorgaans voort uit vrees voor God, d. i., uit vrees voor de eeuwige of tijdelijke straffen, die zij verdienen. Ik zeg doorgaans, want liet kan ook voortkomen uit liefde tot God, doch die liefde zal onvolmaakt zijn, en vandaar dat de Catechismus antwoordt op de vraag:

Wat is een onvolmaakt berouw?

Hetwelk voorkomt uit eenc onvolmaakte of beginnende liefde lot God. — Welwillende liefde tot zich zelven, amor eon cup is een t ia\', spei.

In de beweegreden.

Waarom is iemand bedroefd over zijne zonden, die een volmaakt berouw heeft? Hij is bedroefd, omdat hij God vergramd heeft die om zichzeiven of om zijne volmaaktheden verdient boven alles bemind en gediend te worden.

-ocr page 266-

— 200 —

Waarom is iemand bedroefd over zijne zonden, die enkel een onvolmaakt berouw heelt? Hij is bedroefd om eene andere bovennatuurlijke beweegreden, verschillend van die van het volmaakt berouw, bijv., om de schande-en leelijkheid der zonde, waardoor hij zijn Schepper, Verlosser en Heiligmaker beleedigd heeft; om de straffen die hij er door verdiend lieeft, bijzonder de straffen der hel; omdat hij er den hemel door verloren heeft. Hier valt nog op te merken, dat de eene beweegreden de andere niet uitsluit, zelfs niet de natuurlijke. Door de volgende gelijkenis zal liet verschil tusschen liet volmaakt en het onvolmaakt berouw nog duidelijker worden.

Twee kinderen hebben hunnen vader beleedigd, beiden zijn daarover bedroefd; doch ziet, het eerste kind aan de goedheid zijns vaders denkende, is bedroefd, omdat liet zijn besten vader vergramd lieeft, en die reden is voor dat kind genoeg om zijnen misslag boven alles te haten en te verfoeien. Het tweede kind is ook bedroefd, en wil zijn vader nooit meer beleedigen; doch het is niet de goedheid zijns vaders die hem daartoe aanspoort, maar omdat het vreest door zijnen vader gestraft te worden. Het eerste kind is het afbeeldsel van den zondaar die een volmaakt, liet tweede, van den zondaar die een onvolmaakt berouw heeft. Nochtans, de beweegreden tot een volmaakt berouw vereischt, sluit niet uit, dat men ook nog om andere redenen bedroefd zij, gelijk ik reeds gezegd heb; bijv., omdat men den hemel verloren of de hel verdiend heeft, omdat men zijne eer of gezondheid verloren heeft. Ook, wanneer men maar een onvolmaakt berouw lieeft, moet de zondaar toch zoo gesteld zijn, dat hij de zonde niet meer wil bedrijven, al stonden hem de pijnen der hel ook niet te wachten. En inderdaad; hoe zou die zondaar naar waarheid kunnen zeggen: Ik heb een waar berouw over mijne zonden, bijaldien hij genegen is de zonde nog te bedrijven, zoo er geene straffen aan verbonden waren. Die zondaar slaat gelijk met een kind dat zijn vader zoude zeggen: Vader! het spijt mij dat ik u beleedigd heb, doch zoo

-ocr page 267-

— 21)1 —

ik geene straffen te vreezen had, ik zoude liet nogmaals doen. Bijaldien uw kind, vader, zoo tot u sprak, zoudt gij denken dat liet berouw had van u beleedigd te hebben, en zoudt gij het vergeven? fk geloof\' het niet, en gij zoudt uw kind te recht streng straffen.

SLUITREDE.

Wij hebben nu gezien, B. B., wat het berouw is, en welke hoedanigheden het hebben moet; dat het moet zijn inwendig, bovennatuurlijk, boven alles groot eu algemeen. Het berouw is tweederlei, het volmaakt en het onvolmaakt berouw.

Welk berouw is er nooclig tol de biecht, het volmaakl 0/ het onvolmaakt?

Het onvolmaakt berouw is genoegzaam, maar het volmaakl beromv is beter.

Waarom is het volmaakl berouw beter?

Omdat hel volmaakt berouw de ziel zuivert van de zonden, en haar alzoo beter bereidt om de gratiën van het sacrament te ontvangen.

Het volmaakt berouw is niet noodzakelijk voor do biecht. Want:

Wal bijzonder uitwerksel heeft het volmaakt berouw?

Dat men daardoor van de zonden vergifjenis bekomt, zonder de biecJd of een ander sacrament.

liet onvolmaakt berouw is noodzakelijk, zonder dat kan men zelfs in de biecht geene vergiffenis bekomen van zijne zonden,-maar het is ook voldoende. Doch:

Wat volgt daaruit dal het volmaakt berouw beter is tot de biecht dan hel onvolmaakt?

Dat hel zeer goed is voor de biecht toel te overioegen de oneindige goedheid Gods, om des te vuriger akt van Liefde en des te volmaakter berouio te verwekken.

-ocr page 268-

— 262 —

Bijgevolg, als wij te biechten gaan moeten wij ons best doen van een berouw zoo volmaakt mogelijk, te verwekken over onze zonden. Daarom moeten wij God goed bidden; wij moeten ook overwegen de oneindige goedheid Gods, dien wij vergramd hebben; dat wij vergramd hebben den besten der Vaderen, God die ons geschapen, van den eeuwigen dood verlost, en in het Doopsel tot zijne kinderen aangenomen heeft. Wij kunnen ook overwegen dat wij door de zonde het eeuwig geluk des hemels verloren en de eeuwige pijnen der hel verdiend hebben. God, zoo kan eenieder denken, had voor mij den hemel als eene erfenis gereed gemaakt om daar onder de Engelen en Heiligen in het bezit van God in eeuwigheid een ongestoord geluk te genieten; en ziet, om mijne zonden, dus door mijne eigen schuld, heb ik het geluk des hemels verloren, en heb ik verdiend van voor eeuwig in de hel te branden; in de hel, in dien poel van solfer en vuur, in die plaats van eeuwige folteringen, in gezelschap der duivelen en verdoemden. Ja, B. B., denken wij over die waarheden van onzen H. Godsdienst wel na, om ons op die wijze tot een waar berouw over onze, zonden op te wekken. Amen.

-ocr page 269-

VIJF - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER HET VOORNEMEN

Si in toto corde vestro rcvertimini ml Dominum, auferte (Ifos alienos de medio vestri.

/00 gij van ganschor linrto tot ilcn Heer wederkeert, neemt dan de vreemde goden uit uw midden weg.

(1 Kko. vu, 3.)

INHOUD.

VOORREDE.

Het berouw bestaat uit twee deelon, uit het leedwezen over de bedrovene zonden en het vast voornemen van niet meer te zondigen. Uit gebrek aan goed voornemen worden er veel heiligschendingen bedreven. Het voornemen moet zijn;

VERDEE! ilXG.

I. Algemeen;

II. Vast;

(IT. Krachtdadig;

IV. Inwendig.

-ocr page 270-

I.

Algemeen: het moet zich uitstrekken ten minste tot alle doocteonden.

II.

Vast: de zondaar moet zoo gesteld zijn, dat hij voor niets ter wereld nog zoude willen zondigen.

III.

Krachtdadig: de zondaar moet vast besloten hebben de middelen aan te wenden die uoodig zijn, om niet meer te zondigen, d. L, de naaste gelegenheid tot zonde te verlaten en te vermij-don. Hetgeen de dood en het doodsgevaar is voor het lichaam, dat is de doodzonde en het gevaar der doodzonde voor de ziel. Wat wordt er eigenlijk verstaan door gevaar van zonde, wat door gelegenheid tot zonde? Hoevelerlei is de gelegenheid tot zonde? Wat is naaste, wat verwijderde gelegenheid tot zonde? Om een goed berouw te hebben moet men vast besloten hebben de naaste gelegenheid tot zonde te verlaten en te vermijden. Geschiedenis der Israëlieten in afgoderij gevallen. Hoe moet men zich gedragen, als men zich bevindt in ecne naaste gelegenheid die men zeer lastig kan verlaten? Luisteren naar den biechtvader, en de middelen door hem voorgeschreven, gebruiken.

IV.

Inwendig: het voornemen moet uit het hart voortkomen. Het hervallen in de zonde is niet altoos een teeken van slechte biechten.

SLUITREDE.

Zich goed onderzoeken of men soms uit gebrek aan goed voornemen geene slechte biechten gedaan heeft.

-ocr page 271-

— 265

VI.IF - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER HET VOORNEMEN

Si in toto corde vestro revertimini ad Dominum, auferic deos atienos dc medio vestri. ,

Zoo gij van ganscher harte tot den Heor wedei\'lteci\'t, noemt dan de vreemde goden uit uw miilden weg.

(i Keg. vu, 5.)

VOORREDE.

Het berouw, B. B., bestaat uit twee deelen, namelijk, uit het leedwezen over de bedrevene zonden en het vast voornemen van niet meer te zondigen. Over het leedwezen hebben wij reeds gehandeld. Zonder bedroefd te zijn kan men van geene dadelijke zonde vergilFenis bekomen.

Het vast voornemen van niet meer te zondigen is niet minder noodig. Immers, de Catechismus vraagt:

Moet men ook een vast voornemen hebben van de zonden nooit meer te bedrijven? En hij antwoordt:

Ja-, zonder dit voornemen kan er geen yoed berouw zijn. Dus zonder vast voornemen van niet meer te zondigen, kan men ook geene vergiffenis van zijne zonden bekomen. En och of er aan dat vast voornemen niet zoo dikwijls te kort gebleven werd, men zoude zooveel zonden van heiligschending niet te betreuren hebben. Waarom treft men er soms aan, die jaren en jaren zonden op zonden stapelen, de eene heiligschendende biecht en communie na de andere bedrijven, en waarom gaan zij voor eeuwig verloren? Omdat zij, als zij te biechten gaan, geen vast voornemen hebben van de zonden niet meer te bedrijven, dus ook geen berouw over hunne zonden, en bijgevolg kunnen zij ook geene vergiffenis bekomen.

-ocr page 272-

— 266 —

Die waarheden, B. B., zullen duidelijk worden uit onze onderrichting over het voornemen, Het voornemen, dat er vereischt wordt tot een goed berouw, is niets anders dan de stellige, bepaalde of ernstige wil van zijn leven te beteren en niet meer te zondigen. Doch zien wij hoedanig dat voornemen zijn moet. Dat voornemen moet zijn:

I. Algemeen;

II. Vast;

Hl. Krachtdadig;

IV. Inwendig.

I.

1° Het voornemen van niet meer te zondigen moet zijn algemeen, d. w. z., liet moet zich uitstrekken, ten minste tot alle doodzonden; niet alleen tot die welke men bedreven heeft, maar ook tot die, welke men in het vervolg zoude kunnen bedrijven.

Het voornemen moet zich dus verder uitstrekken dan het leedwezen. Ik heb gezegd; alle doodzonden, want zoo men het voornemen had van alle doodzonden te vermijden, uitgenomen ééne, dat voornemen zoude zoo min voldoende zijn, als het leedwezen over alle doodzonden, uitgenomen ééne, gelijk reeds vroeger gezegd is. Ik heb op de tweede plaats gezegd: ten minste tot alle doodzonden, want zoo men in de biecht zich enkel van dagelijksche zonden te beschuldigen heeft, dan moet men het voornemen hebben van die dagelijksche zonden of ten minste eene bepaalde soort, bijv., van leugentaal, niet meer te bedrijven, zonder dat zoude de biecht ongeldig zijn. Vandaar dat het zeer geraadzaam is, zoo men niets dan kleine dagelijksche zonden te biechten heeft, zich ook nog te beschuldigen van eene grootere zonde uit het voorgaande leven, en daarover eerst eene akte van berouw te verwekken.

-ocr page 273-

— 207 —

II.

2° Het voornemen v;iii niet meer te zondigen moet zijn vast, d. w. z., men moet voor niets ter wereld meer de zonde willen bedrijven, noch uit vrees voor de straften, noch uit verlangen naar het een of ander goed. Bijaldien de zondaar zoo niet gesteld is, \'t is een teeken dat hij zich niet oprecht tot God wil bekeeren.

III.

3° Het voornemen van niet meer te zondigen moet zijn krachtdadig, d. i., de zondaar moet niet alleen voorgenomen hebben de zonden niet meer te bedrijven, maar hij moet ook vast. besloten hebben de middelen daartoe te gebruiken Oe Catechismus vraagt:

Wat morl hij noodzakelijk doen die den teil heeft, ran de zonden niet mee)\' le bedrijven?

Hij moet de middelen gebruiken die daartoe noodicj zijn, namelijk de naaste gelegenheden der zonden vluehten.

De mensch, B. B., is natuurlijk bang voor den dood; uit vrees voor den dood zal hij zijn best doen, niet alleen om in geen doodsgevaar te komen, maar zoo hij zich onvoorziens in doodsgevaar bevindt, zal hij het, zoodra hij het bemerkt, verlaten. Welnu, hetgeen de dood en het doodsgevaar is voor het lichaam, dat is de doodzonde en het gevaar der doodzonde voor de ziel: wie dus zijne ziel bemint, gelijk eenieder verplicht is, die zal niet alleen de zonde, maar ook het gevaar der zonde verlaten en vermijden, en die zulks niet doet, toont genoeg dat hij zijne ziel niet bemint. Zoo iemand zal ook schade lijden aan zijne ziel, hij zal in zonde vallen, want nooit of nimmer zal God m\'et zijne genade hem bijstaan, die in plaats van het gevaar te verlaten en te vermijden, or zich vrijwillig aan blootstelt: die zoo handelt bemint het gevaar, en wat zegt de H. Geest, de

-ocr page 274-

— 268 —

Geest tier waarheid? Die het gevaar bemint, zegt Hij. zal er in vergaan: Qui arnal periculum, in Ulo peribit. (l) Doch zien wij een weinig meer van nabij, wat er eigenlijk door gevaar der zonde, wat door gelegenheid tot zonde moet verstaan worden.

Door gevaar der zonde, B. B., wordt verstaan, al wat tot zonde aanzet of verleidt, hetzij in - of uitwendig; door gelegenheid tot zonde wordt verstaan, iets uitwendigs, bijv., een persoon, een gezelschap, eene plaats of een huis, enz., dat ons tot zonde verleidt en ons op die wijze aan hel gevaar van te zondigen blootstelt. Het gevaar der zonde strekt zich dus verder uit dan de gelegenheid tot zonde. Is hef gevaar van te zondigen door de gelegenheid veroorzaakt, klein, zoodat de menschen in den regel in dergelijke gelegenheid doorgaans niet zondigen, dan noemt men die gelegenheid verwijderde gelegenheid tot zonde: is daarentegen het gevaar van te zondigen door de gelegenheid veroorzaakt groot, zoodat in den regel de menschen in dergelijke gelegenheid doorgaans zondigen, dan noemt men die gelegenheid naaste gelegenheid tot zonde. Hetgeen nu voor den eenen eene naaste gelegenheid tot zonde is, is juist daarom geene naaste gelegenheid voor een ander. Eene herberg, bijv., zal eene naaste gelegenheid tot dronkenschap zijn voor een dronkaard, doch niet voor een ander mensch. Er zijn gelegenheden tot zonde die, aangezien \'s menschen zwakheid, voor iedereen naaste gelegenheden tot zonde zijn; bijv., liet vrijwillig bezoek van een persoon met welke, of van een gezelschap waarin zedenkwetsende taal of tegen den godsdienst gesproken wordt; het lezen zonder wettige reden van geschriften tegen de goede zeden of tegen den godsdienst. De biechtvader zal doorgaans zien, of iets eene naaste gelegenheid tot zonde voor den biechteling is, uit het dikwijls hervallen in dezelfde zonde. Wil iemand nu een vast en krachtdadig voornemen hebben, dat vereisclit wordt tot een goed berouw, dan moet hij vast

Ut ECCL. iii, 27.

-ocr page 275-

— 269 —

besloten hebben de naaste gelegenheid tot zonde te verlaten eu te vermijden, zonder dat heeft hij den wil niet van de zonde te vermijden, en hij kan bijgevolg geene vergiffenis van zijne zonden bekomen, al mocht hij er ook in gelukken door ImLche-larij en mooie beloften de absolutie te verkrijgen: die absoutic kan hem niet baten, zij zal zijne misdaad en schuld nog vermeerderen, omdat hij eene heiligschendende biecht doet, en zoo het Sacrament onteert. Men is zoo streng verplicht de naaste gelegenheid tot doodzonde te vermijden, dat geen Priester, welke ook, de absolutie geldig geven kan aan hem, die in eene naaste gelegenheid tot zonde is, welke hij kan, doch niet voornemens is te vermijden. De reden er van is; de naaste gelegenheid tot zonde niet willen vermijden staat gelijk met de zonde niet te willen vermijden, \'t is een en dezelfde zaak. De Israëlieten, zoo lezen wij in de H. Schrift, hadden zich aan afgoderij schuldig gemaakt. Was God nu tevreden dat zij de afgoderij verzaakten, tot Hem wederkwamen? Neen, li. 15., doch Hij vorderde streng van hen, dat zij zich van de afgoden zouden ontdoen, die eene naaste gelegenheid tot afgoderij voor hen waren. Zoo gij u van ganscher harte tot den Heer bekeert, deed God hun door den mond van zijnen Profeet Samuël zeggen, neemt dan de vreemde goden uit uw midden weg: Au fa\'ie deos alienos de medio vestri. Al zegt iemand, alvorens Ie biechten te gaan, ook duizendmaal: Ik maak het vast voornemen van niet meer te zondigen, \'t is altemaal bedrog en groot bedrog, zoolang hij niet vast besloten heeft de naaste gelegenheid te verlaten en te vermijden. Petrus, B. B., had ook gezegd dat hij zijn goddelijken Meester niet zoude verloochenen, en hij viel: waarom? Onder anderen, omdat hij het slecht gezelschap, dat eene naaste gelegenheid tot zonde voor hem was, niet vermeed. Hoeveel te minder kunt gij dan zeggen dat gij niet vallen zult in de zonde, gij die met opzet deze of gene naaste gelegenheid opzoekt of niet wilt vermijden? Gij zijt gelijk aan iemand, die bij alles wat heilig is, zegt en belooft zijn huis niet

-ocr page 276-

te willen afbranden, en die er tegelijkertijd het vuur aansteekt. De Heiligen, B. B.. die met den Geest Gods, en bijgevolg met den Geest der waarheid be/ield waren, dachten er geheel anders over. In de naaste gelegenheid niet zondigen, zegt de Heilige Bernardus, is meer dan dooden verwekken. Het is geen kleiner mirakel, zegt de H. Joannes Chrysostomus, in de naaste gelegenheid tot zonde te blijven recht staan, d. i., niet te zondigen, dan dat de drie jongelingen in den brandenden oven te Babyion ongeschonden bleven.

Hetgeen ik hier gezegd heb van het verlaten en vermijden der gelegenheden tot zonde, geldt de naaste gelegenheden, en bijzonder van doodzonde; doch wij moeten ook ons best doen, om zoo veel mogelijk de verwijderde gelegenheden tot zonde te verlaten en te vermijden, opdat zij geene naaste gelegenheden worden. Nochtans, alle verwijderde gelegenheden vermijden, daartoe zijn wij niet verplicht, en quot;t is ook onmogelijk; dan zouden wij, gelijk de Apostel Paulus zegt, de wereld moeten verlaten.

Wat nu gedaan, B. B., zoo iemand de naaste gelegenheid tot zonde niet kan verlaten zonder groote moeielijkheid, zonder groot nadeel, zonder verlies van zijne eer of faam, bijv., een dienstknecht of eene dienstmeid kan zoo terstond haren dienst niet verlaten? Die personen moeten luisteren naar hunnen biechtvader en de middelen door hem voorgeschreven stipt gebruiken: zoo die middelen niet baten, of liever, hetgeen doorgaans het geval is, zoo zij die middelen niet gebruiken, dan zullen zij het eenige middel moeten gebruiken, zelfs ten koste van geld of goed, van eer of faam, ja zelfs ten koste van het leven. Kn welk is dat middel? Dat middel, en geen ander, is de naaste gelegenheid verlaten, bijv., dien persoon, dat huis: dan gelden de woorden van Jesus-Christus, als hij zegt; Zoo uwe hand of uw voet u ergert kap ze af en werp ze van u; het is beier verminkt of kreupel het leven binnen te gaan,

-ocr page 277-

— 271 —

dan met twee handen of voeten geworpen te worden in het eeuwige vuur. En als uw oog u ergert, ruk ze uit en werp ze van u, want het is boter met een oog het leven binnen te gaan, dan met twee oogen geworpen te worden in het helsche vuur: d. w. z., al zoude het u zoo zwaar vallen de naaste gelegenheid tot zonde te verlaten, als uw hand, voet ot oog te verliezen, gij moet dat offer brengen, zoo gij de hel ontkomen en den hemel wilt binnen gaan.

Tot een krachtdadig voornemen dus wordt vereischt dat men vast besloten heeft de naaste gelegenheid tot zonde te verlaten en te vermijden. Ook wordt er vereischt dat men vast besloten heeft de andere middelen die noodig zijn om zicli te beteren, aan te wenden. Iemand, bijv., heeft de gewoonte van vloeken, hij vloekt dagelijks meermalen; de biechtvader schrijft hem de middelen voor om zijne siechte gewoonte af te leggen; hij zegt hein onder anderen, van \'s morgens een goed voornemen te maken van niet te vloeken, en tot dat einde telkens \'s morgens een onzen vader of een wees gegroet to bidden: de biechteling zegt voor een te ■meer: ja, ja, zeker, en nauwelijks is hij den biechtstoel uit, of hij denkt nergens meer aan: \'t is dezelfde vloeker, de tweede, misschien dezelfde dag reeds. Heeft die vloeker nu een vast en krachtdadig voornemen van zich te boteren, van niet meer te vloeken? Volstrekt niet. Hij heeft dus geen berouw? Ook niet. Hij heeft dan ook geene vergiffenis van zijne zonden bekomen? Evenmin.

IV.

Eindelijk moet het voornemen van niet moer te zondigen inwendig zijn. Dat is duidelijk, \'t Is dus niet genoeg van te zeggen : Ik haat en ik verzaak al mijne zonden uit liefde tot U, o God! en ik maak een vast voornemen van mijne zonden te biechten, de gelegenheden te Schuwen en liever te sterven, dan U nog te vergrammen: dat moet uit het hart komen.

-ocr page 278-

oprecht gemeend zijn, zonder dat kan men geene vergiffenis bekomen.

Is nu het hervallen in de zonde altoos een zeker teeken van eene slechte biecht? Volstrekt niet: dan alleen is hot een zeker teeken, als men gevallen is uit gebrek aan een vast voornemen van de zonden niet meer te bedrijven, de naaste gelegenheden te vermijden en de overige middelen te gebruiken. Doch veron-derstelt: iemand gaat te biechten, hij bidt goed, maakt het, vast voornemen, hij gebruikt de noodige middelen om zich te beteren: doch ziet, een tijd daarna wordt hij bekoord; ongelukkig, hij vergeet te bidden, hij gaat wederom naar dien persoon en hij hervalt in de zonde. Is nu zijne voorgaande biecht niet goed geweest? Ja wel; doch wat moet die persoon nu doen? den moed verliezen? Zijn ouden weg wederom inslaan? Neen, B. B., maar hij moet terstond opstaan, te biechten gaan en zeggen: Ik ben hervallen, hoewel ik vast besloten had die zonde niet meer te bedrijven, de naaste gelegenheid te vermijden, die slechte gewoonte af te leggen; ik zal opstaan en met nieuwen moed beginnen. Die persoon moet dus aanhouden en door aan te houden zal hij eindelijk do overwinning behalen. Ziedaar, hoe de mensch die hervalt, handelen moet.

SLUITREDE.

Ten slotte zeg ik u; als gij te biechten gaat, onderzoekt u wel aangaande het voornemen van niet meer te zondigen. Voorzeker, er gaan er, vooral onder de jeugd, te biechten, die geene vergiffenis van hunne zonden bekomen, omdat zij geen goed voornemen hebben; zij zeggen het met den mond, doch meenen het inwendig niet. Zij zeggen dat zij de naaste gelegenheid zullen vermijden, de middelen ter verbetering zullen aanwenden, zij meenen het niet, bedriegen zich zeiven, blijven immer in hunnen zondenstaaf voortleven, stapelen zonden op zonden, heiligschending op heiligschending, en menigeen slaat

-ocr page 279-

— 273 —

zoo de eeuwigheid in en gaat verloren. Ja, B. B., ik voor mij durf zeggen, dat velen van hen die verloren gaan, verloren gaan uit gebrek aan een goed voornemen van de zonden niet meer te bedrijven, als zij te biechten gaan. Zoo er iemand onder u is van de klasse, die ik hier bedoel, dat hij door eene goede generale biecht zijne heiligschendingen herstelle, om niet te laat hiernamaals zijn ongeluk te moeten beweenen. Amen

Gelooks • en Zedenleer, duel 18

-ocr page 280-

ZES - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE BELIJDENIS

Non confundaris confltori pcccata lua. Schaam u niet uwe zonden te bieohteu.

(Eccl. iv, m.)

INHOUD.

VOORREDE.

Na cene akte van berouw verwekt te hebben, biecht men zijne zonden: men zet zicli op de knieën, maakt het teeken des H. Kruises en zegt de voorbiecht. De biecht of belijdenis zijner zonden moet zijn;

VBRDEELING.

I. Volledig;

II. Oprecht;

III. Duidelijk.

1.

Men moet biechten alle doodzonden die men na een naarstig onderzoek van geweten gevonden heeft en indachtig is, en die men nog niet goed gebiecht heeft.

-ocr page 281-

Plet is geraadzaam en voordeelig de dagelijksche zonden ook te biechten.

Men moet biechten niet getal en omstandigheden; zeggen hoe dikwijls men elke zonde gedaan heeft, en hoe zij geschied is.

Men mag nooit do namen der medeplichtigen noemen.

11.

Men moet zich bij den biechtvader aanklagen gelijk men meent voor God schuldig te zijn; dus geene doodzonde verzwijgen, zich niet verschoonen. Men moet don H. Geest om genade bidden en denken dat het beter is eene goede biecht te doen dan eene slechte, dan een knagend geweten te hebben, en zoo men in dien staat kwam te sterven, in den laatsten dag des oordeels voor alle menschen beschaamd te staan, en voor eeuwig te moeten lijden in de hel.

111.

Men moet zich zoo uitdrukken dat de biechtvader alles verstaat en den toestand der ziel kan kennen: dus klaar en langzaam spreken, niet te algemeen zijn, de zonde met haren naam noemen, geene zaken zeggen die tot de biecht niet behooren.

SLUITREDE.

Geschiedenis eener vrouw, die in wanhoop stierf.

-ocr page 282-

— 270 —

ZES - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE BELIJDENIS

Non confundaris confiteri peccata tua.

Schaam n niet uwe zonden to biechten.

(Eccl. IV, 51.)

VOORREDE.

Na over het eerste deel der Biecht, het berouw, gesproken te hebben, B. B., gaan wij over het tweede, over de belijdenis spreken. Nadat men dus eene akte van berouw verwekt heeft, moet men zijne zonden biechten. Be Catechismus vraagt:

Wat zult gij denken, als gij in den biechtstoel zijl? En hij antwoordt:

Dat Ui als een misdadige aan de voeten van Jesus zit, om hem vergiffenis te vragen van mijne zonden.

Ziedaar de gedachte, die men van zich zeiven en van den biechtvader hebben moet, als men te biechten gaat. Ik ben een misdadiger; de biechtvader is de plaatsbekleeder van Jesus-Christus, en ik ben in den biechtstoel om vergiffenis te vragen van mijne zonden.

Wat doet gij, als de biechtvader u de benedictie geeft?

Ik maak een kruis, en ik zeg de voorbiecht.

De voorbiecht luidt als volgt: Ik belijde aan God almachtig, aan de heilige Maagd Maria, enz. Op het einde der voorbiecht voegt men er bij, wanneer men de laatste maal eene goede biecht gesproken heeft. Ook is het zeer goed, zoo men onbekend is, zijnen staat aan zijn biechtvader bekend te maken, door, bijv., te zeggen dat men gehuwd of ongehuwd is, enz

Als gij de voorbiecht gezegd hebt, wal doet gij dan?

Ik belijde mijne zonden.

-ocr page 283-

— 277 —

Dus onmiddellijk na de voorbiecht gezegd te hebben vangt men aan met zijne zonden te biechten.

Zien wij vandaag in \'t kort hoedanig de biecht of belijdenis zijner zonden zijn moet. De biecht moet vooral drie hoedanigheden hebben; zij moet zijn:

I. Volledig;

II. Oprecht;

III. Duidelijk.

I.

1° De biecht moet volledig zijn. De Catechismus vraagt: Welke zonden moéten wij belijden? En hij antwoordt:

Alle doodzonden, die wij na een ncerstig onderzoek gevonden hebben en indachtig zijn, daarbij voegende het getal, en alles wat de zonden mag veranderen of zeer bezioaren.

Ik zeg alle doodzonden: Immers:

Moet men de dagelijksehe zonden ook biechten?

Neen-, maar het is zeer geraadzaam en voordeelig.

Men is niet verplicht de dagelijksehe zonden te biechten, wijl men er door andere middelen vergiffenis van kan bekomen; doch het is geraadzaam en voordeelig, wijl de biecht een gemakkelijk middel is om er vergiffenis van te bekomen.

Ik heb gezegd, alle doodzonden, die wij na een naarstig onderzoek gevonden hebben en indachtig zijn. Wat moet men nu doen als men twijfelt of men eene doodzonde bedreven heeft of niet: ofwel, men twijfelt of de zonde, die men bedreven heeft, doodzonde of dagelijksehe zonde is? Men zal in den regel niets beters doen dan die twijfelachtigheid te kennen geven en de twijfelachtige doodzonde biechten: daardoor zal men onder anderen zijn geweten gerust stellen. Heeft men onvrijwillig eene

-ocr page 284-

— 278 —

doodzonde vergeten, of zoude men al zijne doodzonden onmogelijk kunnen biechten, gelijk bij stervenden soms kan voorvallen, in zulk geval is de biecht toch goed, en men zal naderhand die zonden, als men ze indachtig wordt of kan biechten, aan den biechtvader belijden.

Men moet biechten, B. B., alle doodzonden, namelijk, die men nog niet goed gebiecht heeft, want veronderstelt dat gij uwe zonden wel gebiecht hebt, maar zoo, dat gij het Sacrament onwaardig ontvangen hebt, bijv., zonder leedwezen, zonder vast voornemen; dan moet gij noodzakelijk die zonden opnieuw biechten, wilt gij er vergiffenis van bekomen.

Welke zonden moet men eerst biechten?

Die men wil; nog tans is het geraadzaam de grootste zonden eerst te biechten om die niet te vergeten of uit vrees achter te laten.

Men moet dus de doodzonden biechten. De Catechismus vraagt:

Hoe moet men zijne zonden biechten? En hij antwoordt:

Met getal en omstandigheden.

Vooreerst met getal. Doch:

Wat is zonden hieqhten met getal?

Zeggen hoe dikwijls men iedere zonde gedaan heeft. En:

Als men het getal niet zeker weet, wat doet men dan?

Men zegt het naaste getal, daarbij voegende min of meer.

Iemand, bijv., heeft zevenmaal gevloekt; dan moet hij biechten: Ik heb zevenmaal gevloekt; twijfelt hij of hij vijf-zes-of zevenmaal gevloekt heeft; dan biecht hij: Ik heb zesmaal gevloekt min of meer.

Mag men er altijd bijvoegen min of meer?

Neen; maar alleenlijk als men twijfelt.

In zekere zonden zoo als van haat, vijandschap, enz., is het geraadzaam te zeggen hoe lang de haat, enz., geduurd heeft, en of hij onafgebroken geduurd heeft. Bij zedenkwetsende en

-ocr page 285-

— 279 —

verleiflende gesprekken zal men ook liet getal personen uitdrukken, in wier tegenwoordigheid men die gesprekken gevoerd heelt, omdat die omstandigheid het getal van zonden kan vermeerderen.

Vervolgens moet men zijne zonden biechten met omstandigheden. De Catechismus vraagt:

Wat is biechten met omstandigheden? En hij antwoordt: Biechten hoe en op manier de zonden geschied zijn, met al wat de zonden merkelijk vermeerdert of vermindert, of eene andere soort van zonde maakt.

Men moet dus biechten eene omstandigheid, die de zonde merkelijk vermeerdert ol vergroot, d. i., die van eene dage-lijksche zonde eene doodzonde maakt: bijv., iemand heeft gelogen; doch door die leugen heeft hij zijnen naaste groote schade veroorzaakt: is het nu genoeg te biechten: Ik heb gelogen? Neen, B. B., maar hij moet er noodzakelijk bijvoegen, dat hij door te liegen zijnen naaste groote schade veroorzaakt heeft; want de leugen in zich beschouwd, is maar eene dage-lijksche zonde, doch wegens de omstandigheid van groote schade heeft de leugenaar doodzonde bedreven.

Men moet ook biechten eene omstandigheid, die de zonde merkelijk vermindert of verkleint, d. i., die van eene doodzonde eene dagelijksche zonde of geene zonde maakt: bijv., \'s Zondags slaafschen arbeid verrichten is doodzonde; heeft nu iemand reden, werkt bij uit noodzakelijkheid, dan zondigt hij niet: werkt hij zonder reden, maar een weinig tijds, dan bedrijft hij enkel eene dagelijksche zonde; dus zoude het niet genoeg zijn te biechten: ik heb \'s Zondags gewerkt; men moet zeggen, zonder of met reden, en hoelang de slaafsche arbeid geduurd heeft.

Men moet ook biechten eene omstandigheid, die eene andere soort van zonde maakt, die de soort van zonde merkelijk verandert; bijv., iemand die steelt, maakt zich plichtig aan de zonde van onrechtvaardigheid; doch zoo iemand eene kerk

-ocr page 286-

— 280 —

besteelt, bedrijft luj ook nog eene zonde van heiligschending. Iemand wenscht zijnen naaste den dood toe, daardoor zondigt hij tegen het vijfde gebod; doch in geval een kind zijne ouders den dood toewenscht, zondigt het niet alleen tegen het vijfde, maar ook nog tegen het vierde gebod.

In de zouden tegen de schoone deugd van zuiverheid moeten ook de omstandigheden van huwelijk en bloedverwantschap uitgedrukt worden. Ziedaar welke omstandigheden men noodzakelijk moet biechten. Of men ook de omstandigheden moet biechten die de doodzonden van dezelfde soort merkelijk verzwaren, wordt fel betwist, doch om zijn geweten gerust te stellen is het althans geraadzaam die omstandigheden ook uit te drukken.

Hoe dikwijls, B. B., blijft men aan die punt in de biecht niet te kort? Hoe dikwerf is de biechtvader niet genoodzaakt verschillende vragen te stellen, zoo als, bijv., of de biechteling zich niet bevindt in de naaste gelegenheid tot zonde, en sedert wanneer; of hij dikwijls gebiecht heeft zonder zich te willen beteren, enz. In \'t algemeen nu kan men in dit punt het volgende tot regel nemen: Alwie vast besloten heeft goed te biechten, zal zoo goed mogelijk biechten alwat zijn geweten bezwaart, en hetgeen hij meent den biechtvader bekend te moeten maken, opdat deze hem dos te beter kunne helpen en besturen.

Alhoewel men in de biecht zekere omstandigheden moet verklaren, de biechteling nochtans wachtte zich wel van ooit den naam van zijnen medeplichtige te noemen: hij moet zich ook wachten van alles wat niet tot de biecht behoort, als overbodige vertelsels, en eindelijk moet hij zorgen de zonden tegen het zesde en negende gebod zoo eerbaar mogelijk uit te drukken; de waardig - en heiligheid van het Sacrament der Biecht vordert zulks.

-ocr page 287-

II.

2° De Biecht moet oprecht zijn:

Zij is oprecht, wanneer men zich zoo aanklaagt als men meent voor God schuldig te zijn, zonder iets te verzwijgen, zonder zich te willen versclioonen of door ijdele voorwendsels zich te willen verontschuldigen. Men treft, helaas! soms personen aan die uit hoogmoed, schaamte of menschelijk opzicht zonden en zelfs doodzonden in de biecht verzwijgen of zoodanig bewimpelen en verdraaien, dat hunne biecht ongeldig is. De duivel, na den mensch eerst tot de zonde gebracht te hebben, onder voorwendsel dat zij zoo groot kwaad niet is, en dat hij ze later kan biechten, tracht hem na de zonde bedreven te hebben, den mond te sluiten, zijne zonden te doen verzwijgen, door hem, bijv., in te geven: uwe zonden zijn te groot, te schandelijk; wat zal de Biechtvader van u denken? enz.

Mruj men uit vrees of schaamte eene doodzonde achterlaten?

Neen; men moet de vrees overwinnen en de schaamte verduldig verdragen. De Catechismus vraagt:

Hoe zal men de vrees van eene doodzonde te biechten best overwinnen? En hij antwoordt:

Met den Heiligen Geest om gratie te bidden, en te denken dat het beter is rechtzinnig te biechten dan eene kwade biecht te doen, eene knagende conscientie te hebben, en bijaldien men in dezen staat kwame te sterven, in den laat sten dag des oordeels voor alle menschen beschaamd te staan, en eeuwig te lijden in de hel.

Men moet dus- vooreerst den H. Geest om genade bidden, ten einde de moeielijkheid van zijne zonden te biechten te bofen te komen, met, bijv., te denken dat het beter is rechtzinnig te biechten dau eene kwade biecht te doen.

En inderdaad, B. B., welk eene uitzinnigheid het middel dat God ingesteld heeft, om vergiffenis van onze zonden te bekomen, te misbruiken om de afschuwelijkste heiligschendingen te

-ocr page 288-

— 282 —

bedrijven. En hoe veel zonden van heiligschending bedrijft iemand niet, die eenmaal eene slechte biecht gesproken heeft? Hij gaat immer voort, denkende: Later zal ik die zonde wel biechten. En wat gebeurt er somtijds? Zelfs op zijn sterfbed verzwijgt hij nog zijne zonden en hij gaat voor eeuwig verloren.

Men moet denken dat het beter is rechtzinnig te biechten dan een knagend geweten te hebben. Immers, het geweten zal dien zondaar althans niet lang gerust laten; het zal hem zijne ondankbaarheid verwijten, en liet gevaar waaraan hij is blootgesteld, onder hot oog brengen. Want wat zal er eenmaal plaats grijpen, zoo hij in dien staat komt te sterven? In den laatsten dag des oordeels zullen zijne zonden aan alle mensehen bekend gemaakt worden, en hij zal voor hen beschaamd staan. Ook zoude het nog al lastig zijn, zoo wij onze zonden in \'t openbaar voor alle menschen moesten belijden; docli God vordert zulks niet; Hij gebiedt van onze zonden te biechten aan één mensch, den Priester, dien Hij ten strengste verboden heeft het geheim der biecht te schenden, zoodat de biechtvader liever alles zoude moeten lijden, zelfs den marteldood ondergaan, dan dien heiligen plicht te overtreden. Getuige hiervan, B. B., de H. Joannes Nepomucenus, die door den goddeloozen keizer Wendeslaüs gepraamd om de biecht dor keizerin Joanna aan hem bekend te maken, liever verkoos in de rivier de Moldau geworpen te worden en om te komen, dan iets uit de biecht der keizerin te verraden. En niet alleen zullen die verzwegen zonden in don laatsten dag dos oordeels in de tegenwoordigheid van alle menschen bekend gemaakt worden, doch om dat verzwijgen der zonden on meer andere zonden die er uit gevolgd zijn, zal de mensch veroordeeld worden tot de vlammen der hol, om daarin voor eeuwig te branden. Gij ziet het dus duidelijk, B. B.; door zijne zonden in de biecht te verzwijgen wint de mensch niets; integendeel, hij maakt zich ongelukkig voor tijd en eeuwigheid; door zijne zonden daarentegen rouwmoedig en rechtzinnig te biechten, bekomt hij er

-ocr page 289-

— 283 —

Tergiffenis van en worden zij geheel en al uitgewisclit. Laten wij ons dus nimmer bedriegen, en verzwijgen wij in de biecht nooit eene doodzonde.

III.

Eindelijk moet de biecht duidelijk zijn. Men moet zich dus zoo uitdrukken, dat de biechtvader alles verstaan en tien toestand der ziel kennen kan. Bijgevolg: men moet klaar en langzaam spreken; men moet in zijne uitdrukkingen niet te algemeen zijn, bijv., ik heb God en mijnen naaste niet bemind; ik heb kwade gedachten gehad; ik heb kwaad gesproken. Men moet de zonde bij haren naam noemen en hare soort aanduiden. Wat gebeurt er anders? De biechtvader moet immer vragen, en de biechteling is genoodzaakt meer dan eens op hetzelfde terug te komen. Ook moet men zich wachten van alles door een te verhalen en daar nog zaken bij te voegen, die volstrekt niet tot de biecht behooren. Daarom moet men voor de biecht goed zijn geweten onderzoeken. Ziedaar, B. B., wat er vereischt wordt tot eene goede biecht. Om u nu aan te sporen van nooit doodzonden in de biecht te verzwijgen, wil ik u ten slotte een verschrikkelijk voorval verhalen.

SLUITREDE.

In eene kleine stad zeven mijlen van Brussel, zoo verhaalt de vermaarde predikant Lejeune, woonde eeno vrouw, die naar den schijn braai\' leefde. Zij biechtte en communiceerde altoos den eersten Zondag der maand; doch, helaas! zij verborg voor haren biechtvader eene groote zonde, die zij in hare jeugd bedreven had. Tijdens hare laatste ziekte geraakte zij zekeren dag in eene buitengewone gemoedsbeweging: zij riep hare zuster die haar oppaste en zeide: Zuster! ik ben verdoemd. Gij kunt begrijpen hoe die zuster bij het hooren dier woorden gesteld was. Ten uiterste voor hare zieke zuster bezorgd, zeide

-ocr page 290-

zij: Gij droomt zuster, moed geschept, en beveel u aan God. Neen, antwoordde de zieke, ik droom niet; ik weet al te goed wat ik zeg; ik heb de plaats in de hel gezien die voor mij bereid is. De zuster wist niets beters te doen dan den Pastoor met de zaak bekend te maken. De Pastoor was op het oogen-blik afwezig, doch de broeder van den Pastoor, ook Priester, begaf zich terstond naar de zieke. De Priester vroeg haar hoe zij gesteld was. Die vraag beantwoordde zij met de volgende woorden: Ik ben verdoemd, omdat ik eene doodzonde niet heb durven biechten: terstond daarna noemde zij die zonde, en wel zoo luid, dat allen die in de kamer waren, ze konden hooren. quot;Welaan dan, sprak de Priester, belijd nu uwe zonden aan mij in de biecht en ik zal er u van ontbinden. Neen, zeide die ongelukkige, ik ben verdoemd. Gij leeft nog, hernam de priester: de tijd van genade is nog niet voorbij, biecht uwe zonden, bid God om barmhartigheid, en gij zijt gered: ik geef u de verzekering met mijn bloed onderteekend, dat God zich uwer ontfermen en u zalig maken zal, zoo gij Hem rouwmoedig daarom bidt. Ik weet wel, zeide de zieke, dat God mij barmhartigheid zal bewijzen, maar dat wil ik niet; te dikwijls heb ik van zijne genade misbruik gemaakt. Drie dagen en drie nachten bleef de Priester bij de zieke, haar biddende en smeekende dat zij God toch vergiffenis vragen en hare zonden in de biecht belijden zoude. Alles te vergeefs: die rampzalige gaf zich aan den duivel over, verloochende God, verzaakte het H. Doopsel en stierf. Ziedaar een voorbeeld van zooveel zondaren die in de biecht hunne zonden verzwegen hebben en voor eeuwig verloren zijn gegaan. Dat dit voorbeeld ons allen doe besluiten van nooit of nimmer in de biecht eene doodzonde te verzwijgen, en zoo zich iemand onder ons aan die zonde schuldig gemaakt heeft, dat hij zich zoo spoedig mogelijk uit zijn gevaarlijken toestand redde, om toch niet voor eeuwig naar de hel te gaan. En hoe moet hij zich redden? Door eene goede generale biecht te spreken. Amen.

-ocr page 291-

ZEVEN - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE GENERALE BIECHT

Qucecumque solvcritis super terrain crunt soluta et in ccelo.

Alwat gij op aarde zult ontbonden hebben zal ontbonden zijn in den hemel. (Matth. xviii, is.)

INHOUD.

VOORREDE.

Men moet biechten alle doodzonden, die men nog niet goed gebiecht heeft. De biecht moet volledig, oprecht en duidelijk zijn. De dagelijksche zonden behoeft men niet te biechten. Zoo iemand eene slechte biecht gedaan heeft, moet hij de biecht herhalen en zich beschuldigen van de bedreven heiligschending, in een woord, hij moet eene generale biecht spreken.

VERDEELING.

I. Wat is eene generale biecht?

II. Hoe moet men zich daartoe voorbereiden?

-ocr page 292-

— 286 —

I.

Eene generale biecht is niets anders dan de herhaling van een of meer voorgaande biechten; zij is driederlei: schadelijk, nuttig en noodzakelijk.

Voor -welke personen is zij schadelijk?

Voor welke personen is zij nuttig? Wanneer?

1° Bij de eerste H. Communie;

2° Bij het verkiezen van een levensstaat;

3° In eene gevaarlijke ziekte;

4° Ter gelegenheid van een Jubilé of eene Missie.

Voor welke personen is zij noodzakelijk?

Zij is noodzakelijk voor personen die slechte biechten gesproken hebben.

11.

Hoe moet men zich tot eene generale biecht voorbereiden?

1° Vast besluiten van leven te veranderen;

2° God den H. Geest om genade bidden;

3° De doodzonden worden zoo gemakkelijk niet uit het geheugen gewi scht;

■1° Denken dat God het onmogelijke niet vordert, dat men zich enkel behoeft te beschuldigen van de doodzonden, die men na een naarstig onderzoek gevonden heeft en indachtig is.

De biechtvader zal aan zijn plicht niet te kort blijven. Hoe moet zich gedragen, bijv., een mensch die vijftig jaren oud, gehuwd is en eene generale biecht wil spieken?

SLUITREDE.

Geschiedenis van Overberg en een grooten zondaar.

-ocr page 293-

ZEVEN - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE GENERALE BIECHT

QuiecuMque solveritis super terram erwit ioluta et in catlo.

Alwat gij op aarde zult ontbonden hebben zal ontbonden zijn in den hemel. (Maïth. xvm, is.)

VOORREDE.

Wanneer men te biechten gaat, B. B., moet men belijden alle doodzonden die men sedert zijne laatste goede biecht na een naarstig onderzoek van geweten gevonden heeft en indachtig is. Die biecht moet zijn volledig, oprecht en duidelijk.

Men is niet verplicht de dagelijksche zonden te biechten, maar het is geraadzaam en voordeelig. De Catechismus vraagt:

Wut zal men doen, als men sedert zijne laulsle biecht gecne zonde gedaan hce/l en geernc de ahsohUic zou onlrun-gen hij voorbeeld, om eenen vollen aflaat te verdienen? Kn hij antwoordt:

Men moet eene zonde van het voorgaande leven biechten. Doch:

Waarop moet men dan letten?

Dat men daarover een nieuw berouw verwekke. En:

Waarom moet men nog een berouw verwekhen, daar nogtans die zonde vergeven is?

Omdat het berouw een noodzakelijk deel is van de biecht, zonder hetwelk deze van geener loeerde is.

liet gebeurt soms, dat men na alles gedaan te hebben wat men moet doen, om eene goede biecht te spreken, onvrijwillig eene doodzonde vergeet. Bijgevolg:

-ocr page 294-

— 288 —

Als men onvrijwillig ccne doodzonde vergeet, doet men dan eene goede biecht?

Ja.

Wordt die vergetene doodzonde met de andere zonden vergeven?

Ja.

Indien men die zonde daarna indachtig icordt, moet men ze dan biechten?

Ja. En

Waarom moet men die zonde biechten, alhoewel zij vergeven is?

Omdat volgens het gebod van Christus alle doodzonden moeten gebiecht worden.

Dat is de reden, waarom die zonde, alhoewel zij reeds vergeven is, moet gebiecht worden, de stellige wil van Jesus-Christns, die het li. Sacrament der biecht heeft ingesteld. Doch:

Wanneer moet men die zonden biechten?

Als men ze indachtig wordt vóór de communie, dan is het geraadzaam die te biechten eer men te communie gaat; is \'t dat hel vóór de communie niet genoeglijk kan geschieden of dat men ze indachtig wordt na de communie, dan voldoet men met ze te biechten in de naaste biecht.

Ik heb gezegd dat het geraadzaam is die zonden Ie biechten eer men te communie gaat, in geval men ze indachtig wordt voor de communie; bijgevolg bestaat er geene verplichting.

De Catechismus vraagt nog;

Als iemand uit schaamte of anderszins vrijwillig in de biecht eene doodzonde achterlaat, doel hij eene goede biecht?

Neen; integendeel hij bedrijft eene heiligschenderij.

Wat moet hij — nu — doen die vrijwillig eene doodzonde achtergelaten heefl?

-ocr page 295-

— 289 —

Hij moet geheel die biecht herhalen, en zich beschuldigen van de bedrevene heilig schenderij.

Zoo hij na die eerste slechte biecht nog meermalen te biechten is geweest en vrijwillig nagelaten heeft die slechte biecht te herhalen, dan moet hij alle biechten herhalen, omdat allen slecht geweest zijn. Hij moet ook zeggen hoe dikwijls hij sedert die eerste slechte biecht te communie geweest is, en of hij soms nog andere Sacramenten ontvangen heeft, want hij heeft zich aan zooveel heiligschendingen schuldig gemaakt; hij moet dus eene generale biecht spreken. Zien wij vandaag:

I. Wat eene generale biecht is;

IF. Hoe men zich daartoe moet voorbereiden?

I.

Wat is eene generale biecht?

Door generale biecht verstaat men de herhaling van alle of van een deel zijner voorgaande biechten, zoodat men de zonden belijdt van gansch zijn leven, of van een gedeelte er van.

De generale biecht is driederlei: schadelijk, nuttig en noodzakelij k.

De generale biecht is schadelijk voor zekere personen, die te angstig van geweten zijn; die altijd meenen van iets in hunne voorgaande biechten achtergelaten of niet duidelijk genoeg gezegd te hebben; die denken dat de biechtvader hen niet goed verstaan heeft; die bang zijn van geen goed berouw gehad te hebben, en God weet, welke zaken al meer; in een woord, die zonder wettige reden meenen vroeger niet goed gebiecht te hebben. Die personen oordeelen dat zij door generale biechten te spreken orde zullen brengen aan hunne zaken; doch, helaas! in plaats van er orde aan te brengen, verwarren zij zo hoe langer hoe meer; \'t is altoos op nieuw beginnen. De biechtvader moet dergelijke personen verbieden van generale biechten te

GHLOOFS-EN ZKDKNI.EKR. Dkul. 19,

-ocr page 296-

spreken; hij is er toe verplicht, en de biechtelingen zijn ook verplicht zich aan de uitspraak van hunnen biechtvader te onderwerpen: voor hen is de gehoorzaamheid veel beter dan eene generale biecht, waarmede zij zich zeiven en hunnen biechtvader lastig vallen; de gehoorzaamheid is zelfs noodzakelijk om dergelijke personen te genezen.

De generale biecht is nuttig en bijgevolg zeer aan te raden in verschillende gevallen;

1° Bij de eerste H. Communie, namelijk, als men zich voorbereidt om voor do eerste maal het Brood der Engelen te nutten. Hoe zuiver moet men dan niet zijn? En hoe zal men zich best zuiveren? Door eene goede generale biecht van gansch zijn leven te spreken;

2° Als men een levensstaat aanvaardt, bijv., den huwelijken staat. Welken gewichtigen stap gaat de mensch dan niet doen? Zijn tijdelijk en eeuwig geluk oi\' ongeluk hangt er wellicht van af. Hij moet zich dus tot het aanvaarden van dien staat zoo nauwkeurig mogelijk voorbereiden. En hoe zal hij dat doen? Door eene goede generale biecht te spreken. Die generale biecht zal hem niet alleen rust en vrede verschaffen, wat het verle-dene betreft, maar zij zal hem ook nieuwen moed en Gods genade schenken om zijn nieuwen staat vlijtig te beginnen en heilig te beleven;

:30 In eene gevaarlijke ziekte. Eene gevaarlijke ziekte kan ons tot den dood brengen; de dood opent voort ons de poorten der eeuwigheid en brengt ons voor den rechterstoel van God. Wat zal ons dan meer rust verschaffen dan van ons eerst, terwijl het nog tijd is, door eene generale biecht aan den plaatsbe-kleeder van Jesus-Christus gesproken, geoordeeld te hebben, om na den dood door God niet veroordeeld te worden. Hoe getroost sterven zij doorgaans, die hunne rekening hier goed afgemaakt hebben;

-ocr page 297-

Eindelijk is de generale biecht nuttig tijdens een Jubilé of eene Missie. In die dagen van zaligheid heeft men de eeuwige waarheden goed hoeren uitleggen en goed overwogen.- Men heeft gedacht aan den dood, aan het oordeel, aan de hel en aan den heinel; men heeft ingezien aan welke zwarte ondankbaarheid men zich jegens God den besten der vaderen door zijne zonden heeft schuldig gemaakt, en terwijl men in die dagen meer bidt en door de genade Gods, die op eene bijzondere wijze werkt, tot droefheid over zijne zonden bewogen wordt, is het voor zekere personen nuttig, ja zeer nuttig eene generale biecht te spreken, om wezenlijk veel vruchten uit een Jubilé of eene Missie te trekken.

De generale biecht is noodzakelijk voor hen die slechte biechten gedaan hebben; zij moeten eene generale biecht spreken van den tijd af dat zij heiligschendende biechten gedaan hebben; want aangezien hunne zonden nooit vergeven zijn, zoo is het volstrekt noodig, dat zij ze op nieuw biechten om er vergiffenis van te kunnen bekomen. De biecht nu kan om verschillende redenen slecht zijn, gelijk wij reeds gezien hebben en verder nog zullen zien; omdat men. bijv., vrijwillig eene doodzonde achterlaat; omdat men geen berouw heeft. Wat hot voornemen aangaat, dat een deel van het berouw uitmaakt; het is goed zich te herinneren, dat het dikwijls gebrekkig is, omdat men den oprechten wil niet heeft van de naaste gelegenheid van zonde te vluchten of te vermijden, van de gewoonte van zonde af te leggen, van het onrechtvaardig geld of goed terug te geven, van de toegebrachte schade te herstellen; omdat men niet vast besloten heeft zijne vijanden te vergeven, den haat af te leggen. Heeft men nu de zekerheid van in een of meer van die punten sedert een tal biechten aan zijn plicht merkelijk te kort te zijn gebleven, dan moet men ongetwijfeld die biechten herhalen en zich beschuldigen van de bedreven heiligschen-dingen; zou men echter twijfelen of men aan zijn plicht te kort

-ocr page 298-

— 292 —

is gebleven, dan zal men zijn biechtvader raadplegen en vragen of men eene generale biecht moet spreken of niet, en zich vervolgens aan zijne uitspraak onderwerpen. Gelukkig de menscb. die nog bijtijds tot inkeer komt, aan de stem des knagenden gewetens gehoor geeft, door eene goede generale biecht zich aan zijn tijdelijk en vooral aan zijn eeuwig \'ongeluk weet te onttrekken.

Men vindt personen die de grootste moeielijkheid vinden in \'t spreken eener generale biecht, die, bijv., zeggen: maar hoe is het mij mogelijk de zonden van vijf, tien, twintig jaren indachtig te worden? Ik antwoord: met een weinig goeden wil is die zaak zoo moeielijk niet. Hoe zal men zich dus goed voorbereiden tot eene generale biecht, vooral als zij noodzakelijk is?

II.

Men moet op de eerste plaats vast besloten hebben van leven te veranderen, vervolgens moet men God om genade bidden, genade die Hij niet zal weigeren, en waarmede gij kunt hetgeen gij alleen niet kunt. Ook zullen de groote zonden die men bedreven heeft, zelden of nooit uit het geheugen gewischt worden, voornamelijk, zoo men ze in do biecht verzwegen heeft: zij zijn als slangen, die zoo niet gedurig, ten minste van tijd tot tijd aan het hart knagen en het leven van den ongelukkigen zondaar verbitteren: de versteendste zondaren bekennen het.

Ook moet men wel weten, dat God het onmogelijke niet vordert. Men behoeft enkel de doodzonden te biechten, die men na een naarstig onderzoek gevonden heeft en indachtig is.

De biechtvader daarenboven zal ook niet aan zijn plicht te kort blijven, en hij zal dus den biechteling zoo goed mogelijk helpen. Veronderstelt nu: iemand is vijftig jaren oud en gehuwd; hij heeft bij zijne eerste H. Communie eene doodzonde verzwegen. Hoe moet die persoon zich gedragen om eene goede generale biecht te spreken? Die persoon moet zijn leven in

-ocr page 299-

verschillende tijdvakken verdeelen: bijv., van zeven jaren tot zijne eerste H. Communie; van zijne eerste H. Communie, zoo lang hij bij zijne ouders of bij anderen in dienamp;t is geweest, tot dat hij begonnen is te verkeeren; van de verkeering tot het huwelijk, en van het huwelijk tot zijn vijftigste jaar.

Na zijn leven in die verschillende tijdvakken verdeeld te hebben, zal hij onderzoeken aan welke groote zonden hij zich in elk dier tijdvakken heeft schuldig gemaakt, tegen de tien geboden Gods, de vijf geboden der H. Kerk, de plichten van zijnen slaat, enz.; ook moet hij nagaan hoe dikwijls hij in het jaar tot de H. Sacramenten naderde, en of hij intusschen nog andere Sacramenten ontvangen heeft.

Wanneer hij nu alles zoo goed mogelijk onderzocht en gebiecht heeft, zal de biechtvader hem wellicht nog eenige vragen stellen, waarop hij niets dan rechtzinnig behoeft te antwoorden, en op die wijze spreekt hij eene goede generale biecht. Is dat nu zoo moeielijk, B. B.? O! de duivel tracht den ongelukkigen zondaar wijs te maken, dat eene generale biecht onmogelijk is, om hem op die wijze in staat van doodzonde te houden en eenmaal met zich naar de hel te sleuren. En ongelukkig, in zijn bedrog slaagt hij maar al te dikwijls. Zoo er soms iemand hier tegenwoordig is, die slecht geleefd en de H. Sacramenten dikwijls onwaardig ontvangen heeft, om dien ongelukkige tot inkeer te brengen, en om hem aan te zetten van eene goede generale biecht te spreken, ga ik ten slotte de volgende geschiedenis verhalen.

SLUITREDE.

De ijverige en godvruchtige Overberg, President van het groot Seminarie van Munster, gevoelde zich zekeren dag op eene buitengewone wijze gedreven om te gaan wandelen, alhoewel het weder slecht en koud was. Voor de deur van het Seminarie vond hij een man, die zoo het scheen, niet wist

-ocr page 300-

waar hij naar toe wilde: dan ging lüj vooruit, dan bleef hij staan, dan wederom ging hij achteruit, terwijl hij met angst rondzag. Overberg groette hem vriendelijk en trachtte met hem in gesprek te komen. De onbekende gaf hem in den beginne eenige stuursche antwoorden; eindelijk werd hij spraakzamer en zelfs zoo openhartig, dat hij bekende in zijne jeugd de afschuwelijkste zonden bedreven te hebben, en dat hij zich thans in de uiterste wanhoop om het leven wilde brengen. Zult gij dan beter zijn? vroeg Overberg. De ongelukkige zuchtte. De priester sprak hem nog eenige liefdevolle woorden, die zijn hart raakten en hem zoo ver brachten, dat hij toestemde met Overberg in deszelfs kamer te gaan. Daar gekomen sprak hij eene generale biecht van gansch zijn leven. Die man veranderde van dien dag af geheel en al, zijne moedeloosheid en wanhoop waren verdwenen en hadden plaats gemaakt voor eene zuivere, stille en geruste vreugd. Welnu, wat belet u van ook zoo te handelen? Wat belet u van een einde te maken aan uwen kommer en uwe onrust, de stem uws knagende gewetens te doen zwijgen, u aan het gevaar van door God veroordeeld en ter helle gedoemd te worden, te onttrekken? O, B. B., zoo er hier iemand tegenwoordig is die slechte biechten en communiën gedaan heeft, ik herhaal het, hij verandere van leven, hij begeve zich vol betrouwen tot den biechtvader om eene goede generale biecht te spreken, en hij zal niet alleen de vergiflenis zijner zonden, maar ook nog rust en vrede bekomen, Amen.

-ocr page 301-

ACHT - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER HET GEVEN EN WEIGEREN DER ABSOLUTIE

Quorum remiseritis peccata remittuntur eis, et quorum retinueritis rotenta sunt.

Wier zonden gij zult vergeven hebben worden hun vergeven, en wier zonden gij zult wedorhouden hebben zijn wederhouden.

(Joan, xx, 22.)

INHOUD.

VOORREDE.

Na zijne zonden gebiecht ie hebben, moet men ootmoedig de absolutie vragen met de nabieclit te zeggen. Men moet luisteren naar de vermaningen van den biechtvadei\', rechtzinnig antwoorden op zijne vragen, en ootmoedig aannemen de penitentie die hij oplegt. Doch het gebeurt soms dat de biechtvader de absolutie moet weigeren.

VKRDKKIJNO.

I. Aan wie moet de biechtvader de absolutie geven?

II. Aan wie moet hij ze weigeren?

-ocr page 302-

— 290 —

I.

Sommige personen vormen zich een zonderling denkbeeld van den biechtvader.

Wat is de biechtvader?

Hij is vader, geneesheer, leeraar en rechter.

Aan wie moet of mag de biechtvader de absolutie geven?

Aan hen, die hij met voorzichtigheid oordeelt de absolutie waardig te zijn.

II.

Aan wie moet de biechtvader de absolutie weigeren?

Hij moet de absolutie weigeren aan hen:

1° Die geen teeken van berouw geven;

2° Die den doodelijken haat niet willen afleggen;

3° Die geene restitutie willen doen;

4° Die de naaste gelegenheid niet willeu verlaten;

5° Die de gewoonte van zonde niet willen afleggen;

6° Die ergernis gegeven hebben en ze naar vermogen niet willen herstellen;

7° Die niet weten wat zij weten moeten om zalig te worden.

De biechtvader kan dergelijke zondaren geene absolutie geven, omdat zij onbekwaam zijn om ze te ontvangen.

Hoe moeten de biechtvader en de biechteling zich gedragen, en hoe gedraagt zich soms de biechteling?

SLUITREDE.

Men moet de penitentie volbrengen door den biechtvader opgelegd. Trachten wij dikwijls en waardig tot het H. Sacrament der Biecht te naderen, om er de uitwerksels van deelachtig te worden.

-ocr page 303-

ACHT-EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER HET GEVEN EN WEIGEREN DER ABSOLUTIE

Quorum remiseritis peccala remittuntur eis, et quorum retinuerilis retcnta sunt.

AYier zonden gij zult vergeven hebben worden hun vergeven, en wier zonden gij zult wederhouden hebben zijn wederhouden.

(Joan, xx, 22.)

VOORREDE.

In onze voorgaande onderrichting, B. B., hebben wij gesproken over de generale biecht. Eene generale biecht is de herhaling van eenige voorgaande biechten; zij is driederlei: schadelijk, nuttig en noodzakelijk. Be generale biecht is schadelijk voor angstvallige personen, die zich immer zonder reden verontrusten over hunne voorgaande biechten; zij is nuttig, bijv., bij het verkiezen van een levensstaat; zij is noodzakelijk voor personen, die hciligschendende biechten gesproken hebben.

Na zijne zonden gebiecht te hebben vraagt men de absolutie. Immers, de Catechismus vraagt;

Wat moet men doen, als men zijne zonden aan den biechtvader beleden heeft? En hij antwoordt:

Ootmoediglijk daarover de absolutie vragen met de nabiecht quot;ie zeggen.

De nabiecht luidt als volgt: Deze en al mijne andere zonden, bekende en onbekende, zijn mij uit ter her te. leed; ik beschuldig mij daarvan, en vraag de heilige absolutie met eene zalige penitentie. En:

-ocr page 304-

— 298 —

Wat moet men doen, als men de nabiecht gezeid heeft?

Men moet luisteren naar de vermaningen van den biechtvader, rechtzinnig antwoorden op de vragen die hij doet, en met ootmoedigheid aannemen de \'penitentie die hij oplegt.

Wat moet men doen terwijl de biechtvader de absolutie geefl?

Men moet de absolutie met ootmoedigheid en eerbied ontvangen, en het is goed intusschen nog een berouw te verwekken.

Doch ziet; liet gebeurt soms, dat de biechtvader de absolutie uitstelt. Zien wij dus vandaag:

I. Aan wie de biechtvader de absolutie mag geven;

II. Aan wie hij ze moet weigeren.

I.

De Apostelen en de overige Priesters hebben, gelijk wij reeds gezien hebben, de macht ontvangen om de zonden te vergeven ol\' te wederhouden. Ontvangt den H. Geest, zoo sprak Jesus, wier zonden gij zult vergeven hebben, worden hun vergeven, en wier zonden gij zult wederhouden hebben, worden hun wederhouden. De Priesters gebruiken die macht, als zij de absolutie geven ot\' uitstellen; zij mogen de absolutie niet geven of uitstellen volgens hunne beliefte, maar zij moeten het doen volgens eens ieders gesteltenis.

Men treft soms personen aan, B. B., die zich eene zonderlinge gedachte maken van den Priester in den biechtstoel; die meenen dat hij niets anders te doen heeft dan te luisteren naar hetgeen de biechteling zegt, en daarna de absolutie te geven; \'t ware gemakkelijk. Doch de Priester in den biechtstoel heeft wel andere plichten te vervullen, waarover hij eenmaal voor den rechterstoel van God streng zal geoordeeld worden: hij is de plaatsbekleeder van God, en bijgevolg moet hij handelen als vader, geneesheer, leeraar en rechter.

-ocr page 305-

— 299 —

«»

Do Priester in den biechtstoel is vader, en vandaar dat men zegt biechtvader: hij moet dus den rouwmoedigen zondaar, den verloren zoon, de verlórene dochter met goedheid ontvangen.

De Priester in den biechtstoel is geneesheer, en daarom moet hij zijn best doen om zijne geestelijke zieken, de zondaren te kennen, en om hen van huimo geestelijke ziekten, hunne zonden, en niet zelden doodelijke ziekten, d. L, doodzonden, te genezen; daartoe moet hij gepaste geneesmiddelen voorschrijven.

De Priester in den biechtstoel is leer aar: hij moet dus zijn biechteling onderrichten in hetgeen de zaligheid aangaat.

Eindelijk is de Priester in den biechtstoel rechter, in die hoedanigheid moet hij de zonden kennen, de gesteltenis van den zondaar, om te kunnen oordeelen of hij hein ontbinden of hinden moet, of hij de absolutie moet geven of uitstellen.

Aan wie moet nu de biechtvader de absolutie geven? Aan hen, die hij met voorzichtigheid oordeelt de absolutie waardig te zijn. De biechtvader, B. B., moet oordeelen, en niet de biechteling; deze komt als aangeklaagde, als misdadiger en niet als rechter: die hij met voorzichtigheid oordeelt de absolutie waardig te zijn. Ik zeg: met voorzichtigheid., want het kan gebeuren, dat de biechteling den biechtvader bedriegt, door, bijv., eene doodzonde te verzwijgen, enz. Daarvoor behoeft en kan de biechtvader niet instaan; \'t is genoeg dat hij met voorzichtigheid te werk gaat; bedriegt de biechteling den biechtvader, of liever bedriegt hij zich zeiven, dat is zijne zaak: zonder dat,\'B. B., was het onmogelijk het ambt van biechtvader naar behooren te bekleeden, en kon er geen enkel biechtvader zalig worden. Ik zeg, die hij de absolutie oordeelt waardig te zijn, d. i., van wie hij met reden denken mag dat zij een goed berouw hebben en hunne zonden rechtzinnig biechten. Ziedaar, B. B., aan wie de biechtvader de absolutie moet of ten minste kan geven. Doch zien wij nu aan wie hij de absolutie moet weigeren.

t. g ilfj

m lil

IHW Wil

lif ê

i |r

Mil.

\'lil

til

ïii

m

ju

-ocr page 306-

— :300 —

li.

De biechtvader moet de absolutie weigeren aan hen, die geen teeken van berouw geven, die hunne zonden evenals eene geschiedenis verhalen zonder te toonen dat zij hunne zonden haten en verfoeien. Die personen gaan te biechten uit mensche-lijk opzicht, omdat de ouders of oversten hen aanzetten, om, bijv., met Paschen of ter gelegenheid van een hoogen feestdag, te doen gelijk anderen doen; men moet,toch laten zien, denken zij, dat men christen is: en wat zouden de menschen wei van ons zeggen zoo wij met Paschen niet te biechten gingen; wij zouden onze kalanten en onze kostwinning kunnen verliezen. Dergelijke personen spelen den schijnheilige, zij kunnen de menschen wel bedriegen maar God niet.

De biechtvader moet de absolutie weigeren aan hen, die met hunnen naaste in haat en vijandschap leven, welke zij niet willen afleggen, zoodanig dat zij hunnen naaste kwaad wenschen, liet persoonlijk ongelijk niet willen vergeven, hunnen naaste niet eens willen aanzien of spreken. Is dat hel gebod der liefde onderhouden? En wat denken dergelijke personen als zij bidden; Vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onze schuldenaren? En nochtans, het gebeurt maar al te dikwijls dat nabestaanden, zelfs ouders, broeders en zusters in dergelijken haat of dergelijke vijandschap leven om de nietigste beuzelarijen.

De biechtvader moet de absolutie weigeren aan hen, die hunnen naaste merkelijk benadeeld hebben in hunne eer of faam, in de goederen der fortuin, en die geene restitutie willen doen. Gij bezit, bijv., onrechtvaardig eens anders goed, het komt er niet op aan van wien of op welke wijze; gij kunt geene vergifienis bekomen zonder restitutie te doen. De zonde wordt niet vergeven zonder het gestolene terug te geven; kan men het op het oogenblik niet teruggeven, dan moet men ten minste den wil hebben, en men moet er zich op toeleggen van het zoo spoedig mogelijk te doen.

-ocr page 307-

— 301 —

De biechtvader moet de absolutie weigeren aan hen, die de naaste gelegenheid tot doodzonde niet willen verlaten, hoewel zij kunnen en er toe verplicht zijn; aan hen, die in de gewoonte van doodzonde voortleven, na herhaalde biechten zich niet beteren en de daartoe vereischte middelen niet willen aanwenden : doch over die zondaren hebben wij vroeger genoeg gezegd.

De biechtvader moet de absolutie weigeren aan hen, die groote ergernis gegeven hebben, door, bijv., slechte boeken of geschritten aan anderen uit te leenen, en die de ergernis niet zoo goed mogelijk willen herstellen; ook aan hen, die zoo onwetend zijn, dat zij niet eens kennen hetgeen vereischt wordt om zalig te worden. Ziedaar, B. B., de voornaamste zondaren, aan welke de biechtvader in geweten verplicht is de absolutie to weigeren, d. i., uit te stellen, tot dat er aan de vereischte verplichting voldaan zij, al zouden zij overigens de schoonste beloften doen. En waarom moet de biechtvader aan die zondaren de absolutie weigeren? Om de eenvoudige reden, wijl zij geen berouw hebben over hunne zonden. En nochtans. God zelf, wiens plaatsbe-kleeder de biechtvader is, verklaart uitdrukkelijk, dat Hij geene enkele dadelijke zonde, zelfs geene dagelijksche zal vergeven, zonder dat de mensch er berouw over heeft. Wiens schuld is het nu dat de absolutie geweigerd of uitgesteld moet worden? De schuld van den biechtvader? Volstrekt niet; van den biechteling? ja, en van niemand anders, wijl bij de door God vereischte voorwaarden niet daarstelt. Wat moet nu de biechtvader doen, zoo hij de absolutie moet weigeren of uitstellen? Hij moet den biechteling met goedheid den staat van zaken bekend maken, en zeggen waarom hij de absolutie moet weigeren of uitstellen. Ook moet hij hem de middelen ter hand doen, om zich tot het waardig ontvangen der H. Sacramenten te kunnen voorbereiden. Immers de Catechismus vraagt:

Wat moet men doen, als de hiechlvader goedvindt de absolutie uit te stellen? En hij antwoordt:

-ocr page 308-

— 302 —

Men moet zich ootmoediglijk onderwerpen aan zijn oordeel, en aanstonds beginnen met zich weer dig ie maken om de absolutie later te ontvangen: bijv., door zich met zijnen vijand te verzoenen, door de schade te herstellen, enz. Gedraagt zich ook altijd de zondaar, wien de biechtvader uit plicht de absolutie moet weigeren, gelijk ik kom te zeggen? B. B.: men treft, helaas! ongelukkigen aan, die kwaad op den biechtvader worden, die immer aanhouden om de absolutie te ontvangen. Maar waarom wilt gij dan de absolutie ontvangen? Om vergiffenis van mijne zonden te bekomen. Maar gij kunt zoo geene vergiffenis van uwe zonden bekomen; gij bedrijft daarentegen nog groote zonden van heiligschending; toch willen zij de absolutie ontvangen. Wat zoudt gij zeggen van een zieke, die naar den geneesheer gaat om genezen te worden: de geneesheer schrijft hem goede middelen voor, waardoor hij spoedig zal genezen; de zieke weigert die middelen te gebruiken; hij vordert van den geneesheer, dat hij hem andere voor,schrijve, die, in plaats van hem te genezen, nog zieker zullen maken, en waardoor hij eindelijk zal sterven; de geneesheer weigert; en ziet, die zieke wordt kwaad op den geneesheer; hij houdt maar aan en vordert als het ware van den geneesheer, dat deze hem vermoorde. Wat zegt gij van dergelijken zieke? Welnu, de zondaar die de absolutie onwaardig is, handelt eveneens met den biechtvader die ze hem weigert. Welk eene dwaasheid! Ja, wat meer is, hij zondigt, wijl hij den biechtvader tracht over te halen van zijne heiligste plichten te overtreden. ,

De Priester, B. B., is een uitdeeler van Gods H. Mysteriën, en de zondaar zoude van hem een ontheiliger van die Mysteriën willen maken. Wat zegt God tot den Priester? Nolite sanctum dare canibus: (l) Wilt het heilige niet geven aan de honden, en werpt de parelen niet voor de zwijnen.

(ij Matth. vu, C.

-ocr page 309-

— 303 —

Het gebeurt soms dat de biechteling kwaad wordt en zegt: Zoo gij mij de absolutie niet geeft, ga ik niet meer te biecliten. Wat zal hij daarbij winnen? Ook is bet beter in de oude zonde te blijven, dan ze nog te vermeerderen; beter, dat er maar één zondigt, dan twee, namelijk, de biechtvader en de biechteling. Dan ga ik naar een anderen biechtvader om de absolutie te ontvangen: daarin zijt gij vrij; men kan te biechten gaan bij welken biechtvader men wil; misschien zult gij dien vreemden biechtvader zoo mooi praten dat hij u de absolutie geeft, waut hij kent u niet genoeg. Maar hebt gij nu ook vergiffenis van uwe zonden bekomen? Zoo gij nog behoort tot de klassen van zondaren, waarvan ik zoo even gesproken heb, dan hebt gij van uwe zonden geene vergiffenis bekomen, al hadt gij de absolutie van den Bisschop, ja zelfs van den Paus van Rome ontvangen. Waarom niet? Zonder berouw geene vergiffenis, zelfs niet van de kleinste zonde; Ood heeft het uitdrukkelijk verklaard. Dus kan ik geene vergiffenis bekomen? Er is bijgevolg geene zaligheid meer voor mij? Zeker wel; gij kunt vergiffenis bekomen en zalig worden; maar God, die u zonder u geschapen heeft, zal u niet zonder u zalig maken; daarin moet gij medewerken; gij moet eerst den haat afleggen; het onrechtvaardig geld of goed teruggeven. Maar ik kan niet: gij kunt met do genade Gods, welke niemand wordt geweigerd die er om bidt: en dan haalt de biechteling nog meer andere redenen aan, die ten slotte allen hier op neêrkomen: Ik toil niet. Wat zal de biechtvader nu doen? Hij zal zeggen: Mijn kind! ik zal voor u bidden, opdat gij aan Gods genade beantwoordet en tot inkeer kornet; en daarop zal hij hem zonder absolutie wegzenden. Wil de biechteling van niets hooren, \'t is zijne zaak. Ook zoude de biechtvader hem kunnen zeggen: \'t Is toch beter dat gij alleen verloren gaat, dan ik met u; gij zijt de schuld, dat gij, niettegenstaande God alles voor u gedaan en geleden heeft.

-ocr page 310-

voor eeuwig verloren gaat: Perditio tua Israël: (l) Eindelijk, God zal in den laatsten dag des oordeels rechten tusschen den biechtvader en den biechteling, en alle menschen zullen dan zien, wie zijn plicht gedaan heeft.

Hier, B. B., zoude men de vraag kunnen stellen: Mag men dan nooit van biechtvader veranderen? De handelwijze van zekere personen, die dan hier dan daar, dan bij dezen dan bij genen biechtvader loopen, is geheel en al af te keuren; doch daaruit volgt niet, dat men nooit bij een anderen biechtvader mag gaan: integendeel, in zekere gevallen is het geraadzaam, ja soms noodzakelijk; doch wat af te keuren is? dat is het aanhoudend loopen, dan bij dezen dan bij genen biechtvader.

SLUITREDE.

Alvorens met de biecht te eindigen, moet ik nog een woordje zeggen over de penitentie of voldoening.

Na gebiecht en de absolutie ontvangen te hebben, moet men God bedanken en de penitentie volbrengen door den biechtvader opgelegd. De Catechismus vraagt:

Wanneer moet men de penilenlie volbrengen? En hij antwoordt:

Op den tijd dien de biechtvader daartoe gesteld heeft, en als hij geenen tijd heeft gesteld, zoo haast het mogelijk is.

[s het zonde zijne penitentie achter te laten?

Ja, als het vrijwillig geschiedt, omdat men het Sacrament berooft van een zijner deelen.

Immers, het derde deel van de Biecht is de penitentie of voldoening. Wat meer is; zoo men voor de Biecht besloten had zijne penitentie niet te volbrengen, dan zoude men eene slechte ol heiligschendende biecht spreken.

(i) Os xiii, 19.

-ocr page 311-

— 805 —

De penitentie wordt om verschillende redenen opgelegd: vooreerst, om het Sacrament te voltrekken; vervolgens, om te voldoen voor de zonden; en eindelijk, om niet meer in de zonden te hervallen. Men mag en men moet soms den biechtvader vragen van de penitentie te veranderen. De biechtvader, bijv., zoude iemand voor penitentie opleggen de litanie van onze lieve Vrouw te lezen, doch de biechteling kan de litanie niet van buiten, en hij kan niet lezen; dan moet hij natuurlijk eene andere penitentie vragen.

Wij hebben nu genoeg gezien, 1?. 1?., wat het H. Sacrament der Biecht is, wat er vereischt wordt om het waardig te ontvangen, en welke voordeelen er aan vast zijn. Naderen wij dikwijls tot dit H. Sacrament, dat onze goddelijke Zaligmaker ingesteld heeft tot heiliging en zaligmaking onzer zielen. O wat zijn ze te beklagen de ongelukkigen, die zelden tot het 11. Sacrament der Biecht naderen, zoo lang soms in slaat van doodzonde leven, in dien ongelukkigen staat niets voor den hemel verdienen, met gevaar nog van door den dood verrast te worden en voor eeuwig verloren te gaan. Hoe zeer zullen zij hunne nalatigheid hiernamaals, doch helaas! te laat moeten beklagen? Hoe velen, thans begraven in de hel, beklagen ze reeds? O, B. B., wachten wij er ons voor, en daarom, naderen wij dikwijls tot het H, Sacrament der Biecht om onze zielen des te meer te heiligen en eenmaal zalig te maken. Amen.

Gklooks - en Zbdbnlskr. 4lt;,e DF.ur,. 20.

-ocr page 312-

NEGEN - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER HET H. OLIESEL

Infirmatur quis in vohis, inducat Presbyteros ecclcsice et orent super cum, ungenles cum olco in nomine\' Domini.

Zoo iemand onder u ziek is, hij brenge de Priesters der kerk binnen, en zij bidden over hem, hem zalvende met olie in den naam des Heeren. (Jac. v, h )

INHOUD.

VOORREDE.

Gelijk de mensch in zijne lichamelijke ziekten troost en hulp noodig heeft, zoo ook heeft hij troost en hulp noodig in zijne geestelijke ziekten. Die troost en hulp worden hem gegeven door het H. Oliesel.

VERDEELING.

I. Wat is het H. Oliesel?

II. Hoe wordt het toegediend?

HL Wat voordeel doet ons het H. Oliesel?

-ocr page 313-

— 307 —

I.

Het H. Oliesel is een Sacrament, in hetwelk door de H. Zalving en het gebed des Priesters de zieken in hunne ziekten en in hunnen uitersten nood verlicht en geholpen worden. Het H. Oliesel draagt verschillende namen, \'t Is een Sacrament, wijl alles, wat tot het wezen van een Sacrament vereischt wordt, in het H. Oliesel te vinden is: liet uitwendig teeken, de bijzondere genade en de instelling van Christus.

II.

De Priester is de bedienaar van het H. Oliesel: de stof er van is de H. Olie, door den Bisschop daartoe gewijd; de vorm er van zijn de woorden welke de Priester spreekt bij de zalving van den zieke. T)e zintuigen van den zieke worden gezalfd, wijl zij aanleiding tot zonde gegeven en werktuigen tot zonde geweest zijn.

III.

Men moet het H. Oliesel gaarne ontvangen. Voordeel van het H. Oliesel: het verlicht de zieken, het vermindert de bekoring, het vergeeft de dagelijkscho zonden, het neemt weg de vergetene doodzonden, en liet helpt de zieken tot de gezondheid als liet hun zalig is. Het 11. Oliesel geeft de heiligmakende genade, en wel in den regel de tweede; daardoor helpt het den mensch naar ziel en lichaam, vooral sterkt het hem in den doodsstrijd tegen de aanvallen van de vijanden zijner zaligheid.

SLUITREDE.

Geschiedenis van een stervenden soldaat.

*

-ocr page 314-

— 308 —

NEGEN - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER HET H. OLIESEL

Infirmalur quis in vohis, inducat Presbyteros ecclesia et orent super eum, Ungentes eum olco in nomine Domini.

/,oo iemand onder u ziek is, liij brenge de Priesters der kerk binnen, en zij bidden over hem, hem zalvende met olie in den naam des Heeren. (Jac. v, m.)

VOORREDE.

Gelijk de mensch, R. R., die ziek is naai\' het lichaam, troost en hulp noodig heeft; zoo ook heeft hij troost en hulp noodig, als hij ziek is naar de ziel. Die troost en hulp naar ziel en lichaam worden hem gegeven door het H. Sacrament des Oliesels, waarover wij vandaag gaan handelen. Vele menschon hebben eene slechte gedachte van dit Sacrament; zij zijn er bang voor. En waarom? In hunne overgroote dwaling meenen zij, dat de mensch, na het II. Oliesel ontvangen te hebben, als tot den dood veroordeeld is, dat hij weldra moet sterven: daarom gebeurt het ook niet zelden, dat men zoo lang uitstelt het H. Oliesel te ontvangen, tot dat het schier geheel en al te laat is. Uit de twee volgende onderrichtingen zult gij zien dat het H. Oliesel, in plaats van schrik in te boezemen, wel in staat is den mensch, als hij in gevaar van sterven verkeert, met vreugde te vervullen; dat het, in plaats van zijnen dood te verhaasten, hem de gezondheid zal wedergeven als het hem zalig is. Zien wij vandaag:

I. Wat het H. Oliesel is;

II. Hoe het wordt toegediend;

III. Wat voordeel het ons doet.

-ocr page 315-

— 309 —

I.

De Catechismus vraagt:

Wat is het het heilig Oliesel? En hij antwoordt:

Een Sacrament in hetwelk, door de heilige zalving, de zieken in hunne ziekten en hunnen uitersten nood verlicht en geholpen toerden.

Het H. Oliesel heeft verschillende namen; het wordt genoemd: de 11. Olie, de gewijde olie, de zalving met olie, de zalving der zieken, het Sacrament der stervenden.

Dat het H. Oliesel een der zeven H. Sacramenten is, blijkt vooreerst uit de H. Schrift: alles wat tot het wezen van een Sacrament vereischt wordt, is in het H. Oliesel te vinden; \'t is een uitwendig teeken door Christus ingesteld, beteekenende eene bijzondere genade die ons door hetzelve gegeven wordt. Ziehier hoe do H. Jacobus in zijnen brief zich uitdrukt: Is er iemand onder u ziek, zegt hij, dat hij de Priesters der kerk bij zich roepe, en dat zij over hem bidden, hem zalvende met olie in den naam des Heeren, en het gebed des geloofs zal den zieke behouden, en de Heer zal hem verlichten, en zoo hij in zonden mocht zijn, zullen zij hem vergeven worden. Uit deze woorden blijkt duidelijk: vooreerst, dat de H. Jacobus spreekt over een uitwendig teeken, namelijk, over de zalving van den zieke met olie, terwijl de Priester bidt; vervolgens, dat aan dat uitwendig teeken verbonden is eene bijzondere genade, namelijk, verlichting en hulp; doch aan dergelijk uitwendig teeken eene bijzondere genade verbinden vermag Christus alleen, bijgevolg is het H. Oliesel een Sacrament, wijl het is een uitwendig teeken door Christus ingesteld, beteekenende eene bijzondere genade, die ons door hetzelve gegeven wordt.

Dat het H. Oliesel een der zeven H. Sacramenten is, blijkt ook uit de leering onzer Moeder de H. Kerk. Altoos heeft de H. Kerk het H. Oliesel onder hare Sacramenten geteld, zooals

-ocr page 316-

— 310 —

blijkt uit de overleveringen cn kerkvergaderingen. De kerkvergadering van Trente spreekt den banvloek vut over al degenen die durven loochenen, dat het H. Oliesel een Sacrament is; en zij beroept zich op de leering der Apostelen, die van hand tot hand overgeleverd is. De tijd waarop onze goddelijke Zaligmaker het H. Oliesel ingesteld heeft, kan niet met juistheid bepaald worden; waarschijnlijk hoeft Hij het ingesteld na zijne verrijzenis.

II.

Hoe wordt het H. Oliesel toegediend? De Priester zalft den zieke aan de oogen, ooren en overige zintuigen, terwijl hij telkens een gebed voor hem doet. Uit dit antwoord zien wij wie de bedienaar, welke de stof en welke de vorm van dit Sacrament is.

De bedienaar van het II. Oliesel is de Priester, gelijk uit de woorden van den H. Jacobus blijkt: Wordt er iemand onder u ziek, zegt hij, hij brenge de priesters der kerk binnen: Inducat Preshyleros ecclesice.

De stof van het H. Oliesel is de olijfolie van den Bisschop op Witten Donderdag daartoe gewijd. Deze stof, B. B., beteekent, dat gelijk de olie zeer geschikt is om de pijnen des lichaams te verzachten, zoo ook de H. Olie zeer geschikt is om de smarten der ziel te lenigen, en dat, evenals de olie medewerkt om den mensch de gezondheid weder te geven, zoo ook liet H. Oliesel de gezondheid wedergeeft aan de ziel van den zieke en zelfs aan het lichaam zoo het hem zalig is.

De vorm van het H. Oliesel bestaat in het gebed dat de Priester spreekt, terwijl hij den zieke zalft. De Priester herhaalt dat gebed telkens als hij een der vijf zintuigen zalft: zoo zegt hij, bijv., bij de zalving der oogen: Door deze heilige zalving en zijne goedertierenste barmhartigeid, vergeve u de Heer alwat gij door het gezicht misdaan hebt. Amen. Hij zalft

-ocr page 317-

— 311

de oo^en, de ooren, den neus, den mond, de handen en de voeten. Hij doet die zalvingen met den duim gedoopt in de H. Olie, in den vorm van een kruis. De H. Carolus Barromëus leert ons waarom de zintuigen van den zieke gezalfd, en ■waarom zij kruiswijze gezalfd worden. De vijf zintuigen worden gezalfd, omdat zij veelal aanleiding tot zonde geven en werktuigen tot zonde zijn. Hoe dikwijls inderdaad komt de dood door de oogen niet binnen en zondigt men er mede? Een enkele onvoorzichtige oogslag is niet zelden de oorzaak van de afschuwelijkste zonden. David is het doorslaandste bewijs dier waarheid. Waarom maakte hij zich aan overspel en moord plichtig? Omdat hij onvoorzichtig zijne oogen op eene vrouw gevestigd had. Hoe dikwijls komt de geest van onzuiverheid door de ooren niet binnen, en hoe menigmaal opent men zijne ooren niet om naar kwaadsprekers te luisteren? Hoe dikwerf streelt de smaak den ongeregelden eet-cu drinklust niet? En de tong, is zij niet het werktuig, waarmede talrijke en de noodlottigste zonden bedreven worden? Hoe dikwijls strekken zich de handen niet uit tot onrechtvaardigheid en zondige werken? Hoe dikwijls bewegen zich de voeten niet om het voorwerp der zondige begeerlijkheid op te zoeken? En hoe dikwijls brengen aangename geuren den geest niet tot den wellust? De priester nu zalft de zintuigen van den zieke, om voor hem van God de vergiffenis te bekomen van al de zonden die hij er mede bedreven heeft. De zintuigen van den zieke worden kruiswijze gezalfd, om ons te herinneren dat de genaden van het H. Oliesel ons door de verdiensten van het kruis en lijden van Jesus-Christus geworden; dat wij ons in den strijd tegen onzen vijand den duivel van liet kruisteeken moeten bedienen en er onze zintuigen mede wapenen moeten; verder nog, opdat wij voor den rechterstoel van Jesus-Christus hel kruisteeken zouden medebrengen om te kunnen toonen dat wij onder de banier des kruises tot don dood toe moedig gestreden hebben. Zien wij nu op de derde plaats het voordeel van het H. Oliesel.

I;

!|| lil

\'Mi

flii

i li

-ocr page 318-

— 312 —

III.

De Catechismus vraagt:

Moet men het heilig Oliesel geerne ontvangen, als men gevaarlijk zich is? En hij antwoordt:

Ja; men moet er naar verlangen, om het groot pro fijt dat men er door bekomt, zoo voor de ziel als voor het lichaam.

Het profijt of voordeel van liet H. Oliesel is dus tweederlei: vooreerst, voor de - ziel; vervolgens, voor liet lichaam. Het H. Oliesel geldig en waardig ontvangen, geeft de heiligmakende genade, eh wijl het een Sacrament der levenden is, geeft het in den regel de tweede heiligmakende genade of de vermeerdering van de eerste; ook geeft het dadelijke genade of althans het recht er op voor den tijd, waarop men ze zal noodig hebben. De genade van het H. Oliesel is eene bijzondere genade. Waarin die bijzondere genade beslaat, leert ons de Catechismus, als hij antwoordt op de vraag:

Wat profijt geeft ons het heilig Oliesel?

Ten eerste, het verlicht de zieken; ten tweede, het vermindert de bekoring; ten derde, het vergeeft de dagelijkse he zonden; ten vierde, het neemt weg de verg et ene doodzonden; ten vijfde, het helpt ook de zieken tot gezondheid als het zalig is.

Wat de ziel van den zieke betreft:

1° Het H. Oliesel verlicht den zieke. De mensch, B. B., die gevaarlijk ziek is, wordt gewoonlijk bedroefd en bevreesd. Bedroefd: waarom? Hij ziet den dood naderen; hij weet dus dat hij weldra vaarwel zal moeten zoggen aan vrouw en kinderen, aan bloedverwanten en vrienden, aan alles wat hem dierbaar is op aarde: misschien bevinden er zich onder de personen die zijn sterfbed omringen, die snikken en weeuen; dat snikken en weenen bedroeft den zieke op zijn sterfbed;

-ocr page 319-

— 313 —

doch hij wordt ook getroost door het geloof in de verrijzenis en door de zoete hoop van elkander in den hemel eenmaal weder te zien.

De zieke wordt niet alleen bedroefd maar ook bevreesd; en niet zonder reden. Waarom? O, B. B., hij denkt aan hetgeen er onmiddellijk na den dood gaat volgen, namelijk, aan liet oordeel. Hij weet dat hij terstond voor den rechterstoel van Jesus-Christus zal moeten verschijnen om rekenschap te geven van al zijn doen en laten; wellicht denkt hij er aan dat hij zoo weinig goed en zooveel kwaad gedaan heeft; hij weet dat van de uitspraak van het vonnis door den Opperrechter de eeuwigheid, zijn eeuwig geluk of zijn eeuwig ongeluk, afhangt. Is het dan te verwonderen zoo die zieke bevreesd is? Doch ziet, die vrees voor Gods oordeelen wordt getemperd door de genade des 11. Oliesels, waardoor do zieke wordt aangezet tol een groot betrouwen op Gods oneindige goed - en barmhartigheid jegens den rouwmoedigen zondaar.

2° Het H. Oliesel vermindert de bekoring. Wordt de mensch reeds dikwijls en hevig door den duivel bekoord in zijn leven; zeker zal hij hevig bekoord worden bij zijnen dood. De duivel loopt als een brieschende leeuw rond, zoekende wien iiij kan verslinden, d. i,, tot zonde brengen en ongelukkig kan maken; doch hoe zeer zal hij niet rondloopen, welke listen en lagen zal hij niet gebruiken, welke middelen zal hij niet beramen, welke krachten zal bij niet inspannen om den mensch bij zijnen dood in zonden te doen vallen en met zich naar den afgrond der hel te sleuren? Doch ziet, het H. Oliesel dat de zieke ontvangen heeft, vermindert de bekoring. God namelijk staat ofwel niet toe, dat de zieke zoo hevig bekoord worde, ofwel Hij geeft hem in. evenredigheid genade om de aanvallen van den duivel zegevierend af te slaan en de bekoringen te overwinnen.

-ocr page 320-

— 314 —

:i0 Het II. Oliesel vergeeft de dagelijksche zonden. De dage-lijksche zonden, B. B., doen den mensch in de liefde Gods verflauwen; wijl nu de genade van het H. Oliesel den mensch wederom in de liefde lot God ontsteekt, daaruit volgt natuurlijk dat het ook de dagelijksche zonden vergeeft: de zieke nochtans moet niet gehecht zijn aan de dagelijksche zonde, en hij moet er eenig leedwezen over gevoelen, want zonder leedwezen is er van geene enkele dadelijke zonde vergiffenis te bekomen. De dagelijksche zonden kunnen ook vergeven worden door het leedwezen, door de gebeden en andere goede werken, die uit de genade door het IL Oliesel gegeven, voortkomen.

4° Het H. Oliesel neemt weg de vergetene doodzonden. Het H. Oliesel, B. B., is eigenlijk niet ingesteld om de doodzonden te vergeven, wijl het een Sacrament der levenden is, en daarom moet het in staat van genade ontvangen worden: nochtans, het neemt weg de vergetene doodzonden, d. i., de doodzonden die op geenerlei wijze, noch door de biecht, noch door een volmaakt berouw vergeven zijn, ofwel omdat de zieke zich die zonden niet herinnert, ofwel omdat hij ze niet meer kan biechten en zelfs niet eens zijn wil van ze te biechten kan te kennen geven: in dergelijk geval neemt het H. Oliesel de doodzonden weg, mits de zieke er eon onvolmaakt berouw over hebbe. Immers, de Apostel Jacobus van den zieke sprekende zegt: Si in peccatis sit, zoo hij in zonden is, zonder onderscheid te maken tusschen doodzonden of dagelijksche zonden; zij zullen hem vergeven worden: Rcmitlcntur illi. Hieruit alleen kan men reeds opmaken hoe zeer men bezorgd moet zijn én voor zich zeiven, én voor anderen, van het H. Oliesel bijtijds te ontvangen. Ziedaar, B. B., in \'t kort verklaard het voordeel dat de zieke voor zijne ziel bekomt door het H. Oliesel.

-ocr page 321-

SLUITRKDK.

Zekeren dag, zoo verhaalt ons een Pater met name Vincentius, werd een soldaat gevaarlijk ziek; hij toonde een heilig ongeduld om het H. Oliesel te ontvangen. Twee dagen nadat hij het H. Sacrament des Altaars ontvangen had, zeide hij tot den Pater: Wanneer zult gij mij hot H. Sacrament geven, waarover gij mij onlangs gesproken hebt; gij weet wel, het Sacrament

dat de zonden vergeeft, de overblijfsels der zonden wegneemt____

het Sacrament, dat helpt om zalig te steryen? Ik begrijp u-, zeide de Pater, gij wilt zeggen, liet Sacrament des Oliesels. Ja, juist zoo, antwoordde de zieke. Gij verlangt alzoo het H. Oliesel te ontvangen? O ja, zeide de soldaat, ik verlang het van gansclier harte om des te meer gezuiverd te worden en waardig te zijn voor den goeden God te verschijnen: ik wil het niet ontvangen om te genezen, maar om de genade te bekomen van de ziekte christelijk te verdragen en zalig te sterven. Wilt gij dan deze aarde verlaten? Ja, ik verlang er naar; wat toch zoude ik voortaan op aarde doen? Ik zoude nog in staat zijn van God op nieuw te vergrammen. Is het niet beter dat ik van do wereld sclieide, nu ik liet geluk gehad heb het werk mijner zaligheid in orde te brengen en mijn geweten te zuiveren? De Pater beloofde hem het H. Oliesel toe te dienen. Daags daarna ontving hij het H. Sacrament; zijne vreugde was ten top. Dank, Vader! zeide hij met nadruk, duizendmaal dank! O, nu kan ik gerust sterven; ik heb mijn plicht gedaan en hoop dat de goede God zich over mij zal ontfermen. Weinige dagen daarna ontsliep hij kalm in den Heer. Dat toch ons allen hetzelfde geluk te beurt valle! Dat wij allen met dezelfde gevoelens het H. Sacrament des Oliesels ontvangen, en ongetwijfeld, dat H. Sacrament zal in ons dezelfde uitwerksels te weeg brengen. Amen.

-ocr page 322-

T

DERTIGSTE ONDERRICHTING

OVER HET H. OLIESEL

Miserunt ergo sorores ejus ad eim dicentes. Domine I ecce quem anuts infirmatur.

De zustors van Lazarus zonden een bode naar Jesus, zeggende: Heer! dien Gij bemint is ziek. (Joan, xi, rgt;.)

INHOUD.

,

VOORREDE.

Na het voordeel van het H. Oliesel voor de ziel overwogen te hebben, gaan wij thans overwegen:

VERDEELING.

1. Het voordeel van het H. Oliesel voor liet lichaam;

II. Wie, hoe, wanneer en hoe dikwijls men het H. Oliesel mag ontvangen.

I.

Wat het lichaam betreft, het H. Oliesel verlicht den zieke en helpt hem tot de gezondheid als het hem zalig is. Waarom sterven er velen na het H. Oliesel ontvangen te hebben.

-ocr page 323-

1° Omdat het den zieke niet tot zijne zaligheid zou strekken langer te leven;

2° Omdat de zieke anders meer zou denken aan de gezondheid des lichaams dan aan de zaligheid zijner ziel;

3° Omdat men te lang uitstelt van het H. Oliesel te ontvangen;

4° Omdat het niet naar behooren ontvangen wordt.

11.

Het H. Oliesel wordt gegeven aan de zieken, die tot de jaren van verstand gekomen, in gevaar zijn van sterven.

Do zieke moet in staat van genade zijn, omdat hot H. Oliesel een Sacrament der levenden is. Men moet het ontvangen met geloof, betrouwen, overgeving aan don wil Gods en in don geest van boetvaardigheid.

Men moet het II. Oliesel ontvangen als men ziek zijnde in gevaar is van sterven, en daarom is men verplicht don zieke bijtijds te verwittigen om do H. Sacramenten met vrucht te kunnen ontvangen. Hoé gedragen zich zekere personen jegens do zieken? Hoe zijn do zieken doorgaans gesteld na bijtijds de H. Sacramenten ontvangen te hebben?

Men mag het li. Oliesel ontvangen eens in eene ziekte, doch zoo dikwijls men zoude hervallen wezen.

SLUITRUDE.

Geschiedenis van een man door God gestraft, wijl hij voor zijne stervende vrouw niet gezorgd had.

-ocr page 324-

— 218 — DERTIGSTE ONDERRICHTING

OVER HET H. OLIESEL

Miserunt eryo sorores ejus ad eum diccntes: Domino! ecce quem amas injirmatur.

De zusters van I jiizarus zonden een bode naar Jesus, zeggende: Heer! dien Gij bemint is ziek. (Joan. xi, 3.)

VOORREDE.

In onze voorgaande onderrichting, Ij. 1 , liebben wij gezien: vooreerst, wat het IF. Oliesel is; vervolgens, hoe het wordt toegediend; en eindelijk, wolk voordeel het H. Oliesel geeft voor de ziel. Het voordeel dat het H. Oliesel geeft voor de ziel, bestaat onder anderen hierin: het geeft de heiligmakende en de dadelijke genade; door die genade verlicht liet H Oliesel den zieke, het vermindert de bekoring, het vergeeft de dagelijksche zonden, en eindelijk neemt het weg de vergetene doodzonden. Vandaag zullen wij zien:

I. Het voordeel van het H. Oliesel voor het

lichaam;

II. Wie, hoe, wanneer, en hoe dikwijls men

het H. Oliesel mag ontvangen.

I.

Het voordeel van het H. Oliesel voor het lichaam is\'tweevoudig: het verlicht den zieke in zijne lichamelijke pijnen, en het geeft hem de gezondheid als hot hem zalig is.

Het H. Oliesel, B. B., geldig en waardig ontvangen, verlicht de ziel van den zieke door haar te troosten en op te beuren, gelijk wij reeds gezien hebben. Daaruit alleen kan men reeds

-ocr page 325-

— 319 —

besluit^, dat het een Iieilzamen invloed moet, uitoefenen ook op het lichaam van den zieke, door hem moed en kracht bij te zetten, om zijne smarten en pijnen met geduld te verdragen. Doch dat is niet alles, liet geschiedt niet zelden, dat het H. Oliesel de smarten en pijnen door de ziekte veroorzaakt, rechtstreeks vermindert of verzacht; ja, wat meer is, het H. Oliesel geeft soms den zieke de gezondheid weder als het hem zalig is. Ik zeg; als het hem zalig is. Waarom? Omdat het H. Oliesel, alhoewel geldig en waardig ontvangen, deze twee uitwerksels niet onfeilbaar heeft, evenals liet onfeilbaar de heiligmakende genade geeft en daardoor de ziel van den zieke verlicht, de bekoring vermindert, de dagclijksche zonden vergeeft en de vergetene doodzonden wegneemt; het heeft de twee uitwerksels enkel onder voorwaarde, als het den zieke strekt tot zijne zaligheid.

Immers, de ondervinding heeft geleerd en leert nog dagelijks, dat vele zieken nog niet in jaren gevorderd, alhoewel zij het H. Oliesel bijtijds en naar behooren ontvangen, van hunne ziekten niet genezen maar sterven. Welke zijn hiervan de redenen?

Ziehier, B. B., eenigen dier redenen.

Vele zieken sterven omdat het voor hen zaliger is te sterven dan te blijven leven. God voorziet dat deze of gene zieke, zoo hij, na zich tot de eeuwigheid goed voorbereid te hebben, komt te sterven, naar den hemel zal gaan; daar hij integendeel, zoo hij langer bleef leven, later iu zonden zoude vallen, in zonden zoude sterven, en zoo voor eeuwig zoude verloren gaan; dus. God zoude door dien zieke bet leven l.e verlengen geen voordeel, maar groot nadeel doen.

2° Vele zieken sterven, om ons te leeren, dat wij, wanneer wij het H. Oliesel ontvangen, niet zoo zeer de gezondheid van ons lichaam, dan wel de zaligheid onzer ziel in \'t oog moeten hebben. B. B., zoo het li. Oliesel altijd de gezondheid des lichaams wedergaf, vele zieken, zoo niet allen, zouden haastig

-ocr page 326-

— 320 —

zijn om het Sacrament te ontvangen; zij zouden de geneesmiddelen verzuimen en de andere geestelijke voordeelen uit het oog verliezen.

3° Vele zieken sterven, omdat zij het II. Oliesel te laat ontvangen, namelijk, dan eerst, als zij aan het einde huns levens gekomen zijn en niet meer genezen kunnen tenzij door een mirakel: doch God, B. B., is niet verplicht voor dergelijke zieken mirakels te doen. Deze reden alleen moest reeds voldoende zijn van te zorgen dat de zieken bijtijds het H. Oliesel ontvingen.

Eindelijk, vele zieken sterven, omdat zij het II. Oliesel ontvangen zonder genoegzaam geloof, betrouwen en godvruchtigheid; ja, wat erger is, men treft er soms aan, die het in staat van doodzonde ontvangen, na eerst nog eene slechte biecht gesproken en eene heiligschendende Communie gedaan te hebben. Wat voordeel, ik vraag het, hebben dergelijke zieken van een Sacrament te verwachten dat zij onteeren?

II.

De Catechismus vraagt:

Aan wie wordt het heilig Oliesel gegeven? En hij antwoordt:

Aan de zieken, die lot de jaren van verstand gekomen zijnde, in nood zijn van sterven.

Om dus het H. Oliesel te mogen ontvangen, moet men vooreerst ziek zijn: aan gezonden, zelfs aan de door de rechters om grootc misdaden ter dood veroordeelden, mag men het Sacrament niet toedienen, omdat zij niet ziek zijn. Vervolgens moet men niet alleen ziek, maar ook gevaarlijk ziek zijn. Nochtans, er wordt niet vereiseht dat het naaste gevaar van sterven daar zij. Vandaar dat men de ouderlingen, wier levenskrachten zichtbaar verminderen en wier dood men bijgevolg binnen kort verwachten kan, vandaar zeg ik, dat men die ouderlingen het H. Oliesel mag toedienen, al komt er zelfs geene andere ziekte bij; die ouderdom is reeds eene ziekte. Eindelijk moet men tot de

-ocr page 327-

jaren van verstand gekomen zijn. Aan kleine kinderen of aan personen die nooit verstand gehad hebben, mag en kan men het H. Oliesel niet toedienen. Er wordt nochtans niet vereischt, B. B., dat de kinderen hunne eerste H. Communie gedaan hebben, alvorens dit Sacrament te moeten ontvangen. Men treft soms ouders aan die aangaande dit punt in groote dwaling verkeeren, en die hunne kinderen van zeven, acht of negen jaren zouden laten sterven, zonder te zorgen dat zij de II. Sacramenten ontvingen. Gij moet niet denken, dat kinderen van dien ouderdom altoos Engelen zijn. Daarom vermaan ik de ouders ten sterkste van nooit na te laten van hunnen i\'astoor te verwittigen, zoo zij kinderen in huis hebben van zes of zeven jaren, die gevaarlijk ziek zijn; \'t is beter een weinig te vroeg dan te laat; de Pastoor zal oordeelen of die kinderen de H. Sacramenten moeten ontvangen of niet. Hoe moet men liet H. Oliesel ontvangen? De zieke moet in staat van genade zijn, wijl het H. Oliesel een Sacrament der levenden is; bijgevolg, de zieke moet zoo hij in staat van doodzonde is eerst biechten indien het mogelijk is, of ten minste een volmaakt berouw verwekken. De zieke moet het II. Oliesel ontvangen met een levend geloof, denkende dat God, zoo Hij wil, hem kan gezond maken; met een vast betrouwen op Gods goedheid en barmhartigheid, met overgeving aan den wil van God, wel overtuigd dat de goede God hem zal geven hetgeen hem zalig is; eindelijk in den geest van boetvaardigheid, God vergiffenis vragende van alle zonden die hij ooit bedreven heeft met zijne zintuigen, met zijne oogen, ooren, enz.

Wanneer moet men het H. Oliesel ontvangen? De zieke moet het ontvangen als er gevaar van sterven is, gelijk wij reeds gezegd hebben.

De Catechismus vraagt:

Mag men het heilig Oliesel uilstellen, als er gevaar is va a sterven? En hij antwoordt:

Neen.

Geloofs- kn Zedenleer. deel 21.

-ocr page 328-

Waarom niet?

Omdat men zich langer berooft van de gratiën, die in de ziekten zoo noodig zijn, en omdat men zich blootstelt aan het gevaar van het Sacrament niet te ontvangen, of van het te ontvangen mindere kennis van godvruchtigheid.

De Biecht en de II. Communie dienen het H. Oliesel vooraf te gaan, zoo de staat van den zieke het toelaat. Vele Christenen, B. B., wachten zoo lang mogelijk met het H. Oliesel, juist wel niet uit kwaden wil, maar omdat zij bang zijn voor den dood en meenen zeker te zullen sterven, als zij hot II. Oliesel ontvangen hebben, \'t Is eene groote en beklagenswaardige dwaling. Leert dan onze Moeder de H. Kerk niet, dat Jesus-Christus dit Sacrament ook ingesteld heeft om den zieke de gezondheid weder to geven als het hem zalig is? Men vindt soms ouders, kinderen, geneesheeren en vrienden, die den zieke niet spreken van de II. Sacramenten bijtijds Ie ontvangen: zij zijn bang van den zieke te verschrikken, zeggen zij; het zou slecht kunnen werken op bet gestel van den zieke, en op die wijze meenen zij liefderijk jegens den zieke te zijn. Bedrog van den duivel, die een leugenaar is van den beginne, en anders niets. Is dat liefderijk zijn jegens eon zieke? Neen, B. B., maar dat is wreed, ongevoelig zijn jegens hem; dat is het welzijn van den zieke naai1 ziel en lichaam op het spel zetten. Waarom niet liever gezorgd dat hij de II. Sacramenten bijtijds óntvange on zoo do zaken zijner zici in orde brenge, terwijl hij nog goed bij kennis is, en ook opdat hij van zijne ziekte geneze, zoo het hem zalig is? Ziedaar, B. B., wanneer men wezenlijk liefderijk jegens een zieke is rn voor hem zorg draagt. Men treft soms bloedver-wanlen en vrienden aan, die den zieke gaan bezoeken. Alleen bij hem zijnde zeggen zij; O, dat is maar eene kleinigheid, dat is zoo gevaarlijk niet, daarvan kunt gij spoedig genezen, en zij spreken dus niet van de H. Sacramenten te ontvangen; integendeel, door hunne manier van handelen geven zij tc kennen, dat

-ocr page 329-

— 323

liet nog niet noodig is. Doch ziet: nauwelijks hebben zij de kamer van den zieke verlaten, en zij bevinden zich in eene zijkamer hij andere personen, of zij zeggen: \'t Is met hem, met haar gedaan: op zijn hoogste nog vier a vijf dagen: van die ziekte genezen? Maar daar kan geen sprake van zijn. Is dat nu liefde hebben voor een bloedverwant, voor een vriend? Is dat zorg voor hem dragen? Neen, B. B., zeggen wij de waarheid: dat is wreed jegens hem zijn, dat is hem bedriegen, misschien voor eeuwig ongelukkig maken. Te recht vraagt dus de Catechismus:

Zijn de dolilers en de vrienden de)- zieken verplicht te zorgen dat deze in tijds berecht worden? En hij antwoordt:

Jn; en zij bedrijven eene groote zonde, indien zij vrijwillig oorzaak zijn, dat de zieken zonder de heilige Sacramenten sterven.

Hij zegt: zoo zij vrijwillig oorzaak zijn; want hot kan gebeuren dat de zieke nog niet gehouden is van de H. Sacramenten te ontvangen, en dat er eensklaps een toeval bijkomt, waaraan hij sterft; in zulk geval is men voorzeker niet vrijwillig oorzaak dat de zieke zonder Sacramenten sterft, en bijgevolg zondigt men ook niet. Ook kan liet gebeuren dat men zich geweld moet aandoen om een bloedverwant of vriend over het ontvangen der II. Sacramenten te spreken; doch weten wij wel dat het ouze plicht is, en dat het strekt tot welzijn van den zieke. O, B. H., hoe dikwijls gebeurt hot niet dat de zieke tevreden is na de II. Sacramenten ontvangen te hebben, dat hij openlijk bekent gerust en gelukkig te zijn? Daarom, zorgen wij, niet alleen voor ons, maar ook voor anderen, dat wij bij tijds in de ziekten de H. Sacramenten ontvangen.

Hoe dikwijls mag men het H. Oliesel ontvangen? Eens in eene ziekte, maar in verschillende ziekten zoo dikwijls men zoude hervallen wezen: in andere woorden: men mag het II. Oliesel ontvangen eenmaal in elke gevaarlijke ziekte; is het gevaar voorbij, dan mag men het H. Oliesel wederom ontvangen in

i H

-ocr page 330-

— 324

een nieuw gevaar, hetzij door dezelfde, hetzij dooi\' eene andere ziekte veroorzaakt. Ziedaar, B. B., in \'t kort verklaard, wie, hoe, wanneer en hoe dikwijls men het PI. Oliesel mag ontvangen.

Wijl er in de woning of althans in het vertrek van den zieke, als hij de H. Sacramenten ontvangt, zekere bereidselen moeten gemaakt worden, zal het niest onnoodig zijn te zeggen, wat er in gereedheid moet gebracht worden.

Men moet zorgen voor eene tafel met een witten doek bedekt: daarop plaatse men een kruisbeeld tusschen twee brandende kaarsen, wijwater met een gewijd palmtakje, een ander bakje of glas met zuiver water, watten of iets anders tot afdrooging van de H. Olie. Verders zorge men, dat het gansche vertrek behoorlijk gereinigd zij. Die kleine toebereidselen zijn wij voorzeker verplicht te maken uit eerbied voor de H. Olie en bijzonder uit eerbied voor Onzen I l eer Jesus-Christus in het allerheiligste Sacrament. Ook moeten al degenen die bij eene berechting tegenwoordig zijn, zich eerbiedig gedragen en voor den zieke bidden.

SLUITREDE.

Om u ten slotte aan te zetten, B. B., van altoos te zorgen dat uwe zieken bijtijds de H. Sacramenten ontvangen, zoo wil ik u in \'t kort eene geschiedenis verhalen, waaruit blijken zal, hoe God soms reeds in dit leven degenen straft, die hierin nalatig zijn. Zekere vrouw was gevaarlijk ziek; zij dacht aan het gevaar waarin zij verkeerde, en wenschte niets zoo zeer dan dat men den Pater, met name Philippus, zoude roepen, om zich, door hem bijgestaan, tot een goeden dood voor te bereiden. Haar man had dit echter geweigerd, omdat de ziekte zijner vrouw, gelijk hij zeide, niet zoo gevaarlijk was; maar dat zij het zich maar inbedde, en dat zij liever te bed lag dan werkte. De zieke vrouw zweeg en bad onder het storten van heete tranen den goeden God van voor hare ziel Ie zorgen. Intusschen

-ocr page 331-

nam do ziekte toe; de krachten verdwenen en eensklaps bevond zij zich in doodsstrijd. Nu liep men in alle haast den Pater roepen; deze kwam, riep volgens zijne gewoonte de H, Barbara aan, die de beschermheilige der stervenden is, en tegen alle hoop opende de zieke hare oogen en sprak hare biecht. Het was nochtans, als wilde God dat wonder bijzonder doen uitkomen, want onmiddellijk daarna geraakte zij wederom in doodsstrijd en stierf zonder tie andere M. Sacramenten te kuimen ontvangen. Nauwelijks was de vrouw overleden, oi\' de Pater wendde zich vol ernst en verontwaardiging tot den man. Gij, dus sprak de Pater, gij ontevreden echtgenoot, ook gij zult na drie dagen een lijk zijn; bereid u voor tot den dood, hij is niet ver meer van u verwijderd. De Pater ging heen en liet de aanwezigen vol verbazing. Den volgenden dag was de man nog gezond. Den dag daarop gevoelde hij eene kleine koorts; den derden dag was de koorts zoo hevig geworden dat de zieke alle hoop op herstel liet varen. Toen gingen hem de oogen open; hij liet den Pater roepen die hem de straf voor zijne hard - en ongevoeligheid jegens zijne vrouw had aangekondigd; die Pater, zoo meende hij, zoude het best voor hem bidden. Hij biechtte met een rouwmoedig hart en stierf nog denzelfden dag. Loeren wij uit dit voorval, B. B., van zoo goed mogelijk te zorgen voor onze zieken, opdat wij toch nooit door nalatigheid de schuld worden dat zij zonder de H. Sacramenten sterven; want God in zijne oneindige rechtvaardigheid zou kunnen toelaten, dat ons hetzelfde ongeluk overkwam. Dat dus de goede God onze zieken en ons allen voor dat ongeluk behoede, en dat Hij ons de genade gelieve te geven, van goed voorbereid en van de H. Sacramenten der stervenden voorzien, deze aarde te verlaten en de eeuwigheid in te slaan. Amen.

-ocr page 332-

EEN - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING

OVER HET PRIESTERSCHAP

NoU ncqligerc gratiam, qucc in te est, qua! data est tibi.... cum impositione manuum preshyterii.

Wil de genade die in u is, niet ver waar loozen, die u gegeven is door de oplegging van de 1 landen der 1\'riesters. (i, Tim. iv, -u.)

INHOUD.

VOORREDE.

De mensch heeft oversten nooclig\'; wereldlijke, die voor zijn tijdelijk, geestelijke, die voor zijn geestelijk welzijn bezorgd zijn; die geestelijke oversten bekomt hij door het Priesterschap.

VERDEKUNG.

I. Wat is het Priesterschap?

II. Hoe komt men tot die waardigheid?

III. Waarin bestaat de waardigheid van Bisschop?

I.

Het Priesterschap is een Sacrament, door hetwelk de dienaars der H. Kerk macht ontvangen en genade om hun ambt naar behooren te bedienen.

-ocr page 333-

— 327 —

Het Priesterschap heeft alles wat er tot het wezen van een Sacrament verelscht wordt: \'t is een uitwendig teeken, van Christus ingesteld, beteekenendc eene bijzondere genade, die door hetzelve gegeven wordt. Die bijzondere genade bestaat:

1° In het merk teeken, waarmede de macht verbonden is om hun ambt te bedienen;

2° In de heiligmakende en de dadelijke genade om hun ambt naar behooren te bedienen.

11.

Men telt vier kleine orden: van Portier, Lezer, Bezweerder en Acoliet; drie groote orden: het Subdiaconaat, het Diaconaat en het Priesterschap. Door de tonsuur wordt iemand onder de geestelijken aangenomen.

III.

De waardigheid van Bisschop bestaat vooral hierin, dat liij de volheid des Priesterschaps bezit. De Bisschop heeft ook de macht om Priesters te wijden en het H. Vormsel toe te dienen.

SLUITREDE.

De macht des Priesters is grooter dan de macht van den grootsten der Koningen op aarde, grooter dan de macht der Engelen, grooter dan de macht van de allerheiligste Maagd Maria. De Priester is als een ander Christus, hij is de voortzetter van het werk van Christus. De geloovigen moeten naar den Priester luisteren en hem eeren.

-ocr page 334-

— 328 —

EEN - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING

OVER HET PRIESTERSCHAP

Noli negligere gratiam, quat in te est, qua! data est tihi,... cum impositione manüum presbyterii.

Wil Ue genade die in u is, niet ver waar loozen, die u gegeven is door de oplegging van de handen der Priesters. (i, Tim. iv, u.)

VOORREDE.

Gelijk de mensch, 13. B., wereldlijke oversten noodig heeft die hem leiden, verdedigen en besturen om in de maatschappij naar behooren en rustig te kunnen leven; eveneens heeft hij geestelijke Oversten, d. L, Priesters en Bisschoppen noodig, die hem de H. Sacramenten toedienen, die hem besturen en leiden op den weg der zaligheid, om eenmaal tot zijne eeuwige bestemming, tot den hemel te geraken. Die geestelijke Oversten bekomt hij door het Priesterschap, \'t Is over dit H. Sacrament dat wij thans beginnen te spreken. Zien wij vandaag:

I. Wat het Priesterschap is;

II. Hoe men tot die waardigheid komt;

III. Waarin de waardigheid van Bisschop bestaat.

I.

De Catechismus vraagt:

Wal is het Priesterschap? En hij antwoordt:

Een Sacrament door hetwelk de dienaars der heilige Kerk macht ontvangen en gratie om hun ambt bekwamelijk te bedienen.

Het Priesterschap, B. B., is een Sacrament, want het heeft alles, wat er tot het wezen van een Sacrament vereischt wordt.

-ocr page 335-

namelijk, het uitwendig ■ teekeu, do Instelling van Christus en de bijzondere genade.

Het Priesterschap is vooreerst een uitwendig teeken, dat bestaat, gelijk in de andere Sacramenten, uit de stof en den vorm. De stof van het Priesterschap is de oplegging van de handen des Bisschops, of de aanbieding der H. Vaten, ofwel de oplegging der handen des Bisschops met de aanbieding der H. Vaten. De vorm van het Priesterschap zijn de woorden welke do Bisschop spreekt, als hij de wijding doet.

Het Priesterschap is vervolgens van Christus ingesteld. Jesus, de Middelaar tusschen God en de menschen, is de eeuwige Hoogepriester volgens de orde van Melchisodech. Na eerst het onbloedig Sacrificie in het laatste avondmaal opgedragen te hebben, droeg Hij ook nog het bloedig Sacrificie op. Het kruis van den Calvarieberg was het altaar, waarop Hij zich zeiven aan zijn hemelschen Vader opofferde, door het vergieten van zijn goddelijk bloed de zonden der wereld wegnam, en de menschen met zijn hemelschen Vader verzoende.

Jesus stelde het Priesterschap in, toen Hij in het laatste avondmaal tot zijne Apostelen zeide: Doet dit tot mijne gedachtenis: Hoc facite in meam commemorationem. Na zijne verrijzenis voltrok Hij de instelling van het Priesterschap, toen Hij zijne Apostelen de macht gaf van de zonden te vergeven en te wederhouden, zeggende; Ontvangt den H. Geest; wier zonden gij zult vergeven hebben, worden hun vergeven, en wier zonden gij zult wederhouden hebben, zijn wederhouden.

Het Priesterschap beteekent en geeft eindelijk eene bijzondere genade. Doch waarin bestaat die bijzondere genade? Zij bestaat in de macht en in de genade om het priesterambt naar behooren te bedienen.

Vooreerst dus in de macht om het priesterambt naar behooren te bedienen. De Priester ontvangt in het Priesterschap een merkteeken dat onuitwischbaar in zijne ziol geprent

-ocr page 336-

— 330 —

wordt, zoodat hij het Sacrament maar eenmaal mag ontvangen, en waardoor hij van alle andere geloovigen onderscheiden wordt: door dat merkteeken ontvangt de Priester de macht om zijn ambt naar behooren te bedienen.

Vervolgens in de genade om het priesterambt naar behooren te bedienen. De Apostel Paulns spreekt van die genade in zijnen brief aan Timotheus als hij schrijft; Noli negligere gratiam: Wil de genade niet verwaarloozen. En op eene andere plaats: Verwek de genade die in u is, en die ik u medegedeeld heb door de oplegging der handen. Het Priesterschap geeft de tweede heiligmakende genade of de vermeerdering van de eerste, want het is een Sacrament der levenden en moet dus in staat van genade ontvangen worden. Het geeft ook de dadelijke genade of althans het recht er op voor den tijd, waarop de Priester die noodig zal hebben, om, niettegenstaande de moeie-lijkheden en gevaren waarin hij zich zal bevinden, zijn ambt naar behooren te bedienen en zich trouw van zijne overige plichten te kwijten. Om zijn ambt naar behooren te bedienen, namelijk, het ambt van het H. Sacrificie der Mis op te dragen, om het brood en den wijn te veranderen in het lichaam en bloed van Christus, en het ambt van de zonden te vergeven of te wederhouden, door in de Biecht de absolutie te geven of uit te stellen.

Buiten \'dit tweevoudig ambt moet de priester zich nog trouw van andere plichten kwijten. Jesus immers, alvorens ten hemel te klimmen, zeide tot zijne Apostelen: Gaat en onderwijst alle volkeren, hen doopende in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes, hun leerende onderhouden al wat ik n bevolen heb. En ziet! Ik ben met u al de dagen tot de voleinding der eeuwen. Door deze woorden gebood Jesus aan zijne Apostelen, hunne wettige opvolgers en de priesters, te doopen, te onderwijzen en de overige Sacramenten toe te dienen, ieder volgens de macht die hij in het bestuur der H. Kerk ontvangen

-ocr page 337-

— 331 —

heeft. Ziedaar, B. B., i» \'t kort verklaard wat het Priesterschap is. Doch hoe of langs welke trappen komt men tot de priesterlijke waardigheid?

11.

Men telt vier kléine en drie groote orden. De vier kleine orden zijn: de orde van Portier — deurbewaarder — van Lezer, van Bezweerder en van Acoliet — bedienaar des altaars. — De drie groote orden zijn; het Subdiaconaat, het Diaconaat en het Priesterschap. De tonsuur ol kruinschering die voorafgaat, is geene orde, maar eene voorbereiding tot de kleine orden: daardoor wordt iemand onder de geestelijke personen aangenomen. Degenen die thans de kleine orden ontvangen, oefenen er de bedieningen niet meer van uit, gelijk in het begin der H. Kerk.

De Portiers waren belast met het bewaren der deuren van do Katacomben of onderaardsche plaatsen, waar in het begin der Kerk tijdens de vervolgingen \'s nachts de goddelijke diensten verricht werden. Zij moesten waken dat er geene ongeloovigen of vijanden binnen kwamen. In latere tijden, toen de klokken in gebruik kwamen, moesten zij die luiden, de sleutels der kerk bewaren en de altaren versieren.

De Lezers waren belast met liet lezen der Schriftuurplaatsen, welke de Bisschop in zijn sermoen voornemens was uit te leggen. Zij dienden ook tot zangers tijdens de goddelijke diensten en tot schrijvers voor de Bisschoppen; zij bewaarden de boeken der kerk en hielden zich verder bezig met de heilige boekeu en de handelingen der Martelaren over te schrijven.

De Bezweerders waren belast met het uitdrijven der duivelen uit de bezetenen. Onze goddelijke Zaligmaker, zoo lezen wij in het Evangelie, dreef de duivelen uit. Die macht gaf Hij ook aan zijne Apostelen, ja zelfs aan andere leerlingen. Deze teekenen zullen hen die in mij gelooven, volgen, zeide Jesus: In mijnen

-ocr page 338-

— 332 —

naam zullen zij de duivelen uitwerpen: In nomine meo dcemo-nia ejicie.nt. (i) De Bisschoppen wijdden dus in \'t vervolg zekere personen om in den naam van God en van de H. Kerk de duivelen uit te drijven. Ofschoon de duivel wel is waar in het hart van den zondaar, die in staat van doodzonde leeft, zijn troon heeft opgeslagen, hedendaags nochtans valt het, onder de Christenen vooral, zelden voor dat iemand op eene zichtbare wijze van den duivel bezeten wordt. In het begin der H. Kerk gebeurde zulks veel, vooral onder de Heidenen, gelijk blijkt uit het Evangelie, uit de Handelingen der Apostelen en uit de geschriften der H. Vaders. Om nu te toonen hoe zeer de duivel, die zicii op zijne macht beroemt, verdient veracht te worden, droeg onze Moeder de H. Kerk aan hare mindere dienaren de bediening op, om den duivel uit de bezetenen te verdrijven. Thans mogen de Priesters alleen den duivel bezweren, en enkel met bijzondere toelating van den Bisschop. De van den duivel bezetenen zijn, sedert Jesus-Christus de macht van den duivel gebroken en hem aan het kruis overwonnen heeft, zeldzamer geworden, en men heeft om alle bedrog te vermijden, met meer omzichtigheid moeten te werk gaan. Daarom staat de H. Kerk niet toe den duivel te bezweren, tenzij aan Priesters, die daartoe bijzonder gemachtigd zijn, en na eerst nog de zaak in al hare bijzonderheden goed onderzocht te hebben.

De Acolieten waren belast met het verlichten van de vergaderplaatsen der geloovigen, en met het bereiden van het brood en den wijn voor het H. Sacrilicie der Mis bestemd. Deze bediening was in het begin der H. Kerk noodzakelijk, wijl de goddelijke diensten wegens de vervolgingen \'s nachts en dikwijls in onderaardsche vertrekken plaats hadden. Ziedaar, B. B., wat eigenlijk de kleine orden zijn. Degenen die de kleine orden ontvangen, zijn eigenlijk niet aan den geestelijken staat verbonden en kunnen nog een wereldlijken staat aanvaarden; doch

(1) Matth. vin, 22

-ocr page 339-

zoodra zij één van de groote orden, bijv,, het Subdiaconaat ontvangen hebben, dan zijn zij verplicht den geestelijken staat te beleven. Ook zijn zij verplicht tot het lezen van kerkelijke getijden en tot eeuwige zuiverheid.

J)e Subdiaken ontvangt in de wijding de macht om in do plechtige diensten met den Diaken den Priester bij te staan en te dienen; ook om in de H. Mis den Epistel te zingen.

De Diaken ontvangt in de wijding de macht om in de H. Mis den Priester of den Bi.sscliop onmiddellijk te dienen, om het Evangelie te zingen, om met bijzonder verlof te prediken, te doopen en de H. Communie aan de geloovigen uit te deelen.

Na het Diaconaat volgt het Priesterschap. Over de macht welke de Priester in de wijding ontvangt, hebben wij reeds gesproken en zal op het einde nog een woordje gezegd worden. Zien wij nu nog waarin de waardigheid van Bisschop bestaat.

III.

De bisschoppelijke waardigheid, B. B., bestaat vooral hierin, dat de Bisschoppen de volheid des Priesterschaps bezitten: zij zijn met den Paus van Rome, die de Bisschop der Bisschoppen is, de herders en prinsen der H. Kerk. .Met den Paus van Rome, het onfeilbaar opperhoofd der H. Kerk, leeren en doen zij soms uitspraak in de geschillen die het geloof en de zeden aangaan. De Bisschoppen alleen hebben de macht van Priesters te wijden. De Catechismus vraagt;

Wanneer geschiedt de wijding der priesters? Kn hij antwoordt:

Bijzonderlijk op de Quatertemper-Zaterdagen.

Wat moeten de geloovigen dan doen?

Zy moeten vasten en bidden om goede priesters te bekomen.

Kn niet zonder reden, B. B. Immers, \'t is van de goede Priesters dat het behoud van het geloof, de godsvrucht en de heiligheid van het volk afhangt.

-ocr page 340-

— 334 —

De Bisschoppen zijn de gewone dienaars van het H. Vormsel. Zij zijn, maar altoos onder het gezag van den Paus van Rome, met alle wetgevende en bedwingende macht bekleed, om hunne bisdommen naar behooren te besturen. De wijding van een Bisschop geschiedt op bevel van den Paus van Rome doorgaans door drie Bisschoppen, ofwel, zoo de Paus het toelaat, door één Bisschop alleen.

SLUITREDE.

De macht des Priesters, B. B., is overgroot, zijne waardigheid overtreft ver alle waardigheden iii de wereld. Moyses scheidde de waters der roode zee, zoodat de Israëlieten er droogvoets doorgingen: Josuë sprak tot de zon, gebood haar stil te staan, en de zon stond stil: men treft koningen aan die talrijke legers aanvoeren en op wier wenk alleen de gansche wereld schijnt te beven. Moyses, Josuë, die koningen zijn wel is waar machtig, doch er is een man, die machtiger is; een man, die alle dagen, als het hem belieft, de poorten des hemels als het ware opent en tot den Zoon Gods, den Koning der koningen zegt: Daal van uwen troon op de aarde, op het altaar onder ons neder; en ziet, de Zoon Gods, de Koning der koningen gehoorzaamt op de stem van dien man. Hij komt tegenwoordig op het altaar, laat zich offeren, plaatsen waar die man wil, geven aan wien hij wil; en wie is die man? Die man is de Priester. Welk eene macht, welk eene waardigheid als die van den Priester!

Doch de Priester heeft niet alleen macht over het natuurlijk lichaam van den Godmensch, Jesus-Ghristus, hij heeft ook macht over het geestelijk lichaam van Jesus-Christus, d. i., over de ledematen der H. Kerk. Ziet, een mensch is in de boeien van den duivel; wie zal er hem uit verlossen? Roept de Engelen en Aartsengelen, roept Michaël den Overwinnaar van Lucifer aan, roept alle Heiligen des hemels te hulp, zij zullen wel de duivelen kunnen verdrijven, die hem omringen; maar den duivel

-ocr page 341-

die in zijn hart woont? Nooit of nimmer. Tot wien zult gij u dan wenden om dien zondaar uit de boeien van Satan te verlossen? Tot Maria de Moeder van God, de Koningin van hemel en aarde, der Engelen en mensehen; tot Maria, die de schrik der hel is en het helscli serpent den kop verpletterd heeft? Maria kan wel voor dien zondaar bidden, maar hem zijne zonden vergeven? Neen, B. B., dat kan zij niet. Wie kan, wie vermag zulks? De Priester; ja de Priester kan den zondaar eensklaps aan het gevaar van naar de hel (e gaan ontrukken en hem waardig maken voor den hemel; de Priester kan in een oogenblik een slaaf des duivels in een kind Gods herscheppen. God, B. B , houdt zich aan het vonnis des Priesters; God vergeeft of wederhoudt de zonden volgens dat de Priester ze vergeeft of wederhoudt; het vonnis van den Priester gaat voor en God bekrachtigt het. Kan er eone grootere macht, eene grootere waardigheid uitgedacht worden?

De Priester, B. B., is een ander Christus. Wat zegt God van den Priester sprekende? Die u hoort hoort Mij: die u veracht veracht Mij. De Priester is de voortzetter van het werk van Christus; daartoe heeft hij zending, daartoe beeft iiij macht ontvangen. Wee den Priester, die van zijne macht misbruik maakt! Wee hem, die zijne waardigheid onteert! ja, wee dien Priester! Maar ook wee liet volk, dat zich door den Priester niet wil laten leiden in hetgeen de zaligheid aangaat! Wee het volk, dat den Priester veracht en vervolgt! Die raar den Priester luistert, luistert naar God: die naar den Priester niet luistert, luistert naar God niet: Qui vos audit Me audit. Die den Priester acht, acht God: die den Priester veracht, veracht God; Qui vos spernit, Me spernit. Wat moeten wij nu uit deze onderrichting over het Priesterschap besluiten? Wij, Priesters, wij moeten er uit besluiten van altoos een goed gebruik te maken van de macht die ons van God gegeven Is, van altoos een leven te leiden onzen verheven roep waardig, want eenmaal

-ocr page 342-

zullen wij eene verschrikkelijke rekenschap voor God af te leggen hebben. Gij, geloovigen, gij moet er uit besluiten van altoos naar de Priesters te luisteren, van hen te eeren; want de Priesters zijn de gezalfden des Heeren, de afgezanten en dienaren van Christus en de uitdeelers van Gods H. Mysteriën. Amen.

-ocr page 343-

TWEE - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING

OVER HET PRIESTERSCHAP

Qui vos audit Mr audit; qui vos spernit Me spernit.

Die u hoort hoort Mij; dio u veracht voraclit Mij. (Luc. x, 10.)

INHOUD.

VOORREDE.

Na gezien te hebben wat bet Priesterschai), welke de macht en de waardigheid dos Priesters is, zullen wij overwegen:

VERDEELINö.

I. Wat de Priester voor de menschen doet;

TT. Wat sommige menschen met den Priester doen;

TTI. Wie Priester kan en mag worden.

I.

Wat doet de Priester voor de menschen? Hij bidt en bekomt voor hen de overwinning over hunne vijanden, hij houdt den dreigenden arm Gods tegen en doet den zegen Gods nederdalen, hij onderricht de menschen en leidt hen door de woestijn des

Giclooks - en Zedenleer. 4tle Deel. 22.

-ocr page 344-

— 338 —

levens naar het hemelsch vaderland. De Priester geeft in alles en ten allen tijde blijken zijner liefde.

II.

Dat Ongeloovigen en Ketters den Priester verachten, kwaad van hem spreken en hem vervolgen, \'t laat zich begrijpen; maar dat menschen, die voor goede Katholieken willen doorgaan, zoo handelen, \'t is moeiélijker te begrijpen. Doch men vindt weieens een Priester die niet voorbeeldig leeft, men moet de fouten van den Priester afkeuren, doch zijn persoon eerbiedigen; men is verplicht naar zijne woorden te luisteren. Wat zal het u baten of gij met of zonder Priester door uwe eigen schuld verloren ••aal; Wijl cr een Priester gevonden wordt die slecht is, daarom zijn alle Priesters niet slecht. Wie spreekt kwaad van de Priesters?

III.

Die Priester wil worden, moet:

1° Voldoende kennissen en meer dan gewone deugden bezitten;

2° Hij moet den door de Kerk bepaalden ouderdom hebben;

3° Zonder beletsel enjvan God geroepen zijn. Kenteekens van den roep.

SLUITREDE.

Geschiedenis van den goddelooze op zijn sterfbed bekeerd door den Priester, dien hij meende vermoord te hebben.

-ocr page 345-

— 339 —

TWEE - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING

OVER HET PRIESTERSCHAP

Qui von audit He audit; qui von spe*nit Mi: spernit.

Dio u boort hooi\'t Mij; die n veracht veracht J!ij. (Luc, x, w.)

VOORREDE.

In onze voorgaande onderrichting, B. B., hebben wij gezien wat het Priesterschap is, en langs welke trappen men tot die groote waardigheid komt: wij hebben ook een weinig gezegd van de macht en de waardigheid des Priesters. Vandaag zuilen wij in het kort zien;

I. Wat de Priester voor de menschen doet;

II. Wat sommige menschen met den Priester doen;

III. Wie Priester kan en mag worden.

1.

Wat doet de Priester voor de menschen? Hij Komt hen te hulp door zijne gebeden, onderichtingen en liefdewerken.

Vooreerst komt hij hen te hnlp door zijne gebeden. De wereld, B. B., is gelijk aan een groot slagveld. De menschen zijn er In strijd met de vijanden hunner zaligheid, met den duivel, de wereld en het vleesch; voorzeker, zij zouden in dien strijd bezwijken, zoo de Priesters niet voor hen baden. Wij lezen in de II. Schrift, dat de Israëlieten zekeren dag te strijden hadden tegen de Amalecieten. In dien strijd moesten zij dooide gebeden van hunnen aanvoerder Moyses geholpen worden; deze plaatste zich tijdens het gevecht op eenen berg en bad met uitgestrekte armen den Heer der legerscharen. Zoo lang

-ocr page 346-

nu Moyses in die houding God bad, overwonnen de Israëlieten; doch nauwelijks hield hij op met bidden, of\'zij werden geslagen. Zoo ook, B. B., is het gelegen met de Christenen en hunne aanvoerders, de Priesters. Wat zoude er van het zondige menschdom geworden zonder de gebeden der Priesters? Duizenden misdaden roepen dagelijks tot den hemel om wraak; elk oogenblik zouden de bliksems over het hoofd der schuldigen losbreken, zoo de Priesters door hunne offeranden en gebeden den arm Gods niet tegenhielden. Wat zouden de zondaren, die niet ophouden God te vergrammen, van Hem kunnen verkrijgen? Poch de Priester strekt voor de zondaren zijne zuivere handen ten hemel, hij bidt voor hen, en de weldoende dauw bevochtigt de akkers en velden, de overvloed volgt op het gebrek. De Priester doet dus door zijne gebeden den mensch de overwinning op zijne vijanden behalen, hij houdt den dreigenden arm Gods tegen, en hij doet God zijne zegenende hand over het menschdom uitstrekken. Doch niet alleen door\'zijne gebeden, maar ook door zijné onderrichtingen komt de Priester de menschen te hulp.

De wereld, B. B., is gelijk aan eene groote woestijn, die wij door moeten trekken: duizenden wegen kruisen er door elkander; er zijn ;:oovele afgronden. Ieder mensch, die ter wereld komt, is een reiziger; hij moet om zijne bestemming, zijn vaderland te bereiken, door die woestijn heên, dat is zijn leven. Welken weg zal hij kiezen? Er loopen zoovele wegen; doch één alleen leidt naar het vaderland, de overige wegen eindigen, elk aan eenen afgrond. De reiziger weet niet wat aanvangen; is hij dan onfeilbaar verloren? De Priester is daar; hij staat aan den ingang dier woestijn; hij biedt zich als leidsman dien jongen reiziger aan, hij toont hem den weg, hij gaat met hem, ja wat meer is, hij neemt hem bij de hand en verlaat hem niet, alvorens hem door de woestijn zijn vaderland te hebben binnengeleid. De Priester, B. B., heeft de wereld uit de barbaarschheid getrokken en belet haar tot op den dag van

-ocr page 347-

lieden van er naar terug te keeren. Aan wien inderdaad hebben wij te danken dat wij geen süik liout of steen aanbidden, gelijk onze voorouders deden? Aan den Priester; aan zijne onderrichtingen. En hedendaags, welke schandelijke, welke God - en menschheid onteerende dwalingen leeren de goddeloozen niet? lui wie biedt zich aan om Gods rechten on die der nienschen te verdedigen? Wie maakt ons de gevaren die wij loopen opmerkzaam? Wie roept, ons toe: Wacht u voor deze, wacht u voor gene dwaalleer! De Priester, de Priester in zijne onderrichtingen. de Priester op den predikstoel. Ja, H. B., \'t is de Priester die den mensch, mits deze wille en luistere, door de woestijn des levens vergezellen en brengen zal tol zijne beslemming, in zijn hemelsch vaderland.

Doch wat gezegd van de liefdewerken des Priesters? Daardoor vooral komt hij de nienschen te hulp. Doorreist steden en dorpen, overal zult gij sporen zijner liefde vinden. Ondervraagt wie de uitvinder, wie de steun is \'geweest van zoovele nuttige instellingen voor het menschdom, voor de kindsheid, voor de jeugd en voor den ouderdom, en men zal u een Priester noemen. Gaat de schamele hut van den arme binnen, vraagt wie hem het brood gegeven heeft dat hij eet; hij zal u een Priester noemen of iemand die tot liefdadigheid door den Priester opgewekt is. Nadert het sterfbed van den arme zieke, die door de gansche wereld schier verlaten is; wie is de liefdadige Engel, die hem troost en opbeurt met het blijde vooruitzicht op een beter leven? De Priester. Dringt door in de gevangenis van den misdadiger; wie is het die zijne boeien verlicht? Ken Priester. Aanschouwt den veroordeelde op het schavot; wien ziet gij aan zijne zijde? Een Priester, die hem met de eene hand het kruisbeeld, met de andere den hemel toont. Bezoekt alle geestelijke en lichamelijke ellenden van het menschdom, gij zult er geene vinden, die de Priester niet dagelijks verlicht, en zulks zonder praal, zonder hoop op lijdelijke belooiflng. Ziedaar, B. B., wat de Priester voor de menschen doet: hij bidt voor hen, hij

-ocr page 348-

— \'M2 —

onderricht en bemint hen. Wat doen nu zekere menschen met den Priester?

11.

Mijn inzicht, B. B., is niet u hier te verhalen hoe Ongeloovigen en Ketters zich jegens den Priester gedragen. Zoo dezen hem verachten, kwaad van hem spreken, hem vervolgen, soms om het leven brengen, dat alles geschiedt wel is waar ten onrechte, wijl de Priester niets anders dan het geluk dier ongelukkigen zoekt; doch men kan hunne handelwijze nog uitleggen; zij weten, ofwel geenszins of niet genoegzaam, wat de Priester is. Doch ziehier wat meer opvallend is. Men treft menschen aan, die katholiek zijn opgevoed, die nog voor goede Katholieken willen doorgaan, en die den Priester verachten, kwaad van hem spreken en hem vervolgen. Daarenboven, zij willen hun gedrag rechtvaardigen. Er zijn slechte Priesters, zeggen zij. Hoe wilt gij dat ik den Priester eerbiedige, dat ik achting voor hem hebbe? \'t Is waar, B. B., er wordt weieens een slechte Priester gevonden, en wee den ongelukkige! die zijne plichten vergeet, die niet leeft gelijk \'t een Priester betaamt, hij zal meer dan dubbel gestraft worden. Doch moet gij daarom den Priester verachten? Gij moet zijne fouten afkeuren, maar den Priester verachten moogt gij niet. Een Priester, alhoewel hij zelfs niet voorbeeldig zoude leven, is en blijft Priester, d. i., de gezalfde des Heeren. Veronderstelt eens dat dergelijke Priester over u aangesteld ware, moet gij dan niet meer naar hem luisteren? Wat zegt Jesus-Christus? Op den leerstoel van Moyses, zegt Hij, zullen Schriftgeleerden en Phariseën zitten, hetgeen zij zeggen moet gij doen, maar naar hunne werken moet gij niet handelen. Doch zoo de Priester zelf het niet doet, dan behoef ik het ook niet te doen. Dwaling, B. B., zoo een Priester zijne plichten verwaarloost, daarom moogt gij de uwe niet rerwaarloozen. Maar die Priester deed beter van zelf eerst te doen en dan te leeren. Daarin hebt gij

-ocr page 349-

— 343 —

volkomen gelijk, en daarom heb ik gezegd: Wee den Priester! die zijne plichten vergeet; doch zoo een Priester verloren gaat, wijl hij zijne plichten vergeet; zult gij daarom minder verloren gaan, bijaldien gij de uwe vergeet? Wat zal het u baten of gij met-of zonder Priester in den afgrond der hel door moe eigen \'schuld voor eeuwig moet branden? Wat zult gij daarbij winnen? Doch slechte Priesters, B. B., zijn, Gode zij lof en dank! zeldzaam. Ziehier nu hoe zekere slechte Christenen redeneeren. Die Priester, zeggen zij — en zij noemen een of ander Priester op — die Priester heeft zich slecht gedragen; bijgevolg-gedragen zich alle Priesters slecht; ik kan geen eerbied, geene achting voor hen hebben, zij deugen niet. Is die redeneering juist? Zien wij eens een weinig van nabij. Judas een der twaalf Apostelen heeft Jesus verraden; bijgevolg zijn alle Apostelen verraders. Is dat waar? Lucifer en eenige engelen zijn tegen God opgestaan, van boven uit den hemel nedergeworpen in den afgrond der hel en in duivelen veranderd; bijgevolg zijn alle Engelen tegen God opgestaan, uit den hemel gedreven en in duivelen veranderd. Is dat waar? Doch gaan wij wat verder: De notaris van_____ is bankroet; dus zijn alle notarissen bankroetiers. Die koopman heeft mij bedrogen; dus zijn alle kooplieden bedriegers. Die winkelier heeft mij bestolen; dus zijn alle winkeliers schelmen. Wat zegt gij van die redeneering? En ziedaar nochtans hoe die naam-katholleken redeneeren, die altoos wat van de Priesters weten te zeggen: die Priester heeft slecht gehandeld; dus handelen alle Priesters slecht: die Priester deugt niet; dus deugt er geen enkel. En waarom dan zoude deze laatste redeneering juister zijn dan de voorgaande? Gij ziet dus, B. B., hoe weinig verstand dergelijke personen gebruiken; of liever, zij weten zeer goed dat zij ongelijk hebben, doch om de Priesters maar te bekladden, volgen zij de leering van den goddeloozen Voltaire, die zeide: liegt maar, liegt maar zooveel gij kunt, er zal toch wel iets van over blijven. Doch welk belang vinden die kwaadsprekers in hunne lastertaal?

-ocr page 350-

— 344 —

Niet het minste. Ook verliezen zij het spreekwoord uit het oog, dat zegt: Die kwaad van een ander spreekt, deugt zetf niet. Ziet vrij, welke personen het zijn die kwaad van de Priesters spreken; zij zien den splinter in het oog van den Priester, maar den balk in hun eigen oog zien zij niet. Doch waarom dat kwaadspreken van de Priesters? Misschien heeft een Priester dezen of genen persoon eensterdeeg de waarheid gezegd; ten onrechte heeft die persoon dat slecht opgenomen, en ziedaar de reden waarom de Priesters bepraat en gelasterd worden. Wat zal de Priester doen? Gedachtig aan de woorden van zijn goddelijken Meester: Zij hebben Mij vervolgd, u zullen zij ook vervolgen, zal hij zich de zaak niet aantrekken en eenvoudig voortgaan. Daarenboven kan hij denken met den Apostel Pauius: Zoo ik alle menschen behaagde, ik zoude Gods dienaar niet zijn: Si hominibus plaeerem, Christi servus non essem. (i) Bijgevolg, de Priester zal zich van zijne plichten kwijten en voor het overige zicli aan de kwaadsprekers en lastertongen niet storen. Ziedaar, hoe de Priesters zich gedragen moeten. En gij, B. B., hoort gij soms kwaad van hen spreken, wacht u wel van er terstond geloof aan te hechten; wacht u wel van den laster, dien gij gehoord iiebt, voort te vertellen. Gedenkt wat Jesus-Christus van de Priesters zegt: Die u veracht, veracht Mij: die u raakt, raakt den appel van mijn oog: Tangit pupil-tam oeuli mei. (2) Eerbiedigt de Priesters, die u moeten leiden op den weg der zaligheid; daardoor zult gij ook toonen dat gij verstand, deugd en godsdienst bezit. Zien wij nu nog wie Priester kan en raag worden.

111.

Degenen, die de H. Orden ontvangen en Priester willen worden, moeten:

1° De noodige kennis en meer dan eene gewone deugd bezitten;

\'i) Gal i, 10. 2gt; Zach. 11. 8,

-ocr page 351-

2° Zij moeten den ouderdom door de wetten der H. Kerk bepaald, bereikt hebben: voor hot Subdiaconaat een en twintig jaren voluit, voor het Diaconaat twee en twintig, en voor het Priesterschap vier en twintig jaren voluit;

3° Zij moeten niet belet zijn door eene kerkelijke straf of onregelmatigheid, en van God geroepen zijn. Doch welke zijn de kenteekens van dien roep?

Ziehier, B. I!., de volgende: eene bovennatuurlijke en vaste neiging tot den priesterlijken staat, de zuiverheid van zeden, het Verlangen van voor de glorie van God en do zaligheid dei-zielen te arbeiden, en eindelijk de natuurlijke begaafdheden om de bedieningen van Priester te kunnen uitoefenen. De ouders mogen hunne kinderen wel is waar aanzetten van Priester te worden, mits deze de vereischte hoedanigheden bezitten; doch nooit of nimmer mogen zij er te sterk op aandringen, veel minder hen dwingen: de reden is, wijl er te veel van afhangt.

SLUITREDE.

Wij hebben gezien, B. B., wat de Priester voor de menschen doet: hij bewijst hun onder anderen eene groote liefde: van die liefde zijn zelfs zijne vijanden niet uitgesloten. Tot bewijs dier waarheid diene de volgende geschiedenis;

Een booswicht, die tijdens de fransche revolutie de afschuwelijkste misdaden gepleegd en verscheidene Priesters vermoord had, werd ziek. Hij had gezworen dat er nooit .een Priester den voet in zijne kamer zoude zetten, of zoo hij er intrad, dat hij er niet levend uit zoude komen. Ondertusschen nam zijne ziekte toe. Een Priester werd er van verwittigd, alsmede van zijne vijandige stemming. De goede herder was niet bevreesd; hij wist dat hij zijn leven moet geven voor zijne schapen. Zonder uitstel bood zich een Priester aan; de zieke hem ziende schoot in eene groote woede en riep uit al zijne kracht met eene vervaarlijke stem: Welhoe, een Priester bij mijl Geef mij

-ocr page 352-

mijne wapenen. Mijn broeder, zeide de Priester, wat wilt gij er mede doen? Ik lieb krachtigere wapenen dan gij, te weten, mijne liefde en getrouwheid. Geef mij mijne wapenen, hernam de zieke met nog grootere woede. Hoe een Priester bij mij! Men weigerde hem natuurlijk zijne wapenen. Alsdan stak de zieke zijnen arm dreigend naar den Priester uit en zeide; Weet dat deze arm twaalf van uws gelijken vermoord heeft. Gij bedriegt u, broeder, zeide. de Priester niet zachtheid; gij hebt er maar elf vermoord; de twaalfde leeft nog en die ben ik; de Priester toonde hem zijne borst en wees hem op de lidtee-kens der wonden, die de zieke hem eertijds had toegebracht: Zie, zoo sprak de Priester, zie, waar gij mij eertijds gewond hebt, maar God heeft mij in het leven bewaard om u te redden. Die woorden sprekende viel de Priester den zieke om den hals, omhelsde hem en hielp hem een goeden dood sterven. Alzoo gedraagt zicli de Priester. Neen, B. B., voor niets wijkt hij terug. Naar het voorbeeld van Jesus-Christus geeft hij zijn leven voor zijne schapen. De schapen moeten ook luisteren naar de stem van hunnen herder, en op die wijze zullen herder en schapen, d. i., zullen Priester en geloovigen eenmaal deel maken van den schaapstal hierboven, d. w. z., van den hemel. Amen.

-ocr page 353-

DRIE.- EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING

OVER HET HUWELIJK

Sacramentum hoe. magnum, eyo autan dico in Christo et in Ecclesia.

Dit Sacrament is groot, dooli ik zeg in Christus en in do Kerk. (Era. v, 32).

INHOUD.

VOOKREDE.

j\\Tlt;i over het Priesterschap gehandeld te hebben, gaan wij thans over het Huwelijk spreken.

VERDEELING.

I. Wat is het Huwelijk?

II. Welke zijn de plichten der gehuwden?

I.

Het Huwelijk kan beschouwd worden als natuurlijk verdrag en als Sacrament. Als natuurlijk verdrag werd liet vóór den val in het aardsch Paradijs van God ingesteld tot den dienst der natuur, om de menschen te vermenigvuldigen; na den val dient het ook tegen de begeerlijkheid des vleesches.

-ocr page 354-

— 3-18 —

Christus heeft het natuurlijk verdrag tot de waardigheid van Sacrament verheven, welke twee — verdrag en Sacrament — voor de Christenen niet kunnen gescheiden worden.

Wat is liet Huwelijk? Het Huwelijk is een Sacrament, wijl alles wat tot het wezen van een Sacrament vereischt wordt, in het Huwelijk te vinden is: het uitwendig teeken, de bijzondere genade en de instelling van Christus. De tijd waarop Christus het Sacrament des Huwelijks ingesteld heeft, kan niet met juistheid bepaald worden.

II.

De plichten der gehuwden zijn: liefde, eendracht en trouw tot den dood toe. De gehuwden moeten elkander stichten en hunne kinderen eene goede opvoeding geven.

De man moot zorgen voor liet onderhoud van zijne vrouw en kinderen. De vrouw moet den man gehoorzamen, hem eerbiedigen en het huisgezin met vlijt besturen.

Het Huwelijk kan niet ontbonden worden tenzij door den dood, alhoewel de gehuwden soms ontslagen kunnen worden van samen te wonen.

SLUITREDE.

Voorbeeld in de H. Monica.

-ocr page 355-

— 349 —

DRIE - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING

OVER HET HUWELIJK

Sacramentum hoe magnum, ego autem dico in Chiisto et in Ecclesia.

Dit Sacrament is groot, doch ik zeg in Christus en in de Kerk. (Eph. v, 32).

VOORREDE.

Eindelijk, B. B., zijn wij aan liet laatste der zeven Heilige Sacramenten gekomen, namelijk, aan liet Huwelijk, waarover wij thans in het kort zullen handelen. Gelijk er voor de maatschappij een middel noodig is om de afgestorvenen door anderen te vervangen, opdat zij niet uitsterve; zoo moeten er voor de Kerk ook nieuwe geloovigen voortgebracht kunnen worden: de gehuwden moeten dus genaden bekomen, onder anderen, om hunne kinderen christelijk op te voeden, hetgeen geschiedt door het Sacrament des Huwelijks: Zien wij vandaag:

I. Wat het Huwelijk is;

H. De plichten der gehuwden.

I.

Men kan het Huwelijk onder een tweevoudig opzicht beschouwen, vooreerst als natuurlijk verdrag, vervolgens als Sacrament.

Vooreerst als natuurlijk verdrag; daardoor verplichten zich man en vrouw wederzijds van altoos als echtelieden in liefde en trouw te leven. God heeft in het aardsch Paradijs, vóór den val door de zonde, het Huwelijk als natuurlijk verdrag ingesteld, namelijk, toen Hij Eva de eerste vrouw aan Adam

-ocr page 356-

— 350 —

den eersten man gaf, hen zegende en zeide: Crescite et multi-plicamini et replete ter ram. (i) Wast en vermenigvuldigt u en vervult het aardrijk. Vóór den val dus is het Huwelijk ingesteld tot den dienst der natuur, om \'t menschelijk geslacht te vermenigvuldigen. Na den val dient het Huwelijk ook nog, onder anderen, tot geneesmiddel tegen de begeerlijkheid des vleesches.

Vervolgens als Sacrament: Jesus-Christus, B. B., heeft het Sacrament des Huwelijks ingesteld; Hij heeft het natuurlijk verdrag dat van den beginne bestaan heeft, tot de waardigheid van Sacrament verheven, welke twee — verdrag en Sacrament — voor de gedoopten niet kunnen gescheiden worden. Een Christen dus ontvangt het Sacrament des Huwelijks, ofwel hij ontvangt niets; en zij die beweren gehuwd te zijn, omdat zij een natuurlijk verdrag hebben aangegaan, zonder Sacrament te ontvangen, leiden te zamen een schandelijk en zondig leven; zij zijn geene echtelieden, al wordt dergelijke samenleving door de burgerlijke wetten ook toegelaten en goedgekeurd. De staat, welke ook, heeft niets in het Sacrament des Huwelijks te bepalen: de Sacramenten behooren tot de H. Kerk. Vandaar dat de Catechismus vraagt:

Bestaat het huwelijk, als het alleen volgens de burgerlijke wet wordt aangegaan? En hij antwoordt:

Neen; maar het is noodig aan de wet te voldoen, om de rechten te bekennen die zij de getrouwden en hunne kinderen toelaat.

Wat is het Huwelijk?

Een Sacrament door hetwelk man en vrouw wettelijk verbonden worden, en gratie ontvangen om kinderen tot Gods glorie op te brengen.

Dat het Huwelijk een Sacrament is, blijkt hieruit, dat alles wat tot het wezen van een Sacrament vereischt wordt, in

(i) GEN. I, 28.

-ocr page 357-

— 351 —

liet Huwelijk te vinden is: \'t is een uitwendig teeken door Christus ingesteld, beteekenende eene bijzondere genade, die door hetzelve gegeven wordt.

\'t Is vooreerst een uitwendig teeken: dat teeken bestaat in de wettige overeenkomst, waardoor twee ongehuwde personen die zonder beletsel zijn, zich verplichten tot eene onverdeelde en onscheidbare samenleving. Tot die overeenkomst moeten beiden, hetzij met woorden, hetzij door een ander uitwendig teeken, hunne toestemming geven, zonder dat bestaat geene overeenkomst.

Vervolgens beteekent en geeft het Huwelijk eene bijzondere genade, en wijl het Huwelijk een Sacrament der levenden is, en dus in staat van genade moet ontvangen worden, daarom geeft het in den regel de tweede heiligmakende genade of de vermeerdering van de eerste. Het geeft ook de dadelijke genade of althans het recht er op voor later tijd om ziöh van de plichten in den huwelijken en ouderlijken staat naar behooren te kunnen kwijten.

Eindelijk is het Huwelijk door Christus ingesteld, wijl Christus alleen de macht heeft om met het uitwendig teeken der echtvereeniging de bijzondere genade te verbinden. Men weet echter niet met juistheid te bepalen, wanneer Christus het Sacrament des Huwelijks ingesteld heeft. Eenigen zijn van gevoelen dat Hij bet instelde, toen llij de bruiloft van Cana door zijne tegenwoordigheid vereerde en zegende: anderen, toen Hij zeide: Hetgeen God vereenigd heeft zal de mensch niet scheiden: Quod Deus conjunxü homo non scparel. (i) Volgens anderen nog zoude Jesus het Sacrament des Huwelijks ingesteld hebben na zijne Verrijzenis. Wat er ook van het tijdstip zijn moge, zeker is het en een punt van ons geloof, dat Christus hot Sacrament des Huwelijks ingesteld heeft.

li) Matth. xix, G.

-ocr page 358-

De Apostel Paulus leert ons uitdrukkelijk dat het Huwelijk in de H. Kerk een Sacrament is: Sacramentum hoe magnum est, zegt hij: dit Sacrament is groot, en hij voegt er bij; doch ik z;eg in Christus en in de Kerk: Ego autem clico in Christo et in Ecclesia, (i) \'t Is een groot Sacrament: groot voorwaar, omdat het de vereeniging van Christus met zijne Bruid, de H. Kerk, verbeeldt; groot, omdat het groote genaden geeft; groot ook, omdat het groote plichten oplegt. Ziedaar dus wat het Huwelijk is,

II.

Welke zijn nu de plichten der gehuwden?

De gehuwden moeten met elkander in liefde, eendracht en trouw leven tot den dood toe.

Vooreerst moeten zij met elkander leven in liefde. Zij moeten elkander beminnen, elkander eene ware, oprechte, heilige liefde toedragen.

Vervolgens moeten zij met elkander leven in eendrateht, en om de eendracht, den vrede in het huisgezin niet te storen, moeten beiden geduld hebben. Waarom? Wel, B. B., er is geen mensch zonder gebreken; de man heeft zijne, de vrouw heeft hare gebreken. Wat moeten zij nu doen om de eendracht, den vrede te bewaren? Zij moeten elkanders gebreken met geduld verdragen.

Eindelijk moeten zij met elkander leven in trouw, d. w. z., de gehuwden moeten de getrouwheid, welke zij elkander plechtig beloofd hebben, nakomen, en bijgevolg moeten zij elke neiging, elke begeerte, die met de getrouwheid in strijd is of ze in gevaar kan brengen, terstond onderdrukken en tegengaan.

De gehuwden moeten elkander ook slichten door een braat en deugdzaam leven: dus moeten zij de geboden van God en

l\' Eph. v, 32.

-ocr page 359-

— 353 —

van de H. Kerk trouw volbrengen, zich stipt kwijten van de overige plichten van Christen door goed te bidden \'s morgens en \'s avonds, vóór en na het eten, door dikwijls de H. Mis bij te wonen en tot de H. Sacramenten te naderen. In plaats dus van elkander te ergeren, tot zonden en misschien tot groote zonden aan te zetten, waardoor zij reeds hier op aarde de straffen van God over zich trekken, moeten zij elkander tot de deugd en de goede werken aanzetten om op die wijze Gods zegen te bekomen.

De gehuwden moeten hunne kinderen, zoo God er hen mede gezegend heeft, eene goede opvoeding geven. Daarom moeten zij vooreerst zorgen dat hunne kinderen deugdzaam zijn; zonder deugd geene goede opvoeding. Gelooft gij wel dat veel gehuwden in dit punt aan hunne plichten te kort blijven? Zij denken dat het genoeg is A-an te zorgen dat hunne kinderen geleerd worden, en daarom zenden zij hen soms naar gevaarlijke en slechte scholen; dat zij rijk en, groot worden in de wereld, en daarom doen zij hun best om voor hunne kinderen eene winstgevende betrekking te bekomen, zonder er aan te denken of die betrekking wel zalig voor hen zijn zal. Zij prenten hunne kinderen den geest der bedorvene wereld in, den geest van grootheid en pracht, en bijgevolg, in plaats van hun eene goede opvoeding te geven, hen tot de deugd op te leiden, bederven zij hen geheel en al; zij bederven hunne kinderen vooral door slechte voorbeelden, door vloeken en zedenkwetsende taal, door dronkenschap en verkwisting, enz. Arme, ongelukkige ouders! Welk verdriet en hartzeer staat u te wachten van uwe kinderen reeds in dit leven; doch welke verschrikkelijke rekenschap zult gij bij uwen dood af te leggen hebben voor den rechterstoel van God, als Hij van u de kinderen, die Hij u heeft toevertrouwd, zal terugeischen.

De man moet voorzien in het onderhoud van zijne vrouw en voor haar zorgen; hij moet haar aanzien als de gezellin zijns

Gi looks-kn Zedknlekp. 4^0 I)kkr,. 23,

-ocr page 360-

levens, die God hem gegeven en de Kerk hem toevertrouwd heeft; hij mag haar dus niet aanzien als eene dienstmeid, veel minder als eene slavin. Men treft ongelukkig mannen aan, die in plaats van voor hunne vrouwen te zorgen, door een ongebonden leven het geld en goed verkwisten en hunne vrouwen gebrek en armoede laten lijden.

Be vrouw moet haren man in alles wat recht en eerbaar is gehoorzamen; zij moet hem als haar hoofd eerbiedigen; zij moet haar huisgezin met vlijt en spaarzaamheid besturen. Men vindt, belaas! soms vrouwen die aan dien plicht te kort blijven, die in plaats van aan hare mannen te gehoorzamen, den baas willen spelen; die in plaats van voor het huisgezin te zorgen, den tijd verspillen voor den spiegel, door zich op te schikken, door onnoodige, niet zelden gevaarlijke bezoeken af te leggen of te ontvangen, waardoor het dan ook wel eens gebeurt dat er veel over haar gesproken wordt; dergelijke vrouwen ondermijnen het geluk van den huiselijken haard; zij brengen zich zeiven, hare mannen, ja gansch het huisgezin ten onder. De man heeft mooi werken en zwoegen van den vroegen morgen tot den laten avond; bijaldien hij zich aan eene modepop, aan eene rond-of ledigloopster verbonden heeft, alles is te vergeefs. Niet zonder reden vermaant dus de Apostel Paulus, als hij zegt: Ik wil dat ook de vroutven in betamelijke kleeding, zich zedig en matig opschikken en niet mot haarvlechten, goud en paarlen of een kostbaar gewaad, maar gelijk het vrouwen betaamt, die belijdenis doen van godsvrucht door goede werken.

Kan het Huwelijk ook ontbonden worden? Een geldig en voltrokken huwelijk onder Christenen kan niet ontbonden worden tenzij door den dood. De gehuwden nochtans kunnen soms om wettige reden onlslagen worden van samen te wonen. Het Huwelijk is dus onverbreekbaar; hetgeen God vereenigd heeft mag of kan de mensch niet scheiden. Onze goddelijke

-ocr page 361-

— 355 —

Zaligmaker leort de onverbreekbaarheid des Huwelijks uitdrukkelijk; Wie zijne vrouw verlaat en eene andere trouwt, zegt Jesus, doet overspel; en bijaldien eene vrouw haren man verlaat en een anderen trouwt, doet zij overspel. Te vergeefs zoude men zich beroepen op de burgerlijke wet, die de echtscheiding en een tweede huwelijk toelaat; want, B. B., anders luidt de wet van den keizer, anders de wet van God; iets anders schrijft een rechtsgeleerde, iets anders de Apostel Pauius voor. Niet naar de wereldlijke wetten zal God u in den kaatsten dag des oordeels rechten, zegt de H. Joannes Chrysostomus, maar naar de wetten die Hij zelf gedragen heeft. De gehuwden kunnen wel is waar om wettige redenen ontslagen worden van samen te wonen, doch zij kunnen zich zeiven daarvan niet ontslaan, zulks moet gebeuren door de geestelijke overheid, en daarom moeten zij, wanneer het geval zich opdoet, de reden aan hunnen Pastoor of biechtvader te kennen geven en hunnen raad volgen.

SLUITREDE.

Wij hebben gezien, B. B., wat liet Huwelijk is. Alhoewel door God ingesteld, de maagdelijke staat nochtans is gemakkelijker en verhevener, verdienstelijker en aangenamer aan God. De plichten van den huwelijken staat zijn talrijk en zwaar. Vele heilige echtgenooten nochtans, die anderen tot voorbeeld strekken, hebben ze trouw volbracht en zich zeiven en anderen geheiligd. Wij vinden een schoon voorbeeld van allerlei deugden, van zachtmoedigheid en geduld, van toegevendheid en beleid, in de H. Monica, de moeder van den II. Augustinus. De II. Monica, werd door hare ouders aan een man verloofd met name Patricius. Patricius was vol ondeugden en gebreken. Door haar heilig leven, en bijzonder door het geduld, waarmede Monica de gebreken en ondeugden van Patricius verdroeg, won zij weldra zijne liefde en achting. Patricius was onder anderen zeer driftig. Als Monica hem vergramd zag, wachtte zij zicli wel van tegen

-ocr page 362-

hem te spreken; doch had hij zijne gramschap afgelegd, dan sprak zij met zachtheid en gaf reden van haar gedrag. Patricius zag dan zijn ongelijk in en eerde en beminde zijne vrouw meer en meer. Het gebeurde wel eens dat andere vrouwen zich bij Monica kwamen beklagen over de harde behandelingen hunner mannen. Dan was zij gewoon te zeggen: De mishandelingen, waarover gij u beklaagt, hebt gij aan uwe tong te wijten, omdat gij door uw praten uwen reeds opgewonden man nog meer aanzet; ik beantwoord den toorn en de verwijtingen van mijnen man met stilzwijgen, zoo drijft de storm voorbij, de toorn verdwijnt en de rust wordt hersteld. Door die wijze manier van handelen gebeurde het ook dat zij door haren man niet mishandeld werd, gelijk zooveel andere vrouwen, die bij haar kwamen klagen. Eindelijk gelukte het haar Patricius door zachtmoedigheid en gebed voor Jesus-Christus te winnen. Och of alle vrouwen de H. Monica navolgden, er zouden zoo veel ongelukkige huisgezinnen niet gevonden worden, waaruit de liefde en vrede gebannen zijn. Integendeel, zij zouden hier op aarde reeds gelukkig zijn en zich heiligen, om hiernamaals deel te maken van het groote huisgezin, van het huisgezin gelukkig bij uitstek, namelijk, van den hemel. Amen.

-ocr page 363-

VIER - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE HUWELIJKSBELETSELS

Si quis dixerit Ecclcsiam non poluissc constituere impedimenta matrimonium diriment ia, vel in iis errasse: anathema sit.

Zoo iemand zegt dat de Kerk geenc beletsels heeft kunnen stellen die het Huwelijk ongeldig maken, of dat zij daarin gedwaald heeft: hij zij in den ban. (Conc. Triü. Sess. xxiv, c, i).

INHOUD.

VOORREDE.

Na gezien te hebben wat het Huwelijk is, eu welke de voornaamste plichten der gehuwden zijn, gaan wij over:

VERDEELING.

I. Tot de Huwelijksbeletsels;

H. Tot de ondertrouw.

I.

De Huwelijksbeletsels zijn tweederlei: beletsels die het Huwelijk ongeoorloofd, en beletsels die het Huwelijk ongeldig maken.

Die het Huwelijk ongeoorloofd maken zijn: gemengd huwelijk, Huwelijk zonder roepen, besloten tijd, gelofte en Huwelijksbelofte.

-ocr page 364-

— 358 —

De voornaamste beletsels die het Huwelijk ongeldig maken zijn: dwang of geweld, verwantschap — de verwantschap is driederlei, — aanverwantschap, veroorzaakt door de geoorloofde of ongeoorloofde samenleving, openbare eerbaarheid, ontstaan uit eene ware en geldige trouwbelofte, misdaad, plechtige gelofte van zuiverheid en clandestiniteit.

De Kerk heeft de macht om huwelijksbeletsels daar te stellen en ook om er in te dispenseeren. Wijl het Huwelijk een Sacrament is en tot de H. Kerk behoort, daarom heeft de Staat noch recht, noch macht van liet Sacrament des Huwelijks wetten te stellen.

11.

De ondertrouw is eene wederzijdsche belofte van elkander te trouwen op bekwamen tijd. De ware ondertrouw verplicht en wel in geweten; zij kan nochtans met wederzijdsche toestemming verbroken worden.

SLUITREDE.

Men moet zich wachten van een Huwelijk aan te gaan met bloedverwanten. De ondervinding leert dat die Huwelijken slechte gevolgen hebben.

-ocr page 365-

VIER - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE HUWELIJKSBELETSELS

Si quis dixerit Ecclcsiam non potuisse constituere impedimenta matrimonium dirimentia, vel in iis crrasse: anathema sit.

/00 iemand zegt dat de Kerk poene beletsels heelt kunnen stellen die het Huwelijk ongeldig maken, of dat zij daarin gedwaald heeft: hij zij in den b:in. (Conc. Trid. Sess. xxiv, c, -1).

VOORREDE.

In onze voorgaamlo onderrichting, 1?. B., hebben wij gezien wat liet Huwelijk is, welke de voornaamste plichten der gehuwden zijn, en eindelijk dat het Huwelijk onverbreekbaar is, dat het alleen kan ontbonden worden door den dood. Het Huwelijk is een Sacrament, door hetwelk man 011 vrouw wettig verbonden worden: liet bijwoord wettig beteekent dat er voor het Huwelijk zekere voorwaarden vereisclit worden. Het ontbreken van een dier voorwaarden stelt een beletsel aan het Huwelijk, \'t- Is over do Huwelijksbeletsels dat wij vandaag gaan handelen, ten minste over de voornaamste; daarna zullen wij nog een woordje zeggen over de ondertrouw.

I. Welke zijn de Huwelijksbeletsels?

II. Wat wordt er verstaan door de ondertrouw?

I.

De Huwelijksbeletsels, B. B., zijn tweederlei: beletsels die het Huwelijk ongeoorloofd maken, en beletsels die het Huwelijk ongeldig maken. In geval iemand een beletsel heeft van de eerste klasse, en niettemin het Huwelijk aangaat, het Huwelijk

-ocr page 366-

— 3G0 —

zoude wel is waar geldig zijn, doch die persoon zoude zich aan groote zonden plichüg maken. Ingeval iemand een beletsel heelt van de tweede klasse, en niettemin het Huwelijk aangaat, het Huwelijk zoude ongeldig zijn, in andere woorden, die persoon zoude niet gehuwd zijn. De Huwelijksbeletsels berusten op eene drievoudige wet; op de wet der natuur, op de wet Gods, en op de wet der H. Kerk.

De beletsels die het Huwelijk ongeoorloofd maken, zijn: gemengd huwelijk, huwelijk zonder roepen, besloten tijd, gelofte en huwelijksbelofte.

Gemengd Huwelijk. De H. Kerk, B. B., verbiedt de Huwelijken tusschen Katholieken en onkatholieken die, gedoopt zijn, zooals, bijv., de Protestanten. Zij verbiedt die huwelijken om de gevaren die er voor de katholieke partij en voor de kinderen uit voortspruiten.

Huwelijk zonder roepen. De H. Kerk gebiedt het Huwelijk drie achtereenvolgende Zon - of feestdagen openbaar in de kerk aan te kondigen. De Catechismus vraagt:

Waarom geschied,en de roepen voor het huwelijk? En hij antwoordt:

Om te doen bidden voor degenen die gaan trouwen, en te ontdekken de beletselen die er tusschen hen kunnen bestaan.

Besloten tijd. De H. Kerk verbiedt de plechtige huwelijken in den Advent en de Vasten, omdat het tijden zijn van boetvaardigheid, boetvaardigheid, die volstrekt niet overeenkomt met de bruiloftsfeesten.

Gelofte. Onder het woord gelofte wordt hier bijzonder verstaan de kleine gelofte van zuiverhefd, de belofte van- niet te trouwen en de belofte van een klooster in te gaan. Wie dergelijke belofte gedaan heelt, moet er eerst van ontslagen worden om te mogen trouwen.

Huwelijksbelofte. Twee personen, bijv., hebben elkander wezenlijk beloofd te trouwen: in zulk geval mag geen van

-ocr page 367-

beiden een huwelijk aangaan met een derde persoon, zoolang die belofte door wederzijdse he toestemming niet opgeheven is, of om eene andere wettige reden ophoudt te bestaan. Ziedaar, B. B., de beletsels die het Huwelijk ongeoorloofd maken. Men zoude het dus wel geldig kunnen aangaan, doch niet zonder zich aan groote zonde plichtig te maken.

Nu ga ik u de voornaamste beletsels opnoemen, die het Huwelijk niet alleen ongeoorloofd, maar ook ongeldig maken, zoodat de persoon die daardoor wederhouden is, onbekwaam is het Huwelijk aan te gaan. De voornaamste beletsels zijn: Dwang of geweld, verwantschap, aanverwantschap, openbare eerbaarheid, misdaad, plechtige gelofte en clandestiniteit.

Dwang of geweld. Als eene jonge dochter door hare ouders, voogden of oversten gedwongen werd met zekeren persoon te trouwen, zoodat zij niet genoegzaam vrij was, dat Huwelijk zoude ongeldig zijn. Degenen die dwang of geweld op iemand uitoefenen, maken zich natuurlijk aan groote zonde plichtig. Dat dus de ouders, voogden en oversten zich wel wachten van hunne kinderen of onderhoorigen niet alleen niet te dwingen, zoodat het Huwelijk ongeldig zoude zijn, maar ook, van hen niet te zeer aan te zetten om den huwelijken staat te aanvaarden of om met dezen of genen persoon te trouwen: dergelijke huwelijken zijn doorgaans ongelukkig.

Verwantschap. De verwantschap, B. B., is driederlei: bloedverwantschap, geestelijke verwantschap en wettelijke verwantschap.

De bloedverwantschap bestaat tusschen personen van welke de een van den anderen voortkomt, ofwel zoo twee personen opklimmen tot dezelfde ouders; vandaar twee lijnen, de rechte en zijdelingsche lijn: Vader en zoon zijn in de rechte lijn, broeder en zuster zijn in de zijdelingsche lijn. Personen in de rechte lijn kunnen nooit met elkander trouwen; bijv., de vader niet met de dochter, do moeder niet met den zoon. in de

-ocr page 368-

zijdelingsche lijn kunnen niet met elkander trouwen die bloedverwanten zijn in den eersten, tweeden, derden of vierden graad; bijv., broeders en zusters, eerste graad; broeders en zusters kinderen, d. i., volle neven en nichten, tweede graad; achterneven en achternichten, derde graad; en eindelijk, de kinderen dier achterneven en achternichten, vierde graad. Ook kunnen oom en nicht, tante en neef niet met elkander trouwen. Tusschen broeders en zusters wordt nooit gedispenseerd; tusschen volle neven en nichten, oom en nicht, tante en neef zeldzaam en alleen om zeer gewichtige redenen; in de meer verwijderde graden wordt de dispensatie zelfs om wettige reden nog ongaarne toegestaan.

De geestelijke verwantschap ontstaat door het Doopsel en Vormsel. Daarover hebben wij genoeg gezegd in de onderrichtingen over die twee Sacramenten.

De wettelijke verwantschap ontstaat door het aannemen van een vreemden persoon tot zijn kind, doch wijl zij zelden voorvalt, is het onnoodig er over te spreken.

Aanverwantschap of zwagerschap. Dit beletsel bestaat tusschen een persoon, die als echtgenoote leeft, en de bloedverwanten van den persoon met wien hij zoo leeft. Is de samenleving geoorloofd, dan bevat dit beletsel vier graden: alzoo kan eene weduwe, bijv., niet trouwen met een persoon die bloedverwant is van haren man zaliger in den eersten, tweeden, derden of vierden graad. Is de samenleving ongeoorloofd dan bevat dit beletsel twee graden, namelijk, den eersten en tweeden graad, bijv., de bruidegom zoude grootelijks gezondigd hebben — copula — met de moeder, zuster, tante of nicht van zijne bruid, ofwel de bruid met den vader, broeder, oom of neef van haren bruidegom; die twee kunnen zonder dispensatie niet met elkander trouwen: bijgevolg zouden zij, zoo het noodig is, bijtijds in het geheim hunnen Pastoor of Biechtvader kennis moeten geven van het beletsel om er de noodige dispensatie

-ocr page 369-

— 363 —

van te bekomen. Men moet nochtans aanmerken dat de bloed-verwanten van den man niet belet zijn te trouwen met de bloedverwanten van de vrouw, zoodat, bijv., twee broeders kunnen trouwen met twee zusters.

4° Openbare eerbaarheid. Dit beletsel komt voort uit eene ware en geldige trouwbelofte, die twee personen elkander gedaan en aangenomen hebben. Dit beletsel bevat slechts een graad in de bloedverwantschap. Een bruidegom, bijv., kan niet trouwen met de moeder, dochter of zuster zijner verloofde, d. i., van haar mot welke hij trouwbelofte heeft of heeft gehad; noch de bruid met den vader, broeder of zoon van haren verloofde, d. i., van hem met wien zij trouwbelofte heeft of heeft gehad. Ik zeg, heeft gehad: want, 15. B., het beletsel blijft bestaan al zoude zelfs de trouwbelofte om wettige redenen opgeheven of door den dood van een van beiden vervallen zijn.

Misdaad. Daardoor verstaat men vooral overspel met de wederkeerige belofte van elkander te huwen na den dood van man of vrouw.

0° Plechtige gelofte van zuiverheid in een klooster.

Clandestiniteit. Krachtens dit beletsel kunnen twee katholieken geen geldig huwelijk aangaan tenzij voor hunnen pastoor of voor een door hem afgevaardigde en minstens twee getuigen.

Vandaar dat de Catechismus vraagt:

Moet het huwelijk voor iemand geschieden? En hij antwoordt;

Hel moet geschieden voor den eigen pastoor of voor iemand, van hem daartoe gemachtigd, en twee getuigen, of anders zou het van geen er weerde zijn.

Ziedaar, B. B., de voornaamste beletsels die het Huwelijk ongeldig maken, zoodat men niet gehuwd zoude zijn, zoo men met dergelijk beletsel het Huwelijk aanging. Terecht antwoordt dus de Catechismus op de vraag:

Als men een beletsel weet, is men dan verplicht hetzelve bekend te maken?

-ocr page 370-

— 304 —

Ja\\ want dit gebiedt de heilige Kerk.

De Kerk, B. B., heeft de macht om Huwelijksbeletsels daar te stellen. Vandaar dat de kerkvergadering van Trente zich op de volgende wijze uitdrukt: Wie zegt, dat de Kerk geene nietig-makende Huwelijksbeletsels heeft kunnen invoeren, ot\' dat zij bij de invoering er van gedwaald heeft: hij zij in den ban: Anathema sit.

De Kerk kan ook om wettige redenen dispenseeren in eenige huwelijksbeletsels.

De Staat heeft noch recht, noch macht van huwelijksbeletsels in te voeren of van in de door de Kerk ingevoerde beletsels te dispenseeren. Het Huwelijk onder de Christenen is een Sacrament; de Sacramenten beliooren tot de H. Kerk en niet tot den Staat; daarom heeft de Staat noch recht, noch macht van wetten te maken die de geldig - of ongeldigheid van het Huwelijk aangaan.

Het Huwelijk onder de Christenen aangegaan, staat wel is waar in betrekking met de orde der maatschappij, en in zoo verre heeft de Staat ook recht van zijne beletsels te stellen; doch die beletsels maken het Huwelijk niet ongeldig, zij ontbinden volstrekt het Huwelijk niet; zij hebben enkel burgerlijke beteekenis en burgerlijke uitwerksels: zoo zouden, bijv., de kinderen gesproten uit een huwelijk geldig voor God en de H. Kerk, maar door eene staatswet verboden, geen recht hebben om te erven voor de wet, maar wel voor God en de H. Kerk. Doch dit zij genoeg over de Huwelijksbeletsels. Zien wij nu wat er verstaan moet worden door de ondertrouw.

11.

Wat is de ondertrouw, die het Huwelijk gewoonlijk vooraf gaat? De ondertrouw is eene wederzijdsche belofte van elkander te trouwen op bekwamen tijd. Volgens gewoonte geschiedt de

-ocr page 371-

ondertrouw voor den Pastoor van de bruid: (l) Die weder-zijdsche belofte verbindt, en wel op doodzonde; zij verbindt zelfs dan, als zij in het geheim, tusschen vier oogen, zooals men dat noemt, gedaan is; doch om wederzijds te verbinden moet zij van beide zijden ernstig gemeend, duidelijk en bepaald uitgedrukt en aangenomen worden. De ondertrouwden zijn dan verplicht het Huwelijk op den bepaalden tijd aan te gaan: is er geen tijd bepaald, dan moet het aangegaan worden zoodra de eene het vordert en de andere geene reden heeft om uit te stellen.

De trouwbelofte kan ook vernietigd worden door vrije toestemming van beide zijden: ook soms om andere gewichtige redenen, die vroeger onbekend waren of later ontstaan zijn. Zoo de belofte maar van eene zijde gedaan en van de andere zijde enkel aangenomen wordt, dan bestaat er eigenlijk geene ondertrouw.. Nochtans, die belofte verbindt den persoon die ze gedaan heeft, doch geenszins den persoon die ze enkel aangenomen heeft zonder zelf belofte gedaan te hebben.

SLUITREDE.

Een beletsel, B. B., dat zich weieens opdoet, en waarin zekere personen verlangen gedispenseerd te worden, is de bloedverwantschap.

Dat tot de dispensatie wettige redenen vereischt worden, is duidelijk; doch het ware te wenschen, dat er in de bloedver-wantschap nooit dispensatie gevraagd, en bijgevolg, dat er nooit behoefde gegeven te worden. Personen die reeds bloedverwanten zijn, moesten met elkander in geene nauwere betrekking meer komen. Daarenboven, de ondervinding leert dat dergelijke huwelijken doorgaans ongelukkig zijn; vandaar het spreekwoord: of vroeg sterven of geene erven of verderven. Ook

(i) Multis in locis sponsalia solemnia jam non contrahuntur, ex quo graves quoque abusus corruorunt.

-ocr page 372-

— 3G6 —

voor de nakomelingen hebben dergelijke huwelijken dikwijls, en zeer dikwijls, slechte gevolgen. Onze Moeder de H. Kerk handelt dus wijs door dit beletsel te stellen, niet alleen tot bevordering der zedelijkheid onder de bloedverwanten, maar ook voor het verstandelijk en lichamelijk welzijn der nakomelingen. quot;Welke nadeelige gevolgen de huwelijken onder bloedverwanten hebben, getuigen de door de beroemdste geneesheeren gemaakte opmerkingen en statistieken, die geschikt zijn de huwelijks-beletsels van het standpunt des verstands en der natuur beter te rechtvaardigen dan alle geleerde verhandelingen: daarover heb ik statistieken gelezen, die wel in staat zijn de mensch van een huwelijk met bloedverwanten te doen afzien. Doch waarom, zult gij zeggen, dispenseert dan de H. Kerk in dat beletsel? Zij dispenseert in zekere graden, \'t is waar, B. B., doch altoos ongaarne, en nooit zonder wettige reden. Ook vermaant zij hare kinderen tot hun eigen welzijn en dat hunner nakomelingen, van dergelijke huwelijken af te zien. Willen de kinderen nu niettegenstaande de vermaningen hunner bezorgde moeder voortgaan, dan verleent zij dispensatie zoo zij kan en mag, doch zij spreekt\'niet vrij van de noodlottige gevolgen. Daarom, wilt gij wijs en voorzichtig handelen; wilt gij voor u en van uwe kinderen de betreurenswaardigste gevolgen vermijden, onderhoudt de wetten der H. Kerk, en ziet altoos af van een huwelijk met bloedverwanten. Amen.

-ocr page 373-

VIJF - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE MIDDELEN TOT EEN GELUKKIG HUWELIJK

Domus ct ilivilim dantur a parentibus, a Domino autem proprie uxor prudens.

Huis on rijkdommen worden van de ouders gegeven, docli van den Heer eigenlijk oene voorzichtige vrouw.

(Vrov. xix, u.)

INHOUD.

VOORREDE.

Wijl van het kiezen van een levensstaat het tijdelijk en eeuwig welzijn afhangt, en wijl het grootste gedeelte der menschen tot den huwelijken staat overgaan; daarom dient men wel te weten, hoe men zich daartoe voorbereiden moet.

Wat moet men doen, als men zich tot den huwelijken staat wil begeven?

VER DEE LING.

I. Bidden;

II. De slechte inzichten verwijderen; III. Voorzichtig zijn in de keus van een echtgenoot;

-ocr page 374-

— 368 —

IV. Zijne ouders raadplegen-,

V. Het Huwelijk niet lang uitstellen.

I.

Men moet lang bidden of men van God tot den huwelijken staat geroepen is, en of men er de plichten van zal kunnen volbrengen.

H.

Men moet zorgen van allé kwade inzichten te verwijderen, en niets anders dan Gods glorie en zijne zaligheid voor oogen hebben.

HL

Men moet in de keus van een echtgenoot veel voorzichtigheid gebruiken, en meer letten op de deugden en godsdienstige gevoelens dan op de rijkdommen en andere vergankelijke hoedanigheden.

IV.

Men moet uiets besluiten zonder zijne ouders of wijze lieden te raadplegen.

V.

Men moet, als het huwelijk besloten is, zich bijtijds bij zijnen Pastoor begeven om ondervraagd te worden en ondertrouw te doen: daarna moeten de verloofden vooral bidden en voorzichtig zijn, ten einde het Sacrament des Huwelijks waardig te ontvangen. Daarom zal het goed zijn van eene generale biecht te spreken. Die generale biecht is niet noodzakelijk. Ook moet men wel zorgen dat er op den dag van het Huwelijk geene buitensporigheden plaats grijpen.

SLUITREDE.

Geschiedenis van eenen jongeling en eene jonge dochter, die zich naar behooren tot het Sacrament des Huwelijks voorbereidden.

-ocr page 375-

— 369 —

VIJF - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING

*

OVER DE MIDDELEN TOT EEN GELUKKIG HUWELIJK

Domus et divitiw dantur a parentihus, a Domino autem propric uxor prudens.

Huis on rijkdommen worden van do ouders gegeven, docli van den lieer eigenlijk eene voorzichtige vrouw.

(I\'BOV. XIX, II.)

VOORREDE.

Wijl van het kiezen van een levensstaat, B. R., het geluk van den mensch voor tijd en eeuwigheid doorgaans afhangt, en wijl liet grootste gedeelte der menschen tot den huwelijken staat overgaan; zoo zal het van een overgroot belang zijn te weten, hoe men zich waardig tol dien staat moet voorbereiden. Daarom zullen wij vandaag onderzoeken, hoe men zich daarin te gedragen heeft. De Catechismus vraagt:

Wal moei men doen, als men ziek lol den huwelijken slaat wil begevend En hij antwoordt:

Ten I, lang bidden om Ie weten of men van God daartoe geroepen is, en of men er de plichten zal kunnen van volbrengen; len 2, wel zorgen van alle kwade inzichten le verwijderen, en niets anders dan Gods glorie en zijne zaligheid voor oogen hebben; ten in de keus ran eenen echtgenoot veel voorzichtigheid gebruiken, en meer lellen op de deugden en godsdienstige gevoelens, dan o]t de rijkdommen en andere vergankelijke hoedanigheden; ten 4, niets besluiten zonder zijne ouders of wijze lieden raad te vragen; ten 5, als het huwelijk bestolen is, zich lijdelijk bij zijnen

Gkloofs - KN Zkdenlrkr. 4,1c DBUU 21

-ocr page 376-

— 370 —

pastoor hegeven, om ondervraagd te worden en ondertrouw te doen. Men moet du»:

I. Goed bidden;

II. De slechte inzichten verwijderen;

III. Voorzichtig zijn in de keus van een

echtgenoot;

IV. Zijne ouders raadplegen, en

V. Het Huwelijk niet lang uitstellen.

Leggen wij in \'t kort die weinige punten uit.

I.

Vooreerst dus moet men bidden, en de Catechismus zegt, lang bidden. Ja, B. B., men moet God, de allerheiligste Maagd Maria, den 11. Joseph, zijnen Engelbewaarder, zijnen patroon of zijne patrones bidden, niet een korten tijd, maar lang; bijgevolg, aanhouden met bidden. En waarom? Om te weten of men van God tot den huwelijken staat geroepen is. God heeft eenieder voor zekeren staat bestemd; zoo de mensch dien staat waardig aanvaardt, schenkt God hem bijzondere genaden om er de plichten van te vervullen en er zijne zaligheid in te bewerken; zoo bij dien staat niet aanvaardt, maar een anderen, waarvoor God hem niet bestemd beeft, en schenkt God hem die bijzondere genaden niet, dan loopt hij het allergrootste gevaar van voor eeuwig verloren te gaan. Een mensch buiten zijnen staat leidt een verdrietig en ongelukkig leven op aarde; hij is gelijk aan een ontwringd lidmaat, dat zelf lijdt en gansch liet lichaam doet lijden; hij is gelijk aan een visch buiten het water, die na eenigen tijd geleden te hebben, sterft. Wanneer men nu met gegronde reden oordeelt tot den huwelijken staat geroepen te zijn, dan moet men God nog bidden om een goeden echtgenoot of eene goede echtgenoote te bekomen, een man of eene vrouw, met welke men gelukkig zal kunnen wezen in dit

-ocr page 377-

— 371 —

leven, en zijne zaligheid zal kunnen bewerken. Vandaar dat de wijze man zegt: Huis en rijkdommen worden van de ouders gegeven, maar eene verstandige, eene voorzichtige vrouw — en hetzelfde moet van den man gezegd worden — komt van den Heer, Men moet God dus vurig bidden om te weten o(\' men tot den huwelijken staat en met wien of wie men er toe geroepen is.

II.

Op de tweede plaats moet men zorgen van alle slechte inzichten uit te sluiten of te verwijderen, en niels anders dan Gods glorie en zijne zaligheid voor oogen hebben. Men moet dus liet Huwelijk met een goed en zuiver inzicht aangaan. i)it geschiedt als men het aangaat met het doel van te beantwoorden aan het inzicht, dat God gehad heeft, toen Hij het Huwelijk instelde, namelijk, om kinderen tot Gods eer en glorie op te brengen; als men het aangaat, om elkander behulpzaam te zijn in de moeielijkheden des levens; als men het aangaat, om den vijand onzer zaligheid, die altijd en overal met ons is, des te beter te kunnen bestrijden en te overwinnen. Ziedaar met welke inzichten men den huwelijken staat mag aanvaarden.

III.

Op de derde plaats moet men in de keus van een echtgenoot veel voorzichtigheid gebruiken en meer letten op de deugden en godsdienstige gevoelens dan op de rijkdommen en andere vergankelijke hoedanigheden. Bijgevolg, kies nooit tot man een persoon die geen godsdienst heeft, een vrijgeest of liberaal, een persoon die met God of godsdienst, met Kerk of geestelijkheid den spot drijft, al ware hij ook Katholiek; dergelijk persoon zal u door zijne slechte beginselen en voorbeelden van het pad der deugd trachten te brengen. Kies geen dronkaard of speler, hij zal u tot armoede en schande brengen. Kies geen wulpsch-aard, hij zal de straffen Gods in uw huis brengen, u afvallen of

-ocr page 378-

tot zonde verleiden. Kies geen vloeker of godslasteraar; God kan niet met hem zijn, maar de duivel staat aan zijne zijde. Kies geen gierigaard, hij zal u en uwe kinderen honger en gebrek laten lijden. Kies geen leeglooper of luiaard, hij zal zijne zaken verwaarloozen, zijn tijd in kroegen, herbergen en andere nutte-looze gezelschappen verspillen. Kies geen ruw, grof, gramstorig man, hij zal u en uwe kinderen mishandelen. Hetzellde, R. B., moet gezegd worden van de keus eener vrouw; daarin moet men ook veel voorzichtigheid gebruiken. Bijgevolg, kies nooit eene vrouw zonder godsdienst, zij zal uw hart verleiden en u tot een dwaas maken, al hadt gij ook Salomon\'s wijsheid. Kies nooit eene vrouw die bijzonder veel verstand meent te hebben, zij wil altoos het laatste woord en gelijk hebben en kan niet zwijgen. Kies geene begeerlijke, onzedige, vrijpostige, schaamtelooze persoon, zij zal u ontrouw worden en veel leed en onheil veroorzaken. Kies geene ijdeie, praalzieke modepop, zij verkwist uw geld en goed door zich op te schikken, en zij verwaarloost hare huiselijke bezigheden. Kies geene twistzieke vrouw, gij zult geene vrede met haar hebben, zelfs niet al doet gij haren zin; geen babbelaarster, zij bemoeit zich met alles, praat uren lang op straat en elders en vergeet haar huisgezin. Ziedaar, B. B., voor welke personen men zicli bijzoi/der wachten moet, wil men een gelukkig huwelijk aangaan. Wanneer men nu een deugdzaam persoon van zijne jaren en van zijnen stand meent gevonden te hebben, dan moet men nog niet terstond besluiten. Wat moet men dan doen?

IV.

Ten vierde moet men zijne ouders of andere wijze lieden raadplegen, om te weten wat er te doen staat. Eer vader en moeder, zegt God in het vierde gebod. De kinderen moeten hunne ouders erkennen; daarom mogen zij geene kennis maken buiten weten der ouders. De ouders mogen zich voorzeker tegen

-ocr page 379-

een slecht huwelijk van hunne kimleren verzetten; doch zij moeten daarin niet met geweld, maar met overtuiging te werk gaan: zij moeten hun best doen oin hunne kinderen te doen bègrijpen, dat een huwelijk met een persoon zonder godsdienst, zonder zeden, zonder bekwaainlieid, de oorzaak kan zijn van hun tijdelijk en eeuwig ongeluk.

Wanneer de ouders bemerken dat hunne kinderen tot den huwelijken staat geroepen zijn, dan moeuMi zij bijzonder voor hen bidden. Na hen eenigen tijd op de proef te hebben gesteld, mogen zij volstrekt niet met hardnekkigheid blijven weigeren hunne toestemming te geven tot een huwelijk met een deugd-zamen jongeling of met eene deugdzame jonge dochter. Zij moeten niet zoo zeer acht geven ol de persoon rijk is en in aanzien staat, dan wel of hij braaf en deugdzaam is. Schatten en rijkdommen, grootheid en pracht, eer en aanzien in de wereld maken de huwelijken niet gelukkig, maar wel de deugd en de vrees des Heeren.

Ook moet men zijn Pastoor of biechtvader raadplegen alvorens met iemand kennis te maken, en bijzonder, alvorens te besluiten van het Huwelijk aan te gaan.

Wat de verkeering voor het huwelijk betreft, deze moet vooreerst van korten duur zijn; zij mag ook niet geschieden buiten weten der ouders of oversten. Ook zijn de ouders en oversten streng in geweten verplicht te zorgen dat hunne kinderen of onderdanen geene geheime verkeeringen aangaan of gevaarlijke bijeenkomsten hebben. Ingeval jonge personen elkander wenschen te spreken, dan moet zulks gebeuren in de tegenwoordigheid der ouders of oversten. Dit punt, B. B., verdient vooral in acht genomen te worden, want het is volstrekt noodig, dat, zoo men een gelukkig Huwelijk wil aangaan, de verkeering van korten duur en zedig zij.

-ocr page 380-

— 374 —

V.

Ten vijfde, moet men, als liet huwelijk besloten is, zich in tijds bij zijnen pastoor begeven om ondervraagd te worden en ondertrouw te doen zoo de ondertrouw in de plaats gebruikelijk is. Daarna moeten de verlooiden, in plaats van in het gebed en de voorzichtigheid te verslappen, er in toenemen; zij moeten nog meer bidden en met meer zorg de gevaren van zonde vermijden en vluchten. quot;Wijl dc duivel van zijnen kant zijn best doet, om hen het Huwelijk in een slechten staat te doen ontvangen, zoo moeten de verloofden van hunnen kant ook hun best doen, om het in een goeden staat te ontvangen. Daartoe nu worden twee zaken vereischt, het gebed en de voorzichtigheid.

Het Sacrament des Huwelijks is, gelijk wij vroeger gezien hebben een Sacrament der levenden, en daarom moet liet in staat van genade ontvangen worden. Ook vermaant de kerkvergadering van Trente degenen, die het Huwelijk aangaan, van, alvorens dit Sacrament te ontvangen, vroegtijdig hunne zonden vlijtig te biechten en godvruchtig tot de H. Tafel te naderen. Ook is het zeer geraadzaam het voorbeeld der ijverige christenen na te volgen, namelijk, van bij die gelegenheid eene generale biecht te spreken: eene generale biecht is zelfs noodzakelijk, in geval men vroeger — hetgeen wel eens het geval is — om zondige verkeeringen slechte biechten gesproken en lieilig-schendende communiën gedaan heeft.

Eindelijk moeten de gehuwden den dag van hun Huwelijk overbrengen in de vrees des Hoeren. Zij moeten zicii bijzonder wachten van door overdreven bruiloftsfeesten aan vrienden of bloedverwanten gelegenheid te geven tot overdaad of andere zonden; daarom, beperkt het feest binnen den engst mogelijken kring, d. i., bij naaste bloedverwanten, en draagt zorg dat het niet te laat duurt. Ziedaar, B. B., hoe men zich te gedragen heeft in het kiezen van een levensstaat, en hoe men zich moet voorbereiden tot liet Huwelijk, om hier op aarde reeds, en

-ocr page 381-

— 375 —

vooral hiernamaals gelukkig te kunnen zijn. Ten slotte ga ik u eene schoone geschiedenis verhalen.

SI,UITREDE.

Te Parijs woonde een jong geneesheer, die door een zijner vrienden bij eene aanzienlijke familie werd ingeleid De eenige dochter des huizes, een voorbeeld van maagdelijke ingetogenheid, beviel den jongeling; hij dong naar hare hand, en daar hij zoo wel door reinheid van zeden als door bekwaamheid uitmuntte, werd zijn verzoek weldra ingewilligd. Omtrent tien dagen voor het huwelijk kwam de jongeling bij de moeder zijner bruid, en verzocht haar Emilia — zoo heette de dochter — alleen te mogen spreken. Dat is onmogelijk, galquot; do moeder vriendelijk ten antwoord. Het spijt mij zeer, hervatte de jongeling, van mij niet een oogenblik met haar te kunnen onderhouden; slechts drie of viermaal heb ik haar in gezelschap gezien, en nog nooit heb ik de gelegenheid gehad haar ongestoord mijne gevoelens mede te deelen en de hare te kennen. De moeder volhardde in hare weigering en wilde den jongeling niet alleen bij hare dochter toelaten. Toen de jongeling verzekerde dat hij hare dochter iets gewichtigs te zeggen had, antwoordde de moeder; dat is goed: ik zal haar roepen, en dan kunt gij haar in mijne tegenwoordigheid spreken; mijne dochter heeft nog nooit alleen met een man gesproken. Maar ik zal toch weldra haar echtgenoot zijn, zeide de jongeling; dan heb ik niet meer over mijne dochter te waken, antwoordde de moeder, doch tot daartoe moet ik jegens haar de plichten van eene christelijke en verstandige moeder vervullen. Daarop gaf de jongeling zijn inzicht te kennen. Ik wilde weten, sprak hij, of uwe dochter mijne liefde en achting voor den Heiligen Godsdienst deelt, en haar verzoeken van door een generale biecht zich in staat te stellen om behalve den huwelijken zegen de daarmede verbonden genaden te kunnen ontvangen. Bij het

-ocr page 382-

— 370 —

hooren dier woorden kon die bezorgde moeder hare tranen niet langer bedwingen: Ga, mijn zoon, zoo sprak zij, ga naar uwe bruid, en zeg liaar dat ik u mijn zoon noemde; ga, uwe edele gevoelens waarborgen mij het geluk mijner dochter en het uwe. Zij lieten nu acht dagen lang de H. Mis voor zich opdragen, \'t Was treffend te zien, IJ. B., hoe zij den dag van hun Huwelijk te zamen aan de H. Tafel zaten, vergezeld van hunne naaste bloedverwanten. Ziedaar een schoon voorbeeld van voorbereiding tot het Huwelijk. Volgt dien jongeling, die jonge dochter en die wijze en voorzichtige moeder na: eenmaal zult gij eene goede keus doen, het Huwelijk waardig ontvangen, en de zegen van God zal lot uw tijdelijk en eeuwig welzijn ruimschoots op u nederdalen. Amen.

-ocr page 383-

ZES - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE OORZAKEN VAN EEN SLECHT HUWELIJK

Tradita fucmt — sara — septem viris, et dcemonium occiderat «os.

Sara was aan zoven mannon gogevon, en de duivel had hen gedood.

(Tob. ui, s.)

INHOUD.

VOORREDE.

In onze voorgaande onderrichting hebben wij gezien, welke de middelen zijn om een gelukkig huwelijk aan te gaan. Vandaag zullen wij zien, welke de oorzaken zijn van een ongelukkig huwelijk:

VERDEBLING.

I. Men bidt niet;

II. Men heeft slechte inzichten;

lil. Men is onvoorzichtig in de keus;

IV. Men raadpleegt zijne ouders niet;

V. De slechte verkeeringen.

-ocr page 384-

— 378 —

I.

Men bidt God niet, noch de allerheiligste Maagd Maria, noch den H. Joseph, noch zijnen Engelbewaarder, noch zijnen Patroon of zijne Patrones.

II.

Men gaat het huwelijk aan mot slechte inzichten.

III.\'

Men let soms meer, niet zelden uitsluitend, op geld en goed, in plaats van te letten op deugd en braafheid.

IV.

Men bewerkt en gaat het huwelijk aan zonder zijne ouders of oversten te raadplegen,

V.

De voornaamste reden van de ongelukkige huwelijken bestaat in de ontijdige en slechte verkeeringen,

SLUITREDE.

Wilt gij ooit een gelukkig huwelijk aangaan, of wilt gij dat uwe kinderen het aangaan, wacht u dan van de oorzaken van een slecht huwelijk, en vooral van de ontijdige en slechte verkeeringen,

-ocr page 385-

ZES EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE OORZAKEN V/VN EEN SLECHT HUWELIJK

Tradita fnerat — nam — septem viris, ct datmonium occiderat ens.

Sara was aan zoven mannen gogovon, en de duivel had hen gedood.

(Ton. m, 8.)

VOORREDE.

In onze voorgaande onderrichting, 11. B., hebben wij gezien wat er vereischt wordt tot een gelukkig huwelijk: men moet God bidden, een goed inzicht hebben, bijzonder acht geven of de persoon met welke men tot staat wil komen, deugdzaam is, zijne ouders of\' wijze lieden raadplegen, en eindelijk, de verkeering moet van korten duur en eerbaar zijn.

Na liet huwelijk besloten te hebben, moot men zoo spoedig mogelijk het Sacrament ontvangen en zich daartoe door eene goede generale biecht en waardige Communie voorbereiden. Aldegenen die zich op die wijze tot het huwelijk voorbereiden, zullen een gelukkig huwelijk aangaan. Ik zeg een gelukkig huwelijk. Daardoor echter beweer ik niet dat die personen altijd vrij zullen zijn van kruisen en wederwaardigheden. De huwelijke staat heeft zijne lasten en moeielijkheden; hij heeft zware lasten, talrijke en groote moeielijkheden. God komt wel eens brave en deugdzame echtgenooten met tegenspoed bezoeken; doch ziet, l!. B., de goede God, die niet zelden zijne getrouwste dienaren op de proef stelt, zal dergelijke echtgenooten bijstaan om de kruisen en wederwaardigheden, de lasten en moeielijkheden met overgeving aan den wil van God te ontvangen en met geduld te dragen, en zoo zullen zij zich veel

-ocr page 386-

verdiensten voor den hemel vergaderen. Doch zoo is liet niet gesteld met hen, die den huwelijken staat slecht aangaan; zij zullen ongelukkig zijn tijdens hun leven, en doorgaans maken zij zich nog ongelukkig voor do eeuwigheid. Doch welke zijn de oorzaken van een slecht huwelijk? Ziehier die oorzaken:

I. Men bidt niet;

II. Men heeft slechte inzichten;

III. Men is onvoorzichtig in de keus;

IV. Men raadpleegt zijne ouders niet;

V. De slechte verkeeringen.

I.

Het huwelijk, B. 15., is bij velen ongelukkig, wijl er niet gebeden wordt. Velen nemen hunne toevlucht niet tot God, tot de allerheiligste Maagd Maria, den II. Joseph; zij bidden hunnen Engelbewaarder, hunnen Patroon of hunne Patrones niet.

God, gelijk ik laatstleden zeide, heeft eenieder voor eenen staat bestemd; men moet God vurig bidden om te weten voor welken staat men bestemd is: doch ziet, velen denken daar niet eens aan; zij bidden niet, noch om hunnen staat te kennen, noch om de persoon te kennen met welke zij tot staat moesten komen. Is God nu verplicht hen te verlichten om eene goede keus te doen? Volstrekt niet, en zoo zij in de keus van staat of persoon missen, is God dan verplicht hun de genaden te geven die zij zoo zeer noodig hebben, om de plichten van hunnen staat te vervullen, om er de lasten van te dragen? Evenmin. Blindelings besluiten zij zonder aan de plichten of lasten van den staat te denken; blindelings trouwen zij; blindelings ook storten zij zich in het ongeluk. Vele huwelijken zijn dus ongelukkig wijl er niet gebeden wordt.

-ocr page 387-

II.

Het Huwelijk is bij velen ongelukkig, wijl het met slechte en schandelijke inzichten wordt aangegaan. Van die waarheid zien wij een treffend voorbeeld in de II. Schrift. Sara, de godvreezende dochter van Raguel, had zeven echtgenooten gehad, die allen den eersten nacht na hun huwelijk door den duivel Asmodeus gedood werden. Doch waarom werden zij (looiden duivel gedood? De Engel Raphael verklaarde het den jongen Tobias. Raphael zeide hem dat hij Sara tot huisvrouw moest nemen; Tobias was bevreesd, denkende aan het groot ongeluk dat de andere echtgenooten overkomen was. De Engel Raphael stelde hem gerust en zeide: Luister naar mij; ik zal u zeggen op wie de duivel macht heeft, op hen die het huwelijk zoo aangaan, dat zij God buiten hun hart en hunne zinnen stellen; die zich alleen bezig houden met hunne dartelheid, evenals een paard en muilezel die geen verstand hebben. Tobias daarentegen had een zuiver en (iode aangenaam inzicht; hij trouwde Sara in de vrees des Heeren, en God zegende hem in al zijne ondernemingen; hij stierf een zaligen dood in den gezegenden ouderdom van negen en negentig jaren.

Er worden hedendaags nog huwelijken aangegaan met slechte en schandelijke inzichten. God nu laat niet altijd toe dat de duivel Asmodeus hen terstond om \'t leven brengt; doch dergelijke personen worden in hun leven dikwijls gestraft, zoo niet met een schielijken dood, dan toch met verscheidene andere ongelukken. Spaart God hen in dit leven. Hij zal ze later wel vinden, zoo zij zich niet bekeeren en boetvaardigheid doen: uitgesteld is niet kwijtgescholden, zegt het spreekwoord.

III.

Het huwelijk is bij velen ongelukkig, wijl men dikwijls meer, soms uitsluitend let op geld en goed. Men ziet maar of die

-ocr page 388-

— 382 —

jongeling, of die jonge dochter rijk is; niet of hij of zij deugdzaam en braaf is. En wat meer te beklagen is; de ouders, die toch meer verstand behoorden te hebben dan jonge personen, zij zijn niet zelden van dezelfde gedachte: willen zij eenen zoon of eene dochter uithuwelijken, hunne eerste gedachte is en zij vragen: Maar hoe groot zal de bruidschat wel zijn? Hoeveel zal hij, zal zij wel medebrengen? Zij denken of vragen niet: Is die jongeling braaf en deugdzaam? Onderhoudt hij goed zijne christelijke plichten? Nadert hij dikwijls tot do H. Sacramenten? Is hij vlijtig en oppassend? Zal mijne dochter wezenlijk gelukkig met hem zijn, en zullen zij te zamen goed door de wereld kunnen komen? Neen, dat wordt niet gevraagd, maar: Heeft hij wat goed? Is het rijk? enz. Ongelukkige jongeling! Ongelukkige jonge dochter! Ongelukkige, plichtvergetene ouders, die zoo te werk gaat! Denkt gij dan dat geld en goed alleen uwe kinderen en u gelukkig kunnen maken? De H. Joannes Chrysostomus was van een geheel ander gevoelen. Ziehier hoe hij zich uitdrukt: Als gij eene bruid zoekt, zegt hij. vraagt eerst of zij braaf en godsdienstig is; is zij dat, dan zal het overige wel volgen: is zij het niet, dan deugt zij niet, al bezat zij tijdelijk goed en schoonheid in overvloed. Hetzelfde, B. B., kan van den bruidegom gezegd worden. Die om geld of schoonheid trouwt, wordt vroeg of laat ongelukkig:\' Geld kwelt, zegt het spreekwoord, en schoonheid smelt. En waar zult gij liefde, vrede en eendracht gaan zoeken, als geld en schoonheid verdwenen zijn? Dan komt binnen oneenigheid, twist en tweedracht, en niet zelden vecht-en kloppartij.

IV.

Het huwelijk is bij velen ongelukkig, wijl het bewerkt en aangegaan wordt zonder de ouders of oversten te raadplegen. Hoeveel voorzichtigheid wordt er niet vereischt, hoeveel oplettendheid is er niet van noode om eene goede keus te doen? En die jonge personen zijn beiden zonder ondervinding, zij zyn

-ocr page 389-

— 383 —

lichtzinnig, zij denken niet aan de gevolgen, tenzij als het to laat is. Wat zegt het spreekwoord? Eerst gedaan en dan gedacht heeft er veel in \'t leed gebracht. Men moet eerst denken en herdenken, ouders en oversten raadplegen, en vervolgens handelen. Eerst gedacht en dan gedaan is op de baan der wijzen gaan, zegt een ander spreekwoord. Doch ziet, jonge personen stellen zicli alles licht en schoon voor; zij doen elkander mooie beloften, beschouwen alles van de schoone zijde, meenen dat alles wat er blinkt goud is. Zonder te raadplegen of wijzen raad te volgen, gaan zij met dezen of genen persoon, die volstrekt niet gelijkt, het huwelijk aan; en ziet, een weinig daarna gaat alles van gedaante veranderen, de mooie beloften zijn uit, de luchtkasteelen vallen in, men is van allo kanten ongelukkig. Dan komt de gedachte; had ik maar raad gevraagd, had ik maar geluisterdte laat, B. B., en \'t is aan u dat gij uw ongeluk te wijten hebt, wijl gij uwe ouders of oversten niet geraadpleegd of hunnen wijzen raad niet gevolgd hebt, in een woord, wijl gij wijzer en verstandiger hebt willen zijn dan zij.

V.

De voornaamste oorzaak van een ongelukkig huwelijk is de ontijdige en slechte verkeering.

Niemand, B. B., mag eene verkeering aangaan tenzij met een goed inzicht en met het vooruitzicht van binnen kort tot staat te kunnen komen. De verkeering mag ook geen plaats hebben tenzij onder een goed toezicht, bijv., onder de oogen van vader of moeder of van zijne oversten. Eene verkeering. welke ook, zonder vermelde voorwaarden is slecht of zal weldra slecht worden, en leidt rechtstreeks tot een slecht huwelijk. Wat zeide eertijds Tobias? Wij zijn kinderen van Heiligen, sprak hij, tot zijne vrouw, en wij mogen niet verbonden worden gelijk heidenen die God niet kennen. Als kinderen van Heiligen

-ocr page 390-

— 884 — \\

moet men den tijd van verkeering- beschouwen als gegeven, om zich tot het ontvangen van het Huwelijk goed voor te bereiden door gebeden en andere goede werken. En hoe bereiden zich velen tot het Huwelijk voor? Door gebeden en andere goede werken? Neen, B. 1gt;., maar door eene aaneenschakeling van allerlei schandelijke zonden, door eene aaneenschakeling van heiligschendingen, die het gevolg zijn van eene ontijdige en slechte verkeering. Die jongeling en die jonge dochter zijn dikwijls genoeg vermaand geweest door hunnen biechtvader; hij heeft hun dikwijls genoeg gezegd dat zij later niet gelukkig zullen zijn, dat het op die wijze niet is, dat men zich tot het Huwelijk moet voorbereiden, maar wel door gebeden en zuivere zeden. Denkt gij dat zij naar de vermaningen van den biechtvader geluisterd hebben? Zij hebben hem laten vermanen, en zij hebben niet opgehouden hunne slechte wegen te bewandelen. Die aaneenschakeling van schandelijke zonden tegen de schoone deugd van zuiverheid, die aaneenschakeling van heiligschen-dingen sluit zich niet zelden door eene laatste heiligschendende biecht en communie, met het onwaardig ontvangen van het Sacrament des Huwelijks. En gij zijt verwonderd dat dergelijke personen ongelukkig zijn in hunnen huwelijken staat? Maar, B. B., ik zoude veeleer verwonderd zijn zoo zij gelukkig waren. Hoe toch kan God, dien zij zoolang uitgetart hebben om zich te wrekey, hen zegenen? Hoe toch kunnen zij staat maken op de genaden die zij zoo zeer noodig hebben? Wat toch, ik vraag het u, hebben zij verdiend — want God is ook rechtvaardig — den zegen of den vloek van God? zijne weldaden of zijne straffen? En ziet, B. B., tot zulken ongelukkigen slaat werken zekere ouders niet zelden mede; zij laten die ontijdige en slechte verkeeringen toe, ofwel zij bewaken hunne kinderen niet. Maar, zeggen die verblinde ouders — want zij willen zich in hunne misslagen nog rechtvaardigen — wij moeten toch zorgen dat onze kinderen tot staat komen, en hoe zullen zij er anders toe komen? Uwe kinderen moeten tot staat komen, gij hebt gelijk;

-ocr page 391-

— 385 —

doch tot welken staat wilt gij dat zij komen? Zeker tot een deftigen en gelukkigen staat. En moet gij daartoe dan te werk gaan, gelijk ik gezegd heb? Moet gij dan uwe kinderen en vooral uwe dochters die ontijdige verkeeringen toelaten? Moet gij hen dan in \'t wild laten loopen? Zullen zij dan deftig tot staat komen? Zij zullen u weldra tot schande en oneer verstrekken. Zullen zij dan tot een gelukkigen staat komen? Neen, maar zij zullen ongelukkig en diep ongelukkig worden; en dan, gij, verblinde, onvoorzichtige en plichtvergetene ouders, gij zijt liet die uwe kinderen in het ongeluk gestort hebt. Bijaldien het zoo is, dan moeten er, denkt gij wellicht, veel ongelukkige huwelijken zijn. Inderdaad, B. B., zoo is het, er zijn veel ongelukkige huwelijken en meer dan gij meent, en die huwelijken zijn nog ongelukkiger dan gij meent, en de voornaamste reden er van is de ontijdige en slechte verkeering, waarin de ouders en oversten dikwijls medegewerkt hebben. De predikant en biechtvader moeten onderrichten en vermanen; bijaldien men naar hunne onderrichtingen en vermaningen niet wil luisteren, toch hebben zij hun plicht gedaan: intusschen zullen zij voor de ongelukkigen bidden, die weldra de droevige gevolgen van hunne misslagen zullen ondervinden.

SLUITRKDE.

liet eenige middel, B. B., dat er overblijft voor hen die zich slecht tot den huwelijken staat voorbereid en hem slecht aangevangen hebben, is, van zich oprecht te bekeeren, de kwellingen, wederwaardigheden en ongelukken, die hun overkomen met overgeving aan den wil van God te ontvangen, met geduld te verdragen en alles aan God op te offeren tot uitboeting van de zonden, waaraan zij zich vroeger schuldig gemaakt hebben. Gelukkig nog de echtgenooten, die bijtijds hunne oogen openen, die denken en er zich van overtuigen, dat God hen treft en kastijdt tot hun welzijn, namelijk, om hen tot inkeer te doen

Ghi.oofs - bn Zbdknlkur, 4tle Duur.. 25.

-ocr page 392-

— 386 —

komen, en die aan Gods inzichten beantwoorden. Doch, helaas! hoevelen treft men er niet aan, die hunne oogen niet openen, die zich al dieper en dieper in liet ongeluk storten. O hoezeer moet de duivel zich wel verheugen in die ongelukkige huisgezinnen, hij heeft ze voorbereid, thans bestuurt hij ze. Met een helschen grimlach op de lippen ziet hij de oneenigheden, hoort hij de verwijtingen van man en vrouw, de vloeken en godslasteringen. Met genoegen ziet hij de wederspannigheid der kinderen, wat zeg ik, de wederspannigheid? ja zelfs de mishandelingen welke de kinderen hunne ouders aandoen. In die huisgezinnen is de duivel t\'huis; hij zetelt er in als op een troon. Neen, Asmodeus verlangt niet van hen reeds in den beginne om te brengen, hij zal er meer bij winnen door hen reeds in dit leven te folteren, door ook hunne kinderen te bederven, die, zij ook, op hunne beurt hem slachtoffers zullen brengen. Ja, hij verlustigt zich in die hel hier op aarde, want daarmede kan men best een slecht huisgezin vergelijken, hel, die waarschijnlijk in eene andere hel zal veranderen, en waarin die ongelukkigen voor eeuwig zullen gefolterd worden. Wilt gij die dubbele hel ontvluchten, wacht u dan voor de oorzaken van een slecht huwelijk, waarover wij gesproken hebben, en wacht u vooral voor de ontijdige en slechte verkeering. Amen.

-ocr page 393-

ZEVEN - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE SACRAMENTALIËN

Acccptis quinquc panibus et dmbus piscihus benedixit illis,

Jesus zegende do vijf brooden en de twee vissohen. (Luo. ix, io.)

INHOUD.

VOORREDE.

Alvorens met do onderrichtingen over de Sacramenten te eindigen, moeten wij nog spreken over de Sacramentaliën. Door Sacramentaliën worden onder anderen verstaan zekere door de Kerk gewijde voorwerpen, als water, brood, enz. Alhoewel de Sacramentaliën goede en krachtige middelen zijn ter zaligheid, nochtans, zij verschillen veel van de H. Sacramenten.

VBRDEEUNG.

I. Waarom wijdt de H. Kerk verschillende voorwerpen?

II. Hoe moeten wij ons van de Sacramentaliën bedienen?

-ocr page 394-

I

De H. Kerk wijdt verschillende voorwerpen:

1° Om die den godsdienst toe te wijden;

2° Om ze aan het profaan gebruik te onttrekken;

3° Opdat wij er eerbied voor zouden hebben en zij ons nuttig zouden zijn.

De uitwerksels der Sacramentaliën zijn talrijk:

1° Daardoor bekomt men vele genaden;

2° Kwijtschelding der dagelijksche zonden;

3° Verlossing van den duivel;

4° Tijdelijke voordeelen zooals, bijv., do genezing van do een of andere ziekte, enz.

II.

Men moet zich van de Sacramentaliën bedienen mot eerbied, godvruchtigheid en betrouwen. Men moet zich wachten van een al te groot en van een al te klein betrouwen; bijgevolg mag men tijdens ziekten de natuurlijke middelen niet verwaarloozen, en men moet zich op de gewijde voorwerpen alleen niet verlaten. Men moet zich ook wachten van ooit met gewijde voorwerpen te lachen of te spotten.

SLUITREDE.

Men moet zich van wijwater bedienen \'s morgens en \'s avonds, bij het in - en uitgaan der Kerk, in de gevaren, doch vooral in de bekoringen, om onder de aanvallen van de vijanden onzer zaligheid niet te bezwijken.

-ocr page 395-

— 389 —

ZEVEN - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE SACRAMENTALIËN

Acceptis quinque panibus et duobus piscibus he.mdixit illis.

Jesus zegende do vijf brooden en de twee visschen. (Luc. ix, ic.)

VOORREDE.

Alvorens onze onderrichtingen over de H. Sacramenten te sluiten, moeten wij nog spreken, 13. 15., over de Sacramentaliën.

Ikiur Sacramentaliën verstaat men doorgaans alles wat de H. Kerk tot godsdienstig en vroom gebruik voor de geloovigen wijdt, als zijn: water, olie, zout, brood en dergelijke; ook nog de bezweringen en zegeningen der II. Kerk.

Die voorwerpen worden Sacramentaliën genoemd, wijl zij, alhoewel wezenlijk van de H. Sacramenten onderscheiden, er toch eenige betrekking mede hebben. Zij zijn van de H. Sacramenten onderscheiden als blijkt uit de volgende opmerkingen:

1° De II. Sacramenten ziju van Christus onzen Zaligmaker ingesteld; de Sacramentaliën van do II. Kerk;

God heeft aan de II. Sacramenten de kracht gegeven om onfeilbaar te werken, mits wij van onzen kant geen beletsel stellen; de Sacramentaliën werken krachtens het gebed en de zegening der H. Kerk, en alhoewel wij er met betrouwen de uitwerksels van mogen verwachten, zij zijn nooit onfeilbaar;

3° De H. Sacramenten werken onmiddellijk de inwendige heiligheid van den mensch uit; het H. Doopsel, bijv., zuivert den mensch van de erfzonde; de Sacramentaliën dragen daartoe alleen bij; zoo verkrijgt de mensch daardoor, bijv., de genade

-ocr page 396-

— 390 —

van boetvaardigheid te doen over zijne zonden en zich te bekee-ren: zij bewaren ons ook voor rampen en ongelukken als brand, hagel, enz.;

4° De H. Sacramenten zijn noodzakelijk en door God voorgeschreven; de Sacramentaliën zijn enkel als nuttig en heilzaam door de II. Kerk aanbevolen. Ziedaar waarin de H. Sacramenten van de Sacramentaliën verschillen. Zien wij nu:

I. Waarom de H. Kerk verschillende voorwerpen wijdt;

II. Hoe wij ons van de Sacramentaliën moeten bedienen.

1.

Do H, Kerk, 15. B., wijdt vooreerst verschillende voorwerpen die tot den godsdienst behooren, als zijn: kerken, altaren, patenen, kelken, klokken, kleederen, enz. Zij wijdt die voorwerpen om ze te heiligen, den godsdienst toe te wijden en alzoo aan het profaan gebruik te onttrekken.

De H. Kerk wijdt die voorwerpen ook, opdat wij er eerbied voor zouden hebben, en opdat zij voor ons nuttig en heilzaam zouden zijn.

Reeds in de Oude Wet had God aan Moyses bevolen zekere voorwerpen to wijden; hoeveel te meer moeten dan de voorwerpen in de Nieuwe Wet, die voor den godsdienst bestemd zijn, gewijd worden? Dit betaamt des to meer, wijl de godsdienst der Nieuwe Wet en vooral het middenpunt er van, d. i., het H. Sacrificie dor Mis, ver boven den godsdienst cn de offers der Oude Wet verheven is. Daarom wil de li. Kerk dat die voorwerpen gewijd zijn, bijzonder, die met het H. Sacrificie dei-Mis in aanraking komen.

De H. Kerk wijdt ook voorwerpen, waarvan wij een godsdienstig gebruik moeten maken, als zijn: rozenkransen, medailjes,

-ocr page 397-

— 391 —

kruisbeelden, enz.: ook brood, vruchten, wuter, enz. Daarin \\olgt •/,]] Jesus-Christus na, die in de woestijn het brood en de visschen zegende.

De H. Kerk zegent die zaken tot ons welzijn. Alles wat God geschapen heeft, is wel is waar goed, want Hij heeft alles geschapen tot glorie van zijnen naam en tot ons welzijn; doch het gebeurt, helaas! maar al te dikwijls dat de mensch ei-misbruik van maakt, bijzonder van spijs en drank, door onmatigheid en dronkenschap. De H. Kerk nu zegent die gaven des Scheppers, opdat de mensch er een goed gebruik van zoude maken, tot welzijn van ziel en lichaam.

De H. Kerk wijdt vermelde en meer andere voorwerpen, opdat, ovenals de vloek door de zonde van Adam zich over alle schepselen dor aarde uitstrekte, nu Gods zegen zich over alle schepselen zoude uitstrekken.

De H. Kerk bidt doorgaans, als zij het een of ander wijdt, om te bekomen afwending der strafifen, bescherming tegen den boozen vijand, vrede, geluk en welvaart naar ziel en lit hamn. De uitwerksels der Sacramentaliën, krachtens het gebed door de H. Kerk er over uitgesproken, zijn talrijk. Ziehier de- voornaamste:

1° Genaden om inwendig in het verstand verlicht en in den wil ten goede aangezet te worden;

2quot; Vergiffenis van de dagelijksche zonden krachtens de gevoelens van leedwezen en liefde door de Sacramentaliën in ons teweeg gebracht;

3quot; Verlossing van den duivel en vernietiging van zijnen invloed op den mensch of op de dingen die voor hem geschapen zijn,

4° Tijdelijke voordeden als gezondheid, bescherming tijdens de gevaren, bijv., tegen onweder, enz.; bevrijding van ziekten en ongelukken, die God ons soms tot straf onzer zonden overzendt.

Aan het gebruik van veel gewijde voorwerpen zijn aflaten verbonden, als gewijde rozenkransen, kruisen, medailjes, enz.

-ocr page 398-

— 392 —

Men moet zich volstrekt niet verwonderen over de wondere uitwerksels dooi- het gebruik der Sacramentaliën bekomen. Welke wonderen deed Moyses niet met den staf, dien hij in de hand hield? Daarmede scheidde hij de waters der roode zee en deed er de Israëlieten droogvoets doorgaan; daarmede deed hij in de woestijn water uit de rots springen om do dorstende Israëlieten te laven. En waarom zoude God door middel van gewijd brood, olie, water, vruchten, enz., den menscli zijne genaden en weldaden niet kunnen mededeelen? De arm Gods is voorzeker niet verkort, d. w. z., hetgeen God vroeger gekunnen heeft, kan Hij nog, wijl Hij even almachtig is. Doch zien wij op de tweede plaats, hoe wij ons van de Sacramentaliën moeten bedienen om er de heilzame uitwerksels van deelachtig te worden.

11.

Men moet er zich van bedienen, B. li., met eerbied, godvruchtigheid en betrouwen, zonder dat zal men er weinig 01\' geen voordeel uittrekken.

Bij het gebruik van gewijde voorwerpen moet men zich vooral voor twee zaken wachten; vooreerst, voor een te groot en ongepast betrouwen; vervolgens, voor een te klein betrouwen.

Men heeft een te groot en ongepast betrouwen, als men er een uitwerksel van verwacht dat de H. Kerk er volstrekt niet aan gehecht heeft, en waarom zij bij de wijding zelfs niet eens bidt; bijv., iemand zoude eene gewijde medailje of iets dergelijks dragen om gelukkig te zijn in het spel; daartoe wijdt de H. Kerk geene medailjes. Een ander zoude eene gewijde medailje van onze lieve Vrouw of een gewijd kruis dragen, denkende dat hij daarom een zaligen dood zal sterven, alhoewel hij voortgaat met zondigen en niet eens denkt van zich te bekeeren en boetvaardigheid te doen.

Men heeft een te groot en ongepast betrouwen, als men denkt dat het uitwerksel, dat de H. Kerk er wel is waar aangehecht

-ocr page 399-

heeft, en waarom zij bidt, altoos en noodzakelijk moet volgen. Zoo denkt en leert de H. Kerk niet. Zij hoopt en verwacht verhoord te worden, in zoo ver het strekt tot glorie van God en tot welzijn der menschen, die van de Sacramentaliën gebruik maken.

Men heeft een te groot cn ongepast betrouwen, als men meent dat het gebruik alleen van de Sacramentaliën of gewijde voorwerpen genoeg is, en dat men geene andere middelen behoeft te gebruiken; bijv., een zieke zoude zich bepalen met wat gewijd brood of water te gebruiken, eene gewijde medailje te dragen, enz., cn hij zoude verwaarloozen den geneesheer te raadplegen en diens voorschriften te volgen. Men treft soms menschen aan, die in dit punt misdoen. De H. Kerk, B. B., sluit volstrekt de natuurlijke middelen niet uit; zij wil met de Sacramentaliën en gewijde voorwerpen alleen medewerken, daar, waar de natuurlijke middelen niet voldoende zijn.

Men vindt ook menschen die te klein betrouwen hebben. Men heeft te klein of zelfs geen betrouwen, als men beweert dat de Sacramentaliën geene bovennatuurlijke kracht bezitten; daarom maakt men er voor zich geen gebruik van; ja wat meer is, men treft personen aan, die anderen, welke gewijde voorwerpen gebruiken, uitlachen en voor den zot houden, die hen zelfs van bijgeloovigheid durven beschuldigen. Dergelijke personen zijn zeer te beklagen: zij geven vooreerst te kennen, dat zij weinig of niet onderwezen zijn in den godsdienst; daarenboven, zij beroo-ven zich van vele genaden en weldaden, waaraan zij door een goed gebruik der Sacramentaliën konden deelachtig worden, en zij zondigen ook nog door de brave Christenen uit te lachen en den spot te drijven met gewijde voorwerpen.

Men heeft te klein of geen betrouwen; als men de Sacramentaliën gebruikt met eene zekere onverschilligheid, denkende, bijv., zoo het niet baat, het schaadt ook niet.

-ocr page 400-

— 394

Bat dergelijke personen niet veel van de Sacramentaliën te verwachten hebben, is duidelijk. Om er dus een goed gebruik van te maken moet men de gewijde voorwerpen in den zin der H. Kerk verstaan, en er zich in den geest der II. Kerk van bedienen: alsdan, B. B., zal men zich ook niet schamen van, bijv., wijwater te gebruiken, eene gewijde medailje te dragen, enz.

SLUITREDE.

Wat het wijwater betreft, B. B., het gebruik er van is zeer oud. Men vindt zelfs schrijvers die beweren, dat het dagteekent van den tijd der Apostelen.

Van het overoud gebruik der geloovigen van wijwater naar huis te nemen en te bewaren, spreekt de H. Gregorius, als bij zegt: Daar op dezen dag — dag van het Doopsel van Christus — het water geheiligd is geworden, scheppen allen uit de gewijde bron, dragen het water naar huis en bewaren het gedurende het jaar: daarbij ontwaart men, hetgeen wonder is — \'t zijn nog altoos de woorden van den H. Gregorius — dat dit water op den duur niet bederft, maar twee of drie jaren zoo frisch en onbedorven blijft, als ware het eerst vandaag geschept.

Daarom is het een oud, schoon en loffelijk gebruik bij het in-en uitgaan der kerk wijwater te nemen. Niet minder loffelijk is het, wijwater naar huis te nemen, en \'s morgens als men opstaat, en \'s avonds als men slapen gaat, zich daarmede te zegenen. Ook is het goed wijwater te gebruiken in de bekoringen, natuurlijk, als men door niemand gezien wordt; zich zeiven, zijn huis met wijwater besproeien, als er onweder ontstaat. De H. Theresia getuigt dat het wijwater eene bijzondere kracht heeft om de bekoringen van den duivel te verijdelen en den vijand onzer zaligheid te overwinnen. Doch merken wij wel op, B. B., willen wij dat het wijwater ons inderdaad nuttig en heilzaam zij, dan moeten wij het niet voor een te meer, maar met aandacht en betrouwen, met geloof en in den geest van

-ocr page 401-

boetvaardigheid gebruiken, en daarbij God bidden dat Hij ons door het bloed van Jesus-Christus meer en meer zuivere en tegen allo gevaren naar ziel en lichaam beware. Door het godvruchtig gebruik van wijwater mogen wij met betrouwen verwachten, dat onze ziel door het bloed van Jesus-Christus gezuiverd worde, en dat wij tegen alle gevaren, vooral naar de ziel, bewaard worden. Daaraan doet ons liet water zelf herinneren, wiens eigenschap is te zuiveren; ook het kruis, dat wij doorgaans met het wijwater maken, kruis, waarlangs liet bloed van den God-mensch gestroomd heeft, en waarin wij als in een bad gezuiverd zijn. Bedienen wij ons dus dikwijls gelijk vrome Christenen doen, van wijwater, maar met eerbiedigheid, godvruchtigheid en betrouwen op de verdiensten van Christus \'s morgens en \'s avonds, bij het in - en uitgaan der kerk, in de gevaren naar ziel en lichaam, om beschermd en bewaard te mogen worden, in een woord, om de heilzame uitwerksels er van te mogen ondervinden. A men.

EINDE VAN HET VIERDE DEEL.

-ocr page 402-
-ocr page 403-

BLADWIJZER

Eerste Onderrichting.

Hladz.

Over de 11. Sacramenten in \'t algemeen . . 9

I. Wat is een Sacrament?......10

II. Hoeveel Sacramenten zijn en? . . . 12

III. Hoe worden zij verdeeld? . . . . 14

Tweede Onderrichting .

Over de II. Sacramenten in \'t algemeen . . 20

I. Over de uitwerksels der H. Sacramenten . . 21

II. Over de beletsels dier uitwerksels .... 24

III. Over de Ceremoniën der H. Sacramenten . . 25

Derde Onderrichting.

Over het 11. Doopsel......30

I. Wat is het Doopsel?......30

II. Wien staat het toe te doopen? .... 34

III, Hoe moet men doopen? ...... 35

Vierde Onderrichting.

Over de uitwerksels des II. Doopsels . . . 41

I. Welke zijn de uitwerksels des Doopsels? . . 41

II. Waarom blijven zekere droevige gevolgen na het

Doopsel?........40

-ocr page 404-

— 398 —

Vijfde Onderrichting.

Bladz.

Over de Ceremoniën des II. Doopsels ... 51

I. Welke zijn de ceremoniën des Doopsels? . 51

II. Wat zijn doopbeloften? ...... 57

Zesde Onderrichting.

Over Peter en Meter......64

I. Wat zijn doopborgen? . . . ... . (54 II. Kan het H. Sacrament des Doopsels vervangen

worden? ........ 67

Zevende Onderrichting.

Over het II. Vormsel......74

I. Wat is het Vormsel?......74

II. Welke zijn de uitwerksels van het Vormsel? . . 77

Achtste Onderrichting.

Over het II. Vormsel......84

I. Wat wordt er vereischt om de uitwerksels van het

Vormsel te bekomen? ..... 84

II. De ceremoniën van het Vormsel .... 87

III. Deszelfs noodzakelijkheid ...... 90

Negende Onderrichting.

Over het allerheiligste Sacrament des Altaars . 95

I. Verschillende namen van dit H. Sacrament . . 96

II. Wat is het H. Sacrament des Altaars? ... 97

III. Wanneer en hoe heeft Jesus het ingesteld? . . 100

Tiende Onderrichting.

Over de macht van te consacreeren . . . 100

I. Christus heeft zich aan zijne Apostelen gegeven . 100 II. Christus heeft zijne Apostelen liet bevel en de macht

gegeven van te consacreeren , . . . 110

-ocr page 405-

— 399 —

Elfde Onderrichting.

Over de tegenwoordigheid van Jesus in het H. Sacrament des Altaars ....

I. Hoe lang blijft Josus tegenwoordig in liet Heilig Sacrament? .......

II. Is Hij geheel tegenwoordig onder de gedaanten, én van brood, én van wijn? ..... III. Kan Jesus evenals de gedaanten verdeeld worden? .

«•r

Twaalfde Onderrichting.

Over de eer aan het II. Sacrament verschuldigd 12() Wij moeten liet H. Sacrament aanbidden:

1. Als wij komen in eene kerk of kapel waar het

H. Sacrament rust . . . . . . 127 II. Als wij Mis hooren. . . , . . . 128

III. Als wij tot de H. Communie naderen . . . 129

IV. Als het H. Sacrament ter aanbidding wordt uitge

steld, enz. ....... 129

Dertiende Onderrichting.

Over de II. Communie ...... 130

Wat wordt er vereischt:

I. Van den kant der ziel? ..... 137

Blad*.

115

115

11(3 119

II. Van don kant des lichaams? ..... 110

117

147 150 153

Veertiende Onderrichting.

Over de II. Communie . Hoe moet men zieli gedragen: I. Voor de H. Communie? . II. Tijdens de H. Communie? IH. Na de H. Communie?

-ocr page 406-

— 400 —

Vijftiende Onderrichting .

Over de Vruchten der II. Communie .

I. Zij vereenigt ons met Christus. .... II. Zij vermeerdert do heiligmakende genade en geeft andere genaden .......

III. Zij vergeeft de dagelijksche zonden, versterkt tegen

de bekoring en geeft nieuwen ijver voor de d.eugd

IV. Zij verheerlijkt onze lichamen en bereidt ze tot eene

glorieuze verrijzenis . . . .

zestikni)e ondkrrichtinc4.

Over de heilig schendende Communie . . . 169

[ De afschuwelijkheid dier zonde . . . . 170

II. Hare gevolgen........172

Zeventiende Onderrichting.

Over de II. Mis.......17lt;»

I. Hoevelerlei is liet Sacrificie der Nieuwe Wet? . 180

II, Wat is do II. Mis? ......181

Hl. Welk verschil is er tusschen het bloedig on het

onbloedig Sacrificie? . . . . . . 180

Achttiende Onderrichting.

Over de II. Min.......192

I. Over het einde der H. Mis . . . . . 192

H. Over de vruchten der H. Mis.....190

Negentiende Onderrichting.

Over de Ceremoniën der II. Mis.... 202

I. Van het begin tot dat do Priester het altaar beklimt 203

H. Van de altaar beklimming tot de Offerande . . 204

Bladz.

159 lüO

160 161

163

HL Van de Offerande tot de Prefatie . . . 206

l

-ocr page 407-

- 101 —

Twintigste Onderrichting.

lït.AH/.

Over de Ceremoniën der 11. Mis . ■ 212

I, Van de l\'rcCaüc tot den l\'atcr noster . . quot;-12 11. Van den F\'ater noster tot de Comnnmu! . . . 216

III. Yan de Communie tot het einde der 11. Mis . 21/

Een - en - twintigste Onderrichting.

Over de Ideederen des Priesters .

I. Waarin bestaat di;1 kleeding? .

II. Waarom de verschillende klenreiW

Twee - en - twintigste Onderrichting.

Over de Biecht ......

1. Wat is de Hiechti . ....

II. Welke zijn de uitwerksels der Biecht?

1 huk - en - twintigste onderrichting.

Over hel Onderzoek van

I. Hoe moet men zijn gewetc

II. Waaraan moet men voora

doen?

Vier - en - twintk

Over het Berouw .

I. Wat is het berouw?

II. Hoedanig moet het zijn? .

III. 1 loevclerlei is hel berouw?

geweten . . . ■ ~1-\'

■n onderzoeken? . . 2t:gt;

l denken om het goed te

.....-115

iste Onderrichting .

202 253 25 I 258

-ocr page 408-

— 102 —

v i.j f - rn - twintigste oniierkiciiting.

Bladz.

Over het Voornemen ...... 205

Het voornemen moet zijn:

I. Algemeen 266

II. Vast. ......... 267

III. Krachtdadig........267

IV. Inwendig ......... 271

zes - en - twintigste onderrichting.

Over de belijdenis ....... 276

De belijdenis moet zijn;

1. Volledig 277

II. Oprecht ......... 281

III. Duidelijk ......... 283

Zeven - en - twintigste Onderrich ting.

Over de Generale Bizcht.....287

I. Wat is eene generale bieelit?.....280

II. Hoe moet men zich daartoe voorbereiden? , . 202

Acht - en - twintigste Onderrichting.

Over het geven en \'weigeren der Absolutie . . 207

1. Aan wie moet de biechtvader de absolutie geven? . 208

H. Aan wie moet hij ze weigeren? .... ;!00

Negen - en - twintigste Onderrichting.

Over hel H. Oliesel ...... 308

I. Wat is het H. Oliesel? ...... 300

H. Hoe wordt liet toegediend? . . . , . 310

Hl, Wat voordeel doet ons het H. Oliesel? . . 312

-ocr page 409-

— 403 —

1 )ertigstk Onderrichtjng.

Bl.vdz.

Over het 11. Oliesel.......:il8

I. Voordeel van het H. Oliesel voor het lichaam. . 318 II. Wie, hoe, wanneer en hoe dikwijls raag raen het

ontvangen? ....... 320

EEN - KN - DERTIGSTE ONDERRICHTING.

Over hel Priesterschap ...... .*08

1. Wat is het Priesterschap? ..... 328

II. Hoe komt men tot die waardigheid? . . i )t\' gt; I

Hl. Waarin bestaat de waardigheid van Bisschop? . 333

Twee - en - dertigste Onderrichting.

Over het Priesterschap......339

I. Wat de Priester voor de menschen doet. . . 339

II. Wat sommige menschen met den Priester doen . 312

Hi. Wie Priester kan en mag worden .... 311

Drie - en - dertigste Onderrichting.

Over het lluweiijk.......319

I. Wat is het Huwelijk?......319

II. Welke zijn do plichten der gehuwden? . . . 352

Vier - en - dertigste Onderrichting.

Over de Huwelijhsbeletsels.....359

1. Wat zijn Huwelijksbeletsels? ..... 359

H. Wat is de ondertrouw? ...... 364

309 370

Vijf - en - dertigste Onderrichting.

Over de voorbereiding lol het Huwelijk Welke zijn de middelen tol een gelukkig Huwelijk?

-ocr page 410-

zus - kn - dertigste 0nü kr richting.

Bi.adz.

Over de oorzaken van een slecht Huwelijk. . 379

Welke zijn de oorzaken van een slecht Huwelijk? . ;38Ü

Zeven ■ kn - dertigste Onuerrichting.

Over de Sacramentaliën ..... 389

1. Waarom wijdt de H. Kerk verschillende voorwerpen? 390

11, Hoe moeten wij ons van de Sacramentaliën bedienen? 392

ELM)K DHR TAFHH VAX HHT VIHRDE DHKI..

-ocr page 411-

ONDERRICHTINGEN IN DE GELOOFS - EN ZEDENLEER

NAAR DEN»

MECHELSCH EN CATECHISMUS VIJFDE DEEL OVER DE CHRISTELIJKE RECHTVAARDIGIIKII)

-ocr page 412-
-ocr page 413-

ONDERRICHTINGEN

IN DE

Geloofs-en Zedenleer

NAAR DEN

Mechelschen Catechismus in vijf deelen

DOOR

Ant. ROOVERS, Pastoor

VIJFDE DEEL

H A S S E L T WICHEL CEYSENS, DRUKKEE - UITGEVER

R O E R M O N D

IIENEI VAN DER MARCK. UITGEVER 1888

-ocr page 414-

1

■ ■

»

-ocr page 415-

ONDERRICHTINGEN

IN DE

Geloofs-en Zedenleer

NAAR DEN

Mee helse hen Cateehismus

VIJFDE DEEL

OVER DB

CHRISTELIJKE RECHTVAARDIGHEID

-ocr page 416-

-ocr page 417-

EERSTE ONDERRICHTING

OVER DE ZONDE

Quasi a facie colubri fugc peccatum.

Vlucht de zonde evenals voor eene slang.

(Ps. XXXVI, 27.)

INHOUD.

VOORREDE.

De II. Sacramenten zijn als zoo vee) kanalen, waardoor ons de genaden van God toevloeien, om de Christelijke Rechtvaardigheid te onderhonden. Er zijn twee deelen van de Christelijke Rechtvaardigheid: de zonde vluchten en de deugd oefenen.

VBRDEELING.

I. Wat is zonde?

II. Op hoevelerlei wijzen kan men zondigen?

III. Hoevelerlei is de zonde?

I.

Zonde is eene vrijwillige overtreding van de wet Gods. Tot zonde wordt vereischt:

1° Van den kant des verstands, kennis en voorbedachtheid. Men kan ook zondigen door schuldige onwetend - en onbedachtzaamheid ;

-ocr page 418-

2° Van den kant des wils, volle toestemming\'. Men kan zondigen door iets te willen, dat de oorzaak is van het kwaad, mits het eenigszins voorzien is. Eindelijk kan men zondigen tegen zijn geweten. Wat zijn angstvalligen, en hoe moeten zij zich gedragen?

II.

Men kan zondigen op tweederlei wijzen:

1° Door het kwaad te doen;

2° Door het goed te verwaarloozen.

Men kan zondigen door gedachte, vreugde, begeerte, woorden, werken en verzuirnenis.

III.

De zonde is tweederlei, erfzonde en dadelijke zonde. De erfzonde berooft ons van de rechtvaardigheid en maakt ons onbekwaam om in den hemel te komen. Wij hebben de erfzonde niet persoonlijk bedreven, maar wel de dadelijke zonde; vandaar dat dadelijke zonde is eene zonde, die door onze eigene daad geschiedt. De dadelijke zonde is ook tweederlei, doodzonde cn dagelijksche zonde. Men heeft nog hoofdzonden, zonden tegen den H. Geest, wraakroepende zonden en vreemde zonden.

SLUITREDE.

De zonde is het grootste, ja hot eenige kwaad, dat er is; daarom moeten wij ze met de uiterste zorg vluchten.

-ocr page 419-

EERSTE ONDERRICHTING

OVER DE ZONDE

Quasi a facie coluhri fugc pceoatum.

Vlucht de zonde ovenals voor eene slang\'.

(I\'s. XXXVI, 27.)

VOORREDE.

In het vierde deel van den Catechismus, B. 13., hebben wij breedvoerig gesproken over de zeven H. Sacramenten. De H. Sacramenten zijn als zoo veel kanalen, gelijk wij gezien hebben, waardoor ons Gods genaden toevloeien, om de Christelijke Rechtvaardigheid te onderhouden. Deze bestaat in het volbrengen van al wat een Christen mensch aan God, aan zich zeiven en aan zijn evenmensch schuldig is. Er zijn twee dooien van de Christelijke Rechtvaardigheid, te weten, het kwaad schuwen en het goed doen, of de zonde vluchten en de deugd oefenon. Over die twee deelen van de Christelijke Rechtvaardigheid gaan wij in de volgende onderrichtingen handelen. Wij zullen handelen; vooreerst, over de zonde, hare boosheid en hare straffen; vervolgens, over de deugd, de goode werken en hunne belooning. Zien wij vandaag:

I. Wat zonde is;

11. Op hoevelerlei wijzen men kan zondigen;

III. Hoevelerlei de zonde is.

I.

De Catechismus vraagt:

Wat is zonde? En hij antwoordt:

-ocr page 420-

— 10 —

Een woord, werk, begeerte of verzuimenis tegen de ivet en den wil Gods. In andere woorden: zonde is eene vrijwillige overtreding van de wet Gods.

Door de wet Gods moet hier verstaan worden do w il v.ui God, volgens dat Hij gebiedt of verbiedt, de wijze waarop, en den persoon door wien Hij gebiedt of verbiedt. Alzoo omvat de wet Gods de wet der natuur, de tien geboden op den berg Sinai gegeven, de vijf geboden der H. Kerk, de geboden van onze ouders en wettige oversten, zoo geestelijke als wereldlijke. Alwie dus een gebod door de wettige overheid gedragen overtreedt, zondigt tegen de wet Gods. Waarom?

Omdat God wil en gebiedt dat wij aan de wettige overheid gehoorzamen gelijk aan Hem zeiven.

Opdat de overtreding der wet Gods zonde zij, moet zij vrijwillig wezen, d. w. z., men moet wetens en willens de wet of den wil van God overtreden. Er wordt dus vereischt van den kant des verstands kennis en voorbedachtheid, en van den kant des wils, vrije toestemming.

Opdat de overtreding der wet zonde zij, wordt er op de eerste plaats vereischt, dat zij geschiede met kennis en voorbedachtheid, d. w. z., men moet weten of ten minste eenigszins inzien, dat hetgeen men doet, verboden of zonde is. Iemand, bijv., zoude op een vastendag vleesch eten, doch hij weet niet of denkt er niet aan, dat het een vastendag is; zondigt die persoon nu tegen de wet, die verbiedt op een vastendag \\ leesch te eten? Volstrekt niet. Waarom niet? Omdat hij niet wetens of met kennis en voorbedachtheid handelt. Iets anders zoude het zijn, B. B., zoo men zelf de schuld was, dat men de wet niet kende; bijv., iemand zoude vrijwillig of met opzet de wet niet willen kennen, ofschoon hij haar had moeten en kunnen kennen: in zulk geval is men eigenlijk geen onwetende, maar een verachter der wet. Insgelijks zoude men zondigen, zoo men zelf de schuld was van zijne onbedachtzaamheid; bijv., iemand

-ocr page 421-

— 11 —

gt;1

let vrijwillig niet op on Iaat zich door zijne driften verblinden en medeslepen; ofwel hij is door de gewoonte van zondigen onverschillig geworden voor het kwaad, en hij volgt zijne driften in, zonder zich te bekommeren of hetgeen hij doet geoorloofd of ongeoorloofd is: voorzeker, dergelijke personen zondigen door vrijwillige onwetend-en onbedachtzaamheid.

Opdat de overtreding der wet zonde zij. wordt er op de tweede plaats vereischt, dat zij geschiede met vrije toestemming. Zoo den mensch vrije keus gelaten wordt tussclien goed en kwaad, ingeval hij, na het kwaad gekend te hebben, hetzelve kiest, er in. toestemt, dan zondigt hij; doch zoo de mensch niet vrij is, kan hij ook niet zondigen. Zoo lezen wij in de geschiedenis, dat in het begin der H. Kerk do Christenen dooide vervolgers gedwongen werden wierook te branden voor do afgoden: men gaf hun wierook in de hand; do hand hield men boven het vuur, zoodat de Christenen door de pijn overmeesterd den wierook in het vuur lieten vallen; kan men nu zeggen dat zij afgodendienaars waren, dat zij zondigden? Volstrekt niet; zij waren niet vrij en stemden er niet in toe. Om dezelfde reden, li. B., zijn de eerste bewegingen van ongeduld, van toorn of gramschap, die bij groote beleedigingen eensklaps opkomen, geene zonden, omdat zij onvrijwillig zijn. Eveneens zijn slechte gedachten, inbeeldingen, zelfs gevoelens geene zonden, mits zij ontstaan en bestaan zonder dat men er in toestemt, doch, in dergelijk geval moet men zich beijveren van die eerste bewegingen zoo spoedig mogelijk te onderdrukken en die gedachten, enz., te verwijderen. Tot zonde wordt dus vereischt: vooreerst, kennis en voorbedachtigheid; vervolgens, vrije toestemming in het kwaad.

Nochtans, om te zondigen, B. B., is het jnis\'t niet noodig dat men het kwaad als kwaad, of dit of dat kwaad wille of beooge; men kan ook zondigen door iets te willen dat de oorzaak is van het kwaad, waaruit het kwaad voortkomt, mits

i ■\'fquot;1

i Ml

li

n

I

ï

■■■,

w

:,frs

\'ii

■Al

- ÜÉ

-ocr page 422-

het eenigszins voorzien is. Dit geldt bijzonder de personen, die uit vrijwillige drift of gewoonte zondigen. Iemand, bijv., is verslaafd aan den drank; hij weet dat hij dronken zijnde dikwijls vloekt; de drank is dus de oorzaak van zijn vloeken: bijgevolg, zoo lang hij den drank wil, wil hij ook het vloeken, en hij zondigt dus niet alleen door dronkenschap, maar ook door vloeken. En men zegge niet: ill kon er niets aandoen; de drift was mij meester, de gewoonte was te sterk. Waarom hebt gij het zoo ver laten komen? Wie is er de schuld van? Waarom doet gij uw best niet om die drift te beteugelen? Waarom wendt gij do middelen niet aan om die slechte gewoonte af te leggen? Zoo lang gij zulks niet doet is uwe drift vri,)willig, is u\\ye gewoonte vrijwillig\', is de overtreding-der wet die gij voorziet, ook vrijwillig en bijgevolg zonde. Ziedaar, B. B., wat er vereischt wordt tot zonde.

Hier zoude men de vraag kunnen stellen, of men ook zondigen kan door iets te doen, dat inderdaad niet tegen de wet Gods is. Ja, B. B , zoo men vrijwillig iets doet, dat men meent tegen de wet Gods of zonde te zijn, en dat noemt men zondigen tegen zijn geweten, d. i., tegen het oordeel van zijn verstand, dat ons getuigt wat in dit of dat geval goed of kwaad is. Zoo zoude, bijv., iemand zondigen door vieesch te eten op een Donderdag, waarop het niet verboden is, indien hij meent dat het een Vrijdag is, waarop hij weet dat het verboden is; de reden is, omdat hij den wil heeft van te zondigen. Alwat men meent zonde te zijn, mag men niet doen. Vandaar dat de Apostel Paulus zegt: O nine aulern quod non est ex fide peccalum est: (i) alles wat niet uit overtuiging geschiedt, is zonde. Wanneer men nu twijfelt of iets zonde is, moet men alvorens te handelen zijnen twijfel afleggen, door, bijv., zijnen biechtvader, zielbestuurder of een ander verstandig mensch te raadplegen. Men vindt personen die schier in alles zonde zien.

,1 Hom. XIV, 2^.

-ocr page 423-

in de onverschilligste zaken en zonder de minste reden. Dergelijke personen worden angstvalligen genoemd. Hoe moeten die personen zich gedragen? Zij moeten zich ootmoedig aan hunnen biechtvader of zielhestuurder onderwerpen en hem blindelings gehoorzamen, willen zij zich niet veel kwellen en eindelijk hun verstand verliezen of zot worden. Zij moeten dus wel weten, dat de biechtvader en zielbestmirder veel meer verstand hebben om te beslissen wat geoorloofd en wat niet geoorloofd is, dan zij. Zien wij nu op de tweede plaats op hoevelerlei wijzen \'men kan zondigen.

II.

Men kan zondigen op tweederlei wijzen: vooreest, door het kwaad dat verboden is, te doeii, en die zonde noemt men zonde van bedrijf; vervolgens, door het goed dat geboden is, te verwaarloozen, en die zonde noemt men zonde van verzuim.

Men kan zondigen door gedachte, vreugde, begeerte, woorden, werken en verzuimenis.

Men zondigt door gedachte, als men zonder reden en vrijwillig gelegenheid geeft tot slechte gedachten. Ik zeg zonder reden: ambtshalve immers mag men soms aan iets dat kwaad is, denken; vrijwillig, want zoo men onvrijwillig aan iets dat kwaad is, denkt, zonder er behagen in (e scheppen, dan zondigt men niet. Men zondigt door gedachte, als men wetens en willens behagen schept in het kwaad, waaraan men denkt. Eindelijk zondigt men door gedachte, als men zich zonder reden met slechte gedachten bezig houdt en ze niet tracht te verdrijven, zoodra men ze bemerkt, \'t komt er niet op aan of die gedachten vrijwillig of onvrijwillig ontstaan zijn. Bijaldien men dus liever zoude hebben dat men dergelijke gedachten niet had, al komen zij ook vermakelijk voor, en men tracht ze te verwerpen, door, bijv., het teeken des H. Kruises te maken, door de namen van Jesus, Maria en Joseph aan te roepen, of

-ocr page 424-

door aan iets anders te denken, \'t is een bewijs dat men er geen behagen in schept, en bijgevolg zijn die gedachten ook geene zonden. Door gedachten kan men zelfs doodelijk zondigen, want de H. Schrift zegt: Verkeerde gedachten scheiden van God.

Men zondigt door vreugde, als men zich verheugt over het kwaad dat men vroeger gedaan heeft; en dat zulks zonde is, laat zich gemakkelijk verstaan. Iemand, bijv., heeft zijn even-mensch bestolen, hij denkt aan den diefstal en verheugt er zich over.

Men zondigt door begeerte, als men inderdaad verlangt het kwaad te doen; bijv., iemand zoude willen stelen. De gedachte alleen; ik zoude willen stelen, is nog geene zonde; die gedachte kan onvrijwillig zijn; doch bijaldien men er in toestemt, als het wezenlijk gemeend is dat men zoude willen stelen, dan bedrijft men de zonde van onrechtvaardigheid door begeerte.

Men zondigt door woorden, door te vloeken, door kwaad te spreken, door te spreken tegen het geloof, den godsdienst of de H. Kerk, door zedenkwetsende taal te voeren, enz.

Men zondigt door werken, door, bijv., te stelen, verbodene spijzen te eten, enz.

Men zondigt door verzuimenis, door, bijv., op de Zon - en geboden feestdagen geene Mis te hooren, door zijne kinderen of onderdanen niet te bewaken of te vermanen.

III.

Iloevelerlei is de zonde?

Tweederlei, de erfzonde en de dadelijke zonde.

Wed is de erfzonde?

Eene afgeheerdheid van God en berooving van de rechtveer dig heid, die alle mensehen aan geboren wordt door den val van onzen eersten vader Adam.

-ocr page 425-

— 15 —

Het kwaad dat de erfzonde ons doet, bestaat vooral hierin, dat zij ons van de rechtvaardigheid berooft, d. i., van de heiligmakende genade, zoodat wij vijanden worden van God en onbekwaam om in den hemel te komen. Persoonlijk hebben wij de erfzonde niet bedreven, want wij bestonden niet, toen Adam en Eva zondigden; doch de dadelijke zonde hebben wij persoonlijk bedreven.

Wat is de dadelijke zonde?

Eene zonde, die door onze eigene daad geschiedt.

Hoevelerlei is de dadelijke zonde?

Tweederlei, de doodelijke en de dagelijksche zonde.

Alhoewel elke zonde eene overtreding is van de wet Gods, men onderscheidt nochtans verschillende soorten van zonde, zooals hoofdzonden, zonden tegen den H. Geest, wraakroepende zonden en vreemde zonden. Over die verschillende soorten van zonden zullen wij later bandelen; doch merken wij ten slotte nog op welk kwaad de zonde is.

T

É

•v:.) ■1

\'fl • !4.

ÜSSSli

1

.V

;?•» i

s\'sa

Ki| ï

SLUITREDK.

De Catechismus vraagt;

Is de zonde een groot kwaad? En hij antwoordt;

Ja, het grootste kwaad dat er is.

\' De zonde is eigenlijk het eenige kwaad. Er zijn vele zaken, waaraan wij den naam van kwaad geven, zooals oorlog, hongersnood, pest, enz.: dat alles is niets anders dan het gevolg van het eenige kwaad, van de zonde. God kan niet zondigen, juist wijl de zonde kwaad is, maar God kan wel oorlog, hongersnood, pest, enz., overzenden, en dat doet Hij niet zelden om de zondaren te straften. Zien wij niet dat God soms een gansch land of volk straft met oorlog, hongersnood of pest? Waarom? Dat volk had God door zijne zonden uitgetart; zijne

$18

Am

i\'i

fi

. ia

\' .if

quot;M

■\'II ill \' \'M;

V

M

-ocr page 426-

— lö —

misdaden hadden om wraak geroepen. God heeft die wraakroepende stem gehoord, Hij is gekomen en heeft dat volk om zijne zonden voorbeeldig gestraft. Hetgeen men van een gansch volk kan zeggen, kan men ook van eiken zondaar in het bijzonder zeggen. God straft niet zelden den zondaar, juist waardoor hij gezondigd heeft. Vandaar die verschrikkelijke en schandelijke ziekten, die soms het lichaam aantasten. En gelukkig noquot; \'zoo de zondaar voordeel doet met die straffen, zoo hij aan Gods inzichten beantwoordt, d. i., zoo hij zich bekeert en boetvaardigheid doet.

Waarom is de zonde hel grootste kwaad?

Omdat zij God, die het opperste goed is, ongelijk aandoet, en hem vergrdmt.

De zondaar slaat tegen God op. God verbiedt het kwaad te doen, de zondaar doet het; God gebiedt het goed te doen, de zondaar weigert het. Declina a malo et fac bonurn, (i) zegt God- Wijk van het kwaad af en doe het goed; en de zondaar doet juist het tegenovergestelde. Ziedaar, B. B., hoe de zondaar tegen God opstaat. Hem ongelijk aandoet en Hem vergramt. Vandaar dat er geen grooter kwaad is dan de zonde. Besluiten wij dus van dat grootste, dat eenige kwaad te vluchtén en alle mogelijke middelen daartoe aan te wenden, van nooit, noch door gedachte, noch door vreugde, noch door begeerte, noch door woorden, noch door werken of verzuimems de goddelijke wet vrijwillig te overtreden. Amen.

(i) Ps. xxxvi, 27.

-ocr page 427-

TWEEDE ONDERRICHTING

OVER DE DOODZONDE

Filios enutrivi et exaltavi, ipsi au tem spreverunt me.

Ili heb kinderen opgevoed en verheven, doch zij hebben mij veracht. (Isaïas i, s.)

INHOUD.

\\

VOORREDE.

De zonde is het grootste kwaad dat er bestaat, wijl men er God, die het opperste goed is, ongelijk door aandoet en Hem vergramt. Alle zonden zijn niet even groot. Men heeft doodzonden en dagelijksche zonden.

VERDEELING.

1. Wat is doodzonde?

II. Waarin bestaat de boosheid der doodzonde?

I.

Doodzonde is eene zonde zoo strijdende tegen de wet Gods, dat zij ons geheel berooft van de goddelijke liefde, die het

Gkloops - en Zedknlkkr. 5*1« Dkkl. 2.

-ocr page 428-

— 18 —

leven onzer zielen is. De doodzonde doodt de ziel door haar te berooven van de heiligmakende genade. Tot doodzonde wordt vereischt:

1° Dat zij vrijwillig gedaan -worde;

2° Dat zij grootelijks strijde tegen de eer van God of de welvaart van onzen naaste.

\'t Is dagelijksehe zonde, zoodra er eene van die vereischten ontbreekt. Eene zaak die in zich beschouwd, klein is, kan groot worden door de een of andere omstandigheid: door het inzicht, de verachting, de ergernis, het gevaar en door tegen zijn geweten te zondigen.

II.

De boosheid der doodzonde bestaat hierin, dat zij is:

1° lïene schending van de rechten van God den Vader;

2° Eene schending van de rechten van God den Zoon;

3° Eene schending van de rechten van God den H. Geest.

SLUITREDE.

Geschiedenis van de H. Agatha, Maagd en Martelares.

-ocr page 429-

TWEEDE ONDERRICHTING

OVER DE DOODZONDE

Filios enuti\'ivi ct exaltavi, ipsi aittem spreverunt me.

Ik heb liinderon opgevoed on verheven, doch zij hebben mij veracht. (Isaïas i, 2.)

VOORKEDE

Alhoewel de zonde bet grootste, ja zelfs het eenige kwaad is dat er bestaat, daaruit volgt nochtans niet, dat alle zonden even groot zijn. Neen, B. 13.; er zijn groote zonden die men doodzonden noemt, en er zijn kleine zonden die men dagelijksche zonden noemt. Doze leering lijdt volstrekt geen twijfel; zij staat duidelijk in de H. Schrift, en zij komt overigens geheel en al met de gezonde rode overeen. Vandaag zullen wij in \'t kort zien;

I. Wat doodzonde is;

IT. Waarin de boosheid der doodzonde bestaat.

I

De Catechismus vraagt;

Wat is eenc doodzonde? En hij antwoordt:

Eene zonde zoo strijdende tegen de wet Gods dat zij ons yeheeüijk berooft van de goddelijke lie/de. die het leren onzer zielen is.

De \'doodzonde doodt dus de ziel; zij berooft haar van het bovennatuurlijk leven. Yau dezen dood spreekt de 11. Augustinus, als hij zegt: Kr is een dood des lichaams en een dood der ziel; de ziel kan sterven en zij kan niet sterven: zij kan niet sterven,

-ocr page 430-

— 20 —

omdat zij haar zelfbewustzijn nooit verliest; zij kan sterven, als zij God verliest; want gelijk de ziel het leven des lichaams is, zoo is God het leven der ziel: gelijk dus het lichaam sterft, als de ziel het verlaat; zoo ook sterft de ziel, als God haar verlaat.

God woont door de heiligmakende genade in de ziel van den mensch; verliest de mensch de heiligmakende genade, dan verlaat God zijne ziel en laat haar in staat des doods achter: die ziel is beroofd van haar bovennatuurlijk leven en loopt gevaar van telkens voor eeuwig verloren te gaan. Ziedaar waarom men eene groote zonde doodzonde noemt, omdat zij de ziel doodt. Doch zien wij een weinig meer van nabij, wat er tot eene doodzonde vereischt wordt. De Catechismus vraagt:

Waaraan zal men in twijfeling kennen dat eenige zonde doodelijkis? En hij antwoordt:

Is \'t dat zij vr-ij willig gedaan wordt, en graotelijhs strijdt tegen de eer Gods, of de weivaart van onzen evennaaste.

Er worden dus twee zaken vereischt. opdat eene zonde doodzonde zij:

1° Dai zij vrijwillig of wetens en willens geschiede, d. i., met volle kennis der doodzonde van den kant des verstands, en met volle toestemming in de doodzonde van den kant des wils;

2° Dat zij grootelijks strijde tegen de eer van God of de welvaart van onzen naaste.

Er moet dus spraak zijn van eene merkelijke zaak; hetgeen geboden of verboden is moet van belang zijn. Door het woord naaste moeten wij niet alleen de andere menschen, maar ook, en wel op de eerste plaats ons zeiven verstaan. Iemand, bijv., lastert God met vol verstand en vrijen wil; die persoon zondigt doodelijk. Iemand wenscht zich zeiven of zijnen evenmensch den dood toe, zoodat hij het wezenlijk meent; die persoon zondigt ook doodelijk. Waarom is die godslastering, dat kwaad-wenschen van zich zeiven of van den evenmensch doodzonde? Omdat beiden vrijwillig geschieden, en het eerste grootelijks

-ocr page 431-

strijdt tegen de eer van God, en het tweede daarenboven nog tegen de welvaart van onzen evennaaste. In geval er slechts één van die vereischten ontbreekt, dan is het maar dagelijicsche zonde. Een kind, bijv., zoude iets doen dat in zicli beschouwd, doodzonde is; doch dat kind heeft zijn vol verstand niet; heeft het nu doodelijk gezondigd? Neen. Waarom niet? Uit gebrek aan het eerste vereischte, namelijk, de volle kennis der doodzonde. Iemand zoude bekoord worden tegen de schoone deugd van zuiverheid; hij verzet zich tegen die bekoring, maar wat traag. Zondigt hij nu doodelijk? Volstrekt niet. Waarom niet? Uit gebrek aan het eerste vereischte, namelijk, de volle toestemming in de doodzonde. Een ander persoon zoude op een vastendag een weinig verboden spijs eten; zondigt die persoon doodelijk? Neen. Waarom niet? Uit gebrek aan hot tweede vereischte, omdat de zaak niet van belang is. Aangaande dit laatste vereischte valt op te merken, dat eene zaak of daad van weinig belang, en die bijgevolg in zich beschouwd, maar eene dagelijksche zonde zoude zijn, doodzonde kan worden, door de een of andere omstandigheid, bijzonder door liet inzicht, de uitdrukkelijke verachting, de ergernis en het gevaar: eenige voorbeelden zullen de zaak duidelijk maken.

1° Door het inzicht. Iemand, bijv., bedrijft een kleinen diefstal, doch hij heeft het inzicht van tot eene groote som te komen.

2° Door de uitdrukkelijke verachting. Iemand, bijv., bedrijft eene kleine zonde, hij eet een weinig vleesch op een Vrijdag, doch hij doet zulks om te toonen dat hij de H. Kerk en haar gebod veracht.

3° Door de ergernis. Iemand, bijv., voorziet dat hij door eene kleine zonde te bedrijven, groote ergernis zal geven, hetgeen soms gebeurt bij ouders en kinderen, bij oversten en onderdanen.

4° Door het gevaar. Iemand, bijv., weet dat hij zich wegens zijne zwakheid, door deze of gene dagelijksche zonde te bedrijven, aan het naaste gevaar blootstelt van doodelijk te zondigen.

-ocr page 432-

— 22 —

Eindelijk, door, gelijk reeds gezegd is, tegen zijn geweten te zondigen. Iemand, bijv., meent dat eene kleine zonde, of iets dat nog niet eens zonde is, doodzonde zoude zijn. In al die gevallen zoude men zich aan doodzonde schuldig maken.

Zien wij nu op de tweede plaats waarin de boosheid der doodzonde gelegen is.

II.

De boosheid der doodzonde, 13. B., is vooral hierin gelegen, dat zij is eene schending van de heiligste rechten van God: van God den Vader die ons geschapen, van God den Zoon die ons verlost, en van God den H. Geest, die ons geheiligd heeft.

1° De doodzonde is eene schendig van de heiligste rechten van God den Vader die ons geschapen heeft. God de Vader is de Schepper van heinel en aarde; Hij heelt hemel en aarde en alles wat er in is, bijgevolg ook ons menschen, van niet gemaakt. In hoedanigheid van Schepper heeft God de Vader hot recht van ons te gebieden en zijne bevelen te geven, en wij die zijne schepselen zijn, wij zijn verplicht van hem te gehoorzamen en zijne bevelen te volbrengen. Ja, wij moeten God onzen Schepper dienen met ziel en lichaam, met alles wat Hij ons geschonken heeft. Wij moeten God dienen met ons verstand, door aan Hem te denken en zijne oneindige volmaaktheden te overwegen; met ons geheugen, door ons zijne weldaden te herinneren en er Hem voor te bedanken; met onzen wil, door Hem te beminnen en naar Hem te verlangen, Wij moeten God onzen Schepper dienen met onze zintuigen, met onze oogen, die wij met liefde ten hemel moeten slaan, waar God onze Vader woont; met onze ooren, die immer open moeten staan om zijne bevelen te ontvangen; met onze tong, waarmede wij Hem moeten loven, prijzen en verheerlijken.

Wij moeten gebruik maken van onze ledematen als van zoovele werktuigen, van alles wat God ons geschonken heeft

-ocr page 433-

als van zoovele middelen om Ileia te dienen. Doch de mensch die doodelijk zondigt, wat doet hij? In plaats van God zijnen Schepper te dienen, staal hij tegen Hem op. Hij denkt niet aan zijnen Schepper, tenzij met tegenzin; hij herinnert zich zijne weldaden niet, maar vergeet ze; hij bemint Hem niet, maar beleedigt en vergramt Hem. Hij maakt misbruik van zijne zintuigen; van zijne oogen, door schandelijke zaken te zien; van zijne ooren, door naar hetgeen verboden is te luisteren; van zijne tong, door te vloeken en te lasteren, door kwaad te spreken en zedenkwetsende taal le voeren. Hij maakt misbruik van zijne ledematen, door ze le schandvlekken en te onleeren. Hij maakt misbruik van de weldaden van God en keert ze tegen Hem, om Hem te vergrammen. Bijgevolg, de mensch die doodelijk zondigt, in plaats van de rechten van God zijnen Schepper te eerbiedigen, in plaats van Hein le dienen; hij schendt de rechten van God zijnen schepper, hij staal tegen Hem op en roept als hel ware uit: Ik zal u niet dienen. iVow serviam. (i)

2° De doodzonde is eene schending van de heiligste rechten van God den Zoon die ons verlost heeft. Door de zonde van Adam en Eva, B. B., waren wij in de macht van den duivel gevallen, wij waren slaven geworden van den duivel en zouden voor eeuwig verloren gaan; doch ziet, God de Zoon heefl zich aangeboden om ons te verlossen en vrij te koopen. En hoe heeft Hij ons verlost? Hij heeft ons verlost door voor ons te lijden en te sterven aan hot kruis. Waarvoor heefl Hij ons vrijgekocht? Hij heeft ons vrijgekocht voor een groolen prijs, namelijk, voor zijn goddelijk bloed, dat Hij tot den laatsten druppel vergoten heeft; I\'JnipU cstis prcho niagno. (2) Wijl God de Zoon ons dus verlost en vrijgekocht heefl, daarom heeft Hij recht op onze dankbaarheid en liefde, en die dankbaarheid en liefde moeten wij Hem beloonen, dooi\' Hem getrouw

\'1. JlüREM. II, 20. (2) I COR. VI, 20

-ocr page 434-

— 24 —

te dienen. Deck de mensch die doodelijk zondigt, wat doet hij? In plaats van God zijnen Verlosser dankbaar te zijn, maakt kij zich aan de zwartste ondankbaarheid schuldig; in plaats van Hem te beminnen, beleedigt hij Hem; in plaats van Hem te dienen, staat hij tegen Hem op. Ja, de zondaar vernieuwt als het ware het lijden en den dood van zijnen Verlosser, wijl deze om voor de zonden te voldoen, geleden heeft en gestorven is; hij trapt als het ware het bloed dat de Zoon Gods voor hem vergoten heeft, met voeten. De onrechtvaardige, bijv., verkoopt als een andere Judas Jesus voor eene handvol geld; de vloeker en godslasteraar vloekt en lastert Hem; de wellusteling verscheurt als een andere beul Jesus\' maagdelijk lichaam van het hoofd tot de voeten; de hoovaardige drukt Hem de doornen kroon op het hoofd; in een woord, de mensch die doodelijk zondigt, hecht als het ware den Zoon Gods opnieuw aan het kruis, gelijk de Apostel Paulus zich uitdrukt: Uur.sum crucijigenles.... Filium Dei., (l) God de Zoon in hoedanigheid van Verlosser heeft het recht van over ons te regeeren, van onze koning te zijn; wij moeten ons dus aan Hem onderwerpen en onderdanig zijn; doch de mensch die doodelijk zondigt, wat doet hij? In plaats van zich aan zijnen Koning te onderwerpen, verzet hij zich tegen Hem; in plaats van zijnen Koning onderdanig te zijn, staat hij tegen Hem op; hij roept als het ware uit: Nolumus Hunc regnare super nos: (2) Wij willen niet dat deze over ons regeere; hij gaat zelfs verder dan de Joden, wijl hij den duivel voor zijnen Koning erkent, daar de Joden slechts schreeuwden, dat zij den Romeinschen keizer alleen voor hunnen koning erkenden; Non habemus regem nisi ccesarem. (3)

3° De doodzonde is eene schending van de heiligste rechten van God den H. Geest die ons geheiligd heeft. Den dag van ons H. Doopsel heeft de duivel ons moeten verlaten, en de

(1) HliHU. vi, G. (2) Luc. xix, H. !3) Joan. xix, 15.

-ocr page 435-

H. Geest heeft bezit van ons genomen. Vandaar dat de Apostel Paulus zegt: Weet gij niet dat gij de tempel van God zijt: Nescilis quia templum Dei estis; en dat de Geest Gods in u woont: Et Spiritus Dei habitat in vobis. En op eene andere plaats; Weet gij niet dat uwe ledematen de tempel zijn van den H. Geest, die in u woont, en dat gij u niet toebehoort: Et non estis vestri: (l) Wij behooren dus den H. Geest toe; wij zijn de tempels des H. Geestes, die Hij gezuiverd en versierd heeft; gezuiverd van alle zonden en vlekken, versierd met zijne genaden, met de goddelijke en zedelijke deugden, met zijne kostbaarste gaven. Doch de Christen die dood (dijk zondigt, wat doel- hij? Hij drijft den 11. Geest zijnen Heiligmaker, uit en laat den duivel den onreinen geest, binnen komen; hij schendt den tempel van den H. Geest, om welke misdaad hij eenmaal zal verloren gaan; want God, gelijk de Apostel Paulus leert, zal den schender van zijnen tempel verderven: Si quis templum Dei violaverit, disperdet illum Deus: (2) Ziedaar, li. li., waarin de boosheid der doodzonde gelegen is: zij is eene schending van do heiligste rechten van God, van God den Vader die ons geschapen, van God den Zoon die ons verlost, van God den H. Geest die ons geheiligd heeft. Welk eene afschuwelijke misdaad dus, waaraan de Christen zicli schuldig maakt, telkens als hij doodelijk zondigt. Hij staat op tegen God zijnen Schepper; hij mishandelt God zijnen Verlosser; hij verjaagt God zijnen Heiligmaker. Geen wonder dus dat zoo vele Heiligen liever alle pijnen en folteringen, ja zelfs den dood ondergaan hebben, dan hunnen God door eene doodzonde te vergrammen.

SLUITREDE.

De H. Agatha Maagd en Martelares levert ons een schoon bewijs van die waarheid. De H. Agatha was eene edele en rijke dochter. Om het geloof gevangen genomen, werd zij voor den

(1) i Cor. in, 16-19 (2) i Cor. in, 17.

-ocr page 436-

landvoogd Quintianus gebracht. Deze trachtte Agatha tot zonde te verleiden, en gat haar te dien einde aan eene slechte vrouw over. Die vrouw deed haar best om Agatha te winnen, doch alles was te vergeets. Ik hoor uwe woorden niet, zoo sprak de H. Maagd, als de woorden van eene vrouw, maar als de woorden van den duivel, die door uwen mond spreekt en u die woorden ingeeft; maar weet, dat gij tijd en moeite verliest, alsof gij tot eene doove spraakt. Zeg aan Quintianus dat hij zijn zwaard scherpe, zijne leeuwen bereide, zijn vuur ontsteke; dat hij de poorten der hel opene zoo hij kan, en al de duivelen tegen mij loslate; ik zal met blijdschap al die pijnigingen aanvaarden, om als eene christin en maagd te sterven: ik ben niet bevreesd voor al het geweld van Quintianus, aangezien ik weet dat God mij beschermen zal. Na dertig dagen lang beproefd te hebben de H. Agatha over te halen, begaf zich de slechte vrouw naar Quintianus en zeide hem, dat alles te vergeefs was. De landvoogd deed de H. Agatiia voor zich verschijnen en gebruikte allerlei listen om haar te bewegen. Wat antwoordde de IT. Agatha? Die kloeke Maagd, brandende van een iieilig vuur voor haren Bruidegom, Jesus-Christus, sprak onder anderen deze woorden: Ik begeer buiten Christus niets; noch leven, noch wellusten, noch rijkdommen. Hoop niet, Quintianus, dat gij mij met uwe bedreigingen zult verschrikken. Er is geen hert, hoe dorstig en afgemat ook, dat zoozeer naar eene heldere waterbron verlangt, als ik verlang en dorst naar de pijnigingen waarmede gij mij bedreigt, omdat ik daardoor met Jesus, mijnen Bruidegom, zal vereenigd worden. Wilt gij uw zwaard tegen mij trekken? Ziehier mijnen hals. Wilt gij mij doen geeselen? Ziehier mijne schouders. Wilt gij mij verbranden? Ziehier mijn lichaam. Wilt gij mij voor de wilde dieren werpen? Ziehier ben ik. Welaan, pijnig, brand, bind, pers, breek, verscheur, verniel, rek mij uiteen, ik ben bereid. Hoe wreeder gij met mij zult te werk gaan, hoe meer goed gij mij zult doen, hoe aangenamer ik mijnen Bruidegom zal wezen. Waarom vertoeft gij, waarom

-ocr page 437-

wacht gij zoo lang? Quintianus, door die vrije taal der H. Maagd verbitterd, deed haar op de wreedste wijze martelen, maar Agatha, B. B., verdroeg alles standvastig, ja verkoos liever te sterven dan haren God door eene zonde te vergrammen. Dat dit voorbeeld ons aanzette van de zonden, vooral de doodzonden, te vluchten, daartoe alle middelen aan te wenden, ja nog liever den dood te sterven dan den goeden God door eene zonde te vergrammen Amen.

-ocr page 438-

DERDE ONDERRICHTING

OVER DE DOODZONDE

Qui autem faciunt peccMtum et iniquitatem, hostes sunt animce sue.

Die. zonde en ongerechtigheid bedrijven, zijn vijanden van hunne ziel. (Tob. xii, iij.)

INHOUD.

VOORREDE.

De doodzonde is in zekeren zin van eene oneindige boosheid, en daarom kan noch mensch, nog Engel dezelve begrijpen; God alleen kan ze begrijpen. Zien wij vandaag nog:

VERDEELING.

I. Waaruit men kan kennen hoe groot kwaad

de doodzonde is;

II. Wat wij verliezen door de doodzonde.

I.

Hoe groot kwaad de doodzonde is, kan men best kennen: 1° Uit de straffen der Engelen en van Adam en Eva; 2° Uit het lijden en den dood van onzen Heer Jesus-Christus.

-ocr page 439-

Daaruit ziet men dat de doodzonde geene zwakheid, geene kleinigheid of beuzelarij is, gelijk sommigen durven zeggen; doch dat zij de afschuwelijkste der misdaden is.

II.

Wij verliezen door de doodzonde:

1° De goddelijke genade, en wij worden slaven van den duivel;

2° De verdiensten van onze goede werken;

3° De hemelsche glorie, en wij gaan voor eeuwig verloren.

SLUITREDE.

Uit de straffen waarmede God de doodzonden getroffen heeft, en uit het verlies dat zij ons veroorzaken, moeten wij tot het vast besluit komen, van de doodzonde te haten en te verfoeien, van ze boven alle kwaad te vluchten met de uiterste zorg.

-ocr page 440-

DERDE ONDERRICHTING

OVER DE DOODZONDE

Qui autem Jaciunt feccatwn et iniquilatem, hostes sunt animw sua;.

Die zondo en ongereclitigheicl bedrijven, zijn vijanden van hunne ziel. (Tob. xii, io.)

VOORREDE.

Laatstleden, B. B., hebben wij over de boosheid der doodzonde gesproken, en uit hetgeen wij er van gezegd hebben, kunnen wij er ons eenigszins een denkbeeld van vormen; doch die boosheid in gansch hare uitgestrektheid begrijpen, is ons onmogelijk; geen mensch, zelfs geen Engel is daartoe in staat. De reden er van is, wijl noch mensch, noch Engel in staat is, om de oneindige majesteit en grootheid Gods, die door de doodzonde beleedigd wordt, te begrijpen. Een is er slechts, die de boosheid van de doodzonde kan doorgronden, namelijk. God, wijl God, en God alleen, zich zeiven volmaakt kent. Willen wij nochtans weten, wat God van de zonde en derzelver boosheid denkt, dan hebben wij slechts de verschrikkelijke straffen te zien, waarmede Hij haar getroffen heeft. Wij zijn zeker dat God de zonde niet zwaarder straft, dan zij om hare boosheid verdient gestraft te worden; Gods oneindige rechtvaardigheid waarborgt ons daarvoor. Om dus nog beter te zien, hoe groot kwaad de doodzonde is, beantwoorden wij vandaag de volgende vragen:

I. Waaruit kan men best kennen hoe groot kwaad de doodzonde is?

II. Wat verhezen wij door de doodzonde?

-ocr page 441-

— 31 —

I.

Hoe groot kwaad de doodzonde is, kan men best kennen uit de straffen dier zonde en uit liet lijden van onzen Heer Jesus-Cliristus, Vooreerst uit de straffen dier zonde.

De Engelen, B. B., alhoewel zij in den beginne God nog niet aanschijn aan aanschijn aanschouwden, waren nochtans schoone en gelukkige geesten; docli ziet. door God op de proef gesteld, staat Lucifer, een prins van het hemelsch hof, tegen zijnen Heer cn Meester op; hij sleept in zijnen opstand eene menigte Engelen mede, allen maken zich schuldig aan doodzonden van hoovaardig-en ongehoorzaamheid. Welk is het gevolg hunner zonden? God straft hen oogenblikkelijk, zonder hun den tijd ie laten van boetvaardigheid te doen; die schoone en gelukkige geesten worden in afschuwelijke duivelen veranderd en eensklaps uit den hemel nedergeworpen in den afgrond der hel, om daarin gedurende de eindelooze eeuwigheid gefolterd te worden. Oordeelt uit deze rechtvaardige straf, hoe groot kwaad de doodzonde is.

Adam en Eva leefden in het aardscli paradijs oprecht gelukkig, zij waren met de kostbaarste gaven naar ziel en lichaam verrijkt; zij waren in staat van genade, de vrienden van God; alle schepselen der aarde waren hun onderdanig. Na hunnen God en Heer eenigen tijd getrouw gediend te hebben, zouden zij toegelaten worden tot het onuitsprekelijk geluk van Hem in den hemel aanschijn aan aanschijn te aanschouwen; doch ziet, B. B., wat er plaats heeft. De duivel benijdt onze stamouders hun geluk en komt hen bekoren; hij slaagt in zijne onderneming, brengt hen zoo ver dat zij het gebod van God overtreden door van de verboden vrucht te eten. Welk is het gevolg van hunne ongehoorzaamheid? Zij worden door oenen Engel terstond uit het aardsch paradijs gedreven, zij verliezen de heiligmakende genade, zij worden van hunne voorrechten beroofd en vijanden van God. Schier alle schepselen verzetten zich tegen hen: de aarde wordt om hunnent wille vervloekt,

-ocr page 442-

distelen en doornen zal zij voortbrengen; Adam en Eva worden tot dwangarbeid veroordeeld, in het zweet huns aanschijns zullen zij hun brood eten, zij worden met ellenden en wederwaardigheden, met rampen en ziekten geslagen, den dood zullen zij sterven en tot stof wederkeeren, waaruit zij gevormd zijn: Ja, de vlammen der liel zouden hen ook in eeuwigheid gefolterd hebben, hadde God geen medelijden met hen gehad. Doch niet alleen Adamlt;en Eva, maar gansch hun nakomelingschap wordt gestraft. Al de geesels, waarmede het menschdom van het begin der wereld tot nu toe getroffen is, en tot het einde dei-wereld zal getroflen worden, oorlog, hongersnood, pest, aardbevingen, ziekten, in een woord, dat leger van rampen en ellenden, waardoor wij ellendige kinderen van Eva overvallen worden, is het gevolg van de zonde ouzer stamouders. Oordeelt uit deze rechtvaardige straffen, hoe groot kwaad de doodzonde is. Onze stamouders, wij allen waren bestemd, om evenals de afgevallen engelen brandstoffen der hel te worden, hadde God geen medelijden met ons gehad. Doch welk offer eischt God om voor de zonden te voldoen?

De mensch, B. B., was niet in staat om voor de zonden te voldoen. God de Zoon, de eenige en teergeliefde Zoon des Vaders, biedt zich aan om onze zonden uit te boeten; itij neemt de rnenschelijke natuur aan en komt in armoede te Bethleëm ter wereld; Hij lijdt een arm leven, wordt door zijne vijanden gevangen genomen, op de ongehoordste wijze mishandeld, van den eenen rechter naar den anderen gesleurd, valsch beschuldigd, onrechtvaardigd veroordeeld, gegeeseld en met doornen gekroond; zijn lichaam is van het hoofd tot de voeten met geeselroeden verscheurd, de doornen dringen tot in de hersenen door; eindelijk wordt Hij, uitgeput van krachten, aan het kruis genageld; aan het kruishout in de hoogte verheven wringt en trekt Hij zich van pijn en smart te zamen; drie uren lang blijft Hij er levend aanhangen; zijn goddelijk bloed stroomt op den grond neder, tot dat het tot den laatsten druppel

-ocr page 443-

— 33 —

vergoten is; de Zoon Gods sterft aan het schande - en vervloekingshout. Waarom? Om te voldoen voor de zonden. Oordeelt uit het lijden en den dood van den Zoon Gods, hoe groot kwaad de doodzonde is. En do mensch durft de doodzonde enkel eene zwakheid, eene kleinigheid, eene beuzelarij noemen? Dus heeft God niet getoond dat Hij rechtvaardig is? Ja wel, B. B., en uit de straffen, waarmede Hij de doodzonde getroffen heeft, treft en zal treffen, blijkt zonneklaar, dat zij een overgroot, ja in zekeren zin, een oneindig groot kwaad is. Doch zien wij verder uit bet verlies dat de doodzonde ons veroorzaakt, hoe groot kwaad zij is.

H.

De Catechismus vraagt;

Wat verliezen wij door de doodzonde? En hij antwoordt:

Ten eerste, de goddelijke gratie; ten tweede, de verdiensten van onze goede werken ; ten derde, de hcmelsehe glorie.

Door de doodzonde verliest de mensch vooreerst de goddelijke genade. Die genade had bij in het H. Doopsel ontvangen; daardoor was hij de vriend van God geworden, een voorwerp van Gods liefde en welbehagen. God bad in het hart van den mensch zijn intrek genomen, evenals een vriend zijn intrek neemt in het buis zijns vriends; God schepte zijn vermaak te wonen in het hart van dien mensch, zijn kind geworden. En wat doet nu de mensch, die eene doodzonde bedrijft? Hij verliest de goddelijke genade: van vriend Gods wordt bij zijn vijand; van een voorwerp van Gods liefde en welbehagen, een voorwerp van haat en afkeer; hij jaagt God uit zijn hart en laat er den duivel binnenkomen; van kind Gods wordt hij een slaaf van den duivel die over hem heerscht: want,

Waartoe brengt ons de doodzonde?

Tot eene schandelijke slavernij des duivels.

GKLOOKS - KN Zedknlhkr. 5«ÏC DEKI,. 3.

* quot; rW*! I

\'■\'■\'11 m

vil

IH

N

,,jj if]

Ifit

im i

if!

Pl

11

: HPI

I

ij,; ij

iH

JP\'

in

;:ï i.

■SI

,,, yj

•r v v li

HJ •. \'.ii

: Ï.WÊÊ

-ocr page 444-

Door de doodzonde verliest de mensch de verdiensten van zijne goede werken. Al had die mensch ook al zijne goederen onder de armen uitgedeeld; al had hij al de werken van boetvaardigheid der Heiligen verricht; al had hij al de pijnen en folteringen der martelaren geleden; al had hij ook de verhe-venste plaats in den hemel verdiend; zoodra hij zich aan eene doodzonde schuldig maakt, hij verliest de verdiensten van al zijne goede werken. Als de rechtvaardige zicli van zijne rechtvaardigheid afkeert en kwaad doet, zegt God door den mond van zijnen Profeet Ezechiël, al de gerechtigheden, die hij gedaan heeft, zullen niet meer in herinnering komen. Die mensch wordt gelijk aan een tak van een fruitboom. Die tak staat vol bloemen en bloesem; doch wordt die tak van den boom gesneden, hij verdort, de bloemen verwelken, en do bloesem valt af. Zoo gaat het ook met den mensch, die, zoolang hij met Jesus-Christus door de heiligmakende genade vereenigd was, veel goede werken verrichtte en daardoor veel verdiensten vergaderde; doch ziet, nauwelijks heeft hij zich door de doodzonde van Jesus-Christus gescheiden, of de verdiensten van al zijne goede werken zijn verloren. Doch dat is niet alles. Zoolang hij in staat van doodzonde blijft., kan hij niets verdienen voor den hemel, hij kan geene verdiensten meer vergaderen, hij is die tak van den boom gesneden; en evenals een tak van den boom gesneden geene vruchten kan voortbrengen; zoo ook kan de mensch, zoolang hij door de doodzonde van Jesus-Christus gescheiden is, geene verdiensten vergaderen voor den hemel. Maar i is toch ongelukkig, zult gij wellicht denken, dat de mensch al zijne verdiensten verloren heeft, dat hij er geen meer vergaderen kan voor den hemel. Dat is maar al te waar. Doch ik Maag u. Wie is-de schuld van dat ongeluk? De mensch zeil. Waarom heeft hij zich aan doodzonde plichtig gemaakt? Omdat hij gewild heeft. Waarom doet hij zijn best niet, om uit den staat van doodzonde op te staan? God noodigt er hem toe uit. Hij zal hem helpen, en eenmaal uit zijnen zondenstaat opgestaan zal

-ocr page 445-

— 35 —

hij de verdiensten zijner goede werken terug bekomen en nieuwe kunnen vergaderen. De inensch zelf is dus, gelijk gij ziet, de schuld van zijn ongeluk. De zondaar kan, gelijk ik gezegd heb, niets verdienen voor den hemel. Gij zoudt misschien daaruit willen besluiten en zeggen: Bijgevolg behoeft hij zich nergens meer aan te storen, noch aan de geboden van God of van de H. Kerk, noch aan de plichten van zijnen staat. Waarom zoude hij bidden, vasten, aalmoezen geven, naar de H. Mis gaan? Al het goed dat hij doet, kan hem toch niet baten. De zondaar, B. B., is evenwel verplicht de geboden van God. en van de H. Kerk te onderhouden, de plichten van zijnen staat te volbrengen; en zoo hij ze niet onderhoudt en volbrengt, zal hij hiernamaals dubbel gestraft worden. Is een dief, bijv., die eenmaal gestolen heeft, niet meer verplicht de rechten van zijnen naaste te eerbiedigen, en mag hij hem, omdat hij hem eenmaal bestolen heeft, ongestraft zoo dikwijls hij goedvindt, bestelen? En zal die dief, zoo hij voor de tweede maal betrapt wordt, door de rechters niet veel strenger gestraft worden? Welnu, zoo is het ook gelegen met den zondaar, die na eenmaal doodelijk gezondigd te hebben, zoude voortgaan met de geboden te overtreden of zijne plichten te verwaarloozen. Maar zijne goede werken kunnen hem toch niet strekken ter zaligheid. Die goede werken, B. B., kunnen niet verdienstelijk zijn voor den hemel; dat is waar, want God kan hem daarvoor niet beloonen. Maar wie is er de schuld van? De zondaar zelf, die vrijwillig de doodzonde bedreven heeft, en die nog vrijwillig in staat van doodzonde blijft voortleven; dus moet hij dat ongeluk zich zeiven wijten. Die goede werken kunnen hem niet strekken ter zaligheid, d. i., zij zijn geheel en al nutteloos; dat is niet waar, B. B., integendeel, de mensch die in staat van doodzonde is, moet veel goede werken doen; bidden, vasten, aalmoezen geven, om God daardoor zooveel in zijne macht is, te bewegen van hem in zijne genade en vriendschap te herstellen.

-ocr page 446-

Eindelijk verliest de mensc.h door de doodzonde de hemelsche glorie. Nu in dit leven beseft de zondaar dat ongeluk niet, doch later na zijnen dood zal hij het des te gevoeliger beseffen: dan zal hij duidelijk inzien dat hij voor den schoenen hemel geschapen was, voor dat onuitsprekelijk en eeuwig geluk, dat God bereid heeft voor allen die Hem beminnen. Hij zal er bezit van willen nemen, maar helaas! door den krachtigen en onweêr-staanbaren arm van den rechtvaardigen en vertoornden God zal hij niet alleen tegen gehouden, maar ook nog nedergeworpen worden in den afgrond der hel, want,

Waartoe brengt ons de doodzonde?

Tol de -pijnen der hel.

Tot nu toe heeft de zondaar wellicht zijne schouders eens opgehaald, als hij den biechtvader of don predikant over de pijnen der hel hoorde spreken: overdrijving dat alles, heeft hij misschien gedacht. Hoe is het mogelijk voor eene enkele doodzonde eeuwig op allerlei wijzen gefolterd te worden in ziel en lichaam, door een vuur dat nooit uitgedoofd wordt, door een worm die nooit sterft; doch eenmaal gestorven, en eenmaal door God tot de hel veroordeeld, zal hij wel weten en, helaas! ondervinden wat de hel is; hij zal wel weten en ondeivinden wat die uiterste duisternissen zijn, wat dat geween en getier, dat gekerm en tandengeknars der verdoemden is; hij zal wel weten en ondervinden wat die razende honger, die brandende dorst is; hij zal wel weten en ondervinden wat kracht dat helsche vuur heeft, waarin en waardoor hij duizenden, millioenen jaren, ja gedurende de eindelooze eeuwigheid in ziel en lichaam, in al zijne zintuigen en ledematen zal gefolterd worden; dan, dan, B. B., zal hij wel weten en ondervinden, doch helaas! lo laat, wat de doodzonde is, wijl deze en deze alleen de oorzaak is van zijn eeuwig ongeluk.

-ocr page 447-

— 37 —

SLUITREDE.

Uit hetgeen ik liier kom te zeggen over de straffen en liet verlies door de doodzonde veroorzaakt, kunnen wij genoegzaam besluiten, hoe groot kwaad de doodzonde is; dat allen die ze bedrijven, vijanden en aartsvijanden zijn van hunne ziel: Ilostcs sunt animce sucv. (i) Wij kunnen er ook uit besluiten hoe waar het antwoord van den Catechismus is op de vraag: Hoe moeien wij ten opzichte van de doozonde gesteld zijn? Wij moeten de doodzonde haten en verfoeien hoven alle kwaad, en haar vluchten met de allergrootste zorg.

Ja, li. B., tot dat heilzaam besluit moeten wij allen komen, en daarom, denken wij dikwijls aan de afgevallen engelen, die om de doodzonde in duivelen veranderd zijn; aan Adam en Eva, die met gansch hun nakomelingschap om de doodzonde zoo streng gestraft zijn; aan Jesus-Christus, den Zoon Gods, die om ons te verlossen, om voor onze zonden te voldoen, zooveel geleden heeft, den schande - en pijnlijken dood des kruises gestorven is. Denken wij aan den hemel, dien men er door verliest, aan de eeuwige pijnen en folteringen der hel, die men er door inloopt, om niet te laat het verlies des hemels en de pijnen en folteringen der hel te moeten ondervinden. Amen.

if ■ #

II

: i\'- \'^i f M

\' I

IÉ! i

wh

-■quot;ill : 5 !

\' \'TijV jj

uM

■m

!4

: ■: rl

■l\'i

(i) TOB. xii, 10.

P

■1;\'

Tl\'S i | É

■ viii

-ocr page 448-

VIERDE ONDERRICHTING

OVER DE DAGELIJKSCHE ZONDE

Qui spermt modica paulatim decidet.

Die de kleine zaken veracht zal langzamerhand vallen. (Eccl. xix, i.)

INHOUD.

VOORREDE.

Na over de doodzonde, hare boosheid en hare gevolgen gesproken te hebben, gaan wij over de dagelijksche zonde spreken.

VERDEEUNÖ.

I. Wat is dagelijksche zonde?

II. Wat kwaad doet ons de dagelijksche zonde?

I.

Dagelijksche zonde is eene zonde zoo gedaan tegen de wet Gods, dat zij de goddelijke liefde niet wegneemt, maar alleen tot eenige tijdelijke pijn verbindt.

-ocr page 449-

Do doodzonde doodt de ziel, de dagelijksche zonde niet. Zij wordt dagelijksche zonde genoemd, omdat de mensch er dikwijls in valt. De dagelijksche zonde in zich beschouwd, is geene kleinigheid, wijl zij eene beleediging van Qod is. Wanneer bedrijft men dagelijksche zonde?

II.

Wat kwaad doen ons de dagelijksche zonden?

1° Zij doen ons in de liefde Gods verflauwen;

2° Zij maken ons gereed tot meerderen val;

3° Zij verbinden ons tot tijdelijke straffen.

SLUITREDE.

Om te beseffen welk groot kwaad de dagelijksche zonde is, moet men weten en overwegen, dat elke dagelijksche zonde, hoe klein ook, altijd eene beleediging is van den driewerf Heiligen God. Bijaldien wij evenals de Heiligen over die waarheid goed nadachten, wij zouden evenals zij de dagelijksche zonde haten en verfoeien, en vluchten met de grootste zorg.

Geschiedenis van de HH. Firmus en Aloysius.

-ocr page 450-

VIERDE ONDERRICHTING

OVER DE DAGELIJKSCUE ZONDE

Qui spernit modica pmiïatim decidet.

Die de kleine zaken veraclit zal langzamerhand vallen. (Eccl. xix, i.)

VOORREDE.

Na over de doodzonde, het grootste van alle kwaad, hare afschuwelijke boosheid en hare noodlottige gevolgen gesproken te hebben, gaan wij thans over de dagelijksche zonde en hare gevolgen spreken. Er zijn menschen, B. B., die zich wel is waar voor de doodzonde wachten; maar die er zich weinig aan laten gelegen liggen, eene of meer dagelijksche zonden te bedrijven. Ik zal daarom niet verloren gaan, denken zij. Hoe slecht en dwaas dergelijke personen redeneeren, zal blijken uit de volgende onderrichting over de dagelijksche zonde. Wij zullen dus zien:

I. Wat dagelijksche zonde is;

II. Wat kwaad ons de dagelijksche zonde doet.

I.

De Catechismus vraagt:

Wat is de dagelijksche zonde?

Eene zonde zoo gedaan tegen de wet Gods dat zij nogtans de goddelijke liefde niet wegneemt, maar alleenlijk tol eenige tijdelijke pijn verbindt.

De doodzonde neemt de goddelijke liefdo of de heiligmakende genade die het leven der ziel is, weg, en daarom wordt zij

-ocr page 451-

doodzonde genoemd, zij doodt do ziel; doch de dagelijksche zonde, ja alle dagelijksche zonden te zaïnen, nemen de goddelijke liefde niet weg en dooden bijgevolg de ziel niet.

Die zonde wordt dagelijksche zonde genoemd, wijl de mensch er dikwijls, niet zelden dagelijks invalt. Septies cadit Justus: (l) de rechtvaardige valt zevenmaal, zegt de H. Schrift, doch hij houdt daarom niet op van rechtvaardig te zijn. Hij verliest dus de heiligmakende genade niet. Ook staal hij wederom op: Et resurgit. Wij allen misdoen in vele zaken: In multis offen-dimus omnes. (2) Bijaldien iemand zegt, dat hij geene zonde heeft, hij is een leugenaar, en de waarheid is niet in hem: Mcndax est et Veritas in hoe non est. (3)

Alhoewel de dagelijksche zonde eene kleine zonde is in vergelijking met de doodzonde, nochtans, in zich beschouwd is zij geene kleinigheid: integendeel, uit hare natuur is zij na de doodzonde het grootste kwaad, d. i., een grooter kwaad dan alle natuurlijke rampen, die wij ook kwaad noemen, te zamen. De voornaamste reden er van is, omdat zij eene beleediging is van de opperste majesteit Gods. Vandaar dat het nooit geoorloofd is, om eenig goed te doen of eenig kwaad te beletten, eene dagelijksche zonde te bedrijven, zelfs de kleinste niet. Luistert hoe de H. Anselmus zich daarover uitdrukt: Al zoude de gansche wereld te gronde gaan, zegt hij, al zouden vele, ja oneindig veel werelden met al wat zij bevatten te niet gaan; toch zoude eenieder dat eerder moeten toelaten, dan door de kleinste zonde God te vergrammen.

Tot doodzonde worden, gelijk wij gezien hebben, twee zaken vereischt: vooreerst, dat men Gods wet wetens en willens overtrede, d. i., met volle kennis en met volle toestemming; vervolgens, dat men Gods wet overtrede in eene merkelijke zaak. Overtreedt men de wet Gods, maar niet met volle kennis of niet met volle toestemming in het kwaad, of enkel in eene

(1; Puov. XXIV, 16. (2) JAC. lil, 2. (3) I. JOAN. II, 4.

-ocr page 452-

— 42 —

geringe zaak, dan bedrijft men slechts eene dagelijksche zonde. Iemand, bijv., zoude iets doen dat in zicli beschouwd, groote zonde is, maar hij zoude half slapende zijn; een ander zoude eene zware bekoring hebben, en in \'t bestrijden dier bekoring zoude hij wat traag zijn; een derde zoude eene kleine leugen spreken, zonder groote oneer van God of schade van den even-mensch; in al die gevallen bedrijft men slechts dagelijksche zonde.

Gelijk alle doodzonden niet even groot zijn, en bijgevolg niet even zwaar zullen gestraft worden; zoo ook zijn alle dagelijksche zonden niet even groot, en zullen zij niet even zwaar gestraft worden. Doch zien wij in ons tweede punt wat kwaad ons de dagelijksche zonden doen.

II.

De Catechismus vraagt:

Wat kwaad doen ons de dagelijksche zonden? En hij antwoordt:

Ten eerste, zij doen ons in de liefde Gods verflauwen; ten tweede, zij maken ons gereed tot meerderen val; ten derde, zij verbinden ons tot tijdelijke straffen.

De dagelijksche zonden doen ons in de liefde Gods verflauwen, d. w. z., zij zijn do oorzaak, van den eenen kant, dat wij God zoo vurig niet meer beminnen, en van den anderen kant, dat God ons zoo teeder niet meer bemint. Gelijk het een teeken is dat een kind, hetwelk in alles, zelfs in de kleinste zaken den wil zijns vaders doet, zijn vader teeder bemint, en deze op zijne beurt juist daarom ook zijn kind zeer liefheeft; zoo is het ook een teeken dat de mensch, die zelfs de dagelijksche zonde zorgvuldig vlucht. God vurig bemint, en God zal dien mensch op zijne beurt ook bijzonder lief hebben; doch gelijk een kind, dat de kleine bevelen zijns vaders overtreedt, toont dat het zijn vader niet vurig bemint, zoo zal de vader dat kind ook niet op eene bijzondere wijze beminnen. Hetzelfde

-ocr page 453-

moot gezegd worden van den menscti, die zich aan dagelijksche zonden schuldig maakt; hij bemint God wel, maar hij bemint Hem niet met eene vurige liefde; God bemint hem ook nog, maar niet op eene bijzondere wijze.

De dagelijksobe zonden maken ons gereed tot meerderen val. Zij zijn de oorzaak, dat men meer en grootere dagelijksche zonden bedrijft, en niet zelden, dat men in doodzonde valt. Immers, zij verminderen de vurigheid der liefde, den afschuw voor de zonde en de vrees des Heeren. Ook verminderen zij de dadelijke genaden die de mensch noodig heeft, om de zonde te vluchten; want de dadelijke genade is eene bovennatuurlijke hulp, die God\' hem verleent, om eenig goed te doen of eenig kwaad te vluchten, op het oogenblik, bijv., dat hij een lastigen plicht te vervullen, of eene zware bekoring te overwinnen heeft. Gij begrijpt nu gemakkelijk, hoe zeer de mensch die bovennatuurlijke hulp noodig heeft. Uit zich zeiven is hij zwak, de vijanden zijner zaligheid zijn sterk; hoe zal hij nu zijne vijanden overwinnen zonder de dadelijke genade? Zal hij niet dikwijls bezwijken in de bekoringen en zoo in doodzonde vallen? En zegt niet: quot;t was de schuld van God; God heeft hem met zijne genade niet bijgestaan. God, B. B., was daartoe niet verplicht, e.n de zondaar heeft door zijne eigen schuld, door de dagelijksche zonden die hij bedreven heeft, zich de dadelijke genade onwaardig gemaakt. Integendeel, zoo wij God getrouw dienen, en zelfs zoo zorgvuldig mogelijk de dagelijksche zonden vermijden, dan mogen wij ons gerust stellen. God, die de beste der vaderen is, zal zijne kinderen bijstaan, in welke omstandigheden zij zich ook bevinden. Getuigen dezer waarheid de Martelaren, die aan zooveel en zoo groote gevaren blootgesteld, door God zijn geholpen geworden. Door de dadelijke genade gesterkt, hebben zij de vijanden hunner zaligheid overwonnen, moedig hun bloed vergoten en hun leven voor Jesus-Christus ten beste gegeven. Dat de dagelijksche zonden den mensch

-ocr page 454-

_ 44 —

gereed maken tot meerderen en grooteren val, leert ons ook de H. Schrift; Die de kleine zaken veracht, zegt zij, zal langzamerhand vallen: Qui spernit rnodica paulatim decide!,, (i) Niemand wordt eensklaps een groote heilige, maar niemand wordt ook eensklaps een groote zondaar, een goddelooze. Evenals een dief doorgaans niet de eerste maal eene groote som steelt, maar eerst met kleinigheden begint; zoo ook bedrijft de mensch doorgaans niet eensklaps eene groote en afschuwelijke zonde, maar hij komt er gewoonlijk toe door eerst dagelijksche zonden te bedrijven. Ondervraagt u zeiven, en door eigen ondervinding geleerd, zult gij de waarheid van deze woorden moeten bekennen.

Door de dagelijksche zonden voor kleinigheden aan te zien, vermindert ook nog de afschuw voor de doodzonden, en men valt er in.

De dagelijksche zonden verbinden ons tot tijdelijke straffen. Ik zeg lijdelijke, omdat zij niet eeuwig of zonder einde duren, gelijk die der hel, maar slechts eenigen tijd, bijv., een dag, week of maand; hier in dit leven of hiernamaals in \'t Vagevuur. God straft reeds dikwijls in dit leven de dagelijksche zonden. Men wordt soms ongeduldig, en men vraagt zich met verwondering af; maar waarom toch al die kruisen en wederwaardigheden? Waarom die ongelukken in mijn huisgezin, die tegenspoed in mijne ondernemingen? B. B., denken wij dan al eens aan onze dagelijksche zonden, waardoor wij nog meer en grootere straffen verdiend hebben. Vergeten wij ook niet dat God ons die straffen overzendt tot ons welzijn, opdat wij in ons binnenste zouden treden, ons voor de toekomst van de zonden wachten en de reeds bedrevene zouden uitboeten. God strait in dit leven reeds dikwijls de dagelijksche zonden streng en zeer streng. Moses mocht het beloofde land niet binnen gaan; alleen was het hem toegestaan hetzelve van verre te

(i) ECCL. XIX, 1.

-ocr page 455-

— 45 —

aanschouwen. En waarom denkt gij dat Moses zoo streng gestraft werd? Omdat hij bij het slaan of) de rots, waaruit God beloofd had water te doen vloeien, een weinig gewantrouwd had. De vrouw van Loth werd in eene zoutzuil veranderd, omdat zij uit nieuwsgierigheid omgezien had. Vijftig duizend Bethsamieten werden met den dood gestraft, wijl zij uit nieuwsgierigheid de Ark des Verbonds aangezien hadden. Doch dat de dagelijksche zonden geene kleinigheden zijn, blijkt vooral uit de straffen, waarmede God ze hiernamaals treft; ik bedoel hier, B. B., de pijnen des Vagevuurs. Die pijnen overtreffen alle pijnen dezer wereld. De ziel van den rechtvaardige, die zoo vurig verlangt van zich met God te vereenigen, wordt door eene onzichtbare hand tegen gehouden; ook moet zij door het vuur van hare vlekken gezuiverd worden. En hoe lang zal die ziel in het vagevuur moeten branden? Tot dat zij geheel en al voldaan heeft aan de goddelijke Rechtvaardigheid, en te recht mag men veronderstellen, dat er zielen zijn, die jaren en jaren lang in het vagevuur zullen moeten branden.

SLUITREDE.

Wij hebben gezien, B. B., wat dagelijksche zonde is en welk kwaad zij ons veroorzaakt. Doch wij moeten vooral weten en overwegen, dat elke dagelijksche zonde, hoe klein ook, eene beleediging is van den driewerf heiligen God. Van dat standpunt uit beschouwden de Heiligen de boosheid der dagelijksche zonde, en zij streken er een geheel ander oordeel over dan zoo vele lauwe Christenen doen, die weinig zaak maken van de dagelijksche zonde, en het nauwelijks de moeite waard achten van er een oprecht berouw over te verwekken. Neen, B. B., zoo handelden de Heiligen niet. Een H. Bisschop met name Firmus, zoo verhaalt ons de H. Augustinus, wilde liever sterven dan te liegen om bestwil. De H. Firmus had uit liefde en medelijden een mensch bij zich verborgen, die op bevel dos

: ff m

rsfi

MP*

i ; .. t.quot; 4

|w

tl

, |l; -

■ .-rf?

• In! MW

r.

v\'VxM

■ii

lil li®!

\' ^*■1 ari

-ocr page 456-

keizers ter dood gebracht moest worden. De bevelhebbers des keizers vermoedende dat de Bisschop dien man verborgen had, gingen naar hem toe en vroegen hem, waar de man was. Wat antwoordde de Bisschop? Ik weet het niet. Ofwel: Ik heb hem niet gezien; ik heb hem niet verborgen. Volstrekt niet, B. B., dan loog hij, en hij wilde niet liegen, zoo grooten afschuw had hij zelfs van die dageiljksche zonde. Hij zeide tot de afgezanten; Ik zal op uwe vraag niet antwoorden, want ik mag niet liegen, en ik mag u den man dien gij zoekt, niet ontdekken. De H. Firmus werd gevangen genomen en op de pijnbank geworpen, ja, hij werd met den dood bedreigd zoo hij den man niet ontdekte. Ik mag lijden en sterven, sprak de H. Bisschop, doch ik mag niet liegen, noch mijnen naaste verraden. Daarop werd hij voor den keizer gebracht. Deze bewonderde de deugd en de standvastigheid van den H. Bisschop zoodanig, dat hij hem niet alleen op vrije voeten stelde, maar om zijnent wille ook nog genade schonk aan den man, dien de Bisschop verborgen had. Ziedaar, B. B., wat een Heilige liever wilde lijden dan eene dagelijksche zonde te bedrijven.

De H. Aloysius, zoo wordt ons in zijne levensgeschiedenis verhaald, had zicli slechts twee kleine fouten te verwijten, die hij kind zijnde bedreven had. Die kleine zonden nu waren het voorwerp van zijn berouw en zijne boetvaardigheid, zoo lang hij leefde. Toen hij die zonden nauwelijks acht jaren oud biechtte, viel hij in onmacht, zoozeer was hij er van droefheid over aangedaan. B. B., volgen wij de Heiligen zooveel mogelijk na; vluchten wij niet alleen de doodzonde, maar ook de dagelijksche zonde; doen wij over onze bedrevene zonden boetvaardigheid, en wij zullen er, althans hiernamaals, de droevige gevolgen niet van moeten ondervinden. Amen.

-ocr page 457-

VIJFDE ONDERRICHTING

OVER DE HOOFDZONDEN HOOVAARDIGHEID EN GIERIGHEID

Odibilis coram I)co est et hominibus superbia.

De hoovaardigheid ia liatelijk bij God on bij do menschen.

(Eool. x, 7.)

INHOUD.

VOORREDE.

Na over de zonde in \'t algemeen, en over de dood - en dagelijksche zonden in \'t bijzonder gesproken te hebben, gaan wij thans over de hoofdzonden spreken. Er zijn zeven hoofdzonden, zoo genoemd, omdat zij gelijk oorsprongen en beginselen zijn van vele andere zonden. De zeven hoofdzonden zijn; hoovaardigheid, gierigheid, onkuischheid, nijd, gulzigheid, gramschap en traagheid.

VERDEKUNG.

I. Wat is de hoovaardigheid?

II. Wat is de gierigheid?

-ocr page 458-

I.

De hoovaardigheid is eene ongeregelde begeerte naar persoonlijke verhevenheid, zoodat de mensch zich meer acht dan hij inderdaad is.

Gevolgen der hoovaardigheid: ijdelheid in gedachten, woorden en levenswijze, huichelarij en ongehoorzaamheid, koel - en barschheid, heerschzucht, twist en tweedracht, ondankbaarheid, afgunst en wreedheid, ongelool en ketterij, eindelijk haat tegen God.

De ootmoedigheid staat tegenover de hoovaardigheid.

Middelen tegen de hoovaardigheid: het gebed, zich /.elven en zijne gebreken kennen, denken dat wij van ons alleen niets dan fouten en gebreken hebben, weten dat de hoovaardige gehaat wordt van God en van de menschen, het voorbeeld en de leering van Christus.

II.

De gierigheid is eene ongeregelde begeerte naar tijdelijk goed. Gevolgen der gierigheid: vergetelheid van God, onbarmhartigheid, leugen en bedrog, en alle slag van onrechtvaardigheid.

De milddadigheid staat tegenover de gierigheid.

Middelen tegen de gierigheid: gelooven aan Gods voorzienigheid, werken van milddadigheid verrichten, denken aan de kortheid des levens.

SLUITREDE.

Nabuchodonosor, Judas, de rijke dame.

-ocr page 459-

— 49 —

VIJFDE ONDERRICHTING

OVER DE HOOFDZONDEN HOOVAARDIGHEID EN GIERIGHEID

Odihilis coram Deo est ct hominihus super bia.

De hoovaardigheid is hatelijk bij God en bij do mensohen.

(Eocij. x, 7.)

VOORREDE.

Na over de zonde in \'t algemeen, en over de doodzonde en de dagelijksche zonde in \'t bijzonder gesproken te hebben, gaan wij thans spreken over de verschillende soorten van zonde. Wij zullen eerst handelen over de\'hoofdzonden. De Cathechismus vraagt;

Welke heet men hoofdzonden? En hij antwoordt:

Die gelijk oorsprongen zijn en beginselen van vele andere zonden.

De hoofdzonden zijn niet altoos doodzonden, zij zijn soms ook dagelijksche zonden, volgens dat zij min of meer strijden tegen de eer van God, of het welzijn van den evennaaste.

Hoeveel hoofdzonden zijn er?

Zeven: 1, hooveerdigheid; 2, gierigheid; 3, onkuischheid; 4, nijd; 5, gulzigheid; 6, gramschap; 7, traagheid.

Bij het verhandelen der hoofdzonden, zullen wij tevens de voornaamste zonden opnoemen die er uit voortspruiten; vervolgens, de deugden die er tegenover staan; en eindelijk de voornaamste middelen om die zonden te vermijden. Vandaag zullen wij zien:

I. Wat do hoovaardigheid;

II. Wat de gierigheid is.

Gbloofs - en Zedenleer. 5lt;ie Deel. 4.

-ocr page 460-

I.

Wat is de hoovaardigheid? De hoovaardiglieid is eene ongeregelde begeerte naar persoonlijke verhevenheid, zoodat de mensch zich meer acht dan hij inderdaad is.

De hoovaardigheid bijgevolg bestaat niet, gelijk sommigen meenen, in deftig, zelfs rijk gekleed te zijn. Dat de mensch zich deftig gedraagt, is zelfs aan te prijzen, eenieder moet ook volgens zijnen staat gekleed gaan; maar de hoovaardigheid bestaat hierin, dat de mensch zich meer acht dan hij wezenlijk is. Vandaar ook dat hij zich boven, anderen verheft, hun de verschuldigde eer en achting weigert, zich aan niemand wil onderwerpen, ieder van zijnen wil wenscht afhankelijk te maken en inwendig veracht; ja, hij gaat soms in zijne uitzinnigheid zoo ver, dat hij evenals Lucifer God de verschuldigde eer weigert en tegen Hem opstaat.

Uit de hoovaardigheid komen talrijke en dikwijls afschuwelijke zonden voort, als zonden van ijdelheid in gedachten, wanneer men inwendig te veel met zich op heeft; in woorden, en vandaar dat grootspreken; in levenswijze, door, bijv., boven zijnen staat gekleed te gaan en te leven; zonden van huichelarij, door zich uit te geven voor hetgeen men inderdaad niet is, als buitengewoon geleerd, deugdzaam en godvruchtig; zonden van ongehoorzaam - en wederspannigheid aan ouders en oversten; zonden van koel - en barschheid jegens onderdanen en dienstboden; zonden van heerschzucht, om namelijk over anderen bevel te voeren; zonden van twist en tweedracht, gelijk de dagelijksche ondervinding maar al te duidelijk leert; zonden van ondankbaarheid, van afgunst en wreedheid, hetgeen blijkt uit den koning Herodes, die om den Zaligmaker te treffen., de onnoozele kinderen deed vermoorden; eindelijk, zonden van ongeloof en ketterij. Waarom worden er hedendaags zoo veel ketters gevonden? Waarom verliezen er zoo velen het geloot?

-ocr page 461-

Omdat zij zich uit hoovaardigheid niet willen onderwerpen aan de leering der H. Kerk.

Dat do hoovaardigheid de bron is van allerlei nieuwigheden, bijzondei\' in de kleederdracht, weet eenieder.

Wanneer men nu de zonde van hoovaardigheid en de andere zonden die er uit voortvloeien, wel nagaat, is het dan te verwonderen, ik vraag liet u, dat de hoovaardigheid gehaat wordt door God en door de menschen? dat de H. Geest de hoovaardigheid noemt liet beginsel van alle zonde? Initium omnis peccati superbia, (l) en dat God den hoovaardigen wederstaat? Deus superbis rcsistü. (2)

Tegenover de hoovaardigheid staat de ootmoedigheid, doch over di(} deugd later.

Welke zijn nu de voornaamste middelen om de hoovaardigheid te vermijden en de ootmoedigheid te bekomen?

1° Een algemeen middel is het gebed. Vraagt, zegt God, en gij zult verkrijgen: Petite el acoipietis. (8) Voorzeker, om de zonde te vluchten en de deugd te oefenen, hebben wij Gods genade noodig, en die genade zullen wij bekomen door het gebed;

2° Zich zeiven en zijne gebreken kennen, goed nadenken wat men van zich zeiven is en heeft. Over eenige jaren bestond ik niet; God heeft mij geschapen; waardoor heb ik verdiend dat ik meer bekwaamheid, meer gold en goed heb dan een ander? God heeft mij die talenten gegeven; ik kon ook evenals zooveel anderen uit arme ouders geboren zijn. Wat de verdiensten betrelt die wij vergaderen voor den hemel, daarin moet God op de eerste plaats medewerken met zijne genade, want zonder Hem kunnen wij niets voor den hemel: Sine me nihil potestis facere. (4) Wat hebben wij dan van ons zeiven? God heeft ons geschapen; Hij heeft ons met weldaden én in de orde der natuur, én in de orde der genade, overladen; wij zijn dus alles

(i) Eccl. x, 15, (2) Jac. iv, G. \\i] Joan, xvi, 24. (4; Joan, xv, 5.

-ocr page 462-

— 52 —

aan God verschuldigd. Hebben wij dan volstrekt niets van ons zeiven? Ja wel, B. B., maar dat is juist waarom wij ons moeten vernederen in plaats van ons te verheffen, want hetgeen wij van ons zei ven alleen hebben, en waarin God geen deel heeft, zijn onze fouten, gebreken en zonden. Ziedaar ons werk; kunnen wij daarop fier zijn? Moeten wij ons daarover verhoovaardigen?

3° Weten en er wel van overtuigd zijn, dat de hoovaardige gehaat wordt van God en van de menschen;

4° Overwegen de woorden van onzen Goddelijken Zaligmaker, zijne voorbeelden en die der Heiligen navolgen. Discite a me quia mitis sum el humilis corde. (i) Ziedaar, B. B., wat de hoovaardigheid is, en welke zonden er vooral uit voortvloeien; welke deugd tegenover de hoovaardigheid staat, eti welke middelen men moet aanwenden om ootmoedig te zijn. Zien wij in ons tweede punt wat de gierigheid is.

H.

Wat is de gierigheid? Do gierigheid is eene ongeregelde begeerte naar tijdelijk goed. Ik zeg ongeregelde begeerte, want gematigd zorg dragen voor zijne tijdelijke zaken, spaarzaam zijn, zijn geld en goed niet verkwisten, ten einde deftig dooide wereld te kunnen komen, dat is, in plaats van af te keuren, prijzenswaardig; maar de gierigaard bemint het geld en goed meer dan het verdient bemind te worden. De gierigaard is de bewaarder en niet de bezitter van zijne schatten en rijkdommen; hij is de slaaf en niet de meester van zijn geld en goed; hij bewaart het met zoo groote onrust, met zulk een overdreven zorg, dat hij zelfs bang is dat men het aanraakt.

De gierigaard is zoo lang hij leeft, voor niemand goed, zegt de H. Bonaventura, maaralleen als hij sterft: dan nemen de duivelen zijne ziel, de wormen zijn lichaam, en de erfgenamen zijne schatten.

(i) Matth. xi, 29.

-ocr page 463-

— 53 —

Do gierigheid, in plaats van met de jaren te verminderen, neemt immer toe, zoo dat liet spreekwoord waar is: Hoe ouder hoe gieriger.

De gierigheid, B. B., is de bron van vele zonden; zonden van vergetelheid Gods; de gierigaard is zoo zeer op het geld en goed gespannen, dat hij God uit zijne gedachten verliest; zonden van onbarmhartigheid jegens den arme; vandaar de tranen der weezen, zegt de H. Basilius, de verzuchtingen der weduwen en der verdrukte armen. Do gierigaard is ook onbarmhartig, ongevoelig jegens zich zeiven; hij durft soms niet eten, noch drinken, uit vrees dat zijn geld of goed vermindere; ja, menig gierigaard is uit gebrek omgekomen; doch hij is vooral ongevoelig voor zijne ziel, hij zoude zijne eenige onsterfelijke ziel zelfs willen verkoopen. De H. Geest zegt het uitdrukkelijk. De gierigaard, zegt Hij, heeft zijne ziel veil: Ilic enim unirnam suam venalern habet-, (l) zonden van leugen en bedrog, van allerlei onrechtvaardigheid, \'t Is ongehoord, als men nadenkt, aan welke zonden van onrechtvaardigheid de gierigaard zich schuldig maakt; hij brengt zijn leven door iu die zonde, wijl hij de schade die hij veroorzaakt, niet vergoedt; het geld en goed dat hij onrechtvaardig bezit, niet terug geeft. Vandaar ook dat de gierigaard zich zoo moeielijk bekeert. De H. Basilius vreest niet te zeggen, dat de gierigheid de hel met verdoemden vervult.

Tegenover de gierigheid staat de deugd van milddadigheid. Docli welke zijn de middelen tegen de gierigheid?

1° Gelooven aan — en betrouwen op de voorzienigheid Gods;

2° Dikwijls de deugd van milddadigheid oefenen, door naar vermogen goede werken te verrichten, bijzonder door dikwijls aalmoezen onder de armen uit te deelen. Maakt u vrienden, zeide Jesus, van den Mammon der ongerechtigheid, d. L, van

(i) Eccl. x, 10.

-ocr page 464-

— 54 —

het geld, opdat zij u na den dood in de eeuwige woningen, d. w. z., in den hemel ontvangen; Ut cum defeceritis reci-piant vos in ceterna tabernacula. (i)

3° Een bijzonder goed middel tegen de gierigheid is te denken, dat het leven van den mensch van korten duur is, en dat wij na den dood noch geld, noch goed zullen medenemen. Alles moet hier blijven om verdeeld te worden onder de erfgenamen. En wat gebeurt er niet zelden met het geld of goed, door den gierigaard ten koste van zijne ziel en zaligheid met zooveel moeite verzameld en achtergelaten? Dat het binnen korten tijd door een verloren zoon of door verkwistende erfgenamen verteerd is. Ziedaar wat niet zelden plaats heeft.

SLUITREDE.

Dat God dikwijls den hoovaardige en den gierigaard voorbeeldig straft, blijkt uit verschillende personen.

4

Nabuchodonosor, B. B., was een der grootste en machtigste koningen: alle volkeren sidderden en beefden voor hem. Toen verhief Nabuchodonosor zich op zijne grootheid en ging in zijnen hoogmoed zoo ver, dat hij, in plaats van den Allerhoogste de eer te geven die Hem toekomt, zich zeiven de goddelijke eer aanmatigde. De straf daarvoor bleef niet lang uit. Toen Nabuchodonosor zekeren dag uil zijn paleis het rijke Babyion overzag, sprak hij: Is dat niet Babyion, de groote stad, die ik gebouwd heb tot zetel van mijn koninkrijk in de grootheid mijner macht en tot roem mijner heerlijkheid? En nauwelijks had hij aldus gesproken, of er klonk eene stem uit den hemel: Aan u wordt gezegd, koning Nabuchodonosor, uw koningschap wordt u ontnomen, en men zal u uit het gezelschap der menschen verstoeten, en bij de dieren zal uwe woning zijn: gelijk het rund zult gij gras eten, en zeven jaren zullen over u heengaan, totdat gij erkent dat de Allerhoogste heerscht over

(i) Luc. xvi, 9.

-ocr page 465-

het rijk der menschen, en dat Hij het geeft aan wien Hij wil. Op hetzelfde oogenblik werd het vonnis uan dien hoovaardigen koning voltrokken. Nabuchodonosor beelde zich in zijne waanzinnigheid in dat hij een dier was, hij ontvluchtte de samenleving der menschen en verwilderde zoodanig, dat hij evenals een os gras at. Toen erkende hij de macht van den Allerhoogste, vernederde zich voor God en deed boetvaardigheid over zijne zonden.

Hoe streng de gierigaard gestraft wordt, blijkt uit Judas, die uit geldzucht zijnen Heer en Meester voor dertig zilverlingen verried, in wanhoop verviel en zich zeiven om \'t leven bracht.

Doch ziehier, B. B., eene andere geschiedenis. Aan de inwoners van Posen werd zekeren dag door den vijand eene zeer groote brandschatting opgelegd, die zij niet in staat waren te betalen. In hunne stad echter woonde eene rijke dame, die zoo veel geld had, dat zij alleen, zonder zich veel te benadeelen, de gansche schatting kon betalen. De arme burgers namen nu tot die rijke dame hunne toevlucht en smeekten haar zoo goed te zijn van hen bij te staan. Die smeekingen werden herhaald, doch te vergeefs. De onbarmhartige sloot zich op, en niemand zag haar meer. Als zij eindelijk te lang vermist werd, zocht men haar op, en men vond haar in een kelder; daar zat zij voor eene geldkist met het oog op de geldstukken gevestigd, maar de gierige en onbarmhartige dame was dood. B. B., ik zoude u nog meer andere geschiedenisssen van denzelfden aard kunnen verhalen, doch ik geloof dat vermelde voldoende zullen zijn, om ons eenen afschuw in te boezemen voor de hoovaardigen gierigheid. Wachten wij er ons dus van, en volgen wij onzen goddelijken Zaligmaker en de Heiligen na, die allen naar zijn voorbeeld ootmoedig en milddadig geweest zijn. Anim.

-ocr page 466-

ZESDE ONDERRICHTING

OVER DE HOOFDZONDEN ONKUISCHHEID, NIJD EN GULZIGHEID

Attendite vobis, ne forte graventur corda vestra in crapula et ebrietate.

Lot op u, opdat uwe harten niet bezwaard worden door overdaad en dronkenschap.

(LüC. XXI, 31.)

INHOUD.

VOORREDE.

Na de twee eerste hoofdzonden tie hoovaardig - en gierigheid uitgelegd te hebben, zullen wij zien:

VERDEELING.

I. Wat de onkuischheid;

II. Wat de nijd;

III. Wat de gulzigheid is.

I.

De onkuischheid is eene ongeregelde begeerte naar vleeschelijke wellusten. Gevolgen der onkuischheid: afkeer van-en haat tegen God, afkeer van het gebed, liet woord Gods en de II. Sacramenten, verblindheid des geestes en verstoktheid des harten.

-ocr page 467-

vrees voor de toekomst, een vroegtijdige en schandelijke dood, niet zelden vergezeld van de wanhoop.

De zuiverheid staat tegenover de onkuischheid.

Middelen tegen de onkuischheid:

1° Vluchten de gelegenheid tot die zonde;

2° Zich wachten voor de ledigheid en onmatigheid;

3° Do oogen goed bewaren;

4° De Allerheiligste Maagd Maria bidden;

5° Tot de H. Sacramenten naderen.

II.

De nijd is eene ongeregelde droefheid over het goed van een ander, dat men beschouwt als zijn eigen kwaad.

De nijd is eene duivelsche zonde.

Gevolgen van den nijd: haat tegen den naaste, gemor tegen de goddelijke Voorzienigheid, achterklap, vreugde over den tegenspoed en droefheid over den voorspoed van den naaste.

De welwillende naastenliefde staat tegenover den nijd.

Middelen tegen den nijd;

1° Overwegen dat hij eene duivelsche zonde is;

2° Dat hij den mensch niet kan baten;

3° Het ongeluk, dat hij den mensch veroorzaakt naar ziel en lichaam.

III.

Do gulzigheid is eene ongeregelde begeerte naar spijs en drank. Aan deze zonde maakt men zich plichtig door te voel, buitentijds en te bogeerig te eten of te drinken, of door te kostbare spijzen en dranken te gebruiken.

-ocr page 468-

Gevolgen der gulzigheid: onrechtvaardigheid, dronkenschap, onzuiverheid, schelden en schimpen, vloeken en godslasteringen, domheid en een plotselinge dood.

De matigheid staat tegenover de gulzigheid.

Middélen tegen de gulzigheid:

1° Vluchten do gelegenheden tot die zonde;

2° Denken aan de nootlottige gevolgen dier zonde, aan den honger en dorst van onzen goddelijken Zaligmaker en van den rijken vrek.

SLUITREDE.

Verschillende geschiedenissen.

-ocr page 469-

ZESDE ONDERRICHTING

OVER DE HOOFDZONDEN ONKUISCHHEID, NIJD EN GULZIGHEID

Attendite vohis, ne forte graventur corda vestra in crapula et ebrietate.

Let op u, opdat uwe harten niet bezwaard worden door overdaad en dronkenschap.

(LUC. XXI, 3i.)

VOORREDE.

Alhoowol alle hoofdzonden schandelijke ondeugden en de beginselen zijn van veel andere zonden, nochtans, men treft er onder aan die den mensch bijzonder met schande overladen en tot de afschuwelijkste misdaden brengen. Die waarheid, B. B., zal blijken uit de onderrichting over de drie volgende hoofdzonden. Wij zullen dus vandaag zien;

I. Wat de onkuischheid;

II. Wat de nijd;

III. Wat de gulzigheid is.

I.

Wat is de onkuischheid? De onkuischheid is eene ongeregelde begeerte naar vleeschelijke wellusten.

Over die schandelijke ondeugd is genoeg gezegd in de verklaring van het zesde en negende gebod. Ziehier de nootlottige gevolgen der onkuischheid. Zij brengt voort: afkeer van-en haat tegen God, afkeer van het gebed, van het woord Gods en van de H. Sacramenten, verblindheid des geestes en verstoktheid des harten, vrees voor het toekomende leven, en eindelijk een

-ocr page 470-

vroegtijdigen en schandelijken dood, niet zelden vergezeld van de wanhoop.

De wellusteling, B. B., weet zeer goed, dat God een bijzonde-ren afikeer van hem heeft, en dat Hij hem om zijne schandelijke zonden eenmaal streng zal straffen; vandaar ook dat hij een afkeer van God heeft en Hem niet zelden haat.

De wellusteling heeft ook een afkeer van het gebed en de andere geestelijke oefeningen; van het woord Gods, waardoor zijn gedrag veroordeeld wordt; van de H. Sacramenten, de Biecht en de H. Communie. Hij bidt en mediteert dus niet; hij hoort, of ten minste hij luistert niet naar de eeuwige waarheden in de onderrichtingen en sermoenen; hij nadert niet tot de H. Sacramenten ofwel, wat helaas! dikwijls het geval is, hij onteert ze bij gebrek aan een goed berouw, wijl hij geen oprecht leedwezen heeft over zijne zonden, en bijzonder, wijl hij geen vast voornemen heeft van zo niet meer te bedrijven, van de naatste gelegenheden, zooals zekere plaatsen of personen, te verlaten of te vermijden.

De wellusteling verliest veel van zijn verstand; ook zoekt hij de stem zijns knagenden gewetens te smoren; hij ziet en luistert schier niet meer, en zoo wordt hij langzamerhand blind en ongevoelig. God en godsdient, ziel en zaligheid, hel en hemel zijn slechts klanken, die geen indruk meer op hem maken; ja, die hij inwendig misschien reeds veracht, en vandaar dat hij soms tot openbare goddeloosheid overslaat.

De wellusteling vreest niets, tenzij hetgeen hem in zijne schandelijke vermaken zou kunnen storen, en vandaar de vrees voor den dood, die er een einde aan zal maken; dood, die hem in weerwil zijner begeerte naar een lang leven, vroegtijdig zal treffen, wegens zijne uitspattingen, waardoor hij zijne gezondheid ondermijnt; dood, des te verschrikkelijker, wijl hij niet zelden vergezeld gaat van de wanhoop.

Tegenover de onkuischheid staat tie schoone deugd van zuiverheid.

-ocr page 471-

Doch zien wij welke de voornaamste middelen zijn legen de onkuischheid. Die middelen, B. B., zijn:

1° Vluchten de gelegenheden tot die zonde;, voortkomende ofwel uit dezen of genen persoon, uit dit of dat huis, uit deze of gene plaats, enz. Zonder dit eerste middel kunnen doorgaans de overige niet haten;

2° Zich wachten voor de ledigheid en de onmatigheid in spijs en drank;

3° Zijne zintuigen en vooral de oogen goed bewaren;

4° De Allerheiligste Maagd Maria bidden, vooral dikwerf drie Wees gegroeten ter cero van de zuiverheid van Maria, om de schoone deugd te bekomen en te bewaren;

5° Dikwijls en waardig naderen tot de II. Sacramenten.

II.

Wat is de nijd? De nijd is eene ongeregelde droefheid over het goed van een ander, dat men beschouwt als zijn eigen kwaad.

Men toont, B. B., dat men vol nijd is, als men niet kan verdragen dat het den naaste goed gaat, dat hij voorspoed heeft in zijne tijdelijke zaken, dat hij deugdzamer is dan anderen.

Het gebeurt soms dat onzen naaste het een of ander geluk overkomt, dat wij ons zelvcn wenschen. Is dat nu een teeken van nijd? Volstrekt niet. Ziehier twee voorbeelden: Twee vrienden ondernemen hetzelfde werk: de eene slaagt en \'wint honderd franken, de andere slaagt niet en wint bijgevolg niets; doch deze laatste wenschte dat hij de winst gemaakt had, in plaats van zijn vriend. Zondigt hij nu door nijd? Neen, B. 1\',., maar hij stelt zich eenvoudig voor zijn vriend, zonder dezen nochtans kwaad te wenschen of zijn geluk te\'benijden.

Een jonge dochter ziet dat hare vriendin veel braver en deugdzamer is dan zij; zij wordt bedroefd dat zij hare vriendin niet gelijkt. Zondigt die jonge dochter nu door nijd? Ook niet, en

-ocr page 472-

— 62 —

die droefheid is zelfs prijzenswaardig, en \'t ware te wenschen dat zij algemeen werd.

De nijd is eeno duivelsehe zonde. Waarom heeft de duivel Adam en Eva in liet aardsch Paradijs bekoord en tot zonde gebracht? Onder anderen, omdat hij hun het geluk benijdde dat zij genoten.

De H. Vaders schilderen deze hoofdzonde en hare verschrikkelijke gevolgen met de helderste kleuren af. De nijd knaagt, zegt de H. Basilius, aan liet hart van den nijdige, gelijk do roest aan liet ijzer, gelijk de worm aan het hout, gelijk de adder aan de ingewanden die haar het aanzijn gegeven hebben.

De zonden die gewoonlijk\' uit den nijd voortkomen, zijn de volgende: haat tegen den evennaaste, heimelijk gemor tegen de goddelijke Voorzienigheid, achterklap, vreugde over den tegenspoed en droefheid over den voorspoed van den evenmensch.

Tegenover den nijd staat de welwillende naastenliefde.

De voornaamste middelen tegen den nijd zijn:

1° Overwegen dat hij eene duivelsehe zonde is;

2° Dat hij don nijdigaard niet kan baten. \'Is uw evenmensch minder gelukkig of deugdzaam, omdat gij hem zijn geld en goed, zijn vooruitgang of zijne deugd benijdt? Zijt gij daardoor gelukkiger of deugdzamer?

3° Dat de nijdigaard zich groot ongelijk aandoet naar ziel en lichaam: vooreerst, naai\' de ziel, wijl hij zich aan talrijke en dikwijls aan groote zonden schuldig maakt; vervolgens, naar het lichaam, wijl hij zijne gezondheid krenkt: de nijdigaard kwijnt weg en droogt als het ware uit van verdriet.

III.

Wat is de gulzigheid? De gulzigheid is eene ongeregelde begeerte naar spijs en drank.

-ocr page 473-

Aan deze zontlc, B. B., kan men zich op verschillende wijzen schuldig maken, bijv., door te veel te eten of te drinken, door buitentijds te eten of te drinken, door spijs\'en drank te gebruiken boven zijn vermogen en staat, door te eten of te drinken met al te groote begeerte, zoodat men spijs en drank als het ware met de oogen verslindt.

Die lage zonde, waardoor de mensch zich aan het redelooze dier gelijk maakt, ja zich soms ver beneden hetzelve stelt, die lage zonde is de oorsprong van veel andere zonden, buitensporigheden en ongelukken: bijv., van de zonde van onrechtvaardigheid ; kleine kinderen bestelen hunne ouders om te snoepen, groote bestelen hen om te drinken. Hoeveel getrouwden verkwisten hun geld en goed, het fortuin van vrouw en kinderen en brengen hen tot armoede en schande? Doch de afschuwelijkste zonde die uit de gulzigheid voortkomt, is de dronkenschap. De dronkenschap is doodzonde als zij volkomen is, zoodat do dronkaard geen onderscheid meer kan maken tusschen goed en kwaad, ofwel, hij herinnert zich later niet meer, wat hij tijdens ezijne dronkenschap gezegd of gedaan heeft; ook als hij buitengewoon zonderlinge zaken verricht, die hij hij zijn vol verstand niet gewoon is te verrichten. De H. Joannes Chrysostomus noemt de dronkenschap vrijwillige waanzinnigheid. Hij zegt dat de dronkaard ellendiger is dan een bezetene; met een bezetene heeft eenieder medelijden, maar de dronkaard wordt verfoeid. De dronkaard is zijn vriend tot walg, zijn vijand tot spot; hij is voor zijne dienaren een voorwerp van verachting, voor zijne vrouw onverdraaglijk, voor allen onuitstaanbaar en verachtelijker dan een redeloos dier. Een dier drinkt slechts zoolang het dorst heeft; de dronkaard daarentegen overschrijdt de juiste maat, en is onredelijker dan hot redelooze dier. En wat nog erger is, voegt de H. Joannes Chrysostomus cr bij: men strijdt met elkander in het drinken, wie zich hot meest onteeren, wie zijne zenuwen liet meest verlammen, zijne krachten het meest

-ocr page 474-

verzwakken, en wie God den Heer het meest beleedigen kan: dat is een echt helsche wedstrijd.

Wat volgt er uit de dronkenschap? Zedenkwetsende taal, en andere zonden tegen de schoone deugd van zuiverheid. Ebriosum nunquam aas turn putcm, zegt de H. Augustinus: Nooit zal ik iemand, die aan den drank verslaafd is, voor een kuischen mensch aanzien.

Wat yolgt er uit de dronkenschap? Scheld-en schimpwoorden, vloeken en godslasteringen, zoo afgrijselijk, dat de haren ten berge rijzen, als men ze hoort. Wanneer tiert en raast, vloekt en lastert die man, die jongeling? Als hij dronken is; in staat van dronkenschap is hij oen duivel in \'t vleesch.

Wat volgt er uit de dronkenschap? twist en tweedracht, vechtpartijen en moorderijen. Wanneer mishandelt die man zijne vrouw en kinderen? Als hij dronken is. Wanneer twist die jongeling met zijnen vader of zijne moeder en verstout hij zich eene heiligschencténde hand uit te steken om zijne ouders te slaan? Als hij dronken is; ja, dan is hij een monster en erkent niets meer.

De dronkenschap brengt ten laatste te weeg domheid en niet * zelden een plotselingen dood in de zonde.

Tegenover de gulzigheid staat de deugd van matigheid.

De voornaamste middelen tegen de gulzigheid en vooral tegen de dronkenschap zijn:

1° Vluchten de gelegenheden, de herbergen en kroegen, want in deze stof wordt bijzonder het spreekwoord bewaarheid: de gelegenheid maakt den dief;

2° De kwade neiging tot den drank in den beginne tegenwerken en volstrekt niet toegeven, want eenmaal aan den drank verslaafd is het te laat;

3° Overwegen de noodlottige gevolgen van de dronkenschap, zoo als de armoede en schande, het verlies van zijn verstand en zijne gezondheid;

-ocr page 475-

4° Denken aan den honger en dorst, die onze goddelijke Zaligmaker voor ons aan het kruis gelden heeft; ofwel aan tien verslindenden honger en brandenden dorst, welke de gulzigaard en dronkaard met den brasser, van wien het Evangelie spreekt, in de hel zal moeten lijden gedurende de eindelooze eeuwigheid.

SLUITREDE.

De gewijde en de ongewijde geschiedenis, B. B., levert ons talrijke voorbeelden, waaruit blijkt, hoe verschrikkelijk de gevolgen zijn van de drie vermelde hoofdzonden.

De II. Schrift verhaalt ons onder anderen, hoe de koning David om de zonde van onkuischheid de verschrikkelijkste straffen over zich zeiven, zijne familie en gansch zijn land getrokken heeft. Hij had een zoon met name Amnion, die om dezelfde zonde door zijnen broeder Absolom tijdens een feestmaal verraderlijk vermoord werd. Salomon, de wijste der koningen, is door dezelfde zonde een afgodendienaar geworden. Of Salomon zich op het einde zijns levens bekeerd heeft, daarover zwijgt de H. Schrift, zoo dat zijne bekeering onzeker is. Zoo maakt dan die schandelijke zonde van den wijsten der koningen een dwaas en uitzinnige.

Caïn sloeg uit afgunst en nijd zijnen broeder Abel dood. Hij kon niet verdragen dat de offerande van zijnen broeder Gode aangenaam was en de zijne niet. De zonen van Jacob verkochten hun jongsten broeder Joseph, want zij konden niet verdragen dat hij om zijne deugd meer dan zij van hunnen vader bemind werd.

De II. Augustinus verhaalt ons een droevig voorval ten gevolge van de dronkenschap. Zeker jongeling Cyrillus geheten, de zoon van een voortreffelijk man, was zeer aan den drank verslaafd; hij bracht dagen en nachten met personen van zijne soort in de herbergen door. Zekeren ilag kwam hij dronken t\'huis, en zocht in de bedwelming van zijne drift zijne eigene

Gki.oofs-bn Zedknlerr. 5de Dkkï.. 5.

-ocr page 476-

zuster tot zonde te brengen; deze echter wilde zich liever laten mishandelen dan in de zonde toe te stemmen. Op het geschrei der mishandelde en gewonde zuster, snelde de vader toe om haar te helpen; doch ziet, vol woede stiet de dronken zoon zijn vader het moordstaal in de borst, deze zonk op don grond neder. Eene andere zuster, die haren vader wilde verdedigen, bezweek ook door een dolksteek van dat monster. Zoodra de H. Augustinus dat verschrikkelijk voorval vernomen had, deed hij het volk verwittigen van naar de kerk te komen, en alhoewel hij dien dag reeds tweemaal gepredikt had, beklom hij al weenende en snikkende den predikstoel om die schromelijke misdaden te verhalen, en zijn volk den grootsten afschrik voor de dronkenschap in te boezemen. Het volk zuchtte, weende en jammerde van hartzeer: het kon niet begrijpen iioe een mensch tot dergelijke buitensporigheden kon overslaan, en hot vreesde dat de bliksems des hemels de stad zouden treffen, die zulk een wangedrocht had voortgebracht. Ziedaar, B. B., hoe diep de mensch kan wegzinken als hij zieb aan den drank verslaafd. Besluiten wij dus van ons wel te wachten van do drie vermelde hoofdzonden; wenden wij daartoe de aangehaalde middelen aan, en nooit of nimmer zullen wij hare noodlottige gevolgen te betreuren hebben. Amen.

-ocr page 477-

r

ZEVENDE ONDERRICHTING

OVER DE HOOFDZONDEN GRAMSCHAP EN TRAAGHEID

Irascimni et nolite peccare.

Wordt kwaad en wilt niet zondigen.

(Ps. IV, u.)

INHOUD.

VOORREDE.

Vandaag zullen wij de twee laatste hoofdzonden op dezelfde wijze als de voorgaande verhandelen.

VERDEELING.

I. Wat is de gramschap?

II. Wat is de traagheid?

I.

De gramschap is eene ongeregelde begeerte naar wraak.

Er bestaat ook eene geregelde en rechtvaardige gramschap over de zonde, en die bijgevolg goed is.

Gevolgen der gramschap: haat en vijandschap, twist en tweedracht, vloeken en godslasteringen, vechtpartijen, verwondingen en soms doodslag: de gramschap ondermijnt ook de gezondheid en is soms de oorzaak van een haastigen dood.

-ocr page 478-

— (38 —

De zachtmoedigheid staat tegenover de gramschap.

Middelen tegen de gramschap:

1° Zich van jongs af cr tegen verzetten;

2° Zich wachten van in gramschap iets te zeggen of te doen;

3° Het voorbeeld van Jesus-Christus en der Heiligen;

4° Denken aan het ongelijk dat men doet.

II.

De traagheid is tweederlei, de lichamelijke en de geestelijke traagheid. De lichamelijke is een afkeer van den arbeid; de geestelijke is eene nalatigheid in den dienst van God en in het werk zijner zaligheid.

Gevolgen van de luiheid; ontevredenheid, oproer, ongebonden-en zedeloosheid.

De arbeidzaamheid staat tegenover de luiheid.

Middel tegen de luiheid: denken dat de luiaard door iedereen veracht wordt.

De lauwe mensch doet doorgaans weinig goeds, en hot weinige dat hij doet, slecht.

Gevolgen der lauwheid: verzuim zijner plichten, onverschilligheid, ongeloof, -wanhoop en onboetvaardigheid.

De ijver in het goede staat tegenover de lauwheid.

Middelen tegen de lauwheid:

1° Denken wat Jesus-Christus en de Heiligen gedaan hebben;

2° Denken dat wij God, den Koning der koningen, dienen;

3° Denken aan de belooning en straf die ons wacht.

SLUITREDE.

Geschiedenis van een oploopenden mensch, geschiedenis van Euprepianus.

-ocr page 479-

ZEVENDE ONDERRICHTING

OVER DE HOOFDZONDEN GRAMSCHAP EN TRAAGHEID

Irascimini et nolite peccare.

Wordt kwaad en wilt niot zondigen.

(Pa. iv, s.)

VOORREDE.

In onze onderrichtingen over de hoofdzonden, B. H., zijn wij aan de twee laatste gekomen, die wij op dezelfde wijze gaan verhandelen, waarop wij de voorgaande verhandeld hebben. Wij zullen dus zien, waarin zij bestaan, welke deugden er tegenover staan, welke hare noodlottige gevolgen zijn, en welke middelen wij moeten gebruiken om ze uit te roeien of te bestrijden. De twee laatste hoofdzonden zijn:

I. De gramschap en II. De traagheid.

I.

Wat is de gramschap? De gramschap is eene ongeregelde begeerte naar wraak.

Aan deze zonde maakt men zich schuldig, als men zich wil wreken over de beleedigingen ons door den evenmensch aangedaan, of die wij meenen ons aangedaan te zijn. Men kan zich zelfs aan groote zonde schuldig maken, namelijk, als men zijn beleediger groot kwaad wil toebrengen. Ook zondigt de grammoedige dikwijls doodelijk door scheldwoorden, vloeken en godslasteringen; ook als hij zich door de gramschap mêe laat slepen, zoodat hij groote ergernis geeft, alles wat hem onder de handen valt, stuk slaat of verbrijzelt. Een heidensch

-ocr page 480-

— 70 —

wijsgeer noemt de gramschap eene korte razernij, en niet zonder reden. Gelijk men een razende erkent aan zijn verwilderd en dreigend gelaat, aan zijn gefronsd voorhoofd, aan zijne onrustige houding en aan zijn haastigen gang; zoo ook erkent men een vergramden mensch: zijne oogen schitteren, zijn aangezicht is rood en vurig, zijn bloed kookt, zijne lippen beven; hij knarsetandt, balt de vuist, stampt met den voet, gansch zijn lichaam is in beweging; waarlijk, een wild dier kan niet gevaarlijker, noch afschuwelijker zijn dan een mensch in de hevigheid zijner gramschap. Met dezelfde kleuren schildert de H. Joannes Chrysostomus den grammoedige af.

Buiten deze slechte gramschap bestaat er eene welgeregelde, rechtvaardige gramschap, en die bijgevolg geen kwaad is. Zij komt voort uit liefde tot God en den naaste, te weten, als men de gramschap als middel gebruikt, om het kwaad te beletten, dat men met zachtmoedigheid niet beeft kunnen beletten. Daarom en op die wijze kunnen en mogen de ouders en oversten zich somtijds vergramd toonen, namelijk, als zij de zonden en buitensporigheden zien, waaraan de kinderen en onderdanen zich blijven schuldig maken, niettegenstaande zij reeds meermalen met goed-en zachtmoedigheid vermaand zijn van zich te betoren. Met die goede en geregelde, die heilige en rechtvaardige gramschap was onze goddelijke Zaligmaker, die overigens de zachtmoedigheid zelve was, bezield, toen Hij te Jerusalem de koopers en verkoopers uit den tempel dreef. Waarom deed hij dat? Omdat zij het huis zijns Vaders onteer-den. Doch in dergelijke omstandigheden moet men zich wel in acht nemen, \'t Is moeilijk gram te worden, zonder zich althans aan dagelijksche zonde schuldig te maken, omdat men zich te licht door de drift laat vervoeren. Vandaar dat de Profeet David zegt: Irasciniini cl nolitc peccarc: (i) Wordt gram en wilt niet zondigen.

(1) Ps. IV, 5.

-ocr page 481-

Dat er uit de gramschap veeL andere zonden voortkomen, en dat zij bijgevolg te recht hoofdzonde genoemd wordt, leert ons, helaas! maar al te duidelijk de droevige ondervinding. De gevolgen der gramschap zijn veel gelijk aan die der dronkenschap, namelijk: haat en nijd, twist en tweedracht, vloeken en godslasteringen, vechtpartijen en verwondingen, ja niet zelden doodslag. Dat de gramschap noodlottig is, niet alleen voor de ziel, maar ook voor het lichaam, leert ons ook de ondervinding. Immers, zij ondermijnt de gezondheid, ja wat meer is, zij is soms de oorzaak van een plotselijken dood.

Tegenover de gramschap staat de deugd van zachtmoedigheid.

Doch welke zijn de middelen tegen de gramschap? De voornaamste middelen zijn:

1° Zich van jongs af tegen die ondeugd verzetten;

2° Zich wachten van iets te zeggen of te doen, op het oogen-blik dat men zich tot gramschap voelt aangezet;

8° Denken aan de voorbeelden van zachtmoedigheid, welke onze goddelijke Zaligmaker ons gegeven heeft. En Jesus nochtans werd op de onrechtvaardigste wijze bespot en gelasterd, vervolgd en mishandeld en eindelijk ter dood gebracht. En wat zeide Hij, hangende aan het kruis? Vader, zeide Jesus met zachtmoedigheid, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen: Pater dimitlc Mis, nesciunt quid faciunt. (i) En denken wij niet dat wij dat voorbeeld niet kunnen navolgen; met Gods genade kunnen wij, en wij zijn er zelfs toe verplicbt. Hebben de Heiligen Jesus niet nagevolgd? De H. Stephanus, bijv., bad voor zijne beulen en vijanden: Heer, sprak hij, reken hun deze zonde niet toe: Dornine ne statuas Mis hoe peccaluni. (2)

4° Denken aan het ongelijk dat wij ons zei ven en den naaste aandoen; dat God en de overheid alleen het recht hebben van zich te wreken: vandaar dat God zegt: Miki vindicta: Aan Mij

1 :;:lplï H

41ii

I \'jilv i ■fel hj#|

lil i\'P

if

If if i \'iL

a ■

\'lil

Hl

!ii

11IH PI

• -i\';1 gt;4

\'

u

■ r

■ ■ t:

■ wA

|

ipa i

m

ilp

1

Luc. xxiii, 34. (2) Act. v, 29.

-ocr page 482-

behoort de wraak, Ik zal vergelden, zegt de Heer, d. L, loon naar werken geven: Ego retribuam (licit Dominus. (i)

De laatste hoofdzonde is de traagheid.

II.

De traagheid, B. B.,- is tweederlei, de lichamelijke en de geestelijke traagheid.

De lichamelijke traagheid, ook luiheid of lediggang genoemd, heeft betrekking op het tijdelijk welzijn; de geestelijke traagheid of de lauwheid heeft betrekking op het geestelijk welzijn.

De lediggang is een afkeer en tegenzin van-en een verdriet in den arbeid, ten minste in de werkzaamheden die eenieder volgens zijnen staat en zijne jaren te verrichten heeft.

De lauwheid is eene nalatigheid en een tegenzin in hetgeen den dienst van God en het werk der zaligheid aangaat.

Deze geestelijke traagheid, waarover eigenlijk spraak is, als er over de zevende der hoofdzonden gehandeld wordt, kan zeer goed bestaan en bestaat dikwijls zonder de lichamelijke traagheid. Hoevelen treft men er inderdaad niet aan, die zich van den vroegen morgen tot den laten avond aftobben voor de wereld om geld en goed, om schatten en rijkdommen te vergaderen, en die traag, zeer traag zijn in den dienst van God en in het werk hunner zaligheid?

De lediggang strijdt rechtstreeks met de orde van God. Sedert den val van Adam en Eva zijn alle menschen tot den arbeid veroordeeld. In \'t zweet uws aanschijn, sprak God, zult gij uw brood eten: In sudore vultus tui vesceris pane. (2)

De lediggang is niet alleen noodlottig voor enkele personen, maar ook voor de huisgezinnen, voor dorpen, steden en landen. Waar lediggangers zich vestigen, vertoonen zich weldra ontevredenheid, oproer, ongebonden - en zedeloosheid; en wijl de

(1) ROM. xiii, 19. (2) GEN. nr, 19.

-ocr page 483-

ledigganger wel te lui is om te werken, maar niet om te eten, wat spruit daaruit voort ? Leugen en bedrog, diefstal en onrechtvaardigheid. De lediggang, zegt de H. Schrift, heeft veel kwaad geleerd: Multam malitiam docuit oliosüas. (i) Welke schande voor den ledigganger of luiaard, van door den H. Geest naar een nietig diertje, naar de mier verwezen te worden, om te leeren wat hem te doen staat. Vade ad formicam piger, zegt de H. Schrift: Ga naar de mier, luiaard, beschouw hare wegen en leer wijsheid, et considera vias ejus el disce sapieniiam. (2)

Tegenover de luiheid staat de arbeidzaamheid.

Een middel tegen de luiheid is, te overwegen dat de luiaard niets dan schande en ellende inoogst, daar integendeel de arbeidzame mensch door iedereen geacht wordt en doorgaans voorspoed heeft.

De lauwheid is zeker noodlottiger dan de luiheid. De lauwe christen doet vooreerst weinig goeds, vervolgens doet hij het weinige dat hij verricht, in den regel slecht. Bij liet gebed is hij verstrooid en slaperig; bij het aanhooren der eeuwige waarheden in de onderrichtingen en sermoenen gevoelt hij walging en verveling; de H. Mis woont hij bij zonder aandacht; de H. Sacramenten ontvangt hij zelden en zonder voorbereiding; doch het ergste van al, B. B., is, dat de lauwe mensch den gevaarvollen toestand waarin hij verkeert, niet inziet. Wijl hij eenige christelijke plichten volbrengt, grove en in het oog springende fouten vermijdt, houdt hij zich voor een rechtvaardige, en hij dankt zelfs God gelijk de Phariseër van het Evangelie, dat hij niet is gelijk anderen. Is hij reeds zoo ver gekomen, dat hij de heiligmakende genade verloren heeft, dan wordt hij door de eigenliefde zoo verblind, dat hij zijn onge-lukkigen toestand niet eens inziet, omdat hij vrijwillig verblind is: hij ziet wel den splinter in het oog van een ander, maar den balk in zijn eigen oog ziet hij niet. Van dusdanigen christen

(i) ECCL. XXXIII, U9. (2) PROV. VI, Ö.

-ocr page 484-

zegt God, dat hij arm, blind en naakt is, al meent hij ook rijk en in overvloed te zijn. Hij is arm, zegt de H. Gregorius, omdat hij geen rijkdom van deugden bezit; hij is blind, omdat hij zijn ongeluk niet ziet; hij is naakt, omdat hij het kleed der heiligmakende genade verloren heeft.

Uit hetgeen wij hier van de lauwheid komen te zeggen, blijkt duidelijk, dat hare gevolgen noodlottig moeten zijn.

Uit de lauwheid spruit voort: verzuim der plichten, onverschilligheid in den godsdienst, ongeloof en ook dikwerf wanhoop en onboetvaardigheid.

Tegenover de lauwheid staat de ijver in het goede.

Doch welke zijn de middelen tegen de lauwheid? Ziehier die middelen:

1° Overwegen wat Jesus-Christus gansch zijn leven, van zijne jeugd tot zijnen dood, gedaan heeft, om onze zielen zalig te maken; wat zoo vele duizenden Heiligen gedaan hebben;

2° Denken dat wij God, den Koning van Hemel en aarde, dienen, en dat wij Hem dus met vlijt moeten dienen;

3° Dat de hemel, dien God ons beloofd heeft, eene belooning is, welke wij moeten verdienen, en die bijgevolg niet zal gegeven worden aan een tragen, luien dienstknecht.

Het leven van den mensch is kort. Ja, B. B., de nacht des doods zal weldra komen, waarin wij niet meer zullen kunnen werken, en zoo wij den hemel niet verdiend hebben, zullen wij niet alleen niet beloond, maar wij zullen nog gestraft worden; wij zullen geworpen worden in de uiterste duisternissen: In tenebras exleriores, waarin geween zal zijn en tandengeknars: Ibi erit Jletus el stridor dentium. (i)

(i) Matth. xxv, 30.

-ocr page 485-

SLUITREDE.

Om u een grooten afschuw voor de gramschap en traagheid in te boezemen, ziehier ten slotte twee geschiedenissen, dio wel in staat zijn daartoe bij te dragen.

Een wijsgeer verhaalt, dat hij nog jong zijnde, zekeren dag-een mensch bezig zag, die met spoed eene deur wilde openen, waarin hij niet gelukte. Daardoor geraakte hij zoo zeer in woede, dat hij op zijn sleutel begon te bijten en lievig tegen de deur te stampen. Daarbij liet hij het in zijne gramschap niet: hij vloekte en raasde vreeselijk tegen den hemel en stelde zich aan als een dolzinnige: zijne oogen spuwden vuur en kwamen ver uit hunne holten te voorschijn. Bij het zien van dien mensch, zegt de wijsgeer, vatte ik zulk een haat tegen-en zulk een afschuw voor de zonde van gramschap op, dat sedert dien tijd geen sterveling mij ooit vergramd gezien heeft.

Hoe gevaarvol de traagheid is, blijkt uit de volgende geschiedenis. Zekere Euprepianus leidde in het klooster een voorbeeldig leven; hij was een man van gebed, versterving en gehoorzaamheid; tweemaal werd hij voor het geloof gevangen genomen, geboeid en gegeeseld, en dat alles leed hij uit liefde tot Jesus-Christus. Wie zoude niet denken, of zulk een man zal in het goede volharden; en nochtans, hij viel op eene schandelijke wijze. Hetgeen de dwingelanden niet vermochten, vermocht de traagheid. Zijne vurige begeerte naar de volmaaktheid begon langzamerhand te verkoelen, hij werd onachtzamer in het gebed, in de beoefening der deugden en goede werken, en zoo ging hij stap voor stap achteruit, -viel in een poel van doodzonden en stierf een jammervollen dood. Ziedaar hoe ver de traagheid soms den mensch brengt. Geen wonder dat de H. Geest zegt: Och of gij warm of koud waart, maar omdat gij lauw zijt, zal ik u uit mijn mond spuwen: Incipiam le evomere ex ore meo. (i)

(i) AP. iii, 16.

-ocr page 486-

Wij kennen nu genoeg, B. E., de zeven hoofdzonden en de droevige gevolgen, die zij na zich slepen. De Catechismus vraagt:

Moet men de hoofdzonden met zorg vluchten? En hij antwoordt:

Ja, met eene bijzondere zorg, omdat zij ons brengen tot vele andere zonden.

Wij hebben ook de deugden genoemd, die er tegen overstaan, en waarover later breedvoeriger zal gesproken worden; tevens nog de voornaamste middelen, waarvan wij ons moeten bedienen om de zeven hoofdzonden te bestrijden. Bestrijden wij ze met moed. Zouden wij soms vallen, staan wij terstond op, om den strijd met nieuwen moed te hervatten. O, B. B., met Gods genade zullen wij die zeven slangen den kop verpletteren; wij zullen in de tegenoverstaande deugden voortgang doen, een schoonen schat van verdiensten vergaderen, tot dat de goede God ons uit dit leven roepen en voor onzen strijd en onze verdiensten in den hemel ruimschoots beloonen zal. Amen.

-ocr page 487-

ACHTSTE ONDERRICHTING

OVER DE ZONDEN TEGEN DEN H. GEEST

Dixit Cain ad Dominum: major est iniquitas meet quam ut veniam merear.

Caïn zeide tot den Heer: mijne zonde is te gTCot dan dat ik er vergiflenis van verdiene.

(Gen. iv, t3.)

INHOUD.

VOORREDE.

Na de hooldzonden volgen de zonden tegen den H. Geest. Men noemt zonden tegen den H. Geest, de zonden die uit enkele boosheid geschieden, strijden tegen de goddelijke barmhartigheid en daarom zeer zelden vergeven worden. Zij zijn zes in getal. Vandaag zullen wij de drie eerste verhandelen.

VERDEELING.

I. Van Gods genade wanhopen;

; II. Op Gods barmhartigheid zonder deugden

zich beroemen;

III. De wel bekende waarheid bestrijden.

-ocr page 488-

I.

Van Gods genade wanhopen bestaat hierin, dat men in het werk zijner zaligheid stellig weigert van God te verzoeken en te verwachten het eeuwige leven en al wat ons daartoe helpen kan. Door die zonde doet de mensch zijnen God groot ongelijk aan. Judas, Caïn.

II.

Op Gods barmhartigheid zonder deugden zich beroemen, ook vermetelheid genoemd, bestaat eigenlijk hierin, dat de mensch van Gods goed - en barmhartigheid misbruik maakt om te zondigen of in de zonde te blijven leven. God die den boetvaar-digen zondaar vergiffenis heeft beloofd, heeft den zondaar den dag van morgen niet verzekerd.

III.

De welbekende waarheid bestrijden bestaat hierin, dat men wetens en willens bestrijdt de geloofswaarheden door God geopenbaard en door de H. Kerk te gelooven voorgesteld. Aan deze zonde maken zich hedendaags veel menschen schuldig. Vandaar dat men ook dikwijls hoort van den dood van onboetvaardige zondaren.

SLUITREDE.

Geschiedenis van een wellusteling, die na vermetel geleefd te hebben, in wanhoop stierf. Geschiedenis van eenen vermetele, door Thomas Morus verhaald.

-ocr page 489-

ACHTSTE ONDERRICHTING

OVER DE ZONDEN TEGEN DEN H. GEEST

Dixit Cain ad Dominum: major est iniquitas mca quam ut veniam merear,

Caïn zeide tot den lieer: mijne zonde is te groot dan dat ik er vergiffenis van vordiene.

(Gen. iv, is.)

VOORREDE.

De hoofdzonden, B. 15., zijn, gelijk wij gezien hebben, verschrikkelijk én in zich, én in hare gevolgen. Nochtans, zij zijn niet altoos doodzonden. De zonden tegen den II. Geest, waarover wij nu gaan handelen, zijn niet minder verschrikkelijk; ja, zij zijn groote doodzonden. De Catechismus vraagt:

Welke noemt men zonden tegen den heiligen Geest? En hij antwoordt:

Die uit enkele boosheid geschieden en strijden tegen de goddelijke bermherligheid, en daarom zeer zelden vergeven worden.

Elke zonde is eene beleediging van God, en strijdt bijgevolg én tegen God den Vader, én tegen God den Zoon, én tegen God den H. Geest, die wel is waar drie Personen, maar één God zijn; doch deze zonden strijden bijzonder tegen den H. Geest: vooreerst, wijl zij uit enkele boosheid geschieden, d. w. z., enkel uit slechten wil en niet uit drift of zwakheid; vervolgens, wijl zij strijden tegen de goddelijke barmhartigheid, die den H. Geest bijzonder wordt toegeschreven.

Immers, de mensch die er zich aan schuldig maakt, wederstaat rechtstreeks aan de genade des H. Geestes, die in zijne oneindige barmhartigheid den dood van den zondaar niet wil, maar dat hij zicli bekeere en leve; bijgevolg strijden zij ook

-ocr page 490-

tegen de barmhartigheid Gods. Daaruit volgt dat zij zelden vergeven worden. Waarom? Omdat er zelden oprecht boetvaardigheid over gedaan wordt; doch zonder boetvaardigheid geene vergiffenis der zonden, en zonder de genade des H. Geestes geene boetvaardigheid; bijgevolg, zoo de zondaar aan die genade wederstaat, kan hij geene boetvaardigheid doen, on de vergiffenis der zonden is onmogelijk.

Hieruit moet men echter niet hesluiten, dat dergelijke zondaar zich volstrekt niet kan bekeeren en noodzakelijk verloren gaat. Neen, B. B., want het is zijne eigen schuld, wijl hij de genade des H. Geestes hem ter bekeering aangeboden, vrijwillig verstoot, evenals de zieke, die het geneesmiddel dat men hem aanbiedt, vrijwillig weigert.

Tijdens het leven van onzen goddelijken Zaligmaker, maakten de Joden zich aan die zonden schuldig. Vandaar dat de Heilige Stephanus hun zeide: Gij wederstaat altoos aan den H. Geest: Vos semper Spiritui Saneto resistüis. (i)

Welke zijn de zonden tegen den heiligen Geest?

Deze zes: 1, van Gods genade wanhopen-, 2, op Gods bermhertigheid zonder deugden zich beroemen; 3, de toclbc-kende waarheid bestrijden-, 4, de broederlijke liefde benijden-, 5, hardnekkig zijn in de boosheid; G, verachten het berouw o f de penitentie.

Vandaag zullen wij over de drie eerste handelen:

I. Van Gods genade wanhopen;

H. Op Gods barmhartigheid zonder deugden zich beroemen;

Hl. De welbekende waarheid bestrijden.

vl) act. vii, 51.

-ocr page 491-

I.

Do eerste zonde tegen den H. Geest is van Gods genade wanhopen, in een woord, de wanhoop. Die zonde, B. B., bestaat hierin, dat de zondaar in \'t werk zijner zaligheid, niet alleen den moed laat zinken, maar dat hij alle hoop opgeeft, zoodat hij van God stellig niet meer wil verzoeken, noch verwachten het eeuwige leven, namelijk, den hemel, noch de middelen die hem daartoe helpen kunnen, zooals de genade Gods, de vergiffenis der zonde en al wat ons dient om wel te leven en zalig te sterven.

Als men het woord wanhoop slechts hoort, dan ontstaat er zekere huivering bij den mensch. zoo akelig klinkt het in het oor. De wanhopige zondaar, B. B., beleedigt zijnen God op de gevoeligste wijze. God zegt; Ik wil don dood van den zondaar niet, maar dat hij zich bekeere en leve: Nolo mortem impii. (i) En de wanhopige zegt feitelijk, dat God den dood van den zondaar wel wil, en dat Hij wil dat de zondaar voor eeuwig verloren ga on brande in de hol. Welk oene afschuwelijke misdaad tegen de oneindige goed - en barmhartigheid Gods! De II. Hieronymus durft zeggen, dat Judas meer gezondigd heeft door te wanhopen, dan door zijn goddelijken Meester te verraden.

Aan de zonde van wanhoop maakte Caïn zicli reeds schuldig, toen hij, na zijnen broeder Abel vermoord te hebben, zeide: Mijne misdaad is te groot, dan dat ik er vergiffenis van verdiene.

II.

De tweede zonde tegen den H. Geest is op Gods barmhartigheid zonder deugden zich beroemen, in een woord, de vermetelheid. Die zonde, B. B., bestaat hierin, dat de mensch de vergiffenis zijnor zonden en do eeuwige zaligheid verwacht, niet door berouw te hebben over zijne zonden on door do geboden te onderhouden en andore goede werken te verrichten, maar enkel,

(i) EZECU. XXXUI, 11,

GHLOOKS • I5N ZlSDENLRKR. 5lt;le DKKI.. 6.

-ocr page 492-

wijl God goed en barmhartig is, zoo dat de vermetele wezenlijk misbruik maakt van Gods goed - en barmhartigheid om te zondigen en in de zonden te blijven voortgaan.

Dat de zondaar zijn betrouwen stelt op de goed-en barmhartigheid Gods, daarin bestaat volstrekt geen kwaad; integendeel. God wil en gebiedt het; maar kwaad zijn en willen blijven, wijl God goed is; zondigen en in de zonden willen blijven voortgaan, wijl God barmhartig en lankmoedig is, ziedaar waarin het afschuwelijke der vermetelheid bestaat.

Wie vermetel op Gods barmhartigheid steunt, zondigt groote-lijks; hij veracht den rijkdom van Gods goedheid, zijn geduld en zijne lankmoedigheid, en hij haalt zich straffen op den hals voor den dag der gramschap en der rechtvaardige vergelding, d. i., voor den dag des oordeels. Te recht zegt dus de H. Schrift: Zeg niet: de barmhartigheid des Heeren is groot. Hij zal de

menigte mijner zonden vergeven...... Stel niet uit u tot den

Heer te bekeeren, en wacht niet van den eenen dag tot den anderen, want zijne gramschap kan eensklaps komen, en op den dag der wrake zal Hij u verdelgen: Et in tempore vin dicta} disper de t te. (l) Ongelukkig, B. 13., er zijn vele Christenen, die zich aan de zonde van vermetelheid schuldig maken; die in de zonde blijven leven, \'omdat zij, bijv., altoos met slechte personen omgaan, slechte gezelschappen bijwonen, slechte boeken of dagbladen lezen; die niets doen voor hunne ziel en zaligheid, denkende: God is veel te goed en te barmhartig, om mij zoo, d. i., in de zonden te laten sterven en te laten verloren gaan. Och of die ongelukkigen, wier zaligheid elk oogenblik op het spel staat, zich de volgende woorden van den H. Bernardus herinnerden: God heeft een moordenaar in genade aangenomen, opdat gij niet zoudt wanhopen; maar slechts één, opdat gij niet vermetel zoudt hopen. Ofwel de volgende woorden van den H. Gregorius: God, die den boetvaardige vergiffenis heeft

(i) Eccl. v, li.

-ocr page 493-

beloofd, heeft den zondaar den dag van morgen niet verzekerd Gij blijft in de zonden voortleven, en komt gij in dien staat te sterven, wat zal het u baten of God den rouwmoedigen zondaar vergiffenis beloofd heeft of niet, zoo gij in doodzonde gestorven zijt.

III.

De derde zonde tegen den II. Geest is de welbekende waarheid bestrijden. Die zonde, B. B., wordt door velen niet verstaan: zij meenen dat men er zich aan schuldig maakt, als men het een of ander loochent en met hardnekkigheid blijft loochenen, hetgeen men nochtans zeer goed weet waar te zijn. Een voorbeeld zal die zaak duidelijk maken. Een kind, bijv., komt iets te breken; vader of moeder weet het en zegt tot het kind, dat het voortaan voorzichtiger moet zijn. En ziet! het kind zegt dat het niets gebroken heeft, en het houdt hardnekkig staande dat het niets gebroken heeft. Maakt dat kind zich nu schuldig aan de zonde, die men noemt zonde tegen den H. Geest, de welbekende waarheid bestrijden? Volstrekt niet; het loochent eenvoudig eene zaak die voorgevallen is, en dat is zeker zonde, maar daardoor verstaat men niet de zonde tegen den H, Geest, waarvan hier spraak is. Door die zonde verstaat men het bestrijden der geloofswaarheden, die God geopenbaard heeft en door de 11. Kerk voorhoudt te gelooven, en die men zeer goed weet geloofswaarheden te zijn. Aan die zonde maken zich schuldig, al degenen die niet uit onwetendheid, maar met volle kennis, en dus uit boosheid, de waarheden van onzen H, Godsdienst aanvallen, er mede spotten en ze loochenen. Men vindt er hedendaags onder allerlei benamingen, van vrijmetselaars, vrijdenkers, liberalen, oud-katholieken, enz., die iu geschriften, dagbladen en redevoeringen de welbekende waarheid bestrijden; die, bijv., tegen het geloofspunt der onfeilbaarheid van den Paus opkomen, er den spot mede drijven en door allerlei drogredenen de geloovigen tot hunne dwaling

-ocr page 494-

— 84 —

trachten over te halen. Geen wonder dus zoo men hedendaags dikwijls hoort of leest dat deze of gene in zijne dwaling gestorven is, ellendig zijn leven geëindigd heeft. Zij hebben gezondigd tegen den H. Geest, die zonde geschiedt uit enkele boosheid en wordt daarom zeer zelden vergeven.

SLUITREDE.

Men vindt zondaren, B. B., die zicli schuldig maken aan de zonde van vermetelheid. God, van wiens goed - en barmhartigheid zij in hun leven langen tijd misbruik gemaakt hebben, laat in zijne onbegrijpelijke rechtvaardigheid soms toe, dat zij op het einde van hun leven in wanhoop vallen.

Zeker Pater, met name Cattaneo, verhaalt ons daarover eene verschrikkelijke geschiedenis. Een jonge wellusteling, dien men meermaals vermaand had van leven te veranderen, was gewoon te antwoorden: Eene Heilige, die almachtig is, trekt zich mij aan; deze Heilige is de Barmhartigheid Gods. Zich van die spreekwijze bedienende dreef hij den spot met de straffen Gods, waarmede men hem bedreigde. Door eene doodelijke ziekte aangetast, liet hij nochtans een priester roepen: doch ziet! terwijl hij zich voorbereidde om te biechten, kwamen hem de zonden van geheel zijn leven zoo talrijk en zoo afschuwelijk voor den geest, dat hij vol schrik en ontzetting uitriep: O eindelooze zonden-register! en hij stierf zonder zich met God verzoend te hebben. Ziedaar, B. B., hoe het den wellusteling verging, die zoo lang van Gods goed - en barmhartigheid misbruik gemaakt had.

Thomas Morus, de vermaarde kanselier van Engeland, die om zijne getrouwheid aan de R. K. Kerk en zijn Geloof ter dood gebracht is, verhaalt ons eene andere geschiedenis van een vermetel zondaar. Door Thomas en ook door anderen dikwerf vermaand van zich te bekeeren, antwoordde die zondaar: bah! dat lijdt geen haast, als het uur van te vertrokken gekomen is, zal ik wel vergiffenis van mijne zonden

-ocr page 495-

bekomen; ik heb daartoe maar vier woorden noodig, God is immers goed en barmhartig; ik behoef maar te zeggen: lieer! wees mij genadig: Uocli luistert, B. B., wat hem overkwam, en hoe hij zich in zijne vermetelheid bedrogen vond. Zekeren dag reed hij over eene brug; zijn paard verschrikte, het richtte zich op, begon te stijgeren en wierp hem in de onstuimige rivier, waarin hij verdronk. In zijnen val hoorde men hem roepen: De duivel kale alles! Wat wilde hij daardoor betee-kenen? Wat er ook van zij; die woorden waren toch ver van te beteekenen: Heer! wees mij genadig, woorden, waarop hij zich vroeger altoos beroepen had.

Wachten wij ons dus altijd van de zonden van vermetelheid en wanhoop. Hopen wij op God, omdat Hij goed en barmhartig is; maar vreezen wij ook voor ons zeiven, omdat wij zwakke schepselen zijn. Zoo gesteld zullen wij de vrijwillige gevaren en de naaste gelegenheden van zonde vluchten, wij zullen tot God onze toevlucht nemen, en door God bijgestaan zullen wij tusschen de hoop en de vrees onze zaligheid bewerken. Amen.

-ocr page 496-

NEGENDE ONDERRICHTING

OVER DE ZONDEN TEGEN DEN H. GEEST

Hodie si vocem ejus audieritis, nolite ohdurare corda vestra.

Zoo gij vandaag zijno stem zult gehoord hebben, wilt uwe harten niet verharden.

(I\'s. xoiv, 8.)

INHOUD.

VOORREDE.

Na de drie eerste zonden tegen den H. Geest verhandeld te hebben, zullen wij vandaag de drie laatste verhandelen:

VERDEELINÖ.

I. De broederlijke liefde benijden;

II. Hardnekkig zijn in de boosheid;

III. Verachten het berouw of de penitentie.

I.

De broederlijke liefde benijden bestaat hierin, dat men den mensch benijdt dat hij God bemint en dient, en dat God hem bemint en met genaden verrijkt. Aan die zonde heeft zich de

-ocr page 497-

duivel het eerst schuldig gemaakt. De duivel vond weldra zijne navolgers: Caïn, enz. Hedendaags vindt men er velen, die zich aan die zonden schuldig maken.

II.

Hardnekkig zijn in do boosheid bestaat hierin, dat de zondaar niettegenstaande zoovele vermaningen in de zonde blijft voortleven en zich niet jwil bekeeren. Dusdanige zondaar volgt don koning Pharao na, eu het zal hem evenals dien koning, eenmaal slecht vergaan.

III.

Verachten het berouw of de penitentie bestaat hierin, dat de zondaar niet alleen zich niet bekeert en in de zonde blijft voortgaan, maar dat hij ook nog het voornemen maakt van in de zonde te blijven en geene boetvaardigheid te doen.

SLUITREDE.

Geschiedenis van een koopman die ellendig omkwam.

-ocr page 498-

— 88 —

NEGENDE ONDERRICHTING

OVER DE ZONDEN TEGEN DEN H. GEEST

Hodie si vocem ejus audieritis, mixte obdurare corda vestra.

Zoo gij vandaag zijne stem zult gehoord hebben, wilt uwe harten niet verharden.

(Ps. xoiv, 8.)

VOORREDE.

In onze voorgaande onderrichting, 15. B., hebben wij over de drie eerste zouden tegen den 11. Geest gesproken. Die zonden zijn:

Van Gods genade wanhopen, op Gods barmhartigheid zonder deugden zich beroemen en de wel bekende waarheid bestrijden.

Wij hebben gezien waarin zij eigenlijk bestaan, en welke hare noodlottige gevolgen zijn, onder anderen, dat de eene zonde niet zelden de straf is van de andere, zooals, bijv., de wanhoop de straf is van de vermetelheid. Vandaag zullen wij in \'t kort de drie overige zonden tegen den H. Geest uitleggen. Die zonden zijn:

I. De broederlijke liefde benijden;

II. Hardnekkig zijn in de boosheid;

III. Verachten het berouw gf de penitentie.

I.

De vierde zonde tegen den H. Geest is de broederlijke liefde benijden.

Die zonde, B. B., bestaat hierin, dat men den mensch benijdt dat hij God bemint en dient, en dat hij daarom, van God bemind en met genaden verrijkt wordt. De nijd of de afgunst dus, waarvan hier spraak is, heeft betrekking op de bovennatuurlijke of genadegoederen en niet op de aardsche goederen.

-ocr page 499-

De duivel heeft zicli het eerst aan die zonde schuldig gemaakt. Om zijne ongehoorzaam - en hoovaardigheid uit den hemel gedreven, haat de duivel God. God haat den duivel ook en straft hem voorbeeldig voor zijne wederspannigheid met de eeuwige pijnen der hel. Na zijnen val kon de duivel niet verdragen dat Adam eu Eva gelukkig en Gods vrienden waren; hij benijdde hun dat geluk en Gods vriendschap, en door list en bedrog trachtte hij hen tot zonde te brengen, waarin hij, helaas! maar al te wel gelukt is. De duivel vond onder de eerste menschen weldra zijne navolgers. Onder de kinderen van Adam en Eva kon Cain zijn broeder Abel niet verdragen; hij benijdde hem het geluk, dat zijne offerande Gode aangenaam was, en hij ging in zijne afgunst zelfs zoo ver, dat hij zijnen broeder vermoordde.

Tijdens het openbaar leven van onzen goddelijken Zaligmaker maakten de Phariseën en Schriftgeleerden zich ook aan deze zonde schuldig. Jesus verkondigde zijne leering en bevestigde ze met mirakelen, zoodat velen in Hem den beloofden Messias erkenden en Hem aanhingen. De Phariseën en Schriftgeleerden verzetteden zich niet alleen tegen zijne leering, maar zij konden ook niet verdragen dat bet volk Hem volgde, en daarom vervolgden zij én Jesus, én zijne leerlingen.

Aan deze zonde tegen den H. Geest maken zich hedendaags ook vele menschen schuldig, namelijk, die gaarne zien dat de vijanden der H. Kerk vooruitgaan, dat zij door de gouvernementen beschermd en ondersteund worden, dat zij alle vrijheid genieten; maar die integendeel aan de Kerk van Christus en aan de katholieken alle vrijheid misgunnen, en die niets liever zien dan dat zij in hunne heiligste rechten gekrenkt en in hunne vrijheden belemmerd worden. Ziet men niet in onze ongelukkige dagen de goddeloozen, als van den duivel bezeten, door afgunst en nijd gedreven, alle krachten inspannen, sekten vormen, waarin de snoodste plannen gesmeed worden, om de

-ocr page 500-

menschen van God te doen afvallen, en bijgevolg, om God hun vijandig te maken? Welk ander doel en streven toch is liet doel en streven der vrijmetselaars? Gij ziet dus, B. B., dat velen in onze dagen door de broederlijke liefde te benijden tegen den H. Geest zondigen.

II.

De vijfde zonde tegen den H. Geest is hardnekkig zijn in de boosheid. Die zonde bestaat hierin, dat de mensch, niettegenstaande de talrijke en verschillende vermaningen, zich niet wil bekeeren, noch aan de zonde wil vaarwel zeggen. God nochtans, die gelijk Hij zelf verklaart, den dood van den zondaar niet wil, maar dat hij zich bekeere en leve, zet den zondaar dikwijls aan tot boetvaardigheid. Hij vermaant hem, zelf of door anderen, in - en uitwendig: inwendig, door de stem van zijn geweten, dat hem aanzet het goed te doen en liet kwaad te vluchten; uitwendig, door de stem zijner dienaren, van den biechtvader en predikant, die hem zoo dikwerf aanzetten van de zonde te vluchten en de deugd te oefenen; die hem zoo dikwerf de gevaren, waaraan hij zich blootstelt, voor oogen houden; die hem over de eeuwige waarheden spreken; over den dood, dat hij eenmaal zal sterven en niet weet wanneer, misschien onverwachts; over het oordeel, dat hij onmiddellijk na den dood voor den rechterstoel van God zal moeten verschijnen om rekenschap af te leggen van al zijne daden; over de hel, waartoe de zondaar veroordeeld wordt, en waarin hij voor eeuwig zal moeten branden; over den hemel, waarvoor hij bestemd is, en dien hij, wellicht voor een vermaak van een oogenblik, zal verliezen.

Doch die zondaar is nog door anderen vermaand geweest, door zijne ouders en oversten, door zijne bloedverwanten en vrienden. God heeft hem nog vermaand door, het een of ander ongeluk, dat hem overkomen is; door het een of ander ongeluk, zijn evenmensch overkomen, zooals, bijv., de haastige dood van

-ocr page 501-

eenen bloedverwant of vriend. Al die vermaningen nu zijn als zooveel genaden van God, zij zijn als zooveel stemmen van hierboven, die hem uitnoodigen en toeroepen van zich te bekeeren. Bijaldien de zondaar nu aan al die vermaningen met opzet wederstaat, is dat geen duidelijk bewijs, dat hij hardnekkig is in de boosheid? Hij volgt den koning Pharao na, die niettegenstaande de wonderen door Moses in zijne tegenwoordigheid verricht, om hem over te halen van de Israëlieten te laten vertrekken, hardnekkig bleef weigeren.

III.

De zesde en laatste zonde tegen den H. Geest is verachten het berouw of de penitentie. Die zonde, B. B., bestaat hierin, dat de mensch niettegenstaande de vermaningen van zich te bekeeren, niet alleen in de zonden blijft voortleven, maar dat hij ook nog het voornemen maakt van in de zonden te blijven en zich niet te bekeeren; hij veracht en verwerpt dus met opzet het middel der bekeering, namelijk, het berouw of de penitentie. Bij zulken zondaar komt dus buiten de verblindheid des geestes en de verstoktheid des harten ook nog het vast besluit van verblind en verstokt te blijven. Helaas! B. B., men treft er in onze ongelukkige tijden aan die zich bij eed verplichten van nooit, zelfs niet op hun sterfbed, een priester bij zich toe te laten; die zich verplichten tot eene burgerlijke begrafenis, en die tot dat einde tijdens hun leven reeds de middelen bepalen. Zoo ver kan de mensch wegzinken in zijne boosheid, wanneer hij weigert gehoor te geven aan de stem des H. Geestes. Storten dan die ongelukkige menschen zicli niet geheel en al vrijwillig in hun eeuwig verderf?

Zoo wij dus ooit door onze zonden van God zijn afgeweken, wachten wij ons wel van aan zijne vermaningen te weder-staan, doch beantwoorden wij er oogen Wikkel ijk en zonder uitstel aan.

-ocr page 502-

Het gebeurt soms dat de zondaar bij de een of andere gelegenheid, bijv., bij een schielijk sterfgeval, bij eene flinke strafpreek tegen de doodzonde, eene goede beweging gewaar wordt, en dat hij aan het werk zijner bekeering denkt; doch, helaas! door uit te stellen wordt die goede beweging onderdrukt, en gaat bet voornemen van uit de zonden op te staan, verloren.

Laten wij daarom de vermaning van den Profeet David ter harte nemen: Hodie si vocem ejus audieritus, zegt hij; zoo gij lieden de stem Gods gehoord zult hebben, wilt uwe harten niet verharden, Nolile obdurare corda vostra. Waarom niet? Wijl het een verstokt hart kwalijk zal vergaan in het uiterste: Cor durum habebit male in novissimo. (i)

Ten bewijze, 13. B., hoe verschrikkelijk God den zondaar straft, die naar zijne vermaningen niet luistert, zijn hart gesloten houdt, luistert naar de volgende geschiedenis door oen Missionaris medegedeeld.

SLUITREDE.

Een zeer rijk koopman, zoo verhaalt de Missionaris, was wel is waar Christen, doch hij leidde een schandelijk leven, hij strekte tot ergernis, niet alleen aan de Christenen, maar zelfs aan de Heidenen. Dikwijls had ik hein vermaand, zoo spreekt do Missionaris, en meer dan eens over zijne misdaden berispt: ik had hem met de gramschap Gods bedreigd, die hom zeker niet ongestraft zoude laten. Al mijne vermaningen en bedreigingen bleven vruchteloos. De versteende zondaar kon niet besluiten de persoon met welke hij in zonde leefde, te verlaten. Toen trad God tusschen beide en zond hem eene zware ziekte over, maar nog was de ongelukkige vermetel genoeg zijnen God te wederstaan. Toen de ziekte zijn hoogsten graad bereikt had, liet hij mij roepen en zeide, dat hij zich met God en de H. Kerk wilde verzoenen en biechten. Ik verklaarde hem

(1) Eccl. ui, 27.

-ocr page 503-

bepaald, dat hij niet tot God kon wederkeeren, noch vergiffenis van zijne zonden bekomen, zoolang hij die persoon niet wegzond en haar zijn huis ontzegde. Hij beloofde, het mij, doch stelde voortdurend uit, en toen hij bijna van zijne ziekte genezen was, spotte iiij nog met God, wijl hij meende Hem niet meer noodig te hebben; maar nu spotte God op zijne beurt ook met hem. Een vreeselijke storm verhief zich; de verwoesting door dien storm aangericht was zoo groot, dat vele schepen vergingen en vele huizen instortten. Overal werden personen door de golven verzwolgen of onder de puinhoopen begraven. Door Gods genade werd door die ongelukken geen enkel Christen getroffen, uitgenomen de rijke koopman, die nog niet geheel en al genezen was. Reeds meende die ongelukkige het gevaar ontkomen te zijn, wijl hij zich in een zijner huizen had laten dragen, waar hij zich veilig waande; maar God wist hem ook daar te vinden. Het huis, waarin hij zicli bevond, werd door den storm geschokt\' en stortte in. De overige bewoners hadden nog den tijd om zicli door de vlucht te redden, maar de ongelukkige werd als het ware door God vervolgd, nadat hij diens barmhartigheid zoolang versmaad had; hij werd onder do puinhoopen van het huis begraven; en zijne ziel? Wat zou men wel van zijne ziel mogen zeggen? Zou men niet mogen zeggen, dat zij in de hel begraven werd? In dien ellendeling werd dus het spreekwoord bewaarheid: Die niet hooren wil moet maar voelen. Zorgen wij bijgevolg, B. B,, dat het nooit in ons bewaarheid worde.

Verre dus van ons van den H. Geest te bedroeven of aan zijne genade te wederstaan: verre van ons van de zonden te bedrijven, die men zonden tegen den H. Geest noemt. Integendeel, maken wij het vast voornemen van altijd naar zijne ingevingen te luisteren, zijne vermaningen stipt op te volgen, opdat Hij zich gewaardige onzen geest dagelijks meer en meer te verlichten, ons hart meer en meer te zuiveren, en daarin voortdurend zijne woonplaats te vestigen. Amen.

-ocr page 504-

TIENDE ONDERRICHTING

OVER DE WRAAKROEPENDE ZONDEN

Vox sanguinis fratris tui elamat ad me de terra.

Het bloed uws broeders roept van de aarde tot Mij. (Gen. iv, io.)

INHOUD.

VOORREDE.

Na de zonden tegen den H. Geest volgen do wraakroepende zonden: zij zijn vier in getal:

VERDEELING.

1. Vrijwillige doodslag;

11. Onkuischheid tegen de natuur;

III. Verdrukking van armen, weduwen en weezen;

IV. Onthouding van het loon der werklieden.

I.

Vrijwillige doodslag. Aan deze zonde maakt men zich schuldig, door iemand vrijwillig en onrechtvaardig het leven te benemen. De wettige overheid heeft het recht en handelt in sommige

-ocr page 505-

gevallen goed, door groote misdadigers ter dood te brengen. Caïn, Theodoric koning der Gothen.

IL

Onkuischheid tegen de natuur. Om deze zonde zijn de inwoners van Sodoma en Gomerrha door God gestraft. Hedendaags worden er ook steden gevonden, waarin die zonde bedreven wordt; doch Gods hand, om zich te wreken uitgestrekt, wordt door de brave Christenen tegengehouden.

III.

Verdrukking van armen, weduwen en weezen. Aan deze zonde maakt men zich schuldig, zoo men de armen, enz., niet alleen niet bijstaat, maar hun het weinige nog ontneemt en hen onrechtvaardig onderdrukt.

IV.

Onthouding van het loon der werklieden. Aan deze zonde maakt men zich schuldig, zoo men het loon door den werkman verdiend, niet betaalt, of zonder reden, tegen wil en dank van den werkman, uitstelt te betalen. Tobias.

SLUITREDE.

Wachten wij ons wel van de wraakroepende zonden; doch zoo wij er ons ooit aan schuldig gemaakt hebben, wisschen wij ze uit door schadevergoeding en boetvaardigheid.

-ocr page 506-

TIENDE ONDERRICHTING

OVER DE WRAAKROEPENDE ZONDEN

Fo® sanguinis Jratris tui clamat ad me de terra.

Het bloed uws broeders roept van de aarde tot Mij. (Gen. iv, io.)

VOORREDE.

Na over de zonden tegen den H. Geest gesproken te hebben, B. B., gaan wij vandaag in \'t kort over de wraakroepende zonden spreken. De Catechismus vraagt:

Welke zijn de wraakroepende zonden? En hij antwoordt:

Deze vier: 1, vrijwillige doodslag; 2, onkuischheid legen de natuur; 3, verdrukking van armen, weduwen en weezen; 4, achterhouding van het loon der werklieden. Doch:

Waarom worden sommige zonden genoemd wraakroepende zonden?

Omdat zij door hunne groole boosheid met reden de goddelijke rechtveerdige wraak, ook in deze wereld, vereischen.

En inderdaad, die zonden zijn zoo groote misdaden tegen de wet der natuur, tegen de wet Gods en de goede zeden; zij zijn zoo afschuwelijk, dat God zicli dikwijls gedwongen ziet van ze reeds hier op aarde voorbeeldig te straffen.

Wijl de wraakroepende zonden zoo afschuwelijk zijn, zullen wij er, gelijk ik gezegd heb, slechts in \'t kort over spreken. Zij zijn vier in getal:

I. Vrijwillige doodslag;

II. Onkuischheid tegen de natuur;

III. Verdrukking van armen, weduwen en weezen;

IV. Onthouding van het loon der werklieden.

-ocr page 507-

De eerste der wraakroepende zonden is de vrijwillige doodslag.

Aan die zonde maakt men zich schuldig, als men zijnen naaste vrijwillig en onrechtvaardig van liet leven berooft, het komt er niet op aan op welken leeftijd en op welke wijze, hetzij door hem dood te slaan, te schieten, te vergeven, enz.

De doodslag moet vooreerst vrijwillig zijn. Het gebeurt somtijds, B. B., dat iemand zijn naaste doodt bij toeval of bij ongeluk, bijv., door het afschieten van een geweer. Zoo iets kan plaats hebben, zonder zich, zelfs aan de kleinste dagelijksche zonde, schuldig te maken.

De doodslag moet vervolgens onrechtvaardig zijn. Alzoo maakt zich de soldaat aan deze zonde niet plichtig, die in een rechtvaardigen oorlog zijn vijand doodt; noch de beul, die een ter dood veroordeelden misdadiger ombrengt.

Dat de wettige overheid het recht heeft, en in zekere gevallen goed handelt, door groote misdadigers, zooals moordenaars, ter dood te veroordeelen en om het loven te brengen, blijkt duidelijk uit de H. Schrift, wat ook hedendaags zoogenaamde philantropen of menschenvrienden zeggen, die de doodstraf willen afschaffen.

Die zijn evenmensch vrijwillig en onrechtvaardig om het leven brengt, matigt zich een recht aan, dat God en de wettige overheid alleen toekomt. God alleen, B. B., hoeft recht over leven en dood, recht, dat Hij in zekere gevallen aan de wettige overheid heeft overgedragen.

Cain is de eerste, die deze wraakroepende zonde bedreven heeft, gelijk blijkt uit de H. Schrift. Caïn benijdde zijn broeder Abel. Zekeren dag lokte hij hem ter wandeling uit; op het veld gekomen viel hij zijn broeder verradelijk aan en sloeg hem dood. God vroeg Caïn waar zijn broeder Abel was. Caïn antwoordde; Ik weet het niet; ben ik de bewaarder van mijnen

GELOOFS - KN ZUDENLBBR. 5^° DkkL. 7.

-ocr page 508-

broeder? Wat zeide God? De stem van het bloed uws broeders roept tot Mij van de aarde; Vox sanguinis fratris lui clannat ad me de terra, (l) En om de menschen een afschrik voor die schromelijke misdaad in te boezemen, liet God de straf terstond volgen. Gij zult vervloekt zijn, sprak God tot Caïn, hier op aarde, die haren mond geopend en het bloed uws broeders van uwe hand ontvangen en gedronken heeft. Als gij die aarde bebouwt, zal zij hare vruchten niet geven; onrustig en voort-vluchtend zult gij zijn op aarde. Wat ovérkwam Caïn? Hij viel in wanhoop; hij was altoos bang en meende immer dat hij vervolgd werd, en dat men hem naar het leven stond; daarom nam hij de vlucht en leidde een ellendig leven.

Doch niet alleen het bloed des vermoorden, maar ook de zuchten en tranen van vrouw en kinderen, van ouders en bloedverwanten, roepen om wraak tegen den moordenaar. Treffend, B. B., is het volgend voorbeeld, dat wij in de geschiedenis lezen. Theodoric, koning der Gothen, had een eerbiedwaardig ouderling, met name Symmachus, onrechtvaardig doen onthoofden. Weldra gevoelde hij de knagingen des gewetens. Het beeld van Symmachus stond hem overal voor den geest. Zekeren dag werd hem een groote visch voorgediend: Theodoric liet bij het zien van den visch een harden schreeuw en liep van tafel weg, terwijl hij uitriep: Ik zie het hoofd van Symmachus: ik zie zijne schitterende oogen, zijne tanden die mij willen verslinden: laat mij los! laat mij los! Daarop liep hij als een krankzinnig^quot;uit de zaal; door angst en vermoeidheid afgemat, legde hij zich te bed; eene hevige koorts greep hem aan, en drie dagen daarna was hij een lijk. Ziedaar hoe die moordenaar gestraft werd.

(i) Gen, iv, 10.

-ocr page 509-

ir.

De tweede fier wraakroepende zonden is de onkuischheid tegen de natuur. Om deze zonde vooral zijn de inwoners van Sodoma en Gomorrha voorbeeldig gestraft; hunne hemeltergende zonden hadden zich vermeerderd en riepen zoo hard om wraak, dat God besloot hen te verdelgen; Hij regende zwavel en vuur van den hemel, welke die steden met al hare inwoners verteerden. Er bevonden zich geen tien rechtvaardigen in Sodoma, want ingeval er zich tien in bevonden hadden, God zoude om hunnent wille de stad gespaard hebben. Hedendaags, B. B., vindt men ook veel bedorven steden, die in afschuwelijkheden voor Sodoma en Gomorrha niet onderdoen, en die misschien door God ook zouden verdelgd worden, bevonden er zich niet eenige goede zielen in, die den dreigenden arm Gods, uitgestrekt om zich te wreken en die steden te straffen, tegenhielden. De rechvaar-digen zijn alzoo de sterkste bolwerken des vaderlands; doch die waarheid, helaas! wordt in onze verlichte eeuw door velen ontkend; ja wat meer is, de brave en deugdzame menschen, vooral die te zamen in de kloosters leven, worden door de goddeloozen het hevigste aangevallen en vervolgd.

Wachten wij ons zorgvuldig, niet alleen van deze wraakroepende zonde, maar ook van alle zonden, die in strijd zijn met de schoone deugd van zuiverheid.

111.

De derde der wraakroepende zonde is de verdrukking van de armen, van de weduwen en weezen.

Aan die zonde maakt men zich schuldig, als men de armen, de weduwen en weezen, niet alleen niet helpt, gelijk de wet der broederliefde gebiedt, maar als men hun het weinige dat zij nog bezitten, ontneemt en hen op de een of andere wijze onrechtvaardig\' onderdruk t.

-ocr page 510-

— 100 —

In \'t bijzonder wordt deze wraakroepende zonde bedreven door pleegouders en voogden, die het geld of goed hunner pleegkinderen of minderjarigen slecht besturen, verkwisten ol zich onrechtvaardig toeëigenen; door de rechters, die de armen, de weduwen of weezen tegen hunne onderdrukkers niet verdedigen, of die zich laten omkoopen; door de woekeraars, die zich de armoede of den nood eener weduwe of weeze ten nutte maken, om hun den laatsten penning af te persen; door de schuldeischers, die juist wel niet onrechtvaardig, maar onbarmhartig, met hen te werk gaan, door met onverbiddelijke strengheid de schulden in te vorderen; eindelijk, door allen, die van den ellendigen toestand der armen, der weduwen en weezen gebruik maken, om hen tot zonde te dwingen, bijv., om schandelijke werken te verrichten, om slechte scholen to bezoeken, enz.

Aangaande deze zonde drukt zich God door den mond van Moses op de volgende wijze uit: Gij zult de weduwe en de wees niet beschadigen: zoo gij hun leed doet, zullen zij tot Mij roepen, en Ik zal hun geroep hooren: mijne woede zal ontvlammen, en Ik zal u met het zwaard slaan, en uwe huisvrouwen zullen weduwen worden en uwe kinderen weezen. Hieruit blijkt, B. B , dat God de verdrukkers van armen, van weduwen en weezen niet zelden mot een vroegtijdigen dood straft. Op eene andere plaats zegt God; Vloeien de tranen der weduwe niet van de wangen, en roepen zij niet tegen hem, die ze afperst? Van hare wangen stijgen zij naar den hemel omhoog, \'t Is dus duidelijk dat deze zonde om wraak roept bij God.

IV.

De vierde en laatste der wraakroepende zonden is de onthouding van het loon der werklieden.

Aan deze zonde maakt men zich schuldig, als men geheel of gedeeltelijk het loon onttrekt aan werklieden, daglooners,

-ocr page 511-

dienstboden of anderen, die bij ons of voor ons gewerkt en bun loon behoorlijk verdiend hebben. Evenals een werkman of dienstbode verplicht is zijn loon te verdienen, om het te mogen vorderen, zoo ook moet de heer of meester het hem uitbetalen, zoodra hij het verdiend heeft. Ik zeg zoodra hij het verdiend heeft: bijgevolg mag men den werkman ook niet zonder reden laten wachten naar zijn verdiend loon, dat hij noodig heeft en vordert. Een boom, zoo spreekt een christen leeraar, beloont den arbeid en de zorgen van zijnen meester door overvloedige vruchten; en gij wilt den werkman, die de hitte en de vermoeienis van den dag doorstaan heeft, zijn loon onttrekken? Ziet, zegt de Apostel Jacobus, het loon der werklieden, die uwe akkers afgemaaid hebben, en dat gij hun onttrokken hebt, roept tegen u, en dat geroep is tot de ooren van den Heer der legerscharen doorgedrongen. De H. Geest vergelijkt den mensch, die zich aan deze zonden schuldig maakt, bij een moordenaar: Wie het brood, zegt Hij, in het zweet des aanschijns verdiend, rooft, is gelijk aan hem, die zijn even-mensch doodt. En insgelijks: Die bloed vergiet en die een daglooner bedriegt, zijn broeders: Qui effundü sanguinem el qui fraudem facit merccnario fralres sunt, (l) Eenieder luistere dus in deze zaak naar den godvreezenden Tobias en volge den raad, dien hij zijnen zoon gaf: Als iemand voor u gewerkt heeft, zeide hij, betaalt hem terstond zijn dagloon, en dat de belooning van den werkman nooit bij u verblijve.

SLUITREDE.

Deze korte onderrichting over de wraakroepende zonden is voldoende; doch zij is ook noodzakelijk, ten einde de afschuwelijkheid dier zonden te doen uitkomen. Misschien heeft de een of andere zich aan die zonden schuldig gemaakt, bedrijft hij ze nog? O, hij overwege wel dat zijne zonden om wraak

O Ecol. xxxiv, 27.

-ocr page 512-

roepen bij God, dat zij God uittarten om hem reeds in dit leven te straffen. Hij!?denke aan de verschrikkelijke straffen, waarmede anderen getroffen zijn, die zich aan de wraakroepende zonden schuldig gemaakt hebben. Om dus dat wraakroepen bij God te doen ophouden, en om de straffen, de tijdelijke en vooral de eeuwige, te ontkomen, wachten wij ons van die zonden, en zoo wij ze bedreven hebben, wisschen wij ze uit door schadevergoeding en door werken van boetvaardigheid. Amen.

-ocr page 513-

ELFDE ONDERRICHTING

OVER DE VREEMDE ZONDEN RADEN, BESCHERMEN EN GEBIEDEN

Neque communicavcris peccntis alienis.

Wil geen dool ucmen in vrocmde zonden.

Tim. v, 22.)

INHOUD.

VOORREDE.

Na over de zonden gehandeld te hebben, welke de mensch persoonlijk bedrijft, gaan wij tot de vreemde zonden over. Vreemde zonden zijn, die alhoewel zij dqor anderen geschieden, ons nochtans toegeschreven en aangerekend worden, omdat wij tot dezelve in eenige manier geholpen hebben. Zij geschieden door raden, beschermen, gebieden, prijzen, mededeelen, behagen, niet straffen, niet beletten, niet overdragen. De drie eerste vreemde zonden zijn:

VERDEELING.

I. Raden;

II. Beschermen;

III. Gebieden.

-ocr page 514-

— lot —

I.

Door raden maakt men zich schuldig, als men iemand aanraadt van zonde te bedrijven, bijv., de zonde van onrechtvaardigheid.

II.

Door beschermen maakt men zich schuldig, als men slechte zaken of personen verdedigt, verschoont, verontschuldigt: ook als men iemand plaats geeft om gerust te kunnen zondigen.

Aan deze zonde maken zich schuldig zekere ouders, oversten, herbergiers, enz.

III.

Door gebieden maakt men zich schuldig, als men zijne macht misbruikt om iemand tot het kwaad over te halen of te dwingen, gelijk soms ouders, oversten en hooggeplaatste personen doen.

SLUITREDE.

Uit de straffen, waarmede God Herodes en David getroffen heeft, kunnen wij besluiten dat wij ons zorgvuldig van de vreemde zonden moeten wachten, en dat wij ze, zoo wij er ons ook aan schuldig gemaakt hebben, bijtijds moeten uitboeten.

-ocr page 515-

— 105 —

ELFDE ONDERRICHTING

OVER DE VREEMDE ZONDEN RADEN, BESCHERMEN EN GEBIEDEN

Nequc communicavcns peccatis alienis.

Wil geen deel nemen in vroemdo zonden.

(i Tim. v, m.)

VOORREDE.

Tot hiertoe, B. B., hebben wij gesproken over de zonden, die de mensch persoonlijk bedrijven kan; doch weet, dat hij zich ook schuldig kan maken aan zonden, die door anderen bedreven worden; die zonden worden daarom vreemde zonden genoemd. De Catechismus vraagt:

Wat zijn vreemde zondent En hij antwoordt:

Zonden, die, hoewel zij door anderen geschieden, nogians ons toegeschreven en aangerekend worden, omdat loij tot dezelve in eenige manier geholpen hebben.

De vreemde zonden zijn inderdaad zonden, want zij geschieden tegen de wet en den wil van God; God wordt er wezenlijk door beleedigd.

Die zonden worden vreemde zonden genoemd, omdat de daad waardoor zij geschieden, niet door ons, maar door anderen bedreven wordt, bijv., de diefstal, waartoe men raadt.

Nochtans, zij worden ons toegeschreven en aangerekend, zoodat wij er ons inderdaad door bezondigen, schuldig maken voor God, omdat wij er op eene stellige of niet stellige manier in geholpen of medegewerkt hebben: op eene stellige manier, d. w. z., door het een of ander te doen, bijv., door te raden; op eene niet stellige manier, d. w. z,, door het een of ander na te laten of te verzuimen, bijv., door niet te straffen.

-ocr page 516-

— 106 —

Wanneer men op eene stellige manier in de zonde medewerkt, dan maakt men zich altijd aan vreemde zonden schuldig, d i., aan al de zonden, die een ander daardoor bedrijft, \'t Is zelfs niet noodig dat die zonden bedreven worden; \'t is genoeg dat men den wil heeft gehad van anderen tot de zonden te brengen.

Wanneer men op eene niet stellige manier in de zonde medewerkt, dan maakt men zich alleen aan vreemde zonden schuldig als men ambtshalve, krachtens een verdrag of eene verplichting, gehouden is de zonde te straffen, te beletten of over te dragen.

Wanneer men zich aan vreemde zonden schuldig maakt, dan kan men ook gehouden zijn tot restitutie, namelijk, als iemand daardoor in zijne eer, faam of fortuin benadeeld wordt. De vreemde zonden worden weinig geacht: ook beschuldigt men er zich zelden van in den biechtstoel, alhoewel zij dikwijls bedreven worden. Daarom ook vrees ik niet te zeggen, dat velen om de vreemde zonden voor eeuwig zullen verloren gaan: waarheid, die duidelijk zal worden uit de volgende onderrichtingen. Do Catechismus vraagt:

Hoe geschieden de vreemde zonden? En hij antwoordt:

Door raden, beschermen en gebieden, prijzen, mededeelen en behagen, niet straffen, niet beletten, niet overdragen.

Op de zes eerste manieren werkt men stellig mede in de zonde door iets te doen, bijv., door te raden: op de drie laatste manieren werkt men niet stellig mede in de zonde, wijl men iets nalaat of verzuimt te doen, bijv., door niet te straffen. Zien wij vandaag de drie eerste manieren, waarop men stellig medewerkt in de zonde:

I. Door raden;

II. Door beschermen;

III. Door gebieden.

-ocr page 517-

— 107 —

I

Door raden maakt men zich aan vreemde zonden schuldig, als men iemand aanraadt van eene zonde te bedrijven.

Ziehier eenige gevallen, waarin men zondigt door raden:

Iemand, bijv,, raadt zijn evenmensch aan van een valschen eed af te leggen, van een onrechtvaerdig proces aan te gaan, van zich te verrijken, \'t komt er niet op aan hoe, door rechtvaardige of onrechtvaardige middelen, van zich te wreken, en daartoe bezigt hij allerlei soort van uitdrukkingen, zooals: bijaldien hij mij zoo behandeld had, ik zou liet hem duur betaald zetten; ik zou wel weten wat met hem aanvangen, en dergelijken.

Een ander raadt zijn evenmensch aan van met den stroom der bedorvene wereld mede te gaan, van te doen gelijk men in de wereld doet, van deze of gene slechte vergaderingen en partijen bij te wonen, waarin tegen God en godsdienst gesproken wordt, waarin de deugd of onschuld gevaar loopt; van de kinderen te zenden naar scholen die slecht en de H. Kerk vijandig zijn, waarin een ongodsdienstig of zedeloos onderwijs gegeven, en de jeugd, helaas! maar al te dikwijls bedorven wordt.

Een derde raadt zijn evenmensch aan van slechte romans of gazetten te lezen, die wezenlijk de pest zijn voor de onschuld en het geloof, en waardoor menigeen zijne onschuld en ziju geloof verloren heeft. Al die personen maken zich schuldig aan vreemde zonden door raden.

De aanrader nu is voor God verantwoordelijk van al het kwaad, dat hij aangeraden heeft en dat er uit gevolgd is.

God straft ook reeds dikwijls in dit leven den mensch, die kwaden raad geeft. Gaïphas, bijv., had de Priesters en Schriftgeleerden den raad gegeven van onzen goddelijken Zaligmaker te dooden. Gaïphas, na eerst van zijne priesterlijke waardigheid afgezet te zijn, werd op eene verschrikkelijke wijze door den duivel gekweld, en evenals een andere Judas viel hij in wanhoop

-ocr page 518-

— 10S —

en bracht zich om het leven. Herodias had hare dochter Salome den raad gegeven van het hoofd van Joannes den Dooper te vragen, tot belooning van Herodes en zijne gasten behaagd te hebben door haar dansen. Salome vroeg en verkreeg het hoofd van Joannes; doch ziet, later verloor Salome zelf haar hoofd, en Herodias hare moeder, met Herodes in ballingschap gezonden, stierf in de grootste ellende.

Indien God de kwade raadgevers niet altijd in deze wereld op eene zichtbare wijze straft, eenmaal toch, vroeg of laat, namelijk, bij hunnen dood, zal Hij hun rekenschap vragen van de zielen die zij door hunnen slechten raad verleid hebben; eenmaal, vroeg of laat, zal Hij hen verschrikkelijk straffen.

11.

Door beschermen maakt men zich aan vreemde zonden schuldig, als men het kwaad verdedigt, verschoont en verontschuldigt, of zoo men iemand gelegenheid geeft van ongestoord kwaad te kunnen doen.

Hoe vele goddeloozen treft men in onze dagen niet aan, die de onrechtvaardigste aanslagen op Kerk of Staat gepleegd, in hunne redevoeringen en geschriften verdedigen? Do Paus van Rome is onrechtvaardig van zijne staten beroofd, de kerkelijke goederen worden aangeslagen en verkocht, de kloosterlingen verjaagd, de priesters vervolgd en belet van hunne bedieningen uit te oefenen; dat alles wordt verdedigd.

Hoe vele ouders en oversten treft men niet aan, die het kwaad dat hunne kinderen en onderdanen bedrijven, verschoonen of verontschuldigen\' en hen op die wijze in het kwaad beschermen? Wil een vader zijn kind dat misdaan heeft, straffen, het wordt verdedigd door de moeder: wil de moeder het straffen, het wordt, alhoewel zeldzamer, verdedigd door den vader. Maakt eens uw beklag bij dien vader over zijn zoon, bij die moeder over hare dochter; ja, zegt eens, zelfs met het beste inzicht

-ocr page 519-

— 109 —

der wereld, aan die ouders dat hunne kinderen zich slecht gedragen, en dat juist daarom zoo veel over hen gesproken wordt: die ouders, die dwaze vader, die verblinde moeder, zullen het eerst voor hunne kinderen in de bres springen; die vader zal zijn zoon, die moeder hare dochter verdedigen, verschoonen en verontschuldigen; de waarschuwingen en opmerkingen zien zij aan voor lastertaal; alles is ofwel niet waar, of overdreven; alles wordt verteld en overgebracht door personen, die hen haten en benijden.

Wilt gij nu ook weten, waarom die ouders hunne kinderen zoo dikwijls in het kwaad beschermen? \'t Komt doorgaans voort uit eene dwaze, blinde liefde jegens hunne kinderen; ja, die ouders zijn geheel en al verblind en willen de misslagen hunner kinderen niet zien.

Hetgeen ik hier van de ouders ten opzichte van hunne kinderen gezegd heb, kan in evenredigheid ook van de oversten ten opzichte van hunne onderdanen gezegd worden.

Hoe vele herbergiers treft men in onze dagen niet aan, die zonder geweten schijnen te zijn, die in geval zij maar tappen en schenken, alles in hun huis toelaten, ja wat meer is, die het kwaad begunstigen en beschermen door aan personen van beide geslacht in hunne huizen vrije plaatsen af te staan om des te geruster te kunnen zondigen.

III.

Door gebieden maakt men zich aan vreemde zonden schuldig, als men zijne macht en zijnen invloed misbruikt om anderen tot het kwaad te dwingen. Alzoo zondigen zekere ouders, oversten en hooggeplaatste personen. De ouders, die hunne kinderen gebieden van te liegen, te bedriegen, te stelen of ander kwaad te doen; de oversten of meesters, die hunne onderdanen of dienstboden gebieden op do Zon - en geboden feestdagen zonder wettige reden slaafschen arbeid te verrichten; de hooggeplaatste

-ocr page 520-

— no —

personen, die op de mindere klasse hunnen invloed uitoefenen en de ouders, bijv., die arm zijn of van hen afhangen, gebieden van hunne kinderen naar slechte scholen te zenden. Hoe menig invloedhebbend persoon heeft zich in do laatste dagen in dit punt door gebieden aan groote zonden schuldig gemaakt, en hoe menig persoon maakt er zich nog aan schuldig tot op den dag van heden. Och of die ongelukkigen aan de straffen dachten, waarmede God anderen reeds getrWon heeft, die zich door gebieden aan vreemde zonden schuldig gemaakt hebben! Och of zij bijtijds tot inkeer kwamen, en het ongelijk dat zij hunnen evenmensch aangedaan, en het kwaad dat zij gesticht hebben, herstelden, door voortaan hunne macht en hunnen invloed ten goede te gebruiken! Dat God hen, die zich door gebieden aan vreemde zonden schuldig maken, soms voorbeeldig straft, zal ten slotte blijken uit de twee volgende geschiedenissen.

SLUITREDE.

Herodes, door de Driekoningen van de geboorte van onzen goddclijkon Zaligmaker verwittigd, vreesde zijne kroon te verliezen. Om het goddelijk Kind te treffen, gaf hij zijne soldaten het bevel om de kinderen van Bethleëm en omstreken te vermoorden. Verschrikkelijk was het bloedbad, dat zij onder de onnoozele kinderen aanrichtten; doch Jesus, gelijk wij weten, werd door Joseph gered, die met Maria en het goddelijk Kind vluchtte naar Egypte. Herodes die den moord bevolen had, werd verschrikkelijk gestraft. Hij werd door eene brandende koorts aangetast, die langzaam werkte, en die tot in liet merg zijner beenderen doordrong: etterende zweren knaagden aan zijne ingewanden en deden hem schreeuwen van pijn; de bedorven leden des lichaams, waaruit de wormen te voorschijn kwamen, veroorzaakten een on verdraaglijken stank. De geneesheeren verklaarden eenparig, dat God zijne rechtvaardige hand over hem uitgestrekt had, om hem te straffen voor zijne misdaden.

-ocr page 521-

Zekeren dag in \'t bezit gekomen van een mes, wilde hij zich het hart doorboren, doch werd daarin door zijn neef verhinderd: eenige dagen daarna stierf hij in de verschrikkelijkste wanhoop.

David, B. B., had zicli ook door gebieden aan vreemde zonden schuldig gemaakt. Om de zonde van overspel te verbergen, beval hij zijn veldoverste Joab van zijnen getrouwen dienaar Urias gedurende den strijd op de gevaarlijkste plaats te stellen, en hem vervolgens in den steek te laten, opdat hij zoude sneuvelen. Joab volbracht het bevel des konings, en Urias sneuvelde. Gelukkig dat de koning David tot inkeer kwam en boetvaardigheid deed over zijne zonden. Doch hoe talrijk en hoe verschrikkelijk zijn de straffen niet geweest, waardoor hij zijne zonden hier op aarde heeft moeten boeten? Daarom, B. B., wijl de straf altoos, hetzij vroeg of laat, op de vreemde zonden volgt, zorgen wij van ze nooit te bedrijven, noch door raden, noch door beschermen, noch door gebieden. Amen.

-ocr page 522-

TWAALFDE ONDERRICHTING

OVER DE VREEMDE ZONDEN PRIJZEN, MEDEDEELEN EN BEHAGEN

VtB homini UK per quem scandalum venit. Wee don mensch door wien do ergernis komt. (Matth. xviii, 7.)

INHOUD.

VOORREDE.

De drie eerste manieren, waarop men zich aan vreemde zonden schuldig maakt, zijn: raden, beschermen en gebieden. Men maakt zich ook nog aan vreemde zonden schuldig;

VERDEELING.

I. Door prijzen;

II. Door mededeelen;

III. Door behagen.

I.

Door prijzen maakt men zich schuldig, als men iemand prijst om het kwaad dat hij gedaan heeft, en hem zoo tot het kwaad aanzet. Op die wijze zondigen dikwijls lage vleiers. Woorden van Karei VIII.

-ocr page 523-

— 113 —

11.

Door mededeelen maakt men zicli schuldig, als men deel neemt in hot kwaad van anderen, bijv., als men helpt stelen, slechte volksvertegenwoordigers helpt kiezen, enz., als men ergernis geeft. Het getal der zonden, welke de ergernisgever bedrijft, zal eerst later uitkomen.

111.

Door behagen maakt men zich schuldig, als men vermaak schept in de zonden van anderen of er in toestemt, en alzoo de oorzaak is dat anderen zondigen en in hunne zonden voortgaan. Alzoo zondigen dikwijls de ouders, door vermaak te scheppen in de zonden hunner kinderen.

SLUITREDE.

Bijaldien wij ons aan de zonde van ergernis hebben schuldig gemaakt, doen wij dan boetvaardigheid en ons best om die zonde zoo goed mogelijk te herstellen.

Gei.ooks- en Zedenleer. 5lt;1o duel 8.

-ocr page 524-

TWAALFDE ONDERRICHTING

OVER DE VREEMDE ZONDEN PRIJZEN, MEDEDEELEN EN BEHAGEN

Va; homini UH per quem scandalum venit.

quot;Wee den mensch door wien de ergernis komt. (Matth. xviii, 7.)

VOORREDE.

In onze voorgaande onderrichting, B. B., hebben wij de drie eerste manieren uitgelegd, waarop men zich aan vreemde zonden schuldig maakt: vooreerst, door raden, als men iemand den raad geeft van kwaad te doen; vervolgens, door beschermen, als men het kwaad van een ander verdedigt, verschoont oi\' verontschuldigt; eindelijk, door gebieden, als men iemand gebiedt van kwaad te doen.

Men zondigt wel is waar niet altijd doodelijk door raden, beschermen en gebieden, maar dat men er groote en talrijke zonden door bedrijven kan, blijkt genoeg uit de voorbeelden, laatstleden aangehaald, en inzonderheid uit de straffen, waarmede zekere personen, die op vermelde wijzen gezondigd hebben, getroffen zijn geweest. Vandaag zullen wij ons eenige oogen-blikken bezig houden met de drie volgende manieren, waarop men stellig medewerkt in de zonde:

I. Door prijzen;

II. Door mededeelen;

III. Door behagen.

I.

Door prijzen, B. B., maakt men zich aan vreemde zonden schuldig, als men iemand looft of prijst om het kwaad dat hij bedreven heeft of bedrijft, bijv., iemand prijst zijnen evennaaste.

-ocr page 525-

— 115 —

omdat hij een ander beleedigd, beschadigd of gewond heeft; omdat hij zich op een ander gewroken, hem kwaad met kwaad vergolden heeft.

Zoo ook prijst of roemt men dikwijls de onrechtvaardigen om hunne behendigheid in het stelen, de dronkaards om hunne macht in het drinken.

Aan deze zonden door prijzen maken zich dikwijls schuldig do zoogenaamde vleiers, die om bij hunne oversten of andere aanzienlijke personen een wit voetje te krijgen, zooals men dat noemt, alles wat dezen doen, goedkeuren, prijzen en hemelhoog verheffen, al weten zij ook zeer goed dat het verdient afgekeurd, misprezen en gelaakt te worden.

De vleiers maken menig mensch ongelukkig.

Zekeren dag vroeg Karei VIII, koning van Frankrijk, zijnen kamerdienaar, hoe het komt, dat er zoo weinig Heiligen onder de koningen te vinden zijn; de kamerdienaar trok de schouders op en zweeg. Ik zal het u zeggen, sprak de koning; omdat zij zooveel vleiers rond zich hebben, en zoo weinigen of niemand, die hun de gebreken onder het oog durft brengen of do waarheid zeggen. Te recht moeten wij ons dus wachten voor die lage vleiers, hen mistrouwen, want zij zijn groote vijanden. De tong van den vleier, zegt de H. Hieronymus, doet meer kwaad dan liet zwaard van den vervolger; liet zwaard kwetst alleen het lichaam, maar de vleier doodt de ziel. Achten wij liever hoog, degenen, die ons tot ons welzijn de gebreken of fouten onder het oog brengen en de waarheid zeggen.

II.

Door mededeelen maakt men zicli aan vreemde zonden schuldig: vooreerst, als men deel neemt in de zonde van anderen, bijv., door in een diefstal te helpen, door de wacht te houden, door werktuigen aan to brengen, door de dieven te verwittigen of te verbergen, door hot gestolen goed te verkoopen

-ocr page 526-

of te bewaren, door tijdens de kiezingen volksvertegenwoordigers voor te staan ol te kiezen, die Kerk en Staat vijandig zijn; ook door dronkaards te veel drank te geven; vervolgens, als men zijne eigen zonden om zoo te zeggen aan anderen mededeelt, door lien met woorden of werken tot de zonde te verleiden, in een woord, als men ergernis geeft.

Aan hoe groote en talrijke zonden maakt de ergernisgever of verleider zicli niet schuldig?

Een schrijver, bijv., vervaardigt goddelooze of zedelooze boeken of gazetten; een tweede verkoopt, verspreidt of leent ze uit; anderen lezen ze en verliezen daardoor hun gelooi en hunne onschuld. Wie is nu van al die zonden de eerste oorzaak? Natuurlijk, de schrijver.

Een jongeling voert zedenkwetsende taal, zingt schandelijke liederen in gezelschap van andere personen, dio er allengskens vermaak in scheppen en mede doen. Tot hoeveel zonden geelt die jongeling geen aanleiding? Hij bederft zijne toehoorders, die toehoorders bederven wederom anderen, en zoo gaat het zedenbederf van den eenen op den anderen over. Wie is nu van al die zonden de eerste oorzaak? De jongeling, die zedenkwetsende taal gevoerd heeft.

Eene jonge dochter kleedt zich alles behalve zedig en deftig, met liet inzicht van te behagen en te verleiden; anderen volgen die onzedige kleederdracht na. Hoeveel zonden worden daardoor niet bedreven tegen de schoone deugd, vooral onder de jeugd? Wie is nu de eerste oorzaak van al die zonden van onzuiverheid? De jonge dochter, die zich het eerst onzedig gekleed heeft.

Te vergeefs, B. B., tracht men soms de vreemde zonden van zich af te schudden; de eene zegt: Ik meende het zoo erg niet; mijn inzicht was niet van mijn evenmensch ongelukkig te maken. Ken ander durft wel zeggen; Wat gaat mij dat aan of anderen zich aan mijne gesprekken of handelwijzen ergeren,

-ocr page 527-

(lat is hunne zaak. B. 15., zoo dikwijls gij iets doet, dat in zich bekwaam is van anderen tot zonde te brengen, wordt gij medeplichtig aan hunne zonden.

\'t Is onmogelijk do gevolgen van de zonde van ergernis te berekenen. Iemand sterft in doodzonden, doch zonder ergernis gegeven te hebben, met zijn leven eindigen zijne zonden; doch zoo is het niet gelegen met den ergernisgever: zijne persoonlijke zonden eindigen met zijn leven, doch niet de zonden van anderen, waarin hij geholpen heeft. Hoevelen worden er na zijnen dood nog verleid door zijne ergernissen en zullen later voor eeuwig verloren gaan? Terwijl dus de ergernisgever reeds in de hel ligt te branden, vallen er nog aanhoudend zielen in de strikken, die hij tijdens zijn leven gespannen heeft en gaan verloren, en daarom verzwaart aanhoudend zijne straf in de hel, naarmate het getal der zonden vermeerdert, en het getal der zielen aangroeit, die door zijne schuld verloren gaan.

III.

Door behagen maakt men zich aan vreemde zonden schuldig, als men vermaak schept in het kwaad van anderen en het daardoor bevordert. Het een of ander voorbeeld zal voldoende zijn om die zaak duidelijk te maken.

Een jongeling, bijv., heeft gedurende eenige jaren eene slechte school bezocht, waar hij de ongodsdienstige en zedelooze beginselen van slechte leeraars en onderwijzers heeft ingezogen; hij heeft in die school veel gehoord en gelezen tegen God en godsdienst, tegen Kerk en Priesters — jongelingen van die soort worden er helaas! maar al te veel aangetroflen. •—■ Die jongeling onder zijne dorpsgenooten teruggekeerd, zal weldra beginnen, min of meer bedekt, den godsdienst en de godsdienstplechtigheden, de Kerk en hare dienaren, de kloosters en kloosterlingen, de H. Sacramenten en derzelver gebruik aan te vallen; hij zal allerlei spitsvondigheden gebruiken, talrijke

-ocr page 528-

— 118 —

drogredenen aanhalen welke de eenvoudige menschen niet verstaan; dan zal hij hier-dan daarmede lachen; dan zal hij dit, dan dat willen belachelijk maken. Eenvoudige menschen die niet veel verstand hebben, zien dergelijke lasteraars en spotters niet zelden voor groote geleerden aan. En ziet! een vader schept er vermaak in dat zijn zoon zijn verstand, zijne geleerdheid en zijne fijnheid van geest laat blijken in te lachen en te spotten met den godsdienst en de godsdienstplechtigheden, eiiü.; die Vader maakt zich schuldig aan vreemde zonden door behagen.

Eene jonge dochter stelt zich aan en kleedt zich boven haren staat; zij loopt in de wereld rond, zoekt gevaarlijke bijeenkomsten op, woont slechte vergaderingen bij, om daar te kunnen uitschijnen, te kunnen schitteren; zij veroorlooft zich nog al andere zaken om tot een rijk huwelijk te komen. En ziet! eene moeder schept vermaak in al hetgeen hare dochter doet, omdat er van hare dochter gesproken wordt, en deze , wellicht eene goede partij zal doen; die moeder maakt zich schuldig aan vreemde zonden door behagen.

Men zondigt door behagen, als men met genoegen luistert naar achterklap, eerroovende en zedelooze gesprekken en als men die door te lachen of op de een af andere wijze goedkeurt.

SLUITREDE.

Ziedaar, B. B., hoe men zich door prijzen, mededeelen en behagen aan vreemde zonden schuldig maakt. Ik heb bijzonder gewezen op de zonde van ergernis en verleiding. Daarvan moeten wij ons bijzonder wachten. Zouden wij er ons aan schuldig gemaakt hebben, dan moeten wij alle middelen gebruiken om ze te herstellen. Wij moeten toonen dat wij rechtzinnig bekeerd zijn, en ons niet schamen van in \'t openbaar goede werken te verrichten; op die wijze, en ook door voor de personen, die men geërgerd en verleid heeft, te bidden, moeten wij hen tot het pad der deugd trachten terug te brengen. Is dat

-ocr page 529-

— 119 —

te veel? Of heeft men geen reden van te sidderen eu te beven, als men denkt: Dezen of genen persoon, die het kwaad niet kende, heb ik het geleerd; ik ben do oorzaak, dat die personen zoo slecht leven en op hunne beurt anderen bederven; ik door mijne ergernis en verleiding ben wellicht de oorzaak, dat er zoo vele zielen, voor welke Jesus-Christus zijn goddelijk bloed gestort heeft, en die anders voor eeuwig gelukkig zouden zijn, nu voor eeuwig verloren gaan: van die zielen zal ik in den laatsten dag des oordeels rekenschap moeten afleggen. Ik vraag het u, B. B., vinden wij in die gedachte alleen niet redenen genoeg om te sidderen en te beven. Daarom, ik herhaal het, wachten wij ons wel van de zonden van ergernis en verleiding, en hebben wij er ons aan schuldig gemaakt, doen wij boetvaardigheid, en ontzien wij geene moeite om alles zoo goed mogelijk te herstellen, in welk geval de goede God ons barmhartig zal zijn. Amen.

-ocr page 530-

DERTIENDE ONDERRICHTING

OVER DE VREEMDE ZONDEN NIET STRAFFEN, NIET BELETTEN EN NIET OVERDRAGEN

Ai occult is meis munda me, et ab alienis paree servo tuo.

Reinig mij van mijne verborgen zonden, en spaar uw dienaar wegens de vreemde.

^Ps. XVIII, 13.)

INHOUD.

VOORREDE.

Na over de zes eerste manieren, waarop men zich aan vreemde zonden schuldig maakt, door er stellig in mede te werken, gesproken te hebben, zullen wij thans spreken over de drie laatste manieren, waarop men wel niet stellig, maar toch in de zonden van anderen medewerkt. Zulks geschiedt:

VERDEELING.

I. Door niet te straffen;

II. Door niet te beletten;

III. Door niet over te dragen

-ocr page 531-

I.

Door niet te straffen maakt men zich schuldig, als men ambtshalve, enz., daaartoe verplicht is. Heli. Op die wijze zondigen hedendaags vele ouders en oversten; zij volgen Heli na en zullen met Heli vroeg of laat gestraft worden.

II.

Door niet te beletten maakt men zich schuldig, als men ambtshalve, enz., daartoe verplicht is. Op die wijze zondigen wederom vele ouders, oversten en herbergiers. Uitvluchtsels die zij zoeken, om zich te verschoonen; de dienstboden, die de schade limine meesters aangedaan, niet beletten.

III.

Door niet over te dragen maakt men zich schuldig, als men ambtshalve, enz., daartoe verplicht is. Op die wijze zondigen dikwijls kinderen, dienstboden en werklieden; ook burgers en geloovigen.

De vreemde zonden zijn nu eens doodzonden, dan dagelij ksche zonden. Men kan ook verplicht zijn van schadevergoeding te doen.

SLUITREDE.

Geschiedenis van Berengarius op zijn sterfbed.

-ocr page 532-

DERTIENDE ONDERRICHTING

OVER DE VREEMDE ZONDEN NIET STRAFFEN, NIET BELETTEN EN NIET OVERDRAGEN

A 6 occultis meis munda me, et ab alienis paree setvo tuo.

Reinig mij van mijne verborgen zonden, en spaar uw dienaar wegens do vreemde.

(Ps. XVIII, 13.)

VOORREDE.

In onze twee voorgaande onderrichtingen, B. B., hebben wij gezien, hoe men zich aan vreemde zonden schuldig maakt door raden, beschermen en gebieden, door prijzen, mededeelen en behagen.

Door raden, enz., werkt men stellig mede in de zonden van anderen, zoo dat men schuldig wordt aan al de zonden die er door geschieden. Ook is men verplicht de schade te vergoeden, zoo er iemand in zijne eer, faam of\' fortuin door benadeeld wordt.

Vandaag zullen wij spreken over de drie laatste manieren, waarop men zich aan vreemde zonden schuldig maakt, namelijk, door niet te straffen, niet te beletten en niet over te dragen.

Door niet te straffen, enz., werkt men wel mede in de zonden van anderen, doch niet stellig, zoo dat, ingeval men niet ambtshalve, krachtens een verdrag of uit verplichting jegens iemand gehouden is te straffen, enz., men alleen zondigt tegen de liefde, indien men te kort blijft; is men ambtshalve, krachtens een verdrag of uit verplichting jegens iemand gehouden te straffen, te beletten of over te dragen, en blijft men er aan te kort, clan maakt men zich voor God schuldig aan al de zonden die er uit voortkomen, ten minste voor zoo veel zij

-ocr page 533-

eenigszins voorzien zijn. Om dezelfde reden is men verplicht de schade te vergoeden, ten minste de schade die men eenigszins voorzien heeft.

Zien wij vandaag de drie laatste manieren, waarop men zich aan vreemde zonden schuldig maakt, doch waarin men niet stellig medewerkt: die drie manieren zijn:

I. Niet straffen;

II. Niet beletten;

III. Niet overdragen.

1.

Door niet te straffen maakt men zich aan vreemde zonden schuldig, zoo men er niet alleen uit liefde maar, bijv., ambtshalve toe verplicht is. Een treffend voorbeeld lezen wij daarover in de H. Schrift.

De kinderen van Heli maakten zich aan groote en schandelijke zonden schuldig. De priester Heli vermaande hen wel is waar; hij keurde hun gedrag af, maar daar bleef het bij. Heli was te toegevend, hij strafte zijne kinderen niet. Wat gebeurde er? God, B. B., bleef niet lang uit om vader en zonen te straffen. De zonen van Heli sneuvelden in een gevecht, en toen de vader de tijding van hunnen dood ontving, viel hij van zijnen stoel achterover en brak den hals.

Koevele ouders, hoevele oversten treft men hedendaags niet aan, die te toegevend zijn. Zij hooren de buitensporigheden van hunne kinderen en onderdanen, misschien vermanen zij hen voor de eerste en tweede maal; ik zeg misschien, want maar al te dikwijls zwijgen zij; maar dat de kinderen en onderdanen gestraft worden voor hunne misdaden? daarvan hoort men niet. O, hoevele ouders zouden brave kinderen hebben, zouden al het leed en verdriet niet uit te staan hebben, dat zij thans hebben, zoo zij niet te toegevend geweest waren, zoo zij de

-ocr page 534-

roede niet gespaard, maar hunne kinderen in den beginne om hunne misslagen gestraft hadden? Van hoevele vreemde zonden zouden zij bij hunnen dood voor den rechterstoel van God geene rekenschap af te leggen hebben? Weet gij aan wie die toegevende ouders — en hetzelfde moet van de oversten gezegd worden — aan wie zij gelijken? Zij gelijken aan geneesheeren, die eene verkankerde wond niet durven uitsnijden, omdat zij den zieke wat pijn zouden veroorzaken. In plaats dus van er het kwaad uit te snijden, bedekken zij het met zalf; de wonde neemt toe, kankert in, wordt ongeneesbaar en veroorzaakt den dood. Juist de gelijkenis van te toegevende ouders en oversten, die verwaarloozen hunne kinderen en onderdanen voor hunne misslagen te straffen.

II.

Door niet te beletten maakt men zich aan vreemde zonden schuldig, zoo men er niet alleen uit liefde, maar ook ambtshalve of krachtens een verdrag toe verplicht is. Dit geldt wederom, gelijk gemakkelijk te begrijpen is, de ouders en oversten, doch hun niet alleen; \'t geldt ook nog andere personen, zooals, herbergiers en dienstboden.

Hoevele ongelukkige huisgezinnen worden er niet aangetroffen, waarin door de kinderen en dienstboden zoovele en zoo groote zonden bedreven worden? De eene is een vloeker, de andere een vuilspreker. En wat doen de ouders en oversten om de zonden te beletten? Dikwijls niets, volstrekt niets; integendeel, zij werken er in mede. Die vader had reeds over lang dien dienstknecht moeten wegzenden, hij is het bederf zijner kinderen en overige dienstboden. Die moeder had reeds overlang naar eene brave, deugdzame dienstmeid moeten uitzien, want die zij thans heeft, is het bederf harer dochter. O, hoeveel kwaad, hoevele zonden konden de ouders beletten, zoo zij wilden. Zij denken er dan niet aan, dat zij om al de zonden

-ocr page 535-

— 125 —

die zij moesten en konden beletten, eenmaal streng zullen geoordeeld worden.

Men treft er soms aan, B. 15., die zeggen of antwoorden: Maar men kan toch overal niet bij zijn; men kan toch alles niet beletten. Dat is waar; maar velen beletten niets, en waarom niet? Omdat zij er zich weinig aan laten gelegen liggen of er kwaad geschiedt of niet; omdat zij nalatig zijn en niets doen, en dergelijke ouders en oversten, ik verzeker liet u, zullen bij God geene verschooning vinden.

Door niet te beletten maken zich nog aan vreemde zonden schuldig de herbergiers, die in hun huis alles toelaten en niets beletten; die toelaten dat er gevloekt en zedenkwetsonde taal gesproken wordt, dat er onzuivere liederen gezongen worden en slechte verkeeringen plaats hebben. Welk eene verantwoordelijkheid voor dergelijke herbergiers! Maar men moet al wat door de vingers zien, zeggen zij, om een cent te verdienen: bijaldien men zich tegen alles stelde, men zou weldra geen mensch meer in zijne herberg hebben. Dat zijn zoo wat uitvluchtsels, B. B., die niets beteekenen: want vooreerst, gelooft mij vrij, \'t zijn de vloekers, vuilsprekers en hunne konsoorten niet, die u rijk zullen maken; integendeel, zij trekken door hunne zonden, welke gij kunt, doch niet wilt beletten, en waaraan gij dus ook schuldig zijt, den vloek van God over uw huis; ja, de ondervinding heeft dikwijls geleerd, hoe voorbeeldig dergelijke herbergiers van God gestraft zijn geworden. Doch ziehier eene andere zaak. Bijaldien men zich tegen alles stelde, men zoude weldra niemand meer in zijne herberg hebben. Zijt er zeker van, B. B., \'t zijn de vloekers, enz., niet, die de kalanten der herberg zullen vermeerderen. Hoeveel brave en deftige personen treft men niet aan, die soms zeggen: In die herberg wil ik volstrekt niet meer zijn: wel, daar komen die en die: daar gebeurt dit en dat, en die man of die vrouw laat alles toe, belet niets: ik zal wel wijzer zijn;

»

-ocr page 536-

— 120 —

door naar die herberg te gaan zoude men mij weldra aanzien voor zulk of zoo een. En niet xonder reden; want wat zegt het spreekwoord? daar men mêe verkeert wordt men mêe geëerd. In plaats dus, van, door in uwe herberg alles toe te laten en niets te beletten, al kunt gij het ook, in plaats van uwe kalanten te vermeerderen en fortuin te maken, zult gij ze verminderen en er nadeel bij hebben: deftige, brave personen willen in uwe herberg niet zijn, en zij hebben het allergrootste gelijk. Hoort men van den anderen kant soms ook niet, dat deze of gene herbergier geprezen wordt, omdat hij het kwaad in zijne herberg niet toelaat, maar belet; omdat hij bij de een of andere gelegenheid een vloeker of vuilspreker, die na vermaand te zijn, niet ophoudt, bij den arm genomen en aan de deur gezet heeft? Doch veronderstelt ook dat gij al een cent meer verdienen zoudt — hetgeen toch het geval niet is — Wat zal het u baten? Wat baat het den mensch, zegt de H. Schrifl, de gansche wereld te winnen, als hij zijne ziel verliest? De herbergiers dus, die in hunne huizen baldadigheden toelaten, welke zij kunnen beletten, zullen zeker eene strenge rekenschap voor den rechterstoel van God af te leggen hebben, zij zullen streng gestraft worden.

Door niet te beletten maken zich soms aan vreemde zonden schuldig de dienstboden, die aangesteld zijn om het goed hunner meesters te bewaren, en die het wetens en willens laten stelen of beschadigen, in welk geval zij ook nog, gelijk ik reeds gezegd heb, tot schadevergoeding gehouden zijn.

III.

ö

Do laatste manier, waarop men zich aan vreemde zonden schuldig maakt, is, door niet over te dragen, zoo men er niet alleen uit liefde, maar ook ambtshalve, krachtens een verdrag of uit verplichting toe gehouden is. Alzoo zondigen dikwijls kinderen, dienstboden en werklieden, die de zonden welke er

«

-ocr page 537-

— 127 —

bedreven worden, niet bekend maken aan de ouders of oversten Hoe dikwijls gebeurt het niet dat zekere personen lang in zonden leven? Hoe lang hebben die slechte gesprekken op het werk niet geduurd? Waarom? De baas en vrouw weten het niet, zij zijn er niet tegenwoordig, zij denken er niet eens aan; gij weet er van, gij hoort en ziet het, en gij laat alles begaan. Waarom die zaak niet bekend gemaakt aan de ouders of oversten? Reeds over lang zouden zij er een einde aan gemaakt hebben. Wie is dus mede de oorzaak van al die zonden? Gij, omdat gij ze niet overgedragen hebt. Maar. ik doe, zult gij misschien zeggen, in die slechte gesprekken niet mede; het zij zoo: dat zijn mijne zaken niet, zegt een ander; eenieder moet zich maar met het zijne bemoeien. Zeker zijn dat uwe zaken, en juist daarom moet gij er u ook mede bemoeien: eenieder is over zijn evenmensch aangesteld, om hem, althans uit liefde, te helpen in quot;t werk zijner zaligheid: door nu te zwijgen en de zonden niet over te dragen, bewijst gij uwen naaste een slechten dienst. 13e H. Augustinus zegt: Als de zonden niet overgedragen en op behoorlijke wijze gestraft worden, dan wordt de boosheid grooter, en men is de oorzaak dat de plich-tigen van de zonde eene gewoonte krijgen en dat zij sterven zonder boetvaardigheid.

Een geloovige of burger kan ook streng verplicht zijn de dwalingen, die in \'t geheim onder de geloovigen verspreid, ot de aanslagen die tegen den Staat in \'t geheim gesmeed worden, aan de geestelijke of wereldlijke overheid bekend te maken. Wanneer men nu iets overdraagt aan ouders of oversten, dan moet men het natuurlijk doen met een goed inzicht, niet om zich, bijv., te wreken, maar om de zonden die er geschieden, te beletten.

De vreemde zonden, B. B., zijn niet altoos doodzonden; zij zijn, gelijk ik reeds aangemerkt heb, doodzonden of dagelijksche zonden, volgens dat de zonden van anderen, waarin men medewerkt, min of meer strijden tegen de eer van God of de welvaart

-ocr page 538-

— 128 —

van onzen naaste, en volgens dat men er min of meer invloed in heeft; doch zij zijn altoos van dezelfde soort.

Ook kan men door vreemde zonden, gelijk ik gezegd heb, in zaken van rechtvaardigheid tot schadevergoeding verplicht zijn; iemand, bijv., heeft met een ander helpen stelen, de deelnemer is natuurlijk met den dief verplicht de schade te herstellen.

SLUITREDE.

Uit hetgeen wij over de vreemde zonden gezegd hebben, B. B., zal eenieder gemakkelijk kunnen besluiten, dat de menscli er zich dikwijls, en dikwijls grootelijks aan schuldig maakt. Daarom kan ook eenieder met den koninklijken Profeet David zeggen: Ah occultis meis munda me: Reinig mij van mijne verborgen zonden, en spaar uw dienaar wegens de vreemde, et ah alienis paree servo tuo. Zwaar, B. B., buitengewoon zwaar zal eenmaal op het sterfbed de menigte der zonden op het geweten drukken van hem, die er zich tijdens zijn leven weinig of niet om bekommerd heeft, en die daardoor de moordenaar \\an zoo vele zielen geworden is. Do kerkelijke geschiedenis levert ons van deze waarheid het doorslaandste bewijs. Berengarius had vele Christenen tot ketterij gebracht. Aan het einde zijns levens beantwoordde hij aan de genade Gods, zwoer zijne dwaling af en bekeerde zich oprecht. Toen hij reeds met den dood worstelde, werd hij eensklaps zeer ongerustig; vrees en angst maakten zich van hem meester. Waarom toch, zoo sprak de Priester die bij hem was, waarom, mijn broeder, zijt gij eensklaps zoo ongerust? Van waar die schrik? God is de barmhartigheid zelve, hoop op Hem. Ik weet het, antwoordde de stervende, en ik heb het vast betrouwen dat Hij mijne eigene zonden zal vergeven, maar zal Hij ook de zonden vergeven, waartoe ik anderen aanstoot gaf? Mij dunkt dat de zielen, die ik op het dwaalspoor gebracht heb, en die verloren zijn gegaan, mij bij den rechterstoel van God zullen afwachten om wraak te vorderen. Mij dunkt, ik hoor Jesus-Christus in het binnenste van

-ocr page 539-

— 129 —

mijn hart mij met eene schrikkelijke stem toeroepen: Waar zijn de zielen die gij in het eeuwig verderf gestort hebt? Wat zal ik antwoorden? Wee mij! Zoo sprak de boetvaardige Berengarius op zijn sterfbed, en met moeite slaagde er de Priester in den stervende gerust te stellen. B. B., onderzoeken wij eens wel ons geweten, of wij hot soms niet met veel vreemde zonden bezwaard hebben en nog bezwaren. Welk zal ons lot op ons sterfbed zijn? Er is maar één middel over om ons zoo veel mogelijk gerust te stellen; boetvaardigheid doen over onze vreemde zonden, dezelve zoo goed mogelijk herstellen en er zich zorgvuldig van wachten voor het toekomende. Amen.

Gki.ooks bn Zudenleer. 5»lo igt;kbi. 9.

-ocr page 540-

VEERTIENDE ONDERRICHTING

OVER DE DEUGD

Declina a raalo et fac honum. Wijk van liet kwaad af en doe liet goed. (Ps. xxxv, 27.)

INHOUD.

YOORRK0E.

Het eerste deel der Christelijke Rechtvaardigheid bestaat in het vluchten der zonde; daarover hebben wij reeds gesproken. Het tweede deel bestaat in liet beoefenen tier deugd.

vkrdkkunü.

I. Wat is do deugd?

II. Hoe worden de deugden verdeeld? HL Wat is de deugd van godsdienstigheid?

I.

Wat is de deugd? Eene genegenheid der ziel, door dewelke de mensch weldoet. Zij is eene genegenheid, eene voortdurende neiging en vaardigheid om iels ie doen; der ziel, d. i., van

-ocr page 541-

— 131 —

Si

i-l|ï|

het vorstand en van den wil; door dewelke de mensch weldoet, waardoor hij goede en verdienstelijke werken verricht. De deugd staat lijnrecht tegenover de ondeugd.

II.

Hoe worden de deugden verdeeld?

1° In natuurlijke en bovennatuurlijke;

2° In goddelijke en zedelijke deugden.

Welke zijn de goddelijke deugden, en waarom worden zij zoo genoemd? Zij zijn ons ingestort in het II. Doopsel. Het geloof komt op de eerste plaats, maar de liefde is de waardigste. \\\\ ij moeten dikwijls de akten van geloof, hoop en liefde verwekken.

Wat zijn zedelijke deugden?

MS

PA

Hl.

Wat is de deugd van godsdienstigheid? Zij is in-en uitwendig. Na de deugd van godsdienstigheid komen de kardinale deugden, vervolgens de overige zedelijke deugden.

SLUITREDE.

De deugd alleen maakt den mensch gelukkig, hier en hiernamaals. IJdele verontschuldigingen wederlegd, van personen die zeggen, dat zij te zwak zijn om de deugd te beoefenen.

31

i-

\'M:

li

\'

11

i

-ocr page 542-

VEERTIENDE ONDERRICHTING

OVER DE DEUGD

Bedim a malo et fac bonum.

Wijk van het kwaad ai\' on doo het goed, (Ps. xxxv, 27.)

VOORREDE.

In onze voorgaande onderrichtingen, B. 15., hebben wij gesproken over do zonde, die wij moeten vluchten; doch het vluchten der zonde is maar een deel van do Christelijke Rechtvaardigheid. Immers, zij bestaat uit twee deelen, te weten, het kwaad schuwen en het goed doen, of de zonde vluchten en de deugd oefenen, \'t Is over het tweede deel der Christelijke Rechtvaardigheid dat wij thans gaan handelen, namelijk, over liet goed doen of het oefenen der deugd.

De deugden, die wij moeten oefenen, behooren wij eerst wel te kennen, zonder die kennis zal men er zich weinig of niet op toeleggen, want men verlangt niet sterk naar iets dat men niet kent. Er moet ons dus voel aan gelogen liggen de deugden ■wel te kennen; daardoor wordt men ook opgewekt om ze te beminnen en te oefenen. Wij moeten ons beijveren van in do deugd altoos voortgang te doen. De Catechismus vraagt:

Moeien wij trachten voortgang te doen in de deugden? En hij antwoordt:

Ja-, want Christus wil dat zijne discipelen volmaakt zijn, gelijk zijn hemelse he Vader volmaakt is.

Vandaar ook dat de H. Geest zegt: Wie rechtvaardig is, worde nog rechtvaardiger, en wie heilig is, worde nog heiliger. En op eene andere plaats: Schaam u niet van u tot aan den dood op

-ocr page 543-

de gerechtigheid toe te leggen; Nc verearis usque ad mortem justificari. (i)

Alvorens over eenige deugden in \'t bijzonder te spreken, zullen wij eerst spreken over de deugd in \'t algemeen. Wij zullen dus vandaag zien:

I. Wat de deugd is;

11. Hoe de deugden verdeeld worden;

III. Wat de deugd van godsdienstigheid is.

I.

De Catechismus vraagt:

Wat is de deugd? En hij antwoordt:

Eene genegenheid der ziel door dewelke de mcnsch weldoet.

De deugd is vooreerst eene genegenheid, d. i., eene hoedanigheid, waardoor de iiiensch voortdurend genegen en vaardig is om iets te doen. Ik zeg voortdurend, bijgevolg is zij geene vluchtige neiging om iets te doen, die maar een oogenblik duurt; veel minder eene voorbijgaande handeling, waardoor de menscli werkelijk iets doet; maar zij is eene bijblijvende hoedanigheid of gesteltenis, waardoor hij voortdurend genegen en vaardig is om iets te doen.

De deugd is vervolgens eene genegenheid der ziel, niet van het lichaam, d. i., niet van de ledematen of zintuigen, maar van de ziel, van het verstand en van den wil: van het verstand, dat verlicht wordt om te kennen wat wij moeten doen om heilig te leven en eenmaal zalig te worden; van den wil, die bewogen wordt om hel inderdaad to doen; ook nog van de zinnelijke begeerlijkheid of A an de driften, in zoo ver zij aan liet verstand en den wil moeten onderworpen zijn, waartoe de deugd bijdraagt.

li) Ecci.. xviii, 22.

-ocr page 544-

— 134 —

Eindelijk is de deugd eene genegenheid door dewelke de mensch weldoet, d, w. z., waardoor de mensoh bekwaam en bereid is, om zoo dikwijls de gelegenheid zich opdoet, liet goed te doen, namelijk, het zedelijk goed, om het een of ander goed werk te verrichten, om deze of\' gene deugd te oefenen, om de geboden van God of\' van de 11. Kerk te onderhouden. De deugd is eene goede genegenheid der ziel, waardoor de mensch weldoet; de ondeugd daarentegen is eene slechte genegenheid waardoor de mensch kwaad doet. Ziedaar, li. B., wat eigenlijk de deugd is.

II.

Hoe worden de deugden verdeeld ? Do deugden worden verdeeld;

1° In natuurlijke en bovennatuurlijke;

2° In goddelijke en zedelijke deugden.

Eene natuurlijke deugd is eene deugd, die wij uit ons zeiven hebben of door natuurlijke oefeningen bekomen, en waardoor alleen wij geene verdiensten kunnen vergaderen voor den hemel. De Heidenen hebben ook natuurlijke deugden, doch onze deugden moeten naar de leering van Christus volmaakter zijn; Gij hebt gehoord, leert onze goddelijke Zaligmaker, dat er gezegd is: Gij zult uwen naaste beminnen en uwen vijand haten; doch Ik zeg u; bemint uwe vijanden, doet goed aan degenen, die u haten, en bidt voor degenen, die u vervolgen en lasteren, opdat gij kinderen zijt van uwen Vader die in den hemel is.

......Want, zoo gaat Jesus voort, zoo gij hen slechts bemint

die u beminnen, welke belooning zult gij dan erlangen? .....Zijt

dus volmaakt, gelijk uw hemelsche Vader volmaakt is, d. w. z., tracht zoo volmaakt mogelijk te worden.

Eene bovennatuurlijke deugd is eene deugd, die al de krachten der schepselen te boven gaat, die wij dus van natuur niet hebben, noch door natuurlijke werken kunnen bekomen of verdienen, maar die God ons uit loutere goedheid instort, en

-ocr page 545-

waardoor wij in staat gesteld worden om verdiensten te verga-fleren voor den hemel, \'t Is van de bovennatuurlijke deugden dat de Catechismus spreekt, als hij vraagt:

Hoevelcrlei deugden zijn er? Hn hij antwoordt:

Tweederlei, goddelijke en zedelijke deugden.

Welke heet gij goddelijke deugden?

Deze drij: Geloot\', Hoop en Liefde, zoo genoemd, omdat zij van God alleen ingestort en eigenlijk alleen met God bezig zijn.

Het geloof, do hoop en ile_ liefde worden goddelijke deugden genoemd: vooreerst, omdat zij ons van God alleen zijn ingestort. Immers, zij zijn bovennatuurlijk en bijgevolg kunnen zij van God alleen komen.

Wanneer zijn de goddelijke deugden ons eerst van God ingestort?

In het Doopsel, toen wij dat eerste en noodigste Sacrament ontvangen hebben, zonder hetwelk men niet kan zalig worden.

Nochtans, die reden alleen is niet voldoende om die drie deugden goddelijke deugden te noemen, want de overige bovennatuurlijke zedelijke deugden zijn ons van God alleen ook ingestort, daarom voegt de Catechismus er eene andere reden bij, als hij zegt: En eigenlijk met God alleen bezig zijn. Doch:

Hoe zijn de goddelijke deugdeti met God bezig?

Het Geloof met in God te gelooven, de Hoop met op God, te hopen, de Liefde met God om hem zeiven en den nariste 07n God te beminnen.

De drie goddelijke deugden hebben God onmiddellijk tot voorwerp en beweegreden. Wij gelooven in God, wij hopen op God, en wij beminnen God bovenal. Daarenboven, wij gelooven al hetgeen God geopenbaard heeft en door de H. Kerk voorhoudt te gelooven; wij hopen van God te bekomen het eeuwige leven en al wat ons daartoe helpen kan; wij beminnen ook onzen

-ocr page 546-

— 130 —

naaste gelijk ons zeiven om God. De reden, waarom wij in God gelooven is, omdat Hij de eeuwige waarheid is; de reden, waarom wij op God hopen is, omdat Hij oneindig goed is tot ons, almachtig en getrouw in zijne beloften; de reden, waarom wij God bovenal beminnen, is God zelf, d. i., zijne goedheid, barmhartigheid, liefde tot ons en alle andere volmaaktheden, waarmede Hij alle goed te boven gaat, en waardoor Hij boven alles beminnelijk is: onzen naaste beminnen wij gelijk ons zeiven om God, d. i., omdat God het gebiedt, alsook omdat onze naaste het kind en het beeld is van God en bestemd om de goddelijke glorie te genieten.

Het geloof, B. B., is de oorsprong en de grondsteen der twee andere goddelijke deugden, want zonder geloof kunnen wij op God niet hopen, noch Hem beminnen; doch de liefde is de waardigste van alle deugden volgens de leering van den Apostel Paul us: Major autern horum est charitas; zij is de koningin der deugden. De liefde blijft zelfs de gelukzaligen in den hemel bij; dan eerst zullen wij God naar behooren beminnen. Het geloof en de hoop zullen voorbijgaan, want wij zullen God zien gelijk Hij is, en Hem in eeuwigheid genieten. Uit deze weinige woorden over de goddelijke deugden kunnen wij besluiten, dat zij de waardigste deugden zijn, wijl zij ons het naatste met God vereenigen, on bijgevolg, dat wij ze inzonderheid moeten oefenen. Vandaar het godvruchtig gebruik bij de deugdzame Christenen, van dagelijks de akten van geloof, hoop en liefde te verwekken, waarbij men gewoonlijk de akte van berouw voegt. De Catechismus vraagt:

Welke noemt men zedelijke deugden? En hij antwoordt:

Die bijzonderlijk dienen om de zeden der mens dien te regelen, namelijk, om een leven te lijden dat God behaaglijk is.

Hoeveel zedelijke deugden zijn er?

Daar zijn er menigvuldige.

-ocr page 547-

— 137 —

De eerste na de goddelijke, en de waardigste van de zedelijke deugden is de godsdienstigheid of de deugd van religie: de reden is, wijl zij nader met God bezig is dan de andere zedelijke deugden. Zien wij nu nog waarin de godsdienstigheid bestaat.

III.

Wat is de godsdienstigheid? De godsdienstigheid is eene deugd, waardoor wij God den in - en uitwendigen dienst bewijzen die Hem toekomt, met erkentenis van zijne opperste majesteit en van onze onderwerping.

God, B. li., heeft wel is waar onzen dienst niet noodig. Of wij Hem dienen of niet dienen, God wordt daardoor niet meer of minder gelukkig. Waarom niet? Omdat God van natuur oneindig gelukkig is. God dienen of God niet dienen zal dus alleen strekken tot ons tijdelijk, en vooral tot ons eeuwig geluk of ongeluk. Die waarheid, B. B., moesten wij nimmer uit liet oog verliezen.

Wij moeten God in-en uitwendig dienen, met ziel en lichaam, \'t Is dus niet genoeg God enkel in den geest te aanbidden, gelijk zekere ketters leerden. Zoo wij enkele geesten waren gelijk de Engelen des hemels, dan konden wij ons met de inwendige akten tevreden houden; doch wij hebben ook een lichaam, en dat lichaam hebben wij zoo wel als de ziel van God ontvangen. Waarom dan zoude liet lichaam door zijne akten, dus uitwendige, zijnen Heer en God, zijnen Schepper en Regeerder niet moeten erkennen en zich aan hem niet moeten onderwerpen? Nochtans, de inwendige akten zijn, gelijk gemakkelijk te begrijpen is, de voornaamste; zij maken de ziel of het leven uit van de uitwendige; zonder de inwendige zijn do uitwendige van geene waarde. Wij moeten God dus erkennen voor onzen Opperheer en Meester, en ons geheel en al in - en uitwendig, met ziel en lichaam, aan Hem onderwerpen.

-ocr page 548-

— 138 —

Xa de goflsdieustigheid komon de vier kardinale deugden. Di1 overige zedelijke deugden hebben liare waardigheid, do eene boven de andere, volgens dat zij naar do kardinale deugden worden teruggebracht.

Ziedaar, li. B., in t kórt verklaard wat de deugd is, iioe de deugden verdeeld worden, en waarin do deugd van godsdienstigheid bestaat.

SLUITRKDE.

Merken wij nu ten slotte bijzonder do volgende waarheid aan.

De deugd alleen maakt den mensch gelukkig, hier en hiernamaals. Het geluk hier op aarde, B. B., bestaat eigenlijk in don vrede met zich zolvon en met God. Welnu, dien vrede kan do deugd alleen geven. Do zondaar, die in de ondeugd zijn geluk zoekt, vindt zich altijd bedrogen; hij kan wel voor oen oogenblik een schijnvermaak genieten, hij kan wol voor korten tijd zijn geweten in slaap wiegen, maar tot zich zolvon gekomen vraagt hij zich, af: Ongelukkige, wat heb ik gedaan? Zijn igt;owolon a or wij I hem zijuo ondankbaarheid, hij kan geen Mode vindon; Aon est pax imptis. (i) lgt;o deugdzame daarentegen hoeft altóós oen gerust geweten; hij hoeft zijn oog op God gevestigd, die de deugd eenmaal ruimschoots zal beloonen. Beoefenen wij dus de deugd. Zoggen wij toch nooit; Ik ben te zwak; mijne driften zijn te hevig; ik bon aan te veel gevaren blootgesteld; ik moet wel bezwijken; ik kan niet deugdzaam Zijn. Ma, B. B., wij zijn zwak, maar waarom? Omdat wij de middelen niet gebruiken om sterk te worden. Wat zoudt gij zeggen van een zieke, die verzwakt, don genooshoor ontbiedt en zegt; Doktor! ik ben zwak, maar die de geneesmiddelen om stork te worden van de hand wijst? Gij zoudt zoggen, die zieke heeft zijn verstand verloren; hij wil sterk worden zonder vorstorkingsmiddolon te gebruiken, bij wil het onmogelijke.

|i) Is. XLV1II, 2S.

-ocr page 549-

— 139 —

Welnu, wij doen juist hetzelfde. Wij zijn ook zwak, doch wij kunnen sterk worden, mits wij de middelen gebruiken, mits wij God om sterkte vragen. Vraagt, zegt God, en gij zult verkrijgen; doch wij bidden niet. Ook naderen wij niet genoeg tot de II. Sacramenten om onze wonden te genezen, om de kracht to bekomen ten einde onze driften te betengelen en aan de bekoringen te wederstaan. Waarom is de Biecht ingesteld? Niet alleen om vergiffenis van de zonden te bekomen, maar ook kracht om er niet meer in te hervallen. Wien ontvangt men in de H. Communie? Jesus-Christus, het brood der sterken; doch zoo Jesus-Christus met ons is, wie zal dan tegen ons vermogen? Stellen wij ons ook bijzonder onder de bescherming van Maria; die goede Moeder zal ons bijstaan. Wij zijn zwak, B. B., \'t is waar; bedienen wij ons dus van de middelen om sterk te worden, wij zullen moedig strijden en onder Gods bescherming overwinnen, en God, na hier onze beschermer geweest te zijn op aarde, zal eenmaal de belooner onzer deugden worden in den hemel. Amen.

-ocr page 550-

VIJFTIENDE ONDERRICHTING

OVER DE KARDINALE DEUGDEN

Seddite Cesari quce sunt Casaris, et qua sunt Dei Deo.

Geeft den Keizer wat den Keizer toekomt, en God wat God toekomt.

(Matth. xxii, 21.)

INHOUD.

VOORRKDE.

Na over de deugd in \'t algemeen, over de drie goddelijke deugden cn do deugd van godsdienstigheid in \'t bijzonder gesproken te hebben, gaan wij over de vier kardinale deugden spreken.

VERDEELING.

I. Wat is de voorzichtigheid?

II. Wat de rechtvaardigheid?

III. Wat de sterkte?

IV. Wat de matigheid?

De voorzichtigheid is eene deugd, die ons doet onderscheiden, wat wij in ieder geval moeten doen of laten.

-ocr page 551-

— 141 —

De bestuurders hebben deze deugd vooral noodig. Zij werkt op het verstand, het geheugen en den wil.

Er bestaat ook eene slechte voorzichtigheid, namelijk, de voorzichtigheid der wereldiingen, waarvoor men zich wachten moet.

II.

De rechtvaardigheid is eene deugd, waardoor wij God en den naaste geven, wat hun toekomt.

Wij moeten jegens eenieder rechtvaardig zijn en niemand in zijne rechten krenken.

III.

De sterkte is eene deugd, waardoor wij ons standvastig van onze plichten kwijten en alle beletsels overwinnen.

Wij allen hebben die deugd noodig, wijl wij allen sterke vijanden te bestrijden hebben. Wij zullen die deugd bekomen, mits wij er om bidden. De Martelaren, Apostelen en Missionarissen. Wij moeten ons ook goed wachten voor de zonde van vermetelheid.

IV.

De matigheid is eene deugd, waardoor wij de zinnelijke lusten, vooral die van smaak en gevoel, inteomen.

SLUITREDE.

Voorbeeld van sterkte in den 11. Franciscus Regis.

-ocr page 552-

— 142 —

VIJFTIENDE ONDERRICHTING

OVER DE KARDINALE DEUGDEN

Heddite Ccesari ([ue sunt Cccsarts, • et qua: sunt Dei Deo.

Geeft den Keizer wat den Keiüer toekomt, en God wat God toekomt.

(Mattii. xxii, 21.)

VOORREDE.

Na over de deugd in \'t algemeen gehandeld te hebben, 15. B., gaan wij thans over eenige deugden in \'t bijzonder handelen. Over de drie goddelijke deugden is vroeger breedvoerig gesproken, over de deugd van godsdienstigheid, die hot naast bij de drie goddelijke deugden komt, hebben wij laatstleden gesproken; vandaag dus gaan wij beginnen mot de vier kardinale deugden. De Catechismus vraagt:

Tol wclhe deugden worden ui de zedelijke deugden gebracht? En hij antwoordt:

Tol deze vier, die men kardinale deugden noeml, Ie weten ; de voorzichtigheid, de rechtveerdigheid, de .sterkte en de matigheid.

Deze vier deugden worden kardinale deugden genoemd van het latijnsche woord Cardo, dat duim of ijzeren haak beteokent, waarop eene deur steunt en draait. Gelijk dus eene deur op hare duimen steunt en draait, zoo ook steunen en draaien de overige zedelijke deugden op de vier kardinale deugden. Wie de vier kardinale deugden bezit, hem zal het ook aan de overige niet ontbreken; bezit hij de vier kardinale deugden niet, dan zullen de overige zedelijke deugden slechts schijndeugden zijn. Onderzoeken wij vandaag wat elke kardinale deugd in het bijzonder is.

-ocr page 553-

— 143 —

I. Wat is do voorzichtigheid?

II. Wat de rechtvaardigheid?

III. Wat do sterkte?

IV. Wat do madgiicid?

I.

Wat is de voorzichtigheid? Do voorzichtigheid, B. 13., is eene deugd, die ons doet onderscheiden, wat wij in ieder geval moeten doen of laten.

Alhoewel eenieder deze deugd noodig hoeft, zij is nochtans van eeno volstrekte noodzakelijkheid voor hen, die met do geestelijke ot tijdelijke bestiering van andoron belast zijn; bijgevolg, voor do oversten. De andere deugden moeten zelfs in hare werkingen door de voorzichtigheid bestierd worden, volgens de regels dor wijsheid, om niet in buitensporighodon uvor te gaan. Die volgens do voorzichtigheid to werk gaat, kiest den tijd, de plaats on de middelen om zijn doel te bereiken.

Do voorzichtigheid regelt alles in den monsch tot zijne woorden toe, zoo ten opzichte van zich zolven als van anderen; zij werkt op de drie krachten der ziel: op het vorstand, het geheugen en don wil: op het verstand, om het te verlichton aangaande do to kiezen middelen, ten einde het doel te bereiken; op het geheugen, om ons do misstappen indachtig te maken die wij begaan hebben, ten einde zo voortaan to vermijden. Gij zijt, bijv., op do een of andere plaats, bij dezen of genen persoon in zonde gevallen; do voorzichtigheid zal u den eersten misstap herinneren, om u voor een tweedon te wachten; zij werkt op den wil, door ons te besturen in hetgeen wij moeten kiezen en doen om onze vijanden te overwinnen on tot tie zaligheid te geraken.

Do voorzichtigheid, IJ. B., leert ons ook van ons zeiven mistrouwen en bij verstandige menschen te rade gaan. Het

-ocr page 554-

— 144 —

gebeurt soms dat menschen met do beste inzichten bezield, niets goeds uitrichten; ja, wat meer is, dat zij het kwaad, hetgeen zij zoeken te beletten, vermeerderen. Van waar komt dat? Uit gebrek aan voorzichtigheid. Zij gaan te haastig te werk, zij hebben geen geduld, zij treden eerst niet een oogenblik in zich zeiven om de juiste plaats, den geschikten tijd af te wachten; zij steunen te zeer op zich zeiven, raadplegen geene menschen van ondervinding om de geschikte middelen te kiezen en naar behooren te gebruiken, ten einde het goed te stichten en het kwaad te beletten.

Buiten de zedelijke en kardinale deugd van voorzichtigheid, waarop wij allen ons moeten toeleggen, bestaat er nog eene andere, doch waarvan wij allen ons moeten wachten, \'t Is de voorzichtigheid der wereldlingen, B. B., die zich geene moeite spapen, geene middelen hoe schandelijk ook, onbeproefd laten om hun slecht doel te bereiken. Hoe voorzichtig, of liever, hoe sluw gaat de dief niet te werk, om het geld of goed van anderen onopgemerkt weg te nemen en niet betrapt te worden? Koevele listen en lagen verzint hij niet? Vandaar dat onze goddelijke Zaligmaker zegt; De kinderen der wereld zijn in hun geslacht, d. i., in hunne tijdelijke zaken, voorzichtiger dan de kinderen des lichts in de hunne, d. i., in hetgeen de zaligheid aangaat: Quia fllii saiculi prudenliores filiis lucis in genera-lione sua sunt, (l)

Mogen wij ons deze berisping niet toepassen of aantrekken? Wat doen wij niet voor het lichaam, en wat hebben wij over voor onze ziel? Men werkt, men slaaft om rijk te worden, om in aanzien te staan, om zich te vermaken, en aan de ziel en zaligheid wordt schier niet gedacht, dus ten koste van de ziel en zaligheid. B. B., zijn wij in \'t vervolg verstandiger; handelen wij niet naar de voorzichtigheid der wereldlingen, en bidden

(i) Luc. xvi, 3.

-ocr page 555-

— 145 —

wij God om rte christelijke voorzichtigheid, ten einde in elk geval te weten wat wij moeten doen of laten om zalig te worden.

De tweede kardinale deugd is de rechtvaardigheid.

II.

Wat is de rechtvaardigheid? De rechtvaardigheid is eene deugd, waardoor wij God en onzen naaste geven wat hun toekomt. Onze goddelijke Zaligmaker leert ons die deugd in het Evangelie als Hij zegt: Geeft den keizer, wat den keizer, en God wat God toekomt: Reddite ccesari quce sunt ccvsaris, et qwv sunt Dei Deo. (i)

Wij toonen ons rechtvaardig jegens God, onder anderen, door vastelijk in Hem te gelooven, door met een vast betrouwen op Hem te hopen, door Hem bovenal te beminnen en door Hem in alles en ten allen tijde te gehoorzamen, door zijne geboden stipt te onderhouden.

Wij toonen ons rechtvaardig jegens onzen naaste, als wij ons trouw van onze plichten kwijten jegens onze oversten, door hen te eerbiedigen, te beminnen en hun gehoorzaam te zijn; jegens ons gelijken, door ons jegens hen te gedragen zooals wij wenschen dat zij zich jegens ons gedragen; jegens onze onder-hoorigen, door zorg voor hen te dragen; verder nog, door niemand, wie het ook zij, in zijne rechten te krenken. Och of deze rechtvaardigheid naar behooren door de Christenen beoefend werd! De aarde, thans een tranendaal, zoude in een paradijs veranderen. Van waar de twist en tweedracht? Van waar de opstand tegen ouders en oversten, tegen Kerk en Staat? Uit gebrek aan rechtvaardigheid, omdat men God en don naaste weigert hetgeen hun toekomt. Van waar zoo vele straffen, waaronder vooral de gevangenstraf? Wederom uit gebrek aan rechtvaardigheid, omdat men de rechten van den naaste schendt,

(i) Mattii. xxii, 21.

Qeloofs-em Zedenleer. 5lt;io dicht, 10.

-ocr page 556-

— 146 —

zich aan diefstal, eerrooverij eu andere schelmstukken schuldig maakt. De derde kardinale deugd is de sterkte.

m.

Wat is de sterkte? De sterkte is eene deugd, waardoor wij ons standvastig van onze plichten kwijten en alle beletsels overwinnen.

Eenieder, B. B., heeft de deugd van sterkte noodig, wijl eenieder op het pad der deugd moeielijkheden en groote moeie-lijkheden ontmoet, die hij moet te boven komen om tot de zaligheid te geraken. God zendt den mensch dikwijls kruisen over, en om die kruisen, ik zeg wel niet met vreugde, maar ten minste met overgeving aan den wil van God en met geduld te dragen, Is er sterkte noodig. De Christen is gelijk aan een soldaat. Gelijk de soldaat moed en sterkte noodig heeft om zijne vijanden te overwinnen, zoo ook heeft de Christen moed en sterkte noodig om de vijanden zijner zaligheid den duivel, de wereld en het vleesch te overwinnen. De Christen heeft een rijk te veroveren, en dat rijk is de hemel; doch het hemelrijk lijdt geweld, zegt Jesus, en de geweldigen nemen het in; Regnum ccelorum vim patitur et violenti rapiunt illud. (i) Maar ik heb altijd gehoord, zoudt gij kunnen denken, dat de mensch zwak is in plaats van sterk. Dat is in zekeren zin waar. De mensch is zwak van zich zeiven; uit zich zeiven zal hij onder de moeielijkheden bezwijken, zal hij door de vijanden zijner zaligheid overwonnen worden; doch hij moet zich tot God wenden om sterk te worden; hij moet God om de deugd van sterkte bidden en hij zal ze verkrijgen.

In de deugd van sterkte hebben zoo vele duizenden Martelaren uitgeschenen, die liever de verschrikkelijkste folteringen ondergingen, hun leven ten beste gaven, dan hun geloof te verzaken of eene zonde te bedrijven. Reeds vóór de komst van Christus

(i) Mattii. xi, 12.

-ocr page 557-

telt men Martelaren. Wat deden eene Machabeische moeder en hare kinderen? Zij achtten de pijnen als niets en verkozen liever te sterven dan de wet te overtreden. Na de komst van Christus, met de Apostelen te beginnen, telt de H. Kerk hare bloedgetuigen bij duizenden. De Apostelen door den H. Geest gesterkt verheugden zich voor den naam van hunnen goddelijken Meester te mogen lijden. De Missionarissen in de vreemde landen geven hun leven ten beste voor de glorie van God en de zaligheid der zielen. Waarom richten zij zoo wondervolle zaken uit, waarom komen zij alle moeielijkheden te boven? Onder anderen, omdat zij de deugd van sterkte bezitten; en wij, B. B., wij zouden niets doen; wij zouden ons door eenige moeielijkheden laten afschrikken? wij zouden den schoonen hemel verliezen, terwijl hij door anderen, even zwak als wij, veroverd wordt? Welk eene schande! Welk een ongeluk! Bidden wij God dus om de deugd van sterkte; wachten wij ons vooreerst van de lafheid, zoodat wij voor de moeielijkheden niet terugdeinzen, doch wachten wij ons ook van de vermetelheid, zoodat wij ons niet zonder reden aan de gevaren blootstellen, want die het gevaar bemint, zal er in vergaan. Ook hebben wij geene hulp, noch bijstand van God te verhopen, zoo wij vermetel zijn. God heeft niet beloofd, en is ook niet verplicht, de vermetelen bij te staan en te redden.

De vierde kardinale deugd is de matigheid.

IV.

Wat is de matigheid? De matigheid is eene deugd, waardoor men de zinnelijke lusten, voornamelijk, die van smaak en gevoel intoomt: in andere woorden, zij is eene deugd die het gebruik van zaken, die de zinnen streelen, binnen de palen houdt.

Deze deugd, B. B., verbiedt niet van zich eerlijk te vermaken, maar zij regelt de vermaken naar de gezonde rode en de wet Gods, opdat wij de grenzen niet zouden overschrijden. Ieder

-ocr page 558-

mensch heeft zijne driften, doch daarin bestaat geen kwaad r het kwaad volgt, of men bedrijft de zonde, als men zich door zijne kwade driften laat medeslepen; doch met Gods genade de kwade driften beteugelen, ziedaar de overwinning, die de mensch op zijne bedorven natuur behaalt, en waarvoor hij eenmaal ruimschoots door God zal beloond worden.

SLUITREDE.

Uit deze korte onderrichting over de kardinale deugden zien wij duidelijk genoeg, hoeveel er ons aan gelegen moet liggen dezelve te bekomen. Daarom moeten wij naar het voorbeeld der Heiligen, die er in uitgeschenen hebben, dikwijls om die deugden bidden. De Heiligen, B. B., hebben, gelijk ik kom te zeggen, in de kardinale deugden uitgeschenen, en ziehier een voorbeeld van de deugd van sterkte.

De H. Franciscus Regis bemerkte zekeren dag, dat een edelman eene jeugdige weeze zocht te verleiden. Die edelman had de plaats bepaald, waar zij zouden Ie zamen komen. Terstond begaf zich Franciscus ook naar die plaats. De tegenwoordigheid van den H. man verraste den wellusteling en bracht hem in eene niet kleine verlegenheid. Verontwaardigd van zijne verleidingsplannen mislukt te zien, sprak hij vol woede tot Franciscus: Wat zoekt gij hier? Gij mengt u in te veel zaken die u niet aangaan. Ik zoek hier het onschuldig lam, antwoordde de Heilige, dat gij als een grijpende wolf aan God ontrooven wilt. Verwijder u, hernam de. verleider, zoo niet zal uwe onvoorzichtigheid u duur te staan komen. Met heilige vrijmoedigheid antwoordde Franciscus dat hij niet zoude weggaan, alvorens hij de eer en onschuld der weeze verzekerd wist. Wat nu uwe bedreigingen aangaat, weet, voegde hij er bij, dat zij niet in staat zijn mij schrik aan te jagen; ik reken het mij tot eer als slachtoffer uwer blinde woede te vallen. Thans kon de wellusteling zich niet meer bedwingen; hij trok zijn degen en

-ocr page 559-

dreigde er don Heilige mede te doorboren. O zeer gaarne, riep Pranciscus uit, zeer gaarne wil ik mijn bloed vergieten voor de eer van Jesus-Christus: stoot toe: ik sterf met vreugde, als God maar niet beleedigd wordt. Die onverschrokken moed van den dienaar Gods, op wiens gelaat hemelsche vreugde straalde, ontwapende den wellusteling; beschaamd, verwijderde hij zich. Ziedaar, B. B., wat een Heilige deed om de zonde te beletten, om eene onschuldige te redden. Welken weerstand bieden wij in de bekoringen om niet te zondigen? Wat doen wij om onze eigene ziel en de zielen van anderen zalig te maken? Misschien is hot voor menigeen onder ons tijd, hoogtijd van de handen aan \'t werk te slaan, want de ziel verloren is alles verloren, maar de ziel gewonnen is ook alles gewonnen, en dat voor de eindelooze eeuwigheid. Amen.

-ocr page 560-

ZESTIENDE ONDERRICHTING

OVER DE OOTMOEDIG - EN MILDDADIGHEID

Omnis qui se exaltat humiliabitur, et qui se humiliat exaltabitur.

Dio zich verheft zal vernederd worden, en die zioh vernedert zal verheven worden.

(Luc. xiv, ii.)

INHOUD.

VOORREDE.

Onlangs hebben wij de zeven hoofdzonden verhandeld; vandaag gaan wij beginnen met de zeven deugden, die er tegenover staan. De middelen, die wij toen voorgeschreven hebben om de hoofdzonden te vermijden,- gelden ook om de zeven deugden te bekomen; thans zullen wij spreken:

VERDEELING I. Over de ootmoedigheid II. Over de milddadigheid.

I.

De ootmoedigheid is eene deugd, die den mensch door eene ware en volmaakte kennis van zich zeiven klein maakt in zijne eigen oogen.

-ocr page 561-

Ootmoedigheid is waarheid: hoovaardigheid is leugen en bedrog. De ootmoedigheid is de grondsteen van alle deugden. Voorbeelden van ootmoedigheid; Abraham, de Apostel Paulus, de Allerheiligste Maagd Maria, Jesus-Christus.

II.

De milddadigheid is eene deugd, die onze neiging tot het vergaderen, bewaren en uitdeelen van geld en goed naar behoor en matigt.

De milddadige is geen gierigaard, noch verkwister, \'t Is niet noodig veel te geven om milddadig te zijn. Die veel heeft, hij geve veel; die weinig heeft, hij geve weinig, maar met een goed hart.

SLUITREDE.

Denken wij dikwijls aan de woorden van de H. Schrift: Die zich verheft zal vernederd, en die zich vernedert zal verheven worden; Geeft en u zal gegeven worden.

-ocr page 562-

ZESTIENDE ONDERRICHTING

OVER DE OOTMOEDIG - EN MILDDADIGHEID

Omnis qui se exaltat humiliabitur, et qui se humiliat cxaltahitur.

Die zich verheft zal vernederd worden, en die zich vernedert zal verheven worden.

(Luo. XIV, 14.)

VOORREDE.

Onlangs, B. B., hebben wij gesproken over de zeven hoofdzonden, die als zoo veel bronnen zijn, waaruit talrijke zonden ontspringen: thans gaan wij spreken over de zeven deugden, die lijnrecht tegenover de zeven hoofdzonden staan. En gelijk wij van dén eenen kant ons best moeten doen om de hoofdzonden te vermijden, zoo moeten wij van den anderen kant ons best doen om die deugden te verkrijgen.

Over de middelen, die wij moeten gebruiken om de hoofdzonden te vermijden, hebben wij vroeger ook gesproken; onnoodig dus van er hier wederom op neer te komen, want die middelen zijn juist ook geschikt, zoo als gemakkelijk te begrijpen is, om de tegenovergestelde deugden te verkrijgen, (i)

De zeven deugden zijn de volgende; Ootmoedigheid, milddadigheid, kuischheid, welwillende liefde, matigheid, zachtmoedigheid en de ijver in liet goede. Vandaag zullen wij handelen over de twee eerste:

I. Over de ootmoedigheid;

II. Over de milddadigheid.

li Zio bladzijde, 33, enz.

-ocr page 563-

— 153 —

I

De eerste der zeven deugden is de ootmoedigheid; zij staat tegenover de hoovaardigheid.

Wat is de ootmoedigheid? De ootmoedigheid is eene deugd, die don mensch door eene ware en volmaakte kennis van zicli zeiven, klein maakt in zijne eigen oogen.

Hoe beter dus de mensch zich zeiven kent, des te ootmoediger zal hij worden, daar de hoovaardige integendeel zich verheit, juist omdat hij zich zeiven niet kent of niet wil kennen; want hij meent veel van zich, daar hij nochtans niéts is. De ootmoedigheid is dus waarheid, maar de hoovaardigheid is leugen en bedrog.

Nochtans, de ootmoedigheid is geen beletsel van de natuurlijke talenten en bóvennatuurlijke gaven, welke de mensch bezit, op te merken en te erkennen. Iemand, bijv., heeft veel bekwaamheid, hij is geleerd, braaf en deugdzaam: moet die mensch om ootmoedig te zijn, nu denken dat hij niets vermag, dat hij geen verstand heeft, en dat hij een groote zondaar is? Volstrekt niet; in zulk geval zoude hij in dwaling verkeeren en zich zeiven willen bedriegen. Die mensch moet dus, wil hij ootmoedig zijn, de talenten en gaven tot God, van wien alle goed voortkomt, terugbrengen; hij moet denken en er wel van overtuigd zijn, dat hij alles van God ontvangen heeft, zonder iets verdiend te hebben. Hij zal dus zien, van den eenen kant de goedheid Gods, die hem met weldaden en genaden overladen heeft, van den anderen kant, zijne onwaardigheid, dat hij uit zich alleen niets verdiend heeft; en zoo naar waarheid oordee-lende, zal hij in de weldaden en genaden die hij van God ontvangen heeft, nieuwe stof vinden om zich voor God te verootmoedigen: zoo denkende, B. B., blijft men in de waarheid. En inderdaad, wat goeds hebben wij dat wij niet ontvangen hebben? En bijaldien wij het ontvangen hebben, waarom zouden wij er ons dan op kunnen of durven beroemen, als of wij het

-ocr page 564-

— 154 —

niet ontvangen hadden? Weet gij wat wij uit ons zeiven alleen hebben, en waarin God geen deel heeft? Gebreken en zonden, en ziedaar eene reden te meer van ootmoedig te zijn. Geen wonder dan dat God, die den mensch om zoo te zeggen in - en uitwendig kent, zich verontwaardigt over zijne hoovaardigheid; dat Hij den hoovaardige veracht en hem wederstaat; dat Hij niet zelden toelaat dat hij in groote en schandelijke zonden valt om hem des te dieper te vernederen. God kan den hoovaardige niet verdragen.

De ootmoedigheid wordt genoemd de grondsteen der deugden. En waarom? Omdat de ootmoedigheid de overige deugden doet verkrijgen, en dezelve, na ze verkregen te hebben, bewaart. Evenals de bouwmeester, die een schoon en sterk huis wil bouwen, den grondslag diep moet leggen, zoo ook moet de mensch, wil hij een schoon en sterk gebouw van deugden oprichten, ootmoedig en zeer ootmoedig zijn.

Alle Heiligen, zonder uitneming, hebben in de ootmoedigheid uitgeschenen. Abraham, bij v., vernederde zich voor God, toen hij om het behoud van Sodoma smeekte: Ik zal tot mijnen Heer spreken, zeide hij, ofschoon ik maar stof en ascb ben. De Apostel Paulus, die tot den derden hemel opgenomen was geweest, en die meer dan de andere Apostelen gearbeid had, noemde zich, denkende aan de zonden die hij bedreven had, den eersten onder de zondaren, den geringsten onder de Apostelen, die niet eens verdiende Apostel genoemd te worden. En Maria, door den Aartsengel vol van genade gegroet, tot Moeder van God den Zoon verkoren, hoe gedraagt zij zich? Vol ootmoedigheid noemt zij zich do dienstmaagd des Heeren: Zie de dienstmaagd des Heeren, zegt zij, Ecce ancilla Domini: zij looft God, wijl Hij op hare geringheid heeft nedergezien: Quia respexit humi-litatem ancülce suce. Doch Jesus-Christus, de God-mensch, leert ons ook door zijn woord en voorbeeld de ootmoedigheid: Leert, zegt Hij, dat Ik ootmoedig van harte ben: Quia... sum humilis

-ocr page 565-

corde: Zoo gij niet wordt als kinderen, zegt Hij op eene andere plaats, dus onder anderen ootmoedig, gij zult het rijk der hemelen niet ingaan. Nisi efficiamini sic ut pnrvidi, non intrahitis in Tcgnum ccelorum. Jesus werpt zicli op de knieën voor zijne leerlingen neder, zelfs voor Judas, om hun in het laatste avondmaal de voeten te wasschen. Wanneer wij nu eens wel overwegen dat wij uit ons zeiven menschen vol gebreken, arme zondaren zijn, en dat de Heiligen, ja, de Heilige der Heiligen, de Zoon Gods, zich zoo diep verootmoedigd heeft, om ons een voorbeeld te geven, hoe zoudeil wij ons dan nog durven verhoovaardigen? Vergeten wij toch nooit deze waarheid; God wederstaat aan de hoovaardigen: Deus superbis resistit, doch Hij geeft zijne genade aan de ootmoedigen, humilibus autern dal graliam. (l) Die zich verheft zal vernederd worden; Qui se exaltat humiliahitur, en die zich vernedert zul verheven worden, et qui se huniiliat exaltabilur. (2)

11.

De tweede der zeven deugden is de milddadigheid; zij staat tegenover de gierigheid.

Wat is de milddadigheid? De milddadigheid is eene deugd, die onze neiging tot het vergaderen, bewaren en uitdeden van geld en goed naar behooren matigt.

De milddadige is dus geen gierigaard, want deze is de slaaf van zijn geld en goed, maar hij is ook geen verkwister, want deze misbruikt zijn geld en goed.

Men oefent de deugd van milddadigheid door, bijv., den arme bij te staan, den noodlijdende te helpen, door bij te dragen aan het een of ander goed werk, zooals de H. Kindsheid, de voortplanting des geloofs, het genootschap van den H. Franciscus Salesius, het bouwen van eene kerk of van een klooster, enz.

(1) Jac. jv, G. (2) Ijuc. xiv, 11.

-ocr page 566-

Om milddadig te zijn is het juist niet noodig van dikwijls en groote aalmoezen te geven; neen, B. B.: die veel heeft, hij geve veel; die weinig heeft, hij geve van het weinige met een goed hart en inzicht. Daarom, men moet voor zijne werken van milddadigheid geene aardsche belooning verwachten; men moet zich ook niet terughouden van aalmoezen te geven of andere goede werken te verrichten, omdat de een of andere er soms misbruik van maakt; de milddadige moet zijn oog gevestigd houden op den hemel. Hij denke ook aan de woorden van onzen goddelijken Zaligmaker, die zegt; Geeft en u zal gegeven worden: Date et dabitur vobis. (l)

God, die zich door zijne schepselen niet in milddadigheid laat overtreffen, is gewoon te zorgen, dat het goed van den milddadige niet vermindert, maar dat het integendeel vermeerdert, evenals het brood en de olie van de weduwe van Sarepte, die voor den Profeet Elias zorg droeg. Doch al zoude God den milddadige juist niet met aardsche en tijdelijke goederen vergelden, Hij zal hem met veel kostbaardere, namelijk, met schatten van genade in dit leven, en met schatten van glorie vergelden in de eeuwigheid. Ziedaar wat de milddadige mensch te verwachten heeft.

SLUITREDE.

Wij hebben nu gezien, B. B., wat de ootmoedig - en milddadigheid is: wij moeten noodzakelijk ootmoedig en milddadig zijn. Immers, wij verlangen eenmaal verheven te worden, en wij verlangen zelfs verheven te worden tot de glorie des hemels. Welnu, om zoo hoog verheven te worden, moeten wij ons eerst vernederen, want er staat geschreven: Die zich vernedert zal verheven worden. Qui se humiliat exaltabitur, daar integendeel, die zich verheft, vernederd zal worden, en zelfs tot in den afgrond der hel: Qui se exaltat humüidbüur.

(i) Luc. vi, 38.

-ocr page 567-

Wij verlangen ook eenmaal rijk te worden, en wij verlangen zelfs rijk te worden aan de onvergankelijke goederen des hemels. Welnu, om zoo rijk te worden, moeten wij milddadig zijn, want er staat geschreven: Geeft en u z;al gegeven worden: Date et dabitur vobis, daar integendeel, degene die gehecht is aan zijn geld en goed, er geene goede werken mede doet, eenmaal vroeg of laat door den dood er van beroofd en veroordeeld zal worden tot de uitsterste armoede.

Verootmoedigen wij ons dus voor God, en maken wij ons met het geld en goed vrienden, opdat zij ons, wanneer wij komen te sterven, in de eeuwige woonzalen des hemels ontvangen om de glorie en de rijkdommen er van in eeuwigheid te genieten. Amen.

-ocr page 568-

ZEVENTIENDE ONDERRICHTING

OVER DE KUISCHHEID, DE WELWILLENDE LIEFDE EN DE MATIGHEID

Quam pulcra est casta gcneratio cum claritate!

Hoe schoon is een kuiscli geslacht met roem! (Kap. iv, i.)

INHOUD.

VOORREDE.

In onze voorgaande onderrichting hebben wij gesproken over de ootmoedig - en milddadigheid; wij hebben gezien waarin die twee deugden bestaan. Vandaag zullen wij spreken:

VERDEELING.

I. Over de kuischheid;

II. Over de welwillende liefde;

III. Over de matigheid.

I.

De kuischheid is eene deugd, waardoor wij alles vermijden, wat de heilige zedigheid kan kwetsen.

-ocr page 569-

— 159 —

De kuischheid wordt de schoone, de engelachtige deugd genoemd. Maria heeft boven alle menschen in de schoone deugd uitgeschenen. Allo menschen moeten de kuischheid oefenen in-en volgens hunnen staat.

Drievoudige kuischheid: in den maagdelijken, weduwlijken en huwelijken staat.

II.

De welwillende liefde is eene deugd, waardoor wij den naaste alle goed gunnen en oprecht in zijne vreugde of droefheid deelen. In plaats van zich daardoor te benadeelen, bevoordeelt men zich. Voorbeeld in den H. Joannes den Dooper.

III.

Oe matigheid is eene deugd, waardoor wij de aangeboren

begeerte tot spijs en drank regelen, en den ongeregelden eet-en drinklust bestrijden en overwinnen.

Zonder deze deugd moeten vroeg of laat de andere deugden en eindelijk do gezondheid vergaan.

SLUITREDE.

Geschiedenis van Agnes Pfeifer.

-ocr page 570-

— 160 —

ZEVENTIENDE ONDERRICHTING

OVER DE KUISCHHEID, DE WELWILLENDE LIEFDE EN DE MATIGHEID

Quam pulcra est casta generatio cum clarüate!

Hoo schoon is een kuisch geslacht met roem! (Sap. iv, i.)

VOORREDE.

De ootmoedigheid, B. B., is eene deugd, die den mensch door eene ware en volmaakte kennis van zich zeiven klein maakt in zijne eigen oogen. De ootmoedigheid is de grondsteen der deugden; zij stelt den mensch in staat om de andere deugden te bekomen en te bewaren.

De ootmoedigheid is volstrekt noodzakelijk om eenmaal verheven te worden: Die zich vernedert zal verheven worden; hij zal zelfs verheven worden tot de glorie des hemels.

De milddadigheid is eene deugd, die onze neiging tot het vergaderen, bewaren en uitdeelen van geld en goed naar behooren matigt. De milddadige is geen gierigaard, hij is ook geen verkwister. Door een goed gebruik te maken van zijn gold en goed, door er van aan do armen en behoeftigen mede te deelen, en door er andere goede werken mede te doen of te ondersteunen, zal de milddadige mensch hier op aarde reeds den zegen van God over zicli trekken, eu hij zal zich onvergankelijke schatten vergaderen voor den hemel.

Ziedaar eenige waarheden, die wij in onze voorgaande onderrichting overwogen hebben. Vandaag zullen wij handelen over de drie volgende zedelijke deugden:

-ocr page 571-

— 161 —

T. Over de kuischheid;

II. Over de Welwillende liefde;

TIL Over de matigheid.

I.

De derde der zeven deugden is de kuischheid; zij staat tegenover de onkuischhoid.

Wat is de kuischheid? De kuischheid is eene deugd, waardoor wij alles vermijden wat do heilige zedigheid zou kunnen kwetsen, hetzij door gedachten of begeerten, door woorden of werken.

De kuischheid wordt genoemd en te recht, de schoone, de engelachtige deugd.

Zij wordt genoemd de schoone deugd. Waarom? Omdat zij den mensch schoon maakt in de oogen van God en van de menschen, Zij wordt genoemd de engelachtige deugd. Waarom? Omdat zij, namelijk, de maagdelijke kuischheid, den mensch aan Engelen gelijk maakt.

De Allerheiligste Maagd Maria heeft in deze deugd boven alle menschen uitgeschenen. Vandaar dat Maria genoemd wordt, allerzuiverste, ongeschondene, onbevlekte Maagd, Maagd der maagden. Ook wordt Maria deze schoone lofspraak toegepast: Gij zijt geheel schoon: Tola ■pulcra cs; en er is geene vlek in u te vinden: et macula non est in te. (l)

Alle Heiligen, gehuwden en ongehuwden, hebben deze deugd bemind en beoefend. En zouden wij die Heiligen niet navolgen? Zouden wij de schoone, do engelachtige deugd van kuischheid niet beminnen en oefenen, deugd, zonder dewelke da mensch geen waar genoegen, geen vrede, geene rust kan vinden; ja, zonder dewelke hij zelfs geene kloeke gezondheid kan genieten? De H. Cyrillus van Jerusalem over de kuischheid handelende, drukt zich op de volgende wijze uit: De aalmoezen die gij geeft.

(i) Cant. Cant, iv, 7.

gkloofs - en zljdenlrrr. 5lt;1« deel 11.

-ocr page 572-

— 162 —

zegt hij, de vasten die gij onderhoudt, en al de goede werken die gij verricht uit liefde tot God, worden in het boek des levens aangeteekend en zullen hunne belooning krijgen; maar eene buitengewone kroon is voor uwe kuischheid bestemd, waardoor gij in den hemel zult schitteren als Engelen.

Alle menschen, willen zij eenmaal in den hemel komen, moeten kuisch leven, eenieder in - en volgens zijnen staat.

Men onderscheidt eene drievoudige kuischheid, namelijk, die der maagden, der weduwen en der gehuwden.

De kuischheid der maagden bestaat in eene gedurige zuiverheid te onderhouden in den maagdelijken staat. Zij schittert glansrijk in de maagden, hetzij jongelingen, hetzij jonge dochters, die edelmoedig aan het huwelijk verzaakt en besloten hebben gansch hun leven de zuiverheid te oefenen.

De kuischheid der weduwen bestaat in zuiver te leven in den weduwlijken staat de overige dagen des levens.

De kuischheid der gehuwden bestaat in de huwelijkstrouw stipt te onderhouden, en zich niets te veroorloven tegen de wet der natuur of van God aangaande het Huwelijk: zij boezemt dus een afschuw in, bijzonder voor alles wat in strijd is met het einde, waartoe het huwelijk is ingesteld.

De kuischheid der maagden overtreft ver, gelijk gemakkelijk te begrijpen is, de kuischheid der weduwen en der gehuwden.

II.

De vierde der zeven deugden is de welwillende liefde; zij staat tegenover den nijd.

Wat is de welwillende liefde? De welwillende liefde is eene deugd, waardoor wij den naaste alle goed gunnen en oprecht in zijne vreugde of droefheid doelen.

-ocr page 573-

Van deze deugd spreekt de Apostel Paulus in zijnen brief aan de Romeinen: Bemint elkander, zegt hij, met eene ware

_ , _ c

broederliefde: Cantate fraternitatis invicem düigentes. (i)

Verheugt u met hen die zich verheugen, en weent met hen die weenen: Gaudere cum gaudentibus et fiere cum fientibus.

Wij moeten ons vooral verheugen, B. B., over den vooruitgang van den evennaaste in het goede, namelijk, als hij van deugd tot deugd opklimt.

Door de welwillende liefde tot den naaste kan de mensch zich een schoonen schat van verdiensten vergaderen. Gelijk men zich aan de zonde van een ander schuldig maakt, door er zich over te verheugen, of door er vermaak in te scheppen; zoo zal men zich ook deelachtig maken aan het goede van den evenmensch, door er zicli over te verheugen; ja, B. B., die vreugde over — dat vermaak in do deugden en goede werken van anderen zal ons tot verdiensten gerekend worden. Vandaar dat de H. Gregorius de Groote zich op de volgende wijze uitdrukt: Zoo gij eens anders goed bemint, zult gij het daardoor tot het uwe maken; maar gij bemint het niet, en daarom wordt het u tot zonde toegerekend. Een ander Heilige, zich tot de welwillende naastenliefde als tot een persoon wendende, looft en prijst haar: O welwillende liefde, roept hij uit, hoe rijk zijt gij! Gij trekt alles tot u en berooft niemand; gij maakt alles het uwe en ontneemt niemand het zijne; gij hebt behagen in het goode van anderen en maakt het op die wijze uw eigendom.

Van die deugd gaf de H. Joannes de Dooper een schoon voorbeeld. Toen zekeren dag zijne leerlingen bij hem kwamen en hun beklag maakten dat Jesus ook doopte en allen tot Hem gingen, de H. Joannes wel verre van zich daarover te bedroeven, verheugde er zich over en zeide: Nu is mijne blijdschap vervuld: Hij — Jesus bedoelende — moet wassen, d. i., Jesus moet bij de menschen in eer, aanzien en gezag toenemen; Illum oportel

(1) Kom. xii, 10.

-ocr page 574-

— 164 —

crescere; ik daarentegen moot minder worden, me autem minui, d. I., ik moet bij de menschen ver beneden Jesus staan. Doen wij ons best, B. B., van den H. Joannes den Dooper in de welwillende liefde na te volgen, en in plaats van ons te bena-deelen, zullen wij ons veel voordeel doen.

III.

De vijfde der zeven deugden is de matigheid; zij staat tegenover de gulzigheid.

Wat is de matigheid? De matigheid, B. B., is eene deugd, waardoor wij de ons aangeboren begeerte tot spijs en drank regelen en den ongeregelden eet - en drinklust bestrijden en overwinnen.

Zonder deze deugd gaan vroeg of laat alle andere deugden, en eindelijk ook de gezondheid verloren. Ik zeg ook de gezondheid. En inderdaad; hoe velen, helaas! berokkenen zich door hunne onmatigheid in spijs en drank talrijke onpasselijkheden, ziekten en eindelijk een vroegtijdigen dood! Geene ziekte, die zooveel slachtoffers maakt en in den bloei der jaren naar het graf sleept als de onmatigheid, vooral de onmatigheid in den drank. De matigheid daarentegen maakt het lichaam gezond en sterk, den geest blijde en vroolijk, en het verstand helder.

De matigheid doet ons de geboden vastendagen stipt nakomen. Zij zorgt er voor dat wij ons niet te buiten gaan in spijs of drank, die zelfs geoorloofd is; dat wij in het eten of drinken niet te keurig of te lekker zijn; dat wij ons niet telkens, als wij er aan denken, aan het eten of drinken begeven, doch den bepaalden tijd afwachten. Ook zet de matigheid ons aan van ons op de een of andere wijze in het eten en drinken te versterven.

SLUITREDE.

Wij hebben nu gezien, B. B., waarin de deugden van kuisch-heid, welwillende liefde en matigheid bestaan. Doen wij ons

-ocr page 575-

best om die deugden te bekomen, te bewaren en er immer voortgang in te maken. Om u daartoe aan te zetten, en vooral tot de deugd van kuischheid, luistert naar de volgende geschiedenis.

Buiten de voorbeelden der Heiligen, zooals van eene zuivere Suzanna, van een kuisohen Joseph, diene het voorbeeld van een eenvoudig boerenmeisje met name Agnes, hare Patrones, de H. Agnes Maagd en Martelares, waardig. Agnes Pfeifer, zoo is de naam van het meisje, was eene ingetogen, zedige en voorbeeldige dochter; men trachtte haar wel is waar tot zonde te brengen, maar Agnes was godvruchtig en waakzaam, en daarom waakte ook de hemel over haar. Zekeren dag moest zij zich naar eene naburige plaats begeven, om hare bloedverwanten volgens gewoonte de paascheieren te brengen. Op hare terugreis werd zij door een plotseling opkomend onweder genoodzaakt onder een boom te schuilen. Om dezelfde reden bevonden zich onder den boom nog twee andere personen, een burger der nabijliggende plaats, en een schaapherder. Toen de regen begon te verminderen, vervolgde de een persoon zijn weg, doch Agnes, geen kwaad vermoedende, bleef nog eenigen tijd met den schaapherder onder den boom zitten. Die schaapherder was een zedeloos en bedorven mensch. Zoodra de kuische maagd zijne slechte inzichten bemerkte, nam zij in grooten angst de vlucht. Achterhaald en door den wellusteling tot het kwaad aangezet, verweerde zich Agnes uit al hare kracht tegen hem, terwijl zij tevens voortdurend de H. Namen van Jesus, Maria, Joseph aanriep. Toen de schaapherder dreigde haar te vermoorden, zoo zij nog langer weerstand bood, antwoordde zij met vastberadenheid; Liever wil ik sterven, dan mijne onschuld te verliezen. Nu ontstak de wellusteling in gramschap, en daar het hem niet gelukte de edelmoedige maagd van haren kostbaarsten schat der onschuld te berooven, berooide hij haar door dertien wonden van het leven. Agnes\' lijk werd spoedig gevonden; de schaapherder van den moord verdacht, werd gevangen genomen: voor het gerecht gedaagd beleed hij zijne schandelijke en wreede

-ocr page 576-

— 166 —

misdaad met alle bijzonderheden, zoodat de deugd en zegepraal van de zuivere Agnes bekend werd. De misdadiger werd veroordeeld om om te komen door het rad. De stoffelijke overblijfsels der Martelares werden met den grootsten eerbied ter aarde besteld, en hare kuischheidminnende ziel is zeker opgevlogen ten hemel in de omhelzingen van Jesus, Maria en Joseph, die zij zoo vurig tijdens den strijd voor de schoone deugd aangeroepen had. Ziedaar een voorbeeld uit zooveel anderen. B. B.; bewonderen, vereeren wij de zuivere zielen, maar volgen wij haar ook na, om de belooning die zij reeds genieten, met haar deelachtig te worden. Amen.

-ocr page 577-

ACHTTIENDE ONDERRICHTING

OVER DE ZACHTMOEDIGHEID EN DEN IJVER IN HET GOEDE

Spiritu ferventes Domino servientes. Wij moeten don Heer met een vurigen geest dienen. (Kom. xn, u.)

INHOUD.

VOORREDE.

Na de deugden van kuischheid, welwillende liefde en matigheid verhandeld te hebben, zullen wij vandaag over de twee laatste handelen, namelijk:

VERDEELING.

I. Over de zachtmoedigheid;

II. Over den ijver in het goede.

I.

De zachtmoedigheid bestaat in de onderdrukking van allen lust tot wraak en van alle opwellingen van onrechtvaardige gramschap en toorn.

-ocr page 578-

Men moet niet alleen in woorden, maar ook in werken zachtmoedig zijn. Jesus is liet\' volmaakste voorbeeld van zachtmoedigheid. In de «berisping moet men doorgaans met zachtmoedigheid te werk gaan.

II.

De ijver in het goede bestaat hierin, dat wij God gewillig, zelfs met vreugde dienen, zijne eer naar vermogen bevorderen en onze plichten trouw vervullen.

I)e ijverige Christen is zijnen Heer en God getrouw, niet alleen in groote, maar ook in kleine zaken.

SLUITREDE.

Het latijnsche woord Virtus beteekent ook dapperheid, en te recht, want een deugdzaam mensch is ook een dapper mensch.

-ocr page 579-

— 169 —

ACHTTIENDE ONDERRICHTING

OVER DE ZACHTMOEDIGHEID EN DEN IJVER IN HET GOEDE

Spintu ferventes Domino servientes.

Wij moeten den Heer met oen vurigen geest dienen. (Rom. xii, tl.)

VOORREDE.

Alhoewel de dougdcn, B. B., om hare waardig-en schoonheid verdienen breedvoerig verhandeld te worden, wij moeten ons nochtans om den overvloed van stof en uit gebrek aan tijd met eene korte verhandeling van elke deugd te vreden stellen.

In de voorgaande onderrichting hebben wij gesproken over de kuischheid, de welwillende liefde en de matigheid in spijs en drank. De kuischheid is eene deugd, waardoor wij alles vermijden wat de heilige zedigheid kan kwetsen.

De welwillende liefde is eene deugd, waardoor wij onzen naaste alle goed gunnen en oprecht in zijne vreugde en droefheid deelen.

De matigheid is eene deugd, waardoor wij de ons aangeboren begeerte tot spijs on drank regelen, en den ongeregeldon eet-en drinkiust bestrijden en overwinnen.

Wij moeten ons vooral op de kuischheid toeleggen. Eenieder moet kuisch leven in - en volgens zijnen staat, en men beeide zicli niet in dat de kuischheid alleen is voor de kloosterlingen en God gewijde maagden, voor de priesters en andere godvruchtige personen. Neen, B. B., maar zij is voor alle nienschen, ook voor hen, die reeds tot staat gekomen zijn.

Do kuischheid wordt de schoone, de engelachtige deugd genoemd, omdat zij den mensch schoon, aan een engel gelijk maakt, althans de kuischheid der maagden.

-ocr page 580-

— 170 —

De geschiedenis van de jonge Agues, hare Patrones de H. Agues Maagd en Martelares waardig, heeft, ik twijfel cr niet aan, indruk op u gemaakt. Volgen wij die jonge dochter in hare kuischheid na, en in de aanvallen tegen de schoone deugd zeggen wij met haar: Ik wil liever sterven dan mijne onschuld te verliezen. Roepen wij in de bekoringen evenals Agnes deed, de namen van Jesus, Maria en Joseph aan, ten einde er niet in te bezwijken.

De twee laatste der zeven deugden, die wij vandaag zullen verhandelen, zijn;

I. De zachtmoedigheid;

II. De ijver in het goede.

I.

De zesde der zeven deugden is de zachtmoedigheid; zij staat tegenover de gramschap.

Wat is de zachtmoedigheid? De zachtmoedigheid, B. B., is eene deugd, waardoor wij allen lust van ons te wreken, alsmede alle opwellingen van onrechtvaardige gramschap en toorn onderdrukken.

Wanneer den mensch ongelijk wordt aangedaan, dan voelt hij zich niet zelden genegen om wraak te nemen, d. i., om kwaad met kwaad te vergelden: bevindt hij zich in de tegenwoordigheid van den beleediger, dan voelt hij zich aangezet om in beschimpingen en verwijtingen tegen hem uit te vallen. Welnu, zoo die mensch de deugd van zachtmoedigheid bezit, dan zal hij de neiging van zich te wreken en in beleedigingen tegen zijnen evenmensch uit te vallen, zoo spoedig mogelijk onderdrukken.

De zachtmoedige is kalm en bedaard in het spreken; hij weet den tijd en de gelegenheid van spreken af te wachten, en door een zacht woord niet zelden den opgewondens te te bedaren. Doch dei zachtmoedige laat het niet alleen bij woorden, bij gaat

-ocr page 581-

verder. In plaats van kwaad met kwaad to vergelden, vergeldt hij het kwaad met goed; hij doet goed aan degenen die hem haten en lasteren. •

Onze goddelijke Zaligmaker heeft ons de deugd van zacht moe-digheid met woorden en werken geleerd. Leert van mij, zegt Jesus, dat Ik zachtmoedig van harte ben: Discite a me quia mitis sum cor de. Hoeveel zachtmoedigheid legde Jesus niet aan den dag in don Olijfhol. De trouwelooze Apostel Judas ging Jesus te gemoet, hij leverde Hem aan zijne vijanden onder den schijn van vriendschap over. Onze goddelijke Zaligmaker wist alles; Hij wist dat Judas hem reeds voor dertig zilverlingen verkocht had, dat Hij kwam om Hem te verraden en over te leveren. En hoe gedroeg Jesus zich? Werd Hij gram, toornig? Viel Hij tegen Judas uit? Verweet Hij hem zijne ondankbaarheid, zijn schelmstuk? Bedreigde Hij hem met zijne straffen? Ging Hij zich op Judas wreken? Niets van dat alles. De zachtmoedige Jesus sprak deze eenvoudige woorden: Vriend! waartoe zijt gij gekomen? Amice! ad quid venisti? (l) Onze goddelijke Zaligmaker ging verder. Aan \'t kruis hangende bad Hij voor zijne vijanden en beulen: Vader, sprak Jesus, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen: Paler, dimitte iliis, nesciunt enim quid faciunt. (2) Hij gaf zijn goddelijk bloed vóór lien ten beste en stierf aan het kruis. Ziedaar, B. B., hoe de zachtmoedige Jesus zich gedraagt: trachten wij dat voorbeeld van zachtmoedigheid zoo goed mogelijk na te volgen. Daarenboven, hoeveel onaangenaamheden, hoeveel zonden van haat en nijd, van vloeken en godslasteringen, van twist en tweedracht, van processen en vervolgingen zouden de menschen voorkomen, in •geval zij wat zachtmoediger waren?

De ouders en oversten moeten in \'t algemeen de zachtmoedigheid oefenen in het berispen van hunne kinderen en onderdanen ; en de kinderen en onderdanen moeten ook de berispingen die

(1) Matth. xxvi, 50. (21 Leo. xxm, 31.

-ocr page 582-

tot hun welzijn gegoven worden, met zaehimoedigheid aannemen. Waarom missen de vermaningen zoo dikwijls haar doel? Omdat zij niet\' met zachtmoedigheid gegeven en aangenomen worden. Herinneren wij ons wat de H. Pranciscus Salesius, een toonbeeld van zachtmoedigheid, zeide: Men vangt meer vliegen met een weinig honig, dan met veel azijn.

II.

De laatste der zeven deugden is de ijver in het goede; zij staal tegenover de traagheid.

Wat is de ijver in liet goede? De ijver in het goede is eene deugd, waardoor wij God gewillig en met vreugde dienen; zijne eer en glorie naar vermogen bevorderen, en onze plichten trouw vervullen.

Tot deze deugd, B. li., zet ons de Apostel Paulus aan als hij zegt: Spirilii ferventes Domino servicntes: zijt vurig van geest in den dienst des iïeeren.

De ijverige Christen dient den Heer zijnen God getrouw en met vreugde, niet alleen in groote, maar ook in kleine zaken; of liever, den ijverigen Christen is niets klein, als het den dienst van G\'od geldt. Hij volbrengt in alles den wil van God; hij onderhoudt slipt de geboden van God en van de H. Kerk, hij volbrengt stipt de plichten van zijnen staat.

De ijverige Christen laat zich door geene moeielijkheden in den dienst van God afschrikken. Wordt hij soms door dor - of ongevoeligheid overvallen, hetgeen God soms toelaat om zijne trouwe dienaren op de proef te stellen, hij verliest den moed niet, hij volhardt in zijne gebeden, communiën en andere goede werken. Hij weet dat de dienst van God bestaat in Gods wil te doen, en daarom zegt hij gansch overgegeven aan de goddelijke voorzienigheid met een II. Man Job: Al wat God doet is wel gedaan: ofwel mot onzen goddelijken Zaligmaker in den Olijfhof: Vader! niet mijn maar uw wil geschiede. Zijn oog

-ocr page 583-

ten hemel gericht kan hij mot een H. Ignatius zeggen: Alles tot meerdere glorie van God: Omnia ad nwjorem Dei gloriam.

SIjUITRUDK.

Wij hebben de voornaamste deugden overwogen, en wij weten waarin zij eigenlijk bestaan. Thans moeten wij ons beijveren van ze te bekomen en te oefenen Daartoe lokt ons uit, niet alleen de schoonheid der deugd, maar ook de belooning, die den dóugdzamen mensch wacht. Het latijnsch woord Virlus, dat bij ons deugd beteekent, beteekende bij de Romeinen dapperheid: die beteekenis mag het ook bij ons behouden. Immers, een deugdzaam mensch is een dapper mensch. Waarom? Onmogelijk van deugdzaam te zijn, zonder dapper te wezen, d. i., zonder tegen de vijanden der zaligheid, tegen den duivel, de wereld en het vleesch, dapper te strijden; onmogelijk van deugdzaam te blijven, zonder in dien strijd dapper aan te houden, en onmogelijk van voor de deugd eenmaal beloond te worden, zonder tot het einde toe in den strijd dapper volhard te hebben. Dan, en dan alleen zijn wij zeker van de overwinning en van de kroon voor den overwinnaar weggelegd. Om nu dapper te strijden, om aan te houden en te volharden tot het einde toe, zijn wij indachtig dat wij niet alleen zijn. Vestigen wij dus onze blikken op onzen aanvoerder Jesus-Christus; vertrouwen wij op zijnen bijstand, dien Hij ons beloofd heeft. Jesus roept ons ten strijde; Jesus voert ons aan in den strijd; Jesus verlaat ons niet, zoo wij trouw onder zijn vaandel blijven. Hij zal ons sterken, onze wonden genezen, ons de zegepraal doen behalen, en na de zegepraal den onverwelkbaren zegekrans op het hoofd drukken. Weest getrouw tot den dood, roept Jesus ons toe: Esto /idelis usque ad mortem, en Ik zal u de kroon des levens, d i., den hemel tot belooning geven: et daho li bi coronam viicc. Amen.

(i) AP. ii, 10.

-ocr page 584-

NEGENTIENDE ONDERRICHTING

OVER DE VOLMAAKTHEID

Estate perfecti sicut et Pater vester cmlestis perfeclus est.

Weost volmaakt gelijk uw licmolsolio Vader volmaakt is. (Matth. v, is.)

INHOUD.

VOORREDE.

Men moet de zonde vluchten en de deugd oefenen: de zonde vluchten, wijl men er God door beleedigt en zich zeiven ongelukkig maakt: de deugd oefenen, wijl men er God door eert en zich zeiven gelukkig maakt. Vandaag zullen wij spreken over de christelijke volmaaktheid:

VERDEELING.

I. Waarin bestaat de christelijke volmaaktheid?

II. Waarom moeten wij er ons op toeleggen?

III. Welke is de weg der volmaaktheid?

I.

Dé christelijke volmaaktheid bestaat in de liefde. Woorden van den H. Pranciscus van Sales. Men moet God vooreerst en

-ocr page 585-

vooral beminnen; vervolgens, zijnen evennaaste; eindelijk, alles wat God voor den rnensch geschapen hoeft. Woorden van den koninklijken Profeet en van den H. Franciscus van Assysie.

De volmaakte Christen bemint hetgeen beminnenswaardig is, en hij verfoeit hetgeen verfoeienswaardig is.

In de christelijke volmaaktheid zijn verschillende graden, evenals in de liefde.

Om een volmaakt Christen te zijn wordt er niet vereischt dat men zonder fouten of gebreken zij.

n.

Wij moeten ons op de volmaaktheid toeleggen:

1° Wijl Christus er ons toe aanzet;

2° Wijl wij God moeten beminnen uit geheel ons hart, uit geheel onze ziel, uit geheel ons verstand en uit al onze krachten;

3° Wijl wij des te gelukkiger zullen zijn in den hemel;

4° Wijl wij anders in zware zonden zouden kunnen vallen en voor eeuwig verloren gaan.

III.

De weg der volmaaktheid is de navolging van Christus.

SLUITREDE.

Willen wij dus don weg der volmaaktheid bewandelen, er vorderingen op maken en in den hemel komen, dan moeten wij Christus navolgen.

-ocr page 586-

NEGENTIENDE O DERRICHTING

OVER DE VOLMAAKTHEID

Estnte perfecti simt et Pater vestcr cailcstis perfactus est.

Woest volmaakt gelijk uw hemelsche Vader volmaakt is. (Matth. v, is.)

VOORREDE.

In onze voorgaande oiWerrichtingen, B. B., hebben wij gesproken over de christelijke rechtvaardigheid. Er zijn twee deelen van de christelijke rechtvaardigheid, namelijk, het kwaad schuwen en het goed doen, ofwel, de zonde vluchten en de deugd oefenen. Wij moeten de zonde vluchten wijl zij eene beleediging is van God, wijl zij verfoeienswaardig is in zich zelve, en wijl zij den mensch ongelukkig maakt voor tijd en eeuwigheid. Wij moeten de deugd oefenen, wijl men er God door eert, wijl zij beminnenswaardig is in zich zelve, en wijl zij den mensch gelukkig maakt voor tijd en eeuwigheid. Vandaag zullen wij in \'t kort handelen over de christelijke volmaaktheid. Wij zullen zien:

I. Waarin de christelijke volmaaktheid beslaat;

II. Waarom wij er ons op moeten toeleggen;

III. Welke de weg der volmaaktheid is.

I.

Waarin bestaat de christelijke volmaaktheid? De christelijke volmaaktheid, ia .zich ol\' in haar wezen beschouwd, bestaat, zegt de H. Thomas, in de liefde, vooreerst en vooral in de liefde tot God, vervolgens in de liefde tot den naaste.

-ocr page 587-

Hetzelfde leert de H. Franciscus van Sales, Ieder, zegt die Heilige, stelt zich de volmaaktheid op zijne wijze voor: eenigen stellen haar in het geven van aalmoezen, anderen in het dikwijls ontvangen der H. Sacramenten, wederom anderen in het gebed, enz., maar zij allen bedriegen zich, wijl zij de middelen voor het doel, of het gevolg voor de zaak nemen. Ik voor mij weet en ken geone andere volmaaktheid, dan die van God te beminnen uit geheel het hart en den evennaaste gelijk zich zeiven; iedere andere volmaaktheid is valsch.

De volmaaktheid bestaat dus vooreerst en vooral in de liefde tot God. Tracht boven alles de liefde te hebben, zegt de Apostel Paulus, die de band der volmaaktheid is: Super omnia autem Juec caritatcm habete, quae est vinculum perfectionis. (i) En waarom is de liefde de band der volmaaktheid? Ongetwijfeld, wijTzij den mensch met God den oneindig volmaakte, verbindt. IJe H. Joannes, de Apostel der liefde, zegt; Qui mancl in charitate, in Deo manet et Deus in co: die in de liefde blijft, blijft in God en God in hem. Kn onze goddelijke Zaligmaker, wat zegt Hij? Bijaldien iemand Mij bemint, hij zal mijne geboden onderhouden; mijn Vader\'zal hem beminnen, en Wij zullen tot hem komen, en Wij zullen onze woning in hem vestigen. De liefde tot God, door den mensch met God te vereenigen, maakt hem volmaakt; bijgevolg kan zij niet anders dan het wezen zijner volmaaktheid zijn.

De volmaaktheid bestaat vooreerst en vooral in do liefde tot God; vervolgens, in de liefde tot den naaste, \'t Is niet genoeg God bovenal en om Hem zeiven te beminnen, wij moeten ook beminnen onzen evennaaste gelijk ons zeiven om God, omdat God het gebiedt, alsmede omdat de evennaaste het kind en het beeld is van God, en bestemd om de goddelijke glorie te genieten. Wij moeten ook nog andere zaken beminnen die God ten dienste der menschen geschapen heeft, maar er is niets of

(i) COL. iii, 14.

Geloofs - en Zedenleer. 5lt;lo deel 12.

-ocr page 588-

— 178 —

wij moeten het beminnen om - en in God. Met die liefde, voorwaar, was de koninklijke Profeet David bezield, als hij uitriep: Quid mihi est in caüo et a Te quid volui super terrain! Wat heb ik in den hemel en wat bemin ik op aarde buiten U! De God mijns harten en mijn deel is God in eeuwigheid! Deus cordis mei et pars mea Deus in ceternum! (i) Van die liefde brandde de II. Franciscus van Assysie, die tot God verzuchtende zeide: Gij zijt mijn God en mijn al! Deus meus et omnia!

Gelijk nu de volmaakte Christen alles wat verdient bemind te worden. God bovenal en om Hem zeiven, den evennaaste gelijk zich zeiven om God en alle andere goede zaken in - en om God bemint; zoo ook haat en verfoeit hij alles wat verdient gehaat en verfoeit te worden, namelijk, de zonde; hij haat en verfoeit ze niet zoo zeer uit vrees\' voor straf of uit hoop op eene belooning, maar inzonderheid, uit liefde tot God, tegen wiens opperste en oneindige goedheid zij gedaan wordt. Dergelijke volmaakte Christen mag met den Apostel Paulus zeggen: Wie of wat zal ons van de liefde van Christus scheiden? Quis nos separabit a char it ate Christi? Ik leef, doch niet ik: Vivo ego, jam non ego, maar Christus leeft in mij: Vivit vero in me Christus. (2)

Aangaande de volmaaktheid valt nog op te merken:

1° Dat zij bij allen die volmaakt mogen genoemd worden, niet evengroot is. Gelijk er in de liefde verschillende trappen zijn, zoo zijn er ook verschillende trappen in de volmaaktheid. De laagste trap der volmaaktheid bestaat in God door geene doodzonde te vergrammen. Immers, iemand die God doodelijk vergramt, bemint God niet, is niet door de liefde met God vereenigd; bijgevolg is hij ook niet volmaakt. Hoe meer nu iemand in de liefde toeneemt, des te moer neemt hij ook toe in de volmaaktheid. De hoogste trap van volmaaktheid bestaat in onafgebroken met God bezig te zijn door Hem te beminnen,

(i) Ps. lxxii, 25. (2) Gal. ii, 20.

-ocr page 589-

179 —

te loven en te verheerlijken; doch tot dien trap van volmaaktheid kan de mensch hier op aarde niet komen, omdat zijne talrijke bezigheden hem beletten onafgebroken met God bezig te zijn; die volmaaktheid is de volmaaktheid van de Heiligen in den hemel;

2° Dat, om waarlijk volmaakt te zijn, het niet noodig is zonder gebreken of kleine fouten ie zijn. Immers, de kerkvergadering- van Trente spreekt den banvloek uit over hem die durft beweren, dat de mensch gansch zijn leven de kleinste fouten kan vermijden zonder een bijzonder voorrecht van (rod, voorrecht, dat dezelfde kerkvergadering Maria, de Koningin van hemel en aarde, alleen toekent.

Wij hebben gezien, B. B., waarin de christelijke volmaaktheid bestaat. Waarom moeten wij er ons nu op toeleggen?

II.

Wij moeten ons op de volmaaktheid toeleggen om verschillende redenen;

1° Wijl onze goddelijke Zaligmaker er ons toe aanzet, als Hij zegt; Weest volmaakt gelijk uw hemelsche Vader volmaakt is: Estole perfecti sicut el Pater vesler ccelestis perfectus est. (l)

I * Als wilde Hij zeggen: Tracht zoo volmaakt mogelijk te worden.

\'

Wij moeten ons op de volmaaktheid toeleggen;

2° Wijl wij God moeten beminnen uit geheel ons hart, uit geheel onze ziel, uit geheel ons verstand en uit al onze krachten. Alhoewel het ons nu wegens onze aangeboren zwakheid omno-gelijk is dat gebod in gansch zijne uitgestrektheid te onderhouden, God heeft het ons nochtans gegeven, opdat wij ons best zouden doen om Hem steeds meer en meer te beminnen, aan onze liefde jegens Hem noch paal, noch perk te stellen; en zulks, B. B,, is niet meer dan billijk. Heeft God ons niet

(i) Mattu. v, 48.

-ocr page 590-

— 180 —

niet eene greiizenlooze, eeuwige liefde bemind? Wij ijioeten ons op de volmaaktheid toeleggen:

3° Wijl wij des te gelukkiger zullen zijn in den hemel, naarmate wij hier op aarde volmaakter geleefd hebben. Willen wij niet dat ons geweten ons op liet sterfbed verwijte van den kostbaren tijd onzes levens verkwist te hebben, leggen wij ons dan zorgvuldig op de Christelijke volmaaktheid toe. Moet de Christen zich niet schamen? ja, schaamrood moet hij worden, als bij wel overweegt en nagaat, dat hij zooveel middelen aanwendt, zich zooveel moeite getroost, zooveel moeielijkheden ondergaat, zich aftobt van den vroegen morgen tot den laten avond, om, bijv., wat geld of goed te verzamelen; geld of goed, dat hem tocli geen bestendig geluk kan geven. Want ziet: ofwel hij verzamelt geen geld of goed, omdat iiij mislukt in zijne pogingen; ofwel, nauwelijks iieeft hij het verzameld of hij moet het verlaten, hij gaat sterven, en\' van alles wat hij verzameld heeft neemt hij niets mede, en helaas! voor zijn waar, voor zijn volmaakt en eeuwig geluk heeft hij weinig of niets gedaan. Daarom, tot ons eigen welzijn, vergeten wij toch nooit dat alles verloren gaat, uitgenomen hetgeen wij voor God en onze ziel en zaligheid gedaan hebben. Wij moeten ons op de volmaaktheid toeleggen:

4° Omdat wij anders licht in groote zonden kunnen vallen en voor eeuwig verloren gaan. Niets zoo gevaarlijk, B. B., dan zich te licht tevreden te stellen en te denken, dat men het in de deugd en volmaaktheid ver genoeg gebracht heeft. Hier geldt de leering van den H. Bernardus: Niet vooruitgaan is achteruitgaan, want op den weg der volmaaktheid kan men zich niet ophouden. God geeft den Christen altoos genaden om vooruit te gaan, doch ingeval hij van die genaden geen gebruik maakt, is het dan niet te vreezen, dat God zijne genaden vermindert, dat die Christen eerst in min of meer dagelijksclie zonden, en vervolgens bij eene hevigere bekoring in doodzonde valt en zoo

-ocr page 591-

voor eeuwig verloren gaat? Wachten wij ons dus wel voor dat ongeluk, door ons aanhoudend op de deugd en volmaaktheid toe te leggen. Doch, welke is de weg der volmaaktheid?

111.

De weg der volmaaktheid in \'t algemeen is de navolging van Christus. Wie volmaakt wil worden moet, gelijk wij reeds gezien hebben. God bovenal om Mem zelven, den evennaaste gelijk zich zelven om God, en al het overige dat beminnenswaardig is, om - en in God beminnen; hij moet feitelijk in zijn gedrag verfoeien alles wat verfoeienswaardig is, namelijk, de zonde en hetgeen tot de zonde aanleiding geeft. Welnu, daarvan heeft Jesus ons het volmaakste voorbeeld gegeven. Hij heeft zijn hemelschen Vader bemind zoo vurig en teeder, dat Hij niet aarzelde zijn leven ten beste te geven. Wat zeide Jesus ju het laatste avondmaal? Opdat de wereld erkenne, zeide Hij, dat Ik mijn Vader liefheb, en zoo doe gelijk de Vader geboden heeft, laten wij van hier gaan: Surgite, eamus hinc. ()) Hij stond op, ging zijn lijden beginnen en stierf uit liefde tot zijn hemelschen Vader en de menschen. Jesus zocht in alles de eer en glorie van zijn hemelschen Vader. Mijne spijs is, sprak Hij, den wil te doen van Hem die Mij gezonden heeft: niet ipijn wil, maar uw wil geschiede, Vader. Jesus leidde een leven geheel en al in strijd met de bedorven wereld, die den mensch tot zonde tracht te brengen. Want wat is de wereld? De wereld is begeerlijkheid des vleesches: Concupiscenlia carnis: en Jesus\' leven was eene aaneenschakeling van smarten en lijden, van de kribbe van Bethleëm tot het kruis. Wat is de wereld? De wereld is begeerlijkheid der oogen: Goncupiscentia oculorum: en Jesus leidde een arm leven, zoodat Hij niet eens had, waarop zijn hoofd kon rusten. Wat is de wereld? De wereld is hoovaardij des levens; Superbia vilce: en Jesus leidde een ootmoedig leven;

(i) Joan, vin, 50.

-ocr page 592-

Hij heeft zich als vernietigd door de gedaante van eenen slaaf aan te nemen; Hij heeft zich vernederd tot den dood, tot den dood des kruises. Ziedaar, B. B., hoe onze goddelijke Zaligmaker zich tot toonbeeld der volmaaktheid heeft voorgesteld. Welnu, wat zegt Jesus tot ons allen? Sequere me: zegt Hij, volgt Mij na.

SLUITREDE.

Ja, B. B., zoo wij volmaakt willen zijn, in de volmaaktheid willen toenemen en tot het eeuwige leven geraken, dan moeten wij de voetstappen van Jesus drukken. Hij is de weg: Ego sum via. Door dien weg te volgen kunnen wij niet afdwalen, want Jesus is ook de waarheid: Ego sum Veritas; en door op dien weg te volharden, zullen wij tot het eeuwige leven, d. i., tot den hemel geraken, want Jesus is ook het leven: Ego sum vita. Volgen wij dus Jesus, die de weg, de waarheid en het leven is, en wij zijn zeker van eenmaaal zalig te worden. Amen.

-ocr page 593-

TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE EVANGELISCHE RADEN

l)e virginibtts praceptum non habeo, consiiiwn autem do.

Aangaande de maagden heb ik geeu bevel, doch ik geef een raad.

(i Ern. vu, in.)

INHOUD.

VOORREDE.

Om tot do christelijke volmaaktheid te komen, moot men do middelen aanwenden. Eenige middelen zijn volstrekt noodzakelijk, zooals onder anderen, het gebed; andere zijn zeer nuttig, zooals de Evangelische raden. De Evangelische raden zijn drie in getal: de vrijwillige armoede, de eeuwige zuiverheid en de volkomene gehoorzaamheid.

VERDEELING.

I. Waarin bestaan de Evangelische raden?

II. Hoe zijn zij de beste middelen ter volmaaktheid?

III. Wie moet ze onderhouden?

-ocr page 594-

I.

De vrijwillige armoede bestaat in de vrijwillige verloochening van de rijkdommen en goederen dezer wereld.

Geschiedenis van den jongeling des Evangelie\'s.

De eeuwige zuiverheid bestaat niet alleen in zich te onthouden van alle zonde tegen de schoone deugd, maar ook in zich voor altijd vrijwillig te onthouden van het huwelijk, om ttod des te beter te dienen.

Leering van Jesus en van den Apostel Paulus.

De volkomene gehoorzaamheid bestaat in de verzaking van zijn eigen wil en in de onderwerping aan den wil zijner oversten.

Uitnoodiging van Jesus.

II.

De Evangelische raden zijn de beste middelen ter volmaaktheid:

1° Wijl er de grootste beletsels door uit den weg geruimd worden;

2° Wijl de mensch er zijnen God het kostbaarste door ten offer brengt.

III.

Tot de Evangelische raden zijn verplicht:

1° De kloosterlingen;

2° Degenen die geloften gedaan hebben. Men moet niet roekeloos gelofte van zuiverheid doen, maar met rijpen raad, na zijn biechtvader geraadpleegd en zijne toestemming bekomen te hebben;

3° Degenen die het subdiaconaat ontvangen, zijn ook tot eeuwige zuiverheid verplicht.

SLUITREDE.

Hoe Pius IX en de Sultan over kloosters en kloosterlingen dachten.

-ocr page 595-

TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE EVANGELISCHE RADEN

Dc virginibus prceceptum non haheo consilium autcm do.

Aangaande dc maagden heb ik geen bevel, doch ik geef een raad.

(I El\'H. VII, Ij.)

VOORRKDE.

In onze voorgaande onderrichting, B. B., hebben wij gesproken over de christelijke volmaaktheid, en wij hebben gezien, waarin zij eigenlijk bestaat. Thans gaan wij over tot de middelen om de christelijke volmaaktheid te bekomen. Die middelen zijn talrijk en van verschillenden aard. Benige zijn volstrekt noodzakelijk, zooals, bijv., het gebed: andere zijn wel is waar niet zoo noodzakelijk, maar zeer dienstig. Tot deze laatste middelen behooren vooral de drie Evangelische raden: de vrijwillige armoede, de eeuwige zuiverheid en de volkomene gehoorzaamheid.

Onderzoeken wij vandaag in \'1 kort:

I. Waarin de Evangelische raden bestaan;

11. Moe zij de beste middelen zijn ter volmaaktheid;

III. Wie ze moet onderhouden.

1.

De vrijwillige armoede, de eeuwige zuiverheid en de volkomene gehoorzaamheid worden raden genoemd, om ze te onderscheiden van de geboden. Wij zijn op zonden verplicht de geboden te onderhouden, doch de Evangelische raden niet; ;:ij worden niet geboden maar alleen aangeraden, zoodat het vrijstaat dezelve

-ocr page 596-

— 18(5 —

te aanvaarden of niet. Zij worden Evangelische raden genoemd, omdat er in het Evangelie van gesproken wordt. En inderdaad, onze goddelijke Zaligmaker heeft ze in het Evangelie allereerst geleerd en aangeraden.

De eerste der Evangelische radon is de vrijwillige armoede.

Waarin bestaat de vrijwillige armoede? De vrijwillige armoede, B. B., bestaat in eene vrijwillige verloochening van de rijkdommen en goederen der wereld, om do armoede van Jesus na te volgen.

Wij lezen in het Evangelie, bij welke gelegenheid onze goddelijke Zaligmaker de vrijwillige armoede aanraadde. Zeker jongeling kwam bij Jesus en vroeg Hem wat hij moest doen om het eeuwige leven te bezitten. Jesus antwoordde: Si vis ad vitam ingredi serva mandala, (i) Zoo gij het leven wilt ingaan, onderhoud de geboden. De jongeling antwoordde dat hij ze van zijne jeugd af onderhouden had, en vroeg wat hem nog ontbrak. Si vis perfeclus esse: \'Loo gij volmaakt wil zijn, zeide Jesus, ga aan, verkoop al wat gij bezit en geef het den arme, en gij zult een schat in den hemel hebben, en kom, volg Mij. Als wilde Jesus zeggen: Kom, wees vrijwillig arm, gelijk Ik vrijwillig arm ben. Die raad vond bij den jongeling geen bijval; hij ging bedroefd weg, zegt het Evangelie: Abiil trislis. Waarom? Ha, B. B., hij had veel bezittingen en was rijk: Erat aulem habens mullas possesiones. Daarna sprak Jesus tot zijne leerlingen: Voorwaar, Ik zeg het u: Amen dico vobis, de rijke zal moeielijk het rijk der hemelen binnengaan: \'t is voor een kameel gemakkelijker door liet oog eener naald te gaan, dan voor een rijke het rijk der hemelen binnen te komen. Zoo de raad dien Jesus hier gaf, den jongeling niet behaagde, in den loop der tijden behaagde hij aan duizenden volmaakte Christenen, die Jesus in zijne vrijwillige armoede nagevolgd zijn en thans nog navolgen.

(i) Mattii. xix, 17.

-ocr page 597-

— 187 —

II ill; \'quot;S

De tweede der Evangelische raden is de eeuwige zuiverheid.

Waarin bestaat de eeuwige zuiverheid? De eeuwige zuiverheid,

B. B., bestaat niet alleen in zich te onthouden van alle zonden tegen de schoone deugd, maar ook in zich vrijwillig voor altijd te onthouden van het huwelijk om God des te beter te dienen.

Onze goddelijke Zaligmaker ried den maagdelijken staat aan, ^ ^

als Hij zijne Apostelen zeide; Niet allen vatten dit woord: Non ornnes capiunt verhum istud, maar die het gegeven is; Sed quibus datum est. En Jesus voegde er bij, dat er gevonden worden, die zich uit eigen beweging van het huwelijk onthouden om hot rijk der hemelen: Propter\' regnum ccelorum, d. w. z.,

om des te gemakkelijker en des te zekerder in den hemel te komen. Daarna zeide hij nog: Qui potest capere capiat: (l)

die het vatten kan, vatte het; en daaruit besloten do Apostelen,

en te recht, dat onze goddelijke Zaligmaker den maagdelijken staat ver boven den huwelijken staat stelde.

Waarom had Jesus eene bijzondere voorliefde tot den Heiligen Joannes? Omdat hij maagd was. Joannes erkende Jesus vóór Petrus; aan Joannes Maagd beval Jesus zijne Moeder Maagd onder het kruis.

De Apostel Paulus schrijft overeenkomstig de leering van Jesus over den maagdelijken staat: De virginibus prwceptum non habco, consilium autem do: Aangaande de maagden, d. i., IjS

wat den rnaagdelijken staat betreft, heb ik geen gebod, ik kan hem niet gebieden; doch ik geef u oen raad, namelijk, den raad van dien st;;at te aanvaarden. Een weinig verder geelt de Apostel de reden, waarom hij dien staat aanraadt en boven den huwelijken staat stelt. Die geene vrouw heeft, zegt hij, is bezorgd over hetgeen den Heer betreft, hoe hij God zal behagen;

\'ilfBH

maar die cene vrouw heeft is bezorgd over hetgeen de wereld

betreft, hoe hij zijne vrouw zal behagen, en hij is verdeeld: IIIHII

1

li ll \'i

M\'SSfï \'

li

en do ongetrouwde en de maagd denken aan hetgeen den Heer

1

»\'fjïffl

(i) Mattii. xix, 11.

\'É

-ocr page 598-

aangaat, om heilig te zijn naar lichaam en geest; maar de getrouwde denkt aan hetgeen de wereld aangaat, hoe zij haren man zal behagen. Ziedaar, B. B., wat Jesus, en na Hem de Apostel Paul us ons leert aangaande den maagdelijken staat.

De maagdelijke zuiverheid, B. B., met den naam der sneeuwwitte lelie betiteld, maakt het schoonste sieraad uit van den lusthof der Kerk, zij heeft er in gebloeid, bloeit, en zal er in bloeien tot het einde der wereld. De woestijnen van Egypte verspreidden den geur dier hemelsche bloem, en te midden van de doornen der heidensche zedeloosheid verhief zij zich vlekkeloos in de hoogte. Tallooze scharen van heilige maagden waren Jesus haren bruidegom met onverbreekbare trouw toegedaan en bezegelden niet zelden met haar bloed den band der liefde, dien zij met Hem getroffen hadden. Noch vleierij noch beloften, noch bedreigingen noch folteringen waren in staat haar de maagdelijke zuiverheid te ontrooven.

De derde der evangelische raden is de volkomene gehoorzaamheid.

Waarin bestaat de volkomene gehoorzaamheid? De volkomene gehoorzaamheid, B. B., bestaat in de volkomen verzaking aan zijn eigen wil en in de volkomen onderwerping van zijn eigen wil aan dien zijner oversten.

Tot die volmaakte zelfverloochening noodigt Jesus ons uit, als Hij zegt: Qui vult venire post Me abneget se met ipsum, et tollat crucem suam quoiidie, et sequatur me: (i) Die na Mij wil komen, hij verloochene zich zeiven, neme dagelijks zijn kruis op en volge mij. Door die volkomene gehoorzaamheid wordt de mensch gelijkvormig aan Hem die gehoorzaam is geweest tot den dood, ja tot den dood des kruises, namelijk, van Jesus, die ook zeide: Ik zoek niet mijnen wil maar den wil van dengene die Mij gezonden heeft, d. i., van God zijn hemelschen Vader. Hoe velen, B. B., hebben vah hot begin

fi) Luc. ix, 23.

-ocr page 599-

— 189 —

des Christendoms: tot op onze dagen naar den raad van Jesus geluisterd, hebben aan zijne uitnoodiging beantwoord, en het zoete juk der gehoorzaamheid opgenomen en blijmoedig gedragen?

Tu ons eerste deel hebben wij gezien, waarin de evangelische radon bestaan, en waarom zij zoo genoemd worden. Zien wij nu in ons tweede deel, waarom zij de beste middelen zijn ter volmaaktheid.

II.

De evangelische raden, B. B., zijn de beste middelen ter volmaaktheid, wijl daardoor de grootste beletsels van tot de volmaaktheid te komen, uit den weg geruimd worden. Die beletsels zijn: de hebzucht, de begeerlijkheid des vleeschcs en de hpovaardij des levens. Vooreerst de hebzucht. De hebzucht is eene ongeregelde begeerte van gold en goed. Hoe velen gaan er niet verloren om de onrechtvaardigheid, om de al te groote gehechtheid aan het geld en goed? \'t Is niet zonder reden dat men zegt: Het geld brengt er velen in do hel en blijft er zelf uit. Die ongeregelde begeerte naar geld en goed wordt door de vrijwillige armoede weggenomen.

Vervolgens de begeerlijkheid des vleesches. Hoe velen worden er niet slaven van den wellust en gaan voor eeuwig verloren? Van de honderd die verloren gaan, gaan er negen on negentig verloren om de zonden tegen de schoone deugd van zuiverheid. Die begeerlijkheid des vleesches wordt bestreden en ten onder gebracht door de eeuwige zuiverheid.

Eindelijk de hoovaardij des levens of de hoovaardigheid. De hoovaardigheid is het beginsel van alle zonden: Initium omnis peccati est superbia. (i) De hoovaardigheid heelt Lucifer, Adam en Eva en zoo veel anderen tot val gebracht en ongelukkig gemaakt. De hoovaardigheid, die den eigen wil van den

(l) Eccl, x, 15.

-ocr page 600-

— 1lt;)0 —

mensch doet heersehen, wordt bestreden en ten onder gebracht door de volkomene gehoorzaamheid.

Een tweede reden, waarom de evangelische raden de beste middelen tor volmaaktheid zijn, is, wijl de mensch daardoor het kostbaarste, of liever, alles wat hij heeft en is aan God zijnen lieer en Meester ten offer brengt. Hij brengt Hem ten offer, tie uitwendige goederen door de gelofte van armoede, zijn lichaam door de gelofte van zuiverheid, zijne ziel en zijnen wil door de gelofte van gehoorzaamheid. Te recht mag men dus zeggen, dat hij die belooft de evangelische raden te volgen, en die ze nakomt, een aanhoudend levend brandoffer is aan de goddelijke Majesteit opgedragen. Zien wij nu in ons derde deel wie verplicht zijn de evangelische raden te onderhouden.

III.

Daartoe zijn verplicht:

1° De kloosterlingen van beide geslacht. Zij moeten de evangelische raden onderhouden, wijl zij er zich uit eigen vrijen wil toe verplicht hebben;

2° Aldegonen die, zonder tot den kloosterlijken staat te behooren, gelofte gedaan hebben van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid aan een geestelijken overste, bijv., aan hunnen Bisschop of Biechtvader.

Hier kan men de vraag stellen, namelijk, of het goed is van zich tot de evangelische raden, ofwel tot een der drie, bijv., tot de eeuwige zuiverheid door gelofte te verplichten. Het is zeer goed en prijzenswaardig, als het geschiedt met rijpen raad en volle vrijheid. Het moet dus geschieden met rijpen raad, wijl de evangelische raden eene zaak van aanbelang zijn, die men niet moet ondernemen, alvorens onderzocht te hebben, of men er van God toe geroepen is, en bijgevolg, of men bij machte zal zijn van ze te volbrengen. Niemand dus moet gelofte van

-ocr page 601-

— 191 —

zuiverheid doen, zelfs niet voor eenigen tijd, alvorens zijn bieciit-vader of zielbestuurdcr geraadpleegd te hebben.

Het moet ook geschieden met volle vrijheid, wijl de gedwongen geloften aan God niet behagen en doorgaans slecht onderhouden worden.

3° Tot de eeuwige zuiverheid verplichten zich ook, aldegenen die den priesterlijken staat aanvaarden, en wel zoodra zij het Subdiaconaat ontvangen.

Men is ongetwijfeld verplicht, en zelfs op doodzonde, de evangelische raden te onderhouden, als men ze beloofd heeft; zoodat iemand,, die gelofte van zuiverheid gedaan heeft en in de zonde tegen de schoone deugd valt, niet alleen tegen de zuiverheid, maar ook tegen zijne gelofte zondigt.

SLUITREDE.

Uit deze onderrichting over de Evangelische raden kan men besluiten, hoe verheven de kloosterlijke staat is, waarin zij onderhouden worden. Doch hoe komt het dan dat de kloosters en kloosterlingen zoo schandelijk gelasterd en zoo hevig aangevallen worden? Zijn zij soms zonder nut voor Kerk en Staat? Luistert, IS. 15., hoe zijne Heiligheid Pius IX — Z. G. — zich aangaande de kloosterlingen uitdrukt. Na hen wegens hunne wetenschap en geleerdheid, hunne deugden en liefde tot God en de menschen geprezen te hebben, zegt hij onder anderen: Zij rukken de onwetende en barbaarsche volkeren uit do duisternis der dwaling, uit de wreedheid hunner zeden en uit den slaap hunner zonden, om ze tot het licht der evangelische waarheid, tot de beoefening der deugden en tot de zeden der beschaving te brengen. Zij verzorgen, bewaren en voeden de wetenschap, de geleerdheid en kunsten; zij vormen zorgvuldig de teedere buigzame ziel van het kind tot godsvrucht en goede zeden, vervullen het met gezonde leer, en brengen de afge-dwaalden tot den weg des heils terug. Doch dit is niet alles.

-ocr page 602-

— 192 —

De barmhartigheid van Christus aantrekkende is er geen akte van heldhaftige liefde, die zij niet zelfs ten koste van hun leven beoefenen, om aan de slaven, aan de gevangenen, aan de zieken, aan de stervenden, aan alle ongelukkigen, armen en bedrukten alle hulpbetoon te bewijzen, hunne smarten te lenigen, hunne tranen af te drogen, kortom, om hen op alle wijzen te helpen en te verzorgen.

Geen wonder dus, zoo wij in de annalen lezen, dat zelfs de Muselmannen godvruchtige Nonnen om hare edelmoedige zelfopoffering en engelachtige zuiverheid bewonderen en eerbiedigen. Een Sultan had twee dochters, die hij voornemens was uit te huwelijken; hij zond eene ronde som gelds naar de barmhartige Zusters te Constantinopel met de bede dat zij den zegen des Heeren over zijne dochters zouden afsmeeken. Bidt, zoo liet de Sultan haar zeggen, bidt voor mijne kinderen, want het is onmogelijk dat de gebeden van vrouwen die zoo veel goed doen, Gode niet uiterst aangenaam zijn. Ziedaar, B. B., hoe een opperhoofd der Turken over de kloosterlingen dacht: zelfs de Bedouinen, de gevreesde straatroovers van hel Oosten, eerbiedigen de Nonnen. De Overste der vrouwen van Nazareth schrijft hot volgende: Meermaals zag ik de Bedouinen op onze karavanen toeschieten met het inzicht van ze uit te plunderen, doch zoodra zij vernamen dat wij Nonnen waren, gekomen om hunne kinderen te onderwijzen en hunne zieken te verzorgen, lieten zij hunne wapens vallen en gaven ons zelfs eene geleide. Ziedaar, hoe straatroovers zich jegens de kloosterlingen gedragen. Ware het niet te wenschen dat velen in onze dagen, die zich voor bescha-vers en verlichters, en ik weet niet wat, uitgeven, van de Turken en Bedouinen leerden hoe zich jegens de kloosterlingen te gedragen: dan zouden voorzeker die slachtoffers van liefde zoo bitter over hen niet te klagen hebben. Doch weet gij waarom zij de kloosters en kloosterlingen niet kunnen verdragen? Omdat zij de Kerk van Christus niet kunnen verdragen, waarvan de

-ocr page 603-

— 193 —

kloosters en kloosterlingen het schoonste sieraad zijn; omdat het zuiver en kuisch leven der kloosterlingen hun schandelijk en wellustig leven veroordeelt. Ziedaar waarom zij zich vijanden der kloosters en kloosterlingen verklaren. Wachten wij ons wel, B. H., van ons ooit bij die vijanden te vervoegen. Integendeel, staan wij den kloosterlijken staat, de kloosters en kloosterlingen voor; volgen wij de kloosterlingen zoo veel mogelijk na in de deugd en heiligheid, om eenmaal met hen door God beloond te worden in den hemel. Amen.

Gei.oofs ex Zedenleer 5lt;ie deel 13,

-ocr page 604-

EEN - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE GOEDE WERKEN

Sive ergo manducatis sive bibitis, sive aliud quid facitis, omnia in gloriam Dei facite.

Hetzij gij eet of drinkt of iets anders doet, doet alles tot glorie van God. (i, Cou. x, 01.

INHOUD.

VOORREDE. \'

Door de eATangelisclie raden worden de grootste beletsels der volmaaktheid uit den weg geruimd: de mensch die ze volgt, geeft alles wat hij is en heeft aan God; zij zijn dus de beste middelen ter volmaaktheid. Zien wij vandaag:

VERDEELING.

1. Of de volmaaktheid ook mogelijk is in de- wereld;

II. Welke middelen men daartoe moet aanwenden.

I.

De volmaaktheid in de wereld is niet zoo gemakkelijk als in het klooster, maar zij is toch niet onmogelijk. De woorden van Jesus: Weest volmaakt gelijk uw hemelsche Vader volmaakt

-ocr page 605-

— 195 —

is, zijn tot alle menschen gericht. Voorbeelden der Heiligen. De Heiligen hebben wel in de wereld, doch niet naar den geest der wereld geleefd, maar naar den geest van Christus.

H.

Om in de wereld tot de volmaaktheid te komen, moet men goede werken verrichten, die de vruchten der deugden zijn. Alle goede werken worden begrepen onder de drie volgende: bidden, vasten en aalmoezen geven. De goede werken hebben eene tweevoudige kracht, om er s-oor beloond te worden, en om er door te voldoen voor de zonden, doch zij moeten geschieden in staat van genade en tot glorie van God. Wat moet ons bewegen om goede werken te verrichten, en wat voordeel doen zij ons?

Om tot de volmaaktheid te komen moet men in \'t bijzonder:

1° Vurig naar de volmaaktheid verlangen;

2° Gaarne en goed bidden;

3° Aandachtig Gods woord aanhooren of lezen;

4quot; Dikwijls waardig tot de H. Sacramenten naderen;

5° Zich voortdurend versterven;

0° Zijne dagelijksche bezigheden goed verrichten.

SLUITREDE.

Geschiedenis van Homobonus.

-ocr page 606-

— 19(5 —

EEN - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE GOEDE WERKEN

Sire ergo manducatis sive libitis, nee aliud quid facitis, omnia in gloriam Dei J\'acite.

Hetzij gij eet of drinkt of iets anders doet, doet alles tot glorie van God. (i, Cor. x, si.)

VOORREDE.

Wij hebben gesproken, B. B., over de drie evangelische raden, over dc vrijwillige armoede, de eeuwige zuiverheid en de volkomene gehoorzaamheid. Daardoor worden de grootste beletsels der christelijke volmaaktheid uit den weg geruimd, en brengt de mensch zijnen Heer en God alles wat hij is en heeft ten offer. Om die redenen zijn de evangelische raden de beste middelen ter volmaaktheid. Die raden worden bijzonder in den kloosterlijken staat geoefend, en vandaar dat de kloosterlijke staat bij uitstek de staat van volmaaktheid genoemd wordt. De evangelische raden zijn niet volstrekt noodzakelijk om de volmaaktheid te bekomen, gelijk reeds vroeger gezegd is, doch zij zijn er zeer nuttig toe. Andere middelen daarentegen zijn volstrekt noodzakelijk voor wie het ook zij, zoo wel in den klooster - als wereldlijken staat. Vandaag zullen wij eens zien:

I. Of de volmaaktheid in de wereld ook mogelijk is;

If, Welke middelen men daartoe moet aanwenden.

I.

Is de volmaaktheid in de wereld mogelijk? Men vindt menschen, B. B., die denken dat het onmogelijk is in de

-ocr page 607-

— 197 —

wereld een volmaakt leven te leiden, en dat de volmaaktheid de kloosterlingen alleen aangaat: dat is eene groote dwaling. Men kan in een wereldlijken staat, welken ook, wel niet zoo gemakkelijk, maar toch volmaakt leven, mits men niet naaiden geest der wereld, maar naar den geest van Christus leve. De woorden van Jesus-Christus: Weest volmaakt, gelijk uw hemelsche Vader volmaakt is; die woorden zijn niet alleen tot de kloosterlingen, maar tot alle menschen gericht; bijgevolg valt er niet aan te twijfelen, of alle menschen in de wereld kunnen niet alleen zalig worden, maar ook een hoogen trap van volmaaktheid bereiken. De Heiligen, B. B , die in de wereld geleefd hebben en tot een hoogen trap van volmaaktheid gekomen zijn, leveren ons het doorslaandste bewijs dier waarheid. Men vindt Heiligen van beide geslacht, die in de wereld geleefd hebben, van allen leeftijd, van alle staten en standen. Men vindt heilige koningen en koninginnen, zooals, bijv., een H. Eduardus van Engeland en een H. Bodewijk van Frankrijk; eene H. Clotilde en eene H. Elisabeth van Portugal; men vindt heilige landlieden en dienstboden, zooals een H. Isidorus landbouwer, eene H. Nothburga dienstmeid: men vindt heilige ambachtslieden, zooals een H. Eligius goudsmid, een H. Joseph timmerman. En waarom zouden wij niet kunnen hetgeen zij gekunnen hebben. Doch waarom zijn die Heiligen in de wereld tot zoo hoogen trap van volmaaktheid gekomen? Omdat zij alhoewel in de wereld, toch niet naar den geest der wereld, d. i., niet naar de valsche grondregels en bedorvene zeden der wereld, maar naar den geest Gods, d. i., naar de leering en het voorbeeld van Jesus-Christus geleefd hebben. Die Heiligen luisterden naar de waarschuwing van den H. Joannes: Nolüe diligere mundum, zegt die Apostel, wilt de wereld niet liefhebben, neque ea qucti in rnundo sunt, noch hetgeen in de wereld is: zoo iemand de wereld liefheeft, is de liefde des Vaders niet in hem: Si quis diligit munium, non est caritas

-ocr page 608-

— 198 —

Patris in eo. (i) Die Heiligen deden hun bezit om zich zuiver van de wereld te bewaren; zij gebruikten de wereld, d. i., de goederen der wereld, als gebruikten zij ze niet. Ziedaar, B. B., waarom zij zoo volmaakt geleefd hebben. Willen wij dus in de wereld ook tot de volmaaktheid komen, dan moeten wij doen hetgeen de Heiligen gedaan hebben, wij moeten naar den geest van Christus, en niet naar den geest der bedorvene wereld leven. Doch zien wij eens wat daartoe in de wereld vereischt wordt.

II.

Daartoe wordt vereischt, B. B., dat men goede werken verrichte. De Catechismus vraagt:

Hoeveel soorten van goedéicerhen zijn er? En hij antwoordt:

Drij voorname, waaronder al de goede werken begrepen zijn, te weten-, bidden, vasten en aalmoezen doen.

Door bidden worden verstaan alle werken van godsdienstigheid.

Door vasten alle werken van versterving, waardoor wij onze kwade driften bestrijden en beteugelen.

Door aalmoezen doen alle liefdewerken jegens onzen evennaaste.

De goede werken hebben eene tweevoudige kracht: vooreerst, de kracht om bij God eene belooning te verdienen, te weten, in dit leven de genade Gods, en hiernamaals den hemel; vervolgens, de kracht om voor de tijdelijke straffen der zonden te voldoen.

Nochtans, opdat do goede werken die tweevoudige kracht hebben, moeten zij geschieden in staat van genade en tot glorie van God. Ik zeg in staat van genade. Alzoo kunnen de zondaars, zoolang zij in staat van doodzonde zijn, door hunne goede werken den hemel niet verdienen, noch voldoen voor hunne zonden; nochtans, zij kunnen er God door bewegen van

(1/ JOAN. II, 15.

-ocr page 609-

hun de genade te geven welke zij noodig hebben, om zich te bekeeren. Ik zeg tot glorie van God. Bijgevolg heeft men geene belooning van God te verwachten voor de goede werken die men verricht, uitsluitend om de menschen te behagen, of uit andere tijdelijke inzichten. De Catechismus vraagt;

Wnt moet ons bewegen om de goede werken te oe/enen? En hij antwoordt:

Dot wij daardoor God eer en, dat zij noodig zijn om den hemel, te bekomen, en dat zij ons veel profijt doen.

Natuurlijk eert men God door zijne goede werken, mits zij met een goed inzicht en goed verricht worden.

Ook zijn, althans zekere goede werken, zooals het nakomen der geboden, noodig om in den hemel te komen, want Christus zegt uitdrukkelijk: Wilt gij het leven ingaan, onderhoud de geboden: Si vis ad vitam ingredi serva mandata.

De goede werken doen on5p veel profijt of voordeel. Do Catechismus vraagt:

Wat prolijl doen ons de goede werken? En hij antwoordt:

Ten eerste, zij leggen de schulden o/ de penitentie af; ten tweede, zij verwerven vergiffenis van de dagelijksche zonden; ten derde, zij verkrijgen de goddelijke gratie; ten vierde, zij verdienen het eeuwige loon.

1° Zij leggen de schulden of de penitentie af, d. w. z,, door de goede werken verkrijgen wij min of meer kwijtschelding der tijdelijke pijnen, die wij moeten lijden voor onze reeds vergevene zonden, hier of hiernamaals in liet vagevuur;

2° Zij verwerven vergifTenis van de dagelijksche zonden, ofwel door van God de genade te bekomen van een berouw te hebben dat voldoende is om vergiffenis van de dagelijksche zonden te bekomen; ofwel, zoo het berouw alleen daartoe niet voldoende is, dan bekomen zij met dat berouw vereenigd zeer waarschijnlijk rechtstreeks vergiffenis van de dagelijksche zonden;

-ocr page 610-

— 200 —

3° Zij verkrijgen de goddelijke genade. De rechtvaardige bekomt er door de vermeerdering van do heiligmakende en van de dadelijke genade. De zondaar, die in staat van doodzonde is, kan God er door bewegen van hem de genade der bekeering te schenken;

4° Zij verdienen het eeuwige loon, en naarmate de goede werken van den rechtvaardige toenemen, neemt ook het loon des hemels toe. Immers, door de goede werken neemt de rechtvaardige toe in de Heiligmakende genade, die beantwoordt aan de glorie des hemels, waarvan zij als een zaad is.

De goede werken, B. B., hebben de kracht van den hemel te verdienen niet uit zich zeiven, maar uit de verdiensten van Christus en de goddelijke beloften. Dat God beloofd heeft ons voor de goede werken met zijnen hemel te beloonen, blijkt duidelijk uit de H. Schrift, aan welke beloften Hij in hoedanigheid van God niet zal, noch kan te kort blijven.

Ziehier nu in \'t kort eenige bijzondere goede werken of middelen om in de wereld, in welken staat ook, tot de volmaaktheid te geraken:

1° Vurig naar de volmaaktheid verlangen;

2° Gaarne en goed bidden. Het mondeling gebod doen met eerbiedigheid en aandachtigheid. Zich dikwijls bedienen van schietgebeden, zijn hart tot God verheffen, de HH. Harten van Jesus en Maria, de Zoete Namen van Jesus, Maria en Joseph, zijn Engelbewaarder, enz., aanroepen: die schietgebeden kan men overal en ten allen tijdo, zelfs op zijn werk verrichten. Mediteeren volgens zijne bekwaamheid, bijv., over de volmaaktheden van God, zijne goedheid, liefde, rechtvaardigheid, enz.; over het lijden van onzen goddelijken Zaligmaker, over de eeuwige waarheden: over den dood, het oordeel, de hel en den hemel;

3° Aandachtig het woord Gods aanhooren of lezen en met een goed inzicht, namelijk, om er zijn leven naar in te richten.

-ocr page 611-

Daardoor werd een H. Antonius bewogen van de wereld te verlaten; een H. Franciscus van Assysie, van alles te verkoopen en een arm leven te leiden. Waardoor kwam Augustinus tot het vast besluit om van leven te veranderen? Door het lezen van de brieven van den Apostel Paulus;

4° Dikwijls waardig tot de H. Sacramenten naderen. Door de Biecht wordt niet alleen de zonde vergeven, maar ook de heiiigmakende genade, en bijgevolg de liefde tot God vermeerderd. In het allerheiligste Sacrament des Altaars heeft telkens lusschen God en de ziel zulke innige vereeniging plaats, dat geene menschentong in stamp;at is die uit te drukken;

5quot; Een ander middel is eene voortdurende versterving. Men moet dus geen gehoor geven aan de verleidende stem der kwade driften, maar ze door werken van versterving tot zwijgen brengen. Om nu nooit tot liet ongeoorloofde over te gaan, moet men zich reeds weten te versterven in iiet geoorloofde;

6° Eindelijk, om iu de volmaaktheid voortgang te maken, moet men zorgen van dagelijks zijne gewone bezigheden in staat van genade en op eene Gode behaaglijke wijze te verrichten. Wat kan de mensch veel verdienen voor den hemel, B. B., zoo hij zijne zaken goed regelt. Daartoe wordt vereischt, op de eerste plaats, dat hij in staat van genade zij, want in staat van doodzonde kan hij niets verdienen voor den hemel; vervolgens dat hij zijne werken aan God opdrage: \'s morgens, bijv., na God bedankt te hebben voor de bewaring gedurende den nacht, moet hij een goed voornemen maken van alles te doen tot glorie van God en tot zaligheid zijner ziel; hij moet zijn morgengebed goed verrichten, om den zegen van God over zijnen arbeid af te smeeken; hij moet goed bidden vóór en na het eten; hij moet gedurende den dag, als hij aan het werk is, zijn hart van tijd tot tijd tot God verheffen door een kort maar vurig schietgebed; \'s avonds, alvorens zich ter rust te begeven, moet hij goed zijn avondgebed doen, God bedanken voor de

-ocr page 612-

— 202 —

• ontvangen weldaden en Hem ootmoedig vergiffenis vragen van de fouten, waaraan hij zich gedurende den dag schuldig gemaakt heeft. Wanneer de mensch zoo handelt, li. B., alles is aangenaam aan God en verdienstelijk voor den hemel.\' Er komen in het leven zoovele zaken voor, die klein on onbeduidend schijnen, maar die groot zijn en veel waarde hebben, zoo zij goed geregeld en verricht worden. Hetzij gij eet, hetzij gij drinkt, of iets anders doet, zegt de Apostel Paulus, doet alles tot glorie van God: Omnia in gloriam Dei facile, (i) En door het tot glorie van God te doen, gaat men vooruit in de deugd, men vordert in de volmaaktheid, en men-vergadert zich een schoonen schat van verdiensten voor den hemel.

SLUITREDE.

Tot bevestiging, dat eenieder, wie het ook zij, in de wereld te midden zijner bezigheden heilig kan leven en voortgang kan maken in de volmaaktheid, wil ik u in \'t kort de geschiedenis verhalen van een heiligen koopman. Homobonus genaamd. Deze koopman werd te Cremona in Italië uit brave ouders geboren: zijn vader was een, welgesteld koopman, en hij leerde zijn zoon ook den handel. Homobonus legde er zich zorgvuldig op toe. lederen morgen, alvorens aan het werk te gaan, deed hij zijn morgengebed en woonde de H. Mis bij. Hij was gewoon te zeggen; Men moet voor alles het rijk Gods zoeken: en; aan Gods zegen is alles gelegen. Hij wachtte zich van alle onrechtvaardigheid in den handel; geen penning wilde bij onrechtvaardig bezitten; geen vloek, geene leugen hoorde men uit zijnen mond. Op de Zon-en feestdagen hield hij zich uitsluitend bezig met het werk zijner zaligheid; den meesten tijd bracht hij door in de kerk. Toen hij getrouwd was, zette hij na den dood zijner ouders den handel voort, en bleef bij zijne goede gewoonte. Homobonus gaf bijzonder veel aan den arme, zoodat hij den

(l) i, Cou. x, 31.

-ocr page 613-

schoonon naam van vader der armen verwierf. Zijne vrouw die te zeer voor het tijdelijke bezorgd was, verweet hem somtijds dat hij te veel weggaf. Homobonus antwoordde dan zacht en bedaard: Meent gij dan, goede vrouw, dat ons lijdelijk vermogen er door lijden zal, als wij milddadig jegens den arme zijn? Het woord Gods leert ons juist het tegendeel. Christus zelf zegt: Geeft en u zal gegeven worden. Zijne vrouw zoude weldra een duidelijk bewijs daarvan zien. Zekeren dag had Homobonus al het brood aan den arme gegeven, zoodat er niets overbleef. Toen de vrouw die uit geweest was, t\'huis kwam, vond zij evenveel brood als er was, toen zij uitging; doch bij het opensnijden van het brood zag zij dat het veel beter en witter was dan naar gewoonte. Zij riep do meid en vroeg haar waar zij aan dat brood gekomen was. De meid antwoordde dat haar man al het brood onder de armen uitgedeeld had. Toen werd de vrouw beschaamd over haar klein betrouwen op God, en zag dat God het uitgedeelde brood door een veel beter vervangen had. Homobonus woonde dikwijls de 11. Mis bij, en het was tijdens eene H. Mis dat de goede God zijnen dienaar naar den hemel riep. Zekeren dag dat hij bij het H. Sacrificie tegenwoordig was, strekte hij bij de Gloria in excels is zijne beide armen uit, sloot ze kruisgewijze op de borst te zamen en stierf zonder het minste teeken van doodsangst te geven. Zoodra men den dienaar Gods in die houding dood vond, naderden alle aanwezigen en vereerden hem als een Heilige. Zijn lichaam werd begraven en God verheerlijkte het graf van zijnen dienaar door talrijke mirakelen. Homobonus werd door Paus Innocentius 111 onder het getal der Heiligen geplaatst. Ziedaar B. B., hoe die koopman in de wereld God getrouw diende, heilig, volmaakt en gelukkig leefde en in den hemel kwam. Volgen wij hem na in dit leven, en God zal ons evenals Homobonus na den dood beloonen in den hemel. Amen.

-ocr page 614-

TWEE - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE GEESTELIJKE WERKEN VAN BARM HART IGH EID

Dimitte nobis debita nostra sicut et nos dimittimm dcbitoribus nostris.

Vergeef ons onze schulden gelijk wij vergeven onze schuldenaren.

(mattii. vi, k.)

VOORREDE.

INHOUD.

De werken van barmhartigheid zijn tweederlei, de geestelijke «n de lichamelijke werken van barmhartigheid. De geestelijke zijn zeven in getal:

VERDEELING.

I. De zondaars straffen;

II. De onwetenden leeren;

III. Voor de zaligheid zijns naasten bidden;

IV. De twijfelachtigen goeden raad geven;

V. De bedroefden troosten;

VI. Het onrecht verduldig lijden;

VII. Hetgeen tegen ons misdaan is vergeven.

-ocr page 615-

I.

Do zondaars straffen om hen tot inkeer te doen komen of van do zonde terug te houden. De ouders en oversten zijn daartoe bijzonder verplicht; ook moet het gebeuren met een goed inzicht en met voorzichtigheid.

li.

De onwetenden loeren in hetgeen de zaligheid aangaat, uit liefde tot God en den evennaaste.

III.

Voor de zaligheid zijns naasten bidden, God vragen hetgeen noodig of dienstig is ter zaligheid; voor de zondaren de bekeering, voor de rechtvaardigen de volharding, voor de geloovige zielen de verlossing uit hot vagevuur.

IV.

De twijfelachtigen goeden raad geven, wanneer zij niet weten wat aanvangen, ten einde hen voor hot kwaad te bewaren.

V.

Do bedroefden troosten, hen opbeuren, door hun moed te geven in de moeielijkheden, opdat zij niet in zonde vallen.

VI.

Het onrecht geduldig lijden, door zich niet te vertoornen of wraak te willen nomen.

Ml.

Hetgeen tegen ons misdaan is vergeven; bijgevolg geen kwaad met kwaad vergelden, doch het persoonlijk ongelijk vergeven.

SLUITKEDU.

Geschiedenis van den H. Joannes en den jongeling.

-ocr page 616-

— 206 —

TWEE - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE GEESTELIJKE WERKEN VAN BARMHARTIGHEID

Dimitte nobis delita nostra sicut el nos dimitthnus debitoribus nostfis.

Vergeet\' ons onze schulden gelijk wij vergeven onze schuldenaren.

(MATTH. VI, 12.)

VOORREDE.

Onder do goede werken, B. B., waarover wij laatstleden gesproken hebben, komt op de derde plaats de aalmoes. Alles wat wij tot welzijn van onzen naaste doen, hetzij voor zijne ziel, hetzij voor zijn lichaam, kan als eene aalmoes beschouwd worden, en alzoo zijn de werken van barmhartigheid, waardoor wij andere menschen in hun geestelijken of lichamelijken nood uit barmhartigheid bijstaan, aalmoezen.

Daar de aalmoes tweederlei is, namelijk, de geestelijke en de lichamelijke aalmoes, zoo zijn de werken van barmhartigheid ook tweederlei, de geestelijke en de lichamelijke werken van barmhartigheid. De eerste hebben betrekking op de ziel, de andere op het lichaam. Vandaag zullen wij de geestelijke werken van barmhartigheid in \'t kort overwegen. Zij zijn zeven in getal:

I. De zondaars straffen;

II. De onwetenden leeren;

III. Voor de zaligheid zijns naasten bidden;

IV. De twijfelachtigen goeden raad geven;

V. De bedroefden troosten;

VI. Het onrecht verduldig lijden;

VIL Hetgeen tegen ons misdaan is vergeven.

-ocr page 617-

— 207 —

I.

Het eerste der geestelijke werken van barmhartigheid is de zondaars straffen.

Door zondaren worden verstaan, die reeds zonden bedreven hebben, of die voornemens zijn van er te bedrijven. Die zondaren straffen, d. i., de tuchtroede gebruiken, hen met\' straffen bedreigen of\' berispen, ten einde hen tot inkeer te doen komen of van de zonden terug te houden, ziedaar liet eerste der geestelijke werken van barmhartigheid.

Iemand, bijv., die doodelijk gezondigd heeft, leeft in vijandschap met God en in gevaar van voor eeuwig verloren te gaan: hoe verdienstelijk zal het dan niet zijn dien mensch uit liefde te straffen of te berispen, om hem aan dat groot gevaar te onttrekken. Onze goddelijke Zaligmaker spreekt ons over dit geestelijk werk van barmhartigheid, als Hij zegt: Zoo uw broeder tegen u gezondigd heeft, berisp hem dan tussclien u en hem alleen, d. i., wijs hem te recht en tracht hem te bekeeren: Corripe eum inter le et ipsurn solum, (i)

Tot dit geestelijk werk van barmhartigheid zijn alle menschen verplicht, doch inzonderheid de ouders en oversten ten opzichte van hunne kinderen en onderdanen krachlens de plichten van hunnen staat.

Dat straffen der zondaren moet geschieden uit eene ware liefde en met zachtmoedigheid. Men moet liet geestelijk welzijn van zijnen naaste in \'t oog hebben; dus niet uit nijd of afkeerigheid, noch in opgewondenheid, \'t Moet ook geschieden met voorzichtigheid, zoodat men den tijd, de plaats, de manier, enz., kieze die liet geschikste zijn om de zondaren tot beternis te brengen.

II.

Het tweede der geestelijke werken van barmhartigheid is de onwetenden leeren.

(i) Mattii. xviii, 15.

-ocr page 618-

— 208 —

Door onwetenden worden vooral verstaan, die niet kennen wat zij moeten weten of doen om zalig te worden. Die personen onderrichten in hetgeen de zaligheid aangaat, uit liefde, en niet enkel krachtens zijne bediening, of omdat men er geld door verdient, is zeker een werk van barmhartigheid. De onwetendheid in den godsdienst is ten allen tijde geweest, en is tot op den dag van heden eene der grootste oorzaken van de goddeloos - en zedeloosheid en van allerlei soort van wanorden. De ouders en oversten zijn wederom op de eerste plaats, niet alleen .uit liefde gelijk de overigen, maar ook uit rechtvaardigheid verplicht hunne onwetende kinderen of onderdanen te onderwijzen, of ten minste te zorgen dat zij door anderen onderwezen worden. Over de onderwijzing der onwetenden spreekt de Apostel Paulus, als hij zegt: Broeders, zoo iemand in de een of andere zonde mocht gevallen zijn, onderwijst dan zoo iemand in den geest van zachtmoedigheid: Ilujusmodi inslruile in spiritu lenitatis. (l) God heeft ook eene bijzondere belooning toegezegd aan hen, die de onwetenden in den godsdienst onderwijzen. Zij zullen, zegt de H. Geest, in eeuwigheid blinken als sterren: Fulgebunt.... quasi sidlce in perpetuus ceierniiales. (2)

III.

Het derde der geestelijke werken van barmhartigheid is voor de zaligheid zijns naasten bidden.

Door den naaste worden hier niet verstaan de Heiligen des hemels, wijl zij reeds zalig zijn; noch do verdoemden der hel, wijl zij nooit meer zalig kunnen worden: immers, in de hel, is geene verlossing, dus onnoodig voor hen te bidden; doch door den naaste worden verstaan de menschen hier op aarde, zooals de zondaren, de ongeloovigen, de ketters, de rechtvaardigen, en ook nog de zielen des vagevuurs. Wij moeten voor

(1) Gal. vi, 1. (2) Daniel, xii, 3.

-ocr page 619-

— 209 —

lien bidden, d. i., wij moeten God vragen hetgeen noodig of dienstig is ter zaligheid. Wij vragen voor de zondaren, onge-loovigen en ketters de bekeering, voor de rechtvaardigen de volharding in het goede, en voor de geloovige zielen, dat zij zoo spoedig mogelijk uit het vagevuur verlost worden. Zoo handelen uit liefde tot den naaste, kan niet anders dan een werk van barmhartigheid zijn, aangenaam aan God en verdienstelijk voor den hemel. Bidt voor elkander, zegt de H. Jacobus, opdat gij zalig wordet: Or ate pro invicem ut salve mini. (i) En van de geloovige zielen zegt de H. Schrift uitdrukkelijk, dat het eeno heilige en zalige gedachte is voor haar te bidden, opdat zij van hare zonden ontslagen worden; Sancta et salubris est cogüatio jjro dcfunctis exorare ut a peccatis solvantwr. (2)

IV.

Het vierde der geestelijke werken van barmbartigheid is de tw ij leiachtige n goeden raad geven.

Door twijfelachtigen worden hier verstaan personen, die in zekere omstandigheden niet weten wat te beginnen, bijv., om uit hunnen zondenstaat op te staan, om de zonde, de gevaren en gelegenheden der zonde te vermijden; die niet weten welken levensstaat te aanvaarden. Dergelijke personen goeden raad geven, hun voorhouden hoe zij zich te gedragen hebben om zalig te kunnen worden, is zeker een werk van barmhartigheid. In \'t raad geven moet men natuurlijk met voorzichtigheid te werk gaan, opdat namelijk de raad dien men geeft, waarlijk goed zij, strekke tot glorie van God en tot zaligheid der zielen. Bijaldien gij wijsheid hebt, zegt de H. Schrift, geeft uwen naaste antwoord — als hij u 0111 raad vraagt — zoo niet, leg uwe hand op den mond — zeg niets, maar zwijg — opdat gij niet gevangen wordet in uw onvoorzichtig spreken en er met schade afkomet.

(1) Jac. v, 16. (2) 11, Mach. xn, 46.

Geloofs - em Zedenleer. 5\'ie deei. 14,

-ocr page 620-

Door onwetenden worden vooral verstaan, die niet kennen wat zij moeten weten of doen om zalig te worden. Die personen onderrichten in hetgeen de zaligheid aangaat, uit liefde, en niet enkel krachtens zijne bediening, of omdat men er geld door verdient, i.s zeker een werk van barmhartigheid. De onwetendheid in den godsdienst is ten allen tijde geweest, en is tot op den dag van heden eene der grootste oorzaken van de goddeloos - en zedeloosheid en van allerlei soort van wanorden. De ouders en oversten zijn wederom op de eerste plaats, niet alleen .uit liefde gelijk de overigen, maar ook uit rechtvaardigheid verplicht hunne onwetende kinderen of onderdanen te onderwijzen, of ten minste te zorgen dat zij door anderen onderwezen worden. Over de onderwijzing der onwetenden spreekt de Apostel Paulus, als hij zegt: Broeders, zoo iemand in de een of andere zonde mocht gevallen zijn, onderwijst dan zoo iemand in den geest van zachtmoedigheid: Hujusmodi inslruilc in spiritu lenilatis. (l) God heeft ook eene bijzondere belooning toegezegd aan hen, die de onwetenden in den godsdienst onderwijzen. Zij zullen, zegt de H. Geest, in eeuwigheid blinken als sterren: Fulgebunt.... quasi stellcc in perpetuus cvlernitales. (2)

III.

Het derde der geestelijke werken van barmhartigheid is voor de zaligheid zijns naasten bidden.

Door den naaste worden hier niet verstaan de Heiligen des hemels, wijl zij reeds zalig zijn; noch de verdoemden der hel, wijl zij nooit meer zalig kunnen worden: immers, in de hei, is geene verlossing, dus onnoodig voor hen te bidden; doch door den naaste worden verstaan de menschen hier op aarde, zooals de zondaren, de ongeloovigen, de ketters, de rechtvaardigen, en ook nog de zielen des vagevuurs. Wij moeten voor

(1) Gal. vi, 1. (2) Daniel, xii, 3.

-ocr page 621-

— 209 —

hen bidden, d. i., wij moeten God vragen hetgeen noodig of dienstig is ter zaligheid. Wij vragen voor de zondaren, onge-loovigen en ketters de bekeering, voor de rechtvaardigen de volharding in het goede, en voor de geloovige zielen, dat zij zoo spoedig mogelijk uit het vagevuur verlost worden. Zoo handelen uit liefde tot den naaste, kan niet anders dan een werk van barmhartigheid zijn, aangenaam aan God en verdienstelijk voor den hemel. Bidt voor elkander, zegt de H. Jacobus, opdat gij zalig wordet: Orale pro invicem ut salve mini. (i) En van de geloovige zielen zegt de 11. Schrift uitdrukkelijk, dat liet eeno heilige en zalige gedachte is voor haar te bidden, opdat zij van hare zonden ontslagen worden: Sancta et salubris est vogitatio pro defunctis exorare ut a peccatis solvantur. (2)

IV.

Het vierde der geestelijke werken van barmliartigheid is de twijtelachtigen goeden raad geven.

Door twijtelachtigen worden hier verstaan personen, die in zekere omstandigheden niet weten wat te beginnen, bijv., om uit hunnen zondenstaat op te staan, om do zonde, de gevaren en gelegenheden der zonde te vermijden; die niet weten welken levensstaat te; aanvaarden. Dergelijke personen goeden raad geven, hun voorhouden hoe zij zich te gedragen hebben om zalig te kunnen worden, is zeker een werk van barmhartigheid. In \'t raad geven moet men natuurlijk met voorzichtigheid te werk gaan, opdat namelijk de raad dien men geeft, waarlijk goed zij, strekke tot glorie van God en tot zaligheid der zielen. Bijaldien gij wijsheid hebt, zegt de H. Schrift, geeft uwen naaste antwoord — als hij u om raad vraagt — zoo niet, leg uwe hand op den mond —- zeg niets, maar zwijg — opdat gij niet gevangen wordet in uw onvoorzichtig spreken en er met schade afkomet.

(i) Jac. v, 16. {2) ii, Mach. xii, 46.

Geloofs-en Zedenleer 5fle deei. 14,

-ocr page 622-

— 210 —

V.

Het vijfde dor geestelijke werken van barmhartigheid is de bedroefden troosten.

Door bedroefden worden verstaan personen, die het een of ander ongeluk gehad hebben en terneergeslagen zijn: die personen opbeuren, moed in t hart spreken, door, bij\\., te zeggen; Alles komt van God; Al wat God doet is welgedaan, en hen op die wijze zoo ver brengen dat zij de kruisen en wederwaardigheden met overgeving aan den wil van God ontvangen en met geduld dragen, dat werk zoude geen werk van barmhartigheid zijn? De overtollige droefheid is schadelijk voor ziel en lichaam; zij heeft menig menscli in wanhoop gestort en een vroegtijdigen en rampzaligen dood doen sterven. Te recht zet ons dus de H. Schrift aan van de bedroefden te troosten, als zij zegt; Laat de weenenden niet zonder troost, en treurt met de treurenden; Non desis plovanlibus in conso-lalione et cum lugentibus arnbula. (i)

VI.

Het zesde der geestelijke werken van barmhartigheid is het onrecht geduldig lijden.

Door onrecht wordt hier verstaan het ongelijk dat ons iemand aandoet of aangedaan heeft. Zicli daarover niet vertoornen, geen wraak willen nemen, maar integendeel geduldig zijn en op die wijze zijn beleediger tot inkeer trachten te brengen, is ongetwijfeld een werk van barmhartigheid.

VIL

Het zevende en laatste der geestelijke werken van barmhartigheid is hetgeen tegen ons misdaan is vergeven, d. w. z., wij moeten het persoonlijk ongelijk van harte vergeven, geone

(i) Eccl vu, 38.

-ocr page 623-

straf daarvoor vorderen en geen kwaad met kwaad vergelden; zoo handelen, B. B., uit liefde tot den evenmensch en om hem te winnen en zalig te maken, ziedaar, een groot werk van barmhartigheid.

Ook zijn wij verplicht hetgeen tegen ons misdaan is te vergeven, willen wij dat God ons onze zonden vergeve. Immers, wij bidden dagelijks: Vergeef ons onze schulden gelijk wij vergeven onze schuldenaren: Dimitte nobis dehita nostra sicut et nas dimittimus debitoribus nostris. (i) Onze goddelijke Zaligmaker zet ons daartoe ook door zijn voorbeeld aan. Jesus heeft ons wel is waar van alle werken van barmhartigheid voorbeelden gegeven, doch vooral van de twee laatste. Met het grootste geduld verdroeg hij de grootste lasteringen, beschimpingen en mishandelingen, ja zelfs den schande - en pijnlijken dood des kruises: Hij vergaf aan zijne vijanden en beulen en bad voor hen: Vader! vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen: Pator, dimitte illis nesciunt enim, quid faciunt. (2)

SLUITREDE.

Alvorens deze onderrichting te sluiten, wil ik u eene treffende geschiedenis verhalen, namelijk, hoe de Evangelist Joannes zich gedroeg en welke middelen hij aanwendde om een jongeling, die van het pad der deugd afgedwaald was, op te zoeken en tot de Kerk terug te brengen.

De H. Joannes had dien jongeling op eene bijzondere wijze aan een Bisschop van Azië toevertrouwd en aanbevolen. •Deugdzaam in den beginne en van veel verwachting, was hij langzamerhand door den omgang met slechte makkers verflauwd en eindelijk tot diepen val gekomen. Zonder schroom pleegde hij de gruwzaamste misdaden: hij ging zelfs zoo ver, dat hij met zijne makkers eene rooversbende oprichtte die hem tot aanvoerder koos. Als nu Joannes van Patmos, de plaats van zijn

(I) Mattii. vi, 12. (2) Luc. xxni, 34.

-ocr page 624-

212

ballingschap, teruggekeerd, die gemeente bezocht, begaf hij zich naar den Bisschop om van dezen het pand — den jongeling — dat hij hem had toevertrouwd, terug te vorderen. Welaan, zoo sprak Joannes, geef mij terug, wat ik en Christus u toevertrouwden. De Bisschop meende in den beginne dat er sprake was van eene som gelds, doch Joannes verklaarde zich en zeide: Ik vorder den jongeling terug, de ziel van onzen broeder. Hier sloeg de Bisschop, een grijsaard, de oogen neder, zuchtte zwaar en zeide onder een vloed van tranen; Hij is dood. Dood? riep de Apostel. Welken dood is bij gestorven? De dood voor God, antwoordde de Bisschop. Hij is een booswicht, een goddelooze, een roover geworden. Thans heeft hij het gebergte bezet met eene bende die hem gelijk is. Als Joannes dit hoorde, scheurde hij van droefheid zijne kleêren, zuchtte, sloeg de handen boven zijn hoofd te zamen en zeide: Voorwaar, ik heb do ziel eens broeders een wakkeren herder aanbevolen! Bezorg mij spoedig een paard en een wegwijzer. Terstond steeg de heilige grijsaard te paard, reed naar het gebergte en werd daar door eene wacht aangehouden. Dit wenschte ik juist zeide hij; Brengt mij bij uwen aanvoerder. Deze stond van het hoofd tot de voeten gewapend den vreemdeling af te wachten; doch luistert, B. B., wat er plaats greep. Zoodra de jongeling den Apostel herkende, vluchtte hij van schaamte weg. De H. Joannes zijne hooge jaren niet indachtig, liep hem na en riep hem toe: Mijn zoon, waarom ontvlucht gij uwen vader, een grijsaard en zonder wapenen! Ontferm u mijner, mijn zoon! Vrees niet: er is vöor u nog hoop op zaligheid: ik wil aan Jesus-Christus rekenschap voor u afleggen. Ja, ik wil gaarne voor u mijn leven ten beste geven, gelijk Hij het zijne voor ons gegeven heeft: Sta stil, geloof dat Jesus-Christus mij herwaarts gezonden heeft. Op die woorden stond de jongeling stil en sloeg zijne oogen ter aarde. Daarna wierp hij zijne wapenen weg, begon te sidderen en bitter te weenen. De Apostel snelde toe om hem te omhelzen. De jongeling verborg zijne rechterhand, die hij

-ocr page 625-

zoo dikwijls lot roof cm moord misbruikt had. Joannes moedigde lieii» aan, betuigde dat hij verg\'ilTeiiis voor hem van quot;den Zaligmaker verworven had, wierp zich op de knieën voor hem neder, kuste zijne rechterhand ten toeken dat zij door zijne tranen reeds al\'gewasschen is, en bracht hem in de Kerk terug. Joannes liet ook niet na veel en vurig voor hem te bidden, vastte dikwijls met liem, onderhield hem met vermaningen en onderrichtingen om zijnen geest zachter te stemmen en ging niet vandaar, alvorens hem als oen groot en uitstekend voorbeeld van boetvaardigheid aan de Kerk terug gegeven te hebben. De H. Joannes Chrysostomus verhaalt deze geschiedenis als eene gekende gebeurtenis. Ziedaar, 1!. B., hoe de II. Joannes handelde om den afgod waalden jongeling op het pad der deugd terug te brengen. O hoevele zondaren zouden van den dwaalweg terug komen, zoo wij hen met even zoovoquot;! liefde en ijver opzochten; zoo wij hen door leer, raad en vermaningen trachtten te verbeteren. Doen wij dus ons best, om niet alleen dit werk van barmhartigheid, maar ook om de overige te oefenen tot ons eigen welzijn en tot welzijn van onzen evennaaste. Amen.

-ocr page 626-

DRIE - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE BROEDERLIJKE BERISPING

Si peccaverit in te frater tuus, vade et corripe eum inter te et ipsum solum; si te audient lucratus eris fratrem tuwn.

Zoo uw broeder tegen u zonc[igt, ga en berisp hem tusaohen u en hem alleen; zoo bij naar u luistert hebt gij uw broeder gewonnen. (Matth. xviii, is.)

INHOUD.

VOORREDE.

De broederlijke berisping is een van de voornaamste werken van barmhartigheid. Velen blijven in de zonden steken en gaan verloren, omdat zij niet bijtijds berispt worden; anderen gaan verloren, omdat zij de broederlijke berisping verwaarloozen,

VERDEELING.

I. Waarin bestaat de broederlijke berisping?

II. Wanneer moet zij geschieden?

III. Hoe moet zij geschieden?

-ocr page 627-

I.

Do broederlijke berisping is eerie vermaning, die men uit liefde den zondaar geeft, om hem te verbeteren.

God heeft eenieder verplicht dat werk van barmhartigheid te verrichten. Zoo men zijnen naaste moet bijstaan, als hij in lichamelijken nood verkeert; hoeveel te meer, als hij in geestelijken nood is. Allen zijn er uit liefde, maar de ouders en oversten zijn er ook nog uit rechtvaardigheid toe gehouden.

II.

De broederlijke berisping moet geschieden als de naaste haar noodig heeft, en men hoop heeft dat hij er voordeel int zal trekken. Bijgevolg;

1° Als hij doodelijk gezondigd heeft;

2° Als men daarvan zeker is;

3° Als er hoop bestaat van verbetering;

Als de naaste do berisping noodig heeft;

5° Als de berisping kan geschieden zonder groot nadeel. Hieruit blijkt dat private personen zelden verplicht zijn to berispen.

III.

Men moet:

1° Den zondaar alleen berispen;

2° Getuigen nemen;

3° Het aan de oversten bekend maken.

Deze is de gewone orde; nochtans, men is niet altoos verplicht die orde te volgen.

In de berisping moet men zich bijzonder wachten van scheldwoorden, vloeken en vorwenschingen.

SLUITREDE.

De zondaar moet de berisping aannemen met een ootmoedig, leerzaam en dankbaar hart.

-ocr page 628-

— 216 —

DRIE - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE BROEDERLIJKE BERISPING

Si peccaverit in te frater tuus, vade ct corripe eum inter te et ipsum solum; si te qudierit lucratus eris J\'ratrem tuum.

Zoo uw broeder tegen u zondigt, ga en berisp hem tusschen u en hem alleen; zoo in\'j naar n luistert hebt gij uw broeder gewonnen. (Matth. xvm, is.)

VOORREDE.

In onze voorgaande onderrichting, I?. B., liebben wij in liet kort over de geestelijke werken van barmhartigheid gesproken: vandaag zullen wij een weinig breedvoeriger op het eerste, namelijk, op het straffen of berispen der zondaren, terug komen: de reden er van is, wijl de broederlijke berisping eon plicht is, die door vele Christenen niet gekend of althans niet genoeg geacht wordt. Ja, B. 13., velen blijven in iiunne zonden voortleven en gaan voor eeuwig verloren, omdat zij niet broederlijk berispt worden; anderen, omdat zij dal liefdewerk verwaarloozen. Wij zullen dus vandaag overwegen:

I. Waarin de broederlijke berisping bestaat;

II. Wanneer zij moet geschieden;

III. Hoe zij moet geschieden.

I.

Wat is de broederlijke berisping? De broederlijke berisping is eene vermaning die men uit liefde den zondaar geeft om hem te verbeteren.

\'t Is dus uit liefde en niet uit haat, nijd of afkeerigheid, dat uien den zondaar berispt, en het doel dat men in het berispen

-ocr page 629-

heeft, is, den zondaar te verbeteren of te bekeeren. God, B. B., heeft stellig geboden dat werk van barmhartigheid te verrichten: Corripe proximum.... ne forte üerct, zegt hij in de H. Schrift: Berisp uwen naaste opdat hij soms in de zonde niet hervalle. En in het Evangelie zegt onze goddelijke Zaligmaker uitdrukkelijk: Bijaldien uw broeder zondigt, ga naar hem toe en berisp hem: Vadc cl corripe cum. (l) Dit gebod gaat alle menschen aan, want God heeft eenieder zijnen evenmensch aanbevolen.

De liefde verplicht ons den naaste, als hij in grooten licha-melijken nood verkeert, bij te staan. Wat zoudt gij zeggen van iemand, die zijnen naaste grooten honger zag lijden, van gebrek zag omkomen en hem niet wilde helpen? Zou hij niet grootelijks zondigen tegen het gebod der liefde? Ongetwijfeld. Welnu, zoo men uit liefde verplicht is zijnen naaste bij te staan, als hij in grooten lichamelijken nood verkeert; hoeveel te meer is men dan uit liefde verplicht hem bij te staan, als hij in grooten geestelijken nood verkeert, namelijk, als hij in gevaar is van voor eeuwig verloren te gaan. Immers, die toestand is veel erger dan die van honger of dorst. Hoe kunnen wij met waarheid zeggen dat wij onzen naaste beminnen, zoo wij onverschillig zijn voor zijn eeuwig geluk of ongeluk; zoo wij ons geene moeite willen geven om zijne onsterfelijke ziel te redden? Te recht geldt hier het verwijt van den H. Bernardus, die vol heilige verontwaardiging uitroept: \'t Is zonderling, er valt een lastdier, en men snelt toe om het op te helpen; eene ziel gaat verloren, en niemand vraagt er naar. Zoude zulke onverschilligheid voor de eeuwige zaligheid van den naaste geene groote liefdeloosheid zijn, niet alleen jegens den evenmensch, maar ook jegens God, wiens evenbeeld en kind de naaste is? Zoude men daardoor niet toonen, dat men het goddelijk bloed van Jesus-Christus gering acht, bloed dat gestroomd heeft voor die ziel, om welke te

(i) Mattii. xviii, 15.

-ocr page 630-

redden men geenc hand zoude willen reiken? Geheel anders dachten en deden de Heiligen, die God en den naaste waarlijk beminden.

Wij allen zijn dus uit liefde verplicht den zondaar te berispen. Doch, B. B., er zijn personen die er niet alleen uit liefde, maar ook uit rechtvaardigheid toe gehouden zijn, namelijk, wier ambt er toe verplicht. Op die wijze zijn verplicht: de ouders opzichtens hunne kinderen, de oversten opzichtens hunne onderdanen; en bijgevolg, zoo zij aan de broederlijke berisping te kort blijven, zondigen zij niet alleen tegen de liefde, maar ook tegen de rechtvaardigheid. Doch wanneer moet de broederlijke berisping geschieden?

II.

Men moet niet denken, B. B., dat men elk oogenblik verplicht is zijnen naaste te berispen; veel minder, dat men er telkens op doodzonde.toe verplicht is. Ziehier den algemeenen regel:

Men is op zonde verplicht de zondaars te berispen, als zij doodelijk zondigen en er hoop is van er vrucht mede te doorn-Bijgevolg wordt er vereischt:

1° Dat de evenmensch doodelijk zondige. Bijaldien men voor elke dagelijksche zonde eene berisping moest geven of ontvangen, men zoude dagelijks, ja, soms meermalen daags, daarmede bezig kunnen zijn;

2° Dat. men zeker zij, dat de evenmensch doodelijk gezondigd heeft. Zoo wij dus daaraan twijfelen, dan zijn wij niet verplicht daarover te onderzoeken, wijl wij anders, gelijk de H. Thomas opmerkt, veroordeeld zouden zijn spionnen te wezen van de levenswijze van anderen. De ouders en oversten nochtans zijn tot meer en tot een onderzoek verplicht;

3° Dat er hoop zij, dat de zondaar zich zal betoren. Bijaldien wij dus reden hebben van te vreezen dat onze berisping niet zal

-ocr page 631-

— 219 —

baten, ofwel dat do zondaar, in plaats van zich te beteren, nog slechter zal worden, wijl hij de berisping kwalijk zal opnemen, dan mogen wij de berisping achterlaten ol uitstellen;

4° Dat de zondaar onze berisping noodlg hebbe; want zoo hij zonder haar tot inkeer zal komen, dan is zij overbodig;

Eindelijk wordt er vereischt, dat de berisping kunne geschieden zonder groote schade van hem die ze doen moet, anders is men er niet toe gehouden.

Uit hetgeen ik hier over de broederlijke berisping kom te zeggen, kan men gemakkelijk besluiten, dat private personen zelden verplicht zijn, veel minder op doodzonde verplicht zijn, den naaste als hij misdoet, te berispen; ook niet de vrouwspersonen of jonge personen. De reden is; omdat de vijf voorwaarden die er vereischt worden, zelden bestaan; ofwel, omdat die personen daarover niet kunnen oordeelen. \'t Zijn dus ontzag-of gezaghebbende menschen, zooal^ ouders, meesters en oversten, en die last der zielen dragen, zooals de Bisschoppen en de Pastoors, dio gehouden zijn de zondaren te berispen, en zij kunnen zelfs doodelijk zondigen door aan dien plicht te kort te blijven. Doch hoe moet de berisping geschieden?

III.

Onze goddelijke Zaligmaker, B. B., leert ons, hoe wij de zondaren moeten berispen.

Men moet den zondaar vermanen: vooreerst, in \'t geheim. Zoo uw broeder zondigt, zegt Jesus, berisp hem dan eerst tusschen u en hem alleen: Inter lc et ipsuin solum; vervolgens, zoo hij niet wil luisteren, moet men een ol twee getuigen nemen, d. w. z., zoo hij zich niet betert: Adhibe tecum adhuc unum vel duos; eindelijk, zoo hij nog niet luistert, moet men de zaak aan de oversten der Kerk bekend maken: Die hcclesiw; en zoo hij naar de Kerk niet luistert, houd hem dan, voegt Jesus er bij, voor een heiden en een tollenaar: Sit tihi sicut

-ocr page 632-

— 220 —

ethnicus ei publicanus. Ziedaar, B. B., de gewone orde, die men in liet berispen van een zondaar moet volgen. Die orde nochtans is niet zoo noodzakelijk, dat zij in geen geval kan of mag veranderd worden: bijv., gij zoudt met reden vreezen dat eene afzonderlijke vermaning niet zal baten; alsdan mag men de zaak rechtstreeks aan do oversten bekend maken, opdat zij den zondaar berispen om hem tot inkeer te doen komen.

Alhoewel de berisping broederlijk moet zijn, en bijgevolg doorgaans met zachtheid moet gegeven worden; nochtans, er kunnen zich gevallen opdoen, waarin de ouders en oversten met meer strengheid moeten te werk gaan en hun gezag doen gelden, als er namelijk sprake is van kinderen of onderdanen te berispen, die reeds meermalen met zachtheid, maar te vergeefs, vermaand zijn; doch in alle geval moet men zich wel wachten van in scheldwoorden, ja wat nog erger en meer te beklagen zoude zijn, van in vloeken of verwenschingen tegen hen uit te vallen: dergelijke berispingen zijn meer in staat den zondaar te verergeren dan om hem te verbeteren: do zondaar moet altoos kunnen zien, dat hem de berisping tot zijn tijdelijk en eeuwig welzijn gegeven wordt.

Private personen kunnen gemakkelijk en op eene eenvoudige wijze, als het noodig zoude zijn, iemand die misdoet, berispen; bijv., gij zijt met iemand in gesprok, die persoon zoude onder zijn spreken vloeken, waarvan sommigen de slechte gewoonte hebben; gij zult dien persoon, bijv., zeggen: \'t is goed, mijn vriend! dat gij mij over die zaak komt spreken, dat gij mij raad vraagt; maar er loopen in uw gesprek zulke aardige woorden tusschen, die ik niet kan hooren; ofwel, zoo die vloeker dat niet zoude begrijpen, zult gij hem zeggen: Mijn vriend, gij vloekt terwijl gij spreekt, en zoo gij daarmede blijft voortgaan ben ik verplicht het gesprek af te breken en heên te gaan.

Een ander voorbeeld. Iemand komt bij u om kwaad te spreken van een ander. Hoe zult gij dien persoon nu broederlijk en

-ocr page 633-

eenvoudig berispen? Door uitwendig te toonen dat die kwaadsprekerij u niet bevalt, door het gesprek af te breken en over iets anders te beginnen. Ziedaar, B. B., boe men gemakkelijk en eenvoudig zijnen naaste kan vonnanen of berispen.

SLUITREDE.

Ten slotte moet ik bier nog bijvoegen, boe de zondaars de berisping moeten aannemen. Zij moeten ze aannemen met een ootmoedig, leerzaam en dankbaar bart, en zich wel wacbten van het liefdewerk dat bun gedaan wordt, kwalijk op te nemen. Over zijne zonden, fouten en gebreken vermaand of berispt worden, is niet aangenaam aan de bedorven natuur van den menscb, en daarom zal bij inwendig niet zelden in beweging geraken. De zondaar moet dus die inwendige beweging tot gramschap terstond onderdrukken, denkende dat betgeen men hem komt te zeggen, gezegd wordt tot zijn welzijn; dat de persoon die hem vermaant, het goed met hem voorheeft; dat die persoon zich van een plicht kwijt, hem door God opgelegd; en in geval hij zoo denkt, gelijk hij inderdaad denken moet, bij zal de berisping of vermaning aannemen met een ootmoedig hart, en bij zal zich niet tegen zijnen weldoener uitlaten; met een leerzaam hart, en hij zal zijn best doen om zich te beteren; met een dankbaar hart; ja, hij zal zijn weldoener bedanken; en daartoe heeft bij ook reden, wijl deze tot zijn welzijn gehandeld en zijne ziel wellicht van den eeuwigen ondergang-gered heeft. Amen.

-ocr page 634-

VIER - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE LICHAMELIJKE WERKEN VAN BARMHARTIGHEID

Amen dico vohis, quamdiu fecistis uni ex las fmtnbus meis minimis mild fecistis.

Voorwaar ik zeg het u,al wat gij aan een van deze mijner mindere broeders gedaan hebt, hebt gij aan mij gedaan.

(Mattu. xxv, .10.)

INHOUD.

VOORREDE.

De geestelijke werken van barmhartigheid overtreffen de lichamelijke ver in waarde. De lichamelijke zijn ook zeven in getal, namelijk:

VERDEELING.

I. De hongerigen spijzen;

II. De dorstigen laven;

III. De naakten kleeden;

IV, De vreemdelingen herbergen;

-ocr page 635-

V. De zieken bezoeken; VI. De gevangenen verlossen; VII. De dooden begraven.

I.

De hongerigen spijzen is niets anders dan hun die niet te eten hebben, eten bezorgen: Tobias, Job. Joseph, Jesus-Christus.

II.

De dorstigen laven is hun die dorst lijden, te drinken geven, hetgeen soms met vreemdelingen en reizigers kan plaats hebben.

lil.

De naakten kleeden is zorgen, dat de armen behoorlijk en zedig gekleed en \'s winters tegen de koude gedekt zijn. In deze drie werken van barmhartigheid moeten vooral de schamele armen verstaan worden.

IV.

De vreemdelingen herbergen is zorgen, dat arme vreemdelingen onder dak komen, doch in dit punt moet men voorzichtig zijn.

V.

De zieken bezoeken. Dit werk is zeker aangenaam aan God en verdienstelijk, zoo men zorg draagt voor de ziel van den zieke.

VI.

De gevangenen verlossen. Door de gevangenen worden geene misdadigers, maar de onschuldige gevangenen verstaan. Do H. Paulinus.

-ocr page 636-

224

VIL

De dooden begraven ofwel dc overledenen do laatste eer bewijzen. Tobias. Waarom worden de lichamen der Christenen op gewijde plaatsen begraven? Aan wie wordt de kerkelijke begrafenis geweigerd? Burgerlijke begrafenis.

SLUITREDE.

God zal ons eenmaal ruimschoots voor de werken van barmhartigheid beloonen. Woorden van Jesus in don laatsten dag des oordeels.

-ocr page 637-

— 225 —

VIER EN TWIKTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE LICHAMELIJKE WERKEN VAN B A R M11A R TIG H EID

Amen dico vobis, (inamdiu fecistis wii ex kis fratribus mcis minimis mihi fecistis.

Voorwaar ik zeg liot ii,al wat gij aan oen van deze mijner mindere broeders gedaan hebt, hebt gij aan mij gedaan.

(MATTII. XXV, 40.)

VOORREDE.

De menscli, B. B., bestaat gelijk wij weten uit twee doelen, uit ziel en lichaam; doch do ziel is het waardigste doel, omdat zij geschapen is naar hot beeld en de gelijkenis van God. Hieruit moeten wij besluiten dat de geestelijke aalmoes waardiger is dan de lichamolijke, en bijgevolg, dat do geestelijke werken van barmhartigheid do lichamelijke in waarde to boven gaan. Over do geestelijke werken van barmhartigheid, on in \'t bijzonder, over de broederlijke berisping, hebben wij roods gehandeld; nu gaan wij over de lichamelijke werken van barmhartigheid handelen. Deze zijn evenals de geestelijke zeven in getal:

1.

De

hongerigon spijzen;

11.

De

dorstigon laven;

III.

De

naakten kleeden;

IV.

De

vreemdelingen herbergen

V.

De

zieken bezoeken;

VI.

De

gevangenen verlossen;

VII.

De

dooden begraven.

GkLOOKS - EN ZliÜENUvEU 5Je DUEL 15.

-ocr page 638-

— 226 —

I.

Wij moeten de hongerigen spijzen, d. \\v. z., wij moeten de arme menschen, die niets, of niet genoeg te eten hebben, te hulp komen door hun eten te verschaffen, ofwel geld, waarvoor zij eetwaren kunnen koopen. Ingeval wij dergelijke hongerigen spijzen uit liefde tot God die ons aller Vader is, dan doen wij een werk van barmhartigheid.

Zoo handelde onder anderen Tobias, die zijne hongerige medebroeders bezocht en hun eten bracht; de H. Man Job, die zijn brood met de armen deelde; de H. Aartsvader Joseph, die niet alleen zijnen Vader en zijne broeders van levensmiddelen voorzag, maar alle inwoners van Egypte en omliggende landen. Zoo handelde onze goddelijke Zaligmaker in de woestijn, die zoo bezorgd was voor de hongerigen, dat Ilij een wonder deed om hen Ie spijzen. Zekeren dag spijsde Hij vijf duizend hongerigen met weinige brooden en visschen, die Hij vermenigvuldigde. Een anderen dag, vier duizend op dezelfde wondervolle wijze. Hoevele Heiligen hebben dit werk van barmhartigheid niet beoefend ?

II.

Wij moeten de dorstigen laven, d. w, z., wij moeten te drinken geven aan hen, die waarlijk door dorst gekweld worden, en die de middelen of de gelegenheid niet hebben om te drinken zooals reizigers of zieken kan overkomen. De dorst, B. B., is pijnlijker dan de honger. Zieke menschen, en die reeds met den dood worstelen, klagen het meest over den dorst. Hoe bitter klaagde Jcsus niet over den dorst, toen Hij aan het kruis hing? Hij klaagde over geene andere pijn, alleen over den dorst. Sitio, riep Hij uit, Ik heb dorst. Daaruit kan men besluiten, welke hevige pijn do dorst kan veroorzaken: bijgevolg moet het ook zeer verdienstelijk zijn de dorstigen te laven

-ocr page 639-

III.

Wij moeten de naakten kleeden, d. w. z., wij moeten zorgen, dat de arme menschen zedig gekleed en in den winter ook tegen de koude beschut zijn; bijgevolg moeten wij hun kleederen en deksel bezorgen, ofwel geld om het te kunnen koopen. Door deze drie werken van barmhartigheid wordt voorzien in spijs, drank en kleeding van den arme.

In deze zaak moet men vooral zekere armen, die men schamele armen noemt, in acht nemen, d. 1., zekere personen, die door tegenspoed, ziekte, gebrek aan werk of door andere ongelukken tot armoede gekomen zijn, en die beschaamd zijn van te bedelen of hunnen nood te klagen. Die armen lijden doorgaans het grootste gebrek en verdienen dus op de eerste plaats opgezocht en geholpen te worden.

IV.

Wij moeten de vreemdelingen herbergen, d. w. z., wij moeten de arme vreemdelingen, die \'s nachts nergens onder dak kunnen komen, eene schuilplaats bezorgen. In dit liefdewerk nochtans leert ons de ondervinding van voorzichtig en op onze hoede te zijn. Ook vermaant ons de H. Schrift daarover: Laat niet iedereen in uw huis, zegt zij, want de hinderlagen van een listige zijn talrijk. Wijl er allerlei soort van menschen roud-loopen, zoude men door niet voorzichtig te zijn, kunnen bedrogen en bestolen worden, hetgeen juist niet noodig is om vreemdelingen te herbergen. De liefde dus sluit de voorzichtigheid niet uit.

V.

Wij moeten de zieken bezoeken. Dit werk, zoo hot uit liefde tot God en den evenmensch geschiedt, is voorzeker een werk van barmhartigheid en vol verdiensten. Welk genoegen doen wij den lijdenden mensch niet, als hij bemerkt dat wij hem ons aantrekken, door hem ons medelijden te toonen; als wij

-ocr page 640-

hem opbeuren door eenige quot;woorden van troost le spreken; als wij in het huis, zoo de inwoners arm zijn, eens rond zien en vragen of er niets te kort is, en zoo wij door eene aalmoes in de behoefte voorzien! Welk een genoegen doet men op die wijze niet alleen aan den zieke, maar aan gansch een arm huisgezin!

In het bezoeken der zieken, B. B., moet men vooral niet uit het oog verliezen van zorg te dragen voor de ziel en zaligheid van den zieke. Men treft soms monschen aan, die, als zij zelfs bemerken dat de ziekte gevaarlijk wordt, den zieke het gevaar waarin hij verkeert, niet durven bekend maken; die hem niet spreken — natuurlijk op eene stille en voorzichtige wijze — van orde te stellen aan zijne zaken, van zich goed voor te bereiden tot het ontvangen der H. Sacramenten en daarmede niet langer uit te stellen; zij zwijgen, om, zooals zij dat noemen, den zieke niet te bezwaren of te verschrikken. B. B., dat is niet liefdevol maar wreed zijn jegens zijnen evennaaste. Hoe dan! Gij ziet dat die mensch niet lang meer kan leven; weldra moet hij voor God gaan verschijnen; misschien bevindt hij zich in een slechten staat, in staat van doodzonde; hij sterft en gaat verloren; wie is mede do oorzaak van zijn ongeluk? Die ziekenbezoeker, omdat hij niet bijtijds vermaand heeft. Wachten wij ons wel van ooit zoo te handelen: bezoeken wij onzen zieken evenmensch, troosten en beuren wij hem op; doch zorgen wij, en wel vooral, voor zijne ziel en zaligheid: zoo doende toont men waarlijk dat men zijn zieken evenmensch bemint.

VI.

Wij moeten de gevangenen verlossen. Door de gevangenen van welke hier spraak is, worden niet verstaan de misdadigers, die om hunne schelmstukken gerechterlljk veroordeeld en in de gevangenis geworpen zijn. Neen, B. B., doch er worden verstaan de onschuldige gevangenen, die voor het geloof, de waarheid ol

-ocr page 641-

do gerechtiglioid in den kerker zuchten; do schuldenaars, die niet bij machte zijn hunne schulden te betalen, en die daarom door hunne schuldeischers in de gevangenis geworpen worden; de slaven en vooral de christen-slaven, die door do ongeloovigen tot dwangarbeid veroordeeld en mishandeld worden, en groot gevaar loopen van het geloof te verliezen; krijgsgevangenen, die in een oorlog dooi\' den vijand zijn weggevoerd: voor dergelijke gevangenen spreken om hen op vrije voeten te stellen, hen uit de gevangenis of slavernij waarin zij zuchten, verlossen door hen vrij te koopen, ziedaar een werk van liefde, een werk van barmhartigheid dat niet onbeloond zal blijven. Hoe vele Christenen, waaronder Heiligen, hebben al hun geld en goed opgeofferd om de Christenen die bij de ongeloovigen gevangen waren, te verlossen. De H. Paulinus, die reeds alles verkocht had, bezat niets meer. Eene arme weduwe kwam en smeekte hem van haar zoon, die bij de ongeloovigen was, en daar de allerzwaarste slavernij moest verduren, te verlossen. Wat deed de H. Paulinus? Hij begaf zich naar de ongeloovigen en stelde zich in de plaats van den zoon der weduwe; hij bleef langen tijd slaaf en werd eindelijk door de geloovigen vrijgekocht. Ziedaar een voorbeeld gekozen onder eene menigte andere. Dat werk van barmhartigheid kunnen wij verrichten door bij te dragen om priesters of andere geloovigen, die om hunne standvastigheid in het geloof en hunne gehechtheid aan do H. Kerk in de gevangenis geworpen zijn, te verlossen; door bij te dragen in het een of ander broederschap, dat opgericht is en tot doel hoeft de slaven af te koopen of de gevangenen op vrije voeten te stellen.

*

VII.

Eindelijk moeten wij nog de dooden begraven. Door dit werk van barmhartigheid wordt niet alleen het eigenlijk begraven der dooden verstaan, maar ook de laatste eer die wij do overledenen bewijzen, door, bijv., voor hunne begrafenis te zorgen, door hen

-ocr page 642-

— 230 —

naar het kerkhof te vergezellen, enz. In dit werk van barmhartigheid scheen vooral Tobias uit. Toen de Joden door Sonnacherib vervolgd werden, bleven de lijken der vermoorden onbegraven. Tobias begroef met gevaar van zijn leven al de lijken die hij kon vinden: zoo hij bij dag niet kon, verborg hij de lijken in zijn huis om ze \'s nachts te begraven. Vandaar dat de Engel Raphael zeide: Wanneer gij God met tranen badt en do dooden begroefv, droeg ik uwe gebeden aan God op. Wij kunnen dat werk van barmhartigheid ook verrichten door de overledenen te begraven, door voor hunne begrafenis te zorgen, ofwel, door hun op do een of andere wijze de laatste eer te bewijzen.

Waarom, B. B., worden de lichamen der Christenen in de kerken — gelijk vroeger dikwijls plaats had — of op gewijde plaatsen begraven? Dat geschiedt om velschillende redenen:

1° Omdat die plaatsen aan de levenden betere gelegenheid geven om voor de overledenen te bidden;

2° Omdat de overledenen deelachtig worden aan do gebeden en 11. Missen, die daar geschieden;

3° Omdat zij geholpen worden door de gebeden der Heiligen, die daar vereerd worden;

4° Omdat zij deelachtig worden aan de zegening der plaatsen.

De H. Kerk is verplicht aan zekere personen de kerkelijke begrafenis te weigeren, zooals aan heidenen, ketters, geloofs-verzakers, aan openbare zondaars die zonder boetvaardigheid sterven, aan degenen die zich met vol verstand en vrijwillig om het leven brengen, die in een tweegevecht sneuvelen en aan sommige anderen.

Hedendaags, B. B., hoort men niet zelden dat Christenen, maar die afgedwaald zijn, die jaren lang tegen God en godsdienst, tegen Kerk en priesters gesproken of geschreven hebben, aan het einde hunner ellendige en schandelijke loopbaan gekomen, hardnekkig in hunne boosheid volharden, den bijstand

-ocr page 643-

onzer Moeder de H. Kerk weigeren en zoo in onboetvaardigheid sterven. Wat heeft er dan niet zelden plaats? Dan moet men vernemen tot droefheid en smart dat de heiligste rechten onzer Moeder de H. Kerk door de wereldlijke macht geschonden worden. quot;Wat toch anders is de schending der gewijde kerkhoven door de burgerlijke begrafenis? En welke goddeloozé en hemeltergende redevoeringen worden er bij die gelegenheid door de vijanden der Kerk, door vrijmetselaars, vrijdenkers en derge-lijken niet uitgesproken op de graven hunners makkers? Men schaamt zich niet den inensch te verlagen, aan \'t redelooze dier gelijk te stellen door de onsterfelijkheid dor ziel te loochenen, door te zeggen dat mot dit leven alles eindigt, en dat men bijgevolg geene straf te vreezen, geen loon te verwachten heeft; ja, wat meer en schier ongeloofelijk is, bij een open graf, oen koud lijk, bij den dood verstout men zich het bestaan van God te loochenen en te zeggen: Er is geen God; Non est Deus. Welk eene goddeloosheid! ja welk een afgrond van goddeloosheid, waarin zekere vijanden der Kerk in onze dagen verzonken zijn! Doch wenden wij onze oogen van het akelig schouwspel af, dat eene burgerlijke begrafenis, zooals men dat noemt, aanbiedt; zien wij ten slotte liever wat ons moet aansporen om werken van barmhartigheid te verrichten.

SLUITREDE.

Vooreerst, wijl Jesus alles wat wij den arme doen zal beschouwen als aan Hem gedaan; vervolgens, wijl Hij de barmhartigen met den hemel zal beloonen. Wat zal Jesus in den laatsten dag des oordeels zeggen? Ik heb honger gehad, zal Hij tot de barmhartigen zeggen, en gij hebt Mij gespijsd; Ik heb dorst gehad, en gij hebt Mij gelaafd; Ik ben naakt geweest en gij hebt Mij gekleed; Ik ben vreemdeling geweest en gij hebt Mij geherbergd; Ik ben ziek geweest en gij hebt Mij bezocht; Ik ben gevangen geweest en gij zijt tot Mij gekomen. De barmhartigen zullen verwonderd staan en vragen:

-ocr page 644-

Heer! wanneer hebben wij U dan hongerig gezien en hebben wij U gespijsd, enz. Voorwaar, zal Jesus antwoorden, Ik ze^ het u, alwat gij aan den geringste der mijnen gedaan iiebt, hebt gij aan Mij gedaan; komt dus gezegenden mijns Vaders: Vcnite henedicti Putris mei, neemt bezit van het rijk dat voor u bereid is van de grondlegging der wereld af, d. i., van den hemel: Possidete paratum vohis regnum a comtilutione mundi. Amen.

-ocr page 645-

VIJF - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE AALMOES

Qui dat pauperi non indigebit, Die den arme geeft zal geen gebrek lijden. (Pnov. xxvm, 27.)

INHOUD.

VOORREDE.

Als men lichamelijke werken van barmhartigheid verricht, geeft men als zooveel aalmoezen; doch zien wij vandaag meer van iiabij;

VERDEELING.

1. Of men verplicht is aalmoezen te geven;

II. Wie daartoe verplicht is;

III. Wat er aan de aalmoes verbonden is.

I.

Men is verplicht aalmoezen te geven:

1° God gebiedt ons den naaste te beminnen gelijk ons zeiven ;

2° God wil dat wij de goederen die wij van Hem ontvangen hebben, naar zijne inzichten gebruiken;

-ocr page 646-

— 231 —

8° Jesus-Christus zal in den laatsten dag des oordeels do onbarmhartigen tot de hel veroordeelen.

II.

De rijke moet aalmoezen geven aan den arme. De nood van den arme is driederlei: de uiterste, de groote en do gewone nood.

De goederen zijn ook driederlei: de goederen die men noodig heeft voor zijn levensonderhoud; die men noodig heeft om zijnen stand te houden; eindelijk de goederen die men bovendien nog bezit.

Van welke goederen moet men den arme, die in nood verkeert, aalmoezen geven?

III.

Aan de aalmoes naar behooren gegeven is verbonden: de zegen van God in het tijdelijke, zijne genade om vergiffenis der zonden, kwijtschelding der tijdelijke straffen en den hemel te bekomen.

SLUITREDE.

Geschiedenis van den H. Joannes Kolumbini.

-ocr page 647-

— 235 —

VIJF - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE AALMOES

Qui dat pauperi «oh indigchit.

Die don arme geeft, zal geen gebrek lijden. (I\'rov xxvni, 27.)

VOORRKDE.

Laatstleden, 15. B., hebben wij gesproken over de lichamelijke werken van barmhartigheid. Wanneer men die werken verricht, geeft men als het ware zoo vele aalmoezen. Wij hebben uit gebrek aan tijd slechts een weinig over elk dier werken kunnen zeggen; daarom heb Ik besloten 11 in deze onderriehiing in het bijzonder en wat breedvoeriger te onderhouden over de aalmoes. Wij zullen dus vandaag de drie volgende vragen beantwoorden.

I. Is men verplicht aalmoezen te gevend

II. Wie is verplicht aalmoezen te geven?

III. Wat is er aan do aalmoes verbonden?

I.

Door het woord aalmoes, Igt;. B., moet hier verstaan worden, geld, kleêren, eetwaren en dergelijken, waarmede wij de armen in hunne behoeften\' te hulp komen.

Is men nu verplicht aalmoezen te geven? Ik antwoord op die vraag. Het is niet alleen geraadzaam, doch in den regel is men in geweten verplicht en streng verplicht aalmoezen te geven. Die strenge verplichting kan bewezen worden:

1° Uit het gebod dat God ons gegeven heeft, van onzen even-mensch te beminnen gelijk ons zeiven. \\ oorzeker, het gebod der naastenliefde verplicht streng. Hoe zou zich nu iemand met

-ocr page 648-

de gedachte kunnen vleien en zeggen, dat hij zijnen naaste bemint gelijk zich zeiven, als hij zoo ongevoelig is, dat hij den arme die hein eene aalmoes vraagt, welke hij noodig heeft, hetzij voor zich zeiven, hetzij voor zijne kinderen, dat hij dien arme wegzendt zonder hem iets te geven? Als hij den arme wellicht nog een stunrsch gezicht toont, bitze woorden toestuurt? En die rijke zal zich daarenboven nog alles gunnen, hij zal lekker eten en drinken, kostbaar gekleed gaan gelijk de rijke brasser in purper en zijde, en den arme zal hij den afval zijner tafel niet eens gunnen, hij zal hein niet dekken tegen do koude? Is dat zijnen evennaaste beminnen gelijk zich zeiven? hem goed willen gelijk zich zeiven? Die strenge verplichting kan bewezen worden:

2° Uit de inzichten van God, volgens welke wij de goederen der aarde moeten gebruiken. God, 13. B., is de eerste eigenaar; aan Hem behoort alles toe. Doch ziet, God heeft de goederen der aarde onder de menschen verdeeld; Hij heeft hen ook eigenaars gemaakt, zoo nochtans, dat zij van Hem afhangen, dat zij van zijne goederen gebruik moeten maken volgens zijne inzichten. God nu wil en vordert dat de rijke den arme te hulp kome door aalmoezen te geven, en Hij verbiedt hem die goederen te verkwisten of nutteloos op elkander te stapelen.

God is ook de Vader aller menschen; Hij draagt zorg voor allen, de menschen zijn kinderen van een en denzelfden Vader die in den hemel is; en die Vader nu wil en vordert dat zijne kinderen elkander in den nood helpen en bijstaan.

God wil dat er orde heersche in de wereld, doch zonder barmhartig - en milddadigheid geene orde; bijgevolg wil God, dat de rijke den arme helpe en bijsta. De Heilige Joannes Chrysostomus drukt zich daarover op de volgende wijze uit: Neemt de barmhartigheid weg, zegt hij, en alles is verloren, alles gaat te gronde. Waarom soms de opstand? Waarom de revolutie? Dikwijls, wijl de rijke den arme niet bijstaat. De rijke

-ocr page 649-

vermaakt zich op allerlei wijzen, hij lacht soms met de behoef ton van zijn evenmensch: ile arme moet zwaren arbeid doen en daarenboven nog gebrek lijden; vandaar het klagen en morren, vandaar niet zelden de opstand van don arme tegen den rijke, vandaar dat de eerste den laatsten aanvalt. Doch ik vraag u: Wat is er de oorzaak van? Dikwijls de hardvochtigheid van den rijke jegens den arme. Die strenge verplichting kan bewezen worden:

30 j jt ,1,, Woorden welke Josus-Ohristus in den laatsten dag-des oordeels tot de onbarmhartigen zal richten. Wat zal Hij hun zeggen? Zich tot hen die aan zijne linkerzijde staan, richtende zal Hij zeggen: JJiscedUe a me maledicti in icjnem (vlernnm: (l) Gaat weg van Mij vervloekten in het eeuwige vuur. Ku waarom? Luistert, li. 1!?: Want Ik heb honger gehad, zal Jcsus zeggen, en gij hebl Mij niet gespijsd; dorst, en gij hebt Mij niet gelaafd; Ik ben vreemdeling geweest, en gij hebt Mij niet geherbergd; naakt, en gij hebt Mij niet gekleed; ziek en in de gevangenis, en gij hebt Mij niet bezocht. Doch wanneer hebben wij l\' dan gezien, zullen die zondaren vragen, en zijn wij I niet te hulp gekomen? Voorwaar, zal Jesus antwoorden, al wat gij aan den geringstën der mijnen niet gedaan hebt, hebt gij aan Mij niet gedaan. In dien hongerige, in dien dorstige;, in dien naakte was Ik; dien armen man, die arme vrouw, dat arm kind hebt gij verst ooien, ledig weggezonden; gij hebt hun geene aalmoes gegeven, dat alles is op Mij neergekomen; daarom; Disccdüe a me in igncm cclcvnnm: M eg van Mij in het eeuwige \\uui. Gij ziet dus, B. B., dat er eene strenge verplichting bestaat van aalmoezen te geven.

II.

Doch wie is verplicht aalmoezen te geven? Is verplicht aalmoezen te geven degene, die overvloed heeft, d. i., do lijkc aan den arme.

(i) Matth. xxv, 41.

-ocr page 650-

— 238 —

De nood waarin de arme kan verkeeren, is driederlei: de uiterste, de groote of drukkende en de gewone nood.

In den uitersten nood bevindt zich de arme, die uit gebrek aan levensmiddelen zoude kunnen omkomen; in grooten of druk-kenden nood, de arme, dien een groot kwaad, bijv., eene zware ziekte zoude kunnen overkomen; in gewonen nood, doorgaans de arme, die van deur tot deur gaat bedelen.

De goederen die de mensch bezit, zijn ook driederlei: vooreerst, de goederen die hij noodig heeft om in zijn eigen levensonderhoud of dat zijner kinderen of nabestaanden te voorzien; vervolgens, de goederen om naar zijnen staat en stand te kunnen leven; eindelijk, de goederen die hij noch tot hot een, noch tot het ander doel noodig heeft, bijgevolg, die hij in overvloed bezit. Uit deze twee beginselen moeten wij het volgende besluiten:

1° Zoo do arme in den uitersten nood verkeert, dan is eenieder streng verplicht hem bij te staan, met de goederen die hij zelf niet noodig heeft tot zijn eigen levensonderhoud, of dat zijner kinderen of nabestaanden. Immers, het leven van den mensch is meer waard dan die goederen.

2° Zoo do arme in grooten of drukkenden nood verkeert, dan is eenieder streng verplicht hem hij te staan, met de goederen die hij niet noodig heeft om zijnen staat of stand te houden. Immers, het goed dat de mensch gevaar loopt te verliezen, bijv., zijne gezondheid door eene zware ziekte, is meer waard dan die goederen.

Zoo de arme in gewonen nood verkeert, zooals doorgaans de armen die van deur tot deur gaan bedelen, in dergelijk geval zijn naar een algemeen gevoelen der godgeleerden de rijken waarlijk verplicht met de goederen die zij in overvloed bezitten, den arme bij te staan, in een woord, de rijken zijn verplicht aan do armen aalmoezen te geven, zonder dat zouden die armen weldra in grooten, ja wellicht in den uitersten nood vervallen

-ocr page 651-

— 239 —

Men moet ook nog opmerken, dat men niet verplicht is aalmoezen te geven aan armen die wel kunnen, maar die niet willen werken, die te lui zijn: door dergelijke luiaards aalmoezen te geven zoude men hen in hun rond - en ledigloopen sterken. Men is ook niet verplicht aan alle armen die aan de deur komen, aalmoezen te geven; men kan zelfs aan die verplichting voldoen, door zijn geld of goed te geven aan genootschappen, ingericht om de armen te onderhouden, of voor hen te zorgen, bijv., aan de zusters der armen, aan de leden van het genootschap van den H. Vincentius. Ziedaar, 13. B., wie, van welke goederen en aan welke armen men aalmoezen moet geven.

III.

Wat is er nu aan de aalmoes verbonden?

Aan de aalmoes naar behooren gegeven is verbonden: Gods zegen in het tijdelijke, Gods genade voor ziel en zaligheid, en eindelijk de hemel. Dat de mensch die liefdadig is, Gods zegen in het tijdelijke bekomt, d. w. z., dat bij vooruitgaat, gelukt in zijne ondernemingen, leert ons de ondervinding. Dooh de H. Schrift zegt het ook uitdrukkelijk. Die genegen is tot barmhartigheid, zegt zij, wordt gezegend: qui pronus est ad misericordiam benedicetur: (i) doch die den smeekende veracht zal gebrek lijden: qui despicit deprecantem suslinebil penu-riarn. De koninklijke Profeet noemt den liefdadige zalig. Zalig, zegt hij, die den arme en noodlijdende gedachtig. is; de Heer zal hem ten kwaden dage redden. Die rijkelijk zaait, zegt de Apostel Paulus, d. w. z., die veel aalmoezen geeft, zal rijkelijk maaien. Nochtans, wat Gods zegen in het tijdelijke betreft valt op te merken, dat de aardsche en vergankelijke goederen den liefdadigen mensch niet altijd verleend worden, wijl zij niet noodig zijn om in den hemel te komen. Ja, wat meer is,

(ij Prov. XXVIII, 27.

-ocr page 652-

— 240 —

zij zouden voor zekere personen zelfs schadelijk kunnen zijn. Doch buiten de tijdelijke goederen geeft God ook nog genaden voor ziel en zaligheid. God schenkt niet zelden den zondaar de genade der bekeering voor zijne aalmoezen; daardoor kan hij ook nog voor de tijdelijke straffen voldoen die hij schuldig is te lijden voor zijne zonden, hier of hiernamaals in het vagevuur. Eindelijk bekomt hij de eeuwige belooning in den hemel. De aalmoes, zoo sprak de Engel tot Tobias, redt van den dood, zij zuivert van de zonden, en zij maakt dat men barmhartigheid en het eeuwige leven vinde. Ziedaar, B. B., wat God den liefdadigen mensch beloofd heeft, en waarmede Hij hem ten slotte beloont, namelijk, met den hemel. En geen wonder, want alles wat wij voor den arme doen, zal God beschouwen als voor Hem gedaan. Die waarheid heeft Jesus weleer door mirakelen bevestigd.

SLUITREDE.

Luistert, B. B., welke gunst zekeren dag den H. Joannes Kolumbini, na het verrichten van een liefdewerk, te beurt viel. Die dienaar Gods, uit eene adellijke familie gesproten, ging eens naar de domkerk zijner hoofdstad Siena, om het H. Sacrificie der Mis bij te wonen. Aan de kerkdeur vond hij een armen bedelaar, die daarbij nog met zweren bedekt was. Dadelijk nam Joannes den arme op zijne schouders, droeg hem naar huis, legde hem te bed en verzocht zijne vrouw zoolang zorg voor hem te dragen, totdat hij uit de kerk teruggekeerd zoude zijn. Zijne vrouw nu wilde om haren man te voldoen zich naar de kamer begeven, waarin de zieke bedelaar gebracht was; doch ziet! bij het openen der deur kwam haar een zeer aangename geur tegen. Eene heilige vrees greep haar aan, zoodat zij niet durfde binnengaan. Een weinig daarna kwam Joannes uit de kerk terug; beiden nu gingen naar het bed van den zieke, doch ziet! de zieke was verdwenen. Weinige dagen daarna verscheen Christus aan Joannes en openbaarde hem, dat Hij zelf

-ocr page 653-

die arme zieke geweest was, die zoo liefderijk door hem opgenomen was. Daardoor werd Joannes nog meer aangespoord om liefdewerken te verrichten. Dachten wij dit wel na, namelijk, dat het onze goddelijke Zaligmaker is dien wij in den arme bijstaan, wij zouden niet vragen: Maar moet ik ook aalmoezen geven? En hoeveel moet ik geven? Wij zouden veeleer de uitspraak van Tobias tot regel nemen, die zeide: Wees barmhartig naar vermogen; hebt gij veel, geef veel; hebt gij weinig, tracht ook van dat weinige gaarne te geven. Ja, li. ]{., dien regel zouden wij volgen; wij zouden naar vermogen aalmoezen geven, en Jesus zoude ons voor die liefdewerken zegenen in dit leven, en ruimschoots bcloonen hiernamaals in den hemel. Amen.

Geloofs en Zedenleer. 5iie deei, ig.

-ocr page 654-

ZES - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE ACHT ZALIGHEDEN

Beah pauperes spiritu, quoniam iysorum est regnum ccelorum.

Zalig zijn de armen van geest, want het rijk der hemelen hoort hun toe. (Matth. v, s.)

INHOUD.

VOORREDE.

De geest der wereld is geheel en al in strijd met den geest van Christus. Dit blijkt vooral uit de acht zaligheden. Door de acht zaligheden worden verstaan eenige deugden, en vooral de goede werken die uit die deugden voortkomen, waaraan Christus de eeuwige zaligheid beloofd heeft. Bergrede. Welke zijn de vier eerste zaligheden?

VERDEEUNG.

I. Zalig zijn de armen van geest;

II. Zalig zijn de zachtmoedigen;

III. Zalig zijn de droevigen;

IV. Zalig zijn de hongerigen en dorstigen

naar de gerechtigheid.

-ocr page 655-

I.

Zalig zijn de armen van geest, want hot rijk der hemelen behoort hun toe: de godvreezende armen, de rijken die niet gehecht zijn aan hun geld en goed, die gelofte van armoede gedaan hebben, de ootmoedigen.

II.

Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde bezitten: die zich tot geen ongeduld of tot geene gramschap laten vervoeren. De aarde beteekent liier de verheerlijkte aarde of den hemel, ook deze aarde.

III.

Zalig zijn de droevigen, want zij zullen getroost worden: die over hunne zonden en die van anderen treuren, omdat God er door vergramd wordt; die treuren over de vervolging der H. Kerk; die treuren, omdat zij God nog niet bezitten. Zij zullen getroost worden, door de vergiffenis hunner zonden, de bekeering der zondaren, de zegepraal der II. Kerk en het bezit dos hemels.

IV.

Zalig zijn de hongerigen en dorstigen naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden: die grooten ijver hebben om in de gerechtigheid en deugd voort te gaan.

SLUITREDE.

AVij moeten niet naar den geest der wereld, maar naar den geest van Jesus-Christus loven. De 11. Monica.

-ocr page 656-

ZES - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE ACHT ZALIGHEDEN

Beati paupercs spiritu, quoniam ipsorum est reynum cceloium.

Zalig zijn dc armen van goebt, want liet rijk der hemelen hoort hun toe. (Maïth. v, rgt;.)

VOORREDE.

Toen ik onlangs over de christelijke volmaaktheid sprak, B. B., zeide ik, dat men in de wereld ook een volmaakt leven kan leiden; doch dat daartoe vereischt wordt, van niet naar den geest der wereld, maar naar den geest van Jesus-Christus te leven. Immers, de geest der wereld is geheel en al in strijd met den geest van Jesus-Christus, hetgeen vooral blijken zal uit de acht zaligheden, waarover wij thans gaan handelen.

Door do acht zaligheden worden hier verstaan eenige deugden, en vooral de goede werken die uit die deugden voortkomen, waaraan Christus de eeuwige zaligheid beloofd heeft.

Jesus heeft de acht zaligheden uitgesproken in de bergrede.

Jesus de scharen ziende, zegt de Evangelist Mattheus, beklom eenen berg, en toen Hij zich nedergezet had, naderden zijne leerlingen; en zijnen mond openende leerde Hij hun, zeggende: Beati pauperes spiritu, quoniam ipsorum est regnurn ccelorum. (i) Zalig zijn de armen van geest, want het rijk der hemelen behoort hun toe, enz. Vandaag, B. B,, zullen wij de vier eerste zaligheden verhandelen. Wij zullen dus spreken;

(i) Mattii. v, 3.

-ocr page 657-

I. Over de armen van geest;

If. Over de zacht moedigen;

III. Over de droevigen;

IV. Over de hongerigen en dorstigen

naar de gereclitigheid.

I.

Do eerste zaligheid, 13. B., is: Zalig zijn do armen van geest: Beati pauperes spiritu, want het rijk der hemelen behoort hun too, quaniam ipsorum est regnum ccelorum. De wereld zegt juist het tegenovergestelde. Zij noemt de rijken die veel geld en goed bezitten, gelukkig, en do armen noemt zij ongelukkig. Nochtans, men moet zich niet bedriegen.

Onze goddelijke Zaligmaker noemt niet alle armen zonder onderscheid zalig. Armen uit nood of dwang, die om hunne armoede tegen God morren; armen, die hunne goederen verkwist hebben en er inwendig naar blijven verlangen, dergelijke armen worden hier niet bedoeld. De armen dus, van welke onze goddelijke Zaligmaker spreekt, zijn de godvreezende armen, die tevreden zijn met hun lot, die zich aan den wil Gods onderwerpen, hunne armoede met geduld verdragen, gelijk de H. Man Job; ook de rijken, maar die aan hun geld en goed niet gehecht zijn, die het besteden aan goede werken; armen, die naar het voorbeeld der Apostelen alles hebben verlaten om tot Jesus, den leeraar der armoede, te kunnen zeggen: Ziet wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd: Ecce nos reliquimus omnia et secuti sumus te. (i) Eindelijk worden door de armen van geest nog verstaan de ootmoedlgen. De ootmoedigen zien zich voor armen aan, niets van alles wat zij bezitten schrijven zij aan zich zeiven toe, maar alles aan God. Al die opgenoemde armen worden door onzen goddelijken Zaligmakei\' zalig genoemd:

(1) Mattii. xix, 27.

-ocr page 658-

Beati paupercs spiritui Waarom? Wijl het rijk dor hemelen hun toebehoort: quoniam ipsoruin est, regnum ccvlorum.

II.

De tweede zaligheid, B. B., is: Zalig zijn de zachtraoedigen: Beali miles, want zij zullen de aarde bezitten, quoniam ipsi possidebunt terrain.

De wereld, B. B., acht en prijst gelukkig degenen, die de macht hebben om hunne vijanden te vernederen, die slagen in zich op hunne beleedigers te wreken. Jesus daarentegen zegt: Zalig zijn de zaclitmoedigen, degenen, namelijk, die de deugd van geduld oefenen in liet verdragen van de gebreken van anderen, in het verdragen van de beleedigingen en vervolgingen hunner vijanden; die zich tot geene gramschap of tot geen ongeduld laten vervoeren, maar die in alles wat hun overkomt, lijdzaam en verduldig zijn: die zaclitmoedigen worden zalig genoemd, wijl zij de aarde zullen bezitten. Doch wat moet er door de aarde, waarvan hier spraak is, verstaan worden? Wil dat zeggen, dat de zaclitmoedigen hier op aarde veel bezittingen zullen bekomen? Neen, B. B. Door de aarde moet hier verstaan worden de verheerlijkte aarde na het laatste oordeel, ofwel de hemel, die in do H. Schrift dikwijls de aarde der levenden genoemd wordt: Terra viventiuri. Nochtans, de aarde kan hier ook eenigermate in den letterlijken zin van deze aarde verstaan worden, daar de zaclitmoedigen doorgaans datgene wat zij in tijdelijke goederen bezitten, in vrede en rust bezitten, wijl zij met hunnen naaste in liefde en eendracht leven en allen twist en tweedracht vermijden. De zaclitmoedigen zijn dus zalig: Beati miles-. Waarom? Wijl zij de aarde zullen bezitten: quoniam ipsi possidebunt terrain,

III.

De derde zaligheid, B. B., is: Zalig zijn de droevigen: Beati qui lugent, want zij zullen getroost worden, quoniam ipsi

-ocr page 659-

— 247 —

consolabuntur. Niets strijdt meer met de grondregels der wereld dan deze uitspraak. Immers, de wereld houdt lien voor gelukkig, en hen alleen die lachen, die veel pleizier hebben en zich op allerlei wijzen vermaken; en Jesus zegt; Zalig zijn de droevigen. En op eene andere plaats roept Jesus uit: Wee u die thans lacht! Vee vobis qui ridetis nunc! want naderhand zult gij treuren en weenen, quia poslea lugebilis et flebiUs. (1) Doch zien wij van welke droevigen hier gesproken wordt. Kunnen allen die bedroefd zijn en treuren, zalig genoemd worden? Volstrekt niet. Er worden er velen gevonden, die wel is waar treuren en bedroefd zijn, maar naar den geest der wereld; bijv., die treuren en bedroefd zijn, wijl zij zich te leur gesteld vinden in hunne verwachtingen naar tijdelijke goederen; wijl de plannen die zij beraamd hebben, om zich te vermaken, mislukken; wijl zij het een of ander waaraan zij gehecht zijn, verliezen: die ongeregelde droefheid verdient niet geprezen te worden, doch zalig zijn zij die bedroefd zijn over hunne eigen zonden en die van anderen, omdat de goede God er zoo dikwijls en zoo grootelijks door vergramd wordt; die bedroefd zijn over de verdrukking der H. Kerk, over het kwaad dat de duivel en zijne handlangers, de vijanden en vervolgers der H. Kerk, er in aanrichten; die bedroefd zijn, omdat zij zoolang van God gescheiden zijn, en die dus naar God verlangen en verzuchten, een walg hebbende van de wereld; die met den Profeet David kunnen uitroepen: Wee mij! wijl mijn verblijf zoo zeer verlengd is, d. w. z., wijl ik hier op aarde in dit tranendal zoolang moet blijven! ofwel met den Apostel Panlus: Ongelukkige die ik ben, wie zal mij van dit sterfelijk lichaam verlossen? Quis me liberabü de corpora mortis hitjus? (8) Ziedaar de droevigen die door Jesus zalig genoemd worden, want zij zullen getroost worden. En waardoor zullen zij getroost worden? Door de vergiffenis hunner zonden die zij beweenen, door de bekeering

(il Luc. vi, 25. (u) Kom. vu, 24.

-ocr page 660-

— 248 —

der zondaren, bijv,, van eencn zoon, van eene dochter, voor welker bekeering zij zoo menigen traan gestort hebben, door eene verhaaste zegepraal der H. Kerk, ofwel door het kloek strijden dor H. Kerk tegen hare vijanden; getroost eindelijk, wijl zij weldra opgenomen zullen worden in den hemel, waar geene droefheid of smart, geen kommer of verdriet meer zijn zal, doch waar zij zich in eeuwigheid met Engelen en Heiligen in hot bezit van God zullen verheugen.

De droefheid, B. B., waarvan hier spraak is, belet niet dat men zich van tijd tot tijd op eene eerlijke wijze vermake; volstrekt niet. Ik zeg op eene eerlijke wijze: bijgevolg mag men nooit vermaak scheppen in iets dat zonde is, en waardoor de goede God vergramd wordt; daarvan moeten wij een walg hebben; doch wij moeten ons verheugen in den Heer en in het volbrengen onzer plichten. Zalig zijn dus vermelde droevigen: Beali qui lugenlWaarom? Wijl zij zullen getroost worden; Quoniam ipsi consolabuntur.

IV.

De vierde zaligheid, B. B., is: Zalig zijn de hongerigen en dorstigen naar de gerechtigheid; Beali qui esuriunl et süiunt jusUliam, want zij zullen verzadigd worden, quoniam ipsi saturabuntur.

Van dien honger en dorst begrijpt de wereld niets; zij wordt daarentegen door een anderen honger en dorst gekweld, dien zij nooit stillen, noch lesschen kan. Door de hongerigen en dorstigen naar de gerechtigheid worden verstaan, die oen grooten ijver hebben om in de rechtvaardigheid voortgang te maken; die immer hun best doen, om door het trouw baantwoorden aan Gods genade en het stipt volbrengen hunner plichten, in de deugd te vorderen en altoos volmaakter te worden; die • hongerigen en dorstigen noemt Jesus zalig, en Hij belooft hen te verzadigen, vooral in hot andere loven, namelijk, als zij God

-ocr page 661-

aanschijn aan aanschijn zullon aanschouwen, en in zijne glorie zullen ■verzadigd worden. Ja, Jesus zal hen in eeuwigheid laven aan den stroom zijner genucliten. zoodat zij als dronken zullen zijn door den overvloed van zijn huis: Tnebriabuntur ah ubertate domus suce. (i)

De wereld, gelijk ik gezegd heb, wordt door een anderen honger en dorst gekweld. En welk is die honger? welk is die dorst? O, B. B.: de wereldlingen hongeren en dorsien naar schatten en rijkdommen, naar grootheid en pracht, naar vermaken en pleizieren,quot; en hoe meer zij werken om dien honger te stillen, dien dorst te lesschen, des te razender wordt die honger, des te brandender die dorst; neen, nooit zal de gierigaard, nooit zal de hoovaardige, nooit zal do wellusteling voldaan zijn; en in plaats van verzadigd te worden hiernamaals, zullen zij in de hel door een eeuwigen honger en dorst gefolterd worden. Zalig daarentegen de hongerigen en dorstigen naar de gerechtigheid; Beali qui esuriunt cl sitiunt justitiam: Waarom? Wijl zij zullen verzadigd worden: quoniam ipsi saiurabuntur.

SLUITREDE.

Uit de vier zaligheden, die wij komen te verhandelen, zien wij reeds duidelijk, hoe zeer de geest der wereld van den geest van Jesus-Christus verschilt; ja, dat hij er geheel en al mede in strijd is. Wij moeten ons dus beijveren om volgens den geest van Jesus-Christus te leven, ten einde door Hem ook zalig genoemd te mogen worden. Wij moeten vooral onze zonden beweenen, en vervolgens ons met verdubbelden ijver op de deugd toeleggen.

• Ik heb gezegd, li. B , dat zij die eens anders zonden beweenen, ook zalig genoemd worden, en dat zij ook zullen getroost worden. Die waarheid wordt gestaald door liet volgende voorbeeld.

(1) Ps, XXX, 9,

-ocr page 662-

— 250 —

De H. Monica is, gelijk wij weten, de moeder van den H. Augustinus. Augustinus was in den beginne alles behalve een voorbeeld van deugd. Mijne moeder, zoo zegt de H. Augustinus zelf, beweende mijn ongebonden leven: de plaatsen waar zij bad, besproeide zij met hare tranen; zij liet geen dag voorbij gaan, zonder de H. Mis bij te wonen, en zij beweende den dood van de ziel baars zoons. Monica treurde dus over de zonden van baren zoon. Werd zij nu ook getroost, gelijk Jesus beloofd heeft? Ja, B. B., Monica zag eindelijk volbracht, hetgeen de H. Ambrosius, tot wien zij ook hare toevlucht had genomen, voorzegd had. Ga, lieve moeder, zoo sprak de H. Ambrosius tot Monica: de zoon die u zooveel tranen kost, zal niet verloren gaan. En inderdaad: Augustinus ging niet verloren, hij bekeerde zich en leidde een heilig en voorbeeldig leven. Die bekeering en dat heilig leven van haren zoon verschaften Monica zoo grooten troost, dat haar niets meer aan het leven hield. Zij bad God van te mogen sterven, als hebbende het hoogste harer wenschen bereikt. Och of de ouders, die slechte kinderen hebben, de 11. Monica navolgden. Kr is misschien een vader, die treurt over het schandelijk gedrag van zijnen zoon; eene moeder, die treurt over het schandelijk gedrag van hare dochter; doch waarom treuren die ouders? Ls het juist, omdat die zoon God vergramt, omdat die dochter wellicht verloren zal gaan? O neen, helaas! daarom juist treuren zij niet, maar zij treuren, omdat ilie zoon liet geld verkwist, omdat die dochter gansch het huisgezin tot schande verstrekt: ziedaar waarom zij treuren en bedroefd zijn. Die droevigen zullen daarom niet getroost worden; doch treurt en weent over de zonden uwer kinderen, omdat zij den goeden God vergrammen, omdat zij voor eeuwig verloren zullen gaan, zoo zij niet tot inkeer komen; bidt voor hunne bekeering, en dan kunt gij verhopen, dat, gelijk Monica zich eenmaal mocht verheugen over de bekeering van haren zoon, gij u ook eenmaal moogt verheugen over de bekeering uwer kinderen. Amen.

-ocr page 663-

ZEVEN - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE ACHT ZALIGHEDEN

11 cuti qui pcrsccutioucm paliuutuv propter jiiamp;titlam, quonuim ipsorum est regnum ccelorwn.

Zalig zijn de vervolgden om de gereclitigheid, want liet rijk dor hemelen behoort liun toe.

(MATTH. V, 10.)

IMIüUl).

VOORREDK.

De geest der wereld is geheel en al in strijd met den geest van Jesiis-(\'hrislus: die waarheid is gebleken uit de vier eerste zaligheden; zij zal nog meer blijken uit de vier volgende.

VKRDKKUNG.

I.

Zalig

zijn

de

barmhartigen;

li.

Zalig

zijn

de

zuiveren van harte;

III.

Zalig

zijn

de

vreedzamen;

IV.

Zalig

zijn

de

vervolgden om de gerechtigheid

-ocr page 664-

I.

Zalig zijn de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid verwerven, d. \\v. z., die hunnen naaste in den lichamelijken en geestelijken nood bijstaan zoo veel zij kunnen; zij zullen barmhartigheid verwerven hier en hiernamaals.

II.

Zalig zijn de zuiveren van harte, want zij zullen God zien: d. w. z., die zuiver van zonde zijn en alleen bezorgd om God te behagen; zij zullen God zien hier, doeli vooral hiernamaals in den hemel.

III.

Zalig zijn de vreedzamen, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden: d. w. z., die meester zijn van hunne driften en met God, hunnen naaste en zich zeiven in vrede leven; zij zijn kinderen Gods hier, doch vooral hiernamaals.

IV.

Zalig zijn de vervolgden om de gerechtigheid, want het rijk der hemelen behoort hun toe; d. w. z., die om het geloof\' of de deugd bespot en gelasterd, vervolgd en mishandeld worden, en niet om hunne misdaden; zij zullen zeker vroeg of laat in den hemel komen.

SLUITREDE.

Doen wij ons best om naar den geest van Jesus-Christus de acht zaligheden te oefenen; eenmaal zullen wij de belooning door Jesus-Christus beloofd, deelachtig worden.

-ocr page 665-

— 253 —

ZEVEN EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE ACHT ZALIGHEDEN

licati qui persccutionem patiuntur propter justitiam, quoniam ipsorum est regnuin ccelorum.

Zalig zijn do vervolgden om de gerochtighcid, want het rijk dor hemelen behoort hun toe.

(Matth. v, (0.)

VOORREDE.

In onze voorgaande onderrichting, 15. I?., hebben wij do vier eerste zaligheden verhandeld en daaruit gezien, hoe zeer de geest der wereld in strijd is met den geest van Jesus-Christus.

Zalig zijn de armen van geest, zegt Jesus; de wereld daarentegen zegt; gelukkig zijn zij die veel geld en goed hebben. Zalig zijn de zaditmocdigen, zegt Jesus; de wereld daarentegen zegt: gelukkig zijn zij die zich weten en kunnen wreken op hunne vijanden. Zali^ï zijn de droevigen, zegt Jesus; en do wereld zegt: gelukkig die lachen en zich vermaken. Zalig zijn tie hongerigen en dorstigen naar de gerechtigheid, zegt Jesus; en de wereld en hare aanhangers hongeren en dorsten naar schatten en rijkdommen, naar grootheid en pracht, naar vermaken en pleizieren. De geest der wereld is dus, gelijk gij ziet, geheel en al in strijd met den geest van Jesus-Christus. Die waarheid zullen wij nog beter zien in de volgende onderrichting over de vier laatste zaligheden.

I. Zalig zijn de barmhartigen;

II. Zalig zijn de zuiveren van harte;

III. Zalig zijn do vreedzamen;

IV. Zalig zijn de vervolgden om de gerechtigheid.

-ocr page 666-

I.

Zalig zijn de barmhartigen, zegt Jesus: Bcati miserioordes, want zij zullen barmhartigheid verwerven, quoniam ij)si mise-ricordiam consequentur.

De wereld, B. B., is veel te baatzuchtig om barmhartig te zijn, en daarom bekommert zij zich weinig of niet over den arme. Doch wie moeten hier door barmhartigen verstaan worden? Die hunnen naaste zoo veel mogelijk helpen én in hunnen geestelijken, én in hunnen lichamelijken nood; bijgevolg, die naar vermogen de geestelijive en lichamelijke werken van barmhartigheid oefenen, waarover wij vroeger gesproken hebben. Doch die werken moeten geschieden uit liefde tot God en den naaste, in andere woorden, om God te behagen, en niet om er hier op aarde voor beloond te worden.

Door de barmhartigheid, zoo leert de H. Joannes Chrysostomus, komt de mensch het naast bij God, die de God der barmhartigheid is, en dus ook te recht genoemd wordt.

De barmhartigen, B. B., zullen reeds in dit leven barmhartigheid verwerven. God zal hunne smeekingen genadig verhoeren; Hij zal hun de straffen, die zij schuldig waren te lijden voor hunne zonden, kwijtschelden, en hen een zaligen dood doen sterven. Vandaar dat de H. Hieronymus zegt: Ik heb veel gehoord cn gelezen, zegt hij, maar nooit heb ik gehoord of gelezen, dat iemand die in zijn leven barmhartig geweest is, slecht gestorven is. Die reden alleen moest voldoende zijn, om ons krachtdadig aan te sporen van barmhartig te zijn.

De barmhartigen zullen bijzonder barmhartigheid verwerven in het oordeel. Jesus zal hen niet naar zijne onverbiddelijke strengheid oordeelen, maar naar zijne overgroote barmhartigheid beloonen. De barmhartigen worden dus te recht zalig genoemd; Beati miscrieordes: want zij zullen barmhartigheid verwerven, quoniam i\'psi misericordiam consequentur.

-ocr page 667-

II.

Zalig zijn de zuiveren van harte, zegt Jesus; Bcali mundo corde, want zij zullen God zien, quoniani ipsi Üeuni videbunl.

Door de zuiveren van harte worden hier niet verstaan, die enkel zuiver zijn van de zonde tegen de schoone deugd, bedreven door gedachten of begeerten, door woorden of werken, maar die zuiver zijn van alle zonden en alleen bezorgd om God te behagen. Zuiver van harte zijn, zegt de H. Joannes Chrysostomus, die alle deugden bezitten en niet belast zijn met eenige zonde.

Die zuiverheid is zeldzaam, maar met Gods genade is zij toch mogelijk.

i)e wereld, R. B., hecht geene waarde aan de zuiverheid des harten, en stelt zich tevreden met eene uitwendige bedrieglijke reinheid.

De zuiveren van harte zullen God zien; reeds in dit leven zullen zij in zekeren zin God zien; zij zullen een geheimzinnige gemeenschap met God hebben; zij zullen God zien in de zichtbare dingen als in een spiegel; zij zullen Hem zien met de oogen des geloofs. Doch Jesus heeft voor de zuiveren van harte in dit leven soms nog meer gedaan. Hij is meer dan eens aan zuivere zielen verschenen, en die zielen genoten reeds een voorsmaak van het geluk, dat bestaat in God in den hemel aanschijn aan aanschijn te aanschouwen. Zekeren dag verscheen de allerheiligste Maagd Maria met het Kindje Jesus op de armen aan den H. Stanislaus Kostka, en zij gal het goddelijk Kind dien zuiveren jongeling over om het te omhelzen en aan zijn hart te drukken. Hetzelfde geluk viel den H, Antonius van Padua te beurt. Nochtans, de zuiveren van harte zullen dan eerst voor goed God zien, zoodra zij na hunnen dood toegelaten zullen worden van God, gelijk Hij is, aanschijn aan aanschijn in eeuwigheid te aanschouwen. De zuiveren van harle worden dus te recht zalig genoemd: Bcali mundo corde: want zij zullen God zien, quoniam ipsi Dewn videbunt.

-ocr page 668-

— 256

III.

Zalig zijn de vreedzamen, zegt Jesus; Beali pncifici, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden, quoniam filii Dei vocabuntur.

De wereld kent geen vrede, hoe zoude zij dan den vrede kunnen geven? Hoe zoudo zij de vreedzamen gelukkig kunnen noemen? Zij doet juist het tegenovergestelde: zij prijst en looft, verheft hemelhoog degenen, die, bijv., uit heerschzucht gansche volkeren en landen in verdeeldheid brengen, duizenden en duizenden naar het slagveld voeren en het bloed der menschen bij stroomen doen vlieten; dergelijken prijst de wereld en bezingt zij, daar zij integendeel als kinderen van den duivel, die een twiststoker, een moordenaar van den beginne geweest is, moesten gelaakt en veracht worden. Doch wie zijn de vreedzamen, van welke hier sprake is? Die meester zijn van hunne driften; die dus in vrede leven met zich zeiven, met hunnen naaste en met God, en die den vrede aan anderen trachten te bezorgen. Jesus, B. B., die de Vorst des vredes is, die bij zijne geboorte den vrede door zijne Engelen aan do aarde heeft doen verkondigen, die Jesus bemint bijzonder de vreedzamen; Hij verklaart van hen, dat zij gelukkig zijn: Beati pacijlci: want zij zullen kinderen Gods genoemd worden, quoniam filii Dei vocabuntur.

IV.

Zalig zijn de vervolgden om de gerechtigheid, zegt Jesus: Beali qui perseculionem paliunlur propter justiliam, want het rijk der hemelen behoort hun toe, quoniam ipsorum est regnum ccelqrum.

Ook hier is de wereld in tegenspraak met Christus. De wereld noemt gelukkig degenen, die van de menschen geacht en geprezen, verheven en toegejuicht worden; ongelukkig, die veracht en gelasterd, vervolgd en mishandeld worden. Doch ook niet

-ocr page 669-

allen die in de wereld vervolgd worden, moeten gelukkig genoemd worden. Men treft er vooral is onze dagen aan, die om diefstal en bankroet, om vechtpartij en moord en andere dergelijke schelmstukken vervolgd worden; die vervolgden worden voorzeker hier niet verstaan, maar de vervolgden om de gerechtigheid, die, bijv., om het geloof, om hun deugdzaam leven gehaat, gelasterd of op eene andere wijze vervolgd worden, en die de vervolging met geduld verdragen; die vervolgden worden zalig genoemd. Zalig zijt gij, zegt Jesus, als men u zal schelden en vervolgen, als men u lasterende alle kwaad togen u spreken zal om Mij: Propter Me, d. w. z., omdat gij mijne dienaren, mijne volgelingen zijt; omdat gij mijne geboden onderhoudt. Verheugt en verblijdt u, want uw loon is groot in den hemel: Quoniam merces vestra copiosa est in ccelis. (l) Daaraan, li. 1?., moeten wij denken. Als wij onze plichten van christen mensch trouw vervullen; als wij dikwijls naar de kerk gaan en de H. Sacramenten ontvangen; als wij de geboden van God en van de H. Kerk stipt onderhouden, dan gebeurt het, dat men door de wereldlingen veracht en bespot wordt. Wat moet men in dergelijke omstandigheden doen? Denkende aan hetgeen Jesus. gezegd heeft; Zalig de vervolgden om de gerechtigheid, moeten wij met geduld de bespottingen der wereld verdragen; wij moeten er ons niet te zeer aan storen. Zoude het geene dwaasheid zijn daarom zijne plichten te vervvaarloozen en het pad der deugd te verlaten? Wat zoudt gij zeggen van een mensch, die recht over de straat gaande, door een kreupelen uitgelachen wordt, omdat hij recht gaat, en die wenscht ook kreupel te zijn on zich kreupel maakt? (lij zoudt zeggen dat die mensch zijn verstand verloren moet hebben om zoo te handelen, en dat de kreupele groot ongelijk heeft van met den recht-gaande te lachen. Welnu, passen wij dit op de deugdzamen en op hunne bespotters toe. De deugdzamen zijn de rechtgaanden.

(i) Mattii. v, 12.

Gki.oofs i:n Zkdkm.kku 5\'\'« ukki 17.

-ocr page 670-

— 258 —

hunne bespotters zijn de kreupelen: en evenals een rechtgaande zich niet moet storen aan een kreupele, die met hem lacht, omdat liij rechtgaat; evenmin moet een deugdzame zich storen aan zijn bespotter, die hem uitlacht, wijl hij het pad der deugd bewandelt: De vervolgden om de gerechtigheid zijn dus gelukkig: Beati qui perseoutionem patiuntur propter justitiam: want het rijk der hemelen behoort hun toe; ja, zij zijn zeker van eenmaal in den hemel te komen, quoniam ipsorum est regnum ccelorum.

SLUITREDE.

Wij kennen nu genoegzaam, B. B., de acht zaligheden, die de bedorvene wereld aanziet voor zoo vele dwaasheden, en waarin onze goddelijke Zaligmaker nochtans leert, dat het ware geluk gelegen is. Neen, het geluk is niet gelegen in schatten en rijkdommen te vergaderen, gelijk de wereld leert; maar het is gelegen in de liefde tot de armoede en de onthechting van het aardsche, gelijk onze goddelijke Zaligmaker leert. Het geluk is niet gelegen in zijne vijanden te vernederen, wraak op hen te nemen, gelijk de wereld leert; maar het is gelegen in de deugd van zachtmoedigheid te oefenen, gelijk Jesus leert, Het geluk is niet te vinden in te lachen en zich te vermaken, gelijk de wereld zegt; maar het is te vinden in zijne zonden te beweenen en er boetvaardigheid over te doen, gelijk onze goddelijke Zaligmaker zegt. Zij die hongeren en dorsten naar geld en goed, naar eer en grootheid, naar vermaken en pleizieren, zullen niet verzadigd worden; maar zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid en verlangen bij hunnen God te zijn. Zij die zich den arme niet aantrekken, hebben geene belooning te wachten; maar zij die werken van barmhartigheid doen. Niet die in schijn, enkel uitwendig braaf en deugdzaam zijn, zullen God zien, maar zij en zij alleen, die zuiver van harte zijn. Niet die hier in de wereld overwinning op overwinning bevechten, verovering op verovering maken ten koste van de

-ocr page 671-

— 259 —

liefde en eendracht, kunnen gelukkig genoemd worden; maar zij die hier op aarde met God, met zich zei ven en hunnen naaste in liefde en vrede leven. Niet door ten koste van deugd en onschuld aan de wereld te behagen, zal men zalig worden; maar wel door om de gerechtigheid vervolging te lijden, door Jesus trouw aan te hangen en uit liefde voor Hem de bespottingen geduldig te verdragen. Ziedaar, B. B., wat ons te doen staat. Laten wij dus als echte leerlingen van Jesus leven, en wij zullen do overschoone belooningen die Hij in de acht zaligheden voorzegd en beloofd heeft, eenmaal deelachtig worden. Amen.

-ocr page 672-

A.CHT - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DEN DOOD

Vigilatc, quia nescitis diem, neque horam.

Waakt, want gij weet noch dag, noch uur. (Matth. xxv, is.)

INHOUD.

VOORREDE.

Men moet de zonde vluchten en de deugd oefenen: daartoe is een aandachtig overdenken van de vier uitersten van den mensch een krachtig middel. De vier uitersten zijn: de dood, het oordeel, de hel en de hemel: zij worden uitersten genoemd, wijl zij den mensch het laatst overkomen. De eerste is de dood.

VERDEELING.

I. Wat is de dood?

II. Is de dood zeker?

III. Hoe sterft de mensch?

-ocr page 673-

I.

De dood is de scheiding der ziel van het lichaam, eene straf der zonde, de beslissing der eeuwigheid.

II.

Niemand die geboren is kan den dood ontgaan, en hij kan ons overkomen, als wij hem het minst vreezen. God heeft voor ons het oogenblik van den dood verborgen gehouden, opdat wij Hem des te meer voor onzen Opperheer zouden erkennen, opdat wij altijd gereed zouden zijn, en opdat wij den moed niet zouden verliezen en ons aan geene buitensporigheden zouden overgeven.

III.

De mensch sterft den dood van den rechtvaardige of van den zondaar. De dood van den rechtvaardige is kostbaar. De dood van den zondaar is allerslechtst. De mensch sterft doorgaans gelijk hij geleefd heeft.

SLUITREDE.

Geschiedenis van Margaretha van Cortona.

-ocr page 674-

— 262 —

ACHT - EN TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DEN DOOD

Vüjilate, quia nescitis diem, ncque horam.

AVaakt, want gij wcot noch dag, noch uur. (Matth. xxv, is.)

VOORREDE.

Na over de zonde en de deugd gehandeld te hebben, B. B., gaan. wij thans handelen over een der krachtigste middelen om de zonde te vluchten en de deugd te oefenen. De Catechismus vraagt:

Welk is het hesle middel om ons te verwekken tot haat der zonden en begeerte der deugden? En hij antwoordt:

Een aandachtig overdenken van de uitersten des menschen.

Men moet dus niet zelden en ter loops, maar dikwijls en met ernst over zijne uitersten nadenken. In al uwe werken, zegt de H. Geest, denk aan uwe uitersten, en in eeuwigheid zult gij niet zondigen; Memorare novissima tua, et in wternum non peccabis. (i)

Hoeveel uitersten des menschen zijn er?

Vier, te weten: de dood, het oordeel, de hel en de hernelsche glorie.

Zij worden uitersten genoemd, wijl zij den mensch het laatst overkomen. De dood maakt een einde aan zijn leven en is dus het laatste dat hem in de wereld overkomt. Het oordeel, wijl hot oordeel Gods het laatste van alle oordeelen is; van dit oordeel is geen beroep meer op een ander. De hel, wijl zij het laatste kwaad kwaad is, dat den mensch kan treffen; in de hel

(l) Eccl. vu, 40.

_____________1

-ocr page 675-

— 2(33 —

is geene verlossing. De hemel, wijl hij het grootste en laatste goed is, dat den rechtvaardige kan te beurt vallen, en dat in eeuwigheid zal duren.

De dood en het oordeel zullen alle menschen overkomen; de liel zal overkomen aan degenen, die in staat van doodzonde sterven; de hemel, aan degenen, die in staat van genade sterven.

Een aandachtig overdenken van de vier uitersten van den mensch is een krachtig middel om de zonde te vluchten en de deugd te oefenen. Waarom? Omdat het ons indachtig maakt, dat de dood weldra een einde zal maken aan dit leven, zoodat wij weldra alles zullen moeten verlaten; dat na den dood het oordeel volgt, zoodat wij voor den rechterstoel van God rekenschap zullen moeten geven van al onze daden; dat wij ofwel voor onze zonden voor eeuwig met de hel gestraft, ofwel voor onze deugden voor eeuwig met den hemel zullen beloond worden. Eene ernstige en dikwijls herhaalde overweging van die groote waarheden zal wel in staat zijn om indruk op het hart van den mensch te maken. Vandaag zullen wij zien:

I. Wat de dood is;

II. Dat hij zeker en onzeker is;

III. Hoe men sterft.

I.

Wal is de dood? De dood, B. R., is de scheiding der zied van het lichaam. Als de ziel het lichaam verlaten heeft is de mensch dood, zijn lichaam is een lijk. Dat weten wij allen. Maar de dood is iets meer; hij is de straf der zonde en de beslissing der eeuwigheid, en zoo\' wij die twee waarheden goed overwegen, zullen wij eene betere gedachte van den dood hebben.

De dood is de straf der zonde. Hoe is de dood in de wereld gekomen? Per peccaium mors: (i) zegt de Apostel Paulus, door

(i) Rom. v, 12.

-ocr page 676-

— 204 —

de zonde is de dood in de wereld gekomen. Adam en Eva zouden niet gestorven zijn, bijaldien zij het gebod van God niet overtreden hadden; zij zouden dus al die ellenden en kwellingen, die smarten en ziekten welke den dood voorafgaan, niet hebben moeten ondergaan; doch ziet! Adam en Eva staan tegen God op, zij overtreden zijn gebod, in een woord, zij zondigen, en God spreekt in het aardsch Paradijs onder anderen de doodstraf over hen en het gansche menschdom uit. Ziedaar hoe door de zonde van ongehoorzaamheid de dood in de wereld gekomen is

De dood, 13. B., is ook nog de beslissing der eeuwigheid. Gij hebt misschien al ooit bij het sterfbed van een zieke gestaan: hebt gij dan wel gedacht wat er plaats had? Die zieke ging sterven, dat is waar; maar er ging nog iets meer gebeuren. Uw vader of uwe moeder, uw bloedverwant of vriend, de zieke die daar stierf, ging ook beslissen over zijne eeuwigheid; hij ging ofwel de gelukkige, ofwel de ongelukkige eeuwigheid binnen: Ihit homo in domum celernüatis suae, (l) zegt de 11. Schrift: de mensch zal het huis zijner eeuwigheid binnen gaan. Ziedaar wat de dood is.

II.

De dood nu is zeker en onzeker: De Catechismus vraagt:

Wat is er van de dood te gelooven? En hij antwoordt:

Dat niemand, die geboren is, haar kan ontgaan, en daarenboven dat zij ons kan overkomen, als to ij het minst vreezen.

Alle menschen, zonder uitzondering, moeten sterven: jong en oud, rijk en arm, koning en onderdaan; allen moeten deze wereld verlaten. Wij allen zijn dus zeker van eenmaal te sterven. Maar wanneer zullen wij sterven? De tijd, liet oogen-blik van den dood is ons onbekend en God alleen bekend.

God heeft het uur van ónzen dood verborgen gehouden:

(ij ËCCL. XII, 5.

-ocr page 677-

1° Opdat wij Hem des te meer als den Opperheer der levenden en der dooden zouden eeren en vreezen. Ik weet niet wanneer ik zal sterven: zal ik nog jaren, maanden, dagen leven? Zal ik morgen, vandaag, over een uur sterven? Het hangt van God af. De gedachte nu dat leven en dood van een wenk van God afhangen, is wel in staat om mij aan te zetten van God den Opperheer van leven en dood te eeren en te vreezen. Doch de voornaamste reden, waarom God het uur van den dood voor ons verborgen heeft gehouden, is, opdat wij ons altijd zouden gereed houden. Daarom zegt onze goddelijke Zaligmaker: Waakt, want gij weet noch dag, noch uur: Vigilate, quia nescdtis diem, neque hor am. (i)

God heeft het oogenblik van den dood voor ons verborgen gehouden, opdat wij den moed niet zouden verhezen bij de gedachte aan een nabijzijnden dood; ook opdat wij ons aan geene buitensporigheden zouden overgeven, zoo wij verzekerd waren van een lang leven. Iemand, bijv., zoude denken: Ik heb nog zoo veel jaren te leven, \'t komt er dus zoo nauw niet op aan; ik kan mij nu nog vermaken, later zal ik mij wel bekeeren, met God verzoenen en boetvaardigheid doen. Wat moet men dien persoon antwoorden? Waakt, want gij weet noch dag, noch uur: Vigilate, quia nescitis diem, nequc hor am. Weest bereid, want de Zoon des menschen zal komen op een uur dat gij niet denkt: Qui hora non pidatis Filius Jwminis veniet. (2) Hij zal komen gelijk een dief in den nacht: Sicut fur in noete. (3)

Uit deze waarheid, li. B., moeten wij besluiten van ons ook in de jeugd voor den dood gereed te houden, want men kan jong zijnde sterven, en zelfs sterven er meer in de jeugd dan in den ouderdom. Hoe dikwijls hoort men niet dat deze ol gene eensklaps door den dood is weggerukt; en waarom zoude ons niet kunnen overkomen, hetgeen anderen overkomen is?

(i) Maïtii. xxv, 13. 2 Luc. xii, *10. (a) i Tiiess. v, 2.

-ocr page 678-

— 26G —

Wij zijn stervelingen gelijk zij, en zoo de dood ons plotseling kwam te treffen, zouden wij gereed zijn om voor den rechterstoel van Jesus-Christus te verschijnen? Zoude de dood voor-ons de deur des hemels openen? En zoo wij niet gereed zijn, dan mogen wij niet uitstellen om ons gereed te maken: morgen, morgen, zegt gij: en waarom niet vandaag? Weet gij of gij morgen nog zult leven? Weest dus bereid, want gij weet noch dag, noch uur: Quia nescitis diem, nequc hor am. Doch dit zij genoeg over de zeker - en onzekerheid van den dood. Zien wij nu nog hoe men sterft.

III.

Men sterft ofwel den dood van den rechtvaardige, ofwel den dood van den zondaar, geen midden. De dood van den rechtvaardige is kostbaar in de oogen van God; Pretiosa in conspectu Domini mors Sanctorum ejus, (i) De dood van den rechtvaardige is kostbaar, wijl de eeuwige zaligheid er aan beantwoordt. De dood van den zondaar is allerslechtst: Mors peccatorum pessima. (2) Die dood is allerslechtst, wijl de eeuwige verdoemenis er aan beantwoordt. O hoe bitter moet de dood den zondaar niet zijn, die aan de goederen en vermaken der wereld gehecht is, en die nu alles moet verlaten met het vooruitzicht op de straffen der hel en de ellendige eeuwigheid! Hoe zoet moet daarentegen de dood den rechtvaardige niet zijn, voor wien hij het einde is der ellenden van dit leven en liet begin van een eeuwig geluk!

Wij allen, B. B., wenschen voorzeker den dood van den rechtvaardige te sterven, en den dood van den zondaar te ontkomen. Doch welk middel daartoe?

Welk is het beste middel om cene zalige dood te sterven?

Altijd te leven als rechtveerdige christenen.

(1) Ps. cx, 15. (2J Ps. xxxm, 22.

-ocr page 679-

Dat is de ware voorbereiding tot een zaligen dood gedurende gansch zijn leven.

Doch er bestaat nog eene andere voorbereiding tot den dood, namelijk, als men ziek is. De Catechismus vraagt:

Hoe zult (jij ziek zijnde u tot de dood bereiden? Kn hij antwoordt:

li; zal niet nitstellen mijne zonden met een oprecht berouw te biechten, en indien mijn biechtvader hel goed vindt, zal ik eene generale biecht doen van geheel mijn leven; zoohaast als ih zal mogen berecht worden, zal ik met godvruchtigheid de heilige Communie, het heilig Oliesel en de generale absolutie ontvangen.

Een groot punt, B. B., is, van in de ziekte niet Ie lang te wachten van eene goede biecht te spreken. Men treft soms personen aan dio altoos uitstellen, en die eindelijk zoo ver komen, dat zij niet meer in staat zijn eene volledige biecht te sproken. En wie is er de schuld van? De zieke zeil. Alvorens de zieke sterft, en doorgaans als hij de H. Sacramenten der stervenden ontvangt, wordt hem de generale absolutie gegeven. Wal, moet er door die generale absolutie verstaan worden? Daardoor moet verstaan worden eene benedictie met vollen aflaat, welke de Paus van Rome aan alle stervenden geeft door Priesters van hem daartoe gemachtigd.

Om deze benedictie naar behooren en met vrucht Ie ontvangen, worden er van den kant van den stervende twee voorwaarden vereischt: vooreerst moet hij de H. Sacramenten, d. !., de Biecht en het allerheiligste Sacrament des Altaars ontvangen hebben, ofwel, zoo zulks onmogelijk is, moet hij met een waar berouw over zijne zonden den 11. Naam Jesus met den mond of ten minste inwendig met het hart godvruchtig aanroepen; vervolgens moet hij den dood als de soldij der zonde van üods hand met een geduldig en blij gemoed ontvangen. Doch;

-ocr page 680-

— 208 —

Wat mod men dom, als men in gevaar is van te sterven en geenen biechtvader kan hebben?

Men moet met betroumen op Gods oneindige bermher tig-heid den Heiligen Geest aanroepen, de akten van Geloof, llooj). Liefde en Berouw verwekken, zijne ziel in de handen van God bevelen, en in deze gevoelens voortgaan zoolang als men kan, of\' zoolang als het gevaar blijft duren.

Wanneer gij gaat sterven, en die tijd, dat oogenblik zal toch eenmaal voor ons allen aanbreken.

Hoe zult Gij — dan — trachten te sterven? Vraagt do Cateclüsmus: En hij antwoordt:

Gelijk mijn goddelijke Zaligmaker, met ootmoedigheid mij onderwerpende aan den wil van God, en met liefde en betrouwen mijne ziel in zijne handen bevelende.

Ziedaar, B. B., hoe wij moeten trachten te sterven; naar het voorbeeld van Jesus, ons ootmoedig onderwerpen aan den wil van God, hem gehoorzamen toi aan - en in den dood; uit liefde tot God, gelijk Jesus uit liefde tot zijn hemelschen Vader en uit liefde tot ons gestorven is, en met een kinderlijk betrouwen Hem onze ziel aanbevelen. Hoe kostbaar, hoe verdienstelijk, hoe zalig zal dan de dood niet wezen!

SLUITREDE.

Dat deze korte onderrichting over den dood ons allen aanspore van een braaf en deugdzaam leven te leiden. Daartoe zal vooral bijdragen, als. wij dikwijls overwegen, dat het oogenblik van den dood ons onbekend is, en dat den mensch geen groóter ongeluk kan overkomen, dan te sterven in staat van doodzonde. Om dat ongeluk nooit in te loopen, moet ons geen offer te zwaar, geene boetvaardigheid te streng zijn. Ziehier welken indruk de onverwachte dood van een zondaar op eene slechte jonge dochter maakte.

-ocr page 681-

— 209 —

Margaretha van Cortona, zoo heette die slechte jonge dochter, begon reeds in hare jeugd liet pad der ondeugd te bewandelen. In haar achtste jaar verloor zij hare brave moeder, en daardoor kreeg zij meer vrijheid van leven. Haar vader vermaande haar wel is waar dikwijls, maar te vergeefs. Margaretha stoorde zich niet aan die vermaningen, quot;ij ging zelfs zoo ver, dat zij later in het geheim het vaderlijk huis verliet. Negen jaren lang leidde zij een schandelijk leven niet een jongen edelman, totdat eindelijk een onverwacht voorval een einde maakte aan hare wanorden. De edelman begaf zich zekeren dag op reis, hij werd door roovers aangevallen en vermoord. De trouwe hond welken hij hij zich had, bleef twee dagen lang bij het lijk van zijnen meester. Den derden dag kwam hij al kermende en huilende bij Margaretha aangeloopen, trok haar bij het kleed, als wilde hij zeggen dat zij hem volgen zoude. Margaretha iets buitengewoons vermoedende, volgde den hond, die op eenc buitengewone manier kermende vooruitliep. Zij kwam eindelijk op de plaats, waar de edelman door de roovers overvallen was, en wat zag zij daar? Daar zag zij het lijk liggen van hem, dien zij zoo ongeregeld beminde: reeds der verrotting ten prooi, verspreidde het een afschuwelijken stank. Margaretha slond verslagen, en op het oogenhlik was het haar als of er bergen op haar hart vielen. Daar lag nu het doode, stinkende lichaam van hem, met wien zij negen jaren slecht geleefd had. Waar is thans zijne ziel? riep die ongelukkige jonge dochter uit; en de gedachte aan Gods oordeel onderdrukte het antwoord. Haar zwaar beladen geweten deed haar sidderen en beven voor een dergelijk lot. Dood en hel vervulden haar met ecue heilzame vrees. Ja, Margaretha neemt het vast besluit haar leven te veranderen; zij loopt naar haren vader, werpt zich op de knieën voor hem neder om vergifienis te vragen; zij spreekt onder een vloed van tranen eene generale biecht en verzoekt van onder het getal der boetvaardige zusters te worden opgenomen. Xu bracht zij drie en twintig jaren door in strenge boetvaardigheid. Haar

-ocr page 682-

voedsel bestond in brood en water; de grond was haar bed; een harde steen haar hoofdkussen; dag en nacht beweende zij hare zonden, totdat zij eindelijk in acht en veertigjarigen leeftijd een zaligen dood stierf. Deze geschiedenis, B. B., moet een heilzamen indruk op ons maken, doch vooral op de zondaren, en inzonderheid nog op dien slechten jongeling, op die slechte jonge dóchter. Of moet hem wedervaren hetgeen dien jongen edelman wedervaren is? Moet hij ook eensklaps onverwachts door den dood worden weggerukt? En zal zij dan nog voortgaan in haar slecht leven, tot dat de dood er ook een einde aan make? O, B. B., zoo wij Margaretha in de zonden gevolgd hebben, volgen wij haar dan ook in de boetvaardigheid, \'t Is nu nog tijd, misschien is het over een weinig te laat. Dus geen uitstel meer, maar zich terstond oprecht bekeerd en boetvaardigheid gedaan, opdat de goede en barmhartige God, die een ootmoedig en vermorzeld hart niet kan versmaden, onze ziel bij het scheiden van haar lichaam gelieve te ontvangen in het rijk des hemelen, evenals Hij de ziel der boetvaardige Margaretha ontvangen heeft. Amen.

-ocr page 683-

NEGEN - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER HET OORDEEL

Ventte bcnedictt Putris mei, possidete paratum vohis ret)mm.

Komt gezegenden mijns Vaders, bezit het rijk dat voor u bereid is.

(Mattii. xxv, :•gt;.)

INHOUD,

VOORREDE.

De dood is eene straf der zonde, de beslissing der eeuwigheid. De dood is zeker en onzeker: men sterft doorgaans gelijk men geleefd heeft. Na don dood volgt het oordeel: liet oordeel is tweederlei: het bijzonder en het algemeen oordeel:

VERDEELING.

I. Welke teekenen zullen het algemeen oordeel

voorafgaan?

II. Wat is het algemeen oordeel?

III. Wat zal er op het algemeen oordeel volgen?

-ocr page 684-

— 272 —

I.

Welke teekenon zullen het algemeen oordeel voorafgaan?

Eene geweldige vervolging, welke de booze antichrist verwekken zal, verscheidene verschrikkelijke plagen, en eindelijk een vuur dat alle dingen verslinden zal.

II.

Het teeken van den Zoon des menschen zal verschijnen in de lucht, de trompet zal gehoord worden, de zielen zullen zich met hare lichamen vereenigen.

Hoe zullen de lichamen verrijzen? Die der Heiligen? Die der verdoemden? Allen zullen naar het dal van Josaphat gevoerd worden; daar zal Jesus-Christus hen rechten. Hij zal do rechtvaardigen scheiden van de zondaars; Hij zal ons oordeelen over het goed en over het kwaad. Uitspraak van het vonnis: Komt gezegenden mijns Vaders, enz. Gaat van Mij vervloekten in het eeuwige vuur, enz.

HL

Daarna zal Jesus met de Engelen en Heiligen ten hemel klimmen, en de duivelen zullen met de verdoemden verzinken in den afgrond der hel.

SLUITREDE.

Denken wij dikwijls aan liet laatste oordeel; daardoor zullen wij aangezet worden van de zonde te vluchten en de deugd te oefenen, waarna wij een genadig oordeel en den hemel zullen erlangen.

-ocr page 685-

— 273 —

NEGEN - EN - TWINTIGSTE ONDERRICHTING

OVER HET OORDEEL

Venite benedicU Putris mei, possidete paratuin vobis regnum.

Komt gezegenden inijns Vaders, bezit het rijk dat voor u bereid is.

(Matth. xxv, 31.)

VOORREDE.

De dood, B. B., is onder anderen eene straf der zonde en de beslissing der eeuwigheid. ])e dood is zeker, wij allen zullen eenmaal sterven; hij is onzeker, wij weten niet juist, wanneer wij zullen sterven. Wij zullen sterven den dood van den rechtvaardige of den dood van den zondaar, hetgeen afhangt van ons goed of slecht leven. Die waarheden hebben wij laatstleden overwogen. Vandaag gaan wij in \'t kort handelen over het oordeel dat na den dood volgt. Do Catechismus vraagt:

Hoevelerlei is hel oordeel? fin hij antwoordt;

Tweederlei, le welen ; hel algemeen en het hijzonder oordeel.

Wanneer geschiedt hel bijzonder oordeel?

Zoo haast de rnensch sterft.

Onmiddellijk na den dood van den mensch verschijnt zijne ziel voor den rechterstoel van God om geoordeeld te worden, en te ontvangen loon naar werken. Is de mensch in staat van doodzonde gestorven; dan wordt zijne ziel veroordeeld tot de hel, om daarin voor eeuwig gestraft te worden. Is de mensch in staat van genade gestorven, zoo nochtans dat hij nog niet geheel en al voldaan heeft aan do goddelijke rechtvaardigheid; dan wordt zijne ziel veroordeeld tot het vagevuur, om daarin

Güt.oqfs - f.x zbdkni.khr \'deet, 18.

-ocr page 686-

gezuiverd te worden. Is de mensch in staat van genade gestorven, zoo dat hij niets meer te betalen of te zuiveren heeft; dan gaat zijne ziel terstond naar den hemel, om daarin voor eeuwig beloond te worden.

Buiten dit bijzonder oordeel is er nog een ander, namelijk, het algemeen oordeel.

Wanneer zal het algemeen oordeel geschieden?

Op het einde der wereld.

Op het einde der wereld zal eenieder met ziel en lichaam in de tegenwoordigheid van Engelen en menschen geoordeeld worden. Over dit algemeen oordeel zullen wij vandaag spreken.

I. Welke teekenen zullen het algemeen

oordeel voorafgaan?

II. Wat is het algemeen oordeel?

III. Wat zal er op volgen?

I.

Welke teekenen zullen de komst van Christus en het algemeen oordeel voorafgaan? Eene geweldige vervolging, welke de antichrist verwekken zal, verscheidene schrikkelijke plagen, en eindelijk een vuur dat alle dingen verslinden zal.

De antichrist, B. B., volgens een algemeen gevoelen een Jood van geboorte, zal eene bloedige vervolging verwekken; hij zal zicli voor den Messias uitgeven, en tot bewijs er van wondere dingen, valsche mirakels, verrichten, met dit gevolg nochtans, dat de Joden, die nog altijd hunnen Messias verwachten, hem volgen zullen. De antichrist zal bijzonder de Christenen vervolgen, velen zullen bezwijken en tot hem overgaan; maar velen zullen ook in bet geloof volharden en den marteldood sterven. In die standvastigheid in liet geloof zullen zij bijzonder bijgestaan worden door twee Profeten, door Henoch en Elias, die door God weggenomen, op het einde der wereld op aarde

-ocr page 687-

verschijnen zullen, om de menschen tot de tweede komst van Christus voor te bereiden. Die twee Profeten zullen zicli vooral verzetten tegen de valsche leering van den antichrist. Nochtans, door Gods toelating zullen zij gedood worden, hunne lichamen zuilen eenigen tijd onbegraven in de straten van Jerusalem blijven liggen, wederom levend worden, en in eene wolk ten hemel klimmen.

Nadat de antichrist drie en een half jaar geregeerd en de Christenen vervolgd zal hebben, zal hij door den adem Gods, gelijk de Apostel Paulus leert, gedood worden.

Buiten de bloedige vervolging door den antichrist verwekt, zullen nog andere teekenen het laatste oordeel voorafgaan; oorlogen; het eene volk zal opstaan tegen het andere; pest, ziekten, dure tijd en hongersnood, waardoor er bij duizenden naar het graf gesleept zullen worden; aardbevingen, waardoor steden en dorpen zullen verwoest worden.

Er zullen ook teekenen in de lucht te zien zijn. De zon zal verduisterd worden, de maan zal haar licht niet meer geven, de sterren zullen uit den hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen beroerd worden. De zee, zegt de Evangelist Lucas, zal een ijselijk gedruisch maken.

Op het gezicht van al die teekenen zullen de menschen met angst en vrees bevangen worden; zij zullen uitdrogen van schrik, denkende aan hetgeen de wereld overkomen zal. Eindelijk zal God liet vuur afzenden, dat alle dingen verslinden zal. Ziedaar, B. B., de voornaamste teekenen, die den laatsten dag des oordeels zullen voorafgaan. Werpen wij nu een oogslag op het oordeel zelf.

11.

Nadat liet vuur alles gedood en de aarde uitgebrand zal hebben, zal het teeken van den Zoon des menschen, het kruis van Christus, in de wolken verschijnen; de trompet zal gestoken

-ocr page 688-

— 270 —

worden, en liet « clooden staat op en komt ten oordeel » zal door de graven weergalmen. Eensklaps zal er eene groote beweging plaats hebben. De doode lichamen zullen wederom levend worden; de verstrooide ledematen zullen zich aan elkander sluiten, en de zielen zullen zich wederom met hare lichamen vereenigen. De toestand der lichamen zal zeer verschillend zijn. De lichamen der Heiligen zullen verrijzen klaar en schoon blinkend, licht, subtiel en onlijdelijk; de lichamen der verdoemden daarentegen, duister en vuil, zwaar, grof en geheel gesteld om te lijden.

Al die menschen nu door Gods almacht van den dood verrezen, zullen gevoerd worden naar het dal van Josaphat, waar God hen oordeelen zal. Jesus in gezelschap zijner Moeder, omgeven van millioenen Engelen, zal uit den hemel nederdalen. Gezeten op den troon zijner majesteit zal de Opperrechter de rechtvaardigen van de zondaren scheiden, evenals de herder de schapen scheidt van de bokken. De schapen, d. i., de rechtvaardigen zal Hij aan zijne rechter, de bokken, d. i., de zondaren aan zijne linkerzijde stellen. Daarop zal het oordeel beginnen. De Catechismus vraagt:

Waarover zal God ons oordeelen? En hij antwoordt:

Over ons goed en ons kwaad.

Waarom over ons goed?

Om het le loonen.

Waarom over ons kioaad?

Om het te straffen.

De boeken der gewetens, B. B., zullen geopend worden. Al het goed en al het kwaad, dat er ooit gebeurd is, zal bekend gemaakt worden aan Engelen en menschen; al de deugden die de rechtvaardigen geoefend, de goede werken die zij verricht hebben, de zonden die zij bedreven, maar waarover .zij eene ware boetvaardigheid gedaan hebben en waarover zij zich bijgevolg niet behoeven te schamen; dat alles zal tot lof en eer

-ocr page 689-

der rechtvaardigen bekend gemaakt worden. Al de zonden die de zondaren bedreven hebben door gedachten en begeerten, door woorden, werken en verzuimenissen, tegen de wet der natuur, tegen de geboden van God en van de H. Kerk, tegen de plichten vau hunnen staat; de schandelijkste zonden die zij met zooveel zorg verborgen hielden, zullen daar aan Engelen en menschen geopenbaard worden tot schande en beschaming der zondaren. Daarop zal Jesus het vonnis uitspreken. Komt, zal Hij met een blij gelaat tot de rechtvaardigen aan zijne rechterzijde geschaard, zeggen: komt gezegenden mijns Vaders, bezit het rijk dat van het begin der wereld voor u bereid is; want Ik heb honger gehad en gij hebt Mij gespijsd; Ik heb dorst gehad en gij hebt Mij gelaafd; Ik was vreemdeling en gij hebt Mij geherbergd; Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed; Ik was ziek en gij hebt Mij bezocht; Ik was gevangen en gij zijt tot Mij gekomen. Dan zullen de rechtvaardigen verwonderd vragen; Heer! wanneer hebben wij U hongerig gezien en gespijsd, dorstig en U te drinken gegeven; wanneer hebben wij U vreemdeling gezien en geherbergd, naakt en U gekleed; of wanneer hebben wij U ziek en in do gevangenis gezien en zijn wij tot U gekomen? En Jesus zal hun antwoorden: Voorwaar Ik zeg het u, alwat gij den geringsten mijner broeders gedaan hebt, hebt gij aan Mij gedaan. Daarna zal Jesus zich met een stuurscli gelaat tot do zondaren aan zijne linkerzijde geplaatst, wenden, en Hij zal hun toeroepen: Gaat weg van Mij vervloekten in het eeuwige vuur, dat bereid is voor den duivel en zijne engelen; want Ik heb honger gehad en gij hebt Mij niet gespijsd; dorst en gij hebt Mij niet te drinken gegeven; Ik ben vreemdeling geweest en gij hebt Mij niet geherbergd; naakt en gij hebt Mij niet gekleed; Ik ben ziek geweest en in de gevangenis en gij hebt Mij niet bezocht. De zondaren zullen op hunne beurt ook vragen: Heer! wanneer hebben wij U gezien hongerig, dorstig of vreemdeling, naakt, ziek of in de gevangenis, en hebben wij\'ü niet verzorgd? Dan zal Jesus hun

-ocr page 690-

antwoorden \'en zeggen: Voorwaar Ik zeg het u, alwat gij don geringsten der mijnen niet gedaan hebt, hebt gij aan Mij niet gedaan. De rechtvaardigen zullen Jesus loven en danken voor het vonnis over hen uitgesproken, en de zondaren zullen gedwongen zijn te bekennen dat het vonnis over hen uitgesproken, ook rechtvaardig is. Ziedaar, B. B., het oordeel afgeloopen en het vonnis uitgesproken. Wat zal daarop gebeuren?

III.

De hemel zal geopend worden, en Jesus-Christus vergezeld van Maria zijne Moeder, omgeven van duizenden, millioenen Engelen en Heiligen, zal in triomf ten hemel klimmen. Op hetzelfde oogenblik zal de aarde openscheuren, en de duivelen en verdoemden zullen verzinken in den afgrond der hel, waar zij in eeuwigheid zullen gefolterd worden.

SLUITREDE.

Wanneer men deze waarheid van onzen heiligen godsdienst met aandacht overweegt, is het dan te verwonderen dat zooveel Heiligen sidderden en beefden, als zij aan den laatsten dag des oordeels, aan dien dag van gramschap, dachten? En is het niet eerder te verwonderen, dat wij arme zondaren, in die geloofswaarheid onderwezen en er wel van overtuigd, er zoo weinig aan denken en niet sidderen en beven als wij \'er aan denken? Welke ongehoorde onverschilligheid! Welke doemwaardige ongevoeligheid! Hoe dan! Wij weten dat wij eenmaal voor den rechterstoel van Jesus-Christus zullen moeten verschijnen om geoordeeld te worden, en wij denken er zoo weinig aan? Wij weten dat wij daar rekenschap zullen moeten afleggen van al ons doen en laten, dat daar al ons goed en kwaad aan Engelen en menschen zal bekend gemaakt worden, en wij vreezen niet het goed te verwaarloozen en het kwaad te doen, zonden te bedrijven, waarover wij nu reeds beschaamd zouden zijn, zoo

-ocr page 691-

— 279 —

zij bekend gemaakt werden? Wij weten dat de rechtvaardigen door Jesus ten hemel zullen opgenomen, en dat de zondaren door Hem voor eeuwig zullen nedergeworpen worden in den afgrond der hel, en wij leiden een leven als of er niets van al die waarheden bestond! Welke ongehoorde onverschilligheid! Welke doemwaardige ongevoeligheid! Onverschillig - en ongevoeligheid voor onze dierbaarste belangen, voor onze ziel en zaligheid, voor ons eeuwig geluk of ongeluk! B. B., denken wij eens goed na over het laatste oordeel, dat wij ook zullen bijwonen; over het vonnis, dat daar ook over ons zal uitgesproken worden. Ja, denken wij er dikwijls over na, en gedragen wij ons zoo, van toch eenmaal een genadig oordeel te bekomen, en uit den mond van Jesus den Opperrechter te mogen hooren: Komt gezegenden mijns Vaders! Venite bcne-dicti Palris mei! neemt bezit van het rijk «lat voor u bereid is van de grondlegging der wereld af! Possidete par alum voids regnum a constitutione mundi! Amen.

-ocr page 692-

DERTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE HEL

Uunt hi in supplicimi ceternum. Dg zondaren zullen de eeuwige straf ingaan. (Mattii. xxv, jo.)

INHOUD.

VOORREDE.

Het oordeel is tweederlei: het bijzonder en het algemeen oordeel. Het bijzonder oordeel heeft plaats, zoodra de mensch sterft; het algemeen oordeel zal plaats hebben op het einde der wereld. Na het algemeen oordeel zullen de verdoemden naar de hel, de Heiligen naar den hemel gaan.

VERDEELING.

I. Wat is de hel?

H. Wat lijden de verdoemden in de hel?

I.

Wat is de hel? De hel is eene plaats van onbegrijpelijke pijnen, waarin de duivelen en de verdoemden van God gestraft worden.

-ocr page 693-

De hel draagt verschillende namen, doch allen komen hier op neêr, dat zij eene plaats is van folteringen.

II.

Wat lijden de verdoemden in de Hel?

1° De onbegrijpelijk zware berooving van het goddelijk aanschijn;

2° De knaging van geweten;

3° Hot derven van al hetgeen hen eenigszins zoude kunnen troosten;

1° Den brand van het smartelijk en onuitbluschbaar vuur;

5° Bovenal do ellendige eeuwigheid.

De pijn der hol is tweederlei: de pijn van schade en do pijn van gevoel. De verdoemden hebben alles verloren, doch vooral het geluk van God aanschijn aan aanschijn te aanschouwen. De pijn van gevoel is uit-en inwendig. Uitwendig, veroorzaakt door het vuur, het gezelschap der duivelen en verdoemden; inwendig, veroorzaakt door de knaging van geweten en door de gedachte aan de eeuwigheid.

SLUITREDE.

De zondaar in staat van doodzonde, of als hij tot zonde bekoord wordt, moet zich afvragen of hij in de hel zal kunnen wonen. Geschiedenis van eon zondaar op zijn sterfbed.

-ocr page 694-

— 282 —

DERTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DE HEL

lltnnt hi in supplicium aternum.

J)e zondaren zullen de eeuwige straf\' ingaan. (Maith. xxv, 10.)

VOORREDË.

Het oordeel, B. B., is, gelijk wij gezien hebben, tweederlei, bet bijzonder en het algemeen oordeel. Het bijzonder oordeel zal onmiddellijk na den dood van eenieder plaats hebben; het algemeen oordeel van alle menschen te zamen zal plaats hebben op het einde der wereld. Schrikverwekkende teekenen zullen dien dag van gramschap voorafgaan. Jesus zal eindelijk gezeten op eene schitterende wolk uit den hemel nederdalen, om het lot van Engelen en menschen voor eeuwig te beslissen. Tot de rechtvaardigen zal Hij zeggen; Komt gezegenden mijns Vaders! tot de verdoemden: Gaat weg van mij vervloekten! En welk zal het uitwerksel van dat vonnis wezen? Be vervloekten, zegt het Evangelie, zullen de eeuwige straf, en de rechtvaardigen zullen het eeuwige leven ingaan.

Vandaag zullen wij over die eeuwige straf, d. i,, over de hel spreken. Bat er eene hel bestaat, en dat de verdoemden daarin voor eeuwig zullen gestraft worden, is een punt van ons geloof. Zoo men soms van goddeloozen hoort dat zij den spot drijven met de hel, dat zij het bestaan der hel of hare eeuwige pijnen loochenen; van die personen moet men zeggen dat zij onbeschaamde leugenaars zijn, dat zij tegen hun geweten spreken. Gij durft zeggen, zoo sprak de H. Augustinus tot da goddeloozen van zijnen tijd, gij durft zeggen dat er geene hel is, maar gij durft het niet denken. Hetzelfde, B. B., kan men zeggen tot

-ocr page 695-

— 283 —

de goddeloozen van onzen tijd. Doch ziehier wat met waarheid van de goddeloozen kan gezegd worden. Zij zouden wenschen dat or scene hel ware, om hunne driften des te vrijer te kunnen botvieren.

Hetgeen ik thans van de hel ga verhalen, zal altoos ver beneden de waarheid blijven. Het is don mensch niet gegeven juist te zeggen wat de hel is, en waarin hare straffen bestaan. Wij zullen er ons dus maar een klein en flauw denkbeeld van kunnen vormen. Zien wij dus:

I. Wat de hel is;

II. Wat de verdoemden in de hel lijden.

I.

De Catechismus vraagt:

Wat is de hel? En hij antwoordt:

Eene phials van onbegrijpelijke pijnen waar de duivelen en de verdoemden van God gestraft worden.

De hel, 15. B., draagt verschillende namen. Onze goddelijke Zaligmaker noemt haar de eeuwige pijnen, d. w. z., eene plaats van eeuwige pijnen: Supplicium ceternum. (l) Zij wordt genoemd do uiterste duisternissen; Tencbras exteriores, (2) d. i., eene plaats waar de verdoemden die buiten het eeuwige licht gesloten zijn, van ondoordringbare duisternissen omgeven zijn. Zij wordt genoemd een onuitbluschbaar vuur: Ignis inexlinguilnlis; een vuuroven, waar geween en geknars der tanden zal zijn. De Engelen, zegt Jesus, zullen de kwaden van de goeden scheiden, en zij zullen hen in den vuuroven werpen, waarin geween en tandengeknars zal heerschen: El nviltent eos in eaminum ignis, ibi cril jietus et stridor dentium. (3) Bij den Kvangelist Lucas wordt de hel genoemd de plaats der

^i) Matïii. xxv, 46. (a) Mattb. viii, 12. (3) Matth. xxm, 50.

-ocr page 696-

— 281 —

tormenten: Locus tormenlonun. Doch zien wij in ons tweede punt, welke tormenten de verdoemden in do hel zullen lijden.

II.

De verdoemden zullen lijden:

1° De onbegrijpelijk zware berooving van het goddelijk aanschijn;

2° De knaging van geweten;

3° Het derven van al wat hen eenigszins zoude kunnen troosten;

4° Den brand van het smartelijk en onuitbluschbaar vuur;

5° Bovenal de ellendige eeuwigheid. De Catechismus vraagt:

Hoevelerlei is de pijn der hel? En hij antwoordt:

hoeederlei: de pijn vqgi schade en de pijn van gevoelen.

Vooreerst de pijn van schade. De verdoemden hebben alles verloren; zij hebben verloren de aardsche schatten en rijkdommen, die zij met zooveel moeite verzameld; de eereposten, die zij zoo hartstochtelijk nagejaagd; de vermaken en pleizieren, die zij in de wereld genoten hadden; alles is voorbij. Zij hebben verloren de ontelbare genaden die God hun gegeven had, eii waarvan zij de onschatbare waarde thans wel, maar helaas! te laat kennen. Zij hebben verloren de eeuwige vreugde des hemels; nooit of nimmer zullen zij met de Engelen en Heiligen daarin deel hebben. Doch al die verliezen, B. B., zouden de verdoemden nog verdraaglijk zijn, indien zij God niet verloren hadden, want het is vooral in het verlies van God of in de berooving van liet goddelijk aanschijn, dat de pijn van schade gelegen is. Immers, de Catechismus vraagt:

Waarin beslaat in de hel de pijn van schade? En hij antwoordt:

In de onbegrijpelijk zware berooving van het goddelijk aanschijn.

-ocr page 697-

Die berooving wordt genoemd onbegrijpelijk zwaar, en de reden is, wijl wij hier op aarde nooit zullen begrijpen, welke pijn liet verlies van God de verdoemden veroorzaakt. Zoolang de menscli leeft, zoolang de ziel nog in het lichaam als in een kerker opgesloten is, kan hij niet ten volle begrijpen, welk een ongeluk het is van het aanschijn Gods beroofd te zijn; doch zoodra de ziel het lichaam verlaten heeft, of als zij opnieuw met het lichaam vereenigd is na het algemeen oordeel, dan zullen de zaken geheel en al veranderen. De schijngoederen en vermaken dezer wereld, waaraan de mensch thans gehecht is, zullen hem niet meer verblinden; hij zal dan gevoelen hoe aangenaam en verrukkend het zoude zijn God zijn opperste goed, waarvoor hij geschapen was, in eeuwigheid te bezitten en te genieten. Hij zal zich dan met eene onweerstaanbare kracht tot God gedreven en getrokken gevoelen, en nooit of nimmer zijn aanbiddelijk aanschijn kunnen aanschouwen, nooit of nimmer, in eeuwigheid niet. Welk eene pijn! welk eene foltering voor den verdoemde! Doch die pijn, die foltering, B. R., kunnen wij in ons leven niet genoegzaam beseffen. Overwegen wij een oogenblik de pijn van gevoel, waarvan wij ons een beter denkbeeld kunnen vormen. De Catechismus vraagt:

Wat is in de hel de pijn van gevoelen? En hij antwoordt:

De Imaging van de conscientie, de berooving van alle hooj) en allen troost, en de brand van het smerlend en onuitblusschelijk vuur.

Do pijn van gevoel is dus tweedeiiei: uitwendig en inwendig. De uitwendige pijn van gevoel wordt vooral veroorzaakt door liet helsche vuur. Vuur en solfer, zegt de Profeet David, zal het deel der zondaren zijn: Ignis et sulfur -pars calicis eorum. (l) Uwe vijanden, zegt dezelfde Profeet van God sprekende, zullen als een gloeiende oven zijn: het vuur zal hen verslinden. Het vuur dat hen verslinden zal, zegt Isaïas, zal niet uitgedoofd

(i) Ps. x, 7.

-ocr page 698-

— 28G —

worden: Non eootinguetur. (i) Het vuur der hel wordt een verslindend vuur genoemd, niet dat het de verdoemden zal vernietigen, zoodat zij zullen ophouden te bestaan en te lijden; neen, B. B., maar het vuur der hel zal de verdoemden verslinden, hen geheel en al innemen, tot in het binnenste doordringen; zij zullen gelijk zijn aan een stuk ijzer, dat in het vuur gelegd, er geheel en al van doortrokken en aan een vuurklomp gelijk is. Dat vuur heeft de eigenschap, niet alleen van zijne slachtoffers te pijnigen en te folteren, maar ook van ze te bewaren, zoodat zij niet vergaan kunnen. De verdoemden in de hel zijn als met vuur gezouten. Dat vuur, als een verstandig vuur, zal de verdoemden pijnigen in al hunne ledematen en zintuigen: in hunne oogen en ooren, in hunnen neus en mond, aan handen en voeten, in een woord, in gansch hun lichaam. Wanneer wij ons in \'t aardsche vuur, dat God nochtans tot nut van den mensch geschapen heeft, wanneer wij ons in dat vuur aan \'t een of \'tander lidmaat branden; de pijn, zegt men soms, is onverdraaglijk; hoe onverdraaglijker zal dan de pijn niet zijn, welke de verdoemden in het vuur der hel, dat God in zijne gramschap ontstoken heeft om hen te pijnigen, zullen moeten lijden in al hunne ledematen, in gansch hun lichaam? Geen wonder dus zoo de Profeet Isaïas uitroept: Wie toch zal in dat verslindend vuur kunnen wonen! Quis poterit habitare cum igne devoranle! (2) Daarin nochtans zal de zondaar geworpen worden, zoo hij in staat van doodzonde waarin hij leeft, komt te sterven. Die uitwendige pijn wordt nog vermeerderd door het afschuwelijk gezelschap der duivelen, die zonder ophouden huilen en tieren, en dan de zondaren, die zij tijdens hun leven zoo schandelijk bedrogen hebben, te midden dier folteringen zullen uitlachen en bespotten; door het gezelschap der overige verdoemden, die elkander zullen vervloeken en verwenschen. De een zal de schuld van zijn ongeluk leggen op den anderen:

(l) Is. LXVI, 24. (2) Is. XXXIII, 14.

-ocr page 699-

— 287 —

de vrouw, bijv., zal de schuld leggen op den man, de man op de vrouw; de ouders op de kinderen, de kinderen op de ouders; de oversten op de dienstboden, de dienstboden op de oversten; de jongeling op die dochter, de dochter op dien jongeling: doch te vergeefs, want zij zijn te zamen de oorzaak van elkanders ongeluk,\' en daarom zullen zij te zamen ook nog door elkander gepijnigd en gefolterd worden.

De inwendige pijn van gevoel wordt veroorzaakt door de knaging van geweten. De zondaar heeft in zijn leven de stem van zijn geweten lang genoeg gesmoord; thans laat zij zich In al hare kracht en woede hooren. De worm des knagenden gewetens sterft niet: Vermis eoruni non moritur. (i) En waardoor zal het geweten der verdoemden gefolterd worden? Door de gedachte aan hunne zonden: het geweten zal hun herinneren aan het onrechtvaardig geld en goed, dat zij genomen; aan den haat, dien zij jaren lang gedragen; aan de slechte gezelschappen, waarin zij zich begeven; aan de schandelijke zonden, waaraan zij zich plichtig gemaakt hebben. Was het billijk, zal het geweten hun aanhoudend toeroepen, voor eene handvol onrechtvaardig geld of goed de schatten des hemels op te offeren? Was het billijk, voor eenige slechte oogslagen ons van de aanschouwing van het goddelijk aanschijn te beroo-ven? Was het billijk, voor een vermaak van eeu oogenblik ons in dit onuitbluschbaar vuur neder te storten? Het geweten zal hen folteren door de gedachte aan zooveel genaden waarvan zij misbruik gemaakt hebben, van zoo dikwijls de HH. Sacramenten verwaarloosd of onwaardig ontvangen, en bijgevolg de hulpmiddelen ter zaligheid onteerd te hebben. Zoo dikwijls hebt gij niet geluisterd, zal het geweten zeggen, naar de stem Gods, als Hij u inwendig of door den mond van den biechtvader of predikant zeide van de zonde te verlaten, die plaats of dien persoon, en daartoe de middelen te gebruiken, door op die

(i) Mauc. ix, \'13.

-ocr page 700-

— 288 —

plaats niet te komen, door met dien persoon niet om te gaan. God heeft u zoolang barmhartigheid getoond, zal het geweten hun zeggen; Hij heeft u zoo lang afgewacht. Hij heeft u de plaats voorzegd, hier, deze plaats van tormenten, van vuur en vlammen, van pijnen en straffen, zoo gij u niet bekeerdet; en gij hebt naar zijne stem niet geluisterd, gij hebt er den spot mede gedreven. Nu zoudt gij willen, zal het geweten zeggen, doch nu is het te laat. Dwazen die gij zijt, thans zijt gij verdoemd, onherroepelijk verdoemd, wijl gij het gewild hebt. Ha! vloekt nu de gezelschappen, die u de zonden leerden, de kennissen die er u gelegenheid toe gaven; vloekt nu uwe geschandvlekte zintuigen en ledematen, uwe ooren en oogen, uwe handen en voeten, \'t Is te laat! Gij zijt verdoemd, door uwe eigen schuld verdoemd, en gij zijt verdoemd in alle eeuwigheid.

O Eeuwigheid! O Eeuwigheid! verschrikkelijk woord voor do verdoemden. Immers, de Catechismus vraagt:

Waardoor worden de pijnen dsr verdoemden oneindig vermeerderd? En hij antwoordt:

Door hel bedenken van de altijddurende eeuioigheid.

B. B., wat zoude ik hier niet kunnen bijvoegen, zoo de tijd het toeliet. Eeuwig zullen de verdoemden alle goed missen; eeuwig zullen zij de verschrikkelijkste tormenten lijden, zonder troost, zonder hoop op verkwikking; eeuwig zullen zij in het helsche vuur huilen en wanhopen. Eeuwen mogen voorbijgaan, zoo talrijk als de bladeren op de boomen, als de stofjes in de lucht, als de waterdruppels in de zeeën en rivieren; en ziet! de eeuwigheid is voor de verdoemden pas begonnen, begonnen om nooit te eindigen, en die ellendige eeuwigheid zal hun altoos voor den geest zweven. Begrijpt gij nu, B. B., dat de H. Schrift te recht zegt: \'t Is verschrikkelijk te vallen in de handen van den levenden God: Horrendurn est incidere in manus Dei viventis. (i)

(i) Hbur. x, 31.

-ocr page 701-

Sl.UITKKDK

Ten slotte vraag ik nu: Qids poterit habilare in igne devorante? Wie onzer zal kuunen wonen in dat verslindend vuur der hel, te midden der eeuwigdurende tormenten, in doloribus scrnpilernis. 15. B,, dat moeten wij ons dikwijls afvragen; doch dat moet zich vooral afvragen de zondaar, die in staat van doodzonde is, de mensch die tot zonde bekoord wordt. Zal ik voor eeuwig in dat helsche vuur kunnen wonen, waartoe ik nochtans veroordeeld zal worden, ingeval ik zoo kom te sterven, bijaldien ik die zonde bedrijf en uit liet leven word weggerukt? Ja, B. B., stellen wij ons die vraag. Dalen wij nu met onze gedachten neder in de hel, om er niet eenmaal met ziel en lichaam in nedergeworpen te worden zonder hoop op verlossing. Eene ernstige gedachte aan de straffen en pijnen der hel is een zeer geschikt middel om zelfs den ongevoeligsten zondaar tot bekeering en boetvaardigheid te brengen.

Ken rijk en aanzienlijk heer werd gevaarlijk ziek, doch wilde van het ontvangen der H. Sacramenten niets weten; hij wilde niet eens dat er een priester bij hem kwam. Zijne vrouw die braaf was, viel hem aanhoudend lastig, dat hij toch een priester zoude laten komen. Eindelijk, om van dat lastig aanhouden bevrijd te zijn, stond hij het toe, op voorwaarde, dat de priester van geene biecht zoude spreken. De priester werd binnengelaten en bleef eenige oogenblikken recht voor den zieke staan, zonder een woord te spreken. De zieke begon eerst en vroeg den priester, zeggende: Wat denkt gij bij u zeiven? Zoo het mij geoorloofd is, zeide de priester, zal ik het u rechtuit zeggen. Ik dacht daar bij mij zeiven; O God! Welke verandering zal er weldra met dien zieke plaats hebben: nu in eene prachtige kamer, en bijaldien hij zoo komt te sterven, over een oogenblik in de eeuwige duisternis; nu in gezelschap van eene brave vrouw en goede kinderen, en weldra in gezelschap der verdoemden; nu op een zacht bed, en misschien binnen weinige uren

Geloofs - en Zedenleer 5lt;ie deet. 19,

-ocr page 702-

in het vuur der hel. De zieke liet den priester niet moer voortgaan; hij viel hem in de rode en riep uit: Help mij toch, ik wil mij met God verzoenen en als Christen sterven. Zoude ik misschien van den een of anderen hier tegenwoordig ook niet kunnen zeggen; ziet! nu is die persoon nog frisch en gezond, over een weinig gaat hij sterven; nu leeft hij nog zoo vroolijk, en over een weinig in pijn en smart; nu vermaakt hij zich nog zeer in de zonde, en over een weinig wordt hij uit het leven weggerukt en nedergeworpen in den afgrond der hel, om daarin voor eeuwig te branden. B. B,, denken wij, en denken wij dikwijls aandachtig aan (Tie groote waarheid. Hetgeen ik hier zeg kan den zondaar overkomen; dat hij er dus goed over nadenke; hij zal zich met Gods genade bekeeren, boetvaardigheid doen; hij zal zich in \'t vervolg van de zonde wachten, en nooit of nimmer zal hij het ongeluk hebben van in de hel te moeten branden. Amen.

-ocr page 703-

EEN - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DEN HEMEL

Ibunt.... justi in vitam. cBiernum. Do rechtvaardigen zullen het eeuwige leven ingaan. (Matth. xxv, io.)

INHOUD.

VOORREDE.

De pijn der hel is tweederlei: de pijn van schade en de pijn van gevoel: de pijn van gevoel is uit - en inwendig. Met die verschrikkelijke pijnen straft God de doodzonde in de hel. Doch bijaldien God van den eenen kant de doodzonde zoo verschrikkelijk straft in de hel, van den anderen kant beloont hij ook ruimschoots de deugd in den hemel.

VERDEEIJNG.

I. Wat is de hemel?

11. Waarin bestaat het geluk des hemels?

I.

Wat is de hemel? De hemel is oene plaats, waar de gelukzaligen hot aanschijn van God aanschouwen en onuitsprekelijke vreugden genieten.

-ocr page 704-

— 292 —

Het geluk des hemels is onbegrijpelijk en onuitsprekelijk.

II.

Het grootste geluk des hemels bestaat in God aanschijn aan aanschijn te aanschouwen. In God zullen wij alles zien. Uit die aanschouwing van God volgt de brandende liefde tot God. De gelukzaligen zullen nog genieten het gezelschap der Engelen en Heiligen en de gedachtenis aan de altijddurende zalige eeuwigheid.

Alle Heilgen in den hemel zullen niet even gelukkig zijn, want eenieder zal van God ontvangen volgens zijne verdiensten.

Er zijn Heiligen die op eene bijzondere wijze van God zullen beloond worden; de Martelaars, de Leeraars en de Maagden.

SLUITREDE.

Bij deze kom ik mijne onderrichtingen in de christelijke leering te eindigen. Wij kennen nu wat, wij moeten weten en doen om zalig te worden. Denken wij dikwijls aan onze uitersten, en vooral aan den schoonen hemel, waarvoor wij geschapen zijn, om er eenmaal in opgenomen te worden.

-ocr page 705-

— 293 —

EEN - EN - DERTIGSTE ONDERRICHTING

OVER DEN HEMEL

Ibuiit.... justi in vitam (ctcrnam.

De rechtvaardigen zullen hot eeuwige leven ingaan. (Matth. xxv, io.)

V0011REÜ]0.

De hel, B. Pgt;., is eene plaats van tormenten, waarin de duivelen en verdoemden voor eeuwig zullen gefolterd worden. De grootste pijn is de pijn van schade, en deze bestaat in de onbegrijpelijk zware berooving van het goddelijk aanschijn. De verdoemden zullen altijd verlangen God te aanschouwen, en nooit of nimmer zullen zij tot dat geluk toegelaten worden.

De tweede pijn is de pijn van gevoel, veroorzaakt door liet onuitbluschbaar vuur, door het afschuwelijk gezelschap van de duivelen en verdoemden, door de knaging van geweten en door de gedachte aan de altijddurende ellendige eeuwigheid. Ziedaar, B. B., hoe God de doodzonden, en zelfs eene doodzonde, straft, want ééne doodzonde, gelijk wij weten, is genoeg om voor eeuwig verloren te gaan.

Uit de pijnen der hel kan men ook opmaken, welk een overgroot kwaad de doodzonde is, en hoe zorgvuldig wij er ons van moeten wachten, om nimmer het ongeluk in te loopen van voor eeuwig verloren te gaan.

God dus, gelijk gij ziet, straft de doodzonde op eene verschrikkelijke wijze; doch Hij beloont ook de deugd op eene wijze, die alle gedachte te boven gaat; Hij beloont haar met den hemel. Vandaag zullen wij in \'t kort zien:

I. Wat de hemel is;

II. Waarin het geluk des hemels bestaat.

-ocr page 706-

— 294 —

I.

De Catechismus vraagt:

Wat is de hemel? En hij antwoordt:

Eene plaats waar de gelukzaligen het aanschijn van God aanschouwen, en onuitsprekelijke vreugden genieten.

Het geluk des hemels, B. B., is onbegrijpelijk en onuitsprekelijk. Geen menschen-verstand is in staat te begrijpen, geene tong kan uitspreken hoe groot, hoe buitengewoon groot het geluk des hemels is. Wat zegt er de Apostel Paulus van? Tot den derden hemel opgenomen verklaart hij, dat er in de taal der menschen geene uitdrukkingen te vinden zijn, om de vreugde te schetsen die in den hemel heerscht. \'t Is gemakkelijker, zoo zegt een groot leeraar, namelijk, de H. Augustinus, \'t is gemakkelijker te zeggen wat in den hemel niet is, dan te zeggen wat er is. Daar is geen dood, geen rouw, geene vermoeienis, geene zwakheid, geen honger, geen dorst, geene hitte, geene koude, geene ziekte, geen gebrek, geene droefheid, geene smart; ziet, dat alles is in den hemel niet: quot;Wilt gij weten wat er is? Luistert naar het antwoord van den Catechismus op de vraag:

Waarom zegt gij onuitsprkkeujkb vreugden?

Omdat de heilige Schriftuur zegt-. Noch oog heeft gezien, noch oor heeft gehoord, noch het is in het hert van den menseh gekomen wat God bereid heeft voor degenen die hem beminnen.

Doch trachten wij toch een weinig meer van nabij te zien, waarin het geluk des hemels beslaat.

II.

De Catechismus vraagt:

Welk is de meeste blijdschap des hemels? En hij antwoordt:

Het goddelijk aanschijn te aanschouwen, en in God alle goed te gemeten.

-ocr page 707-

God bezitten, d. \\v. z., God aanschouwen gelijk Hij is, en daarop branden van liefde tot God, iets dat noodzakelijk volgt op het aanschouwen van God, ziedaar, B. B., waarin de grootste gelukzaligheid des hemels gelegen is. Deze gelukzaligheid alleen is meer dan genoeg om de Engelen en Heiligen volkomen te verzadigen; en niet zonder reden. Wat toch kan iemand meer verlangen om zich te verzadigen, dan God, liet hoogste, het volmaakste, het oneindige goed te bezitten? Vandaar dan ook dat de Profeet uitriep: Saliabor cum apparuerü gluna tua. (i) Ik zal verzadigd worden als uwe glorie verschijnen zal. Hier op aarde zien wij God maar als door een spiegel, in een raadsel, gelijk de Apostel Paulus zegt: Per speculum in ccnigmate, (2) d. w. z.: wij kennen God hier op aarde in zijne werken, waarin zijne oneindige volmaaktheden zich afspiegelen; maar in den hemel zullen wij Hem zien aanschijn aan aanschijn: Facie ad faciem, gelijk Hij is: Sicuti ent. Geen menscli, geen schepsel, zelfs de volmaakste Engel kan van natuur God niet zien gelijk Hij is; maar opdat wij Hem aanschijn aan aanschijn en gelijk Hij is zouden kunnen zien, wil God in zijne oneindige goedheid ons te hulp komen, ons bekwaam maken door ons een bovennatuurlijk licht, liet Glorie-lichl genaamd, mede te deelen. Dat bovennatuurlijk Glorie-licht bestaat in eene bijzondere werking van God op het verstand van de gelukzaligen; want het is met het verstand en niet met de lichamelijke oogen, dat zij God zien. Immers, God is een zuivere geest, en Hij heeft dus niets dat onder de zintuigen valt. Met God te zien gelijk Hij is, zullen de gelukzaligen des hemels alles in God zien: zij zullen zien al zijne oneindige volmaaktheden; zij zullen zien de geheimen van den H. Godsdienst, zooals, bijv., het geheim der H. Drievuldigheid, enz.; zij zullen zien de Engelen en de menschen, in een woord, de gansche schepping.

(i) Ps. X.VI, 15. ^2) I, Cor. XII, 13.

-ocr page 708-

Uit dio aanschouwing van God gelijk Hij is, en van alles in God, onslaat noodzakelijk in de gelukzaligen eene brandende liefde tot God en de overige hemelingen, zoodat liet hun onmogelijk is God niet boven alles en in alles, on de Engelen en Heiligen gelijk zicli zeiven niet eene onuitsprekelijke liefde te beminnen.

IK; gelukzaligen, B. B., zullen hunnen God gelijkvormig zijn. quot;Wij weten, zoo spreekt de H. Joannes, dat wij, zoodra God verschijnen zal. Hem gelijkvormig zullen worden: Scimus, quoniam quum apparuerU similes ei erimus. (i) llt;;ii hij voegt er de reden bij: Want, zoo gaat de H. Joannes voort, wij zuilen Hem zien gelijk Hij is, quoniam vidchimns cum siculi es(. Vandaar dat de Roomsche Catechismus zich op de volgende wijze uitdrukt: Wij zullen als het ware als Goden zijn, daar zij, die de aanschouwing van God genieten, schoon zij hun eigen wezen behouden, met eene wonderbare en bijna goddelijke gestalte bekleed worden, zoodat men hen eer voor Goden dan menschen zou houden.

Hetgeen ik tot hiertoe over de gelukzaligheid der hemelingen gezegd beb, kan in dit één veelomvattend woord gezegd worden. De hemelingen zullen gelukkig zijn gelijk God zelf, natuurlijk niet in dezelfde oneindige mate, maar op dezelfde wijze, namelijk, door het aanschouwen en beminnen der ëéne eenige oneindige zelfstandige schoon - en beminnelijkheid, in welke schoon-en beminnelijkheid in eeuwigheid te aanschouwen en te beminnen God zelf oneindig gelukkig is. Ziedaar, B. B., waarin eigenlijk het geluk des hemels bestaat. De Catechismus vraagt:

\\\\ ut zullen de zaligen behalve hel oppersle yoed nog hebben? En hij antwoordt:

liet schoon gezelschap der Engelen, de gemeenschap van alle Heiligen; eene blijde gedachtenis van de altijddurende zalige eeuwigheid.

1) Jo.\\^, ui, 2.

-ocr page 709-

Vreugde en blijdschap, B. Ij., zal de gelukzaligen des hemels van alle kanten toestroomen: vreugde en blijdschap van hunne verheerlijkte lichamen, want deze zullen blinken boven alle klaarheid; zij zullen licht en snel zijn, boven alles wat licht en snel is; subtiel, zoodat niets hen zal kunnen beletten of tegenhouden; eindelijk, onlijdelijk en onsterfelijk; vreugde en blijdschap van de schoonheid en pracht van het hemelsch Jerusalem, dat zij bewonen; vreugde en blijdschap van hunnen Zaligmaker en Koning, den God-mensch Jesus-Christus, wiens goddelijk aanschijn zij vol liefde zullen aanschouwen; vreugde en blijdschap van Maria, hunne Moeder en Koningin, wier onuitsprekelijke schoonheid hen verrukt; vreugde en blijdschap wegens de glorietroonen waarop zij gezeten zijn, wegens de schitterende kroonen die hunne hoofden sieren; vreugde en blijdschap wegens de lofzangen waarvan de gewelven van liet hemelsch Sion zullen weergalmen; vreugde en blijdschap bij het aanschouwen van de verheerlijking hunner zegevierende broeders en zusters; ja, vreugde en blijdschap zal de ouders toestroomen bij het zien hunner verheerlijkte kinderen, de kinderen bij het zien hunner verheerlijkte ouders, en al die vreugde en blijdschap zal nog vermeerderen door de brandende liefde, waardoor zij met God en onderling vereenigd. God boven alles en in alles en elkander in - en om God in eeuwigheid zullen beminnen. O Stad Gods! O Hemelsch Sion! Hoe schoon en verrukkend zijn uwe woonzalen! Hoe overgelukzalig zijn uwe bewooners! O, B. B., richten wij onze oogen ten hemel: verlangen wij schoonheid; daar in den hemel zullen wij schitteren gelijk de zon; Fulgehunt sicüt sol. (i) Verlangen wij eer en rijkdommen; eer en rijkdommen zijn in het huis des Heeren: Gloria el divilüv in domo ejus. (2) Verlangen wij muziek; daar zingen de Engelen en Heiligen liet blijde Alleluia. Verlangen wij eten en drinken; daar zullen wij de onzichtbare spijs der

(i) Matth. xiii, 43. (ay Ps. cxi, 3.

-ocr page 710-

— 298 —

Engelen genieten, onzen dorst volkomen lesschen aan de stroomen der zuiverste genuchten. Verlangen wij gezelschap en vriendschap; daar zullen wij deel maken van de gemeenschap der Engelen en Heiligen. Alles, alles wat wij verlangen kunnen, en meer dan wij verlangen kunnen, zullen wij in den hemel in overvloed vinden. En wat de zaligheid der Hemelingen geheel en al volmaakt, is de blijde gedachtenis aan de altijddurende zalige eeuwigheid. Bijaldien de gelukzaligen maar voor het minst kondon vreezen, dat hun geluk eenmaal zoude eindigen, de hemel zoude geen hemel meer zijn, wijl de gedachte van een goed te verliezen des te pijnlijker moet wezen, hoe grooter en volmaakter dat goed is. Doch voor dat ongeluk hebben de gelukzaligen niet te vreezen; zij zijn zeker vau voor eeuwig den hemel te bezitten, en die zekerheid maakt het toppunt hunner gelukzaligheid uit.

Alle Heiligen des hemels, B. B,, zullen niet gelijk in glorie zijn, doch eenieder zal ontvangen volgens zijne verdiensten, zonder nochtans zich onderling iets te benijden; integendeel, zij zullen zich over elkanders geluk verheugen.

Eenige Heiligen zullen op eene bijzondere wijze beloond worden. Die Heiligen zijn: de Martelaars, de Leeraars en de Maagden. Zij zuilen door een teeken van glorie van de anderen onderscheiden worden, omdat zij eene bijzondere overwinning op de vijanden hunner zaligheid behaald hebben: de Martelaars op de wereld, die hen vervolgd heeft; de Leeraars op den duivel, tegen wien zij zoo kloekmoedig gestreden hebben, en de Maagden op het vleesch, wiens driften zij overwonnen hebben.

SLUITREDE.

Bij deze, B. B., kom ik mijne onderrichtingen over de vier uitersten en over gansch de christelijke leering te eindigen. Wij hebben geleerd wat wij moeten weten en doen om zalig te worden. Denken wij dikwijls aan onze bestemming; vragen

-ocr page 711-

wij ons dikwijls af, tot welk einde wij geschapen zijn, waarom wij ons in deze wereld bevinden. Wij zijn hier op aarde om God te dienen. En hoelang? Ren weinig tijds; weldra zal men van ons zeggen, hetgeen wij van zoo veel anderen zeggen: Zij zijn gestorven, zij zijn niet meer. Weldra zullen wij evenals onze voorgangers rekenschap moeten afleggen voor God van al ons doen en laten. Gelukkig de mensch, die zijnen Heer en God getrouw gediend heeft,\' die zich door de vijanden zijner zaligheid niet heeft laten bedriegen, die door hen aangevallen, den strijd kloekmoedig gestreden en de overwinning behaald heeft. Vol betrouwen mag hij op de eeuwigheid staren. Neen, voor de hol behoeft hij niet bang te zijn; integendeel, vol blijdschap mag hij zijne oogen ten hemel richten. Voorwaar, hij beeft een goeden strijd gestreden, zijne loopbaan afgelegd; hij heeft de kroon der gerechtigheid verdiend, welke de rechtvaardige Rechter hem weldra op het hoofd z;il zetten. Denken wij dus dikwijls, B. B., aan de uitersten van den mensch: aan den dood, wij ook zullen eenmaal sterven; aan het oordeel, wij ook zullen eenmaal voor den rechterstoel van Jesus-Christus moeten verschijnen om rekenschap af te leggen; aan de hel, om er door afgeschrikt te worden van de zonde die naar de hel leidt; aan den hemel, om er door aangezet te worden tot de deugd die ten hemel leidt, opdat wij in den laatsten dag des oordeels het geluk mogen hebben van ten hemel te klimmen, om daar in gezelschap van Maria, van Engelen en Heiligen in eeuwigheid te mogen loven en danken Jesus-Christus Onzen Heer, die met God den Vader in de eenheid des H. Geestes leeft en regeert in alle eeuwen der eeuwen. Amen.

EINDE VAN HET VIJFDE EN LAATSTE DEEL.

-ocr page 712-

\'s*ÊÊBÊÊSÊÊB^ jMMj^Bi^j»\'

-ocr page 713-

BLADWIJZER

Eerste Onderrichting.

Bladz.

Over de zonde..............9

I. Wat is zonde?..............9

11. Op hoevelerlei wijzen kan men zondigen? . . 13

III. Hoevelerlei is de zonde?.....14

Tweede Onderriciitinc.

Over de doodzonde......19

I. Wat is doodzonde?......19

II. Waarin bestaat de boosheid der doodzonde? . . 22

Derde Onderrichting.

Over de doodzonde......30

I, Waaruit kan men de boosheid der doodzonde best

kennen? ........ 31

II. Wat verliezen wij door de doodzonde? ... 33

Vierde Onderrichting.

Over de dagelijhsche zonde.....40

I. Wat is dagelijksche zonde?.....40

II. Wat kwaad doet ons de dagelijksche zonde? . 42

-ocr page 714-

— 302 —

Vijfde Onderrichting.

Over de hoofdzonden . I. Wal is de hoovaardigheid? II. Wat is de gierigheid? .

Bladz.

49

50

Zesde Onderrichting.

Over de hoofdzonden . I. Wat is de onkuisclilieid? II. Wat is de nijd?

III. Wat is de gulzigheid? .

59 59 61 62

Zevende Onderrichting.

Over de hoofdzonden . I. Wat is gramschap? II. Wat is de traagheid? • .

Achtste onderrichtivü.

Over de zonden tegen den 11. Geest . . . 79

I. Van Gods genade wanhopen.....81

II. Op Gods barmhartigheid zonder deugden zich

beroemen. ....... 81

III. De welbekende waarheid bestrijden ... 83

88 88

90

91

negen de on derrichting.

Over de zonden tegen den H. Geest . I. De broederlijke liefde benijden II. Hardnekkig zijn in de boosheid III. Verachten het berouw of de penitentie .

69 69

-ocr page 715-

— 303 —

Tiende Onderrichting.

Over de wraakroepende zonden .

I. Vrijwillige doodslag ..... II. Onkuischheid tegen de natuur

III. Verdrukking van armen, weduwen en weezen

IV. Onthouding van het loon der werklieden

Elfde Onderrichting.

Over de vreemde zonden .... I. Door raden . .

II. Door beschermen......

III. Door gebieden. ......

Twaalfde Onderrichting.

Over de vreemde zonden . . , . I. Door prijzen.......

II. Door mededeelen ......

III. Door behagen.......

Dertiende Onderrichting .

Over de vreemde zonden ....

I. Door niet te straffen . . . . .

II. Door niet te beletten . ■ III. Door niet over te dragen ....

Veertiende Onderrichting .

Over de deugd ....

1. Wat is de deugd? ......

II. Hoe worden de deugden verdeeld?.

III, Wat is de deugd van godsdienstigheid? .

-ocr page 716-

— 304 — Vijftiende Onderrichtiisg .

Over do kardinale deugden . I. Wat is de voorzichtigheid? . II. Wat is de rechtvaardigheid? .

III. Wat is de sterkte?.

IV. Wat is de matigheid? .

152

153

Zestiicnde Ondkrrichting .

Over de deugden tegenover de hoofdzonden I. Wat is de ootmoedigheid? . . . • II. Wat is de milddadigheid? ....

Hi.adz,

142

143

145

146

147

Zeventiende Onderrichting .

Over de deugden tegenover de hoofdzonden

Wat is de kuischheid?.....

Wat is de welwillende liefde?

Wat is de matigheid?.....

169

170 172

176 176 179 181

Achttiende Onderrichting.

Over de deugden tegenover de hoofdzonden I. Wat is de zachtmoedigheid? .... II. Wat is de ijver in het goede?

negentiende o ni )errichting.

Over de christelijke volmaaktheid I. Waarin bestaat de volmaaktheid? . II. Waarom moeten wij er ons op toeleggen? III. Welke is de weg der volmaaktheid?

160 161 162 164

I

II III

-ocr page 717-

— 305 —

Twintigste Onderrichting.

lil,adz.

Over de evangelische raden.....185

I. Waarin bestaan de evangelische raden?. . . 185

II. Hoe zijn zij de beste middelen ter volmaaktheid? . 189 III. Wie moet ze onderhouden? . . • • • 190

een - en - twintigste onderrichting.

Over de goede werken......196

I. Is de volmaaktheid mogelijk in de wereld? . . 196

II. Welke middelen moet men er toe aanwenden? . 198

Twee - en - twintigste Onderrichting.

Over de geestelijke werken van barmhartigheid 206

I. De zondaars straffen......-07

II. De onwetenden leeren......

III. Voor de zaligheid zijns naasten bidden . . . 208

IV. De twijfelachtigen goeden raad geven . . • 209

V. De bedroefden troosten......210

VI. Het onrecht verduldig lijdon.....210

VII. Hetgeen tegen ons misdaan is vergeven. . ■ 210

Drie - kn - twintigste Onderrichting.

Over de broederlijke berisping . . ■ • 216

I. Waarin bestaat de broederlijke berisping? . . 216

II. Wanneer moet zij geschieden? . . • ■ 218

III. Hoe moet zij geschieden? . . . • • 219

Vier - en - twintigste Onderrichting.

Over de lichamelijke werken van barmhartigheid 220

I. De hongerigen spijzen......quot;6

II. De dorstigen laven.......

III. De naakten kleeden......

gei.ooks- en zbdexi.ect!, w* dkei,, 20.

-ocr page 718-

— 304 —

Vijftiende Onderrichting

Over do kardinale deugden .

I. Wat is de voorzichtigheid? .

II. Wat is de rechtvaardigheid? .

III. Wat is de sterkte?.

IV. Wat is de matigheid? .

Zestiknde Onderrichting.

Over de deugden tegenover de hoofdzonden I. Wat is de ootmoedigheid? .... II. Wat is de milddadigheid? . • • ■

hl.adz,

142

143

145

146

147

152

153

155

zevent1ende onderrichting.

Over de, deugden tegenover de hoofdzonden . 160

I. Wat is de kuischheid?......

II. Wat is de welwillende liefde? . . • • III. Wat is de matigheid?......1,11

Achttiende Onderrichting.

Over de deugden tegenover de hoofdzonden . 169

I. Wat is de zachtmoedigheid?.....1,0

II. Wat is de ijver in het goede? ....

172

Negentiende Onderrichting.

Over de christelijke volmaaktheid ■ . . 17(5

I. Waarin bestaat de volmaaktheid? . . . •

II. Waarom moeten wij er ons op toeleggen? . . 179

III. Welke is de weg der volmaaktheid? . . . 181

-ocr page 719-

— 305 —

Twintigste Onderrichting.

Bï,\\dz.

Over de evangelische raden.....185

I. Waarin bestaan de evangelische raden?. . . 185 II. Hoe zijn zij de beste middelen ter volmaaktheid?. 189

III. Wie moet ze onderhouden?.....190

een - en - twintigste onderrichting.

Over de goede werken......l\'^\'

I. Is de volmaaktheid mogelijk in de wereld? . . 106

II. Welke middelen moet men er toe aanwenden? . 198

Twee - en - twintigste Onderrichting.

Over de geestelijke werken van barmhartigheid 206

I. De zondaars stralfen......\'~07

II. De onwetenden leeren......2D7

III. Voor de zaligheid zijns naasten bidden . . . 208

IV. De twijfelachtigen goeden raad geven . . • 209

V. De bedroefden troosten ....•• 210

VI. Het onrecht verduldig lijden.....210

VII. Hetgeen tegen ons misdaan is vergeven. . • 210

Drie - en - twintigste Onderrichting.

Over de broederlijke berisping . ■ ■ ■ 216

I. Waarin bestaat de broederlijke berisping? . . 216

II. Wanneer moet zij geschieden? .... 218

III. Hoe moet zij geschieden?.....219

Vier - en - twintigste Onderrichting.

Over de lichamelijke werken van barmhartigheid 2\'J6

I. De hongerigen spijzen......

II. De dorstigen laven.......quot;I)

III. De naakten kleeden........\'

GüI.OOFS- EN ZBDENt.ERR. 5,lc DEEL. 20.

-ocr page 720-

— .300 —

IV. De vreemdelingen herbergen

V. De zieken bezoeken

VI. De gevangenen verlossen VIL De dooden begraven

23.quot;) 235 237 239

244

245 240 240

248

d

253

254

255

256 256

202 263 204 206

Vijf - en - twintigste Onderrichting.

Over de aalmoes......

I. Is men verplicht aalmoezen te geven? .

II. Wie is er toe verplicht? .... III. Wat is er aan de aalmoes verbonden? .

Zes - en - twintigste Onderrichting.

Over de acht zaligheden . . ■ •

I. Zalig zijn de armen van geest

II. Zalig zijn de zachtmoedigen . . . •

III. Zalig zijn de droevigen.....

IV. Zalig zijn de hongerigen en dorstigen naar

gerechtigheid......

Zeven - en - twintigste Onderrichting.

Over de acht zaligheden . . . ■

I. Zalig zijn de barmhartigen ....

II. Zalig zijn de zuiveren van harte .

III. Zalig zijn de vreedzamen . . . •

IV. Zalig zijn de vervolgden om de gerechtigheid

Acht - en - twintigste Onderrichting

Over den dood.....

I. Wat is de dood?.....

II. De dood is zeker en onzeker .

III. Hoe men sterft . . • ■

Bi.adz.

227

227

228 229

-ocr page 721-

— 307 —

Negen - en - twintigste Onderrichting.

Bladz.

Over het oordeel.......273

I. Welke teekenen zullen het algemeen oordeel

voorafgaan?.......274

II. Wat is het algemeen oordeel? .... 275

III. Wat zal er op volgen?......278

Dertigste Onderrichting.

Over de hel........282

I. Wat is de hel?.......283

II. Wat lijden de verdoemden in de hel? . . . 284

Een - en - dertigste Onderrichting.

Over den hemel.......293

I. Wat is de hemel?.......294

II. Waarin bestaat het geluk des Hemels? . . . 294

EINDE DER TAFEL VAN HET VIJFDE EN LAATSTE DEEL

-ocr page 722-
-ocr page 723-

DRUKFEILEN

EERSTE DEEL.

10

boven

4 slaat

het bcslc

lees het best.

21

8

is

quot; in.

31

»»

14

n

hem

v hen.

43

v

I

quot;

ter ruste

quot; ter rust.

43

onder

10

n

in \'t een of ander

« in \'t een of

\'t ander.

88

lt;.

9

..

naar

•gt; maar.

95

9

zich

gt;■ elkander.

07

9

»

zoude

■\' zouden.

116

boven

5

bestaan

quot; wezen.

130

13

»

zijnen toil

.. zijn wezen.

150

onder

8

»

Seraphienen

«gt; Serafijnen.

155

boven

7

hruischende

v bruisende.

174

onder

7

Gomorha

•. Gomorrha.

204

boven

8

»»

de kreet

quot; den kreet.

274

♦»

8

dien

» die.

279

«

3

M

welgeleerde

quot; loetgeleerde.

293

1(3

gt;.

dien

315

9

i)

kruislten

» kruisten.

371

6

christen

» christelijken.

(ook elders)

385 onder

3

meos

« meas.

395

boven

9

«

Diakenaal

■gt; Diaconaat.

411

omler

O

Ï5

henteekens

quot; kent eekenen

(ook elders).

-ocr page 724-

— II —

BI.

427 boven

14

kenmerk

« kent ee kei t.

440 onder

7

in Sicilië

quot; in Frankrijk.

?gt;

463 boven

16

koning

koninh.

M

481 onder

4

eenieders

quot; eens ieders.

481)

9

dien vasten

gt;gt; dat vasten.

M

501

4

Ego et

quot; Ego te.

\'»

533 boven

«3

blijft

» blijft voor

eeuwig.

IJ

539 »

sterven

» streven.

TWEEDE DEEL.

BI.

95 boven

17

staat

te ruste

lees ter rust.

5gt;

99

13

rasschc

quot; rasche.

148 »

11

tot

» ter.

»J

193 »

3

van de ouders

» voor de ouders

222 onder

14

v

werden

i. werd.

242 boven

6

oorlogsvlot

quot; oorlogsvloot.

J5

256 onder

14

door de werking

« rfoor bijzonder

werking.

»

209 boven

16

omdat het

quot; omdat zij-

DERDE DEEL.

BI.

10 onder

10 staat

groote

lees groot.

12 . quot;

11

gebed

« gebod.

»

15 »

12

nog

« noch.

Ïgt;

16 quot;

14

den trouw

quot; de trouw.

24 quot;

2

en onvolmaakte

ii en de onvol

maakte.

26 boven

11

beste

ii hesten.

53 onder

6

?gt;

den drift

\'i de drift.

-ocr page 725-

BI. 183 boven 2 » bedrijgingen

gt;• 219 onder 4 quot; van

» 245 boven 1 v en den

- 234 quot; 10 ..

quot; 303 boven 8 » 340 quot; 7 quot; 357 onder 4

schouwburgen en

te bezoeken en. quot; 292 onder 14 » es het » «s zij.

die er in als quot; die er als in. zelfs quot; zelf.

negende en tiende » negende en het

tiende.

lt;gt; bedreig ing en.

» aan.

•gt; en die den

quot; ■schouwburgen

hemelsehen

» 433 boven 3

quot; 445 onder 1 quot; 479 \'gt; 10

•-gt; hemelsehen

Vader. » van der.

van den

desaangaande » dienaangaande

VIERDE DEEL.

20

onder

12 staat

teekens

lees teekenen.

23

boven

6 »

alle

» de.

53

19 •gt;

hezweerd

quot; bezworen.

05

4 v

het gebruik

» de ceremonie.

125

onder

12 »

remonstrans

» monstrans.

129

0 »

gedurende

» gedurige.

145

1 »

ons

•gt; zijn.

206

M

11 »

de credo

den credo.

219

boven

4 ..

aan

» ««n.

237

55

13 »

men

quot; %\'•

290 onder

3 quot;

open voort ons » opent de poorten

294

8

knagende

» knagenden.

350

boven

0 •gt;

geneesmiddel

» behoedmiddel.

382

55

13

ivat goed

-ocr page 726-

__ IV —

VIJFDE DEEL.

BI 128 onder 11 staat ongerustig lees ongerust. „ 136 « 3 « lijden « leiden.

.. 186 boven 18 » aan » dan.

-ocr page 727-

• -v

. .

. * •

• .•./. ■ ■ . • .■••.. . .

■KJ-

■ \'

-

\' ■• ■ A\' V-.

\' . ■ -

■ . quot; ■ , ■ ■■

■ ■■■ , . ■

, , ■ , v:

,;:- ■-■ \'■ . . ■•\'■ \' \' ■

\' ■; . - ;• -f

•• \' quot; A ■- ••• \'• , ;

.:.................

1.\' Sii .

-ocr page 728-
-ocr page 729-